# Open Vertaling — volledige tekst met kanttekeningen

> De Open Vertaling: de Statenvertaling (editie 1888) herzien naar hedendaags Nederlands, met de kanttekeningen eveneens herzien. Licentie: CC0 1.0, publiek domein (https://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0/). Bron: https://openvertaling.nl/markdown/

## Genesis

### Genesis 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/1.json)

*God schept de hemel en de aarde, vers 1-2, en het licht, op de eerste dag, 3. Op de tweede dag het uitspansel, met scheiding van de onderste en bovenste wateren, 6. Op de derde scheidt Hij het droge en de wateren, 9. Hij schept gras en vruchtbare bomen, 11. Op de vierde dag de zon, maan en sterren, 14. Op de vijfde dag kleine en grote vissen, en het gevogelte, met zegening, 20. Op de zesde dag het gedierte van de aarde, 24. En ten slotte de mens, man en vrouw, naar Zijn beeld, en geeft hun heerschappij en Zijn zegen, 26. Ook onderscheidt Hij het voedsel van de mens en van de dieren, 29. Hij noemt al Zijn schepselen goed, 31.*

**1** In[^genesis-1-1-1][^genesis-1-1-a] het begin[^genesis-1-1-2] schiep God de[^genesis-1-1-3] hemel en de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v1)

**2** De[^genesis-1-2-4] aarde nu was[^genesis-1-2-5] woest en leeg, en duisternis was[^genesis-1-2-6] op de afgrond; en de[^genesis-1-2-7] Geest van God[^genesis-1-2-8] zweefde[^genesis-1-2-9] op de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v2)

**3** En God[^genesis-1-3-10] zei: Daar zij[^genesis-1-3-11] licht! en daar werd licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v3)

**4** En God[^genesis-1-4-12] zag het licht, dat het[^genesis-1-4-13] goed was; en God[^genesis-1-4-14] maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v4)

**5** En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was[^genesis-1-5-15] het avond geweest, en het was morgen geweest, de[^genesis-1-5-16] eerste dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v5)

**6** [^genesis-1-6-b] En God zei: Daar zij een[^genesis-1-6-17] uitspansel in het midden van de wateren; en[^genesis-1-6-18] dat make scheiding tussen[^genesis-1-6-19] wateren en wateren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v6)

**7** En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren,[^genesis-1-7-20] die[^genesis-1-7-c] onder het uitspansel zijn, en tussen de[^genesis-1-7-21] wateren, die[^genesis-1-7-d] boven het uitspansel zijn. En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v7)

**8** En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v8)

**9** En God zei:[^genesis-1-9-e] Dat de wateren van onder de hemel in één plaats verzameld worden,[^genesis-1-9-22] en dat het droge gezien worde! En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v9)

**10** En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij[^genesis-1-10-23] zeeën; en God zag, dat het goed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v10)

**11** En God zei: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes,[^genesis-1-11-24] kruid zaadzaaiend,[^genesis-1-11-25] vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, waarvan het zaad daarin zij op de aarde! En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v11)

**12** En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiend naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v12)

**13** Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v13)

**14** En God zei:[^genesis-1-14-f] Dat[^genesis-1-14-26] er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en[^genesis-1-14-27] dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v14)

**15** [^genesis-1-15-g] En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v15)

**16** God dan maakte[^genesis-1-16-28] die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat[^genesis-1-16-29] kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v16)

**17** En God[^genesis-1-17-30] stelde ze in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v17)

**18** En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v18)

**19** Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v19)

**20** En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen[^genesis-1-20-31] een gewemel van levende[^genesis-1-20-32] zielen; en het gevogelte vliege boven de[^genesis-1-20-33] aarde, in het uitspansel van de hemel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v20)

**21** En God[^genesis-1-21-34] schiep de grote walvissen, en alle levende[^genesis-1-21-35] wemelende ziel, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle[^genesis-1-21-36] gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v21)

**22** En God[^genesis-1-22-37] zegende ze,[^genesis-1-22-h] zeggende: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v22)

**23** Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v23)

**24** En God zei: De aarde brenge levende[^genesis-1-24-38] zielen voort, naar haar aard,[^genesis-1-24-39] vee, en[^genesis-1-24-40] kruipend, en wild gedierte van de aarde, naar zijn aard! En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v24)

**25** En God maakte het wild gedierte van de aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v25)

**26** En God zei:[^genesis-1-26-41] Laat Ons[^genesis-1-26-42] mensen maken,[^genesis-1-26-43] naar Ons[^genesis-1-26-44] beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over[^genesis-1-26-45] de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over[^genesis-1-26-46] het vee, en over de hele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v26)

**27** En God schiep de mens[^genesis-1-27-i] naar Zijn beeld; naar het beeld[^genesis-1-27-47] van God schiep Hij hem;[^genesis-1-27-k] man en vrouw schiep Hij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v27)

**28** En God[^genesis-1-28-48] zegende hen, en God zei tot hen:[^genesis-1-28-l] Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de aarde, en onderwerp haar, en heb heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde[^genesis-1-28-49] kruipt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v28)

**29** En God zei: Zie,[^genesis-1-29-m] Ik heb u al het zaadzaaiend kruid gegeven, dat[^genesis-1-29-50] op de hele aarde is, en alle geboomte, in dat zaadzaaiend boomvrucht is; het zij u tot voedsel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v29)

**30** [^genesis-1-30-n] Maar aan al het gedierte van de aarde, en aan al het gevogelte van de hemel, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is,[^genesis-1-30-51] heb Ik al het groene kruid tot voedsel[^genesis-1-30-52] gegeven. En het was zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v30)

**31** En God zag al wat Hij gemaakt had, en[^genesis-1-31-53] ziet,[^genesis-1-31-o] het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/1.html#v31)

[^genesis-1-1-1]: Kanttekening 1: Van de tijd van de schepping van alle schepselen, die door de schepping in het bestaan zijn gekomen; omdat zij daarvoor niet bestonden, maar alleen God, die zonder begin is. Ps. 90:2, Spr. 8:22-23, Kol. 1:17. Vergelijk dit met Joh. 1:1.
[^genesis-1-1-a]: Verwijzing a: Job 38:4, Ps. 33:6, 89:12, 136:5, Hand. 14:15, 17:24, Hebr. 11:3.
[^genesis-1-1-2]: Kanttekening 2: Scheppen betekent in dit hoofdstuk en elders: iets voortreffelijks maken dat er eerder niet was; hetzij uit niets (vers 1), of uit iets anders dat uit niets geschapen was (vers 21, 27). Over het Hebreeuwse woord Elohim (אֱלֹהִים), dat is God, zie hfdst. 20, bij vers 13.
[^genesis-1-1-3]: Kanttekening 3: Met hemel, of hemelen (dit woord wordt bij de Hebreeën niet in het enkelvoud gebruikt) en aarde, kan men in dit eerste vers verstaan: de hemel en aarde zoals ze op de eerste dag zijn geschapen, of de hele wereld met alle hemelse en aardse schepselen daarin begrepen. Vgl. Gen. 2:1.
[^genesis-1-2-4]: Kanttekening 4: Versta hier door dit woord de aarde die nu is, maar dan zoals ze in het begin op de eerste dag geschapen was, en niet zoals ze door het verdere scheppingswerk geworden is.
[^genesis-1-2-5]: Kanttekening 5: Hebr. tohu vavohu (תֹּהוּ וָבֹהוּ), woestheid of vormeloosheid, en leegheid of ijdelheid. Dit wordt van de aarde gezegd omdat zij was zonder enige gedaante, orde, onderscheid, sieraad, gebruik en bewoners, die er later in geschapen zijn. Met deze Hebreeuwse woorden wordt elders in de Heilige Schrift de uiterste verwoesting, vormeloosheid, ijdelheid, nietigheid of leegheid uitgedrukt. Zie Deut. 32:10, 1 Sam. 12:21, Job 12:24, Ps. 107:40, Jes. 34:11, 44:9, Jer. 4:23.
[^genesis-1-2-6]: Kanttekening 6: Hebr. al-penei tehom (עַל־פְּנֵי תְהוֹם), op het aangezicht van de afgrond. Dat is: op het diepe en ondoorgrondelijke water, dat de aarde bedekte als een kleed en boven de bergen stond. Ps. 104:6. Zie 2 Petr. 3:5.
[^genesis-1-2-7]: Kanttekening 7: Versta hier door het woord Geest de Heilige Geest; niet de wind, die nog niet geschapen was.
[^genesis-1-2-8]: Kanttekening 8: Of: bewoog zich. Dat wil zeggen: om het eerste bestaan en de gestalte van de aarde en wateren, zoals die toen was, te onderhouden, opdat zulke voortreffelijke schepselen door de kracht van de Geest daaruit voortgebracht zouden worden. Het lijkt een vergelijking, ontleend aan vogels die de eieren uitbroeden om de jongen eruit te laten komen, en daarna met hun vleugels erover zweven om ze te koesteren en groot te brengen. Zie Deut. 32:11.
[^genesis-1-2-9]: Kanttekening 9: Hebr. op het aangezicht van de wateren. Dat is: op het oppervlak van de wateren die de aarde bedekten.
[^genesis-1-3-10]: Kanttekening 10: Gods spreken is zijn wil, zijn bevel en zijn daad. Ps. 33:9, 148:5. Die Hij heeft uitgevoerd door zijn wezenlijk Woord, dat van eeuwigheid af God was en bij God was. Joh. 1:1-2, Ps. 33:6.
[^genesis-1-3-11]: Kanttekening 11: Een helder, stralend, luchtig wezen dat de duistere massa verlichtte en door zijn omloop dag en nacht maakte.
[^genesis-1-4-12]: Kanttekening 12: God beschouwde zijn schepping als goed.
[^genesis-1-4-13]: Kanttekening 13: Goed wordt hier datgene genoemd wat God aangenaam, op zichzelf mooi en lieflijk, en voor de schepselen, vooral de mensen, nuttig en dienstig is.
[^genesis-1-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk zo, dat het licht de duisternis en de duisternis het licht opvolgden, om nacht en dag te maken.
[^genesis-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat is: nacht en dag samen vormden één natuurlijke dag, die bij de Hebreeën begon met de avond (zoals de duisternis voorafging) en eindigde met de volgende avond, en 24 uur omvatte.
[^genesis-1-5-16]: Kanttekening 16: Hebr. één dag. Maar het is zeer gebruikelijk bij de Hebreeën om 'één' in plaats van 'eerste' te zetten, zoals in Gen. 8:5, Num. 29:1, Matt. 28:1, 1 Kor. 16:2.
[^genesis-1-6-b]: Verwijzing b: Ps. 33:6, 104:2, 136:5, Spr. 8:28, Jes. 42:5, Jer. 10:12, 51:15.
[^genesis-1-6-17]: Kanttekening 17: Hebr. raqia (רָקִיעַ), van raqa (רָקַע), uitspannen of uitrekken. Hiermee wordt de hele ruimte tussen de onderste en bovenste wateren bedoeld.
[^genesis-1-6-18]: Kanttekening 18: Hebr. dat het scheiding makend zij.
[^genesis-1-6-19]: Kanttekening 19: Die in het volgende vers verklaard worden.
[^genesis-1-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk op en in de aarde. Hebr. die van onder, enz. Zo ook vers 9.
[^genesis-1-7-c]: Verwijzing c: Ps. 33:7, 136:6, Spr. 8:24.
[^genesis-1-7-21]: Kanttekening 21: Hebr. de wateren die van boven, enz. Dat wil zeggen: de wolken, die boven het onderste deel van dit uitspansel drijven, of eventuele andere wateren die na de scheiding hun plaats boven hebben ingenomen.
[^genesis-1-7-d]: Verwijzing d: Ps. 148:4.
[^genesis-1-9-e]: Verwijzing e: Job 38:8, 26:10, Ps. 24:2, 33:7, 136:6.
[^genesis-1-9-22]: Kanttekening 22: Hieruit blijkt dat de hele aardbodem eerder met water bedekt was, zelfs de bergen, zoals hierboven bij vers 2 is aangetekend.
[^genesis-1-10-23]: Kanttekening 23: Er staat niet 'zee' maar 'zeeën', omdat met dit woord bij de Hebreeën niet alleen de Grote Zee bedoeld wordt (Pred. 1:7), maar ook andere zeeën, poelen, meren en alle verzamelingen van wateren. Zie Gen. 14:3, Ex. 14:23, Num. 34:11, Matt. 4:18, Joh. 21:1 en elders.
[^genesis-1-11-24]: Kanttekening 24: Dat is: dat zaad voortbrengt, draagt, geeft en uitwerpt. Zo ook in vers 12 en 29.
[^genesis-1-11-25]: Kanttekening 25: Hebr. ets peri (עֵץ פְּרִי), geboomte van de vrucht.
[^genesis-1-14-f]: Verwijzing f: Ps. 136:7.
[^genesis-1-14-26]: Kanttekening 26: Zie Ps. 74:16.
[^genesis-1-14-27]: Kanttekening 27: Dat is: om te dienen voor het aangeven van de verschillende seizoenen, zoals lente, zomer, herfst en winter; de verlenging, verkorting en gelijkheid van de dagen; eclipsen, enzovoort. En ook om bepaalde dagen, weken, maanden en jaren waar te nemen en te onderhouden, zowel in kerkelijke als in politieke en burgerlijke aangelegenheden die dit leven betreffen.
[^genesis-1-15-g]: Verwijzing g: Deut. 4:19, Jer. 31:35.
[^genesis-1-16-28]: Kanttekening 28: Namelijk de zon en de maan, die groot worden genoemd met het oog op hun uiterlijke verschijning zoals die ons in de ogen valt, en hun bijzondere werking.
[^genesis-1-16-29]: Kanttekening 29: Namelijk in vergelijking met de zon.
[^genesis-1-17-30]: Kanttekening 30: Hebr. gaf ze.
[^genesis-1-20-31]: Kanttekening 31: Hebr. sherets (שֶׁרֶץ), gewemel. Het Hebreeuwse woord wordt hier gebruikt voor dieren die in de zee en andere wateren door te zwemmen zich voortbewegen, hoewel het ook gebruikt wordt voor vliegend gedierte in de lucht (Lev. 11:20) en voor kruipende dieren op de aarde (ook vers 44).
[^genesis-1-20-32]: Kanttekening 32: Hebr. nefesh (נֶפֶשׁ), ziel. Hieronder worden verstaan de dieren die leven en voelen, en zich daardoor voortbewegen.
[^genesis-1-20-33]: Kanttekening 33: Hebr. al-penei (עַל־פְּנֵי), in (of naar) het aangezicht van het, enz.
[^genesis-1-21-34]: Kanttekening 34: Zie de aantekening bij vers 1.
[^genesis-1-21-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen zwemmende dieren, zoals hier en in Lev. 11:46, Ps. 69:35, maar ook wat op de aarde kruipt of met het verheffen van de poten erop gaat en treedt, zoals in vers 24, 25, 26, 28, 30, hfdst. 6:20, 7:8 en Ps. 104:20.
[^genesis-1-21-36]: Kanttekening 36: Hebr. kol-of kanaf (כָּל־עוֹף כָּנָף), alle vogels van de vleugel. Zo ook Ps. 78:27.
[^genesis-1-22-37]: Kanttekening 37: Dat is: God gaf ze de kracht om hun soort door voortplanting in stand te houden en talrijk te worden. Zie vers 28 en elders.
[^genesis-1-22-h]: Verwijzing h: Gen. 8:17.
[^genesis-1-24-38]: Kanttekening 38: Hebr. ziel (נֶ֫פֶשׁ). Zie boven, vers 20.
[^genesis-1-24-39]: Kanttekening 39: Hebr. behemah (בְּהֵמָה). Het Hebreeuwse woord betekent hier alle tamme, viervoetige dieren die onder de mensen verkeren en hun tot dienst, voedsel en kleding strekken.
[^genesis-1-24-40]: Kanttekening 40: Zie boven, bij vers 21.
[^genesis-1-26-41]: Kanttekening 41: God spreekt in het meervoud, zoals Hij ook direct daarna doet met 'naar ons beeld, naar onze gelijkenis'. Hiermee wordt de goddelijke drie-eenheid en de waardigheid van dit laatste schepsel, de mens, aangewezen.
[^genesis-1-26-42]: Kanttekening 42: Dat is: man en vrouw, zoals blijkt uit het vervolg dat zij heerschappij hebben, en uit vers 27 en hfdst. 5:2.
[^genesis-1-26-43]: Kanttekening 43: Hebr. betsalmenu (בְּצַלְמֵנוּ), in ons beeld.
[^genesis-1-26-44]: Kanttekening 44: Deze twee woorden schijnen dezelfde betekenis te hebben, omdat in dit verband soms het ene in de plaats van beide gesteld wordt. Zie het volgende vers en hfdst. 5:1. Met beeld en gelijkenis wordt vooral verstaan: de ware kennis van God (Kol. 3:10), ware gerechtigheid en heiligheid (Ef. 4:24).
[^genesis-1-26-45]: Kanttekening 45: Hebr. dag (דָּג), vis, dat is: vissen. Zo ook vers 28.
[^genesis-1-26-46]: Kanttekening 46: Dit woord wordt hier ruimer genomen dan in vers 24, waar het onderscheiden wordt van het wilde gedierte, dat hier onder het Hebreeuwse woord 'behema' (בְּהֵמָה֙) begrepen is.
[^genesis-1-27-i]: Verwijzing i: Gen. 5:1, 9:6, 1 Kor. 11:7, Ef. 4:24, Kol. 3:10.
[^genesis-1-27-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: niet naar het evenbeeld van de mens die geschapen werd (zoals de voorgaande woorden zouden kunnen worden opgevat), maar naar het beeld van God die hem geschapen heeft. Vergelijk hfdst. 5:1 en 9:6.
[^genesis-1-27-k]: Verwijzing k: Matt. 19:4.
[^genesis-1-28-48]: Kanttekening 48: Zie de aantekening bij vers 22, hoewel dit woord hier meer omvat volgens de tekst zelf.
[^genesis-1-28-l]: Verwijzing l: Gen. 8:17, 9:1, 3.
[^genesis-1-28-49]: Kanttekening 49: Zie boven, bij vers 21.
[^genesis-1-29-m]: Verwijzing m: Gen. 9:3, Ps. 104:14-15.
[^genesis-1-29-50]: Kanttekening 50: Hebr. op het aangezicht van de, enz.
[^genesis-1-30-n]: Verwijzing n: Ps. 104:14.
[^genesis-1-30-51]: Kanttekening 51: Hebr. kol-yereq esev (כָּל־יֶרֶק עֵשֶׂב), alle groente of groensel van het kruid.
[^genesis-1-30-52]: Kanttekening 52: Dit woord is hier ingevoegd uit het voorgaande vers.
[^genesis-1-31-53]: Kanttekening 53: Deze woorden 'zie' en 'zeer' zijn door Mozes hier toegevoegd om des te beter de grootheid en voortreffelijkheid van dit werk uit te drukken, alsook het bijzondere welgevallen van God dat Hij heeft gehad in al zijn werk, en in het bijzonder in de schepping van de mens.
[^genesis-1-31-o]: Verwijzing o: Deut. 32:4, Mark. 7:37.

### Genesis 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/2.json)

*God rust op de zevende dag, vers 1-2. Hij zegent en heiligt die, 3. Hij stelt natuurlijke middelen in voor de vruchtbaarheid van de aardbodem, 5. Uitgebreider verhaal van de schepping van de mens naar lichaam en ziel, 7. God plaatst de mens in het paradijs, 8, dat beschreven wordt met zijn rivieren, 9. Verbod met betrekking tot de boom van de kennis van goed en kwaad, 17. Adam geeft de dieren hun naamn, 19. Uitvoeriger verhaal van de schepping van de vrouw, 21, die door Adam herkend en met bijzonder genoegen aangenomen wordt, 23. De huwelijkse staat, 24. Naaktheid van de mensen, 25.*

**1** Zo zijn volbracht de[^genesis-2-1-1] hemel en de aarde, en[^genesis-2-1-2] al hun leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v1)

**2** [^genesis-2-2-a] Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had,[^genesis-2-2-3] heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v2)

**3** En God[^genesis-2-3-4] heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op die gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had,[^genesis-2-3-5] om te volmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v3)

**4** Dit is[^genesis-2-4-6] de wordingsgeschiedenis van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als[^genesis-2-4-7] God YHWH de aarde en de hemel maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v4)

**5** En alle struik van het[^genesis-2-5-8] veld, voordat hij in de aarde was, en al het kruid van het veld, voordat het uitsproot;[^genesis-2-5-9] want God YHWH had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om de aardbodem te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v5)

**6** [^genesis-2-6-10] Maar[^genesis-2-6-11] een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde[^genesis-2-6-12] de hele aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v6)

**7** En God YHWH had de mens[^genesis-2-7-13] gevormd[^genesis-2-7-14] uit[^genesis-2-7-b] het stof van de[^genesis-2-7-15] aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens[^genesis-2-7-c] tot een[^genesis-2-7-16] levende ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v7)

**8** Ook had God YHWH een[^genesis-2-8-17] hof[^genesis-2-8-18] geplant in[^genesis-2-8-19] Eden,[^genesis-2-8-20] tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij gevormd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v8)

**9** En God YHWH had alle geboomte uit de aarde doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en[^genesis-2-9-21] goed tot voedsel; en[^genesis-2-9-d] de boom[^genesis-2-9-22] van het leven in het midden van de hof, en de[^genesis-2-9-23] boom van de kennis van het goed en van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v9)

**10** En[^genesis-2-10-24] een rivier was voortgaande[^genesis-2-10-25] uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd[^genesis-2-10-26] tot vier hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v10)

**11** De naam van de eerste rivier is[^genesis-2-11-27] Pison; deze is het, die het hele land van[^genesis-2-11-28] Havila[^genesis-2-11-29] omloopt, waar het goud is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v11)

**12** En het goud van dit land is goed; daar is[^genesis-2-12-30] ook bedolah, en de steen[^genesis-2-12-31] sardonix. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v12)

**13** En de naam van de tweede rivier is[^genesis-2-13-32] Gihon; deze is het, die het hele land[^genesis-2-13-33] Cusch omloopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v13)

**14** En de naam van de derde rivier is[^genesis-2-14-34] Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van[^genesis-2-14-35] Assur. En de vierde rivier is[^genesis-2-14-36] Frath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v14)

**15** Zo nam God YHWH de mens, en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen, en die te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v15)

**16** En God YHWH gebood de mens, zeggende: Van alle boom van deze hof zult u vrij eten;[^genesis-2-16-37][^genesis-2-16-38][^genesis-2-16-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v16)

**17** Maar van de boom van de kennis van het goed en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u[^genesis-2-17-40] de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v17)

**18** Ook had God YHWH gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken,[^genesis-2-18-41] die als tegen hem over zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v18)

**19** Want als God YHWH uit de aarde al het gedierte van het veld, en al het gevogelte van de hemel gemaakt had,[^genesis-2-19-42] zo bracht Hij[^genesis-2-19-43] die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle[^genesis-2-19-44] levende ziel noemen zou,[^genesis-2-19-45] dat zou haar naam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v19)

**20** Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte van de hemel, en van al het gedierte van het veld;[^genesis-2-20-46] maar voor de mens vond hij geen hulp, die als tegen hem over was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v20)

**21** Toen deed God YHWH een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben, en[^genesis-2-21-47] sloot hun plaats toe met vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v21)

**22** En God[^genesis-2-22-48] YHWH bouwde de ribbe, die Hij[^genesis-2-22-e] van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v22)

**23** Toen zei Adam:[^genesis-2-23-49] Deze is ditmaal[^genesis-2-23-f] been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v23)

**24** [^genesis-2-24-g] Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder[^genesis-2-24-50] verlaten, en zijn vrouw aankleven;[^genesis-2-24-h] en zij zullen tot één vlees zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v24)

**25** En zij waren beiden[^genesis-2-25-i] naakt, Adam en zijn vrouw; en[^genesis-2-25-51] zij schaamden zich niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/2.html#v25)

[^genesis-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de lucht, de hemel, de zon, maan en sterren, en ook de derde hemel met zijn inwoners, de heilige engelen, zoals zij ook het leger van de hemel genoemd worden, 1 Kon. 22:19. Vergelijk Gen. 1:1.
[^genesis-2-1-2]: Kanttekening 2: De schepselen die in hemel en aarde begrepen zijn, worden een legermacht genoemd, niet alleen vanwege hun grote aantal en verscheidenheid, goede orde en bijzondere sieraad, maar ook omdat zij door God als hun Overste onderhouden en bestuurd worden, en Hem steeds ten dienste moeten staan. Zo ook Ps. 103:21, Jes. 45:12.
[^genesis-2-2-a]: Verwijzing a: Ex. 20:11 en 31:17. Deut. 5:14. Hebr. 4:4.
[^genesis-2-2-3]: Kanttekening 3: Het woord 'rustte' betekent dat God ophield met het scheppen van nieuwe soorten dingen; niet dat Hij moe was van het werken. Hij werkt nog steeds in het onderhouden en besturen daarvan. Jes. 40:28, Joh. 5:17.
[^genesis-2-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: God heeft hem verheven boven de andere dagen, en waardiger gemaakt dan die. Vergelijk het woord 'zegenen' met Gen. 24:31. De waardigheid ligt in het gebruik, dat door het volgende woord 'heiligen' aangegeven wordt, wat betekent: iets dat gewoon is, tot een heilig gebruik afzonderen. Zo ook Ex. 13:2, Lev. 8:10, Num. 7:1, 1 Kon. 8:64 enz.
[^genesis-2-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: om voor zulke doeleinden en gebruiken als met Gods Wijsheid overeenkomen, naar ieders aard op de sierlijkste en geschiktste manier in te richten, zoals zij nu zijn. Anders: scheppend gemaakt had.
[^genesis-2-4-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: oorsprongen, of beginselen. Vergelijk Ps. 90:2 met de aantekening.
[^genesis-2-4-7]: Kanttekening 7: Na de voltooiing van het scheppingswerk wordt hier voor het eerst aan God de naam YHWH gegeven, die betekent: de Zelfstandige, Zelfbestaande, die van Zichzelf is van eeuwigheid tot eeuwigheid, en de oorsprong of oorzaak van het bestaan van alle dingen. Daarom komt deze naam alleen de ware God toe. Onthoud dit eens en voor altijd: overal waar u voortaan het woord YHWH geschreven vindt, staat daar in het Hebreeuws het woord YHWH (יהוה, Jahweh), of korter Jah (יָהּ, Jah).
[^genesis-2-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk vóór hun schepping, toen ze nog niet bestonden.
[^genesis-2-5-9]: Kanttekening 9: De bedoeling is dat God de planten, zoals kruiden, struiken en bomen, uit de aarde had laten voortkomen bij de schepping op de derde dag, alleen door Zijn almachtige Woord, zonder enig middel, noch van de regen uit de lucht, noch van de arbeid van de mensen, die toen nog niet bestonden.
[^genesis-2-6-10]: Kanttekening 10: Te weten, nu of daarna: want Mozes verhaalt hier het gewone middel dat God in de natuur heeft ingesteld om kruiden, struiken en bomen uit de aarde voort te brengen, namelijk de damp die de regen veroorzaakt en de aardbodem bevochtigt.
[^genesis-2-6-11]: Kanttekening 11: Die door de hitte van de zon uit het water en de aarde omhooggetrokken wordt, stijgt tot in de middelste lucht, waar hij door de koude daarvan in wolken verandert, en daarna weer losbreekt en regen wordt; waarmee de aardbodem dan bevochtigd wordt.
[^genesis-2-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: het hele aangezicht van de aardbodem.
[^genesis-2-7-13]: Kanttekening 13: Of: gevormd, of gefatsoeneerd. Namelijk zoals een pottenbakker uit klei iets vormt; zoals Jes. 45:9, Rom. 9:20-21. Versta dit met betrekking tot het lichaam van de mens.
[^genesis-2-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws: stof (עָפָר֙) uit de aardbodem.
[^genesis-2-7-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 15:47.
[^genesis-2-7-15]: Kanttekening 15: Het 'blazen in de neus' wijst erop dat de ziel van de mens niet geschapen is uit enige voorafgaande materie, zoals de zielen van de dieren (Gen. 1:20-21, 24), maar uit niets, door Gods Geest, en van buitenaf in de mens ingeblazen.
[^genesis-2-7-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 15:45.
[^genesis-2-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: tot een schepsel dat met leven begiftigd is, bestaande uit een lichaam en een redelijke, onsterfelijke ziel, die samen de mens vormen.
[^genesis-2-8-17]: Kanttekening 17: Namelijk het paradijs of de lusthof, die God de mens tot woning bestemd had.
[^genesis-2-8-18]: Kanttekening 18: Te weten, op de derde dag van de schepping, voordat de mens geschapen was.
[^genesis-2-8-19]: Kanttekening 19: Eden (עֵ֫דֶן) is de naam van een landschap in Thelassar, het bovenste deel van Chaldea, zoals te zien is in 2 Kon. 19:12. Het is te onderscheiden van een ander Eden, gelegen bij Damascus in Syrië, waarover te lezen is in Amos 1:5. Het Hebreeuwse woord Eden betekent wellust, genot, vermaak. Dit land wordt zo genoemd omdat het een mooi, lieflijk en edel land was, zoals blijkt uit het volgende vers van dit hoofdstuk, en ook uit Ez. 28:13 en 31:16, 18, Jes. 51:3.
[^genesis-2-8-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: van het oosten, of vanuit het oosten. Dat wil zeggen: in het oostelijke deel van Eden (עֵ֫דֶן), of ten oosten van de plaats waar Mozes was toen hij dit schreef.
[^genesis-2-9-21]: Kanttekening 21: Versta dit als de vruchten van de bomen.
[^genesis-2-9-d]: Verwijzing d: Openb. 2:7.
[^genesis-2-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: een teken van het leven, dat aanduidt dat de mens het leven van God ontvangen had, en dat zou behouden zolang hij in zijn gehoorzaamheid volhardde, totdat het God zou behagen hem in Zijn hemelse onsterfelijkheid op te nemen.
[^genesis-2-9-23]: Kanttekening 23: Zo genoemd omdat de mens door het eten daarvan zou ondervinden (of ondervonden heeft) welk goed hij daardoor zou verliezen, en in welk kwaad hij zou vervallen.
[^genesis-2-10-24]: Kanttekening 24: Volgens sommigen moet dit verstaan worden van de rivier de Eufraat, die ontspringt in het gebergte van Groot-Armenië, en zich daarna met de rivier Hiddekel of Tigris vermengt, waaruit vervolgens de twee andere rivieren (Pison en Gihon) zich verdelen, enzovoorts. Maar de precieze ligging van deze rivieren is nu onzeker, en daarover wordt door de geleerden verschillend gedacht.
[^genesis-2-10-25]: Kanttekening 25: Zie de aantekening hierboven op vers 8. De rivier stroomde door Eden (עֵ֫דֶן), tot in en door de hof in het land Eden gelegen.
[^genesis-2-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: hoofdstromen, hoofdrivieren, hoofdwateren. Het woord hoofden betekent hier de beginselen van deze vier rivieren.
[^genesis-2-11-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: Pishon (פִּישׁוֹן). Deze naam wordt nergens anders in de Heilige Schrift gevonden dan hier. Het is een arm van de rivier de Eufraat, die volgens velen bij Apamea in de Tigris valt, en vandaar in de Perzische Zee, en bij de inwoners de naam Pasitigris of Pisotigris draagt.
[^genesis-2-11-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: Chavila (חֲוִילָה). Dit is de naam van een landschap, volgens sommige geleerden ook Susiane genoemd, naar de hoofdstad Susan, waarover te lezen is in Esth. 1:2, Dan. 8:2. Zie ook over een ander Havila Gen. 25:18, 1 Sam. 15:7.
[^genesis-2-11-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: is omlopend.
[^genesis-2-12-30]: Kanttekening 30: Dit is volgens sommigen de naam van een boom. Anderen menen dat het de naam is van een edelsteen. Num. 11:7 wordt de kleur van het manna vergeleken met de kleur van bedolach.
[^genesis-2-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: Shoham (שֹׁ֫הַם). De naam van een edelsteen, waarover verschillend gedacht wordt. Deze naam wordt ook gevonden in Ex. 25:7 en 28:9, Ez. 28:13 enz.
[^genesis-2-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: Gichon (גִּיחוֺן), die door de inwoners van het land (zoals sommigen schrijven) Nahar-sares genoemd wordt.
[^genesis-2-13-33]: Kanttekening 33: Dit woord omvat in het algemeen wel Ethiopië, Arabië en de hele landstreek naar het zuiden; maar hier in het bijzonder woest-Arabië, dat aan Chaldea grenst.
[^genesis-2-14-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws: Chiddekel (חִדֶּ֫קֶל). Dit is eigenlijk de rivier de Tigris, Dan. 10:4, die nog steeds de naam Diglat of Tiglat draagt, zoals sommigen schrijven, maar het is hier een arm van de Eufraat, die in de rivier de Tigris stroomt, en daarom ook Tigris wordt genoemd.
[^genesis-2-14-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws: Ashur (אַשּׁוּר). Dit is Assyrië, Assur genoemd naar Assur, de zoon van Sem. Gen. 10:22.
[^genesis-2-14-36]: Kanttekening 36: Versta hieronder de voornaamste arm van de rivier de Eufraat, die omdat hij zeer groot is, de naam van de hele rivier draagt. Zie over deze rivier Gen. 15:18, Deut. 1:7, Jer. 13:4.
[^genesis-2-16-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: gebood aan, of over de mens.
[^genesis-2-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk zowel de man als de vrouw, zie Gen. 3:1, 3.
[^genesis-2-16-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws: etende zult u eten. Deze manier van spreken, waarin een woord zo verdubbeld wordt, komt heel vaak voor in de Heilige Schrift, en dient om het verhaal naar de aard van de zaak een bijzonder gewicht, nadere verklaring of nadruk te geven. Zo ook in het volgende vers, en in Gen. 3:4, 16 en 17:13 en 18:18, Joz. 24:10, Jer. 25:17 enz.
[^genesis-2-17-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws: stervende zult u sterven. Versta hieronder drieërlei dood: 1. de lichamelijke dood met al haar voorafgaande ellenden. 2. de geestelijke dood van de ziel. 3. de eeuwige dood, die zowel lichamelijk als geestelijk is.
[^genesis-2-18-41]: Kanttekening 41: Of: vóór hem, dat wil zeggen: die altijd als in zijn aanwezigheid is, op hem lijkend, en bereid tot zijn hulp en dienst. Zo ook in vers 20.
[^genesis-2-19-42]: Kanttekening 42: Of: deed ze komen.
[^genesis-2-19-43]: Kanttekening 43: Anders: tot de mens, en zo ook in het volgende.
[^genesis-2-19-44]: Kanttekening 44: Zie Gen. 1:20.
[^genesis-2-19-45]: Kanttekening 45: Of: dat werd, of: is zijn naam.
[^genesis-2-20-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: voor hemzelf.
[^genesis-2-21-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: in plaats van de rib die Hij uit hem genomen had, maakte Hij vlees, en sloot daarmee de geopende plaats dicht.
[^genesis-2-22-48]: Kanttekening 48: Dit is een vergelijking, ontleend aan een huis dat door een kundig meester voor een waard doel gebouwd wordt.
[^genesis-2-22-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 11:8.
[^genesis-2-23-49]: Kanttekening 49: Of: ditmaal is er — Dat wil zeggen: ik heb nu eindelijk gezelschap gekregen dat aan mij gelijk is, wat ik eerder gezocht maar niet gevonden had.
[^genesis-2-23-f]: Verwijzing f: Mal. 2:14. Ef. 5:30, 31.
[^genesis-2-24-g]: Verwijzing g: Mat. 19:5. Mark. 10:7. Ef. 5:31.
[^genesis-2-24-50]: Kanttekening 50: Dit neemt niet de liefde of de eer weg die men zijn ouders verschuldigd is, maar het maakt onderscheid tussen de manier van samenwonen en de grootte van de verbintenis.
[^genesis-2-24-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 6:16. Ef. 5:28, 29.
[^genesis-2-25-i]: Verwijzing i: Gen. 3:7.
[^genesis-2-25-51]: Kanttekening 51: De reden was hun volmaaktheid en onschuld, waardoor zij niets oneerlijks zagen aan hun lichamen, en niets onreins voelden in hun zielen.

### Genesis 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/3.json)

*De duivel verzoekt de vrouw door de slang, vers 1. De vrouw wordt verleid en overtreedt, samen met de man, 6, waarna zij onmiddellijk de gevolgen ondervinden, 7. God spreekt na beider bekentenis het vonnis uit over de slang, de vrouw en de man, met daarin de belofte van de Verlosser, 8. Adam noemt zijn vrouw Eva, 10. Zij worden beiden door God gekleed, van de boom des levens geweerd en uit het paradijs verdreven, 21.*

**1** De[^genesis-3-1-1] slang nu was listiger dan al het gedierte van het veld, dat God YHWH gemaakt had; en[^genesis-3-1-2] zij zei tot de vrouw:[^genesis-3-1-3] Is het ook, dat God gezegd heeft: U zult niet eten van alle boom van deze hof? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v1)

**2** En de vrouw zei tot de slang: Van de vrucht van de bomen van deze hof zullen wij eten;[^genesis-3-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v2)

**3** Maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: U zult van die niet eten,[^genesis-3-3-6] noch die aanroeren,[^genesis-3-3-7] opdat u niet sterft.[^genesis-3-3-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v3)

**4** Toen zei de slang[^genesis-3-4-a] tot de vrouw:[^genesis-3-4-8] U zult[^genesis-3-4-9] de dood niet sterven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v4)

**5** Maar[^genesis-3-5-b] God weet, dat, op de dag als u daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en u zult als[^genesis-3-5-10] God wezen,[^genesis-3-5-11] kennende het goed en het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v5)

**6** En de vrouw zag, dat die boom goed was tot voedsel, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die[^genesis-3-6-12] begeerlijk was[^genesis-3-6-13] om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man[^genesis-3-6-14] met haar,[^genesis-3-6-c] en[^genesis-3-6-15] hij at. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v6)

**7** Toen werden hun beider[^genesis-3-7-16] ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij[^genesis-3-7-d] naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich[^genesis-3-7-17] schorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v7)

**8** En zij hoorden de[^genesis-3-8-18] stem van God YHWH, wandelende in de hof,[^genesis-3-8-19] aan de wind van de dag. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van God YHWH, in het midden van het geboomte van de hof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v8)

**9** En God YHWH riep Adam, en zei tot hem: Waar bent u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v9)

**10** En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v10)

**11** En Hij zei: Wie heeft u te kennen gegeven, dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten, van welke Ik u gebood, dat u daarvan niet eten zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v11)

**12** Toen zei Adam: De vrouw, die U[^genesis-3-12-20] bij mij gegeven hebt, die heeft mij[^genesis-3-12-21] van die boom gegeven, en ik heb gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v12)

**13** En God YHWH zei tot de vrouw:[^genesis-3-13-22] Wat is dit, dat u gedaan hebt? En de vrouw zei:[^genesis-3-13-e] De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v13)

**14** Toen zei God YHWH tot die slang: Omdat u dit gedaan hebt, zo[^genesis-3-14-24] bent u vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte van het veld! Op uw buik zult u gaan, en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.[^genesis-3-14-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v14)

**15** [^genesis-3-15-25] En Ik zal[^genesis-3-15-f] vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen[^genesis-3-15-26] uw zaad en tussen[^genesis-3-15-27] haar zaad;[^genesis-3-15-g] dat zal u de kop vermorzelen,[^genesis-3-15-28] en u zult het de hiel vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v15)

**16** Tot de vrouw zei[^genesis-3-16-29] Hij:[^genesis-3-16-30] Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk van uw dracht; met smart zult u[^genesis-3-16-31] kinderen baren; en tot uw man zal uw[^genesis-3-16-32] begeerte zijn,[^genesis-3-16-h] en[^genesis-3-16-33] hij zal over u heerschappij hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v16)

**17** En tot Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij de aarde om uwentwil[^genesis-3-17-35] vervloekt; en[^genesis-3-17-36] met smart zult u daarvan eten al de dagen van uw leven.[^genesis-3-17-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v17)

**18** Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en u zult[^genesis-3-18-37] het kruid van het veld eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v18)

**19** In het zweet van uw aangezicht zult u[^genesis-3-19-38] brood eten,[^genesis-3-19-39] totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v19)

**20** Verder noemde Adam de naam van zijn vrouw[^genesis-3-20-40] Eva, omdat zij een moeder[^genesis-3-20-41] alle levenden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v20)

**21** En God YHWH maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en trok ze hun aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v21)

**22** Toen zei God YHWH: Zie, de mens is geworden als Onzer één, kennende het goed en het kwaad! Nu dan,[^genesis-3-22-43] dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van de boom van het leven, en ete, en leve in eeuwigheid.[^genesis-3-22-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v22)

**23** Zo verzond hem God YHWH uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v23)

**24** En Hij dreef de mens uit; en stelde[^genesis-3-24-44] cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en[^genesis-3-24-45] een vlammig lemmer van een[^genesis-3-24-46] zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/3.html#v24)

[^genesis-3-1-1]: Kanttekening 1: Een dier dat de duivel, vanwege zijn grote sluwheid, heeft misbruikt om de mens af te leiden van God zijn Schepper (zie zijn gebod in Gen. 2:16-17). Dit getuigt de Heilige Schrift in 2 Kor. 11:3 en Openb. 12:9.
[^genesis-3-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de duivel sprak door het dier, met een arglistige en bedrieglijke redenering. De woorden van deze tekst en de daaropvolgende zijn van des te groter gewicht.
[^genesis-3-1-3]: Kanttekening 3: De duivel speelt hier met Gods gebod en probeert dit door dubbelzinnigheid in twijfel te trekken of te vertroebelen.
[^genesis-3-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: mogen wij er vrij van eten.
[^genesis-3-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk om daarvan te eten.
[^genesis-3-3-7]: Kanttekening 7: Anders: Opdat u misschien niet sterft. Dit wijst erop dat Eva hier begon te wankelen.
[^genesis-3-3-5]: Kanttekening 5: Of: van de bomen.
[^genesis-3-4-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 11:3.
[^genesis-3-4-8]: Kanttekening 8: Een brutale, schaamteloze en openlijke leugen van de duivel. Daarom wordt hij terecht een leugenaar en de vader van de leugen genoemd. Joh. 8:44.
[^genesis-3-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: niet stervende sterven. Anders: niet zeker sterven.
[^genesis-3-5-b]: Verwijzing b: Joh. 8:44.
[^genesis-3-5-10]: Kanttekening 10: Of: als goden.
[^genesis-3-5-11]: Kanttekening 11: Het woord kennen heeft twee betekenissen. Ten eerste: wijsheid vatten en begrijpen, die de mens verheft en gelukkig maakt — en op dit aspect was de listigheid van de duivel gericht. Ten tweede: door ervaring het kwaad kennen en ondervinden — en dit was het eigenlijke doel van de duivel, namelijk het verderf van de mens.
[^genesis-3-6-12]: Kanttekening 12: Anders: begeerlijk, dat wil zeggen: te begeren of te wensen.
[^genesis-3-6-13]: Kanttekening 13: Of: om inzicht te verkrijgen.
[^genesis-3-6-14]: Kanttekening 14: Of: met haar, of bij haar zijnde.
[^genesis-3-6-c]: Verwijzing c: Rom. 5:14-15 e.v. 1 Tim. 2:14.
[^genesis-3-6-15]: Kanttekening 15: Namelijk door de vrouw overgehaald, zoals te zien is in vers 17.
[^genesis-3-7-16]: Kanttekening 16: Verstaat hier niet zozeer de ogen van het lichaam, waarmee zij hun schaamte zagen, als wel die van de geest, waarmee zij de ellende van hun nu aangebroken toestand voelden — beroofd van de heerlijke gaven waarmee God de eerste mens had toegerust.
[^genesis-3-7-d]: Verwijzing d: Gen. 2:25.
[^genesis-3-7-17]: Kanttekening 17: Anders: schorten of bedekkingen, om hun schaamte te bedekken.
[^genesis-3-8-18]: Kanttekening 18: Of: geluid.
[^genesis-3-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: (zoals sommigen verklaren) in de koelte of wind van de ochtend of avond, of bij het waaien van een wind die God tegen de avond liet opsteken.
[^genesis-3-12-20]: Kanttekening 20: Anders: bij mij geplaatst, dat wil zeggen: gegeven of gesteld om bij mij te zijn.
[^genesis-3-12-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: van de vrucht van de boom, zoals ook hierboven in Gen. 3:6.
[^genesis-3-13-22]: Kanttekening 22: Anders: Wat! Hebt u dat gedaan? Of: Waarom hebt u dat gedaan?
[^genesis-3-13-e]: Verwijzing e: Openb. 12:13.
[^genesis-3-14-24]: Kanttekening 24: Of: wees. Zo ook in Gen. 4:11.
[^genesis-3-14-23]: Kanttekening 23: Omdat de slang het werktuig van de duivel was; om die reden treft deze hele vloek de slang lichamelijk en de duivel geestelijk, die zonder ophouden de mens op aarde vervolgt om hem te verleiden.
[^genesis-3-15-25]: Kanttekening 25: Dit vonnis is voornamelijk uitgesproken tegen de duivel, die de voornaamste oorzaak was van de val van de mens.
[^genesis-3-15-f]: Verwijzing f: Matt. 4:1.
[^genesis-3-15-26]: Kanttekening 26: Versta hieronder: alle kinderen van de duivel, Joh. 8:44.
[^genesis-3-15-27]: Kanttekening 27: Dit zaad is eigenlijk alleen de Heere Christus, de eniggeboren Zoon van God, die uit de vrouw — een maagd zijnde — door de kracht van de Heilige Geest mens is geworden om de duivel zijn macht te ontnemen en hen die hij gevangen hield te verlossen. Gal. 4:4. Jes. 7:14. Luk. 1:31, 35.
[^genesis-3-15-g]: Verwijzing g: Kol. 2:15.
[^genesis-3-15-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: de duivel en zijn nageslacht zullen Christus en zijn gemeente vervolgen, maar zullen hen niet kunnen uitroeien en te gronde richten.
[^genesis-3-16-29]: Kanttekening 29: Namelijk: God.
[^genesis-3-16-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: Ik zal vermenigvuldigende vermenigvuldigen.
[^genesis-3-16-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: zonen (בֵּן), welk woord in de Heilige Schrift veelvuldig gebruikt wordt voor kinderen, dat wil zeggen: voor zonen en dochters. Zo ook in Ex. 22:24, Ps. 128:6.
[^genesis-3-16-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: u zult gehouden zijn u naar de wil van uw man te voegen, bij hem bescherming te zoeken en door zijn leiding geregeerd te worden.
[^genesis-3-16-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 14:34. 1 Tim. 2:10. Tit. 2:5. 1 Petr. 3:6.
[^genesis-3-16-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: hij zal de bevoegdheid hebben u te gebieden, wat uw vlees nu zwaar zal zijn, terwijl het voor de val niets dan zoet en aangenaam was.
[^genesis-3-17-35]: Kanttekening 35: Zie Rom. 8:19, 20, 21.
[^genesis-3-17-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: met moeizame en zware arbeid zult u zich op aarde in leven houden.
[^genesis-3-17-34]: Kanttekening 34: Zie de kanttekening bij vers 6.
[^genesis-3-18-37]: Kanttekening 37: Of: het gewas van het veld, dat u buiten deze hof zult moeten zoeken, nu u voortaan van de vruchten hiervan verstoken bent.
[^genesis-3-19-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: uw voedsel en levensonderhoud verkrijgen. Zo wordt het woord brood gebruikt voor allerlei voedsel. Gen. 18:5 en 28:20.
[^genesis-3-19-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: totdat u sterft.
[^genesis-3-20-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws: Chavvah (חַוָּה).
[^genesis-3-20-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: alles levenden, dat wil zeggen: van alle mensen.
[^genesis-3-22-43]: Kanttekening 43: God heeft niet gewild dat de mens het teken van het leven, dat hij door zijn overtreding had verloren, zou gebruiken, opdat hij zich daardoor niet zou bedriegen door zich stervende op dat teken te verlaten.
[^genesis-3-22-42]: Kanttekening 42: God verwijt hier de mens zijn hoogmoed, waardoor hij dacht aan God gelijk te zullen worden, terwijl hij zichzelf nu juist in een poel van ellende heeft gestort. Zie Gen. 2:17.
[^genesis-3-24-44]: Kanttekening 44: Versta hieronder engelen, die zo worden genoemd en bij de Israelieten onder die naam bekend waren, omdat de Ark van het Verbond met twee cherubs versierd was.
[^genesis-3-24-45]: Kanttekening 45: Hetzij dat het werkelijk van vuur was, hetzij dat het de gedaante van een opstijgende vlam had.
[^genesis-3-24-46]: Kanttekening 46: Of: kronkelde en draaide heen en weer.

### Genesis 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/4.json)

*Kain en Abel worden geboren, vers 1. Zij brengen beiden een offer, maar Abels offer is YHWH welgevallig, 3, waarover Kain woedend wordt en door God bestraft wordt, 5. Hij doodt zijn broer, 8, wordt daarover door God ter verantwoording geroepen en ontvangt zijn vonnis, 9, gaat ronddolen van Gods aangezicht, bouwt een stad en krijgt kin deren, 16. Lamech neemt twee vrouwen en krijgt kin deren, 19, en spreekt trots en aanmatigend, 23. Seth en Enos worden geboren, en de openbare godsdienst wordt hersteld, 25.*

**1** En Adam[^genesis-4-1-1] had gemeenschap met Eva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde[^genesis-4-1-2] Kaïn, en zei: Ik heb een[^genesis-4-1-3] man[^genesis-4-1-4] van YHWH verkregen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v1)

**2** En zij voer voort te baren zijn broer Abel; en[^genesis-4-2-5] Abel werd een[^genesis-4-2-6] schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v2)

**3** En het gebeurde[^genesis-4-3-7] na verloop van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH[^genesis-4-3-8] offer bracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v3)

**4** En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van[^genesis-4-4-9] hun vet.[^genesis-4-4-a] En YHWH[^genesis-4-4-10] zag Abel en zijn offer aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v4)

**5** [^genesis-4-5-11] Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn[^genesis-4-5-12] aangezicht[^genesis-4-5-13] verviel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v5)

**6** En YHWH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v6)

**7** Is er niet, als u weldoet,[^genesis-4-7-14] verhoging? en zo u niet weldoet,[^genesis-4-7-15] de zonde[^genesis-4-7-16] ligt aan de deur.[^genesis-4-7-17] Zijn begeerte is toch tot u, en u zult over hem heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v7)

**8** En[^genesis-4-8-18] Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het gebeurde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond,[^genesis-4-8-b] en sloeg hem dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v8)

**9** En YHWH zei tot Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei:[^genesis-4-9-19] Ik weet het niet;[^genesis-4-9-20] ben ik van mijn broer hoeder? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v9)

**10** En[^genesis-4-10-21] Hij zei: Wat hebt u gedaan?[^genesis-4-10-c] daar is een stem[^genesis-4-10-22] van het bloed van uw broer, dat tot Mij[^genesis-4-10-23] roept van de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v10)

**11** En nu bent u vervloekt[^genesis-4-11-24] van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om van uw broer bloed van uw hand te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v11)

**12** Als u de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet[^genesis-4-12-25] meer geven;[^genesis-4-12-26][^genesis-4-12-d] u zult zwervende en dolende zijn op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v12)

**13** En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven wordt.[^genesis-4-13-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v13)

**14** Zie,[^genesis-4-14-28] U hebt mij vandaag verdreven van[^genesis-4-14-29] de aardbodem, en[^genesis-4-14-30] ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal gebeuren, dat[^genesis-4-14-31] al wie mij vindt, mij zal doodslaan.[^genesis-4-14-d_e_] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v14)

**15** Maar YHWH zei tot hem:[^genesis-4-15-32] Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal[^genesis-4-15-33] zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde[^genesis-4-15-34] een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v15)

**16** En Kaïn ging uit[^genesis-4-16-35] van het aangezicht van YHWH; en hij woonde in het land[^genesis-4-16-36] Nod, ten oosten van Eden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v16)

**17** En Kaïn had gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij werd zwanger en baarde[^genesis-4-17-37] Henoch; en[^genesis-4-17-38] hij bouwde een stad, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v17)

**18** En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujael; en Mechujael verwekte Methusael; en Methusael verwekte Lamech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v18)

**19** En[^genesis-4-19-39] Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v19)

**20** En Ada baarde Jabal; deze is geweest een[^genesis-4-20-40] vader van hen, die tenten bewoonden, en[^genesis-4-20-41] vee hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v20)

**21** En de naam van zijn broer was Jubal; deze was de vader van allen, die[^genesis-4-21-42] harpen en orgelen handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v21)

**22** En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, een[^genesis-4-22-43] leermeester van alle werker in[^genesis-4-22-44] koper en ijzer; en de zus van Tubal-Kaïn was Naema. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v22)

**23** En Lamech zei tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoor mijn stem, u vrouwen van Lamech! neem ter ore mijn rede![^genesis-4-23-45] Werkelijk, ik sloeg wel een man dood,[^genesis-4-23-46] om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v23)

**24** Want[^genesis-4-24-47] Kaïn zal[^genesis-4-24-f] zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech[^genesis-4-24-48] zeventigmaal zevenmaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v24)

**25** En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en[^genesis-4-25-49] zij noemde zijn naam[^genesis-4-25-50] Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander[^genesis-4-25-51] zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v25)

**26** En die Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos.[^genesis-4-26-52] Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/4.html#v26)

[^genesis-4-1-1]: Kanttekening 1: Verstaat hier: de gemeenschap die tussen man en vrouw is tot voortbrenging van kinderen. Zie Gen. 4:17 en 25. Ook Gen. 19:8 en Gen. 24:16. 1 Sam. 1:19. Matt. 1:25.
[^genesis-4-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: Kajin (קַ֔יִן). Dat wil zeggen: verkregen.
[^genesis-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: een zoon.
[^genesis-4-1-4]: Kanttekening 4: Dat het Hebreeuwse woordje 'et (אֵת) soms wordt gebruikt voor me'et (מֵאֵת), dat wil zeggen: van en uit — zie daarover Jer. 51 bij vers 59. Anders: met YHWH, dat wil zeggen: door de genade en hulp van YHWH. Weer anderen vertalen: YHWH, alsof Eva bedoeld had de beloofde Messias te hebben ontvangen.
[^genesis-4-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: Hebel (הֶ֨בֶל֙).
[^genesis-4-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws: Een herder van klein vee, zoals schapen en geiten. Want het Hebreeuwse woord betekent beide gelijkelijk, zo ook Gen. 4:4 en Gen. 13:5 en Gen. 26:14 enzovoort.
[^genesis-4-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: Van het einde van de dagen, dat wil zeggen: na enige tijd. Het woord "dagen" alleen gesteld betekent soms in de heilige Schrift een aantal dagen; zoals Gen. 24:55 en Gen. 40:4. Richt. 14:8. Mark. 2:1.
[^genesis-4-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: MINCHA (מִנְחָ֖ה). Dat wil zeggen: gave, geschenk of spijsoffer. Zie Lev. 2 op vers 1.
[^genesis-4-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: haar vetten. Verstaat hierdoor dat Abel geofferd heeft niet alleen het vet, maar ook het beste van zijn kudde, en (zo het schijnt) in een goed aantal. Vet betekent dikwijls het beste in de heilige Schrift, zoals Num. 18:12 enzovoort.
[^genesis-4-4-a]: Verwijzing a: Hebr. 11:4.
[^genesis-4-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: Abels persoon en offergave waren God welgevallig vanwege zijn geloof, dat gericht was op de offergave van de beloofde Messias. Zie Hebr. 11:4.
[^genesis-4-5-11]: Kanttekening 11: Dit verklaart de apostel in Hebr. 11:4, sprekende van het getuigenis dat God gaf aangaande Abels gaven, hetzij met woorden, met vuur uit de hemel, of enig ander teken. Verg. Lev. 9:24. Richt. 6:21. 1 Kon. 18:38. 1 Kron. 21:26. 2 Kron. 7:1.
[^genesis-4-5-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: En de Kaïn ontbrandde, namelijk de toorn. Zo ook in het volgende vers — zie op gelijke wijze van spreken het woord "toorn" daarbij gevoegd, Gen. 39:19. Ex. 32:10-11.
[^genesis-4-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: het gelaat van zijn aangezicht veranderde.
[^genesis-4-7-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: zult u niet (als de eerstgeborene) verheven en verhoogd blijven boven uw broer? Anders: zult u uw hoofd of aangezicht niet vrij opheffen, in plaats dat het nu neergeslagen of zo gevallen is? Sommigen lezen: aanneming, aangenaamheid, of vergeving; vanwege de verschillende betekenissen van het Hebreeuwse woord.
[^genesis-4-7-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de straf van de zonde, zo ook Gen. 19:15. Lev. 5:1. Num. 18:1. Zie de aantekening op vers 13.
[^genesis-4-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: zij is zeer nabij en als tegenwoordig, zodat aan haar zekere komst niet te twijfelen valt. Verg. Matt. 24:33. Jak. 5:9.
[^genesis-4-7-17]: Kanttekening 17: Dit is te verstaan van Abel, Kaïns broer: alsof God zei: Maar wat uw broer betreft, u hebt geen reden om op hem toornig te zijn, omdat hij u gunstig gezind is en er vrede mee heeft dat u (als de eerstgeborene) boven hem verheven blijft. Verg. Gen. 3:16.
[^genesis-4-8-18]: Kanttekening 18: Om (naar het oordeel van sommigen) hem met vriendelijk gezicht en vriendelijke woorden alleen naar het veld te lokken, terwijl hij in zijn hart haat en doodslag verborgen hield. Hebreeuws: Zei tot zijn broer — namelijk, zoals sommigen verstaan, wat er tussen God en hem was voorgevallen, zodat het een afgebroken rede zou zijn.
[^genesis-4-8-b]: Verwijzing b: Matt. 23:35. 1 Joh. 3:12. Jud. vers 11.
[^genesis-4-9-19]: Kanttekening 19: Een schaamteloze leugen.
[^genesis-4-9-20]: Kanttekening 20: Een vermetele hoogmoed.
[^genesis-4-10-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: de Heer.
[^genesis-4-10-c]: Verwijzing c: Hebr. 12:24.
[^genesis-4-10-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: van de bloeden, in het meervoud. Zo spreekt de heilige Schrift over moord en doodslag, omdat daarbij veel bloed vergoten wordt.
[^genesis-4-10-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: zijn roepende, in het meervoud. Moord is één van de zonden die om wraak roepen. Zie hierover ook Gen. 18:20 en Gen. 19:13.
[^genesis-4-11-24]: Kanttekening 24: Of: vanwege. Zie Gen. 5:29. Als wilde hij zeggen: de aarde, die geschapen was tot uw zegen en dienst, zal tegen u deze vloek ter wrake uitvoeren en u niet geven de vruchten die zij u anders gegeven zou hebben, zoals vers 12 zegt.
[^genesis-4-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: zij zal niet doorgaan u haar opbrengst te geven.
[^genesis-4-12-26]: Kanttekening 26: Door twee soorten onrust: een lichamelijke, omdat Kaïn van het ene land naar het andere zou zwerven; de andere geestelijk, omdat het geweten, dat overal met hem meegaat, hem niet met rust zou laten maar in voortdurende vrees zou houden.
[^genesis-4-12-d]: Verwijzing d: Spr. 28:17.
[^genesis-4-13-27]: Kanttekening 27: Anders wordt het woord misdaad of ongerechtigheid op veel plaatsen gebruikt voor de straf daarvan. Zie Lev. 5 op vers 1. In die zin zou de vertaling aldus moeten luiden: Mijn straf is groter dan dat ik haar zou kunnen dragen. Waarover Kaïn zich beklaagt in vers 14.
[^genesis-4-14-28]: Kanttekening 28: Namelijk door uw vonnis, dat zo zeker en vast staat alsof het al voltrokken was.
[^genesis-4-14-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: van het aangezicht van de aardbodem.
[^genesis-4-14-30]: Kanttekening 30: Dit kan men verstaan van Kaïns verbanning uit Gods gunst en genade, alsmede van het aangezicht of de gemeenschap van zijn gemeente.
[^genesis-4-14-31]: Kanttekening 31: Anders: Al wie mij vindt.
[^genesis-4-14-d_e_]: Verwijzing d\[e\]: Job 15:20, 21 etc.
[^genesis-4-15-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: opdat u lang zwervend over het land anderen tot een voorbeeld mag zijn om hen van de doodslag af te schrikken, en u tijd van berouw mag hebben, aangezien u zich tot nu toe het meest verontrust over de straf.
[^genesis-4-15-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: veelvoudig, naar het gebruik van de heilige Schrift. Ps. 12:7 en Ps. 79:12.
[^genesis-4-15-34]: Kanttekening 34: Hoe dit teken eruit gezien heeft is onbekend, maar het duidde aan wie hij was, wat hij gedaan had en dat niemand het zou wagen hem te doden.
[^genesis-4-16-35]: Kanttekening 35: Zie Gen. 4:14.
[^genesis-4-16-36]: Kanttekening 36: Dit land is zo genoemd met het oog op de straf die God Kaïn opgelegd had in vers 12, want het Hebreeuwse woord dat daar en hier gebruikt wordt, betekent: rondzwervend.
[^genesis-4-17-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: Chanoch (חֲנוֺךְ).
[^genesis-4-17-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: hij was aan het bouwen, dat wil zeggen: hij was bezig een stad te bouwen ter eigen beveiliging, uit angst van zijn geweten. De vrome aartsvaders woonden meest in tenten, niet in steden. Hebr. 11:9, 10.
[^genesis-4-19-39]: Kanttekening 39: Deze Lamech is de eerste van wie men leest dat hij twee vrouwen tegelijk had, regelrecht tegen Gods ordinantie in. Gen. 2:24. Mal. 2:15.
[^genesis-4-20-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: die als eerste het maken en het gebruik van tenten voor de weiding en hoede van het vee heeft uitgevonden, zoals het volgende woord schijnt mee te brengen.
[^genesis-4-20-41]: Kanttekening 41: Het Hebreeuwse woord betekent vee en ook bezitting, bezittingen, goed.
[^genesis-4-21-42]: Kanttekening 42: Of: citers. Hebreeuws: die harp en orgel bespeelt. Dat wil zeggen: die daarmee omgaat. Hoe de muziekinstrumenten er in die tijd uitzagen is onzeker, maar hier is het gevoelen van de meeste geleerden gevolgd.
[^genesis-4-22-43]: Kanttekening 43: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een scherper, slijper, en verder bij overdracht: onderwijzer, leraar.
[^genesis-4-22-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws: van het koper en het ijzer.
[^genesis-4-23-45]: Kanttekening 45: Lamech schijnt met dit verwaand snoeven en pochen te zinspelen op de kunst die zijn zonen gevonden hadden, als kon hij zich daarmee beter wreken of zijn naaste schade berokkenen dan wie ook.
[^genesis-4-23-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: als iemand mij slechts zou verwonden of een buil zou slaan, die zou ik zonder aarzelen durven en kunnen doden.
[^genesis-4-24-47]: Kanttekening 47: Zie de aantekening op Gen. 4:15.
[^genesis-4-24-f]: Verwijzing f: Gen. 4:15.
[^genesis-4-24-48]: Kanttekening 48: Deze manier van spreken gebruikt ook Christus in Matt. 18:22.
[^genesis-4-25-49]: Kanttekening 49: Namelijk met instemming van haar man, zoals te zien is in Gen. 5:3, waar deze naamgeving aan Adam wordt toegeschreven.
[^genesis-4-25-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws: Scheth (שֵׁת). Dat wil zeggen: Stelling.
[^genesis-4-25-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: een andere zoon gegeven. Zo ook in Gen. 21:13 en Gen. 38:8. Matt. 22:24, 25.
[^genesis-4-26-52]: Kanttekening 52: De manier van spreken die in de Hebreeuwse tekst hier gebruikt wordt, komt op verschillende plaatsen voor in de betekenis van de aanroeping van de naam van de Heer, zoals in 1 Kon. 18:24-26, 2 Kon. 5:11, Joël 2:32, Hand. 2:21, Rom. 10:13. Zo is het ook hier bedoeld, maar daaronder begrepen, zoals uit enkele andere plaatsen blijkt (Gen. 12:8, Gen. 26:25), de beoefening van de gehele godsdienst. Zodat de betekenis hier is: dat men begon openlijk en met een grotere vergadering de godsdienst in te richten, omdat die tevoren door Kaïn en de zijnen een tijd lang bedorven en vervalst was. Anders: toen begon men zich naar de naam van YHWH te noemen, dat wil zeggen: toen begonnen de ware kinderen van God zich van de anderen af te zonderen en noemden zichzelf het volk of de kinderen van God. Dezelfde manier van spreken betekent ook elders: de Heer bij name uitroepen, zoals in Ex. 33:19 en 34:5.

### Genesis 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/5.json)

*Herhaling van de schepping van de mens, vers 1-2. Adams nakomelingen worden naar zijn evenbeeld geboren, 3. Geslachtsregister daarvan, via de lijn van Seth tot Noach, met hun leeftijden, 5. Henoch wandelt met God en wordt weggenomen, 22. De geboorte van Noach en zijn zonen, 28.*

**1** Dit is het[^genesis-5-1-1] boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem[^genesis-5-1-2][^genesis-5-1-a] naar de gelijkenis Gods. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v1)

**2** [^genesis-5-2-b] Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde[^genesis-5-2-3] hun naam Mens, op de dag als zij geschapen werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v2)

**3** En Adam[^genesis-5-3-4] leefde[^genesis-5-3-5] honderd en dertig jaren, en verwekte[^genesis-5-3-6] een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en[^genesis-5-3-7] noemde zijn naam Seth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v3)

**4** En Adams dagen,[^genesis-5-4-c] nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v4)

**5** Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd[^genesis-5-5-8] jaren, en dertig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v5)

**6** En Seth leefde honderd en vijf jaren,[^genesis-5-6-d] en hij verwekte Enos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v6)

**7** En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v7)

**8** Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v8)

**9** En Enos leefde negentig jaren, en hij verwekte[^genesis-5-9-9][^genesis-5-9-e] Kenan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v9)

**10** En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v10)

**11** Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v11)

**12** En Kenan leefde zeventig jaren, en hij verwekte[^genesis-5-12-10] Mahalal-el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v12)

**13** En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v13)

**14** Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v14)

**15** En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij verwekte Jered. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v15)

**16** En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v16)

**17** Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v17)

**18** En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en[^genesis-5-18-11] hij verwekte[^genesis-5-18-12][^genesis-5-18-f] Henoch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v18)

**19** En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v19)

**20** Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v20)

**21** En[^genesis-5-21-g] Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij verwekte[^genesis-5-21-13] Methusalach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v21)

**22** En Henoch[^genesis-5-22-14][^genesis-5-22-h] wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v22)

**23** Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v23)

**24** Henoch dan wandelde met God;[^genesis-5-24-15] en hij was niet meer;[^genesis-5-24-i] want God nam hem weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v24)

**25** En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij verwekte Lamech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v25)

**26** En Methusalach leefde, nadat hij[^genesis-5-26-16] Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v26)

**27** Zo waren al de dagen van[^genesis-5-27-17] Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v27)

**28** En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij verwekte een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v28)

**29** En hij noemde zijn naam[^genesis-5-29-18] Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart van onze handen,[^genesis-5-29-19] vanwege de aarde, dat YHWH vervloekt heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v29)

**30** En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v30)

**31** Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v31)

**32** En Noach was[^genesis-5-32-20] vijfhonderd jaar oud; en Noach[^genesis-5-32-21] verwekte Sem, Cham en Jafeth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/5.html#v32)

[^genesis-5-1-1]: Kanttekening 1: Of, verhaal, register, rekening, optelling van de geboorten, of geslachten, dat is, dergenen die van Adam (אָדָם) geboren zijn; versta niet van allen, maar degenen, uit wie de Heer Christus, naar het vlees, door Seths linie geboren is, Luk. 3 , en die voor het merendeel de ware godsdienst, tot de zondvloed toe, bewaard hebben.
[^genesis-5-1-2]: Kanttekening 2: naar de gelijkenis Gods: Dat is, naar zijne gelijkenis, zie boven Gen. 1:26 , 1:27 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
[^genesis-5-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 1:26 ; onder, Gen. 9:6 ; 1 Kor. 11:7 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. 1 Korinthiërs 11:7 : Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
[^genesis-5-2-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 1:26 ; Matt. 19:4 ; Mark. 10:6 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Mattheüs 19:4 : Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt u niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? Marcus 10:6 : Maar van het begin van de schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.
[^genesis-5-2-3]: Kanttekening 3: hun naam Mens: Zowel van de vrouw als van de man: niettegenstaande de verscheidenheid van beider oorsprong; te weten, dat Adam (אָדָם) uit de aarde, en Eva uit Adam geschapen was.
[^genesis-5-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, toen hij zolang had geleefd, of zo oud was, kreeg hij een zoon. En zo moet men dit ook in het volgende verstaan.
[^genesis-5-3-5]: Kanttekening 5: honderd en dertig jaren: Hebr. dertig en honderd jaar; en zo wordt hier en elders in de Hebr. spraak het kleinere getal meest voor en het meerdere achter gesteld.
[^genesis-5-3-6]: Kanttekening 6: naar zijn gelijkenis: Tegen Gods beeld en gelijkenis, waarnaar Adam geschapen was, wordt hier nu gesteld Adams beeld en gelijkenis, waarnaar Seth geboren is. Gods beeld was volmaakt, maar na de val was Adams beeld geheel verdorven; waardoor nu alle mensen, die natuurlijk uit Adam geboren worden, zondig, ellendig en aan de dood onderworpen zijn. Zie Rom. 5:12 . Romeinen 5:12 : Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben.
[^genesis-5-3-7]: Kanttekening 7: noemde zijn naam Seth: Te weten, uit occasie van de woorden, die Heva sprak, toen zij deze zoon kreeg, zie boven Gen. 4:25 . Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
[^genesis-5-4-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 1:1 . 1 Kronieken 1:1 : Adam, Seth, Enos,
[^genesis-5-5-8]: Kanttekening 8: jaren, en dertig jaren: Het woordje jaar wordt hier tweemalen gesteld naar de Hebr. manier; maar hierna wordt het éénmaal, om de eigenschap van onze Nederduitse taal, nagelaten.
[^genesis-5-6-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-5-9-9]: Kanttekening 9: Luk. 3:37 , genaamd Kaïnan. Lukas 3:37 : De zoon van Mathusala, de zoon van Enoch, de zoon van Jared, de zoon van Malaleel, de zoon van Kaïnan,
[^genesis-5-9-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 1:2 . 1 Kronieken 1:2 : Kenan, Mahalal-el, Jered,
[^genesis-5-12-10]: Kanttekening 10: Luk. 3:37 staat in het Grieks Malaleël. Lukas 3:37 : De zoon van Mathusala, de zoon van Enoch, de zoon van Jared, de zoon van Malaleel, de zoon van Kaïnan,
[^genesis-5-18-11]: Kanttekening 11: hij verwekte: Verg. de Zendbrief van Judas vs. 14 , 1:15 . Judas 1:14 : En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Judas 1:15 : Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddeloos gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
[^genesis-5-18-12]: Kanttekening 12: Hebr. Chanoch (חֲנוֺךְ).
[^genesis-5-18-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 1:3 . 1 Kronieken 1:3 : Henoch, Methusalah, Lamech,
[^genesis-5-21-g]: Verwijzing g: Judas v. 14 . Judas 1:14 : En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
[^genesis-5-21-13]: Kanttekening 13: Hebr. Methuschalach (מְתוּשֶׁ֫לַח).
[^genesis-5-22-14]: Kanttekening 14: wandelde met God: Dat is, hij leidde voor God een heilig leven met grote ijver en bijzondere gestadigheid, zich afzonderende van de goddeloosheid en boze zeden van de wereld. Zie onder dezelfde manier van spreken, hoofdstuk Gen. 6:9 ; Mich. 6:8; en vergelijk Jer. 12 , op vs. 3. Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^genesis-5-22-h]: Verwijzing h: Hebr. 11:5 . Hebreeën 11:5 : Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde.
[^genesis-5-24-15]: Kanttekening 15: en hij was niet meer : Dit wordt verklaard, Hebr. 11:5 , dat hij is weggenomen en overgezet in het eeuwige leven. Hebreeën 11:5 : Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij God behaagde.
[^genesis-5-24-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 2:11 ; Hebr. 11:5 . 2 Koningen 2:11 : En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. Hebreeën 11:5 : Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde.
[^genesis-5-26-16]: Kanttekening 16: Hebr. Lemech (לֶ֫מֶךְ).
[^genesis-5-27-17]: Kanttekening 17: Deze Methusalah is de oudste geweest van alle mensen, die op aarde geleefd hebben, waarvan de Heilige Schrift meldt.
[^genesis-5-29-18]: Kanttekening 18: In het Nieuwe Testament genaamd Noë, Luk. 3:36 ; 1 Petr. 3:20 ; Hebr. 11:7 . De twee Hebreeuwse woorden Noach en Nicham, die hier beiden gebruikt worden, hebben enige gelijkheid. Het ene betekent rusten, waarvan de naam Noach genomen is; het andere vertroosten, waarmee de reden van de benaming aangewezen wordt, want Lamech, zonder twijfel door de Geest van de Heer onderricht zijnde, heeft gezien dat Noach tot wat bijzonders zou gebruikt worden. Lukas 3:36 : De zoon van Kaïnan, de zoon van Arfaxad, de zoon van Sem, de zoon van Noe, de zoon van Lamech, 1 Petrus 3:20 : Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. Hebreeën 11:7 : Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is.
[^genesis-5-29-19]: Kanttekening 19: vanwege de aarde: Zie boven hoofdstuk Gen. 3:17 , 3:18 , 3:19 , Gen. 4:11 . Genesis 3:17 : En tot Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij de aarde om uwentwil vervloekt; en met smart zult u daarvan eten al de dagen uws levens. Genesis 3:18 : Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en u zult het kruid van het veld eten. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Genesis 4:11 : En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broers bloed van uw hand te ontvangen.
[^genesis-5-32-20]: Kanttekening 20: vijfhonderd jaren oud: Hebr. een zoon van vijf honderd jaar. Dat is, Noach was zoveel jaren oud, of ging in het vijf honderdste jaar. Deze manier van spreken vindt men zeer dikwijls in de Heilige Schrift. Zie onder Gen. 7:6 , Gen. 11:10 , Gen. 17:17 , enz. Genesis 7:6 : Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed van de wateren op de aarde was. Genesis 11:10 : Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed. Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?
[^genesis-5-32-21]: Kanttekening 21: Dat is hier te zeggen: hij begon te verwekken, gelijk hoofdstuk 11:26 , want deze drie zonen zijn in één jaar niet geboren; maar eerst Jafeth, daarna Sem en ten laatste Cham. Zie hoofdstuk Gen. 9:24 , Gen. 10:10 ; Sem wordt hier de eerste gesteld, als een godvruchtig voorvader van onze Heer Jezus Christus naar het vlees, en ook van alle Hebreën. Zie hoofdstuk Gen. 10:21 , enz. Genesis 11:26 : En Terah leefde zeventig jaren, en verwekte Abram, Nahor en Haran. Genesis 9:24 : En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Genesis 10:21 : Verder zijn Sem zonen geboren; dezelfde is ook de vader aller zonen van Heber, broer van Jafeth, de grootste.

### Genesis 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/6.json)

*Algemene losbandigheid en grote slechtheid van de mensen leiden, na een uitstel van 120 jaar, tot de Zondvloed, vers 2. Reuzen, 4. Noach vindt genade bij God en ontvangt het bevel en de aanwijzingen voor het bouwen van de ark, 8, 14. Gods verbond met Noach, 18. Het bevel om allerlei dieren en voedselvoorraad in de ark te laden, 19.*

**1** En het gebeurde, als de mensen[^genesis-6-1-1] op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v1)

**2** Dat[^genesis-6-2-2] Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij[^genesis-6-2-3] schoon waren, en zij namen zich vrouwen[^genesis-6-2-4] uit allen, die zij verkozen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v2)

**3** Toen zei YHWH: Mijn Geest zal niet[^genesis-6-3-6] in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook[^genesis-6-3-7] vlees is;[^genesis-6-3-8] maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.[^genesis-6-3-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v3)

**4** In die dagen waren[^genesis-6-4-9] er Nephilim op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen[^genesis-6-4-10] ingegaan waren,[^genesis-6-4-11] en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn[^genesis-6-4-12] de geweldigen, die[^genesis-6-4-13] van ouds geweest zijn,[^genesis-6-4-14] mannen van name. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v4)

**5** [^genesis-6-5-15] En YHWH zag, dat de boosheid van de mens veelvuldig was op de aarde, en[^genesis-6-5-a] al het maaksel van de gedachten van zijn hart altijd alleen boos was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v5)

**6** Toen[^genesis-6-6-16] berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had,[^genesis-6-6-17] en het smartte Hem aan Zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v6)

**7** En YHWH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, vernietigen[^genesis-6-7-18] van de aardbodem, van de mens tot[^genesis-6-7-19] het vee, tot[^genesis-6-7-20] het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v7)

**8** Maar Noach[^genesis-6-8-21] vond genade in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v8)

**9** Dit zijn de[^genesis-6-9-22] afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig,[^genesis-6-9-23] oprecht man in zijn[^genesis-6-9-24] generaties.[^genesis-6-9-b] Noach[^genesis-6-9-25] wandelde met God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v9)

**10** [^genesis-6-10-26] En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v10)

**11** Maar[^genesis-6-11-27] de aarde was verdorven[^genesis-6-11-28] voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v11)

**12** Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want[^genesis-6-12-29] al het vlees had[^genesis-6-12-30] zijn weg verdorven op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v12)

**13** Daarom zei God tot Noach:[^genesis-6-13-31] Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is[^genesis-6-13-32] door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v13)

**14** Maak u[^genesis-6-14-33] een ark van[^genesis-6-14-34] goferhout; met[^genesis-6-14-35] kamers zult u deze ark maken; en u zult die bepekken van binnen en van buiten met[^genesis-6-14-36] pek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v14)

**15** En zo is het, dat u haar maken zult: driehonderd[^genesis-6-15-37] ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v15)

**16** U zult een[^genesis-6-16-38] venster aan de ark maken, en[^genesis-6-16-39] zult haar volmaken[^genesis-6-16-40] tot een el van boven; en de deur van de ark zult u in haar zijde zetten; u zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v16)

**17** Want Ik, zie, Ik breng een[^genesis-6-17-41] watervloed over de aarde, om alle[^genesis-6-17-42] vlees, waarin een[^genesis-6-17-43] geest van het leven is, van onder de hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal[^genesis-6-17-44] de geest geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v17)

**18** Maar met u zal Ik[^genesis-6-18-45] Mijn verbond oprichten; en[^genesis-6-18-c] u zult in de ark gaan, u, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen van uw zonen met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v18)

**19** En u zult[^genesis-6-19-46] van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en vrouwtje zullen zij zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v19)

**20** Van het gevogelte naar zijn aard, en van het[^genesis-6-20-47] vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, twee van elk[^genesis-6-20-48] zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v20)

**21** En u, neem voor u van[^genesis-6-21-49] alle voedsel, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot voedsel zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v21)

**22** En Noach deed[^genesis-6-22-50][^genesis-6-22-d] het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/6.html#v22)

[^genesis-6-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: op het aangezicht van de aardbodem, dat wil zeggen: op het vlakke van de aardbodem.
[^genesis-6-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de nakomelingen van de gelovige voorvaderen, die de ware godsdienst beleden en met hun huisgezinnen (als Gods gemeente) van het ongelovige en vleselijke geslacht van de Kaïnieten waren afgescheiden. Daartegenover worden met 'de dochters van de mensen' doorgaans de nakomelingen van Kaïn bedoeld, die afgodendienst pleegden en naar het vlees leefden. Zie Deut. 14:1, Joh. 1:12, Luk. 17:27, Jud. vers 19.
[^genesis-6-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: goed (טוֺב), dat wil zeggen: mooi. Zo ook Gen. 24:16, 41:22, Ex. 2:2.
[^genesis-6-2-4]: Kanttekening 4: Alleen lettend op de uiterlijke schoonheid en wereldse bekoorlijkheid, niet op de ware godsdienst en de vrees voor YHWH, of op de wil van hun vrome ouders. Zie Gen. 26:34-35, 28:8.
[^genesis-6-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: altijd.
[^genesis-6-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: verdorven. Versta hieronder niet alleen de kinderen van de mensen, maar ook de kinderen van God. Zo wordt het woordje 'vlees' voor de verdorven natuur van de mens genomen, Joh. 3:6, Rom. 7:18, 8:7.
[^genesis-6-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: deze tijd zal Ik hun nog toestaan tot bekering, maar daarna mijn straf niet langer uitstellen. Zie 1 Petr. 3:20.
[^genesis-6-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: mijn heilige Geest zal niet langer met deze hardnekkige mensen strijden, namelijk door de mond van de overige vromen, en in het bijzonder door Noach. Anders: mijn gemoed (dat wil zeggen: Ik) zal niet langer beraadslagen (menselijkerwijs gesproken) wat Ik met dit boze geslacht zal doen, aangezien zij zich door geen vermaning noch bestraffing willen beteren. Zie 2 Petr. 2:5.
[^genesis-6-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: mensen van grotere gestalte en meer kracht dan anderen. Zie Num. 13:33. Het Hebreeuwse woord nefiliem (נְפִלִים) komt van 'vallen', omdat zij, van God afvallig zijnde, de mensen met alle geweld en tirannie overvielen, noch God noch mensen vrezend, waardoor eenieder die hen zag de moed als ontviel. Dit wordt hier ook vermeld als een bijzondere oorzaak van Gods toorn.
[^genesis-6-4-10]: Kanttekening 10: Of: gekomen. Hiermee wordt op keurige en eerbare wijze de gemeenschap van man en vrouw aangeduid. Zo ook Gen. 16:2, 30:3 enz.
[^genesis-6-4-11]: Kanttekening 11: Of: aldus hebben zij hun (namelijk hun mannen) kinderen gebaard.
[^genesis-6-4-12]: Kanttekening 12: Of: machtigen.
[^genesis-6-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: van eeuwigheid. Zie Jer. 2 bij vers 20.
[^genesis-6-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: vermaarde, beroemde mannen, die naar het oordeel van de wereld grote dingen hadden verricht. Zoals daarentegen gesproken wordt van 'mensen zonder naam', Job 30:8.
[^genesis-6-5-15]: Kanttekening 15: In dit vers is een zeer onverbloemde en grondige beschrijving van de erfzonde en haar vruchten vervat.
[^genesis-6-5-a]: Verwijzing a: Gen. 8:21, Job 15:16, Spr. 6:14, Jer. 17:9, Matt. 15:19, Rom. 3:10-12, 8:6.
[^genesis-6-6-16]: Kanttekening 16: Zo wordt op menselijke wijze in de Heilige Schrift over God gesproken, omdat Hij zijn werk of handelen verandert, hoewel Hij in Zichzelf onveranderlijk blijft. Zie het volgende vers, en Num. 23:19, 1 Sam. 15:11, 29, 2 Sam. 24:16, Mal. 3:6, Jak. 1:17, Hand. 15:18.
[^genesis-6-6-17]: Kanttekening 17: Het woord 'het smartte Hem' drukt uit dat God een groot misnoegen had over de mens vanwege zijn boosheid. Vergelijk Jes. 63:10. Zo wordt ook aan God verdriet toegeschreven, Ef. 4:30.
[^genesis-6-7-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: uitwissen van het aangezicht van de aardbodem.
[^genesis-6-7-19]: Kanttekening 19: Het Hebreeuwse woord betekent hier niet alleen het tamme, maar ook het wilde gedierte van de aarde. Zo ook Gen. 6:20; zie Gen. 1 bij vers 26.
[^genesis-6-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk dat op de aarde kruipt en niet in het water kan leven. Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt in Gen. 1:24-26, 28, 30.
[^genesis-6-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: heeft hem uit genade behaagd, niet vanwege eigen waardigheid. Zie deze manier van spreken in Gen. 19:19, Ex. 33:13 enz.
[^genesis-6-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: geslacht en geschiedenissen, of: wat Noach in zijn geslacht is overkomen. Want het Hebreeuwse woord toledot (תּוֹלְדֹת) betekent niet alleen afkomst en nakomelingen, maar ook wat iemand overkomt, dat wil zeggen: een geschiedenis of verhaal van iemands zaken. Vergelijk Gen. 25:19, 37:2, Num. 3:1.
[^genesis-6-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die in het ware geloof en in de vroomheid van leven oprecht en zonder valsheid was. Zie Gen. 17:1, 25:27, Job 1:1.
[^genesis-6-9-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: onder de mensen die in zijn tijd leefden. Zo ook Gen. 7:1.
[^genesis-6-9-b]: Verwijzing b: Gen. 5:22.
[^genesis-6-9-25]: Kanttekening 25: Zie Gen. 5 bij vers 22.
[^genesis-6-10-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 5:32.
[^genesis-6-11-27]: Kanttekening 27: Versta de mensen, die op de aarde woonden. Zie Gen. 41:57. 2 Sam. 15:23. 1 Kon. 10:24. Ez. 14:13.
[^genesis-6-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: openlijk, onbeschaamd en vermetel zondigend, niet alleen zonder schaamte voor de mensen, maar ook zonder vrees voor God. Zie Gen. 10:9.
[^genesis-6-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: alle mensen. Zo moet men het woord 'vlees' ook opvatten in Jes. 40:6, Ps. 78:39 en elders.
[^genesis-6-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: zijn voornemen, zeden, leven en wandel. Zo ook Job 23:10, Ps. 1:1, Spr. 12:15 enz.
[^genesis-6-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: de tijd van hun ondergang is aanstaande. Zoals Ez. 7:2, 3, 6. Amos 8:2.
[^genesis-6-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: van hun aangezicht, en: met de aarde. Anders: van de aarde.
[^genesis-6-14-33]: Kanttekening 33: Een houten overdekt schip, bijna in de vorm van een kist, geschikt om op het water te drijven.
[^genesis-6-14-34]: Kanttekening 34: Wat goferhout voor een soort boom of hout geweest is, is onzeker.
[^genesis-6-14-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws: nesten.
[^genesis-6-14-36]: Kanttekening 36: Het Hebreeuwse woord betekent een zeer taaie, lijmachtige en vasthoudende stof, vergelijkbaar met onze pek.
[^genesis-6-15-37]: Kanttekening 37: Of: cubits, of ellebogen. Velen zijn van mening dat deze maat van drieërlei soort was: de gewone, de heilige en de geometrische. De gewone zou vijf handbreedten zijn geweest, waarbij elke handbreedte de breedte van vier vingers had. De heilige was zes handbreedten, Ez. 40:5 (hoewel sommigen menen dat de gewone zes handbreedten was en de heilige nog eens zo groot). Die werd gebruikt bij de heilige gebouwen, zoals de tabernakel en de tempel. De geometrische zou zesmaal langer dan de gewone zijn geweest, en Noach zou bij het bouwen van de ark (naar sommigen menen) de laatste hebben gevolgd.
[^genesis-6-16-38]: Kanttekening 38: Anders: helder licht, dat door een of meer vensters op geschikte wijze in de ark verspreid werd.
[^genesis-6-16-39]: Kanttekening 39: Namelijk de ark.
[^genesis-6-16-40]: Kanttekening 40: Sommigen verstaan dit van het deksel van de ark, dat aan beide zijden van boven af de hoogte van een el zou aflopen, voor het gemakkelijk afstromen van het water.
[^genesis-6-17-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: mabbul (מַבּוּל), dat wil zeggen: een vallende en neerstortende vloed.
[^genesis-6-17-42]: Kanttekening 42: Van mensen en dieren, uitgezonderd de vissen en al wat in de ark was, zoals hierna volgt.
[^genesis-6-17-43]: Kanttekening 43: Anders: levende ziel. Zie Gen. 1:20.
[^genesis-6-17-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws: de adem uitblazen.
[^genesis-6-18-45]: Kanttekening 45: Versta hieronder, boven het algemene verbond dat met alle gelovigen gesloten is, een bijzonder verbond om Noach in de ark te bewaren, op voorwaarde dat Noach God zou vertrouwen en Hem gehoorzamen.
[^genesis-6-18-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 3:20. 2 Petr. 2:5.
[^genesis-6-19-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: van allerlei levende landdieren.
[^genesis-6-20-47]: Kanttekening 47: Zie Gen. 6:7.
[^genesis-6-20-48]: Kanttekening 48: Versta: door mijn leiding en beschikking, zonder uw moeite of bezorgdheid. Vergelijk dit met Gen. 2:19.
[^genesis-6-21-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: allerlei. Zie Gen. 1:29-30.
[^genesis-6-22-50]: Kanttekening 50: Noach deed alles, en dat op de manier die God bevolen had. Vergelijk Ex. 40:16.
[^genesis-6-22-d]: Verwijzing d: Gen. 7:5. Hebr. 11:7.

### Genesis 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/7.json)

*God beveelt Noach met zijn gezin in de ark te gaan, vers 1, en van allerlei reine en onreine dieren een bepaald aantal mee te nemen, 2. Noach doet alles volgens Gods bevel, 5. De Zondvloed begint, met het openbarsten van de bronnen van de grote watervloed van onderen en een aanhoudende stortregen van boven, 10. De wateren stijgen 150 dagen, bedekken de bergen, en alles wat leeft op aarde komt om, 17.*

**1** Daarna zei YHWH tot[^genesis-7-1-a] Noach: Ga u, en uw hele[^genesis-7-1-1] huis in de ark; want[^genesis-7-1-b] u heb Ik gezien rechtvaardig[^genesis-7-1-2] voor Mijn aangezicht in dit[^genesis-7-1-3] geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v1)

**2** [^genesis-7-2-c] Van alle[^genesis-7-2-4] rein vee zult u tot u nemen[^genesis-7-2-5] zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v2)

**3** Ook van[^genesis-7-3-6] het gevogelte van de hemel zeven en zeven, het mannetje en het vrouwtje, om zaad levend te houden[^genesis-7-3-7] op de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v3)

**4** Want[^genesis-7-4-8] over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van de aardbodem vernietigen[^genesis-7-4-9] al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v4)

**5** [^genesis-7-5-d] En Noach deed, naar al wat YHWH hem geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v5)

**6** Noach nu was[^genesis-7-6-10] zeshonderd jaar oud, als de vloed van de wateren op de aarde was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v6)

**7** Zo[^genesis-7-7-e] ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen van zijn zonen met hem in de[^genesis-7-7-11] ark, vanwege de wateren van de vloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v7)

**8** Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op de aardbodem kruipt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v8)

**9** [^genesis-7-9-12] Kwamen[^genesis-7-9-13] er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het vrouwtje, zoals God Noach geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v9)

**10** En het gebeurde[^genesis-7-10-14] na die zeven dagen, dat de wateren van de vloed op de aarde[^genesis-7-10-15] waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v10)

**11** [^genesis-7-11-16] In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach,[^genesis-7-11-17] in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van[^genesis-7-11-18] de grote afgronds opengebroken, en de[^genesis-7-11-19] sluizen van de hemel geopend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v11)

**12** En een plasregen was op de aarde[^genesis-7-12-20] veertig dagen en veertig nachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v12)

**13** Even[^genesis-7-13-21] op diezelfde dag ging Noach, en Sem, en Cham, en[^genesis-7-13-22] Jafeth, Noachs zonen, evenzo ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen van zijn zonen met hem in de ark; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v13)

**14** Zij, en[^genesis-7-14-23] al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle[^genesis-7-14-24] vogeltjes van[^genesis-7-14-25] allerlei vleugel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v14)

**15** En van alle vlees, waarin[^genesis-7-15-26] een geest van het leven was, kwamen[^genesis-7-15-27] er twee en twee tot Noach in de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v15)

**16** En die er kwamen, die kwamen mannetje en vrouwtje, van alle vlees, zoals hem God bevolen had.[^genesis-7-16-28] En YHWH sloot achter hem toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v16)

**17** En die[^genesis-7-17-29] vloed was[^genesis-7-17-30] veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v17)

**18** En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging[^genesis-7-18-31] op de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v18)

**19** En de wateren namen[^genesis-7-19-32] geheel zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder de hele hemel zijn, bedekt werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v19)

**20** Vijftien ellen[^genesis-7-20-33] omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v20)

**21** [^genesis-7-21-f] En alle vlees, dat zich op de aarde roerde,[^genesis-7-21-34] gaf de geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v21)

**22** [^genesis-7-22-35] Al wat een adem van de geest van het leven in zijn neusgaten had, van alles wat op het[^genesis-7-22-36] droge was, is gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v22)

**23** Zo werd vernietigd al wat bestond, dat op[^genesis-7-23-37] de aardbodem was, van de mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel, en zij werden vernietigd van de aarde;[^genesis-7-23-g] maar Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v23)

**24** En de wateren hadden de overhand boven de[^genesis-7-24-38] aarde, honderd en vijftig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/7.html#v24)

[^genesis-7-1-a]: Verwijzing a: 2 Petr. 2:5.
[^genesis-7-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: huisgezin. Zo ook Gen. 17:12, 24:3, 39:11, Ex. 1:1, Spr. 31:27, Hand. 16:15 enz.
[^genesis-7-1-b]: Verwijzing b: Gen. 6:9.
[^genesis-7-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: niet alleen uiterlijk, in schijn en woorden, maar ook innerlijk, in waarheid en in de praktijk, en dat door het geloof in het beloofde zaad en de heiliging van de Geest. Zo ook Luk. 1:6.
[^genesis-7-1-3]: Kanttekening 3: Zie Gen. 6 bij vers 9.
[^genesis-7-2-c]: Verwijzing c: Lev. 11.
[^genesis-7-2-4]: Kanttekening 4: Rein ten aanzien van Gods bepaling, waarmee Hij deze dieren van andere had afgezonderd voor het offer en als voedsel voor de mensen. Zijn wil had Hij aan de voorvaderen geopenbaard, maar later door Mozes volledig verklaard. Zie Lev. 11:2.
[^genesis-7-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: zeven zeven, evenals in het volgende, dat wil zeggen: van elke soort drie paar en een extra, bestemd voor het offer na de zondvloed. De Hebreeuwse schrijfstijl verdubbelt vaak een woord of meer als er een verdeling bedoeld wordt. Zie Gen. 32:16, Num. 7:11, 29:10, Mark. 6:39 enz.
[^genesis-7-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk van het reine, zoals in vers 2.
[^genesis-7-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: op het aangezicht van de gehele aarde; en zo ook in het volgende.
[^genesis-7-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: na, of tegen het einde van zeven dagen.
[^genesis-7-4-9]: Kanttekening 9: Alle levende wezens, namelijk die zich op de aarde moeten ophouden om in leven te blijven, en die zich door de kracht van de ziel die in hen is als het ware overeind houden, terwijl daarentegen een dood lichaam neerligt. Zie Gen. 7:23.
[^genesis-7-5-d]: Verwijzing d: Gen. 6:22.
[^genesis-7-6-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: een zoon van zeshonderd jaar. Zo ook Gen. 5:32 enz.
[^genesis-7-7-e]: Verwijzing e: Matt. 24:38, Luk. 17:27, 1 Petr. 3:20.
[^genesis-7-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: van het aangezicht van de wateren, of: voor de wateren, dat wil zeggen: om aan de wateren van de vloed te ontkomen.
[^genesis-7-9-12]: Kanttekening 12: Zie Gen. 6:20.
[^genesis-7-9-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 7:2.
[^genesis-7-10-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 7:4.
[^genesis-7-10-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: kwamen of vielen.
[^genesis-7-11-16]: Kanttekening 16: Zo ook Gen. 7:6. Dit was het 1656e jaar na de schepping van de wereld.
[^genesis-7-11-17]: Kanttekening 17: Welke maand dit geweest is, daarover bestaan twee opvattingen, omdat de Hebreeuwse kalender het jaar op twee manieren liet beginnen: in heilige zaken met de maand Nisan, grotendeels overeenkomend met onze maand maart, wanneer dag en nacht even lang zijn; in burgerlijke zaken met de maand Tisri, die meestal in september valt, wanneer eveneens dag en nacht even lang zijn. Welk begin voor deze tweede maand bedoeld is, laten wij aan het oordeel van de verstandige lezer.
[^genesis-7-11-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: van de diepe wateren, opgesloten in de holten van de aarde, waaruit alle bronnen, rivieren, stromen en watervloeden voortkomen.
[^genesis-7-11-19]: Kanttekening 19: Of: vensters. Zo worden de regenwolken genoemd, hier en in Gen. 8:2, 2 Kon. 7:2, 19, Jes. 24:18, Mal. 3:10.
[^genesis-7-12-20]: Kanttekening 20: Dit is de vervulling van de dreiging uitgesproken in vers 4.
[^genesis-7-13-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: in of op het gebeente of het wezen van die dag. Zo ook Gen. 17:26; zie Ez. 2 bij vers 3.
[^genesis-7-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: Jefeth (יֶפֶת).
[^genesis-7-14-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: allerlei. Zoals ook in het volgende, en elders meer. Versta dan niet elk afzonderlijk dier, maar van alle soorten dieren die hier vermeld zijn een bepaald aantal, eerder uitgedrukt in vers 2.
[^genesis-7-14-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen allerlei vogels, maar hier specifiek grote en zware vogels, omdat het naast een ander woord staat dat meestal kleine vogels aanduidt. Vergelijk Lev. 14 bij vers 4.
[^genesis-7-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: allen.
[^genesis-7-15-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 6:17.
[^genesis-7-15-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: twee twee. Zie Gen. 7:2, 9.
[^genesis-7-16-28]: Kanttekening 28: Hoewel Noach de ark van binnen gesloten mag hebben, duidt dit op een bijzondere afsluiting en beveiliging van de ark, gedaan door God, hetzij rechtstreeks, hetzij door de dienst van engelen.
[^genesis-7-17-29]: Kanttekening 29: Versta dit niet van het geweld en de overmacht van de wateren, die 150 dagen duurde (zie vers 24), maar van de regen waarvan sprake is in Gen. 7:4 en 12.
[^genesis-7-17-30]: Kanttekening 30: Namelijk natuurlijke dagen, bestaande uit 24 uur, dat wil zeggen: een dag en een nacht. Gen. 7:4, 12.
[^genesis-7-18-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: op het aangezicht van de wateren.
[^genesis-7-19-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: zeer zeer.
[^genesis-7-20-33]: Kanttekening 33: Boven de bergen.
[^genesis-7-21-f]: Verwijzing f: Luk. 17:27.
[^genesis-7-21-34]: Kanttekening 34: Overeenkomstig de eerdere dreiging van God in Gen. 6:13 en in dit hoofdstuk vers 4.
[^genesis-7-22-35]: Kanttekening 35: Vergelijk hiermee Gen. 6:17 en de aantekening daarbij.
[^genesis-7-22-36]: Kanttekening 36: Hiermee worden duidelijk de vissen uitgesloten. Vergelijk hiermee het voorgaande vers 21.
[^genesis-7-23-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: op het aangezicht van de aardbodem.
[^genesis-7-23-g]: Verwijzing g: 2 Petr. 2:5.
[^genesis-7-24-38]: Kanttekening 38: Hieronder zijn begrepen de dagen van de regen, die veertig dagen duurde. Zie hierboven vers 17.

### Genesis 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/8.json)

*De bronnen van de watervloed en de wolken worden gestopt, waardoor de wateren stil worden en geleidelijk zakken, vers 1. De ark komt te rusten op het gebergte van Ararat, 4. Noach laat een raaf vliegen en daarna een duif, die met een olijftakje terugkomt, 7. De aardbodem is weer droog, 13. Noach gaat met alles wat bij hem was, op Gods bevel, uit de ark, 16. Hij bouwt een altaar en offert, 20. God belooft de aarde niet meer zo te verwoesten om de mens, 21.*

**1** En God[^genesis-8-1-1] gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v1)

**2** Ook werden de fonteinen van de afgrond, en de sluizen van de[^genesis-8-2-2] hemel gesloten, en de[^genesis-8-2-3] plasregen van de hemel werd opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v2)

**3** Daartoe keerden de wateren weer van boven de aarde,[^genesis-8-3-4] heen en weer vloeiende, en de wateren namen af[^genesis-8-3-5] na verloop van honderd en vijftig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v3)

**4** En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de[^genesis-8-4-6] maand, op de bergen van Ararat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v4)

**5** En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op de eerste van de maand, werden de[^genesis-8-5-7] toppen van de bergen gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v5)

**6** En het gebeurde,[^genesis-8-6-8] na verloop van veertig dagen, dat Noach het venster van de[^genesis-8-6-9] ark, die hij gemaakt had, opendeed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v6)

**7** En hij[^genesis-8-7-10] liet een raaf uit,[^genesis-8-7-11] die dikwijls heen en weer ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v7)

**8** Daarna[^genesis-8-8-12] liet hij een[^genesis-8-8-13] duif van zich uit, om te zien, of de wateren[^genesis-8-8-14] gelicht waren van boven de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v8)

**9** Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weer tot hem in de ark; want de wateren waren op[^genesis-8-9-15] de hele aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v9)

**10** En hij wachtte nog zeven andere dagen; toen[^genesis-8-10-16] liet hij de duif opnieuw uit de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v10)

**11** En de duif[^genesis-8-11-17] kwam tot hem tegen de avondtijd; en ziet,[^genesis-8-11-18] een afgebroken olijfblad was in haar[^genesis-8-11-19] bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v11)

**12** Toen bleef hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit;[^genesis-8-12-20] maar zij keerde niet meer weer tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v12)

**13** En het gebeurde[^genesis-8-13-21] in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op de eerste hun maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel van de ark af, en zag toe, en ziet,[^genesis-8-13-22] de aardbodem was gedroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v13)

**14** En in de tweede maand, op de zeven en twintigste dag van de maand, was de aarde opgedroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v14)

**15** Toen sprak God tot Noach, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v15)

**16** [^genesis-8-16-23] Ga uit de ark, u, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen van uw zonen met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v16)

**17** Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan[^genesis-8-17-24] vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en[^genesis-8-17-a] dat zij overvloedig voortplanten op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v17)

**18** Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen van zijn zonen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v18)

**19** Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert,[^genesis-8-19-25] naar hun geslachten, gingen uit de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v19)

**20** En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al[^genesis-8-20-26] het[^genesis-8-20-b] reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde[^genesis-8-20-27] brandoffers op dat altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v20)

**21** En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan[^genesis-8-21-31] de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mens; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn[^genesis-8-21-d] jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende[^genesis-8-21-33] slaan, zoals Ik gedaan heb.[^genesis-8-21-28][^genesis-8-21-29][^genesis-8-21-30][^genesis-8-21-c][^genesis-8-21-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v21)

**22** [^genesis-8-22-e] Voortaan[^genesis-8-22-34] al de dagen van de aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/8.html#v22)

[^genesis-8-1-1]: Kanttekening 1: Op menselijke wijze over God gesproken. God wordt gezegd te gedenken wanneer Hij na enig uitstel zijn weldaden bewijst (Gen. 19:29, Ex. 32:13, Neh. 13:14, 22, Job 14:13, Ps. 132:1) of zijn straf uitvoert (Hos. 9:9, Openb. 18:5).
[^genesis-8-2-2]: Kanttekening 2: Die eerder waren opengebroken om dit verschrikkelijke oordeel van God uit te voeren. Gen. 7:11.
[^genesis-8-2-3]: Kanttekening 3: Die veertig natuurlijke dagen had geduurd. Zie Gen. 7:4, 12.
[^genesis-8-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws: gaande en wederkerende. Dat wil zeggen: steeds meer teruglopend, afnemend. Zo ook in het volgende vers 5; vergelijk Gen. 26:13, en zie Jona 1 bij vers 11.
[^genesis-8-3-5]: Kanttekening 5: Te rekenen vanaf het begin van de zondvloed. Zie Gen. 7:11. In die hele periode waren de wateren op de aardbodem toegenomen; zie daar ook vers 24.
[^genesis-8-4-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: op één van de bergen van Groot-Armenië.
[^genesis-8-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: hoofden. Zo ook Deut. 3:27, Joz. 15:8, Richt. 9:7.
[^genesis-8-6-8]: Kanttekening 8: Namelijk na de eerste dag van de tiende maand, waarover in het voorgaande vers gesproken wordt.
[^genesis-8-6-9]: Kanttekening 9: Zie Gen. 6:16.
[^genesis-8-7-10]: Kanttekening 10: Namelijk om te onderzoeken of de aarde van het water ontdaan was.
[^genesis-8-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: die uitging, uitgaande en kerende. Dat wil zeggen: zij vloog heen en weer, en vooral rond de ark, omdat de aarde nog grotendeels met water bedekt was.
[^genesis-8-8-12]: Kanttekening 12: Namelijk zeven dagen nadat de raaf was uitgelaten, zoals te zien is in vers 10.
[^genesis-8-8-13]: Kanttekening 13: Die niet gemakkelijk haar partner verlaat en gewoon is naar dezelfde plek terug te keren.
[^genesis-8-8-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: verminderd, verder weggelopen.
[^genesis-8-9-15]: Kanttekening 15: Op de vlakte van het omliggende land. Want overigens begonnen de toppen van de bergen al zichtbaar te worden, Gen. 8:5.
[^genesis-8-10-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: hij deed er nog bij, of: hij ging opnieuw over tot het uitzenden. Deze manier van spreken komt ook voor in Gen. 8:12, 21 en elders vaak, en duidt het herhalen en hervatten van een handeling aan.
[^genesis-8-11-17]: Kanttekening 17: Omdat zij geen voedsel voor zichzelf vond en in haar gewoonlijke hok wilde zijn.
[^genesis-8-11-18]: Kanttekening 18: Waarmee God Noach troostte en hem verzekerde dat zijn verlossing uit de ark nabij was.
[^genesis-8-11-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: mond (פִ֑י).
[^genesis-8-12-20]: Kanttekening 20: Want zij had rust en voedsel op de aardbodem gevonden.
[^genesis-8-13-21]: Kanttekening 21: Namelijk van Noachs leeftijd; het was het jaar 1657 na de schepping van de wereld. Vergelijk Gen. 7:11, waar gezegd wordt dat de zondvloed begon in het zeshonderdste levensjaar van Noach.
[^genesis-8-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: het aangezicht van de aardbodem.
[^genesis-8-16-23]: Kanttekening 23: Op dit bevel had Noach gewacht, zoals hij ook op Gods bevel de ark was ingegaan. Hij was er een jaar en tien dagen in geweest.
[^genesis-8-17-24]: Kanttekening 24: Zie Gen. 6 bij vers 7.
[^genesis-8-17-a]: Verwijzing a: Gen. 1:22, 28, 9:1.
[^genesis-8-19-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zij gingen keurig ordelijk, elk gepaard naar hun soort.
[^genesis-8-20-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 7:2.
[^genesis-8-20-b]: Verwijzing b: Lev. 11.
[^genesis-8-20-27]: Kanttekening 27: Zo genoemd omdat dit offer geheel verbrand werd en zo met de rook omhoog steeg en verdween. In dat opzicht zou het ook een 'klimoffer' mogen heten. Zie ook Lev. 6 bij vers 9.
[^genesis-8-21-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: Ik zal de aardbodem niet meer zo door een algemene zondvloed verderven. Hebreeuws: Ik zal niet opnieuw vervloeken. Zo ook aan het einde van dit vers; zie Gen. 8:10.
[^genesis-8-21-d]: Verwijzing d: Spr. 22:15.
[^genesis-8-21-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: door een algemene zondvloed ombrengen. Het woord 'slaan' wordt onder andere betekenissen vaak gebruikt voor doden, of het leven op enigerlei wijze beschadigen, op welke manier dan ook. Zie Ex. 21:18, Num. 14:12, 35:16, Deut. 28:22, 27, 1 Sam. 17:49, 26:8, 2 Sam. 3:27, 1 Kon. 22:34, Amos 4:9 enz.
[^genesis-8-21-28]: Kanttekening 28: Op menselijke wijze of bij wijze van vergelijking over God gesproken. Want zoals een lieflijke geur de mens zeer aangenaam is, zo had God een welgevallen aan het geloof en de dankbaarheid van Noach.
[^genesis-8-21-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: reach hannichoach (רֵיחַ הַנִּיחֹחַ), de geur van de rust, of: rustgevend. Te weten: de mens met God verzoenend en in rust of vrede stellend — niet door de eigen kracht van het offer, maar door het aangeduide offer van onze Heer Jezus Christus, waardoor alleen een eeuwige verzoening verworven is. Hebr. 9:12-13.
[^genesis-8-21-30]: Kanttekening 30: Of: tot zichzelf. Dat wil zeggen: bij Hemzelf. Op menselijke wijze over God gesproken, om ons duidelijk te maken dat Hij zijn raadsbesluit, dat Hij bij Zichzelf heeft, daarna aan zijn dienaren naar zijn welbehagen openbaart.
[^genesis-8-21-c]: Verwijzing c: Gen. 6:5. Spr. 22:15. Matt. 15:19.
[^genesis-8-21-32]: Kanttekening 32: Anders: hoewel.
[^genesis-8-22-e]: Verwijzing e: Jer. 33:20, 25.
[^genesis-8-22-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zolang als de wereld zal bestaan.

### Genesis 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/9.json)

*God vernieuwt Zijn zegen na de Zondvloed over de mensen, vers 1. Hij staat hun bepaald voedsel toe en verbiedt hun ander, 3. Hij stelt straf in op doodslag, 5. Hij stelt de regenboog als teken van Zijn verbond dat er geen wereldwijde Zondvloed meer op aarde zal komen, 9. Noach plant de wijnstok, 20, en wordt in zijn slaap van dronkenschap vanwege zijn naaktheid door Cham bespot, 22. Cham wordt daarom met zijn nakomelingen vervloekt, 25, maar Sem en Jafeth worden gezegend, 26. Noachs ouderdom en dood, 29.*

**1** En God[^genesis-9-1-1] zegende Noach en zijn zonen, en Hij zei tot hen:[^genesis-9-1-a] Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v1)

**2** En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte van de aarde, en over al het gevogelte van de hemel; in al wat zich op de aardbodem[^genesis-9-2-2] roert, en in alle vissen van de zee; zij zijn in uw hand overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v2)

**3** [^genesis-9-3-3] Al wat zich roert,[^genesis-9-3-4] dat levend is, zij u tot voedsel; Ik heb het u al gegeven, zoals[^genesis-9-3-5][^genesis-9-3-b] het groene kruid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v3)

**4** [^genesis-9-4-c] Maar het vlees[^genesis-9-4-6] met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v4)

**5** [^genesis-9-5-d] En werkelijk, Ik zal uw bloed, het[^genesis-9-5-7] bloed van uw zielen[^genesis-9-5-8] eisen; van de hand[^genesis-9-5-9] van alle gedierte zal Ik het eisen; ook[^genesis-9-5-10] van de hand van de mens, van de hand van een ieder van zijn broer zal Ik de ziel van de mens eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v5)

**6** [^genesis-9-6-e] Wie van de mens bloed vergiet, zijn bloed zal[^genesis-9-6-11] door de mens vergoten worden; want God heeft de mens[^genesis-9-6-12][^genesis-9-6-f] naar Zijn beeld gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v6)

**7** Maar[^genesis-9-7-g] u, wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloedig voort op de aarde, en vermenigvuldigt op die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v7)

**8** Verder zei God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v8)

**9** [^genesis-9-9-13] Maar Ik,[^genesis-9-9-h] ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw[^genesis-9-9-14] zaad na u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v9)

**10** En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte van de aarde met u; van alle, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte van de aarde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v10)

**11** En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer[^genesis-9-11-15] alle vlees door de wateren van de vloed zal worden[^genesis-9-11-16] uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v11)

**12** En God zei: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel, die met u is,[^genesis-9-12-17] tot eeuwige geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v12)

**13** [^genesis-9-13-18] Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken van het verbond tussen Mij en tussen de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v13)

**14** En het zal gebeuren,[^genesis-9-14-19] als Ik wolken over de aarde brenge,[^genesis-9-14-20] dat deze boog zal gezien worden in de wolken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v14)

**15** Dan zal[^genesis-9-15-21] Ik gedenken aan Mijn verbond, dat is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v15)

**16** Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan[^genesis-9-16-22] het eeuwig verbond tussen[^genesis-9-16-23] God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v16)

**17** Zo zei dan God tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v17)

**18** En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren[^genesis-9-18-i] Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van[^genesis-9-18-24] Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v18)

**19** Deze drie waren de zonen van Noach; en van deze is de hele aarde[^genesis-9-19-25] overspreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v19)

**20** En Noach[^genesis-9-20-26] begon een[^genesis-9-20-27] akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v20)

**21** En hij dronk van die wijn, en werd dronken; en[^genesis-9-21-28] hij ontblootte zich in het midden van zijn tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v21)

**22** En Cham,[^genesis-9-22-29] Kanaäns vader, zag van zijn vader naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broers daar buiten te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v22)

**23** Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouders, en gingen achteruit, en bedekten de naaktheid van hun vader; en hun aangezichten waren achteruit gekeerd, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v23)

**24** En Noach ontwaakte van zijn[^genesis-9-24-30] wijn; en[^genesis-9-24-31] hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v24)

**25** En[^genesis-9-25-32] hij zei:[^genesis-9-25-33] Vervloekt zij[^genesis-9-25-34] Kanaän;[^genesis-9-25-35] een knecht van de knechten zij hij zijn broers! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v25)

**26** Verder zei hij: Gezegend zij YHWH, de God[^genesis-9-26-36] van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v26)

**27** [^genesis-9-27-37] God breide Jafeth uit, en hij woon[^genesis-9-27-38] in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v27)

**28** En Noach leefde na de vloed driehonderd en vijftig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v28)

**29** Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/9.html#v29)

[^genesis-9-1-1]: Kanttekening 1: God hernieuwt de zegen die Hij in Gen. 1:28 over de mens had uitgesproken, om te tonen dat de instandhouding en vermenigvuldiging van het menselijk geslacht, evenals alle heerschappij en macht die de mens na de zondeval over de redeloze dieren had behouden, zowel na als voor de zondvloed aan zijn zegen gebonden was.
[^genesis-9-1-a]: Verwijzing a: Gen. 1:28. en 8:17.
[^genesis-9-2-2]: Kanttekening 2: Of: kruipt en zich beweegt, als een redeloos dier.
[^genesis-9-3-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: allerlei eetbaar gedierte, op de aarde, in de lucht en in het water.
[^genesis-9-3-4]: Kanttekening 4: Want wat vanzelf of door ziekte gestorven is, is door deze wet verboden.
[^genesis-9-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: het groen, of: de groente van het kruid, zoals in Gen. 1:30. Dat wil zeggen (naar de gangbare opvatting): bovenop het groene kruid en de vruchten die Ik u eerder als voedsel had bepaald, geef Ik u nu ook allerlei levend eetbaar gedierte.
[^genesis-9-3-b]: Verwijzing b: Gen. 1:29.
[^genesis-9-4-c]: Verwijzing c: Lev. 3:17. en 7:26. en 17:14. en 19:26. Deut. 12:23.
[^genesis-9-4-6]: Kanttekening 6: God verbiedt bloederig vlees te eten, om de mensen af te schrikken van alle wreedheid en neiging tot doden en moorden. Vergelijk Lev. 3:17, 17:11, Deut. 12:23.
[^genesis-9-5-d]: Verwijzing d: Ex. 21 vers 12, 28.
[^genesis-9-5-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: van uw personen, of: uw lichamelijk leven.
[^genesis-9-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: wreken, hetzij door de door Mij ingestelde orde, hetzij ook daarbuiten.
[^genesis-9-5-9]: Kanttekening 9: Zie Ex. 21:28.
[^genesis-9-5-10]: Kanttekening 10: Wie hij ook mag zijn, van hoge of lage stand, rijk of arm, man of vrouw, omdat de mens zijn broer of zus en naaste is.
[^genesis-9-6-e]: Verwijzing e: Klaagl. 4:13. Matt. 26:52. Openb. 13:10.
[^genesis-9-6-11]: Kanttekening 11: Hier wordt het ambt van de overheid bevestigd, en het zwaard haar gegeven tot bestraffing van de kwaaddoeners. Rom. 13:1.
[^genesis-9-6-12]: Kanttekening 12: Zie Gen. 1:27. En hoewel Gods beeld door de zondeval geschonden en gebroken is, heeft God toch enig overblijfsel daarvan om verschillende redenen in de mens gelaten. Hij wil niet dat dit geschonden wordt, en verordent hier de straf voor zulke schending.
[^genesis-9-6-f]: Verwijzing f: Gen. 1:27.
[^genesis-9-7-g]: Verwijzing g: Gen. 1:26, 28. en 8:17.
[^genesis-9-9-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: wat Mij betreft, om u van mijn kant te verzekeren dat Ik alle mensen en dieren niet meer op die manier zal verdelgen, verbind Ik Mij aan u met beloften en geef u het volgende teken.
[^genesis-9-9-h]: Verwijzing h: Jes. 54 vers 9.
[^genesis-9-9-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: met uw nakomelingen, die uit u voortgebracht en geboren zullen worden. Zo wordt het woord 'zaad' vaak gebruikt. Zie Gen. 12:7, Ex. 28:43, Lev. 22:4, Deut. 4:37, 1 Sam. 24:22, 1 Kon. 2:33, Joh. 8:33, Rom. 1:3, 11:1, 2 Tim. 2:8.
[^genesis-9-11-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: alle mensen, en al wat leeft, zich beweegt en gevoel heeft op de aarde.
[^genesis-9-11-16]: Kanttekening 16: Zie Gen. 8:21-22. Versta hieronder een vloed waardoor de hele aarde met water bedekt zou worden tot verdelging van alle mensen en dieren die hun woonplaats op de aarde hebben. Hiermee zijn dus plaatselijke overstromingen en watersnoden uitgezonderd.
[^genesis-9-12-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: tot geslachten van de eeuwigheid, dat wil zeggen: zolang als de wereld zal bestaan. Zo ook Gen. 9:16.
[^genesis-9-13-18]: Kanttekening 18: Versta hieronder de regenboog, die naar zijn aard weliswaar een teken van regen is, maar naar Gods bepaling een zeker bewijs dat de wereld niet opnieuw door regen en een algemene watervloed zal vergaan.
[^genesis-9-14-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: als Ik een wolk over de aarde bewolk, dat wil zeggen: als Ik haar met wolken overtrek.
[^genesis-9-14-20]: Kanttekening 20: Of: en.
[^genesis-9-15-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Zie hierboven Gen. 8:1 en ook hier het volgende vers.
[^genesis-9-16-22]: Kanttekening 22: Zie Gen. 8:21-22 en Gen. 9:12. Hebreeuws: berit olam (בְּרִית עוֹלָם), het verbond van de eeuwigheid.
[^genesis-9-16-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: Mij.
[^genesis-9-18-i]: Verwijzing i: Gen. 6:10.
[^genesis-9-18-24]: Kanttekening 24: Van wie de Kanaanieten zijn voortgekomen, en het land Kanaän zijn naam heeft gekregen. Dit land is later het erfdeel geworden van de Israelieten, die van Sem afstammen.
[^genesis-9-19-25]: Kanttekening 25: Namelijk met inwoners.
[^genesis-9-20-26]: Kanttekening 26: Of: als landbouwer begon hij te planten.
[^genesis-9-20-27]: Kanttekening 27: Of: landman. Hebreeuws: ish ha'adamah (אִישׁ הָאֲדָמָה), een man van de aarde, dat wil zeggen: een akkerbouwer of landbouwer. Zo ook Gen. 25:27: 'een man van het veld', dat wil zeggen: iemand die meer in het veld verblijft dan thuis. 1 Sam. 16:18: 'een man van de oorlog', dat wil zeggen: een krijgsman. Spr. 6:11: 'een man van het schild', dat wil zeggen: iemand die schild en wapens in de oorlog gebruikt, enz.
[^genesis-9-21-28]: Kanttekening 28: Namelijk onwetend, onverhoeds in de slaap van de dronkenschap gevallen, en niet met opzet.
[^genesis-9-22-29]: Kanttekening 29: Dit wordt hier vermeld tot verdere bestraffing van Cham, en ter bemoediging van de Israelieten, die God naar het land van de Kanaanieten leidde door middel van Mozes.
[^genesis-9-24-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: van de slaap waarin hij door het drinken van de wijn was gevallen.
[^genesis-9-24-31]: Kanttekening 31: Hetzij door Gods ingeving, hetzij door het verhaal van zijn twee andere zonen, of ook door zijn eigen onderzoek.
[^genesis-9-25-32]: Kanttekening 32: Niet als een zondig mens door vleselijke toorn of ontzetting, maar als een profeet door de ingeving van de Heilige Geest.
[^genesis-9-25-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: gehaat door God, veracht bij de mensen, ongelukkig op de aarde, zowel hijzelf als de zijnen.
[^genesis-9-25-34]: Kanttekening 34: Versta hieronder niet alleen de zoon, maar ook de vader Cham, en de nakomelingen van de zoon.
[^genesis-9-25-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de allerverachtste en laagste slaaf. Zo wordt 'ijdelheid van de ijdelheden' gezegd in Pred. 1:2, en 'boosheid van de boosheid' in Hos. 10:15, als aanduiding van het allerergste enz. Vergelijk Lev. 2, de aantekening bij vers 3.
[^genesis-9-26-36]: Kanttekening 36: Sem wordt hier in het bijzonder genoemd, niet alleen omdat hij het meest de eer had in het eerbetoon aan zijn vader (Gen. 9:23), maar ook omdat uit zijn nageslacht de Messias en Gods volk zouden voortkomen. Zie Gen. 10 bij vers 21.
[^genesis-9-27-37]: Kanttekening 37: Anders: God lokke of overrede Jafeth. Versta dit als een profetie over de roeping van de heidenen (Jafets nakomelingen), die door de lieflijke prediking van het heilig Evangelie zou gebeuren.
[^genesis-9-27-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: zijn nakomelingen zullen tot de gemeenschap van Gods kerk gebracht worden.

### Genesis 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/10.json)

*Uitbreiding van het menselijk geslacht door de drie zonen van Noach; hun nakomelingen met hun woonplaatsen worden beschreven. Van Jafeth, vers 2. Van Cham, 6. Onder dezen zijn Nimrod en Assur, 8, 11. Van Sem, 21.*

**1** Dit[^genesis-10-1-1] nu zijn de[^genesis-10-1-2] afstammelingen van[^genesis-10-1-a] Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na de vloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v1)

**2** De[^genesis-10-2-3][^genesis-10-2-b] zonen van Jafeth zijn:[^genesis-10-2-4] Gomer, en[^genesis-10-2-5] Magog, en[^genesis-10-2-6] Madai, en[^genesis-10-2-7] Javan, en[^genesis-10-2-8] Tubal, en[^genesis-10-2-9] Mesech, en[^genesis-10-2-10] Thiras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v2)

**3** En de zonen van Gomer zijn:[^genesis-10-3-11] Askenaz, en[^genesis-10-3-12] Rifath, en[^genesis-10-3-13] Togarma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v3)

**4** En de zonen van Javan zijn:[^genesis-10-4-14] Elisa, en[^genesis-10-4-15] Tarsis;[^genesis-10-4-16] de Chittieten en[^genesis-10-4-17] Dodanieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v4)

**5** Van deze zijn verdeeld de[^genesis-10-5-18] eilanden van de volken in hun gewesten,[^genesis-10-5-19] elk naar zijn taal, naar hun huisgezinnen, onder van hun volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v5)

**6** En[^genesis-10-6-20][^genesis-10-6-c] de zonen van Cham zijn:[^genesis-10-6-21] Cusch en[^genesis-10-6-22] Mitsraim, en[^genesis-10-6-23] Put, en[^genesis-10-6-24] Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v6)

**7** En de zonen van Cusch zijn:[^genesis-10-7-25] Seba en[^genesis-10-7-26] Havila, en[^genesis-10-7-27] Sabta, en[^genesis-10-7-28] Raema, en[^genesis-10-7-29] Sabtecha. En de zonen van Raema zijn:[^genesis-10-7-30] Scheba en[^genesis-10-7-31] Dedan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v7)

**8** En[^genesis-10-8-d] Cusch verwekte Nimrod; deze begon[^genesis-10-8-32] geweldig te zijn op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v8)

**9** Hij was een geweldig[^genesis-10-9-33] jager[^genesis-10-9-34] voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Zoals Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v9)

**10** En het[^genesis-10-10-35] begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het[^genesis-10-10-36] land Sinear. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v10)

**11** [^genesis-10-11-37] Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd[^genesis-10-11-38] Nineve, en[^genesis-10-11-39] Rehoboth, Ir, en Kalach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v11)

**12** En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is[^genesis-10-12-40] die grote stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v12)

**13** En Mitsraim verwekte[^genesis-10-13-41] de Ludieten, en[^genesis-10-13-42] de Anamieten, en[^genesis-10-13-43] de Lehabieten, en[^genesis-10-13-44] de Naftuchieten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v13)

**14** En[^genesis-10-14-45] de Pathrusieten, en[^genesis-10-14-46] de[^genesis-10-14-47] Casluchieten, vanwaar de[^genesis-10-14-48] Filistijnen[^genesis-10-14-49] uitgekomen zijn, en[^genesis-10-14-50] de Caftorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v14)

**15** En Kanaän verwekte[^genesis-10-15-51] Sidon, zijn eerstgeborene, en[^genesis-10-15-52] Heth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v15)

**16** [^genesis-10-16-53] En de[^genesis-10-16-54] Jebusiet, en de[^genesis-10-16-55] Amoriet, en de[^genesis-10-16-56] Girgasiet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v16)

**17** En de[^genesis-10-17-57] Hivviet, en de Arkiet, en de[^genesis-10-17-58] Siniet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v17)

**18** En de[^genesis-10-18-59] Arvadiet, en de[^genesis-10-18-60] Tsemariet, en de[^genesis-10-18-61] Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van[^genesis-10-18-62] de Kanaänieten verspreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v18)

**19** En de[^genesis-10-19-63] grens van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot[^genesis-10-19-64] Gaza toe; daar u gaat naar[^genesis-10-19-65] Sodom en[^genesis-10-19-66] Gomorra, en[^genesis-10-19-67] Adama, en[^genesis-10-19-68] Zoboim, tot Lasa toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v19)

**20** Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun gewesten, in hun volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v20)

**21** Verder[^genesis-10-21-70] zijn Sem[^genesis-10-21-71] zonen geboren; die is ook[^genesis-10-21-72] de vader[^genesis-10-21-73] aller zonen van Heber, broer van[^genesis-10-21-74] Jafeth, de grootste.[^genesis-10-21-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v21)

**22** [^genesis-10-22-76][^genesis-10-22-e] Sems zonen waren[^genesis-10-22-77] Elam, en[^genesis-10-22-78] Assur, en[^genesis-10-22-79][^genesis-10-22-f] Arfachsad, en[^genesis-10-22-80] Lud, en Aram.[^genesis-10-22-75] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v22)

**23** En Arams zonen waren[^genesis-10-23-82] Uz, en[^genesis-10-23-83] Hul, en[^genesis-10-23-84] Gether, en Maz.[^genesis-10-23-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v23)

**24** En[^genesis-10-24-g] Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.[^genesis-10-24-85] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v24)

**25** En Heber werden twee zonen geboren; van de ene naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en de naam van zijn broer was Joktan.[^genesis-10-25-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v25)

**26** En Joktan verwekte Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach,[^genesis-10-26-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v26)

**27** En Hadoram, en Usal, en Dikla, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v27)

**28** En Obal, en Abimaël, en Scheba,[^genesis-10-28-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v28)

**29** En[^genesis-10-29-90] Ofir, en Havila, en Jobab; deze alle waren zonen van Joktan.[^genesis-10-29-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v29)

**30** En hun woning was van Mescha af, daar u gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.[^genesis-10-30-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v30)

**31** Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun gewesten, naar hun volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v31)

**32** Deze zijn de huisgezinnen van de zonen van Noach, naar hun afstamming, in hun volken; en van deze zijn de volken op de aarde verdeeld na de vloed.[^genesis-10-32-92] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/10.html#v32)

[^genesis-10-1-1]: Kanttekening 1: Het oogmerk van dit verhaal is, voornamelijk om aan te wijzen, uit welke vaders de Messias naar het vlees gesproten, en onder welk volk intussen de gemeente van God gevonden werd. Daarna om bekend te maken de oorsprong van de volken, en de bedelingen van de landen, die zij bewoond hebben; wat alles ook zeer dienstig is tot verklaring van vele Schriftuurplaatsen, gelijk in het vervolg zal blijken.
[^genesis-10-1-2]: Kanttekening 2: Of, geslachten.
[^genesis-10-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 1:4 . 1 Kronieken 1:4 : Noach, Sem, Cham en Jafeth.
[^genesis-10-2-3]: Kanttekening 3: Deze hebben zich van de plaatsen van hun woningen het meest noord- en westwaarts verspreid; want zich eerst nedergezet hebbende in Klein-Azië, hebben zij langzamerhand de noordse landen en Europa het meest vervuld.
[^genesis-10-2-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 1:5 . 1 Kronieken 1:5 : De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
[^genesis-10-2-4]: Kanttekening 4: De nakomelingen van deze hebben het noordelijke gedeelte van Klein-Azië bewoond; waarom zij onder de noordse volken worden geteld. Ez. 38:6 . En daar zij zich ook westwaarts uitgebreid hebben, zo houdt men het er voor dat zij de voorttelers mee zijn van de volken in wier landen de Gallo-Grieken naderhand gewoond hebben. Ezechiël 38:6 : Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.
[^genesis-10-2-5]: Kanttekening 5: De stamvader van de Scythen; zie van deze Ez. 38:2 , Ez. 39:6 . Ezechiël 38:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, Ezechiël 39:6 : En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^genesis-10-2-6]: Kanttekening 6: Van wie zijn de Meden; zie 2 Kon. 17:6 ; Jes. 13:17 ; Jer. 25:25 ; Dan. 5:6 , 5:8 . 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. Jesaja 13:17 : Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben. Jeremia 25:25 : En alle koningen van Zimri, en alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië; Daniël 5:6 : Toen veranderde zich de glans van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen werden los, en zijn knieën stieten tegen elkaar aan. Daniël 5:8 : Toen kwamen al de wijzen van de koning in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch de koning de uitlegging daarvan bekend maken.
[^genesis-10-2-7]: Kanttekening 7: De vader van de Grieken; zie van deze Jes. 66:19 ; Dan. 8:21 ; Joël 3:6 ; Ez. 27:13 , 27:19 . Jesaja 66:19 : En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. Daniël 8:21 : Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning. Joël 3:6 : En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van de Grieken, opdat u hen verre van hun landpale mocht brengen. Ezechiël 27:13 : Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u. Ezechiël 27:19 : Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel.
[^genesis-10-2-8]: Kanttekening 8: Men houdt het er voor dat van deze de Iberen en uit deze de Spanjaarden voortgekomen zijn. Zie Ez. 27:13 , Ez. 32:28 , Ez. 38:2 , 38:3 . Ezechiël 27:13 : Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u. Ezechiël 32:28 : U ook zult verbroken worden in het midden van de onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard. Ezechiël 38:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, Ezechiël 38:3 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal!
[^genesis-10-2-9]: Kanttekening 9: Hebr. Meschech (מֶ֫שֶׁךְ), welke van deze afkomstig zijn, is onzeker. Sommigen menen die van Cappadocië; anderen, die van Mysië; enigen, de Moschen, of Moskovieten. Zie Ez. 38:2 , 38:3 . Ezechiël 38:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, Ezechiël 38:3 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal!
[^genesis-10-2-10]: Kanttekening 10: Over hem wordt in de H. Schrift niet meer vermeld, maar de mening van velen is, dat de Thracische naburen van de Macedoniërs , van hem zijn voortgekomen.
[^genesis-10-3-11]: Kanttekening 11: De vader van de inwoners van Pontus en Bithynië, landschappen, gelegen in Klein-Azië. Sommigen houden het er voor dat van deze de Duitsers afkomstig zijn. Zie Jer. 51:27 . Jeremia 51:27 : Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!
[^genesis-10-3-12]: Kanttekening 12: Anders, Difath . 1 Kron. 1:6. Hij was de voortteelder van de Paflagoniërs , een volk van Klein-Azië, te voren genaamd Rifatheën, of Ripheën. 1 Kronieken 1:6 : En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.
[^genesis-10-3-13]: Kanttekening 13: Deze wordt meest gehouden voor de oorsprong van het volk in Klein-Armenië : of (naar de mening van anderen) van de Hoogduitsen . Zie Ez. 27:14 en 38:6 . Ezechiël 27:14 : Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten. Ezechiël 38:6 : Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.
[^genesis-10-4-14]: Kanttekening 14: Van wie afkomstig zijn de Eolen, een volk in Griekenland. Verg. Ez. 27:7 . Ezechiël 27:7 : Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elisa, was uw deksel.
[^genesis-10-4-15]: Kanttekening 15: Naar deze wordt genoemd de hoofdstad van Cilicië, het vaderland van Paulus, Hand. 23:3 , zodat deze Tarsis geweest is de stamvader van de Ciliciërs. Zie Ez. 27:12 ; Jona 1:3 . Handelingen 23:3 : Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, u gewitte wand! Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u, tegen de wet, dat men mij zal slaan? Ezechiël 27:12 : Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. Jona 1:3 : Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH.
[^genesis-10-4-16]: Kanttekening 16: De vader van de inwoners van Macedonië, of van Italië, of van Cyprus, of van een deel van het land Cilicië; de meningen zijn verdeeld. Zie Num. 24:24 , Jes. 23:1 , Jer. 2:10 . Numeri 24:24 : En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn. Jesaja 23:1 : De last van Tyrus. Huilt, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden. Jeremia 2:10 : Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
[^genesis-10-4-17]: Kanttekening 17: Anders, Rodanieten ( Rodanim ), 1 Kron. 1:7 . Men meent dat van deze afkomstig zijn de Rhodiërs , en de Dorensen . 1 Kronieken 1:7 : En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.
[^genesis-10-5-18]: Kanttekening 18: Versta, de landen aan de zee westwaarts van Syrië tussen de Middellandse zee en de Oceaan gelegen; namelijk niet alleen die eigenlijk eilanden genoemd worden, maar ook de vaste landen, die door hun ligging eilanden schijnen te zijn.
[^genesis-10-5-19]: Kanttekening 19: elk naar zijn spraak: De verdeling van de spraken was in die tijd nog niet geschied (zie onder cap. 11 ) maar Mozes spreekt naar de tijd, in welke hij dit schreef. Zie dergelijke exempels Gen. 12:8 en 13:3 etc. Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Genesis 13:3 : En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai;
[^genesis-10-6-20]: Kanttekening 20: zonen van Cham: Deze nakomelingen hebben zich vanuit Babel meest zuidwaarts verdeeld in een deel van Azië , en in Afrika ; en voor een tijd in Palestina . Zie 1 Kron. 4:40 , Psa. 105:27 . 1 Kronieken 4:40 : En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren. Psalmen 105:27 : Zij deden onder hen de bevelen van Zijn tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.
[^genesis-10-6-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 1:8 . 1 Kronieken 1:8 : De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaän.
[^genesis-10-6-21]: Kanttekening 21: Van deze zijn de Arabiërs , en de Moren . Zie de aantekening bij cap. 2 vers 13 . Idem, 2 Kon. 19:9 , Job 28:19 , Jere. 13:23 en 46:9 . Genesis 2:13 : En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gehele land Cusch omloopt. 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende: Job 28:19 : Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. Jeremia 13:23 : Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Jeremia 46:9 : Trekt op, u paarden! en raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die de boog handelen en spannen.
[^genesis-10-6-22]: Kanttekening 22: De vader van de Egyptenaren . De naam is overal in de H. Schrift. En ’t is ook de naam van het land Egypte zelve, en van de inwoners.
[^genesis-10-6-23]: Kanttekening 23: Men meent dat hij een gedeelte van Lybië, waar de rivier Put is, bewoond heeft. Zie Jer. 46:9 ; Ez. 27:10 , Ez. 38:5 . Jeremia 46:9 : Trekt op, u paarden! en raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die de boog handelen en spannen. Ezechiël 27:10 : Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw legermacht, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad. Ezechiël 38:5 : Perzen, Moren en Puteers met hen, die allemaal schild en helm voeren;
[^genesis-10-6-24]: Kanttekening 24: De voorvader van de Kanaänieten, in de Schrift genoegelijk bekend. Zie bij Gen. 9:25 , en hier onder vers 18. Genesis 9:25 : En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^genesis-10-7-25]: Kanttekening 25: Van deze komen de Sabeërs, in Woest-Arabië. Zie Ps. 72:10 , en Jes. 43:3 . Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Jesaja 43:3 : Want Ik ben YHWH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
[^genesis-10-7-26]: Kanttekening 26: De vaders van de inwoners van een land aldus genaamd, boven Gen. 2:11 . Genesis 2:11 : De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het, die het gehele land van Havila omloopt, waar het goud is.
[^genesis-10-7-27]: Kanttekening 27: Het gevoelen van de geleerden is dat de nakomelingen van deze bewoond hebben het onderdeel van Gelukkig-Arabië.
[^genesis-10-7-28]: Kanttekening 28: Mee een voorvader van de inwoners van het bovengenoemde Arabië. Zie Ez. 27:22 . Ezechiël 27:22 : De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.
[^genesis-10-7-29]: Kanttekening 29: Men houdt het er voor dat deze ook een stamvader van dezelfde natie geweest is.
[^genesis-10-7-30]: Kanttekening 30: Zuidwaarts wonende in Morenland; van waar men meent dat de koningin van Scheba gekomen is. Zie 1 Kon. 10:1 , 10:4 ; Ez. 27:22 ; Matt. 12:42 ; Hand. 8:27 . Anderen plaatsen hem in Gelukkig-Arabië. 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 1 Koningen 10:4 : Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, Ezechiël 27:22 : De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten. Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Handelingen 8:27 : En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;
[^genesis-10-7-31]: Kanttekening 31: Een inwoner mee van Gelukkig-Arabië, of volgens anderer gevoelen, van Morenland. Zie Ez. 27:15 , Ez. 38:13 . Ezechiël 27:15 : De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel van uw hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weer tot een verering. Ezechiël 38:13 : Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt u, om buit te buiten? hebt u uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en bezittingen weg te nemen, om een grote buit te buiten?
[^genesis-10-8-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 1:10 . 1 Kronieken 1:10 : Cusch nu verwekte Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
[^genesis-10-8-32]: Kanttekening 32: Zie boven Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^genesis-10-9-33]: Kanttekening 33: geweldig jager: Hebr. geweldig in jacht, namelijk, niet alleen van de beesten, maar ook van de mensen, met wie hij handelde gelijk de jagers met het wild, dat zij doden of bedwingen naar hun lust. Zie deze manier van spreken Jer. 16:16 ; Klaagl. 3:52 . Jeremia 16:16 : Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt YHWH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven van de steenrotsen. Klaagliederen 3:52 : Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
[^genesis-10-9-34]: Kanttekening 34: voor het: Dat is, openlijk en stoutelijk, zonder vrees voor God en schaamte voor de mensen; verg. hoofdstuk Gen. 6:11 . Genesis 6:11 : Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
[^genesis-10-10-35]: Kanttekening 35: begin van zijn rijk: Nimrod wordt gehouden voor de stichter van de eerste monarchie, en hij heeft het eerst deze vier steden gebouwd; gelijk Kaïn de eerste stad bouwde, vóór de zondvloed.
[^genesis-10-10-36]: Kanttekening 36: Hebr. Schinhar (שִׁנְעָר), het land van Mesopotamië en Chaldea, aldus genaamd naar een gebergte daaraan gelegen, zie omtrent dit Sinear ook onder, Gen. 11:2 , en Gen. 14:1 , en Joz. 7:21 . Genesis 11:2 : Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden daar. Genesis 14:1 : En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van Elam, en van Tideal, de koning van de volken; Jozua 7:21 : Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.
[^genesis-10-11-37]: Kanttekening 37: Uit ditzelve land: Anders, uit dit land is hij, namel. Nimrod, uitgegaan naar Assyrië.
[^genesis-10-11-38]: Kanttekening 38: De hoofdstad van Assyrië, Jona 1:2 . Jona 1:2 : Maak u op, ga naar de grote stad Nineve, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.
[^genesis-10-11-39]: Kanttekening 39: Anders, Rechoboth de stad, of, de straten van de stad, te weten van Ninevé.
[^genesis-10-12-40]: Kanttekening 40: die grote stad: Te weten Ninevé. Zie Jona 3:3 , Jona 4:11 . Jona 3:3 : Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord van YHWH. Nineve nu was een grote stad van God, van drie dagreizen. Jona 4:11 : En Ik zou die grote stad Nineve niet sparen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?
[^genesis-10-13-41]: Kanttekening 41: Anders, Ludim, naar de stamvader van het volk van Lydië in Mauritanië. Zie van deze Jes. 66:19 . Jesaja 66:19 : En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.
[^genesis-10-13-42]: Kanttekening 42: Anders, Anamim. Naar degene die men houdt hem voor de stamvader van de Cyreneërs.
[^genesis-10-13-43]: Kanttekening 43: Anders, Lehabim, naar de vader van de Lybiërs in Afrika.
[^genesis-10-13-44]: Kanttekening 44: Anders, Naphtuhim . Van wie men acht afkomstig te zijn de Moren van Numidië.
[^genesis-10-14-45]: Kanttekening 45: Anders, Pathrusim, die omtrent de stad Pathros in Egypte gewoond hebben. Zie van deze Jes. 11:11 . Jesaja 11:11 : Want het zal gebeuren op die dag, dat de Heer ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weer te verwerven het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden van de zee.
[^genesis-10-14-46]: Kanttekening 46: Anders, Kasluhim, de inwoners van Cassiotis.
[^genesis-10-14-47]: Kanttekening 47: van waar: Als ook van Caphthorim. Zie Deut. 2:23 ; Jer. 47:4 ; Amos 9:7 . Het schijnt dat deze twee broers uit hun woonplaats tezamen zijn opgetogen, en het land Palestina hebben ingenomen, waarom zij Filistijnen Palestina. genaamd zijn. Deuteronomium 2:23 : Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond. Jeremia 47:4 : Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren. Amos 9:7 : Zijt u Mij niet als de kinderen van de Moren, o kinderen van Israël? spreekt YHWH. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?
[^genesis-10-14-48]: Kanttekening 48: Dat is, inwoners van Palestina.
[^genesis-10-14-49]: Kanttekening 49: Anders, afgekomen.
[^genesis-10-14-50]: Kanttekening 50: Anders, Kaphtorim . Afkomstig uit Caphtor; zie daarvan Deut. 2:23 . Deuteronomium 2:23 : Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.
[^genesis-10-15-51]: Kanttekening 51: Hebr. Tsidon (צִידוֺן), stichter van de stad Tsidon, of Sidon in Phenicië; zie daarvan Joz. 11:8 , Joz. 19:28 ; Richt. 1:31 , enz. Jozua 11:8 : En YHWH gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. Jozua 19:28 : En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon. Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
[^genesis-10-15-52]: Kanttekening 52: De vader van de Hethieten, zie van deze Joz. 1:4 , Joz. 9:1 , enz. Jozua 1:4 : Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het gehele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal ulieder landpale zijn. Jozua 9:1 : En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens van de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;
[^genesis-10-16-53]: Kanttekening 53: En de: Dit zijn niet alleen eigennamen van personen, maar ook van gehele volken, die uit deze gesproten zijn; en worden daarom ook overgezet, de Jebusieter, de Amorieter, enz.
[^genesis-10-16-54]: Kanttekening 54: Van de nakomelingen van deze zie men Joz. 15:8 , Joz. 18:28 ; Richt. 1:21 . Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. Jozua 18:28 : En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen. Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag.
[^genesis-10-16-55]: Kanttekening 55: Van de Emorieten (Amorieten), zie men Deut. 2:24 . Deuteronomium 2:24 : Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd.
[^genesis-10-16-56]: Kanttekening 56: Zie Matt. 8:28 . Mattheüs 8:28 : En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan.
[^genesis-10-17-57]: Kanttekening 57: Zie Richt. 3:3 . Richteren 3:3 : Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath.
[^genesis-10-17-58]: Kanttekening 58: Van deze wordt gesproken Jes. 49:12 . Jesaja 49:12 : Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim.
[^genesis-10-18-59]: Kanttekening 59: Zie Ez. 27:8 , 27:11 . Ezechiël 27:8 : De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers. Ezechiël 27:11 : De kinderen van Arvad en uw legermacht waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.
[^genesis-10-18-60]: Kanttekening 60: Zie Joz. 18:22 , en 2 Kron. 13:4 . Jozua 18:22 : En Beth-Araba, en Zemaraim, en Beth-El, 2 Kronieken 13:4 : En Abia maakte zich op van boven de berg Zemaraim, die is in het gebergte van Efraïm; en hij zei: Hoort mij toe, Jerobeam, en geheel Israël!
[^genesis-10-18-61]: Kanttekening 61: Zie Amos 6:2 , 6:14 ; Zach. 9:2 ; van enige van deze tezamen, zie men Gen. 15:19 , 15:20 , 15:21 . Amos 6:2 : Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath van de Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale? Amos 6:14 : Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een volk verwekken, spreekt YHWH, de God van de legermachten; die zullen u drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek van de wildernis. Zacharia 9:2 : En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is; Genesis 15:19 : De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet, Genesis 15:20 : En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten, Genesis 15:21 : En de Amoriet, en de Kanaäniet, en de Girgaziet, en de Jebusiet.
[^genesis-10-18-62]: Kanttekening 62: Versta door deze de Kanaänieten in het algemeen, vooral de nakomelingen of volken van Kanaän.
[^genesis-10-19-63]: Kanttekening 63: De grenzen van het land Kanaän worden hier afgetekend; welke waren in de lengte aan de westzijde Sidon noordwaarts, en Gaza zuidwaarts; aan de oostzijde, Laza noordwaarts, en Sodom zuidwaarts; zijnde aldus de breedte aan de noordzijde Sidon en Laza; aan het zuideinde Gaza en Sodom.
[^genesis-10-19-64]: Kanttekening 64: Gaza toe: Hebr. Azza.
[^genesis-10-19-65]: Kanttekening 65: Hebr. Sedom (סְדֹּם). Zie van deze stad en de drie volgende, onder Gen. 13:10 , Gen. 14:2 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Genesis 14:2 : Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
[^genesis-10-19-66]: Kanttekening 66: Hebr. Amora (עֲמֹרָה).
[^genesis-10-19-67]: Kanttekening 67: Hebr. Adma (אַדְמָה).
[^genesis-10-19-68]: Kanttekening 68: Hebr. Laschah (לָֽשַׁע).
[^genesis-10-21-70]: Kanttekening 70: zonen : Deze hebben meest hun woonplaatsen verkozen, oostwaarts in groot Azië, waarin Syrië, Assyrië, Mesopotamië, Chaldea, enz. gelegen zijn.
[^genesis-10-21-71]: Kanttekening 71: Dat is, niet alleen de stamvader naar het vlees, ten aanzien van de eerstgeboorte; maar ook een voorganger naar de geest, ten aanzien van de wedergeboorte.
[^genesis-10-21-72]: Kanttekening 72: aller zonen: Dat is, van de Hebreën, (die daarom ook Heber genaamd worden, Num. 24:24 ) bij wie de kerk van God met de ware leer en de ware godsdienst langen tijd gebleven is. Anders, kinderen van de overvaart, van de rivier Eurfraat, die Abraham overgevaren is, Joz. 24:3 . Zie verder van Sem, boven Gen. 6:10 . Numeri 24:24 : En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn. Jozua 24:3 : Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het gehele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. Genesis 6:10 : En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
[^genesis-10-21-73]: Kanttekening 73: Deze wordt bijzonder genoemd, omdat hij mee deel had in de zegeningen over Sem, door God uitgesproken, waarvan Cham uitgesloten was, boven Gen. 9:25 , 9:26 , 9:27 . Genesis 9:25 : En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers! Genesis 9:26 : Verder zei hij: Gezegend zij YHWH, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! Genesis 9:27 : God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht!
[^genesis-10-21-74]: Kanttekening 74: de grootste: Dat is, de oudste.
[^genesis-10-21-69]: Kanttekening 69: zijn Sem: Hebr. is geboren, gelijk vs. 25.
[^genesis-10-22-76]: Kanttekening 76: Van hem zijn afkomstig de Elamieten, dat is, de Perzen; zie van deze onder Gen. 14:1 , 14:9 ; Jes. 21:2 ; Jer. 49:34 , enz. Dan. 8:2 ; Hand. 2:9 . Genesis 14:1 : En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van Elam, en van Tideal, de koning van de volken; Genesis 14:9 : Tegen Kedor-laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volken, en Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. Jesaja 21:2 : Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. Jeremia 49:34 : Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende: Daniël 8:2 : En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in de burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan de vloed Ulai was. Handelingen 2:9 : Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.
[^genesis-10-22-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 1:17 . 1 Kronieken 1:17 : De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
[^genesis-10-22-77]: Kanttekening 77: De stamvader van de Assyriërs, een volk genoeg bekend in de Heilige Schrift. Verg. boven vs. 11.
[^genesis-10-22-78]: Kanttekening 78: Van deze meent men dat de Chaldeërs voortkomen, genoemd Casdim of Chasdim.
[^genesis-10-22-79]: Kanttekening 79: Van wie afkomstig zijn die van Lydië in Klein-Azië.
[^genesis-10-22-f]: Verwijzing f: onder, Gen. 11:10 . Genesis 11:10 : Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed.
[^genesis-10-22-80]: Kanttekening 80: De stamvader van de Syriërs; zie van een anderen Aram, onder Gen. 22:21 , van welke beiden men meent, dat het land Syrië en de Syriërs hun naam hebben. Genesis 22:21 : Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram,
[^genesis-10-22-75]: Kanttekening 75: Sems zonen: Omtrent de woonplaats van zijn nakomelingen zie men op het voorgaande vs.
[^genesis-10-23-82]: Kanttekening 82: Van deze meent men, dat zij het land van de Palmyrenen in Syrië bewoond hebben, of Armenië.
[^genesis-10-23-83]: Kanttekening 83: Van deze waren de Bactriërs, of die Apamene in Syrië bewoonden.
[^genesis-10-23-84]: Kanttekening 84: Anders, Mesech, 1 Kron. 1:17 , die bewoond heeft \[zoals men meent\] het opperdeel van Syrië tussen Cilicië en Mesopotamië, aan een gedeelte van de berg Aman genaamd Masius; anderen plaatsen hen in Mysië. 1 Kronieken 1:17 : De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
[^genesis-10-23-81]: Kanttekening 81: Hebr. Uts (עוּץ). Men houdt het er voor dat deze de stamvader is van de bewoners van het land Trachonitis; volgens het gevoelen van anderen, van enige die omtrent Idumea woonden. Zie van Utz (Uz) , Job 1:1 ; Klaagl. 4:21 . Job 1:1 : Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. Klaagliederen 4:21 : Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, u dochter Edoms, die in het land Uz woont! maar de beker zal ook tot u komen, u zult dronken worden, en ontbloot worden.
[^genesis-10-24-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 1:18 . 1 Kronieken 1:18 : Arfachsad nu verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.
[^genesis-10-24-85]: Kanttekening 85: En Arfachsad: Verg. onder Gen. 11:13 , 11:15 . Genesis 11:13 : En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Genesis 11:15 : En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij verwekte zonen en dochters.
[^genesis-10-25-86]: Kanttekening 86: want in zijn dagen: Dat is, omtrent de tijd van zijn geboorte zijn de bewoners van de aarde van elkaar gescheiden door de verdelingen van de spraken, wat in het volgende hoofdstuk verhaald wordt.
[^genesis-10-26-87]: Kanttekening 87: Van de nakomelingen van deze kan men niet veel bericht in de Heilige Schrift, noch bij andere schrijvers vinden.
[^genesis-10-28-88]: Kanttekening 88: Deze is te onderscheiden van een anderen Scheba, de zoon van Cus, de zoon Chams. Zie boven vs. 7.
[^genesis-10-29-90]: Kanttekening 90: Deze is te onderscheiden van een Havila, afkomstig van Cus, de zoon Chams; zie van deze boven vs. 7. Sommigen menen dat het land van de Ismaëlieten en Amalekieten naar hen aldus genoemd is, Gen. 25:18 ; 1 Sam. 15:7 . Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers. 1 Samuël 15:7 : Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar u komt te Sur, dat voor aan Egypte is.
[^genesis-10-29-89]: Kanttekening 89: Zie 1 Kon. 9:28 , 1 Kon. 22:49 ; Ps. 45:10 ; Jes. 13:12 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. 1 Koningen 22:49 : En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber. Psalmen 45:10 : Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. Jesaja 13:12 : Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
[^genesis-10-30-91]: Kanttekening 91: het oosten: Dat is, van Chaldea. Zie Num. 23:7 . Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!
[^genesis-10-32-92]: Kanttekening 92: Zie boven Gen. 5:1 . Genesis 5:1 : Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.

### Genesis 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/11.json)

*Alle mensen hadden tot dan toe dezelfde taal, vers 1. De mensen beginn uit pure trots een stad met een zeer hoge toren te bouwen, 3. God verhin dert hun werk door de talen te verwarren en verstrooit hen over de wereld, 6. Babel krijgt daarvan zijn naam, 9. De nakomelingen van Sem tot Abram, 10. Abram vertrekt met zijn vader, Sarai en Lot uit Ur van de Chaldeeën naar Haran, 29.*

**1** En[^genesis-11-1-1] de hele aarde was[^genesis-11-1-2] van dezelfde[^genesis-11-1-3] taal en dezelfde woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v1)

**2** Maar het gebeurde, als[^genesis-11-2-4] zij tegen[^genesis-11-2-5] het oosten trokken, dat zij een laagte vonden[^genesis-11-2-6] in het[^genesis-11-2-a] land Sinear; en zij woonden daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v2)

**3** En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons[^genesis-11-3-7] bakstenen strijken, en[^genesis-11-3-8] wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en[^genesis-11-3-9] het lijm was hun voor leem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v3)

**4** En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, waarvan de top in de hemel zij[^genesis-11-4-10][^genesis-11-4-11], en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over[^genesis-11-4-12] de hele aarde verstrooid worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v4)

**5** Toen[^genesis-11-5-13] kwam YHWH neer, om te bekijken de stad en de toren, die de[^genesis-11-5-14] kinderen van de mensen bouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v5)

**6** En YHWH zei: Zie, zij zijn dezelfde volk, en hebben alle dezelfde taal; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar[^genesis-11-6-15] nu,[^genesis-11-6-16] zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v6)

**7** Kom aan,[^genesis-11-7-17] laat Ons neervaren, en laat Ons hun taal daar verwarren, opdat ieder de taal van zijn naasten niet hore.[^genesis-11-7-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v7)

**8** [^genesis-11-8-19][^genesis-11-8-b] Zo verstrooide hen YHWH van daar over de hele aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v8)

**9** Daarom[^genesis-11-9-20] noemde men haar[^genesis-11-9-21] naam Babel; want daar verwarde YHWH de taal van de hele aarde, en van daar verstrooide hen YHWH over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v9)

**10** [^genesis-11-10-c] Deze zijn de afstammelingen van Sem: Sem[^genesis-11-10-22] was honderd jaar oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v10)

**11** En Sem[^genesis-11-11-23] leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v11)

**12** En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij verwekte[^genesis-11-12-24] Selah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v12)

**13** En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaar; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v13)

**14** En Selah leefde dertig jaren, en hij verwekte Heber. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v14)

**15** En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaar, en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v15)

**16** En Heber leefde vier en dertig jaren, en verwekte Peleg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v16)

**17** En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v17)

**18** En[^genesis-11-18-d] Peleg leefde dertig jaren, en hij verwekte Rehu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v18)

**19** En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v19)

**20** En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij verwekte Serug. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v20)

**21** En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v21)

**22** En Serug leefde dertig jaren, en verwekte[^genesis-11-22-25] Nahor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v22)

**23** En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v23)

**24** En Nahor leefde negen en twintig jaren, en verwekte[^genesis-11-24-26] Terah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v24)

**25** En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v25)

**26** En Terah leefde zeventig jaren, en[^genesis-11-26-27] verwekte[^genesis-11-26-28] Abram, Nahor en Haran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v26)

**27** [^genesis-11-27-e] En deze zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v27)

**28** En Haran stierf[^genesis-11-28-29] voor het aangezicht van zijn vader Terah, in het land van zijn geboorte, in[^genesis-11-28-30] Ur van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v28)

**29** En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Saraï, en de naam van Nahors huisvrouw was[^genesis-11-29-f] Milka,[^genesis-11-29-31] een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v29)

**30** En[^genesis-11-30-g] Saraï was onvruchtbaar; zij had geen kind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v30)

**31** [^genesis-11-31-h] En[^genesis-11-31-32] Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, van zijn zoon zoon, en Saraï, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en[^genesis-11-31-33] zij trokken[^genesis-11-31-34] met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot[^genesis-11-31-35] Haran, en woonden daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v31)

**32** En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/11.html#v32)

[^genesis-11-1-1]: Kanttekening 1: de gehele aarde: Alle bewoners van de aarde, vóór en na de zondvloed, totdat deze verdeling van de spraken geschied is.
[^genesis-11-1-2]: Kanttekening 2: van enerlei: Het wordt er voor gehouden, dat dit de Hebreeuwse spraak \[die haar naam heeft van Heber\] geweest is; onder anderen daarom, omdat de eigennamen van de eerste mensen van Hebreeuwsen oorsprong zijn, als Adam, Heva, Kaïn, Abel, enz.
[^genesis-11-1-3]: Kanttekening 3: Hebr. lip (שָׂפָה), gelijk in het volgende.
[^genesis-11-2-4]: Kanttekening 4: zij tegen: Dit is vooral te verstaan van Chams nakomelingen en hun hoofd Nimrod. Zie boven Gen. 10:10 . Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^genesis-11-2-5]: Kanttekening 5: Van de plaats waarheen zij eerst getogen waren, toen zij, om de grote menigte, zich wat moesten verspreiden van het gebergte Ararat, waar de ark rustte. Zie boven 8:4.
[^genesis-11-2-6]: Kanttekening 6: in het land: Waarin Babel gelegen was. Zie boven Gen. 10:10 . Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^genesis-11-2-a]: Verwijzing a: Gen. 10:10 . Genesis 10:10 : En het begin zijn rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^genesis-11-3-7]: Kanttekening 7: Of bakstenen maken, of bereiden.
[^genesis-11-3-8]: Kanttekening 8: wel doorbranden: Hebr. branden met, of, tot branding; dat is, door het branden hard bakken.
[^genesis-11-3-9]: Kanttekening 9: het lijm: Een taaie stof, vaster klevende dan pek, overvloedig in die landen; zie onder Gen. 14:10 . De geschiedschrijvers verhalen dat de muren van Babel hiervan gemetseld waren en zo hard geworden als ijzer. Genesis 14:10 : Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^genesis-11-4-10]: Kanttekening 10: Hebr. Hoofd (רֹאשׁ).
[^genesis-11-4-11]: Kanttekening 11: in de hemel zij: Een manier van spreken, dienende tot zonderlinge vergroting; zie Deut. 1:28 en Deut. 9:1 ; Ps. 107:26 ; Matt. 11:23 . Dit is een geheel goddeloos en stout voornemen, alsof zij God en alle mensen ten trots, zulk een werk wilden maken, waardoor zij zich tegen alle geweld mochten verzekeren. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn; Psalmen 107:26 : Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst. Mattheüs 11:23 : En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot het dodenrijk toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^genesis-11-4-12]: Kanttekening 12: de gehele aarde: Hebr. het aangezicht van de gehele aarde; zo ook onder vs. 8,9.
[^genesis-11-5-13]: Kanttekening 13: kwam YHWH neder: Menselijk van de oneindige en alwetende God gesproken. De zin is: God wist en zag al hun vermetel en goddeloos bestaan, openbarende dat Hij zich bereidde ter straf.
[^genesis-11-5-14]: Kanttekening 14: kinderen van de mensen: Zie boven Gen. 6:2 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
[^genesis-11-6-15]: Kanttekening 15: Met deze manier van spreken wordt uitgedrukt Gods toorn, en zijn voornemen om dit werk te beletten.
[^genesis-11-6-16]: Kanttekening 16: zou hun niet afgesneden worden: Anders, hun zal niet afgesneden, of, belet worden, dat is, zij zullen met hun werk willen voortgaan.
[^genesis-11-7-17]: Kanttekening 17: laat ons nedervaren: Verg. boven 1, de eerste aantekening op vs. 26.
[^genesis-11-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, versta; zo wordt het woord horen voor verstaan genomen, onder Gen. 42:23 ; Deut. 28:49 ; 1 Kon. 3:9 ; Jer. 5:15 ; 1 Kor. 14:2 . Genesis 42:23 : En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen. Deuteronomium 28:49 : YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, gelijk als een adelaar vliegt; een volk, welks spraak u niet zult verstaan; 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? Jeremia 5:15 : Ziet, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt YHWH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak u niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal. 1 Korinthiërs 14:2 : Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet tot de mensen, maar tot God; want niemand verstaat het, maar met de geest spreekt hij verborgenheden.
[^genesis-11-8-19]: Kanttekening 19: Wat zij meenden te voorkomen is hun door Gods rechtvaardig oordeel overkomen.
[^genesis-11-8-b]: Verwijzing b: Deut. 32:8 ; Hand. 17:26 . Deuteronomium 32:8 : Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld naar het getal van de kinderen van Israël. Handelingen 17:26 : En heeft uit een bloede het gehele geslacht van de mensen gemaakt, om op de heel aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning;
[^genesis-11-9-20]: Kanttekening 20: Anders, noemde Hij, te weten God.
[^genesis-11-9-21]: Kanttekening 21: Zie boven Gen. 10:10 . Het woord betekent verwarring, of vermenging, of de verwarring is gekomen, of daarin is verwarring. Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^genesis-11-10-c]: Verwijzing c: Gen. 10:22 ; 1 Kron. 1:17 . Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. 1 Kronieken 1:17 : De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
[^genesis-11-10-22]: Kanttekening 22: was honderd jaren: Hebr. een zoon van honderd jaar. Dat is, Sem was honderd jaren oud. Zie Gen. 7:6 . Genesis 7:6 : Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed van de wateren op de aarde was.
[^genesis-11-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, hij had geleefd, of, hij was zo oud. Zie boven Gen. 5:3 . Genesis 5:3 : En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
[^genesis-11-12-24]: Kanttekening 24: Hebr. Schelach (שֶׁ֫לַח).
[^genesis-11-18-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 1:25 . 1 Kronieken 1:25 : Heber, Peleg, Rehu,
[^genesis-11-22-25]: Kanttekening 25: Hebr. Nachor (נָחוֺר).
[^genesis-11-24-26]: Kanttekening 26: Hebr. Thera, en Luk. 3:34 Thara. Lukas 3:34 : De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor,
[^genesis-11-26-27]: Kanttekening 27: Dat is, hij begon te verwekken. Zie boven Gen. 5:32 . Genesis 5:32 : En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth.
[^genesis-11-26-28]: Kanttekening 28: Abram wordt eerst genoemd, niet omdat hij de oudste, maar de waardigste was; gelijk dit ook hier tevoren met Sem geschied is, boven Gen. 5:32 , en Gen. 10:1 . Genesis 5:32 : En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth. Genesis 10:1 : Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na de vloed.
[^genesis-11-27-e]: Verwijzing e: Joz. 24:2 ; 1 Kron. 1:26 . Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. 1 Kronieken 1:26 : Serug, Nahor, Terah,
[^genesis-11-28-29]: Kanttekening 29: voor het aangezicht van zijn vader: Dat is, in het leven en de aanwezigheid van zijn vader.
[^genesis-11-28-30]: Kanttekening 30: Een stad in het land van Chaldeën. Zie Neh. 9:7; Hand. 7:4 . Handelingen 7:4 : Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont.
[^genesis-11-29-f]: Verwijzing f: Gen. 22:20 . Genesis 22:20 : En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broer, zonen gebaard:
[^genesis-11-29-31]: Kanttekening 31: een dochter van Haran: Milka is getrouwd geweest met haar oom Nahor, welke huwelijken door de wetten van die tijd nog niet uitdrukkelijk verboden waren. Jiska wordt door sommigen gehouden voor Sarai, de huisvrouw van Abram; anderen menen dat Sarai niet was de dochter van Haran, maar diens en Abrams en Nahors zus, uit één vader Terah, maar niet uit één moeder geboren. Verg. onder Gen. 20:12 . Genesis 20:12 : En ook is zij waarlijk mijn zus; zij is de dochter van mijn vader, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
[^genesis-11-30-g]: Verwijzing g: Gen. 16:1 ; idem 16:2 ; Gen. 18:11 ; idem 18:12 . Genesis 16:1 : Maar Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen. Genesis 18:12 : Zo lachte Sara bij zichzelf, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?
[^genesis-11-31-h]: Verwijzing h: Joz. 24:2 ; Neh. 9:7 ; Hand. 7:4 . Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Nehemia 9:7 : U bent die YHWH, de God, Die Abram hebt gekozen, en hem uit Ur van de Chaldeeën uitgevoerd; en U hebt zijn naam gesteld Abraham. Handelingen 7:4 : Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont.
[^genesis-11-31-32]: Kanttekening 32: Terah nam Abram: Te weten, nadat hij door zijn zoon Abram verstaan had, dat God hem had geroepen om te gaan uit zijn vaderland, volgens het verhaal daarvan gedaan in het 12e hoofdstuk, Gen. 12 .
[^genesis-11-31-33]: Kanttekening 33: zij togen: Namel. Terah en Abram.
[^genesis-11-31-34]: Kanttekening 34: met hen: Namelijk, met Lot en Sarai.
[^genesis-11-31-35]: Kanttekening 35: Hebr. Charan (חָרָן), Hand. 7:4 leest men Charran, een stad in Mesopotamië, in de historiën bekend. Zie onder Gen. 24:10 , en Gen. 28:10 , en Gen. 29:4 . Handelingen 7:4 : Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont. Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Genesis 28:10 : Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran. Genesis 29:4 : Toen zei Jakob tot hen: Mijn broers! van waar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.

### Genesis 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/12.json)

*Abram vertrekt op Gods bevel en met Zijn beloften, samen met Sarai, Lot en alles wat hij in Haran verworven had, naar het land Kanaän, vers 1. Hij komt bij Sichem en Bethel, en stelt daar, na Gods verschijning, de openbare godsdienst in, 6. Wegens hongersnood trekt hij naar Egypte en vraagt Sarai te zeggen dat zij zijn zus is; daardoor wordt Sarai hem ontnomen, maar door Gods wonderlijke en genadige beschikking weer teruggegeven, 10.*

**1** De YHWH nu had tot[^genesis-12-1-1] Abram gezegd:[^genesis-12-1-2][^genesis-12-1-a] Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit het huis van uw vader, naar het land,[^genesis-12-1-3] dat Ik u wijzen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v1)

**2** En Ik zal u tot een[^genesis-12-2-4] groot volk maken, en u[^genesis-12-2-5] zegenen, en uw naam groot maken; en wees[^genesis-12-2-6] een zegen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v2)

**3** En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt;[^genesis-12-3-b] en[^genesis-12-3-7] in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v3)

**4** En Abram trok heen, zoals YHWH tot hem gesproken had; en Lot trok met hem; en Abram was[^genesis-12-4-8] vijf en zeventig jaar oud, toen hij uit[^genesis-12-4-9] Haran ging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v4)

**5** [^genesis-12-5-c] En Abram nam Saraï, zijn huisvrouw, en Lot, van zijn broer zoon, en al hun[^genesis-12-5-10] bezittingen, die zij verworven hadden, en[^genesis-12-5-11] de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij trokken uit, om te gaan naar het land[^genesis-12-5-12] Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v5)

**6** En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats[^genesis-12-6-13] Sichem, tot aan het[^genesis-12-6-14] eikenbos[^genesis-12-6-15] More; en[^genesis-12-6-16][^genesis-12-6-d] de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v6)

**7** [^genesis-12-7-17] Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei:[^genesis-12-7-e] Aan uw zaad zal Ik dit land geven.[^genesis-12-7-18] Toen bouwde hij daar een altaar voor YHWH, Die hem verschenen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v7)

**8** En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten[^genesis-12-8-19] van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het[^genesis-12-8-20] westen, en[^genesis-12-8-21] Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en[^genesis-12-8-22] riep de Naam van YHWH aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v8)

**9** Daarna vertrok Abram,[^genesis-12-9-23] gaande en trekkende naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v9)

**10** En er was[^genesis-12-10-24] honger in[^genesis-12-10-25] dat land;[^genesis-12-10-26] zo trok Abram af naar[^genesis-12-10-27] Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v10)

**11** En het gebeurde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zei tot Saraï, zijn huisvrouw: Zie toch,[^genesis-12-11-28] ik weet, dat u een vrouw bent, knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v11)

**12** En het zal gebeuren, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v12)

**13** [^genesis-12-13-f] Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en[^genesis-12-13-29] mijn ziel om uwentwil leve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v13)

**14** En het gebeurde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v14)

**15** Ook zagen haar[^genesis-12-15-30] de vorsten van Farao, en prezen haar[^genesis-12-15-31] bij Farao; en die vrouw werd[^genesis-12-15-32] weggenomen naar[^genesis-12-15-33] het huis van Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v15)

**16** En hij deed Abram goed,[^genesis-12-16-34] om harentwil; zodat hij had[^genesis-12-16-35] schapen, en runderen, en ezels, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v16)

**17** Maar[^genesis-12-17-g] YHWH plaagde Farao met[^genesis-12-17-36] grote plagen, ook zijn huis, vanwege Saraï, Abrams huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v17)

**18** Toen riep Farao Abram, en zei: Wat is dit, dat u mij gedaan hebt?[^genesis-12-18-37] waarom hebt u mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v18)

**19** Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zus; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga heen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v19)

**20** [^genesis-12-20-38] En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/12.html#v20)

[^genesis-12-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, voordat hij uit Chaldea vertrokken was, want dit bevel van God was de oorzaak van zijn verhuizing uit Chaldea, voordat hij nog wist waar hij heentrekken zou; dat hem daarna is geopenbaard. Zie boven Gen. 11:31 . Verg. hiermede Hand. 7:3 , 7:4 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar. Handelingen 7:3 : En zei tot hem: Ga uit uw land en uit uw familie, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal. Handelingen 7:4 : Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont.
[^genesis-12-1-2]: Kanttekening 2: Ga u: Hebr. Ga voor u, of ga u. Dat is, tot uw best; zo onder Gen. 22:2 , idem, vlied voor u, onder Gen. 27:43 , onderken voor u, onder Gen. 31:32 , maar overigens is dit woordje u, dikwerf in de Hebr. taal als een overtollig bijvoegsel, zoals het sommigen hier ook verstaan. Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. Genesis 27:43 : Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied u naar Haran, tot Laban, mijn broer. Genesis 31:32 : Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken u voor onze broers, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had.
[^genesis-12-1-a]: Verwijzing a: Hand. 7:3 ; Hebr. 11:8 . Handelingen 7:3 : En zei tot hem: Ga uit uw land en uit uw familie, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal. Hebreeën 11:8 : Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.
[^genesis-12-1-3]: Kanttekening 3: dat Ik u wijzen zal: Hij noemt geen land, om aldus Abrams geloof, gehoorzaamheid en geduld door beproeving te oefenen en openbaar te maken.
[^genesis-12-2-4]: Kanttekening 4: groot volk: Niet alleen ten aanzien van de veelheid van de mensen, wier vader u zult wezen naar het vlees, maar ook ten aanzien van hun waardigheid, omdat zij mijn volk en eigendom zullen zijn, wier vader u zult zijn naar de geest; Rom. 4:11 , 4:12 , 4:16 , 4:17 , Rom. 9:6 , 9:7 , 9:8 ; Gal. 3:7 . Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Romeinen 4:12 : En een vader van de besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. Romeinen 4:16 : Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen; Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. Galaten 3:7 : Zo verstaat u dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
[^genesis-12-2-5]: Kanttekening 5: De zegening van God betekent allerlei weldaden, of in het algemeen lichamelijke en geestelijke, aardse en hemelse, tijdelijke en eeuwige, onder 24:1; Deut. 28:2 , 28:3 , 28:4 , enz. of in het bijzonder enige derzelve; boven Gen. 1:22 , 1:28 ; onder Gen. 39:5 ; Deut. 7:13 ; Ef. 1:3 . Deuteronomium 28:2 : En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer u aan de stem van YHWH uws Gods, zult gehoorzaam zijn. Deuteronomium 28:3 : Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn in het veld. Deuteronomium 28:4 : Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. Genesis 1:22 : En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! Genesis 1:28 : En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! Genesis 39:5 : En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat YHWH van de Egyptenaars huis zegende, vanwege Jozef; ja, de zegen van YHWH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld. Deuteronomium 7:13 : En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven. Efeziërs 1:3 : Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.
[^genesis-12-2-6]: Kanttekening 6: een zegen: Zo geheel zeer gezegend, dat u niet alleen in uzelven mijn zegen bezitten zult, maar dat ook deze zegen door uw zaad over ontallijke anderen uitgespreid zal worden.
[^genesis-12-3-b]: Verwijzing b: Gen. 18:18 ; Gen. 22:18 ; Gen. 26:4 ; Hand. 3:25 ; Galat. 3:8 . Genesis 18:18 : Omdat Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Handelingen 3:25 : Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
[^genesis-12-3-7]: Kanttekening 7: in u: Dat is, in uw zaad, onder Gen. 22:18 , en Gen. 26:4 , en Gen. 28:14 ; welk zaad is Christus, Gal. 3:16 ; die uit Abrahams zaad naar het vlees moest voortkomen, Matt. 1:1 , om allen waren gelovigen, wier vader Abraham is, de eeuwige zegening te verwerven en mee te delen; Gal. 3:28 , 3:29 . Anders, met u, te weten door het geloof in Christus, gelijk Gal. 3:8 , 3:9 , in u, wordt uitgelegd, met Abraham. Zie ook Rom. 4:11 , 4:12 , 4:16 . Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus. Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Galaten 3:28 : Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus. Galaten 3:29 : En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. Galaten 3:9 : Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham. Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Romeinen 4:12 : En een vader van de besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. Romeinen 4:16 : Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
[^genesis-12-4-8]: Kanttekening 8: vijf en zeventig jaren: Hebr. een zoon van vijf jaren en zeventig jaar.
[^genesis-12-4-9]: Kanttekening 9: Haran ging: Vanwaar hij tevoren met zijn vader Terah uit Chaldea gekomen was, boven Gen. 11:31 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^genesis-12-5-c]: Verwijzing c: Hand. 7:4 . Handelingen 7:4 : Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont.
[^genesis-12-5-10]: Kanttekening 10: Dit zijn als de eerstelingen van de beloofde zegen, die Abram en de zijnen ontvangen hebben in Haran. Het Hebreeuwse woord begrijpt in zich allerlei goederen, hetzij vee, of geld en huisraad.
[^genesis-12-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, mensen van dienstbare conditie, die hij veroverd had, en die, welke uit deze geboren waren; want Abraham had toen nog geen kinderen. Het Hebreeuwse woord hier overgezet zielen, wordt aldus genomen voor mensen of personen, onder Gen. 17:14 ; Ex. 12:15 ; Lev. 2:1 ; Num. 23:10 ; Deut. 24:7 ; Richt. 16:30 ; Mark. 3:4 , enz. Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Numeri 23:10 : Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve de dood van de oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne! Deuteronomium 24:7 : Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broers, uit de kinderen van Israël, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen. Richteren 16:30 : En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had. Marcus 3:4 : En Hij zei tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
[^genesis-12-5-12]: Kanttekening 12: Van de grenzen van dit land \[genaamd naderhand Palestina, het beloofde land, omdat dit Abrahams nakomelingen beloofd werd, onder vs. 7\] zie boven Gen. 10:19 en de aantekening. Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.
[^genesis-12-6-13]: Kanttekening 13: Hebr. Scechem, gelegen in het midden van het land Kanaän, in het gebergte Efraïm, Joz. 21:21 ; Richt. 8:31 ; 1 Kron. 6:67 ; Hand. 7:16 ; ook genaamd Sichar, Joh. 4:5 . Jozua 21:21 : En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van de moordenaars, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden; Richteren 8:31 : En zijn bijwijf, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. 1 Kronieken 6:67 : Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden, Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem. Johannes 4:5 : Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf.
[^genesis-12-6-14]: Kanttekening 14: Anders, het effen veld. Zie Deut. 11:30 ; want het Hebreeuwse woord betekent dit beide. Deuteronomium 11:30 : Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?
[^genesis-12-6-15]: Kanttekening 15: Dit kan zijn de naam van een man, naar wie deze plaats aldus genoemd wordt.
[^genesis-12-6-16]: Kanttekening 16: de Kanaänieten: Hebr. de Kanaänieter, een vervloekt, afgodisch en goddeloos volk, afkomstig van Kanaän, Chams zoon; zie Zach. 14:21 . Zacharia 14:21 : Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen YHWH van de legermachten heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelfde nemen, en in dezelfde koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis van YHWH van de legermachten, op die dag.
[^genesis-12-6-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 10:18 ; idem 10:19 ; boven, Gen. 13:7 . Genesis 10:18 : En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid. Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 13:7 : En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land.
[^genesis-12-7-17]: Kanttekening 17: Zo verscheen YHWH aan Abram: Om door een nieuwe openbaring Abram in het geloof te versterken, die het land bewoond zag met Kanaänieten.
[^genesis-12-7-e]: Verwijzing e: onder, Gen. 13:15 ; onder, Gen. 15:18 ; onder, Gen. 17:8 ; onder, Gen. 24:7 ; onder, Gen. 26:4 ; Deut. 34:4 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Genesis 24:7 : De YHWH, de God van de hemel, Die mij uit van mijn vader huis en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^genesis-12-7-18]: Kanttekening 18: Toen bouwde hij daar een altaar: Te weten, om daar offeranden, gebeden en dankzeggingen te doen; en de hele uiterlijke godsdienst onder de zijnen tegen de afgoderij van de Kanaänieten te oefenen; dat geheten wordt de naam van de Heer aanroepen; zie vs. 8, en boven Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-12-8-19]: Kanttekening 19: Een stad, gelegen in het land, dat de stam van Benjamin daarna toegevallen is, en aldus eerst genoemd door Jakob, toen hij reisde naar Mesopotamië, maar vóór die tijd geheten Luz; onder Gen. 28:19 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
[^genesis-12-8-20]: Kanttekening 20: Hebr. zee (יָם). Hierdoor wordt het westen verstaan, omdat de westzijde van Kanaän aan de zee gelegen was; zie onder Gen. 13:14 , en Gen. 28:14 ; Num. 3:23 ; Deut. 3:27 , enz. Genesis 13:14 : En YHWH zei tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar u bent noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Numeri 3:23 : De geslachten van de Gersonieten zullen zich legeren achter de tabernakel, westwaarts. Deuteronomium 3:27 : Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want u zult over deze Jordaan niet gaan.
[^genesis-12-8-21]: Kanttekening 21: Een stad in het land Kanaän, in de stam van Benjamin, oostwaarts van Bethel gelegen; zie Joz. 7:2 . Jozua 7:2 : Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
[^genesis-12-8-22]: Kanttekening 22: riep de naam: Zie boven Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-12-9-23]: Kanttekening 23: gaande en trekkende: Dat is, allengskens en geduriglijk voortreizende.
[^genesis-12-10-24]: Kanttekening 24: honger in: Hier wordt Abrams vertrouwen beproefd.
[^genesis-12-10-25]: Kanttekening 25: dat land: Te weten, Kanaän, dat wel vruchtbaar was, Deut. 8:7 , 8:8 , maar nu om de boosheid van de inwoners, met onvruchtbaarheid gestraft; Ps. 107:34 . Deuteronomium 8:7 : Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; Deuteronomium 8:8 : Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig; Psalmen 107:34 : Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
[^genesis-12-10-26]: Kanttekening 26: zo toog: Verstaande dat hij, om God niet te verzoeken, wel voor enige tijd mocht vertrekken, om deze dure tijd te ontgaan.
[^genesis-12-10-27]: Kanttekening 27: Een land, in het Hebreeuws genaamd Mitsraïm, van Mitsraïm de zoon van Cham, gelegen in Afrika, grenzende oostwaarts aan de Rode zee en een deel van Arabië; zuidwaarts aan Ethiopië, westwaarts aan Libyë, en noordwaarts aan de Middellandse zee; zeer goed bekend in de Heilige Schrift; onder Gen. 13:10 , en Gen. 39:1 , enz. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Genesis 39:1 : Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste van de trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden.
[^genesis-12-11-28]: Kanttekening 28: ik weet, dat u een vrouw bent, schoon: Hier valt Abram in vleselijke vrees, daar hij wel behoorde zijn God vertrouwd te hebben.
[^genesis-12-13-f]: Verwijzing f: onder, Gen. 20:12 ; onder, Gen. 26:7 . Genesis 20:12 : En ook is zij waarlijk mijn zus; zij is van mijn vader dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden. Genesis 26:7 : En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zei hij: Zij is mijn zus; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zei hij de mannen van deze plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.
[^genesis-12-13-29]: Kanttekening 29: mijn ziel: Dat is, mijn persoon; zie boven op vs. 5.
[^genesis-12-15-30]: Kanttekening 30: vorsten van Farao: Dat is, de voornaamste heren, edellieden en officieren van Farao's hof, die gemeenlijk met zulke diensten hun vorsten zoeken te behagen.
[^genesis-12-15-31]: Kanttekening 31: Een algemene titel van alle koningen van Egypte, die zij behouden hebben, totdat zij naderhand de naam van Plolomaeus bekomen hebben.
[^genesis-12-15-32]: Kanttekening 32: Niet naar de koning, maar naar het koninklijke vrouwengetimmer, om daar naar de wijze van het land toebereid te worden voor de koning haar tot zijne huisvrouw zou nemen; zie Esth. 2:8 , 2:9 ; intussen droeg God zorg voor Abram en de kuisheid van zijn huisvrouw. Esther 2:8 : Het geschiedde nu, toen het woord van de koning en zijn wet bekend was, en toen vele jonge dochters samenvergaderd werden op de burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in het huis van de koning, onder de hand van Hegai, de bewaarder van de vrouwen. Esther 2:9 : En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis van de koning; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis van de vrouwen.
[^genesis-12-15-33]: Kanttekening 33: naar het huis: Te weten, om geleid te worden naar Farao's huis. De Hebreën begrijpen dikwijls onder één woord de betekenis van nog een ander, gelijk hier en elders geschiedt met het woord Lakach, nemen. Zie onder Gen. 18:7 ; Ps. 143:3 ; Ez. 28:16 . Genesis 18:7 : En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan de knecht, die haastte, om dat toe te maken. Psalmen 143:3 : Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. Ezechiël 28:16 : Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en u hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, u overdekkende cherub! verdoen uit het midden van de vurige stenen!
[^genesis-12-16-34]: Kanttekening 34: om harentwil: Omdat hij voorgenomen had haar te trouwen, en dat liever met Abrams vriendschap dan onwil.
[^genesis-12-16-35]: Kanttekening 35: schapen, en runderen: Onder de woorden van schapen en runderen, wordt allerlei klein en groot vee begrepen, gelijk onder Gen. 13:5 , en Gen. 20:14 , en Gen. 26:14 , enz. Zie ook Lev. 1:2 . Genesis 13:5 : En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten. Genesis 20:14 : Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienaren en dienstmaagden, en gaf dezelfde aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weer. Genesis 26:14 : En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^genesis-12-17-g]: Verwijzing g: Ps. 105:14 . Psalmen 105:14 : Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
[^genesis-12-17-36]: Kanttekening 36: grote plagen: Wat dit voor plagen geweest zijn, is onzeker; het is zeker dat zij gediend hebben, zowel om de schending van Sarai te verhinderen, als om deze daad van de koning en zijn huis te straffen.
[^genesis-12-18-37]: Kanttekening 37: Waarom hebt u: Farao wist dit nu zonder twijfel, eensdeels uit de hoedanigheid van zijn plaag en de wroeging van zijn consciëntie, anderdeels uit de ingeving en openbaring van God, gelijk op een anderen tijd met Abimelech geschied is; onder Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^genesis-12-20-38]: Kanttekening 38: En Farao gebood: Hier staat niet dat Abram enige woorden van verontschuldiging gebruikt heeft, daar hij zonder twijfel zijn zwakheid en onbedachtzaamheid gevoelde en bekende; als ook een bijzondere genade van de Heer, die hij opmerkte in het Goddelijk beleid van deze zaak.

### Genesis 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/13.json)

*Abram keert met Sarai, Lot en grote rijkdom uit Egypte terug naar het land Kanaän en slaat zijn kamp op bij Bethel, vers 1. Abram en Lot gaan uit elkaar vanwege de omvang van beider bezit en vee, en ook vanwege onenigheid tussen hun herders, 5. Lot kiest de vruchtbare streek bij Sodom, 10. God verschijnt aan Abram en herhaalt Zijn beloften, 14. Abram trekt op Gods bevel door het land Kanaän om het te bezien, slaat zijn kamp op bij Hebron en bouwt voor YHWH een altaar, 17.*

**1** Zo trok Abram op uit Egypte naar het[^genesis-13-1-1] zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v1)

**2** En Abram was[^genesis-13-2-2] zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v2)

**3** En hij ging,[^genesis-13-3-3] volgens zijn reizen, van het zuiden tot[^genesis-13-3-4] Beth-el toe,[^genesis-13-3-a] tot aan de plaats, waar zijn tent[^genesis-13-3-5] in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen[^genesis-13-3-6] Ai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v3)

**4** Tot de plaats van het altaar, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft daar[^genesis-13-4-7] de[^genesis-13-4-b] Naam van YHWH aangeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v4)

**5** En Lot, die met Abram trok, had ook schapen, en runderen, en tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v5)

**6** [^genesis-13-6-c] En dat land[^genesis-13-6-8] droeg hen niet, om samen te wonen; want hun bezittingen was vele, zodat zij samen niet konden wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v6)

**7** [^genesis-13-7-9] En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee.[^genesis-13-7-d] Ook[^genesis-13-7-10] woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v7)

**8** En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders;[^genesis-13-8-11] want wij zijn mannenbroeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v8)

**9** [^genesis-13-9-12][^genesis-13-9-e] Is niet het hele land[^genesis-13-9-13] voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand[^genesis-13-9-14] kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v9)

**10** En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de hele vlakte van[^genesis-13-10-15] de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de[^genesis-13-10-16] hof van YHWH,[^genesis-13-10-17] als Egypteland, als u komt te[^genesis-13-10-18] Zoar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v10)

**11** Zo koos Lot voor zich de hele vlakte van de Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden,[^genesis-13-11-19] de één van de ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v11)

**12** Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden van de vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v12)

**13** [^genesis-13-13-f] En de mannen van Sodom waren boos, en grote[^genesis-13-13-20] zondaars tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v13)

**14** [^genesis-13-14-21] En YHWH zei tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar u bent naar het noorden en naar het zuiden, en naar het oosten en naar het westen.[^genesis-13-14-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v14)

**15** [^genesis-13-15-g] Want[^genesis-13-15-23] al dit land, dat u ziet,[^genesis-13-15-24] zal Ik[^genesis-13-15-25] u geven, en aan uw[^genesis-13-15-26] zaad, tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v15)

**16** [^genesis-13-16-h] En Ik zal uw[^genesis-13-16-27] zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v16)

**17** Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v17)

**18** En Abram[^genesis-13-18-28] sloeg tenten op, en kwam en woonde[^genesis-13-18-i] aan[^genesis-13-18-29] de eikenbossen van[^genesis-13-18-30] Mamre, die[^genesis-13-18-31] bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/13.html#v18)

[^genesis-13-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, naar het zuidelijke gedeelte van Kanaän.
[^genesis-13-2-2]: Kanttekening 2: zeer rijk: Hebr. zeer zwaar. Aldus gevoelde Abram de waarheid van de goddelijke belofte. Hij meende slechts de honger te ontgaan, en hij werd nog daarenboven zo verrijkt.
[^genesis-13-3-3]: Kanttekening 3: volgens zijn reizen: Dat is, volgende de wegen en plaatsen, door welke hij tevoren naar Egypte gereisd was; zie boven Gen. 12:9 , of, hij reisde zoals het vervoeren van zijn goederen en het voortgaan van zijn beesten dat lijden konden. Genesis 12:9 : Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.
[^genesis-13-3-4]: Kanttekening 4: Zie boven Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-3-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-3-5]: Kanttekening 5: in het begin: Zie boven Gen. 12:6 , 12:8 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-3-6]: Kanttekening 6: Zie boven Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-4-7]: Kanttekening 7: de naam van YHWH: Verg. boven Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-13-4-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 4:26 ; boven, Gen. 12:8 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen. Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-6-c]: Verwijzing c: onder, Gen. 36:7 . Genesis 36:7 : Want hun bezittingen was te veel, om samen te wonen; en het land hun vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.
[^genesis-13-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, kon hen niet dragen.
[^genesis-13-7-9]: Kanttekening 9: En er was twist: Zie hoofdstuk Gen. 21:26 , waar van gelijken twist gesproken wordt. Genesis 21:26 : Toen zei Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt u het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.
[^genesis-13-7-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 12:6 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^genesis-13-7-10]: Kanttekening 10: Omdat de oude ingezetenen niet veel plaats in een gedeelte van het land voor de vreemden overlieten, zo konden Abram en Lot, die zeer machtig in vee waren, en daarom bij de inwoners buiten twijfel benijd waren, niet wel tezamen in één oord hun behoeften aan weiden vinden; waaruit niet alleen twist onder de herders van Abram en Lot gerezen is, maar ook zwarigheid van de Kanaänieten hun overkomen kon. Zie onder Gen. 21:25 , en Gen. 26:15 , 26:20 , 26:21 . Genesis 21:25 : En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. Genesis 26:15 : En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelfde met aarde. Genesis 26:20 : En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij de naam van die put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. Genesis 26:21 : Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij zijn naam Sitna.
[^genesis-13-8-11]: Kanttekening 11: want wij zijn mannen broers: Wij zijn mannen broers, niet alleen naar het vlees, want ik ben uw oom, en u bent mijn neef, maar ook naar de geest, want wij dienen één God, en zouden met onze twist de ingezetenen ergeren en onze godsdienst schande aandoen.
[^genesis-13-9-12]: Kanttekening 12: Is niet het gehele land: Zulk een manier van vragen betekent een grote verzekering; zo onder Gen. 20:5 ; Ex. 14:12 ; Richt. 4:6 . Genesis 20:5 : Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan. Exodus 14:12 : Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^genesis-13-9-e]: Verwijzing e: onder, Gen. 20:15 ; onder, Gen. 34:10 . Genesis 20:15 : En Abimelech zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen. Genesis 34:10 : En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.
[^genesis-13-9-13]: Kanttekening 13: voor uw aangezicht: Dat is, voor u open, om door u gebruikt te mogen worden. Zie gelijke manier van spreken, onder Gen. 20:15 , en Gen. 34:10 , 34:21 , Gen. 47:6 . Genesis 20:15 : En Abimelech zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen. Genesis 34:10 : En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin. Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. Genesis 47:6 : Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb.
[^genesis-13-9-14]: Kanttekening 14: kiest : Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende vs. 11.
[^genesis-13-10-15]: Kanttekening 15: Dit is de naam van een rivier, bevochtigende het land Kanaän, en spruitende uit twee fonteinen aan het gebergte Libanon, welke genaamd worden Jor en Dan.
[^genesis-13-10-16]: Kanttekening 16: Hiermede wordt verstaan de hof Eden, die God geplant had, of de hof van de Heer, dat is, een bovenmate schone hof; gelijk het leger Gods, 1 Kron. 12:22 . Gods bergen, Ps. 36:7 . De cederen Gods, Ps. 80:11 . De worstelingen Gods, onder Gen. 30:8 . Dat is, zeer grote. Het woord God /bt hier uitnemendheid. 1 Kronieken 12:22 : Want er kwamen er in die tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods. Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten. Psalmen 80:11 : De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God. Genesis 30:8 : Toen zei Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zus geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
[^genesis-13-10-17]: Kanttekening 17: als Egypteland: Zie Ez. 31 , waar een vergelijking gemaakt wordt tussen de vruchtbaarheid van Egypte en Assyrië.
[^genesis-13-10-18]: Kanttekening 18: Hebr. Tsohar (צֹֽעַר), een stad gelegen omtrent Sodom en Gomorra, welke deze naam heeft gekregen toen Lot daarin vluchtte; onder Gen. 19:23 ; zijnde tevoren genaamd Bela; onder Gen. 14:2 . Genesis 19:23 : De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. Genesis 14:2 : Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
[^genesis-13-11-19]: Kanttekening 19: de één van de ander: Hebr. de man van zijn broer.
[^genesis-13-13-f]: Verwijzing f: onder, Gen. 18:20 ; Ez. 16:49 . Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, Ezechiël 16:49 : Ziet, dit was de ongerechtigheid uw zus Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en nooddruftigen niet.
[^genesis-13-13-20]: Kanttekening 20: Hebr. Zondaars tegen de Heer zeer. Niettegenstaande de grote boosheid van de Sodomieten en andere omliggende volken, verkoos Lot deze landstreek, vanwege haar schoonheid. Anders, voor de Heer. Verg. boven Gen. 6:11 , en Gen. 10:9 . Genesis 6:11 : Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. Genesis 10:9 : Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH.
[^genesis-13-14-21]: Kanttekening 21: En YHWH zei: God troost Abram over het vertrek van zijn neef, en de verkiezing van de schone landstreek.
[^genesis-13-14-22]: Kanttekening 22: Hebr. naar de zee, boven Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-13-15-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 12:7 ; boven, Gen. 15:7 ; idem 15:18 ; boven, Gen. 17:8 ; boven, Gen. 26:4 ; Deut. 34:4 ; Hand. 7:5 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 15:7 : Verder zei Hij tot hem: Ik ben YHWH, Die u uitgeleid heb uit Ur van de Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan. Handelingen 7:5 : En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
[^genesis-13-15-23]: Kanttekening 23: Al dit land, dat u ziet: Niet wat hij toen geheel zag, maar wat hem geheel beloofd werd.
[^genesis-13-15-24]: Kanttekening 24: zal Ik: Wel tot een aardse herberg voor uw vleselijk zaad, maar ook tot een teken van het hemelse vaderland voor uw geestelijk zaad. Verg. Hebr. 11:9 , 11:10 , 11:14 , 11:15 , 11:16 . Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte. Hebreeën 11:10 : Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hebreeën 11:14 : Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:15 : En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, waarvan zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; Hebreeën 11:16 : Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^genesis-13-15-25]: Kanttekening 25: u geven: Te weten, u het recht tot het aardse Kanaän, en uw zaad naar het vlees op zijn tijd de dadelijke bezitting; daarna u en uw geestelijk zaad, hier het recht tot het hemelse Kanaän en hierna de eeuwige bezitting daarvan; alles uit genade.
[^genesis-13-15-26]: Kanttekening 26: tot in eeuwigheid: Dat is, een langen tijd, te weten, totdat de Messias, het zaad van de zegening, uit uw vlees geboren zijnde, het werk van de verlossing op aarde zal volbracht hebben. Het /hw wordt in andere betekenissen dikwijls genomen voor de gehele tijd van de wet. Zie onder Gen. 17:13 , en Gen. 48:4 ; Ps. 132:4 . Of, eigenlijk in eeuwigheid, ten aanzien van het geestelijke Kanaän en het geestelijke zaad. Genesis 17:13 : De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. Genesis 48:4 : En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot één hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. Psalmen 132:4 : Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
[^genesis-13-16-h]: Verwijzing h: onder, Gen. 15:5 ; onder, Gen. 17:4 ; Deut. 10:22 ; Jer. 33:22 ; Rom. 4:17 ; idem v. 18 ; Hebr. 11:12 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 17:4 : Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden! Deuteronomium 10:22 : Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. Jeremia 33:22 : Gelijk het legermacht van de hemel niet geteld, en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Romeinen 4:18 : Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen. Hebreeën 11:12 : Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, dat ontallijk is.
[^genesis-13-16-27]: Kanttekening 27: Abrams zaad en het stof van de aarde worden vergeleken met elkaar, ten aanzien niet van een gelijk getal, maar van een grote menigte, die bij de mensen ontelbaar is; zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 15:5 , en Gen. 22:17 , en Gen. 32:12 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 32:12 : U hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
[^genesis-13-18-28]: Kanttekening 28: sloeg tenten op: Dat is, in het reizen en vertrekken sloeg hij hier en daar zijn tenten op.
[^genesis-13-18-i]: Verwijzing i: onder, Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^genesis-13-18-29]: Kanttekening 29: Anders, in de effen velden.
[^genesis-13-18-30]: Kanttekening 30: Deze Mamre was een Amorieter, wonende bij Hebron. Zie onder Gen. 14:13 , 14:24 , en hij is te onderscheiden van More, boven Gen. 12:6 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. Genesis 14:24 : Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^genesis-13-18-31]: Kanttekening 31: bij Hebron zijn: Of, die te Hebron is; welke stad in deze tijd was genoemd Kiriath-Arba, of de stad Arba, maar naderhand Hebron. Zie onder Gen. 23:2 , en Gen. 35:27 ; Num. 13:22 ; Joz. 14:15 ; 2 Sam. 5:5 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. Genesis 35:27 : En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak. Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Jozua 14:15 : De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van de krijg. 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda.

### Genesis 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/14.json)

*De koningen van Sodom en de vier andere steden komen in opstand tegen Kedor-Laomer en worden door hem, met hulp van drie koningen, aangevallen en verslagen, vers 1. Sodom wordt geplunderd, en Lot wordt samen met anderen als gevangene weggevoerd, 11. Abram hoort dit, trekt met zijn mannen en bondgenoten op, achtervolgt deze koningen, overvalt en verslaat hen, en bevrijdt Lot met de andere gevangenen, 14. Na de overwinning wordt hij verkwikt en gezegend door de koning en priester Melchizedek, aan wie hij een tiende van de buit geeft, 18. Hij zweert dat hij voor zichzelf niets wil hebben van wat de koning van Sodom toekomt, 21.*

**1** En het gebeurde in de dagen van[^genesis-14-1-1] Amrafel, de koning van[^genesis-14-1-2] Sinear, van Arioch, de koning van[^genesis-14-1-3] Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van[^genesis-14-1-4] Elam, en van Tideal, de[^genesis-14-1-5] koning van de volken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v1)

**2** [^genesis-14-2-6] Dat zij strijd voerden met Bera, koning van[^genesis-14-2-7] Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela,[^genesis-14-2-8] dat is Zoar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v2)

**3** Deze alle voegden zich samen[^genesis-14-3-9] in het dal Siddim, dat is[^genesis-14-3-10] de Zoutzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v3)

**4** Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend;[^genesis-14-4-11] maar in[^genesis-14-4-12] het dertiende jaar vielen zij af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v4)

**5** Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen[^genesis-14-5-13] de[^genesis-14-5-a] Refaieten[^genesis-14-5-14] in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en[^genesis-14-5-15] de[^genesis-14-5-b] Emieten in[^genesis-14-5-16] Schave-kiriathaim; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v5)

**6** En[^genesis-14-6-17] de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van[^genesis-14-6-18] Paran, dat aan de woestijn is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v6)

**7** Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot[^genesis-14-7-19] En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het[^genesis-14-7-20] land van[^genesis-14-7-21] de Amalekieten, en ook de[^genesis-14-7-22] Amoriet, die te[^genesis-14-7-23] Hazezon-thamar woonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v7)

**8** Toen trok de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v8)

**9** Tegen Kedor-laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volken, en Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v9)

**10** Het dal nu van Siddim was[^genesis-14-10-24] vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten,[^genesis-14-10-25] en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v10)

**11** En zij namen al de[^genesis-14-11-26] bezittingen van Sodom en Gomorra, en al hun voedsel, en trokken weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v11)

**12** Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen, en trokken weg; want[^genesis-14-12-27] hij woonde in Sodom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v12)

**13** Toen kwam er één, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan[^genesis-14-13-28][^genesis-14-13-c] de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, die Abrams[^genesis-14-13-29] bondgenoten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v13)

**14** Als Abram hoorde, dat zijn[^genesis-14-14-30] broer gevangen was, zo wapende hij zijn[^genesis-14-14-31] onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot[^genesis-14-14-32] Dan toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v14)

**15** En hij verdeelde zich tegen hen van de[^genesis-14-15-33] nacht, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van[^genesis-14-15-34] Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v15)

**16** En hij bracht alle bezittingen weer, en ook Lot zijn broer en ervan bezittingen bracht hij weer, als ook de vrouwen, en het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v16)

**17** En de koning van Sodom trok uit, hem tegemoet (nadat hij teruggekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal[^genesis-14-17-35] Schave, dat is,[^genesis-14-17-36] het dal van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v17)

**18** [^genesis-14-18-d] En[^genesis-14-18-37] Melchizedek, koning van[^genesis-14-18-38] Salem,[^genesis-14-18-39] bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v18)

**19** En hij[^genesis-14-19-40] zegende hem, en zei:[^genesis-14-19-41] Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v19)

**20** En[^genesis-14-20-42] gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij[^genesis-14-20-43] gaf hem de tiende van alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v20)

**21** En de koning van Sodom zei tot Abram: Geef mij de[^genesis-14-21-44] zielen; maar neem de bezittingen voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v21)

**22** Maar Abram zei tot de koning van Sodom:[^genesis-14-22-45] Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v22)

**23** [^genesis-14-23-46]Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v23)

**24** [^genesis-14-24-47] Het zij buiten mij; alleen wat de jongemannen verteerd hebben, en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre,[^genesis-14-24-48] laat die hun deel nemen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/14.html#v24)

[^genesis-14-1-1]: Kanttekening 1: de koning: Versta onder deze geen zo machtige of grote koningen en monarchen, als wel enige naderhand geworden zijn; maar zulke regenten, die over enige landen of plaatsen en menigte van mensen regeerden; wat blijkt daaruit, dat die vijf steden Sodom, Gomorra, enz. elk een koning gehad hebben, vs. 2.
[^genesis-14-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Gen. 10:10 . Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^genesis-14-1-3]: Kanttekening 3: Opper(noordelijk)-Susan in Assyrië; verg. boven vs. 2, de aantekening op de naam Havila, vs. 11.
[^genesis-14-1-4]: Kanttekening 4: Een landschap in Perzië, genaamd Elymais, van Elam de zoon van Sem, boven Gen. 10:22 . Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^genesis-14-1-5]: Kanttekening 5: van de volken: Het schijnt dat de onderdanen en krijgslieden van deze koning uit onderscheiden natiën bestonden. Enige menen dat het Hebreeuwse woord Gojim (גּוֹיִֽם) hier een naam is van zekere plaats of landschap.
[^genesis-14-2-6]: Kanttekening 6: Dat zij krijg voerden: Dit is de eerste oorlog in de Heilige Schrift duidelijk vermeld. Men vindt in geen andere historiën van de wereld van enige oorlog gewag gemaakt, die zo oud is als deze.
[^genesis-14-2-7]: Kanttekening 7: Sodom, … Gomorra, … Adama, … Zeboïm, … Bela: Deze vijf steden, die hier met oorlogen worden gestraft, zijn \[ Zoar uitgenomen\] niet lang daarna, van wege haar ondragelijke goddeloosheid, met vuur en sulfer uit de hemel verteerd.
[^genesis-14-2-8]: Kanttekening 8: dat is Zoar: Zie boven Gen. 13:10 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-14-3-9]: Kanttekening 9: Anders na, of tot. Dit was de laagte, waarin de voormelde steden gelegen waren.
[^genesis-14-3-10]: Kanttekening 10: de Zoutzee: Na de ondergang van deze steden aldus genoemd, omdat die landstreek \[waarin veel zout- of brakke lijmputten waren, vs. 10\], geworden is tot een grote stinkende poel, ook genoemd Lacus Asphaltites. Dat is, de Pek-, of Lijm-zee, als ook de Dode-zee, omdat daarin geen dier levend kon blijven.
[^genesis-14-4-11]: Kanttekening 11: Zijnde door hem door een voorgaanden krijg, zoals het schijnt, zover bemachtigd, dat zij hem tribuut moesten geven.
[^genesis-14-4-12]: Kanttekening 12: in het: Hebr. dertien jaren, dat is, dertiende jaar, en zo ook in het volgende vs. veertien, voor het veertiende.
[^genesis-14-5-13]: Kanttekening 13: de Refaïten: Een volk afkomstig uit Kanaän, zie onder Gen. 15:20 . Anders, Reuzen , die men meent zo genoemd te zijn van hun gezonde kracht en sterkte. Genesis 15:20 : En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten,
[^genesis-14-5-a]: Verwijzing a: onder, Gen. 15:20 . Genesis 15:20 : En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten,
[^genesis-14-5-14]: Kanttekening 14: Een stad over de Jordaan, ook enkel Asteroth genaamd, Deut. 1:4 , en Joz. 9:10 en 13:31 . Haar toenaam is Karnaim , welke zij schijnt te hebben van haar ligging. Deuteronomium 1:4 : Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edreï. Jozua 9:10 : En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Bazan, die te Astharoth woonde. Jozua 13:31 : En het halve Gilead, en Astharoth, en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.
[^genesis-14-5-15]: Kanttekening 15: de Emieten: Een zeker volk, dat men meent reuzen geweest te zijn, Deut. 2:10 , 2:11 . Deuteronomium 2:10 : De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten. Deuteronomium 2:11 : Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
[^genesis-14-5-b]: Verwijzing b: Deut. 2:10 ; idem v. 11 . Deuteronomium 2:10 : De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten. Deuteronomium 2:11 : Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
[^genesis-14-5-16]: Kanttekening 16: Een stad van de Rubeniten, naderhand in Gilead opgebouwd, eerst, zo het schijnt, genaamd Schave (of Sawe, red.); zie onder vers 17, Num. 32:37 , Joz. 13:10 . Anders, in het vlakke veld . Numeri 32:37 : En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim, Jozua 13:10 : En al de steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale van de kinderen Ammons;
[^genesis-14-6-17]: Kanttekening 17: de Horieten: Hebr. Chorieten, een volk, dat in Seïr woonde, gelijk ook Ezau, onder Gen. 32:3 , totdat de Edomieten of Ezaus nakomelingen hen van daar verdreven hebben, onder Gen. 36:20 ; Deut. 2:12 , 2:22 . Genesis 32:3 : En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broer, naar het land Seïr, de landstreek van Edom. Genesis 36:20 : Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, Deuteronomium 2:12 : Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land van zijn erfenis, dat YHWH hun gegeven heeft. Deuteronomium 2:22 : Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op deze dag.
[^genesis-14-6-18]: Kanttekening 18: Dit is de naam van een stad, het gebergte en het omliggende land. Zie Num. 13:3 ; Deut. 33:2 ; 1 Sam. 25:1 ; Habak. 3:3. Hiervan heeft de woestijn Paran haar naam; onder Gen. 21:21 ; Num. 10:12 . Numeri 13:3 : Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 33:2 : Hij zei dan: YHWH is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden van de heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen. 1 Samuël 25:1 : En Samuël stierf; en geheel Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran. Genesis 21:21 : En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. Numeri 10:12 : En de kinderen van Israël togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran.
[^genesis-14-7-19]: Kanttekening 19: Ten tijde van Mozes genoemd Kades, gelegen in de woestijn Sin. Zie Num. 20:1 , 20:14 , 20:16 , 20:22 , onderscheiden, naar eniger gevoelen, van Kades Barnea; waarvan te zien is Num. 32:8 ; Deut. 1:19 . Numeri 20:1 : Als de kinderen van Israël, de gehele vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. Numeri 20:14 : Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van Edom, welke zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite, die ons ontmoet is; Numeri 20:16 : Toen riepen wij tot YHWH, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste van uw landpale. Numeri 20:22 : Toen reisden zij van Kades; en de kinderen van Israël kwamen, de gehele vergadering, aan de berg Hor. Numeri 32:8 : Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-barnea zond, om dit land te bezien. Deuteronomium 1:19 : Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die geheel grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, gelijk YHWH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
[^genesis-14-7-20]: Kanttekening 20: land van de: Dat is, de inwoners van het land.
[^genesis-14-7-21]: Kanttekening 21: Een volk, afkomstig van Ezau, die dit land daarna bewoond hebben. Zie onder Gen. 36:12 . Genesis 36:12 : En Timna was een bijwijf van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.
[^genesis-14-7-22]: Kanttekening 22: Een van de volken afkomstig van Kanaän; zie boven Gen. 10:16 . Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
[^genesis-14-7-23]: Kanttekening 23: Hebr. Chatsatson (תָּמָר חַצֲצֹן), daarna genoemd Engedi; zie Joz. 15:62 ; 1 Sam. 24:1 ; 2 Kron. 20:2 . Jozua 15:62 : En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen. 1 Samuël 24:1 : En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi. 2 Kronieken 20:2 : Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi.
[^genesis-14-10-24]: Kanttekening 24: vol lijmputten: Hebr. putten putten. Aldus wordt een woord bij de Hebreën tweemaal gesteld, om de veelheid van enig ding uit te drukken, 2 Kon. 3:16 ; Jer. 2:13 . 2 Koningen 3:16 : En hij zei: Zo zegt YHWH: Maakt in dit dal vele grachten. Jeremia 2:13 : Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^genesis-14-10-25]: Kanttekening 25: en vielen: Een manier van spreken omtrent degenen, die omkomen in de slag, of anders, zie Joz. 8:24 , 8:25 ; Richt. 8:10 ; Richt. 12:6 ; 1 Kron. 21:14 . De vallenden worden hier gesteld tegen de overgeblevenen. Anders, vielen daar in, of daar heen. Jozua 8:24 : En het geschiedde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in die zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte van het zwaard gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich geheel Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte van het zwaard. Jozua 8:25 : En het geschiedde, dat allen, die op die dag vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen mensen van Ai. Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. Richteren 12:6 : Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zei: Sibbolet, en kon het zo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren van de Jordaan, dat in die tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend. 1 Kronieken 21:14 : YHWH dan gaf pestilentie in Israël; en er vielen van Israël zeventig duizend man.
[^genesis-14-11-26]: Kanttekening 26: Zie boven Gen. 12:5 , en onder vs. 16,21. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^genesis-14-12-27]: Kanttekening 27: want hij: Namel. Lot; zie boven Gen. 13:12 . Genesis 13:12 : Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden van de vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe.
[^genesis-14-13-28]: Kanttekening 28: Zie boven Gen. 13:18 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar.
[^genesis-14-13-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 13:18 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar.
[^genesis-14-13-29]: Kanttekening 29: Hebr. Heren van het verbond. Het woord BAAL betekent in het algemeen dengene, die wat heeft, of ook gebruikt, of die tot iets genegen is, enz. gelijk onder Gen. 37:19 , Heer van de dromen, die veel dromen heeft; en Gen. 49:23 , Heren van de pijlen, die veel pijlen gebruiken; 2 Kon. 1:8 . Heer van het haar, die veel van haar heeft; Spr. 29:22 . Heer van de vergrimming, die tot toorn genegen is. Alhier, Heren van het verbond; zijn degenen die een verbond met elkaar hebben gesloten. Genesis 37:19 : En zij zeiden de één tot de ander: Ziet, daar komt die meesterdromer aan! Genesis 49:23 : De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; 2 Koningen 1:8 : En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Spreuken 29:22 : Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
[^genesis-14-14-30]: Kanttekening 30: Dat is, zijn neef, zijn broers Harans zoon; zie boven Gen. 11:27 . Genesis 11:27 : En deze zijn de geboorten van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot.
[^genesis-14-14-31]: Kanttekening 31: Of, leerlingen. Het Hebreeuwse woord betekent een, die van jongsaf in enig ding onderwezen is, zij in religie, krijgszaken, of in iets anders. Anders toegeëigenden van zijn huis.
[^genesis-14-14-32]: Kanttekening 32: Dan toe: Een stad aan de voet van het gebergte Libanon en de noordelijke grens van het land Palestina, tevoren genoemd Leschem, Joz. 19:47 , of Lais, Richt. 18:27 . Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. Richteren 18:27 : Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur.
[^genesis-14-15-33]: Kanttekening 33: hij en zijn knechten: En ook het volk van Aner, Eskol en Mamre, die als bondgenoten met hem uitgetogen waren. Zie vs. 24.
[^genesis-14-15-34]: Kanttekening 34: Dit is de wijdvermaarde hoofdstad in Syrië. Zie Jes. 7:8 , Jes. 17:1 ; Jer. 49:25 ; Hand. 9:2 . Jesaja 7:8 : Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. Jesaja 17:1 : De last van Damascus. Ziet, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. Jeremia 49:25 : Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad Mijner vrolijkheid! Handelingen 9:2 : En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
[^genesis-14-17-35]: Kanttekening 35: Zie boven vs. 5.
[^genesis-14-17-36]: Kanttekening 36: het dal: Aldus genoemd van wege deze geschiedenis. Zie ook van dit dal, 2 Sam. 18:18 . 2 Samuël 18:18 : Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zei: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms hand.
[^genesis-14-18-d]: Verwijzing d: Hebr. 7:1 ; idem v. 2 ; idem v. 3 . Hebreeën 7:1 : Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de Allerhoogste Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij keerde terug van het slaan van de koningen, en hem zegende; Hebreeën 7:2 : Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede; Hebreeën 7:3 : Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.
[^genesis-14-18-37]: Kanttekening 37: Hebr. Melchitsedek, die een voorbeeld was op Christus. Zie Ps. 110:4 ; Hebr. 7:1 . Psalmen 110:4 : YHWH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 7:1 : Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de Allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij terugkeerde van het slaan van de koningen, en hem zegende;
[^genesis-14-18-38]: Kanttekening 38: Hebr. Schalem (שָׁלֵם), daarna genoemd Jeruzalem.
[^genesis-14-18-39]: Kanttekening 39: Om Abram te vereren en zijn vermoeide legermacht te verversen, en niet om God daarmede offerande te doen. Want het Hebreeuwse woord, dat hier staat, wordt nergens in de Heilige Schrift voor offeren gebruikt.
[^genesis-14-19-40]: Kanttekening 40: zegende hem: Als een priester van de Allerhoogste. Zie Hebr. 7:7 . Hebreeën 7:7 : Nu, zonder enig tegenspreken, wat minder is, wordt gezegend van wat meerder is.
[^genesis-14-19-41]: Kanttekening 41: Dat is, van de Heer begenadigd, en met allerlei weldaden naar ziel en lichaam begaafd.
[^genesis-14-20-42]: Kanttekening 42: Dat is, geloofd en gedankt; gelijk boven Gen. 9:26 , onder Gen. 24:27 . Genesis 9:26 : Verder zei hij: Gezegend zij YHWH, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^genesis-14-20-43]: Kanttekening 43: gaf hem: Abram gaf aan Melchizedek tienden. Zie Hebr. 7:4 enz., en vergelijk dit met het volgende vs. 23. Hebreeën 7:4 : Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit de buit.
[^genesis-14-21-44]: Kanttekening 44: Hebr. de ziel, dat is, de mensen, of personen, of mensen. Zie boven Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^genesis-14-22-45]: Kanttekening 45: Ik heb: Dat is, Ik heb gezworen met opgeheven hand. Zie deze manier van zweren ook Ex. 6:7 ; Num. 14:30 ; Deut. 32:40 ; Ez. 20:5 , 20:6 ; Openb. 10:5 , 10:6 . Exodus 6:7 : En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, YHWH! Numeri 14:30 : Zo u in dat land komt, over dat Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Deuteronomium 32:40 : Want Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid! Ezechiël 20:5 : En zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Op de dag als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis van Jakob, en maakte Mijzelf hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben YHWH, uw God. Ezechiël 20:6 : Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen. Openbaring 10:5 : En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel. Openbaring 10:6 : En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;
[^genesis-14-23-46]: Kanttekening 46: Zo ik …: Dit is een afgebroken rede, bij de Hebreën zeer gebruikelijk, waardoor zij de straf, die zij verdienen, zo zij vals zweren, plegen te verzwijgen, tonende daarmede dat zij geen enkele straf uitnemen, maar die overlaten aan het rechtvaardig oordeel van God. Versta dan hier: Wee mij, of God doe mij dit of dat, zo ik, enz. Zie onder Gen. 26:29 . Genesis 26:29 : Zo u bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van YHWH!
[^genesis-14-24-47]: Kanttekening 47: Het zij buiten mij: Of, zonder mij, daar ik niets van het uwe zal nemen. Anderen vertalen: behalve alleen wat, enz. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 41:16 . Genesis 41:16 : En Jozef antwoordde Farao, zeggende: Het is buiten mij! God zal Farao's welstand aanzeggen.
[^genesis-14-24-48]: Kanttekening 48: laat die hun deel nemen: Dat is, laat volgen niet alleen de jongelingen, wat zij van de roof van de vijanden verteerd hebben, maar ook aan de drie mannen, wat zij daarvan nog voor hun deel zouden mogen eisen.

### Genesis 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/15.json)

*Abram is moedeloos, maar wordt door God gesterkt door een visioen en zeer heerlijke beloften, zowel geestelijk als lichamelijk, en wordt door het geloof gerechtvaardigd, vers 1. God bevestigt Zijn verbond op bijzondere wijze met Abram, en voorzegt en beeldt af wat zijn nageslacht zal overkomen, 9.*

**1** Na deze dingen kwam het woord van YHWH tot Abram[^genesis-15-1-1] in een visioen, zeggende: Vrees niet, Abram[^genesis-15-1-a]![^genesis-15-1-2] Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v1)

**2** Toen zei Abram: Heere, YHWH![^genesis-15-2-3] wat zult U mij geven,[^genesis-15-2-4] daar ik zonder kinderen heenga en de[^genesis-15-2-5] bezorger van mijn huis is[^genesis-15-2-6] deze Damaskener[^genesis-15-2-7] Eliëzer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v2)

**3** Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen[^genesis-15-3-8] zaad gegeven, en zie,[^genesis-15-3-9] de zoon van mijn huis[^genesis-15-3-10] zal mijn erfgenaam zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v3)

**4** En ziet, het woord van YHWH was tot hem, zeggende:[^genesis-15-4-11] Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die[^genesis-15-4-12] uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v4)

**5** Toen leidde[^genesis-15-5-13] Hij[^genesis-15-5-14] hem[^genesis-15-5-15] uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem[^genesis-15-5-b]:[^genesis-15-5-16] Zo zal uw zaad zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v5)

**6** [^genesis-15-6-c] En[^genesis-15-6-17] hij geloofde in YHWH; en[^genesis-15-6-18] Hij rekende het hem[^genesis-15-6-19] tot gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v6)

**7** Verder zei Hij tot hem: Ik ben YHWH, Die u uitgeleid heb[^genesis-15-7-20] uit Ur van de Chaldeeën,[^genesis-15-7-d] om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v7)

**8** En hij zei: Heere, YHWH! waarbij zal ik weten,[^genesis-15-8-21] dat ik het erfelijk bezitten zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v8)

**9** En Hij zei tot hem:[^genesis-15-9-22] Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v9)

**10** En hij bracht[^genesis-15-10-23] Hem deze alle, en[^genesis-15-10-24] hij deelde ze middendoor, en hij legde[^genesis-15-10-25] elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v10)

**11** En het wild gevogelte kwam neer op het aas; maar Abram[^genesis-15-11-26] joeg het weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v11)

**12** En het gebeurde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en[^genesis-15-12-27] grote duisternis viel op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v12)

**13** Toen zei Hij tot Abram:[^genesis-15-13-28] Weet voorzeker,[^genesis-15-13-e] dat uw zaad vreemd zal zijn in een land,[^genesis-15-13-29] dat het hunne niet is, en zij zullen[^genesis-15-13-30] hen dienen, en zij zullen hen[^genesis-15-13-31] verdrukken vierhonderd jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v13)

**14** Maar Ik zal het volk[^genesis-15-14-32] ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken[^genesis-15-14-f] met grote bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v14)

**15** [^genesis-15-15-g] En[^genesis-15-15-33] u zult tot uw vaders gaan met vrede; u zult in[^genesis-15-15-34] goeden ouderdom begraven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v15)

**16** [^genesis-15-16-h] En[^genesis-15-16-35] het vierde geslacht zal hierheen terugkeren; want de ongerechtigheid[^genesis-15-16-36] van de[^genesis-15-16-37] Amorieten is tot nog toe niet volkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v16)

**17** En het gebeurde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een[^genesis-15-17-38] rokende oven en[^genesis-15-17-39] vurige fakkel, die tussen die stukken[^genesis-15-17-40] doorging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v17)

**18** Ten zelfde dage[^genesis-15-18-41] maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende:[^genesis-15-18-i] Aan uw zaad heb Ik dit land[^genesis-15-18-42] gegeven,[^genesis-15-18-43] van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier[^genesis-15-18-44] Frath: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v18)

**19** [^genesis-15-19-45] De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v19)

**20** En de Hethiet, en de Fereziet, en de[^genesis-15-20-46] Refaieten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v20)

**21** En de Amoriet, en de Kanaäniet, en de Girgaziet, en de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/15.html#v21)

[^genesis-15-1-1]: Kanttekening 1: in een: Een soort van de goddelijke openbaring, waardoor de mens, als hij niet slaapt, òf uitwendig van God iets voorkomt, òf in zijn geest opgetrokken wordt, om door dezelfde inwendig te zien, of te verstaan wat de Heer hem wil bekendmaken, Num. 12:6 , 12:7 , 12:8 , Num. 24:4 ; Jes. 1:1 ; Hand. 10:10 , 10:11 . Het schijnt dat God in dit gezicht Abram ook uitwendig op zichtbare wijze verschenen is; zie vs. 5 enz. Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Numeri 12:7 : Zo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn gehele huis getrouw is. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Numeri 24:4 : De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het gezicht van de Almachtige ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden! Jesaja 1:1 : Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. Handelingen 10:10 : En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen. Handelingen 10:11 : En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;
[^genesis-15-1-a]: Verwijzing a: Ps. 16:6 ; Ps. 18:3 ; Ps. 19:12 . Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. Psalmen 18:3 : De YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting. Psalmen 19:12 : Ook wordt Uw knecht door dezelfde duidelijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
[^genesis-15-1-2]: Kanttekening 2: Ik ben: Deze woorden begrijpen de volheid aller gelukzaligheid, die God zijn kinderen in de Messias belooft en geeft, bestaande in de bescherming tegen alle kwaad, en toevoeging van alles goeds, hier aanvankelijk en hierna volmaaktelijk.
[^genesis-15-2-3]: Kanttekening 3: wat zult: Dat is, welke gave zal mij vermaken, zolang ik niet zie de vervulling van uw belofte, aangaande mijn zaad, waaruit de Messias zal voortkomen?
[^genesis-15-2-4]: Kanttekening 4: daar ik: Anders, ik ga toch zonder kinderen.
[^genesis-15-2-5]: Kanttekening 5: bezorger van: Hebr. de zoon van de beloping, of, besturing, of, van de bezorging van mijn huis. Dat is, de verzorger van mijn huis. Aldus wordt een zoon van de vroomheid gezegd, 1 Kon. 1:52 , voor een vroom man; aldus zonen van de gevangenis, Ezra 4:1 , voor degenen, die gevangen geweest waren; zonen van de verdrukking, Spr. 31:5 , voor verdrukten; en Jer. 48:45 , zonen van de beroerte, voor degenen die beroerte maken. 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. Ezra 4:1 : Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen van de gevangenis YHWH, de God van Israël, de tempel bouwden; Spreuken 31:5 : Opdat hij niet drinke, en het vastgestelde vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere. Jeremia 48:45 : Die voor de macht van de vijand vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van de kinderen van het gedruis verteerd.
[^genesis-15-2-6]: Kanttekening 6: deze Damaskener: Hebr. Dammeseck, dat is, van Damascus, of Damaskener. Dit is een afgebroken rede, die Abram vervolgt en ten einde brengt in het volgende vs. 3.
[^genesis-15-2-7]: Kanttekening 7: De naam van de verzorger van Abrams huis.
[^genesis-15-3-8]: Kanttekening 8: zaad gegeven: Dat is zoon. Zie boven Gen. 4:25 . Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
[^genesis-15-3-9]: Kanttekening 9: de zoon: Dat is, mijn knecht, die in mijn huis geboren is, vergelijk boven Gen. 14:14 . Met deze manier van spreken worden de ingeboren knechten onderscheiden van de zonen van het lichaam, of eigen kinderen, zoals Job 19:17 ; Spr. 31:2 ; Jer. 2:14 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Job 19:17 : Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek omwille van de kinderen mijns buiks. Spreuken 31:2 : Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften? Jeremia 2:14 : Is dan Israël een knecht, of is hij een ingeborene van het huis? Waarom is hij dan ten roof geworden?
[^genesis-15-3-10]: Kanttekening 10: zal mijn: Hebr. zal mij erven, zo ook vs. 4.
[^genesis-15-4-11]: Kanttekening 11: Deze zal: Nam. Eliëzer de Damaskener.
[^genesis-15-4-12]: Kanttekening 12: uit uw: Hebr. uit uw ingewand. Zie 2 Sam. 7:12 ; verg. onder Gen. 35:11 , en 2 Kron. 6:9 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen. 2 Kronieken 6:9 : Evenwel, u zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^genesis-15-5-13]: Kanttekening 13: Te weten, God.
[^genesis-15-5-14]: Kanttekening 14: Nam. Abram.
[^genesis-15-5-15]: Kanttekening 15: uit naar: Buiten de tent.
[^genesis-15-5-b]: Verwijzing b: Ex. 32:13 ; Deut. 10:22 ; Rom. 4:18 ; Hebr. 11:12 . Exodus 32:13 : Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan welke U bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. Deuteronomium 10:22 : Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. Romeinen 4:18 : Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen. Hebreeën 11:12 : Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, dat ontallijk is.
[^genesis-15-5-16]: Kanttekening 16: Zo zal: Verg. boven Gen. 13:16 ; 1 Kon. 4:20 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. 1 Koningen 4:20 : Juda nu en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blij zijnde.
[^genesis-15-6-c]: Verwijzing c: Rom. 4:3 ; idem v. 9 ; idem v. 18 ; idem v. 22 ; Galat. 3:6 ; Jak. 2:23 . Romeinen 4:3 : Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Romeinen 4:9 : Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid. Romeinen 4:18 : Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen. Romeinen 4:22 : Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend. Galaten 3:6 : Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; Jakobus 2:23 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^genesis-15-6-17]: Kanttekening 17: hij geloofde: Niet dat Abram hier eerst begon te geloven, maar dat hij sterker werd in het geloof, zijn vlees overwinnende, en de grote belofte, die hem God. vs. 1,4,5, van zijn zaad en voornamelijk van de Messias gedaan had, tot troost en zaligheid van zijn ziel langs zo meer aannemende.
[^genesis-15-6-18]: Kanttekening 18: Hij rekende: Dat is, God heeft uit loutere genade, hem, die geen gerechtigheid had in zichzelven, om voor zijn gericht te bestaan, voor rechtvaardig geacht, door het geloof aan zijn belofte en de beloofde Middelaar; Rom. 4:2 , 4:3 , enz. Romeinen 4:2 : Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. Romeinen 4:3 : Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
[^genesis-15-6-19]: Kanttekening 19: tot : Het woordje tot, wordt hier bijgevoegd uit Ps. 106:31 ; Rom. 4:3 ; Gal. 3:6 ; Jak. 2:23 . Psalmen 106:31 : En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. Romeinen 4:3 : Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Galaten 3:6 : Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; Jakobus 2:23 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^genesis-15-7-20]: Kanttekening 20: uit Ur: Zie boven Gen. 11:31 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^genesis-15-7-d]: Verwijzing d: Ps. 105:11 . Psalmen 105:11 : Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van ulieder erfdeel.
[^genesis-15-8-21]: Kanttekening 21: dat ik: Abram, hoewel gelovende, begeert nochtans van God nader bericht en versterking gelijk ook andere gelovigen eertijds gedaan hebben; Richt. 6:27 ; 2 Kon. 20:8 . Richteren 6:27 : Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, gelijk als YHWH tot hem gesproken had. Maar het geschiedde, omdat hij zijn vaders huis en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht. 2 Koningen 20:8 : Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat YHWH mij gezond maken zal, en dat ik de derde dag in het huis van YHWH zal opgaan?
[^genesis-15-9-22]: Kanttekening 22: Neem mij: Het is opmerkelijk dat hier zulke beesten genomen worden, als in de offeranden meest gebruikt werden.
[^genesis-15-10-23]: Kanttekening 23: hem deze: Aan God, die tevoren, vs. 9, gezegd had : Neem Mij, dat is, om aan Mij toe te brengen.
[^genesis-15-10-24]: Kanttekening 24: hij deelde: Zonder twijfel door God onderwezen zijnde.
[^genesis-15-10-25]: Kanttekening 25: elks deel: Hebr. de man zijn deels tegen over zijn naaste, of vriend; dat is, de stukken die tezamen behoorden, legde hij tegen elkaar over, zoals de rechterzijde van de vaars tegen de linkerzijde, enz.
[^genesis-15-11-26]: Kanttekening 26: joeg het: Met geblaas, naar de eigenschap van het Hebreeuwse woord.
[^genesis-15-12-27]: Kanttekening 27: Duisternis betekent dikwijls in de Heilige Schrift verdriet, ellende, tegenspoed, Ps. 35:14 Ps. 38:7 , enz. Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. Psalmen 38:7 : Ik ben krom geworden, ik ben bovenmate zeer nedergebogen; ik ga de gehele dag in het zwart.
[^genesis-15-13-28]: Kanttekening 28: Weet voorzeker: Hebr. wetende zult u weten.
[^genesis-15-13-e]: Verwijzing e: Ex. 12:40 ; Hand. 7:6 ; Galat. 3:17 . Exodus 12:40 : De tijd nu van de woning, die de kinderen van Israël in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Handelingen 7:6 : En God sprak zo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren. Galaten 3:17 : En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.
[^genesis-15-13-29]: Kanttekening 29: dat het: Versta het land Kanaän, maar voornamelijk Egypte.
[^genesis-15-13-30]: Kanttekening 30: hen dienen: De landzaten.
[^genesis-15-13-31]: Kanttekening 31: Het getal van deze vier honderd jaren \[volgens het eenvoudigste gevoelen\], wordt hier in het groot, en niet in het volkomen gesteld; zijnde het even getal genomen, en het oneven nagelaten, gelijk dit dikwijls in zulke gezegden voorkomt, zoals Richt. 11:26 , Richt. 20:46 ; 2 Sam. 5:4 , 5:5 ; 1 Kon. 15:25 . Het volle getal is 430 jaren, Ex. 12:41 ; Gal. 3:17 , waarvan het begin is de tijd van het verbond, dat God hier met Abram heeft gemaakt tot bevestiging van zijn voorgaande beloften, zoals dit blijkt uit de woorden van Paulus, Gal. 3:17 . Het einde van het genoemd aantal jaren is de uitgang van de kinderen van Israël uit Egypte, of de wetgeving. Anderen beginnen deze jaren van de uitgang van Abram uit Ur van de Chaldeën, of uit Haran, òf van de geboorte van Izak, òf van die tijd af dat Ismaël Izak bespotte, welke bespotting door Paulus een vervolging genoemd wordt, Gal. 4:29 . Richteren 11:26 : Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stedekens, en in Aroër en in de stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet gered? Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 2 Samuël 5:4 : Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd. 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. 1 Koningen 15:25 : Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël. Exodus 12:41 : En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren van YHWH uit Egypteland gegaan zijn. Galaten 3:17 : En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. Galaten 3:17 : En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. Galaten 4:29 : Maar zoals toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar de Geest geboren was, zo ook nu.
[^genesis-15-14-32]: Kanttekening 32: Rechten is dikwijls zoveel als iemands zaak te beoordelen en uit te wijzen, òf tot zijn nadeel om hem te straffen, zoals hier en Ps. 51:6 , òf tot zijn voordeel om hem te beschermen, zoals onder Gen. 30:6 ; Ps. 7:9 ; Jer. 5:28 , Jer. 22:16 . Psalmen 51:6 : Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Genesis 30:6 : Toen zei Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. Psalmen 7:9 : YHWH zal de volken recht doen; richt mij, YHWH, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is. Jeremia 5:28 : Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de nooddruftigen niet. Jeremia 22:16 : Hij heeft de rechtzaak van de ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt YHWH.
[^genesis-15-14-f]: Verwijzing f: Ex. 3:22 ; Ex. 11:2 ; Ex. 12:35 ; idem 12:36 . Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven. Exodus 11:2 : Spreek nu voor de oren van het volk, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren vaten en gouden vaten eise. Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren. Exodus 12:36 : Daartoe had YHWH het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.
[^genesis-15-15-g]: Verwijzing g: onder, Gen. 25:7 ; idem v. 8 . Genesis 25:7 : Dit nu zijn de dagen van de jaren van het leven van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^genesis-15-15-33]: Kanttekening 33: u zult tot: Dat is, u zult sterven naar het lichaam, maar naar de ziel vergaderd worden tot de staat van het andere leven; verg. onder Gen. 25:8 , 25:17 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Genesis 25:17 : En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
[^genesis-15-15-34]: Kanttekening 34: Hebr. in goede grijsheid. Een goede ouderdom bestaat eigenlijk niet alleen in de langheid van het leven en het tijdelijk geluk, maar in het voorgaande leven, doorgebracht in Godvruchtigheid voor God, rechtvaardigheid tegenover de mensen, matigheid en gerustheid bij zichzelven. Zo onder Gen. 25:8 ; Richt. 8:32 ; 1 Kron. 29:28 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Richteren 8:32 : En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, van de Abi-ezriet. 1 Kronieken 29:28 : En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.
[^genesis-15-16-h]: Verwijzing h: Ex. 12:40 . Exodus 12:40 : De tijd nu van de woning, die de kinderen van Israël in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.
[^genesis-15-16-35]: Kanttekening 35: het vierde: Anders, in het vierde geslacht zullen zij terugkeren, dat is, na het einde van vier honderd jaren; het leven van de mensen in die tijd op omtrent honderd jaren gerekend zijnde.
[^genesis-15-16-36]: Kanttekening 36: van de Amorieten: En van andere boze natiën, die hieronder genoemd worden, vs. 19,20,21. Zo onder Gen. 48:22 ; 1 Kon. 21:2 ; 2 Kon. 21:11 . Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. 1 Koningen 21:2 : Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, omdat hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld zijn waarde geven. 2 Koningen 21:11 : Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;
[^genesis-15-16-37]: Kanttekening 37: is tot nog: Omdat God dit land de Amorieten gegeven, en besloten had hen daaruit niet te verdelgen, voordat zij zulks ten hoogste zouden verdiend hebben, zo heeft Hij hun die tijd willen laten vervullen, en intussen de zijnen beproeven en oefenen; Jer. 51:13 ; Matt. 23:32 . Jeremia 51:13 : U, die aan vele wateren woont, die machtig bent van schatten! uw einde is gekomen, de maat van uw gierigheid. Mattheüs 23:32 : U dan ook, vervult de mate van uw vaderen!
[^genesis-15-17-38]: Kanttekening 38: Hebr. oven van de rook. De verdrukking van het Israëlietische volk in Egypte wordt vergeleken bij een ijzeren oven. Deut. 4:20 ; 1 Kon. 8:51 ; Jer. 11:14 . Deuteronomium 4:20 : Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is. 1 Koningen 8:51 : Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden van de ijzeren oven; Jeremia 11:14 : U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.
[^genesis-15-17-39]: Kanttekening 39: Hebr. fakkel van het vuur; betekenende Gods aanwezigheid en de toekomstige verlossing uit de verdrukking. Zie Richt. 6:21 ; Jes. 62:1 ; Zach. 12:6 . Richteren 6:21 : En de Engel van YHWH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van YHWH bekwam uit zijn ogen. Jesaja 62:1 : Vanwege Sion zal ik niet zwijgen, en vanwege Jeruzalem zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt. Zacharia 12:6 : Op die dag zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechterzijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.
[^genesis-15-17-40]: Kanttekening 40: God maakt hier zijn verbond met Abram op een bijzonder solemnele maar zeer vriendelijke wijze, gelijk de ene mens, vriend en bondgenoot, in die tijd met de ander gewoon was te doen, te weten, door het slachten van beesten, en de verdeling van de stukken, waar de bondgenoten midden door gingen, tot een teken, dat de verbreker van het verbond waard was aldus in stukken gehouwen te worden. Zie Jer. 34:18 , 34:19 . Jeremia 34:18 : En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jeremia 34:19 : De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan.
[^genesis-15-18-41]: Kanttekening 41: maakte de: Hebr. sneed, of, hieuw. Een manier van spreken genomen van het slachten van de beesten, en de verdeling van de stukken, vermeld vs. 17.
[^genesis-15-18-i]: Verwijzing i: boven, Gen. 12:7 ; boven, Gen. 13:15 ; boven, Gen. 24:7 ; boven, Gen. 26:4 ; Ex. 32:13 ; Deut. 1:8 ; Deut. 34:4 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 24:7 : De YHWH, de God van de hemel, Die mij uit van mijn vader huis en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Exodus 32:13 : Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan welke U bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^genesis-15-18-42]: Kanttekening 42: Te weten, door mijn besloten voornemen en verklaarde belofte; boven hoofdstuk Gen. 13:15 , hoewel de uitvoering nog tot de tijd voornoemd, vs. 13, moet uitgesteld worden. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^genesis-15-18-43]: Kanttekening 43: van de: Hierdoor wordt verstaan de rivier Sichor, welke Egypte van Kanaän scheidt; Num. 34:5 ; Joz. 13:3 ; 1 Kron. 13:5 . Anderen verstaan hier de rivier Nilus (de Nijl) . Numeri 34:5 : Verder zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 1 Kronieken 13:5 : David dan vergaderde geheel Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark van God te brengen van Kirjath-jearim.
[^genesis-15-18-44]: Kanttekening 44: Zie boven Gen. 2:14 , en de vervulling hiervan 2 Sam. 8:3 , en 1 Kon. 4:21 , 1 Kon. 9:21 ; 1 Kron. 18:3 ; 2 Kron. 9:26 . Genesis 2:14 : En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. 1 Koningen 4:21 : En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen van zijn leven. 1 Koningen 9:21 : Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen van Israël niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op deze dag. 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath. 2 Kronieken 9:26 : En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.
[^genesis-15-19-45]: Kanttekening 45: De Keniet: De opsomming van de volken, die het land Kanaän vóór de Israëlieten bezeten hebben. Vergelijk dezelfde met boven, Gen. 10:15 , 10:16 , enz. en met de aantekeningen daar. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
[^genesis-15-20-46]: Kanttekening 46: Zie van deze boven Gen. 14:15 . Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus.

### Genesis 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/16.json)

*Sarai is onvruchtbaar en geeft Abram haar slavin Hagar als bijvrouw, vers 1. Hagar raakt zwanger en begint Sarai te minachten; Sarai klaagt daarover bij haar man en krijgt toestemming om Hagar te vernederen, waarop Hagar voor Sarai vlucht de woestijn in, 4. Daar spreekt God haar aan en stuurt haar terug naar Sarai, met beloften over haar zoon Ismaël, die zij Abram baart wanneer hij zesentachtig jaar oud is, 7.*

**1** Maar Saraï, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, van wie de naam Hagar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v1)

**2** Zo zei Saraï tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij[^genesis-16-2-1] toegesloten, dat ik niet bare;[^genesis-16-2-2] ga toch in tot mijn dienstmaagd,[^genesis-16-2-3] misschien zal ik uit haar[^genesis-16-2-4] gebouwd worden. En[^genesis-16-2-5] Abram hoorde naar de stem van Saraï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v2)

**3** Zo nam Saraï, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd,[^genesis-16-3-6] na verloop van tien jaren, die Abram in het land Kanaän gewoond had, en[^genesis-16-3-7] zij gaf haar aan Abram, haar man,[^genesis-16-3-8] hem tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v3)

**4** En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw[^genesis-16-4-9] veracht in haar ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v4)

**5** Toen zei Saraï tot Abram:[^genesis-16-5-10] Mijn ongelijk[^genesis-16-5-11] is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; YHWH rechte tussen mij en tussen u![^genesis-16-5-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v5)

**6** En Abram zei tot Saraï: Zie uw dienstmaagd is[^genesis-16-6-13] in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Saraï vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v6)

**7** En[^genesis-16-7-14] de Engel van YHWH[^genesis-16-7-15] vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van[^genesis-16-7-16] Sur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v7)

**8** En hij zei: Hagar, u, dienstmaagd van Saraï! vanwaar komt u, en waar zult u heengaan? En zij zei: Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Saraï! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v8)

**9** Toen zei de Engel van YHWH tot haar: Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v9)

**10** Verder zei de Engel van YHWH tot haar:[^genesis-16-10-17] Ik zal uw[^genesis-16-10-18] zaad enorm vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v10)

**11** Ook zei de Engel van YHWH tot haar: Zie, u bent zwanger, en zult een zoon baren, en u zult zijn naam Ismaël noemen, omdat YHWH uw verdrukking aangehoord heeft.[^genesis-16-11-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v11)

**12** En hij zal een[^genesis-16-12-20] woudezel van een mens zijn;[^genesis-16-12-21] zijn hand zal tegen alle zijn, en de hand van alle tegen hem;[^genesis-16-12-22] en[^genesis-16-12-a] hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v12)

**13** En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak:[^genesis-16-13-24] U, God van het aanzien! want zij zei:[^genesis-16-13-25] Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet?[^genesis-16-13-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v13)

**14** Daarom noemde men die put, de[^genesis-16-14-b] put[^genesis-16-14-26] Lachai-roi; zie, hij is tussen[^genesis-16-14-27] Kades en tussen Bered. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v14)

**15** [^genesis-16-15-c] En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam van zijn zoon, die Hagar gebaard had,[^genesis-16-15-28] Ismaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v15)

**16** En Abram[^genesis-16-16-29] was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/16.html#v16)

[^genesis-16-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, onvruchtbaar gemaakt. Verg. onder, hoofdstuk Gen. 20:18 . Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^genesis-16-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven Gen. 6:4 ; zo ook onder vs. 4. Sarai aan eigen lijfsvrucht wanhopende, en nochtans naar het beloofde zaad hartelijk verlangende, vergeet zichzelf zover, dat zij, zonder God te vragen, haar man raadt door dit middel, dat wel in die tijd algemeen, maar tegen de eerste instelling van het huwelijk strijdig was, de vervulling van Gods belofte te verzoeken. Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^genesis-16-2-3]: Kanttekening 3: Zo deed dan Sarai dit om te beproeven of Abram uit Hagar een zoon zou bekomen, die zij voor haar eigen mocht houden, als uit haar maagd in haar huis haar geboren. Zie onder Gen. 30:3 ; Ex. 21:4 . Genesis 30:3 : En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. Exodus 21:4 : Als hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.
[^genesis-16-2-4]: Kanttekening 4: De manier van spreken, bouwen, of het huis bouwen, vindt men ook onder, Gen. 30:3 ; Ruth 4:11 ; Deut. 25:9 ; zij betekent het geslacht onderhouden en uitbreiden. Genesis 30:3 : En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. Ruth 4:11 : En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem! Deuteronomium 25:9 : Zo zal zijn broers vrouw voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal die man gedaan worden, die zijn broers huis niet zal bouwen.
[^genesis-16-2-5]: Kanttekening 5: Abram hoorde: Abram, zonder God, wiens belofte dit aanging, eens te vragen, laat zich van Sarai, niet door onkuisen lust, maar om de redenen die zij voortbracht, en die hem mee ter harte gingen, overreden; te meer, omdat het hem nog verborgen was, of het beloofde zaad hem uit Sarai, of uit een andere zou geboren worden.
[^genesis-16-3-6]: Kanttekening 6: ten einde: Te weten, nadat hij uit Haran gescheiden, en in het land Kanaän gekomen was.
[^genesis-16-3-7]: Kanttekening 7: Misbruikende de macht die zij overigens had over haar dienstmaagd en het lichaam van haar man, 1 Kor. 7:4 . 1 Korinthiërs 7:4 : De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.
[^genesis-16-3-8]: Kanttekening 8: tot een vrouw: Versta, ene vrouw, zijnde van minder waardigheid dan de eerste, daar Hagar dienstmaagd en onder het gebied van haar vrouwe Sarai bleef, vs. 4,8,9. Zie verder van dusdanige bijvrouwen onder Gen. 25:6 , en Gen. 30:3 , 30:9 . Omtrent de geestelijke beduiding van dit huwelijk, zie Gal. 4:22 , enz. Genesis 25:6 : Maar aan de zonen van de bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten. Genesis 30:3 : En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. Genesis 30:9 : Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. Galaten 4:22 : Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
[^genesis-16-4-9]: Kanttekening 9: Hebr. licht, dat is, klein geacht.
[^genesis-16-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, het ongelijk, dat mij wordt aangedaan. Dit heeft Sarai gesproken uit ongeduld.
[^genesis-16-5-11]: Kanttekening 11: op u: Of, om u, om uwentwille, het is u toe te rekenen, omdat u wel merkt dat Hagar mij versmaadt, en u haar daarover niet bestraft.
[^genesis-16-5-12]: Kanttekening 12: Uit zwakheid beveelt zij de zaad aan Gods oordeel, mits Hij straffe dengene die ongelijk heeft, zo hij daarin niet voorziet. Vergelijk 1 Sam. 24:13 , 24:16 . 1 Samuël 24:13 : YHWH zal richten tussen mij en tussen u, en YHWH zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 1 Samuël 24:16 : Maar YHWH zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand.
[^genesis-16-6-13]: Kanttekening 13: in uw hand: Dat is, in uw geweld, onder uw gebied of macht; zo ook onder, Gen. 24:10 en 39:4 , 39:6 , 39:8 ; Num. 31:49 , Joz. 9:25 , 1 Sam. 14:48 , 2 Kon. 8:20 . Abram wil zeggen: Ofschoon ik dezelfde tot een tweede vrouw genomen heb, zo heb ik haar nochtans uw gebied niet onttrokken; daarom zo zij misdoet, gebruik uw recht, als over een die onder u nog is. Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Genesis 39:4 : Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand. Genesis 39:6 : En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. Genesis 39:8 : Maar hij weigerde het, en zei tot de huisvrouw van zijn heer: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. Numeri 31:49 : En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som van de krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man. Jozua 9:25 : En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen. 1 Samuël 14:48 : En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand van degene, die hem beroofde. 2 Koningen 8:20 : In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
[^genesis-16-7-14]: Kanttekening 14: de Engel van YHWH: Dat is, het hoofd van de Engelen, de Heer Christus , die daarom ook YHWH genoemd wordt, vers 13 en Gen. 18:26 , 18:33 ; Richt. 6:14 en 13:19 , 13:22 . Genesis 18:26 : Toen zei YHWH: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de gehele plaats sparen om hunnentwil. Genesis 18:33 : Toen ging YHWH weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weer naar zijn plaats. Richteren 6:14 : Toen keerde zich YHWH tot hem, en zei: Ga heen in deze uw kracht, en u zult Israël uit de hand van de Midianieten verlossen; heb Ik u niet gezonden? Richteren 13:19 : Toen nam Manoach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op de rotssteen, voor YHWH. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.
[^genesis-16-7-15]: Kanttekening 15: vond haar: Dit woordje drukt uit het wakende oog van de Heer over deze dwalende en bedroefde Hagar.
[^genesis-16-7-16]: Kanttekening 16: Hebr. Schur (שׁוּר). Vanwaar men ging naar Egypte, waarvan zij was; zie onder Gen. 25:18 ; Ex. 15:22 ; en 1 Sam. 15:7 . Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers. Exodus 15:22 : Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. 1 Samuël 15:7 : Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar u komt te Sur, dat voor aan Egypte is.
[^genesis-16-10-17]: Kanttekening 17: Ik zal: Hier wordt de engel een Goddelijk werk toegeschreven, waaruit men verstaan kan, dat hij niet een schepsel, maar de Schepper zelf is.
[^genesis-16-10-18]: Kanttekening 18: grotelijks vermenigvuldigen: Hebr. vermenigvuldigende vermenigvuldigen. Deze lichamelijke zegen is te onderscheiden van de geestelijke, welke bleef bij het zaad van de belofte.
[^genesis-16-11-19]: Kanttekening 19: uw verdrukking: Hebr. naar uw ellende gehoord heeft.
[^genesis-16-12-20]: Kanttekening 20: Dat is een wild, woest mens, gelijk een wilde of woudezel, daaronder begrepen dat hij zou zijn een onversaagd en vreeslijk krijgsman. Zie onder, hoofdstuk Gen. 21:20 . Genesis 21:20 : En God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
[^genesis-16-12-21]: Kanttekening 21: zijn hand zal: Dat is, tot vechten en oorlogen zal hij ieder tergen, en zal ook daarom door anderen getergd worden. Versta dit niet alleen van zijn persoon, maar ook van zijn nakomelingen.
[^genesis-16-12-22]: Kanttekening 22: en hij zal wonen: De zin is, dat hij de grenzen van zijn woning wijd en breed zou uitspreiden, tot onder zijn familie, die hij niet zou vrezen, maar haar stoutelijk het aangezicht bieden. Zie onder, Gen. 25:18 . Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers.
[^genesis-16-12-a]: Verwijzing a: onder, Gen. 25:18 . Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers.
[^genesis-16-13-24]: Kanttekening 24: U, God: Dat is, die alle dingen ziet, en mij nu ook in deze mijn zware ellende ten goede aangezien hebt, mij op de rechte weg helpende en vertroostende.
[^genesis-16-13-25]: Kanttekening 25: Heb ik ook: Dat is, is het geen wonder, dat ik hier nu nog het licht aanschouw, en in het leven ben, nadat Hij mij verschenen is, die naar mij in deze mijn bedrukte staat omgezien heeft? Zij meende dat zij sterven zou, omdat zij de Heer gezien had. Verg. onder Gen. 32:30 ; Ex. 24:11 ; Richt. 13:22 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Exodus 24:11 : Maar Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen van Israël; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.
[^genesis-16-13-23]: Kanttekening 23: naam van YHWH: Hier wordt de voornoemde engel uitdrukkelijk YHWH, YHWH, genoemd. Verg. boven vs. 7.
[^genesis-16-14-b]: Verwijzing b: onder, Gen. 24:62 ; onder, Gen. 25:11 . Genesis 24:62 : Izak nu kwam, van daar men komt tot de put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland. Genesis 25:11 : En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-roi.
[^genesis-16-14-26]: Kanttekening 26: Dat is, van de levende die mij ziet. Zij noemde de put naar zichzelf, omdat zij in het leven gebleven was, nadat zij de Heer gezien had; en ook naar de Heer, omdat Hij haar gunstig aangezien had; maar anderen menen dat beide benamingen op God zien, die leeft en alles ziet.
[^genesis-16-14-27]: Kanttekening 27: Zie boven Gen. 14:7 , en de aant. Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.
[^genesis-16-15-c]: Verwijzing c: Galat. 4:22 . Galaten 4:22 : Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
[^genesis-16-15-28]: Kanttekening 28: Ontwijfelbaar door Hagar onderricht zijnde, dat God de naam van het kind aldus genoemd had; zie vs. 11.
[^genesis-16-16-29]: Kanttekening 29: was zes en tachtig: Hebr. een zoon van tachtig jaren en zes jaren, zo in het eerste Gen. 17:1 , van het volgende hoofdstuk. Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!

### Genesis 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/17.json)

*God verschijnt aan Abram en vernieuwt Zijn beloften en het verbond, vers 1. Hij verandert zijn naam Abram in Abraham, 5. Hij stelt de besnijdenis in als teken van het verbond, 9. Hij verandert de naam Sarai in Sarah, met de belofte van een zoon en groot nageslacht uit haar, 15; hierover is Abraham zeer verheugd, maar bidt ook voor Ismaël en krijgt een tijdelijke zegen voor hem, 17. Abraham en alle mannen in zijn huis worden besneden, 23.*

**1** Als nu Abram[^genesis-17-1-1] negen en negentig jaar oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben[^genesis-17-1-2] God, de Almachtige![^genesis-17-1-a] Wandel[^genesis-17-1-3] voor Mijn aangezicht, en wees oprecht![^genesis-17-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v1)

**2** En[^genesis-17-2-b] Ik zal Mijn verbond[^genesis-17-2-5] stellen tussen Mij en tussen u, en[^genesis-17-2-c] Ik zal u[^genesis-17-2-6] geheel zeer vermenigvuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v2)

**3** Toen[^genesis-17-3-7] viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v3)

**4** Wat mij betreft, zie, Mijn verbond is met u; en u zult[^genesis-17-4-d] tot een[^genesis-17-4-8] vader van menigte van de volken worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v4)

**5** En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen[^genesis-17-5-9] Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v5)

**6** En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u[^genesis-17-6-10] tot volken stellen, en[^genesis-17-6-e] koningen zullen uit u voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v6)

**7** En Ik zal Mijn verbond[^genesis-17-7-11] oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun generaties, tot[^genesis-17-7-f] een[^genesis-17-7-12] eeuwig verbond, om u te zijn tot een[^genesis-17-7-13] God, en uw zaad na u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v7)

**8** En[^genesis-17-8-g] Ik zal u, en uw zaad na u, het[^genesis-17-8-14] land waar u vreemdeling was geven, het hele land Kanaän, tot[^genesis-17-8-15] eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v8)

**9** Verder zei God tot Abraham:[^genesis-17-9-16] U nu zult Mijn verbond houden, u, en uw zaad na u, in hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v9)

**10** Dit is[^genesis-17-10-17] Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat[^genesis-17-10-18] mannelijk is, u besneden worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v10)

**11** En u zult het[^genesis-17-11-19] vlees van uw voorhuid besnijden; en[^genesis-17-11-h] dat zal tot een[^genesis-17-11-20] teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v11)

**12** Een[^genesis-17-12-i] zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw generaties:[^genesis-17-12-21] de ingeborene van het huis, en[^genesis-17-12-22] de gekochte met geld van alle[^genesis-17-12-23] vreemde, die niet is van uw zaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v12)

**13** De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal[^genesis-17-13-24] zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees, tot[^genesis-17-13-25] een eeuwig verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v13)

**14** En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende,[^genesis-17-14-26] wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, die[^genesis-17-14-27] ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft[^genesis-17-14-28] Mijn verbond gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v14)

**15** Nog zei God tot Abraham: U zult de naam van uw huisvrouw Saraï, niet Saraï noemen; maar haar naam zal zijn[^genesis-17-15-29] Sara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v15)

**16** Want Ik zal[^genesis-17-16-30] haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen van de volken zullen uit haar worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v16)

**17** Toen[^genesis-17-17-31] viel Abraham op zijn aangezicht, en hij[^genesis-17-17-32] lachte; en hij zei in zijn hart: Zal één,[^genesis-17-17-33] die honderd jaar oud is, een kind geboren worden; en zal Sara,[^genesis-17-17-34] die negentig jaar oud is, baren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v17)

**18** En Abraham zei tot God:[^genesis-17-18-35] Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v18)

**19** En God zei: Werkelijk,[^genesis-17-19-k] Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen[^genesis-17-19-36] Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een[^genesis-17-19-37] eeuwig verbond zijn zade na hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v19)

**20** En voor wat betreft Ismaël heb Ik u verhoord; zie,[^genesis-17-20-l] Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer[^genesis-17-20-38] vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v20)

**21** Maar[^genesis-17-21-39] Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara[^genesis-17-21-m] op deze gezetten tijd in het[^genesis-17-21-40] andere jaar baren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v21)

**22** En Hij eindigde met hem te spreken, en God[^genesis-17-22-41] voer op van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v22)

**23** Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de mensen van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees van hun voorhuid, even ten zelfde dage, zoals God met hem gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v23)

**24** En Abraham was[^genesis-17-24-42] oud negen en negentig jaren, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v24)

**25** En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaar oud, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v25)

**26** Even[^genesis-17-26-43] op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v26)

**27** En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen van het huis, en de gekochten met geld,[^genesis-17-27-44] van de vreemde af, werden met hem besneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/17.html#v27)

[^genesis-17-1-1]: Kanttekening 1: negen en negentig: Hebr. een zoon van negentig jaar en negen jaren. Dit was het vijf en twintigste jaar nadat hij de belofte van de vermenigvuldiging van zijn zaad in Haran ontvangen had; boven Gen. 12:2 , 12:3 , 12:4 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 12:4 : En Abram toog heen, gelijk YHWH tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
[^genesis-17-1-2]: Kanttekening 2: God, de: Dat is, die niet alleen sterk en vermogend ben, om u tegen alle kwaad te bewaren, maar ook genoegzaam, om u met alle goederen naar lichaam en ziel te verzorgen; als zijnde een God, die de genoegzaamheid in mijzelf eeuwig en onveranderlijk tot mijn bondgenoot aanneem.
[^genesis-17-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 5:22 . Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^genesis-17-1-3]: Kanttekening 3: voor mijn: Zonder geveinsdheid en met een oprecht hart Mij vertrouwende, en Mij als in mijne aanwezigheid vrezende; zo onder Gen. 24:40 ; verg. boven Gen. 5:22 , 5:24 . Genesis 24:40 : En hij zei tot mij: YHWH, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat u voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit het huis van mijn vader. Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Genesis 5:24 : Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
[^genesis-17-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^genesis-17-2-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 15:18 ; Ex. 2:24 ; Ex. 6:4 ; Lev. 26:42 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 2:24 : En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. Exodus 6:4 : En ook heb Ik gehoord het gekerm van de kinderen van Israël, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Leviticus 26:42 : Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;
[^genesis-17-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, vernieuwen, en met een heilig sacrament bevestigen; zie vs. 10.
[^genesis-17-2-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 12:2 ; boven, Gen. 13:16 ; boven, Gen. 15:5 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn!
[^genesis-17-2-6]: Kanttekening 6: Hebr. in zeer zeer.
[^genesis-17-3-7]: Kanttekening 7: viel Abram: Betuigende daarmede niet alleen zijn nietigheid en onwaardigheid, maar ook zijn eerbiedig en dankbaar hart tegenover de almachtige en genadige God; zo onder vs. 17; Lev. 9:24 ; Ez. 43:3 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Ezechiël 43:3 : En zo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^genesis-17-4-d]: Verwijzing d: Rom. 4:17 . Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
[^genesis-17-4-8]: Kanttekening 8: vader van: Niet alleen naar het vlees, als van de Israëlieten, Ismaëlieten, Idumeërs, Kethureërs, maar in het bijzonder naar de geest, als van alle ware gelovigen door de gehele wereld, van welk geslacht en welke natie zij ook mogen zijn; Rom. 4:16 , 4:17 ; verg. boven Gen. 12:2 , en de aantekening daarop. Romeinen 4:16 : Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al het zaad, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen; Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^genesis-17-5-9]: Kanttekening 9: In deze naam Abraham is de letter h ingevoegd, zijnde de eerste van het woord, Hamon, dat God hier gebruikt, betekende menigte of veelheid. Dit is de eerste naam, die God veranderd heeft; en hiervan is het gebruik gekomen, dat men de namen bij de besnijdenis heeft gegeven.
[^genesis-17-6-10]: Kanttekening 10: tot volken: Zie boven op vs. 4.
[^genesis-17-6-e]: Verwijzing e: Matt. 1:6 . Mattheüs 1:6 : En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
[^genesis-17-7-11]: Kanttekening 11: Of, bevestigen.
[^genesis-17-7-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^genesis-17-7-12]: Kanttekening 12: Eeuwig voor alle gelovigen in Christus, ten aanzien van het lichamelijke, en ook de gevolgen daarvan, en in het bijzonder dit sacrament van de besnijdenis.
[^genesis-17-7-13]: Kanttekening 13: God, en: Dat is, tot uw Zaligmaker, door de toekomstige Messias. Deze manier van spreken begrijpt de goederen, die dit verbond van de genade medebrengt. Zie Lev. 26:12 ; Ps. 33:12 , en Ps. 144:15 ; Jer. 31:33 . Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Psalmen 33:12 : Welgelukzalig is het volk, welks God YHWH is; het volk, dat Hij Zich ten erve gekozen heeft. Psalmen 144:15 : Welgelukzalig is het volk, wie het zo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God YHWH is. Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^genesis-17-8-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 15:18 ; Deut. 1:8 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
[^genesis-17-8-14]: Kanttekening 14: land uw: Waarin u als vreemdeling gekomen bent, gereisd hebt, en nog verkeert en verkeren zult. Zie onder, Gen. 28:4 , en Gen. 36:7 , en Gen. 37:1 . Het woord staat in het getal van velen, om aan te wijzen de gedurigheid en lengte van de tijd, waarin hij daar vreemdeling zou wezen. Genesis 28:4 : En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, dat God aan Abraham gegeven heeft. Genesis 36:7 : Want hun bezittingen waren te veel, om samen te wonen; en het land van hun vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee. Genesis 37:1 : En Jakob woonde in het land van de vreemdelingschappen van zijn vader, in het land Kanaän.
[^genesis-17-8-15]: Kanttekening 15: Hebr. tot bezitting van de eeuwigheid. Zie vs. 7.
[^genesis-17-9-16]: Kanttekening 16: U nu: Dat is, wat u betreft, of van uw zijde. Nadat God zijn beloften gegeven had, zo eist Hij ook de plicht van zijn volk, zijnde het andere deel van het verbond. Vergelijk dit met vs. 4.
[^genesis-17-10-17]: Kanttekening 17: mijn verbond: Dat is, het teken en zegel mijns verbonds, gelijk vs. 11 wordt verklaard; zie Rom. 4:11 . Deze manier van spreken, waardoor het teken de naam draagt van de betekenende zaak, wordt in de sacramenten menigmalen gebruikt, niet alleen om de geestelijke weldaden ons te beduiden en te verklaren, maar ook aan elke bondgenoot te verzegelen. Verg. hiermede Ex. 12:11 ; Matt. 26:17 ; Hand. 22:16 ; 1 Kor. 10:6 , 1 Kor. 11:24 , 11:25 ; Tit. 3:5 . Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Exodus 12:11 : Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH. Mattheüs 26:17 : En op de eerste dag van de ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten? Handelingen 22:16 : En nu, wat vertoeft u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heere. 1 Korinthiërs 10:6 : En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals zij lust gehad hebben. 1 Korinthiërs 11:24 : En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:25 : Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Titus 3:5 : Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest;
[^genesis-17-10-18]: Kanttekening 18: mannelijk is: Gelijk de natuurlijke onreinheid van de vrouwen met de mannen gemeen was, zo behoorde ook haar de belofte van de genade; niettemin heeft God een sacrament ingesteld, dat alleen aan het mannelijk geslacht kon bediend worden, omdat de mannen de voornaamste oorzaak zijn van de geboorte, en, door de voortplanting, ook van de natuurlijke onreinheid. Dit was genoeg voor die tijd, totdat de Messias komende, een ander teken voor beiderlei geslacht instellen zou. Dat evenwel de vrouwen mee onder het verbond begrepen zijn, blijkt onder Gen. 34:14 ; Ex. 12:3 , 12:4 ; Joël 2:15 , 2:16 . Genesis 34:14 : En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande. Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme een ieder een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 12:4 : Maar als een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal van de zielen, een ieder naar dat hij eten kan; u zult rekening maken naar het lam. Joël 2:15 : Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. Joël 2:16 : Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
[^genesis-17-11-19]: Kanttekening 19: Van de manier van de besnijdenis, zie Joz. 5:2 , 5:3 . Jozua 5:2 : In die tijd sprak YHWH tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd opnieuw de kinderen van Israël ten tweede maal. Jozua 5:3 : Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen van Israël op de heuvel van de voorhuiden.
[^genesis-17-11-h]: Verwijzing h: Hand. 7:8 ; Rom. 4:11 . Handelingen 7:8 : En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis; en zo verwekte hij Izak, en besneed hem op de achtsten dag; en Izak verwekte Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
[^genesis-17-11-20]: Kanttekening 20: Hier spreekt God van de besnijdenis eigenlijk; want zij was eigenlijk een teken van het verbond, en niet het verbond zelf, gelijk Hij ook aldus spreekt van de andere sacramenten als van het pascha, Ex. 13:9 : van de heilige doop, Matt. 3:11 ; van het heilige avondmaal, 1 Kor. 11:28 . Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. 1 Korinthiërs 11:28 : Maar de mens beproeve zichzelven, en ete zo van het brood, en drinke van de drinkbeker.
[^genesis-17-12-i]: Verwijzing i: Lev. 12:3 ; Lukas 2:21 . Leviticus 12:3 : En op de achtsten dag zal het vlees zijn voorhuid besneden worden. Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
[^genesis-17-12-21]: Kanttekening 21: de ingeborene: Zie boven, Gen. 14:14 , en Gen. 15:3 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Genesis 15:3 : Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!
[^genesis-17-12-22]: Kanttekening 22: de gekochte: Hebr. verkrijging of koping van het geld, dat is, met geld verkregen of gekocht.
[^genesis-17-12-23]: Kanttekening 23: Hebr. zoon (בֵּן) van de vreemde.
[^genesis-17-13-24]: Kanttekening 24: Hebr. besnijdende besneden worden.
[^genesis-17-13-25]: Kanttekening 25: Zie vs. 7.
[^genesis-17-14-26]: Kanttekening 26: Welverstaande, van degene, die, bejaard zijnde, de besnijdenis door ongeloof of verachting zou nalaten, of die de nalating van zijn ouders aan hem begaan, niet zou verbeteren, mits de besnijdenis te ontvangen. Anders, die het vlees van de voorhuid niet zal besnijden.
[^genesis-17-14-27]: Kanttekening 27: uitgeroeid worden: Dat is, de mens zal uit de gemeenschap van Gods volk gebannen zijn. Deze manier van spreken begrijpt ook, volgens sommiger gevoelen, een lijfstraf, door de overheid uit te voeren. Verg. Ex. 31:14 , en Lev. 17:4 . Exodus 31:14 : Onderhoudt dan de sabbat, omdat hij u heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op dezelfde enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volken. Leviticus 17:4 : En dezelfde aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande voor YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
[^genesis-17-14-28]: Kanttekening 28: mijn verbond: Zie 1 Kor. 11:27 , 11:29 . 1 Korinthiërs 11:27 : Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of de drinkbeker van de Heere drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere. 1 Korinthiërs 11:29 : Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heere.
[^genesis-17-15-29]: Kanttekening 29: Gelijk de naam Abram veranderd is in Abraham, door invoeging van de letter h, zo wordt de naam Sarai veranderd door verwisseling van de letter i in h op het einde. Sarai betekent, naar sommiger gevoelen, mijne prinses, maar eigenlijk : mijne prinsen; Sarah Sara betekent absolutelijk een prinses, waarvan de reden in het volgende vs. 16, wordt verhaald.
[^genesis-17-16-30]: Kanttekening 30: Zie boven Gen. 1:28 . Genesis 1:28 : En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
[^genesis-17-17-31]: Kanttekening 31: viel Abraham: Zie boven vs. 3.
[^genesis-17-17-32]: Kanttekening 32: Te weten, niet uit twijfeling, gelijk Sara, onder Gen. 18:12 , maar uit verwondering en blijdschap, sterk in het geloof zijnde, en ten volle vertrouwende, dat God, wat Hij beloofd had, kon en zou volbrengen. Zie Rom. 4:19 , 4:20 , 4:21 . Genesis 18:12 : Zo lachte Sara bij zichzelf, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is? Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. Romeinen 4:20 : En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; Romeinen 4:21 : En ten volle verzekerd zijnde, dat wat beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
[^genesis-17-17-33]: Kanttekening 33: die honderd: Hebr. een zoon van honderd jaar.
[^genesis-17-17-34]: Kanttekening 34: die negentig: Hebr. een dochter van negentig jaar.
[^genesis-17-18-35]: Kanttekening 35: Abraham wenste dat Ismaël niet geheel van God mocht verlaten worden, maar dat God zijn ogen over hem wilde houden, om hem te beschermen en te zegenen.
[^genesis-17-19-k]: Verwijzing k: onder, Gen. 18:10 ; onder, Gen. 21:2 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^genesis-17-19-36]: Kanttekening 36: Hebr. Jitschak (יִצְחָק). God geeft hem deze naam van wege zijn vaders lachen. Zie vs. 17.
[^genesis-17-19-37]: Kanttekening 37: eeuwig verbond: Zie boven vs. 7.
[^genesis-17-20-l]: Verwijzing l: boven, Gen. 16:10 ; onder, Gen. 25:12 ; idem v. 16 . Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 25:12 : Dit nu zijn de geboorten van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft. Genesis 25:16 : Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar van hun volk.
[^genesis-17-20-38]: Kanttekening 38: Zie de namen van deze vorsten onder Gen. 25:13 , 25:14 , 25:16 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Genesis 25:14 : En Misma, en Duma, en Massa, Genesis 25:16 : Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.
[^genesis-17-21-39]: Kanttekening 39: mijn verbond: Merk op dit onderscheid: aan Ismaël worden lichamelijke goederen beloofd, maar Izak het verbond, begrijpende niet alleen lichamelijken, maar ook geestelijken zegen.
[^genesis-17-21-m]: Verwijzing m: onder, Gen. 21:2 . Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^genesis-17-21-40]: Kanttekening 40: andere jaar: Dat is, het naastvolgende.
[^genesis-17-22-41]: Kanttekening 41: voer op: Te weten, naar de hemel, in zulk een gedaante gelijk Hij hem verschenen was; boven vs. 1.
[^genesis-17-24-42]: Kanttekening 42: oud negen: Hebr. een zoon van negen en negentig jaar. Zo in het volgende vs.
[^genesis-17-26-43]: Kanttekening 43: op deze: Op welke God Abraham het bevel van de besnijdenis heeft gegeven, zodat hij geen uitstel heeft genomen. Verg. boven vs. 23.
[^genesis-17-27-44]: Kanttekening 44: van de vreemde af: Hebr. van met de zoon van de vreemde. De zin is, dat niet alleen de ingeborene van Abrahams huis en de gekochte besneden werden, maar ook de vreemden, die hem dienden, niet ingeboren noch gekocht zijnde. Anders, van de vreemde \[te weten, zijnde\] niet van Abrahams geslacht. Anders van de vreemde gekocht. Hebr. van de zoon, of kind eens vreemden, gelijk elders.

### Genesis 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/18.json)

*Twee engelen en YHWH Zelf verschijnen aan Abraham in de gedaante van drie mannen, die hij gastvrij uitnodigt en onthaalt, vers 1. Hij ontvangt de belofte van een zoon uit Sara in het komende jaar, 10. Sara lacht daarom en wordt daarvoor bestraft, 12. De twee engelen gaan verder naar Sodom, maar YHWH blijft met Abraham spreken en openbaart hem Zijn voornemen om Sodom en Gomorra te verwoesten, 16. Abraham pleit vurig voor Sodom, en God antwoordt hem en stelt hem gerust, 23.*

**1** Daarna verscheen[^genesis-18-1-1] hem YHWH aan de eikenbossen[^genesis-18-1-2] van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v1)

**2** En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie[^genesis-18-2-3] mannen tegenover hem; als hij hen[^genesis-18-2-a] zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en[^genesis-18-2-4] boog zich ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v2)

**3** En hij zei:[^genesis-18-3-5] Heere![^genesis-18-3-6] heb ik nu genade gevonden in[^genesis-18-3-7] Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v3)

**4** Dat toch een beetje water[^genesis-18-4-8] gebracht worde, en[^genesis-18-4-9] was Uw voeten, en[^genesis-18-4-10] leun onder deze boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v4)

**5** En ik zal een stuk[^genesis-18-5-11] brood langen, dat U[^genesis-18-5-12] Uw hart sterkt; daarna zult U[^genesis-18-5-13] voortgaan, daarom omdat U tot Uw knecht overgekomen bent. En zij zeiden: Doe zo als u gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v5)

**6** En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie[^genesis-18-6-14] maten meelbloem, en maak[^genesis-18-6-15] koeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v6)

**7** En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een[^genesis-18-7-16] kalf, teder en goed, en hij gaf het aan de knecht, die haastte, om dat toe te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v7)

**8** En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun[^genesis-18-8-17] voor, en[^genesis-18-8-18] stond bij hen onder die boom, en zij[^genesis-18-8-19] aten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v8)

**9** Toen zeiden zij tot hem:[^genesis-18-9-20] Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zei: Zie, in[^genesis-18-9-21] de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v9)

**10** En[^genesis-18-10-22] Hij zei:[^genesis-18-10-b] Ik zal voorzeker[^genesis-18-10-23] weer tot u komen,[^genesis-18-10-24] ongeveer deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, die achter Hem was.[^genesis-18-10-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v10)

**11** Abraham nu en Sara waren[^genesis-18-11-c] oud,[^genesis-18-11-26] en op dagen gekomen; het had Sara opgehouden[^genesis-18-11-27] te gaan[^genesis-18-11-28] naar de wijze van de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v11)

**12** [^genesis-18-12-29] Zo lachte Sara[^genesis-18-12-30] bij zichzelf, zeggende: Zal ik hartstocht hebben, nadat ik oud geworden ben, en[^genesis-18-12-d] mijn heer oud is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v12)

**13** En[^genesis-18-13-31] YHWH zei tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook werkelijk baren, nu ik oud geworden ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v13)

**14** [^genesis-18-14-32][^genesis-18-14-e] Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd zal Ik tot u terugkomen,[^genesis-18-14-33] ongeveer deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v14)

**15** En Sara ontkende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want[^genesis-18-15-34] zij vreesde. En Hij zei: Nee! maar u hebt gelachen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v15)

**16** Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen,[^genesis-18-16-35] om hen te geleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v16)

**17** En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?[^genesis-18-17-f][^genesis-18-17-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v17)

**18** Omdat Abraham zeker tot een groot en machtig volk[^genesis-18-18-37] worden zal, en[^genesis-18-18-g] alle volken van de aarde[^genesis-18-18-38] in hem gezegend zullen worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v18)

**19** Want Ik heb[^genesis-18-19-39] hem gekend,[^genesis-18-19-40] opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij[^genesis-18-19-41] de weg van YHWH houden,[^genesis-18-19-42] om te doen gerechtigheid en recht; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v19)

**20** Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is,[^genesis-18-20-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v20)

**21** Zal Ik nu[^genesis-18-21-44] afgaan en bekijken,[^genesis-18-21-45] of zij naar[^genesis-18-21-46] hun geroep, dat tot Mij gekomen is,[^genesis-18-21-47] het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v21)

**22** Toen keerden[^genesis-18-22-48] die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v22)

**23** En Abraham trad toe, en zei: Zult U ook de rechtvaardige met de goddeloze ombrengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v23)

**24** Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v24)

**25** [^genesis-18-25-49] Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij zoals de goddeloze, verre zij het van U! zou[^genesis-18-25-50] de[^genesis-18-25-h] Rechter van de hele aarde geen recht doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v25)

**26** Toen zei YHWH: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de hele plaats sparen om hunnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v26)

**27** En Abraham antwoordde en zei: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel[^genesis-18-27-51] ik stof en as ben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v27)

**28** Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf de hele stad verderven? En Hij zei: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v28)

**29** En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zei: Misschien zullen daar[^genesis-18-29-52] veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van de veertigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v29)

**30** Verder zei hij:[^genesis-18-30-53] Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, zo Ik daar dertig zal vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v30)

**31** En hij zei: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet verderven omwille van de twintigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v31)

**32** [^genesis-18-32-54] Nog zei hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven omwille van de tienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v32)

**33** Toen ging YHWH weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weer naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/18.html#v33)

[^genesis-18-1-1]: Kanttekening 1: hem YHWH: Namelijk, Abraham.
[^genesis-18-1-2]: Kanttekening 2: eikenbossen van Mamre: Zie boven, Gen. 13:18 . Hier had Abraham zijn woonstede gekozen, nadat Lot van hem gescheiden was; boven Gen. 13:18 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar. Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar.
[^genesis-18-2-3]: Kanttekening 3: In gedaante en naar de mening van Abraham; maar in waarheid twee engelen en de derde YHWH zelf, die voor de tijd van dit gezantschap met menselijke lichamen zich vertoonden; met welke zij gingen, zaten, spraken en aten; zie Hebr. 13:2 . Dat de één YHWH God was, blijkt hier vs. 1, en uit het vervolg van deze historie. Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^genesis-18-2-a]: Verwijzing a: Hebr. 13:2 . Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^genesis-18-2-4]: Kanttekening 4: boog zich: Te weten, om politieke en burgerlijke eer te bewijzen. Zo onder Gen. 23:7 , 23:12 ; 1 Sam. 25:24 ; 2 Sam. 14:4 ; 1 Kon. 1:23 ; Esth. 3:2 . Genesis 23:7 : Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk van het land, voor de zonen Heths; Genesis 23:12 : Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk van het land; 1 Samuël 25:24 : En zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd. 2 Samuël 14:4 : En de Thekoietische vrouw zei tot de koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen, en zich nedergebogen had, zo zei zij: Behoud, o koning! 1 Koningen 1:23 : En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde. Esther 3:2 : En al de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had zo van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.
[^genesis-18-3-5]: Kanttekening 5: Anders, mijne heren.
[^genesis-18-3-6]: Kanttekening 6: heb ik nu genade gevonden: Dat is, zo u mij waard acht deze gunst, eer en vriendschap. Bij de mensen genade te vinden is hun gunst, toegenegenheid en vriendschap te bekomen. Zie onder Gen. 32:5 , en Gen. 34:11 , en Gen. 39:4 , enz. Genesis 32:5 : En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. Genesis 34:11 : En Sichem zei tot haar vader, en tot haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat u tot mij zeggen zult, zal ik geven. Genesis 39:4 : Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
[^genesis-18-3-7]: Kanttekening 7: Uw ogen: Abraham spreekt één van hen aan, die de aanzienlijkste was, en die hij naderhand bevond YHWH te zijn.
[^genesis-18-4-8]: Kanttekening 8: gebracht worde: Hebr. genomen. Zie boven Gen. 15:9 , 15:10 . Genesis 15:9 : En Hij zei tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif. Genesis 15:10 : En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.
[^genesis-18-4-9]: Kanttekening 9: wast Uw voeten: Naar het gebruik in die landen, om de voeten te wassen en te verfrissen, daar men om de hitte daar met aangebonden zolen of barvoets ging. Zie onder Gen. 19:2 , en Gen. 24:32 , en Gen. 43:24 ; Joh. 13:4 , 13:5 . Genesis 19:2 : En hij zei: Ziet nu, mijne heren! keert toch in in het huis van uw knecht, en overnacht, en wast uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten. Genesis 24:32 : Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kamelen, en men gaf de kamelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten van de mannen, die bij hem waren. Genesis 43:24 : Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wiesen hun voeten; hij gaf ook aan hun ezelen voeder. Johannes 13:4 : Stond op van het avondmaal, en legde Zijn kleren af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven. Johannes 13:5 : Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten van de discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was.
[^genesis-18-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, rust.
[^genesis-18-5-11]: Kanttekening 11: De Hebreën noemen brood allerlei voedsel, 1 Sam. 14:24 ; Matt. 6:11 , Matt. 15:2 ; Luk. 14:1 , 14:15 . Verg. boven Gen. 3:19 . 1 Samuël 14:24 : En de mannen van Israël werden mat op die dag; want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die voedsel eet tot aan de avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat gehele volk geen voedsel. Mattheüs 6:11 : Geef ons heden ons dagelijks brood. Mattheüs 15:2 : Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting van de ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten. Lukas 14:1 : En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de Farizeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen. Lukas 14:15 : En als een van degenen, die mee aanzaten, deze dingen hoorde, zei hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk van God. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^genesis-18-5-12]: Kanttekening 12: hart sterkt: Zie deze manier van spreken, Richt. 19:8 ; Ps. 104:15 ; 1 Kon. 13:7 . Sterken, is hier verkwikken en voeden, wat het brood doet, Ps. 104:15 ; niet uit zichzelf, maar door de zegen Gods; Deut. 8:3 ; Matt. 4:4 . Richteren 19:8 : Als hij op de vijfde dag van de morgen vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen. Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mens verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mens sterkt. 1 Koningen 13:7 : En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven. Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mens verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mens sterkt. Deuteronomium 8:3 : En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat. Mattheüs 4:4 : Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond van God uitgaat.
[^genesis-18-5-13]: Kanttekening 13: Anders, want u daarom, enz. Niet dat hij meende, dat dit hun voornemen geweest was, maar dat God hen door zijn voorzienigheid daarom daarheen geleid had. Zie onder, Gen. 33:10 . Genesis 33:10 : Toen zei Jakob: Och neen! als ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en u welgevallen aan mij genomen hebt.
[^genesis-18-6-14]: Kanttekening 14: Hebr. Seïm. Een zekere maat van droge waren, houdende 144 henneëierschalen, het derde deel van een efa. Zie van deze maat ook Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^genesis-18-6-15]: Kanttekening 15: Het Hebreeuwse woord betekent koeken, die op een heten haard onder of op kolen of in hete as gebakken worden. Zie Ex. 12:39 ; Num. 11:8 ; 1 Kon. 17:3 , 1 Kon. 19:6 . Exodus 12:39 : En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; omdat zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden. Numeri 11:8 : Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie. 1 Koningen 17:3 : Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. 1 Koningen 19:6 : En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; zo at hij, en dronk, en legde zich opnieuw neder.
[^genesis-18-7-16]: Kanttekening 16: Hebr. een zoon van een rund. Dat is, een kalf of een jong rund.
[^genesis-18-8-17]: Kanttekening 17: Hebr. voor hun aangezicht.
[^genesis-18-8-18]: Kanttekening 18: stond bij: Om hen te dienen.
[^genesis-18-8-19]: Kanttekening 19: Zie boven vs. 2.
[^genesis-18-9-20]: Kanttekening 20: Waar is: Niet alsof zij het niet wisten, maar om gelegenheid te nemen van te komen tot de volgende handeling.
[^genesis-18-9-21]: Kanttekening 21: Abraham wijst op de tent van zijn huisvrouw, gelijk blijkt uit het volgende vs. 10, want de huisvaders en de huismoeders hebben elk hun bijzondere tenten gehad; onder Gen. 23:2 , en Gen. 24:67 , en Gen. 31:33 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. Genesis 24:67 : En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Zo werd Izak getroost na zijn moeders dood. Genesis 31:33 : Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.
[^genesis-18-10-22]: Kanttekening 22: hij zei: YHWH.
[^genesis-18-10-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 17:19 ; idem 17:21 ; boven, Gen. 21:2 . Genesis 17:19 : En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. Genesis 17:21 : Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op deze gezetten tijd in het andere jaar baren zal. Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^genesis-18-10-23]: Kanttekening 23: Hebr. wederkomende wederkomen. Deze wederkomst moet men niet juist verstaan van zulk een verschijning gelijk deze was, maar van de vervulling van deze belofte, genoemd een bezoeking, hoofdstuk Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^genesis-18-10-24]: Kanttekening 24: omtrent deze: Dat is, in het volgende jaar, omtrent deze tijd van het leven van de mensen. Anders, als deze tijd zal leven, of levend zijn. Zie dezelfde manier van spreken in dit hoofdstuk vs. 14; 2 Kon. 4:16 . 2 Koningen 4:16 : En hij zei: Op deze gezette tijd, omtrent deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet.
[^genesis-18-10-25]: Kanttekening 25: achter Hem: Achter dengene, die sprak; of achter Abraham, die daar stond.
[^genesis-18-11-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 17:17 ; Rom. 4:19 ; Hebr. 11:11 . Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.
[^genesis-18-11-26]: Kanttekening 26: wel bedaagd: Hebr. gaande in dagen. Deze manier van spreken vindt men ook onder Gen. 24:1 ; Joz. 13:1 , en Joz. 23:1 ; 1 Kon. 1:1 ; Luk. 1:7 , 1:18 . Genesis 24:1 : Abraham nu was oud en wel bedaagd; en YHWH had Abraham in alles gezegend. Jozua 13:1 : Jozua nu was oud, wel bedaagd; en YHWH zei tot hem: U bent oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. Jozua 23:1 : En het geschiedde na vele dagen, nadat YHWH Israël rust gegeven had van al zijn vijanden rondom heen, en Jozua oud geworden \[en\] wel bedaagd was; 1 Koningen 1:1 : De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met kleren, maar hij kreeg gene warmte. Lukas 1:7 : En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren. Lukas 1:18 : En Zacharias zei tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.
[^genesis-18-11-27]: Kanttekening 27: te gaan: Hebr. te zijn.
[^genesis-18-11-28]: Kanttekening 28: naar de wijze: Of, naar de gewoonte. Hebr. naar de weg, gang, of pad. Zo is bij de Hebreën weg voor wijze of gewoonte gesteld. Zo onder Gen. 19:31 , en Gen. 31:35 . Genesis 19:31 : Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de gehele aarde. Genesis 31:35 : En zij zei tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.
[^genesis-18-12-29]: Kanttekening 29: Zo lachte: Niet uit geloof, gelijk tevoren Abraham, maar uit zwakheid, ziende meer op de natuur, dan op Gods macht.
[^genesis-18-12-30]: Kanttekening 30: bij zichzelf: Hebr. in haar midden.
[^genesis-18-12-d]: Verwijzing d: 1 Petr. 3:6 ; Richt. 19:26 . 1 Petrus 3:6 : Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters u geworden bent, als u weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking. Richteren 19:26 : En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
[^genesis-18-13-31]: Kanttekening 31: YHWH: Merk op dat Hij, die tot nog toe het woord gevoerd heeft en vs. 2 een man genoemd wordt, hier YHWH, YHWH genoemd wordt.
[^genesis-18-14-32]: Kanttekening 32: Zou iets: Te weten, om te volbrengen wat Hij beloofd heeft? Anders, zou enig ding verborgen zijn voor YHWH ? Namelijk dat Hij niet zou weten?
[^genesis-18-14-e]: Verwijzing e: Matt. 19:26 ; Lukas 1:37 . Mattheüs 19:26 : En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Lukas 1:37 : Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
[^genesis-18-14-33]: Kanttekening 33: omtrent deze: Zie boven, vs. 10.
[^genesis-18-15-34]: Kanttekening 34: zij vreesde: Van wege de ontdekte zonde tegen God, schande bij de gasten en ondank bij haar man.
[^genesis-18-16-35]: Kanttekening 35: om hen: Uit beleefdheid. Zie van zulke gedienstigheid, Hand. 20:38 , en Hand. 21:5 ; Rom. 15:24 ; 1 Kor. 16:11 ; Tit. 3:13 . Handelingen 20:38 : Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip. Handelingen 21:5 : Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan de oever nederknielende, hebben wij gebeden. Romeinen 15:24 : Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u daarheen geleid te worden, als ik eerst van ulieder aanwezigheid eensdeels verzadigd zal zijn. 1 Korinthiërs 16:11 : Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broers. Titus 3:13 : Geleid Zenas, de wetgeleerde, en Apollos zorgvuldig, opdat hun niets ontbreke.
[^genesis-18-17-f]: Verwijzing f: Amos 3:7 . Amos 3:7 : Gewisselijk, de Heer YHWH zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe.
[^genesis-18-17-36]: Kanttekening 36: Zal Ik voor Abraham verbergen: Dat is, Ik zal het Abraham in geen geval verbergen. Zie dergelijke manier van vragen die stijf loochent 2 Sam. 7:5 vergeleken met 1 Kron. 17:4 ; Matt. 7:16 vergeleken met Luk. 6:44 ; zie ook Amos 3:7 . 2 Samuël 7:5 : Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt YHWH: Zoudt u Mij een huis bouwen tot Mijn woning? 1 Kronieken 17:4 : Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Zo zegt YHWH: U zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen. Mattheüs 7:16 : Aan hun vruchten zult u hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? Lukas 6:44 : Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. Amos 3:7 : Gewisselijk, de Heer YHWH zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe.
[^genesis-18-18-37]: Kanttekening 37: worden zal: Hebr. zijnde zijn zal.
[^genesis-18-18-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 12:3 ; onder, Gen. 22:18 ; onder, Gen. 26:4 ; Hand. 3:25 ; Galat. 3:8 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Handelingen 3:25 : Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
[^genesis-18-18-38]: Kanttekening 38: in hem: Dat is, in zijn zaad Christus Jezus. Zie boven Gen. 12:3 , en Gen. 22:18 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^genesis-18-19-39]: Kanttekening 39: hem gekend: Dat is, Ik heb hem uitverkoren, bezind en verzorgd als mijn eigendom. Zo wordt het woord kennen genomen in verscheidene plaatsen, als Ps. 1:6 ; Jer. 1:5 , en Jer. 24:5 ; Hos. 13:5 ; Amos 3:2 ; Joh. 10:27 ; 2 Tim. 2:19 . Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan. Jeremia 1:5 : Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en voordat u uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u voor de volken tot een profeet gesteld. Jeremia 24:5 : Zo zegt YHWH, de God van Israël: Gelijk die goede vijgen, zo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land van de Chaldeeën heb weggeschikt, ten goede. Hosea 13:5 : Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land. Amos 3:2 : Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. Johannes 10:27 : Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken ze, en zij volgen Mij. 2 Timotheüs 2:19 : Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
[^genesis-18-19-40]: Kanttekening 40: opdat hij: Aldus worden de Hebreeuwse woordjes, die hier gebruikt zijn, genomen Lev. 17:5 ; Deut. 20:18 , en Deut. 27:3 , enz. Leviticus 17:5 : Opdat, wanneer de kinderen van Israël hun slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die YHWH toebrengen, aan de deur van de tent van de samenkomst tot de priester, en ze tot dankofferen voor YHWH slachten. Deuteronomium 20:18 : Opdat zij u niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en u zondigt tegen YHWH, uw God. Deuteronomium 27:3 : En u zult daarop schrijven alle woorden van deze wet, als u overgegaan zult zijn; opdat u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als YHWH, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.
[^genesis-18-19-41]: Kanttekening 41: de weg: Dat is, het voorschrift van Gods Woord, ons onderwijzende in al wat ons geloof en onze wandel betreft. Zie Ps. 51:15 , enz. Psalmen 51:15 : Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
[^genesis-18-19-42]: Kanttekening 42: om te: Een manier van spreken dikwijls in de Heilige Schrift gebruikt, betekende al wat goed en recht is, begrepen in de eerste en tweede tafel van de wet, tot het privaat of publiek leven behorende. Verg. Ps. 119:121 . Psalmen 119:121 : Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
[^genesis-18-20-43]: Kanttekening 43: het geroep: Zie boven Gen. 4:10 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^genesis-18-21-44]: Kanttekening 44: Zie boven Gen. 11:5 . Genesis 11:5 : Toen kwam YHWH neder, om te bezien de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden.
[^genesis-18-21-45]: Kanttekening 45: of zij: God weet alles volkomenlijk van zichzelven, maar Hij spreekt hier menselijker wijze, als een, die niet wil straffen zonder onderzoek en volle kennis van de zaken.
[^genesis-18-21-46]: Kanttekening 46: hun geroep: Namelijk, van de stad Sodom, of, naar het geroep van degene, tot dat, enz.
[^genesis-18-21-47]: Kanttekening 47: het uiterste: Hebr. de voleinding gedaan, of, gemaakt. Dat is, de maat van hun zonden vervuld hebben. Zie boven Gen. 15:16 ; 1 Sam. 20:7 , 20:9 . Anders, of zij de uiterste verwoesting met hunne werken verdiend hebben. Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. 1 Samuël 20:7 : Als hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar als hij geheel ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is. 1 Samuël 20:9 : Toen zei Jonathan: Dat zij verre van u! Maar als ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?
[^genesis-18-22-48]: Kanttekening 48: die mannen: Versta de twee engelen; zie hoofdstuk Gen. 19:1 , want YHWH bleef spreken met Abraham. Genesis 19:1 : En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
[^genesis-18-25-49]: Kanttekening 49: Het zij verre van U: Hebr. Het zij u verre van te doen naar deze zaak. Hieruit blijkt dat Abraham met de voorgaande vragen God in geen geval heeft willen verdenken van onrechtvaardigheid of straf van de onschuldigen, want hij wil God niet vermanen omtrent zijn officie, om hem aan te wijzen wat Hij doen moest, maar zichzelven verzekeren van Gods natuur, waardoor Hij niet anders dan recht doen kon.
[^genesis-18-25-50]: Kanttekening 50: de Rechter van de gehele aarde: Hier kent Abraham deze persoon, die met hem sprak, voor de Rechter van de wereld, welke is de Heer Christus, Joh. 5:22 , 5:27 ; Hand. 10:42 , en Hand. 17:31 . Johannes 5:22 : Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; Johannes 5:27 : En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij de Zoon van de mens is. Handelingen 10:42 : En heeft ons geboden het volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden. Handelingen 17:31 : Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^genesis-18-25-h]: Verwijzing h: Rom. 3:6 . Romeinen 3:6 : Dat zij verre, anders hoe zal God de wereld oordelen?
[^genesis-18-27-51]: Kanttekening 51: ik stof en as ben: Te weten, naar het lichaam, ten aanzien van mijn oorsprong en einde in deze wereld. Zie boven Gen. 3:19 ; Job 4:19 ; Pred. 12:7 ; 1 Kor. 15:47 , 15:48 ; 2 Kor. 5:1 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft. 1 Korinthiërs 15:47 : De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel. 1 Korinthiërs 15:48 : Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen. 2 Korinthiërs 5:1 : Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
[^genesis-18-29-52]: Kanttekening 52: veertig gevonden: Te weten, rechtvaardigen, en zo in het volgende vs. 30.
[^genesis-18-30-53]: Kanttekening 53: Dat toch: Hebr. dat de Heer niet ontsteke. Te weten, zijn toornigheid. Zie boven Gen. 4:5 , 4:6 , en onder, vs. 32, en Gen. 31:36 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Genesis 4:6 : En YHWH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Genesis 31:36 : Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zei tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat u mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?
[^genesis-18-32-54]: Kanttekening 54: Nog zei: Merk in dit voorgaande gesprek eensdeels in Abraham een bijzondere vrijmoedigheid, vermengd met behoorlijke nederigheid en onderwerping in zijn ijverig voorbidden; anderdeels, in God een wonderlijke vriendelijkheid en verdraagzame goedertierenheid in het antwoorden; waardoor Hij Abraham volkomen bevredigd heeft aangaande de rechtvaardigheid van dit schrikkelijk oordeel, dat Hij over Sodom en Gomorra wilde laten gaan, omdat de maat van hun zonden geheel vol was.

### Genesis 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/19.json)

*De twee engelen komen als mannen in Sodom aan en worden door Lot geherbergd en onthaald, vers 1. De Sodomieten omsingelen 's nachts het huis en willen de gasten geweld aandoen, 4. Lot probeert hen vergeefs op andere gedachten te brengen, met gevaar voor zichzelf, 6. De engelen trekken Lot naar binnen en slaan de Sodomieten met blindheid, zodat die het huis moeten verlaten, 10. Lot wordt met zijn vrouw en twee dochters vroeg in de ochtend uit Sodom geleid, met het bevel te vluchten naar het gebergte (zijn schoonzoons doen het af als een grap), 17. Maar Lot smeekt om naar Zoar te mogen vluchten en krijgt dat toegestaan, 18. De vier steden en de hele streek, met bewoners en gewas, worden verwoest met vuur en zwavel uit de hemel, 24. YHWH straft Lots vrouw, 26. Abraham kijkt uit over de verwoesting van deze steden, 27. Lot verlaat Zoar en trekt naar het gebergte, waar hij door dronkenschap zonder het te weten door zijn beide dochters wordt misbruikt, 31. Daaruit worden Moab en Ammon geboren, 37.*

**1** En[^genesis-19-1-1] die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en[^genesis-19-1-2] Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v1)

**2** En hij zei: Zie nu, mijn heren! keer toch in bij het huis van uw knecht, en overnacht, en[^genesis-19-2-a] was uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en verdergaan. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen[^genesis-19-2-4] op de straat overnachten.[^genesis-19-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v2)

**3** En[^genesis-19-3-b] hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte[^genesis-19-3-5] ongezuurde koeken, en[^genesis-19-3-6] zij aten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v3)

**4** Voordat zij zich[^genesis-19-4-7] te slapen leiden, zo hebben de mannen van die stad, de mannen van Sodom,[^genesis-19-4-8] van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het hele volk,[^genesis-19-4-9] van het uiterste einde af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v4)

**5** En zij[^genesis-19-5-10] riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons,[^genesis-19-5-11] opdat wij ze bekennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v5)

**6** Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v6)

**7** En hij zei: Mijn[^genesis-19-7-12] broeders! doe toch geen kwaad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v7)

**8** Zie toch, ik heb twee dochters,[^genesis-19-8-13] die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en[^genesis-19-8-14] doet haar, zoals het[^genesis-19-8-15] goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want[^genesis-19-8-16] daarom zijn zij onder de schaduw van mijn dak ingegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v8)

**9** Toen zeiden zij:[^genesis-19-9-17] Kom verder aan! Verder zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en[^genesis-19-9-18] zou hij alleszins[^genesis-19-9-c] rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op de man,[^genesis-19-9-d] op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v9)

**10** Maar[^genesis-19-10-19] die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v10)

**11** En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren,[^genesis-19-11-20] met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste,[^genesis-19-11-21] zodat zij moe werden, om de deur te vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v11)

**12** Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen,[^genesis-19-12-22] die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v12)

**13** Want wij gaan deze plaats verderven, omdat[^genesis-19-13-23] haar geroep[^genesis-19-13-24] groot geworden is[^genesis-19-13-25] voor het aangezicht van YHWH, en YHWH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v13)

**14** Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters[^genesis-19-14-26] nemen zouden, en zei: Maak u op, gaat uit deze plaats; want YHWH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen[^genesis-19-14-27] als liegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v14)

**15** En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters,[^genesis-19-15-28] die voorhanden zijn, opdat u in[^genesis-19-15-29] de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v15)

**16** Maar hij[^genesis-19-16-30] bleef; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand van zijn vrouw, en de hand van zijn twee dochters, om de[^genesis-19-16-31] verschoning van YHWH over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v16)

**17** En het gebeurde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei[^genesis-19-17-32] Hij:[^genesis-19-17-33] behoud u omwille van uw leven; zie niet achter u om, en sta niet op deze hele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.[^genesis-19-17-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v17)

**18** En Lot zei[^genesis-19-18-35] tot hen: Nee toch, Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v18)

**19** Zie toch, Uw knecht heeft[^genesis-19-19-36] genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw goedertierenheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte[^genesis-19-19-37] heen, opdat mij niet misschien dat[^genesis-19-19-38] kwaad aankleve, en ik sterve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v19)

**20** Zie toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en[^genesis-19-20-39] zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden[^genesis-19-20-40] (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v20)

**21** En Hij zei tot hem: Zie,[^genesis-19-21-41] Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v21)

**22** Haast, behoud u daarheen;[^genesis-19-22-42] want Ik zal niets kunnen doen, voordat u daarheen binnengekomen bent. Daarom noemde men de naam van deze stad[^genesis-19-22-43] Zoar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v22)

**23** De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v23)

**24** Toen[^genesis-19-24-e] deed[^genesis-19-24-44] YHWH zwavel[^genesis-19-24-45] en vuur over[^genesis-19-24-46] Sodom en Gomorra regenen, het uit[^genesis-19-24-47] van YHWH de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v24)

**25** En Hij keerde deze steden om, en die hele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v25)

**26** En[^genesis-19-26-f] zijn huisvrouw zag[^genesis-19-26-48] om van[^genesis-19-26-49] achter hem; en zij werd[^genesis-19-26-50] een zoutpilaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v26)

**27** En Abraham maakte zich van die morgens vroeg op, naar de plaats,[^genesis-19-27-51] waar hij voor het aangezicht van YHWH gestaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v27)

**28** En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het hele land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, zoals de rook van een oven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v28)

**29** En het gebeurde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham[^genesis-19-29-52] gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren van die steden,[^genesis-19-29-53] waarin Lot gewoond had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v29)

**30** En Lot trok op uit Zoar, en woonde op de berg, en zijn twee dochters met hem;[^genesis-19-30-54] want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een grot, hij en zijn twee dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v30)

**31** Toen zei de eerstgeborene tot de[^genesis-19-31-55] jongste: Onze vader is oud, en er is geen man[^genesis-19-31-56] in dit land,[^genesis-19-31-57] om tot ons in te gaan,[^genesis-19-31-58] naar de wijze van de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v31)

**32** Kom, laat ons onze vader[^genesis-19-32-59] wijn te drinken geven, en[^genesis-19-32-60] bij hem liggen, opdat wij van onze vader[^genesis-19-32-61] zaad in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v32)

**33** En zij gaven die nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v33)

**34** En het gebeurde op de andere dag, dat de eerstgeborene zei tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v34)

**35** En zij gaven haar vader ook die nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v35)

**36** En de twee dochters van Lot werden zwanger van haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v36)

**37** En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader[^genesis-19-37-62] van de Moabieten, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v37)

**38** En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader[^genesis-19-38-63] van de kinderen Ammons, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/19.html#v38)

[^genesis-19-1-1]: Kanttekening 1: die twee: Van welke boven Gen. 18:22 , gesproken wordt, waar zij mannen genoemd worden; gelijk onder, vs. 5, enz. Het Hebreeuwse woord betekent gezanten, of boden, gelijk ook het woord engelen, dat uit de Griekse taal genomen is. Genesis 18:22 : Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van YHWH.
[^genesis-19-1-2]: Kanttekening 2: Lot zat: Verg. boven Gen. 18:1 , 18:2 . Genesis 18:1 : Daarna verscheen hem YHWH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^genesis-19-2-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 18:4 . Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^genesis-19-2-4]: Kanttekening 4: op de straat: Wel verstaande, tenzij Lot met hard aanhouden hen bewoog om bij hem te overnachten, gelijk geschied is. Verg. Luk. 24:28 , 24:29 . Lukas 24:28 : En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. Lukas 24:29 : En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
[^genesis-19-2-3]: Kanttekening 3: van uw: Dat is, in mijn huis.
[^genesis-19-3-b]: Verwijzing b: Hebr. 13:2 . Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^genesis-19-3-5]: Kanttekening 5: Die eerder gereed konden zijn, opdat zij zich te spoediger ter rust mochten begeven. Verg. boven Gen. 13:2 . Genesis 13:2 : En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.
[^genesis-19-3-6]: Kanttekening 6: zij aten: Zie boven hoofdstuk Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^genesis-19-4-7]: Kanttekening 7: te slapen: Hebr. voordat zij nederlagen, of, neder gelegen waren, te weten om te slapen; zo onder Gen. 28:13 ; Lev. 14:47 , en Lev. 26:6 , enz. Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond daarop en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Leviticus 14:47 : Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn kleren wassen; ook, die in dat huis eet, zal zijn kleren wassen. Leviticus 26:6 : Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
[^genesis-19-4-8]: Kanttekening 8: van de: Een overgegeven gruwzame moedwilligheid, waarin zij allen hebben samengespannen, jong en oud, van alle hoeken van de stad, en dat wel in de nacht.
[^genesis-19-4-9]: Kanttekening 9: van het uiterste: Te weten, van de stad. Versta, van het ene en het andere einde van de stad.
[^genesis-19-5-10]: Kanttekening 10: Zij schaamden zich niet hun eigen zonde en schande openbaar uit te roepen, en voor ieder man bekend te staan, Deze Sodomietischen roem in het kwaad verwijt God de Israëlieten, Jes. 3:9 , waar Hij zegt: Hun zonden spreken zij vrijuit, gelijk Sodom, zij verbergen haar niet. Jesaja 3:9 : Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
[^genesis-19-5-11]: Kanttekening 11: Wat gruwel zij door deze manier van spreken verstaan kan men uit het antwoord van Lot duidelijk zien. Zie Lev. 18:22 , en Lev. 20:13 ; Rom. 1:26 , 1:27 ; 1 Kor. 6:10 ; Judas 7. Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel. Leviticus 20:13 : Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! Romeinen 1:26 : Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; Romeinen 1:27 : En evenzo ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende. 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven.
[^genesis-19-7-12]: Kanttekening 12: Aldus sprak Lot die boze mensen beleefdelijk aan, noemende hen broers ten aanzien van de algemene broederschap van de natuur; verg. boven Gen. 9:5 ; onder Gen. 29:4 ; Lev. 19:17 . Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand eens iegelijken van zijn broer zal Ik de ziel van de mens eisen. Genesis 29:4 : Toen zei Jakob tot hen: Mijn broers! van waar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. Leviticus 19:17 : U zult uw broer in uw hart niet haten; u zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.
[^genesis-19-8-13]: Kanttekening 13: die geen: Zie deze manier van spreken, onder Gen. 24:16 ; Num. 31:18 ; Richt. 11:39 ; Luk. 1:34 . Genesis 24:16 : En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op. Numeri 31:18 : Maar al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging van de man niet bekend hebben, laat voor u leven. Richteren 11:39 : En het geschiedde ten einde van twee maanden dat zij tot haar vader wederkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Verder werd het een gewoonheid in Israël, Lukas 1:34 : En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne?
[^genesis-19-8-14]: Kanttekening 14: doet haar: Lot, een schrikkelijke zonde willende beletten, laat door menselijke verbaasdheid en radeloosheid een andere zonde toe, tegen zijn vaderlijken plicht en de regel; Rom. 3:8 . Romeinen 3:8 : En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.
[^genesis-19-8-15]: Kanttekening 15: goed is: Dat is, zo het u wel gevalt en belieft. Zie deze manier van spreken onder Gen. 20:15 , en Gen. 41:37 ; Num. 24:1 , enz. Genesis 20:15 : En Abimelech zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen. Genesis 41:37 : En dit woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten. Numeri 24:1 : Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.
[^genesis-19-8-16]: Kanttekening 16: Te weten, om vrij te zijn van alle schade en geweld. Onder iemands schaduw te komen, is zich onder zijn schut en scherm te begeven; verg. Richt. 9:15 ; Ps. 36:8 ; Jer. 48:45 . Richteren 9:15 : En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Psalmen 36:8 : Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom nemen de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht. Jeremia 48:45 : Die voor de macht van de vijand vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van de kinderen van het gedruis verteerd.
[^genesis-19-9-17]: Kanttekening 17: Kom verder: Alsof zij hem bedreigden, zo zij hem in handen hadden kunnen krijgen.
[^genesis-19-9-18]: Kanttekening 18: zou hij alleszins rechter zijn: Hebr. zou hij rechten rechtende? of hij zou rechten rechtende. Zie de aant. boven, Gen. 2:16 . Verg. 2 Petr. 2:8 . Genesis 2:16 : En YHWH God gebood de mens, zeggende: Van alle boom van deze hof zult u vrij eten; 2 Petrus 2:8 : (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken);
[^genesis-19-9-c]: Verwijzing c: Ex. 2:14 ; Hand. 7:27 . Exodus 2:14 : Hij dan zei: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt u dit, om mij te doden, gelijk u de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Werkelijk, deze zaak is bekend geworden! Handelingen 7:27 : En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
[^genesis-19-9-d]: Verwijzing d: 2 Petr. 2:7 ; idem v. 8 . 2 Petrus 2:7 : En de rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van de ontuchtigen wandel van de gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft; 2 Petrus 2:8 : (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken);
[^genesis-19-10-19]: Kanttekening 19: die mannen: Die twee engelen, Lots gasten.
[^genesis-19-11-20]: Kanttekening 20: met verblindheden: Te weten, niet alleen van het lichaam, maar ook van de geest. Deze mirakeleuze straf was niet zozeer in het gezicht van de ogen, zodat zij geheel niet konden zien, maar was meest in het oordeel van het verstand, zodat zij niet konden onderscheiden wat zij enigszins zagen. Zie iets dergelijks, 2 Kon. 6:18 . 2 Koningen 6:18 : Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot YHWH, en zei: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa.
[^genesis-19-11-21]: Kanttekening 21: De deur met grote arbeid zoekende, en niet kunnende vinden, werden zij zo vermoeid, dat zij moesten ophouden en vertrekken.
[^genesis-19-12-22]: Kanttekening 22: die u: Anders, wat u hebt, enz.
[^genesis-19-13-23]: Kanttekening 23: haar geroep: Versta het geroep van de inwoners van Sodom.
[^genesis-19-13-24]: Kanttekening 24: Zie boven Gen. 4:10 , en Gen. 18:20 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is,
[^genesis-19-13-25]: Kanttekening 25: voor het: Zo gekomen tot zijne kennis, dat Hij naar zijn gerechtigheid wraak daarover doen wilde. Want het aangezicht van de Heere is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien, Ps. 34:17 . Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
[^genesis-19-14-26]: Kanttekening 26: Dat is, trouwen. Zo boven Gen. 6:2 , en onder Gen. 24:3 , en Gen. 28:6 , en Gen. 34:9 ; Deut. 7:3 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon; Genesis 28:6 : Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän; Genesis 34:9 : En verzwagert u met ons; geeft ons uw dochters; en neemt voor u onze dochters; Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^genesis-19-14-27]: Kanttekening 27: als jokkende: Een levend beeld van de zorgeloze en vleselijke mensen, ten tijde van nakende straffen. Zie Matt. 24:38 ; Luk. 17:28 , 17:29 ; 1 Thess. 5:3 . Mattheüs 24:38 : Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging; Lukas 17:28 : Evenzo ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; Lukas 17:29 : Maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen. 1 Thessalonicensen 5:3 : Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten;
[^genesis-19-15-28]: Kanttekening 28: die voorhanden: Hebr. die gevonden worden. Hieruit leiden enige af, dat Lot meer dochters gehad heeft, die bij haar mannen in Sodom gebleven en vergaan zijn.
[^genesis-19-15-29]: Kanttekening 29: in de: Of, in de straf van de ongerechtigheid. Zie boven Gen. 4:13 . Genesis 4:13 : En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
[^genesis-19-16-30]: Kanttekening 30: Zonder twijfel belet zijnde door menigerlei vleselijke gedachten en bekommeringen.
[^genesis-19-16-31]: Kanttekening 31: Die Lot bekent, onder vers 19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^genesis-19-17-32]: Kanttekening 32: Te weten, de Heer, die bij Abraham was blijven staan; boven Gen. 18:22 , en later van hem weggegaan, vers 33 . Hoewel enige menen dat het één van de engelen geweest is, die Lot verschenen waren. Genesis 18:22 : Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van YHWH. Genesis 19:33 : En zij gaven die nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
[^genesis-19-17-33]: Kanttekening 33: Of, ontkomt, aldus in het volgende.
[^genesis-19-17-34]: Kanttekening 34: Hebr. ziel (נֶ֫פֶשׁ), gelijk onder Gen. 37:21 ; Deut. 22:26 ; Joz. 2:13 ; 1 Kon. 19:3 ; 2 Kon. 7:7 ; Matt. 2:20 . De zin is: dat hij zijn goederen moest vergeten, maar op zijn leven denken. Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Deuteronomium 22:26 : Maar de jonge dochter zult u niets doen; de jonge dochter heeft geen zonde van de dood; want gelijk of een man tegen zijn naaste opstond, en sloeg hem dood aan het leven, zo is deze zaak. Jozua 2:13 : Dat u mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broers en mijn zussen, met alles, wat zij hebben; en dat u onze zielen van de dood redden zult. 1 Koningen 19:3 : Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijn levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. 2 Koningen 7:7 : Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevlucht om huns levens wil. Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^genesis-19-18-35]: Kanttekening 35: tot hen: Te weten tot de engelen; richtende nochtans zijn woorden in het vervolg tot de Heer, die nu bij de twee engelen schijnt tegenwoordig geweest te zijn, zoals in het voorgaande hoofdst. bij Abraham geschied was.
[^genesis-19-19-36]: Kanttekening 36: genade gevonden: Zie boven Gen. 6:8 . Genesis 6:8 : Maar Noach vond genade in de ogen van YHWH.
[^genesis-19-19-37]: Kanttekening 37: opdat mij: Lot is bezorgd dat het gebergte te ver zal zijn, en dat hij onder weg door dat verderf zou mogen overvallen worden.
[^genesis-19-19-38]: Kanttekening 38: Versta, het kwaad van de straf, gelijk dit woord aldus dikwijls gebruikt wordt. Zie Deut. 31:17 ; 1 Kon. 9:9 , en 1 Kon. 14:10 ; Jes. 45:7 ; Jer. 6:19 ; Amos 3:6 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen het ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? 1 Koningen 9:9 : En men zal zeggen: Omdat zij YHWH, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor die nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft YHWH al dit kwaad over hen gebracht. 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. Jesaja 45:7 : Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen. Jeremia 6:19 : Hoor toe, u aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht van hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij. Amos 3:6 : Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^genesis-19-20-39]: Kanttekening 39: zij is: Anders, het is toch wat kleins, of gerings; en zo in het volgende.
[^genesis-19-20-40]: Kanttekening 40: (is zij niet klein?: And. Is dat niet een kleine zaak?
[^genesis-19-21-41]: Kanttekening 41: Ik heb: Dat is, Ik zal u goedertieren zijn, en deze bede uit genade vergunnen. Zie deze manier van spreken onder Gen. 32:20 , en vergelijk de aantekening. Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
[^genesis-19-22-42]: Kanttekening 42: want Ik: Omdat mijn goddelijk besluit is, u genadiglijk te sparen.
[^genesis-19-22-43]: Kanttekening 43: Dat is, kleine, tevoren genoemd Bela boven Gen. 14:2 . Zie ook boven Gen. 13:10 . Genesis 14:2 : Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-19-24-e]: Verwijzing e: Deut. 29:23 ; Jes. 13:19 ; Jer. 20:16 ; Jer. 50:40 ; Klaagl. 4:6 ; Ez. 16:50 ; Hosea 11:8 ; Amos 4:11 ; Zefan. 2:9 ; Lukas 17:29 ; 2 Petr. 2:6 ; Judas v. 7 . Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Jesaja 13:19 : Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. Jeremia 20:16 : Ja, dezelfde man zij, als de steden, die YHWH heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in de morgenstond een geroep, en op de middagtijd een geschrei. Jeremia 50:40 : Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Klaagliederen 4:6 : Vau. En de ongerechtigheid van de dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar. Ezechiël 16:50 : En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had. Hosea 11:8 : Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Amos 4:11 : Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Zefanja 2:9 : Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten. Lukas 17:29 : Maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen. 2 Petrus 2:6 : En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddeloos zouden leven; Judas 1:7 : Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelfde, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf van de eeuwigen vuurs.
[^genesis-19-24-44]: Kanttekening 44: YHWH: Te weten, de Zoon van God, die van één wezen, macht en heerlijkheid is met de Vader, en hier tevoren in dit en het voorgaande hoofdstuk dikwijls YHWH of YHWH is genoemd geweest; aan wie de Vader alle oordeel heeft overgegeven; Joh. 5:22 . Johannes 5:22 : Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven;
[^genesis-19-24-45]: Kanttekening 45: en vuur: Tevoren heeft God een algemeen oordeel uitgevoerd door het water; hier gebruikt Hij een schrikkelijk en particulier oordeel door vuur, om daarmede te verteren de heilloze, verhitte Sodomieten. Een voorbeeld van de eeuwige straf; Openb. 19:20 . Dit is geschied \[volgens sommiger berekening\] in het jaar na de schepping 2048. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet, die de tekenen in zijn aanwezigheid gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die zijn beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^genesis-19-24-46]: Kanttekening 46: Voeg hierbij Adama en Zeboïm uit Deut. 29:23 ; Hos. 11:8 . Want al deze vier streden zijn tegelijk verbrand. Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Hosea 11:8 : Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.
[^genesis-19-24-47]: Kanttekening 47: van de: Dat is, naar het gevoelen van vele treffelijke uitleggers, van de Vader, die door de Zoon werkt; Joh. 5:19 . Johannes 5:19 : Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelfde doet ook de Zoon evenzo.
[^genesis-19-26-f]: Verwijzing f: Lukas 17:32 . Lukas 17:32 : Gedenkt aan de vrouw van Lot.
[^genesis-19-26-48]: Kanttekening 48: om van: Tegen het gebod, vers 17 , in welke overtreding met ongeloof en ongehoorzaamheid vermengd geweest zijn gierigheid en ondankbaarheid. Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^genesis-19-26-49]: Kanttekening 49: Dat is, van achter Lot, die de Leidsman en voorganger was, zich haastende om te komen ter plaatse, waar hij mocht behouden worden.
[^genesis-19-26-50]: Kanttekening 50: een zoutpilaar: Versta, haar lichaam, dat veranderd is geworden in een zoutachtige materie zeer hard, om lang te duren en staande te blijven. Zie Luk. 17:32 . Josefus getuigt dat deze zoutpilaar nog tot zijn tijd gestaan heeft, lib.Ant 1, c 12 Deze landstreek is naderhand genoemd de Zoutzee . Zie boven Gen. 14:3 . Lukas 17:32 : Gedenkt aan de vrouw van Lot. Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^genesis-19-27-51]: Kanttekening 51: waar hij: Zie boven Gen. 18:22 . Genesis 18:22 : Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van YHWH.
[^genesis-19-29-52]: Kanttekening 52: Eensdeels aan Abrahams voorbede. Zie boven Gen. 18:23 , 18:24 . Anderdeels aan zijn beloften. Zie boven Gen. 12:3 . Genesis 18:23 : En Abraham trad toe, en zei: Zult U ook de rechtvaardige met de goddeloze ombrengen? Genesis 18:24 : Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn? Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^genesis-19-29-53]: Kanttekening 53: in welke: Dat is, in welker ene. Zie dergelijke manier van spreken, boven Gen. 18:9 , en vers 12 ; Jona 1:5 ; Matt. 27:44 . Genesis 18:9 : Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zei: Ziet, in de tent. Genesis 19:12 : Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen, die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats; Jona 1:5 : Toen vreesden de zeelieden, en riepen een ieder tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen. Mattheüs 27:44 : En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
[^genesis-19-30-54]: Kanttekening 54: Waar hij nochtans tevoren meende zich allerveiligst te zullen bergen. Zie vers 20 ; maar nu vreest hij dat God die stad mee zou mogen verderven, of dat hij daar enig geweld mocht lijden van de inwoners. Genesis 19:20 : Ziet toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
[^genesis-19-31-55]: Kanttekening 55: Hebr. kleine, en zo in de volgende vs. 34, 35, 38. Dat is, de jongste.
[^genesis-19-31-56]: Kanttekening 56: in dit: Zij wisten wel dat te Zoar mannen waren, maar vreesden dat die gelijk de anderen, mee vergaan zouden.
[^genesis-19-31-57]: Kanttekening 57: om tot: Zie deze manier van spreken, boven Gen. 6:4 , en Gen. 16:2 , 16:4 ; Deut. 25:5 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Genesis 16:4 : En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen. Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man.
[^genesis-19-31-58]: Kanttekening 58: naar de: Hebr. naar de weg. Zie boven, Gen. 18:11 . Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen.
[^genesis-19-32-59]: Kanttekening 59: wijn te: Die zij tot voorraad op haar reis van Sodom of Zoar medegebracht hadden.
[^genesis-19-32-60]: Kanttekening 60: bij hem: Een schrikkelijke voorslag, en val in Lots huisgezin.
[^genesis-19-32-61]: Kanttekening 61: zaad in: Een zoon, of kind; aldus onder vers 34 . Zie boven Gen. 4:25 . Genesis 19:34 : En het geschiedde de volgende dag, dat de eerstgeborene zei tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden. Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
[^genesis-19-37-62]: Kanttekening 62: van de Moabieten: Hebr. Moab. Een volk in de Heilige Schrift genoeg bekend, hebbende gewoond aan de oostzijde van de Jordaan en de Dode Zee, tussen de rivier Arnon en Jabbok.
[^genesis-19-38-63]: Kanttekening 63: van de kinderen: Dat is, van de Ammonieten; een volk in de Heilige schrift mee genoeg bekend; hebbende mee gewoond oostwaarts van Palestina, maar noordwaarts van de Moabieten.

### Genesis 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/20.json)

*Abraham vertrekt naar Gerar en zegt dat Sara zijn zus is, vers 1. Koning Abimelech laat Sara halen om haar te huwen, 2. Maar God houdt hem tegen door plagen en een waarschuwing in een droom, 3. Daarop geeft hij Abraham zijn vrouw terug, samen met ruimhartige geschenken en tegemoetkomingen, 9. Abimelech en de zijnen worden door Abrahams voorbede genezen, 17.*

**1** En Abraham reisde[^genesis-20-1-1] van daar[^genesis-20-1-2] naar het land van het zuiden, en woonde tussen[^genesis-20-1-3] Kades en tussen[^genesis-20-1-4] Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te[^genesis-20-1-5] Gerar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v1)

**2** Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw,[^genesis-20-2-6] gezegd had:[^genesis-20-2-a] Zij is mijn zus, zo zond[^genesis-20-2-7] Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v2)

**3** Maar God kwam tot Abimelech[^genesis-20-3-8] in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie,[^genesis-20-3-9] u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v3)

**4** Maar Abimelech was tot haar niet[^genesis-20-4-10] genaderd; daarom zei hij: Heere! zult U dan ook een[^genesis-20-4-11] rechtvaardig[^genesis-20-4-12] volk doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v4)

**5** Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer.[^genesis-20-5-13] In oprechtheid van mijn hart en in reinheid[^genesis-20-5-14] van mijn handen, heb ik dit gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v5)

**6** En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat[^genesis-20-6-15] u dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt, en Ik heb u ook belet[^genesis-20-6-16] van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet[^genesis-20-6-17] toegelaten, haar aan te roeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v6)

**7** Zo geef dan nu de vrouw van deze man terug; want hij is[^genesis-20-7-18] een profeet, en[^genesis-20-7-19] hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet teruggeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en[^genesis-20-7-20] al wat uwes is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v7)

**8** Toen stond Abimelech vroeg in de morgen op, en riep al zijn[^genesis-20-8-21] knechten, en sprak al deze[^genesis-20-8-22] woorden[^genesis-20-8-23] voor hun oren. En die mannen[^genesis-20-8-24] vreesden zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v8)

**9** En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk[^genesis-20-9-25] een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan,[^genesis-20-9-26] die niet zouden gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v9)

**10** Verder zei Abimelech tot Abraham:[^genesis-20-10-27] Wat hebt u gezien, dat u deze zaak gedaan hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v10)

**11** En Abraham zei: Want[^genesis-20-11-28] ik dacht:[^genesis-20-11-29] alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij vanwege mijn huisvrouw zullen doden.[^genesis-20-11-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v11)

**12** En ook is zij werkelijk mijn zus;[^genesis-20-12-31] zij is van mijn vader dochter, maar niet van mijn moeder dochter; en zij is mij tot vrouw geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v12)

**13** En het is gebeurd, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw goedertierenheid, die u bij mij doen zult;[^genesis-20-13-33] aan alle plaatsen waar wij komen zullen,[^genesis-20-13-b] zeg van mij: Hij is mijn broer![^genesis-20-13-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v13)

**14** [^genesis-20-14-34] Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienaren en dienaressen, en gaf die aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v14)

**15** En Abimelech zei: Zie, mijn land is[^genesis-20-15-35] voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v15)

**16** En tot Sara zei hij: Zie, ik heb[^genesis-20-16-36] uw broer[^genesis-20-16-37] duizend zilverlingen gegeven; zie, hij[^genesis-20-16-38] zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij[^genesis-20-16-39] alle,[^genesis-20-16-40] en wees geleerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v16)

**17** En[^genesis-20-17-41] Abraham bad tot God; en God[^genesis-20-17-42] genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienaressen,[^genesis-20-17-43] zodat zij baarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v17)

**18** Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van[^genesis-20-18-44] Abimelech geheel toegesloten,[^genesis-20-18-45] vanwege Sara, Abrahams huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/20.html#v18)

[^genesis-20-1-1]: Kanttekening 1: van daar: Te weten, van de eikenbossen, Mamre, bij Hebron. Zie Gen. 13:18 , en Gen. 14:13 en Gen. 18:1 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar. Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. Genesis 18:1 : Daarna verscheen hem YHWH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd.
[^genesis-20-1-2]: Kanttekening 2: naar het: Hebron en Mamre waren wel in het zuidelijk einde van Palestina gelegen, maar Abraham is nog meer zuidwaarts getrokken, om redenen die de Heilige Schrift niet meldt.
[^genesis-20-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven Gen. 14:7 . Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.
[^genesis-20-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven Gen. 16:7 . Genesis 16:7 : En de Engel van YHWH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur.
[^genesis-20-1-5]: Kanttekening 5: Een stad, gelegen in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie boven Gen. 10:19 , onder Gen. 26:1 , en 2 Kron. 14:13 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 26:1 : En er was honger in dat land, behalve de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar. 2 Kronieken 14:13 : Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor YHWH en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.
[^genesis-20-2-6]: Kanttekening 6: Te weten, uit gelijke vrees, als hem ook tevoren toen hij naar Egypte reisde, overkomen was. Zie boven Gen. 11:29 , en Gen. 12:13 , en in dit hoofdst. vers 12 . Genesis 11:29 : En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. Genesis 12:13 : Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. Genesis 20:12 : En ook is zij waarlijk mijn zus; zij is de dochter van mijn vader, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
[^genesis-20-2-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 12:13 ; onder, Gen. 26:7 . Genesis 12:13 : Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. Genesis 26:7 : En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zei hij: Zij is mijn zus; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zei hij de mannen van deze plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.
[^genesis-20-2-7]: Kanttekening 7: Men meent dat deze naam de koningen van dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Farao in Egypte. Zie boven Gen. 12:15 , verg. onder Gen. 26:1 ; Ps. 34:1 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Genesis 26:1 : En er was honger in dat land, behalve de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar. Psalmen 34:1 : Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
[^genesis-20-3-8]: Kanttekening 8: in een: God heeft in voorgaande tijden zich geopenbaard door dromen, niet alleen de zijnen, maar ook aan degenen, die vreemd van zijn volk waren, en dat ten beste van de zijnen. Zie onder Gen. 28:12 , en Gen. 31:24 , en Gen. 40:8 , en Gen. 41:1 ; Dan. 2:1 , en Dan. 4:5 . Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder. Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad. Genesis 40:8 : En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zei tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch. Genesis 41:1 : En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier. Daniël 2:1 : In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. Daniël 4:5 : Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.
[^genesis-20-3-9]: Kanttekening 9: u bent: Anders, u gaat sterven; dat is, u zult straks sterven, zo u deze vrouw niet meteen ongeschonden wedergeeft. Verg. onder vers 7 , en zie deze manier van spreken onder Gen. 30:1 , en Gen. 48:21 , en Gen. 50:24 . Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is! Genesis 30:1 : Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zus; en zij zei tot Jakob: Geef mij kinderen! of als niet, zo ben ik dood. Genesis 48:21 : Daarna zei Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land van uw vaderen. Genesis 50:24 : En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
[^genesis-20-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, hij had haar niet beslapen. Deze manier van spreken komt overeen met een vrouw bekennen, boven Gen. 4:1 ; tot een vrouw ingaan, boven Gen. 6:4 ; of een vrouw aanroeren, Spr. 6:29 ; 1 Kor. 7:1 , en onder vers 6 . Versta, dat hij door God belet was door ziekte. Zie onder vers 6 ,17. Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Spreuken 6:29 : Zo die tot de huisvrouw van zijn naaste ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden. 1 Korinthiërs 7:1 : Aangaande nu de dingen, waarvan u mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken. Genesis 20:6 : En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat u dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren. Genesis 20:6 : En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat u dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
[^genesis-20-4-11]: Kanttekening 11: Dat is, onschuldig en onnozel in deze zaak. Verg. 2 Sam. 4:11 . 2 Samuël 4:11 : Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet eisen, en u van de aarde wegdoen?
[^genesis-20-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, niet alleen mijn huisgezin, gelijk vers 17 , maar ook de andere onderdanen, gelijk vers 9 . Genesis 20:17 : En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden. Genesis 20:9 : En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
[^genesis-20-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, hierin is mijn hart zuiver van een overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuise daad. Zo wordt de inwendige en uitwendige onschuld en ongeveinsdheid, òf in het algemeen van de hele wandel van de vromen, òf in het bijzonder van enige zaak en enig werk ook elder uitgedrukt, zo als 1 Kon. 9:4 ; 1 Kron. 29:17 ; Ps. 24:4 , en Ps. 73:13 , en Ps. 78:72 , en Ps. 101:2 . 1 Koningen 9:4 : En zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid van het hart, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult; 1 Kronieken 29:17 : En ik weet, mijn God, dat U het hart proeft, en dat U een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich tegenover U vrijwillig gedragen heeft. Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; Psalmen 73:13 : Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. Psalmen 78:72 : Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid van zijn hart, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid van zijn handen. Psalmen 101:2 : Ik zal verstandig handelen in de oprechte weg; wanneer zult U tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtheid mijns harten.
[^genesis-20-5-14]: Kanttekening 14: Hebr. mijner palmen, of van het hol mijner handen. Zie Job 17:9 . Job 17:9 : En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.
[^genesis-20-6-15]: Kanttekening 15: u dit: Hiermede wil God niet zeggen dat hij ten enenmale in het nemen van Sara onschuldig was, maar ten aanzien van het voornemen en de daad van het overspel. Zelfs een enkel ongeveinsd voornemen, in een kwade daad, maar uit onbedachtzaamheid of onwetenden ijver spruitende, wordt aldus uitgedrukt, gelijk 2 Sam. 15:11 ; 1 Kon. 22:34 , en 2 Kron. 18:33 . 2 Samuël 15:11 : En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, maar gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak. 1 Koningen 22:34 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond. 2 Kronieken 18:33 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot de voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.
[^genesis-20-6-16]: Kanttekening 16: van tegen: De misdaad aan Sara en Abraham rekent God als hemzelven aangedaan; verg. Ps. 51:6 , en Ps. 105:14 , 105:15 , Hand. 9:5 . Psalmen 51:6 : Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Psalmen 105:14 : Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: Psalmen 105:15 : Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad. Handelingen 9:5 : En hij zei: Wie bent U, Heer? En de Heer zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
[^genesis-20-6-17]: Kanttekening 17: Hebr. gegeven.
[^genesis-20-7-18]: Kanttekening 18: een profeet: Dat is, een man van God, van zonderlinge wetenschap en godvruchtigheid, aan wie Ik Mij zeer vrij openbaar, en die Ik zeer liefheb en die Mij waard is.
[^genesis-20-7-19]: Kanttekening 19: hij zal: Of, laat hem voor u bidden.
[^genesis-20-7-20]: Kanttekening 20: al wat: Of, al wie de uwen zijn.
[^genesis-20-8-21]: Kanttekening 21: Versta, raadsheren, officieren en voornaamste hovelingen. Zo 1 Kon. 1:2 , en 1 Kon. 10:5 ; 2 Kon. 6:8 ; 2 Kron. 24:25 . 1 Koningen 1:2 : Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde. 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer. 2 Koningen 6:8 : En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een. 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.
[^genesis-20-8-22]: Kanttekening 22: Of, zaken; te weten, die hem in de droom waren wedervaren. Zo ook onder, vers 10 , en Gen. 24:66 , enz. Genesis 20:10 : Verder zei Abimelech tot Abraham: Wat hebt u gezien, dat u deze zaak gedaan hebt? Genesis 24:66 : En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.
[^genesis-20-8-23]: Kanttekening 23: voor hun: Dat is, dat zij die hoorden.
[^genesis-20-8-24]: Kanttekening 24: Als hebbende ten dienste van hun koning het nemen van Sara gevorderd. Verg. boven Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^genesis-20-9-25]: Kanttekening 25: een grote: Dat is, u zoudt, door uw onbedachtzaamheid, de grote zonde van het overspel en de straf daarvan over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk in deze heidense koning, dat hij het overspel, zelfs in de tijd \[vóór de wet\] gehouden heeft voor zulk een gruwelijke zonde, dat ook zijn gehele koninkrijk zijnenthalve daarom zou hebben moeten lijden. Zie onder Gen. 38:24 ; Lev. 20:10 ; Deut. 22:22 ; 2 Sam. 12:5 ; 10,11; Jer. 29:22 , 29:23 ; Ez. 16:38 , 16:40 , en Ez. 23:45 , 23:47 ; Joh. 8:5 . Genesis 38:24 : En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zei Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde! Leviticus 20:10 : Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster. Deuteronomium 22:22 : Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij van een man getrouwde vrouw, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult u het boze uit Israël wegdoen. 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood! Jeremia 29:22 : En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; Jeremia 29:23 : Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt YHWH. Ezechiël 16:38 : Daartoe zal Ik u naar de rechten van de overspeelsters en van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de grimmigheid en van de ijvers. Ezechiël 16:40 : Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken. Ezechiël 23:45 : Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht van de overspeelsters, en naar het recht van de bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen. Ezechiël 23:47 : En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en dezelfde met hun zwaarden nederhouwen; haar zonen en haar dochters zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden. Johannes 8:5 : En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat zulke gestenigd zullen worden; U dan, wat zegt U?
[^genesis-20-9-26]: Kanttekening 26: die niet: Dat is, die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde manier van spreken onder Gen. 34:7 ; Lev. 4:2 , 4:13 . Genesis 34:7 : En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden. Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden;
[^genesis-20-10-27]: Kanttekening 27: Wat hebt: Of, wat hebt u ingezien, of opgemerkt, dat u bewogen heeft om dit te doen?
[^genesis-20-11-28]: Kanttekening 28: ik dacht: Hebr. ik zei, dat is, ik dacht. Aldus wordt zeggen voor denken genomen; Ex. 2:14 ; Joz. 22:34 ; 1 Kon. 5:5 ; 2 Kron. 2:1 ; Jes. 8:12 ; Hand. 7:28 . Exodus 2:14 : Hij dan zei: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt u dit, om mij te doden, gelijk u de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Werkelijk, deze zaak is bekend geworden! Jozua 22:34 : En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat YHWH God is. 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 2 Kronieken 2:1 : Salomo nu dacht voor de Naam van YHWH een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk. Jesaja 8:12 : Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest u hun vreze niet, en verschrikt niet. Handelingen 7:28 : Wilt u mij ook ombrengen, zoals u gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt?
[^genesis-20-11-29]: Kanttekening 29: alleen is: Hij schijnt te willen zeggen: hier is wel een schone landstreek en alle overvloed, maar alleen ontbreekt de vrees voor God. And. zekerlijk is, enz.
[^genesis-20-11-30]: Kanttekening 30: Hebr. om de zaak van mijns huisvrouw.
[^genesis-20-12-31]: Kanttekening 31: zij is: Zie boven Gen. 11:29 . Genesis 11:29 : En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.
[^genesis-20-13-33]: Kanttekening 33: aan alle: Hiermede schijnt Abraham te willen zeggen dat hij, uit zijn vaders huis trekkende, vermoedde dat hij geen vrees voor God vinden zou bij enige volken, tot welke hij zou komen; zodat die van Gerar dit zich in het bijzonder niet hadden aan te trekken.
[^genesis-20-13-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 12:13 . Genesis 12:13 : Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.
[^genesis-20-13-32]: Kanttekening 32: deed dwalen: Hoewel de naam van God ELOHIM (אֱלֹהִים), die in het getal van velen staat, gewoonlijk gevoegd wordt bij een woord, dat in het eenvoudig staat, dat betekent de enigheid van het Goddelijk wezen, nochtans wordt het hier gevoegd bij een woord, dat ook in het getal van velen staat, om \[zoals sommige geleerden oordelen\] te betekenen de drievuldigheid van de personen, Hebr. als mij ELOHIM deden dwalen. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 35:7 ; Joz. 24:19 ; 2 Sam. 7:23 ; Ps. 58:12 ; Jer. 10:10 . Genesis 35:7 : En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor het aangezicht van zijn broer vluchtte. Jozua 24:19 : Toen zei Jozua tot het volk: U zult YHWH niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven. 2 Samuël 7:23 : En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, dat God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor u deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat U U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende. Psalmen 58:12 : En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. Jeremia 10:10 : Maar YHWH God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen.
[^genesis-20-14-34]: Kanttekening 34: Toen nam: Dit, en ook het voorafgaande en volgende, is een uitzonderlinge beleefdheid in een heidensen koning, voortgekomen uit Gods beleid en regering.
[^genesis-20-15-35]: Kanttekening 35: voor uw: Dat is, voor u open en ten uwen beste. And. deed Farao, boven Gen. 12:19 , 12:20 . Zie boven, Gen. 12:13 . Genesis 12:19 : Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zus; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga heen! Genesis 12:20 : En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had. Genesis 12:13 : Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.
[^genesis-20-16-36]: Kanttekening 36: uw broer: Hiermede geeft hij Sara bedektelijk te verstaan, dat zij gelegenheid gegeven had tot dit kwaad, zeggende dat Abraham haar broer was.
[^genesis-20-16-37]: Kanttekening 37: duizend zilverlingen: Hebr. duizend zilvers. Dat is, naar het algemeen gevoelen, duizend zilveren sikkels, of zilverlingen. En zo er tweeërlei sikkels waren, de burgerlijke sikkel, bedragende wat meer dan een oord (een vierde deel van een rijksdaalder); de ander, van het heiligdom, wegende dubbel zoveel; zo wordt gemeend dat hier gemeente of burgerlijke sikkels te verstaan zijn; makende deze duizend zilverlingen weinig meer dan de som van 250 rijksdaalders.
[^genesis-20-16-38]: Kanttekening 38: zij u: Dat is, beken na deze vrij dat hij uw echte man is, en dek uw aangezicht, tot een teken dat u getrouwd bent, en dat hij daarom een schut en scherm van uw kuisheid is. Zie van dit dekken van het aangezicht van de vrouwen, onder Gen. 24:65 , en 1 Kor. 11:10 . Anders, het zij u tot een deksel, enz., te weten, het geld zij u gegeven om zulk een deksel te kopen. Genesis 24:65 : En zij zei tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zei: Dat is mijn heer! Toen nam zij de sluier, en bedekte zich. 1 Korinthiërs 11:10 : Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen.
[^genesis-20-16-39]: Kanttekening 39: Dat is, niet alleen, die bij u verkeren, maar ook bij de vreemden.
[^genesis-20-16-40]: Kanttekening 40: en wees: Dat is, wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of, en dit alles opdat u geleerd bent. Sommigen nemen dit, gelijk Mozes' woorden, aldus: zo werd zij bestraft.
[^genesis-20-17-41]: Kanttekening 41: Zie boven, vers 7 . Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is!
[^genesis-20-17-42]: Kanttekening 42: Zodat hij niet stierf aan de ziekte, gelijk God YHWH hem bedreigd had, vers 3 , 20:7 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is!
[^genesis-20-17-43]: Kanttekening 43: Dat is, baren konden. Zie het volgende vers, vers 18 . Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^genesis-20-18-44]: Kanttekening 44: Hebr. toesluitende toegesloten voor alle baarmoeder, dat is, Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze manier van spreken 1 Sam. 1:5 , 1:6 ; daarentegen betekent de opening van de baarmoeder, de gave van de vruchtbaarheid, ond Gen. 29:31 . 1 Samuël 1:5 : Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; maar YHWH had haar baarmoeder toegesloten. 1 Samuël 1:6 : En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat YHWH haar baarmoeder toegesloten had. Genesis 29:31 : Toen nu YHWH zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
[^genesis-20-18-45]: Kanttekening 45: ter oorzake: Hebr. om de zaak van Sara.

### Genesis 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/21.json)

*Izak wordt volgens Gods belofte geboren en besneden, vers 1. Abraham houdt een groot feestmaal bij Izaks spening, 8. Ismaël bespot het feest, en wordt met zijn moeder Hagar, op verzoek van Sara en met Gods goedkeuring, weggestuurd, 9. Hagar dwaalt rond in de woestijn en Ismaël dreigt van dorst om te komen, 15, maar God grijpt in en troost Hagar, 17. Ismaël groeit op en trouwt, 20. Abimelech sluit een verbond met Abraham te Berseba, 22. Abraham dient en dankt YHWH, 33.*

**1** En YHWH[^genesis-21-1-1] bezocht Sara,[^genesis-21-1-a] zoals Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v1)

**2** [^genesis-21-2-b] En Sara werd zwanger, en baarde Abraham een zoon[^genesis-21-2-2] in zijn ouderdom,[^genesis-21-2-3][^genesis-21-2-c] op de vastgestelde tijd, die hem God gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v2)

**3** En Abraham[^genesis-21-3-4] noemde de naam van zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v3)

**4** En Abraham besneed zijn zoon Izak,[^genesis-21-4-5] zijnde acht dagen oud,[^genesis-21-4-d] zoals hem God geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v4)

**5** En Abraham was honderd jaar oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v5)

**6** En Sara zei: God heeft mij een[^genesis-21-6-6] lachen gemaakt; al die het hoort,[^genesis-21-6-7] zal met mij lachen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v6)

**7** Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft[^genesis-21-7-8] zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v7)

**8** En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag, als Izak gespeend werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v8)

**9** En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had,[^genesis-21-9-9] spottende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v9)

**10** En zij zei tot Abraham:[^genesis-21-10-e] Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak,[^genesis-21-10-10] niet erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v10)

**11** En dit woord[^genesis-21-11-11] was zeer kwaad in Abrahams ogen, vanwege zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v11)

**12** Maar[^genesis-21-12-12] God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd;[^genesis-21-12-13] al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem;[^genesis-21-12-f] want in[^genesis-21-12-14] Izak zal uw zaad[^genesis-21-12-15] genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v12)

**13** [^genesis-21-13-g] Maar Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd[^genesis-21-13-16] tot een volk stellen,[^genesis-21-13-17] omdat hij uw zaad is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v13)

**14** Toen stond Abraham vroeg in de morgen op, en nam[^genesis-21-14-18] brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het[^genesis-21-14-19] kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde[^genesis-21-14-20] in de woestijn Ber-seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v14)

**15** Als nu het water van de fles uit was,[^genesis-21-15-21] zo wierp zij het kind[^genesis-21-15-22] onder één van de struiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v15)

**16** En zij ging en zette zich tegenover, afgaande[^genesis-21-16-23] zo verre, als die met de boog schieten; want zij zei:[^genesis-21-16-24] Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v16)

**17** En God hoorde de stem[^genesis-21-17-25] van de jongen; en de Engel van God riep Hagar toe uit de hemel, en zei tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar van de jongen stem gehoord,[^genesis-21-17-26] ter plaatse, waar hij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v17)

**18** Sta op, hef de jongen op, en houd hem vast met uw hand;[^genesis-21-18-h] want Ik zal hem tot een groot volk stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v18)

**19** En[^genesis-21-19-27] God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf de jongen te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v19)

**20** En[^genesis-21-20-28] God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd[^genesis-21-20-29] een boogschutter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v20)

**21** En hij woonde in de woestijn[^genesis-21-21-30] Paran;[^genesis-21-21-31] en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v21)

**22** In die tijd gebeurde het, dat[^genesis-21-22-33] Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende:[^genesis-21-22-34] God is met u in alles, wat u doet.[^genesis-21-22-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v22)

**23** Zo zweer mij nu hier bij God:[^genesis-21-23-35] Zo u mij, of mijn zoon, of mijn neef[^genesis-21-23-36] liegen zult! naar de goedertierenheid, die ik bij u gedaan heb,[^genesis-21-23-i] zult u doen bij mij, en bij het land, waarin u als vreemdeling verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v23)

**24** En Abraham zei: Ik zal zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v24)

**25** En[^genesis-21-25-37] Abraham berispte Abimelech[^genesis-21-25-38] vanwege een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v25)

**26** Toen zei Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit[^genesis-21-26-39] gedaan heeft; en ook hebt u het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan vandaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v26)

**27** En[^genesis-21-27-40] Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden[^genesis-21-27-41] maakten een verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v27)

**28** Maar Abraham stelde zeven ooilammeren van de[^genesis-21-28-42] kudde apart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v28)

**29** Zo zei Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die u bijzonder gesteld hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v29)

**30** En hij zei: Dat u de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put[^genesis-21-30-43] gegraven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v30)

**31** Daarom noemde men die plaats[^genesis-21-31-44] Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v31)

**32** Zo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden opnieuw[^genesis-21-32-45] naar het land van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v32)

**33** En[^genesis-21-33-46] hij plantte een bos in Ber-seba,[^genesis-21-33-k] en[^genesis-21-33-47] riep daar de Naam van YHWH,[^genesis-21-33-48] van de eeuwige God, aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v33)

**34** En Abraham woonde als vreemdeling[^genesis-21-34-49] vele dagen in het land van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/21.html#v34)

[^genesis-21-1-1]: Kanttekening 1: God bezoekt op tweeërlei wijze: òf met enige bijzondere weldaad en vervulling van zijn belofte, als onder Gen. 50:24 ; Ex. 4:31 ; Ruth 1:6 ; Ps. 8:5 , gelijk het woord hier ook genomen wordt; òf met uitvoering van dreigementen en straffen, Ex. 20:5 ; Deut. 5:9 ; Ps. 59:6 ; Jes. 27:1 . Genesis 50:24 : En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. Exodus 4:31 : En het volk geloofde, en zij hoorden, dat YHWH de kinderen van Israël bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden. Ruth 1:6 : Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat YHWH Zijn volk bezocht had, gevende hun brood. Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U zijner gedenkt, en de zoon van de mensen, dat U hem bezoekt? Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Psalmen 59:6 : Ja, U YHWH, God van de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven. Sela. Jesaja 27:1 : Te die dage zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden.
[^genesis-21-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 17:19 ; boven, Gen. 18:10 . Genesis 17:19 : En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was.
[^genesis-21-2-b]: Verwijzing b: Galat. 4:23 ; Hebr. 11:11 . Galaten 4:23 : Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; maar deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.
[^genesis-21-2-2]: Kanttekening 2: in zijn: And. voor zijn ouderdom, en zo ook vers 7 . Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
[^genesis-21-2-3]: Kanttekening 3: ter gezetter: Zie boven, Gen. 18:10 , 18:14 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben!
[^genesis-21-2-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 18:10 ; idem v. 14 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben!
[^genesis-21-3-4]: Kanttekening 4: Maar het bevel van de Heer, boven Gen. 17:19 . Zie daar de aant. Genesis 17:19 : En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.
[^genesis-21-4-5]: Kanttekening 5: Hebr. een zoon van acht dagen. Zo in het volgende vs. vers 6 . Genesis 21:6 : En Sara zei: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
[^genesis-21-4-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 17:10 . Genesis 17:10 : Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.
[^genesis-21-6-6]: Kanttekening 6: lachen gemaakt: Eensdeels van de verwondering over de zeldzaamheid van deze zaak; anderdeels van de vreugde, omdat velen zich over deze weldaad Gods verblijden zullen.
[^genesis-21-6-7]: Kanttekening 7: zal met: Dat is, zich met mij verblijden, Luk. 1:58 . Lukas 1:58 : En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heer Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.
[^genesis-21-7-8]: Kanttekening 8: Dat is, een zoon, zijnde het getal van velen naar het gebruik van de Heilige Schrift, voor het getal van een somtijds genomen; zoals onder Gen. 46:7 , 46:23 ; Num. 20:8 . Genesis 46:7 : Zijn zonen, en de zonen van zijn zonen met hem; zijn dochters, en de dochters van zijn zonen, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim. Numeri 20:8 : Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken.
[^genesis-21-9-9]: Kanttekening 9: Zonder twijfel de spot daarmede drijvende, dat men zoveel werk van Izak maakte, die lang na hem geboren was. Deze bespotting is uit zulke bitterheid gesproten, dat de apostel haar noemt vervolging, Gal. 4:29 . Galaten 4:29 : Maar zoals toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar de Geest geboren was, zo ook nu.
[^genesis-21-10-e]: Verwijzing e: Galat. 4:30 . Galaten 4:30 : Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon van de dienstmaagd zal in geen geval erven met de zoon van de vrije.
[^genesis-21-10-10]: Kanttekening 10: niet erven: Hieruit is af te nemen dat Ismaël zonder twijfel door insteking van zijn moeder, mee gewag gemaakt heeft van het recht van de eerstgeboorte en beërving van de goederen. En hierom is Sara zozeer verstoord geweest, zowel tegen de moeder als tegen de zoon.
[^genesis-21-11-11]: Kanttekening 11: was zeer: Dat is, misviel hem zeer, om de liefde, die bij zijn zoon Ismaël toedroeg, en om de belofte, die hij van God voor hem gekregen had; boven Gen. 17:18 , 17:20 . Kwaad, wordt gezegd, in iemands ogen te zijn, wat hem mishaagt en onaangenaam is; zo in het volgende vs. vers 12 en onder Gen. 28:8 ; Ex. 21:8 ; Num. 11:10 . Genesis 17:18 : En Abraham zei tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; Genesis 21:12 : Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Genesis 28:8 : En dat Ezau zag, dat de dochters van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader; Exodus 21:8 : Als zij kwalijk bevalt in de ogen haars heren, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo zal hij haar doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkopen zal hij niet vermogen, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft. Numeri 11:10 : Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur van zijn hut; en de toorn van YHWH ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.
[^genesis-21-12-12]: Kanttekening 12: Te weten, 's nachts, vers 14 . Genesis 21:14 : Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.
[^genesis-21-12-13]: Kanttekening 13: al wat: Wat betreft deze zaak van Ismaël en Hagar.
[^genesis-21-12-f]: Verwijzing f: Rom. 9:7 ; Hebr. 11:18 . Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Hebreeën 11:18 : (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;
[^genesis-21-12-14]: Kanttekening 14: Dat is, Gods volk, waarbij het verbond Gods zal berusten, en in het bijzonder de Messias, zullen niet voortkomen van Ismaël, maar van Izak; en ook die alleen zullen het ware geslacht van Abraham zijn; niet die naar de natuur vleselijk uit hem zullen voortkomen, gelijk Ismaël; maar die door de genade en kracht van de geestelijke belofte zijn kinderen zullen zijn, gelijk Izak; zie Rom. 9:6 , 9:7 , 9:7 . Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.
[^genesis-21-12-15]: Kanttekening 15: Anders, geroepen worden.
[^genesis-21-13-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 16:10 ; boven, Gen. 17:20 . Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
[^genesis-21-13-16]: Kanttekening 16: tot een: Zie boven, Gen. 16:10 , en Gen. 17:20 . Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
[^genesis-21-13-17]: Kanttekening 17: omdat hij: Dat is, omdat hij uw zoon is, en dat hij van u afkomstig is.
[^genesis-21-14-18]: Kanttekening 18: Versta door brood en water, alles wat tot deze reis nodig was.
[^genesis-21-14-19]: Kanttekening 19: Te weten, Ismaël, boven genoemd jongen, vers 12 , en ond. vers 17 . De geestelijke beduiding van deze gehele zaak, zie Gal. 4:23 , 4:24 , enz. Genesis 21:12 : Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Genesis 21:17 : En God hoorde de stem van de jongen; en de Engel van God riep Hagar toe uit de hemel, en zei tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, ter plaatse, waar hij is. Galaten 4:23 : Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; maar deze, die uit de vrije was, door de beloftenis; Galaten 4:24 : Dat dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sina, tot dienstbaarheid barende, dat is Agar;
[^genesis-21-14-20]: Kanttekening 20: in de: Gelegen op de zuidelijke grens van Palestina, niet ver van Gerar, en op deze tijd aldus nog niet genoemd, maar daarna, toen de koning Abimelech omtrent die plaats met Abraham een verbond heeft gemaakt. Zie onder, vers 31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-21-15-21]: Kanttekening 21: Als hij niet langer kunnende aan haar hand gaan, en te groot zijnde om door Hagar te kunnen gedragen worden; want hij was nu omtrent 17 jaren oud. Zie ond. vers 18 . Genesis 21:18 : Sta op, hef de jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.
[^genesis-21-15-22]: Kanttekening 22: Te weten, om bevrijd te zijn tegen de hitte van de zon, opdat het in stilte onder de schaduw zijn geest, zoals zij meende, mocht geven.
[^genesis-21-16-23]: Kanttekening 23: zo ver: Zover als een boogschutter afgaat van zijn perk; of omtrent een boogschot.
[^genesis-21-16-24]: Kanttekening 24: Dat ik: Hebr. dat ik niet zie, als het kind sterft, of het sterven van het kind.
[^genesis-21-17-25]: Kanttekening 25: van de: Die ontwijfelbaar niet minder dan de moeder, in deze droevige staat zijnde, gehuild heeft.
[^genesis-21-17-26]: Kanttekening 26: ter plaatse: Hebr. in hetwelk, of in hetgeen waar hij is.
[^genesis-21-18-h]: Verwijzing h: boven, Gen. 16:10 ; boven, Gen. 17:20 . Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
[^genesis-21-19-27]: Kanttekening 27: Niet dat zij tevoren niet zag, maar dat God haar ogen zo bestuurd en gehouden heeft, dat zij die put niet bemerkte. Verg. Luk. 24:31 . Lukas 24:31 : En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.
[^genesis-21-20-28]: Kanttekening 28: God was: God was hem gunstig, en zegende hem naar de inhoud van zijn belofte, zoveel het tijdelijke betreft. Verg. ond. de aant. op vers 22 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^genesis-21-20-29]: Kanttekening 29: een boogschutter: Hebr. een schietende boogschutter. Dat is, een kloek jager en krijgsman. Zie boven, Gen. 16:12 . Genesis 16:12 : En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broers.
[^genesis-21-21-30]: Kanttekening 30: Zie bov. Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^genesis-21-21-31]: Kanttekening 31: en zijn: Merk hier op het recht van de ouders over de kinderen in huwelijkszaken, ja zelfs van de moeder alleen. Verg. ond. Gen. 24:3 , 24:4 , enz. Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon; Genesis 24:4 : Maar dat u naar mijn land, en naar mijn familie trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.
[^genesis-21-22-33]: Kanttekening 33: Koning te Gerar, van wie boven Gen. 20:2 gesproken wordt. Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
[^genesis-21-22-34]: Kanttekening 34: God is: God de Heer is met de zijnen niet alleen door lichamelijk, maar ook door geestelijke zegeningen, hoewel Abimelech en Pichol eigenlijk hun ogen op de lichamelijke en tijdelijke zegen geslagen hadden. Zie deze manier van spreken ond. Gen. 39:3 ; Joz. 3:7 , en Joz. 7:12 ; 2 Kron. 1:1 . Genesis 39:3 : Als nu zijn heer zag, dat YHWH met hem was, en dat YHWH al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte; Jozua 3:7 : Want YHWH had tot Jozua gezegd: Deze dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van geheel Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben. Jozua 7:12 : Daarom zullen de kinderen van Israël niet kunnen bestaan voor het aangezicht van hun vijanden; zij zullen de nek voor het aangezicht van hun vijanden keren; want zij zijn in de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij u de ban uit het midden van u verdelgt. 2 Kronieken 1:1 : En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.
[^genesis-21-22-32]: Kanttekening 32: ter zelfder tijd: Dat is, omtrent de tijd van de maaltijd, hier tevoren vermeld, en van de uitzetting van Hagar en haar zoon.
[^genesis-21-23-35]: Kanttekening 35: Versta hierdoor: dat u wee of straf wedervaren moet, of God doe u dit of dat. Zie bov. Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^genesis-21-23-36]: Kanttekening 36: Of bedriegelijk spreken, of handelen zult met mij.
[^genesis-21-23-i]: Verwijzing i: boven, Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^genesis-21-25-37]: Kanttekening 37: Eer Abraham zweert, wil hij alle achterdocht wegnemen.
[^genesis-21-25-38]: Kanttekening 38: ter oorzake: Aangezien hij hem gegraven had, en door de dorheid van het land het water zeer moeilijk te bekomen, en daarom hoog nodig en van grote waarde was. Verg. onder, Gen. 26:19 , 26:20 , 26:21 , enz. Richt. 1:15 . Genesis 26:19 : De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water. Genesis 26:20 : En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij de naam van die put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden. Genesis 26:21 : Toen groeven zij een anderen put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij de naam daarvan Sitna. Richteren 1:15 : En zij zei tot hem: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
[^genesis-21-26-39]: Kanttekening 39: Hebr. woord, zaak, ding.
[^genesis-21-27-40]: Kanttekening 40: Abraham nam: Te weten, tot een bewijs, 1, dat hij de koning dankbaar was voor de vriendschap van hem ontvangen; 2. dat hij het antwoord van de koning aannam, wat betreft de put; 3. dat hij hem en de zijnen beloofde getrouw te wezen.
[^genesis-21-27-41]: Kanttekening 41: Hebr. sneden, hieuwen. Zie boven Gen. 15:18 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^genesis-21-28-42]: Kanttekening 42: Hebr. hier alleen; zo vers 29 . Genesis 21:29 : Zo zei Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die u bijzonder gesteld hebt?
[^genesis-21-30-43]: Kanttekening 43: En dat hij dienvolgens mij en de mijnen wettelijk toekomt. Abrahams zorg is niet tevergeefs geweest. Zie onder Gen. 26:15 . Genesis 26:15 : En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelfde met aarde.
[^genesis-21-31-44]: Kanttekening 44: Welke naam hier en boven, vers 14 , aan deze plaats en het omliggende land toegeschreven wordt; maar onder, Gen. 26:33 , een stad in die landstreek gelegen, die daarna de stam van Juda toegeëigend is; Joz. 15:28 ; 1 Kon. 19:3 ; maar door de stam van Simeon bewoond; Joz. 19:2 , en is geweest de zuidpale van het land Kanaän, gelijk Dan de noordpale; 2 Sam. 17:11 , en 2 Sam. 24:2 . Genesis 21:14 : Toen stond Abraham van de morgen vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. Genesis 26:33 : En hij noemde dezelfde Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op deze dag. Jozua 15:28 : En Hazar-Sual, en Beër-Seba, en Biz-Jotheja, 1 Koningen 19:3 : Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijn levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. Jozua 19:2 : En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada, 2 Samuël 17:11 : Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in de strijd. 2 Samuël 24:2 : De koning dan zei tot Joab, de krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-Seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal van het volk wete.
[^genesis-21-32-45]: Kanttekening 45: naar het land van de Filistijnen: Versta naar Gerar, niet ver van deze plaats gelegen.
[^genesis-21-33-46]: Kanttekening 46: hij plantte: Te weten, Abraham.
[^genesis-21-33-k]: Verwijzing k: boven, Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-21-33-47]: Kanttekening 47: Ontvangen hebbende nieuwe oorzaak tot dankbaarheid, heeft hij de openbare Godsdienst daar gepleegd, zie boven Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-21-33-48]: Kanttekening 48: van de eeuwigen Gods: Hebr. van de God van de eeuwigheid.
[^genesis-21-34-49]: Kanttekening 49: vele dagen: Dat is, langen tijd, aangezien hem de Heer hier zekerheid en rust verleende.

### Genesis 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/22.json)

*God stelt Abraham op de proef door hem te bevelen zijn zoon Izak te offeren, vers 1. Abraham gehoorzaamt en staat op het punt Izak te slachten, 3, maar wordt door God vanuit de hemel tegengehouden, hoog geprezen en vereerd met hernieuwing van de beloften en Gods eed, 11. Abraham ontvangt goed nieuws over het welzijn en de nakomelingen van zijn broer Nahor, 20.*

**1** En[^genesis-22-1-1] het gebeurde na deze dingen, dat God Abraham[^genesis-22-1-2] verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei:[^genesis-22-1-3] Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v1)

**2** En Hij zei:[^genesis-22-2-4] Neem nu uw zoon,[^genesis-22-2-a] uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar[^genesis-22-2-5] het land Moria, en[^genesis-22-2-6] offer hem daar tot een[^genesis-22-2-7] brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v2)

**3** Toen[^genesis-22-3-8] stond Abraham vroeg in de morgen op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde[^genesis-22-3-9] hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v3)

**4** [^genesis-22-4-10] Aan de derde dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v4)

**5** En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijf u hier met de ezel, en ik en de[^genesis-22-5-11] jongen zullen heengaan tot daar; als wij[^genesis-22-5-12] aangebeden zullen hebben,[^genesis-22-5-13] dan zullen wij tot u terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v5)

**6** [^genesis-22-6-14] En Abraham nam het hout van het brandoffer, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v6)

**7** Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zei:[^genesis-22-7-15] Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zei: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v7)

**8** En Abraham zei: God zal Zichzelf een lam als brandoffer[^genesis-22-8-16] voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v8)

**9** En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde daar een altaar, en hij stelde op het hout, en[^genesis-22-9-17] bond zijn zoon Izak, en[^genesis-22-9-b] legde hem op het altaar boven op het hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v9)

**10** En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon[^genesis-22-10-18] te slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v10)

**11** Maar de[^genesis-22-11-19] Engel van YHWH riep tot hem van de hemel, en zei:[^genesis-22-11-20] Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v11)

**12** Toen zei Hij:[^genesis-22-12-21] Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want[^genesis-22-12-22] nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige,[^genesis-22-12-23] van Mij niet hebt onthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v12)

**13** Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet,[^genesis-22-13-24] achter was een ram[^genesis-22-13-25] in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam die ram, en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v13)

**14** En[^genesis-22-14-26] Abraham noemde de naam van die plaats: De[^genesis-22-14-27] YHWH zal het voorzien! Waarom vandaag de dag gezegd wordt:[^genesis-22-14-28] Op de berg van YHWH zal het voorzien worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v14)

**15** Toen riep de Engel van YHWH tot Abraham voor de tweede keer van de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v15)

**16** En zei: Ik[^genesis-22-16-29][^genesis-22-16-d] zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;[^genesis-22-16-c][^genesis-22-16-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v16)

**17** [^genesis-22-17-31] Voorzeker zal Ik u enorm zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat[^genesis-22-17-32] aan de oever van de zee is;[^genesis-22-17-e] en uw zaad zal[^genesis-22-17-33] de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v17)

**18** En[^genesis-22-18-34][^genesis-22-18-f] in uw zaad[^genesis-22-18-35] zullen gezegend worden[^genesis-22-18-36] alle volken van de aarde,[^genesis-22-18-37] aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v18)

**19** Toen keerde Abraham weer tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar[^genesis-22-19-38] Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v19)

**20** En het gebeurde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende:[^genesis-22-20-39] Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broer, zonen gebaard: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v20)

**21** [^genesis-22-21-40] Uz, zijn eerstgeborene, en[^genesis-22-21-41] Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van[^genesis-22-21-42] Aram, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v21)

**22** En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v22)

**23** (En Bethuël verwekte[^genesis-22-23-43] Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v23)

**24** En zijn[^genesis-22-24-44] bijvrouw, van wie de naam Reüma was, zij baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en[^genesis-22-24-45] Maächa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/22.html#v24)

[^genesis-22-1-1]: Kanttekening 1: het geschiedde: Nadat Abraham zoveel beloften ontvangen had, ja zelfs van de geboorte van de Messias, van welke er geen konden vervuld worden, als Izak zonder zaad ware gestorven, zo heeft de Heer Abraham aldus willen beproeven, alsof Hij al de voorgemelde beloften had willen vernietigen.
[^genesis-22-1-2]: Kanttekening 2: God verzoekt de zijnen, als Hij een proef neemt van hun zwakheid of deugd, om door derzelver openbaring hen te vernederen of te verheerlijken. Zie Deut. 8:2 , en Deut. 13:3 ; Richt. 2:22 ; 2 Kron. 32:21 ; Ps. 139:23 , 139:24 . Wat Abraham betreft, God kende hem volkomen, maar wilde zijn sterk geloof en ongeveinsde gehoorzaamheid op een bijzondere wijze, tot zijn eer, en ook van Abraham en van zijn gehele kerk, ten beste openbaren. Zie onder vers 16 , 22:17 . Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet. Deuteronomium 13:3 : U zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromen-dromer niet horen; want YHWH, uw God, verzoekt u, om te weten, of u YHWH, uw God, liefhebt met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Richteren 2:22 : Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij de weg van YHWH zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet. 2 Kronieken 32:21 : En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis van zijn god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren. Psalmen 139:23 : Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. Psalmen 139:24 : En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg. Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^genesis-22-1-3]: Kanttekening 3: Hebr. Zie ik, te weten, ben hier. Een manier van spreken, dengenen eigen, die, geroepen zijnde, bereid zijn om aan te horen wat hun voorgehouden wordt. Zie onder vers 7 , 22:11 , en Gen 27:1; 1 Sam. 3:4 , 3:6 , enz. Genesis 22:7 : Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zei: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer? Genesis 22:11 : Maar de Engel van YHWH riep tot hem van de hemel, en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! 1 Samuël 3:4 : Dat YHWH Samuël riep; en hij zei: Zie, hier ben ik. 1 Samuël 3:6 : Toen riep YHWH Samuël opnieuw; en Samuël stond op; en ging tot Eli, en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Hij dan zei: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weer, leg u neder.
[^genesis-22-2-4]: Kanttekening 4: Neem nu uw zoon: Elk woord kon het hart van de vader doorsnijden. Dit en wat onder vers 6 , 22:9 , 22:10 , verhaald wordt, kan ons enigszins afbeelden het genadewerk Gods, die zijn eigen, welbeminden Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgeven heeft, om onze zonden te dragen op het hout; Rom. 8:32 ; 1 Petr. 2:24 . Genesis 22:6 : En Abraham nam het hout van het brandoffer, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen. Genesis 22:9 : En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde daar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op het altaar boven op het hout. Genesis 22:10 : En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten. Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent.
[^genesis-22-2-a]: Verwijzing a: Hebr. 11:17 . Hebreeën 11:17 : Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd,
[^genesis-22-2-5]: Kanttekening 5: het land Moria: Zo, naar het algemeen gevoelen genoemd naar de uitkomst van deze verzoeking. Zie onder, vers 14 , met de aant. Dit is het land, waarin Jeruzalem gelegen en de tempel op de berg Moria gebouwd is, 1 Kron. 22:1 ; 2 Kron. 3:1 , ter zijde van de berg Zion, omtrent drie dagreizen van Berseba. Zie onder, vers 4 . Genesis 22:14 : En Abraham noemde de naam van die plaats: YHWH zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg van YHWH zal het voorzien worden! 1 Kronieken 22:1 : En David zei: Hier zal het huis van God YHWH zijn, en hier zal het altaar van het brandoffer voor Israël zijn. 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. Genesis 22:4 : Aan de derde dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.
[^genesis-22-2-6]: Kanttekening 6: offer hem: Dat is, dood hem eerst met uw eigen hand, en verbrand daarna het dode lichaam tot as toe; gelijk men doet met de beesten, die ten brandoffer geëigend zijn; Lev. 6:9 , 6:10 , enz. Dit bevel was door geen natuurlijk vernuft, maar alleen door het geloof, met Gods belofte en Abrahams vaderlijken plicht en genegenheid tot zijn enige zoon overeen te brengen; maar van Gods verborgen raad en voornemen in dit bevel; zie op vers 1 en onder vers 12 . Leviticus 6:9 : Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar de ganse nacht tot aan de morgen opvaart; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden. Leviticus 6:10 : En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! Genesis 22:12 : Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.
[^genesis-22-2-7]: Kanttekening 7: Zie de aantekening boven Gen. 8:20 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.
[^genesis-22-3-8]: Kanttekening 8: stond Abraham van de morgen vroeg op: Abraham is meteen voortvarend, overwinnende vlees en bloed, en vastelijk gelovende dat God, niettegenstaande dit alles, zijn beloften zou volbrengen, als machtig zijnde om hem Izak uit de doden weer te geven, dat ook naar gelijkenis geschied is, gelijk de apostel betuigt, Hebr. 11:19 . Hebreeën 11:19 : Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.
[^genesis-22-3-9]: Kanttekening 9: hout tot het brandoffer: Hebr. houten van het brandoffer.
[^genesis-22-4-10]: Kanttekening 10: Aan de derden dag: Deze verheid van plaats en reis van omtrent drie dagen, diende tot klaarder openbaring van Abrahams zonderlinge bestendigheid.
[^genesis-22-5-11]: Kanttekening 11: Dit woord wordt niet alleen op de kleine kinderen toegepast, maar ook op de volwassenen, gelijk Abrahams gewapende knechten, boven, Gen. 14:14 , 14:24 ; idem, op de jonkman Sichem, die Dina verkrachtte, ond. Gen. 34:19 ; Jozef, toen hij Farao's dromen uitlegde, ond. Gen. 41:12 ; Jozua, toen hij Mozes diende, Ex. 33:1 ; Absalom, toen hij zijn vader oorlog aandeed, 2 Sam. 18:29 , en hier op Izak en Abrahams knechten; verg. het volgende vers vers 6 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Genesis 14:24 : Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! Genesis 34:19 : En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijn vaders huis. Genesis 41:12 : En daar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van de overste van de trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom. Exodus 33:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, u en het volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven; 2 Samuël 18:29 : Toen zei de koning: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Ahimaäz zei: Ik zag een groot rumoer, als Joab, de knecht van de koning, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat. Genesis 22:6 : En Abraham nam het hout van het brandoffer, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.
[^genesis-22-5-12]: Kanttekening 12: Zie ond. Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^genesis-22-5-13]: Kanttekening 13: dan zullen wij tot u terugkeren: Hoewel het voornemen van Abraham was zijn zoon te offeren, en hem de uitkomst van dit werk specialijk onbekend was, nochtans geloofde hij dat God zijn zoon hem wedergeven kon; en zo heeft hij onwetend wat toekomstig was voorzegd.
[^genesis-22-6-14]: Kanttekening 14: En Abraham nam het hout: Hoewel het onzeker is hoe oud Izak in deze tijd was \[enige menen vijf en twintig jaren, anderen minder, anderen meer\] nochtans is hieruit af te nemen dat hij tamelijk oud was, omdat hij het hout, waarmee de ezel was beladen geweest, heeft kunnen dragen op het gebergte. Zie boven vers 5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^genesis-22-7-15]: Kanttekening 15: Mijn vader: De liefelijke woorden van Izak zouden Abraham naar het vlees wel veel hebben kunnen hinderen, maar door de Geest van de Heer verwekten zij in hem meerder vertrouwen van een goede uitkomst, gelijk zijn antwoord getuigt.
[^genesis-22-8-16]: Kanttekening 16: Hebr. zien. Verg. onder vers 14 . Genesis 22:14 : En Abraham noemde de naam van die plaats: YHWH zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg van YHWH zal het voorzien worden!
[^genesis-22-9-17]: Kanttekening 17: bond zijn zoon Izak: Gelijk de beesten ter offerande aan hun vier voeten gebonden worden, zo heeft Abraham zijn zoon Izak aan handen en voeten gebonden, zoals enige menen, omdat het Hebreeuwse woord, van de offeranden gebruikt zijnde, zulks dikwijls betekent. Merk hier de bijzondere volharding en gehoorzaamheid van Izak, die zonder twijfel door zijn vader daartoe tevoren was overreed.
[^genesis-22-9-b]: Verwijzing b: Jak. 2:21 . Jakobus 2:21 : Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?
[^genesis-22-10-18]: Kanttekening 18: te slachten: Anders, de keel af te snijden.
[^genesis-22-11-19]: Kanttekening 19: Engel van YHWH: Versta, de Zoon van God, blijkende uit het einde van vs. 12 en het gehele vervolg van deze historie. Verg. Gen. 18:1 , 18:17 , 18:22 , en Gen. 19:18 , 19:19 , 19:21 , 19:24 . Genesis 18:1 : Daarna verscheen hem YHWH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Genesis 18:22 : Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van YHWH. Genesis 19:18 : En Lot zei tot hen: Nee toch, Heer! Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. Genesis 19:24 : Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel.
[^genesis-22-11-20]: Kanttekening 20: Abraham, Abraham: De naam wordt verdubbeld, omdat de zaak haast vereiste, omdat Abraham bezig was om het mes aan de keel te brengen en de snede te geven.
[^genesis-22-12-21]: Kanttekening 21: Strek uw hand niet uit: Door dit bevel openbaart nu God zijn verborgen raad en voornemen in deze verzoeking, dat Hij in het voorgaande bevel, vers 2 , niet gedaan had. Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal.
[^genesis-22-12-22]: Kanttekening 22: nu weet Ik: Menselijker wijze van God gesproken, gelijk vers 1 , want Abrahams godvruchtigheid was God tevoren genoeg bekend, maar Hij wordt gezegd nu daarvan kennis te hebben, omdat Hij haar door deze verzoeking aan zijn gehele kerk ten volle bekend had gemaakt. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Ps. 139:23 . Beproef mij en ken mijn gedachten. Want tevoren had hij gezegd vers 2 : U verstaat mijn gedachten van verre. Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! Psalmen 139:23 : Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal.
[^genesis-22-12-23]: Kanttekening 23: van Mij: Hieruit blijkt dat het God zelf is, die hier spreekt.
[^genesis-22-13-24]: Kanttekening 24: achter was een ram: Het schijnt dat de engel Abraham van achteren geroepen heeft, zodat hij, omziende, meteen de ram gezien heeft; verstaande meteen door Gods ingeven, dat hij die in de plaats van zijn zoon zou slachten.
[^genesis-22-13-25]: Kanttekening 25: in de verwarde struiken: Te weten, van een haag of doornbos.
[^genesis-22-14-26]: Kanttekening 26: Vergelijkende zijn vertrouwen vers 8 , met deze uitkomst. Genesis 22:8 : En Abraham zei: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.
[^genesis-22-14-27]: Kanttekening 27: Versta, dat de berg Moria de naam heeft van het antwoord, dat Abraham zijn zoon gaf, vers 8 , gelijk ook het woord Moria schier hetzelfde betekent; dat is, het gezicht van God. Genesis 22:8 : En Abraham zei: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.
[^genesis-22-14-28]: Kanttekening 28: Op de berg van YHWH zal het voorzien worden: Een spreekwoord, gebruikt van degenen, die in de uiterste nood zijnde, en geen menselijke uitkomst ziende, zich op de trouwe voorzienigheid Gods verlieten.
[^genesis-22-16-29]: Kanttekening 29: bij Mijzelf: Want Hij had geen meerdere, om bij te zweren; Hebr. 6:13 . Zie ook Jer. 22:5 . Elders zweert God bij zijn grote naam, Jer. 44:26 ; ook bij zijn ziel, Jer. 51:14 ; en bij zijn heiligheid, Amos 4:2 . Dat is, bij zichzelven. In het volgende: spreekt. Hebr. Neüm. Zie van dit woord Jer. 23:31 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Jeremia 22:5 : Als u daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt YHWH, dat dit huis tot een woestheid worden zal. Jeremia 44:26 : Daarom hoort het woord van YHWH, u geheel Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijn grote Naam, zegt YHWH, zo Mijn Naam met de mond van enig man van Juda in geheel Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heer YHWH leeft! Jeremia 51:14 : YHWH van de legermachten heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkaar een vreugdegeschrei over u toeroepen! Amos 4:2 : De Heer YHWH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. Jeremia 23:31 : Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
[^genesis-22-16-d]: Verwijzing d: Hebr. 6:13 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
[^genesis-22-16-c]: Verwijzing c: Lukas 1:73 . Lukas 1:73 : En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven.
[^genesis-22-16-30]: Kanttekening 30: Versta hierdoor geen verdienende oorzaak van de volgende belofte, die ook tevoren Abraham gedaan was, maar de vrucht of het einde van de gehoorzaamheid Abrahams, die God uit genade met de vernieuwing van zijn belofte, en met deze zijn eed heeft willen vereren en belonen, tot meerdere versterking van het geloof Abrahams en van zijn gehele kerk; zie hiervan Hebr. 6:13 , 6:14 , 6:17 , 6:18 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Hebreeën 6:14 : Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. Hebreeën 6:17 : Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen; Hebreeën 6:18 : Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
[^genesis-22-17-31]: Kanttekening 31: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen: Hebr. zegenende zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik vermenigvuldigen.
[^genesis-22-17-32]: Kanttekening 32: aan de oever van de zee: Hebr. aan de lip van de zee; zo onder, Gen. 41:4 ; Joz. 11:4 , 1 Sam. 13:5 . Genesis 41:4 : En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao. Jozua 11:4 : Deze nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan de oever van de zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. 1 Samuël 13:5 : En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
[^genesis-22-17-e]: Verwijzing e: onder, Gen. 24:60 . Genesis 24:60 : En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zus! wordt u tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijn haters!
[^genesis-22-17-33]: Kanttekening 33: de poort: Dat is, gebied, geweld, steden en landen, want bij de ouden is in de poort het gericht geweest, Deut. 21:19 ; en Deut. 22:15 ; Amos 5:12 , 5:15 ; Zach. 8:16 , idem, de sterkte van de steden. Zie Richt. 5:8 ; Ps. 147:13 ; Jes. 22:7 ; Ez. 21:22 . Hierom zijn ook poorten de steden zelf, Deut. 22:15 en Deut. 18:6 , ja de steden van een geheel land, Jer. 14:2 . Dit is ten aanzien van het lichamelijke vervuld in Jozua, David, enz., maar voornamelijk en geestelijk in de Messias, Ps. 2:8 , 2:9 en Ps. 110:1 , 110:2 , 110:3 ; Kol. 2:15 , die zijn kerk en dienaren zijn overwinning deelachtig maakt; 1 Kor. 15:57 ; 2 Kor. 2:14 en 2 Kor. 10:5 , 10:6 . Deuteronomium 21:19 : Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten van zijn stad, en tot de poorte van zijn plaats. Deuteronomium 22:15 : Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten van de stad aan de poort uitbrengen, de maagdom van deze jonge vrouw. Amos 5:12 : Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen de rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort. Amos 5:15 : Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. Zacharia 8:16 : Dit zijn de dingen, die u doen zult: spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel van de vrede in uw poorten. Richteren 5:8 : Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël? Psalmen 147:13 : Want Hij maakt de grendelen van uw poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u. Jesaja 22:7 : En het zal gebeuren, dat uw uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan. Ezechiël 21:22 : De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen. Deuteronomium 22:15 : Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten van de stad aan de poort uitbrengen, de maagdom van deze jonge vrouw. Deuteronomium 18:6 : Verder wanneer een Leviet zal komen uit een van uw poorten, uit geheel Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte van zijn ziel, tot de plaats, die YHWH zal hebben gekozen; Jeremia 14:2 : Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op. Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Psalmen 110:1 : Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Psalmen 110:2 : YHWH zal de scepter van Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden. Psalmen 110:3 : Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. 1 Korinthiërs 15:57 : Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus. 2 Korinthiërs 2:14 : En Gode zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus, en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6 : En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^genesis-22-18-34]: Kanttekening 34: in uw zaad: Dat is, in Christus, die uit uw zaad naar het vlees voortkomen zal. Zie boven Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.
[^genesis-22-18-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 12:3 ; boven, Gen. 18:18 ; boven, Gen. 26:4 ; Hand. 3:25 ; Galat. 3:8 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 18:18 : Omdat Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Handelingen 3:25 : Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
[^genesis-22-18-35]: Kanttekening 35: zullen gezegend worden: Zie Hand. 3:25 ; Gal. 3:8 , 3:16 . Handelingen 3:25 : Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus.
[^genesis-22-18-36]: Kanttekening 36: alle volken van de aarde: Niet alleen, die uit uw vlees zullen voortkomen, maar ook alle andere volken, die in uw zaad aan de Messias geloven zullen. Zie Gal. 3:29 . Galaten 3:29 : En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.
[^genesis-22-18-37]: Kanttekening 37: Zie vers 16 . Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
[^genesis-22-19-38]: Kanttekening 38: Zie boven, Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-22-20-39]: Kanttekening 39: die met Abraham uit Ur van de Chaldeën niet was vertrokken naar het land Kanaän, maar had zich met ter woon begeven naar Mesopotamië. Zie boven, Gen. 11:29 , 11:31 , en Gen. 24:10 . Genesis 11:29 : En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, de zoon van zijn zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar. Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^genesis-22-21-40]: Kanttekening 40: Deze Uz, de zoon van Nahor, is van twee anderen van denzelfden naam te onderscheiden: de ene is geweest de zoon van Aram, Sems zoon, boven Gen. 10:23 , de andere, de zoon van Dischan, de zoon van Seïr de Horiet, ond. Gen. 36:28 . Genesis 10:23 : En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. Genesis 36:28 : Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.
[^genesis-22-21-41]: Kanttekening 41: Van deze menen sommigen dat Elihu de Buziet afkomstig is van welke men zie Job 32:2 . Job 32:2 : Zo ontstak de toorn van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
[^genesis-22-21-42]: Kanttekening 42: Zie van een anderen Aram, bov. Gen. 10:22 . Men meent dat van beiden, of één van hen, het landschap Syrië Aram geheten wordt. Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^genesis-22-23-43]: Kanttekening 43: Hebr. Ribka (רִבְקָה), die naderhand aan Izak vertrouwd is; ond. Gen. 24 .
[^genesis-22-24-44]: Kanttekening 44: Versta een zodanige vrouw, die wel tot voortteling van kinderen getrouwd werd, naar het misbruik van die tijd, maar evenwel werd genomen zonder bruidschat en huwelijkscontract, staande onder de wettelijke en principale huisvrouw; gelijk ook haar kinderen geen erfgenamen waren, maar werden met giften of legaten uitgezet; bov. Gen. 21:14 , 21:15 en Gen. 25:6 . Het Hebreeuwse woord betekent een gedeelde of halve vrouw. Genesis 21:14 : Toen stond Abraham van de morgen vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. Genesis 21:15 : Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder één van de struiken. Genesis 25:6 : Maar aan de zonen van de bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.
[^genesis-22-24-45]: Kanttekening 45: Dit schijnt hier de naam van een man te zijn; alsook 2 Sam. 10:6 , de naam van zekeren koning. Aldus was ook genoemd de moeder van de koning Asa, 1 Kon. 15:13 . 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man. 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.

### Genesis 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/23.json)

*Sara sterft en wordt door Abraham beweend, vers 1. Abraham koopt plechtig de akker van Efron de Hethiet, met de grot Machpela, als erfgrafplaats, 3, en begraaft daar zijn vrouw Sara, 19.*

**1** En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren van het leven van Sara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v1)

**2** En Sara stierf te[^genesis-23-2-1] Kiriath-arba, dat is[^genesis-23-2-2] Hebron, in het land Kanaän; en Abraham[^genesis-23-2-3] kwam om Sara[^genesis-23-2-4] te beklagen, en haar te bewenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v2)

**3** Daarna stond Abraham[^genesis-23-3-5] op van het aangezicht van zijn dode, en hij sprak tot de[^genesis-23-3-6] zonen van Heth, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v3)

**4** Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u;[^genesis-23-4-a] geef mij een erfbegrafenis bij u,[^genesis-23-4-7] opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v4)

**5** En de zonen van Heth antwoordden Abraham, zeggende tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v5)

**6** Hoor ons, mijn heer! u bent[^genesis-23-6-8] een vorst van God in het midden van ons; begraaf uw dode in[^genesis-23-6-9] het beste van onze graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat u uw dode niet zou begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v6)

**7** Toen stond Abraham op, en boog zich neer voor het volk van het land, voor de zonen van Heth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v7)

**8** En hij sprak met hen, zeggende:[^genesis-23-8-10] Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, de zoon[^genesis-23-8-11] van Zohar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v8)

**9** Dat hij mij geve de grot[^genesis-23-9-12] van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij die mij om het[^genesis-23-9-13] volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v9)

**10** [^genesis-23-10-14] Efron nu zat in het midden van de zonen van Heth; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen van Heth, van al degenen, die ter poorte[^genesis-23-10-15] van zijn[^genesis-23-10-16] stad ingingen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v10)

**11** Nee, mijn heer! hoor mij; de akker geef ik u; ook de grot, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen van mijn volk geef ik u die; begraaf uw dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v11)

**12** Toen boog zich Abraham neer voor het aangezicht van het volk van het land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v12)

**13** En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk van het land, zeggende: Trouwens,[^genesis-23-13-17] bent u het? lieve, hoor mij;[^genesis-23-13-18] ik zal het geld van de akker geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode daar begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v13)

**14** En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v14)

**15** Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd[^genesis-23-15-19] sikkels zilver, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v15)

**16** En[^genesis-23-16-b] Abraham luisterde naar Efron; en Abraham[^genesis-23-16-20] woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen van Heth, vierhonderd sikkels zilver, onder de koopman gangbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v16)

**17** [^genesis-23-17-c] Zo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de grot, die daarin was, en al het geboomte, dat op de akker stond, dat rondom in zijn hele gebied was[^genesis-23-17-21] gevestigd, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v17)

**18** Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen van Heth, bij allen, die tot[^genesis-23-18-22] zijn stadspoort ingingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v18)

**19** En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de grot van de akker van Machpela,[^genesis-23-19-23] tegenover Mamre, dat is[^genesis-23-19-24] Hebron, in[^genesis-23-19-25] het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v19)

**20** Zo werd die akker, en de grot die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen van Heth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/23.html#v20)

[^genesis-23-2-1]: Kanttekening 1: Anders, in de stad Arba . Sommigen houden deze naam gekomen te zijn van een reus, bouwer van deze stad. Zie Joz. 14:15 en 15:13 . Jozua 14:15 : De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van de krijg. Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^genesis-23-2-2]: Kanttekening 2: Een stad, die daarna in de stam van Juda geweest is, gelegen bij het eikenveld Mamre, waar Abraham langen tijd gewoond heeft. Zie verder boven, Gen. 13:18 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar.
[^genesis-23-2-3]: Kanttekening 3: kwam om: Te weten, in de tent van zijn vrouw. Zie boven Gen. 18:6 , 18:9 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken. Genesis 18:9 : Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zei: Ziet, in de tent.
[^genesis-23-2-4]: Kanttekening 4: Dit gebruik is bij de vromen vanouds af geweest, om hun droefenis te verklaren in het algemeen over de ellende van alle mensen, en in het bijzonder over het tijdelijk verlies van hun vrienden, of enige uitnemende personen. Zie hiervan ond. Gen. 50:3 ; Deut. 34:8 ; 1 Sam. 25:1 ; 2 Sam. 3:32 ; Hand. 8:39 , enz. Welk gebruik bijgelovig door de ongelovigen nagebootst is geweest. Zie Mark. 5:38 , 5:39 , enz. Genesis 50:3 : En veertig dagen werden aan hem vervuld; want zo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. Deuteronomium 34:8 : En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid. 1 Samuël 25:1 : En Samuël stierf; en geheel Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran. 2 Samuël 3:32 : Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk. Handelingen 8:39 : En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest van de Heer Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap. Marcus 5:38 : En kwam in het huis van de oversten van de synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden. Marcus 5:39 : En ingegaan zijnde, zei Hij tot hen: Wat maakt u beroerte, en wat weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
[^genesis-23-3-5]: Kanttekening 5: Als een gelovig patriarch, zijn droefenis en rouw over Sara matigende, willende haar nu een eerlijke begrafenis in een vreemd land bezorgen.
[^genesis-23-3-6]: Kanttekening 6: Anders, kinderen; zo ook vers 5 , 23:7 , 23:10 , 23:11 , 23:16 , 23:18 , 23:20 . Dat is, tot de regenten, of voornaamsten van de Hethieten, die Kanaänieten waren, afkomstig van Heth, Chams kindskind. Zie boven, Gen. 10:15 . Genesis 23:5 : En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem: Genesis 23:7 : Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk van het land, voor de zonen Heths; Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: Genesis 23:11 : Nee, mijn heer! hoor mij; de akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode. Genesis 23:16 : En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar. Genesis 23:18 : Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen. Genesis 23:20 : Zo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^genesis-23-4-a]: Verwijzing a: Hand. 7:5 . Handelingen 7:5 : En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
[^genesis-23-4-7]: Kanttekening 7: De begrafenis van de dode lichamen is van oude tijden af bij de mensen gebruikelijk geweest, gelijk hier blijkt, en uit het volgende vers vers 5 , omdat de natuur leert, dat men het ene deel van de redelijke mens niet behoort weg te werpen tot ontering en schending en de religie ons vermaant hetzelfde te bewaren en op te sluiten tegen de dag van de opstanding uit de doden. Zie onder Gen. 50:5 , 50:6 ; Num. 33:4 ; Deut. 21:23 ; Job 5:26 . Genesis 23:5 : En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem: Genesis 50:5 : Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. Genesis 50:6 : En Farao zei: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren. Numeri 33:4 : Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke YHWH onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had YHWH gerichten geoefend aan hun goden. Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft. Job 5:26 : U zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop op zijn tijd opgevoerd wordt.
[^genesis-23-6-8]: Kanttekening 8: een vorst Gods: Dat is, met wie God is, gelijk bov. Gen. 21:22 , of een prins Gods, dat is, een voortreffelijk heer en vorst. Zie boven Gen. 13:10 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-23-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, in de beste, uitgelezenste van de graven. Verg. Jer. 22:7 . Jeremia 22:7 : Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen.
[^genesis-23-8-10]: Kanttekening 10: Is het met uw wil: Hebr. is het met uw ziel, of, zo het is met uw ziel. Het woord ziel betekent dikwijls wil, beliefte, goedvinden, gelijk Deut. 21:14 ; 1 Kon. 19:3 ; 2 Kon. 9:15 ; Ps. 27:12 en Ps. 41:3 , en Ps. 105:22 . Deuteronomium 21:14 : En het zal gebeuren, als u geen behagen in haar hebt, dat u haar zult laten gaan naar haar begeerte; maar u zult haar in geen geval voor geld verkopen, u zult met haar geen winst drijven, daarom dat u haar vernederd hebt. 1 Koningen 19:3 : Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijn levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. 2 Koningen 9:15 : Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen. Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. Psalmen 41:3 : YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in de begeerte van zijn vijanden. Psalmen 105:22 : Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
[^genesis-23-8-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Tsochar , een Hethiet, te onderscheiden van een Zohar die de zoon van Simeon was, ond. Gen. 46:10 . Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.
[^genesis-23-9-12]: Kanttekening 12: De eigennaam van deze akker, gelijk blijkt vers 17 , 23:19 . Genesis 23:17 : Zo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op de akker stond, dat rondom in zijn gehele landpale was gevestigd, Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän.
[^genesis-23-9-13]: Kanttekening 13: volle geld: Ten aanzien van de prijs van de akker, en van het gewicht van het geld.
[^genesis-23-10-14]: Kanttekening 14: Hij was niet alleen een burger onder de Hethieten, maar één van de voornaamsten onder hen, zittende in de vergadering voor welke Abraham verscheen. Aldus wordt het woord zitten genomen voor de staat van de publieke raden of regeerders van het volk; gelijk Ps. 119:23 . Psalmen 119:23 : Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
[^genesis-23-10-15]: Kanttekening 15: zijn stad: Of, waar hij geboren was, gelijk Luk. 2:3 , 2:4 , of waar hij woonde, gelijk onder Gen. 24:10 ; Matt. 9:1 . Lukas 2:3 : En zij gingen allen om beschreven te worden, een iedereen naar zijn eigen stad. Lukas 2:4 : En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was); Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Mattheüs 9:1 : En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.
[^genesis-23-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, die burgers of inwoners van de stad waren. Zo onder, vers 18 . Verg. Gen. 34:24 . Genesis 23:18 : Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen. Genesis 34:24 : En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die ter poorte van zijn stad uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die ter poorte van zijn stad uitgingen.
[^genesis-23-13-17]: Kanttekening 17: bent u het: Anders, maar of lieve zo u het bent, enz. Te weten, de man van wie ik spreek, namelijk Efron. Het schijnt dat Abraham hem kende bij naam maar niet van aangezicht, en dat Abraham niet geweten heeft dat Efron daar zat.
[^genesis-23-13-18]: Kanttekening 18: ik zal … geven: Hebr. ik heb gegeven, dat is, ik ben gereed om te geven.
[^genesis-23-15-19]: Kanttekening 19: De sikkel was een soort van munt, hebbende zijn naam van wegen; er waren tweeërlei, de algemene, wegende omtrent als een oord, of het vierde deel van een rijksdaalder; en de heilige, bedragende nog eens zoveel; zie boven Gen. 20:16 , waar van de zilverling die van een prijs was gesproken is. Aldus bedroeg deze som weinig meer dan 100 rijksdaalders, zijnde hier van de algemene of burgerlijke sikkel gesproken. Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^genesis-23-16-b]: Verwijzing b: onder, Gen. 50:13 . Genesis 50:13 : Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk van de akker van Machpela, welke Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover Mamre.
[^genesis-23-16-20]: Kanttekening 20: Eertijds woog men elkaar het geld toe, in het kopen en verkopen, gelijk men het nu elkaar toetelt.
[^genesis-23-17-c]: Verwijzing c: Hand. 7:16 . Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-23-17-21]: Kanttekening 21: Hebr. stond, of stond op. Dat is, kwam en verbleef aan Abraham. Als ook onder vers 20 . Genesis 23:20 : Zo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.
[^genesis-23-18-22]: Kanttekening 22: Zie bov. vers 10 . Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende:
[^genesis-23-19-23]: Kanttekening 23: tegenover Mamre: Hebr. tegen het aangezicht Mamre.
[^genesis-23-19-24]: Kanttekening 24: Zie bov. vers 2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^genesis-23-19-25]: Kanttekening 25: het land Kanaän: Dat wel Abraham en zijn zaad door God gegeven was, om op zijn tijd erfelijk te bezitten, maar daar hij vooralsnog een vreemdeling daarin was, heeft hij gelijk ook andere gelovige voorvaders begeerd daarin begraven te worden, tot een teken dat zij geloofden de beloftenis Gods, van dit land te zullen bezitten, dat hun een pand was van het hemelse Kanaän.

### Genesis 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/24.json)

*Abraham is oud en rijk, laat zijn oudste knecht een eed afleggen en stuurt hem naar Mesopotamie, naar zijn familie, om een vrouw te halen voor zijn zoon Izak, vers 1. De knecht vertrekt goed toegerust en voert de opdracht getrouw en godvrezend uit, 10, en door YHWH's wonderlijke leiding zeer voorspoedig: hij vindt al snel Rebekka, met volledige instemming van haar familie, 50. Hij reist met Rebekka terug en brengt haar bij Izak, 61, die haar ontvangt, trouwt en liefheeft, 66.*

**1** Abraham nu was[^genesis-24-1-1] oud[^genesis-24-1-2] en op dagen gekomen; en YHWH had Abraham in alles[^genesis-24-1-3] gezegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v1)

**2** Zo sprak Abraham tot zijn knecht,[^genesis-24-2-4] de oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had:[^genesis-24-2-5][^genesis-24-2-a] Leg toch uw hand onder mijn heup, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v2)

**3** Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde,[^genesis-24-3-b] dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters[^genesis-24-3-6] van de Kanaänieten, onder wie ik woon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v3)

**4** Maar dat u naar[^genesis-24-4-7] mijn land, en naar[^genesis-24-4-8] mijn familie trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v4)

**5** [^genesis-24-5-9] En die knecht zei tot hem: Misschien zal die[^genesis-24-5-10] vrouw mij niet willen[^genesis-24-5-11] volgen in dit land; zal ik dan uw zoon[^genesis-24-5-12] moeten terugbrengen in het land, waar u uitgetogen bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v5)

**6** En Abraham zei tot hem:[^genesis-24-6-13] Pas op dat u mijn zoon niet weer daarheen brengt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v6)

**7** [^genesis-24-7-c]De YHWH, de God van de hemel, Die mij uit het huis van mijn vader en uit het land van mijn familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende:[^genesis-24-7-d] Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v7)

**8** Maar als de vrouw u niet volgen wil, zo zult u[^genesis-24-8-14] rein zijn van deze mijn eed; alleen breng mijn zoon daar niet weer heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v8)

**9** Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v9)

**10** En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en trok heen; en[^genesis-24-10-15] al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en trok heen naar[^genesis-24-10-16] Mesopotamië, naar de[^genesis-24-10-17] stad van Nahor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v10)

**11** En hij[^genesis-24-11-18] deed de kamelen neerknielen buiten de stad, bij een waterput, van de avondtijd, ten tijde, als de putsters uitkwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v11)

**12** En hij zei: YHWH! God van mijn heer[^genesis-24-12-19] Abraham! doe[^genesis-24-12-20] haar mij toch vandaag ontmoeten, en doe goedertierenheid bij Abraham, mijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v12)

**13** Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochters van de mannen van deze stad zijn uitgaande om water te putten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v13)

**14** [^genesis-24-14-21] Zo gebeure, dat dat meisje, tot wie ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen drenken; laat die het zijn, die U Uw knecht Izak[^genesis-24-14-22] toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat U goedertierenheid bij mijn heer gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v14)

**15** En het gebeurde, voordat hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit,[^genesis-24-15-e] die aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broer van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v15)

**16** En dat meisje was zeer[^genesis-24-16-23] knap qua uiterlijk, een maagd, en[^genesis-24-16-24] geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v16)

**17** Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zei: Laat mij toch een beetje water uit uw kruik drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v17)

**18** En zij zei: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neer op haar hand, en gaf hem te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v18)

**19** Als zij nu voltooid had van hem drinken te geven, zei zij: Ik zal ook voor uw kamelen putten, totdat zij voltooid hebben te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v19)

**20** En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weer naar de put om te putten, en zij putte voor al zijn kamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v20)

**21** En de man[^genesis-24-21-25] ontzette zich over haar,[^genesis-24-21-26] stilzwijgende, om te merken, of YHWH zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v21)

**22** En het gebeurde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden[^genesis-24-22-27] voorhoofdsiersel nam, waarvan het gewicht een halve sikkel was[^genesis-24-22-28][^genesis-24-22-29], en twee[^genesis-24-22-30] armringen[^genesis-24-22-31] aan haar handen, waarvan het gewicht tien sikkels goud was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v22)

**23** [^genesis-24-23-32] Want hij had gezegd: Wiens dochter bent u? geef het mij toch te kennen; is er in het huis van uw vader ook plaats voor ons, om te overnachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v23)

**24** En zij had tot hem gezegd:[^genesis-24-24-f] Ik ben de dochter van[^genesis-24-24-33] Bethuël, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v24)

**25** Verder had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voer bij ons, ook plaats om te overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v25)

**26** Toen[^genesis-24-26-34] neigde die man zijn hoofd, en[^genesis-24-26-35] aanbad YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v26)

**27** En hij zei:[^genesis-24-27-36] Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn goedertierenheid en[^genesis-24-27-37] waarheid niet nagelaten heeft[^genesis-24-27-38] van mijn heer;[^genesis-24-27-39] voor wat betreft mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijn heer broers.[^genesis-24-27-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v27)

**28** En dat meisje liep, en gaf in het huis van haar moeder te kennen, zoals deze zaken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v28)

**29** En Rebekka had een broer, van wie de naam Laban was; en Laban liep tot die man naar buiten tot de fontein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v29)

**30** En het gebeurde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijn zus; en als hij gehoord had de woorden zijn zus Rebekka, zeggende: Zo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot die man, en ziet, hij stond bij de kamelen, bij de fontein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v30)

**31** En hij zei: Kom in,[^genesis-24-31-41] u, gezegende van YHWH! waarom zou u buiten staan? want ik heb het huis[^genesis-24-31-42] bereid, en de plaats voor de kamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v31)

**32** Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kamelen, en men gaf de kamelen stro en voer; en water[^genesis-24-32-43] om zijn voeten te wassen, en de voeten van de mannen, die bij hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v32)

**33** Daarna[^genesis-24-33-44] werd hem te eten voorgezet; maar hij zei: Ik zal niet eten, voordat ik mijn woorden gesproken heb. En[^genesis-24-33-45] hij zei: Spreek! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v33)

**34** Toen zei hij: Ik ben een[^genesis-24-34-46] knecht van Abraham; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v34)

**35** En YHWH heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij[^genesis-24-35-47] groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kamelen, en ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v35)

**36** En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon[^genesis-24-36-48] gebaard, nadat zij oud geworden was; en[^genesis-24-36-49] hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v36)

**37** En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende:[^genesis-24-37-50] U zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochters van de Kanaänieten, in wier land ik woon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v37)

**38** [^genesis-24-38-51] Maar u zult trekken naar het huis van mijn vader, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v38)

**39** Toen zei ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v39)

**40** En hij zei tot mij: De YHWH, voor Wiens aangezicht[^genesis-24-40-52] ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat u voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit het huis van mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v40)

**41** Dan zult u van mijn[^genesis-24-41-53] eed rein zijn, wanneer u tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en als zij haar u niet geven, zo zult u rein zijn van mijn eed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v41)

**42** En ik kwam vandaag aan de fontein; en ik zei: O, YHWH! God van mijn heer Abraham! zo U nu mijn weg voorspoedig maken zult, waarop ik ga; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v42)

**43** Zie, ik sta bij de waterfontein; zo gebeure, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot wie ik zeggen zal: Geef mij toch een beetje water te drinken uit uw kruik; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v43)

**44** En zij tot mij zal zeggen: Drink u ook, en ik zal ook uw kamelen putten; dat deze die vrouw zij, die YHWH aan de zoon van mijn heer heeft toegewezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v44)

**45** Voordat ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zei tot haar: Geef mij toch te drinken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v45)

**46** Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neer, en zei: Drink u, en ik zal ook uw kamelen drenken; en ik dronk, en zij gaf ook de kamelen te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v46)

**47** Toen vroeg ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, die Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel[^genesis-24-47-54] op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v47)

**48** En ik neigde mijn hoofd, en aanbad YHWH; en ik loofde YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die mij[^genesis-24-48-55] op de rechte weg geleid had, om de dochter van de[^genesis-24-48-56] broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v48)

**49** Nu dan, zo u goedertierenheid en[^genesis-24-49-57] trouw aan mijn heer[^genesis-24-49-58] doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen,[^genesis-24-49-59] opdat ik mij ter rechterhand of ter linkerhand[^genesis-24-49-60] wende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v49)

**50** Toen antwoordde[^genesis-24-50-61] Laban, en Bethuël, en zeiden:[^genesis-24-50-62] Van YHWH is deze zaak voortgekomen; wij kunnen[^genesis-24-50-63] kwaad noch goed tot u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v50)

**51** Zie, Rebekka is voor uw aangezicht;[^genesis-24-51-64] neem haar en trek heen; zij zij de vrouw van de zoon van uw heer, zoals YHWH gesproken heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v51)

**52** En het gebeurde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v52)

**53** En de knecht langde voort zilveren[^genesis-24-53-65] kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder[^genesis-24-53-66] kostbaarheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v53)

**54** Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij overnachtten, en zij stonden van de morgen op, en hij zei: Laat mij trekken tot mijn heer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v54)

**55** Toen zei haar broer, en haar moeder: Laat het meisje enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna[^genesis-24-55-68] zult u gaan.[^genesis-24-55-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v55)

**56** Maar hij zei tot hen: Houd mij niet op, omdat YHWH mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v56)

**57** Toen zeiden zij:[^genesis-24-57-69] Laat ons het meisje roepen, en haar mond vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v57)

**58** En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult u met deze man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v58)

**59** Toen lieten zij Rebekka,[^genesis-24-59-70] hun zus, en[^genesis-24-59-71] haar voedster trekken, en ook Abrahams knecht en zijn mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v59)

**60** En[^genesis-24-60-72] zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zus![^genesis-24-60-73] wordt u tot duizenden[^genesis-24-60-74] millioenen, en[^genesis-24-60-75] uw zaad bezitte de poort van zijn vijanden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v60)

**61** En Rebekka maakte zich op met haar[^genesis-24-61-76] meisjes, en zij reden op kamelen, en volgden de man; en[^genesis-24-61-77] die knecht nam Rebekka, en trok heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v61)

**62** Izak nu kwam, van daar men komt tot[^genesis-24-62-78] de[^genesis-24-62-g] put Lachai-roi; en hij woonde[^genesis-24-62-79] in het zuiderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v62)

**63** En Izak was uitgegaan om[^genesis-24-63-80] te bidden in het veld,[^genesis-24-63-81] tegen het naderen van de avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kamelen kwamen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v63)

**64** Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en[^genesis-24-64-82] zij viel van de kameel af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v64)

**65** En zij zei tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zei: Dat is mijn heer! Toen nam zij de sluier, en[^genesis-24-65-83] bedekte zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v65)

**66** En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v66)

**67** En Izak bracht[^genesis-24-67-84] haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij had haar lief. Zo werd Izak getroost[^genesis-24-67-85] na van zijn moeders dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/24.html#v67)

[^genesis-24-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven Gen. 18:11 . Abraham was in deze tijd omtrent 140 jaren oud; want hij was honderd jaren oud toen Izak geboren werd, boven, Gen. 21:5 ; en Izak was 40 jaren oud, toen hij Rebekka trouwde; onder Gen. 25:20 . Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen. Genesis 21:5 : En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd. Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-24-1-2]: Kanttekening 2: wel bedaagd: Hebr. gaande in dagen; Zie deze manier van spreken boven, Gen. 18:11 . Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen.
[^genesis-24-1-3]: Kanttekening 3: Zie bov. Gen. 12:2 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^genesis-24-2-4]: Kanttekening 4: de oudste: Hebr. de ouden. Versta de verzorger en opperknecht van zijn huisgezin, genoemd Eliëzer van Damascus. Zie boven, Gen. 15:2 . Genesis 15:2 : Toen zei Abram: Heer, YHWH! wat zult U mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?
[^genesis-24-2-5]: Kanttekening 5: Leg toch uw hand: Een manier van doen, gebruikelijk in het eedzweren, dat de huisheer van zijn huisvolk vorderde, tot een teken van onderwerping en trouw. Zie ook onder Gen. 47:29 . Anders heeft men ook in het zweren de handen opgeheven; boven, Gen. 14:22 ; Openb. 10:5 . Genesis 47:29 : Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Openbaring 10:5 : En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel.
[^genesis-24-2-a]: Verwijzing a: onder, Gen. 47:29 . Genesis 47:29 : Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;
[^genesis-24-3-b]: Verwijzing b: onder, Gen. 28:1 . Genesis 28:1 : En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän.
[^genesis-24-3-6]: Kanttekening 6: van de Kanaänieten: Hebreeuws, van de Kanaänieters . Zie van deze boven, Gen. 10:15 , 10:16 , etc. Van deze wilde Abraham voor zijn zonen geen vrouwen hebben, omdat zij geheel afgodisch, grote zondaren, en buiten het verbond met God waren. Vergelijk onder, Gen. 28:1 , 28:2 , Ex. 34:16 , Deut. 7:3 , Joz. 23:12 , Ezra 9:1 , 9:2 , 9:3 , Neh. 13:23 , 13:25 , etc., 2 Kor. 6:14 , 6:15 . Van dit recht van de ouderen in de huwelijken van de kinderen in het algemeen, zie bov. Gen. 6:2 en Gen. 21:21 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, Genesis 28:1 : En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän. Genesis 28:2 : Maak u op, ga naar Paddan-aram, in het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, uw moeders broer. Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Jozua 23:12 : Want zo u enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en u tot hen zult ingaan, en zij tot u; Ezra 9:1 : Als nu deze dingen voltooid waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Ezra 9:2 : Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken van deze landen; ja, de hand van de vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. Ezra 9:3 : Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder. Nehemia 13:23 : Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Nehemia 13:25 : Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Als u uw dochters hun zonen zult geven, en als u van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen! 2 Korinthiërs 6:14 : Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 2 Korinthiërs 6:15 : En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met de ongelovige? Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Genesis 21:21 : En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
[^genesis-24-4-7]: Kanttekening 7: mijn land: Abrahams vaderland was Ur van de Chaldeën, zijnde een gedeelte van het hele land, gelegen tussen de rivieren Eufraat en Tigris, waarin Mesopotamië, alwaar Nahor woonde, mee begrepen was.
[^genesis-24-4-8]: Kanttekening 8: mijn familie: Van die hij tijdingen ontvangen had, boven, Gen. 22:20 . Deze waren wel door de bijwoning van afgodische ingezetenen ook met afgoderij besmet, als blijkt onder, Gen. 31:19 , 31:30 , 31:32 , 31:35 , en Joz. 24:2 , maar niet zo gruwelijk vervallen in afgoderij en andere grove zonden gelijk de verworpene Kanaänieten. Zie Deut. 12:30 , 12:31 . Genesis 22:20 : En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broer, zonen gebaard: Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had. Genesis 31:30 : En nu, u hebt immers willen vertrekken, omdat u zo vurig verlangde naar uws vaders huis; waarom hebt u mijn goden gestolen? Genesis 31:32 : Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken u voor onze broers, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel ze gestolen had. Genesis 31:35 : En zij zei tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Deuteronomium 12:30 : Wacht u, dat u niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat u niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, zo zal ik ook doen. Deuteronomium 12:31 : U zult zo niet doen YHWH, uw God; want al wat YHWH een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor hun goden.
[^genesis-24-5-9]: Kanttekening 9: die knecht: Hier en in het vervolg blijkt de zonderlinge voorzichtigheid en godvruchtigheid van deze dienaar, die vóór het zweren de mening van zijn heer volkomenlijk begeert te verstaan.
[^genesis-24-5-10]: Kanttekening 10: Versta een jonge dochter, die Izaks vrouw zou worden.
[^genesis-24-5-11]: Kanttekening 11: Hebr. achter mij gaan. Zo ond. vers 8 . Genesis 24:8 : Maar als de vrouw u niet volgen wil, zo zult u rein zijn van deze mijn eed; alleen breng mijn zoon daar niet weer heen.
[^genesis-24-5-12]: Kanttekening 12: moeten wederbrengen: Hebr. wederbrengende wederbrengen. Dit wordt gezegd niet ten aanzien van Izak, die daar nimmer geweest was, maar ten aanzien van Abraham, in wiens lenden Izak in die tijd besloten was.
[^genesis-24-6-13]: Kanttekening 13: Wacht u: Eensdeels, omdat God hem en zijn toekomstig zaad in dit land Kanaän, met belofte van dat te erven, uit Chaldeën geroepen had; anderdeels om het perijkel van afgoderij, waartoe Izak had mogen verleid worden. Hebr. wordt bewaard, of behoed voor u .
[^genesis-24-7-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 12:1 . Genesis 12:1 : De YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^genesis-24-7-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 12:7 ; boven, Gen. 13:15 ; boven, Gen. 15:18 ; boven, Gen. 26:4 ; Ex. 32:13 ; Deut. 34:4 ; Hand. 7:5 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Exodus 32:13 : Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan welke U bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan. Handelingen 7:5 : En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
[^genesis-24-8-14]: Kanttekening 14: rein zijn: Dat is, ontslagen en vrij of onschuldig zijn van de eed, die ik u opleg.
[^genesis-24-10-15]: Kanttekening 15: het goed: Dat is, allerlei nodig en kostbaar goed nam hij met goedvinden van zijn heer mee, zo tot de reis, als tot verering, daar het in deze zaak dienstig zou wezen. Zie vers 54 . Genesis 24:54 : Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij overnachtten, en zij stonden 's morgens op, en hij zei: Laat mij trekken tot mijn heer!
[^genesis-24-10-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, Syrië van de twee rivieren , zo genoemd omdat het gelegen was tussen twee rivieren, Tigris aan het oosten, en Eufraat aan het westen. Zie van deze naam ook Deut. 23:4 , Richt. 3:8 . Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Richteren 3:8 : Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamië; en de kinderen van Israël dienden Cuschan Rischataim acht jaren.
[^genesis-24-10-17]: Kanttekening 17: van Nahor: Dat is, waar Nahor woonde; zie boven Gen. 23:10 . Versta de stad Haran, gelijk afgenomen wordt uit Gen. 28:10 , en Gen. 29:4 . Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: Genesis 28:10 : Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran. Genesis 29:4 : Toen zei Jakob tot hen: Mijn broers! van waar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
[^genesis-24-11-18]: Kanttekening 18: Om te rusten, of te pleisteren, zoals de gewoonte is van beesten wanneer zij vermoeid zijn.
[^genesis-24-12-19]: Kanttekening 19: haar : Te weten, de jonge dochter, of ook, mijn begeerte.
[^genesis-24-12-20]: Kanttekening 20: Hebr. voor mijn aangezicht.
[^genesis-24-14-21]: Kanttekening 21: Zo geschiede: Dit teken begeert hij niet uit mistrouwen of vermetelheid, maar uit een bijzonder vertrouwen, dat God in hem wrocht, die door zijn beleid dit alles zo geschikt had, gelijk de uitkomst zulks heeft bewezen, zoals in het volgende blijkt; zie dergelijke exempelen Richt. 6:17 , 1 Sam. 14:9 , 14:10 . Richteren 6:17 : En hij zei tot Hem: Als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat U het bent, Die met mij spreekt. 1 Samuël 14:9 : Als zij aldus tot ons zeggen: Staat stil, totdat wij aan u komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen. 1 Samuël 14:10 : Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want YHWH heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn.
[^genesis-24-14-22]: Kanttekening 22: Anders, toegeschikt, of voorbereid.
[^genesis-24-15-e]: Verwijzing e: boven, Gen. 22:23 . Genesis 22:23 : (En Bethuël verwekte Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham.
[^genesis-24-16-23]: Kanttekening 23: Hebr. goed (טוֺב); zie boven, Gen. 6:2 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
[^genesis-24-16-24]: Kanttekening 24: geen man had haar bekend: Zie deze manier van spreken boven, Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^genesis-24-21-25]: Kanttekening 25: Te weten, door grote blijdschap en verwondering, ziende dat het teken, dat hij van de Heer verzocht had, zo haastig hem voor ogen kwam.
[^genesis-24-21-26]: Kanttekening 26: Bedenkende bij zichzelven hoe wonderlijk de genadige voorzienigheid Gods zich hier vertoonde, en willende voortaan wel waarnemen of het volgende met dit begin geheel overeenkomen zou.
[^genesis-24-22-27]: Kanttekening 27: Het Hebreeuwse woord betekent hier voorhoofdsiersel, gelijk blijkt onder vers 47 , Jes. 3:21 ; Ez. 16:12 . Somtijds betekent het ook een oorring of oorsiersel, onder, Gen. 35:4 , en Ex. 32:2 , 32:3 . Genesis 24:47 : Toen vraagde ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, welke Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; Jesaja 3:21 : De ringen en de voorhoofdsierselen, Ezechiël 16:12 : Evenzo deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. Genesis 35:4 : Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is. Exodus 32:2 : Aäron nu zei tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, van uw zonen, en van uw dochters zijn; en brengt ze tot mij. Exodus 32:3 : Toen rukte het gehele volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron.
[^genesis-24-22-28]: Kanttekening 28: een halve: Het Hebreeuwse woord wordt verklaard een halven sikkel; Ex. 38:26 . Exodus 38:26 : Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.
[^genesis-24-22-29]: Kanttekening 29: Omtrent de zilveren sikkel, zie boven, Gen. 20:16 . De gouden en de zilveren sikkels hadden beiden een gewicht, de algemene wegende 160 gastkorrels, of een half lood; de heilige nog eens zoveel, namelijk 320 korrels, of een geheel lood. Een lood goud was tienmaal zoveel als een lood zilvers. Een lood zilvers deed een halven rijksdaalder, en bijgevolg een lood gouds vijf rijkdaalders, of twaalf en een halven gulden. Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^genesis-24-22-30]: Kanttekening 30: Die men nu gewoonlijk noemt braceletten.
[^genesis-24-22-31]: Kanttekening 31: haar handen: Versta hierbij, hij gaf die, of legde die aan haar handen, gelijk het woord nemen, in dit vs. vers 22 gesteld, dikwijls gebruikt wordt, hebbende niet alleen zijn eigen betekenis, maar ook een andere daaronder begrijpende; zie boven, Gen. 12:15 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^genesis-24-23-32]: Kanttekening 32: Want hij: Verg. ond. vers 47 . Genesis 24:47 : Toen vraagde ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, welke Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;
[^genesis-24-24-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 22:23 . Genesis 22:23 : (En Bethuël verwekte Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham.
[^genesis-24-24-33]: Kanttekening 33: de zoon van Milka: Dit wordt hier bijgevoegd opdat de knecht van Abraham zou weten en verstaan dat zij echt en recht geboren was, uit de wettelijke en principale vrouw, en niet uit het bijwijf Reüma. Zie boven, Gen. 22:23 , 22:24 . Genesis 22:23 : (En Bethuël verwekte Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham. Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^genesis-24-26-34]: Kanttekening 34: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk met het hoofd nederwaarts bukken.
[^genesis-24-26-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord betekent het neerbuigen en krommen van het hele lichaam; dat hierin zich sluit een religieuzen en godsdienstigen eerbied tot God; verenigd met aanbidding; zie ook boven Gen. 22:5 ; idem, Ps. 66:4 ; Neh. 9:3 , enz. Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren. Psalmen 66:4 : De gehele aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela. Nehemia 9:3 : Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek van YHWH, huns Gods, een vierendeel van de dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden YHWH, hun God.
[^genesis-24-27-36]: Kanttekening 36: Zie boven Gen. 14:20 . Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^genesis-24-27-37]: Kanttekening 37: De getrouwheid in het houden van zijn beloften. Zo ond. Gen. 32:10 ; Ps. 143:1 ; Jes. 38:18 , 38:19 . Genesis 32:10 : Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! Psalmen 143:1 : Een psalm van David. O YHWH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. Jesaja 38:18 : Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. Jesaja 38:19 : De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken.
[^genesis-24-27-38]: Kanttekening 38: van mijn heer: Hebr. van met, of van bij mijnen heer; versta te bewijzen, of te oefenen.
[^genesis-24-27-39]: Kanttekening 39: aangaande mij: Hebr. ik, dat is, wat mij betreft; zo wordt het genomen boven Gen. 9:9 , en Gen. 17:4 ; 1 Kron. 28:2 ; Ps. 35:13 , en Ps. 41:13 , en elders. Genesis 9:9 : Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; Genesis 17:4 : Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden! 1 Kronieken 28:2 : En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem. Psalmen 41:13 : Want mij aangaande, U onderhoudt mij in mijn oprechtheid, en U stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.
[^genesis-24-27-40]: Kanttekening 40: Dat is, magen, bloedvrienden. Zie boven, Gen. 13:8 , en onder vers 48 ; Mark. 3:31 , 3:32 . Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers. Genesis 24:48 : En ik neigde mijn hoofd, en aanbad YHWH; en ik loofde YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die mij op de rechte weg geleid had, om de dochter van de broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen. Marcus 3:31 : Zo kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem. Marcus 3:32 : En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers daar buiten zoeken U.
[^genesis-24-31-41]: Kanttekening 41: u, gezegende van YHWH: Een treffelijke tytel, die de Israëlieten Gods treffelijke vrienden plachten te geven, beduidende, dat God hen wel gedaan had, en nog met Zijn genade en weldadigheid hen bij was. Zie onder, Gen. 26:29 , Ruth 3:10 , Ps. 115:15 . Genesis 26:29 : Zo u bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van YHWH! Ruth 3:10 : En hij zei: Gezegend zijt u YHWH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk. Psalmen 115:15 : Gijlieden zijt YHWH gezegend, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
[^genesis-24-31-42]: Kanttekening 42: Of, gezuiverd, gereinigd, uitgeruimd, en alles wat in de weg was, weggedaan. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Lev. 14:36 . Leviticus 14:36 : En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien.
[^genesis-24-32-43]: Kanttekening 43: om zijn voeten te wassen: Zie boven, Gen. 18:4 , en de aantekening. Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^genesis-24-33-44]: Kanttekening 44: werd hem: Hebr. voor zijn aangezicht werd gezet om te eten.
[^genesis-24-33-45]: Kanttekening 45: Te weten Laban.
[^genesis-24-34-46]: Kanttekening 46: knecht van Abraham: Zie boven, vers 2 . Genesis 24:2 : Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,
[^genesis-24-35-47]: Kanttekening 47: groot geworden: Dat is, rijk en machtig; zo onder Gen. 26:13 ; 2 Kon. 4:8 . Genesis 26:13 : En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. 2 Koningen 4:8 : Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat daar een grote vrouw was, die hem aanhield om brood te eten. Verder geschiedde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.
[^genesis-24-36-48]: Kanttekening 48: nadat zij oud geworden was: Hebr. na haar ouderdom; dat is, door een bovennatuurlijke werking van de Heer, waaruit een ongewone zegening, volgens zijn beloftenis, te verwachten is.
[^genesis-24-36-49]: Kanttekening 49: hij heeft hem gegeven: Dat is, hij heeft hem erfgenaam van alles gemaakt.
[^genesis-24-37-50]: Kanttekening 50: U zult: Zie boven, vers 3 . Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;
[^genesis-24-38-51]: Kanttekening 51: u zult trekken: Anders, zult u niet trekken? of, zo u niet trekt, enz; waarop dan verstaan moet worden: wee u of, zo doe u God dit of dat. Zie bov. Gen. 14:22 , 14:23 , en Gen. 21:23 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Genesis 21:23 : Zo zweer mij nu hier bij God: Zo u mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult u doen bij mij, en bij het land, waarin u als vreemdeling verkeert.
[^genesis-24-40-52]: Kanttekening 52: Zie boven Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-24-41-53]: Kanttekening 53: Anders, vloek, of eed van de vloek; dat is, van de straf die ieder, valselijk zwerende, op zich haalt.
[^genesis-24-47-54]: Kanttekening 54: op haar aangezicht: Of, op haar neus, zodat het van het voorhoofd nederwaarts hing op de neus.
[^genesis-24-48-55]: Kanttekening 55: de rechte weg: Hebr. de weg van de waarheid; dat is, de ware of de rechte weg.
[^genesis-24-48-56]: Kanttekening 56: Dat is, bloedverwant, want Bethuël was de zoon van Nahor, Abrahams broer. Zie bov. vers 27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^genesis-24-49-57]: Kanttekening 57: Hebr. waarheid (אֱמֶת).
[^genesis-24-49-58]: Kanttekening 58: doen zult: Hebr. zo u bent doende.
[^genesis-24-49-59]: Kanttekening 59: Dat is, opdat ik mij elders op de ene of op de andere weg begeven mag, om mijns heren last uit te voeren.
[^genesis-24-49-60]: Kanttekening 60: mij ter rechterhand of ter linkerhand wende: Of, omzie ter rechter-, of ter linkerhand.
[^genesis-24-50-61]: Kanttekening 61: De zoon wordt hier vóór de vader gesteld, omdat hij, zoals men houdt, van de vader last had het woord te voeren, en het huisbestuur meest bij hem stond, zijnde zijn vader niet alleen bedaagd, maar ook misschien ziekelijk.
[^genesis-24-50-62]: Kanttekening 62: Van YHWH: Hier blijkt dat bij deze mensen nog enige kennis en vrees voor de ware God geweest is; zie hier vers 50 en vers 51 . Genesis 24:50 : Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van YHWH is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken. Genesis 24:51 : Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek heen; zij zij de vrouw van de zoon uws heren, gelijk YHWH gesproken heeft!
[^genesis-24-50-63]: Kanttekening 63: kwaad noch goed: Dat is, wij kunnen er niets in tegenspreken; verg. onder, Gen. 31:24 , 31:25 , 31:29 ; en 2 Sam. 13:22 . Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad. Genesis 31:25 : En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broers de zijne op het gebergte van Gilead. Genesis 31:29 : Het ware in de macht mijner hand aan u kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad. 2 Samuël 13:22 : Maar Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, ter oorzake dat hij zijn zus Thamar verkracht had.
[^genesis-24-51-64]: Kanttekening 64: neem haar: Zie boven, vers 3 . Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;
[^genesis-24-53-65]: Kanttekening 65: zilveren kleinoden: Hebr. vaten van zilver, en vaten van goud, dat is, zilverwerk en goudwerk.
[^genesis-24-53-66]: Kanttekening 66: Het Hebreeuwse woord beduidt alles wat uitgelezen en kostelijk is, en in het bijzonder uitgelezen en kostelijke vruchten van het land. Zie Deut. 33:13 , 33:14 , 33:15 ; en 2 Kron. 21:3 , en 2 Kron. 32:23 ; Ezra 1:6 . Deuteronomium 33:13 : En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van YHWH, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; Deuteronomium 33:14 : En van de uitnemendste inkomsten van de zon, en van de uitnemendste voortzetting van de maan; Deuteronomium 33:15 : En van het voornaamste van de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen; 2 Kronieken 21:3 : En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. 2 Kronieken 32:23 : En velen brachten geschenken tot YHWH te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd. Ezra 1:6 : Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met bezittingen, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.
[^genesis-24-55-68]: Kanttekening 68: zult u: Anders, zal zij.
[^genesis-24-55-67]: Kanttekening 67: enige dagen, of tien : Zie boven, Gen. 4:3 . Sommigen verstaan door dagen of tien, een vol jaar \[dat een jaar van de dagen genoemd wordt\] of tien maanden. Het woord of wordt ook wel eens verstaan als: immers. Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH offer bracht.
[^genesis-24-57-69]: Kanttekening 69: Laat ons: Dat is, laat ons horen wat zij van dit haastig vertrek zal zeggen; want zij heeft toegestaan het huwelijk, om de wil van haar ouders en vrienden, en tot een teken daarvan de geschenken ontvangen.
[^genesis-24-59-70]: Kanttekening 70: hun zus: Versta, hun bloedverwante; want niet alleen Laban haar broer, maar ook de andere bloedvrienden hebben afscheid van haar genomen, en zo in het volgende vs.
[^genesis-24-59-71]: Kanttekening 71: haar voedster: Genaamd Debora: onder, Gen. 35:8 . Genesis 35:8 : En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder die eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth.
[^genesis-24-60-72]: Kanttekening 72: zij zegenden: Zie bov. Gen. 14:19 . Genesis 14:19 : En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
[^genesis-24-60-73]: Kanttekening 73: Zij wensen haar dat zij mag worden een moeder van ontelbare mensen; verg. Dan. 7:10 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
[^genesis-24-60-74]: Kanttekening 74: Dat is tienduizenden.
[^genesis-24-60-75]: Kanttekening 75: uw zaad: Zie bov., Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^genesis-24-61-76]: Kanttekening 76: jonge dochters: Die de vrienden haar tot gezelschap en dienst medegaven.
[^genesis-24-61-77]: Kanttekening 77: die knecht: Te weten, Abrahams knecht.
[^genesis-24-62-78]: Kanttekening 78: de put: Zie omtrent deze put boven, Gen. 16:14 , en Gen. 25:11 . Genesis 16:14 : Daarom noemde men die put, de put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered. Genesis 25:11 : En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-roi.
[^genesis-24-62-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 16:14 ; onder, Gen. 25:11 . Genesis 16:14 : Daarom noemde men die put, de put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered. Genesis 25:11 : En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-roi.
[^genesis-24-62-79]: Kanttekening 79: in het zuiderland: In het zuiden van het land Kanaän, omtrent Berseba en Gerar.
[^genesis-24-63-80]: Kanttekening 80: te bidden: Of, om te denken, om te peinzen, dat is, om zijn zinnen met godzalige gedachten en aanbiddingen voor de Heer te oefenen.
[^genesis-24-63-81]: Kanttekening 81: Hebr. tegen, of met het aanzien van de avond. Zo ook Ex. 14:27 , tegen, of met het aanzien van de morgenstond, dat is, tegen het naken, enz. Exodus 14:27 : Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en YHWH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee.
[^genesis-24-64-82]: Kanttekening 82: zij viel: Dat is, zij is haastig afgeklommen, uit ontsteltenis en bedenking of die persoon Izak mocht zijn; tegelijk de knecht daarnaar vragende. Anderen menen dat zij niet afgeklommen is, voordat zij van de knecht verstaan had, dat het Izak was; en in die zin wordt het volgende vers door sommigen overgezet; want zij had gezegd tot de knecht, enz.
[^genesis-24-65-83]: Kanttekening 83: Tot een teken van schaamte en onderwerping.
[^genesis-24-67-84]: Kanttekening 84: in de tent: Zie bov. Gen. 18:10 , en Gen. 23:2 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^genesis-24-67-85]: Kanttekening 85: na zijn moeders dood : Die nu drie jaren dood was. De langdurigheid van deze rouw was een teken van zijn liefde tegenover zijn moeder.

### Genesis 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/25.json)

*Na de dood van Sara trouwt Abraham met Ketura, en krijgt uit haar kin deren en kleinkin deren, vers 1. Hij maakt Izak erfgenaam van al zijn bezit en stuurt de kin deren van de bijvrouwen met geschenken weg naar het Oosten, 4. Abrahams ouderdom, dood en begrafenis, 7. Izak wordt na zijn vaders dood gezegend, 11. Ismaëls nageslacht, ouderdom en dood, 12. Izak bidt God voor zijn vrouw, die zwanger wordt en Ezau en Jakob baart; beider karakter wordt beschreven, 21. Ezau verkoopt zijn eerstgeboorterecht aan Jakob, 29.*

**1** En Abraham[^genesis-25-1-1] voer voort, en nam een vrouw, van wie de naam was Ketura. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v1)

**2** [^genesis-25-2-a] En[^genesis-25-2-2] zij baarde hem[^genesis-25-2-3] Zimran en Joksan, en Medan en[^genesis-25-2-4] Midian, en Jisbak en[^genesis-25-2-5] Suah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v2)

**3** En[^genesis-25-3-6] Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v3)

**4** En de zonen van Midian waren[^genesis-25-4-7] Efa en[^genesis-25-4-8] Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze alle waren[^genesis-25-4-9] zonen van Ketura. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v4)

**5** Maar[^genesis-25-5-b] Abraham[^genesis-25-5-10] gaf aan Izak al wat hij had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v5)

**6** Maar aan de zonen van[^genesis-25-6-11] de bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, naar het oosten naar[^genesis-25-6-12] het land van het Oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v6)

**7** Dit nu zijn de dagen van de jaren van het leven van Abraham, die hij geleefd heeft,[^genesis-25-7-13] honderd vijf en zeventig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v7)

**8** En Abraham gaf de geest en stierf,[^genesis-25-8-c] in goeden[^genesis-25-8-14] ouderdom, oud en[^genesis-25-8-15] van het leven verzadigd, en hij[^genesis-25-8-16] werd met zijn voorgeslacht verenigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v8)

**9** En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in[^genesis-25-9-17] de grot van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, die tegenover Mamre is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v9)

**10** In de akker, die Abraham van de zonen van Heth gekocht had,[^genesis-25-10-18] daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v10)

**11** En het gebeurde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon,[^genesis-25-11-19] zegende; en Izak woonde bij de put[^genesis-25-11-20] Lachai-roi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v11)

**12** Dit nu zijn de[^genesis-25-12-21] afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v12)

**13** En dit zijn de[^genesis-25-13-d] namen van de zonen van Ismaël, met[^genesis-25-13-22] hun namen naar hun geboortevolgorde. De eerstgeborene van[^genesis-25-13-23] Ismaël, Nabajoth; daarna[^genesis-25-13-24] Kedar, en Adbeel, en[^genesis-25-13-25] Mibsam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v13)

**14** En Misma, en[^genesis-25-14-26] Duma, en[^genesis-25-14-27] Massa, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v14)

**15** Hadar en[^genesis-25-15-28] Thema, Jetur, Nafis en Kedma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v15)

**16** Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen,[^genesis-25-16-29] twaalf vorsten naar hun volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v16)

**17** En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf,[^genesis-25-17-30] en hij werd verzameld tot zijn volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v17)

**18** En zij woonden van[^genesis-25-18-31] Havila tot[^genesis-25-18-32] Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur;[^genesis-25-18-33] hij heeft zich neergeslagen[^genesis-25-18-34] voor het aangezicht van al zijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v18)

**19** Dit nu zijn[^genesis-25-19-35] de afstammelingen van Izak, de zoon van Abraham: Abraham verwekte Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v19)

**20** En Izak was[^genesis-25-20-36] veertig jaar oud, als hij Rebekka, de dochter van[^genesis-25-20-37] Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich tot vrouw nam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v20)

**21** En Izak[^genesis-25-21-38] bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich[^genesis-25-21-39] van hem verbidden, zodat[^genesis-25-21-e] Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v21)

**22** En[^genesis-25-22-40] de kinderen[^genesis-25-22-41] stootten zich samen in haar[^genesis-25-22-42] lichaam. Toen zei zij: Is het zo?[^genesis-25-22-43] waarom ben ik dus? en zij[^genesis-25-22-44] ging om YHWH te vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v22)

**23** En[^genesis-25-23-45] YHWH zei tot haar:[^genesis-25-23-46] Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw binnenste[^genesis-25-23-47] van een scheiden;[^genesis-25-23-f] en[^genesis-25-23-48] het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk;[^genesis-25-23-g] en[^genesis-25-23-49] de meerdere zal de mindere dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v23)

**24** Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v24)

**25** En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haar[^genesis-25-25-50] kleed; daarom noemden zij zijn naam[^genesis-25-25-51] Ezau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v25)

**26** En daarna kwam zijn broer uit,[^genesis-25-26-h] wiens hand Ezau's hiel hield; daarom noemde men zijn[^genesis-25-26-52] naam Jakob. En Izak[^genesis-25-26-53] was zestig jaar oud,[^genesis-25-26-54] als hij hen verwekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v26)

**27** Als nu deze jongens groot werden, werd Ezau een man,[^genesis-25-27-55] verstandig op de jacht,[^genesis-25-27-56] een veldman; maar Jakob werd een[^genesis-25-27-57] oprecht man,[^genesis-25-27-58] wonende in tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v27)

**28** En Izak had Ezau lief; want[^genesis-25-28-59] het stuk wild[^genesis-25-28-60] was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v28)

**29** En Jakob had[^genesis-25-29-61] een soep gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v29)

**30** En Ezau zei tot Jakob: Laat mij toch slurpen van[^genesis-25-30-62] dat rode, dat rode daar, want ik ben moe; daarom heeft men zijn naam genoemd[^genesis-25-30-63] Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v30)

**31** Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw[^genesis-25-31-64] eerstgeboorte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v31)

**32** En Ezau zei:[^genesis-25-32-i] Zie,[^genesis-25-32-65] ik ga sterven; en[^genesis-25-32-66] waartoe mij dan de eerstgeboorte? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v32)

**33** Toen zei Jakob: Zweer mij[^genesis-25-33-67] op deze dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v33)

**34** En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; zo verachtte Ezau de eerstgeboorte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/25.html#v34)

[^genesis-25-1-1]: Kanttekening 1: De zin is, dat hij na de dood van zijn huisvrouw en het trouwen van zijn zoon niet weduwnaar gebleven is; maar is voortgevaren om weer te trouwen.
[^genesis-25-2-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 1:32 . 1 Kronieken 1:32 : De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.
[^genesis-25-2-2]: Kanttekening 2: zij baarde: Hoewel Abraham nu omtrent 140 jaren oud mocht zijn, en zijn lichaam al verstorven was, toen hij honderd jaren oud was, boven Gen. 17:17 ; Rom. 4:19 ; nochtans heeft hij kinderen van deze Ketura gekregen, niet omdat hij weer wonderbaarlijk gesterkt was, evenals toen hij Izak verwekte, maar omdat hij de mirakeleuse sterkte behouden had. Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^genesis-25-2-3]: Kanttekening 3: Deze en de volgenden zijn meest inwoners geweest van Arabië en andere van Kanaän oostwaarts gelegen plaatsen.
[^genesis-25-2-4]: Kanttekening 4: De vader en oorsprong van de Midianieten; zie van deze onder Gen. 36:35 ; Richt. 6:2 ; Jes. 10:26 ; zij waren naburen van de Moabieten, Num. 22:4 , en zijn haastig van het geloof van Abraham tot afgoderij vervallen; Num. 25:16 , 25:17 , 25:18 ; hun land wordt ook Midian genoemd, Ex. 2:16 ; 1 Kon. 11:18 . Genesis 36:35 : En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam zijn stad was Avith. Richteren 6:2 : Als nu de hand van de Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen van Israël, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen. Jesaja 10:26 : Want YHWH van de legermachten zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren. Numeri 22:4 : Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente van het veld oplikt. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. Numeri 25:16 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen; Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. Exodus 2:16 : En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. 1 Koningen 11:18 : En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, de koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.
[^genesis-25-2-5]: Kanttekening 5: Hebr. Schuah (שׁוּחַ). Van deze schijnt Bildad, Jobs vriend, afkomstig te zijn geweest, Job 2:11 . Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^genesis-25-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. Jokschan (יָקְשָׁ֣ן).
[^genesis-25-4-7]: Kanttekening 7: Van Efa (Epha) zie Jes. 60:6 . Jesaja 60:6 : Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedige lof van YHWH boodschappen.
[^genesis-25-4-8]: Kanttekening 8: Men meent dat van deze Afrika de naam heeft.
[^genesis-25-4-9]: Kanttekening 9: Onder de zonen zijn hier mee begrepen de zonen van de zonen.
[^genesis-25-5-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 24:36 . Genesis 24:36 : En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft.
[^genesis-25-5-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Gen. 15:4 en Gen. 24:26 . Genesis 15:4 : En ziet, het woord van YHWH was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^genesis-25-6-11]: Kanttekening 11: Van het woord bijvrouwen, zie boven, Gen. 22:24 . Versta door deze bijwijven Hagar en Ketura, hoewel zij ook vrouwen genoemd worden. Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^genesis-25-6-12]: Kanttekening 12: het land: Versta, de landen oostwaarts van Kanaän gelegen, als Arabië en Groot-Azië, enz.
[^genesis-25-7-13]: Kanttekening 13: honderd vijf en zeventig: Hebr. honderd jaar, en zeventig jaar, en vijf jaren. Zo heeft Abraham, nadat hij van Ur vertrokken was, 105 jaren in vreemdelingenschap geleefd, en kleinkinderen van vijftien jaren nagelaten: te weten, Jakob en Ezau, zoals af te nemen is uit vers 26 . Intussen is Abraham nimmer bezweken in het geloof aan de beloften van God, noch in geduld onder velerlei kruis, noch in de hoop van de toekomende heerlijkheid, hoewel hij ook exempelen van de menselijke zwakheid heeft nagelaten. Hij stierf \[naar sommiger rekening\] in het jaar na de schepping van de wereld 2124, en na de dood van zijn huisvrouw Sara 38. Genesis 25:26 : En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte.
[^genesis-25-8-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 15:15 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden.
[^genesis-25-8-14]: Kanttekening 14: Hebr. grijsheid (שֵׂיבָה), of grauwheid gelijk God hem beloofd had; bov., Gen. 15:15 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden.
[^genesis-25-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, moe zijnde van de arbeid van dit leven, en verlangende naar de rust van het toekomende.
[^genesis-25-8-16]: Kanttekening 16: werd tot: Verg. boven Gen. 15:15 .; idem, zie deze manier van spreken onder, vers 17 , en Gen. 49:29 ; Num. 20:24 , en Num. 27:13 ; Richt. 2:10 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden. Genesis 25:17 : En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken. Genesis 49:29 : Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in de akker van Efron, de Hethiet; Numeri 20:24 : Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de kinderen van Israël gegeven heb, omdat u Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba. Numeri 27:13 : Wanneer u dat gezien zult hebben, dan zult u tot uw volken verzameld worden, u ook, gelijk als uw broer Aäron verzameld geworden is; Richteren 2:10 : En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat YHWH niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had.
[^genesis-25-9-17]: Kanttekening 17: in de akker: Zie boven, Gen. 23:9 , 23:17 , 23:19 , 23:20 . Genesis 23:9 : Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij die mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u. Genesis 23:17 : Zo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op de akker stond, dat rondom in zijn gehele landpale was gevestigd, Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Genesis 23:20 : Zo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.
[^genesis-25-10-18]: Kanttekening 18: daar is: Ook zijn naderhand daar begraven Izak en Jakob, met hun vrouwen; onder, Gen. 49:29 , 49:31 . Genesis 49:29 : Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in de akker van Efron, de Hethiet; Genesis 49:31 : Daar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.
[^genesis-25-11-19]: Kanttekening 19: Naar de beloften, die Hij Abraham tevoren gedaan had; boven, Gen. 17:7 , 17:19 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Genesis 17:19 : En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.
[^genesis-25-11-20]: Kanttekening 20: Zie boven, Gen. 16:14 , en Gen. 24:62 . Genesis 16:14 : Daarom noemde men die put, de put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered. Genesis 24:62 : Izak nu kwam, van daar men komt tot de put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland.
[^genesis-25-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, nakomelingen uit hem geboren. Dit wordt hier verhaald om te bevestigen de waarheid van de beloften van God, gedaan boven, Gen. 16:10 en Gen. 17:20 . Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
[^genesis-25-13-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 1:29 . 1 Kronieken 1:29 : Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^genesis-25-13-22]: Kanttekening 22: hun namen: Dat is, zoals zij genaamd worden naar de orde van hun geboorten; men meent dat deze twaalf zonen van Ismaël gewoond hebben in het land Nabathea, gelegen tussen de Eufraat en de Rode zee.
[^genesis-25-13-23]: Kanttekening 23: Zie Jes. 60:7 . Jesaja 60:7 : Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken.
[^genesis-25-13-24]: Kanttekening 24: Zie Ps. 120:5 ; Hoogl. 1:5 ; Jes. 21:16 ; Jer. 49:28 ; Ez. 27:21 . Psalmen 120:5 : O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Hooglied 1:5 : Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Jesaja 21:16 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan. Jeremia 49:28 : Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. Ezechiël 27:21 : Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden van uw hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.
[^genesis-25-13-25]: Kanttekening 25: Van een anderen Mibsam, die de zoon van Simeon was, lezen wij 1 Kron. 4:25 . 1 Kronieken 4:25 : Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
[^genesis-25-14-26]: Kanttekening 26: Zie Jes. 21:11 ; het is ook de naam van een stad in de stam van Juda, Joz. 15:52 . Jesaja 21:11 : De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Jozua 15:52 : Arab, en Duma, en Esan,
[^genesis-25-14-27]: Kanttekening 27: Aldus heet ook de plaats aan de berg Horeb, waar het volk van Israël met Mozes twistte.
[^genesis-25-15-28]: Kanttekening 28: Zie Job 6:19 ; Jer. 25:23 . Job 6:19 : De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. Jeremia 25:23 : Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^genesis-25-16-29]: Kanttekening 29: Dit is de vervulling van de belofte, gegeven boven Gen. 17:20 . Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;
[^genesis-25-17-30]: Kanttekening 30: en hij: Zie boven Gen. 15:15 , en boven, vers 8 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^genesis-25-18-31]: Kanttekening 31: Zie boven, Gen. 2:11 , en de aantekening daarop. Genesis 2:11 : De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het, die het gehele land van Havila omloopt, waar het goud is.
[^genesis-25-18-32]: Kanttekening 32: Zie boven, Gen. 16:7 , en Gen. 20:1 . Genesis 16:7 : En de Engel van YHWH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur. Genesis 20:1 : En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
[^genesis-25-18-33]: Kanttekening 33: hij heeft: Te weten, met ter woon. Zie Num. 34:2 ; Richt. 7:12 . Hebr. hij is gevallen, te weten, met zijn lot en erf, Joz. 23:4 ; Ps. 78:55 . Numeri 34:2 : Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn gebied. Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. Jozua 23:4 : Ziet, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, ten erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen de ondergang van de zon. Psalmen 78:55 : En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer van hun erfenis, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
[^genesis-25-18-34]: Kanttekening 34: voor het: Zie boven, Gen. 16:12 . Genesis 16:12 : En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broers.
[^genesis-25-19-35]: Kanttekening 35: de geboorten: Dat is, afkomst en nakomelingen.
[^genesis-25-20-36]: Kanttekening 36: veertig jaren: Hebr. zoon van veertig jaar.
[^genesis-25-20-37]: Kanttekening 37: Of, het landschap Mesopotamië boven genoemd Syrië van de twee rivieren, Gen. 24:10 , of een stad, of omtrek daar gelegen. Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^genesis-25-21-38]: Kanttekening 38: bad de: Anders, hield aan met bidden. In deze oefening van het gebed schijnt Izak zeer lang geweest te zijn, omdat hij zijn twee zonen eerst gekregen heeft zestig jaren oud zijnde, onder, vers 26 , toen hij twintig jaren met Rebekka was getrouwd geweest, vers 20 . Het schijnt een plechtig of bestemd gebed geweest te zijn, dat zij beiden eendrachtiglijk samen gedaan hebben, om God YHWH kinderen af te bidden. Anderen verstaan dus, dat Izak alleen gebeden heeft voor Rebekka, als hebbende haar voor zich in zijn gedachten. Genesis 25:26 : En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte. Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-25-21-39]: Kanttekening 39: van hem: Hebr. voor, of aan hem, dat is, YHWH liet zich tot zijn best verbidden.
[^genesis-25-21-e]: Verwijzing e: Rom. 9:10 . Romeinen 9:10 : En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaak, onze vader.
[^genesis-25-22-40]: Kanttekening 40: de kinderen: Hebr. zonen.
[^genesis-25-22-41]: Kanttekening 41: Te weten, op een ongewone, zeldzame, smartelijke wijze, betekenende de scheiding en vijandschap van deze twee kinderen en hun nakomelingen.
[^genesis-25-22-42]: Kanttekening 42: Hebr. in het binnenste van haar.
[^genesis-25-22-43]: Kanttekening 43: Hebr. waarom ik dus? of waartoe ik dit? Het zijn afgebroken woorden, voortkomende uit ongeduld en ontzetting over dit zeldzame werk. De zin schijnt te zijn: is het zo te doen! waarom mocht ik naar kinderen wensen? of waarom geeft die mij God? of waarom ben ik dragende geweest? of waartoe ben ik nog in het leven?
[^genesis-25-22-44]: Kanttekening 44: ging om: Te weten, in een eenzame plaats, om YHWH in deze nood vuriglijk te bidden; of om zijn mening te verstaan door enige profeet, zoals Abraham zelf, of enige anderen nog levenden godzaligen patriarch.
[^genesis-25-23-45]: Kanttekening 45: YHWH: Te weten, door enige tegenwoordige aanspraak, of door een gezicht, of in de droom, of door inwendige ingeving, geschied aan haarzelve, of aan enig profeet, die het haar van Gods wege heeft aangediend.
[^genesis-25-23-46]: Kanttekening 46: Dat is, vaders van twee volken, te weten: Edomieten en Israëlieten.
[^genesis-25-23-47]: Kanttekening 47: van een scheiden: Dat vervuld is, niet alleen lichamelijk, ten aanzien van Jakob en Ezau, alsook de Israëliëten en Edomieten, maar ook geestelijk, ten aanzien van de ware kerk en het volk van God en de vijanden derzelve.
[^genesis-25-23-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 8:14 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^genesis-25-23-48]: Kanttekening 48: het ene volk: De zin is, dat de ene broer de andere en het ene volk het andere in macht zouden te boven gaan.
[^genesis-25-23-g]: Verwijzing g: Rom. 9:12 . Romeinen 9:12 : Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-25-23-49]: Kanttekening 49: de meerdere: Deze woorden verklaren de voorgaande. Versta door de meerdere Ezau, welke, ten aanzien van de eerstgeboorte, van de sterkte van het lichaam en van het uiterlijk vermogen, de grootste geweest is; gelijk ook zijn nakomelingen lang het gebergte Seïr bezeten en daarin geregeerd hebben, toen de kinderen van Israël vreemdelingen in Kanaän, slaven in Egypte, en arme reizigers in de woestijn waren. Niettemin zou deze meerdere de mindere onderworpen zijn en dienen; dat vervuld is, eerst in Jakob, toen hij, het recht van de eerstgeboorte verkregen hebbende, een heer van zijn broer geworden is; daarna in zijn nakomelingen, toen zij het land Kanaän geërfd en de Edomieten aan zich schatplichtig gemaakt hebben; zie 2 Sam. 8:14 . Dit wordt ook vervuld in de ware kerk, welke, hoewel zij naar de uiterlijke heerlijkheid en macht veel geringer is dan de valse, is nochtans Christus door zijn woord en Geest in het midden van haar, over al zijne en haar vijanden heersende. 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^genesis-25-25-50]: Kanttekening 50: Het Hebreeuwse woord betekent een overkleed, bijv. een mantel, rok.
[^genesis-25-25-51]: Kanttekening 51: Dat is, gemaakt, volmaakt, omdat hij haar had als een volwassen man.
[^genesis-25-26-h]: Verwijzing h: Hosea 12:4 . Hosea 12:4 : In moeders buik hield hij zijn broer bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.
[^genesis-25-26-52]: Kanttekening 52: Hebr. Jaacob (יַּעֲקב). Deze naam betekent zoveel, alsof men zei: hielhouder; zie onder, Gen. 27:36 . Genesis 27:36 : Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden?
[^genesis-25-26-53]: Kanttekening 53: was zestig: Hebr. een zoon van zestig jaar. Gelijk Abraham honderd jaren oud zijnde, 25 jaren gewacht had naar de vervulling van de belofte van God, boven Gen. 12:4 ; zo heeft Izak, nu oud zijnde zestig jaren, tevoren twintig jaren moeten wachten op de vervulling van deze belofte. Zo weet God de zijnen te beproeven en te oefenen. Genesis 12:4 : En Abram toog heen, gelijk YHWH tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
[^genesis-25-26-54]: Kanttekening 54: als hij: Of, als zij hen baarde, want de tekst kan beide betekenen.
[^genesis-25-27-55]: Kanttekening 55: Hebr. verstaande de jacht, dat is, jager.
[^genesis-25-27-56]: Kanttekening 56: een veldman: Dat is, die liever op het veld dan tehuis was; zie boven, Gen. 9:20 . Genesis 9:20 : En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
[^genesis-25-27-57]: Kanttekening 57: Zie boven, Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^genesis-25-27-58]: Kanttekening 58: Dat is, hij leidde een stil leven, zijnde niet woest noch uithuizig, zoals zijn broer; maar de huislijke zaken en het veewerk verzorgende. Tot beiden dienende de tenten en hutten; zie boven, Gen. 4:20 , en Hebr. 11:9 . Genesis 4:20 : En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden. Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte.
[^genesis-25-28-59]: Kanttekening 59: het wildbraad: Anders, wildvang, of jachtvang.
[^genesis-25-28-60]: Kanttekening 60: was naar: Dat is, was hem een aangenaam voedsel, en mondde hem goed. Een menselijke zwakheid in deze vrome patriarch, dat hij daarom deze meer beminde, omtrent wie hij Gods mening tevoren klaar genoeg verstaan had.
[^genesis-25-29-61]: Kanttekening 61: een kooksel: Het Hebreeuwse woord betekent allerlei kooksel, als moes, potaadje, enz., maar onder, vers 34 , wordt het genoemd een linzenkooksel. Genesis 25:34 : En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; zo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
[^genesis-25-30-62]: Kanttekening 62: dat rode: Het woord wordt verdubbeld, om te tonen zijn onmatige begeerte tot dit kooksel, dat hem zeer schoon en smakelijk toescheen; of omdat het zeer ros was; zo goed, goed voor; zeer goed, Richt. 11:25 ; kwaad, kwaad, voor: zeer kwaad, Spr. 20:14 . Richteren 11:25 : Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gekrijgd? Spreuken 20:14 : Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
[^genesis-25-30-63]: Kanttekening 63: Dat is, rood, eensdeels omdat hij rood was van huid gelijk boven, vers 25 , anderdeels, vanwege dit rode kooksel, waarop hij zo verzot was. Genesis 25:25 : En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.
[^genesis-25-31-64]: Kanttekening 64: Dat is, het recht van de eerstgeboorte, bestaande I. in de eer en heerschappij over zijn broers; boven, Gen. 4:7 , en Gen. 49:3 ; 2 Kron. 21:3 , en Ps. 89:28 ; II. in de dubbel portie van de goederen. Deut. 21:17 ; III. in het recht tot het priesterschap na het overlijden van de huisvader, in het bijzonder na het doden van de eerstgeborenen in Egypte, totdat het priesterschap op de stam van Levi gekomen is; Num. 8:16 , 8:17 , 8:18 , 8:19 . Genesis 4:7 : Is er niet, als u weldoet, verhoging? en zo u niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en u zult over hem heersen. Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! 2 Kronieken 21:3 : En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. Psalmen 89:28 : Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen van de aarde. Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. Numeri 8:16 : Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen van Israël; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen van Israël, heb Ik ze Mij genomen. Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik ze Mij geheiligd. Numeri 8:18 : En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen van Israël. Numeri 8:19 : En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen van Israël, om de dienst van de kinderen van Israël in de tent van de samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen van Israël verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen van Israël, als de kinderen van Israël tot het heiligdom naderen zouden.
[^genesis-25-32-i]: Verwijzing i: Jes. 22:13 ; 1 Kor. 15:32 . Jesaja 22:13 : Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. 1 Korinthiërs 15:32 : Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
[^genesis-25-32-65]: Kanttekening 65: ik ga: Dat is, ik ben toch dagelijks op de jacht in perijkel van de ene of de andere tijd om het leven te geraken; of, ik moet toch eenmaal sterven; wat zal mij dan baten het recht van de eerstgeboorte? Sommigen verstaan dat hij spreekt van zijn afgematheid en honger.
[^genesis-25-32-66]: Kanttekening 66: Zo verwerpt Ezau met een onheilig hart dit groot en treffelijk recht van de eerstgeboorte. Zie Hebr. 12:16 , en onder, vers 34 . Hebreeën 12:16 : Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een voedsel het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. Genesis 25:34 : En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; zo verachtte Ezau de eerstgeboorte.
[^genesis-25-33-67]: Kanttekening 67: op deze dag: Hebr. als heden.

### Genesis 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/26.json)

*Izak vertrekt wegens hongersnood naar Gerar, vers 1, waar God hem beveelt te blijven en niet naar Egypte te trekken, met hernieuwing van de beloften aan Abraham gedaan, 2. Izak zegt dat Rebekka zijn zus is, 7. Koning Abimelech merkt dat dit niet klopt, bestraft hem en verbiedt zijn onderdanen dit echtpaar ook maar enig kwaad te doen, 8. Izak wordt rijkelijk door God gezegend, waardoor de Filistijnen jaloërs worden en zijn waterputten dichtgooien, 12. Op Abimelechs verzoek vertrekt hij naar het dal van Gerar, waar hij moeite heeft om waterputten te vin den, maar er uitein delijk in slaagt, 18, 19, 32. Hij vertrekt naar Berseba en wordt daardoor een verschijning van God bemoedigd, waarvoor hij met openbare godsdienst dankt, 23. Abimelech sluit een verbond met hem, 26. Ezau trouwt, tot verdriet van zijn ouders, 34.*

**1** En er was honger[^genesis-26-1-1] in dat land, afgezien van de eerste honger, die[^genesis-26-1-2] in de dagen van Abraham geweest was; daarom trok Izak tot[^genesis-26-1-3] Abimelech, de koning van de[^genesis-26-1-4] Filistijnen, naar Gerar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v1)

**2** En YHWH verscheen hem en zei:[^genesis-26-2-5] Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik[^genesis-26-2-6] u aanzeggen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v2)

**3** Woon als vreemdeling in dat land, en Ik[^genesis-26-3-a] zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik[^genesis-26-3-7] al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen,[^genesis-26-3-8] die Ik Abraham uw vader gezworen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v3)

**4** En[^genesis-26-4-b] Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in[^genesis-26-4-9] uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v4)

**5** [^genesis-26-5-10] Omdat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden[^genesis-26-5-11] Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v5)

**6** Zo woonde Izak te Gerar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v6)

**7** En[^genesis-26-7-12] als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zei hij: Zij is mijn zus; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien,[^genesis-26-7-13] zei hij de mannen van deze plaats niet doden, om Rebekka; want zij was knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v7)

**8** En het gebeurde,[^genesis-26-8-14] als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning van de Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was[^genesis-26-8-15] jokkende met Rebekka zijn huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v8)

**9** Toen riep Abimelech Izak, en zei: Werkelijk, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt u dan gezegd: Zij is mijn zus? En Izak zei tot hem: Want[^genesis-26-9-16] ik zei: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v9)

**10** En Abimelech zei: Wat is dit, dat u ons gedaan hebt? Licht had één van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat u een[^genesis-26-10-17] schuld over ons zou gebracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v10)

**11** En Abimelech gebood het hele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw[^genesis-26-11-18] aanroert,[^genesis-26-11-19] zal voorzeker gedood worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v11)

**12** En Izak zaaide in dat land, en hij[^genesis-26-12-20] vond in dat jaar[^genesis-26-12-21] honderd maten; want YHWH zegende hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v12)

**13** En die man werd[^genesis-26-13-22] groot,[^genesis-26-13-23] ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v13)

**14** En hij had bezitting van[^genesis-26-14-24] schapen, en bezitting van runderen, en[^genesis-26-14-25] groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v14)

**15** En al de putten,[^genesis-26-15-26] die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden[^genesis-26-15-27] die met aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v15)

**16** Ook zei Abimelech tot Izak: Trek[^genesis-26-16-28] van ons; want u bent veel machtiger geworden, dan wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v16)

**17** Toen trok Izak van daar, en hij[^genesis-26-17-29] sloeg zijn kamp op[^genesis-26-17-30] in het dal van Gerar, en woonde daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v17)

**18** [^genesis-26-18-31] Als nu Izak teruggekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde hun namen naar de namen, waarmee zijn vader die genoemd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v18)

**19** De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put[^genesis-26-19-32] van levend water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v19)

**20** En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde[^genesis-26-20-33] hij de naam van die put[^genesis-26-20-34] Esek, omdat zij met hem getwist hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v20)

**21** Toen groeven zij een andere put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij ervan naam[^genesis-26-21-35] Sitna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v21)

**22** En hij brak op van daar, en groef een andere put, en zij twistten over die niet; daarom noemde hij ervan naam[^genesis-26-22-36] Rehoboth, en zei: Want nu heeft ons YHWH ruimte gemaakt,[^genesis-26-22-37] en wij zijn vruchtbaar geworden in dit land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v22)

**23** Daarna trok hij[^genesis-26-23-38] van daar op naar[^genesis-26-23-39] Ber-seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v23)

**24** En YHWH verscheen hem[^genesis-26-24-40] in die nacht, en zei:[^genesis-26-24-41] Ik ben de God van[^genesis-26-24-42] Abraham, uw[^genesis-26-24-43] vader; vrees niet; want[^genesis-26-24-44] Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen,[^genesis-26-24-45] om Abraham, Mijn knecht, wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v24)

**25** Toen[^genesis-26-25-46] bouwde hij daar een altaar, en[^genesis-26-25-47] riep de Naam van YHWH aan. En hij sloeg daar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v25)

**26** En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en[^genesis-26-26-48] Pichol, zijn krijgsoverste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v26)

**27** En Izak zei tot hen: Waarom bent u tot mij gekomen, daar u mij haat,[^genesis-26-27-49] en hebt mij van u weggezonden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v27)

**28** En zij zeiden: Wij hebben[^genesis-26-28-50] duidelijk gezien, dat YHWH met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een[^genesis-26-28-51] eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u[^genesis-26-28-52] maken: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v28)

**29** [^genesis-26-29-53] Zo u bij ons kwaad doet, zoals wij u[^genesis-26-29-54] niet aangeroerd hebben, en zoals wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u[^genesis-26-29-55] in vrede laten trekken! U[^genesis-26-29-56] bent nu de gezegende van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v29)

**30** Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v30)

**31** En zij stonden vroeg in de morgen op, en zwoeren[^genesis-26-31-57] de één de ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij trokken van hem in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v31)

**32** En het gebeurde ten zelfde dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak van de[^genesis-26-32-58] put, die zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v32)

**33** En[^genesis-26-33-59] hij noemde die[^genesis-26-33-60] Seba; daarom is de naam van die[^genesis-26-33-61] stad Ber-seba, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v33)

**34** Als nu Ezau[^genesis-26-34-62] veertig jaar oud was, nam hij tot een vrouw[^genesis-26-34-63] Judith, de dochter van Beëri,[^genesis-26-34-64] de Hethiet, en[^genesis-26-34-65] Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v34)

**35** En[^genesis-26-35-c] deze waren voor Izak en Rebekka[^genesis-26-35-66] een bitterheid van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/26.html#v35)

[^genesis-26-1-1]: Kanttekening 1: in dat: Te weten, in het land Kanaän, waar Izak destijds woonde.
[^genesis-26-1-2]: Kanttekening 2: in de: Zie boven, Gen. 12:10 . Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land.
[^genesis-26-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Gen. 20:2 . Het is onzeker of deze dezelfde geweest is van wie in het voorgaande hfdst. gesproken is, daar hij dan een zeer grote ouderdom zou moeten gehad hebben. Het schijnt dat hij zijn opvolger in de regering geweest is. Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
[^genesis-26-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Gen. 10:19 , en Gen. 20:1 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 20:1 : En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
[^genesis-26-2-5]: Kanttekening 5: Trek niet: Gelijk u voorgenomen hebt te doen, naar het exempel uws vaders; boven, Gen. 12:10 . Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land.
[^genesis-26-2-6]: Kanttekening 6: u aanzeggen: Zie het volgende vers vers 3 . Genesis 26:3 : Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb.
[^genesis-26-3-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 13:15 ; boven, Gen. 15:18 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^genesis-26-3-7]: Kanttekening 7: al deze: Die op het einde van het 15e hoofdstuk verhaald en genoemd worden.
[^genesis-26-3-8]: Kanttekening 8: die Ik: Zie boven, Gen. 22:16 , 22:17 . Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^genesis-26-4-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 12:3 ; boven, Gen. 18:18 ; boven, Gen. 22:18 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 18:18 : Omdat Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^genesis-26-4-9]: Kanttekening 9: uw zaad: Zie de aantekening boven, Gen. 22:18 . Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^genesis-26-5-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Gen. 22:16 . Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
[^genesis-26-5-11]: Kanttekening 11: mijn bevel: Hebr. onderhouding, bewaring, waarneming; dat is, wat Ik hem bevolen had te onderhouden; zo Lev. 18:30 ; Deut. 11:1 . Men houdt dat deze vier woorden aldus moeten onderscheiden worden: dat het eerste algemeen is, betekenende al wat God bevolen en verordineerd heeft, en de andere drie in het bijzonder op enige dingen onderscheidenlijk betrekking hebben: als, de geboden op de wet van de zeden; de inzettingen op de wet van de ceremoniën; de wetten op de leer van wat men schuldig is te geloven, enz. Elders worden hier bijgevoegd de rechten, waardoor verstaan worden de burgerlijke wetten; Deut. 11:1 . Leviticus 18:30 : Daarom zult u Mijn bevel onderhouden, dat u niet doet van die gruwelijke inzettingen, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt; Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 11:1 : Daarom zult u YHWH, uw God, liefhebben, en u zult te alle dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden. Deuteronomium 11:1 : Daarom zult u YHWH, uw God, liefhebben, en u zult te alle dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
[^genesis-26-7-12]: Kanttekening 12: als de: Zie soortgelijke exempelen in Abraham; boven Gen. 12:13 , en Gen. 20:2 . Genesis 12:13 : Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
[^genesis-26-7-13]: Kanttekening 13: zei hij : Dit wordt hier bijgevoegd uit het 9e vs. Zie dergelijk bijvoegsel, 1 Kon. 20:34 ; 2 Kor. 9:6 . 1 Koningen 20:34 : En hij zei tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damascus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan. 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^genesis-26-8-14]: Kanttekening 14: als hij: Hebr. als de dagen hem daar verlengd, of lang geworden waren.
[^genesis-26-8-15]: Kanttekening 15: Versta, enige vrije, maar eerlijke gebaarden gebruikende, waaruit de koning kon afnemen, dat zij man en vrouw waren.
[^genesis-26-9-16]: Kanttekening 16: ik zei: Te weten, bij mijzelf, dat is, ik dacht. Zie boven, Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^genesis-26-10-17]: Kanttekening 17: Dat is, een misdaad, die straf verdient. Zie boven Gen. 20:9 . Genesis 20:9 : En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
[^genesis-26-11-18]: Kanttekening 18: Dat is, beschadigt, hetzij met woorden of werken, aan lijf, eer of goed. Aanroeren, voor: beschadigen, wordt ook gebruikt onder, vers 29 ; Joz. 9:19 ; Ruth 2:9 ; Job 1:11 ; Ps. 105:15 ; Zach. 2:8 . Genesis 26:29 : Zo u bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van YHWH! Jozua 9:19 : Toen zeiden al de oversten tot de gehele vergadering: Wij hebben hun gezworen bij YHWH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten. Ruth 2:9 : Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en u zult achter haarlieden gaan; heb ik de jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de vaten, en drink van wat de jongens zullen geschept hebben. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? Psalmen 105:15 : Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad. Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
[^genesis-26-11-19]: Kanttekening 19: zal voorzeker: Hebr. stervende gedood worden, of met de dood gedood worden.
[^genesis-26-12-20]: Kanttekening 20: vond in: Dat is, hij kreeg, ontving, bekwam.
[^genesis-26-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, voor één maat, die hij gezaaid had, kreeg hij honderd maten in de oogst. Het Hebreeuwse woord betekent publieke bekende maten van droge waren.
[^genesis-26-13-22]: Kanttekening 22: Dat is, rijk en machtig, gelijk boven, Gen. 24:35 . Genesis 24:35 : En YHWH heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kamelen, en ezelen.
[^genesis-26-13-23]: Kanttekening 23: ja, hij werd doorgaans groter: Hebr. en hij ging gaande en groot wordende; zie zulke manier van spreken boven, Gen. 8:3 ; 2 Sam. 3:1 ; Jona 1:11 , in de aantekening. Genesis 8:3 : Daartoe keerden de wateren weer van boven de aarde, heen en weer vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen. 2 Samuël 3:1 : En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker. Jona 1:11 : Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
[^genesis-26-14-24]: Kanttekening 24: Dat is, verscheidenheid van klein en groot vee; zie boven, Gen. 12:16 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^genesis-26-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, veel werkvolk en grote bouwerij van akkers, wijngaarden, hoven, boomgaarden. Zie Job 1:3 . Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
[^genesis-26-15-26]: Kanttekening 26: die de knechten: Zie boven, Gen. 21:25 . Genesis 21:25 : En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.
[^genesis-26-15-27]: Kanttekening 27: met aarde: Hebr. met stof.
[^genesis-26-16-28]: Kanttekening 28: van ons: Hebr. van met ons.
[^genesis-26-17-29]: Kanttekening 29: Zie gelijke manier van spreken onder, Gen. 33:18 , en elders. Genesis 33:18 : En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad.
[^genesis-26-17-30]: Kanttekening 30: in het: Dat is, in een laag land, een eindwegs van daar gelegen.
[^genesis-26-18-31]: Kanttekening 31: Als nu: Hebr. en Izak keerde weer en groefop. Anders, en Izak groef weer op.
[^genesis-26-19-32]: Kanttekening 32: van levend: Dat voortkwam uit verborgen aders, altijd klaar, vers en drinkbaar water opwellende. Verg. Lev. 14:5 , 14:50 , en 15:13; Num. 19:17 ; Hoogl. 4:15 . Leviticus 14:5 : De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water. Leviticus 14:50 : En hij zal de ene vogel slachten in een aarden vat, over levend water. Numeri 19:17 : Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof van de brand van de ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat. Hooglied 4:15 : O fontein van de hoven, put van de levende wateren, die uit Libanon vloeien!
[^genesis-26-20-33]: Kanttekening 33: Te weten, Izak.
[^genesis-26-20-34]: Kanttekening 34: Dat is, twist, gekijf.
[^genesis-26-21-35]: Kanttekening 35: Dat is, vijandschap, haat, wederstand. Van hetzelfde Hebreeuwse woord wordt de duivel genoemd Satan, dat is, wederpartijder, hater.
[^genesis-26-22-36]: Kanttekening 36: Dat is, ruimten, uitbreidingen.
[^genesis-26-22-37]: Kanttekening 37: en wij zijn gewassen: Anders, opdat wij groeien; of, wij zullen groeien.
[^genesis-26-23-38]: Kanttekening 38: van daar: Te weten, uit het dal van Gerar.
[^genesis-26-23-39]: Kanttekening 39: Waar zijn vader langen tijd gewoond had. Zie boven, Gen. 21:31 , 21:32 , 21:33 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden. Genesis 21:32 : Zo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden opnieuw naar het land van de Filistijnen. Genesis 21:33 : En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep daar de Naam van YHWH, van de eeuwige God, aan.
[^genesis-26-24-40]: Kanttekening 40: in dezelfde: Te weten, toen hij eerst te Berseba gekomen was. God YHWH is niet lang met zijn troost uitgebleven.
[^genesis-26-24-41]: Kanttekening 41: Ik ben de: Zie boven, Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^genesis-26-24-42]: Kanttekening 42: uw vader: Aan wie Ik mijn woord en beloften gegeven heb, gelijk hij die ook heeft aangenomen. Zie onder, Gen. 31:5 , 31:42 . Genesis 31:5 : En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de God van mijn vader is bij mij geweest. Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^genesis-26-24-43]: Kanttekening 43: vrees niet: Te weten, voor deze Filistijnen. Verg. boven, Gen. 15:1 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^genesis-26-24-44]: Kanttekening 44: Ik ben met u: Zie Gen. 21:22 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^genesis-26-24-45]: Kanttekening 45: om Abrahams: Dat is, niet om zijn verdienste, maar om het verbond, dat Ik met hem gemaakt heb.
[^genesis-26-25-46]: Kanttekening 46: Om daarmee te tonen dat hij geen anderen God eren noch dienen wilde dan de God van zijn vader Abraham.
[^genesis-26-25-47]: Kanttekening 47: riep de: Zie boven, Gen. 4:26 . Genesis 4:26 : En dezelfde Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van YHWH aan te roepen.
[^genesis-26-26-48]: Kanttekening 48: Zie boven, Gen. 21:22 . Dit schijnt een ander geweest te zijn van denzelfden naam. Enige menen dat deze naam de krijgsoversten in dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Abimelech de koningen. Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^genesis-26-27-49]: Kanttekening 49: en hebt: Zie boven, vers 16 . Genesis 26:16 : Ook zei Abimelech tot Izak: Trek van ons; want u bent veel machtiger geworden, dan wij.
[^genesis-26-28-50]: Kanttekening 50: Hebr. ziende gezien.
[^genesis-26-28-51]: Kanttekening 51: Of, vloek, zie boven, Gen. 14:23 , en Gen. 24:41 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Genesis 24:41 : Dan zult u van mijn eed rein zijn, wanneer u tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en als zij haar u niet geven, zo zult u rein zijn van mijn eed.
[^genesis-26-28-52]: Kanttekening 52: Zie boven, Gen. 15:10 , 15:17 , 15:18 . Genesis 15:10 : En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^genesis-26-29-53]: Kanttekening 53: Zo u: Of, zo u bij ons kwaad doet! aangezien wij u niet, enz., aangezien wij bij u, enz. Een vorm van eedzweren waarbij de straf verzwegen wordt; zie boven, Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^genesis-26-29-54]: Kanttekening 54: niet aangeroerd: Dat is, niet beschadigd. Zie boven, vers 11 . Maar wat Izak integendeel wedervaren is; zie vers 14 , 26:15 , 26:16 . Genesis 26:11 : En Abimelech gebood het gehele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! Genesis 26:14 : En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. Genesis 26:15 : En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelfde met aarde. Genesis 26:16 : Ook zei Abimelech tot Izak: Trek van ons; want u bent veel machtiger geworden, dan wij.
[^genesis-26-29-55]: Kanttekening 55: in vrede: Dat is, wij hebben noch uw persoon, noch uw huisgezin, noch uw goederen beschadigd.
[^genesis-26-29-56]: Kanttekening 56: U bent nu: Dit is een afgebroken rede. Het schijnt dat zij willen zeggen: omdat u zo opmerkelijk door God gezegend bent, bedenk dan een klein leed niet, dat u wedervaren is.
[^genesis-26-31-57]: Kanttekening 57: de één de ander: Hebr. de man zijn broer.
[^genesis-26-32-58]: Kanttekening 58: die zij: Zie vers 25 . Genesis 26:25 : Toen bouwde hij daar een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. En hij sloeg daar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.
[^genesis-26-33-59]: Kanttekening 59: hij noemde: Zie boven, Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-26-33-60]: Kanttekening 60: Hebr. Schiba (שִׁבְעָה), dat is, eed.
[^genesis-26-33-61]: Kanttekening 61: Dat is, Eed-bron, of put van de eed. Boven, Gen. 21:31 , wordt gezegd dat het land Ber-Seba heet, om de eed, die Abraham en Abimelech daar elkaar deden; maar hier wordt gesproken van een stad in dat land, die ook deze naam verkregen heeft van de eed van Izak en Abimelech. Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-26-34-62]: Kanttekening 62: Hebr. een zoon van veertig jaar; zo oud was ook zijn vader Izak, toen hij trouwde, boven Gen. 25:20 . Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-26-34-63]: Kanttekening 63: Hebr. Jehudith (יְהוּדִית). Enige menen dat deze dezelfde geweest is, die onder, Gen. 36:2 , Aholibama genoemd wordt. Zodat zij twee namen gehad zou hebben, gelijk ook haar vader, die hier Beëri, en Gen. 36 Anna geheten wordt. Maar zij kunnen wel onderscheiden vrouwen geweest zijn, daar het blijkt dat Ezau tot het misbruik van meer vrouwen tegelijk te hebben genegen was. Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;
[^genesis-26-34-64]: Kanttekening 64: de Hethiet: Een van de Kanaänietische volken, zie boven, Gen. 10:15 . Deze huwelijken deed Ezau tegen de dank en de wil van zijn ouders; zie boven, Gen. 24:3 , en onder, Gen. 27:24 , en Gen. 28:2 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon; Genesis 27:24 : En hij zei: Zijt u mijn zoon Ezau zelf? En hij zei: Ik ben het! Genesis 28:2 : Maak u op, ga naar Paddan-aram, in het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, uw moeders broer.
[^genesis-26-34-65]: Kanttekening 65: Onder, Gen. 36:2 , genaamd, Ada. Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;
[^genesis-26-35-c]: Verwijzing c: onder, Gen. 27:46 . Genesis 27:46 : En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochters Heths! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters Heths, gelijk deze zijn, van de dochters van deze lands, waartoe zal mij het leven zijn?
[^genesis-26-35-66]: Kanttekening 66: een bitterheid: Ten eerste, om haar gruwelijke afgoderij; ten tweede, om haar kwade, dartele, wereldse, trotse en opstandige manieren; ten derde, omdat zij afkomstig waren uit een vervloekte natie, die God verderven en uitroeien wilde.

### Genesis 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/27.json)

*Izak is oud en slechtziend en wil Ezau als eerstgeborene zegenen, maar wordt door het slimme plan van Rebekka misleid, zodat hij Jakob zegent in plaats van Ezau, vers 1. Ezau komt terug van de jacht, hoort wat er is gebeurd en is hevig ontdaan, net als Izak zelf; toch geeft Izak Ezau op zijn luid smeken en bidden nog een tijdelijke zegen, 30. Hierom haat Ezau zijn broer en neemt zich voor hem te doden, 41. Rebekka hoort dit en raadt Jakob aan te vluchten naar haar broer Laban, en regelt dat Izak daarmee instemt, 42.*

**1** En het gebeurde, als Izak[^genesis-27-1-1] oud geworden was, en[^genesis-27-1-2] zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn[^genesis-27-1-3] oudste zoon, en zei tot hem: Mijn zoon! En hij zei tot hem:[^genesis-27-1-4] Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v1)

**2** En hij zei: Zie nu, ik ben oud geworden,[^genesis-27-2-5] ik weet de dag van mijn dood niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v2)

**3** Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw[^genesis-27-3-6] pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en[^genesis-27-3-7] jaag mij een stuk wild; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v3)

**4** En maak mij[^genesis-27-4-8] smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat[^genesis-27-4-9] mijn ziel[^genesis-27-4-10] u zegene, voordat ik sterf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v4)

**5** Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een stuk wild te jagen, dat hij het inbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v5)

**6** Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broer, horen spreken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v6)

**7** Breng mij een stuk wild, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen[^genesis-27-7-11] voor het aangezicht van YHWH, voor mijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v7)

**8** Nu dan, mijn zoon![^genesis-27-8-12] hoor mijn stem in wat ik u gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v8)

**9** Ga nu heen tot de kudde, en[^genesis-27-9-13] haal mij van daar twee[^genesis-27-9-14] goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, zoals hij graag heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v9)

**10** En u zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v10)

**11** Toen zei Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broer Ezau is een[^genesis-27-11-15] harig man, en ik ben een[^genesis-27-11-16] glad man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v11)

**12** Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn[^genesis-27-12-17] als een bedrieger;[^genesis-27-12-18] zo zou ik een vloek over mij halen, en niet een zegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v12)

**13** En zijn moeder zei tot hem:[^genesis-27-13-19] Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga,[^genesis-27-13-20] haal ze mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v13)

**14** Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, zoals zijn vader graag had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v14)

**15** Daarna nam Rebekka de kostelijke kleren van Ezau, haar grootste zoon,[^genesis-27-15-21][^genesis-27-15-22] die zij bij zich in huis had,[^genesis-27-15-23] en zij trok ze Jakob, haar kleinste zoon, aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v15)

**16** En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v16)

**17** En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, die zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v17)

**18** En hij kwam tot zijn vader, en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik; wie bent u, mijn zoon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v18)

**19** En Jakob zei tot zijn vader:[^genesis-27-19-24] Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, zoals u tot mij gesproken had; sta toch op, zit, en eet van mijn stuk wild, opdat uw ziel[^genesis-27-19-25] mij zegene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v19)

**20** Toen zei Izak tot zijn zoon: Hoe is dit,[^genesis-27-20-26] dat u het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zei: Omdat YHWH uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v20)

**21** En Izak zei tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of u mijn zoon Ezau zelf bent, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v21)

**22** Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zei:[^genesis-27-22-27] De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn[^genesis-27-22-28] Ezau's handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v22)

**23** Maar hij[^genesis-27-23-29] kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, zoals van zijn broer Ezau's handen; en hij zegende hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v23)

**24** En hij zei: Bent u mijn zoon Ezau zelf? En hij zei: Ik ben het! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v24)

**25** Toen zei hij: Stel het nabij mij, dat ik van het[^genesis-27-25-30] stuk wild van mijn zoon ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v25)

**26** En zijn vader Izak zei tot hem: Kom toch bij, en[^genesis-27-26-31] kus mij, mijn zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v26)

**27** En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij[^genesis-27-27-32] de reuk zijn kleren, en zegende hem; en hij zei: Zie,[^genesis-27-27-33] de reuk van mijn zoon is[^genesis-27-27-34] als de reuk van het veld, dat YHWH gezegend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v27)

**28** [^genesis-27-28-a] Zo[^genesis-27-28-35] geve u dan God van de[^genesis-27-28-36] dauw van de hemel, en de[^genesis-27-28-37] vettigheid van de aarde, en menigte van tarwe en nieuwe wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v28)

**29** [^genesis-27-29-38] Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u neerbuigen;[^genesis-27-29-39] wees heer over uw broers, en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen![^genesis-27-29-b] Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt;[^genesis-27-29-40] en wie u zegent, zij gezegend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v29)

**30** En het gebeurde, als Izak voltooid had Jakob te zegenen, zo gebeurde het, toen Jakob maar[^genesis-27-30-41] even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broer, van zijn jacht kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v30)

**31** Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zei tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het stuk wild van zijn zoon, opdat uw ziel mij zegene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v31)

**32** En Izak, zijn vader, zei tot hem: Wie bent u? En hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v32)

**33** Toen[^genesis-27-33-42] verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, geheel zeer, en zei: Wie is hij dan, die het stuk wild gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, voordat u kwam, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v33)

**34** Als[^genesis-27-34-c] Ezau de woorden van zijn vader hoorde, zo schreeuwde hij met een grote en bitteren schreeuw, geheel zeer; en hij zei tot zijn vader: Zegen mij,[^genesis-27-34-43] ook mij, mijn vader! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v34)

**35** En hij zei: Uw broer is gekomen[^genesis-27-35-44] met bedrog, en heeft[^genesis-27-35-45] uw zegen weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v35)

**36** Toen zei hij:[^genesis-27-36-46] Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen?[^genesis-27-36-47][^genesis-27-36-d] mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij[^genesis-27-36-48] mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v36)

**37** Toen antwoordde Izak, en zei tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn[^genesis-27-37-49] broers heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koren en nieuwe wijn ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?[^genesis-27-37-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v37)

**38** En Ezau zei tot zijn vader: Hebt u maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En[^genesis-27-38-e] Ezau hief zijn stem op, en huilde.[^genesis-27-38-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v38)

**39** Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v39)

**40** En[^genesis-27-40-52] op uw zwaard zult u leven, en[^genesis-27-40-53] zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn[^genesis-27-40-54] juk van uw hals[^genesis-27-40-55] afrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v40)

**41** En Ezau[^genesis-27-41-56] haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau[^genesis-27-41-57] zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v41)

**42** Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootste zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinste zoon, en zei tot hem:[^genesis-27-42-58] Zie, uw broer Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v42)

**43** Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op,[^genesis-27-43-59] vlucht u naar[^genesis-27-43-60] Haran, tot Laban, mijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v43)

**44** En blijf bij hem[^genesis-27-44-61] enige dagen, totdat de[^genesis-27-44-62] hittige toorn van uw broer kere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v44)

**45** Totdat de toorn van uw broer van u afkere, en hij vergeten hebbe, wat u hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zou ik ook van[^genesis-27-45-63] u beiden beroofd worden op één dag? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v45)

**46** [^genesis-27-46-f] En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven[^genesis-27-46-64] vanwege de dochters van Heth! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters van Heth, zoals deze zijn, van de dochters van dit land, waartoe zal mij het leven zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/27.html#v46)

[^genesis-27-1-1]: Kanttekening 1: Enige berekenen dat hij honderd zeven en dertig jaren oud geweest is.
[^genesis-27-1-2]: Kanttekening 2: zijn ogen donker: Niet zonder de wonderbare voorzienigheid Gods, die door deze blindheid niet alleen zijn knecht Izak geoefend, maar ook het recht van de eerstgeboorte aan Jakob gebracht heeft.
[^genesis-27-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, de eerstgeborene.
[^genesis-27-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^genesis-27-2-5]: Kanttekening 5: ik weet: Dat is, zo weinig tijds van leven is mij overig, dat ik niet weet hoe haast mij de dood zal overvallen, alle uur en ogenblik die verwachtende.
[^genesis-27-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. Hangkoker (תְּלִי), of allerlei werktuigen, die omgehangen werden.
[^genesis-27-3-7]: Kanttekening 7: jaag mij: Hebr. jaag mij een jacht; dat is, vang met jagen enig wild, dat mij tot voedsel zij. Zo onder, vers 5 . Genesis 27:5 : Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.
[^genesis-27-4-8]: Kanttekening 8: Of, wat smakelijks.
[^genesis-27-4-9]: Kanttekening 9: mijn ziel: Dat is, ik, met een oprecht voornemen van het gemoed.
[^genesis-27-4-10]: Kanttekening 10: u zegene: Versta dit niet van een algemene zegening, die de ouders aan al hun kinderen bij elke gelegenheid geven kunnen, maar van een bijzondere, zeer uitnemende en statelijke profetische zegening in de vorm van testament ingesteld, om zijn zoon van de geestelijke en lichamelijke beloften, hem en zijn vader gedaan, erfgenaam te verklaren; zo onder, Gen. 28:1 . Genesis 28:1 : En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän.
[^genesis-27-7-11]: Kanttekening 11: voor het: Dat is, welke zegening in Gods naam, en als in zijn aanwezigheid uitgesproken, en door zijn bestuur bekrachtigd zal worden.
[^genesis-27-8-12]: Kanttekening 12: hoor mijn: Hoewel Rebekka in dit werk middelen gebruikt, die niet geheel kunnen verontschuldigd worden, nochtans de zaak zelve, dat zij het recht van de eerstgeboorte aan Jakob poogde te brengen, kwam met de wil en de verklaring van God overeen; zie boven, Gen. 25:23 . Genesis 25:23 : En YHWH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-27-9-13]: Kanttekening 13: haal mij: Hebr. neem; maar het Hebreeuwse woord bevat hier ook in zich het woord brengen, en die twee tezamen zijn zoveel als halen. Zie boven, Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^genesis-27-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, vette, wel aangekomen, en in groei toegenomen. Verg. onder, Gen. 41:5 . Genesis 41:5 : Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.
[^genesis-27-11-15]: Kanttekening 15: harig man: Dat is, ruw van huid.
[^genesis-27-11-16]: Kanttekening 16: glad man: Dat is, zacht van huid.
[^genesis-27-12-17]: Kanttekening 17: als een: Hebr. verleider. Het woord als wordt somtijds gebruikt niet voor wat schijnt, maar wat inderdaad is. Zie Neh. 7:2 ; Joh. 1:14 , en 2 Kor. 3:18 . Nehemia 7:2 : En ik gaf bevel aan mijn broer Hanani, en aan Hananja, de overste van de burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. 2 Korinthiërs 3:18 : En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer.
[^genesis-27-12-18]: Kanttekening 18: zo zou: Verg. Deut. 27:18 . Deuteronomium 27:18 : Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^genesis-27-13-19]: Kanttekening 19: Uw vloek: Rebekka spreekt zo vrijmoedig, niet uit lichtvaardigheid, maar \[zoals het schijnt\] uit een zeker vertrouwen op een goede uitkomst, wel bedenkende niet alleen om de klare uitspraak van God, maar ook om het onheilig leven van Ezau, dat het recht van de eerstgeboorte niet hem, maar zijn broer Jakob toekwam.
[^genesis-27-13-20]: Kanttekening 20: haal ze: Hebr. neem mij, dat is, neem en breng mij, te weten, twee kleine bokjes, gelijk ik bevolen heb. Zie boven, vers 9 . Genesis 27:9 : Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij graag heeft.
[^genesis-27-15-21]: Kanttekening 21: de kostelijke: Hebr. begeerlijke kleren, of kleren van de begeerlijkheid, dat is, waar men lust en begeerte toe heeft; dat zijn schone en kostelijke kleren.
[^genesis-27-15-22]: Kanttekening 22: die zij: Dat is, die zij bewaarde in welriekende koffers, gelijk blijkt vers 27 . Genesis 27:27 : En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk van zijn kleren, en zegende hem; en hij zei: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk van het veld, dat YHWH gezegend heeft.
[^genesis-27-15-23]: Kanttekening 23: en zij: Dit en het volgende middel, vers 16 , dat Rebekka gebruikt om tot haar voornemen te geraken, is wel een soort van bedrog, maar minder berispelijk, omdat het haar bedoeling was haar man uit zijn dwaling op de rechte weg te helpen, de wil van God te volbrengen, en haar zoon Jakob te stellen in de bezitting van wat hem door Gods ordinantie toekwam. Genesis 27:16 : En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.
[^genesis-27-19-24]: Kanttekening 24: Ik ben: Het is wel prijslijk in Jakob, dat hij het recht van de eerstgeboorte in grote waarde houdt en met ernst begeert; maar te misprijzen is de weg, die hij ingaat, zich met onwaardigheid behelpende. Het eerste was in hem van God, door het geloof aan zijn beloften; het andere van hemzelven, door de zwakheid van de verdorven natuur.
[^genesis-27-19-25]: Kanttekening 25: mij zegene: Zie boven, vers 4 . Genesis 27:4 : En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterve.
[^genesis-27-20-26]: Kanttekening 26: dat u: Hebr. \[Dat\] u zo haast hebt te vinden. Deze woorden kunnen ook aldus vertaald worden; Wat is dit \[dat\] u zo haast gevonden hebt? of, hoe hebt u dat zo haast gevonden?
[^genesis-27-22-27]: Kanttekening 27: De stem: Dat is, zij luidt even alsof het Jakobs stem is.
[^genesis-27-22-28]: Kanttekening 28: Ezau's handen: Zo ruw alsof het Ezau's handen waren, zoals deze verklaring gedaan wordt vers 23 . Hieruit blijkt dat Izak begon te twijfelen of deze zaak richtig toeging; niettemin is Gods beleid voortgegaan. Genesis 27:23 : Maar hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijn broers Ezau's handen; en hij zegende hem.
[^genesis-27-23-29]: Kanttekening 29: kende hem: Merkelijk door een wonderbaar beleid van de voorzienigheid Gods, die boven de blindheid van de ogen hem laat overkomen een onwetendheid van het verstand, waardoor hij voortvaart met de zegening, hoewel hij Jakobs stem kende, en daarom nog twijfelde, gelijk dit blijkt uit het volgende vers vers 24 . Genesis 27:24 : En hij zei: Zijt u mijn zoon Ezau zelf? En hij zei: Ik ben het!
[^genesis-27-25-30]: Kanttekening 30: Te weten, wat u voor mij gevangen en toebereid hebt.
[^genesis-27-26-31]: Kanttekening 31: kus mij: De kus is bij de ouden in zulke statelijke zegeningen gebruikelijk geweest, tot verering en bewijs van goedwilligheid. Zie onder, Gen. 48:10 . Genesis 48:10 : Maar de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
[^genesis-27-27-32]: Kanttekening 32: de reuk zijn kleren: Waardoor hij zich nog meer verzekerde dat Jakob zijn zoon Ezau was; alsof hij zei: zijn kleren rieken niet naar de stal van de beesten, maar naar het lieflijke veld.
[^genesis-27-27-33]: Kanttekening 33: de reuk mijns zoons: Dat is, de reuk van de kleren mijns zoons.
[^genesis-27-27-34]: Kanttekening 34: als de reuk van het veld: Welke meest veroorzaakt wordt door de gematigheid van de lucht, de goedheid van het land, en de kostelijke overvloed van allerlei gewas. De zin is: gelijk de goede reuk ener landstreek een teken is van haar schone gelegenheid, kostelijke vruchten en grote overvloed, zo is de reuk van de kleren mijns zoons mij een teken van zijne en van de zijnen toekomende gelukzaligheid, die bij een uitnemende landbouw zal te vergelijken zijn.
[^genesis-27-28-a]: Verwijzing a: Hebr. 11:20 . Hebreeën 11:20 : Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.
[^genesis-27-28-35]: Kanttekening 35: geve u: Dit is niet alleen een wens, maar ook een profetie, die naar de letter niet zozeer in Jakob, als in zijn nakomelingen vervuld zou worden. Niettemin zijn de geestelijke weldaden, daardoor afgebeeld, hem met alle ware gelovigen gemeen geweest.
[^genesis-27-28-36]: Kanttekening 36: dauw van de: Begrijp onder de naam dauw, die in het land Kanaän om de schaarsheid van de regen zeer nodig was, allerlei zegen, die door middel van de lucht en de hemel over de aarde komt. Verg. Deut. 33:13 , 33:14 . Deuteronomium 33:13 : En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van YHWH, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; Deuteronomium 33:14 : En van de uitnemendste inkomsten van de zon, en van de uitnemendste voortzetting van de maan;
[^genesis-27-28-37]: Kanttekening 37: Dat is, veel goed en kostelijk gewas, uit een goede en vruchtbare landstreek; verg. Deut. 8:8 , en Deut. 32:13 , 32:14 , en Deut. 33:24 . Deuteronomium 8:8 : Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig; Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Deuteronomium 33:24 : En van Aser zei hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broers aangenaam, en dope zijn voet in olie.
[^genesis-27-29-38]: Kanttekening 38: Deze wens of zegen is voornamelijk vervuld ten tijde van David, Salomo en de koningen van Juda, tot Joram toe. Zie boven, Gen. 25:23 . Genesis 25:23 : En YHWH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-27-29-39]: Kanttekening 39: wees heer: Gelijk het recht van de eerstgeboorte medebrengt. Zie boven, Gen. 25:31 . Genesis 25:31 : Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte.
[^genesis-27-29-b]: Verwijzing b: Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden.
[^genesis-27-29-40]: Kanttekening 40: en wie u zegent: Zie boven, Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^genesis-27-30-41]: Kanttekening 41: uitgegaan was: Hebr. uitgaande was uitgegaan.
[^genesis-27-33-42]: Kanttekening 42: Het Hebreeuwse woord betekent zeer grote vrees en schrik, verenigd met sidderen en beven; gelijk onder, Gen. 42:28 ; Ex. 19:16 , 19:18 . Deze schrik liet God over hem vallen eensdeels om hem te wederhouden van toornigheid tegen Jakob, anderdeels om hem te doen bedenken dat de uitkomst van de gegeven zegening was door zijn besluit en eeuwig voornemen. Zie boven, Gen. 25:23 . Genesis 42:28 : En hij zei tot zijn broers: Mijn geld is teruggekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de één tot de ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft? Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Genesis 25:23 : En YHWH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-27-34-c]: Verwijzing c: Hebr. 12:17 . Hebreeën 12:17 : Want u weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats van het berouw, hoewel hij dezelfde met tranen zocht.
[^genesis-27-34-43]: Kanttekening 43: ook mij: Anders, ik ben ook van mijn vader, of, ik ben ook \[uw zoon\] mijn vader; zo vers 38 . Genesis 27:38 : En Ezau zei tot zijn vader: Hebt u maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.
[^genesis-27-35-44]: Kanttekening 44: met bedrog: De daad van Jakob noemt Izak wel bedrog, gelijk zij in waarheid was, maar nu verstond hij redelijk dat hij daarvan de oorzaak was, door zijn voorgaande onverstandigheid; gelijk dit blijkt omdat hij volhardde bij wat hij, bedrogen zijnde, gedaan had. Zie boven, vers 23 . Genesis 27:23 : Maar hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijn broers Ezau's handen; en hij zegende hem.
[^genesis-27-35-45]: Kanttekening 45: uw zegen: Dat is, die u van nature toekwam, en die ik u meende te geven.
[^genesis-27-36-46]: Kanttekening 46: Is het: Waarom hij Jakob genoemd is, is te zien boven, Gen. 25:26 , te weten, omdat hij zijn broer Ezau bij de verzenen hield in de geboorte; maar Ezau duidt deze naam, alsof hij hem de voet gezet of gelicht, dat is, verschalkt en bedrogen had, welke betekenis het Hebreeuwse woord ook lijden kan; zie Jer. 17:9 . Genesis 25:26 : En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte. Jeremia 17:9 : Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
[^genesis-27-36-47]: Kanttekening 47: Mijn eerstgeboorte: Dit is vals; want hij had deze hem goedsmoeds verkocht. Zie boven Gen. 25:32 , 25:33 . Genesis 25:32 : En Ezau zei: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? Genesis 25:33 : Toen zei Jakob: Zweer mij op deze dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
[^genesis-27-36-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 25:33 . Genesis 25:33 : Toen zei Jakob: Zweer mij op deze dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
[^genesis-27-36-48]: Kanttekening 48: mijn zegen: De zegen behoorde tot het recht van de eerstgeboorte. Omdat hij nu dit verkocht had, zo kwam de zegen hem niet toe.
[^genesis-27-37-49]: Kanttekening 49: Dat is, Ezau's geslacht en nakomelingen.
[^genesis-27-37-50]: Kanttekening 50: Dat is, voorzien, gestoffeerd, verzorgd, opdat hij daarvan niet alleen de gemene nooddruft hebbe, maar ook wat hem dienen kan tot bijzondere versterking.
[^genesis-27-38-e]: Verwijzing e: Hebr. 12:17 . Hebreeën 12:17 : Want u weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats van het berouw, hoewel hij dezelfde met tranen zocht.
[^genesis-27-38-51]: Kanttekening 51: deze enen: Versta door deze ene zegen, de voornaamste, waardoor Jakob was verklaard een erfgenaam van het goddelijk verbond en van het land Kanaän.
[^genesis-27-40-52]: Kanttekening 52: op uw: Dat is, door geweld van wapenen zult u uw volk, land en middelen moeten voorstaan, en daarom een ongerust leven leiden, in het midden van vele oorlogen.
[^genesis-27-40-53]: Kanttekening 53: zult uw: Zie boven, Gen. 25:23 . Genesis 25:23 : En YHWH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-27-40-54]: Kanttekening 54: juk van: Zie 2 Sam. 8:14 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^genesis-27-40-55]: Kanttekening 55: Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 8:20 , 8:22 . 2 Koningen 8:20 : In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich. 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^genesis-27-41-56]: Kanttekening 56: Deze haat is overgeërfd op de kinderen en nakomelingen; Ez. 35:5 ; Amos 1:11 ; Obadja:10 . Ezechiël 35:5 : Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen van Israël doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde huns verderfs, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; Amos 1:11 : Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt. Obadja 1:10 : Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
[^genesis-27-41-57]: Kanttekening 57: zei in: Te weten, bij zichzelven. Hoewel hij het niet alleen gedacht heeft, maar ook met woorden of gebaren geopenbaard, aldus dat het ter oren van zijn moeder gekomen is, gelijk blijkt vers 42 . Genesis 27:42 : Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zei tot hem: Zie, uw broer Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.
[^genesis-27-42-58]: Kanttekening 58: Zie, uw: Rebekka openbaart haar zoon wat zij verstaan had, aangaande het voornemen van Ezau, om hem tot de reis aan te sporen.
[^genesis-27-43-59]: Kanttekening 59: vlied u: Hebr. vlied u, of voor u. Zie boven, Gen. 12:1 . Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^genesis-27-43-60]: Kanttekening 60: Zie boven, Gen. 11:31 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^genesis-27-44-61]: Kanttekening 61: enige dagen: Dat is, enige tijd. Hebr. ene dagen. Zo ook onder, Gen. 29:20 . Genesis 29:20 : Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.
[^genesis-27-44-62]: Kanttekening 62: Het Hebreeuwse woord betekent een heten en brandenden toorn, zoals deze toorn van Ezau was.
[^genesis-27-45-63]: Kanttekening 63: Dat is, van u, als u Ezau kwam te vermoorden, en van Ezau, als hij om zijn moord door de overheid gestraft werd, of door enig rechtvaardig oordeel van God omkwam, of, gelijk Kaïn, van Gods aangezicht verdreven werd.
[^genesis-27-46-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 26:35 . Genesis 26:35 : En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid van de geest.
[^genesis-27-46-64]: Kanttekening 64: vanwege de dochters Heths: Hebr. van, of, voor het aangezicht van de dochters Heths, versta, Ezau's vrouwen. Zie boven, Gen. 26:34 . Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.

### Genesis 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/28.json)

*Izak ontbiedt Jakob en draagt hem op naar Mesopotamie te reizen, om daar een vrouw te nemen uit de dochters van Laban; hij wenst hem geluk op de reis en bevestigt de zegen die hij hem eerder onbewust had gegeven, vers 1. Ezau merkt dat zijn plan gedwarsboomd is en dat zijn Kananitische vrouwen zijn vader niet welgevallig zijn, en neemt er nog een vrouw bij uit het geslacht van Ismaël, 6. Jakob begint zijn reis en ziet onderweg in een droom het opmerkelijke visioen van een ladder, waarbij hij zeer heerlijke beloften van God ontvangt, 12; hierdoor gesterkt en bemoedigd, richt hij daar een gedenkteken op en doet God een gelofte van dankbaarheid, 16.*

**1** En Izak riep Jakob, en[^genesis-28-1-1] zegende hem; en gebood hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v1)

**2** [^genesis-28-2-a] Maak u op, ga[^genesis-28-2-2] naar Paddan-aram, in het huis van[^genesis-28-2-3] Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, uw moeders broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v2)

**3** En[^genesis-28-3-4] God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot één menigte van volken wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v3)

**4** En Hij geve u[^genesis-28-4-5] de zegen van Abraham; aan u,[^genesis-28-4-b] en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land waar u vreemdeling was, dat God[^genesis-28-4-6] aan Abraham gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v4)

**5** Zo zond Izak Jakob weg, dat hij trok naar Paddan-aram, tot Laban, de[^genesis-28-5-7] zoon van Bethuël, de Syriër, de broer van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v5)

**6** Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v6)

**7** En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-aram getrokken was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v7)

**8** En dat Ezau zag, dat de dochters van[^genesis-28-8-8] Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v8)

**9** Zo ging Ezau[^genesis-28-9-9] tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw[^genesis-28-9-10] boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van[^genesis-28-9-11] Abraham, de zus van Nebajoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v9)

**10** Jakob dan trok uit van[^genesis-28-10-12] Ber-seba, en ging naar Haran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v10)

**11** En hij geraakte[^genesis-28-11-13] op een plaats, waar hij overnachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam[^genesis-28-11-14] van de stenen van die plaats, en maakte zijn hoofdkussen, en legde zich te slapen te dierzelver plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v11)

**12** En[^genesis-28-12-15] hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel raakte[^genesis-28-12-16]; en ziet,[^genesis-28-12-c] de[^genesis-28-12-17] engelen van God klommen daarbij op en neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v12)

**13** En zie, YHWH stond op die en zei:[^genesis-28-13-18] Ik[^genesis-28-13-d] ben YHWH, de God[^genesis-28-13-19] van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen,[^genesis-28-13-e] zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v13)

**14** En uw zaad zal wezen[^genesis-28-14-20] als het stof van de aarde, en[^genesis-28-14-21] u zult uitbreken in[^genesis-28-14-22] menigte, naar het westen en naar het oosten, en naar het noorden en naar het zuiden; en[^genesis-28-14-f] in u,[^genesis-28-14-23] en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v14)

**15** En zie,[^genesis-28-15-24] Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u terugbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten,[^genesis-28-15-25] voordat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v15)

**16** Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zei hij:[^genesis-28-16-26] Zeker is YHWH aan deze plaats, en[^genesis-28-16-27] ik heb het niet geweten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v16)

**17** En hij vreesde, en zei: Hoe[^genesis-28-17-28] vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan[^genesis-28-17-29] een huis van God, en dit is de poort van de hemel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v17)

**18** Toen stond Jakob vroeg in de morgen op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdkussen gelegd had, en[^genesis-28-18-g] zette hem tot een opgericht teken, en[^genesis-28-18-30] goot daar[^genesis-28-18-31] olie[^genesis-28-18-32] boven op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v18)

**19** En hij noemde de naam van die plaats[^genesis-28-19-33] Beth-el; daar toch de naam van die stad te voren was[^genesis-28-19-34] Luz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v19)

**20** En Jakob[^genesis-28-20-35] beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben[^genesis-28-20-36] brood om te eten, en kleren om aan te trekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v20)

**21** En ik in het huis van mijn vader[^genesis-28-21-37] in vrede zal teruggekeerd zijn; zo zal YHWH mij[^genesis-28-21-38] tot een God zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v21)

**22** En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb,[^genesis-28-22-39] zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U[^genesis-28-22-40] voorzeker de tienden geven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/28.html#v22)

[^genesis-28-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de zegen, die hij onwetend tevoren gegeven had, heeft hij nu wetens en willens, meer verlicht zijnde, bevestigd; wensende Jakob tevens geluk op zijn reis, gelijk Joz. 22:7 . Jozua 22:7 : Want aan de helft van de stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van dezelfde gaf Jozua een erfdeel bij hun broers, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.
[^genesis-28-2-a]: Verwijzing a: Hosea 12:13 . Hosea 12:13 : Jakob vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.
[^genesis-28-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Gen. 25:20 . Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-28-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Gen. 25:22 , 25:23 . Genesis 25:22 : En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zei zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om YHWH te vragen. Genesis 25:23 : En YHWH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen.
[^genesis-28-3-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Gen. 17:1 , en de aantekening. Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-28-4-5]: Kanttekening 5: de zegen: Dat is, die Abraham beloofd is, boven, Gen. 12:3 , 12:7 , en Gen. 15:1 , 15:4 , 15:5 , 15:7 en Gen. 17:5 , 17:6 , 17:8 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 15:4 : En ziet, het woord van YHWH was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 15:7 : Verder zei Hij tot hem: Ik ben YHWH, Die u uitgeleid heb uit Ur van de Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. Genesis 17:5 : En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken. Genesis 17:6 : En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^genesis-28-4-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 12:7 ; boven, Gen. 13:15 ; boven, Gen. 15:18 ; boven, Gen. 24:7 ; boven, Gen. 26:3 ; Deut. 34:4 ; Hand. 7:5 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 24:7 : De YHWH, de God van de hemel, Die mij uit van mijn vader huis en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. Genesis 26:3 : Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan. Handelingen 7:5 : En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
[^genesis-28-4-6]: Kanttekening 6: Zie boven, Gen. 17:8 . Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^genesis-28-5-7]: Kanttekening 7: de Syriër: Hebr. Arameër, of Aramieter.
[^genesis-28-8-8]: Kanttekening 8: kwaad waren: Dat is, onaangenaam of mishagelijk waren; zie boven, Gen. 21:11 . Genesis 21:11 : En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
[^genesis-28-9-9]: Kanttekening 9: tot Ismaël: Dat is, tot Ismaëls geslacht of nakomelingen; daar Ismaël in deze tijd reeds overleden was, zoals sommigen afleiden uit Gen. 25:17 . Genesis 25:17 : En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
[^genesis-28-9-10]: Kanttekening 10: boven zijn: Dat is, boven die vrouwen, welke hij tevoren had, die twee waren; boven, Gen. 26:34 . Deze Mahalath was de derde. Het schijnt dat Ezau dit gedaan heeft, menende zijn vader te behagen, met een vrouw te nemen uit zijn geslacht. Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^genesis-28-9-11]: Kanttekening 11: Ismaëls eerstgeboren zoon. Zie boven, Gen. 25:13 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^genesis-28-10-12]: Kanttekening 12: Zie boven, Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-28-11-13]: Kanttekening 13: op een: Zie onder, vers 18 . Genesis 28:18 : Toen stond Jakob 's morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
[^genesis-28-11-14]: Kanttekening 14: van de: Dat is, één van de stenen, gelijk af te nemen is uit vers 18 . Genesis 28:18 : Toen stond Jakob 's morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
[^genesis-28-12-15]: Kanttekening 15: hij droomde: Te weten, een droom, die God buiten order hem toezond, om hem enige verborgen en heilige zaken te openbaren. Zie ook van zodanige goddelijke openbaring, boven, Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouw, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^genesis-28-12-16]: Kanttekening 16: Hebr. hoofd (רֹאשׁ).
[^genesis-28-12-c]: Verwijzing c: Joh. 1:52 . Johannes 1:52 : En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon van de mensen.
[^genesis-28-12-17]: Kanttekening 17: Versta hier, de goede, heilige engelen.
[^genesis-28-13-18]: Kanttekening 18: Ik ben: Zie boven, vers 3 , 28:4 . Genesis 28:3 : En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot een hoop volken wordt. Genesis 28:4 : En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, dat God aan Abraham gegeven heeft.
[^genesis-28-13-d]: Verwijzing d: onder, Gen. 35:1 ; idem 35:3 ; onder, Gen. 48:3 . Genesis 35:1 : Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar die God, Die u verscheen, toen u vluchttet voor het aangezicht van uw broer Ezau. Genesis 35:3 : En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken die God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op de weg, die ik gewandeld heb. Genesis 48:3 : Daarna zei Jakob tot Jozef: El Shaddai, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;
[^genesis-28-13-19]: Kanttekening 19: uw vader: Dat is, bestevaders of grootvaders.
[^genesis-28-13-e]: Verwijzing e: Deut. 12:20 ; Deut. 19:8 . Deuteronomium 12:20 : Wanneer YHWH, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en u zeggen zult: Ik zal vlees eten; omdat uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult u vlees eten, naar allen lust uw ziel. Deuteronomium 19:8 : En als YHWH, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaderen te geven gesproken heeft;
[^genesis-28-14-20]: Kanttekening 20: als het: Zie boven, Gen. 13:16 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.
[^genesis-28-14-21]: Kanttekening 21: u zult: Dat is, krachtiglijk in korte tijd zeer vermenigvuldigd en uitgebreid worden. Zo ook onder, Gen. 30:30 ; Jes. 54:3 . Genesis 30:30 : Want het weinige, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? Jesaja 54:3 : Want u zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.
[^genesis-28-14-22]: Kanttekening 22: Hebr. zeewaarts, of naar de zee; zie boven, Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^genesis-28-14-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 12:3 ; boven, Gen. 18:18 ; boven, Gen. 22:18 ; boven, Gen. 26:4 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 18:18 : Omdat Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde,
[^genesis-28-14-23]: Kanttekening 23: en in: Zie boven, Gen. 12:3 , en Gen. 22:18 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^genesis-28-15-24]: Kanttekening 24: Ik ben: Zie boven, Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^genesis-28-15-25]: Kanttekening 25: totdat Ik: Dat is, nimmermeer; zoals deze manier van spreken dikwijls gebruikt wordt; 2 Sam. 6:23 ; Matt. 1:25 , en Matt. 18:34 . 2 Samuël 6:23 : Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot de dag van haar dood toe. Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS. Mattheüs 18:34 : En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem de pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
[^genesis-28-16-26]: Kanttekening 26: Te weten, op een bijzondere wijze, ten aanzien van de voorgaande openbaring; anders is God overal.
[^genesis-28-16-27]: Kanttekening 27: ik heb: Dat is, ik dacht tevoren niet dat mij hier zulk een goddelijke openbaring zou wedervaren.
[^genesis-28-17-28]: Kanttekening 28: Ten aanzien van de heerlijkheid van de majesteit van God, die hier op een bijzondere wijze aan Jakob vertoond was.
[^genesis-28-17-29]: Kanttekening 29: een huis: Dat is, een plaats, waar God op een bijzondere manier woont, om de mensen door zijn openbaring aan te spreken, en om door hen aangesproken te worden, door hun gebeden en godsdiensten, die van hier, als door een poort, in de hemel opklimmen.
[^genesis-28-18-g]: Verwijzing g: onder, Gen. 31:13 ; onder, Gen. 35:14 . Genesis 31:13 : Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land uw familie. Genesis 35:14 : En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.
[^genesis-28-18-30]: Kanttekening 30: Tot een teken dat hij deze steen heiligde, om in het tegenwoordige zijn dankbaarheid tegenover God te bewijzen, en in het toekomende een gedachtenis na te laten, dat God hem hier verschenen was.
[^genesis-28-18-31]: Kanttekening 31: Deze olie had hij tot zijn eigen nooddruft op de reis meegenomen, om die te gebruiken tot voedsel en zalving, naar de gewoonte in die landen. De olie werd ook gebruikt in de offeranden, en wanneer men God iets heiligde. Zie Ex. 29 .
[^genesis-28-18-32]: Kanttekening 32: boven op: Hebr. op zijn hoofd.
[^genesis-28-19-33]: Kanttekening 33: Dat is, een huis van God. Zie boven, Gen. 12:8 , en Gen. 13:3 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Genesis 13:3 : En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai;
[^genesis-28-19-34]: Kanttekening 34: Zie onder, Gen. 35:6 , en Gen. 48:3 . Genesis 35:6 : Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was. Genesis 48:3 : Daarna zei Jakob tot Jozef: El Shaddai, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;
[^genesis-28-20-35]: Kanttekening 35: beloofde een gelofte: Te weten, begerende van God enige weldaden, waarvoor hij zich verbond tot dankbaarheid.
[^genesis-28-20-36]: Kanttekening 36: brood om te eten: Zie boven, Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^genesis-28-21-37]: Kanttekening 37: in vrede: Verg. boven, Gen. 26:29 . Genesis 26:29 : Zo u bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van YHWH!
[^genesis-28-21-38]: Kanttekening 38: tot een: Dat is, ik zal hem geduriglijk voor de ware God en Zaligmaker erkennen en belijden; en tot dat einde de godsdienst instellen, gelijk volgt.
[^genesis-28-22-39]: Kanttekening 39: zal een: Dat is, een plaats, welke ik heiligen zal tot de godsdienst voor mij en de mijnen. Verg. boven, vers 17 , en zie de vervulling onder, Gen. 35:1 , 35:3 , 35:7 . Genesis 28:17 : En hij vreesde, en zei: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel! Genesis 35:1 : Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar voor die God, Die u verscheen, toen u vluchttet voor het aangezicht van uw broer Ezau. Genesis 35:3 : En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken voor die God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op de weg, die ik gewandeld heb. Genesis 35:7 : En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor zijn broers aangezicht vluchtte.
[^genesis-28-22-40]: Kanttekening 40: voorzeker de tienden: Hebr. ik zal tiendende tienen, dat is, zekerlijk de tienden geven; te weten, tot onderhouding van de godsdienst en tot oefening van alle weldadigheid aan de nooddruftigen. Verg. onder, Gen. 35:3 , 35:7 . Genesis 35:3 : En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken voor die God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op de weg, die ik gewandeld heb. Genesis 35:7 : En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor zijn broers aangezicht vluchtte.

### Genesis 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/29.json)

*Jakob komt in de buurt van Haran en maakt door Gods wonderlijke leiding kennis met Rachel, de dochter van Laban, vers 1, die het aan haar vader gaat vertellen, 12. Laban loopt Jakob tegemoet, brengt hem in huis, hoort alles wat hem overkomen is, en houdt hem bij zich, 13. Zij spreken af dat Jakob zeven jaar zal dienen voor Rachel, 15, maar als hij denkt Rachel te trouwen, wordt hem Lea voorgelegd, Rachels oudere zus, 21. Hij krijgt toch ook Rachel, in ruil voor nog eens zeven jaar dienst, 27. Rachel is geliefd maar onvruchtbaar; Lea daarentegen baart Ruben, Simeon, Levi en Juda, 31.*

**1** Toen[^genesis-29-1-1] hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land[^genesis-29-1-2] van de kinderen van het Oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v1)

**2** En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen naast die neerliggende; want uit die put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op de mond van die put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v2)

**3** En daarheen werden al de kudden verzameld, en zij wentelden de steen van de mond van de put, en drenkten de schapen, en legden de steen weer op de mond van die put, op zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v3)

**4** Toen zei Jakob tot hen: Mijn[^genesis-29-4-3] broeders! vanwaar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v4)

**5** En hij zei tot hen: Kent u Laban, de[^genesis-29-5-4] zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v5)

**6** Verder zei hij tot hen:[^genesis-29-6-5] Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v6)

**7** En hij zei: Zie,[^genesis-29-7-6] het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v7)

**8** Toen zeiden[^genesis-29-8-7] zij: Wij kunnen niet, voordat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men de steen van de mond van de put afwentele, opdat wij de schapen drenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v8)

**9** Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want[^genesis-29-9-8] zij was een herderin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v9)

**10** En het gebeurde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broer, en de schapen van Laban, zijn moeders broer, dat Jakob toetrad, en[^genesis-29-10-9] wentelde de steen van de mond van de put, en gaf de schapen van Laban, zijn moeders broer, te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v10)

**11** En Jakob[^genesis-29-11-10] kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en[^genesis-29-11-11] huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v11)

**12** En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een[^genesis-29-12-12] broer van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v12)

**13** En het gebeurde,[^genesis-29-13-13] als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijn zussen zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban[^genesis-29-13-14] al deze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v13)

**14** Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent[^genesis-29-14-15] mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem[^genesis-29-14-16] een volle maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v14)

**15** Daarna zei Laban tot Jakob: Omdat u mijn broer bent, zou u mij daarom om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v15)

**16** En Laban had twee dochters: de naam van[^genesis-29-16-17] de grootste was Lea; en de naam van[^genesis-29-16-18] de kleinste was Rachel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v16)

**17** Maar Lea had[^genesis-29-17-19] tedere ogen; maar Rachel was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v17)

**18** En Jakob had Rachel lief; en hij zei:[^genesis-29-18-a] Ik zal u[^genesis-29-18-20] zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v18)

**19** Toen zei Laban:[^genesis-29-19-21] Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een andere man geve; blijf bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v19)

**20** Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen[^genesis-29-20-22] als enige dagen, omdat hij haar liefhad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v20)

**21** Toen zei Jakob tot Laban: Geef[^genesis-29-21-23] mijn huisvrouw, want[^genesis-29-21-24] mijn dagen zijn vervuld,[^genesis-29-21-25] dat ik tot haar inga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v21)

**22** Zo verzamelde Laban[^genesis-29-22-26] al de mannen van die plaats, en maakte een maaltijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v22)

**23** En het gebeurde van de avond, dat hij zijn dochter Lea nam,[^genesis-29-23-27] en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v23)

**24** En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter,[^genesis-29-24-28] tot een dienstmaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v24)

**25** En het gebeurde van de morgen, en ziet, het was Lea. Daarom zei hij tot Laban: Wat is dit, dat u mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt u mij dan bedrogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v25)

**26** En Laban zei:[^genesis-29-26-29] Men doet zo niet op deze plaats van ons, dat[^genesis-29-26-30] men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v26)

**27** [^genesis-29-27-31] Vervul de week van deze;[^genesis-29-27-32] dan zullen wij u ook die geven, voor de dienst, die u nog andere zeven jaren bij mij dienen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v27)

**28** En Jakob deed zo; en hij vervulde de week van deze. Toen[^genesis-29-28-33] gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v28)

**29** En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v29)

**30** En[^genesis-29-30-34] hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v30)

**31** Toen nu YHWH zag, dat Lea[^genesis-29-31-35] gehaat was,[^genesis-29-31-36] opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v31)

**32** En Lea werd zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam[^genesis-29-32-37] Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu[^genesis-29-32-38] liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v32)

**33** En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Omdat YHWH gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook deze gegeven; en zij noemde zijn naam[^genesis-29-33-39] Simeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v33)

**34** En zij werd nog zwanger, en baarde een zoon, en zei: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde[^genesis-29-34-40] zij zijn naam[^genesis-29-34-41] Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v34)

**35** En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Ditmaal zal ik YHWH loven; daarom noemde zij zijn naam[^genesis-29-35-43] Juda. En zij[^genesis-29-35-44] hield op van baren.[^genesis-29-35-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/29.html#v35)

[^genesis-29-1-1]: Kanttekening 1: Door deze manier van spreken wordt te kennen gegeven dat Jakob, door de voorgaande goddelijke toespraak getroost en versterkt zijnde, met lust en vreugde zijn weg reisde.
[^genesis-29-1-2]: Kanttekening 2: van de kinderen: Dat is, van het volk, dat tegen het oosten van Kanaän woonachtig is. Zo Richt. 6:33 ; 1 Kon. 4:30 ; Job 1:3 ; Jer. 49:28 . Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël. 1 Koningen 4:30 : En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren; Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. Jeremia 49:28 : Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.
[^genesis-29-4-3]: Kanttekening 3: Verg. boven, Gen. 19:7 . Genesis 19:7 : En hij zei: Mijn broers! doet toch geen kwaad!
[^genesis-29-5-4]: Kanttekening 4: zoon van: Dat is, zoons zoon.
[^genesis-29-6-5]: Kanttekening 5: Is het: Hebr. is hem vrede? of heeft hij vrede? zo onder, Gen. 43:27 ; 2 Sam. 18:32 ; 2 Kon. 4:26 , enz. Zie van het woord vrede, onder Gen. 37:14 . Genesis 43:27 : En hij vraagde hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zeide? Leeft hij nog? 2 Samuël 18:32 : Toen zei de koning tot Cuschi: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. 2 Koningen 4:26 : Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zei: Het is wel. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^genesis-29-7-6]: Kanttekening 6: het is: Hebr. het is nog grootdag.
[^genesis-29-8-7]: Kanttekening 7: Wij kunnen: Hebr. wij zullen niet kunnen. Te weten, om de zwaarheid van de steen, die wij met ons weinigen niet kunnen afnemen, en om de gewoonte die wij hebben, naar elkaar te wachten.
[^genesis-29-9-8]: Kanttekening 8: zij was: Zie dergelijke exempelen Ex. 2:16 ; Hoogl. 1:7 , 1:8 . Exodus 2:16 : En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. Hooglied 1:7 : Zeg mij aan, U, Die mijn ziel liefheeft, waar U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen? Hooglied 1:8 : Als u het niet weet, o u schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen van de schapen, en weid uw geiten bij de woningen van de herderen.
[^genesis-29-10-9]: Kanttekening 9: Dat is, hij hielp de herders de steen afwentelen in Rachels plaats. Want alleen kon hij het niet doen. Zie vers 8 . Genesis 29:8 : Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men de steen van de mond van de put afwentele, opdat wij de schapen drenken.
[^genesis-29-11-10]: Kanttekening 10: Naar het gebruik van die landen, bij manier van groetenis; zo in het komen, gelijk hier vers 13 , en onder Gen. 33:4 ; Ex. 4:27 , en Ex. 18:7 ; als in het scheiden, Ruth 1:14 ; 1 Sam. 20:41 ; 1 Kon. 19:20 . Genesis 29:13 : En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, de zoon van zijn zus, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. Genesis 33:4 : Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij weenden. Exodus 4:27 : YHWH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem. Exodus 18:7 : Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent. Ruth 1:14 : Toen hieven zij haar stem op, en weenden opnieuw; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. 1 Samuël 20:41 : Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkaar, en weenden met elkaar, totdat het David geheel veel maakte. 1 Koningen 19:20 : En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zei: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zei tot hem: Ga, keer weer; want wat heb ik u gedaan?
[^genesis-29-11-11]: Kanttekening 11: Te weten, van blijdschap, omdat hij daar zijn nicht zo bekwamelijk en tijdig ontmoette. Zie van dergelijk wenen ook onder, Gen. 33:4 . Genesis 33:4 : Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij weenden.
[^genesis-29-12-12]: Kanttekening 12: Zie boven, Gen. 13:8 . Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers.
[^genesis-29-13-13]: Kanttekening 13: als Laban: Hebr. toen Laban de horing Jakobs hoorde.
[^genesis-29-13-14]: Kanttekening 14: al deze: Te weten, de oorzaak van zijn reis, en wat hem op de weg bejegend was, dat alles Laban diende te weten, om voor te komen alle kwaad vermoeden van een zo schielijke en slechte aankomst, in vergelijking van Eliëzers aankomst; boven, Gen. 24 .
[^genesis-29-14-15]: Kanttekening 15: mijn gebeente: Dat is, mijn verwant, mijn familie. Zie dergelijke manier van spreken boven, Gen. 2:23 , en Richt. 9:2 ; 2 Sam. 19:12 , 19:13 , en 1 Kron. 11:1 , als ook in het geestelijke, Ef. 5:30 . Genesis 2:23 : Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. Richteren 9:2 : Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat een man over u heerse? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben. 2 Samuël 19:12 : U bent mijn broers; mijn been en mijn vlees bent u; waarom zoudt u dan de laatsten zijn, om de koning weer te halen? 2 Samuël 19:13 : En tot Amasa zult u zeggen: Bent u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te alle dage, in Joabs plaats. 1 Kronieken 11:1 : Toen vergaderde zich geheel Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees. Efeziërs 5:30 : Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen.
[^genesis-29-14-16]: Kanttekening 16: een volle: Hebr. een maand van de dagen, dat is, een volle maand, of, zoveel dagen als er in een maand gaan. Zo is een jaar van de dagen, onder Gen. 41:1 , te zeggen een geheel jaar. Genesis 41:1 : En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.
[^genesis-29-16-17]: Kanttekening 17: Dat is, van de oudste.
[^genesis-29-16-18]: Kanttekening 18: Dat is, van de jongste.
[^genesis-29-17-19]: Kanttekening 19: Dat is, zwakke en gebrekkelijke.
[^genesis-29-18-a]: Verwijzing a: Hosea 12:13 . Hosea 12:13 : Jakob vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.
[^genesis-29-18-20]: Kanttekening 20: Jakob biedt aan, een langen tijd te dienen, zowel omdat de gierigheid van zijn oom hem niet onbekend was; alsook omdat hij, Rachel zeer beminnende, begeerde aldus meteen de bruidsschat te betalen, die de bruidegoms in die tijd geven moesten; zoals blijkt uit Ex. 22:17 , en 1 Sam. 18:25 . Exodus 22:17 : Als haar vader ganselijk weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar de bruidschat van de maagden. 1 Samuël 18:25 : Toen zei Saul: Aldus zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden van de koning. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen.
[^genesis-29-19-21]: Kanttekening 21: Het is: Een twijfelachtig en listig antwoord, gelijk de uitkomst wel geleerd heeft.
[^genesis-29-20-22]: Kanttekening 22: als enige: Hebr. ene dagen. Zie deze manier van spreken ook boven, Gen. 27:44 . De zin van deze woorden is dat Jakob deze tijd zeer kort viel. Genesis 27:44 : En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige toorn van uw broer kere;
[^genesis-29-21-23]: Kanttekening 23: mijn huisvrouw: Dat is, mijn ondertrouwde vrouw, uit kracht van het verdrag van het huwelijk. Zie dergelijke manier van spreken, Matt. 1:18 , 1:19 , en Luk. 2:5 . Mattheüs 1:18 : De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, voordat zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest. Mattheüs 1:19 : Jozef nu, haar man, zo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar in het geheim te verlaten. Lukas 2:5 : Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
[^genesis-29-21-24]: Kanttekening 24: mijn dagen: Te weten, de besproken jaren van mijn dienst.
[^genesis-29-21-25]: Kanttekening 25: dat ik: Zie boven, Gen. 6:4 , en Gen. 16:2 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
[^genesis-29-22-26]: Kanttekening 26: al de: Dat is, zeer velen; te weten, al zijn vrienden en goede bekenden, naburen en de aanzienlijksten van de stad, volgens de gewoonte; zie Richt. 14:10 , 14:11 ; Joh. 2:1 , 2:2 , enz. en deze noodde hij in des te meerder getal, opdat Jakob minder zou durven veranderen de snode vond, die hij bedacht had om hem te bedriegen. Richteren 14:10 : Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson daar een bruiloft, want zo plachten de jongelingen te doen. Richteren 14:11 : En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn. Johannes 2:1 : En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. Johannes 2:2 : En Jezus was ook uitgenodigd, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.
[^genesis-29-23-27]: Kanttekening 27: en bracht: Het schijnt uit deze plaats dat het in die tijden gebruikelijk was, dat men de bruid tot de bruidegom in de slaapkamer bracht, bedekt zijnde met een doek of sluier, om haar beschaamdheid; maar onder deze schijn is Jakob bedrogen.
[^genesis-29-24-28]: Kanttekening 28: tot : Dit woordje wordt hier ingevoegd uit het volgende 29e vers. vers 29 . Het was in die tijden een gebruik, dat de ouders, hun dochters ten huwelijk uitgevende, een dienstmaagd of andere vrouwelijke persoon medegaven. Zie boven, Gen. 24:59 . Genesis 29:29 : En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd. Genesis 24:59 : Toen lieten zij Rebekka, hun zus, en haar voedster trekken, en ook Abrahams knecht en zijn mannen.
[^genesis-29-26-29]: Kanttekening 29: Men doet: Als dit zo was, zo behoorde Laban dit Jakob tevoren gezegd, en hem zo lelijk niet bedrogen of behandeld te hebben.
[^genesis-29-26-30]: Kanttekening 30: de kleinste: Hebr. de kleine, dat is, de jongste.
[^genesis-29-27-31]: Kanttekening 31: Dat is, houd deze zeven dagen van het begonnen bruiloftsfeest met Lea uit; zie een dergelijk exempel van een zevendaagse bruiloft, Richt. 14:12 , 14:15 , 14:17 . Sommigen nemen deze week voor een jaarweek. Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. Richteren 14:15 : Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet? Richteren 14:17 : En zij weende voor hem, op de zevende van de dagen in die zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel de kinderen haars volks.
[^genesis-29-27-32]: Kanttekening 32: dan zullen: Te weten, na het einde van deze week, zoals volgt, vers 28 . Genesis 29:28 : En Jakob deed zo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.
[^genesis-29-28-33]: Kanttekening 33: gaf hij: Hoewel het schijnt dat deze vrijheid van twee zussen aan één man uit te geven, door menselijke wetten nog niet verboden was; nochtans streed zij tegen de natuur en de wet, daarna door Mozes gegeven, Lev. 18:18 . Leviticus 18:18 : U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontdekken.
[^genesis-29-30-34]: Kanttekening 34: hij ging: Jakob laat zich overreden twee vrouwen tegelijk te nemen, dat wel was naar het gebruik van die tijd, maar niet naar de instelling Gods; boven, Gen. 2:24 ; Mal. 2:15 . Zie ook de aantekening, Gen. 4:19 . Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Maleachi 2:15 : Heeft Hij niet maar een gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom maar die enen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd. Genesis 4:19 : En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
[^genesis-29-31-35]: Kanttekening 35: Dat is, dat zij haar man zo lief en aangenaam niet was als Rachel; zie boven, vers 20 . Het woord haten wordt somtijds gebruikt voor minder liefhebben. Zie Deut. 21:15 ; Matt. 6:24 , en Luk. 14:26 . Genesis 29:20 : Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad. Deuteronomium 21:15 : Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; Mattheüs 6:24 : Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon. Lukas 14:26 : Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^genesis-29-31-36]: Kanttekening 36: Dat is, Hij maakte haar vruchtbaar. Zie boven, Gen. 20:18 . Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^genesis-29-32-37]: Kanttekening 37: Dat is, zie een zoon, of een zoon van het aanzien, alsof zij zei: zie hoe mij nu God een zoon gegeven heeft in mijn verdrukking, want haar man had haar zo lief niet als haar zus.
[^genesis-29-32-38]: Kanttekening 38: Dat is, liever dan tevoren.
[^genesis-29-33-39]: Kanttekening 39: Hebr. Schimon (שִׁמְעוֺן). Deze naam komt van een woord, dat betekent horen, of verhoren. Want God verhoorde haar gebed en haar zuchten.
[^genesis-29-34-40]: Kanttekening 40: \[Noot van de redactie\] In sommige versies van de SV staat hier hij . Dan wordt Jakob bedoeld.
[^genesis-29-34-41]: Kanttekening 41: Dat is, toegevoegd of bijvoeging, of mijn bijvoeging. De oorzaak voor deze naam staat in de tekst.
[^genesis-29-35-43]: Kanttekening 43: Hebr. Jehudah (יְהוּדָה).
[^genesis-29-35-44]: Kanttekening 44: hield op: Hebr. zij stond van baren; zo onder, Gen. 30:9 . Genesis 30:9 : Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.
[^genesis-29-35-42]: Kanttekening 42: Hiervan komt de naam Jehudah, dat is, lof, dankzegging, belijdenis, bekentenis.

### Genesis 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/30.json)

*Rachel is ongeduldig over haar kin derloosheid en geeft Jakob haar slavin Bilha, die hem Dan en Naftali baart, vers 1. Op dezelfde manier geeft Lea, die zelf tijdelijk geen kin deren meer krijgt, Jakob haar slavin Zilpa, die hem Gad en Aser baart, 9. Ruben vindt dudaim, en Lea zelf wordt opnieuw zwanger en baart Issaschar, Zebulon en een dochter Dina, 14. Ten slotte baart ook Rachel Jozef, 22. Als Jakob met zijn gezin naar zijn land wil vertrekken, houdt Laban hem tegen met een nieuwe loonafspraak, 25, waardoor Jakob, tegen Labans verwachting in, rijkelijk door God wordt gezegend, 37.*

**1** Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo[^genesis-30-1-1] benijdde Rachel haar zus; en zij zei tot Jakob: Geef mij kinderen! of als niet,[^genesis-30-1-2] zo ben ik dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v1)

**2** Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zei:[^genesis-30-2-3] Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht van de buik van u geweerd heeft?[^genesis-30-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v2)

**3** [^genesis-30-3-5] En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij[^genesis-30-3-6] op mijn knieën bare, en ik ook uit haar[^genesis-30-3-7] gebouwd worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v3)

**4** Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha[^genesis-30-4-8] tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v4)

**5** En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v5)

**6** Toen zei Rachel:[^genesis-30-6-9] God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn[^genesis-30-6-10] naam Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v6)

**7** En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd opnieuw zwanger, en baarde Jakob de tweede zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v7)

**8** Toen zei Rachel: Ik heb[^genesis-30-8-11] worstelingen Gods met mijn zus geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam[^genesis-30-8-12] Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v8)

**9** Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren,[^genesis-30-9-13] nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v9)

**10** En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v10)

**11** Toen zei Lea:[^genesis-30-11-14] Er komt één hoop! en zij noemde zijn naam[^genesis-30-11-15] Gad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v11)

**12** Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweede zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v12)

**13** Toen zei Lea:[^genesis-30-13-16] Tot mijn geluk! want de[^genesis-30-13-17] dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam[^genesis-30-13-18] Aser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v13)

**14** En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond[^genesis-30-14-19] Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zei Rachel tot Lea: Geef mij toch van de Dudaim van uw zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v14)

**15** En zij zei tot haar: Is het weinig, dat u mijn man genomen hebt, dat u ook van mijn zoon Dudaim nemen zult? Toen zei Rachel: Daarom zal hij deze nacht voor de Dudaim van uw zoon bij u liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v15)

**16** Als nu Jakob van de avond uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zei: U zult tot mij inkomen; want ik heb u[^genesis-30-16-20] om loon zeker gehuurd voor van mijn zoon Dudaim; en hij lag die nacht bij haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v16)

**17** En God[^genesis-30-17-21] verhoorde Lea; en zij werd zwanger, en baarde Jakob de vijfde zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v17)

**18** Toen zei Lea: God[^genesis-30-18-22] heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam[^genesis-30-18-23] Issaschar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v18)

**19** En Lea werd opnieuw zwanger, en zij baarde Jakob de zesde zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v19)

**20** En Lea zei: God heeft mij, mij[^genesis-30-20-24] heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam[^genesis-30-20-25] Zebulon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v20)

**21** En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam[^genesis-30-21-26] Dina. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v21)

**22** [^genesis-30-22-27] God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en[^genesis-30-22-28] opende haar baarmoeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v22)

**23** En zij werd zwanger, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn[^genesis-30-23-29] smaad weggenomen![^genesis-30-23-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v23)

**24** En zij noemde zijn naam[^genesis-30-24-31] Jozef, zeggende: De YHWH verbinding mij een andere zoon daartoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v24)

**25** En het gebeurde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat[^genesis-30-25-32] Jakob tot Laban zei: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v25)

**26** Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen,[^genesis-30-26-33] om wie ik u gediend heb, dat ik vertrek; want u weet mijn dienst,[^genesis-30-26-34] die ik u gediend heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v26)

**27** Toen zei Laban tot hem: Zo ik nu[^genesis-30-27-35] genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat YHWH mij om uwentwil gezegend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v27)

**28** Hij zei dan: Noem[^genesis-30-28-36] mij uitdrukkelijk uw loon,[^genesis-30-28-37] dat ik geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v28)

**29** Toen zei hij tot hem: U weet,[^genesis-30-29-38] hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v29)

**30** Want het weinig, dat u[^genesis-30-30-39] voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte[^genesis-30-30-40] uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend[^genesis-30-30-41] bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook[^genesis-30-30-42] werken voor mijn huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v30)

**31** En hij zei: Wat zal ik u geven? Toen zei Jakob: U zult mij niet[^genesis-30-31-43] met al geven, als u mij deze zaak doen zult;[^genesis-30-31-44] ik zal opnieuw uw kudden weiden, en bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v31)

**32** Ik zal vandaag door uw hele kudde gaan, daarvan afzonderende al het[^genesis-30-32-45] gespikkelde en[^genesis-30-32-46] geplekte[^genesis-30-32-47] vee, en al het[^genesis-30-32-48] bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten;[^genesis-30-32-49] en dat zal mijn loon zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v32)

**33** [^genesis-30-33-50] Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van[^genesis-30-33-51] morgen met mij betuigen,[^genesis-30-33-52] als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v33)

**34** Toen zei Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v34)

**35** En[^genesis-30-35-53] hij zonderde af ten zelfde dage[^genesis-30-35-54] de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf die in de hand van zijn zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v35)

**36** En hij stelde[^genesis-30-36-55] een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v36)

**37** [^genesis-30-37-56] Toen nam zich Jakob[^genesis-30-37-57] roeden van[^genesis-30-37-58] groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, dat aan die roeden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v37)

**38** En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en[^genesis-30-38-59] zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v38)

**39** Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde[^genesis-30-39-60] gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v39)

**40** Toen scheidde Jakob[^genesis-30-40-61] de lammeren, en hij wendde het gezicht van de kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en[^genesis-30-40-62] hij zette ze niet bij de kudde van Laban. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v40)

**41** En het gebeurde, telkens als de kudde[^genesis-30-41-63] van de vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen van de kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v41)

**42** Maar als de kudde[^genesis-30-42-64] spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v42)

**43** En die man[^genesis-30-43-65] brak[^genesis-30-43-66] geheel zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienaressen, en dienaren, en kamelen, en ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/30.html#v43)

[^genesis-30-1-1]: Kanttekening 1: Of, zij werd jaloërs.
[^genesis-30-1-2]: Kanttekening 2: zo ben: Dat is, zo moet ik sterven van hartzeer. Woorden van menselijke zwakheid, gesproten uit ongeduld; zie deze manier van spreken boven, Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^genesis-30-2-3]: Kanttekening 3: Ben ik: Dat is, ben ik dan almachtig, dat ik u vruchtbaar maken kan? Het is God alleen, die kinderen geven kan. Zie 1 Sam. 2:5 ; Ps. 113:9 , en Ps. 127:3 . Gelijke woorden spreekt Jozef, onder, Gen. 50:19 . 1 Samuël 2:5 : Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. Psalmen 113:9 : Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blije moeder van kinderen. Hallelujah! Psalmen 127:3 : Ziet, de kinderen zijn een erfdeel van YHWH; de vrucht van de buik is een beloning. Genesis 50:19 : En Jozef zei tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?
[^genesis-30-2-4]: Kanttekening 4: vrucht van de: Dat is, kinderen; Deut. 7:13 , en Deut. 28:4 ; Ps. 132:11 ; Jes. 13:18 . Zo wordt ook Christus genoemd ten aanzien van zijn menselijke natuur, Luk. 1:42 . Deuteronomium 7:13 : En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven. Deuteronomium 28:4 : Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 13:18 : Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht van de buik; hun oog zal de kinderen niet sparen. Lukas 1:42 : En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend zijt u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
[^genesis-30-3-5]: Kanttekening 5: En zij: Zij volgt liever het exempel van Sara, boven, Gen. 16:2 , dan het prijzenswaardig exempel van Izak en Rebekka, boven, Gen. 25:21 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
[^genesis-30-3-6]: Kanttekening 6: op mijn knieën: Dat is, opdat ik de kinderen, die zij van u krijgt, in mijn schoot ontvange, en voor de mijne houde. Zie gelijke manier van spreken onder, Gen. 50:23 . Genesis 50:23 : En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
[^genesis-30-3-7]: Kanttekening 7: Zie deze manier van spreken boven, Gen. 16:2 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
[^genesis-30-4-8]: Kanttekening 8: tot een: Zie boven, Gen. 16:3 . Genesis 16:3 : Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.
[^genesis-30-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, Hij heeft mijn zaak tot mijn voordeel uitgewezen. Zie boven, Gen. 15:14 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^genesis-30-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, die een zaak uitvoert, terechtwijst of gericht oefent.
[^genesis-30-8-11]: Kanttekening 11: Dat is, zeer grote, zware, uitnemende. Zie boven Gen. 13:10 . De zin is: Ik en mijn zus hebben \[om zo te zeggen\] tegen elkaar gekampt en gestreden, om kinderen te krijgen. En het is mij gegaan naar mijn wens, boven het vermoeden van mijn zus; of worstelingen Gods, dat is, met gebeden tot God, waarmee ik tegen mijn zus geworsteld, en door zijn genade overwonnen heb. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-30-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, mijn worsteling.
[^genesis-30-9-13]: Kanttekening 13: nam zij: Uit een menselijke ontevredenheid zich niet vergenoegende met de voorgaande zegen.
[^genesis-30-11-14]: Kanttekening 14: Er komt één hoop: Of, er is één hoop gekomen , dat is: deze zoon gevoegd bij de voorgaande, zal één hoop, of bende volks maken. In het Hebreeuws is het een woord dat uit twee tezamen gevoegd is, alsof men zei, Hoop-komt.
[^genesis-30-11-15]: Kanttekening 15: Dat is, hoop, schaar, bende.
[^genesis-30-13-16]: Kanttekening 16: Tot mijn: Of, met mijn geluk; versta, wordt mij nog deze zoon geboren.
[^genesis-30-13-17]: Kanttekening 17: Versta, de vrouwen in het algemeen.
[^genesis-30-13-18]: Kanttekening 18: Dat is, gelukkig, of die gelukkig maakt, of geluk aanbrengt.
[^genesis-30-14-19]: Kanttekening 19: Dit woord betekent enige lieflijke vruchten of bloemen, zeer aangenaam van reuk, kleur en smaak; welke bij ons doorgaans genoemd worden minnebloemen, of liefdeappelen. Het woord wordt nergens gevonden dan hier, en Hoogl. 7:13 . Hooglied 7:13 : De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.
[^genesis-30-16-20]: Kanttekening 20: om loon: Hebr. Ik heb u om loon hurende, om loon gehuurd, dat is vastelijk, zekerlijk, uitdrukkelijk. Anders, om bedongen, of bestemd loon heb ik u gehuurd.
[^genesis-30-17-21]: Kanttekening 21: Uit genade, niettegenstaande haar menselijke zwakheid en verkeerdheid.
[^genesis-30-18-22]: Kanttekening 22: heeft mijn: Dat is, ik houd mij genoeg beloond voor mijns zoons dudaïm, omdat mij God, nadat ik uit mijn dienstmaagd kinderen gekregen heb, nog daarenboven, buiten mijn verwachting, uit mijn eigen lichaam deze zoon gegeven heeft. Voor de woorden nadat, hebben anderen omdat.
[^genesis-30-18-23]: Kanttekening 23: Hebr. Ischsachar, dat is, daar is een loon.
[^genesis-30-20-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord met het volgende gift, wordt in de Heilige Schrift nergens dan hier gevonden. Het gevoelen van de meesten is, dat dit een bijzondere en voortreffelijke gift betekent.
[^genesis-30-20-25]: Kanttekening 25: Hebr. Zebulun (זְלֻבוּן זְבוּלֻן,), dat is, woning of bijwoning.
[^genesis-30-21-26]: Kanttekening 26: Dat is, rechtshandel of gericht.
[^genesis-30-22-27]: Kanttekening 27: God dacht: Zie boven, Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^genesis-30-22-28]: Kanttekening 28: Zie boven, Gen. 20:18 . Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^genesis-30-23-29]: Kanttekening 29: Die in die tijd bestond in de onvruchtbaarheid; 1 Sam. 1:6 ; Jes. 4:1 ; Luk. 1:25 , en dat meest om twee redenen. I. Omdat de onvruchtbaren van de belofte aan Abraham gedaan, aangaande de vermenigvuldiging van zijn zaad, schenen uitgesloten te zijn. II. Omdat zij waren buiten de hoop, die zij anders hebben konden, dat de Messias, \[die uit het zaad van Abraham voortkomen moest\] van hun nakomelingen een zou worden. 1 Samuël 1:6 : En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat YHWH haar baarmoeder toegesloten had. Jesaja 4:1 : En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. Lukas 1:25 : Zo heeft mij de Heer gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.
[^genesis-30-23-30]: Kanttekening 30: Hebr. vergaderd, ingetrokken, teruggenomen.
[^genesis-30-24-31]: Kanttekening 31: Deze naam schijnt te doelen op twee woorden, te weten, het voorgaande wegnemen, en wat hier staat, toevoegen.
[^genesis-30-25-32]: Kanttekening 32: Te weten, als de andere zeven jaren van zijn dienst om waren, en hij zijn schoonvader niets meer schuldig was.
[^genesis-30-26-33]: Kanttekening 33: om welke: Versta dit eigenlijk ten aanzien van de vrouwen.
[^genesis-30-26-34]: Kanttekening 34: die ik: Te weten, de tijd van veertien jaren, met grote arbeid en trouw.
[^genesis-30-27-35]: Kanttekening 35: Zie over deze manier van spreken boven, Gen. 18:3 . Het is een afgebroken rede, in zulke toespraken gebruikelijk, die men aanvullen kan met deze woorden: Zo blijf toch bij mij, en zeg maar het loon, dat u van mij begeert. Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-30-28-36]: Kanttekening 36: Hebr. over, of op mij. Hij wil zeggen, leg mij op zulk een loon als u wilt. Het Hebreeuwse woord betekent: doorsteken, doorboren, hechten, vastzetten, en dienvolgens uitdrukkelijk noemen.
[^genesis-30-28-37]: Kanttekening 37: dat ik geven zal: Of, en ik zal \[hem\] geven.
[^genesis-30-29-38]: Kanttekening 38: hoe ik u gediend heb: Of, welke dienst ik u gedaan heb: en wat uw verovering, of verkrijging door mij geweest is. Dat is, hoe wèl u u bij mijn dienst bevonden hebt.
[^genesis-30-30-39]: Kanttekening 39: vóór mij: Dat is, vóór mijn komst. Zo onder, Gen. 32:3 . Genesis 32:3 : En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broer, naar het land Seïr, de landstreek van Edom.
[^genesis-30-30-40]: Kanttekening 40: Zie van de eigenschap van dit woord boven, Gen. 28:14 . Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
[^genesis-30-30-41]: Kanttekening 41: bij mijn: Dat is, nadat ik uw zaken beleid en belopen heb; of sinds ik mijn voet in uw huis gezet heb.
[^genesis-30-30-42]: Kanttekening 42: Of, wat doen voor mijn huisgezin.
[^genesis-30-31-43]: Kanttekening 43: met al: Te weten, geen door u gezet loon, maar wat Gods voorzienigheid mij gunnen en toeschikken zal.
[^genesis-30-31-44]: Kanttekening 44: ik zal: Ik zal terugkeren, ik zal weiden, enz.
[^genesis-30-32-45]: Kanttekening 45: Dat is, getekend met kleine stipjes.
[^genesis-30-32-46]: Kanttekening 46: Dat is, met grotere plekken of vlekken.
[^genesis-30-32-47]: Kanttekening 47: vee, en: Versta, klein vee, als schapen, lammeren, geiten.
[^genesis-30-32-48]: Kanttekening 48: Of, brandkleurig. Het Hebreeuwse woord komt van brand, hitte, warmte.
[^genesis-30-32-49]: Kanttekening 49: en zulks: Dat is, welke uit de eenkleurige beesten, namelijk de geheel witte, die ik weiden zal, gesprenkeld, of geplekt, of bruin zullen geworpen worden, zullen mijn loon zijn.
[^genesis-30-33-50]: Kanttekening 50: Zo zal: Dat is, wanneer u heden of morgen eens zult komen bezichtigen, wat mij ter beloning toegevallen is, zo zal duidelijk en onwedersprekelijk blijken wat mijn rechtvaardig loon is, of het tegendeel.
[^genesis-30-33-51]: Kanttekening 51: Dat is, in de toekomende tijd. Zo is dit woord morgen dikwijls in de Heilige Schrift genomen; gelijk Ex. 13:14 ; Deut. 6:20 ; Joz. 4:6 ; Matt. 6:34 . Exodus 13:14 : Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. Deuteronomium 6:20 : Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die YHWH, onze God, u geboden heeft? Jozua 4:6 : Opdat dit een teken zij onder u; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen? Mattheüs 6:34 : Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
[^genesis-30-33-52]: Kanttekening 52: als u: Anders, als zij komen zal om mijn loon.
[^genesis-30-35-53]: Kanttekening 53: Te weten, Laban.
[^genesis-30-35-54]: Kanttekening 54: de gesprenkelde: Te weten, aan de poten met een ronde streep in de gelijkenis van een band, naar de eigenschap van het woord.
[^genesis-30-36-55]: Kanttekening 55: een weg: Of, drie dagreizen; dat is, de ruimte van drie dagreizen; versta, tussen de kudden van Labans zonen en de anderen, die Jakob weidde; opdat de witte toch niet met de gevlekte of bruine enigszins zouden vermengd worden.
[^genesis-30-37-56]: Kanttekening 56: Toen nam: Dit heeft Jakob gedaan door ingeving en regering van God; zie onder, Gen. 31:9 . Aldus heeft God voor Jakob gezorgd, opdat Laban hem niet leeg naar huis zou laten gaan; zie onder, Gen. 31:42 . Genesis 31:9 : Zo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven. Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^genesis-30-37-57]: Kanttekening 57: Of, stokken, of roeden.
[^genesis-30-37-58]: Kanttekening 58: Of, vers.
[^genesis-30-38-59]: Kanttekening 59: zij werden: Dat is, verhit zijnde ontvingen zij.
[^genesis-30-39-60]: Kanttekening 60: Te weten, aan de poten, gelijk boven vers 35 . Genesis 30:35 : En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelfde in de hand van zijn zonen.
[^genesis-30-40-61]: Kanttekening 61: de lammeren: Te weten, die veelkleurig of bruin waren. Deze liet hij voorgaan; de anderen liet hij volgen, opdat deze die zouden zien wanneer zij zich paarden.
[^genesis-30-40-62]: Kanttekening 62: hij zette: Te weten, opdat zij door het aanschouwen daarvan niet haars gelijken, dat is eenkleurigen, zouden voortbrengen.
[^genesis-30-41-63]: Kanttekening 63: van de vroegelingen: Dat is, die in het voorjaar geworpen werden, zijnde, naar de eigenschap van het Hebreeuwse woord, vast, sterk, gebonden van lichaam.
[^genesis-30-42-64]: Kanttekening 64: spade hittig: Dat is, in het najaar; die zwak en onsterk van lichaam waren.
[^genesis-30-43-65]: Kanttekening 65: Zie boven, Gen. 28:14 . Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
[^genesis-30-43-66]: Kanttekening 66: geheel zeer: Hebr. zeer zeer.

### Genesis 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/31.json)

*Jakob merkt Labans jaloëzie, en vertrekt met al zijn bezit, op Gods bevel en met instemming van zijn vrouwen, zonder Labans medeweten, naar het land Kanaän; Rachel steelt haar vaders afgodsbeelden, vers 1. Laban hoort het, jaagt Jakob achterna en haalt hem in bij het gebergte van Gilead, maar wordt door God gewaarschuwd hem vriendelijk te bejegenen; toch beschuldigt hij hem scherp van dit geheime vertrek en van het stelen van zijn afgodsbeelden, 22. Jakob verdedigt zich, en als Laban de beelden nergens vindt, verwijt Jakob hem alle onbehoorlijke behandeling die hij bij hem heeft doorstaan, 31. Uitein delijk sluiten ze een verbond en nemen in vrede afscheid van elkaar, 44.*

**1** Toen hoorde hij de woorden van de zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat van onze vader was, en van wat, dat van onze vader was, heeft hij[^genesis-31-1-1] al deze heerlijkheid gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v1)

**2** Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was tegenover hem niet[^genesis-31-2-2] als gisteren en eergisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v2)

**3** En YHWH zei tot Jakob: Keer weer[^genesis-31-3-3] tot het land van uw vaders, en tot uw familie, en[^genesis-31-3-4] Ik zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v3)

**4** Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea,[^genesis-31-4-5] op het veld tot zijn kudde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v4)

**5** En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht van uw vader, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar[^genesis-31-5-6] de God van mijn vader is bij mij geweest.[^genesis-31-5-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v5)

**6** En u weet, dat ik met al mijn[^genesis-31-6-8] macht uw vader gediend heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v6)

**7** Maar uw vader[^genesis-31-7-9] heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon[^genesis-31-7-10] tien keer veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v7)

**8** [^genesis-31-8-11]Wanneer hij zo zei: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij zo zei: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v8)

**9** Zo heeft God uw vader het vee ontrukt, en[^genesis-31-9-12] aan mij gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v9)

**10** En het gebeurde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag[^genesis-31-10-13] in de droom; en ziet, de[^genesis-31-10-14] bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en[^genesis-31-10-15] hagelvlakkig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v10)

**11** En[^genesis-31-11-16] de Engel van God zei tot mij in de droom: Jakob! En ik zei: Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v11)

**12** En Hij zei: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v12)

**13** Ik ben die[^genesis-31-13-17] God van Beth-el,[^genesis-31-13-a] alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer[^genesis-31-13-18] in het land uw familie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v13)

**14** Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem:[^genesis-31-14-19] Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis van onze vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v14)

**15** [^genesis-31-15-20] Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want[^genesis-31-15-21] hij heeft ons verkocht, en[^genesis-31-15-22] hij heeft ook steeds ons[^genesis-31-15-23] geld verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v15)

**16** Want[^genesis-31-16-24] al de rijkdom, die God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van[^genesis-31-16-25] onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v16)

**17** Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn[^genesis-31-17-26] zonen en zijn vrouwen op kamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v17)

**18** En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn bezittingen, die hij gewonnen had,[^genesis-31-18-27] het vee, dat hij bezat, dat[^genesis-31-18-28] hij in Paddan-aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v18)

**19** Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel[^genesis-31-19-29] de terafim, die haar vader had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v19)

**20** En Jakob[^genesis-31-20-30] ontstal zich aan het hart van Laban, de Syriër, omdat hij hem niet te kennen gaf, dat hij vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v20)

**21** En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over[^genesis-31-21-31] de rivier, en[^genesis-31-21-32] hij zette zijn aangezicht naar het gebergte[^genesis-31-21-33] Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v21)

**22** [^genesis-31-22-34] En op de derde dag werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevlucht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v22)

**23** Toen nam hij zijn[^genesis-31-23-35] broers met zich, en jaagde hem achterna,[^genesis-31-23-36] een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v23)

**24** Maar God kwam tot Laban, de Syriër,[^genesis-31-24-38] in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Pas op dat u met Jakob spreekt,[^genesis-31-24-39] noch goed, noch kwaad.[^genesis-31-24-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v24)

**25** En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent[^genesis-31-25-40] geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broers de zijne op het gebergte van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v25)

**26** Toen zei Laban tot Jakob: Wat hebt u gedaan, dat u[^genesis-31-26-41] zich aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochters ontvoerd hebt,[^genesis-31-26-42] als gevangenen met het zwaard? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v26)

**27** [^genesis-31-27-43] Waarom bent u in het geheim gevlucht, en[^genesis-31-27-44] hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u[^genesis-31-27-45] geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met[^genesis-31-27-46] harp? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v27)

**28** Ook hebt u mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochters[^genesis-31-28-47] te kussen; nu, u hebt dwaselijk gedaan zo doende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v28)

**29** Het was in de macht van mijn hand aan u kwaad te doen; maar de God van uw vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wees op uw hoede van met Jakob te spreken,[^genesis-31-29-48] of goed, of kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v29)

**30** En nu,[^genesis-31-30-49] u hebt immers willen vertrekken, omdat u[^genesis-31-30-50] zo vurig verlangde naar het huis van uw vader;[^genesis-31-30-51] waarom hebt u mijn goden gestolen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v30)

**31** Toen antwoordde Jakob, en zei tot Laban: Omdat ik vreesde; want[^genesis-31-31-52] ik zei: Opdat u niet misschien uw dochters mij ontweldigde![^genesis-31-31-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v31)

**32** Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven![^genesis-31-32-54] Onderken u voor onze broers,[^genesis-31-32-55] wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel die gestolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v32)

**33** Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienaressen, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v33)

**34** Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kameels[^genesis-31-34-56] zadeltuig gelegd, en zij zat op die. En Laban betastte die hele tent, en hij vond niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v34)

**35** En zij zei tot haar vader:[^genesis-31-35-57] Dat de toorn niet ontsteke in de ogen van mijn heer, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij[^genesis-31-35-58] doorzocht; maar hij vond de terafim niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v35)

**36** Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zei tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde,[^genesis-31-36-59] dat u mij zo hevig hebt nagejaagd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v36)

**37** Als u[^genesis-31-37-60] al mijn huisraad betast hebt, wat hebt u gevonden van al het huisraad van uw huize! Leg het hier voor mijn broers en uw broers, en laat hen richten tussen ons beiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v37)

**38** Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben niet misdragen, en de rammen van uw kudde heb ik niet gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v38)

**39** Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht;[^genesis-31-39-61] ik heb het geboet; u hebt het van mijn hand geëist, het was van de dag gestolen, of van de nacht gestolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v39)

**40** Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen[^genesis-31-40-62] week. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v40)

**41** [^genesis-31-41-63] Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochters, en zes jaren[^genesis-31-41-64] om uw kudde; en[^genesis-31-41-65] u hebt mijn loon tien keer veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v41)

**42** Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en[^genesis-31-42-66] de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zeker, u zou mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid van mijn handen[^genesis-31-42-67] aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v42)

**43** Toen antwoordde Laban en zei tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, en deze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat u ziet, dat is van mij; en[^genesis-31-43-68] wat zou ik aan deze mijn dochters vandaag doen? of aan[^genesis-31-43-69] haar zonen, die zij gebaard hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v43)

**44** Nu dan, kom, laat ons een verbond[^genesis-31-44-70] maken, ik en u, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v44)

**45** [^genesis-31-45-71] Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die tot een opgericht teken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v45)

**46** En Jakob zei tot[^genesis-31-46-72] zijn broers: Verzamelt stenen! En zij namen stenen, en maakten één hoop; en[^genesis-31-46-73] zij aten daar op die hoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v46)

**47** En Laban noemde hem[^genesis-31-47-74] Jegar-sahadutha; maar Jakob noemde die[^genesis-31-47-75] Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v47)

**48** Toen zei Laban: Deze hoop zij vandaag een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam[^genesis-31-48-76] Gilead, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v48)

**49** En[^genesis-31-49-77] Mizpa; omdat hij zei: Dat YHWH de wacht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij[^genesis-31-49-78] de één van de ander zullen verborgen zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v49)

**50** Zo u mijn dochters[^genesis-31-50-79] beledigt, en zo u vrouwen neemt boven mijn dochters,[^genesis-31-50-80] niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v50)

**51** Laban zei verder tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, dat ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v51)

**52** Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige,[^genesis-31-52-81] dat ik tot u voorbij deze hoop niet komen zal, en dat u tot mij, voorbij deze hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v52)

**53** [^genesis-31-53-82]De God van Abraham, en de God van Nahor, de God van hun vader richte tussen ons! En Jakob zwoer[^genesis-31-53-83] bij de Vreze zijn vaders Izaks. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v53)

**54** Toen[^genesis-31-54-84] slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om[^genesis-31-54-85] brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v54)

**55** En Laban stond vroeg in de morgen op, en[^genesis-31-55-86] kuste zijn zonen, en zijn dochters, en[^genesis-31-55-87] zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/31.html#v55)

[^genesis-31-1-1]: Kanttekening 1: al deze: Dat is, al deze rijkdom, waaruit eer en heerlijkheid plachten te volgen.
[^genesis-31-2-2]: Kanttekening 2: als gisteren: Dat is, gelijk te voren. Zo worden deze woorden ook genomen onder, vers 5 ; Ex. 4:10 en Ex. 5:7 , 5:8 , en Ex. 21:29 ; Joz. 3:4 , Joz. 4:18 , enz. Genesis 31:5 : En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de God van mijn vader is bij mij geweest. Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Exodus 5:7 : U zult voortaan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen. Exodus 5:8 : En het getal van de tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult u hun opleggen; u zult daarvan niet verminderen; want zij gaan leeg; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onze God offeren! Exodus 21:29 : Maar als de os te voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden. Jozua 3:4 : Dat er nochtans ruimte zij tussen u en tussen dezelfde, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelfde niet; opdat u die weg weet, die u gaan zult; want u bent door die weg niet gegaan gisteren en eergisteren. Jozua 4:18 : En het geschiedde, toen de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen van de priesters afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weer in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al haar oevers.
[^genesis-31-3-3]: Kanttekening 3: land van uw vaderen: Dat is, het land Kanaän, dat Ik uw vader Izak en uw grootvader Abraham beloofd heb; hoewel zij in deze tijd daar niet in hadden dan de akker en de spelonk, waarin Sara begraven was.
[^genesis-31-3-4]: Kanttekening 4: Ik zal: Zie boven Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 ; idem, onder, Gen. 32:9 waar Jakob zelf deze woorden verklaart. Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 32:9 : Verder zei Jakob: O, God van mijn vader Abrahams, en God van mijn vader Izaks, o YHWH! Die tot mij gezegd hebt: Keer weer tot uw land, en tot uw familie, en Ik zal wel bij u doen!
[^genesis-31-4-5]: Kanttekening 5: op het veld: Om zonder verlet van zijn werk, en met meerdere vrijheid te spreken met zijn vrouwen.
[^genesis-31-5-6]: Kanttekening 6: de God: Zie boven, Gen. 28:13 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^genesis-31-5-7]: Kanttekening 7: is bij mij: Dat is, mij verschenen, en heeft mij bevolen naar mijn land te trekken. Zie onder, vers 13 . Genesis 31:13 : Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land van uw familie.
[^genesis-31-6-8]: Kanttekening 8: macht uw: Zowel van de geest met zorgen, als van het lichaam met waken, lopen en slapen. Verg. onder, vers 40 , 31:42 . Genesis 31:40 : Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week. Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^genesis-31-7-9]: Kanttekening 9: heeft bedriegelijk: Anders, met mij gespot.
[^genesis-31-7-10]: Kanttekening 10: tien malen: Dat is, dikwijls, zo wordt het getal tien, voor dikwijls genomen; onder, vers 41 ; Lev. 26:26 ; Num. 14:22 ; 1 Sam. 1:8 , en Job 19:3 . Genesis 31:41 : Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochters, en zes jaren om uw kudde; en u hebt mijn loon tien malen veranderd. Leviticus 26:26 : Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; 1 Samuël 1:8 : Toen zei Elkana, haar man: Hanna, waarom weent u, en waarom eet u niet, en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen? Job 19:3 : U hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u verhardt u tegen mij.
[^genesis-31-8-11]: Kanttekening 11: Merk op, dat het verdrag, dat Jakob met Laban gemaakt had, boven Gen. 30:32 , 30:33 , enz., menigmalen is veranderd door Labans gierigheid; en de verandering verdragen door Jakobs volharding. Genesis 30:32 : Ik zal heden door uw gehele kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn. Genesis 30:33 : Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
[^genesis-31-9-12]: Kanttekening 12: mij gegeven: Hieruit blijkt dat dit gehele werk niet gekomen is uit enig bedriegelijk beleid van Jakob, maar door Gods regering.
[^genesis-31-10-13]: Kanttekening 13: in de droom: Zie boven, vers 5 . Genesis 31:5 : En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de God van mijn vader is bij mij geweest.
[^genesis-31-10-14]: Kanttekening 14: Anders, rammelaars; dat is, zowel rammen als bokken.
[^genesis-31-10-15]: Kanttekening 15: Dat is, die plekken hadden naar de grootte en kleur van de gewone hagelstenen, onderscheiden van de geprikkelde, die zwarte stipjes hadden op de witte huid.
[^genesis-31-11-16]: Kanttekening 16: de engel: Versta, de Heer Christus, gelijk blijkt boven, vers 5 , en onder, vers 13 . Genesis 31:5 : En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de God van mijn vader is bij mij geweest. Genesis 31:13 : Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land van uw familie.
[^genesis-31-13-17]: Kanttekening 17: God van: Dat is, die u te Bethel verschenen ben, en beloofd heb u bij te blijven, u te bewaren, en in Kanaän opnieuw te brengen.
[^genesis-31-13-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 28:13 ; idem v. 14 ; idem v. 15 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodems gezegend worden. Genesis 28:15 : En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb.
[^genesis-31-13-18]: Kanttekening 18: in het land: Zie boven, vers 3 , en onder, vers 18 . Genesis 31:3 : En YHWH zei tot Jakob: Keer weer tot het land van uw vaderen, en tot uw familie, en Ik zal met u zijn. Genesis 31:18 : En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn bezittingen, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, dat hij in Paddan-aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän.
[^genesis-31-14-19]: Kanttekening 19: Is er nog: Zij willen zeggen, neen, want hij ook gunt ons het bedongen loon niet, maar heeft dit dikwijls veranderd.
[^genesis-31-15-20]: Kanttekening 20: Zijn wij: Hij heeft ons niet als dochters met eerlijke bruidsgift uitgezet, maar als dienstboden voor loon uitgestoten.
[^genesis-31-15-21]: Kanttekening 21: hij heeft ons: Te weten voor uw dienst van veertien jaren, dat een manier van verkopen was.
[^genesis-31-15-22]: Kanttekening 22: hij heeft ook steeds: Hebr. gegeten etende; dat is, steeds of doorgaans gegeten.
[^genesis-31-15-23]: Kanttekening 23: geld verteerd: Zij verstaan door dit geld de vrucht en de winst van Jakobs dienst, dat Laban haar niet alleen onthouden, maar ook voor zich verteerd heeft, zonder haar daarvan iets mee te delen. In het volgende, verteerd, Hebr. opgegeten.
[^genesis-31-16-24]: Kanttekening 24: al de rijkdom: Zie boven, vers 9 . Genesis 31:9 : Zo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.
[^genesis-31-16-25]: Kanttekening 25: Dat is, kinderen; gelijk elders dikwijls.
[^genesis-31-17-26]: Kanttekening 26: Of, kinderen.
[^genesis-31-18-27]: Kanttekening 27: het vee, dat hij bezat: Hebr. het vee van zijn bezitting.
[^genesis-31-18-28]: Kanttekening 28: in Paddan-Aram: Zie boven, Gen. 25:20 . Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-31-19-29]: Kanttekening 29: de terafim: Terafim zijn geweest een soort van beelden naar figuur van een mens gemaakt; 1 Sam. 19:13 , 19:16 , tot afgoden, vers 30 , 31:32 , om die van toekomende dingen te vragen; Ez. 21:21 , en waardoor zij van de duivel antwoord kregen, naar waarheid of naar leugen; Zach. 10:2 . Van de terafim wordt ook gesproken Richt. 17:5 , en Richt. 18:14 , 18:17 , 18:18 , 18:20 ; 1 Sam. 15:23 ; 2 Kon. 23:24 , en Hos. 3:4 . Deze terafim heeft Laban \[hoewel de ware God hem niet onbekend was, boven, Gen. 30:27 , en in dit hoofdst. vers 24 , 31:29 \], godsdienstige eer bewezen, willende aldus tezamen God en de afgoden dienen, of de kennis van de ware God geheel door afgoderij in ongerechtigheid tenonder houden. Dit is de eerste plaats waar de Heilige Schrift van de afgoden spreekt, alhoewel zij er tevoren lang geweest zijn. 1 Samuël 19:13 : En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe. 1 Samuël 19:16 : Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw. Genesis 31:30 : En nu, u hebt immers willen vertrekken, omdat u zo vurig verlangde naar uws vaders huis; waarom hebt u mijn goden gestolen? Genesis 31:32 : Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken u voor onze broers, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelfde gestolen had. Ezechiël 21:21 : Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien. Zacharia 10:2 : Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder. Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware. Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. Richteren 18:17 : Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren. Richteren 18:18 : Als die nu in het huis van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, de efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zei de priester tot hen: Wat doet u? Richteren 18:20 : Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. 1 Samuël 15:23 : Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. 2 Koningen 23:24 : En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van YHWH gevonden had. Hosea 3:4 : Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Genesis 30:27 : Toen zei Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat YHWH mij om uwentwil gezegend heeft. Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad. Genesis 31:29 : Het ware in de macht mijner hand aan u kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.
[^genesis-31-20-30]: Kanttekening 30: Dat is, hij ging in het geheim en steelsgewijze buiten Labans weten en kennis weg, gelijk de volgende woorden verklaren; ook vers 26 , 31:27 . In zulk een zin wordt deze manier van spreken ook gebruikt, 2 Sam. 19:3 , maar in een anderen zin wordt zij gevonden 2 Sam. 15:6 . De reden van dit haastig en stil vertrek schijnt geweest te zijn Gods ingeven en uitdrukkelijk bevel, vers 13 . Genesis 31:26 : Toen zei Laban tot Jakob: Wat hebt u gedaan, dat u u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochters ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard? Genesis 31:27 : Waarom bent u in het geheim gevlucht, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp? 2 Samuël 19:3 : En het volk kwam te dienzelven dage steelsgewijze in de stad, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in de strijd gevlucht zijn. 2 Samuël 15:6 : En naar die wijze deed Absalom aan geheel Israël, die tot de koning ten gerichte kwamen. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël. Genesis 31:13 : Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land van uw familie.
[^genesis-31-21-31]: Kanttekening 31: de rivier: Te weten, Frath of Eufraat, vloeiende tussen Chaldeën en Kanaän, boven, Gen. 2:14 , en Gen. 15:18 , zonder bijvoeging van de eigennaam wordt hij de Rivier genaamd, om zijn grootte en vermaardheid, hier en Ex. 23:31 ; Joz. 24:2 , 24:3 , enz. Genesis 2:14 : En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 23:31 : En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Jozua 24:3 : Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het gehele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.
[^genesis-31-21-32]: Kanttekening 32: zette zijn: Of, richtte, of stelde, dat is, hij besloot vastelijk de weg daarheen te nemen; zie Jer. 50:5 , en Luk. 9:51 , 9:53 . Jeremia 50:5 : Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en YHWH toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. Lukas 9:51 : En het geschiedde, als de dagen Zijn opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. Lukas 9:53 : En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.
[^genesis-31-21-33]: Kanttekening 33: Een gebergte, gelegen achter Fenicië over de Jordaan, en grenzende aan het gebergte Libanon. Beneden deze berg lag een zeer goed land, ook Gilead, of Galaad, genaamd vruchtbaar, en weiland; onder, Gen. 37:25 ; Deut. 34:1 ; Jer. 8:22 , en Jer. 22:6 . Dit land werd naderhand de Amorieten afgenomen, en ten dele gegeven aan de stammen van Gad en Ruben, en de halve stam van Manasse. Zie Num. 32:1 , enz; Deut. 3:12 , 3:13 , 3:15 , 3:16 ; Joz. 13:8 , 13:9 , 13:10 , 13:11 , enz. Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Jeremia 8:22 : Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter mijns volks niet gerezen? Jeremia 22:6 : Want zo zegt YHWH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden! Numeri 32:1 : De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 3:15 : En aan Machir gaf ik Gilead. Deuteronomium 3:16 : Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Jozua 13:8 : Met denwelken de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; die Mozes hunlieden gaf aan de overzijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, hun gegeven had: Jozua 13:9 : Van Aroër aan, die aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe; Jozua 13:10 : En al de steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale van de kinderen Ammons; Jozua 13:11 : En Gilead, en de landpale van de Gezurieten, en van de Maächathieten, en de ganse berg Hermon, en geheel Bazan, tot Salcha toe;
[^genesis-31-22-34]: Kanttekening 34: En op de derde dag: Labans kudde was drie dagreizen van Jakobs kudde gelegen; bov. Gen. 30:36 . Genesis 30:36 : En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.
[^genesis-31-23-35]: Kanttekening 35: Dat is, bloedvrienden; en zo in het volgende.
[^genesis-31-23-36]: Kanttekening 36: een weg van zeven dagen: Dat is, zeven dagreizen. Zie boven, Gen. 30:36 . Genesis 30:36 : En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.
[^genesis-31-24-38]: Kanttekening 38: in een droom: Zie boven, Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^genesis-31-24-39]: Kanttekening 39: noch goed: Hebr. van het goede tot het kwade, dat is, noch met goede, noch met kwade woorden zult u hem van zijn reis afbrengen, maar laten hem in zijn reis voortgaan. Verg. boven, Gen. 24:50 . Genesis 24:50 : Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van YHWH is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.
[^genesis-31-24-37]: Kanttekening 37: God kwam: Te weten, voordat hij Jakob achterhaalde, of bij hem kwam.
[^genesis-31-25-40]: Kanttekening 40: Hebr. vastgemaakt, gehecht.
[^genesis-31-26-41]: Kanttekening 41: u aan mijn: Zie boven, vers 20 . Genesis 31:20 : En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, de Syriër, omdat hij hem niet te kennen gaf, dat hij vluchtte.
[^genesis-31-26-42]: Kanttekening 42: als gevangenen: Dat is, die met geweld en tegen haar wil weggevoerd worden; dat Laban ten onrechte Jakob verwijt. Zie boven, vers 14 , 31:15 , 31:16 . Genesis 31:14 : Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders? Genesis 31:15 : Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd. Genesis 31:16 : Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.
[^genesis-31-27-43]: Kanttekening 43: Waarom zijt: Hebr. waarom hebt u u verborgen om te vluchten?
[^genesis-31-27-44]: Kanttekening 44: hebt u : Dat is, waarom bent u steelsgewijze, buiten mijn weten, van mij weggetrokken? Verg. dit met vers 20 . Anders, aldus: hebt mij bestolen, of mij gestolen, dat is, het mijne gestolen. Genesis 31:20 : En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, de Syriër, omdat hij hem niet te kennen gaf, dat hij vluchtte.
[^genesis-31-27-45]: Kanttekening 45: geleid had: Zie boven, Gen. 18:16 . Genesis 18:16 : Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden.
[^genesis-31-27-46]: Kanttekening 46: Zie Gen. 4:21 . Genesis 4:21 : En de naam van zijn broer was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
[^genesis-31-28-47]: Kanttekening 47: te kussen: Zie boven, Gen. 29:13 . Genesis 29:13 : En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, de zoon van zijn zus, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.
[^genesis-31-29-48]: Kanttekening 48: of goed: Zie boven, vers 24 . Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
[^genesis-31-30-49]: Kanttekening 49: u hebt: Hebr. u bent gaande gegaan.
[^genesis-31-30-50]: Kanttekening 50: zo vurig verlangde: Hebr. begerende begeert hebt.
[^genesis-31-30-51]: Kanttekening 51: waarom hebt: Een grote verblindheid in Laban, dat hij zijn beelden voor goden houdt, die men hem nochtans, naar zijn mening, kon ontstelen; verg. boven, vers 19 . Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^genesis-31-31-52]: Kanttekening 52: ik zei: Te weten, bij mijzelf, dat is, ik dacht. Zie boven, Gen. 20:11 . Anders, ik zei tot mijn huisvrouwen, of tot mijn huisgezin. Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^genesis-31-31-53]: Kanttekening 53: mij ontweldigde: Hebr. van met mij.
[^genesis-31-32-54]: Kanttekening 54: Hebr. onderken voor u. Zie boven Gen. 12:1 . Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^genesis-31-32-55]: Kanttekening 55: wat bij mij: Te weten, van uw goederen.
[^genesis-31-34-56]: Kanttekening 56: kameels zadeltuig: Anders, strooisel.
[^genesis-31-35-57]: Kanttekening 57: Dat de toorn niet ontsteke : Dat is, dat mijn heer niet bevangen worde door toorn; die zich in de ogen pleegt te openbaren.
[^genesis-31-35-58]: Kanttekening 58: mij naar de wijze van de vrouwen: Hebr. mij is de weg van de vrouwen.
[^genesis-31-36-59]: Kanttekening 59: dat u mij zo hittiglijk: Hebr. dat u gebrand hebt achter mij, het woord betekent dikwijls iemand met een brandend, heftig, grimmig en vijandig gemoed vervolgen, gelijk 1 Sam. 17:53 ; Ps. 10:2 , Klaagl. 4:19 . 1 Samuël 17:53 : Daarna keerden de kinderen van Israël om, van het hittig najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers. Psalmen 10:2 : De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. Klaagliederen 4:19 : Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de adelaars van de hemel; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.
[^genesis-31-37-60]: Kanttekening 60: al mijn: Hebr. al mijn vaten, en zo straks, van al de vaten van uw huis.
[^genesis-31-39-61]: Kanttekening 61: ik heb het: Dat Jakob Laban heeft moeten vergoeden wat de wilde beesten verscheurd hadden, was onbillijk en tegen de wet; Ex. 22:13 . Exodus 22:13 : Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven.
[^genesis-31-40-62]: Kanttekening 62: Anders, vluchtte, of vluchtte, dezelfde manier van spreken vindt men ook Esth. 6:1 . Esther 6:1 : In denzelfden nacht was de slaap van de koning geweken, en hij zei, dat men het boek van de gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de aanwezigheid van de koning gelezen.
[^genesis-31-41-63]: Kanttekening 63: Ik ben nu: Hebr. dit zijn mijn twintig jaren in uw huis.
[^genesis-31-41-64]: Kanttekening 64: om uw kudde: Dat is, om zulk een gedeelte van de kudde als mij, volgens ons verdrag, ten loon zou vallen.
[^genesis-31-41-65]: Kanttekening 65: u hebt: Zie boven, vers 7 . Genesis 31:7 : Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.
[^genesis-31-42-66]: Kanttekening 66: de vreze: Dat is, God, die mijn vader Izak met grote eerbied en godvruchtigheid dient. Zo wordt God genoemd onze vreze, Jes. 8:13 , omdat Hij met een kinderlijke vreze door ons gevreesd moet zijn. Jesaja 8:13 : YHWH van de legermachten, Die zult u heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.
[^genesis-31-42-67]: Kanttekening 67: Het zien van God betekent zijn tegenwoordige weldaad, gelijk boven, Gen. 16:13 , en Gen. 29:32 ; Ex. 3:7 , 3:9 ; Ps. 31:8 , en hier; of zijn straf, boven, Gen. 11:5 ; 1 Kron. 12:17 , enz. Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. Exodus 3:7 : En YHWH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. Exodus 3:9 : En nu, zie, het geschrei van de kinderen van Israël is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmee de Egyptenaars hen verdrukken. Psalmen 31:8 : Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat U mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend; Genesis 11:5 : Toen kwam YHWH neder, om te bezien de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden. 1 Kronieken 12:17 : En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God van onze vaderen zie het, en straffe het!
[^genesis-31-43-68]: Kanttekening 68: wat zou ik: Dat is, hoe zou ik daartoe komen, dat ik haar kwaad zou doen, daar het mijn eigen vlees en bloed is; hij gelaat zich vriendschap te zoeken, ziende dat hij niet vermocht Jakob en de zijnen enig leed aan te doen. Dit was het beleid van de Heer, die Laban tot dat einde verschenen was.
[^genesis-31-43-69]: Kanttekening 69: Anders, kinderen.
[^genesis-31-44-70]: Kanttekening 70: verbond maken: Zie boven, Gen. 15:18 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^genesis-31-45-71]: Kanttekening 71: Toen nam: Daarmede tonende dat hij alle klachten laat varen, en gewillig was het verbond aan te gaan.
[^genesis-31-46-72]: Kanttekening 72: zijn broers: Dat is, bloedverwanten, vrienden. Zie boven, vers 32 , 31:37 , en onder, vers 54 . Genesis 31:32 : Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken u voor onze broers, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelfde gestolen had. Genesis 31:37 : Als u al mijn huisraad betast hebt, wat hebt u gevonden van al het huisraad uws huizes! Leg het hier voor mijn broers en uw broers, en laat hen richten tussen ons beiden. Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^genesis-31-46-73]: Kanttekening 73: zij aten daar: Te weten, na het maken en bevestigen van het verbond.
[^genesis-31-47-74]: Kanttekening 74: Dat is, in de Syrische taal, die Laban sprak, één hoop van getuigenis, betekenende het verbond, dat zij daar met elkaar maakten.
[^genesis-31-47-75]: Kanttekening 75: Hebr. Gales (גַּלְעֵד); deze naam betekent even hetzelfde in het Hebr. wat de voorgaande in het Syrisch betekent; want Jakob, die een Hebreër was, wilde ook in zijn spraak aan deze steenhoop een naam geven.
[^genesis-31-48-76]: Kanttekening 76: Zodat deze naam, die Jakob in het Hebr. gegeven had, deze berg en het omliggende land bijgebleven is; gelijk hij ook tevoren door Mozes daarom aldus is genoemd; boven, vers 21 , 31:23 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Genesis 31:23 : Toen nam hij zijn broers met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.
[^genesis-31-49-77]: Kanttekening 77: Hebr. Mitspah (מִצְפָּה), dat is, opzicht of toezichtplaats, of wachtplaats; omdat God \[zoals volgt\] de wacht en het toezicht zou hebben over het gemaakte verbond.
[^genesis-31-49-78]: Kanttekening 78: de één van: Hebr. de man van zijn naasten, of, vriend; dat is, wanneer wij nu zo ver van elkaar zullen gescheiden zijn.
[^genesis-31-50-79]: Kanttekening 79: Of, verdrukt.
[^genesis-31-50-80]: Kanttekening 80: niemand is: Dat is, er is niemand vreemds bij ons, die getuige kan zijn, en de overtreder straffen. Anders, niemand zal bij ons zijn, te weten, als wij van elkaar zullen gescheiden zijn, dan God, enz.
[^genesis-31-52-81]: Kanttekening 81: dat ik tot: Anders, als ik, te weten, mij verongelijkt mocht houden en voorbij passeren, dat ik het niet doen zal in vijandschap, maar in het vriendelijke; en u ook. Of anders aldus: als ik het ben, die hier passeren zal na u, dat ik het niet ten kwade zal doen, noch u van gelijken.
[^genesis-31-53-82]: Kanttekening 82: De God van Abraham: Hij vermengt de God van Abraham, die de enige ware God is, met de afgoden, die Terah, Nahor, en Abraham zelfs vóór zijn bekering, in Chaldea gediend hadden, Joz. 24:2 ; niet alleen om zich wat naar Jakob te voegen, maar ook als een afgodisch huichelaar, aan beide zijden te hinken. Anderen verstaan dat Laban op afgodische wijze aldus gesproken heeft; de goden Abrahams, en de goden Nahors, en de goden huns vaders, enz., met welke woorden Laban aan Jakob verwijt dat hij van de religie van zijn voorvaders was afgetreden; en dat hier tegen gesteld wordt Jakobs eed, die hij doet bij de ware God alleen. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
[^genesis-31-53-83]: Kanttekening 83: bij de vreze: Zie boven, vers 42 . Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^genesis-31-54-84]: Kanttekening 84: Te weten, slachtbeesten tot een vrolijken maaltijd. Het Hebreeuwse woord betekent wel offeren, maar ook slachten tot een maaltijd; gelijk 1 Sam. 28:24 ; 1 Kon. 1:9 ; 2 Kron. 18:2 , enz. 1 Samuël 28:24 : En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van. 1 Koningen 1:9 : En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning. 2 Kronieken 18:2 : En ten einde van enige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.
[^genesis-31-54-85]: Kanttekening 85: brood te eten: Dat is, om de maaltijd te houden. Zie onder, Gen. 37:25 ; Ex. 18:12 ; 2 Kon. 6:22 , en Luk. 14:1 , enz. Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Exodus 18:12 : Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, voor God brandoffer en slachtofferen; en Aäron kwam, en al de oversten van Israël, om brood te eten met de schoonvader van Mozes, voor het aangezicht van God. 2 Koningen 6:22 : Maar hij zei: U zult hen niet slaan; zoudt u ook slaan, die u met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. Lukas 14:1 : En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de Farizeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.
[^genesis-31-55-86]: Kanttekening 86: kuste zijn: Zie boven, Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^genesis-31-55-87]: Kanttekening 87: zegende hen: Dat is, hij wenste hun in het afscheid alle geluk en welvaart; gelijk dit gebruikelijk was wanneer de mensen elkaar groetten, niet alleen bij het vertrekken, maar ook bij het komen. Zie onder, Gen. 47:7 , 47:10 ; Ruth 2:4 ; 1 Sam. 13:10 ; 2 Sam. 8:10 . Genesis 47:7 : En Jozef bracht zijn vader Jakob mee, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. Genesis 47:10 : En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht. Ruth 2:4 : En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zei tot de maaiers: YHWH zij met u! En zij zeiden tot hem: YHWH zegene u! 1 Samuël 13:10 : En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;

### Genesis 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/32.json)

*Jakob wordt bemoedigd door de ontmoeting met de legermachten van heilige engelen en stuurt boden vooruit naar zijn broer Ezau, vers 1. Maar als hij hoort dat Ezau hem met veel manschappen tegemoet komt, verdeelt hij uit angst zijn mensen en vee in twee groepen, en bidt God vurig en nederig om hulp en redding, 6. Hij stuurt via zijn knechten geschenken vooruit aan Ezau, met nauwkeurige instructies, en brengt zijn vrouwen en kin deren 's nachts over de doorwaadbare plaats, 13, maar blijft zelf achter. Daar worstelt God met hem, geeft hem de naam Israël, zegent hem en raakt zijn heup aan zodat hij mank loopt, 24.*

**1** Jakob trok ook verder; en de[^genesis-32-1-1][^genesis-32-1-a] engelen van God ontmoetten hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v1)

**2** En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een leger van God! en hij noemde de naam van hun plaats[^genesis-32-2-2] Mahanaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v2)

**3** En Jakob zond boden uit[^genesis-32-3-3] voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broer, naar het[^genesis-32-3-4] land Seïr, de landstreek[^genesis-32-3-5] van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v3)

**4** En hij gebood hun, zeggende: Zo zult u zeggen tot[^genesis-32-4-6] mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v4)

**5** En ik heb ossen en ezels, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer[^genesis-32-5-7] aan te zeggen,[^genesis-32-5-8] opdat ik genade vinde in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v5)

**6** En de boden kwamen weer tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broer, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en[^genesis-32-6-9] vierhonderd mannen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v6)

**7** [^genesis-32-7-10] Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kameels, in twee legermachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v7)

**8** Want hij zei: Als Ezau op de ene leger komt, en slaat het, zo zal de overgebleven leger ontkomen.[^genesis-32-8-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v8)

**9** Verder zei Jakob:[^genesis-32-9-12] O, God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, o YHWH! Die tot mij gezegd hebt:[^genesis-32-9-b] Keer weer tot uw land, en tot uw familie, en Ik zal wel bij u doen![^genesis-32-9-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v9)

**10** [^genesis-32-10-14] Ik ben geringer dan al deze goedertierenheden, en dan al deze[^genesis-32-10-15] trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn[^genesis-32-10-16] staf over deze[^genesis-32-10-17] Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee legermachten geworden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v10)

**11** Ruk mij toch uit de hand van mijn broer, uit Ezau's hand; want ik vrees hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder[^genesis-32-11-18] met de zonen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v11)

**12** U hebt immers gezegd:[^genesis-32-12-c] Ik zal[^genesis-32-12-19] zeker bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v12)

**13** En hij overnachtte daar diezelfde nacht; en[^genesis-32-13-20] hij nam van wat, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v13)

**14** Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v14)

**15** Dertig zogende kamelinnen met haar[^genesis-32-15-21] veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien[^genesis-32-15-22] jonge ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v15)

**16** En hij[^genesis-32-16-23] gaf die in de hand van zijn knechten,[^genesis-32-16-24] elke kudde bijzonder; en hij zei tot zijn knechten: Ga u door, voor mijn aangezicht, en stelt[^genesis-32-16-25] ruimte tussen kudde en tussen kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v16)

**17** En hij gebood[^genesis-32-17-26] de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broer, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Van wie bent u? en waarheen gaat u? en van wie zijn deze[^genesis-32-17-27] voor uw aangezicht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v17)

**18** Zo zult u zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie,[^genesis-32-18-28] hij zelf is ook achter ons! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v18)

**19** En hij gebood ook de tweede, ook de derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende:[^genesis-32-19-29] Naar ditzelfde woord zult u spreken tot Ezau, als u hem vinden zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v19)

**20** En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want[^genesis-32-20-30] hij zei:[^genesis-32-20-31] Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien[^genesis-32-20-32] zal hij mijn aangezicht aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v20)

**21** Zo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; maar hij zelf overnachtte diezelfde nacht in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v21)

**22** En hij stond op in diezelfde nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienaressen, en zijn elf kinderen, en hij trok over[^genesis-32-22-33] de doorwaadbare plaats[^genesis-32-22-34] van de Jabbok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v22)

**23** En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken wat hij had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v23)

**24** Maar[^genesis-32-24-35] Jakob bleef alleen over; en[^genesis-32-24-36] een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v24)

**25** [^genesis-32-25-37] En toen Hij zag, dat Hij hem niet overweldigd, roerde Hij[^genesis-32-25-38] het gewricht van zijn heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v25)

**26** [^genesis-32-26-d] En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zei:[^genesis-32-26-39] Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v26)

**27** En Hij zei tot hem:[^genesis-32-27-40] Hoe is uw naam? En hij zei: Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v27)

**28** Toen zei Hij:[^genesis-32-28-e] Uw naam zal voortaan[^genesis-32-28-41] niet Jakob heten, maar[^genesis-32-28-42] Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen[^genesis-32-28-43] met God en[^genesis-32-28-44] met de mensen, en hebt overweldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v28)

**29** En Jakob vroeg, en zei: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zei:[^genesis-32-29-45] Waarom is het, dat u naar Mijn naam vraagt? En[^genesis-32-29-46] Hij zegende hem daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v29)

**30** En Jakob noemde de naam van die[^genesis-32-30-47] plaats Pniël: Want, zei hij ik[^genesis-32-30-48] heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en[^genesis-32-30-49] mijn ziel is gered geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v30)

**31** En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v31)

**32** [^genesis-32-32-50] Daarom eten de Israëlieten[^genesis-32-32-51] de verrukte zenuw niet, die op het gewricht van de heup is, tot op deze dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup[^genesis-32-32-52] aangeroerd had, aan de verrukte zenuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/32.html#v32)

[^genesis-32-1-1]: Kanttekening 1: Om Jakob van Gods aanwezigheid en bijstand te meer te verzekeren.
[^genesis-32-1-a]: Verwijzing a: onder, Gen. 48:16 . Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^genesis-32-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, twee heirlegers, of een dubbel heirleger, hetzij dat de engelen zich verdeeld hebben in twee legers, om Jakob tussen beide te laten passeren, of omdat er een leger was, bestaande uit engelen, en een ander, bestaande uit Jakobs huisgezin. Op deze plaats is naderhand een stad geweest, die Mahanaïm heette, Joz. 13:26 , en Joz. 21:38 . Jozua 13:26 : En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir; Jozua 21:38 : Van de stam van Gad nu, de vrijstad van de moordenaars, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden;
[^genesis-32-3-3]: Kanttekening 3: voor zijn: Dat is, vóór zijn aankomst, of voordat hij daar komen zou, te weten, om de weg te bereiden tot de gunst van zijn broer. Dergelijke manier van spreken hebben wij Mal. 3:1 ; Matt. 11:10 ; Luk. 9:52 ; en Luk. 10:1 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten. Mattheüs 11:10 : Want deze is het, van wie geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen. Lukas 9:52 : En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek van de Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden. Lukas 10:1 : En na deze stelde de Heer nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.
[^genesis-32-3-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^genesis-32-3-5]: Kanttekening 5: van Edom: Het landschap Idumea, aan het zuidelijke einde van Judea palende, hebbende zijn naam van Ezau, die ook Edom genoemd wordt, boven, Gen. 25:30 , en nu woonde in dit land, onder, Gen. 36:8 , hebbende de vroegere inwoners, te weten de Horieten, daaruit verdreven, Deut. 2:12 , 2:22 . Genesis 25:30 : En Ezau zei tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom. Deuteronomium 2:12 : Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijn erfenis, dat YHWH hun gegeven heeft. Deuteronomium 2:22 : Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op deze dag.
[^genesis-32-4-6]: Kanttekening 6: mijn heer: Hoewel Jakob door het recht van de eerstgeboorte een heer was van Ezau, boven, Gen. 27:29 , nochtans noemt hij zich aldus met behoud van zijn recht, om te beter in zijn gunst en vriendschap door deze vernedering te geraken; te meer, omdat hij nog niet meteen op de bezitting van zijn recht, dat zag op de toekomstige tijd, gesteld was. Zo deed ook David tegenover Saul, 1 Sam. 24:7 , 24:9 , en 1 Sam. 26 . Genesis 27:29 : Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broers, en de zonen van uw moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend! 1 Samuël 24:7 : En hij zei tot zijn mannen: Dat late YHWH ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, de gezalfde van YHWH, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde van YHWH! 1 Samuël 24:9 : Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich.
[^genesis-32-5-7]: Kanttekening 7: aan te: Te weten, van mijn aankomst en gelegenheid.
[^genesis-32-5-8]: Kanttekening 8: opdat ik: Zie boven, Gen. 18:3 . Hij verzoekt vriendschap, eensdeels om vergetenheid van alle voorgaande onmin; anderdeels om met vrede door het land te mogen trekken. Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-32-6-9]: Kanttekening 9: Zonder twijfel gewapend, gelijk af te nemen is uit vers 8 , 32:11 . Genesis 32:8 : Want hij zei: Als Ezau op de ene legermacht komt, en slaat die, zo zal de overgebleven legermacht ontkomen. Genesis 32:11 : Ruk mij toch uit de hand van mijn broer, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!
[^genesis-32-7-10]: Kanttekening 10: Toen vreesde: Uit menselijke zwakheid; te weten, omdat de bode geen andere tijding van Ezau bracht, dan dat hij hem met 400 mannen tegemoet kwam, zonder enig ander bescheid.
[^genesis-32-8-11]: Kanttekening 11: Hebr. zal zijn tot ontkoming, of behoud.
[^genesis-32-9-12]: Kanttekening 12: O, God mijns: Jakob benauwd zijnde, roept het heirleger van de engelen, dat hij gezien had, niet aan, maar alleen de ware God.
[^genesis-32-9-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 31:13 . Genesis 31:13 : Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land uw familie.
[^genesis-32-9-13]: Kanttekening 13: vaders Abrahams: Dat is, grootvaders.
[^genesis-32-10-14]: Kanttekening 14: Ik ben geringer: Dat is, ik ben in geen geval waard het goede, wat U mij vroeger gedaan hebt, ook niet datgene wat ik nu begeer, maar steun alleen op uw genade, en niet op mijn waardigheid of verdiensten.
[^genesis-32-10-15]: Kanttekening 15: trouw, die: Hebr. waarheid. Zie boven, Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^genesis-32-10-16]: Kanttekening 16: staf over: Versta, een wandelstaf; hiermede geeft Jakob zijn armoede te kennen.
[^genesis-32-10-17]: Kanttekening 17: Zie boven, Gen. 13:10 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-32-11-18]: Kanttekening 18: met de zonen: Of, op de zonen. Een manier van spreken, die levendig uitdrukt wat moeders doen, die de kinderen, in nood zijnde, met haar eigen lichaam en leven zoeken te beschermen, en zo door de tirannen en met de kinderen tezamen worden omgebracht. Zie Hos. 10:14 . Hosea 10:14 : Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-arbel verstoorde op de dag van de krijg; de moeder werd verpletterd met de zonen.
[^genesis-32-12-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 28:13 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^genesis-32-12-19]: Kanttekening 19: Hebr. ik zal weldoende weldoen.
[^genesis-32-13-20]: Kanttekening 20: hij nam: Dat is, hij nam in de haast uit al zijn vee tot een verering voor zijn broer; daar eensdeels de nacht, anderdeels de vrees voor het aanstaande perijkel hem niet toelieten een grote keus te doen. Anders, van wat in zijn vermogen gekomen was; dat is, wat hij verworven had en vermocht.
[^genesis-32-15-21]: Kanttekening 21: Hebr. zonen.
[^genesis-32-15-22]: Kanttekening 22: tien jonge ezels: Of, ezelveulens.
[^genesis-32-16-23]: Kanttekening 23: gaf die: Een zeer treffelijk geschenk van zoveel honderd beesten, grote en kleine, van bijzondere soorten, die hedendaags een grote som gelds bedragen zouden.
[^genesis-32-16-24]: Kanttekening 24: elke kudde: Hebr. kudde kudde voor zich alleen. Zie deze manier van spreken boven, Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^genesis-32-16-25]: Kanttekening 25: Hebr. eigenl. ademing, en ook ruimte, omdat de ruimte adem geeft. Dit diende daartoe, opdat zijn giften, elk in het bijzonder door zijn broer bezichtigd zijnde, te aanzienlijker mochten wezen, en zijn gemoed allengskens verzachten; zie onder, vers 20 . Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
[^genesis-32-17-26]: Kanttekening 26: de eerste: Te weten, de knecht, die de eerste of voorste kudde leidde; en zo vervolgens, van de eerste, tweede, derde, enz.
[^genesis-32-17-27]: Kanttekening 27: voor uw: Dat is, die u voor u heen drijft, of die voor u heen gaan.
[^genesis-32-18-28]: Kanttekening 28: hij zelf: Dit zegt hij, opdat zijn broer niet zou denken dat hij vreesde voor zijn ogen te komen, of door een anderen weg hem zocht te ontgaan.
[^genesis-32-19-29]: Kanttekening 29: Naar ditzelfde: Dat is, achtervolgens wat ik tevoren gezegd heb.
[^genesis-32-20-30]: Kanttekening 30: hij zei: Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht. Zie boven, Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^genesis-32-20-31]: Kanttekening 31: Ik zal zijn: Dat is, ik zal zijn toorn, die men in het aangezicht gewoonlijk ziet, stillen; zie Spr. 21:14 . Spreuken 21:14 : Een gift in het verborgene houdt de toorn onder, en een geschenk in de schoot de sterke grimmigheid.
[^genesis-32-20-32]: Kanttekening 32: zal hij mijn: Deze manier van spreken, te goede genomen zijnde, betekent iemand gunstig zijn, en goed doen uit vriendelijke en redelijke aanmerking van het goede wat in hem is. Het wordt gezegd van God, wanneer Hij uit enkele genade het goede, dat van hem alleen gekomen is, vriendelijk aanziet; boven, Gen. 19:21 ; en van de mensen, wanneer zij om enige billijke reden hun naasten gunstig zijn; gelijk hier en 1 Sam. 25:35 ; 2 Kon. 3:14 . Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. 1 Samuël 25:35 : Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zei tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen. 2 Koningen 3:14 : En Elisa zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, de koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!
[^genesis-32-22-33]: Kanttekening 33: het veer: Anders, de ondiepte, wadden.
[^genesis-32-22-34]: Kanttekening 34: Dit is de naam van een beek of rivier, spruitende bij Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, en zich stortende in de Jordaan, beneden de Galilese zee; zie Num. 21:24 ; Deut. 2:37 , en Deut. 3:16 ; Joz. 12:2 ; Richt. 11:13 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Deuteronomium 2:37 : Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de gehele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons verboden had. Deuteronomium 3:16 : Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Jozua 12:2 : Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, welke aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Richteren 11:13 : En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weer met vrede.
[^genesis-32-24-35]: Kanttekening 35: Jakob bleef: Dat is, hij bleef alleen aan deze zijde van de beek, aan het gebergte Gilead, om in de eenzaamheid God te bidden.
[^genesis-32-24-36]: Kanttekening 36: een man: Dat is, de Zoon van God, die zich in een menselijk lichaam hier vertoonde; gelijk men afleiden kan uit vers 28 , 32:30 , enz., en Hos. 12:3 , 12:4 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Hosea 12:3 : Ook heeft YHWH een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden. Hosea 12:4 : In moeders buik hield hij zijn broer bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.
[^genesis-32-25-37]: Kanttekening 37: En toen: Dit is menselijker wijze gesproken. De Heer, zich voegende naar de menselijke zwakheid, laat zich overwinnen, om Jakob te verzekeren van een goede uitkomst uit het aanstaande perijkel; maar Hij kwetst hem ook, om hem zijn eigen zwakheid te leren gevoelen.
[^genesis-32-25-38]: Kanttekening 38: het gewricht: Anders, hol, pan.
[^genesis-32-26-d]: Verwijzing d: Hosea 12:4 . Hosea 12:4 : In moeders buik hield hij zijn broer bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.
[^genesis-32-26-39]: Kanttekening 39: Ik zal U: Omdat hij nu gevoelde dat hij niet met een mens had te doen, maar met een meerdere; daarom begeerde hij door hem gezegend te zijn.
[^genesis-32-27-40]: Kanttekening 40: Hoe is: Dit vraagt God niet, omdat de naam van Jakob hem onbekend was, maar om aanleiding te hebben zijn naam te veranderen tot een eeuwige gedachtenis aan deze kamp.
[^genesis-32-28-e]: Verwijzing e: onder, Gen. 35:10 . Genesis 35:10 : En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
[^genesis-32-28-41]: Kanttekening 41: niet Jakob: Niet is hier zoveel gezegd als niet alleen, of niet zoveel, zozeer, want hij wordt hierna ook wel Jakob genoemd; zie deze manier van spreken, 1 Sam. 8:7 ; Joh. 7:16 ; 1 Kor. 1:17 ; 1 Joh. 3:18 . 1 Samuël 8:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. Johannes 7:16 : Jezus antwoordde hun, en zei: Mijn leer is Mijne niet, maar van Degene, Die Mij gezonden heeft. 1 Korinthiërs 1:17 : Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 1 Johannes 3:18 : Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met de woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
[^genesis-32-28-42]: Kanttekening 42: Dat is, een vorst Gods, of die vorstelijke macht heeft met God, gelijk blijkt uit de volgende woorden. Deze naam geeft God Jakob ten tweede male, onder, Gen. 35:10 . Genesis 35:10 : En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
[^genesis-32-28-43]: Kanttekening 43: met God: Hebbende de strijd uitgestaan, die hem God aandeed, en overwonnen.
[^genesis-32-28-44]: Kanttekening 44: met de mensen: Te weten, eerst met Ezau, en daarna met Laban, en nu komt hij weer te strijden met Ezau.
[^genesis-32-29-45]: Kanttekening 45: Waarom is het: Dit is een ontkennende vraag, gelijk Richt. 13:17 , 13:18 . Hij weigert hem zijn naam te openbaren, om hem te beter te verzekeren dat hij met geen mens geworsteld had. Richteren 13:17 : En Manoach zei tot de Engel van YHWH: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen. Richteren 13:18 : En de Engel van YHWH zei tot hem: Waarom vraagt u dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.
[^genesis-32-29-46]: Kanttekening 46: hij zegende: Dit was het, wat Jakob begeerd had, vers 26 , en hem nu ten volle verzekerde dat God hem verschenen was; zie het volgende vers vers 30 . Genesis 32:26 : En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent. Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
[^genesis-32-30-47]: Kanttekening 47: Dat is, Gods aangezicht, of het aanzien van God; zie 1 Kon. 12:25 ; in het volgende vers vers 32 . Pnuel. 1 Koningen 12:25 : Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuël. Genesis 32:32 : Daarom eten de kinderen van Israël de verrukte zenuw niet, die op het gewricht van de heup is, tot op deze dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.
[^genesis-32-30-48]: Kanttekening 48: God gezien: Niet in zijn goddelijk wezen, maar in zulk een gedaante, waardoor Hij zich klaarder aan mij geopenbaard heeft dan immer tevoren.
[^genesis-32-30-49]: Kanttekening 49: mijn ziel is gered geweest: Hij verwondert zich dat hij niet gestorven was, God gezien hebbende. Zie boven Gen. 16:13 , verg. Ex. 20:19 ; Richt. 6:22 , 6:23 , en Richt. 13:22 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? Exodus 20:19 : En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! Richteren 6:22 : Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heer, YHWH! daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht. Richteren 6:23 : Maar YHWH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.
[^genesis-32-32-50]: Kanttekening 50: Daarom eten: Versta mee dat zij niet eten het vlees omtrent die zenuw. Niet uit bijgeloof of een mening van godsdienstigheid, maar tot een gedachtenis van die wonderbare kamp en victorie, aan Jakob en zijn nakomelingen vergund. Dit had zijn gebruik voor de komst van de Messias, maar kan daarna zonder superstitie niet gebruikt worden.
[^genesis-32-32-51]: Kanttekening 51: de verrukte: Of, verkrompen, verwrongen, dat is, die haar kracht verloren heeft, en verdoofd of verstuikt is, en haar plaats, als er uit verwrongen zijnde \[om zo te spreken\] vergeten heeft; de Joden noemen deze zenuw ook zo in de dieren, naar wat hier Jakob wedervaren is. Anders, de geleende zenuw, omdat zij van de pan van het heilige been tot aan de heup overgaat, als zijnde van het heilige been daaraan ontleend.
[^genesis-32-32-52]: Kanttekening 52: Dat is, aanroerende gekwetst had.

### Genesis 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/33.json)

*Jakob stelt de volgorde op van zijn vrouwen en kin deren, en gaat zijn broer tegemoet, vers 1. Ezau ontvangt hem en ook zijn vrouwen en kin deren zeer hartelijk, 4, en neemt na vriendelijk heen en weer praten Jakobs geschenken aan. Zo gaan zij in vrede uit elkaar, 8. Jakob komt in Sukkoth, en vandaar bij Sichem, waar hij zijn tenten opslaat en voor YHWH een altaar bouwt, 17.*

**1** En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienaressen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v1)

**2** En hij stelde de dienaressen en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer[^genesis-33-2-1] achteruit; maar Rachel en Jozef de achterste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v2)

**3** En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en[^genesis-33-3-2] hij boog zich[^genesis-33-3-3] zeven keer ter aarde, totdat hij bij zijn broer kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v3)

**4** Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en[^genesis-33-4-4] kuste hem; en[^genesis-33-4-5] zij huilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v4)

**5** Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zei: Wie zijn deze bij u? En hij zei: De kinderen, die God aan uw knecht genadig verleend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v5)

**6** Toen traden de dienaressen toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v6)

**7** En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neer; en daarna[^genesis-33-7-6] trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v7)

**8** En hij zei:[^genesis-33-8-7] Voor wie is u al deze leger, dat ik ontmoet heb? En hij zei: Om genade te vinden in de ogen van mijn heer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v8)

**9** Maar Ezau zei:[^genesis-33-9-8] Ik heb veel, mijn broer![^genesis-33-9-9] het zij het uwe, wat u hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v9)

**10** Toen zei Jakob: Och neen! als ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb,[^genesis-33-10-10] als had ik Gods aangezicht gezien,[^genesis-33-10-11] en u welgevallen aan mij genomen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v10)

**11** Neem toch mijn[^genesis-33-11-12] zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadig verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v11)

**12** En[^genesis-33-12-13] hij zei: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal[^genesis-33-12-14] voor u trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v12)

**13** Maar[^genesis-33-13-15] hij zei tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen[^genesis-33-13-16] zwak zijn, en dat ik[^genesis-33-13-17] zogende schapen en koeien[^genesis-33-13-18] bij mij heb; als men die maar één dag afdrijft, zo zal de hele kudde sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v13)

**14** Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op[^genesis-33-14-19] mijn gemak als leidsman voegen,[^genesis-33-14-20] naar de gang van[^genesis-33-14-21] het werk, dat voor mijn aangezicht is, en naar de gang van deze kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v14)

**15** En Ezau zei: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zei: Waartoe dat?[^genesis-33-15-22] laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v15)

**16** Zo keerde Ezau die dag opnieuw naar Seïr toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v16)

**17** Maar Jakob reisde naar[^genesis-33-17-23] Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam van die[^genesis-33-17-24] plaats Sukkoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v17)

**18** [^genesis-33-18-a] En Jakob kwam[^genesis-33-18-25] behouden tot de stad[^genesis-33-18-26] Sichem, die is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij sloeg zijn kamp op[^genesis-33-18-27] in het gezicht van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v18)

**19** En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de[^genesis-33-19-28] zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd[^genesis-33-19-29] geldstukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v19)

**20** En hij richte daar[^genesis-33-20-30] een altaar op, en noemde het:[^genesis-33-20-31] De God van Israël is God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/33.html#v20)

[^genesis-33-2-1]: Kanttekening 1: Hij plaatst de liefste in het achterste en zekerste, opdat die, zo de voorsten verslagen werden, nog enigszins ontkomen mochten; zie boven, Gen. 32:7 , 32:8 . Genesis 32:7 : Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kamelen, in twee heiren; Genesis 32:8 : Want hij zei: Als Ezau op de ene legermacht komt, en slaat die, zo zal de overgebleven legermacht ontkomen.
[^genesis-33-3-2]: Kanttekening 2: hij boog zich: Zie boven, Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^genesis-33-3-3]: Kanttekening 3: zeven malen: Dat is, dikwijls een zeker getal voor een onzeker; zie Lev. 26:8 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^genesis-33-4-4]: Kanttekening 4: kuste hem: Zie boven, Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^genesis-33-4-5]: Kanttekening 5: Dit is dikwijls geschied bij de ontmoeting van vrienden, gelijk hier en boven, Gen. 29:11 , en onder, Gen. 43:30 en Gen. 46:29 , of in het scheiden, Ruth 1:14 , Hand. 20:37 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende. Genesis 43:30 : En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende daar. Genesis 46:29 : Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals. Ruth 1:14 : Toen hieven zij haar stem op, en weenden opnieuw; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. Handelingen 20:37 : En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem;
[^genesis-33-7-6]: Kanttekening 6: trad Jozef toe: Anders, hij werd genaderd, of geheten te naderen; daar hij in deze tijd slechts omtrent zes jaren oud was.
[^genesis-33-8-7]: Kanttekening 7: Voor wie is u al deze legermacht: Of, wat is u al deze legermacht? Dat is, waartoe zal dat dienen? Wat bedoelt u daarmede? Hij had zonder twijfel dit wel verstaan van de knechts, die de kudde leidden, maar hij zocht gelegenheid uit Jakobs antwoord, om zijn geschenken beleefdelijk te weigeren.
[^genesis-33-9-8]: Kanttekening 8: Dat is, ik heb daarvan genoeg. Hier zien wij vervuld de beloften van God, boven, Gen. 27:39 . Genesis 27:39 : Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn.
[^genesis-33-9-9]: Kanttekening 9: het zij het uwe: Dat is, behoud voor u wat u hebt.
[^genesis-33-10-10]: Kanttekening 10: als had ik: Alsof hij zei: gelijk de gunst van God de mens zeer verkwikt, zo ben ik ook door deze uw minnelijke en vreedzame ontmoeting zeer vermaakt, houdende haar voor een zeker teken van Gods genade te mijwaarts, alsof God zelf mij zo vriendelijk verschenen ware.
[^genesis-33-10-11]: Kanttekening 11: en u welgevallen aan mij genomen hebt: Anders, hebt toch een welgevallen aan mij , of, zo vriendelijk hebt u mij ontvangen .
[^genesis-33-11-12]: Kanttekening 12: Dat is, geschenk, dat aldus genoemd wordt, Joz. 15:19 ; en 1 Sam. 25:27 , en 1 Sam. 30:26 , 2 Kon. 5:15 , en 2 Kor. 9:5 , 9:6 ; omdat het bestaat uit dingen, die door de milde zegening van YHWH de mensen toegezonden worden, en met gelukwensing plegen gegeven en met dankzegging ontvangen te worden. Jozua 15:19 : En zij zei: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen. 1 Samuël 25:27 : En nu, dit is de zegen, die uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde de jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen. 1 Samuël 30:26 : Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda, zijn vrienden, van de buit, zeggende: Ziet, daar is een zegen voor u, van de buit van de vijanden van YHWH. 2 Koningen 5:15 : Toen keerde hij weer tot de man van God, hij en zijn gehele legermacht, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de gehele aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht. 2 Korinthiërs 9:5 : Ik heb dan nodig geacht deze broers te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, zo als een zegen, en niet als een vrekheid. 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^genesis-33-12-13]: Kanttekening 13: Namelijk, Ezau.
[^genesis-33-12-14]: Kanttekening 14: voor u trekken: Dat is, naast, tegenover u, met u, bezijden u, in uw gezelschap, mij naar u voegende in het reizen, al is mijn volk kloeker en frisser dan het uwe.
[^genesis-33-13-15]: Kanttekening 15: Namelijk, Jakob.
[^genesis-33-13-16]: Kanttekening 16: Ruben, de oudste, mocht in deze tijd omtrent twaalf of dertien jaren oud geweest zijn.
[^genesis-33-13-17]: Kanttekening 17: Anders, dragende.
[^genesis-33-13-18]: Kanttekening 18: bij mij: Of, op mij, dat is tot mijn last en zorg.
[^genesis-33-14-19]: Kanttekening 19: op mijn gemak: Of, zachtjes, zoetjes.
[^genesis-33-14-20]: Kanttekening 20: naar de gang: Hebr. naar de voet; en zo in het volgende.
[^genesis-33-14-21]: Kanttekening 21: Zo noemt Jakob zijn vee, dat gade te slaan zijn dagelijks werk was; zo ook Ex. 22:8 , en Ex. 36:6 . Exodus 22:8 : Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste gelegd heeft. Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.
[^genesis-33-15-22]: Kanttekening 22: laat mij: Dat is, bewijs mij deze gunst, en doe hetgene dat ik verzoek, en stel niemand van uw volk bij mij.
[^genesis-33-17-23]: Kanttekening 23: Deze naam had die plaats toen nog niet, maar kreeg zij daarna, zoals aan het einde van dit vers gezegd wordt.
[^genesis-33-17-24]: Kanttekening 24: Dat is, hutten, tenten, daken, kooien. Deze plaats was gelegen over de Jordaan, in de stam van Gad, niet ver van Pnuel; zie Joz. 13:27 ; Richt. 8:5 , 8:14 , 8:15 . Er wordt van een ander Sukkoth gesproken, Ex. 12:37 . Jozua 13:27 : En in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde van de zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten. Richteren 8:5 : En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna. Richteren 8:14 : Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. Richteren 8:15 : Toen kwam hij tot de mensen van Sukkoth, en zei: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van die u mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven? Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen.
[^genesis-33-18-a]: Verwijzing a: Joz. 24:32 ; Hand. 7:16 . Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-33-18-25]: Kanttekening 25: Hebr. Schalem (שָׁלֵם), wat anderen houden voor de naam van een stad bij de Jordaan, waar omtrent Johannes de Doper, daarna gedoopt heeft; onderscheiden van een ander Salem, daarna genoemd Jeruzalem; zie boven, Gen. 14:18 ; Ps. 76:3 . Genesis 14:18 : En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God. Psalmen 76:3 : En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.
[^genesis-33-18-26]: Kanttekening 26: Zie boven, Gen. 12:6 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^genesis-33-18-27]: Kanttekening 27: in het gezicht: Of, voor aan de stad.
[^genesis-33-19-28]: Kanttekening 28: Hebr. Chamor (חֲמוֺר), Hand. 7:16 wordt hij Emmor genoemd. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-33-19-29]: Kanttekening 29: stukken gelds: Genaamd Lammeren, omdat de figuur van een lam daarop getekend was. Zie Joz. 24:32 ; Job 42:11 , en verg. Hand. 7:16 . Anderen verstaan natuurlijke schapen, die hij voor dat land gegeven heeft, gelijk het ook gebruikelijk geweest is te kopen en te verkopen met verwisseling van waren. Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. Job 42:11 : Ook kwamen tot hem al zijn broers, en al zijn zussen, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat YHWH over hem gebracht had; en zij gaven hem een ieder een stuk gelds, een ieder ook een gouden voorhoofdsiersel. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-33-20-30]: Kanttekening 30: Om dankoffer daarop te offeren, en de hele godsdienst te plegen, naar het exempel van zijn vaderen. Zie boven, Gen. 12:7 en Gen. 13:18 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar.
[^genesis-33-20-31]: Kanttekening 31: De God van Israël is God: Hebreeuws, El Elohe Israël .

### Genesis 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/34.json)

*Dina gaat kijken bij de meisjes uit de streek en wordt door Sichem, zoon van Hemor de landheer, ontvoerd en verkracht, vers 1. Hij wordt verliefd op haar en vraagt haar ten huwelijk; zijn vader bespreekt dit met Jakob en zijn zonen, die bedrieglijk akkoord gaan op voorwaarde dat alle mannen onder de Sichemieten besneden worden, 6. Als Hemor, Sichem en de inwoners daarin toestemmen en zich laten besnijden, worden zij in de pijn van de besnijdenis door Simeon en Levi overvallen en gedood, en door Jakobs zonen geplunderd; vrouwen en kin deren worden als gevangenen meegevoerd, 18. Jakob is hierover hevig ontsteld en bevreesd, 30.*

**1** En[^genesis-34-1-a] Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had,[^genesis-34-1-1] ging uit,[^genesis-34-1-2] om de dochters van dat land te bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v1)

**2** Sichem nu, de[^genesis-34-2-3] zoon van Hemor de Heviet, de landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en[^genesis-34-2-4] verkrachtte ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v2)

**3** En[^genesis-34-3-5] zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had het meisje lief, en sprak[^genesis-34-3-6] naar het hart van het meisje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v3)

**4** Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende:[^genesis-34-4-7] Neem mij deze dochter tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v4)

**5** Toen Jakob hoorde, dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v5)

**6** En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v6)

**7** En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en[^genesis-34-7-8] zij ontstaken zeer, omdat hij[^genesis-34-7-9] dwaasheid[^genesis-34-7-10] in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende,[^genesis-34-7-11] dat zo niet zou gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v7)

**8** Toen sprak Hemor met hen, zeggende: De ziel van mijn zoon Sichem is verliefd op uw dochter; geef hem haar toch tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v8)

**9** En[^genesis-34-9-12] verzwagert u met ons;[^genesis-34-9-13] geef ons uw dochters; en[^genesis-34-9-14] neemt voor u onze dochters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v9)

**10** En woont met ons; en het land zal[^genesis-34-10-15] voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en[^genesis-34-10-16] stelt u tot bezitters daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v10)

**11** En Sichem zei tot[^genesis-34-11-17] haar vader, en tot haar broers: Laat mij[^genesis-34-11-18] genade vinden in uw ogen; en wat u tot mij zeggen zult, zal ik geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v11)

**12** [^genesis-34-12-19] Vergroot zeer over mij[^genesis-34-12-20] de bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, zoals u tot mij zult zeggen; geef mij slechts het meisje tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v12)

**13** Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader,[^genesis-34-13-21] bedriegelijk,[^genesis-34-13-22] en spraken (omdat dat hij Dina, hun zus, verontreinigd had); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v13)

**14** En zij zeiden tot hen:[^genesis-34-14-23] Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden,[^genesis-34-14-b] die de voorhuid heeft; want dat was ons een schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v14)

**15** Maar hierin zullen wij u te wille zijn, zo u wordt zoals wij, dat onder u besneden worde al wat[^genesis-34-15-24] mannelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v15)

**16** Dan zullen wij u onze dochters geven, en uw dochters zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot één volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v16)

**17** Maar zo u naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij[^genesis-34-17-25] onze dochter nemen, en wegtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v17)

**18** En hun woorden[^genesis-34-18-26] waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem, Hemors zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v18)

**19** En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was[^genesis-34-19-27] geëerd boven heel het huis van zijn vader[^genesis-34-19-28]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v19)

**20** Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon,[^genesis-34-20-29] in hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v20)

**21** Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is[^genesis-34-21-30] wijd van begrip)[^genesis-34-21-31] voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v21)

**22** Maar hierin zullen deze mannen ons te wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot één volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v22)

**23** Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn?[^genesis-34-23-32] Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v23)

**24** [^genesis-34-24-33] En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die door[^genesis-34-24-34] zijn stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die door zijn stadspoort uitgingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v24)

**25** En het gebeurde op de derde dag,[^genesis-34-25-35] toen zij in de smart waren,[^genesis-34-25-c] zo namen de twee zonen van[^genesis-34-25-36] Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v25)

**26** Zij[^genesis-34-26-37] sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood[^genesis-34-26-38] met de scherpte van het zwaard; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v26)

**27** [^genesis-34-27-39] De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij[^genesis-34-27-40] hun zus verontreinigd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v27)

**28** Hun schapen, en hun runderen, en hun ezels, en wat dat in de stad, en wat dat in het veld was, namen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v28)

**29** En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij als gevangene weg, en plunderden hen, en al wat binnenshuis was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v29)

**30** [^genesis-34-30-41] Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt[^genesis-34-30-42] mij in het ongeluk gestort, mits[^genesis-34-30-43] mij in kwade reuk te brengen onder de[^genesis-34-30-44] inwoners van dit land, onder de[^genesis-34-30-45] Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben[^genesis-34-30-46] weinig volk in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal vernietigd worden, ik en mijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v30)

**31** En zij zeiden:[^genesis-34-31-47] Zou[^genesis-34-31-48] hij dan met onze zus als met een hoer doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/34.html#v31)

[^genesis-34-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 30:21 . Genesis 30:21 : En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.
[^genesis-34-1-1]: Kanttekening 1: ging uit: Te weten, uit de plaats waar haar ouders woonden, welke lag bij Sichem, boven, Gen. 33:18 , waar zij beter mocht gebleven zijn; Tit. 2:5 . Te meer, omdat zij in deze tijd maar omtrent veertien jaren oud geweest is. Genesis 33:18 : En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad. Titus 2:5 : Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde.
[^genesis-34-1-2]: Kanttekening 2: om de: Sommigen menen dat in deze tijd een bijzonder feest of markt te Sichem gehouden is, met grote toeloop van volk.
[^genesis-34-2-3]: Kanttekening 3: de Heviet: Zie boven, Gen. 10:7 . Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^genesis-34-2-4]: Kanttekening 4: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verdrukken, vernederen. Zo noemt de Heilige Schrift het schenden en schofferen van de vrouwen, Richt. 19:24 ; 2 Sam. 13:14 . Richteren 19:24 : Ziet, mijn dochter die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat u die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan deze man zulk een dwaas ding niet. 2 Samuël 13:14 : Maar hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar.
[^genesis-34-3-5]: Kanttekening 5: zijn ziel: Dat is, zijn hart, zijn gemoed, lust, begeerte, hingen aan haar.
[^genesis-34-3-6]: Kanttekening 6: naar het: Dat is, wat haar aangenaam en behagelijk mocht zijn, om haar tevreden te stellen en te vertroosten; daar zij buiten twijfel over deze onverwachte daad zeer ontsteld was. Zie dergelijke manier van spreken onder, Gen. 50:21 ; Richt. 19:3 ; Jes. 40:2 ; Hos. 2:13 . Genesis 50:21 : Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. Richteren 19:3 : En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weer te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting. Jesaja 40:2 : Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van YHWH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. Hosea 2:13 : Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
[^genesis-34-4-7]: Kanttekening 7: Neem mij: Een exempel ook onder de heidenen, dat de kinderen met de wil en onder het bestuur van hun ouders behoorden te huwen.
[^genesis-34-7-8]: Kanttekening 8: zij ontstaken zeer: Hebr. en hen ontstak zeer, te weten, de toorn; zie boven, Gen. 4:5 , 4:6 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Genesis 4:6 : En YHWH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
[^genesis-34-7-9]: Kanttekening 9: Of, een schendig stuk, of schandelijkheid, afvalligheid, onzinnigheid. Dit woord betekent een zonde, die, voortkomende uit een bozen en onbeschaamden lust, geschiedt niet alleen tegen Gods gebod, maar ook tegen de burgerlijke eerbaarheid, of ook somtijds tegen de natuur, veroorzakende grote ergernis en schande. Verg. Deut. 22:21 ; Joz. 7:15 ; Richt. 19:23 , en Richt. 20:6 ; 2 Sam. 13:12 . Deuteronomium 22:21 : Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de mensen van haar stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Jozua 7:15 : En het zal gebeuren, die geraakt zal worden met de ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond van YHWH overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft. Richteren 19:23 : En de man, de heer van het huis, ging tot hen uit, en zei tot hen: Niet, mijn broers, doet toch zo kwalijk niet; aangezien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet. Richteren 20:6 : Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde haar, en zond haar in het gehele land van de erfenis van Israël, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden. 2 Samuël 13:12 : Maar zij zei tot hem: Niet, mijn broer, verkracht mij niet, want zo doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet.
[^genesis-34-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, in of aan het huis van Israël, of Gods volk, dat uit Jakob, toen Israël genaamd werd, gesproten is.
[^genesis-34-7-11]: Kanttekening 11: Of, zo geschiedt het niet; dat is, zo placht en behoorde het niet te gebeuren. Zie dergelijke manier van spreken, boven Gen. 20:9 . Genesis 20:9 : En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
[^genesis-34-9-12]: Kanttekening 12: verzwagert u: Of, verhuwelijkt u; zo Deut. 7:3 . Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^genesis-34-9-13]: Kanttekening 13: geeft ons uw: Te weten, ten huwelijk aan onze zonen, zo onder, Gen. 38:14 ; Deut. 7:3 , enz. Genesis 38:14 : Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^genesis-34-9-14]: Kanttekening 14: neemt voor u: Te weten, ten huwelijk aan uw zonen; zie boven, Gen. 19:14 . Genesis 19:14 : Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want YHWH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als jokkende.
[^genesis-34-10-15]: Kanttekening 15: voor uw: Zie boven, Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^genesis-34-10-16]: Kanttekening 16: stelt u: Of, neemt een vast bezit daarin, of onthoudt u daarin.
[^genesis-34-11-17]: Kanttekening 17: haar vader: Te weten, van Dina.
[^genesis-34-11-18]: Kanttekening 18: Zie boven, Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-34-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, legt mij die zo groot op als u wilt.
[^genesis-34-12-20]: Kanttekening 20: de bruidschat: De bruidsschat, die de man de vrouw gaf, bleef haar eigendom ook na de dood van de man; het geschenk, dat de bruidegom aan de bruid gaf ten tijde van de ondertrouw, was tot een bevestiging van zijn gegeven belofte; wat men nu een trouwpenning noemt. Zie van de bruidsschat, Ex. 22:16 , 22:17 , en van het geschenk, boven, Gen. 24:53 . Exodus 22:16 : Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij. Exodus 22:17 : Als haar vader ganselijk weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar de bruidschat van de maagden. Genesis 24:53 : En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder kostelijkheden.
[^genesis-34-13-21]: Kanttekening 21: Hebr. in, of, met bedrog; want zij waren niet gezin in het huwelijk te consenteren, gelijk naderhand gebleken is.
[^genesis-34-13-22]: Kanttekening 22: en spraken: Te weten, wat vers 14 volgt. Genesis 34:14 : En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande.
[^genesis-34-14-23]: Kanttekening 23: Wij zullen: Zij zeggen wel de waarheid, maar zondigen daarin, dat zij de besnijdenis misbruiken tot een deksel van hun bedriegelijk opzet, want het was hun om de besnijdenis niet te doen, maar om een moord aan te richten uit wraakgierigheid.
[^genesis-34-14-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 17 .
[^genesis-34-15-24]: Kanttekening 24: mannelijk is: Hebr. man, mansbeeld, man.
[^genesis-34-17-25]: Kanttekening 25: onze dochter: Dat is, de dochter van onze vader, of de dochter van ons huis, gelijk boven, vers 8 . Genesis 34:8 : Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.
[^genesis-34-18-26]: Kanttekening 26: waren goed: Dat is, zij bevielen hem wel. Dàt wordt gezegd goed in iemands ogen te zijn, wat hem behaagt en wel bevalt, boven, Gen. 16:6 ; 1 Sam. 29:6 , enz. Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 1 Samuël 29:6 : Toen riep Achis David, en zei tot hem: Het is zo waarachtig als YHWH leeft, dat u oprecht bent, en uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden, van die dag af, dat u tot mij bent gekomen, tot deze dag toe; maar u bent niet aangenaam in de ogen van de vorsten.
[^genesis-34-19-27]: Kanttekening 27: Hij schijnt zeer bemind, geacht en vermaard te zijn geweest, omdat niet alleen de stad naar zijn naam werd geheten, maar ook zijn vader door hem bekend was, zijnde genoemd de vader van Sichem; zie boven, Gen. 33:18 , 33:19 . Genesis 33:18 : En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad. Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
[^genesis-34-19-28]: Kanttekening 28: Dat is, huisgezin, kinderen, huisgenoten, hovelingen, officieren; zo onder, Gen. 41:40 , 1 Kon. 2:24 , en 1 Kon. 4:6 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. 1 Koningen 2:24 : En nu, zo waarachtig als YHWH leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden! 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^genesis-34-20-29]: Kanttekening 29: tot hun: Alwaar de burgerlijke zaken onder het beleid van de overheden behandeld werden, gelijk heden op de stad- of raadhuizen. Zie boven, Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^genesis-34-21-30]: Kanttekening 30: wijd van: Hebr. wijd van handen; zo Richt. 18:10 . Richteren 18:10 : (Als u daarheen komt, zo zult u komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.
[^genesis-34-21-31]: Kanttekening 31: voor hun: Dat is, open zijn, zie boven, Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^genesis-34-23-32]: Kanttekening 32: Alleen laat: Zij gelaten zich dat dit het verzoek van Jakob en zijn kinderen was, verzwijgende dat het de conditie van hun eigen verzoek was; daarenboven bedekken zij hun particulier met de naam van het gemenebest, zodat zij hun burgers bedriegende, ook door Simeon en Levi bedrogen worden.
[^genesis-34-24-33]: Kanttekening 33: En zij: Zij laten zich bewegen tot verandering van religie niet door onderwijs of liefde tot de waarheid, maar door de belofte en op hoop van aards profijt.
[^genesis-34-24-34]: Kanttekening 34: Dat is, alle burgers van de stad, die gezegd worden hun stadspoorten in of uit te gaan, gelijk hier; of in te gaan; gelijk boven, Gen. 23:10 , en Jer. 17:20 . Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: Jeremia 17:20 : En zeg tot hen: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda, en geheel Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!
[^genesis-34-25-35]: Kanttekening 35: toen zij in: Dat is, toen zij met de meeste smart of pijn bevangen waren; want de wonden op de derde dag gewoonlijk zwaarder smartten.
[^genesis-34-25-c]: Verwijzing c: onder, Gen. 49:6 . Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
[^genesis-34-25-36]: Kanttekening 36: Deze twee zijn de leidslieden geweest van deze aanslag, en waren volle broers van Dina, van één vader en één moeder: zo waren wel Ruben en Juda en Issaschar en Zebulon, maar deze hebben aan deze bloedige daad geen gemeenschap gehad, zowel omdat de twee laatsten te jong, als omdat de twee anderen meer tot zachtzinnigheid dan tot wreedheid geneigd waren. Zie onder, Gen. 37:21 , 37:22 , 37:26 . Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Genesis 37:22 : Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen. Genesis 37:26 : Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^genesis-34-26-37]: Kanttekening 37: Zie van dit woord boven, Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^genesis-34-26-38]: Kanttekening 38: met de: Hebr. aan of in de mond van het zwaard.
[^genesis-34-27-39]: Kanttekening 39: De zonen: Velen verstaan dit van de andere zonen van Jakob, die, gehoord hebbende van de moord, welke in de stad door hun broers geschied was, toegelopen zijn, om de vermoorden en de gehele stad te plunderen.
[^genesis-34-27-40]: Kanttekening 40: hun zus: Wat Sichem alleen gedaan had, werd de burgers in het algemeen ten laste gelegd, omdat zij, deze daad niet tegengesproken noch verhinderd hebbende, daarin een welgevallen schenen te hebben. Of, zij, dat is, één van hen, te weten, Sichem; zo Ex. 4:19 ; Matt. 2:20 . Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^genesis-34-30-41]: Kanttekening 41: Toen zei: Hieruit blijkt dat Jakob van de aanslag van zijn twee zonen niets heeft geweten, veel minder daarin bewilligd; verg. onder, Gen. 49:5 , 49:6 , 49:7 . Genesis 49:5 : Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Genesis 49:7 : Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun toorn, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.
[^genesis-34-30-42]: Kanttekening 42: mij beroerd: Of, u hebt mij onrust aangericht, of verstoord, niet alleen mijn gemoed door deze daad ontstellende, maar ook al mijn zaken in groot perijkel, onzekerheid en verwarring brengende, daar ik hier tevoren in vrede gewoond heb; zie Joz. 7:25 , en 1 Kon. 18:7 . Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. 1 Koningen 18:7 : Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zei: Zijt u mijn heer Elia?
[^genesis-34-30-43]: Kanttekening 43: mij stinkende: Dat is, gehaat te maken, zodat men mij niet zal mogen luchten of lijden. Het is een gelijkenis ontleend aan stinkende dingen, waarvan de mensen het aangezicht afkeren; zie Ex. 5:21 ; 1 Sam. 13:4 , en 1 Sam. 27:12 ; 1 Kron. 19:6 . Exodus 5:21 : En zeiden tot hen: YHWH zie op u, en richte het, omdat u onze reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden. 1 Samuël 13:4 : Toen hoorde het gehele Israël zeggen: Saul heeft de bezetting van de Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal. 1 Samuël 27:12 : En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israël; daarom zal hij eeuwig mij tot een knecht zijn. 1 Kronieken 19:6 : Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagens en ruiters te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maächa, en uit Zoba;
[^genesis-34-30-44]: Kanttekening 44: Hebr. inwoner.
[^genesis-34-30-45]: Kanttekening 45: Kanaäniet.
[^genesis-34-30-46]: Kanttekening 46: weinig volk: Hebr. mensen van getal; dat is, van klein getal, die spoedig te tellen zijn, gelijk Num. 9:20 ; Deut. 4:27 , en Deut. 33:6 . Numeri 9:20 : Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op de tabernakel was, naar de mond van YHWH legerden zij zich, en naar de mond van YHWH verreisden zij. Deuteronomium 4:27 : En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. Deuteronomium 33:6 : Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn mensen van getal zijn!
[^genesis-34-31-47]: Kanttekening 47: Anders, zou men dan, enz., te weten, zonder wraak of straf.
[^genesis-34-31-48]: Kanttekening 48: hij dan: Te weten, Sichem.

### Genesis 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/35.json)

*Jakob zuivert zijn huis en bereidt het voor op de godsdienst, waarna hij op Gods bevel naar Bethel vertrekt, vers 1. Daar aangekomen zonder schade bouwt hij een altaar, 6. Dood en begrafenis van Debora, de voedster van Rebekka, 8. God verschijnt aan Jakob, geeft hem opnieuw de naam Israël en hernieuwt Zijn beloften, 9. Jakob richt daarop een gedenkteken op en geeft de plaats een naam, 14. Bij het vertrek vandaar sterft Rachel tijdens de bevalling van Benjamin en wordt daar begraven, 16. Ruben pleegt overspel in het huis van zijn vader, 22. Opsomming van Jakobs zonen, 23. Jakob komt ten slotte bij zijn vader Izak, die sterft en door hem en Ezau begraven wordt, 27.*

**1** Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en[^genesis-35-1-1] maak daar een altaar die God,[^genesis-35-1-a] Die u verscheen,[^genesis-35-1-b] toen u vluchtte voor het aangezicht van uw broer Ezau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v1)

**2** Toen zei Jakob tot zijn[^genesis-35-2-2] huisgezin, en tot[^genesis-35-2-3] allen, die bij hem waren: Doe weg de[^genesis-35-2-4] vreemde goden,[^genesis-35-2-5] die in het midden van u zijn, en[^genesis-35-2-6] reinig u, en verander uw kleren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v2)

**3** En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken die God,[^genesis-35-3-7] Die mij antwoordt op de dag van mijn benauwdheid, en met mij geweest is[^genesis-35-3-8] op de weg, die ik gewandeld heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v3)

**4** Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden,[^genesis-35-4-9] die in hun hand waren, en de[^genesis-35-4-10] oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob[^genesis-35-4-11] verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v4)

**5** En zij reisden heen; en[^genesis-35-5-12] Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v5)

**6** Zo kwam Jakob te[^genesis-35-6-13] Luz, dat is in het land Kanaän (dat is[^genesis-35-6-14] Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v6)

**7** En hij bouwde daar een altaar, en[^genesis-35-7-c] noemde die plaats[^genesis-35-7-15] El Beth-el; want[^genesis-35-7-16] God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor van zijn broer aangezicht vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v7)

**8** En[^genesis-35-8-17] Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder die eik, waarvan hij de naam noemde Allon-bachuth[^genesis-35-8-18]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v8)

**9** En[^genesis-35-9-d] God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v9)

**10** En God zei tot hem:[^genesis-35-10-19] Uw naam is Jakob,[^genesis-35-10-e] uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v10)

**11** Verder zei God tot hem:[^genesis-35-11-f] Ik ben[^genesis-35-11-20] El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig![^genesis-35-11-g] Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en[^genesis-35-11-h] koningen zullen[^genesis-35-11-22] uit uw middel voortkomen.[^genesis-35-11-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v11)

**12** En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v12)

**13** Toen[^genesis-35-13-23] voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v13)

**14** En[^genesis-35-14-24] Jakob[^genesis-35-14-i] stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop[^genesis-35-14-25] drankoffer, en goot olie daarover. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v14)

**15** En Jakob[^genesis-35-15-26] noemde de naam van die plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v15)

**16** En zij reisden van Beth-el; en er was nog[^genesis-35-16-27] een kleine streek lands om tot[^genesis-35-16-28] Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v16)

**17** En het gebeurde, als zij het hard had in haar baren, zo zei de verloskundige tot haar: Vrees niet; want deze zoon[^genesis-35-17-29] zult u ook hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v17)

**18** En het gebeurde,[^genesis-35-18-30] als haar ziel uitging[^genesis-35-18-31] (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde[^genesis-35-18-32] Ben-oni; maar zijn vader noemde hem[^genesis-35-18-33] Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v18)

**19** [^genesis-35-19-k] Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg[^genesis-35-19-34] naar Efrath, dat is[^genesis-35-19-35] Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v19)

**20** En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf[^genesis-35-20-36] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v20)

**21** Toen verreisde[^genesis-35-21-37] Israël, en hij spande zijn tent aan de overzijde van[^genesis-35-21-38] Migdal-eder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v21)

**22** En het gebeurde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en[^genesis-35-22-l] lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader[^genesis-35-22-39]; en[^genesis-35-22-40] Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v22)

**23** [^genesis-35-23-41][^genesis-35-23-m] De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v23)

**24** De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v24)

**25** En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v25)

**26** En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van[^genesis-35-26-42] Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v26)

**27** En Jakob kwam tot Izak, zijn vader,[^genesis-35-27-43] in Mamre, te[^genesis-35-27-44] Kirjath-arba, dat is[^genesis-35-27-45] Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd,[^genesis-35-27-46] en Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v27)

**28** En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v28)

**29** En Izak[^genesis-35-29-47][^genesis-35-29-n] gaf de geest en stierf, en werd verzameld[^genesis-35-29-48] tot zijn volken, oud en verzadigd van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob[^genesis-35-29-49] begroeven hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/35.html#v29)

[^genesis-35-1-1]: Kanttekening 1: maak daar: Om te gedenken aan de beloften, die Ik daar aan u gedaan heb, en u aan mij; boven, Gen. 28:13 , 28:14 , 28:20 . Dit schijnt daartoe te dienen, dat Jakob getroost en gesterkt mocht worden tegen de vrees, waarmee hij bevangen was; zie Gen. 34:30 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond daarop en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Genesis 28:20 : En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken; Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^genesis-35-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 28:12 ; idem v. 13 . Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder. Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^genesis-35-1-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 27:43 . Genesis 27:43 : Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied u naar Haran, tot Laban, mijn broer.
[^genesis-35-2-2]: Kanttekening 2: Hebr. huis (בַּ֫יִת); zie boven, Gen. 7:1 . Genesis 7:1 : Daarna zei YHWH tot Noach: Ga u, en uw gehele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
[^genesis-35-2-3]: Kanttekening 3: Knechts en dienstmaagden, en die van buiten er bij gekomen waren.
[^genesis-35-2-4]: Kanttekening 4: Hebr. Goden van de vreemden. Versta er onder de beelden van de afgoden, die van vreemde volken gediend waren, niet zijnde de ware God, die zich aan Abraham, Izak en Jakob geopenbaard had. Aldus werden de afgoden genoemd, Deut. 31:16 , en Deut. 32:12 ; Joz. 24:20 ; Ps. 81:10 . Deze werden geheten, andere goden, Deut. 6:14 ; Joz. 23:16 ; Richt. 10:13 , idem, nieuwe goden, Richt. 5:8 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden daarvan; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met het gemaakt heb. Deuteronomium 32:12 : Zo leidde hem YHWH alleen, en er was geen vreemd god met hem. Jozua 24:20 : Als u YHWH verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. Psalmen 81:10 : Er zal onder u geen uitlands god wezen, en u zult u voor geen vreemden god nederbuigen. Deuteronomium 6:14 : U zult andere goden niet navolgen, van de goden van de volken, die rondom u zijn. Jozua 23:16 : Wanneer u het verbond van YHWH, uws Gods, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en u heengaat en dient andere goden, en u voor die nederbuigt, zo zal de toorn van YHWH over u ontsteken, en u zult haastiglijk omkomen van het goede land, dat Hij u gegeven heeft. Richteren 10:13 : Nochtans hebt u Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen. Richteren 5:8 : Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël?
[^genesis-35-2-5]: Kanttekening 5: die in: Het blijkt hieruit dat onder Jakobs gezin nog enige beelden verborgen waren, hetzij dat deze afgoden waren van Laban, boven, Gen. 31:19 , of enige kostbare beelden, die zij bij de plundering van Sichem gekregen, of die andere gevangenen daar gebracht hadden. Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^genesis-35-2-6]: Kanttekening 6: reinigt u: Om met deze uitwendige ceremonie te betuigen de inwendige zuivering en bekering van het hart, die zij niet alleen ten aanzien van de afgodische besmetting, maar ook vooral van die moord van de Sichemieten nodig hadden, om zich te bereiden tot de statelijke godsdienst, die Jakob op Gods bevel met zijn huisgezin zou verrichten. Zie Ex. 19:10 , 19:14 . Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, Exodus 19:14 : Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun kleren.
[^genesis-35-3-7]: Kanttekening 7: die mij: Dat is, die mij placht te verhoren. God antwoordt zijn volk, als Hij met woorden of werken doet blijken dat Hij het verhoord heeft; zie 1 Kon. 18:24 ; Jes. 41:17 , 41:18 ; Ps. 22:22 . 1 Koningen 18:24 : Roept u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van YHWH aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed. Jesaja 41:17 : De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, YHWH zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. Jesaja 41:18 : Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. Psalmen 22:22 : Verlos mij uit de muil van de leeuw; en verhoor mij van de hoornen van de eenhoornen.
[^genesis-35-3-8]: Kanttekening 8: op de weg: Te weten, van Haran tot hiertoe.
[^genesis-35-4-9]: Kanttekening 9: die in hun: Dat is, die zij bij zich hadden; zie 2 Sam. 8:10 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^genesis-35-4-10]: Kanttekening 10: Deze heeft Jakob hun afgenomen, òf omdat die bij de plundering van de afgoden te Sichem gekregen, òf ter ere van die afgoden gedragen waren; òf tot enig misbruik van de zijnen hadden mogen dienen.
[^genesis-35-4-11]: Kanttekening 11: Zonder dat zijn volk wist waar hij die liet, opdat niemand die mocht vinden en tot superstitie en afgoderij misbruiken.
[^genesis-35-5-12]: Kanttekening 12: Gods verschrikking: Dat is, die van God toegezonden en zeer groot was; zo Ex. 23:27 ; 2 Kron. 14:14 , en 2 Kron. 17:10 . Het woord God wordt somtijds gebruikt om de grootheid en uitnemendheid van enige zaak uit te drukken; zie boven, Gen. 13:10 . Zonder deze verschrikking zou Jakob met al de zijnen lichtelijk overvallen en vernield geweest zijn, om de daad van Simeon en Levi, te Sichem begaan; boven Gen. 34:25 . Exodus 23:27 : Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot wie u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren. 2 Kronieken 14:14 : En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs daarin was. 2 Kronieken 17:10 : En een verschrikking van YHWH werd over alle koninkrijken van de landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Genesis 34:25 : En het geschiedde op de derde dag, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, een ieder zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.
[^genesis-35-6-13]: Kanttekening 13: Zie boven, Gen. 12:8 , en Gen. 28:19 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
[^genesis-35-6-14]: Kanttekening 14: Aldus door Jakob genoemd.
[^genesis-35-7-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 28:19 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
[^genesis-35-7-15]: Kanttekening 15: El Beth-El: Dat is, God is \[te\] Beth-El. Aldus noemt hij deze plaats voor de tweede maal; zie boven, Gen. 28:19 , en verg. boven, Gen. 33:20 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. Genesis 33:20 : En hij richte daar een altaar op, en noemde het: De God van Israël is God!
[^genesis-35-7-16]: Kanttekening 16: God was: Zie boven, Gen. 28:13 , en de manier van spreken, Gen. 20:13 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond daarop en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer!
[^genesis-35-8-17]: Kanttekening 17: Die met Rebekka uit Mesopotamië gezonden was, naar het land Kanaän. Zie boven, Gen. 24:59 . Genesis 24:59 : Toen lieten zij Rebekka, hun zus, en haar voedster trekken, en ook Abrahams knecht en zijn mannen.
[^genesis-35-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, eik van het wenen, omdat zij Debora daar beklaagd en beweend hebben.
[^genesis-35-9-d]: Verwijzing d: Hosea 12:5 . Hosea 12:5 : Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overweldigd Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-el vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons;
[^genesis-35-10-19]: Kanttekening 19: Uw naam is: God bevestigt hier aan Jakob wat Hij hem tevoren gezegd had; zie boven, Gen. 32:28 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd.
[^genesis-35-10-e]: Verwijzing e: boven, Gen. 32:28 ; 2 Kon. 17:34 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 2 Koningen 17:34 : Tot op deze dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen YHWH niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat YHWH geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf.
[^genesis-35-11-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 17:1 ; boven, Gen. 28:3 ; onder, Gen. 48:3 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Genesis 28:3 : En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot één hoop volken wordt. Genesis 48:3 : Daarna zei Jakob tot Jozef: El Shaddai, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend;
[^genesis-35-11-20]: Kanttekening 20: God de: Zie boven, Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-35-11-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 17:6 ; idem v. 16 . Genesis 17:6 : En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Genesis 17:16 : Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen van de volken zullen uit haar worden!
[^genesis-35-11-h]: Verwijzing h: Matt. 1:6 . Mattheüs 1:6 : En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
[^genesis-35-11-22]: Kanttekening 22: uit uw lenden: Dat is, uit uw eigen vlees en bloed geboren worden; zo 1 Kon. 8:19 ; 2 Kron. 6:9 ; Hand. 2:30 , verg. onder, Gen. 46:26 . 1 Koningen 8:19 : Evenwel u zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 2 Kronieken 6:9 : Evenwel, u zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. Handelingen 2:30 : Zo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lenden, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; Genesis 46:26 : Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
[^genesis-35-11-21]: Kanttekening 21: God bevestigt hier de zegen van zijn vader Izak, die hij hem gaf toen hij vluchtte naar Mesopotamië; zie boven, Gen. 28:3 , 28:4 . Genesis 28:3 : En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot één hoop volken wordt. Genesis 28:4 : En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, dat God aan Abraham gegeven heeft.
[^genesis-35-13-23]: Kanttekening 23: voer God: Hebr. voer op van boven hem. God wordt gezegd op te klimmen en neder te dalen, de plaatsen niet veranderende, aangemerkt Hij overal is, maar de tekenen van zijn aanwezigheid, die Hij openbaart door zijn nederdalen; gelijk boven, Gen. 11:5 ; Ex. 3:8 , en Num. 11:17 , of wegneemt door zijn opklimmen gelijk hier en boven, Gen. 17:22 ; Richt. 13:20 . Genesis 11:5 : Toen kwam YHWH neder, om te bezien de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden. Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. Numeri 11:17 : Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt. Genesis 17:22 : En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. Richteren 13:20 : En het geschiedde, als de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel van YHWH op in de vlam van het altaar. Als Manoach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.
[^genesis-35-14-24]: Kanttekening 24: Jakob vernieuwt hier het gedenkteken, dat hij tevoren opgericht had, boven, Gen. 28:18 , omdat het door langheid ingezetenen mocht vervallen of omgeworpen zijn; opdat het strekken van Gods weldaad en zijn schuldigen plicht. Genesis 28:18 : Toen stond Jakob 's morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
[^genesis-35-14-i]: Verwijzing i: boven, Gen. 28:18 . Genesis 28:18 : Toen stond Jakob van de morgen vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.
[^genesis-35-14-25]: Kanttekening 25: Versta hierdoor, òf de olie, zoals meteen volgt; òf de wijn, òf enig ander vocht, dat gewoonlijk gebruikt werd in drankoffers, of in plengoffers tot dankzegging.
[^genesis-35-15-26]: Kanttekening 26: noemde de naam: Zijn belofte willende volbrengen, vernieuwt hij niet alleen het gedenkteken, maar ook de naam. Deze plaats schijnt onderscheiden te zijn van El Bethel, boven, vers 7 . Genesis 35:7 : En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor het aangezicht van zijn broer vluchtte.
[^genesis-35-16-27]: Kanttekening 27: een kleine: Anders, omtrent een voedering, of pleistering lands; dat is, zoveel land als men reist voordat men pleistert, een mijl van de weg. Zie Gen. 48:7 ; 2 Kon. 5:19 . Genesis 48:7 : Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op de weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar daar aan de weg van Efrath, welke is Bethlehem. 2 Koningen 5:19 : En hij zei tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine streek lands.
[^genesis-35-16-28]: Kanttekening 28: Dit is de naam van een stad, die gewoonlijk Bethlehem genoemd wordt. Zie deze beide namen onder, vers 19 ; Micha 5:1 . Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid.
[^genesis-35-17-29]: Kanttekening 29: zult u: Of, hebt u ook, boven Jozef; gelijk u gewenst hebt, dat u nog een boven hem zou toegevoegd worden; boven Gen. 30:24 . Genesis 30:24 : En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: YHWH voege mij een anderen zoon daartoe.
[^genesis-35-18-30]: Kanttekening 30: als haar: Een klare beschrijving van de dood, waaruit blijkt dat hij is een scheiding van de ziel, die tot een ander leven overblijft, en gaat uit het lichaam, dat door de dood vergaat. Waarom ook gezegd wordt van degenen, die nog leven, dat hun ziel in hen is, 2 Sam. 1:9 , en van degenen, die sterven, dat hun geest uitgaat, Ps. 146:4 , en van degenen die verrijzen, dat hun geest in hen terugkeert; 1 Kon. 17:21 , 17:22 . 2 Samuël 1:9 : Toen zei hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze maliënkolder heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog geheel in mij. Psalmen 146:4 : Zijn geest gaat uit, hij keert opnieuw tot zijn aarde; op dezelfde dag vergaan zijn aanslagen. 1 Koningen 17:21 : En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. 1 Koningen 17:22 : En YHWH verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd.
[^genesis-35-18-31]: Kanttekening 31: want zij: Of, dat zij stierf, en noemde, of had genoemd.
[^genesis-35-18-32]: Kanttekening 32: Dat is, zoon mijner smart, mijns weedoms.
[^genesis-35-18-33]: Kanttekening 33: Dat is zoon van de rechterhand; dat is, die mij altijd nabij en zeer lief zal zijn, als de mens zijn rechterhand; Ps. 80:18 . Psalmen 80:18 : Uw hand zij over de man van Uw rechterhand, over de zoon van de mens, die U U gesterkt hebt.
[^genesis-35-19-k]: Verwijzing k: onder, Gen. 48:7 . Genesis 48:7 : Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op de weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar daar aan de weg van Efrath, welke is Bethlehem.
[^genesis-35-19-34]: Kanttekening 34: Deze naam schijnt Bethlehem gegeven te zijn door Kalebs huisvrouw, zie 1 Kron. 2:19 , 2:24 ; en daarmede wordt ook dit Bethlehem, gelegen in de stam van Juda, \[ Micha 5:1 ; Matt. 2:6 \], onderscheiden van een ander Bethlehem, gelegen in de stam van Zebulon; Joz. 19:15 . 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 1 Kronieken 2:24 : En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
[^genesis-35-19-35]: Kanttekening 35: Bethlehem betekent een huis van het brood.
[^genesis-35-20-36]: Kanttekening 36: tot op deze: Te weten, ten tijde toen Mozes dit schreef; ja het bestond nog ten tijde van Samuël en Saul; 1 Sam. 10:2 . Omtrent de kindermoord, die Herodes hieromtrent heeft laten plegen, ten tijde van Christus' geboorte, zie Jer. 31:15 ; Matt. 2:16 , 2:17 . 1 Samuël 10:2 : Als u heden van mij gaat, zo zult u twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die u bent gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken van de ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor u, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen? Jeremia 31:15 : Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Mattheüs 2:16 : Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enige afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al zijn gebied waren, van twee jaren oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. Mattheüs 2:17 : Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende:
[^genesis-35-21-37]: Kanttekening 37: Hier wordt Jakob eerst Israël genoemd, naar het bevel Gods, vers 10 . Genesis 35:10 : En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
[^genesis-35-21-38]: Kanttekening 38: Dat is, een toren van de kudde; zie ook Micha 4:8 . Micha 4:8 : En u Schaapstoren, u Ofel van de dochter van Sion! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk van de dochters van Jeruzalem.
[^genesis-35-22-l]: Verwijzing l: onder, Gen. 49:4 . Genesis 49:4 : Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
[^genesis-35-22-39]: Kanttekening 39: Zie boven, Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^genesis-35-22-40]: Kanttekening 40: Israël hoorde het: Zonder twijfel met groot harteleed, ziende dat door deze daad van Ruben God vertoornd, zijn huisgezin onteerd, en oorzaak van lasteringen gegeven was; zo zelfs, dat Jakob, liggende op zijn sterfbed, reden had om zich te beklagen over deze schandelijke daad; onder, Gen. 49:3 , 49:4 ; en Ruben het recht van de eerstgeboorte te benemen; 1 Kron. 5:1 , 5:2 . Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! Genesis 49:4 : Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen! 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 1 Kronieken 5:2 : Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.)
[^genesis-35-23-41]: Kanttekening 41: De zonen: Deze twaalf zonen van Jakob worden hier vermeld, omdat hun getal na Benjamins geboorte en Rachels dood nu vol was, en hem geen zonen meer geboren zijn; en dat deze twaalf geweest zijn de vaders van de twaalf stammen van Israël, van welke hierna dikwijls zal gesproken worden.
[^genesis-35-23-m]: Verwijzing m: onder, Gen. 46:8 ; Ex. 1:2 . Genesis 46:8 : En dit zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. Exodus 1:2 : Ruben, Simeon, Levi, en Juda;
[^genesis-35-26-42]: Kanttekening 42: die hem: Uitgenomen Benjamin, die bij Efrath in het land Kanaän geboren is, boven, vers 16 . Maar Mozes spreekt zo, aangezien al de anderen daar geboren zijn. Dit is een manier van spreken, waardoor iets niet precieselijk wordt gesteld, maar in het algemeen en in een zeker opzicht; zie boven, Gen. 15:13 ; onder, Gen. 46:15 ; Richt. 20:46 ; 1 Kor. 15:5 . Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Genesis 46:15 : Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen van zijn zonen en van zijn dochters waren drie en dertig. Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 1 Korinthiërs 15:5 : En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
[^genesis-35-27-43]: Kanttekening 43: in Mamre: Een plaats vanwaar men zien mag boven, Gen. 23:17 . Zo genoemd door Abrahams bondgenoot, die Mamre heette; zie boven, Gen. 13:18 , en Gen. 14:13 , 14:24 . Genesis 23:17 : Zo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op de akker stond, dat rondom in zijn gehele landpale was gevestigd, Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar. Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. Genesis 14:24 : Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!
[^genesis-35-27-44]: Kanttekening 44: Zie boven, Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^genesis-35-27-45]: Kanttekening 45: Zie boven, Gen. 13:18 , en Gen. 23:2 , 23:19 . Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar. Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän.
[^genesis-35-27-46]: Kanttekening 46: en Izak: Die er nog als vreemdeling woonde.
[^genesis-35-29-47]: Kanttekening 47: gaf de: Verg. boven, Gen. 25:8 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^genesis-35-29-n]: Verwijzing n: Gen. 25:8 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^genesis-35-29-48]: Kanttekening 48: tot zijn volken: Zie boven, Gen. 15:15 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden.
[^genesis-35-29-49]: Kanttekening 49: begroeven hem: Te weten, in de spelonk, waarvan te lezen is boven, Gen. 23 , waarin ook Abraham begraven lag, boven, Gen. 25:9 . Deze was in Hebron, waar Izak gestorven is. Dit is geschied lang na deze tijd, omdat Jakob wel 23 jaren in Kanaän na zijn wederkomst uit Mesopotamië gewoond had, voordat zijn vader stierf. Maar het wordt hier door Mozes verhaald, om hiermede Izaks historie te eindigen, en Jakobs historie te vervolgen. Genesis 25:9 : En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, welke tegenover Mamre is;

### Genesis 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/36.json)

*Ezaus vrouwen en kin deren, geboren in Kanaän, vers 1-2. Zijn vertrek naar Seir, 6. Zijn nakomelingen, 9, en ook die van Seir de Horiet, 20. Onder dezen is Ana, die als eerste muilezelteelt heeft bedreven, 21. Lijst van de koningen en vorsten in Edom, 31.*

**1** Dit[^genesis-36-1-a] nu zijn[^genesis-36-1-1] de afstammelingen van Ezau, die is[^genesis-36-1-2] Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v1)

**2** [^genesis-36-2-3] Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters[^genesis-36-2-4] van Kanaän,[^genesis-36-2-5] Ada, de dochter van Elon,[^genesis-36-2-6] de Hethiet, en[^genesis-36-2-7] Aholibama, de dochter van[^genesis-36-2-8] Ana,[^genesis-36-2-9] de dochter van Zibeon, de[^genesis-36-2-10] Heviet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v2)

**3** En[^genesis-36-3-11] Basmath, de dochter van[^genesis-36-3-12] Ismaël, zus van Nebajoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v3)

**4** Ada nu baarde aan Ezau[^genesis-36-4-13] Elifaz, en Basmath baarde[^genesis-36-4-14] Rehuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v4)

**5** En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en[^genesis-36-5-15] Korah. Dit zijn de[^genesis-36-5-16] zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v5)

**6** Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de[^genesis-36-6-17] zielen van zijn huize, en zijn[^genesis-36-6-18] vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar[^genesis-36-6-19] een ander[^genesis-36-6-20] land, van het aangezicht van zijn broer Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v6)

**7** Want[^genesis-36-7-21] hun[^genesis-36-7-b] bezittingen was te veel, om samen te wonen; en het[^genesis-36-7-22] land waar zij vreemdeling waren kon ze niet dragen vanwege hun vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v7)

**8** Daarom[^genesis-36-8-c] woonde Ezau[^genesis-36-8-23] op het gebergte Seïr.[^genesis-36-8-24] Ezau is Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v8)

**9** Dit nu zijn de afstammelingen van Ezau, de[^genesis-36-9-25] vader van de Edomieten, op het gebergte van Seïr. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v9)

**10** Dit zijn de namen[^genesis-36-10-26] van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v10)

**11** En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar,[^genesis-36-11-27] Zefo, en Gaetam, en Kenaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v11)

**12** En Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz[^genesis-36-12-28] Amalek; dit zijn[^genesis-36-12-29] de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v12)

**13** En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, en[^genesis-36-13-30] Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v13)

**14** En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v14)

**15** Dit zijn[^genesis-36-15-31] de vorsten van de zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst[^genesis-36-15-32] Zefo, de vorst Kenaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v15)

**16** De vorst[^genesis-36-16-33] Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v16)

**17** En dit zijn de zonen van Rehuël, de zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v17)

**18** En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v18)

**19** Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hun vorsten; hij is Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v19)

**20** [^genesis-36-20-d] Dit zijn de zonen[^genesis-36-20-34] van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v20)

**21** En[^genesis-36-21-35] Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten[^genesis-36-21-36] van de Horieten, zonen van Seïr, in het land van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v21)

**22** En de zonen van Lotan waren Hori en[^genesis-36-22-37] Hemam; en Lotans zus was[^genesis-36-22-38] Timna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v22)

**23** En dit zijn de zonen van[^genesis-36-23-39] Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en[^genesis-36-23-40] Sefo, en Onam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v23)

**24** En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana,[^genesis-36-24-41] die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v24)

**25** En dit zijn de[^genesis-36-25-42] zonen van Ana: Dison; en[^genesis-36-25-43] Aholibama was de dochter van[^genesis-36-25-44] Ana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v25)

**26** En dit zijn de zonen van[^genesis-36-26-45] Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v26)

**27** Dit zijn de zonen[^genesis-36-27-46] van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en[^genesis-36-27-47] Akan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v27)

**28** Dit zijn de zonen van[^genesis-36-28-48] Disan: Uz en Aran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v28)

**29** Dit zijn de vorsten[^genesis-36-29-49] van de Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v29)

**30** De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten van de[^genesis-36-30-50] Horieten, naar hun vorsten in het land Seïr. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v30)

**31** [^genesis-36-31-e] En dit zijn koningen,[^genesis-36-31-51] die geregeerd hebben in het land Edom,[^genesis-36-31-52] eer een koning regeerde over[^genesis-36-31-53] de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v31)

**32** Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam[^genesis-36-32-54] van zijn stad was Dinhaba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v32)

**33** En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van[^genesis-36-33-55] Bozra, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v33)

**34** En Jobab stierf, en Husam,[^genesis-36-34-56] uit van de Temanieten land, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v34)

**35** En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die[^genesis-36-35-57] Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam van zijn stad was Avith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v35)

**36** En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v36)

**37** En Samla stierf, en[^genesis-36-37-58] Saul van Rehoboth,[^genesis-36-37-59] aan de rivier, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v37)

**38** En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v38)

**39** En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam van zijn stad was Pahu; en de naam van zijn huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred,[^genesis-36-39-60] de dochter van Me-zahab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v39)

**40** [^genesis-36-40-f] En dit zijn de namen van[^genesis-36-40-61] de vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen,[^genesis-36-40-62] met hun namen: de vorst[^genesis-36-40-63] Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v40)

**41** De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v41)

**42** De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst[^genesis-36-42-64] Mibzar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v42)

**43** De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen, in het land van hun bezitting; hij is Ezau, de vader[^genesis-36-43-65] van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/36.html#v43)

[^genesis-36-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 1:35 . 1 Kronieken 1:35 : En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korah.
[^genesis-36-1-1]: Kanttekening 1: Dat is nakomelingen; anders geslachten.
[^genesis-36-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Gen. 25:30 . Genesis 25:30 : En Ezau zei tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.
[^genesis-36-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Gen. 26:34 . Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^genesis-36-2-4]: Kanttekening 4: van Kanaän: Dat is, van de Kanaänieten. Zie boven, Gen. 10:18 , 10:19 , en Gen. 12:6 . Genesis 10:18 : En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid. Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^genesis-36-2-5]: Kanttekening 5: Hebr. Adah (עָדָה), boven, Gen. 26:34 , genoemd Basmath. Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^genesis-36-2-6]: Kanttekening 6: Een uit de volken van Kanaän, afkomstig van Kanaän, de zoon van Cham; boven Gen. 10:15 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^genesis-36-2-7]: Kanttekening 7: Zie boven, Gen. 26:34 . Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^genesis-36-2-8]: Kanttekening 8: Hebr. Anah (עֲנָה), anders genoemd, Beëri, boven, Gen. 26:34 , wel verstaande, als Judith, daar vermeld, en deze Aholibama, één en dezelfde vrouw zijn geweest. Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^genesis-36-2-9]: Kanttekening 9: de dochter: Dat is, kindskind; aldus wordt Athalia genoemd zowel de dochter van Omri haar grootvader, als de dochter van Achab haar vader; 2 Kon. 8:18 , 8:26 . 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. 2 Koningen 8:26 : Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël.
[^genesis-36-2-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Gen. 10:15 , 10:17 . De Hethieten en Hevieten schijnen zo nabij elkaar gelegen en ondereen gemengd te zijn geweest, dat zij hun namen lichtelijk verwisseld hebben. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 10:17 : En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet,
[^genesis-36-3-11]: Kanttekening 11: Boven, Gen. 28:9 , genoemd Mahaloth. Genesis 28:9 : Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zus van Nebajoth.
[^genesis-36-3-12]: Kanttekening 12: Zie van deze boven, Gen. 28:9 , en van Nabajoth Gen. 25:13 . Genesis 28:9 : Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zus van Nebajoth. Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^genesis-36-4-13]: Kanttekening 13: Denzelfden naam heeft een van Jobs vrienden gehad, genaamd Elifaz van Teman, Job 2:11 ; zodat men meent, dat hij van deze Elifaz voortgekomen is, door middel van zijn zoon Teman, die onder vers 11 genoemd wordt onder de kinderen van Elifaz. Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten. Genesis 36:11 : En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
[^genesis-36-4-14]: Kanttekening 14: Deze naam had ook de vader van Jethro, Mozes' vrouws vader. Ex. 2:18 ; Num. 10:29 . Exodus 2:18 : En toen zij tot haar vader Rehuël kwamen, zo sprak hij: Waarom bent u heden zo haast wedergekomen? Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^genesis-36-5-15]: Kanttekening 15: Van een anderen Korah, of Korach, leest men Ex. 6:20 ; Num. 16:1 . Exodus 6:20 : En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri. Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.
[^genesis-36-5-16]: Kanttekening 16: Hij heeft ook dochters gehad, onder, vers 6 , maar die worden niet genoemd. Genesis 36:6 : Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen van zijn huize, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob.
[^genesis-36-6-17]: Kanttekening 17: zielen van zijn: Dat is, de personen, gelijk boven, Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^genesis-36-6-18]: Kanttekening 18: vee, en: Door vee versta men de kleine, en door beesten de grote dieren; gelijk ook boven, Gen. 34:24 ; 2 Kon. 3:17 . Genesis 34:24 : En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die door zijn stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die door zijn stadspoort uitgingen. 2 Koningen 3:17 : Want zo zegt YHWH: Gijlieden zult geen wind zien, en u zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat u zult drinken, u en uw vee, en uw beesten.
[^genesis-36-6-19]: Kanttekening 19: een ander : Namelijk, naar Seïr, gelijk volgt.
[^genesis-36-6-20]: Kanttekening 20: van het: Of voor het aangezicht, dat is van wege Jakob. Dit is geschied door een geheime regering van God, omdat het land Kanaän hem door zijn vader, naar Gods bevel, beloofd was, en hij schuldig was dat voor zijn broer te ruimen.
[^genesis-36-7-21]: Kanttekening 21: hun bezittingen: Namelijk, van Jakob en Ezau; hoewel Ezau in deze tijd in Seïr woonde, nochtans schijnt het, dat hij, met zijn broer verzoend zijnde, met ter woon teruggekeerd is naar het land Kanaän; maar aangezien zij daar, beiden vreemdelingen zijnde, geen ruimte genoeg hadden voor hun vee, zo zou Ezau teruggekeerd zijn naar Seïr.
[^genesis-36-7-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 13:6 . Genesis 13:6 : En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun bezittingen was vele, zodat zij samen niet konden wonen.
[^genesis-36-7-22]: Kanttekening 22: land hun: Dat is, het land Kanaän. Zie boven, Gen. 17:8 . Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^genesis-36-8-c]: Verwijzing c: Joz. 24:4 . Jozua 24:4 : En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte.
[^genesis-36-8-23]: Kanttekening 23: op het: Zie boven, Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^genesis-36-8-24]: Kanttekening 24: Ezau is: Dat is, Ezau is dezelfde man die ook Edom genoemd wordt.
[^genesis-36-9-25]: Kanttekening 25: van de Edomieten: Hebr. Edoms.
[^genesis-36-10-26]: Kanttekening 26: van de zonen: Dat is, kinderen en kleinkinderen, of nakomelingen.
[^genesis-36-11-27]: Kanttekening 27: (Zepho) Hebr. Tsepho; ook genoemd Tsephi, 1 Kron. 1:36 . 1 Kronieken 1:36 : De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
[^genesis-36-12-28]: Kanttekening 28: De vader van de Amalekieten, van wie wij lezen Ex. 17:8 ; Deut. 25:17 , en 1 Sam. 15:2 . Exodus 17:8 : Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; 1 Samuël 15:2 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb bezocht, wat Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op de weg, toen hij uit Egypte opkwam.
[^genesis-36-12-29]: Kanttekening 29: de zonen: Zie boven, vers 10 , en zo vervolgens. Genesis 36:10 : Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.
[^genesis-36-13-30]: Kanttekening 30: Zie onder, vers 33 . Genesis 36:33 : En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
[^genesis-36-15-31]: Kanttekening 31: de vorsten: Deze vorsten hebben niet de één na de dood van de ander geregeerd, maar tegelijk op één tijd, een ieder over de zijnen. Maar zij zijn geen machtige vorsten geweest; zij waren hoofden, of de voornaamsten van de geslachten, gelijk gouverneurs of leidsmannen.
[^genesis-36-15-32]: Kanttekening 32: (Zepho) Hebr. Tsepho.
[^genesis-36-16-33]: Kanttekening 33: (Korach) Deze is te onderscheiden van de andere Korah, een zoon van Aholibama, vers 5 , 36:14 , 36:18 . Hij kan een neef van Elifaz geweest zijn. Genesis 36:5 : En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän. Genesis 36:14 : En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah. Genesis 36:18 : En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.
[^genesis-36-20-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 1:38 . 1 Kronieken 1:38 : De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
[^genesis-36-20-34]: Kanttekening 34: Deze Seïr is daar geweest de eerste vorst, van wie het land oorspronkelijk de naam Seïr bekomen heeft. Dit geslacht wordt hier verhaald, omdat Ezau en Elifaz met hun nakomelingen daarmede, door middel van het huwelijk, zijn vermaagschapt, en dat de heerschappij over het land van de Horieten op de nakomelingen van Ezau gekomen is; uit vergelijking van dit vs. vers 20 en vers 2 , blijkt, dat de Horieten en Hevieten voor één genomen worden. Genesis 36:20 : Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;
[^genesis-36-21-35]: Kanttekening 35: Die ook Disan genoemd wordt, vers 26 . Genesis 36:26 : En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
[^genesis-36-21-36]: Kanttekening 36: van de Horieten: Hebr. van de Horieters.
[^genesis-36-22-37]: Kanttekening 37: Hij wordt 1 Kron. 1:39 , Homam genoemd. 1 Kronieken 1:39 : De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zus van Lotan was Timna.
[^genesis-36-22-38]: Kanttekening 38: Zie boven, vers 12 . Genesis 36:12 : En Timna was een bijwijf van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.
[^genesis-36-23-39]: Kanttekening 39: Hij wordt 1 Kron. 1:40 , Alian genoemd. 1 Kronieken 1:40 : De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
[^genesis-36-23-40]: Kanttekening 40: (Sepho) Ook genoemd Sephi, 1 Kron. 1:40 . 1 Kronieken 1:40 : De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana.
[^genesis-36-24-41]: Kanttekening 41: die de muilen: Dat is, die eerst bedacht heeft een merrie bij een ezel te voegen, waaruit een derde soort van gedierte, half-ezel half-paard, is voortgebracht, welk gebruik nog duurt; alhoewel God verboden heeft, Lev. 19:19 , verscheidene geslachten van beesten te vermengen. Leviticus 19:19 : U zult Mijn inzettingen houden; u zult geen tweeërlei aard van uw beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult u niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
[^genesis-36-25-42]: Kanttekening 42: zonen van: Dat is, zoon, of kinderen. Zo is het veelvoudig getal voor het enkelvoudige genomen. Zie boven, Gen. 21:7 . Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
[^genesis-36-25-43]: Kanttekening 43: Zie boven, vers 2 , 36:5 . Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet; Genesis 36:5 : En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän.
[^genesis-36-25-44]: Kanttekening 44: Deze is een ander dan van wie boven, vers 20 , gesproken wordt. Genesis 36:20 : Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,
[^genesis-36-26-45]: Kanttekening 45: Genoemd Hemran; 1 Kron. 1:41 . 1 Kronieken 1:41 : De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
[^genesis-36-27-46]: Kanttekening 46: Hebr. Etsers (אֵ֫צֶר).
[^genesis-36-27-47]: Kanttekening 47: Anders, Jaacan; 1 Kron. 1:42 . 1 Kronieken 1:42 : De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
[^genesis-36-28-48]: Kanttekening 48: Hebr. Uts (עוּץ).
[^genesis-36-29-49]: Kanttekening 49: van de Horieten: Hebr. van de Chorieters, en zo in het volgende.
[^genesis-36-30-50]: Kanttekening 50: naar hun: Anders, onder hun vorsten, of naar hun vorstendommen.
[^genesis-36-31-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 1:43 . 1 Kronieken 1:43 : Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen van Israël: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijn stad was Dinhaba.
[^genesis-36-31-51]: Kanttekening 51: koningen, die: Gesproten uit Ezau's nakomelingen, die de Horieten verdrukt en van hun vorstendommen een koninkrijk gemaakt hebben.
[^genesis-36-31-52]: Kanttekening 52: eer een: Ezau's geslacht heeft welhaast gebloeid, maar is haast vergaan; maar Jacobs geslacht, later opgekomen zijnde, heeft veel langer geduurd, ja het duurt eeuwig in zijn gebenedijd zaad van onze Heer Jezus Christus.
[^genesis-36-31-53]: Kanttekening 53: Of, zonen, nakomelingen.
[^genesis-36-32-54]: Kanttekening 54: zijn stad: Waar hij geboren was. Aldus worden vervolgens de geboorteplaatsen van deze koningen aangewezen; welke, daar zij onderscheiden geweest zijn, zo schijnen die koningen, niet bij orde van successie maar door verkiezing of geweld, aan de regering gekomen te zijn.
[^genesis-36-33-55]: Kanttekening 55: Hebr. Botsrah (בָּצְרָה). Een hoofdstad in Idumea; zie van deze Jes. 34:6 , en Jes. 63:1 ; Amos 1:12 . Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jesaja 63:1 : Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Amos 1:12 : Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren.
[^genesis-36-34-56]: Kanttekening 56: uit van de: Hebr. van de Temanietiers; aldus genoemd naar Teman, de zoon van Elifaz; zie van deze boven, vers 4 , 36:11 , 36:15 ; van het land, Jer. 49:7 , 49:20 . Van hier schijnt ook afkomstig geweest te zijn Elifaz van Teman, één van de vrienden van Job, Job 2:11 . Genesis 36:4 : Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël. Genesis 36:11 : En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz. Genesis 36:15 : Dit zijn de vorsten van de zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz. Jeremia 49:7 : Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden? Jeremia 49:20 : Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten! Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^genesis-36-35-57]: Kanttekening 57: Dat is, de Midianieten; zie boven, Gen. 25:2 . Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^genesis-36-37-58]: Kanttekening 58: Deze is wel te onderscheiden van Saul, de zoon van Kis, die de eerste koning was van Israël.
[^genesis-36-37-59]: Kanttekening 59: aan de rivier: Dat is aan de rivier gelegen; tot onderscheid van een ander Rehoboth, boven Gen. 10:11 . Genesis 10:11 : Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.
[^genesis-36-39-60]: Kanttekening 60: de dochter: Dat is, nicht, kindskind; verg. boven, vers 2 . Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;
[^genesis-36-40-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 1:51 . 1 Kronieken 1:51 : Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
[^genesis-36-40-61]: Kanttekening 61: Dat is, van Ezau afkomstig, die na de koningen het regiment in Idumea, òf tezamen, òf na elkaar gehad hebben.
[^genesis-36-40-62]: Kanttekening 62: met hun: Dat is, niet alleen van hun personen, maar ook van hun geslachten, huisgezinnen en woonplaatsen, welke veel genoemd zijn geweest naar de personen.
[^genesis-36-40-63]: Kanttekening 63: Dit is hier een mansnaam, gelijk ook vers 41 , Aholibama, en onderscheidene personen van degenen, die boven, vers 2 , 36:5 , 36:12 , genoemd staan. Genesis 36:41 : De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon, Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet; Genesis 36:5 : En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän. Genesis 36:12 : En Timna was een bijwijf van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.
[^genesis-36-42-64]: Kanttekening 64: Hebr. Mibtsar (מִבְצָר).
[^genesis-36-43-65]: Kanttekening 65: Dat is, van de Edomieten.

### Genesis 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/37.json)

*Jozef wordt door Jakob meer dan zijn broers geliefd en wordt daarom door hen gehaat, vers 1, vooral vanwege het vertellen van zijn dromen, 5. Zij spannen samen om hem (als hij in opdracht van zijn vader naar hen in Dothan komt) om het leven te brengen, 12, maar gooien hem op Rubens voorspraak in een put, 21, en verkopen hem daarna, op Juda's advies, aan voorbijreizende Ismaëlieten, die hem naar Egypte brengen, 26. Zijn broers dekken hun daad met bedrog toe tegenover Jakob, 31, die diep rouwt om het verlies van Jozef, 33. Ondertussen wordt Jozef verkocht aan Potifar, 36.*

**1** En Jakob woonde in het[^genesis-37-1-a] land[^genesis-37-1-1] waar zijn vader vreemdeling was, in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v1)

**2** Dit zijn Jakobs[^genesis-37-2-2] geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broers (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, van zijn vader vrouwen; en Jozef bracht hun[^genesis-37-2-3] kwaad gerucht tot hun vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v2)

**3** En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon[^genesis-37-3-4] van de ouderdom; en hij maakte hem een[^genesis-37-3-5] veelvervigen rok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v3)

**4** Als nu zijn broers zagen, dat hun vader hem boven al zijn broers liefhad,[^genesis-37-4-b] haatten zij hem, en konden hem niet[^genesis-37-4-6] vriendelijk toespreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v4)

**5** Ook droomde Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom[^genesis-37-5-7] haatten zij hem nog te meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v5)

**6** En hij zei tot hen: Hoor toch deze droom, die ik gedroomd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v6)

**7** En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het[^genesis-37-7-8] veld; en ziet, mijn schoof stond op, en[^genesis-37-7-9] bleef ook staande;[^genesis-37-7-10] en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neer voor mijn schoof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v7)

**8** Toen zeiden zijn broers tot hem:[^genesis-37-8-11] Zult u dan geheel over ons regeren: zult u dan geheel over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v8)

**9** En hij droomde nog een andere droom, en verhaalde die aan zijn broers; en hij zei: Zie, ik heb nog een[^genesis-37-9-12] droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v9)

**10** En als hij het aan zijn vader en aan zijn broers verhaalde,[^genesis-37-10-13] bestrafte hem zijn vader, en zei tot hem: Wat is dit voor een droom, die u gedroomd hebt; zullen wij dan geheel komen, ik, en uw[^genesis-37-10-14] moeder, en uw broers, om ons voor u ter aarde te buigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v10)

**11** Zijn broers dan[^genesis-37-11-c] benijdden hem; maar zijn vader bewaarde[^genesis-37-11-15] deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v11)

**12** En zijn broers gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij[^genesis-37-12-16] Sichem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v12)

**13** Zo zei Israël tot Jozef: Weiden uw broers niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zend. En hij zei tot hem:[^genesis-37-13-17] Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v13)

**14** En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de[^genesis-37-14-18] welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en[^genesis-37-14-19] breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal[^genesis-37-14-20] Hebron, en hij kwam te Sichem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v14)

**15** En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vroeg hem deze man, zeggende: Wat zoekt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v15)

**16** En hij zei: Ik zoek mijn broers; geef mij toch te kennen, waar zij weiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v16)

**17** Zo zei die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar[^genesis-37-17-21] Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broers na, en vond hen te Dothan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v17)

**18** En zij zagen hem van verre; en voordat hij tot hen naderde,[^genesis-37-18-22] sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem[^genesis-37-18-23] te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v18)

**19** En zij zeiden[^genesis-37-19-24] de één tot de ander: Zie, daar komt die[^genesis-37-19-25] meesterdromer aan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v19)

**20** Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in één van deze kuilen werpen; en wij[^genesis-37-20-26] zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien,[^genesis-37-20-27] wat van zijn dromen worden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v20)

**21** [^genesis-37-21-28] Ruben hoorde dat,[^genesis-37-21-29] en verloste hem uit hun hand;[^genesis-37-21-d] en hij zei: Laat ons hem niet aan het[^genesis-37-21-30] leven slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v21)

**22** Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werp hem in deze kuil die in de woestijn is,[^genesis-37-22-31] en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v22)

**23** En het gebeurde, als Jozef tot zijn broers kwam, zo trokken zij Jozef zijn rok uit,[^genesis-37-23-32] de veelvervigen rok, die hij aanhad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v23)

**24** [^genesis-37-24-33] En zij namen hem, en wierpen hem in de kuil; maar de kuil was leeg; er was geen water in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v24)

**25** Daarna zaten zij neer[^genesis-37-25-34] om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van[^genesis-37-25-35] Ismaëlieten kwam uit[^genesis-37-25-36] Gilead; en hun kamelen droegen[^genesis-37-25-37] specerijen en[^genesis-37-25-38] balsem, en[^genesis-37-25-39] mirre, reizende, om dat af te brengen naar[^genesis-37-25-40] Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v25)

**26** Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn[^genesis-37-26-41] bloed verbergen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v26)

**27** Kom, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en[^genesis-37-27-42] onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broer, ons vlees, en zijn broers hoorden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v27)

**28** Als nu de[^genesis-37-28-43] Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen;[^genesis-37-28-44][^genesis-37-28-e] die brachten Jozef naar Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v28)

**29** [^genesis-37-29-45] Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen[^genesis-37-29-46] scheurde hij zijn kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v29)

**30** En hij keerde weer tot zijn broers, en zei:[^genesis-37-30-47] De jongeling is er niet; en ik,[^genesis-37-30-48] waar zal ik heengaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v30)

**31** Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok,[^genesis-37-31-49] en zij doopten de rok in het bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v31)

**32** En zij zonden de veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Deze hebben wij gevonden; beken toch, of dit de rok van uw zoon is, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v32)

**33** En hij bekende hem, en zei: Het is de rok van mijn zoon! een boos dier heeft hem opgegeten![^genesis-37-33-50] voorzeker is Jozef verscheurd![^genesis-37-33-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v33)

**34** Toen[^genesis-37-34-51] scheurde Jakob zijn kleren, en legde een[^genesis-37-34-52] zak om zijn middel; en hij[^genesis-37-34-53] bedreef rouw over zijn zoon[^genesis-37-34-54] vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v34)

**35** En al zijn zonen, en al[^genesis-37-35-55] zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten;[^genesis-37-35-56] maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei:[^genesis-37-35-g] Want ik zal, rouw[^genesis-37-35-57] bedrijvende, tot mijn zoon in het[^genesis-37-35-58] graf neerdalen. Zo beweende hem zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v35)

**36** En de[^genesis-37-36-59] Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling[^genesis-37-36-60] van Farao, overste[^genesis-37-36-61] van de lijfwachten.[^genesis-37-36-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/37.html#v36)

[^genesis-37-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 36:7 ; Hebr. 11:9 . Genesis 36:7 : Want hun bezittingen was te veel, om samen te wonen; en het land hun vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee. Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte.
[^genesis-37-1-1]: Kanttekening 1: van de vreemdelingschappen: Zie boven, Gen. 17:8 . Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^genesis-37-2-2]: Kanttekening 2: Hebr. geboorten; dat is, wat Jakob in zijn geslacht en nakomelingen wedervaren is. Zo wordt het Hebreeuwse woord somtijds genomen. Zie boven, Gen. 6:8 . Genesis 6:8 : Maar Noach vond genade in de ogen van YHWH.
[^genesis-37-2-3]: Kanttekening 3: kwaad gerucht: Dat is, wat zij kwaads mochten zeggen, of bedrijven, strekkende tot ontering van henzelven en het gehele huis.
[^genesis-37-3-4]: Kanttekening 4: van de ouderdom: Omdat hij hem omtrent een en negentig jaren oud zijnde gewonnen had, alsook omdat hij de eerstgeborene uit Rachel was, die zij na lange en verdrietige onvruchtbaarheid Jakob gebaard had; verg. onder, Gen. 44:20 . Genesis 44:20 : Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinste, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.
[^genesis-37-3-5]: Kanttekening 5: Hebr. van verscheidene stukken, te weten, die van onderscheiden kleuren waren; verg. 2 Sam. 13:18 . 2 Samuël 13:18 : Zij nu had een veelvervigen rok aan; want zo werden de dochters van de koning, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe.
[^genesis-37-4-b]: Verwijzing b: onder, Gen. 49:23 . Genesis 49:23 : De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;
[^genesis-37-4-6]: Kanttekening 6: Hebr. tot, of ten vrede; dat is, wat uit een zachtmoedig en vreedzaam hart voortgaande tot onderhouding van liefde en vrede diende.
[^genesis-37-5-7]: Kanttekening 7: Hebr. zij deden, of voegden toe, of, voeren voort hem nog, of, te meer te haten; zo onder, vers 8 ; zij namen drie oorzaken om hem te haten. Eerst, omdat hij hun kwaad gerucht tot Jakob bracht, vers 2 . Ten tweede, omdat de vader hem liever had dan zijn broers, vers 4 . Ten derde, om zijn dromen, die hij hun vertelde, hier vers 6 , enz. Genesis 37:8 : Toen zeiden zijn broers tot hem: Zult u dan ganselijk over ons regeren: zult u dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. Genesis 37:2 : Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broers (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijn vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. Genesis 37:4 : Als nu zijn broers zagen, dat hun vader hem boven al zijn broers liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken. Genesis 37:6 : En hij zei tot hen: Hoort toch deze droom, die ik gedroomd heb.
[^genesis-37-7-8]: Kanttekening 8: en ziet: God heeft door deze en de volgende droom willen openbaren wat namaals gebeuren zou, om te weten dat het niet bij toeval, maar door zijn regering geschiedde.
[^genesis-37-7-9]: Kanttekening 9: bleef ook staande: Anders, stond ook overeind.
[^genesis-37-7-10]: Kanttekening 10: en ziet: Dit woordje ziet gebruikt Jozef hier tot driemalen toe, daarmede tonende, dat deze droom hem zeer zeldzaam voorkwam, en zeer bewoog. Zie de vervulling ervan onder, Gen. 42:6 . Genesis 42:6 : Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk van het land; en Jozefs broers kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.
[^genesis-37-8-11]: Kanttekening 11: Zult u dan ganselijk over ons regeren: Of, zekerlijk . Hebr. Zult , of zoudt u regerende regeren? en zo in het volgende, heersende heersen? Jozefs broers duiden deze droom op hen zelf, gelijk de Midianieten, Richt. 7:13 . Richteren 7:13 : Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag.
[^genesis-37-9-12]: Kanttekening 12: droom gedroomd: Zie de vervulling hiervan, onder, Gen. 46:29 , enz. Genesis 46:29 : Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.
[^genesis-37-10-13]: Kanttekening 13: Meer om zijn andere zonen wat te verzachten, dan dat hij inderdaad op Jozef zou vergramd zijn; want hij bemerkte wel dat deze droom wat bijzonders, gelijk blijkt uit het volgende vs. vers 11 , in had. Genesis 37:11 : Zijn broers dan benijdden hem; maar zijn vader bewaarde deze zaak.
[^genesis-37-10-14]: Kanttekening 14: moeder, en: Versta, zijn stiefmoeder Lea of Bilha, Rachels dienstmaagd. Wil men het nemen van Rachel, zijn eigen moeder, die overleden was, het zal dan zijn, alsof Jakob zei: zal uw moeder uit de doden opstaan, en zich voor u ter aarde buigen?
[^genesis-37-11-c]: Verwijzing c: Hand. 7:9 . Handelingen 7:9 : En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
[^genesis-37-11-15]: Kanttekening 15: deze zaak: Anders, dit woord; dat is, deze woorden. De zin is dat hij Jozefs dromen overlegde en in zijn hart opsloot, oordelende dat zij wat beduiden, en verwachtende wat met de tijd daarvan geworden zou; verg. Luk. 2:19 . Lukas 2:19 : Maar Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.
[^genesis-37-12-16]: Kanttekening 16: Zie boven, Gen. 12:6 . Omtrent deze plaats had Jakob tevoren een stuk land gekocht; boven, Gen. 33:19 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
[^genesis-37-13-17]: Kanttekening 17: Zie, hier : Zie boven, Gen. 22:1 , en de aanteek. Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^genesis-37-14-18]: Kanttekening 18: Hebr. vrede (שָׁלוֺם). Dit woord betekent allerlei welvaart van de mensen, niet alleen in het algemeen, Lev. 26:6 ; 1 Kon. 2:33 ; Ps. 125:5 ; Jer. 29:7 , maar ook in het bijzonder, ten aanzien van hun lichamelijke gezondheid en sterkte, 2 Sam. 18:32 ; Ps. 38:4 , en vers 14 ; idem van hun ziel, Num. 6:26 ; Jes. 48:22 ; Luk. 2:14 ; Joh. 14:27 , en ook van al hun goederen, roerende en onroerende; 1 Sam. 25:6 ; Job 5:24 en hier in de volgende woorden. Leviticus 26:6 : Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. 1 Koningen 2:33 : Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid. Psalmen 125:5 : Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal YHWH weg doen gaan met de werkers van de ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn! Jeremia 29:7 : En zoekt de vrede van de stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot YHWH; want in haar vrede zult u vrede hebben. 2 Samuël 18:32 : Toen zei de koning tot Cuschi: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. Psalmen 38:4 : Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem. Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! Jesaja 48:22 : Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt YHWH. Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Johannes 14:27 : Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd. 1 Samuël 25:6 : En zult zo zeggen tot die welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! Job 5:24 : En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen.
[^genesis-37-14-19]: Kanttekening 19: breng mij: Of, breng mij de zaak weer over, dat is, breng mij van alles bescheid.
[^genesis-37-14-20]: Kanttekening 20: Zie boven, Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^genesis-37-17-21]: Kanttekening 21: Dothan gaan: Een plaats, gelegen niet ver van Sichem en Samaria, waar met de tijd een stad gebouwd is, hebbende denzelfden naam, 2 Kon. 6:13 . 2 Koningen 6:13 : En hij zei: Gaat heen, en ziet, waar hij is, dat ik zend en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan.
[^genesis-37-18-22]: Kanttekening 22: sloegen zij: Het Hebreeuwse woord betekent, enig kwaad tegen iemand arglistiglijk uit te vinden, of praktizeren.
[^genesis-37-18-23]: Kanttekening 23: te doden: Een bedroevend en ernstig schandaal in Israëls huis; hoewel God, die uit de duisternis het licht trekt, het wonderlijk heeft geregeerd tot zijn eer en de voltooiing van zijn raad over Jakobs huisgezin; gelijk dit blijkt uit het volgende.
[^genesis-37-19-24]: Kanttekening 24: de één tot: Hebr. de man tot zijn broer.
[^genesis-37-19-25]: Kanttekening 25: Of, opperdromer. Hebr. meester van de dromen. Zie boven, Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^genesis-37-20-26]: Kanttekening 26: zullen zeggen: Te weten, tot onze vader en anderen. Aldus zoeken zij die schandelijke daad met een leugen te verbergen.
[^genesis-37-20-27]: Kanttekening 27: wat van zijn: Hebr. wat zijn dromen zijn zullen.
[^genesis-37-21-28]: Kanttekening 28: Ruben hoorde: Of, toen Ruben dat gehoord had, en zo vervolgens. Het schijnt dat Ruben, bemerkende dat zijn broers Jozef wilden doden, deze manier in het voorafgaande vs. voorgeslagen, liever heeft willen toestaan, omdat hij voornemens was hem naderhand uit de kuil te verlossen, zoals in het volgende vs. verhaald is.
[^genesis-37-21-29]: Kanttekening 29: en verloste: Dat is, hij zocht hem te verlossen.
[^genesis-37-21-d]: Verwijzing d: onder, Gen. 42:22 . Genesis 42:22 : En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!
[^genesis-37-21-30]: Kanttekening 30: leven slaan: Hebr. ziel; dat is leven. Hij wil zeggen, laat ons hem het leven met onze eigen handen niet benemen. Het woord ziel wordt aldus elders ook gebruikt. Zie boven, Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^genesis-37-22-31]: Kanttekening 31: en legt: Dat is, doodt hem niet met eigen hand; zie dergelijke manier van spreken, boven, Gen. 22:12 , alwaar de hand aan iemand te leggen, is hem te doden met zijn hand, gelijk Abraham voorhad met zijn zoon te doen. Dezelfde uitdrukking vindt men onder, vers 27 , onze hand zij niet aan hem. Genesis 22:12 : Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. Genesis 37:27 : Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broer, ons vlees, en zijn broers hoorden hem.
[^genesis-37-23-32]: Kanttekening 32: de veelvervigen: Zie boven, vers 3 ; waarom zij dit gedaan hebben, zie onder, vers 31 . Genesis 37:3 : En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon van de ouderdom; en hij maakte hem een veelvervigen rok. Genesis 37:31 : Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten de rok in het bloed.
[^genesis-37-24-33]: Kanttekening 33: En zij namen: Hoe zich Jozef in deze gelegenheid gedragen heeft, zie onder, Gen. 42:21 . Genesis 42:21 : Toen zeiden zij de één tot de ander: Werkelijk, wij zijn schuldig aan onze broer, wiens benauwdheid van de ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.
[^genesis-37-25-34]: Kanttekening 34: om brood: Dat is, om hun maal te houden; zie boven, Gen. 31:54 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^genesis-37-25-35]: Kanttekening 35: Een volk, afkomstig van Ismaël, de zoon van Abraham uit Hagar; van welks land men zien mag, boven, Gen. 25:18 . Beneden worden ook genoemd Midianieten en Medanieten, vers 28 , 37:36 , waaruit blijkt dat het een gezelschap geweest is van onderscheiden natiën, woonachtig in Arabië. Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers. Genesis 37:28 : Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^genesis-37-25-36]: Kanttekening 36: Zie boven, Gen. 31:21 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^genesis-37-25-37]: Kanttekening 37: Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen allerlei soort van specerij.
[^genesis-37-25-38]: Kanttekening 38: Anders, hars, terpentijn.
[^genesis-37-25-39]: Kanttekening 39: Anders, mastik, of balsem; zie van deze specerij ook onder, Gen. 43:11 . Genesis 43:11 : Toen zei Israël, hun vader, tot hen: Is het nu zo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste van dit land in uwe vaten, en brengt die man een geschenk heen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.
[^genesis-37-25-40]: Kanttekening 40: Zie boven, Gen. 12:10 . Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land.
[^genesis-37-26-41]: Kanttekening 41: bloed verbergen: Dat is, zijn dood of moord. Aldus is het woord bloed genomen Deut. 17:8 ; 2 Sam. 1:16 , en 2 Sam. 3:28 . Deuteronomium 17:8 : Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u u opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. 2 Samuël 3:28 : Als David dat daarna hoorde, zo zei hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij YHWH, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, de zoon van Ner.
[^genesis-37-27-42]: Kanttekening 42: onze hand: Zie boven, vers 22 . Genesis 37:22 : Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen.
[^genesis-37-28-43]: Kanttekening 43: Een volk, afkomstig uit Midian, de zoon van Abraham uit Ketura; zie boven, Gen. 25:2 , en Gen. 36:35 . Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. Genesis 36:35 : En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam van zijn stad was Avith.
[^genesis-37-28-44]: Kanttekening 44: twintig zilverlingen: Hebr. twintig zilvers; dat is, omtrent vijf rijksdaalders (f 12. 50); zie boven, Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^genesis-37-28-e]: Verwijzing e: Ps. 105:17 ; Hand. 7:9 . Psalmen 105:17 : Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf. Handelingen 7:9 : En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
[^genesis-37-29-45]: Kanttekening 45: Als nu Ruben: Want hij had zich van zijn broers verstopt, om Jozef daarna in het geheim uit de kuil te trekken; maar middelerwijl werd hij verkocht.
[^genesis-37-29-46]: Kanttekening 46: scheurde hij: Dit was een gebruik bij de ouden, wanneer hun iets zwaars en bedroevends voorkwam of wedervoer; zie onder, vers 34 ; Num. 14:6 ; 2 Kon. 19:1 ; Ezra 9:3 ; Job 1:20 , en Job 2:12 ; Matt. 26:65 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Numeri 14:6 : En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun kleren. 2 Koningen 19:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH. Ezra 9:3 : Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder. Job 1:20 : Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; Job 2:12 : En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel. Mattheüs 26:65 : Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.
[^genesis-37-30-47]: Kanttekening 47: De jongeling: Jozef was omtrent deze tijd zeventien jaren oud; zie boven, vers 2 . Genesis 37:2 : Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broers (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijn vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.
[^genesis-37-30-48]: Kanttekening 48: waar zal ik: Ruben is zeer ontsteld, uit vrees voor zijn vader, die hem als de oudste, zonder twijfel, rekenschap zou afeisen over het verlies van Jozef, en dit hem te meer kwalijk afnemen omdat hij zich onlangs zeer vergrepen en zijn vader grotelijks vertoornd had; boven, Gen. 35:22 . Genesis 35:22 : En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijn vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.
[^genesis-37-31-49]: Kanttekening 49: en zij doopten: Niet twijfelende, of de vader zou daaruit oordelen dat Jozef door een wild dier verscheurd was, gelijk hij ook geoordeeld heeft; onder, vers 33 . Genesis 37:33 : En hij bekende hem, en zei: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!
[^genesis-37-33-50]: Kanttekening 50: voorzeker is: Hebr. is verscheurende verscheurd; dat is, gewisselijk en buiten allen twijfel, of, geheel en ten enenmale verscheurd; zie boven, Gen. 2:16 , 2:17 . Genesis 2:16 : En YHWH God gebood de mens, zeggende: Van alle boom van deze hof zult u vrij eten; Genesis 2:17 : Maar van de boom van de kennis van het goed en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u de dood sterven.
[^genesis-37-33-f]: Verwijzing f: onder, Gen. 44:28 . Genesis 44:28 : En de één is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Werkelijk, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe.
[^genesis-37-34-51]: Kanttekening 51: Zie boven, vers 29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^genesis-37-34-52]: Kanttekening 52: zak om: Dat is, een zeer grof, slecht en onkostbaar kleed, \[wel niet juist als een rechte zak\], waarmee de ouden zich plachten te bewinden, als met een zak, tot bewijs van grote rouw en verdriet. Zie 2 Sam. 3:31 ; 1 Kon. 20:32 , en 1 Kon. 21:27 ; Ps. 35:13 ; Klaagl. 2:10 ; Matt. 11:21 . 2 Samuël 3:31 : David dan zei tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw kleren, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner heen; en de koning David ging achter de baar. 1 Koningen 20:32 : Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broer. 1 Koningen 21:27 : Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in de zak, en ging langzaam. Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem. Klaagliederen 2:10 : Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen. Mattheüs 11:21 : Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.
[^genesis-37-34-53]: Kanttekening 53: bedreef rouw: Of, droeg; zo 1 Sam. 15:35 , en 2 Sam. 13:37 . 1 Samuël 15:35 : En Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde YHWH, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. 2 Samuël 13:37 : (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.
[^genesis-37-34-54]: Kanttekening 54: vele dagen: Dat is, langen tijd, meer dan men gewoon was te doen.
[^genesis-37-35-55]: Kanttekening 55: zijn dochters: Zijn dochter Dina, zijn aangehuwde dochters en de dochters van zijn zonen.
[^genesis-37-35-56]: Kanttekening 56: maar hij: Niet dat Jakob geen geestelijken troost zou gehad of toegelaten hebben, maar dat hij uit menselijke zwakheid en de grootheid van zijn liefde tot Jozef, zijn rouw niet zo kon afleggen en matigen, of hij zou daarvan enig overblijfsel zijn levenlang behouden.
[^genesis-37-35-g]: Verwijzing g: onder, Gen. 42:38 ; onder, Gen. 44:29 ; idem 44:31 . Genesis 42:38 : Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zoudt u mijn grauwe haar met droefenis ten grave doen nederdalen. Genesis 44:29 : Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt u mijn grauwe haar met jammer ten grave doen nederdalen! Genesis 44:31 : Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haar van uw knecht, onze vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.
[^genesis-37-35-57]: Kanttekening 57: tot mijn zoon: Anders, om mijns zoons wil; verg. 1 Sam. 4:19 , 4:21 ; 2 Sam. 21:1 . 1 Samuël 4:19 : En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar. 1 Samuël 4:21 : En zij noemde de jongen Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil. 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.
[^genesis-37-35-58]: Kanttekening 58: graf nederdalen: Het Hebreeuwse woord betekent somtijds het graf gelijk hier en onder, Gen. 42:38 , en Gen. 44:29 , 44:31 ; Ps. 6:6 , en Ps. 16:10 ; Pred. 9:10 ; Jes. 38:18 ; idem allerlei grote diepten, of diepe, verborgen plaatsen; Job 26:6 ; Ps. 139:8 ; Amos 9:2 ; somtijds het dodenrijk, of plaats van de verdoemden, gelijk Job 11:8 ; Spr. 15:11 . Aldus kan het hier niet genomen worden; want Jakob geloofde het tegendeel van zijn zoon. Somtijds betekent het ook overgrote en uiterste benauwdheden, en het gevoel van Gods toorn, gelijk 1 Sam. 2:6 ; Ps. 18:6 , en Ps. 86:13 . Genesis 42:38 : Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zoudt u mijn grauwe haar met droefenis ten grave doen nederdalen. Genesis 44:29 : Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt u mijn grauwe haar met jammer ten grave doen nederdalen! Genesis 44:31 : Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen het grauwe haar van uw knecht, onze vader, met droefenis ten grave doen nederdalen. Psalmen 6:6 : Want in de dood is van U geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Prediker 9:10 : Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar u heengaat. Jesaja 38:18 : Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Psalmen 139:8 : Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar. Amos 9:2 : Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. Job 11:8 : Zij is als de hoogten van de hemelen, wat kunt u doen? Dieper dan het dodenrijk, wat kunt u weten? Spreuken 15:11 : Het dodenrijk en het verderf zijn voor YHWH; hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen? 1 Samuël 2:6 : YHWH doodt en maakt levend; Hij doet in het dodenrijk nederdalen, en Hij doet weer opkomen. Psalmen 18:6 : Banden van het dodenrijk omringden mij, strikken van de dood bejegenden mij. Psalmen 86:13 : Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en U hebt mijn ziel uit het onderste van het graf uitgerukt.
[^genesis-37-36-59]: Kanttekening 59: Zie boven Gen. 25:2 . Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^genesis-37-36-60]: Kanttekening 60: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een gesneden man, gelijk Jes. 56:3 , 56:4 ; en daarom ook een kamerling, omdat de kamerlingen van de grote vrouwen gesneden waren, Esth. 4:4 ; verder betekent het ook hovelingen of officieren in herenhoven, gelijk hier en onder, Gen. 40:2 , en 2 Kon. 8:6 . Jesaja 56:3 : En de vreemde, die zich tot YHWH gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: YHWH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom. Jesaja 56:4 : Want zo zegt YHWH van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen wat, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond; Esther 4:4 : Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond kleren om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan. Genesis 40:2 : Zodat Farao zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op de overste van de schenkers, en op de overste van de bakkers. 2 Koningen 8:6 : En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten van de akker, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.
[^genesis-37-36-61]: Kanttekening 61: van de trawanten: Die gesteld waren om de misdadigers op bevel van de koning te straffen. Zie onder, Gen. 40:3 ; 1 Sam. 22:17 ; Mark. 6:27 . Het Hebreeuwse woord betekent slachters van beesten en mensen. Genesis 40:3 : En hij leverde hen in bewaring, in het huis van de overste van de trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was. 1 Samuël 22:17 : En de koning zei tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters van YHWH, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Maar de knechten van de koning wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters van YHWH aan te vallen. Marcus 6:27 : En de koning zond meteen een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;
[^genesis-37-36-a]: Verwijzing a: onder, Gen. 39:1 ; Ps. 105:17 . Genesis 39:1 : Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste van de trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden. Psalmen 105:17 : Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

### Genesis 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/38.json)

*Juda trouwt een Kananitische vrouw, die hem drie zonen baart, vers 1. Hij geeft de eerste aan Tamar; nadat die door God gedood is, ook de tweede. Als ook die door God gedood wordt, belooft hij haar de derde, 6. Omdat hij zijn belofte niet nakomt, pleegt Tamar door een list overspel met Juda, 13. Zij ontkomt aan de straf dankzij hem, 24, en baart hem twee zonen, Perez en Zerah, als tweeling, 27.*

**1** En het gebeurde[^genesis-38-1-1] ten zelf tijde, dat Juda van zijn broers aftoog, en hij keerde in tot een man van[^genesis-38-1-2] Adullam, van wie de naam Hira was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v1)

**2** En[^genesis-38-2-a] Juda zag daar de dochter van een Kanaänietisch man, van wie de naam Sua was; en[^genesis-38-2-3] hij nam haar, en[^genesis-38-2-4] ging tot haar in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v2)

**3** En zij werd zwanger, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v3)

**4** Daarna werd zij weer zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v4)

**5** En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam[^genesis-38-5-b] Sela; maar[^genesis-38-5-5] hij was te[^genesis-38-5-6] Chezib, toen zij hem baarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v5)

**6** Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v6)

**7** Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was[^genesis-38-7-7] kwaad in de ogen van YHWH; daarom[^genesis-38-7-8] doodde hem YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v7)

**8** Toen zei Juda tot Onan: Ga in tot de vrouw van uw broer, en[^genesis-38-8-9] trouw haar in de naam van uw broer, en[^genesis-38-8-10] verwek uw broer zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v8)

**9** Maar Onan,[^genesis-38-9-11] wetende, dat dit[^genesis-38-9-12] zaad voor hem niet zou zijn, zo gebeurde het, als hij tot de huisvrouw van zijn broer inging, dat hij het[^genesis-38-9-13] verdierf tegen de aarde, om zijn broer geen zaad te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v9)

**10** En het was kwaad[^genesis-38-10-14] in de ogen van YHWH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v10)

**11** Toen zei Juda tot Thamar, zijn schoondochter:[^genesis-38-11-15] Blijf weduwe in het huis van uw vader, totdat mijn zoon Sela groot wordt;[^genesis-38-11-17] want[^genesis-38-11-18] hij zei: Dat niet misschien ook deze sterve, zoals zijn broers! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.[^genesis-38-11-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v11)

**12** [^genesis-38-12-19] Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna[^genesis-38-12-20] troostte zich Juda, en ging op tot[^genesis-38-12-21] zijn schaapscheerders naar[^genesis-38-12-22] Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v12)

**13** En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v13)

**14** Toen legde zij de kleren[^genesis-38-14-23] van haar weduwschap van zich af, en zij[^genesis-38-14-24] bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van[^genesis-38-14-25] de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v14)

**15** Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v15)

**16** En hij week tot haar naar de[^genesis-38-16-26] weg, en zei: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zei:[^genesis-38-16-27] Wat zult u mij geven, dat u tot mij ingaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v16)

**17** En hij zei: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zei:[^genesis-38-17-28] Zo u pand zult geven, totdat u hem zendt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v17)

**18** Toen zei hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zei: Uw zegelring en uw[^genesis-38-18-29] snoer en uw staf, die in uw hand is; dat hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v18)

**19** En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de kleren van haar weduwschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v19)

**20** En Juda zond de geitenbok door de hand van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand van de vrouw te nemen; maar hij vond haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v20)

**21** En hij vroeg de mensen van[^genesis-38-21-30] haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze[^genesis-38-21-31] twee fonteinen aan de weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v21)

**22** En hij keerde weer tot Juda, en zei: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de mensen van die plaats: Hier is geen hoer geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v22)

**23** Toen zei Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien[^genesis-38-23-32] niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar u hebt haar niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v23)

**24** En het gebeurde ongeveer na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zei Juda:[^genesis-38-24-33] Breng haar naar buiten, dat zij verbrand worde![^genesis-38-24-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v24)

**25** Als zij voorgebracht werd, stelde op zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij de man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zei: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v25)

**26** En Juda kende ze, en zei:[^genesis-38-26-35] Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij[^genesis-38-26-36] bekende haar[^genesis-38-26-37] voortaan niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v26)

**27** En het gebeurde ten tijde, als zij baren zou, ziet,[^genesis-38-27-c] zo waren tweelingen in haar buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v27)

**28** En het gebeurde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de verloskundige nam die, en zij bond een[^genesis-38-28-38] scharlaken draad om zijn hand, zeggende:[^genesis-38-28-39] Deze komt het eerst uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v28)

**29** Maar het gebeurde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken?[^genesis-38-29-41] op u is de breuke! en men noemde zijn naam[^genesis-38-29-42][^genesis-38-29-d] Perez.[^genesis-38-29-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v29)

**30** En daarna kwam zijn broer uit, om wie de hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam[^genesis-38-30-43] Zera. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/38.html#v30)

[^genesis-38-1-1]: Kanttekening 1: ten zelven tijde: Dat is, in die tijd, toen Jakob uit Mesopotamië teruggekeerd was, en woonde in het land Kanaän. Hier worden vermeld enige dingen, die vóór het verkopen van Jozef, en andere, die daarna geschied zijn; maar Mozes voegt die tezamen, omdat zij één patriarch aangingen en van zulk een natuur waren, dat zij in één verhaal bekwamelijk konden afgedaan worden.
[^genesis-38-1-2]: Kanttekening 2: Adullam was een stadje omtrent Hebron gelegen, dat daarna aan de stam van Juda door het lot gevallen is; Joz. 12:15 , en Joz. 15:35 . Jozua 12:15 : De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een; Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
[^genesis-38-2-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 2:3 . 1 Kronieken 2:3 : De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde Hij hem.
[^genesis-38-2-3]: Kanttekening 3: hij nam: Te weten, tot een vrouw, tegen Gods wil, het goede exempel van zijn voorvaders, en zonder twijfel, buiten, of ook tegen de raad en het goedvinden van zijn vader. Zie dergelijke huwelijken boven, Gen. 6:2 , 6:4 , en Gen. 26:34 , en Gen. 27:46 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet. Genesis 27:46 : En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochters Heths! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters Heths, gelijk deze zijn, van de dochters van dit land, waartoe zal mij het leven zijn?
[^genesis-38-2-4]: Kanttekening 4: ging tot: Zie boven, Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^genesis-38-5-b]: Verwijzing b: Num. 26:20 . Numeri 26:20 : Zo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten.
[^genesis-38-5-5]: Kanttekening 5: Te weten, Juda.
[^genesis-38-5-6]: Kanttekening 6: De naam van een plaats of stad gelegen in het land Kanaän, en daarna in de stam van Juda, niet ver van Adullam; ook genoemd Aczib; Joz. 19:29 ; Richt. 1:31 ; Micha 1:14 . Jozua 19:29 : En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; Micha 1:14 : Daarom geef geschenken aan Morescheth-gaths; de huizen van Achzib zullen de koningen van Israël tot een leugen zijn.
[^genesis-38-7-7]: Kanttekening 7: kwaad in: Dat is, hij mishaagde de Heer; zie boven, Gen. 21:11 , want hij is genegen geweest en uitgebroken tot grote en grove zonden, die Gods rechtvaardige toorn tegen hem verwekt hebben; verg. boven, Gen. 6:11 , en Gen. 10:9 . Genesis 21:11 : En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon. Genesis 6:11 : Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. Genesis 10:9 : Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH.
[^genesis-38-7-8]: Kanttekening 8: doodde hem: Te weten, op zulk een manier, dat men in zijn dood Gods rechtvaardig oordeel kan opmerken; zo onder, vers 10 . Genesis 38:10 : En het was kwaad in de ogen van YHWH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.
[^genesis-38-8-9]: Kanttekening 9: trouw haar: Het Hebreeuwse woord betekent zijn broers nagelaten vrouw te trouwen, volgens het gebruik van die tijd, door de wet daarna bevestigd; Deut. 25:5 , 25:6 ; Ruth 1:11 ; Matt. 22:24 , enz. Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man. Deuteronomium 25:6 : En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal staan in de naam van zijn broer, van de verstorvene; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël. Ruth 1:11 : Maar Naomi zei: Keert weer, mijn dochters! Waarom zoudt u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? Mattheüs 22:24 : Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer zijn vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken.
[^genesis-38-8-10]: Kanttekening 10: verwek uw: Want de conditie bij dit huwelijk was, dat de eerstgeboren zoon voor de zoon van de overledene gehouden moest worden.
[^genesis-38-9-11]: Kanttekening 11: wetende, dat: Zie de aantekeningen op het voorgaande vers, vers 8 . Genesis 38:8 : Toen zei Juda tot Onan: Ga in tot uws broers huisvrouw, en trouw haar in uws broers naam, en verwek uw broer zaad.
[^genesis-38-9-12]: Kanttekening 12: zaad voor: Dat is, zoon. Zie boven, Gen. 4:25 . Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
[^genesis-38-9-13]: Kanttekening 13: Of, schond, stortende dat ter aarde; daar de Hebreeuwse woorden beiden begrijpen. Dit was zoveel alsof hij de vrucht \[om zo te spreken\] uit het lichaam van de moeder weggerukt en vernield had.
[^genesis-38-10-14]: Kanttekening 14: in van YHWH: Dat is, naar Gods oordeel; zie Job 11:4 . Job 11:4 : Want u hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
[^genesis-38-11-15]: Kanttekening 15: Of, zit, of, blijf zitten; aldus in het volgende.
[^genesis-38-11-17]: Kanttekening 17: Anders, maar.
[^genesis-38-11-18]: Kanttekening 18: hij zei: Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht; zie boven, Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^genesis-38-11-16]: Kanttekening 16: totdat mijn: Zich gelatende, alsof hij deze haar dan ten huwelijk wilde geven; maar uit het volgende blijkt dat hij dit niet in de zin had.
[^genesis-38-12-19]: Kanttekening 19: Als nu: Hebr. toen de dagen vermenigvuldigd waren; dat is, toen er een goede tijd gepasseerd en nochtans Sela aan Thamar niet gegeven was.
[^genesis-38-12-20]: Kanttekening 20: Dat is, hij legde zijn rouw af; verg. boven, Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^genesis-38-12-21]: Kanttekening 21: zijn schaapscheerders: Want in de scheringen was het gebruikelijk gastmalen te houden, en met de vrienden vrolijk te zijn; 1 Sam. 25:36 . 1 Samuël 25:36 : Toen nu Abigaïl tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning; en het hart van Nabal was vrolijk daarop, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.
[^genesis-38-12-22]: Kanttekening 22: Een stad niet ver van Adullam gelegen, naderhand aan de stam van Juda ten deel gevallen; Joz. 15:57 . Men leest ook van een Timna, gelegen in Dan; Joz. 19:43 . Jozua 15:57 : Kaïn, Gibeä, en Timna; tien steden en haar dorpen. Jozua 19:43 : En Elon, en Timnatha, en Ekron,
[^genesis-38-14-23]: Kanttekening 23: van haar: Want de weduwen waren eenvoudiger en nederiger gekleed dan andere vrouwen.
[^genesis-38-14-24]: Kanttekening 24: bedekte zich: Thamar om een oneerbare vrouw te gelijken, versiert zich met een sluier, bewindt en verbergt haar aangezicht, en zit op een algemenen weg, opdat zij, onbekend blijvende, haar schoonvader zou mogen bedriegen; verg. Spr. 7:12 , en Spr. 9:14 ; Ez. 16:24 , 16:25 . Spreuken 7:12 : Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; Spreuken 9:14 : En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen van de stad; Ezechiël 16:24 : Dat u u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat. Ezechiël 16:25 : Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
[^genesis-38-14-25]: Kanttekening 25: twee fonteinen: Of, Enaïm, dat sommigen houden voor de naam van een zekere plaats. Sommigen zetten het over een scheidsweg, genoemd, volgens hun gevoelen: deur van de ogen; omdat op een kruisweg de ogen als opengedaan worden, om herwaarts of daarheen te zien.
[^genesis-38-16-26]: Kanttekening 26: weg, en: Te weten, naar de weg waar zij zat.
[^genesis-38-16-27]: Kanttekening 27: Wat zult: Zij eist hoerenloon, niet uit begeerte van winst, maar om hem namaals daarvan te overtuigen; gelijk blijkt onder, vers 25 ; en Juda was zo verrukt door de hitte van vleselijken lust, dat hij de stem van zijn schoondochter niet herkende. Genesis 38:25 : Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij de man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zei: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.
[^genesis-38-17-28]: Kanttekening 28: Zo u: Versta hierbij: Ik zal u ter wille zijn, als u, enz. Anders, zult u pand geven, totdat u het zendt?
[^genesis-38-18-29]: Kanttekening 29: snoer, en: Anders, zweetdoek, neusdoek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gedraaid, of, getwijnd garen; en wordt genomen voor snoeren en doeken van zulk garen gemaakt.
[^genesis-38-21-30]: Kanttekening 30: haar plaats: Dat is, van de plaats, waaromtrent Thamar gezeten had.
[^genesis-38-21-31]: Kanttekening 31: twee fonteinen: Hebr. Enaïm; zie boven, vers 14 . Genesis 38:14 : Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.
[^genesis-38-23-32]: Kanttekening 32: niet tot: Dat is, opdat wij naar ons goed te veel vernemende, onze hoererij niet ontdekken, wat ons tot schande zou dienen. Merk dat bij de heidenen en afgodendienaars, zoals de Adullamieten waren, de hoererij voor schande werd gerekend.
[^genesis-38-24-33]: Kanttekening 33: Breng ze: Te weten, aan de stadspoort, opdat men haar voor de overheid haar proces make als een overspeelster, omdat zij aan mijn zoon Sela beloofd is.
[^genesis-38-24-34]: Kanttekening 34: dat zij: Zo was dan het overspel in die tijd, ook vóór de wet, gehouden voor een doodswaardige misdaad. Zie boven, Gen. 20:3 , Gen. 20:7 , 20:9 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is! Genesis 20:9 : En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
[^genesis-38-26-35]: Kanttekening 35: Zij is: Zijn consciëntie wroegt hem, niet alleen omdat hij zijn belofte aan Thamar niet gehouden had \[welke reden hier in dit vs. vers 26 , vermeld wordt\], maar ook omdat hij met zijn weten hoererij en onwetend bloedschande begaan had. Genesis 38:26 : En Juda kende ze, en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.
[^genesis-38-26-36]: Kanttekening 36: Hebr. hij voer niet voort om haar te bekennen.
[^genesis-38-26-37]: Kanttekening 37: Zie deze manier van spreken boven, Gen. 4:1 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen!
[^genesis-38-27-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 2:4 . 1 Kronieken 2:4 : Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
[^genesis-38-28-38]: Kanttekening 38: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk zulk een stof, die in de scharlakenrode verf tweemaal ingedoopt is. Zie Ex. 25:4 , en Lev. 14:4 , en de aantekeningen. Exodus 25:4 : Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar. Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^genesis-38-28-39]: Kanttekening 39: Deze komt: Omdat zij meende dat deze het eerst zou voortkomen, en zo de eerstgeborene zijn.
[^genesis-38-29-41]: Kanttekening 41: op u is de breuke: Dat is, zij is u toe te schrijven; of, u hebt ze gemaakt om uw broer het voordeel van de eerstgeboorte, dat hij scheen te hebben, te ontnemen. Anders, hoe hebt u de scheur over u gescheurd?
[^genesis-38-29-42]: Kanttekening 42: Hebr. Perets (פָּרֶץ); dat is, doorbreking, scheuring.
[^genesis-38-29-d]: Verwijzing d: Matt. 1:3 . Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram;
[^genesis-38-29-40]: Kanttekening 40: Hoe zijt: Dat is, hoe bent u vóór uw broer, die u voor was, doorgedrongen, om ter wereld te komen?
[^genesis-38-30-43]: Kanttekening 43: Dat is, opgang, oprijzing. Omdat hij zich het eerst had laten zien, toen hij in de geboorte was.

### Genesis 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/39.json)

*Jozef wordt in zijn dienst bij Potifar zozeer door God gezegend, dat zijn heer hem over het hele huishouden aanstelt, vers 2. De vrouw van zijn heer raakt vanwege zijn schoonheid op hem verliefd en probeert hem tot ontucht te verleiden; hij weigert standvastig. Zij klaagt hem vals aan, eerst bij het huispersoneel, daarna bij haar man, die hem in de gevangenis laat zetten, 13. Ook daar is God met Jozef, zodat hij de leiding over de gevangenis krijgt, 20.*

**1** Jozef nu[^genesis-39-1-a] werd naar Egypte afgevoerd;[^genesis-39-1-1] en Potifar, een hoveling van Farao, een overste van de lijfwachten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand van[^genesis-39-1-2] de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v1)

**2** En[^genesis-39-2-3] YHWH[^genesis-39-2-b] was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en[^genesis-39-2-4] hij was in[^genesis-39-2-5] het huis van zijn heer, de Egyptenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v2)

**3** Als nu zijn heer zag, dat YHWH met hem was, en dat YHWH al wat hij deed,[^genesis-39-3-6] door zijn hand voorspoedig maakte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v3)

**4** Zo vond Jozef[^genesis-39-4-7] genade in zijn ogen, en[^genesis-39-4-8] diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij[^genesis-39-4-9] in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v4)

**5** En het gebeurde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat YHWH het huis van de Egyptenaar zegende,[^genesis-39-5-10] omwille van Jozef; ja, de zegen van YHWH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v5)

**6** En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had,[^genesis-39-6-11] behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v6)

**7** En het gebeurde na deze dingen,[^genesis-39-7-c] dat de huisvrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp; en zij zei:[^genesis-39-7-13] lig bij mij![^genesis-39-7-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v7)

**8** Maar hij weigerde het, en zei tot de huisvrouw van zijn heer: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v8)

**9** [^genesis-39-9-14] Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden,[^genesis-39-9-15] dan u, daarin dat u zijn huisvrouw bent; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v9)

**10** En het gebeurde, als zij Jozef[^genesis-39-10-16] dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en[^genesis-39-10-17] bij haar te zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v10)

**11** Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van[^genesis-39-11-18] de mensen van de huize was daar binnenshuis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v11)

**12** En zij greep hem bij zijn[^genesis-39-12-19] kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v12)

**13** En het gebeurde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v13)

**14** Zo riep zij[^genesis-39-14-20] de mensen van haar huis, en sprak tot hen, zeggende:[^genesis-39-14-21] Zie,[^genesis-39-14-22] hij heeft ons de[^genesis-39-14-23] Hebreeuwse man ingebracht, om[^genesis-39-14-24] met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met[^genesis-39-14-25] luide stem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v14)

**15** En het gebeurde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v15)

**16** En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v16)

**17** Toen sprak zij tot hem[^genesis-39-17-26] naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, die u ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v17)

**18** En het is gebeurd, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v18)

**19** En het gebeurde, als zijn heer de woorden van zijn huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende:[^genesis-39-19-27] Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan,[^genesis-39-19-28] zo ontstak zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v19)

**20** En Jozefs heer nam hem, en leverde[^genesis-39-20-d] hem in de[^genesis-39-20-29] gevangenis, ter plaatse, waar de gevangenen van de[^genesis-39-20-30] koning gevangen waren; zo was hij daar in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v20)

**21** Maar YHWH was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en[^genesis-39-21-31] gaf hem genade in de ogen van de overste van de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v21)

**22** En de overste van de gevangenis gaf al de gevangenen, die in de gevangenis waren, in Jozefs hand; en[^genesis-39-22-32] al wat zij daar deden, deed hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v22)

**23** De overste van de gevangenis[^genesis-39-23-33] zag geheel op geen ding, dat in zijn hand was, omdat dat YHWH met hem was; en wat hij deed, dat deed YHWH wel strekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/39.html#v23)

[^genesis-39-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 37:28 ; Ps. 105:17 . Genesis 37:28 : Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. Psalmen 105:17 : Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.
[^genesis-39-1-1]: Kanttekening 1: en Potifar: Zie boven, Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^genesis-39-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Gen. 37:25 . Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
[^genesis-39-2-3]: Kanttekening 3: YHWH: Zie boven, Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^genesis-39-2-b]: Verwijzing b: onder, v. 21 ; Hand. 7:9 . Genesis 39:21 : Maar YHWH was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van het gevangenhuis. Handelingen 7:9 : En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
[^genesis-39-2-4]: Kanttekening 4: hij was: Dat is, hij liep niet weg naar zijn vader of elders, maar voegde zich, met geduld en getrouwheid, in de staat, waartoe hij door God vernederd was.
[^genesis-39-2-5]: Kanttekening 5: van zijn heer: Hebr. zijn heren; dat is, zijn heren, en zo vervolgens; gelijk ook boven, Gen. 24:10 ; 2 Sam. 12:8 . Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. 2 Samuël 12:8 : En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en als het weinig is, Ik zou u zoveel en nog meer daartoe doen.
[^genesis-39-3-6]: Kanttekening 6: door zijn: Dat is, door zijn dienst; Ex. 4:13 ; Lev. 8:36 ; Spr. 26:6 , enz. Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zou zenden. Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had. Spreuken 26:6 : Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
[^genesis-39-4-7]: Kanttekening 7: Zie boven, Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-39-4-8]: Kanttekening 8: diende hem: Dat is, hij paste op zijn persoon. Eerst was hij een gemene knecht, daarna een kamerdienaar van zijn heer, ja een verzorger van het gehele huis.
[^genesis-39-4-9]: Kanttekening 9: in zijn hand: Zie boven, Gen. 16:6 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^genesis-39-5-10]: Kanttekening 10: om Jozefs: De bozen worden gezegend van wege de bijwoning van de vromen. Zie boven, Gen. 30:27 , 30:30 ; Jes. 45:3 , 45:4 . Genesis 30:27 : Toen zei Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat YHWH mij om uwentwil gezegend heeft. Genesis 30:30 : Want het weinige, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? Jesaja 45:3 : En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat u mag weten, dat Ik YHWH ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël; Jesaja 45:4 : Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israëls, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel u Mij niet kende.
[^genesis-39-6-11]: Kanttekening 11: behalve van: Dat is, Potifar bemoeide zich nergens mee dan met eten en drinken, latende al de huishouding op Jozef berusten. Sommigen menen dat deze woorden: behalve van het brood dat hij at, zien op de superstitie van de Egyptenaars, die met de Hebreën niet wilden eten. Zie daarvan onder, Gen. 43:32 . Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks de Egyptenaren een gruwel is.
[^genesis-39-7-c]: Verwijzing c: Spr. 7:13 . Spreuken 7:13 : En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zei tot hem:
[^genesis-39-7-13]: Kanttekening 13: Lig bij mij: Nadat zij, zonder twijfel, tevoren het er op toegelegd had, om hem tot onkuisheid te bewegen.
[^genesis-39-7-12]: Kanttekening 12: haar ogen: Hebr. dat zij haar ogen ophief tot Jozef. De zin is: zij zag hem aan met oneerbare ogen en met onkuisen lust. Zie Matt. 5:28 , en 2 Petr. 2:14 . Het contrarie was bij Job, Job 31:1 . Mattheüs 5:28 : Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om haar te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan. 2 Petrus 2:14 : Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen van de vervloeking; Job 31:1 : Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
[^genesis-39-9-14]: Kanttekening 14: Versta dit ten aanzien van de macht, die Jozef van zijn heer ontvangen had, om het huis te verzorgen, en in zijn plaats opzicht daarover te hebben. Anders: Hij zelf is niet groter in dit huis.
[^genesis-39-9-15]: Kanttekening 15: dan u: Dat is, hij heeft mij ook bevolen zorg voor u te dragen, zoveel de nooddruft van uw lichaam betreft, maar niet om de gemeenschap daarvan aan mij te trekken. Anders, daarom dat u, enz.
[^genesis-39-10-16]: Kanttekening 16: dag op dag: Hebr. dag, dag. Een en hetzelfde woord wordt somtijds tweemalen genomen, om een gedurigheid van de tijd te betekenen; Ex. 16:5 , 16:21 ; Lev. 6:12 ; Deut. 2:27 , en Deut. 14:22 . Exodus 16:5 : En het zal gebeuren op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven wat zij dagelijks zullen verzamelen. Exodus 16:21 : Zij nu verzamelden het elke morgen, een ieder naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo versmolt het. Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken. Deuteronomium 2:27 : Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleen langs de weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken. Deuteronomium 14:22 : U zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.
[^genesis-39-10-17]: Kanttekening 17: haar te zijn: Dat is, om haar gesprekken daarover aan te horen. Want hij wist wel dat kwade redenen goede zeden bederven. 1 Kor. 15:33 . 1 Korinthiërs 15:33 : Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden.
[^genesis-39-11-18]: Kanttekening 18: de mensen: Dat is, huisgenoten; zo onder, vers 14 , en Micha 7:6 . Genesis 39:14 : Zo riep zij de mensen van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons de Hebreeuwse man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luide stem; Micha 7:6 : Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; de vijanden van een man zijn zijn huisgenoten.
[^genesis-39-12-19]: Kanttekening 19: Zonder twijfel bij zijn opperkleed, zoals mantel, enz.
[^genesis-39-14-20]: Kanttekening 20: de mensen: Te weten, die buiten waren, of, intussen weer ingekomen waren, opdat zij die tot getuigen zou mogen opmaken en bereid hebben, als zij Jozef bij haar man beschuldigen zou.
[^genesis-39-14-21]: Kanttekening 21: Het schijnt dat zij Jozefs kleed in haar handen gehad en getoond heeft.
[^genesis-39-14-22]: Kanttekening 22: hij heeft ons: Te weten, mijn man; zij noemt niet, kwanswijs, gram op hem zijnde.
[^genesis-39-14-23]: Kanttekening 23: Zo noemt zij Jozef verachtelijk, om het huisgezin tegen hem op te hitsen; omdat de Egyptenaars de Hebreën niet wel vermochten te lijden; zie Gen. 43:32 . Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks de Egyptenaren een gruwel is.
[^genesis-39-14-24]: Kanttekening 24: met ons: Deze loze vrouw zegt niet, met mij, maar, met ons, alsof zij wilde zeggen: Durft hij mij dit vergen, welke schande en overlast zal hij dan de dienstmaagden niet durven aandoen?
[^genesis-39-14-25]: Kanttekening 25: luide stem: Hebr. groter.
[^genesis-39-17-26]: Kanttekening 26: naar diezelfde: Te weten, die zij tevoren bij het huisgezin gebruikt had, en nu voor de man herhaalde.
[^genesis-39-19-27]: Kanttekening 27: Naar deze: Dat is, zoals ik gezegd heb, heeft hij gedaan.
[^genesis-39-19-28]: Kanttekening 28: zo ontstak: Hij gelooft zijn vrouw zonder Jozef eerst te horen; verg. de manier van spreken met boven, Gen. 4:5 , 4:6 ; en zie de aantekeningen vers 5 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Genesis 4:6 : En YHWH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? Genesis 39:5 : En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat YHWH het huis van de Egyptenaar zegende, vanwege Jozef; ja, de zegen van YHWH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
[^genesis-39-20-d]: Verwijzing d: Ps. 105:18 . Psalmen 105:18 : Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
[^genesis-39-20-29]: Kanttekening 29: Hebr. tot het huis van de rondheid of van de ronde toren. Deze gevangenis wordt ook een kuil genoemd, onder, Gen. 40:15 , en Gen. 41:14 . Genesis 40:15 : Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land van de Hebreën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben. Genesis 41:14 : Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao.
[^genesis-39-20-30]: Kanttekening 30: gevangenen gevangen: Hebr. gebondenen gebonden. Versta hier zodanige gevangenen, die tegen de koning misdaan, of een groot crimen begaan hadden, en op de hals gevangen zaten.
[^genesis-39-21-31]: Kanttekening 31: gaf hem: Hebr. gaf zijn genade; dat is, hij maakte zich aangenaam. Zie boven, Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-39-22-32]: Kanttekening 32: al wat zij: Dat is, al wat men daar placht te doen, en al wat er geschiedde, had plaats door zijn bevel en bestuur.
[^genesis-39-23-33]: Kanttekening 33: zag geheel: Hebr. was niet alle dingen ziende.

### Genesis 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/40.json)

*De opperschenker en opperbakker van de farao worden in de gevangenis gezet en aan Jozef toevertrouwd, vers 1. Zij dromen elk een droom, die Jozef uitlegt, met het verzoek aan de schenker om, als hij volgens zijn droom in zijn ambt hersteld wordt, aan Jozef te denken, 5. Jozefs uitleg komt bij beiden uit; maar de schenker vergeet Jozef, 20.*

**1** En het gebeurde na deze dingen, dat de[^genesis-40-1-1] schenker van de koning van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen de koning van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v1)

**2** Zodat Farao zeer boos werd op zijn twee[^genesis-40-2-2] hovelingen, op de overste van de schenkers, en op de overste van de bakkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v2)

**3** En hij leverde hen in bewaring, in het huis van de[^genesis-40-3-3] overste van de[^genesis-40-3-4] lijfwachten, in de gevangenis, ter plaatse, waar Jozef[^genesis-40-3-5] gevangen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v3)

**4** En de overste van de lijfwachten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren[^genesis-40-4-6] sommige dagen in bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v4)

**5** Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in één nacht,[^genesis-40-5-7] elk naar de uitlegging van zijn droom, de schenker en de bakker,[^genesis-40-5-8] die van de koning van Egypte waren, die gevangen waren in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v5)

**6** En Jozef kwam van de morgen tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren[^genesis-40-6-9] ontsteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v6)

**7** Toen vroeg hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in[^genesis-40-7-10] hechtenis van het huis van zijn heer, zeggende: Waarom zijn uw gezichten vandaag treurig?[^genesis-40-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v7)

**8** En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en[^genesis-40-8-12] er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zei tot hen:[^genesis-40-8-13] Zijn de uitleggingen niet van God? Vertel ze mij toch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v8)

**9** Toen vertelde de overste van de schenkers Jozef zijn droom, en zei tot hem:[^genesis-40-9-14] In mijn droom,[^genesis-40-9-15] zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v9)

**10** En aan de wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op,[^genesis-40-10-16] zijn trossen brachten rijpe druiven voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v10)

**11** En Farao's beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Farao's beker, en ik gaf de beker op Farao's hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v11)

**12** Toen zei Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken[^genesis-40-12-17] zijn drie dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v12)

**13** Binnen nog drie dagen zal Farao[^genesis-40-13-18] uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige[^genesis-40-13-19] wijze, toen u zijn schenker was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v13)

**14** Maar gedenk[^genesis-40-14-20] aan mij bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch goedertierenheid aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dit huis kome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v14)

**15** Want[^genesis-40-15-21] ik ben met geweld ontstolen uit het[^genesis-40-15-22] land van de Hebreën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v15)

**16** Toen de overste van de bakkers zag,[^genesis-40-16-23] dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zei hij tot Jozef:[^genesis-40-16-24] Ik was ook in mijn droom, en zie, drie[^genesis-40-16-25] getraliede manden waren op mijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v16)

**17** En in de bovenste mand was van[^genesis-40-17-26] alle voedsel van Farao, die bakkerswerk is; en het gevogelte at die uit de mand, van boven mijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v17)

**18** Toen antwoordde Jozef, en zei: Dit is zijn uitlegging: de drie manden[^genesis-40-18-27] zijn drie dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v18)

**19** Binnen nog drie dagen zal[^genesis-40-19-28] Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout[^genesis-40-19-29] hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v19)

**20** En het gebeurde op de derde dag, de dag[^genesis-40-20-30] van Farao's geboorte,[^genesis-40-20-31] dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden van zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v20)

**21** En hij deed de overste van de schenkers terugkeren tot zijn[^genesis-40-21-32] schenkambt, zodat hij de beker op Farao's hand gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v21)

**22** Maar de overste van de[^genesis-40-22-33] bakkers hing hij op; zoals Jozef hun uitgelegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v22)

**23** Maar de overste van de schenkers gedacht aan Jozef niet, maar[^genesis-40-23-34] vergat hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/40.html#v23)

[^genesis-40-1-1]: Kanttekening 1: Dat is de overste van de schenkers, en de overste van de bakkers, gelijk blijkt uit vs. 2, Gen. 20:2 . Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
[^genesis-40-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^genesis-40-3-3]: Kanttekening 3: van de trawanten: Zie boven, Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^genesis-40-3-4]: Kanttekening 4: in het: Zie boven, Gen. 39:20 . Genesis 39:20 : En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; zo was hij daar in het gevangenhuis.
[^genesis-40-3-5]: Kanttekening 5: gevangen was: Hebr. gebonden; zo boven, Gen. 39:20 , en onder, vers 5 . Genesis 39:20 : En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; zo was hij daar in het gevangenhuis. Genesis 40:5 : Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging van zijn droom, de schenker en de bakker, die van de koning van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
[^genesis-40-4-6]: Kanttekening 6: sommige : Anders, vele dagen; zie boven, Gen. 4:3 . Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH offer bracht.
[^genesis-40-5-7]: Kanttekening 7: elk naar de uitlegging van zijn droom: Dat is, het waren geen ijdele dromen, maar elk had zijn beduiding, die Jozef door Gods ingeven aan hen gedaan heeft, en die door de uitkomst bevestigd zijn; zie onder, vers 12 , 40:18 , 40:19 , 40:20 enz. Genesis 40:12 : Toen zei Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen. Genesis 40:18 : Toen antwoordde Jozef, en zei: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn drie dagen. Genesis 40:19 : Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten. Genesis 40:20 : En het geschiedde op de derde dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden van zijn knechten.
[^genesis-40-5-8]: Kanttekening 8: die van de koning: Dat is, die tevoren in de dienst van de koning waren geweest, maar nu gevangen lagen.
[^genesis-40-6-9]: Kanttekening 9: Of, verbaasd, beroerd. Het Hebreeuwse woord betekent grote ontsteltenis van het gemoed, komende uit bekommernis, zorg, vrees, droefenis en hevige toorn. Dit is nu de aard van de dromen, die God de mensen toeschikt, dat zij deze beroeren en ontstellen. Zie onder Gen. 41:8 ; Dan. 2:1 ; Matt. 27:19 . Genesis 41:8 : En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde. Daniël 2:1 : In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. Mattheüs 27:19 : En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.
[^genesis-40-7-10]: Kanttekening 10: Hebr. bewaring (מִשְׁמָר).
[^genesis-40-7-11]: Kanttekening 11: Hebr. kwaad (רַע); dat is, droevig bekommerd. Aldus wordt dit woordje genomen; Neh. 2:1 , 2:2 , 2:3 ; Spr. 25:20 . Nehemia 2:1 : Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Nehemia 2:2 : Zo zei de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo u toch niet ziek bent? Dit is niet dan treurigheid van het hart. Toen vreesde ik geheel zeer. Nehemia 2:3 : En ik zei tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats van de begrafenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn? Spreuken 25:20 : Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt op de dag van de koude, en als edik op salpeter.
[^genesis-40-8-12]: Kanttekening 12: er is niemand: Dat is, wij hebben hier geen waarzegger of droombeduider bij ons, en het is ons niet geoorloofd uit te gaan om te vragen; want zij hadden veel waarzeggers, gelijk te zien is onder, Gen. 41:8 . Genesis 41:8 : En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.
[^genesis-40-8-13]: Kanttekening 13: Zijn de: Jozef trekt hen van de droombeduiders af tot God, als van wie zulke dromen en hun rechte beduiding afkwamen.
[^genesis-40-9-14]: Kanttekening 14: In mijn droom: Dat is, toen ik droomde, of, toen ik in mijn droom was.
[^genesis-40-9-15]: Kanttekening 15: Dit woordje wordt in het verhalen van de dromen veel gebruikt, om aan te wijzen, dat deze zeldzaam en wonderlijk zijn, niet alleen dengenen die ze verhalen, maar ook wie ze verhaald worden; zie boven, Gen. 37:7 , 37:9 , en onder, vers 16 , en Gen. 41:2 , 41:3 ; Richt. 7:13 ; Dan. 4:10 . Genesis 37:7 : En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof. Genesis 37:9 : En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde die aan zijn broers; en hij zei: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder. Genesis 40:16 : Toen de overste van de bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zei hij tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven waren op mijn hoofd. Genesis 41:2 : En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras. Genesis 41:3 : En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan de oever van de rivier. Richteren 7:13 : Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag. Daniël 4:10 : De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot.
[^genesis-40-10-16]: Kanttekening 16: zijn trossen brachten rijpe druiven voort: Hebr. zijn trossen rijpten, of volkookten de druiven.
[^genesis-40-12-17]: Kanttekening 17: zijn drie dagen: Dat is, betekenen drie dagen; gelijk ook onder, vers 18 , en Gen. 41:26 , 41:27 ; Dan. 2:38 , en Dan. 4:22 ; Matt. 13:19 , 13:38 ; Luk. 8:11 , en 1 Kor. 10:4 . Genesis 40:18 : Toen antwoordde Jozef, en zei: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn drie dagen. Genesis 41:26 : Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is een. Genesis 41:27 : En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van de oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren van de honger wezen. Daniël 2:38 : En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over die allen; u bent dat gouden hoofd. Daniël 4:22 : Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van de aarde. Mattheüs 13:19 : Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is. Mattheüs 13:38 : En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de boze; Lukas 8:11 : Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God. 1 Korinthiërs 10:4 : En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^genesis-40-13-18]: Kanttekening 18: uw hoofd verheffen: Dat is, in het overzien van zijn officieren, zal hij u mee rekenen onder degenen, die in hun ambt zullen blijven, of hersteld worden. Een niet zeer ongelijke manier van spreken vindt men ook Ex. 30:12 ; Num. 1:2 , en Num. 26:2 , enz. alwaar de hoofden verheffen zoveel is als optellen, en de som van enige mensen opnemen. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. Numeri 26:2 : Neem de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis van hun vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt.
[^genesis-40-13-19]: Kanttekening 19: Het Hebreeuwse woord wordt ook aldus genomen, Lev. 5:10 , en Lev. 9:16 ; Num. 15:24 , en Num. 29:18 ; 2 Kron. 35:13 , enz. Leviticus 5:10 : En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. Leviticus 9:16 : Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht. Numeri 15:24 : Zo zal het gebeuren, als iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen van de vergadering verborgen is, dat de gehele vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer. Numeri 29:18 : En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 2 Kronieken 35:13 : En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastig onder al het volk.
[^genesis-40-14-20]: Kanttekening 20: bij uzelven: Hebr. met u.
[^genesis-40-15-21]: Kanttekening 21: ik ben: Hebr. ik ben, gestolen wordende, gestolen.
[^genesis-40-15-22]: Kanttekening 22: land van de Hebreën: Dat is, het land Kanaän, waar de Hebreën in die tijd als vreemdelingen woonden, en wat hun door God beloofd was.
[^genesis-40-16-23]: Kanttekening 23: dat hij een goede uitlegging gedaan had: Dat hij het goede uitgelegd had; dat is, ten beste en tot voordeel van de schenker.
[^genesis-40-16-24]: Kanttekening 24: Ik was ook: Verg. boven, vers 9 , en de aantekeningen daarop. Genesis 40:9 : Toen vertelde de overste van de schenkers Jozef zijn droom, en zei tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;
[^genesis-40-16-25]: Kanttekening 25: Anders, witte, gevlochten, of vol gaten, gelijk de netten.
[^genesis-40-17-26]: Kanttekening 26: alle voedsel: Dat is, allerlei.
[^genesis-40-18-27]: Kanttekening 27: zijn drie: Zie boven, vers 12 . Genesis 40:12 : Toen zei Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.
[^genesis-40-19-28]: Kanttekening 28: Jozef gebruikt hier wel dezelfde woorden, die hij vs. 13, vers 13 , gebruikt heeft, maar in een anderen zin, gelijk blijkt uit de bijgevoegde woorden van u op, welke te kennen geven dat de opperbakker in het overzien van de officieren wel mee in rekening zou komen, maar aldus, dat hem zijn officie afgenomen zou worden. Genesis 40:13 : Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was.
[^genesis-40-19-29]: Kanttekening 29: Dat is, doen hangen, en zo vers 22 . Anders, opheffen; dat van u wegnemen. Genesis 40:22 : Maar de overste van de bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.
[^genesis-40-20-30]: Kanttekening 30: van Farao's: Hebr. toen Farao geboren was.
[^genesis-40-20-31]: Kanttekening 31: dat hij voor: Zie van soortgelijke maaltijd Matt. 14:6 . Mattheüs 14:6 : Maar als de dag van de geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.
[^genesis-40-21-32]: Kanttekening 32: Hebr. schenking.
[^genesis-40-22-33]: Kanttekening 33: hing hij op: Te weten, door zijn scherprechter; wat men door een ander doet, wordt men gezegd zelf te doen, zowel het kwade, boven, Gen. 20:3 ; 1 Sam. 22:21 ; 2 Sam. 12:9 , en 2 Sam. 24:10 ; 1 Kon. 21:19 , als het goede, en middelmatige, onder, Gen. 46:29 ; 1 Kon. 3:4 , en 1 Kon. 7:1 , 7:2 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. 1 Samuël 22:21 : En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesters van YHWH gedood had. 2 Samuël 12:9 : Waarom hebt u dan het woord van YHWH veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt u u ter vrouwe genomen; en hem hebt u met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen. 2 Samuël 24:10 : En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zei tot YHWH: Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb; maar nu, o YHWH, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan. 1 Koningen 21:19 : En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe! Genesis 46:29 : Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals. 1 Koningen 3:4 : En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. 1 Koningen 7:1 : Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn gehele huis. 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^genesis-40-23-34]: Kanttekening 34: vergat hem: Te weten, bij Farao, en dat twee gehele jaren lang, gelijk blijkt uit het eerste vers van het volgende hoofdstuk, Gen. 41:1 . Genesis 41:1 : En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.

### Genesis 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/41.json)

*De farao heeft twee dromen gehad en niemand aan zijn hof kan ze uitleggen; dan herinnert de opperschenker zich Jozef, vers 1. De farao laat hem uit de gevangenis halen en vertelt hem zijn dromen; Jozef legt ze uit en geeft de farao meteen goed advies voor de komende tijd van hongersnood, 14. Daarom stelt de farao hem aan als onderkoning over heel zijn rijk, eert hem hoog, geeft hem een nieuwe naam en een vrouw, 37. Jozef, nu dertig jaar oud, reist door heel Egypte en slaat voorraad op in de zeven goede jaren, 46. Hij krijgt twee zonen, Manasse en Efraim, 50. De slechte jaren breken aan, en Jozef verkoopt koren uit de voorraad aan het volk, 54.*

**1** En het gebeurde na verloop van[^genesis-41-1-1] twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de[^genesis-41-1-2] rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v1)

**2** En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden[^genesis-41-2-3] in het gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v2)

**3** En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier,[^genesis-41-3-4] lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de[^genesis-41-3-5] andere koeien aan de oever van de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v3)

**4** En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v4)

**5** Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in één halm, vet en[^genesis-41-5-6] goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v5)

**6** En ziet, zeven dunne en van[^genesis-41-6-7] de oostenwind verzengde aren schoten na die uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v6)

**7** En de dunne aren verslonden de zeven vette en[^genesis-41-7-8] volle aren. Toen ontwaakte Farao, en ziet, het was een[^genesis-41-7-9] droom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v7)

**8** En het gebeurde[^genesis-41-8-10] in de morgenstond, dat zijn geest[^genesis-41-8-11] verslagen was, en hij zond heen, en[^genesis-41-8-a] riep al[^genesis-41-8-12] de tovenaars van Egypte, en al[^genesis-41-8-13] de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die[^genesis-41-8-14] ze aan Farao uitlegde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v8)

**9** Toen sprak de overste van de schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk vandaag aan[^genesis-41-9-15] mijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v9)

**10** [^genesis-41-10-16] Farao was zeer vertoornd op zijn dienaren, en leverde mij in bewaring in het huis van de[^genesis-41-10-17] overste van de lijfwachten, mij en de overste van de bakkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v10)

**11** En[^genesis-41-11-b] in één nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk[^genesis-41-11-18] naar de uitlegging van zijn droom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v11)

**12** En daar was bij ons een Hebreeuws[^genesis-41-12-19] jongeling, een knecht van de overste van de lijfwachten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v12)

**13** [^genesis-41-13-20] En zoals hij ons uitleide, zo is het gebeurd; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v13)

**14** Toen zond Farao[^genesis-41-14-c] en riep Jozef en[^genesis-41-14-21] zij deden hem haastig uit de kuil komen;[^genesis-41-14-22] en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v14)

**15** En Farao sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als u een droom hoort, dat u hem uitlegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v15)

**16** En Jozef antwoordde Farao, zeggende:[^genesis-41-16-23] Het is buiten mij! God zal Farao's[^genesis-41-16-24] welstand aanzeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v16)

**17** Toen sprak Farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan de oever van de rivier;[^genesis-41-17-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v17)

**18** En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en mooi van gestalte, en zij weidden[^genesis-41-18-26] in het gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v18)

**19** En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer[^genesis-41-19-27] lelijk van gedaante,[^genesis-41-19-28] rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v19)

**20** En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v20)

**21** Die[^genesis-41-21-29] in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, zoals in het begin. Toen ontwaakte ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v21)

**22** Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in één halm, vol en[^genesis-41-22-30] goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v22)

**23** En zie, zeven dorre, dunne en van de oostenwind verzengde aren, schoten na die uit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v23)

**24** En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het de[^genesis-41-24-31] tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v24)

**25** Toen zei Jozef tot Farao: De droom van[^genesis-41-25-32] Farao is één; wat God is[^genesis-41-25-33] doende, heeft Hij Farao te kennen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v25)

**26** Die zeven[^genesis-41-26-34] schone koeien[^genesis-41-26-35] zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v26)

**27** En die zeven ranke en lelijke koeien, die na hen opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van de oostenwind verzengde aren zullen[^genesis-41-27-36] zeven jaren van de honger wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v27)

**28** Dit is het woord, dat ik tot Farao gesproken heb: wat God is doende, heeft Hij Farao vertoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v28)

**29** Zie, de zeven aankomende jaren, zal er[^genesis-41-29-37] grote overvloed in het hele land van Egypte zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v29)

**30** Maar na die zullen er opstaan zeven jaren van de honger; dan zal in het land van Egypte al die overvloed[^genesis-41-30-38] vergeten worden; en de honger zal[^genesis-41-30-39] het land verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v30)

**31** Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden,[^genesis-41-31-40] vanwege die honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v31)

**32** Voor wat betreft dat die droom aan Farao[^genesis-41-32-41] ten tweede maal is herhaald, is, omdat de zaak[^genesis-41-32-42] van God[^genesis-41-32-43] vastbesloten is, en dat God haast, om die te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v32)

**33** Zo zie nu Farao naar een verstandige en wijze man, en zette hem over het land van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v33)

**34** Farao doe zo, en bestelle opzichters over het land; en[^genesis-41-34-44] neme het vijfde deel van het land van Egypte in de zeven jaren van de overvloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v34)

**35** En dat zij[^genesis-41-35-45] alle voedsel van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen,[^genesis-41-35-46] onder de hand van Farao, tot voedsel in de steden, en bewaren het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v35)

**36** Zo zal het voedsel zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren van de honger, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger[^genesis-41-36-47] niet verga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v36)

**37** [^genesis-41-37-d] En dit woord[^genesis-41-37-48] was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v37)

**38** [^genesis-41-38-e] Zo zei Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in wie[^genesis-41-38-49] Gods Geest is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v38)

**39** Daarna zei Farao tot Jozef: Aangezien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v39)

**40** U zult[^genesis-41-40-f] over[^genesis-41-40-50] mijn huis zijn, en[^genesis-41-40-51] op uw bevel zal al mijn volk[^genesis-41-40-52] de hand kussen; alleen deze troon zal ik[^genesis-41-40-53] groter zijn dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v40)

**41** Verder sprak Farao tot Jozef:[^genesis-41-41-54] Zie, ik heb u over geheel Egypteland gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v41)

**42** En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en[^genesis-41-42-55] deed hem aan Jozefs hand, en liet hem[^genesis-41-42-56] fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v42)

**43** En hij deed hem rijden op de[^genesis-41-43-57] tweede wagen, die hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht:[^genesis-41-43-58] Kniel! Zo stelde hij hem over geheel Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v43)

**44** En Farao zei tot Jozef:[^genesis-41-44-59] Ik ben Farao! maar zonder u zal niemand[^genesis-41-44-60] zijn hand of zijn voet opheffen in geheel Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v44)

**45** En Farao noemde Jozefs naam[^genesis-41-45-61] Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera,[^genesis-41-45-62] overste van[^genesis-41-45-63] On, tot een vrouw; en Jozef trok uit door het land van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v45)

**46** Jozef nu was[^genesis-41-46-64] dertig jaar oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en[^genesis-41-46-65] hij trok door geheel Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v46)

**47** En het land[^genesis-41-47-66] bracht voort, in de zeven jaren van de[^genesis-41-47-67] overvloed, bij handvollen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v47)

**48** En hij verzamelde[^genesis-41-48-68] alle voedsel van de zeven jaren, die in Egypteland was, en deed het voedsel in de steden; het voedsel van het veld van elke stad, dat rondom haar was, deed hij[^genesis-41-48-69] daar binnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v48)

**49** Zo bracht Jozef zeer veel koren[^genesis-41-49-70] bijeen, als het zand van de zee, totdat men ophield te tellen: want[^genesis-41-49-71] daarvan was geen getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v49)

**50** [^genesis-41-50-g] En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar van de honger aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v50)

**51** En Jozef noemde de naam van de[^genesis-41-51-72] eerstgeborene Manasse; want, zei hij God heeft mij doen vergeten[^genesis-41-51-73] al mijn moeite, en het hele huis van mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v51)

**52** En de naam van de tweede noemde hij[^genesis-41-52-74] Efraïm; want, zei hij God heeft mij doen groeien[^genesis-41-52-75] in het land van mijn verdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v52)

**53** Toen eindigden de zeven jaren van de overvloed, die in Egypte geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v53)

**54** [^genesis-41-54-h] En de zeven jaren van de honger begonnen aan te komen, zoals Jozef gezegd had. En er was honger in[^genesis-41-54-76] al de landen; maar in geheel Egypteland was[^genesis-41-54-77] brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v54)

**55** Als nu geheel Egypteland[^genesis-41-55-78] hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zei tot alle Egyptenaren: Ga tot Jozef, doet wat hij u zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v55)

**56** Als dan honger over het hele land was, zo opende Jozef[^genesis-41-56-79] alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v56)

**57** En[^genesis-41-57-80] alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger[^genesis-41-57-81] was sterk in alle landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/41.html#v57)

[^genesis-41-1-1]: Kanttekening 1: twee volle: Hebr. twee jaren van de dagen; dat is, twee volle jaren. Deze manier van spreken wordt ook gevonden 2 Sam. 14:28 , en Jer. 28:3 . Aldus wordt een maand van de dagen genoemd een volle maand; boven, Gen. 29:14 . 2 Samuël 14:28 : Zo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij het aangezicht van de koning niet zag. Jeremia 28:3 : In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en die naar Babel gebracht. Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
[^genesis-41-1-2]: Kanttekening 2: Versta, de vermaarde rivier, genoemd Nijl, die het land van Egypte door haar jaarlijksen overloop op een bijzondere manier bevochtigt en vruchtbaar maakt. Hierom wordt zij, ten aanzien van haar uitnemendheid, de rivier genoemd, zonder bijvoegsel. Zie Ex. 1:22 , en Ex. 2:3 , en Ex. 7:24 , 7:25 ; zo wordt ook de Eufraat, de rivier genoemd zonder bijvoegsel; boven, Gen. 31:21 . Exodus 1:22 : Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden. Exodus 2:3 : Maar als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan de oever van de rivier. Exodus 7:24 : Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken. Exodus 7:25 : Zo werden zeven dagen vervuld, nadat YHWH de rivier geslagen had. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^genesis-41-2-3]: Kanttekening 3: in het gras: Anders, broekland, vochtige weide, meersche.
[^genesis-41-3-4]: Kanttekening 4: lelijk van: Hebr. kwaad; dat is, ongestalt, mismaakt, van lelijke gedaante, zo ook onder Gen. 4:4 , 4:20 , 4:21 . Daarentegen worden de schone, goede genoemd, vers 22 , 41:26 . Genesis 4:4 : En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En YHWH zag Abel en zijn offer aan; Genesis 4:20 : En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden. Genesis 4:21 : En de naam van zijn broer was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen. Genesis 41:22 : Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in een halm, vol en goed. Genesis 41:26 : Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is een.
[^genesis-41-3-5]: Kanttekening 5: aan de oever: Hebr. aan de lip.
[^genesis-41-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, schoon, vol, dik.
[^genesis-41-6-7]: Kanttekening 7: De eigenschap van de oostenwind is de vruchten te verbranden en te verzengen, in het bijzonder in die landen. Zie Ez. 17:10 , en Ez. 19:12 ; Hos. 13:15 . Ezechiël 17:10 : Ja ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen. Ezechiël 19:12 : Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd. Hosea 13:15 : Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er zal een oostenwind komen, een wind van YHWH, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen; diezelve zal de schat van alle gewenste huisraad roven.
[^genesis-41-7-8]: Kanttekening 8: volle aren: Dat is, vol sap en vochtigheid.
[^genesis-41-7-9]: Kanttekening 9: Te weten, niet een natuurlijke, maar een goddelijke droom; van God, en niet uit natuurlijke oorzaken voortkomende. Anders, dit was de droom.
[^genesis-41-8-10]: Kanttekening 10: in de morgenstond: Te weten, nadat hij een tijdlang wakker geweest was.
[^genesis-41-8-11]: Kanttekening 11: verslagen was: Zie boven, Gen. 40:6 . Genesis 40:6 : En Jozef kwam 's morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.
[^genesis-41-8-a]: Verwijzing a: Dan. 2:2 . Daniël 2:2 : Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning.
[^genesis-41-8-12]: Kanttekening 12: de tovenaars: Of, sterrenkijkers, tekenbeduiders, of waarzeggers, gelijk zij gewoonlijk ten onrechte genoemd worden. Versta degenen, die met natuurlijke of superstitieuse, ja ook somtijds met duivelse kunsten omgingen, om iets wat verborgen is te voorzeggen of te beduiden, en om wat wonderlijks te bedrijven. Zie van deze Ex. 7:11 , en Ex. 8:19 en Ex. 9:11 ; Dan. 2:2 , 2:12 . Exodus 7:11 : Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen. Exodus 8:19 : Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk YHWH gesproken had. Exodus 9:11 : Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren. Daniël 2:2 : Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning. Daniël 2:12 : Daarom werd de koning toornig en zeer toornig, en zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
[^genesis-41-8-13]: Kanttekening 13: de wijzen: Versta, al degenen, die in enige wetenschap of scherpzinnigheid, oordeel of ervarenheid uitstaken; zie Ex. 7:11 ; Dan. 2:12 . Exodus 7:11 : Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen. Daniël 2:12 : Daarom werd de koning toornig en zeer toornig, en zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.
[^genesis-41-8-14]: Kanttekening 14: Farao uitlegde: Te weten, de dromen, alhoewel droom voorgaat. Het waren twee dromen, of een dubbele droom.
[^genesis-41-9-15]: Kanttekening 15: mijn zonden: Die ik tegen de koning voor enige tijd begaan heb.
[^genesis-41-10-16]: Kanttekening 16: Farao was: Dat is de koning; want de naam Farao is een naam geweest, gemeen aan alle koningen van Egypte; zodat Farao bij de Egyptenaars zoveel betekende, als wanneer wij zeggen de koning, of zijn koninklijke majesteit; of, gelijk men zegt, de keizer, in Duitsland; en Sire, in Frankrijk; zie boven, Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^genesis-41-10-17]: Kanttekening 17: overste van de trawanten: Zie boven, Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^genesis-41-11-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 40:5 . Genesis 40:5 : Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijn drooms, de schenker en de bakker, die van de koning van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
[^genesis-41-11-18]: Kanttekening 18: naar de: Zie boven, Gen. 40:5 . Genesis 40:5 : Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijn drooms, de schenker en de bakker, die van de koning van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
[^genesis-41-12-19]: Kanttekening 19: Te weten, van omtrent acht en twintig jaren, gelijk blijkt onder, vs. 46, vers 46 . Genesis 41:46 : Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en hij toog door geheel Egypteland.
[^genesis-41-13-20]: Kanttekening 20: En gelijk hij: Hebr. en het is geschied gelijk hij ons uitgelegd heeft, zo is het geschied.
[^genesis-41-14-c]: Verwijzing c: Ps. 105:20 ; Dan. 2:25 . Psalmen 105:20 : De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser van de volken liet hem los. Daniël 2:25 : Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
[^genesis-41-14-21]: Kanttekening 21: zij deden: Hebr. zij deden hem lopen.
[^genesis-41-14-22]: Kanttekening 22: en men schoor: Anders, hij liet zich scheren. Jozef liet zijn haar groeien in de gevangenis tot een teken van verdriet, zie 2 Sam. 19:24 , of naar de gewoonte van de gevangenen; maar nu heeft hij zich laten scheren en zijn kleren veranderd, opdat hij niet met een ijselijk en treurig gelaat, met vuile en versleten kleren voor de koning zou verschijnen, wat ongeoorloofd was; zie Esther 4:2. 2 Samuël 19:24 : Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam.
[^genesis-41-16-23]: Kanttekening 23: Het is buiten mij: Anders, zonder mij zal God enz. of, het is niet in mij. Aldus poogt Jozef met geleefdheid Farao's ogen, die nu vast op hem zagen, tot God te wenden, van wie de uitlegging van de dromen komt. Zie boven, Gen. 40:8 , en Dan. 2:28 . Genesis 40:8 : En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zei tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch. Daniël 2:28 : Maar er is een God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
[^genesis-41-16-24]: Kanttekening 24: Hebr. vrede (שָׁלוֺם) antwoorden; dat is, wat dient tot Farao's welvaren en rust en dat van de zijnen. Zie boven, Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^genesis-41-17-25]: Kanttekening 25: oever van de: Hebr. lip.
[^genesis-41-18-26]: Kanttekening 26: in het gras: Zie boven, vers 2 . Genesis 41:2 : En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.
[^genesis-41-19-27]: Kanttekening 27: lelijk van: Hebr. kwaad, zo in het volgende.
[^genesis-41-19-28]: Kanttekening 28: rank van: Anders, leeg, uitgeteerd.
[^genesis-41-21-29]: Kanttekening 29: in haar buik inkwamen: Hebr. in haar binnenste, of in haar midden.
[^genesis-41-22-30]: Kanttekening 30: Dat is, schoon, zo in het volgende.
[^genesis-41-24-31]: Kanttekening 31: Zie boven, vers 8 . Genesis 41:8 : En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.
[^genesis-41-25-32]: Kanttekening 32: is één: Dat is, enerlei, te weten, ten aanzien van de beduiding.
[^genesis-41-25-33]: Kanttekening 33: Dat is, wat Hij doen zal, of, gaat doen. De toekomende dingen worden dikwerf in de tegenwoordige tijd gesteld, omdat zij bij God zó zeker zijn, alsof ze reeds geschied waren, gelijk onder, vers 28 , en Ex. 9:14 ; Joz. 11:6 ; Matt. 24:40 , en Matt. 26:28 . Genesis 41:28 : Dit is het woord, dat ik tot Farao gesproken heb: wat God is doende, heeft Hij Farao vertoond. Exodus 9:14 : Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat u weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de gehele aarde. Jozua 11:6 : En YHWH zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. Mattheüs 24:40 : Alsdan zullen er twee op de akker zijn, de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. Mattheüs 26:28 : Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden.
[^genesis-41-26-34]: Kanttekening 34: schone koeien: Hebr. goede; zie boven, vers 3 . Genesis 41:3 : En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan de oever van de rivier.
[^genesis-41-26-35]: Kanttekening 35: zijn zeven jaren: Dat is, betekenen zeven jaren; zie boven, Gen. 40:12 . Genesis 40:12 : Toen zei Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.
[^genesis-41-27-36]: Kanttekening 36: zeven jaren van de: Dat is, voorbeelden en waartekenen van zeven jaren, waardoor God te verstaan geeft dat Hij in die jaren een duren tijd in het land zenden zal.
[^genesis-41-29-37]: Kanttekening 37: overvloed in: Hebr. verzaadheid; dat is, van alles, waarmee men zich kan verzadigen en nog veel overhouden.
[^genesis-41-30-38]: Kanttekening 38: vergeten worden: Want gewoonlijk, wat uit het oog is, dat gaat ook uit de gedachten van het hart; zie vers 31 . Genesis 41:31 : Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelven honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.
[^genesis-41-30-39]: Kanttekening 39: het land verteren: Dat is mensen en beesten, die in het land zijn. Zo ook onder, vers 36 . Genesis 41:36 : Zo zal het voedsel zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren van de honger, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.
[^genesis-41-31-40]: Kanttekening 40: Hebr. van het aangezicht diens hongers.
[^genesis-41-32-41]: Kanttekening 41: ten tweede: Het is aan te merken, dat de herhaling hier betekent de vastheid van Gods besluit, en de verhaasting van de uitvoering.
[^genesis-41-32-42]: Kanttekening 42: van God: Hebr. van met, of, bij God. Anders, van Gods wege.
[^genesis-41-32-43]: Kanttekening 43: Anders, vastgezet is.
[^genesis-41-34-44]: Kanttekening 44: neme het: Hebr. hij vijve het land; dat is, hij ontvange het vijfde deel van de vruchten van het land; te weten, voor een billijken prijs, om het naderhand in de tijd van de honger aan de onderdanen weer zo te verkopen.
[^genesis-41-35-45]: Kanttekening 45: alle voedsel: Dat is, voorraad van landvruchten, die tot voedsel konden dienen.
[^genesis-41-35-46]: Kanttekening 46: onder de: Op last, macht en beleid; zo Ex. 4:13 , en Ex. 9:35 ; Num. 7:8 , enz. Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zou zenden. Exodus 9:35 : Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen van Israël niet trekken liet, gelijk als YHWH gesproken had door Mozes. Numeri 7:8 : En vier wagens en acht runderen gaf hij de zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester.
[^genesis-41-36-47]: Kanttekening 47: niet verga: Hebr. niet afgesneden, of, uitgeroeid worde.
[^genesis-41-37-d]: Verwijzing d: Hand. 7:10 . Handelingen 7:10 : En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.
[^genesis-41-37-48]: Kanttekening 48: was goed: Dat is, het beviel hem wel; zie boven, Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^genesis-41-38-e]: Verwijzing e: Ps. 105:22 . Psalmen 105:22 : Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
[^genesis-41-38-49]: Kanttekening 49: Gods geest is: Versta wijsheid en voorzichtigheid, die God door zijn geest deze man op een bijzondere wijze gegeven heeft. Zo wrocht God in het hart van Farao om zijn raad uit te voeren.
[^genesis-41-40-f]: Verwijzing f: Ps. 105:21 . Psalmen 105:21 : Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
[^genesis-41-40-50]: Kanttekening 50: mijn huis zijn: Zie boven, Gen. 34:19 . Genesis 34:19 : En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijn vaders huis.
[^genesis-41-40-51]: Kanttekening 51: op uw bevel: Hebr. op uw, of, naar uw mond. Aldus wordt mond voor bevel genomen; Ex. 17:1 , en Ex. 38:31 ; Num. 3:16 , 3:39 , en Num. 4:27 , en Num. 9:18 ; Deut. 17:10 , enz. Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Exodus 38:31 : En de voeten van de voorhof rondom, en de voeten van de poort van de voorhof, ook al de pennen van de tabernakel, en al de pennen van de voorhof rondom. Numeri 3:16 : En Mozes telde hen naar het bevel van YHWH, gelijk als hem geboden was. Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. Numeri 4:27 : De gehele dienst van de zonen van de Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aäron en van zijn zonen; en u zult hun ter bewaring al hun last bevelen. Numeri 9:18 : Naar de mond van YHWH, verreisden de kinderen van Israël, en naar de mond van YHWH legerden zij zich; al de dagen, in die de wolk over de tabernakel bleef, legerden zij zich. Deuteronomium 17:10 : En u zult doen naar het bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die YHWH verkiezen zal, en u zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren.
[^genesis-41-40-52]: Kanttekening 52: de hand : Tot een teken van eerbied en gehoorzaamheid. Het was in die tijd, als ook nog hedendaags, gebruikelijk, dat de onderdanen de hand aan de mond brachten, of kusten, wanneer enige grote heren hen aanspraken, of hun iets belastten; verg. Job 31:27 ; Hos. 13:2 , waar deze manier van spreken voor afgodischen eerbied gebruik wordt; en aldus wordt door kussen ook verstaan een gewillige gehoorzaamheid, gelijk 1 Kon. 19:18 ; Ps. 2:12 . Anders, aan uw mond zal al mijn volk kussen. Job 31:27 : En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft; Hosea 13:2 : En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen. 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^genesis-41-40-53]: Kanttekening 53: groter zijn: Verg. deze manier van spreken met Gen. 39:9 . Genesis 39:9 : Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat u zijn huisvrouw bent; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!
[^genesis-41-41-54]: Kanttekening 54: Zie, ik: Dat is, merk op en bedenk tot hoe grote eer en macht ik u verheven heb.
[^genesis-41-42-55]: Kanttekening 55: dertig jaren oud: Tot een teken, dat hij hem macht gaf, in zijn naam alles te zegelen.
[^genesis-41-42-56]: Kanttekening 56: fijne linnen: Een soort van linnen, of doek, dat bij de Egyptenaars zeer kostelijk, fijn en wit was; zie daarvan Ex. 25:4 ; en Ex. 39:27 , 39:29 ; Spr. 31:22 . Exodus 25:4 : Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar. Exodus 39:27 : Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen; Exodus 39:29 : En de gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als YHWH aan Mozes geboden had. Spreuken 31:22 : Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
[^genesis-41-43-57]: Kanttekening 57: tweede wagen: De tweede naast de eerste, die van de koning was; tot een teken dat hij naast de koning boven alle heren van het land verheven was; Esth. 10:3 . Esther 10:3 : Want de Jood Mordechai was de tweede bij de koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broers, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor de welstand van zijn gehele zaad.
[^genesis-41-43-58]: Kanttekening 58: Sommigen leggen het woord Abrech uit: tedere vader. Tedere, vanwege zijn jonkheid, en vader, vanwege zijn ambt; gelijk de heren van het land worden genoemd vaders van het vaderland.
[^genesis-41-44-59]: Kanttekening 59: Ik ben: Dat is, ten aanzien van de koninklijke majesteit ben ik boven u. Anderen nemen deze woorden voor een eed, alsof hij zei: Zo waarachtig als ik koning ben, of, bij mijn koninklijke majesteit zal niemand, enz.
[^genesis-41-44-60]: Kanttekening 60: zijn hand: Dat is, iets voornemen of bestaan.
[^genesis-41-45-61]: Kanttekening 61: Zafnath Paäneah: Dat is, uitlegger van verborgenheid.
[^genesis-41-45-62]: Kanttekening 62: Het Hebreeuwse woord betekent wel een priester, maar ook in het algemeen een overste in de politieken staat, en een persoon van groot aanzien; zie 2 Sam. 8:18 , en 2 Sam. 20:26 ; 1 Kron. 18:17 ; Job 12:19 . Jozef wordt genoodzaakt door zijn tegenwoordige gelegenheid dit huwelijk te doen, zijnde niettemin de kinderen daarvan door Jakob gerekend voor vaders van twee stammen in Israël; onder Gen. 48:16 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. 2 Samuël 20:26 : En ook was Ira, de Jaïriet, Davids opperofficier. 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand van de koning. Job 12:19 : Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om. Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^genesis-41-45-63]: Kanttekening 63: De naam van een stad in Egypte.
[^genesis-41-46-64]: Kanttekening 64: dertig jaren oud: Hebr. een zoon van dertig jaar.
[^genesis-41-46-65]: Kanttekening 65: hij toog: Te weten, om volgens de last van de koning overal ambtlieden aan te stellen, en korenhuizen te bereiden tegen de aanstaande dure tijd.
[^genesis-41-47-66]: Kanttekening 66: bracht voort: Hebr. maakte.
[^genesis-41-47-67]: Kanttekening 67: bij handvollen: Dat is, alsof men van één graan handenvol bekomen had.
[^genesis-41-48-68]: Kanttekening 68: alle voedsel: Dat is, eetbare granen en vruchten; en zo in het volgende. Versta, het vijfde deel; gelijk boven, vers 34 . Genesis 41:34 : Farao doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel van het land van Egypte in de zeven jaren van de overvloed.
[^genesis-41-48-69]: Kanttekening 69: Hebr. in haar midden.
[^genesis-41-49-70]: Kanttekening 70: als het zand: Deze manier van spreken betekent een ontallijke hoeveelheid; boven, Gen. 22:17 ; Richt. 7:12 ; 1 Sam. 13:5 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. 1 Samuël 13:5 : En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
[^genesis-41-49-71]: Kanttekening 71: daarvan was geen getal: Dat is, er was geen tellen aan; zie ook Richt. 6:5 ; Job 21:33 . Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. Job 21:33 : De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
[^genesis-41-50-g]: Verwijzing g: onder, Gen. 46:20 ; onder, Gen. 48:5 . Genesis 46:20 : En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, de overste te On, baarde. Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
[^genesis-41-51-72]: Kanttekening 72: Hebr. Menasscheh (מְנַשֶּׁה); dat is, die doet vergeten.
[^genesis-41-51-73]: Kanttekening 73: al mijn moeite: Dat is, het verdriet en de moeite, die mij zo hier in Egypte, als in het huis van mijn vader wedervaren is.
[^genesis-41-52-74]: Kanttekening 74: Dat is, dubbele vrucht.
[^genesis-41-52-75]: Kanttekening 75: in het land: Dat is, in dit land, waarin ik tevoren verdrukt was.
[^genesis-41-54-h]: Verwijzing h: onder, Gen. 45:6 ; Ps. 105:16 . Genesis 45:6 : Want het zijn nu twee jaren van de honger in het midden van het land; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal. Psalmen 105:16 : Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf van het brood.
[^genesis-41-54-76]: Kanttekening 76: de landen: Te weten, omliggende; zoals Kanaän, Syrië, Arabië; gelijk onder, vers 57 . Genesis 41:57 : En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
[^genesis-41-54-77]: Kanttekening 77: Dat is, allerlei voorraad van eetbare granen en vruchten.
[^genesis-41-55-78]: Kanttekening 78: Te weten, wanneer de particuliere voorraad van de inwoners op was.
[^genesis-41-56-79]: Kanttekening 79: alles, waarin: Te weten, alle korenhuizen, waarin het koren vergaderd en opgelegd was.
[^genesis-41-57-80]: Kanttekening 80: alle landen kwamen: Hebr. al het land kwamen; dat is, de inwoners kwamen van alle omliggende landen.
[^genesis-41-57-81]: Kanttekening 81: in alle landen: Te weten, die omliggende waren gelijk tevoren.

### Genesis 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/42.json)

*Jakob hoort dat er in Egypte koren te koop is en stuurt al zijn zonen erheen behalve Benjamin, vers 1. Zij buigen voor Jozef, die zij niet herkennen maar die hen wel herkent; hij spreekt hen hard toe en zet hen gevangen als vermeende spionnen, 6. Uitein delijk eist hij dat zij Benjamin meebrengen, houdt Simeon in bewaring, en laat de rest met koren en hun geld terugkeren; ondertussen knaagt het geweten hen over wat zij Jozef hebben aangedaan, 18. Onderweg ontdekt één van hen zijn geld in de zak, 27. Thuis vertellen zij Jakob alles en vin den allemaal hun geld terug, 29. Zij proberen Jakob over te halen Benjamin mee te laten gaan naar Egypte, maar hij klaagt hevig en kan er niet toe besluiten, 36.*

**1** Toen Jakob[^genesis-42-1-1] zag, dat[^genesis-42-1-2] er koren in Egypte was, zo zei Jakob tot zijn zonen: Waarom[^genesis-42-1-3] ziet u op elkaar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v1)

**2** Verder zei hij: Zie, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trek daarheen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.[^genesis-42-2-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v2)

**3** Toen trokken Jozefs tien broers af, om koren uit Egypte te kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v3)

**4** Maar Benjamin, Jozefs broer, zond Jakob niet met zijn broers; want[^genesis-42-4-4] hij zei: Opdat hem niet misschien[^genesis-42-4-5] het verderf ontmoete! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v4)

**5** Zo kwamen Israëls zonen om te kopen[^genesis-42-5-6] onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v5)

**6** Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk van het land; en Jozefs broers kwamen,[^genesis-42-6-b] en[^genesis-42-6-7] bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v6)

**7** Als Jozef zijn broers zag, zo kende hij hen; maar[^genesis-42-7-8] hij hield zich vreemd tegenover hen, en sprak[^genesis-42-7-9] hard met hen, en zei tot hen: Vanwaar komt u? En zij zeiden: Uit het land Kanaän; om voedsel te kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v7)

**8** Jozef dan kende zijn broers; maar zij kenden hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v8)

**9** Toen gedacht Jozef[^genesis-42-9-c] aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zei tot hen: U bent spionnen, u bent gekomen om te bezichtigen,[^genesis-42-9-10] waar het land bloot is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v9)

**10** En zij zeiden tot hem: Nee, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om voedsel te kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v10)

**11** Wij alle zijn van één man zonen; wij[^genesis-42-11-11] zijn vroom; uw knechten zijn geen spionnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v11)

**12** En hij zei tot hen: Nee, maar u bent gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v12)

**13** En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroers, van één man zonen, in het land Kanaän; en zie,[^genesis-42-13-d] de[^genesis-42-13-12] kleinste is vandaag bij onze vader; maar[^genesis-42-13-13] de één is niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v13)

**14** Toen zei Jozef tot hen: Dat is[^genesis-42-14-14] het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: U bent spionnen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v14)

**15** [^genesis-42-15-15]Hierin zult u beproefd worden:[^genesis-42-15-16] zo werkelijk als Farao leeft![^genesis-42-15-17] als u van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broer hierheen zal gekomen zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v15)

**16** Zend één uit u, die uw broer hale; maar wees u[^genesis-42-16-18] gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en als niet,[^genesis-42-16-19] zo werkelijk als Farao leeft, zo bent u spionnen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v16)

**17** En hij[^genesis-42-17-20] zette hen samen drie dagen in bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v17)

**18** En op de derde dag zei Jozef tot hen:[^genesis-42-18-21] Doe dit, zo zult u leven; ik vrees God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v18)

**19** Zo u vroom bent, zo zij[^genesis-42-19-22] één uw broers gebonden in het huis van uw bewaring; en gaat u heen, brengt[^genesis-42-19-23] het koren voor de honger van uw huizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v19)

**20** En[^genesis-42-20-e] brengt uw kleinste broer tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en u zult niet sterven. En zij deden zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v20)

**21** Toen zeiden zij de één tot de ander:[^genesis-42-21-24] Werkelijk, wij zijn schuldig aan onze broer, wiens benauwdheid van zijn ziel wij zagen,[^genesis-42-21-25] toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v21)

**22** En Ruben antwoordde hun, zeggende:[^genesis-42-22-f] Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook[^genesis-42-22-26] zijn bloed, ziet, het wordt gezocht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v22)

**23** En zij wisten niet, dat het Jozef[^genesis-42-23-27] hoorde;[^genesis-42-23-28] want daar was een taalman tussen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v23)

**24** Toen[^genesis-42-24-29] wendde hij zich om, van hen af, en huilde; daarna keerde hij weer tot hen, en sprak tot hen, en nam[^genesis-42-24-30] Simeon van hen, en[^genesis-42-24-31] bond hem voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v24)

**25** En Jozef gebood, dat men[^genesis-42-25-32] hun zakken met koren vullen zou, en dat[^genesis-42-25-33] men hun geld keerde terug, ieder in zijn zak, en dat men hun proviant gave tot de weg; en men[^genesis-42-25-34] deed hun zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v25)

**26** En zij laadden hun koren op hun ezels, en trokken van daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v26)

**27** Toen één zijn zak opendeed, om zijn ezel voer te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was boven in zijn zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v27)

**28** En hij zei tot zijn broers: Mijn geld is teruggekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen[^genesis-42-28-35] ontging hun het hart, en zij[^genesis-42-28-36] verschrikten,[^genesis-42-28-37] de één tot de ander zeggende:[^genesis-42-28-38] Wat is dit, dat ons God gedaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v28)

**29** En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen[^genesis-42-29-39] al hun overkomen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v29)

**30** Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en[^genesis-42-30-40] hij heeft ons gehouden voor spionnen van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v30)

**31** Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen spionnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v31)

**32** Wij waren twaalf gebroers, zonen van onze vader; de één is niet meer, en de kleinste is vandaag bij onze vader in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v32)

**33** En die man, de heer van dat land, zei tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat u vroom bent; laat één uw broers bij mij, en[^genesis-42-33-41] neemt voor de honger van uw huizen, en trekt heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v33)

**34** En brengt uw kleinste broer tot mij; zo zal ik weten, dat u geen spionnen bent, maar dat u vroom bent; uw broer zal ik u teruggeven, en u zult in dit land[^genesis-42-34-42] handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v34)

**35** En het gebeurde, als zij hun[^genesis-42-35-g] zakken leegden, ziet, zo had ieder de bundel van zijn geld in zijn zak; en zij zagen de bundelen van hun geld, zij en hun vader,[^genesis-42-35-43] en zij waren bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v35)

**36** Toen zei Jakob, hun vader, tot hen: U berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en[^genesis-42-36-44] Simeon is er niet; nu zult u Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v36)

**37** Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende:[^genesis-42-37-45] Dood[^genesis-42-37-46] twee van mijn zonen, zo ik hem tot u niet terugbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weer tot u brengen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v37)

**38** Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want[^genesis-42-38-47] zijn broer is dood, en hij is alleen[^genesis-42-38-48] overgebleven; zo hem een[^genesis-42-38-49] verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zou u mijn grijze haren met droefenis[^genesis-42-38-51] naar het graf doen neerdalen.[^genesis-42-38-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/42.html#v38)

[^genesis-42-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, hoorde en vernam uit het algemeen gerucht, en bemerkte uit het koren, dat vandaar gebracht werd.
[^genesis-42-1-2]: Kanttekening 2: Of, lijftocht. Het Hebreeuwse woord heeft zijn oorsprong van breken, omdat de honger door lijftocht, en voornamelijk door brood verbroken wordt.
[^genesis-42-1-3]: Kanttekening 3: ziet u: Als radelozen, die met gedurig denken en dralen de tijd vast slijten, en tot niets zekers besluiten, noch in de zaak doen.
[^genesis-42-2-a]: Verwijzing a: Hand. 7:12 . Handelingen 7:12 : Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.
[^genesis-42-4-4]: Kanttekening 4: hij zei: Te weten, bij zichzelven; dat is, hij dacht; zie boven, Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^genesis-42-4-5]: Kanttekening 5: het verderf: Of, een dodelijk ongeval; gelijk zijn broer Jozef tevoren bejegend was, die Jakob meende dood te zijn.
[^genesis-42-5-6]: Kanttekening 6: onder degenen: Hebr. in het midden van de komenden; dat is, naast anderen, of in het gezelschap van anderen, die mee uit het land Kanaän kwamen, om koren te kopen. De reden wordt meteen in de volgende woorden bijgevoegd.
[^genesis-42-6-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 37:7 . Genesis 37:7 : En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.
[^genesis-42-6-7]: Kanttekening 7: bogen zich: Om hem politieke eer te bewijzen; zie boven, Gen. 18:2 , en verg. hiermede de voorzegging van Jozefs dromen, Gen. 37:7 , 37:8 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. Genesis 37:7 : En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof. Genesis 37:8 : Toen zeiden zijn broers tot hem: Zult u dan ganselijk over ons regeren: zult u dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.
[^genesis-42-7-8]: Kanttekening 8: hield zich: Om door dit middel te komen tot het onderzoek van hun staat en gelegenheid en bijzonderlijk van zijn vader en broer.
[^genesis-42-7-9]: Kanttekening 9: hard met hen: Zie onder, vers 9 , 42:11 , 42:12 . Dit heeft hij gedaan, eensdeels om te verstaan hoe het met zijn vader en broer Benjamin gesteld was; anderdeels om hen op te wekken tot de bekentenis van de zonde, die zij tegenover hem begaan hadden. Genesis 42:9 : Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zei tot hen: U bent verspieders, u bent gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is. Genesis 42:11 : Wij allen zijn zonen van één man; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders. Genesis 42:12 : En hij zei tot hen: Nee, maar u bent gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.
[^genesis-42-9-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 37:5 . Genesis 37:5 : Ook droomde Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.
[^genesis-42-9-10]: Kanttekening 10: waar het land bloot is: Hebr. de blootheid van het land; dat is, waar het land bloot, open, of onsterk is, waar de vijand zou mogen inkomen, om enige plaatsen in te nemen, of het land af te lopen en te verderven.
[^genesis-42-11-11]: Kanttekening 11: Wij allen: Hier komt nu Jozef te verstaan, waarom het hem in de gehele ondervraging te doen was.
[^genesis-42-13-d]: Verwijzing d: onder, Gen. 43:29 . Genesis 43:29 : En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broer, de zoon zijn moeder, en zei: Is dit uw kleinste broer, waarvan u tot mij zeide? Daarna zei hij: Mijn zoon? God zij u genadig!
[^genesis-42-13-12]: Kanttekening 12: kleinste is: Hebr. de kleine; dat is, de jongste, namelijk, Benjamin; verg. boven, 19, de aantekeningen op vs. 31, Gen. 19:31 . Genesis 19:31 : Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de gehele aarde.
[^genesis-42-13-13]: Kanttekening 13: de één: Namelijk, Jozef; welke zij meenden dood te zijn, gelijk blijkt onder, vers 22 , en Gen. 44:20 . Genesis 42:22 : En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht! Genesis 44:20 : Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinste, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.
[^genesis-42-14-14]: Kanttekening 14: wat ik tot u: Omdat zij gemeld hadden van twee andere broers, van wie de één nog zou leven, zo dringt hij te meer op zijn voorgaande voorwaarde, een middel zoekende om zijn broer bij hem te krijgen.
[^genesis-42-15-15]: Kanttekening 15: Hierin zult: Dat is, hieraan zal ik zien, of u de waarheid gesproken hebt en ter goeder trouw handelt, dan of u verspieders bent.
[^genesis-42-15-16]: Kanttekening 16: zo waarlijk : Hebr. Farao's leven, of, Farao leeft. Dit is een onvolmaakte reden die men aldus kan volmaken: Zo zeker het is, dat Farao leeft, zo zeker is het, wat ik u zeg; verg. 1 Sam. 1:26 . Anderen nemen deze woorden voor een eed, naar de wijze van de Egyptenaars gedaan, bij Farao's leven; zodat Jozef uit menselijke zwakheid \[gelijk de vromen ook kan gebeuren\] die mee zou gevolgd hebben. 1 Samuël 1:26 : En zij zei: Och, mijn heer! zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om YHWH te bidden.
[^genesis-42-15-17]: Kanttekening 17: als u: Dit schijnt nu een eed te zijn, gedaan naar de wijze van de Hebreën, waardoor men dan verstaan moet: God doe mij dit, of dat, zo u, enz.; zie boven, Gen. 14:23 , en verg. 1 Sam. 17:55 ; 2 Kon. 2:2 ; Ez. 33:11 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 1 Samuël 17:55 : Toen Saul David zag uitgaan de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet. 2 Koningen 2:2 : En Elia zei tot Elisa: Blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el. Ezechiël 33:11 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou u sterven, o huis van Israël?
[^genesis-42-16-18]: Kanttekening 18: Hebr. gebonden; dat is, middelertijd zult u hier gevangen blijven.
[^genesis-42-16-19]: Kanttekening 19: zo waarlijk als : Zie de aantekeningen op het voorafgaande vs., vers 15 . Genesis 42:15 : Hierin zult u beproefd worden: zo waarlijk als Farao leeft! als u van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broer herwaarts zal gekomen zijn!
[^genesis-42-17-20]: Kanttekening 20: zette hen: Hebr. verzamelde hen.
[^genesis-42-18-21]: Kanttekening 21: Doet dit: Dat is, doet zoals ik u zeggen zal, zo zult u zorgdragen voor uw leven en welvaart, opdat u niet voor verspieders gehouden en gestraft wordt.
[^genesis-42-19-22]: Kanttekening 22: uw broers: Hebr. een ulieder broer.
[^genesis-42-19-23]: Kanttekening 23: het koren: Hebr. het koren van de honger van uw huizen; dat is, wat nodig is voor de honger van uw huisgezinnen.
[^genesis-42-20-e]: Verwijzing e: onder, Gen. 43:5 ; onder, Gen. 44:23 . Genesis 43:5 : Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. Genesis 44:23 : Toen zeide u tot uw knechten: Als uw kleinste broer met u niet afkomt, zo zult u mijn aangezicht niet meer zien.
[^genesis-42-21-24]: Kanttekening 24: Anders, immers, evenwel. Alsof zij zeiden, of wij het al zoeken te verbergen, zo gevoelen wij wel dat God onze misdaad nu thuiszoekt.
[^genesis-42-21-25]: Kanttekening 25: toen hij ons: Dat is wel door Mozes niet verhaald, hfdst. 37, Gen. 37 , maar hier bekennen zij het, dit aldus geschied te zijn.
[^genesis-42-22-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 37:21 ; idem v. 22 . Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Genesis 37:22 : Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen.
[^genesis-42-22-26]: Kanttekening 26: zijn bloed: Dat is, de schuld en de straf van zijn dood. Zie 1 Kon. 2:32 , 2:33 , enz. Aldus is bloed zoeken of eisen, straffen en wreken; zie 2 Kron. 24:22 ; Ez. 3:18 ; Luk. 11:50 . Het schijnt wel dat zij allen gemeend hebben dat Jozef dood was. Maar zij mogen dit Ruben al die tijd wijsgemaakt hebben, daar hij er niet bij was, toen Jozef verkocht werd; zie boven, Gen. 37:29 . 1 Koningen 2:32 : Zo zal YHWH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de krijgsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de krijgsoverste van Juda. 1 Koningen 2:33 : Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid. 2 Kronieken 24:22 : Zo gedacht de koning Joas niet van de weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; die, als hij stierf, zei: YHWH zal het zien en zoeken! Ezechiël 3:18 : Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Lukas 11:50 : Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging van de wereld af. Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^genesis-42-23-27]: Kanttekening 27: Dat is, verstond, zie boven, Gen. 11:7 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore.
[^genesis-42-23-28]: Kanttekening 28: want daar: Jozef hield zich alsof hij de Hebreeuwse spraak niet verstond, om des te weiniger door zijn broers herkend te worden.
[^genesis-42-24-29]: Kanttekening 29: wendde hij: Eensdeels door de kracht van bloed en geboorte, anderdeels over de woorden, die zijn broers over hem tezamen gesproken hadden.
[^genesis-42-24-30]: Kanttekening 30: Simeon was de naast-oudste van de zonen van Jakob, die, naar sommiger gevoelen, Jozef het hardst was gevallen, en mee de voornaamste geweest is in de moord van Sichem. Ruben, de oudste, wordt verschoond, omdat hij minder schuld had in de mishandeling aan Jozef, en de bekwaamste was om zijn broers naar huis te geleiden.
[^genesis-42-24-31]: Kanttekening 31: bond hem: Te weten, door zijn dienaren en trawanten, wie hij dit belastte.
[^genesis-42-25-32]: Kanttekening 32: zakken met: Het Hebreeuwse woord beduidt allerlei vaten, gereedschap, of tuig, waar men iets inpakt of doet.
[^genesis-42-25-33]: Kanttekening 33: hun geld: Hebr. hun zilverlingen, of, gelden.
[^genesis-42-25-34]: Kanttekening 34: deed hun zo: Of, hij deed hun zo.
[^genesis-42-28-35]: Kanttekening 35: Hebr. ging hun hart uit; dat is, de kracht huns harten week van hen, evenals wanneer iemand in onmacht valt. Verg. 1 Kon. 10:5 , met de aantekeningen. 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^genesis-42-28-36]: Kanttekening 36: Zie boven, Gen. 27:33 . Genesis 27:33 : Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, geheel zeer, en zei: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, voordat u kwam, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.
[^genesis-42-28-37]: Kanttekening 37: de één tot: Hebr. de man tot zijn broer.
[^genesis-42-28-38]: Kanttekening 38: Wat is dit: Of, hoe heeft ons God dit gedaan? Zij oordelen uit dit en al het voorgaande, dat God op hen vergramd was.
[^genesis-42-29-39]: Kanttekening 39: al hun: Alles, behalve wat zij verbergen, om hun vader niet te zeer te verschrikken.
[^genesis-42-30-40]: Kanttekening 40: hij heeft: Hebr. hij heeft ons gegeven, geleverd, of, gesteld.
[^genesis-42-33-41]: Kanttekening 41: neemt voor: Hebr. neemt de honger van uw huizen; zie boven, vers 19 . Genesis 42:19 : Zo u vroom bent, zo zij een van uw broers gebonden in het huis van uw bewaring; en gaat u heen, brengt het koren voor de honger van uw huizen.
[^genesis-42-34-42]: Kanttekening 42: Zie boven, Gen. 34:10 . Genesis 34:10 : En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.
[^genesis-42-35-g]: Verwijzing g: boven, v. 25 ; onder, Gen. 44:1 . Genesis 42:25 : En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld keerde terug, een iedereen in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot de weg; en men deed hun zo. Genesis 44:1 : En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken van deze mannen met voedsel, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in de mond van zijn zak;
[^genesis-42-35-43]: Kanttekening 43: en zij waren: Zorgende dat men hen van diefstal zou beschuldigen, vrg. onder, Gen. 43:18 . Genesis 43:18 : Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken teruggekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.
[^genesis-42-36-44]: Kanttekening 44: Hij houdt het er voor, alsof hij hem reeds kwijt is, vrezende dat hij niet lichtelijk uit de gevangenis zou geraken, of ook in perijkel van zijn leven stond.
[^genesis-42-37-45]: Kanttekening 45: Deze voorslag was onwettelijk en onnatuurlijk, daarom neemt Jakob die niet aan.
[^genesis-42-37-46]: Kanttekening 46: twee mijner: Twee van de vier, die onder genoemd worden, Gen. 46:9 . Genesis 46:9 : En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
[^genesis-42-38-47]: Kanttekening 47: zijn broer: Zoals hij meende; zie boven, Gen. 37:33 , 37:35 . Genesis 37:33 : En hij bekende hem, en zei: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd! Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^genesis-42-38-48]: Kanttekening 48: Te weten, van de kinderen van Rachel.
[^genesis-42-38-49]: Kanttekening 49: Zie boven, vers 4 . Genesis 42:4 : Maar Benjamin, Jozefs broer, zond Jakob niet met zijn broers; want hij zei: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete!
[^genesis-42-38-51]: Kanttekening 51: ten grave: Zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^genesis-42-38-50]: Kanttekening 50: mijn grauwe: Hebr. mijn grauwigheid, grijzigheid.

### Genesis 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/43.json)

*Jakob laat vanwege de hongersnood en door de onwil van zijn zonen, maar ook door de krachtige pleitrede van Juda, uitein delijk Benjamin met hen meereizen naar Egypte, met geschenken voor de onderkoning en dubbel geld, vers 1. Jozef ziet Benjamin bij hen en laat hen in zijn huis brengen; zij worden bang dat het om het teruggevonden geld zou gaan, en verontschuldigen zich bij Jozefs huismeester, die hen geruststelt, 16. Zij bereiden de geschenken en bieden die Jozef aan; hij spreekt vriendelijk met hen, in het bijzonder met Benjamin, en is daardoor zo ontroerd dat hij zich moet terugtrekken om te huilen. Daarna onthaalt hij hen met een overvloedige maaltijd, waarbij Benjamin extra wordt bedeeld, 25.*

**1** De honger nu werd zwaar[^genesis-43-1-1] in dat land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v1)

**2** Zo gebeurde het, als zij de leeftocht, die zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zei: Keer opnieuw, koop ons wat voedsel.[^genesis-43-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v2)

**3** Toen sprak Juda tot hem, zeggende:[^genesis-43-3-3] Die man[^genesis-43-3-4] heeft ons op het hoogste betuigd,[^genesis-43-3-5] zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw[^genesis-43-3-6] broer met u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v3)

**4** Als u onze broer met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u voedsel kopen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v4)

**5** Maar[^genesis-43-5-a] als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd:[^genesis-43-5-b] U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v5)

**6** En Israël zei: Waarom hebt u zo kwalijk aan mij gedaan,[^genesis-43-6-7] dat u die man te kennen gaf, of u nog een broer had? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v6)

**7** En zij zeiden: Die man[^genesis-43-7-8] vroeg zeer nauw naar ons, en naar onze familie, zeggende: Leef uw vader nog; hebt u nog een broer? Zo gaven wij het hem te kennen,[^genesis-43-7-9] volgens diezelfde woorden;[^genesis-43-7-10] hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Breng uw broer af? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v7)

**8** Toen zei Juda tot Israël, zijn vader: Zend de jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven,[^genesis-43-8-11] noch wij, noch u, noch onze kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v8)

**9** Ik zal borg voor hem zijn;[^genesis-43-9-c] van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u[^genesis-43-9-12] gezondigd hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v9)

**10** Want hadden wij niet gezuimd, werkelijk, wij waren alreeds tweemaal teruggekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v10)

**11** Toen zei Israël, hun vader, tot hen:[^genesis-43-11-13] Is het nu zo, zo doet dit; neem van het[^genesis-43-11-14] loffelijkste van dit land in uw zakken, en breng die man een geschenk heen af: een weinig[^genesis-43-11-15] balsem, en een weinig honing, specerijen en mirre,[^genesis-43-11-16] terpentijnnoten en amandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v11)

**12** En neemt[^genesis-43-12-17] dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, dat in de mond van uw zakken teruggekeerd is, weer in uw hand;[^genesis-43-12-18] misschien is het een fout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v12)

**13** Neem ook uw broer mee, en maakt u op, keer weer tot die man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v13)

**14** En[^genesis-43-14-19] God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw andere broer en Benjamin met u late gaan![^genesis-43-14-20] En wat mij betreft, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v14)

**15** En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en trokken af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v15)

**16** Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zei hij tot degene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht[^genesis-43-16-21] slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v16)

**17** De man nu deed, zoals Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v17)

**18** [^genesis-43-18-22] Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Vanwege het geld, dat[^genesis-43-18-23] in het begin in onze zakken teruggekeerd is, worden wij ingebracht,[^genesis-43-18-24] opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en[^genesis-43-18-25] ons tot slaven neme, met onze ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v18)

**19** [^genesis-43-19-26] Daarom naderden zij tot die man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v19)

**20** En zij zeiden:[^genesis-43-20-27] Och, mijn heer![^genesis-43-20-d] wij waren[^genesis-43-20-28] in het begin[^genesis-43-20-29] zeker afgekomen, om voedsel te kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v20)

**21** Het is nu gebeurd,[^genesis-43-21-e] als wij[^genesis-43-21-30] in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders geld boven in zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben het teruggebracht in onze hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v21)

**22** Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om voedsel te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v22)

**23** En hij zei:[^genesis-43-23-31] Vrede zij u, vreest niet![^genesis-43-23-32] Uw God en de God van uw vader heeft u[^genesis-43-23-33] een schat in uw zakken gegeven;[^genesis-43-23-34] uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v23)

**24** Daarna bracht de man deze mannen in het huis van[^genesis-43-24-f] Jozef, en hij gaf water; en[^genesis-43-24-35] zij wasten hun voeten; hij gaf ook aan hun ezels voer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v24)

**25** En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op de middag; want zij hadden gehoord, dat zij daar[^genesis-43-25-36] brood eten zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v25)

**26** Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, dat in hun hand was, in het huis, en zij[^genesis-43-26-37][^genesis-43-26-g] bogen zich voor hem ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v26)

**27** En hij[^genesis-43-27-38] vroeg hun naar hun welstand, en zei:[^genesis-43-27-39] Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zei? Leeft hij nog? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v27)

**28** En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onze vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v28)

**29** En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: Is dit uw kleinste broer,[^genesis-43-29-h] waarvan u tot mij zei? Daarna zei hij:[^genesis-43-29-40] Mijn zoon? God zij u genadig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v29)

**30** En Jozef haastte zich; want zijn[^genesis-43-30-41] binnenste ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te huilen; en hij ging in een kamer,[^genesis-43-30-i] en huilde daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v30)

**31** Daarna waste hij zijn aangezicht en kwam uit; en[^genesis-43-31-42] hij bedwong zichzelf, en zei:[^genesis-43-31-43] Zet brood op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v31)

**32** En zij richtten voor[^genesis-43-32-44] hem aan[^genesis-43-32-45] in het bijzonder, en voor[^genesis-43-32-46] hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat[^genesis-43-32-47] dat de Egyptenaren een gruwel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v32)

**33** En zij aten[^genesis-43-33-48] voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en[^genesis-43-33-49] de jongere naar zijn jeugd;[^genesis-43-33-50] daarom verwonderden zich de mannen[^genesis-43-33-51] onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v33)

**34** En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was[^genesis-43-34-52] vijfmaal groter, dan de gerechten van hen alle. En zij dronken, en[^genesis-43-34-53] zij werden dronken met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/43.html#v34)

[^genesis-43-1-1]: Kanttekening 1: in dat land: Te weten, in het land van Kanaän, en daaromtrent.
[^genesis-43-2-2]: Kanttekening 2: als zij de leeftocht, … opgegeten hadden: Hebr. toen zij eindigden te eten; dat is, toen zij ten naasten bij alles opgegeten hadden.
[^genesis-43-3-3]: Kanttekening 3: Die man: Te weten, de heer van Egypte. Zo ook boven, Gen. 42:33 , en hier vers 5 , 43:6 , 43:7 , enz. Genesis 42:33 : En die man, de heer van dat land, zei tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat u vroom bent; laat een van uw broers bij mij, en neemt voor de honger van uw huizen, en trekt heen. Genesis 43:5 : Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. Genesis 43:6 : En Israël zei: Waarom hebt u zo kwalijk aan mij gedaan, dat u die man te kennen gaf, of u nog een broer hadt? Genesis 43:7 : En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze familie, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt u nog een broer? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broer af?
[^genesis-43-3-4]: Kanttekening 4: op het hoogste betuigd: Hebr. betuigende betuigd.
[^genesis-43-3-5]: Kanttekening 5: U zult mijn aangezicht niet zien: Dat is, in mijn aanwezigheid niet komen; zie deze manier van spreken 2 Sam. 14:24 , 14:28 , 14:32 ; Hand. 20:25 , 20:38 . 2 Samuël 14:24 : En de koning zei: Dat hij in zijn huis kere, en mijn aangezicht niet zie. Zo keerde Absalom in zijn huis, en zag het aangezicht van de koning niet. 2 Samuël 14:28 : Zo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij het aangezicht van de koning niet zag. 2 Samuël 14:32 : En Absalom zei tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot de koning zend, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij goed, dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij het aangezicht van de koning zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij. Handelingen 20:25 : En nu ziet, ik weet, dat u allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk van God, mijn aangezicht niet meer zien zult. Handelingen 20:38 : Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.
[^genesis-43-3-6]: Kanttekening 6: Te weten, Benjamin.
[^genesis-43-5-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 42:20 . Genesis 42:20 : En brengt uw kleinsten broer tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en u zult niet sterven. En zij deden zo.
[^genesis-43-5-b]: Verwijzing b: onder, Gen. 44:23 . Genesis 44:23 : Toen zeide u tot uw knechten: Als uw kleinste broer met u niet afkomt, zo zult u mijn aangezicht niet meer zien.
[^genesis-43-6-7]: Kanttekening 7: dat u die man te kennen gaf: Of, die man te kennen gevende, dat u nog een broer hadt.
[^genesis-43-7-8]: Kanttekening 8: vraagde zeer nauw: Hebr. vragende vraagde hij.
[^genesis-43-7-9]: Kanttekening 9: volgens diezelfde woorden: Hebr. naar de mond derzelver woorden; dat is, naar de eis van de woorden, die hij ons voorgesteld had.
[^genesis-43-7-10]: Kanttekening 10: hebben wij juist geweten: Hebr. zouden wij wetende weten.
[^genesis-43-8-11]: Kanttekening 11: Te weten, van honger.
[^genesis-43-9-c]: Verwijzing c: onder, Gen. 44:32 . Genesis 44:32 : Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben!
[^genesis-43-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, strafwaardig zijn al de dagen mijns levens; aldus wordt het woord zondigen, of zondaar zijn, genomen onder, Gen. 44:32 ; 1 Kon. 1:21 . Genesis 44:32 : Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben! 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.
[^genesis-43-11-13]: Kanttekening 13: Is het nu: Alsof hij zei: Is de zaak aldus gesteld, laat het dan gebeuren in Gods naam.
[^genesis-43-11-14]: Kanttekening 14: Wat om de grote waarde zeer geprezen en vermaard was. Sommigen houden het voor een zeer uitnemend gewas en vruchten, die van de bomen afgesneden werden.
[^genesis-43-11-15]: Kanttekening 15: Zie van deze en van enige volgende specerijen, boven, Gen. 37:25 . Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
[^genesis-43-11-16]: Kanttekening 16: Anders, pijnappelnoten, of, hazelnoten.
[^genesis-43-12-17]: Kanttekening 17: dubbel geld: Dat is, nog eens zoveel als tevoren, omdat de duurte vermeerderd was; boven, vers 1 . Genesis 43:1 : De honger nu werd zwaar in dat land;
[^genesis-43-12-18]: Kanttekening 18: misschien is het een fout: Dat is, er mag enig misverstand of misgreep zijn, dat uw geld dus in uw zakken geraakt is.
[^genesis-43-14-19]: Kanttekening 19: Zie boven, Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-43-14-20]: Kanttekening 20: En mij aangaande: Alsof hij zei: moet het zo zijn, dat mijn kinderen achterblijven.... de wil van de Heer geschiede, wie ik de uitkomst van deze zaak aanbeveel. Zie dergelijke manier van spreken, Esth. 4:16 . Anders, gelijk ik van kinderen beroofd ben \[te weten, van Jozef en Simeon\], zo word ik beroofd \[te weten, van Benjamin\]. Esther 4:16 : Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook zo vasten, en zo zal ik tot de koning ingaan, dat niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.
[^genesis-43-16-21]: Kanttekening 21: Hebr. slachting; dat is, vee, dat geslacht werd om gegeten te worden. Verg. Spr. 9:2 . Spreuken 9:2 : Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt.
[^genesis-43-18-22]: Kanttekening 22: Toen vreesden: Zij wisten niet dat zij ter maaltijd genodigd waren, maar meenden dat men hen in het huis verzekeren en om het geld bezwaren of straffen wilde.
[^genesis-43-18-23]: Kanttekening 23: in het begin: Dat is, bij onze eerste reis naar dit land; zie boven, Gen. 42:25 . Genesis 42:25 : En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld terugkeerde, een ieder in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot de weg; en men deed hun zo.
[^genesis-43-18-24]: Kanttekening 24: opdat hij ons overrompele en ons overvalle: Of, opdat hij zich wentele over ons; dat is, met zware beschuldiging zich over ons werpe, om ons ten gronde te brengen; gelijk iemand onder een zwaren last, die op hem valt, verdrukt blijft.
[^genesis-43-18-25]: Kanttekening 25: ons tot slaven neme: Men meent dat de Egyptenaars de dieverij plachten te straffen met slavernij.
[^genesis-43-19-26]: Kanttekening 26: Om zich te verontschuldigen, voordat zij beschuldigd zouden mogen worden vanwege het geld.
[^genesis-43-20-27]: Kanttekening 27: Het Hebreeuwse woordje is gebruikelijk bij dengene, die, in enige zwarigheid zijnde, van een meerdere iets verzoekt; zo Ex. 4:10 ; Num. 12:11 . Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Numeri 12:11 : Daarom zei Aäron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmee wij zottelijk gedaan, en waarmee wij gezondigd hebben!
[^genesis-43-20-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 42:3 . Genesis 42:3 : Toen togen Jozefs tien broers af, om koren uit Egypte te kopen.
[^genesis-43-20-28]: Kanttekening 28: in het begin: Zie boven, vers 18 . Genesis 43:18 : Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken teruggekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.
[^genesis-43-20-29]: Kanttekening 29: gewisselijk afgekomen: Hebr. afkomende afgekomen.
[^genesis-43-21-e]: Verwijzing e: boven, Gen. 42:27 ; idem v. 35 . Genesis 42:27 : Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in de mond van zijn zak. Genesis 42:35 : En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een iedereen de bundel zijn gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.
[^genesis-43-21-30]: Kanttekening 30: in de herberg: Zij verhalen de zaak niet juist noch onderscheidelijk, zoals zij in het geheel geschied was; want één alleen had op de weg in de herberg zijn geld in zijn zak gevonden, en de anderen tehuis, boven, Gen. 42:27 , 42:35 ; maar het schijnt dat zij dit zo gedaan hebben, òf vanwege de kortheid, òf door verslagenheid. Genesis 42:27 : Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in de mond van zijn zak. Genesis 42:35 : En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een ieder de bundel van zijn geld in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.
[^genesis-43-23-31]: Kanttekening 31: Vrede zij u: Of, vrede zal u zijn; dat is, uw zaken staan wèl; het zal wèl zijn; hebt goede moed.
[^genesis-43-23-32]: Kanttekening 32: Uw God: Het schijnt dat deze dienaar van Jozef in de ware religie is onderwezen geweest.
[^genesis-43-23-33]: Kanttekening 33: een schat: Of, iets verborgens.
[^genesis-43-23-34]: Kanttekening 34: uw geld is tot mij gekomen: Dat is, ik heb uw geld ontvangen.
[^genesis-43-24-f]: Verwijzing f: boven, Gen. 18:4 . Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^genesis-43-24-35]: Kanttekening 35: zij wiesen hun voeten: Zie Gen. 18:4 . Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^genesis-43-25-36]: Kanttekening 36: brood eten: Dat is, hun maaltijd houden, of ten eten blijven. Zie boven, Gen. 31:54 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^genesis-43-26-37]: Kanttekening 37: bogen zich: Zie boven, Gen. 37:7 . Genesis 37:7 : En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.
[^genesis-43-26-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 37:10 ; boven, Gen. 42:6 . Genesis 37:10 : En als hij het aan zijn vader en aan zijn broers verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zei tot hem: Wat is dit voor een droom, die u gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broers, om ons voor u ter aarde te buigen? Genesis 42:6 : Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk van het land; en Jozefs broers kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.
[^genesis-43-27-38]: Kanttekening 38: vraagde hun naar hun welstand: Hebr. vraagde hun naar de vrede; dat is, naar hun welvaren; of hoe het met hen ging; zo Ex. 18:7 ; Richt. 18:15 ; 1 Sam. 25:5 . Van het woord vrede, zie boven, Gen. 37:14 . Exodus 18:7 : Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent. Richteren 18:15 : Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van de jongeling, de Leviet, in het huis van Micha; en zij vraagden hem naar vrede. 1 Samuël 25:5 : Zo zond David tien jongelingen; en David zei tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als u tot Nabal komt, zo zult u hem in mijn naam naar de welstand vragen; Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^genesis-43-27-39]: Kanttekening 39: Is het wel: Hebr. heeft hij vrede? en zo vervolgens. Zie boven, Gen. 29:6 . Genesis 29:6 : Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
[^genesis-43-29-h]: Verwijzing h: boven, Gen. 42:13 . Genesis 42:13 : En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroers, van een man zonen, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onze vader; maar de één is niet meer.
[^genesis-43-29-40]: Kanttekening 40: Mijn zoon: Zo noemt hij hem uit vriendschap en grote toegenegenheid, naar de wijze dergenen, die bedaagder en aanzienlijker zijnde, een jongere en mindere in het vriendelijke plegen toe te spreken.
[^genesis-43-30-41]: Kanttekening 41: Het ingewand van de mens betekent eigenlijk zijn inwendige delen: als hart, long, lever, maag, enz. Aangezien nu deze, en voornamelijk het hart, als men met barmhartigheid en medelijden over iemand bevangen wordt, zeer bewogen en ontstoken worden, zo wordt het ingewand genomen voor de barmhartigheid zelve, uit het diepste van het hart van de mens voorkomende; 1 Kon. 3:26 ; Filip. 2:1 ; Kol. 3:12 . 1 Koningen 3:26 : Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het in geen geval; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. Filippensen 2:1 : Als er dan enige vertroosting is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
[^genesis-43-30-i]: Verwijzing i: onder, Gen. 45:2 . Genesis 45:2 : En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's huis hoorde.
[^genesis-43-31-42]: Kanttekening 42: hij bedwong zichzelven: Te weten, van wenen; zie Gen. 45:1 . Genesis 45:1 : Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broers bekend maakte.
[^genesis-43-31-43]: Kanttekening 43: Zet brood op: Dat is, recht het voedsel aan.
[^genesis-43-32-44]: Kanttekening 44: Jozef.
[^genesis-43-32-45]: Kanttekening 45: in het bijzonder: Tot een teken van zijn waardigheid en de eerbied, die men hem schuldig was.
[^genesis-43-32-46]: Kanttekening 46: hen in het bijzonder: De broers van Jozef.
[^genesis-43-32-47]: Kanttekening 47: zulks de: Ten aanzien van hun afgodische religie, omdat zij goddelijke eer bewezen aan kalven, ossen, enz., die de Hebreën slachtten en aten; verg. onder, Gen. 46:34 ; Ex. 8:26 . Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is voor de Egyptenaren een gruwel. Exodus 8:26 : Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe; want wij zouden de gruwel van de Egyptenaren aan YHWH, onze God, mogen offeren; zie, als wij de gruwel van de Egyptenaren voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?
[^genesis-43-33-48]: Kanttekening 48: voor zijn aangezicht: Dat is, tegen hem over.
[^genesis-43-33-49]: Kanttekening 49: de jongere naar zijn jonkheid: Hebr. de kleine naar zijn kleinkind.
[^genesis-43-33-50]: Kanttekening 50: Niet alleen omdat Jozef hun zulk een grote eer aandeed, maar in het bijzonder, omdat zij naar de ouderdom, die zij meenden dat hem onbekend was, gezet waren.
[^genesis-43-33-51]: Kanttekening 51: de mannen onder elkaar: Hebr. de man tot zijn naasten.
[^genesis-43-34-52]: Kanttekening 52: vijfmaal groter: Hebr. hij vermenigvuldigde de gerechten van Benjamin boven de gerechten van hen allen vijf handen, dat is, vijf delen.
[^genesis-43-34-53]: Kanttekening 53: zij werden dronken: Dat is, zij werden vrolijk. Het Hebreeuwse woord betekent niet altijd in overvloed of gulzigheid zich met wijn te overladen, maar somtijds alleen verheugd te zijn door het drinken van de wijn. Zie Ps. 104:15 ; Hoogl. 5:1 ; Hagg. 1:6 , gelijk ook het Griekse woord genomen wordt, dat men vindt Joh. 2:10 . Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mens verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mens sterkt. Hooglied 5:1 : Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! Haggai 1:6 : U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel. Johannes 2:10 : En zei tot hem: Alle man zet eerst de goede wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan de mindere; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.

### Genesis 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/44.json)

*Jozef laat zijn broers vertrekken, maar heeft in ieders korenzak het geld laten stoppen en in die van Benjamin bovendien zijn zilveren beker, vers 1. Hij laat hen achternazitten en van diefstal beschuldigen; hevig geschrokken verplichten zij zich onwetend tot straf voor de schuldige, 4. De beker wordt in Benjamins zak gevonden, waarop zij allen verbijsterd naar Jozef terugkeren en zich aan zijn oordeel onderwerpen. Juda houdt een indrukwekkend pleidooi voor Benjamin en biedt aan in diens plaats te blijven, 12.*

**1** En[^genesis-44-1-1] hij gebood degene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken van deze mannen met voedsel, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders geld boven in zijn zak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v1)

**2** En mijn[^genesis-44-2-2] beker, de zilveren beker, zult u leggen in de mond van de[^genesis-44-2-3] zak van de[^genesis-44-2-4] kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, dat hij gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v2)

**3** Van de morgen, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v3)

**4** Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot degene, die over zijn huis was, zei: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als u hen zult achterhaald hebben, zo zult u tot hen zeggen: Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v4)

**5** Is het[^genesis-44-5-5] deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en[^genesis-44-5-6] waarbij hij iets zeker waarnemen zal? U hebt kwalijk gedaan, wat u gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v5)

**6** En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen[^genesis-44-6-7] diezelfde woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v6)

**7** En[^genesis-44-7-8] zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer[^genesis-44-7-9] zulke woorden? Het zij verre van uw knechten,[^genesis-44-7-10] dat zij zulk een ding doen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v7)

**8** Zie, het geld, dat wij in de mond van onze zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän teruggebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v8)

**9** Bij wie van uw knechten hij gevonden zal worden,[^genesis-44-9-11] dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v9)

**10** En hij zei: Dit zij[^genesis-44-10-12] nu ook zo,[^genesis-44-10-13] naar uw woorden! Bij wie hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar u zult[^genesis-44-10-14] onschuldig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v10)

**11** En zij haastten, en ieder zette zijn zak af op de aarde, en ieder opende zijn zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v11)

**12** En hij doorzocht,[^genesis-44-12-15] beginnende met de grootste, en voleindigende met de kleinste; en die beker werd gevonden in de zak van Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v12)

**13** Toen[^genesis-44-13-16] scheurden zij hun kleren; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weer naar de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v13)

**14** En Juda kwam met zijn broers in het huis van Jozef; want[^genesis-44-14-17] hij was nog zelf daar; en zij vielen voor zijn aangezicht neer ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v14)

**15** En Jozef zei tot hen: Wat daad is dit, die u gedaan hebt? Weet u niet, dat zulk een man als ik dat[^genesis-44-15-18] zeker waarnemen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v15)

**16** Toen zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en[^genesis-44-16-19] wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid van uw knechten[^genesis-44-16-20] gevonden; zie, wij zijn van mijn heer slaven, zo wij, als hij,[^genesis-44-16-21] in wie de hand de beker gevonden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v16)

**17** Maar hij zei: Het zij verre van mij dat te doen! de man, in wie de hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; maar trekt u op in[^genesis-44-17-22] vrede tot uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v17)

**18** Toen naderde Juda tot hem, en zei:[^genesis-44-18-23] Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor van mijn heer oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want[^genesis-44-18-24] u bent even gelijk Farao! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v18)

**19** Mijn heer vroeg zijn knechten, zeggende: Hebt u een vader, of broer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v19)

**20** Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een oude vader, en een[^genesis-44-20-25] jongeling[^genesis-44-20-26] van de ouderdom, de kleinsten, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v20)

**21** Toen zei u tot uw knechten: [^genesis-44-21-a] Breng hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem[^genesis-44-21-27] sla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v21)

**22** En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet[^genesis-44-22-28] kunnen verlaten; als hij zijn vader verlaat, zo zal[^genesis-44-22-29] hij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v22)

**23** Toen zei u tot uw knechten: [^genesis-44-23-b] Als uw kleinste broer met u niet afkomt, zo zult[^genesis-44-23-30] u mijn aangezicht niet meer zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v23)

**24** En het is gebeurd, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden van mijn heer verhaald hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v24)

**25** En dat onze vader gezegd heeft: Keer weer, koop ons wat voedsel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v25)

**26** Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; als onze kleinste broer bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van die man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broer niet bij ons is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v26)

**27** Toen zei uw knecht, mijn vader, tot ons: U weet, dat mijn huisvrouw[^genesis-44-27-31] er[^genesis-44-27-32] mij twee gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v27)

**28** En de één is van mij uitgegaan,[^genesis-44-28-c] en ik heb gezegd: Werkelijk, hij[^genesis-44-28-33] is zeker verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v28)

**29** Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette,[^genesis-44-29-d] zo zou u mijn grijze haren met jammer[^genesis-44-29-34] naar het graf doen neerdalen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v29)

**30** Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (zo[^genesis-44-30-35] zijn ziel aan de ziel van deze gebonden is), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v30)

**31** Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grijze haren van uw knecht, onze vader, met droefenis naar het graf doen neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v31)

**32** Want[^genesis-44-32-36] uw knecht is voor deze jongeling borg[^genesis-44-32-37] bij mijn vader, zeggende:[^genesis-44-32-e] Zo ik hem tot u niet terugbreng, zo zal[^genesis-44-32-38] ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v32)

**33** Nu dan,[^genesis-44-33-39] laat toch[^genesis-44-33-40] uw knecht voor deze jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat de jongeling met zijn broers optrekken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v33)

**34** Want hoe zou ik optrekken tot mijn vader, als de jongeling niet met mij was, opdat ik de jammer niet zie, die mijn vader[^genesis-44-34-41] overkomen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/44.html#v34)

[^genesis-44-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, Jozef.
[^genesis-44-2-2]: Kanttekening 2: Dit schijnt een beker geweest te zijn, hoog, ruim en diep, en van grote waarde, hebbende zijn naam van de rondte en hoogte.
[^genesis-44-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, van Benjamin.
[^genesis-44-2-4]: Kanttekening 4: met het geld: Dat is, wat hij om voedsel te kopen medegebracht had.
[^genesis-44-5-5]: Kanttekening 5: deze niet: Te weten, beker.
[^genesis-44-5-6]: Kanttekening 6: Of, waardoor hij gewisselijk ervaren of bevinden zal; te weten, wat u voor mensen bent. Hebr. waarnemende waarnemen zou. Het Hebreeuwse woord betekent wel somtijds iets door ijdele en ongeoorloofde kunsten waarnemen, om verborgen dingen te openbaren, of te voorzeggen, gelijk Lev. 19:26 ; 2 Kon. 21:6 ; maar het betekent ook dikwijls iets voorzichtiglijk vernemen, of bevinden, en door gewisse tekenen naspeuren, gelijk boven, Gen. 30:27 ; 1 Kon. 20:33 , en aldus is het hier genomen. Anders, waarvan hij zekerlijk vernemen zal, en zo vers 15 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen. 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Genesis 30:27 : Toen zei Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat YHWH mij om uwentwil gezegend heeft. 1 Koningen 20:33 : De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastig, of het van hem ware, en zeiden: Uw broer Benhadad leeft. En hij zei: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op de wagen klimmen. Genesis 44:15 : En Jozef zei tot hen: Wat daad is dit, die u gedaan hebt? Weet u niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zou?
[^genesis-44-6-7]: Kanttekening 7: diezelfde woorden: Te weten, de woorden, die Jozef hem bevolen had.
[^genesis-44-7-8]: Kanttekening 8: zij zeiden: Dat is, één van hen zei in aller naam; daarom volgt: Mijn heer, niet, onze heer.
[^genesis-44-7-9]: Kanttekening 9: zulke woorden: Hebr. naar diezelve woorden.
[^genesis-44-7-10]: Kanttekening 10: dat zij zodanig ding: Hebr. van te doen naar ditzelve woord, of, zaak.
[^genesis-44-9-11]: Kanttekening 11: dat hij sterve: Dat is, niet alleen zal de dief sterven, maar ook wij altegaâr slaven zijn; zie boven, Gen. 43:17 . Zo spreken zij meer vrijmoedig, omdat zij zich geen kwaad bewust waren, dan voorzichtig, geen achterdenken hebbende op enig bedrog, dat hun zou mogen aangedaan zijn, gelijk tevoren met het geld, noch op de droefenis, die hun vader hierdoor zou overkomen. Genesis 43:17 : De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.
[^genesis-44-10-12]: Kanttekening 12: nu ook zo: Anders, is nu ook recht, enz.
[^genesis-44-10-13]: Kanttekening 13: naar uw: Versta dit van het onderzoek; want de straf, die zij zelf op zich genomen hadden, matigt hij.
[^genesis-44-10-14]: Kanttekening 14: Dat is, vrij van straf en onverhinderd mogen terugkeren; zie Ex. 20:7 , en Ex. 34:7 . Exodus 20:7 : U zult de naam van YHWH, uw God, niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid.
[^genesis-44-12-15]: Kanttekening 15: Dit deed hij met opzet om hen te langer in pijn, en te meer buiten bedenken te houden; want hij wist wel in wiens zak de beker was, want hij zelf had hem er in gedaan.
[^genesis-44-13-16]: Kanttekening 16: Te weten, van droefenis, over de misdaad, die Benjamin scheen gedaan te hebben, en van vrees, zowel om de straf, die Jozef hem opleggen mocht, als om de zwarigheid, die hun vader hierdoor overkomen zou. Zie van het scheuren van de kleren boven, Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^genesis-44-14-17]: Kanttekening 17: hij was nog: Te weten, Jozef, om de uitkomst van deze zaak af te wachten.
[^genesis-44-15-18]: Kanttekening 18: Zie boven, vers 5 . Genesis 44:5 : Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? U hebt kwalijk gedaan, wat u gedaan hebt.
[^genesis-44-16-19]: Kanttekening 19: wat zullen: Anders, waarmee zullen wij ons rechtvaardigen? Het Hebreeuwse woord \[gelijk ook een ander van enerlei oorsprong\] betekent vrijachten, en spreken, en onschuldig verklaren, even wanneer iemand voor een rechter van een misdaad bericht zijnde, vrijgesproken wordt; zie deze betekenis, Ex. 23:7 ; Deut. 25:1 ; Ps. 51:6 ; Spr. 17:15 ; Jes. 5:23 ; verg. Matt. 11:9 ; Rom. 3:20 ; Gal. 2:16 , en Gal. 3:8 , enz. Exodus 23:7 : Zijt verre van valse zaken; en de onschuldige en gerechtige zult u niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen. Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. Psalmen 51:6 : Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Spreuken 17:15 : Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn YHWH een gruwel, ja, die beiden. Jesaja 5:23 : Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid van de rechtvaardigen van dezelven afwenden. Mattheüs 11:9 : Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Galaten 2:16 : Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden. Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
[^genesis-44-16-20]: Kanttekening 20: Dat is, Hij heeft haar door zijn voorzienigheid opgemerkt, en nu aan het licht gebracht. Versta dit niet van deze daad, waaraan zij zich niet schuldig kenden, maar van enige andere, over welke hun consciëntie wroegde en die God nu strafte.
[^genesis-44-16-21]: Kanttekening 21: in wiens hand: Dat is, bij wie.
[^genesis-44-17-22]: Kanttekening 22: in vrede: Dat is, met vriendschap en enigheid zonder ongemak te lijden aan uw personen, of schade aan uw goederen. Verg. boven, Gen. 36:29 , 36:31 ; 2 Sam. 3:21 . Genesis 36:29 : Dit zijn de vorsten van de Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana. Genesis 36:31 : En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen van Israël. 2 Samuël 3:21 : Toen zei Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen geheel Israël tot mijn heer, de koning, dat zij een verbond met u maken, en u regeert over alles, wat uw ziel begeert. Zo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.
[^genesis-44-18-23]: Kanttekening 23: Och, mijn: Zie boven, Gen. 43:20 . Genesis 43:20 : En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om voedsel te kopen.
[^genesis-44-18-24]: Kanttekening 24: u bent: Hebr. gelijk u, gelijk Farao; dat is, u bent van zo groot aanzien en vermogen als Farao, wiens persoon u representeert, zodat ik u gelijken eerbied schuldig ben als de koning zelven. Zie deze manier van spreken boven, Gen. 18:25 . Juda noemt hier en in de volgende verzen zijn broer Jozef zijn heer; tienmalen noemt hij zichzelven, zijn vader en zijn broers Jozefs knechten. Wat hij wel doet uit nederigheid en eerbied, maar tegelijk vervult hij Jozefs dromen, boven, Gen. 37:7 , 37:9 . Genesis 18:25 : Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Genesis 37:7 : En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof. Genesis 37:9 : En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde die aan zijn broers; en hij zei: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.
[^genesis-44-20-25]: Kanttekening 25: Verg. boven, Gen. 37:3 . Het woord Jeled betekent wel geheel zeer jonge kinderen, ja zelfs ook, die maar pas geboren zijn, gelijk boven, Gen. 21:8 ; Ex. 1:17 , en Ex. 2:8 ; maar het wordt ook gebruikt van redelijk bejaarden, als van Jozef, toen hij zeventien jaren oud was, boven, Gen. 37:30 ; van al de kinderen van Jakob, toen Ruben omtrent veertien jaren oud was, boven Gen. 33:1 , en hier van Benjamin, toen hij omtrent vier en twintig jaren oud was. Genesis 37:3 : En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon van de ouderdom; en hij maakte hem een veelvervigen rok. Genesis 21:8 : En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag, als Izak gespeend werd. Exodus 1:17 : Maar de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven. Exodus 2:8 : En de dochter van Farao zei tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep de moeder van het knechtje. Genesis 37:30 : En hij keerde weer tot zijn broers, en zei: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan? Genesis 33:1 : En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.
[^genesis-44-20-26]: Kanttekening 26: van de ouderdom: Dat is, die in de ouderdom van de vader geboren is.
[^genesis-44-21-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 24:15 . Genesis 24:15 : En het geschiedde, voordat hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broer van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.
[^genesis-44-21-27]: Kanttekening 27: Of, zette. Dat is, dat Ik hem aanschouwen mag, om de waarheid van uw woorden te beproeven; zie boven, Gen. 42:15 , 42:16 . Somtijds wordt deze manier van spreken gebruikt voor genade, of, gunst bewijzen, gelijk Jer. 39:12 , en Jer. 40:4 . Genesis 42:15 : Hierin zult u beproefd worden: zo waarlijk als Farao leeft! als u van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broer herwaarts zal gekomen zijn! Genesis 42:16 : Zendt één uit u, die uw broer hale; maar weest u gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en als niet, zo waarlijk als Farao leeft, zo bent u verspieders! Jeremia 39:12 : Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe zo met hem. Jeremia 40:4 : Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.
[^genesis-44-22-28]: Kanttekening 28: kunnen verlaten: Want de vader zal dat niet toelaten.
[^genesis-44-22-29]: Kanttekening 29: hij sterven: Te weten, de vader.
[^genesis-44-23-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 43:3 ; idem v. 5 . Genesis 43:3 : Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. Genesis 43:5 : Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
[^genesis-44-23-30]: Kanttekening 30: zult u: Hebr. niet toedoen, of, voortvaren, om mijn aangezicht te zien. Zie boven, Gen. 43:5 . Genesis 43:5 : Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
[^genesis-44-27-31]: Kanttekening 31: Te weten, Rachel. Zie onder, Gen. 46:19 . Genesis 46:19 : De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.
[^genesis-44-27-32]: Kanttekening 32: twee gebaard: Te weten, twee zonen, Jozef en Benjamin.
[^genesis-44-28-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 37:33 . Genesis 37:33 : En hij bekende hem, en zei: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!
[^genesis-44-28-33]: Kanttekening 33: is gewisselijk: Hebr. verscheurende verscheurd geworden. Hier verstaat Jozef eerst wat zijn broers hun vader hadden wijs gemaakt; zodat hij in deze tijd nog niet anders wist, of Jozef was verscheurd.
[^genesis-44-29-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 42:38 . Genesis 42:38 : Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zoudt u mijn grauwe haar met droefenis ten grave doen nederdalen.
[^genesis-44-29-34]: Kanttekening 34: ten grave: Zie boven, Gen. 37:35 , en onder, vers 31 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader. Genesis 44:31 : Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen het grauwe haar van uw knecht, onze vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.
[^genesis-44-30-35]: Kanttekening 35: zijn ziel aan: Dat is, wie hij met zeer innerlijke en hartgrondelijke toegenegenheid liefheeft, en als zijn eigen hart bemint. Zie dergelijke manier van spreken, 1 Sam. 18:1 . 1 Samuël 18:1 : Het geschiedde nu, als hij geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.
[^genesis-44-32-36]: Kanttekening 36: uw knecht: Dat is, ik.
[^genesis-44-32-37]: Kanttekening 37: bij mijn vader: Hebr. van bij mijn vader; dat is, zoals het enigen verklaren, toen hij van mijn vader aftoog.
[^genesis-44-32-e]: Verwijzing e: boven, Gen. 43:9 . Genesis 43:9 : Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!
[^genesis-44-32-38]: Kanttekening 38: zal ik tegen: Dat is, ik zal schuldplichtig en strafwaardig bij mijn vader blijven, al de dagen mijns levens, gelijk boven, Gen. 43:9 ; zie daar de aantekeningen. Genesis 43:9 : Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!
[^genesis-44-33-39]: Kanttekening 39: laat toch: Juda betoont hier zonderling een bekommering over zijn vader, en liefde tot zijn broer Benjamin.
[^genesis-44-33-40]: Kanttekening 40: uw knecht: Dat is, mij.
[^genesis-44-34-41]: Kanttekening 41: overkomen zou: Hebr. vinden; dat is, overkomen, wedervaren, bejegenen, ontmoeten; zie deze manier van spreken Ex. 18:8 ; Deut. 4:30 ; Esth. 8:6 ; Job 31:29 , enz. Dit gehele verhaal van Juda heeft het hart van Jozef zo geraakt en ontstoken, dat hij zich niet langer heeft kunnen bedwingen zonder te wenen, en zich aan zijn broers te ontdekken. Exodus 18:8 : En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat YHWH aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op die weg ontmoet was, en dat hen YHWH verlost had. Deuteronomium 4:30 : Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Esther 8:6 : Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht? Job 31:29 : Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

### Genesis 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/45.json)

*Jozef maakt zich ein delijk aan zijn broers bekend en troost hen met Gods wonderlijke voorzienigheid. Hij draagt hun op alles aan hun vader te melden en hem naar Egypte te brengen, vers 1. Ook de farao moedigt dit aan, 16. Jozef stuurt hen weg met wagens, proviand en geschenken, vooral voor zijn vader, en geeft hun een goede raad mee, 21. Thuis vertellen zij alles aan hun vader, die het uitein delijk gelooft en zich met grote vreugde klaarmaakt voor de reis, 25.*

**1** Toen kon zich Jozef[^genesis-45-1-1] niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep:[^genesis-45-1-2] Doe alle man[^genesis-45-1-3] van mij uitgaan! En er stond[^genesis-45-1-4] niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broers bekend maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v1)

**2** En[^genesis-45-2-5] hij verhief zijn stem met huilen, zodat het[^genesis-45-2-6] de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's[^genesis-45-2-7] huis hoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v2)

**3** En Jozef zei tot zijn broers: Ik ben Jozef! leef mijn vader nog? En zijn broers[^genesis-45-3-8] konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v3)

**4** En Jozef zei tot zijn broers: Nader toch tot mij! En zij naderden. Toen zei hij:[^genesis-45-4-a] Ik ben Jozef, uw broer,[^genesis-45-4-b] die u[^genesis-45-4-9] naar Egypte verkocht hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v4)

**5** Maar nu,[^genesis-45-5-c] wees niet bezorgd, en[^genesis-45-5-10] de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want[^genesis-45-5-11] God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis[^genesis-45-5-12] van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v5)

**6** Want het zijn nu twee jaren van de[^genesis-45-6-13] honger in het midden van het land; en er zijn nog vijf jaren, waarin geen ploeging noch oogst zijn zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v6)

**7** Maar God heeft mij[^genesis-45-7-14] voor uw aangezicht heen gezonden,[^genesis-45-7-15] om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden,[^genesis-45-7-16] door een grote verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v7)

**8** Nu dan, u[^genesis-45-8-17] hebt mij hierheen niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's[^genesis-45-8-18] vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn hele huis, en regeerder in het hele land van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v8)

**9** Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over geheel Egypteland gesteld; kom af tot mij,[^genesis-45-9-19] en wacht niet langer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v9)

**10** En u zult in het[^genesis-45-10-20] land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v10)

**11** En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet[^genesis-45-11-21] verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v11)

**12** En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin, dat[^genesis-45-12-22] mijn mond tot u spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v12)

**13** En boodschap mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat u gezien hebt; en haast u, en[^genesis-45-13-d] brengt mijn vader hierheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v13)

**14** En hij viel aan de[^genesis-45-14-23] hals van Benjamin, zijn broer, en huilde; en Benjamin huilde aan zijn hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v14)

**15** En[^genesis-45-15-24] hij kuste al zijn broers, en hij huilde over[^genesis-45-15-25] hen; en[^genesis-45-15-26] daarna spraken zijn broers met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v15)

**16** Als dit[^genesis-45-16-27] gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zei: Jozefs broers zijn gekomen![^genesis-45-16-28] was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v16)

**17** En Farao zei tot Jozef: Zeg tot uw broers: Doe dit, laad uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v17)

**18** En neemt uw vader en uw[^genesis-45-18-29] huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u[^genesis-45-18-30] het beste van Egypteland geven, en u zult[^genesis-45-18-31] het vette van deze land eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v18)

**19** [^genesis-45-19-32] U bent toch bevolen:[^genesis-45-19-33] doe dit, neemt u uit Egypteland wagens voor uw kinderen, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v19)

**20** En[^genesis-45-20-34] uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van geheel Egypteland, dat zal het uwe zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v20)

**21** En de zonen van Israël deden zo. Zo gaf Jozef hun wagens, naar Farao's[^genesis-45-21-35] bevel; ook gaf hij hun proviant op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v21)

**22** Hij gaf hun alle, ieder[^genesis-45-22-36] één, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd[^genesis-45-22-37] zilverlingen, en vijf wisselklederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v22)

**23** En zijn vader[^genesis-45-23-38] evenzo zond hij tien ezels, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en[^genesis-45-23-39] voedsel voor zijn vader op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v23)

**24** En hij zond zijn broers heen; en zij vertrokken; en hij zei tot hen:[^genesis-45-24-40] Verstoort u niet op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v24)

**25** En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v25)

**26** Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in geheel Egypteland! Toen[^genesis-45-26-41] bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v26)

**27** Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren,[^genesis-45-27-42] zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v27)

**28** En Israël zei:[^genesis-45-28-43] Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, voordat ik sterf! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/45.html#v28)

[^genesis-45-1-1]: Kanttekening 1: niet bedwingen: Te weten, van wenen; gelijk hij tevoren gedaan had, Gen. 43:31 . Genesis 43:31 : Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zei: Zet brood op.
[^genesis-45-1-2]: Kanttekening 2: Doet alle man: Dit doet hij om zijn eer en die van zijn broers bij de Egyptenaars te bewaren, omdat zij horen mochten van hem, dat hij verkocht was, en van zijn broers, dat zij hem verkocht hadden.
[^genesis-45-1-3]: Kanttekening 3: van mij uitgaan: Hebr. van bij mij, of van naast mij; dat is, uit mijn aanwezigheid.
[^genesis-45-1-4]: Kanttekening 4: niemand bij: Dan alleen zijn broers.
[^genesis-45-2-5]: Kanttekening 5: hij verhief zijn: Hebr. hij gaf.
[^genesis-45-2-6]: Kanttekening 6: de Egyptenaren: Die even uit de kamer gegaan zijnde, nog niet ver verwijderd waren.
[^genesis-45-2-7]: Kanttekening 7: huis hoorde: Dat is, hofgezin, waartoe dit gerucht straks verspreid is, gelijk onder, vers 16 . Genesis 45:16 : Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zei: Jozefs broers zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten.
[^genesis-45-3-8]: Kanttekening 8: konden hem niet: Vanwege de consciëntie om hun mishandeling aan Jozef, en zijn tegenwoordige hoogheid en macht, om zich aan hen te wreken, als hij wilde.
[^genesis-45-4-a]: Verwijzing a: Hand. 7:13 . Handelingen 7:13 : En in de tweede reize werd Jozef zijn broers bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
[^genesis-45-4-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 37:28 ; Ps. 105:17 ; Hand. 7:9 . Genesis 37:28 : Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. Psalmen 105:17 : Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf. Handelingen 7:9 : En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
[^genesis-45-4-9]: Kanttekening 9: naar Egypte: Zie boven, Gen. 37:28 . Genesis 37:28 : Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.
[^genesis-45-5-c]: Verwijzing c: onder, Gen. 50:19 ; idem v. 20 ; idem v. 21 . Genesis 50:19 : En Jozef zei tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God? Genesis 50:20 : Gijlieden wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden. Genesis 50:21 : Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.
[^genesis-45-5-10]: Kanttekening 10: de toorn : Of, verdriet, of, spijtigheid, of enige andere kwade beweging; verg. boven, Gen. 31:35 ; òf, laat geen kwade gezindheid in u blijken. Genesis 31:35 : En zij zei tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.
[^genesis-45-5-11]: Kanttekening 11: God heeft: Door zijn wijze, goede en alvermogende regering, uw kwaad werk tot een goed einde wendende; gelijk Hij gedaan heeft met het werk van Saul, 1 Sam. 19:9 , van Absalom, 2 Sam. 12:12 ; van Simeï, 2 Sam. 16:10 ; van Achitofel, 2 Sam. 17:14 ; van de vijanden van Job, Job 1:21 ; van de Joden, Hand. 2:23 , enz; zie 2 Sam. 12:12 . 1 Samuël 19:9 : Maar de boze geest van YHWH was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand; 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 2 Samuël 17:14 : Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het kwaad over Absalom bracht. Job 1:21 : En hij zei: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd! Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon.
[^genesis-45-5-12]: Kanttekening 12: van het leven: Te weten, van u. Anders, tot leeftocht gelijk Richt. 6:4 , en Richt. 17:10 . Richteren 6:4 : En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst van het land, tot daar u komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. Richteren 17:10 : Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet met hem.
[^genesis-45-6-13]: Kanttekening 13: in het midden: Dat is, door het gehele land.
[^genesis-45-7-14]: Kanttekening 14: voor uw aangezicht: Verg. boven, hfdst. 32, de aantekeningen vs. 3, Gen. 32:3 . Genesis 32:3 : En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broer, naar het land Seïr, de landstreek van Edom.
[^genesis-45-7-15]: Kanttekening 15: om u een: Dat is, opdat in deze algemene nood u mag onderhouden worden en de nakomelingen van u mogen overblijven. Anders, opdat er zou overblijven waarvan u zoudt kunnen leven.
[^genesis-45-7-16]: Kanttekening 16: door een: Anders, tot een grote verlossing, of ontkoming; zij wordt groot genoemd, ten aanzien van het wonderbare werk van de goddelijke voorzienigheid, hierin duidelijk blijkende; en van de grote weldaad hierdoor aan de Israëlieten bewezen, die in zeer grote getale overblijven zouden.
[^genesis-45-8-17]: Kanttekening 17: hebt mij: Dat is, het was uw mening noch voornemen niet, om mij een regeerder te maken in Egypte; maar God heeft het gedaan, besturende uw werk tot uw best.
[^genesis-45-8-18]: Kanttekening 18: vader gesteld: Dat is, tot zijn voornaamsten raadsheer, die zijn zaken met vaderlijke zorg zou besturen, en die hij als een vader achten zou.
[^genesis-45-9-19]: Kanttekening 19: vertoef niet: Hebr. staat niet, of blijft niet staan.
[^genesis-45-10-20]: Kanttekening 20: Een land in Egypte, nabij het land Kanaän gelegen, zeer vruchtbaar, vol weiden, en daarom bekwaam voor die met vee omgingen.
[^genesis-45-11-21]: Kanttekening 21: Dat is, door armoede vergaat.
[^genesis-45-12-22]: Kanttekening 22: mijn mond: Dat is, dat ik tot u spreek niet door een taalman in een andere taal, maar door mijn eigen tong, in uw eigen spraak.
[^genesis-45-13-d]: Verwijzing d: Hand. 7:14 . Handelingen 7:14 : En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
[^genesis-45-14-23]: Kanttekening 23: Hebr. halzen, verg. boven, Gen. 33:4 . Genesis 33:4 : Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij weenden.
[^genesis-45-15-24]: Kanttekening 24: hij kuste: Zie boven, Gen. 29:11 , en Gen. 31:28 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende. Genesis 31:28 : Ook hebt u mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochters te kussen; nu, u hebt dwaselijk gedaan zo doende.
[^genesis-45-15-25]: Kanttekening 25: Dat is, terwijl hij hun aan de hals lag, en hen kuste.
[^genesis-45-15-26]: Kanttekening 26: Ziende Jozefs oprechte en hartelijke beweging, zo grijpen zij nu moed, en beginnen wat vrijer met Jozef te spreken.
[^genesis-45-16-27]: Kanttekening 27: Hebr. stem (קוֺל). Zo wordt dit woord ook genomen, Jer. 10:22 ; Hand. 2:6 , enz. Jeremia 10:22 : Ziet, er komt een stem van het gerucht, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken. Handelingen 2:6 : En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
[^genesis-45-16-28]: Kanttekening 28: was het goed: Dat is, het beviel hem wel.
[^genesis-45-18-29]: Kanttekening 29: Hebr. huizen; gelijk vers 11 . Genesis 45:11 : En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt!
[^genesis-45-18-30]: Kanttekening 30: het beste: Hebr. het goede; dat is, het beste en vruchtbaarste.
[^genesis-45-18-31]: Kanttekening 31: het vette: Dat is, het lieflijkste en uitnemendste, dat God uit en op de aarde geeft, tot onderhoud van het menselijk leven; verg. Num. 18:12 , 18:29 , 18:30 ; Deut. 32:14 , Ps. 147:14 . Numeri 18:12 : Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. Numeri 18:29 : Van al uw gaven zult u alle hefoffer van YHWH offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan. Numeri 18:30 : U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip. Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 147:14 : Die uw gebied in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette van de tarwe.
[^genesis-45-19-32]: Kanttekening 32: U bent toch: Namelijk, u Jozef; dat is, u bent met genoegzame macht uit mijn naam voorzien.
[^genesis-45-19-33]: Kanttekening 33: doet dit: Dit is gezegd in het getal van velen, en ziet op de broers van Jozef.
[^genesis-45-20-34]: Kanttekening 34: uw oog: Laat u niet bezwaren, hetzij u wat van uw huisraad achterlaat, òf noch om wat u op de weg zou mogen bederven, òf wat u in deze dure tijd naar de waarde niet zoudt kunnen verkopen.
[^genesis-45-21-35]: Kanttekening 35: Hebr. mond (פִּ֣י).
[^genesis-45-22-36]: Kanttekening 36: Hebr. wisseling, of, verandering van kleren; dat is, zodanige als zij niet dagelijks gebruikten; hoedanige grote heren anderen plachten te geven tot verering of vergelding; Richt. 14:12 , 14:19 ; 2 Kon. 5:5 . Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. Richteren 14:19 : Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijn vaders huis. 2 Koningen 5:5 : Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.
[^genesis-45-22-37]: Kanttekening 37: Zie boven, Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^genesis-45-23-38]: Kanttekening 38: Hebr. als dit; dat is, gelijkelijk, of, evenzo, of, aldus; dat is, gelijk volgt.
[^genesis-45-23-39]: Kanttekening 39: voedsel voor: Anders, toespijs.
[^genesis-45-24-40]: Kanttekening 40: Verstoort u: Te weten, door te twisten, en tegenover elkaar vertoornd te worden over wat u mij in vorige tijden aangedaan hebt.
[^genesis-45-26-41]: Kanttekening 41: bezweek zijn: Te weten, door onverwachte blijdschap en grote verwondering, omdat hij nu omtrent in twee of drie en twintig jaren niet van hem gehoord had.
[^genesis-45-27-42]: Kanttekening 42: zo werd de: Door zonderlinge vreugde over deze geheel zeldzame en onverwachte zaak, werd hij zo verkwikt, dat hij nieuwe krachten van de geest en van het lichaam heeft gekregen.
[^genesis-45-28-43]: Kanttekening 43: Het is genoeg: Of, het is veel, of, een grote zaak.

### Genesis 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/46.json)

*Jakob vertrekt met zijn hele huishouden en bezit naar Egypte en wordt te Berseba door God bemoedigd met hernieuwde beloften, vers 1. Hij komt in Egypte aan met al de zijnen, die bij naam worden opgesomd, 6. Hij stuurt Juda vooruit naar Jozef, die hem tegemoet reist naar Gosen; daar ontmoeten zij elkaar in diepe ontroering, 28. Jozef overlegt met zijn broers wat hij de farao zal vertellen en wat zij moeten zeggen als ze voor hem verschijnen, 31.*

**1** En Israël[^genesis-46-1-1] verreisde met al wat hij had, en hij kwam te[^genesis-46-1-2] Ber-seba, en hij offerde offergaven[^genesis-46-1-3] aan de God van zijn vader Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v1)

**2** En God sprak tot Israël[^genesis-46-2-4] in visioenen van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei:[^genesis-46-2-6] Zie, hier ben ik![^genesis-46-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v2)

**3** En Hij zei:[^genesis-46-3-a] Ik ben die God, van uw vader God;[^genesis-46-3-7] vrees niet van af te trekken naar Egypte;[^genesis-46-3-b] want Ik zal u daar tot een groot volk zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v3)

**4** [^genesis-46-4-c] Ik zal met u[^genesis-46-4-8] aftrekken naar Egypte en[^genesis-46-4-9] Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende;[^genesis-46-4-10] en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v4)

**5** [^genesis-46-5-d] Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had, om hem te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v5)

**6** En zij namen hun vee, en hun bezittingen, die zij[^genesis-46-6-11] in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v6)

**7** Zijn zonen, en de zonen van zijn zonen met hem;[^genesis-46-7-12] zijn dochters, en van zijn zonen dochters, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v7)

**8** [^genesis-46-8-e] En[^genesis-46-8-13] dit zijn de namen[^genesis-46-8-14] van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v8)

**9** En de zonen van[^genesis-46-9-15] Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v9)

**10** [^genesis-46-10-f] En de zonen[^genesis-46-10-16] van Simeon: Jemuël, en Jamin, en[^genesis-46-10-17] Ohad, en[^genesis-46-10-18] Jachin, en[^genesis-46-10-19] Zohar, en Saul, de zoon van een[^genesis-46-10-20] Kanaänietische vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v10)

**11** [^genesis-46-11-g] En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v11)

**12** En[^genesis-46-12-h] de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan[^genesis-46-12-21] waren gestorven in het land van[^genesis-46-12-i] Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v12)

**13** En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en[^genesis-46-13-22] Job, en Simron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v13)

**14** En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v14)

**15** Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in[^genesis-46-15-23] Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al[^genesis-46-15-24] de zielen van zijn zonen en van zijn dochters waren[^genesis-46-15-25] drie en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v15)

**16** [^genesis-46-16-k] En de zonen[^genesis-46-16-26] van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en[^genesis-46-16-27] Arodi, en Areli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v16)

**17** [^genesis-46-17-l] En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zus; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v17)

**18** Dit zijn de zonen van Zilpa, die[^genesis-46-18-m] Laban aan zijn dochter Lea[^genesis-46-18-28] gegeven had; en zij baarde Jakob deze[^genesis-46-18-29] zestien zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v18)

**19** De zonen van Rachel,[^genesis-46-19-30] Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v19)

**20** En[^genesis-46-20-n] Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath,[^genesis-46-20-31] de dochter van Potifera, de overste te On, baarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v20)

**21** [^genesis-46-21-o] En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v21)

**22** Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al samen veertien zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v22)

**23** En de[^genesis-46-23-32] zonen van[^genesis-46-23-33] Dan: Chusim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v23)

**24** [^genesis-46-24-p] En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v24)

**25** Dit zijn de zonen van Bilha,[^genesis-46-25-q] die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde die Jakob, zij waren alle zeven zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v25)

**26** Al de zielen, die[^genesis-46-26-34] met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn[^genesis-46-26-35] heup gesproten, uitgezonderd de vrouwen van de zonen van Jakob, waren alle[^genesis-46-26-36] zes en zestig zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v26)

**27** En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen.[^genesis-46-27-r] Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren[^genesis-46-27-37] zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v27)

**28** En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef,[^genesis-46-28-38] om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land[^genesis-46-28-39] Gosen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v28)

**29** Toen spande Jozef zijn wagen aan, en trok op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en[^genesis-46-29-40] als hij zich aan hem vertoonde,[^genesis-46-29-41] zo viel hij hem aan zijn hals, en huilde[^genesis-46-29-42] lang aan zijn hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v29)

**30** En Israël zei tot Jozef: Dat ik[^genesis-46-30-43] nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat u nog[^genesis-46-30-44] leeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v30)

**31** Daarna zei Jozef tot zijn broers, en tot het huis van zijn vader: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v31)

**32** En die mannen zijn schaapherders; want het zijn[^genesis-46-32-45] mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v32)

**33** Wanneer het nu gebeuren zal, dat Farao u zal roepen, en zeggen: Wat is uw beroep? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v33)

**34** Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen;[^genesis-46-34-s] want alle schaapherder is de Egyptenaren[^genesis-46-34-46] een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/46.html#v34)

[^genesis-46-1-1]: Kanttekening 1: En Israël verreisde: Dit is geschied in het jaar na de schepping van de wereld omtrent 2239, tien jaren na Izaks dood, toen Jozef 39 jaren oud was; zie boven, Gen. 35:1 . Genesis 35:1 : Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar voor die God, Die u verscheen, toen u vluchttet voor het aangezicht van uw broer Ezau.
[^genesis-46-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^genesis-46-1-3]: Kanttekening 3: de God van: Dat is, die zijn vader Izak geëerd en aangeroepen had. Hiermede betoonde hij zijn standvastig geloof aan Gods beloften, en zijn dankbaarheid voor Gods weldaden, en bad Hem om raad en hulp op deze reis.
[^genesis-46-2-4]: Kanttekening 4: in gezichten: De gezichten in het algemeen genomen, waardoor God in die tijden zich aan de mensen openbaarde, zijn geweest somtijds buiten de slaap, door het aanschouwen van enige gedaante, die viel òf in de ogen van het lichaam, gelijk boven, Gen. 15:1 , 15:5 , enz., òf in het gezicht van de geest, Zach. 3:1 , somtijds in de slaap, door manier van dromen, gelijk boven, Gen. 20:3 ; Job 33:15 , 33:16 . Beiden konden gebeuren, òf overdag, gelijk Hand. 10:9 , 10:10 , òf 's nachts, gelijk boven, Gen. 15:5 , en hier, vers 2 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Zacharia 3:1 : Daarna toonde Hij mij Josua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel van YHWH; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouw, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Job 33:15 : In de droom, door het gezicht van de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimering op het leger; Job 33:16 : Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun kastijding; Handelingen 10:9 : En de volgende dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure. Handelingen 10:10 : En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 46:2 : En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^genesis-46-2-6]: Kanttekening 6: Zie, hier : Zie boven, Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^genesis-46-2-5]: Kanttekening 5: Jakob, Jakob: Tweemaal roept Hij hem, om hem tot een aandachtig toeluisteren op te scherpen; gelijk boven, Gen. 22:11 , en 1 Sam. 3:10 . Genesis 22:11 : Maar de Engel van YHWH riep tot hem van de hemel, en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! 1 Samuël 3:10 : Toen kwam YHWH, en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuël, Samuël! En Samuël zei: Spreek, want Uw knecht hoort.
[^genesis-46-3-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 26:24 ; boven, Gen. 28:13 ; boven, Gen. 32:9 . Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 32:9 : Verder zei Jakob: O, God van mijn vader Abrahams, en God van mijn vader Izaks, o YHWH! Die tot mij gezegd hebt: Keer weer tot uw land, en tot uw familie, en Ik zal wel bij u doen!
[^genesis-46-3-7]: Kanttekening 7: vrees niet: Omdat u en uw zaad voor een tijdlang zult moeten vertrekken uit een land, dat Ik u en de uwen beloofd heb, boven, Gen. 28:13 , in een land, waarin uw grootvader met vrees en bekommering verkeerd heeft, boven Gen. 12:12 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelve en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 12:12 : En het zal gebeuren, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.
[^genesis-46-3-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 13:16 ; boven, Gen. 16:10 ; boven, Gen. 17:2 ; boven, Gen. 22:17 ; boven, Gen. 26:24 ; boven, Gen. 35:11 ; boven, Gen. 48:4 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Genesis 16:10 : Verder zei de Engel van YHWH tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. Genesis 17:2 : En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen. Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen. Genesis 48:4 : En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot één hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.
[^genesis-46-4-c]: Verwijzing c: Num. 20:15 ; Deut. 10:22 ; Joz. 24:4 ; idem v. 5 ; idem v. 6 ; Ps. 105:23 ; idem v. 24 ; Jes. 52:4 ; Hosea 11:1 . Numeri 20:15 : Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben. Deuteronomium 10:22 : Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. Jozua 24:4 : En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte. Jozua 24:5 : Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in daarvan midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit. Jozua 24:6 : Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt u aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee. Psalmen 105:23 : Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham. Psalmen 105:24 : En Hij deed Zijn volk zeer groeien, en maakte het machtiger dan Zijn tegenstanders. Jesaja 52:4 : Want zo zegt de Heer YHWH: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling daar te verkeren; en Assur heeft hetzelfde om niet onderdrukt. Hosea 11:1 : Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
[^genesis-46-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, om u te geleiden en bij te staan. Versta dit ook van het optrekken, boven, Gen. 24:7 ; Ex. 23:20 ; en Ex. 32:34 . Merk hier eens voor al op, dat de woorden optrekken, opklimmen, enz. idem, aftrekken, afklimmen, enz. meest worden gebruikt ten aanzien van de gelegenheid van de landen, steden en plaatsen, die hoog of laag gelegen zijn. Te gaan naar de hoog gelegene, is optrekken: naar de laag legene, aftrekken. Zie boven, Gen. 12:10 , en Gen. 13:1 , en Gen. 35:1 ; Ex. 19:3 ; Matt. 20:18 ; Luk. 10:30 ; Hand. 3:1 . Het opgaan wordt van God menselijkerwijze gezegd, gelijk ook het afkomen. Genesis 24:7 : YHWH, de God van de hemel, Die mij uit het huis van mijn vader en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. Exodus 23:20 : Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. Exodus 32:34 : Maar ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! maar ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken! Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land. Genesis 13:1 : Zo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. Genesis 35:1 : Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar voor die God, Die u verscheen, toen u vluchttet voor het aangezicht van uw broer Ezau. Exodus 19:3 : En Mozes klom op tot God. En YHWH riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult u tot het huis van Jakob spreken, en aan de kinderen van Israël verkondigen: Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mens zal aan de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Lukas 10:30 : En Jezus, antwoordende, zei: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. Handelingen 3:1 : Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar de tempel, omtrent het uur van het gebed, zijnde de negende ure;
[^genesis-46-4-9]: Kanttekening 9: Ik zal u: Dit is wel eensdeels aan Jakobs dood lichaam vervuld, onder, Gen. 47:29 , 47:30 , en Gen. 50:13 , maar voornamelijk aan zijn nakomelingen, toen Mozes hen uit Egypte heeft gevoerd, en Jozua hen in het land Kanaän gebracht heeft. Genesis 47:29 : Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; Genesis 47:30 : Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult u mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zei: Ik zal doen naar uw woord! Genesis 50:13 : Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk van de akker van Machpela, welke Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover Mamre.
[^genesis-46-4-10]: Kanttekening 10: en Jozef: Dat is, Jozef zal bij u zijn als u sterven zult, en zal \[naar de oude gewoonte van vele volken\] uw ogen sluiten na uw dood. Hier wordt Jakob van God verzekerd, dat zijn geliefde zoon Jozef nog leefde, en dat hij bij Jozefs leven in vrede zou sterven.
[^genesis-46-5-d]: Verwijzing d: Hand. 7:15 . Handelingen 7:15 : En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
[^genesis-46-6-11]: Kanttekening 11: en Jozef: Versta hierbij: en daarenboven in Mesopotamië .
[^genesis-46-7-12]: Kanttekening 12: zijn dochters: Jakob had maar één dochter, te weten, Dina, vers 15 , en maar één zoons dochter, vers 17 . De Heilige Schrift gebruikt het getal van velen voor het getal van enen, gelijk ook boven, Gen. 21:7 , en onder, vers 23 ; Num. 26:8 ; 1 Kron. 2:8 , 2:31 . Genesis 46:15 : Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen van zijn zonen en van zijn dochters waren drie en dertig. Genesis 46:17 : En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zus; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël. Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim. Numeri 26:8 : En de zonen van Pallu waren Eliab. 1 Kronieken 2:8 : De kinderen van Ethan nu waren Azaria. 1 Kronieken 2:31 : En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
[^genesis-46-8-e]: Verwijzing e: Ex. 1:2 ; Ex. 6:13 ; Num. 26:5 ; 1 Kron. 5:1 ; 1 Kron. 6:1 ; 1 Kron. 7:1 ; 1 Kron. 8:1 . Exodus 1:2 : Ruben, Simeon, Levi, en Juda; Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. Numeri 26:5 : Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 1 Kronieken 7:1 : De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier. 1 Kronieken 8:1 : Benjamin nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde,
[^genesis-46-8-13]: Kanttekening 13: dit zijn de namen: Dit geslachtsregister wordt hier en elders door Mozes zo vlijtig herhaald; I. om aan te wijzen Gods wonderwerk in de vermenigvuldiging van het zaad van Abraham; II. om de stammen te onderscheiden, ten aanzien van het priesterdom, de koninklijke waardigheid, en verdeling van het land Kanaän; III. en principalijk om de afkomst van de Messias naar het vlees te vervolgen.
[^genesis-46-8-14]: Kanttekening 14: van de zonen: Dat is, zonen en zoons zonen; idem dochter en nicht.
[^genesis-46-9-15]: Kanttekening 15: Verg. de namen van dit register met de herhalingen daarvan, Num. 26 , en 1 Kron. 6 ,7,8.
[^genesis-46-10-f]: Verwijzing f: Ex. 6:14 ; 1 Kron. 4:24 . Exodus 6:14 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon. 1 Kronieken 4:24 : De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
[^genesis-46-10-16]: Kanttekening 16: Ook genoemd Nemuel, Num. 26:12 . Numeri 26:12 : De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten;
[^genesis-46-10-17]: Kanttekening 17: Hij wordt Num. 26:12 , en 1 Kron. 4:24 , niet genoemd onder de kinderen van Simeon; het schijnt dat hij en de zijnen in die tijd al gestorven waren. Numeri 26:12 : De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten; 1 Kronieken 4:24 : De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
[^genesis-46-10-18]: Kanttekening 18: Ook genoemd Jarib, 1 Kron. 4:24 . 1 Kronieken 4:24 : De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
[^genesis-46-10-19]: Kanttekening 19: Ook genoemd Zerah, Num. 26:13 . Numeri 26:13 : Van Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.
[^genesis-46-10-20]: Kanttekening 20: Zijnde van een vervloekte natie, waarmee het volk van God verboden was te trouwen. Dit wordt verhaald tot schande van Simeon, gelijk ook boven van Juda Gen. 38 , en tot eer van de anderen, die deze exempelen niet gevolgd hebben.
[^genesis-46-11-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 6:1 . 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
[^genesis-46-12-h]: Verwijzing h: boven, Gen. 38:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Genesis 38:3 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er. Genesis 38:4 : Daarna werd zij weer bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan. Genesis 38:5 : En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; maar hij was te Chezib, toen zij hem baarde.
[^genesis-46-12-21]: Kanttekening 21: Zie boven, Gen. 38:7 , 38:10 . Deze worden hier wel genoemd, maar niet om bij het getal te komen, in vers 15 , vermeld. Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH. Genesis 38:10 : En het was kwaad in de ogen van YHWH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook. Genesis 46:15 : Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen van zijn zonen en van zijn dochters waren drie en dertig.
[^genesis-46-12-i]: Verwijzing i: 1 Kron. 2:5 . 1 Kronieken 2:5 : De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^genesis-46-13-22]: Kanttekening 22: Anders, genoemd Jaschub, Num. 26:24 . Deze is te onderscheiden van Job, wiens leven en historie in zijn boek verhaald wordt. De namen worden ook in het Hebreeuws onderscheidenlijk geschreven. Numeri 26:24 : Van Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.
[^genesis-46-15-23]: Kanttekening 23: Zie boven, Gen. 25:20 . Te Paddan-Aram zijn de kinderen van Lea geboren, maar de geslachten van haar zonen, die hier gerekend worden, zijn naderhand in Kanaän geboren. Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^genesis-46-15-24]: Kanttekening 24: de zielen: Dat is, mensen; zie boven, Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^genesis-46-15-25]: Kanttekening 25: drie en dertig: Hierbij gerekend Jakobs persoon, en Er en Onan uitgesloten; zie boven vers 12 . Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^genesis-46-16-k]: Verwijzing k: 1 Kron. 5:11 . 1 Kronieken 5:11 : De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.
[^genesis-46-16-26]: Kanttekening 26: Hebr. Tsiphion (צִפְיוֺן), anders, Tsephon. Num. 26:15 , en zo in het volgende Ezbon voor Etsbon: en boven, vers 10 . Zoar voor Tsohar, enz. Numeri 26:15 : De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten. Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.
[^genesis-46-16-27]: Kanttekening 27: Anders, Arod, Num. 26:17 . Numeri 26:17 : Van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.
[^genesis-46-17-l]: Verwijzing l: 1 Kron. 7:30 . 1 Kronieken 7:30 : De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zus.
[^genesis-46-18-m]: Verwijzing m: boven, Gen. 29:24 . Genesis 29:24 : En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.
[^genesis-46-18-28]: Kanttekening 28: gegeven had: Te weten, tot een dienstmaagd, boven, Gen. 29:24 . Genesis 29:24 : En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.
[^genesis-46-18-29]: Kanttekening 29: zestien zielen: Te weten, dertien zonen, twee neven en een dochter.
[^genesis-46-19-30]: Kanttekening 30: Jakobs huisvrouw: Zo werd Rachel bijzonder genoemd, omdat Jakob die alleen, naar Gods instelling, uit zichzelven gekozen en van Laban verzocht had. Zie boven, Gen. 29:18 . Genesis 29:18 : En Jakob had Rachel lief; en hij zei: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.
[^genesis-46-20-n]: Verwijzing n: boven, Gen. 41:50 ; boven, Gen. 48:5 . Genesis 41:50 : En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar van de honger aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde. Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
[^genesis-46-20-31]: Kanttekening 31: de dochter: Zie boven, Gen. 41:40 , en Gen. 48:5 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
[^genesis-46-21-o]: Verwijzing o: 1 Kron. 7:6 ; 1 Kron. 8:1 . 1 Kronieken 7:6 : De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie. 1 Kronieken 8:1 : Benjamin nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde,
[^genesis-46-23-32]: Kanttekening 32: Dat is, zoon; zie boven, vers 7 . Genesis 46:7 : Zijn zonen, en de zonen van zijn zonen met hem; zijn dochters, en de dochters van zijn zonen, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
[^genesis-46-23-33]: Kanttekening 33: Ook genoemd Suham, Num. 26:42 . Numeri 26:42 : Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
[^genesis-46-24-p]: Verwijzing p: 1 Kron. 7:13 . 1 Kronieken 7:13 : De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
[^genesis-46-25-q]: Verwijzing q: boven, Gen. 29:29 . Genesis 29:29 : En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.
[^genesis-46-26-34]: Kanttekening 34: met Jakob in: Anders, Jakob toebehorende, of aldus, al de zielen Jakobs, die in Egypte gekomen zijn.
[^genesis-46-26-35]: Kanttekening 35: uit zijn heup gesproten: Dat is, die uit zijn vlees en bloed geboren zijn. Zie dezelfde manier van spreken, Ex. 1:5 ; Richt. 8:30 , dat zoveel is, als uit iemands lenden voortgekomen te zijn. Zie boven, Gen. 35:11 . Exodus 1:5 : Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; maar Jozef was in Egypte. Richteren 8:30 : Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^genesis-46-26-36]: Kanttekening 36: zes en: De boven aangehaalde vier sommen, namelijk van 33 in vs. 15, van 16 in vs. 18, van 14 in vs. 22 en van 7 in vs. 25, maken tezamen zeventig. Maar hier worden alleen geteld, die uit Jakob geboren en met hem in Egypte gekomen zijn. Zodat uitgenomen moeten zijn Jakob, die uit zichzelven niet geboren is, en Jozef met zijn twee zonen, die met Jakob in Egypte niet gekomen zijn.
[^genesis-46-27-r]: Verwijzing r: Deut. 10:22 ; Hand. 7:14 . Deuteronomium 10:22 : Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. Handelingen 7:14 : En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
[^genesis-46-27-37]: Kanttekening 37: Onder dit getal zijn mee begrepen Jakob, Jozef en zijn twee zonen.
[^genesis-46-28-38]: Kanttekening 38: om voor zijn: Te weten, hoe en waar zij zich het best in Gosen zouden nederslaan.
[^genesis-46-28-39]: Kanttekening 39: Zie boven, Gen. 45:10 . Genesis 45:10 : En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt.
[^genesis-46-29-40]: Kanttekening 40: als hij zich: Het schijnt dat Jozef, nabij zijn vader gekomen zijnde, zich met alle vriendelijkheid aan hem vertoond heeft, om van hem gekend te mogen worden.
[^genesis-46-29-41]: Kanttekening 41: zo viel hij: Zie boven, Gen. 33:4 , en Gen. 45:14 ; Luk. 15:20 ; Hand. 20:37 . Genesis 33:4 : Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij weenden. Genesis 45:14 : En hij viel aan de hals van Benjamin, zijn broer, en weende; en Benjamin weende aan zijn hals. Lukas 15:20 : En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. Handelingen 20:37 : En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem;
[^genesis-46-29-42]: Kanttekening 42: lang aan: Anders, een tijdlang. Hebr. nog.
[^genesis-46-30-43]: Kanttekening 43: nu sterve: Hebr. ditmaal; de zin is: ik ben nu gewillig om te sterven.
[^genesis-46-30-44]: Kanttekening 44: dat u nog: Of, omdat, omdat.
[^genesis-46-32-45]: Kanttekening 45: mannen, die: Hebr. mannen van vee, of, veemannen; dat is, die met het vee omgaan; gelijk onder, vers 34 , aldus mannen van schepen, 1 Kon. 9:27 , dat is, die zich met de scheepvaart generen, scheepslieden; verg. ook boven, Gen. 9:20 . Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is voor de Egyptenaren een gruwel. 1 Koningen 9:27 : En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo. Genesis 9:20 : En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
[^genesis-46-34-s]: Verwijzing s: boven, Gen. 43:32 ; Ex. 8:26 . Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks de Egyptenaren een gruwel is. Exodus 8:26 : Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe; want wij zouden van de Egyptenaren gruwel YHWH, onze God, mogen offeren; zie, als wij van de Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?
[^genesis-46-34-46]: Kanttekening 46: een gruwel: Zie boven, Gen. 43:32 . Deze verachtelijke staat heeft de Israëlieten onder Gods regering drieërlei voordeel aangebracht: I. dat zij goed, vet weiland voor hun beesten gekregen hebben; II. dat zij daarin bijeen waren, en tezamen in vrede mochten wonen; III. dat zij, van de afgodische Egyptenaars afgezonderd zijnde, de reine godsdienst te vrijer konden uitoefenen. Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks voor de Egyptenaren een gruwel is.

### Genesis 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/47.json)

*Jozef meldt de farao de komst van zijn vader en brengt vijf van zijn broers voor hem, vers 1. De farao ondervraagt hen en wijst hun het land Gosen toe, 3. Jozef brengt ook zijn vader voor de farao, die hem naar zijn leeftijd vraagt, en wordt door Jakob gezegend, 7. Jozef onderhoudt zijn vader en het hele huishouden in Gosen, 11. De Egyptearen, die al hun geld aan koren hebben uitgegeven, verkopen door hongersnood eerst hun vee en daarna zichzelf en hun land aan de farao in ruil voor koren, 13; alleen de priesters zijn hiervan uitgezonderd, 22, 26. Het land wordt hun teruggegeven om te bewerken, op voorwaarde dat zij een vijfde van de opbrengst aan de farao afdragen, 23. Jakobs verblijf in Egypte en zijn totale leeftijd, 27. Hij laat Jozef zweren dat hij hem in Kanaän zal begraven, 29.*

**1** Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zei: Mijn vader en mijn broers, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän;[^genesis-47-1-a] en zie, zij zijn in het land Gosen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v1)

**2** En hij nam[^genesis-47-2-1] een deel zijn broers, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v2)

**3** Toen zei Farao tot[^genesis-47-3-2] zijn broers: Wat is uw beroep? En zij zeiden tot Farao:[^genesis-47-3-b] Uw knechten[^genesis-47-3-3] zijn schaapherders, zo wij als onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v3)

**4** Verder zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen,[^genesis-47-4-4] om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v4)

**5** Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broers zijn tot u gekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v5)

**6** Egypteland is[^genesis-47-6-5] voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen[^genesis-47-6-6] kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v6)

**7** En Jozef bracht zijn vader Jakob mee, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob[^genesis-47-7-7] zegende Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v7)

**8** En Farao zei tot Jakob:[^genesis-47-8-8] Hoe vele zijn de dagen van de jaren van uw leven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v8)

**9** En Jakob zei tot Farao:[^genesis-47-9-9] De dagen van de jaren dat ik vreemdeling was zijn honderd en dertig jaren; weinig en[^genesis-47-9-10] kwaad zijn de dagen van de jaren van mijn leven geweest, en[^genesis-47-9-11] hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven van mijn vaders, in de dagen dat zij vreemdeling waren.[^genesis-47-9-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v9)

**10** En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v10)

**11** En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broers woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land,[^genesis-47-11-12] in het land Rameses, zoals Farao geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v11)

**12** En[^genesis-47-12-13] Jozef onderhield zijn vader, en zijn broers, en het hele huis van zijn vader, met brood,[^genesis-47-12-14] tot de mond van de kinderen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v12)

**13** En er was[^genesis-47-13-15] geen brood in het hele land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land[^genesis-47-13-16] Kanaän raasden vanwege die honger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v13)

**14** Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao's huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v14)

**15** Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want[^genesis-47-15-17] waarom zouden wij in uw aanwezigheid sterven? want het geld ontbreekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v15)

**16** En Jozef zei: Geef uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, als het geld ontbreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v16)

**17** Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor[^genesis-47-17-18] het vee van de schapen, en voor het vee van de runderen, en voor ezels; en hij[^genesis-47-17-19] voedde hen met brood, dat jaar, voor al hun vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v17)

**18** Toen dat jaar voltooid was, zo kwamen zij tot hem in[^genesis-47-18-20] het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, zo het geld verdaan is, en de bezitting van de beesten[^genesis-47-18-21] gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven[^genesis-47-18-22] voor het aangezichts van mijn heer, dan ons lichaam en ons land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v18)

**19** Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij[^genesis-47-19-23] als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao[^genesis-47-19-24] dienstbaar zijn; en geef[^genesis-47-19-25] zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest wordt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v19)

**20** Zo kocht Jozef het hele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, omdat de honger sterk over hen geworden was;[^genesis-47-20-26] zo werd het land Farao's eigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v20)

**21** En voor wat betreft het volk,[^genesis-47-21-27] dat zette hij over in de steden,[^genesis-47-21-28] van het ene uiterste van de grenzen van Egypte, tot het andere uiterste van die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v21)

**22** Alleen het land[^genesis-47-22-29] van de priesters kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, dat hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v22)

**23** Toen zei Jozef tot het volk: Zie, ik heb vandaag u en uw land gekocht voor Farao; zie, daar is zaad voor u,[^genesis-47-23-30] opdat u het land bezaait. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v23)

**24** Maar met de inkomsten zal het gebeuren, dat u aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier[^genesis-47-24-31] delen zullen voor u zijn, tot zaad van het veld, en tot uw voedsel en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v24)

**25** En zij zeiden: U hebt ons[^genesis-47-25-32] leven behouden; laat ons[^genesis-47-25-33] genade vinden in de ogen van mijn heer, en wij zullen Farao's[^genesis-47-25-34] knechten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v25)

**26** Jozef dan stelde ditzelve in tot[^genesis-47-26-35] een wet,[^genesis-47-26-36] tot deze dag, over het land van Egypte,[^genesis-47-26-37] dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land van de priesters van Farao niet werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v26)

**27** Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v27)

**28** En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v28)

**29** Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen,[^genesis-47-29-38] zo[^genesis-47-29-d] leg toch uw hand onder mijn heup, en doe goedertierenheid en trouw aan mij, en[^genesis-47-29-39] begraaf mij toch niet in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v29)

**30** Maar dat ik bij mijn vaders ligge; hierom zult u mij uit Egypte voeren, en mij in[^genesis-47-30-40] hun graf begraven. En hij zei: Ik zal doen naar uw woord! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v30)

**31** En[^genesis-47-31-41] hij zei: Zweer mij! en[^genesis-47-31-42] hij zwoer hem.[^genesis-47-31-e] En Israël[^genesis-47-31-43] boog zich[^genesis-47-31-44] ten hoofde van het bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/47.html#v31)

[^genesis-47-1-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 45:10 . Genesis 45:10 : En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt.
[^genesis-47-2-1]: Kanttekening 1: een deel: Hebr. het einde, of, van het uiterste; dat is, \[zoals enige verstaan\] van de jongsten en van de oudsten. Anders, van de aanzienlijkste, of, die in aanzien uitstaken. Verg. Richt. 18:2 ; 1 Kon. 12:31 ; Jes. 56:11 ; Ez. 33:2 . Richteren 18:2 : Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten daar. 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. Jesaja 56:11 : En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde. Ezechiël 33:2 : Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk van het land een man uit hun einden nemen, en die voor zich tot een wachter stellen;
[^genesis-47-3-2]: Kanttekening 2: zijn broers: Te weten, van Jozef.
[^genesis-47-3-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 46:34 . Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.
[^genesis-47-3-3]: Kanttekening 3: Hebr. schaapherder, (of, veehoeder, want het Hebreeuwse woord wordt somtijds breder genomen. Zie Amos 7:15 ) in het getal van een, dat is, ieder van uw knechten is een schaapherder. Amos 7:15 : Maar YHWH nam mij van achter de kudde; en YHWH zei tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.
[^genesis-47-4-4]: Kanttekening 4: als vreemdelingen: Zij willen zeggen dat zij daar gekomen waren, niet om het recht van de burgers, of dat van de natuurlijke inlanders te genieten, maar alleen als vreemdelingen, om voor een tijd daar te mogen herbergen, om de zware honger, totdat zij gelegenheid zouden hebben om naar hun land weer te keren.
[^genesis-47-6-5]: Kanttekening 5: voor uw aangezicht: Zie boven, Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^genesis-47-6-6]: Kanttekening 6: kloeke mannen: Hebr. mannen van sterkte, of kloekheid. Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen kracht, of vermogen, en het wordt gebruikt van tijdelijke middelen, Ps. 49:7 ; Ez. 28:5 , van sterkte van het lichaam, Ezra 4:23 , van verstand, trouw, en standvastigheid in enige regering, Ex. 18:21 , 18:25 , van kracht en ervarenheid ten oorlog, Deut. 3:18 ; Richt. 11:1 , en 1 Sam. 18:17 , idem, van vlijt en ervarenheid in de huishouding, Ruth 3:11 ; Spr. 31:10 . Psalmen 49:7 : Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; Ezechiël 28:5 : Door de grootheid uw wijsheid in uw koophandel hebt u uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. Ezra 4:23 : Toen, van dat het afschrift van de brief van de koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, de schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met geweld en macht. Exodus 18:21 : Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen. Exodus 18:25 : En Mozes verkoos kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen; Deuteronomium 3:18 : Verder gebood ik u ter zelfder tijd, zeggende: De YHWH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de kinderen van Israël. Richteren 11:1 : Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; maar Gilead had Jeftha gegenereerd. 1 Samuël 18:17 : Daarom zei Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij een dapper zoon, en voer de krijg van YHWH. Want Saul zei: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. Ruth 3:11 : En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de gehele stad mijns volks weet, dat u een deugdelijke vrouw bent. Spreuken 31:10 : Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is ver boven de robijnen.
[^genesis-47-7-7]: Kanttekening 7: Op een bijzondere wijze, als een patriarch, de koning in zijn groetenis voor alle eer en vriendschap, hem en de zijnen bewezen, dankende, en hem allerlei welvaart van God toewensende; verg. 1 Sam. 13:10 , en 2 Sam. 8:10 , zo ook onder, vers 10 . 1 Samuël 13:10 : En het geschiedde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Genesis 47:10 : En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.
[^genesis-47-8-8]: Kanttekening 8: Hoe vele zijn de dagen van de jaren uws levens: Dat is, hoe oud bent u? Zie boven, Gen. 25:7 . Genesis 25:7 : Dit nu zijn de dagen van de jaren van het leven van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.
[^genesis-47-9-9]: Kanttekening 9: De dagen van de jaren: Dat is, waarin ik dikwijls als een vreemdeling herwaarts en daarheen heb moeten trekken en omzwerven; zie boven, Gen. 17:8 . Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^genesis-47-9-10]: Kanttekening 10: kwaad zijn: Jakob wil zeggen dat zijn leven is geweest vol arbeid, moeite, verdriet en ellende, ook meerder dan van zijn voorvaders.
[^genesis-47-9-11]: Kanttekening 11: hebben niet bereikt: Want zijn vader Izak had geleefd 180 jaren, boven, Gen. 35:28 ; zijn grootvader Abraham 175 jaren, boven, Gen. 25:7 , zijn overgrootvader Therah 205 jaren, boven, Gen. 11:32 . Jakob is gestorven oud zijnde 147 jaren. Genesis 35:28 : En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren. Genesis 25:7 : Dit nu zijn de dagen van de jaren van het leven van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren. Genesis 11:32 : En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.
[^genesis-47-9-c]: Verwijzing c: Ps. 119:19 ; Hebr. 11:9 ; idem v. 13 . Psalmen 119:19 : Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte. Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.
[^genesis-47-11-12]: Kanttekening 12: Een deel van het land Gosen, waarin, naar sommiger gevoelen, gelegen was de stad Rameses; verg. Ex. 1:11 ; zie ook Ex. 12:37 . Exodus 1:11 : En zij zetten oversten van de schattingen over hetzelfde, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses. Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen.
[^genesis-47-12-13]: Kanttekening 13: Naar de belofte gedaan boven, Gen. 45:11 , en herhaald onder, Gen. 50:21 . Genesis 45:11 : En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! Genesis 50:21 : Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.
[^genesis-47-12-14]: Kanttekening 14: tot de mond van de kinderen toe: Of, naar de mond van het kleine kind, of van het kind; dat is, naar de eis van het getal van de kinderen. Anders, naar de gelegenheid, of wijze van de kinderen; dat is, zoals men de kindertjes pleegt te voeden, die men, zonder hun arbeid en verdienste, het voedsel in de mond steekt.
[^genesis-47-13-15]: Kanttekening 15: geen brood: Dat is, er was overgroot gebrek aan alle nooddruft. Dit groot gebrek was meest bij de gemenen man, omdat er geen brood te koop was. Van het woord brood, zie boven, Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^genesis-47-13-16]: Kanttekening 16: Versta, de inwoner van het land, die zo door de honger geperst waren, dat zij zeer moeilijk en als onzinnig werden, en nabij om tot beroerten uit te breken. Zie onder vers 18 , 47:19 . Genesis 47:18 : Toen datzelve jaar voltooid was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, zo het geld verdaan is, en de bezitting van de beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezicht mijns heren, dan ons lichaam en ons land. Genesis 47:19 : Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!
[^genesis-47-15-17]: Kanttekening 17: waarom zouden: Dat is, waarom zult u lijden als wij voor uw ogen van honger vergaan, nu wij geen geld meer hebben? U kondt het toch wel beteren.
[^genesis-47-17-18]: Kanttekening 18: het vee van de schapen: Hieruit, als ook boven vers 6, blijkt dat ofschoon de schaapsherders de Egyptenaren een gruwel waren, zij nochtans vee tot een zeker gebruik gehad hebben.
[^genesis-47-17-19]: Kanttekening 19: voedde hen met brood: Hebr. leidde hen zoetjes.
[^genesis-47-18-20]: Kanttekening 20: het tweede jaar: Niet van de honger, maar het tweede jaar na het voorgaande, waarin zij hun beesten voor koren verwisseld hadden. Dit tweede jaar was het zevende van de dure tijd.
[^genesis-47-18-21]: Kanttekening 21: aan mijn heer: Te weten, mits hem dat voor koren over te laten.
[^genesis-47-18-22]: Kanttekening 22: Dat is, dat mijn heer zien mag, en dat hij van ons meer eisen en ontvangen kan. Of, dat wij mijn heer zouden kunnen voortbrengen om koren te kopen.
[^genesis-47-19-23]: Kanttekening 23: als ons land: Versta, door het sterven van het land, de verwoesting, gelijk in het einde van het vers verklaard wordt. Anders, wij en ons land zijn nog, te weten, overig: koop ons, enz.
[^genesis-47-19-24]: Kanttekening 24: dienstbaar zijn: Hebreeuws, knechten , of slaven zijn.
[^genesis-47-19-25]: Kanttekening 25: Om te zaaien.
[^genesis-47-20-26]: Kanttekening 26: zo werd: Tevoren had het land Farao wel toebehoord, door het recht van het opperste gebied, maar nu kwam het hem ook toe door het recht van eigendom.
[^genesis-47-21-27]: Kanttekening 27: Hebr. hij deed hen overgaan. Hij wil zeggen dat hij het volk, het gehele land door, van zijn woonplaats deed veranderen, uit de ene stad of hoek van het land, waar hun goederen gelegen waren, in een anderen, waar het Farao beliefde hen heen te zenden, opdat het inderdaad blijken zou dat zij voortaan niets eigens hadden, maar dat het gehele land de koning volkomenlijk toekwam.
[^genesis-47-21-28]: Kanttekening 28: Dat is, van de ene uiterste landpaal tot de andere.
[^genesis-47-22-29]: Kanttekening 29: Versta, zulke personen, die van de godsdienst en de wijsheid van de Egyptenaars hun werk hadden, die, daar zij hun onderhoud van de koning ontvingen, hun land niet behoefden te verkopen. Enige zetten het over ambtlieden, omdat het Hebreeuwse woord \[maar zelden\] dit betekent. Zie boven, Gen. 41:45 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^genesis-47-23-30]: Kanttekening 30: opdat u: Hieruit is af te nemen dat dit geschied is in het laatste jaar van de dure tijd. Verg. de aantekeningen boven, vers 18 . Genesis 47:18 : Toen datzelve jaar voltooid was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, zo het geld verdaan is, en de bezitting van de beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezicht mijns heren, dan ons lichaam en ons land.
[^genesis-47-24-31]: Kanttekening 31: Hebr. handen (יָד); dat is, delen, gelijk boven, Gen. 43:34 . Genesis 43:34 : En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.
[^genesis-47-25-32]: Kanttekening 32: leven behouden: Hebr. levend gemaakt; dat is, in het leven behouden; aldus boven, Gen. 6:19 , en Gen. 45:7 ; de Egyptenaars verklaren dat zij met de voorgeslagen conditie, van Farao's akkers te bebouwen, wel tevreden waren; en zij achtten dat hun nog grote beleefdheid of gunst geschiedde. Genesis 6:19 : En u zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en vrouwtje zullen zij zijn; Genesis 45:7 : Maar God heeft mij voor uw aangezicht heen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.
[^genesis-47-25-33]: Kanttekening 33: genade vinden: Zie deze manier van spreken, boven, Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-47-25-34]: Kanttekening 34: Dat is, lijfeigenen.
[^genesis-47-26-35]: Kanttekening 35: een wet: Of, inzetting, ordinantie, recht, wijze, gebruik.
[^genesis-47-26-36]: Kanttekening 36: tot deze dag: Dat is, welke wet nog tot heden toe duurt.
[^genesis-47-26-37]: Kanttekening 37: dat Farao het: Dat is, dat het land Farao's eigen zou zijn, met het vijfde deel van de inkomsten.
[^genesis-47-29-38]: Kanttekening 38: zo leg: Zie boven, Gen. 24:2 . Genesis 24:2 : Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,
[^genesis-47-29-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 24:2 . Genesis 24:2 : Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,
[^genesis-47-29-39]: Kanttekening 39: begraaf mij: Hij versterkt zich hiermede in het geloof aan Gods belofte, en wil door zijn exempel al de zijnen tot volharding daarin vermanen. Ook deed Jozef, onder, Gen. 50:24 , 50:25 . Genesis 50:24 : En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. Genesis 50:25 : En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren!
[^genesis-47-30-40]: Kanttekening 40: hun graf: Te weten, in het graf van Abraham en Izak, in het land Kanaän, in de spelonk Machpela in Hebron; zie boven, Gen. 23:19 , en Gen. 25:9 , en Gen. 35:29 . Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Genesis 25:9 : En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, welke tegenover Mamre is; Genesis 35:29 : En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.
[^genesis-47-31-41]: Kanttekening 41: Namelijk, Jakob.
[^genesis-47-31-42]: Kanttekening 42: Namelijk, Jozef.
[^genesis-47-31-e]: Verwijzing e: Hebr. 11:21 . Hebreeën 11:21 : Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iedereen van de zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
[^genesis-47-31-43]: Kanttekening 43: boog zich: Te weten, voor de Heer; dat is, hij riep God aan, hem dankende voor de versterking van zijn geloof, die hij uit Jozefs belofte en eed verkregen had.
[^genesis-47-31-44]: Kanttekening 44: ten hoofde: Vanwege zijn zwakheid in het bed zittende, en niet kunnende opstaan, om staande of knielende te bidden.

### Genesis 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/48.json)

*Jakob is ziek en wordt door Jozef bezocht, vers 1. Hij vertelt hem over Gods beloften en neemt zijn twee zonen Manasse en Efraim aan als zijn eigen zonen, als stamvaders van twee afzonderlijke stammen in Israël, 3. Bij het opleggen van de handen en zegenen geeft Jakob bewust de voorkeur aan de jongste, Efraim, boven de oudste, Manasse, 13, ondanks Jozefs bezwaar, 17. Hij zegent hen zo, en ook hun vader Jozef, en profeteert hun terugkeer naar Kanaän, 21. Hij geeft Jozef alvast een stuk land, 22.*

**1** Het gebeurde nu na deze dingen, dat men Jozef zei: Zie, uw vader is ziek! Toen[^genesis-48-1-1] nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v1)

**2** En men boodschapte Jakob, en men zei: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v2)

**3** Daarna zei Jakob tot Jozef:[^genesis-48-3-2] El Shaddai, is[^genesis-48-3-b] mij verschenen te[^genesis-48-3-3] Luz, in het land Kanaän, en Hij[^genesis-48-3-4] heeft mij gezegend;[^genesis-48-3-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v3)

**4** En Hij heeft tot mij gezegd:[^genesis-48-4-c] Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot één hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit[^genesis-48-4-5] land[^genesis-48-4-6] tot een eeuwige bezitting geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v4)

**5** Nu dan, uw twee zonen,[^genesis-48-5-d] die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben,[^genesis-48-5-7] zijn van mij;[^genesis-48-5-8] Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, als Ruben en Simeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v5)

**6** Maar[^genesis-48-6-9] uw geslacht, dat u na hen zult winnen,[^genesis-48-6-10] zullen van u zijn;[^genesis-48-6-11] zij zullen naar de naam van hun broers genoemd worden in hun erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v6)

**7** Toen ik nu van[^genesis-48-7-12] Paddan kwam,[^genesis-48-7-e] zo is Rachel[^genesis-48-7-13] bij mij gestorven in het land Kanaän, op de weg,[^genesis-48-7-14] als het nog een kleine streek lands was,[^genesis-48-7-15] om tot Efrath te komen; en ik begroef haar daar aan de weg van Efrath, die is Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v7)

**8** En Israël zag de zonen van Jozef, en zei: Van wie zijn deze?[^genesis-48-8-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v8)

**9** En Jozef zei tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zei:[^genesis-48-9-17] Breng hen toch tot mij,[^genesis-48-9-18] dat ik hen zegene! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v9)

**10** Maar de ogen van Israël waren[^genesis-48-10-19] zwaar van ouderdom;[^genesis-48-10-20] hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich;[^genesis-48-10-21] toen kuste hij hen, en[^genesis-48-10-22] omhelsde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v10)

**11** En Israël zei tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v11)

**12** Toen deed hen Jozef[^genesis-48-12-23] uitgaan van zijn knieën; en[^genesis-48-12-24] hij boog zich voor zijn aangezicht neer ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v12)

**13** En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v13)

**14** Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en[^genesis-48-14-25] legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de[^genesis-48-14-26] minste was, en zijn linkerhand op het hoofd[^genesis-48-14-27] van Manasse; hij bestuurde zijn handen verstandig;[^genesis-48-14-28] want Manasse was de eerstgeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v14)

**15** En hij[^genesis-48-15-f] zegende[^genesis-48-15-29] Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v15)

**16** [^genesis-48-16-g] Die[^genesis-48-16-30] Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en[^genesis-48-16-31] dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaders, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v16)

**17** Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, zo was het kwaad[^genesis-48-17-32] in zijn ogen, en hij ondervatte de hand van zijn vader, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v17)

**18** En Jozef zei tot zijn vader: Niet zo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v18)

**19** Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar toch zal zijn kleinste broer[^genesis-48-19-33] groter worden dan hij, en zijn zaad zal[^genesis-48-19-h] een[^genesis-48-19-34] volle menigte van volkeren worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v19)

**20** Zo zegende hij ze op die dag, zeggende:[^genesis-48-20-35] In u zal[^genesis-48-20-36] Israël zegenen, zeggende:[^genesis-48-20-i] God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v20)

**21** Daarna zei Israël tot Jozef: Zie,[^genesis-48-21-37] ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u terugbrengen[^genesis-48-21-38] in het land van uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v21)

**22** [^genesis-48-22-k] En ik heb u een[^genesis-48-22-39] stuk lands gegeven[^genesis-48-22-40] boven uw broers;[^genesis-48-22-l] dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand[^genesis-48-22-41] van de[^genesis-48-22-42] Amorieten genomen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/48.html#v22)

[^genesis-48-1-1]: Kanttekening 1: nam hij: Te weten, trekkende naar zijn vader, om hem te bezoeken.
[^genesis-48-3-2]: Kanttekening 2: God, de: Zie boven, Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-48-3-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 35:6 . Genesis 35:6 : Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.
[^genesis-48-3-3]: Kanttekening 3: Anders, Bethel genaamd. Zie boven, Gen. 28:19 , en Gen. 35:6 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. Genesis 35:6 : Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was.
[^genesis-48-3-4]: Kanttekening 4: heeft mij: Dat is, Hij heeft de zegeningen aan mijn vader en grootvader beloofd, weer met mij vernieuwd en bevestigd; daar die van hand tot hand aan onze nakomelingen overgeleverd moeten worden.
[^genesis-48-3-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^genesis-48-4-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 28:3 ; boven, Gen. 35:11 . Genesis 28:3 : En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot één hoop volken wordt. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^genesis-48-4-5]: Kanttekening 5: Te weten, het land Kanaän.
[^genesis-48-4-6]: Kanttekening 6: tot een eeuwige bezitting: Hebr. tot een bezitting van de eeuwigheid; namelijk, gedurende de tijd van de wet, ten aanzien van dit aardse Kanaän; maar een tijd zonder einde, ten aanzien van het hemelse. Zie boven, Gen. 13:15 , en Gen. 17:7 , 17:13 , met de aantekeningen. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Genesis 17:13 : De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.
[^genesis-48-5-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 41:50 ; boven, Gen. 46:20 . Genesis 41:50 : En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar van de honger aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde. Genesis 46:20 : En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, de overste te On, baarde.
[^genesis-48-5-7]: Kanttekening 7: zijn mijne: Dat is, ik wil hebben dat zij in de verdeling mijner goederen en van het land Kanaän, elk voor een staak of stam gehouden worden, alsof zij uit mij geboren waren, en niet uit u; Joz. 14:4 , en Joz. 16:1 , en Joz. 17:17 . Aldus heeft Jozef, die maar één deel van de erfenis met zijn broers moest hebben, een dubbel gehad, dat Ruben toekwam als de eerstgeborene. Zie boven, Gen. 29:32 , maar is hem ontnomen, en op Jozef overgezet, 1 Kron. 5:1 , 5:2 , om de oorzaak vermeld onder, Gen. 49:3 , 49:4 . Jozua 14:4 : Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting. Jozua 16:1 : Daarna kwam het lot van de kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; Jozua 17:17 : Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen een lot hebben; Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 1 Kronieken 5:2 : Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.) Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! Genesis 49:4 : Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
[^genesis-48-5-8]: Kanttekening 8: Efraïm wordt voor Manasse genoemd, om de reden vermeld vers 19 . Genesis 48:19 : Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broer groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
[^genesis-48-6-9]: Kanttekening 9: uw geslacht: Dat is, uw kinderen, die u boven Manasse en Efraïm hierna zoudt mogen krijgen.
[^genesis-48-6-10]: Kanttekening 10: zullen uwe: Dat is, zij zullen tot uw zonen gerekend worden, en mijn neven uit u.
[^genesis-48-6-11]: Kanttekening 11: zij zullen naar: Dat is, zij zullen in het verdelen van het land bij één van deze hun twee broers gerekend worden, en geen stammen op zichzelven uitmaken, gelijk deze twee. Naar, of, over enige naam genoemd te worden, is daarnaar te heten, en onder die gerekend te worden, welke van zulk een naam afkomstig zijn. Zie Deut. 28:10 ; Amos 9:12 , en verg. onder, vers 16 . Deuteronomium 28:10 : En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van YHWH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. Amos 9:12 : Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet. Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^genesis-48-7-12]: Kanttekening 12: Anders, Paddan-Aram. Zie boven, Gen. 25:20 , en Gen. 35:9 . Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam. Genesis 35:9 : En God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.
[^genesis-48-7-e]: Verwijzing e: boven, Gen. 35:19 . Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem.
[^genesis-48-7-13]: Kanttekening 13: bij mij: Anders, over mij gestorven; alsof men zei: op mijn schoot, en tussen mijn armen liggende. Anders, voor mij; dat is, voor mijn ogen.
[^genesis-48-7-14]: Kanttekening 14: als het nog: Zie boven, Gen. 35:16 . Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
[^genesis-48-7-15]: Kanttekening 15: om tot: Zie boven, Gen. 35:16 , 35:19 . Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem.
[^genesis-48-8-16]: Kanttekening 16: Wiens zijn: Jakob zag met een verouderd gezicht, vers 10 , zodat hij, op deze zonen van Jozef zijn ogen slaande, hen niet recht, noch onderscheidenlijk kon kennen. Genesis 48:10 : Maar de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
[^genesis-48-9-17]: Kanttekening 17: Breng hen toch: Hebr. neem hen; dat is, neem hen en breng hen. Het woord nemen wordt dikwijls aldus gebruikt; zie boven, Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^genesis-48-9-18]: Kanttekening 18: dat ik hen: Dat is, dat ik hun de beloftenissen Gods, hoe Hij hen zegenen wil, verkondig, en met oplegging van de handen bevestig, naar de wijze van de zegening van de patriarchen; zie boven, Gen. 27:4 . Genesis 27:4 : En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterve.
[^genesis-48-10-19]: Kanttekening 19: zwaar van: Dat is, dik en donker, niet bekwaam om onderscheidenlijk te zien.
[^genesis-48-10-20]: Kanttekening 20: hij kon niet: Dat is, hij kon niet wel zien; gelijk vers 8 . Genesis 48:8 : En Israël zag de zonen van Jozef, en zei: Wiens zijn deze?
[^genesis-48-10-21]: Kanttekening 21: toen kuste hij: Zie boven, Gen. 27:26 . Genesis 27:26 : En zijn vader Izak zei tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!
[^genesis-48-10-22]: Kanttekening 22: omhelsde hen: Zie boven, Gen. 29:13 , en Gen. 33:4 . Genesis 29:13 : En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, de zoon van zijn zus, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. Genesis 33:4 : Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij weenden.
[^genesis-48-12-23]: Kanttekening 23: van zijn knieën: Te weten, van Jakobs knieën, waartussen hij de jongens hield in het omhelzen; maar Jozef wilde hen nu hem ordentelijk naast elkanders voorstellen, om op gewone wijze van hem de zegen te ontvangen.
[^genesis-48-12-24]: Kanttekening 24: hij boog: Zijn vader burgerlijke eer bewijzende, en hem bedankende voor de vriendschap en de eer aan hem en zijn kinderen bewezen.
[^genesis-48-14-25]: Kanttekening 25: legde die: Hebr. stelde haar.
[^genesis-48-14-26]: Kanttekening 26: Te weten, van jaren.
[^genesis-48-14-27]: Kanttekening 27: hij bestierde: Hebr. hij maakte zijn handen wijs; dat is, hij deed het niet uit misverstand, maar met goede voorgaande wetenschap, als een profeet, Gods wil volbrengende, zonder acht te geven op de eerstgeboorte. De oplegging van de handen, waarvan hier het eerst gesproken wordt, is in deze tijd en naderhand gebruikelijk geweest: I. in zegeningen, gelijk hier, en Matt. 19:15 ; II. in offeranden, Lev. 1:4 ; zie de aantekeningen; III. in veroordelingen en straffen, Lev. 24:14 ; IV. bij inhuldigingen en bevorderingen tot ambten, Num. 8:10 ; Deut. 34:9 ; Hand. 6:6 ; 1 Tim. 4:14 ; V. in het doen van mirakelen, Mark. 6:5 ; Luk. 4:40 ; Hand. 28:8 , enz. Mattheüs 19:15 : En als Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Leviticus 24:14 : Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen. Numeri 8:10 : Ja, u zult de Levieten voor het aangezicht van YHWH doen naderen; en de kinderen van Israël zullen hun handen op de Levieten leggen. Deuteronomium 34:9 : Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest van de wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen van Israël naar hem, en deden gelijk als YHWH Mozes geboden had. Handelingen 6:6 : Welken zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. 1 Timotheüs 4:14 : Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap. Marcus 6:5 : En Hij kon daar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen. Lukas 4:40 : En als de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde ieder van hen de handen op, en genas hen. Handelingen 28:8 : En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en de rode loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.
[^genesis-48-14-28]: Kanttekening 28: want Manasse: Anders, hoewel.
[^genesis-48-15-f]: Verwijzing f: Hebr. 11:21 . Hebreeën 11:21 : Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iedereen van de zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.
[^genesis-48-15-29]: Kanttekening 29: Te weten, in zijn kinderen, gelijk blijkt vers 16 . Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^genesis-48-16-g]: Verwijzing g: boven, Gen. 31:42 ; boven, Gen. 32:1 . Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft. Genesis 32:1 : Jakob toog ook zijn weegs; en de engelen van God ontmoetten hem.
[^genesis-48-16-30]: Kanttekening 30: engel, die: Omdat Jakob van deze engel hetzelfde verzoekt, wat hij, vers 15 , van God bidt, zo kan dit van geen geschapen engel verstaan worden, maar moet verstaan zijn van Gods Zoon. Zie boven, Gen. 22:11 . Genesis 48:15 : En hij zegende Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag; Genesis 22:11 : Maar de Engel van YHWH riep tot hem van de hemel, en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^genesis-48-16-31]: Kanttekening 31: dat in hen: Dat is, dat zij in mijn geslacht gerekend, en mijn en mijner vaderen Abrahams en Izaks kinderen genoemd en daarvoor gehouden worden. Dit is aldus geschied; want zij zijn onder de twaalf stammen van Israël gesteld geweest, gelijk Jakobs eigen kinderen; verg. boven, de aantekeningen vs. 6, vers 6 . Genesis 48:6 : Maar uw geslacht, dat u na hen zult winnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar de naam van hun broers genoemd worden in hun erfdeel.
[^genesis-48-17-32]: Kanttekening 32: in zijn ogen: Dat is, het beviel hem kwalijk; zie boven, Gen. 21:11 . Genesis 21:11 : En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
[^genesis-48-19-33]: Kanttekening 33: Toen de Israëlieten het eerst geteld werden in de woestijn, zo werd Efraïm het eerst geteld, en hij had 8300 mannen meer dan Manasse, gelijk te zien is Num. 1:32 , 1:33 , 1:35 ; Num. 2:19 , 2:21 . Numeri 1:32 : Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraïm, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hun vaderen, in het getal van de namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken, Numeri 1:33 : Waren hun getelden van de stam van Efraïm veertig duizend en vijfhonderd; Numeri 1:35 : Waren hun getelden van de stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd. Numeri 2:19 : Zijn legermacht nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd. Numeri 2:21 : Zijn legermacht nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.
[^genesis-48-19-h]: Verwijzing h: Ruth 4:11 ; idem v. 12 . Ruth 4:11 : En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem! Ruth 4:12 : En uw huis zij, als het huis van Perez (die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat YHWH u geven zal uit deze jonge vrouw.
[^genesis-48-19-34]: Kanttekening 34: Hebr. volheid.
[^genesis-48-20-35]: Kanttekening 35: In u zal: Anders, naar u; dat is, naar uw exempel; alsof hij zei: De Israëlieten, iemand willende zegenen of geluk wensen, zullen u tot een exempel of voorschrift nemen, gelijk de naastvolgende woorden dit duidelijk aanwijzen. Zie ook dergelijke manier van zegenen, Ruth 4:11 , en van vloeken, Jer. 29:22 . Ruth 4:11 : En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem! Jeremia 29:22 : En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;
[^genesis-48-20-36]: Kanttekening 36: Dat is, mijn nakomelingen, de Israëlieten.
[^genesis-48-20-i]: Verwijzing i: Jer. 31:20 . Jeremia 31:20 : Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijn zekerlijk ontfermen, spreekt YHWH.
[^genesis-48-21-37]: Kanttekening 37: ik sterf: Dat is, ik zal haast sterven; zijnde de tegenwoordige tijd genomen voor de tijd, die haast komen zal en aanstaande is; verg. boven, Gen. 19:13 , en Gen. 20:3 ; Joh. 14:2 . Genesis 19:13 : Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht van YHWH, en YHWH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Johannes 14:2 : In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
[^genesis-48-21-38]: Kanttekening 38: in het land: Dat is, in het land Kanaän.
[^genesis-48-22-k]: Verwijzing k: Joz. 13:7 ; Joz. 16:1 ; Joz. 17:1 . Jozua 13:7 : En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan de halven stam van Manasse, Jozua 16:1 : Daarna kwam het lot van de kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.
[^genesis-48-22-39]: Kanttekening 39: een stuk lands: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een schouder, of, rug, gelijk boven, Gen. 9:23 , en daarnaar bij gelijkenis een stuk, deel, of, streek lands, hoog gelegen, gelijk hier. Maar Jakob, als een profeet, ziet ook op de naam van de stad Sichem, die in dat land aan het gebergte gelegen was; zie boven, Gen. 12:6 , en naderhand de stam van Efraïm toegevallen is, Joz. 20:7 , waarin ook Jozefs gebeente begraven is geweest, Joz. 24:32 , als in het land, dat zijn vader Jakob hem op profetische wijze bezet en gegeven had, Joh. 4:5 ; wel verstaande, niet alleen het stuk lands, dat hij voor honderd stukken gelds gekocht had, boven, Gen. 33:19 , maar ook al het land van de stad Sichem, die Simeon en Levi met gewapende hand ingenomen en geplunderd hadden, boven, Gen. 34:25 , 34:26 . Genesis 9:23 : Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouders, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts gekeerd, zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen. Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Jozua 20:7 : Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. Johannes 4:5 : Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf. Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds. Genesis 34:25 : En het geschiedde op de derde dag, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. Genesis 34:26 : Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte van het zwaard; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.
[^genesis-48-22-40]: Kanttekening 40: boven uw: Te weten, ten aanzien van het recht van de eerstgeboorte, Deut. 21:17 , dat Ruben verloren had, en op Jozef gebracht was, 1 Kron. 5:1 , \[zoveel de dubbele erfenis belangde\] als de eerstgeborene van de waardigste huisvrouw. Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
[^genesis-48-22-l]: Verwijzing l: Joz. 24:8 . Jozua 24:8 : Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.
[^genesis-48-22-41]: Kanttekening 41: Hebr. van de Amorieters. Hij stelde één volksnaam voor al de Kanaänieten, omdat de Amorieten één van de machtigste volken waren in het land Kanaän, gelijk blijkt Amos 2:9 , zo ook boven, Gen. 15:16 , en Joz. 10:5 . Amos 2:9 : Ik daarentegen heb de Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd. Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Jozua 10:5 : Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen van de Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.
[^genesis-48-22-42]: Kanttekening 42: genomen heb: Te weten, toen ik na de moord van de Sichemieten \[vrezende voor de naburige Kanaänieten\] met gewapende hand op mijn hoede heb moeten wezen, om niet overvallen te worden. Omdat nu God deze mijn zorg gezegend heeft, zendende een verschrikking over de omliggende inwoners, zo heb ik daar dat stuk lands behouden, dat ik nu door Gods zegen houd het mijne te zijn in eigendom, gelijk het hierna uw nakomelingen zal toebehoren in gebruik en bezitting. Of anders, nemen zal door het zwaard en de boog mijner nakomelingen.

### Genesis 49

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/49.json)

*Jakob roept zijn zonen bijeen om hen voor zijn dood te zegenen, vers 1. Hij bestraft eerst de schandelijke daden van Ruben, Simeon en Levi, 3. Daarna prijst hij uitvoerig de grootheid van Juda, met een profetie over de tijd van de geboorte van Jezus Christus (naar het vlees) uit hem, Zijn Koninkrijk en de roeping van de heidenen, 8. Van Zebulon, 13. Issaschar, 14. Dan, 16. Gad, 19. Aser, 20. Naftali, 21. De bijzondere zegen over Jozef, 22. Van Benjamin, 27. Ten slotte geeft Jakob opdracht over de plaats van zijn begrafenis, 29, en sterft, 33.*

**1** Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamel u, en ik zal u verkondigen, wat u[^genesis-49-1-1] in de navolgende dagen overkomen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v1)

**2** Kom samen en hoort, u, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v2)

**3** Ruben! u bent[^genesis-49-3-a] mijn eerstgeborene,[^genesis-49-3-2] mijn kracht, en[^genesis-49-3-3] het begin van mijn macht;[^genesis-49-3-4] de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v3)

**4** [^genesis-49-4-5] Snelle afloop[^genesis-49-4-6] als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn![^genesis-49-4-b] want[^genesis-49-4-7] u hebt het bed van uw vader beklommen; toen hebt u het[^genesis-49-4-8] geschonden; hij heeft mijn bed beklommen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v4)

**5** Simeon en Levi zijn[^genesis-49-5-9] gebroers! hun[^genesis-49-5-10] handelingen zijn werktuigen van geweld! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v5)

**6** Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn[^genesis-49-6-11] eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn[^genesis-49-6-c] hebben zij[^genesis-49-6-12] de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de[^genesis-49-6-13] ossen weggerukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v6)

**7** [^genesis-49-7-14] Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun toorn, want zij is hard![^genesis-49-7-15] ik zal[^genesis-49-7-d] hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v7)

**8** Juda! u bent het, u zullen uw broers loven;[^genesis-49-8-16] uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor[^genesis-49-8-17] u zullen zich de zonen van uw vader neerbuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v8)

**9** [^genesis-49-9-18] Juda[^genesis-49-9-e] is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, en als een oude leeuw;[^genesis-49-9-19] wie zal hem doen opstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v9)

**10** De[^genesis-49-10-20] scepter zal[^genesis-49-10-f] van Juda niet wijken, noch[^genesis-49-10-21] de wetgever[^genesis-49-10-22] van tussen zijn voeten, totdat[^genesis-49-10-23] Silo[^genesis-49-10-24] komt, en Die zullen de volken[^genesis-49-10-25] gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v10)

**11** Hij[^genesis-49-11-26] bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn[^genesis-49-11-27] mantel in wijndruivenbloed.[^genesis-49-11-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v11)

**12** [^genesis-49-12-29] Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v12)

**13** [^genesis-49-13-30] Zebulon zal[^genesis-49-13-g] aan de haven van[^genesis-49-13-31] de zeeën wonen, en hij zal aan de haven van de schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar[^genesis-49-13-32] Sidon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v13)

**14** [^genesis-49-14-33] Issaschar is[^genesis-49-14-34] een sterk gebeende ezel, neerliggende tussen twee pakken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v14)

**15** Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder belasting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v15)

**16** Dan zal zijn volk[^genesis-49-16-35] richten, als één van de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v16)

**17** [^genesis-49-17-36] Dan zal een slang zijn aan de weg, een[^genesis-49-17-37] adderslang naast het pad, bijtende van het paard hiel, dat zijn rijder achterover valle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v17)

**18** [^genesis-49-18-38] Op uw[^genesis-49-18-39] zaligheid wacht ik, YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v18)

**19** Voor wat betreft Gad,[^genesis-49-19-40] een bende zal hem[^genesis-49-19-41] aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v19)

**20** [^genesis-49-20-42] Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en[^genesis-49-20-43] hij zal koninklijke lekkernijen leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v20)

**21** Nafthali is een[^genesis-49-21-44] losgelaten hinde; hij geeft schone woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v21)

**22** [^genesis-49-22-h] Jozef is[^genesis-49-22-45] een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk van de takken loopt over de muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v22)

**23** [^genesis-49-23-46][^genesis-49-23-i] De schutters hebben hem wel[^genesis-49-23-47] bitterheid aangedaan, en[^genesis-49-23-48] beschoten, en hem gehaat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v23)

**24** Maar[^genesis-49-24-49] zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de[^genesis-49-24-50] handen van[^genesis-49-24-51][^genesis-49-24-52] de Machtige van Jakob; daarvan is hij een[^genesis-49-24-53] herder, een steen van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v24)

**25** Van de God van uw vader, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal[^genesis-49-25-54] zegenen, met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen[^genesis-49-25-55] van de afgrond, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v25)

**26** De zegeningen van uw vader[^genesis-49-26-56] gaan te boven de zegeningen van mijn voorvaderen, tot aan het einde van de[^genesis-49-26-57] eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het[^genesis-49-26-58] hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van[^genesis-49-26-59] de afgezonderden zijn broers! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v26)

**27** [^genesis-49-27-60] Benjamin zal als een wolf verscheuren; van de morgen zal hij roof eten, en van[^genesis-49-27-61] de avond zal hij buit uitdelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v27)

**28** Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, ieder met zijn eigen zegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v28)

**29** Daarna gebood hij hun, en zei tot hen:[^genesis-49-29-62] Ik word verzameld tot mijn volk:[^genesis-49-29-63] begraaf mij bij mijn vaders, in de grot, die is in de akker[^genesis-49-29-64] van Efron, de Hethiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v29)

**30** In de[^genesis-49-30-k] grot,[^genesis-49-30-65] die is op de akker[^genesis-49-30-66] van Machpela, die tegenover[^genesis-49-30-67] Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v30)

**31** [^genesis-49-31-68] Daar hebben zij[^genesis-49-31-l] Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v31)

**32** [^genesis-49-32-69] De akker, en de grot, die daarin is, is gekocht van de zonen van Heth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v32)

**33** Als Jakob voltooid had aan zijn zonen bevelen te geven,[^genesis-49-33-70][^genesis-49-33-m] zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf de geest, en hij werd[^genesis-49-33-71] verzameld tot zijn volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/49.html#v33)

[^genesis-49-1-1]: Kanttekening 1: in de: Hebr. in het achterste, laatste, of na vervolg van de dagen; dat is, in de toekomende tijden; te weten, omtrent 200 jaren na deze tijd beginnende, en verder tot de komst en het koninkrijk van de Messias toe.
[^genesis-49-3-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 29:32 . Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.
[^genesis-49-3-2]: Kanttekening 2: mijn kracht: Dat is, een kind in de principale sterkte mijns levens gewonnen.
[^genesis-49-3-3]: Kanttekening 3: het begin: Te weten, in het kinderwinnen; aldus worden de eerstgeborenen genoemd; Deut. 21:17 ; Ps. 78:51 . Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^genesis-49-3-4]: Kanttekening 4: de voortreffelijkste in hoogheid: Hebr. de voortreffelijkheid.
[^genesis-49-4-5]: Kanttekening 5: Hebr. snelligheid.
[^genesis-49-4-6]: Kanttekening 6: als van de wateren: Te weten, toen u uws vaders bed geschonden hebt; gelijk het water van een hoge plaats in een lage zeer snel loopt, zo hebt u door uw onkuise begeerte, verenigd met grote stoutheid en lichtvaardigheid, uzelven in een schandelijke misdaad en oneer gestort.
[^genesis-49-4-b]: Verwijzing b: boven, Gen. 35:22 ; 1 Kron. 5:1 . Genesis 35:22 : En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijn vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
[^genesis-49-4-7]: Kanttekening 7: u hebt uws: Dat is, u hebt uws vaders bed door bloedschande ontreinigd.
[^genesis-49-4-8]: Kanttekening 8: hij heeft mijn: Dit heeft Jakob gesproken, zich wendende tot zijn andere zonen.
[^genesis-49-5-9]: Kanttekening 9: Te weten, niet alleen van natuur, maar ook van zinnen, manieren en werken in het kwaad; wat zij bewezen hebben met hun handel tegen de Sichemieten; boven, Gen. 34 .
[^genesis-49-5-10]: Kanttekening 10: Volgens sommigen, zwaarden.
[^genesis-49-6-11]: Kanttekening 11: eer worde: Eer is hier zoveel als tevoren ziel, die het waardigste deel van de mensen is. Aldus kan het woord eer ook genomen worden Ps. 16:9 , en Ps. 30:13 , en Ps. 57:9 . Anders, tong; waarmee men schuldig is God te eren en zijn lof te verbreiden. Men kan ook door het woord eer verstaan zijn goeden naam. Psalmen 16:9 : Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. Psalmen 30:13 : Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. YHWH, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. Psalmen 57:9 : Waak op, mijn eer! waak op, u, luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken.
[^genesis-49-6-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 34:25 . Genesis 34:25 : En het geschiedde op de derde dag, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, een iedereen zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.
[^genesis-49-6-12]: Kanttekening 12: de mannen: Hebr. de man; versta, de Sichemieten. Zie boven, Gen. 34:25 , 34:26 . Genesis 34:25 : En het geschiedde op de derde dag, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. Genesis 34:26 : Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte van het zwaard; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.
[^genesis-49-6-13]: Kanttekening 13: ossen weggerukt: Hebr. de os; versta hieronder ook andere beesten, die zij bij het plunderen van de stad Sichem de inwoners ontweldigd hebben. Dikwijls gebruiken de Hebreën het getal van één voor velen, boven; Gen. 32:5 , en 1 Kron. 10:1 ; verg. met 1 Sam. 31:1 . Genesis 32:5 : En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. 1 Kronieken 10:1 : En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 1 Samuël 31:1 : De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
[^genesis-49-7-14]: Kanttekening 14: Vervloekt zij: Vervloekt te zijn, is lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straf, of enige van deze onderworpen te zijn, gelijk boven Gen. 3:14 , en Gen. 4:11 , en Gen. 5:29 ; Deut. 28:16 , 28:17 ; Matt. 25:41 . Versta hier tijdelijke straf. Genesis 3:14 : Toen zei YHWH God tot die slang: Omdat u dit gedaan hebt, zo bent u vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte van het veld! Op uw buik zult u gaan, en stof zult u eten, al de dagen uws levens. Genesis 4:11 : En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broers bloed van uw hand te ontvangen. Genesis 5:29 : En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart van onze handen, vanwege de aarde, die YHWH vervloekt heeft! Deuteronomium 28:16 : Vervloekt zult u zijn in de stad, en vervloekt zult u zijn in het veld. Deuteronomium 28:17 : Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.
[^genesis-49-7-15]: Kanttekening 15: Ik zal hen: Jakob spreekt in de naam van God, als een profeet, en zijn profetie is vervuld in de nakomelingen, want de stam van Simeon is in het land Kanaän vermengd geweest onder de stam van Juda, Joz. 19:1 , en de stam van Levi verspreid onder al de stammen. Jozua 19:1 : Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda.
[^genesis-49-7-d]: Verwijzing d: Joz. 19:1 ; Joz. 21:3 ; idem 21:4 . Jozua 19:1 : Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda. Jozua 21:3 : Daarom gaven de kinderen van Israël aan de Levieten van hun erfdeel, naar de mond van YHWH, deze steden en de voorsteden derzelve. Jozua 21:4 : Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen van de Kahathieten; en voor de kinderen van Aäron, de priester, uit de Levieten, waren van de stam van Juda, en van de stam van Simeon, en van de stam van Benjamin, door het lot, dertien steden.
[^genesis-49-8-16]: Kanttekening 16: uw hand zal zijn: Dat is, u zult hen in de vlucht slaan en dempen; verg. Ps. 18:41 . Psalmen 18:41 : En U gaf mij de nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
[^genesis-49-8-17]: Kanttekening 17: u zullen zich: Hiermede geeft hij te kennen dat zijn nakomelingen tot de heerschappij, het andere deel van het recht van de eerstgeboorte zouden verheven worden.
[^genesis-49-9-18]: Kanttekening 18: Juda is een: Dit alles wordt hier gesproken bij gelijkenis, om uit te drukken de tijdelijke heerschappij en macht van de nakomelingen van Juda; Richt. 1:2 ; 1 Sam. 17:51 ; 2 Sam. 8:12 , 8:13 , en 1 Kon. 9:20 , enz; en de eeuwige van de Messias, die uit Juda zou spruiten, Matt. 28:18 ; Luk. 1:32 , 1:43 ; Ef. 1:20 , 1:21 . Richteren 1:2 : En YHWH zei: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven. 1 Samuël 17:51 : Daarom liep David, en stond op de Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij. 2 Samuël 8:12 : Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 1 Koningen 9:20 : Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen van Israël; Mattheüs 28:18 : En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:43 : En van waar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Efeziërs 1:20 : Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;
[^genesis-49-9-e]: Verwijzing e: Num. 24:9 ; Micha 5:7 . Numeri 24:9 : Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt! Micha 5:7 : Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten van de woud, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; die, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.
[^genesis-49-9-19]: Kanttekening 19: wie zal hem: Alsof hij zei: zijn vijanden zullen hem zozeer vrezen, dat zij hem niet lichtelijk of zonder hun schade tergen zullen.
[^genesis-49-10-20]: Kanttekening 20: schepter zal: Dat is, de macht om te regeren; Jes. 14:5 ; Ez. 19:11 , 19:14 ; Zach. 10:11 , omdat de regeerders staven of schepsters (scepters) in hun handen droegen, tot een teken van heerschappij, Esth. 8:4 . Anders, de stam; dat is, de stam van Juda zal niet vermengd worden met anderen, noch gevoerd uit zijn plaats vooraleer, enz. Jesaja 14:5 : De YHWH heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers. Ezechiël 19:11 : En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijn takken. Ezechiël 19:14 : Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden. Zacharia 10:11 : En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten van de rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de schepter van Egypte zal wegwijken. Esther 8:4 : De koning nu reikte de gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht van de koning.
[^genesis-49-10-f]: Verwijzing f: Matt. 2:6 . Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.
[^genesis-49-10-21]: Kanttekening 21: de wetgever: Versta, dengene, die de macht heeft om de wetten van de regering te stellen en voor te schrijven; zie Spr. 8:15 . Spreuken 8:15 : Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
[^genesis-49-10-22]: Kanttekening 22: van tussen zijn: Dat is, die uit de stam Juda afkomstig zal wezen. Anders, die als een discipel aan de voeten van de meesters in de wetten zal onderwezen worden; zo Deut. 33:3 . Deuteronomium 33:3 : Immers bemint Hij de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.
[^genesis-49-10-23]: Kanttekening 23: Hierbij wordt buiten allen twijfel verstaan de Messias, en wordt door sommigen overgezet zijn zoon, of, vrucht; te weten, de zoon van Juda; want het Hebreeuwse woord betekent het velletje, waarin de kinderen geboren worden; en zo het kind zelf, wat er in ligt, en uit het geslacht van Juda \[waarvan de maagd Maria de moeder van de Heer Christus was, Luk. 1:32 \] voortkomen zou. Anders, de Heiland, Zaligmaker, Gelukgever, enz. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
[^genesis-49-10-24]: Kanttekening 24: komt, en: Anders, gekomen zal zijn. Beiden is waarachtig, ten aanzien van tweeërlei vorm van regering; de ene macht hebbende over criminele zaken, de ander alleen over burgerlijke geschillen en differenten van de religie, want sommigen jaren, eer Christus kwam, is de Joden door Pompejus afgenomen de eerste vorm van de regering, maar de andere is hun nog over geweest, toen Christus in het vlees verschenen was, Joh. 18:31 . Johannes 18:31 : Pilatus dan zei tot hen: Neemt u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
[^genesis-49-10-25]: Kanttekening 25: zullen de volken: Hebr. en tot, of, aan hem zal de gehoorzaamheid van de volken zijn; dat is, de ware gelovigen uit alle volken zullen hem gehoorzaamheid bewijzen, hem erkennende voor hun Heer en Zaligmaker, enz. Anders, en tot hem zal zijn de vergadering van de volken.
[^genesis-49-11-26]: Kanttekening 26: bindt zijn: Met deze manier van spreken wordt te kennen gegeven de overvloed en de edelheid van de wijn, die in het erfdeel van Juda zou wezen.
[^genesis-49-11-27]: Kanttekening 27: mantel in: Anders, zijn opperkleed.
[^genesis-49-11-28]: Kanttekening 28: Dat is, sap van de druiven, of wijn. Zo Deut. 32:14 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken.
[^genesis-49-12-29]: Kanttekening 29: Hij is: Met deze manier van spreken geeft hij te kennen de overvloed en de kracht van de wijn en van de melk, welke in het land van Juda zou wezen. Anders, roder van ogen dan wijn, en witter van tanden dan melk.
[^genesis-49-13-30]: Kanttekening 30: Zebulon zal: Dat is, hij zal zijn woning aan de zeekant hebben. Zie de vervulling hier van Joz. 19:10 , 19:11 , enz. Jozua 19:10 : Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid. Jozua 19:11 : En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.
[^genesis-49-13-g]: Verwijzing g: Joz. 19:10 ; idem v. 11 . Jozua 19:10 : Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid. Jozua 19:11 : En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.
[^genesis-49-13-31]: Kanttekening 31: zeeën wonen: Anders, meren.
[^genesis-49-13-32]: Kanttekening 32: Zie van deze stad boven, Gen. 10:19 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.
[^genesis-49-14-33]: Kanttekening 33: Issaschar is: Bij gelijkenis van een sterken maar luien en gemakkelijken ezel, voorzegt hij dat de nakomelingen van Issaschar wel sterk zouden zijn en groot van vermogen, door de goedheid van hun land, maar zo tot gemak en vrede genegen, dat zij niets bijzonders zouden uitrichten, ja zich door anderen overlasten; zie Richt. 5:13 , en verg. Deut. 33:18 . Richteren 5:13 : Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; YHWH doet mij heersen over de geweldigen. Deuteronomium 33:18 : En van Zebulon zei hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.
[^genesis-49-14-34]: Kanttekening 34: een sterk gebeende ezel: Hebr. een ezel van het been; dat is, een ezel, die groot en sterk van gebeente is.
[^genesis-49-16-35]: Kanttekening 35: richten, als: Dat is, regeren, met wetten te geven en uit te voeren, zo 1 Sam. 2:10 ; Ps. 96:13 ; Zach. 3:7 . Ditzelfde verstaat Jakob ook van de andere stammen, afkomstig uit de andere dienstmaagden, dat zij, zowel als de andere, de volle heerschappij in hun erfdeel hebben zouden. 1 Samuël 2:10 : Die met YHWH twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in de hemel over hen donderen; YHWH zal de einden van de aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en de hoorn van Zijn Gezalfde verhogen. Psalmen 96:13 : Voor het aangezicht van YHWH; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid. Zacharia 3:7 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Als u in Mijn wegen zult wandelen, en als u Mijn wacht zult waarnemen, zo zult u ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder deze, die hier staan.
[^genesis-49-17-36]: Kanttekening 36: Dan zal een: De zin en de mening van de profetie is deze: Dan zal, naar de aard van de slangen, listiglijk zijn vijanden bespringen, gelijk ook af te nemen is uit Deut. 33:22 . Zie exempelen van de vervulling, Richt. 14 ; Richt. 15 ; Richt. 16 ; Richt. 18 . Deuteronomium 33:22 : En van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen.
[^genesis-49-17-37]: Kanttekening 37: Anders, pijlslang, die, in de bomen zich verbergende, door derzelver takken met grote sterkte en snelheid zich uitschiet, doende van gelijken op de aarde langs de weg. Het Hebreeuwse woord wordt hier alleen gevonden.
[^genesis-49-18-38]: Kanttekening 38: Op uw: Jakob wendt zich tot God, om hem de welstand van zijn nakomelingen aan te bevelen, door Gods Geest voorziende de zwarigheden, die hun in het algemeen zouden overkomen, en in het bijzonder de stam van Dan, zowel ten aanzien van zijn erfdeel, Joz. 19:47 ; Richt. 1:34 , als van de zuivere religie of godsdienst, die zij zeer haast door afgoderij verloren hebben; Richt. 18:17 . Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. Richteren 1:34 : En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal. Richteren 18:17 : Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren.
[^genesis-49-18-39]: Kanttekening 39: Het Hebreeuwse woord betekent, òf tijdelijke verlossing en behoud, Richt. 15:18 , en 2 Sam. 10:11 ; of eeuwige, Jes. 45:17 ; Luk. 19:9 , of beiden tezamen, gelijk Ps. 37:39 , en hier, vers 18 . Anders, tot of, om uw heil, of, behoudenis , wacht ik de Heer. Richteren 15:18 : Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot YHWH, en zei: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen? 2 Samuël 10:11 : En hij zei: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult u mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen. Jesaja 45:17 : Maar Israël wordt verlost door YHWH, met een eeuwige verlossing; u zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden. Lukas 19:9 : En Jezus zei tot hem: Heden is deze huize zaligheid geschied, aangezien ook deze een zoon van Abraham is. Psalmen 37:39 : Thau. Maar het heil van de rechtvaardigen is van YHWH; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid. Genesis 49:18 : Op uw zaligheid wacht ik, YHWH!
[^genesis-49-19-40]: Kanttekening 40: een bende: Jakob wil zeggen dan Gad wel in het eerst door zijn vijanden zou onderdrukt worden, maar dat hij hen daarna zelf zou overwinnen. Zie Deut. 33:20 , 33:21 . Deuteronomium 33:20 : En van Gad zei hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt de arm, ja ook de schedel. Deuteronomium 33:21 : En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij daar in het deel van de wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden van het volk; hij verrichtte de gerechtigheid van YHWH, en zijn gerichten met Israël.
[^genesis-49-19-41]: Kanttekening 41: aanvallen; maar: Het Hebreeuwse woord betekent, met rovende en stropende benden of rotten een uitval doen.
[^genesis-49-20-42]: Kanttekening 42: Van Aser: De zin is dat de nakomelingen van Aser van het land, dat hun ten erfdeel vallen zou, zeer goede tarwe, olie en ander voedsel in overvloed genieten zouden.
[^genesis-49-20-43]: Kanttekening 43: hij zal: Dat is, het land van Aser zal zeer vruchtbaar zijn, niet alleen van het nodige voedsel, maar ook van kostelijke, vermakelijke en lekkere vruchten, die men met ere een koning zou mogen voorzetten. Zie Deut. 33:24 , en Joz. 19:24 , 19:25 , enz. Deuteronomium 33:24 : En van Aser zei hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broers aangenaam, en dope zijn voet in olie. Jozua 19:24 : Toen ging het vijfde lot voor de stam van de kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen. Jozua 19:25 : En hun landpale was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf,
[^genesis-49-21-44]: Kanttekening 44: losgelaten hinde: Dat is, wakker in oorlogsdaden; Richt. 4:6 , 4:10 , en Richt. 5:18 , en aangenaam in de burgerlijke conversatie. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op. Richteren 5:18 : Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, ook Nafthali, op de hoogten van het veld.
[^genesis-49-22-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 5:1 . 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
[^genesis-49-22-45]: Kanttekening 45: een vruchtbare: Hebr. Zoon van de vruchtbare \[wijnstok\]; zo dochters in het volgende. Jozef wordt vergeleken bij een vruchtbaren stam, die takken geeft, en die zich zeer vermenigvuldigen en wijd uitbreiden zouden.
[^genesis-49-23-46]: Kanttekening 46: De schutters: Hebr. de heren, of, meesters van de pijlen; dat is, de schutters, die de pijlen in het schieten gebruiken. Zie boven, Gen. 14:13 . Versta door deze, al degenen, die Jozef enig lijden hebben aangedaan, zoals zijn broers, met hem te verkopen; zijn meesteres, met hem te beschuldigen; haar man, met hem in de gevangenis te werpen, enz., welke allen naar hem, evenals de schutters naar een doel, geschoten hebben, om hem te verderven. Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^genesis-49-23-i]: Verwijzing i: onder, Gen. 50:20 . Genesis 50:20 : Gijlieden wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
[^genesis-49-23-47]: Kanttekening 47: Hebr. verbitterd.
[^genesis-49-23-48]: Kanttekening 48: Zie van het Hebreeuwse woord Job 16:13 ; Jer. 50:29 ; ook Ps. 18:15 . Job 16:13 : Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. Jeremia 50:29 : Laat u horen tegen Babel, u schutters! u allen, die de boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen YHWH, tegen de Heilige van Israël. Psalmen 18:15 : En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
[^genesis-49-24-49]: Kanttekening 49: zijn boog: Dat is, zijn sterkte en welvaart is in haar geheel gebleven, zodat hij niet kon vernield worden door zijn vijanden. Enige verstaan door de boog, het geloof van Jozef; door zijn armen, zijn deugden.
[^genesis-49-24-50]: Kanttekening 50: De handen Gods; betekenen zijn almachtige sterkte; Ex. 13:3 ; Ps. 10:12 ; Ez. 39:21 , enz. Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan bent; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. Psalmen 10:12 : Sta op, YHWH God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet. Ezechiël 39:21 : En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.
[^genesis-49-24-51]: Kanttekening 51: Dat is, van God, die Jakob en zijn huisgezin door zijn macht beschermd heeft.
[^genesis-49-24-52]: Kanttekening 52: daarvan is hij: Dat is, van God, die alleen de fontein is en de gever alles goeds.
[^genesis-49-24-53]: Kanttekening 53: herder, een: Versta, Jozef, wie God gesteld had tot een herder, om voedsel te beschikken de Egyptenaars en anderen volken, maar in het bijzonder Jakobs huis, om welke oorzaak hij ook een steen, of, rots van toevlucht genoemd wordt.
[^genesis-49-25-54]: Kanttekening 54: Hij spreekt van Jozefs nakomelingen, wie hij voorzegt vierderlei zegen, die God hun verlenen zou: I. Door middel van de hemel, als zijn, tijdige zomer en winter, zonneschijn, regen en dauw; Deut. 33:13 ; Ez. 34:20 ; II. Uit de afgrond als fonteinen, rivieren, allerlei staande en vloeiende wateren. Verg. Deut. 8:7 , en Deut. 33:13 ; III. Door midden van de mensen, als de vruchtbaarheid en vermenigvuldiging van de nakomelingen, Deut. 33:17 ; IV. Door de beesten, als voedsel, kleding, dienstelijke hulp en grote menigte daarvan. Verg. Deut. 28:4 . Deuteronomium 33:13 : En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van YHWH, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; Ezechiël 34:20 : Daarom zegt de Heer YHWH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee. Deuteronomium 8:7 : Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; Deuteronomium 33:13 : En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van YHWH, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; daarmee zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Deuteronomium 28:4 : Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee.
[^genesis-49-25-55]: Kanttekening 55: van de afgrond: Versta, de grote diepte, die in de aarde is, waaruit de zeeën, fonteinen, rivieren, meren, beken, enz., haar oorsprong nemen; verg. boven, Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^genesis-49-26-56]: Kanttekening 56: gaan te boven de: Niet alleen omdat zij mij opnieuw bevestigd, klaarder geopenbaard en nader vervuld zijn, maar ook gaan in het algemeen over al mijn kinderen, die dan ook in meerder getal zijn, dan de kinderen van mijn vader en grootvader waren, tot het verbond Gods behorende.
[^genesis-49-26-57]: Kanttekening 57: eeuwige heuvelen: Dat is, die van de beginne geweest zijn. Verg. Deut. 33:15 ; Ez. 36:2 ; Hab. 3:6 , en verder Ps. 72:5 , 72:7 , 72:17 , en Ps. 89:37 , 89:38 . Deuteronomium 33:15 : En van het voornaamste van de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen; Ezechiël 36:2 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden! Habakuk 3:6 : Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn van Hem. Psalmen 72:5 : Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. Psalmen 72:7 : In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. Psalmen 72:17 : Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38 : Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela.
[^genesis-49-26-58]: Kanttekening 58: hoofd van: Dat is, zij zullen rijk uitgestort worden over Jozef; om van hem over al zijn nakomelingen in gelijke mate af te vloeien.
[^genesis-49-26-59]: Kanttekening 59: Te weten, tot zonderlinge macht en heerschappij, om een behouder van zijn geslacht te zijn.
[^genesis-49-27-60]: Kanttekening 60: Benjamin zal: Dat is, de Benjaminieten zullen in aard, conditiën en werken enigszins te vergelijken zijn bij de wolven, die altijd er op uit zijn om te roven, het geroofde te verscheuren, het verscheurde te verslinden, en onder hun jongen uit te delen. Want zij zullen ten oorlog genegen zijn, en kloek in het gebruik van de wapenen. Zie hiervan de vervulling Richt. 3:15 , idem, Richt. 19:20 , en 1 Sam. 12:14 , 12:15 . Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten. Richteren 19:20 : Toen zei de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen overnacht niet op de straat. 1 Samuël 12:14 : Zo u YHWH zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en de mond van YHWH niet opstandig zijt, zo zult u, zowel u als de koning, die over u regeren zal, achter YHWH, uw God, zijn. 1 Samuël 12:15 : Maar zo u naar de stem van YHWH niet zult horen, maar de mond van YHWH opstandig zijn, zo zal de hand van YHWH, tegen u zijn, als tegen uw vaders.
[^genesis-49-27-61]: Kanttekening 61: avonds zal: Dat is gehele dagen zullen zij met oorlogswerken bezig zijn.
[^genesis-49-29-62]: Kanttekening 62: Ik word verzameld: Zie boven, Gen. 15:15 , en Gen. 25:8 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^genesis-49-29-63]: Kanttekening 63: begraaft mij: Van het gebruik van de begrafenis, zie boven, Gen. 23:4 . Genesis 23:4 : Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.
[^genesis-49-29-64]: Kanttekening 64: Zie boven, Gen. 23:10 . Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende:
[^genesis-49-30-k]: Verwijzing k: boven, Gen. 23:9 ; idem v. 16 . Genesis 23:9 : Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelfde mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u. Genesis 23:16 : En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar.
[^genesis-49-30-65]: Kanttekening 65: is op de akker: Hij beschrijft deze spelonk dus naarstiglijk, zowel om te tonen dat hij grote begeerte had om daar begraven te worden, als omdat hij vreesde, dat zij de plaats niet wel mochten onthouden hebben; want Jozef was nu omtrent negen en dertig jaren uit het land Kanaän geweest, en zijn broers omtrent zeventien jaren.
[^genesis-49-30-66]: Kanttekening 66: van Machpela: Zie boven, Gen. 23:9 . Genesis 23:9 : Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij die mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.
[^genesis-49-30-67]: Kanttekening 67: Mamre is: Anders genaamd Hebro, gelegen in de stam van Juda, boven, Gen. 23:19 , en Gen. 35:27 . Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Genesis 35:27 : En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
[^genesis-49-31-68]: Kanttekening 68: Daar hebben: Dit verhaalt Jakob uitvoerig, eensdeels om het hart van zijn kinderen af te trekken van Egypte, en de verwachting op te scherpen op het beloofde land; anderdeels om aldus openlijk te betuigen dat hij in de voetstappen van Abrahams en Izaks geloof volhardde.
[^genesis-49-31-l]: Verwijzing l: boven, Gen. 25:9 ; boven, Gen. 35:29 ; Hand. 7:16 . Genesis 25:9 : En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, welke tegenover Mamre is; Genesis 35:29 : En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-49-32-69]: Kanttekening 69: De akker, en: Hebr. de koping van de akker en van de spelonk, die daarin is, is van, enz. Anders \[in\] de bezitting, of, het erfgoed van de akker, en van de spelonk, die daarin is, \[gekocht\] van, enz.
[^genesis-49-33-70]: Kanttekening 70: zo legde: Het schijnt dat Jakob de voorgaande rede gedaan heeft zittende, overeind in het bed, om het woord van God, dat hij verder wilde uitspreken, te vereren, en op zijn gemak beter voort te brengen; daarna, dat hij, dit gedaan hebbende, en door zijn zwakheid niet meer aldus kunnende zitten, zich weer nedergelegd, en zijn voeten in het bed bijeen uitgestrekt heeft, om gerustelijk de dood te verwachten, en zijn geest aan God te bevelen.
[^genesis-49-33-m]: Verwijzing m: Hand. 7:15 . Handelingen 7:15 : En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
[^genesis-49-33-71]: Kanttekening 71: verzameld tot: Zie boven, vers 29 . Genesis 49:29 : Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in de akker van Efron, de Hethiet;

### Genesis 50

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/genesis/50.json)

*Jozef beweent zijn vader en laat hem balsemen, vers 1. Nadat de Egyptearen hem hebben beweend, brengt Jozef hem met toestemming van de farao en met een statig gevolg naar Kanaän, 4, waar hij na een groot rouwbeklag wordt begraven in Abrahams grafstede, 10. Na terugkeer in Egypte smeken Jozefs broers hem nederig om vergeving, 14. Jozefs ouderdom en nakomelingen tot in het derde en vierde geslacht, 22. Hij bemoedigt zijn broers en laat hen zweren zijn beenderen mee te nemen als zij het land verlaten; hij sterft en wordt gebalsemd, 24.*

**1** Toen viel Jozef op van zijn vader aangezicht, en hij huilde over hem, en[^genesis-50-1-1] kuste hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v1)

**2** En Jozef gebood zijn knechten, de dokters, dat[^genesis-50-2-2] zij zijn vader[^genesis-50-2-3] balsemen zouden; en de dokters balsemden Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v2)

**3** En[^genesis-50-3-4] veertig dagen werden aan[^genesis-50-3-5] hem vervuld; want zo werden vervuld de dagen van hen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem[^genesis-50-3-6] zeventig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v3)

**4** Als nu de dagen van zijn bewenen over waren, zo sprak Jozef tot het[^genesis-50-4-7] huis van Farao, zeggende: Als ik nu[^genesis-50-4-8] genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v4)

**5** Mijn vader heeft mij[^genesis-50-5-a] doen zweren, zeggende:[^genesis-50-5-9] Zie, ik sterf; in mijn graf,[^genesis-50-5-10] dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik terugkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v5)

**6** En Farao zei: Trek op en begraaf uw vader, zoals hij u heeft doen zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v6)

**7** En Jozef trok op, om zijn vader te begraven; en met hem trokken op[^genesis-50-7-11] alle[^genesis-50-7-12] Farao's knechten, de[^genesis-50-7-13] oudsten van zijn[^genesis-50-7-14] huis, en al[^genesis-50-7-15] de oudsten van het land van Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v7)

**8** Daartoe het hele[^genesis-50-8-16] huis van Jozef, en zijn broers, en het huis van zijn vader; alleen hun kleine kinderen, en hun[^genesis-50-8-17] schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v8)

**9** En met hem trokken op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer[^genesis-50-9-18] zware leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v9)

**10** Toen zij nu aan[^genesis-50-10-19] het plein[^genesis-50-10-20] van het doornbos kwamen,[^genesis-50-10-21] dat aan de overzijde van[^genesis-50-10-22] de Jordaan is,[^genesis-50-10-23] hielden zij daar een grote en zeer zware klaagzang; en hij maakte zijn vader een rouw van[^genesis-50-10-24] zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v10)

**11** Als de[^genesis-50-11-25] inwoners van het land, de Kanaänieten, die rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan de doorwaadbare plaats van de Jordaan is.[^genesis-50-11-26][^genesis-50-11-27][^genesis-50-11-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v11)

**12** En zijn zonen deden[^genesis-50-12-29] hem, zoals[^genesis-50-12-30] hij hun geboden had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v12)

**13** Want[^genesis-50-13-b] zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de grot van de akker[^genesis-50-13-31][^genesis-50-13-c] van Machpela, die Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover[^genesis-50-13-32] Mamre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v13)

**14** Daarna keerde Jozef weer in Egypte, hij en zijn broers, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v14)

**15** Toen Jozefs broers zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons[^genesis-50-15-33] zeker vergelden al het kwaad, dat wij hem[^genesis-50-15-34] aangedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v15)

**16** Daarom[^genesis-50-16-35] ontboden zij aan Jozef, zeggende:[^genesis-50-16-36] Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v16)

**17** Zo zult u tot Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding[^genesis-50-17-37] van de dienaren[^genesis-50-17-38] van de God van uw vader! En Jozef[^genesis-50-17-39] huilde, als zij tot hem spraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v17)

**18** [^genesis-50-18-40] Daarna kwamen ook zijn broers, en vielen voor hem neer, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v18)

**19** En Jozef zei tot hen: Vrees niet; want[^genesis-50-19-41] ben ik[^genesis-50-19-d] in de plaats van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v19)

**20** U wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed,[^genesis-50-20-42] zoals het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v20)

**21** Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en[^genesis-50-21-43] sprak naar hun hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v21)

**22** Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader; en Jozef leefde honderd en tien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v22)

**23** En Jozef zag van Efraïm[^genesis-50-23-44] kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen[^genesis-50-23-e] van Machir, de zoon van Manasse, op[^genesis-50-23-45] Jozefs knieën geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v23)

**24** En Jozef zei tot zijn broers:[^genesis-50-24-46] Ik[^genesis-50-24-f] sterf; maar God zal u zeker[^genesis-50-24-47] bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v24)

**25** En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u zeker bezoeken,[^genesis-50-25-g] zo[^genesis-50-25-48] zult u mijn beenderen van hier opvoeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v25)

**26** En Jozef stierf,[^genesis-50-26-49] honderd en tien jaar oud zijnde; en zij[^genesis-50-26-50] balsemden hem, en men legde hem in een[^genesis-50-26-51] kist in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/genesis/50.html#v26)

[^genesis-50-1-1]: Kanttekening 1: kuste hem: Zo dat hij hem ook zonder twijfel, de ogen toegesloten heeft, gelijk God Jakob beloofd had, boven, Gen. 46:4 . Genesis 46:4 : Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
[^genesis-50-2-2]: Kanttekening 2: zijn vader: Dat is, het dode lichaam van zijn vader.
[^genesis-50-2-3]: Kanttekening 3: balsemen zouden: Een oud gebruik van de oosterse volken, waardoor zij de dode lichamen met welriekende kruiden en krachtige specerijen bestrooid en gevuld en met zalf, daarvan gemaakt, bestreken hebben; welk gebruik de heidenen uit superstitie, maar de Israëlieten met een heilig nadenken, tot een getuigenis van de toekomende onverderfelijkheid van onze lichamen, onderhouden hebben. Zie 2 Kron. 16:14 , en 2 Kron. 21:19 ; Mark. 16:1 ; Joh. 19:40 . 2 Kronieken 16:14 : En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een geheel grote branding. 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding van zijn vaderen. Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Johannes 19:40 : Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.
[^genesis-50-3-4]: Kanttekening 4: veertig dagen: Te weten, opdat door het langdurige balsemen, de kracht van de kostbare kruiden en zalven al de leden van het lichaam doortrekken mocht.
[^genesis-50-3-5]: Kanttekening 5: hem vervuld: Namelijk, aan Jakob.
[^genesis-50-3-6]: Kanttekening 6: zeventig dagen: Langer dan de Israëlieten Aäron en Mozes beweenden, dat maar dertig dagen duurde; Num. 20:29 ; Deut. 34:8 . Maar sommigen menen dat onder deze zeventig dagen, de voormelde veertig van de balseming mee begrepen moeten worden. In welke zin het bewenen maar dertig dagen geduurd zou hebben. Numeri 20:29 : Toen de gehele vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het gehele huis van Israël. Deuteronomium 34:8 : En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid.
[^genesis-50-4-7]: Kanttekening 7: huis van Farao: Versta de vorsten, raadsheren en vrienden van Farao, die dagelijks bij hem waren; want in de rouw zijnde, mocht Jozef bij de koning niet verschijnen, naar het gebruik van Egypte en van andere landen. Verg. Esth. 4:2 . Esther 4:2 : En hij kwam tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning inkomen, bekleed met een zak.
[^genesis-50-4-8]: Kanttekening 8: genade gevonden: Zie boven, Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^genesis-50-5-a]: Verwijzing a: boven, Gen. 47:29 . Genesis 47:29 : Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;
[^genesis-50-5-9]: Kanttekening 9: Zie, ik sterf: Zie boven, Gen. 48:21 , en hier vers 24 . Genesis 48:21 : Daarna zei Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land van uw vaderen. Genesis 50:24 : En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
[^genesis-50-5-10]: Kanttekening 10: dat ik mij in: Aldus hebben ook anderen, toen zij nog leefden, hun graf tegen hun dood laten bereiden. Zie 2 Kron. 16:14 ; Jes. 22:16 ; Matt. 27:60 . 2 Kronieken 16:14 : En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een geheel grote branding. Jesaja 22:16 : Wat hebt u hier, of wie hebt u hier, dat u u hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? Mattheüs 27:60 : En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg.
[^genesis-50-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, het merendeel, te weten, allen die bij de hand waren, en van huis konden wezen. Verg. Matt. 3:5 . Mattheüs 3:5 : Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;
[^genesis-50-7-12]: Kanttekening 12: Farao's knechten: Zijn hofdienaren en edellieden; zie boven, Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^genesis-50-7-13]: Kanttekening 13: oudsten van zijn: Zijn raadsheren en andere mannen van staat.
[^genesis-50-7-14]: Kanttekening 14: huis, en al: Dat is, hofgezin. Zie boven, Gen. 34:19 . Genesis 34:19 : En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijn vaders huis.
[^genesis-50-7-15]: Kanttekening 15: de oudsten van het land van: Vorsten, officieren en aanzienlijken van het land.
[^genesis-50-8-16]: Kanttekening 16: huis van Jozef: Dat is, huisgezin, huisgenoten, dienaren en knechten; verg. de aantekeningen op het voorgaande vs. vers 8 , en boven, Gen. 7:1 . Genesis 50:8 : Daartoe het gehele huis van Jozef, en zijn broers, en het huis van zijn vader; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. Genesis 7:1 : Daarna zei YHWH tot Noach: Ga u, en uw gehele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
[^genesis-50-8-17]: Kanttekening 17: schapen, en hun: Dat is, hun klein en groot vee. Zie boven, Gen. 12:16 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^genesis-50-9-18]: Kanttekening 18: zware legermacht: Dat is, groot in menigte. Aldus wordt een zwaar volk genoemd, Num. 20:20 , en 1 Kon. 3:9 , dat uitgelegd wordt een groot volk; 2 Kron. 1:10 . Zie ook 1 Kon. 10:2 , en 2 Kon. 6:14 . Numeri 20:20 : Maar hij zei: U zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand. 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 2 Kronieken 1:10 : Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten? 1 Koningen 10:2 : En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. 2 Koningen 6:14 : Toen zond hij daarheen paarden, en wagens, en een zware legermacht; welke 's nachts kwamen, en omsingelden de stad.
[^genesis-50-10-19]: Kanttekening 19: plein van: Versta hier een effen, ledige en open plaats, die met doornen bezet, of omtuind was, of omtrent welke een menigte van doornen groeiden.
[^genesis-50-10-20]: Kanttekening 20: Hetzelfde woord hebben wij Richt. 9:14 ; Ps. 58:10 . Anderen behouden het Hebreeuwse woord ATAD (אָטָד) als de eigen naam van deze plaats. Richteren 9:14 : Toen zeiden al de bomen tot de doornenbos: Kom u, wees koning over ons. Psalmen 58:10 : Eer dan uw potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
[^genesis-50-10-21]: Kanttekening 21: aan de overzijde: Ten aanzien van de plaats, waar Mozes was, toen hij dit schreef.
[^genesis-50-10-22]: Kanttekening 22: Jordaan is: Zie boven, Gen. 13:10 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^genesis-50-10-23]: Kanttekening 23: hielden zij: Hebr. zo rouwklaagden zij daar een rouwklacht.
[^genesis-50-10-24]: Kanttekening 24: zeven dagen: Dat is, Jozef verordende de tijd van zeven dagen, om te beschikken al wat tot het rouwdragen en de begrafenis nodig was; zie Pred. 12:13 . Prediker 12:13 : Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.
[^genesis-50-11-25]: Kanttekening 25: inwoners van de: Hebr. de inwoner; zo in het volgende, de Kanaäniet.
[^genesis-50-11-26]: Kanttekening 26: haar naam: Te weten, van de voorzegde plaats.
[^genesis-50-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, de rouw van de Egyptenaars, of, de rouwdragers van de Egyptenaars.
[^genesis-50-11-28]: Kanttekening 28: die aan het veer: Aldus in het voorgaande, vers 10 . Genesis 50:10 : Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan de overzijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.
[^genesis-50-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk, Jakob.
[^genesis-50-12-30]: Kanttekening 30: hij hun: Zie boven, Gen. 49:29 . Genesis 49:29 : Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in de akker van Efron, de Hethiet;
[^genesis-50-13-b]: Verwijzing b: Hand. 7:15 ; idem v. 16 . Handelingen 7:15 : En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^genesis-50-13-31]: Kanttekening 31: Zie boven, Gen. 49:30 . Genesis 49:30 : In de spelonk, welke is op de akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis.
[^genesis-50-13-c]: Verwijzing c: boven, Gen. 23:16 . Genesis 23:16 : En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar.
[^genesis-50-13-32]: Kanttekening 32: Zie boven, Gen. 49:30 . Genesis 49:30 : In de spelonk, welke is op de akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis.
[^genesis-50-15-33]: Kanttekening 33: Hebr. vergeldende vergelden, of, terugkeren.
[^genesis-50-15-34]: Kanttekening 34: aangedaan hebben: Hebr. weer gedaan, of, vergolden hebben; te weten, voor al die ootmoedige beden en vriendelijke smekingen, die hij, in onze handen zijnde, aan ons gedaan heeft, en wij hem afgeslagen hebben. Zie boven, Gen. 42:21 , zo onder, vers 17 . Genesis 42:21 : Toen zeiden zij de één tot de ander: Werkelijk, wij zijn schuldig aan onze broer, wiens benauwdheid van de ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons. Genesis 50:17 : Zo zult u tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding van uw broers, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.
[^genesis-50-16-35]: Kanttekening 35: ontboden zij: Hebr. zij hebben bevolen aan, of, tot Jozef; dat is, zij hebben tot Jozef enige afgevaardigd, aan wie zij bevolen hebben hem uit hun naam wat aan te dienen.
[^genesis-50-16-36]: Kanttekening 36: Uw vader heeft: Zij begeren vergiffenis van Jozef, gebruikende daartoe vier redenen: I. Omdat hun vader \[zoals zij zeggen\] dit vóór zijn dood begeerd had; II. Omdat zij zijn broers waren; III. Omdat zij berouw hadden en hun zonden bekenden; IV. Omdat zij van één religie met hem waren.
[^genesis-50-17-37]: Kanttekening 37: van de dienaren: Die denzelfden God met u dienen, die ons bevolen heeft elkaar de misdaden te vergeven, gelijk wij begeren, dat Hij ons genadig is.
[^genesis-50-17-38]: Kanttekening 38: van de God: Zie boven, Gen. 26:24 , en Gen. 31:42 . Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^genesis-50-17-39]: Kanttekening 39: Jozef weende: Zonder twijfel, omdat zij zeer bewogen spraken van een zaak, die hij zonder beweging niet kon aanhoren, te meer omdat hij hun vrees voor straf bemerkte en wantrouwen op zijn goedheid.
[^genesis-50-18-40]: Kanttekening 40: Daarna kwamen: Te weten, nadat zij gehoord hadden het rapport dergenen, die zij tot Jozef afgevaardigd hadden.
[^genesis-50-19-41]: Kanttekening 41: ben ik in: Dat is, ben ik God, die de macht zou hebben u kwaad te doen, die God door mij goed doen en behouden wil?
[^genesis-50-19-d]: Verwijzing d: boven, Gen. 45:5 . Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven.
[^genesis-50-20-42]: Kanttekening 42: gelijk het te: Dat is, gelijk het heden blijkt, en voor alle mensen openbaar is.
[^genesis-50-21-43]: Kanttekening 43: sprak naar hun: Zie boven, Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^genesis-50-23-44]: Kanttekening 44: kinderen, van het derde gelid: Hebr. kinderen van de derden; dat is, kinderen tot in het derde gelid; dat is, kinderen van kleinkinderen. Zie van dergelijken zegen Job 42:16 , en Ps. 128:6 . Hier begint vervuld te worden de profetie van Jakob, boven, Gen. 48:19 . Job 42:16 : En Job leefde na deze honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen van zijn kinderen, tot in vier geslachten. Psalmen 128:6 : En u zult uw kleinkinderen zien. Vrede over Israël! Genesis 48:19 : Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broer groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
[^genesis-50-23-e]: Verwijzing e: Num. 32:39 . Numeri 32:39 : En de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.
[^genesis-50-23-45]: Kanttekening 45: Jozefs knieën: Dat is, die Jozef in hun eerste jonkheid van blijdschap en vermaak op zijn schoot placht te zetten, en daarmede te spelen, gelijk men met de kleine kindertjes gewoonlijk doet; verg. boven, Gen. 30:3 . Genesis 30:3 : En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.
[^genesis-50-24-46]: Kanttekening 46: Ik sterf: Zie boven, vers 5 . Genesis 50:5 : Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.
[^genesis-50-24-f]: Verwijzing f: Hebr. 11:22 . Hebreeën 11:22 : Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van de uitgang van de kinderen van Israël, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.
[^genesis-50-24-47]: Kanttekening 47: bezoeken, en: Hebr. bezoekende bezoeken; dat is, Hij zal u zekerlijk bezoeken, te weten, naar zijn genade; om u wèl te doen en zijn beloften aan u te volbrengen; zie boven, Gen. 21:1 , en hier het volgende vers, vers 25 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Genesis 50:25 : En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren!
[^genesis-50-25-g]: Verwijzing g: Ex. 13:19 ; Joz. 24:32 . Exodus 13:19 : En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen van Israël bezworen, zeggende: God zal u voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met u op van hier! Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.
[^genesis-50-25-48]: Kanttekening 48: zult u mijn: Dit beveelt hij, niet uit superstitie, maar uit een vast geloof, waardoor hij voor zeker hield, dat zijn geslacht het land Kanaän bezitten zou, en dat het hun allen was tot een voorbeeld en onderpand van het hemelse Kanaän; begerende uit zulke oorzaak, dat zijn beenderen daar eindelijk zouden heengevoerd worden; zie Hebr. 11:22 . Hebreeën 11:22 : Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van de uitgang van de kinderen van Israël, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.
[^genesis-50-26-49]: Kanttekening 49: honderd en tien jaren: Hebr. een zoon van honderd en tien jaren.
[^genesis-50-26-50]: Kanttekening 50: balsemden hem: Zie boven, vers 2 . Genesis 50:2 : En Jozef gebood zijn knechten, de dokters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de dokters balsemden Israël.
[^genesis-50-26-51]: Kanttekening 51: kist in Egypte: Waarin zijn dood lichaam is bewaard geweest, om op zijn tijd naar het land Kanaän vervoerd te mogen worden, dat honderd vijf en vijftig jaren daarna geschied is, toen de kinderen van Israël uit Egypte togen.

## Exodus

### Exodus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/1.json)

*De namen en het getal van de kinderen van Israël, die in Egypte kwamen, en hun vermenigvuldiging, vers 1 enz. hoe Farao poogt hen te onderdrukken, maar tevergeefs, 14. Farao beveelt de vroedvrouwen alle jongetjes te doden zodra zij geboren zouden zijn, 16. Maar zij behouden hen in het leven, 17. God zegent de vroedvrouwen, 21. Farao gebiedt alle jongetjes te verdrinken, 22.*

**1** Dit nu zijn de namen van de zonen van[^exodus-1-1-a] Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob;[^exodus-1-1-1] zij kwamen er in, elk met zijn[^exodus-1-1-2] huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v1)

**2** Ruben, Simeon, Levi, en Juda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v2)

**3** Issaschar, Zebulon, en[^exodus-1-3-3] Benjamin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v3)

**4** Dan en Nafthali, Gad en Aser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v4)

**5** [^exodus-1-5-4][^exodus-1-5-b] Al de zielen nu, die[^exodus-1-5-5] uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren[^exodus-1-5-6] zeventig zielen; maar[^exodus-1-5-7] Jozef was in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v5)

**6** [^exodus-1-6-c] Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broers,[^exodus-1-6-8] en al dat geslacht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v6)

**7** Zo werden de Israëlieten vruchtbaar[^exodus-1-7-d] en groeiden overvloedig, en zij vermeerderden, en werden[^exodus-1-7-9] geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v7)

**8** [^exodus-1-8-e] Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v8)

**9** Die zei tot zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is veel, ja, machtiger dan wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v9)

**10** [^exodus-1-10-f] Kom aan, laat ons[^exodus-1-10-10] verstandig tegen hen handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het gebeure, als er enige strijd voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze[^exodus-1-10-11] vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v10)

**11** En zij zetten[^exodus-1-11-12] oversten van de belastingen over hetzelfde, om het te verdrukken[^exodus-1-11-13] met hun dwangarbeid; want[^exodus-1-11-14] men bouwde voor[^exodus-1-11-15] Farao voorraadsteden, Pitom en[^exodus-1-11-16] Raamses. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v11)

**12** Maar[^exodus-1-12-17][^exodus-1-12-g] hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het groeide; zodat zij verdrietig waren vanwege de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v12)

**13** En de Egyptenaars deden de Israëlieten dienen[^exodus-1-13-18] met hardheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v13)

**14** Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in bakstenen, en met alle dienst op het veld, met al hun dienst,[^exodus-1-14-19] die zij hen deden dienen met hardheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v14)

**15** Daarenboven sprak de koning van Egypte[^exodus-1-15-20] tot de verloskundigen van de Hebreïnnen, van wie de ene naam Sifra was[^exodus-1-15-21], en de naam van de andere Pua was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v15)

**16** En zei: Wanneer u de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon,[^exodus-1-16-22] zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v16)

**17** Maar de verloskundigen vreesden God, en deden niet, zoals de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de jongetjes in het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v17)

**18** Toen riep de koning van Egypte de verloskundigen, en zei tot haar: Waarom hebt u deze zaak gedaan, dat u de jongetjes in het leven behouden hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v18)

**19** En de verloskundigen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen; want zij zijn[^exodus-1-19-23] sterk; voordat de verloskundige tot haar komt, zo hebben zij gebaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v19)

**20** Daarom deed God aan de verloskundigen[^exodus-1-20-24] goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v20)

**21** En het gebeurde, omdat de verloskundigen God vreesden, zo[^exodus-1-21-25] bouwde Hij haar huizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v21)

**22** [^exodus-1-22-h] Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle[^exodus-1-22-26] zonen,[^exodus-1-22-27] die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar[^exodus-1-22-28] al de dochters in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/1.html#v22)

[^exodus-1-1-a]: Verwijzing a: Gen. 46:8 ; Ex. 6:13 . Genesis 46:8 : En dit zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
[^exodus-1-1-1]: Kanttekening 1: zij kwamen er in: Hebreeuws, man en zijn huis kwamen er in.
[^exodus-1-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, huisgezin.
[^exodus-1-3-3]: Kanttekening 3: Benjamin was de jongste van al de zonen van Jakob; evenwel wordt hij hier gesteld voor de zonen van de bijwijven.
[^exodus-1-5-4]: Kanttekening 4: Al de zielen nu: Hebreeuws, alle ziel; dat is, alle personen; zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^exodus-1-5-b]: Verwijzing b: Gen. 46:27 ; Deut. 10:22 ; Hand. 7:14 . Genesis 46:27 : En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig. Deuteronomium 10:22 : Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. Handelingen 7:14 : En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
[^exodus-1-5-5]: Kanttekening 5: uit Jakobs heup voortgekomen zijn: Zie Gen. 46:26 . Genesis 46:26 : Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
[^exodus-1-5-6]: Kanttekening 6: zeventig zielen: Zie Gen. 46:27 . Genesis 46:27 : En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.
[^exodus-1-5-7]: Kanttekening 7: Jozef was in Egypte: Jozef en zijn twee zonen waren wel uit Jakob voortgekomen, maar zij waren in Egypte eer Jakob daar kwam.
[^exodus-1-6-c]: Verwijzing c: Gen. 50:26 . Genesis 50:26 : En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.
[^exodus-1-6-8]: Kanttekening 8: en al dat geslacht: Dat is, al de mensen van die eeuw, of die tijd, waarin Jozef en zijn broers nog leefden; en aldus wordt het Hebreeuwse woord voor de tijd van eens mensen leven genomen. Zie Gen. 15:16 . Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen.
[^exodus-1-7-d]: Verwijzing d: Deut. 26:5 ; Hand. 7:17 . Deuteronomium 26:5 : Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk. Handelingen 7:17 : Maar als nu de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;
[^exodus-1-7-9]: Kanttekening 9: geheel zeer machtig: Hebreeuws, in zeer zeer machtig.
[^exodus-1-8-e]: Verwijzing e: Hand. 7:18 . Handelingen 7:18 : Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.
[^exodus-1-10-f]: Verwijzing f: Hand. 7:19 . Handelingen 7:19 : Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
[^exodus-1-10-10]: Kanttekening 10: wijselijk tegen hetzelfde handelen: Anders, laat ons het verkloeken.
[^exodus-1-10-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, haters.
[^exodus-1-11-12]: Kanttekening 12: oversten van de schattingen over hetzelfde: Dat is, die van ieder het gestelde werk afeisten.
[^exodus-1-11-13]: Kanttekening 13: met hun lasten: Te weten, die zij hun oplegden.
[^exodus-1-11-14]: Kanttekening 14: men bouwde voor Farao: Anders, het bouwde; te weten, het volk van Israël.
[^exodus-1-11-15]: Kanttekening 15: Anders, ammunitiesteden.
[^exodus-1-11-16]: Kanttekening 16: Dit moet onderscheiden zijn van het land Rameses, Gen. 47:11 . Genesis 47:11 : En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broers woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.
[^exodus-1-12-17]: Kanttekening 17: hoe meer zij het verdrukten: Hebreeuws, gelijk zij het verdrukten, zo vermeerderde het, en zo wies het. Hebreeuws, brak uit; zie Gen. 28:14 . Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
[^exodus-1-12-g]: Verwijzing g: Ps. 105:24 . Psalmen 105:24 : En Hij deed Zijn volk zeer groeien, en maakte het machtiger dan Zijn tegenstanders.
[^exodus-1-13-18]: Kanttekening 18: met hardheid: Hierom wordt met recht Egypte genoemd een diensthuis, Ex. 20:2 , en een ijzeren oven, Deut. 4:20 . Exodus 20:2 : Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Deuteronomium 4:20 : Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is.
[^exodus-1-14-19]: Kanttekening 19: die zij hen deden dienen met hardheid: Anders, die zij onder hen dienden.
[^exodus-1-15-20]: Kanttekening 20: tot de vroedvrouwen van de Hebreinnen: Anders, tot de Hebreeuwse vroedvrouwen.
[^exodus-1-15-21]: Kanttekening 21: naam Sifra, en de naam van de andere Pua was: Deze twee zijn de voornaamsten geweest, maar zonder twijfel zullen er onder een groot getal Hebreeuwse vrouwen veel meer geweest zijn.
[^exodus-1-16-22]: Kanttekening 22: zo doodt hem: Zie de oorzaak vers 9 , 1:10 . Exodus 1:9 : Die zei tot zijn volk: Ziet, het volk van de kinderen van Israël is veel, ja, machtiger dan wij. Exodus 1:10 : Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelfde handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.
[^exodus-1-19-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, levend.
[^exodus-1-20-24]: Kanttekening 24: Niet om enige leugen, maar omdat zij God vreesden en de kinderen lieten leven; zie vers 21 . Exodus 1:21 : En het geschiedde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.
[^exodus-1-21-25]: Kanttekening 25: bouwde Hij haar huizen: Hebreeuws, maakte; dat is, God zegende haar zo, dat er geslachten en nakomelingen uit haar gesproten zijn. Dit kan men verstaan van de Israëlieten, òf van de vroedvrouwen, òf van beiden tezamen.
[^exodus-1-22-h]: Verwijzing h: Hand. 7:19 . Handelingen 7:19 : Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
[^exodus-1-22-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, allen zoon die geboren wordt.
[^exodus-1-22-27]: Kanttekening 27: die geboren worden: Te weten, van de Hebreeuwse vrouwen.
[^exodus-1-22-28]: Kanttekening 28: al de dochters in het leven behouden: Hebreeuws, alle dochter.

### Exodus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/2.json)

*Mozes wordt geboren en in een kistje van biezen in de rivier gelegd, vers 1 enz. hij wordt gevonden en door de dochter van Farao opgevoed, 5. Toen hij zijn broeders verongelijkt zag, slaat hij een Egyptenaar dood, 11. Dit verwijt hem een Israëliet, 13. hij vlucht naar Midian, 15. daar verlost hij de dochters van Jethro van het geweld van de herders, 16. hij dient bij Jethro en trouwt met zijn dochter Zippora, 21. die baart hem Gersom, 22. God verhoort het geroep van de Israëlieten, 24.*

**1** [^exodus-2-1-a] En[^exodus-2-1-1] een man[^exodus-2-1-2] van het huis van Levi ging, en[^exodus-2-1-3] nam[^exodus-2-1-4] een dochter van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v1)

**2** [^exodus-2-2-b] En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag,[^exodus-2-2-c] dat hij[^exodus-2-2-5] schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v2)

**3** Maar als zij hem[^exodus-2-3-6] niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem[^exodus-2-3-7] een kistje van[^exodus-2-3-8] biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het jongetje daarin, en legde het in de biezen, aan de[^exodus-2-3-9] oever van de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v3)

**4** En[^exodus-2-4-10] zijn zus stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v4)

**5** En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan[^exodus-2-5-11] de kant van de[^exodus-2-5-d] rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en[^exodus-2-5-12] liet het halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v5)

**6** Toen zij het open deed, zo[^exodus-2-6-13] zag zij dat jongetje; en ziet, het jongetje huilde; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelfde, en zij zei: Dit is één van de jongetjes van de Hebreën! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v6)

**7** Toen zei zijn zus tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een[^exodus-2-7-14] voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat jongetje voor u zoge? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v7)

**8** En de dochter van Farao zei tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep van de jongetjes moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v8)

**9** Toen zei Farao's dochter tot haar: Neem dit jongetje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het jongetje en zoogde het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v9)

**10** En toen het jongetje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter,[^exodus-2-10-15] en het werd haar tot zoon; en zij noemde zijn naam[^exodus-2-10-16] Mozes, en zei: Want ik heb hem uit het water getogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v10)

**11** [^exodus-2-11-e] En het gebeurde in die dagen,[^exodus-2-11-17] toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broers, en bezag hun dwangarbeid; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwse man uit zijn[^exodus-2-11-18] broers sloeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v11)

**12** En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij de Egyptenaar, en verborg[^exodus-2-12-19] hem in het zand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v12)

**13** Op de andere dag ging hij opnieuw uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zei tot[^exodus-2-13-20] de ongerechte: Waarom slaat u uw naaste? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v13)

**14** Hij dan zei:[^exodus-2-14-f] Wie heeft u tot een[^exodus-2-14-21] overste en rechter over ons gezet? Zegt u dit, om mij te doden, zoals u de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Werkelijk, deze[^exodus-2-14-22] zaak is bekend geworden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v14)

**15** Als nu Farao[^exodus-2-15-23] deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden;[^exodus-2-15-g] maar Mozes vluchtte voor Farao's aangezicht, en woonde in het land[^exodus-2-15-24] Midian, en hij zat bij een waterput. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v15)

**16** En[^exodus-2-16-25] de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde van haar vader te drenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v16)

**17** Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; maar Mozes stond op, en verloste ze, en gaf haar kudden te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v17)

**18** En toen zij tot haar[^exodus-2-18-26] vader Rehuël kwamen, zo sprak hij:[^exodus-2-18-27] Waarom bent u vandaag zo haast wedergekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v18)

**19** Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand van de herders; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput,[^exodus-2-19-28] en de kudde gedrenkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v19)

**20** En hij zei tot zijn[^exodus-2-20-29] dochters: Waar is hij toch, waarom liet u de man[^exodus-2-20-30] nu gaan? roep hem, dat hij[^exodus-2-20-31] brood ete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v20)

**21** En Mozes bewilligde bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn[^exodus-2-21-32] dochter Zippora; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v21)

**22** [^exodus-2-22-h] Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd[^exodus-2-22-33] land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v22)

**23** En het gebeurde na[^exodus-2-23-34] vele van deze dagen, als de[^exodus-2-23-35] koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun hulpgeroep over hun dienst kwam op tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v23)

**24** En God hoorde hun gekerm,[^exodus-2-24-36] en[^exodus-2-24-i] God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.[^exodus-2-24-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v24)

**25** En God zag de Israëlieten aan, en[^exodus-2-25-38] God kende hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/2.html#v25)

[^exodus-2-1-a]: Verwijzing a: Ex. 6:19 ; Num. 26:59 . Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
[^exodus-2-1-1]: Kanttekening 1: een man: Wiens naam was Amram, de zoon van Kehath, de zoon van Levi; Ex. 6:17 , 6:19 ; Num. 26:59 . Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
[^exodus-2-1-2]: Kanttekening 2: van het huis van Levi: Dat is, van het huisgezin en geslacht van Levi.
[^exodus-2-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, ter vrouw.
[^exodus-2-1-4]: Kanttekening 4: een dochter van Levi: Aan Levi zelven geboren, genaamd Jochebed, Num. 26:59 ; Kehats zus, de tante van Amram, haar man; dat is, de zus van zijn vader, Ex. 6:19 . Dusdanige huwelijken zijn naderhand verboden; Lev. 18:12 . Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus. Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. Leviticus 18:12 : U zult de schaamte van de zus van uw vader niet ontdekken; zij is uw vaders nabestaande.
[^exodus-2-2-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 23:13 ; Hand. 7:20 . 1 Kronieken 23:13 : De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht van YHWH, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen. Handelingen 7:20 : In welke tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijn vaders.
[^exodus-2-2-c]: Verwijzing c: Hebr. 11:23 . Hebreeën 11:23 : Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.
[^exodus-2-2-5]: Kanttekening 5: schoon was: Hebreeuws, goed; zie Gen. 6:2 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
[^exodus-2-3-6]: Kanttekening 6: niet langer verbergen kon: Want de Israëlieten woonden vermengd onder en met de Egyptenaars, Ex. 3:22 . En het bevel van de koning was hard en gevaarlijk het te overtreden, Ex. 1:22 ; Hebr. 11:23 . Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven. Exodus 1:22 : Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden. Hebreeën 11:23 : Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.
[^exodus-2-3-7]: Kanttekening 7: een kistje: Anders, een lade.
[^exodus-2-3-8]: Kanttekening 8: Hiervan maakten de Egyptenaars lichte schuiltjes; Jes. 18:2 . Jesaja 18:2 : Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat heen, u snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven.
[^exodus-2-3-9]: Kanttekening 9: oever van de rivier: Hebreeuws, lip. Dit deed de moeder, opdat het kind des te lichter zou gehoord, gezien en gevonden kunnen worden.
[^exodus-2-4-10]: Kanttekening 10: zijn zus stelde zich van verre: Genaamd Mirjam; Ex. 15:20 ; Num. 26:59 . Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
[^exodus-2-5-11]: Kanttekening 11: de kant van de rivier: Hebreeuws, aan de hand.
[^exodus-2-5-d]: Verwijzing d: Hand. 7:21 ; Hebr. 11:23 . Handelingen 7:21 : En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon. Hebreeën 11:23 : Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet.
[^exodus-2-5-12]: Kanttekening 12: liet het halen: Hebreeuws, nam het.
[^exodus-2-6-13]: Kanttekening 13: zij dat knechtje: Hebreeuws, en zij zag hem, het knechtje.
[^exodus-2-7-14]: Kanttekening 14: voedstervrouw uit de Hebreinnen roepen: Hebreeuws, zogende vrouw.
[^exodus-2-10-15]: Kanttekening 15: en het werd haar ten zoon: Dat is, zij nam hem aan voor haar zoon: zij liet hem onderwijzen in alle wijsheid van de Egyptenaars; Hand. 7:21 . Handelingen 7:21 : En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon.
[^exodus-2-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, uitgetrokken; te weten, uit het water.
[^exodus-2-11-e]: Verwijzing e: Hand. 7:23 ; Hebr. 11:24 ; idem v. 25 . Handelingen 7:23 : Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broers, de kinderen van Israël, te bezoeken. Hebreeën 11:24 : Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; Hebreeën 11:25 : Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben;
[^exodus-2-11-17]: Kanttekening 17: toen Mozes groot geworden was: Mozes was in die tijd veertig jaren oud, machtig in woorden en daden; Hand. 7:23 . Handelingen 7:23 : Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broers, de kinderen van Israël, te bezoeken.
[^exodus-2-11-18]: Kanttekening 18: broers sloeg: Dat is, verwanten of landslieden.
[^exodus-2-12-19]: Kanttekening 19: zo versloeg hij de Egyptenaar: Dit heeft Mozes gedaan om zijn broers te doen verstaan, dat God hen door zijn hand verlossen zou, maar zij verstonden het niet; Hand. 7:25 . Handelingen 7:25 : En hij meende, dat zijn broers zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
[^exodus-2-13-20]: Kanttekening 20: de ongerechte: Dat is, tot die die ongelijk had.
[^exodus-2-14-f]: Verwijzing f: Hand. 7:27 . Handelingen 7:27 : En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
[^exodus-2-14-21]: Kanttekening 21: overste en rechter over ons gezet: Hebreeuws, een man een vorst; dat is, een vorstelijk man.
[^exodus-2-14-22]: Kanttekening 22: zaak is bekend geworden: Of, daad, of, handel.
[^exodus-2-15-23]: Kanttekening 23: deze zaak hoorde: Dat is, de doodslag, door Mozes begaan, vernomen heeft.
[^exodus-2-15-g]: Verwijzing g: Hand. 7:29 . Handelingen 7:29 : En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen verwekte.
[^exodus-2-15-24]: Kanttekening 24: Hand. 7:29 . Madjan; zie Gen. 25:2 . Handelingen 7:29 : En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen verwekte. Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^exodus-2-16-25]: Kanttekening 25: de priester in Midian: Anders de prins, of, overste; zie van het Hebreeuwse woord Cohen Gen. 41:45 . Zijn naam was Jethro, Ex. 3:1 , en Hobab, Num. 10:29 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^exodus-2-18-26]: Kanttekening 26: vader Rehuel kwamen: Dat is, grootvader; zo wordt het woord genomen 2 Kon. 14:3 , en 2 Kon. 16:2 , en 2 Kon. 18:3 . Deze was een Midianiet, Hobabs of Jethros vader, Num. 10:29 . 2 Koningen 14:3 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, nochtans niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had. 2 Koningen 16:2 : Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van YHWH, zijn God, als zijn vader David. 2 Koningen 18:3 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^exodus-2-18-27]: Kanttekening 27: Waarom bent u heden zo haast wedergekomen: Hebreeuws, waarom hebt u heden gehaast te komen?
[^exodus-2-19-28]: Kanttekening 28: overvloedig voor ons geput: Hebreeuws, puttende geput.
[^exodus-2-20-29]: Kanttekening 29: Dat is, nichten, gelijk te zien is Num. 10:29 ; zie de aantekeningen op 1 Kron. 1:50 . Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken. 1 Kronieken 1:50 : Als Baäl-hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.
[^exodus-2-20-30]: Kanttekening 30: nu gaan: Te weten, nu het zo laat op de dag is.
[^exodus-2-20-31]: Kanttekening 31: brood ete: Dat is, dat hij maaltijd houde; zie Gen. 31:54 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^exodus-2-21-32]: Kanttekening 32: dochter Zippora: Zijn nicht, te weten, de dochter van zijn zoon Jethro, Ex. 3:1 . Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb.
[^exodus-2-22-h]: Verwijzing h: Ex. 18:2 ; idem v. 3 . Exodus 18:2 : Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had), Exodus 18:3 : Met haar twee zonen, waarvan de enes naam was Gersom (want hij zei: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);
[^exodus-2-22-33]: Kanttekening 33: een vreemd land: Achter deze woorden staan in onze oude overzetting vele woorden, die in het Hebreeuws niet zijn, maar zij zijn er bijgevoegd uit de Griekse overzetting, en staan ook in de Hebreeuwse tekst, Ex. 18:4 ; vandaar zijn zij hier overgebracht. Exodus 18:4 : En de naam van de andere was Eliëzer, want, zei hij, de God van mijn vader is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard.
[^exodus-2-23-34]: Kanttekening 34: vele van deze dagen: Te weten, omtrent veertig jaren, Ex. 7:7 ; Hand. 7:30 . Mozes heeft aan het hof van Farao veertig jaren geleefd; hij is veertig jaren een vreemdeling en herder geweest in Midian, en veertig jaren is hij in de woestijn geweest. Exodus 7:7 : En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken. Handelingen 7:30 : En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel van de Heer, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.
[^exodus-2-23-35]: Kanttekening 35: koning van Egypte gestorven was: En allen die naar het leven van Mozes stonden, Ex. 4:19 , waardoor Mozes vrijheid had in Egypte terug te keren. Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.
[^exodus-2-24-36]: Kanttekening 36: en God gedacht: Zie Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^exodus-2-24-i]: Verwijzing i: Gen. 15:14 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechte, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^exodus-2-24-37]: Kanttekening 37: aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob: Te weten, gemaakt of opgericht.
[^exodus-2-25-38]: Kanttekening 38: God kende hen : Dat is, nam zich haar aan.

### Exodus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/3.json)

*Mozes hoedt de kudde van Jethro, vers 1 enz. God verschijnt hem in een brandende braamstruik, 2. En zendt hem om Israël te verlossen, 9. De naam van God wordt hem bekendgemaakt, 14. Wat Mozes tot de Israëlieten zou spreken, 15. En ook tot Farao, 18. Voorzegging van Farao's weerspannigheid, 19. en van de plagen van Egypte, 20. De uittocht van de Israëlieten met grote rijkdom, 21.*

**1** En Mozes hoedde de kudde van Jethro,[^exodus-3-1-1] zijn schoonvader,[^exodus-3-1-2] de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan[^exodus-3-1-3] de berg van God,[^exodus-3-1-4] aan Horeb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v1)

**2** En de[^exodus-3-2-5] Engel van YHWH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v2)

**3** En Mozes zei: Ik zal mij nu[^exodus-3-3-6] daarheen wenden, en bekijken[^exodus-3-3-7] dat grote visioen, waarom het braambos niet verbrandt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v3)

**4** Toen YHWH zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bekijken, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v4)

**5** [^exodus-3-5-a] En Hij zei: Nader hier niet toe;[^exodus-3-5-8] trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat,[^exodus-3-5-9] is heilig land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v5)

**6** Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En[^exodus-3-6-10] Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.[^exodus-3-6-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v6)

**7** [^exodus-3-7-c] En YHWH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.[^exodus-3-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v7)

**8** Daarom ben Ik[^exodus-3-8-12] neergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land,[^exodus-3-8-13] naar een goed en ruim land,[^exodus-3-8-14] naar een land, vloeiende van melk en honing, tot de plaats[^exodus-3-8-15] van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v8)

**9** En nu, zie, het geschrei van de Israëlieten is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmee de Egyptenaars hen verdrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v9)

**10** Zo kom nu, en[^exodus-3-10-d] Ik zal u tot Farao zenden, opdat u Mijn volk (de Israëlieten) uit Egypte voert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v10)

**11** Toen zei Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de Israëlieten uit Egypte zou voeren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v11)

**12** Hij dan zei:[^exodus-3-12-e] Ik zal voorzeker met u zijn, en[^exodus-3-12-16] dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer u dit volk uit Egypte geleid hebt, zult u God[^exodus-3-12-17] dienen op deze berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v12)

**13** Toen zei Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de Israëlieten, en zeg tot hen: De God van uw vaders heeft mij tot u gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v13)

**14** En God zei tot Mozes:[^exodus-3-14-18] IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot u gezonden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v14)

**15** Toen zei God verder tot Mozes: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: YHWH, de God van uw vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en[^exodus-3-15-20] dat is Mijn herinnering[^exodus-3-15-21] van geslacht tot geslacht.[^exodus-3-15-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v15)

**16** Ga heen, en verzamel[^exodus-3-16-22] de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaders, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob,[^exodus-3-16-23] zeggende: Ik heb u trouw bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v16)

**17** Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land van[^exodus-3-17-24] de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v17)

**18** En zij zullen uw stem horen; en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, tot de koning van Egypte, en u zult tot hem zeggen: YHWH, de God van de[^exodus-3-18-25] Hebreën, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan[^exodus-3-18-26] de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij YHWH, onze God, offeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v18)

**19** Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet[^exodus-3-19-27] door een sterke hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v19)

**20** Want Ik zal[^exodus-3-20-28] Mijn hand[^exodus-3-20-29] uitstrekken, en Egypte slaan met[^exodus-3-20-30] al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelfde doen zal;[^exodus-3-20-31] daarna zal hij u laten vertrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v20)

**21** En Ik zal dit volk[^exodus-3-21-32] genade geven in de ogen van de Egyptenaren; en het zal gebeuren, wanneer u uitgaan zult, zo zult u[^exodus-3-21-33] niet leeg uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v21)

**22** [^exodus-3-22-f] Maar elke vrouw zal van haar buurvrouw, en van haar huisgenote, eisen zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en[^exodus-3-22-g] u zult[^exodus-3-22-34] Egypte beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/3.html#v22)

[^exodus-3-1-1]: Kanttekening 1: In het voorgaande hoofdstuk is gezegd dat Rehuel priester of overste in Midian was; hier wordt hetzelfde gezegd van zijn zoon Jethro, die na zijn overlijden in zijn plaats gekomen is.
[^exodus-3-1-2]: Kanttekening 2: de priester in Midian: Anders, van de overste. Zie Gen. 41:45 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^exodus-3-1-3]: Kanttekening 3: de berg van God: Aldus genoemd om deze verschijning van God, en omdat God de Heer Mozes zijn wetten op die berg gegeven heeft; Ex. 18:5 , en Ex. 19:3 , en 1 Kon. 19:8 . Exodus 18:5 : Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan de berg van God, waar hij zich gelegerd had, Exodus 19:3 : En Mozes klom op tot God. En YHWH riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult u tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen van Israël verkondigen: 1 Koningen 19:8 : Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb.
[^exodus-3-1-4]: Kanttekening 4: aan Horeb: Deze berg wordt anders genoemd de berg Sinaï; Ex. 19:1 ; Hand. 7:30 . Exodus 19:1 : In de derde maand, na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypteland, ten zelfde dage kwamen zij in de woestijn Sinaï. Handelingen 7:30 : En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel van de Heer, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.
[^exodus-3-2-5]: Kanttekening 5: Engel van YHWH verscheen hem: Deze engel was God de Heer gelijk blijk vers 4 , 3:6 ; Deut. 33:16 ; vergelijk Gen. 16:7 . Exodus 3:4 : Toen YHWH zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik! Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Deuteronomium 33:16 : En van het uitnemendste van de aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid van Degene, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op de schedel van de afgezonderde van zijn broers! Genesis 16:7 : En de Engel van YHWH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur.
[^exodus-3-3-6]: Kanttekening 6: daarheen wenden: Hebreeuws, afwijken.
[^exodus-3-3-7]: Kanttekening 7: dat grote gezicht: Of, de grote verschijning; die niet is geschied in het verstand van de geest, maar in de aanschouwing van de lichamelijke ogen.
[^exodus-3-5-a]: Verwijzing a: Joz. 5:15 . Jozua 5:15 : Toen zei de Vorst van het legermacht van YHWH tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig. En Jozua deed zo.
[^exodus-3-5-8]: Kanttekening 8: trek uw schoenen uit van uw voeten: Dit diende om Mozes tot een heilige deemoedigheid te wekken, gelijk ook Jozua; Joz. 5:15 . Jozua 5:15 : Toen zei de Vorst van de legermacht van YHWH tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig. En Jozua deed zo.
[^exodus-3-5-9]: Kanttekening 9: is heilig land: Hebreeuws, is aarde van de heiligheid; te weten geheiligd door de aanwezigheid en de verschijning van God, buiten welke het was gelijk ander land.
[^exodus-3-6-10]: Kanttekening 10: Mozes verborg zijn aangezicht: Zie dergelijke exempelen van vrees: 1 Kon. 19:13 ; Jes. 6:2 , 6:5 . Zie ook Job 13:20 ; Luk. 5:8 ; spruitende uit de bedenking van de onwaardigheid van zijn persoon en de hoogheid van Gods majesteit. 1 Koningen 19:13 : En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in de ingang van de spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zei: Wat maakt u hier, Elia? Jesaja 6:2 : De serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. Jesaja 6:5 : Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, YHWH van de legermachten gezien. Job 13:20 : Alleen doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. Lukas 5:8 : En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heer! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
[^exodus-3-6-b]: Verwijzing b: Matt. 22:32 ; Mark. 12:26 ; Lukas 20:37 ; Hand. 7:32 . Mattheüs 22:32 : Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden. Marcus 12:26 : Maar aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? Lukas 20:37 : En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij de Heer noemt de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. Handelingen 7:32 : Zeggende: Ik ben de God uw vaderen, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
[^exodus-3-7-c]: Verwijzing c: Hand. 7:34 . Handelingen 7:34 : Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
[^exodus-3-7-11]: Kanttekening 11: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks: Hebreeuws, Ik heb ziende gezien.
[^exodus-3-8-12]: Kanttekening 12: Zie Gen. 11:7 , en Gen. 18:21 , en Gen. 35:13 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore. Genesis 18:21 : Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. Genesis 35:13 : Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
[^exodus-3-8-13]: Kanttekening 13: naar een goed en ruim land: Zie Gen. 13:14 , 13:15 . Genesis 13:14 : En YHWH zei tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar u bent noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^exodus-3-8-14]: Kanttekening 14: naar een land, vloeiende van melk en honig: Versta en begrijp hieronder alle lichamelijke zegeningen. Meermalen wordt dit betuigd waar te zijn van het geloofde land, gelijk Ex. 13:5 , en Ex. 33:3 ; Lev. 20:24 ; Deut. 6:3 . Exodus 13:5 : En het zal gebeuren, als u YHWH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult u deze dienst houden in deze maand. Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Leviticus 20:24 : En Ik heb u gezegd: U zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat u hetzelfde erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben YHWH, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb! Deuteronomium 6:3 : Hoor dan, Israël! en neem waar, dat u ze doet, opdat het u welga, en opdat u zeer vermenigvuldigde (gelijk als u YHWH, de God van uw vaderen, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.
[^exodus-3-8-15]: Kanttekening 15: van de Kanaänieten: Hebreeuws, van de Kanaänieters, van de Hethieters, enz.
[^exodus-3-10-d]: Verwijzing d: Ps. 105:26 ; Hosea 12:14 ; Micha 6:4 ; Hand. 7:35 . Psalmen 105:26 : Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, die Hij gekozen had. Hosea 12:14 : Maar YHWH voerde Israël op uit Egypte door een profeet, en door een profeet werd hij gehoed. Micha 6:4 : Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam. Handelingen 7:35 : Deze Mozes, welke zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
[^exodus-3-12-e]: Verwijzing e: Joz. 1:5 . Jozua 1:5 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uw levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
[^exodus-3-12-16]: Kanttekening 16: dit zal u een teken zijn: Te weten, deze mijn verschijning of wat hier straks in vers 12 volgt. Exodus 3:12 : Hij dan zei: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer u dit volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg.
[^exodus-3-12-17]: Kanttekening 17: Dat is, offerande doen, gelijk blijkt Ex. 4:18 ; zie de vervulling Ex. 19 . Exodus 4:18 : Toen ging Mozes heen, en keerde weer tot Jethro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broers, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zei tot Mozes: Ga in vrede!
[^exodus-3-14-18]: Kanttekening 18: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL: Anders, Ik ben die Ik ben, of, Ik zal zijn die Ik was; komende in de grond overeen met de naam YHWH. Dit betekent, dat God, die Mozes zond, eeuwig is in wezen, getrouw in zijn beloften, en alvermogend in haar uitvoering; vergelijk Openb. 1:4 , 1:8 , en Openb. 16:5 ; Hebr. 13:8 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 16:5 : En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heer! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat U dit geoordeeld hebt; Hebreeën 13:8 : Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid.
[^exodus-3-15-20]: Kanttekening 20: dat is Mijn gedachtenis: Alsof God zei: Bij deze naam zal men mijner altijd gedachtig zijn. Zie Ps. 102:13 , en Ps. 135:13 ; Hos. 12:6 . Anders, dit is mijn gedenkteken ten alle tijde. Psalmen 102:13 : Maar U, YHWH! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht. Psalmen 135:13 : O YHWH! Uw Naam is in eeuwigheid; YHWH! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht. Hosea 12:6 : Namelijk, YHWH, de God van de legermachten; YHWH is Zijn gedenknaam.
[^exodus-3-15-21]: Kanttekening 21: van geslacht tot geslacht: Hebreeuws, tot geslacht van het geslacht.
[^exodus-3-15-19]: Kanttekening 19: YHWH, de God van uw vaderen: Zie Gen. 2:4 . Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.
[^exodus-3-16-22]: Kanttekening 22: de oudsten van Israël: Hier worden bedoeld de oversten en leraars van het volk; deze verkondigden aan het volk wat zij van Mozes vernamen. Zie Ex. 12:3 , 12:21 , en Ex. 19:3 . Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme ieder een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 12:21 : Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha. Exodus 19:3 : En Mozes klom op tot God. En YHWH riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult u tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen van Israël verkondigen:
[^exodus-3-16-23]: Kanttekening 23: Ik heb u getrouwelijk bezocht: Hebreeuws, bezoekende heb Ik u bezocht. Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^exodus-3-17-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, van de Kanaänieters, enz.
[^exodus-3-18-25]: Kanttekening 25: is ons ontmoet: Dat is, ons buiten onze verwachting verschenen, en heeft ons aangesproken, bevelende wat wij nu verzoeken.
[^exodus-3-18-26]: Kanttekening 26: de weg van drie dagen in de woestijn: Te weten, totd en berg Horeb, vers 12 , die, wanneer men de weg onverhinderd gaan mag, zo is het maar drie dagreizen naar Egypte. Exodus 3:12 : Hij dan zei: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer u dit volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg.
[^exodus-3-19-27]: Kanttekening 27: door een sterke hand: Dat is, door enige grote plagen. Zie Ex. 14:31 . Exodus 14:31 : Ook zag Israël de grote hand, die YHWH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde YHWH, en geloofde in YHWH, en aan Mozes, Zijn knecht.
[^exodus-3-20-28]: Kanttekening 28: Mijn hand: Dat is, mijn sterke plagen.
[^exodus-3-20-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, zenden, uitzenden.
[^exodus-3-20-30]: Kanttekening 30: al Mijn wonderen: Hij verstaat de tien plagen, waarmee Hij Egypte wilde slaan.
[^exodus-3-20-31]: Kanttekening 31: daarna zal hij u laten vertrekken: Te weten, na het laatste, welke is de tiende plaag, het doden van de eerstgeborenen.
[^exodus-3-21-32]: Kanttekening 32: genade geven in de ogen van de Egyptenaren: Dat is, gunst, zie Gen. 18:3 , zo dat zij de Israëlieten voor het uittrekken zullen lenen, wat zij van hen begeren zullen. Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^exodus-3-21-33]: Kanttekening 33: niet leeg uitgaan: Volgens de belofte van God, Gen. 15:14 , van de vervulling waarvan zie onder, Ex. 12:35 , 12:36 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren. Exodus 12:36 : Daartoe had YHWH het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.
[^exodus-3-22-f]: Verwijzing f: Ex. 11:2 ; Ex. 12:35 . Exodus 11:2 : Spreek nu voor de oren van het volk, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren vaten en gouden vaten eise. Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren.
[^exodus-3-22-g]: Verwijzing g: Ez. 39:10 . Ezechiël 39:10 : Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heer YHWH.
[^exodus-3-22-34]: Kanttekening 34: Dit was geen diefstal noch zonde, omdat het God hun te doen bevolen heeft, aan wie als een Opperheer alles toekomt; alsook omdat Hij door dit middel de zure arbeid aan zijn volk wilde vergelden.

### Exodus 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/4.json)

*Mozes wordt gesterkt door het veranderen van zijn staf in een slang, vers 1 enz. en door de melaatsheid van zijn hand, 6. Ook door het veranderen van het water in bloed, 9. Mozes maakt bezwaar om naar Farao te gaan, 10. Daarover vertoornt God Zich, en geeft hem Aäron tot zijn woordvoerder, 14. Jethro geeft Mozes verlof om naar Egypte te gaan, 18. De HEERE zegt Mozes wat hij zou doen en spreken tot Farao, 21. De HEERE wilde Mozes onderweg doden, 24. Zippora besnijdt haar zoon, 25. God zendt Aäron Mozes tegemoet, 27. Zij beiden maken de Israëlieten hun opdracht bekend, 29. en worden geloofd, 31.*

**1** Toen antwoordde Mozes, en zei: Maar[^exodus-4-1-1] zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: YHWH is u niet verschenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v1)

**2** En YHWH zei tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zei:[^exodus-4-2-2] Een staf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v2)

**3** En Hij zei: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde![^exodus-4-3-3] Toen werd hij tot[^exodus-4-3-4] een slang; en Mozes[^exodus-4-3-5] vluchtte van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v3)

**4** Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn[^exodus-4-4-6] hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v4)

**5** Opdat zij geloven, dat u verschenen is YHWH, de God van hun vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v5)

**6** En YHWH zei verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v6)

**7** En Hij zei: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. En hij stak zijn hand opnieuw in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weer als zijn ander vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v7)

**8** En het zal gebeuren, zo zij u niet geloven, noch[^exodus-4-8-7] naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v8)

**9** En het zal gebeuren, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren van de rivier, en giet ze op het droge; zo[^exodus-4-9-a] zullen de wateren, die u uit de rivier zult nemen, die zullen tot bloed worden op het droge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v9)

**10** Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heere! ik[^exodus-4-10-9] ben niet goed in spreken, noch van gisteren,[^exodus-4-10-10] noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.[^exodus-4-10-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v10)

**11** En YHWH zei tot hem: Wie heeft de mens de mond[^exodus-4-11-11] gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v11)

**12** En nu ga heen, en[^exodus-4-12-b] Ik zal met uw mond zijn, en[^exodus-4-12-12] zal u leren, wat u spreken zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v12)

**13** Maar hij zei: Och, Heere![^exodus-4-13-13] zend toch door[^exodus-4-13-14] de hand van degene, die U zou zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v13)

**14** Toen ontstak de toorn van YHWH over Mozes, en Hij zei: is niet Aäron, de Leviet, uw broer? Ik[^exodus-4-14-15] weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie,[^exodus-4-14-16] hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v14)

**15** [^exodus-4-15-c] U dan zult tot hem spreken, en[^exodus-4-15-17] de woorden[^exodus-4-15-18] in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v15)

**16** En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u[^exodus-4-16-19] tot een mond zal zijn, en u[^exodus-4-16-20] zult hem tot een god zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v16)

**17** Neem dan deze staf in uw hand, waarmee u[^exodus-4-17-21] die tekenen doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v17)

**18** Toen ging Mozes heen, en keerde weer tot Jethro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broers, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zei tot Mozes: Ga in vrede! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v18)

**19** Ook[^exodus-4-19-22] zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die[^exodus-4-19-23] uw ziel zochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v19)

**20** Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de[^exodus-4-20-24] staf Gods in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v20)

**21** En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao,[^exodus-4-21-25] die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart[^exodus-4-21-26] verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v21)

**22** Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is[^exodus-4-22-27] Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v22)

**23** En Ik[^exodus-4-23-28] heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij zal dienen! maar u hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v23)

**24** En het gebeurde[^exodus-4-24-29] op de weg, in de herberg, dat YHWH hem tegenkwam, en[^exodus-4-24-30] zocht hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v24)

**25** Toen nam Zippora[^exodus-4-25-31] een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon, en[^exodus-4-25-32] wierp die voor zijn voeten, en zei: Werkelijk, u bent mij[^exodus-4-25-34] een bloedbruidegom![^exodus-4-25-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v25)

**26** En[^exodus-4-26-35] Hij liet van hem af. Toen zei zij:[^exodus-4-26-36] Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v26)

**27** YHWH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem[^exodus-4-27-37] aan de berg van God, en hij kuste hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v27)

**28** En Mozes gaf Aäron te kennen al de woorden van YHWH, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v28)

**29** Toen ging Mozes en Aäron, en zij verzamelden al de oudsten van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v29)

**30** En Aäron sprak al de woorden, die YHWH tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v30)

**31** En het volk geloofde, en zij hoorden, dat YHWH de Israëlieten bezocht, en dat Hij hun verdrukking[^exodus-4-31-38] zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/4.html#v31)

[^exodus-4-1-1]: Kanttekening 1: zij zullen mij niet geloven: Te weten, de Israëlieten.
[^exodus-4-2-2]: Kanttekening 2: Een staf: Vers 20 wordt hij genoemd de staf Gods, omdat door de kracht van God grote dingen daarmee zijn uitgericht. Exodus 4:20 : Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand.
[^exodus-4-3-3]: Kanttekening 3: Toen werd hij: Ex. 7:15 staat: hij werd veranderd in een slang. Exodus 7:15 : Ga heen tot Farao in de morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang is veranderd geweest, zult u in uw hand nemen.
[^exodus-4-3-4]: Kanttekening 4: Ex. 7:10 wordt zij een draak genoemd. Exodus 7:10 : Toen ging Mozes en Aäron tot Farao heen in, en deden zo, gelijk YHWH geboden had; en Aäron wierp zijn staf neder voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht van zijn knechten; en hij werd tot een draak.
[^exodus-4-3-5]: Kanttekening 5: vluchtte van haar: Te weten, van vrees.
[^exodus-4-4-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, palm.
[^exodus-4-8-7]: Kanttekening 7: naar de stem van het eerste teken horen: Dat is, naar het woord, dat door het eerste teken is bevestigd. Hier wordt het teken een stem toegeëigend \[gelijk Gen. 4:10 , aan het bloed\] omdat God door zulke tekenen tot de mensen spreekt. Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^exodus-4-9-a]: Verwijzing a: Ex. 7:19 . Exodus 7:19 : Verder zei YHWH tot Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het gehele Egypteland, zowel in houten als in stenen vaten.
[^exodus-4-10-9]: Kanttekening 9: ben geen man wel ter tale: Hebreeuws, ik ben geen man van de woorden; dat is, ik ben niet welsprekend.
[^exodus-4-10-10]: Kanttekening 10: noch van eergisteren: Mozes wanhoopte geheel aan de beterschap van zijn tong, omdat hij zelfs in die tijd geen beterschap vernam, toen de Heer met hem sprak van deze ambassade.
[^exodus-4-10-8]: Kanttekening 8: Och Heer: Zie van het Hebreeuwse woordje, overgezet Och, Gen. 43:20 . Genesis 43:20 : En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om voedsel te kopen.
[^exodus-4-11-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, gesteld, of, gezet; Ps. 94:9 . Psalmen 94:9 : Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
[^exodus-4-12-b]: Verwijzing b: Matt. 10:19 ; Mark. 13:11 ; Lukas 12:12 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. Lukas 12:12 : Want de Heilige Geest zal u in dezelfde ure leren, wat u spreken moet.
[^exodus-4-12-12]: Kanttekening 12: zal u leren, wat u spreken zult: Te weten, door mijn Geest, gelijk Christus dit ook zijn apostelen belooft, Matt. 10:19 , 10:20 ; Mark. 13:11 ; Luk. 12:12 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Mattheüs 10:20 : Want u bent het niet, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, Die in u spreekt. Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. Lukas 12:12 : Want de Heilige Geest zal u in dezelfde ure leren, wat u spreken moet.
[^exodus-4-13-13]: Kanttekening 13: zend toch: Hebreeuws, zend toch door de hand U zenden zoudt; dat is, zend er een, wie U weet bekwamer te zijn dan ik ben, tot zulk een boodschap.
[^exodus-4-13-14]: Kanttekening 14: de hand van degene, die U zoudt zenden: Dat is, door de dienst, gelijk Ex. 9:35 ; Ps. 77:21 ; Hag. 1:1 ; Mal. 1:1 ; Hand. 7:35 . Exodus 9:35 : Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen van Israël niet trekken liet, gelijk als YHWH gesproken had door Mozes. Psalmen 77:21 : U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron. Haggai 1:1 : In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: Maleachi 1:1 : De last van het woord van YHWH tot Israël, door de dienst van Maleachi. Handelingen 7:35 : Deze Mozes, welke zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos.
[^exodus-4-14-15]: Kanttekening 15: weet, dat hij zeer wel spreken zal: Hebreeuws, dat hij sprekende spreken zal; dat is, wel ter taal is, welk kan en zal spreken.
[^exodus-4-14-16]: Kanttekening 16: hij zal uitgaan u tegemoet: Anders, hij gaat uit.
[^exodus-4-15-c]: Verwijzing c: Ex. 7:2 . Exodus 7:2 : U zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen van Israël uit zijn land trekken laat.
[^exodus-4-15-17]: Kanttekening 17: en de woorden: Die Ik tot u gesproken heb, en nog spreken zal.
[^exodus-4-15-18]: Kanttekening 18: in zijn mond leggen: Dat is, u zult hem duidelijk onderwijzen en ten sterkste gebieden mijn woorden getrouwelijk aan te dienen, waar het behoort. Zie Jes. 51:16 , en Jes. 59:21 ; Jer. 1:9 , en Jer. 5:14 . Jesaja 51:16 : En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: U bent Mijn volk. Jesaja 59:21 : Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt YHWH: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond van uw zaad, noch van de mond van het zaad van uw zaad, zegt YHWH, van nu aan tot in eeuwigheid toe. Jeremia 1:9 : En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Jeremia 5:14 : Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^exodus-4-16-19]: Kanttekening 19: tot een mond zal zijn: Dat is hij zal uw taalman zijn, en het woord voeren. Anders, in de plaats van de mond.
[^exodus-4-16-20]: Kanttekening 20: zult hem tot een god zijn: Dat is, u zult het beleid van alles hebben, en hem in mijn naam opleggen en bevelen wat hij zeggen zal; en hij zal u, gelijk Mij, gehoor geven. Vergelijk onder, Ex. 7:1 . Exodus 7:1 : Toen zei YHWH tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een God gezet over Farao; en Aäron, uw broer, zal uw profeet zijn.
[^exodus-4-17-21]: Kanttekening 21: tekenen doen zult: Waarvan Ex. 7 , Ex. 8 , Ex. 9 , Ex. 10 , Ex. 11 , zal gesproken worden.
[^exodus-4-19-22]: Kanttekening 22: zei YHWH tot Mozes in Midian: Of, had gezegd.
[^exodus-4-19-23]: Kanttekening 23: uw ziel zochten: Dat is, uw leven; zie Gen. 19:17 ; dat is, wie u zochten te doden; zie dergelijke manier van spreken, 1 Sam. 22:23 , en 1 Kon. 19:14 ; Ps. 54:5 ; Matt. 2:20 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uw levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. 1 Samuël 22:23 : Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar u zult met mij in bewaring zijn. 1 Koningen 19:14 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. Psalmen 54:5 : Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela. Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^exodus-4-20-24]: Kanttekening 24: staf Gods in zijn hand: Die God hem had heten te nemen, vers 17 , en door welk middel God tekenen doen wilde, Ex. 17:9 . Deze staf wordt ook de staf Gods genaamd, om aan te wijzen dat de kracht om wonderen te doen niet in de staf, noch in Mozes, maar in God was. Exodus 4:17 : Neem dan deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen doen zult. Exodus 17:9 : Mozes dan zei tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
[^exodus-4-21-25]: Kanttekening 25: die Ik in uw hand gesteld heb: Dat is, die Ik willens ben door uw dienst en mijn macht te doen.
[^exodus-4-21-26]: Kanttekening 26: Anders, verstijven, verharden; zo namelijk, dat Ik hem mijn genade onthouden en hem aan zijn bozen wil en lusten overgeven zal, zodat hij door zijn eigen boosheid, en door het ingeven van de duivel, en uit zulke wonderen, oorzaak en aanleiding nemen zal, des te meer mijn geboden tegen te staan. Zie dergelijke manier van spreken onder, Ex. 10:1 , en Deut. 2:30 ; Jes. 63:17 . Exodus 10:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette; Deuteronomium 2:30 : Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelfde niet laten doortrekken; want YHWH, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te deze dage. Jesaja 63:17 : YHWH! waarom doet U ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt U ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weer om Uw knechten wil, de stammen van Uw erfdeel.
[^exodus-4-22-27]: Kanttekening 27: is Israël: Dat is, het volk of de nakomelingen van Israël: deze worden genoemd Gods eerstgeboren zoon, omdat zij uit genade uit alle heidenen eerst gekozen waren, om Gods volk en kinderen te wezen, en God zo aangenaam, gelijk de eerstgeborenen voor hun ouders zijn.
[^exodus-4-23-28]: Kanttekening 28: heb tot u gezegd: Anders, Ik zeg u.
[^exodus-4-24-29]: Kanttekening 29: op de weg: Te weten, naar Egypte.
[^exodus-4-24-30]: Kanttekening 30: hem te doden: Omdat hij de besnijdenis aan zijn zoon verzuimd had. Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^exodus-4-25-31]: Kanttekening 31: een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons: Anders, een scherpen steen.
[^exodus-4-25-32]: Kanttekening 32: wierp die voor zijn voeten, en zei: Anders, deed het \[te weten, de afgesneden voorhuid\] zijn \[te weten, aan Mozes\] voeten roeren. Anderen verstaan dat Zippora haar zoon voor de voeten van Mozes geworpen heeft.
[^exodus-4-25-34]: Kanttekening 34: een bloedbruidegom: Hebreeuws, een bruidegom van de bloeden.
[^exodus-4-25-33]: Kanttekening 33: Werkelijk, u bent mij: Versta deze woorden aldus, alsof Zippora zei tot haar man: ik heb uw leven moeten rantsoenen met het bloed mijns zoons, die ik besneden heb, en zo bent u mij als een nieuwe bruidegom geworden.
[^exodus-4-26-35]: Kanttekening 35: Hij liet van hem af: Te weten, God, of de engel, die Mozes doden wilde.
[^exodus-4-26-36]: Kanttekening 36: vanwege de besnijdenis: Het schijnt dat zij niet wel tevreden is geweest om de besnijdenis van haar zonen.
[^exodus-4-27-37]: Kanttekening 37: aan de berg van God: Genoemd Horeb; boven, Ex. 3:1 . Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb.
[^exodus-4-31-38]: Kanttekening 38: Te weten, mededogendheid, gelijk Ex. 3:7 . Exodus 3:7 : En YHWH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.

### Exodus 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/5.json)

*Mozes en Aäron maken Farao bekend wat God hun te zeggen geboden had, vers 1 enz. hij weerstaat hen en bekijft hen, 4. De lasten van de Israëlieten worden verzwaard, 5. Zij morren tegen Mozes en Aäron, 20. Mozes klaagt het God, 22. God belooft hen te verlossen, 24.*

**1** En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v1)

**2** Maar Farao zei:[^exodus-5-2-a] Wie is YHWH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken?[^exodus-5-2-b] Ik ken YHWH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v2)

**3** Zij dan zeiden:[^exodus-5-3-c] De God van de Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en YHWH, onze God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pest, of met het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v3)

**4** Toen zei de koning van Egypte tot hen: U, Mozes en Aäron! waarom trekt u het volk af van hun werken? Ga heen tot uw dwangarbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v4)

**5** Verder zei Farao: Zie, het volk van het land is alreeds te veel; en[^exodus-5-5-2] zou u hen doen rusten van hun dwangarbeid?[^exodus-5-5-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v5)

**6** Daarom beval Farao, op diezelfde dag, aan de aandrijvers[^exodus-5-6-3] onder het volk, en zijn[^exodus-5-6-4] voormannen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v6)

**7** U[^exodus-5-7-5] zult voortaan deze mensen geen stro meer geven,[^exodus-5-7-6] tot het maken van de bakstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelf heengaan, en stro voor zichzelf verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v7)

**8** En[^exodus-5-8-7] het getal van de bakstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult u hun opleggen; u zult daarvan niet verminderen; want zij gaan leeg; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onze God offeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v8)

**9** Men verzware de dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan[^exodus-5-9-8] leugenachtige woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v9)

**10** Toen gingen de aandrijvers van het volk uit, en zijn voormannen, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal u geen stro geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v10)

**11** Ga u zelf heen, haalt u stro, waar u het vindt; maar van uw dienst zal[^exodus-5-11-9] niet verminderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v11)

**12** Toen verstrooide zich het volk in het hele land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v12)

**13** En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, zoals toen er stro was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v13)

**14** En de voormannen van de Israëlieten, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen,[^exodus-5-14-10] en men zei: Waarom hebt u uw vastgestelde werk niet voltooid, in het maken van de bakstenen, zoals te voren, zo ook gisteren en vandaag?[^exodus-5-14-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v14)

**15** Daarom gingen de voormannen van de Israëlieten, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet u uw knechten zo? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v15)

**16** Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en[^exodus-5-16-12] zij zeggen tot ons: Maak de bakstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, maar de schuld is[^exodus-5-16-13] van uw volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v16)

**17** Hij dan zei: U gaat leeg, leeg gaat u; daarom zegt u: Laat ons gaan, laat ons YHWH offeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v17)

**18** Zo gaat nu heen, arbeidt; maar stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult u het getal van de bakstenen leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v18)

**19** Toen zagen de voormannen van de Israëlieten, dat het kwalijk met hen stond, omdat men zei: U zult niet minderen van uw bakstenen, van het dagwerk op zijn dag.[^exodus-5-19-15][^exodus-5-19-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v19)

**20** En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v20)

**21** En zeiden tot hen:[^exodus-5-21-16] YHWH zie op u, en[^exodus-5-21-17] richte het, omdat u ons in kwade reuk hebt gebracht[^exodus-5-21-18] voor Farao, en voor zijn knechten,[^exodus-5-21-19] gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v21)

**22** Toen[^exodus-5-22-20] keerde Mozes weer tot YHWH, en zei: Heere! waarom hebt U dit volk kwaad gedaan, waarom hebt U mij nu gezonden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v22)

**23** Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in[^exodus-5-23-21] Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en U hebt Uw volk[^exodus-5-23-22] in geen geval verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v23)

**24** Toen zei YHWH tot Mozes: Nu zult u zien, wat Ik aan Farao doen zal;[^exodus-5-24-23] want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/5.html#v24)

[^exodus-5-2-a]: Verwijzing a: Job 21:15 . Job 21:15 : Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
[^exodus-5-2-b]: Verwijzing b: Ex. 3:19 . Exodus 3:19 : Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand.
[^exodus-5-3-c]: Verwijzing c: Ex. 3:18 . Exodus 3:18 : En zij zullen uw stem horen; en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, tot de koning van Egypte, en u zult tot hem zeggen: YHWH, de God van de Hebreën, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij YHWH, onze God, offeren!
[^exodus-5-5-2]: Kanttekening 2: zoudt u: Met deze woorden geeft Farao te kennen, waarom hij de Israëlieten zulke zware lasten oplegde, te weten, om hen uit te mergelen, en zo het voorttelen van kinderen te verhinderen.
[^exodus-5-5-1]: Kanttekening 1: het volk van het land: Hij spreekt van de Israëlieten in Egypteland.
[^exodus-5-6-3]: Kanttekening 3: Deze waren Egyptenaars, vers 14 , die over de Israëlitische ambtlieden gesteld waren. Exodus 5:14 : En de ambtlieden van de kinderen van Israël, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zei: Waarom hebt u uw vastgestelde werk niet voltooid, in het maken van de tichelstenen, gelijk te voren, zo ook gisteren en heden?
[^exodus-5-6-4]: Kanttekening 4: Deze waren Israëlieten, vers 14 , en zij stonden onder het gebied van de Egyptische aandrijvers. Exodus 5:14 : En de ambtlieden van de kinderen van Israël, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zei: Waarom hebt u uw vastgestelde werk niet voltooid, in het maken van de tichelstenen, gelijk te voren, zo ook gisteren en heden?
[^exodus-5-7-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, u zult niet toedoen te geven.
[^exodus-5-7-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, tichelstenen te tichelen.
[^exodus-5-8-7]: Kanttekening 7: het getal: Of, som, maat.
[^exodus-5-9-8]: Kanttekening 8: leugenachtige woorden: Hebreeuws, woorden van de leugens, of van de valsheid. Die goddeloze koning noemt Gods woord leugenachtige woorden; of hij wil te kennen geven dat het leugens waren, toen Mozes en Aäron zeiden dat zij van God gezonden waren.
[^exodus-5-11-9]: Kanttekening 9: zal niet verminderd worden: Hebreeuws, geen woord; dat is, ding.
[^exodus-5-14-10]: Kanttekening 10: men zei: Hebreeuws, zeggende.
[^exodus-5-14-11]: Kanttekening 11: gelijk te voren: Hebreeuws, als gisteren, eergisteren.
[^exodus-5-16-12]: Kanttekening 12: zij zeggen tot ons: Te weten, de drijvers; anders, de tichelstenen, zeggen zij tot ons, zult u maken.
[^exodus-5-16-13]: Kanttekening 13: uw volks: Te weten, van de Egyptenaars, die ons geen stro leveren, en nochtans het gewone dagwerk ons afeisen. Anders, en uw volk, \[te weten, de Israëlieten\] moeten de schuld hebben.
[^exodus-5-19-15]: Kanttekening 15: dagwerk op zijn dag: Hebreeuws, ding; gelijk boven, vers 13 ; anders, \[levert\] het dagwerk op zijn dag. Exodus 5:13 : En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.
[^exodus-5-19-14]: Kanttekening 14: dat het kwalijk met hen stond: Hebreeuws, dat zij in het kwade waren.
[^exodus-5-21-16]: Kanttekening 16: YHWH zie op u: Dat is, de Heer wil een inzien daarin hebben, en kennis nemen van wat u ons gedaan hebt. Zie Gen. 31:42 . Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^exodus-5-21-17]: Kanttekening 17: richte het : Zie Gen. 15:14 , en Gen. 16:5 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Genesis 16:5 : Toen zei Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; YHWH rechte tussen mij en tussen u!
[^exodus-5-21-18]: Kanttekening 18: voor Farao, en voor zijn knechten: Hebreeuws, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten.
[^exodus-5-21-19]: Kanttekening 19: gevende een zwaard in hun handen: Dat is, omdat u ons in de haat gebracht hebt bij Farao. Zie Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^exodus-5-22-20]: Kanttekening 20: keerde Mozes weer tot YHWH: Dat is, hij begaf zich naar een bijzondere plaats, waar hij de Heer zijn en van het volk nood en benauwdheid, door het gebed, met hartelijke zuchten mocht klagen en voordragen.
[^exodus-5-23-21]: Kanttekening 21: Uw naam te spreken: Dat is, op uw last en bevel, zo Ezra 5:1 ; Ps. 118:26 ; Jer. 11:21 ; Joh. 5:43 . Ezra 5:1 : Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van de God van Israël profeteerden zij tot hen. Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH. Jeremia 11:21 : Daarom, zo zegt YHWH van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van YHWH, opdat u van onze handen niet sterft. Johannes 5:43 : Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.
[^exodus-5-23-22]: Kanttekening 22: in geen geval verlost: Hebreeuws, verlossende niet verlost.
[^exodus-5-24-23]: Kanttekening 23: want door een machtige hand zal hij hen laten trekken: Dat is, door mijn kracht en dwang. Zie de vervulling Ex. 12 , Ex. 13 .

### Exodus 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/6.json)

*God sterkt Mozes door het noemen van Zijn naam en van Zijn verbond dat met de vaderen opgericht is, vers 1 enz. God belooft dat Hij Zijn volk verlossen zal, 7. Maar zij luisteren niet naar Mozes, 9. God zendt Mozes opnieuw tot Farao, waartoe hij onwillig is, 10. Het geslachtsregister van Ruben, 14. Van Simeon, 15. Van Levi, 16. En van zijn kinderen, tot Aäron en Mozes toe, 17. en van anderen, 21. Het huwelijk en de kinderen van Aäron, 22. en kindskinderen, 23. De zending van Aäron en Mozes naar Farao wordt opnieuw verhaald, 25. alsook de onwilligheid van Mozes, 29.*

**1** Verder sprak God tot Mozes, en zei tot hem: Ik ben[^exodus-6-1-1] YHWH, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v1)

**2** En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als[^exodus-6-2-2] El[^exodus-6-2-3] Shaddai; maar[^exodus-6-2-4] met Mijn Naam YHWH ben Ik hun niet bekend geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v2)

**3** En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land waar zij vreemdeling waren, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v3)

**4** En ook heb Ik gehoord[^exodus-6-4-5] het gekerm van de Israëlieten, die de Egyptenaars in[^exodus-6-4-6] dienstbaarheid houden, en[^exodus-6-4-7] Ik heb aan Mijn verbond gedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v4)

**5** Daarom zeg tot de Israëlieten: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen[^exodus-6-5-8] door een uitgestrekten arm, en[^exodus-6-5-9] door grote gerichten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v5)

**6** En Ik zal u tot[^exodus-6-6-10] Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult[^exodus-6-6-11] bekennen, dat Ik YHWH uw God ben, Die u uitleide van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v6)

**7** En Ik zal u brengen in dat land, waarover[^exodus-6-7-12] Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel,[^exodus-6-7-13] Ik, YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v7)

**8** En Mozes sprak zo tot de Israëlieten; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van de geest, en vanwege[^exodus-6-8-14] de harde dienstbaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v8)

**9** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v9)

**10** Ga heen, spreek tot Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken late. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v10)

**11** Maar Mozes sprak voor YHWH, zeggende: Zie, de Israëlieten hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao[^exodus-6-11-a] horen? daartoe[^exodus-6-11-15] ben ik onbesneden van lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v11)

**12** Evenwel sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de Israëlieten, en aan Farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypteland te leiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v12)

**13** Dit zijn de[^exodus-6-13-16] hoofden van ieder huis van hun vaders:[^exodus-6-13-b] de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de[^exodus-6-13-17] huisgezinnen van Ruben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v13)

**14** [^exodus-6-14-c] En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v14)

**15** [^exodus-6-15-d] Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun afstamming: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v15)

**16** [^exodus-6-16-e] De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v16)

**17** [^exodus-6-17-f] En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v17)

**18** [^exodus-6-18-g] En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun afstamming. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v18)

**19** [^exodus-6-19-h] En Amram nam Jochebed, zijn tante, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.[^exodus-6-19-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v19)

**20** En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.[^exodus-6-20-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v20)

**21** En de zonen van Uzziël: Misael, en Elzafan, en Sithri.[^exodus-6-21-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v21)

**22** [^exodus-6-22-i] En Aäron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zus van Nahesson; en[^exodus-6-22-k] zij baarde hem[^exodus-6-22-21] Nadab en Abihu,[^exodus-6-22-22] Eleazar en Ithamar.[^exodus-6-22-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v22)

**23** En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v23)

**24** En Eleazar, de zoon van Aäron, nam voor zich één van de dochters van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de[^exodus-6-24-24] familiehoofden van de Levieten, naar hun huisgezinnen.[^exodus-6-24-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v24)

**25** Dit is Aäron en Mozes, tot wie YHWH zei: Leid de Israëlieten uit Egypteland, naar hun legers.[^exodus-6-25-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v25)

**26** Deze zijn het, die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, opdat zij de Israëlieten uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v26)

**27** En het gebeurde op die dag, als YHWH tot Mozes sprak in Egypteland; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v27)

**28** Zo sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Ik ben YHWH! spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v28)

**29** Toen zei Mozes voor het aangezicht van YHWH: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?[^exodus-6-29-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/6.html#v29)

[^exodus-6-1-1]: Kanttekening 1: YHWH: Zie Gen. 2:4 . Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.
[^exodus-6-2-2]: Kanttekening 2: als God: Hebreeuws, in God de almachtige; anders, met \[de naam\] God almachtig.
[^exodus-6-2-3]: Kanttekening 3: de Almachtige: Dat is, die machtig is om goed te doen, en zijn beloften uit te voeren; Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^exodus-6-2-4]: Kanttekening 4: met Mijn Naam YHWH ben Ik hun niet bekend geweest: God de Heer wil hier zeggen dat deze zijn naam YHWH, en wat die naam betekent, tot nog toe hun zo wel niet bekend was, als het hun voortaan zou bekend gemaakt worden, door de dadelijke vervulling van zijn beloften, bijzonderlijk van de mirakuleuze verlossing uit Egypte en invoering in het land van belofte. Overigens heeft God zich reeds lang vóór deze JEHOVA genoemd, en bij deze naam zijn beloften verzekerd, gelijk te zien is Gen. 2:4 , 2:7 , 2:8 , 2:9 , en Gen. 15:7 , en Gen. 26:24 , en Gen. 28:12 , enz. Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte. Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. Genesis 2:8 : Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had. Genesis 2:9 : En YHWH God had alle geboomte uit de aarde doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot voedsel; en de boom van het leven in het midden van de hof, en de boom van de kennis van het goed en van het kwaad. Genesis 15:7 : Verder zei Hij tot hem: Ik ben YHWH, Die u uitgeleid heb uit Ur van de Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan de opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^exodus-6-4-5]: Kanttekening 5: het gekerm van de kinderen van Israël: Of, het gesteen, het geklag.
[^exodus-6-4-6]: Kanttekening 6: dienstbaarheid houden: Of, doen dienen, dienstbaar maken.
[^exodus-6-4-7]: Kanttekening 7: heb aan mijn verbond gedacht: Dit is menselijker wijze gesproken, gelijk Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^exodus-6-5-8]: Kanttekening 8: door een uitgestrekten arm: Dat is, door mijn grote en bijzondere kracht: menselijker wijze van God gesproken.
[^exodus-6-5-9]: Kanttekening 9: door grote gerichten: Dat is, doende grote en schrikkelijke straffen tot bewijs mijner gerechtigheid over de Egyptenaars.
[^exodus-6-6-10]: Kanttekening 10: tot Mijn volk aannemen: Dat is, dat Mij kennen en dienen, en van Mij lichamelijke en geestelijke weldaden genieten zal ter eeuwige zaligheid.
[^exodus-6-6-11]: Kanttekening 11: Anders, bevinden, of, weten, ervaren.
[^exodus-6-7-12]: Kanttekening 12: Ik Mijn hand opgeheven heb: Dat is, gezworen heb. Zie Gen. 14:22 , en Jes. 62:8 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Jesaja 62:8 : YHWH heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij de arm van Zijn sterkte: als Ik uw koren meer zal geven tot voedsel voor uw vijanden, en als de vreemden zullen drinken van uw most, waaraan u gewerkt hebt!
[^exodus-6-7-13]: Kanttekening 13: Ik, YHWH: Anders, ik ben de Heer; alsof God zei: Ik kan en zal u geven wat Ik beloof. Zie boven, vers 1 . Exodus 6:1 : Verder sprak God tot Mozes, en zei tot hem: Ik ben YHWH,
[^exodus-6-8-14]: Kanttekening 14: benauwdheid van de geest: De Israëlieten waren zo overbluft en tenondergebracht, dat zij liever wilden blijven onder de slavernij van de Egyptenaars, dan dat Mozes zou voortvaren tot hun verlossing, vrezende nog kwalijker te zullen getrakteerd worden. Zie Ex. 14:12 , en Job 21:4 . Exodus 14:12 : Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. Job 21:4 : Is (mij aangaande) mijn klacht tot de mens? Maar of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
[^exodus-6-11-a]: Verwijzing a: Ex. 4:10 ; Ex. 6:29 . Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Exodus 6:29 : Toen zei Mozes voor het aangezicht van YHWH: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?
[^exodus-6-11-15]: Kanttekening 15: ben ik onbesneden van lippen: Dat is, ik ben niet welsprekend. Hieruit wil Mozes besluiten dat God hem niet tot Farao behoorte te zenden, maar een die beter ter taal was; zie boven, Ex. 4:10 . Ditzelfde klaagde ook Jesaja, Jes. 6:5 , en Jeremia, Jer. 1:6 . Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Jesaja 6:5 : Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, YHWH van de legermachten gezien. Jeremia 1:6 : Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
[^exodus-6-13-16]: Kanttekening 16: hoofden van ieder huis hun vaderen: Dat is, de voornaamsten.
[^exodus-6-13-b]: Verwijzing b: Gen. 46:9 ; Num. 26:5 ; 1 Kron. 5:3 . Genesis 46:9 : En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. Numeri 26:5 : Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; 1 Kronieken 5:3 : De kinderen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
[^exodus-6-13-17]: Kanttekening 17: huisgezinnen van Ruben: Of, geslachten.
[^exodus-6-14-c]: Verwijzing c: Gen. 46:10 ; Num. 26:12 ; 1 Kron. 4:24 . Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische vrouw. Numeri 26:12 : De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten; 1 Kronieken 4:24 : De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
[^exodus-6-15-d]: Verwijzing d: Gen. 46:11 ; Num. 3:17 ; Num. 26:57 ; 1 Kron. 6:1 ; idem 6:16 ; 1 Kron. 23:6 . Genesis 46:11 : En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. Numeri 3:17 : Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari. Numeri 26:57 : Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 1 Kronieken 6:16 : Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari. 1 Kronieken 23:6 : En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
[^exodus-6-16-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 6:17 ; 1 Kron. 23:7 . 1 Kronieken 6:17 : En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en Simeï. 1 Kronieken 23:7 : Uit de Gersonieten waren Ladan en Simeï.
[^exodus-6-17-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 6:18 ; 1 Kron. 23:12 . 1 Kronieken 6:18 : En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël. 1 Kronieken 23:12 : De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; vier.
[^exodus-6-18-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 6:19 ; 1 Kron. 23:21 . 1 Kronieken 6:19 : De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen van de Levieten, naar hun vaderen. 1 Kronieken 23:21 : De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
[^exodus-6-19-h]: Verwijzing h: Ex. 2:1 ; Num. 26:59 . Exodus 2:1 : En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
[^exodus-6-19-18]: Kanttekening 18: zijn moei: De dochter van Levi, Ex. 2:1 ; Num. 26:59 , zus van Amrams vader. Exodus 2:1 : En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. Numeri 26:59 : En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
[^exodus-6-20-19]: Kanttekening 19: Korah, en Nefeg, en Zichri: Deze is die Korach, welke tegen Mozes rebelleerde, Num. 16:1 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.
[^exodus-6-21-20]: Kanttekening 20: Hij wordt genoemd Aärons oom, Lev. 10:4 . Leviticus 10:4 : En Mozes riep Misael en Elzafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron, en zei tot hen: Treedt toe, draagt uw broers weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger.
[^exodus-6-22-i]: Verwijzing i: Num. 3:2 ; Num. 26:60 . Numeri 3:2 : En dit zijn de namen van de zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar. Numeri 26:60 : En aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
[^exodus-6-22-k]: Verwijzing k: 1 Kron. 6:3 ; 1 Kron. 24:1 . 1 Kronieken 6:3 : En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 1 Kronieken 24:1 : Aangaande nu de kinderen van Aäron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar.
[^exodus-6-22-21]: Kanttekening 21: Deze was van de stam Juda, de zus van de vorst Nahesson, Num. 1:7 , en Num. 2:3 ; en 1 Kron. 2:10 . Numeri 1:7 : Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn. 1 Kronieken 2:10 : Ram nu verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de vorst van de kinderen van Juda;
[^exodus-6-22-22]: Kanttekening 22: Nadab en Abihu: Deze beiden worden hier samengevoegd, omdat zij beiden tegelijk door het vuur zijn omgekomen; Lev. 10:1 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had.
[^exodus-6-22-23]: Kanttekening 23: Eleazar en Ithamar: Hij is zijn vader Aäron opgevolgd in het hogepriester-ambt; Num. 20:25 . Numeri 20:25 : Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot de berg Hor.
[^exodus-6-24-24]: Kanttekening 24: Zie van deze Pinehas, Num. 25:7 . Numeri 25:7 : Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden van de vergadering, en nam een spies in zijn hand;
[^exodus-6-24-25]: Kanttekening 25: familiehoofden van de Levieten: Dat is, de voornaamsten.
[^exodus-6-25-26]: Kanttekening 26: naar hun heiren: God de Heer wilde dat Mozes het volk zou uitleiden, niet de één door de ander lopende, maar naar gelegenheid van hun woonplaatsen, want zij waren nog niet verdeeld in stammen.
[^exodus-6-29-l]: Verwijzing l: Ex. 4:10 ; Ex. 6:11 . Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Exodus 6:11 : Maar Mozes sprak voor YHWH, zeggende: Zie, de kinderen van Israël hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.

### Exodus 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/7.json)

*Mozes en Aäron worden door God gesterkt om naar Farao te gaan, vers 1 enz. wiens hart verhard wordt, 3. De ouderdom van Mozes en Aäron toen zij naar Farao gezonden werden, 7. De staf van Aäron wordt in een draak veranderd, 10. de tovenaars doen dergelijke dingen, 11. Farao blijft verhard, 14. Mozes wordt opnieuw tot hem gezonden, 15. De wateren van Egypte worden in bloed veranderd, 19. waardoor de vissen sterven, 21. De tovenaars doen dergelijke dingen, 22.*

**1** Toen zei YHWH tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een[^exodus-7-1-1] God gezet over Farao; en Aäron, uw broer, zal uw[^exodus-7-1-2] profeet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v1)

**2** U zult[^exodus-7-2-3] spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en[^exodus-7-2-a] Aäron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken laat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v2)

**3** Maar Ik zal Farao's hart[^exodus-7-3-4] verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v3)

**4** Farao nu zal naar u niet horen, en Ik zal Mijn hand aan[^exodus-7-4-5][^exodus-7-4-6] Egypte[^exodus-7-4-7] leggen, en voeren Mijn legers, Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypteland, door grote[^exodus-7-4-8] gerichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v4)

**5** Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de Israëlieten uit het midden van hen uitleide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v5)

**6** Toen deed Mozes en Aäron, als hun YHWH geboden had, zo deden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v6)

**7** [^exodus-7-7-9] En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v7)

**8** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v8)

**9** Wanneer Farao tot u spreken zal, zeggende:[^exodus-7-9-10] Doe een wonderteken voor u; zo zult u tot Aäron zeggen: Neem[^exodus-7-9-11] uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neer; hij zal tot een draak worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v9)

**10** Toen ging Mozes en Aäron tot Farao heen in, en deden zo, zoals YHWH geboden had; en Aäron wierp zijn staf neer voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht van zijn knechten; en hij werd tot een draak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v10)

**11** Farao nu riep ook de wijzen en de[^exodus-7-11-12] bezweerders; en de Egyptische[^exodus-7-11-13] tovenaars[^exodus-7-11-14] deden ook zo met hun bezweringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v11)

**12** Want ieder wierp zijn staf neer, en zij werden tot draken; maar[^exodus-7-12-15] Aärons staf verslond hun staven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v12)

**13** Maar Farao's[^exodus-7-13-16] hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde,[^exodus-7-13-b] zoals YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v13)

**14** Toen zei YHWH tot Mozes: Farao's hart[^exodus-7-14-17] is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v14)

**15** Ga heen tot Farao in de morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang is veranderd geweest, zult u in uw hand nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v15)

**16** En u zult tot hem zeggen: YHWH, de God van de Hebreën, heeft mij tot u gezonden,[^exodus-7-16-18] zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij zal dienen in de woestijn; maar zie, u hebt tot nu toe niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v16)

**17** Zo zegt YHWH: Daaraan zult u weten, dat Ik YHWH ben; zie,[^exodus-7-17-19] ik zal met deze staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v17)

**18** En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en[^exodus-7-18-20] de Egyptenaars[^exodus-7-18-21] zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v18)

**19** Verder zei YHWH tot Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun[^exodus-7-19-22] poelen, en over alle vergadering van hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het hele Egypteland,[^exodus-7-19-23] zowel in houten als in stenen voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v19)

**20** Mozes nu en Aäron deden zo, zoals YHWH geboden had; en[^exodus-7-20-24] hij hief de staf op, en[^exodus-7-20-c] sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten;[^exodus-7-20-d] en al het water in de rivier werd in bloed veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v20)

**21** En de vis, die in de rivier was,[^exodus-7-21-25] stierf; en de[^exodus-7-21-26] rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en[^exodus-7-21-27] er was bloed in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v21)

**22** Maar de Egyptische tovenaars[^exodus-7-22-28] deden ook zo met hun bezweringen; zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, zoals YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v22)

**23** En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis;[^exodus-7-23-29] en hij zette zijn hart daar ook niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v23)

**24** Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v24)

**25** [^exodus-7-25-30] Zo werden zeven dagen vervuld, nadat YHWH de rivier geslagen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/7.html#v25)

[^exodus-7-1-1]: Kanttekening 1: god gezet over Farao: Zie boven, Ex. 4:16 . Exodus 4:16 : En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn.
[^exodus-7-1-2]: Kanttekening 2: profeet zijn: Dat is hier te zeggen uitlegger, of taalman, Ex. 4:16 staat: hij zal u ten mond zijn. Exodus 4:16 : En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn.
[^exodus-7-2-3]: Kanttekening 3: spreken alles, wat Ik u gebieden zal: Te weten tot Aäron.
[^exodus-7-2-a]: Verwijzing a: Ex. 4:14 . Exodus 4:14 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Mozes, en Hij zei: is niet Aäron, de Leviet, uw broer? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.
[^exodus-7-3-4]: Kanttekening 4: Zie Ex. 4:21 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
[^exodus-7-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, mijn straffen en plagen. Zie dergelijke manieren van spreken Ex. 9:3 ; Richt. 2:15 ; 1 Sam. 12:15 ; Klaagl. 3:3 . Exodus 9:3 : Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Richteren 2:15 : Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van YHWH tegen hen, ten kwade, gelijk als YHWH gesproken, en gelijk als YHWH gezworen had; en hun was zeer bang. 1 Samuël 12:15 : Maar zo u naar de stem van YHWH niet zult horen, maar de mond van YHWH opstandig zijn, zo zal de hand van YHWH, tegen u zijn, als tegen uw vaders. Klaagliederen 3:3 : Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand de hele dag veranderd.
[^exodus-7-4-6]: Kanttekening 6: aan Egypte: Anders, op Egypte, of, aan de Egyptenaars.
[^exodus-7-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, geven.
[^exodus-7-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, straffen; zie boven, Ex. 6:5 . Exodus 6:5 : Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
[^exodus-7-7-9]: Kanttekening 9: En Mozes was tachtig jaar oud: Hebreeuws, en Mozes was een zoon van tachtig jaar, en Aäron een zoon van drie en tachtig jaar.
[^exodus-7-9-10]: Kanttekening 10: Doet een wonderteken voor u: Hebreeuws, geeft wonder voor u; dat is, om te bewijzen dat u van God tot mij gezonden bent.
[^exodus-7-9-11]: Kanttekening 11: uw staf: Ex. 4:20 wordt hij genoemd Gods staf; Ex. 4:2 , Mozes' staf. Hier en vers 12 wordt hij genoemd Aärons staf, omdat Aäron die nu in zijn hand had. Exodus 4:20 : Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand. Exodus 4:2 : En YHWH zei tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zei: Een staf. Exodus 7:12 : Want ieder wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven.
[^exodus-7-11-12]: Kanttekening 12: Die door de kunst van de duivel de ogen van de mensen betoverden, zodat zij meenden te zien, wat er inderdaad niet was, en werden als wijzen in grote achting bij de Egyptenaars gehouden.
[^exodus-7-11-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 41:8 ; de voornaamsten van deze tovenaars noemt Paulus, 2 Tim. 3:8 , Jannes en Jambres. Genesis 41:8 : En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde. 2 Timotheüs 3:8 : Zoals nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, zo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.
[^exodus-7-11-14]: Kanttekening 14: deden ook zo met hun bezweringen: Te weten, zoveel de uiterlijke schijn aanging, maar niet inderdaad.
[^exodus-7-12-15]: Kanttekening 15: Aärons staf verslond hun staven: Dat is, de draak of slang, die uit Aärons staf geworden was.
[^exodus-7-13-16]: Kanttekening 16: Zie Ex. 4:21 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
[^exodus-7-13-b]: Verwijzing b: Ex. 7:3 . Exodus 7:3 : Maar Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.
[^exodus-7-14-17]: Kanttekening 17: is zwaar: Zodat het zich niet kan opheffen tot gehoorzaamheid.
[^exodus-7-16-18]: Kanttekening 18: Dat is, om aan u te zeggen.
[^exodus-7-17-19]: Kanttekening 19: ik zal met deze staf: Het was Aäron, die met de staf sloeg, gelijk gezegd wordt onder vers 19 , maar God gebood het door Mozes. Zie dergelijke manier van spreken Matt. 20:32 , vergeleken met Mark. 10:49 , en Mark. 15:45 , met Matt. 27:58 . Exodus 7:19 : Verder zei YHWH tot Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering van hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het gehele Egypteland, zowel in houten als in stenen vaten. Mattheüs 20:32 : En Jezus, stil staande, riep hen en zei: Wat wilt u, dat Ik u doe? Marcus 10:49 : En Jezus, stil staande, zei, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed; sta op; Hij roept u. Marcus 15:45 : En als hij het van de hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. Mattheüs 27:58 : Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.
[^exodus-7-18-20]: Kanttekening 20: de Egyptenaars: Hieruit is af te nemen dat niet de Israëlieten, maar alleen de Egyptenaars gebrek aan goed water gehad hebben.
[^exodus-7-18-21]: Kanttekening 21: zullen vermoeid worden: Te weten, door de arbeid van het graven, dat zij rondom de rivier doen zullen, zoekende water, gelijk vers 24 ; anders, het zal de Egyptenaars lastig, of, moeilijk vallen. Exodus 7:24 : Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken.
[^exodus-7-19-22]: Kanttekening 22: Of, moerassen, staande wateren.
[^exodus-7-19-23]: Kanttekening 23: zowel in houten als in stenen vaten : Hebreeuws, in houten en in stenen.
[^exodus-7-20-24]: Kanttekening 24: hij hief de staf op: Te weten Aäron.
[^exodus-7-20-c]: Verwijzing c: Ex. 17:5 . Exodus 17:5 : Toen zei YHWH tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen.
[^exodus-7-20-d]: Verwijzing d: Ps. 78:44 ; Ps. 105:29 . Psalmen 78:44 : En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. Psalmen 105:29 : Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
[^exodus-7-21-25]: Kanttekening 25: Deze plaag was des te groter, omdat de Egyptenaars en die daar te land woonden veel vis aten, en zich daarmee geneerden; zie Num. 11:5 ; want het vlees van onderscheidene beesten aten zij niet, uit superstitie, Ex. 8:26 . Numeri 11:5 : Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook. Exodus 8:26 : Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe; want wij zouden van de Egyptenaren gruwel YHWH, onze God, mogen offeren; zie, als wij van de Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?
[^exodus-7-21-26]: Kanttekening 26: rivier stonk: Deze plaag was ook zeer groot, want de Egyptenaars, die dagelijks water dronken, hadden geen ander water dan zij uit de grote rivier de Nijl, en de stromen haalden, omdat het daar te land niet regent, gelijk af te nemen is uit Deut. 11:10 , 11:11 . Deuteronomium 11:10 : Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof. Deuteronomium 11:11 : Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel;
[^exodus-7-21-27]: Kanttekening 27: er was bloed in het gehele Egypteland: Hij wil zeggen dat er niet alleen in de rivier bloed was, maar ook in al de andere wateren van Egypte.
[^exodus-7-22-28]: Kanttekening 28: deden ook zo met hun bezweringen: Zie boven, vers 11 . Het water dat zij in bloed veranderden, kregen zij met graven omtrent de rivier, vers 24 , of zij haalden het van Gosen, of uit de huizen van de Israëlieten, die hier en daar onder de Egyptenaars woonden. Exodus 7:11 : Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen. Exodus 7:24 : Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken.
[^exodus-7-23-29]: Kanttekening 29: en hij zette zijn hart daar ook niet op: Dat is, hij gaf er geen acht op, en het ging hem niet ter harte. Zie dergelijke manier van spreken, Ex. 9:21 ; 1 Sam. 4:20 ; 2 Sam. 18:3 ; Spr. 22:17 . Exodus 9:21 : Maar die zijn hart niet zette tot het woord van YHWH, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld. 1 Samuël 4:20 : En omtrent de tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte. 2 Samuël 18:3 : Maar het volk zei: U zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar u bent nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat u ons uit de stad ter hulpe bent. Spreuken 22:17 : Neig uw oor, en hoor de woorden van de wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
[^exodus-7-25-30]: Kanttekening 30: Zo werden zeven dagen vervuld: Hebreeuws, en de week van de dagen werd vervuld. Zolang duurde deze plaag.

### Exodus 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/8.json)

*God dreigt Farao met kikvorsen te plagen, indien hij Israël niet wil laten trekken, vers 1 enz. Aäron strekt zijn hand uit, en er komen kikvorsen over het hele land Egypte, 5. De tovenaars doen dergelijke dingen, 7. Farao roept Mozes en Aäron, en belooft, als de HEERE de kikvorsen van hem wegneemt, dat hij Israël wil laten trekken, 8. Maar hij houdt zijn belofte niet, 15. De derde plaag komt over Egypte, het stof wordt in luizen veranderd, 16. De tovenaars kunnen dit niet doen, 18. Doch Farao blijft verhard, 19. De vierde plaag komt, namelijk een vermenging van allerlei ongedierte, 21. Israël is hiervan vrij in Gosen, 22. Farao schijnt het volk te willen laten gaan, 25. Mozes bidt God, en Hij neemt dit ongedierte weg, 29. Farao blijft verhard, 32.*

**1** Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v1)

**2** En als u het weigert te laten trekken, zie, zo zal ik[^exodus-8-2-1] uw hele gebied met kikkers[^exodus-8-2-2] slaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v2)

**3** Dat de[^exodus-8-3-3] rivier van kikkers zal krioelen, die zullen[^exodus-8-3-4] opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen van uw knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw[^exodus-8-3-5] baktroggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v3)

**4** En de kikkers zullen opkomen,[^exodus-8-4-6] op u, en op uw volk, en op al uw knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v4)

**5** Verder[^exodus-8-5-7] zei YHWH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe kikkers opkomen over Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v5)

**6** En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte,[^exodus-8-6-8] en er kwamen kikkers op en bedekten Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v6)

**7** Toen deden de tovenaars[^exodus-8-7-9] ook zo, met hun bezweringen; en zij deden kikkers over Egypteland opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v7)

**8** En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bid vurig tot YHWH, dat Hij de kikkers van mij en van mijn volk[^exodus-8-8-11] wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij YHWH offeren.[^exodus-8-8-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v8)

**9** Maar Mozes zei tot Farao:[^exodus-8-9-12] Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vurig bidden, om deze kikkers van u en van uw huizen te vernietigen, dat zij alleen in de rivier overblijven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v9)

**10** [^exodus-8-10-13] Hij dan zei: Tegen morgen. En[^exodus-8-10-14] hij zei: Het zij naar uw woord, opdat u weet, dat er niemand is, zoals YHWH, onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v10)

**11** Zo zullen de kikkers van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v11)

**12** Toen ging Mozes en Aäron uit van Farao; en Mozes riep tot YHWH, vanwege de kikkers,[^exodus-8-12-15] die Hij Farao had opgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v12)

**13** En YHWH deed naar het woord van Mozes; en de kikkers stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit[^exodus-8-13-16][^exodus-8-13-17] de velden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v13)

**14** En[^exodus-8-14-18] zij verzamelden ze samen[^exodus-8-14-19] bij hopen, en het land stonk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v14)

**15** Toen nu Farao zag, dat[^exodus-8-15-20] er verademing was,[^exodus-8-15-21][^exodus-8-15-a] verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v15)

**16** Verder zei YHWH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit, en sla het stof van de aarde, dat het tot luizen worde, in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v16)

**17** En zij deden zo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof van de aarde, en er werden[^exodus-8-17-22] vele luizen aan de mensen, en aan het vee;[^exodus-8-17-b] al het stof van de aarde werd luizen, in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v17)

**18** De tovenaars[^exodus-8-18-23] deden ook zo met hun bezweringen,[^exodus-8-18-24] opdat zij luizen voortbrachten; maar zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v18)

**19** Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit[^exodus-8-19-25] is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, zoals YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v19)

**20** Verder zei YHWH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v20)

**21** Want zo u Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van[^exodus-8-21-26] ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; zo dat de huizen van de Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aarde,[^exodus-8-21-27] waarop zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v21)

**22** En Ik zal op die dag het land Gosen, waarin Mijn volk[^exodus-8-22-28] woont, afzonderen,[^exodus-8-22-29] dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat u weet, dat Ik,[^exodus-8-22-30] YHWH, in het midden[^exodus-8-22-31] van dit land ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v22)

**23** En Ik zal een verlossing[^exodus-8-23-32] zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken gebeuren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v23)

**24** En YHWH deed zo; en[^exodus-8-24-c] er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het[^exodus-8-24-33][^exodus-8-24-d] hele Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v24)

**25** Toen riep Farao Mozes en Aäron, en zei: Ga heen, en offert uw God in[^exodus-8-25-34] dit land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v25)

**26** Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe;[^exodus-8-26-e] want wij zouden[^exodus-8-26-35] van de Egyptenaren gruwel YHWH, onze God, mogen offeren; zie, als wij van de Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v26)

**27** Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan,[^exodus-8-27-36] dat wij YHWH onze God offeren, zoals Hij tot ons zeggen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v27)

**28** Toen zei Farao: Ik zal u trekken laten, dat u YHWH, uw God, offert in de woestijn; alleen, dat[^exodus-8-28-37] u in het gaan in geen geval te verre trekt![^exodus-8-28-38] Bid vurig voor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v28)

**29** Mozes nu zei: Zie, ik ga van u, en zal tot YHWH vurig bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Farao[^exodus-8-29-39] niet meer bedrieglijk handele, dit volk niet latende gaan, om YHWH te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v29)

**30** Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vurig tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v30)

**31** En YHWH deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet één over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v31)

**32** Maar[^exodus-8-32-f] Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/8.html#v32)

[^exodus-8-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, het gehele land.
[^exodus-8-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, plagen, kwellen.
[^exodus-8-3-3]: Kanttekening 3: Of, dat de rivier vorsen overvloediglijk zal voortbrengen. Versta hierbij ook andere wateren en poelen, gelijk vers 5 . Exodus 8:5 : Verder zei YHWH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.
[^exodus-8-3-4]: Kanttekening 4: Zo namelijk, dat noch deuren, noch poorten, noch muren, noch geweer of wapens, u, noch uw knechten, zullen kunnen bevrijden van deze beesten.
[^exodus-8-3-5]: Kanttekening 5: Anders, deegklompen.
[^exodus-8-4-6]: Kanttekening 6: Wanneer Mozes dus particulierlijk Farao en zijn knechten noemt, zo geeft hij te kennen dat de Israëlieten daarvan zijn vrij geweest; zie onder, vers 21 , 8:22 . Exodus 8:21 : Want zo u Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; zo dat de huizen van de Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook de aarde, waarop zij zijn. Exodus 8:22 : En Ik zal op die dag het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat u weet, dat Ik, YHWH, in het midden van dit land ben.
[^exodus-8-5-7]: Kanttekening 7: zei YHWH: Te weten, nadat Mozes het bevel \[waarvan in vers 1 gesproken wordt\] volbracht had, en Farao geweigerd had te gehoorzamen. Exodus 8:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
[^exodus-8-6-8]: Kanttekening 8: en er kwamen vorsen op: Hebreeuws, en de vors kwam op, en zo elders.
[^exodus-8-7-9]: Kanttekening 9: ook zo: Zie boven, Ex. 7:11 . Exodus 7:11 : Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
[^exodus-8-8-11]: Kanttekening 11: De tovenaars konden wel de plagen van God nabootsen, vers 7 , maar zij konden die niet weren noch verlichten. Exodus 8:7 : Toen deden de tovenaars ook zo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.
[^exodus-8-8-10]: Kanttekening 10: Bidt vuriglijk: Zie Gen. 25:21 . De plagen en harde slagen doen Farao die God kennen, die hij tevoren niet wilde kennen. Zie Ex. 5:2 , en 1 Sam. 6:2 , 6:3 , enz. Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. Exodus 5:2 : Maar Farao zei: Wie is YHWH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken YHWH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. 1 Samuël 6:2 : Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark van YHWH doen? Laat ons weten, waarmee wij ze aan haar plaats zenden zullen. 1 Samuël 6:3 : Zij dan zeiden: Als u de ark van de God van Israël wegzendt, zendt haar niet leeg weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuldoffer; dan zult u genezen worden, en u zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt.
[^exodus-8-9-12]: Kanttekening 12: Heb de eer boven mij: Alsof Mozes zei: Ik doe u de eer, dat ik u toelaat mij de tijd te bestemmen, waarin God de Heer door mijn gebeden u verlossen zal van deze plaag van de vorsen. Zie dergelijke manier van spreken, Richt. 7:2 ; Jes. 10:15 . Richteren 7:2 : En YHWH zei tot Gideon: Het volk is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost. Jesaja 10:15 : Zal een bijl zich beroemen tegen die, die daarmee houwt? Zal een zaag pochen tegen die, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?
[^exodus-8-10-13]: Kanttekening 13: Hij dan: Te weten, Farao.
[^exodus-8-10-14]: Kanttekening 14: hij zei: Te weten, Mozes.
[^exodus-8-12-15]: Kanttekening 15: Dat is, die God door Mozes tot een straf over Farao en de zijnen had gebracht.
[^exodus-8-13-16]: Kanttekening 16: uit de huizen: Mozes wil zeggen dat de vorsen in de huizen, enz. stervende met bezems en schoppen uitgekeerd en uitgeworpen werden.
[^exodus-8-13-17]: Kanttekening 17: Of, voorhuizen, voorhoven.
[^exodus-8-14-18]: Kanttekening 18: ze samen: Te weten, de Egyptenaars.
[^exodus-8-14-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, hopen, hopen.
[^exodus-8-15-20]: Kanttekening 20: verademing was: Dat is, verlichting van de plaag. Anders, ruimte.
[^exodus-8-15-21]: Kanttekening 21: Dat is, hij bleef verhard in zijn goddeloos en opstandig voornemen. Zie Ex. 7:14 , en Jes. 6:10 . Exodus 7:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken. Jesaja 6:10 : Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.
[^exodus-8-15-a]: Verwijzing a: Ex. 7:14 . Exodus 7:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.
[^exodus-8-17-22]: Kanttekening 22: vele luizen: Hebreeuws, veelheid van de luizen.
[^exodus-8-17-b]: Verwijzing b: Ps. 105:31 . Psalmen 105:31 : Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun gehele landpale.
[^exodus-8-18-23]: Kanttekening 23: Dat is, zij sloegen tegen de aarde in het stof, gelijk Aäron gedaan had, maar tevergeefs.
[^exodus-8-18-24]: Kanttekening 24: luizen voortbrachten: Of, dat zij luizen zouden doen voortkomen.
[^exodus-8-19-25]: Kanttekening 25: Gods vinger: Dat is, de kracht en het werk van God. Vergelijk Luk. 11:20 , met Matt. 12:28 ; zie dergelijke manier van spreken, Richt. 2:15 , en 1 Sam. 6:3 , 6:9 ; Hand. 13:11 . Lukas 11:20 : Maar als Ik door de vinger van God de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. Mattheüs 12:28 : Maar als Ik door de Geest van God de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. Richteren 2:15 : Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van YHWH tegen hen, ten kwade, gelijk als YHWH gesproken, en gelijk als YHWH gezworen had; en hun was zeer bang. 1 Samuël 6:3 : Zij dan zeiden: Als u de ark van de God van Israël wegzendt, zendt haar niet leeg weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuldoffer; dan zult u genezen worden, en u zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt. 1 Samuël 6:9 : Ziet dan toe, als zij de weg van haar landpale opgaat naar Beth-semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest. Handelingen 13:11 : En nu zie, de hand van de Heere is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En ogenblikkelijk viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
[^exodus-8-21-26]: Kanttekening 26: Als: vliegen, wespen, muggen, kevers, horzelen, mieren, rupsen, muizen, slakken, en dergelijke, die het gras en de boomvruchten als ook het korengewas opeten en beschadigen.
[^exodus-8-21-27]: Kanttekening 27: zij zijn: Te weten, de Egyptenaars. Hij wil zeggen dat dit ongedierte overal wezen zal, waar de Egyptenaars zullen zijn, niet elders, gelijk blijkt uit vers 22 . Exodus 8:22 : En Ik zal op die dag het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat u weet, dat Ik, YHWH, in het midden van dit land ben.
[^exodus-8-22-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, op staat.
[^exodus-8-22-29]: Kanttekening 29: Te weten, ofschoon de tovenaars hun uiterste best daartoe aanwenden.
[^exodus-8-22-30]: Kanttekening 30: Dat is, dat Ik ook Heer in Egypte ben, hoewel Farao meent dat er geen ander heer is dan hij; zie boven, Ex. 5:2 . Exodus 5:2 : Maar Farao zei: Wie is YHWH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken YHWH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.
[^exodus-8-22-31]: Kanttekening 31: van dit land: Anders, van de aarde.
[^exodus-8-23-32]: Kanttekening 32: zetten tussen: Te weten, die onderscheid make tussen uw volk en mijn volk.
[^exodus-8-24-c]: Verwijzing c: Ps. 105:31 . Psalmen 105:31 : Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun gehele landpale.
[^exodus-8-24-33]: Kanttekening 33: het land: Dat is, wat het land voorbracht.
[^exodus-8-24-d]: Verwijzing d: Ps. 78:45 . Psalmen 78:45 : Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
[^exodus-8-25-34]: Kanttekening 34: Versta hierbij, maar niet in de woestijn, gelijk u begeerd hebt. Zie Ex. 5:1 . Exodus 5:1 : En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!
[^exodus-8-26-e]: Verwijzing e: Gen. 43:32 ; Gen. 46:34 . Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks de Egyptenaren een gruwel is. Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.
[^exodus-8-26-35]: Kanttekening 35: van de Egyptenaren gruwel: Te weten ossen, kalven, koeien, stieren, die de Egyptenaars als goden eren en niet durven doden, ja niet lijden mogen dat men die doodt om te offeren. Zie Gen. 43:32 , en Gen. 46:34 . Genesis 43:32 : En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat zulks de Egyptenaren een gruwel is. Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.
[^exodus-8-27-36]: Kanttekening 36: Zij wisten niet wat zij de Heer zouden offeren of slachten, totdat zij in de woestijn zouden gekomen zijn. Zie onder, Ex. 10:26 . Exodus 10:26 : En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet een klauw achterblijven; want van hetzelfde zullen wij nemen, om YHWH, onze God, te dienen; want wij weten niet, waarmee wij YHWH, onze God, dienen zullen, totdat wij daar komen.
[^exodus-8-28-37]: Kanttekening 37: in geen geval te verre trekt: Hebreeuws, ver vertrekkende, niet ver vertrekt.
[^exodus-8-28-38]: Kanttekening 38: Bidt vuriglijk: Te weten, dat de plaag van mij genomen worde. Zie boven, Ex. 8 , en Hand. 8:24 . Handelingen 8:24 : Maar Simon, antwoordende, zei: Bidt u voor mij tot de Heer, opdat niets over mij kome van wat u gezegd hebt.
[^exodus-8-29-39]: Kanttekening 39: niet meer bedriegelijk handele: Te weten, gelijk hij gedaan heeft, toen de plaag van de vorsen hem kwelde; boven, vers 15 . Exodus 8:15 : Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als YHWH gesproken had.
[^exodus-8-32-f]: Verwijzing f: Ex. 8:15 . Exodus 8:15 : Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als YHWH gesproken had.

### Exodus 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/9.json)

*God dreigt het vee van de Egyptenaren te slaan door een zware pest, wat de vijfde plaag is, 1 enz. Doch Hij spaart de Israëlieten, 4. Farao blijft verhard, 7. De zesde plaag, namelijk zweren over mensen en dieren, 8. zodat de tovenaars niet voor Mozes konden staan, 11. Toch blijft Farao verhard, 12. God dreigt hem nog zwaarder te plagen, 13. De zevende plaag, namelijk hagel en vuur, 18. Alleen het land Gosen wordt gespaard, 26. Farao erkent zijn zonde, en Mozes bidt voor hem, 27. De plaag houdt op, 33. Farao blijft verhard, 34.*

**1** Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Zo zegt YHWH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij[^exodus-9-1-1] zal dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v1)

**2** Want zo u hen weigert te laten trekken, en u hen nog met geweld ophoudt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v2)

**3** Zie, de[^exodus-9-3-2] hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v3)

**4** En YHWH zal een afzondering maken tussen het vee van de Israëlieten, en tussen het vee van de Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de Israëlieten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v4)

**5** En YHWH bestemde een zekere tijd, zeggende: Morgen zal YHWH deze zaak in dit land doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v5)

**6** En YHWH deed deze zaak op de andere dag; en[^exodus-9-6-3] al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de Israëlieten stierf niet één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v6)

**7** En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was er niet één gestorven. Maar het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v7)

**8** Toen zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Neem u[^exodus-9-8-4] uw vuisten vol as uit de oven; en Mozes strooie die naar de hemel voor de ogen van Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v8)

**9** En zij zal tot klein stof worden over het hele Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren,[^exodus-9-9-5] uitbrekende met blaren, in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v9)

**10** En zij namen as uit de oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar de hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v10)

**11** Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan[^exodus-9-11-6] al de Egyptenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v11)

**12** Maar YHWH verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals YHWH tot Mozes gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v12)

**13** Toen zei YHWH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v13)

**14** Want ditmaal zal Ik[^exodus-9-14-7] al Mijn plagen[^exodus-9-14-8] in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat u weet, dat er niemand is zoals Ik, op de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v14)

**15** Want nu heb Ik Mijn[^exodus-9-15-9] hand[^exodus-9-15-10] uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pest zou slaan, en dat u van de aarde zou vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v15)

**16** [^exodus-9-16-a] Maar werkelijk, daarom heb Ik u[^exodus-9-16-11] verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v16)

**17** Verheft u uzelf nog tegen Mijn volk, dat u het niet wilt laten trekken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v17)

**18** Zie, Ik zal morgen ongeveer deze tijd[^exodus-9-18-12] een zeer zwaren hagel doen regenen, evenzo in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gegrond is, tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v18)

**19** En nu, zend heen,[^exodus-9-19-13] vergader uw vee, en alles wat u op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v19)

**20** Wie onder Farao's knechten het woord van YHWH vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vluchten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v20)

**21** Maar[^exodus-9-21-14] die zijn hart niet zette tot het woord van YHWH, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v21)

**22** Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal hagel zijn in het hele Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid van het veld in Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v22)

**23** Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf[^exodus-9-23-15] donder en hagel, en het vuur[^exodus-9-23-16] schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v23)

**24** En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel[^exodus-9-24-17] vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het hele Egypteland nooit geweest,[^exodus-9-24-18] sinds het tot een volk geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v24)

**25** En de hagel sloeg, in het hele Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en verbrak[^exodus-9-25-19] al het geboomte van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v25)

**26** Alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten waren, daar was geen hagel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v26)

**27** Toen stelde op Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zei tot hen: Ik heb mij[^exodus-9-27-20] ditmaal verzondigd; YHWH is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v27)

**28** Bid vurig tot YHWH[^exodus-9-28-21] (want het is genoeg), dat geen[^exodus-9-28-22] donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten,[^exodus-9-28-23] en u zult niet langer blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v28)

**29** Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor YHWH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet,[^exodus-9-29-24] dat de aarde van YHWH is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v29)

**30** Toch u en uw knechten aangaande, weet ik,[^exodus-9-30-25] dat u voor het aangezicht van God YHWH nog niet vrezen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v30)

**31** Het vlas nu, en de gerst[^exodus-9-31-26] werd geslagen; want de gerst was in de[^exodus-9-31-27] aar, en het vlas was in de halm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v31)

**32** Maar de tarwe en de[^exodus-9-32-28] spelt werden niet geslagen; want zij waren[^exodus-9-32-29] bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v32)

**33** Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot YHWH; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v33)

**34** Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v34)

**35** [^exodus-9-35-b] Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de Israëlieten niet trekken liet,[^exodus-9-35-c] zoals YHWH gesproken had[^exodus-9-35-30] door Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/9.html#v35)

[^exodus-9-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, offerande doe.
[^exodus-9-3-2]: Kanttekening 2: hand van YHWH zal zijn over uw vee: Dat is, de grote kracht van God, zonder dat enig werk van de mensen er tussen zal komen; zie boven, Ex. 8:19 . Exodus 8:19 : Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk YHWH gesproken had.
[^exodus-9-6-3]: Kanttekening 3: al het vee van de Egyptenaren stierf: Dat is, allerlei, van iedere soort enige; of, versta, al de beesten, die in het veld waren, vers 3 , want er zijn er nog enige overgebleven, gelijk te zien is onder, vers 19 , 9:25 , en Ex. 10:5 . Exodus 9:3 : Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Exodus 9:19 : En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat u op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven. Exodus 9:25 : En de hagel sloeg, in het gehele Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en verbrak al het geboomte van het veld. Exodus 10:5 : En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt.
[^exodus-9-8-4]: Kanttekening 4: uw vuisten vol as uit de oven: Hebreeuws, de volheid van de vuisten.
[^exodus-9-9-5]: Kanttekening 5: uitbrekende met blaren: Anders, uitbottende, uitvloeiende.
[^exodus-9-11-6]: Kanttekening 6: vanwege de zweren: Hebreeuws, van, of, voor het aangezicht van het geweld. Zie van deze manier van spreken, Jes. 17:9 . Jesaja 17:9 : Op die dag zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, vanwege de Israëlieten, hoewel daar verwoesting zal wezen.
[^exodus-9-14-7]: Kanttekening 7: al Mijn plagen: Te weten, allen, die Ik nog voorgenomen heb over u te zenden, totdat u mijn volk zult laten trekken.
[^exodus-9-14-8]: Kanttekening 8: in uw hart zenden: Hij wil zeggen: wat Ik na deze over u zal laten komen, zal u in de huid niet gaan, maar het zal zodanig wezen, dat het uw hart doorboren en kwetsen zal.
[^exodus-9-15-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, uitgezonden; te weten, met pestilentie onder het vee, vers 3 , 9:6 . Exodus 9:3 : Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Exodus 9:6 : En YHWH deed deze zaak op de andere dag; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de kinderen van Israël stierf niet een.
[^exodus-9-15-10]: Kanttekening 10: opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan: Dat is, Ik zou wel met dezelfde pestilentie u ook geslagen hebben, gelijk u wel verdiend hebt; maar om een andere oorzaak \[die vers 16 verhaald wordt\], heb Ik u gespaard. Exodus 9:16 : Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde.
[^exodus-9-16-a]: Verwijzing a: Rom. 9:17 . Romeinen 9:17 : Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelfde heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde.
[^exodus-9-16-11]: Kanttekening 11: Zo staat er Rom. 9:17 . Hebreeuws, daarom heb Ik u doen staan. Romeinen 9:17 : Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelfde heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde.
[^exodus-9-18-12]: Kanttekening 12: een zeer zware hagel doen regenen: Dit mirakel is des te wonderbaarlijker, omdat het in Egypte niet placht te regenen, noch te hagelen.
[^exodus-9-19-13]: Kanttekening 13: vergader uw vee: Zie van het Hebreeuwse woord Jer. 4:6 . Jeremia 4:6 : Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^exodus-9-21-14]: Kanttekening 14: die zijn hart niet zette tot het woord van YHWH: Dat is, die het woord van de Heer niet achtte, noch ter harte nam; zie boven, Ex. 7:23 . Exodus 7:23 : En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op.
[^exodus-9-23-15]: Kanttekening 15: donder en hagel: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk stemmen; en het wordt ook genomen voor donder, geluid, gedruis.
[^exodus-9-23-16]: Kanttekening 16: schoot naar de aarde: Hebreeuws, wandelde naar de aarde. Versta hier het vuur van de bliksem, dat met de hagel vermengd was.
[^exodus-9-24-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, zich vattende, of bevangende. De hagel, welke water is, vermengde zich met het vuur, zodat dit een mirakel in een ander mirakel is.
[^exodus-9-24-18]: Kanttekening 18: sedert het tot een volk geweest is: Dat is, sinds er volk in Egypte geweest of gewoond heeft.
[^exodus-9-25-19]: Kanttekening 19: al het geboomte van het veld: Dat is, het grootste deel van de bomen, of allerlei bomen; want onder, Ex. 10:5 , blijkt, dat er nog enige bomen van deze plaag zijn vrijgebleven. Exodus 10:5 : En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt.
[^exodus-9-27-20]: Kanttekening 20: ditmaal verzondigd: Farao kwanswijs hier zijn zonde belijdende, spreekt huichelend, zeggende \[ditmaal\] alsof hij ook niet meermalen tevoren gezondigd had.
[^exodus-9-28-21]: Kanttekening 21: (want het is genoeg): Anders, want het is te veel, dat er \[meer\] donderen Gods en hagel is.
[^exodus-9-28-22]: Kanttekening 22: donder Gods noch hagel meer zij: Dat is, die van God afkomt, of zulke grote en sterke donderslagen.
[^exodus-9-28-23]: Kanttekening 23: en u zult niet langer blijven: Hebreeuws, en zult niet toedoen te staan.
[^exodus-9-29-24]: Kanttekening 24: dat de aarde van YHWH is: Anders, dat dit land van de Heer zij; als zijnde een Schepper en Regeerder daarvan, Deut. 10:14 , 10:15 ; Ps. 24:1 , en Ps. 135:6 , en 1 Kor. 10:26 . Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, van uw God, is de hemel, en de hemel van de hemelen, de aarde, en al wat daarin is. Deuteronomium 10:15 : Alleen heeft YHWH lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, gelijk het op deze dag is. Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 135:6 : Al wat YHWH behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden. 1 Korinthiërs 10:26 : Want de aarde is van de Heere, en de volheid derzelve.
[^exodus-9-30-25]: Kanttekening 25: dat u voor het aangezicht van YHWH God: Dit wordt bevestigd en bewezen waar te zijn, onder, vers 35 . Exodus 9:35 : Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen van Israël niet trekken liet, gelijk als YHWH gesproken had door Mozes.
[^exodus-9-31-26]: Kanttekening 26: werd geslagen: Te weten, door de hagel.
[^exodus-9-31-27]: Kanttekening 27: Anders, in de halm. Hebreeuws, de gerst was groene aren, of, halm. En het vlas was halm.
[^exodus-9-32-28]: Kanttekening 28: werden niet geslagen: Te weten, door de hagel.
[^exodus-9-32-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, duister. Hij wil zeggen dat zij nog geen aren en nog geen halmen hadden.
[^exodus-9-35-b]: Verwijzing b: Ex. 4:21 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
[^exodus-9-35-c]: Verwijzing c: Ex. 7:3 . Exodus 7:3 : Maar Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.
[^exodus-9-35-30]: Kanttekening 30: door Mozes: Hebreeuws, door de hand van Mozes; dat is, door Mozes' dienst, als zijnde het instrument dat God de Heer gebruikt heeft. Zie deze wijze van spreken, Ex. 35:29 ; Lev. 8:36 ; 2 Sam. 11:14 ; 2 Kon. 17:13 ; Hag. 1:1 ; Mal. 1:1 , en elders meer. Exodus 35:29 : Alle man en vrouw, van wie het hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, dat YHWH geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen van Israël tot een vrijwillig offer voor YHWH. Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had. 2 Samuël 11:14 : 's Morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond die door de hand van Uria. 2 Koningen 17:13 : Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Haggai 1:1 : In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: Maleachi 1:1 : De last van het woord van YHWH tot Israël, door de dienst van Maleachi.

### Exodus 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/10.json)

*God maakt Mozes bekend waarom Hij het hart van Farao en zijn dienaren verhard heeft, vers 1 enz. en dreigt hen met sprinkhanen, 4. Farao's dienaren dringen er bij hem op aan dat hij de Israëlieten laat trekken, 7. Hij doet alsof hij het wilde doen, 8. Maar hij verandert van gedachten, 10. De achtste plaag, namelijk de sprinkhanen, komt over Egypte, 12. Farao erkent zijn zonde, 16. Hij vraagt dat Mozes voor hem bidt, 17. wat Mozes doet, 18. De sprinkhanen worden weggenomen, 19. maar Farao blijft verhard, 20. De negende plaag, namelijk duisternis, komt over Egypte, 21. Farao wil Israël laten trekken, maar zonder vee, 24. Mozes wil niet één klauw achterlaten, 25. Farao blijft verhard, 27. en verbiedt Mozes op straffe van de dood zijn aangezicht weer te zien, 28. Het is ook zo geschied, 29.*

**1** Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao;[^exodus-10-1-a] want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden[^exodus-10-1-1] van hen zette; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v1)

**2** En opdat u voor de oren van uw kinderen en van uw kleinkinderen mag vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat u weet, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v2)

**3** Zo gingen Mozes en Aäron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt YHWH, de God van de Hebreën: Hoe lang weigert u zich voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v3)

**4** Want als u weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw[^exodus-10-4-2] gebied brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v4)

**5** En zij zullen[^exodus-10-5-3] het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten[^exodus-10-5-4] het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook[^exodus-10-5-5] al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v5)

**6** En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; die uw vaders, noch de vaders van uw vaders gezien hebben, van die dag af, dat zij op de aardbodem geweest zijn, tot op deze dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v6)

**7** En[^exodus-10-7-6] de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot[^exodus-10-7-7] een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij YHWH hun God dienen! weet u nog niet, dat Egypte verloren is?[^exodus-10-7-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v7)

**8** Toen werden Mozes en Aäron weer tot Farao gebracht, en hij zei tot hen: Ga heen, dient YHWH, uw God![^exodus-10-8-9] wie en wie zijn zij, die gaan zullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v8)

**9** En Mozes zei: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude mensen; met onze zonen en met onze dochters, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want[^exodus-10-9-10] wij hebben een feest van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v9)

**10** Toen zei hij tot hen:[^exodus-10-10-11] YHWH zij zo met u, zoals ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: zie toe,[^exodus-10-10-12] want er is kwaad voor uw aangezicht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v10)

**11** Niet zo u, mannen, gaat nu heen, en dient YHWH; want dat[^exodus-10-11-13] hebt u verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v11)

**12** Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland,[^exodus-10-12-14] om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid van het land opeten, al wat de hagel heeft over gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v12)

**13** Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht[^exodus-10-13-15] een oostenwind in dat land, die hele dag en die hele nacht; het gebeurde 's morgens, dat de[^exodus-10-13-b] oostenwind de sprinkhanen opbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v13)

**14** En de sprinkhanen kwamen op over het hele Egypteland, en lieten zich neer[^exodus-10-14-16] aan al de grenzen van de Egyptenaren,[^exodus-10-14-17] zeer zwaar; voor deze zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na deze zullen er zulke niet wezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v14)

**15** Want zij bedekten[^exodus-10-15-18] het gezicht van het hele land, zo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het hele Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v15)

**16** Toen haastte Farao, om Mozes en Aäron te roepen, en zei: Ik heb gezondigd[^exodus-10-16-19] tegen YHWH, uw God, en tegen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v16)

**17** En nu vergeeft mij toch mijn zonde[^exodus-10-17-20] alleen ditmaal, en bidt vurig tot YHWH, uw God, dat Hij slechts[^exodus-10-17-21] deze dood van mij wegneme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v17)

**18** En hij ging uit van Farao, en bad vurig tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v18)

**19** Toen keerde YHWH een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en[^exodus-10-19-22] wierp ze in[^exodus-10-19-23] de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in al het gebied van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v19)

**20** Maar YHWH verstokte Farao's hart, dat hij de Israëlieten niet liet trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v20)

**21** Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat[^exodus-10-21-24] men de duisternis tasten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v21)

**22** Als Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel,[^exodus-10-22-25] werd er een dikke duisternis in het hele Egypteland,[^exodus-10-22-26] drie dagen.[^exodus-10-22-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v22)

**23** [^exodus-10-23-27] Zij zagen de één de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de Israëlieten[^exodus-10-23-28] was het licht[^exodus-10-23-29] in hun woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v23)

**24** [^exodus-10-24-30] Toen riep Farao Mozes, en zei: Ga heen, dient YHWH! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven;[^exodus-10-24-31] ook zullen uw kinderen met u gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v24)

**25** Maar Mozes zei: Ook zult u slachtoffers en brandoffers in onze handen geven, die wij YHWH, onze God, doen mogen;[^exodus-10-25-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v25)

**26** En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet één klauw achterblijven; want van hetzelfde zullen wij nemen, om YHWH, onze God, te dienen; want wij weten niet,[^exodus-10-26-33] waarmee wij YHWH, onze God, dienen zullen, voordat wij daar komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v26)

**27** Maar YHWH verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v27)

**28** Maar Farao zei tot hem: Ga van mij! pas op dat u niet meer mijn aangezicht ziet; want op welke dag u mijn aangezicht zult zien,[^exodus-10-28-34] zult u sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v28)

**29** Mozes nu zei:[^exodus-10-29-35] U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien![^exodus-10-29-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/10.html#v29)

[^exodus-10-1-a]: Verwijzing a: Ex. 4:21 ; Ex. 9:34 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. Exodus 9:34 : Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.
[^exodus-10-1-1]: Kanttekening 1: van hen: Dat is, van zijn koninkrijk, of, van hem, dat is, voor hen; anders, voor hem.
[^exodus-10-4-2]: Kanttekening 2: Dat is, land, koninkrijk.
[^exodus-10-5-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, het oog; dat is, al het land, dat men op andere tijden kan zien of beogen.
[^exodus-10-5-4]: Kanttekening 4: het overige: Te weten, de tarwe en spelt gelijk boven, Ex. 9:32 . Exodus 9:32 : Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.
[^exodus-10-5-5]: Kanttekening 5: al het geboomte: Dat is, al de vruchten en bladen van de bomen.
[^exodus-10-7-6]: Kanttekening 6: de knechten: Te weten, de edelen, de groten, de hofdienaars, en de raadsheren.
[^exodus-10-7-7]: Kanttekening 7: een strik zijn: Dat is, een verderf; te weten, door de plagen, die hij over ons brengt.
[^exodus-10-7-8]: Kanttekening 8: Versta hierbij, tenzij dat u hen haast van ons trekken laat.
[^exodus-10-8-9]: Kanttekening 9: wie en wie: Hier bepaalt Farao zijn woord, al de Israëlieten niet willende laten vertrekken, enige alleen die hij wil dat men hem eerst zal noemen en bekendmaken.
[^exodus-10-9-10]: Kanttekening 10: feest van YHWH: Waarop wij enige beesten zullen moeten slachten.
[^exodus-10-10-11]: Kanttekening 11: Hij wil zeggen: ik zal u met uw kinderen in geen geval laten trekken.
[^exodus-10-10-12]: Kanttekening 12: Hij wil zeggen: ziet voor u toe, want u is ongeluk en schade van mij nakende als u niet ophoudt mij moeilijk te vallen.
[^exodus-10-11-13]: Kanttekening 13: hebt u verzocht: Deze koning schaamt zich niet te liegen, of de woorden van Mozes en Aäron te verdraaien.
[^exodus-10-12-14]: Kanttekening 14: om de sprinkhanen: De zin is: opdat de sprinkhanen opkomen over, enz.
[^exodus-10-13-15]: Kanttekening 15: Die in die landen zeer sterk waait, zodat hij grote schepen in stukken breekt. Zie Ex. 14:21 ; Num. 11:31 ; Ps. 48:8 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die hele nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Numeri 11:31 : Toen voer een wind uit van YHWH, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. Psalmen 48:8 : Met een oostenwind verbreekt U de schepen van Tharsis.
[^exodus-10-13-b]: Verwijzing b: Ps. 78:46 ; Ps. 105:34 ; idem 105:35 . Psalmen 78:46 : En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun arbeid de sprinkhaan. Psalmen 105:34 : Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; Psalmen 105:35 : Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hun akker op.
[^exodus-10-14-16]: Kanttekening 16: aan al de palen: Dat is, in het gehele land, aan alle hoeken en kanten.
[^exodus-10-14-17]: Kanttekening 17: Ten aanzien van de grote menigte, want zij bedekten de aarde; en om de grote schade, die zij deden.
[^exodus-10-15-18]: Kanttekening 18: het gezicht van het hele land: Zie boven, vers 5 . Exodus 10:5 : En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt.
[^exodus-10-16-19]: Kanttekening 19: tegen YHWH, uw God: Tegen de Heer, die ik ongehoorzaam ben geweest; en tegen u, die ik zo onbeleefd verstoten heb.
[^exodus-10-17-20]: Kanttekening 20: alleen ditmaal: Alsof hij zei: als ik mij na deze opnieuw vergrijp, zo bidt niet meer voor mij.
[^exodus-10-17-21]: Kanttekening 21: deze dood van mij wegneme: Dat is, dodelijke plaag, die alles verderft en ons van honger en kommer zal doen sterven; zo staat er 2 Kon. 4:40 : De dood is in de pot; dat is, dodelijke kruiden. 2 Koningen 4:40 : Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man van God, de dood is in de pot! En zij konden het niet eten.
[^exodus-10-19-22]: Kanttekening 22: wierp ze: Hebreeuws, hechtte die, of, maakte die vast; dat is God heeft die daarin zo geworpen en besloten, dat zij er in moesten blijven, zonder er uit te kunnen komen.
[^exodus-10-19-23]: Kanttekening 23: de Schelfzee: In deze zee is Farao kort hierna verdronken; Ex. 14 .
[^exodus-10-21-24]: Kanttekening 24: de duisternis tasten zal: Dat is, de lucht, die zeer dik zal zijn, en het licht ten enenmale zal uitsluiten.
[^exodus-10-22-25]: Kanttekening 25: werd er een dikke duisternis: Hebreeuws, duisternis van de donkerheid.
[^exodus-10-22-26]: Kanttekening 26: drie dagen: Mozes heeft wel kunnen weten, hoe lang deze duisternis duurde, omdat de dag op zijn tijd bij de Israëlieten opging gelijk volgt, vers 23 . Exodus 10:23 : Zij zagen de één de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen van Israël was het licht in hun woningen.
[^exodus-10-22-c]: Verwijzing c: Ps. 105:27 ; idem v. 28 . Psalmen 105:27 : Zij deden onder hen de bevelen Zijn tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham. Psalmen 105:28 : Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet opstandig.
[^exodus-10-23-27]: Kanttekening 27: Zij zagen de één de ander niet: Hebreeuws, zij zagen de man zijn broer niet; er scheen noch zon, noch maan, noch sterren.
[^exodus-10-23-28]: Kanttekening 28: was het licht: Te weten, bij dag, als het gewoonlijk licht placht te wezen.
[^exodus-10-23-29]: Kanttekening 29: in hun woningen: Versta dit van het land Gosen alleen; of ook, zoals enige menen, van al de plaatsen waar de Israëlieten woonden.
[^exodus-10-24-30]: Kanttekening 30: Toen riep Farao Mozes: Te weten, nadat de driedaagse duisternis over was.
[^exodus-10-24-31]: Kanttekening 31: ook zullen uw kinderen met u gaan: Versta hierbij, ook de vrouwen, van wie de handreiking de kindertjes niet konden ontberen.
[^exodus-10-25-32]: Kanttekening 32: in onze handen geven: Dat is, ons laten meenemen.
[^exodus-10-26-33]: Kanttekening 33: waarmee wij YHWH, onze God: Welk vee, en hoeveel wij onze God zullen moeten offeren.
[^exodus-10-28-34]: Kanttekening 34: zult u sterven: Dat is, ik u doden, of laten doden.
[^exodus-10-29-35]: Kanttekening 35: U hebt recht gesproken: Dat is geen getuigenis, dat Farao recht en goed gesproken had, maar Mozes geeft hem te verstaan dat het aldus zou gebeuren, gelijk Farao gesproken had, wat betreft zijn wederkomst, daar Mozes wist wat God over Farao besloten had.
[^exodus-10-29-d]: Verwijzing d: Hebr. 11:27 . Hebreeën 11:27 : Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende de toorn van de koning; want hij hield zich vast, als ziende de Onzichtbare.

### Exodus 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/11.json)

*God beveelt de Israëlieten gouden en zilveren voorwerpen van hun buren te vragen, vers 1 enz. Mozes dreigt Farao met de dood van alle eerstgeborenen, 4. En voorzegt dat het bij de Israëlieten alles stil en in vrede zou zijn, 7. Farao's hart blijft verhard, 9.*

**1** (Want YHWH[^exodus-11-1-1] had tot Mozes gesproken: Ik zal[^exodus-11-1-2] nog één plaag over Farao, en over Egypte brengen, daarna zal hij u van hier laten trekken; als hij u geheel zal laten trekken, zo zal hij u[^exodus-11-1-3] haastig van hier uitdrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v1)

**2** Spreek nu voor de oren van[^exodus-11-2-4] het[^exodus-11-2-a] volk, dat[^exodus-11-2-5] ieder man van[^exodus-11-2-6] zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen[^exodus-11-2-7] eise. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v2)

**3** En YHWH[^exodus-11-3-b] gaf het volk[^exodus-11-3-8] genade in de ogen van de Egyptenaren;[^exodus-11-3-9] ook was de man Mozes[^exodus-11-3-10] zeer groot in Egypteland voor de ogen van Farao's knechten, en voor de ogen[^exodus-11-3-11] van het volk.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v3)

**4** Verder[^exodus-11-4-12] zei Mozes: Zo[^exodus-11-4-13] heeft YHWH gezegd: Ongeveer middernacht[^exodus-11-4-c] zal Ik uitgaan door het midden van Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v4)

**5** En[^exodus-11-5-d] alle[^exodus-11-5-14] eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af,[^exodus-11-5-15] die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die[^exodus-11-5-16] achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v5)

**6** En er zal[^exodus-11-6-17] een groot geschrei zijn in het hele Egypteland, desgelijke nooit geweest is, en desgelijke niet meer wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v6)

**7** Maar bij alle Israëlieten zal[^exodus-11-7-18] niet één hond zijn tong verroeren, van[^exodus-11-7-19] de mensen af tot de beesten toe; opdat u weet, dat YHWH tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v7)

**8** [^exodus-11-8-e]Dan zullen al deze uw knechten[^exodus-11-8-20] tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw[^exodus-11-8-21] voetstappen volgt; en daarna zal[^exodus-11-8-22] ik uitgaan. En hij ging uit van Farao[^exodus-11-8-23] in hitte van de toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v8)

**9** YHWH dan[^exodus-11-9-24] had tot Mozes gesproken: Farao zal naar u niet horen, opdat[^exodus-11-9-25] Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v9)

**10** En Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao's aangezicht;[^exodus-11-10-f] maar YHWH verhardde Farao's hart, dat hij de Israëlieten uit zijn land[^exodus-11-10-26] niet trekken liet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/11.html#v10)

[^exodus-11-1-1]: Kanttekening 1: had tot Mozes gesproken: Eer Farao met dreigementen Mozes van zich gedreven had; Ex. 10:28 . Dit is de oorzaak waarom Mozes zo vrijmoedig Farao had aangesproken; Ex. 10:29 . Exodus 10:28 : Maar Farao zei tot hem: Ga van mij! wacht u, dat u niet meer mijn aangezicht ziet; want op welke dag u mijn aangezicht zult zien, zult u sterven! Exodus 10:29 : Mozes nu zei: U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!
[^exodus-11-1-2]: Kanttekening 2: nog een plaag over Farao, en over Egypte brengen: Zie van deze plaag, onder, vers 4 , 11:5 . Exodus 11:4 : Verder zei Mozes: Zo heeft YHWH gezegd: Omtrent middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte; Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.
[^exodus-11-1-3]: Kanttekening 3: haastig van hier uitdrijven: Hebreeuws, uitstotende, uitstoten. Zie de vervulling, Ex. 12:31 , 12:32 , 12:33 . Exodus 12:31 : Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient YHWH, gelijk u gesproken hebt. Exodus 12:32 : Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals u gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. Exodus 12:33 : En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!
[^exodus-11-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, van de Israëlieten.
[^exodus-11-2-a]: Verwijzing a: Ex. 3:22 ; Ex. 12:35 . Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven. Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren.
[^exodus-11-2-5]: Kanttekening 5: ieder man: Zie Ex. 3:22 . Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven.
[^exodus-11-2-6]: Kanttekening 6: zijn naaste: Te weten, van zijn Egyptischen naaste.
[^exodus-11-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, lene.
[^exodus-11-3-b]: Verwijzing b: Ex. 12:36 . Exodus 12:36 : Daartoe had YHWH het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.
[^exodus-11-3-8]: Kanttekening 8: genade in de ogen van de Egyptenaren: Dat is, gunst; zie deze manier van spreken Gen. 39:21 . Genesis 39:21 : Maar YHWH was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van het gevangenhuis.
[^exodus-11-3-9]: Kanttekening 9: ook was de man Mozes: Dit was de oorzaak waarom Farao Mozes niet durfde aantasten, een oploop vrezende onder het volk.
[^exodus-11-3-10]: Kanttekening 10: zeer groot in Egypteland: Dat is, in zeer groot aanzien.
[^exodus-11-3-11]: Kanttekening 11: van het volk: Versta, van het Egyptische volk.
[^exodus-11-4-12]: Kanttekening 12: zei Mozes: Te weten, tot Farao, voordat hij van hem scheidde, vers 8 ; want dit is het vervolg van Mozes' woorden; Ex. 10:29 . Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn. Exodus 10:29 : Mozes nu zei: U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!
[^exodus-11-4-13]: Kanttekening 13: heeft YHWH gezegd: Te weten, toen Hij mij laatst tot u gezonden heeft.
[^exodus-11-4-c]: Verwijzing c: Ex. 12:29 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten.
[^exodus-11-5-d]: Verwijzing d: Ex. 12:12 . Exodus 12:12 : Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH!
[^exodus-11-5-14]: Kanttekening 14: eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven: Wat God hier bedreigt, dat heeft Hij door zijn engel uitgevoerd; Ex. 12:23 , 12:29 . Exodus 12:23 : Want YHWH zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal YHWH de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten.
[^exodus-11-5-15]: Kanttekening 15: die op zijn troon zitten zou: Dat is, die na hem regeren zou, gelijk 1 Kon. 2:24 , en 1 Kron. 28:5 . 1 Koningen 2:24 : En nu, zo waarachtig als YHWH leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden! 1 Kronieken 28:5 : En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël.
[^exodus-11-5-16]: Kanttekening 16: achter de molen is: Daarom staat hier achter de molen, omdat degenen, die met de handmolens maalden, de malende stenen voor het gehele lichaam met haar handen voortstieten. Zie Ex. 12:29 ; Richt. 16:21 ; Jes. 47:1 , 47:2 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Richteren 16:21 : Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis. Jesaja 47:1 : Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. Jesaja 47:2 : Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren.
[^exodus-11-6-17]: Kanttekening 17: een groot geschrei zijn in het gehele Egypteland: Zo van de ouders, van wie de kinderen zullen gedood worden, alsook van de kinderen, die zulks zullen horen en zien, vrezende dat het hen ook gelden mocht, gelijk dit in zulke schrikkelijke plagen placht te gebeuren.
[^exodus-11-7-18]: Kanttekening 18: zal niet een hond zijn tong verroeren: Dat is, het zal onder hen zo stil zijn, dat zelfs de honden \[die door een klein gerucht wakker worden\] niet eens blaffen zullen. Zie dergelijke manier van spreken, Joz. 10:21 . Jozua 10:21 : Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen van Israël geroerd.
[^exodus-11-7-19]: Kanttekening 19: de mensen af tot de beesten toe: Dat is, noch tegen de mensen, noch tegen de beesten.
[^exodus-11-8-e]: Verwijzing e: Ex. 12:30 . Exodus 12:30 : En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.
[^exodus-11-8-20]: Kanttekening 20: tot mij afkomen: Te weten, door u tot mij gezonden zijnde.
[^exodus-11-8-21]: Kanttekening 21: voetstappen volgt: Hebreeuws, dat van uw voeten is; dat is, die u volgen, of, die door u geleid worden, en onder uw gebied staan. Zie dergelijke manier van spreken Richt. 8:5 ; 1 Kon. 20:10 ; 2 Kon. 3:9 . Richteren 8:5 : En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna. 1 Koningen 20:10 : En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt! 2 Koningen 3:9 : Zo toog de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water.
[^exodus-11-8-22]: Kanttekening 22: ik uitgaan: Versta hierbij, en al het volk van Israël, ook alles wat wij hebben, en alles wat wij willen meenemen.
[^exodus-11-8-23]: Kanttekening 23: in hitte van de toorn: Mozes ijvert voor de eer van God: anders is hij geweest een zeer zachtzinnig man; Num. 12:3 . Numeri 12:3 : Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren.
[^exodus-11-9-24]: Kanttekening 24: had tot Mozes gesproken: Te weten, Ex. 3:19 , en Ex. 10:1 , en elders. Exodus 3:19 : Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Exodus 10:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;
[^exodus-11-9-25]: Kanttekening 25: Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden: Dat is, mijn wonderbaarlijke plagen.
[^exodus-11-10-f]: Verwijzing f: Ex. 9:16 ; Rom. 9:17 . Exodus 9:16 : Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde. Romeinen 9:17 : Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelfde heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde.
[^exodus-11-10-26]: Kanttekening 26: niet trekken liet: Dan door dwang. Zie Ex. 3:19 , en Ex. 5:24 . Exodus 3:19 : Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Exodus 5:24 : Toen zei YHWH tot Mozes: Nu zult u zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.

### Exodus 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/12.json)

*God beveelt de Israëlieten dat de maand waarin zij uit Egypte gaan, voor hen de eerste maand van het jaar zal zijn, vers 1 enz. Hun wordt bevolen een onbevlekt lam uit te kiezen tot een paaslam, 3. hoe zij het moesten eten, 11. Zij moesten zeven dagen lang ongezuurd brood eten, 15. Met het bloed van het lam moesten zij de posten van de deuren besprenkelen, 22. Alle eerstgeborenen van Egypte worden verslagen, 29. Farao drijft de Israëlieten het land uit, 31. Zij beroven de Egyptenaren, 35. Zij komen te Sukkoth, zeshonderdduizend man sterk, 37. Hoe lang zij in Egypte gewoond hebben, 40. De wijze om het paaslam te eten, en wie het mochten eten, 43. Alle kinderen van Israël doen zoals de HEERE hun geboden had, 50.*

**1** YHWH nu[^exodus-12-1-1] had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v1)

**2** [^exodus-12-2-2] Deze zelfde maand zal u het[^exodus-12-2-3] hoofd van de maanden zijn; zij zal u[^exodus-12-2-4] de eerste van de maanden van het jaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v2)

**3** Spreek tot de hele gemeenschap van Israël, zeggende: Aan de tienden van deze maand neme ieder een lam,[^exodus-12-3-6] naar de huizen van de vaders, een lam voor een huis.[^exodus-12-3-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v3)

**4** Maar als een huis te[^exodus-12-4-7] klein is voor een lam, zo neme[^exodus-12-4-8] hij het en zijn buurman, de naaste aan zijn huis, naar het getal[^exodus-12-4-9] van de zielen,[^exodus-12-4-10] ieder naar dat hij eten kan; u zult rekening maken[^exodus-12-4-11] naar het lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v4)

**5** [^exodus-12-5-a] U zult[^exodus-12-5-12] een volkomen lam hebben, een mannetje,[^exodus-12-5-13] een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v5)

**6** [^exodus-12-6-14] En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten[^exodus-12-6-15] tussen twee avonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v6)

**7** En zij zullen van[^exodus-12-7-16] het bloed nemen, en[^exodus-12-7-17] strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, waarin zij het eten zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v7)

**8** [^exodus-12-8-b] En zij zullen het vlees eten in deze nacht, aan het vuur gebraden,[^exodus-12-8-18] met ongezuurde broden; zij zullen het[^exodus-12-8-19] met bittere saus eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v8)

**9** U zult daarvan[^exodus-12-9-20] niet rauw eten, ook[^exodus-12-9-21] in geen geval in water gekookt; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn poten en met zijn binnenste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v9)

**10** U zult daarvan ook niet laten overblijven tot de morgen; maar wat daarvan overblijft tot de morgen,[^exodus-12-10-22] zult u met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v10)

**11** [^exodus-12-11-23] Zo nu zult u het eten:[^exodus-12-11-24] uw middel zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH.[^exodus-12-11-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v11)

**12** Want[^exodus-12-12-26] Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en[^exodus-12-12-27] alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan[^exodus-12-12-28] al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v12)

**13** En[^exodus-12-13-29] dat bloed zal u tot[^exodus-12-13-30] een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik[^exodus-12-13-31] Egypteland slaan zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v13)

**14** [^exodus-12-14-c] En deze dag zal u wezen[^exodus-12-14-32] ter herinnering, en u zult hem YHWH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten[^exodus-12-14-33] tot een eeuwige inzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v14)

**15** [^exodus-12-15-34] Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het[^exodus-12-15-35] zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag,[^exodus-12-15-36] die ziel[^exodus-12-15-37] zal uitgeroeid worden uit Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v15)

**16** En op de eerste dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult u[^exodus-12-16-38] een heilige verzameling hebben op de zevende dag; er zal geen werk daarop gedaan worden;[^exodus-12-16-39] maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, dat alleen mag van u toegemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v16)

**17** Zo onderhoudt dan de ongezuurde[^exodus-12-17-40] broden, omdat Ik even aan deze dag uw legers uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult u deze dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v17)

**18** [^exodus-12-18-d] In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de één en twintigste dag van de maand, in de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v18)

**19** [^exodus-12-19-41] Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelfde ziel zal uit de gemeenschap van Israël uitgeroeid worden,[^exodus-12-19-42] hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v19)

**20** U zult[^exodus-12-20-43] niets eten, dat gedesemd is;[^exodus-12-20-e] in al uw woningen zult u ongezuurde broden eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v20)

**21** Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen:[^exodus-12-21-44] Lees uit, en neemt u[^exodus-12-21-45] lammeren voor uw huisgezinnen,[^exodus-12-21-f] en slacht[^exodus-12-21-46] het pascha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v21)

**22** [^exodus-12-22-47] Neem dan een bundeltje[^exodus-12-22-48] hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en[^exodus-12-22-49] strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar wat u betreft, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v22)

**23** Want YHWH zal doorgaan, om[^exodus-12-23-50] de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal YHWH de deur[^exodus-12-23-51] voorbijgaan,[^exodus-12-23-g] en de[^exodus-12-23-52] verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v23)

**24** Onderhoud dan[^exodus-12-24-53] deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen,[^exodus-12-24-54] tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v24)

**25** En het zal gebeuren, als u[^exodus-12-25-55] in dat land komt, dat u YHWH geven zal, zoals Hij gesproken heeft, zo zult u deze[^exodus-12-25-56] dienst onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v25)

**26** [^exodus-12-26-h] En het zal gebeuren, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen:[^exodus-12-26-57] Wat hebt u daar voor een dienst? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v26)

**27** Zo zult u zeggen:[^exodus-12-27-58] Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de Israëlieten voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v27)

**28** [^exodus-12-28-i] En de Israëlieten gingen en deden het, zoals YHWH Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v28)

**29** [^exodus-12-29-k] En het gebeurde om middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen[^exodus-12-29-59] in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou,[^exodus-12-29-60] tot op de eerstgeborene van de[^exodus-12-29-61] gevangene, die in de gevangenis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v29)

**30** [^exodus-12-30-l] En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet één dode was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v30)

**31** [^exodus-12-31-62] Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maak u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient YHWH, zoals u gesproken hebt.[^exodus-12-31-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v31)

**32** Neem ook met u uw[^exodus-12-32-64] schapen en uw runderen, zoals u gesproken hebt, en gaat heen, en[^exodus-12-32-65] zegent mij ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v32)

**33** En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij[^exodus-12-33-66] zijn allen dood! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v33)

**34** En het volk nam zijn deeg op, voordat het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun kleren, op hun schouders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v34)

**35** [^exodus-12-35-m] De Israëlieten nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v35)

**36** Daartoe had YHWH het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij[^exodus-12-36-67] beroofden de Egyptenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v36)

**37** Zo reisden de Israëlieten uit van[^exodus-12-37-68] Rameses naar[^exodus-12-37-69] Sukkoth, ongeveer[^exodus-12-37-70] zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, afgezien van de[^exodus-12-37-71] kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v37)

**38** En[^exodus-12-38-72] veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen,[^exodus-12-38-73] geheel veel vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v38)

**39** En zij[^exodus-12-39-74] bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; omdat zij uit[^exodus-12-39-75] Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet talmen konden, noch ook tering voor zich bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v39)

**40** [^exodus-12-40-n] De tijd nu van de woning, die de Israëlieten in Egypte gewoond hebben,[^exodus-12-40-76] is vierhonderd jaren en dertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v40)

**41** En het gebeurde na verloop van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op deze dag gebeurd, dat al de legers van YHWH uit Egypteland gegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v41)

**42** [^exodus-12-42-77] Deze nacht zal men YHWH op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht van YHWH, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de Israëlieten, onder hun geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v42)

**43** Verder zei YHWH tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon[^exodus-12-43-78] van een vreemdeling zal daarvan eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v43)

**44** Maar alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat[^exodus-12-44-79] u hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v44)

**45** Geen[^exodus-12-45-80] buitenlander noch huurling[^exodus-12-45-81] zal er van eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v45)

**46** [^exodus-12-46-82] In één huis zal het gegeten worden; u zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen,[^exodus-12-46-o] en[^exodus-12-46-83] u zult geen been daaraan breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v46)

**47** De hele vergadering van Israël[^exodus-12-47-84] zal het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v47)

**48** Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha[^exodus-12-48-85] houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en[^exodus-12-48-86] hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v48)

**49** Eén wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v49)

**50** En alle Israëlieten deden het; zoals YHWH Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v50)

**51** En het gebeurde juist op diezelfde dag, dat YHWH de Israëlieten uit Egypteland leidde, naar hun legers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/12.html#v51)

[^exodus-12-1-1]: Kanttekening 1: had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken: Te weten, eer Mozes van de aanwezigheid van Farao gescheiden was, Ex. 11:4 ; hetzij dat het geschied is vóór de driedaagse duisternis, Ex. 10:21 , of daarna, Ex. 11:1 . Exodus 11:4 : Verder zei Mozes: Zo heeft YHWH gezegd: Omtrent middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte; Exodus 10:21 : Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal. Exodus 11:1 : (Want YHWH had tot Mozes gesproken: Ik zal nog een plaag over Farao, en over Egypte brengen, daarna zal hij u van hier laten trekken; als hij u geheellijk zal laten trekken, zo zal hij u haastig van hier uitdrijven.
[^exodus-12-2-2]: Kanttekening 2: Deze zelfde maand: Bij de Hebreën genoemd Abib, Ex. 13:4 ; anders genaamd Nisan; Neh. 2:1 ; Esth. 3:7 . Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Nehemia 2:1 : Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Esther 3:7 : In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.
[^exodus-12-2-3]: Kanttekening 3: het hoofd van de maanden zijn: Dat is, het begin; zo staat er Ez. 40:1 , het hoofd van het jaar; dat is, het begin van het jaar. Ezechiël 40:1 : In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tienden van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
[^exodus-12-2-4]: Kanttekening 4: de eerste van de maanden van het jaar zijn: Dat is te verstaan van kerkelijke zaken, maar in politieke zaken begon het jaar met de zevende maand. Zie Ex. 34:22 , en Lev. 25:9 . Exodus 34:22 : Het feest van de weken zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is. Leviticus 25:9 : Daarna zult u in de zevende maand, op de tienden van de maand, de bazuin van het geklank doen doorgaan; op de verzoendag zult u de bazuin doen doorgaan in uw gehele land.
[^exodus-12-3-6]: Kanttekening 6: naar de huizen van de vaderen: Dat is, naar de huisgezinnen, die naar de vaders genoemd werden.
[^exodus-12-3-5]: Kanttekening 5: een lam: Hetzij een schaapslam, of een geitenlam, vers 5 . Dit lam was een figuur of voorbeeld, wijzende op Christus, het ware Lam van God; Joh. 1:29 , en 1 Kor. 5:7 . Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. Johannes 1:29 : Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
[^exodus-12-4-7]: Kanttekening 7: klein is voor een lam: Dat is, als er van hen te weinig zijn om het lam die avond geheel te eten.
[^exodus-12-4-8]: Kanttekening 8: hij het en zijn nabuur: Te weten, de huisvader.
[^exodus-12-4-9]: Kanttekening 9: van de zielen: Dat is, van de personen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^exodus-12-4-10]: Kanttekening 10: ieder naar dat hij eten kan: Hebreeuws, de man naar de mond van zijn eten.
[^exodus-12-4-11]: Kanttekening 11: naar het lam: Dat is, naar evenredigheid van het lam en het getal van de personen, die daarvan eten zouden; er op lettende dat er noch te veel, noch te weinig personen waren.
[^exodus-12-5-a]: Verwijzing a: Lev. 1:3 ; Lev. 22:21 ; Mal. 1:8 ; 1 Petr. 1:19 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 22:21 : En als iemand een dankoffer YHWH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. Maleachi 1:8 : Want als u wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt YHWH van de legermachten. 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^exodus-12-5-12]: Kanttekening 12: een volkomen lam hebben: Dusdanig moest Christus wezen, 1 Petr. 1:19 . 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^exodus-12-5-13]: Kanttekening 13: een jaar oud: Hebreeuws, de zoon eens jaars; dat is, een jarig lam.
[^exodus-12-6-14]: Kanttekening 14: En u zult het in bewaring hebben: Dat is, u zult het apart zetten, afgezonderd van de kudde, vier dagen lang, van de tiende tot de veertiende dag.
[^exodus-12-6-15]: Kanttekening 15: tussen twee avonden: Dat is, tussen het begin en het einde van de avond; dat is, tussen ons derde uur na de middag, en de ondergang van de zon; te dien tijde is onze Heer Jezus Christus, het rechte paaslam, gestorven; Matt. 27:46 , 27:50 . Mattheüs 27:46 : En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten! Mattheüs 27:50 : En Jezus, opnieuw met een grote stem roepende, gaf de geest.
[^exodus-12-7-16]: Kanttekening 16: het bloed nemen: Te weten, van het geslachte lam.
[^exodus-12-7-17]: Kanttekening 17: strijken het aan beide zijposten: Hebreeuws, geven het, of, doen het, te weten, met busseltjes van hysop, gelijk vers 22 staat. Van deze ceremoniën wordt nergens meer gewag gemaakt, ook niet van enige van de volgende ceremoniën, omdat zij alleen in dit eerste pascha moesten onderhouden worden. Exodus 12:22 : Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen.
[^exodus-12-8-b]: Verwijzing b: Num. 9:11 ; 1 Kor. 5:8 . Numeri 9:11 : In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten. 1 Korinthiërs 5:8 : Zo dan laat ons feest houden, niet in de ouden zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
[^exodus-12-8-18]: Kanttekening 18: met ongezuurde broden: De Israëlieten aten het paaslam met ongezuurde koeken, ter gedachtenis dat zij in de haast hun ongezuurd deeg met zich uit Egypteland gedragen hadden; zie onder, vers 34 . Exodus 12:34 : En het volk nam zijn deeg op, voordat het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun kleren, op hun schouders.
[^exodus-12-8-19]: Kanttekening 19: met bittere saus eten: Anders bittere kruiden. Hebreeuws, met bitterheden, of, met bittere dingen.
[^exodus-12-9-20]: Kanttekening 20: niet rauw eten: Of, niet genoeg gekookt zijnde.
[^exodus-12-9-21]: Kanttekening 21: in geen geval in water gezoden: Hebreeuws, ziedende gezoden, of, kokende gekookt in het water.
[^exodus-12-10-22]: Kanttekening 22: zult u met vuur verbranden: Opdat het nergens anders toe zou gebruikt worden, hetzij tot afgoderij, of tot gemeen voedsel.
[^exodus-12-11-23]: Kanttekening 23: Aldus nu zult u het eten: Te weten, ditmaal; maar na deze tijd zijn deze dingen niet onderhouden, zelfs niet door Christus, noch door zijn apostelen. Zie boven, vers 7 . Exodus 12:7 : En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
[^exodus-12-11-24]: Kanttekening 24: uw lenden zullen opgeschort zijn: Dit betekent vaardigheid in het reizen, of haast in het uitrichten van enige zaak, gelijk 2 Kon. 4:29 , en 2 Kon. 9:1 ; Jer. 1:17 ; Luk. 12:35 , 12:36 . 2 Koningen 4:29 : En hij zei tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen. 2 Koningen 9:1 : Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead. Jeremia 1:17 : U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. Lukas 12:35 : Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. Lukas 12:36 : En bent u de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem meteen mogen opendoen.
[^exodus-12-11-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, Pesach. Het betekent een doorgang, voorbijgang, of overspringing, omdat de slaande engel de huizen van de Israëlieten is voorbijgegaan of voorbijgesprongen, vers 13 , 12:23 , 12:27 . Het lam wordt hier Pesach, dat is, voorbijgang genoemd, omdat het een teken daarvan was. Zie deze sacramentele wijze van spreken, Gen. 17:10 , en de eigenlijke manier van spreken onder, vers 13 , en Ex. 13:9 . Exodus 12:13 : En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. Exodus 12:23 : Want YHWH zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal YHWH de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. Genesis 17:10 : Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. Exodus 12:13 : En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.
[^exodus-12-12-26]: Kanttekening 26: Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan: Wat God door de slaande engel gedaan heeft, zegt Hij zelf gedaan te hebben.
[^exodus-12-12-27]: Kanttekening 27: alle eerstgeborenen in Egypteland: Te weten, van de Egyptenaars.
[^exodus-12-12-28]: Kanttekening 28: alle goden van de Egyptenaren: Alsof God zei: Ik zal doen blijken dat al de afgoden ijdel zijn en niet helpen kunnen.
[^exodus-12-13-29]: Kanttekening 29: dat bloed: Te weten, waarmee u de posten en dorpels besprenkeld hebt, vers 7 . Exodus 12:7 : En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
[^exodus-12-13-30]: Kanttekening 30: een teken: Om te gedenken aan mijn belofte tot versterking van uw geloof.
[^exodus-12-13-31]: Kanttekening 31: Egypteland slaan zal: Dat is, de eerstgeborenen in Egypteland.
[^exodus-12-14-c]: Verwijzing c: Ex. 5:1 . Exodus 5:1 : En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!
[^exodus-12-14-32]: Kanttekening 32: ter gedachtenis: Te weten, van de ontvangen weldaad, dat Ik u uit Egypte verlost heb.
[^exodus-12-14-33]: Kanttekening 33: tot een eeuwige inzetting: Te weten, totdat de Messias komt, die het einde en de vervulling van de wet is. Zie Gen. 13:15 , en Gen. 17:7 , 17:13 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Genesis 17:13 : De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.
[^exodus-12-15-34]: Kanttekening 34: Zeven dagen: Te weten, na de paasdag, want dit was een bijzonder feest.
[^exodus-12-15-35]: Kanttekening 35: wegdoen uit uw huizen: Hebreeuws, doen ophouden.
[^exodus-12-15-36]: Kanttekening 36: diezelve ziel: Dat is, die mens.
[^exodus-12-15-37]: Kanttekening 37: zal uitgeroeid worden uit Israël: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^exodus-12-16-38]: Kanttekening 38: een heilige verzameling hebben op de zevende dag: Hebreeuws, verzameling van de heiligheid, en zo in het volgende.
[^exodus-12-16-39]: Kanttekening 39: maar wat van iedere ziel gegeten zal worden: Dit was ongeoorloofd te doen op de sabbat, Ex. 16:23 , 16:29 , en Ex. 35:2 , 35:3 . Exodus 16:23 : Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat YHWH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van YHWH! wat u bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat u zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen. Exodus 16:29 : Ziet, omdat YHWH u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag! Exodus 35:2 : Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid zijn, een sabbat van de rust voor YHWH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden. Exodus 35:3 : U zult geen vuur aansteken in enige van uw woningen op de sabbatdag.
[^exodus-12-17-40]: Kanttekening 40: Of, koeken, naar het gebruik van de Joden.
[^exodus-12-18-d]: Verwijzing d: Lev. 23:5 ; Num. 28:16 . Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha YHWH.
[^exodus-12-19-41]: Kanttekening 41: Dat er zeven dagen: Zie boven, vers 15 , en 1. Cor. 5:8 . Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. 1 Korinthiërs 5:8 : Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
[^exodus-12-19-42]: Kanttekening 42: hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land: Hebreeuws, in, aan, of, onder de vreemdeling, enz.
[^exodus-12-20-43]: Kanttekening 43: niets eten: Noch brood, noch koeken, noch iets anders.
[^exodus-12-20-e]: Verwijzing e: Deut. 16:3 . Deuteronomium 16:3 : U zult niets gedesemds op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood van de ellende, (want in van de haast bent u uit Egypteland uitgetogen); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uw levens.
[^exodus-12-21-44]: Kanttekening 44: Leest uit: Hebreeuws, trekt uit; te weten, uit de schaapskooi of kudde.
[^exodus-12-21-45]: Kanttekening 45: lammeren voor uw huisgezinnen: Of, klein vee; dat is, schapen of geiten.
[^exodus-12-21-f]: Verwijzing f: Hebr. 11:28 . Hebreeën 11:28 : Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet raken zou.
[^exodus-12-21-46]: Kanttekening 46: het pascha: Dat is, het lam, dat een teken was van het pascha, of doorgang van de worgengel.
[^exodus-12-22-47]: Kanttekening 47: Neemt dan een bundelken: Dit is één van de ceremoniën, die alleen bij het eerste pascha moesten onderhouden worden. Zie boven, vers 7 . Exodus 12:7 : En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.
[^exodus-12-22-48]: Kanttekening 48: Van hysop, zie 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^exodus-12-22-49]: Kanttekening 49: strijkt aan de bovendorpel: Hebreeuws, doet aanraken.
[^exodus-12-23-50]: Kanttekening 50: de Egyptenaren te slaan: Anders, Egypte; versta de eerstgeborenen van de Egyptenaars.
[^exodus-12-23-51]: Kanttekening 51: Of, voorbijspringen.
[^exodus-12-23-g]: Verwijzing g: Hebr. 11:28 . Hebreeën 11:28 : Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet raken zou.
[^exodus-12-23-52]: Kanttekening 52: Versta, die slaande engel.
[^exodus-12-24-53]: Kanttekening 53: deze zaak: Uitgenomen de ceremoniën, die dit eerste pascha eigen waren. Zie boven, vers 7 , 12:11 , 12:22 . Exodus 12:7 : En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen. Exodus 12:11 : Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH. Exodus 12:22 : Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen.
[^exodus-12-24-54]: Kanttekening 54: tot in eeuwigheid: Wel verstaande, tot op Christus. Zie boven, vers 14 . Exodus 12:14 : En deze dag zal u wezen ter gedachtenis, en u zult hem YHWH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.
[^exodus-12-25-55]: Kanttekening 55: in dat land komt: Te weten, in het land Kanaän. In de woestijn hebben zij maar eens pascha gehouden; Num. 9:5 . Numeri 9:5 : En zij hielden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo deden de kinderen van Israël.
[^exodus-12-25-56]: Kanttekening 56: dienst onderhouden: Dat is, godsdienst. Zo ook vers 26 , gelijk blijkt vers 27 . Exodus 12:26 : En het zal gebeuren, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt u daar voor een dienst? Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.
[^exodus-12-26-h]: Verwijzing h: Joz. 4:6 . Jozua 4:6 : Opdat dit een teken zij onder u; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen?
[^exodus-12-26-57]: Kanttekening 57: Wat hebt u daar voor een dienst: Hebreeuws, wat \[is\] u deze dienst? is, dat is, betekent.
[^exodus-12-27-58]: Kanttekening 58: Dit is YHWH een paasoffer: Te weten, het paaslam.
[^exodus-12-28-i]: Verwijzing i: Hebr. 11:28 . Hebreeën 11:28 : Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet raken zou.
[^exodus-12-29-k]: Verwijzing k: Ps. 78:51 ; Ps. 105:36 ; Ps. 135:8 ; Ps. 136:10 . Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham. Psalmen 105:36 : Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hun krachten. Psalmen 135:8 : Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van de mens af tot het vee toe. Psalmen 136:10 : Die, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^exodus-12-29-59]: Kanttekening 59: al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg: Dit heeft God gedaan tot een straf over het ongelijk, dat Farao en zijn onderdanen aan Israël, Gods eerstgeborene, gedaan hadden, Ex. 4:22 , 4:23 . Exodus 4:22 : Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Exodus 4:23 : En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar u hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!
[^exodus-12-29-60]: Kanttekening 60: tot op de eerstgeborene van de gevangene: Vergelijk met deze manier van spreken, boven Ex. 11:5 . Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.
[^exodus-12-29-61]: Kanttekening 61: die in het gevangenhuis was: Hebreeuws, in het huis van de put, of van de kuil.
[^exodus-12-30-l]: Verwijzing l: Ps. 105:38 . Psalmen 105:38 : Egypte was blij, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
[^exodus-12-31-62]: Kanttekening 62: Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht: Mozes en Aäron kwamen niet tot Farao, maar de gezanten van de koning moesten tot hen komen, en Mozes met nederigheid bidden, dat zij toch wilden uittrekken, gelijk af te nemen is uit Ex. 10:29 , en Ex. 11:8 . Exodus 10:29 : Mozes nu zei: U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien! Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn.
[^exodus-12-31-63]: Kanttekening 63: gelijk u gesproken hebt: Te weten, zonder enige conditiën, waarvan de koning tevoren gesproken heeft.
[^exodus-12-32-64]: Kanttekening 64: schapen en uw runderen: Of, uw klein vee, en uw groot vee.
[^exodus-12-32-65]: Kanttekening 65: zegent mij ook: Dat is, bidt God voor mij dat Hij mij van deze plaag verlosse. Dit begeert Farao ook Ex. 8:8 , en Ex. 9:28 , en Ex. 10:16 , 10:17 . Het schijnt dat Farao in zijn hart overtuigd was dat hij zich gruwelijk tegen God de Heer bezondigd had, handelende tegen zijn eigen consciëntie. Exodus 8:8 : En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bidt vuriglijk tot YHWH, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij YHWH offeren. Exodus 9:28 : Bidt vuriglijk tot YHWH (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten, en u zult niet langer blijven. Exodus 10:16 : Toen haastte Farao, om Mozes en Aäron te roepen, en zei: Ik heb gezondigd tegen YHWH, uw God, en tegen u. Exodus 10:17 : En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot YHWH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme.
[^exodus-12-33-66]: Kanttekening 66: zijn allen dood: Zie Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^exodus-12-35-m]: Verwijzing m: Ex. 3:21 ; Ex. 11:2 ; Ps. 105:37 . Exodus 3:21 : En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren; en het zal gebeuren, wanneer u uitgaan zult, zo zult u niet leeg uitgaan. Exodus 11:2 : Spreek nu voor de oren van het volk, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren vaten en gouden vaten eise. Psalmen 105:37 : En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
[^exodus-12-36-67]: Kanttekening 67: beroofden de Egyptenaren: Aldus is vervuld wat God Abraham beloofd had, Gen. 15:14 , en aan de Israëlieten, Ex. 3:22 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven.
[^exodus-12-37-68]: Kanttekening 68: Zie Gen. 47:11 . Genesis 47:11 : En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broers woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.
[^exodus-12-37-69]: Kanttekening 69: Een plaats, zo geheten, omdat de kinderen van Israël, toen zij daar waren gekomen, hutten van takken hebben gemaakt; en dit is hun eerste rustplaats, nadat zij uit Egypte getrokken zijn. Vergelijk Lev. 23:43 . Dit Sukkoth is te onderscheiden van een ander, waarvan gesproken wordt Gen. 33:17 . Leviticus 23:43 : Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen van Israël in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben YHWH, uw God! Genesis 33:17 : Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam dier plaats Sukkoth.
[^exodus-12-37-70]: Kanttekening 70: zeshonderd duizend te voet: Onder welk groot getal niet één zwak, noch ziek mens was; Ps. 105:37 . Psalmen 105:37 : En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
[^exodus-12-37-71]: Kanttekening 71: Versta hieronder ook de vrouwen, zonder wier hulp de kindertjes zich niet helpen konden, zo ook Ex. 10:24 . Exodus 10:24 : Toen riep Farao Mozes, en zei: Gaat heen, dient YHWH! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderen met u gaan.
[^exodus-12-38-72]: Kanttekening 72: veel vermengd volk trok ook met hen op: Te weten, Egyptenaars en anderen, die door de wonderwerken, welke zij gezien hadden, bewogen waren mee te trekken, maar daarna bezweken zijn; Num. 11:4 , 11:5 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:5 : Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.
[^exodus-12-38-73]: Kanttekening 73: geheel veel vee: Hebreeuws, zeer zwaar vee.
[^exodus-12-39-74]: Kanttekening 74: bakten van het deeg: Te weten, toen zij te Sukkoth gekomen waren.
[^exodus-12-39-75]: Kanttekening 75: uitgedreven werden: Gelijk God de Heer voorzegd had, Ex. 5:24 . Exodus 5:24 : Toen zei YHWH tot Mozes: Nu zult u zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.
[^exodus-12-40-n]: Verwijzing n: Gen. 15:13 ; Hand. 7:6 ; Gal. 3:17 . Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hun niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Handelingen 7:6 : En God sprak zo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zou dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren. Galaten 3:17 : En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.
[^exodus-12-40-76]: Kanttekening 76: is vierhonderd jaren en dertig jaren: Zie Gen. 15:13 . Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hun niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.
[^exodus-12-42-77]: Kanttekening 77: Deze nacht zal men YHWH op het vlijtigst houden: Anders, dit is die nacht, welke YHWH in acht genomen heeft, om hen uit Egypteland te leiden. Hebreeuws, Dit is een nacht van de onderhoudingen voor de Heer.
[^exodus-12-43-78]: Kanttekening 78: zal daarvan eten: Wel verstaande, tenzij hij besneden is, gelijk af te nemen is uit vers 44 , 12:48 . Exodus 12:44 : Maar alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat u hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. Exodus 12:48 : Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
[^exodus-12-44-79]: Kanttekening 79: nadat u hem zult besneden hebben: Wel verstaande, nadat hij in de ware religie onderwezen zal zijn, en die hebben aangenomen.
[^exodus-12-45-80]: Kanttekening 80: uitlander noch huurling: Te weten, zodanig uitlander, die in een land woont, waar hij niet thuis behoort, of met een ander inwoont.
[^exodus-12-45-81]: Kanttekening 81: zal er van eten: Versta, tenzij dat zij besneden zijn.
[^exodus-12-46-82]: Kanttekening 82: In een huis zal het gegeten worden: De zin is: Elk lam zal men in een bijzonder huis eten, elk huisgezin het zijne, gelijk boven, vers 3 , gezegd wordt. Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tienden van deze maand neme ieder een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis.
[^exodus-12-46-o]: Verwijzing o: Num. 9:12 ; Joh. 19:36 . Numeri 9:12 : Zij zullen daarvan niet overlaten tot de morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden. Johannes 19:36 : Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
[^exodus-12-46-83]: Kanttekening 83: u zult geen been daaraan breken: Dit ziet op Christus, het rechte paaslam, aan wie geen been gebroken is; Joh. 19:33 , 19:36 . Johannes 19:33 : Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet. Johannes 19:36 : Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
[^exodus-12-47-84]: Kanttekening 84: het doen: Dat is, zal het pascha bereiden en eten, zoals YHWH bevolen heeft; wie het verzuimde, werd afgesneden; Num. 9:13 . Numeri 9:13 : Als een man, die rein is, en op de weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen.
[^exodus-12-48-85]: Kanttekening 85: houden zal: Hebreeuws, doen zal; en zo in het volgende.
[^exodus-12-48-86]: Kanttekening 86: hij zal wezen als een ingeborene van het land: Dat is, hij zal hetzelfde recht genieten, dat de ingeborenen genieten.

### Exodus 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/13.json)

*God beveelt dat men Hem alle eerstgeborenen zal heiligen, vers 1 enz. dat men zal gedenken aan de dag van de uittocht uit Egypte, 3. Dat men het feest van het ongezuurde brood in het land Kanaän zou houden, 6. En dat zij hun kinderen de oorzaak daarvan zouden vertellen, 8. Dat men de HEERE de eerstelingen van de dieren zou afzonderen, 12. Dat zij gedenktekenen zouden maken, 16. Welke weg God hen door de woestijn geleid heeft, 17. Zij nemen de beenderen van Jozef mee uit Egypte, 19. Israël legert zich te Etham, 20. God geleidt hen met een wolk- en vuurkolom, 21.*

**1** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v1)

**2** [^exodus-13-2-1][^exodus-13-2-a] Heilig Mij alle[^exodus-13-2-2] eerstgeborenen;[^exodus-13-2-3] wat enige baarmoeder opent onder de Israëlieten, van mensen en van beesten,[^exodus-13-2-4] dat is van Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v2)

**3** Verder zei Mozes tot het volk: Gedenk deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan bent; want YHWH heeft u[^exodus-13-3-5] door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v3)

**4** [^exodus-13-4-b] Vandaag gaat u uit,[^exodus-13-4-6] in de maand Abib. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v4)

**5** En het zal gebeuren, als u YHWH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaders gezworen heeft u te geven, een land[^exodus-13-5-7] vloeiende van melk en honing; zo zult u[^exodus-13-5-8] deze dienst[^exodus-13-5-9] houden in deze maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v5)

**6** Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag zal YHWH een feest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v6)

**7** Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw grenzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v7)

**8** En u zult uw[^exodus-13-8-10] zoon te kennen geven op die dag, zeggende: Dit is om wat YHWH mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v8)

**9** En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v9)

**10** Daarom onderhoudt deze inzetting[^exodus-13-10-11] op de vastgestelde tijd,[^exodus-13-10-12] van jaar tot jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v10)

**11** Het zal ook gebeuren, wanneer u YHWH in het land van de Kanaänieten[^exodus-13-11-13] zal gebracht hebben, zoals Hij u en uw vaders gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v11)

**12** [^exodus-13-12-c] Zo zult u[^exodus-13-12-14] tot YHWH doen overgaan[^exodus-13-12-15] alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de[^exodus-13-12-16] vrucht van de beesten, die u hebben zult; de mannetjes zullen van YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v12)

**13** Maar al wat de[^exodus-13-13-17] baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een[^exodus-13-13-18] lam; wanneer u het nu niet lost,[^exodus-13-13-19] zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen[^exodus-13-13-20] zult u lossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v13)

**14** Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u[^exodus-13-14-21] morgen zal vragen, zeggende:[^exodus-13-14-22] Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v14)

**15** Want het gebeurde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde YHWH alle eerstgeborenen in Egypteland, van de mensen eerstgeborene af, tot de eerstgeborene van de beesten; daarom[^exodus-13-15-23] offer ik YHWH de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; maar alle eerstgeborenen van mijn zonen los ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v15)

**16** En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot[^exodus-13-16-24] voorhoofdsbanden tussen uw ogen; want YHWH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v16)

**17** En het is gebeurd, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land van de Filistijnen, hoewel die[^exodus-13-17-25] nader was; want[^exodus-13-17-26] God zei:[^exodus-13-17-27] Dat het volk er geen spijt van krijgt, als zij de strijd zien zouden, en terugkeren naar Egypte.[^exodus-13-17-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v17)

**18** Maar God leidde het volk om, langs de weg[^exodus-13-18-29] van de woestijn van de Schelfzee. De Israëlieten nu trokken[^exodus-13-18-30] bij vijven uit Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v18)

**19** En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich;[^exodus-13-19-d] want hij had[^exodus-13-19-31] met een zware eed de Israëlieten bezworen, zeggende: God zal[^exodus-13-19-32] u voorzeker bezoeken; voer dan mijn beenderen met u op van hier! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v19)

**20** [^exodus-13-20-e] Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij sloegen hun kamp op in Etham, aan het einde van de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v20)

**21** [^exodus-13-21-f] En[^exodus-13-21-33] YHWH trok voor hun aangezicht, overdag in[^exodus-13-21-34] een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en in de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v21)

**22** Hij nam de wolkkolom overdag, noch de vuurkolom in de nacht niet weg van het aangezicht van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/13.html#v22)

[^exodus-13-2-1]: Kanttekening 1: Heilig Mij: Dat is, beveel dat men Mij afzondere; of toeëigene, tot mijn heiligen dienst. Zie Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^exodus-13-2-a]: Verwijzing a: Ex. 22:29 ; Ex. 34:19 ; Lev. 27:26 ; Num. 3:13 ; Num. 8:17 ; Lukas 2:23 . Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd. Lukas 2:23 : (Gelijk geschreven is in de wet van de Heern: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heer heilig genaamd worden.)
[^exodus-13-2-2]: Kanttekening 2: Te weten, die mannelijk zijn.
[^exodus-13-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, opening aller baarmoeder.
[^exodus-13-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, daarom, omdat Ik uw eerstgeborenen verschoonde, toen Ik alle eerstgeborenen in Egypteland gedood heb. Zie onder, vers 15 . Exodus 13:15 : Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde YHWH alle eerstgeborenen in Egypteland, van de mensen eerstgeborene af, tot de eerstgeborene van de beesten; daarom offer ik YHWH de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; maar alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.
[^exodus-13-3-5]: Kanttekening 5: door een sterke hand: Hebreeuws, in kracht van de hand.
[^exodus-13-4-b]: Verwijzing b: Ex. 23:15 . Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen.
[^exodus-13-4-6]: Kanttekening 6: Deze maand valt ten dele in Maart, ten deel in April, wanneer in de lente de dagen en nachten even lang zijn. Het Hebreeuwse woord Abib (אָבִיב) betekent een groene aar, waarvan deze maand haar naam heeft, omdat daarin het gezaaide, daar te lande, groene aren kreeg.
[^exodus-13-5-7]: Kanttekening 7: vloeiende van melk en honig: Zie Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^exodus-13-5-8]: Kanttekening 8: Die in de volgende verzen verhaald wordt.
[^exodus-13-5-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, dienen.
[^exodus-13-8-10]: Kanttekening 10: uw zoon: Dat is, uw kinderen.
[^exodus-13-10-11]: Kanttekening 11: op de vastgestelde tijd: Zie boven, Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^exodus-13-10-12]: Kanttekening 12: jaar tot jaar: Hebreeuws, van dagen tot dagen. Aldus wordt ook het woord dagen genomen voor een jaar, Lev. 25:29 ; Amos 4:4 . Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. Amos 4:4 : Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van het overtreden veel, en brengt uw offers 's morgens, uw tienden om de drie dagen!
[^exodus-13-11-13]: Kanttekening 13: van de Kanaänieten: Versta hieronder ook alle natiën die hierboven vers 5 en Gen. 15 genoemd worden.
[^exodus-13-12-c]: Verwijzing c: Ex. 22:30 ; Ex. 34:19 ; Lev. 27:26 ; Num. 8:17 ; Ez. 44:30 . Exodus 22:30 : Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtsten dag zult u ze Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd. Ezechiël 44:30 : En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen van de priesters zijn; ook zult u de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de zegen op uw huis te doen rusten.
[^exodus-13-12-14]: Kanttekening 14: Te weten, van u tot de Heer, zo dat het niet langer het uwe blijve, maar van de Heer zij.
[^exodus-13-12-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, alle opening van de baarmoeder; boven, vers 2 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn.
[^exodus-13-12-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, voortzetting, of, aanwas.
[^exodus-13-13-17]: Kanttekening 17: Versta hieronder alle andere gedierten, die tot de offeranden onbekwaam waren.
[^exodus-13-13-18]: Kanttekening 18: Versta, zowel een lam van de geiten, als van de schapen.
[^exodus-13-13-19]: Kanttekening 19: Te weten, opdat wat aan de Heer toegeëigend is, tot geen gewone dingen gebruikt worde.
[^exodus-13-13-20]: Kanttekening 20: Te weten, met vijf sikkelen van het heiligdom, Num. 18:16 . Numeri 18:16 : Die nu onder dezelfde gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera.
[^exodus-13-14-21]: Kanttekening 21: zal vragen: Zie boven, Ex. 12:26 . Exodus 12:26 : En het zal gebeuren, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt u daar voor een dienst?
[^exodus-13-14-22]: Kanttekening 22: Wat is dat: Dat is, wat beduidt dat?
[^exodus-13-15-23]: Kanttekening 23: Of, slacht.
[^exodus-13-16-24]: Kanttekening 24: Het schijnen enige gebedsriemen geweest te zijn, aan het voorhoofd gebonden, om daarbij de wet van de Heer te gedenken. Zie Deut. 6:8 . Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
[^exodus-13-17-25]: Kanttekening 25: nader was: Te weten, om in het land Kanaän te komen.
[^exodus-13-17-26]: Kanttekening 26: Te weten, bij zichzelven. Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^exodus-13-17-27]: Kanttekening 27: Of, dat het misschien; menselijker wijze gesproken.
[^exodus-13-17-28]: Kanttekening 28: Te weten, dat zij uit Egypteland getogen zijn.
[^exodus-13-18-29]: Kanttekening 29: Versta de woestijn Etham, vers 20 , en Num. 33:8 . Exodus 13:20 : Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde van de woestijn. Numeri 33:8 : En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.
[^exodus-13-18-30]: Kanttekening 30: bij vijven: Hebreeuws, gevijfd; dat is, bij vijven, vijf naast elkaar, of, in vijf hopen, of heiren. Anders, gewapend, of, geharnast, gelijk Joz. 1:14 , en Jos. 4:12; Richt. 7:11 . Jozua 1:14 : Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar u zult gewapend trekken, voor het aangezicht van uw broers, alle strijdbare helden, en zult hen helpen; Richteren 7:11 : En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van de schildwachten, die in het leger waren.
[^exodus-13-19-d]: Verwijzing d: Gen. 50:25 ; Joz. 24:32 . Genesis 50:25 : En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren! Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.
[^exodus-13-19-31]: Kanttekening 31: zwaren eed: Hebreeuws, bezwerende bezworen; dat is ernstig of met een zwaren eed bezworen.
[^exodus-13-19-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, bezoekende bezoeken.
[^exodus-13-20-e]: Verwijzing e: Num. 33:6 . Numeri 33:6 : En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, dat aan het einde van de woestijn is.
[^exodus-13-21-f]: Verwijzing f: Ex. 40:38 ; Num. 14:14 ; Deut. 1:33 ; Neh. 9:12 ; idem v. 19 ; Ps. 78:14 ; Ps. 105:39 ; 1 Kor. 10:1 . Exodus 40:38 : Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het gehele huis van Israël in al hun reizen. Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat van het dag, en in een vuurkolom van het nacht. Deuteronomium 1:33 : Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar u zoudt legeren; van het nacht in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zoudt gaan, en van het dag in de wolk. Nehemia 9:12 : En U hebt ze van het dag geleid met een wolkkolom, en van het nacht met een vuurkolom, om hen te lichten op de weg, waarin zij zou wandelen. Nehemia 9:19 : Hebt U hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen van het dag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom van het nacht, om hen te lichten, en dat, op de weg, waarin zij zou wandelen. Psalmen 78:14 : En Hij leidde hen van het dag met een wolk, en de gansen nacht met een licht van het vuur. Psalmen 105:39 : Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten. 1 Korinthiërs 10:1 : En ik wil niet, broers, dat u onwetende bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
[^exodus-13-21-33]: Kanttekening 33: Hij wordt Ex. 14:19 genoemd de engel van God; Hij is geweest de eeuwige Zoon van God, 1 Kor. 10:9 . Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. 1 Korinthiërs 10:9 : En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
[^exodus-13-21-34]: Kanttekening 34: Ps. 105:39 staat, dat deze kolom werd uitgespreid als een deksel, zodat zij voor de Israëlieten een schaduw was voor de hitte van de zon. Psalmen 105:39 : Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten.

### Exodus 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/14.json)

*God wijst de Israëlieten de weg die zij zullen ingaan, vers 1 enz. Farao vervolgt hen, 5. Zij zijn zeer beangst als zij dat horen, en zij morren, 10. Mozes troost en sterkt hen, 13. De engel van de HEERE wijst hun de weg met de wolkkolom, 19. Mozes deelt de zee vaneen, 21. De kinderen van Israël gaan droogvoets daardoor, 22. De Egyptenaren volgen hen, 23. God beveelt Mozes zijn hand weer over de zee uit te strekken, 26. Die terugkeert en Farao met al de zijnen verdrinkt, 27. zodat er niet één van hen overbleef, 28.*

**1** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, dat zij terugkeren, en[^exodus-14-2-a] zich legeren[^exodus-14-2-1] voor Pi-hachiroth, tussen[^exodus-14-2-2] Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult u zich legeren aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v2)

**3** [^exodus-14-3-3] Farao dan zal zeggen van de Israëlieten: Zij zijn verward in het[^exodus-14-3-4] land; de woestijn heeft hen ingesloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v3)

**4** [^exodus-14-4-b] En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn leger[^exodus-14-4-5] verheerlijkt worden, zo dat de[^exodus-14-4-6] Egyptenaars zullen weten, dat Ik YHWH ben. En[^exodus-14-4-7] zij deden zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v4)

**5** Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken,[^exodus-14-5-8] dat zij ons niet dienden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v5)

**6** En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v6)

**7** En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja,[^exodus-14-7-9] al de wagens van Egypte, en de[^exodus-14-7-10] bevelhebbers over die allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v7)

**8** Want YHWH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten nastreefde; maar de Israëlieten waren[^exodus-14-8-11] door een hoge hand uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v8)

**9** [^exodus-14-9-c] En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn leger; naast Pi-hachiroth, voor Baäl-zefon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v9)

**10** Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de Israëlieten hun ogen op, en ziet,[^exodus-14-10-12] de Egyptenaars trokken achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de Israëlieten tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v10)

**11** En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v11)

**12** [^exodus-14-12-d]Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het was ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v12)

**13** Maar Mozes zei tot het volk: Vrees niet, staat[^exodus-14-13-13] vast, en ziet[^exodus-14-13-14] het heil van YHWH, dat Hij vandaag aan u doen zal, want de Egyptenaars, die[^exodus-14-13-15] u vandaag gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v13)

**14** YHWH zal voor u strijden, en[^exodus-14-14-16] u zult stil zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v14)

**15** Toen zei YHWH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de Israëlieten, dat zij voorttrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v15)

**16** En u, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelfde, dat de Israëlieten door het midden van de zee gaan op het droge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v16)

**17** [^exodus-14-17-17] En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verstokken, dat zij na hen[^exodus-14-17-18] daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn leger, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v17)

**18** En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v18)

**19** En[^exodus-14-19-19] de Engel van God, Die voor het leger van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v19)

**20** En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk[^exodus-14-20-20] duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de hele nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v20)

**21** Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die hele nacht,[^exodus-14-21-e] en[^exodus-14-21-21] maakte de zee droog,[^exodus-14-21-f] en de wateren werden gekliefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v21)

**22** [^exodus-14-22-g] En de Israëlieten[^exodus-14-22-22] zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v22)

**23** En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiteren, in het midden van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v23)

**24** En het gebeurde in dezelfde morgenwake,[^exodus-14-24-23] dat YHWH,[^exodus-14-24-24] in de kolom van het vuur en van de[^exodus-14-24-25] wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij[^exodus-14-24-26] verschrikte het leger van de Egyptenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v24)

**25** En Hij stootte de wielen[^exodus-14-25-27] van hun wagens weg, en[^exodus-14-25-28] deed ze moeizaam[^exodus-14-25-29] voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH[^exodus-14-25-30] strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v25)

**26** En YHWH zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee,[^exodus-14-26-31] dat de wateren terugkeren over de Egyptenaars, over hun wagens en over hun ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v26)

**27** Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen[^exodus-14-27-32] het naderen van de morgenstond, tot[^exodus-14-27-33] haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten[^exodus-14-27-34] die tegemoet; en YHWH[^exodus-14-27-35] stortte de Egyptenaars in het midden van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v27)

**28** [^exodus-14-28-h] Want als de wateren[^exodus-14-28-36] wederkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van het hele leger van Farao, dat[^exodus-14-28-37] hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v28)

**29** [^exodus-14-29-i] Maar de Israëlieten gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v29)

**30** Zo verloste YHWH Israël aan die dag uit de hand van de Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren[^exodus-14-30-38] dood[^exodus-14-30-39] aan de oever van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v30)

**31** Ook zag Israël[^exodus-14-31-40] de grote hand, die YHWH aan de Egyptenaren[^exodus-14-31-41] bewezen had; en het volk vreesde YHWH, en geloofde in YHWH,[^exodus-14-31-42] en aan Mozes, Zijn knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/14.html#v31)

[^exodus-14-2-a]: Verwijzing a: Num. 33:7 . Numeri 33:7 : En zij verreisden van Etham, en keerden weer naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baäl-sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.
[^exodus-14-2-1]: Kanttekening 1: voor Pi-Hachiroth: Anders, voor de mond van Chiroth . Dat is, voor de engte, oftewel ingang tussen de bergen Chiroth.
[^exodus-14-2-2]: Kanttekening 2: De naam van een stad in Egypte, Jer. 44:1 . Jeremia 44:1 : Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:
[^exodus-14-3-3]: Kanttekening 3: Farao dan zal zeggen van de kinderen van Israël: Te weten, wanneer hij horen zal dat u terug bent gegaan, en op een zeer ongelegen plaats gelegerd bent.
[^exodus-14-3-4]: Kanttekening 4: die woestijn heeft hen besloten: Hebreeuws, de woestijn heeft over hen besloten.
[^exodus-14-4-b]: Verwijzing b: Ex. 4:21 ; Ex. 10:20 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. Exodus 10:20 : Maar YHWH verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen van Israël niet liet trekken.
[^exodus-14-4-5]: Kanttekening 5: verheerlijkt worden: God behaalt eer, zowel in het straffen van de goddelozen, als in het ontfermen over zijn uitverkorenen; Ez. 28:22 ; Rom. 9:22 , 9:23 . Ezechiël 28:22 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Romeinen 9:22 : En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid; Romeinen 9:23 : En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?
[^exodus-14-4-6]: Kanttekening 6: Egyptenaars zullen weten: Zowel die, welke in de zee verdrinken zullen, als die, welke in het leven blijven zullen.
[^exodus-14-4-7]: Kanttekening 7: zij deden zo: Dat is, zij gingen terug, gelijk de Heer hun geboden had.
[^exodus-14-5-8]: Kanttekening 8: dat zij ons niet dienden: Hebreeuws, van ons te dienen.
[^exodus-14-7-9]: Kanttekening 9: al de wagens van Egypte: Versta, die allen, welke men in de haast heeft kunnen krijgen.
[^exodus-14-7-10]: Kanttekening 10: hoofdlieden over die allen: Het Hebreeuwse woord heeft zijn oorsprong van drie, of derde, zodat enige hier verstaan de derde soort of orde bij de koning.
[^exodus-14-8-11]: Kanttekening 11: door een hoge hand uitgegaan: Dat is, door Gods macht; vergelijk Ex. 13:16 . Anders, openlijk, vrijmoedig, in goede orde. Zie Ex. 13:18 , en in het aanzien van de Egyptenaars, Num. 33:3 . Exodus 13:16 : En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want YHWH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. Exodus 13:18 : Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland. Numeri 33:3 : Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het pascha, togen de kinderen van Israël uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;
[^exodus-14-9-c]: Verwijzing c: Joz. 24:6 . Jozua 24:6 : Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt u aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.
[^exodus-14-10-12]: Kanttekening 12: de Egyptenaars togen achter hen: Anders, Egypte toog, of reisde; dat is, de Egyptenaars.
[^exodus-14-12-d]: Verwijzing d: Ex. 6:8 . Exodus 6:8 : En Mozes sprak zo tot de kinderen van Israël; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van het geest, en vanwege de harde dienstbaarheid.
[^exodus-14-13-13]: Kanttekening 13: Dat is, wankelt niet in uw hart.
[^exodus-14-13-14]: Kanttekening 14: het heil van YHWH: Dat is, de victorie, die de Heer geven zal. Zie Gen. 49:18 . Genesis 49:18 : Op uw zaligheid wacht ik, YHWH!
[^exodus-14-13-15]: Kanttekening 15: u heden gezien hebt: Anders, gelijk u hen heden gezien hebt.
[^exodus-14-14-16]: Kanttekening 16: u zult stil zijn: Alsof hij zeggen wilde: Gijlieden zult niets er toe doen, noch met woorden, noch met werken, de Heer zal voor u vechten. Of, weest u maar stil, houdt op van morren tegen God en mij.
[^exodus-14-17-17]: Kanttekening 17: En Ik, zie: Anders, wat mij betreft, ziet, Ik zal.
[^exodus-14-17-18]: Kanttekening 18: daarin gaan: Te weten, in de zee.
[^exodus-14-19-19]: Kanttekening 19: de Engel van God: Ex. 13:21 wordt Hij genoemd de Heer. Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en in de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^exodus-14-20-20]: Kanttekening 20: duisternis en verlichtte de nacht: Duisternis bij de Egyptenaars, die achter kwamen, en verlichtende de Israëlieten, die voorgingen.
[^exodus-14-21-e]: Verwijzing e: Ps. 66:6 . Psalmen 66:6 : Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
[^exodus-14-21-21]: Kanttekening 21: maakte de zee droog: Hebreeuws, zette de zee ter droogte.
[^exodus-14-21-f]: Verwijzing f: Ps. 78:13 ; Ps. 106:9 ; Ps. 114:3 ; Joz. 4:23 . Psalmen 78:13 : Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop. Psalmen 106:9 : En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn. Psalmen 114:3 : De zee zag het, en vluchtte; de Jordaan keerde achterwaarts. Jozua 4:23 : Want YHWH, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat u er was doorgegaan; gelijk als YHWH, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;
[^exodus-14-22-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 10:1 ; Hebr. 11:29 . 1 Korinthiërs 10:1 : En ik wil niet, broers, dat u onwetende bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; Hebreeën 11:29 : Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.
[^exodus-14-22-22]: Kanttekening 22: zijn ingegaan in het midden van de zee: De kinderen van Israël hadden tevoren wel een anderen, bekwamer weg kunnen ingaan dan door de Rode zee, maar het heeft God de Heer beliefd, hen daardoor te doen passeren, om Farao en zijn heirleger te doen verdrinken, en zijn kracht te betonen.
[^exodus-14-24-23]: Kanttekening 23: dat YHWH: De profeet David verhaalt dit, Ps. 77:18 , 77:19 , met veel omstandigheden, betuigende dat zich God de Heer vertoonde met bliksem, donder en regen tegen de Egyptenaars. Psalmen 77:18 : De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarheen. Psalmen 77:19 : Het geluid van Uw donder was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
[^exodus-14-24-24]: Kanttekening 24: in de kolom van het vuur en van de wolk: Deze kolom was vuur van voren, maar duister van achteren.
[^exodus-14-24-25]: Kanttekening 25: zag op het leger van de Egyptenaren: Dat is, God heeft zich krachtiglijk vertoond, zijnde in de vuurkolom.
[^exodus-14-24-26]: Kanttekening 26: verschrikte het leger van de Egyptenaren: Of, verstoorde, verbrak, versloeg.
[^exodus-14-25-27]: Kanttekening 27: hun wagens weg: Hebreeuws, zijn \[idem\] deed hem, dat is, elk een; of, het ziet op het voorafgaande woord, leger.
[^exodus-14-25-28]: Kanttekening 28: deed ze moeizaam voortvaren: Hebreeuws, Hij leidde hen met zwaarte.
[^exodus-14-25-29]: Kanttekening 29: Toen zeiden de Egyptenaars: Hebreeuws, de Egyptenaar zei: laat mij vluchten.
[^exodus-14-25-30]: Kanttekening 30: YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars: Hier wordt voltrokken wat vers 14 voorzegd is. Exodus 14:14 : YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn.
[^exodus-14-26-31]: Kanttekening 31: dat de wateren terugkeren over de Egyptenaars: Dit deed de Heer door een sterken wind, Ex. 15:10 . Exodus 15:10 : U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
[^exodus-14-27-32]: Kanttekening 32: naken van de morgenstond: Hebreeuws, aanzien, of terugkeren; dat is, met het aanbreken van de dag.
[^exodus-14-27-33]: Kanttekening 33: tot haar kracht: Dat is, tot haar gewonen vloed; want tevoren was zij opgehouden geweest.
[^exodus-14-27-34]: Kanttekening 34: die tegemoet: Te weten, zee; dat is, waar de Egyptenaars zich keerden of wendden, de zee kwam hen tegen.
[^exodus-14-27-35]: Kanttekening 35: stortte de Egyptenaars in het midden van de zee: Hebreeuws, schudde hen uit. Dit is een rechtvaardige straf van God geweest over de Egyptenaars, die de kleine kinderen van de Israëlieten in het water geworpen en gesmoord hadden.
[^exodus-14-28-h]: Verwijzing h: Ps. 78:53 ; Ps. 106:11 . Psalmen 78:53 : Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. Psalmen 106:11 : En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet één van hen bleef over.
[^exodus-14-28-36]: Kanttekening 36: Wel verstaande, afvallende van de hopen, waarin zij op elkaar gelopen waren.
[^exodus-14-28-37]: Kanttekening 37: Te weten, de Israëlieten.
[^exodus-14-29-i]: Verwijzing i: Ps. 77:20 . Psalmen 77:20 : Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.
[^exodus-14-30-38]: Kanttekening 38: Anders, stervende.
[^exodus-14-30-39]: Kanttekening 39: aan de oever van de zee: Hebreeuws, aan de lip van de zee.
[^exodus-14-31-40]: Kanttekening 40: de grote hand: Dat is, het voortreffelijk en krachtig werk van de Heer, gelijk Ps. 109:27 . Psalmen 109:27 : Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat U het, YHWH! gedaan hebt.
[^exodus-14-31-41]: Kanttekening 41: bewezen had: Hebreeuws, gedaan.
[^exodus-14-31-42]: Kanttekening 42: en aan Mozes, Zijn knecht: Dat is, zij geloofden het woord, dat Mozes in de naam van God tot hen sprak, gelijk Ex. 19:9 , en 2 Kron. 20:20 . De manier van spreken in het Hebreeuws is wel enerlei, maar het onderscheid wordt genomen uit de natuur van de zaak. Exodus 19:9 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Want Mozes had YHWH de woorden van het volk verkondigd. 2 Kronieken 20:20 : En zij maakten zich 's morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittrokken, stond Josafat en zei: Hoort mij, o Juda, en u, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in YHWH, uw God, zo zult u bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en u zult voorspoedig zijn.

### Exodus 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/15.json)

*De lofzang van Mozes en de kinderen van Israël voor hun verlossing en de ondergang van Farao in de Rode Zee, vers 1 enz. Mirjam en de Israëlitische vrouwen antwoorden daarop, en loven ook God de HEERE voor deze verlossing, 20. In de woestijn komen zij te Sur, waar zij geen drinkbaar water vinden, 22. Te Mara vinden zij bitter water, 23. Het volk mort, 24. Mozes wordt een boom getoond die het water zoet maakt, 25. De HEERE geeft hun wetten en doet hun vaderlijke beloften, 26. Te Elim vinden zij twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, 27.*

**1** Toen zong Mozes en de Israëlieten YHWH dit lied, en spraken, zeggende:[^exodus-15-1-a] Ik zal YHWH zingen; want[^exodus-15-1-1] Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v1)

**2** [^exodus-15-2-b] YHWH is mijn Kracht en[^exodus-15-2-2] Lied, en Hij is mij[^exodus-15-2-3] tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een[^exodus-15-2-4] liefelijke woning maken; Hij is van mijn vader God, daarom zal ik Hem verheffen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v2)

**3** YHWH is een soldaat;[^exodus-15-3-5] YHWH is Zijn Naam! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v3)

**4** Hij heeft Farao's wagens en zijn leger in de zee geworpen; en de besten van zijn bevelhebbers zijn verdronken in de[^exodus-15-4-6] Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v4)

**5** [^exodus-15-5-c] De[^exodus-15-5-7] afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v5)

**6** [^exodus-15-6-d] O YHWH! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o YHWH! heeft de vijand verbroken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v6)

**7** En[^exodus-15-7-8] door Uw grote hoogheid hebt U,[^exodus-15-7-9] die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden,[^exodus-15-7-10] die hen verteerd heeft als een stoppel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v7)

**8** [^exodus-15-8-e] En[^exodus-15-8-11] door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als één hoop; de afgronden zijn[^exodus-15-8-12] stijf geworden[^exodus-15-8-13] in het hart van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v8)

**9** De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen,[^exodus-15-9-14] ik zal de buit delen,[^exodus-15-9-15] mijn ziel zal van hen vervuld worden,[^exodus-15-9-16] ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal[^exodus-15-9-17] hen uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v9)

**10** [^exodus-15-10-f] U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v10)

**11** O YHWH! wie is als U onder de goden? wie is als U,[^exodus-15-11-18] verheerlijkt in heiligheid,[^exodus-15-11-19] vreselijk in lofzangen, doende wonder? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v11)

**12** U hebt Uw rechterhand uitgestrekt,[^exodus-15-12-20] de aarde heeft hen verslonden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v12)

**13** U leidde door Uw goedertierenheid dit volk, dat U verlost hebt; U[^exodus-15-13-g] voert hen zachtkens door Uw sterkte tot[^exodus-15-13-21] de liefelijke woning van Uw heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v13)

**14** De volken hebben het gehoord,[^exodus-15-14-22] zij zullen sidderen; smart heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v14)

**15** [^exodus-15-15-h] Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v15)

**16** [^exodus-15-16-i] Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, YHWH! heen doorkome; totdat dit volk heen doorkome, dat U verworven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v16)

**17** Die zult U inbrengen, en planten[^exodus-15-17-23] hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, die U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v17)

**18** YHWH zal[^exodus-15-18-24] in eeuwigheid en steeds regeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v18)

**19** Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en YHWH heeft[^exodus-15-19-25] de wateren van de zee over hen doen terugkeren; maar de Israëlieten zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v19)

**20** En Mirjam, de profetes,[^exodus-15-20-26] Aärons zus,[^exodus-15-20-k] nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en[^exodus-15-20-27] met reien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v20)

**21** Toen[^exodus-15-21-28] antwoordde[^exodus-15-21-29] Mirjam[^exodus-15-21-30] hun: Zing YHWH; want[^exodus-15-21-31] Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v21)

**22** Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn[^exodus-15-22-32] Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v22)

**23** [^exodus-15-23-l] Toen kwamen zij te[^exodus-15-23-33] Mara; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd van die naam genoemd Mara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v23)

**24** Toen[^exodus-15-24-34] morde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v24)

**25** Hij dan riep tot YHWH; en YHWH wees hem een hout, dat wierp hij in dat water;[^exodus-15-25-35] toen werd het water zoet. Daar stelde[^exodus-15-25-36] Hij[^exodus-15-25-37] het volk een inzetting en recht, en daar verzocht Hij hetzelfde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v25)

**26** En zei: Is het, dat u[^exodus-15-26-38] met ernst naar de stem van YHWH van uw God horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn voorschriften; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want[^exodus-15-26-39] Ik ben YHWH, uw Heelmeester! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v26)

**27** Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij sloegen hun kamp op daar aan de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/15.html#v27)

[^exodus-15-1-a]: Verwijzing a: Ps. 106:12 . Psalmen 106:12 : Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
[^exodus-15-1-1]: Kanttekening 1: hoog verheven: Hebreeuws, verhogende verhoogd.
[^exodus-15-2-b]: Verwijzing b: Ps. 18:2 ; Ps. 118:14 ; Jes. 12:2 . Psalmen 18:2 : Hij zei dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, YHWH, mijn Sterkte! Psalmen 118:14 : YHWH is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest. Jesaja 12:2 : Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heer YHWH is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
[^exodus-15-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, de materie van mijn lied, of, die mij oorzaak gegeven heeft, om hem met lofzangen te prijzen.
[^exodus-15-2-3]: Kanttekening 3: tot een Heil geweest: Zie boven, Ex. 14:13 . Exodus 14:13 : Maar Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil van YHWH, dat Hij heden aan u doen zal, want de Egyptenaars, die u heden gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid.
[^exodus-15-2-4]: Kanttekening 4: liefelijke woning maken: Of slechts, een woning. Anders, ik zal hem verheerlijken.
[^exodus-15-3-5]: Kanttekening 5: YHWH is Zijn Naam: Zie Gen. 2:4 ; Ex. 3:15 , en Ex. 6:2 . Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte. Exodus 3:15 : Toen zei God verder tot Mozes: Aldus zult u tot de kinderen van Israël zeggen: YHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. Exodus 6:2 : En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als El Shaddai; maar met Mijn Naam YHWH ben Ik hun niet bekend geweest.
[^exodus-15-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, de Rode zee.
[^exodus-15-5-c]: Verwijzing c: Neh. 9:11 . Nehemia 9:11 : En U hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden van de zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt U in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.
[^exodus-15-5-7]: Kanttekening 7: afgronden hebben hen bedekt: Dat is, de hoge wateren, die als muren overeind stonden, zijn op hen gevallen; Ex. 14:22 . Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
[^exodus-15-6-d]: Verwijzing d: Ps. 118:15 ; idem v. 16 . Psalmen 118:15 : In de tenten van de rechtvaardigen is een stem van het gejuich en van het heil; de rechterhand van YHWH doet krachtige daden. Psalmen 118:16 : De rechterhand van YHWH is verhoogd; de rechterhand van YHWH doet krachtige daden.
[^exodus-15-7-8]: Kanttekening 8: door Uw grote hoogheid hebt U: Hebreeuws, door de grootheid van uw hoogheid.
[^exodus-15-7-9]: Kanttekening 9: die tegen U opstonden: Dat is, die tegen uw volk opstonden; want al wat tegen Gods volk gedaan wordt, rekent God alsof het hemzelven gedaan ware. Zie Zach. 2:8 ; Matt. 25:45 ; Hand. 9:4 . Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Mattheüs 25:45 : Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt u het Mij ook niet gedaan. Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^exodus-15-7-10]: Kanttekening 10: die hen verteerd heeft als een stoppel: Dit is een afgebroken rede, die volkomenlijk aldus wordt uitgesproken: die hen verslonden heeft, gelijk de stoppels door het vuur verslonden worden.
[^exodus-15-8-e]: Verwijzing e: Habak. 3:10 ; Jes. 63:12 ; idem v. 13 . Habakuk 3:10 : De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte. Jesaja 63:12 : Die de arm Zijn heerlijkheid heeft doen gaan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte? Jesaja 63:13 : Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.
[^exodus-15-8-11]: Kanttekening 11: door het geblaas van Uw neus: Dit is een omschrijving van de wind; zie Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^exodus-15-8-12]: Kanttekening 12: stof geworden: Of, gestold.
[^exodus-15-8-13]: Kanttekening 13: in het hart van de zee: Dat is, in de diepte, of, in het midden van de zee, gelijk Ps. 18:16 , en Ps. 46:3 ; Ez. 28:2 ; vergelijk Deut. 4:11 . Psalmen 18:16 : En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus. Psalmen 46:3 : Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën; Ezechiël 28:2 : Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u nochtans uw hart, als Gods hart. Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid).
[^exodus-15-9-14]: Kanttekening 14: ik zal de buit delen: Dit placht met vreugde te gebeuren, Jes. 9:2 . Farao en de zijnen beloofden zichzelven de victorie, maar het mislukte hun. Jesaja 9:2 : U hebt dit volk vermenigvuldigd, maar U hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blij wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
[^exodus-15-9-15]: Kanttekening 15: mijn ziel zal van hen vervuld worden: Dat is, \[gelijk sommigen hier overzetten\] ik wil mijn moed aan hen koelen. Zie Job 16:10 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
[^exodus-15-9-16]: Kanttekening 16: ik zal mijn zwaard uittrekken: Hebreeuws, ik zal mijn zwaard leeg maken.
[^exodus-15-9-17]: Kanttekening 17: Of, weer in \[mijn\] bezitting brengen, of, arm maken.
[^exodus-15-10-f]: Verwijzing f: Ps. 74:13 ; Ps. 106:11 . Psalmen 74:13 : U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken. Psalmen 106:11 : En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet één van hen bleef over.
[^exodus-15-11-18]: Kanttekening 18: verheerlijkt in heiligheid: Dat is, die met uitnemende grote heiligheid is versierd.
[^exodus-15-11-19]: Kanttekening 19: vreselijk in lofzangen: Dat is, die met grote eerbied en kinderlijke vreze moet aangebeden, geëerd en geprezen worden.
[^exodus-15-12-20]: Kanttekening 20: de aarde heeft hen verslonden: Dat is, de bodem of grond van de zee.
[^exodus-15-13-g]: Verwijzing g: Ps. 77:21 . Psalmen 77:21 : U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.
[^exodus-15-13-21]: Kanttekening 21: de liefelijke woning van Uw heiligheid: Versta, het land Kanaän, waar God zijn volk zou geven zijn heiligen godsdienst. Zie Ps. 78:52 , 78:53 , 78:54 . Psalmen 78:52 : En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. Psalmen 78:53 : Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. Psalmen 78:54 : En Hij bracht hen tot de landpale van Zijn heiligheid, tot deze berg, die Zijn rechterhand verkregen heeft.
[^exodus-15-14-22]: Kanttekening 22: zij zullen sidderen: Zie de vervulling, Num. 22:3 , 22:6 ; Joz. 2:10 , 2:11 , en Joz. 5:1 ; Ps. 68:3 . Numeri 22:3 : Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Numeri 22:6 : En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wie u zegent, die zal gezegend zijn, en wie u vervloekt, die zal vervloekt zijn. Jozua 2:10 : Want wij hebben gehoord, dat YHWH de wateren van de Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen u uit Egypte gingt; en wat u aan de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, die u verbannen hebt. Jozua 2:11 : Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder aanwezigheid; want YHWH, ulieder God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde. Jozua 5:1 : En het geschiedde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Psalmen 68:3 : U zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
[^exodus-15-15-h]: Verwijzing h: Deut. 2:4 . Deuteronomium 2:4 : En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan de landpale uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten.
[^exodus-15-16-i]: Verwijzing i: Deut. 2:25 ; Deut. 11:25 ; Joz. 2:9 . Deuteronomium 2:25 : Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht van de volken, onder de gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. Deuteronomium 11:25 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; YHWH, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop u treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft. Jozua 2:9 : En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van deze lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.
[^exodus-15-17-23]: Kanttekening 23: op de berg van Uw erfenis: Dat is, in het bergachtige land, gelijk Kanaän is; Deut. 11:11 . Anderen verstaan hier de berg Moria, waarop naderhand de tempel gebouwd is. Deuteronomium 11:11 : Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel;
[^exodus-15-18-24]: Kanttekening 24: in eeuwigheid en geduriglijk regeren: Dat is, hier en hiernamaals.
[^exodus-15-19-25]: Kanttekening 25: de wateren van de zee over hen doen terugkeren: Die straks tevoren als muren overeind gestaan hadden, Ex. 14:22 . Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
[^exodus-15-20-26]: Kanttekening 26: Aärons zus: Zij was ook wel Mozes' zus, maar omdat zij in het afwezen van Mozes lange tijd bij Aäron gewoond had, zo wordt zij daarom Aärons zus genoemd.
[^exodus-15-20-k]: Verwijzing k: 1 Sam. 18:6 . 1 Samuël 18:6 : Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David keerde terug van het slaan van de Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, de koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.
[^exodus-15-20-27]: Kanttekening 27: met reien: Anders, met fluiten, of, pijpen.
[^exodus-15-21-28]: Kanttekening 28: De mannen zongen voor, gelijk boven vers 1 ; de vrouwen zongen dit na. Exodus 15:1 : Toen zong Mozes en de kinderen van Israël YHWH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal YHWH zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
[^exodus-15-21-29]: Kanttekening 29: Met andere vrouwen.
[^exodus-15-21-30]: Kanttekening 30: Te weten, de mannen.
[^exodus-15-21-31]: Kanttekening 31: hoog verheven: Hebreeuws, verhogende verhoogd.
[^exodus-15-22-32]: Kanttekening 32: De naam van een woestijn, tussen Egypte en Arabië. Zie Gen. 16:7 . Genesis 16:7 : En de Engel van YHWH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur.
[^exodus-15-23-l]: Verwijzing l: Num. 33:8 . Numeri 33:8 : En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.
[^exodus-15-23-33]: Kanttekening 33: Toen Mozes met de Israëlieten aan deze plaats kwam, heette zij nog niet Mara, dat is, bitterheid; maar zij werd straks daarna zo genoemd, gelijk blijkt in vers 23 . Exodus 15:23 : Toen kwamen zij te Mara; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.
[^exodus-15-24-34]: Kanttekening 34: morde het volk tegen Mozes: Morren is kwalijk van God, zijn woord en werken in zijn hart gevoelen, en met de tong onwaardiglijk daarvan spreken.
[^exodus-15-25-35]: Kanttekening 35: toen werd het water zoet: Dit water is zoet geworden tot de dienst en het gebruik van de Israëlieten, voor een tijdlang, maar het is niet altijd zo gebleven, gelijk blijkt uit Plin. lib. 6, natur. hist. c. 29, die op zijn tijd melding maakt van deze bittere wateren. Zie 2 Kon. 2:21 . 2 Koningen 2:21 : Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zei: Zo zegt YHWH: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.
[^exodus-15-25-36]: Kanttekening 36: Te weten, God.
[^exodus-15-25-37]: Kanttekening 37: het volk een inzetting en recht: Te weten, het volk van Israël.
[^exodus-15-26-38]: Kanttekening 38: met ernst naar de stem van YHWH uw God horen zult: Hebreeuws, horende zult horen.
[^exodus-15-26-39]: Kanttekening 39: Ik ben YHWH, uw Heelmeester: God de Heer wil zeggen: Ik ben het, die u aan de ziel en aan het lichaam helen, en voor alle ellenden bewaren kan, tegenwoordige en toekomende.

### Exodus 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/16.json)

*De kinderen van Israël komen in de woestijn Sin, vers 1 enz. Zij morren omdat zij geen brood hebben, 2. God belooft en geeft hun brood uit de hemel, 4. En kwartels, 8. Het manna werd op de sabbat niet gevonden, 25. De Israëlieten noemen het man; zijn uiterlijk, 31. Een gomer ervan wordt bewaard voor de nakomelingen, 32. Hoe lang zij manna gegeten hebben, 35. Wat een gomer is, 36.*

**1** Toen zij[^exodus-16-1-1] van Elim gereisd waren, zo kwam de hele gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn[^exodus-16-1-2] Sin, die is tussen Elim en tussen[^exodus-16-1-3] Sinaï, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v1)

**2** En de hele gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v2)

**3** [^exodus-16-3-a] En de Israëlieten zeiden tot hen:[^exodus-16-3-4][^exodus-16-3-b] Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze hele gemeente door de honger te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v3)

**4** Toen zei YHWH tot Mozes: Zie,[^exodus-16-4-5] Ik zal voor u[^exodus-16-4-6][^exodus-16-4-c] brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke[^exodus-16-4-7] dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v4)

**5** En het zal gebeuren[^exodus-16-5-8] op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben;[^exodus-16-5-9] dat zal dubbel zijn boven wat zij dagelijks[^exodus-16-5-10] zullen verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v5)

**6** Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de Israëlieten:[^exodus-16-6-11] Aan de avond, dan zult u weten, dat u[^exodus-16-6-12] YHWH uit Egypteland uitgeleid heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v6)

**7** En morgen, dan zult u de heerlijkheid van YHWH zien, omdat Hij uw geklaag tegen YHWH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v7)

**8** Verder zei Mozes: Als YHWH u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat YHWH uw geklaag gehoord heeft, die u tegen Hem mort; want wat zijn wij? Uw geklaag zijn niet[^exodus-16-8-13] tegen ons, maar tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v8)

**9** Daarna zei Mozes tot Aäron: Zeg tot de hele gemeenschap van de Israëlieten: Nader voor het aangezicht van YHWH, want Hij heeft uw geklaag gehoord.[^exodus-16-9-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v9)

**10** En het gebeurde, als Aäron tot de hele gemeenschap van de Israëlieten sprak, en zij zich naar de woestijn keerden,[^exodus-16-10-d] zo ziet, de heerlijkheid van YHWH verscheen in de wolk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v10)

**11** Ook heeft YHWH tot Mozes gesproken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v11)

**12** Ik heb het geklaag van de Israëlieten gehoord; spreek tot hen, zeggende:[^exodus-16-12-15] Tussen de twee avonden zult u vlees eten, en aan de morgen zult u[^exodus-16-12-e] met brood verzadigd worden; en[^exodus-16-12-16] u zult weten, dat Ik YHWH uw God ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v12)

**13** En het gebeurde[^exodus-16-13-17] aan de avond,[^exodus-16-13-f] dat er[^exodus-16-13-18] kwartels opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen[^exodus-16-13-19] lag de dauw rondom het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v13)

**14** [^exodus-16-14-g] Als nu de liggende dauw[^exodus-16-14-20] opgevaren was, zo ziet,[^exodus-16-14-21] over de woestijn was een[^exodus-16-14-22] klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v14)

**15** Toen het de Israëlieten zagen, zo zeiden zij,[^exodus-16-15-23] de één tot de ander:[^exodus-16-15-24][^exodus-16-15-h] Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v15)

**16** Dit is het woord, dat YHWH geboden heeft: Verzamel daarvan[^exodus-16-16-25] een ieder naar dat[^exodus-16-16-26] hij eten mag, een gomer voor[^exodus-16-16-27] een hoofd, naar het getal van uw zielen;[^exodus-16-16-28] ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v16)

**17** En de Israëlieten deden zo, en verzamelden,[^exodus-16-17-29] de één veel en de ander weinig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v17)

**18** [^exodus-16-18-30] Maar als zij het met de[^exodus-16-18-31] gomer maten,[^exodus-16-18-i] zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; ieder[^exodus-16-18-32] verzamelde zoveel, als hij eten mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v18)

**19** En Mozes zei tot hen: Niemand late daarvan over tot de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v19)

**20** Maar zij hoorden niet naar Mozes,[^exodus-16-20-33] maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen groeiden er wormen in, en het werd stinkende; daarom werd Mozes zeer boos op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v20)

**21** Zij nu verzamelden het[^exodus-16-21-34] elke morgen, ieder naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd,[^exodus-16-21-35] zo versmolt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v21)

**22** En het gebeurde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten van de vergadering[^exodus-16-22-36] kwamen en verkondigden het aan Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v22)

**23** Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat YHWH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van YHWH! wat u bakken zou, bakt dat, en kook, wat u koken zou; en[^exodus-16-23-38] al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen.[^exodus-16-23-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v23)

**24** En zij leiden het op tot de morgen, zoals Mozes geboden had; en[^exodus-16-24-39] het stonk niet, en er was geen worm in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v24)

**25** Toen zei Mozes: Eet dat[^exodus-16-25-40] vandaag, want[^exodus-16-25-41] het is vandaag de sabbat van YHWH; u zult het vandaag op het veld niet vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v25)

**26** Zes dagen zult u het verzamelen; maar op de zevende dag is het sabbat, daarop zal het niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v26)

**27** En het gebeurde aan de zevende dag, dat sommigen van het volk uitgingen,[^exodus-16-27-42] om te verzamelen; maar zij vonden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v27)

**28** [^exodus-16-28-43] Toen zei YHWH tot Mozes: Hoe lang weigert[^exodus-16-28-44] u te houden Mijn geboden en Mijn wetten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v28)

**29** Zie, omdat YHWH u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve[^exodus-16-29-45] in zijn plaats![^exodus-16-29-46] dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v29)

**30** Zo rustte het volk op de zevende dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v30)

**31** [^exodus-16-31-k] En het huis van Israël noemde zijn naam Man; en het was[^exodus-16-31-47] als korianderzaad, wit, en[^exodus-16-31-48] de smaak daarvan was als honigkoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v31)

**32** Verder zei Mozes: Dit is het woord, dat YHWH bevolen heeft: Vul een gomer daarvan[^exodus-16-32-49] tot bewaring voor uw generaties, opdat zij zien het brood, dat Ik u heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v32)

**33** Ook zei Mozes tot Aäron:[^exodus-16-33-l] Neem[^exodus-16-33-50] een kruik, en doe[^exodus-16-33-51] een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht van[^exodus-16-33-52] YHWH, tot bewaring voor uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v33)

**34** Zoals YHWH aan Mozes geboden had, zo zette ze Aäron voor de getuigenis[^exodus-16-34-53] tot bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v34)

**35** En de Israëlieten aten Man veertig[^exodus-16-35-m] jaren, totdat zij in[^exodus-16-35-54] een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v35)

**36** Een gomer nu is het tiende deel van[^exodus-16-36-55] een efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/16.html#v36)

[^exodus-16-1-1]: Kanttekening 1: van Elim gereisd waren: Vóór zij van Elim optrokken, waren zij weer bij de Rode zee geweest, welke reis Mozes hier niet beschrijft, maar hij verhaalt ze Num. 33:10 , 33:11 . Numeri 33:10 : En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee. Numeri 33:11 : En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
[^exodus-16-1-2]: Kanttekening 2: De naam van een woestijn in Steenachtig Arabië, waar de achtste legerplaats van de Israëlieten geweest is; Num. 33:10 , 33:11 . Numeri 33:10 : En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee. Numeri 33:11 : En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.
[^exodus-16-1-3]: Kanttekening 3: Deze berg wordt anders genoemd Horeb, op welke Mozes de wet ontvangen heeft.
[^exodus-16-3-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 10:10 . 1 Korinthiërs 10:10 : En mort niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver.
[^exodus-16-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, wie zal geven, enz; vergelijk Deut. 5:29 . Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^exodus-16-3-b]: Verwijzing b: Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^exodus-16-4-5]: Kanttekening 5: Ik zal: Dat is, Ik zal het spoedig laten regenen, dat is, in de gedaante van een regen uit de hemel laten vallen.
[^exodus-16-4-6]: Kanttekening 6: brood uit de hemel regenen: Dat is, manna, waarvan de Israëlieten brood maakten.
[^exodus-16-4-c]: Verwijzing c: Ps. 78:24 ; Ps. 105:40 . Psalmen 78:24 : En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. Psalmen 105:40 : Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
[^exodus-16-4-7]: Kanttekening 7: dagmaat op haar dag: Hebreeuws, woord, of ding; hier betekent het zoveel brood als een mens iederen dag tot zijn nooddruft behoeft.
[^exodus-16-5-8]: Kanttekening 8: op de zesde dag: Te weten, daags vóór de sabbat, alsdan moesten de Israëlieten hun voedsel bereiden, dat zij op de sabbat eten zouden, want dan mocht men geen arbeid doen, ja zelfs geen vuur aansteken, gelijk te zien is Ex. 35:3 . Exodus 35:3 : U zult geen vuur aansteken in enige van uw woningen op de sabbatdag.
[^exodus-16-5-9]: Kanttekening 9: dat zal dubbel zijn: Zie onder, vers 22 . Exodus 16:22 : En het geschiedde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten van de vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.
[^exodus-16-5-10]: Kanttekening 10: dagelijks zullen verzamelen: Hebreeuws, dag dag, gelijk Gen. 39:10 . Genesis 39:10 : En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
[^exodus-16-6-11]: Kanttekening 11: Aan de avond: Zie vers 13 . Exodus 16:13 : En het geschiedde aan de avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger.
[^exodus-16-6-12]: Kanttekening 12: YHWH uit Egypteland uitgeleid heeft: Niet wij, als uit onszelven, gelijk het volk hun verweet, vers 3 . Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden.
[^exodus-16-8-13]: Kanttekening 13: tegen ons: Hij wil zeggen, niet tegen ons alleen; of, niet zozeer tegen ons, als wel tegen YHWH. Zie ook dergelijke manier van spreken, Gen. 32:28 , en 1 Sam. 8:7 ; Joh. 12:44 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 1 Samuël 8:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. Johannes 12:44 : En Jezus riep, en zei: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.
[^exodus-16-9-14]: Kanttekening 14: Nadert voor het aangezicht van YHWH: Dat is, vergadert voor de wolkkolom, in en door welke God de Heer zijn heerlijke aanwezigheid openbaarde, vers 10 . Exodus 16:10 : En het geschiedde, als Aäron tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van YHWH verscheen in de wolk.
[^exodus-16-10-d]: Verwijzing d: Ex. 13:21 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van het dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van het nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^exodus-16-12-15]: Kanttekening 15: Tussen de twee avonden zult u vlees eten: Zie Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^exodus-16-12-e]: Verwijzing e: Joh. 6:49 ; idem v. 58 . Johannes 6:49 : Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven. Johannes 6:58 : Dit is het Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in eeuwigheid leven.
[^exodus-16-12-16]: Kanttekening 16: u zult weten, dat Ik YHWH uw God ben: Te weten, inderdaad zulks bevindende en beproevende.
[^exodus-16-13-17]: Kanttekening 17: aan de avond: Te weten, aan de avond van die dag.
[^exodus-16-13-f]: Verwijzing f: Num. 11:31 ; Ps. 105:40 . Numeri 11:31 : Toen voer een wind uit van YHWH, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. Psalmen 105:40 : Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
[^exodus-16-13-18]: Kanttekening 18: kwakkelen opkwamen: Hebreeuws, de kwakkel; zo Ex. 8:6 vors, voor vorsen. Exodus 8:6 : En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
[^exodus-16-13-19]: Kanttekening 19: lag de dauw rondom het leger: Hebreeuws, er was een ligging van dauw.
[^exodus-16-14-g]: Verwijzing g: Num. 11:7 ; Neh. 9:15 ; Ps. 78:24 ; Ps. 105:40 . Numeri 11:7 : Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah. Nehemia 9:15 : En U hebt hun brood uit de hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en U hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover U Uw hand ophieft, dat U het hun zoudt geven. Psalmen 78:24 : En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. Psalmen 105:40 : Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
[^exodus-16-14-20]: Kanttekening 20: opgevaren was: Te weten, in de lucht, verdwijnende door de hitte van de zon. Het manna was bedekt en verborgen onder de dauw, die naar boven trok met de opgang van de zon. Zie Num. 11:9 . Numeri 11:9 : En wanneer de dauw 's nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.
[^exodus-16-14-21]: Kanttekening 21: over de woestijn: Hebreeuws, op het aangezicht van de woestijn.
[^exodus-16-14-22]: Kanttekening 22: klein rond ding: Hebreeuws, dun.
[^exodus-16-15-23]: Kanttekening 23: de één tot de ander: Hebreeuws, de man tot zijn broer.
[^exodus-16-15-24]: Kanttekening 24: Het is Man: Dat is, dit is een voorbereid en ons toegeëigend voedsel, of gave. Anders, wat is dat?
[^exodus-16-15-h]: Verwijzing h: Joh. 6:31 ; 1 Kor. 10:3 . Johannes 6:31 : Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten. 1 Korinthiërs 10:3 : En allen dezelfde geestelijke voedsel gegeten hebben;
[^exodus-16-16-25]: Kanttekening 25: een ieder naar dat ... eten mag: Hebreeuws, naar de mond van zijn voedsel; dat is, van het voedsel, die hij en zijn huisgezin behoeft.
[^exodus-16-16-26]: Kanttekening 26: En zijn gehele huisgezin.
[^exodus-16-16-27]: Kanttekening 27: een hoofd: Hebreeuws, hersenbekken; dat is, persoon.
[^exodus-16-16-28]: Kanttekening 28: ieder zal nemen voor degenen: Met deze woorden wordt verklaard, wat straks tevoren in vers 17 gezegd is. Exodus 16:17 : En de kinderen van Israël deden zo, en verzamelden, de één veel en de ander weinig.
[^exodus-16-17-29]: Kanttekening 29: de één veel en de ander weinig: Hebreeuws, vermenigvuldigende en verminderende.
[^exodus-16-18-30]: Kanttekening 30: Maar als zij het: De zin is, toen ieder tehuis bracht wat hij verzameld had, zo mat het de huisvader, en gaf elk zijn gomer of behoorlijk deel daarvan, zo dat niemand meer dan zijn behoorlijke portie kreeg.
[^exodus-16-18-31]: Kanttekening 31: gomer maten: Zie onder, vers 36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^exodus-16-18-i]: Verwijzing i: 2 Kor. 8:15 . 2 Korinthiërs 8:15 : Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.
[^exodus-16-18-32]: Kanttekening 32: zoveel, als hij eten mocht: Hebreeuws, naar de mond van zijn eten, of, van zijn voedsel, gelijk vers 16 . Exodus 16:16 : Dit is het woord, dat YHWH geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn.
[^exodus-16-20-33]: Kanttekening 33: maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen: Dit deden zij uit onnutte voorzorg en wantrouwen, of nieuwsgierigheid, als willende beproeven en zien of ook het manna zolang duren kon.
[^exodus-16-21-34]: Kanttekening 34: elke morgen: Hebreeuws, in de morgen in de morgen.
[^exodus-16-21-35]: Kanttekening 35: zo versmolt het: Te weten, wat op aarde bleef liggen. Zodat hier de oorzaak, waarom zij 's morgens verzamelden, wordt aangewezen.
[^exodus-16-22-36]: Kanttekening 36: en verkondigden het aan Mozes: Want zij twijfelden of het volk wèl kwalijk deed, omdat Mozes bevolen had, dat voor ieder hoofd slechts één gomer zou vergaderd worden.
[^exodus-16-23-38]: Kanttekening 38: al wat over blijft: Te weten, op de zesde dag. De helft van de dubbele gomer, die zij daags vóór de sabbat verzameld hadden, bleef overig.
[^exodus-16-23-37]: Kanttekening 37: bakken zoudt: Te weten, morgen.
[^exodus-16-24-39]: Kanttekening 39: het stonk niet: Gelijk tevoren geschied was, toen zij wat oplegden tegen het bevel van Mozes, vers 20 . Exodus 16:20 : Maar zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen wiesen er wormen in, en het werd stinkende; daarom werd Mozes zeer toornig op hen.
[^exodus-16-25-40]: Kanttekening 40: heden, want: Mozes leert het volk hier niet alleen wat zij op die dag doen zouden, maar van week tot week, zolang het manna regenen zou.
[^exodus-16-25-41]: Kanttekening 41: het is heden de sabbat van YHWH: Mozes heeft de woorden van vers 25 alsook de naastvolgende, gesproken, op die avond toen de sabbat begon of inging, die wij op onze wijze nu noemen Zaterdagavond; want de sabbat begon met de avond van de zesde dag, en eindigde met de avond van de zevende dag. Exodus 16:25 : Toen zei Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat van YHWH; u zult het heden op het veld niet vinden.
[^exodus-16-27-42]: Kanttekening 42: om te verzamelen: Deze mensen geloofden God noch zijn dienaar Mozes.
[^exodus-16-28-43]: Kanttekening 43: Toen zei YHWH tot Mozes: Dat is, God beval Mozes dat hij dit aan het volk zou zeggen.
[^exodus-16-28-44]: Kanttekening 44: u te houden Mijn geboden en Mijn wetten: De zonde van enigen wordt hier gesteld, alsof het de zonde van allen waren.
[^exodus-16-29-45]: Kanttekening 45: in zijn plaats: Hebreeuws, onder zich.
[^exodus-16-29-46]: Kanttekening 46: dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag: Te weten, om manna te verzamelen, of enig ander werk te doen, Lev. 23:3 , wordt hun bevolen tot de heilige vergadering te gaan, en Hand. 1:12 , wordt gesproken van een sabbatsreis. Leviticus 23:3 : Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heilige samenroeping; geen werk zult u doen; het is de sabbat van YHWH, in al uw woningen. Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^exodus-16-31-k]: Verwijzing k: Num. 11:7 . Numeri 11:7 : Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah.
[^exodus-16-31-47]: Kanttekening 47: als korianderzaad: In gedaante en in grootte; maar het was wit als bedolah, of kristal, Num. 11:7 . Numeri 11:7 : Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah.
[^exodus-16-31-48]: Kanttekening 48: de smaak daarvan was als honigkoeken: Te weten, wanneer men het van de aarde opraapte, ongekookt; maar als het gekookt was, zo smaakte het als verse olie, Num. 11:8 . Numeri 11:8 : Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie.
[^exodus-16-32-49]: Kanttekening 49: tot bewaring voor uw geslachten: Te weten, in de tabernakel, wanneer hij zou gemaakt zijn.
[^exodus-16-33-l]: Verwijzing l: Hebr. 9:4 . Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
[^exodus-16-33-50]: Kanttekening 50: een kruik: Hebr. 9:4 staat: het gouden vat; anders, schotel, schaal. Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
[^exodus-16-33-51]: Kanttekening 51: een gomer vol Man daarin: Hebreeuws, de volheid van een gomer.
[^exodus-16-33-52]: Kanttekening 52: Die zijn aanwezigheid boven de ark van het verbond openbaarde.
[^exodus-16-34-53]: Kanttekening 53: voor de getuigenis tot bewaring: Versta, voor de ark van het verbond, waarin de tafelen van de wet van God waren; zie Ex. 25:16 , 25:21 , welke genaamd worden de getuigenis, omdat zij van de wil van God getuigden. De ark is eerst belast geworden te maken op de berg Sinaï, maar Mozes verhaalt dit hier in het kort, om de historie van het manna daarmee te besluiten. Exodus 25:16 : Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal. Exodus 25:21 : En u zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat u in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.
[^exodus-16-35-m]: Verwijzing m: Joz. 5:12 ; Neh. 9:15 . Jozua 5:12 : En het Manna hield op van de anderen daags, nadat zij van het land overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen van Israël hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst van het land Kanaän. Nehemia 9:15 : En U hebt hun brood uit de hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en U hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover U Uw hand ophieft, dat U het hun zoudt geven.
[^exodus-16-35-54]: Kanttekening 54: een bewoond land kwamen: Dit wordt gesteld tegenover de woestijn.
[^exodus-16-36-55]: Kanttekening 55: een efa: Dit is een maat van droge waren, begrijpende zoveel als 432 henneëierschalen; zodat de gomer, naar sommiger gevoelen, meer dan dubbel zo groot was als de choenix, Openb. 6:6 zijnde een maat koren, genoegzaam tot voedsel van een man op een dag. Zie Lev. 5:11 , en Lev. 19:36 ; Deut. 25:14 , enz. Openbaring 6:6 : En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! Deuteronomium 25:14 : U zult in uw huis geen tweeërlei efa hebben, een grote en een kleine.

### Exodus 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/17.json)

*Het volk mort te Rafidim om water, vers 1 enz. Mozes, tot de HEERE roepende, verkrijgt water uit de rots te Horeb, 4. De plaats wordt Massa en Meriba genoemd, 7. Amalek strijdt tegen Israël, 8. Zolang Mozes met opgeheven handen bidt, overwint Israël, 11. God beveelt Amalek uit te roeien, 14. Mozes bouwt een altaar, dat hij noemt: De HEERE is mijn banier, 15.*

**1** Daarna trok de hele gemeenschap van de Israëlieten, naar[^exodus-17-1-1] hun dagreizen, uit de woestijn Sin,[^exodus-17-1-2] op het bevel van YHWH, en zij sloegen hun kamp op te[^exodus-17-1-3] Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v1)

**2** Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geef[^exodus-17-2-4] u ons water, dat wij drinken![^exodus-17-2-a] Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom[^exodus-17-2-5] verzoekt u YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v2)

**3** Toen nu het volk daar dorstte naar water, zo morde[^exodus-17-3-6] het volk tegen Mozes, en het zei: Waartoe hebt u ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat u mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v3)

**4** Zo riep Mozes tot YHWH, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er[^exodus-17-4-7] faalt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v4)

**5** Toen zei YHWH tot Mozes:[^exodus-17-5-8] Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u[^exodus-17-5-9] uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw[^exodus-17-5-10][^exodus-17-5-b] hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v5)

**6** [^exodus-17-6-c] Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v6)

**7** En hij noemde de naam van die plaats[^exodus-17-7-11] Massa en[^exodus-17-7-12] Meriba, om de twist van de Israëlieten, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v7)

**8** [^exodus-17-8-d] Toen kwam[^exodus-17-8-13] Amalek en streed[^exodus-17-8-14] tegen Israël in Rafidim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v8)

**9** Mozes dan zei tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en[^exodus-17-9-16] de staf Gods zal in mijn hand zijn.[^exodus-17-9-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v9)

**10** Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en[^exodus-17-10-17] Hur klommen op de hoogte van de heuvel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v10)

**11** En het gebeurde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand neerliet, zo was Amalek de sterkste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v11)

**12** Maar de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen,[^exodus-17-12-18] de één op deze, de ander op de andere zijde; zo waren zijn handen vast, totdat de zon onderging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v12)

**13** Zo dat Jozua[^exodus-17-13-19] Amalek en zijn volk[^exodus-17-13-20] krenkte, door de[^exodus-17-13-21] scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v13)

**14** Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter herinnering[^exodus-17-14-22] in een boek,[^exodus-17-14-23] en leg het in de oren van Jozua,[^exodus-17-14-e] dat Ik de herinnering van Amalek[^exodus-17-14-24] geheel uitdelgen zal[^exodus-17-14-25] van onder de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v14)

**15** En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde zijn[^exodus-17-15-26] naam: YHWH is mijn Banier! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v15)

**16** En hij zei: Omdat[^exodus-17-16-27] de hand op de troon van YHWH is,[^exodus-17-16-f] zo zal de oorlog van YHWH tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/17.html#v16)

[^exodus-17-1-1]: Kanttekening 1: hun dagreizen: Hun dagreizen waren deze: van Sira tot Dofka, van Dofka tot Alus, van Alus tot Rafidim, Num. 33:12 , 33:13 , 33:14 . Mozes verhaalt in Ex. 17 niet al de reizen, noch rustplaatsen van het volk, maar die alleen, waarin wat zonderlings geschied is. Numeri 33:12 : En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka. Numeri 33:13 : En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz. Numeri 33:14 : En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; maar daar was geen water voor het volk, om te drinken.
[^exodus-17-1-2]: Kanttekening 2: op het bevel van YHWH: Hebreeuws, op, of, naar de mond.
[^exodus-17-1-3]: Kanttekening 3: Rafidim is een plaats in de woestijn bij de berg Horeb. Dit was de elfde legerplaats.
[^exodus-17-2-4]: Kanttekening 4: u ons water: Te weten, u Mozes en Aäron.
[^exodus-17-2-a]: Verwijzing a: Num. 20:3 ; idem v. 4 . Numeri 20:3 : En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van YHWH de geest gaven! Numeri 20:4 : Waarom toch hebt u de gemeente van YHWH in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?
[^exodus-17-2-5]: Kanttekening 5: verzoekt u YHWH: Te weten, door uw ongelovigheid, want zij twijfelden of ook YHWH bij hen was, vers 7 , dat zij wilden, dat Hij door mirakelen zou doen blijken. Dit is God verzoeken; Ps. 78:18 ; Matt. 16:1 . Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet? Psalmen 78:18 : En zij verzochten God in hun hart, begerende voedsel naar hun lust. Mattheüs 16:1 : En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
[^exodus-17-3-6]: Kanttekening 6: het volk tegen Mozes: Niet al het volk, maar enige boze mensen.
[^exodus-17-4-7]: Kanttekening 7: feilt niet veel aan: Hebreeuws, nog een weinigje, en zij zullen mij stenigen. Met dergelijke woorden bedreigden zij Mozes ook, Num. 14:10 . Numeri 14:10 : Toen zei de gehele vergadering, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van YHWH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de kinderen van Israël.
[^exodus-17-5-8]: Kanttekening 8: Ga heen voor het aangezicht van het volk: Te weten, naar de berg Horeb.
[^exodus-17-5-9]: Kanttekening 9: uit de oudsten van Israël: Opdat zij getuigen mogen zijn van wat er gebeuren zal.
[^exodus-17-5-10]: Kanttekening 10: waarmee u de rivier sloegt: Dat is, waarmee u Aäron geboden hebt te slaan.
[^exodus-17-5-b]: Verwijzing b: Ex. 7:20 . Exodus 7:20 : Mozes nu en Aäron deden zo, gelijk YHWH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
[^exodus-17-6-c]: Verwijzing c: Num. 20:9 ; Ps. 78:15 ; Ps. 114:8 ; 1 Kor. 10:4 . Numeri 20:9 : Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van YHWH, gelijk als Hij hem geboden had. Psalmen 78:15 : Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. Psalmen 114:8 : Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein. 1 Korinthiërs 10:4 : En allen deze geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^exodus-17-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, verzoeking.
[^exodus-17-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, twist. Zie van een ander Meriba, Num. 20:13 . Numeri 20:13 : Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen van Israël met YHWH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
[^exodus-17-8-d]: Verwijzing d: Deut. 25:17 ; idem v. 18 . Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; Deuteronomium 25:18 : Hoe hij u op de weg ontmoette, en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als u moe en mat was; en hij vreesde God niet.
[^exodus-17-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, de Amalekieten, de nakomelingen van Ezau, de broer van Jakob, Gen. 36:15 , 36:16 . Wat hier verhaald wordt, is geschied toen Mozes met de Israëlieten op de weg naar Horeb trok. Zie Deut. 25:17 , 25:18 . Genesis 36:15 : Dit zijn de vorsten van de zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz. Genesis 36:16 : De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada. Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; Deuteronomium 25:18 : Hoe hij u op de weg ontmoette, en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als u moe en mat was; en hij vreesde God niet.
[^exodus-17-8-14]: Kanttekening 14: tegen Israël: Dat is, tegen de Israëlieten.
[^exodus-17-9-16]: Kanttekening 16: de staf Gods zal in mijn hand zijn: Dat is, de staf, waarmee God grote wonderen gedaan heeft.
[^exodus-17-9-15]: Kanttekening 15: hoogte van de heuvel staan: Hebreeuws, hoofd.
[^exodus-17-10-17]: Kanttekening 17: Deze Hur is te onderscheiden van Hur, die de vader was van Bezaleël, en de zoon van Kaleb, 1 Kron. 2:19 . 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
[^exodus-17-12-18]: Kanttekening 18: de één op deze, de ander op de andere zijde : Hebreeuws, van hier een, en van daar een.
[^exodus-17-13-19]: Kanttekening 19: Amalek en zijn volk: Het schijnt, dat men hier door Amalek moet verstaan de koning of overste, en door zijn volk het leger. Anderen verstaan door Amalek de Amalekieten, en door zijn volk de natiën, die hem te hulp gekomen waren.
[^exodus-17-13-20]: Kanttekening 20: Of, verzwakte, verbrak.
[^exodus-17-13-21]: Kanttekening 21: scherpte van het zwaard: Hebreeuws, mond.
[^exodus-17-14-22]: Kanttekening 22: in een boek: Te weten, waarin u de historiën van de Israëlieten zult beschrijven.
[^exodus-17-14-23]: Kanttekening 23: en leg het in de oren van Jozua: Dat is, scherp het Jozua uw navolger en druk hem het wel in.
[^exodus-17-14-e]: Verwijzing e: Num. 24:20 ; 1 Sam. 15:2 ; idem v. 3 ; Deut. 25:17 ; idem v. 18 ; idem v. 19 . Numeri 24:20 : Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Amalek is de eersteling van de heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve! 1 Samuël 15:2 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb bezocht, wat Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op de weg, toen hij uit Egypte opkwam. 1 Samuël 15:3 : Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezelen toe. Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; Deuteronomium 25:18 : Hoe hij u op de weg ontmoette, en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als u moe en mat was; en hij vreesde God niet. Deuteronomium 25:19 : Het zal dan gebeuren, als u YHWH, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, om hetzelfde erfelijk te bezitten, dat u de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!
[^exodus-17-14-24]: Kanttekening 24: geheel uitdelgen zal: Hebreeuws, uitdelgende zal uitdelgen.
[^exodus-17-14-25]: Kanttekening 25: van onder de hemel: Dat is, overal, zover zich de hemel uitstrekt.
[^exodus-17-15-26]: Kanttekening 26: YHWH is mijn Banier: Hebreeuws, YHWH Nissi. Aldus heeft Mozes dit altaar genoemd ter gedachtenis van de victorie over Amalek.
[^exodus-17-16-27]: Kanttekening 27: de hand op de troon van YHWH is: Versta, de hand van God, dat is, zijn macht, die Hij van de hemel \[als zijnde zijn troon\] uitstrekt tot bescherming van zijn volk, en demping van zijn vijanden. Men kan ook door de troon verstaan de kerk van God. Sommigen leggen het uit van Gods eedzweren. Anders, omdat de hand \[Amaleks\] tegen de troon van de Heer is; dat is, tegen hem en zijn volk geweest is. De plaats is wat duister.
[^exodus-17-16-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 15:2 . 1 Samuël 15:2 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb bezocht, wat Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op de weg, toen hij uit Egypte opkwam.

### Exodus 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/18.json)

*Jethro brengt Mozes zijn vrouw en twee zonen, vers 1 enz. Mozes verhaalt Jethro wat de HEERE Israël gedaan heeft, 7. Jethro zegent God en brengt Hem offer, 10. Hij raadt Mozes aan dat hij rechters zou aanstellen om geringe zaken te oordelen, 13. Mozes volgt deze raad, 24. Jethro vertrekt weer naar zijn land, 18.*

**1** [^exodus-18-1-a] Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had: dat YHWH Israël uit Egypte uitgevoerd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v1)

**2** Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw[^exodus-18-2-1] (nadat hij haar wedergezonden had), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v2)

**3** Met[^exodus-18-3-2] haar twee zonen,[^exodus-18-3-b] van wie de ene naam Gersom was (want[^exodus-18-3-3] hij zei: Ik ben een vreemdeling geweest[^exodus-18-3-4] in een vreemd land); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v3)

**4** En de naam van de anderen was Eliëzer, want, zei hij, de God van mijn vader is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v4)

**5** Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn,[^exodus-18-5-5] aan de berg van God, waar hij zich gelegerd had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v5)

**6** Zo[^exodus-18-6-6] zei hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v6)

**7** Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij[^exodus-18-7-7] vraagden de één[^exodus-18-7-8] de ander naar de welstand, en zij gingen[^exodus-18-7-9] naar de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v7)

**8** En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat YHWH aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op die weg[^exodus-18-8-10] ontmoet was, en dat hen YHWH verlost had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v8)

**9** Jethro nu verheugde zich over al het goede, dat YHWH Israël gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand van de Egyptenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v9)

**10** En Jethro zei: Gezegend zij YHWH, Die u verlost heeft uit de hand van de Egyptenaren, en uit Farao's hand; Die dit volk van onder de hand van de Egyptenaren verlost heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v10)

**11** Nu weet ik, dat YHWH groter is dan alle[^exodus-18-11-11] goden;[^exodus-18-11-12][^exodus-18-11-c] want in de zaak, waarin zij overmoedig gehandeld hebben,[^exodus-18-11-13] was Hij boven hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v11)

**12** Toen nam Jethro, de schoonvader[^exodus-18-12-14] van Mozes, voor God brandoffer en slachtoffers; en Aäron kwam, en al de oversten van Israël, om[^exodus-18-12-15] brood te eten met de schoonvader[^exodus-18-12-16] van Mozes, voor het aangezicht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v12)

**13** Maar het gebeurde op de andere dag, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van de morgen tot de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v13)

**14** Als de schoonvader van Mozes alles[^exodus-18-14-17] zag, wat hij het volk deed, zo zei hij: Wat ding is dit, dat u het volk doet? Waarom zit u zelf[^exodus-18-14-18] alleen, en al het volk staat voor u, van de morgen tot de avond? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v14)

**15** Toen zei Mozes tot zijn schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God[^exodus-18-15-19] raad te vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v15)

**16** Wanneer zij een zaak hebben, zo komt het tot mij, dat ik richte tussen de man en tussen zijn naaste; en dat ik hun bekend make Gods instellingen en Zijn wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v16)

**17** Maar de schoonvader van Mozes zei tot hem:[^exodus-18-17-20] De zaak is niet goed, die u doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v17)

**18** [^exodus-18-18-21] U zult geheel vervallen,[^exodus-18-18-22] zo u, als dit volk, dat bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, u alleen kunt het niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v18)

**19** Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn;[^exodus-18-19-23] wees u voor het volk bij God, en breng u de zaken voor God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v19)

**20** En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend de weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v20)

**21** Maar zie u om, onder al het volk, naar[^exodus-18-21-24] kloeke mannen, God vrezende,[^exodus-18-21-25] waarachtige mannen, de gierigheid hatende;[^exodus-18-21-26] stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v21)

**22** Dat zij dit volk altijd richten; maar het gebeure, dat zij alle grote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht zo uzelf, en laat hen met u dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v22)

**23** Als u deze zaak doet, en God het u gebiedt, zo zult u kunnen bestaan; zo zal ook al dit volk in vrede[^exodus-18-23-27] aan zijn plaats komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v23)

**24** [^exodus-18-24-d] Mozes nu hoorde naar de stem van zijn schoonvader, en[^exodus-18-24-28] hij deed alles, wat hij gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v24)

**25** En Mozes verkoos[^exodus-18-25-29] kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v25)

**26** Dat zij altijd over het volk rechtspraken, de moeilijke zaken tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v26)

**27** Toen liet Mozes zijn schoonvader trekken; en hij ging naar[^exodus-18-27-30] zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/18.html#v27)

[^exodus-18-1-a]: Verwijzing a: Ex. 2:16 ; Ex. 3:1 . Exodus 2:16 : En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb.
[^exodus-18-2-1]: Kanttekening 1: wedergezonden had): Hebreeuws, na haar wederomzending.
[^exodus-18-3-2]: Kanttekening 2: Te weten, Zippora.
[^exodus-18-3-b]: Verwijzing b: Ex. 2:22 . Exodus 2:22 : Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.
[^exodus-18-3-3]: Kanttekening 3: hij zei: Te weten, Mozes, toen hij het kind die naam gaf.
[^exodus-18-3-4]: Kanttekening 4: vreemd land): Te weten, in het land Midian.
[^exodus-18-5-5]: Kanttekening 5: berg van God: Dit was de berg Horeb, op welke God de wet aan Mozes gegeven heeft.
[^exodus-18-6-6]: Kanttekening 6: zei hij tot Mozes: Dat is, hij ontbood door degenen, die hij vooruit schikte.
[^exodus-18-7-7]: Kanttekening 7: de één de ander: Hebreeuws, de man zijn naaste, of, gezel.
[^exodus-18-7-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, vrede. Zie Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^exodus-18-7-9]: Kanttekening 9: naar de tent: Te weten, naar de tent van Mozes.
[^exodus-18-8-10]: Kanttekening 10: ontmoet was: Hebreeuws, gevonden had.
[^exodus-18-11-11]: Kanttekening 11: Versta hier de afgoden van de heidenen, die goden genoemd worden, maar zij zijn het niet inderdaad.
[^exodus-18-11-12]: Kanttekening 12: De zin van deze woorden is, dat de Egyptenaars, menende door de hulp van hun goden het volk van God te vernielen, door God in het Rode meer gestort zijn, tot spijt en schande van al hun afgoden, waarop zij vertrouwd hadden.
[^exodus-18-11-c]: Verwijzing c: Ex. 1:10 ; idem 1:16 ; idem 1:22 ; Ex. 5:7 ; Ex. 14:18 . Exodus 1:10 : Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelfde handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. Exodus 1:16 : En zei: Wanneer u de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! Exodus 1:22 : Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden. Exodus 5:7 : U zult voortaan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen. Exodus 14:18 : En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren.
[^exodus-18-11-13]: Kanttekening 13: boven hen: Dat is, Hij overtrof en overwon hen.
[^exodus-18-12-14]: Kanttekening 14: Dat is, om aan God te offeren.
[^exodus-18-12-15]: Kanttekening 15: brood te eten: Brood eten, is hier te zeggen een feestelijken maaltijd houden.
[^exodus-18-12-16]: Kanttekening 16: voor het aangezicht van God: Dat is, in de vrees voor de Heer, de Heer voor ogen hebbende; of voor de majesteit van God, verschijnende in de wolkkolom; vergelijk Deut. 12:7 , en Deut. 27:7 . Deuteronomium 12:7 : En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uw God, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft. Deuteronomium 27:7 : Ook zult u dankofferen offeren, en zult daar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God.
[^exodus-18-14-17]: Kanttekening 17: het volk deed: Dat is, hoe hij zich tegenover het volk gedroeg.
[^exodus-18-14-18]: Kanttekening 18: Zonder bijzitters in het gericht.
[^exodus-18-15-19]: Kanttekening 19: God raad te vragen: Anders, om God te zoeken; dat is, zij vragen mij wat met de wil en het bevel Gods overeenkomt. Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^exodus-18-17-20]: Kanttekening 20: niet goed: Te weten, op die wijze, dat u het alleen doet.
[^exodus-18-18-21]: Kanttekening 21: U zult geheel vervallen: Dit is een manier van spreken bij gelijkenis van bloemen, bladen of kruiden genomen; zie Deut. 1:9 , 1:12 . Jethro wil zeggen dat Mozes zich afsloofde, doordien hij al de zaken van het volk zelf verhoorde en richtte; het volk werd ook afgemarteld en verdrietig, doordien het lang moest wachten, voordat het gehoord kon worden. Anders, afgaan, bezwijken. Hebreeuws, u zult verwelkende verwelken. Deuteronomium 1:9 : En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen. Deuteronomium 1:12 : Hoe zou ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?
[^exodus-18-18-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, ook u, ook dit volk.
[^exodus-18-19-23]: Kanttekening 23: Alsof hij zeggen wilde: Het is genoeg dat u u in grote en gewichtige zaken laat gebruiken, waarin men God zelf om raad vragen moet; waarvan te lezen is Num. 15:33 , 15:34 , en Num. 27:5 , 27:6 . Andere kleine zaken, laat die anderen verrichten. Numeri 15:33 : En die hem vonden, hout lezende, brachten hem tot Mozes, en tot Aäron, en tot de gehele vergadering. Numeri 15:34 : En zij stelden hem in bewaring; want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden. Numeri 27:5 : En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht van YHWH. Numeri 27:6 : En YHWH sprak tot Mozes, zeggende:
[^exodus-18-21-24]: Kanttekening 24: kloeke mannen: Anders, sterke, dappere, geharde mannen. Zie Gen. 47:6 . Genesis 47:6 : Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb.
[^exodus-18-21-25]: Kanttekening 25: waarachtige mannen: Hebreeuws, mannen van de waarheid of, getrouwheid.
[^exodus-18-21-26]: Kanttekening 26: stel ze over hen: Tot deze deugden, die in de regeerders van landen en steden vereist worden, voegt Mozes nog enige er bij, Ex. 23:6 ; Deut. 1:16 , en Deut. 16:18 ; zie ook 2 Kron. 19:7 , en Jes. 33:15 . Exodus 23:6 : U zult het recht van uw armen niet buigen in zijn twistige zaak. Deuteronomium 1:16 : En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling. Deuteronomium 16:18 : Rechters en ambtlieden zult u u stellen in al uw poorten, die YHWH, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Jesaja 33:15 : Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die de winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
[^exodus-18-23-27]: Kanttekening 27: aan zijn plaats komen: Te weten, in het land Kanaän; of elk tot zijn huis, hebbende een einde aan hun zaak gekregen, zonder te wachten van 's morgens tot 's avonds. Aldus wordt iemands huis genoemd zijn plaats, Richt. 7:7 , en Richt. 9:55 , en Richt. 19:28 , 19:29 . Richteren 7:7 : En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats. Richteren 9:55 : Als nu de mannen van Israël zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij ieder naar zijn plaats. Richteren 19:28 : En hij zei tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op de ezel, en de man maakte zich op, en toog naar zijn plaats. Richteren 19:29 : Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle gebied van Israël.
[^exodus-18-24-d]: Verwijzing d: Deut. 1:9 . Deuteronomium 1:9 : En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.
[^exodus-18-24-28]: Kanttekening 28: deed alles: Te weten, nadat God hem zulks had bevolen, Num. 11:16 , en nadat hij het aan het volk had voorgedragen, Deut. 1:14 . Numeri 11:16 : En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en zijn ambtlieden zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. Deuteronomium 1:14 : Toen antwoordde u mij, en zeide: Dit woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen.
[^exodus-18-25-29]: Kanttekening 29: kloeke mannen: Welke last en les Mozes deze mannen gegeven heeft, zie Deut. 1:16 , 1:17 . Deuteronomium 1:16 : En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling. Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
[^exodus-18-27-30]: Kanttekening 30: zijn land: Te weten, Midian.

### Exodus 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/19.json)

*De Israëlieten komen in de woestijn Sinaï, in de derde maand nadat zij uit Egypte getrokken waren, vers 1 enz. Mozes klimt op tot God op die berg, 3. Daar beveelt God hem wat hij het volk zal aanzeggen, 3. Het volk belooft de woorden van God te gehoorzamen, wat Mozes de HEERE weer bericht, 8. Het volk wordt geheiligd tegen de derde dag, 10. Het mocht de berg niet naderen, 12. De verschrikkelijke tegenwoordigeid van God op de berg, 16. God spreekt met Mozes, 19. Het volk, 21. ja ook de priesters, wordt opnieuw verboden de berg te naderen, totdat zij zich geheiligd zouden hebben, 22. Alleen Mozes en Aäron wordt bevolen op te klimmen tot de HEERE, 24. wat zij doen, 25.*

**1** [^exodus-19-1-1] In de derde[^exodus-19-1-2] maand, na het uittrekken van de Israëlieten uit Egypteland,[^exodus-19-1-3] op diezelfde dag kwamen zij in de[^exodus-19-1-4] woestijn Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v1)

**2** Want zij trokken uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij sloegen hun kamp op in de woestijn. Israël sloeg zijn kamp op daar tegenover[^exodus-19-2-5] die berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v2)

**3** [^exodus-19-3-a] En Mozes klom op[^exodus-19-3-6] tot God. En YHWH riep tot hem[^exodus-19-3-7] van de berg, zeggende: Zo zult u tot het huis van Jakob spreken, en de Israëlieten verkondigen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v3)

**4** [^exodus-19-4-b] U hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb;[^exodus-19-4-8] hoe Ik u op vleugels van de adelaars gedragen, en u[^exodus-19-4-9] tot Mij gebracht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v4)

**5** Nu dan, als u[^exodus-19-5-10] ijverig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden,[^exodus-19-5-c] zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want[^exodus-19-5-11][^exodus-19-5-d] de hele aarde is van Mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v5)

**6** [^exodus-19-6-e] En u zult Mij[^exodus-19-6-12] een priesterlijk koninkrijk, en een[^exodus-19-6-13] heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de Israëlieten spreken zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v6)

**7** En Mozes[^exodus-19-7-14] kwam en riep de oudsten van het volk, en stelde voor hun aangezichten al deze[^exodus-19-7-15] woorden, die YHWH hem geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v7)

**8** Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zei:[^exodus-19-8-f] Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v8)

**9** En YHWH zei tegen Mozes: Zie, Ik zal tot u komen[^exodus-19-9-16] in een dichte wolk, zodat het volk het hoort wanneer Ik met u spreek, en dat zij ook[^exodus-19-9-17] voor altijd in u geloven. Want Mozes had YHWH de woorden van het volk bekendgemaakt.[^exodus-19-9-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v9)

**10** Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en[^exodus-19-10-19] heilig hen vandaag en morgen, en dat zij hun kleren wassen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v10)

**11** En bereid zijn tegen de derde dag; want[^exodus-19-11-20] op de derde dag zal YHWH voor de ogen van al het volk[^exodus-19-11-21] afkomen, op de berg Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v11)

**12** En stel voor het volk rondom een grens, zeggende: Pas op dat u niet de berg op klimt, en zijn einde aan te roeren;[^exodus-19-12-23] al wie de berg aanroert,[^exodus-19-12-24] zal zeker gedood worden.[^exodus-19-12-g][^exodus-19-12-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v12)

**13** Geen hand zal hem aanroeren, maar[^exodus-19-13-25] hij[^exodus-19-13-26] zal zeker gestenigd, of zeker doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven.[^exodus-19-13-27] Als de ramshoorn[^exodus-19-13-28] langzaam gaat, zullen zij[^exodus-19-13-29] op de berg klimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v13)

**14** Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en[^exodus-19-14-30] hij heiligde het volk; en zij wasten hun kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v14)

**15** En hij zei tot het volk: Wees gereed[^exodus-19-15-31] tegen de derde dag,[^exodus-19-15-h] en nadert niet tot de vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v15)

**16** En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen was,[^exodus-19-16-i] dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk,[^exodus-19-16-32] en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v16)

**17** En Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet;[^exodus-19-17-k] en zij stonden[^exodus-19-17-33] aan het onderste van de berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v17)

**18** [^exodus-19-18-l] En de hele berg Sinaï rookte, omdat YHWH daarop neerkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de hele berg beefde zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v18)

**19** Toen het geluid van de bazuin gaande was en steeds sterker werd, sprak Mozes, en God antwoordde hem[^exodus-19-19-34] met een stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v19)

**20** Als YHWH neergekomen was op de berg Sinaï,[^exodus-19-20-35] op de spits van de berg, zo riep YHWH Mozes op de spits van de berg; en Mozes klom op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v20)

**21** En YHWH zei tot Mozes: Ga af,[^exodus-19-21-36] betuig dit volk, dat zij niet[^exodus-19-21-37] doorbreken tot YHWH, om te zien, en velen van hen[^exodus-19-21-38] vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v21)

**22** Daartoe zullen[^exodus-19-22-39] ook de priesters,[^exodus-19-22-40] die tot YHWH naderen, zich heiligen, dat YHWH niet tegen hen uitbreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v22)

**23** Toen zei Mozes tot YHWH: Het volk zal op de berg Sinaï niet kunnen klimmen, want U hebt ons betuigd, zeggende: Voorzie de berg van grenspalen, en[^exodus-19-23-41] heilig hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v23)

**24** YHWH dan zei tot hem:[^exodus-19-24-42] Ga heen, klim af, daarna zult u, en Aäron met u, opklimmen; maar dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot YHWH, dat Hij tegen hen niet uitbreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v24)

**25** Toen klom Mozes af tot het volk, en[^exodus-19-25-43] zei het hun aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/19.html#v25)

[^exodus-19-1-1]: Kanttekening 1: Dit was het 430e jaar na het sluiten van het verbond met Abraham. Genesis 15 en 17.
[^exodus-19-1-2]: Kanttekening 2: (Of: nieuwe maan) genaamd Sivan bij de Joden, die gedeeltelijk in onze mei en gedeeltelijk in onze juni valt.
[^exodus-19-1-3]: Kanttekening 3: Nadat zij waren opgebroken vanuit Rafidim, wat de eerste dag van de maand was. (Vgl. Ezechiël 46:1, 6.) De 47e dag na Pesach, of de uittocht uit Egypte.
[^exodus-19-1-4]: Kanttekening 4: Dit is een berg in Arabië, Galaten 4:25, gelegen in een woestijn, Handelingen 7:30.
[^exodus-19-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk de berg Sinaï.
[^exodus-19-3-a]: Verwijzing a: Handelingen 7:38.
[^exodus-19-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: tot de wolkkolom op de berg.
[^exodus-19-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk van de top van de berg, terwijl Mozes op een lager deel van diezelfde berg was.
[^exodus-19-4-b]: Verwijzing b: Deuteronomium 29:2 en 32:11.
[^exodus-19-4-8]: Kanttekening 8: Hij wil zeggen: zoals een adelaar zijn jongen op zijn rug draagt, zo heb Ik u haastig en zeker uit het land Egypte gedragen. Zie Deuteronomium 32:11.
[^exodus-19-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: naar de plaats van Mijn aanwezigheid, en naar de gelegenheid waar u Mij kunt dienen.
[^exodus-19-5-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: gehoorzamende zult gehoorzamen.
[^exodus-19-5-c]: Verwijzing c: Deuteronomium 7:6 en 10:14-15 en 14:2 en 26:18. Psalm 135:4. Jesaja 41:8. Titus 2:14.
[^exodus-19-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk met alles wat daarin is.
[^exodus-19-5-d]: Verwijzing d: Psalm 24:1.
[^exodus-19-6-e]: Verwijzing e: 1 Petrus 2:9.
[^exodus-19-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: een koninkrijk van priesters, dat wil zeggen: een rijk bestaande uit priesters en koningen.
[^exodus-19-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: afgezonderd voor de dienst aan God.
[^exodus-19-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk van de berg naar het volk.
[^exodus-19-7-15]: Kanttekening 15: Of: zaken.
[^exodus-19-8-f]: Verwijzing f: Exodus 24:3.
[^exodus-19-9-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: in de dikte van de wolk.
[^exodus-19-9-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: hun leven lang.
[^exodus-19-9-18]: Kanttekening 18: Zie hierboven hoofdstuk 14, vers 31.
[^exodus-19-10-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: beveel hen, en let u met de oudsten van het volk er nauwlettend op toe, dat zij zich op heilige wijze voorbereiden om Mijn geboden te ontvangen. Zie verder Leviticus 11, op vers 45.
[^exodus-19-11-20]: Kanttekening 20: Dit was de vijftigste dag na Pesach, die daarom door de Grieken pentecoste wordt genoemd (van het Griekse woord voor "vijftigste dag"). Wij noemen die dag Pinksteren.
[^exodus-19-11-21]: Kanttekening 21: Verschijnende in de wolkkolom, vers 9 en 16.
[^exodus-19-12-23]: Kanttekening 23: Of: al wat.
[^exodus-19-12-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: zal stervende gedood worden.
[^exodus-19-12-g]: Verwijzing g: Hebreeën 12:18.
[^exodus-19-12-22]: Kanttekening 22: Of: grens, rand.
[^exodus-19-13-25]: Kanttekening 25: Verstaat: mens of dier, dat de berg heeft aangeraakt.
[^exodus-19-13-26]: Kanttekening 26: God wil zeggen: is hij dichtbij, dan zal men hem stenigen; is hij ver weg, dan zal men hem doorschieten.
[^exodus-19-13-27]: Kanttekening 27: Er was geen echte ramshoorn, maar men hoorde een geluid als van een ramshoorn.
[^exodus-19-13-28]: Kanttekening 28: Namelijk in één toon, of een gelijkmatig geluid, zoals aan het einde van de gezangen gebruikelijk is.
[^exodus-19-13-29]: Kanttekening 29: Maar wel blijvende beneden aan de voet van de berg, vers 17. Namelijk zo dichtbij, dat zij de Wet konden horen afkondigen.
[^exodus-19-14-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: hij beval dat zij zich zouden heiligen, zoals vers 10.
[^exodus-19-15-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: na drie dagen.
[^exodus-19-15-h]: Verwijzing h: 1 Samuel 21:4. 1 Korintiërs 7:5.
[^exodus-19-16-i]: Verwijzing i: Hebreeën 12:18.
[^exodus-19-16-32]: Kanttekening 32: Zie hierboven vers 13.
[^exodus-19-17-k]: Verwijzing k: Deuteronomium 4:10-11.
[^exodus-19-17-33]: Kanttekening 33: Maar zo dat zij de berg niet aanraakten en de gestelde grens niet overschreden, vers 12.
[^exodus-19-18-l]: Verwijzing l: Richteren 5:4. Psalm 68:6 en 114:4. Habakuk 3:10.
[^exodus-19-19-34]: Kanttekening 34: Of: in een stem, dat wil zeggen: op een zachtere manier dan de donder en het angstaanjagende geluid van de bazuin. Dit deed God om Mozes te bemoedigen, die eerst erg verschrikt en angstig was. Hebreeën 12:21.
[^exodus-19-20-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws: op het hoofd.
[^exodus-19-21-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: belast hen zwaar en scherp het hun in.
[^exodus-19-21-37]: Kanttekening 37: Namelijk door de afbakening die voor hen gesteld is.
[^exodus-19-21-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: gedood worden door YHWH, zoals Hij dreigt in vers 12. Zie de manier van spreken in Genesis 14:10; 1 Korintiërs 10:8, enz.
[^exodus-19-22-39]: Kanttekening 39: Verstaat hier de eerstgeborenen, die God de Heer voor Zichzelf geheiligd had, en die vóór de afscheiding van de stam Levi het priesterdom in de families plachten te bedienen. Exodus 13:2 en 24:5. In wier plaats Hij later de stam Levi verkoos. Numeri 8:14, enz.
[^exodus-19-22-40]: Kanttekening 40: Zie Leviticus 10:3.
[^exodus-19-23-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: zeg het volk, dat zij deze berg vanwege Mijn aanwezigheid als heilig beschouwen, en er daarom niet bij naderen.
[^exodus-19-24-42]: Kanttekening 42: Namelijk om Mijn verbod aan het volk te verkondigen; daarna moeten u en Aäron weer tot Mij opklimmen.
[^exodus-19-25-43]: Kanttekening 43: Namelijk wat YHWH hem geboden had.

### Exodus 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/20.json)

*God geeft Mozes de Tien Geboden op de berg Sinaï, vers 1 enz. Met donder, bliksem, geluid van bazuinen enz. waardoor het volk verschrikte, 18. Mozes troost hen, 20. God verbiedt hun zeer ernstig alle afgoderij, 23. Hoe God wilde dat men Hem een altaar zou bouwen, 24.*

**1** Toen[^exodus-20-1-1] sprak God al[^exodus-20-1-2] deze woorden, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v1)

**2** Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland,[^exodus-20-2-3][^exodus-20-2-a] uit het diensthuis, uitgeleid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v2)

**3** U zult[^exodus-20-3-4] geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v3)

**4** [^exodus-20-4-5][^exodus-20-4-b] U zult u geen gesneden beeld, noch enige afbeelding maken, van[^exodus-20-4-6] wat boven in de hemel is, noch van wat onder[^exodus-20-4-7] op de aarde is, noch van[^exodus-20-4-8] wat in de wateren onder de aarde is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v4)

**5** U zult u voor die niet buigen, noch[^exodus-20-5-9] hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben[^exodus-20-5-10] een jaloers God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan[^exodus-20-5-11] de kinderen,[^exodus-20-5-12] aan het derde, en aan het vierde[^exodus-20-5-13] geslacht van degenen, die Mij haten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v5)

**6** En doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v6)

**7** [^exodus-20-7-c] U zult de naam van YHWH van uw God niet[^exodus-20-7-14] zinloos gebruiken; want YHWH zal niet[^exodus-20-7-15] onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v7)

**8** [^exodus-20-8-d] Gedenk de sabbatdag,[^exodus-20-8-16] dat u die heiligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v8)

**9** [^exodus-20-9-e] Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v9)

**10** Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw[^exodus-20-10-17] dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v10)

**11** Want[^exodus-20-11-f] in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en[^exodus-20-11-18] heiligde dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v11)

**12** [^exodus-20-12-g] Eer uw vader en uw moeder[^exodus-20-12-19], opdat uw dagen verlengd worden in het land dat YHWH, uw God, u geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v12)

**13** [^exodus-20-13-h] U zult niet doodslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v13)

**14** [^exodus-20-14-i] U zult niet echtbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v14)

**15** U zult niet stelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v15)

**16** U zult geen vals getuigenis[^exodus-20-16-20] spreken tegen uw[^exodus-20-16-21] naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v16)

**17** [^exodus-20-17-k] U zult niet begeren[^exodus-20-17-22] het huis van uw naaste; u zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v17)

**18** En al het volk zag de donderen, en de[^exodus-20-18-23] bliksemen, en het geluid van de bazuin, en de rokenden berg; toen het volk dat zag,[^exodus-20-18-24] weken zij af, en stonden van verre; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v18)

**19** [^exodus-20-19-l] En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v19)

**20** En Mozes zei tot het volk: Vrees niet, want God is gekomen,[^exodus-20-20-25] opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vrees voor uw aangezicht zou zijn, dat u niet zondigde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v20)

**21** [^exodus-20-21-m] En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v21)

**22** Toen zei YHWH tot Mozes: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: U hebt gezien,[^exodus-20-22-26] dat Ik met u van de hemel gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v22)

**23** U zult naast Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult u zich niet maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v23)

**24** [^exodus-20-24-n] Maak Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw[^exodus-20-24-27] brandoffers, en uw[^exodus-20-24-28] dankoffers, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats,[^exodus-20-24-29] waar Ik een herinnering aan Mijn Naam stichten zal,[^exodus-20-24-30] zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v24)

**25** [^exodus-20-25-o] Maar als u Mij[^exodus-20-25-31] een stenen altaar zult maken, zo zult u dit niet bouwen van gehouwen steen; zo u uw houwijzer daarover verheft, zo zult u het ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v25)

**26** U zult ook niet[^exodus-20-26-32] met trappen tot Mijn altaar[^exodus-20-26-33] opklimmen, opdat uw schaamte[^exodus-20-26-34] voor hetzelfde niet ontbloot wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/20.html#v26)

[^exodus-20-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk nadat Mozes en Aäron op de berg geklommen waren. Zie hierboven hoofdstuk 19:24.
[^exodus-20-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: deze navolgende tien Geboden.
[^exodus-20-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: uit het huis van de dienaren.
[^exodus-20-2-a]: Verwijzing a: Exodus 13:3. Deuteronomium 5:6. Psalm 81:10.
[^exodus-20-3-4]: Kanttekening 4: Anders: geen andere God.
[^exodus-20-4-5]: Kanttekening 5: Hiertegen strijdt niet dat Mozes op Gods bevel de cherubim maakte (Exodus 25:18) en de koperen slang (Numeri 21:8, enz.), want dat is niet gedaan om daaraan enige godsdienstige eer te bewijzen.
[^exodus-20-4-b]: Verwijzing b: Leviticus 26:1. Psalm 97:7.
[^exodus-20-4-6]: Kanttekening 6: Zoals zon, maan, sterren, vogels (Deuteronomium 4:19); verstaat hieronder ook de engelen (Kolossenzen 2:18).
[^exodus-20-4-7]: Kanttekening 7: Zoals mensen, viervoetige of kruipende dieren (Deuteronomium 4:16-17. Jesaja 44:13. Ezechiël 23:14).
[^exodus-20-4-8]: Kanttekening 8: Zoals vissen, slangen, draken, krokodillen, schildpadden. Zie Deuteronomium 4:18 en Jesaja 41:29.
[^exodus-20-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk noch de afgoden zelf, noch Mij door middel van hen. Zoals Exodus 32:4, 6, door het gouden kalf; en daarna de tien stammen door de twee gouden kalveren (1 Koningen 12:28).
[^exodus-20-5-10]: Kanttekening 10: God wordt een man van Zijn volk genoemd (Jeremia 2:2. Hosea 2:19). Afgoderij wordt hoererij genoemd (Deuteronomium 31:16. Richteren 2:17. Jeremia 3:9, 20). Daarom wordt Gods toorn over deze zonde jaloezie genoemd.
[^exodus-20-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: nakomelingen, namelijk zodanigen die de voetsporen van hun vaderen volgende, ook de zonde van afgoderij begaan.
[^exodus-20-5-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: aan de derde en aan de vierde.
[^exodus-20-5-13]: Kanttekening 13: Of: geslacht.
[^exodus-20-7-c]: Verwijzing c: Leviticus 19:12. Mattheüs 5:33.
[^exodus-20-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws: tot ijdelheid opnemen. Zie Psalm 15:3 en 16:4 en 50:16.
[^exodus-20-7-15]: Kanttekening 15: Of: ongestraft.
[^exodus-20-8-d]: Verwijzing d: Ezechiël 20:12.
[^exodus-20-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: zondert het af van uw gewone werk, of dagelijkse arbeid die behoort tot dit tijdelijke leven, en besteed de dag om God te dienen met heilige werken die de eer van God en het eeuwige en geestelijke leven betreffen.
[^exodus-20-9-e]: Verwijzing e: Exodus 23:12 en 34:21. Lucas 13:14.
[^exodus-20-10-17]: Kanttekening 17: Zoals os, ezel, paard, kameel, olifant, enz.
[^exodus-20-11-f]: Verwijzing f: Genesis 2:2.
[^exodus-20-11-18]: Kanttekening 18: Zie Genesis 2:3.
[^exodus-20-12-g]: Verwijzing g: Mattheüs 15:4. Efeziërs 6:2.
[^exodus-20-12-19]: Kanttekening 19: Anders: opdat zij uw dagen verlengen; namelijk vader en moeder, door hun gebed of zegen, die veel bij God vermogen, zoals ook omgekeerd hun vloek.
[^exodus-20-13-h]: Verwijzing h: Mattheüs 5:21.
[^exodus-20-14-i]: Verwijzing i: Mattheüs 5:27.
[^exodus-20-16-20]: Kanttekening 20: Anders: antwoorden.
[^exodus-20-16-21]: Kanttekening 21: Door het woord "naaste" moet men hier alle mensen verstaan, zoals in Genesis 11:3. Esther 1:19. Spreuken 18:17. Zie Lucas 10:29, 36, ja zelfs uw vijand.
[^exodus-20-17-k]: Verwijzing k: Romeinen 7:7.
[^exodus-20-17-22]: Kanttekening 22: Vgl. Deuteronomium 5:21.
[^exodus-20-18-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: eigenlijk lampen, dat wil zeggen: bliksem.
[^exodus-20-18-24]: Kanttekening 24: Namelijk van de berg.
[^exodus-20-19-l]: Verwijzing l: Deuteronomium 5:25. Hebreeën 12:19.
[^exodus-20-20-25]: Kanttekening 25: Namelijk of u Zijn geboden zult gehoorzamen, zoals u in hoofdstuk 19:8 beloofd hebt. Zie Genesis 22:1.
[^exodus-20-21-m]: Verwijzing m: Exodus 19:16. Hebreeën 12:18.
[^exodus-20-22-26]: Kanttekening 26: Namelijk op de berg Sinaï. Zie Deuteronomium 4:36 en Nehemia 9:13.
[^exodus-20-24-n]: Verwijzing n: Exodus 27:1 en 38:1.
[^exodus-20-24-27]: Kanttekening 27: Zie Genesis 8:20.
[^exodus-20-24-28]: Kanttekening 28: Zie Leviticus 3:1.
[^exodus-20-24-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: daar Ik Mijn naam zal doen gedenken.
[^exodus-20-24-30]: Kanttekening 30: Namelijk om u Mijn gunst en liefde te betonen.
[^exodus-20-25-o]: Verwijzing o: Deuteronomium 27:5. Jozua 8:30-31.
[^exodus-20-25-31]: Kanttekening 31: Later is het altaar van acaciahout geweest (Exodus 27:1) en daarna van koper (1 Koningen 8:64).
[^exodus-20-26-32]: Kanttekening 32: Toch was dit altaar drie el hoog (Exodus 27:1) en Salomons altaar was tien el hoog (2 Kronieken 4:1). Er waren geen trappen om op te klimmen, maar de aarde was zodanig opgehoogd, dat de priester geleidelijk, als op een heuvel omhoog, klom om voor het altaar te komen en door iedereen gezien te worden.
[^exodus-20-26-33]: Kanttekening 33: Later heeft God verordend dat de priesters linnen onderbroeken zouden dragen (Exodus 28:42-43).
[^exodus-20-26-34]: Kanttekening 34: Namelijk voor het altaar.

### Exodus 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/21.json)

*Wetten aangaande de slaven, vers 1 enz. Knechten van wie het oor doorboord is, 5. Rechten voor slavinnen, 7. Over doodslagers, 12. Over mensendieven, 16. Over hen die hun ouders vervloeken, 17. Over hen die slaan, 18. Over hen die een zwangere vrouw verwonden, 22. Over een meester die zijn knecht of slavin een oog of tand uitslaat, 26. Over een stotige os, 28. Over hen die door het graven van een put de os van hun naaste beschadigen, 33.*

**1** Dit nu zijn[^exodus-21-1-1] de rechten, die u[^exodus-21-1-2] hun zult voorstellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v1)

**2** Als u[^exodus-21-2-3][^exodus-21-2-a] een Hebreeuwse[^exodus-21-2-4] knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v2)

**3** Als hij[^exodus-21-3-5] met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; als hij[^exodus-21-3-6] een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v3)

**4** Als hem zijn heer[^exodus-21-4-7] een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen van haar heer zijn, en hij zal[^exodus-21-4-8] met zijn lijf uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v4)

**5** [^exodus-21-5-b] Maar als de knecht[^exodus-21-5-9] ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik[^exodus-21-5-10] wil niet vrij uitgaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v5)

**6** Zo zal hem zijn heer tot[^exodus-21-6-11] de rechters brengen, daarna zal hij hem[^exodus-21-6-12] aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem[^exodus-21-6-13] zijn oor doorboren, en hij zal hem[^exodus-21-6-14] eeuwig dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v6)

**7** Wanneer nu[^exodus-21-7-15] iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, zoals[^exodus-21-7-16] de knechten uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v7)

**8** Als zij[^exodus-21-8-17] kwalijk bevalt in de ogen van haar heer, dat[^exodus-21-8-18] hij haar niet ondertrouwd heeft, zo moet hij haar laten vrijkopen; aan een vreemd volk haar te verkopen is hem niet toegestaan, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v8)

**9** Maar als hij haar aan zijn zoon ondertrouwt,[^exodus-21-9-19] zo zal hij met haar doen naar het recht van de dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v9)

**10** Als hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar voedsel, haar deksel, en haar[^exodus-21-10-20] huwelijksplicht[^exodus-21-10-21] niet onttrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v10)

**11** En als hij haar[^exodus-21-11-22] deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v11)

**12** [^exodus-21-12-c] Wie iemand slaat, dat hij sterft,[^exodus-21-12-23] die zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v12)

**13** Maar die hem niet[^exodus-21-13-24] nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u[^exodus-21-13-25] een plaats bestellen, waar hij heen vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v13)

**14** Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde[^exodus-21-14-26] van voor Mijn altaar nemen,[^exodus-21-14-27] dat hij sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v14)

**15** [^exodus-21-15-d] Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v15)

**16** Verder, zo wie[^exodus-21-16-28] een mens steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v16)

**17** [^exodus-21-17-e] Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v17)

**18** En wanneer mannen twisten, en[^exodus-21-18-29] de één slaat de ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v18)

**19** Als hij weer opstaat, en op straat gaat bij zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg,[^exodus-21-19-30] onschuldig zijn;[^exodus-21-19-31] alleen zal hij geven[^exodus-21-19-32] wat hij verzuimd heeft, en hij zal hem[^exodus-21-19-33] volkomen laten helen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v19)

**20** Wanneer ook iemand[^exodus-21-20-34] zijn dienaar of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij[^exodus-21-20-35] onder zijn hand sterft, die zal zeker[^exodus-21-20-36] gewroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v20)

**21** Zo hij toch een dag of twee dagen[^exodus-21-21-37] overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij[^exodus-21-21-38] is zijn geld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v21)

**22** Wanneer nu mannen kijven,[^exodus-21-22-39] en slaan een zwangere vrouw, dat haar[^exodus-21-22-40] de vrucht afgaat, maar[^exodus-21-22-41] geen dodelijk verderf zij, zo[^exodus-21-22-42] zal[^exodus-21-22-43] hij zeker gestraft worden, zoals hem de man van de vrouw oplegt, en hij zal het geven door[^exodus-21-22-44] de rechters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v22)

**23** Maar als[^exodus-21-23-45] er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u[^exodus-21-23-46] geven[^exodus-21-23-47] ziel voor ziel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v23)

**24** [^exodus-21-24-f] Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v24)

**25** Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v25)

**26** Wanneer ook iemand het oog van zijn dienaar, of het oog van zijn dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hem[^exodus-21-26-48] vrij laten gaan voor zijn oog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v26)

**27** En als hij een tand van zijn dienaar, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn[^exodus-21-27-49] tand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v27)

**28** [^exodus-21-28-g] En wanneer[^exodus-21-28-50] een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os[^exodus-21-28-51] zeker gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van de[^exodus-21-28-52] os zal onschuldig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v28)

**29** Maar als de os te[^exodus-21-29-53] voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer[^exodus-21-29-54] zal ook gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v29)

**30** Als hem losgeld[^exodus-21-30-55] opgelegd wordt, zo zal hij tot losprijs van zijn ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v30)

**31** Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v31)

**32** Als de os een knecht of een dienstmaagd[^exodus-21-32-56] stoot, hij[^exodus-21-32-57] zal zijn heer[^exodus-21-32-58] dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v32)

**33** En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een[^exodus-21-33-59] os of ezel valt daarin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v33)

**34** De heer van de kuil zal het vergelden; hij zal aan de heer daarvan[^exodus-21-34-60] het geld terugkeren; maar het dode zal[^exodus-21-34-61] van hem wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v34)

**35** Wanneer nu iemands os de os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men de levende os verkopen, en het geld daarvan half en half delen, en de dode zal men ook half en half delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v35)

**36** Of is het bekend geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij[^exodus-21-36-62] in alle manier os voor os vergelden; maar de dode zal[^exodus-21-36-63] van hem wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/21.html#v36)

[^exodus-21-1-1]: Kanttekening 1: de rechten: Te weten, burgerlijke rechten, naar welke de rechters het volk van God moesten richten.
[^exodus-21-1-2]: Kanttekening 2: hun zult voorstellen: Te weten, het volk van Israël; maar in het bijzonder van de magistraten.
[^exodus-21-2-3]: Kanttekening 3: een Hebreeuwsen: Niemand mocht in Israël een Hebreeuwsen knecht kopen, tenzij iemand zich of zijn kinderen uit armoede verkocht, Deut. 15:12 ; Lev. 25:39 , of de overheid hem deed verkopen, vanwege begane dieverij, die hij niet wedergeven of vergelden kon, Ex. 22:3 . Deuteronomium 15:12 : Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf; Exodus 22:3 : Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij.
[^exodus-21-2-a]: Verwijzing a: Deut. 15:12 ; Jer. 34:14 . Deuteronomium 15:12 : Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. Jeremia 34:14 : Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een iedereen zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
[^exodus-21-2-4]: Kanttekening 4: knecht kopen zult: Versta hieronder ook de Hebreeuwse dienstmaagd, gelijk af te nemen is uit Deut. 15:12 ; Jer. 34:9 . Deuteronomium 15:12 : Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. Jeremia 34:9 : Dat een ieder zijn knecht, en een ieder zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broer, zou doen dienen.
[^exodus-21-3-5]: Kanttekening 5: met zijn lijf ingekomen zal zijn: Dat is, hij voor zijn persoon alleen zonder vrouw.
[^exodus-21-3-6]: Kanttekening 6: een getrouwd man was: Hebreeuws, de heer van een vrouw. Zie Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^exodus-21-4-7]: Kanttekening 7: een vrouw gegeven: Een heidense of uitlandse slavin, of dienstmaagd, want deze alleen mochten in slavernij gelaten worden, Lev. 25:44 ; maar met een Hebreeuwse vrouw mocht men zo niet handelen, gelijk blijkt uit vers 7 . Leviticus 25:44 : Aangaande uw slaaf of uw slavin, die u zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult u een slaaf of een slavin kopen. Exodus 21:7 : Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan.
[^exodus-21-4-8]: Kanttekening 8: met zijn lijf uitgaan: Want de kinderen, die van een slavin geboren werden, waren ook slaven of lijfeigenen, gelijk blijkt Gen. 21:10 ; Gal. 4:24 , 4:25 , enz. Genesis 21:10 : En zij zei tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. Galaten 4:24 : Dat dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het één van de berg Sina, tot dienstbaarheid barende, dat is Agar; Galaten 4:25 : Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
[^exodus-21-5-b]: Verwijzing b: Deut. 15:16 . Deuteronomium 15:16 : Maar het zal gebeuren, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, omdat het hem wel bij u is;
[^exodus-21-5-9]: Kanttekening 9: ronduit zeggen zal: Hebreeuws, zeggende zeggen zal.
[^exodus-21-5-10]: Kanttekening 10: wil niet vrij uitgaan: Hebreeuws, zal.
[^exodus-21-6-11]: Kanttekening 11: de goden brengen: Dat is, magistraten, rechters, overheden, gelijk Ps. 82:1 , 82:6 , en elders. Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden; Psalmen 82:6 : Ik heb wel gezegd: U bent goden; en u bent alle kinderen van de Allerhoogste;
[^exodus-21-6-12]: Kanttekening 12: aan de deur, of aan de post brengen: Te weten, aan de deur van het huis van de huisheer.
[^exodus-21-6-13]: Kanttekening 13: zijn oor doorboren: Daarmee aanwijzende dat hij aan het huis van zijn heer als gehecht was, en verbonden bleef om hem voortaan te dienen.
[^exodus-21-6-14]: Kanttekening 14: eeuwig dienen: Zie Deut. 15:17 . Deuteronomium 15:17 : Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^exodus-21-7-15]: Kanttekening 15: iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd: Hebreeuws, een man; versta dit van een Hebreeuwsen man.
[^exodus-21-7-16]: Kanttekening 16: de knechten uitgaan: Van welke vers 6 gesproken is. Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^exodus-21-8-17]: Kanttekening 17: kwalijk bevalt in de ogen haars heren: Hebreeuws, kwaad is.
[^exodus-21-8-18]: Kanttekening 18: dat hij haar niet ondertrouwd heeft: Anders, nadat hij haar voor zichzelven ondertrouwd heeft.
[^exodus-21-9-19]: Kanttekening 19: zo zal hij met haar doen naar het recht van de dochters: Dat is, hij zal haar een bruidsschat of huwelijksgoederen geven, gelijk de vaders hun dochters geven, Ex. 22:16 . Exodus 22:16 : Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij.
[^exodus-21-10-20]: Kanttekening 20: haar voedsel: Hebreeuws, haar vlees; dat is, voedsel.
[^exodus-21-10-21]: Kanttekening 21: haar huwelijksplicht niet onttrekken: Versta door de huwelijksplicht datgene, waarvan de apostel spreekt 1 Kor. 7:3 . Anders, bijwoning. 1 Korinthiërs 7:3 : De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en evenzo ook de vrouw aan de man.
[^exodus-21-11-22]: Kanttekening 22: deze drie dingen niet doet: Waarvan vers 10 , gesproken is. Exodus 21:10 : Als hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar voedsel, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken.
[^exodus-21-12-c]: Verwijzing c: Lev. 24:17 . Leviticus 24:17 : En als iemand enige ziel van de mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.
[^exodus-21-12-23]: Kanttekening 23: die zal zekerlijk gedood worden: Hebreeuws, stervende gedood worden.
[^exodus-21-13-24]: Kanttekening 24: nagesteld heeft: Dat is, met opzet gezocht.
[^exodus-21-13-25]: Kanttekening 25: een plaats bestellen: Zie van de steden, waarheen degenen, die onverhoeds een doodslag gedaan hadden, vluchten zouden, Num. 35:11 ; Deut. 19:2 ; Joz. 20:2 . Numeri 35:11 : Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft. Deuteronomium 19:2 : Zo zult u u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten. Jozua 20:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Geeft voor u de vrijsteden, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes.
[^exodus-21-14-26]: Kanttekening 26: van voor Mijn altaar nemen: Alsof Hij zei, ofschoon hij tot mijn altaar zijn toevlucht genomen had. Zie 1 Kon. 2:28 , 2:29 . 1 Koningen 2:28 : Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van YHWH, en vatte de hoornen van het altaar. 1 Koningen 2:29 : En het werd de koning Salomo aangezegd, dat Joab tot de tent van YHWH gevlucht was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val op hem aan.
[^exodus-21-14-27]: Kanttekening 27: dat hij sterve: Te weten, naar het oordeel van de overheid.
[^exodus-21-15-d]: Verwijzing d: Matt. 15:4 . Mattheüs 15:4 : Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
[^exodus-21-16-28]: Kanttekening 28: een mens steelt: Deut. 24:7 staat een zoon van Israël; dat is, een Israëliet. Deuteronomium 24:7 : Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broers, uit de kinderen van Israël, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen.
[^exodus-21-17-e]: Verwijzing e: Lev. 20:9 ; Spr. 20:20 ; Matt. 15:4 ; Mark. 7:10 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! Spreuken 20:20 : Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis. Mattheüs 15:4 : Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. Marcus 7:10 : Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
[^exodus-21-18-29]: Kanttekening 29: de één slaat de ander met een steen: Hebreeuws, een man; dat is, \[iemand\] zijn naasten slaat.
[^exodus-21-19-30]: Kanttekening 30: onschuldig zijn: Dat is aan het leven niet gestraft worden.
[^exodus-21-19-31]: Kanttekening 31: alleen zal hij geven: Dat is, hij zal hem voldoen omdat hij in zolang niet heeft kunnen arbeiden, noch zijn brood verdienen.
[^exodus-21-19-32]: Kanttekening 32: wat hij verzuimd heeft: Hebreeuws, zijn zitten; dat is de schade die hij geleden heeft, omdat hij niet heeft kunnen arbeiden.
[^exodus-21-19-33]: Kanttekening 33: volkomen laten helen: Hebreeuws, genezende genezen, of helende helen.
[^exodus-21-20-34]: Kanttekening 34: zijn dienaar of zijn dienstmaagd met een stok slaat: Die hij met zijn geld gekocht heeft, weshalve hij vers 21 zijn geld genoemd wordt. Maar met een Hebreeuwsen knecht had het veel een andere gelegenheid, gelijk te zien is Lev. 25:38 , 25:39 , 25:40 . Exodus 21:21 : Zo hij nochtans een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld. Leviticus 25:38 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij. Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf; Leviticus 25:40 : Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.
[^exodus-21-20-35]: Kanttekening 35: onder zijn hand sterft: Dat is, terwijl hij slaat.
[^exodus-21-20-36]: Kanttekening 36: gewroken worden: Te weten, van de Magistraat, die een wreker Gods is, Rom. 13:4 . Romeinen 13:4 : Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.
[^exodus-21-21-37]: Kanttekening 37: overeind blijft: Hebreeuws, staat hij.
[^exodus-21-21-38]: Kanttekening 38: hij is zijn geld: Dat is, hij is met zijn geld gekocht, en daarom is hij zijn eigendom, waarom het ook gelooflijk is, dat hij hem alleen heeft willen kastijden en niet doden. Anders, als hij zijn geld is; dat is, wanneer het zulk een knecht is, die met zijn geld gekocht is.
[^exodus-21-22-39]: Kanttekening 39: en slaan een zwangere vrouw: Te weten, beiden, of een van beiden.
[^exodus-21-22-40]: Kanttekening 40: de vrucht afgaat: Hebreeuws, haar kinderen.
[^exodus-21-22-41]: Kanttekening 41: geen dodelijk verderf zij: Versta, noch van de moeder, noch van de vrucht.
[^exodus-21-22-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, hij zal straffende gestraft worden.
[^exodus-21-22-43]: Kanttekening 43: hij zekerlijk gestraft worden: Te weten, wie de vrouw geslagen of gestoten heeft.
[^exodus-21-22-44]: Kanttekening 44: de rechters: Dat is, naar het oordeel van de rechters.
[^exodus-21-23-45]: Kanttekening 45: een dodelijk verderf zal zijn: Te weten, van de moeder of van haar vrucht.
[^exodus-21-23-46]: Kanttekening 46: Te weten, u beschadiger, of, u rechter.
[^exodus-21-23-47]: Kanttekening 47: ziel voor ziel: Dat is, leven om leven.
[^exodus-21-24-f]: Verwijzing f: Lev. 24:20 ; Deut. 19:21 ; Matt. 5:38 . Leviticus 24:20 : Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. Deuteronomium 19:21 : En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. Mattheüs 5:38 : U hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
[^exodus-21-26-48]: Kanttekening 48: vrij laten gaan voor zijn oog: Dat is, hij zal hem van zijn dienstbaarheid ontslaan.
[^exodus-21-27-49]: Kanttekening 49: Versta dit ook van de verlamming of kwetsing van andere ledematen van het lichaam.
[^exodus-21-28-g]: Verwijzing g: Gen. 9:5 . Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mensen, van de hand eens iegelijken zijn broers zal Ik de ziel van de mensen eisen.
[^exodus-21-28-50]: Kanttekening 50: een os een man of een vrouw stoot: Versta hier, onder de naam van os, ook stieren, koeien, bokken, rammen en andere beesten, die schade doen met hun hoornen, tanden, of klauwen, enz.
[^exodus-21-28-51]: Kanttekening 51: zekerlijk gestenigd worden: Hebreeuws, stenigende gestenigd worden. God wreekt het bloed van de mensen zelfs aan de beesten. Zie Gen. 9:5 . Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van een ieder van zijn broer zal Ik de ziel van de mens eisen.
[^exodus-21-28-52]: Kanttekening 52: zal onschuldig zijn: Te weten, zo zijn heer niet geweten heeft, dat de os stotig was.
[^exodus-21-29-53]: Kanttekening 53: te voren stotig geweest is: Hebreeuws, van gisteren, eergisteren; zo ook vers 36 , en elders. Exodus 21:36 : Of is het kennelijk geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij in alle manier os voor os vergelden; maar de dode zal van hem wezen.
[^exodus-21-29-54]: Kanttekening 54: zal ook gedood worden: Omdat hij niet verhinderd heeft de dood van zijn naaste, wat hij wel had kunnen doen.
[^exodus-21-30-55]: Kanttekening 55: opgelegd wordt: Te weten, van de rechters, nadat zij alle gelegenheid van de zaak naarstiglijk zullen onderzocht hebben.
[^exodus-21-32-56]: Kanttekening 56: hij zal: Te weten, die, wie de os toekomt.
[^exodus-21-32-57]: Kanttekening 57: zijn heer dertig: Te weten, de heer van de knecht of van de dienstmaagd.
[^exodus-21-32-58]: Kanttekening 58: zilverlingen geven: Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^exodus-21-33-59]: Kanttekening 59: os of ezel valt daarin: Versta hierbij ook andere beesten.
[^exodus-21-34-60]: Kanttekening 60: het geld terugkeren: Te weten, zo veel als het beest door de rechters of onpartijdigen zal geschat worden.
[^exodus-21-34-61]: Kanttekening 61: van hem wezen: Te weten, van de heer van de kuil.
[^exodus-21-36-62]: Kanttekening 62: in alle manier os voor os vergelden: Hebreeuws, wedergevende, wedergeven.
[^exodus-21-36-63]: Kanttekening 63: van hem wezen: Te weten, van dengene wiens os de ander gedood heeft.

### Exodus 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/22.json)

*Over diefstal, vers 1 enz. over schade die iemands beest in andermans land aanricht, 5. over schade die door het vuur ontstaat, 6. over schade aan goederen die men in bewaring heeft ontvangen, 7. over schade aan iets dat geleend is, 14. over een meisje dat tot hoererij verleid wordt, 16. over toverij, 18. over de onkuisheid met dieren, 19. over afgoderij, 20. dat men de vreemdelingen, weduwen noch wezen schade zal toebrengen, 21. over woeker, 25. over het in pand nemen van kleren, 26. over het eren van de overheid, 28. over de eerstelingen, 29. over het eten van de verscheurde dieren, 31.*

**1** Wanneer[^exodus-22-1-a] iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v1)

**2** Als een dief gevonden wordt[^exodus-22-2-1] in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft,[^exodus-22-2-2] het zal hem geen bloedschuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v2)

**3** [^exodus-22-3-3] Als de zon[^exodus-22-3-4] over hem opgegaan is, zo zal het[^exodus-22-3-5] hem een bloedschuld zijn; hij zal het[^exodus-22-3-6] volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v3)

**4** Als de diefstal levend[^exodus-22-4-7] in zijn hand[^exodus-22-4-8] voorzeker gevonden wordt,[^exodus-22-4-9] hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v4)

**5** Wanneer iemand een veld, of[^exodus-22-5-10] een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in van een ander veld weidt, die zal het van het beste van zijn veld en van het beste van zijn wijngaard wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v5)

**6** Wanneer een vuur uitgaat,[^exodus-22-6-11] en vat[^exodus-22-6-12] de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koren, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v6)

**7** Wanneer iemand zijn naaste geld[^exodus-22-7-13] of voorwerpen te bewaren geeft, en het wordt uit het huis van die man gestolen; als de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v7)

**8** Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de[^exodus-22-8-14] rechters gebracht worden,[^exodus-22-8-15] of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste gelegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v8)

**9** Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene,[^exodus-22-9-16] dat iemand zegt, dat het zijn is,[^exodus-22-9-17] beider zaak zal voor de rechters komen; wie de rechters verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v9)

**10** Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te[^exodus-22-10-18] bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of weggedreven, dat het[^exodus-22-10-19] niemand ziet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v10)

**11** Zo zal[^exodus-22-11-20] de eed van YHWH tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste geslagen heeft; en de eigenaar zal[^exodus-22-11-21] dat aannemen; en[^exodus-22-11-22] hij zal het niet wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v11)

**12** Maar als het van hem[^exodus-22-12-23] zeker gestolen is, hij zal het zijn heer wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v12)

**13** Is het zeker verscheurd, dat hij[^exodus-22-13-24] het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v13)

**14** En wanneer iemand van zijn naaste wat[^exodus-22-14-25] begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal[^exodus-22-14-26] hij het volkomen wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v14)

**15** Als zijn heer daarbij geweest is, hij zal het niet wedergeven;[^exodus-22-15-27] als het gehuurd is, zo is het voor zijn huur gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v15)

**16** Wanneer nu iemand een maagd verlokt,[^exodus-22-16-28] die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem zijn vrouw wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v16)

**17** Als haar vader[^exodus-22-17-29] geheel weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld[^exodus-22-17-30] geven[^exodus-22-17-31] naar de bruidschat van de maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v17)

**18** De[^exodus-22-18-32] toveres zult u niet laten leven.[^exodus-22-18-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v18)

**19** Al wie bij een beest ligt,[^exodus-22-19-33] die zal zeker gedood worden.[^exodus-22-19-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v19)

**20** Wie de goden[^exodus-22-20-34] offert, behalve YHWH alleen,[^exodus-22-20-35] die zal verbannen worden.[^exodus-22-20-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v20)

**21** U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland.[^exodus-22-21-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v21)

**22** U zult geen weduwe noch wees beledigen.[^exodus-22-22-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v22)

**23** Als u[^exodus-22-23-36] hen enigszins beledigt, en als zij[^exodus-22-23-37] enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep[^exodus-22-23-38] zeker verhoren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v23)

**24** En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal u met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v24)

**25** Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen[^exodus-22-25-39] rente leggen.[^exodus-22-25-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v25)

**26** Als u[^exodus-22-26-40] enigszins[^exodus-22-26-41] van uw naasten[^exodus-22-26-42] kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven,[^exodus-22-26-43] voordat de zon[^exodus-22-26-44] ondergaat;[^exodus-22-26-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v26)

**27** Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v27)

**28** [^exodus-22-28-45] De rechters zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren.[^exodus-22-28-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v28)

**29** [^exodus-22-29-46] Uw volheid en[^exodus-22-29-47] uw tranen zult u[^exodus-22-29-48] niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen[^exodus-22-29-49] zult u Mij geven.[^exodus-22-29-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v29)

**30** Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult u ze Mij geven.[^exodus-22-30-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v30)

**31** U nu zult Mij[^exodus-22-31-50] heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten,[^exodus-22-31-51] dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen.[^exodus-22-31-m] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/22.html#v31)

[^exodus-22-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 12:6 . 2 Samuël 12:6 : En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.
[^exodus-22-2-1]: Kanttekening 1: in het doorgraven: Gelijk Matt. 24:43 . Hebreeuws, in doorgraving, of, met een doorgravend instrument. Mattheüs 24:43 : Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
[^exodus-22-2-2]: Kanttekening 2: geen bloedschuld zijn: Hebreeuws, het zal hem geen bloeden zijn; dat is, hem \[te weten de moordenaar van de dief\] zal geen bloed toegerekend worden; hij zal daarom niet als een moordenaar gestraft worden. Aldus wordt het woord bloeden genomen, Num. 35:27 , en elders. Numeri 35:27 : En de bloedwreker hem zal vinden buiten de palen van zijn vrijstad; zo de bloedwreker de moordenaar zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn.
[^exodus-22-3-3]: Kanttekening 3: Als de zon: Dat is, als het klaar dag is als de dief inbreekt, die hem dan doodslaat, diens bloed zal daarom vergoten worden.
[^exodus-22-3-4]: Kanttekening 4: over hem: Te weten, over de dief, toen hij geslagen werd.
[^exodus-22-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, de moordenaar.
[^exodus-22-3-6]: Kanttekening 6: volkomen wedergeven: Hebreeuws, wedergevende wedergeven; hij, te weten de dief, van welke vers 1 gesproken is, welke zaak hier vervolgd wordt. Exodus 22:1 : Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.
[^exodus-22-4-7]: Kanttekening 7: in zijn hand: Dat is, bij hem, hetzij in zijn huis, of stal, voordat hij het gestolene geslacht of verkocht heeft.
[^exodus-22-4-8]: Kanttekening 8: voorzeker gevonden wordt: Hebreeuws, gevonden wordende gevonden wordt.
[^exodus-22-4-9]: Kanttekening 9: hetzij os, of ezel: Hebreeuws, van de os tot de ezel.
[^exodus-22-5-10]: Kanttekening 10: Versta hierbij, of iets dergelijks, als hof, of tuin, jonge boompjes of hagen, enz.
[^exodus-22-6-11]: Kanttekening 11: en vat \[de doornen: Hebreeuws, en het vindt de doornen.
[^exodus-22-6-12]: Kanttekening 12: Versta hierbij, of het stro, of hooi, of iets dergelijks, wat lichtelijk in brand komt.
[^exodus-22-7-13]: Kanttekening 13: of vaten: Dat is, huisraad.
[^exodus-22-8-14]: Kanttekening 14: de goden: Dat is, overheden, gelijk Ex. 21:6 . Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^exodus-22-8-15]: Kanttekening 15: of hij niet: Versta hierbij, om te onderzoeken.
[^exodus-22-9-16]: Kanttekening 16: dat iemand zegt: Anders, die zegt dat het dat is, of dat hij het is.
[^exodus-22-9-17]: Kanttekening 17: beider zaak: Te weten, van de klager, en van de beklaagde.
[^exodus-22-10-18]: Kanttekening 18: te bewaren geeft: Te weten, voor geld.
[^exodus-22-10-19]: Kanttekening 19: niemand ziet: Te weten, die daarvan getuigen kon.
[^exodus-22-11-20]: Kanttekening 20: de eed van YHWH: Dat is, de eed, waarmee de Heer tot getuige wordt aangeroepen.
[^exodus-22-11-21]: Kanttekening 21: Dat is, met de eed tevreden zijn, en zich laten vergenoegen.
[^exodus-22-11-22]: Kanttekening 22: Te weten, de bewaarder.
[^exodus-22-12-23]: Kanttekening 23: zekerlijk gestolen is: Hebreeuws, stelende gestolen is.
[^exodus-22-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, iets, of, wat van het verscheurde, gelijk Amos 3:12 . Amos 3:12 : Zo zegt YHWH: Gelijk als een herder twee schenkelen, of een stukje van een oor uit de muil van de leeuw redt, zo zullen de kinderen van Israël gered worden, die daar zitten te Samaria, in de hoek van het bed, en op de sponde van de koets.
[^exodus-22-14-25]: Kanttekening 25: van zijn naaste wat begeert: Versta hierbij, en hij leent het hem.
[^exodus-22-14-26]: Kanttekening 26: volkomen wedergeven: Hebreeuws, zal het wedergevende wedergeven; dat is, betalen.
[^exodus-22-15-27]: Kanttekening 27: als het gehuurd is: De zin is: hij die het gehuurd heeft, zal vrij zijn met de bedongen huur te betalen.
[^exodus-22-16-28]: Kanttekening 28: niet ondertrouwd is: Een ondertrouwde maagd te beslapen was de dood; Deut. 22:23 . Deuteronomium 22:23 : Wanneer er een jonge dochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben;
[^exodus-22-17-29]: Kanttekening 29: ganselijk weigert: Hebreeuws, weigerende weigert.
[^exodus-22-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, wegen; eertijds woog men elkaar het geld toe.
[^exodus-22-17-31]: Kanttekening 31: bruidschat van de maagden: Dit was vijftig sikkelen zilvers, Deut. 22:29 . Dit zijn omtrent twaalf rijksdaalders en een half. Deuteronomium 22:29 : Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.
[^exodus-22-18-32]: Kanttekening 32: Versta, dat dit ook gesproken wordt van de tovenaars, Deut. 18:10 . Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.
[^exodus-22-18-b]: Verwijzing b: Deut. 18:10 ; idem v. 11 . Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggende geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.
[^exodus-22-19-33]: Kanttekening 33: die zal zekerlijk gedood worden: Lev. 20:15 , beveelt God dat het beest ook zal gedood worden. Leviticus 20:15 : Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult u het beest doden.
[^exodus-22-19-c]: Verwijzing c: Lev. 18:23 ; Lev. 20:15 . Leviticus 18:23 : Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging. Leviticus 20:15 : Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult u het beest doden.
[^exodus-22-20-34]: Kanttekening 34: Onder de naam van offerande doen, moet men ook verstaan allerlei dienst en eerbieding, Deut. 17:3 . Deuteronomium 17:3 : Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor de gehele legermacht van de hemel, dat ik niet geboden heb;
[^exodus-22-20-35]: Kanttekening 35: verbannen worden: Dat is, hij zal gehouden worden voor vervloekt, en zal uitgeroeid worden.
[^exodus-22-20-d]: Verwijzing d: Deut. 17:2 ; idem v. 3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Deuteronomium 17:2 : Wanneer in het midden van u, in een uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van YHWH, uw Gods, overtredende Zijn verbond; Deuteronomium 17:3 : Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het gehele legermacht van de hemel, dat ik niet geboden heb; Deuteronomium 17:4 : En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; Deuteronomium 17:5 : Zo zult u die man of die vrouw, die ditzelfde boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.
[^exodus-22-21-e]: Verwijzing e: Lev. 19:34 . Leviticus 19:34 : De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van u; u zult hem liefhebben als uzelven; want u bent vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben YHWH, uw God!
[^exodus-22-22-f]: Verwijzing f: Zach. 7:10 . Zacharia 7:10 : En verdrukt de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt niet in uw hart de één van de anderen kwaad.
[^exodus-22-23-36]: Kanttekening 36: enigszins beledigt: Hebreeuws, beledigende beledigt.
[^exodus-22-23-37]: Kanttekening 37: enigszins … roepen: Of, ernstig. Hebreeuws, roepende roepen.
[^exodus-22-23-38]: Kanttekening 38: zekerlijk verhoren: Hebreeuws, verhorende verhoren.
[^exodus-22-25-39]: Kanttekening 39: woeker leggen: Het Hebreeuwse woord neschech heeft zijn naam van bijten, omdat de woeker de arme mensen bijt en verteert.
[^exodus-22-25-g]: Verwijzing g: Lev. 25:36 ; idem v. 37 ; Deut. 23:19 ; idem v. 20 ; Ps. 15:5 ; Spr. 28:8 ; Ez. 18:8 . Leviticus 25:36 : U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve. Leviticus 25:37 : Uw geld zult u hem niet op woeker geven, en u zult uw voedsel niet op overwinst geven. Deuteronomium 23:19 : U zult aan uw broer niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van voedsel, met woeker van enig ding, waarmee men woekert. Deuteronomium 23:20 : Aan de vreemde zult u woekeren; maar aan uw broer zult u niet woekeren; opdat u YHWH, uw God, zegene, in alles, waaraan u uw hand slaat, in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid. Spreuken 28:8 : Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich van de armen ontfermt. Ezechiël 18:8 : Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen de één en de anderen oefent;
[^exodus-22-26-40]: Kanttekening 40: enigszins … te pand neemt: Hebreeuws, te pand nemende te pand neemt.
[^exodus-22-26-41]: Kanttekening 41: Versta hierbij, als hij een arm man is, die maar één kleed heeft, gelijk blijkt uit vers 27 ; Deut. 24:12 , 24:13 . Exodus 22:27 : Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig! Deuteronomium 24:12 : Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet nederliggen. Deuteronomium 24:13 : U zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God.
[^exodus-22-26-42]: Kanttekening 42: Versta hieronder ook deksel.
[^exodus-22-26-43]: Kanttekening 43: voordat de zon: Of, tegen, terwijl de zon ondergaat.
[^exodus-22-26-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, ingaat; te weten, in haar slaapkamer, gelijk David spreekt, Ps. 19:6 . Psalmen 19:6 : En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^exodus-22-26-h]: Verwijzing h: Deut. 24:12 ; idem v. 13 . Deuteronomium 24:12 : Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet nederliggen. Deuteronomium 24:13 : U zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, uw Gods.
[^exodus-22-28-45]: Kanttekening 45: De goden zult u niet vloeken: Zie Ex. 21:6 , en versta hier, door de oversten, zowel de voorstanders van de kerk als van de politieke regering van die tijd, gelijk blijkt uit de woorden van Paulus, Hand. 23:3 . Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. Handelingen 23:3 : Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, u gewitte wand! Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u, tegen de wet, dat men mij zal slaan?
[^exodus-22-28-i]: Verwijzing i: Hand. 23:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Handelingen 23:3 : Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, u gewitte wand! Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u, tegen de wet, dat men mij zal slaan? Handelingen 23:4 : En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt u de hogepriester Gods? Handelingen 23:5 : En Paulus zei: Ik wist niet, broers! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: De overste uw volks zult u niet vloeken.
[^exodus-22-29-46]: Kanttekening 46: Uw volheid: Dat is, de volrijpe vruchten, of de vruchten, die vol en rijp zijn, gelijk Num. 18:27 . Numeri 18:27 : En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van de dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.
[^exodus-22-29-47]: Kanttekening 47: uw tranen: Aldus worden de wijn en de olie genoemd, omdat zij als tranen stromen, wanneer zij uitgeperst worden.
[^exodus-22-29-48]: Kanttekening 48: niet uitstellen: Versta hierbij, maar u zult ze Mij ten rechte tijd betalen.
[^exodus-22-29-49]: Kanttekening 49: zult u Mij geven: Of, rantsoenen met vijf sikkelen zilvers, die men de priesters van de Heere gaf, Num. 18:16 . Numeri 18:16 : Die nu onder dezelfde gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera.
[^exodus-22-29-k]: Verwijzing k: Ex. 13:2 ; idem v. 12 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 13:12 : Zo zult u tot YHWH doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht van de beesten, die u hebben zult; de mannetjes zullen van YHWH zijn.
[^exodus-22-30-l]: Verwijzing l: Ex. 23:19 ; Lev. 22:27 ; Ez. 44:30 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Leviticus 22:27 : Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van de achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande van het vuuroffer YHWH. Ezechiël 44:30 : En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen van de priesters zijn; ook zult u de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de zegen op uw huis te doen rusten.
[^exodus-22-31-50]: Kanttekening 50: heilige mensen zijn: Hebreeuws, mannen van de heiligheid; dat is, leidende een heiliger en godzaliger leven dan de heidenen.
[^exodus-22-31-51]: Kanttekening 51: dat op het veld verscheurd is: Lev. 17:15 worden hier bijgevoegd de beesten, die vanzelf sterven. Leviticus 17:15 : En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn.
[^exodus-22-31-m]: Verwijzing m: Lev. 22:8 ; Ez. 44:31 . Leviticus 22:8 : Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmee onrein te worden; Ik ben YHWH! Ezechiël 44:31 : Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.

### Exodus 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/23.json)

*Over vals gerucht en valse getuigenis, vers 1 enz. Men moet het recht niet verdraaien, 2. Men zal zijn vijand goeddoen, 4. De rechters mogen geen geschenken aannemen, 8. noch de vreemdelingen onderdrukken, 9. over het zevende jaar, dat een rustjaar zal zijn, 10. over de sabbatdag, 12. Men zal de naam van andere goden niet noemen, 13. over de drie hoge feesten van het jaar, 14. Men mocht niet offeren met gezuurd brood, 18. God belooft het volk dat een engel voor hen zou gaan, die zij moesten gehoorzamen, 20. Het vereren van vreemde goden wordt verboden, 23. God belooft hen te zegenen die Hem dienen, 25. Dat horzels de vijanden van de Israëlieten zouden uitdrijven, 28. De landgrenzen van het land van de Israëlieten, 31. hun wordt verboden een verbond met de heidenen of hun goden te sluiten, 32. Ja, dezen mochten in het land van de Israëlieten niet wonen.*

**1** U zult geen[^exodus-23-1-1] vals[^exodus-23-1-2] gerucht opnemen;[^exodus-23-1-3] en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige[^exodus-23-1-4] tot geweld te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v1)

**2** U zult de[^exodus-23-2-5] menigte tot boze zaken niet volgen; en u zult niet spreken in een rechtszaak, dat u zich neigt naar de menigte, om het recht te buigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v2)

**3** [^exodus-23-3-a] Ook zult u de geringe niet voortrekken en zijn[^exodus-23-3-6] rechtszaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v3)

**4** [^exodus-23-4-b] Wanneer u van uw vijand os, of zijn dwalende ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde[^exodus-23-4-7] geheel teruggeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v4)

**5** [^exodus-23-5-c] Wanneer u de ezel van uw hater onder zijn last ziet liggen,[^exodus-23-5-8] zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem?[^exodus-23-5-9] U zult het in alle manier[^exodus-23-5-10] met hem verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v5)

**6** [^exodus-23-6-11][^exodus-23-6-d] U zult het recht van uw armen niet buigen in zijn rechtszaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v6)

**7** Wees verre van valse[^exodus-23-7-12] zaken; en de onschuldige en gerechtige[^exodus-23-7-13] zult u niet doden; want Ik zal[^exodus-23-7-14] de goddeloze niet rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v7)

**8** [^exodus-23-8-e] Ook zult u[^exodus-23-8-15] geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de[^exodus-23-8-16] zaak van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v8)

**9** [^exodus-23-9-f] U zult ook de vreemdeling niet onderdrukken; want u[^exodus-23-9-17] kent het gemoed van de vreemdeling, omdat u vreemdelingen geweest bent in Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v9)

**10** U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v10)

**11** [^exodus-23-11-g] Maar in het zevende zult u het[^exodus-23-11-18] rusten en stil liggen laten,[^exodus-23-11-19] dat de armen van uw volk mogen[^exodus-23-11-20] eten, en het overige daarvan de beesten van het veld eten mogen; zo zult u ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v11)

**12** [^exodus-23-12-h] Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevende dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat[^exodus-23-12-21] de zoon van uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v12)

**13** In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en[^exodus-23-13-i] de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw[^exodus-23-13-22] mond zal hij niet gehoord worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v13)

**14** Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v14)

**15** [^exodus-23-15-23][^exodus-23-15-k] Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (zoals Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in[^exodus-23-15-24] de maand Abib, want daarin bent u uit Egypte getogen;[^exodus-23-15-l] maar[^exodus-23-15-25] men zal[^exodus-23-15-26] niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v15)

**16** En[^exodus-23-16-27] het feest[^exodus-23-16-28] van de oogst, van de eerste vruchten[^exodus-23-16-29] van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En[^exodus-23-16-30] het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v16)

**17** [^exodus-23-17-31] Drie malen van het jaar[^exodus-23-17-32] zullen al uw mannen[^exodus-23-17-33] voor het aangezicht van de Heere YHWH verschijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v17)

**18** U zult het bloed van Mijn offer[^exodus-23-18-34] met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette[^exodus-23-18-35] van Mijn feest tot op de morgen niet overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v18)

**19** [^exodus-23-19-36][^exodus-23-19-m] De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u[^exodus-23-19-37] in het huis van YHWH van uw God brengen. U[^exodus-23-19-n] zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v19)

**20** [^exodus-23-20-o] Zie, Ik zend[^exodus-23-20-38] een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot[^exodus-23-20-39] de plaats, die Ik bereid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v20)

**21** Hoed u[^exodus-23-21-40] voor Zijn aangezicht, en wees van Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven; want[^exodus-23-21-41] Mijn Naam is in het binnenste van Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v21)

**22** Maar zo u Zijn stem[^exodus-23-22-42] ijverig gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal,[^exodus-23-22-p] zo zal Ik van uw vijanden vijand, en uw tegenstanders tegenstander zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v22)

**23** Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen[^exodus-23-23-43] tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v23)

**24** U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar[^exodus-23-24-q] hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden[^exodus-23-24-44] geheel vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v24)

**25** En u zult YHWH uw God dienen,[^exodus-23-25-r] zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de ziekten uit het midden van u weren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v25)

**26** [^exodus-23-26-s] Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het[^exodus-23-26-45] getal van uw dagen vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v26)

**27** [^exodus-23-27-t] Ik zal[^exodus-23-27-46] Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en[^exodus-23-27-47] Ik zal maken, dat al uw vijanden u[^exodus-23-27-48] de nek toekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v27)

**28** [^exodus-23-28-v] Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de[^exodus-23-28-49] Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v28)

**29** Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet[^exodus-23-29-50] woest wordt, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v29)

**30** Ik zal hen langzamerhand van uw aangezicht uitstoten, totdat u gewassen bent en het land erft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v30)

**31** [^exodus-23-31-x] En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van[^exodus-23-31-51] de woestijn tot aan de[^exodus-23-31-52] rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v31)

**32** [^exodus-23-32-y] U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v32)

**33** [^exodus-23-33-z] Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/23.html#v33)

[^exodus-23-1-1]: Kanttekening 1: vals gerucht: Hebreeuws, gerucht van de leugens, of, horing van de valsheid.
[^exodus-23-1-2]: Kanttekening 2: Anders, aannemen, uitdragen, uitstrooien.
[^exodus-23-1-3]: Kanttekening 3: stelt uw hand niet bij de goddeloze: Dat is, vergezelt u niet, noch vervoegt u bij de boze mensen, om hen te helpen uitvoeren hun kwade zaak.
[^exodus-23-1-4]: Kanttekening 4: tot geweld te zijn: Hebreeuws, van het geweld.
[^exodus-23-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, velen; anders, machtigen, grote, geweldigen.
[^exodus-23-3-a]: Verwijzing a: Lev. 19:15 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^exodus-23-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, heerlijk maken, versieren.
[^exodus-23-4-b]: Verwijzing b: Deut. 22:1 ; idem v. 2 ; Lukas 6:27 ; Fil. 2:4 . Deuteronomium 22:1 : U zult uw broers os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; u zult ze uw broer ganselijk weer toesturen. Deuteronomium 22:2 : En als uw broer niet nabij u is, of u hem niet kent, zo zult u ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broer die zoeke, en u ze hem wedergeeft. Lukas 6:27 : Maar Ik zeg u, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Filippenzen 2:4 : Een iedereen zie niet op het zijn, maar een iedereen zie ook op wat van de anderen is.
[^exodus-23-4-7]: Kanttekening 7: ganselijk wederbrengen: Hebreeuws, wederbrengende wederbrengen.
[^exodus-23-5-c]: Verwijzing c: Deut. 22:4 . Deuteronomium 22:4 : U zult uw broers ezel of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem ganselijk oprichten.
[^exodus-23-5-8]: Kanttekening 8: zult u dan nalatig zijn: Anders, u zult u onthouden hem die daar te laten, en verlatende zult hem verlaten met hem; dat is, niet eerder dan hij hem verlaat.
[^exodus-23-5-9]: Kanttekening 9: U zult het in alle manier: Hebreeuws, verlatende zult u verlaten; anders, u zult het op alle manieren met hem oprichten; vergelijk Neh. 3:8 , en Neh. 4:2 . Nehemia 3:8 : Aan zijn hand verbeterde Uzziël, de zoon van Harhoja, één van de goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon van één van de apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan de brede muur. Nehemia 4:2 : En sprak in de aanwezigheid van zijn broers en van de legermacht van Samaria, en zei: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voltooien? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?
[^exodus-23-5-10]: Kanttekening 10: met hem verlaten: Dat is, gelijk hij zijn zaken moet verlaten om zijn ezel te redden, zo zult u ook zijnenthalve het uwe verzuimen.
[^exodus-23-6-11]: Kanttekening 11: U zult het recht van uw armen niet buigen: Te weten, u die rechters van het volk bent.
[^exodus-23-6-d]: Verwijzing d: Deut. 27:19 . Deuteronomium 27:19 : Vervloekt zij, die het recht van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^exodus-23-7-12]: Kanttekening 12: Of, woorden.
[^exodus-23-7-13]: Kanttekening 13: zult u niet doden: Dat is, ter dood verwijzen, want hij spreekt hier de magistraten aan.
[^exodus-23-7-14]: Kanttekening 14: goddeloze niet rechtvaardigen: Te weten, een goddelozen, onrechtvaardigen rechter, die een onrechtvaardig oordeel over een onschuldig mens uitspreekt.
[^exodus-23-8-e]: Verwijzing e: Deut. 16:19 ; 1 Sam. 8:3 ; Spr. 19:6 ; Pred. 7:7 . Deuteronomium 16:19 : U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. 1 Samuël 8:3 : Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht. Spreuken 19:6 : Velen smeken het aangezicht van de prinsen; en een ieder is een vriend van degene, die giften geeft. Prediker 7:7 : Werkelijk, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
[^exodus-23-8-15]: Kanttekening 15: geen geschenk nemen: Te weten, van personen, die voor het gericht pleiten, of iets te doen hebben.
[^exodus-23-8-16]: Kanttekening 16: zaak van de rechtvaardigen: Of, woorden.
[^exodus-23-9-f]: Verwijzing f: Ex. 22:21 ; Lev. 19:33 ; Deut. 24:17 . Exodus 22:21 : U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. Leviticus 19:33 : En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, u zult hem niet verdrukken. Deuteronomium 24:17 : U zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en u zult het kleed van de weduwe niet te pand nemen.
[^exodus-23-9-17]: Kanttekening 17: kent het gemoed van de vreemdeling: Anders, weet hoe een vreemdeling om het hart is.
[^exodus-23-11-g]: Verwijzing g: Lev. 25:4 ; idem v. 5 . Leviticus 25:4 : Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Leviticus 25:5 : Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn.
[^exodus-23-11-18]: Kanttekening 18: rusten en stil liggen laten: Dat is, onbebouwd laten; vergelijk Jer. 17:4 . Jeremia 17:4 : Zo zult u aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat u niet kent; want u hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.
[^exodus-23-11-19]: Kanttekening 19: dat de armen van uw volk: Wel verstaande, met u en met de uwen, omdat de vruchten niet door de arbeid van enige mens, maar door Gods zonderlingen zegen, groeien zullen. Zie Lev. 25:6 , 25:7 . Leviticus 25:6 : En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren; Leviticus 25:7 : En ook voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot voedsel zijn.
[^exodus-23-11-20]: Kanttekening 20: Te weten, wat in het zevende jaar vanzelf wast, Lev. 25:5 , 25:6 . Leviticus 25:5 : Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn. Leviticus 25:6 : En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;
[^exodus-23-12-h]: Verwijzing h: Ex. 20:8 ; Ex. 31:13 ; idem 31:14 . Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Exodus 31:13 : U nu, spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: U zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik YHWH ben, Die u heilige. Exodus 31:14 : Onderhoudt dan de sabbat, omdat hij u heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op dezelfde enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden haar volken.
[^exodus-23-12-21]: Kanttekening 21: de zoon van uw dienstmaagd: Dat is, de knecht, die van uw dienstmaagd geboren is.
[^exodus-23-13-i]: Verwijzing i: Num. 32:38 ; Joz. 23:7 ; Ps. 16:4 ; Hosea 2:16 ; Zach. 13:2 . Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. Jozua 23:7 : Dat u niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij u; gedenkt ook niet aan de naam hun goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet; Psalmen 16:4 : De smarten degenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. Hosea 2:16 : En Ik zal de namen van de Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden. Zacharia 13:2 : En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen van de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en de onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.
[^exodus-23-13-22]: Kanttekening 22: zal hij niet gehoord worden: Hetzij in het doen van de eed, of in dergelijke voorstellen.
[^exodus-23-15-23]: Kanttekening 23: Het feest van de ongezuurde broden zult u houden: Het paasfeest en het feest van de ongezuurde broden is wel een en hetzelfde, maar dit onderscheid is er tussen, dat die dag alleen pasen genoemd wordt, op welke men het paaslam at, de andere zeven dagen werden genoemd de dagen van het ongezuurde brood.
[^exodus-23-15-k]: Verwijzing k: Ex. 12:14 ; idem 12:15 ; Ex. 13:3 . Exodus 12:14 : En deze dag zal u wezen ter gedachtenis, en u zult hem YHWH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
[^exodus-23-15-24]: Kanttekening 24: maand Abib: Zie Ex. 12:2 , en Ex. 13:4 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib.
[^exodus-23-15-l]: Verwijzing l: Ex. 34:20 ; Deut. 16:16 . Exodus 34:20 : Maar de ezel, die de baarmoeder opent, zult u met een stuk klein vee lossen; maar als u hem niet zult lossen, zo zult u hem de nek breken. Al de eerstgeborenen uw zonen zult u lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet leeg verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^exodus-23-15-25]: Kanttekening 25: men zal: Dit wordt alleen tot de mannen gesproken, gelijk blijkt vers 17 , en Deut. 16:16 . Exodus 23:17 : Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heere YHWH verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uw God, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^exodus-23-15-26]: Kanttekening 26: niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen: Dat is, niet zonder enige geschenk, of offer.
[^exodus-23-16-27]: Kanttekening 27: het feest: Dit feest is naderhand bij de Grieken genoemd pentecoste, bij ons pinksteren; komende vijftig dagen na pasen, Lev. 23:15 , 23:16 ; Deut. 16:9 ; Hand. 2:1 . Ten tijde van dit feest heeft God de tien geboden gegeven, Ex. 19 , en naderhand de Heilige Geest gezonden op zijn apostelen, Hand. 2:28 . Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Leviticus 23:16 : Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult u vijftig dagen tellen, dan zult u een nieuw spijsoffer YHWH offeren. Deuteronomium 16:9 : Zeven weken zult u u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen. Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. Handelingen 2:28 : U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
[^exodus-23-16-28]: Kanttekening 28: van de oogst: Versta hier de tarweoogst.
[^exodus-23-16-29]: Kanttekening 29: van uw arbeid: Dat is, uw vruchten, om welke te genieten u gewerkt en het veld bebouwd hebt, en welke u God door uw arbeid gegeven heeft.
[^exodus-23-16-30]: Kanttekening 30: het feest van de inzameling: Dit feest kwam in de zevende maand van het jaar, te weten in September; het begon op de vijftiende dag van de zevende maand, en het duurde zeven dagen. Het wordt anders genoemd het feest van de tenten, of, van de loofhutten, Lev. 23:34 , en Deut. 16:11 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn. Deuteronomium 16:11 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^exodus-23-17-31]: Kanttekening 31: Drie malen van het jaar: Te weten, op de drie genoemde hoge feestdagen.
[^exodus-23-17-32]: Kanttekening 32: al uw mannen: Te weten, tenzij er een wettelijke verhindering is, zoals ziekte, kindse jaren of iets dergelijks.
[^exodus-23-17-33]: Kanttekening 33: voor het aangezicht van de Heere YHWH verschijnen: Dit was naderhand de tempel te Jeruzalem; 1 Kon. 14:11 . 1 Koningen 14:11 : Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken.
[^exodus-23-18-34]: Kanttekening 34: met geen gedesemde broden offeren: Dat is, hebbende gezuurd brood in uw huis, Ex. 12:15 . Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël.
[^exodus-23-18-35]: Kanttekening 35: Mijns feestes tot op de morgen niet overnachten: Dat is, van het offer van mijn feest; dat is, van het lam dat geofferd moest worden.
[^exodus-23-19-36]: Kanttekening 36: De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land: Hebreeuws, het begin van de eerste vrucht.
[^exodus-23-19-m]: Verwijzing m: Ex. 34:26 . Exodus 34:26 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje in de melk zijn moeder niet koken.
[^exodus-23-19-37]: Kanttekening 37: in het huis van YHWH: In de tabernakel; 1 Kron. 9:19 , 9:23 , naderhand in de tempel te Jeruzalem; zie Deut. 26:1 , 26:2 , enz. 1 Kronieken 9:19 : En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, en zijn broers van het huis zijn vaders, de Korahieten, waren over het werk van de dienst, wachters van de dorpelen van het tabernakel; gelijk hun vaders in het leger van YHWH geweest waren bewaarders van de ingang; 1 Kronieken 9:23 : Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis van YHWH, in het huis van de tent, aan de wachten. Deuteronomium 26:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; Deuteronomium 26:2 : Zo zult u nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u YHWH, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die YHWH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen;
[^exodus-23-19-n]: Verwijzing n: Ex. 34:26 . Exodus 34:26 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje in de melk zijn moeder niet koken.
[^exodus-23-20-o]: Verwijzing o: Ex. 33:2 . Exodus 33:2 : En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),
[^exodus-23-20-38]: Kanttekening 38: een Engel voor uw aangezicht: Hij wordt Ex. 13:21 , genoemd de Heer; te weten, Christus, wie de Joden in de woestijn getergd hebben; 1 Kor. 10:9 . Hij wordt een engel, dat is, bode genoemd, omdat Hij van de Vader gezonden is. Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en in de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. 1 Korinthiërs 10:9 : En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
[^exodus-23-20-39]: Kanttekening 39: de plaats, die Ik bereid heb: Te weten, in het land Kanaän.
[^exodus-23-21-40]: Kanttekening 40: voor Zijn aangezicht: Dat is, vanwege zijn aanwezigheid.
[^exodus-23-21-41]: Kanttekening 41: Mijn Naam is in het binnenste van Hem: Dat is, Hij is een waarachtig God met Mij, zijnde ook YHWH genoemd. Zie Jer. 23:6 ; Joh. 10:30 , 10:38 ; 2 Kor. 5:19 , en Hebr. 1:8 ; idem vergelijk Joh. 14:10 . Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Johannes 10:30 : Ik en de Vader zijn een. Johannes 10:38 : Maar als Ik ze doe, en zo u Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat u mag bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem. 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter van Uw koninkrijk is een rechte schepter. Johannes 14:10 : Gelooft u niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelfde doet de werken.
[^exodus-23-22-42]: Kanttekening 42: naarstiglijk gehoorzaamt: Hebreeuws, horende hoort in zijn stem.
[^exodus-23-22-p]: Verwijzing p: Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden.
[^exodus-23-23-43]: Kanttekening 43: tot de Amorieten, \[etc.: Dat is, in het land van de Amorieten, enz., en zo in het volgende.
[^exodus-23-24-q]: Verwijzing q: Lev. 18:3 . Leviticus 18:3 : U zult niet doen naar de werken van de Egyptischen lands, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
[^exodus-23-24-44]: Kanttekening 44: ganselijk vermorzelen: Hebreeuws, afbrekende afbreken.
[^exodus-23-25-r]: Verwijzing r: Ex. 15:26 ; Deut. 7:15 . Exodus 15:26 : En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van YHWH uw Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben YHWH, uw Heelmeester! Deuteronomium 7:15 : En YHWH zal alle ziekte van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten van de Egyptenaren, die u kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.
[^exodus-23-26-s]: Verwijzing s: Deut. 7:14 . Deuteronomium 7:14 : Gezegend zult u zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;
[^exodus-23-26-45]: Kanttekening 45: getal van uw dagen vervullen: Die u naar de loop van de natuur te leven hebt; daar integendeel de bozen de helft van hun dagen niet beleven; Ps. 55:24 . Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^exodus-23-27-t]: Verwijzing t: Ex. 14:24 ; Joz. 10:10 . Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
[^exodus-23-27-46]: Kanttekening 46: Mijn schrik voor uw aangezicht zenden: Dat is, een grote schrik, of, een schrik die Ik de volken zal aanjagen. Zie hiervan exempelen Gen. 35:5 ; 1 Sam. 14:15 , en 2 Kron. 20:29 . Genesis 35:5 : En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden. 1 Samuël 14:15 : En er was een beving in het leger, op het veld en onder het gehele volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelven; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods. 2 Kronieken 20:29 : En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat YHWH tegen de vijanden van Israël gestreden had.
[^exodus-23-27-47]: Kanttekening 47: Ik zal maken: Hebreeuws, Ik zal al uw vijanden de nek te uwaarts geven.
[^exodus-23-27-48]: Kanttekening 48: de nek toekeren: Dat is, de rug.
[^exodus-23-28-v]: Verwijzing v: Deut. 7:20 ; Joz. 24:12 . Deuteronomium 7:20 : Daartoe zal YHWH, uw God, ook horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn. Jozua 24:12 : En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, \[gelijk\] de beide koningen van de Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.
[^exodus-23-28-49]: Kanttekening 49: Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten: Versta hier ook die andere natiën, die vers 23 genoemd zijn. Exodus 23:23 : Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
[^exodus-23-29-50]: Kanttekening 50: woest worde: Dat is leeg van inwoners.
[^exodus-23-31-x]: Verwijzing x: Num. 34:3 ; idem v. 4 . Numeri 34:3 : De zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde van de Zoutzee tegen het oosten; Numeri 34:4 : En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar de opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-addar, en doorgaan naar Azmon.
[^exodus-23-31-51]: Kanttekening 51: de woestijn: Versta de woestijn Zin, op de weg naar Egypte.
[^exodus-23-31-52]: Kanttekening 52: de rivier: Versta hier de rivier Eufraat.
[^exodus-23-32-y]: Verwijzing y: Ex. 34:12 ; idem v. 15 ; Deut. 7:2 . Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun gode offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^exodus-23-33-z]: Verwijzing z: Joz. 23:13 ; Richt. 2:3 . Jozua 23:13 : Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft. Richteren 2:3 : Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.

### Exodus 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/24.json)

*God beveelt Mozes, Aäron, Nadab en Abihu tot Hem op de berg te komen, vers 1 enz. het volk belooft de wetten van de HEERE te gehoorzamen, 3. Mozes bouwt een altaar en twaalf gedenkstenen, 4. hij besprenkelt het altaar met het bloed van de offers, 6. Mozes en de oudsten van het volk zien de HEERE, 9. God belooft Mozes de twee stenen tafelen van de wet te geven, 12. Aäron en Hur wordt intussen de zorg over het volk opgedragen, 14. God verschijnt op de berg Sinaï als een verterend vuur, 16. Mozes blijft 40 dagen en 40 nachten op de berg, 18.*

**1** Daarna zei Hij tot Mozes:[^exodus-24-1-2] Klim op[^exodus-24-1-3] tot YHWH, u en Aäron,[^exodus-24-1-4] Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neer van verre![^exodus-24-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v1)

**2** En dat Mozes alleen zich nadere tot YHWH, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met[^exodus-24-2-5] hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v2)

**3** Als Mozes[^exodus-24-3-6] kwam en verhaalde aan het volk al de woorden van YHWH, en al de rechten,[^exodus-24-3-a] toen antwoordde al het volk met één stem, en zij zeiden:[^exodus-24-3-7] Al deze woorden, die YHWH gesproken heeft, zullen wij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v3)

**4** Mozes nu[^exodus-24-4-8] beschreef al de woorden van YHWH, en hij maakte zich 's morgens vroeg op, en[^exodus-24-4-9] hij bouwde een altaar[^exodus-24-4-10] onder aan de berg,[^exodus-24-4-11] en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v4)

**5** En hij zond[^exodus-24-5-12] de jongemannen van de Israëlieten, die brandoffers offerden, en YHWH dankoffers offerden, van[^exodus-24-5-13] jonge ossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v5)

**6** En Mozes nam de helft[^exodus-24-6-14] van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op[^exodus-24-6-15] het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v6)

**7** En hij nam het[^exodus-24-7-16] boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v7)

**8** Toen nam Mozes dat[^exodus-24-8-17] bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei:[^exodus-24-8-b] Zie, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met u gemaakt heeft[^exodus-24-8-18] over al die woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v8)

**9** Mozes nu en Aäron klommen omhoog, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v9)

**10** En[^exodus-24-10-19] zij zagen de God van Israël, en onder Zijn voeten als[^exodus-24-10-20] een werk van saffierstenen, en als[^exodus-24-10-21] de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v10)

**11** Maar[^exodus-24-11-22] Hij strekte Zijn hand niet tot[^exodus-24-11-23] de afgezonderden van de Israëlieten; maar zij[^exodus-24-11-24] aten en dronken, nadat zij God gezien hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v11)

**12** Toen zei YHWH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v12)

**13** Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom[^exodus-24-13-25] op de berg van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v13)

**14** En[^exodus-24-14-26] hij zei tot de oudsten: Blijf u ons hier, totdat wij weer tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u;[^exodus-24-14-27] wie enige zaken heeft, zal daartoe komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v14)

**15** Toen Mozes op de berg geklommen was,[^exodus-24-15-28] zo heeft een wolk de berg bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v15)

**16** En de heerlijkheid van YHWH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte[^exodus-24-16-29] hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij[^exodus-24-16-30] Mozes uit het midden van de wolk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v16)

**17** En[^exodus-24-17-c] het aanzien van de heerlijkheid van YHWH was als[^exodus-24-17-31] een verterend vuur,[^exodus-24-17-32] op de top van die berg, in de ogen van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v17)

**18** En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg[^exodus-24-18-33] veertig dagen en veertig nachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/24.html#v18)

[^exodus-24-1-2]: Kanttekening 2: Klim op: Te weten, nadat u de bovenverhaalde geboden aan het volk zult voorgedragen hebben.
[^exodus-24-1-3]: Kanttekening 3: tot YHWH: Dat is, tot Mij.
[^exodus-24-1-4]: Kanttekening 4: Nadab en Abihu: Deze waren Aärons oudste zonen; zij zijn naderhand door het vuur van de Heer verslonden, Lev. 10:1 , 10:2 , omdat zij vreemd vuur offerden. Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-24-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, God.
[^exodus-24-2-5]: Kanttekening 5: Te weten, Mozes, ook met de oudsten. Het volk moest beneden aan de voet van de berg blijven, maar de oudsten gingen slechts halfweg, en zagen enigszins de heerlijkheid van God, vers 9 , 24:10 , maar Mozes ging tot boven op de spits van de berg in de duistere wolk, vers 18 . Exodus 24:9 : Mozes nu en Aäron klommen naar boven, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël. Exodus 24:10 : En zij zagen de God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid. Exodus 24:18 : En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg veertig dagen en veertig nachten.
[^exodus-24-3-6]: Kanttekening 6: kwam en verhaalde aan het volk: Te weten, van de berg in het leger.
[^exodus-24-3-a]: Verwijzing a: Ex. 19:8 ; Ex. 24:7 ; Deut. 5:27 . Exodus 19:8 : Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zei: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot YHWH. Exodus 24:7 : En hij nam het boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. Deuteronomium 5:27 : Nader u, en hoor alles, wat YHWH, onze God, zeggen zal; en spreek u tot ons al wat YHWH, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.
[^exodus-24-3-7]: Kanttekening 7: Al deze woorden: Dit sprak het volk, niet wetende de onmogelijkheid van de onderhouding van de wet, die door het vlees ziek is; Rom. 8:3 . Romeinen 8:3 : Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
[^exodus-24-4-8]: Kanttekening 8: beschreef al de woorden van YHWH: Te weten, nadat hij ze het volk mondeling had voorgedragen, vers 3 . Exodus 24:3 : Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden van YHWH, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die YHWH gesproken heeft, zullen wij doen.
[^exodus-24-4-9]: Kanttekening 9: hij bouwde een altaar: Te weten, tot een gedenkteken van het opgerichte verbond tussen God en het volk, gelijk Gen. 31:45 . Genesis 31:45 : Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die tot een opgericht teken.
[^exodus-24-4-10]: Kanttekening 10: onder aan de berg: Te weten, aan de voet van de berg.
[^exodus-24-4-11]: Kanttekening 11: en twaalf kolommen: Om hun indachtig te maken het verbond met God opgericht.
[^exodus-24-5-12]: Kanttekening 12: de jongelingen van de kinderen van Israël: Dat is, de eerstgeborenen, die priesters of offeraars waren, totdat de Levieten \[die in de plaats van de eerstgeborenen genomen zijn, Num. 3:41 \], tot het priesterambt verordineerd zijn geworden. Het Hebreeuwse woord jongelingen betekent niet altijd die jong van jaren zijn, maar ook diegenen, die bekwaam waren om dienst te doen, hetzij in de kerk, politie, krijg, of voor hun ouders of vrienden. Numeri 3:41 : En u zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben YHWH!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen van Israël, en de beesten van de Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten van de kinderen van Israël.
[^exodus-24-5-13]: Kanttekening 13: jonge ossen: En ook van andere beesten; Hebr. 9:19 . Hebreeën 9:19 : Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk,
[^exodus-24-6-14]: Kanttekening 14: van het bloed: Te weten, van de geslachte beesten.
[^exodus-24-6-15]: Kanttekening 15: het altaar: Ook op het boek; Hebr. 9:19 . Hebreeën 9:19 : Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk,
[^exodus-24-7-16]: Kanttekening 16: boek van het verbond: Zie vers 4 . Exodus 24:4 : Mozes nu beschreef al de woorden van YHWH, en hij maakte zich 's morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël.
[^exodus-24-8-17]: Kanttekening 17: Te weten, de andere helft van het bloed.
[^exodus-24-8-b]: Verwijzing b: Hebr. 9:20 ; 1 Petr. 1:2 . Hebreeën 9:20 : Zeggende: Dit is het bloed van het testament, dat God aan u heeft geboden. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van het Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^exodus-24-8-18]: Kanttekening 18: over al die woorden: Te weten, die in het boek van het verbond geschreven staan.
[^exodus-24-10-19]: Kanttekening 19: zij zagen de God van Israël: Te weten, tekenen van de aanwezigheid van God, vers 15 , 24:16 ; want nooit heeft een mens God in zijn wezen gezien; Ex. 33:20 , en 1 Tim. 6:16 . Exodus 24:15 : Toen Mozes op de berg geklommen was, zo heeft een wolk de berg bedekt. Exodus 24:16 : En de heerlijkheid van YHWH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk. Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. 1 Timotheüs 6:16 : Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Die geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welke zij eer en eeuwige kracht. Amen.
[^exodus-24-10-20]: Kanttekening 20: als een werk van saffierstenen: Dat is, timmerwerk, gebouw. Anders, als het werk eens plaveisels van saffieren.
[^exodus-24-10-21]: Kanttekening 21: de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid: Hebreeuws, het lichaam.
[^exodus-24-11-22]: Kanttekening 22: Hij strekte Zijn hand niet: Dat is, Hij sloeg noch plaagde hen, gelijk Hij bedreigd had, Ex. 19:12 , want ditmaal deden zij het op bevel van God, vers 1 , 24:9 . Exodus 19:12 : En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op de berg te klimmen, en het einde daarvan aan te roeren; al wie de berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden. Exodus 24:1 : Daarna zei Hij tot Mozes: Klim op tot YHWH, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre! Exodus 24:9 : Mozes nu en Aäron klommen naar boven, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël.
[^exodus-24-11-23]: Kanttekening 23: de afgezonderden van de kinderen van Israël: Versta, de oudsten van het volk, van wie gesproken wordt vers 1 , 24:9 . Anders, vorsten, oversten. Exodus 24:1 : Daarna zei Hij tot Mozes: Klim op tot YHWH, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre! Exodus 24:9 : Mozes nu en Aäron klommen naar boven, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël.
[^exodus-24-11-24]: Kanttekening 24: aten en dronken: Dat is, zij bleven fris en gezond, door hun eten en drinken zulks bewijzende.
[^exodus-24-13-25]: Kanttekening 25: op de berg van God: Te weten, op de berg Sinaï.
[^exodus-24-14-26]: Kanttekening 26: hij zei: Te weten, toen hij uit het leger scheidde, om tot de berg te gaan.
[^exodus-24-14-27]: Kanttekening 27: wie enige zaken heeft: Hebreeuws, die meester van woorden, of, werken is.
[^exodus-24-15-28]: Kanttekening 28: zo heeft een wolk de berg bedekt: Dit was een teken van de aanwezigheid Gods, ofschoon het met schrik en vrees geschied is; 2 Kron. 6:1 ; Hebr. 12:18 . Zie ook Ex. 19:9 . 2 Kronieken 6:1 : Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen. Hebreeën 12:18 : Want u bent niet gekomen tot de tastelijke berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweer, Exodus 19:9 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Want Mozes had YHWH de woorden van het volk verkondigd.
[^exodus-24-16-29]: Kanttekening 29: Te weten, de Heer, of Mozes, of de berg.
[^exodus-24-16-30]: Kanttekening 30: Hij Mozes: Te weten, Mozes alleen; zelfs was Jozua met Mozes niet toen de Heer met hem sprak.
[^exodus-24-17-c]: Verwijzing c: Hebr. 12:29 . Hebreeën 12:29 : Want onze God is een verterend vuur.
[^exodus-24-17-31]: Kanttekening 31: een verterend vuur: Dit diende daartoe, om de overtreders van de wet schrik aan te jagen; Deut. 4:24 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^exodus-24-17-32]: Kanttekening 32: op het opperste: Hebreeuws, op het hoofd.
[^exodus-24-18-33]: Kanttekening 33: veertig dagen en veertig nachten: Te weten, zonder eten of drinken; Ex. 34:28 ; Deut. 9:9 , 9:18 . Exodus 34:28 : En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden. Deuteronomium 9:9 : Als ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen van het verbond, dat YHWH met u gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg, at geen brood, en dronk geen water. Deuteronomium 9:18 : En ik wierp mij neder voor het aangezicht van YHWH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u had gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.

### Exodus 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/25.json)

*De HEERE beveelt Mozes een vrijwillig hefoffer in te zamelen om een heiligdom te maken, vers 1 enz. God geeft hem bevel hoe en waarvan hij de ark zal maken, 10. Alsook het verzoendeksel, met de cherubs, 17. De tafel voor de toonbroden, en hun andere gereedschap, 23. De gouden kandelaar, met zijn toebehoren, 31. Alles moest zijn naar het voorbeeld dat Mozes op de berg gezien had, 40.*

**1** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, dat zij[^exodus-25-2-1] voor Mij[^exodus-25-2-2] een hefoffer[^exodus-25-2-3] nemen.[^exodus-25-2-a] Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult[^exodus-25-2-4] u Mijn hefoffer nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v2)

**3** Dit nu is het hefoffer, dat u van hen[^exodus-25-3-5] nemen zult: goud, en zilver, en koper; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v3)

**4** Als ook[^exodus-25-4-6] hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en[^exodus-25-4-7] geitenhaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v4)

**5** En roodgeverfde ramsvellen, en[^exodus-25-5-8] dassenvellen; en[^exodus-25-5-9] sittimhout; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v5)

**6** [^exodus-25-6-10] Olie voor het licht,[^exodus-25-6-11] specerijen ter zalfolie, en[^exodus-25-6-12] tot roking geurende specerijen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v6)

**7** [^exodus-25-7-b] Sardonixstenen, en[^exodus-25-7-13] vervullende stenen tot de[^exodus-25-7-14] efod, en tot de[^exodus-25-7-15] borstlap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v7)

**8** En zij zullen Mij[^exodus-25-8-16] een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v8)

**9** Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakels, en een voorbeeld van al zijn gereedschap wijzen zal, even zo zult u dat maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v9)

**10** Zo zullen[^exodus-25-10-17] zij een ark[^exodus-25-10-c] van sittimhout maken; twee[^exodus-25-10-18] ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v10)

**11** En u zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult u ze overtrekken; en u zult daarop een gouden[^exodus-25-11-19] krans maken rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v11)

**12** En giet voor[^exodus-25-12-20] haar vier gouden ringen, en[^exodus-25-12-21] zet die aan haar vier hoeken, zo dat twee ringen op de ene zijde daarvan zijn, en twee ringen op haar andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v12)

**13** En maak[^exodus-25-13-22] handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v13)

**14** En[^exodus-25-14-23] steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn,[^exodus-25-14-24] dat men de ark daarmee drage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v14)

**15** [^exodus-25-15-d] De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v15)

**16** Daarna[^exodus-25-16-e] zult u in de ark leggen[^exodus-25-16-25] de getuigenis, die Ik u geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v16)

**17** [^exodus-25-17-f] U zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal zijn lengte zijn, en anderhalve el zijn breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v17)

**18** [^exodus-25-18-g] U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken,[^exodus-25-18-26] uit de beide einden van het verzoendeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v18)

**19** En maak u één cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel zult u de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v19)

**20** En de cherubim zullen hun beide vleugels omhoog uitbreiden,[^exodus-25-20-h] bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover[^exodus-25-20-27] elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v20)

**21** En[^exodus-25-21-i] u zult het verzoendeksel boven op de ark[^exodus-25-21-28] zetten, nadat u in de ark[^exodus-25-21-29] de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v21)

**22** En[^exodus-25-22-k] daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v22)

**23** U zult ook[^exodus-25-23-30] een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v23)

**24** En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v24)

**25** U[^exodus-25-25-31] zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en u zult een gouden krans rondom van die lijst maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v25)

**26** Ook zult u vier gouden ringen daaraan maken; en u zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan van die vier voeten zijn zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v26)

**27** Tegenover de lijst zullen de ringen zijn,[^exodus-25-27-32] tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v27)

**28** Deze handbomen nu zult u van sittimhout maken, en u zult dezelfde met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v28)

**29** U zult ook maken[^exodus-25-29-33] haar[^exodus-25-29-34] schotelen, en haar[^exodus-25-29-35] rookschalen, en haar[^exodus-25-29-36] platelen, en haar[^exodus-25-29-37] kroezen (met welke[^exodus-25-29-38] zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v29)

**30** En u zult op deze tafel altijd[^exodus-25-30-39] het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v30)

**31** [^exodus-25-31-l] U zult ook een kandelaar van louter goud maken.[^exodus-25-31-40] Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn[^exodus-25-31-41] rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen[^exodus-25-31-42] zullen uit hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v31)

**32** En zes armen zullen uit zijn zijden uitgaan; drie armen van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v32)

**33** In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn,[^exodus-25-33-43] zoals amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, zoals[^exodus-25-33-44] amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; zo zullen die zes armen zijn, die uit de kandelaar gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v33)

**34** Maar[^exodus-25-34-45] aan de kandelaar zelf zullen vier schaaltjes zijn, zoals amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v34)

**35** En daar zal een knoop zijn onder twee armen, daaruit[^exodus-25-35-46] uitgaande; ook een knoop onder twee armen, daaruit[^exodus-25-35-47] uitgaande; nog een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; zo zal het zijn met de zes armen, die uit de kandelaar uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v35)

**36** Hun knopen en hun armen zullen uit hem zijn; het zal allemaal een enig dicht werk van louter goud zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v36)

**37** [^exodus-25-37-48] U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen[^exodus-25-37-49] aansteken, en doen lichten[^exodus-25-37-50] aan zijn zijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v37)

**38** Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v38)

**39** Uit[^exodus-25-39-51] een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v39)

**40** [^exodus-25-40-52][^exodus-25-40-m] Zie dan toe, dat u het maakt naar[^exodus-25-40-53] hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/25.html#v40)

[^exodus-25-2-1]: Kanttekening 1: voor Mij: Dat is, tot mijn dienst, tot mijn eer.
[^exodus-25-2-2]: Kanttekening 2: een hefoffer: Dat is, een offer, wat men omhoog hief alsof men het God gaf of presenteerde. Hebreeuws, een heffing, of afzondering; als zijnde een gave afgezonderd van de rest en de Heer geheiligd.
[^exodus-25-2-3]: Kanttekening 3: Hij wil zeggen, dat zij een hefoffer nemen, en Mij geven.
[^exodus-25-2-a]: Verwijzing a: Ex. 35:5 ; 1 Kron. 29:3 ; idem v. 5 ; idem v. 9 ; idem v. 14 ; Ezra 2:68 ; Ezra 3:5 ; Neh. 11:2 . Exodus 35:5 : Neemt van wat, dat u hebt, een hefoffer YHWH; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer van YHWH: goud, en zilver, en koper; 1 Kronieken 29:3 : En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik in het huis van het heiligdom bereid heb; 1 Kronieken 29:5 : Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand van de werkmeesteren te maken. En wie is er willig, heden zijn hand YHWH te vullen? 1 Kronieken 29:9 : En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart YHWH vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap. 1 Kronieken 29:14 : Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand. Ezra 2:68 : En sommigen van het familiehoofden, als zij kwamen in het huis van YHWH, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk in het huis van God, om dat te zetten op zijn vaste plaats. Ezra 3:5 : Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle vastgestelde hoogtijden van YHWH, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande YHWH vrijwilliglijk offerde. Nehemia 11:2 : En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.
[^exodus-25-2-4]: Kanttekening 4: U Mozes, en de mannen die Ik Ex. 24:1 bevolen heb op de berg te klimmen. Exodus 24:1 : Daarna zei Hij tot Mozes: Klim op tot YHWH, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neder van verre!
[^exodus-25-3-5]: Kanttekening 5: nemen zult: Te weten, tot timmering van de tabernakel, en wat er toe behoort.
[^exodus-25-4-6]: Kanttekening 6: Door deze volgende stoffen versta men, zijde, katoen, wol, vlas of dergelijke.
[^exodus-25-4-7]: Kanttekening 7: geiten haar : Hier werd een deksel of sprei van gemaakt over de tabernakel, Ex. 26:7 . Versta hier zowel bokkenhaar als geitenhaar. Exodus 26:7 : Ook zult u gordijnen uit geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel; van elf gordijnen zult u die maken.
[^exodus-25-5-8]: Kanttekening 8: Van deze vellen was het bovenste deksel van het tabernakel gemaakt; Ex. 26:14 . Exodus 26:14 : U zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.
[^exodus-25-5-9]: Kanttekening 9: Men houdt het er voor dat dit een soort van cederbomenhout is, niet onderworpen aan verrotting. Zie Jes. 41:19 , en Joël 3:18 . Jesaja 41:19 : Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtige boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom te gelijk; Joël 3:18 : En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
[^exodus-25-6-10]: Kanttekening 10: Olie tot de luchter: Welke voor de luchters gebruikt werd om te branden, vers 37 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.
[^exodus-25-6-11]: Kanttekening 11: Waarmee men de heilige dingen, als de tabernakel en wat daartoe behoorde, zalven moest, alsook de priesters zelven.
[^exodus-25-6-12]: Kanttekening 12: tot roking welriekende specerijen: Anders, kostelijke kruiden tot reukwerk.
[^exodus-25-7-b]: Verwijzing b: Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^exodus-25-7-13]: Kanttekening 13: vervullende stenen: Dat is, die in hun kastjes ingezet werden, en die vervulden. Hebreeuws, stenen van de vervullingen, of invullingen.
[^exodus-25-7-14]: Kanttekening 14: Dit wordt door sommigen overgezet lijfrok, zijnde het voornaamste en kostelijkste priesterlijke overkleed, waaraan de borstlap met de urim en thummim gehecht was.
[^exodus-25-7-15]: Kanttekening 15: Deze was gemaakt van zijde, goud en kostelijke gesteenten, en bedekte de borst van de hogepriester.
[^exodus-25-8-16]: Kanttekening 16: Dat is, een heilige woning, die gewoonlijk de tabernakel genoemd wordt, en de plaats was waar men de openlijke godsdienst oefende, gelijk naderhand in de tempel van Salomo.
[^exodus-25-10-17]: Kanttekening 17: Te weten, de timmerlieden.
[^exodus-25-10-c]: Verwijzing c: Ex. 37:1 ; Hebr. 9:1 . Exodus 37:1 : Zo maakte Bezaleël de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. Hebreeën 9:1 : Zo had dan wel ook het eerste verbond rechte van de godsdienst, en het wereldlijk heiligdom.
[^exodus-25-10-18]: Kanttekening 18: Zie Gen. 6:15 . Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
[^exodus-25-11-19]: Kanttekening 19: Of, rand, lijst, kroon.
[^exodus-25-12-20]: Kanttekening 20: Te weten, de ark.
[^exodus-25-12-21]: Kanttekening 21: zet die: Hebreeuws, geef die.
[^exodus-25-13-22]: Kanttekening 22: Anders, draagstokken.
[^exodus-25-14-23]: Kanttekening 23: Er waren twee ringen aan de ene zijde, en twee aan de andere zijde van de ark, waardoor men de handbomen stak.
[^exodus-25-14-24]: Kanttekening 24: dat men de ark daarmee drage: De Levieten, niemand anders, moesten de ark dragen op hun schouders; Num. 7:9 ; 2 Kron. 35:3 ; zie ook 1 Kron. 13:7 , 13:10 , 13:11 , en 1 Kron. 15:12 , 15:15 . Numeri 7:9 : Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen. 2 Kronieken 35:3 : En hij zei tot de Levieten, die geheel Israël onderwezen, die YHWH heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u hebt geen last op de schouders; dient nu YHWH, uw God, en Zijn volk Israël; 1 Kronieken 13:7 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden de wagen. 1 Kronieken 13:10 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God. 1 Kronieken 13:11 : En David ontstak, dat YHWH een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij diezelve plaats Perez-uza, tot op deze dag. 1 Kronieken 15:12 : En hij zei tot hen: Gijlieden zijt familiehoofden onder de Levieten; heiligt u, u en uw broers, dat u de ark van YHWH, de God van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 1 Kronieken 15:15 : En de kinderen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord van YHWH.
[^exodus-25-15-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 8:8 . 1 Koningen 8:8 : Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn daar tot op deze dag.
[^exodus-25-16-e]: Verwijzing e: Hebr. 9:4 . Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
[^exodus-25-16-25]: Kanttekening 25: Dat is, de twee stenen tafelen, waarop de tien geboden geschreven waren, zijnde een getuigenis van Gods wil, waarom de ark genoemd wordt de ark van het getuigenis, vers 22 , en elders dikwijls. Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^exodus-25-17-f]: Verwijzing f: Ex. 37:6 . Exodus 37:6 : Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was daarvan lengte, en anderhalve el daarvan breedte.
[^exodus-25-18-g]: Verwijzing g: Hebr. 9:5 . Hebreeën 9:5 : En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
[^exodus-25-18-26]: Kanttekening 26: uit de beide einden van het verzoendeksel: Alsof Hij zei, de cherubim zullen uit beide einden van de deksel uitgaan, òf daaruit als groeien, zo dat de cherubim en het deksel uit één stuk moesten zijn, en niet in of aan elkaar gezet of gesoldeerd zijn.
[^exodus-25-20-h]: Verwijzing h: Hebr. 9:5 . Hebreeën 9:5 : En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
[^exodus-25-20-27]: Kanttekening 27: elkaar zijn: Hebreeuws, de man zijn nabuur.
[^exodus-25-21-i]: Verwijzing i: Hebr. 9:4 ; idem v. 5 . Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond. Hebreeën 9:5 : En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
[^exodus-25-21-28]: Kanttekening 28: nadat u in de ark: Opdat men naderhand de ark niet zou openen, beveelt God YHWH, dat men het getuigenis in de ark legge, eer Hij beveelt dat men het deksel maken zal, vers 16 . Exodus 25:16 : Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.
[^exodus-25-21-29]: Kanttekening 29: Dat is, de tafelen van het verbond.
[^exodus-25-22-k]: Verwijzing k: Num. 7:89 . Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem.
[^exodus-25-23-30]: Kanttekening 30: een tafel: Deze tafel stond in het heilige, dat is, in de tabernakel, voor het voorhangsel.
[^exodus-25-25-31]: Kanttekening 31: Daaraan, te weten aan de tafel. Hebreeuws, haar.
[^exodus-25-27-32]: Kanttekening 32: tot plaatsen: Hebreeuws, tot huizen.
[^exodus-25-29-33]: Kanttekening 33: Te weten, van de tafel.
[^exodus-25-29-34]: Kanttekening 34: Er waren twaalf schotels, naar het getal van de toonbroden; Lev. 24:5 . Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^exodus-25-29-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord betekent allerlei holligheid, of vaten die hol zijn, gelijk een palm van de hand. Deze vaten dienden om reukwerk in te doen; zie Lev. 24:7 . Leviticus 24:7 : En op elke rij zult u zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer voor YHWH.
[^exodus-25-29-36]: Kanttekening 36: Versta, dekschotels, of dekplattelen, gelijk zij genoemd worden, Num. 4:7 . Hebreeuws, plattelen van de dekkingen, of, van de besprengingen. Numeri 4:7 : Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.
[^exodus-25-29-37]: Kanttekening 37: Anders, bezemen; dienende om de tafel te reinigen.
[^exodus-25-29-38]: Kanttekening 38: Te weten de tafel, die met al deze vaten gereedgemaakt zou worden.
[^exodus-25-30-39]: Kanttekening 39: het toonbrood: Deze broden lagen een weeklang op deze tafel: zij werden op elke sabbat verwisseld, Lev. 24:8 . Hebreeuws, brood van het aangezicht; omdat zij voor het aangezicht van de Heer lagen. Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^exodus-25-31-l]: Verwijzing l: Ex. 37:17 . Exodus 37:17 : Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.
[^exodus-25-31-40]: Kanttekening 40: Van dicht werk: Dat is, het zal geen gegoten of gesoldeerd werk zijn, maar het zal met de hamer uit één stuk, of klomp, geslagen worden. Deze kandelaar was een talent zwaar, vers 39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^exodus-25-31-41]: Kanttekening 41: Dat is, armen, of takken; zo ook in het volgende.
[^exodus-25-31-42]: Kanttekening 42: zullen uit hem zijn: Zie de aantekeningen op vers 40 . Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is.
[^exodus-25-33-43]: Kanttekening 43: gelijk amandelnoten: Dat is, hebbende de vorm of gedaante van amandelnoten.
[^exodus-25-33-44]: Kanttekening 44: in een ander riet: Dat is, al deze zes rieten zullen elkaar gelijk zijn, gelijk vers 35 , verklaard wordt. Exodus 25:35 : En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; zo zal het zijn met de zes rieten, die uit de kandelaar uitgaan.
[^exodus-25-34-45]: Kanttekening 45: aan de kandelaar zelven: Dat is, aan de stam van de luchter.
[^exodus-25-35-46]: Kanttekening 46: uitgaande; : Dit wordt hier bijgevoegd uit het einde van het vers.
[^exodus-25-35-47]: Kanttekening 47: Te weten, de kandelaar.
[^exodus-25-37-48]: Kanttekening 48: U zult hem ook zeven lampen maken: Hebreeuws, u zult ook zijn zeven lampen maken.
[^exodus-25-37-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, doen opgaan.
[^exodus-25-37-50]: Kanttekening 50: aan zijn zijden: Of tegen hem over. Hebreeuws, op de zijden van zijn aangezichten.
[^exodus-25-39-51]: Kanttekening 51: een talent louter goud: Of, centenaar; versta een centenaar van het heiligdom, houdende honderd vijf en twintig pond gouds; want een centenaar woog drie duizend sikkelen, gelijk af te nemen is uit Ex. 38:25 , 38:26 , welke de voorschreven som uitbrengen, hoewel anderen menen dat het slechts honderd en twintig pond gewogen heeft . Aangaande de burgerlijke centenaar, die houdt men omtrent half zoveel geweest te zijn. Exodus 38:25 : Het zilver nu van de getelden van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom. Exodus 38:26 : Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.
[^exodus-25-40-52]: Kanttekening 52: Zie dan toe: Er staat Ex. 39:43 , dat Mozes dit alles naarstig heeft onderhouden. Exodus 39:43 : Mozes nu bezag het gehele werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als YHWH geboden had; zo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.
[^exodus-25-40-m]: Verwijzing m: Hand. 7:44 ; Hebr. 8:5 . Handelingen 7:44 : De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij dezelfde maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had; Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemele dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^exodus-25-40-53]: Kanttekening 53: Dat is, patroon, model, gelijkenis.

### Exodus 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/26.json)

*God beveelt Mozes de tabernakel te maken van tien gordijnen, vers 1 enz. En een tent daaroverheen van elf gordijnen van geitenhaar, van ramsvellen, en een dek van dassenvellen, 7. De tabernakel moest van sittimhout zijn, 15. De voeten van zilver, 19. De richels van sittimhout, 26. Het voorhangsel van kunstig werk tussen het heilige en het heilige der heiligen, 31. Het dek aan de deur van de tent, 36.*

**1** De[^exodus-26-1-1][^exodus-26-1-a] tabernakel nu zult u maken van tien tentkleden, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en[^exodus-26-1-2] scharlaken, met cherubim; van[^exodus-26-1-3] het allerkunstelijkste werk zult u ze maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v1)

**2** De lengte van een tentkleed zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte van een tentkleed van vier ellen; al deze tentkleden zullen één maat hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v2)

**3** Er zullen vijf tentkleden samengevoegd zijn,[^exodus-26-3-4] de één aan de andere; opnieuw zullen er vijf tentkleden samengevoegd zijn, de één aan de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v3)

**4** En u zult hemelsblauwe lussen maken aan de[^exodus-26-4-5] kant van het ene tentkleed, aan het uiterste, in de samenvoeging; zo zult u ook doen aan de uitersten kant van het tentkleed, aan de[^exodus-26-4-6] tweede samenvoegende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v4)

**5** Vijftig lussen zult u aan het ene tentkleed maken, en vijftig lussen zult u maken aan het uiterste van het tentkleed, dat aan de tweede samenvoegende is; deze lussen zullen het ene aan het andere samenvatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v5)

**6** U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de tentkleden samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het één tabernakel zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v6)

**7** Ook zult u[^exodus-26-7-7][^exodus-26-7-b] tentkleden uit geitenhaar maken[^exodus-26-7-8] tot een tent over de tabernakel; van elf tentkleden zult u die maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v7)

**8** De lengte[^exodus-26-8-9] van een tentkleed zal[^exodus-26-8-10] dertig ellen zijn, en de breedte van een tentkleed vier ellen; deze elf tentkleden zullen één maat hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v8)

**9** En u zult vijf van deze tentkleden aan elkaar bijzonder[^exodus-26-9-11] voegen, en zes van deze tentkleden bijzonder; en de zesde van deze tentkleden zult u[^exodus-26-9-12] dubbel maken,[^exodus-26-9-13] recht voorop de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v9)

**10** En u zult vijftig lussen maken[^exodus-26-10-14] aan de kant van het ene tentkleed, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig lussen aan de kant van het tentkleed, dat de tweede samenvoegende is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v10)

**11** U zult ook vijftig koperen haakjes maken, en u zult de haakjes in de lussen doen, en u zult de tent samenvoegen, dat zij één zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v11)

**12** Het overige nu, dat overschiet aan de tentkleden van de tent, de helft[^exodus-26-12-15] van het tentkleed, dat overschiet, zal overhangen,[^exodus-26-12-16] aan de achterste delen van de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v12)

**13** En een el van deze, en een el van de andere zijde van wat, dat overig zijn zal aan de lengte van de tentkleden van de tent, zal overhangen aan de zijden van de tabernakel, aan deze en aan de andere zijde, om die te bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v13)

**14** U zult ook voor de tent[^exodus-26-14-17] een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen,[^exodus-26-14-c] en daarover een deksel van[^exodus-26-14-18] dassenvellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v14)

**15** U zult ook tot de tabernakel staande planken maken, van sittimhout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v15)

**16** De lengte van een plank zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk plank zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v16)

**17** Twee[^exodus-26-17-19] houvasten zal een plank hebben, als sporten[^exodus-26-17-20] in een ladder gezet,[^exodus-26-17-21] het ene naast het andere; zo zult u het met al de planken van de tabernakel maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v17)

**18** En de planken tot de tabernakel zult u zo maken: twintig planken naar de zuidzijde naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v18)

**19** U zult ook veertig zilveren[^exodus-26-19-22] voetstukken maken onder de twintig planken; twee voetstukken onder een plank, aan zijn twee houvasten, en twee voetstukken onder een ander plank, aan zijn twee houvasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v19)

**20** Er zullen ook twintig[^exodus-26-20-23] planken zijn aan[^exodus-26-20-24] de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v20)

**21** Met hun veertig zilveren voetstukken; twee voetstukken onder een plank, en twee voetstukken onder een ander plank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v21)

**22** Maar aan de zijde van de[^exodus-26-22-25] tabernakel tegen het westen zult u[^exodus-26-22-26] zes planken maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v22)

**23** Ook zult u twee planken maken tot de hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v23)

**24** En zij zullen van beneden[^exodus-26-24-27] als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook[^exodus-26-24-28] als tweelingen aan het oppereinde dezelfde samengevoegd zijn, met één ring; zo zal het met de twee planken zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v24)

**25** Zo zullen de acht planken zijn met hun zilveren voetstukken, zijnde zestien voetstukken; twee voetstukken onder een plank, opnieuw twee voetstukken onder een plank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v25)

**26** U zult ook[^exodus-26-26-29] dwarsbalken maken van sittimhout; vijf aan de planken van de ene zijde van de tabernakel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v26)

**27** En vijf dwarsbalken aan de planken van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf dwarsbalken aan de planken van de zijde van[^exodus-26-27-30] de tabernakel, aan de beide zijden naar het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v27)

**28** En de middelste dwarsbalk zal midden aan de planken zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v28)

**29** En u zult de planken met goud overtrekken, en hun ringen[^exodus-26-29-31] (de plaatsen voor de dwarsbalken) zult u van goud maken; de dwarsbalken zult u ook met goud overtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v29)

**30** [^exodus-26-30-32][^exodus-26-30-d] Dan zult u de tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op de berg getoond is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v30)

**31** Daarna zult u[^exodus-26-31-33] een[^exodus-26-31-e] voorhangsel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal[^exodus-26-31-34] men die maken, met[^exodus-26-31-35] cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v31)

**32** En u zult hem[^exodus-26-32-36] hangen[^exodus-26-32-37] aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voetstukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v32)

**33** En u zult het voorhangsel[^exodus-26-33-38] onder de haakjes hangen, en u zult[^exodus-26-33-39] de ark van het getuigenis daar binnen het voorhangsel brengen; en[^exodus-26-33-40] dit voorhangsel zal u een scheiding maken tussen[^exodus-26-33-41] het heilige, en tussen[^exodus-26-33-42] het heilige van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v33)

**34** En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v34)

**35** [^exodus-26-35-43] De tafel nu zult u zetten[^exodus-26-35-44] buiten het voorhangsel, en de kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde van de tabernakel, naar het zuiden; maar de tafel zult u zetten aan de noordzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v35)

**36** [^exodus-26-36-f] U zult ook aan de deur van de[^exodus-26-36-45] tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v36)

**37** En u zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en[^exodus-26-37-46] die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en u zult hun vijf koperen voetstukken gieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/26.html#v37)

[^exodus-26-1-1]: Kanttekening 1: tabernakel nu: De tabernakel of woning werd gemaakt, om daarin te stellen de ark, de gouden tafel met de toonbroden, en de gouden kandelaar.
[^exodus-26-1-a]: Verwijzing a: Ex. 36:8 . Exodus 36:8 : Zo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, de tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze.
[^exodus-26-1-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 38:28 . Genesis 38:28 : En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam die, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.
[^exodus-26-1-3]: Kanttekening 3: het allerkunstelijkste werk zult u ze maken: Anders, het allervernuftigste werk. Hebreeuws, het werk van een kunstenaar.
[^exodus-26-3-4]: Kanttekening 4: de ene aan de andere: Hebreeuws, de vrouw aan haar zus; zo ook vers 5 , 26:6 . Exodus 26:5 : Vijftig striklisjes zult u aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult u maken aan het uiterste van de gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het een aan het andere samenvatten. Exodus 26:6 : U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.
[^exodus-26-4-5]: Kanttekening 5: kant van de ene gordijn: Of, zelfkant. Hebreeuws, lip; zo ook vers 10 . Exodus 26:10 : En u zult vijftig striklisjes maken aan de kant van de ene gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan de kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.
[^exodus-26-4-6]: Kanttekening 6: tweede samenvoegende: Dat moet men verstaan van de twee uiterste gordijnen, die door striklisjes de samenvoeging maakten, van beide de vijf.
[^exodus-26-7-7]: Kanttekening 7: gordijnen uit geiten haar : Hebreeuws, gordijnen van de geiten.
[^exodus-26-7-b]: Verwijzing b: Ex. 36:14 . Exodus 36:14 : Verder maakte hij gordijnen van geitenhaar, tot een tent over de tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.
[^exodus-26-7-8]: Kanttekening 8: tot een tent over de tabernakel: Dat is, tot een deksel of overspreiding over de tabernakel, gelijk vers 9 , 26:11 , 26:12 , 26:13 . Dit is het tweede deksel van het tabernakel geweest, dienende om hem voor regen en wind te beschutten. Exodus 26:9 : En u zult vijf van deze gordijnen aan elkaar bijzonder voegen, en zes van deze gordijnen bijzonder; en de zesde van deze gordijnen zult u dubbel maken, recht voorop de tent. Exodus 26:11 : U zult ook vijftig koperen haakjes maken, en u zult de haakjes in de striklisjes doen, en u zult de tent samenvoegen, dat zij een zij. Exodus 26:12 : Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen van de tent, de helft van de gordijn, die overschiet, zal overhangen, aan de achterste delen van het tabernakel. Exodus 26:13 : En een el van deze, en een el van gene zijde van wat, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen van de tent, zal overhangen aan de zijden van het tabernakel, aan deze en aan de andere zijde, om die te bedekken.
[^exodus-26-8-9]: Kanttekening 9: van een gordijn: Dat is, van elk.
[^exodus-26-8-10]: Kanttekening 10: dertig ellen zijn: Deze gordijnen waren twee ellen langer dan de andere, waarvan vers 2 gesproken is. Exodus 26:2 : De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte van een gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben.
[^exodus-26-9-11]: Kanttekening 11: Te weten, met lisjes.
[^exodus-26-9-12]: Kanttekening 12: dubbel maken: Dat is, half overslaan.
[^exodus-26-9-13]: Kanttekening 13: recht voorop de tent: Hebreeuws, recht voor op het aangezicht van de tent.
[^exodus-26-10-14]: Kanttekening 14: maken aan de kant van de ene gordijn: Hebreeuws, aan de lip. Anders, aan de zelfkant.
[^exodus-26-12-15]: Kanttekening 15: van de gordijn: Te weten, van de laatste gordijn.
[^exodus-26-12-16]: Kanttekening 16: aan de achterste delen van het tabernakel: Hier was het heilige van de heiligen, waar de ark van het verbond stond.
[^exodus-26-14-17]: Kanttekening 17: een deksel: Deze bedeksels dienden alleen om het dak, of het bovenste van het tabernakel te bedekken.
[^exodus-26-14-c]: Verwijzing c: Ex. 36:19 . Exodus 36:19 : Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.
[^exodus-26-14-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, Tachasvellen.
[^exodus-26-17-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, handen.
[^exodus-26-17-20]: Kanttekening 20: in een ladder gezet: Anders, ladderwijze gezet; dat is, even wijd van elkaar gezet, gelijk de trappen of sporten van de ladders staan.
[^exodus-26-17-21]: Kanttekening 21: het een naast het andere: Hebreeuws, de vrouw naast haar zus.
[^exodus-26-19-22]: Kanttekening 22: voeten maken: Dit waren de voeten, waarop de berderen steunden; zij waren elk van een talent zilvers; Ex. 38:27 . Exodus 38:27 : En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten van het heiligdom, en de voeten van de voorhang; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.
[^exodus-26-20-23]: Kanttekening 23: berderen zijn: Zijnde elk berd anderhalve el breed, vers 16 . Zodat hieruit af te nemen is dat de lengte van de hele tabernakel geweest is dertig ellen. Exodus 26:16 : De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.
[^exodus-26-20-24]: Kanttekening 24: zijde van het tabernakel: Hebreeuws, rib.
[^exodus-26-22-25]: Kanttekening 25: tegen het westen: Zie Gen. 12:8 . Hebreeuws, zeewaarts; of naar de zee aan. Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^exodus-26-22-26]: Kanttekening 26: zes berderen maken: Deze zes berderen waren negen ellen breed, want elk berd was anderhalve el breed, en zij werden samengevoegd, om zo de tabernakel achter te sluiten, of dicht te maken.
[^exodus-26-24-27]: Kanttekening 27: tweelingen samengevoegd zijn: De zin is: zij zullen tegelijk vast zijn aan de berderen ter zijde en aan het einde van het tabernakel, die zo aan elkaar hechtende, of vastmakende.
[^exodus-26-24-28]: Kanttekening 28: als tweelingen: Anders, volkomen.
[^exodus-26-26-29]: Kanttekening 29: richelen maken van sittimhout: Anders, ribben, latten, grendels.
[^exodus-26-27-30]: Kanttekening 30: aan de beide zijden westwaarts: Of, westwaarts, naar de beide zijden \[ziende\].
[^exodus-26-29-31]: Kanttekening 31: (de plaatsen voor de richelen: Hebreeuws, huizen voor de richelen; dat is, dienende om de ringen daardoor te steken.
[^exodus-26-30-32]: Kanttekening 32: Dan zult u de tabernakel oprichten naar zijn wijze: Wanneer al de delen van het tabernakel volmaakt waren, zo bleef overig dat men die samenbracht, en de tabernakel geheel oprichte en overeind stelde.
[^exodus-26-30-d]: Verwijzing d: Ex. 25:9 ; idem v. 40 ; Hand. 7:44 ; Hebr. 8:5 . Exodus 25:9 : Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakels, en een voorbeeld van al daarvan gereedschap wijzen zal, even zo zult u dat maken. Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Handelingen 7:44 : De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij dezelfde maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had; Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemele dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^exodus-26-31-33]: Kanttekening 33: een voorhang maken: Dit voorhangsel was inplaats van een scheidsel, of scheidsmuur, tussen het heilige en heilige van de heiligen, waar alleen de hogepriester eenmaal per jaar mocht ingaan; en dit is het voorhangsel, dat de apostel, Hebr. 9:3 , noemt het tweede voorhangsel. Er was een ander voorhangsel aan de deur van het huis; zie ook Lev. 4:6 . Hebreeën 9:3 : Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige van de heiligen; Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^exodus-26-31-e]: Verwijzing e: Ex. 36:35 . Exodus 36:35 : Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij dezelfde, met cherubim.
[^exodus-26-31-34]: Kanttekening 34: zal men die maken: Of, zal hij die; te weten, Bezaleël, of de werkmeester.
[^exodus-26-31-35]: Kanttekening 35: Zie Gen. 3:24 . Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van het hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^exodus-26-32-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, geven; en zo vers 33 . Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen.
[^exodus-26-32-37]: Kanttekening 37: aan vier pilaren van sittim hout : Dat is, aan de haken, die aan de vier pilaren zullen vast zijn.
[^exodus-26-33-38]: Kanttekening 38: onder de haakjes hangen: Zie daarvan vers 6 . Exodus 26:6 : U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.
[^exodus-26-33-39]: Kanttekening 39: de ark van het getuigenis: Zie boven, Ex. 25:16 . Exodus 25:16 : Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.
[^exodus-26-33-40]: Kanttekening 40: deze voorhang: Tot dit einde was eigenlijk het voorhangsel gemaakt, om de mensen af te sluiten en het ingaan te verhinderen, ja zelfs het inzien in het heilige van de heiligen, waar de ark was; Ex. 40:3 . Zie ook Hebr. 9:8 . Exodus 40:3 : En u zult daar zetten de ark van het getuigenis; en u zult de ark met de voorhang bedekken. Hebreeën 9:8 : Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;
[^exodus-26-33-41]: Kanttekening 41: het heilige: Hebreeuws, de heiligheid.
[^exodus-26-33-42]: Kanttekening 42: het heilige van de heiligen: Hebreeuws, de heiligheid van de heiligheden; en zo in vers 34 . Exodus 26:34 : En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen.
[^exodus-26-35-43]: Kanttekening 43: De tafel nu: Versta, de tafel waarop de toonbroden lagen.
[^exodus-26-35-44]: Kanttekening 44: buiten de voorhang: Te weten, in de heilige plaats, waar de priesters hun dienst deden.
[^exodus-26-36-f]: Verwijzing f: Ex. 36:37 . Exodus 36:37 : Hij maakte ook aan de deur van de tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;
[^exodus-26-36-45]: Kanttekening 45: een deksel maken: Dit was aan de ingang van de deur, ja het was als een deur voor aan de ingang tot de tabernakel, waar de priesters iederen dag uit en in gingen, om hun dienst te doen in het heilige; maar het volk mocht er niet ingaan; Hebr. 9:2 , 9:6 . Hebreeën 9:2 : Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welke was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige; Hebreeën 9:6 : Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, te alle tijde, om de godsdiensten te volbrengen;
[^exodus-26-37-46]: Kanttekening 46: die met goud overtrekken: Hij wil niet zeggen dat men de hele pilaar met goud zou overtrekken, maar alleen de knopen en randen; Ex. 36:38 . Exodus 36:38 : En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en derzelver banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.

### Exodus 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/27.json)

*Het koperen brandofferaltaar, met zijn gereedschap, vers 1 enz. De voorhof van de tabernakel, 9. De afmetingen van de voorhof, 18. Olie voor de lampen van de kandelaar, die de priester elke dag aanstak, 20.*

**1** U zult ook een[^exodus-27-1-a] altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte[^exodus-27-1-1] (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v1)

**2** En u zult zijn[^exodus-27-2-2] hoornen maken op zijn vier hoeken;[^exodus-27-2-3] uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en[^exodus-27-2-4] u zult het met koper overtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v2)

**3** U zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook[^exodus-27-3-5] zijn scheppen, en zijn[^exodus-27-3-6] besprengbekkens, en zijn[^exodus-27-3-7] vleeshaken, en zijn koolpannen;[^exodus-27-3-8] al zijn gereedschap zult u van koper maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v3)

**4** U zult het[^exodus-27-4-9] een rooster maken van koperen netwerk; en u zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v4)

**5** En u zult het onder de omloop van het altaar van beneden opleggen, zo dat het net tot het midden van het altaar zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v5)

**6** U zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en u zult ze met koper overtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v6)

**7** En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, zo dat de handbomen zijn aan beide zijden van het altaar, als men het draagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v7)

**8** U zult hetzelfde hol van planken maken; zoals[^exodus-27-8-10] Hij u op de berg gewezen heeft, zo zullen[^exodus-27-8-11] zij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v8)

**9** [^exodus-27-9-b] U zult ook[^exodus-27-9-12] de voorhof van de tabernakel maken; aan de zuidhoek naar het zuiden, zullen aan de voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte van een zijde zal honderd ellen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v9)

**10** Ook zullen[^exodus-27-10-13] zijn twintig[^exodus-27-10-14] pilaren, en van die twintig voetstukken, van koper zijn; de haken van deze pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v10)

**11** Zo zullen ook aan de noordzijde, in de lengte, de kleden honderd ellen lang zijn; en zijn twintig pilaren, en van die twintig voetstukken, van koper; de haken van de pilaren, en van die banden zullen van zilver zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v11)

**12** En in de breedte van[^exodus-27-12-15] de voorhof, aan de westzijde, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hun pilaren tien, en van die voetstukken tien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v12)

**13** Van gelijken zal de breedte van de voorhof, aan de oostzijde naar het oosten, van vijftig ellen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v13)

**14** Zo dat er vijftien ellen van de behangselen op[^exodus-27-14-16] de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voetstukken drie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v14)

**15** En vijftien ellen van de behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voetstukken drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v15)

**16** In de poort nu van de voorhof zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voetstukken vier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v16)

**17** Al de pilaren van de voorhof zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voetstukken zullen van koper zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v17)

**18** De lengte van de voorhof zal honderd ellen zijn, en de breedte[^exodus-27-18-17] doorgaans vijftig, en de hoogte[^exodus-27-18-18] vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar[^exodus-27-18-19] hun voetstukken zullen van koper zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v18)

**19** Aangaande al het gereedschap van de tabernakel, in al zijn dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen van[^exodus-27-19-20] de voorhof, zullen van koper zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v19)

**20** [^exodus-27-20-c] U nu zult de Israëlieten gebieden, dat zij tot u[^exodus-27-20-21] brengen zuivere olie van olijven, gestoten[^exodus-27-20-22] voor het licht, dat men steeds de lampen aansteke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v20)

**21** In de tent van de samenkomst, van buiten het voorhangsel, dat voor[^exodus-27-21-23] de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun generaties, vanwege de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/27.html#v21)

[^exodus-27-1-a]: Verwijzing a: Ex. 38:1 . Exodus 38:1 : Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was daarvan lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte.
[^exodus-27-1-1]: Kanttekening 1: (vierkant zal dit altaar zijn): Te weten, zoveel de lengte en de breedte betreft; maar hij was maar drie ellen hoog.
[^exodus-27-2-2]: Kanttekening 2: hoornen maken: Deze hoornen dienen niet alleen tot sieraad van het altaar, maar ook, zo het schijnt, om te beletten dat wat er op het altaar lag er afviel.
[^exodus-27-2-3]: Kanttekening 3: uit hetzelfde zullen zijn: Dat is, uit hetzelfde stuk, niet aangezet noch aangehecht; telkens in dit verhaal.
[^exodus-27-2-4]: Kanttekening 4: u zult het met koper overtrekken: Daarom werd dit altaar niet alleen van buiten, maar ook van binnen met koper overtrokken, ja daarmee zo bedekt, dat men geen hout er aan zag, om vrij en onbeschadigd van het vuur te zijn en te blijven.
[^exodus-27-3-5]: Kanttekening 5: Of, schoppen; anders, bezems.
[^exodus-27-3-6]: Kanttekening 6: Te weten, om het bloed van het brandoffer daarin te ontvangen, en daarmee te besprengen.
[^exodus-27-3-7]: Kanttekening 7: Of, gaffels; instrumenten met tanden bekwaam om het vlees uit de pot te trekken, gelijk 1 Sam. 2:13 , 2:14 . 1 Samuël 2:13 : Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, de jongen van de priester kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand; 1 Samuël 2:14 : En sloeg in de teile, of in de ketel, of in de pan, of in de pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Zo deden zij aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen.
[^exodus-27-3-8]: Kanttekening 8: al zijn gereedschap: Hebreeuws, tot al zijn vaten zult u koper maken, of, bereiden.
[^exodus-27-4-9]: Kanttekening 9: een rooster maken van koperen netwerk: Dit was een brede koperen plaats, met veel kleine gaatjes, waardoor het bloed, de as en kleine kooltjes of iets dergelijks konden vallen; en dit was de aard van het altaar, waarop het vuur lag te branden.
[^exodus-27-8-10]: Kanttekening 10: Hij u op de berg gewezen heeft: Te weten, God de Heer.
[^exodus-27-8-11]: Kanttekening 11: zij doen: Te weten, de werkmeesters.
[^exodus-27-9-b]: Verwijzing b: Ex. 38:9 . Exodus 38:9 : Hij maakte ook de voorhof, aan de zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot de voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.
[^exodus-27-9-12]: Kanttekening 12: de voorhof van het tabernakel maken: Dit was een open plaats, waar het volk dagelijks kwam tot de offeranden en tot de openbare godsdienst; Ps. 100:4 , en Ps. 116:17 , 116:18 , 116:19 . Psalmen 100:4 : Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam. Psalmen 116:17 : Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en de Naam van YHWH aanroepen. Psalmen 116:18 : Ik zal mijn gelofte YHWH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. Psalmen 116:19 : In de voorhoven van het huis van YHWH, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
[^exodus-27-10-13]: Kanttekening 13: zijn twintig: Te weten, van de voorhof.
[^exodus-27-10-14]: Kanttekening 14: Deze pilaren dienden daartoe, om de behangsels er aan vast te maken met zilveren haken, alsook tot sieraad; Ex. 38:17 , 38:19 , staat dat de hoofden van die verzilverd waren. Exodus 38:17 : De voeten nu van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel van hun hoofden was van zilver, en al de pilaren van het voorhof waren met zilver omtogen. Exodus 38:19 : En hun vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel van hun hoofden en hun banden van zilver.
[^exodus-27-12-15]: Kanttekening 15: aan de westerhoek: Hebreeuws, aan de zeezijde, of, aan de zijde van de zee. Zie Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^exodus-27-14-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, schouder. Versta hier en in vers 15 , de zijden van de voorhof. Exodus 27:15 : En vijftien ellen van de behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voeten drie.
[^exodus-27-18-17]: Kanttekening 17: doorgaans vijftig: Hebreeuws, vijftig en vijftig; dat is, vijftig aan elke zijde.
[^exodus-27-18-18]: Kanttekening 18: vijf ellen: Half zo hoog als de tabernakel, Ex. 26:16 . Exodus 26:16 : De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.
[^exodus-27-18-19]: Kanttekening 19: hun voeten: Te weten, van de pilaren.
[^exodus-27-19-20]: Kanttekening 20: Of, nagelen , daartoe dienende om het werk en alle delen daarvan vast aaneen te sluiten.
[^exodus-27-20-c]: Verwijzing c: Lev. 24:2 . Leviticus 24:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor de luchter, om de lampen gedurig aan te steken.
[^exodus-27-20-21]: Kanttekening 21: brengen reine olie van olijven: Hebreeuws, nemen; dat is, nemen en brengen. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^exodus-27-20-22]: Kanttekening 22: tot de luchter: Er waren zeven brandende lichten in de kandelaar; Ex. 25:37 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.
[^exodus-27-21-23]: Kanttekening 23: de getuigenis is: Dat is, ark van het getuigenis.

### Exodus 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/28.json)

*Aäron en zijn zonen worden tot het hogepriesterambt aangesteld, vers 1 enz. hun heilige klederen, 2. De efod, 6. kunstige gordel, 8. Twee sardonixstenen waarop de namen van de zonen van Israël gegraveerd waren, 9. De borstlap met twaalf stenen daarin, waarop de namen van de twaalf zonen van Israël gegraveerd waren, 15. Gouden ketens aan de borstlap, 22. Eveneens gouden ringen daaraan, 23. De Urim en Thummim, 30. De mantel van de efod, 31. De gouden plaat waarin gegraveerd stond: De heiligheid van de HEERE, 36. De rok vol oogjes, de muts, de gordel: rokken van de zonen van Aäron, hun gordels en mutsen, en hun linnen onderbroeken, enz. 39. Deze klederen moesten Aäron en zijn zonen aantrekken als zij in het heiligdom zouden dienen, 41.*

**1** Daarna[^exodus-28-1-1] zult u uw broer Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de Israëlieten, om Mij het priesterambt te bedienen:[^exodus-28-1-a] namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v1)

**2** En u zult voor uw broer Aäron[^exodus-28-2-2] heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v2)

**3** U zult ook spreken tot allen, die[^exodus-28-3-3] wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v3)

**4** Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een[^exodus-28-4-4] efod, en een[^exodus-28-4-5] mantel, en een rok vol[^exodus-28-4-6] oogjes, een[^exodus-28-4-7] tulband en een gordel;[^exodus-28-4-8] zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v4)

**5** Zij zullen ook[^exodus-28-5-9] het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen;[^exodus-28-5-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v5)

**6** [^exodus-28-6-b] En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.[^exodus-28-6-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v6)

**7** Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmee hij samengevoegd zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v7)

**8** En de kunstige riem van zijn efod, die op hem is, zal zijn zoals zijn werk, van[^exodus-28-8-12] hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.[^exodus-28-8-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v8)

**9** En u zult twee sardonixstenen nemen, en de namen van de zonen van Israël daarop graveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v9)

**10** Zes van hun namen op één steen, en de zes overige namen op de anderen steen, naar hun geboortevolgorde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v10)

**11** Naar steensnijderswerk, zoals men de zegelen graveert, zult u deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël; u zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden[^exodus-28-11-14] kastjes.[^exodus-28-11-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v11)

**12** En u zult de twee stenen aan de schouderbanden van de efod zetten, zijnde stenen ter herinnering voor de Israëlieten; en Aäron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter herinnering, voor het aangezicht van YHWH.[^exodus-28-12-16][^exodus-28-12-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v12)

**13** U zult ook gouden kastjes maken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v13)

**14** En twee kettinkjes van louter goud; zoals-eindigende zult u die maken, gedraaid werk; en de gedraaide kettinkjes zult u aan de kastjes hechten.[^exodus-28-14-18][^exodus-28-14-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v14)

**15** [^exodus-28-15-c] U zult ook een borstlap van het gericht maken, van het allerkunstelijkste werk, zoals het werk van de efod zult u hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult u hem maken.[^exodus-28-15-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v15)

**16** Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v16)

**17** En u zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, één rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.[^exodus-28-17-21][^exodus-28-17-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v17)

**18** En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v18)

**19** En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v19)

**20** En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.[^exodus-28-20-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v20)

**21** En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen van de zonen van Israël, met hun namen; zij zullen als zegels gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v21)

**22** U zult ook aan de borstlap zoals-eindigende kettinkjes van gedraaid werk uit louter goud maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v22)

**23** U zult ook aan de borstlap twee gouden ringen maken; en u zult de twee ringen aan de twee einden van de borstlap zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v23)

**24** Dan zult u de twee gedraaide gouden kettinkjes in de twee ringen doen, aan de einden van de borstlap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v24)

**25** Maar de twee einden van de twee gedraaide kettinkjes zult u aan die twee kastjes doen; en u zult ze zetten aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die.[^exodus-28-25-24][^exodus-28-25-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v25)

**26** U zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden van de borstlap zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van de efod zijn zal.[^exodus-28-26-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v26)

**27** Nog zult u twee gouden ringen maken, die u zetten zult aan de twee schouderbanden van de efod, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijn verbinding, boven de kunstige riem van de efod.[^exodus-28-27-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v27)

**28** En zij zullen de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod omhoog binden, met een hemelsblauw snoer, dat hij op de kunstige riem van de efod zij; en de borstlap zal van de efod niet afgescheiden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v28)

**29** Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël dragen aan de borstlap van het gericht, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter herinnering voor het aangezicht van YHWH steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v29)

**30** U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de Israëlieten steeds op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH.[^exodus-28-30-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v30)

**31** U zult ook[^exodus-28-31-d] de mantel van de efod geheel van hemelsblauw maken.[^exodus-28-31-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v31)

**32** En het hoofdgat dezelfde zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk; als het gat van een pantser zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd wordt.[^exodus-28-32-30][^exodus-28-32-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v32)

**33** En aan zijn zomen zult u granaatappels maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijn zomen rondom, en gouden belletjes rondom daartussen.[^exodus-28-33-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v33)

**34** Dat er een gouden belletje, daarna een granaatappel zij; opnieuw een gouden belletje, en een granaatappel, aan de zomen van de mantel rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v34)

**35** En Aäron zal dezelfde aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord wordt, als hij in het heilige, voor het aangezicht van YHWH, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.[^exodus-28-35-33][^exodus-28-35-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v35)

**36** Verder zult u[^exodus-28-36-e] een plaat maken van louter goud, en u zult daarin graveren, zoals men de zegelen graveert:[^exodus-28-36-35] De HEILIGHEID VAN YHWH![^exodus-28-36-36][^exodus-28-36-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v36)

**37** En u zult die aanhechten met een hemelsblauw snoer, zo dat zij aan de tulband zij; aan de voorste zijde van de tulband zal zij zijn.[^exodus-28-37-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v37)

**38** En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid van de heilige dingen, die de Israëlieten zullen geheiligd hebben, in alle gaven van hun geheiligde dingen; en zij zal[^exodus-28-38-39] steeds aan zijn voorhoofd zijn, om hen voor het aangezicht van YHWH aangenaam te maken.[^exodus-28-38-40][^exodus-28-38-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v38)

**39** U zult ook[^exodus-28-39-f] een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de tulband van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v39)

**40** Voor de zonen van Aäron zult u ook onderkleding maken, en u zult voor hen gordels maken; ook zult u voor hen hoofddoeken maken, tot heerlijkheid en sieraad.[^exodus-28-40-42][^exodus-28-40-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v40)

**41** En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en[^exodus-28-41-44] hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen.[^exodus-28-41-45][^exodus-28-41-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v41)

**42** Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees van de schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de middel tot de dijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v42)

**43** Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent van de samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.[^exodus-28-43-47][^exodus-28-43-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/28.html#v43)

[^exodus-28-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, nadat het werk van de tabernakel volmaakt zal zijn.
[^exodus-28-1-a]: Verwijzing a: Hebr. 5:4 . Hebreeën 5:4 : En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, zoals als Aäron.
[^exodus-28-2-2]: Kanttekening 2: heilige kleren maken: Dat is, kleren, die hij zal aandoen wanneer hij de heilige godsdienst verrichten zal. Hebreeuws, kleren van de heiligheid.
[^exodus-28-3-3]: Kanttekening 3: wijs van hart zijn: Zie Job 9:4 . Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
[^exodus-28-4-4]: Kanttekening 4: Of, lijfrok. Zie boven, Ex. 25:7 . Exodus 25:7 : Sardonixstenen, en vervullende stenen tot de efod, en tot de borstlap.
[^exodus-28-4-5]: Kanttekening 5: Of, overkleed, overtreksel, overrok, waaraan de schelletjes waren. Zie vers 31 . Exodus 28:31 : U zult ook de mantel van het efod geheel van hemelsblauw maken.
[^exodus-28-4-6]: Kanttekening 6: Versta, kunstig-gewrochte versierseltjes in de vorm van ogen. Deze wordt gehouden voor de onderrok, langer zijnde dan de overrok.
[^exodus-28-4-7]: Kanttekening 7: Dit was een deksel, dat rondom het hoofd als gewonden was, gelijk heden ten dage de tulbanden van de Turken; het was het hoofddeksel en de sieraad van de koningen en van de priesters.
[^exodus-28-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, de wijze mannen, van wie vers 3 gesproken is. Exodus 28:3 : U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.
[^exodus-28-5-9]: Kanttekening 9: Te weten, de wijze mannen, van wie vers 3 gesproken is. Exodus 28:3 : U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.
[^exodus-28-5-10]: Kanttekening 10: het goud: Te weten, dat de kinderen van Israël vrijwillig zullen gebracht hebben, waarvan Ex. 25 gesproken is.
[^exodus-28-6-b]: Verwijzing b: Ex. 39:2 . Exodus 39:2 : Aldus maakte hij de efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
[^exodus-28-6-11]: Kanttekening 11: De gouden efod droeg alleen de hogepriester, maar er waren ook efods van linnen, welke de andere priesters, ja ook andere mensen, droegen; zie 1 Sam. 2:18 , en 1 Sam. 22:18 , en 2 Sam. 6:14 . 1 Samuël 2:18 : Maar Samuël diende voor het aangezicht van YHWH, zijnde een jongeling, omgord met de linnen lijfrok. 1 Samuël 22:18 : Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen. 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok.
[^exodus-28-8-12]: Kanttekening 12: de kunstelijkste riem: Te weten, waarmee de efod zou omgord worden. Of deze efod van de schouders af, zowel voor als achter, heeft neergehangen tot op de lenden, en onder deze riem, dan of hij alleen van achteren heeft neergehangen tot aan de riem of boven dezelfde, dan of hij, voor en achter open zijnde, aan de schouderbanden van de lenden heeft neergehangen tot aan de voeten, daarvan zijn verscheidene gevoelens. Maar het laatste wordt door de meestgeleerde Hebreën bevestigd.
[^exodus-28-8-13]: Kanttekening 13: van hetzelfde: Te weten, van dezelfde stof waarvan de efod is. Anders, uit hetzelfde; dat is, uit hetzelfde stuk.
[^exodus-28-11-14]: Kanttekening 14: gelijk men de zegelen graveert: Dat is, op het allernetste en volmaakste. Hebreeuws, gravering eens zegels.
[^exodus-28-11-15]: Kanttekening 15: Zo worden genoemd de holle plaatsen van het goud boven op de ringen, waarin men de steen zet.
[^exodus-28-12-16]: Kanttekening 16: ter gedachtenis voor de kinderen van Israël: De zin van deze woorden is, dat Aäron God de kinderen van Israël indachtig maakte, staande voor hem.
[^exodus-28-12-17]: Kanttekening 17: ter gedachtenis, voor het aangezicht van YHWH: De zin van deze woorden is, dat Aäron God de kinderen van Israël indachtig maakte, staande voor hem.
[^exodus-28-14-18]: Kanttekening 18: Dat is, van gelijke grootte en lengte, zo ook onder, vers 22 . Exodus 28:22 : U zult ook aan de borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken.
[^exodus-28-14-19]: Kanttekening 19: gedraaid werk: Anders, gewrongen werk.
[^exodus-28-15-c]: Verwijzing c: Ex. 39:8 . Exodus 39:8 : Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk van het efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
[^exodus-28-15-20]: Kanttekening 20: een borstlap van het gericht: Aldus geheten, omdat de hogepriester die aandeed, als er zwaarwichtige, maar twijfelachtige zaken voorvielen, waarin hij God raad vroeg.
[^exodus-28-17-21]: Kanttekening 21: een rij van: Dat is, de eerste, gelijk Gen. 1:5 , en Gen. 2:11 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. Genesis 2:11 : De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het, die het gehele land van Havila omloopt, waar het goud is.
[^exodus-28-17-22]: Kanttekening 22: In het overzetten van de namen van deze stenen zijn het de meeste geleerde overzetters niet eens, maar hier is gevolgd het gevoelen van de meeste en voornaamste, zo oude als nieuwe overzetters. In het Hebreeuws staan de namen aldus: 1 odem, pitda, bareketh; 2 nophech, sappir, jahalöm; 3 leschem, schebo, achlamah; 4 tarschisch, schoham, jaspe.
[^exodus-28-20-23]: Kanttekening 23: in hun vullingen: Dat is, in de kasjes waarin zij gezet zullen worden; vergelijk boven, Ex. 25:7 . Exodus 25:7 : Sardonixstenen, en vervullende stenen tot de efod, en tot de borstlap.
[^exodus-28-25-24]: Kanttekening 24: van de twee gedraaide ketentjes : Hebreeuws, van de beide draaiingen, of, draaiselen.
[^exodus-28-25-25]: Kanttekening 25: zijde van die: Hebreeuws, aangezicht.
[^exodus-28-26-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, lip.
[^exodus-28-27-27]: Kanttekening 27: Anders, samenvoeging.
[^exodus-28-30-28]: Kanttekening 28: de Urim en de Thummim zetten: Deze woorden zou men kunnen overzetten lichten en volmaaktheden. Het heeft God beliefd door dezelfde zijn klare en volmaakte antwoorden te geven aan de hogepriester, maar wat zij geweest zijn, is onzeker; men leest nergens dat God Mozes heeft bevolen dezelfde te maken, veel weiniger hoe of waarvan dezelfde gemaakt zijn; vergelijk Lev. 8:8 . Leviticus 8:8 : Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim.
[^exodus-28-31-d]: Verwijzing d: Ex. 39:22 . Exodus 39:22 : En hij maakte de mantel van het efod van geweven werk, geheel van hemelsblauw.
[^exodus-28-31-29]: Kanttekening 29: mantel van het efod: Te weten, de mantel of rok, die men onder de efod dragen zal.
[^exodus-28-32-30]: Kanttekening 30: hoofdgat dezelfde: Dat is, het opene, waar het hoofd van de priester zal doorgaan. Hebreeuws, de mond van zijn hoofd.
[^exodus-28-32-31]: Kanttekening 31: Te weten, het gat; anders, \[hij\] te weten, de efod.
[^exodus-28-33-32]: Kanttekening 32: tussen dezelfde: Anders, in het midden van die.
[^exodus-28-35-33]: Kanttekening 33: zijn geluid gehoord worde: Versta, de klank of het geluid van zijn schellen.
[^exodus-28-35-34]: Kanttekening 34: opdat hij niet sterve: Versta, van God de Heer geslagen zijnde.
[^exodus-28-36-e]: Verwijzing e: Ex. 39:30 . Exodus 39:30 : Zij maakten ook de plaat van de kroon van de heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID DES YHWH.
[^exodus-28-36-35]: Kanttekening 35: plaat maken van louter goud: Hebreeuws, een bloem; die schoon voor het oog is.
[^exodus-28-36-36]: Kanttekening 36: gelijk men de zegelen graveert: Hebreeuws, met gravering eens zegels.
[^exodus-28-36-37]: Kanttekening 37: DE HEILIGHEID DES YHWH: Anders, heiligheid voor de Heer.
[^exodus-28-37-38]: Kanttekening 38: de hoed zij: Zie boven, vers 4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^exodus-28-38-39]: Kanttekening 39: opdat Aäron: Hier is Aäron een voorbeeld op Christus, die door zijn heiligheid de zonden van zijn volk heeft weggenomen, die zij dikwijls begaan, ook in hun allerheiligste werken; Joh. 1:29 ; 2 Kor. 5:19 , en 1 Joh. 2:1 . Johannes 1:29 : De volgende dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 1 Johannes 2:1 : Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige;
[^exodus-28-38-40]: Kanttekening 40: drage de ongerechtigheid van de heilige dingen: Dat is, dragende wegneme.
[^exodus-28-38-41]: Kanttekening 41: geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn: Versta, altijd wanneer de hogepriester de hoed zou opzetten, en dienst doen.
[^exodus-28-39-f]: Verwijzing f: boven, v. 4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^exodus-28-40-42]: Kanttekening 42: rokken maken: Te weten, van fijn linnen, gelijk die van de hogepriester, Ex. 39:27 . Versta dit ook van de gordel en van de hoeden, of mutsen, welke van die van de hogepriester niet veel ongelijk waren. Exodus 39:27 : Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen;
[^exodus-28-40-43]: Kanttekening 43: mutsen maken: Of, verheven mutsjes; die aan het hoofd gebonden werden; Lev. 8:13 . Leviticus 8:13 : Ook deed Mozes de zonen van Aäron naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^exodus-28-41-44]: Kanttekening 44: ook zijn zonen: Hebreeuws, met hem.
[^exodus-28-41-45]: Kanttekening 45: zult hen zalven: Te weten, met de heilige olie, zoals God die te maken bevolen heeft. Zie Ex. 30:23 , en Ex. 29:7 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 29:7 : En u zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven.
[^exodus-28-41-46]: Kanttekening 46: hun hand vullen: Zie Lev. 8:33 . Leviticus 8:33 : Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen.
[^exodus-28-43-47]: Kanttekening 47: Aäron nu en zijn zonen: Hebreeuws, en zij zullen op Aäron en op zijn zonen zijn.
[^exodus-28-43-48]: Kanttekening 48: ongerechtigheid dragen en sterven: Dat is, straf van de ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

### Exodus 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/29.json)

*Over de wijding van Aäron en zijn zonen, vers 1 enz. hoe men de var van het zondoffer moest offeren, 10. en de ene ram tot brandoffer, 15. Ook de andere ram tot heiliging van de priesters, 19. Aäron en zijn zonen aten het vlees van de ram waarmee zij ingewijd waren, 32. Het altaar moest zeven dagen lang ontzondigd worden, 36. Er moesten dagelijks twee lammeren tot brandoffer geofferd worden, 38. God belooft de tabernakel, en ook Aäron en zijn zonen te heiligen, 44. en in het midden van de kinderen van Israël te wonen, 45.*

**1** Dit[^exodus-29-1-a] nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem één stier, het jong van een rund, en twee[^exodus-29-1-1] volkomen rammen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v1)

**2** En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken,[^exodus-29-2-2] met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult u dezelfde maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v2)

**3** En u zult ze in één mand leggen, en zult ze in de mand[^exodus-29-3-3] toebrengen, met de stier en de twee rammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v3)

**4** Dan zult u Aäron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent van de samenkomst; en[^exodus-29-4-4] u zult hen met water wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v4)

**5** Daarna zult u[^exodus-29-5-5] de kleren nemen, en Aäron de rok, en de mantel van de efod, en de efod, en de borstlap aandoen; en u zult hem omgorden met de kunstige riem van de efod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v5)

**6** En u zult de tulband op zijn hoofd zetten;[^exodus-29-6-6] de kroon van de heiligheid zult u aan de tulband zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v6)

**7** En[^exodus-29-7-b] u zult[^exodus-29-7-7] de zalfolie nemen, en[^exodus-29-7-8] op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v7)

**8** Daarna zult u zijn zonen doen naderen, en zult hen de onderkleding doen aantrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v8)

**9** En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de hoofddoeken opbinden, opdat zij het priesterambt hebben[^exodus-29-9-9] tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand[^exodus-29-9-10] van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v9)

**10** [^exodus-29-10-c] En u zult de stier nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen[^exodus-29-10-11] hun handen op het hoofd van de stier leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v10)

**11** En u zult de stier slachten[^exodus-29-11-12] voor het aangezicht van YHWH,[^exodus-29-11-13] voor de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v11)

**12** Daarna zult u van het bloed van de stier nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en[^exodus-29-12-14] al het bloed zult u uitgieten aan[^exodus-29-12-15] de bodem van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v12)

**13** U zult ook al het vet nemen, dat het binnenste bedekt, en het net over de lever, en zowel nieren als het vet, dat daaraan is, en u zult ze aansteken op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v13)

**14** [^exodus-29-14-d] Maar het vlees van de stier, en zijn huid, en zijn mest, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v14)

**15** Daarna zult u de ene ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v15)

**16** En u zult de ram slachten, en u zult zijn[^exodus-29-16-e] bloed nemen, en rondom op het altaar sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v16)

**17** En de ram[^exodus-29-17-16] zult u in zijn delen delen; en u zult zijn binnenste en zijn poten wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v17)

**18** Zo zult u de hele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer voor YHWH, tot een liefelijken reuk, het is[^exodus-29-18-17] een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v18)

**19** Daarna zult u de andere ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v19)

**20** En u zult de ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlel van Aäron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, evenzo op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; en[^exodus-29-20-18] dat bloed zult u op het altaar sprenkelen, rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v20)

**21** Dan zult u nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van[^exodus-29-21-19] de zalfolie, en u zult op Aäron en op zijn kleren sprenkelen, en op zijn zonen en op de kleren zijn zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn kleren, ook zijn zonen, en de kleren zijn zonen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v21)

**22** Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het binnenste bedekt, en[^exodus-29-22-20] het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat daaraan is, en de rechterschouder;[^exodus-29-22-21] want het is een ram[^exodus-29-22-22] van de vuloffers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v22)

**23** En één broodbol, en één koek[^exodus-29-23-23] geolied brood, en één platte koek, uit de mand van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van YHWH zijn zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v23)

**24** En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen van zijn zonen,[^exodus-29-24-24] en beweeg ze als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v24)

**25** Neem ze daarna van hun hand, en steek[^exodus-29-25-25] ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht van YHWH;[^exodus-29-25-26] het is een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v25)

**26** En neem de borst van de ram van de[^exodus-29-26-27] vuloffers, die van Aäron is, en beweeg hem als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; en het zal[^exodus-29-26-28] u ten dele zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v26)

**27** En u zult[^exodus-29-27-29] de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder[^exodus-29-27-30] van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat van Aäron, en van wat dat van zijn zonen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v27)

**28** En[^exodus-29-28-f] het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting[^exodus-29-28-31] vanwege de Israëlieten; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de Israëlieten zal zijn van hun dankoffers; hun hefoffer zal voor YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v28)

**29** De[^exodus-29-29-32] heilige kleren nu, die van Aäron zullen geweest zijn, zullen[^exodus-29-29-33] van zijn[^exodus-29-29-34] zonen na hem zijn, opdat men hen daarin zalve, en dat[^exodus-29-29-35] men hun hand daarin vulle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v29)

**30** [^exodus-29-30-36] Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats[^exodus-29-30-37] priester zal worden, die in de tent van de samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v30)

**31** U zult de ram van de vulling nemen, en u zult zijn vlees[^exodus-29-31-38] in de heilige plaats koken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v31)

**32** [^exodus-29-32-g] Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de mand zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v32)

**33** En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen;[^exodus-29-33-h] maar[^exodus-29-33-39] een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn[^exodus-29-33-40] heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v33)

**34** En als er wat overblijven zal van het vlees van de vuloffers, of van dit brood, tot aan de morgen, zo zult u het overgeblevene met vuur verbranden;[^exodus-29-34-41] het zal niet gegeten worden, want het is heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v34)

**35** U zult dan aan Aäron en aan zijn zonen zo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult u hun hand vullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v35)

**36** U zult ook overdag een stier van het zondoffer bereiden, tot de verzoeningen,[^exodus-29-36-42] en u zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelfde; en u zult het zalven, om het te heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v36)

**37** Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; dan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden[^exodus-29-37-43][^exodus-29-37-44] zijn;[^exodus-29-37-45] al wat het altaar aanroert, zal[^exodus-29-37-46] heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v37)

**38** Dit[^exodus-29-38-i] nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, overdag, steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v38)

**39** Het ene lam zult u 's morgens[^exodus-29-39-47] bereiden; maar het andere lam zult u bereiden[^exodus-29-39-48] tussen de twee avonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v39)

**40** Met[^exodus-29-40-49] een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel[^exodus-29-40-50] van een hin[^exodus-29-40-51] gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v40)

**41** Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmee doen zoals met het morgenspijsoffer, en zoals met het drankoffer dezelfde, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v41)

**42** Het zal een voortdurende brandoffer zijn bij uw generaties,[^exodus-29-42-52] aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; daar zal Ik met u komen, dat Ik daar met u spreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v42)

**43** En daar zal Ik komen tot de Israëlieten; opdat[^exodus-29-43-53] zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v43)

**44** En Ik zal de tent van de[^exodus-29-44-54] samenkomst heiligen, en ook het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v44)

**45** En Ik[^exodus-29-45-k] zal in het midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v45)

**46** En zij zullen weten, dat Ik YHWH hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben YHWH, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/29.html#v46)

[^exodus-29-1-a]: Verwijzing a: Lev. 8:2 ; Lev. 9:2 . Leviticus 8:2 : Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de kleren, en de zalfolie, daartoe de var van het zondoffer, en de twee rammen, en de korf van de ongezuurde broden; Leviticus 9:2 : En hij zei tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-29-1-1]: Kanttekening 1: volkomen rammen: Zie Ex. 12:5 . Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen.
[^exodus-29-2-2]: Kanttekening 2: met olie bestreken: Versta hier, olie van olijven.
[^exodus-29-3-3]: Kanttekening 3: Anders, offeren.
[^exodus-29-4-4]: Kanttekening 4: u zult hen met water wassen: Te weten, uit het geheiligde wasvat; Ex. 30:18 . Exodus 30:18 : U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen;
[^exodus-29-5-5]: Kanttekening 5: de kleren nemen: Te weten, de heilige kleren, waarvan Ex. 28 gesproken is.
[^exodus-29-6-6]: Kanttekening 6: de kroon van de heiligheid: Het Hebreeuwse woord Nezer (נֵ֫זֶר), dat hier gebruikt wordt, betekent afscheiding, of afzondering. Deze kroon wordt aldus genoemd, omdat zij een teken van de afzondering van andere mensen was; hierom wordt ook de kroon van de koningen Nezer genoemd, 2 Sam. 1:10 , en Ps. 89:40 . Hier is zij het versiersel van de hogepriester om zijn waardigheid aan te wijzen. Uit Ex. 28:36 , en Lev. 8:9 is af te nemen dat de plaat en deze kroon één ding is. 2 Samuël 1:10 : Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht. Psalmen 89:40 : U hebt het verbond van Uw knecht te niet gedaan; U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. Exodus 28:36 : Verder zult u een plaat maken van louter goud, en u zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: De HEILIGHEID VAN YHWH! Leviticus 8:9 : En hij zette de hoed op zijn hoofd; en aan de hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon van de heiligheid, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^exodus-29-7-b]: Verwijzing b: Ex. 30:25 . Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn.
[^exodus-29-7-7]: Kanttekening 7: de zalfolie nemen: Waarvan gesproken wordt Ex. 30:23 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
[^exodus-29-7-8]: Kanttekening 8: op zijn hoofd gieten: Dat zij langs zijn baard nederdale; Ps. 133:2 . Psalmen 133:2 : Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren.
[^exodus-29-9-9]: Kanttekening 9: tot een eeuwige inzetting: Dat is tot op de Messias, want toen heeft Aärons dienst, met al de ceremoniën een einde genomen.
[^exodus-29-9-10]: Kanttekening 10: hand van Aäron vullen: Zie Lev. 7:37 , en Lev. 8:22 -35. Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer; Leviticus 8:22 : Daarna deed hij de andere ram, de ram van het vuloffer, bijbrengen; en Aäron met zijn zonen leiden hun handen op het hoofd van de ram.
[^exodus-29-10-c]: Verwijzing c: Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-29-10-11]: Kanttekening 11: hun handen: Hebreeuws, met hun handen steunen.
[^exodus-29-11-12]: Kanttekening 12: voor het aangezicht van YHWH: Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-29-11-13]: Kanttekening 13: voor de deur van de tent van de samenkomst: Of, bij.
[^exodus-29-12-14]: Kanttekening 14: al het bloed: De rest van het bloed, zo ook onder, vers 20 . Exodus 29:20 : En u zult de ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlapje van Aäron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, evenzo op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; en dat bloed zult u op het altaar sprengen, rondom heen.
[^exodus-29-12-15]: Kanttekening 15: de bodem van het altaar: Daar was een goot of gat, waar het in of door liep.
[^exodus-29-14-d]: Verwijzing d: Lev. 4:12 ; Hebr. 13:11 . Leviticus 4:12 : En die heel var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden. Hebreeën 13:11 : Want waarvan de dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.
[^exodus-29-16-e]: Verwijzing e: Hebr. 9:12 ; idem v. 19 . Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 9:19 : Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk,
[^exodus-29-17-16]: Kanttekening 16: zult u in zijn delen delen: Of, in zijn stukken houwen; te weten, nadat het vel daarvan afgetrokken zal zijn; Lev. 1:6 . Leviticus 1:6 : Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
[^exodus-29-18-17]: Kanttekening 17: vuuroffer YHWH: Dat is, een offerande, die door het vuur geheel verteerd werd. Zie Lev. 1:1 . Leviticus 1:1 : En YHWH riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent van de samenkomst, zeggende:
[^exodus-29-20-18]: Kanttekening 18: dat bloed zult u: Zie boven, vers 12 . Exodus 29:12 : Daarna zult u van het bloed van het var nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar.
[^exodus-29-21-19]: Kanttekening 19: de zalfolie: Die beschreven wordt Ex. 30:22 . Exodus 30:22 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende:
[^exodus-29-22-20]: Kanttekening 20: het net van de lever: Dat is, dat op, of over de lever is, gelijk boven, vers 13 . Exodus 29:13 : U zult ook al het vet nemen, dat het ingewand bedekt, en het net over de lever, en zowel nieren als het vet, dat aan dezelfde is, en u zult ze aansteken op het altaar.
[^exodus-29-22-21]: Kanttekening 21: Anders, achterbout.
[^exodus-29-22-22]: Kanttekening 22: van de vulofferen: Hebreeuws, van de vervullingen; en zo in het volgende. Zie Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^exodus-29-23-23]: Kanttekening 23: geolied brood: Dat is, met olie doorweekt.
[^exodus-29-24-24]: Kanttekening 24: en beweeg ze ten beweegoffer: Zie Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^exodus-29-25-25]: Kanttekening 25: op het altaar: Of, naast.
[^exodus-29-25-26]: Kanttekening 26: een vuuroffer YHWH: Zie boven, vers 18 . Exodus 29:18 : Zo zult u de hele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer voor YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer voor YHWH.
[^exodus-29-26-27]: Kanttekening 27: die van Aäron is: Dat is, die dienen zal tot zijn inwijding.
[^exodus-29-26-28]: Kanttekening 28: u ten dele zijn: Te weten, Mozes. Zie Lev. 8:29 . Leviticus 8:29 : Verder nam Mozes de borst, en bewoog ze ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; zij werd Mozes ten dele van de ram van het vuloffer, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^exodus-29-27-29]: Kanttekening 29: de borst van het beweegoffer heiligen: Zie Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^exodus-29-27-30]: Kanttekening 30: van het hefoffer: Zie Ex. 25:2 . Exodus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen.
[^exodus-29-28-f]: Verwijzing f: Lev. 7:31 ; idem 7:34 ; Lev. 10:14 . Leviticus 7:31 : En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. Leviticus 7:34 : Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de kinderen van Israël uit hun dankofferen genomen, en heb dezelfde aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen van Israël. Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven.
[^exodus-29-28-31]: Kanttekening 31: vanwege de kinderen van Israël: Dat is, wat er geofferd zal worden door de kinderen van Israël, het zal voor Aäron en zijn zonen zijn.
[^exodus-29-29-32]: Kanttekening 32: heilige kleren nu: Al wat tot de godsdienst gebruikt wordt, wordt heilig genoemd.
[^exodus-29-29-33]: Kanttekening 33: van zijn zonen: Versta, één van zijn zonen, te weten, die na hem hogepriester worden zal.
[^exodus-29-29-34]: Kanttekening 34: na hem zijn: Dat is, na zijn dood.
[^exodus-29-29-35]: Kanttekening 35: hun hand in dezelfde vulle: Dat is, inwijde; gelijk vers 9 , 29:22 . Exodus 29:9 : En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen. Exodus 29:22 : Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelfde is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vulofferen;
[^exodus-29-30-36]: Kanttekening 36: Zeven dagen: Te weten, zeven dagen aan elkaar, want zoveel dagen vereiste zijn wijding, vers 35 . Exodus 29:35 : U zult dan aan Aäron en aan zijn zonen zo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult u hun hand vullen.
[^exodus-29-30-37]: Kanttekening 37: priester zal worden: Te weten, hogepriester.
[^exodus-29-31-38]: Kanttekening 38: in de heilige plaats zieden: Te weten bij de deur van de tent van de samenkomst, gelijk er staat vers 32 , en Lev. 8:31 . Hier mocht iedereen inkomen, en die de offeranden deden, aten daar hun deel. Exodus 29:32 : Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de korf zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 8:31 : En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet hetzelfde daar, en ook het brood, dat in de korf van het vuloffer is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten.
[^exodus-29-32-g]: Verwijzing g: Lev. 8:31 ; Lev. 24:9 . Leviticus 8:31 : En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet hetzelfde daar, en ook het brood, dat in de korf van het vuloffer is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten. Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting.
[^exodus-29-33-h]: Verwijzing h: Lev. 10:14 ; Matt. 12:4 . Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven. Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.
[^exodus-29-33-39]: Kanttekening 39: een vreemde zal ze niet eten: Dat is, die niet is van het geslacht of de afkomst van Aäron. De Levieten zelfs mochten er niet van eten. Zie Lev. 10:14 . Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en het bescheiden deel van uw zonen, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven.
[^exodus-29-33-40]: Kanttekening 40: Dat is, heilig voedsel, aan God toegeëigend. Hebreeuws, heiligheid.
[^exodus-29-34-41]: Kanttekening 41: het zal niet gegeten worden: Zelfs moesten de priesters het overblijfsel niet eten.
[^exodus-29-36-42]: Kanttekening 42: en u zult het altaar ontzondigen: Of, u zult voor het altaar ontzondiging doen; versta, met het zondoffer. Zie verder, Lev. 8:15 . Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om voor hetzelfde verzoening te doen.
[^exodus-29-37-43]: Kanttekening 43: Te weten, met de heilige olie.
[^exodus-29-37-44]: Kanttekening 44: een heiligheid van de heiligheden zijn: Niet alleen zelf geheiligd zijnde, maar ook heiligende de gaven, die daarop geofferd werden; en ten dezen aanzien was het altaar groter dan de offeranden, gelijk Christus getuigt, Matt. 23:19 . Mattheüs 23:19 : U dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?
[^exodus-29-37-45]: Kanttekening 45: al wat het altaar aanroert: Anders, al wie, en zo onder, Ex. 30:29 . Exodus 30:29 : U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn.
[^exodus-29-37-46]: Kanttekening 46: heilig zijn: Te weten, ceremonieel.
[^exodus-29-38-i]: Verwijzing i: Num. 28:3 . Numeri 28:3 : En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van het dag, tot een gedurig brandoffer.
[^exodus-29-39-47]: Kanttekening 47: Te weten, om te offeren.
[^exodus-29-39-48]: Kanttekening 48: tussen de twee avonden: Zie Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^exodus-29-40-49]: Kanttekening 49: een tiende deel meelbloem: Te weten, van een efa; dat is, een gomer. Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^exodus-29-40-50]: Kanttekening 50: van een hin: Dat is, zoveel als er in achttien henneëierschalen gaat.
[^exodus-29-40-51]: Kanttekening 51: gestoten olie: Zie boven, Ex. 27:20 . Exodus 27:20 : U nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot de luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.
[^exodus-29-42-52]: Kanttekening 52: aan de deur: Hier stond het brandofferaltaar, Ex. 40:29 . Exodus 40:29 : En hij zette het altaar van het brandoffer aan de deur van het tabernakel, van de tent van de samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk YHWH aan Mozes geboden had.
[^exodus-29-43-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, hij; dat is, ieder onder hen, of het volk van Israël.
[^exodus-29-44-54]: Kanttekening 54: Te weten, door mijn heerlijke verschijning en aanwezigheid.
[^exodus-29-45-k]: Verwijzing k: Ex. 25:8 ; Lev. 26:12 ; Ps. 78:60 ; Zach. 2:10 ; 2 Kor. 6:16 ; Openb. 21:3 . Exodus 25:8 : En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Psalmen 78:60 : Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. Zacharia 2:10 : Juich en verblijd u, u dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt YHWH. 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Openbaring 21:3 : En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.

### Exodus 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/30.json)

*God beveelt het reukaltaar te maken, vers 1 enz. waarop de hogepriester elke morgen reukwerk moest aansteken, 7. en eenmaal per jaar verzoening op de hoornen daarvan moest doen, 10. Alle kinderen van Israël moesten elk een halve sikkel geven tot verzoening van hun ziel, 12. Er wordt bevel gegeven het koperen wasvat te maken, met zijn voetstuk, en daarin water te doen, zodat de priesters dagelijks hun handen en voeten daarin wasten, 17. Hoe men de heilige zalfolie moest maken, 22. Waarmee men zou zalven, 26. Niemand mocht dergelijke maken, 32. De bereiding van het reukwerk, 34. Hoe men het moest gebruiken, 36. Niemand mocht dergelijke voor zichzelf maken, 37.*

**1** U zult ook een[^exodus-30-1-a] reukaltaar[^exodus-30-1-1] van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v1)

**2** Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v2)

**3** En u zult het[^exodus-30-3-2] met louter goud overtrekken, zijn dak en zijn[^exodus-30-3-3] wanden rondom, als ook zijn hoornen; en u zult het een gouden krans rondom maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v3)

**4** U zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult u dezelfde maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn[^exodus-30-4-4] tot plaatsen voor de handbomen, dat[^exodus-30-4-5] men het daarmee drage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v4)

**5** De draagbomen nu zult u van sittimhout maken, en u zult die met goud overtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v5)

**6** En u zult het zetten voor[^exodus-30-6-6] het voorhangsel, dat voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v6)

**7** En Aäron zal daarop[^exodus-30-7-7] aansteken geurende specerijen;[^exodus-30-7-8] elke morgen,[^exodus-30-7-b] als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v7)

**8** En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij[^exodus-30-8-9] dat aansteken; het zal een steeds[^exodus-30-8-10] reukwerk zijn, voor het aangezicht van YHWH, bij uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v8)

**9** U zult geen[^exodus-30-9-11] vreemd reukwerk op hetzelfde aansteken, noch[^exodus-30-9-12] brandoffer, noch voedseloffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v9)

**10** En Aäron zal[^exodus-30-10-13] eens in het jaar over zijn hoornen[^exodus-30-10-14] verzoening doen, met het bloed van[^exodus-30-10-15] het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw generaties; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v10)

**11** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v11)

**12** [^exodus-30-12-c] Als u het aantal[^exodus-30-12-16] van de Israëlieten opnemen zult,[^exodus-30-12-17] naar de ingeschrevenen onder hen, zo zullen zij ieder[^exodus-30-12-18] de verzoening[^exodus-30-12-19] van zijn ziel YHWH[^exodus-30-12-20] geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plaag zij, als u hen tellen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v12)

**13** [^exodus-30-13-d] Dit zullen zij geven, al[^exodus-30-13-21] die tot de ingeschrevenen overgaat, de helft van een sikkel,[^exodus-30-13-22] naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig[^exodus-30-13-23] gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v13)

**14** Al wie overgaat tot de ingeschrevenen,[^exodus-30-14-24] van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer van YHWH geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v14)

**15** De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft van de sikkel, als u het hefoffer van YHWH geeft om voor uw zielen verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v15)

**16** [^exodus-30-16-e] U dan zult het geld van de verzoeningen van de Israëlieten nemen, en zult het leggen[^exodus-30-16-25] tot de dienst van de tent van de samenkomst; en het zal de Israëlieten ter herinnering zijn, voor het aangezicht van YHWH, om voor uw zielen verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v16)

**17** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v17)

**18** U zult ook[^exodus-30-18-26] een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen[^exodus-30-18-27] het altaar, en u zult water daarin doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v18)

**19** Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v19)

**20** Wanneer zij in de tent van de samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen,[^exodus-30-20-28] opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer voor YHWH aansteken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v20)

**21** Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn,[^exodus-30-21-29] voor hem en zijn zaad, bij hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v21)

**22** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v22)

**23** U nu, neem u de[^exodus-30-23-30] voornaamste specerijen,[^exodus-30-23-31] de zuiverste mirre,[^exodus-30-23-32] vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel,[^exodus-30-23-33] half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v23)

**24** Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen[^exodus-30-24-34] een hin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v24)

**25** En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstig gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van[^exodus-30-25-35] de heilige zalving zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v25)

**26** En daarmee zult u zalven de tent van de samenkomst, en de ark van het getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v26)

**27** En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v27)

**28** En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v28)

**29** [^exodus-30-29-36] U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v29)

**30** U zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en[^exodus-30-30-37] u zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v30)

**31** En u zult tot de Israëlieten spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie van de heilige zalving zijn bij uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v31)

**32** Op[^exodus-30-32-38] geens mensen vlees zal men ze gieten; u zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal u heiligheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v32)

**33** De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan[^exodus-30-33-39] op wat vreemds doet,[^exodus-30-33-40] die zal uitgeroeid worden uit zijn volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v33)

**34** Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u geurende specerijen,[^exodus-30-34-41] mirresap, en[^exodus-30-34-42] oniche, en galban, deze geurende specerijen, en zuiveren wierook; dat[^exodus-30-34-43] elk bijzonder zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v34)

**35** En[^exodus-30-35-44] u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker,[^exodus-30-35-45] gemengd, rein, heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v35)

**36** En u zult van hetzelfde heel klein pulver stoten, en u zult daarvan leggen voor[^exodus-30-36-46] de getuigenis in de tent van de samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal u heiligheid van de heiligheden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v36)

**37** Maar naar het maaksel van dit reukwerk, dat u gemaakt zult hebben, zult u voor uzelf geen maken; het zal[^exodus-30-37-47] u heiligheid zijn[^exodus-30-37-48] voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v37)

**38** De man, die dergelijke maken zal,[^exodus-30-38-49] om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/30.html#v38)

[^exodus-30-1-a]: Verwijzing a: Ex. 37:25 . Exodus 37:25 : En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde waren zijn hoornen.
[^exodus-30-1-1]: Kanttekening 1: van het reukwerk maken: Om iederen dag reukwerk daarop aan te steken. Dit altaar stond in het voorste deel van het tabernakel voor het voorhangsel. Het was wel eigenlijk tot het reukwerk gemaakt, maar somtijds werd daarop ook de verzoening met bloed gedaan, gelijk te zien is onder, vers 10 , en Lev. 4:7 . Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden voor YHWH! Leviticus 4:7 : Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar van de welriekende specerijen, voor het aangezicht van YHWH, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de var uitgieten aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is aan de deur van de tent van de samenkomst.
[^exodus-30-3-2]: Kanttekening 2: met louter goud overtrekken: Het wordt Num. 4:11 , genoemd het gouden altaar; maar Ez. 41:22 het houten altaar. Numeri 4:11 : En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen zijn handbomen aanleggen. Ezechiël 41:22 : De hoogte van het houten altaar was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor het aangezicht van YHWH zal zijn.
[^exodus-30-3-3]: Kanttekening 3: wanden rondom: Dat is, de zijden, want gelijk door het dak wordt verstaan het deksel of de bovenplank van het altaar, waar men het reukwerk op zette, zo moet men hier door de wanden verstaan de zijden van het altaar.
[^exodus-30-4-4]: Kanttekening 4: tot plaatsen voor de handbomen: Dat is, om de handbomen daarin te steken; te weten, wanneer de tabernakel zal verdragen of op een andere plaats zal gebracht worden; Num. 4:5 , 4:11 , 4:15 . Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. Numeri 4:11 : En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen zijn handbomen aanleggen. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^exodus-30-4-5]: Kanttekening 5: het daarmee drage: Te weten, het altaar.
[^exodus-30-6-6]: Kanttekening 6: de voorhang: Dit voorhangsel was een scheidsel, tussen de plaats, waar de priesters hun dienst deden, en het heilige van de heiligen, waar de ark stond. die voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
[^exodus-30-7-7]: Kanttekening 7: aansteken welriekende specerijen: Hebreeuws, doen roken.
[^exodus-30-7-8]: Kanttekening 8: elke morgen: Hebreeuws, in de morgen in de morgen. lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken.
[^exodus-30-7-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 3:3 . 1 Samuël 3:3 : En Samuël zich ook nedergelegd had, voordat de lampe Gods uitgedaan werd, in de tempel van YHWH, waar de ark van God was,
[^exodus-30-8-9]: Kanttekening 9: dat aansteken: Te weten, het reukwerk.
[^exodus-30-8-10]: Kanttekening 10: Of, rookwerk, roking. voor het aangezicht van YHWH, bij uw geslachten.
[^exodus-30-9-11]: Kanttekening 11: vreemd reukwerk: Dat is, van elders gebracht, of anders toebereid, zoals vers 34 , 30:35 , 30:36 verordineerd wordt. Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. Exodus 30:35 : En u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig. Exodus 30:36 : En u zult van hetzelfde heel klein pulver stoten, en u zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent van de samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal u heiligheid van de heiligheden zijn.
[^exodus-30-9-12]: Kanttekening 12: brandoffer, noch spijsoffer: Tot het brandoffer en spijsoffer was dit altaar verordineerd, waarvan Ex. 27:1 , gesproken wordt. spijsoffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten. Exodus 27:1 : U zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte.
[^exodus-30-10-13]: Kanttekening 13: eens in het jaar: Te weten, op de tiende dag van de zevende maand, die daarom genoemd werd de dag van de verzoening; Lev. 23:27 . Leviticus 23:27 : Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^exodus-30-10-14]: Kanttekening 14: verzoening doen: Of, de verzoening doen.
[^exodus-30-10-15]: Kanttekening 15: zondoffers van de verzoeningen: Dat is, van het zondoffer, waardoor de verzoening gemaakt wordt.
[^exodus-30-12-c]: Verwijzing c: Num. 1:2 . Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^exodus-30-12-16]: Kanttekening 16: som van de kinderen van Israël opnemen zult: Hebreeuws, het hoofd.
[^exodus-30-12-17]: Kanttekening 17: naar de getelden onder hen: Dat is, naar degenen, die uit hen te tellen zullen zijn.
[^exodus-30-12-18]: Kanttekening 18: de verzoening: Dat is, de prijs waarmee iedereen zijn leven redde.
[^exodus-30-12-19]: Kanttekening 19: zijn ziel: Dat is, van zijn leven, of, van zijn persoon en zo in het volgende.
[^exodus-30-12-20]: Kanttekening 20: Te weten, eens vooral, niet ieder jaar.
[^exodus-30-13-d]: Verwijzing d: Lev. 27:25 ; Num. 3:47 ; Ez. 45:12 . Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. Numeri 3:47 : U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^exodus-30-13-21]: Kanttekening 21: die tot de getelden overgaat: Dat is, die overgaat van degenen, die geteld zullen worden, tot degenen die geteld zijn.
[^exodus-30-13-22]: Kanttekening 22: naar de sikkel van het heiligdom: Zie van de waarde van de sikkel Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^exodus-30-13-23]: Kanttekening 23: Zie Lev. 27:25 . Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera.
[^exodus-30-14-24]: Kanttekening 24: van twintig jaren oud en daarboven: Hebreeuws, een zoon van twintig jaar; dat is, gaande in zijn twintigste jaar; hoe hoog het aantal mannen belopen heeft, zie Ex. 38:25 , 38:26 . Exodus 38:25 : Het zilver nu van de getelden van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom. Exodus 38:26 : Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.
[^exodus-30-16-e]: Verwijzing e: Ex. 38:25 . Exodus 38:25 : Het zilver nu van de getelden van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom.
[^exodus-30-16-25]: Kanttekening 25: tot de dienst: Of, tot het werk, of gereedschap. Zie onder, Ex. 38:27 , 38:28 . Exodus 38:27 : En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten van het heiligdom, en de voeten van de voorhang; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet. Exodus 38:28 : Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden.
[^exodus-30-18-26]: Kanttekening 26: een koperen wasvat maken: Dit werd gemaakt van de spiegels van de vrouwen; Ex. 38:8 . Exodus 38:8 : Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels van de te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent van de samenkomst.
[^exodus-30-18-27]: Kanttekening 27: het altaar: Te weten, het altaar van het brandoffer, waarvan Ex. 27 gesproken is.
[^exodus-30-20-28]: Kanttekening 28: opdat zij niet sterven: Dat is, opdat God hen niet dode, gelijk Hij de zonen van Aäron gedood heeft; Lev. 10:1 , 10:2 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-30-21-29]: Kanttekening 29: hem en zijn zaad: Te weten, Aäron.
[^exodus-30-23-30]: Kanttekening 30: voornaamste specerijen: Hebreeuws, hoofdspecerijen; dat is, van de principaalste of beste, zo ook Hoogl. 4:14 ; Ez. 27:22 . Hooglied 4:14 : Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, en ook alle voornaamste specerijen. Ezechiël 27:22 : De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.
[^exodus-30-23-31]: Kanttekening 31: de zuiverste mirre: Hebreeuws, mirre van de vrijdom; dat is, die oprecht en onvervalst is, en vrij van alle onzuiverheid. Zij is een gom, vloeiende uit de mirreboom, de voortreffelijkste onder alle gomsoorten.
[^exodus-30-23-32]: Kanttekening 32: vijfhonderd sikkels : Dat is, zoveel als vijf honderd sikkels wegen.
[^exodus-30-23-33]: Kanttekening 33: half zoveel: Hebreeuws, de helft daarvan; te weten, van vijf honderd sikkels.
[^exodus-30-24-34]: Kanttekening 34: een hin: Zie Lev. 19:36 . Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^exodus-30-25-35]: Kanttekening 35: Anders, oliebereiders, zalfmakers. Zie 1 Kron. 9:30 . 1 Kronieken 9:30 : En uit de zonen van de priesters waren de bereiders van het reukwerk van de specerijen.
[^exodus-30-29-36]: Kanttekening 36: U zult ze zo heiligen: Te weten, door, of met de olie, waarvan vers 23 , 30:24 , 30:25 , gesproken is. Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:24 : Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen een hin; Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn.
[^exodus-30-30-37]: Kanttekening 37: u zult hen heiligen: Te weten, door de zalving van de heilige olie.
[^exodus-30-32-38]: Kanttekening 38: geens mensen vlees zal men ze gieten: Te weten, behalve op de lichamen van Aäron en zijn zonen.
[^exodus-30-33-39]: Kanttekening 39: op wat vreemds doet: Anders, op iemand vreemds.
[^exodus-30-33-40]: Kanttekening 40: die zal uitgeroeid worden uit zijn volken: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^exodus-30-34-41]: Kanttekening 41: Of, balsemdrop.
[^exodus-30-34-42]: Kanttekening 42: Een soort van specerij, die men in reukwerk gebruikt.
[^exodus-30-34-43]: Kanttekening 43: elk bijzonder zij: Hebreeuws, dat alleen bij alleen zij; dat is, elk zal voor zich, zonder met enig ander vocht vermengd te zijn, gestoten, en zo rein zijnde, tezamen in één massa vermengd worden.
[^exodus-30-35-44]: Kanttekening 44: Te weten, Mozes, die dit het eerst gemaakt heeft.
[^exodus-30-35-45]: Kanttekening 45: Anders, gezouten.
[^exodus-30-36-46]: Kanttekening 46: de getuigenis in de tent van de samenkomst: Dat is, op het reukaltaar, dat voor de ark van het getuigenis stond.
[^exodus-30-37-47]: Kanttekening 47: u heiligheid zijn: Te weten, zo de priester als het volk.
[^exodus-30-37-48]: Kanttekening 48: voor YHWH: Dat is, tot dienst van de Heer.
[^exodus-30-38-49]: Kanttekening 49: om daaraan te rieken: Dat is, om dat tot een reukwerk te gebruiken.

### Exodus 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/31.json)

*Bezaleël en Aholiab worden door God geroepen tot het maken van het werk van de tabernakel en zijn gereedschap, vers 1 enz. Het heiligen van de sabbat wordt opnieuw bevolen, 12. Mozes ontvangt de twee tafelen van de wet, 18.*

**1** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v1)

**2** [^exodus-31-2-a] Zie, Ik heb[^exodus-31-2-1] met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v2)

**3** En Ik heb hem vervuld[^exodus-31-3-2] met de Geest van God, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in[^exodus-31-3-3] alle handwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v3)

**4** Om te bedenken[^exodus-31-4-4] vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v4)

**5** En in kunstige[^exodus-31-5-5] steensnijding, om[^exodus-31-5-6] in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v5)

**6** En Ik, zie, Ik heb[^exodus-31-6-7] hem bijgevoegd Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van een ieder die wijs van hart is, heb Ik[^exodus-31-6-8] wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v6)

**7** Namelijk de tent van de samenkomst, en de ark van het getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap van de tent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v7)

**8** En de tafel, met haar gereedschap; en[^exodus-31-8-9] de louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v8)

**9** Ook van het brandoffer altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v9)

**10** En de[^exodus-31-10-10] ambtsklederen, en de heilige kleren[^exodus-31-10-11] van de priester Aäron, en de kleren van zijn[^exodus-31-10-12] zonen, om het priesterambt te bedienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v10)

**11** Ook de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v11)

**12** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v12)

**13** U nu, spreek tot de Israëlieten, zeggende: U zult evenwel[^exodus-31-13-14] Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw generaties; opdat men wete, dat Ik YHWH ben, Die u heilige.[^exodus-31-13-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v13)

**14** [^exodus-31-14-b] Onderhoud dan de sabbat, omdat hij u heilig[^exodus-31-14-15] is! Wie hem ontheiligt, zal zeker gedood worden; want een ieder, die daarop enig werk doet, die[^exodus-31-14-16] ziel zal[^exodus-31-14-17] uitgeroeid worden uit het midden haar volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v14)

**15** Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heiligheid van YHWH! Wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v15)

**16** Dat dan de Israëlieten de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun generaties,[^exodus-31-16-18] tot een eeuwig verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v16)

**17** Hij zal tussen Mij en tussen de Israëlieten[^exodus-31-17-19] een teken in eeuwigheid zijn;[^exodus-31-17-c] omdat YHWH, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag[^exodus-31-17-20] gerust en[^exodus-31-17-21] Zich verfrist heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v17)

**18** En[^exodus-31-18-22] Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had,[^exodus-31-18-d] de twee tafelen[^exodus-31-18-23] van het getuigenis, tafelen van steen, beschreven met[^exodus-31-18-24] de vinger van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/31.html#v18)

[^exodus-31-2-a]: Verwijzing a: Ex. 35:30 ; 1 Kron. 2:20 . Exodus 35:30 : Daarna zei Mozes tot de kinderen van Israël: Ziet, YHWH heeft met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda. 1 Kronieken 2:20 : En Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.
[^exodus-31-2-1]: Kanttekening 1: met name: Dat is, voor alle andere tot dit werk gekozen. Als onder Ex. 35:30 . Exodus 35:30 : Daarna zei Mozes tot de kinderen van Israël: Ziet, YHWH heeft met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
[^exodus-31-3-2]: Kanttekening 2: Geest van God: Dat is, met de gaven van de Geest van God, met dezulke, gelijk straks verhaald worden; waaruit dan genoegzaam blijkt, dat fraaie handwerken maken een gave van God is.
[^exodus-31-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, allerlei, en zo vers 5 . Exodus 31:5 : En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.
[^exodus-31-4-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, bedenkingen.
[^exodus-31-5-5]: Kanttekening 5: kunstige steensnijding: Versta hier, edele gesteenten.
[^exodus-31-5-6]: Kanttekening 6: te zetten: Hebreeuws, te vullen.
[^exodus-31-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, met, of, bij hem gegeven.
[^exodus-31-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, kloekheid, of vernuft in de kunst, die zij uitoefenen.
[^exodus-31-8-9]: Kanttekening 9: louteren kandelaar: Dat is, die uit louter goud zou gemaakt worden. Zie Ex. 25:31 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^exodus-31-10-10]: Kanttekening 10: Versta hier, onder de naam van ambtsklederen, ook de tapijten en behangsels van het tabernakel, waarvan Ex. 26:36 , gesproken wordt. Idem de deksels, waarmee men de tafel, de ark, het altaar en ander heilig gereedschap bedekte en bewond, wanneer men opbrak, en van de ene plaats naar de andere trok. Zie Num. 4:5 , 4:9 , 4:11 , 4:12 . Exodus 26:36 : U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. Numeri 4:9 : Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken de kandelaar van de luchter, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan dezelfde dienen. Numeri 4:11 : En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen zijn handbomen aanleggen. Numeri 4:12 : Zij zullen ook nemen alle gereedschap van de dienst, waarmee zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelfde met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op de draagboom leggen.
[^exodus-31-10-11]: Kanttekening 11: Te weten, van de hogepriester.
[^exodus-31-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, die zij aantrokken, wanneer zij het priesterambt bedienden.
[^exodus-31-13-14]: Kanttekening 14: Mijn sabbatten: Dat is, tot Mijn dienst ingesteld.
[^exodus-31-13-13]: Kanttekening 13: Alsof God zei: Ofschoon het werk van het tabernakel ten spoedigste moet volmaakt worden, zo zult u evenwel op de sabbat er niet aan arbeiden, of, ganselijk, immers.
[^exodus-31-14-b]: Verwijzing b: Ex. 20:8 ; Deut. 5:12 ; Ez. 20:12 . Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Deuteronomium 5:12 : Onderhoudt de sabbatdag, dat u die heiligt; gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft. Ezechiël 20:12 : Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige.
[^exodus-31-14-15]: Kanttekening 15: heilig is: Hebreeuws, heiligheid.
[^exodus-31-14-16]: Kanttekening 16: Dat is, die persoon.
[^exodus-31-14-17]: Kanttekening 17: uitgeroeid worden: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^exodus-31-16-18]: Kanttekening 18: eeuwig verbond: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^exodus-31-17-19]: Kanttekening 19: Vergelijk Gen. 17:11 . Genesis 17:11 : En u zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.
[^exodus-31-17-c]: Verwijzing c: Gen. 1:31 ; Gen. 2:2 ; idem 2:3 ; Ex. 20:11 . Genesis 1:31 : En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. Genesis 2:2 : Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. Genesis 2:3 : En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken. Exodus 20:11 : Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevende dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde dezelfde.
[^exodus-31-17-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 2:2 . Genesis 2:2 : Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.
[^exodus-31-17-21]: Kanttekening 21: verkwikt heeft: God, die een geest is, wordt nimmer moe; het is een manier van spreken van de mensen genomen, die na lange en zware arbeid zich door de rust verkwikken en ademhalen.
[^exodus-31-18-22]: Kanttekening 22: Te weten, YHWH.
[^exodus-31-18-d]: Verwijzing d: Ex. 32:16 . Exodus 32:16 : En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.
[^exodus-31-18-23]: Kanttekening 23: Dat is, de wet, in welke God betuigt hoe Hij van zijn volk geëerd en bediend wil zijn.
[^exodus-31-18-24]: Kanttekening 24: de vinger van God: De vinger van de Heer betekent hier de kracht en het werk van God; vergelijk boven, Ex. 8:19 ; Luk. 11:20 , vergelijk met Matt. 12:28 , en elders. Exodus 8:19 : Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk YHWH gesproken had. Lukas 11:20 : Maar als Ik door de vinger van God de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. Mattheüs 12:28 : Maar als Ik door de Geest van God de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen.

### Exodus 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/32.json)

*Het volk laat Aäron een gouden kalf maken, vers 1 enz. waaraan zij offer brengen, 6. God maakt Mozes dit bekend en dreigt hen te verdelgen, 7. Mozes bidt voor hen, 11. en beweegt God tot genade, 14. Mozes komt van de berg met de twee stenen tafelen, 15. die hij in stukken breekt toen hij de afgoderij van het volk hoorde en zag, 19. Hij verbrandt het kalf tot poeder, 20. Hoe Aäron zich verontschuldigt, 22. Mozes laat door de Levieten velen van hen die deze afgoderij begaan hadden, doden, 25. Mozes bidt de HEERE dat Hij Israël deze zonde wil vergeven, of hem uit Zijn boek delgen, 32. God spaart het volk op dit moment, maar straft hen daarna, 34.*

**1** Toen[^exodus-32-1-1] het volk zag, dat Mozes vertoog van de berg af te komen, zo verzamelde zich het volk[^exodus-32-1-2] tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op,[^exodus-32-1-a] maak ons[^exodus-32-1-3] goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v1)

**2** Aäron nu zei tot hen:[^exodus-32-2-4] Ruk af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen, en van uw dochters zijn; en brengt ze tot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v2)

**3** Toen rukte het hele volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v3)

**4** En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp[^exodus-32-4-5] het met[^exodus-32-4-6] een griffel, en[^exodus-32-4-7] hij maakte een gegoten[^exodus-32-4-8] kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v4)

**5** Als Aäron[^exodus-32-5-9] dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelfde; en Aäron riep uit, en zei: Morgen zal YHWH een feest zijn![^exodus-32-5-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v5)

**6** En zij stonden op de andere dag vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer[^exodus-32-6-11] daartoe; en[^exodus-32-6-b] het volk zat neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op,[^exodus-32-6-12] om te spelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v6)

**7** Toen sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, klim af! want[^exodus-32-7-13] uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt[^exodus-32-7-c],[^exodus-32-7-14] heeft het verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v7)

**8** En zij zijn[^exodus-32-8-15] haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had,[^exodus-32-8-16] zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelfde gebogen, en[^exodus-32-8-17] hebben het een offergave gebracht, en gezegd:[^exodus-32-8-d] Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v8)

**9** Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie,[^exodus-32-9-e] het is[^exodus-32-9-18] een hardnekkig volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v9)

**10** En nu,[^exodus-32-10-19] laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v10)

**11** Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH van zijn God, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw[^exodus-32-11-f] volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v11)

**12** Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende:[^exodus-32-12-g] In[^exodus-32-12-20] kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde[^exodus-32-12-21] van de aardbodem? Keer af van de hitte van Uw toorn, en[^exodus-32-12-22] laat het U over het kwaad van Uw volk berouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v12)

**13** [^exodus-32-13-23][^exodus-32-13-h] Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan wie[^exodus-32-13-24] U bij Uzelf gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen[^exodus-32-13-25] als de sterren van de hemel; en dit hele land, waarvan Ik[^exodus-32-13-26] gezegd heb, zal Ik aan uw zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v13)

**14** [^exodus-32-14-27] Toen berouwde YHWH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v14)

**15** En Mozes wendde zich om, en klom van de berg af, met de twee tafelen[^exodus-32-15-28] van het getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren[^exodus-32-15-29] op de ene en op de andere zijde beschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v15)

**16** En[^exodus-32-16-i] diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v16)

**17** Toen[^exodus-32-17-30] nu Jozua de stem van het volk hoorde, als het juichte, zo zei hij tot Mozes: Er is een oorlogsgeschreeuw in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v17)

**18** Maar[^exodus-32-18-31] hij zei:[^exodus-32-18-32] Het is geen stem van het geroep van overwinning, het is ook geen stem van het geroep van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v18)

**19** En het gebeurde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en[^exodus-32-19-33] de[^exodus-32-19-k] reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelfde beneden aan de berg verbrak.[^exodus-32-19-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v19)

**20** En[^exodus-32-20-l] hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en[^exodus-32-20-35] verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en[^exodus-32-20-36] deed het de Israëlieten drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v20)

**21** En Mozes zei tot Aäron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat u zulk een grote zonde over hetzelfde gebracht hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v21)

**22** Toen zei Aäron: De toorn van mijn heer ontsteke niet! u kent dit volk,[^exodus-32-22-m] dat het in de boze ligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v22)

**23** Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v23)

**24** Toen zei ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af,[^exodus-32-24-37] en geve het mij; en ik wierp het in het vuur,[^exodus-32-24-38] en dit kalf is er uit gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v24)

**25** Als Mozes zag, dat het volk[^exodus-32-25-39] ontbloot was, (want[^exodus-32-25-40] Aäron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v25)

**26** Zo bleef Mozes staan[^exodus-32-26-41] in de poort van de leger, en zei: Wie YHWH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem[^exodus-32-26-43] al de zonen van Levi.[^exodus-32-26-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v26)

**27** En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; ga door en keert weer, van poort tot poort in het leger, en ieder dode zijn broer, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste![^exodus-32-27-44][^exodus-32-27-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v27)

**28** En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en[^exodus-32-28-46] er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v28)

**29** [^exodus-32-29-47] Want Mozes had gezegd:[^exodus-32-29-48] Vul vandaag uw handen YHWH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat[^exodus-32-29-49] Hij vandaag een zegen over u geve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v29)

**30** En het gebeurde op de andere dag, dat Mozes tot het volk zei: U hebt een grote zonde gezondigd; maar nu, ik zal tot YHWH opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.[^exodus-32-30-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v30)

**31** [^exodus-32-31-51] Zo keerde Mozes weer tot YHWH, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich[^exodus-32-31-52] gouden goden gemaakt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v31)

**32** Nu dan, als U hun zonden vergeven[^exodus-32-32-53] zult! maar zo niet,[^exodus-32-32-54] zo wis mij nu uit[^exodus-32-32-55] Uw boek, dat U geschreven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v32)

**33** Toen zei YHWH tot Mozes:[^exodus-32-33-56] Die zou Ik uit Mijn boek uitwissen, die aan Mij zondigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v33)

**34** Maar ga nu heen, leid dit volk,[^exodus-32-34-57] waarheen Ik u gezegd heb; zie,[^exodus-32-34-58] Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! maar op de dag van Mijn bezoeking, zo zal Ik[^exodus-32-34-59] hun zonde over hen[^exodus-32-34-60] bezoeken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v34)

**35** Zo[^exodus-32-35-61] plaagde YHWH dit volk,[^exodus-32-35-62] omdat zij dat kalf gemaakt hadden, dat Aäron gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/32.html#v35)

[^exodus-32-1-1]: Kanttekening 1: het volk zag: Versta dit van sommigen onder dit volk; want zij zijn hier niet onder te tellen, die naderhand, op het bevel van Mozes, de afgodendienaars gedood hebben, vers 26 . Zie 1 Kor. 10:7 . Exodus 32:26 : Zo bleef Mozes staan in de poort van het leger, en zei: Wie YHWH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi. 1 Korinthiërs 10:7 : En wordt geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
[^exodus-32-1-2]: Kanttekening 2: tot Aäron: Anders, tegen.
[^exodus-32-1-a]: Verwijzing a: Hand. 7:40 . Handelingen 7:40 : Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat deze Mozes betreft, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
[^exodus-32-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, een zichtbaar teken of beeld van de onzichtbare God; gelijk vers 4 . Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
[^exodus-32-2-4]: Kanttekening 4: Rukt af de gouden oorsierselen: Het is gelooflijk, dat Aäron gemeend heeft dat de Israëlieten liever het gouden kalf zouden ontberen, dan hem hun kostbare juwelen over te leveren; maar hij is in deze zijn mening bedrogen.
[^exodus-32-4-5]: Kanttekening 5: het met: Te weten, het kalf.
[^exodus-32-4-6]: Kanttekening 6: een griffie: Of, pen; gelijk Jes. 8:1 . De mening schijnt deze te zijn: dat Aäron eerst met een pen, griffel, of penseel, een gedaante van het kalf ergens op getrokken heeft, om die het volk te vertonen, en te vragen, of hun zulk een vorm of model zou behagen. Jesaja 8:1 : Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^exodus-32-4-7]: Kanttekening 7: hij maakte: Hebreeuws, Hij maakte het een kalf van de gieting.
[^exodus-32-4-8]: Kanttekening 8: kalf daaruit: Of, os. De afgod Apis werd bij de Egyptenaars vereerd onder de gedaante van een kalf of os. Dit schijnen hier de Israëlieten nageaapt te hebben.
[^exodus-32-5-9]: Kanttekening 9: dat zag: Te weten, dat het volk het kalf goddelijke eer wilde aandoen.
[^exodus-32-5-10]: Kanttekening 10: YHWH een feest zijn: Aäron gebruikt hier de naam van de waren God, als willende die voor dit kalf eren; maar evenwel was het afgoderij.
[^exodus-32-6-11]: Kanttekening 11: Te weten, tot het altaar, dat is, zij offerden aan het kalf.
[^exodus-32-6-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 10:7 . 1 Korinthiërs 10:7 : En wordt geen afgodendienaars, zoals als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
[^exodus-32-6-12]: Kanttekening 12: om te spelen: Zie vers 19 . Exodus 32:19 : En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelfde beneden aan de berg verbrak.
[^exodus-32-7-13]: Kanttekening 13: uw volk: God acht het volk van Israël niet waard dat Hij het langer zijn volk noemen zou, omdat het zichzelven een kalf tot zijn God gemaakt had.
[^exodus-32-7-c]: Verwijzing c: Deut. 32:5 . Deuteronomium 32:5 : Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
[^exodus-32-7-14]: Kanttekening 14: heeft het verdorven: Anders, heeft zich verdorven; dat is, het heeft zich door zijn afgoderij in het verderf gebracht.
[^exodus-32-8-15]: Kanttekening 15: haast afgeweken van de weg: Te weten, straks na het opgerichte verbond; Ex. 19 , Ex. 24 .
[^exodus-32-8-16]: Kanttekening 16: zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt: Aäron heeft het gouden kalf gemaakt, of laten maken, vers 4 , op het verzoek of bevel van het volk, vers 1 . Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. Exodus 32:1 : Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van de berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.
[^exodus-32-8-17]: Kanttekening 17: hebben het offerande gedaan: Te weten, het kalf, en niet Mij, ofschoon zij de naam willen hebben, dat zij zulks doen, vers 5 . Exodus 32:5 : Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelfde; en Aäron riep uit, en zei: Morgen zal YHWH een feest zijn!
[^exodus-32-8-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 12:28 . 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^exodus-32-9-e]: Verwijzing e: Ex. 33:3 ; Deut. 9:6 ; idem v. 13 ; Jes. 48:4 ; Jer. 5:3 ; Hosea 4:16 . Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Deuteronomium 9:6 : Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelfde goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk. Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk. Jesaja 48:4 : Omdat Ik wist, dat u hard bent, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper; Jeremia 5:3 : O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. Hosea 4:16 : Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte.
[^exodus-32-9-18]: Kanttekening 18: een hardnekkig volk: Dat is, wrevelmoedig, stout, ongebonden, dat zijn nek onder de wetten en de wil van de Heer niet buigen wil. Het is een gelijkenis, genomen van de beesten, die hun halzen zo hard en stijf houden, dat zij die niet willen buigen naar de begeerte van degene, die hun het juk opleggen of hen met de toom regeren wil. Zie Deut. 10:16 ; Spr. 29:1 ; Hand. 7:51 . Deuteronomium 10:16 : Besnijdt dan de voorhuid van uw hart, en verhardt uw nek niet meer. Spreuken 29:1 : Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is. Handelingen 7:51 : U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u.
[^exodus-32-10-19]: Kanttekening 19: laat Mij toe: Verhinder Mij niet door uw voorbede; want het gebed van de gelovigen vermag veel bij God; Jak. 5:16 . Jakobus 5:16 : Belijdt elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt; een krachtig gebed van de rechtvaardigen vermag veel.
[^exodus-32-11-f]: Verwijzing f: Ps. 106:21 . Psalmen 106:21 : Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
[^exodus-32-12-g]: Verwijzing g: Num. 14:13 . Numeri 14:13 : En Mozes zei tot YHWH: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;
[^exodus-32-12-20]: Kanttekening 20: kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd: Dat is, met een listig en kwaad voornemen; anders, ten kwade; dat is, tot hun ongeluk en verderf.
[^exodus-32-12-21]: Kanttekening 21: van de aardbodem: Dat is, dat zij op de aardbodem niet blijven zouden.
[^exodus-32-12-22]: Kanttekening 22: laat het U over het kwaad van Uw volk berouwen: Mozes bidt hier dat God berouw hebbe; dat is, dat Hij het volk het kwaad niet late overkomen; dat is, de straf, die Hij over hen wilde brengen. Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^exodus-32-13-23]: Kanttekening 23: Gedenk aan Abraham: Dat is, gedenk aan de belofte, die U Abraham, enz. gedaan hebt.
[^exodus-32-13-h]: Verwijzing h: Gen. 12:7 ; Gen. 13:15 ; Gen. 15:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 28:13 ; Deut. 34:4 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^exodus-32-13-24]: Kanttekening 24: Uzelven gezworen hebt: God geen groter hebbende om bij te zweren, zweert bij zichzelven; Hebr. 6:13 , 6:17 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Hebreeën 6:17 : Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;
[^exodus-32-13-25]: Kanttekening 25: als de sterren van de hemel: Zie Gen. 15:5 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn!
[^exodus-32-13-26]: Kanttekening 26: gezegd heb: Beloofd heb.
[^exodus-32-14-27]: Kanttekening 27: Toen berouwde YHWH over het kwaad: Dat is, toen verdelgde Hij het volk niet, gelijk Hij bedreigd had, maar Hij liet zich er mee vergenoegen, dat er 3000 verslagen werden.
[^exodus-32-15-28]: Kanttekening 28: van het getuigenis in zijn hand: Dat is, van de wet van God.
[^exodus-32-15-29]: Kanttekening 29: op de ene en op de andere zijde beschreven: Hebreeuws, van hier en van daar beschreven.
[^exodus-32-16-i]: Verwijzing i: Ex. 31:18 ; Deut. 9:10 . Exodus 31:18 : En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen van het getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God. Deuteronomium 9:10 : En YHWH gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelfde, naar al de woorden, die YHWH op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had.
[^exodus-32-17-30]: Kanttekening 30: nu Jozua de stem van het volk hoorde: Die mee op de berg gebleven was; Ex. 24:13 . Exodus 24:13 : Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op de berg van God.
[^exodus-32-18-31]: Kanttekening 31: Te weten, Mozes.
[^exodus-32-18-32]: Kanttekening 32: Het is geen stem van het geroep van overwinning: Hebreeuws, het is geen stem van het roepen van de sterkte, en het is geen stem van het roepen van de zwakheid.
[^exodus-32-19-33]: Kanttekening 33: de reien zag: Versta, zodanige reien, waarbij gefluit en gespeeld werd, naar de wijze van de heidenen.
[^exodus-32-19-k]: Verwijzing k: Deut. 9:17 . Deuteronomium 9:17 : Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.
[^exodus-32-19-34]: Kanttekening 34: Te weten, voor de ogen van het volk; Deut. 9:17 . Deuteronomium 9:17 : Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.
[^exodus-32-20-l]: Verwijzing l: Deut. 9:21 . Deuteronomium 9:21 : Maar uw zonde, het kalf, dat u hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet.
[^exodus-32-20-35]: Kanttekening 35: verbrandde het in het vuur: Dat is, hij smolt het kalf, en maakte het opnieuw tot een klomp.
[^exodus-32-20-36]: Kanttekening 36: deed het de kinderen van Israël drinken: Opdat zij hierdoor zouden leren verstaan de nietigheid van zulke goden, die men kon inzwelgen; alsook om de Israëlieten indachtig te maken, dat zij verdiend hadden de vloek en de toorn van God te drinken. Zie Num. 5:18 . Numeri 5:18 : Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer van de gedachtenis op haar handen leggen, dat het spijsoffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt.
[^exodus-32-22-m]: Verwijzing m: 1 Joh. 5:19 . 1 Johannes 5:19 : Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
[^exodus-32-24-37]: Kanttekening 37: en geve het mij: Anders, en zij gaven het mij.
[^exodus-32-24-38]: Kanttekening 38: en dit kalf is er uit gekomen: Aäron belijdt hier zijn eigen zonde, maar zo oprecht en zo openlijk niet, als hij de zonde van het volk beleden heeft; hij spreekt van het kalf, alsof het meer bij toeval dan door zijn wil of kunst gemaakt ware; maar boven, vers 4 , staat geheel anders. Zie Deut. 9:20 ; Aärons excuus is zo kaal als dat van Adam, Gen. 3 . Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. Deuteronomium 9:20 : Ook vertoornde Zich YHWH zeer tegen Aäron, om hem te verdelgen; maar ik bad ook ter zelver tijd voor Aäron.
[^exodus-32-25-39]: Kanttekening 39: ontbloot was: Niet zozeer van hun sieraad, als van Gods bescherming, zijnde nu als naakte, ongewapende mensen, die van hun vijanden lichtelijk konden overvallen en vernield worden; vergelijk dit met Gen. 3:10 ; Openb. 3:18 , en Openb. 16:15 . Genesis 3:10 : En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. Openbaring 3:18 : Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^exodus-32-25-40]: Kanttekening 40: Aäron had het ontbloot: Deze ontbloting wordt Aäron toegeschreven, omdat hij het goddeloze verzoek van het volk niet alleen heeft geconsenteerd, maar ook bevorderd.
[^exodus-32-26-41]: Kanttekening 41: in de poort van het leger: Het leger was met een wal of palissaden, of iets anders omringd, en had poorten hier en daar. De poorten waren ook plaatsen van het gericht, gelijk Gen. 34:20 ; Deut. 17:5 ; Ruth 4:1 , 4:11 . Genesis 34:20 : Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende: Deuteronomium 17:5 : Zo zult u die man of die vrouw, die ditzelfde boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven. Ruth 4:1 : En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. Ruth 4:11 : En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem!
[^exodus-32-26-43]: Kanttekening 43: al de zonen van Levi: Dat is, bijna allen; want enigen van hen hadden zich ook in afgoderij verlopen, ja zelfs Aäron, zie vers 29 , en Deut. 9:20 , en Deut. 33:9 . Anders, en die zich tot hem verzamelden, waren alle kinderen van Levi, die, thuis gebleven zijnde, geen afgoderij met het kalf te aanbidden begaan hadden. Exodus 32:29 : Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen YHWH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat Hij heden een zegen over u geve! Deuteronomium 9:20 : Ook vertoornde Zich YHWH zeer tegen Aäron, om hem te verdelgen; maar ik bad ook ter zelver tijd voor Aäron. Deuteronomium 33:9 : Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
[^exodus-32-26-42]: Kanttekening 42: Wie YHWH toebehoort: Of, wie van de Heer is, tot mij. Mozes heeft door haast en ijver enige woorden nagelaten. Zie dergelijke manier van spreken ook Gen. 13:9 , en Gen. 23:13 , enz. Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan. Genesis 23:13 : En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk van het land, zeggende: Trouwens, bent u het? lieve, hoor mij; ik zal het geld van de akker geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode daar begraven.
[^exodus-32-27-44]: Kanttekening 44: de God van Israël: Te weten, de ware God van Israël, niet het kalf, waarvan zij spraken vers 4 : Dit zijn uw goden, Israël. Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
[^exodus-32-27-45]: Kanttekening 45: zijn broer: Dat is, de eerste die hem bejegent; verschoont niemand, al ware het uw broer.
[^exodus-32-28-46]: Kanttekening 46: er vielen van het volk: Te weten, door de scherpte van het zwaard.
[^exodus-32-29-47]: Kanttekening 47: Want Mozes had gezegd: Met deze woorden wordt aangewezen wat de Levieten zo stout en onversaagd gemaakt had, dat zij zelfs hun naaste vrienden gedood hadden, namelijk omdat zij van Mozes verstaan hadden, dat zij God hiermee een aangenamen dienst zouden doen, en dat zij daarom een bijzonderen zegen van God ontvangen zouden.
[^exodus-32-29-48]: Kanttekening 48: Vult heden uw handen YHWH: Dat is, heiligt de Heer heden uw handen; dat is, doet hem deze heilige dienst. Zie Lev. 7:37 . God de Heer betuigt hier dat justitie en straf oefenen over de boosdoeners hem zo aangenaam is als offerande. Zie 1 Sam. 15:18 , 15:22 . Deze daad van de Levieten herhaalt Mozes Deut. 33:9 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer; 1 Samuël 15:18 : En YHWH heeft u op de weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat u dezelfde te niet doet. 1 Samuël 15:22 : Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Deuteronomium 33:9 : Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
[^exodus-32-29-49]: Kanttekening 49: Te weten, God, de Heer.
[^exodus-32-30-50]: Kanttekening 50: op de andere dag: Te weten, nadat er 3000 omgebracht waren.
[^exodus-32-31-51]: Kanttekening 51: Zo keerde Mozes weer tot YHWH: Mozes bleef opnieuw veertig dagen op de berg, zonder eten, God de Heer voor het volk biddende, Deut. 9:18 . Deuteronomium 9:18 : En ik wierp mij neder voor het aangezicht van YHWH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u hadt gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^exodus-32-31-52]: Kanttekening 52: gouden goden gemaakt hebben: Anders, een god van goud; dat is, het kalf.
[^exodus-32-32-53]: Kanttekening 53: Versta, zo is het wel; vergelijk deze manier van spreken met Luk. 13:9 . Lukas 13:9 : En als hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar als niet, zo zult u hem namaals uithouwen.
[^exodus-32-32-54]: Kanttekening 54: zo delg mij nu uit: Wie God eens ten eeuwigen leven uitverkoren heeft, die verwerpt Hij nimmermeer. Maar Mozes heeft met deze woorden geopenbaard zijn innerlijken ijver voor de eer van God, en zijn grote liefde tot het volk van Israël; vergelijk hiermee de ijver van Paulus, Rom. 9:3 . Romeinen 9:3 : Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broers, die mijn familie zijn naar het vlees;
[^exodus-32-32-55]: Kanttekening 55: Uw boek: Dat anders genoemd wordt het boek van het leven, omdat er in aangetekend staan die allen, welke God ten eeuwigen leven verordineerd heeft; Ps. 69:29 ; Fil. 4:3 ; Openb. 3:5 , en Openb. 20:12 , en Openb. 21:27 ; maar dit is menselijker wijze van God gesproken, want door dit boek is niet anders te verstaan, dan zijn eeuwige raad en onveranderlijk besluit van de verkiezing. Psalmen 69:29 : Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Filippenzen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, waarvan de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 3:5 : Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^exodus-32-33-56]: Kanttekening 56: Die zou Ik uit Mijn boek delgen: Versta hierbij, als Ik iemand er uit zou delgen. Anders, die zal Ik.
[^exodus-32-34-57]: Kanttekening 57: waarheen Ik u gezegd heb: Te weten, naar het land Kanaän.
[^exodus-32-34-58]: Kanttekening 58: Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan: Aldus bedreigt God in zijn toorn dit volk over te geven aan Mozes en aan een engel; zie daarvan Ex. 33:2 . Exodus 33:2 : En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),
[^exodus-32-34-59]: Kanttekening 59: hun zonde: Voornamelijk deze zonde van de afgoderij, met het gouden kalf begaan.
[^exodus-32-34-60]: Kanttekening 60: Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^exodus-32-35-61]: Kanttekening 61: plaagde YHWH dit volk: Anders, sloeg; te weten, door het zwaard van de Levieten, vers 28 . Exodus 32:28 : En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man.
[^exodus-32-35-62]: Kanttekening 62: omdat zij dat kalf gemaakt hadden: Dat is, omdat zij Aäron er toe genoodzaakt en gedreven hadden, dat hij dit kalf maken zou. Wat men door iemand anders doet, is zoveel alsof men het zelf deed; middelerwijl is hij niet onschuldig, die zich als een instrument er toe laat gebruiken.

### Exodus 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/33.json)

*De HEERE weigert met het volk te gaan, zoals Hij beloofd had, vers 1 enz. het volk treurt hierover en legt zijn sieraad af, 4. Mozes laat de tabernakel buiten het leger brengen, 7. hij gaat daarin, en God spreekt daarin met hem, 9. Hij bidt de HEERE dat Hij hem Zijn weg wijst, 12. en dat Hij met het volk wil trekken, 15. God belooft het hem, 17. hij begeert Gods heerlijkheid te zien, 18. God belooft Zijn naam luid uit te roepen, 19. Maar Zijn aangezicht kan niemand zien, 20.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, u en het volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob[^exodus-33-1-1] gezworen heb,[^exodus-33-1-2] zeggende:[^exodus-33-1-a] Aan uw zaad zal Ik het geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v1)

**2** En Ik zal een Engel[^exodus-33-2-3] voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),[^exodus-33-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v2)

**3** Naar het land, dat van melk en honing is vloeiende; want[^exodus-33-3-5] Ik zal in het midden van u niet optrekken;[^exodus-33-3-b] want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v3)

**4** Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo bedreven zij rouw; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v4)

**5** En YHWH had tot Mozes gezegd: Zeg tot de Israëlieten: U bent een hardnekkig volk;[^exodus-33-5-6] in een ogenblik zou Ik in het midden van u optrekken, en zou u vernielen; maar nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v5)

**6** De Israëlieten dan beroofden zichzelf van hun versierselen,[^exodus-33-6-7] ver van de berg Horeb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v6)

**7** En Mozes nam[^exodus-33-7-8] de tent, en[^exodus-33-7-9] spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent van de samenkomst. En het gebeurde, dat al wie YHWH[^exodus-33-7-10] zocht, uitging tot de tent van de samenkomst, die buiten het leger was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v7)

**8** En het gebeurde, wanneer Mozes[^exodus-33-8-11] uitging naar de tent,[^exodus-33-8-12] stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur van zijn tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v8)

**9** En het gebeurde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom[^exodus-33-9-13] naar beneden, en stond in de deur van de tent, en[^exodus-33-9-14] Hij[^exodus-33-9-15] sprak met Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v9)

**10** Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur van de tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur van zijn tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v10)

**11** En YHWH sprak tot Mozes[^exodus-33-11-16] aangezicht aan aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde[^exodus-33-11-17] hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling,[^exodus-33-11-18] week niet uit het midden van de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v11)

**12** En Mozes zei tot YHWH: Zie, U zegt tot mij: Voer dit volk op! maar U laat mij niet weten,[^exodus-33-12-20] wie U met mij zult zenden; daar U gezegd hebt: Ik[^exodus-33-12-21] ken u bij name! en ook: U[^exodus-33-12-22] hebt genade gevonden in Mijn ogen![^exodus-33-12-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v12)

**13** Nu dan, ik bidde, als ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo[^exodus-33-13-23] laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen,[^exodus-33-13-24] opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v13)

**14** Hij dan zei:[^exodus-33-14-25] Zou Mijn[^exodus-33-14-26] aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v14)

**15** Toen zei hij tot Hem: Als Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken![^exodus-33-15-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v15)

**16** Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat U met ons gaat?[^exodus-33-16-c] Zo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v16)

**17** Toen zei YHWH tot Mozes:[^exodus-33-17-28] Ook deze zelfde zaak, die u gesproken hebt, zal Ik doen, omdat u genade gevonden hebt in Mijn ogen,[^exodus-33-17-29] en Ik u bij name ken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v17)

**18** Toen zei hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v18)

**19** Maar Hij zei: Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en[^exodus-33-19-30] zal de Naam van YHWH uitroepen voor uw aangezicht;[^exodus-33-19-d] maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v19)

**20** Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht[^exodus-33-20-32] niet kunnen zien; want[^exodus-33-20-33] Mij zal geen mens zien, en leven.[^exodus-33-20-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v20)

**21** YHWH zei verder: Zie, er is[^exodus-33-21-34] een plaats bij Mij; daar zult u zich op de steenrots stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v21)

**22** En het zal gebeuren,[^exodus-33-22-35] wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof van de steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v22)

**23** En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult u Mijn achterste delen zien; maar[^exodus-33-23-36] Mijn aangezicht zal niet gezien worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/33.html#v23)

[^exodus-33-1-1]: Kanttekening 1: gezworen heb: Dat is, met een eed beloofd heb; hiervan heet het land Kanaän het beloofde land.
[^exodus-33-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, tot elk van hun drieën in het bijzonder, tot diverse reizen.
[^exodus-33-1-a]: Verwijzing a: Gen. 12:7 ; Gen. 26:4 ; Gen. 28:13 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^exodus-33-2-3]: Kanttekening 3: voor uw aangezicht zenden: Hij spreekt hier niet van de Zoon van God, gelijk Ex. 23:20 , maar van een geschapen engel. Exodus 23:20 : Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.
[^exodus-33-2-4]: Kanttekening 4: Versta hierbij, de Girgasieten, die Deut. 7:1 , er bij gevoegd staan. Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u;
[^exodus-33-3-5]: Kanttekening 5: Ik zal in het midden van u niet optrekken: Dat is, Ik wil u voortaan niet geleiden door een zichtbaar teken, gelijk Ik tot nog toe door de wolkkolom gedaan heb. Maar eindelijk heeft zich de goede God laten verbidden, en is Hij als tevoren met het volk opgetogen.
[^exodus-33-3-b]: Verwijzing b: Ex. 32:6 ; Deut. 9:13 . Exodus 32:6 : En zij stonden van de anderen daags vroeg op, en offerde brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen. Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.
[^exodus-33-5-6]: Kanttekening 6: in één ogenblik: Anders, in een ogenblik, zo Ik in het midden van u optrok, zou Ik u vernielen. Dit is de zin: Als u u zo gruwelijk tegen Mij opnieuw kwaamt te vergrijpen, gelijk u met het oprichten van het gouden kalf gedaan hebt, Ik zou voorzeker u allemaal haastig verdelgen.
[^exodus-33-6-7]: Kanttekening 7: verre van de berg Horeb: Het woordje \[verre\] is hier bijgevoegd uit vers 7 . Exodus 33:7 : En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent van de samenkomst. En het geschiedde, dat al wie YHWH zocht, uitging tot de tent van de samenkomst, die buiten het leger was.
[^exodus-33-7-8]: Kanttekening 8: de tent: Anders, een tent. Niet de tent, waar het volk samenkwam, om zijn godsdienst te doen, want deze was nog niet gemaakt, gelijk te zien is Ex. 36 , maar deze was Mozes' eigen tent, of een andere, die er eigenlijk toe gemaakt was, opdat Mozes een tijdlang zijn verblijf daarin hebben zou, en het volk tot hem daar, totdat het met God mocht verzoend zijn, komen zou.
[^exodus-33-7-9]: Kanttekening 9: spande ze zich buiten het leger: Omdat God van het leger geweken was, vers 3 , zo wilde ook Mozes daarin niet blijven. Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere.
[^exodus-33-7-10]: Kanttekening 10: Of, raad vraagde; te weten, door Mozes.
[^exodus-33-8-11]: Kanttekening 11: uitging naar de tent: Te weten, uit het leger, naar zijn opgeslagen tent buiten het leger, om met God voor het volk te spreken.
[^exodus-33-8-12]: Kanttekening 12: stond al het volk op: Hebreeuws, stonden.
[^exodus-33-9-13]: Kanttekening 13: Te weten, van de berg.
[^exodus-33-9-14]: Kanttekening 14: Te weten, de Heer, gelijk vers 11 . Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent.
[^exodus-33-9-15]: Kanttekening 15: sprak met Mozes: Te weten, uit de wolkkolom, dat een zeker teken van de genade en goedgunstigheid Gods was; Ps. 99:7 . Psalmen 99:7 : Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
[^exodus-33-11-16]: Kanttekening 16: aangezicht tot aangezicht: Dat is, gemeenzaam, duidelijk, met uitgedrukte stem. Dit is een bijzonder privilegie geweest, dat geen andere profeten gehad hebben; Deut. 5:4 , en Deut. 34:10 ; Num. 12:6 , 12:7 , 12:8 . Deuteronomium 5:4 : Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur, Deuteronomium 34:10 : En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die YHWH gekend had, van aangezicht tot aangezicht, Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Numeri 12:7 : Zo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn gehele huis getrouw is. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?
[^exodus-33-11-17]: Kanttekening 17: Te weten, Mozes.
[^exodus-33-11-18]: Kanttekening 18: week niet uit het midden van de tent: Dat is hij kwam niet in het leger, maar hij bleef steeds in de tent buiten het leger.
[^exodus-33-12-20]: Kanttekening 20: Anders, wat.
[^exodus-33-12-21]: Kanttekening 21: ken u bij name: Dat is, ik heb uw persoon voor anderen in liefde bekend en uitverkoren, en draag voor u een bijzondere zorg; vergelijk Gen. 18:19 ; Ex. 31:2 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Exodus 31:2 : Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
[^exodus-33-12-22]: Kanttekening 22: hebt genade gevonden in Mijn ogen: Zie Gen. 6:8 . Genesis 6:8 : Maar Noach vond genade in de ogen van YHWH.
[^exodus-33-12-19]: Kanttekening 19: U zegt tot mij: Boven vers 1 . Exodus 33:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, u en het volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;
[^exodus-33-13-23]: Kanttekening 23: laat mij nu Uw weg weten: Dat is, wijs mij het middel, waardoor U voorgenomen hebt dit volk te geleiden en te bewaren; of, hoe U het met hen maken wilt.
[^exodus-33-13-24]: Kanttekening 24: opdat ik genade vinde in Uw ogen: Anders, omdat ik genade gevonden heb, of, dat ik genade vinde.
[^exodus-33-14-25]: Kanttekening 25: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, : Anders, mijn aangezicht zal medegaan.
[^exodus-33-14-26]: Kanttekening 26: Dat is, de zichtbare tekenen mijner genadige aanwezigheid, gelijk de wolkkolom en vuurkolom.
[^exodus-33-15-27]: Kanttekening 27: Te weten, Mozes.
[^exodus-33-16-c]: Verwijzing c: Deut. 4:7 . Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen?
[^exodus-33-17-28]: Kanttekening 28: Ook deze zelfde zaak: Dat is, Ik zal met u gaan.
[^exodus-33-17-29]: Kanttekening 29: en Ik u bij name ken: Zie boven, vers 12 . Exodus 33:12 : En Mozes zei tot YHWH: Zie, U zegt tot mij: Voer dit volk op! maar U laat mij niet weten, wie U met mij zult zenden; daar U gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen!
[^exodus-33-19-30]: Kanttekening 30: zal de Naam van YHWH uitroepen: Of, uitroepen de naam YHWH. Zie de vervulling hiervan, Ex. 34:6 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
[^exodus-33-19-d]: Verwijzing d: Rom. 9:15 . Romeinen 9:15 : Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, die Ik barmhartig ben.
[^exodus-33-20-32]: Kanttekening 32: niet kunnen zien: Wij kunnen God in dit sterflijke leven niet zien; zie Gen. 16:13 ; maar hiernamaals zullen wij hem zien gelijk Hij is; 1 Kor. 13:12 ; 1 Joh. 3:2 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^exodus-33-20-33]: Kanttekening 33: Mij zal geen mens zien, en leven: Hieruit is ontstaan het algemeen gevoelen van de Joden, dat zij sterven zouden, wanneer zij de Heer zien zouden; Deut. 5:24 , 5:25 ; Richt. 13:22 ; Jes. 6:5 ; Dan. 10:8 ; Openb. 1:17 . Deuteronomium 5:24 : En zeide: Zie, YHWH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft. Deuteronomium 5:25 : Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben. Jesaja 6:5 : Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, YHWH van de legermachten gezien. Daniël 10:8 : Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield. Openbaring 1:17 : En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;
[^exodus-33-20-31]: Kanttekening 31: Mijn aangezicht: Dat is, mijn wezen noch mijn heerlijkheid in haar volmaaktheid, vanwege uw zonde; Rom. 3:23 . Romeinen 3:23 : Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid van God;
[^exodus-33-21-34]: Kanttekening 34: een plaats bij Mij: Te weten, op de berg Sinaï of Horeb.
[^exodus-33-22-35]: Kanttekening 35: wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan: Dat is, wanneer Ik in mijn heerlijkheid u zal voorbijgaan.
[^exodus-33-23-36]: Kanttekening 36: Mijn aangezicht zal niet gezien worden: Zie boven, vers 20 . Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.

### Exodus 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/34.json)

*God beveelt Mozes twee stenen tafelen te houwen, waarin Hij Zijn wet opnieuw wilde schrijven, vers 1 enz. Met deze twee tafelen gaat Mozes de berg op, 4. De HEERE komt neer in een wolk en roept luid Zijn naam uit, 5. Mozes bidt de HEERE dat Hij met hen wil gaan, 8. wat Hij belooft, en Hij sluit een verbond met hen, en waarschuwt hen voor de afgoderij van de Kanaänieten en voor huwelijken met hen, 10. het gebod van het ongezuurde brood en van de eerstgeborenen wordt vernieuwd, alsook van de sabbat en andere feesten, 18. nog andere wetten, 26. nadat Mozes 40 dagen op de berg geweest was, komt hij neer met de twee tafelen, 28. zijn aangezicht glanst, wat hij bedekt, 29. hij maakt hun alles bekend wat de HEERE met hem gesproken had op de berg Sinaï, 32. Mozes had een bedekking op zijn aangezicht als hij met het volk sprak, 33.*

**1** Toen[^exodus-34-1-a] zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, zoals de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v1)

**2** En wees bereid[^exodus-34-2-1] tegen de morgenstond; dat u in de morgenstond op de berg Sinaï klimt, en stel u daar voor Mij, op de[^exodus-34-2-2] top van de berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v2)

**3** [^exodus-34-3-b] En[^exodus-34-3-3] niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op de hele berg;[^exodus-34-3-c] ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover deze berg niet weiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v3)

**4** Toen hieuw hij twee stenen tafelen, zoals de eerste; en Mozes stond 's morgens vroeg op, en klom op de berg Sinaï, zoals hem YHWH geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v4)

**5** YHWH nu kwam naar beneden in een[^exodus-34-5-4] wolk, en stelde Zich daar bij hem; en[^exodus-34-5-5] Hij riep uit de Naam van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v5)

**6** [^exodus-34-6-d] Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep[^exodus-34-6-6] Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig,[^exodus-34-6-7] geduldig en groot van goedertierenheid en[^exodus-34-6-8] waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v6)

**7** [^exodus-34-7-e] Die de goedertierenheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft;[^exodus-34-7-9] Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt,[^exodus-34-7-f] bezoekende de ongerechtigheid[^exodus-34-7-10] van de vaders[^exodus-34-7-11] aan de kinderen, en aan de kleinkinderen,[^exodus-34-7-12] in het derde en vierde geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v7)

**8** Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v8)

**9** En hij zei: Heere! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen,[^exodus-34-9-13] zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar[^exodus-34-9-g] vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v9)

**10** Toen zei Hij: Zie,[^exodus-34-10-h] Ik maak een verbond;[^exodus-34-10-i] voor uw hele volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de hele aarde, noch onder enige volken; zo dat dit hele volk, in wiens midden u bent, het werk van YHWH zien zal, dat het schrikkelijk is, dat Ik[^exodus-34-10-14] met u doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v10)

**11** [^exodus-34-11-15] Onderhoud u wat Ik u vandaag gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.[^exodus-34-11-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v11)

**12** [^exodus-34-12-k] Pas op dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik wordt in het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v12)

**13** Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun[^exodus-34-13-17] bossen zult u afhouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v13)

**14** [^exodus-34-14-l](Want u zult u niet buigen voor een andere god; want van YHWH Naam is IJveraar! een jaloers God is Hij!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v14)

**15** Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren,[^exodus-34-15-18] noch hun goden offergave doen, en hij u nodigende, u van hun offergave etet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v15)

**16** En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters;[^exodus-34-16-m] en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v16)

**17** U zult u geen[^exodus-34-17-19] gegoten goden maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v17)

**18** [^exodus-34-18-20] Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb,[^exodus-34-18-n] ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v18)

**19** [^exodus-34-19-21][^exodus-34-19-o] Al wat de baarmoeder opent, is van Mij; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden,[^exodus-34-19-22] openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v19)

**20** [^exodus-34-20-p] Maar de[^exodus-34-20-23] ezel, die de baarmoeder opent, zult u met een stuk klein vee lossen; maar als u hem niet zult lossen, zo zult u hem[^exodus-34-20-24] de nek breken. Al de eerstgeborenen van uw zonen zult u lossen,[^exodus-34-20-q] en men zal voor Mijn aangezicht[^exodus-34-20-25] niet leeg verschijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v20)

**21** [^exodus-34-21-r] Zes dagen zult u arbeiden, maar op de zevende dag zult u rusten; in de ploegtijd en in de oogst[^exodus-34-21-26] zult u rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v21)

**22** [^exodus-34-22-27][^exodus-34-22-s] Het wekenfeest zult u ook[^exodus-34-22-28] houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het[^exodus-34-22-29] feest van de[^exodus-34-22-30] inzameling, als het jaar om is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v22)

**23** [^exodus-34-23-t] Al wat mannelijk is onder u zal drie keer in het jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere YHWH, de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v23)

**24** Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw gebied verruimen, dan zal niemand uw land begeren, terwijl u heen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht van YHWH van uw God, drie keer in het jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v24)

**25** [^exodus-34-25-v] U zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met[^exodus-34-25-31] gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet overnachten tot de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v25)

**26** [^exodus-34-26-32] De[^exodus-34-26-x] eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van YHWH van uw God brengen.[^exodus-34-26-y] U zult het bokje in de melk van zijn moeder niet koken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v26)

**27** Verder zei YHWH tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want[^exodus-34-27-33] naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v27)

**28** [^exodus-34-28-z] En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen[^exodus-34-28-34] brood, en hij dronk geen water;[^exodus-34-28-a] en[^exodus-34-28-35] Hij schreef op de tafelen de[^exodus-34-28-36] woorden van het verbond, de tien woorden.[^exodus-34-28-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v28)

**29** En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat de huid van zijn aangezicht[^exodus-34-29-b] glinsterde,[^exodus-34-29-38] toen Hij met hem sprak.[^exodus-34-29-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v29)

**30** Als nu Aäron en al de Israëlieten Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde de huid van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.[^exodus-34-30-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v30)

**31** Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering[^exodus-34-31-41] keerden weer tot hem; en Mozes sprak tot hen.[^exodus-34-31-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v31)

**32** En daarna traden al de Israëlieten toe; en hij gebood hun al wat YHWH met hem gesproken had op de berg Sinaï.[^exodus-34-32-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v32)

**33** Zo eindigde Mozes met hen te spreken, en[^exodus-34-33-c] hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v33)

**34** Maar als Mozes voor het aangezicht van YHWH kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de Israëlieten, wat hem geboden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v34)

**35** Zo zagen dan de Israëlieten het aangezicht van Mozes, dat de huid van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes het deksel weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om[^exodus-34-35-44] met Hem te spreken.[^exodus-34-35-45][^exodus-34-35-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/34.html#v35)

[^exodus-34-1-a]: Verwijzing a: Deut. 10:1 . Deuteronomium 10:1 : Ter zelver tijd zei YHWH tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult u u een kist van hout maken.
[^exodus-34-2-1]: Kanttekening 1: tegen de morgenstond: Dit is de tweede maal dat Mozes op de berg Sinaï geweest is, telken reis veertig dagen en veertig nachten.
[^exodus-34-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, hoofd.
[^exodus-34-3-b]: Verwijzing b: Ex. 19:12 . Exodus 19:12 : En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op de berg te klimmen, en daarvan einde aan te roeren; al wie de berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.
[^exodus-34-3-3]: Kanttekening 3: Toen Mozes de eerste maal op de berg ging, zo waren bij hem Aäron, Nadab en Abihu, met zeventig van de oudsten van Israël: maar nu waren zij voor de Heer stinkende geworden, vanwege de afgoderij, die zij met het gouden kalf bedreven hadden.
[^exodus-34-3-c]: Verwijzing c: Ex. 19:3 . Exodus 19:3 : En Mozes klom op tot God. En YHWH riep tot hem van de berg, zeggende: Aldus zult u tot het huis van Jakob spreken, en de kinderen van Israël verkondigen:
[^exodus-34-5-4]: Kanttekening 4: Te weten, die wolk, welke een zeker teken was van de aanwezigheid van de Heer.
[^exodus-34-5-5]: Kanttekening 5: Te weten, de Heer. Zie boven, Ex. 33:19 . Exodus 33:19 : Maar Hij zei: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de Naam van YHWH uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal.
[^exodus-34-6-d]: Verwijzing d: Ex. 33:19 . Exodus 33:19 : Maar Hij zei: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de Naam van YHWH uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal.
[^exodus-34-6-6]: Kanttekening 6: Te weten, de Heer.
[^exodus-34-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, lang van toornvlagen; dat is, langzaam tot toorn, niet haastig om zijn toorn uit te voeren. Zo ook Num. 14:18 ; Pred. 7:8 , enz. Het tegendeel hiervan is: kort van toornvlagen; dat is, haastig tot toorn; Spr. 14:17 . Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Prediker 7:8 : Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige. Spreuken 14:17 : Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
[^exodus-34-6-8]: Kanttekening 8: Zie Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van de broers van mijn heer.
[^exodus-34-7-e]: Verwijzing e: Ex. 20:6 ; Num. 14:18 ; Deut. 5:10 ; Ps. 86:15 ; Ps. 103:8 ; Ps. 145:8 . Exodus 20:6 : En doe barmhartigheid aan duizenden degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Deuteronomium 5:10 : En doe barmhartigheid aan duizenden degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Psalmen 86:15 : Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 145:8 : Cheth. Genadig en barmhartig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
[^exodus-34-7-9]: Kanttekening 9: Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt: Hebreeuws, Die onschuldig houdende niet onschuldig houdt .
[^exodus-34-7-f]: Verwijzing f: Jer. 32:18 . Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten!
[^exodus-34-7-10]: Kanttekening 10: van de vaderen: Te weten, van de boze en goddeloze vaders.
[^exodus-34-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, als zij de kwade voetstappen van hun vaders volgen.
[^exodus-34-7-12]: Kanttekening 12: in het derde en vierde lid : Hebreeuws, aan de derde en aan de vierde; Ex. 20:5 ; Deut. 5:9 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten;
[^exodus-34-9-13]: Kanttekening 13: zo ga nu: Te weten, met de wolkkolom ons leidende en verkwikkende.
[^exodus-34-9-g]: Verwijzing g: Lev. 25:38 ; Ps. 28:9 ; Ps. 33:12 ; Zach. 2:12 . Leviticus 25:38 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij. Psalmen 28:9 : Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid. Psalmen 33:12 : Welgelukzalig is het volk, welks God YHWH is; het volk, dat Hij Zich ten erve gekozen heeft. Zacharia 2:12 : Dan zal YHWH Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
[^exodus-34-10-h]: Verwijzing h: Deut. 5:2 . Deuteronomium 5:2 : YHWH, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.
[^exodus-34-10-i]: Verwijzing i: Joz. 10:12 ; idem v. 13 . Jozua 10:12 : Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! Jozua 10:13 : En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
[^exodus-34-10-14]: Kanttekening 14: met u doe: O Israël. Anders, met u, o Mozes.
[^exodus-34-11-15]: Kanttekening 15: Onderhoud u wat: Hier volgen nu de conditiën van het verbond, die God de Heer van het volk eist.
[^exodus-34-11-16]: Kanttekening 16: Versta hierbij ook de Girgasieten.
[^exodus-34-12-k]: Verwijzing k: Ex. 23:32 ; Num. 33:51 ; Deut. 7:2 . Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Numeri 33:51 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^exodus-34-13-17]: Kanttekening 17: Te weten, zulke, waarin zij afgoderij bedreven hadden.
[^exodus-34-14-l]: Verwijzing l: Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten;
[^exodus-34-15-18]: Kanttekening 18: Dat is, afgoderij bedrijven, dat geestelijke hoererij genaamd wordt; Jer. 3:9 . Zie Lev. 17:7 . Jeremia 3:9 : Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht van haar hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen aan de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^exodus-34-16-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 11:2 . 1 Koningen 11:2 : Van die volken, waarvan YHWH gezegd had tot de kinderen van Israël: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde.
[^exodus-34-17-19]: Kanttekening 19: gegoten goden: Versta hieronder, ook geschilderde, gehouwen, gesneden goden. Hier worden bij name de gegoten beelden genoemd, ten aanzien van het gegoten kalf, wat zij aangebeden hadden.
[^exodus-34-18-20]: Kanttekening 20: Het feest van de ongezuurde broden : Zie Ex. 13:6 . Exodus 13:6 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag zal YHWH een feest zijn.
[^exodus-34-18-n]: Verwijzing n: Ex. 12:15 ; Ex. 23:15 . Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen.
[^exodus-34-19-21]: Kanttekening 21: Al wat de baarmoeder opent: Hebreeuws, alle opening van de moeder; dat is, alle eerstgeborenen; zie Ex. 13 .
[^exodus-34-19-o]: Verwijzing o: Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Ez. 44:30 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Ezechiël 44:30 : En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen van de priesters zijn; ook zult u de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de zegen op uw huis te doen rusten.
[^exodus-34-19-22]: Kanttekening 22: openende de baarmoeder van het grote en kleine vee: Hebreeuws opening van de os , dat is, van de koeien of grote beesten, en van het vee.
[^exodus-34-20-p]: Verwijzing p: Ex. 13:13 . Exodus 13:13 : Maar al wat de baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een lam; wanneer u het nu niet lost, zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen zult u lossen.
[^exodus-34-20-23]: Kanttekening 23: Of, ezelin . De ezel en de ezelin mocht men niet offeren, als zijnde onrein.
[^exodus-34-20-24]: Kanttekening 24: de nek breken: Of, onthalzen, of de hals doorhouwen.
[^exodus-34-20-q]: Verwijzing q: Ex. 23:15 ; Deut. 16:16 . Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^exodus-34-20-25]: Kanttekening 25: niet leeg: Dat is, niet zonder gave of geschenk; wat men de priester gaf, dat werd gerekend alsof men het God gaf.
[^exodus-34-21-r]: Verwijzing r: Ex. 20:9 . Exodus 20:9 : Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen;
[^exodus-34-21-26]: Kanttekening 26: zult u rusten: Te weten, op de sabbat.
[^exodus-34-22-27]: Kanttekening 27: feest van de weken: Versta hier het pinksterfeest, dat gevierd werd zeven weken na pasen; Lev. 23:15 ; Hand. 2:1 . Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
[^exodus-34-22-s]: Verwijzing s: Ex. 23:16 . Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.
[^exodus-34-22-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, doen; zo ook Ex. 31:16 ; Deut. 16:1 . Exodus 31:16 : Dat dan de kinderen van Israël de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond. Deuteronomium 16:1 : Neemt waar de maand Abib, dat u YHWH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u YHWH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.
[^exodus-34-22-29]: Kanttekening 29: feest van de inzameling: Dat is, ten tijde wanneer u uw vruchten uit het veld thuis brengt.
[^exodus-34-22-30]: Kanttekening 30: jaar om is: Hebreeuws, de omloping van het jaar.
[^exodus-34-23-t]: Verwijzing t: Ex. 23:17 ; Deut. 16:16 . Exodus 23:17 : Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heern YHWH verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^exodus-34-25-v]: Verwijzing v: Ex. 23:18 . Exodus 23:18 : U zult het bloed Mijns offers met geen gedesemde brode offeren; ook zal het vette Mijns feestes tot op de morgen niet overnachten.
[^exodus-34-25-31]: Kanttekening 31: gedesemd brood : Dat is, zolang als er gedesemd brood in uw huis is.
[^exodus-34-26-32]: Kanttekening 32: De eerstelingen van de eerste vruchten: Dat is, het begin van de eerste vruchten, gelijk Ex. 23:19 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van YHWH, uw God, brengen. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
[^exodus-34-26-x]: Verwijzing x: Ex. 23:19 ; Deut. 26:2 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Deuteronomium 26:2 : Zo zult u nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u YHWH, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die YHWH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen;
[^exodus-34-26-y]: Verwijzing y: Ex. 23:19 ; Lev. 22:27 ; Deut. 14:21 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Leviticus 22:27 : Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van de achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande van het vuuroffer YHWH. Deuteronomium 14:21 : U zult geen dood aas eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk YHWH, uw God. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder.
[^exodus-34-27-33]: Kanttekening 33: naar luid van deze woorden: Hebreeuws, naar de mond van deze woorden.
[^exodus-34-28-z]: Verwijzing z: Ex. 24:18 ; Deut. 9:9 ; idem v. 18 . Exodus 24:18 : En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg veertig dagen en veertig nachten. Deuteronomium 9:9 : Als ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen van het verbond, dat YHWH met u gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg, at geen brood, en dronk geen water. Deuteronomium 9:18 : En ik wierp mij neder voor het aangezicht van YHWH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u hadt gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^exodus-34-28-34]: Kanttekening 34: Onder het woord brood wordt allerlei voedsel verstaan, gelijk onder het woord water allerlei drank.
[^exodus-34-28-a]: Verwijzing a: Ex. 31:18 ; Ex. 34:1 ; Deut. 4:13 . Exodus 31:18 : En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen van het getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God. Exodus 34:1 : Toen zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt. Deuteronomium 4:13 : Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.
[^exodus-34-28-35]: Kanttekening 35: Onder het woord brood wordt allerlei voedsel verstaan, gelijk onder het woord water allerlei drank.
[^exodus-34-28-36]: Kanttekening 36: Te weten, de Heer, gelijk vers 1 , en Deut. 10:2 te zien is. Dat God, vers 27 , aan Mozes beveelt dit te schrijven, is te verstaan, dat hij het schrijven zou in het boek van de wet, gelijk Ex. 17:14 , maar niet dat hij het op de twee stenen tafelen schrijven zou. Exodus 34:1 : Toen zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt. Deuteronomium 10:2 : En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die u gebroken hebt; en u zult ze leggen in die kist. Exodus 34:27 : Verder zei YHWH tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt. Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.
[^exodus-34-28-37]: Kanttekening 37: woorden van het verbond: Dat is, geboden, gelijk Gal. 5:15 . vers 29 . Galaten 5:15 : Maar als u elkaar bijt en vereet, ziet toe, dat u van elkaar niet verteerd wordt. Exodus 34:29 : En het geschiedde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel van zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak.
[^exodus-34-29-b]: Verwijzing b: 2 Kor. 3:7 . 2 Korinthiërs 3:7 : En als de bediening van het dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijn aangezichts, die te niet gedaan zou worden.
[^exodus-34-29-38]: Kanttekening 38: Dat is, stralen uitgaf, gelijk de zon. Het Hebreeuwse woord komt van een woord, dat hoornen betekent. Hieruit is het misverstand gekomen, dat men Mozes met hoornen schildert.
[^exodus-34-29-39]: Kanttekening 39: toen Hij met hem sprak: Of, van dat Hij \[te weten de Heer\] met hem gesproken had . Of, omdat Hij, etc .
[^exodus-34-30-40]: Kanttekening 40: vreesden zij: Het schijnt dat zij in het eerst hem niet terdege kenden, maar meenden dat hij een engel was.
[^exodus-34-31-41]: Kanttekening 41: Of, vorsten, regeerders, prinsen.
[^exodus-34-31-42]: Kanttekening 42: keerden weer tot hem: Hem nu beter kennende door zijn stem.
[^exodus-34-32-43]: Kanttekening 43: Te weten, nadat de oversten en oudsten van het volk eerst tot Mozes gegaan waren, en zij nu zagen dat Mozes met hen sprak.
[^exodus-34-33-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 3:7 ; idem v. 13 . 2 Korinthiërs 3:7 : En als de bediening van het dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijn aangezichts, die te niet gedaan zou worden. 2 Korinthiërs 3:13 : En doen niet zoals Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen van Israël niet zouden sterk zien op het einde van wat te niet gedaan wordt.
[^exodus-34-35-44]: Kanttekening 44: Zo zagen: Mozes liet het volk de glans van zijn aangezicht zien, opdat zij zijn woorden des te eer en te meer geloven zouden; daarna deed hij het deksel weer op zijn aangezicht, als hij met hen spreken wilde, opdat zij hem schuwen noch mijden zouden.
[^exodus-34-35-45]: Kanttekening 45: met Hem: Te weten, met God.
[^exodus-34-35-38]: Kanttekening 38: Dat is, stralen uitgaf, gelijk de zon. Het Hebreeuwse woord komt van een woord, dat hoornen betekent. Hieruit is het misverstand gekomen, dat men Mozes met hoornen schildert.

### Exodus 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/35.json)

*Mozes beveelt het volk opnieuw de sabbat te vieren, vers 1 enz. Dat het de HEERE een vrijwillig hefoffer zou brengen van goud, zilver en koper, voor de tabernakel en zijn gereedschap, 4. Mannen en vrouwen brengen hun juwelen en andere dingen daartoe, 20. De bekwame vrouwen spinnen de stof, 25. De oversten brengen kostbare stenen en specerijen, 27. Bezaleël en Aholiab zijn de mannen aan wie God de geest van de wijsheid heeft gegeven om dit werk te maken, 30.*

**1** [^exodus-35-1-a] Toen deed Mozes de hele gemeenschap van de Israëlieten verzamelen, en zei tot hen: Dit zijn[^exodus-35-1-1] de woorden, die YHWH geboden heeft, dat men ze doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v1)

**2** [^exodus-35-2-b] Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid[^exodus-35-2-2] zijn, een sabbat van de rust YHWH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v2)

**3** [^exodus-35-3-c] U zult[^exodus-35-3-3] geen vuur aansteken in[^exodus-35-3-4] enige van uw woningen op de sabbatdag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v3)

**4** Verder sprak Mozes tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, zeggende: Dit is het woord, dat YHWH geboden heeft, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v4)

**5** [^exodus-35-5-d] Neem van[^exodus-35-5-5] wat, dat u hebt, een hefoffer voor YHWH; een ieder, wiens hart[^exodus-35-5-6] vrijwillig is, zal het brengen, als hefoffer van YHWH: goud, en zilver, en koper; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v5)

**6** [^exodus-35-6-e] Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v6)

**7** [^exodus-35-7-f] En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v7)

**8** [^exodus-35-8-g] En olie voor het licht, en specerijen ter zalfolie, en tot roking geurende specerijen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v8)

**9** [^exodus-35-9-h] En sardonixstenen, en vervullende stenen, tot de efod en tot de borstlap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v9)

**10** En allen, die wijs van hart zijn onder u, zullen komen, en maken alles, wat YHWH geboden heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v10)

**11** [^exodus-35-11-i] De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn planken, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voetstukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v11)

**12** De ark en haar[^exodus-35-12-7] handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel[^exodus-35-12-8] van het deksel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v12)

**13** De[^exodus-35-13-k] tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en[^exodus-35-13-9][^exodus-35-13-l] de toonbroden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v13)

**14** En de kandelaar[^exodus-35-14-10] tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v14)

**15** [^exodus-35-15-m] En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de[^exodus-35-15-11] zalfolie,[^exodus-35-15-n] en het reukwerk van geurende specerijen; en[^exodus-35-15-o] het deksel van de deur aan de deur van de tabernakel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v15)

**16** [^exodus-35-16-p] Het altaar van het brandoffer, en de koperen rooster, die het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen;[^exodus-35-16-q] het wasvat en zijn voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v16)

**17** [^exodus-35-17-r] De behangselen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voetstukken; en[^exodus-35-17-s] het deksel van de poort van de voorhof; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v17)

**18** [^exodus-35-18-t] De[^exodus-35-18-12] nagelen van de tabernakel, en de pennen van de voorhof, met van die[^exodus-35-18-13] touwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v18)

**19** De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de[^exodus-35-19-v] kleren zijn zonen, om[^exodus-35-19-14] het priesterambt te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v19)

**20** Toen ging de hele gemeenschap van de Israëlieten uit van voor het aangezicht van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v20)

**21** En zij kwamen, alle man, wiens hart hem[^exodus-35-21-15] bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten van YHWH hefoffer tot het werk van de tent van de samenkomst, en tot al haar dienst, en tot[^exodus-35-21-16] de heilige kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v21)

**22** Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en[^exodus-35-22-17] spanselen, alle gouden voorwerpen; en alle man, die een gouden beweegoffer voor YHWH[^exodus-35-22-18] offerde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v22)

**23** En alle man, bij wie[^exodus-35-23-19] gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v23)

**24** Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het als hefoffer van YHWH; en allen, bij wie sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van[^exodus-35-24-20] de dienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v24)

**25** En[^exodus-35-25-x] alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen[^exodus-35-25-21] met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v25)

**26** En alle vrouwen, van wie het hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geitenhaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v26)

**27** De oversten nu brachten sardonixstenen en vulstenen, tot de efod en tot de borstlap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v27)

**28** En specerijen en olie,[^exodus-35-28-y] voor het licht en tot de zalfolie, en[^exodus-35-28-z] tot roking geurende specerijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v28)

**29** Alle man en vrouw, van wie het hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, dat YHWH geboden had te maken door[^exodus-35-29-22] de hand van Mozes; dat brachten de Israëlieten tot een vrijwillig offer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v29)

**30** Daarna zei Mozes tot de Israëlieten: Zie, YHWH heeft[^exodus-35-30-b] met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.[^exodus-35-30-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v30)

**31** En de Geest van God heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v31)

**32** En[^exodus-35-32-c] om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v32)

**33** En[^exodus-35-33-d] in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v33)

**34** Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v34)

**35** [^exodus-35-35-e] Hij heeft hen vervuld met wijsheid van het hart, om te maken alle werk van een werkmeester, en van de allervernuftigste handwerker, en van de borduurder en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en van de wever; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/35.html#v35)

[^exodus-35-1-a]: Verwijzing a: Ex. 34:32 . Exodus 34:32 : En daarna traden al de kinderen van Israël toe; en hij gebood hun al wat YHWH met hem gesproken had op de berg Sinaï.
[^exodus-35-1-1]: Kanttekening 1: de woorden: Anders, zaken, dingen; zo ook vers 4 , en elders. Exodus 35:4 : Verder sprak Mozes tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, zeggende: Dit is het woord, dat YHWH geboden heeft, zeggende:
[^exodus-35-2-b]: Verwijzing b: Ex. 20:8 ; Ex. 31:15 ; Lev. 23:3 ; Deut. 5:12 ; Lukas 13:14 . Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Exodus 31:15 : Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heiligheid van YHWH! Wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden. Leviticus 23:3 : Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heilige samenroeping; geen werk zult u doen; het is van YHWH sabbat, in al uw woningen. Deuteronomium 5:12 : Onderhoudt de sabbatdag, dat u die heiligt; gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft. Lukas 13:14 : En de overste van de synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelfde, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat.
[^exodus-35-2-2]: Kanttekening 2: heiligheid zijn: Dat is, een heilige dag.
[^exodus-35-3-c]: Verwijzing c: Ex. 16:23 . Exodus 16:23 : Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat YHWH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van YHWH! wat u bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat u zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen.
[^exodus-35-3-3]: Kanttekening 3: geen vuur aansteken: Te weten, om voedsel te koken, Ex. 16:23 . Of om te werken, maar men mocht het vuur ten brandoffer wel aansteken. Exodus 16:23 : Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat YHWH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van YHWH! wat u bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat u zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen.
[^exodus-35-3-4]: Kanttekening 4: enige van uw woningen: Hebreeuws, al uw, enz.
[^exodus-35-5-d]: Verwijzing d: Ex. 25:2 . Exodus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen.
[^exodus-35-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, dat bij u is.
[^exodus-35-5-6]: Kanttekening 6: vrijwillig is: Zie Job 12:21 . Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen.
[^exodus-35-6-e]: Verwijzing e: Ex. 25:4 . Exodus 25:4 : Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar.
[^exodus-35-7-f]: Verwijzing f: Ex. 25:5 . Exodus 25:5 : En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
[^exodus-35-8-g]: Verwijzing g: Ex. 25:6 . Exodus 25:6 : Olie tot de luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;
[^exodus-35-9-h]: Verwijzing h: Ex. 25:7 ; Ex. 28:17 ; idem 28:20 . Exodus 25:7 : Sardonixstenen, en vervullende stenen tot de efod, en tot de borstlap. Exodus 28:17 : En u zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij. Exodus 28:20 : En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.
[^exodus-35-11-i]: Verwijzing i: Ex. 26:26 . Exodus 26:26 : U zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de één zijde van het tabernakel;
[^exodus-35-12-7]: Kanttekening 7: Waarmee men de ark droeg van de ene plaats naar de andere.
[^exodus-35-12-8]: Kanttekening 8: van het deksel: Dit deksel was van geitenhaar gemaakt, Ex. 26:7 . Exodus 26:7 : Ook zult u gordijnen uit geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel; van elf gordijnen zult u die maken.
[^exodus-35-13-k]: Verwijzing k: Ex. 25:23 . Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
[^exodus-35-13-9]: Kanttekening 9: de toonbroden: Zie Ex. 25:30 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
[^exodus-35-13-l]: Verwijzing l: Ex. 25:30 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
[^exodus-35-14-10]: Kanttekening 10: tot het licht: Anders, van het licht; dat is, licht gevende; zo staat er Ps. 148:3 sterren van het licht; dat is, schijnende sterren. Psalmen 148:3 : Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle u lichtende sterren!
[^exodus-35-15-m]: Verwijzing m: Ex. 30:1 . Exodus 30:1 : U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken.
[^exodus-35-15-11]: Kanttekening 11: Versta dit van het gouden altaar, Ex. 30:1 . Exodus 30:1 : U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken.
[^exodus-35-15-n]: Verwijzing n: Ex. 31:11 . Exodus 31:11 : Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.
[^exodus-35-15-o]: Verwijzing o: Ex. 26:36 . Exodus 26:36 : U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.
[^exodus-35-16-p]: Verwijzing p: Ex. 27:4 . Exodus 27:4 : U zult het een rooster maken van koperen netwerk; en u zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden.
[^exodus-35-16-q]: Verwijzing q: Ex. 30:18 . Exodus 30:18 : U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te groeien; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen;
[^exodus-35-17-r]: Verwijzing r: Ex. 27:9 . Exodus 27:9 : U zult ook de voorhof van het tabernakel maken; aan de zuidhoek zuidwaarts, zullen aan de voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte van een zijde zal honderd ellen zijn.
[^exodus-35-17-s]: Verwijzing s: Ex. 27:16 . Exodus 27:16 : In de poort nu van het voorhof zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.
[^exodus-35-18-t]: Verwijzing t: Ex. 27:19 . Exodus 27:19 : Aangaande al het gereedschap van het tabernakel, in al daarvan dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen van het voorhof, zullen van koper zijn.
[^exodus-35-18-12]: Kanttekening 12: nagelen van het tabernakel: Hiermee maakten zij de onderste einden van het deksel of behangsel vast in de aarde, opdat de wind het niet bewegen of verwaaien zou.
[^exodus-35-18-13]: Kanttekening 13: Deze zelen dienden om de voorhangsels of deksels van het tabernakel te binden en vast te maken.
[^exodus-35-19-v]: Verwijzing v: Ex. 31:10 ; Ex. 28 . Exodus 31:10 : En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;
[^exodus-35-19-14]: Kanttekening 14: het priesterambt te bedienen: Te weten, het hogepriesterambt, gelijk Ex. 31:10 . Exodus 31:10 : En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;
[^exodus-35-21-15]: Kanttekening 15: Anders, verhief.
[^exodus-35-21-16]: Kanttekening 16: de heilige kleren: Hebreeuws, kleren van de heiligheid.
[^exodus-35-22-17]: Kanttekening 17: Anders, hangende gordels.
[^exodus-35-22-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, bewoog; omdat het goud, dat de mannen brachten, bewogen en opgeheven werd, wanneer zij het de Heer gaven, daarom wordt het genoemd een beweegoffer, vers 22 , en Ex. 38:24 . Exodus 35:22 : Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer YHWH offerde, Exodus 38:24 : Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het gehele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom.
[^exodus-35-23-19]: Kanttekening 19: gevonden werd hemelsblauw: Dat is, was, gelijk Esth. 1:5 ; Mal. 2:6 . Zo ook, er is geen bedrog in zijn mond gevonden; dat is, er was geen bedrog in zijn mond. Esther 1:5 : Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd voor al het volk, dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van de hof van het koninklijk paleis. Maleachi 2:6 : De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
[^exodus-35-24-20]: Kanttekening 20: Versta, van de godsdienst.
[^exodus-35-25-x]: Verwijzing x: Spr. 31:19 . Spreuken 31:19 : Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten de spinrok.
[^exodus-35-25-21]: Kanttekening 21: met haar handen: Zij lieten het haar maagden of gehuurde vrouwen niet spinnen, maar zij sponnen het zelven.
[^exodus-35-28-y]: Verwijzing y: Ex. 25:6 . Exodus 25:6 : Olie tot de luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;
[^exodus-35-28-z]: Verwijzing z: Ex. 25:6 . Exodus 25:6 : Olie tot de luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;
[^exodus-35-29-22]: Kanttekening 22: de hand van Mozes: Dat is, op bestelling, order, bevel van Mozes.
[^exodus-35-30-b]: Verwijzing b: Ex. 31:3 . Exodus 31:3 : En Ik heb hem vervuld met de Geest van God, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
[^exodus-35-30-a]: Verwijzing a: Ex. 31:2 . Exodus 31:2 : Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
[^exodus-35-32-c]: Verwijzing c: Ex. 31:4 . Exodus 31:4 : Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,
[^exodus-35-33-d]: Verwijzing d: Ex. 31:5 . Exodus 31:5 : En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.
[^exodus-35-35-e]: Verwijzing e: Ex. 26:1 . Exodus 26:1 : De tabernakel nu zult u maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult u ze maken.

### Exodus 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/36.json)

*De stof die door de kinderen van Israël tot hefoffer voor het maken van de tabernakel gebracht was, wordt aan Bezaleël en Aholiab overhandigd, vers 1 enz. Het volk wordt verboden meer te brengen, 5. De werkmeesters maken alles wat tot de tabernakel behoort, zoals gordijnen met cherubs, 8. De gordijnen van geitenhaar, 14. De dekken van ramsvellen en dassenvellen, 19. de planken, hun verbindingen, en de richels, het voorhangsel, 20. enz.*

**1** Toen werkte Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in die YHWH wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste van het heiligdom naar alles, dat YHWH geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v1)

**2** Want Mozes had geroepen Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wie het hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v2)

**3** Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het hele[^exodus-36-3-1] hefoffer, dat de Israëlieten gebracht hadden, tot het werk van de dienst van het heiligdom, om dat te maken; maar zij brachten tot hem nog[^exodus-36-3-2] elke morgen vrijwillig offer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v3)

**4** Daarom kwamen alle wijzen, die al het werk van het heiligdom[^exodus-36-4-3] maakten, ieder man van zijn werk, dat zij maakten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v4)

**5** En zij spraken tot Mozes, zeggende:[^exodus-36-5-4] Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste van het werk, dat YHWH te maken geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v5)

**6** Toen gebood Mozes, dat[^exodus-36-6-5] men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw[^exodus-36-6-6] make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v6)

**7** Want[^exodus-36-7-7] van de stoffe was[^exodus-36-7-8] dezelfde genoeg tot het hele werk, dat te maken was; ja, er was over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v7)

**8** Zo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, de[^exodus-36-8-9] tabernakel van tien tentkleden, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v8)

**9** [^exodus-36-9-a] De lengte van een tentkleed was van acht en twintig ellen, en de breedte van een tentkleed van vier ellen; al deze tentkleden hadden[^exodus-36-9-10] één maat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v9)

**10** En hij voegde vijf tentkleden, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf tentkleden, de ene aan de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v10)

**11** [^exodus-36-11-b] Daarna maakte hij lussen van hemelsblauw aan de kant van een tentkleed, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan de uitersten kant van de tweede samenvoegende tentkleed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v11)

**12** [^exodus-36-12-c] Vijftig lussen maakte hij aan het ene tentkleed, en vijftig lussen maakte hij aan het uiterste van het tentkleed; dat aan de tweede samenvoegende was;[^exodus-36-12-d] deze lussen vatten de ene aan de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v12)

**13** [^exodus-36-13-e] Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de tentkleden samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het een tabernakel werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v13)

**14** Verder maakte hij tentkleden van geitenhaar, tot[^exodus-36-14-11] een tent over de tabernakel; van elf tentkleden maakte hij ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v14)

**15** De lengte van een tentkleed was dertig ellen, en vier ellen de breedte van een tentkleed; deze elf tentkleden hadden één maat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v15)

**16** En hij voegde vijf tentkleden samen bijzonder; opnieuw zes van deze tentkleden bijzonder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v16)

**17** En hij maakte vijftig lussen aan de kant van het tentkleed, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig lussen aan de kant van het tentkleed van de andere samenvoeging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v17)

**18** [^exodus-36-18-f] Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij een was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v18)

**19** [^exodus-36-19-g] Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v19)

**20** [^exodus-36-20-h] Hij maakte ook aan de tabernakel planken van staand sittimhout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v20)

**21** [^exodus-36-21-i] De lengte van een plank was tien ellen, en ene el en ene halve el was de breedte van elk plank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v21)

**22** [^exodus-36-22-k] Twee[^exodus-36-22-12] houvasten had een plank, als sporten in een ladder gezet, het ene naast het andere; zo maakte hij het met al de planken van de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v22)

**23** [^exodus-36-23-l] Hij maakte ook de planken tot de tabernakel; twintig planken naar de zuidzijde naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v23)

**24** [^exodus-36-24-m] En hij maakte veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken; twee voetstukken onder een plank, aan zijn twee houvasten, en twee voetstukken onder een ander plank, aan zijn twee houvasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v24)

**25** [^exodus-36-25-n] Hij maakte ook twintig planken aan de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v25)

**26** [^exodus-36-26-o] Met hun veertig zilveren voetstukken; twee voetstukken onder een plank, en twee voetstukken onder een ander plank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v26)

**27** [^exodus-36-27-p] Maar aan de zijde van de tabernakel tegen het westen, maakte hij zes planken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v27)

**28** [^exodus-36-28-q] Ook maakte hij twee planken tot hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v28)

**29** [^exodus-36-29-r] En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan zijn oppereinde samengevoegd met één ring; zo deed hij met die beide, aan de twee hoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v29)

**30** [^exodus-36-30-s] Zo waren er acht planken met hun zilveren voetstukken, zijnde zestien voetstukken:[^exodus-36-30-13] twee voetstukken onder elk plank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v30)

**31** [^exodus-36-31-t] Hij maakte ook dwarsbalken van sittimhout; vijf aan de planken van de ene zijde van de tabernakel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v31)

**32** En[^exodus-36-32-v] vijf dwarsbalken aan de planken van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf dwarsbalken aan de planken van de tabernakel, aan de beide zijden naar het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v32)

**33** [^exodus-36-33-x] En hij maakte de middelste dwarsbalk doorschietende in het midden van de planken, van het ene einde tot het andere einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v33)

**34** [^exodus-36-34-y] En hij overtrok de planken met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de dwarsbalken) maakte hij van goud; de dwarsbalken overtrok hij ook met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v34)

**35** Daarna[^exodus-36-35-z] maakte hij[^exodus-36-35-14] een voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij dezelfde, met cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v35)

**36** [^exodus-36-36-a] En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voetstukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v36)

**37** [^exodus-36-37-b] Hij maakte ook aan de deur van de[^exodus-36-37-15] tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v37)

**38** [^exodus-36-38-c] En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en van die banden met goud; en hun vijf voetstukken waren van koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/36.html#v38)

[^exodus-36-3-1]: Kanttekening 1: Als, goud, zilver, koper, enz.
[^exodus-36-3-2]: Kanttekening 2: elke morgen: Hebreeuws, in de morgen in de morgen.
[^exodus-36-4-3]: Kanttekening 3: ieder man: Hebreeuws, man man.
[^exodus-36-5-4]: Kanttekening 4: Het volk brengt te veel: Hebreeuws, het volk vermenigvuldigt te brengen; of, vermenigvuldigende brengt het volk.
[^exodus-36-6-5]: Kanttekening 5: Dat is, een gebod, uitroeping, proclamatie, plakkaat.
[^exodus-36-6-6]: Kanttekening 6: make geen werk meer: Dat is, bereiden geen stof meer tot dit werk.
[^exodus-36-7-7]: Kanttekening 7: van de stoffe: Hebreeuws, van het werk; dat is, de stof of materie, tot het werk, gelijk vers 6 . Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.
[^exodus-36-7-8]: Kanttekening 8: Te weten, de kunstige werkmeester.
[^exodus-36-8-9]: Kanttekening 9: de tabernakel: De tabernakel is het eerst gemaakt, ofschoon Ex. 25 de ark, de tafel en de kandelaar vóór de tabernakel genoemd worden, want daarin moest al het gereedschap staan.
[^exodus-36-9-a]: Verwijzing a: Ex. 26:2 . Exodus 26:2 : De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte van een gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben.
[^exodus-36-9-10]: Kanttekening 10: één maat: Zo in de lengte, als in de breedte.
[^exodus-36-11-b]: Verwijzing b: Ex. 26:4 . Exodus 26:4 : En u zult hemelsblauwe striklisjes maken aan de kant van de één gordijn, aan het uiterste, in de samenvoeging; zo zult u ook doen aan de uitersten kant van de gordijn, aan de tweede samenvoegende.
[^exodus-36-12-c]: Verwijzing c: Ex. 26:10 . Exodus 26:10 : En u zult vijftig striklisjes maken aan de kant van de één gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan de kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.
[^exodus-36-12-d]: Verwijzing d: Ex. 26:5 . Exodus 26:5 : Vijftig striklisjes zult u aan de één gordijn maken, en vijftig striklisjes zult u maken aan het uiterste van de gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het een aan het andere samenvatten.
[^exodus-36-13-e]: Verwijzing e: Ex. 26:6 . Exodus 26:6 : U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de één aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.
[^exodus-36-14-11]: Kanttekening 11: Tent, betekent hier zoveel als een dak of deksel.
[^exodus-36-18-f]: Verwijzing f: Ex. 26:11 . Exodus 26:11 : U zult ook vijftig koperen haakjes maken, en u zult de haakjes in de striklisjes doen, en u zult de tent samenvoegen, dat zij een zij.
[^exodus-36-19-g]: Verwijzing g: Ex. 26:14 . Exodus 26:14 : U zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.
[^exodus-36-20-h]: Verwijzing h: Ex. 26:15 . Exodus 26:15 : U zult ook tot de tabernakel staande berderen maken, van sittimhout.
[^exodus-36-21-i]: Verwijzing i: Ex. 26:16 . Exodus 26:16 : De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.
[^exodus-36-22-k]: Verwijzing k: Ex. 26:17 . Exodus 26:17 : Twee houvasten zal een berd hebben, als sporten in een ladder gezet, het een naast het andere; zo zult u het met al de berderen van het tabernakel maken.
[^exodus-36-22-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, handen.
[^exodus-36-23-l]: Verwijzing l: Ex. 26:18 . Exodus 26:18 : En de berderen tot de tabernakel zult u aldus maken: twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.
[^exodus-36-24-m]: Verwijzing m: Ex. 26:19 . Exodus 26:19 : U zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.
[^exodus-36-25-n]: Verwijzing n: Ex. 26:20 . Exodus 26:20 : Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijde van het tabernakel, aan de noorderhoek,
[^exodus-36-26-o]: Verwijzing o: Ex. 26:21 . Exodus 26:21 : Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.
[^exodus-36-27-p]: Verwijzing p: Ex. 26:22 . Exodus 26:22 : Maar aan de zijde van het tabernakel tegen het westen zult u zes berderen maken.
[^exodus-36-28-q]: Verwijzing q: Ex. 26:23 . Exodus 26:23 : Ook zult u twee berderen maken tot de hoekberderen van het tabernakel, aan de beide zijden.
[^exodus-36-29-r]: Verwijzing r: Ex. 26:24 . Exodus 26:24 : En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde dezelfde samengevoegd zijn, met een ring; zo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.
[^exodus-36-30-s]: Verwijzing s: Ex. 26:25 . Exodus 26:25 : Zo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, opnieuw twee voeten onder een berd.
[^exodus-36-30-13]: Kanttekening 13: twee voeten onder elk berd: Hebreeuws, twee voeten, twee voeten onder één berd.
[^exodus-36-31-t]: Verwijzing t: Ex. 26:26 . Exodus 26:26 : U zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de één zijde van het tabernakel;
[^exodus-36-32-v]: Verwijzing v: Ex. 26:27 . Exodus 26:27 : En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde van het tabernakel; alsook vijf richelen aan de berderen van de zijde van het tabernakel, aan de beide zijden westwaarts.
[^exodus-36-33-x]: Verwijzing x: Ex. 26:28 . Exodus 26:28 : En de middelste richel zal midden aan de berderen zijn, doorschietende van het een einde tot het andere einde.
[^exodus-36-34-y]: Verwijzing y: Ex. 26:29 . Exodus 26:29 : En u zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) zult u van goud maken; de richelen zult u ook met goud overtrekken.
[^exodus-36-35-z]: Verwijzing z: Ex. 26:31 . Exodus 26:31 : Daarna zult u een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim.
[^exodus-36-35-14]: Kanttekening 14: een voorhang van hemelsblauw: Dit voorhangsel maakte een scheiding tussen het heilige en het heilige van de heiligen.
[^exodus-36-36-a]: Verwijzing a: Ex. 26:32 . Exodus 26:32 : En u zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten.
[^exodus-36-37-b]: Verwijzing b: Ex. 26:36 . Exodus 26:36 : U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.
[^exodus-36-37-15]: Kanttekening 15: een deksel van hemelsblauw: Dit was een ander deksel, onderscheiden van het voorhangsel, vers 35 . Exodus 36:35 : Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij dezelfde, met cherubim.
[^exodus-36-38-c]: Verwijzing c: Ex. 26:37 . Exodus 26:37 : En u zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en u zult hun vijf koperen voeten gieten.

### Exodus 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/37.json)

*Bezaleël maakt de ark van sittimhout, vers 1 enz. en het verzoendeksel van zuiver goud, 6. Ook twee cherubs van goud, 7. De tafel, met het gereedschap daarbij, 10. De kandelaar, met de lampen en ander gereedschap, 17. Het reukaltaar, 25. de zalfolie enz. en het reukwerk, 29.*

**1** Zo[^exodus-37-1-a] maakte Bezaleël de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v1)

**2** En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v2)

**3** En hij goot daarvoor vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, zo dat twee ringen op van die ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v3)

**4** En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v4)

**5** En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden van de ark, om de ark te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v5)

**6** Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was zijn lengte, en anderhalve el zijn breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v6)

**7** Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden van het verzoendeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v7)

**8** [^exodus-37-8-b] Één cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit zijn beide einden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v8)

**9** [^exodus-37-9-c] En de cherubim waren de beide vleugels omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkaar; de aangezichten van de cherubim waren naar het verzoendeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v9)

**10** [^exodus-37-10-d] Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v10)

**11** [^exodus-37-11-e] En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v11)

**12** [^exodus-37-12-f] Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom van die lijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v12)

**13** [^exodus-37-13-g] Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan van die vier voeten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v13)

**14** [^exodus-37-14-h] Tegenover de lijst waren de ringen tot[^exodus-37-14-1] plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v14)

**15** Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v15)

**16** [^exodus-37-16-i] En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zou, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke zij bedekt zou worden), van louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v16)

**17** [^exodus-37-17-k] Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn armen; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v17)

**18** [^exodus-37-18-l] Zes armen nu gingen uit zijn zijden; drie armen van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v18)

**19** [^exodus-37-19-m] In het ene riet waren drie schaaltjes, zoals amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, zoals amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; zo waren die zes armen, die uit de kandelaar gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v19)

**20** [^exodus-37-20-n] Maar aan de kandelaar zelf waren vier schaaltjes, zoals amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v20)

**21** En daar was een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; ook een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; nog een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; zo was het met de zes armen, die daaruit[^exodus-37-21-2] uitgingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v21)

**22** [^exodus-37-22-o] Hun knopen en armen waren uit hem; het was allemaal een enig dicht werk van louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v22)

**23** [^exodus-37-23-p] En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v23)

**24** [^exodus-37-24-q] Hij maakte dezelfde uit een talent louter goud, met al zijn voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v24)

**25** [^exodus-37-25-r] En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde waren zijn hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v25)

**26** [^exodus-37-26-s] En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v26)

**27** [^exodus-37-27-t] Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v27)

**28** [^exodus-37-28-v] En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v28)

**29** [^exodus-37-29-x] Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk van de zuiverste geurende specerijen, naar apothekerswerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/37.html#v29)

[^exodus-37-1-a]: Verwijzing a: Ex. 25:10 . Exodus 25:10 : Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.
[^exodus-37-8-b]: Verwijzing b: Ex. 25:19 . Exodus 25:19 : En maak u een cherub uit het een einde aan deze zijde, en de anderen cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel zult u de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelfde.
[^exodus-37-9-c]: Verwijzing c: Ex. 25:20 . Exodus 25:20 : En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.
[^exodus-37-10-d]: Verwijzing d: Ex. 25:23 . Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
[^exodus-37-11-e]: Verwijzing e: Ex. 25:24 . Exodus 25:24 : En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.
[^exodus-37-12-f]: Verwijzing f: Ex. 25:25 . Exodus 25:25 : U zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en u zult een gouden krans rondom derzelver lijst maken.
[^exodus-37-13-g]: Verwijzing g: Ex. 25:26 . Exodus 25:26 : Ook zult u vier gouden ringen daaraan maken; en u zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten zijn zullen.
[^exodus-37-14-h]: Verwijzing h: Ex. 25:27 . Exodus 25:27 : Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.
[^exodus-37-14-1]: Kanttekening 1: Dat is, waarin men de handbomen stak.
[^exodus-37-16-i]: Verwijzing i: Ex. 25:29 . Exodus 25:29 : U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken.
[^exodus-37-17-k]: Verwijzing k: Ex. 25:31 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^exodus-37-18-l]: Verwijzing l: Ex. 25:32 . Exodus 25:32 : En zes rieten zullen uit zijn zijden uitgaan; drie rieten van het kandelaar uit zijn een zijde, en drie rieten van het kandelaar uit zijn andere zijde.
[^exodus-37-19-m]: Verwijzing m: Ex. 25:33 . Exodus 25:33 : In het een riet zullen drie schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; zo zullen die zes rieten zijn, die uit de kandelaar gaan.
[^exodus-37-20-n]: Verwijzing n: Ex. 25:34 . Exodus 25:34 : Maar aan de kandelaar zelven zullen vier schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.
[^exodus-37-21-2]: Kanttekening 2: Te weten, kandelaar, gelijk er staat Ex. 25:35 . Exodus 25:35 : En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit dezelfde uitgaande; zo zal het zijn met de zes rieten, die uit de kandelaar uitgaan.
[^exodus-37-22-o]: Verwijzing o: Ex. 25:36 . Exodus 25:36 : Hun knopen en hun rieten zullen uit hem zijn; het zal allemaal een enig dicht werk van louter goud zijn.
[^exodus-37-23-p]: Verwijzing p: Ex. 25:37 ; idem v. 8 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden. Exodus 25:8 : En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon.
[^exodus-37-24-q]: Verwijzing q: Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^exodus-37-25-r]: Verwijzing r: Ex. 30:1 ; idem v. 2 . Exodus 30:1 : U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken. Exodus 30:2 : Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen daarvan hoogte; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn.
[^exodus-37-26-s]: Verwijzing s: Ex. 25:3 . Exodus 25:3 : Dit nu is het hefoffer, dat u van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;
[^exodus-37-27-t]: Verwijzing t: Ex. 25:4 . Exodus 25:4 : Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar.
[^exodus-37-28-v]: Verwijzing v: Ex. 25:5 . Exodus 25:5 : En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
[^exodus-37-29-x]: Verwijzing x: Ex. 30:22 ; idem v. 34 . Exodus 30:22 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.

### Exodus 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/38.json)

*Het brandofferaltaar wordt gemaakt van sittimhout, vers 1 enz. Alsook het gereedschap daarvan, 3. het koperen wasvat, met het voetstuk, 8. de voorhof en de behangsels, 9. de koperen pinnen, 20. Bezaleël en Aholiab bereiden alles, 22. Het totaal van wat het volk gebracht heeft, zowel aan goud en zilver als aan koper, en wat daarvan gemaakt is, 24 enz.*

**1** Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was zijn lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v1)

**2** En hij maakte zijn hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelfde waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v2)

**3** Hij maakte ook al het gereedschap van het altaar, de potten, en de scheppen, en de besprengbekkens, en de vleeshaken, en de koolpannen; al zijn voorwerpen maakte hij van koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v3)

**4** Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v4)

**5** En hij goot vier ringen aan de vier einden van de kopere rooster, tot plaatsen voor de handbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v5)

**6** En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v6)

**7** En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden van het altaar, dat men het daarmee droeg; hij maakte hetzelfde hol van planken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v7)

**8** Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels van de dienstdoende vrouwen, die dienst deden voor de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v8)

**9** Hij maakte ook de voorhof, aan de zuidhoek naar het zuiden; de behangselen tot de voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v9)

**10** Hun twintig pilaren en van die twintig voetstukken, waren van koper; de haken van deze pilaren en hun banden waren van zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v10)

**11** En aan de noordzijde honderd ellen, hun twintig pilaren en van die twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en van die banden waren van zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v11)

**12** En aan de westzijde waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en van die voetstukken tien; de haken van de pilaren en hun banden waren van zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v12)

**13** En aan de oostzijde tegen de opgang waren vijftig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v13)

**14** De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, van die pilaren drie en hun voetstukken drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v14)

**15** En aan de andere zijde van de deur van de voorhof, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en van die voetstukken drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v15)

**16** Al de behangselen van de voorhof waren rondom van fijn getweernd linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v16)

**17** De voetstukken nu van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel van hun hoofden was van zilver, en al de pilaren van de voorhof waren met zilver omtogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v17)

**18** En het deksel van de poort van de voorhof was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen van de voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v18)

**19** En hun vier pilaren en van die vier voetstukken waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel van hun hoofden en hun banden van zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v19)

**20** En al de pennen van de tabernakel en van de voorhof rondom waren van koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v20)

**21** Dit zijn de getelde dingen van de tabernakel, van de tabernakel van het getuigenis, die geteld zijn naar de mond van Mozes, ten dienste van de Levieten, door de hand van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v21)

**22** Bezaleël nu, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda, maakte al, dat YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v22)

**23** En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v23)

**24** Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het hele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v24)

**25** Het zilver nu van de ingeschrevenen van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v25)

**26** Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de ingeschrevenen, van twintig jaar oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v26)

**27** En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voetstukken van het heiligdom, en de voetstukken van het voorhangsel; tot honderd voetstukken waren honderd talenten, een talent tot een voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v27)

**28** Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v28)

**29** Het koper nu van het beweegoffer was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v29)

**30** En hij maakte daarvan de voetstukken van de deur van de tent van de samenkomst, en het koperen altaar, en de koperen rooster, die het had, en al het gereedschap van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v30)

**31** En de voetstukken van de voorhof rondom, en de voetstukken van de poort van de voorhof, ook al de pennen van de tabernakel, en al de pennen van de voorhof rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/38.html#v31)

### Exodus 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/39.json)

*De ambtsklederen en de heilige klederen van de priesters worden gemaakt, vers 1 enz. De efod, 2. De borstlap, 8. met de twaalf stenen daarin, 10. de ketens en ringen daarvan, 15. de mantel van de efod, met granaatappels en schellen aan de zomen daarvan, 22. De rokken van fijn linnen, de muts en de gordel, enz. 27. Eveneens de plaat van de kroon, 30. Al het werk wordt voltooid, 32. en het wordt bij Mozes gebracht, 33. Toen Mozes zag dat het naar het bevel van God gemaakt was, heeft hij hen gezegend, 43.*

**1** Zij[^exodus-39-1-a] maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleren, die voor Aäron waren, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v1)

**2** [^exodus-39-2-b] Zo maakte hij de efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v2)

**3** [^exodus-39-3-c] En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v3)

**4** Zij maakten samenvoegende[^exodus-39-4-1] schouderbanden daaraan; aan zijn beide einden werd hij samengevoegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v4)

**5** En[^exodus-39-5-d] de kunstige riem van zijn efod, die daarop was, was zoals zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, zoals YHWH aan Mozes bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v5)

**6** Zij bereidden ook de[^exodus-39-6-e] sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen van de zonen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v6)

**7** En[^exodus-39-7-2] hij[^exodus-39-7-f] zette ze op de schouderbanden van de efod, tot stenen van de herinnering voor de Israëlieten, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v7)

**8** [^exodus-39-8-g] Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, zoals het werk van de efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v8)

**9** [^exodus-39-9-h] Hij was vierkant; zij maakten de borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v9)

**10** [^exodus-39-10-i] En zij vulden[^exodus-39-10-3] daarin vier rijen stenen: één rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v10)

**11** [^exodus-39-11-k] En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v11)

**12** En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v12)

**13** En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v13)

**14** Deze stenen nu, met de namen van de zonen van Israël, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v14)

**15** Zij maakten ook aan de borstlap zoals-eindigende kettinkjes, van gedraaid werk, uit louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v15)

**16** En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden van de borstlap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v16)

**17** En zij zetten de twee gedraaide gouden kettinkjes aan de twee ringen, aan de einden van de borstlap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v17)

**18** Maar de twee andere einden van de twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v18)

**19** Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden van de borstlap zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde van de efod is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v19)

**20** Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van de efod, beneden, aan zijn voorste zijde, tegenover zijn andere verbinding, boven de kunstige riem van de efod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v20)

**21** En zij[^exodus-39-21-4] bonden de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op de kunstige riem van de efod was; opdat de borstlap van de efod niet afgescheiden werd, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v21)

**22** En hij maakte de mantel van de efod van geweven werk, geheel van hemelsblauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v22)

**23** En het gat van de mantel was in zijn midden, als het gat van een pantser; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v23)

**24** En aan de zomen van de mantel maakten zij granaatappels van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v24)

**25** Zij maakten ook belletjes van louter goud, en zij stelden de belletjes tussen de granaatappels, aan de zomen van de mantel rondom, tussen de granaatappels; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v25)

**26** Dat er een belletje, daarna een granaatappel was; opnieuw een belletje, en een granaatappel; aan de zomen van de mantel rondom; om te dienen, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v26)

**27** [^exodus-39-27-l] Zij maakten ook de onderkleding van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v27)

**28** En de tulband van fijn linnen, en de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen,[^exodus-39-28-m] en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v28)

**29** En de gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v29)

**30** [^exodus-39-30-n] Zij maakten ook de plaat van de kroon van de heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID VAN YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v30)

**31** [^exodus-39-31-o] En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan de tulband van boven te hechten, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v31)

**32** Zo werd al het werk van de tabernakel, van de tent van de samenkomst voltooid; en de Israëlieten hadden het gemaakt naar alles, wat YHWH aan Mozes geboden had; zo hadden zij het gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v32)

**33** [^exodus-39-33-p] Daarna brachten zij de tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar planken, haar richelen, en haar pilaren, en haar voetstukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v33)

**34** En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en het voorhangsel van het deksel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v34)

**35** De ark van het getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v35)

**36** [^exodus-39-36-q] De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v36)

**37** [^exodus-39-37-5] De louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al zijn gereedschap, en de olie tot het licht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v37)

**38** Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen, en het deksel van de deur van de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v38)

**39** Het koperen altaar, en de koperen rooster, die het heeft, zijn handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v39)

**40** De behangselen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voetstukken, en het deksel van de poort van de voorhof, zijn touwen, en zijn pennen, en al het gereedschap van de dienst van de tabernakel, tot de tent van de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v40)

**41** [^exodus-39-41-r] De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v41)

**42** Naar alles, wat YHWH aan Mozes geboden had, zo hadden de Israëlieten het hele werk gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v42)

**43** Mozes nu bezag het hele werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, zoals YHWH geboden had; zo hadden zij het gemaakt. Toen[^exodus-39-43-6] zegende Mozes hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/39.html#v43)

[^exodus-39-1-a]: Verwijzing a: Ex. 31:10 ; Ex. 35:19 . Exodus 31:10 : En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen; Exodus 35:19 : De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.
[^exodus-39-2-b]: Verwijzing b: Ex. 28:6 . Exodus 28:6 : En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.
[^exodus-39-3-c]: Verwijzing c: Ex. 28:6 . Exodus 28:6 : En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.
[^exodus-39-4-1]: Kanttekening 1: Te weten, aan de efod.
[^exodus-39-5-d]: Verwijzing d: Ex. 28:8 . Exodus 28:8 : En de kunstelijke riem zijn efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
[^exodus-39-6-e]: Verwijzing e: Ex. 28:9 ; idem v. 10 ; idem v. 11 . Exodus 28:9 : En u zult twee sardonixstenen nemen, en de namen van de zonen van Israël daarop graveren. Exodus 28:10 : Zes van hun namen op een steen, en de zes overige namen op de anderen steen, naar hun geboorten; Exodus 28:11 : Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult u deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël; u zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.
[^exodus-39-7-2]: Kanttekening 2: Te weten, de werkmeesters en zo vers 8 . Exodus 39:8 : Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk van de efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
[^exodus-39-7-f]: Verwijzing f: Ex. 28:12 . Exodus 28:12 : En u zult de twee stenen aan de schouderbanden van het efod zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen van Israël; en Aäron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht van YHWH.
[^exodus-39-8-g]: Verwijzing g: Ex. 28:15 . Exodus 28:15 : U zult ook een borstlap van het gericht maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk van het efod zult u hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult u hem maken.
[^exodus-39-9-h]: Verwijzing h: Ex. 28:16 . Exodus 28:16 : Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.
[^exodus-39-10-i]: Verwijzing i: Ex. 28:17 . Exodus 28:17 : En u zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
[^exodus-39-10-3]: Kanttekening 3: Te weten, in de borstlap.
[^exodus-39-11-k]: Verwijzing k: Ex. 28:18 . Exodus 28:18 : En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant.
[^exodus-39-21-4]: Kanttekening 4: Anders, verhieven, verbeurden.
[^exodus-39-27-l]: Verwijzing l: Ex. 28:39 . Exodus 28:39 : U zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken.
[^exodus-39-28-m]: Verwijzing m: Ez. 44:18 . Ezechiël 44:18 : Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.
[^exodus-39-30-n]: Verwijzing n: Ex. 28:36 ; Ex. 29:6 . Exodus 28:36 : Verder zult u een plaat maken van louter goud, en u zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: De HEILIGHEID DES YHWH! Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten.
[^exodus-39-31-o]: Verwijzing o: Ex. 28:37 . Exodus 28:37 : En u zult dezelfde aanhechten met een hemelsblauw snoer, zo dat zij aan de hoed zij; aan de voorste zijde van het hoed zal zij zijn.
[^exodus-39-33-p]: Verwijzing p: Ex. 35:11 . Exodus 35:11 : De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;
[^exodus-39-36-q]: Verwijzing q: Ex. 31:8 . Exodus 31:8 : En de tafel, met haar gereedschap; en de louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;
[^exodus-39-37-5]: Kanttekening 5: De louteren kandelaar: Dat is, die uit louter goud gemaakt was.
[^exodus-39-41-r]: Verwijzing r: Ex. 31:10 . Exodus 31:10 : En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;
[^exodus-39-43-6]: Kanttekening 6: Toen zegende Mozes hen: Dat is, hij prees hun werk, en wenste hun de zegen van de Heer.

### Exodus 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/exodus/40.json)

*God beveelt Mozes de tabernakel op te richten, vers 1. en alles in orde te schikken, 4. en de voorhof daaromheen te plaatsen, 8. Eveneens de tabernakel met al het gereedschap, ook het altaar en het wasvat met olie te zalven, 9. Aäron en zijn zonen te wassen, kleden, zalven en te heiligen, 12. Mozes doet dit alles, 16. Hij brengt de ark in de tabernakel, 21. en zet de tafel, 22. de kandelaar, 24. het gouden altaar, 26. en het koperen altaar, 29. en het wasvat, 30. Hij richt ook de voorhof op, en zo voltooide hij het gehele werk, 33. Een wolk bedekt de tabernakel, en Gods heerlijkheid vervult die, 34. Deze was op de tabernakel overdag, en het vuur 's nachts, 38.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v1)

**2** Op de dag van de eerste maand, te weten op de eerste van de maand,[^exodus-40-2-1] zult u de tabernakel, de tent van de samenkomst, oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v2)

**3** En u zult daar zetten de ark van het getuigenis; en[^exodus-40-3-2] u zult de ark met het voorhangsel bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v3)

**4** [^exodus-40-4-a] Daarna zult u de tafel daarin brengen, en u[^exodus-40-4-3] zult schikken wat daarop te schikken is;[^exodus-40-4-b] u zult ook de kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v4)

**5** En u zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark van het getuigenis[^exodus-40-5-c] zetten; dan zult u het deksel van de deur van de tabernakel ophangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v5)

**6** U zult ook het altaar van het brandoffer zetten voor de deur van de tabernakel, van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v6)

**7** En u zult het wasvat zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en u zult water daar in doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v7)

**8** [^exodus-40-8-d] Daarna zult u de voorhof rondom zetten, en u zult het deksel ophangen aan de poort van de voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v8)

**9** Dan zult u de zalfolie nemen en zalven de tabernakel, en al wat daarin is; en u zult die heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v9)

**10** [^exodus-40-10-e] U zult ook het altaar van het brandoffer zalven, en al zijn gereedschap; en u zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid van de heiligheden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v10)

**11** Dan zult u het wasvat zalven, en zijn voet; en u zult het heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v11)

**12** U zult ook Aäron en zijn zonen doen naderen, tot de deur van de tent van de samenkomst; en u zult hen met water wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v12)

**13** En u zult Aäron de heilige kleren aantrekken; en u zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v13)

**14** U zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de onderkleding aantrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v14)

**15** En u zult hen zalven, zoals u hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal gebeuren, dat hun hun zalving zal zijn[^exodus-40-15-4] tot een eeuwig priesterdom bij hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v15)

**16** Mozes nu deed het naar alles, wat hem YHWH geboden had; zo deed hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v16)

**17** En het gebeurde in de eerste maand,[^exodus-40-17-5] in[^exodus-40-17-f] het tweede jaar, op de eerste van de maand, dat de tabernakel opgericht werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v17)

**18** Want[^exodus-40-18-6] Mozes richtte de tabernakel op, en zette zijn voetstukken, en stelde zijn planken, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte zijn pilaren op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v18)

**19** En hij spreidde de tent uit over de tabernakel, en hij zette het deksel van de tent daar bovenop, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v19)

**20** Verder nam hij, en legde[^exodus-40-20-7] de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v20)

**21** En hij bracht de ark in de tabernakel, en[^exodus-40-21-g] hij hing het voorhangsel van het deksel op, en bedekte de ark van het getuigenis, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v21)

**22** Hij zette ook de tafel in de tent van de samenkomst, aan de zijde van de tabernakel tegen het noorden, buiten het voorhangsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v22)

**23** [^exodus-40-23-h] En hij stelde op daarop[^exodus-40-23-8] het brood in orde, voor het aangezicht van YHWH, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v23)

**24** Hij zette ook de kandelaar in de tent van de samenkomst, recht over de tafel, aan de zijde van de tabernakel, naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v24)

**25** En hij stak de lampen aan voor het aangezicht van YHWH, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v25)

**26** En hij zette het gouden altaar in de tent van de samenkomst,[^exodus-40-26-9] voor het voorhangsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v26)

**27** En hij stak daarop aan reukwerk van geurende specerijen, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v27)

**28** Hij hing ook het deksel van de deur van de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v28)

**29** En hij zette het altaar van het brandoffer aan de deur van de tabernakel, van de tent van de samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en voedseloffer,[^exodus-40-29-10] zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v29)

**30** Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v30)

**31** En Mozes en Aäron, en zijn zonen wasten daaruit hun handen en hun voetstukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v31)

**32** Als zij ingingen tot de tent van de samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wasten zij zich, zoals YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v32)

**33** Hij richtte ook de voorhof op, rondom de tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort van de voorhof op. Zo voltooide Mozes het werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v33)

**34** [^exodus-40-34-11][^exodus-40-34-i] Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v34)

**35** Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van YHWH de tabernakel vervulde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v35)

**36** Als nu de wolk opgeheven werd van boven de tabernakel, zo reisden de Israëlieten voort in al hun reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v36)

**37** Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op de dag, dat zij opgeheven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v37)

**38** [^exodus-40-38-k] Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en[^exodus-40-38-12] het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het hele huis van Israël[^exodus-40-38-13] in al hun reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/exodus/40.html#v38)

[^exodus-40-2-1]: Kanttekening 1: Te weten, u Mozes, door de dienst van de Levieten.
[^exodus-40-3-2]: Kanttekening 2: met de voorhang bedekken: De mening is, u zult de voorhang voor de ark hangen , zodat men ze niet ziet, makende zo een onderscheid tussen het allerheiligste en het heilige, Ex. 26:33 , 26:34 . Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Exodus 26:34 : En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen.
[^exodus-40-4-a]: Verwijzing a: Ex. 26:35 . Exodus 26:35 : De tafel nu zult u zetten buiten de voorhang, en de kandelaar tegen de tafel over, aan de één zijde van het tabernakel, zuidwaarts; maar de tafel zult u zetten aan de noordzijde.
[^exodus-40-4-3]: Kanttekening 3: schikken wat daarop te schikken is: Dat is, u zult alles in bekwame orde schikken; verstaande in het bijzonder de toonbroden.
[^exodus-40-4-b]: Verwijzing b: Ex. 27:20 . Exodus 27:20 : U nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot de luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.
[^exodus-40-5-c]: Verwijzing c: Ex. 26:36 . Exodus 26:36 : U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.
[^exodus-40-8-d]: Verwijzing d: Ex. 27:16 . Exodus 27:16 : In de poort nu van het voorhof zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.
[^exodus-40-10-e]: Verwijzing e: Ex. 29:37 . Exodus 29:37 : Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.
[^exodus-40-15-4]: Kanttekening 4: tot een eeuwig priesterdom: Zo namelijk, dat het niet nodig zou zijn de zalving te vernieuwen, als hun nakomelingen tot priesters gewijd zouden worden, want naderhand werden alleen de hogepriesters gezalfd.
[^exodus-40-17-5]: Kanttekening 5: tweede jaar: Te weten, na de uitgang uit Egypte.
[^exodus-40-17-f]: Verwijzing f: Num. 7:1 . Numeri 7:1 : En het geschiedde op de dag als Mozes geëindigd had de tabernakel op te richten, en dat hij die gezalfd, en die geheiligd had, en al zijn gereedschap, en ook het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelfde geheiligd had;
[^exodus-40-18-6]: Kanttekening 6: Te weten, door de handen van de Levieten.
[^exodus-40-20-7]: Kanttekening 7: de getuigenis: Dat is, de twee tafelen van de wet van God; Ex. 25:16 . Exodus 25:16 : Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.
[^exodus-40-21-g]: Verwijzing g: Ex. 35:12 . Exodus 35:12 : De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en de voorhang van het deksel;
[^exodus-40-23-h]: Verwijzing h: Ex. 25:30 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
[^exodus-40-23-8]: Kanttekening 8: brood in orde: Hebreeuws, de orde van het brood; te weten, de twaalf toonbroden, representerende de twaalf stammen, en daaronder alle gelovigen.
[^exodus-40-26-9]: Kanttekening 9: Die het heilige van het heilige van de heiligen onderscheidde.
[^exodus-40-29-10]: Kanttekening 10: gelijk YHWH: Dit wordt meermalen herhaald, aanwijzende dat zij in zaken, die God en de godsdienst aangaan, niet gedaan hebben dan wat God hun bevolen had.
[^exodus-40-34-11]: Kanttekening 11: Hier wordt voltrokken wat God de Heer beloofd heeft Ex. 25:8 . Zie dergelijke 2 Kron. 5:14 , en Ez. 43:4 , 43:5 . Exodus 25:8 : En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. 2 Kronieken 5:14 : En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld. Ezechiël 43:4 : En de heerlijkheid van YHWH kwam in het huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten zag. Ezechiël 43:5 : En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis vervuld.
[^exodus-40-34-i]: Verwijzing i: Num. 9:15 ; 1 Kon. 8:10 . Numeri 9:15 : En op de dag van het oprichten van het tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen. 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde.
[^exodus-40-38-k]: Verwijzing k: Ex. 13:21 ; Num. 14:14 ; Deut. 1:33 ; Neh. 9:19 ; Ps. 78:14 ; Ps. 105:39 ; 1 Kor. 10:1 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van het dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van het nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat van het dag, en in een vuurkolom van het nacht. Deuteronomium 1:33 : Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar u zoudt legeren; van het nacht in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zoudt gaan, en van het dag in de wolk. Nehemia 9:19 : Hebt U hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen van het dag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom van het nacht, om hen te lichten, en dat, op de weg, waarin zij zou wandelen. Psalmen 78:14 : En Hij leidde hen van het dag met een wolk, en de gansen nacht met een licht van het vuur. Psalmen 105:39 : Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten. 1 Korinthiërs 10:1 : En ik wil niet, broers, dat u onwetende bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
[^exodus-40-38-12]: Kanttekening 12: het vuur was er bij nacht op: Dat is, de vuurkolom.
[^exodus-40-38-13]: Kanttekening 13: in al hun reizen: Te weten, door de woestijn, totdat zij in het beloofde land Kanaän kwamen.

## Leviticus

### Leviticus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/1.json)

*Wetten over de manier om het vrijwillige brandoffer in de tabernakel te slachten, vers 1, enz. Dat moest zijn ofwel van groot vee, zoals van runderen, 2. ofwel van klein vee, zoals van schapen en geiten, 10. ofwel van vogels, zoals van tortelduiven en jonge duiven, 14.*

**1** En YHWH riep Mozes, en sprak tot hem uit[^leviticus-1-1-1] de tent van de samenkomst, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als een mens uit u aan YHWH een offergave zal[^leviticus-1-2-2] offeren, u zult uw offergaven offeren van het vee, van runderen en[^leviticus-1-2-3] van schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v2)

**3** Als zijn offergave een[^leviticus-1-3-4] brandoffer van runderen is, zo zal hij een[^leviticus-1-3-5] volkomen mannetje offeren;[^leviticus-1-3-6][^leviticus-1-3-a] aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren,[^leviticus-1-3-7] naar zijn welgevallen,[^leviticus-1-3-8] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v3)

**4** En hij zal[^leviticus-1-4-9] zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat[^leviticus-1-4-10] het voor hem aangenaam zij, om[^leviticus-1-4-11] hem te verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v4)

**5** Daarna zal[^leviticus-1-5-12] hij het jonge rund[^leviticus-1-5-13] slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprenkelen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v5)

**6** Dan zal[^leviticus-1-6-14] hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v6)

**7** En de zonen van Aäron, de priester,[^leviticus-1-7-15] zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v7)

**8** Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en[^leviticus-1-8-16] het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v8)

**9** Maar zijn[^leviticus-1-9-17] binnenste, en zijn poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een[^leviticus-1-9-18] vuuroffer,[^leviticus-1-9-19] tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v9)

**10** En als zijn offergave is van klein vee, van schapen of van geiten, als brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v10)

**11** En[^leviticus-1-11-20] hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar[^leviticus-1-11-21] naar het noorden,[^leviticus-1-11-22] voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v11)

**12** Daarna zal hij het in zijn stukken delen, en ook zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v12)

**13** Maar het binnenste en de poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v13)

**14** En als zijn offergave voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offergave van tortelduiven, of van[^leviticus-1-14-23] jonge duiven, offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v14)

**15** En de priester zal[^leviticus-1-15-24] die tot het altaar brengen, en zijn hoofd[^leviticus-1-15-25] met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v15)

**16** En zijn krop met zijn[^leviticus-1-16-26] veren zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, naar het oosten, aan de plaats[^leviticus-1-16-27][^leviticus-1-16-28] van de as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v16)

**17** Verder zal hij[^leviticus-1-17-29] die[^leviticus-1-17-30] met zijn vleugels klieven,[^leviticus-1-17-31] niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/1.html#v17)

[^leviticus-1-1-1]: Kanttekening 1: de tent van de samenkomst: Versta, de tabernakel, waarin God kwam om zijn volk toe te spreken, Ex. 29:42 , en zij komen moesten om hem te vragen en te horen spreken; Ex. 33:7 . Exodus 29:42 : Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; daar zal Ik met u komen, dat Ik daar met u spreke. Exodus 33:7 : En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent van de samenkomst. En het geschiedde, dat al wie YHWH zocht, uitging tot de tent van de samenkomst, die buiten het leger was.
[^leviticus-1-2-2]: Kanttekening 2: zal offeren: Anders, aan, of, toebrengen. Zo in vers 3 , 1:5 , enz. Versta dit offeren, van het werk van het volk en niet van de priester. Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-1-2-3]: Kanttekening 3: van schapen: Dit woord bedoelt niet alleen schapen, maar ook geiten, gelijk te zien is onder vers 10 . Zie ook Gen. 12:16 . Leviticus 1:10 : En als zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om haar; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^leviticus-1-3-4]: Kanttekening 4: brandoffer van runderen is: Zie Gen. 8:20 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.
[^leviticus-1-3-5]: Kanttekening 5: volkomen mannetje offeren: Dat geen gebrek aan het lichaam heeft. Zie onder, Lev. 22:20 , 22:21 , 22:22 . Leviticus 22:20 : U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. Leviticus 22:21 : En als iemand een dankoffer YHWH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. Leviticus 22:22 : Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult u YHWH niet offeren, en daarvan zult u YHWH geen vuuroffer op het altaar geven.
[^leviticus-1-3-6]: Kanttekening 6: aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren: Waar het brandofferaltaar stond; gelijk te zien is onder vers 5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-1-3-a]: Verwijzing a: Ex. 29:10 . Exodus 29:10 : En u zult de var nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de var leggen.
[^leviticus-1-3-7]: Kanttekening 7: naar zijn welgevallen: Uit deze woorden blijkt dat hier gesproken wordt van vrijwillige offers, welke niet gebeuren naar de gewone en vastgestelde orde, maar naar het goedvinden van iemand in het bijzonder, om God te bidden of te danken.
[^leviticus-1-3-8]: Kanttekening 8: voor het aangezicht van YHWH: Door de tent van de samenkomst, in wier binnenste deel was de ark van het verbond, het teken van Gods tegenwoordige bijwoning, Ex. 25:22 , waarom ook de tent genoemd wordt Gods huis, 1 Sam. 3:15 , gelijk God ook gezegd wordt daarin te zijn, onder Lev. 4:7 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël. 1 Samuël 3:15 : Samuël nu lag tot aan de morgen; toen deed hij de deuren van het huis van YHWH open; maar Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven. Leviticus 4:7 : Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar van de welriekende specerijen, voor het aangezicht van YHWH, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de var uitgieten aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is aan de deur van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-1-4-9]: Kanttekening 9: zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen: Hebreeuws, met zijn hand steunen. Te weten, om daarmee te betuigen dat hij dit offer aan God toeheiligde, overgaf en voorstelde, als in de plaats van zichzelven, om voor zich genade bij YHWH te vinden, door de toekomende offerande van de Messias, die door deze afgebeeld was. Zie Ex. 29:10 . Exodus 29:10 : En u zult de var nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de var leggen.
[^leviticus-1-4-10]: Kanttekening 10: het voor hem aangenaam zij: Dat is opdat het hem, die het offert, voor een wettelijk en voor God aangenaam offer verstrekke.
[^leviticus-1-4-11]: Kanttekening 11: hem te verzoenen: Dat is, om voor hem te betekenen en te verzegelen de verzoening, die door de Messias in de volheid van de tijd gebeuren zou; Rom. 3:25 ; 2 Kor. 5:19 ; Ef. 1:7 ; Kol. 1:14 , 1:19 , 1:20 . Romeinen 3:25 : Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. Efeziërs 1:7 : In Welke wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, Kolossensen 1:14 : In Die wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; Kolossensen 1:19 : Want het is het welbehagen van de Vader geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou; Kolossensen 1:20 : En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
[^leviticus-1-5-12]: Kanttekening 12: hij het jonge rund: Namelijk, de priester, of die het offert, door de priester, gelijk God bevolen had, Ex. 29:11 , en ook geschied is; onder Lev. 8:15 . Of, daarna zal men het jonge rund slachten, te weten, door de priester. Exodus 29:11 : En u zult de var slachten voor het aangezicht van YHWH, voor de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om voor hetzelfde verzoening te doen.
[^leviticus-1-5-13]: Kanttekening 13: slachten voor het aangezicht van YHWH: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk, de keel afsteken.
[^leviticus-1-6-14]: Kanttekening 14: hij het brandoffer de huid aftrekken: Te weten, één van de priesters. Zie 2 Kron. 29:34 . 2 Kronieken 29:34 : Maar van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters.
[^leviticus-1-7-15]: Kanttekening 15: vuur maken op het altaar: Hebreeuws, vuur geven; te weten, van het vuur, dat van de hemel vallen zou, als men het eerst op dit altaar zou offeren, onder, Lev. 9:24 , en daarom geduriglijk bewaard moest worden. Zie onder, Lev. 6:12 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken.
[^leviticus-1-8-16]: Kanttekening 16: het smeer: Anders, ingewand. Anders, romp; waarvan het hoofd en de schenkelen af zijn en het ingewand uitgedaan.
[^leviticus-1-9-17]: Kanttekening 17: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het naaste van enig ding, dat is het binnenste, of, het midden daarvan, hoedanig het ingewand van de beesten is.
[^leviticus-1-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, dat door het vuur geheel verteerd en verslonden moest worden. Zie Ex. 29:18 . Zodanig was het brandoffer. Exodus 29:18 : Zo zult u de hele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer voor YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer voor YHWH.
[^leviticus-1-9-19]: Kanttekening 19: tot een liefelijken reuk YHWH: Dat is, YHWH zeer aangenaam en welgevallig, en waarmee Hij wel tevreden is; dat van de offeranden van de beesten gezegd wordt niet ten aanzien van haarzelven, maar van de offerande van Christus, die zij betekenden, welke eigenlijk het slachtoffer is, voor God tot een welriekenden reuk; Ef. 5:2 . Zie ook Gen. 8:21 . Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^leviticus-1-11-20]: Kanttekening 20: hij zal dat slachten: De priester, gelijk boven, vers 5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-1-11-21]: Kanttekening 21: Dat is, in de voorhof ter rechterzijde van het altaar van het brandoffer, waar men kwam in de tent van de samenkomst.
[^leviticus-1-11-22]: Kanttekening 22: voor het aangezicht van YHWH: Zie boven, vers 3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-1-14-23]: Kanttekening 23: jonge duiven, offeren: Hebreeuws, zonen van de duiven; zo onder, Lev. 12:6 . Aldus wordt ook genoemd een jonge os, de zoon van een rund, Gen. 18:7 , en boven, vers 5 , een jonge ezel, de zoon van een ezelin, Gen. 49:11 , een jonge eenhoorn, de zoon van de eenhoorn, Ps. 29:6 . Leviticus 12:6 : En als de dagen van haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent van de samenkomst, tot de priester. Genesis 18:7 : En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan de knecht, die haastte, om dat toe te maken. Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. Genesis 49:11 : Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed. Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.
[^leviticus-1-15-24]: Kanttekening 24: die tot het altaar brengen: Te weten, offerande van gevogelte, gelijk onder, vers 17 . Leviticus 1:17 : Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-1-15-25]: Kanttekening 25: met zijn nagel splijten: Of, omdraaien, omwringen, afwringen.
[^leviticus-1-16-26]: Kanttekening 26: vederen zal hij wegdoen: Anders, drek, vuiligheid; te weten, die in de krop en de darmen is.
[^leviticus-1-16-27]: Kanttekening 27: Dat is, tot eerbied tegenover de Goddelijke majesteit, zeer ver van de ark van het verbond, die westwaarts was, in het heilige van de heiligen.
[^leviticus-1-16-28]: Kanttekening 28: aan de plaats van de as: Waar de as van de offeranden eerst gedragen werd, om daarna met andere vuiligheid buiten het leger gevoerd te worden. Zie onder, Lev. 4:12 , en Lev. 6:10 , 6:11 , en Lev. 8:17 . Leviticus 4:12 : En die hele var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden. Leviticus 6:10 : En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. Leviticus 6:11 : Daarna zal hij zijn kleren uittrekken, en zal andere kleren aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats. Leviticus 8:17 : Maar de var met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^leviticus-1-17-29]: Kanttekening 29: Te weten, offerande, gelijk boven, vers 15 . Leviticus 1:15 : En de priester zal die tot het altaar brengen, en zijn hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
[^leviticus-1-17-30]: Kanttekening 30: met zijn vleugelen klieven: Of, tussen zijn vleugelen.
[^leviticus-1-17-31]: Kanttekening 31: niet afscheiden: Dat is, niet ontleden, noch in stukken verdelen, gelijk men de andere beesten deed, maar men moest de vogels alleen in het midden tussen de vleugels klieven.

### Leviticus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/2.json)

*Wetten over de manier om het vrijwillige spijsoffer te offeren, dat was van meelbloem, ofwel rauw en ongebakken, vers 1, enz. ofwel gebakken in de oven, 4. ofwel gekookt in de pan, 5. ofwel in de ketel gekookt, 7. Met een verbod om enig zuurdeeg of honing daarin te mengen, 11. en een gebod om alle offergaven te zouten, 13. Alsmede de wijze waarop men de eerste vruchten moest offeren, 14.*

**1** Als nu[^leviticus-2-1-1] een ziel een offergave[^leviticus-2-1-a] van[^leviticus-2-1-2] voedseloffer voor YHWH zal offeren, zijn offergave zal[^leviticus-2-1-3] van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v1)

**2** En hij zal[^leviticus-2-2-4] het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, van wie er één[^leviticus-2-2-5] zijn hand vol grijpen zal[^leviticus-2-2-6] uit zijn meelbloem, en uit zijn olie,[^leviticus-2-2-7] met al zijn wierook; en de priester[^leviticus-2-2-b] zal[^leviticus-2-2-8] zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v2)

**3** Wat nu overblijft[^leviticus-2-3-c] van het voedseloffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is[^leviticus-2-3-9] een heiligheid van de heiligheden van de vuuroffers van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v3)

**4** En als u offeren zult een offergave van voedseloffer, een gebak van de oven; het zullen zijn[^leviticus-2-4-10] ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd,[^leviticus-2-4-11] en ongezuurde[^leviticus-2-4-12] platte koeken, met olie bestreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v4)

**5** En als uw offergave voedseloffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v5)

**6** Breek ze in stukken, en giet olie daarop; het is een voedseloffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v6)

**7** En zo uw offergave een voedseloffer[^leviticus-2-7-13] van de ketel is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v7)

**8** Dan zult u dat voedseloffer, dat daarvan zal gemaakt worden, aan YHWH toebrengen; en men zal het tot de priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v8)

**9** En de priester zal van dat voedseloffer[^leviticus-2-9-14] zijn gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer,[^leviticus-2-9-15] tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v9)

**10** En wat overblijft van het voedseloffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn;[^leviticus-2-10-16] het is een heiligheid van de heiligheden van de vuuroffers van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v10)

**11** Geen voedseloffer, dat u aan YHWH zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen[^leviticus-2-11-17] zuurdesem, en van geen[^leviticus-2-11-18] honing zult u voor YHWH vuuroffer aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v11)

**12** [^leviticus-2-12-19] De offergaven van de eerstelingen zult u aan YHWH[^leviticus-2-12-20] offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijke reuk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v12)

**13** En alle offergave van uw voedseloffer zult u met zout zouten, en[^leviticus-2-13-21] het zout van het verbond van uw God van uw voedseloffer niet laten[^leviticus-2-13-22] afblijven;[^leviticus-2-13-d] met al uw offergave zult u zout offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v13)

**14** En zo u YHWH een voedseloffer van de eerste vruchten offert, zult u het voedseloffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur[^leviticus-2-14-23] gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v14)

**15** En u zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een voedseloffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v15)

**16** Zo zal de priester zijn[^leviticus-2-16-24] gedenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al de wierook; het is een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/2.html#v16)

[^leviticus-2-1-1]: Kanttekening 1: een ziel een offerande: Dat is, een persoon, of mens; gelijk het woord mens gebruikt wordt boven Lev. 1:2 . Zie Gen. 12:5 . Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offerande offeren van het vee, van runderen en van schapen. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-2-1-a]: Verwijzing a: Lev. 6:14 ; Lev. 9:17 ; Num. 15:4 . Leviticus 6:14 : Dit is nu de wet van het spijsoffer; één van de zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht van YHWH offeren, voor het altaar. Leviticus 9:17 : En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrandoffer. Numeri 15:4 : Zo zal hij, die zijn offerande YHWH offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie.
[^leviticus-2-1-2]: Kanttekening 2: spijsoffer YHWH zal offeren: Dat is, een offerande, waarin men voedsel of meelbloem offerde, dat ten dele de priester toekwam, ten dele met wierook werd verbrand. Zie de volgende verzen.
[^leviticus-2-1-3]: Kanttekening 3: meelbloem zijn: Dat is, gebuild meel, de bloem van het meel.
[^leviticus-2-2-4]: Kanttekening 4: het brengen tot de zonen van Aäron: Te weten, spijsoffer.
[^leviticus-2-2-5]: Kanttekening 5: hand vol grijpen zal: Hebreeuws, de volheid van zijn vuist vuisten. Zo onder, Lev. 5:12 . Leviticus 5:12 : En hij zal dat tot de priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, van de gedachtenis dezelfde, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuurofferen van YHWH; het is een zondoffer.
[^leviticus-2-2-6]: Kanttekening 6: zijn meelbloem: Versta, de meelbloem van het spijsoffer. Dat is, meelbloem tot het spijsoffer behorende.
[^leviticus-2-2-7]: Kanttekening 7: met al zijn wierook: Of, boven. Zo onder, Lev. 3:4 , 3:10 , en Lev. 4:9 , enz. Dat is, samen met al de wierook van het spijsoffer. Leviticus 3:4 : Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:10 : Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 4:9 : Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;
[^leviticus-2-2-b]: Verwijzing b: Lev. 6:15 . Leviticus 6:15 : En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem van het spijsoffer, en van daarvan olie, en al de wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot daarvan gedachtenis voor YHWH.
[^leviticus-2-2-8]: Kanttekening 8: zijn gedenkoffer aansteken op het altaar: Een reukwerk, zo genoemd, omdat het God indachtig maakte \[menselijker wijze gesproken\] de beloften, die Hij de vrome Israëlieten gegeven had, en de gebeden, die zij tot hem deden; welke bij een reukwerk dat opklimt vergeleken worden; Ps. 141:2 ; Hand. 10:4 ; Openb. 8:3 , 8:4 . Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer. Handelingen 10:4 : En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. Openbaring 8:3 : En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. Openbaring 8:4 : En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de engel voor God.
[^leviticus-2-3-c]: Verwijzing c: Lev. 10:12 . Leviticus 10:12 : En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van het vuurofferen van YHWH overgebleven is, en eet hetzelfde ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden.
[^leviticus-2-3-9]: Kanttekening 9: een heiligheid van de heiligheden: Dat is, een zeer heilig ding, of van zeer grote en voortreffelijke heiligheid. Zo Ex. 30:36 , en onder, vers 10 , en Lev. 24:9 , enz. Het is een manier van spreken, betekenende de vergroting en de verheffing van degene, van wie gesproken wordt. Zo wordt God genoemd de God van de Goden, en de Heer van de heren; Ps. 136:2 , 136:3 . Het lied van Salomo, het lied van de liederen, Hoogl. 1:1 . Vergelijk de aantekeningen Gen. 9:25 . Exodus 30:36 : En u zult van hetzelfde heel klein pulver stoten, en u zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent van de samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal u heiligheid van de heiligheden zijn. Leviticus 2:10 : En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting. Psalmen 136:2 : Looft de God van de goden; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:3 : Looft de Heer van de heren; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Hooglied 1:1 : Het Hooglied, dat van Salomo is. Genesis 9:25 : En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^leviticus-2-4-10]: Kanttekening 10: ongezuurde koeken van meelbloem: Hebreeuws, koeken van de ongezuurdheden; en zo in het volgende.
[^leviticus-2-4-11]: Kanttekening 11: en ongezuurde: Anders, of.
[^leviticus-2-4-12]: Kanttekening 12: Of, pannekoeken, of taarten.
[^leviticus-2-7-13]: Kanttekening 13: van de ketel is: Anders, pan; dat is van wat in de ketel gezoden of in de pan gebakken is.
[^leviticus-2-9-14]: Kanttekening 14: zijn gedenkoffer opnemen: Zie boven, vers 2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-2-9-15]: Kanttekening 15: tot een liefelijken reuk YHWH: Zie Gen. 8:21 , en boven, Lev. 1:9 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-2-10-16]: Kanttekening 16: heiligheid van de heiligheden: Zie boven, vers 3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-2-11-17]: Kanttekening 17: Versta dit van de vrijwillige offeranden. Want in de dankoffers geldt deze wet niet, onder Lev. 7:13 , noch in de offeranden van de eerstelingen, onder, Lev. 23:17 , en hier in vers 12 . Leviticus 7:13 : Naast de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer. Leviticus 23:17 : Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen voor YHWH. Leviticus 2:12 : De offeranden van de eerstelingen zult u YHWH offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijken reuk.
[^leviticus-2-11-18]: Kanttekening 18: De honig werd met de zuurdesem verboden, omdat hij niettegenstaande zijn zoetigheid, de aard heeft het deeg, waarmee hij vermengd is, te verzuren en te doen rijzen.
[^leviticus-2-12-19]: Kanttekening 19: De offeranden van de eerstelingen: Zie onder, Lev. 23:17 . Leviticus 23:17 : Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen voor YHWH.
[^leviticus-2-12-20]: Kanttekening 20: Te weten, gedesemd of met honig vermengd.
[^leviticus-2-13-21]: Kanttekening 21: het zout van het verbond: Dat is, dat u vermane van mijn verbond, waardoor u verplicht bent naar een onbesmettelijk en onverderfelijk leven te trachten; Mark. 9:49 . Marcus 9:49 : Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.
[^leviticus-2-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, doen ophouden.
[^leviticus-2-13-d]: Verwijzing d: Mark. 9:49 . Marcus 9:49 : Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.
[^leviticus-2-14-23]: Kanttekening 23: Of, gezengd, geschroeid.
[^leviticus-2-16-24]: Kanttekening 24: Zie boven, vers 2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.

### Leviticus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/3.json)

*Wetten over de manier waarop men de dankoffers moest offeren, van runderen, vers 1, enz. van schapen en van geiten, 12. met een verbod om het vet of het bloed te eten, 17.*

**1** En als zijn offergave een[^leviticus-3-1-1] dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje,[^leviticus-3-1-2] volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v1)

**2** En[^leviticus-3-2-3] hij zal[^leviticus-3-2-4] zijn hand op het hoofd van zijn offergave leggen, en[^leviticus-3-2-5] zal ze slachten voor de deur van de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v2)

**3** Daarna zal hij van dat dankoffer een[^leviticus-3-3-6] vuuroffer voor YHWH offeren;[^leviticus-3-3-a] het vet, dat het binnenste bedekt, en al het vet, dat[^leviticus-3-3-7] aan het binnenste is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v3)

**4** Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de[^leviticus-3-4-8] weekdarmen is; en het net over de lever,[^leviticus-3-4-9] met de nieren, zal hij[^leviticus-3-4-10] afnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v4)

**5** En de zonen van Aäron zullen dat aansteken[^leviticus-3-5-b] op het altaar,[^leviticus-3-5-11] op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v5)

**6** En als zijn offergave van[^leviticus-3-6-12] klein vee is, voor YHWH tot een dankoffer, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v6)

**7** Als hij een lam tot zijn offergave offert, zo zal hij het offeren[^leviticus-3-7-13] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v7)

**8** En hij zal zijn hand op het hoofd van zijn offergave leggen, en[^leviticus-3-8-14] hij zal die slachten voor de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron zullen het bloed daarvan sprenkelen op het altaar rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v8)

**9** Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor YHWH offeren; zijn vet, de hele staart, die hij dicht aan de[^leviticus-3-9-15] ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v9)

**10** Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v10)

**11** En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer[^leviticus-3-11-16][^leviticus-3-11-17][^leviticus-3-11-c] voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v11)

**12** Als nu zijn offergave een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v12)

**13** En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slachten voor de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron zullen haar bloed op het altaar sprenkelen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v13)

**14** Dan zal hij daarvan zijn offergave offeren, een vuuroffer voor YHWH; het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v14)

**15** En ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v15)

**16** En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer, tot[^leviticus-3-16-18] een liefelijke reuk;[^leviticus-3-16-19] alle vet zal van YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v16)

**17** Dit zij een[^leviticus-3-17-20] eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw[^leviticus-3-17-21] woningen: geen vet noch[^leviticus-3-17-22][^leviticus-3-17-d] bloed zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/3.html#v17)

[^leviticus-3-1-1]: Kanttekening 1: dankoffer is: Het Hebreeuwse woord betekent welvaren en voorspoedigheid, of vergelding; alsof men zei: Een offerande, waarmee men God dankzegging vergeldt voor allerlei welstand, voorspoed, vrede en zegening; en vergeldoffer zou kunnen genoemd worden.
[^leviticus-3-1-2]: Kanttekening 2: volkomen zal hij die offeren: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-3-2-3]: Kanttekening 3: hij zal: Namelijk, hij die haar brengt, om geofferd te worden.
[^leviticus-3-2-4]: Kanttekening 4: zijn hand op het hoofd: Zie boven, Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-3-2-5]: Kanttekening 5: zal ze slachten: Namelijk, de priesters, gelijk boven, Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-3-3-6]: Kanttekening 6: vuuroffer YHWH offeren: Zie boven, Lev. 1:9 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-3-3-a]: Verwijzing a: Ex. 29:13 ; idem v. 22 . Exodus 29:13 : U zult ook al het vet nemen, dat het ingewand bedekt, en het net over de lever, en zowel nieren als het vet, dat aan dezelfde is, en u zult ze aansteken op het altaar. Exodus 29:22 : Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelfde is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vulofferen;
[^leviticus-3-3-7]: Kanttekening 7: aan het ingewand is: Anders, over, of op.
[^leviticus-3-4-8]: Kanttekening 8: weekdarmen is: Versta, de darmen, die in het weke van de buik, bij de Latijnen Ilia genoemd, liggen.
[^leviticus-3-4-9]: Kanttekening 9: met de nieren: Hebreeuws, boven; gelijk Lev. 2:2 , enz. Dat is, samen met de nieren, die hij niet alleen tot dit offer afzonderen moest, maar ook tot hetzelfde einde haar vet afnemen enz. en het net van de lever. Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-3-4-10]: Kanttekening 10: Of, afdoen, aftrekken.
[^leviticus-3-5-b]: Verwijzing b: Deut. 29:25 ; Lev. 6:12 . Deuteronomium 29:25 : Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van YHWH, van God hun vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde; Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken.
[^leviticus-3-5-11]: Kanttekening 11: op het brandoffer: Te weten, wat men iederen morgen òf avond moest offeren; òf, wat men eerst na dit offer offeren zou; òf, op het brandoffer, dat is, naar de wijze van het brandoffer geofferd moest worden. Zo onder, Lev. 4:35 , en Lev. 5:12 . Leviticus 4:35 : En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen van YHWH; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden. Leviticus 5:12 : En hij zal dat tot de priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, van de gedachtenis dezelfde, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuurofferen van YHWH; het is een zondoffer.
[^leviticus-3-6-12]: Kanttekening 12: klein vee is: Dat is, schapen en geiten, gelijk af te nemen is uit vers 7 , 3:12 ; zie boven, Lev. 1:2 . Leviticus 3:7 : Als hij een lam tot zijn offerande offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 3:12 : Als nu zijn offerande een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offerande offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^leviticus-3-7-13]: Kanttekening 13: voor het aangezicht van YHWH: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-3-8-14]: Kanttekening 14: hij zal die slachten: Te weten, de priester; zie boven Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-3-9-15]: Kanttekening 15: ruggegraat zal afnemen: Versta hiermee, het uiterste deel of het einde van de ruggegraat, eindigende in het sluitbeen, genoemd bij de Latijnen Os sacrum.
[^leviticus-3-11-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, brood.
[^leviticus-3-11-17]: Kanttekening 17: van het vuuroffer YHWH: Versta, het vlees van de offeranden, wat door het vuur, God ter eer, verteerd moest worden, gelijk het brood of het voedsel door de mond van de mens: of wat van de offeranden de priesters toekwam, om door hen gegeten te worden. Zie de plaatsen recht te voren aangetekend.
[^leviticus-3-11-c]: Verwijzing c: Lev. 21:6 ; idem 21:8 ; idem 21:17 ; idem 21:21 ; idem 21:22 ; Lev. 22:25 ; Ez. 44:7 ; Mal. 1:12 . Leviticus 21:6 : Zij zullen hun God heilig zijn, en de Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen van YHWH, de voedsel huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn. Leviticus 21:8 : Daarom zult u hem heiligen, omdat hij de voedsel uw Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige! Leviticus 21:17 : Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om de voedsel zijn Gods te offeren. Leviticus 21:21 : Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen van YHWH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de voedsel zijn Gods te offeren. Leviticus 21:22 : De voedsel zijn Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten; Leviticus 22:25 : U zult ook uit de hand van de vreemden van al deze dingen uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in dezelfde is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u. Ezechiël 44:7 : Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelen. Maleachi 1:12 : Maar u ontheiligt die, als u zegt: Van YHWH tafel is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk.
[^leviticus-3-16-18]: Kanttekening 18: een liefelijken reuk: Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^leviticus-3-16-19]: Kanttekening 19: alle vet zal van YHWH zijn: Volgens die mocht het vet van geen beest, dat tot de offerande geschikt was, noch door de priester, noch door de eigenaar gegeten worden, maar moest YHWH geheiligd en voor hem aangestoken zijn. Zie onder, Lev. 7:23 , enz. Leviticus 7:23 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult u eten.
[^leviticus-3-17-20]: Kanttekening 20: eeuwige inzetting voor uw geslachten: Hebreeuws, inzetting van de eeuwigheid. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^leviticus-3-17-21]: Kanttekening 21: Hun wordt verboden het vet te eten van het vee, niet alleen wat in de tent van de samenkomst aan God geofferd werd, maar ook wat zij tehuis voor hun eigen gebruik slachtten. Maar men versta niet alle vet zonder onderscheid, maar eigenlijk het smerig en roestig vet, wat aan de einden en vellen van de spieren groeit en hangt, en door de koude klonterig, hard en brokkelig wordt, bij de Latijnen genoemd adeps. Welverstaande van die drie soorten, welke uitgedrukt wordt, Lev. 6:23 , 6:24 . Leviticus 6:23 : Zo zal alle spijsoffer van de priester ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden. Leviticus 6:24 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende:
[^leviticus-3-17-22]: Kanttekening 22: noch bloed zult u eten: Zie Gen. 9:4 ; Lev. 7:26 , en Lev. 17:10 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 7:26 : Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^leviticus-3-17-d]: Verwijzing d: Gen. 9:4 ; Lev. 7:26 ; Lev. 17:10 ; idem 17:14 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 7:26 : Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Leviticus 17:14 : Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen van Israël gezegd: U zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.

### Leviticus 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/4.json)

*Wetten over de manier van de offergaven die gebracht moesten worden voor de zonden die uit afdwaling zouden gebeuren, vers 1, enz. ofwel van de hogepriester, 3. ofwel van de hele gemeente, 13. ofwel van een vorst en overste, 22. ofwel van een gewoon en eenvoudig man, 27.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Als[^leviticus-4-2-1] een ziel zal gezondigd hebben, door[^leviticus-4-2-2] afdwaling van[^leviticus-4-2-3] enige[^leviticus-4-2-4] geboden van YHWH,[^leviticus-4-2-5] dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan[^leviticus-4-2-6] hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v2)

**3** Als de priester, die[^leviticus-4-3-7] gezalfd is, zal[^leviticus-4-3-8] gezondigd hebben, tot[^leviticus-4-3-9] schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een stier, een volkomen[^leviticus-4-3-10] jong rund, voor YHWH[^leviticus-4-3-11] als zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v3)

**4** En hij zal die stier brengen tot de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal zijn hand op het hoofd van die stier leggen, en[^leviticus-4-4-12] hij zal die stier slachten voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v4)

**5** Daarna zal die gezalfde priester[^leviticus-4-5-a] van het bloed van de stier nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v5)

**6** En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van YHWH, voor het[^leviticus-4-6-13] voorhangsel van het heilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v6)

**7** Ook zal de priester van dat bloed[^leviticus-4-7-14] doen[^leviticus-4-7-b] op de[^leviticus-4-7-15] hoornen van[^leviticus-4-7-16] het reukaltaar van de geurende specerijen, voor het aangezicht van YHWH, dat[^leviticus-4-7-17] in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de stier uitgieten[^leviticus-4-7-18] aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is[^leviticus-4-7-19] aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v7)

**8** Verder, al het vet van de stier van het zondoffer zal hij daarvan opnemen;[^leviticus-4-8-c] het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v8)

**9** Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v9)

**10** Zoals het van de os van het dankoffer opgenomen wordt;[^leviticus-4-10-d] en de priester zal die aansteken op het altaar van het brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v10)

**11** Maar de[^leviticus-4-11-e] huid van die stier, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn poten, en zijn binnenste, en zijn mest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v11)

**12** En die hele stier[^leviticus-4-12-f] zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats,[^leviticus-4-12-20] waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v12)

**13** Als nu[^leviticus-4-13-g] de hele gemeenschap van[^leviticus-4-13-21] Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij[^leviticus-4-13-22] iets gedaan zullen hebben[^leviticus-4-13-23] tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn[^leviticus-4-13-24] schuldig geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v13)

**14** En die zonde, die zij[^leviticus-4-14-25] daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een stier, een jong rund, als zondoffer offeren, en die[^leviticus-4-14-26] voor de tent van de samenkomst brengen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v14)

**15** En de[^leviticus-4-15-27] oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen, voor het aangezicht van YHWH; en[^leviticus-4-15-28] hij zal de stier slachten voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v15)

**16** Daarna zal die[^leviticus-4-16-29] gezalfde priester van het bloed van de stier tot de tent van de samenkomst brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v16)

**17** En de priester zal zijn vinger[^leviticus-4-17-30] indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van YHWH, voor[^leviticus-4-17-31] het voorhangsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v17)

**18** En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht van YHWH is,[^leviticus-4-18-32] dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is voor de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v18)

**19** Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v19)

**20** En hij zal deze stier doen, zoals hij de stier van het zondoffer gedaan heeft, zo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen[^leviticus-4-20-33] verzoening doen, en het zal hun[^leviticus-4-20-34] vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v20)

**21** Daarna zal hij die stier tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, zoals hij de[^leviticus-4-21-35] eerste stier verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v21)

**22** Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen[^leviticus-4-22-36] één van de geboden van YHWH van zijn God,[^leviticus-4-22-37] door afdwaling, gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v22)

**23** [^leviticus-4-23-38] Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen[^leviticus-4-23-39] een geitenbok, een volkomen mannetje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v23)

**24** En hij zal zijn hand op het hoofd van de bok leggen, en[^leviticus-4-24-40] zal hem slachten in de[^leviticus-4-24-41] plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van YHWH; het is een zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v24)

**25** Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar van het brandoffer doen; dan zal hij zijn bloed aan de bodem van het altaar van het brandoffer uitgieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v25)

**26** Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, zoals het vet van het dankoffer; zo zal de priester voor[^leviticus-4-26-42] hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v26)

**27** [^leviticus-4-27-h] En zo enig[^leviticus-4-27-43] mens[^leviticus-4-27-44] van het volk van het[^leviticus-4-27-45] land door afdwaling zal gezondigd hebben, omdat hij iets doet tegen één van de geboden van YHWH, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v27)

**28** Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offergave brengen een[^leviticus-4-28-46] jonge geit, een volkomen vrouwtje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v28)

**29** En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen; en men zal dat zondoffer slachten[^leviticus-4-29-47] in de plaats van het brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v29)

**30** Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v30)

**31** [^leviticus-4-31-i] En al haar vet zal hij afnemen, zoals het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester[^leviticus-4-31-k] zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijke reuk voor YHWH; en de priester[^leviticus-4-31-48] zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v31)

**32** Maar zo hij een lam voor zijn offergave als zondoffer brengt, het zal een volkomen vrouwtje zijn, dat hij brengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v32)

**33** En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen, en[^leviticus-4-33-49] hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v33)

**34** Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v34)

**35** En al het vet daarvan zal hij afnemen, zoals het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal[^leviticus-4-35-50] die aansteken op het altaar, op de vuuroffers[^leviticus-4-35-51] van YHWH; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/4.html#v35)

[^leviticus-4-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, een mens. Zie boven, Lev. 2:1 , en telkens in het volgende. Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^leviticus-4-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, door onwetendheid, wanneer iemand zich vergrijpt, niet wetende dat het zonde is wat hij doet, of door onvoorzichtigheid, haastigheid en onbedachtzaamheid in enige van alle; zonde valt, dat hij na de daad eerst begint te bedenken.
[^leviticus-4-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, van alle; dat is, van een, of enige van alle geboden van God, gelijk in het einde van vers 2 verklaard wordt. Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben;
[^leviticus-4-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, waardoor iets verboden wordt. Zo 1 Kron. 2:43 . En zo wordt gebieden voor verbieden, gebruikt; Deut. 2:37 , en Deut. 4:23 . 1 Kronieken 2:43 : De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema. Deuteronomium 2:37 : Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de gehele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons verboden had. Deuteronomium 4:23 : Wacht u, dat u het verbond van YHWH, uw God, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat YHWH, uw God, u verboden heeft.
[^leviticus-4-2-5]: Kanttekening 5: Zo onder, vers 13 , 4:22 . Zie Gen. 20:9 . Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden; Leviticus 4:22 : Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen één van de geboden van YHWH, zijn God, door afdwaling, gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is; Genesis 20:9 : En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
[^leviticus-4-2-6]: Kanttekening 6: Versta hierbij, dat men dan de offeranden zal doen, die in het volgende bevolen worden.
[^leviticus-4-3-7]: Kanttekening 7: priester, die gezalfd is: Versta, de overpriester, die naderhand alleen gezalfd werd: onder, Lev. 21:10 ; Ex. 29:7 , en Ex. 30:30 ; ook Lev. 10:7 ; Num. 3:3 . Nu werden de gewone priesters ook wel gezalfd, maar slechts eenmaal, dienende zulke zalving ook voor hun nakomelingen; Ex. 29:29 , en Ex. 40:15 . Leviticus 21:10 : En hij, die de hogepriester onder zijn broers is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn kleren scheuren. Exodus 29:7 : En u zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven. Exodus 30:30 : U zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en u zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen. Leviticus 10:7 : U zult ook uit de deur van de tent van de samenkomst niet uitgaan, opdat u niet sterft; want de zalfolie van YHWH is op u. En zij deden naar het woord van Mozes. Numeri 3:3 : Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, van de priesters, die gezalfd waren, van wie men de hand gevuld had, om het priesterambt te bedienen. Exodus 29:29 : De heilige kleren nu, die van Aäron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelfde zalve, en dat men hun hand in dezelfde vulle. Exodus 40:15 : En u zult hen zalven, gelijk als u hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal gebeuren, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten.
[^leviticus-4-3-8]: Kanttekening 8: gezondigd hebben: In leer of in leven.
[^leviticus-4-3-9]: Kanttekening 9: schuld van het volk: Zodat hij door zijn zonde een schuld over het volk brengt, daar het zijn valse leer aanneemt, of het kwade exempel van zijn leven navolgt; vergelijk 1 Kron. 21:3 . Anders, naar de schuld van het volk. Dat is, in gelijke manieren als wanneer iemand van het gemene volk mocht zondigen. 1 Kronieken 21:3 : Toen zei Joab: YHWH doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden?
[^leviticus-4-3-10]: Kanttekening 10: jong rund: Hebreeuws, de zoon van het rund. Zo onder, vers 14 . Zie boven, Lev. 1:14 . Leviticus 4:14 : En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en die voor de tent van de samenkomst brengen; Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^leviticus-4-3-11]: Kanttekening 11: ten zondoffer: Hebreeuws, tot zonde; dat is, een offerande, die gedaan wordt voor de zonde. Zo wordt het woord zonde en schuld genomen onder, Lev. 6:17 ; Ez. 45:23 ; 2 Kor. 5:21 . Leviticus 6:17 : Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid van de heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer. Ezechiël 45:23 : En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer YHWH bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^leviticus-4-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk, één van de andere priesters, die het altaar dienden. Want hij wordt onderscheiden van de priester, die in vers 5 de gezalfde genoemd wordt. Leviticus 4:5 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen.
[^leviticus-4-5-a]: Verwijzing a: Lev. 16:14 ; Num. 19:4 . Leviticus 16:14 : En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Numeri 19:4 : En Eleazar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent van de samenkomst zevenmaal sprengen.
[^leviticus-4-6-13]: Kanttekening 13: voorhang van het heilige: Versta, een zeer kostbaar tapijt, waarmee het heilige, of het voorste deel van de tabernakel, van het heilige van de heiligen, of het allerheiligste, dat was het achterste deel, hier ook het heilige genoemd onderscheiden wordt. Zie Ex. 26:31 , 26:32 , 26:33 , en Ex. 35:12 , en Ex. 40:3 , 40:21 ; Num. 4:5 . Exodus 26:31 : Daarna zult u een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. Exodus 26:32 : En u zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten. Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Exodus 35:12 : De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en de voorhang van het deksel; Exodus 40:3 : En u zult daar zetten de ark van het getuigenis; en u zult de ark met de voorhang bedekken. Exodus 40:21 : En hij bracht de ark in de tabernakel, en hij hing de voorhang van het deksel op, en bedekte de ark van het getuigenis, gelijk als YHWH aan Mozes geboden had. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken.
[^leviticus-4-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, geven. Zo onder, vers 18 ; Ex. 29:12 . Leviticus 4:18 : En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht van YHWH is, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is voor de deur van de tent van de samenkomst. Exodus 29:12 : Daarna zult u van het bloed van de var nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar.
[^leviticus-4-7-b]: Verwijzing b: Lev. 9:9 . Leviticus 9:9 : En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar.
[^leviticus-4-7-15]: Kanttekening 15: Zie Ex. 27:2 , en Ex. 38:2 . Exodus 27:2 : En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken. Exodus 38:2 : En hij maakte zijn hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelfde waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.
[^leviticus-4-7-16]: Kanttekening 16: reukaltaars van de welriekende specerijen: Hebreeuws, van het altaar van de roking van de welriekende specerijen.
[^leviticus-4-7-17]: Kanttekening 17: in de tent: Te weten, binnen in het voorste deel, voor aan het heiligdom; Ex. 30:6 . Exodus 30:6 : En u zult het zetten voor de voorhang, die voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
[^leviticus-4-7-18]: Kanttekening 18: aan de bodem van het altaar: Dat is, aan de grond, of het onderste deel van het altaar. Zo onder, vers 18 , 4:25 , 4:30 , 4:34 . Leviticus 4:18 : En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht van YHWH is, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is voor de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 4:25 : Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar van het brandoffer doen; dan zal hij zijn bloed aan de bodem van het altaar van het brandoffer uitgieten. Leviticus 4:30 : Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten. Leviticus 4:34 : Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten.
[^leviticus-4-7-19]: Kanttekening 19: aan de deur: Dat is, voor aan de ingang van het voorste deel van de tabernakel, genaamd het heilige.
[^leviticus-4-8-c]: Verwijzing c: Lev. 3:3 ; idem v. 4 . Leviticus 3:3 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer YHWH offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is. Leviticus 3:4 : Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
[^leviticus-4-10-d]: Verwijzing d: Lev. 3:5 . Leviticus 3:5 : En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk YHWH.
[^leviticus-4-11-e]: Verwijzing e: Ex. 29:14 ; Num. 19:5 . Exodus 29:14 : Maar het vlees van het var, en zijn vel, en zijn drek, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. Numeri 19:5 : Verder zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar vel, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden.
[^leviticus-4-12-f]: Verwijzing f: Lev. 16:27 ; Num. 19:3 ; Hebr. 13:11 . Leviticus 16:27 : Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan de bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. Numeri 19:3 : En u zult die geven aan Eleazar, de priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten. Hebreeën 13:11 : Want waarvan de dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.
[^leviticus-4-12-20]: Kanttekening 20: waar men de as uitstort: Hebreeuws, aan de uitstorting van de as; dat is, bij de uitgestorte as. Versta, een plaats buiten het leger, waar de as, die van de verbrande offeranden kwam, met andere vuiligheden van de offeranden komende, uitgeschud werd. Zij is te onderscheiden van de asplaats, die aan de oostzijde van de voorhof van de tabernakel was, waar de as eerst van het altaar gedragen werd. Zie boven, Lev. 1:16 ; van beide plaatsen tezamen zie onder, Lev. 6:10 , 6:11 . Leviticus 1:16 : En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats van de as. Leviticus 6:10 : En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. Leviticus 6:11 : Daarna zal hij zijn kleren uittrekken, en zal andere kleren aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.
[^leviticus-4-13-g]: Verwijzing g: Lev. 9:15 ; Num. 15:24 . Leviticus 9:15 : Daarna deed hij de offerande van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste. Numeri 15:24 : Zo zal het gebeuren, als iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen van de vergadering verborgen is, dat de gehele vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk YHWH, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer.
[^leviticus-4-13-21]: Kanttekening 21: afgedwaald zal zijn: Te weten, door onwetendheid en misverstand, gelijk boven vers 2 . Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben;
[^leviticus-4-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, een; dat is, ietwat, het een of ander ding.
[^leviticus-4-13-23]: Kanttekening 23: tegen enige van alle geboden: Hebreeuws, tegen alle geboden; dat is, tegen een, of enige van alle. Zie boven, vers 2.
[^leviticus-4-13-24]: Kanttekening 24: schuldig geworden: Dat is, gevallen in zonde, en daarom strafwaardig; vergelijk boven vers 3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^leviticus-4-14-25]: Kanttekening 25: Te weten, tegen enig gebod van YHWH.
[^leviticus-4-14-26]: Kanttekening 26: voor de tent: Hebreeuws, voor het aangezicht van de tent.
[^leviticus-4-15-27]: Kanttekening 27: oudsten van de vergadering: Die in de regering en in het leerambt boven anderen gesteld waren. Zie Ex. 3:16 ; Matt. 26:57 . Exodus 3:16 : Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Mattheüs 26:57 : Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.
[^leviticus-4-15-28]: Kanttekening 28: Namelijk, de priester, wiens ambt was dit te doen. Zie boven Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-4-16-29]: Kanttekening 29: gezalfde priester: Zie boven, vers 3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^leviticus-4-17-30]: Kanttekening 30: Het Hebreeuwse woord, gevoegd zijnde bij een ander woordje min, dat is, uit, van, sluit samen in zich de betekenis van het woord nemen. Vergelijk hiermee de aantekeningen Gen. 12:15 , idem onder Lev. 5:15 . Men kan ook deze woorden overzetten, dopen in wat van dat bloed. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^leviticus-4-17-31]: Kanttekening 31: Zie boven, vers 6 . Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^leviticus-4-18-32]: Kanttekening 32: Te weten, YHWH, gelijk boven vers 7 . Leviticus 4:7 : Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar van de welriekende specerijen, voor het aangezicht van YHWH, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de var uitgieten aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is aan de deur van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-4-20-33]: Kanttekening 33: verzoening doen: Dat is, aandienen het teken en het zegel van de verzoening, die door de Middelaar gebeuren zou. Zie boven, Lev. 1:4 , en vergelijk 2 Kor. 5:19 , 5:20 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 2 Korinthiërs 5:20 : Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^leviticus-4-20-34]: Kanttekening 34: vergeven worden: Te weten, uit genade, door het geloof, om het uitgestorte bloed van Christus, Rom. 3:25 , niet van de beesten, Hebr. 10:4 , welke bloedstorting slechts een voorbeeld was van Christus' offerande; Hebr. 10:1 , enz. Romeinen 3:25 : Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Hebreeën 10:4 : Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Hebreeën 10:1 : Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
[^leviticus-4-21-35]: Kanttekening 35: Zie boven, vers 12 . Leviticus 4:12 : En die heel var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.
[^leviticus-4-22-36]: Kanttekening 36: een van: Hebreeuws, alle. Zie boven, vers 13 . Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden;
[^leviticus-4-22-37]: Kanttekening 37: door afdwaling: Zie boven, vers 2 ; en versta dit vers van de afdwaling, die door onvoorzichtigheid geschiedt, wanneer iemand zijn zonde wel bemerkt door zichzelven, maar na de daad. De andere, waarvan vers 23 spreekt, komt uit enkele onwetendheid, waardoor men niet verstaat dat het zonde is, wat men gedaan heeft, dan door een ander onderricht zijnde. Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; Leviticus 4:23 : Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.
[^leviticus-4-23-38]: Kanttekening 38: Of men zijn zonde: Anders, als, of, zo zijn zonde, enz.
[^leviticus-4-23-39]: Kanttekening 39: Dat is, een jonge en nog zuigende bok. Zo onder, vers 28 een geitenbokin, voor, een jonge geit; idem onder, Lev. 5:6 , enz. Leviticus 4:28 : Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offerande brengen een jonge geit, een volkomen vrouwtje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft. Leviticus 5:6 : En tot zijn schuldoffer YHWH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.
[^leviticus-4-24-40]: Kanttekening 40: zal hem slachten: Namelijk, de priester.
[^leviticus-4-24-41]: Kanttekening 41: waar men het brandoffer slacht: Te weten, voor de deur van de tent van de samenkomst. Zie boven, Lev. 1:3 ; Ex. 29:10 , 29:11 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Exodus 29:10 : En u zult de var nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de var leggen. Exodus 29:11 : En u zult de var slachten voor het aangezicht van YHWH, voor de deur van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-4-26-42]: Kanttekening 42: hem verzoening doen: Zie boven, vers 20.
[^leviticus-4-27-h]: Verwijzing h: Num. 15:27 . Numeri 15:27 : En als een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren.
[^leviticus-4-27-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, ziel. Zie boven, Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^leviticus-4-27-44]: Kanttekening 44: Versta, het gemene volk; niet alleen van de Israëlieten, maar ook van de vreemdelingen, die door de besnijdenis bij het volk van God ingelijfd waren; Ex. 12:49 ; Num. 15:16 . Exodus 12:49 : Enerlei wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. Numeri 15:16 : Enerlei wet en enerlei recht zal u zijn, en de vreemdeling, die bij u als vreemdeling verkeert.
[^leviticus-4-27-45]: Kanttekening 45: door afdwaling: Zie de verklaring hiervan boven, vers 22 . Leviticus 4:22 : Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen één van de geboden van YHWH, zijn God, door afdwaling, gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;
[^leviticus-4-28-46]: Kanttekening 46: jonge geit: Hebreeuws, een geit, of, bokin van de geiten; dat is, een jonge zuigende geit. Zie boven, vers 23 . Leviticus 4:23 : Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.
[^leviticus-4-29-47]: Kanttekening 47: in de plaats van het brandoffer: Dat is, waar men het brandoffer slacht. Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-4-31-i]: Verwijzing i: Lev. 3:3 ; idem v. 4 ; idem v. 14 . Leviticus 3:3 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer YHWH offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is. Leviticus 3:4 : Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:14 : Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer YHWH; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;
[^leviticus-4-31-k]: Verwijzing k: Ex. 29:18 . Exodus 29:18 : Zo zult u de heel ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer YHWH.
[^leviticus-4-31-48]: Kanttekening 48: zal voor hem verzoening doen: Zie boven, vers 20 . Leviticus 4:20 : En hij zal deze var doen, gelijk als hij de var van het zondoffer gedaan heeft, zo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.
[^leviticus-4-33-49]: Kanttekening 49: Te weten, de priester. Zie boven, Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-4-35-50]: Kanttekening 50: Te weten, vettigheden die onderscheiden waren, gelijk af te nemen is boven uit vers 8 , 4:9 . Leviticus 4:8 : Verder, al het vet van de var van het zondoffer zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 4:9 : Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;
[^leviticus-4-35-51]: Kanttekening 51: op de vuurofferen van YHWH: Zie boven, Lev. 3:5 . Leviticus 3:5 : En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.

### Leviticus 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/5.json)

*Wetten over de wijze om schuldoffers te offeren, om verzoening te doen voor gehoorde en verzwegen vloek, vers 1. Voor het onbedacht aanraken van iets dat onrein was, 2. Voor lichtvaardig zweren, 4. Wat hij die zich aan een van deze schuldig had gemaakt, doen of offeren moest, 6. Alsmede wie zich tegen de geheiligde dingen van de HEERE had vergrepen, 14.*

**1** Als nu een[^leviticus-5-1-1] mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een[^leviticus-5-1-2] stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat[^leviticus-5-1-3] hij het gezien of[^leviticus-5-1-4] geweten heeft; als hij het[^leviticus-5-1-5] niet te kennen geeft, zo zal hij zijn[^leviticus-5-1-6] ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v1)

**2** [^leviticus-5-2-a] Of wanneer een mens enig[^leviticus-5-2-7] onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het kadaver van een wild onrein gedierte, of het kadaver van onrein vee, of het kadaver van onrein[^leviticus-5-2-8] kruipend gedierte; al is het voor hem[^leviticus-5-2-9] verborgen geweest, toch is hij onrein en schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v2)

**3** Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinheid van een[^leviticus-5-3-10] mens, naar al zijn onreinheid, waarmee hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij[^leviticus-5-3-11] is het gewaar geworden, zo is hij schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v3)

**4** Of als een mens zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen[^leviticus-5-4-12] uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in de eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem[^leviticus-5-4-13] verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij aan[^leviticus-5-4-14] één van die schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v4)

**5** Het[^leviticus-5-5-15] zal dan gebeuren,[^leviticus-5-5-16] als hij aan één van die schuldig is, dat hij belijden zal,[^leviticus-5-5-17] waarin hij gezondigd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v5)

**6** En tot zijn[^leviticus-5-6-18] schuldoffer aan YHWH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van[^leviticus-5-6-19] klein vee, een lam of een jonge geit, voor[^leviticus-5-6-20] de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v6)

**7** [^leviticus-5-7-b] Maar[^leviticus-5-7-21] als zijn hand zoveel niet bereiken kan,[^leviticus-5-7-22] als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, aan YHWH brengen twee tortelduiven, of twee[^leviticus-5-7-23] jonge duiven, één als zondoffer, en één als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v7)

**8** En hij zal die tot de priester brengen, die eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal haar hoofd[^leviticus-5-8-c] met zijn nagel naast haar nek splijten, maar niet afscheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v8)

**9** En van het bloed van het zondoffer zal hij aan de wand van het altaar sprenkelen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan de bodem van het altaar; het is een zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v9)

**10** En de andere zal hij ten brandoffer maken,[^leviticus-5-10-24][^leviticus-5-10-d] naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v10)

**11** Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij,[^leviticus-5-11-25] die gezondigd heeft, tot zijn offergave brengen het[^leviticus-5-11-26] tiende deel van een efa meelbloem als zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v11)

**12** En hij zal dat tot de priester brengen, en[^leviticus-5-12-e] de priester zal daarvan zijn hand vol, van de herinnering daarvan, grijpen, en[^leviticus-5-12-f] dat aansteken op het altaar, op de vuuroffers[^leviticus-5-12-27] van YHWH; het is een zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v12)

**13** Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft in enige van die[^leviticus-5-13-28] stukken, en het zal hem vergeven worden; en[^leviticus-5-13-g] het[^leviticus-5-13-29] zal van de priester zijn, zoals het voedseloffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v13)

**14** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v14)

**15** Als een[^leviticus-5-15-30] mens door overtreding overtreden, en door afdwaling[^leviticus-5-15-31] gezondigd zal hebben, wat onwetend van de[^leviticus-5-15-32] heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot[^leviticus-5-15-33] zijn schuldoffer aan YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde,[^leviticus-5-15-34] met uw schatting[^leviticus-5-15-h] aan zilveren sikkels,[^leviticus-5-15-35] naar[^leviticus-5-15-i] de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v15)

**16** Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal zijn vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; zo zal de priester met de ram van[^leviticus-5-16-36] het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v16)

**17** En als een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen één van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, toch is hij schuldig, en zal zijn[^leviticus-5-17-37] ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v17)

**18** En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot de priester brengen, met uw schatting, als schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn afdwaling, waardoor hij afgedwaald is, die hij niet geweten had; zo zal het hem vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v18)

**19** Het is een schuldoffer; hij heeft zich[^leviticus-5-19-38] voorzeker schuldig gemaakt aan YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/5.html#v19)

[^leviticus-5-1-1]: Kanttekening 1: mens zal gezondigd hebben: Hebreeuws, ziel, en zo in het volgende. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-5-1-2]: Kanttekening 2: van de vloek: Dat is, van de lastering tegen God, \[gelijk onder, Lev. 24:10 , 24:11 \] of tegen zijn naasten \[gelijk 2 Sam. 16:7 \] uitgeworpen. Leviticus 24:10 : En er ging de zoon van een Israëlietische vrouw uit, die, in het midden van de kinderen van Israël, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger. Leviticus 24:11 : Toen lasterde de zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan. 2 Samuël 16:7 : Aldus nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man!
[^leviticus-5-1-3]: Kanttekening 3: hij het gezien: Dat is, zelf in persoon bij het vloeken geweest is.
[^leviticus-5-1-4]: Kanttekening 4: geweten heeft: Dat is, uit het verhaal van anderen gehoord heeft.
[^leviticus-5-1-5]: Kanttekening 5: niet te kennen geeft: Te weten, aan de overheid, belet zijnde door enige menselijke zwakheid van blohartigheid, vrees, toegenegenheid, verzuim, enz.
[^leviticus-5-1-6]: Kanttekening 6: ongerechtigheid dragen: Dat is, hij zal lijden de straf, die hij door zodanige misdaad van stilzwijgen verdiend heeft. Zie deze manier van spreken onder, vers 17 , en Lev. 17:16 , en Lev. 20:20 ; Num. 14:33 ; Jes. 53:11 , enz., en zo wordt zonde, of ongerechtigheid voor straf genomen, Gen. 19:15 ; Num. 18:1 . Zie Gen. 4:13 . Leviticus 5:17 : En als een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen een van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig, en zal zijn ongerechtigheid dragen. Leviticus 17:16 : Maar als hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. Leviticus 20:20 : Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Genesis 19:15 : En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt. Numeri 18:1 : Zo zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt. Genesis 4:13 : En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
[^leviticus-5-2-a]: Verwijzing a: Hagg. 2:14 ; 2 Kor. 6:17 . Haggai 2:14 : En Haggai zei: Als iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden. 2 Korinthiërs 6:17 : Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen.
[^leviticus-5-2-7]: Kanttekening 7: onrein ding zal aangeroerd hebben: Versta dit van de ceremoniëele onreinheid; zie breder daarvan onder, Lev. 11 , en Deut. 14 .
[^leviticus-5-2-8]: Kanttekening 8: kruipend gedierte: Zie Gen. 1:20 . Genesis 1:20 : En God zei: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
[^leviticus-5-2-9]: Kanttekening 9: verborgen geweest: Zodat hij niet geweten heeft dat hij die aangeroerd had.
[^leviticus-5-3-10]: Kanttekening 10: naar al zijn onreinigheid: Dat is, in enige soort van de onreinheid, waardoor een mens naar de wet van de ceremoniën onrein worden kon. Zie van de algemene soorten van deze onreinheid, onder Lev. 11 , Lev. 12 , Lev. 13 , Lev. 15 , Lev. 17 .
[^leviticus-5-3-11]: Kanttekening 11: is het gewaar geworden: Hebreeuws heeft het geweten. Zo vers 4 . Leviticus 5:4 : Of als een mens zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in de eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij aan één van die schuldig.
[^leviticus-5-4-12]: Kanttekening 12: Te weten, aan zijn naasten. Van het kwade is een voorbeeld, 1 Sam. 25:22 , idem Hand. 23:12 . Van het goede, Mark. 6:23 . 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is! Handelingen 23:12 : En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenspanning, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. Marcus 6:23 : En hij zwoer haar: Zo wat u van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!
[^leviticus-5-4-13]: Kanttekening 13: verborgen geweest: Te weten, door bekoring en ontsteldheid van zijn geest.
[^leviticus-5-4-14]: Kanttekening 14: één van die schuldig: Te weten, aan één van de voorgemelde misdaden.
[^leviticus-5-5-15]: Kanttekening 15: zal dan gebeuren: Dat is, dan zal deze volgende wet onderhouden worden.
[^leviticus-5-5-16]: Kanttekening 16: als hij aan één van die schuldig is: Anders, omdat hij, enz.
[^leviticus-5-5-17]: Kanttekening 17: waarin hij gezondigd heeft: Dat is, in welke van de voorgemelde stukken. Anders, dat hij daarin gezondigd heeft.
[^leviticus-5-6-18]: Kanttekening 18: Versta, de offerande, die gedaan werd voor de zonde, die uit zwakheid geschiedde, en evenwel de mens schuldig maakt voor God. Zie van dit offer ook onder, vers 16 , en Lev. 6:17 , en Lev. 7:1 . Leviticus 5:16 : Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal zijn vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; zo zal de priester met de ram van het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. Leviticus 6:17 : Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid van de heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer. Leviticus 7:1 : Dit is nu de wet van het schuldoffer; het is een heiligheid van de heiligheden.
[^leviticus-5-6-19]: Kanttekening 19: klein vee: Zie boven, Lev. 1:2 . Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offerande offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^leviticus-5-6-20]: Kanttekening 20: de zonde: Anders, ten zondoffer. Zie boven, Lev. 4:2 . Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben;
[^leviticus-5-7-b]: Verwijzing b: onder, Lev. 12:8 ; Lukas 2:24 . Leviticus 12:8 : Maar als haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn. Lukas 2:24 : En opdat zij offerande gaven, naar wat in de wet van de Heern gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.
[^leviticus-5-7-21]: Kanttekening 21: als zijn hand zoveel niet bereiken kan: Dat is, als hij de macht niet heeft vanwege zijn armoede. Zo onder, vers 11 , en Lev. 25:26 . Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 25:26 : En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;
[^leviticus-5-7-22]: Kanttekening 22: als genoeg is tot een stuk klein vee: Hebreeuws, de genoegzaamheid van een klein vee.
[^leviticus-5-7-23]: Kanttekening 23: jonge duiven: Hebreeuws, zonen van de duif. Zo vers 11 ; zie boven, Lev. 1:14 . Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^leviticus-5-8-c]: Verwijzing c: boven, Lev. 1:15 . Leviticus 1:15 : En de priester zal die tot het altaar brengen, en daarvan hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
[^leviticus-5-10-24]: Kanttekening 24: naar de wijze: Of, naar het recht; dat is, naar de manier, die daarvan gesteld was, en daarom recht was en wettelijk. Zo wordt het Hebreeuwse woord meermalen genomen; vergelijk Gen. 40:13 , en zie de aantekeningen daarop. Genesis 40:13 : Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was.
[^leviticus-5-10-d]: Verwijzing d: Lev. 1:15 . Leviticus 1:15 : En de priester zal die tot het altaar brengen, en daarvan hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.
[^leviticus-5-11-25]: Kanttekening 25: die gezondigd heeft: Anders, voor dat hij gezondigd heeft.
[^leviticus-5-11-26]: Kanttekening 26: tiende deel van een efa: Genaamd gomer, Ex. 16:36 , houdende 43 eierschalen. Zulke tien zijn een efa, houdende tienmaal zoveel, dat is, zoveel als in 432 eierschalen zou gaan. Het zijn maten van droge waren. Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^leviticus-5-12-e]: Verwijzing e: Lev. 2:2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit daarvan meelbloem, en uit daarvan olie, met al daarvan wierook; en de priester zal daarvan gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk YHWH.
[^leviticus-5-12-f]: Verwijzing f: Lev. 4:35 . Leviticus 4:35 : En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen van YHWH; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.
[^leviticus-5-12-27]: Kanttekening 27: op de vuurofferen van YHWH: Anders, naar de manier van de vuuroffers. Zie boven, Lev. 3:5 . Leviticus 3:5 : En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-5-13-28]: Kanttekening 28: stukken : Te weten, van de zonden, in het begin van dit hoofdstuk vermeld.
[^leviticus-5-13-g]: Verwijzing g: Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van het vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-5-13-29]: Kanttekening 29: zal van de priester zijn: Namelijk, wat over is.
[^leviticus-5-15-30]: Kanttekening 30: mens door overtreding overtreden: Hebreeuws, ziel.
[^leviticus-5-15-31]: Kanttekening 31: gezondigd zal hebben: Anders, gezondigd zal hebben \[in iets\] van de heilige dingen, enz. Of, om de heilige dingen.
[^leviticus-5-15-32]: Kanttekening 32: heilige dingen van YHWH: Hebreeuws, van de heiligheden van de Heer; dat is, van de dingen, die de Heer geheiligd zijn en tot een heilig gebruik afgezonderd. Zo in vers 16 enz., en Lev. 22:2 en vergelijk onder, Lev. 16:4 , en Lev. 19:24 . Leviticus 5:16 : Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal zijn vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; zo zal de priester met de ram van het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. Leviticus 22:2 : Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen van de kinderen van Israël, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen. Leviticus 19:24 : Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor YHWH.
[^leviticus-5-15-33]: Kanttekening 33: zijn schuldoffer: Hebreeuws, zijn schuld; dat is, offerande voor zijn schuld. Zie boven, Lev. 4:3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^leviticus-5-15-34]: Kanttekening 34: met uw schatting: Dat is, met zoveel geld, als de priester schatten zal het ontvreemde goed waard te zijn. Vergelijk onder Lev. 22:14 en Lev. 27 . Leviticus 22:14 : En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zo zal hij zijn vijfde deel daarboven toedoen, en zal het de priester met het heilige wedergeven.
[^leviticus-5-15-h]: Verwijzing h: Lev. 27:2 ; idem v. 3 . Leviticus 27:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen van YHWH zijn. Leviticus 27:3 : Als uw schatting van een man zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar de sikkel van het heiligdom.
[^leviticus-5-15-35]: Kanttekening 35: naar de sikkel van het heiligdom: Welke nog zoveel deed als de gemene sikkel, te weten omtrent een halve rijksdaalder. Zie Gen. 23:15 . Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^leviticus-5-15-i]: Verwijzing i: Ex. 30:13 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH.
[^leviticus-5-16-36]: Kanttekening 36: van het schuldoffer: Zie boven, vers 6 . Leviticus 5:6 : En tot zijn schuldoffer YHWH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.
[^leviticus-5-17-37]: Kanttekening 37: ongerechtigheid dragen: Zie boven, vers 1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-5-19-38]: Kanttekening 38: voorzeker schuldig gemaakt: Hebreeuws, zich schuldig makende, heeft hij zich schuldig gemaakt; dat is, ofschoon hij door onwetendheid, of onvoorzichtigheid, of vergetenheid, of haastigheid, of enige andere zwakheid zich vergrepen heeft, zo heeft hij nochtans zonde gedaan, die strafwaardig is. Vergelijk Luk. 12:48 . Lukas 12:48 : Maar die dezelfde niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waard zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een ieder, wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden; en wie men veel vertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen.

### Leviticus 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/6.json)

*Wetten over hen die hun naaste iets ontvreemd hadden, vers 1, enz. Verdere uitleg van de wettelijke wijze van het brandoffer, 8. van het spijsoffer, zowel het gewone, 14. als wat bij de inwijding van Aäron en zijn zonen geofferd moest worden, 19. En ten slotte van het zondoffer, 24.*

**1** Verder[^leviticus-6-1-1] sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v1)

**2** Als een[^leviticus-6-2-2] mens gezondigd, en[^leviticus-6-2-3] tegen YHWH door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal[^leviticus-6-2-4] gelogen hebben van wat hem in bewaring gegeven, of[^leviticus-6-2-5] ter hand gesteld was, of van roof, of dat[^leviticus-6-2-6] hij met geweld zijn naaste onthoudt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v2)

**3** Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben;[^leviticus-6-3-a] over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v3)

**4** Het zal dan gebeuren, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal de roof, die hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v4)

**5** Of van al, waarover hij vals gezworen heeft, dat hij het[^leviticus-6-5-7] in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, die zal hij dat geven[^leviticus-6-5-8] op de dag van zijn schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v5)

**6** En hij zal aan YHWH zijn schuldoffer brengen tot de priester, een volkomen ram uit de kudde,[^leviticus-6-6-9] met uw schatting, als schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v6)

**7** Dan zal de priester voor[^leviticus-6-7-10] hem verzoening doen voor het aangezicht van YHWH, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet,[^leviticus-6-7-11] waar hij schuld aan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v7)

**8** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v8)

**9** Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende:[^leviticus-6-9-12] Dit is de wet van het brandoffer; het is wat door het vuur op het altaar de gehele nacht tot aan de morgen opvaart; waar[^leviticus-6-9-14] het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.[^leviticus-6-9-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v9)

**10** En de priester zal zijn[^leviticus-6-10-15] linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal[^leviticus-6-10-16] die bij het altaar leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v10)

**11** Daarna zal hij zijn kleren uittrekken, en zal andere kleren aandoen, en zal de as[^leviticus-6-11-17] tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v11)

**12** Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal[^leviticus-6-12-18] daar[^leviticus-6-12-19] elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankoffers daarop aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v12)

**13** Het vuur zal steeds op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v13)

**14** Dit is nu de wet[^leviticus-6-14-b] van[^leviticus-6-14-20] het voedseloffer; één van de zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht van YHWH offeren,[^leviticus-6-14-21] voor het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v14)

**15** En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem van het voedseloffer, en van zijn olie, en al de wierook, die op het voedseloffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is[^leviticus-6-15-22] een liefelijke[^leviticus-6-15-23][^leviticus-6-15-c] reuk tot zijn herinnering voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v15)

**16** En het overblijvende daarvan[^leviticus-6-16-24] zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats;[^leviticus-6-16-25] in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v16)

**17** Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuuroffers; het is[^leviticus-6-17-26] een heiligheid van de heiligheden, zoals het zondoffer en zoals het schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v17)

**18** Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een[^leviticus-6-18-27] eeuwige inzetting voor uw generaties van de vuuroffers van YHWH; al[^leviticus-6-18-28][^leviticus-6-18-d] wat[^leviticus-6-18-29] die zal aanroeren, zal[^leviticus-6-18-30] heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v18)

**19** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v19)

**20** Dit is de offergave van Aäron en van zijn zonen, die zij aan YHWH offeren zullen, op de dag als[^leviticus-6-20-31] hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een[^leviticus-6-20-32] efa meelbloem,[^leviticus-6-20-33] een voedseloffer steeds;[^leviticus-6-20-34] de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v20)

**21** Het zal in een pan met olie gemaakt worden;[^leviticus-6-21-35] geroosterd zult u het brengen; en de[^leviticus-6-21-36] gebakken stukken van het voedseloffer zult u offeren, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v21)

**22** Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de[^leviticus-6-22-37] gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor YHWH geheel[^leviticus-6-22-38] aangestoken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v22)

**23** [^leviticus-6-23-39] Zo zal alle voedseloffer van de priester geheel zijn; het zal niet gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v23)

**24** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v24)

**25** Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van YHWH geslacht worden;[^leviticus-6-25-42] het is een heiligheid van de heiligheden.[^leviticus-6-25-40][^leviticus-6-25-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v25)

**26** [^leviticus-6-26-e] De priester, die het[^leviticus-6-26-43] voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v26)

**27** Al[^leviticus-6-27-44] wat daarvan vlees zal aanroeren, zal[^leviticus-6-27-45] heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben,[^leviticus-6-27-46] dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult u in[^leviticus-6-27-47] de heilige plaats wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v27)

**28** En de aarden pot, waarin het gekookt is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen pot gekookt is, zo zal het geschuurd en in[^leviticus-6-28-48] water gespoeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v28)

**29** Al wat mannelijk is onder de priesters, zal dat eten; het is een heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v29)

**30** Maar geen[^leviticus-6-30-49] zondoffer,[^leviticus-6-30-f] waarvan het bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/6.html#v30)

[^leviticus-6-1-1]: Kanttekening 1: sprak YHWH tot Mozes: De eerste zeven verzen dit hoofdstuk, worden van anderen, naar uitwijzen van de Hebreeuwse tekst, bij Lev. 5 gevoegd, en dat niet zonder reden, omdat hier nog van de schuldoffers gehandeld wordt.
[^leviticus-6-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, ziel; en zo in het volgende. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-6-2-3]: Kanttekening 3: tegen YHWH: Die aan zijn naasten misdoet, zondigt ook tegen de Heer; niet alleen omdat de mens het schepsel van God is en Hem toebehoort, maar ook omdat God bevolen heeft zijn naasten te lieven, en niet te beschadigen; en dikwijls in en over de zonden tegen de naaste begaan, de naam van de Heer misbruikt wordt.
[^leviticus-6-2-4]: Kanttekening 4: Anders, geloochend.
[^leviticus-6-2-5]: Kanttekening 5: ter hand gesteld was: Hebreeuws, van stelling van de hand; dat is, dat iemand in handen gegeven en besteld is, hetzij van een alleen, of van velen, met welke hij door handgeving, handtekening of anders in gemeenschap of maatschappij getreden is, om dat wèl te bezorgen en waar te nemen.
[^leviticus-6-2-6]: Kanttekening 6: met geweld zijn naaste onthoudt: Of, bedriegelijk zijn naasten onttrokken heeft.
[^leviticus-6-3-a]: Verwijzing a: Num. 5:6 . Numeri 5:6 : Spreek tot de kinderen van Israël: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen YHWH, zo is diezelve ziel schuldig.
[^leviticus-6-5-7]: Kanttekening 7: in zijn hoofdsom: Hebreeuws, in zijn hoofd; dat is in het principale zelf wat ontvreemd is, of in de kapitale som.
[^leviticus-6-5-8]: Kanttekening 8: op de dag van zijn schuld: Dat is, als hij schuldig bevonden en verklaard zal worden. Anders, ten dage van zijn schuldoffer; dat is, wanneer hij de offerande voor zijn schuld zal moeten offeren om zich te verzoenen met God, dan zal hij meteen zijn naasten voldoen; vergelijk Matt. 5:23 . Mattheüs 5:23 : Zo u dan uw gave zult op het altaar offeren, en daar gedachtig wordt, dat uw broer iets tegen u heeft;
[^leviticus-6-6-9]: Kanttekening 9: met uw schatting: Zie boven, Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer aan YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^leviticus-6-7-10]: Kanttekening 10: hem verzoening doen: Zie boven, Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-6-7-11]: Kanttekening 11: waar hij schuld aan heeft: Hebreeuws, ten schuld daarin.
[^leviticus-6-9-12]: Kanttekening 12: Dit is de wet van het brandoffer: Dat is, het voorschrift van die manier hoe men brandoffer doen zal, of het dagelijkse, Ex. 29:38 , of het vrijwillige, Lev. 1 , of wat de wet voor enige zonde beveelt. Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, dagelijks, geduriglijk.
[^leviticus-6-9-14]: Kanttekening 14: het vuur van het altaar: Te weten, wat op dit altaar, toen de eerste offerande daarop geschiedde, uit de hemel gevallen is, en daarna altijd brandende onderhouden moest worden; onder vers 12 , 6:13 . Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken. Leviticus 6:13 : Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.
[^leviticus-6-9-13]: Kanttekening 13: het is wat: Te weten, het brandoffer. Het is een beschrijving van het brandoffer; vergelijk die met de aantekeningen op Gen. 8:20 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.
[^leviticus-6-10-15]: Kanttekening 15: linnen kleed aantrekken: Zie hiervan, Ex. 28:39 , 28:40 . Exodus 28:39 : U zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken. Exodus 28:40 : Voor de zonen van Aäron zult u ook rokken maken, en u zult voor hen gordels maken; ook zult u voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.
[^leviticus-6-10-16]: Kanttekening 16: die bij het altaar leggen: Te weten, as. Zie boven, Lev. 1:16 . Leviticus 1:16 : En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats van de as.
[^leviticus-6-11-17]: Kanttekening 17: tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats: Zie boven, Lev. 4:12 . Leviticus 4:12 : En die hele var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.
[^leviticus-6-12-18]: Kanttekening 18: Te weten, op het altaar.
[^leviticus-6-12-19]: Kanttekening 19: elke morgen hout aansteken: Hebreeuws, in de morgen, in de morgen. Zie Gen. 39:10 . Genesis 39:10 : En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
[^leviticus-6-14-b]: Verwijzing b: Num. 15:4 . Numeri 15:4 : Zo zal hij, die zijn offerande YHWH offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie.
[^leviticus-6-14-20]: Kanttekening 20: Zie boven, Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer voor YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^leviticus-6-14-21]: Kanttekening 21: voor aan het altaar: Anders, op het altaar. Hebreeuws, aan het aangezicht van het altaar.
[^leviticus-6-15-22]: Kanttekening 22: een liefelijke reuk: Zie boven, Lev. 1:9 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-6-15-23]: Kanttekening 23: tot de gedachtenis daarvan: Zie boven, Lev. 2:2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit de meelbloem daarvan, en uit de olie daarvan, met al de wierook daarvan; en de priester zal het gedenkoffer daarvan aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-6-15-c]: Verwijzing c: Lev. 2:9 . Leviticus 2:9 : En de priester zal van dat spijsoffer daarvan gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk YHWH.
[^leviticus-6-16-24]: Kanttekening 24: zullen Aäron en zijn zonen eten: Deze wet had drie redenen: I. opdat het geheiligde niet in kleinachting zou komen door het gemene gebruik; II. opdat het niet daarna van de gemeente door vertoning, eergierigheid, overdaad of anderzins misbruikt zou worden; III. opdat de priesters, die het altaar dienden, van het altaar zouden leven, 1 Kor. 9:13 . 1 Korinthiërs 9:13 : Weet u niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?
[^leviticus-6-16-25]: Kanttekening 25: in de voorhof van de tent: Hiermee wordt uitgedrukt welke de heilige plaats is, waar het heilige door de priesters gegeten moest worden. Zie ook onder, vers 26 , en Lev. 10:12 , 10:13 . Leviticus 6:26 : De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. Leviticus 10:12 : En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuurofferen van YHWH overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden. Leviticus 10:13 : Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuurofferen van YHWH is; want zo is mij geboden.
[^leviticus-6-17-26]: Kanttekening 26: een heiligheid van de heiligheden: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-6-18-27]: Kanttekening 27: eeuwige inzetting: Hebreeuws, inzetting van de eeuwigheid. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^leviticus-6-18-28]: Kanttekening 28: al wat: Of, al wie.
[^leviticus-6-18-d]: Verwijzing d: Ex. 29:37 . Exodus 29:37 : Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.
[^leviticus-6-18-29]: Kanttekening 29: die zal aanroeren: Te weten, de dingen, vermeld in vers 16 , 6:17 . Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 6:17 : Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid van de heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.
[^leviticus-6-18-30]: Kanttekening 30: heilig zijn: Dat is, voor heilig geacht en niet gebruikelijk in enige andere zaken; maar het moest òf gebroken òf gewassen òf ook geschuurd en afgespoeld worden. Zie onder, vers 27 , 6:28 . Leviticus 6:27 : Al wat het vlees daarvan zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult u in de heilige plaats wassen. Leviticus 6:28 : En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
[^leviticus-6-20-31]: Kanttekening 31: Namelijk, Aäron, of een van zijn zonen.
[^leviticus-6-20-32]: Kanttekening 32: efa meelbloem: Zie boven, Lev. 5:11 . Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^leviticus-6-20-33]: Kanttekening 33: een spijsoffer gedurig: Dat is, of, gelijk het gedurig spijsoffer, of, met het gedurig spijsoffer, of, ten gedurigen spijsoffer; te weten, in de zalving van de priesters. Aangaande het gedurig spijsoffer, zie Ex. 29:40 . Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.
[^leviticus-6-20-34]: Kanttekening 34: de helft daarvan op de morgen: Dat is, de ene helft van de meelbloem voor het morgenoffer en de ander voor het avondoffer.
[^leviticus-6-21-35]: Kanttekening 35: geroost zult u het brengen: Anders, gebakken, en zo gezoden, dat het opbobbelt en door het koken opgeblazen wordt, en tot enige verheffing komt; zo onder, Lev. 7:12 . Leviticus 7:12 : Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn.
[^leviticus-6-21-36]: Kanttekening 36: gebakken stukken: Hebreeuws, kooksel van het spijsoffer van de stukken; dat is, gekookte of gebakken stukken van het spijsoffer.
[^leviticus-6-22-37]: Kanttekening 37: gezalfde zal worden: Te weten, om na zijn dood in zijn ambt te treden.
[^leviticus-6-22-38]: Kanttekening 38: aangestoken worden: Om ganselijk verbrand te worden.
[^leviticus-6-23-39]: Kanttekening 39: Zo zal alle spijsoffer van de priester ganselijk zijn: Te weten, dat het geheel aangestoken en verbrand zal worden. Anders, zal geheel verbrand worden.
[^leviticus-6-25-42]: Kanttekening 42: het is een heiligheid van de heiligheden: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-6-25-40]: Kanttekening 40: Zie boven, Lev. 4:3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^leviticus-6-25-41]: Kanttekening 41: in de plaats: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-6-26-e]: Verwijzing e: Hosea 4:8 . Hosea 4:8 : Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid.
[^leviticus-6-26-43]: Kanttekening 43: voor de zonde offert: Hebreeuws, ontzondigt; dat is, voor de zonde offert.
[^leviticus-6-27-44]: Kanttekening 44: wat daarvan vlees zal aanroeren: Of, wie.
[^leviticus-6-27-45]: Kanttekening 45: heilig zijn: Zie boven, vers 18 . Leviticus 6:18 : Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuurofferen van YHWH; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.
[^leviticus-6-27-46]: Kanttekening 46: Te weten, kleed.
[^leviticus-6-27-47]: Kanttekening 47: de heilige plaats wassen: Zie boven, vers 16 . Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
[^leviticus-6-28-48]: Kanttekening 48: water gespoeld worden: Te weten, in het heilige water. Zie Ex. 40:7 , 40:30 , en onder, Lev. 8:11 . Exodus 40:7 : En u zult het wasvat zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en u zult water daar in doen. Exodus 40:30 : Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen. Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.
[^leviticus-6-30-49]: Kanttekening 49: Zodanige waren de zondoffers, die voor het vergrijp van de hogepriester en van de gehele gemeente geofferd werden; Lev. 4:5 , 4:16 . Idem het jaarlijkse zondoffer op de dag van de verzoening; Lev. 16:27 . Leviticus 4:5 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. Leviticus 4:16 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var tot de tent van de samenkomst brengen. Leviticus 16:27 : Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
[^leviticus-6-30-f]: Verwijzing f: Lev. 4:5 ; Hebr. 13:11 . Leviticus 4:5 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. Hebreeën 13:11 : Want waarvan de dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.

### Leviticus 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/7.json)

*Wetten over het schuldoffer, vers 1, enz. met uitleg wat de priester daarvan en van enige andere offergaven toekwam, 7. Wetten over het dankoffer, 11. zowel het lofoffer, 12. als het gelofteoffer en het vrijwillig offer, 16. Verbod om het vet te eten, met een uitleg welk vet men voor andere dingen mocht gebruiken, 22. Verbod om bloed te eten, 26. Nog een aanhangsel over het dankoffer, 28. Besluit van alle voorgaande wetten, 35.*

**1** Dit is nu de wet[^leviticus-7-1-1] van het schuldoffer; het is een[^leviticus-7-1-2] heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v1)

**2** [^leviticus-7-2-3] In de plaats,[^leviticus-7-2-4] waar zij het[^leviticus-7-2-5] brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en[^leviticus-7-2-6] men zal daarvan bloed rondom op het altaar sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v2)

**3** En daarvan zal men al zijn vet offeren, de staart, en het vet, dat het binnenste bedekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v3)

**4** Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever,[^leviticus-7-4-7] met de nieren, zal men afnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v4)

**5** En de priester zal die aansteken op het altaar, als vuuroffer voor YHWH; het is een schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v5)

**6** Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten;[^leviticus-7-6-8] in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v6)

**7** Zoals het zondoffer, zo zal ook het schuldoffer zijn; één wet zal daarvoor zijn;[^leviticus-7-7-9] het zal van de priester zijn, die daarmee verzoening[^leviticus-7-7-10] gedaan zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v7)

**8** Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid van het brandoffer hebben, dat hij geofferd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v8)

**9** Daartoe al het voedseloffer, dat in de oven gebakken wordt, met al wat in de ketel en in de pan bereid wordt, zal van de priester zijn, die dat offert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v9)

**10** Ook alle voedseloffer met olie gemengd, of[^leviticus-7-10-11] droog, zal voor alle zonen van Aäron zijn,[^leviticus-7-10-12] voor de enen als voor de anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v10)

**11** Dit is nu de wet[^leviticus-7-11-13] van het dankoffer, dat men aan YHWH offeren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v11)

**12** Als hij dat tot[^leviticus-7-12-a] een[^leviticus-7-12-14] lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van[^leviticus-7-12-15] geroosterde meelbloem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v12)

**13** Naast de koeken zal hij tot zijn offergave gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v13)

**14** En[^leviticus-7-14-16] één daarvan uit de hele offergave zal hij aan YHWH als[^leviticus-7-14-17] hefoffer offeren;[^leviticus-7-14-18] het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v14)

**15** Maar het vlees van het lofoffer van zijn dankoffer zal op de dag[^leviticus-7-15-19] van zijn offergave gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v15)

**16** En zo het slachtoffer van zijn offergave een[^leviticus-7-16-20] gelofte, of[^leviticus-7-16-21] vrijwillig offer is,[^leviticus-7-16-b] dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook op de andere dag gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v16)

**17** Wat nog van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, zal op de derde dag met vuur verbrand worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v17)

**18** Want zo[^leviticus-7-18-22] enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet[^leviticus-7-18-23] aangenaam zijn; het zal hem niet[^leviticus-7-18-24] toegerekend worden, het[^leviticus-7-18-25] zal een afgrijselijk ding zijn; en[^leviticus-7-18-26] de ziel, die daarvan eet, zal[^leviticus-7-18-27] haar ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v18)

**19** En[^leviticus-7-19-28] het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar[^leviticus-7-19-29] aangaande het andere vlees, dat vlees zal[^leviticus-7-19-30] een ieder, die rein is, mogen eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v19)

**20** Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is,[^leviticus-7-20-c] gegeten zal hebben, en haar[^leviticus-7-20-31] onreinheid aan haar is, zo zal die ziel[^leviticus-7-20-32] uit haar volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v20)

**21** En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinheid van de mens, of het onreine vee, of enig onrein[^leviticus-7-21-33] gruwel, en zal van het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v21)

**22** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v22)

**23** Spreek tot de Israëlieten, zeggende:[^leviticus-7-23-34] Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v23)

**24** Maar het vet van een kadaver, en het vet van het verscheurde, mag tot[^leviticus-7-24-35] alle werk[^leviticus-7-24-36] gebezigd worden;[^leviticus-7-24-37] maar u zult het geheel niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v24)

**25** Want al wie het vet van vee eten zal, van dat men aan YHWH een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v25)

**26** [^leviticus-7-26-d] Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v26)

**27** Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v27)

**28** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v28)

**29** Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wie zijn dankoffer voor YHWH offert,[^leviticus-7-29-38] zal zijn offergave[^leviticus-7-29-39] van zijn dankoffer voor YHWH toebrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v29)

**30** Zijn handen zullen de vuuroffers van YHWH brengen; het vet[^leviticus-7-30-40] aan de borst zal hij met die borst brengen,[^leviticus-7-30-e] om die tot een[^leviticus-7-30-41] beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v30)

**31** En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v31)

**32** U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer de priester geven, uit uw dankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v32)

**33** Wie uit de zonen van Aäron het bloed van het dankoffer en het vet offert, die zal de[^leviticus-7-33-42] rechterschouder ten dele zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v33)

**34** Want[^leviticus-7-34-f] de[^leviticus-7-34-43] beweegborst en de[^leviticus-7-34-44] hefschouder heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en heb die aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een[^leviticus-7-34-45] eeuwige inzetting gegeven, van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v34)

**35** Dit is[^leviticus-7-35-46] de zalving van Aäron en de zalving van zijn zonen, van de vuuroffers van[^leviticus-7-35-47] YHWH; op de dag als[^leviticus-7-35-48] Hij hen deed naderen, om het priesterdom voor YHWH te bedienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v35)

**36** [^leviticus-7-36-49] Dat YHWH hun van de Israëlieten te geven geboden heeft, op de dag als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v36)

**37** Dit is de wet van het brandoffer, van het voedseloffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het[^leviticus-7-37-50] dankoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v37)

**38** Die YHWH Mozes op de berg Sinaï geboden heeft, op de dag als Hij de Israëlieten gebood, dat zij hun offergaven aan YHWH, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/7.html#v38)

[^leviticus-7-1-1]: Kanttekening 1: van het schuldoffer: Zie boven, Lev. 5:6 . Leviticus 5:6 : En tot zijn schuldoffer aan YHWH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.
[^leviticus-7-1-2]: Kanttekening 2: heiligheid van de heiligheden: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-7-2-3]: Kanttekening 3: In de plaats: Zie van deze plaats boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-7-2-4]: Kanttekening 4: zij het: Namelijk, de priesters.
[^leviticus-7-2-5]: Kanttekening 5: brandoffer slachten: Zie van dit offer boven, Lev. 6:9 . Leviticus 6:9 : Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is wat door de branding op het altaar de ganse nacht tot aan de morgen opvaart; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
[^leviticus-7-2-6]: Kanttekening 6: en zal daarvan bloed rondom op het altaar sprengen: Dat door één van de priesters gebeuren moest. Zie boven, Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^leviticus-7-4-7]: Kanttekening 7: met de nieren: Zie boven, Lev. 3:4 . Leviticus 3:4 : Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
[^leviticus-7-6-8]: Kanttekening 8: in de heilige plaats zal het gegeten worden: Zie boven, Lev. 6:16 . Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
[^leviticus-7-7-9]: Kanttekening 9: het zal van de priester zijn: Te weten, het offer.
[^leviticus-7-7-10]: Kanttekening 10: gedaan zal hebben: Namelijk, bedienende deze ceremonie die de verzoening betekende, en wees op de Messias, die haar verwerven zou. Zie boven, Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-7-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, zonder olie of drankoffer, gelijk de spijsoffers voor de zonde waren, boven, Lev. 5:11 en de ijveroffers; Num. 5:15 . Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Numeri 5:15 : Dan zal die man zijn huisvrouw tot de priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, omdat het een spijsoffer van de ijveringen is, een spijsoffer van de gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.
[^leviticus-7-10-12]: Kanttekening 12: voor de enen als voor de anderen: Hebreeuws, van de man als van zijn broer.
[^leviticus-7-11-13]: Kanttekening 13: van het dankoffer: Zie boven, Lev. 3:1 . Leviticus 3:1 : En als zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-7-12-a]: Verwijzing a: Ps. 116:17 . Psalmen 116:17 : Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en de Naam van YHWH aanroepen.
[^leviticus-7-12-14]: Kanttekening 14: lof offer : Of, beken-offer : waardoor men de weldaden van God ontvangen, met ootmoed en eerbieding openlijk bekende en prees, en God voor dezelven dankte. Zie van dit offer ook onder, Lev. 22:29 ; 2 Kron. 29:31 en 33:16 ; Psalm 50:14 . Leviticus 22:29 : En als u een lofoffer voor YHWH zult slachten, naar uw wil zult u het slachten. 2 Kronieken 29:31 : En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen YHWH gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis van YHWH; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van hart brandofferen. 2 Kronieken 33:16 : En hij richtte het altaar van YHWH toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zei tot Juda, dat zij YHWH, de God van Israël, dienen zouden. Psalmen 50:14 : Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften.
[^leviticus-7-12-15]: Kanttekening 15: geroost meelbloem: Zie boven, Lev. 6:21 . Leviticus 6:21 : Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroost zult u het brengen; en de gebakken stukken van het spijsoffer zult u offeren, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-7-14-16]: Kanttekening 16: een daarvan: Te weten, één van de gedesemde broden, in vers 13 vermeld. Leviticus 7:13 : Naast de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer.
[^leviticus-7-14-17]: Kanttekening 17: hefoffer offeren: Versta, een offerande, die in het offeren door de priester omhoog geheven werd. Zie daarvan ook onder, vers 32 ; Ex. 29:27 , 29:28 , en vergelijk hiermee onder de aantekeningen op vers 30 . Leviticus 7:32 : U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer aan de priester geven, uit uw dankofferen. Exodus 29:27 : En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat Aärons, en van wat dat van zijn zonen is. Exodus 29:28 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen van Israël; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen van Israël zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor YHWH zijn. Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^leviticus-7-14-18]: Kanttekening 18: het zal voor de priester zijn: Te weten, het hefoffer.
[^leviticus-7-15-19]: Kanttekening 19: van de offerande daarvan gegeten worden: Dat is, wanneer de offerande gebeuren zal.
[^leviticus-7-16-20]: Kanttekening 20: Versta, een godsdienstige belofte, aan de Heer vrijwilliglijk gedaan van wat voor hem geoorloofd en in onze macht is, ter ere Gods en tot bewijs van dankbaarheid. Vergelijk Num. 30:2 . Numeri 30:2 : Wanneer een man YHWH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.
[^leviticus-7-16-21]: Kanttekening 21: vrijwillig offer is: Dat is, dat iemand, niet genoodzaakt zijnde door enige wet, uit enkele mildheid van zijn hart aan de Heer opofferde. Zie van zulk een offer ook onder, Lev. 22:23 ; Ez. 46:12 . Leviticus 22:23 : Maar een os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult u tot een vrijwillig offer bereiden; maar tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn. Ezechiël 46:12 : En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer voor YHWH, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op de sabbatdag; en als hij weer uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn.
[^leviticus-7-16-b]: Verwijzing b: Lev. 19:6 . Leviticus 19:6 : Op de dag van uw offeren, en van de anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op de derde dag overblijft zal met vuur verbrand worden.
[^leviticus-7-18-22]: Kanttekening 22: enigszins van dat vlees: Hebreeuws, etende gegeten werd.
[^leviticus-7-18-23]: Kanttekening 23: aangenaam zijn: Te weten, voor de Heer.
[^leviticus-7-18-24]: Kanttekening 24: toegerekend worden: Voor een aangenaam dankoffer.
[^leviticus-7-18-25]: Kanttekening 25: een afgrijselijk ding zijn: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat door oudheid van kwade reuk en kleur geworden is.
[^leviticus-7-18-26]: Kanttekening 26: de ziel: Dat is, mens; zo in het volgende.
[^leviticus-7-18-27]: Kanttekening 27: haar ongerechtigheid dragen: Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-7-19-28]: Kanttekening 28: het vlees: Van het dankoffer, zie vers 18 , 7:20 . Leviticus 7:18 : Want zo enigszins van dat vlees zijn dankoffers op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen. Leviticus 7:20 : Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.
[^leviticus-7-19-29]: Kanttekening 29: aangaande het andere vlees: Te weten, wat nog overgebleven is en niets onreins aangeroerd heeft.
[^leviticus-7-19-30]: Kanttekening 30: een ieder, die rein is: Te weten, van de priesters en van degenen, die de offerande brengen om geofferd te worden.
[^leviticus-7-20-c]: Verwijzing c: Lev. 15:3 . Leviticus 15:3 : Dit nu zal zijn onreinigheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinigheid.
[^leviticus-7-20-31]: Kanttekening 31: onreinigheid aan haar is: Versta, ceremoniële onreinheid, waarvan de mens zich nog niet zal gereinigd hebben, gelijk hierna Lev. 21 en Lev. 22 geboden wordt.
[^leviticus-7-20-32]: Kanttekening 32: uit haar volken uitgeroeid worden: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^leviticus-7-21-33]: Kanttekening 33: Dat is, enig ding wat voor onrein verklaard, en daarom verfoeilijk en te schuwen is.
[^leviticus-7-23-34]: Kanttekening 34: Geen vet van een os: Zie boven, Lev. 3:17 . Leviticus 3:17 : Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten.
[^leviticus-7-24-35]: Kanttekening 35: alle werk: Dat is, allerlei.
[^leviticus-7-24-36]: Kanttekening 36: gebezigd worden: Hebreeuws, gedaan.
[^leviticus-7-24-37]: Kanttekening 37: maar u zult het ganselijk niet eten: Hebreeuws, etende zult u dat niet eten.
[^leviticus-7-26-d]: Verwijzing d: Gen. 9:4 ; boven, Lev. 3:17 ; onder, Lev. 17:14 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 3:17 : Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten. Leviticus 17:14 : Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen van Israël gezegd: U zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.
[^leviticus-7-29-38]: Kanttekening 38: zal zijn offerande: Te weten, hijzelf in persoon, niet een ander voor hem. Zie vers 30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^leviticus-7-29-39]: Kanttekening 39: van zijn dankoffer: Dat is, van die stukken of delen, die òf aan God geofferd, òf aan de priesters gegeven moesten worden.
[^leviticus-7-30-40]: Kanttekening 40: aan de borst: Of, met.
[^leviticus-7-30-e]: Verwijzing e: Ex. 29:24 . Exodus 29:24 : En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen zijn zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-7-30-41]: Kanttekening 41: Versta, naar sommiger mening, een offer, dat, wanneer het gedaan werd door de priester, naar de vier hoeken van de wereld moest bewogen worden; en is aldus onderscheiden van het hefoffer, dat slechts met opheffing naar boven bewogen werd; boven, vers 14 . Zie ook van dit beweegoffer onder, Lev. 8:27 , en Lev. 9:21 . Leviticus 7:14 : En een daarvan uit de gehele offerande zal hij YHWH ten hefoffer offeren; het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt. Leviticus 8:27 : En hij gaf dat alles in de handen van Aäron, en in de handen van zijn zonen; en bewoog die ten beweegoffer, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 9:21 : Maar de borsten en de rechterschouder bewoog Aäron ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH, gelijk als Mozes geboden had.
[^leviticus-7-33-42]: Kanttekening 42: rechterschouder ten dele zijn: Zie Ex. 29:22 . Exodus 29:22 : Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat daaraan is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vulofferen;
[^leviticus-7-34-f]: Verwijzing f: Ex. 29:27 ; Num. 18:11 . Exodus 29:27 : En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat Aärons, en van wat dat zijn zonen is. Numeri 18:11 : Ook zal dit het uw zijn: het hefoffer hun gave, met alle beweegofferen van de kinderen van Israël; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.
[^leviticus-7-34-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, borst van de beweging. Zie boven, vers 14 . Leviticus 7:14 : En een daarvan uit de gehele offerande zal hij YHWH ten hefoffer offeren; het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt.
[^leviticus-7-34-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, schouder van de opheffing.
[^leviticus-7-34-45]: Kanttekening 45: eeuwige inzetting: Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^leviticus-7-35-46]: Kanttekening 46: de zalving van Aäron en de zalving van zijn zonen: Dat is, het recht en de wettelijke portie, dat Aäron en zijn zonen, vanwege hun priesterambt, waartoe zij beroepen en door de zalving ingewijd zijn, toebehoort.
[^leviticus-7-35-47]: Kanttekening 47: ten dage: Dat is, van die dag af, dat zij in hun ambt ingewijd zijn.
[^leviticus-7-35-48]: Kanttekening 48: Hij hen deed naderen: Mozes, of God door Mozes; anders, als hij zal doen naderen; te weten, Aäron.
[^leviticus-7-36-49]: Kanttekening 49: Te weten, deel.
[^leviticus-7-37-50]: Kanttekening 50: vuloffers en van het dankoffer: Of, van het wijoffer. Hebreeuws, van de vervullingen; want aan de priesters, toen zij in hun ambt gesteld werden, zijn de handen met offeranden gevuld geweest. Of, met die offerande werd hun bevestiging in het priesterlijke ambt vervuld. Zie Ex. 28:41 , en Ex. 29:9 , en Ex. 32:29 , onder, Lev. 8:33 ; 1 Kon. 13:33 ; Ez. 43:26 . Exodus 28:41 : En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Exodus 29:9 : En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen. Exodus 32:29 : Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen YHWH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat Hij heden een zegen over u geve! Leviticus 8:33 : Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffer; want zeven dagen zal men uw handen vullen. 1 Koningen 13:33 : Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten. Ezechiël 43:26 : Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.

### Leviticus 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/8.json)

*Nadat Mozes, overeenkomstig Gods bevel, de gemeente van de Israëlieten verzameld had, vers 1, enz. wast hij Aäron en zijn zonen, 6. Trekt Aäron de hogepriesterlijke kleren aan, 7. zalft de tabernakel met het altaar en het wasvat, 10. zalft Aäron, 12. doet zijn zonen de heilige kleren aan, 13. brengt voor hen offergaven, 14. voegt daar nog andere plechtigheden bij rondom hun ledematen en kleren; met een spijsoffer, 23. geeft hun enige geboden, 31. die zij nakomen, 36.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v1)

**2** [^leviticus-8-2-a] Neem Aäron en zijn zonen met hem, en[^leviticus-8-2-1] de kleren, en[^leviticus-8-2-2] de[^leviticus-8-2-b] zalfolie, daartoe de stier[^leviticus-8-2-3] van het zondoffer, en de twee rammen, en de[^leviticus-8-2-4] mand van de ongezuurde broden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v2)

**3** En verzamel de hele gemeenschap aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v3)

**4** Mozes nu deed, zoals YHWH hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v4)

**5** Toen zei Mozes tot de vergadering: Dit is[^leviticus-8-5-5] de zaak,[^leviticus-8-5-c] die YHWH geboden heeft te doen.[^leviticus-8-5-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v5)

**6** En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen, en waste hen met[^leviticus-8-6-7] dat water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v6)

**7** [^leviticus-8-7-d] Daar deed hij[^leviticus-8-7-8] hem[^leviticus-8-7-9] de rok aan, en gordde hem met de gordel, en trok hem de mantel aan; en deed hij hem[^leviticus-8-7-10] de efod aan, en gordde die met de kunstige riem van de efod, en ombond hem daarmee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v7)

**8** Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de[^leviticus-8-8-e] borstlap[^leviticus-8-8-11] de Urim en de Thummim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v8)

**9** En hij zette de tulband op zijn hoofd; en aan de tulband[^leviticus-8-9-12] boven zijn aangezicht zette hij de gouden[^leviticus-8-9-13] plaat,[^leviticus-8-9-14] de kroon van de[^leviticus-8-9-f] heiligheid, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v9)

**10** Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de[^leviticus-8-10-15] tabernakel, en al wat daarin was, en[^leviticus-8-10-16] heiligde ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v10)

**11** En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het[^leviticus-8-11-17] wasvat en zijn voet, om die te heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v11)

**12** Daarna[^leviticus-8-12-g] goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v12)

**13** Ook deed Mozes de zonen van Aäron naderen, en trok hun onderkleding aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun hoofddoeken op,[^leviticus-8-13-h] zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v13)

**14** [^leviticus-8-14-i] Toen deed hij de stier van het zondoffer bijeenkomen; en Aäron en zijn zonen[^leviticus-8-14-18] legden hun handen op het hoofd van de stier van het zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v14)

**15** En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en[^leviticus-8-15-19] ontzondigde het altaar; daarna goot hij[^leviticus-8-15-20] het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor[^leviticus-8-15-21] verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v15)

**16** Verder nam hij al het vet, dat[^leviticus-8-16-22] aan het binnenste is, en het net van de lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v16)

**17** Maar de stier met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand,[^leviticus-8-17-k] zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v17)

**18** Daarna deed hij de ram van het brandoffer bijbrengen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v18)

**19** En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v19)

**20** [^leviticus-8-20-23] Hij deelde ook de ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het smeer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v20)

**21** Maar het binnenste en de poten waste hij[^leviticus-8-21-24] met water; en Mozes stak die hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer[^leviticus-8-21-25] tot een liefelijke reuk, een vuuroffer was het voor YHWH, zoals[^leviticus-8-21-l] YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v21)

**22** Daarna deed hij de andere ram, de ram[^leviticus-8-22-26] van het vuloffer, bijbrengen; en Aäron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v22)

**23** En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het[^leviticus-8-23-27] lapje van Aärons rechteroor, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v23)

**24** Hij deed ook de zonen van Aäron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes[^leviticus-8-24-28] dat bloed rondom op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v24)

**25** [^leviticus-8-25-m] En hij nam het vet, en de staart, en al het vet, dat aan het binnenste is, en het net van de lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe de rechterschouder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v25)

**26** Ook nam hij uit de mand van de ongezuurde broden, die[^leviticus-8-26-29] voor het aangezicht van YHWH was, één ongezuurde koek, en[^leviticus-8-26-30] één geoliede broodkoek, en één platte koek; en hij legde ze op dat vet, en op de rechterschouder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v26)

**27** [^leviticus-8-27-n] En hij gaf dat alles in de[^leviticus-8-27-31] handen van Aäron, en in de handen van zijn zonen; en bewoog die als[^leviticus-8-27-32] beweegoffer, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v27)

**28** Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren[^leviticus-8-28-33] vuloffers tot een liefelijke reuk; het was een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v28)

**29** Verder nam Mozes de borst, en bewoog ze als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; zij werd Mozes ten[^leviticus-8-29-34] dele van de ram van het[^leviticus-8-29-o] vuloffer, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v29)

**30** [^leviticus-8-30-p] Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren van zijn zonen met hem; en[^leviticus-8-30-35] hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren van zijn zonen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v30)

**31** En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Kook dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst,[^leviticus-8-31-q] en eet het daar, en ook het brood, dat in de mand van het vuloffer is; zoals ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen[^leviticus-8-31-36] dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v31)

**32** Maar het overige van het vlees en van het brood zult u met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v32)

**33** Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffer; want zeven dagen zal[^leviticus-8-33-37] men uw handen vullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v33)

**34** Zoals men gedaan heeft op deze dag, heeft YHWH te doen geboden, om voor u verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v34)

**35** U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de[^leviticus-8-35-38] wacht van YHWH[^leviticus-8-35-39] waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v35)

**36** Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH[^leviticus-8-36-40] door de dienst van Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/8.html#v36)

[^leviticus-8-2-a]: Verwijzing a: Ex. 28:1 ; idem v. 2 . Exodus 28:1 : Daarna zult u uw broer Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen van Israël, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. Exodus 28:2 : En u zult voor uw broer Aäron heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.
[^leviticus-8-2-1]: Kanttekening 1: Versta, de heilige en priesterlijke kleren, welke God bevolen had te maken, Ex. 28:2 , en naar dit bevel zijn gemaakt geweest, Ex. 39:1 . Exodus 28:2 : En u zult voor uw broer Aäron heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. Exodus 39:1 : Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleren, die voor Aäron waren, gelijk YHWH aan Mozes geboden had.
[^leviticus-8-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, olie van de zalving; zo in het volgende. Zie van deze, Ex. 30:23 , 30:24 , 30:25 , en Ex. 37:29 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:24 : Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen een hin; Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn. Exodus 37:29 : Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk van de zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.
[^leviticus-8-2-b]: Verwijzing b: Ex. 30:25 . Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn.
[^leviticus-8-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, die tot een zondoffer geofferd moest zijn. Zie hiervan en van de volgende dingen, Ex. 29:1 , enz. Exodus 29:1 : Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;
[^leviticus-8-2-4]: Kanttekening 4: Waarin de ongedesemde of ongezuurde dingen zijn die men God heeft geofferd.
[^leviticus-8-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, het woord. Zie Gen. 20:10 . Genesis 20:10 : Verder zei Abimelech tot Abraham: Wat hebt u gezien, dat u deze zaak gedaan hebt?
[^leviticus-8-5-c]: Verwijzing c: Ex. 29:4 . Exodus 29:4 : Alsdan zult u Aäron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent van de samenkomst; en u zult hen met water groeien.
[^leviticus-8-5-6]: Kanttekening 6: geboden heeft te doen: Zie Ex. 29 en Ex. 30 , en vergelijk die twee hoofdstukken met dit.
[^leviticus-8-6-7]: Kanttekening 7: dat water: Zie boven, Lev. 6:28 , en onder, vers 11 . Leviticus 6:28 : En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden. Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.
[^leviticus-8-7-d]: Verwijzing d: Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^leviticus-8-7-8]: Kanttekening 8: Namelijk Aäron.
[^leviticus-8-7-9]: Kanttekening 9: de rok: Zie van dit priesterlijk gewaad, Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^leviticus-8-7-10]: Kanttekening 10: de efod: Zie van dit kleed, Ex. 28:4 , 28:6 , 28:7 . Het was tweeërlei: het ene, van de hogepriester, van kostelijke stof gemaakt, Ex. 28:6 , waarvan hier gesproken wordt; het andere van linnen voor de andere priesters, de Levieten en de koningen, 1 Sam. 2:18 , en 1 Sam. 22:18 ; 1 Kron. 15:27 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen. Exodus 28:6 : En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk. Exodus 28:7 : Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmee hij samengevoegd zal worden. Exodus 28:6 : En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk. 1 Samuël 2:18 : Maar Samuël diende voor het aangezicht van YHWH, zijnde een jongeling, omgord met de linnen lijfrok. 1 Samuël 22:18 : Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen. 1 Kronieken 15:27 : David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen van de zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.
[^leviticus-8-8-e]: Verwijzing e: Ex. 28:30 . Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-8-8-11]: Kanttekening 11: de Urim en de Thummim: Zie van deze Ex. 28:30 . De woorden betekenen lichten en volmaaktheden, dingen die niet door enige kunsten van de mensen zijn gemaakt geweest, maar door God aan Mozes gegeven, om die aan de heilige borstlap te voegen. Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-8-9-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, tegenover; vergelijk Ex. 28:37 , 28:38 , en Ex. 29:6 . Exodus 28:37 : En u zult die aanhechten met een hemelsblauw snoer, zo dat zij aan de hoed zij; aan de voorste zijde van de hoed zal zij zijn. Exodus 28:38 : En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid van de heilige dingen, welke de kinderen van Israël zullen geheiligd hebben, in alle gaven van hun geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om hen voor het aangezicht van YHWH aangenaam te maken. Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten.
[^leviticus-8-9-13]: Kanttekening 13: gouden plaat: Of, blad. Hebreeuws, de bloem van het goud.
[^leviticus-8-9-14]: Kanttekening 14: kroon van de heiligheid: Zo genoemd, omdat zij \[zoals enige schrijven\] bijna als een kroon gemaakt was. Zie verder Ex. 29:6 . Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten.
[^leviticus-8-9-f]: Verwijzing f: Ex. 28:36 ; Ex. 29:6 . Exodus 28:36 : Verder zult u een plaat maken van louter goud, en u zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: De HEILIGHEID DES YHWH! Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten.
[^leviticus-8-10-15]: Kanttekening 15: De tent van de samenkomst.
[^leviticus-8-10-16]: Kanttekening 16: heiligde ze: Dat is, heeft die afgezonderd tot een heilig gebruik. Zo in vers 11 , 8:12 , idem Gen. 2:3 ; Ex. 28:41 , en Ex. 29:1 ; 2 Kron. 7:7 ; Joël 1:14 . Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen. Leviticus 8:12 : Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. Genesis 2:3 : En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij daarop gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken. Exodus 28:41 : En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Exodus 29:1 : Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen; 2 Kronieken 7:7 : En Salomo heiligde het middelste van de voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar de brandofferen en het vette van de dankofferen bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet vatten. Joël 1:14 : Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, uw God, en roept tot YHWH.
[^leviticus-8-11-17]: Kanttekening 17: Dat is, een vat, waarin de priesters, wanneer zij in de tabernakel gingen, hun handen en voeten, en ook het vlees van de offeranden en het gereedschap, tot de godsdienst behorende, wiesen. Zie Ex. 30:18 , 30:19 , 30:20 , en Ex. 40:7 , 40:30 , en boven, Lev. 6:28 . Exodus 30:18 : U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen; Exodus 30:19 : Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten. Exodus 30:20 : Wanneer zij in de tent van de samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer voor YHWH aansteken; Exodus 40:7 : En u zult het wasvat zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en u zult water daar in doen. Exodus 40:30 : Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen. Leviticus 6:28 : En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
[^leviticus-8-12-g]: Verwijzing g: Ps. 133:2 . Psalmen 133:2 : Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom zijn kleren.
[^leviticus-8-13-h]: Verwijzing h: Ex. 29:9 . Exodus 29:9 : En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand zijn zonen.
[^leviticus-8-14-i]: Verwijzing i: Ex. 29:1 . Exodus 29:1 : Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;
[^leviticus-8-14-18]: Kanttekening 18: Anders, steunden, of leunden met hun handen op het hoofd, enz., zo onder vers 18 . Zie boven, Lev. 1:4 . Leviticus 8:18 : Daarna deed hij de ram van het brandoffer bijbrengen; en Aäron en zijn zonen leiden hun handen op het hoofd van de ram. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-8-15-19]: Kanttekening 19: Te weten, het andere, of overige van het bloed. Zie Ex. 29:12 . Exodus 29:12 : Daarna zult u van het bloed van de var nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar.
[^leviticus-8-15-20]: Kanttekening 20: ontzondigde het altaar: Dat is, zonderde hem af van het algemeen en onheilig gebruik. Zo Ex. 29:36 , en onder, Lev. 14:49 . Exodus 29:36 : U zult ook dagelijks een var van het zondoffer bereiden, tot de verzoeningen, en u zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening daarover; en u zult het zalven, om het te heiligen. Leviticus 14:49 : Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^leviticus-8-15-21]: Kanttekening 21: daarvoor verzoening te doen: Dat is, om door deze offeranden die tot een heilig gebruik bekwaam te maken, of, om op hem verzoening te doen; dat is, om daarop de offeranden van de verzoening voor de mensen te offeren. Zo ook Ex. 29:36 . Exodus 29:36 : U zult ook dagelijks een var van het zondoffer bereiden, tot de verzoeningen, en u zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening daarover; en u zult het zalven, om het te heiligen.
[^leviticus-8-16-22]: Kanttekening 22: Anders op, over.
[^leviticus-8-17-k]: Verwijzing k: Ex. 29:14 ; boven, Lev. 4:11 . Exodus 29:14 : Maar het vlees van het var, en zijn vel, en zijn drek, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. Leviticus 4:11 : Maar de huid van die var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest;
[^leviticus-8-20-23]: Kanttekening 23: Zie boven, Lev. 1:6 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-8-21-24]: Kanttekening 24: met water: Zie boven, vers 11 . Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.
[^leviticus-8-21-25]: Kanttekening 25: een liefelijken reuk: Zie boven, Lev. 1:9 , en Gen. 8:21 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^leviticus-8-21-l]: Verwijzing l: Ex. 29:18 . Exodus 29:18 : Zo zult u de heel ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer YHWH.
[^leviticus-8-22-26]: Kanttekening 26: van het vuloffer: Hebreeuws, van de vervullingen; dat is, met welke ramsofferande zij in hun priesterambt bevestigd werden. Zie boven, Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^leviticus-8-23-27]: Kanttekening 27: het lapje: Versta, het tere en weke van het onderste deel van het oor, anders genoemd het oorlapje, of oortipje.
[^leviticus-8-24-28]: Kanttekening 28: dat bloed: Te weten, het andere of overige bloed; zo boven, vers 15 . Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor verzoening te doen.
[^leviticus-8-25-m]: Verwijzing m: Ex. 29:22 . Exodus 29:22 : Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelfde is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vulofferen;
[^leviticus-8-26-29]: Kanttekening 29: voor het aangezicht: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-8-26-30]: Kanttekening 30: een geölieden broodkoek: Hebreeuws, een koek van het brood van de olie.
[^leviticus-8-27-n]: Verwijzing n: Ex. 29:24 . Exodus 29:24 : En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen zijn zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-8-27-31]: Kanttekening 31: handen van Aäron: Hebreeuws, palmen; en zo in het volgende.
[^leviticus-8-27-32]: Kanttekening 32: Zie boven, Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^leviticus-8-28-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, vervullingen; en zo in het volgende. Zie boven, Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^leviticus-8-29-34]: Kanttekening 34: dele van de ram van het vuloffer: Welverstaande ten aanzien van die tijd, toen het priesterschap eerst ingesteld werd en Mozes het ambt van een extraordinair priester bediende. Want daarna heeft hij dat niet meer gedaan, zich houdende bij de bediening van het politieke en profetische ambt, en zijn kinderen onder de gemene Levieten stellende.
[^leviticus-8-29-o]: Verwijzing o: Ex. 29:26 ; boven, Lev. 7:33 . Exodus 29:26 : En neem de borst van de ram van de vulofferen, die van Aäron is, en beweeg hem ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; en het zal u ten dele zijn. Leviticus 7:33 : Wie uit de zonen van Aäron het bloed van het dankoffer en het vet offert, die zal de rechterschouder ten dele zijn.
[^leviticus-8-30-p]: Verwijzing p: Ex. 29:21 . Exodus 29:21 : Dan zult u nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en u zult op Aäron en op zijn kleren sprengen, en op zijn zonen en op de kleren zijn zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn kleren, ook zijn zonen, en de kleren zijn zonen met hem.
[^leviticus-8-30-35]: Kanttekening 35: hij heiligde Aäron: Zie boven, vers 10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^leviticus-8-31-q]: Verwijzing q: Ex. 29:32 ; onder, Lev. 24:9 . Exodus 29:32 : Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de korf zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting.
[^leviticus-8-31-36]: Kanttekening 36: dat eten: Te weten, het overige van het vlees en brood, dat in de korf is.
[^leviticus-8-33-37]: Kanttekening 37: uw handen vullen: Dat is, door zekere ceremoniën in uw priesterambt bevestigen. Zie boven, Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^leviticus-8-35-38]: Kanttekening 38: wacht van YHWH waarnemen: Of, deze ordinantie van de Heer onderhouden. Versta, de schuldige plicht van de priesters in het waarnemen en onderhouden van al wat hun in de tabernakel te doen bevolen was, en bijzonder wat deze hun wijding aanging. Vergelijk Num. 3:7 , 3:8 , en Num. 9:19 ; 2 Kon. 11:5 . Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen; Numeri 3:8 : En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de wacht van de kinderen van Israël waarnemen, om de dienst van het tabernakel te bedienen. Numeri 9:19 : En als de wolk vele dagen over de tabernakel verbleef, zo namen de kinderen van Israël de wacht van YHWH waar, en verreisden niet. 2 Koningen 11:5 : En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning;
[^leviticus-8-35-39]: Kanttekening 39: opdat u niet sterft: Gelijk Nadab en Abihu naderhand wedervaren is, toen zij, tegen de ordinantie, vreemd vuur aan de Heer geofferd hebben.
[^leviticus-8-36-40]: Kanttekening 40: door de dienst van Mozes geboden had: Hebreeuws, door de hand van Mozes; dat is, door zijn dienst en beleid. Zie Ex. 4:13 ; zo onder, Lev. 10:11 ; Num. 16:40 ; Joz. 14:2 . Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zoudt zenden. Leviticus 10:11 : En om de kinderen van Israël te leren al de inzettingen, die YHWH door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had. Jozua 14:2 : Door het lot van hun erfenis, gelijk als YHWH door de dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en de halve stam.

### Leviticus 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/9.json)

*Aäron wordt bevolen de dienst van zijn priesterlijk ambt aan te vangen, vers 1, enz. Hij doet dat, en offert eerst voor zichzelf, 8. Daarna voor het volk, 15. Dat hij ook zegent, 22. God bevestigt deze dienst met een teken, 24.*

**1** En het gebeurde op[^leviticus-9-1-1] de achtste dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en[^leviticus-9-1-2] de oudsten van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v1)

**2** En hij zei tot Aäron:[^leviticus-9-2-a] Neem[^leviticus-9-2-3] u een kalf, een[^leviticus-9-2-4] jong rund, als zondoffer, en een ram als brandoffer, die volkomen zijn; en breng[^leviticus-9-2-5] ze voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v2)

**3** Daarna spreek tot de Israëlieten, zeggende: Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf, en een lam,[^leviticus-9-3-6] eenjarig, volkomen, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v3)

**4** Ook een os en ram als dankoffer, om voor het aangezicht van YHWH te offeren; en voedseloffer met olie gemengd; want vandaag[^leviticus-9-4-7] zal YHWH u verschijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v4)

**5** Toen namen zij wat Mozes geboden had, en brachten dat tot[^leviticus-9-5-8] voor aan de tent van de samenkomst; en de hele gemeenschap naderde, en stond voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v5)

**6** En Mozes zei: Deze zaak, die YHWH geboden heeft, zult u doen; en de[^leviticus-9-6-9] heerlijkheid van YHWH zal u verschijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v6)

**7** En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw[^leviticus-9-7-b] zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening[^leviticus-9-7-10] voor u en voor het volk; maak daarna de offergave van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, zoals YHWH geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v7)

**8** Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte[^leviticus-9-8-11] het kalf van het zondoffer, dat[^leviticus-9-8-12] voor hem was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v8)

**9** En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v9)

**10** Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar[^leviticus-9-10-13] aangestoken, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v10)

**11** Maar het vlees, en de[^leviticus-9-11-14] huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v11)

**12** Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van[^leviticus-9-12-15] Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v12)

**13** Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v13)

**14** En hij waste het binnenste en de poten; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v14)

**15** Daarna deed hij de offergave[^leviticus-9-15-c] van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die[^leviticus-9-15-16] voor het volk was, en slachtte hem, en[^leviticus-9-15-17] bereidde hem als zondoffer, zoals het[^leviticus-9-15-18] eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v15)

**16** Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe[^leviticus-9-16-19] naar het recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v16)

**17** En hij deed[^leviticus-9-17-d] het[^leviticus-9-17-20] voedseloffer toebrengen, en vulde[^leviticus-9-17-21] daarvan zijn hand, en stak het aan op het[^leviticus-9-17-22][^leviticus-9-17-e] altaar, naast het morgenbrandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v17)

**18** Daarna slachtte hij de os, en de ram als dankoffer, dat[^leviticus-9-18-23] voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, dat hij rondom op het altaar sprengde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v18)

**19** En het vet van de os, en van de ram, de staart, en[^leviticus-9-19-24] wat het binnenste bedekt, en de nieren, en het net van de lever; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v19)

**20** En zij leiden het vet op de borsten; en[^leviticus-9-20-25] hij stak dat vet aan op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v20)

**21** Maar de borsten en[^leviticus-9-21-f] de rechterschouder bewoog Aäron als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH, zoals Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v21)

**22** Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en[^leviticus-9-22-26] zegende hen; en[^leviticus-9-22-27] hij kwam af,[^leviticus-9-22-28] nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v22)

**23** Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en[^leviticus-9-23-29] zegenden het volk; en de[^leviticus-9-23-30] heerlijkheid van YHWH verscheen aan al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v23)

**24** Want[^leviticus-9-24-g] een vuur ging uit[^leviticus-9-24-31] van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het hele volk dit zag,[^leviticus-9-24-32] zo juichten zij, en[^leviticus-9-24-33] vielen op hun aangezichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/9.html#v24)

[^leviticus-9-1-1]: Kanttekening 1: achtste dag: Welke volgde na de zeven dagen van de inwijding, waarvan boven gemeld is; Lev. 8:35 , vergelijk Ez. 43:26 , 43:27 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. Ezechiël 43:26 : Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen. Ezechiël 43:27 : Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heer YHWH.
[^leviticus-9-1-2]: Kanttekening 2: de oudsten van Israël: Zie boven, Lev. 4:15 . Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-9-2-a]: Verwijzing a: Ex. 29:1 . Exodus 29:1 : Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;
[^leviticus-9-2-3]: Kanttekening 3: u een kalf: Dat is, om voor u geslacht te worden. Zie onder, vers 8 . Leviticus 9:8 : Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
[^leviticus-9-2-4]: Kanttekening 4: jong rund: Hebreeuws, de zoon van een rund; dat is, een jonge os.
[^leviticus-9-2-5]: Kanttekening 5: voor het aangezicht van YHWH: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-9-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, zonen van één jaar; zo onder Lev. 14:10 . Leviticus 14:10 : En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^leviticus-9-4-7]: Kanttekening 7: zal YHWH u verschijnen: Hebreeuws, is u de Heer verschenen. Hij spreekt van de toekomstige geschiedenis; zie daarvan vers 23 , 9:24 , alsof die tegenwoordig en geschied ware, om de zekerheid en vastheid er van hun in te scherpen; zo Gen. 20:3 ; Ex. 9:3 ; Matt. 26:28 , enz. Leviticus 9:23 : Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen al het volk. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom 's nachts, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Exodus 9:3 : Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Mattheüs 26:28 : Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden.
[^leviticus-9-5-8]: Kanttekening 8: brengende dat : Dit is hier ingevoegd, omdat het woord nemen, wat voorgaat, dikwijls nog een ander woord met zich insluit, wat de zin aanvullen moet. Zie Gen. 12:15 . Anders, toen brachten zij wat Mozes geboden had tot, enz. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^leviticus-9-6-9]: Kanttekening 9: heerlijkheid van YHWH zal u verschijnen: Versta, de heerlijke tekenen van de openbaring van God door het vuur, wat van de Heer uitkwam, waardoor het brandoffer vanzelf aangestoken en verteerd werd. Zie onder, vers 23 , 9:24 . Vergelijk Ex. 24:16 , 24:17 , en Ex. 40:34 , 40:35 ; Ez. 43:2 . Leviticus 9:23 : Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen al het volk. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Exodus 24:16 : En de heerlijkheid van YHWH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk. Exodus 24:17 : En het aanzien van de heerlijkheid van YHWH was als een verterend vuur, op het opperste van die berg, in de ogen van de kinderen van Israël. Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Exodus 40:35 : Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van YHWH de tabernakel vervulde. Ezechiël 43:2 : En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.
[^leviticus-9-7-b]: Verwijzing b: onder, Lev. 16:6 ; Hebr. 7:27 . Leviticus 16:6 : Daarna zal Aäron de var van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen. Hebreeën 7:27 : Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.
[^leviticus-9-7-10]: Kanttekening 10: voor u en voor het volk: Het eerst voor u, opdat u zo bekwaam mag wezen om de verzoening voor het volk te doen, als u zelf eerst verzoend zult zijn. Want de Levietische priesters, zondaars zijnde, moesten ook voor zichzelven offeren; Hebr. 7:27 , 7:28 . Hebreeën 7:27 : Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft. Hebreeën 7:28 : Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in eeuwigheid geheiligd is.
[^leviticus-9-8-11]: Kanttekening 11: het kalf van het zondoffer: Dat is, wat voor de zonde geofferd moest wezen. Vergelijk onder de aantekening op vers 15 . Leviticus 9:15 : Daarna deed hij de offerande van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste.
[^leviticus-9-8-12]: Kanttekening 12: voor hem was: Zie boven, vers 2 . Leviticus 9:2 : En hij zei tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-9-10-13]: Kanttekening 13: Dat is, bereid en toegemaakt om aangestoken en verbrand te worden. Zo onder, Lev. 13:14 , 13:17 , 13:20 . Want het is meteen daarna aangestoken en verteerd met vuur, dat wonderbaarlijk uit de hemel viel of uit het heilige van de heiligen voortkwam; onder, vers 24 . Leviticus 13:14 : Maar ten welke dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. Leviticus 13:17 : Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein. Leviticus 13:20 : Als de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.
[^leviticus-9-11-14]: Kanttekening 14: huid verbrandde hij met vuur: Met alles wat nog overig was van dit kalf. Vergelijk boven, Lev. 4:11 . Leviticus 4:11 : Maar de huid van die var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest;
[^leviticus-9-12-15]: Kanttekening 15: leverden aan hem het bloed: Hebreeuws, deden aan hem vinden; dat is, leverden, langden hem, of, dienden hem aan, of brachten tot hem. Zo in vers 13 , 9:18 , enz. Leviticus 9:13 : Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. Leviticus 9:18 : Daarna slachtte hij de os, en de ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, dat hij rondom op het altaar sprengde;
[^leviticus-9-15-c]: Verwijzing c: boven, Lev. 4:13 . Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden;
[^leviticus-9-15-16]: Kanttekening 16: voor het volk was: Of, van het volk; dat is die voor het volk geofferd zou worden. Vergelijk boven, vers 8 , de aantekeningen. Leviticus 9:8 : Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
[^leviticus-9-15-17]: Kanttekening 17: bereidde hem ten zondoffer: Hebreeuws, hij maakte hem zonde; dat is, hij bereidde hem tot een offer voor de zonde. Of, hij ontzondigde hem; dat is, met hem ontzondigde hij, te weten, het volk. Dat is, hij reinigde het van zijn zonden; welverstaande, niet inderdaad, maar in de betekenis, wijzende op de enige offerande van Christus, welke alleen dadelijk de zonde wegnemen kan; Hebr. 9 en Hebr. 10 . Zie boven, Lev. 4:20 , waarom hij ook gezegd wordt: ons zonde gemaakt te zijn; 2 Kor. 5:21 . Leviticus 4:20 : En hij zal deze var doen, gelijk als hij de var van het zondoffer gedaan heeft, zo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^leviticus-9-15-18]: Kanttekening 18: Te weten, offer van het kalf. Zie boven, vers 2 , 9:8 . Leviticus 9:2 : En hij zei tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 9:8 : Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
[^leviticus-9-16-19]: Kanttekening 19: naar het recht: Dat is, naar de wettelijke wijze, gelijk dat gebeuren moest. Zie boven, Lev. 5:10 . Leviticus 5:10 : En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
[^leviticus-9-17-d]: Verwijzing d: boven, Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^leviticus-9-17-20]: Kanttekening 20: spijsoffer toebrengen: Dat altijd bij het brandoffer gaan moest, gelijk af te nemen is boven uit Lev. 6 .
[^leviticus-9-17-21]: Kanttekening 21: daarvan zijn hand: Te weten, van de meelbloem, waaruit het spijsoffer bestond. Zie boven, Lev. 2:2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit de meelbloem daarvan, en uit de olie daarvan, met al de wierook daarvan; en de priester zal het gedenkoffer daarvan aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-9-17-22]: Kanttekening 22: het morgenbrandoffer: Dat is, dat op iederen morgen gewoon met spijsoffer geofferd moest worden. Zie Ex. 29:38 , 29:39 , 29:40 . Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, dagelijks, geduriglijk. Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.
[^leviticus-9-17-e]: Verwijzing e: Ex. 29:38 . Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, van het dag, geduriglijk.
[^leviticus-9-18-23]: Kanttekening 23: voor het volk was: Te weten, om daarvoor geslacht te worden. Vergelijk boven de aantekeningen op vers 8 . Leviticus 9:8 : Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
[^leviticus-9-19-24]: Kanttekening 24: wat het ingewand bedekt: Versta, het vet, dat het ingewand bedekt. Vergelijk boven, Lev. 3:3 , 3:9 , 3:14 , en Lev. 4:8 , en Lev. 7:3 , enz., uit welke plaatsen dit woord ingewand hier tot aanvulling van de zin ingevoegd is. Leviticus 3:3 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor YHWH offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is. Leviticus 3:9 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor YHWH offeren; zijn vet, de hele staart, die hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 3:14 : Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer voor YHWH; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 4:8 : Verder, al het vet van de var van het zondoffer zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 7:3 : En daarvan zal men al zijn vet offeren, de staart, en het vet, dat het ingewand bedekt;
[^leviticus-9-20-25]: Kanttekening 25: hij stak dat vet aan: Namelijk, Aäron.
[^leviticus-9-21-f]: Verwijzing f: boven, Lev. 7:32 . Leviticus 7:32 : U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer de priester geven, uit uw dankofferen.
[^leviticus-9-22-26]: Kanttekening 26: zegende hen: Te weten, als priester, wiens ambt was, de geestelijke goederen met leren, offeren en bidden het volk van God uit te delen. De publieke zegening nu is geweest een soort van gebed, waarvan wij het formulier lezen, Num. 6:23 . Numeri 6:23 : Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de kinderen van Israël zegenen, zeggende tot hen:
[^leviticus-9-22-27]: Kanttekening 27: hij kwam af: Te weten, van het kleine heuveltje, niet steil, maar ellengskens opgaande, waarop het altaar stond, zodat men bekwamelijk rondom zien kon wat er op geschiedde. Vergelijk Ex. 20:26 ; anders, afgekomen zijnde. Exodus 20:26 : U zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte daarvoor niet ontdekt worde.
[^leviticus-9-22-28]: Kanttekening 28: nadat hij het zondoffer: Hebreeuws, van het doen van het zondoffer, van het brandoffer, enz.
[^leviticus-9-23-29]: Kanttekening 29: zegenden het volk: Te weten, als dienaar van God over zijn gemeente. Welke zegening openlijk geschiedde, met aanroeping van de goddelijke naam, naar het voorschrift van Num. 6:24 , enz. Zie ook daarvan Deut. 10:8 . Numeri 6:24 : YHWH zegene u, en behoede u! Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^leviticus-9-23-30]: Kanttekening 30: heerlijkheid van YHWH verscheen al het volk: Zie vers 24 , en boven, vers 6 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Leviticus 9:6 : En Mozes zei: Deze zaak, die YHWH geboden heeft, zult u doen; en de heerlijkheid van YHWH zal u verschijnen.
[^leviticus-9-24-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 18:38 ; 2 Kron. 7:1 . 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis.
[^leviticus-9-24-31]: Kanttekening 31: van het aangezicht van YHWH: Dat is, van het heilige van de heiligen, genoemd met de hele tabernakel het huis van God; 1 Sam. 3:15 ; 1 Kron. 6:31 , 6:32 , waar de ark van het verbond was, een teken van Gods aanwezigheid; of versta dit van de hemel, die de woning van de Heer genoemd werd; Deut. 26:15 ; 2 Kron. 30:27 ; Jes. 63:15 , vanwaar ten tijde van Elias het vuur over zijn offerande gevallen is; 1 Kon. 18:38 . 1 Samuël 3:15 : Samuël nu lag tot aan de morgen; toen deed hij de deuren van het huis van YHWH open; maar Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven. 1 Kronieken 6:31 : Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van YHWH, nadat de ark tot rust gekomen was. 1 Kronieken 6:32 : En zij dienden voor de tabernakel van de tent van de samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis van YHWH te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt. Deuteronomium 26:15 : Zie naar beneden van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, gelijk als U onze vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende. 2 Kronieken 30:27 : Toen stonden de Levietische priesters op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in de hemel. Jesaja 63:15 : Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel van Uw ingewand en van Uw barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was.
[^leviticus-9-24-32]: Kanttekening 32: zo juichten zij: Dat is, zij hebben een vreugdegeschrei, of vrolijk geroep gemaakt.
[^leviticus-9-24-33]: Kanttekening 33: vielen op hun aangezichten: Tot een teken van ootmoedigen eerbied. Zie Gen. 17:3 . Genesis 17:3 : Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

### Leviticus 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/10.json)

*Nadab en Abihu, die zich bezondigden, worden door het vuur van de HEERE gedood, vers 1, enz. Mozes, die hun vader Aäron vermaand had, laat hun dode lichamen buiten het kamp brengen, 4. Verbiedt Aäron en zijn twee andere zonen daarover rouw te dragen, 6. Alsmede wijn of enige sterke drank te gebruiken wanneer zij de tent van de samenkomst zouden binnengaan, 8. Hij verklaart hun ook wat zij van de vuuroffers van de HEERE moesten eten, 12. en is vertoornd over het niet-gegeten zondoffer, 16. maar wordt door Aäron gekalmeerd, 19.*

**1** En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn[^leviticus-10-1-1] wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en[^leviticus-10-1-2] brachten[^leviticus-10-1-3] vreemd vuur[^leviticus-10-1-4] voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v1)

**2** Toen ging een vuur uit[^leviticus-10-2-5] van het aangezicht van YHWH, en[^leviticus-10-2-6] verteerde hen; en[^leviticus-10-2-a] zij stierven[^leviticus-10-2-7] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v2)

**3** En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat YHWH gesproken heeft, zeggende:[^leviticus-10-3-b] In degenen,[^leviticus-10-3-9] die tot Mij naderen, zal Ik[^leviticus-10-3-10] geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron[^leviticus-10-3-11] zweeg stil.[^leviticus-10-3-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v3)

**4** En Mozes riep[^leviticus-10-4-12] Misael en Elzafan, de zonen van[^leviticus-10-4-13] Uzziël, de oom van Aäron, en zei tot hen: Treed toe, draagt uw[^leviticus-10-4-14] broers weg, van voor het heiligdom[^leviticus-10-4-15] tot buiten het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v4)

**5** Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun onderkleding, tot buiten het leger, zoals Mozes gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v5)

**6** En Mozes zei tot Aäron, en tot[^leviticus-10-6-16] Eleazar, en tot Ithamar, zijn[^leviticus-10-6-17] zonen: U zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw kleren verscheuren, opdat u niet sterft,[^leviticus-10-6-18] en grote toorn over de hele gemeenschap kome; maar uw[^leviticus-10-6-19] broers, het hele huis van Israël,[^leviticus-10-6-20] zullen deze brand, die YHWH aangestoken heeft, bewenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v6)

**7** [^leviticus-10-7-c] U zult ook uit de deur van de tent van de[^leviticus-10-7-21] samenkomst niet uitgaan, opdat u niet sterft; want de[^leviticus-10-7-22] zalfolie van YHWH is op u. En zij deden naar het woord van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v7)

**8** En YHWH sprak tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v8)

**9** Wijn en[^leviticus-10-9-23] sterke drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u,[^leviticus-10-9-24] als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een[^leviticus-10-9-25] eeuwige inzetting onder uw geslachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v9)

**10** En om onderscheid te maken[^leviticus-10-10-26] tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v10)

**11** En om de Israëlieten te leren al de voorschriften, die YHWH door de[^leviticus-10-11-27] dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v11)

**12** En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het voedseloffer, dat van de vuuroffers van YHWH overgebleven is, en eet het[^leviticus-10-12-28] ongezuurd bij het[^leviticus-10-12-29] altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden.[^leviticus-10-12-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v12)

**13** Daarom zult u dat eten[^leviticus-10-13-31] in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuuroffers van YHWH is;[^leviticus-10-13-d] want zo is mij geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v13)

**14** Ook de[^leviticus-10-14-32] beweegborst en de[^leviticus-10-14-33] hefschouder zult u in een[^leviticus-10-14-34] reine plaats eten, u, en van uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankoffers van de Israëlieten gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v14)

**15** De hefschouder en de beweegborst zullen zij naast de vuuroffers van het vet toebrengen, om als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen;[^leviticus-10-15-35] dat, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, zoals YHWH geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v15)

**16** En Mozes[^leviticus-10-16-36] zocht zeer ijverig de[^leviticus-10-16-37] bok van het zondoffer; en ziet, hij was verbrand. Daarom was hij op Eleazar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aäron,[^leviticus-10-16-38] zeer boos, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v16)

**17** Waarom hebt u dat zondoffer niet gegeten in de[^leviticus-10-17-39] heilige plaats? Want het is een heiligheid van de heiligheden, en[^leviticus-10-17-40] Hij heeft u dat gegeven, opdat u de ongerechtigheid van de vergadering[^leviticus-10-17-41] zou dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v17)

**18** Zie, daarvan bloed is niet binnen in het[^leviticus-10-18-42] heiligdom gedragen; u moest dat[^leviticus-10-18-43] geheel gegeten hebben[^leviticus-10-18-44] in het heiligdom,[^leviticus-10-18-e] zoals ik geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v18)

**19** Toen sprak Aäron tot Mozes: Zie, vandaag hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht van YHWH geofferd, en zulke dingen zijn mij[^leviticus-10-19-45] overkomen; en had ik vandaag het zondoffer gegeten, zou dat[^leviticus-10-19-46] goed geweest zijn in de ogen van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v19)

**20** Als Mozes dit hoorde, zo was het goed in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/10.html#v20)

[^leviticus-10-1-1]: Kanttekening 1: Een vat om wierook er in aan te steken; zo ook Num. 16:17 . Het Hebreeuwse woord betekent ook een blusvat, Ex. 25:38 , en een koolpan; Ex. 27:3 . Numeri 16:17 : En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht van YHWH, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook u, en Aäron, een ieder zijn wierookvat. Exodus 25:38 : Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn. Exodus 25:38 : Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.
[^leviticus-10-1-2]: Kanttekening 2: Anders, offerden; dat is, meenden te offeren.
[^leviticus-10-1-3]: Kanttekening 3: vreemd vuur: Te weten, wat niet genomen was van het heilige vuur van het tabernakel; zie daarvan boven, Lev. 1:7 , en Lev. 6:12 . Leviticus 1:7 : En de zonen van Aäron, de priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken. Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken.
[^leviticus-10-1-4]: Kanttekening 4: voor het aangezicht: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-10-2-5]: Kanttekening 5: van het aangezicht: Zie boven, Lev. 9:24 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.
[^leviticus-10-2-6]: Kanttekening 6: verteerde hen: Dat is, doodde hen en verteerde hun leven. Want gelijk hun kleren, zo ook zijn hun lichamen in hun geheel gebleven, zodat zij door het vuur niet zijn verteerd geweest, gelijk blijkt uit vers 4 , 10:5 . Leviticus 10:4 : En Mozes riep Misael en Elzafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron, en zei tot hen: Treedt toe, draagt uw broers weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger. Leviticus 10:5 : Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun rokken, tot buiten het leger, gelijk als Mozes gesproken had.
[^leviticus-10-2-a]: Verwijzing a: Num. 3:4 ; Num. 26:61 ; 1 Kron. 24:2 . Numeri 3:4 : Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van YHWH, als zij vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron. Numeri 26:61 : Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van YHWH. 1 Kronieken 24:2 : Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt.
[^leviticus-10-2-7]: Kanttekening 7: voor het aangezicht: Dat is, in de voorhof van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-10-3-b]: Verwijzing b: boven, Lev. 8:35 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.
[^leviticus-10-3-9]: Kanttekening 9: die tot Mij naderen: Dat is, die Mij in de tabernakel dienen; te weten, de priesters. Zie Ex. 19:22 ; onder, Lev. 21:17 ; Ez. 42:13 , 42:14 . Exodus 19:22 : Daartoe zullen ook de priesters, die tot YHWH naderen, zich heiligen, dat YHWH niet tegen hen uitbreke. Leviticus 21:17 : Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om het voedsel van zijn God te offeren. Ezechiël 42:13 : Toen zei hij tot mij: De kamers van het noorden, en de kamers van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kamers, waarin de priesters, die tot YHWH naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; daar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig. Ezechiël 42:14 : Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in die zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is.
[^leviticus-10-3-10]: Kanttekening 10: geheiligd worden: Dat is, heilig verklaard worden, maar te straffen degenen, die mijn wetten niet onderhouden. Zo Ez. 28:22 . Zie dergelijk gebruik van het woord rechtvaardigen Ps. 41:6 . God wordt ook geheiligd als Hij zijn weldaden bewijst en daarover mild en goeddadig verklaard wordt; Ez. 20:41 . Ezechiël 28:22 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Psalmen 41:6 : Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? Ezechiël 20:41 : Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in die u zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen van de heidenen.
[^leviticus-10-3-11]: Kanttekening 11: zweeg stil: Niet murmurerende door ongeduld tegen de oordelen van God.
[^leviticus-10-3-8]: Kanttekening 8: gesproken heeft: Vergelijk boven, Lev. 8:35 , waar gesproken wordt van de straf van degenen, die hun ambt in de tabernakel niet wel zouden bedienen. Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.
[^leviticus-10-4-12]: Kanttekening 12: Misaël en Elzafan: Hebreeuws, Mischaël en Eltsaphan.
[^leviticus-10-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Huzziël , de broer van Amram, de vader van Aäron en Mozes. Ex. 6:17 en Num. 3:19 . Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. Numeri 3:19 : En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.
[^leviticus-10-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, bloedverwanten, want zij en Aäron waren broers-kinderen, maar Nadab en Abihu waren een lid verder. Zie Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^leviticus-10-4-15]: Kanttekening 15: buiten het leger: Om daar begraven te worden.
[^leviticus-10-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, Elhazar.
[^leviticus-10-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, u zult over Nadab en Abihu niet gebruiken enige rouw, waarvan tekenen waren de ontbloting van het hoofd en het scheuren van de kleren, onder, Lev. 13:45 , en Lev. 21:10 . Leviticus 13:45 : Verder zullen de kleren van de melaatsen, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! Leviticus 21:10 : En hij, die de hogepriester onder zijn broers is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn kleren scheuren.
[^leviticus-10-6-18]: Kanttekening 18: grote toorn over de gehele vergadering kome: Anders, en de Heer over de gehele vergadering zeer toornig worde.
[^leviticus-10-6-19]: Kanttekening 19: Zie Ex. 2:11 . Exodus 2:11 : En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broers, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broers sloeg.
[^leviticus-10-6-20]: Kanttekening 20: Waarmee Nadab en Abihu verbrand zijn.
[^leviticus-10-7-c]: Verwijzing c: onder, Lev. 21:12 . Leviticus 21:12 : En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijn Gods niet ontheilige, want de kroon van de zalfolie zijn Gods is op hem; Ik ben YHWH!
[^leviticus-10-7-21]: Kanttekening 21: niet uitgaan: Versta dit van de tegenwoordige tijd.
[^leviticus-10-7-22]: Kanttekening 22: Zie boven, Lev. 8:2 , 8:30 . Leviticus 8:2 : Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de kleren, en de zalfolie, daartoe de var van het zondoffer, en de twee rammen, en de korf van de ongezuurde broden; Leviticus 8:30 : Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren zijn zonen met hem.
[^leviticus-10-9-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord schechar (שֵׁכָ֞ר) betekent allerlei drank, waardoor de mensen dronken kunnen worden.
[^leviticus-10-9-24]: Kanttekening 24: als u gaan zult: Te weten, om uw priesterschap te bedienen.
[^leviticus-10-9-25]: Kanttekening 25: eeuwige inzetting: Hebreeuws, een inzetting van de eeuwigheid. Zie Gen. 13:15 , en boven, Lev. 3:17 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Leviticus 3:17 : Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten.
[^leviticus-10-10-26]: Kanttekening 26: Versta dit alles ten aanzien: ten eerste, van de leer, gelijk in het volgende vers enz., ten tweede, van de ceremoniën gelijk in Lev. 11 enz., ten derde, van de zeden, onder Lev. 18 , enz.
[^leviticus-10-11-27]: Kanttekening 27: door de dienst: Hebreeuws, door de hand. Zie boven, Lev. 8:36 . Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^leviticus-10-12-28]: Kanttekening 28: Of, ongezuurde koeken; gemaakt van de meelbloem van het spijsoffer, dat YHWH geofferd was. Zie boven, Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^leviticus-10-12-29]: Kanttekening 29: Te weten, van het brandoffer, dat was in de voorhof voor de deur van de tent van de samenkomst. Vergelijk boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-10-12-30]: Kanttekening 30: heiligheid van de heiligheden: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-10-13-31]: Kanttekening 31: heilige plaats: Dat is, bij het altaar, in vers 12 , in de voorhof van de Heer. Zie boven, Lev. 6:16 . Leviticus 10:12 : En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuurofferen van YHWH overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
[^leviticus-10-13-d]: Verwijzing d: boven, Lev. 2:3 ; boven, Lev. 6:16 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van het vuurofferen van YHWH. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
[^leviticus-10-14-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, de borst van de beweging, of, van het beweegoffer.
[^leviticus-10-14-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, de schouder van de opheffing, of, van het hefoffer.
[^leviticus-10-14-34]: Kanttekening 34: reine plaats: Reine, te weten, naar de wet van de ceremoniën, welke kon zijn ergens in het leger. Want niet alleen mochten de mannen, maar ook de vrouwen er van eten. Daarom is deze reine plaats te onderscheiden van de heilige, gemeld in vers 13 , welke was in de voorhof van de Heer. Leviticus 10:13 : Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uw zonen uit de vuurofferen van YHWH is; want zo is mij geboden.
[^leviticus-10-15-35]: Kanttekening 35: Of, dat u en uw zonen tot een bescheiden deel zal zijn eeuwig. Hebreeuws, tot een bescheiden deel van de eeuwigheid.
[^leviticus-10-16-36]: Kanttekening 36: zocht zeer naarstiglijk: Hebreeuws, zoekende zocht; dat is, hij zocht zeer vlijtiglijk.
[^leviticus-10-16-37]: Kanttekening 37: bok van het zondoffer: Die voor de zonde van het volk was geofferd geweest, boven, Lev. 9:15 , welverstaande het deel daarvan, dat de priester toekwam. Leviticus 9:15 : Daarna deed hij de offerande van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste.
[^leviticus-10-16-38]: Kanttekening 38: Omdat zij niet naar behoren hun ambt bediend hadden, hebbende verbrand wat zij moesten gegeten hebben.
[^leviticus-10-17-39]: Kanttekening 39: heilige plaats: Zie boven, vers 13 . Leviticus 10:13 : Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uw zonen uit de vuurofferen van YHWH is; want zo is mij geboden.
[^leviticus-10-17-40]: Kanttekening 40: Hij heeft u dat gegeven: De Heer.
[^leviticus-10-17-41]: Kanttekening 41: Zie Ex. 28:38 . Exodus 28:38 : En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid van de heilige dingen, welke de kinderen van Israël zullen geheiligd hebben, in alle gaven hun geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om hen voor het aangezicht van YHWH aangenaam te maken.
[^leviticus-10-18-42]: Kanttekening 42: heiligdom gedragen: Hebreeuws, heiligheid; dat is, in het eerste deel van het tabernakel, anders genaamd het heilige, in dat dit bloed moest gebracht zijn; zie boven, Lev. 4:5 , 4:16 ; als dit geschied ware, had de bok geheel moeten verbrand worden, namelijk buiten het leger. Zie boven, Lev. 4:12 , 4:21 , en Lev. 6:30 , en Lev. 16:27 . Leviticus 4:5 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. Leviticus 4:16 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var tot de tent van de samenkomst brengen. Leviticus 4:12 : En die hele var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden. Leviticus 4:21 : Daarna zal hij die var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij de eerste var verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente. Leviticus 6:30 : Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. Leviticus 16:27 : Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
[^leviticus-10-18-43]: Kanttekening 43: ganselijk gegeten hebben: Hebreeuws, etende moest u gegeten hebben.
[^leviticus-10-18-44]: Kanttekening 44: in het heiligdom: Dat is, bij het heiligdom in de voorhof, waar de heilige eetplaats was. Zie boven, vers 12 . Leviticus 10:12 : En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuurofferen van YHWH overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden.
[^leviticus-10-18-e]: Verwijzing e: boven, Lev. 4:5 ; boven, Lev. 6:26 ; onder, Lev. 16:27 . Leviticus 4:5 : Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de var nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. Leviticus 6:26 : De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. Leviticus 16:27 : Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan de bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
[^leviticus-10-19-45]: Kanttekening 45: Of, ontmoet, of bejegend; te weten, dat ik mijn twee zonen Nadab en Abihu verloren heb, en daarover geen rouw heb mogen dragen, zodat ik door het verdriet mijns harten van het offer niet heb kunnen eten.
[^leviticus-10-19-46]: Kanttekening 46: goed geweest zijn: Dat is, zou dat de Heer behagelijk en aangenaam geweest zijn? Te weten, dat ik, die nog in droefenis verkeer over de straf mijner twee zonen, met bedroefd gemoed het zondoffer zou gegeten hebben?

### Leviticus 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/11.json)

*Wetten over het onderscheid tussen reine en onreine dieren, niet alleen in het eten, zowel van grote viervoetige dieren, vers 1, enz. als van vissen, 9. van vogels, 13. en kruipende dieren, 20. maar ook in het aanraken van hun dode aas, 24. Eveneens van nog andere dieren die men voor onrein moest houden, 29. en hoe men van al deze onrein kon worden, 31. met een vermaning tot reinheid en heiligheid, 44. waarop het besluit van het hoofdstuk volgt, 47.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, zeggende:[^leviticus-11-2-a] Dit is het gedierte, dat u eten zult uit[^leviticus-11-2-1] alle beesten, die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v2)

**3** Al wat onder de beesten gespleten hoeven heeft,[^leviticus-11-3-2] en[^leviticus-11-3-3] de kloof van de klauwen in tweeën klieft,[^leviticus-11-3-4] en herkauwt, dat[^leviticus-11-3-5] zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v3)

**4** Deze toch zult u niet eten, van degenen,[^leviticus-11-4-6] die alleen herkauwen, of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want hij herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven[^leviticus-11-4-7]; die zal u onrein zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v4)

**5** En het[^leviticus-11-5-8] konijntje, want het herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; dat zal u onrein zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v5)

**6** En de haas, want hij herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die zal u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v6)

**7** Ook het zwijn, want dat heeft wel gespleten hoeven, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat[^leviticus-11-7-9] zal u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v7)

**8** Van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v8)

**9** Dit zult u eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren,[^leviticus-11-9-10] vinnen en schubben heeft, dat zult u eten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v9)

**10** Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel van de wateren, en van alle[^leviticus-11-10-11] levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u[^leviticus-11-10-12] een gruwel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v10)

**11** Ja, een gruwel zullen zij u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver zult u verafschuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v11)

**12** Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een gruwel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v12)

**13** En van het gevogelte zult u deze verafschuwen, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een gruwel zijn:[^leviticus-11-13-13] de adelaar, en de[^leviticus-11-13-14] havik, en de[^leviticus-11-13-15] zeearend, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v13)

**14** En de gier, en de[^leviticus-11-14-16] kraai, naar haar aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v14)

**15** Alle raven naar haar aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v15)

**16** En de[^leviticus-11-16-17] struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v16)

**17** En de steenuil, en de visarend, en de[^leviticus-11-17-18] ransuil, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v17)

**18** En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v18)

**19** En de[^leviticus-11-19-19] ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vleermuis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v19)

**20** Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een gruwel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v20)

**21** Dit toch zult u eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten[^leviticus-11-21-20] gaat, dat boven aan zijn voeten poten heeft, om daarmee op de aarde te springen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v21)

**22** Van die zult u deze eten: de[^leviticus-11-22-21] sprinkhaan naar zijn aard, en de[^leviticus-11-22-22] solham naar zijn aard, en de hargol naar zijn aard, en de hagab naar zijn aard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v22)

**23** En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een gruwel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v23)

**24** En[^leviticus-11-24-23] aan deze zult u[^leviticus-11-24-24] verontreinigd worden; zo wie hun kadaver zal aangeroerd hebben,[^leviticus-11-24-25] zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v24)

**25** Zo wie van hun kadaver gedragen zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v25)

**26** [^leviticus-11-26-26] Alle beest,[^leviticus-11-26-27] dat gespleten hoeven heeft, maar de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie het aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v26)

**27** En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun kadaver aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v27)

**28** Ook die hun kadaver zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; zij zullen u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v28)

**29** Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn:[^leviticus-11-29-28] het wezeltje, en de muis, en de[^leviticus-11-29-29] schildpad, naar haar aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v29)

**30** En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v30)

**31** [^leviticus-11-31-30] Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v31)

**32** Daartoe al wat, waarop iets daarvan vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn,[^leviticus-11-32-b] hetzij van alle houten voorwerp, of kleed, of huid, of zak, of alle voorwerp, waarmee enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal het rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v32)

**33** En alle aarden pot,[^leviticus-11-33-31] waarin iets daarvan zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en u zult dat breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v33)

**34** Van alle voedsel, dat men eet, waarop[^leviticus-11-34-32] het water zal gekomen zijn, dat zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle[^leviticus-11-34-33] voorwerp onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v34)

**35** En waarop iets van hun kadaver zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v35)

**36** Maar[^leviticus-11-36-34] een fontein, of put van vergadering van de wateren,[^leviticus-11-36-35] zal rein zijn; maar[^leviticus-11-36-36] wie hun kadaver zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v36)

**37** En wanneer van hun kadaver zal gevallen zijn op enig[^leviticus-11-37-37] zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v37)

**38** Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun kadaver daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v38)

**39** En wanneer van de dieren, die u tot voedsel zijn, iets zal gestorven zijn, wie daarvan kadaver zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v39)

**40** Ook die van hun kadaver[^leviticus-11-40-38] gegeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun kadaver zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v40)

**41** Verder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een gruwel zijn; het zal niet gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v41)

**42** Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten,[^leviticus-11-42-39] of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult u niet eten, want zij zijn een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v42)

**43** Maak[^leviticus-11-43-40] uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat u daaraan verontreinigd zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v43)

**44** [^leviticus-11-44-c] Want[^leviticus-11-44-41] Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u[^leviticus-11-44-42] zich heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v44)

**45** Want Ik ben YHWH, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u[^leviticus-11-45-43] tot een God zij,[^leviticus-11-45-44] en opdat u heilig bent, omdat Ik heilig ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v45)

**46** Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v46)

**47** Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/11.html#v47)

[^leviticus-11-2-a]: Verwijzing a: Deut. 14:4 ; Hand. 10:14 . Deuteronomium 14:4 : Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten; Handelingen 10:14 : Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.
[^leviticus-11-2-1]: Kanttekening 1: uit alle beesten: Hebreeuws, uit alle vee. Het Hebreeuwse woord is hier in het algemeen genomen; alsook Gen. 1:26 , en Gen. 6:7 , 6:20 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 6:7 : En YHWH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Genesis 6:20 : Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.
[^leviticus-11-3-2]: Kanttekening 2: de klauw verdeelt: Dat is, waarvan de hoef, of schoe, of nagel verdeeld is, dat zo niet is in de klauwen van de paarden, ezels, enz.
[^leviticus-11-3-3]: Kanttekening 3: de kloof van de klauwen in tweeën klieft: Dat is, zo verdeeld, dat zij de klauwen niet in velen gelijk in de honden, katten, enz. te zien is, maar in tweeën gespleten hebben, gelijk in de ossen, koeien, schapen, enz.
[^leviticus-11-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, het gekauwde weer ophaalt, en zo in het volgende. Versta, het gedierte, dat opnieuw kauwt wat het gekauwd en ingeslikt had, gelijk wij zien dat de ossen, koeien en schapen doen wanneer zij nedergezeten zijn. Drie conditiën of eigenschappen worden in deze reine dieren vereist: I. de verdeling van de klauwen; II. de klieving in tweeën; III. de herkauwing. De onderscheiding van de twee eerste conditiën is af te leiden niet alleen uit dit en het zevende vers , maar voornamelijk uit vers 26 . Leviticus 11:7 : Ook het zwijn, want dat verdeelt wel de klauw, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn. Leviticus 11:7 : Ook het zwijn, want dat verdeelt wel de klauw, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
[^leviticus-11-3-5]: Kanttekening 5: zult u eten: Dat is, dat mag u eten.
[^leviticus-11-4-6]: Kanttekening 6: die alleen herkauwen: Dat is, die alleen herkauwen zonder de andere eigenschappen te hebben; zo in de volgende woorden: die de klauwen alleen verdelen. Zie Deut. 14:6 . Deuteronomium 14:6 : Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult u eten.
[^leviticus-11-4-7]: Kanttekening 7: Versta, niet in tweeën, maar in meer delen, dat is tegen de tweede vereiste conditie, die ook niet is in de konijnen en hazen, vermeld in vers 5 , 11:6 . Leviticus 11:5 : En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet; dat zal u onrein zijn; Leviticus 11:6 : En de haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet; die zal u onrein zijn.
[^leviticus-11-5-8]: Kanttekening 8: Anders, bergmuis, of beermuis; een viervoetig gedierte van grootte als een egel en van gestalte als een muis en beer, wonende in de holen van de steenrotsen; zeer veel gevonden in Palestina.
[^leviticus-11-7-9]: Kanttekening 9: zal u onrein zijn: Want het heeft slechts de twee eerste conditiën en niet de derde.
[^leviticus-11-9-10]: Kanttekening 10: vinnen en schubben heeft: Te weten, beide samen. Daarom waren onder de vissen onrein: I. die noch vinnen, noch schubben hadden; II. die maar een van beide hadden.
[^leviticus-11-10-11]: Kanttekening 11: levende ziel: Zie Gen. 1:20 . Genesis 1:20 : En God zei: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
[^leviticus-11-10-12]: Kanttekening 12: een verfoeisel zijn: Dat is, wat men verfoeien moet te eten en, dood zijnde, aan te tasten, gelijk in vers 11 verklaard wordt. Leviticus 11:11 : Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun dood aas zult u verfoeien.
[^leviticus-11-13-13]: Kanttekening 13: de adelaar: In het vertalen van deze namen heeft men hier gevolgd het meest algemene gevoelen van de geleerden.
[^leviticus-11-13-14]: Kanttekening 14: Anders, de beenbreker; een soort van adelaars, die zijn jeugd vernieuwt; Ps. 103:5 . Psalmen 103:5 : Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als van een arend.
[^leviticus-11-13-15]: Kanttekening 15: Hij heeft de naam van de kracht en sterkte van zijn vliegen.
[^leviticus-11-14-16]: Kanttekening 16: Deze vogel wordt een goed en sterk gezicht toegeschreven; Job 28:7 . Job 28:7 : De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog van de kraai heeft het niet gezien.
[^leviticus-11-16-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, de dochter van de struis. Sommigen menen dat deze benaming daarvan komt, omdat onder deze vogels gene mannetjes, maar alleen vrouwtjes zouden zijn. Anderen, de uil.
[^leviticus-11-17-18]: Kanttekening 18: Een soort van een grote uil, of een vogel, die 's nachts vliegt, anders een huhu genaamd.
[^leviticus-11-19-19]: Kanttekening 19: Deze vogel heeft zijn naam van de weldadigheid, die hij zijn voorttelers bewijst, die zij voeden en helpen, wanneer zij door oudheid machteloos geworden zijn.
[^leviticus-11-21-20]: Kanttekening 20: dat boven aan zijn voeten schenkelen heeft: Anders, dat geen schenkelen heeft.
[^leviticus-11-22-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, Arbe. Dat deze in de oosterse landen gegeten werd, is te zien Matt. 3:4 ; Mark. 1:6 . Mattheüs 3:4 : En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. Marcus 1:6 : En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een leren gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
[^leviticus-11-22-22]: Kanttekening 22: solham, hargol, hagab: Deze drie namen worden hier gelaten gelijk zij in de Hebreeuwse tekst staan, omdat zij niet zo eigenlijk en zekerlijk bekend zijn. In het algemeen betekenen zij zekere soorten van diertjes, die de Latijnen Insecta noemen, beschreven in vers 21 . Leviticus 11:21 : Dit nochtans zult u eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, dat boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmee op de aarde te springen;
[^leviticus-11-24-23]: Kanttekening 23: aan deze: Te weten aan de navolgende dingen, welke verhaald worden van hier af tot en met vers 43 . Leviticus 11:43 : Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat u daaraan verontreinigd zoudt worden.
[^leviticus-11-24-24]: Kanttekening 24: verontreinigd worden: Te weten, met het aanroeren daarvan.
[^leviticus-11-24-25]: Kanttekening 25: zal onrein zijn: Dat is, hij zal vanwege zijn ceremoniëele onreinheid niet mogen verkeren met de mensen, veel minder in de voorhof van de Heer verschijnen, of van het geofferde eten, dan na de avond.
[^leviticus-11-26-26]: Kanttekening 26: Alle beest: Drieërlei soorten van beesten worden vermeld, door welke aan te roeren men verontreinigd werd. I. Onreine die groot waren, hier en in de twee volgende verzen. II. Onreine die klein waren, verzen 29 , 11:30 , 11:31 , etc. III. Reine, die vanzelf gestorven of verscheurd waren, vers 39 . Leviticus 11:29 : Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard; Leviticus 11:30 : En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol; Leviticus 11:31 : Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 11:39 : En wanneer van de dieren, die u tot voedsel zijn, iets zal gestorven zijn, wie daarvan dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-11-26-27]: Kanttekening 27: dat de klauw verdeelt: Dat is, dat de klauw wel verdeeld heeft, maar niet in twee alleen, gelijk de schapen en koeien, maar in meer delen, als daar zijn leeuwen, wolven, beren, honden, katten. Zie boven, vers 3 , 11:4 . Leviticus 11:3 : Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof van de klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult u eten. Leviticus 11:4 : Deze nochtans zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: de kameel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet; die zal u onrein zijn;
[^leviticus-11-29-28]: Kanttekening 28: het wezeltje: In het vertalen van deze namen hebben wij gevolgd wat de waarheid gelijkvormig scheen, en door het merendeel van de geleerden aangenomen werd.
[^leviticus-11-29-29]: Kanttekening 29: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat opgezwollen en als overwelfd is.
[^leviticus-11-31-30]: Kanttekening 30: Die zullen u onrein zijn: Versta, de voorgemelde dieren, welke onreinheid maakten, niet alleen gegeten, maar ook aangeroerd zijnde; gelijk dit verder blijkt uit het volgende.
[^leviticus-11-32-b]: Verwijzing b: onder, Lev. 15:12 . Leviticus 15:12 : Ook het aarden vat, dat hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten vat zal met water gespoeld worden.
[^leviticus-11-33-31]: Kanttekening 31: waarin iets van dezelfde zal gevallen zijn: Hebreeuws, dat vallen zal uit hetzelfde in zijn midden; dat is, in welks midden van het vat, of waarin iets van deze onreine dieren zal gevallen zijn, hetzij die dood of levend waren. Want zij mochten in geen geval aangeroerd worden.
[^leviticus-11-34-32]: Kanttekening 32: het water zal gekomen zijn: Te weten, waarmee men iets zal gewassen hebben van wat door het aanroeren van deze dingen onrein geworden was.
[^leviticus-11-34-33]: Kanttekening 33: vat onrein zijn: Namelijk, dat door het aanroeren van iets van deze dingen onrein geworden was.
[^leviticus-11-36-34]: Kanttekening 34: een fontein: Te weten, waarin één van deze onreine dieren zal gevallen, ingeworpen of gesmoord zijn.
[^leviticus-11-36-35]: Kanttekening 35: zal rein zijn: Dat is, dit water zal men niet behoeven uit te putten en weg te werpen als onrein, maar men zal het tot zijn behoefte mogen gebruiken.
[^leviticus-11-36-36]: Kanttekening 36: wie hun dood aas zal aangeroerd hebben: Dat is, welke persoon, of wat ding het dood aas aanroert, als dit uit de fontein of put, enz. getrokken wordt, waarin het gevallen was.
[^leviticus-11-37-37]: Kanttekening 37: zaaibaar zaad: Dat is, wat men placht te zaaien tot gebruik van de mensen of van de beesten, gelijk uit de volgende woorden te verstaan is.
[^leviticus-11-40-38]: Kanttekening 38: gegeten zal hebben: Versta dit eigenlijk van het eten uit onwetendheid, wanneer men niet wist dat het voedsel van zodanig dood aas toegemaakt was. Want overigens was het hun verboden van zodanig aas te eten; Deut. 14:21 . Deuteronomium 14:21 : U zult geen dood aas eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk YHWH, uw God. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder.
[^leviticus-11-42-39]: Kanttekening 39: al wat vele voeten heeft: Hebreeuws, tot al wat de voeten vermenigvuldigt.
[^leviticus-11-43-40]: Kanttekening 40: uw zielen niet verfoeilijk: Dat is, uw personen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-11-44-c]: Verwijzing c: onder, Lev. 19:2 ; onder, Lev. 20:7 ; 1 Petr. 1:16 . Leviticus 19:2 : Spreek tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben heilig! Leviticus 20:7 : Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben YHWH, uw God! 1 Petrus 1:16 : Daarom er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
[^leviticus-11-44-41]: Kanttekening 41: Ik ben YHWH: Uit de redenen, die God hier gebruikt, om zijn volk de voorgemelde wetten in te scherpen, blijkt dat de ceremoniëele reinheid is geweest een aanwijzing en aanleiding tot de ware geestelijke heiligmaking, die voornamelijk betracht moet worden. God neemt zijn redenen: I. van zijn natuur, die geestelijk en volkomen heilig is; II. van het einde, waartoe Hij de Israëlieten gekozen en geroepen had, dat was hun heiligmaking naar het lichaam en naar de geest; III. van de weldaad, die Hij hun bewees, hen geleid hebbende uit Egypte, om hen te brengen in het beloofde land; betekenende daarmee, dat Hij hen ook uit het geestelijke Egypte verlossen wilde, opdat zij hem hier kennen en dienen, en hierna in het hemelse Kanaän eeuwig met hem leven zouden.
[^leviticus-11-44-42]: Kanttekening 42: u heiligen: Dat is, reinigt u van alle besmetting van het lichaam en van de geest, en volbrengt de heiligmaking, dat is, de ware vernieuwing van het leven in de vrees voor God; 2 Kor. 7:1 . 2 Korinthiërs 7:1 : Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting van het vlees en van de geest, voleindigende de heiligmaking in de vrees voor God.
[^leviticus-11-45-43]: Kanttekening 43: tot een God zij: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^leviticus-11-45-44]: Kanttekening 44: en opdat u heilig bent: Of, weest dan heilig, want Ik ben heilig.

### Leviticus 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/12.json)

*Wetten over zowel de onreinheid van een kraamvrouw die van een zoon bevallen is, vers 1, enz. of van een dochter, 5. als haar reiniging, hetzij dat zij rijk was, 6. of arm, 8.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer een vrouw[^leviticus-12-2-1] zaad gegeven, en een jongetje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn;[^leviticus-12-2-2] volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn.[^leviticus-12-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v2)

**3** [^leviticus-12-3-a] En[^leviticus-12-3-4] op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v3)

**4** Daarna zal[^leviticus-12-4-5] zij drie en dertig dagen blijven[^leviticus-12-4-6] in het bloed van haar[^leviticus-12-4-7] reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, voordat de dagen van haar reiniging vervuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v4)

**5** Maar als zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee[^leviticus-12-5-8] weken onrein zijn,[^leviticus-12-5-9] volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed van haar reiniging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v5)

**6** En als de dagen van haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam als brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, als zondoffer brengen, voor de deur van de tent van de samenkomst, tot de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v6)

**7** Die zal dat offeren voor het aangezicht van YHWH, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van de vloed van haar bloed. Dit is de wet van degene, die een jongetje of meisje gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v7)

**8** Maar[^leviticus-12-8-10] als haar hand niet[^leviticus-12-8-11] genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, één als brandoffer, en één als[^leviticus-12-8-12] zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/12.html#v8)

[^leviticus-12-2-1]: Kanttekening 1: zaad gegeven: Versta hierdoor de ontvangenis van de mens, in het lichaam van de moeder, die niet alleen van de man, maar ook van de vrouw voortkomt. Want het woord betekent zaad geven en voortbrengen; Gen. 1:11 , 1:12 ; vergelijk Hebr. 11:11 . Genesis 1:11 : En God zei: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was zo. Genesis 1:12 : En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.
[^leviticus-12-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, gelijk zij zeven dagen onrein is in haar maandstonden, onder, Lev. 15:19 , zo zal zij ook zeven dagen onrein zijn, wanneer zij gebaard heeft. Leviticus 15:19 : Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-12-2-3]: Kanttekening 3: Zo genoemd, omdat zij in de tijd van haar stonden afgezonderd moest wezen van het gezelschap van de mensen, om door niemand aangeroerd te worden, dan met conditie dat de mensen, die haar of de dingen die haar lichaam raakten, en ook die deze aanroerden, zekeren tijd voor onrein moesten gehouden worden. Zie onder, Lev. 15:19 , 15:20 , 15:21 , enz. Leviticus 15:19 : Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:20 : En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. Leviticus 15:21 : En al wie haar leger aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-12-3-a]: Verwijzing a: Gen. 17:12 ; Lukas 1:59 ; Lukas 2:21 ; Joh. 7:22 . Genesis 17:12 : Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; Lukas 1:59 : En het geschiedde, dat zij op de achtsten dag kwamen, om het kind te besnijden, en noemden het Zacharias, naar de naam zijn vaders. Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was. Johannes 7:22 : Daarom heeft Mozes u de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en u besnijdt een mens op de sabbat.
[^leviticus-12-3-4]: Kanttekening 4: achtsten dag: Op welke de kraamvrouw van haar voorgaande onreinheid, waarvan vers 2 vrij was, zodat deze oorzaak de besnijdenis vóór deze dag niet gebeuren mocht, zijnde de moeder en het kind beiden onrein. Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering haar ziekte zal zij onrein zijn.
[^leviticus-12-4-5]: Kanttekening 5: drie en dertigdagen: Te weten, voordat zij voor geheel rein gehouden zal worden, blijvende niet geheel afgezonderd van het gezelschap van de mensen, gelijk in de eerste zeven dagen, maar alleen van het heiligdom en van de dingen, die tot de godsdienst behoorden.
[^leviticus-12-4-6]: Kanttekening 6: in het bloed haar reiniging: Hebreeuws, in het bloeden; dat is, in het bloed van haar maandstonden, waarvan zij eerst geheel moet gezuiverd zijn, voordat zij in het heiligdom van de Heer gaat.
[^leviticus-12-4-7]: Kanttekening 7: niets heiligs: Dat is, niets overigs van wat de Heer geofferd of geheiligd is geweest.
[^leviticus-12-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, noch eenmaal zolang als wanneer zij een zoontje gebaard had; gelijk zij ook nog eenmaal zolang uit het heiligdom moest blijven, dat is, zes en zestig dagen.
[^leviticus-12-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, gelijk wanneer zij van de mensen afgezonderd wordt, uit oorzaak van haar maandstonden. Zie boven, vers 2 . Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering haar ziekte zal zij onrein zijn.
[^leviticus-12-8-10]: Kanttekening 10: als haar hand: Dat is, als zij de macht of de middelen niet heeft zoveel op te brengen. Zie gelijke manier van spreken onder, Lev. 25:26 . De moeder van de Heer is ook zo arm geweest, dat zij het vermogen niet had om een lammetje te offeren; Luk. 2:24 . Leviticus 25:26 : En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing; Lukas 2:24 : En opdat zij offerande gaven, naar wat in de wet van de Heer gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.
[^leviticus-12-8-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, genoegzaamheid van een lam.
[^leviticus-12-8-12]: Kanttekening 12: Dit offer zag eigenlijk op de erfzonde, in welke, gelijk de kraamvrouw, zo ook haar vrucht ontvangen en geboren was; niemand uitgenomen, dan alleen onze Heer Jezus Christus.

### Leviticus 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/13.json)

*Wetten over de melaatsheid van de mens en de verschillende soorten daarvan, met de bepaling door wie en aan welke tekenen zij onderscheiden en beoordeeld moesten worden, vers 1, enz. Over de melaatsheid van het gezwel, 9. van de zweer, 18. van de brandwond, 24. van de schurft, 29. van de uitslag, 38. van de kaalheid en de voorhoofdskaalheid, 40. Over de plicht van de melaatse, 45. en over de melaatsheid in kleren, linnen, wol en vellen, 47.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v1)

**2** Een mens, als in de huid van zijn lichaam een[^leviticus-13-2-1] gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, die in de huid van zijn lichaam tot een[^leviticus-13-2-2] plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot één uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v2)

**3** En de priester zal de plaag in de huid van het vlees bekijken; zo het haar in die plaag[^leviticus-13-3-3] in wit veranderd is, en[^leviticus-13-3-4] het aanzien van de plaag dieper is dan de huid van zijn lichaam, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bekeken zal hebben, dan zal hij hem[^leviticus-13-3-5] onrein verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v3)

**4** Maar zo de blaar in de huid[^leviticus-13-4-6] van zijn vlees wit is, en haar aanzien niet dieper is dan de huid, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester[^leviticus-13-4-7] hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v4)

**5** Daarna zal de priester op de zevende dag hem bekijken; als, zie, de plaag,[^leviticus-13-5-8] naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in de huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v5)

**6** En de priester zal hem opnieuw op de zevende dag bekijken; als, zie, de plaag[^leviticus-13-6-9] ingetrokken, en de plaag in de huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem[^leviticus-13-6-10] rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij[^leviticus-13-6-11] rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v6)

**7** Maar zo de verzwering in de huid[^leviticus-13-7-12] geheel uitgespreid is, nadat hij aan de priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij opnieuw aan de priester vertoond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v7)

**8** Als de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in de huid uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v8)

**9** Wanneer[^leviticus-13-9-13] de plaag van de melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot de priester gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v9)

**10** Als de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in de huid is, dat het haar in wit veranderd heeft, en[^leviticus-13-10-14] gezondheid van[^leviticus-13-10-15] levend vlees in dat gezwel is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v10)

**11** Dat is een verouderde melaatsheid in de huid van zijn lichaam; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v11)

**12** En zo de[^leviticus-13-12-16] melaatsheid in de huid[^leviticus-13-12-17] geheel uitbreekt, en de melaatsheid[^leviticus-13-12-18] de hele huid van degene, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het[^leviticus-13-12-19] gezicht van de ogen van de priester; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v12)

**13** En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn hele vlees bedekt heeft, zo zal hij[^leviticus-13-13-20] hem, die de plaag heeft, rein verklaren;[^leviticus-13-13-21] zij is geheel in wit veranderd;[^leviticus-13-13-22] hij is rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v13)

**14** Maar op de dag dat[^leviticus-13-14-23] levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v14)

**15** Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v15)

**16** Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot de priester komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v16)

**17** Als de priester hem bekeken zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester[^leviticus-13-17-24] hem, die de plaag heeft,[^leviticus-13-17-25] rein verklaren; hij is rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v17)

**18** Het vlees ook, als in zijn huid een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v18)

**19** En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo[^leviticus-13-19-26] zal het aan de priester vertoond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v19)

**20** Als de priester merken zal, dat, ziet,[^leviticus-13-20-27] haar aanzien lager is dan de huid, en het haar daarvan in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v20)

**21** Wanneer nu de priester die bekeken zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan de huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v21)

**22** Zo zij daarna geheel in de huid uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren;[^leviticus-13-22-28] het is de plaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v22)

**23** Maar als de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de[^leviticus-13-23-29] roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v23)

**24** Of wanneer in de huid van het vlees een vurige brand zal geweest zijn, en[^leviticus-13-24-30] het gezonde van die brand een witte roodachtige of[^leviticus-13-24-31] witte blaar is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v24)

**25** En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan de huid; het is melaatsheid, door de brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v25)

**26** Maar als de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan de huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v26)

**27** Daarna zal de priester hem op de zevende dag bekijken; als[^leviticus-13-27-32] zij geheel uitgespreid is in de huid, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v27)

**28** Maar als de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in de huid uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van de brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de[^leviticus-13-28-33] roof van de brand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v28)

**29** Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in de baard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v29)

**30** En de priester de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan de huid, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurft, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v30)

**31** Maar als de priester de plaag van de schurft zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan de huid, en geen[^leviticus-13-31-34] zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag van de schurft heeft, zeven dagen doen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v31)

**32** Daarna zal de priester die plaag op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien van de schurft dieper dan de huid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v32)

**33** Zo[^leviticus-13-33-35] zal hij zich scheren laten; maar de schurft zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurft heeft, opnieuw zeven dagen doen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v33)

**34** Daarna zal de priester die schurft op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft in de huid niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan de huid, zo zal de priester hem[^leviticus-13-34-36] rein verklaren; en hij zal zijn kleren wassen, en rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v34)

**35** Maar als de schurft in de huid geheel uitgespreid is, na zijn reiniging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v35)

**36** En de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, de schurft in de huid uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar[^leviticus-13-36-37] niet zoeken; hij is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v36)

**37** Maar als die schurft,[^leviticus-13-37-38] naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gegroeid is, die schurft is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v37)

**38** Verder als een man, of vrouw, aan de huid van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v38)

**39** En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in de huid van hun vlees zijn; het is een witte[^leviticus-13-39-39] puist in de huid uitgebot,[^leviticus-13-39-40] hij is rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v39)

**40** En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v40)

**41** En zo van[^leviticus-13-41-41] de zijde van zijn aangezicht het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v41)

**42** Maar zo in[^leviticus-13-42-42] de kaalheid, of in het kale voorhoofd, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbrekende in zijn kaalheid, of in zijn kale voorhoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v42)

**43** Als de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of kale voorhoofd, wit roodachtig is,[^leviticus-13-43-43] zoals het aanzien van de melaatsheid van de huid van het vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v43)

**44** Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem[^leviticus-13-44-44] geheel onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v44)

**45** Verder zullen de kleren van[^leviticus-13-45-45] de melaatse, in wie die plaag is,[^leviticus-13-45-46] gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de[^leviticus-13-45-47] bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij[^leviticus-13-45-a] roepen: Onrein, onrein! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v45)

**46** Al de dagen, waarin deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij,[^leviticus-13-46-48] hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v46)

**47** Verder als aan een kleed de plaag van de melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v47)

**48** Of aan de[^leviticus-13-48-49] scheerdraad, of aan de inslag van linnen, of van wol, of aan huid, of aan enig[^leviticus-13-48-50] vellenwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v48)

**49** En die plaag aan het kleed, of aan de huid, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag van de melaatsheid; daarom zal zij de priester vertoond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v49)

**50** En de priester zal de plaag bekijken; en hij[^leviticus-13-50-51] zal wat de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v50)

**51** Daarna zal hij op de zevende dag de plaag bekijken; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan de huid, tot wat werk die huid zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een[^leviticus-13-51-52] kwaadaardige melaatsheid,[^leviticus-13-51-53] het is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v51)

**52** Daarom zal hij dat kleed, of dat weefsel, of die inslag van wol, of van linnen, of alle leren voorwerpen, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een kwaadaardige melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v52)

**53** Maar als de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp niet uitgespreid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v53)

**54** Zo zal de priester gebieden, dat men wat, waaraan die plaag is, wast, en hij zal dat opnieuw zeven dagen doen opsluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v54)

**55** Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, de plaag haar[^leviticus-13-55-54] gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, u zult het met vuur verbranden; het is een[^leviticus-13-55-55] ingraving[^leviticus-13-55-56] aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v55)

**56** Als nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van de huid, of van de scheerdraad, of van de inslag afscheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v56)

**57** Maar zo zij nog aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, gezien wordt, het is uitbrekende melaatsheid; u zult wat, waaraan de plaag is, met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v57)

**58** Maar het kledingstuk, of het weefsel, of de inslag, of elk leren voorwerp, dat u gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal opnieuw gewassen worden, en het zal rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v58)

**59** Dit is de wet van de plaag van de melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een weefsel, of een inslag, of enig leren voorwerp, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/13.html#v59)

[^leviticus-13-2-1]: Kanttekening 1: gezwel, of gezweer: Hebreeuws, verheffing.
[^leviticus-13-2-2]: Kanttekening 2: plaag van de melaatsheid: Of, een teken van de plaag van de melaatsheid, die wel terecht een plaag genoemd wordt, niet alleen in Lev. 13, maar ook onder, Lev. 14:3 ; Deut. 24:8 , enz.; want deze melaatsheid was een soort van kwade schurftheid, zeer besmettelijk en bij de mensen ongeneeslijk geacht, onderscheiden van de ziekte, die wij in deze landen lazerij of melaatsheid noemen, als veel zwaarder dan deze zijnde. Leviticus 14:3 : En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag van de melaatsheid van de melaatse genezen is; Deuteronomium 24:8 : Wacht u in de plaag van de melaatsheid, dat u naarstiglijk waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesters u zullen leren; gelijk als ik hun geboden heb, zult u waarnemen te doen.
[^leviticus-13-3-3]: Kanttekening 3: in : Het woordje in wordt hier, gelijk in enige volgende verzen ingevoegd uit onder, vers 16 , 13:17 , waar het uitgedrukt staat. Leviticus 13:16 : Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot de priester komen. Leviticus 13:17 : Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.
[^leviticus-13-3-4]: Kanttekening 4: het aanzien van de plaag: Dat is, het uitwijzen van de plaag, naardat zij zich in het gezicht en oordeel van de priester vertoont.
[^leviticus-13-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, ontreinigen, of onrein maken; dat is, onrein verklaren en uitspreken. Zo onder, vers 11 , 13:15 , enz.; zo is reinigen en rein maken zoveel als rein verklaren en uitspreken; onder, vers 6 , 13:13 , enz. Leviticus 13:11 : Dat is een verouderde melaatsheid in het vel zijn vleses; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein. Leviticus 13:15 : Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid. Leviticus 13:6 : En de priester zal hem andermaal op de zevende dag bezien; als, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij rein. Leviticus 13:13 : En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.
[^leviticus-13-4-6]: Kanttekening 6: zijn vleses: Te weten, van degene, die de plaag heeft.
[^leviticus-13-4-7]: Kanttekening 7: hem, die de plaag heeft: Hebreeuws, die plaag; dat is, de persoon, die de plaag heeft, of met de plaag bevangen is. Zo onder, vers 12 , 13:13 , 13:17 , 13:31 , enz. Leviticus 13:12 : En zo de melaatsheid in het vel ganselijk uitbot, en de melaatsheid het gehele vel van degene, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen van de priester; Leviticus 13:13 : En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein. Leviticus 13:17 : Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein. Leviticus 13:31 : Maar als de priester de plaag van de schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag van de schurftheid heeft, zeven dagen doen opsluiten.
[^leviticus-13-5-8]: Kanttekening 8: naar dat hij zien kan: Hebreeuws, in zijn ogen; dat is, naardat hij met zijn ogen zien en met zijn verstand beoordelen kan. Zo onder, vers 37 . Leviticus 13:37 : Maar als die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.
[^leviticus-13-6-9]: Kanttekening 9: Of, ingekrompen, of verduisterd.
[^leviticus-13-6-10]: Kanttekening 10: rein verklaren: Hebreeuws, reinigen, of rein maken; dat is, rein verklaren, uitspreken. Zie boven, vers 3 . Leviticus 13:3 : En de priester zal de plaag in het vel van het vlees bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan het vel zijn vleses, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.
[^leviticus-13-6-11]: Kanttekening 11: Te weten, van de plaag van de melaatsheid, gelijk af te nemen is uit vers 8 . Leviticus 13:8 : Als de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
[^leviticus-13-7-12]: Kanttekening 12: ganselijk uitgespreid is: Hebreeuws, uitspreidende uitgespreid; dat is, ganselijk of zeer uitgespreid. Zo ook onder, vers 22 , 13:27 , 13:35 . Leviticus 13:22 : Zo zij daarna geheel in het vel uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag. Leviticus 13:27 : Daarna zal de priester hem op de zevende dag bezien; als zij geheel uitgespreid is in het vel, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid. Leviticus 13:35 : Maar als de schurftheid in het vel geheel uitgespreid is, na zijn reiniging;
[^leviticus-13-9-13]: Kanttekening 13: plaag van de melaatsheid: Zie boven, vers 2 . Leviticus 13:2 : Een mens, als in het vel zijn vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijn vleses tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden.
[^leviticus-13-10-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, levendigheid.
[^leviticus-13-10-15]: Kanttekening 15: levend vlees: Versta, wat nog zijn gevoel heeft. Want door de melaatsheid wordt het als verstorven, zodat het ongevoelig wordt. En bemerkt hier, alsook onder, vers 14 , een algemeen teken om wel over deze melaatsheid te oordelen: namelijk, waar levend of gezond vlees met het ongezonde van verscheidene kleuren vermengd was, bleek dat zulks de rechte melaatsheid was; daarentegen, waar enerlei kleur gezien werd, dat zulks een andere zweer of gebrek was. Leviticus 13:14 : Maar ten welke dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.
[^leviticus-13-12-16]: Kanttekening 16: Dat is, gezwel, dat melaats schijnt te wezen, of het teken van de melaatsheid. Zo in vers 13 . Leviticus 13:13 : En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.
[^leviticus-13-12-17]: Kanttekening 17: ganselijk uitbot: Hebreeuws, uitbottende uitbot.
[^leviticus-13-12-18]: Kanttekening 18: gehele vel: Hebreeuws, het gehele vel van de plaag; dat is, van dengene die de plaag heeft. Zie boven, vers 4 en het volgende. Leviticus 13:4 : Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.
[^leviticus-13-12-19]: Kanttekening 19: gezicht van de ogen van de priester: Dat is, het aanschouwen en beoordelen van de priester.
[^leviticus-13-13-20]: Kanttekening 20: hem, die de plaag heeft: Hebreeuws, de plaag rein verklaren; dat is, hem die die plaag heeft; zo onder, vers 17 , enz. Leviticus 13:17 : Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.
[^leviticus-13-13-21]: Kanttekening 21: Te weten, de plaag.
[^leviticus-13-13-22]: Kanttekening 22: hij is rein: Dat is, hij die de plaag van de melaatsheid scheen te hebben, is daarvan vrij.
[^leviticus-13-14-23]: Kanttekening 23: levend vlees: Te weten, vermengd met het vlees, dat wit geworden was, zijnde de verscheidenheid van de kleuren een teken van de melaatsheid, maar de gelijkvormigheid een teken van de gezondheid of van enige andere verzwering. Zie boven, vers 10 . Leviticus 13:10 : Als de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, dat het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;
[^leviticus-13-17-24]: Kanttekening 24: hem, die de plaag heeft: Zie boven, vers 13 . Leviticus 13:13 : En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.
[^leviticus-13-17-25]: Kanttekening 25: rein verklaren: Hebreeuws, reinigen. Zie boven, vers 6 . Leviticus 13:6 : En de priester zal hem andermaal op de zevende dag bezien; als, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij rein.
[^leviticus-13-19-26]: Kanttekening 26: zal het: Te weten, het vlees, waaraan dat wit gezwel, enz. gekomen is.
[^leviticus-13-20-27]: Kanttekening 27: haar aanzien lager is dan het vel: Te weten, van de blaar of van het gezwel. Dit bijvoegsel is onder, vers 25 , uitgedrukt. Leviticus 13:25 : En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel; het is melaatsheid, door de brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid.
[^leviticus-13-22-28]: Kanttekening 28: Te weten, van de melaatsheid. Zie boven, vers 20 . Leviticus 13:20 : Als de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.
[^leviticus-13-23-29]: Kanttekening 29: roof van die zweer: Dat is, een litteken van de brand. Anders, een verbranding. Zo onder, vers 28 . Leviticus 13:28 : Maar als de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van de brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van de brand.
[^leviticus-13-24-30]: Kanttekening 30: gezonde van die brand: Hebreeuws, de levendigheid, of de gezondheid van de brand. Versta, het deel van het vlees, dat van de brand genezen en weer gezond geworden is.
[^leviticus-13-24-31]: Kanttekening 31: witte blaar is: Versta, alleen wit.
[^leviticus-13-27-32]: Kanttekening 32: geheel uitgespreid is: Hebreeuws, uitspreidende uitgespreid is.
[^leviticus-13-28-33]: Kanttekening 33: Vergelijk boven de aantekeningen op vers 23 . Leviticus 13:23 : Maar als de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;
[^leviticus-13-31-34]: Kanttekening 34: zwart haar: Dat een teken was van reinheid en gezondheid, onder, vers 37 , gelijk de geelachtigheid een teken van onreinheid en ongezondheid; boven, vers 30 . Leviticus 13:37 : Maar als die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren. Leviticus 13:30 : En de priester de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurftheid, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard.
[^leviticus-13-33-35]: Kanttekening 35: zal hij zich scheren laten: Hebreeuws, hij zal zich scheren; dat is, zich laten scheren.
[^leviticus-13-34-36]: Kanttekening 36: rein verklaren: Te weten, van de plaag van de melaatsheid; zo boven, vers 6 , 13:13 , en onder, vers 37 , 13:39 , 13:40 , 13:41 . Leviticus 13:6 : En de priester zal hem andermaal op de zevende dag bezien; als, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij rein. Leviticus 13:13 : En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein. Leviticus 13:37 : Maar als die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren. Leviticus 13:39 : En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vlees zijn; het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein. Leviticus 13:40 : En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. Leviticus 13:41 : En zo van de zijde zijn aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.
[^leviticus-13-36-37]: Kanttekening 37: niet zoeken: Dat is, daarop niet meer letten of achtgeven.
[^leviticus-13-37-38]: Kanttekening 38: naar dat hij zien kan: Hebreeuws, in zijn ogen. Zie boven, vers 5 . Leviticus 13:5 : Daarna zal de priester op de zevende dag hem bezien; als, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.
[^leviticus-13-39-39]: Kanttekening 39: witte puist: Of, witte plek.
[^leviticus-13-39-40]: Kanttekening 40: Te weten, van de plaag van de melaatsheid. Zie boven, vers 34 , zo in vers 40 , 13:41 . Leviticus 13:34 : Daarna zal de priester die schurftheid op de zevende dag bezien; als, ziet, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn kleren wassen, en rein zijn. Leviticus 13:40 : En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. Leviticus 13:41 : En zo van de zijde zijn aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.
[^leviticus-13-41-41]: Kanttekening 41: de zijde zijn aangezichts: Dat is, van de kruin tot aan het voorhoofd, en de slag van het hoofd; welke kaalheid een bles genaamd wordt, en die ze heeft bles.
[^leviticus-13-42-42]: Kanttekening 42: Hieruit blijkt dat hier wordt gesproken van de kaalheid of bles, niet die uit ouderdom of enig ander ongeval, maar uit melaatsheid voortkomt, en dat deze en niet die, onrein verklaard wordt.
[^leviticus-13-43-43]: Kanttekening 43: gelijk het aanzien van de melaatsheid: Dat is, hebbende de gedaante, die van de melaatsheid, zich vertonende in het vel van het vlees, gelijk is.
[^leviticus-13-44-44]: Kanttekening 44: ganselijk onrein verklaren: Hebreeuws, onrein verklarende, zal hij onrein verklaren.
[^leviticus-13-45-45]: Kanttekening 45: Die voor zodanig door de priester verklaard was. Aan zulke wordt opgelegd: I. verscheurde kleren te dragen; II. het hoofd bloot te hebben; III. zijn opperste lip te bewinden, en zo zijn baard te bedekken; IV. uit te roepen wanneer hij iemand zag, dat hij onrein was; V. buiten het gezelschap van de mensen te wonen. En dit alles eensdeels voor hemzelve tot een teken van verdriet en rouw, eensdeels voor anderen opdat ze hem mijden zouden en van hem niet besmet worden.
[^leviticus-13-45-46]: Kanttekening 46: gescheurd zijn: Vergelijk de aantekeningen op Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^leviticus-13-45-47]: Kanttekening 47: bovenste lip bewimpelen: Anders, knevelbaard; vergelijk Ez. 24:17 , en Micha 3:7 . Ezechiël 24:17 : Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten. Micha 3:7 : En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.
[^leviticus-13-45-a]: Verwijzing a: Klaagl. 4:15 . Klaagliederen 4:15 : Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.
[^leviticus-13-46-48]: Kanttekening 48: hij zal alleen wonen: Zie Num. 5:2 , en Num. 12:14 ; 2 Kon. 15:5 ; 2 Kron. 26:21 ; Luk. 17:12 . Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag zijn doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land. 2 Kronieken 26:21 : Zo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag zijn doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis van YHWH afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de koning, richtende het volk van het land. Lukas 17:12 : En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;
[^leviticus-13-48-49]: Kanttekening 49: Anders genaamd schering, werpte of keten.
[^leviticus-13-48-50]: Kanttekening 50: Of, bontwerk.
[^leviticus-13-50-51]: Kanttekening 51: wat de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten: Hebreeuws, de plaag zeven dagen opsluiten; dat is, dat de plaag heeft, of, waaraan de plaag is. Vergelijk boven, de aantekeningen op vers 4 . Leviticus 13:4 : Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.
[^leviticus-13-51-52]: Kanttekening 52: knagende melaatsheid: Anders, stekende, of, wee doende; dat is, die smart en schade de mens, die dat kleed gebruikt, veroorzaken zal.
[^leviticus-13-51-53]: Kanttekening 53: het is onrein: Te weten, de stof, het ding of goed, waaraan de plaag is; zo in het einde van vers 52 . Leviticus 13:52 : Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of die inslag van wol, of van linnen, of alle vellentuig, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een knagende melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.
[^leviticus-13-55-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, ogen.
[^leviticus-13-55-55]: Kanttekening 55: Of, ineting, inbijting.
[^leviticus-13-55-56]: Kanttekening 56: aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde: Hebreeuws, in zijn kaalheid, of, in zijn bles. Versta, door de kaalheid de achterste of binnenste zijde van een kleed, genaamd de averechtse zijde, die in het dragen het naast aan het lichaam is; en door de bles de voorste of buitenste zijde, die in het dragen voor ogen is, genaamd de rechter zijde. Anderen verstaan door de kaalheid een kleed, dat door oudheid zijn wol en haar verloren heeft en melaats geworden is, maar door de bles, wanneer enige melaatsheid het kleed van zijn wol beroofd heeft.

### Leviticus 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/14.json)

*Wetten over de reiniging van een melaatse, vers 1, enz. over de plechtigheden die daarbij in acht genomen moesten worden, 3. en de offergaven, met de aanhangsels daarvan voor de rijke, 10. en voor de arme, 21. over de melaatsheid van de huizen, en de tekenen waaraan men die moest kennen, 33. over de wijze om die te reinigen, 49. Besluit van dit en het voorgaande hoofdstuk, 54.*

**1** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v1)

**2** Dit zal de wet van de melaatse zijn,[^leviticus-14-2-1] op de dag van zijn reiniging:[^leviticus-14-2-a] dat hij[^leviticus-14-2-2] tot de priester zal gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v2)

**3** En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester[^leviticus-14-3-3] merken zal, dat, ziet, die plaag van de melaatsheid van de melaatse genezen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v3)

**4** Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine[^leviticus-14-4-4] vogels neme, en ook cederhout, en[^leviticus-14-4-5] scharlaken, en[^leviticus-14-4-6] hysop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v4)

**5** De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden[^leviticus-14-5-7] pot, over[^leviticus-14-5-8] levend water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v5)

**6** Die levende vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel, die boven het levende water geslacht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v6)

**7** En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprenkelen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in[^leviticus-14-7-9] het open veld vliegen laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v7)

**8** Die nu te reinigen is, zal zijn kleren wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen,[^leviticus-14-8-10] maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v8)

**9** En op de zevende dag zal het gebeuren, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen van zijn ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v9)

**10** En op de achtste dag zal hij twee volkomen[^leviticus-14-10-11] lammeren, en een[^leviticus-14-10-12] eenjarig volkomen schaap nemen, en ook[^leviticus-14-10-13] drie tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, en een[^leviticus-14-10-14] log olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v10)

**11** De priester nu, die de reiniging doet, zal de man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v11)

**12** En de priester zal dat ene lam nemen, en het offeren tot een schuldoffer met de log olie;[^leviticus-14-12-b] en zal die als[^leviticus-14-12-15] beweegoffer voor het aangezicht van YHWH bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v12)

**13** Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in[^leviticus-14-13-16] de heilige plaats; want het schuldoffer,[^leviticus-14-13-c] zoals het zondoffer, is voor de priester;[^leviticus-14-13-17] het is een heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v13)

**14** En de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, dat de priester doen zal op het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v14)

**15** De priester zal ook uit de log van de olie nemen, en[^leviticus-14-15-18] zal ze op de linkerhand van de priester gieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v15)

**16** Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprenkelen, voor het aangezicht van YHWH.[^leviticus-14-16-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v16)

**17** En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet,[^leviticus-14-17-20] boven op het bloed van het schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v17)

**18** Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand van de priester geweest is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v18)

**19** De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het[^leviticus-14-19-21] brandoffer slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v19)

**20** En de priester zal dat brandoffer en dat voedseloffer op het altaar[^leviticus-14-20-22] offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v20)

**21** Maar als hij arm is,[^leviticus-14-21-23] en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij één lam als schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe één tiende meelbloem, met olie gemengd, als voedseloffer, en een log olie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v21)

**22** En ook twee tortelduiven, of twee[^leviticus-14-22-24] jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, waarvan de ene als zondoffer, en één als brandoffer zijn zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v22)

**23** En hij zal die, op de achtste dag[^leviticus-14-23-25] van zijn reiniging, tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v23)

**24** En de priester zal het lam van het schuldoffer, en de log van de olie nemen; en de priester zal die als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v24)

**25** Daarna zal hij het lam van het schuldoffer slachten, en de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, en doen op het rechteroorlapje van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v25)

**26** Ook zal de priester van die olie op[^leviticus-14-26-26] de linkerhand van de priester gieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v26)

**27** Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprenkelen, zevenmaal, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v27)

**28** En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en aan de duim van zijn rechterhand, en aan de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v28)

**29** En het overgeblevene van de olie, die in de hand van de priester is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v29)

**30** Daarna zal hij de ene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van wat zijn hand bereikt zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v30)

**31** Van wat zijn hand bereikt zal hebben, zal één als zondoffer, en één als brandoffer zijn, boven het voedseloffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v31)

**32** Dit is de wet van degene, in wie de plaag van de melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging[^leviticus-14-32-27] dat niet bereikt zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v32)

**33** Verder sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v33)

**34** Als u zult gekomen zijn in het land van Kanaän, dat Ik u tot bezitting[^leviticus-14-34-28] geven zal, en Ik de plaag van de melaatsheid aan een huis van dat land van uw bezitting zal gegeven hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v34)

**35** Zo zal hij, van wie dat huis is, komen, en de priester te kennen geven, zeggende:[^leviticus-14-35-29] Het schijnt mij, alsof er een aantasting in het huis was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v35)

**36** En de priester zal gebieden,[^leviticus-14-36-30] dat zij[^leviticus-14-36-31] dat huis ruimen, voordat de priester komt, om die plaag te bekijken, opdat niet al wat in dat huis is, onrein wordt; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v36)

**37** Als hij die plaag bekijken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v37)

**38** De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v38)

**39** Daarna zal de priester op de zevende dag terugkeren; als hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v39)

**40** Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, waarin die plaag is, uitbreken, en die tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v40)

**41** En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het[^leviticus-14-41-32] stof, dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v41)

**42** Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van die stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v42)

**43** Maar als die plaag terugkeert, en in dat huis uitbreekt, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v43)

**44** Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een[^leviticus-14-44-33] kwaadaardige melaatsheid in dat huis, het is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v44)

**45** Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout even afbreken, en ook al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v45)

**46** En die in dat huis gaat te enige dage, als men het zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v46)

**47** Die ook in dat huis[^leviticus-14-47-34] te slapen ligt, zal zijn kleren wassen; ook, die in dat huis eet, zal zijn kleren wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v47)

**48** Maar als de priester zal[^leviticus-14-48-35] weer ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, omdat die plaag genezen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v48)

**49** Daarna zal hij, om dat huis te[^leviticus-14-49-36] ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederhout, en[^leviticus-14-49-37] scharlaken, en hysop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v49)

**50** En hij zal de ene vogel slachten in een aarden pot,[^leviticus-14-50-38] over levend water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v50)

**51** Dan zal hij dat cederhout, en die hysop, en het scharlaken, en de levende vogel nemen, en zal die in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v51)

**52** Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed van de vogel, en met dat levend water, en met de levende vogel, en met dat cederhout, en met de hysop, en met het scharlaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v52)

**53** De levende vogel nu zal hij tot buiten de stad,[^leviticus-14-53-39] in het open veld, laten vliegen; zo zal hij[^leviticus-14-53-40] over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v53)

**54** Dit is de wet voor alle plaag van de melaatsheid, en voor schurft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v54)

**55** En voor melaatsheid van de kleren, en van de huizen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v55)

**56** En ook voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v56)

**57** [^leviticus-14-57-41] Om te leren, op welke dag iets onrein, en op welke dag iets rein is. Dit is de wet van de melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/14.html#v57)

[^leviticus-14-2-1]: Kanttekening 1: ten dage zijn reiniging: Dat is, wanneer de priester hem rein zal verklaren.
[^leviticus-14-2-a]: Verwijzing a: Matt. 8:4 ; Mark. 1:44 ; Lukas 5:14 ; Lukas 17:14 . Mattheüs 8:4 : En Jezus zei tot hem: Zie, dat u dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Marcus 1:44 : En zei tot hem: Zie, dat u niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, wat Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Lukas 5:14 : En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Lukas 17:14 : En als Hij hen zag, zei Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
[^leviticus-14-2-2]: Kanttekening 2: tot de priester: Te weten, wat nader tot hem, opdat hij niet zeer ver buiten het leger behoefde uit te gaan.
[^leviticus-14-3-3]: Kanttekening 3: merken zal: Deze bezichtiging en de verklaring, die er op volgde, moest door de priester naar de wetten, gesteld in Lev. 13 , gedaan worden.
[^leviticus-14-4-4]: Kanttekening 4: Het Hebreeuwse woordje betekent in het algemeen een vogel, Deut. 4:17 : Ps. 8:9 , in het bijzonder een kleine vogel; en onder anderen een mus, gelijk het van velen genomen wordt; Ps. 84:4 , en Ps. 102:8 . Deuteronomium 4:17 : De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelde vogel, die door de hemel vliegt; Psalmen 8:9 : Het gevogelte van de hemel, en de vissen van de zee; wat de paden van de zeeën doorwandelt. Psalmen 84:4 : Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, YHWH van de legermachten, mijn Koning, en mijn God! Psalmen 102:8 : Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
[^leviticus-14-4-5]: Kanttekening 5: Versta, enige stof, als wol, die in de scharlaken verf tweemalen ingedoopt is. Zie Gen. 38:28 ; Ex. 25:4 . Genesis 38:28 : En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam die, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. Exodus 25:4 : Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar.
[^leviticus-14-4-6]: Kanttekening 6: Zie Ex. 12:22 . Exodus 12:22 : Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen.
[^leviticus-14-5-7]: Kanttekening 7: aarden vat: In dat het bloed van de geslachte vogel druipen moest, en met het water vermengd worden.
[^leviticus-14-5-8]: Kanttekening 8: levend water: Versta, dat uit een springende fontein, of lopende rivier moest genomen worden, en levend genaamd wordt, omdat het in het vloeien zich roert, alsof het leefde; Gen. 26:19 , en de aantekeningen daarop. Genesis 26:19 : De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water.
[^leviticus-14-7-9]: Kanttekening 9: in het open veld vliegen laten: Hebreeuws, over het aangezicht van het veld uitzenden of loslaten.
[^leviticus-14-8-10]: Kanttekening 10: maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven: Vergelijk boven de aantekeningen op Lev. 13:46 , en Num. 12:14 , en Num. 31:19 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! Numeri 31:19 : En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen.
[^leviticus-14-10-11]: Kanttekening 11: twee volkomen lammeren: Waarvan het ene ten schuldoffer, het andere ten brandoffer geofferd moest worden. Zie onder, vers 12 , 14:19 . Leviticus 14:12 : En de priester zal dat ene lam nemen, en het offeren tot een schuldoffer met de log olie; en zal die ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH bewegen. Leviticus 14:19 : De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.
[^leviticus-14-10-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, een dochter van haar jaar.
[^leviticus-14-10-13]: Kanttekening 13: drie tienden: Te weten, van een efa, dat is, drie gomer. Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^leviticus-14-10-14]: Kanttekening 14: een log: Een kleine maat van natte waren, houdende vier quadranten, van welke een was de maat van anderhalve eierschaal, zodat een log zes gewone eierschalen heeft gehouden. Het vierde deel van een cab, welke hield vier logen of vier en twintig eierschalen, dat is, zoveel als in vier en twintig eierschalen gaan kan.
[^leviticus-14-12-b]: Verwijzing b: Ex. 29:24 . Exodus 29:24 : En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen zijn zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-14-12-15]: Kanttekening 15: Zie boven, Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^leviticus-14-13-16]: Kanttekening 16: heilige plaats: Hebreeuws, plaats van de heiligheid. Deze was in de voorhof bij het brandofferaltaar. Zie Ex. 29:11 , en boven, Lev. 4:4 , en Lev. 6:16 , 6:26 . Exodus 29:11 : En u zult de var slachten voor het aangezicht van YHWH, voor de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 4:4 : En hij zal die var brengen tot de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal zijn hand op het hoofd van die var leggen, en hij zal die var slachten voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 6:26 : De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-14-13-c]: Verwijzing c: boven, Lev. 7:7 . Leviticus 7:7 : Gelijk het zondoffer, zo zal ook het schuldoffer zijn; enerlei wet zal voor dezelfde zijn; het zal van de priester zijn, die daarmee verzoening gedaan zal hebben.
[^leviticus-14-13-17]: Kanttekening 17: het is een heiligheid van de heiligheden: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-14-15-18]: Kanttekening 18: op van de priester linkerhand: Zo ook onder, vers 26 , dat is, op zijn eigen hand, en dus niet op de hand van degene, die gereinigd werd. Leviticus 14:26 : Ook zal de priester van die olie op van de priester linkerhand gieten.
[^leviticus-14-16-19]: Kanttekening 19: nemende : Dit woord wordt hier ingevoegd, volgens zeker gebruik van de Hebreeuwse taal, waarvan te zien is Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^leviticus-14-17-20]: Kanttekening 20: boven op het bloed: Dat is, op de plaats, waarop het bloed van het schuldoffer tevoren gestreken was. Zie boven, vers 14 , en onder, vers 28 . Leviticus 14:14 : En de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, dat de priester doen zal op het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim zijn rechterhand, en op de grote teen zijn rechtervoets. Leviticus 14:28 : En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en aan de duim zijn rechterhand, en aan de grote teen zijn rechtervoets, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.
[^leviticus-14-19-21]: Kanttekening 21: brandoffer slachten: Zie boven, vers 10 . Leviticus 14:10 : En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^leviticus-14-20-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, doen opklimmen.
[^leviticus-14-21-23]: Kanttekening 23: en zijn hand dat niet bereikt: Dat is, als hij door zijn armoede zoveel niet kan doen. Zie boven, Lev. 5:7 , en onder, vers 22 , 14:30 , 14:31 , 14:32 , enz. Leviticus 5:7 : Maar als zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, YHWH brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, een ten zondoffer, en een ten brandoffer. Leviticus 14:22 : En ook twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, waarvan de één ten zondoffer, en een ten brandoffer zijn zal. Leviticus 14:30 : Daarna zal hij de één van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van wat zijn hand bereikt zal hebben. Leviticus 14:31 : Van wat zijn hand bereikt zal hebben, zal het een ten zondoffer, en het een ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 14:32 : Dit is de wet van degene, in wie de plaag van de melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging dat niet bereikt zal hebben.
[^leviticus-14-22-24]: Kanttekening 24: jonge duiven: Hebreeuws, zonen van een duif. Zo onder, vers 30 . Leviticus 14:30 : Daarna zal hij de één van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van wat zijn hand bereikt zal hebben.
[^leviticus-14-23-25]: Kanttekening 25: zijn reiniging: Of, tot zijn reiniging.
[^leviticus-14-26-26]: Kanttekening 26: op van de priester linkerhand gieten: Dat is, op zijn eigen hand. Zie boven, vers 15 . Leviticus 14:15 : De priester zal ook uit de log van de olie nemen, en zal ze op van de priester linkerhand gieten.
[^leviticus-14-32-27]: Kanttekening 27: dat niet bereikt zal hebben: Te weten, wat tot de reiniging van de melaatsheid is vereist geweest; boven, vers 10 . Leviticus 14:10 : En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^leviticus-14-34-28]: Kanttekening 28: geven zal: Hebreeuws, ben gevende; dat is, zekerlijk geven zal. Vergelijk boven de aantekeningen op Lev. 9:4 . Leviticus 9:4 : Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht van YHWH te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal YHWH u verschijnen.
[^leviticus-14-35-29]: Kanttekening 29: Het schijnt mij: Dat is, het dunkt mij, of, het doet zich zo aan mijn ogen voor; het huis wordt als zodanig door mij aangezien.
[^leviticus-14-36-30]: Kanttekening 30: dat huis: Namelijk, de bewoners van dat huis.
[^leviticus-14-36-31]: Kanttekening 31: Te weten, met het huisraad daaruit te nemen en weg te dragen. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk iets uit het gezicht weg te doen.
[^leviticus-14-41-32]: Kanttekening 32: Dat is, het afgeschrabde leem, kalk, enz.
[^leviticus-14-44-33]: Kanttekening 33: knagende melaatsheid: Vergelijk boven, Lev. 13:51 . Leviticus 13:51 : Daarna zal hij op de zevende dag de plaag bezien; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een knagende melaatsheid, het is onrein.
[^leviticus-14-47-34]: Kanttekening 34: te slapen ligt: Of, slaapt. Zie Gen. 19:4 . Genesis 19:4 : Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af.
[^leviticus-14-48-35]: Kanttekening 35: weer ingegaan zijn: Hebreeuws, ingaande ingegaan; dat is, weer of meermalen ingegaan.
[^leviticus-14-49-36]: Kanttekening 36: Dat is, door offerande te reinigen, en tot een eerlijk of rein gebruik te eigenen. Vergelijk boven, Lev. 8:15 , en de aantekeningen daarbij; idem onder, vers 52 , 14:53 . Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om ervoor verzoening te doen. Leviticus 14:52 : Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed van de vogel, en met dat levend water, en met de levende vogel, en met dat cederenhout, en met de hysop, en met het scharlaken. Leviticus 14:53 : De levende vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.
[^leviticus-14-49-37]: Kanttekening 37: scharlaken, en hysop: Zie boven, vers 4 . Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^leviticus-14-50-38]: Kanttekening 38: over levend water: Zie boven, vers 5 . Leviticus 14:5 : De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.
[^leviticus-14-53-39]: Kanttekening 39: in het open veld: Hebreeuws, over het aangezicht van het veld. Zo boven, vers 7 . Leviticus 14:7 : En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in het open veld vliegen laten.
[^leviticus-14-53-40]: Kanttekening 40: over het huis verzoening doen: Dat is, het huis ontzondigen, vers 49 ; zie daarop de aantekeningen en deze manier van spreken, Ex. 29:37 ; onder, Lev. 16:16 , 16:33 ; Ez. 45:20 . Leviticus 14:49 : Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop. Exodus 29:37 : Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn. Leviticus 16:16 : Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden van de kinderen van Israël, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, welke met hen woont in het midden hun onreinigheden. Leviticus 16:33 : Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent van de samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; evenzo voor de priesters, en voor al het volk van de gemeente zal hij verzoening doen. Ezechiël 45:20 : Zo zult u ook doen op de zevende in die maand; vanwege de afdwalende, en vanwege de slechte; zo zult u het huis verzoenen.
[^leviticus-14-57-41]: Kanttekening 41: Om te leren: Te weten, de priester, en door de priester het volk.

### Leviticus 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/15.json)

*Wetten over de mannen met een zaadvloed, hetzij door zwakheid en ziekte, vers 1, enz. of in de slaap, 16, 17, 18. en over de vrouwen die de maandstonden hebben, hetzij gewoon, 19. of buitengewoon, 25. met hun reiniging, 29. en een vermaning tot reinheid, 31. waarop het besluit van het hoofdstuk volgt, 32.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zegt tot hen:[^leviticus-15-2-1] Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn[^leviticus-15-2-2] vlees, zal om zijn vloed onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v2)

**3** Dit nu zal zijn onreinheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees[^leviticus-15-3-3] zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v3)

**4** Alle bed, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle[^leviticus-15-4-4] tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v4)

**5** Een ieder ook, die zijn bed zal aanroeren, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v5)

**6** En die op dat tuig zit, waarop hij, die de vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v6)

**7** En die[^leviticus-15-7-5] het vlees van degene, die de vloed heeft, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v7)

**8** Als ook hij, die de vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal[^leviticus-15-8-6] hij zijn kleren wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v8)

**9** Ook alle[^leviticus-15-9-7] zadel, waarop hij, die de vloed heeft, zal[^leviticus-15-9-8] gereden hebben, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v9)

**10** En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan de avond; en die het draagt, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v10)

**11** Daartoe een ieder, wie hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v11)

**12** [^leviticus-15-12-a] Ook de aarden pot, die hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten voorwerp zal met water gespoeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v12)

**13** Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn[^leviticus-15-13-9] vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot[^leviticus-15-13-10] zijn reiniging[^leviticus-15-13-11] zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met[^leviticus-15-13-12] levend water baden, zo zal hij rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v13)

**14** En op de achtste dag zal hij voor zich twee tortelduiven of[^leviticus-15-14-13] twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst komen, en zal ze de priester geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v14)

**15** En de priester zal die bereiden, één als zondoffer, en één als brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht van YHWH, vanwege zijn vloed, verzoening doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v15)

**16** Verder een man, als van hem het zaad van het[^leviticus-15-16-14] bijliggen zal uitgegaan zijn, die zal zijn hele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v16)

**17** Ook alle kleed, en alle huid, aan dat het zaad van het bijliggen wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v17)

**18** En ook[^leviticus-15-18-15] de vrouw,[^leviticus-15-18-16] als een man met het zaad van het bijliggen bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v18)

**19** Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar[^leviticus-15-19-17] afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v19)

**20** En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v20)

**21** En al wie haar bed aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v21)

**22** Ook al wie[^leviticus-15-22-18] enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v22)

**23** Zelfs als[^leviticus-15-23-19] het op het bed geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v23)

**24** [^leviticus-15-24-b] Ook zo iemand[^leviticus-15-24-20] zeker bij[^leviticus-15-24-21] haar gelegen heeft, dat haar[^leviticus-15-24-22] afzondering[^leviticus-15-24-23] op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle bed, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v24)

**25** [^leviticus-15-25-c] Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de[^leviticus-15-25-24] tijd van haar afzondering, van de vloed van haar bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal[^leviticus-15-25-25] boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed van haar onreinheid, als in de dagen van haar afzondering onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v25)

**26** Alle bed, waarop zij al de dagen van haar vloed gelegen zal hebben, zal haar zijn als het bed van haar afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinheid van haar afzondering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v26)

**27** En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v27)

**28** Maar[^leviticus-15-28-26] als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v28)

**29** En op de achtste dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v29)

**30** Dan zal de priester één als zondoffer en één als brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van de vloed van haar onreinheid, verzoening doen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v30)

**31** Zo zult u de Israëlieten afzonderen van hun onreinheid; opdat zij[^leviticus-15-31-27] in hun onreinheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v31)

**32** Dit is de wet van degene, die de vloed heeft, en van wie het zaad van de bijligging uitgaat; zodat hij daardoor onrein wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v32)

**33** En ook van een zwakke vrouw in haar afzondering, en van degene, die van zijn vloed is vloeiende, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine zal gelegen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/15.html#v33)

[^leviticus-15-2-1]: Kanttekening 1: Een ieder man: Hebreeuws, Man man. Welke herhaling betekent alle, of een ieder man. Zo Ex. 36:4 , en onder, Lev. 17:3 , 17:8 , 17:10 . Exodus 36:4 : Daarom kwamen alle wijzen, die al het werk van het heiligdom maakten, ieder man van zijn werk, dat zij maakten; Leviticus 17:3 : Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; Leviticus 17:8 : Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^leviticus-15-2-2]: Kanttekening 2: Zo wordt eerbaarlijk genaamd de schamelheid van de man, gelijk ook boven, Lev. 12:3 ; Ez. 16:26 , en Ez. 23:20 , en hier in vers 3 . Leviticus 12:3 : En op de achtste dag zal het vlees zijn voorhuid besneden worden. Ezechiël 16:26 : U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. Ezechiël 23:20 : En zij werd verliefd meer dan derzelver bijwijven, waarvan het vlees is als het vlees van de ezelen, en waarvan de vloed is als de vloed van de paarden. Leviticus 15:3 : Dit nu zal zijn onreinigheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinigheid.
[^leviticus-15-3-3]: Kanttekening 3: Te weten, door zwakheid en natuurlijke ziekte, die de geneesheren gomorrhoeam noemen.
[^leviticus-15-4-4]: Kanttekening 4: Of, vat. Het Hebreeuwse woord betekent hier allerlei huisraad, gereedschap, vaten, kleren, werktuig, roerend goed. Zo onder, vers 6 , 15:22 . Leviticus 15:6 : En die op dat tuig zit, waarop hij, die de vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:22 : Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-15-7-5]: Kanttekening 5: het vlees van degene: Dat is, het lichaam van degene, die de vloed heeft, uitgenomen zijn handen, die gewassen zijn. Zie onder, vers 11 . Leviticus 15:11 : Daartoe een ieder, wie hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-15-8-6]: Kanttekening 6: Te weten, die bespogen is.
[^leviticus-15-9-7]: Kanttekening 7: Versta, allerlei tuig, gereedschap of maaksel en kussenwerk, bekwaam om op te zitten.
[^leviticus-15-9-8]: Kanttekening 8: gereden hebben: Of, gevaren hebben. Want het Hebreeuwse woord betekent niet alleen rijden op een beest, Gen. 24:61 ; Num. 22:22 , maar ook rijden op een wagen; 2 Kron. 35:24 ; Jer. 17:25 . Genesis 24:61 : En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochters, en zij reden op kamelen, en volgden de man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen. Numeri 22:22 : Maar de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel van YHWH stelde Zich in de weg, hem tot een tegenpartij; hij reed nu op zijn ezelin, en twee van zijn jongeren waren bij hem. 2 Kronieken 35:24 : En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. Jeremia 17:25 : Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.
[^leviticus-15-12-a]: Verwijzing a: boven, Lev. 6:28 ; boven, Lev. 11:33 . Leviticus 6:28 : En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden. Leviticus 11:33 : En alle aarden vat, waarin iets van dezelfde zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en u zult dat breken.
[^leviticus-15-13-9]: Kanttekening 9: Dat is, wanneer zijn vloed zal ophouden.
[^leviticus-15-13-10]: Kanttekening 10: zijn reiniging: Versta, de onderhouding van de ceremoniën, die naar de wet vereist waren, opdat hij voor rein gehouden mocht worden.
[^leviticus-15-13-11]: Kanttekening 11: zeven dagen: Zie Num. 19:11 , enz. Numeri 19:11 : Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.
[^leviticus-15-13-12]: Kanttekening 12: levend water: Zie boven, Lev. 14:5 . Leviticus 14:5 : De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.
[^leviticus-15-14-13]: Kanttekening 13: twee jonge duiven: Hebreeuws, twee zonen van een duif; en zo onder, vers 29 . Leviticus 15:29 : En op de achtste dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst.
[^leviticus-15-16-14]: Kanttekening 14: zal uitgegaan zijn: Te weten, in de slaap. Want dit is een andere soort van onreinheid dan de voorgemelde, die uit lichamelijke zwakheid veroorzaakt werd.
[^leviticus-15-18-15]: Kanttekening 15: Te weten, zal onrein zijn.
[^leviticus-15-18-16]: Kanttekening 16: Versta hier, een zodanig man, die de voorgemelde ziekte had, of die anders in de slaap verontreinigd was.
[^leviticus-15-19-17]: Kanttekening 17: Zie boven, Lev. 12:2 . Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn.
[^leviticus-15-22-18]: Kanttekening 18: Zie boven, vers 4 . Leviticus 15:4 : Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
[^leviticus-15-23-19]: Kanttekening 19: Te weten, tuig, of vat, of roerend goed, liggende op haar leger, of op enig ding, dat er op is.
[^leviticus-15-24-b]: Verwijzing b: onder, Lev. 18:19 . Leviticus 18:19 : Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
[^leviticus-15-24-20]: Kanttekening 20: zekerlijk … gelegen heeft: Hebreeuws, liggende gelegen heeft.
[^leviticus-15-24-21]: Kanttekening 21: haar gelegen heeft: Hebbende haar vloed, maar buiten weten van de bijligger, want wetens en willens bij een maandstondige te slapen, was op lijfstraf verboden; onder, Lev. 20:18 . Leviticus 20:18 : En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein van haar bloed ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
[^leviticus-15-24-22]: Kanttekening 22: Dat is, haar maandstonden; zo genoemd omdat zij gedurende deze van het gezelschap van de mensen afgezonderd werd.
[^leviticus-15-24-23]: Kanttekening 23: op hem zij: Dat is, dat hij met haar maandstonden besmet werd.
[^leviticus-15-25-c]: Verwijzing c: Matt. 9:20 . Mattheüs 9:20 : (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte de zoom Zijn kleeds aan;
[^leviticus-15-25-24]: Kanttekening 24: tijd van haar afzondering: Versta, de gewone tijd van haar maandstonden.
[^leviticus-15-25-25]: Kanttekening 25: boven haar afzondering: Dat is, langer dan zij gewoon was.
[^leviticus-15-28-26]: Kanttekening 26: als zij van haar vloed rein wordt: Dat is, wanneer de vloed ophoudt.
[^leviticus-15-31-27]: Kanttekening 27: in hun onreinigheid niet sterven: Dat is, om hun onreinheid.

### Leviticus 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/16.json)

*God beveelt de hogepriester het heiligdom binnen te gaan om een algemene verzoening te doen, vers 1, enz. met een bericht wanneer en waarmee hij dat zal doen, 3. en in welke volgorde bij het offeren en het bedienen van andere plechtigheden, die hier uitvoerig beschreven worden, 6. Waarbij dan een voorschrift komt over de plicht van het hele volk, 29. met het besluit van dit hoofdstuk, 34.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes,[^leviticus-16-1-a] nadat de[^leviticus-16-1-1] twee zonen van Aäron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht van YHWH, en gestorven waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v1)

**2** YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron,[^leviticus-16-2-b] dat hij niet altijd ga in het[^leviticus-16-2-2] heilige, binnen het[^leviticus-16-2-3] voorhangsel, voor het[^leviticus-16-2-4] verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.[^leviticus-16-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v2)

**3** Hiermee zal Aäron in het heilige gaan: met[^leviticus-16-3-6] een stier,[^leviticus-16-3-7] een jong rund als zondoffer, en een ram als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v3)

**4** Hij zal de[^leviticus-16-4-8] heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen tulband bedekken; dit zijn[^leviticus-16-4-9] heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v4)

**5** En aan de gemeenschap van de Israëlieten zal hij nemen twee geitenbokken als zondoffer, en één ram als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v5)

**6** Daarna zal Aäron de stier van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal[^leviticus-16-6-c] voor zich en voor zijn[^leviticus-16-6-10] huis verzoening doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v6)

**7** Hij zal ook beide bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v7)

**8** En Aäron zal de loten over die twee bokken[^leviticus-16-8-11] werpen: één lot voor YHWH, en één lot voor[^leviticus-16-8-12] de weggaande bok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v8)

**9** Dan zal Aäron de bok, waarop het lot voor YHWH zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v9)

**10** Maar de bok, waarop het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht van YHWH gesteld worden, om[^leviticus-16-10-13] door hem verzoening te doen; opdat men hem[^leviticus-16-10-14] als een weggaande bok naar de woestijn uitlate. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v10)

**11** Aäron dan zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, toebrengen, en voor zichzelf en voor zijn huis verzoening doen, en zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v11)

**12** Hij zal ook een wierookvat[^leviticus-16-12-15] vol[^leviticus-16-12-16] vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht van YHWH, en zijn[^leviticus-16-12-17] handen vol[^leviticus-16-12-18] reukwerk van geurende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen het[^leviticus-16-12-19] voorhangsel dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v12)

**13** En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht van YHWH, opdat de[^leviticus-16-13-20] nevel van het reukwerk het verzoendeksel, dat is op de getuigenis,[^leviticus-16-13-21] bedekke, en dat hij niet sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v13)

**14** [^leviticus-16-14-d] En hij zal van het bloed van de stier nemen, en zal met zijn vinger[^leviticus-16-14-22] op het verzoendeksel naar het oosten sprenkelen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v14)

**15** Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in het voorhangsel dragen, en zal met zijn bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft, en zal dat sprenkelen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v15)

**16** Zo zal hij voor[^leviticus-16-16-23] het heilige, vanwege de onreinheden van de Israëlieten, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, die met hen[^leviticus-16-16-24] woont in het midden van hun onreinheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v16)

**17** En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als[^leviticus-16-17-25] hij zal ingaan, om in[^leviticus-16-17-26] het heilige verzoening te doen, voordat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelf, en voor zijn huis, en voor de hele gemeente van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v17)

**18** Daarna zal hij tot het[^leviticus-16-18-27] altaar, dat voor het aangezicht van YHWH is,[^leviticus-16-18-28] uitkomen, en verzoening daarvoor doen; en hij zal van het bloed van de stier, en van het bloed van de bok nemen, en[^leviticus-16-18-29] doen het rondom op de hoornen van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v18)

**19** En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprenkelen, en hij zal[^leviticus-16-19-30] dat reinigen en heiligen van de onreinheden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v19)

**20** Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige, en de tent van de samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij die levende bok[^leviticus-16-20-31] toebrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v20)

**21** En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levende[^leviticus-16-21-32] bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de Israëlieten, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man,[^leviticus-16-21-33] die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v21)

**22** Zo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een[^leviticus-16-22-34] afgezonderd land wegdragen; en[^leviticus-16-22-35] hij zal die bok in de woestijn uitlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v22)

**23** Daarna zal Aäron komen in de tent van de samenkomst, en zal de linnen kleren uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v23)

**24** En hij zal zijn vlees in de[^leviticus-16-24-36] heilige plaats met[^leviticus-16-24-37] water baden, en zijn kleren aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer van het volk bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v24)

**25** Ook zal hij het vet van het zondoffer op het[^leviticus-16-25-38] altaar aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v25)

**26** En die de bok,[^leviticus-16-26-39] die een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v26)

**27** Maar[^leviticus-16-27-e] de stier van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen[^leviticus-16-27-40] in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun huiden, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v27)

**28** Die nu die verbrandt, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v28)

**29** En dit zal voor u tot een[^leviticus-16-29-41] eeuwige inzetting zijn:[^leviticus-16-29-f] u zult in de[^leviticus-16-29-42] zevende maand, op de tiende van de[^leviticus-16-29-43] maand, uw zielen[^leviticus-16-29-44] verootmoedigen, en geen werk doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v29)

**30** Want op die dag zal[^leviticus-16-30-45] hij voor u[^leviticus-16-30-46] verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u voor het aangezicht van YHWH gereinigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v30)

**31** Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een[^leviticus-16-31-47] eeuwige inzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v31)

**32** En de[^leviticus-16-32-48] priester, die men gezalfd, en[^leviticus-16-32-49] wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de[^leviticus-16-32-50] heilige kleren, zal aangetrokken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v32)

**33** Zo zal hij het[^leviticus-16-33-51] heilige heiligdom verzoenen, en de tent van de samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; evenzo voor de priesters, en voor al het volk van de gemeente zal hij verzoening doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v33)

**34** En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de Israëlieten van al hun zonden,[^leviticus-16-34-g] eenmaal in het jaar, verzoening te doen. En men deed, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/16.html#v34)

[^leviticus-16-1-a]: Verwijzing a: boven, Lev. 10:1 ; idem v. 2 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-16-1-1]: Kanttekening 1: de twee zonen: Namelijk Nadab en Abihu, die de Heer, omdat zij met vreemd vuur voor hem verschenen, gedood had. Zie boven, Lev. 10:1 , 10:2 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-16-2-b]: Verwijzing b: Ex. 30:10 ; Hebr. 9:7 . Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over daarvan hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Hebreeën 9:7 : Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal van het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelven en voor de misdaden van het volk.
[^leviticus-16-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, heiligheid, wat heilig is, heilige plaats. Versta hier en onder, vers 3 , 16:17 , 16:27 , het heilige van de heiligen, de binnenste plaats van het tabernakel, onderscheiden van het voorste deel, dat gewoonlijk het heilige geheten wordt. Zie Ex. 26:33 , 26:34 ; Hebr. 9:2 , 9:3 . Leviticus 16:3 : Hiermee zal Aäron in het heilige gaan: met een var, een jong rund ten zondoffer, en een ram ten brandoffer. Leviticus 16:17 : En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelven, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël. Leviticus 16:27 : Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Exodus 26:34 : En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen. Hebreeën 9:2 : Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welke was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige; Hebreeën 9:3 : Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige van de heiligen;
[^leviticus-16-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Lev. 4:6 . Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^leviticus-16-2-4]: Kanttekening 4: Zie Ex. 25:17 , 25:18 , enz. Exodus 25:17 : U zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal de lengte daarvan zijn, en anderhalve el de breedte daarvan. Exodus 25:18 : U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel.
[^leviticus-16-2-5]: Kanttekening 5: verschijn in een wolk: Te weten, ordinairlijk, en op een zichtbare wijze; dat u tot een heilige vrees en eerbied moet verwekken. Vergelijk Ex. 3:5 ; 1 Kon. 8:11 , 8:12 , en de aantekeningen. Exodus 3:5 : En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land. 1 Koningen 8:11 : En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. 1 Koningen 8:12 : Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
[^leviticus-16-3-6]: Kanttekening 6: een var: Met het bloed van de geslachte var, gelijk blijkt onder, vers 14 . Leviticus 16:14 : En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.
[^leviticus-16-3-7]: Kanttekening 7: een jong rund: Hebreeuws, de zoon van een rund.
[^leviticus-16-4-8]: Kanttekening 8: heiligen linnen rok aandoen: Hebreeuws, de linnen rok van de heiligheid; zo ook in het volgende van vers 4 kleren van de heiligheid; dat is, heilige kleren, zo genoemd, omdat zij tot een heilig gebruik behoorden. Zo ook Ex. 28:2 , in welke zin ook andere dingen heilig genoemd worden; Ex. 29:31 , en Ex. 30:25 , onder, Lev. 22:4 ; 2 Kron. 5:5 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen. Exodus 28:2 : En u zult voor uw broer Aäron heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. Exodus 29:31 : U zult de ram van de vulling nemen, en u zult zijn vlees in de heilige plaats zieden. Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn. Leviticus 22:4 : Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat. 2 Kronieken 5:5 : En zij brachten de ark, en de tent van de samenkomst naar boven, en ook al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten naar boven.
[^leviticus-16-4-9]: Kanttekening 9: heilige kleren: Versta onder deze, die hier genoemd worden, ook de anderen, welke uitvoerig verhaald staan Ex. 28:4 , enz., en vergelijk Ex. 28:43 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen. Exodus 28:43 : Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent van de samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.
[^leviticus-16-6-c]: Verwijzing c: Hebr. 7:27 ; idem v. 28 . Hebreeën 7:27 : Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft. Hebreeën 7:28 : Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in eeuwigheid geheiligd is.
[^leviticus-16-6-10]: Kanttekening 10: huis verzoening doen: Dat is, huisgezin. Zie Gen. 7:1 . Genesis 7:1 : Daarna zei YHWH tot Noach: Ga u, en uw gehele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
[^leviticus-16-8-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, geven; te weten, om te vernemen welke de Heer wilde geslacht hebben ten zondoffer, en welke men in de woestijn of in het veld zou uitlaten.
[^leviticus-16-8-12]: Kanttekening 12: weggaande bok: Hebreeuws, Azazel. Dit woord komt \[naar het gevoelen van de meesten\] van twee woorden, waarvan een betekent een geit, het andere weggaan. Het schijnt zoveel te beduiden als: de levende bok, die losgelaten werd, om weg te gaan, of, de plaats, waarheen hij weggelaten wordt. Zie dit woord ook onder, vers 10 , 16:26 . Leviticus 16:10 : Maar de bok, op die het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht van YHWH gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlate. Leviticus 16:26 : En die de bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.
[^leviticus-16-10-13]: Kanttekening 13: door hem verzoening te doen: Of, met hem, of, op hem.
[^leviticus-16-10-14]: Kanttekening 14: als een weggaande bok: Of, naar Azazel; dat is, tot de plaats zo genaamd.
[^leviticus-16-12-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, de volheid van het wierookvat; zo in het volgende, de volheid van de handen; dat is, de handen vol; en de volheid van het huis, voor het huis vol, Num. 22:18 , idem, de volheid van een schaal, voor een schaal vol, Richt. 6:38 . Numeri 22:18 : Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel van YHWH mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot. Richteren 6:38 : En het geschiedde zo; want hij stond des anderen daags vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong de dauw uit het vlies, een schaal vol waters.
[^leviticus-16-12-16]: Kanttekening 16: vurige kolen nemen: Hebreeuws, kolen van het vuur; dat is, die vurig, ontstoken en gloeiend zijn. Zo 2 Sam. 22:13 ; Ez. 1:13 ; Rom. 12:20 . 2 Samuël 22:13 : Van de glans voor Hem heen werden kolen van het vuur aangestoken. Ezechiël 1:13 : Aangaande de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als brandende kolen van het vuur, als de gedaante van de fakkelen; datzelfde vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. Romeinen 12:20 : Als dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; als hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult u kolen vuurs op zijn hoofd hopen.
[^leviticus-16-12-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, vuisten.
[^leviticus-16-12-18]: Kanttekening 18: Zie de beschrijving van dit reukwerk, Ex. 30:34 , 30:35 , 30:38 . Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. Exodus 30:35 : En u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig. Exodus 30:38 : De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te rieken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.
[^leviticus-16-12-19]: Kanttekening 19: voorhang dragen: Zie boven, vers 2 . Leviticus 16:2 : YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.
[^leviticus-16-13-20]: Kanttekening 20: nevel van het reukwerk: Hebreeuws, wolk.
[^leviticus-16-13-21]: Kanttekening 21: Te weten, opdat zo de priester verhinderd worde het teken van de Goddelijke aanwezigheid te zien.
[^leviticus-16-14-d]: Verwijzing d: boven, Lev. 4:6 ; Hebr. 9:25 ; Hebr. 10:4 . Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige. Hebreeën 9:25 : Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; Hebreeën 10:4 : Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonde wegneme.
[^leviticus-16-14-22]: Kanttekening 22: op het verzoendeksel: Hebreeuws, op het aangezicht van het verzoendeksel; zo in het volgende van vers 14 . Deze besprenging geschiedde maar eenmaal, maar de andere, die op de plaats voor het verzoendeksel gedaan werd, geschiedde zevenmalen. Zie boven, Lev. 4:6 . Leviticus 16:14 : En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^leviticus-16-16-23]: Kanttekening 23: het heilige: Wat het is enige plaats te verzoenen, wordt hier en in vers 19 aangewezen, namelijk, die van de ceremoniëele en morele onreinheden, die daaraan of daarin mochten zijn, of begaan zijn, door offeranden rein te maken en te ontzondigen. Vergelijk boven, Lev. 8:15 , en Lev. 14:49 , 14:52 , 14:53 , en hieronder, vers 19 ,20. Leviticus 16:19 : En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden van de kinderen van Israël. Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor verzoening te doen. Leviticus 14:49 : Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop. Leviticus 14:52 : Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed van de vogel, en met dat levend water, en met de levende vogel, en met dat cederenhout, en met de hysop, en met het scharlaken. Leviticus 14:53 : De levende vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn. Leviticus 16:19 : En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden van de kinderen van Israël.
[^leviticus-16-16-24]: Kanttekening 24: woont in het midden: Dat is, blijft in het midden van hen, die vele onreinheden hebben.
[^leviticus-16-17-25]: Kanttekening 25: Te weten, de hogepriester.
[^leviticus-16-17-26]: Kanttekening 26: het heilige: Het heilige van de heiligen, gelijk boven, vers 2 . Leviticus 16:2 : YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.
[^leviticus-16-18-27]: Kanttekening 27: Versta, het altaar van het brandoffer, dat voor het aangezicht van de Heer wordt gezegd te zijn, om de reden boven gemeld, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-16-18-28]: Kanttekening 28: Te weten, uit het eerste of voorste deel van het tabernakel, gelijk dit af te nemen is uit het naastvoorgaande vers, waar gesproken wordt van het uitkomen van de priester uit het binnenste deel van het tabernakel.
[^leviticus-16-18-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, zal geven.
[^leviticus-16-19-30]: Kanttekening 30: dat reinigen en heiligen: Zie boven, vers 16 , en onder, vers 20 . Leviticus 16:16 : Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden van de kinderen van Israël, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, welke met hen woont in het midden van hun onreinigheden. Leviticus 16:20 : Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige, en de tent van de samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij die levende bok toebrengen.
[^leviticus-16-20-31]: Kanttekening 31: Anders, offeren.
[^leviticus-16-21-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, steunen. Zie boven, Lev. 4:4 . Leviticus 4:4 : En hij zal die var brengen tot de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal zijn hand op het hoofd van die var leggen, en hij zal die var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-16-21-33]: Kanttekening 33: van een man, die voorhanden is: Hebreeuws, eens getijdigen; dat is, zekere, bekwame man, die bij de hand is, of de tijd heeft, of gewoon is daartoe gebruikt te worden.
[^leviticus-16-22-34]: Kanttekening 34: afgezonderd land wegdragen: Hebreeuws, land van de afzondering; dat is, dat onbewoond is, en van het gezelschap en de verkering van de mensen afgesneden en afgescheiden is.
[^leviticus-16-22-35]: Kanttekening 35: Te weten, die man, die voorhanden was.
[^leviticus-16-24-36]: Kanttekening 36: heilige plaats: Zie boven, Lev. 6:16 , 6:26 , en Lev. 10:13 . Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 6:26 : De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. Leviticus 10:13 : Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuurofferen van YHWH is; want zo is mij geboden.
[^leviticus-16-24-37]: Kanttekening 37: water baden: Zie boven, Lev. 6:28 . Leviticus 6:28 : En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
[^leviticus-16-25-38]: Kanttekening 38: altaar aansteken: Te weten, het brandofferaltaar. Want op het reukaltaar was het verboden zodanige offeranden te doen; Ex. 30:9 . Exodus 30:9 : U zult geen vreemd reukwerk daarop aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten.
[^leviticus-16-26-39]: Kanttekening 39: welke een weggaande bok was: Zie boven, vers 8 . Leviticus 16:8 : En Aäron zal de loten over die twee bokken werpen: een lot voor YHWH, en een lot voor de weggaande bok.
[^leviticus-16-27-e]: Verwijzing e: boven, Lev. 6:30 ; Hebr. 13:11 . Leviticus 6:30 : Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. Hebreeën 13:11 : Want waarvan de dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.
[^leviticus-16-27-40]: Kanttekening 40: in het heilige: Zie boven, vers 2 . Leviticus 16:2 : YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.
[^leviticus-16-29-41]: Kanttekening 41: eeuwige inzetting zijn: Hebreeuws, inzetting van de eeuwigheid; zo onder, vers 31 , 16:34 . Zie Gen. 13:15 . Leviticus 16:31 : Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting. Leviticus 16:34 : En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen van Israël van al hun zonden, eenmaal per jaar, verzoening te doen. En men deed, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^leviticus-16-29-f]: Verwijzing f: onder, Lev. 23:27 . Leviticus 23:27 : Maar op de tienden van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^leviticus-16-29-42]: Kanttekening 42: zevende maand: Genaamd, 1 Kon. 8:2 , Ethanim, en heden bij de Joden Tisri; zij komt meest overeen met onze maand September. 1 Koningen 8:2 : En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.
[^leviticus-16-29-43]: Kanttekening 43: uw zielen: Dat is, lichamen, gelijk Ps. 16:10 , of uw personen; dat is, lichamen en zielen, gelijk Gen. 12:5 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-16-29-44]: Kanttekening 44: Of, bekommeren, of kwellen; dat is, ernstiglijk vernederen voor de Heer, met bekentenis van uw zonden, met bidden, met nalating van al wat het lichaam aangenaam en vermakelijk is. Zie deze manier van spreken ook onder, vers 31 ; Ps. 35:13 ; Jes. 58:3 , 58:5 ; Dan. 10:12 . Leviticus 16:31 : Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting. Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem. Jesaja 58:3 : Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en U weet het niet? Ziet, op de dag wanneer u vast, zo vindt u uw lust, en u eist streng al uw arbeid. Jesaja 58:5 : Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt u dat een vasten heten, en een dag YHWH aangenaam? Daniël 10:12 : Toen zei Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van de eerste dag aan, dat u uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen, voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en om uw woorden wil ben Ik gekomen.
[^leviticus-16-30-45]: Kanttekening 45: Te weten, de hogepriester.
[^leviticus-16-30-46]: Kanttekening 46: verzoening doen: Zie boven, Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-16-31-47]: Kanttekening 47: eeuwige inzetting: Zie boven, vers 29 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^leviticus-16-32-48]: Kanttekening 48: Dat is, de hogepriester. Zie boven, Lev. 4:3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^leviticus-16-32-49]: Kanttekening 49: wiens hand men gevuld zal hebben: Zie boven, Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^leviticus-16-32-50]: Kanttekening 50: heilige kleren: Hebreeuws, de kleren van de heiligheid; zo boven, vers 4 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^leviticus-16-33-51]: Kanttekening 51: heilige heiligdom: Hebreeuws, het heiligdom van de heiligheid.
[^leviticus-16-34-g]: Verwijzing g: Ex. 30:10 ; Hebr. 9:7 . Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over daarvan hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Hebreeën 9:7 : Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal van het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelven en voor de misdaden van het volk.

### Leviticus 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/17.json)

*Wetten die verbieden ergens offergaven te offeren, dan alleen in de tabernakel, vers 1, enz. en aan niemand anders dan alleen de HEERE, 5. geenszins aan de duivels, op straffe van uitroeiing, 7. Eveneens met het verbod om bloed te eten, op gelijke straffe, 10. Alsmede enig dood aas, of dat verscheurd is, 15.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v1)

**2** Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen: Dit is[^leviticus-17-2-1] het woord, dat YHWH geboden heeft, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v2)

**3** [^leviticus-17-3-2] Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit[^leviticus-17-3-3] in het leger[^leviticus-17-3-4] slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v3)

**4** En die aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offergave aan YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren;[^leviticus-17-4-5] het bloed zal die man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal die[^leviticus-17-4-6] man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v4)

**5** Opdat, wanneer de Israëlieten hun slachtoffers brengen, die zij[^leviticus-17-5-7] op het veld slachten, dat zij die aan YHWH toebrengen, aan de deur van de tent van de samenkomst tot de priester, en die tot dankoffers voor YHWH slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v5)

**6** En de priester zal het bloed op het altaar van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst, sprenkelen; en hij zal het vet aansteken, tot[^leviticus-17-6-a] een[^leviticus-17-6-8] liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v6)

**7** En zij zullen ook niet meer hun slachtoffers aan de[^leviticus-17-7-9] demonen, die zij[^leviticus-17-7-10] nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v7)

**8** Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v8)

**9** En dat tot de deur van de tent van de samenkomst niet zal brengen, om het voor YHWH te bereiden; die man zal uit zijn volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v9)

**10** En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren,[^leviticus-17-10-b] die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik[^leviticus-17-10-11] Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden van haar volk uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v10)

**11** Want de ziel[^leviticus-17-11-12] van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel[^leviticus-17-11-13] verzoening zal doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v11)

**12** Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v12)

**13** Een ieder ook van de Israëlieten en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren,[^leviticus-17-13-14] die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal daarvan bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v13)

**14** [^leviticus-17-14-c] Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is[^leviticus-17-14-15] voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: U zult van geen enkel vlees het bloed eten; want[^leviticus-17-14-16] de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v14)

**15** [^leviticus-17-15-d] En alle ziel onder de ingezetenen of onder de vreemdelingen, die een kadaver of het verscheurde zal[^leviticus-17-15-17] gegeten hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v15)

**16** Maar als hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij[^leviticus-17-16-19] zijn ongerechtigheid dragen.[^leviticus-17-16-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/17.html#v16)

[^leviticus-17-2-1]: Kanttekening 1: het woord: Of, de zaak.
[^leviticus-17-3-2]: Kanttekening 2: Een ieder: Hebreeuws, man man , dat is, een ieder, wie het ook zij, als boven Lev. 15:2 , en onder vers 8 , 17:10 . Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn. Leviticus 17:8 : Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^leviticus-17-3-3]: Kanttekening 3: in het leger: Welverstaande, buiten de voorhof van het tabernakel, gelijk vers 4 uitwijst. Leviticus 17:4 : En het aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
[^leviticus-17-3-4]: Kanttekening 4: slachten zal: Te weten, om die de Heer te offeren, gelijk duidelijk blijkt uit vers 4 . Leviticus 17:4 : En het aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
[^leviticus-17-4-5]: Kanttekening 5: het bloed zal: Dat is, men zal hem daarvoor houden, alsof hij onnozel bloed vergoten had. Zie de reden hiervan onder, vers 11 . Leviticus 17:11 : Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
[^leviticus-17-4-6]: Kanttekening 6: man uit het midden van zijn volk: Zie Gen. 17:14 , en onder, Lev. 18:29 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. Leviticus 18:29 : Want al wie enige van deze gruwelen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
[^leviticus-17-5-7]: Kanttekening 7: op het veld slachten: Hebreeuws, op het aangezicht van het veld. Dit hadden de Israëlieten gedaan vóór het oprichten van het tabernakel, Ex. 5:3 , en Ex. 8:27 , dat nu de Heer op straf van de uitroeiing uit zijn volk verboden heeft; boven, vers 4 , en onder, vers 9 . Exodus 5:3 : Zij dan zeiden: De God van de Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en YHWH, onze God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard. Exodus 8:27 : Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij YHWH onze God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal. Leviticus 17:4 : En het aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden; Leviticus 17:9 : En dat tot de deur van de tent van de samenkomst niet zal brengen, om het YHWH te bereiden; diezelve man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.
[^leviticus-17-6-a]: Verwijzing a: Ex. 29:18 ; boven, Lev. 4:31 . Exodus 29:18 : Zo zult u de heel ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer YHWH. Leviticus 4:31 : En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk YHWH; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
[^leviticus-17-6-8]: Kanttekening 8: liefelijken reuk: Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^leviticus-17-7-9]: Kanttekening 9: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de zodanigen, die ruig en behaard zijn als bokken, en die de mensen in zodanige gedaante bij wijle verschenen, en door de heidenen afgeschilderd en op godsdienstige wijze vereerd werden. Zie van deze ook 2 Kron. 11:15 . 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.
[^leviticus-17-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, met welke zij afgoderij bedrijven, want gelijk een vrouw hoereert, haar lichaam iemand anders dan haar wettelijken man gemeen makende, zo is het geestelijke hoererij, wanneer de mens de liefde en eer, die hij God alleen schuldig is, de afgoden of enige schepselen uitwendig of inwendig toeëigent. Zie Ex. 34:15 ; onder, Lev. 20:5 , 20:6 , met de aantekeningen Richt. 8:33 ; Ez. 16:16 , 16:26 , en Ez. 23:8 , 23:19 , 23:21 , enz. Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien. Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien. Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God. Ezechiël 16:16 : En u hebt van uw kleren genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet gebeuren. Ezechiël 16:26 : U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. Ezechiël 23:8 : Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort. Ezechiël 23:19 : Maar zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte. Ezechiël 23:21 : Zo hebt u weer opgehaald de schandelijke daad van uw jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten van uw jeugd.
[^leviticus-17-10-b]: Verwijzing b: Gen. 9:4 ; boven, Lev. 3:17 ; boven, Lev. 7:27 ; onder, Lev. 19:26 ; Deut. 12:16 ; idem v. 23 ; 1 Sam. 14:33 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 3:17 : Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten. Leviticus 7:27 : Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden. Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen. Deuteronomium 12:16 : Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. Deuteronomium 12:23 : Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten; 1 Samuël 14:33 : En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk verzondigt zich aan YHWH, etende met het bloed. En hij zei: U hebt trouweloos gehandeld; wentelt heden een grote steen tot mij.
[^leviticus-17-10-11]: Kanttekening 11: mijn aangezicht zetten: Hebreeuws, Ik zal mijn aangezicht geven tegen die ziel; dat is, Ik zal op die mens vergramd zijn, zodat Ik hem tegenstaan en tot vijand wezen zal, en mijn werk daarvan maken, om rechtvaardige straf en wraak tegenover hem uit te voeren. Zo onder, Lev. 20:3 , en Lev. 26:17 ; Ez. 14:8 , enz. Leviticus 20:3 : En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou. Leviticus 26:17 : Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en u zult vluchten, als u iemand vervolgt. Ezechiël 14:8 : En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^leviticus-17-11-12]: Kanttekening 12: van het vlees: Dat is, van het levend beest. Zie Gen. 9:4 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten.
[^leviticus-17-11-13]: Kanttekening 13: verzoening zal doen: Te weten, op sacramentele wijze, omdat het wees op het bloed van Jezus Christus, het onbevlekte lam, dat op het altaar van het kruis voor de mensen geslacht moest worden; Rom. 3:25 ; Kol. 1:20 ; Hebr. 9:12 . Romeinen 3:25 : Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Kolossensen 1:20 : En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
[^leviticus-17-13-14]: Kanttekening 14: die enig wild gedierte: Hebreeuws, wie de jacht van een wild gedierte, enz. verjaagd zal hebben; dat is, met jagen gevangen zal hebben. Vergelijk hiermee de aantekeningen op Gen. 27:3 . Genesis 27:3 : Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;
[^leviticus-17-14-c]: Verwijzing c: Gen. 9:4 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten.
[^leviticus-17-14-15]: Kanttekening 15: voor zijn ziel: Anders, in, of, met de ziel.
[^leviticus-17-14-16]: Kanttekening 16: de ziel van alle vlees: Zie boven, vers 11 . Leviticus 17:11 : Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
[^leviticus-17-15-d]: Verwijzing d: Ex. 22:31 ; boven, Lev. 11:40 ; Ez. 44:31 . Exodus 22:31 : U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen. Leviticus 11:40 : Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn kleren groeien, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn kleren groeien, en onrein zijn tot aan de avond. Ezechiël 44:31 : Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.
[^leviticus-17-15-17]: Kanttekening 17: gegeten hebben: Te weten, door onwetendheid of onvoorzichtigheid, en niet met voorbedachten raad of opzettelijken wil. Zie boven, Lev. 11:40 . Leviticus 11:40 : Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond.
[^leviticus-17-16-19]: Kanttekening 19: zijn ongerechtigheid dragen: Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-17-16-18]: Kanttekening 18: die : Te weten, zijn kleren.

### Leviticus 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/18.json)

*Wetten die de Israëlieten bevelen niet te leven naar de gewoonten of zeden van de Egyptenaren en Kanaänieten, vers 1, enz. maar naar de inzetting van God, 4. De bloedschande in bijslaap en huwelijken te vermijden, 6. De bijslaap met een vrouw tijdens haar maandstonden, 19. en overspel, 20. hun kinderen niet aan de Molech te offeren, 21. Alle onnatuurlijke bijslaap te verfoeien, 22. Met de redenen die dienen tot bevestiging van deze wetten, 24.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Ik ben[^leviticus-18-2-1] YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v2)

**3** U zult niet doen naar de werken van het Egyptische land, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun[^leviticus-18-3-2] voorschriften niet wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v3)

**4** Mijn rechten zult u doen, en Mijn voorschriften zult u houden, om in die te wandelen; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v4)

**5** Ja, Mijn voorschriften en Mijn rechten zult u houden;[^leviticus-18-5-a] welk[^leviticus-18-5-3] mens deze zal doen, die zal daardoor leven; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v5)

**6** [^leviticus-18-6-4] Niemand zal tot enige[^leviticus-18-6-5] nabestaande van zijn lichaam naderen, om de[^leviticus-18-6-6] schaamte te ontbloten; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v6)

**7** U zult de schaamte van uw vader[^leviticus-18-7-7] en de schaamte van uw moeder niet ontbloten;[^leviticus-18-7-8] zij is uw moeder; u zult haar schaamte niet ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v7)

**8** [^leviticus-18-8-b] U zult de schaamte[^leviticus-18-8-9] van de huisvrouw van uw vader niet ontbloten; het is de schaamte[^leviticus-18-8-10] van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v8)

**9** De schaamte van uw zus, van de dochter van[^leviticus-18-9-11] uw vader, of van de dochter van uw[^leviticus-18-9-12] moeder, te[^leviticus-18-9-13] huis geboren of[^leviticus-18-9-14] buiten geboren, haar schaamte zult u niet ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v9)

**10** De schaamte van[^leviticus-18-10-15] de dochter van uw zoon, of van de dochter van uw dochter, haar schaamte zult u niet ontbloten; want[^leviticus-18-10-16] zij zijn uw schaamte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v10)

**11** [^leviticus-18-11-c] De schaamte van de dochter van de huisvrouw van uw vader, die uw vader geboren is (zij is uw zus), haar schaamte zult u niet ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v11)

**12** [^leviticus-18-12-d] U zult de schaamte van de[^leviticus-18-12-17] zus van uw vader niet ontbloten; zij is de nabestaande van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v12)

**13** U zult de schaamte van de zus van uw moeder niet ontbloten; want zij is de nabestaande van uw moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v13)

**14** [^leviticus-18-14-e] U zult de schaamte van de[^leviticus-18-14-18] broer van uw vader niet ontbloten; tot zijn huisvrouw zult u niet[^leviticus-18-14-19] naderen; zij is[^leviticus-18-14-20] uw tante. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v14)

**15** U[^leviticus-18-15-f] zult de schaamte van uw schoondochter niet ontbloten;[^leviticus-18-15-21] zij is de huisvrouw van uw zoon; u zult haar schaamte niet ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v15)

**16** [^leviticus-18-16-g] U zult de schaamte[^leviticus-18-16-22] van de huisvrouw van uw broer niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v16)

**17** [^leviticus-18-17-h] U zult de schaamte van een vrouw en haar dochter niet ontbloten;[^leviticus-18-17-23] de dochter van haar zoon, noch de dochter van haar dochter zult u nemen, om haar schaamte te ontbloten; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v17)

**18** [^leviticus-18-18-24] U zult ook geen vrouw tot haar[^leviticus-18-18-25] zus nemen, om haar te[^leviticus-18-18-26] benauwen, mits haar schaamte naast haar,[^leviticus-18-18-27] in haar leven, te ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v18)

**19** Ook[^leviticus-18-19-i] zult u tot de vrouw in[^leviticus-18-19-28] de afzondering van haar onreinheid niet naderen, om haar schaamte te ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v19)

**20** [^leviticus-18-20-29][^leviticus-18-20-k] En u zult niet liggen bij de huisvrouw van uw naaste ter bezading, om met haar onrein te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v20)

**21** [^leviticus-18-21-l] En van uw zaad zult u niet geven, om voor de[^leviticus-18-21-30] Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u[^leviticus-18-21-31] niet ontheiligen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v21)

**22** [^leviticus-18-22-m] Bij een man zult u niet liggen[^leviticus-18-22-32] zoals men bij een vrouw ligt; dit is een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v22)

**23** [^leviticus-18-23-n] Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is[^leviticus-18-23-33] een gruwelijke vermenging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v23)

**24** Verontreinig u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v24)

**25** Zodat het land onrein is, en Ik over het land[^leviticus-18-25-34] zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners[^leviticus-18-25-35] uitspuwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v25)

**26** [^leviticus-18-26-o] Maar u zult Mijn voorschriften en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelijke dingen niets doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v26)

**27** Want de mensen van dit land, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelijke dingen gedaan; en het land is onrein geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v27)

**28** Dat u dat land niet uitspuwe, als u het zult verontreinigd hebben; zoals het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v28)

**29** Want al wie enige van deze gruwelijke dingen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen[^leviticus-18-29-36] uit het midden van haar volk uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v29)

**30** Daarom zult u Mijn[^leviticus-18-30-37] bevel onderhouden, dat u niet doet van die[^leviticus-18-30-38] gruwelijke voorschriften, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/18.html#v30)

[^leviticus-18-2-1]: Kanttekening 1: YHWH, uw God: Te weten, wie u als uw enige God en Heiland gehoorzamen moet, en die de gehoorzamen belonen en de ongehoorzamen kan en wil straffen.
[^leviticus-18-3-2]: Kanttekening 2: Zo worden genoemd de afgrijslijke gewoonten, die door toelating en het gewone gebruik onder de gemelde volken zo de overhand genomen hadden, dat ze voor gestelde wetten gehouden werden. Vergelijk onder, vers 30 , en Lev. 20:23 . Leviticus 18:30 : Daarom zult u Mijn bevel onderhouden, dat u niet doet van die gruwelijke inzettingen, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:23 : En wandelt niet in de inzettingen van het volk, dat Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.
[^leviticus-18-5-a]: Verwijzing a: Ez. 20:11 ; idem v. 13 ; Rom. 10:5 ; Gal. 3:12 . Ezechiël 20:11 : Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechte bekend, die, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven. Ezechiël 20:13 : Maar het huis van Israël werd opstandig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechte; die, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zei, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen. Romeinen 10:5 : Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven. Galaten 3:12 : Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven.
[^leviticus-18-5-3]: Kanttekening 3: mens dezelfde zal doen: Deze spreuk leert drie dingen: I. de volmaaktheid van de leer van de wet; II. de gerechtigheid van de werken; III. het loon, dat op zulke gerechtigheid van God toegezegd is; maar omdat de verdorven mens die in zich niet heeft, zo is het loon uit enkele genade, om de verzoening door Christus, door het geloof aangenomen; Jes. 53:11 ; Rom. 3:20 , 3:21 , 3:22 , 3:23 , enz. Vergelijk de aantekeningen op Deut. 6:25 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Romeinen 3:22 : Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 3:23 : Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid van God; Deuteronomium 6:25 : En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
[^leviticus-18-6-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, man, man zal niet, enz.; dat is, geen man; want al deze geboden spreken eigenlijk tot de mannen, maar zo, dat bij noodwendig gevolg het vrouwelijke geslacht er mee onder begrepen is.
[^leviticus-18-6-5]: Kanttekening 5: Het Hebreeuwse woord is wel gemeen aan de man en de vrouw, maar wordt hier eigenlijk van de vrouw genomen, en strekt zich uit tot de graden of trappen van de familie en van de zwagerschap, die hier uitgedrukt staan, en uit deze door gelijkvormigheid van bestaan besloten kunnen worden.
[^leviticus-18-6-6]: Kanttekening 6: schaamte te ontdekken: Hebreeuws, naaktheid; en zo in het volgende. Het is een eerbare manier van spreken, betekenende zoveel als wat de Schrift anders noemt iemand bekennen. Zie Gen. 4:1 . Een gelijke manier van spreken is: de zoom van de kleding ontdekken, Deut. 22:30 , en Deut. 27:20 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Deuteronomium 22:30 : Een man zal zijn vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijn vaders slippe niet ontdekken. Deuteronomium 27:20 : Vervloekt zij, die bij de vrouw zijn vaders ligt, omdat hij zijn vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^leviticus-18-7-7]: Kanttekening 7: en de schaamte van uw moeder: Het woordje en dient hier tot uitlegging, alsof men zei: te weten; want vaders schaamte en moeders schaamte worden hier voor één genomen. Zie ook vers 8 , 18:16 . Leviticus 18:8 : U zult de schaamte van de huisvrouw van uw vader niet ontdekken; het is de schaamte van uw vader. Leviticus 18:16 : U zult de schaamte van de huisvrouw van uw broer niet ontdekken; het is de schaamte van uw broer.
[^leviticus-18-7-8]: Kanttekening 8: zij is uw moeder: Dat is, u bent uit haar geboren; en versta, bijgevolg, hetzelfde van de vader, die de schaamte van zijn dochter niet mag ontdekken, omdat hij haar vader en zij van hem geboren is.
[^leviticus-18-8-b]: Verwijzing b: onder, Lev. 20:11 ; 1 Kor. 5:1 . Leviticus 20:11 : En een man, die bij zijn vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijn vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! 1 Korinthiërs 5:1 : Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, zo dat er een zijn vaders huisvrouw heeft.
[^leviticus-18-8-9]: Kanttekening 9: van de huisvrouw van uw vader: Dat is, van uw stiefmoeder; zo ook van uw stiefvader. Want onder één exempel moeten de gelijke trappen begrepen worden.
[^leviticus-18-8-10]: Kanttekening 10: van uw vader: Aan wie het alleen geoorloofd is die te ontdekken.
[^leviticus-18-9-11]: Kanttekening 11: dochter van uw vader: Dat is, van uw halfzus van vaders zijde.
[^leviticus-18-9-12]: Kanttekening 12: dochter van uw moeder: Dat is, van uw halfzus van moeders zijde.
[^leviticus-18-9-13]: Kanttekening 13: te huis geboren: Dat is, in een wettig huwelijk.
[^leviticus-18-9-14]: Kanttekening 14: buiten geboren: Dat is, onwettig. Andere nemen het zo: Dat God in het algemeen verbiedt de zus te trouwen, hetzij zij is de dochter van uw vader, thuis geboren; dat is, uw volle zus; hetzij zij is de dochter van uw moeder, buiten geboren; dat is, uw halfzus van moeders zijde. Gelijk vers 11 , verboden wordt de trouw met de halfzus van vaders zijde. Leviticus 18:11 : De schaamte van de dochter van de huisvrouw van uw vader, die uw vader geboren is (zij is uw zus), haar schaamte zult u niet ontdekken.
[^leviticus-18-10-15]: Kanttekening 15: dochter van uw zoon: En zo naar beneden in de rechte linie, van alle kinderen van uw kinderen.
[^leviticus-18-10-16]: Kanttekening 16: zij zijn uw schaamte: Dat is, zij zijn door middel van uw kinderen van u voortgekomen en geboren.
[^leviticus-18-11-c]: Verwijzing c: onder, Lev. 20:17 . Leviticus 20:17 : En als een man zijn zus, de dochter zijn vaders, of de dochter zijn moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte zijn zus ontdekt, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-18-12-d]: Verwijzing d: onder, Lev. 20:19 . Leviticus 20:19 : Daartoe zult u de schaamte van de zus uw moeder, en van de zus uw vaders niet ontdekken; omdat hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-18-12-17]: Kanttekening 17: zus van uw vader: Te weten, die uw moei is, van vaders zijde, gelijk in vers 13 van de moei van de moederlijke zijde gesproken wordt. Leviticus 18:13 : U zult de schaamte van de zus van uw moeder niet ontdekken; want zij is nabestaande van uw moeder.
[^leviticus-18-14-e]: Verwijzing e: onder, Lev. 20:20 ; Ez. 22:11 . Leviticus 20:20 : Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijn ooms ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. Ezechiël 22:11 : Daartoe heeft de één gruwel gedaan met zijn naasten huisvrouw, en een ander heeft zijn zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zus, zijn vaders dochter; verkracht.
[^leviticus-18-14-18]: Kanttekening 18: broer van uw vader: Dat is, van de huisvrouw van de broer van uw vader, gelijk de volgende woorden medebrengen; waarvan de schaamte de schaamte van de oom genoemd werd, omdat zij met hem één vlees is.
[^leviticus-18-14-19]: Kanttekening 19: Te weten, om met haar vleselijke gemeenschap te hebben. Zie Gen. 20:4 . Genesis 20:4 : Maar Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zei hij: Heer! zult U dan ook een rechtvaardig volk doden?
[^leviticus-18-14-20]: Kanttekening 20: uw moei: Te weten, behuwde moei, die een neef van de overledene ook niet mocht trouwen. Hierom was nog meer ongeoorloofd het huwelijk tussen de oom en zijn broers dochter.
[^leviticus-18-15-f]: Verwijzing f: onder, Lev. 20:12 . Leviticus 20:12 : Ook, als de man bij de vrouw zijn zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!
[^leviticus-18-15-21]: Kanttekening 21: uw zoons huisvrouw: Ook was ongeoorloofd het huwelijk tussen de schoonzoon en de behuwde moeder; onder Lev. 20:14 . Leviticus 20:14 : En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
[^leviticus-18-16-g]: Verwijzing g: onder, Lev. 20:21 . Leviticus 20:21 : En wanneer een man zijn broers huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijn broers ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.
[^leviticus-18-16-22]: Kanttekening 22: huisvrouw van uw broer: Van deze wet werd toenmaals uitgenomen, wanneer de broer zonder mannelijke erfgenamen na te laten gestorven was; want dan moest de naaste broer of bloedvriend de weduwe trouwen, om zijn gestorven broer zaad te verwekken; Deut. 25:5 ; Matt. 22:24 . Uit deze wet volgt noodzakelijk dat een vrouw, met de ene broer getrouwd zijnde, na zijn dood met de andere broer niet mag trouwen; en eveneens een man met de ene zus getrouwd zijnde, mag na haar dood de andere zus niet trouwen. Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemde man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man. Mattheüs 22:24 : Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer diens vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken.
[^leviticus-18-17-h]: Verwijzing h: onder, Lev. 20:14 . Leviticus 20:14 : En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
[^leviticus-18-17-23]: Kanttekening 23: dochter haars zoons: Versta, de stiefdochter en de stiefzoon, en de kinderen van deze voortkomende, van welke de stiefvader en de stiefgrootvader zich moesten, als van hun eigen kinderen en kleinkinderen, onthouden.
[^leviticus-18-18-24]: Kanttekening 24: U zult: Deze wet wordt door sommigen aldus verstaan, dat een man niet tegelijk twee vrouwen in huwelijk mocht hebben. Want hoewel enige oudvaders dit gedaan hebben, en God dit in die tijd geduld heeft, nochtans was het zo van de beginne niet geweest, gelijk Christus leert Matt. 19:8 ; Gen. 2:24 , en is in het Nieuwe Testament afgeschaft. Maar velen verstaan door het woord zus hier de eigen zus van de vrouw. Mattheüs 19:8 : Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het zo niet geweest. Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.
[^leviticus-18-18-25]: Kanttekening 25: Volgens de eerste uitlegging zou het woord zus hier niet die van dezelfde natuurlijke ouders geboren is, maar slechts een andere vrouw betekenen, gelijk het aldus voor het woord andere genomen wordt; Ex. 26:3 ; Ez. 1:9 , en Ez. 3:13 , enz. Exodus 26:3 : Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de één aan de andere; opnieuw zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de één aan de andere. Ezechiël 1:9 : Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. Ezechiël 3:13 : En ik hoorde het geluid van de vleugelen van de dieren, die de één de ander raakten, en het geluid van de raderen tegenover hen; en het geluid van een grote ruising.
[^leviticus-18-18-26]: Kanttekening 26: Dat is, schande, spijt en kwelling aan te doen; dat gemeenlijk geschiedt waar meer vrouwen zijn dan een. Zie 1 Sam. 1 . Veel meer waar twee zussen tegelijk zijn, gelijk te zien is in de huisvrouwen van Jakob; Gen. 30 .
[^leviticus-18-18-27]: Kanttekening 27: in haar leven: Als men dit verstaat van de eigenlijke zus, kunnen deze woorden dienen tot vergroting van de benauwdheid, die haar van haar eigen zus in haar leven zou wedervaren. Dienvolgens kan in geen geval daaruit besloten worden, dat de man na haar dood haar zus zou mogen trouwen. Zie daarvan vers 16 . Leviticus 18:16 : U zult de schaamte van de huisvrouw van uw broer niet ontdekken; het is de schaamte van uw broer.
[^leviticus-18-19-i]: Verwijzing i: onder, Lev. 20:18 . Leviticus 20:18 : En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloed ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
[^leviticus-18-19-28]: Kanttekening 28: afzondering van haar onreinigheid: Dat is, wanneer zij om haar bloedgang moet afgezonderd worden. Zie boven, Lev. 12:2 , en Lev. 15:24 , 15:25 . Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn. Leviticus 15:24 : Ook zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. Leviticus 15:25 : Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de tijd van haar afzondering, van de vloed van haar bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed van haar onreinigheid, als in de dagen van haar afzondering onrein zijn.
[^leviticus-18-20-29]: Kanttekening 29: En u zult niet liggen bij: Hebreeuws, en tot de huisvrouw van uw naaste zult u niet geven uw bijliggen tot zaad, of, bezadiging. Zo in het volgende meermalen.
[^leviticus-18-20-k]: Verwijzing k: onder, Lev. 20:10 . Leviticus 20:10 : Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met zijn naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
[^leviticus-18-21-l]: Verwijzing l: onder, Lev. 20:2 ; Deut. 18:10 ; 2 Kon. 17:17 ; 2 Kon. 23:10 . Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^leviticus-18-21-30]: Kanttekening 30: Zo wordt genoemd de afgod van de Ammonieten, die ook anders Milcom geheten wordt, 1 Kon. 11:5 , 11:7 , tot wiens godsdienstige eer de ouders hun kinderen levend deden verbranden, of \[gelijk sommigen schrijven\] tenminste tussen twee grote vuren doorgaan, om \[zoals zij meenden\] gezuiverd te worden, dat te doen God hier uitdrukkelijk verbiedt. Zie ook onder, Lev. 20:2 ; Deut. 18:10 ; 2 Kon. 17:17 , en 2 Kon. 23:10 . 1 Koningen 11:5 : Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten. 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^leviticus-18-21-31]: Kanttekening 31: Dat is, niet onteren, mits te doen wat Hij verboden en na te laten wat Hij geboden heeft. Vergelijk onder, Lev. 20:2 ; Deut. 18:10 ; 2 Kon. 17:17 , en 2 Kon. 23:10 . Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^leviticus-18-22-m]: Verwijzing m: onder, Lev. 20:13 . Leviticus 20:13 : Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
[^leviticus-18-22-32]: Kanttekening 32: met vrouwelijke bijligging: Dat is, gelijk men bij vrouwen ligt; zo onder, Lev. 20:13 . Leviticus 20:13 : Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
[^leviticus-18-23-n]: Verwijzing n: onder, Lev. 20:15 ; idem v. 16 . Leviticus 20:15 : Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult u het beest doden. Leviticus 20:16 : Zo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmee te doen te hebben, zo zult u die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
[^leviticus-18-23-33]: Kanttekening 33: een gruwelijke vermenging: Of, een gruwelijke verstoring en verwarring van de orde door God in de natuur ingesteld en een schandelijk vergrijp aan de eerbaarheid.
[^leviticus-18-25-34]: Kanttekening 34: zijn ongerechtigheid bezoeke: Dat is, straf om zijn ongerechtigheid; zo Jes. 26:21 ; Jer. 36:31 . Zie Gen. 21:1 . Jesaja 26:21 : Want ziet, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden. Jeremia 36:31 : En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn knechten hun ongerechtigheid bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord. Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^leviticus-18-25-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woordje betekent eigenlijk door walging overgeven wat de maag niet kan verdragen; dat bij gelijkenis gezegd wordt van een land, dat met kwade inwoners bezwaard is. Zo onder, vers 28 , en Lev. 20:22 . Leviticus 18:28 : Dat u dat land niet uitspuwe, als u het zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft. Leviticus 20:22 : Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet ze; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.
[^leviticus-18-26-o]: Verwijzing o: onder, Lev. 20:22 . Leviticus 20:22 : Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechte, en doet dezelfde; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.
[^leviticus-18-29-36]: Kanttekening 36: uit het midden: Hieruit \[alsook uit meer andere plaatsen\] blijkt duidelijk dat het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, ook dikwijls een smadelijke lijf- en doodstraf begrijpt.
[^leviticus-18-30-37]: Kanttekening 37: Mijn bevel onderhouden: Hebreeuws, onderhouding; dat is, wat Ik bevolen heb te onderhouden. Zo ook Gen. 26:5 . Elders wordt dit woord overgezet, wacht, als Num. 3:7 , enz. Zie daar de aantekeningen. Genesis 26:5 : Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^leviticus-18-30-38]: Kanttekening 38: gruwelijke inzettingen: Hebreeuws, inzettingen van de gruwelen. Zie boven, vers 3 . Leviticus 18:3 : U zult niet doen naar de werken van het Egyptische land, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.

### Leviticus 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/19.json)

*Wetten die de Israëlieten bevelen dat zij heilig zullen zijn, vers 1, enz. Vader en moeder eren, de sabbatten onderhouden, 3. Afgoderij vermijden, 4. De dankoffers behoorlijk slachten en gebruiken, 5. De armen gedenken bij de oogst, 9. Hun naaste geen onrecht doen, noch buiten het gericht, noch in het gericht, 11. Ook in hun hart hem niet vijandig zijn, maar goed doen met woorden en werken, uit echte liefde, 17. Dingen die verschillend zijn, niet vermengen, 19. Geen hoererij toelaten, 20. Wanneer zij de vruchten van het land Kanaän zouden eten, 23. Geen bloed eten, noch waarzeggerij enz. gebruiken, 26. Geen heidense tekenen van rouw maken, 27. Noch hun dochters tot onkuisheid aanzetten, 29. Maar God en zijn inzettingen in ere houden, 30. Niet de waarzeggers raadplegen, 31. De ouderen eren, 32. De vreemdelingen recht doen, 33. Ja, iedereen in alle handel, 35.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v1)

**2** Spreek tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tot hen:[^leviticus-19-2-a] U zult[^leviticus-19-2-1] heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben[^leviticus-19-2-2] heilig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v2)

**3** [^leviticus-19-3-b] Want ieder zal zijn[^leviticus-19-3-3] moeder en zijn vader vrezen, en[^leviticus-19-3-c] Mijn sabbatten houden;[^leviticus-19-3-4] Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v3)

**4** U zult u tot de[^leviticus-19-4-5] afgoden niet keren, en[^leviticus-19-4-d] u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v4)

**5** En wanneer u[^leviticus-19-5-6] een dankoffer voor YHWH offeren zult,[^leviticus-19-5-7] naar uw welgevallen zult u dat offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v5)

**6** [^leviticus-19-6-e] Op de dag van uw offeren, en op de andere dag, zal het gegeten worden; maar wat tot op de derde dag overblijft zal met vuur verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v6)

**7** En zo het op de derde dag[^leviticus-19-7-8] enigszins gegeten wordt,[^leviticus-19-7-9] het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v7)

**8** En zo wie dat eet, zal zijn[^leviticus-19-8-10] ongerechtigheid dragen, omdat hij[^leviticus-19-8-11] het heilige van YHWH ontheiligd heeft; daarom[^leviticus-19-8-12] zal die ziel, uit haar volken uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v8)

**9** [^leviticus-19-9-f] Als u ook de oogst van uw land inoogsten zult, u zult de hoek van uw veld niet geheel afoogsten, en dat[^leviticus-19-9-13] van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v9)

**10** Ook zult u uw wijngaard[^leviticus-19-10-14] niet nalopen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; de arme en de vreemdeling zult u die overlaten; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v10)

**11** [^leviticus-19-11-g] U zult niet stelen, en u zult[^leviticus-19-11-15] niet liegen, noch vals handelen, ieder tegen zijn naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v11)

**12** [^leviticus-19-12-h] U zult niet vals bij Mijn Naam zweren;[^leviticus-19-12-16] want u zou de[^leviticus-19-12-17] Naam van uw God ontheiligen; Ik ben YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v12)

**13** U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van[^leviticus-19-13-i] de[^leviticus-19-13-18] dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v13)

**14** U zult de dove niet vloeken, en voor het aangezicht van de blinden geen[^leviticus-19-14-19] aanstoot zetten; maar u zult voor uw God vrezen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v14)

**15** U zult geen onrecht doen in het[^leviticus-19-15-20][^leviticus-19-15-k] gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch[^leviticus-19-15-21] het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v15)

**16** [^leviticus-19-16-l] U[^leviticus-19-16-22] zult niet wandelen als een[^leviticus-19-16-23] roddelaar onder uw volken;[^leviticus-19-16-24] u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v16)

**17** [^leviticus-19-17-m] U zult uw[^leviticus-19-17-25] broer in uw hart niet haten;[^leviticus-19-17-n] u zult uw naaste[^leviticus-19-17-26] ijverig berispen, en zult[^leviticus-19-17-27] de zonde in hem niet verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v17)

**18** [^leviticus-19-18-o] U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk;[^leviticus-19-18-p] maar u zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v18)

**19** U zult Mijn voorschriften houden; u zult geen tweeërlei aard van uw beesten laten samen te doen hebben;[^leviticus-19-19-q] uw akker zult u niet[^leviticus-19-19-28] met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van[^leviticus-19-19-29] tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v19)

**20** En wanneer een man, door[^leviticus-19-20-30] bijligging van het zaad, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij de[^leviticus-19-20-31] man[^leviticus-19-20-32] versmaad, en[^leviticus-19-20-33] in geen geval gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven;[^leviticus-19-20-34] die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet[^leviticus-19-20-35] vrij gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v20)

**21** En hij zal zijn schuldoffer voor YHWH aan de deur van de tent van de samenkomst brengen, een ram als schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v21)

**22** En de priester zal met de ram van het schuldoffer, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht van YHWH verzoening doen; en hem zal vergeving gebeuren van zijn zonde, die hij gezondigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v22)

**23** Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte als voedsel geplant zult hebben,[^leviticus-19-23-36] zo zult u de voorhuid daarvan, zijn vrucht, besnijden; drie jaar zal het u[^leviticus-19-23-37] onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v23)

**24** Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht[^leviticus-19-24-38] een heilig ding zijn, ter lofzegging voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v24)

**25** En in het vijfde jaar zult u daarvan vrucht eten,[^leviticus-19-25-39] om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v25)

**26** U zult niets met het bloed eten. U zult op geen[^leviticus-19-26-40] vogelgeschrei acht geven, noch[^leviticus-19-26-41] bezwering plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v26)

**27** [^leviticus-19-27-r] U zult de hoeken van uw hoofd niet rond afscheren; ook zult u de hoeken van uw baard niet verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v27)

**28** [^leviticus-19-28-s] U zult om een[^leviticus-19-28-42] dood lichaam geen kerving in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v28)

**29** U zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v29)

**30** U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u[^leviticus-19-30-43] vrezen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v30)

**31** [^leviticus-19-31-t] U zult u niet keren tot de[^leviticus-19-31-44] waarzeggers, en tot de[^leviticus-19-31-45] dodenbezweerders; zoek hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v31)

**32** Voor het grijze haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de oude vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v32)

**33** [^leviticus-19-33-v] En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, u zult hem niet[^leviticus-19-33-46] verdrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v33)

**34** De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingezetene van u; u zult hem liefhebben als uzelf; want u bent vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v34)

**35** U zult geen onrecht doen in het[^leviticus-19-35-47] gericht, met de[^leviticus-19-35-48] el, met het gewicht, of met de maat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v35)

**36** [^leviticus-19-36-x] U zult een rechte weegschaal hebben, rechte[^leviticus-19-36-49] weegstenen, een rechte[^leviticus-19-36-50] efa, en een rechte[^leviticus-19-36-51] hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v36)

**37** Daarom zult u al Mijn voorschriften en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/19.html#v37)

[^leviticus-19-2-a]: Verwijzing a: boven, Lev. 11:44 ; onder, Lev. 20:7 ; idem v. 26 ; 1 Petr. 1:16 . Leviticus 11:44 : Want Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert. Leviticus 20:7 : Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:26 : En u zult Mij heilig zijn, want Ik, YHWH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u Mijns zoudt zijn. 1 Petrus 1:16 : Daarom er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
[^leviticus-19-2-1]: Kanttekening 1: heilig zijn: Dat is, leven naar al mijn wetten en geboden, rakende de zeden, ceremoniën en burgerlijke rechten, van welke alleen enige in dit hoofdstuk verhaald worden.
[^leviticus-19-2-2]: Kanttekening 2: Niet alleen in gedachten, woorden en werken, maar ook in het wezen de heiligheid zelve.
[^leviticus-19-3-b]: Verwijzing b: Ex. 20:12 . Exodus 20:12 : Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH uw God geeft.
[^leviticus-19-3-3]: Kanttekening 3: zijn moeder en zijn vader vrezen: De moeder wordt hier voor de vader genoemd, omdat de kinderen in hun jonkheid meest hun moeder behoeven, en sommigen in haar ouderdom die meest plegen te verachten.
[^leviticus-19-3-c]: Verwijzing c: Ex. 31:13 ; onder, Lev. 26:2 . Exodus 31:13 : U nu, spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: U zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik YHWH ben, Die u heilige. Leviticus 26:2 : Mijn sabbatten zult u houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-19-3-4]: Kanttekening 4: Ik ben YHWH, uw God: Zie boven, Lev. 18:2 . Zo onder, vers 4 , 19:10 , 19:12 , 19:14 , enz. Leviticus 18:2 : Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 19:10 : Ook zult u uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; de arme en de vreemdeling zult u die overlaten; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 19:12 : U zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want u zoudt de Naam van uw God ontheiligen; Ik ben YHWH. Leviticus 19:14 : U zult de dove niet vloeken, en voor het aangezicht van de blinde geen aanstoot zetten; maar u zult voor uw God vrezen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-19-4-5]: Kanttekening 5: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk nietige dingen, of, wat niet is. Waarom de apostel zeer wel zegt dat de afgod in de wereld niets is, 1 Kor. 8:4 , want het is een ijdel versiersel van het ijdel hart van de mens; 1 Sam. 12:21 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Samuël 12:21 : En wijkt niet af; want u zoudt de ijdelheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.
[^leviticus-19-4-d]: Verwijzing d: Ex. 34:17 . Exodus 34:17 : U zult u geen gegoten goden maken.
[^leviticus-19-5-6]: Kanttekening 6: Zie boven, Lev. 3:1 . Leviticus 3:1 : En als zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-19-5-7]: Kanttekening 7: naar uw welgevallen: Dat is, met uw goede genegenheid en vrijwillig en onbedwongen voornemen. Want deze dankoffers waren wel geboden, maar niet met een precies voorschrift, zodat het eenieder vrij was daarin te doen naar dat hij zich in zijn hart geroerd vond. Ziet Lev. 7:16 en vgl. dit met het vrijwillig brandoffer, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-19-6-e]: Verwijzing e: boven, Lev. 7:16 . Leviticus 7:16 : En zo het slachtoffer zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook van de anderen daags gegeten worden.
[^leviticus-19-7-8]: Kanttekening 8: enigszins gegeten wordt: Hebreeuws, etende gegeten wordt .
[^leviticus-19-7-9]: Kanttekening 9: een afgrijselijk ding: Zie boven, Lev. 7:18 . Leviticus 7:18 : Want zo enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-19-8-10]: Kanttekening 10: ongerechtigheid dragen: Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-19-8-11]: Kanttekening 11: heilige van YHWH: Zie boven, Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^leviticus-19-8-12]: Kanttekening 12: zal dezelfde ziel: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^leviticus-19-9-f]: Verwijzing f: onder, Lev. 23:22 ; Deut. 24:19 . Leviticus 23:22 : Als u nu de oogst uw lands zult inoogsten, u zult, in uw inoogsten, de hoek van het veld niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult u ze laten; Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 24:19 : Wanneer u uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u YHWH, uw God, zegene, in al het werk uw handen.
[^leviticus-19-9-13]: Kanttekening 13: dat van uw oogst op te zamelen is: Dat is het overblijfsel van de aren, die nog op te rapen zijn.
[^leviticus-19-10-14]: Kanttekening 14: Te weten, nadat de beste druiven afgesneden zijn, en de aflezing van de wijnberg eens gedaan is.
[^leviticus-19-11-g]: Verwijzing g: Ex. 20:15 . Exodus 20:15 : U zult niet stelen.
[^leviticus-19-11-15]: Kanttekening 15: niet liegen: Of, niet loochenen, dat u iets van iemand in bewaring genomen hebt.
[^leviticus-19-12-h]: Verwijzing h: Ex. 20:7 ; Deut. 5:11 . Exodus 20:7 : U zult de naam van YHWH uw Gods niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. Deuteronomium 5:11 : U zult de Naam van YHWH, uw Gods, niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam zinloos gebruikt.
[^leviticus-19-12-16]: Kanttekening 16: want u zoudt: Anders, en u zult de naam van uw God niet, enz.
[^leviticus-19-12-17]: Kanttekening 17: de Naam van uw God ontheiligen: Zie boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-19-13-i]: Verwijzing i: Deut. 24:14 ; Jak. 5:4 . Deuteronomium 24:14 : U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broers is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Jakobus 5:4 : Ziet, het loon van de werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei degenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heer Sebaoth.
[^leviticus-19-13-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, werk, of, arbeid. Zie Job 7:2 ; Jer. 22:13 , enz. Job 7:2 : Gelijk de dienaar hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon; Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^leviticus-19-14-19]: Kanttekening 19: aanstoot zetten: Dat hem zou mogen kwetsen, of doen vallen.
[^leviticus-19-15-20]: Kanttekening 20: aangezicht van de geringe niet aannemen: Dat is, niet achtnemen in het oordelen en vonnissen op de hoedanigheid van de personen, maar op de eis en de gerechtigheid van de zaak. Deze manier van spreken is ook Deut. 10:17 , en Ps. 82:2 . Vergelijk Deut. 1:17 , en Spr. 24:23 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; Psalmen 82:2 : Hoe lang zult u onrecht oordelen, en het aangezicht van de goddelozen aannemen? Sela. Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. Spreuken 24:23 : Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
[^leviticus-19-15-k]: Verwijzing k: Deut. 1:17 ; Deut. 16:19 ; Spr. 24:23 . Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. Deuteronomium 16:19 : U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. Spreuken 24:23 : Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
[^leviticus-19-15-21]: Kanttekening 21: het aangezicht van de grote voortrekken: Dat is, hem gunstig zijn en voorstaan in zijn onrecht. Zie deze manier van spreken ook Ex. 23:3 . Exodus 23:3 : Ook zult u de geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
[^leviticus-19-16-l]: Verwijzing l: Ex. 23:1 . Exodus 23:1 : U zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
[^leviticus-19-16-22]: Kanttekening 22: zult niet wandelen: Dat is, herwaarts en daarheen te wandelen om kwade geruchten van zijn naasten te strooien, en nog andere te vernemen, om die weer uit te breiden. Zie deze manier van spreken ook Spr. 11:13 , en Spr. 20:19 ; Jer. 6:28 , en Jer. 9:4 . Spreuken 11:13 : Die als een achterklapper wandelt, openbaart het geheime; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak. Spreuken 20:19 : Die als een achterklapper wandelt, openbaart het geheime; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt. Jeremia 6:28 : Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers. Jeremia 9:4 : Wacht u, een ieder van zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elk broer doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.
[^leviticus-19-16-23]: Kanttekening 23: achterklapper onder uw volken: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een, die over en weer wat overdraagt, naar de wijze van kramers, die van de één kopen en aan de ander verkopen. Zo is het met de achterklapper, die van de één wat hoort en de ander dat aanzegt, tot zijn eigen profijt en de schade van zijn naaste.
[^leviticus-19-16-24]: Kanttekening 24: zult niet staan: Dat is, u zult uw naaste niet alleen niet ombrengen, maar ook geen oorzaak zijn dat hij door valse getuigenis omgebracht worde.
[^leviticus-19-17-m]: Verwijzing m: 1 Joh. 2:9 ; idem 2:11 ; 1 Joh. 3:15 . 1 Johannes 2:9 : Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broer haat, die is in de duisternis tot nog toe. 1 Johannes 2:11 : Maar die zijn broer haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij heengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind. 1 Johannes 3:15 : Een iedereen, die zijn broer haat, is een moordenaar; en u weet, dat geen moordenaar het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
[^leviticus-19-17-25]: Kanttekening 25: broer in uw hart niet haten: Dat is, uw naaste. Zie Gen. 19:7 , en Gen. 29:4 , of, uw landsman. Zie Ex. 2:11 ; 1 Sam. 30:23 ; Hand. 22:1 , alwaar het woord broer voor landslieden genomen wordt. Genesis 19:7 : En hij zei: Mijn broers! doet toch geen kwaad! Genesis 29:4 : Toen zei Jakob tot hen: Mijn broers! van waar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. Exodus 2:11 : En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broers, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broers sloeg. 1 Samuël 30:23 : Maar David zei: Zo zult u niet doen, mijn broers, met wat ons YHWH gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven. Handelingen 22:1 : Mannen broers en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.
[^leviticus-19-17-n]: Verwijzing n: Matt. 18:15 ; Lukas 17:3 . Mattheüs 18:15 : Maar als uw broer tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broer gewonnen. Lukas 17:3 : Wacht uzelven. En als uw broer tegen u zondigt, zo bestraf hem; en als het hem leed is, zo vergeef het hem.
[^leviticus-19-17-26]: Kanttekening 26: naarstiglijk berispen: Hebreeuws, bestraffende bestraffen.
[^leviticus-19-17-27]: Kanttekening 27: de zonde in hem niet verdragen: Anders, opdat u de zonde voor hem, of, om hem niet draagt; dat is, de straf, die hij verdiend had, met hem niet draagt.
[^leviticus-19-18-o]: Verwijzing o: Matt. 5:39 ; idem v. 44 ; Lukas 6:27 ; Rom. 12:19 ; 1 Kor. 6:7 ; 1 Thes. 5:15 ; 1 Petr. 3:9 . Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Lukas 6:27 : Maar Ik zeg u, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Romeinen 12:19 : Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heer. 1 Korinthiërs 6:7 : Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 1 Thessalonicensen 5:15 : Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen. 1 Petrus 3:9 : Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zoudt beërven.
[^leviticus-19-18-p]: Verwijzing p: Matt. 5:43 ; Matt. 22:39 ; Rom. 13:9 ; Gal. 5:14 ; Jak. 2:8 . Mattheüs 5:43 : U hebt gehoord, dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult u haten. Mattheüs 22:39 : En het tweede aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Jakobus 2:8 : Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet u wel;
[^leviticus-19-19-q]: Verwijzing q: Deut. 22:9 . Deuteronomium 22:9 : U zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid van het zaad, dat u zult gezaaid hebben, en de inkomst van het wijngaard niet ontheiligd worde.
[^leviticus-19-19-28]: Kanttekening 28: met tweeërlei zaad bezaaien: Zo Deut. 22:9 . Deuteronomium 22:9 : U zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid van het zaad, dat u zult gezaaid hebben, en de inkomst van de wijngaard niet ontheiligd worde.
[^leviticus-19-19-29]: Kanttekening 29: tweeërlei stof: Als van wol en linnen. Zie Deut. 22:11 . Deuteronomium 22:11 : U zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk.
[^leviticus-19-20-30]: Kanttekening 30: bijligging van het zaad: Vergelijk boven, Lev. 18:22 . Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.
[^leviticus-19-20-31]: Kanttekening 31: Versta, door hem, met wie zij ondertrouwd of getrouwd is geweest, en daarna door hem versmaad. Anders, bij een ieder versmaad; dat is, zo veracht, dat zij niet vrijgemaakt wordt maar in slavernij blijft.
[^leviticus-19-20-32]: Kanttekening 32: Anders, aan een man ondertrouwd.
[^leviticus-19-20-33]: Kanttekening 33: in geen geval gelost is: Hebreeuws, niet lossende gelost.
[^leviticus-19-20-34]: Kanttekening 34: die zullen gegeseld worden: Hebreeuws, geseling, of, slaan zal gebeuren. Zie van deze straf Deut. 25:2 , 25:3 . Deuteronomium 25:2 : En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn aanwezigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. Deuteronomium 25:3 : Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broer dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.
[^leviticus-19-20-35]: Kanttekening 35: vrij gemaakt: Want als zij vrij ware geweest, zou zij hebben moeten gedood worden; Deut. 22:24 . Deuteronomium 22:24 : Zo zult u ze beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad, en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; de jonge dochter, ter oorzake, dat zij niet geroepen heeft in de stad, en de man, ter oorzake dat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^leviticus-19-23-36]: Kanttekening 36: zo zult u de voorhuid daarvan: Dat is, u zult de eerste vruchten voor onrein houden, als een voorhuid, en niet gebruiken, maar wegwerpen.
[^leviticus-19-23-37]: Kanttekening 37: onbesneden zijn: Dat is, onrein en dienvolgens niet bekwaam om genoten te worden.
[^leviticus-19-24-38]: Kanttekening 38: een heilig ding zijn: Dat is, zij moest de Heer toegeheiligd zijn, om Hem te loven voor de onvruchtbaarheid van de bomen, en hierom moest zij de priester gegeven worden, die het voedsel huns Gods aten. Hebreeuws, heiligheid.
[^leviticus-19-25-39]: Kanttekening 39: om het inkomen daarvan: Dat is, opdat de Heer het inkomen daarvan voor u vermeerdere.
[^leviticus-19-26-40]: Kanttekening 40: vogelgeschrei acht geven: Het Hebreeuwse woordje betekent niet alleen uit de vogels, maar ook uit andere dingen iets opmerken en waarnemen, om door ijdele kunst iets, dat verborgen is, te openbaren of te voorzeggen. Zo is dit woord ook gebruikt 2 Kon. 21:6 ; 2 Kron. 33:6 . 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^leviticus-19-26-41]: Kanttekening 41: guichelarij plegen: Het Hebreeuwse woord betekent met verbinding van de ogen toveren, waardoor men meent te zien wat niet is; gelijk het door enige genomen wordt Deut. 18:10 ; 2 Kon. 21:6 ; 2 Kron. 33:6 ; Jes. 2:6 , en Jes. 57:3 ; Jer. 27:9 . Anderen verstaan het van de dagverkiezing of waarzeggerij, uit het aanschouwen van de wolken en de gestalte van de hemel, wat sterrenkijkerij genoemd wordt. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Jesaja 2:6 : Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen van de vreemden tonen zij hun behagen. Jesaja 57:3 : Maar nadert u hier toe, u kinderen van de guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft! Jeremia 27:9 : Gijlieden dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw guichelaars, en naar uw tovenaars, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen.
[^leviticus-19-27-r]: Verwijzing r: onder, Lev. 21:5 . Leviticus 21:5 : Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.
[^leviticus-19-28-s]: Verwijzing s: Deut. 14:1 . Deuteronomium 14:1 : Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uw Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
[^leviticus-19-28-42]: Kanttekening 42: dood lichaam: Hebreeuws, ziel; dat is, om het dode lichaam eens mensen. Zo onder, Lev. 21:1 , 21:11 , en Lev. 22:4 ; Num. 9:6 ; Ps. 16:10 . Leviticus 21:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Leviticus 21:11 : Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen. Leviticus 22:4 : Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat. Numeri 9:6 : Toen waren er mensen geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, en op dezelfde dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aäron op dienzelven dag. Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^leviticus-19-30-43]: Kanttekening 43: Of, In ere houden, mits na te volgen de wetten en ordinantiën, die daarin moeten onderhouden worden, en daarin niet te verschijnen, onbekwaam zijnde door afgoderij of enige andere zonde en onreinheid. Zie onder, Lev. 26:2 . Leviticus 26:2 : Mijn sabbatten zult u houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-19-31-t]: Verwijzing t: onder, Lev. 20:6 . Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.
[^leviticus-19-31-44]: Kanttekening 44: Of, tot de waarzeggende geesten; want het woord betekent zowel de geesten, die over onbekende en verborgen dingen ondervraagd zijnde, antwoord gaven, zoals de waarzeggers, zo mannen als vrouwen die de geesten vraagden om antwoord te verkrijgen. Zij worden wel naar het algemene gebruik waarzeggers genoemd, maar zijn deze naam inderdaad onwaardig, omdat zij dikwijls valsheid antwoorden, en de waarheid niet dan om te bedriegen en schade te doen. Zie van deze ook onder, Lev. 20:27 ; Deut. 18:11 ; 1 Sam. 28:3 , 28:9 , 2 Kon. 21:6 ; 1 Kron. 10:13 ; Hand. 16:16 . Leviticus 20:27 : Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggende geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. 1 Samuël 28:3 : Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars. 1 Samuël 28:9 : Toen zei de vrouw tot hem: Zie, u weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt u dan mijn ziel een strik, om mij te doden? 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 1 Kronieken 10:13 : Zo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmee hij overtreden had tegen YHWH, tegen het woord van YHWH dat hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, Handelingen 16:16 : En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggende geest, ons ontmoette, welke haar heren grote winst toebracht met waarzeggen.
[^leviticus-19-31-45]: Kanttekening 45: Het Hebreeuwse woord komt van weten, omdat deze mensen zich beroemden en uitgaven veel te weten, namelijk niet alleen wat geschied en anderen onbekend was, maar ook wat nog gebeuren zou, en hiertoe ijdele en duivelse kunsten gebruikten. Zie van deze ook onder, Lev. 20:6 , 20:27 ; 1 Sam. 28:3 , 28:9 ; Jes. 8:19 . Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien. Leviticus 20:27 : Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. 1 Samuël 28:3 : Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars. 1 Samuël 28:9 : Toen zei de vrouw tot hem: Zie, u weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt u dan mijn ziel een strik, om mij te doden? Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^leviticus-19-33-v]: Verwijzing v: Ex. 22:21 . Exodus 22:21 : U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland.
[^leviticus-19-33-46]: Kanttekening 46: Het woord betekent iemand òf door onwetendheid, òf wetens en willens, ja ook met geweld in het zijne verkorten en ongelijk doen.
[^leviticus-19-35-47]: Kanttekening 47: de el: Versta, allen regel van handmaat of voetmaat, of enig instrument waarmee men de lengte of breedte van enige dingen, die vast aan elkaar zijn, meet.
[^leviticus-19-35-48]: Kanttekening 48: Dat is, waarmee men enige natte waren of ook droge, die niet vast aaneen zijn, meet.
[^leviticus-19-36-x]: Verwijzing x: Spr. 11:1 ; Spr. 16:11 ; Spr. 20:10 . Spreuken 11:1 : Een bedriegelijke weegschaal is YHWH een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen. Spreuken 16:11 : Een rechte waag en weegschaal zijn van YHWH; alle weegstenen van het zak zijn Zijn werk. Spreuken 20:10 : Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is YHWH een gruwel, ja die beide.
[^leviticus-19-36-49]: Kanttekening 49: Dat is, gewicht; want het was gebruikelijk, dat zij op de waag of schaal stenen inplaats van gewicht legden. Zie ook Deut. 25:13 , 25:15 ; Spr. 16:11 ; Micha 6:11 . Deuteronomium 25:13 : U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine. Deuteronomium 25:15 : U zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; u zult een volkomen en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Spreuken 16:11 : Een rechte waag en weegschaal zijn van YHWH; alle weegstenen van de zak zijn Zijn werk. Micha 6:11 : Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
[^leviticus-19-36-50]: Kanttekening 50: Zie boven, Lev. 5:11 . Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^leviticus-19-36-51]: Kanttekening 51: Dit was een maat van natte waren, houdende zoveel als twee en zeventig gewone hoendereieren. Zie van deze Ex. 29:40 , en onder, Lev. 23:13 ; Num. 15:4 , 15:9 . Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Leviticus 23:13 : En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, YHWH tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin. Numeri 15:4 : Zo zal hij, die zijn offerande YHWH offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie. Numeri 15:9 : Zo zal hij tot een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin.

### Leviticus 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/20.json)

*Verhaal van straffen tegen enige grove zonden; zoals tegen het offeren van zijn kinderen aan de Molech, vers 1, enz. Tegen het naïlopen van de waarzeggers en duivelskunstenaars, 6. Tegen het vervloeken van vader of moeder, 9. Tegen overspel, 10. Tegen enige bloedschande, onnatuurlijke gruwelen, en onwettige bijslaap en huwelijken, 11. Met een vermaning tot het onderhouden van de geboden van God, 22. En onder andere om de gewoonte van de heidenen te ontvluchten, 23. Reine en onreine dieren te onderscheiden, 24. De waarzeggers en duivelskunstenaars te stenigen, 27.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v1)

**2** U zult ook tot de Israëlieten zeggen:[^leviticus-20-2-1][^leviticus-20-2-a] Een ieder uit de Israëlieten, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad[^leviticus-20-2-2] aan de Molech gegeven zal hebben, zal[^leviticus-20-2-3] zeker gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v2)

**3** En Ik zal[^leviticus-20-3-4] Mijn aangezicht tegen die man zetten, en[^leviticus-20-3-5] zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad aan de[^leviticus-20-3-6] Molech gegeven, opdat hij[^leviticus-20-3-7] Mijn heiligdom ontreinigen, en[^leviticus-20-3-8] Mijn heilige Naam ontheiligen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v3)

**4** En als het volk van het land hun[^leviticus-20-4-9] ogen enigszins verbergen zal van die man, als hij van zijn zaad aan de Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v4)

**5** Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn[^leviticus-20-5-10] huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem[^leviticus-20-5-11] nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden van hun volk uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v5)

**6** Wanneer er een ziel is, die zich tot de[^leviticus-20-6-12][^leviticus-20-6-b] waarzeggers en tot de dodenbezweerders zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden van haar volk uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v6)

**7** [^leviticus-20-7-c] Daarom[^leviticus-20-7-13] heiligt u, en wees heilig; want Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v7)

**8** En onderhoudt Mijn voorschriften, en doet die; Ik ben YHWH, die u[^leviticus-20-8-14] heilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v8)

**9** [^leviticus-20-9-d] Als[^leviticus-20-9-15] er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zeker gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt;[^leviticus-20-9-16] zijn bloed[^leviticus-20-9-17] is op hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v9)

**10** [^leviticus-20-10-e] Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft, zal zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v10)

**11** [^leviticus-20-11-f] En een man, die bij de huisvrouw van zijn vader zal gelegen hebben, heeft de schaamte van zijn vader ontbloot; zij beiden zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v11)

**12** [^leviticus-20-12-g] Ook, als de man bij de vrouw van zijn zoon zal gelegen hebben, zij zullen beiden zeker gedood worden; zij hebben een[^leviticus-20-12-18] gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v12)

**13** [^leviticus-20-13-h] Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, zoals men bij een vrouw ligt, zij hebben beiden een gruwel gedaan;[^leviticus-20-13-20] zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen![^leviticus-20-13-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v13)

**14** [^leviticus-20-14-i] En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en[^leviticus-20-14-21] die met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v14)

**15** [^leviticus-20-15-k] Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zeker gedood worden; ook zult u het beest doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v15)

**16** Zo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmee te doen te hebben, zo zult u die vrouw en[^leviticus-20-16-22] dat beest doden; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v16)

**17** [^leviticus-20-17-l] En als een man zijn zus, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een[^leviticus-20-17-23] schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen van hun volk uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte van zijn zus ontbloot, hij zal[^leviticus-20-17-24] zijn ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v17)

**18** [^leviticus-20-18-m] En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft,[^leviticus-20-18-25] zal gelegen en haar schaamte ontbloot, haar fontein ontbloot, en zij zelf de fontein van haar bloed ontbloot zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v18)

**19** [^leviticus-20-19-n] Daartoe zult u de schaamte van de zus van uw moeder, en van de zus van uw vader niet ontbloten; omdat hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v19)

**20** [^leviticus-20-20-o] Als ook een man bij zijn[^leviticus-20-20-26] tante zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontbloot; zij zullen hun zonde dragen;[^leviticus-20-20-27] zonder kinderen zullen zij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v20)

**21** [^leviticus-20-21-p] En wanneer een man de huisvrouw van zijn broer zal genomen hebben, het is[^leviticus-20-21-28] onreinheid; hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen[^leviticus-20-21-29] zonder kinderen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v21)

**22** [^leviticus-20-22-q] Onderhoud dan al Mijn voorschriften en al Mijn rechten, en doet die; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen,[^leviticus-20-22-30] niet uitspuwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v22)

**23** [^leviticus-20-23-r] En wandelt niet in de voorschriften van het volk, dat Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v23)

**24** En Ik heb u gezegd: U zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat u het erfelijk bezit,[^leviticus-20-24-s] een land[^leviticus-20-24-31] vloeiende van melk en honing; Ik ben YHWH, uw God, Die u van de[^leviticus-20-24-32] volken afgezonderd heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v24)

**25** [^leviticus-20-25-t] Daarom zult u onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en u zult[^leviticus-20-25-33] uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op de aardbodem kruipt, dat Ik voor u afgezonderd heb, opdat u het onrein houdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v25)

**26** En u zult Mij heilig zijn, want Ik, YHWH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u van Mij zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v26)

**27** [^leviticus-20-27-v] Als nu een man en vrouw in zich een[^leviticus-20-27-34] waarzeggende geest zal hebben, of een dodenbezweerder zal zijn, zij zullen zeker gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/20.html#v27)

[^leviticus-20-2-1]: Kanttekening 1: Een ieder: Hebreeuws, Man man . Zo onder, vers 9 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^leviticus-20-2-a]: Verwijzing a: boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uw Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-20-2-2]: Kanttekening 2: de Molech: Zie boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-20-2-3]: Kanttekening 3: zekerlijk gedood worden: Hebreeuws, stervende gedood worden; dat is, zonder enige verschoning. Zo onder, vers 9 , 20:10 , 20:11 , 20:12 , 20:15 , enz. Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! Leviticus 20:10 : Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster. Leviticus 20:11 : En een man, die bij zijn vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijn vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! Leviticus 20:12 : Ook, als de man bij de vrouw van zijn zoon zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen! Leviticus 20:15 : Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult u het beest doden.
[^leviticus-20-3-4]: Kanttekening 4: Mijn aangezicht tegen: Zie boven, Lev. 17:10 . Zo onder, vers 5 , enz. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^leviticus-20-3-5]: Kanttekening 5: zal hem: Te weten, door een bijzondere straf, die Ik over hem ook in dit leven zal laten komen, zo hij van de overheid niet gestraft wordt. Zo in het volgende.
[^leviticus-20-3-6]: Kanttekening 6: de Molech: Boven, vers 2 . Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.
[^leviticus-20-3-7]: Kanttekening 7: Mijn heiligdom ontreinigen: Te weten, als hij daarin zou komen, zijnde met zulke gruwelijke zonden besmet. Vergelijk boven, Lev. 15:31 . Leviticus 15:31 : Zo zult u de kinderen van Israël afzonderen van hun onreinigheid; opdat zij in hun onreinigheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden.
[^leviticus-20-3-8]: Kanttekening 8: Mijn heilige Naam: Hebreeuws, de naam mijner heiligheid. Zie boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-20-4-9]: Kanttekening 9: enigszins verbergen: Hebreeuws, v erbergende verborgen zal hebben . Dat is, zal met opzet zulke misdaad hebben ongemerkt laten heengaan, zonder die te straffen.
[^leviticus-20-5-10]: Kanttekening 10: Of, geslacht; dat is, kinderen en nakomelingen, die de voetstappen van zijn afgoderij navolgen; gelijk uit de volgende woorden verstaan kan worden. Vergelijk Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten;
[^leviticus-20-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, afgoderij bedrijven, wijkende van de Heer die de rechte man van zijn volk is ; Hos. 2:18 , 2:19 ; 2 Kor. 11:2 , om de afgoden aan te hangen, dat, wanneer dit geschiedt, God wordt gezegd jaloërs te zijn; Ex. 20:5 ; Deut. 5:9 . Zie boven, Lev. 17:7 . Hosea 2:18 : En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. Hosea 2:19 : (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult YHWH kennen. 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten; Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^leviticus-20-6-12]: Kanttekening 12: de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars: Zie van deze boven, Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-20-6-b]: Verwijzing b: boven, Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-20-7-c]: Verwijzing c: boven, Lev. 11:44 ; boven, Lev. 19:2 ; 1 Petr. 1:16 . Leviticus 11:44 : Want Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert. Leviticus 19:2 : Spreek tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben heilig! 1 Petrus 1:16 : Daarom er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
[^leviticus-20-7-13]: Kanttekening 13: heiligt u: Zie boven, Lev. 11:44 . Leviticus 11:44 : Want Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
[^leviticus-20-8-14]: Kanttekening 14: Te weten, door u af te zonderen van de wereld uit genade, door de verdiensten van de Messias te rechtvaardigen en tot een heilig leven door mijnen Geest te vernieuwen. Zo is dit woord ook te nemen Ez. 37:28 . Ezechiël 37:28 : En de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.
[^leviticus-20-9-d]: Verwijzing d: Ex. 21:17 ; Spr. 20:20 ; Matt. 15:4 . Exodus 21:17 : Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. Spreuken 20:20 : Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis. Mattheüs 15:4 : Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
[^leviticus-20-9-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, man man.
[^leviticus-20-9-16]: Kanttekening 16: zijn bloed: Hebreeuws, zijn bloeden; dat is, hij is oorzaak, en heeft de schuld dat zijn bloed moet vergoten worden. Zie gelijke manier van spreken Joz. 2:19 ; 2 Sam. 1:16 ; zo ook in het volgende vers 11 ; idem Matt. 27:25 ; Hand. 18:6 . Jozua 2:19 : Zo zal het gebeuren, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, als een hand tegen hem zijn zal! 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. Leviticus 20:11 : En een man, die bij zijn vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijn vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen! Mattheüs 27:25 : En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^leviticus-20-9-17]: Kanttekening 17: is op hem: Anders, zij op hem.
[^leviticus-20-10-e]: Verwijzing e: boven, Lev. 18:20 ; Deut. 22:22 ; Joh. 8:5 . Leviticus 18:20 : En u zult niet liggen bij uw naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden. Deuteronomium 22:22 : Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij van een man getrouwde vrouw, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult u het boze uit Israël wegdoen. Johannes 8:5 : En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat zulke gestenigd zullen worden; U dan, wat zegt U?
[^leviticus-20-11-f]: Verwijzing f: boven, Lev. 18:8 . Leviticus 18:8 : U zult de schaamte van de huisvrouw uw vaders niet ontdekken; het is de schaamte uw vaders.
[^leviticus-20-12-g]: Verwijzing g: boven, Lev. 18:15 . Leviticus 18:15 : U zult de schaamte uw schoondochter niet ontdekken; zij is uw zoons huisvrouw; u zult haar schaamte niet ontdekken.
[^leviticus-20-12-18]: Kanttekening 18: gruwelijke vermenging: Zie boven, Lev. 18:23 , en ook de aantekeningen. Leviticus 18:23 : Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
[^leviticus-20-13-h]: Verwijzing h: boven, Lev. 18:22 . Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.
[^leviticus-20-13-20]: Kanttekening 20: Te weten, zij beiden, tenzij aan de één geweld geschied ware. Zie Deut. 22:25 . Deuteronomium 22:25 : En als een man een ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven;
[^leviticus-20-13-19]: Kanttekening 19: met vrouwelijke bijligging: Zie boven, Lev. 18:22 . Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel.
[^leviticus-20-14-i]: Verwijzing i: boven, Lev. 18:17 . Leviticus 18:17 : U zult de schaamte van een vrouw en haar dochter niet ontdekken; de dochter haars zoons, noch de dochter van haar dochter zult u nemen, om haar schaamte te ontdekken; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.
[^leviticus-20-14-21]: Kanttekening 21: Te weten, zo zij beiden wetenschap van zulk een gruwelijke daad hadden. Tenminste moesten de schuldigen sterven.
[^leviticus-20-15-k]: Verwijzing k: boven, Lev. 18:23 . Leviticus 18:23 : Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
[^leviticus-20-16-22]: Kanttekening 22: dat beest doden: Te weten, om de gedachtenis van zulke gruwelijke zonde weg te nemen, en tegen haar navolging bij alle mensen een afschrik te maken.
[^leviticus-20-17-l]: Verwijzing l: boven, Lev. 18:9 . Leviticus 18:9 : De schaamte uw zus, van de dochter uw vaders, of van de dochter uw moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult u niet ontdekken.
[^leviticus-20-17-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord betekent gewoonlijk een goede daad, of weldadigheid, maar hier en Spr. 14:34 geheel het tegendeel; dat is, een kwade, schandelijke, ijslijke daad, waarmee een mens God ten hoogste vertoornt, zijn naasten ontsticht en zichzelven in schande brengt. Zo is ook het woord zegenen voor het tegendeel genomen, dat is, vloeken; 1 Kon. 21:10 . Spreuken 14:34 : Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek van de natiën. 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
[^leviticus-20-17-24]: Kanttekening 24: zijn ongerechtigheid dragen: Zo onder, vers 19 , 20:20 . Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 20:19 : Daartoe zult u de schaamte van de zus van uw moeder, en van de zus van uw vader niet ontdekken; omdat hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen. Leviticus 20:20 : Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-20-18-m]: Verwijzing m: boven, Lev. 18:19 . Leviticus 18:19 : Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
[^leviticus-20-18-25]: Kanttekening 25: Namelijk, tevoren dat wel wetende. Vergelijk de aantekeningen op Lev. 15:24 . Leviticus 15:24 : Ook zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.
[^leviticus-20-19-n]: Verwijzing n: boven, Lev. 18:12 ; idem v. 13 . Leviticus 18:12 : U zult de schaamte van de zus uw vaders niet ontdekken; zij is uw vaders nabestaande. Leviticus 18:13 : U zult de schaamte van de zus uw moeder niet ontdekken; want zij is uw moeder nabestaande.
[^leviticus-20-20-o]: Verwijzing o: boven, Lev. 18:14 . Leviticus 18:14 : U zult de schaamte van de broer uw vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult u niet naderen; zij is uw moei.
[^leviticus-20-20-26]: Kanttekening 26: zijn moei: Dat is, de huisvrouw van zijn oom, die door huwelijk hem een moei geworden is.
[^leviticus-20-20-27]: Kanttekening 27: zonder kinderen zullen zij sterven: Dat is, \[gelijk enige uitleggen\] men zal die doden, of, God zal hun bijslaping vervloeken, dat er geen kinderen van zullen geworden of overblijven, zo zij van de overheid niet gestraft worden.
[^leviticus-20-21-p]: Verwijzing p: boven, Lev. 18:16 . Leviticus 18:16 : U zult de schaamte van de huisvrouw uw broers niet ontdekken; het is de schaamte uw broers.
[^leviticus-20-21-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, afzondering; dat is, een zaak, die behoort uit het midden van de mensen, vanwege haar onreinheid weggedaan en geweerd te worden. Het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt van de onreinheid van een vrouw, die haar ziekte heeft, om welke zij van de gemeenschap van de mensen moest afgezonderd zijn; boven, Lev. 15:19 , 15:20 , enz. Van de wet moest uitgenomen zijn de wet, verhaald Deut. 25:5 . Leviticus 15:19 : Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:20 : En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemde man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man.
[^leviticus-20-21-29]: Kanttekening 29: zij zullen zonder kinderen zijn: Zie de aantekeningen op vers 20 . Leviticus 20:20 : Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
[^leviticus-20-22-q]: Verwijzing q: boven, Lev. 18:26 . Leviticus 18:26 : Maar u zult Mijn inzettingen en Mijn rechte onderhouden, en van al die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^leviticus-20-22-30]: Kanttekening 30: Zie boven, Lev. 18:25 . Leviticus 18:25 : Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelfde zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
[^leviticus-20-23-r]: Verwijzing r: boven, Lev. 18:3 ; idem v. 30 . Leviticus 18:3 : U zult niet doen naar de werken van de Egyptischen lands, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen. Leviticus 18:30 : Daarom zult u Mijn bevel onderhouden, dat u niet doet van die gruwelijke inzettingen, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt; Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-20-24-s]: Verwijzing s: Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^leviticus-20-24-31]: Kanttekening 31: vloeiende van melk en honig: Zie van deze manier van spreken Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^leviticus-20-24-32]: Kanttekening 32: afgezonderd heb: Te weten, opdat u mijn volk en eigendom zoudt wezen, om Mij hier te kennen en te dienen, en hierna in eeuwigheid met Mij te leven. Zie onder, vers 26 ; Ex. 19:5 ; Deut. 14:4 . Leviticus 20:26 : En u zult Mij heilig zijn, want Ik, YHWH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u Mijns zoudt zijn. Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 14:4 : Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten;
[^leviticus-20-25-t]: Verwijzing t: boven, Lev. 11:2 ; Deut. 14:4 . Leviticus 11:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, zeggende: Dit is het gedierte, dat u eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn. Deuteronomium 14:4 : Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten;
[^leviticus-20-25-33]: Kanttekening 33: uw zielen niet verfoeilijk maken: Zie boven, Lev. 11:43 . Leviticus 11:43 : Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat u daaraan verontreinigd zoudt worden.
[^leviticus-20-27-v]: Verwijzing v: Deut. 18:10 ; 1 Sam. 28:7 . Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 1 Samuël 28:7 : Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft.
[^leviticus-20-27-34]: Kanttekening 34: waarzeggende geest: Zie boven, Lev. 19:31 , alsook in vers 6 , waar verboden wordt de waarzeggers raad te vragen. Maar hier wordt straf gesteld tegen de waarzeggers en dergelijke duivelse kunstenaars zelven. Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.

### Leviticus 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/21.json)

*Wetten over de reinheid van de priesters, bij het rouwen over de doden, vers 1, enz. In hun huwelijken, 7. In de kuisheid van hun dochters, met de straf daartegen als zij hoereren, 9. Over de reinheid van de hogepriester, in de rouw over de doden, 10. In het huwelijk, 13. Wet over hen die het priesterschap niet mochten bedienen, vanwege de lichamelijke gebreken die hier vermeld worden, 16. hoewel zij van het heilige mochten eten, 22. maar niet in de tabernakel mochten dienen, 23.*

**1** Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over[^leviticus-21-1-1] een dode zal een priester zich niet[^leviticus-21-1-2] verontreinigen onder zijn volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v1)

**2** Behalve over zijn[^leviticus-21-2-3] bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v2)

**3** En over zijn zus, die maagd is, hem[^leviticus-21-3-4] nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v3)

**4** Hij zal zich niet verontreinigen over een[^leviticus-21-4-5] overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v4)

**5** Zij zullen op hun hoofd geen[^leviticus-21-5-6] kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v5)

**6** Zij zullen hun God heilig zijn, en[^leviticus-21-6-7] de Naam van hun God zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuuroffers van YHWH,[^leviticus-21-6-8] het voedsel van hun God; daarom zullen zij[^leviticus-21-6-9] heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v6)

**7** Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of[^leviticus-21-7-10] ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man[^leviticus-21-7-11] verstoten is; want hij is zijn God heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v7)

**8** Daarom zult u hem[^leviticus-21-8-12] heiligen, omdat hij het voedsel van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u[^leviticus-21-8-13] heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v8)

**9** Als nu de dochter[^leviticus-21-9-14] van enige priester zal beginnen ontucht te plegen, zij[^leviticus-21-9-15] ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v9)

**10** En hij, die de[^leviticus-21-10-16] hogepriester onder zijn broers is,[^leviticus-21-10-17] op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en die men in zijn ambt heeft bevestigd[^leviticus-21-10-18], om[^leviticus-21-10-19] die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet[^leviticus-21-10-20] ontbloten, noch zijn kleren scheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v10)

**11** Hij zal ook bij geen dode lichamen komen;[^leviticus-21-11-21] zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v11)

**12** En uit het heiligdom zal hij[^leviticus-21-12-22] niet uitgaan, dat hij het heiligdom van zijn God niet ontheilige,[^leviticus-21-12-23] want de[^leviticus-21-12-24] kroon van de zalfolie van zijn God is op hem; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v12)

**13** Hij zal ook een vrouw nemen die nog maagd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v13)

**14** Een weduwe, of[^leviticus-21-14-25] verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v14)

**15** En hij zal[^leviticus-21-15-26] zijn zaad onder zijn volken niet[^leviticus-21-15-27] ontheiligen; want Ik ben YHWH, die hem[^leviticus-21-15-28] heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v15)

**16** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v16)

**17** Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw[^leviticus-21-17-29] zaad,[^leviticus-21-17-30] naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om[^leviticus-21-17-31] het voedsel van zijn God te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v17)

**18** Want geen man, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te[^leviticus-21-18-32] kort, of[^leviticus-21-18-33] te lang in leden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v18)

**19** Of een man, in wie een breuk van de voet, of een breuk van de hand zal zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v19)

**20** Of die bultachtig,[^leviticus-21-20-34] of dwergachtig zal zijn, of[^leviticus-21-20-35] een huid op zijn oog zal hebben, of droge schurft, of etterige schurft, of die gebroken zal zijn aan zijn geslachtsdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v20)

**21** Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuuroffers van YHWH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om het voedsel van zijn God te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v21)

**22** Het voedsel van zijn God, van de[^leviticus-21-22-36] allerheiligste dingen, en van[^leviticus-21-22-37] de heilige dingen, zal hij mogen eten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v22)

**23** Maar[^leviticus-21-23-38] tot het voorhangsel zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij[^leviticus-21-23-39] Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben YHWH, die hen heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v23)

**24** En Mozes sprak dat tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/21.html#v24)

[^leviticus-21-1-1]: Kanttekening 1: een dode: Hebreeuws, ziel. Zie boven, Lev. 19:28 , en onder, vers 11 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Leviticus 21:11 : Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.
[^leviticus-21-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, met het dode lichaam aan te roeren of ten grave te helpen en rouw er over te dragen, gelijk anderen deden, die geen priesters waren.
[^leviticus-21-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Lev. 18:6 . Sommigen begrijpen onder dit woord hier niet alleen die in vers 3 , 21:4 uitgedrukt worden, maar ook de huisvrouw van de priester. Leviticus 18:6 : Niemand zal tot enige nabestaande van zijn vlees naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben YHWH! Leviticus 21:3 : En over zijn zus, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen. Leviticus 21:4 : Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.
[^leviticus-21-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, die zijn natuurlijke zus is, en niet uit kracht van verdere familie of huwelijksverband, of anders, zo genoemd wordt.
[^leviticus-21-4-5]: Kanttekening 5: Het Hebreeuwse woord wordt in deze zin ook genomen Jes. 16:8 . Anderen nemen het voor huisvader, of echte man, in deze zin, dat een priester over zijn huisvrouw \[met welk woord zij hun overzetting aanvullen\] geen rouw zou mogen dragen, hoewel het schijnt dat dit niet ongeoorloofd was, omdat de priester Ezechiël dit te doen in de zin had, maar zulks hem extraordinairlijk verboden werd; Ez. 24:16 , enz. Jesaja 16:8 : Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren van de heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee. Ezechiël 24:16 : Mensenkind! zie, Ik zal de lust van uw ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult u niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen.
[^leviticus-21-5-6]: Kanttekening 6: kaalheid maken: Hebreeuws, de kaalheid niet kaal maken.
[^leviticus-21-6-7]: Kanttekening 7: de Naam huns Gods: Zie boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uw Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-21-6-8]: Kanttekening 8: het voedsel huns Gods: Zie boven, Lev. 3:11 ; zo onder, vers 8 , 21:21 , 21:22 , en Lev. 22:25 . Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Leviticus 21:8 : Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige! Leviticus 21:21 : Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen van YHWH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om het voedsel van zijn God te offeren. Leviticus 21:22 : Het voedsel van zijn God, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten; Leviticus 22:25 : U zult ook uit de hand van de vreemden van al deze dingen uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in dezelfde is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.
[^leviticus-21-6-9]: Kanttekening 9: heilig zijn: Hebreeuws, heiligheid; dat is, naar heiligheid staan; zij zullen ten aanzien van hun ambt voor heilig gehouden worden.
[^leviticus-21-7-10]: Kanttekening 10: ontheiligde is: Dat is, die geschoffeerd of geschonden is, of die in het openbaar of in het geheim hoererij bedreven heeft. Zo onder, vers 14 . Leviticus 21:14 : Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.
[^leviticus-21-7-11]: Kanttekening 11: verstoten is: Dat is, verlaten door scheiding, hebbende tot dit einde en bewijs hiervan een scheidbrief van haar man ontvangen. Zo onder, vers 14 ; Num. 30:9 ; Ez. 44:22 . Leviticus 21:14 : Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen. Numeri 30:9 : Aangaande de gelofte van een weduwe, of van een verstotene: alles, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan. Ezechiël 44:22 : Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis van Israël, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.
[^leviticus-21-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, voor heilig houden, gelijk de volgende woorden in vers 8 uitwijzen. Leviticus 21:8 : Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige!
[^leviticus-21-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, die u van andere mensen afzonder tot mijn eigendom, door middel van het ambt van de priesters, dat u daarom voor heilig en in waarde zult houden. Vergelijk boven de aantekeningen op Lev. 20:8 . Leviticus 20:8 : En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelfde; Ik ben YHWH, die u heilige.
[^leviticus-21-9-14]: Kanttekening 14: zal beginnen te hoereren: Anders, zich te ontheiligen met hoereren.
[^leviticus-21-9-15]: Kanttekening 15: ontheiligt haar vader: Dat is, zij maakt dat haar vader veracht en voor onheilig gehouden, en ten spot gesteld wordt. Zie gelijke manier van spreken Ps. 89:40 ; Jes. 43:28 . Psalmen 89:40 : U hebt het verbond van Uw knecht te niet gedaan; U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. Jesaja 43:28 : Daarom zal Ik de oversten van het heiligdom ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen.
[^leviticus-21-10-16]: Kanttekening 16: hogepriester onder zijn broers is: Hebreeuws, grote priester; zo 2 Kon. 12:10 , en 2 Kon. 23:4 . 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
[^leviticus-21-10-17]: Kanttekening 17: op wiens hoofd de zalfolie gegoten is: Sommigen, deze woorden vergelijkende met Ex. 40:13 , 40:14 , 40:15 , boven, Lev. 8:12 , 8:30 ; Ps. 133:2 , beoordelen dat na de eerste inwijding van Aäron en zijn zonen, niemand meer van de priesters is gezalfd geweest dan de hogepriester alleen. Exodus 40:13 : En u zult Aäron de heilige kleren aantrekken; en u zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. Exodus 40:14 : U zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken. Exodus 40:15 : En u zult hen zalven, gelijk als u hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal gebeuren, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten. Leviticus 8:12 : Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. Leviticus 8:30 : Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren van zijn zonen met hem. Psalmen 133:2 : Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren.
[^leviticus-21-10-18]: Kanttekening 18: die men in zijn ambt heeft bevestigd: Zie boven, Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^leviticus-21-10-19]: Kanttekening 19: die kleren aan te trekken: Zie van deze Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^leviticus-21-10-20]: Kanttekening 20: Dat is, rouw dragen over een dode. Vergelijk boven, Lev. 10:6 . Leviticus 10:6 : En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: U zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw kleren verscheuren, opdat u niet sterft, en grote toorn over de gehele vergadering kome; maar uw broers, het gehele huis van Israël, zullen deze brand, die YHWH aan gestoken heeft, bewenen.
[^leviticus-21-11-21]: Kanttekening 21: over zijn vader en over zijn moeder: Versta dit van de hogepriester alleen; want aan de anderen was dit geoorloofd. Zie boven, vers 2 . Leviticus 21:2 : Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broer.
[^leviticus-21-12-22]: Kanttekening 22: niet uitgaan: Te weten, om het lijk te volgen.
[^leviticus-21-12-23]: Kanttekening 23: Te weten, met daar in te gaan, nadat hij in het huis van zijn overleden vader of moeder zou geweest zijn, of rouw gedragen hebben.
[^leviticus-21-12-24]: Kanttekening 24: kroon van de zalfolie van zijn God: Zie van deze Ex. 29:6 , en Lev. 8:9 . Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten. Leviticus 8:9 : En hij zette de hoed op zijn hoofd; en aan de hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon van de heiligheid, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^leviticus-21-14-25]: Kanttekening 25: verstotene, of ontheiligde hoer: Zie boven, vers 7 . Leviticus 21:7 : Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.
[^leviticus-21-15-26]: Kanttekening 26: zijn zaad: Dat is, zijn kinderen. Zo Gen. 4:25 , en onder, vers 17 , 21:21 . Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. Leviticus 21:17 : Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om het voedsel van zijn God te offeren. Leviticus 21:21 : Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen van YHWH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om het voedsel van zijn God te offeren.
[^leviticus-21-15-27]: Kanttekening 27: Te weten, mits tegen de voorgemelde wetten een huisvrouw voor zich te nemen.
[^leviticus-21-15-28]: Kanttekening 28: Dat is, afzonder tot een heiligen dienst. Zo Ex. 28:3 , en Ex. 29:1 , en onder, vers 23 . Exodus 28:3 : U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. Exodus 29:1 : Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen; Leviticus 21:23 : Maar tot de voorhang zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben YHWH, die hen heilige!
[^leviticus-21-17-29]: Kanttekening 29: Dat is, zonen of nakomelingen, hetzij hoge- of onderpriester. Zo onder, vers 21 . Leviticus 21:21 : Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen van YHWH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om het voedsel van zijn God te offeren.
[^leviticus-21-17-30]: Kanttekening 30: naar hun geslachten: Dat is, in welke tijd of eeuwen zij na u zouden mogen leven.
[^leviticus-21-17-31]: Kanttekening 31: het voedsel van zijn God te offeren: Zie boven, Lev. 3:11 . Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH.
[^leviticus-21-18-32]: Kanttekening 32: Of hebbende te weinig leden. Anders, kamuis; dat is, die een ingevallen neus heeft, zodat hij door dezelfde spreekt.
[^leviticus-21-18-33]: Kanttekening 33: lang in leden: Anders, die overschot van leden heeft.
[^leviticus-21-20-34]: Kanttekening 34: dwergachtig zal zijn: Anders, dun, mager, rank, uitgeteerd.
[^leviticus-21-20-35]: Kanttekening 35: een vel op zijn oog zal hebben: Anders, wie schemering in zijn oog heeft.
[^leviticus-21-22-36]: Kanttekening 36: allerheiligste dingen: Hebreeuws, van de heiligheden van de heiligheden. Versta de toonbroden, de schuldoffers en zondoffers.
[^leviticus-21-22-37]: Kanttekening 37: heilige dingen: Of, heiligheden. Versta, de dankoffers, de eerstelingen en de tienden.
[^leviticus-21-23-38]: Kanttekening 38: tot de voorhang zal hij niet komen: Dat is, het priesterlijk ambt zal hij niet bedienen. Zie van dit voorhangsel boven, Lev. 4:6 . Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^leviticus-21-23-39]: Kanttekening 39: Mijn heiligdommen niet ontheilige: Dat is, de plaatsen mijns heiligdoms. Versta door het heiligdom de tent van de samenkomst, gelijk te zien is boven, Lev. 16:33 , welke in het getal van velen gesteld is, omdat zij verscheidene delen had: het voorhof, het heilige, het heilige van de heiligen. Leviticus 16:33 : Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent van de samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; evenzo voor de priesters, en voor al het volk van de gemeente zal hij verzoening doen.

### Leviticus 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/22.json)

*Wetten over de reinheid van de priesters bij het eten van de geheiligde dingen. Als zij onrein waren, mochten zij daarvan niet eten, vers 1, enz. maar wel als zij gereinigd waren, 6. Geen dood aas, en dat verscheurd was, mochten zij eten, 8. Wie van het heilige met hen mocht eten, en wie niet, 10. Wet over hen die door dwaling van het heilige gegeten hadden, 14. Wetten over vrijwillige offers, hoedanig zij moesten zijn, 17. van wiens hand ontvangen, 25. hoe oud, 26. Om niet te offeren samen met de moeder, 28. en op de dag van het offeren gegeten te worden, 29. wat alles besloten wordt met een vermaning tot gehoorzaamheid, 31.*

**1** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v1)

**2** Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de[^leviticus-22-2-1] heilige dingen van de Israëlieten, die zij Mij[^leviticus-22-2-2] heiligen,[^leviticus-22-2-3] afzonderen, opdat zij[^leviticus-22-2-4] de Naam van Mijn heiligheid niet ontheiligen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v2)

**3** Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw hele zaad tot de heilige dingen, die de Israëlieten aan YHWH heiligen,[^leviticus-22-3-5] naderen zal, als zijn[^leviticus-22-3-6] onreinheid op hem is; die[^leviticus-22-3-7] mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v3)

**4** Niemand van het[^leviticus-22-4-8] zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert,[^leviticus-22-4-9] dat onrein is van een dood lichaam,[^leviticus-22-4-a] of iemand, wie[^leviticus-22-4-10] het zaad van de bijligging ontgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v4)

**5** Of zo wie aangeroerd zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is,[^leviticus-22-5-11] naar al zijn onreinheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v5)

**6** De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v6)

**7** Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn[^leviticus-22-7-12] voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v7)

**8** [^leviticus-22-8-b] Het kadaver, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmee onrein te worden; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v8)

**9** Zij zullen dan[^leviticus-22-9-13] Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen[^leviticus-22-9-14] zonde daarover[^leviticus-22-9-15] dragen en[^leviticus-22-9-16] daarin sterven, als zij[^leviticus-22-9-17] die ontheiligd zouden hebben; Ik ben YHWH, die[^leviticus-22-9-18] hen heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v9)

**10** Ook zal geen[^leviticus-22-10-19] vreemde het heilige eten; een[^leviticus-22-10-20] bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v10)

**11** Wanneer dan nog de priester een ziel[^leviticus-22-11-21] met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn voedsel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v11)

**12** Maar als de dochter van de priester aan een[^leviticus-22-12-22] vreemde man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer van de heilige dingen niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v12)

**13** Maar als de dochter van de priester een weduwe of[^leviticus-22-13-23] een verstotene zal zijn, en geen[^leviticus-22-13-24] zaad hebben, en tot het huis van haar vader,[^leviticus-22-13-c] als in haar jeugd, zal teruggekeerd zijn, zo zal zij van het voedsel van haar vader eten; maar geen vreemde zal daarvan eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v13)

**14** En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zo zal hij zijn vijfde deel daarboven toedoen, en zal het de priester[^leviticus-22-14-25] met het heilige wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v14)

**15** Zo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen van de Israëlieten, die zij aan YHWH zullen gegeven hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v15)

**16** En hen doen dragen de[^leviticus-22-16-26] ongerechtigheid van de schuld, als zij hun heilige dingen zouden eten; want Ik ben YHWH, Die hen heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v16)

**17** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v17)

**18** Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen:[^leviticus-22-18-27] Zo wie uit het huis van Israël, en uit de[^leviticus-22-18-28] vreemdelingen in Israël is, die zijn offergave zal offeren naar al hun[^leviticus-22-18-29] geloften, en naar al hun vrijwillige offers, die zij aan YHWH als brandoffer zullen offeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v18)

**19** Het zal[^leviticus-22-19-30] naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v19)

**20** U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het[^leviticus-22-20-31] zou niet aangenaam zijn voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v20)

**21** [^leviticus-22-21-d] En als iemand een dankoffer voor YHWH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v21)

**22** Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of[^leviticus-22-22-32] droge schurft, of etterige schurft hebbende, deze zult u aan YHWH niet offeren, en daarvan zult u aan YHWH geen vuuroffer op het altaar geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v22)

**23** Maar een os, of klein[^leviticus-22-23-33] vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult u tot een vrijwillig offer[^leviticus-22-23-34] bereiden; maar tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v23)

**24** Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult u aan YHWH niet offeren; dat zult u in uw land niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v24)

**25** U zult ook uit de hand[^leviticus-22-25-35] van de vreemden van al deze dingen aan uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, daarin is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v25)

**26** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v26)

**27** Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van de achtste dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offergave van het vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v27)

**28** U zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op één dag niet slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v28)

**29** En als u een lofoffer voor YHWH zult slachten, naar uw wil zult u het slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v29)

**30** [^leviticus-22-30-e] Het zal op deze dag gegeten worden; u zult daarvan niet overlaten tot op de morgen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v30)

**31** Daarom zult u Mijn geboden houden, en die doen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v31)

**32** En u zult Mijn heilige Naam[^leviticus-22-32-36] niet ontheiligen, opdat Ik in het midden van de Israëlieten[^leviticus-22-32-37] geheiligd word; Ik ben YHWH, die u heilige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v32)

**33** Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik[^leviticus-22-33-38] u tot een God zij; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/22.html#v33)

[^leviticus-22-2-1]: Kanttekening 1: heilige dingen: Dat is, die aan God door de kinderen van Israël geofferd werden. Zie boven, Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^leviticus-22-2-2]: Kanttekening 2: Dàt wordt gezegd voor God geheiligd te zijn, dat hem ter ere van het algemene gebruik afgezonderd en tot een heilig einde bestemd wordt. Zo in vers 3 ; idem Ex. 13:2 ; Num. 3:13 ; Deut. 15:19 . Anders, omdat zij Mij die heiligen. Leviticus 22:3 : Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw gehele zaad tot de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH heiligen, naderen zal, als zijn onreinigheid op hem is; diezelve mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben YHWH! Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Deuteronomium 15:19 : Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een manneken, zult u YHWH, uw God, heiligen; u zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene van uw schapen scheren.
[^leviticus-22-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, dat zij van die niet eten, wanneer zij met iets verontreinigd of anders onbekwaam zijn.
[^leviticus-22-2-4]: Kanttekening 4: de Naam Mijner heiligheid: Zie boven, Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-22-3-5]: Kanttekening 5: naderen zal: Te weten, om van dezelfde te eten.
[^leviticus-22-3-6]: Kanttekening 6: Van welke hier tevoren in Lev. 11: en ook vers 4 , enz. gesproken wordt. Leviticus 22:4 : Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat.
[^leviticus-22-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, ziel. Zo onder, vers 6 , enz. Zie Gen. 12:5 . Leviticus 22:6 : De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-22-4-8]: Kanttekening 8: zaad van Aäron: Dat is, geslacht, of nakomelingen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-22-4-9]: Kanttekening 9: dat onrein is: Hebreeuws, de onreinen van een ziel; dat is, van een dood lichaam. Zie boven, Lev. 19:28 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH!
[^leviticus-22-4-a]: Verwijzing a: boven, Lev. 15:2 . Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
[^leviticus-22-4-10]: Kanttekening 10: het zaad van de bijligging: Hebreeuws, de bijligging van het zaad.
[^leviticus-22-5-11]: Kanttekening 11: naar al zijn onreinigheid: Dat is, met welke onreinheid hij zou mogen besmet zijn.
[^leviticus-22-7-12]: Kanttekening 12: Of, brood. Zie boven, Lev. 3:11 . Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH.
[^leviticus-22-8-b]: Verwijzing b: Ex. 22:31 ; boven, Lev. 17:15 ; Ez. 44:31 . Exodus 22:31 : U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen. Leviticus 17:15 : En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn kleren groeien, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn. Ezechiël 44:31 : Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.
[^leviticus-22-9-13]: Kanttekening 13: Mijn bevel onderhouden: Hebreeuws, mijn bewaring bewaren, of, onderhouding onderhouden.
[^leviticus-22-9-14]: Kanttekening 14: Om de heilige dingen, van welke vers 7 gesproken is. Zie boven, Lev. 21:22 ; zo in het volgende. Leviticus 22:7 : Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn voedsel. Leviticus 21:22 : Het voedsel van zijn God, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;
[^leviticus-22-9-15]: Kanttekening 15: Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-22-9-16]: Kanttekening 16: daarin sterven: Te weten, in de zonde of straf van hun zonde, gelijk Nadab en Abihu wedervaren was; boven, Lev. 10:1 , 10:2 . Anders, om die; te weten heilige dingen, van welke gesproken is, boven vers 7 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 22:7 : Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn voedsel.
[^leviticus-22-9-17]: Kanttekening 17: Dat is, die heilige dingen.
[^leviticus-22-9-18]: Kanttekening 18: Namelijk, de priesters. Zie boven, Lev. 21:8 . Leviticus 21:8 : Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige!
[^leviticus-22-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, die niet is van het priesterlijk geslacht; de zodanigen waren de andere Levieten en Israëlieten. Zie onder, vers 12 , en Matt. 12:4 . Leviticus 22:12 : Maar als de dochter van de priester een vreemde man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer van de heilige dingen niet eten. Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.
[^leviticus-22-10-20]: Kanttekening 20: bijwoner van de priester: Versta, een die van buiten ingekomen zijnde, voor een tijd zijn woning en herbergplaats heeft bij de priester. Enige verstaan deze bijwoner van de dienaren, waarvan wij lezen Ex. 21:2 , 21:3 , enz. Exodus 21:2 : Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Exodus 21:3 : Als hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; als hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.
[^leviticus-22-11-21]: Kanttekening 21: met zijn geld zal gekocht: Hebreeuws, met de koping zijn gelds; dat is, met het geld waarmee hij koopt.
[^leviticus-22-12-22]: Kanttekening 22: een vreemde man: Dat is, die niet was van het priesterlijk geslacht; zie boven, vers 10 . Leviticus 22:10 : Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.
[^leviticus-22-13-23]: Kanttekening 23: Zie boven, Lev. 21:7 . Leviticus 21:7 : Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.
[^leviticus-22-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, kinderen. Aldus is dit woord genomen Gen. 5:25 , en Gen. 15:3 ; Lev. 20:2 , enz. Genesis 5:25 : En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij verwekte Lamech. Genesis 15:3 : Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.
[^leviticus-22-13-c]: Verwijzing c: boven, Lev. 10:14 . Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven.
[^leviticus-22-14-25]: Kanttekening 25: met het heilige wedergeven: Anders, zal de priester het heilige wedergeven. Versta wat het heilige gelijk of zoveel waard was, omdat het gegetene niet weer kon gegeven worden. Zie boven, Lev. 5:16 . Leviticus 5:16 : Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal het vijfde deel daarvan daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; zo zal de priester met de ram van het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
[^leviticus-22-16-26]: Kanttekening 26: ongerechtigheid van de schuld: Dat is, de straf van de schuld of misdaad; als boven, vers 9 , en Lev. 5:1 . Leviticus 22:9 : Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben YHWH, die hen heilige! Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-22-18-27]: Kanttekening 27: Zo wie: Hebreeuws, man man .
[^leviticus-22-18-28]: Kanttekening 28: vreemdelingen in Israël: Versta dezulke, die de religie van de Israëlieten aangenomen hadden en beleden.
[^leviticus-22-18-29]: Kanttekening 29: Zie van deze boven, Lev. 7:16 . Leviticus 7:16 : En zo het slachtoffer zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook de volgende dag gegeten worden.
[^leviticus-22-19-30]: Kanttekening 30: naar uw welgevallen zijn: Zie boven, Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^leviticus-22-20-31]: Kanttekening 31: niet aangenaam zijn voor u: Hebreeuws, niet naar aangenaamheid of welgevallen. Zo in vers 21 . Versta, niet aangenaam voor de Heer. Vergelijk hiermee boven de aantekeningen op Lev. 1:4 . Leviticus 22:21 : En als iemand een dankoffer YHWH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^leviticus-22-21-d]: Verwijzing d: Deut. 15:21 ; Deut. 17:1 . Deuteronomium 15:21 : Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u YHWH, uw God, niet offeren; Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^leviticus-22-22-32]: Kanttekening 32: droge schurftheid: Zie boven, Lev. 21:20 . Leviticus 21:20 : Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht.
[^leviticus-22-23-33]: Kanttekening 33: klein vee: Dat is, schapen en geiten.
[^leviticus-22-23-34]: Kanttekening 34: Dat is, mogen offeren.
[^leviticus-22-25-35]: Kanttekening 35: van de vreemden: Hebreeuws, zoon van de vreemden, of uitlanders. Hiermee wordt door God bevolen dat de offeranden, die door de vreemden zouden geofferd worden \[zie Ezra 6:8 , 6:9 , 6:10 \] zonder gebrek moesten zijn, zowel als de offeranden van de kinderen van Israël. Ezra 6:8 : Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de belasting aan de overzijde van de rivier, de onkosten deze mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette. Ezra 6:9 : En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; Ezra 6:10 : Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan de God van de hemel offeren, en bidden voor het leven van de koning en zijn kinderen.
[^leviticus-22-30-e]: Verwijzing e: boven, Lev. 7:15 . Leviticus 7:15 : Maar het vlees van het lofoffer zijn dankoffers zal op de dag van daarvan offerande gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten.
[^leviticus-22-32-36]: Kanttekening 36: niet ontheiligen: Dat is, niet maken gelasterd te worden, mits iets te doen tegen mijn geboden.
[^leviticus-22-32-37]: Kanttekening 37: geheiligd worde: Dat is, gehouden en verklaard worde voor die God, die de overtreders straft en de vromen beloont. Zie boven Lev. 10:3 . Leviticus 10:3 : En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat YHWH gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron zweeg stil.
[^leviticus-22-33-38]: Kanttekening 38: u tot een God zij: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.

### Leviticus 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/23.json)

*Wetten over de feestdagen en hoogtijden, vers 1, enz. over de sabbat, 3. over het paasfeest, 4, 5. met de plechtigheden die daarbij in acht genomen moesten worden, 9. Over het pinksterfeest, 15. Over het feest van de trompetten, 24. Over het feest van de verzoening, 27. Over het Loofhuttenfeest, 33.*

**1** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: De vastgestelde hoogtijden van YHWH,[^leviticus-23-2-1] die u uitroepen zult,[^leviticus-23-2-2] zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn vastgestelde hoogtijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v2)

**3** [^leviticus-23-3-a] Zes dagen zal[^leviticus-23-3-3] men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heilige samenroeping; geen werk zult u doen; het is de sabbat van YHWH, in al uw woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v3)

**4** Deze zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, de heilige samenroepingen, die u uitroepen zult op hun vastgestelde tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v4)

**5** [^leviticus-23-5-b] In de eerste[^leviticus-23-5-4] maand, op de veertiende van de[^leviticus-23-5-5] maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH.[^leviticus-23-5-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v5)

**6** En op de vijftiende dag van die maand is het feest van de ongezuurde broden van YHWH; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v6)

**7** Op de[^leviticus-23-7-7] eerste dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen[^leviticus-23-7-8] dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v7)

**8** Maar u zult zeven dagen[^leviticus-23-8-9] vuuroffer voor YHWH offeren; en op de zevende dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v8)

**9** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v9)

**10** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een[^leviticus-23-10-10] schoof van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v10)

**11** En hij zal die schoof voor het aangezicht van YHWH bewegen,[^leviticus-23-11-11] opdat het voor u aangenaam zij;[^leviticus-23-11-12] op de andere dag na de sabbat zal de priester die bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v11)

**12** U zult ook op de dag, als u die schoof bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat[^leviticus-23-12-13] eenjarig is, als brandoffer voor YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v12)

**13** En zijn voedseloffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, als vuuroffer, voor YHWH tot een[^leviticus-23-13-14] liefelijke reuk; en zijn[^leviticus-23-13-15] drankoffer van wijn, het vierde deel van een[^leviticus-23-13-16] hin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v13)

**14** En u zult[^leviticus-23-14-17] geen brood, noch geroosterd koren, noch groene aren eten, tot op die dag, dat u de offergave van uw God zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v14)

**15** [^leviticus-23-15-c] Daarna zult u zich tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de schoof van[^leviticus-23-15-18] het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen[^leviticus-23-15-19] sabbatten zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v15)

**16** Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult u vijftig dagen tellen, dan zult u een[^leviticus-23-16-20] nieuw voedseloffer aan YHWH offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v16)

**17** U zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee[^leviticus-23-17-21] tienden meelbloem zijn,[^leviticus-23-17-22] gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de[^leviticus-23-17-23] eerstelingen voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v17)

**18** U zult ook met het brood zeven volkomen[^leviticus-23-18-24] eenjarige lammeren, en één stier,[^leviticus-23-18-25] het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen voor YHWH een brandoffer zijn, met hun voedseloffer en hun drankoffers, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v18)

**19** Ook zult u één geitenbok als zondoffer, en twee eenjarige lammeren als dankoffer bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v19)

**20** Dan zal de priester die[^leviticus-23-20-26] met het brood van de eerstelingen als beweegoffer, voor het aangezicht van YHWH, met de twee lammeren bewegen; zij zullen voor YHWH een heilig ding zijn, voor de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v20)

**21** En[^leviticus-23-21-27] u zult op die dag uitroepen, dat u een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult u doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v21)

**22** [^leviticus-23-22-d] Als u nu de oogst van uw land zult inoogsten, u zult, in uw inoogsten, de[^leviticus-23-22-28] hoek van het veld niet geheel[^leviticus-23-22-29] afmaaien, en[^leviticus-23-22-30] de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult u ze laten; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v22)

**23** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v23)

**24** Spreek tot de Israëlieten, zeggende:[^leviticus-23-24-e] In[^leviticus-23-24-31] de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een[^leviticus-23-24-32] herinnering van het geklank, een heilige samenroeping. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v24)

**25** Geen dienstwerk zult u doen; maar u zult aan YHWH vuuroffer offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v25)

**26** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v26)

**27** [^leviticus-23-27-33][^leviticus-23-27-f] Maar op de tiende van deze zevende maand zal de[^leviticus-23-27-34] verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u[^leviticus-23-27-35] uw zielen verootmoedigen, en zult aan YHWH een vuuroffer offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v27)

**28** En op die dag zult u geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van YHWH van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v28)

**29** Want[^leviticus-23-29-36] alle ziel, die op die dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal[^leviticus-23-29-37] uitgeroeid worden uit haar volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v29)

**30** Ook alle ziel, die enig werk op die dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden van haar volk verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v30)

**31** U zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v31)

**32** Het zal u een sabbat van de rust zijn; dan zult u uw zielen verootmoedigen; op de negende van de[^leviticus-23-32-38] maand in de avond,[^leviticus-23-32-39] van de avond tot de avond, zult u uw sabbat rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v32)

**33** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v33)

**34** Spreek tot de Israëlieten, zeggende:[^leviticus-23-34-g] Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor YHWH zijn.[^leviticus-23-34-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v34)

**35** Op de eerste dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v35)

**36** Zeven dagen zult u aan YHWH vuuroffers offeren;[^leviticus-23-36-h] op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult aan YHWH vuuroffer offeren; het is een[^leviticus-23-36-41] verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v36)

**37** Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, die u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om aan YHWH vuuroffer, brandoffer en voedseloffer, slachtoffer en drankoffers, elk dagelijks op zijn dag, te offeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v37)

**38** Naast de sabbatten van YHWH, en naast uw gaven, en naast al uw geloften, en naast al uw vrijwillige offers, die u aan YHWH geven zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v38)

**39** Maar op de vijftiende dag van de zevende maand, als u het inkomen van het land zult ingegaderd hebben, zult u het feest van YHWH zeven dagen vieren; op de eerste dag zal er rust zijn, en op de achtste dag zal er rust zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v39)

**40** En op de eerste dag zult u zich nemen[^leviticus-23-40-42] takken van[^leviticus-23-40-43] schoon geboomte,[^leviticus-23-40-44] palmtakken, en takken van dichte bomen, met[^leviticus-23-40-45] beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van YHWH, van uw God, zeven dagen vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v40)

**41** En u zult dat feest voor YHWH zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties; in de zevende maand zult u het vieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v41)

**42** Zeven dagen zult u in de loofhutten wonen; alle ingezetenen in Israël zullen in loofhutten wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v42)

**43** Opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in[^leviticus-23-43-46] loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v43)

**44** Zo heeft Mozes de vastgestelde hoogtijden van YHWH tot de Israëlieten uitgesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/23.html#v44)

[^leviticus-23-2-1]: Kanttekening 1: u uitroepen zult: Namelijk, door de priesters. Zie Num. 10:8 , 10:9 , enz. Numeri 10:8 : En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten. Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.
[^leviticus-23-2-2]: Kanttekening 2: heilige samenroepingen: Hebreeuws, samenroepingen van de heiligheid. Zo worden de kerkelijke bijeenkomsten genoemd, omdat zij door enig middel van stem of ander geluid tot de plaats van de verzameling bijeengeroepen waren om de heilige godsdienst te plegen. Zo in het volgende.
[^leviticus-23-3-a]: Verwijzing a: Ex. 20:9 ; Ex. 23:12 ; Deut. 5:13 ; Lukas 13:14 . Exodus 20:9 : Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen; Exodus 23:12 : Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevende dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. Deuteronomium 5:13 : Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen; Lukas 13:14 : En de overste van de synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelfde, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat.
[^leviticus-23-3-3]: Kanttekening 3: het werk doen: Versta, het dagelijkse en dienstelijke werk, dienende tot verzorging van het tijdelijke leven.
[^leviticus-23-5-b]: Verwijzing b: Ex. 12:18 ; Ex. 23:15 ; Num. 28:16 ; Deut. 16:1 . Exodus 12:18 : In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de één en twintigsten dag van de maand, in de avond. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha YHWH. Deuteronomium 16:1 : Neemt waar de maand Abib, dat u YHWH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u YHWH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.
[^leviticus-23-5-4]: Kanttekening 4: Genaamd Nisan en Abib, beginnende met de gelijkheid van de dagen en van de nachten in de lente, en meest overeenkomende met onze Maart. Zie Ex. 13:4 , en Num. 9:1 . Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Numeri 9:1 : En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:
[^leviticus-23-5-5]: Kanttekening 5: tussen twee avonden: Zie van deze manier van spreken Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^leviticus-23-5-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, Pesach; dat is, overschrid of voorbijgang. Zo wordt het feest genoemd door een sacramentele manier van spreken, daar het slechts een gedenkteken van de voorbijgang van de engel was. Vergelijk hiermee Ex. 12:11 , en Gen. 17:10 , met de aantekeningen daarop. Exodus 12:11 : Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH. Genesis 17:10 : Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.
[^leviticus-23-7-7]: Kanttekening 7: eerste dag: Dat is, op deze dag en op de zevende, gelijk volgt vers 8 , zal men zich in godsdienstige werken oefenen, en zich onthouden van de dagelijkse arbeid. Leviticus 23:8 : Maar u zult zeven dagen vuuroffer YHWH offeren; en op de zevende dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult u doen.
[^leviticus-23-7-8]: Kanttekening 8: Wat u van de godsdienst, die u schuldig bent te plegen, zou mogen aftrekken en vermoeien.
[^leviticus-23-8-9]: Kanttekening 9: Zie boven, Lev. 1:9 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-23-10-10]: Kanttekening 10: garf van de eerstelingen: Het Hebreeuwse woord betekent het tiende deel van een efa; Ex. 16:36 . Hierom schijnt een schoof ook zo genoemd te zijn, omdat men een tiende deel van een efa uit een schoof kon dorsen. Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^leviticus-23-11-11]: Kanttekening 11: voor u aangenaam zij: Hebreeuws, tot uw aangenaamheid of welgevalligheid.
[^leviticus-23-11-12]: Kanttekening 12: de volgende dag na de sabbat: Dat is, op de zestiende dag van de maand, de tweede na de paasdag en de tweede van de ongezuurde broden.
[^leviticus-23-12-13]: Kanttekening 13: eenjarig is: Hebreeuws, een zoon zijn jaars; dat is, dat een jaar oud is. Zo Num. 7:17 , 7:21 , 7:33 , enz. Numeri 7:17 : En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, de zoon van Amminadab. Numeri 7:21 : Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer; Numeri 7:33 : Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
[^leviticus-23-13-14]: Kanttekening 14: liefelijken reuk: Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^leviticus-23-13-15]: Kanttekening 15: drankoffer van wijn: Versta de offeranden, in welke vochtige dingen, als wijn en olie, geofferd werden. Zo onder, vers 18 , 23:37 . Zie Gen. 35:14 , en vergelijk Ex. 29:40 . Leviticus 23:18 : U zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen YHWH een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Leviticus 23:37 : Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om YHWH vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren; Genesis 35:14 : En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover. Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.
[^leviticus-23-13-16]: Kanttekening 16: Zie van deze maat boven, Lev. 19:36 . Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^leviticus-23-14-17]: Kanttekening 17: geen brood: De zin is dat zij geheel niet van de nieuwe vruchten smaken noch nuttigen mochten, dan wanneer zij de eerstelingen daarvan voor God zouden geofferd hebben, dat gebeuren moest op de dag tevoren gemeld, vers 11 . Leviticus 23:11 : En hij zal die garf voor het aangezicht van YHWH bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; de volgende dag na de sabbat zal de priester die bewegen.
[^leviticus-23-15-c]: Verwijzing c: Deut. 16:9 . Deuteronomium 16:9 : Zeven weken zult u u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen.
[^leviticus-23-15-18]: Kanttekening 18: Zie van het beweegoffer boven, Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^leviticus-23-15-19]: Kanttekening 19: Of, weken.
[^leviticus-23-16-20]: Kanttekening 20: nieuw spijsoffer: Vergelijk Num. 28:26 , en versta dit van het offer, dat van nieuw koren of vruchten moest komen, en te onderscheiden is van de vrijwillige spijsoffers, van welke te zien is boven, Lev. 2:12 . Numeri 28:26 : Ook op de dag van de eerstelingen, als u een nieuw spijsoffer YHWH zult offeren naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. Leviticus 2:12 : De offeranden van de eerstelingen zult u YHWH offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijken reuk.
[^leviticus-23-17-21]: Kanttekening 21: Te weten, van een efa, en zie van deze maat breder Ex. 16:36 , en boven, Lev. 5:11 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^leviticus-23-17-22]: Kanttekening 22: gedesemd zullen zij gebakken worden: Dit was geoorloofd in deze offeranden van de eerste vruchten, maar niet in de vrijwillige spijsoffers, boven, Lev. 2:11 . Leviticus 2:11 : Geen spijsoffer, dat u YHWH zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honig zult u YHWH vuuroffer aansteken.
[^leviticus-23-17-23]: Kanttekening 23: Vergelijk boven, Lev. 2:12 . Leviticus 2:12 : De offeranden van de eerstelingen zult u YHWH offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijken reuk.
[^leviticus-23-18-24]: Kanttekening 24: eenjarige lammeren: Hebreeuws, zonen van een jaar. Zo in vers 19 . Leviticus 23:19 : Ook zult u een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.
[^leviticus-23-18-25]: Kanttekening 25: het jong van een rund: Hebreeuws, de zoon van een rund; dat is, een jong rund.
[^leviticus-23-20-26]: Kanttekening 26: met het brood van de eerstelingen: Of, na het brood van de eerstelingen, waarna hij beide de lammeren bewegen zal.
[^leviticus-23-21-27]: Kanttekening 27: Te weten, u priesters.
[^leviticus-23-22-d]: Verwijzing d: boven, Lev. 19:9 ; Deut. 24:19 . Leviticus 19:9 : Als u ook de oogst uw lands inoogsten zult, u zult de hoek uw velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. Deuteronomium 24:19 : Wanneer u uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u YHWH, uw God, zegene, in al het werk uw handen.
[^leviticus-23-22-28]: Kanttekening 28: de hoek van het veld: Dat is, de aren, die aan de hoeken van het land, of de kanten van de akker wat bezijden afstaan, en in het afsnijden plachten vergeten of nagelaten te worden.
[^leviticus-23-22-29]: Kanttekening 29: ganselijk afmaaien: Hebreeuws, voltooien; dat is, niet geheel afsnijden en opzamelen.
[^leviticus-23-22-30]: Kanttekening 30: opzameling van uw oogst: Dat is, wat overblijft, om daarna opgezameld te worden.
[^leviticus-23-24-e]: Verwijzing e: Num. 29:1 . Numeri 29:1 : Evenzo in de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; het zal u een dag van het geklank zijn.
[^leviticus-23-24-31]: Kanttekening 31: Genaamd Ethanim, 1 Kon. 8:2 , beginnende in onze September, wanneer de zon in het teken van de Weegschaal gaat, en dag en nacht gelijk maakt. 1 Koningen 8:2 : En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.
[^leviticus-23-24-32]: Kanttekening 32: gedachtenis van het geklank: Of, een gedenkfeest van het geklank, of gelijk enige, een geklank ter gedachtenis, dat geschiedde door de priesters met het blazen van een trompet: I. Om het volk te waarschuwen dat nu het politieke jaar inging, waarnaar men alle burgerlijke contracten en handelingen moest bereiden en rekenen; II. Om het volk te vermanen dat zij God zouden danken voor de weldaden, die zij het gehele jaar genoten hadden; III. Dat zij met erkentenis en leedwezen over hun zonden zich zouden bereiden tegen de dag van de verzoening, welke was de tiende dag van dezelfde maand. Zie onder, vers 27 . Leviticus 23:27 : Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^leviticus-23-27-33]: Kanttekening 33: Of, immers.
[^leviticus-23-27-f]: Verwijzing f: boven, Lev. 16:29 ; idem v. 31 ; Num. 29:7 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tienden van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. Leviticus 16:31 : Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting. Numeri 29:7 : En op de tienden van deze zevende maand zult u een heilige samenroeping hebben, en u zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult u doen;
[^leviticus-23-27-34]: Kanttekening 34: Versta, een feest bij de Israëlieten, waarin zij zich verzoenden met de Heer over hun zonden, zich vernederende door vasten en bidden.
[^leviticus-23-27-35]: Kanttekening 35: uw zielen verootmoedigen: Zie boven, Lev. 16:29 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^leviticus-23-29-36]: Kanttekening 36: alle ziel: Dat is, ieder mens. Versta, niet alleen de Israëlieten maar ook de Israëlgenoten, die zich uit andere natiën tot de Israëlietische gemeente zouden begeven hebben. Zo in vers 30 . Leviticus 23:30 : Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.
[^leviticus-23-29-37]: Kanttekening 37: uitgeroeid worden uit haar volken: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^leviticus-23-32-38]: Kanttekening 38: Namelijk, wanneer de negende dag was voorbijgegaan en de avond gekomen, welke het begin van de tiende dag was, gelijk in de schepping de avond vóór de morgen ging. Deze manier van de dag te rekenen hebben de Joden gevolgd. Vergelijk Gen. 1:5 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
[^leviticus-23-32-39]: Kanttekening 39: van de avond tot de avond: Dat is, van de ondergang van de zon tot de volgende ondergang van de zon.
[^leviticus-23-34-g]: Verwijzing g: Ex. 23:16 ; Num. 29:12 ; Deut. 16:15 . Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Numeri 29:12 : Ook op de vijftiende dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u YHWH een feest vieren. Deuteronomium 16:15 : Zeven dagen zult u YHWH, uw God, feest houden, in de plaats, die YHWH verkiezen zal; want YHWH, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uw handen; daarom zult u immers vrolijk zijn.
[^leviticus-23-34-40]: Kanttekening 40: Welke gemaakt waren niet van borden, vellen, wol of linnentuig, maar van takken van groene bomen, gelijk hierna, vers 40 , verklaard wordt. Hiervan is te zien een exempel Neh. 8:16 . Leviticus 23:40 : En op de eerste dag zult u u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van YHWH, uw God, zeven dagen vrolijk zijn. Nehemia 8:16 : En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^leviticus-23-36-h]: Verwijzing h: Joh. 7:37 . Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^leviticus-23-36-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, verbod, of ophouding. Omdat op die dag verboden was enig dienstwerk te doen, en de gemeente opgehouden werd om bijeen te blijven tot verrichting van de publieke godsdienst. Zie ook Num. 29:35 ; Deut. 16:8 ; 2 Kon. 10:20 ; Neh. 8:18 ; Joël 1:14 ; Amos 5:21 . Anders, solemnele vergadering, vierdag, of bijeenkomst. Anders, sluitdag. Dat is, de laatste en voornaamste dag, waarmee het feest besloten werd. Zie Deut. 16:8 ; Joh. 7:37 . Numeri 29:35 : Op de achtste dag zult u een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult u doen. Deuteronomium 16:8 : Zes dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is een verbodsdag YHWH, uw God; dan zult u geen werk doen. 2 Koningen 10:20 : Verder zei Jehu: Heiligt Baäl een verbodsdag. En zij riepen die uit. Nehemia 8:18 : En de gehele gemeente van degenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen van Israël hadden zo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, de zoon van Nun, tot op deze dag toe; en er was zeer grote blijdschap. Joël 1:14 : Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, uw God, en roept tot YHWH. Amos 5:21 : Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Deuteronomium 16:8 : Zes dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is een verbodsdag YHWH, uw God; dan zult u geen werk doen. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^leviticus-23-40-42]: Kanttekening 42: Hoewel het Hebreeuwse woord gemeenlijk vruchten betekent, zo wordt het evenwel ook 2 Kon. 19:30 genomen voor al wat uit de wortel of stammen schiet en wast. En dat hier de takken verstaan worden, is genoeg af te nemen uit wat hierop volgt, en uit Neh. 8:16 , waar nog meer soorten van takken genoemd worden. En uit deze maakten zij hun loofhutten. 2 Koningen 19:30 : Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw naar beneden wortelen, en zal naar boven vrucht dragen. Nehemia 8:16 : En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^leviticus-23-40-43]: Kanttekening 43: schoon geboomte: ALs, olijfbomen, mirtebomen, palmbomen. Zie Neh. 8:16 . Nehemia 8:16 : En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^leviticus-23-40-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, handen van palmen.
[^leviticus-23-40-45]: Kanttekening 45: Met welke men die voorgemelde takken aan elkaar bond, zoals sommigen menen.
[^leviticus-23-43-46]: Kanttekening 46: loofhutten heb doen wonen: Te weten, de veertig jaren, die zij in de woestijn wandelden. Dat is, Ik heb u wonderbaarlijk onderhouden, zonder huizen te hebben tot een woning en zonder vruchten van de aarde ter voeding.

### Leviticus 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/24.json)

*Wetten over de olie van de lampen van de tabernakel en de toebereiding daarvan, vers 1, enz. Over de toonbroden, 5. en naar aanleiding van iemand die de Naam van de HEERE gelasterd had, 10. Over de straf van de godslasteraars in het algemeen, 13. en van hen die een mens doden, of een dier, of hun naaste verwonden, 17. De uitvoering van de straf van de eerdergenoemde lasteraar, 23.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v1)

**2** Gebied de Israëlieten, dat zij tot u[^leviticus-24-2-1] brengen zuivere[^leviticus-24-2-2] gestoten olijfolie, voor het licht, om de[^leviticus-24-2-3] lampen[^leviticus-24-2-4] steeds aan te steken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v2)

**3** [^leviticus-24-3-5] Aäron zal die voor het aangezicht van YHWH steeds toerichten, van de avond tot de morgen, buiten het[^leviticus-24-3-6] voorhangsel van het getuigenis, in de tent van de samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v3)

**4** Hij zal op de[^leviticus-24-4-7] loutere kandelaar die lampen voor het aangezicht van YHWH steeds toerichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v4)

**5** U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van[^leviticus-24-5-8] twee tienden zal één koek zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v5)

**6** En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v6)

**7** En op elke rij zult u zuivere wierook leggen, die voor het brood[^leviticus-24-7-9] als gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v7)

**8** Op[^leviticus-24-8-10] elke sabbatdag steeds zal men dat voor het aangezicht van YHWH[^leviticus-24-8-11] toerichten, vanwege de[^leviticus-24-8-12] Israëlieten, tot een eeuwig verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v8)

**9** En[^leviticus-24-9-a] het[^leviticus-24-9-13] zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de[^leviticus-24-9-14] heiligheden uit de vuuroffers van YHWH, een eeuwige inzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v9)

**10** En er ging de zoon van een Israëlietische vrouw uit, die, in het midden van de Israëlieten,[^leviticus-24-10-15] de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een[^leviticus-24-10-16] Israëlietisch man twistten in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v10)

**11** Toen[^leviticus-24-11-17] lasterde de[^leviticus-24-11-18] zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom[^leviticus-24-11-19] brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v11)

**12** En zij leidden hem in[^leviticus-24-12-20] de gevangenis, opdat hem, naar de mond van YHWH, verklaring gebeuren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v12)

**13** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v13)

**14** Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die[^leviticus-24-14-21] het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de hele gemeenschap stenigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v14)

**15** En tot de Israëlieten zult u spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn[^leviticus-24-15-22] zonde dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v15)

**16** En wie de Naam van YHWH[^leviticus-24-16-23] gelasterd zal hebben,[^leviticus-24-16-24] zal zeker gedood worden; de hele gemeenschap zal hem[^leviticus-24-16-25] zeker stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, zoals de ingezetene, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v16)

**17** En als iemand enige[^leviticus-24-17-26] ziel van de mensen[^leviticus-24-17-27] zal verslagen hebben, hij zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v17)

**18** Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven,[^leviticus-24-18-28] ziel voor ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v18)

**19** Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; zoals hij gedaan heeft,[^leviticus-24-19-29] zo zal ook aan hem gedaan worden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v19)

**20** [^leviticus-24-20-30] Breuk voor breuk,[^leviticus-24-20-b] oog voor oog, tand voor tand; zoals hij een gebrek een mens zal[^leviticus-24-20-31] aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v20)

**21** Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v21)

**22** Enerlei recht zult u hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de ingezetene; want Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v22)

**23** En Mozes zei tot de Israëlieten, dat zij de vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de Israëlieten deden, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/24.html#v23)

[^leviticus-24-2-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, nemen; dat is, nemen en brengen. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^leviticus-24-2-2]: Kanttekening 2: gestoten olijfolie: Zie hiervan ook het gebod Ex. 27:20 . Exodus 27:20 : U nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot de luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.
[^leviticus-24-2-3]: Kanttekening 3: Welke waren in getal zeven; Ex. 25:37 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.
[^leviticus-24-2-4]: Kanttekening 4: gedurig aan te steken: Te weten, in elke avondstond.
[^leviticus-24-3-5]: Kanttekening 5: Of zijn zonen gelijk zijn gebod, zie Ex. 27:21 . Exodus 27:21 : In de tent van de samenkomst, van buiten de voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen van Israël.
[^leviticus-24-3-6]: Kanttekening 6: voorhang van het getuigenis: Die het heilige van het heilige van de heiligen afscheidt. Zie boven, Lev. 4:6 . Deze luchter nu of kandelaar stond in het heilige aan de zuidzijde, gelijk de gouden tafel aan de noordzijde; Ex. 26:35 . Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige. Exodus 26:35 : De tafel nu zult u zetten buiten de voorhang, en de kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde van het tabernakel, zuidwaarts; maar de tafel zult u zetten aan de noordzijde.
[^leviticus-24-4-7]: Kanttekening 7: louteren kandelaar: Dat is, die van louter en fijn goud gemaakt was, Ex. 25:31 , gelijk hij ook hierna vers 6 de reine tafel noemt, waar de toonbroden op gelegd worden, omdat die met zuiver, fijn en gelouterd goud overtrokken was; van welke men ook lezen kan Ex. 25:24 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. Leviticus 24:6 : En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van YHWH. Exodus 25:24 : En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.
[^leviticus-24-5-8]: Kanttekening 8: van twee tienden: Dat is, van twee gomer, welke was het tiende deel van een efa. Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^leviticus-24-7-9]: Kanttekening 9: ten gedenkoffer: Zie boven, Lev. 2:2 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit de meelbloem daarvan, en uit de olie daarvan, met al de wierook daarvan; en de priester zal het gedenkoffer daarvan aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^leviticus-24-8-10]: Kanttekening 10: elke sabbatdag: Hebreeuws, in de dag van de sabbat, in de dag van de sabbat. Zie van deze manier van spreken Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^leviticus-24-8-11]: Kanttekening 11: Dat de priesters alleen doen moesten.
[^leviticus-24-8-12]: Kanttekening 12: kinderen van Israël: Die de meelbloemen geofferd hadden, waarvan de priesters de broden, of koeken maken moesten.
[^leviticus-24-9-a]: Verwijzing a: Ex. 29:32 ; boven, Lev. 8:31 ; 1 Sam. 21:6 ; Matt. 12:4 . Exodus 29:32 : Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de korf zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 8:31 : En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet hetzelfde daar, en ook het brood, dat in de korf van het vuloffer is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten. 1 Samuël 21:6 : Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van YHWH weggenomen waren, dat men er warm brood legde, op de dag als dat weggenomen werd. Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.
[^leviticus-24-9-13]: Kanttekening 13: het zal voor: Versta, ten einde van de week, als men op de sabbat daaraanvolgend die toonbroden van de tafel nam, om verse in dier plaats te leggen.
[^leviticus-24-9-14]: Kanttekening 14: Dit wordt onder de vuurofferanden ook geteld, omdat de wierook, die er op lag, dan aangestoken en voor de Heer verbrand werd.
[^leviticus-24-10-15]: Kanttekening 15: zoon van een Egyptische man was: Het is waarschijnlijk dat deze Egyptenaar het Israëlietisch geloof aangenomen had, gelijk velen menen, of anders moest hij, als een vreemdeling, onder de Israëlieten gewoond hebben.
[^leviticus-24-10-16]: Kanttekening 16: Israëlitisch man: Ten aanzien van beide zijn ouders.
[^leviticus-24-11-17]: Kanttekening 17: Het Hebreeuwse woord dat hier uitdrukkelijk met lasteren overgezet is, betekent eigenlijk doorsteken, doorboren, doorwonden . Waarmee de afgrijselijkheid van deze daad te kennen gegeven wordt, omdat hij God met zijn snode tong als doorstoken had.
[^leviticus-24-11-18]: Kanttekening 18: Versta, de naam van de Heer, of, YHWH, gelijk zulks verklaard wordt vers 16 , en Deut. 28:58 . Zie van deze naam Gen. 2:4 . Leviticus 24:16 : En wie de Naam van YHWH gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem zekerlijk stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden. Deuteronomium 28:58 : Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke Naam, YHWH, uw God; Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.
[^leviticus-24-11-19]: Kanttekening 19: brachten zij hem tot Mozes: Versta, dat de rechters hem tot Mozes gebracht hebben, om hem raad te vragen hoe zij deze gruwelijke lasteraar straffen zouden.
[^leviticus-24-12-20]: Kanttekening 20: de mond van YHWH: Dat is, het bevel van de Heer. Zie Gen. 41:40 , en Ex. 17:1 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
[^leviticus-24-14-21]: Kanttekening 21: gehoord hebben: Namelijk, hoe hij gevloekt en de naam van God gelasterd heeft. En deze, als getuigen, moesten hun hand op zijn hoofd leggen, om daarmee te getuigen dat zij hem met waarheid van deze zonde van de godslastering beschuldigden, en dat hij zo er aan schuldig zijnde, deze straf verdiend had.
[^leviticus-24-15-22]: Kanttekening 22: zijn zonde dragen: Dat is, de straf van zijn zonde, gelijk hij dat verklaart in vers 16 . Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 24:16 : En wie de Naam van YHWH gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem zekerlijk stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden. Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-24-16-23]: Kanttekening 23: gelasterd zal hebben: Hebreeuws, doorstoken hebben; gelijk boven, vers 11 . Zie daar. Leviticus 24:11 : Toen lasterde de zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan.
[^leviticus-24-16-24]: Kanttekening 24: zekerlijk gedood worden: Hebreeuws, stervende gedood worden; dat is, men zal niet nalaten hem te doden zonder enige verschoning te gebruiken. Zo in het volgende.
[^leviticus-24-16-25]: Kanttekening 25: zekerlijk stenigen: Hebreeuws, stenigende stenigen.
[^leviticus-24-17-26]: Kanttekening 26: ziel van de mens: Dat is, een mens. Zie Gen. 12:5 , en Ex. 21:12 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Exodus 21:12 : Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden.
[^leviticus-24-17-27]: Kanttekening 27: verslagen hebben: Dat is, wie een mens met wonden en slaan het leven beneemt. Vergelijk Gen. 37:21 . Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan.
[^leviticus-24-18-28]: Kanttekening 28: ziel voor ziel: Te weten, een levend stuk vee, voor wat hij doodgeslagen zal hebben.
[^leviticus-24-19-29]: Kanttekening 29: zo zal ook aan hem gedaan worden: Te weten, naar wettelijke orde, verklaard in de volgende aantekening.
[^leviticus-24-20-30]: Kanttekening 30: Breuk voor breuk: Dit was de wet van de vergelding, welke niet door particuliere personen, maar door de overheid met kennis van zaken moest uitgevoerd worden. De Farizeën hebben haar misduid en kwalijk uitgelegd, waarover zij van onze Zaligmaker, Matt. 5:38 , 5:39 , bestraft worden. Mattheüs 5:38 : U hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand. Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
[^leviticus-24-20-b]: Verwijzing b: Ex. 21:24 ; Deut. 19:21 ; Matt. 5:38 . Exodus 21:24 : Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. Deuteronomium 19:21 : En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. Mattheüs 5:38 : U hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
[^leviticus-24-20-31]: Kanttekening 31: aangebracht hebben: Hebreeuws, gegeven.

### Leviticus 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/25.json)

*Wetten over de rust van het zevende jaar voor het land, vers 1, enz. Over het jubeljaar, dat elke vijftig jaar onderhouden moet worden, 8. Over de manier bij het kopen en verkopen van de erfgoederen, naar het aantal jaren tot het jubeljaar, 14. Over het recht bij het lossen van de verkochte erven, 23. Over de woeker, en de mildheid tegenover de arme Israëlieten, 35. Over het recht van de Hebreeuwse slaven, hoe men hen kopen, behandelen en lossen moest, 39.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, aan de berg[^leviticus-25-1-1] Sinaï, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen:[^leviticus-25-2-a] Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan[^leviticus-25-2-2] zal dat land[^leviticus-25-2-3] rusten, een[^leviticus-25-2-4] sabbat[^leviticus-25-2-5] voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v2)

**3** Zes jaren zult u uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v3)

**4** Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v4)

**5** Wat van zelf van uw oogst zal gegroeid zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven[^leviticus-25-5-6] van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v5)

**6** En de[^leviticus-25-6-7] inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v6)

**7** En ook voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot voedsel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v7)

**8** U zult u ook tellen[^leviticus-25-8-8] zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v8)

**9** Daarna zult u in de[^leviticus-25-9-9] zevende maand, op de tiende van de maand, de bazuin van het[^leviticus-25-9-10] geklank doen doorgaan; op de[^leviticus-25-9-11] verzoendag zult u de bazuin doen doorgaan in uw hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v9)

**10** En u zult[^leviticus-25-10-12] dat vijftigste jaar[^leviticus-25-10-13] heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een[^leviticus-25-10-14] jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder[^leviticus-25-10-15] tot zijn geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v10)

**11** Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; u zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gegroeid zijn, noch ook de druiven van de afzonderingen daarin[^leviticus-25-11-16] afsnijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v11)

**12** Want dat is het jubeljaar; het zal u[^leviticus-25-12-17] heilig zijn; u zult uit het veld de inkomst[^leviticus-25-12-18] daarvan eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v12)

**13** Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v13)

**14** Daarom, wanneer u aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand van uw naaste kopen zult, dat niemand[^leviticus-25-14-19] de één de ander[^leviticus-25-14-20] verdrukke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v14)

**15** Naar het getal[^leviticus-25-15-21] van de jaren, van het jubeljaar af, zult u van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren van de inkomsten zal hij het aan u verkopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v15)

**16** Naar de veelheid van de jaren zult u[^leviticus-25-16-22] zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid van de jaren zult u zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het[^leviticus-25-16-23] getal van de inkomsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v16)

**17** Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v17)

**18** En doet Mijn voorschriften, en houdt Mijn rechten, en doet die; zo zult u zeker wonen in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v18)

**19** En het land zal zijn vrucht geven, en u zult eten tot verzadiging toe; en u zult zeker daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v19)

**20** En als u zou zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Zie, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v20)

**21** Zo zal Ik Mijn zegen[^leviticus-25-21-24] gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaar zal voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v21)

**22** Het achtste jaar nu zult u zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat[^leviticus-25-22-25] zijn inkomst ingekomen is, zult u het oude eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v22)

**23** Het land ook zal niet[^leviticus-25-23-26] voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v23)

**24** Daarom[^leviticus-25-24-27] zult u, in het hele land van uw bezitting, lossing voor het land[^leviticus-25-24-28] toelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v24)

**25** Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte van zijn broer lossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v25)

**26** En wanneer iemand geen losser zal hebben,[^leviticus-25-26-29] maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben,[^leviticus-25-26-30] zoveel genoeg is tot zijn losprijs; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v26)

**27** Dan zal hij de[^leviticus-25-27-31] jaren van zijn verkoping rekenen, en het overschot zal hij de man, aan wie hij het verkocht had, weer uitkeren; en hij zal weer tot zijn bezitting komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v27)

**28** Maar als[^leviticus-25-28-32] zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van zijn koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar[^leviticus-25-28-33] zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v28)

**29** Ook, wanneer iemand een woonhuis in een[^leviticus-25-29-34] bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een[^leviticus-25-29-35] vol jaar zal zijn lossing wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v29)

**30** Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het hele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft,[^leviticus-25-30-36] voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten;[^leviticus-25-30-37] het zal in het jubeljaar niet uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v30)

**31** Maar de huizen van de dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld van het land gerekend worden;[^leviticus-25-31-38] daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v31)

**32** Voor wat betreft de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen[^leviticus-25-32-39] een eeuwige lossing hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v32)

**33** En als[^leviticus-25-33-40] men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop[^leviticus-25-33-41] van het huis en[^leviticus-25-33-42] van de stad van zijn bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden van de Levieten zijn hun bezitting in het midden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v33)

**34** Maar het veld van[^leviticus-25-34-43] de voorstad van hun steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige[^leviticus-25-34-44] bezitting voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v34)

**35** En als uw broer zal verarmd zijn, en zijn hand[^leviticus-25-35-45] bij u wankelen zal, zo zult u hem[^leviticus-25-35-46] vasthouden, zelfs een[^leviticus-25-35-47] vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v35)

**36** U zult[^leviticus-25-36-b] geen[^leviticus-25-36-48] rente noch[^leviticus-25-36-49] overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v36)

**37** Uw geld zult u hem niet op rente geven, en u zult uw voedsel niet op overwinst geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v37)

**38** Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven,[^leviticus-25-38-50] opdat Ik u tot een God zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v38)

**39** [^leviticus-25-39-c] Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u[^leviticus-25-39-51] verkocht zal hebben,[^leviticus-25-39-52] u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v39)

**40** Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v40)

**41** Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn[^leviticus-25-41-53] geslacht terugkeren, en tot de bezitting van zijn vaders terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v41)

**42** Want zij zijn Mijn[^leviticus-25-42-54] dienaren, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden,[^leviticus-25-42-55] zoals men een slaaf verkoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v42)

**43** [^leviticus-25-43-d] U zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar u zult vrezen voor uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v43)

**44** Voor wat betreft uw slaaf of uw slavin, die u zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult u een slaaf of een slavin kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v44)

**45** U zult ze ook kopen van de kinderen van de bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een[^leviticus-25-45-56] bezitting zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v45)

**46** En u zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; u zult hen in eeuwigheid doen[^leviticus-25-46-57] dienen; maar over uw broers, de Israëlieten, ieder over zijn broer, u zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v46)

**47** En wanneer de hand van een vreemdeling en bijwoner, die bij u is,[^leviticus-25-47-58] wat bekomen zal hebben, en uw broer, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of[^leviticus-25-47-59] aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v47)

**48** Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; één van zijn broers zal hem lossen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v48)

**49** Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn lichaam van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelf losse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v49)

**50** En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; zo dat het geld van zijn verkoping zal zijn naar het getal[^leviticus-25-50-60] van de jaren, naar de dagen van een dagloner[^leviticus-25-50-61] zal het met hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v50)

**51** Als nog vele van die[^leviticus-25-51-62] jaren zijn,[^leviticus-25-51-63] naar die zal hij tot zijn losprijs van[^leviticus-25-51-64] het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v51)

**52** En als er nog weinig van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn losprijs wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v52)

**53** Als een dagloner zal hij van[^leviticus-25-53-65] jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid[^leviticus-25-53-66] voor uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v53)

**54** En is het, dat hij[^leviticus-25-54-67] hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v54)

**55** Want de Israëlieten zijn Mij tot dienaren; Mijn dienaren zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/25.html#v55)

[^leviticus-25-1-1]: Kanttekening 1: aan de berg Sinaï: Te weten, uit de tent van de samenkomst, die nu aan de berg opgericht was, Ex. 40 , en uit welke God aan Mozes deze wetten heeft gegeven, Lev. 1:1 , toen zij opgericht was bij de berg Sinaï. Vergelijk onder, Lev. 26:46 , en Lev. 27:34 . Leviticus 1:1 : En YHWH riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent van de samenkomst, zeggende: Leviticus 26:46 : Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke YHWH gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen van Israël, op de berg Sinaï, door de hand van Mozes. Leviticus 27:34 : Dit zijn de geboden, die YHWH Mozes geboden heeft, aan de kinderen van Israël, op de berg Sinaï.
[^leviticus-25-2-a]: Verwijzing a: Ex. 23:10 . Exodus 23:10 : U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en daarvan inkomst verzamelen;
[^leviticus-25-2-2]: Kanttekening 2: zal dat land: Anders, het land zal rusten, het zal een sabbat voor YHWH zijn.
[^leviticus-25-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, van bebouwd te worden.
[^leviticus-25-2-4]: Kanttekening 4: Het woord sabbat betekent rust en ophouding van enige werken. De uitwendige sabbat is in het Oude Testament geweest: I. van dagen, als van de zevende dag en de vierdagen, Ex. 20:8 , boven, Lev. 23:39 , enz.; II. van maanden, als van de nieuwe maanden, boven, Lev. 23:24 ; Num. 28:11 ; III. van jaren, als hier en onder, Lev. 26:35 , enz. Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Leviticus 23:39 : Maar op de vijftiende dag van de zevende maand, als u het inkomen van het land zult ingegaderd hebben, zult u het feest van YHWH zeven dagen vieren; op de eerste dag zal er rust zijn, en op de achtste dag zal er rust zijn. Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping. Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Leviticus 26:35 : Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde.
[^leviticus-25-2-5]: Kanttekening 5: YHWH: Dat is, naar zijn bevel en Hem ter ere.
[^leviticus-25-5-6]: Kanttekening 6: Anders, wat u niet besneden hebt, of, waarvan u u onthouden hebt. Versta, de wijngaard van iederen Israëliet, waarvan hij zich naar deze wet afzondere, om het bebouwen, het snoeien daarvan en het aflezen van zijn druiven na te laten. Zo wordt hij ook genoemd onder, vers 11 . Leviticus 25:11 : Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; u zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven van de afzonderingen in hetzelfde afsnijden.
[^leviticus-25-6-7]: Kanttekening 7: inkomst van : Dat is, de vruchten, die in dat zevende jaar op het ongebouwde land vanzelf, door de zegen van de Heer voortkomen zullen, en door de eigenaar niet, als naar gewoonte, in de schuren en kelders moesten ingezameld zijn.
[^leviticus-25-8-8]: Kanttekening 8: zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren: Hebreeuws, sabbatjaren. Het woord sabbat betekent hier een week, gelijk boven, Lev. 23:15 ; gelijk nu een week van de dagen zeven dagen had, zo had een week van de jaren zeven jaren. Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;
[^leviticus-25-9-9]: Kanttekening 9: zevende maand: Zie van deze maand boven, Lev. 23:24 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^leviticus-25-9-10]: Kanttekening 10: doen doorgaan: Dat is, doen omdragen door het gehele land, om overal geblazen te worden tot verkondiging van het jubeljaar.
[^leviticus-25-9-11]: Kanttekening 11: Zie boven, Lev. 23:27 . Leviticus 23:27 : Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult aan YHWH een vuuroffer offeren.
[^leviticus-25-10-12]: Kanttekening 12: dat vijftigste jaar: Hebreeuws, het jaar van vijftig jaar.
[^leviticus-25-10-13]: Kanttekening 13: Dat is, verkondigen dat het de Heer tot een bijzonder en heilig gebruik toegeëigend en afgezonderd is. Zie van het woord heiligen, in deze zin genomen, boven, Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^leviticus-25-10-14]: Kanttekening 14: jubeljaar zijn: Het Hebreeuwse woord Jobel (יֹבֵל יוֺבֵל,) betekent vooreerst een weer of ram, daarna een ramshoorn, en eindelijk het vijftigste jaar, dat met een ramshoorn verkondigd werd, gelijk hier. In dit jaar werd de vrijheid voor de Israëlietische knechten en dienstmaagden uitgeroepen, en die hun erfgoederen door armoede verkocht hadden, kwamen weer in derzelver bezit. Het woord jaar wordt hier en in het volgende bijgevoegd uit vers 13 . Leviticus 25:13 : Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting.
[^leviticus-25-10-15]: Kanttekening 15: tot zijn geslacht: Dat is, tot zijn familie en vrienden, van wie hij zich afgezonderd had door zich aan vreemden te verkopen. Zie onder, vers 41 . Leviticus 25:41 : Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht terugkeren, en tot de bezitting van zijn vaderen terugkeren.
[^leviticus-25-11-16]: Kanttekening 16: Versta, het vijftigste jaar. Zie boven, vers 5 . Leviticus 25:5 : Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn.
[^leviticus-25-12-17]: Kanttekening 17: heilig zijn: Hebreeuws, heiligheid.
[^leviticus-25-12-18]: Kanttekening 18: de inkomst daarvan eten: Te weten, die vanzelf, zonder uw arbeid, zal gewassen zijn.
[^leviticus-25-14-19]: Kanttekening 19: de één de ander: Hebreeuws, een man zijn broer.
[^leviticus-25-14-20]: Kanttekening 20: Of, verkorte. Zie boven, Lev. 19:33 . Leviticus 19:33 : En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, u zult hem niet verdrukken.
[^leviticus-25-15-21]: Kanttekening 21: van de jaren van de inkomsten: Dat is, waarin het veld of de akkers hun inkomst voortbrengen. Want het land werd niet verkocht, maar alleen zijn inkomen voor zekere jaren, gelijk blijkt uit het volgende.
[^leviticus-25-16-22]: Kanttekening 22: zijn koop vermeerderen: Versta, van het goed, dat te verkopen is, prijs of waarde.
[^leviticus-25-16-23]: Kanttekening 23: getal van de inkomsten: Dat is, niet het eigendom van het land, maar het gebruik en de inkomsten daarvan, en dat voor een getal van jaren, dat met het jubeljaar moet eindigen. Want alsdan mocht de verkoper of eigenaar weer in zijn goed komen, en de koper er uit scheiden.
[^leviticus-25-21-24]: Kanttekening 24: Dat is, Ik zal mijn zegen geven en toezenden. Gods gebieden betekent zijn doen, volbrengen en uitvoeren, òf met dadelijke zegening, gelijk hier en Deut. 28:8 , en Ps. 111:9 , en Ps. 133:3 ; òf met dadelijke straf, gelijk Jes. 5:6 ; Amos 9:4 ; Nah. 1:14 . Vergelijk Gen. 1:3 . Deuteronomium 28:8 : YHWH zal de zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan u uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Psalmen 111:9 : Pe. Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk. Psalmen 133:3 : Het is gelijk de dauw van Hermon, en die neerdaalt op de bergen van Sion, want YHWH gebiedt daar de zegen en het leven tot in eeuwigheid. Jesaja 5:6 : En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Amos 9:4 : En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede. Nahum 1:14 : Maar tegen u heeft YHWH bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis van uw god zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als u zult veracht zijn geworden. Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^leviticus-25-22-25]: Kanttekening 25: totdat zijn inkomst ingekomen is: Te weten, van het achtste jaar.
[^leviticus-25-23-26]: Kanttekening 26: voor altijd verkocht worden: Hebreeuws, tot afsnijding; te weten, van het recht van de lossing; zodat de verkoper ten enenmale zou afgesneden en ontnomen zijn het recht van zijn verkocht erf te mogen lossen, of in het jubeljaar opnieuw tot zijn bezitting te keren. Zie dezelfde manier van spreken onder, vers 30 . Leviticus 25:30 : Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.
[^leviticus-25-24-27]: Kanttekening 27: zult u: Dat is, u zult het met deze conditie verkopen, dat het zal mogen gelost worden.
[^leviticus-25-24-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, eigenlijk geven.
[^leviticus-25-26-29]: Kanttekening 29: maar zijn hand bekomen: Zie dergelijke manier van spreken, boven, Lev. 5:7 . Leviticus 5:7 : Maar als zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, aan YHWH brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, een ten zondoffer, en een ten brandoffer.
[^leviticus-25-26-30]: Kanttekening 30: zoveel genoeg is tot zijn lossing: Hebreeuws, naar de genoegzaamheid van zijn lossing.
[^leviticus-25-27-31]: Kanttekening 31: jaren van zijn verkoping rekenen: Te weten, van toen de verkoping was geschied tot het jubeljaar daaraan volgende, rekenende de inkomst van zoveel jaren als er nog overig waren, en die betalende naar de waarde, gelijk de koop geschied was. Zie boven, vers 16 . Leviticus 25:16 : Naar de veelheid van de jaren zult u zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid van de jaren zult u zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal van de inkomsten.
[^leviticus-25-28-32]: Kanttekening 32: zijn hand niet gevonden heeft: Vergelijk dit met de aantekeningen op vers 30 , en Richt. 9:33 . Leviticus 25:30 : Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. Richteren 9:33 : En het geschiede in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, gelijk als uw hand vinden zal.
[^leviticus-25-28-33]: Kanttekening 33: zal het uitgaan: Dat is, het verkochte goed zal niet meer in de macht van degene zijn, die dat gekocht had. Anders, hij, te weten, de koper zal uitgaan. Vergelijk onder, vers 30 , 25:31 , in het volgende, hij, te weten, de verkoper. Leviticus 25:30 : Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. Leviticus 25:31 : Maar de huizen van de dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld van het land gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.
[^leviticus-25-29-34]: Kanttekening 34: bemuurde stad zal verkocht hebben: Hebreeuws, een stad van de muur.
[^leviticus-25-29-35]: Kanttekening 35: vol jaar zal zijn lossing wezen: Hebreeuws, dagen. Zo wordt dit woordje voor een volkomen jaar genomen, Ex. 13:10 ; 1 Sam. 1:3 , en 1 Sam. 27:7 . De zin is, dat het recht van deze lossing duurde een geheel en volkomen jaar nadat de verkoping geschied was. Exodus 13:10 : Daarom onderhoudt deze inzetting op de vastgestelde tijd, van jaar tot jaar. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging naar boven uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 1 Samuël 27:7 : Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
[^leviticus-25-30-36]: Kanttekening 36: voor altijd blijven aan hem: Hebreeuws, tot afsnijding; gelijk boven, vers 23 . De zin is, dat het huis de koper zo toebehoren en eigen worden moest, dat de verkoper alle recht van dat te mogen lossen afgesneden werd. Leviticus 25:23 : Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent.
[^leviticus-25-30-37]: Kanttekening 37: het zal in het jubeljaar: Versta dit van het verkochte huis, dat ook uit het vermogen van de koper in het jubeljaar niet mocht uitgaan, maar hem moest eigen blijven.
[^leviticus-25-31-38]: Kanttekening 38: daarvoor zal lossing zijn: Te weten, voor de huizen van de dorpen, gelijk van het veld verordineerd wordt, boven, vers 25 , 25:26 . In het Hebreeuws staat dit in het getal van een, ziende op elk dorpshuis. Anders, voor hem \[de verkoper\] zal lossing zijn en \[de koper\] zal er uitgaan in het jubeljaar. Leviticus 25:25 : Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte van zijn broer lossen. Leviticus 25:26 : En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;
[^leviticus-25-32-39]: Kanttekening 39: een eeuwige lossing hebben: Versta dit van de tijd van de wet en van de Joodse politie in het land Kanaän; zo onder, vers 34 . Zie Gen. 13:15 . Leviticus 25:34 : Maar het veld van de voorstad van hun steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^leviticus-25-33-40]: Kanttekening 40: onder de Levieten: Anders, als men van de Levieten enig huis zal gekocht hebben, enz. Of, maar die lost, \[hetzij\] van de Levieten, of, de \[koper\] zal van het verkochte huis, enz.
[^leviticus-25-33-41]: Kanttekening 41: van het huis: Namelijk, dat van de verkoper zal gelost worden.
[^leviticus-25-33-42]: Kanttekening 42: van de stad van zijn bezitting: Versta, tot welke het huis behoorde of waaronder het sorteerde.
[^leviticus-25-34-43]: Kanttekening 43: voorstad van hun steden: Dat is, dat onder de stad gelegen is.
[^leviticus-25-34-44]: Kanttekening 44: een eeuwige bezitting voor hen: Als boven, vers 32 . Leviticus 25:32 : Aangaande de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.
[^leviticus-25-35-45]: Kanttekening 45: bij u wankelen zal: Dat is, zijn vermogen en middelen zullen afgaande zijn. Anders, zijn bevende hand tot u uitstrekken zal, om hulp in zijn armoede en ellende bij u te verkrijgen.
[^leviticus-25-35-46]: Kanttekening 46: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk aangrijpen en vatten om vast te houden. Versta hierdoor allerlei onderstand en weldadigheid, waardoor men de armen tehulp komt. Vergelijk Ez. 16:49 . Ezechiël 16:49 : Ziet, dit was de ongerechtigheid van uw zus Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en nooddruftigen niet.
[^leviticus-25-35-47]: Kanttekening 47: vreemdeling en bijwoner: Men kan hier verstaan zulke, die Jodengenoten geworden waren en de Israëlietische religie aangenomen hadden. Want aan andere vreemdelingen mochten zij op woeker lenen, Deut. 23:20 , dat God verboden had te doen aan de gelovige vreemdeling; Ex. 22:25 ; Deut. 23:19 . Deuteronomium 23:20 : Aan de vreemde zult u woekeren; maar aan uw broer zult u niet woekeren; opdat u YHWH, uw God, zegene, in alles, waaraan u uw hand slaat, in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Deuteronomium 23:19 : U zult aan uw broer niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van voedsel, met woeker van enig ding, waarmee men woekert.
[^leviticus-25-36-b]: Verwijzing b: Ex. 22:25 ; Deut. 23:19 ; Spr. 28:8 ; Ez. 18:8 ; Ez. 22:12 . Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Deuteronomium 23:19 : U zult aan uw broer niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van voedsel, met woeker van enig ding, waarmee men woekert. Spreuken 28:8 : Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich van de armen ontfermt. Ezechiël 18:8 : Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen de één en de anderen oefent; Ezechiël 22:12 : Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt u genomen, en u hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar u hebt Mijner vergeten, spreekt de Heer YHWH.
[^leviticus-25-36-48]: Kanttekening 48: Het Hebreeuwse woord betekent een bijting of doorknaging; omdat door de woeker de middelen van de mensen verslonden worden.
[^leviticus-25-36-49]: Kanttekening 49: overwinst van hem nemen: Het Hebreeuwse woord is zoveel als vermenigvuldiging of overmatige vergroting, gelijk is woeker van woeker, winst van winst, en overschatting buiten reden en maat nemen. Sommigen nemen het eerste woord voor de woeker, die met geld geschiedt, het andere voor het overgewin, dat verkregen wordt met waar, voedsel, kleding, enz.
[^leviticus-25-38-50]: Kanttekening 50: opdat Ik u tot een God zij: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^leviticus-25-39-c]: Verwijzing c: Ex. 21:2 ; Deut. 15:12 ; Jer. 34:14 . Exodus 21:2 : Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Deuteronomium 15:12 : Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. Jeremia 34:14 : Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een iedereen zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
[^leviticus-25-39-51]: Kanttekening 51: verkocht zal hebben: Of, aan u verkocht zal worden.
[^leviticus-25-39-52]: Kanttekening 52: u zult hem niet doen dienen: Of, u zult hem geen dienst afeisen, naar slaafse dienstbaarheid, of, u zult \[u\] door hem niet laten dienen, of door hem niet gediend zijn met de dienst van een slaaf of lijfeigene; dat is, u zult zijn dienst niet gebruiken met zulke hardheid, die men de slaven placht op te leggen. Hebreeuws, u zult niet dienen in hem de dienst van een knecht. Zie dezelfde manier van spreken onder, vers 46 ; Ex. 1:14 ; Jer. 25:14 , en Jer. 30:8 , en Jer. 34:9 , 34:10 . Leviticus 25:46 : En u zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; u zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broers, de kinderen van Israël, een ieder over zijn broer, u zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid. Exodus 1:14 : Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid. Jeremia 25:14 : Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. Jeremia 30:8 : Want het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen. Jeremia 34:9 : Dat een ieder zijn knecht, en een ieder zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broer, zou doen dienen. Jeremia 34:10 : Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een ieder zijn knecht, en een ieder zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;
[^leviticus-25-41-53]: Kanttekening 53: geslacht terugkeren: Zie boven, vers 10 . Leviticus 25:10 : En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.
[^leviticus-25-42-54]: Kanttekening 54: Die Ik uit alle volken gekozen heb tot mijn eigendom, om Mij alhier te dienen, en hierna eeuwig met Mij te leven. Zo onder, vers 55 . Leviticus 25:55 : Want de kinderen van Israël zijn Mij tot dienaren; Mijn dienaren zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-25-42-55]: Kanttekening 55: gelijk men een slaaf verkoopt: Hebreeuws, door, of naar de verkoping van een slaaf; dat is, om als slaven behandeld te worden, en eeuwig te dienen.
[^leviticus-25-43-d]: Verwijzing d: Ef. 6:9 ; Kolos. 4:1 . Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 4:1 : U heren, doet uw dienaren recht en gelijk, wetende, dat ook u een Heer hebt in de hemelen.
[^leviticus-25-45-56]: Kanttekening 56: bezitting zijn: Te weten, om die als slaven, die in het jubeljaar niet konden gelost worden, altijd te gebruiken.
[^leviticus-25-46-57]: Kanttekening 57: Te weten, als slaven en lijfeigenen, gelijk boven, vers 39 . Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
[^leviticus-25-47-58]: Kanttekening 58: bekomen zal hebben: Dat is, enige middelen of rijkdom verkregen zal hebben; zo onder, vers 49 . Leviticus 25:49 : Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn vlees van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.
[^leviticus-25-47-59]: Kanttekening 59: aan de stam: Dat is, aan de ingeborene en ingezetene, welke, ofschoon hij van uitlandse ouders afkomstig is, nochtans in uw land geboren en daarin door langdurige inwoning ingeworteld is.
[^leviticus-25-50-60]: Kanttekening 60: van de jaren: Te weten, dat hij zijn heer gediend zal hebben, om zoveel van het geld van de lossing af te trekken als zijn heer in die tijd een dagloner had moeten geven.
[^leviticus-25-50-61]: Kanttekening 61: zal het met hem zijn: Dat is, zal men met hem handelen.
[^leviticus-25-51-62]: Kanttekening 62: jaren zijn: Te weten, die het jubeljaar voorafgaan, waarin de knechten moesten losgelaten worden. Vergelijk vers 52 . Leviticus 25:52 : En als er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing wedergeven.
[^leviticus-25-51-63]: Kanttekening 63: naar die: Dat is, naar dat er nog vele jaren overig zijn voor het jubeljaar, dat hij zijn heer van het geld, waarvoor hij verkocht was, wedergeve.
[^leviticus-25-51-64]: Kanttekening 64: het geld: Hebreeuws, het geld van zijn koping.
[^leviticus-25-53-65]: Kanttekening 65: jaar tot jaar bij hem zijn: Dat is, die niet nu en dan eens, maar een vol jaar of meer voor loon gewerkt heeft.
[^leviticus-25-53-66]: Kanttekening 66: voor uw ogen: Dat is, waarop u het aanschouwt en door de vingers ziet.
[^leviticus-25-54-67]: Kanttekening 67: hierdoor niet gelost wordt: Dat is door de voorverhaalde personen of middelen. Anders, in deze, te weten, jaren.

### Leviticus 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/26.json)

*Nadat God de afgoderij verboden, en het onderhouden van zijn sabbatten, alsmede de hele godsdienst bevolen heeft, vers 1, enz. doet hij vele uitnemende beloften aan hen die naar zijn wet zouden leven, 3. Maar verschrikkelijke dreigementen tegen de overtreders daarvan, 14. Belovende echter genadig te zijn aan hen die zich zouden bekeren, en alle weldaden te bewijzen, 40. Met een besluit dat toont van wie, aan wie, waar en door wie deze wetten gegeven waren, 46.*

**1** U[^leviticus-26-1-a] zult u[^leviticus-26-1-1] geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch[^leviticus-26-1-2] opgericht beeld zult u zich stellen, noch[^leviticus-26-1-3] gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v1)

**2** Mijn sabbatten zult u houden,[^leviticus-26-2-b] en Mijn heiligdom zult u[^leviticus-26-2-4] vrezen; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v2)

**3** [^leviticus-26-3-c] Als u in Mijn voorschriften wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v3)

**4** Zo zal Ik[^leviticus-26-4-5] uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v4)

**5** En de[^leviticus-26-5-6] dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten[^leviticus-26-5-d] tot[^leviticus-26-5-7] verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v5)

**6** Ook zal Ik vrede geven in het land,[^leviticus-26-6-e] dat u zult[^leviticus-26-6-8] te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard[^leviticus-26-6-9] zal door uw land niet doorgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v6)

**7** En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht[^leviticus-26-7-10] door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v7)

**8** [^leviticus-26-8-11][^leviticus-26-8-f] Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v8)

**9** En Ik zal[^leviticus-26-9-12] Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v9)

**10** En u zult het[^leviticus-26-10-13] oude, dat verouderd is, eten;[^leviticus-26-10-14] en het oude zult[^leviticus-26-10-15] u vanwege het nieuwe uitbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v10)

**11** [^leviticus-26-11-g] En Ik zal Mijn[^leviticus-26-11-16] tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet[^leviticus-26-11-17] walgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v11)

**12** En Ik zal in het midden van u[^leviticus-26-12-18] wandelen,[^leviticus-26-12-19] en zal u tot een God zijn, en u zult Mij[^leviticus-26-12-20] tot een volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v12)

**13** Ik ben YHWH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zou zijn; en Ik heb de[^leviticus-26-13-21] disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen[^leviticus-26-13-22] rechtop staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v13)

**14** [^leviticus-26-14-h] Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v14)

**15** En zo u Mijn voorschriften zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond[^leviticus-26-15-23] te vernietigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v15)

**16** Dit zal Ik u ook doen, dat Ik[^leviticus-26-16-24] over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die[^leviticus-26-16-25] de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v16)

**17** Daartoe zal Ik Mijn[^leviticus-26-17-26] aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw vijanden zullen over u heerschappij hebben, en[^leviticus-26-17-i] u zult vluchten, als u iemand vervolgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v17)

**18** En[^leviticus-26-18-27] zo u Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u[^leviticus-26-18-28] zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v18)

**19** Want Ik zal[^leviticus-26-19-29] de trots van uw kracht verbreken, en zal uw hemel[^leviticus-26-19-30] als ijzer maken, en uw aarde[^leviticus-26-19-31] als koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v19)

**20** [^leviticus-26-20-32] En uw macht zal zinloos verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v20)

**21** En zo u met Mij[^leviticus-26-21-33] in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v21)

**22** Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld,[^leviticus-26-22-34] dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw[^leviticus-26-22-35] wegen zullen woest worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v22)

**23** Als u nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij[^leviticus-26-23-36] in tegenheid wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v23)

**24** Zo zal Ik ook[^leviticus-26-24-k] met u[^leviticus-26-24-37] in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v24)

**25** Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de[^leviticus-26-25-38] wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden verzameld zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v25)

**26** Als Ik u de[^leviticus-26-26-39] staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood[^leviticus-26-26-40] in één oven bakken, en zullen uw brood[^leviticus-26-26-41] bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v26)

**27** Als u ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v27)

**28** Zo zal Ik ook met u[^leviticus-26-28-42] in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v28)

**29** [^leviticus-26-29-l] Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v29)

**30** En Ik zal uw[^leviticus-26-30-43] hoogten verderven, en[^leviticus-26-30-m] uw[^leviticus-26-30-44] zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de[^leviticus-26-30-45] dode lichamen van uw[^leviticus-26-30-46] afgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v30)

**31** En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw[^leviticus-26-31-47] heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw[^leviticus-26-31-48] liefelijke reuk niet ruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v31)

**32** Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin[^leviticus-26-32-49] zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v32)

**33** Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v33)

**34** Dan zal het land aan zijn[^leviticus-26-34-n] sabbatten[^leviticus-26-34-50] een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v34)

**35** Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v35)

**36** En voor wat betreft de overgeblevenen onder u,[^leviticus-26-36-51] Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen van hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten,[^leviticus-26-36-52] zoals men vlucht voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v36)

**37** En zij[^leviticus-26-37-53] zullen de één op de ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en u zult voor het aangezicht van uw vijanden[^leviticus-26-37-54] niet kunnen bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v37)

**38** Maar u zult omkomen onder de heidenen, en het land van uw vijanden zal u verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v38)

**39** En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden uitteren; ja, ook[^leviticus-26-39-55] om de ongerechtigheden van hun vaders zullen zij met hen uitteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v39)

**40** Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid van hun vaders met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v40)

**41** [^leviticus-26-41-56] Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun[^leviticus-26-41-57] onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de[^leviticus-26-41-58] straf van hun ongerechtigheid[^leviticus-26-41-59] een welgevallen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v41)

**42** Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v42)

**43** Als het land om[^leviticus-26-43-60] hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het[^leviticus-26-43-61] om hunnentwil verwoest was, en zij aan[^leviticus-26-43-62] de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn voorschriften gewalgd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v43)

**44** En[^leviticus-26-44-63] hierenboven is dit ook; als zij in het land van hun vijanden zullen zijn,[^leviticus-26-44-o] zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben YHWH, hun God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v44)

**45** Maar Ik zal hun ten[^leviticus-26-45-64] beste gedenken aan het[^leviticus-26-45-65] verbond van de voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen van de heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God was; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v45)

**46** Dit zijn die voorschriften, en die rechten, en die wetten, die YHWH gegeven heeft, tussen Zich en tussen de Israëlieten, op de berg Sinaï, door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/26.html#v46)

[^leviticus-26-1-a]: Verwijzing a: Ex. 20:4 ; Deut. 5:8 ; Deut. 16:22 ; Ps. 97:7 . Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Deuteronomium 5:8 : U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; Deuteronomium 16:22 : Ook zult u u geen opgericht beeld stellen, dat YHWH, uw God, haat. Psalmen 97:7 : Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle u goden!
[^leviticus-26-1-1]: Kanttekening 1: afgoden maken: Zie boven, Lev. 19:4 . Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-26-1-2]: Kanttekening 2: opgericht beeld: Het Hebreeuwse woord betekent al wat op de wijze van een pilaar opgericht of op een pilaar gesteld werd, ter ere van de afgoden; Ex. 23:24 ; Deut. 16:22 . Exodus 23:24 : U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen. Deuteronomium 16:22 : Ook zult u u geen opgericht beeld stellen, dat YHWH, uw God, haat.
[^leviticus-26-1-3]: Kanttekening 3: gebeelde steen: Hebreeuws, steen van het beeld, of van de afbeelding.
[^leviticus-26-2-b]: Verwijzing b: boven, Lev. 19:30 . Leviticus 19:30 : U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-26-2-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Lev. 19:30 . Leviticus 19:30 : U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben YHWH!
[^leviticus-26-3-c]: Verwijzing c: Deut. 28:1 . Deuteronomium 28:1 : En het zal gebeuren, als u van de stem van YHWH, uw Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal YHWH, uw God, u hoog zetten boven alle volken van de aarde.
[^leviticus-26-4-5]: Kanttekening 5: uw regens geven op hun tijd: Die u nodig hebt, te weten de vroege en de spade regen.
[^leviticus-26-5-6]: Kanttekening 6: dorstijd zal u reiken: De zin is, dat de oogst zo overvloedig zou zijn, dat zij al het graan niet zouden kunnen dorsen vóór de wijnoogst, en dat de wijnoogst ook zo overvloedig zou zijn, dat zij de wijn niet zouden kunnen kelderen vóór de zaaitijd; zodat zij van het werk zouden overvallen worden.
[^leviticus-26-5-d]: Verwijzing d: boven, Lev. 25:19 . Leviticus 25:19 : En het land zal zijn vrucht geven, en u zult eten tot verzadiging toe; en u zult zeker daarin wonen.
[^leviticus-26-5-7]: Kanttekening 7: verzadiging toe: Zo boven, Lev. 25:19 . Leviticus 25:19 : En het land zal zijn vrucht geven, en u zult eten tot verzadiging toe; en u zult zeker daarin wonen.
[^leviticus-26-6-e]: Verwijzing e: Job 11:18 ; idem v. 19 . Job 11:18 : En u zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en u zult graven, gerustelijk zult u slapen; Job 11:19 : En u zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.
[^leviticus-26-6-8]: Kanttekening 8: te slapen liggen: Of, slapen, of nederliggen. Zo Gen. 19:4 . Genesis 19:4 : Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af.
[^leviticus-26-6-9]: Kanttekening 9: zal door uw land niet doorgaan: Dat is, zal met geen oorlog gekweld worden. Zo is het woord zwaard voor oorlog genomen; Num. 14:3 ; 2 Sam. 12:10 ; Jes. 1:20 : Ez. 30:4 . Vergelijk de aantekeningen op Gen. 27:40 . Numeri 14:3 : En waarom brengt ons YHWH naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderen ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weer te keren? 2 Samuël 12:10 : Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat u Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij. Jesaja 1:20 : Maar als u weigert, en opstandig zijt, zo zult u van het zwaard gegeten worden; want de mond van YHWH heeft het gesproken. Ezechiël 30:4 : En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden. Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken.
[^leviticus-26-7-10]: Kanttekening 10: door het zwaard vallen: Dat is, door de oorlog vergaan. Zo in vers 8 , en Num. 14:3 ; 2 Sam. 3:29 ; Ps. 78:64 ; Jer. 20:4 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. Numeri 14:3 : En waarom brengt ons YHWH naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderen ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weer te keren? 2 Samuël 3:29 : Het blijve op het hoofd van Joab, en op het gehele huis van zijn vader; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan de stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe! Psalmen 78:64 : Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. Jeremia 20:4 : Want zo zegt YHWH: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal geheel Juda geven in de hand van de koning van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.
[^leviticus-26-8-11]: Kanttekening 11: Vijf uit u: Een zeker getal wordt hier gesteld voor een onzeker, gelijk onder, vers 18 , 26:26 ; Gen. 4:15 , 4:24 , enz.; Num. 14:22 ; 1 Sam. 18:7 ; Job 5:19 . De zin is hier, dat weinige Israëlieten velen van hun vijanden verslaan zouden. Leviticus 26:18 : En zo u Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen. Leviticus 26:26 : Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Genesis 4:15 : Maar YHWH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond. Genesis 4:24 : Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal. Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; 1 Samuël 18:7 : En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden! Job 5:19 : In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.
[^leviticus-26-8-f]: Verwijzing f: Joz. 23:10 . Jozua 23:10 : Een enig man onder u zal er duizend jagen; want het is YHWH, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
[^leviticus-26-9-12]: Kanttekening 12: Mij tot u wenden: Of, op u het gezicht hebben; te weten, om u goed te doen.
[^leviticus-26-10-13]: Kanttekening 13: oude, dat verouderd is: Versta dit van de vruchten, die men lang bewaren kan, blijvende smakelijk en bekwaam tot voeding.
[^leviticus-26-10-14]: Kanttekening 14: en het oude: Dat is, zulken overvloed zal Ik geven dat de oude vruchten uit de schuren nog niet zullen opgeruimd, noch verteerd zijn, als de nieuwe er in zullen moeten gebracht of verzameld worden.
[^leviticus-26-10-15]: Kanttekening 15: vanwege het nieuwe uitbrengen: Hebreeuws, van het aangezicht van de, enz.
[^leviticus-26-11-g]: Verwijzing g: Ez. 37:26 ; 2 Kor. 6:16 . Ezechiël 37:26 : En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^leviticus-26-11-16]: Kanttekening 16: Dat is, Ik wil maken dat mijn genade en woord en godsdienst u steeds bijblijven zullen, opdat ik uw God blijve en u mijn volk. Vergelijk vers 12 . Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^leviticus-26-11-17]: Kanttekening 17: Het Hebreeuwse woord betekent iets met grote verfoeiing verwerpen en een afkeer daarvan hebben. Zo onder, vers 15 , 26:30 , 26:43 , 26:44 . Leviticus 26:15 : En zo u Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen; Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Leviticus 26:43 : Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had. Leviticus 26:44 : En hierenboven is dit ook; als zij in het land van hun vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben YHWH, hun God!
[^leviticus-26-12-18]: Kanttekening 18: Te weten, om u in het geestelijke te onderwijzen, te heiligen en te geleiden ter eeuwige zaligheid, en in het lichamelijke met overvloed van gezondheid, vruchtbaarheid, rijkdom en vrede te zegenen.
[^leviticus-26-12-19]: Kanttekening 19: en zal u tot een God zijn: Zie Gen. 17:7 ; Ez. 11:20 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Ezechiël 11:20 : Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelfde doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^leviticus-26-12-20]: Kanttekening 20: tot een volk zijn: Dat is, dat Ik uit genade door de beloofde Messias verlichten, rechtvaardigen en heiligen zal ter eeuwige zaligheid; 1 Kor. 1:30 . 1 Korinthiërs 1:30 : Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
[^leviticus-26-13-21]: Kanttekening 21: disselbomen van uw juk: De disselboom aan een wagen is het middenhout, waaraan de paarden samen vastgemaakt zijn; of versta, de banden en zelen, waarmee zij aan de disselboom vastgemaakt en gebonden worden. Hierbij wordt vergeleken de dienstbaarheid, die de Israëlieten als een juk in Egypte moesten dragen. Zie deze en gelijke manier van spreken, Jer. 27:2 , 27:8 , en Jer. 28:2 , 28:13 , 28:14 ; idem Nah. 1:13 . Jeremia 27:2 : Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals. Jeremia 27:8 : En het zal gebeuren, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk van de koning van Babel; over datzelfde volk zal Ik, spreekt YHWH, bezoeking doen door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand. Jeremia 28:2 : Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. Jeremia 28:13 : Ga heen en spreek tot Hananja, zeggende: Zo zegt YHWH: Houten jukken hebt u verbroken, nu zult u in plaats van die, ijzeren jukken maken. Jeremia 28:14 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte van het veld gegeven. Nahum 1:13 : Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.
[^leviticus-26-13-22]: Kanttekening 22: rechtop staan: Hebreeuws, \[met\] oprichting; dat is, met opgerichten halze, komende uit een gerust, welverzekerd en mannelijk gemoed.
[^leviticus-26-14-h]: Verwijzing h: Deut. 28:15 ; Klaagl. 2:17 ; Mal. 2:2 . Deuteronomium 28:15 : Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uw Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. Klaagliederen 2:17 : Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn uw tegenstanders verhoogd. Maleachi 2:2 : Als u het niet zult horen, en als u het niet zult ter hart nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt YHWH van de legermachten, zo zal Ik de vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook al elk derzelve vervloekt, omdat u het niet ter hart neemt.
[^leviticus-26-15-23]: Kanttekening 23: te vernietigen: Dat is, te maken dat het krachteloos zij, en dat Ik mijn beloften niet volbreng om uw ongeloof en ongehoorzaamheid. Zo Jes. 24:5 . Jesaja 24:5 : Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzettingen, zij vernietigen het eeuwig verbond.
[^leviticus-26-16-24]: Kanttekening 24: over u stellen zal: Te weten, als oversten, die, over u als strenge rechters heersende, u straffen en plagen zullen, om mijn rechtvaardige oordelen tegen u uit te voeren. Vergelijk deze manier van spreken met een gelijke 2 Kon. 8:1 , en zie daar de aantekeningen. 2 Koningen 8:1 : Elisa nu had gesproken tot die vrouw, waarvan de zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.
[^leviticus-26-16-25]: Kanttekening 25: de ogen verteren: Zie 1 Sam. 2:33 . 1 Samuël 2:33 : Maar de man, die Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte van uw huis zal sterven, mannen geworden zijnde.
[^leviticus-26-17-26]: Kanttekening 26: Zie boven, Lev. 17:10 . Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^leviticus-26-17-i]: Verwijzing i: Spr. 28:1 . Spreuken 28:1 : De goddelozen vluchten, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.
[^leviticus-26-18-27]: Kanttekening 27: zo u Mij: Dat is, wanneer Ik zover met mijn straffen zal voortgegaan zijn, en u door dezelfde nog tot mijn gehoorzaamheid niet zult bewogen worden.
[^leviticus-26-18-28]: Kanttekening 28: Zie boven, vers 8 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^leviticus-26-19-29]: Kanttekening 29: de hovaardigheid: Dat is, de sterke, waarover u hovaardig bent.
[^leviticus-26-19-30]: Kanttekening 30: als ijzer maken: Dat is, droog, zonder regen te geven.
[^leviticus-26-19-31]: Kanttekening 31: als koper: Dat is, hard en onvruchtbaar.
[^leviticus-26-20-32]: Kanttekening 32: En uw macht: Dat is, u zult arbeiden met lichaam, met ziel en met al uw middelen, om u te helpen; maar het zal ijdele en vergeefse arbeid zijn.
[^leviticus-26-21-33]: Kanttekening 33: in tegenheid wandelen zult: Dat is, met opzet en moedwil u tegen Mij stellen, of Mij als tegenstanders bejegenen; recht \[zoals men zegt\] tegen Mij wilt aangaan; verachtende mijn geboden, omdat u tegen dezelfde doorgaans moedwilliglijk zult zondigen. Anders, lichtvaardiglijk, roekelooslijk, zonder zorg, of, achterdenken, omdat zij zichzelven zullen wijsmaken dat hun wel- of kwalijkvaren niet van Mij komt, maar bij geval, en daarom Mij de behoorlijke eerbied en gehoorzaamheid zullen weigeren. Het woordje in wordt vers 21 en vers 23 ingevoegd uit vers 24 , 26:40 , 26:41 . Leviticus 26:21 : En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen. Leviticus 26:23 : Als u nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen; Leviticus 26:24 : Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan. Leviticus 26:40 : Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hun vaderen met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. Leviticus 26:41 : Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hun ongerechtigheid een welgevallen hebben;
[^leviticus-26-22-34]: Kanttekening 34: u beroven: Te weten, van uw kinderen. Zie Ez. 5:17 . Ezechiël 5:17 : Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, YHWH, heb het gesproken!
[^leviticus-26-22-35]: Kanttekening 35: wegen zullen woest worden: Te weten, die in uw landen zijn, die niemand zal durven gebruiken, uit vrees van het wild, verslindend gedierte.
[^leviticus-26-23-36]: Kanttekening 36: in tegenheid wandelen: Zie boven, vers 21 . Leviticus 26:21 : En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.
[^leviticus-26-24-k]: Verwijzing k: 2 Sam. 22:27 ; Ps. 18:27 . 2 Samuël 22:27 : Bij de reine houdt U U rein; maar bij de verkeerde houdt U U verdraaid. Psalmen 18:27 : Bij de reine houdt U U rein, maar bij de verkeerde bewijst U U een Worstelaar.
[^leviticus-26-24-37]: Kanttekening 37: in tegenheid wandelen: Dat is, u met mijn rechtvaardige straffen en oordelen tegenkomen. Anders, in of, bij geval; te weten, als die geen zorg meer voor u zal dragen, om u wel te doen. Maar zo zal Ik met u handelen, dat alle plagen u als bij ongeluk zullen schijnen te overvallen. Vergelijk Ps. 18:27 . Psalmen 18:27 : Bij de reine houdt U U rein, maar bij de verkeerde bewijst U U een Worstelaar.
[^leviticus-26-25-38]: Kanttekening 38: wraak van het verbond: Dat is, de straf, die u verdiend zult hebben, omdat u door uw afval en ongehoorzaamheid mijn verbond zult krachteloos gemaakt hebben. Zie boven, vers 15 . Leviticus 26:15 : En zo u Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
[^leviticus-26-26-39]: Kanttekening 39: staf van het brood: Dat is, de kracht van allerlei voedsel om te voeden, en voornamelijk van het brood, waarop het leven van de mensen door de zegen van de Heer steunt gelijk een zwak lichaam op een staf is steunende. Zie deze manier van spreken, ook Ez. 4:16 . Ezechiël 4:16 : Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;
[^leviticus-26-26-40]: Kanttekening 40: in een oven bakken: De zin is, dat er zulk een schaarsheid van brood zal wezen, dat één over voor vele vrouwen genoeg zal zijn, om voor vele huisgezinnen te bakken, waar anders één huisgezin, naar zijn grootte, dikwijls wel één oven alleen behoeven zou.
[^leviticus-26-26-41]: Kanttekening 41: bij het gewicht wedergeven: Dat is, het brood zal zijn gewicht hebben, maar niet zijn kracht naar het gewicht.
[^leviticus-26-28-42]: Kanttekening 42: in heetgrimmige tegenheid: Hebreeuws, in hittige toorn van de tegenheid, of, ontmoeting.
[^leviticus-26-29-l]: Verwijzing l: Deut. 28:53 ; 2 Kon. 6:28 ; Klaagl. 4:10 . Deuteronomium 28:53 : En u zult eten de vrucht uw buiks, het vlees uw zonen en uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen 2 Koningen 6:28 : Verder zei de koning tot haar: Wat is u? En zij zei: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten. Klaagliederen 4:10 : Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter mijns volks.
[^leviticus-26-30-43]: Kanttekening 43: hoogten verderven: Versta, hoge plaatsen, als bergen en heuvelen, op welke men de afgoden offeranden deed; of de hoge timmeringen van de altaren. Zie van deze ook Num. 33:52 ; Ez. 6:3 . Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Ezechiël 6:3 : En zeg: U bergen Israëls, hoort het woord van de Heer YHWH! Zo zegt de Heer YHWH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Ziet, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uw hoogten verderven.
[^leviticus-26-30-m]: Verwijzing m: 2 Kron. 34:7 . 2 Kronieken 34:7 : Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelde stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het gehele land van Israël; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
[^leviticus-26-30-44]: Kanttekening 44: zonnebeelden uitroeien: Het Hebreeuwse woord betekent beelden, die hun naam hadden van hitte en warmte, of \[zoals men meent\] omdat zij in de zon tentoon stonden. Anderen verstaan de huizen en altaren, die ter ere van de zon opgericht waren. Of op welke het vuur als een God werd geëerd. Zie van deze beelden ook 2 Kron. 14:5 , en Ez. 6:4 , enz. 2 Kronieken 14:5 : Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil. Ezechiël 6:4 : Daartoe zullen uw altaren verwoest, en uw zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uw verslagenen neervellen voor het aangezicht van uw drekgoden.
[^leviticus-26-30-45]: Kanttekening 45: dode lichamen: Zo noemt hij de afgebroken stukken van de afgoden en de rompen derzelve, zoals die verachtelijk daarheen zouden geworpen worden, zo zouden ook de lichamen van de afgodendienaars veracht en de begrafenis niet waard gehouden worden.
[^leviticus-26-30-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, drekken; dat is, welke door God niet anders dan als mensendrek geacht worden en die ieder daarom billijk als stinkende drek behoorde te verfoeien. De beelden van de afgoden worden dikwijls aldus genoemd, om ons van afgoderij als van een afschuwelijke vuiligheid een walging te maken. Zie Deut. 29:17 ; 1 Kon. 15:12 ; 2 Kon. 17:12 , en 2 Kon. 21:11 ; Jer. 50:2 ; Ez. 6:6 , en Ez. 14:3 , en Ez. 20:7 , enz. Deuteronomium 29:17 : En u hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. 1 Koningen 15:12 : Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden. 2 Koningen 17:12 : En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan YHWH tot hen gezegd had: U zult deze zaak niet doen. 2 Koningen 21:11 : Omdat dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen; Jeremia 50:2 : Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Merodach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd! Ezechiël 6:6 : In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgedelgd worden. Ezechiël 14:3 : Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Ezechiël 20:7 : En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^leviticus-26-31-47]: Kanttekening 47: uw heiligdommen verwoesten: Versta, de tempel, die ook zo in het getal van velen genoemd wordt Ez. 21:2 . De reden is, omdat deze vele delen had, te weten, het allerheiligste, het heilige en de voorhoven. Ezechiël 21:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
[^leviticus-26-31-48]: Kanttekening 48: liefelijken reuk: Te weten, die van uw offerande komt; dat is, uw offers zullen Mij niet aangenaam zijn. Vergelijk Gen. 8:21 ; Jes. 1:11 , 1:12 , 1:13 , enz. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mens; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jesaja 1:12 : Wanneer u voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven betreden zoudt? Jesaja 1:13 : Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen van de vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.
[^leviticus-26-32-49]: Kanttekening 49: daarin zullen wonen: Te weten, wanneer u daaruit verdreven zult zijn. Zie vers 33 . Leviticus 26:33 : Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
[^leviticus-26-34-n]: Verwijzing n: boven, Lev. 25:2 . Leviticus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat YHWH.
[^leviticus-26-34-50]: Kanttekening 50: een welgevallen hebben: Dat is, het land zal zijn rust hebben, welke u hetzelfde zult geweigerd hebben tegen mijn wet; Lev. 25:4 . Zie vers 35 . Leviticus 25:4 : Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Leviticus 26:35 : Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde.
[^leviticus-26-36-51]: Kanttekening 51: Ik zal in hun hart: Dat is, Ik zal hun allen moed en kracht benemen en een vrees aanjagen, dat zij zonder nood zullen verschrikt worden.
[^leviticus-26-36-52]: Kanttekening 52: gelijk men vliedt voor een zwaard: Hebreeuws, de vlucht van een zwaard.
[^leviticus-26-37-53]: Kanttekening 53: de één op de ander: Hebreeuws, de man op zijn broer.
[^leviticus-26-37-54]: Kanttekening 54: niet kunnen bestaan: Hebreeuws, u zal niet zijn, of, u zult niet hebben de bestendigheid, of opstanding, òf kracht om u op te richten.
[^leviticus-26-39-55]: Kanttekening 55: om de ongerechtigheden: Te weten, die zij zullen nagevolgd hebben. Zie Gods dreigement Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten;
[^leviticus-26-41-56]: Kanttekening 56: Dat Ik ook met hen: Anders, ja Ik zal met hen in tegenheid wandelen en hen in het land van hun vijanden brengen. Immers, dan zal hun onbesneden hart, enz. En Ik zal, enz.
[^leviticus-26-41-57]: Kanttekening 57: onbesneden hart gebogen wordt: Dat is, onboetvaardig, moedwillig, en de zonde van zich niet wegwerpende, maar die bij zich behoudende en voedende. Zo Jer. 9:26 ; Ez. 44:7 ; Hand. 7:51 . Jeremia 9:26 : Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van de harten. Ezechiël 44:7 : Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelen. Handelingen 7:51 : U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u.
[^leviticus-26-41-58]: Kanttekening 58: straf van hun ongerechtigheid: Hebreeuws, ongerechtigheid. Zie boven, Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^leviticus-26-41-59]: Kanttekening 59: een welgevallen hebben: Dat is, zo zij recht bekennen de straf vanwege hun zonden verdiend te hebben, en dienvolgens zich van hart bekeren.
[^leviticus-26-43-60]: Kanttekening 60: Of, van hen.
[^leviticus-26-43-61]: Kanttekening 61: om hunnentwil: Of, van hen.
[^leviticus-26-43-62]: Kanttekening 62: straf van hun ongerechtigheid: Hebreeuws, ongerechtigheid; als boven, vers 41 . Leviticus 26:41 : Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben;
[^leviticus-26-44-63]: Kanttekening 63: hierenboven is dit ook: Dat is, boven dat Ik hun gedachtig zal zijn, wanneer zij zich tot Mij bekeren zullen; zo is het, dat Ik ook gedenken zal wanneer zij onder hun vijanden gevankelijk zullen zijn, en nog in onboetvaardigheid steken zullen.
[^leviticus-26-44-o]: Verwijzing o: Deut. 4:31 ; Rom. 11:1 ; idem v. 26 . Deuteronomium 4:31 : Want YHWH, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uw vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten. Romeinen 11:1 : Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
[^leviticus-26-45-64]: Kanttekening 64: ten beste gedenken: Hebreeuws, voor hen. Vergelijk Ps. 79:8 . Psalmen 79:8 : Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
[^leviticus-26-45-65]: Kanttekening 65: van de voorouderen: Of, van de vorigen; dat is, wat Ik met de ouden, te weten, hun voorvaders, die Ik uit Egypteland leidde, gemaakt heb.

### Leviticus 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/leviticus/27.json)

*Wetten over het lossen van de mensen die God beloofd waren, vers 1, enz. Van de dieren, 9. Van de huizen, 14. Van het veld of de akkers, 16. Welke dingen men niet mocht beloven, en die, eenmaal beloofd, men mocht lossen of niet, 26. Over het lossen van de tienden, zowel van de vruchten als van het vee, 30.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte[^leviticus-27-2-1] zal afgezonderd hebben, naar[^leviticus-27-2-2] uw schatting zullen[^leviticus-27-2-3] de zielen van[^leviticus-27-2-4] YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v2)

**3** Als uw schatting van een man[^leviticus-27-3-5] zal zijn van twintig jaar oud, tot een, die zestig jaar oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig[^leviticus-27-3-6] sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v3)

**4** Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v4)

**5** En is het van een, die vijf jaar oud is, tot een, die twintig jaar oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v5)

**6** Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaar oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting over een vrouw zal zijn drie sikkels zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v6)

**7** En is het van een, die zestig jaar oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v7)

**8** Maar zo hij armer is,[^leviticus-27-8-7] dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat[^leviticus-27-8-8] de hand van degene, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v8)

**9** En als het een beest is, waarvan men aan YHWH offergave offert; al wat[^leviticus-27-9-9] hij[^leviticus-27-9-10] daarvan aan YHWH zal gegeven hebben, zal[^leviticus-27-9-11] heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v9)

**10** Hij zal niet vermangelen, noch het verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; als hij toch een beest voor een beest[^leviticus-27-10-12] enigszins verwisselt, zo zal[^leviticus-27-10-13] dit, en wat[^leviticus-27-10-14] daarvoor verwisseld is, heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v10)

**11** En als het enig onrein beest is, van dat men aan YHWH geen offergave offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v11)

**12** En de priester zal dat schatten,[^leviticus-27-12-15] naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v12)

**13** Maar als hij het[^leviticus-27-13-16] immers lossen zal, zo zal hij zijn vijfde deel boven uw schatting toedoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v13)

**14** En wanneer iemand zijn huis zal[^leviticus-27-14-17] geheiligd hebben, dat het voor YHWH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; zoals de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v14)

**15** En als hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v15)

**16** Als ook iemand van de akker van zijn bezitting aan YHWH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn[^leviticus-27-16-18] naar zijn zaad; een[^leviticus-27-16-19] homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkels zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v16)

**17** Als hij zijn akker van het[^leviticus-27-17-20] jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal[^leviticus-27-17-21] het naar uw schatting stand hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v17)

**18** Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen,[^leviticus-27-18-22] naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting[^leviticus-27-18-23] afgetrokken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v18)

**19** En als hij, die de akker geheiligd heeft,[^leviticus-27-19-24] die geheel lossen zal, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en die zal hem gevestigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v19)

**20** En als hij die akker niet zal lossen, of als hij die akker aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v20)

**21** Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal[^leviticus-27-21-25] uitgegaan zijn, zal voor YHWH heilig zijn, als een[^leviticus-27-21-26] verbannen akker; de bezitting daarvan zal van de priester zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v21)

**22** En als hij aan YHWH een akker heeft geheiligd,[^leviticus-27-22-27] die hij gekocht heeft, en niet is van de akker van zijn[^leviticus-27-22-28] bezitting; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v22)

**23** Zo zal de priester hem rekenen het totaal[^leviticus-27-23-29] van uw schatting tot het jubeljaar; en[^leviticus-27-23-30] hij zal op die dag uw schatting geven,[^leviticus-27-23-31] een heiligheid voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v23)

**24** In het jubeljaar zal die akker terugkomen tot die, van wie hij hem gekocht had, tot hem, van wie de bezitting van dat land was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v24)

**25** Al[^leviticus-27-25-32] uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren;[^leviticus-27-25-a] de sikkel zal zijn van twintig[^leviticus-27-25-33] gera. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v25)

**26** [^leviticus-27-26-b] Maar het[^leviticus-27-26-34] eerstgeborene, dat voor YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v26)

**27** Maar is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en als het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v27)

**28** [^leviticus-27-28-c] Evenwel niets, dat[^leviticus-27-28-35] verbannen is, dat iemand voor YHWH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden;[^leviticus-27-28-36] al wat verbannen is, zal voor YHWH een heiligheid van de heiligheden[^leviticus-27-28-37] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v28)

**29** Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden;[^leviticus-27-29-38] het zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v29)

**30** Ook alle[^leviticus-27-30-39] tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn voor YHWH heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v30)

**31** Maar zo iemand van zijn tienden[^leviticus-27-31-40] immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v31)

**32** Voor wat betreft al de tienden van runderen en klein vee, alles[^leviticus-27-32-41] wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal voor YHWH heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v32)

**33** Hij zal[^leviticus-27-33-42] tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar als hij[^leviticus-27-33-43] het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v33)

**34** Dit zijn de geboden, die YHWH Mozes geboden heeft, aan de Israëlieten,[^leviticus-27-34-44] op de berg Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/leviticus/27.html#v34)

[^leviticus-27-2-1]: Kanttekening 1: zal afgezonderd hebben: Te weten, uit de dingen of personen, die hem toebehoren, of in zijn vermogen zijn, begerende die aan YHWH toe te eigenen tot een heilig gebruik, dat onder vers 14 , enz. heiligen wordt genoemd. Leviticus 27:14 : En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het voor YHWH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.
[^leviticus-27-2-2]: Kanttekening 2: uw schatting: YHWH spreekt de priester toe, gelijk blijkt uit vers 12 , die deze schatting doen moest; versta bij deze de som geld, naar welke het geheiligde gewaardeerd en gelost werd. Leviticus 27:12 : En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn.
[^leviticus-27-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, de personen of mensen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^leviticus-27-2-4]: Kanttekening 4: En vervolgens van de priester, die de dienst van YHWH en wat er toe behoorde waarnemen moest. Hebreeuws, YHWH.
[^leviticus-27-3-5]: Kanttekening 5: zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is: Hebreeuws, van een zoon van twintig jaren tot een zoon van zestig jaren; en zo in het volgende.
[^leviticus-27-3-6]: Kanttekening 6: sikkelen zilvers: Zie van deze munt Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^leviticus-27-8-7]: Kanttekening 7: dan uw schatting: Of, dan u hem geschat hebt; dat is, zo hij te arm is om uw schatting te betalen.
[^leviticus-27-8-8]: Kanttekening 8: de hand van degene: Zie van deze manier van spreken boven, Lev. 5:7 . Leviticus 5:7 : Maar als zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, aan YHWH brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, een ten zondoffer, en een ten brandoffer.
[^leviticus-27-9-9]: Kanttekening 9: Te weten, hij, die de belofte gedaan heeft.
[^leviticus-27-9-10]: Kanttekening 10: Dat is, van wat men in de wet placht te offeren.
[^leviticus-27-9-11]: Kanttekening 11: heilig zijn: Hebreeuws, heiligheid; zo in vers 10 , 27:14 , enz. Dat is, aan God toegeëigend en geheiligd. Leviticus 27:10 : Hij zal niet vermangelen, noch het verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; als hij nochtans een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn. Leviticus 27:14 : En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het voor YHWH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.
[^leviticus-27-10-12]: Kanttekening 12: enigszins verwisselt: Hebreeuws, verwisselende verwisselt .
[^leviticus-27-10-13]: Kanttekening 13: Te weten, dat verwisseld was.
[^leviticus-27-10-14]: Kanttekening 14: daarvoor verwisseld is: Hebreeuws, zijn verwisselingen, of zijn verwisseling; dat is, wat in de plaats is van het verwisselde. Zo onder, vers 33 . Leviticus 27:33 : Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar als hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden.
[^leviticus-27-12-15]: Kanttekening 15: naar dat het goed of kwaad is: Te weten, om te onderscheiden wat goed, wat kwaad zou zijn, en daarnaar zijn schatting te richten. Hebreeuws, tussen goed en tussen kwaad. Zo onder, vers 14 . Leviticus 27:14 : En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het voor YHWH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.
[^leviticus-27-13-16]: Kanttekening 16: immers lossen: Hebreeuws, lossende lossen.
[^leviticus-27-14-17]: Kanttekening 17: geheiligd hebben: Dat is, door gelofte aan God vrijwilliglijk opgedragen en toegeëigend zal hebben, waardoor het de priester toebehoorde, in welk geval, wanneer men het lossen wilde, de schatting van de waarde naar de uitspraak van de priester gebeuren moest, en dan nog het vijfde deel er bij komen.
[^leviticus-27-16-18]: Kanttekening 18: Dat is, naar de veelheid van het zaad, waarmee dat land bezaaid moet worden, zult u het geld waarderen, wat voor de lossing van hetzelfde betaald moest worden.
[^leviticus-27-16-19]: Kanttekening 19: Zie van deze maat 1 Kon. 4:22 ; Jes. 5:10 ; Ez. 45:11 ; Hos. 3:2 . 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; Jesaja 5:10 : Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven. Ezechiël 45:11 : Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer. Hosea 3:2 : En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.
[^leviticus-27-17-20]: Kanttekening 20: geheiligd zal hebben: Zie boven, Lev. 25:10 . Leviticus 25:10 : En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.
[^leviticus-27-17-21]: Kanttekening 21: naar uw schatting: Dat is, naar de prijs, die u stelt, zal dat land terugkeren tot hem, die het de Heer geheiligd had, mits betalende de voorgemelde prijs.
[^leviticus-27-18-22]: Kanttekening 22: naar de jaren: Dat is, naardat vele of weinige jaren tot het jubeljaar overblijven.
[^leviticus-27-18-23]: Kanttekening 23: afgetrokken worden: Zie van dit aftrekken naar het getal van de jaren van het jubeljaar af, boven, Lev. 25:15 , 25:16 , 25:17 . Leviticus 25:15 : Naar het getal van de jaren, van het jubeljaar af, zult u van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren van de inkomsten zal hij het aan u verkopen. Leviticus 25:16 : Naar de veelheid van de jaren zult u zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid van de jaren zult u zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal van de inkomsten. Leviticus 25:17 : Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben YHWH, uw God!
[^leviticus-27-19-24]: Kanttekening 24: ganselijk lossen: Hebreeuws, lossende lossen.
[^leviticus-27-21-25]: Kanttekening 25: uitgegaan zijn: Te weten, uit de macht en de bezitting van degene, die hem gekocht had. Zie boven, Lev. 25:28 . Leviticus 25:28 : Maar als zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van zijn koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren.
[^leviticus-27-21-26]: Kanttekening 26: verbannen akker: Het Hebreeuwse woord betekent wel een uitroeiing ten verderving, waarvan niet moest overgelaten worden, Deut. 2:34 , en Deut. 7:26 , maar ook een toeheiliging van wat God alleen toebehoren moest, en dienvolgens de priester eigen werd, gelijk hier en onder, vers 28 ; Num. 18:14 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. Deuteronomium 7:26 : U zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat u een ban zoudt worden, gelijk datzelfde is; u zult het ganselijk verfoeien, en ten enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban. Leviticus 27:28 : Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand voor YHWH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal voor YHWH een heiligheid van de heiligheden zijn. Numeri 18:14 : Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn.
[^leviticus-27-22-27]: Kanttekening 27: die hij gekocht heeft: Hebreeuws, zijn koping, of verovering.
[^leviticus-27-22-28]: Kanttekening 28: zijn bezitting: Dat is, die hij als erfgoed bezit.
[^leviticus-27-23-29]: Kanttekening 29: uw schatting: Dat is, van de schatting, die u, Mozes, door mijn gebod hem voorstelt, welke schatting door de priester moest gebeuren, vers 25 ; of met deze woorden sprak YHWH de priester toe, die de schatting doen moest. Zie boven, vers 12 . Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. Leviticus 27:12 : En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn.
[^leviticus-27-23-30]: Kanttekening 30: Te weten, hij, die de akker heeft geheiligd.
[^leviticus-27-23-31]: Kanttekening 31: een heiligheid voor YHWH: Dat is, die aan YHWH geheiligd is, of, voor YHWH \[ter\] heiligheid; dat is, opdat zij voor YHWH heilig zij.
[^leviticus-27-25-32]: Kanttekening 32: uw schatting: Hier spreekt YHWH opnieuw de priester aan.
[^leviticus-27-25-a]: Verwijzing a: Ex. 30:13 ; Num. 3:47 ; Ez. 45:12 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH. Numeri 3:47 : U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^leviticus-27-25-33]: Kanttekening 33: Een gera woog zestig gerstekorreltjes of azen, bedragende het twintigste deel van een halven rijksdaalder. Zie ook van deze munt Ex. 30:13 ; Num. 3:47 , en Num. 18:16 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH. Numeri 3:47 : U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera. Numeri 18:16 : Die nu onder dezelfde gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera.
[^leviticus-27-26-b]: Verwijzing b: Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Ex. 34:19 ; Num. 3:13 ; Num. 8:17 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd.
[^leviticus-27-26-34]: Kanttekening 34: Dat is, dat anders, vanwege het recht van de eerstgeboorte, YHWH toebehoort, en daarom kunt u daarvan geen belofte doen. Zie Ex. 13:2 , en Ex. 22:29 , en Ex. 34:19 ; Num. 3:13 , en Num. 8:17 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd.
[^leviticus-27-28-c]: Verwijzing c: Joz. 6:18 ; Joz. 7:13 . Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelfde beroert. Jozua 7:13 : Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uw vijanden, totdat u de ban wegdoet uit het midden van u.
[^leviticus-27-28-35]: Kanttekening 35: verbannen is: Zie boven, vers 21 . Leviticus 27:21 : Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal YHWH heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal van de priester zijn.
[^leviticus-27-28-36]: Kanttekening 36: al wat verbannen is: Hebreeuws, alle verbanning.
[^leviticus-27-28-37]: Kanttekening 37: heiligheid van de heiligheden zijn: Zie boven, Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^leviticus-27-29-38]: Kanttekening 38: het zal zekerlijk gedood worden: Versta dit van mensen, die vijanden Gods en van zijn volk zijn, en welke in het bijzonder de Heer geboden heeft te verderven en uit te roeien; deze mocht men niet lossen, noch laten leven. Zie Num. 21:2 , 21:3 ; Joz. 6:17 , 6:18 ; 1 Sam. 15:3 . Men kan dit ook verstaan niet van mensen, maar van beesten, die door de mensen verbannen zouden worden. Numeri 21:2 : Toen beloofde Israël YHWH een gelofte, en zei: Als U dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. Numeri 21:3 : YHWH dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde de naam dier plaats Horma. Jozua 6:17 : Maar deze stad zal voor YHWH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelfde beroert. 1 Samuël 15:3 : Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezelen toe.
[^leviticus-27-30-39]: Kanttekening 39: tienden van het land: Er waren vierderlei tienden: I. De ordinaire jaarlijkse tienden van de Levieten. Van deze wordt hier gesproken, idem Num. 18:21 , enz.; Deut. 14:22 , enz, en Deut. 26:12 , enz.; 2 Kron. 31:5 ; Neh. 10:37 ; Hebr. 7:8 , 7:9 ; II. De tienden, die de Levieten van deze tienden moesten geven aan de hogepriester, Num. 18:26 , enz. III. De jaarlijkse tienden, waarvan de Israëlieten met hun huisgezinnen en de Levieten moesten vrolijk zijn voor de Heer; Deut. 12:17 , 12:18 , en Deut. 14:22 ,23; IV. De driejarige tienden voor de Levieten, armen, weduwen, wezen en vreemdelingen; Deut. 14:28 , en Deut. 26:12 . Numeri 18:21 : En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Deuteronomium 14:22 : U zult getrouwelijk vertienen al het inkomen van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt. Deuteronomium 26:12 : Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden. 2 Kronieken 31:5 : Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen van Israël vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte. Nehemia 10:37 : En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij; Hebreeën 7:8 : En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar daar neemt ze die, van welke getuigd wordt, dat hij leeft. Hebreeën 7:9 : En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven; Numeri 18:26 : U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van hen gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden; Deuteronomium 12:17 : U zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige van uw geloften, die u zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer van uw hand. Deuteronomium 12:18 : Maar u zult dat eten voor het aangezicht van YHWH, van uw God, in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God, over alles, waaraan u uw handen geslagen hebt. Deuteronomium 14:22 : U zult getrouwelijk vertienen al het inkomen van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt. Deuteronomium 14:28 : Ten einde van drie jaren zult u voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten; Deuteronomium 26:12 : Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
[^leviticus-27-31-40]: Kanttekening 40: immer iets lossen zal: Hebreeuws, lossende lossen zal.
[^leviticus-27-32-41]: Kanttekening 41: wat onder de roede zal doorgaan: Dit ziet op de manier van de tienden uit te lezen onder het vee, toen ten tijde gebruikelijk; de beesten gingen uit de stal, het een voor, het andere na; de vertiender roerde het tiende beest aan in het tellen, met zijn staf of roede, en dit nam hij tot zich om YHWH toe te heiligen. Zie ook Jer. 33:13 . Jeremia 33:13 : In de steden van het gebergte, in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden opnieuw onder de handen van de teller doorgaan, zegt YHWH.
[^leviticus-27-33-42]: Kanttekening 42: tussen het goede en het kwade: Als tussen het vette en tussen het magere; er mocht geen keuze wezen. Wanneer iemand zijn tienden betaalde, zo gaf hij niet wat hij wilde, maar wat in de telling van het vee voorviel, en telkens het tiende in getal was, gelijk recht tevoren gezegd is.
[^leviticus-27-33-43]: Kanttekening 43: het immers verwisselen zal: Zie boven, vers 10 . Leviticus 27:10 : Hij zal niet vermangelen, noch hetzelfde verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; als hij nochtans een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn.
[^leviticus-27-34-44]: Kanttekening 44: op de berg Sinaï: Zie hiervan Lev. 25:1 , en Lev. 26:46 . Leviticus 25:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, aan de berg Sinaï, zeggende: Leviticus 26:46 : Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke YHWH gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen van Israël, op de berg Sinaï, door de hand van Mozes.

## Numeri

### Numeri 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/1.json)

*God beveelt Mozes en Aaron de Israelieten te tellen die twintig jaar en ouder en geschikt voor de strijd zijn, vers 1, enz. En dat in het bijzijn van twaalf hoofdmannen, uit elke stam een, 4. die genoemd worden, 5. Dit wordt uitgevoerd, 17. Het aantal getelden wordt aangetekend, afzonderlijk van elke stam, 20. en in het algemeen van allen, 45. van wie de Levieten worden uitgezonderd, 47. aan wie de taak is gegeven de tabernakel te verzorgen, 50. met aanwijzing waar zij en de andere stammen rondom die zouden legeren, 52.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste[^numeri-1-1-1] van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland vertrokken waren, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v1)

**2** [^numeri-1-2-a] Neem het aantal op[^numeri-1-2-2] van de hele gemeenschap van de Israëlieten, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is,[^numeri-1-2-3] hoofd voor hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v2)

**3** Van[^numeri-1-3-4] twintig jaar oud en daarboven, allen,[^numeri-1-3-5] die ten strijde in Israël uittrekken; die zult u[^numeri-1-3-6] tellen naar hun legers, u en Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v3)

**4** En met u zullen zijn van elke stam een man, die een[^numeri-1-4-7] hoofdman is over het huis van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v4)

**5** Deze zijn nu de namen van de mannen, die bij u staan zullen: van[^numeri-1-5-8] Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v5)

**6** Van Simeon, Selumiël, de zoon van Zurisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v6)

**7** Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v7)

**8** Van Issaschar, Nethaneël, de zoon van Zuar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v8)

**9** Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v9)

**10** Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliël, de zoon van Pedazur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v10)

**11** Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v11)

**12** Van Dan, Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v12)

**13** Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v13)

**14** Van Gad, Eljasaf, de zoon[^numeri-1-14-9] van Dehuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v14)

**15** Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v15)

**16** Deze waren[^numeri-1-16-10] de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaders; zij waren de[^numeri-1-16-11] hoofden van[^numeri-1-16-12] de duizenden van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v16)

**17** Toen namen Mozes en Aäron die mannen, die met namen uitgedrukt zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v17)

**18** En zij verzamelden de hele gemeenschap, op de eerste dag van de tweede[^numeri-1-18-13] maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van die twintig jaar oud was en daarboven,[^numeri-1-18-14] hoofd voor hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v18)

**19** Zoals YHWH Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v19)

**20** Zo waren de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven,[^numeri-1-20-15] allen, die ten strijde uittrokken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v20)

**21** Hun ingeschrevenen van de stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v21)

**22** Van de zonen van Simeon, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, zijn ingeschrevenen, in het getal van de namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v22)

**23** Hun ingeschrevenen van de stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v23)

**24** Van de zonen van Gad, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v24)

**25** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v25)

**26** Van de zonen van Juda, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v26)

**27** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v27)

**28** Van de zonen van Issaschar, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v28)

**29** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v29)

**30** Van de zonen van Zebulon, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v30)

**31** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v31)

**32** Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraïm, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v32)

**33** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Efraïm veertig duizend en vijfhonderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v33)

**34** Van de zonen van Manasse, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v34)

**35** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v35)

**36** Van de zonen van Benjamin, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v36)

**37** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v37)

**38** Van de zonen van Dan, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v38)

**39** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v39)

**40** Van de zonen van Aser, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v40)

**41** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Aser één en veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v41)

**42** Van de zonen van Nafthali, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v42)

**43** Waren hun ingeschrevenen van de stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v43)

**44** Deze zijn de ingeschrevenen, die Mozes geteld heeft, en Aäron, en de oversten van Israël; twaalf mannen[^numeri-1-44-16] waren zij, elk over het huis van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v44)

**45** Zo waren al de ingeschrevenen van de zonen van Israël, naar het huis van hun vaders, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die in Israël ten strijde uittrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v45)

**46** Al de ingeschrevenen dan waren[^numeri-1-46-b] zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v46)

**47** Maar de Levieten,[^numeri-1-47-17] naar de stam van hun vaders, werden[^numeri-1-47-18] onder hen niet geteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v47)

**48** Want YHWH had tot Mozes gesproken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v48)

**49** Alleen de stam van Levi zult u niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v49)

**50** Maar u, stel de Levieten over de tabernakel[^numeri-1-50-19] van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v50)

**51** En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen die afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten die oprichten; en de[^numeri-1-51-20] vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v51)

**52** En de Israëlieten zullen zich legeren, ieder bij zijn leger, en ieder bij zijn banier, naar hun legers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v52)

**53** Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van de getuigenis, opdat geen[^numeri-1-53-21] toorn over de gemeenschap van de Israëlieten zij; daarom zullen de Levieten de[^numeri-1-53-22] taak van de tabernakel van de getuigenis waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v53)

**54** Zo deden de Israëlieten; naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo deden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/1.html#v54)

[^numeri-1-1-1]: Kanttekening 1: van de tweede maand: Welke genaamd was Zin, en meest overeenkwam met onze April, gelijk de eerste maand meest met onze Maart. Zie 1 Kon. 6:1 . 1 Koningen 6:1 : Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de kinderen van Israël uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis van YHWH bouwde.
[^numeri-1-2-a]: Verwijzing a: Ex. 30:12 . Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iedereen de verzoening zijn ziel YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult.
[^numeri-1-2-2]: Kanttekening 2: de som: Hebreeuws, het hoofd. Zo ook Ex. 30:12 , en onder, vers 49 , en Num. 4:2 . Versta, een kort begrijp van een grote menigte van mensen. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Numeri 1:49 : Alleen de stam van Levi zult u niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël. Numeri 4:2 : Neemt op de som van de zonen van Kohath, uit het midden van de zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen.
[^numeri-1-2-3]: Kanttekening 3: hoofd voor hoofd: Hebreeuws, naar hun hoofden, of koppen, of bekkenelen.
[^numeri-1-3-4]: Kanttekening 4: twintig jaren oud en daarboven: Hebreeuws, van een zoon van twintig jaar; telkens in dit hoofdstuk.
[^numeri-1-3-5]: Kanttekening 5: die ten heire in Israël uittrekken: Dat is, allen die in tijd van oorlog gebruikt werden om de wapens te voeren en bekwaam waren om tegen de vijanden ten strijde uit te trekken. En daarom werden uitgenomen die door ziekte of zwaren ouderdom hiertoe onbekwaam waren; zo onder dikwijls. Zie deze manier van spreken ook Deut. 24:5 ; 2 Kron. 26:11 . Deuteronomium 24:5 : Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in de legermacht niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen. 2 Kronieken 26:11 : Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal van hun monstering, door de hand van Jeiël, de schrijver, en Mahaseja, de ambtman; onder de hand van Hananja, één van de vorsten van de koning.
[^numeri-1-3-6]: Kanttekening 6: tellen naar hun heiren: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen tellen, maar ook op de getelden acht en toezicht nemen, dat wij bij ons noemen monsteren.
[^numeri-1-4-7]: Kanttekening 7: hoofdman is: Hebreeuws, een man van het hoofd; dat is, de voornaamste van iederen stam, die naar de geboorte de eerste was en zo een hoofd daarvan. Zie onder, vers 16 . Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-1-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, van de stam Ruben, en zo in de volgende verzen.
[^numeri-1-14-9]: Kanttekening 9: Anders genoemd, Rehuël; onder, Num. 2:14 . Numeri 2:14 : Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuël, zal de overste van de zonen van Gad zijn.
[^numeri-1-16-10]: Kanttekening 10: de geroepenen van de vergadering: Dat is, de samengeroepenen; te weten, de hoofden en vorsten van het volk van elke stam, die samengeroepen werden, als er enige gewichtige zaken te verhandelen waren. Vergelijk onder, Num. 16:2 , en Num. 26:9 . Anders, vermaarden. Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. Numeri 26:9 : En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen van de vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen YHWH maakten.
[^numeri-1-16-11]: Kanttekening 11: Zie de aantekeningen Job 12:24 . Job 12:24 : Hij neemt het hart van de hoofden van het volk van de aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
[^numeri-1-16-12]: Kanttekening 12: duizenden van Israël: Zie Richt. 6:15 . Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader.
[^numeri-1-18-13]: Kanttekening 13: en die verklaarden hun afkomst: Dat is, met hun geslachtsregister deden zij blijken van welke voorouders zij afkomstig waren. Anders, men schreef hen op, en men maakte van hen een register, of, zij werden getekend en geregistreerd.
[^numeri-1-18-14]: Kanttekening 14: hoofd voor hoofd: Zie boven, vers 2 . Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^numeri-1-20-15]: Kanttekening 15: Zie boven, vers 3 . Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron.
[^numeri-1-44-16]: Kanttekening 16: waren zij: Namelijk, de twaalf oversten van Israël. Zie boven, vers 4 , 1:16 . Numeri 1:4 : En met u zullen zijn van elke stam een man, die een hoofdman is over het huis van zijn vaderen. Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-1-46-b]: Verwijzing b: Ex. 38:26 . Exodus 38:26 : Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig.
[^numeri-1-47-17]: Kanttekening 17: naar de stam van hun vaderen: Dat is, hoewel de Levieten mee een stam waren, zo is nochtans hun stam in deze telling niet gerekend, noch geteld geweest.
[^numeri-1-47-18]: Kanttekening 18: onder hen niet geteld: Hebreeuws, in het midden van hen.
[^numeri-1-50-19]: Kanttekening 19: van het getuigenis: Zo werd ook onder, vers 53 , en Ex. 38:21 , enz., de tabernakel genoemd, omdat in dezelfde bewaard werd het getuigenis van Gods wil, dat is de wet, die in twee stenen tafelen geschreven was, liggende in de ark van het verbond. Zie Ex. 25:21 , en Hebr. 9:4 . Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen. Exodus 38:21 : Dit zijn de getelde dingen van de tabernakel, van de tabernakel van het getuigenis, die geteld zijn naar de mond van Mozes, ten dienste van de Levieten, door de hand van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. Exodus 25:21 : En u zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat u in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
[^numeri-1-51-20]: Kanttekening 20: Versta, allen, die niet waren van de stam van Levi; zulk een mocht er niet bijkomen, dat hij de hand daaraan zou leggen, om die te helpen afdoen of verdragen, of oprichten, enz.
[^numeri-1-53-21]: Kanttekening 21: Te weten, van de rechtvaardige en alvermogende God, die niet ongestraft laat de overtreding van zijn wetten, en voornamelijk van degenen, die de godsdienst raken.
[^numeri-1-53-22]: Kanttekening 22: wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen: Zie Lev. 8:35 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.

### Numeri 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/2.json)

*Ordening van het legeren van de stammen rondom de tabernakel en hun opbreken, vers 1, enz. De stam Juda moest legeren aan de oostzijde van de tabernakel, met Issaschar en Zebulon, die bij het opbreken de voorhoede hadden, 3. De stam Ruben aan de zuidzijde, met Simeon en Gad, die de tweede tocht hadden, 10. De tabernakel volgde daarna, met de Levieten, die rondom die hun legering hadden, 17. De stam Efraim, met Manasse en Benjamin, had de westzijde en de derde tocht, 18. Dan met Aser en Naftali de noordzijde en de achterhoede, 25. Besluit van dit hoofdstuk, 31.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v1)

**2** De Israëlieten zullen zich legeren, een ieder onder zijn[^numeri-2-2-1] banier, naar de[^numeri-2-2-2] tekenen van het huis van hun vaders; rondom[^numeri-2-2-3] tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v2)

**3** Zij van de banier van het leger van Juda zullen hun kamp opslaan aan de oostzijde[^numeri-2-3-4], tegen de opgang, naar hun legers; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v3)

**4** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vier en zeventig duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v4)

**5** En daarnaast zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneël, de zoon van Zuar, zal de overste van de zonen van Issaschar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v5)

**6** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vier en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v6)

**7** [^numeri-2-7-5][^numeri-2-7-6] Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste van de zonen van Zebulon zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v7)

**8** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v8)

**9** Al de ingeschrevenen[^numeri-2-9-7] van het leger van Juda waren honderd zes en[^numeri-2-9-8] tachtig duizend en vierhonderd, naar hun legers. Zij zullen[^numeri-2-9-9] vooraan optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v9)

**10** De banier van het leger van Ruben, naar hun legers, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeür, zal de overste van de zonen van Ruben zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v10)

**11** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren zes en veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v11)

**12** En naast hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiël, de zoon van Zurisaddai, zal de overste van de zonen van Simeon zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v12)

**13** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren negen en vijftig duizend en driehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v13)

**14** Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon[^numeri-2-14-10] van Rehuël, zal de overste van de zonen van Gad zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v14)

**15** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v15)

**16** Al de ingeschrevenen in het leger van Ruben waren honderd één en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun legers. En zij zullen[^numeri-2-16-11] de tweede optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v16)

**17** Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van het leger; zoals zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, ieder[^numeri-2-17-12] aan zijn plaats, naar hun banieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v17)

**18** De banier van het leger van Efraïm, naar hun legers,[^numeri-2-18-13] zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste van de zonen van Efraïm zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v18)

**19** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v19)

**20** En naast hem de[^numeri-2-20-14] stam van Manasse; en Gamaliël, de zoon van Pedazur, zal de overste van de zonen van Manasse zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v20)

**21** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren twee en dertig duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v21)

**22** [^numeri-2-22-15] Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste van de zonen van Benjamin zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v22)

**23** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vijf en dertig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v23)

**24** Al de ingeschrevenen in het leger van Efraïm waren[^numeri-2-24-16] honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun legers. En zij zullen[^numeri-2-24-17] de derde optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v24)

**25** De banier van het leger van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun legers; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste van de zonen van Dan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v25)

**26** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren twee en zestig duizend en zevenhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v26)

**27** En naast hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiël, de zoon van Ochran, zal de overste van de zonen van Aser zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v27)

**28** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren één en veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v28)

**29** Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste van de zonen van Nafthali zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v29)

**30** Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren drie en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v30)

**31** Al de ingeschrevenen in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd.[^numeri-2-31-18] In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v31)

**32** Deze zijn de ingeschrevenen van de Israëlieten, naar het huis van hun vaders; al de ingeschrevenen van het leger, naar hun legers, waren[^numeri-2-32-a] zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v32)

**33** Maar de Levieten werden niet geteld[^numeri-2-33-19] onder de zonen van[^numeri-2-33-b] Israël, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v33)

**34** En de Israëlieten deden naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, ieder naar zijn geslachten, naar het huis van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/2.html#v34)

[^numeri-2-2-1]: Kanttekening 1: Van deze zijn er vier geweest, gelijk blijkt uit vers 3 , 2:10 , 2:18 , 2:25 . Zij waren gedeeld tegen de vier hoeken van de wereld. Onder elke banier waren drie stammen, van welke een de voornaamste was, als: Juda, Ruben, Efraïm en Dan. Juda was gelegerd tegen het oosten, met Issaschar en Zebulon; Ruben tegen het zuiden, met Simeon en Gad; Efraïm tegen het westen, met Manasse en Benjamin; Dan tegen het noorden, met Aser en Nafthali. Zie de grootte van ieders legermacht vers 9 , 2:16 , 2:24 , 2:31 . Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn. Numeri 2:10 : De banier van het leger van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeür, zal de overste van de zonen van Ruben zijn. Numeri 2:18 : De banier van het leger van Efraïm, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste van de zonen van Efraïm zijn. Numeri 2:25 : De banier van het leger van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste van de zonen van Dan zijn. Numeri 2:9 : Al de getelden van het leger van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken. Numeri 2:16 : Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken. Numeri 2:24 : Al de getelden in het leger van Efraïm waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken. Numeri 2:31 : Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
[^numeri-2-2-2]: Kanttekening 2: Of, vaandels. Het schijnt hieruit dat onder de vier voornaamste banieren nog andere vaandels of tekenen geweest zijn, naar de grootheid of veelheid van de geslachten.
[^numeri-2-2-3]: Kanttekening 3: Men meent dat de stammen zich rondom de tabernakel omtrent 2000 ellebogen er van verwijderd hebben, en dat wel uit wat verhaald wordt Joz. 3:4 . De priesters nu en Levieten waren op hun orde tussen de legers van de stammen en de tabernakel; boven, Num. 1:53 , en onder, vers 17 . Mozes en Aäron waren op de oostzijde, de Gersonieten op de westzijde, de Kehathieten op de zuidzijde, de Merarieten op de noordzijde van het tabernakel. Jozua 3:4 : Dat er nochtans ruimte zij tussen u en tussen dezelfde, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelfde niet; opdat u die weg weet, die u gaan zult; want u bent door die weg niet gegaan gisteren en eergisteren. Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen. Numeri 2:17 : Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, een ieder aan zijn plaats, naar hun banieren.
[^numeri-2-3-4]: Kanttekening 4: tegen de opgang: Of oostwaarts.
[^numeri-2-7-5]: Kanttekening 5: Daartoe : Dit woordje wordt hierbij gedaan uit de volgende, vers 14 , 2:22 , 2:29 . Numeri 2:14 : Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuël, zal de overste van de zonen van Gad zijn. Numeri 2:22 : Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste van de zonen van Benjamin zijn. Numeri 2:29 : Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste van de zonen van Nafthali zijn.
[^numeri-2-7-6]: Kanttekening 6: de stam van Zebulon: Te weten, zal zich er naast legeren. Gelijk in het voorgaande vers 5 en in het volgende vers 12 , enz. Numeri 2:5 : En naast zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneël, de zoon van Zuar, zal de overste van de zonen van Issaschar zijn. Numeri 2:12 : En naast hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiël, de zoon van Zurisaddai, zal de overste van de zonen van Simeon zijn.
[^numeri-2-9-7]: Kanttekening 7: van Juda: Zijnde daaronder begrepen de stammen van Issaschar en Zebulon, waarvan Juda de voornaamste was. Zo voortaan van de anderen, als: van het leger van Ruben, vers 16 ; Efraïm, vers 24 ; Dan, vers 31 . Numeri 2:16 : Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken. Numeri 2:24 : Al de getelden in het leger van Efraïm waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken. Numeri 2:31 : Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.
[^numeri-2-9-8]: Kanttekening 8: honderd zes en tachtig duizend: Hebreeuws, tachtig duizend en zes duizend.
[^numeri-2-9-9]: Kanttekening 9: vooraan optrekken: Dat is, in het reizen de voortocht hebben.
[^numeri-2-14-10]: Kanttekening 10: Boven, Num. 1:14 , wordt hij genoemd Dehuël. Numeri 1:14 : Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël.
[^numeri-2-16-11]: Kanttekening 11: de tweede optrekken: Dat is, in het reizen de tweede tocht hebben.
[^numeri-2-17-12]: Kanttekening 12: aan zijn plaats: Hebreeuws, aan zijn hand; dat is, aan zijn plaats of zijde. Versta de zijden van de tent van de samenkomst, welke vier waren, zijnde in elk drie stammen, rondom de tabernakel en tussen beiden de Levieten. Zie boven, vers 2 . Numeri 2:2 : De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaderen; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren.
[^numeri-2-18-13]: Kanttekening 13: tegen het westen zijn: Hebreeuws, ter zeewaarts. Zie Gen. 12:8 , en onder, Num. 3:23 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Numeri 3:23 : De geslachten van de Gersonieten zullen zich legeren achter de tabernakel, westwaarts.
[^numeri-2-20-14]: Kanttekening 14: Te weten, zal zich legeren; gelijk boven, vers 7 , en onder, vers 22 . Numeri 2:7 : Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste van de zonen van Zebulon zijn. Numeri 2:22 : Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste van de zonen van Benjamin zijn.
[^numeri-2-22-15]: Kanttekening 15: Zie boven, vers 7 . Numeri 2:7 : Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste van de zonen van Zebulon zijn.
[^numeri-2-24-16]: Kanttekening 16: honderd acht duizend: Hebreeuws, honderd duizend en acht duizend. Vergelijk boven, vers 9 . Numeri 2:9 : Al de getelden van het leger van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
[^numeri-2-24-17]: Kanttekening 17: de derde optrekken: Dat is, in het reizen de derde tocht hebben.
[^numeri-2-31-18]: Kanttekening 18: In het achterste … optrekken: Dat is, in het verreizen zullen zij de achtertocht hebben.
[^numeri-2-32-a]: Verwijzing a: Ex. 38:26 ; boven, Num. 1:46 . Exodus 38:26 : Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig. Numeri 1:46 : Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
[^numeri-2-33-19]: Kanttekening 19: onder de zonen van Israël: Hebreeuws, in het midden van de zonen van Israël .
[^numeri-2-33-b]: Verwijzing b: boven, Num. 1:48 ; idem v. 49 . Numeri 1:48 : Want YHWH had tot Mozes gesproken, zeggende: Numeri 1:49 : Alleen de stam van Levi zult u niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël.

### Numeri 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/3.json)

*Het geslachtsregister van de priesters, vers 1, enz. aan wie de Levieten worden toegevoegd in de bediening van de tabernakel, 5. Deze drie geslachten worden geteld, met aanwijzing zowel van de plaatsen van hun woningen bij de tabernakel als van hun ambten, 14. De eerstgeborenen van de Israelieten, in wier plaats de Levieten komen, worden naar het bevel van God geteld, 40. En omdat hun aantal groter is dan dat van de Levieten, worden de overigen gelost, 44. En het geld dat daarvan komt wordt aan Aaron en zijn zonen gegeven, 51.*

**1** Dit nu zijn de[^numeri-3-1-1] afstammelingen van Aäron en Mozes; op de dag als YHWH met Mozes gesproken heeft op de berg Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v1)

**2** En dit zijn de namen van[^numeri-3-2-a] de zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v2)

**3** Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, van de priesters, die gezalfd waren,[^numeri-3-3-2] van wie de hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v3)

**4** [^numeri-3-4-b] Maar Nadab en Abihu stierven[^numeri-3-4-3] voor het aangezicht van YHWH, als zij[^numeri-3-4-4] vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt[^numeri-3-4-5] voor het aangezicht van hun vader Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v4)

**5** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v5)

**6** [^numeri-3-6-c] Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v6)

**7** En dat[^numeri-3-7-6] zij waarnemen zijn taak, en de taak van[^numeri-3-7-7] de hele gemeenschap, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v7)

**8** En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de taak[^numeri-3-8-8] van de Israëlieten waarnemen, om de dienst van de tabernakel te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v8)

**9** U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v9)

**10** Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de[^numeri-3-10-9] vreemde, die nadert, zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v10)

**11** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v11)

**12** En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de Israëlieten genomen, in plaats van alle eerstgeborene,[^numeri-3-12-10][^numeri-3-12-d] die de baarmoeder opent, uit de Israëlieten; en de Levieten zullen Mijne zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v12)

**13** Want alle eerstgeborene is van Mij; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg,[^numeri-3-13-e] heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v13)

**14** En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v14)

**15** Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaders, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van[^numeri-3-15-11] een maand oud en daarboven, die zult u tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v15)

**16** En Mozes telde hen naar het[^numeri-3-16-12] bevel van YHWH, zoals hem geboden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v16)

**17** [^numeri-3-17-f] Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en[^numeri-3-17-13] Kahath, en Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v17)

**18** En dit zijn de namen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v18)

**19** En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v19)

**20** En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten van de Levieten, naar het huis van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v20)

**21** Van Gerson was het geslacht van de Libnieten, en het geslacht van de Simeïeten; dit zijn de geslachten van de Gersonieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v21)

**22** Hun ingeschrevenen in getal waren van al wat mannelijk was,[^numeri-3-22-14] van een maand oud en daarboven; hun ingeschrevenen waren zeven duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v22)

**23** De geslachten van de Gersonieten zullen zich legeren achter de tabernakel,[^numeri-3-23-15] naar het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v23)

**24** De overste nu van het vaderlijke huis van de Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v24)

**25** En de[^numeri-3-25-16] taak[^numeri-3-25-17] van de zonen van Gerson in de tent van de samenkomst zal zijn[^numeri-3-25-18] de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent van de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v25)

**26** En de behangselen van de voorhof, en het deksel van de deur van de voorhof, die bij de tabernakel en bij het altaar rondom zijn; en ook de touwen, tot zijn gehele dienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v26)

**27** En van Kahath is het geslacht van de Amramieten, en het geslacht van de Izharieten, en het geslacht van de Hebronieten, en het geslacht van de Uzziëlieten; dit zijn de geslachten van de Kohathieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v27)

**28** In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd,[^numeri-3-28-19] waarnemende de taak van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v28)

**29** De geslachten van de zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde van de[^numeri-3-29-20] tabernakel, naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v29)

**30** De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v30)

**31** Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de[^numeri-3-31-21] altaren en het gereedschap van het heiligdom, waarmee[^numeri-3-31-22] zij dienst doen, en het[^numeri-3-31-23] deksel, en al[^numeri-3-31-24] wat tot zijn dienst behoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v31)

**32** [^numeri-3-32-25] De overste nu[^numeri-3-32-26] van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester;[^numeri-3-32-27] zijn opzicht zal zijn over degenen,[^numeri-3-32-28] die de taak van het heiligdom waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v32)

**33** Van Merari is het geslacht van de Mahelieten, en het geslacht van de Musieten; dit zijn de geslachten van Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v33)

**34** En hun ingeschrevenen in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v34)

**35** De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, naar het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v35)

**36** En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over[^numeri-3-36-29] de planken van de tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voetstukken, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v36)

**37** En de pilaren van de voorhof rondom, en hun voetstukken, en hun pennen, en hun touwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v37)

**38** Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel naar het oosten, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de taak van het[^numeri-3-38-30] heiligdom, voor de taak van de Israëlieten;[^numeri-3-38-31] en de[^numeri-3-38-g] vreemde, die nadert, zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v38)

**39** Alle ingeschrevenen van de Levieten, die Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren[^numeri-3-39-32] twee en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v39)

**40** En YHWH zei tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de Israëlieten, van een maand oud en daarboven; en neem het getal van hun namen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v40)

**41** En u zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben YHWH!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v41)

**42** Mozes dan telde, zoals YHWH hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v42)

**43** En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal van de namen, van een maand oud en daarboven, naar hun ingeschrevenen, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v43)

**44** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v44)

**45** Neem de[^numeri-3-45-33] Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v45)

**46** Voor wat betreft de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die[^numeri-3-46-34] overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de Israëlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v46)

**47** U zult[^numeri-3-47-35] voor elk hoofd vijf sikkels nemen;[^numeri-3-47-36] naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen;[^numeri-3-47-h] die sikkel is twintig[^numeri-3-47-37] gera. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v47)

**48** En u zult dat geld aan Aäron en zijn zonen geven, het geld van de gelosten die onder hen overschieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v48)

**49** Toen nam Mozes dat losgeld van degenen,[^numeri-3-49-38] die overschoten boven de gelosten door de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v49)

**50** Van[^numeri-3-50-39] de eerstgeborenen van de Israëlieten nam hij dat geld,[^numeri-3-50-40] duizend driehonderd vijf en zestig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v50)

**51** En Mozes gaf dat geld van de gelosten aan Aäron en aan zijn zonen, naar[^numeri-3-51-41] het bevel van YHWH, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/3.html#v51)

[^numeri-3-1-1]: Kanttekening 1: geboorten van Aäron en Mozes: Versta door geboorten, het verhaal, niet alleen van enige personen, als van Mozes en Aäron, en ook zijn zonen en de Levieten, maar ook van wat onder hen door Gods ordinantie zich toegedragen heeft. Zo is dit woord genomen Gen. 6:9 , en Gen. 25:19 ; zie ook Gen. 37:2 , met de aantekeningen daarop. Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. Genesis 25:19 : Dit nu zijn de geboorten van Izak, de zoon van Abraham: Abraham verwekte Izak. Genesis 37:2 : Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broers (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijn vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.
[^numeri-3-2-a]: Verwijzing a: Ex. 6:22 . Exodus 6:22 : En Aäron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zus van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
[^numeri-3-3-2]: Kanttekening 2: waarvan de hand men: Dat is, die men gewijd had tot de bediening van het priesterdom. Zie de verklaring van deze manier van spreken Lev. 7:37 , idem zie Ex. 28:41 , en Ex. 29:9 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer; Exodus 28:41 : En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Exodus 29:9 : En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen.
[^numeri-3-4-b]: Verwijzing b: Lev. 10:1 ; idem v. 2 ; onder, Num. 26:61 ; 1 Kron. 24:2 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH. Numeri 26:61 : Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van YHWH. 1 Kronieken 24:2 : Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt.
[^numeri-3-4-3]: Kanttekening 3: voor het aangezicht van YHWH: Zie Lev. 10:2 . Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH.
[^numeri-3-4-4]: Kanttekening 4: vreemd vuur: Zie Lev. 10:1 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had.
[^numeri-3-4-5]: Kanttekening 5: voor het aangezicht van hun vader Aäron: Dat is, terwijl hun vader nog in het leven was. Zie gelijke manier van spreken Gen. 11:28 . Genesis 11:28 : En Haran stierf voor het aangezicht van zijn vader Terah, in het land van zijn geboorte, in Ur van de Chaldeeën.
[^numeri-3-6-c]: Verwijzing c: onder, Num. 16:9 ; onder, Num. 18:2 . Numeri 16:9 : Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te doen naderen; om de dienst van de tabernakel van YHWH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen? Numeri 18:2 : En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam uw vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis.
[^numeri-3-7-6]: Kanttekening 6: waarnemen zijn wacht: Of, zijn bevel en last onderhouden. Hebreeuws, onderhouden zijn onderhouding. Zie dezelfde manier van spreken, onder, vers 8 , 3:28 , 3:32 , 3:38 , en Num. 9:19 , idem, zie Lev. 8:35 . Numeri 3:8 : En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de wacht van de kinderen van Israël waarnemen, om de dienst van het tabernakel te bedienen. Numeri 3:28 : In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht van het heiligdom. Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. Numeri 3:38 : Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel oostwaarts, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de wacht van het heiligdom, voor de wacht van de kinderen van Israël; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. Numeri 9:19 : En als de wolk vele dagen over de tabernakel verbleef, zo namen de kinderen van Israël de wacht van YHWH waar, en verreisden niet. Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.
[^numeri-3-7-7]: Kanttekening 7: gehele vergadering: Dat is, die de gehele vergadering moesten waarnemen, in wier naam de eerstgeborenen van de Israëlieten tevoren de bezorging hadden, gelijk Ex. 19:22 te zien is. Maar nu voortaan wordt dit ambt de Levieten opgelegd. Zie boven, Num. 1:53 , en vergelijk onder, vers 38 , en Num. 16:9 . Exodus 19:22 : Daartoe zullen ook de priesters, die tot YHWH naderen, zich heiligen, dat YHWH niet tegen hen uitbreke. Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen. Numeri 3:38 : Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel oostwaarts, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de wacht van het heiligdom, voor de wacht van de kinderen van Israël; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. Numeri 16:9 : Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te doen naderen; om de dienst van de tabernakel van YHWH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen?
[^numeri-3-8-8]: Kanttekening 8: van de kinderen van Israël waarnemen: Dat is, die de kinderen van Israël tevoren zelf door hun eerstegeborenen te bewaren toestond.
[^numeri-3-10-9]: Kanttekening 9: vreemde, die nadert: Dat is, die niet is van het priesterlijke huis, aan wie het niet geoorloofd was het priesterambt te bedienen. Zie ook onder, vers 38 , en Num. 16:40 , idem, vergelijk Lev. 22:10 . Numeri 3:38 : Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel oostwaarts, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de wacht van het heiligdom, voor de wacht van de kinderen van Israël; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had. Leviticus 22:10 : Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.
[^numeri-3-12-10]: Kanttekening 10: die de baarmoeder opent: Hebreeuws, opening van de baarmoeder; zo worden genaamd de mensen en beesten, die het eerst uit hun moeder geboren worden; Ex. 13:2 , en Ex. 34:19 , en onder, Num. 18:15 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Numeri 18:15 : Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij YHWH zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; maar de eerstgeborenen van de mensen zult u ganselijk lossen; ook zult u lossen de eerstgeborenen van de onreine beesten.
[^numeri-3-12-d]: Verwijzing d: Ex. 13:2 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn.
[^numeri-3-13-e]: Verwijzing e: Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Ex. 34:19 ; Lev. 27:26 ; onder, Num. 8:16 ; Lukas 2:23 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Numeri 8:16 : Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen van Israël; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen van Israël, heb Ik ze Mij genomen. Lukas 2:23 : (Gelijk geschreven is in de wet van de Heern: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heer heilig genaamd worden.)
[^numeri-3-15-11]: Kanttekening 11: een maand oud en daarboven: Hebreeuws, van een zoon van de maand. De telling van de Levieten was drieërlei: I. Van een maand oud en daarboven, wanneer zij de Heer toegeheiligd werden, van welke gesproken wordt vers 15 , en onder vers 40 ; II. Van vijf en twintig jaren oud en daarboven, toen zij gesteld werden om het gemene werk van het tabernakel als nieuwe aankomelingen te bedienen; zie van deze onder, Num. 8:24 ; III. Van dertig jaren oud en daarboven, welke waren de voornaamsten, niet alleen in de bediening van het tabernakel, maar ook in het verdragen van dezelfde en zijn gereedschap. Zie van deze onder, Num. 4:3 , welke, tot vijftig jaren gekomen zijnde, vrij waren van hun dienst, hoewel zij de anderen met hun autoriteit, opzicht, beleid en raad moesten bijstand doen; onder, Num. 8:25 , 8:26 . Numeri 3:15 : Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen. Numeri 3:40 : En YHWH zei tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen van Israël, van een maand oud en daarboven; en neem het getal van hun namen op. Numeri 8:24 : Dit is het, wat de Levieten betreft: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om de strijd te strijden, in de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. Numeri 8:25 : Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van de strijd van deze dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen. Numeri 8:26 : Maar hij zal met zijn broers dienen in de tent van de samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar de dienst zal hij niet bedienen. Zo zult u aan de Levieten doen in hun wachten.
[^numeri-3-16-12]: Kanttekening 12: bevel van YHWH: Hebreeuws, mond. Zie Gen. 41:40 ; Ex. 17:1 , en onder, vers 39 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.
[^numeri-3-17-f]: Verwijzing f: Ex. 6:15 ; idem v. 16 ; idem v. 17 ; onder, Num. 26:57 ; 1 Kron. 6:1 ; 1 Kron. 23:6 . Exodus 6:15 : Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. Exodus 6:16 : De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. Numeri 26:57 : Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 1 Kronieken 23:6 : En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
[^numeri-3-17-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Kehath. Anders ook genoemd Kohath, gelijk in het volgende vers 29 , enz. Numeri 3:29 : De geslachten van de zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde van het tabernakel, zuidwaarts.
[^numeri-3-22-14]: Kanttekening 14: een maand oud en daarboven: Hebreeuws, van een zoon van de maand, en zo in het volgende.
[^numeri-3-23-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, ter zeewaarts. Zie boven, Num. 2:18 . Numeri 2:18 : De banier van het leger van Efraïm, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste van de zonen van Efraïm zijn.
[^numeri-3-25-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, bewaring, of waarneming; dat is, wat zij bewaren of waarnemen moesten.
[^numeri-3-25-17]: Kanttekening 17: van de zonen van Gerson: De last van deze en van de andere Levieten wordt in dit hoofdstuk kortelijk aangewezen, maar in het volgende breder beschreven.
[^numeri-3-25-18]: Kanttekening 18: de tabernakel en de tent: Versta door de namen tabernakel en tent al de gordijnen, behangselen en bedekselen, tot dezelfde beneden en boven behorende, die van de Gersonieten gedragen moesten worden.
[^numeri-3-28-19]: Kanttekening 19: waarnemende de wacht: Zie boven, vers 17 . Numeri 3:17 : Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
[^numeri-3-29-20]: Kanttekening 20: Het zuiden heeft bij de Hebreën zijn naam van de rechterhand, omdat degenen, die zich met het aangezicht wenden naar het oosten, het zuiden aan de rechterhand hebben.
[^numeri-3-31-21]: Kanttekening 21: Versta, het reukaltaar en het brandofferaltaar, gelijk te zien is onder, Num. 4:11 , 4:13 , waarvan het ene in de voorhof en het andere in het heilige stond. Numeri 4:11 : En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen zijn handbomen aanleggen. Numeri 4:13 : En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden.
[^numeri-3-31-22]: Kanttekening 22: zij dienst doen: Namelijk, de priesters.
[^numeri-3-31-23]: Kanttekening 23: Versta hiermee het voorhangsel, onderscheidende het heilige van het allerheiligste, en ook de dekselen van welke wij lezen onder, Num. 4:5 , 4:6 , 4:7 , enz. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. Numeri 4:6 : En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen. Numeri 4:7 : Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.
[^numeri-3-31-24]: Kanttekening 24: zijn dienst behoort : Hebreeuws, zijn dienst; dat is, zijn gereedschap, tuig, vaten en wat er toe behoort. Vergelijk onder, Num. 4:26 . Numeri 4:26 : En de behangselen van het voorhof, en het deksel van de deur van de poort van het voorhof, dat is bij de tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, en ook al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen.
[^numeri-3-32-25]: Kanttekening 25: De overste: Deze was gesteld over de oversten van de Levieten, en was de voornaamste naast de hogepriester, die in tijd van nood zijn plaats bewaarde. Zie 1 Kon. 4:4 ; zijnde hierom genaamd de tweede priester; 2 Kon. 25:18 . 1 Koningen 4:4 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de legermacht; en Zadok en Abjathar waren priesters. 2 Koningen 25:18 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders.
[^numeri-3-32-26]: Kanttekening 26: van de oversten van Levi: Van deze waren er drie, uit elk geslacht van Levi een: namelijk, Eljasaf, uit het geslacht van Gerson, boven, vers 24 , en Elisafan uit het geslacht van Kohath, vers 30 , en Zuriël, uit het geslacht van Merari, vers 35 . Numeri 3:24 : De overste nu van het vaderlijke huis van de Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael. Numeri 3:30 : De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël. Numeri 3:35 : De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde van het tabernakel, noordwaarts.
[^numeri-3-32-27]: Kanttekening 27: zijn opzicht: Namelijk, van Eleazar, die de overste van de oversten van de Levieten was. Anders, dit is het ambt van degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen; houdende deze woorden een besluit te zijn van het verhaal van het ambt van de Kohathieten.
[^numeri-3-32-28]: Kanttekening 28: die de wacht van het heiligdom: Dat is, die in de godsdienst enig ambt of last hebben.
[^numeri-3-36-29]: Kanttekening 29: de berderen van het tabernakel: Omdat de Merarieten meerder last te dragen hadden dan de Gersonieten, gelijk af te nemen is uit de vergelijking van vers 36 , en vers 37 met vers 25 , 3:26 , zo zijn aan de Merarieten tot uitvoering van hun dienst vier wagens en acht runderen gegeven, maar de Gersonieten niet meer dan twee wagens met vier runderen. Zie onder, Num. 7:7 , 7:8 . Numeri 3:36 : En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen van het tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort; Numeri 3:37 : En de pilaren van het voorhof rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen. Numeri 3:25 : En de wacht van de zonen van Gerson in de tent van de samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent van de samenkomst; Numeri 3:26 : En de behangselen van het voorhof, en het deksel van de deur van het voorhof, welke bij de tabernakel en bij het altaar rondom zijn; en ook de zelen, tot zijn gansen dienst. Numeri 7:7 : Twee wagens en vier runderen gaf hij de zonen van Gerson, naar hun dienst; Numeri 7:8 : En vier wagens en acht runderen gaf hij de zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester.
[^numeri-3-38-30]: Kanttekening 30: voor de wacht van de kinderen van Israël: Dat is, de plaats van de wacht, die de kinderen van Israël anders hadden moeten waarnemen. Zie boven, vers 7 . Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^numeri-3-38-31]: Kanttekening 31: en de vreemde die nadert: Zie boven, vers 10 . Numeri 3:10 : Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.
[^numeri-3-38-g]: Verwijzing g: boven, v. 10 ; onder, Num. 16:40 . Numeri 3:10 : Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had.
[^numeri-3-39-32]: Kanttekening 32: twee en twintig duizend: Zo men vers 22 , 3:28 , 3:34 inziet, zal men bevinden dat het getal van de Gersonieten is geweest 7500, van de Kohathieten 8600, en van de Merarieten 6200, makende samen het getal van 22.300, even 300 meer dan hier in vers 39 vermeld worden; maar men moet weten dat bij het getal van 22.000 de priesters, zijnde uit het geslacht van Kohath, en daarna de eerstgeborenen van de Levieten mee bijgevoegd moeten worden, die, omdat zij \[samen 300 zijnde\] de priesters niet gegeven waren, als voor God op een bijzondere wijze eigen blijvende, Ex. 13:2 ; en de andere eerstgeborenen niet kunnende lossen omdat zij zelf eerstgeborenen waren, zo worden terecht maar 22.000 hier in rekening gebracht, als niet meer de priesters gegeven zijnde. Numeri 3:22 : Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd. Numeri 3:28 : In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht van het heiligdom. Numeri 3:34 : En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd. Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn.
[^numeri-3-45-33]: Kanttekening 33: Namelijk, die 22.000 getelden, van welke men zie boven, vers 39 . Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.
[^numeri-3-46-34]: Kanttekening 34: Want het getal van de Levieten was maar 22.000, vers 39 , en van de eerstgeborenen was twee en twintig duizend, twee honderd drie en zeventig, vers 43 . Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. Numeri 3:43 : En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal van de namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.
[^numeri-3-47-35]: Kanttekening 35: voor elk hoofd vijf sikkels: Hebreeuws, vijf vijf sikkelen; naar de kop, of het bekkeneel.
[^numeri-3-47-36]: Kanttekening 36: naar de sikkel van het heiligdom: Zie Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^numeri-3-47-h]: Verwijzing h: Ex. 30:13 ; Lev. 27:25 ; Num. 18:16 ; Ez. 45:12 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH. Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. Numeri 18:16 : Die nu onder dezelfde gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^numeri-3-47-37]: Kanttekening 37: Zie Lev. 27:25 . Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera.
[^numeri-3-49-38]: Kanttekening 38: die overschoten: Die waren in getale twee honderd drie en zeventig, gelijk in het voorgaande vers gemeld wordt: en daarom moesten zo veel eerstgeborenen met geld gelost worden. Vergelijk de aantekening op vers 46.
[^numeri-3-50-39]: Kanttekening 39: de eerstgeborenen: Te weten, die overig waren boven het getal van de Levieten.
[^numeri-3-50-40]: Kanttekening 40: duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen : Elk hoofd van de twee honderd drie en zeventig eerstgeborenen, die boven de Levieten overig waren, moest tot zijn lossing vijf sikkelen geven, boven, vers 47 , waarom het voorgemelde getal, met vijf vermenigvuldigd zijnde, deze som uitbrengt. Numeri 3:47 : U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera.
[^numeri-3-51-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, mond.

### Numeri 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/4.json)

*Gebod om de Levieten te tellen die geschikt waren voor de dienst van de tabernakel, met nadere aanwijzing van hun ambten, en eerst van de ambten van de Kahathieten, vers 1, enz. Daarna van de Gersonieten, 22. en van de Merarieten, 29. Het aantal van elk wordt ook afzonderlijk vermeld, namelijk de Kahathieten, 34. de Gersonieten, 38. de Merarieten, 42. en allen samen in het algemeen, 46.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v1)

**2** Neemt het aantal[^numeri-4-2-1] op van de zonen van Kohath, uit het midden van de zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v2)

**3** [^numeri-4-3-2] Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud; al wie tot[^numeri-4-3-3] deze[^numeri-4-3-4] strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v3)

**4** Dit zal de dienst zijn van de[^numeri-4-4-5] zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v4)

**5** In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en het[^numeri-4-5-6] voorhangsel van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v5)

**6** En zij zullen een deksel van[^numeri-4-6-7] dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen de handbomen daarvan[^numeri-4-6-8] aanleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v6)

**7** Zij zullen ook[^numeri-4-7-a] op de[^numeri-4-7-9] toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de[^numeri-4-7-10] schotels, en de[^numeri-4-7-11] reukschalen, en de[^numeri-4-7-12] kroezen, en de[^numeri-4-7-13] dekschotels; ook zal het[^numeri-4-7-14] voortdurende brood daarop zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v7)

**8** Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen de handbomen daarvan aanleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v8)

**9** Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken[^numeri-4-9-b] de kandelaar van het licht, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn[^numeri-4-9-c] blusvaten, en al zijn olievaten,[^numeri-4-9-15] met welke zij[^numeri-4-9-16] daaraan dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v9)

**10** Zij zullen ook die, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem[^numeri-4-10-17] op de draagboom leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v10)

**11** En over het[^numeri-4-11-18] gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen de handbomen daarvan aanleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v11)

**12** Zij zullen ook nemen alle[^numeri-4-12-19] gereedschap van de dienst, waarmee zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen het met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op de draagboom leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v12)

**13** En zij zullen de as[^numeri-4-13-20] van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v13)

**14** En zij zullen daarop leggen al[^numeri-4-14-21] zijn gereedschap, waarmee zij daaraan dienen, de koolpannen, de vleeshaken, en de scheppen, en de sprengbekkens, al het gereedschap van het altaar; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen de handbomen daarvan aanleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v14)

**15** Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna[^numeri-4-15-22] de zonen van Kohath komen[^numeri-4-15-23] om te dragen; maar zij zullen dat heilige[^numeri-4-15-24] niet aanroeren,[^numeri-4-15-25] dat zij niet sterven. Dit is de[^numeri-4-15-26] last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v15)

**16** Het opzicht nu van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zal zijn over de olie voor het licht, en het[^numeri-4-16-d] reukwerk van de geurige specerijen, en het[^numeri-4-16-27] voortdurende voedseloffer, en de[^numeri-4-16-e] zalfolie; het opzicht van de gehele tabernakel, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v16)

**17** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v17)

**18** U zult de stam van de geslachten van de Kohathieten niet[^numeri-4-18-28] laten uitgeroeid worden, uit het midden van de Levieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v18)

**19** Maar dit zult u hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid van de heiligheden toetreden zullen: Aäron en zijn zonen zullen komen, en[^numeri-4-19-29] stellen[^numeri-4-19-30] hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v19)

**20** Maar zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt,[^numeri-4-20-31] opdat zij niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v20)

**21** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v21)

**22** Neem ook het aantal op van de zonen van Gerson, naar het huis van hun vaders, naar hun geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v22)

**23** U zult hen tellen[^numeri-4-23-32] van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkomt[^numeri-4-23-33] om de strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v23)

**24** Dit zal zijn de dienst van de geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in[^numeri-4-24-34] de last. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v24)

**25** Zij zullen dan dragen de tentkleden van de tabernakel, en de[^numeri-4-25-35] tent van de samenkomst; te weten haar deksel, en[^numeri-4-25-36] het dassendeksel, dat er bovenop is, en het[^numeri-4-25-37] deksel van de deur van de tent van de samenkomst, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v25)

**26** En de behangselen van de voorhof, en het deksel van de deur van de poort van de voorhof, dat is bij de tabernakel en bij het altaar rondom; en hun touwen, en al het gereedschap van hun dienst, en ook al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v26)

**27** De hele dienst van de zonen van de Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar[^numeri-4-27-38] het bevel van Aäron en van zijn zonen; en u zult hun ter bewaring al hun last bevelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v27)

**28** Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van de Gersonieten, in de tent van de samenkomst; en hun[^numeri-4-28-39] wacht zal zijn[^numeri-4-28-40] onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v28)

**29** Voor wat betreft de zonen van Merari, die zult u naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v29)

**30** U zult hen tellen van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al[^numeri-4-30-41] wie inkomt tot deze strijd, om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v30)

**31** Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent van de samenkomst: de[^numeri-4-31-f] planken van de tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en[^numeri-4-31-42] zijn voetstukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v31)

**32** En ook de pilaren van de voorhof rondom, hun voetstukken, en hun pennen, en hun[^numeri-4-32-43] touwen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult u[^numeri-4-32-44] bij namen tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v32)

**33** Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van Merari, naar hun gehele dienst, in de tent van de samenkomst, onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v33)

**34** Mozes dan en Aäron, en de oversten van de vergadering telden de zonen van de Kohathieten, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v34)

**35** Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v35)

**36** Hun ingeschrevenen nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v36)

**37** Dit zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de Kohathieten, van al wie in de tent van de samenkomst diende, die Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel van YHWH,[^numeri-4-37-45] door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v37)

**38** Ook de ingeschrevenen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v38)

**39** Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v39)

**40** Hun ingeschrevenen waren, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, twee duizend zeshonderd en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v40)

**41** Deze zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Gerson, van al wie in de tent van de samenkomst diende, die Mozes en Aäron telden, naar het bevel van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v41)

**42** En de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v42)

**43** Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v43)

**44** Hun ingeschrevenen nu waren, naar hun geslachten,[^numeri-4-44-46] drie duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v44)

**45** Deze zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Merari, die Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel van YHWH, door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v45)

**46** Al de ingeschrevenen, die Mozes en Aäron, en de oversten van Israël geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v46)

**47** Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam,[^numeri-4-47-47] om de dienst van de bediening en de dienst van de last, in de tent van de samenkomst, te bedienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v47)

**48** Hun ingeschrevenen waren acht duizend vijfhonderd en tachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v48)

**49** Men telde hen, naar het bevel van YHWH, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn ingeschrevenen waren,[^numeri-4-49-48] die YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/4.html#v49)

[^numeri-4-2-1]: Kanttekening 1: de som: Hebreeuws, het hoofd. Zie boven, Num. 1:2 . Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^numeri-4-3-2]: Kanttekening 2: Van dertig jaren oud en daarboven: Hebreeuws, van een zoon van dertig jaar. Zo in het volgende. Zie boven, Num. 3:15 . Numeri 3:15 : Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen.
[^numeri-4-3-3]: Kanttekening 3: Versta, een heiligen en kerkelijken strijd, waarin men de dienst van het tabernakel naar de gestelde orde moest waarnemen. Gelijk de soldaten in de krijgshandel elk hun last naar orde moesten uitrichten, zo wordt de kerkedienst een strijd of krijg genaamd, vers 3 , en onder, vers 23 , 4:30 , 4:25 , en Num. 8:24 , omdat de bedienaars derzelve goede orde moesten houden, om geduriglijk te werken, te waken en te strijden tegen de vijanden van de zaligheid van de mensen. Zie 1 Kor. 9:7 ; 2 Kor. 10:3 ; 1 Tim. 1:18 ; 2 Tim. 2:3 , 2:4 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. Numeri 4:23 : U zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om de strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent van de samenkomst. Numeri 4:30 : U zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot deze strijd, om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 4:25 : Zij zullen dan dragen de gordijnen van het tabernakel, en de tent van de samenkomst; te weten haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel van de deur van de tent van de samenkomst, Numeri 8:24 : Dit is het, wat de Levieten betreft: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om de strijd te strijden, in de dienst van de tent van de samenkomst. 1 Korinthiërs 9:7 : Wie dient ooit in de krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk van de kudde? 2 Korinthiërs 10:3 : Want wandelende in het vlees, voeren wij de krijg niet naar het vlees; 1 Timotheüs 1:18 : Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt; 2 Timotheüs 2:3 : U dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 2 Timotheüs 2:4 : Niemand, die in de krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen van de leeftocht, opdat hij die mag behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft.
[^numeri-4-3-4]: Kanttekening 4: Anders, legermacht, heirschaar. Zo in het volgende, vers 30 , 4:43 . Numeri 4:30 : U zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot deze strijd, om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 4:43 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst;
[^numeri-4-4-5]: Kanttekening 5: heiligheid van de heiligheden: Versta hierdoor de ark van het verbond, de tafel tot de toonbroden, de kandelaar, het reukaltaar, de vaten en het gereedschap van het heiligdom en het brandofferaltaar. Van welke stukken hier tevoren, Num. 3:31 , iets gezegd is, maar nu breder verklaring wordt gedaan. Deze dingen moesten door de Kohathieten in het verreizen gedragen worden. Zie onder, vers 15 . Numeri 3:31 : Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap van het heiligdom, waarmee zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^numeri-4-5-6]: Kanttekening 6: voorhang van het deksel: Zie Ex. 26:31 , 26:32 , 26:33 ; Lev. 4:6 , en Hebr. 9:3 , waar hij genoemd wordt de tweede voorhang. Exodus 26:31 : Daarna zult u een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. Exodus 26:32 : En u zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten. Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Leviticus 4:6 : En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige. Hebreeën 9:3 : Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige van de heiligen;
[^numeri-4-6-7]: Kanttekening 7: Zie van deze Ex. 25:5 . Exodus 25:5 : En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
[^numeri-4-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, recht toeschikken en passen, opdat zij bekwamelijk gedragen mochten worden, want de handbomen moesten altijd in de ringen van de ark blijven, Ex. 25:15 . Vergelijk 1 Kon. 8:8 . Exodus 25:15 : De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden. 1 Koningen 8:8 : Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn daar tot op deze dag.
[^numeri-4-7-a]: Verwijzing a: Ex. 25:30 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
[^numeri-4-7-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, de tafel van de aangezichten; te weten, de broden van de aangezichten; anders genoemd toonbroden, die op deze tafel lagen. Zij worden zo geheten omdat zij altijd op deze tafel voor het aangezicht van de Heer als tentoongesteld werden, en van hier is de naam toontafel.
[^numeri-4-7-10]: Kanttekening 10: In welke de toonbroden gelegd werden, zie van deze Ex. 25:29 , en bleven daar de gehele week, totdat opnieuw andere nieuwe gemaakt en in de plaats van de oude gelegd werden; Lev. 24:8 . Exodus 25:29 : U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken. Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^numeri-4-7-11]: Kanttekening 11: Welke met reukwerk boven op de toonbroden gesteld werden; Lev. 24:7 . Leviticus 24:7 : En op elke rij zult u zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer YHWH.
[^numeri-4-7-12]: Kanttekening 12: Waaruit gesprengd en geschonken werd. Anders, bezems, waarmee de tafel afgeveegd en gereinigd werd.
[^numeri-4-7-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, de schotels van de bedekking; waarmee de toonbroden bedekt werden. Deze waren twaalf, naar het getal van de toonbroden. Zie Ex. 25:29 . Anders, de schotels van de besprenging. Exodus 25:29 : U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken.
[^numeri-4-7-14]: Kanttekening 14: gedurig brood: Versta, de twaalf toonbroden, die op elke sabbatdag vernieuwd moesten worden; Lev. 24:8 . Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^numeri-4-9-b]: Verwijzing b: Ex. 25:31 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^numeri-4-9-c]: Verwijzing c: Ex. 25:38 . Exodus 25:38 : Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.
[^numeri-4-9-15]: Kanttekening 15: met welke: Zie van dit gereedschap tot de kandelaar en de lampen Ex. 25:38 , en Ex. 35:14 . Exodus 25:38 : Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn. Exodus 35:14 : En de kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;
[^numeri-4-9-16]: Kanttekening 16: Te weten, de kandelaar.
[^numeri-4-10-17]: Kanttekening 17: op de draagboom: Versta, een instrument van stokken, waaraan iets gehangen werd, om van de ene plaats naar de andere verdragen te worden. Vergelijk onder, vers 12 , en Num. 13:23 . Anders, planken, of draagburriën. Numeri 4:12 : Zij zullen ook nemen alle gereedschap van de dienst, waarmee zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelfde met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op de draagboom leggen. Numeri 13:23 : Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
[^numeri-4-11-18]: Kanttekening 18: gouden altaar: Versta, het reukaltaar, dat in het heilige stond en met goud overtrokken was. Zie Ex. 30:3 , 30:4 . Exodus 30:3 : En u zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijn wanden rondom, als ook zijn hoornen; en u zult het een gouden krans rondom maken. Exodus 30:4 : U zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult u dezelfde maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee drage.
[^numeri-4-12-19]: Kanttekening 19: gereedschap van de dienst: Versta hierdoor, alle heilige kleren, met welke de priesters hun dienst doen moesten. Van welke zie Ex. 31:10 , en Ex. 35:19 , en Ex. 39:1 , 39:41 , waar zij ook kleren van de dienst genoemd worden. Hieronder begrijpen ook enige allerlei vaten en diensttuig van de tabernakel. Van welke zie Ex. 25:29 , en Ex. 27:3 ; 2 Kon. 15:14 , 15:15 . Exodus 31:10 : En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen; Exodus 35:19 : De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen. Exodus 39:1 : Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleren, die voor Aäron waren, gelijk YHWH aan Mozes geboden had. Exodus 39:41 : De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen. Exodus 25:29 : U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken. Exodus 27:3 : U zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult u van koper maken. 2 Koningen 15:14 : Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:15 : Het overige nu van de geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
[^numeri-4-13-20]: Kanttekening 20: van het altaar vegen: Te weten, van het altaar van het brandoffer.
[^numeri-4-14-21]: Kanttekening 21: zijn gereedschap: Zie van dit Ex. 27:3 , enz. Exodus 27:3 : U zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult u van koper maken.
[^numeri-4-15-22]: Kanttekening 22: zonen van Kahath: Naderhand hebben de priesters, vermenigvuldigd zijnde, deze dingen ook gedragen. Zie Deut. 31:9 ; Joz. 3:6 , en Joz. 8:33 ; 1 Sam. 4:4 ; 1 Kron. 15:11 , 15:12 . Hoewel het schijnt dat de Levieten niet geheel uitgesloten waren; 2 Kron. 5:5 . Deuteronomium 31:9 : En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van YHWH droegen, en aan alle oudsten van Israël. Jozua 3:6 : Evenzo sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neemt de ark van het verbond op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark van het verbond op, en zij gingen voor het aangezicht van het volk. Jozua 8:33 : En geheel Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 1 Kronieken 15:11 : En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab. 1 Kronieken 15:12 : En hij zei tot hen: Gijlieden zijt familiehoofden onder de Levieten; heiligt u, u en uw broers, dat u de ark van YHWH, de God van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 2 Kronieken 5:5 : En zij brachten de ark, en de tent van de samenkomst naar boven, en ook al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten naar boven.
[^numeri-4-15-23]: Kanttekening 23: Te weten, op hun eigen schouders. Zie onder, Num. 7:9 , en niet op wagens; welke orde de Israëlieten niet onderhouden hebben; 2 Sam. 6:3 , 6:6 , 6:7 ; 1 Kron. 13:7 , en 1 Kron. 15:12 , 15:13 , 15:14 , 15:15 . Numeri 7:9 : Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen. 2 Samuël 6:3 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden. 2 Samuël 6:7 : Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Uza, en God sloeg hem daar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf daar bij de ark van God. 1 Kronieken 13:7 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden de wagen. 1 Kronieken 15:12 : En hij zei tot hen: Gijlieden zijt familiehoofden onder de Levieten; heiligt u, u en uw broers, dat u de ark van YHWH, de God van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 1 Kronieken 15:13 : Want omdat u ten eerste dit niet deedt, heeft YHWH, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht. 1 Kronieken 15:14 : Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark van YHWH, de God van Israël, op te brengen. 1 Kronieken 15:15 : En de kinderen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord van YHWH.
[^numeri-4-15-24]: Kanttekening 24: niet aanroeren: Zie onder, vers 20 . Numeri 4:20 : Maar zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.
[^numeri-4-15-25]: Kanttekening 25: dat zij niet sterven: Zie 1 Sam. 6:19 welke straf de Bethsemieten wedervaren is, omdat zij in de ark van de Heer gezien hadden, en 2 Sam. 6:6 , 6:7 , wat Uzza overkomen is, toen hij de ark van de Heer aanroerde. 1 Samuël 6:19 : En de Heer sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij in de ark van YHWH gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat YHWH een grote slag onder het volk geslagen had. 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden. 2 Samuël 6:7 : Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Uza, en God sloeg hem daar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf daar bij de ark van God.
[^numeri-4-15-26]: Kanttekening 26: de last: Dat is, wat zij bezorgen en dragen moesten.
[^numeri-4-16-d]: Verwijzing d: Ex. 30:34 ; idem v. 35 . Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. Exodus 30:35 : En u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apothekers, gemengd, rein, heilig.
[^numeri-4-16-27]: Kanttekening 27: Dat iederen morgen en avond geofferd werd. Zie hiervan Ex. 29:38 , 29:39 . Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, per dag, geduriglijk. Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.
[^numeri-4-16-e]: Verwijzing e: Ex. 30:23 ; idem v. 24 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:24 : Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen een hin;
[^numeri-4-18-28]: Kanttekening 28: laten uitgeroeid worden: Te weten, door mijn rechtvaardige straf, wanneer u door onachtzaamheid en zorgeloosheid oorzaak zoudt zijn, dat de heilige dingen zouden ontdekt bevonden worden van de Kohathieten, die dezelfde zo ziende en aanroerende, door de hand van YHWH zouden sterven.
[^numeri-4-19-29]: Kanttekening 29: stellen hen: Te weten, ieder van hen aanwijzende en verordinerende wat hij dragen moest.
[^numeri-4-19-30]: Kanttekening 30: een ieder: Hebreeuws, man man; zo onder, vers 49 . Zie Lev. 15:2 . Numeri 4:49 : Men telde hen, naar het bevel van YHWH, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die YHWH Mozes geboden had. Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
[^numeri-4-20-31]: Kanttekening 31: opdat zij niet sterven: Gelijk in een ander geval twee zonen van Aäron, Nadab en Abihu, wedervaren was, Lev. 10:1 , en in een ander, Korach met zijn rot, onder, Num. 16:32 , 16:33 , enz. Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had. Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. Numeri 16:33 : En zij voeren neder, zij en alles wat hun was, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente.
[^numeri-4-23-32]: Kanttekening 32: van dertig jaren oud en daarboven: Hebreeuws, van een zoon van dertig jaar; zo in het volgende; zie ook van deze telling boven, Num. 3:15 . Numeri 3:15 : Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen.
[^numeri-4-23-33]: Kanttekening 33: om de strijd te strijden: Zie boven, de aantekeningen vers 3 . Anders, om in de legermachten te verzamelen. Vergelijk Ex. 38:8 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. Exodus 38:8 : Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels van de te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent van de samenkomst.
[^numeri-4-24-34]: Kanttekening 34: Zie boven, vers 15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^numeri-4-25-35]: Kanttekening 35: tent van de samenkomst: Versta, de gordijnen, die van geitenhaar gemaakt waren en de gehele tent bedekten. Want haar berderen en pilaren, enz. moesten de Merarieten dragen, onder, vers 31 . Numeri 4:31 : Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent van de samenkomst: de berderen van het tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten;
[^numeri-4-25-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, het deksel van de das; dat is, van de dassenvellen.
[^numeri-4-25-37]: Kanttekening 37: deksel van de deur: Versta, het tapijt of behangsel, dat hing aan de deur van het tabernakel, tussen de voorhof en het heilige.
[^numeri-4-27-38]: Kanttekening 38: het bevel: Hebreeuws, de mond . Zie Gen. 41:40 . Zo hier onder vers 37, 41, 45, 49. Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^numeri-4-28-39]: Kanttekening 39: hun wacht: Dat is, hun ambt en bediening, waarop zij wel achtgeven moeten, ten einde zij alle delen daarvan getrouwelijk uitvoeren.
[^numeri-4-28-40]: Kanttekening 40: onder de hand van Ithamar: Dat is, onder het beleid, opzicht en de regering van Ithamar, welke moest toezien dat een ieder zijn ambt recht bediende. Zo ook onder, vers 33 ; idem Num. 31:49 , en Lev. 8:36 . Numeri 4:33 : Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van Merari, naar hun gansen dienst, in de tent van de samenkomst, onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. Numeri 31:49 : En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som van de krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man. Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^numeri-4-30-41]: Kanttekening 41: wie inkomt tot deze strijd: Zie boven, vers 3 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen.
[^numeri-4-31-f]: Verwijzing f: Ex. 26:15 . Exodus 26:15 : U zult ook tot de tabernakel staande berderen maken, van sittimhout.
[^numeri-4-31-42]: Kanttekening 42: zijn voeten: Te weten, op welke de pilaren stonden, en waren honderd in getal gemaakt, elk van een talent zilvers. Zie Ex. 38:27 . Exodus 38:27 : En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten van het heiligdom, en de voeten van de voorhang; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.
[^numeri-4-32-43]: Kanttekening 43: Versta, de koorden van de pilaren van het voorhof. Gelijk de Gersonieten de zelen droegen, en de touwen van de behangselen van het voorhof, en het deksel van de deur van de poort van het voorhof. Zie boven, vers 26 , en Num. 3:26 . Numeri 4:26 : En de behangselen van het voorhof, en het deksel van de deur van de poort van het voorhof, dat is bij de tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, en ook al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen. Numeri 3:26 : En de behangselen van het voorhof, en het deksel van de deur van het voorhof, welke bij de tabernakel en bij het altaar rondom zijn; en ook de zelen, tot zijn gansen dienst.
[^numeri-4-32-44]: Kanttekening 44: bij namen tellen: Dat is, u zult dat stuk voor stuk tellen en overleveren, met een register van hetzelfde, opdat niets daarvan verloren worde.
[^numeri-4-37-45]: Kanttekening 45: door de hand van Mozes: Zie boven, vers 28 , en zo in het volgende. Numeri 4:28 : Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van de Gersonieten, in de tent van de samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester.
[^numeri-4-44-46]: Kanttekening 46: drie duizend en tweehonderd: Als men dit vers 44 vergelijkt met de voorgaande vers 36 , 4:40 , dan ziet men dat onder de Levieten, die tot de dienst van het tabernakel bekwaam waren, de Merarieten in getal de meesten geweest zijn, hoewel zij de minsten waren in hun algemeen en vol getal. Zie boven de aantekeningen, Num. 3:39 , dat zo geschied is door de alwijze voorzichtigheid Gods, omdat de Merarieten de zwaarste lasten te dragen hadden, en daartoe meer sterke en middeljarige mannen behoefden dan de Kohathieten en Gersonieten. Vergelijk boven de aantekeningen Num. 3:36 . Numeri 4:44 : Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd. Numeri 4:36 : Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig. Numeri 4:40 : Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig. Numeri 3:39 : Alle getelden van de Levieten, welke Mozes en Aäron, op het bevel van YHWH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. Numeri 3:36 : En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen van het tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;
[^numeri-4-47-47]: Kanttekening 47: om de dienst van de bediening: Dat is, om dienst en hulp te bewijzen aan de priesters, die de dienst van het tabernakel bedienden. Want de gemene Levieten moesten de priesters in hun ambt de hand bieden.
[^numeri-4-49-48]: Kanttekening 48: die YHWH Mozes geboden had: Of, gelijk YHWH Mozes geboden had.

### Numeri 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/5.json)

*Een gebod van God om alle onreine mensen uit het leger te verwijderen, vers 1, enz. dat wordt nageleefd, 4. Wetten over het teruggeven van de dingen die men iemand ontvreemd had, 5. over de geheiligde dingen, dat die de priesters toekwamen, 9. over de jaloersheid van een man over de eerbaarheid van zijn vrouw, en de ceremonien die hierbij onderhouden moesten worden, 11. Met verklaring daarvan, 27. Het besluit van deze wet, 29.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v1)

**2** Gebied de Israëlieten, dat zij uit het leger[^numeri-5-2-a] wegzenden alle melaatsen, en alle[^numeri-5-2-1][^numeri-5-2-b] vloeienden, en allen, die onrein zijn van[^numeri-5-2-c] een[^numeri-5-2-2] dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v2)

**3** [^numeri-5-3-3] Van de man tot de vrouw toe zult u hen wegzenden; tot buiten het leger zult u hen wegzenden; opdat[^numeri-5-3-4] zij niet verontreinigen[^numeri-5-3-5][^numeri-5-3-6] hun legers,[^numeri-5-3-7] in het midden waarvan Ik woon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v3)

**4** En de Israëlieten deden zo, en zonden hen tot buiten het leger; zoals YHWH tot Mozes gesproken had, zo deden de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v4)

**5** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v5)

**6** [^numeri-5-6-d] Spreek tot de Israëlieten: Wanneer een man of een vrouw iets van enige[^numeri-5-6-8] menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen YHWH, zo is die[^numeri-5-6-9] ziel schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v6)

**7** En zij zullen hun zonde, die zij gedaan hebben,[^numeri-5-7-10] belijden; daarna zal[^numeri-5-7-11] hij zijn[^numeri-5-7-12] schuld weer uitkeren,[^numeri-5-7-e] naar de hoofdsom daarvan, en[^numeri-5-7-13] het vijfde deel daarvan zal hij daarboven toedoen, en zal het die geven, aan wie hij zich verschuldigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v7)

**8** Maar zo[^numeri-5-8-14] die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weer uit te keren, zal die schuld, die YHWH weer uitgekeerd wordt, van de priester zijn; naast de ram van de verzoening, met welke hij voor hem verzoening doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v8)

**9** Evenzo zal alle[^numeri-5-9-15] hefoffer van alle geheiligde dingen van de Israëlieten, die zij tot de priester brengen,[^numeri-5-9-16] zijne zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v9)

**10** [^numeri-5-10-f] En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand de priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v10)

**11** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v11)

**12** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer van[^numeri-5-12-17] iemand zijn huisvrouw[^numeri-5-12-18] zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v12)

**13** Dat een man bij haar[^numeri-5-13-19] door bijligging van het zaad zal gelegen hebben, en het voor de ogen van haar man zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde toch[^numeri-5-13-20] onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v13)

**14** En[^numeri-5-14-21] de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, omdat zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v14)

**15** Dan zal die man zijn huisvrouw tot de priester brengen, en zal haar offergave voor haar medebrengen, een tiende deel van[^numeri-5-15-22] een efa gerstemeel; hij zal[^numeri-5-15-23] geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, omdat het een voedseloffer van de ijveringen is, een voedseloffer van de herinnering, dat de ongerechtigheid in herinnering brengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v15)

**16** En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen[^numeri-5-16-24] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v16)

**17** En de priester zal[^numeri-5-17-25] heilig water in een aarden pot nemen; en van het stof, dat op de vloer van de tabernakel is, zal de priester nemen, en in het water doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v17)

**18** Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en[^numeri-5-18-26] zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het voedseloffer van de herinnering op haar handen leggen, dat het voedseloffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat[^numeri-5-18-27] bitter water zijn, dat[^numeri-5-18-28] de vloek medebrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v18)

**19** En de priester zal haar[^numeri-5-19-29] beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Als iemand bij u gelegen heeft, en als u,[^numeri-5-19-30] onder uw man zijnde, niet afgeweken bent tot onreinheid, wees[^numeri-5-19-31] vrij van dit bitter water, dat de vloek medebrengt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v19)

**20** Maar zo u, onder uw man zijnde, afgeweken bent, en zo u onrein geworden bent, dat een man[^numeri-5-20-32] bij u gelegen heeft, behalve uw man: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v20)

**21** (Dan zal de priester die vrouw met de eed[^numeri-5-21-33] van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) YHWH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden van uw volk, mits dat YHWH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v21)

**22** Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw binnenste inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen![^numeri-5-22-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v22)

**23** Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een[^numeri-5-23-36] cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.[^numeri-5-23-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v23)

**24** En hij zal die vrouw dat bitter water, dat de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, dat[^numeri-5-24-38] de vervloeking medebrengt, in haar[^numeri-5-24-39] tot bitterheden inga.[^numeri-5-24-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v24)

**25** En de priester zal uit de hand van die vrouw het voedseloffer van de ijveringen nemen, en hij zal dat voedseloffer voor het aangezicht van YHWH bewegen, en zal dat op het altaar offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v25)

**26** De priester zal ook van dat voedseloffer,[^numeri-5-26-40] het gedenkoffer daarvan, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v26)

**27** Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal gebeuren, als zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat[^numeri-5-27-41] het water, dat vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar[^numeri-5-27-42] volk tot een vloek zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v27)

**28** Maar als de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal[^numeri-5-28-43] met zaad bezadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v28)

**29** Dit is de wet van de ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v29)

**30** Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw[^numeri-5-30-44] voor het aangezicht van YHWH stelle, en de priester aan haar deze hele wet volbrenge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v30)

**31** En de man zal van de ongerechtigheid[^numeri-5-31-45] onschuldig zijn; maar die vrouw zal haar[^numeri-5-31-46] ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/5.html#v31)

[^numeri-5-2-a]: Verwijzing a: Lev. 13:3 ; idem v. 46 . Leviticus 13:3 : En de priester zal de plaag in het vel van het vlees bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan het vel zijn vleses, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren. Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^numeri-5-2-1]: Kanttekening 1: Vergelijk Lev. 15:2 . Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
[^numeri-5-2-b]: Verwijzing b: Lev. 15:2 . Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
[^numeri-5-2-c]: Verwijzing c: Lev. 21:1 . Leviticus 21:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.
[^numeri-5-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, ziel. Zie Lev. 19:28 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH!
[^numeri-5-3-3]: Kanttekening 3: Van het mannelijke tot het vrouwelijke: Dat is, hetzij man of vrouw.
[^numeri-5-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, de andere Israëlieten.
[^numeri-5-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, door enige van zulke onreinen onder hen te laten wonen.
[^numeri-5-3-6]: Kanttekening 6: hun legers: Er waren \[naar de mening van sommigen\] drie legers: het leger van de Heer, dat was de tabernakel; het leger van de Levieten; het leger van de Israëlieten. De melaatsen werden uit allen gesloten, de vloeienden uit de twee eerste.
[^numeri-5-3-7]: Kanttekening 7: in wier midden Ik woon: Dat is, wie Ik door mijn genade bijblijve, door mijn speciale voorzienigheid bewaar en bescherm, en ook door mijn Geest en woord regeer en ter eeuwige zaligheid geleid. Vergelijk Lev. 26:11 , 26:12 , met de aantekeningen en Ez. 37:28 ; 2 Kor. 6:16 . Leviticus 26:11 : En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Ezechiël 37:28 : En de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^numeri-5-6-d]: Verwijzing d: Lev. 6:1 ; idem v. 3 . Leviticus 6:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Leviticus 6:3 : Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.
[^numeri-5-6-8]: Kanttekening 8: menselijke zonden: Hebreeuws, zonden van de mensen. Versta, de zonde, die de mensen begaan uit menselijke zwakheid, voortkomende uit de aanklevende verdorvenheid van de natuur. Vergelijk Lev. 5:2 , 5:3 ; en wordt dit vergrijp gesteld tegen de zonde, die uit moedwil geschiedt en met opgeheven hand, onder, Num. 15:30 ; of, versta, de zonde, die geschiedt naar de wijze van de mensen, die van nature zeer tot de zonde genegen zijn. Anders, zonden van de mensen; dat is, tegen enig mens of de naaste begaan. Leviticus 5:2 : Of wanneer een mens enig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het dode aas van een wild onrein gedierte, of het dode aas van onrein vee, of het dode aas van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, nochtans is hij onrein en schuldig. Leviticus 5:3 : Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinigheid van een mens, naar al zijn onreinigheid, waarmee hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij schuldig. Numeri 15:30 : Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;
[^numeri-5-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, persoon. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^numeri-5-7-10]: Kanttekening 10: Te weten, voor de priester, als die de offerande doen moest en het goed vanwege de Heer mocht tot zich trekken, geen losser voorhanden zijnde, vers 8 , en vergelijk Lev. 5:5 , 5:6 , 5:10 , 5:11 , 5:12 , 5:13 . Numeri 5:8 : Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weer uit te keren, zal die schuld, welke YHWH weer uitgekeerd wordt, van de priester zijn; behalve de ram van de verzoening, met welke hij voor hem verzoening doen zal. Leviticus 5:5 : Het zal dan gebeuren, als hij aan één van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft; Leviticus 5:6 : En tot zijn schuldoffer YHWH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen. Leviticus 5:10 : En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 5:12 : En hij zal dat tot de priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, van de gedachtenis daarvan, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuurofferen van YHWH; het is een zondoffer. Leviticus 5:13 : Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft in enige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal van de priester zijn, gelijk het spijsoffer.
[^numeri-5-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, de schuldige.
[^numeri-5-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, wat hij zijn naaste ontvreemd heeft, waarmee hij zich schuldig heeft gemaakt.
[^numeri-5-7-e]: Verwijzing e: Lev. 6:5 . Leviticus 6:5 : Of van al, waarover hij valselijk gezworen heeft, dat hij hetzelfde in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, die zal hij dat geven op de dag zijn schuld.
[^numeri-5-7-13]: Kanttekening 13: derzelver vijfde deel: Te weten, om daarmee te vergelden de schade, die de eigenaar geleden heeft, zijnde beroofd geweest van het gebruik van zijn goed.
[^numeri-5-8-14]: Kanttekening 14: die man: Te weten, aan welke het onrecht geschied is, zijnde dood, of geen bloedvriend, noch erfgenaam, noch iemand anders hebbende, die het goed zou mogen aanslaan, en wie men hetzelfde zou wedergeven. In zulk een geval kwam het goed de Heer en in zijn plaats de priester toe.
[^numeri-5-9-15]: Kanttekening 15: Dit woord is hier niet in het bijzonder genomen, gesteld zijnde tegen beweegoffer, gelijk Ex. 29:27 , maar in het algemeen voor de dingen, die door iemand de priester gegeven en zo voor God toegeheiligd worden, en daarna niet tot enig ander gebruik mogen besteed worden dan gelijk bevolen is. Zo Ex. 25:2 ; Num. 15:19 ; Neh. 10:39 . Exodus 29:27 : En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat Aärons, en van wat dat van zijn zonen is. Exodus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen. Numeri 15:19 : Zo zal het gebeuren, als u van het brood van het land zult eten, dan zult u YHWH een hefoffer offeren. Nehemia 10:39 : Want de kinderen van Israël en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kamers brengen, omdat daar de vaten van het heiligdom zijn, en de priesters, die dienen, en de poortwachters, en de zangers; dat wij zo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.
[^numeri-5-9-16]: Kanttekening 16: zijn zijn: Namelijk, van de priester; zo in vers 10 . Zie Lev. 6:16 . Numeri 5:10 : En een ieders geheiligde dingen zullen zijn zijn; wat iemand de priester zal gegeven hebben, zal zijn zijn. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
[^numeri-5-10-f]: Verwijzing f: Lev. 10:12 . Leviticus 10:12 : En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van het vuurofferen van YHWH overgebleven is, en eet hetzelfde ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden.
[^numeri-5-12-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, man man; boven Num. 4:19 , enz. Numeri 4:19 : Maar dit zult u hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid van de heiligheden toetreden zullen: Aäron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last.
[^numeri-5-12-18]: Kanttekening 18: zal afgeweken zijn: Te weten, naar het vermoeden en nadenken van haar man, die haar beschuldigt de band van het huwelijk door overspel gebroken te hebben, en daarover met jaloërsheid zo bevangen is, dat hij zich niet in zijn gemoed kan geruststellen.
[^numeri-5-13-19]: Kanttekening 19: door bijligging van het zaad: Zie deze zelfde manier van spreken Lev. 15:18 , en Lev. 19:20 . Leviticus 15:18 : En ook de vrouw, als een man met het zaad van het bijliggen bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 19:20 : En wanneer een man, door bijligging van het zaad, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij de man versmaad, en in geen geval gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.
[^numeri-5-13-20]: Kanttekening 20: onrein geworden: Te weten, door overspel.
[^numeri-5-14-21]: Kanttekening 21: de ijvergeest: Hebreeuws, de geest van de ijvering; en zo in het volgende. Versta, de beweging van de jaloezie van een man, over de eerbaarheid van zijn vrouw, hebbende kwaad vermoeden van dezelfde. Het woordje geest betekent dikwijls de affecten en bewegingen, waardoor de mensen tot enige, òf zonden en zwakheden, òf deugden en goede werken, inwendiglijk genegen zijn, of ook uiterlijk gedreven worden. Zie Jes. 19:14 ; Hos. 4:12 ; 1 Kor. 4:21 ; Gal. 6:1 ; 2 Tim. 1:7 . Jesaja 19:14 : YHWH heeft een zeer verkeerde geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. Hosea 4:12 : Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren. 1 Korinthiërs 4:21 : Wat wilt u? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in de geest van de zachtmoedigheid? Galaten 6:1 : Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt. 2 Timotheüs 1:7 : Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid.
[^numeri-5-15-22]: Kanttekening 22: een efa: Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^numeri-5-15-23]: Kanttekening 23: geen olie daarop gieten: De reden is, naar sommiger mening, omdat de olie een teken was van de genade en geestelijke gaven, en de wierook een teken van de aangename en lieflijke reuk, welke beiden in deze gelegenheid niet pasten.
[^numeri-5-16-24]: Kanttekening 24: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, voor de tabernakel, in welke was de ark, als een teken van Gods aanwezigheid. Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^numeri-5-17-25]: Kanttekening 25: heilig water: Te weten, wat uit het heilige wasvat genomen werd, staande bij het brandofferaltaar, waarin het water was, dat in de heilige godsdienst gebruikt moest worden. Zie Ex. 30:18 , en Ex. 40:30 . Exodus 30:18 : U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen; Exodus 40:30 : Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen.
[^numeri-5-18-26]: Kanttekening 26: zal het hoofd van de vrouw ontbloten: Dit geschiedde: I. om te verklaren, dat de vrouw vrij en haar zelve was, hebbende de macht om een eed te doen; gelijk daarentegen de dekking haars hoofds een teken is, dat zij staat onder de macht van haar man, 1 Kor. 11:5 , 11:10 ; II. omdat zij bekwamelijk gezien en onderkend mocht worden, en zo haar woorden en gebaren door de gehele vergadering te beter mochten waargenomen worden; III. opdat zij te meer schaamte en vrees zou hebben iets anders dan de rechte waarheid te verklaren, als staande ontdekt voor het aangezicht van God en de gehele vergadering. 1 Korinthiërs 11:5 : Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware. 1 Korinthiërs 11:10 : Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen.
[^numeri-5-18-27]: Kanttekening 27: bitter water: Het wordt zo genaamd, omdat de vrouw zichzelf, zich veel bittere smarten toebracht, als zij schuldig was. Zie vers 24 , 5:27 . Vergelijk Ex. 32:20 . Numeri 5:24 : En hij zal die vrouw dat bitter water, dat de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, dat de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga. Numeri 5:27 : Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal gebeuren, als zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, dat vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn. Exodus 32:20 : En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de kinderen van Israël drinken.
[^numeri-5-18-28]: Kanttekening 28: de vloek: Dat is, de straf van God, gemeld vers 22 . Zie ook onder, vers 24 . Numeri 5:22 : Dat ditzelfde water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! Numeri 5:24 : En hij zal die vrouw dat bitter water, dat de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, dat de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.
[^numeri-5-19-29]: Kanttekening 29: Dat is, hij zal haar onder ede doen verklaren, of zij overspel gedaan heeft, of niet. Anders, bezweren .
[^numeri-5-19-30]: Kanttekening 30: onder uw man zijnde: Anders, in stede van uw man; dat is, met hem in de plaats van uw man gelegen hebbende, zo vers 20 , 5:29 . Numeri 5:20 : Maar zo u, onder uw man zijnde, afgeweken bent, en zo u onrein geworden bent, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man: Numeri 5:29 : Dit is de wet van de ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;
[^numeri-5-19-31]: Kanttekening 31: vrij van dit bitter water: Dat is, onschuldig en onstrafbaar, zodat dit water u niet zal beschadigen.
[^numeri-5-20-32]: Kanttekening 32: bij u gelegen heeft: Zie van de Hebreeuwse manier van spreken Lev. 18:20 , 18:23 , en Lev. 20:15 . Leviticus 18:20 : En u zult niet liggen bij de huisvrouw van uw naaste ter bezading, om met haar onrein te worden. Leviticus 18:23 : Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging. Leviticus 20:15 : Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult u het beest doden.
[^numeri-5-21-33]: Kanttekening 33: tot een vloek: Dat is, tot een formulier van de vloek en van de valse eed, opdat andere mensen u zullen nemen tot een exempel van een vervloekt persoon, die niet alleen zulk een zonde begaan heeft, maar ook met een plechtigen eed stoutelijk heeft geloochend.
[^numeri-5-22-34]: Kanttekening 34: Amen, amen: Amen is een woord, dat de Hebreëen gebruiken: I. In het toestemmen van enige zaken, Deut. 27:15 , 27:16 ; Neh. 8:7 ; Openb. 5:14 ; II. In het bevestigen en verzekeren van enig verhaal, Matt. 5:18 , en Matt. 6:2 , enz.; III. In het wensen van enig goed, Jer. 11:5 , en Jer. 28:6 ; Openb. 22:20 ; IV. In het aannemen en verwachten van enig kwaad, wat bedreigd wordt, gelijk hier. Het wordt somtijds verdubbeld om de betekenis te vermeerderen en te versterken, gelijk vers 22 en Ps. 89:53 ; Joh. 3:3 , 3:11 , en Joh. 5:19 , enz. Het woord betekent eigenlijk: het zij waar, of, het is waar of, het geschiede zo. Deuteronomium 27:15 : Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Deuteronomium 27:16 : Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen. Nehemia 8:7 : En Ezra loofde YHWH, de grote God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en aanbaden YHWH, met de aangezichten ter aarde. Openbaring 5:14 : En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden Dengene, Die leeft in alle eeuwigheid. Mattheüs 5:18 : Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Mattheüs 6:2 : Wanneer u dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg. Jeremia 11:5 : Opdat Ik de eed bevestige, die Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te deze dage. Toen antwoordde ik en zei: Amen, o YHWH! Jeremia 28:6 : En de profeet Jeremia zei: Amen, YHWH doe zo! YHWH bevestige uw woorden, die u geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van het huis van YHWH, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats! Openbaring 22:20 : Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus! Numeri 5:22 : Dat ditzelfde water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! Psalmen 89:53 : Geloofd zij YHWH in eeuwigheid! Amen, ja, amen. Johannes 3:3 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand opnieuw geboren worde, hij kan het Koninkrijk van God niet zien. Johannes 3:11 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en u neemt Onze getuigenis niet aan. Johannes 5:19 : Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelfde doet ook de Zoon evenzo.
[^numeri-5-23-36]: Kanttekening 36: Of, uitwissen, afwissen.
[^numeri-5-23-35]: Kanttekening 35: Of, briefje.
[^numeri-5-24-38]: Kanttekening 38: de vervloeking medebrengt: Zie boven, vers 18 . Numeri 5:18 : Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer van de gedachtenis op haar handen leggen, dat het spijsoffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt.
[^numeri-5-24-39]: Kanttekening 39: tot bitterheden inga: Dat is, opdat zij de bittere straf van God krijge, zo zij schuldig is.
[^numeri-5-24-37]: Kanttekening 37: Zie boven, vers 18 . Numeri 5:18 : Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer van de gedachtenis op haar handen leggen, dat het spijsoffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt.
[^numeri-5-26-40]: Kanttekening 40: daarvan gedenkoffer: Versta, een deel van dat offer, dat moest aangestoken worden; vergelijk Lev. 2:2 , en de aantekeningen. Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk YHWH.
[^numeri-5-27-41]: Kanttekening 41: het water: Dit water had deze werking niet uit zijn natuurlijke kracht, maar uit de ordinantie van de Heer, die door hetzelfde, als door een teken, òf zijn rechtvaardig oordeel uitvoerde tegen de schuldige, òf zijn beloftenis aan de onschuldige.
[^numeri-5-27-42]: Kanttekening 42: tot een vloek zijn: Zie boven, vers 21 . Numeri 5:21 : (Dan zal de priester die vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) YHWH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden van uw volk, mits dat YHWH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;
[^numeri-5-28-43]: Kanttekening 43: met zaad bezadigd worden: Dat is, zal vruchtbaar zijn.
[^numeri-5-30-44]: Kanttekening 44: voor het aangezicht van YHWH: Zie boven, vers 16 . Numeri 5:16 : En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht van YHWH.
[^numeri-5-31-45]: Kanttekening 45: onschuldig zijn: Dat is, ofschoon de man op een kwaad vermoeden zijn huisvrouw beschuldigd heeft, zo zal hij nochtans daarom niet gestraft worden; of, de man dit gedaan hebbende, zal onschuldig zijn aan het overspel van zijn huisvrouw, daar hij anders zou schuldig zijn als hij het door de vingers zag.
[^numeri-5-31-46]: Kanttekening 46: ongerechtigheid dragen: Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

### Numeri 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/6.json)

*Wetten over de gelofte van het nazireeerschap, vers 1, enz. over de reinheid die daarin gevraagd wordt, 3. over de wijze waarop een nazireeer die verontreinigd was, verzoend moest worden, 9. over de ceremonien die men gebruiken moest wanneer de gelofte volbracht was, 13. en over de formule van de zegening die de priesters moesten volgen bij het zegenen van de gemeente, 22.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte van een Nazireër[^numeri-6-2-1], om zich voor YHWH af te zonderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v2)

**3** Van wijn en sterke drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en azijn van sterke[^numeri-6-3-2] drank zal hij niet drinken, noch enige[^numeri-6-3-3] vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v3)

**4** Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de[^numeri-6-4-4] wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de[^numeri-6-4-5] basten toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v4)

**5** Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het[^numeri-6-5-a] scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich voor YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij[^numeri-6-5-6] heilig zijn, latende de lokken van het haar van zijn hoofd groeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v5)

**6** Al de dagen, die hij zich voor YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam van een dode[^numeri-6-6-7] niet gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v6)

**7** Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broer of om zijn zus, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want[^numeri-6-7-8] het Nazireërschap van zijn God is op zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v7)

**8** Al de dagen van zijn Nazireërschap is hij YHWH heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v8)

**9** En zo de gestorvene bij hem zonder opzet haastig gestorven was, dat hij[^numeri-6-9-9] het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd[^numeri-6-9-10] scheren; op[^numeri-6-9-11] de zevende dag zal hij het scheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v9)

**10** En op de achtste dag zal hij twee tortelduiven, of twee[^numeri-6-10-12] jonge duiven brengen tot de priester, tot de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v10)

**11** De priester nu zal één bereiden als zondoffer, en één als brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij[^numeri-6-11-13] aan het[^numeri-6-11-14] dode lichaam[^numeri-6-11-15] gezondigd heeft; zo zal hij zijn hoofd op die dag[^numeri-6-11-16] heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v11)

**12** Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireërschap voor YHWH[^numeri-6-12-17] afzonderen, en zal[^numeri-6-12-18] een lam, dat eenjarig is, brengen als schuldoffer; en de vorige dagen zullen[^numeri-6-12-19] vallen, omdat zijn Nazireërschap verontreinigd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v12)

**13** En dit is de wet[^numeri-6-13-20] van de Nazireër: op de dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn,[^numeri-6-13-21] zal hij dit brengen tot de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v13)

**14** Hij dan zal tot zijn offergave aan YHWH offeren één volkomen[^numeri-6-14-22] eenjarig lam als brandoffer, en één volkomen[^numeri-6-14-23] eenjarig ooilam als zondoffer, en één volkomen ram als dankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v14)

**15** En een mand ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en ook[^numeri-6-15-24] hun voedseloffer, en hun drankoffers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v15)

**16** En de priester zal het voor het aangezicht van YHWH[^numeri-6-16-25] brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v16)

**17** Hij zal ook de ram als dankoffer voor YHWH bereiden, met de mand van de ongezuurde koeken; en de priester zal zijn voedseloffer en[^numeri-6-17-26] zijn drankoffer bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v17)

**18** Dan zal de Nazireër, aan de deur van de tent van de[^numeri-6-18-27][^numeri-6-18-b] samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap scheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v18)

**19** Daarna zal de priester een gekookte schouder nemen van de ram, en één ongezuurde koek uit de mand, en één ongezuurde platte koek; en hij zal ze op de handen van de Nazireër leggen, nadat hij zijn[^numeri-6-19-28] Nazireërschap afgeschoren heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v19)

**20** En de priester zal die[^numeri-6-20-c] bewegen als[^numeri-6-20-29] beweegoffer, voor het aangezicht van YHWH; het is een heilig ding voor de priester, met de borst van het beweegoffer, en met de[^numeri-6-20-30] schouder van het hefoffer; en daarna zal die Nazireër wijn drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v20)

**21** Dit is de wet van de Nazireër, die zijn offergave aan YHWH voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben,[^numeri-6-21-31] afgezien van wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, die hij beloofd zal hebben, zo zal hij doen,[^numeri-6-21-32] naar de wet van zijn Nazireërschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v21)

**22** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v22)

**23** Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de Israëlieten zegenen, zeggende tot hen:[^numeri-6-23-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v23)

**24** YHWH[^numeri-6-24-34] zegene u, en behoede u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v24)

**25** YHWH[^numeri-6-25-35] doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v25)

**26** YHWH[^numeri-6-26-36] verheffe Zijn aangezicht over u, en[^numeri-6-26-37] geve u[^numeri-6-26-38] vrede! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v26)

**27** Zo zullen zij[^numeri-6-27-39] Mijn Naam op de Israëlieten leggen; en Ik zal hen zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/6.html#v27)

[^numeri-6-2-1]: Kanttekening 1: Het Hebreeuwse woord Nazir (נָזִיר), geschreven met de letter zain, betekent een afgezonderde, te weten, van de wereld, om zich ganselijk tot de overdenking van goddelijke dingen en de waarneming van de heilige godsdienst over te geven. De Nazireërs waren een figuur, die in Christus niet letterlijk, maar geestelijk vervuld is. Zie ook van deze Richt. 13:5 ; Klaagl. 4:7 ; Amos 2:11 . Zij zijn te onderscheiden van degenen, die met de letter Tsade geschreven worden, en genaamd Natsareën, van de stad Natsareth, zo ook de Heer Christus een Nazarener genoemd wordt, Matt. 2:23 , en de Christenen Nazareën, Hand. 24:5 . De Nazireërs nu waren tweeërlei: I. Die God daartoe expresselijk verkoos, gelijk Simson, Richt. 13:5 , en \[zoals enige houden\] Johannes de Doper, Luk. 1:15 . II. Die door vrijwillige gelofte zodanige werden, van welke hier gesproken wordt. Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Klaagliederen 4:7 : Zain. Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier. Amos 2:11 : En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot Nazireen; is dit niet zo, u kinderen van Israël? spreekt YHWH. Mattheüs 2:23 : En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden. Handelingen 24:5 : Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de gehele wereld, en een oppersten voorstander van de sekte van de Nazarenen. Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Lukas 1:15 : Want hij zal groot zijn voor de Heer; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf aan.
[^numeri-6-3-2]: Kanttekening 2: Zie Lev. 10:9 . Leviticus 10:9 : Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;
[^numeri-6-3-3]: Kanttekening 3: Of, sap.
[^numeri-6-4-4]: Kanttekening 4: wijnstok van de wijn: Zo Richt. 13:14 ; dat is, die wijndruiven draagt en wijn voortbrengt. Het tegendeel is een wijnstok, die dat niet doet; Hag. 2:20 . Richteren 13:14 : Zij zal niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn voortkomt; en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden. Haggai 2:20 : Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot de wijnstok, en de vijgeboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van deze dag af zegenen.
[^numeri-6-4-5]: Kanttekening 5: Of, pelletjes.
[^numeri-6-5-a]: Verwijzing a: Richt. 13:7 ; 1 Sam. 1:11 . Richteren 13:7 : Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag zijn doods. 1 Samuël 1:11 : En zij beloofde een gelofte, en zei: YHWH van de legermachten, zo U eenmaal de ellende Uw dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat YHWH geven al de dagen zijn levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
[^numeri-6-5-6]: Kanttekening 6: heilig zijn: Dat is, de Heer geheiligd en toegeëigend.
[^numeri-6-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, ziel. Zie Lev. 19:28 , en hieronder, vers 11 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Numeri 6:11 : De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; zo zal hij zijn hoofd op dienzelfde dag heiligen.
[^numeri-6-7-8]: Kanttekening 8: het Nazireeërschap: Dat is, het teken van zijn nazireërschap of afzondering; te weten, het lange haar, dat hij, zolang zijn belofte duurde, moest ongeschoren laten. Vergelijk onder, vers 9 , 6:19 . Numeri 6:9 : En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastig gestorven was, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd bescheren; op de zevende dag zal hij het bescheren. Numeri 6:19 : Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van de ram, en een ongezuurden koek uit de korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen van de Nazireër leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft.
[^numeri-6-9-9]: Kanttekening 9: het hoofd van zijn Nazireeërschap: Zie boven, vers 7 . Numeri 6:7 : Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broer of om zijn zus, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireërschap van zijn God is op zijn hoofd.
[^numeri-6-9-10]: Kanttekening 10: Dat is, zijn haar tot de huid toe met een scheermes afnemen.
[^numeri-6-9-11]: Kanttekening 11: de zevende dag: Zolang moest een mens, die een dode aangeroerd had, voor onrein gehouden worden. Zie Lev. 15:13 . Vergelijk onder, Num. 12:14 . Leviticus 15:13 : Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden!
[^numeri-6-10-12]: Kanttekening 12: jonge duiven: Hebreeuws, zonen van de duiven.
[^numeri-6-11-13]: Kanttekening 13: Of, bij, omtrent.
[^numeri-6-11-14]: Kanttekening 14: dode lichaam: Hebreeuws, ziel.
[^numeri-6-11-15]: Kanttekening 15: gezondigd heeft: Versta, deze zonde van de ceremoniëele onreinheid, welke hij verkregen had door aangeroerd te zijn van het dode lichaam of er bij geweest te zijn, hoewel tegen zijn weten en wil.
[^numeri-6-11-16]: Kanttekening 16: Zie Lev. 8:30 . Leviticus 8:30 : Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren van zijn zonen met hem.
[^numeri-6-12-17]: Kanttekening 17: Te weten, opnieuw zich onthoudende van de dingen, welke vermeld zijn boven, vers 3 , 6:4 , 6:5 , 6:6 , 6:7 , opnieuw aanvangende zijn nazireërschap, alsof hij tevoren niets gedaan had, om daarin zoveel dagen, als hij beloofd had, te volharden. Numeri 6:3 : Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. Numeri 6:4 : Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe. Numeri 6:5 : Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar van zijn hoofd groeien. Numeri 6:6 : Al de dagen, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan. Numeri 6:7 : Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broer of om zijn zus, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireërschap van zijn God is op zijn hoofd.
[^numeri-6-12-18]: Kanttekening 18: een lam, dat eenjarig is: Hebreeuws, een zoon van zijn jaar.
[^numeri-6-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, voor niet en tevergeefs zijn en in geen rekening komen.
[^numeri-6-13-20]: Kanttekening 20: Dat is, van het offer van de nazireër.
[^numeri-6-13-21]: Kanttekening 21: Te weten, dit offer, dat gemeld wordt in vers 14 , 6:15 . Numeri 6:14 : Hij dan zal tot zijn offerande YHWH offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer. Numeri 6:15 : En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, en ook hun spijsoffer, en hun drankofferen;
[^numeri-6-14-22]: Kanttekening 22: eenjarig lam: Hebreeuws, een zoon van zijn jaar.
[^numeri-6-14-23]: Kanttekening 23: eenjarig ooilam: Hebreeuws, een dochter van haar jaar.
[^numeri-6-15-24]: Kanttekening 24: hun spijsoffer, en hun drankofferen: Spijsoffer en drankoffer worden zo onderscheiden, dat het eerste is geweest van droge, het andere van vochtige dingen. Zie van het spijsoffer Lev. 2:1 , en van het drankoffer, lev. 23:37, en van beide onderscheidenlijk genoemd, gelijk hier; Joël 1:9 , 1:13 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Joël 1:9 : Spijsoffer en drankoffer is van het huis van YHWH afgesneden; de priesters, van YHWH dienaren, treuren. Joël 1:13 : Omgordt u, en rouwklaagt, u priesters! huilt, u dienaren van het altaar! gaat in, overnacht in zakken, u dienaren mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis van uw God.
[^numeri-6-16-25]: Kanttekening 25: Of, offeren.
[^numeri-6-17-26]: Kanttekening 26: zijn drankoffer bereiden: Vergelijk de aantekeningen op Gen. 35:14 . Genesis 35:14 : En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.
[^numeri-6-18-27]: Kanttekening 27: het hoofd van zijn Nazireeërschap: Zie boven, vers 9 . Numeri 6:9 : En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastig gestorven was, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd bescheren; op de zevende dag zal hij het bescheren.
[^numeri-6-18-b]: Verwijzing b: Hand. 21:24 . Handelingen 21:24 : Neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten naast hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan wat, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat u zo wandelt, dat u ook zelve de wet onderhoudt.
[^numeri-6-19-28]: Kanttekening 28: Dat is, het haar, dat hem in zijn nazireërschap gewassen is.
[^numeri-6-20-c]: Verwijzing c: Ex. 29:27 . Exodus 29:27 : En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat Aärons, en van wat dat zijn zonen is.
[^numeri-6-20-29]: Kanttekening 29: Hoe het beweegoffer van het hefoffer te onderscheiden is, zie Lev. 7:30 . Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen.
[^numeri-6-20-30]: Kanttekening 30: schouder van het hefoffer: Of, achterbout.
[^numeri-6-21-31]: Kanttekening 31: behalve wat zijn hand bekomen zal: Dat is, uitgenomen wat hij boven de voorgemelde offerande nog vrijwilliglijk, naar zijn vermogen, beloven en offeren wilde. Meer mocht hij wel doen, maar niet minder, zijnde de offerande, die in deze wet voorgeschreven wordt, zowel de armen als de rijken opgelegd.
[^numeri-6-21-32]: Kanttekening 32: naar de wet van zijn Nazireeërschap: Anders, boven, of behalve.
[^numeri-6-23-33]: Kanttekening 33: Dat is, als priesters en dienaren van God in de algemene bijeenkomst, alles goeds, welvaren en zaligheid aan de gemeente van God toewensen.
[^numeri-6-24-34]: Kanttekening 34: zegene u, en behoede u: Zie Gen. 12:2 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^numeri-6-25-35]: Kanttekening 35: doe Zijn aangezicht over u lichten: Het aangezicht van God betekent zijn voorzienigheid en aanwezigheid, om te straffen of te zegenen. Van het aangezicht van de straf, of wraak, zie Lev. 17:10 ; Ps. 34:17 , en Ps. 51:11 . Van het aangezicht van de gunst en zegening is hier gesproken, als ook 2 Kron. 30:9 ; Ps. 13:2 , enz. God wordt gezegd zijn aangezicht te doen lichten, als Hij zijn genade, zegen en weldadigheid dadelijk bewijst, Ps. 31:17 , en Ps. 80:4 , 80:8 , 80:20 , en Ps. 119:135 , en Dan. 9:17 . Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. Psalmen 51:11 : Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. 2 Kronieken 30:9 : Want als u u bekeert tot YHWH, zullen uw broers en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht van degenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want YHWH, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo u u tot Hem bekeert. Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Psalmen 31:17 : Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid. Psalmen 80:4 : O God! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. Psalmen 80:8 : O God van de legermachten! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden. Psalmen 80:20 : O YHWH, God van de legermachten! breng ons weer; laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. Psalmen 119:135 : Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen. Daniël 9:17 : En nu, o onze God! hoor naar het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; vanwege de Heer.
[^numeri-6-26-36]: Kanttekening 36: verheffe Zijn aangezicht over u: Dat is, hebbe geduriglijk de ogen van zijn genadige voorzienigheid over u, om uw ingang en uitgang te bewaren, tot uw best, dat God niet doet wanneer Hij gezegd wordt zijn aangezicht te verbergen, of af te keren; Deut. 32:20 ; Ez. 7:22 . Deuteronomium 32:20 : En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is. Ezechiël 7:22 : Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen.
[^numeri-6-26-37]: Kanttekening 37: geve u: Hebreeuws, zette; dat is, voege u vrede toe of geve u vrede.
[^numeri-6-26-38]: Kanttekening 38: Zie Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^numeri-6-27-39]: Kanttekening 39: Mijn Naam op de kinderen van Israël leggen: Dit geschiedde eensdeels met aanroeping van de goddelijken naam, anderdeels met uitstrekking van hun handen over de gemeente, alsof zij de zegen van de Heer, om welke zij baden, het gehele volk, van Gods wege, dadelijk hadden willen toebrengen en overgeven.

### Numeri 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/7.json)

*Beschrijving van wat twaalf oversten van de stammen na het oprichten en heiligen van de tabernakel in het algemeen geofferd hebben, vers 1, enz. dat aan de Gersonieten en de Merarieten gegeven wordt, 4. wat zij elk afzonderlijk aan zilveren en gouden vaten en dieren ter inwijding van het altaar geofferd hebben, 10. De som van het geofferde, 84. De wijze waarop God met Mozes spreekt vanaf het verzoendeksel, 89.*

**1** En het gebeurde[^numeri-7-1-1] op de dag dat Mozes geëindigd had[^numeri-7-1-a] de tabernakel op te richten, en dat hij die gezalfd, en die geheiligd had, en al zijn gereedschap, en ook het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en ze geheiligd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v1)

**2** Dat de[^numeri-7-2-2] oversten van Israël, de hoofden van het huis van hun vaders, offerden; deze waren de oversten van de stammen, die over de ingeschrevenen stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v2)

**3** En zij brachten hun offergave voor het aangezicht van YHWH, zes[^numeri-7-3-3] overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk één; en[^numeri-7-3-4] brachten ze voor de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v3)

**4** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v4)

**5** Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst; en u zult die aan de Levieten geven,[^numeri-7-5-5] een ieder naar zijn dienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v5)

**6** Zo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf die aan de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v6)

**7** Twee wagens en vier runderen gaf hij de zonen van Gerson, naar hun dienst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v7)

**8** En[^numeri-7-8-6] vier wagens en acht runderen gaf hij de zonen van Merari, naar hun dienst;[^numeri-7-8-7] onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v8)

**9** Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst[^numeri-7-9-8] van de heilige dingen was op hen,[^numeri-7-9-9] die zij op de schouders droegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v9)

**10** En[^numeri-7-10-10] de oversten offerden ter inwijding van het altaar, op de dag dat[^numeri-7-10-11] het gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offergaven voor het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v10)

**11** En YHWH zei tot Mozes:[^numeri-7-11-12] Elke overste zal (ieder op zijn dag) zijn offergave offeren, ter inwijding van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v11)

**12** Die nu op de eerste dag zijn offergave offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab,[^numeri-7-12-13] voor de stam van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v12)

**13** En zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de[^numeri-7-13-14] sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd,[^numeri-7-13-15] als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v13)

**14** Één[^numeri-7-14-16] reukschaal van tien[^numeri-7-14-17] gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v14)

**15** Één stier,[^numeri-7-15-18] een jong rund, één ram, één lam,[^numeri-7-15-19] dat eenjarig was,[^numeri-7-15-20] als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v15)

**16** Één geitenbok, als[^numeri-7-16-21] zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v16)

**17** En[^numeri-7-17-22] als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf[^numeri-7-17-23] eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Nahesson, de zoon van Amminadab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v17)

**18** Op de tweede dag offerde Nethaneël, de zoon[^numeri-7-18-24] van Zuar, de overste van Issaschar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v18)

**19** Hij offerde zijn offergave: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v19)

**20** En[^numeri-7-20-25] één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v20)

**21** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v21)

**22** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v22)

**23** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Nethaneël, de zoon van Zuar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v23)

**24** Op de derde dag[^numeri-7-24-26] offerde de overste van de zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v24)

**25** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v25)

**26** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v26)

**27** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v27)

**28** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v28)

**29** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Helon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v29)

**30** Op de vierde dag offerde de overste van de kinderen van[^numeri-7-30-27] Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v30)

**31** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v31)

**32** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v32)

**33** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v33)

**34** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v34)

**35** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Elizur, de zoon van Sedeur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v35)

**36** Op de vijfde dag offerde de overste van de kinderen van Simeon, Selumiël, de zoon[^numeri-7-36-28] van Zurisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v36)

**37** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v37)

**38** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v38)

**39** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v39)

**40** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v40)

**41** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Selumiël, de zoon van Zurisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v41)

**42** Op de zesde dag offerde de overste van de kinderen van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v42)

**43** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem gemengd met olie, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v43)

**44** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v44)

**45** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v45)

**46** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v46)

**47** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van Dehuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v47)

**48** Op de zevende dag offerde de overste van de kinderen van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v48)

**49** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v49)

**50** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v50)

**51** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v51)

**52** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v52)

**53** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Elisama, de zoon van Ammihud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v53)

**54** Op de achtste dag offerde de overste van de kinderen van Manasse,[^numeri-7-54-29] Gamaliël, de zoon[^numeri-7-54-30] van Pedazur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v54)

**55** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v55)

**56** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v56)

**57** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v57)

**58** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v58)

**59** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Gamaliël, de zoon van Pedazur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v59)

**60** Op de negende dag offerde de overste van de kinderen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v60)

**61** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v61)

**62** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v62)

**63** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v63)

**64** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v64)

**65** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van Gideoni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v65)

**66** Op de tiende dag offerde de overste van de kinderen van Dan, Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v66)

**67** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v67)

**68** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v68)

**69** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v69)

**70** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v70)

**71** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v71)

**72** [^numeri-7-72-31] Op de elfde dag offerde de overste van de kinderen van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v72)

**73** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v73)

**74** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v74)

**75** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v75)

**76** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v76)

**77** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Pagiel, de zoon van Ochran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v77)

**78** Op de[^numeri-7-78-32] twaalfde dag offerde de overste van de kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v78)

**79** Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v79)

**80** Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v80)

**81** Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v81)

**82** Één geitenbok, als zondoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v82)

**83** En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Ahira, de zoon van Enan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v83)

**84** Dit was de inwijding van het altaar van de oversten van Israël, op de dag dat het gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v84)

**85** Één zilveren schotel was van honderd dertig sikkels, en één sprengbekken van zeventig; al het zilver van de voorwerpen was twee duizend en vierhonderd sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v85)

**86** Twaalf gouden reukschalen van reukwerk; elke reukschaal was van tien sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; al het goud van de reukschalen was honderd en twintig sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v86)

**87** Al de runderen ten brandoffer waren twaalf stieren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun voedseloffer; en twaalf geitenbokken als zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v87)

**88** En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig stieren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding van het altaar, nadat het gezalfd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v88)

**89** En als Mozes in de[^numeri-7-89-33] tent van de samenkomst ging, om[^numeri-7-89-34] met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het[^numeri-7-89-35] getuigenis, van tussen de twee cherubim.[^numeri-7-89-36] Zo sprak Hij tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/7.html#v89)

[^numeri-7-1-1]: Kanttekening 1: ten dage: Versta, de eerste dag van de eerste maand van het tweede jaar, nadat zij uit Egypte getogen waren. Zie Ex. 40:17 , 40:18 . Exodus 40:17 : En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste van de maand, dat de tabernakel opgericht werd. Exodus 40:18 : Want Mozes richtte de tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte daarvan pilaren op.
[^numeri-7-1-a]: Verwijzing a: Ex. 40:18 . Exodus 40:18 : Want Mozes richtte de tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte daarvan pilaren op.
[^numeri-7-2-2]: Kanttekening 2: oversten van Israël: Zie boven, Num. 1:16 . Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-7-3-3]: Kanttekening 3: overdekte wagens: Dat is, die boogachtig, overwelfd en zo toegedekt waren, tot bewaring van wat er in was.
[^numeri-7-3-4]: Kanttekening 4: brachten ze voor de tabernakel: Anders, offerden die.
[^numeri-7-5-5]: Kanttekening 5: een ieder naar zijn dienst: Te weten, elk geslacht van de Levieten; dat is, de Gersonieten, Kohathieten en Merarieten, waarvan de ambten en lasten hier boven beschreven, Num. 3 , Num. 4 .
[^numeri-7-8-6]: Kanttekening 6: vier wagens en acht runderen: De reden, waarom hij de Merarieten meer wagens en runderen heeft gegeven dan de Gersonieten, zie boven, Num. 3:36 . Numeri 3:36 : En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen van het tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;
[^numeri-7-8-7]: Kanttekening 7: onder de hand van Ithamar: Dat is, onder het beleid en opzicht van Ithamar. Zie Gen. 41:35 . Genesis 41:35 : En dat zij alle voedsel van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot voedsel in de steden, en bewaren het.
[^numeri-7-9-8]: Kanttekening 8: van de heilige dingen: Deze worden uitgedrukt boven, Num. 4:4 , 4:5 , 4:6 , enz. Numeri 4:4 : Dit zal de dienst zijn van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. Numeri 4:6 : En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.
[^numeri-7-9-9]: Kanttekening 9: zij op de schouders droegen: Zie boven, Num. 4:15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^numeri-7-10-10]: Kanttekening 10: inwijding van het altaar: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het werk, waardoor iets door zekere ceremoniën tot een bijzonder gebruik de Heer toegeheiligd wordt; 2 Kron. 7:9 ; Ezra 6:16 , en hier in het volgende. 2 Kronieken 7:9 : En ten achtsten dage hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding van het altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen. Ezra 6:16 : En de kinderen van Israël, de priesters en Levieten, en de overige kinderen van de gevangenis deden de inwijding van dit huis van God met vreugde.
[^numeri-7-10-11]: Kanttekening 11: voor het altaar: Te weten, het brandofferaltaar.
[^numeri-7-11-12]: Kanttekening 12: Elke overste: Hebreeuws, een overste op een dag, een overste op een dag, zullen hun, enz. Zie van deze manier van spreken, Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^numeri-7-12-13]: Kanttekening 13: voor de stam van Juda: Dat is, hij offerde niet particulierlijk voor zichzelven, maar in de naam en vanwege de hele stam van Juda. En zo is het ook te verstaan van de volgende oversten, dat zij voor hun stam geofferd hebben.
[^numeri-7-13-14]: Kanttekening 14: sikkel van het heiligdom: Welke deed een halven rijksdaalder, dat is, dubbel zoveel als de gemene of burgerlijke sikkel. Zie Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^numeri-7-13-15]: Kanttekening 15: ten spijsoffer: Van spijsoffer; zie Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^numeri-7-14-16]: Kanttekening 16: Anders, kookpan, kop of lepel.
[^numeri-7-14-17]: Kanttekening 17: gouden sikkelen : Zie van de waarde van een gouden sikkel Gen. 24:22 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds.
[^numeri-7-15-18]: Kanttekening 18: een jong rund: Hebreeuws, de zoon eens runds; en zo in het volgende.
[^numeri-7-15-19]: Kanttekening 19: dat eenjarig was: Hebreeuws, zoon van zijn jaar; en zo in het volgende.
[^numeri-7-15-20]: Kanttekening 20: ten brandoffer: Zie Gen. 8:20 , en Lev. 6:9 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. Leviticus 6:9 : Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is datgene, wat door de branding op het altaar de ganse nacht tot aan de morgen opvaart; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
[^numeri-7-16-21]: Kanttekening 21: Zie Lev. 4:3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^numeri-7-17-22]: Kanttekening 22: ten dankoffer: Lev. 3:1 . Leviticus 3:1 : En als zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH.
[^numeri-7-17-23]: Kanttekening 23: eenjarige lammeren: Hebreeuws, zonen eens jaars; en zo in het volgende, dat is, die een jaar oud waren.
[^numeri-7-18-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, Tsuar.
[^numeri-7-20-25]: Kanttekening 25: Te weten, gouden. Zie vers 84 . Numeri 7:84 : Dit was de inwijding van het altaar van de oversten van Israël, op de dag als het gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.
[^numeri-7-24-26]: Kanttekening 26: offerde : Dit woord is hier ingevoegd uit vers 18 . Zo ook in de volgende verzen. Numeri 7:18 : Op de tweede dag offerde Nethaneël, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.
[^numeri-7-30-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, Elitsur.
[^numeri-7-36-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, Tsurischaddai.
[^numeri-7-54-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, Gamliël.
[^numeri-7-54-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, Pedatsur.
[^numeri-7-72-31]: Kanttekening 31: Op de elfde dag: Hebreeuws, op de dag van de elf dagen; zo onder, vers 78 . Numeri 7:78 : Op de twaalfde dag offerde de overste van de kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.
[^numeri-7-78-32]: Kanttekening 32: twaalfde dag: Hebreeuws, op de dag van de twaalf dagen.
[^numeri-7-89-33]: Kanttekening 33: tent van de samenkomst ging: Versta, toen die gewijd en ten dienste van de Heer geheiligd was. Tevoren had God met Mozes op de berg Sinaï en elders ook gesproken.
[^numeri-7-89-34]: Kanttekening 34: met Hem te spreken: Namelijk, met de Heer.
[^numeri-7-89-35]: Kanttekening 35: van tussen de twee cherubim: Hierom wordt God gezegd op, of tussen de cherubim te zitten, of te wonen; 1 Sam. 4:4 ; 2 Kon. 19:15 ; Ps. 80:2 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 2 Koningen 19:15 : En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^numeri-7-89-36]: Kanttekening 36: Zo sprak Hij tot hem: Te weten, gelijk Hij beloofd had; Ex. 25:22 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.

### Numeri 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/8.json)

*Wetten over het aansteken van de lampen op de kandelaar, vers 1, enz. en de reiniging van de Levieten, 5. die in de plaats van de eerstgeborenen worden gesteld en aan de priesters worden toegevoegd om die te dienen, 16. Over de leeftijd waarop de Levieten in hun dienst moesten treden en daaruit moesten scheiden, 23. met aanwijzing van wat zij daarna moesten doen, 26.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v1)

**2** Spreek tot Aäron, en zeg tot hem: Als u de lampen[^numeri-8-2-1] aansteken zult,[^numeri-8-2-2][^numeri-8-2-a] recht tegenover de kandelaar zullen de zeven lampen lichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v2)

**3** En Aäron deed zo: tegenover vooraan de kandelaar stak hij de lampen daarvan aan; zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v3)

**4** Dit werk nu van de kandelaar was[^numeri-8-4-3] van[^numeri-8-4-b] dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar[^numeri-8-4-4] de gedaante, die YHWH Mozes vertoond had, zo had hij de kandelaar[^numeri-8-4-5] gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v4)

**5** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v5)

**6** Neem de Levieten uit het midden van de Israëlieten, en[^numeri-8-6-6] reinig hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v6)

**7** En zo zult u hun doen, om hen te reinigen: sprenkel op hen[^numeri-8-7-7] water van de ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun hele vlees doen gaan, en zij zullen hun kleren wassen, en zich reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v7)

**8** Daarna zullen zij nemen een stier,[^numeri-8-8-8] een jong rund, met zijn voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd; en een andere stier, een jong rund, zult u nemen als zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v8)

**9** En u zult de Levieten voor de tent van de samenkomst doen naderen; en u zult de hele gemeenschap van de Israëlieten doen verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v9)

**10** Ja, u zult de Levieten voor het aangezicht van YHWH doen naderen; en[^numeri-8-10-9] de Israëlieten zullen hun handen op de Levieten leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v10)

**11** En Aäron zal de Levieten[^numeri-8-11-10] bewegen als[^numeri-8-11-11] beweegoffer voor het aangezicht van YHWH, vanwege de Israëlieten; opdat zij zijn, om de dienst van YHWH te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v11)

**12** En de Levieten zullen hun handen op het hoofd van de stieren leggen; daarna bereidt u één als zondoffer, en één als brandoffer voor YHWH, om over de Levieten verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v12)

**13** En u zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en u zult hen bewegen als beweegoffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v13)

**14** En u zult de Levieten uit het midden van de Israëlieten uitscheiden, opdat de Levieten[^numeri-8-14-c] van Mij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v14)

**15** En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent van de samenkomst te bedienen;[^numeri-8-15-12] en u zult hen reinigen, en zult hen als beweegoffer bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v15)

**16** Want zij zijn[^numeri-8-16-13] gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de Israëlieten; voor[^numeri-8-16-14] de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de Israëlieten, heb Ik ze Mij genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v16)

**17** Want[^numeri-8-17-d] alle eerstgeborene onder de Israëlieten is van Mij, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik die voor Mij geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v17)

**18** [^numeri-8-18-e] En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v18)

**19** En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn[^numeri-8-19-15] zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de Israëlieten,[^numeri-8-19-16] om de dienst van de Israëlieten in de tent van de samenkomst te bedienen, en om voor de Israëlieten verzoening te doen, dat er[^numeri-8-19-17] geen plaag zij onder de Israëlieten, als de Israëlieten tot het heiligdom[^numeri-8-19-18] naderen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v19)

**20** En Mozes deed, en Aäron, en de hele gemeenschap van de Israëlieten, aan de Levieten, naar alles, wat YHWH Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de Israëlieten aan hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v20)

**21** En de Levieten[^numeri-8-21-19] ontzondigden zich, en wasten hun kleren, en Aäron[^numeri-8-21-20] bewoog hen als beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v21)

**22** En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen; zoals YHWH Mozes van de Levieten geboden had, zo deden zij aan hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v22)

**23** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v23)

**24** Dit is het, wat de Levieten betreft:[^numeri-8-24-21] van vijf en twintig jaar oud en daarboven, zullen zij inkomen,[^numeri-8-24-22] om de strijd te strijden, in de dienst van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v24)

**25** Maar van dat hij vijftig jaar oud is, zal hij van de strijd van deze dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v25)

**26** Maar hij zal met zijn[^numeri-8-26-23] broers dienen in de tent van de[^numeri-8-26-24] samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar de dienst zal hij niet bedienen. Zo zult u aan de Levieten doen in hun wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/8.html#v26)

[^numeri-8-2-1]: Kanttekening 1: aansteken zult: Hebreeuws, doen opgaan.
[^numeri-8-2-2]: Kanttekening 2: recht tegenover de kandelaar: Hebreeuws, tegenover het aangezicht van de kandelaar; dat is, aan de beide zijden van de schacht van de kandelaar, welke was als het lichaam ervan, want de kandelaar had aan zijn schacht zes rieten met zoveel lampen en een aan de schacht, welke aangestoken zijnde, aan de zijden van de kandelaar licht gaven. Zie Ex. 25:37 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.
[^numeri-8-2-a]: Verwijzing a: Ex. 25:37 . Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.
[^numeri-8-4-3]: Kanttekening 3: van dicht goud: Dat is, van geheel een massief goud, of van één massa en klomp van goud samen uitgewrocht en niet van verscheidene stukken en delen aaneen gehecht. Zie Ex. 25:31 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^numeri-8-4-b]: Verwijzing b: Ex. 25:31 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^numeri-8-4-4]: Kanttekening 4: de gedaante: Hebreeuws, aanzien, of gezicht; dat is, patroon.
[^numeri-8-4-5]: Kanttekening 5: vertoond had: Te weten, op de berg; Ex. 25:40 . Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is.
[^numeri-8-6-6]: Kanttekening 6: reinig hen: Dat geschiedde toen de Levieten openlijk tot de dienst van de Heer, van de andere stammen afgezonderd zijnde, met het zondwater besprengd, geschoren en hun kleren gewassen en offeranden voor hen gedaan werden. Zie de volgende verzen.
[^numeri-8-7-7]: Kanttekening 7: water van de ontzondiging: Dat is, water om te ontzondigen en naar de wet van de ceremoniën van zonden te reinigen. Zie van dit water onder, Num. 19:9 , waar het een water van de afzondering genaamd werd. Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^numeri-8-8-8]: Kanttekening 8: een jong rund: Hebreeuws, de zoon eens runds; en zo in het volgende.
[^numeri-8-10-9]: Kanttekening 9: de kinderen van Israël: Versta, de oversten van de stammen en enige voornaamsten, die in naam van de gehele gemeente dit en andere dergelijke dingen uitvoerden. Zie van de oplegging van de handen Gen. 48:14 , en Lev. 1:4 . Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^numeri-8-11-10]: Kanttekening 10: Dat is, offeren, schenken, of toeëigenen.
[^numeri-8-11-11]: Kanttekening 11: Zie van het beweegoffer, zo eigenlijk en bijzonder genoemd, Lev. 7:30 ; maar hier schijnt het Hebreeuwse woord in het algemeen genomen te zijn, voor wat aan God geofferd en toegeëigend wordt; in welke zin het staat Ex. 35:22 , en Ex. 38:24 , 38:29 ; en hier in vers 13 , 8:15 , 8:21 , hoewel de eerste betekenis \[naar sommiger gevoelen\] hier ook plaats zou mogen hebben, te weten, dat zij naar de vier hoeken van de wereld bewogen worden. Leviticus 7:30 : Zijn handen zullen de vuurofferen van YHWH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van YHWH te bewegen. Exodus 35:22 : Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer YHWH offerde, Exodus 38:24 : Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het gehele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom. Exodus 38:29 : Het koper nu van het beweegoffer was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkelen. Numeri 8:13 : En u zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en u zult hen bewegen ten beweegoffer YHWH. Numeri 8:15 : En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent van de samenkomst te bedienen; en u zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen. Numeri 8:21 : En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun kleren, en Aäron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.
[^numeri-8-14-c]: Verwijzing c: boven, Num. 3:45 . Numeri 3:45 : Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen van Israël, en de beesten van de Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH!
[^numeri-8-15-12]: Kanttekening 12: en u zult hen reinigen: Anders, als u hen gereinigd zult hebben, enz.
[^numeri-8-16-13]: Kanttekening 13: Zo boven, Num. 3:9 . Numeri 3:9 : U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen van Israël.
[^numeri-8-16-14]: Kanttekening 14: de opening van alle baarmoeder: Zie boven, Num. 3:12 . Numeri 3:12 : En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen van Israël; en de Levieten zullen van Mij zijn.
[^numeri-8-17-d]: Verwijzing d: boven, Num. 3:13 ; Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Ex. 34:19 ; Lev. 27:26 ; Lukas 2:23 . Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Lukas 2:23 : (Gelijk geschreven is in de wet van de Heern: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heer heilig genaamd worden.)
[^numeri-8-18-e]: Verwijzing e: boven, Num. 3:12 . Numeri 3:12 : En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen van Israël; en de Levieten zullen van Mij zijn.
[^numeri-8-19-15]: Kanttekening 15: tot een gift gegeven: Hebreeuws, gegevene gegeven.
[^numeri-8-19-16]: Kanttekening 16: om de dienst van de kinderen van Israël: Dat is, opdat zij door hun personen de plaats van de eerstgeborenen van de Israëlieten bewaren zouden; zie boven, Num. 3:7 ; en door hun dienst de zoenoffers bedienen, die voor allen naar gelegenheid gedaan moesten worden. Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^numeri-8-19-17]: Kanttekening 17: plage zij: Gelijk de koning Uzzia wedervaren is; 2 Kron. 26:18 . 2 Kronieken 26:18 : En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, YHWH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van YHWH God.
[^numeri-8-19-18]: Kanttekening 18: naderen zouden: Dat de Levieten daarom in hun naam doen moesten.
[^numeri-8-21-19]: Kanttekening 19: ontzondigden zich: Dat naar de wet van de ceremoniën geschiedde door wassingen, besprengingen en offeranden; Lev. 15:13 , 15:14 , 15:15 ; onder, Num. 19:11 , 19:12 , enz. Leviticus 15:13 : Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. Leviticus 15:14 : En op de achtste dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst komen, en zal ze de priester geven. Leviticus 15:15 : En de priester zal die bereiden, een ten zondoffer, en een ten brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht van YHWH, vanwege zijn vloed, verzoening doen. Numeri 19:11 : Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. Numeri 19:12 : Op de derde dag zal hij zich daarmee ontzondigen, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar als hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn.
[^numeri-8-21-20]: Kanttekening 20: bewoog hen ten beweegoffer: Zie boven, vers 11 . Numeri 8:11 : En Aäron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH, vanwege de kinderen van Israël; opdat zij zijn, om de dienst van YHWH te bedienen.
[^numeri-8-24-21]: Kanttekening 21: van vijf en twintig jaren oud: De Levieten waren, ten aanzien van hun ouderdom onderscheiden in vier hopen.
[^numeri-8-24-22]: Kanttekening 22: om de strijd te strijden: Zie boven, Num. 4:3 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen.
[^numeri-8-26-23]: Kanttekening 23: broers dienen: Dat is, de andere Levieten, die in de tabernakel dienden en nog geen vijftig jaren oud waren.
[^numeri-8-26-24]: Kanttekening 24: om de wacht waar te nemen: Dat is, om opzicht te nemen over degenen, die in de tabernakel dienden, teneinde dat alles met orde en stichting naar de wetten Gods, die daarvan waren, door hen uitgericht werd. Anders, om hun in hun dienst behulpzaam te wezen.

### Numeri 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/9.json)

*Verhaal van het pascha dat in de woestijn gehouden werd, vers 1, enz. en van hen die het pascha op de gewone dag niet hadden kunnen houden vanwege hun onreinheid, 6. Wet die voor zulke mensen en voor hen die op verre reizen zijn voorschrijft wat zij moesten doen; met verklaring van de tijd wanneer en de wijze hoe, 9. Straf van hen die zonder beletsel het op de vastgestelde tijd zouden nalaten, 13. Gebod voor de vreemdelingen die Jodengenoten zijn, dat zij het eveneens houden, 14. De wijze waarop God de Israelieten zijn tegenwoordigheid betuigde, 15. en ook hoe zij wisten wanneer zij moesten reizen en waar zij moesten legeren, 17.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn[^numeri-9-1-1] van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland vertrokken waren,[^numeri-9-1-2] in de eerste maand, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v1)

**2** Dat de Israëlieten het[^numeri-9-2-3][^numeri-9-2-a] pascha houden zouden, op zijn[^numeri-9-2-4] vastgestelde tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v2)

**3** Op de veertiende dag in deze maand,[^numeri-9-3-5] tussen twee avonden zult u dat houden, op zijn vastgestelde tijd; naar al zijn[^numeri-9-3-6] voorschriften, en naar al zijn rechten zult u dat houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v3)

**4** Mozes dan sprak tot de Israëlieten, dat zij het pascha zouden houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v4)

**5** En zij hielden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v5)

**6** Toen waren[^numeri-9-6-7] er mensen geweest, die over het dode lichaam van een mens[^numeri-9-6-8][^numeri-9-6-9] onrein waren, en[^numeri-9-6-10] op dezelfde dag het pascha niet hadden[^numeri-9-6-11] kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aäron op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v6)

**7** Die mensen zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam van een mens; waarom zouden wij[^numeri-9-7-12] verkort worden, dat wij[^numeri-9-7-13] de offergave van YHWH op zijn vastgestelde tijd niet zouden offeren, in het midden van de Israëlieten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v7)

**8** En Mozes zei tot hen: Blijf staande, dat ik hoor, wat YHWH u gebieden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v8)

**9** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v9)

**10** Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verre weg zal zijn, hij zal dan nog voor YHWH het pascha houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v10)

**11** In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en[^numeri-9-11-14] bittere saus zullen zij[^numeri-9-11-15] dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v11)

**12** Zij zullen[^numeri-9-12-b] daarvan niet overlaten tot de morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v12)

**13** Als een man, die rein is, en op de weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal die ziel[^numeri-9-13-16] uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offergave van YHWH op zijn vastgestelde tijd niet geofferd,[^numeri-9-13-17] die man zal zijn zonde dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v13)

**14** En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha voor YHWH ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar[^numeri-9-14-18] zijn wijze, zo zal hij het houden;[^numeri-9-14-c] het zal één inzetting voor u zijn, beiden de vreemdeling en de ingezetene van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v14)

**15** En[^numeri-9-15-d] op de dag van het oprichten van de[^numeri-9-15-19] tabernakel bedekte de wolk de tabernakel,[^numeri-9-15-20] op de tent[^numeri-9-15-21] van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v15)

**16** Zo gebeurde het steeds; de wolk[^numeri-9-16-22] bedekte hem,[^numeri-9-16-23] en in de nacht was er een gedaante van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v16)

**17** Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de Israëlieten; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar sloegen hun kamp op de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v17)

**18** Naar[^numeri-9-18-24] de mond van YHWH, verreisden de Israëlieten, en naar de mond van YHWH legerden zij zich;[^numeri-9-18-e] al de dagen, waarin de wolk over de tabernakel bleef, legerden zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v18)

**19** En als de wolk vele dagen over de tabernakel[^numeri-9-19-25] verbleef, zo[^numeri-9-19-26] namen de Israëlieten de wacht van YHWH waar, en verreisden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v19)

**20** Als het nu was, dat de wolk[^numeri-9-20-27] weinig dagen op de tabernakel was, naar de mond van YHWH legerden zij zich, en naar de mond van YHWH verreisden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v20)

**21** Maar was het, dat de wolk van de avond tot de morgen daar was, en de wolk in de morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of overdag, of in de nacht, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v21)

**22** Of als de wolk twee dagen, of een maand, of[^numeri-9-22-28] vele dagen vertoog op de tabernakel, blijvende daarop,[^numeri-9-22-f] zo sloegen hun kamp op de Israëlieten, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v22)

**23** Naar de mond van YHWH legerden zij zich, en naar de mond van YHWH verreisden zij; zij namen de wacht van YHWH waar, naar de mond van YHWH, door[^numeri-9-23-29] de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/9.html#v23)

[^numeri-9-1-1]: Kanttekening 1: sprak tot Mozes: Anders, had gesproken; en zo verder in het vervolg van deze tekst tot vers 7 toe, te weten, voor de telling van de Israëlieten, boven, Num. 1:1 beschreven; welke geschiedde op de tweede maand van het tweede jaar: maar dit verhaal wordt nu hier achter ingevoegd uit oorzaak van de onreine en reizende mensen, die het pascha in de eerste maand niet konden houden, en daarom tot de tweede maand uitgesteld werden. Zie onder, vers 11 . Numeri 9:7 : En diezelve mensen zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen van Israël? Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: Numeri 9:11 : In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten.
[^numeri-9-1-2]: Kanttekening 2: in de eerste maand: Genaamd bij de Hebreën Nisan, Neh. 2:1 ; Esth. 3:7 . Anders, Abib. Zie Ex. 13:4 , en Ex. 23:15 , en kwam meest overeen met onze Maart. Nehemia 2:1 : Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Esther 3:7 : In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen.
[^numeri-9-2-3]: Kanttekening 3: pascha houden zouden: Zie van dit woord Ex. 12:11 , en Lev. 23:5 . Exodus 12:11 : Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH.
[^numeri-9-2-a]: Verwijzing a: Ex. 12:1 ; Lev. 23:5 ; Num. 28:16 ; Deut. 16:2 . Exodus 12:1 : YHWH nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende: Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha YHWH. Deuteronomium 16:2 : Dan zult u YHWH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^numeri-9-2-4]: Kanttekening 4: gezetten tijd: Zie Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^numeri-9-3-5]: Kanttekening 5: tussen twee avonden: Zie van deze manier van spreken Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^numeri-9-3-6]: Kanttekening 6: Zie van deze Ex. 12 , Ex. 13 , en Lev. 23 .
[^numeri-9-6-7]: Kanttekening 7: mensen geweest: Onder het Hebreeuwse woord, eigenlijk betekenende mannen, zijn hier ook vrouwen begrepen, gelijk Gen. 39:11 , 39:14 . Genesis 39:11 : Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de mensen van het huis was daar binnenshuis. Genesis 39:14 : Zo riep zij de mensen van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons de Hebreeuwse man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luide stem;
[^numeri-9-6-8]: Kanttekening 8: het dode lichaam eens mensen: Hebreeuws, ziel. Zie Lev. 19:28 , en zo in vers 7 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Numeri 9:7 : En diezelve mensen zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen van Israël?
[^numeri-9-6-9]: Kanttekening 9: onrein waren: Te weten, naar de wet van de ceremoniën betekenende de geestelijke onreinheid. Versta dan die onrein waren, omdat zij een dood lichaam aangeroerd hadden, of in het huis, waarin een dode was, waren ingegaan of het lijk ten grave vergezelschapt hadden. Zie Lev. 21:1 , 21:11 . Leviticus 21:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Leviticus 21:11 : Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.
[^numeri-9-6-10]: Kanttekening 10: op dezelfde dag: Dat is, op de ordinaire en gezetten dag.
[^numeri-9-6-11]: Kanttekening 11: kunnen houden: Zie Lev. 7:20 , waar de onreinen verboden wordt van de dankoffers te eten. Leviticus 7:20 : Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.
[^numeri-9-7-12]: Kanttekening 12: verkort worden: Of, achtergehouden, of afgehouden worden.
[^numeri-9-7-13]: Kanttekening 13: de offerande van YHWH: Versta, het paaslam, dat zo genoemd wordt vers 7 en onder, vers 13 , en Ex. 12:27 , eensdeels omdat het slachten daarvan naar het bevel Gods geschiedde, om de gedachtenis van hun verlossing uit Egypte te onderhouden, en daarvoor voor God dankzegging te offeren; Ex. 12:27 ; anderdeels, omdat die slachting een voorbeeld is geweest van de offerande van onze Heer Jezus Christus; 1 Kor. 5:7 . Numeri 9:7 : En diezelve mensen zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen van Israël? Numeri 9:13 : Als een man, die rein is, en op de weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen. Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
[^numeri-9-11-14]: Kanttekening 14: bittere saus: Hebreeuws, bitterheden.
[^numeri-9-11-15]: Kanttekening 15: dat eten: Te weten, het pascha; dat is, voorbijgang. Zie ook deze manier van spreken Deut. 16:7 ; 2 Kron. 30:18 ; Joh. 18:28 , en versta het paaslam, dat een voorbijgang genoemd wordt, om de reden vermeld Lev. 23:5 ; dezelfde wijze van spreken is: het pascha slachten, Ex. 12:21 ; Deut. 16:2 , 16:6 ; het pascha koken; Deut. 16:7 . Deuteronomium 16:7 : Dan zult u het koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u u 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten. 2 Kronieken 30:18 : Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: YHWH, die goed is, make verzoening voor die. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH. Exodus 12:21 : Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha. Deuteronomium 16:2 : Dan zult u YHWH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen. Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte. Deuteronomium 16:7 : Dan zult u het koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u u 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten.
[^numeri-9-12-b]: Verwijzing b: Ex. 12:46 ; Joh. 19:33 ; idem v. 36 . Exodus 12:46 : In een huis zal het gegeten worden; u zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en u zult geen been daaraan breken. Johannes 19:33 : Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet. Johannes 19:36 : Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
[^numeri-9-13-16]: Kanttekening 16: uit haar volken uitgeroeid worden: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^numeri-9-13-17]: Kanttekening 17: diezelve man zal zijn zonden dragen: Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^numeri-9-14-18]: Kanttekening 18: zijn wijze: Zie Lev. 5:10 . Leviticus 5:10 : En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
[^numeri-9-14-c]: Verwijzing c: Ex. 12:49 . Exodus 12:49 : Enerlei wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.
[^numeri-9-15-d]: Verwijzing d: Ex. 40:34 . Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel.
[^numeri-9-15-19]: Kanttekening 19: wolk de tabernakel: Zie van deze Ex. 13:21 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, 's daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en 's nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^numeri-9-15-20]: Kanttekening 20: op de tent: Dat is, niet eigenlijk over de voorhof maar enigszins over het heilige, maar voornamelijk over het allerheiligste, waar de ark van het getuigenis was.
[^numeri-9-15-21]: Kanttekening 21: van het getuigenis: Zie boven, Num. 1:50 . Numeri 1:50 : Maar u, stel de Levieten over de tabernakel van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren.
[^numeri-9-16-22]: Kanttekening 22: Te weten, op de dag, gelijk te zien is Ex. 13:21 , en af te nemen uit vers 15 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, 's daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en 's nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Numeri 9:15 : En op de dag van het oprichten van het tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen.
[^numeri-9-16-23]: Kanttekening 23: Te weten, tabernakel.
[^numeri-9-18-24]: Kanttekening 24: de mond van YHWH: Dat is, naar het bevel of voorschrift van de Heer. Versta, naardat God door de wolk, die een teken van zijn aanwezigheid was, te kennen gaf, hetzij zij verheven werd of stilstond. Want dat was de Israëlieten als een bevel van de Heer, dat zij in het verreizen en in het blijven volgen moesten.
[^numeri-9-18-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 10:1 . 1 Korinthiërs 10:1 : En ik wil niet, broers, dat u onwetende bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
[^numeri-9-19-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, verlengde.
[^numeri-9-19-26]: Kanttekening 26: namen de kinderen van Israël: Dat is, zij onderhielden naarstiglijk in de tabernakel de oefening van allen godsdienst. Vergelijk Lev. 8:35 , en boven, Num. 3:7 ; zij namen ook acht op wat de Heer deed, namelijk of Hij de wolk deed verheffen of liet rusten, waarnaar zij òf verreizen, òf stil blijven moesten. Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^numeri-9-20-27]: Kanttekening 27: weinige dagen: Hebreeuws, dagen van het getal; dat is, weinige. Zie deze manier van spreken Gen. 34:30 , en de aantekeningen. Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^numeri-9-22-28]: Kanttekening 28: vele dagen: Hebreeuws, dagen. Dit woord alleen gesteld zijnde, betekent somtijds enige of vele dagen. Zie Gen. 4:3 , of een geheel jaar. Zie Lev. 25:29 . Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH offer bracht. Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^numeri-9-22-f]: Verwijzing f: Ex. 40:36 ; idem v. 37 . Exodus 40:36 : Als nu de wolk opgeheven werd van boven de tabernakel, zo reisden de kinderen van Israël voort in al hun reizen. Exodus 40:37 : Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op de dag, dat zij opgeheven werd.
[^numeri-9-23-29]: Kanttekening 29: de hand van Mozes: Dat is, door de dienst van Mozes. Zie Ex. 4:13 , en Lev. 8:36 . Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zoudt zenden. Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.

### Numeri 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/10.json)

*Gebod om twee zilveren trompetten te maken, met aanwijzing waartoe, wanneer, hoe, door wie en met welk goed gevolg zij gebruikt zouden worden, vers 1, 2, enz. Verhaal van het opbreken van de Israelieten uit de woestijn Sinai naar de woestijn Paran, 11. In welke orde zij gereisd zijn, 14. Het verzoek van Mozes aan Hobab, zijn schoonvader, dat hij met hem mee wilde trekken, 29. Voortgang van de reis, 33. Het gebed dat Mozes gebruikte wanneer de ark verplaatst en neergezet werd, 35.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v1)

**2** Maak u[^numeri-10-2-1] twee zilveren trompetten; van[^numeri-10-2-2] dicht werk zult u ze maken; en zij zullen u zijn[^numeri-10-2-3] tot de samenroeping van de vergadering, en tot de optocht van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v2)

**3** Als[^numeri-10-3-4] zij[^numeri-10-3-5] daarmee blazen zullen, dan zal de hele[^numeri-10-3-6] gemeenschap tot u verzameld worden, aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v3)

**4** Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u verzameld worden de oversten, de hoofden van de duizenden van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v4)

**5** Als u met[^numeri-10-5-7] een gebroken geklank[^numeri-10-5-8] blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v5)

**6** Maar als u voor de tweede keer met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v6)

**7** Maar in het verzamelen van de gemeente, zult u blazen, maar geen gebroken geklank maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v7)

**8** En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u zijn tot[^numeri-10-8-9] een eeuwige inzetting bij uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v8)

**9** En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken;[^numeri-10-9-10] zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, van uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v9)

**10** Evenzo op de dag van uw[^numeri-10-10-11] vrolijkheid, en in uw[^numeri-10-10-12] vastgestelde hoogtijden, en aan het[^numeri-10-10-13] begin van elke maand, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandoffers, en over uw dankoffers; en zij zullen u[^numeri-10-10-14] ter herinnering zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v10)

**11** En het gebeurde in het tweede jaar, in de[^numeri-10-11-15] tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de[^numeri-10-11-16] wolk verheven werd van boven de tabernakel[^numeri-10-11-17] van het getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v11)

**12** En de Israëlieten trokken op,[^numeri-10-12-18] naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk[^numeri-10-12-20] bleef in de woestijn Paran.[^numeri-10-12-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v12)

**13** Zo trokken zij allereerst op, naar de[^numeri-10-13-22] mond van YHWH, door de hand van Mozes.[^numeri-10-13-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v13)

**14** Want allereerst trok op de banier van het leger van de kinderen van Juda, naar hun legers; en over zijn leger was Nahesson, de zoon van Amminadab.[^numeri-10-14-23][^numeri-10-14-a][^numeri-10-14-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v14)

**15** En over het leger van de stam van de kinderen van Issaschar was Nethaneël, de zoon van Zuar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v15)

**16** En over het leger van de stam van de kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v16)

**17** Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari trokken op, dragende de tabernakel.[^numeri-10-17-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v17)

**18** Daarna trok de banier van het leger van Ruben, naar hun legers; en over zijn leger was Elizur, de zoon van Sedeür. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v18)

**19** En over het leger van de stam van de kinderen van Simeon was Selumiël, de zoon van Zurisaddai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v19)

**20** En over het leger van de stam van de kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v20)

**21** Toen trokken op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten de tabernakel op, tegen dat deze kwamen.[^numeri-10-21-c][^numeri-10-21-25][^numeri-10-21-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v21)

**22** Daarna trok op de banier van het leger van de kinderen van Efraïm, naar hun legers; en over het leger was Elisama, de zoon van Ammihud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v22)

**23** En over het leger van de stam van de kinderen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v23)

**24** En over het leger van de stam van de kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v24)

**25** Toen trok op de banier van het leger van de kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun legers; en over zijn leger was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai.[^numeri-10-25-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v25)

**26** En over het leger van de stam van de kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v26)

**27** En over het leger van de stam van de kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v27)

**28** Dit waren de tochten van de Israëlieten, naar hun legers, als zij reisden.[^numeri-10-28-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v28)

**29** Mozes nu[^numeri-10-29-30] zei tot[^numeri-10-29-31] Hobab, de zoon[^numeri-10-29-32] van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.[^numeri-10-29-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v29)

**30** Maar hij zei tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn familie gaan.[^numeri-10-30-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v30)

**31** En hij zei: Verlaat ons toch niet; want omdat u weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn.[^numeri-10-31-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v31)

**32** En het zal gebeuren, als u met ons zult gaan, en het goede gebeuren zal, waarmee YHWH bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v32)

**33** Zo trokken zij drie dagreizen van de[^numeri-10-33-36] berg van YHWH; en de ark van[^numeri-10-33-37] het verbond van YHWH reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.[^numeri-10-33-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v33)

**34** En de wolk van YHWH was overdag over hen, als zij uit het leger verreisden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v34)

**35** Het gebeurde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zei: Sta op, YHWH! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw vijanden van Uw aangezicht vluchten![^numeri-10-35-d][^numeri-10-35-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v35)

**36** En als zij rustte, zei hij:[^numeri-10-36-40] Kom weer, YHWH! tot de tien duizenden van de duizenden van Israël![^numeri-10-36-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/10.html#v36)

[^numeri-10-2-1]: Kanttekening 1: twee zilveren trompetten: Waarvan het gebruik drieërlei was: I. Om de vergadering samen te roepen, vers 2 ; te weten, de kerkelijke, vers 3 , 10:7 , 10:10 ; en de burgerlijke, vers 4 ; II. Om het leger te doen verreizen, vers 2 ,5,6; III. Om de krijgslieden te doen wapenen en op te maken ten strijde tegen de vijanden, vers 9 . Numeri 10:2 : Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult u ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping van de vergadering, en tot de optocht van de legers. Numeri 10:3 : Als zij daarmee blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent van de samenkomst. Numeri 10:7 : Maar in het verzamelen van de gemeente, zult u blazen, maar geen gebroken geklank maken. Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben YHWH, uw God! Numeri 10:4 : Maar als zij met de één zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden van de duizenden van Israël. Numeri 10:2 : Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult u ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping van de vergadering, en tot de optocht van de legers. Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.
[^numeri-10-2-2]: Kanttekening 2: dicht werk: Of, geslagen werk. Zie boven, Num. 8:4 , waar gesproken wordt van de kandelaar, die van dicht goud gemaakt was. Numeri 8:4 : Dit werk nu van de kandelaar was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die YHWH Mozes vertoond had, zo had hij de kandelaar gemaakt.
[^numeri-10-2-3]: Kanttekening 3: tot de samenroeping van de vergadering: Dat is, om de vergadering samen te roepen, en de legers te doen optrekken.
[^numeri-10-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, de priesters, wie dat te doen toekwam. Zie onder, vers 8 . Numeri 10:8 : En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.
[^numeri-10-3-5]: Kanttekening 5: daarmee: Dat is, met beiden, gelijk blijkt uit de vergelijking met vers 4 . Numeri 10:4 : Maar als zij met de één zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-10-3-6]: Kanttekening 6: blazen zullen: Te weten, niet met een gebroken toon, gelijk onder, vers 5 , 10:6 , 10:7 , maar met een effen en gelijk doorgaand geluid; gelijk uit de tegenstelling in dezelfde verzen af te nemen is. Numeri 10:5 : Als u met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. Numeri 10:6 : Maar als u ten tweede male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. Numeri 10:7 : Maar in het verzamelen van de gemeente, zult u blazen, maar geen gebroken geklank maken.
[^numeri-10-5-7]: Kanttekening 7: een gebroken geklank: Versta hierdoor, wat niet altijd enerlei effen en degelijk, maar verscheiden, tusschen-gesneden, bevende en ongelijk geluid maakt. En zo wordt het Hebreeuwse woord genomen in vers 6 , 10:7 , 10:9 . Numeri 10:6 : Maar als u ten tweede male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. Numeri 10:7 : Maar in het verzamelen van de gemeente, zult u blazen, maar geen gebroken geklank maken. Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.
[^numeri-10-5-8]: Kanttekening 8: blazen zult: Te weten, op de eerste reis, gelijk af te nemen is uit de tegenstelling van vers 6 . Numeri 10:6 : Maar als u ten tweede male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.
[^numeri-10-8-9]: Kanttekening 9: een eeuwige inzetting: Hebreeuws, inzetting van de eeuwigheid. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^numeri-10-9-10]: Kanttekening 10: zo zal aan u gedacht worden: Versta, niet dat de verlossing en het welvaren van het volk aan het blazen van de trompetten hing, maar dat zij deze niet moesten laten luiden, en ten strijde trekken dan naar Gods bevel en op zijn hulp steunende; in welk geval het geklank van de trompetten hun een teken werd van Gods bijstand. Hoe de gedachtenis aan God toegeschreven wordt, zie Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^numeri-10-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, wanneer YHWH nu een merkelijke straf afgenomen, of zonderlinge weldaad bewezen zal hebben; waarover zij dan vrolijk waren en God openlijk in de vergadering dankten. Zie Ps. 48 , en Ps. 118 .
[^numeri-10-10-12]: Kanttekening 12: vastgestelde hoogtijden: In welke hun de eerlijke vreugde niet alleen toegelaten, maar ook bevolen was; Deut. 16:14 . Deuteronomium 16:14 : En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.
[^numeri-10-10-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, hoofden; zo onder, Num. 28:11 . Zie hiervan een exempel Neh. 8 , vergelijk vers 1 met vers 10 en 11. Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
[^numeri-10-10-14]: Kanttekening 14: ter gedachtenis zijn: De zin is, dat de Heer hun genadig zou wezen en goeddoen, wanneer zij naar zijn bevel samen zouden komen, om Hem voor zijn weldaden te loven en te danken. Vergelijk hiermee vers 9 en de aantekeningen. Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.
[^numeri-10-11-15]: Kanttekening 15: tweede maand: Zie van deze maand boven, Num. 1:1 . Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:
[^numeri-10-11-16]: Kanttekening 16: de wolk: Van welke gesproken is boven, Num. 9:15 . Numeri 9:15 : En op de dag van het oprichten van het tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen.
[^numeri-10-11-17]: Kanttekening 17: van het getuigenis: Zie boven, Num. 1:50 . Numeri 1:50 : Maar u, stel de Levieten over de tabernakel van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren.
[^numeri-10-12-18]: Kanttekening 18: naar hun tochten: Dat is, in zulke orde, gelijk God hun te reizen bevolen en voorgeschreven had; boven, Num. 2 .
[^numeri-10-12-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 14:6 . Voordat de kinderen van Israël tenvolle in deze woestijn kwamen, hadden zij tevoren nog een legerplaats gehad, genaamd Tabera, onder, Num. 11:3 . Daarna nog een andere, genaamd Kibroth-Taäva, onder, Num. 11:34 , en nog een derde, genaamd Hazeroth, onder, Num. 11:35 . Vandaar zijn zij eindelijk gekomen in de woestijn Paran, onder Num. 12:16 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. Numeri 11:3 : Daarom noemde hij de naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur van YHWH onder hen gebrand had. Numeri 11:34 : Daarom heet men de naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. Numeri 11:35 : Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth. Numeri 12:16 : Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.
[^numeri-10-12-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, woonde, dat is, rustte.
[^numeri-10-13-22]: Kanttekening 22: hand van Mozes: Dat is, dienst of beleid. Zie Ex. 4:13 . Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zoudt zenden.
[^numeri-10-13-21]: Kanttekening 21: Dat is, bevel. Zie Gen. 41:40 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^numeri-10-14-23]: Kanttekening 23: vooreerst toog: Dat is, naar de orde, die in het leger van Juda gesteld was, zijnde daarin oversten van duizenden en van honderden. Zo in het volgende.
[^numeri-10-14-a]: Verwijzing a: boven, Num. 2:3 . Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van de leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn.
[^numeri-10-14-b]: Verwijzing b: boven, Num. 1:7 . Numeri 1:7 : Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.
[^numeri-10-17-24]: Kanttekening 24: togen op: Deze vertrokken straks na de banier van de kinderen van Juda, opdat zij ondertussen de tabernakel zouden oprichten, tegen dat de Kohathieten zouden komen, die het heiligdom of de heilige vaten met het lijf moesten dragen. Zie vers 21 . Numeri 10:21 : Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten de tabernakel op, tegen dat deze kwamen.
[^numeri-10-21-c]: Verwijzing c: boven, Num. 4:4 . Numeri 4:4 : Dit zal de dienst zijn van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden.
[^numeri-10-21-25]: Kanttekening 25: de anderen : Namelijk, de Gersonieten en Merarieten, die voorgetogen waren met het leger van de stam van Juda, gelijk te zien is uit vers 17 . Numeri 10:17 : Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende de tabernakel.
[^numeri-10-21-26]: Kanttekening 26: Namelijk, de Kohathieten.
[^numeri-10-25-27]: Kanttekening 27: samensluitende al de legers: Hebreeuws, vergaderende al de legers. Dit werd aldus gesteld, omdat de stam Dan met de twee anderen hem bijgevoegd, de achtertocht maakten, en zo al de voorgaanden gelijk besloten heeft, opdat niemand zou achterblijven. Aldus werd ook van de achtertocht gesproken Joz. 6:13 . Jozua 6:13 : En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark van YHWH, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark van YHWH na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.
[^numeri-10-28-28]: Kanttekening 28: Dit waren de tochten van de kinderen van Israël: Dat is, dit was de orde, die de Israëlieten hielden in het verreizen en voorttrekken.
[^numeri-10-29-30]: Kanttekening 30: Men houdt deze geweest te zijn dezelfde, die, Ex. 18:1 , Jethro werd genaamd. Exodus 18:1 : Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had: dat YHWH Israël uit Egypte uitgevoerd had;
[^numeri-10-29-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, Reüel, of Reguel.
[^numeri-10-29-32]: Kanttekening 32: het goede gesproken: Vergelijk Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^numeri-10-29-29]: Kanttekening 29: Of, had gezegd; want sommigen menen dat dit geschied is toen hij eerst tot hem in de woestijn gekomen was; Ex. 18:27 . Exodus 18:27 : Toen liet Mozes zijn schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land.
[^numeri-10-30-33]: Kanttekening 33: Ik zal niet gaan: Enige menen dat hij dit absolutelijk weigert alleen voor die tijd, en dat hij eerst wilde naar huis gaan, maar daarna zou teruggekeerd zijn tot de Israëlieten, omdat de Schrift vermeldt dat zijn nakomelingen onder hen gewoond hebben; Richt. 1:16 , en Richt. 4:11 , 4:17 ; 1 Sam. 15:6 ; 2 Kron. 10:15 ; 1 Kron. 2:55 ; Jer. 35:2 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. Richteren 4:11 : Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in Zaanaim, die bij Kedes is. Richteren 4:17 : Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet. 1 Samuël 15:6 : En Saul liet de Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten. 2 Kronieken 10:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat YHWH Zijn woord bevestigde, dat Hij door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 1 Kronieken 2:55 : En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab. Jeremia 35:2 : Ga heen tot het huis van de Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van YHWH, in één van de kamers, en geef hun wijn te drinken.
[^numeri-10-31-34]: Kanttekening 34: tot ogen zijn: Hebreeuws, tot twee ogen; dat is, tot een bekwaam leidsman of wegwijzer, om ons door deze ongebaanden, onbekenden en woesten weg, die u beter dan ons bekend is, ten beste te geleiden. Anders, en u bent onze ogen geweest.
[^numeri-10-33-36]: Kanttekening 36: verbonds van YHWH: Zo genoemd, omdat in deze waren de twee stenen tafelen, die Mozes er in gelegd had toen de Heer een verbond maakte met de kinderen van Israël uit Egypte trekkende naar het land Kanaän, Ex. 25:16 ; 1 Kon. 8:9 ; 2 Kron. 5:10 . Exodus 25:16 : Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal. 1 Koningen 8:9 : Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren. 2 Kronieken 5:10 : Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.
[^numeri-10-33-37]: Kanttekening 37: reisde voor hun aangezicht: Te weten, gedragen zijnde door de priesters; Deut. 31:9 . Deuteronomium 31:9 : En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van YHWH droegen, en aan alle oudsten van Israël.
[^numeri-10-33-35]: Kanttekening 35: berg van YHWH: Versta, het gebergte van Sinaï en Horeb, genaamd de berg van de Heer, omdat zich God daar geopenbaard en zijn wet gegeven had. Zie Ex. 3:1 , en Ex. 33:6 ; Deut. 1:2 ; 1 Kon. 19:8 . Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. Exodus 33:6 : De kinderen van Israël dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van de berg Horeb. Deuteronomium 1:2 : Elf dag reizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-barnea. 1 Koningen 19:8 : Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb.
[^numeri-10-35-d]: Verwijzing d: Ps. 68:2 . Psalmen 68:2 : God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vluchten.
[^numeri-10-35-38]: Kanttekening 38: laat Uw vijanden verstrooid worden: Anders, uw vijanden zullen verstrooid worden, enz.
[^numeri-10-36-40]: Kanttekening 40: tien duizenden van de duizenden van Israël: Dat is, tot de zeer grote menigte van de kinderen van Israël, die bijna ontallijk is.
[^numeri-10-36-39]: Kanttekening 39: Kom weer, YHWH: Anders, rust Heer bij de tien, enz.

### Numeri 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/11.json)

*Gemopper van het volk, met de straf, afloop en gevolgen daarvan, vers 1, enz. Nog een ander gemopper, voortkomend uit verlangen naar vlees en ander voedsel, met verachting van het manna, 4. dat hier beschreven wordt, 7. Mozes klaagt hierover bij God en wenst van zijn ambt ontslagen te worden, 10. God gebiedt dat hij zeventig van de oudsten van Israel voor de tabernakel zou verzamelen, die hem de last zouden helpen dragen, 16. Hij belooft het volk vlees te eten te geven, 18. berispt Mozes, omdat het hem onmogelijk leek, 21. De zeventig mannen worden geroepen en met nodige gaven begiftigd, 24. God geeft de Israelieten kwartels, die zij eten, 31. maar zij worden daarover met een grote plaag getroffen, 33. en zij trekken verder, 35.*

**1** En[^numeri-11-1-a] het gebeurde,[^numeri-11-1-1] als het volk zich was beklagende,[^numeri-11-1-2] dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak,[^numeri-11-1-b] en[^numeri-11-1-3] het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v1)

**2** Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot YHWH; en het vuur werd gedempt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v2)

**3** Daarom noemde hij de naam van die plaats[^numeri-11-3-4] Thab-era, omdat het vuur van YHWH onder hen gebrand had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v3)

**4** En[^numeri-11-4-5][^numeri-11-4-c] het gemene volk, dat in het midden van hen was,[^numeri-11-4-6] werd met lust bevangen;[^numeri-11-4-7] daarom zo huilden ook de Israëlieten opnieuw, en zeiden:[^numeri-11-4-d] Wie zal ons vlees te eten geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v4)

**5** Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de uien, en aan het knoflook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v5)

**6** Maar nu is onze[^numeri-11-6-8][^numeri-11-6-9] ziel dor, er is niet met al,[^numeri-11-6-10] behalve dit Man voor onze ogen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v6)

**7** [^numeri-11-7-e] Het Man nu was als korianderzaad, en zijn[^numeri-11-7-11] kleur was als de kleur van de bedolah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v7)

**8** Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stootte het in mortieren, en kookte het in[^numeri-11-8-12] potten, en maakte daarvan[^numeri-11-8-13] koeken; en zijn smaak was als de[^numeri-11-8-14] smaak van de beste vochtigheid van de olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v8)

**9** En wanneer de dauw in de nacht op het leger neerviel, viel het Man daarop neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v9)

**10** Toen hoorde Mozes het volk huilen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur van zijn hut; en de toorn van YHWH ontstak zeer; ook[^numeri-11-10-15] was het kwaad in de ogen van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v10)

**11** En Mozes zei tot YHWH: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen[^numeri-11-11-16] genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit hele volk op mij legt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v11)

**12** Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het[^numeri-11-12-17] gebaard? dat U tot mij zou zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaders gezworen hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v12)

**13** Vanwaar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij huilen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v13)

**14** Ik alleen kan[^numeri-11-14-18] al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v14)

**15** En als U zo aan mij doet,[^numeri-11-15-19] dood mij toch slechts, als ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn[^numeri-11-15-20] ongeluk niet aanzien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v15)

**16** En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit[^numeri-11-16-21] de oudsten van Israël, die u weet,[^numeri-11-16-22] dat zij de oudsten van het volk en daarvan voormannen zijn; en u zult[^numeri-11-16-24] hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.[^numeri-11-16-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v16)

**17** Zo zal Ik[^numeri-11-17-25] afkomen en met u daar spreken; en[^numeri-11-17-26] van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v17)

**18** En tot het volk zult u zeggen:[^numeri-11-18-27] Heiligt u tegen morgen, en u zult vlees eten; want u hebt voor de oren van YHWH geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het[^numeri-11-18-28] ging ons wel in Egypte! Daarom zal YHWH u vlees geven, en u zult eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v18)

**19** U zult niet één dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v19)

**20** Tot een[^numeri-11-20-29] hele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; omdat u YHWH, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende:[^numeri-11-20-f] Waarom[^numeri-11-20-30] nu zijn wij uit Egypte getogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v20)

**21** En Mozes zei:[^numeri-11-21-31] Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in het midden waarvan ik ben; en U hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen[^numeri-11-21-32] een hele maand eten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v21)

**22** [^numeri-11-22-g] Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen[^numeri-11-22-33] genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v22)

**23** Maar YHWH zei tot Mozes:[^numeri-11-23-h] Zou dan de hand van YHWH verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u overkomen zal, of niet.[^numeri-11-23-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v23)

**24** En Mozes ging uit, en sprak de woorden van YHWH tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk, en[^numeri-11-24-35] stelde hen rondom de tent.[^numeri-11-24-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v24)

**25** Toen kwam YHWH af in de wolk,[^numeri-11-25-37] en sprak tot hem, en afzonderende van de[^numeri-11-25-38] Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het gebeurde, als de Geest op hen rustte, dat[^numeri-11-25-39] zij profeteerden, maar[^numeri-11-25-40] daarna niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v25)

**26** Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; van de ene naam was Eldad, en van de andere naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de[^numeri-11-26-41] aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v26)

**27** Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zei: Eldad en Medad profeteren in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v27)

**28** En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, één[^numeri-11-28-42] van zijn uitgelezen jongemannen, antwoordde en zei: Mijn heer Mozes, verbied hun! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v28)

**29** Maar Mozes zei tot hem:[^numeri-11-29-43] Bent u voor mij ijverende?[^numeri-11-29-44] Och, of al het volk van YHWH profeten waren, dat YHWH Zijn Geest over hen gave! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v29)

**30** Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v30)

**31** Toen[^numeri-11-31-i] voer een wind uit van YHWH, en raapte kwartels van de zee, en strooide ze bij het leger, ongeveer een dagreize herwaarts, en ongeveer een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren ongeveer twee ellen boven de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v31)

**32** Toen maakte zich het volk op, die hele dag, en die hele nacht, en de gehele volgende dag, en verzamelden de kwartels; die het minst had, had tien[^numeri-11-32-45] homers verzameld; en zij[^numeri-11-32-46] spreidden ze voor zich van elkaar rondom het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v32)

**33** [^numeri-11-33-k] Dat vlees was nog tussen hun tanden,[^numeri-11-33-47] voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v33)

**34** Daarom heet men de naam van die plaats[^numeri-11-34-48] Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v34)

**35** Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar[^numeri-11-35-49] Hazeroth; en zij[^numeri-11-35-50] bleven in Hazeroth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/11.html#v35)

[^numeri-11-1-a]: Verwijzing a: Deut. 9:22 . Deuteronomium 9:22 : Ook vertoornde u YHWH zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-thaava.
[^numeri-11-1-1]: Kanttekening 1: als het volk zich was beklagende: Anders, en het volk was als zich beklagende; dat is, zeer klagend; of, zich treurig, moeilijk, ongezind, met veel tegenspreken aanstellende. De oorzaak hiervan schijnt geweest te zijn het ongemak en de moeilijkheid van de reis.
[^numeri-11-1-2]: Kanttekening 2: dat het kwaad was: Dat is, mishaagde de Heer. Zo wordt iemand gezegd kwaad te zijn in de ogen van de Heer, voor degenen, die Hem mishaagt. Zie Gen. 38:7 . Vergelijk onder, vers 10 , en de aantekeningen. Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH. Numeri 11:10 : Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur van zijn hut; en de toorn van YHWH ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.
[^numeri-11-1-b]: Verwijzing b: Ps. 78:21 . Psalmen 78:21 : Daarom hoorde YHWH, en werd toornig; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;
[^numeri-11-1-3]: Kanttekening 3: het vuur van YHWH onder hen ontbrandde: Dat de Heer uit de hemel over hen wonderbaarlijk had doen vallen, hetzij door de bliksem of anders, zodat zij wel bemerkten dat het van de Heer voortkwam, om hen over hun boos en verkeerd klagen te straffen. Vergelijk 2 Kon. 1:10 , en zie de aantekeningen. 2 Koningen 1:10 : Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Als ik dan een man van God ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen.
[^numeri-11-3-4]: Kanttekening 4: Dit woord betekent aansteking, of brand. Hier is geweest een legerplaats van de kinderen van Israël, anders genoemd Kibroth-Taäva; onder, vers 34 , 11:35 , en Num. 33:16 . De verscheidenheid van de namen geeft ons te kennen de verscheidene gelegenheden van de legerplaatsen, zijnde Tab-Era bij Egypte, en Kibroth-Taäva bij Kanaän gelegen. In de telling van de legerplaatsen wordt Tab-Era verzwegen en Kibroth-Taäva alleen genoemd; onder, Num. 33:16 . Numeri 11:34 : Daarom heet men de naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. Numeri 11:35 : Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth. Numeri 33:16 : En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en legerden zich in Kibroth-thaava. Numeri 33:16 : En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en legerden zich in Kibroth-thaava.
[^numeri-11-4-5]: Kanttekening 5: het gemene volk: Of, de samenroepende, of bijeen rottende menigte. Versta door deze, die met de Israëlieten uit Egypte gekomen en aan het voedsel van dat land gewoon waren, en nu aan de Israëlieten oorzaak tot murmurering gaven. Zie van deze Ex. 12:38 . Exodus 12:38 : En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, geheel veel vee.
[^numeri-11-4-c]: Verwijzing c: Ex. 12:38 ; Ps. 106:14 ; 1 Kor. 10:6 . Exodus 12:38 : En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, geheel veel vee. Psalmen 106:14 : Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis. 1 Korinthiërs 10:6 : En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals als zij lust gehad hebben.
[^numeri-11-4-6]: Kanttekening 6: werd met lust bevangen: Hebreeuws, zij waren met lust belust, of belustten de lust; dat is, zij waren zeer belust om vlees te eten. Zie 2 Kron. 36:14 . 2 Kronieken 36:14 : Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
[^numeri-11-4-7]: Kanttekening 7: zo weenden ook de kinderen van Israël: Hebreeuws, daarom keerden en weenden ook de kinderen van Israël; dat is, weenden opnieuw. Het woord keren, bij een ander werkwoord gesteld zijnde, betekent dikwijls anders niet dan het vernieuwen en weer doen van hetzelfde werk.
[^numeri-11-4-d]: Verwijzing d: Ex. 16:3 . Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden.
[^numeri-11-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, leven. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uw levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^numeri-11-6-9]: Kanttekening 9: Dat is versmacht door gebrek aan verversing en vernieuwing van voedsel.
[^numeri-11-6-10]: Kanttekening 10: behalve dit Man voor onze ogen: Hebreeuws, behalve onze ogen tot het man; dat is, onze ogen zien niets dan het man.
[^numeri-11-7-e]: Verwijzing e: Ex. 16:14 ; idem v. 31 ; Ps. 78:24 ; Joh. 6:31 ; idem v. 49 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. Exodus 16:31 : En het huis van Israël noemde daarvan naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken. Psalmen 78:24 : En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. Johannes 6:31 : Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten. Johannes 6:49 : Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.
[^numeri-11-7-11]: Kanttekening 11: verf was als de verf van de bedolah: Hebreeuws, oog; want de verf wordt met het oog gezien. De zin is, dat het man in zijn uiterlijke gedaante de kleur had van bedolah; zie daarvan Gen. 2:12 . Het is gelooflijk, dat de naam bedolah hier betekent de gom, die uit de boom van deze naam droop en zeer doorzichtig was. Genesis 2:12 : En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.
[^numeri-11-8-12]: Kanttekening 12: Of, ketels.
[^numeri-11-8-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^numeri-11-8-14]: Kanttekening 14: smaak van de beste vochtigheid van de olie: Dat is, het bovenste van de olie, dat van de droesem vrij was en zekere zoetigheid had. Zie Ex. 16:31 . Exodus 16:31 : En het huis van Israël noemde daarvan naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken.
[^numeri-11-10-15]: Kanttekening 15: was het kwaad in de ogen van Mozes: Dat is, het mishaagde hem. Zie van de manier van spreken Gen. 21:11 , en vergelijk boven de aantekeningen vers 1 . Genesis 21:11 : En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon. Numeri 11:1 : En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van het leger.
[^numeri-11-11-16]: Kanttekening 16: genade in Uw ogen gevonden: Zie Gen. 6:8 ; zo onder, vers 15 . Genesis 6:8 : Maar Noach vond genade in de ogen van YHWH. Numeri 11:15 : En als U zo aan mij doet, dood mij toch slechts, als ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!
[^numeri-11-12-17]: Kanttekening 17: Of, gegenereerd.
[^numeri-11-14-18]: Kanttekening 18: al dit volk niet dragen: Dat is, al de last van dit volk. Zie vers 11 . Numeri 11:11 : En Mozes zei tot YHWH: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit gehele volk op mij legt?
[^numeri-11-15-19]: Kanttekening 19: dood mij toch slechts: Hebreeuws, dood mij toch dodende; dat is, laat mij maar ten eerste sterven, opdat ik van deze last ontslagen zij.
[^numeri-11-15-20]: Kanttekening 20: ongeluk niet aanzien: Hebreeuws, mijn kwaad; dat is, mijn verdriet en kwalijk varen. Vergelijk de aantekeningen Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^numeri-11-16-21]: Kanttekening 21: de oudsten van Israël: Zie van deze Ex. 3:16 , en Lev. 4:15 . Exodus 3:16 : Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^numeri-11-16-22]: Kanttekening 22: dat zij de oudsten van het volk: Dat is, die in hun beroeping niet alleen de naam, maar ook de daad hebben.
[^numeri-11-16-24]: Kanttekening 24: brengen voor de tent van de samenkomst: Hebreeuws, nemen; dat is, genomen, of uitgekoren hebbende, brengen.
[^numeri-11-16-23]: Kanttekening 23: ambtlieden zijn: Versta, officieren en bevelhebbers. Vergelijk Ex. 5:6 ; Deut. 16:18 . Exodus 5:6 : Daarom beval Farao, ten zelfde dage, aan de aandrijvers onder het volk, en daarvan ambtlieden, zeggende: Deuteronomium 16:18 : Rechters en ambtlieden zult u u stellen in al uw poorten, die YHWH, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid.
[^numeri-11-17-25]: Kanttekening 25: Menselijkerwijze van God gesproken; zie Gen. 11:5 , en Gen. 35:13 , met de aantekeningen; zo onder, vers 25 , en Num. 12:5 . Genesis 11:5 : Toen kwam YHWH neder, om te bezien de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden. Genesis 35:13 : Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had. Numeri 11:25 : Toen kwam YHWH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. Numeri 12:5 : Toen kwam YHWH af in de wolkkolom, en stond aan de deur van de tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.
[^numeri-11-17-26]: Kanttekening 26: van de Geest: Dat is, van dezelfde gaven van de Geest, en dat zonder verkorting van de gaven van Mozes. Het woord Geest wordt dikwijls voor de gaven van de Geest gebruikt; gelijk onder, Num. 27:18 ; Ps. 51:14 ; Joël 2:28 ; Joh. 7:39 , enz. Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem; Psalmen 51:14 : Geef mij weer de vreugde van Uw heil; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^numeri-11-18-27]: Kanttekening 27: Heiligt u tegen morgen: Zie Lev. 11:44 . Leviticus 11:44 : Want Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.
[^numeri-11-18-28]: Kanttekening 28: ging ons wel in Egypte: Hebreeuws, ons was wel, of goed.
[^numeri-11-20-29]: Kanttekening 29: gehele maand toe: Hebreeuws, maand van de dagen; dat is, een volle maand, hebbende al haar dagen. Zie Gen. 29:14 , en zo in vers 21 . Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand. Numeri 11:21 : En Mozes zei: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben; en U hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een gehele maand eten!
[^numeri-11-20-f]: Verwijzing f: Num. 21:5 . Numeri 21:5 : En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
[^numeri-11-20-30]: Kanttekening 30: nu zijn wij uit Egypte getogen: Anders, dus, of herwaarts.
[^numeri-11-21-31]: Kanttekening 31: Zeshonderd duizend te voet: Boven, Num. 1:46 , worden bij dit getal nog gevoegd drie duizend vijf honderd en vijftig. Waaruit het schijnt, dat van die telling af het getal nu verminderd was, of dat het Mozes hier genoeg is geweest, het even getal voor het oneven te gebruiken; gelijk men hetzelfde ook vindt Ex. 12:37 . Vergelijk Gen. 15:13 , en zie de aantekeningen. Numeri 1:46 : Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig. Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen. Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hun niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.
[^numeri-11-21-32]: Kanttekening 32: de gehele maand eten: Hebreeuws, een maand van de dagen.
[^numeri-11-22-g]: Verwijzing g: Joh. 6:7 . Johannes 6:7 : Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor deze niet genoeg, opdat een iedereen van hen een weinig neme.
[^numeri-11-22-33]: Kanttekening 33: genoeg zij: Hebreeuws, opdat het voor hen vinde; te weten vlees, waarmee het verzaligd worde. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk vinden, maar voor genoeg zijn wordt het hier genomen, als ook Joz. 17:16 ; Richt. 21:14 . Jozua 17:16 : Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn. Richteren 21:14 : Zo kwamen de Benjaminieten ter zelfder tijd weer; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar zo waren er nog niet genoeg voor hen.
[^numeri-11-23-h]: Verwijzing h: Jes. 50:2 ; Jes. 59:1 . Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. Jesaja 59:1 : Ziet, de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.
[^numeri-11-23-34]: Kanttekening 34: hand verkort zijn: Dat is, zijn vermogen te klein, dat Hij niet zou kunnen volbrengen wat Hij gesproken heeft.
[^numeri-11-24-35]: Kanttekening 35: verzamelde zeventig mannen: Gelijk God bevolen had boven, vers 16 , hoewel twee van hen achterbleven; onder, vers 26 . Numeri 11:16 : En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en daarvan ambtlieden zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. Numeri 11:26 : Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; de naam van de een was Eldad, en de naam van de ander Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.
[^numeri-11-24-36]: Kanttekening 36: Te weten, van de samenkomst. Zie boven, vers 16 . Numeri 11:16 : En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en daarvan ambtlieden zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.
[^numeri-11-25-37]: Kanttekening 37: in de wolk: Te weten, die de tabernakel bedekte; Ex. 40:38 . Anders, in een wolk. Deze was een teken van Gods majesteit en tegenwoordige verschijning. Zo onder, Num. 12:5 . Exodus 40:38 : Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het gehele huis van Israël in al hun reizen. Numeri 12:5 : Toen kwam YHWH af in de wolkkolom, en stond aan de deur van de tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.
[^numeri-11-25-38]: Kanttekening 38: Geest, die op hem was: Zie boven, vers 17 . Numeri 11:17 : Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt.
[^numeri-11-25-39]: Kanttekening 39: zij profeteerden: Dit woord betekent hier, door de ingeving van de Heilige Geest, de grote deugden en daden van God uitspreken en verkondigen. Zie dit woord in zulk een zin 1 Sam. 10:5 , 10:6 ; Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar de bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren. 1 Samuël 10:6 : En de Geest van YHWH zal met kracht over u komen, en u zult met hen profeteren; en u zult in een anderen man veranderd worden. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^numeri-11-25-40]: Kanttekening 40: daarna niet meer: Te weten, profeteerden zij niet meer, zijnde dit zichtbaar teken voor eens genoeg, om in de dienst, waartoe zij geroepen waren, in zichzelven verzekerd en voor het volk bevestigd te worden: gelijk ook daarna aan Saul geschied is; 1 Sam. 10:6 , 10:10 , 10:13 . Anderen: en hielden niet op, te weten, te profeteren; dat is, van die dag aan begaf hun de Geest de profetie niet. 1 Samuël 10:6 : En de Geest van YHWH zal met kracht over u komen, en u zult met hen profeteren; en u zult in een anderen man veranderd worden. 1 Samuël 10:10 : Toen zij daar aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem één hoop profeten tegemoet; en de Geest van YHWH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen. 1 Samuël 10:13 : Toen hij nu voltooid had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.
[^numeri-11-26-41]: Kanttekening 41: Dat is, uit het getal van de zeventig, die Mozes tot zich samengeroepen had; gelijk te zien is boven, vers 24 , 11:25 . Numeri 11:24 : En Mozes ging uit, en sprak de woorden van YHWH tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk, en stelde hen rondom de tent. Numeri 11:25 : Toen kwam YHWH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
[^numeri-11-28-42]: Kanttekening 42: van zijn uitgelezen jongelingen: Anders, van zijn jeugd op.
[^numeri-11-29-43]: Kanttekening 43: Bent u voor mij ijverende: Dat is, bent u met nijdigheid bevangen of misgunt u iemand, dat hij de gaven van de Heilige Geest heeft gelijk ik? Vergelijk hiermee de jaloezie van de discipelen van Johannes de Doper, Joh. 3:26 . Johannes 3:26 : En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welke u getuigenis gaf, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.
[^numeri-11-29-44]: Kanttekening 44: Och, of al het volk van YHWH profeten waren: Hebreeuws, wie zal geven? een manier van wensen bij de Hebreën. Zie van dezelfde Deut. 5:29 . Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^numeri-11-31-i]: Verwijzing i: Ex. 16:13 ; Ps. 78:26 . Exodus 16:13 : En het geschiedde aan de avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger. Psalmen 78:26 : Hij dreef de oostenwind voort in de hemel, en voerde de zuidenwind aan door Zijn sterkte;
[^numeri-11-32-45]: Kanttekening 45: Van het woord homer, betekenende een maat, zie Lev. 27:16 . Anders, hopen. Leviticus 27:16 : Als ook iemand van de akker van zijn bezitting voor YHWH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers.
[^numeri-11-32-46]: Kanttekening 46: spreidden ze voor zich: Hebreeuws, spreidende spreidden zij.
[^numeri-11-33-k]: Verwijzing k: Ps. 78:30 ; idem v. 31 . Psalmen 78:30 : Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun voedsel was nog in hun mond, Psalmen 78:31 : Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer.
[^numeri-11-33-47]: Kanttekening 47: voordat het gekauwd was: Uit vers 20 wordt afgenomen, dat dit geschied is ten einde van de maand. Zolang hebben zij hun lust geboet met vlees te eten. Numeri 11:20 : Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; omdat u YHWH, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?
[^numeri-11-34-48]: Kanttekening 48: Kibroth Thaäva: Dat is, lustgraven. Een legerplaats zo genaamd, omdat daar begraven waren degenen, die de walg hadden gehad van het man, en hun lusten met vlees verzadigd hadden, dat YHWH hun wel gegeven had, maar in zijn toorn.
[^numeri-11-35-49]: Kanttekening 49: Een andere legerplaats van de Israëlieten in de woestijn. Zie van deze ook Num. 33:17 , en Deut. 1:1 . Numeri 33:17 : En zij verreisden van Kibroth-thaava, en legerden zich in Hazeroth. Deuteronomium 1:1 : Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
[^numeri-11-35-50]: Kanttekening 50: zij bleven: Hebreeuws, zij waren.

### Numeri 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/12.json)

*Gemopper van Mirjam en Aaron tegen Mozes, vers 1, enz. waarover zij beiden door God berispt worden, 6. en Mirjam bovendien met melaatsheid gestraft, 10. Aaron verootmoedigt zich voor Mozes, die de HEERE voor Mirjam bidt, 11. Hij wordt verhoord, mits Mirjam zeven dagen buiten het leger blijft, 14.*

**1** [^numeri-12-1-1] Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, vanwege de[^numeri-12-1-2] vrouw, de Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische tot vrouw genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v1)

**2** En zij zeiden: Heeft dan YHWH maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet[^numeri-12-2-3] door ons gesproken? En YHWH hoorde het! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v2)

**3** Maar de man Mozes was[^numeri-12-3-4] zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v3)

**4** Toen sprak YHWH haastig tot Mozes, en tot Aäron, en tot Mirjam: U drie,[^numeri-12-4-5] komt uit tot de tent van de samenkomst! En zij drie kwamen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v4)

**5** Toen[^numeri-12-5-6] kwam YHWH af in de wolkkolom,[^numeri-12-5-7] en stond aan de deur van de tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v5)

**6** En Hij zei: Hoor nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een[^numeri-12-6-8] visioen Mij aan hem bekend maken, door een[^numeri-12-6-9] droom zal Ik met hem spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v6)

**7** Zo is Mijn knecht Mozes niet,[^numeri-12-7-a] die in Mijn hele huis getrouw is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v7)

**8** [^numeri-12-8-10] Van[^numeri-12-8-b] mond tot mond spreek Ik met hem, en[^numeri-12-8-11] door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v8)

**9** Zo ontstak de toorn van YHWH tegen hen, en Hij ging weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v9)

**10** En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was[^numeri-12-10-12] melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v10)

**11** Daarom zei Aäron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmee wij dwaas gehandeld, en waarmee wij gezondigd hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v11)

**12** Laat zij toch niet zijn als een[^numeri-12-12-13] dode, van wiens vlees, als hij uit het lijf van zijn moeder uitgaat, de helft wel verteerd is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v12)

**13** Mozes dan riep tot YHWH, zeggende: O God! heel haar toch! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v13)

**14** En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader[^numeri-12-14-14] smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn?[^numeri-12-14-c] Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna[^numeri-12-14-15] aangenomen worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v14)

**15** Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk[^numeri-12-15-16] verreisde niet, voordat Mirjam aangenomen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v15)

**16** Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij sloegen hun kamp op in de woestijn[^numeri-12-16-17] van Paran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/12.html#v16)

[^numeri-12-1-1]: Kanttekening 1: nu sprak: Deze wordt vóór Aäron genoemd, omdat zij schijnt de eerste oorsprong van deze murmurering geweest te zijn, waarom zij ook zonderling gestraft werd; onder, vers 10 . Numeri 12:10 : En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.
[^numeri-12-1-2]: Kanttekening 2: van de Cuschietische: Haar eigen naam, naar veler gevoelen, was Zippora; Ex. 2:21 . Maar zij werd een Cuschietische genaamd van het volk, waaruit zij gesproten was, wel verstaande niet van de Cuschieten die van Cham afkomstig waren, Gen. 10:6 , maar van de Midianieten; het schijnt dat de Heilige Schrift onder de naam van Cuschieten niet alleen begrijpt de Moren, maar ook de Egyptenaars, Arabieren, Midianieten en de volken die zuidwaarts woonden. Zie Gen. 2:13 , en Gen. 10:6 . Anders, Morin. Exodus 2:21 : En Mozes bewilligde bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora; Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. Genesis 2:13 : En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gehele land Cusch omloopt. Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^numeri-12-2-3]: Kanttekening 3: door ons gesproken: Mirjam wordt een profetes genaamd, Ex. 15:20 , en met Aärons mond beloofde God te zijn, opdat hij zijn broer Mozes tot een mond zou wezen; Ex. 4:15 , 4:16 . Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Exodus 4:15 : U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. Exodus 4:16 : En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn.
[^numeri-12-3-4]: Kanttekening 4: zeer zachtmoedig: Of, geduldig, traag tot toorn, goedertieren; alsof hij wilde zeggen: Hij verdroeg dit onrecht geduldig, wat hem zijn zus en zijn broer aandeden, gelijk hij anders ook zeer geduldig was om onrecht van allen te kunnen lijden.
[^numeri-12-4-5]: Kanttekening 5: komt uit tot de tent van de samenkomst: Te weten, uit uw hutten.
[^numeri-12-5-6]: Kanttekening 6: kwam YHWH af: Zie boven, Num. 11:17 . Numeri 11:17 : Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt.
[^numeri-12-5-7]: Kanttekening 7: Zie boven, Num. 11:25 . Numeri 11:25 : Toen kwam YHWH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
[^numeri-12-6-8]: Kanttekening 8: gezicht Mij aan hem bekend maken: Zie van het profetische gezicht Gen. 15:1 , en Gen. 46:2 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2 : En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^numeri-12-6-9]: Kanttekening 9: droom zal Ik met hem spreken: Zie van de verschijning Gods in de droom Gen. 20:3 , en Gen. 28:12 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan de opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^numeri-12-7-a]: Verwijzing a: Hebr. 3:2 . Hebreeën 3:2 : Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.
[^numeri-12-8-10]: Kanttekening 10: Van mond tot mond spreek Ik met hem: Dat is, in aanwezigheid, gemeenzaam, zonder tussenspraak, zeer duidelijk, met uitgedrukte stem; vergelijk Jer. 32:4 ; 2 Joh. v. 12 . In gelijken zin wordt gezegd: aangezicht aan aangezicht met iemand spreken. Zie Ex. 33:11 , en Deut. 5:4 , en de aantekeningen. Jeremia 32:4 : En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand van de Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en zijn mond zal tot diens mond spreken, en zijn ogen zullen diens ogen zien; 2 Johannes 1:12 : Ik heb veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn. Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Deuteronomium 5:4 : Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur,
[^numeri-12-8-b]: Verwijzing b: Ex. 33:11 ; Deut. 34:10 . Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Deuteronomium 34:10 : En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die YHWH gekend had, van aangezicht tot aangezicht,
[^numeri-12-8-11]: Kanttekening 11: door aanzien: Te weten, niet door het aanzien van het goddelijke wezen, \[dat onzichtbaar is, Ex. 33:20 , 33:23 ; Joh. 1:18 , en 1 Tim. 6:16 \], maar enig bijzonder teken van zijn heerlijkheid. En hoewel Hij zich ook aan de andere profeten op verscheidene wijzen vertoond heeft, zo zijn nochtans die, in welke Hij aan Mozes verscheen, klaarder geweest dan de andere; ten welke aanzien Mozes boven de andere profeten hier verheven wordt. Vergelijk Ex. 33:11 , 33:20 , 33:22 , 33:23 , en Deut. 34:10 . Anderen aldus: En \[bij\] aangezicht, en niet door duistere woorden of gelijkenis van de Heer ziet hij. Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. Exodus 33:23 : En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult u Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden! Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 1 Timotheüs 6:16 : Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Die geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welke zij eer en eeuwige kracht. Amen. Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. Exodus 33:22 : En het zal gebeuren, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof van de steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. Exodus 33:23 : En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult u Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden! Deuteronomium 34:10 : En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die YHWH gekend had, van aangezicht tot aangezicht,
[^numeri-12-10-12]: Kanttekening 12: Dit is niet een gemene en alom bekende, maar een bijzondere melaatsheid geweest, die in Egypte regeerde en die de Israëlieten vanwege de zonde aanhing, waarvan men veel lezen kan Lev. 13 , en die er mee geslagen werden, werden geheel als zonder bloed en bleek gelijk de doden, omdat het gehele bloed verdorven werd. Zie ook van de manier van spreken, die hier gebruikt wordt, Ex. 4:6 , en 2 Kon. 5:27 . Exodus 4:6 : En YHWH zei verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. 2 Koningen 5:27 : Daarom zal u de melaatsheid van Naäman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw.
[^numeri-12-12-13]: Kanttekening 13: Versta, een misdracht, welks vlees half verrot is als het uit het lichaam van de moeder voortkomt. Hebreeuws, wie in zijn uitkomen uit zijn moeders lijf de helft van zijn vlees wel verteerd is.
[^numeri-12-14-14]: Kanttekening 14: smadelijk … gespogen: Hebreeuws, spuwende gespuwd had; de zin is: Gelijk een dochter, vanwege enige grote misdaad door haar vader in haar aangezicht gespuwd zijnde, waard is tenminste zeven dagen uit zijn aanwezigheid te blijven, zo is nog veel meer een dochter, uit oorzaak van een grotere zonde, waarover haar aangezicht met melaatsheid van Mij beklad is, waard van Mij, die haar hemelse Vader ben, zeven dagen uit het leger, waarin Ik woon, afgezonderd te worden, tot een exempel van anderen.
[^numeri-12-14-c]: Verwijzing c: Lev. 13:46 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^numeri-12-14-15]: Kanttekening 15: aangenomen worden: Hebreeuws, bijgezameld worden; te weten, tot het leger, waarvan zij om haar melaatsheid afgezonderd moest worden, Lev. 13:46 , en boven, Num. 5:2 , en daarna aangenomen, genezen zijnde; Lev. 14:8 . Zo in vers 15 . Vergelijk 2 Kon. 5:3 en de aantekeningen. Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode. Leviticus 14:8 : Die nu te reinigen is, zal zijn kleren wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven. Numeri 12:15 : Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.
[^numeri-12-15-16]: Kanttekening 16: verreisde niet: Hieruit kan verstaan worden de oorzaak, waarom de Israëlieten te Hazeroth gebleven zijn, gelijk Num. 11:35 gemeld wordt. Numeri 11:35 : Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
[^numeri-12-16-17]: Kanttekening 17: Namelijk in Rithma, dat was in de woestijn Paran. Zie onder, Num. 33:18 , en van Paran, zie Gen. 14:6 . Numeri 33:18 : En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma. Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.

### Numeri 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/13.json)

*Gods bevel dat twaalf verspieders, uit elke stam een, uitgezonden zouden worden om het land Kanaan te bekijken, vers 1, enz. hun namen, 5. hun opdracht en instructie, 15. De uitvoering daarvan, 22. Hun terugkeer en verslag, met het tonen van de vruchten van het land, 26. Kaleb geeft het volk moed om het land in te nemen, 31. Maar tien van zijn metgezellen raden het af en maken het volk moedeloos, 32.*

**1** En YHWH sprak[^numeri-13-1-1] tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v1)

**2** [^numeri-13-2-2] Zend u mannen uit: die het land Kanaän bespioneren, dat Ik de Israëlieten geven zal; van elke stam van zijn vaders zult u[^numeri-13-2-3] een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v2)

**3** Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar[^numeri-13-3-4] de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v3)

**4** En dit zijn hun namen: van de stam van[^numeri-13-4-5] Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v4)

**5** Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v5)

**6** Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v6)

**7** Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v7)

**8** Van de stam van[^numeri-13-8-6] Efraïm, Hosea, de zoon van Nun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v8)

**9** Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v9)

**10** Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v10)

**11** Van de stam van Jozef, voor de stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v11)

**12** Van de stam van Dan, Ammiël, de zoon van Gemalli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v12)

**13** Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v13)

**14** Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v14)

**15** Van de stam van[^numeri-13-15-7] Gad, Guël, de zoon van Machi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v15)

**16** Dit zijn de namen[^numeri-13-16-8] van de mannen, die Mozes zond,[^numeri-13-16-9] om dat land te bespioneren; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v16)

**17** Mozes dan zond hen, om het land Kanaän te bespioneren; en hij zei tot hen: Trek dit heen op[^numeri-13-17-10] tegen het zuiden, en klimt op het gebergte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v17)

**18** En beziet het land, hoe het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v18)

**19** En hoe het land zij, waarin het woont, of het goed zij of kwaad; en hoe de steden zijn, waarin het woont, of in[^numeri-13-19-11] legers, of in vestingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v19)

**20** Ook hoe het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en[^numeri-13-20-12] versterkt u, en neemt van de vrucht van het land. Die dagen nu waren[^numeri-13-20-13] de dagen van de eerste vruchten van de wijndruiven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v20)

**21** Zo trokken zij op, en bespioneerden het land, van de woestijn[^numeri-13-21-14] Zin af tot[^numeri-13-21-15] Rechob toe, waar men gaat naar[^numeri-13-21-16] Hamath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v21)

**22** En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot[^numeri-13-22-17] Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai,[^numeri-13-22-18] kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor[^numeri-13-22-19] Zoan in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v22)

**23** Daarna kwamen zij tot[^numeri-13-23-20] het dal[^numeri-13-23-21] Eskol, en sneden van daar een rank af met één tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappels en van de vijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v23)

**24** Die plaats noemde men het dal Eskol,[^numeri-13-24-22] vanwege de tros, die de Israëlieten van daar afgesneden hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v24)

**25** Daarna keerden zij weer van het bespioneren van het land, na verloop van veertig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v25)

**26** En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, in de woestijn[^numeri-13-26-23] van Paran, naar[^numeri-13-26-24] Kades; en brachten bescheid weer aan hen, en aan de hele gemeenschap, en lieten hun de vrucht van het land zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v26)

**27** En zij vertelden[^numeri-13-27-25] hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen u ons gezonden hebt; en werkelijk,[^numeri-13-27-a] het is[^numeri-13-27-26] van melk en honing vloeiende, en dit is zijn vrucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v27)

**28** Behalve dat het een[^numeri-13-28-27] sterk volk is, dat in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen[^numeri-13-28-28] van Enak gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v28)

**29** De[^numeri-13-29-29] Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de[^numeri-13-29-30] Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaänieten wonen aan de zee, en aan[^numeri-13-29-31] de oever van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v29)

**30** Toen[^numeri-13-30-32] stilde Kaleb het volk[^numeri-13-30-33] voor Mozes, en zei: Laat ons[^numeri-13-30-34] vrijmoedig optrekken, en[^numeri-13-30-35] dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat[^numeri-13-30-36] voorzeker overweldigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v30)

**31** Maar de mannen,[^numeri-13-31-37] die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v31)

**32** Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij bespioneerd hadden, aan de Israëlieten, zeggende: Dat land, waar wij doorgegaan zijn, om het te bespioneren, is een land, dat zijn inwoners[^numeri-13-32-38] verteert; en al het volk, dat wij in het midden daarvan gezien hebben, zijn mannen van[^numeri-13-32-39] grote lengte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v32)

**33** Wij hebben ook daar[^numeri-13-33-40] de reuzen gezien, de kinderen van[^numeri-13-33-41] Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/13.html#v33)

[^numeri-13-1-1]: Kanttekening 1: tot Mozes: Te weten, toen zij zolang in de woestijn Paran gereisd hadden, dat zij gekomen waren tot Kades-Barnea, een stad, gelegen aan het noordeinde van de woestijn, dicht bij het zuidelijke gebergte van het land Kanaän.
[^numeri-13-2-2]: Kanttekening 2: Zend u mannen uit: Dit bevel heeft God de Heer gegeven, nadat het volk van Mozes verzocht had, dat dit gebeuren zou, gelijk te zien is Deut. 1:22 . Deuteronomium 1:22 : Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.
[^numeri-13-2-3]: Kanttekening 3: een man zenden: Hebreeuws, een man een man; dat is, van elke stam een. Zie Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^numeri-13-3-4]: Kanttekening 4: de mond van YHWH: Dat is, naar het bevel van de Heer. Zo boven, Num. 9:18 . Numeri 9:18 : Naar de mond van YHWH, verreisden de kinderen van Israël, en naar de mond van YHWH legerden zij zich; al de dagen, in die de wolk over de tabernakel bleef, legerden zij zich.
[^numeri-13-4-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, Schammuah; en zo wordt de letter Schin, om de lichtere uitspraak, met een simpele S vertaald, in Simeon, Saphat, Issaschar, Hosea, Aser, en andere meer.
[^numeri-13-8-6]: Kanttekening 6: Anders, Jozua vers 16 , met welke naam hij meest altijd genoemd wordt. Numeri 13:16 : Dit zijn de namen van de mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.
[^numeri-13-15-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, Geuel.
[^numeri-13-16-8]: Kanttekening 8: Welke waren in getal twaalf, naar het getal van de twaalf stammen.
[^numeri-13-16-9]: Kanttekening 9: Dat is, om te bevinden en te onderkennen niet alleen hoedanig het land was, maar ook de inwoners. Zie vers 18 , 13:19 , enz. Numeri 13:18 : En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; Numeri 13:19 : En hoedanig het land zij, waarin hetzelfde woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in die hetzelfde woont, of in legers, of in sterkten;
[^numeri-13-17-10]: Kanttekening 10: tegen het zuiden: Welverstaande, ten aanzien niet van het leger van de Israëlieten, die te KadesBarnea lagen, en het land Kanaän noordwaarts hadden, maar ten aanzien van de gelegenheid van het land Kanaän.
[^numeri-13-19-11]: Kanttekening 11: Dat is, in open en onbemuurde velden, in welke de legers zich plachten te onthouden. En versta dit naar de manier van doen van de Arabieren, die geen vaste noch zekere woonplaatsen hebben, maar hier of daar, nu en dan, zich nederslaan.
[^numeri-13-20-12]: Kanttekening 12: versterkt u: Dat is, zijt goedsmoeds en onversaagd.
[^numeri-13-20-13]: Kanttekening 13: de dagen van de eerste vruchten: Versta hierdoor, de tijd, in welke de eerste wijnbeziën voortkwamen.
[^numeri-13-21-14]: Kanttekening 14: Zin af: Hebreeuws, Tsin; de naam van een woestijn, anders Kadesch genoemd, gelegen aan de grenzen van Palestina; onder, Num. 33:36 . Numeri 33:36 : En zij verreisden van Ezeon-geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
[^numeri-13-21-15]: Kanttekening 15: Rechob toe: Een stad, gelegen aan de noordgrens van het erfdeel, dat naderhand bij het lot van de stam van Aser toegevallen is, Joz. 19:28 . Jozua 19:28 : En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.
[^numeri-13-21-16]: Kanttekening 16: De naam van een stad, mee aan de noordgrens naar het oosten van Kanaän gelegen, welke daarna de stam Nafthali te lote gevallen is; Joz. 19:35 \[waar het Hammath genoemd wordt\]; 2 Kon. 14:25 , en 2 Kon. 17:24 . Jozua 19:35 : De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth, 2 Koningen 14:25 : Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, van God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
[^numeri-13-22-17]: Kanttekening 17: Hebron toe: De naam van een stad, van welke zie Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^numeri-13-22-18]: Kanttekening 18: kinderen van Enak: De naam van een grote en wijdvermaarde reus, welke naam anderen gemeen is, gelijk vers 22 \[zoals sommigen menen\] en onder, vers 28 , 13:33 . Zie Deut. 1:28 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Numeri 13:28 : Behalve dat het een sterk volk is, dat in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien. Numeri 13:33 : Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^numeri-13-22-19]: Kanttekening 19: Zoan in Egypte: Hebreeuws, Tsoan. De naam van een zeer oude stad, welke men meent te zijn de stad, die Tanis genoemd wordt, één van de voornaamste steden van Egypte, in welke de koningen en vorsten hun woning plachten te hebben. Zie Ps. 78:12 . Psalmen 78:12 : Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
[^numeri-13-23-20]: Kanttekening 20: het dal: Of, beek. Het Hebreeuwse woord betekent beiden.
[^numeri-13-23-21]: Kanttekening 21: Zie de reden van deze benaming in vers 24 , en vergelijk Deut. 1:24 . Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden. Deuteronomium 1:24 : Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelfde.
[^numeri-13-24-22]: Kanttekening 22: ter oorzake van de tros: Want het Hebreeuwse woord Eskol betekent een druif, of een tros druiven.
[^numeri-13-26-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^numeri-13-26-24]: Kanttekening 24: Versta, Kades-Barnea, gelegen in de woestijn Paran, bij de legerplaats Rithma, en onderscheiden van Kades in de woestijn Zin, waarvan zie Gen. 14:7 . Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.
[^numeri-13-27-25]: Kanttekening 25: Namelijk, Mozes, als de voornaamste van de vergadering, maar in het bijwezen en aanhoren, niet alleen van Aäron, maar ook van de gehele gemeente, waaruit dan het oproer gesproten is, dat hierna beschreven wordt.
[^numeri-13-27-a]: Verwijzing a: Ex. 3:8 ; Ex. 33:3 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere.
[^numeri-13-27-26]: Kanttekening 26: van melk en honig vloeiende: Zie Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^numeri-13-28-27]: Kanttekening 27: sterk volk is: Te weten, in lichaam, middelen en menigte.
[^numeri-13-28-28]: Kanttekening 28: kinderen van Enak gezien: Zie boven, vers 22 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.
[^numeri-13-29-29]: Kanttekening 29: Zie van dit volk Gen. 14:7 . Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.
[^numeri-13-29-30]: Kanttekening 30: Zie van deze Gen. 10:15 , en samen van de volgenden Gen. 15:19 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 15:19 : De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet,
[^numeri-13-29-31]: Kanttekening 31: de oever van de Jordaan: Hebreeuws, de hand.
[^numeri-13-30-32]: Kanttekening 32: stilde Kaleb het volk: Dat is, hij deed het volk zwijgen, opdat hij gehoord mocht worden. Van Jozua wordt hier geen gewag gemaakt, niet omdat hij door vrees bezweek of met Kaleb de zaak niet behartigde, maar omdat hij òf absent was gedurende dit oproer, òf \[zo hij een dienaar van Mozes was\] om enige aanmerkelijke reden heeft stilgezwegen. Van zijn trouw in deze handel zie onder, Num. 14:6 , 14:7 , enz., van zijn beloning daarvoor in hetzelfde Num. 14:30 . Numeri 14:6 : En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun kleren. Numeri 14:7 : En zij spraken tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, zeggende: Het land, waardoor wij getrokken zijn, om hetzelfde te verspieden, is een bovenmate goed land. Numeri 14:30 : Zo u in dat land komt, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
[^numeri-13-30-33]: Kanttekening 33: voor Mozes: Anders, tot, of, tegen Mozes; te weten, roepende, of murmurerende.
[^numeri-13-30-34]: Kanttekening 34: vrijmoedig optrekken: Hebreeuws, optrekkende optrekken.
[^numeri-13-30-35]: Kanttekening 35: dat erfelijk bezitten: Namelijk, het land Kanaän.
[^numeri-13-30-36]: Kanttekening 36: voorzeker overweldigen: Hebreeuws, overweldigende overweldigen.
[^numeri-13-31-37]: Kanttekening 37: die met hem opgetrokken waren: Te weten, de andere tien, die met Jozua en Kaleb het land verspied hadden.
[^numeri-13-32-38]: Kanttekening 38: Zij willen zeggen dat het een ruw land was, waaraan men zich afarbeiden moest om vruchten er van te krijgen, zo dat men zijn lijfskrachten er aan verdeed; of dat de vrucht van het land hard was, die de lichamen van de inwoners opat en verteerde, dat toch onwaarachtig was. Sommigen verstaan het van de onderlinge oorlogen, die tussen de inwoners van Kanaän waren; vergelijk Ez. 36:12 , 36:13 . Ezechiël 36:12 : En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze voortaan niet meer beroven. Ezechiël 36:13 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat zij tot u zeggen: U bent een land, dat mensen opeet, en u bent een land, dat uw volken berooft;
[^numeri-13-32-39]: Kanttekening 39: grote lengte: Hebreeuws, van maten; gelijk 1 Kron. 11:23 , en 1 Kron. 20:6 ; Jes. 45:14 . 1 Kronieken 11:23 : Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand van de Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies. 1 Kronieken 20:6 : Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren; Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uw zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.
[^numeri-13-33-40]: Kanttekening 40: de reuzen gezien: Hebreeuws, Nephilim. Zie van dit woord Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^numeri-13-33-41]: Kanttekening 41: van de reuzen: Te weten, afkomstig.

### Numeri 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/14.json)

*Gemopper van het volk tegen Mozes en Aaron, vers 1, enz. Wat Mozes, Aaron, Jozua en Kaleb deden om hen te kalmeren, 5. Wat daarop volgde, zowel wat betreft het volk dat in zijn boosheid volhardde als wat betreft God die dreigde het uit te roeien, 10. Mozes bidt ervoor, 13. Hij wordt verhoord, 20. maar op voorwaarde dat de mopperaars niet in het land Kanaan zouden komen, hen gebiedend terug te keren naar de woestijn, 21. Bredere uiteenzetting van de straf tegen de mopperaars, met aanwijzing van hun leeftijd en uitzondering van hen die van deze straf vrij zouden zijn, 35. en de geschiedenis van hen die niet terug wilden keren, maar het land Kanaan meteen wilden innemen, 39.*

**1** Toen[^numeri-14-1-1] verhief zich de hele gemeenschap, en zij hieven hun stem op, en het volk huilde in die nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v1)

**2** En al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron; en de hele gemeenschap zei tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren![^numeri-14-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v2)

**3** En[^numeri-14-3-3] waarom brengt ons YHWH naar dat land, dat wij[^numeri-14-3-4] door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderen[^numeri-14-3-5] ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weer te keren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v3)

**4** En zij zeiden[^numeri-14-4-6] de één tot de ander: Laat ons een hoofd[^numeri-14-4-7] aanstellen, en terugkeren naar Egypte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v4)

**5** Toen[^numeri-14-5-8] vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v5)

**6** En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land bespioneerd hadden,[^numeri-14-6-9] scheurden hun kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v6)

**7** En zij spraken tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, zeggende: Het land, waardoor wij getrokken zijn, om het te bespioneren, is een[^numeri-14-7-10] bovenmate goed land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v7)

**8** [^numeri-14-8-11] Als YHWH een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, dat van melk en honing is vloeiende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v8)

**9** Alleen wees tegen YHWH niet opstandig! en vreest[^numeri-14-9-a] u niet het volk van dit land; want[^numeri-14-9-12] zij zijn ons brood! hun[^numeri-14-9-13] schaduw is van hen geweken, en[^numeri-14-9-14] YHWH is met ons; vrees hen niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v9)

**10** Toen zei de hele gemeenschap, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de[^numeri-14-10-15] heerlijkheid van YHWH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v10)

**11** En YHWH zei tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen[^numeri-14-11-16] zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v11)

**12** Ik zal het met pest slaan, en Ik zal het[^numeri-14-12-17] verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v12)

**13** En Mozes zei tot YHWH: Zo zullen het[^numeri-14-13-18] de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;[^numeri-14-13-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v13)

**14** En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land,[^numeri-14-14-19] die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH![^numeri-14-14-20] oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en[^numeri-14-14-c] U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat overdag, en in een vuurkolom in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v14)

**15** En zou U dit volk[^numeri-14-15-21] als één enige man doden, zo zouden de heidenen, die[^numeri-14-15-22] Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v15)

**16** [^numeri-14-16-d] Omdat YHWH dit volk niet kon brengen in dat land, dat Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v16)

**17** Nu dan, laat toch de[^numeri-14-17-23] kracht van YHWH groot worden, zoals U gesproken hebt, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v17)

**18** YHWH[^numeri-14-18-e] is[^numeri-14-18-24] geduldig en groot van goedertierenheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding,[^numeri-14-18-25] die de schuldige in geen geval onschuldig houdt,[^numeri-14-18-26][^numeri-14-18-f] bezoekende de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen, in het[^numeri-14-18-27] derde en in het vierde geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v18)

**19** Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, naar de grootte van Uw goedertierenheid, en zoals U ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v19)

**20** En YHWH zei: Ik heb hun vergeven naar uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v20)

**21** Maar zeker, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de hele aarde met de[^numeri-14-21-28] heerlijkheid van YHWH vervuld worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v21)

**22** Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu[^numeri-14-22-29] tienmaal verzocht hebben, en aan Mijn stem niet gehoorzaam zijn geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v22)

**23** [^numeri-14-23-30] Zo zij het land, dat Ik aan hun vaders gezworen heb, zien zullen.[^numeri-14-23-g] Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v23)

**24** Maar[^numeri-14-24-31][^numeri-14-24-h] Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is,[^numeri-14-24-32] en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, waarin hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v24)

**25** De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen[^numeri-14-25-33] in het dal; wend u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op de weg naar de[^numeri-14-25-34] Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v25)

**26** Daarna sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v26)

**27** [^numeri-14-27-35] Hoe[^numeri-14-27-i] lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn morrende? Ik heb gehoord het geklaag van de Israëlieten, waarmee zij tegen Mij zijn morrende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v27)

**28** Zeg tot hen:[^numeri-14-28-k] Zo waarachtig als Ik leef, spreekt[^numeri-14-28-36] YHWH, als Ik u zo niet doe, zoals u in Mijn oren[^numeri-14-28-37] gesproken hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v28)

**29** Uw[^numeri-14-29-l] dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en allen van u die geteld zijn, naar uw hele getal, van twintig jaar oud en daarboven, u, die tegen Mij gemord hebt.[^numeri-14-29-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v29)

**30** Zo u in dat land komt, waarover Ik[^numeri-14-30-39] Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen,[^numeri-14-30-m] behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v30)

**31** En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, dat u smadelijk verworpen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v31)

**32** Maar wat u betreft, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v32)

**33** En uw kinderen zullen gaan[^numeri-14-33-40] weiden in deze woestijn,[^numeri-14-33-41] veertig jaren, en zullen[^numeri-14-33-42] uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v33)

**34** Naar het getal van de dagen, waarin u dat land bespioneerd hebt,[^numeri-14-34-n] veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw[^numeri-14-34-43] ongerechtigheden dragen,[^numeri-14-34-44] veertig jaren, en u zult bemerken[^numeri-14-34-45] Mijn afbreking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v34)

**35** Ik, YHWH, heb gesproken:[^numeri-14-35-46] zo Ik dit aan deze hele boze vergadering van degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v35)

**36** En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te bespioneren, en wedergekomen zijnde, de hele gemeenschap tegen hem hadden doen morren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v36)

**37** Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden,[^numeri-14-37-47][^numeri-14-37-p] stierven door een[^numeri-14-37-48] plaag,[^numeri-14-37-49] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v37)

**38** Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te bespioneren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v38)

**39** En Mozes sprak deze woorden tot al de Israëlieten. Toen treurde het volk zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v39)

**40** En zij stonden 's morgens vroeg op, en klommen op[^numeri-14-40-50] de hoogte van de berg, zeggende: Zie, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die YHWH gezegd heeft; want[^numeri-14-40-51] wij hebben gezondigd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v40)

**41** Maar Mozes zei:[^numeri-14-41-q] Waarom overtreedt u zo[^numeri-14-41-52] het bevel van YHWH? Want dat zal geen voorspoed hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v41)

**42** Trek niet op, want YHWH zal in[^numeri-14-42-53] het midden van u niet zijn; opdat u niet geslagen wordt, voor het aangezicht van uw vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v42)

**43** Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en u zult door het zwaard vallen; want, omdat u zich afgekeerd hebt van YHWH, zo zal YHWH met u niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v43)

**44** Toch[^numeri-14-44-54] poogden zij overmoedig, om op de hoogte van de berg te klimmen; maar de ark van het verbond van YHWH en Mozes scheidden niet uit het midden van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v44)

**45** Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot[^numeri-14-45-55] Horma toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/14.html#v45)

[^numeri-14-1-1]: Kanttekening 1: verhief zich de gehele vergadering: Hebreeuws, toen verhief de gehele vergadering, en gaven haar stem.
[^numeri-14-2-2]: Kanttekening 2: tegen Mozes en tegen Aäron: En dienvolgens tegen God zelven, wiens dienaren zij waren.
[^numeri-14-3-3]: Kanttekening 3: waarom brengt ons YHWH naar dat land: Het schijnt dat zij God beschuldigen willen van onbedachtzaamheid, alsof Hij niet verzon wat Hij voorgenomen had, òf van ontrouw, alsof Hij niet wilde doen wat Hij voorgenomen had, òf van onvermogen, alsof Hij niet kon.
[^numeri-14-3-4]: Kanttekening 4: door het zwaard vallen: Zie Lev. 26:7 . Leviticus 26:7 : En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^numeri-14-3-5]: Kanttekening 5: ten roof worden: Te weten, aan onze vijanden, de Kanaänieten.
[^numeri-14-4-6]: Kanttekening 6: de één tot de ander: Hebreeuws, de man tot zijn broer.
[^numeri-14-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, zetten, stellen, maken.
[^numeri-14-5-8]: Kanttekening 8: vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten: Te weten, om het volk te bidden, dat het van hun kwaad voornemen zou afstand doen en niet terugkeren naar Egypte; of, om God aan te roepen, zowel voor het volk, dat Hij het bekeren zou, als voor henzelven, dat Hij hen uit het tegenwoordig gevaar verlossen wilde.
[^numeri-14-6-9]: Kanttekening 9: scheurden hun kleren: Zie van de verscheuring van de kleren, in tijd van grote droefenis en verslagenheid; Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^numeri-14-7-10]: Kanttekening 10: bovenmate goed land: Hebreeuws, zeer zeer goed. Zie de verdubbeling van het woord zeer ook Gen. 17:2 , 17:6 , 17:20 ; Ez. 16:13 . Genesis 17:2 : En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen. Genesis 17:6 : En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Genesis 17:20 : En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; Ezechiël 16:13 : Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt.
[^numeri-14-8-11]: Kanttekening 11: Als YHWH een welgevallen aan ons heeft: Dat is, zo wij de gunst van YHWH door een goddeloos en opstandig wezen van ons niet afkeren. Zie het begin van vers 9 . Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet!
[^numeri-14-9-a]: Verwijzing a: Deut. 20:3 . Deuteronomium 20:3 : En tot hen zeggen: Hoort, Israël! u bent heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
[^numeri-14-9-12]: Kanttekening 12: zij zijn ons brood: Dat is, zo lichtelijk zullen zij door ons verdaan worden, als het brood door een gezond mens in de mond gekauwd en in de maag verteerd wordt. Vergelijk Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwade en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwade niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^numeri-14-9-13]: Kanttekening 13: schaduw is van hen geweken: Dat is, beschutting. Zo Ps. 91:1 ; Jes. 25:4 ; Jer. 48:45 , enz. Psalmen 91:1 : Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtigen. Jesaja 25:4 : Want U bent voor de arme een Sterkte geweest, een Sterkte voor de nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand. Jeremia 48:45 : Die voor de macht van de vijand vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van de kinderen van het gedruis verteerd.
[^numeri-14-9-14]: Kanttekening 14: YHWH is met ons: Te weten, met zijn vaderlijke gunst, vlijtige voorzienigheid en krachtigen bijstand. Zie Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^numeri-14-10-15]: Kanttekening 15: heerlijkheid van YHWH verscheen: Te weten, door het teken van de wolk, in welke God gewoon was de Israëlieten zeer heerlijk te verschijnen; Ex. 16:7 , 16:10 , en Ex. 24:15 , 24:16 , en Ex. 40:34 , en Lev. 9:6 ; 2 Kron. 5:14 . Exodus 16:7 : En morgen, dan zult u de heerlijkheid van YHWH zien, omdat Hij uw murmureringen tegen YHWH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort? Exodus 16:10 : En het geschiedde, als Aäron tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van YHWH verscheen in de wolk. Exodus 24:15 : Toen Mozes op de berg geklommen was, zo heeft een wolk de berg bedekt. Exodus 24:16 : En de heerlijkheid van YHWH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk. Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Leviticus 9:6 : En Mozes zei: Deze zaak, die YHWH geboden heeft, zult u doen; en de heerlijkheid van YHWH zal u verschijnen. 2 Kronieken 5:14 : En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld.
[^numeri-14-11-16]: Kanttekening 16: aan Mij niet geloven: Dat is, op Mij niet vertrouwen, geen acht gevende op al de wonderwerken, met welke Ik mijn kracht en weldadigheid onder hen overvloediglijk bewezen heb.
[^numeri-14-12-17]: Kanttekening 17: Versta dit niet als een volle besloten sententie maar als een conditioneel dreigement dat de Heer zijn knecht Mozes heeft willen voorhouden, om zijn ijver en zijn voorbidding, tot het welvaren van het volk, te ontsteken; zodat deze woorden niet betekenen wat God in zijn onveranderlijken raad besloten had, maar de straf, die de Israëlieten verdiend hadden.
[^numeri-14-13-18]: Kanttekening 18: de Egyptenaars horen: De redenen, die Mozes gebruikt om voor het volk te bidden, zijn drie. De eerste is genomen van de vijanden Gods en van zijn volk, die de ere Gods, zo Hij zijn volk uitroeide, zouden schenden, in vers 13 , 14:14 , 14:15 , 14:16 . De tweede van de natuur en het genadige verbond Gods, vers 17 , 14:18 . De derde van de voorgaande weldaden en exempelen van de goddelijke genade, aan dit volk zeer dikwijls bewezen, vers 19 . Numeri 14:13 : En Mozes zei tot YHWH: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken; Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat bij dag, en in een vuurkolom bij nacht. Numeri 14:15 : En zoudt U dit volk als een enige man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: Numeri 14:16 : Omdat YHWH dit volk niet kon brengen in dat land, dat Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn! Numeri 14:17 : Nu dan, laat toch de kracht van YHWH groot worden, gelijk als U gesproken hebt, zeggende: Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Numeri 14:19 : Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, naar de grootte van Uw goedertierenheid, en gelijk U ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!
[^numeri-14-13-b]: Verwijzing b: Ex. 32:12 . Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte van Uw toorn, en laat het U over het kwaad van Uw volk berouwen.
[^numeri-14-14-19]: Kanttekening 19: die gehoord hebben: Dit woordje wordt hier ingevoegd uit vers 15 . Numeri 14:15 : En zoudt U dit volk als een enige man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:
[^numeri-14-14-20]: Kanttekening 20: oog aan oog gezien wordt: Dat is, ogenschijnlijk en zeer gemeenzaam. Vergelijk Gen. 32:30 ; Ex. 33:11 ; boven, Num. 12:8 ; Deut. 5:4 ; 1 Kon. 22:19 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Deuteronomium 5:4 : Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur, 1 Koningen 22:19 : Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al de hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
[^numeri-14-14-c]: Verwijzing c: Ex. 30:21 ; Ex. 40:38 . Exodus 30:21 : Zij zullen dan hun handen en voeten groeien, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun geslachten. Exodus 40:38 : Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het gehele huis van Israël in al hun reizen.
[^numeri-14-15-21]: Kanttekening 21: als een enige man doden: Dat is, het gehele volk, alsof het slechts één mens ware. Zo Richt. 6:16 . Richteren 6:16 : En YHWH zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult u de Midianieten slaan, als een enige man.
[^numeri-14-15-22]: Kanttekening 22: Uw gerucht gehoord hebben: Hebreeuws, uw gehoor gehoord hebben.
[^numeri-14-16-d]: Verwijzing d: Deut. 9:28 . Deuteronomium 9:28 : Opdat het land, van waar U ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze YHWH niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.
[^numeri-14-17-23]: Kanttekening 23: kracht van YHWH groot worden: Om bij zijn gerechtigheid ook zijn barmhartigheid te voegen.
[^numeri-14-18-e]: Verwijzing e: Ex. 34:6 ; Ps. 86:15 ; Ps. 103:8 ; Ps. 145:8 ; Jona 4:2 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Psalmen 86:15 : Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 145:8 : Cheth. Genadig en barmhartig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Jona 4:2 : En hij bad tot YHWH, en zei: Och YHWH! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een genadig en barmhartig God bent, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
[^numeri-14-18-24]: Kanttekening 24: lankmoedig en groot van weldadigheid: Hebreeuws, lang van toornvlagen. Zie Ex. 34:6 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
[^numeri-14-18-25]: Kanttekening 25: die de schuldige : Bij de barmhartigheid van God wordt ook zijn gerechtigheid gevoegd, omdat zij in Hem onafscheidelijk zijn; om welke oorzaak Mozes niet enkel begeert genade, maar zo dat Gods gerechtigheid ook een plaats zou hebben, opdat Hij in het oordelen en straffen zijn barmhartigheid zou gedachtig wezen. Zie Ex. 34:7 ; Jer. 30:11 ; Nah. 1:3 . Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Jeremia 30:11 : Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Nahum 1:3 : YHWH is lankmoedig, maar van grote kracht, en Hij houdt de schuldige in geen geval onschuldig. Van YHWH weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof van Zijn voeten.
[^numeri-14-18-26]: Kanttekening 26: bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen: Zie Gen. 21:1 , en Ex. 20:5 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten;
[^numeri-14-18-f]: Verwijzing f: Ex. 20:5 ; Ex. 34:7 ; Deut. 5:9 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten; Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten;
[^numeri-14-18-27]: Kanttekening 27: derde en in het vierde lid : Hebreeuws, aan de derde en aan de vierde; te weten, nakomelingen van de stam af gerekend zijnde.
[^numeri-14-21-28]: Kanttekening 28: heerlijkheid van YHWH: Versta, de gerechtigheid en kracht van YHWH, die tot zijn eer op de gansen aardbodem voor alle mensen zouden bekend gemaakt worden.
[^numeri-14-22-29]: Kanttekening 29: tienmaal verzocht hebben: Dat is, dikwijls; een zeker getal voor een onzeker. Zie Gen. 21:7 , en Lev. 26:8 . Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^numeri-14-23-30]: Kanttekening 30: Zo zij het land: Dat is, zij zullen het niet zien, gelijk de laatste woorden van vers 23 uitdrukkelijk verklaren; versta dan hierbij, om de zin aan te vullen: Ik zal niet leven, of iets anders. Want hier wordt door God menselijker wijze gesproken, omdat het bij de Hebreën gebruikelijk was, in het eedzweren de uitkomst of de wens, zo men kwalijk zwoer, te verzwijgen. Vergelijk Gen. 14:23 . Zulk een manier van zweren wordt elders ook aan God toegeschreven, gelijk onder, vers 28 , 14:35 , en Num. 32:11 , 32:12 ; Deut. 1:35 ; 2 Kon. 9:26 ; Ps. 89:36 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uw is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering van degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! Numeri 32:11 : Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen; Numeri 32:12 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard YHWH na te volgen. Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven! 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH. Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
[^numeri-14-23-g]: Verwijzing g: Deut. 1:35 ; idem v. 36 . Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven! Deuteronomium 1:36 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft YHWH te volgen.
[^numeri-14-24-31]: Kanttekening 31: mijn knecht Kaleb: Jozua wordt hier niet genoemd, omdat God deze sententie uitspreekt over het volk, dat in het leger was waar Kaleb zich ophield, maar Jozua was bij Mozes en Aäron, bij de tent van de samenkomst; daarom wordt hij ook niet gerekend, noch verwezen met het volk, dat in het leger was, \[gelijk hij ook uitdrukkelijk genoemd wordt vers 30 \]. Zo zijn ook hier Mozes en Aäron uitgenomen, omdat zij met dat volk niet gezondigd hadden, hoewel zij om een andere particuliere oorzaak die hierna verklaard wordt, Num. 20:12 , mee buiten het land gestorven zijn. Numeri 14:30 : Zo u in dat land komt, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^numeri-14-24-h]: Verwijzing h: Joz. 14:8 ; idem v. 9 . Jozua 14:8 : Maar mijn broers, die met mij opgegaan waren, deden het hart van het volk smelten; maar ik volhardde YHWH, mijn God, na te volgen. Jozua 14:9 : Toen zwoer Mozes te die zelven dage, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen.
[^numeri-14-24-32]: Kanttekening 32: en hij volhard heeft Mij na te volgen: Hebreeuws, en heeft vervuld achter Mij \[te gaan\], dat is, heeft Mij gestadiglijk, trouwelijk en met een oprecht hart gehoorzaamheid bewezen. Zo Deut. 1:36 ; 1 Kon. 11:6 . Deuteronomium 1:36 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft YHWH te volgen. 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^numeri-14-25-33]: Kanttekening 33: in het dal: Te weten, op de andere zijde van dat gebergte in de laagte. Hiermee werden de Israëlieten gewaarschuwd voor het gevaar, dat hun aanstaande was, zo zij voorttrokken, omdat zij aan de grenzen van hun vijanden gekomen waren, die op hen wachtten, en die zij niet zouden kunnen overwinnen, omdat God met hen niet was. Zie onder, vers 43 . Numeri 14:43 : Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en u zult door het zwaard vallen; want, omdat u u afgekeerd hebt van YHWH, zo zal YHWH met u niet zijn.
[^numeri-14-25-34]: Kanttekening 34: Anders, biezenzee, of rietzee. Versta, de Rode zee, die zo genoemd wordt om de menigte van de biezen, die daarin en voornamelijk aan de oever derzelve wiessen. Zie van deze zee ook onder, Num. 21:4 ; Ps. 106:7 , 106:9 , 106:22 , en Ps. 136:13 . Hebreeuws, van de Schelfzee. Numeri 21:4 : Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg. Psalmen 106:7 : Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn van de menigte van Uw goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren opstandig aan de zee, bij de Schelfzee. Psalmen 106:9 : En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn. Psalmen 106:22 : Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. Psalmen 136:13 : Die, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^numeri-14-27-35]: Kanttekening 35: Hoe lang zal Ik : Zie gelijke manier van spreken Matt. 17:17 . Anders, hoelang zal Ik deze boze vergadering \[verdragen of vergeven\] die tegen Mij, enz. Of, hoelang zal Ik deze boze vergadering die tegen Mij is murmurerende, \[en\] de murmurering van de kinderen van Israël, waarmee, enz. horen? Mattheüs 17:17 : En Jezus, antwoordende, zei: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.
[^numeri-14-27-i]: Verwijzing i: Ps. 106:26 . Psalmen 106:26 : Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn;
[^numeri-14-28-k]: Verwijzing k: Num. 26:65 ; Num. 32:11 . Numeri 26:65 : Want YHWH had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Numeri 32:11 : Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;
[^numeri-14-28-36]: Kanttekening 36: als Ik u zo niet doe: Zie boven, vers 23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^numeri-14-28-37]: Kanttekening 37: gesproken hebt: Wat zij gesproken hebben, toen zij morden; zie boven, vers 2 . Numeri 14:2 : En al de kinderen van Israël morden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zei tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!
[^numeri-14-29-l]: Verwijzing l: Deut. 1:35 ; Hebr. 3:17 . Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven! Hebreeën 3:17 : Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, waarvan de lichamen gevallen zijn in de woestijn?
[^numeri-14-29-38]: Kanttekening 38: Zie van deze, boven, Num. 1:1 , 1:2 , enz. Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^numeri-14-30-39]: Kanttekening 39: Mijn hand opgeheven heb: De manier van zweren, die de mensen gebruiken, God tot getuige nemende, naar wie zij de hand opsteken, wordt aan God menselijker wijze toegeschreven. Zie van deze manier van zweren Gen. 14:22 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^numeri-14-30-m]: Verwijzing m: Joz. 14:6 . Jozua 14:6 : Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: U weet het woord, dat YHWH tot Mozes, de man van God, gesproken heeft te Kades-barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.
[^numeri-14-33-40]: Kanttekening 40: zullen gaan weiden: Hebreeuws, zullen zijn weidende. Het Hebreeuwse woord betekent schaapherders te zijn, of als schaapherders met de kudde herwaarts en daarheen om te zweven om goede weiden te zoeken. Waarmee verstaan wordt een onzeker en ongestadig leven op de aarde. Vergelijk Jes. 38:12 . Jesaja 38:12 : Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van de drom; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^numeri-14-33-41]: Kanttekening 41: veertig jaren: Te weten, hierin begrepen zijnde de tijd van hun uittocht uit Egypte, gelijk blijkt onder, Num. 33:38 , en Deut. 1:3 , en Deut. 2:14 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Deuteronomium 1:3 : En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen van Israël, naar alles wat hem YHWH aan hen bevolen had; Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had.
[^numeri-14-33-42]: Kanttekening 42: uw hoererijen dragen: Dat is, de straffen, die u door uw velerlei geestelijke hoererij en afvalligheid verdiend hebt. De geestelijke hoererij is afgodendienst, van welke zie Ex. 34:15 , 34:16 ; en alhoewel deze kinderen de straf van hun ouders leden, aldus vele jaren door de woestijn dwalende, nochtans was God niet onrechtvaardig, omdat zij ook hun menigvuldige zonden hadden, die straf verdienden. Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet. Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.
[^numeri-14-34-n]: Verwijzing n: Ps. 95:10 . Psalmen 95:10 : Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
[^numeri-14-34-43]: Kanttekening 43: ongerechtigheden dragen: Dat is, de straf van uw ongerechtigheden. Zie Gen. 4:13 . Genesis 4:13 : En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
[^numeri-14-34-44]: Kanttekening 44: veertig jaren: Zijnde er onder begrepen de tijd, die nu voorbij was, sedert zij uit Egypte getogen waren. Zie boven, vers 33 . Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.
[^numeri-14-34-45]: Kanttekening 45: Mijn afbreking: Dit kan men verstaan ten aanzien van God, die om hun langdurige opstandigheid van hen zou wijken, of ten aanzien van het volk, dat, van God afwijkende, dezelfde straf verdiend had.
[^numeri-14-35-46]: Kanttekening 46: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering: Zie boven, vers 23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^numeri-14-37-47]: Kanttekening 47: Anders, zullen sterven.
[^numeri-14-37-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 10:10 ; Judas v. 5 . 1 Korinthiërs 10:10 : En mort niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver. Judas 1:5 : Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heer, het volk uit Egypteland verlost hebbende, opnieuw degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.
[^numeri-14-37-48]: Kanttekening 48: een plaag: Sommigen verstaan deze plaag van de pestilentie, bedreigd boven, vers 12 ; anderen van een haastigen en snellen dood, uit de tegenstelling van Jozua en Kaleb, welke levend bleven, onder, vers 38 . Numeri 14:12 : Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is. Numeri 14:38 : Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.
[^numeri-14-37-49]: Kanttekening 49: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, God de Heer had op een zeldzame manier zijn oordeel tegen hen uitgevoerd, alsof Hij tot dit einde openlijk op de rechterstoel gezeten had.
[^numeri-14-40-50]: Kanttekening 50: de hoogte van de berg: Hebreeuws, hoofd.
[^numeri-14-40-51]: Kanttekening 51: wij hebben gezondigd: Dit is geen oprechte belijdenis noch berouw geweest, omdat die zich niet recht bekeren, welke van één kwaad ophoudende, in een ander vervallen, gelijk deze Israëlieten deden, want zij hielden wel op van morren, maar wilden daarna, tegen het bevel van YHWH, het land Kanaän innemen.
[^numeri-14-41-q]: Verwijzing q: Deut. 1:41 . Deuteronomium 1:41 : Toen antwoordde u, en zeide tot mij: Wij hebben tegen YHWH gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat YHWH, onze God, ons geboden heeft. Als u nu een iedereen zijn krijgsgereedschap aangordde, en willens was, om naar het gebergte heen op te trekken,
[^numeri-14-41-52]: Kanttekening 52: het bevel van YHWH: Hebreeuws, mond. Versta, het bevel Gods, waarvan zie boven, vers 25 . Numeri 14:25 : De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op de weg naar de Schelfzee.
[^numeri-14-42-53]: Kanttekening 53: het midden van u niet zijn: Te weten, met zijn hulp en bijstand.
[^numeri-14-44-54]: Kanttekening 54: poogden zij vermetel: Het Hebreeuwse woord betekent met een stouten moed en grote woeling iets lichtvaardiglijk aan te gaan, en bijzonderlijk in het trachten naar enige hoogte.
[^numeri-14-45-55]: Kanttekening 55: Horma toe: De naam van een plaats, naderhand zo genoemd vanwege deze nederlaag. Zie Num. 21:3 . Numeri 21:3 : YHWH dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde de naam dier plaats Horma.

### Numeri 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/15.json)

*Over spijsoffers en drankoffers die bij andere offers gebracht moeten worden, vers 1, enz. Offer van de eerstelingen van het deeg, 19. Zondoffer voor de hele gemeente die door afdwaling of onbedachtzaamheid misdaan heeft, 22. Door een enkele ziel, 27. Straf van een moedwillige zondaar, 30. Straf van hem die op de sabbat hout opgeraapt had, 32. Over koordjes met hemelsblauwe draden aan de kleren, 38.*

**1** Daarna sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u gekomen zult zijn in het[^numeri-15-2-1] land van uw woningen, dat Ik u geven zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v2)

**3** En u een vuuroffer voor YHWH zult doen, een brandoffer, of slachtoffer,[^numeri-15-3-2][^numeri-15-3-a] om af te zonderen een gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uw vastgestelde[^numeri-15-3-3] hoogtijden, om YHWH[^numeri-15-3-b] een liefelijke reuk te maken, van runderen of van klein vee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v3)

**4** Zo zal hij, die zijn offergave aan YHWH offert,[^numeri-15-4-c] een voedseloffer offeren van een[^numeri-15-4-4] tiende meelbloem, gemengd met een[^numeri-15-4-5] vierendeel van een hin olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v4)

**5** En wijn als drankoffer, een vierendeel van een hin, zult u bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v5)

**6** Of voor een ram zult u een voedseloffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v6)

**7** En wijn als drankoffer, een derde deel van een hin, zult u offeren tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v7)

**8** En wanneer u een[^numeri-15-8-6] jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of als dankoffer voor YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v8)

**9** Zo zal[^numeri-15-9-7] hij tot een jong rund offeren een voedseloffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v9)

**10** En wijn zult u offeren als drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v10)

**11** Zo zal gedaan worden met de ene os, of met de ene ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v11)

**12** Naar het getal, dat u bereiden zult, zult u zo doen met elk, naar hun getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v12)

**13** Alle ingezetene zal deze dingen zo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v13)

**14** Wanneer ook een[^numeri-15-14-8] vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het[^numeri-15-14-9] midden van u is, in uw generaties, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijke reuk voor YHWH; zoals u zult doen, zo zal hij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v14)

**15** U, gemeente, het zij u en[^numeri-15-15-d] de vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, één inzetting:[^numeri-15-15-10] ter eeuwige inzetting bij uw generaties,[^numeri-15-15-11] zoals u, zo zal de vreemdeling voor het aangezicht van YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v15)

**16** Eén wet en één recht zal u zijn, en de vreemdeling, die bij u als vreemdeling verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v16)

**17** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v17)

**18** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als u zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v18)

**19** Zo zal het gebeuren, als u van het brood van het land zult eten, dan zult u YHWH een hefoffer offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v19)

**20** De eerstelingen van uw deeg, een koek zult u tot een hefoffer offeren;[^numeri-15-20-12] zoals het hefoffer van de dorsvloer zult u dat offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v20)

**21** Van de eerstelingen van uw deeg zult u YHWH een hefoffer geven, bij uw generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v21)

**22** Verder wanneer u afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die YHWH tot Mozes gesproken heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v22)

**23** Alles, wat u YHWH door de hand van Mozes geboden heeft;[^numeri-15-23-13] van die dag af, dat YHWH geboden heeft, en voortaan bij uw generaties; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v23)

**24** Zo zal het gebeuren, als iets bij dwaling[^numeri-15-24-14] gedaan, en voor de ogen van[^numeri-15-24-15] de vergadering[^numeri-15-24-16] verborgen is, dat de hele gemeenschap één stier, een jong rund, zal bereiden als brandoffer, tot een liefelijke reuk voor YHWH, met zijn voedseloffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en één geitenbok als zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v24)

**25** En de priester zal de verzoening doen voor de[^numeri-15-25-17] hele gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden; want het was een afdwaling, en zij hebben hun offergave gebracht, een vuuroffer voor YHWH, en hun zondoffer, voor het aangezicht van YHWH, over hun afdwaling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v25)

**26** Het zal dan aan de hele gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, ook de vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert; want het is het hele volk door dwaling overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v26)

**27** [^numeri-15-27-e] En als een[^numeri-15-27-18] ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een[^numeri-15-27-19] eenjarige geit als zondoffer offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v27)

**28** En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, voor het aangezicht van YHWH, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v28)

**29** De ingezetene van de Israëlieten, en de vreemdeling, die in hun midden als vreemdeling verkeert, één wet zal u zijn, degene, die het door afdwaling doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v29)

**30** Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met[^numeri-15-30-20] opgeheven hand, hetzij van ingezetenen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en die ziel zal[^numeri-15-30-21] uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v30)

**31** Want zij heeft het woord van YHWH veracht en Zijn gebod vernietigd; die ziel zal geheel uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid[^numeri-15-31-22] is op haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v31)

**32** Als nu de Israëlieten in de woestijn waren, zo vonden zij een man, hout sprokkelende op de sabbatdag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v32)

**33** En die hem vonden, hout sprokkelende, brachten hem tot Mozes, en tot Aäron, en tot de hele[^numeri-15-33-23] gemeenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v33)

**34** En[^numeri-15-34-24] zij stelden hem in[^numeri-15-34-f] bewaring; want het was[^numeri-15-34-25] niet verklaard, wat hem gedaan zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v34)

**35** Zo zei YHWH tot Mozes: Die man zal zeker gedood worden; de hele gemeenschap zal hem met stenen stenigen buiten het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v35)

**36** Toen bracht hem de hele gemeenschap uit tot buiten het leger, en zij stenigden hem met stenen, dat hij stierf, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v36)

**37** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v37)

**38** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen:[^numeri-15-38-g] Dat zij zich[^numeri-15-38-26] snoertjes maken aan de hoeken van hun kleren, bij hun generaties; en op de snoertjes van de hoek zullen zij een hemelsblauwe draad zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v38)

**39** En[^numeri-15-39-27] hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van YHWH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar[^numeri-15-39-28] uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v39)

**40** Opdat u gedenkt en doet al Mijn geboden, en uw God heilig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v40)

**41** Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, om u[^numeri-15-41-29] tot een God te zijn; Ik ben YHWH, uw God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/15.html#v41)

[^numeri-15-2-1]: Kanttekening 1: het land van uw woningen: Het land Kanaän, waarin u uw woningen hebben zult.
[^numeri-15-3-2]: Kanttekening 2: om af te zonderen een gelofte: Nadat u dan iets zult hebben afgezonderd, wat u YHWH ter dankbaarheid beloofd hebt, of, enz.
[^numeri-15-3-a]: Verwijzing a: Lev. 22:21 . Leviticus 22:21 : En als iemand een dankoffer YHWH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn.
[^numeri-15-3-3]: Kanttekening 3: In de offeranden, die op de feesten naar Gods wet geofferd moesten worden.
[^numeri-15-3-b]: Verwijzing b: Ex. 29:18 . Exodus 29:18 : Zo zult u de heel ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer YHWH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer YHWH.
[^numeri-15-4-c]: Verwijzing c: Lev. 2:1 ; Lev. 6:14 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Leviticus 6:14 : Dit is nu de wet van het spijsoffer; één van de zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht van YHWH offeren, voor het altaar.
[^numeri-15-4-4]: Kanttekening 4: een tiende meelbloem: Zie Lev. 14:10 . Leviticus 14:10 : En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^numeri-15-4-5]: Kanttekening 5: een vierendeel van een hin olie: Zie Lev. 19:36 . Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^numeri-15-8-6]: Kanttekening 6: jong rund: Hebreeuws, een zoon van een rund. Zo in het volgende.
[^numeri-15-9-7]: Kanttekening 7: Die de offerande wil offeren; de persoon wordt hier veranderd u in hij.
[^numeri-15-14-8]: Kanttekening 8: vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert: Hebbende zijn vaste woonplaats buiten uw land, slechts voor zekeren tijd onder u verkerende, en tot de ware religie bekeerd zijnde, gelijk de zaak zelve uitwijst.
[^numeri-15-14-9]: Kanttekening 9: midden van u is: Die wel een uitlander is, maar onder u is komen wonen.
[^numeri-15-15-d]: Verwijzing d: Ex. 12:49 ; Num. 9:14 . Exodus 12:49 : Enerlei wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. Numeri 9:14 : En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha YHWH ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, zo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor u zijn, beiden de vreemdeling en de inboorling van het land.
[^numeri-15-15-10]: Kanttekening 10: ter eeuwige inzetting: Hebreeuws, een inzetting van de eeuwigheid; Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^numeri-15-15-11]: Kanttekening 11: gelijk u: De zin is, dat de Israëlieten en de bekeerde vreemdelingen in de godsdienst voor God evenveel zullen gelden en enerlei recht genieten.
[^numeri-15-20-12]: Kanttekening 12: gelijk het hefoffer van de dorsvloers: Dat is, naardat uw deeg groot of klein zal zijn, en op gelijke wijze, gelijk u geboden is te doen met de eerste vruchten, die daarna op de dorsvloer worden uitgedorst, gelijk tarwe, rogge, gerst. Zie Lev. 2:14 , 2:15 , 2:16 . Leviticus 2:14 : En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. Leviticus 2:15 : En u zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer. Leviticus 2:16 : Zo zal de priester het gedenkoffer daarvan aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al de wierook; het is een vuuroffer voor YHWH.
[^numeri-15-23-13]: Kanttekening 13: van die dag af: Dat is, van de tijd af, dat u deze wet gegeven is.
[^numeri-15-24-14]: Kanttekening 14: Te weten, van de gehele vergadering.
[^numeri-15-24-15]: Kanttekening 15: Dit verstaan sommigen van bijzondere vergaderingen of gemeenten, die in het land Kanaän in steden en dorpen alsdan zouden zijn, en dat, Lev. 4:13 , enz. van de gehele vergadering, daar zij buiten Kanaän in het leger bijeen was, gesproken is, met bevel van alleen een jong rund ten zondoffer te offeren, buiten het leger te voeren en te verbranden, Lev. 4:21 ; maar hier wordt een jong rund ten brandoffer en een geitenbok ten zondoffer bevolen. Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden; Leviticus 4:21 : Daarna zal hij die var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij de eerste var verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente.
[^numeri-15-24-16]: Kanttekening 16: verborgen is : Dit wordt hier ingevoegd uit Lev. 4:13 . Leviticus 4:13 : Als nu de gehele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden;
[^numeri-15-25-17]: Kanttekening 17: Zie op vers 24 . Numeri 15:24 : Zo zal het gebeuren, als iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen van de vergadering verborgen is, dat de gehele vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer.
[^numeri-15-27-e]: Verwijzing e: Lev. 4:27 . Leviticus 4:27 : En zo enig mens van het volk van het land door afdwaling zal gezondigd hebben, omdat hij iets doet tegen één van de geboden van YHWH, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is;
[^numeri-15-27-18]: Kanttekening 18: Dat is, mens, persoon; zo in het volgende.
[^numeri-15-27-19]: Kanttekening 19: eenjarige geit: Hebreeuws, een dochter van haar jaar.
[^numeri-15-30-20]: Kanttekening 20: met opgeheven hand: Dat is, met opzet, trots en hoogmoed, moedwilligheid, zonder enig schromen of ontzag voor de Allerhoogste en zijn geboden. Deze manier van spreken wordt ook in een anderen zin gebruikt. Zie Ex. 14:8 ; Num. 33:3 . Exodus 14:8 : Want YHWH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen van Israël najaagde; maar de kinderen van Israël waren door een hoge hand uitgegaan. Numeri 33:3 : Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, van de anderen daags van het pascha, togen de kinderen van Israël uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;
[^numeri-15-30-21]: Kanttekening 21: uitgeroeid worden: Zie Gen. 17:14 . Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelfde ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.
[^numeri-15-31-22]: Kanttekening 22: is op haar: Of, zij op haar. Dat is, zij drage de straf van haar ongerechtigheid, waarvan zij zelve de schuld heeft. Vergelijk Lev. 20:9 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^numeri-15-33-23]: Kanttekening 23: Van de oudsten en rechters.
[^numeri-15-34-24]: Kanttekening 24: Te weten, die hem er op bevonden hadden, of anderen, door bevel van Mozes, enz.
[^numeri-15-34-f]: Verwijzing f: Lev. 24:12 . Leviticus 24:12 : En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar de mond van YHWH, verklaring gebeuren zou.
[^numeri-15-34-25]: Kanttekening 25: niet verklaard: Versta, welke dood men hem zou aandoen, daarvan was geen uitgedrukte wet, hoewel Ex. 35:2 bevolen was dat men zou ombrengen dengene, die enig dienstwerk op de sabbatdag deed. Exodus 35:2 : Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid zijn, een sabbat van de rust voor YHWH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.
[^numeri-15-38-g]: Verwijzing g: Deut. 22:12 ; Matt. 23:5 . Deuteronomium 22:12 : Snoeren zult u u maken aan de vier hoeken uw opperkleeds, waarmee u u bedekt. Mattheüs 23:5 : En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot.
[^numeri-15-38-26]: Kanttekening 26: snoertjes maken aan de hoeken van hun kleren: Vergelijk Deut. 22:12 ; Matt. 23:5 ; idem Ex. 13:16 ; Deut. 6:8 , en Deut. 11:18 . Deuteronomium 22:12 : Snoeren zult u u maken aan de vier hoeken van uw opperkleed, waarmee u u bedekt. Mattheüs 23:5 : En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot. Exodus 13:16 : En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want YHWH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen. Deuteronomium 11:18 : Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;
[^numeri-15-39-27]: Kanttekening 27: Te weten, de draad.
[^numeri-15-39-28]: Kanttekening 28: naar uw hart: Dat is, u zult niet pogen na te volgen de gedachten van uw hart en de begeerlijkheid van uw ogen, om de afgoden van de heidenen na te hoereren, gelijk u door uw vleselijke zinnelijkheid genegen bent te doen, gelijk wel gebleken is.
[^numeri-15-41-29]: Kanttekening 29: tot een God te zijn: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.

### Numeri 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/16.json)

*Korach, Dathan en Abiram maken oproer tegen Mozes en Aaron, vers 1, enz. Hoe Mozes zich daartegen gedragen heeft, 4. De oproermakers worden vreselijk door God gestraft, 31. Hun wierookvaten worden ter gedachtenis en waarschuwing bewaard, 36. Het volk mort over de ondergang van de oproermakers, waarover 14700 door vuur verteerd worden, 41. Aaron stilt op Mozes' bevel de plaag, 46.*

**1** [^numeri-16-1-1] Korach[^numeri-16-1-a] nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en[^numeri-16-1-2] On, de zoon van Peleth,[^numeri-16-1-3] zonen van Ruben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v1)

**2** En zij[^numeri-16-2-4] stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de Israëlieten,[^numeri-16-2-5] oversten van[^numeri-16-2-6] de vergadering, de geroepenen van de[^numeri-16-2-7] samenkomst, mannen van naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v2)

**3** En zij verzamelden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen:[^numeri-16-3-8] Het is te veel voor u, want deze hele vergadering, zij allen, zijn heilig, en YHWH is in het midden van hen; waarom dan verheft[^numeri-16-3-9] u zich over de gemeente van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v3)

**4** Als Mozes dit hoorde, zo[^numeri-16-4-10] viel hij op zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v4)

**5** En hij[^numeri-16-5-11] sprak tot Korach, en tot zijn hele[^numeri-16-5-12] vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken,[^numeri-16-5-13] wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij[^numeri-16-5-14] gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v5)

**6** Doe dit: neem u wierookvaten, Korach en zijn hele vergadering; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v6)

**7** En doet[^numeri-16-7-15] morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht van YHWH; en het zal gebeuren, dat de man, die YHWH verkiezen zal, die zal heilig zijn.[^numeri-16-7-16] Het is te veel voor u, u, kinderen van Levi! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v7)

**8** Verder zei Mozes tot Korach: Hoor toch, u, kinderen van Levi! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v8)

**9** Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de gemeenschap van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te[^numeri-16-9-17] doen naderen; om de dienst van de tabernakel van YHWH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v9)

**10** Daar Hij u, en al uw broers, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt u nu ook het priesterambt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v10)

**11** Daarom u, en uw hele vergadering, u bent verzameld tegen YHWH, want Aäron, wat is hij, dat u tegen hem mort? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v11)

**12** En Mozes zond heen, om Dathan en Abiram, de zonen van[^numeri-16-12-18] Eliab, te roepen; maar[^numeri-16-12-19] zij zeiden: Wij zullen niet opkomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v12)

**13** Is het te weinig, dat u ons uit een[^numeri-16-13-20] land, van melk en honing vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat u ook[^numeri-16-13-21] uzelf ten enenmaal over ons tot een heerser maakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v13)

**14** Ook hebt u ons niet gebracht in een land,[^numeri-16-14-22] dat van melk en honing vloeit, noch ons akkers en wijngaarden als erfdeel gegeven. Zult u de ogen[^numeri-16-14-23] van deze mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v14)

**15** Toen[^numeri-16-15-24] ontstak Mozes zeer, en hij zei tot YHWH: Zie hun offer niet aan![^numeri-16-15-b] Ik heb niet[^numeri-16-15-26] één ezel van hen genomen, en niet één van hen kwaad gedaan.[^numeri-16-15-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v15)

**16** Verder zei Mozes tot Korach: U, en uw hele vergadering, wees voor het aangezicht van YHWH; u, en zij, ook Aäron, op morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v16)

**17** En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht van YHWH, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook u, en Aäron, een ieder zijn wierookvat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v17)

**18** Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent van de samenkomst, ook Mozes en Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v18)

**19** En Korach deed de hele gemeenschap tegen[^numeri-16-19-27] hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de[^numeri-16-19-28] heerlijkheid van YHWH aan deze hele vergadering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v19)

**20** En YHWH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v20)

**21** Scheid u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een[^numeri-16-21-29] ogenblik verteren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v21)

**22** Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God[^numeri-16-22-c] van[^numeri-16-22-30] de geesten van[^numeri-16-22-31] alle[^numeri-16-22-32] vlees! één enig man zal gezondigd hebben, en zult U Zich over deze hele vergadering enorm vertoornen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v22)

**23** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v23)

**24** Spreek tot deze vergadering, zeggende: Ga op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v24)

**25** Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v25)

**26** En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijk toch af van de tenten van deze goddeloze mannen, en roert niets aan van wat hun is, opdat u niet misschien verdaan wordt[^numeri-16-26-33] in al hun zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v26)

**27** Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur van hun tenten,[^numeri-16-27-34] met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v27)

**28** Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat YHWH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen,[^numeri-16-28-35] dat zij niet uit mijn eigen hart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v28)

**29** Als deze zullen sterven,[^numeri-16-29-36] zoals alle mensen sterven, en over hen een[^numeri-16-29-37] bezoeking zal gedaan worden, naar de bezoeking van alle mensen,[^numeri-16-29-38] zo heeft mij YHWH niet gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v29)

**30** Maar als YHWH wat[^numeri-16-30-39] nieuws zal scheppen, en de aarde zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat van hen is, en zij levend naar het[^numeri-16-30-40] dodenrijk zullen neervaren; dan zult u bekennen, dat deze mannen YHWH getergd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v30)

**31** En het gebeurde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd de aarde, dat onder hen was, gekloofd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v31)

**32** En de aarde opende haar mond, en[^numeri-16-32-d] verslond hen met hun huizen, en[^numeri-16-32-41] alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v32)

**33** En zij voeren neer, zij en[^numeri-16-33-42] alles wat van hen was, levend naar het[^numeri-16-33-43] dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v33)

**34** En het hele Israël, dat rondom hen was, vluchtte voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v34)

**35** Daartoe ging een vuur uit van YHWH, en verteerde die[^numeri-16-35-44] tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v35)

**36** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v36)

**37** Zeg tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de wierookvaten uit de brand opneme; en strooi het vuur[^numeri-16-37-45] verre weg; want[^numeri-16-37-46] zij zijn heilig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v37)

**38** Te weten de wierookvaten van deze,[^numeri-16-38-47] die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat[^numeri-16-38-48] men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van YHWH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de Israëlieten tot een[^numeri-16-38-49] teken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v38)

**39** En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v39)

**40** Ter nagedachtenis voor de Israëlieten, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet wordt[^numeri-16-40-50] als Korach, en zijn vergadering, zoals hem YHWH door de[^numeri-16-40-51] dienst van Mozes[^numeri-16-40-52] gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v40)

**41** Maar op de andere dag morde de hele gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en tegen Aäron, zeggende: U hebt het volk van YHWH gedood! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v41)

**42** En het gebeurde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die[^numeri-16-42-53] wolk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v42)

**43** Mozes nu en Aäron kwamen tot voor de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v43)

**44** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v44)

**45** [^numeri-16-45-54] Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen[^numeri-16-45-55] zij op hun aangezichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v45)

**46** En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering,[^numeri-16-46-56] doe over hen verzoening; want een grote[^numeri-16-46-57] toorn is van voor het aangezicht van YHWH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v46)

**47** En Aäron nam het, zoals Mozes gesproken had, en liep in het midden van de gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v47)

**48** En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; zo werd de plaag[^numeri-16-48-58] opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v48)

**49** Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, afgezien van die gestorven waren om de[^numeri-16-49-59] zaak van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v49)

**50** En Aäron keerde weer tot Mozes aan de deur van de tent van de samenkomst; en de plaag was opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/16.html#v50)

[^numeri-16-1-1]: Kanttekening 1: Korach nu: Deze was het hoofd van de samenspanning en beroerte, \[ vers 22 , 16:49 \], wie het nochtans het minst betaamde, als zijnde een Leviet, gelijk hier en onder, vers 5 , 16:6 te zien is. Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Numeri 16:49 : Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach. Numeri 16:5 : En hij sprak tot Korach, en tot zijn gehele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. Numeri 16:6 : Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn gehele vergadering;
[^numeri-16-1-a]: Verwijzing a: Num. 26:9 ; Num. 27:3 ; Judas v. 11 . Numeri 26:9 : En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen van de vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen YHWH maakten. Numeri 27:3 : Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering degenen, die zich tegen YHWH vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. Judas 1:11 : Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
[^numeri-16-1-2]: Kanttekening 2: Die hierna niet meer werd genoemd; waaruit sommigen afnemen dat hij zich beter bedacht en bekeerd heeft.
[^numeri-16-1-3]: Kanttekening 3: zonen van Ruben: Of, kinderen; dat is, nakomelingen van Ruben. Dit is te verstaan van Dathan, Abiram en On, Ruben was wel de eerstgeborene, maar had het recht van de eerstgeboorte door zijn schandelijke misdaad verloren; hoewel deze \[zoals het schijnt\] daarop te moediger zijn geweest, gelijk Korach op de afkomst van Levi.
[^numeri-16-2-4]: Kanttekening 4: stonden op: Dat is, zij stonden op tegen Mozes, samenspannende als onder zijn ogen, of in zijn aanwezigheid.
[^numeri-16-2-5]: Kanttekening 5: oversten van de vergadering: Zodanigen hadden zij aan zich getrokken, om hun voornemen bij de gemeente aanzienlijk te maken.
[^numeri-16-2-6]: Kanttekening 6: de geroepenen van de samenkomst: Zie Num. 1:16 . Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-16-2-7]: Kanttekening 7: mannen van naam: Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^numeri-16-3-8]: Kanttekening 8: Het is te veel voor u: Hebreeuws, veel voor u, of u veel; dat is, het is genoeg, of, te veel voor u beiden \[vergelijk Ez. 44:6 \], want de andere Israëlieten zijn even goed en even na tot het priesterdom en de regering als u beiden. Ezechiël 44:6 : En zeg tot die opstandigen, tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Het is te veel voor u, vanwege al uw gruwelen, o huis van Israël.
[^numeri-16-3-9]: Kanttekening 9: u u over de gemeente: Mozes \[willen zij zeggen\] in de politie en Aäron in het priesterdom.
[^numeri-16-4-10]: Kanttekening 10: viel hij op zijn aangezicht: Zeer ontsteld en bedroefd zijnde, en zuchtende tot God, dat Hij dit gruwelijk oproer wilde stillen.
[^numeri-16-5-11]: Kanttekening 11: sprak tot Korach: Door Gods ingeven en besturing, met een vast vertrouwen van een goede uitkomst in deze zaak, gesterkt en welberaden zijnde.
[^numeri-16-5-12]: Kanttekening 12: Allen, die bij hem vergaderd waren, zijn gehele rot.
[^numeri-16-5-13]: Kanttekening 13: wie de Zijne: Wie Hij tot het priesterdom gekozen heeft.
[^numeri-16-5-14]: Kanttekening 14: gekozen zal hebben: Hebreeuws, verkiezen zal; dat is, betonen zal gekozen te hebben; zo in het volgende.
[^numeri-16-7-15]: Kanttekening 15: morgen vuur daarin: Te weten, vroeg, gelijk vers 5 gezegd is. Numeri 16:5 : En hij sprak tot Korach, en tot zijn gehele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen.
[^numeri-16-7-16]: Kanttekening 16: Het is te veel voor u: Dat is, u behoort met uw deel \[waarvan in de volgende verzen gesproken wordt\] wel tevreden te zijn; of, het is hoog en ver genoeg, houdt op en staat af van dit kwade voornemen.
[^numeri-16-9-17]: Kanttekening 17: doen naderen: Zie boven, Num. 3:6 , 3:7 , 3:8 , 3:11 , 3:12 , enz. Numeri 3:6 : Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen; Numeri 3:8 : En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de wacht van de kinderen van Israël waarnemen, om de dienst van het tabernakel te bedienen. Numeri 3:11 : En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: Numeri 3:12 : En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen van Israël; en de Levieten zullen van Mij zijn.
[^numeri-16-12-18]: Kanttekening 18: te roepen: Willende beproeven of hij hen met redenen, vermaningen en bestraffingen \[gelijk aan Korach en de anderen, hoewel tevergeefs, geschied was\] mocht bewegen tot afstand.
[^numeri-16-12-19]: Kanttekening 19: Lieten Mozes voor antwoord wederzeggen.
[^numeri-16-13-20]: Kanttekening 20: Egypteland.
[^numeri-16-13-21]: Kanttekening 21: ten enenmaal: Hebreeuws, uzelven tot een overheer of vorst maakt, ook uzelven tot een overheer makende.
[^numeri-16-14-22]: Kanttekening 22: dat van melk en honig vloeit: Waarvan u zoveel gesproken hebt, willen zij zeggen. Zie Ex. 13:5 ; Lev. 20:24 , enz. Exodus 13:5 : En het zal gebeuren, als u YHWH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult u deze dienst houden in deze maand. Leviticus 20:24 : En Ik heb u gezegd: U zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat u het erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben YHWH, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!
[^numeri-16-14-23]: Kanttekening 23: ogen van deze mannen uitgraven: Dat is, blinddoeken, gelijk men zegt, verstand en oordeel bedwelmen, dat zij uw bedrog niet zouden merken.
[^numeri-16-15-24]: Kanttekening 24: ontstak Mozes zeer: Hebreeuws, ontstak de Mozes; te weten, de toorn. Versta, een heilige toornigheid, uit grote ijver voor Gods eer, tegen deze vijanden Gods en zijn instelling. Vergelijk Gen. 4:5 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
[^numeri-16-15-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 12:3 . 1 Samuël 12:3 : Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij voor YHWH, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wie ik verongelijkt heb, wie ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het u wedergeven.
[^numeri-16-15-26]: Kanttekening 26: een ezel van hen genomen: Hij wil zeggen: ik heb niemand van hen in het minst verkort of enig leed aangedaan, maar ter contrarie hen niet dan alles goeds gewild en gedaan. Vergelijk 1 Sam. 12:3 . 1 Samuël 12:3 : Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij voor YHWH, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wie ik verongelijkt heb, wie ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het u wedergeven.
[^numeri-16-15-25]: Kanttekening 25: Zie hun offer niet aan: Vergelijk Gen. 4:4 . Anders, spijsoffer. Genesis 4:4 : En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En YHWH zag Abel en zijn offer aan;
[^numeri-16-19-27]: Kanttekening 27: hen verzamelen: Mozes en Aäron.
[^numeri-16-19-28]: Kanttekening 28: de heerlijkheid van YHWH: In de wolkkolom, die een wonderlijk teken was van de bijzondere aanwezigheid Gods. Zo onder, vers 42 . Numeri 16:42 : En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen.
[^numeri-16-21-29]: Kanttekening 29: ogenblik verteren: Dat is, zeer haast; zo onder, vers 45 . Numeri 16:45 : Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.
[^numeri-16-22-c]: Verwijzing c: Num. 27:16 ; Hebr. 12:9 . Numeri 27:16 : Dat YHWH, de God van de geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven?
[^numeri-16-22-30]: Kanttekening 30: Dat is, van de zielen, die U geschapen hebt, zijnde zo de auteur van het leven. Zo wordt geest voor ziel genomen, Ps. 31:6 , en Ps. 146:4 ; Pred. 12:7 ; Luk. 8:55 , en Luk. 23:46 ; Hand. 7:59 ; Hebr. 12:9 . Psalmen 31:6 : In Uw hand beveel ik mijn geest; U hebt mij verlost, YHWH, U, God van de waarheid! Psalmen 146:4 : Zijn geest gaat uit, hij keert opnieuw tot zijn aarde; te dienzelfde dage vergaan zijn aanslagen. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft. Lukas 8:55 : En haar geest keerde weer, en zij is meteen opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou. Lukas 23:46 : En Jezus, roepende met grote stemme, zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. Handelingen 7:59 : En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heer Jezus, ontvang mijn geest. Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven?
[^numeri-16-22-31]: Kanttekening 31: Dat is, alle mensen. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^numeri-16-22-32]: Kanttekening 32: een enig man zal gezondigd hebben: Namelijk, Korach. Zie boven, vers 1 , en onder, vers 49 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben. Numeri 16:49 : Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.
[^numeri-16-26-33]: Kanttekening 33: in al hun zonden: Dat is, in de straf, die hun vanwege al hun zonden overkomen zal. Zie Gen. 4:13 . Genesis 4:13 : En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
[^numeri-16-27-34]: Kanttekening 34: met hun vrouwen: Dat is, met hun gehele huisgezinnen.
[^numeri-16-28-35]: Kanttekening 35: dat zij niet uit mijn eigen hart zijn: Dat is, dat ik die niet van mijzelf versierd en uit eigen wil, of op mijn eigen autoriteit gedaan heb. Vergelijk onder, Num. 24:13 ; Ez. 13:2 , met de aantekeningen. Numeri 24:13 : Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel van YHWH niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat YHWH spreken zal, dat zal ik spreken. Ezechiël 13:2 : Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH.
[^numeri-16-29-36]: Kanttekening 36: gelijk alle mensen sterven: Dat is, op een algemene, bekende, gewone wijze.
[^numeri-16-29-37]: Kanttekening 37: bezoeking zal gedaan worden: Dat is, als zij met een algemene, bekende of gewone plaag van God gestraft worden.
[^numeri-16-29-38]: Kanttekening 38: zo heeft mij YHWH niet gezonden: Dat is, zo zal daaruit blijken dat mij YHWH niet gezonden heeft.
[^numeri-16-30-39]: Kanttekening 39: nieuws zal scheppen: Hebreeuws, een schepping zal scheppen; dat is, door zijn goddelijke almacht een nieuw en tevoren ongehoord wonderwerk zal doen. Zie Gen. 1:1 . Genesis 1:1 : In de beginne schiep God de hemel en de aarde.
[^numeri-16-30-40]: Kanttekening 40: dodenrijk zullen nedervaren: Of, in het graf, in de groef, kuil, put, enz. Dat is, in de kloof, die door Gods kracht in de aarde gescheurd zou worden. Van het Hebreeuwse woord Scheol (שְׁאָ֫לָה) zie Gen. 37:35 , en vergelijk Ps. 55:16 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader. Psalmen 55:16 : Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend naar het dodenrijk nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
[^numeri-16-32-d]: Verwijzing d: Num. 26:10 ; Num. 27:3 ; Deut. 11:6 ; Ps. 106:17 . Numeri 26:10 : En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken. Numeri 27:3 : Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering degenen, die zich tegen YHWH vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. Deuteronomium 11:6 : Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van geheel Israël. Psalmen 106:17 : De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.
[^numeri-16-32-41]: Kanttekening 41: alle mensen: Uitgezonderd de zonen van Korach, welke niet zijn omgekomen, als dienende misschien in deze tijd in de tent van de samenkomst, en van huns vaders oproerig voornemen niet wetende, of immers het niet toestemmende. Zie onder, Num. 26:11 ; 1 Kron. 6:22 , 6:37 . Numeri 26:11 : Maar de kinderen van Korach stierven niet. 1 Kronieken 6:22 : De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir; 1 Kronieken 6:37 : De zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah,
[^numeri-16-33-42]: Kanttekening 42: alles wat hun was: Of, allen die hun toebehoorden.
[^numeri-16-33-43]: Kanttekening 43: Zie vers 30 . Numeri 16:30 : Maar als YHWH wat nieuws zal scheppen, en de aarde zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hun is, en zij levend naar het dodenrijk zullen nedervaren; alsdan zult u bekennen, dat deze mannen YHWH getergd hebben.
[^numeri-16-35-44]: Kanttekening 44: tweehonderd en vijftig mannen: Zie boven, vers 2 , 16:16 , 16:18 . Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. Numeri 16:16 : Verder zei Mozes tot Korach: U, en uw gehele vergadering, weest voor het aangezicht van YHWH; u, en zij, ook Aäron, op morgen. Numeri 16:18 : Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent van de samenkomst, ook Mozes en Aäron.
[^numeri-16-37-45]: Kanttekening 45: verre weg: Of, ginds, ginderheen; dat is, doe het strooien, geef last dat men het strooie buiten het leger aan de plaats, waar men de as stortte, gelijk sommigen verstaan.
[^numeri-16-37-46]: Kanttekening 46: zij zijn heilig: Te weten, de wierookvaten \[gelijk volgt\] in welke deze mannen, op Mozes' bevel, vuur en reukwerk voor YHWH hadden gebracht.
[^numeri-16-38-47]: Kanttekening 47: die tegen hun zielen gezondigd hebben: Dat is, die door de gruwelijke zonde het verderf zichzelven op de hals gehaald hebben. Vergelijk 1 Kon. 2:23 ; Spr. 20:2 . 1 Koningen 2:23 : En de koning Salomo zwoer bij YHWH, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben! Spreuken 20:2 : De schrik van de koning is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
[^numeri-16-38-48]: Kanttekening 48: uitgerekte platen daarvan make: Hebreeuws, uittrekking van platen. Versta, dat men die door slaan uitrekken zou, om zo brede platen er van te maken.
[^numeri-16-38-49]: Kanttekening 49: teken zijn: Tot een gedenkteken van deze goddelijke wraak over zodanige oproermakers, die zich tegen Gods ordinantie gesteld hadden, opdat een ieder zich voor zulk kwaad lere wachten. Zie vers 40 . Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had.
[^numeri-16-40-50]: Kanttekening 50: worde als Korach: Dat is, dat het hem niet ga gelijk Korach, enz.
[^numeri-16-40-51]: Kanttekening 51: dienst van Mozes: Hebreeuws, de hand.
[^numeri-16-40-52]: Kanttekening 52: gesproken had: Dat is, voorzegd, bedreigd had.
[^numeri-16-42-53]: Kanttekening 53: De wolkkolom bedekte de tent van de samenkomst. Zie boven, vers 19 . Numeri 16:19 : En Korach deed de gehele vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid van YHWH aan deze gehele vergadering.
[^numeri-16-45-54]: Kanttekening 54: Maak u op uit het midden: Of, hef u op.
[^numeri-16-45-55]: Kanttekening 55: zij op hun aangezichten: Te weten, Mozes en Aäron. Zie boven, vers 4 , 16:22 . Numeri 16:4 : Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht. Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^numeri-16-46-56]: Kanttekening 56: doe over hen verzoening: Zie Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^numeri-16-46-57]: Kanttekening 57: Dat is, een grote straf is van de toornige God uitgezonden, en begint bereids aan te gaan.
[^numeri-16-48-58]: Kanttekening 58: Of, gestuit, bedwongen, ingehouden; te weten, van God. Vergelijk 2 Sam. 24:21 , 24:25 . 2 Samuël 24:21 : En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om YHWH een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk. 2 Samuël 24:25 : En David bouwde daar YHWH een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Zo werd YHWH de lande verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.
[^numeri-16-49-59]: Kanttekening 59: zaak van Korach: Het oproer, waarvan Korach de stichter was. Zie boven, vers 1 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.

### Numeri 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/17.json)

*God bevestigt Aarons roeping door het wonderbaarlijke bloeien van alleen zijn staf, vers 1, enz. Die ter gedachtenis wordt weggelegd, 10. Het volk wordt hierdoor zeer verschrikt en zoekt troost bij Mozes, 12.*

**1** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, en[^numeri-17-2-1] neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun[^numeri-17-2-2] oversten, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; de naam van ieder zult u schrijven op zijn staf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v2)

**3** Maar Aärons naam zult u schrijven op de staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het[^numeri-17-3-3] hoofd van het huis van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v3)

**4** En u zult ze wegleggen in de tent van de samenkomst, voor de[^numeri-17-4-4] getuigenis,[^numeri-17-4-a] waarheen Ik[^numeri-17-4-5] met u samenkomen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v4)

**5** En het zal gebeuren, dat de staf van de man, die Ik[^numeri-17-5-6] zal gekozen hebben, zal[^numeri-17-5-7] bloeien; en Ik zal stillen het geklaag van de Israëlieten[^numeri-17-5-8] tegen Mij, dat zij tegen[^numeri-17-5-9] u morden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v5)

**6** Mozes dan sprak tot de Israëlieten, en al hun oversten gaven aan hem[^numeri-17-6-10] een staf, voor elke overste een staf, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; Aärons staf was ook[^numeri-17-6-11] onder hun staven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v6)

**7** En Mozes legde deze staven weg, voor het[^numeri-17-7-12] aangezicht van YHWH, in de tent van het getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v7)

**8** Het gebeurde nu op de andere dag, dat Mozes in de tent van het getuigenis inging; en ziet, Aärons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en[^numeri-17-8-13] droeg amandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v8)

**9** Toen bracht Mozes al deze staven[^numeri-17-9-14] uit, van voor het aangezicht van YHWH, tot al de Israëlieten; en zij zagen het, en namen elk zijn staf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v9)

**10** Toen zei YHWH tot Mozes:[^numeri-17-10-b] Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de[^numeri-17-10-15] opstandige kinderen; zo zult u een[^numeri-17-10-16] einde maken van hun geklaag tegen Mij, dat zij niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v10)

**11** En Mozes deed het; zoals YHWH hem geboden had, zo deed hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v11)

**12** Toen spraken de Israëlieten tot Mozes, zeggende: Zie, wij[^numeri-17-12-17] geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v12)

**13** Al wie[^numeri-17-13-18] enigszins nadert tot de tabernakel van YHWH, zal sterven;[^numeri-17-13-19] zullen wij dan de geest gevende verdaan worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/17.html#v13)

[^numeri-17-2-1]: Kanttekening 1: neem van hen: Hebreeuws, neemt van bij hen staf, staf, naar een huis van de vader, enz.
[^numeri-17-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Num. 2 .
[^numeri-17-3-3]: Kanttekening 3: hoofd van het huis: Dat is, voor elk hoofd, voor elke vorst, of overste van het vaderlijk huis. De zin is: ofschoon Ik wel de stam van Levi onderscheiden of gedeeld heb in tweeën, te weten de priesterlijke linie van Aäron en de Levieten, zo zullen zij nochtans in deze samen gerekend worden onder één hoofd, namelijk Aäron.
[^numeri-17-4-4]: Kanttekening 4: Dat is, voor de ark van het verbond, waarin de tafelen van het verbond lagen, zijnde een getuigenis van Gods wil.
[^numeri-17-4-a]: Verwijzing a: Ex. 25:22 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^numeri-17-4-5]: Kanttekening 5: met u samenkomen zal: Of, met, tot, of bij u vergaderd zal worden, of samenkomen zal, om u te spreken van alles, wat u de kinderen van Israël zult hebben aan te dienen, waarvan de tent van de samenkomst voornamelijk de naam heeft. Zie Ex. 25:22 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^numeri-17-5-6]: Kanttekening 6: gekozen hebben: Tot het priesterambt.
[^numeri-17-5-7]: Kanttekening 7: Of, uitspruiten, uitbotten, uitschieten, en zo vers 8 . Numeri 17:8 : Het geschiedde nu de volgende dag, dat Mozes in de tent van het getuigenis inging; en ziet, Aärons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.
[^numeri-17-5-8]: Kanttekening 8: tegen Mij: Hebreeuws, van over, of tegen mij; of, van mij stillen, of doen ophouden; dat is, afwenden en stillen, gelijk zulke woorden in de Hebreeuwse taal meer zijn, waaronder twee woorden moeten worden verstaan. Zie Gen. 12:15 . De zin is: Ik zal maken dat zij afhouden van tegen Mij en meteen tegen u te morren, omdat zij, tegen u murmurerende, inderdaad tegen Mij morren. Zie onder, vers 10 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Numeri 17:10 : Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
[^numeri-17-5-9]: Kanttekening 9: Mozes en Aäron.
[^numeri-17-6-10]: Kanttekening 10: een staf: Hebreeuws, voor een overste, of vorst, een staf voor een overste een.
[^numeri-17-6-11]: Kanttekening 11: onder hun staven: Hebreeuws, in het midden van hun staven.
[^numeri-17-7-12]: Kanttekening 12: aangezicht van YHWH: Zie boven, vers 4 . Numeri 17:4 : En u zult ze wegleggen in de tent van de samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
[^numeri-17-8-13]: Kanttekening 13: droeg amandelen: Anders, rijpe amandelen; dat is, droeg amandelen, die aan het rijpen waren, of, allengskens meer en meer rijpende.
[^numeri-17-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, uit het allerheiligste, waar zij voor de ark gelegen hadden.
[^numeri-17-10-b]: Verwijzing b: Hebr. 9:4 . Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond.
[^numeri-17-10-15]: Kanttekening 15: opstandige kinderen: Hebreeuws, kinderen van de opstandigheid.
[^numeri-17-10-16]: Kanttekening 16: een einde maken: Hebreeuws, hun murmureringen eindigen, van Mij, of van tegen, over Mij; dat is, eindigen en van Mij afwenden, doen ophouden, maken dat zij niet meer tegen Mij morren. Zie boven, vers 5 . Numeri 17:5 : En het zal gebeuren, dat de staf van de man, welke Ik zal gekozen hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen van Israël tegen Mij, welke zij tegen u morden.
[^numeri-17-12-17]: Kanttekening 17: geven de geest: Of, wij bezwijken, zieltogen, zielbraken; en zo in vers 13 . Aldus spreken zij uit grote schrik en verbaasdheid, bezorgd zijnde dat het hun allen gaan mocht als het rot van Korach; daar YHWH hen ter contrarie met dit middel voor het verderf waarschuwde, tonende zijn barmhartigheid en zijn lankmoedigheid. Zie vers 5 , 17:10 . Numeri 17:13 : Al wie enigszins nadert tot de tabernakel van YHWH, zal sterven; zullen wij dan de geest gevende verdaan worden? Numeri 17:5 : En het zal gebeuren, dat de staf van de man, welke Ik zal gekozen hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen van Israël tegen Mij, welke zij tegen u morden. Numeri 17:10 : Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
[^numeri-17-13-18]: Kanttekening 18: enigzins nadert: Hebreeuws, die nadert, die nadert.
[^numeri-17-13-19]: Kanttekening 19: zullen wij dan de geest gevende verdaan worden: Anders, zullen wij dan ganselijk, geheellijk, ten enenmale, of, allen tezamen ondergaan? of hebben zij geëindigd met ondergaan? Dat is, zal er dan geen einde zijn met ondergaan?

### Numeri 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/18.json)

*God legt aan Aaron en zijn zonen hun ambt voor en voegt de Levieten aan hen toe voor hun dienst, vers 1, enz. Hij verordent het onderhoud van Aaron en zijn zonen, 8. en ook van de Levieten, 21. die van hun tienden aan de hogepriester tienden moesten geven, 25.*

**1** Zo[^numeri-18-1-1] zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de[^numeri-18-1-2] ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen[^numeri-18-1-3] de ongerechtigheid van uw priesterambt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v1)

**2** En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam van uw vader, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van[^numeri-18-2-4] het getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v2)

**3** En zij zullen uw taak waarnemen, en de taak van de hele tent; maar tot het gereedschap van het heiligdom en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven,[^numeri-18-3-5] zo zij als u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v3)

**4** Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de taak van de tent van de samenkomst waarnemen, in alle dienst van de tent; en[^numeri-18-4-6] een vreemde zal tot u niet naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v4)

**5** U nu zult waarnemen de taak van het heiligdom, en de taak van het altaar; opdat er geen[^numeri-18-5-7] toorn meer zij over de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v5)

**6** Want Ik, zie, Ik heb[^numeri-18-6-a] uw broers, de Levieten, uit het midden van de Israëlieten genomen;[^numeri-18-6-8] zij zijn u een gave, gegeven[^numeri-18-6-9] aan YHWH, om de dienst van de tent van de samenkomst te bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v6)

**7** Maar u, en uw zonen met u, zult uw priesterambt waarnemen in alle zaken van het altaar, en in wat van binnen het[^numeri-18-7-10] voorhangsel is, dat zult u bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst[^numeri-18-7-11] van een geschenk; en de[^numeri-18-7-12] vreemde, die nadert, zal gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v7)

**8** Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de taak van Mijn hefoffers, met alle[^numeri-18-8-14] heilige dingen van de Israëlieten heb Ik ze u gegeven,[^numeri-18-8-15] omwille van de zalving, en aan uw zonen, tot een[^numeri-18-8-16] eeuwige inzetting.[^numeri-18-8-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v8)

**9** Dit zult u hebben van[^numeri-18-9-17] de[^numeri-18-9-18] heiligheid van de heiligheden, uit het vuur: al hun offergaven, met al hun voedseloffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een[^numeri-18-9-19] heiligheid van de heiligheden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v9)

**10** Aan het[^numeri-18-10-20] allerheiligste zult u dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v10)

**11** Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegoffers van de Israëlieten;[^numeri-18-11-b] Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v11)

**12** Al[^numeri-18-12-21] het beste van de olie, en al het beste van de nieuwe wijn, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v12)

**13** De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij YHWH zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v13)

**14** [^numeri-18-14-c] Al het[^numeri-18-14-22] verbannene in Israël zal het uwe zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v14)

**15** Al wat de[^numeri-18-15-d] baarmoeder[^numeri-18-15-23] opent, van alle vlees, dat zij YHWH zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; maar de eerstgeborenen van de mensen zult u[^numeri-18-15-24] geheel lossen; ook zult u lossen de eerstgeborenen van de onreine beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v15)

**16** Die nu daaronder gelost zullen worden, zult u van een maand[^numeri-18-16-25] oud lossen, naar uw[^numeri-18-16-26] schatting, voor[^numeri-18-16-27] het geld van vijf sikkels, naar de[^numeri-18-16-28] sikkel van het[^numeri-18-16-e] heiligdom, die is twintig[^numeri-18-16-29] gera. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v16)

**17** Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult u niet lossen, zij zijn[^numeri-18-17-30] heilig; hun bloed zult u sprenkelen op het altaar, en hun vet zult u aansteken, tot een vuuroffer van liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v17)

**18** En hun vlees zal het uwe zijn; zoals de[^numeri-18-18-31] beweegborst, en zoals de rechterschouder,[^numeri-18-18-32] zal het uwe zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v18)

**19** Alle hefoffers van de heilige dingen, die de Israëlieten YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u,[^numeri-18-19-33] tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig[^numeri-18-19-34] zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v19)

**20** Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben;[^numeri-18-20-f] Ik ben uw[^numeri-18-20-35] deel en uw erfenis, in het midden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v20)

**21** [^numeri-18-21-36] En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle[^numeri-18-21-37] tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v21)

**22** En de Israëlieten zullen niet meer naderen tot de tent van de samenkomst,[^numeri-18-22-38] om zonde te dragen en te[^numeri-18-22-39] sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v22)

**23** Maar de[^numeri-18-23-40] Levieten, die zullen bedienen de dienst van de tent van de samenkomst, en die zullen[^numeri-18-23-41] hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw generaties; en in het midden van de Israëlieten zullen zij geen erfenis erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v23)

**24** Want de tienden van de Israëlieten, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de Israëlieten geen erfenis erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v24)

**25** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v25)

**26** U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de Israëlieten de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van hen gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v26)

**27** En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer,[^numeri-18-27-42] als koren van de dorsvloer, en als de volheid van de[^numeri-18-27-43] perskuip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v27)

**28** Zo zult u ook een hefoffer van YHWH offeren van al uw tienden, die u van de Israëlieten zult hebben ontvangen; en u zult daarvan het hefoffer van YHWH geven aan de priester Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v28)

**29** Van al uw gaven zult u alle hefoffer[^numeri-18-29-44] van[^numeri-18-29-45] YHWH offeren; van al[^numeri-18-29-46] het beste van die,[^numeri-18-29-47] van zijn heiliging daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v29)

**30** U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden[^numeri-18-30-48] als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v30)

**31** En u zult dat eten in alle plaatsen, u en uw huis; want het is u een loon voor uw dienst in de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v31)

**32** Zo zult u daarover geen zonde[^numeri-18-32-49] dragen, als u het[^numeri-18-32-50] beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de Israëlieten niet ontheiligen, opdat u niet sterft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/18.html#v32)

[^numeri-18-1-1]: Kanttekening 1: zei YHWH tot Aäron: Om het volk de vrees \[waarvan in het laatst van het Num. 17 gesproken is\] te benemen, en een middel aan te wijzen, waardoor voorgekomen mocht worden, dat zulk een onheil hun na deze niet meer zou overkomen.
[^numeri-18-1-2]: Kanttekening 2: ongerechtigheid van het heiligdom: Dat is, de straf van wat aan het heiligdom en de ceremoniën daarvan misdaan wordt; daarom zult u toezien dat ieder blijve binnen de perken van zijn dienst, anders zult u daarvoor instaan. Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^numeri-18-1-3]: Kanttekening 3: de ongerechtigheid van uw priesterambt: De straf van wat aan het priesterambt misdaan wordt, wanneer u u daarin niet wel gedraagt, of toelaat dat een vreemde in uw ambt treedt en zich daaraan vergrijpt.
[^numeri-18-2-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Num. 17:4 . Numeri 17:4 : En u zult ze wegleggen in de tent van de samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
[^numeri-18-3-5]: Kanttekening 5: zo zij als u: Hebreeuws, ook zij, ook u; te weten, wanneer u dat niet voorkomt, of door onachtzaamheid toelaat, of overziet.
[^numeri-18-4-6]: Kanttekening 6: een vreemde zal tot u niet naderen: Die niet is van de stam van Levi, zal u niet mogen dienen.
[^numeri-18-5-7]: Kanttekening 7: toorn meer zij: Versta, van YHWH; dat is al zulke straffen of plagen, als er tevoren van God zijn afgekomen over Korach en al zijn medeplichtigen.
[^numeri-18-6-a]: Verwijzing a: Num. 3:45 . Numeri 3:45 : Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen van Israël, en de beesten van de Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH!
[^numeri-18-6-8]: Kanttekening 8: zij zijn u een gave: Of, zij zijn u een gave, of geschenk, gegeven YHWH, of van YHWH; dat is, zij zijn u ten dienste geschonken, en zo overgegeven om YHWH te dienen.
[^numeri-18-6-9]: Kanttekening 9: YHWH: Anders, voor de Heer.
[^numeri-18-7-10]: Kanttekening 10: voorhang is: Waardoor het heilige van de voorhof onderscheiden wordt.
[^numeri-18-7-11]: Kanttekening 11: van een geschenk: Dat is, dat u met uw linie tot het hogepriesterambt voor anderen bent gekozen en dat bedienen zult, is een loutere genadegave van Mij, gelijk Ik ook de Levieten het hunne geschonken heb; noch u, noch zij hebben het verdiend. Zo is ook het geestelijke, dat hierdoor voorgebeeld en beduid was; te weten, onze gemeenschap met onze hogepriester Jezus Christus, en ook zijn verdiensten en zaligmakende weldaden, een loutere genadegave van YHWH; Jes. 9:5 ; Rom. 3:24 , en Rom. 8:32 , en Rom. 11:35 ; Ef. 2:7 , 2:8 , 2:9 , enz.; 2 Tim. 1:9 ; 1 Petr. 2:9 , 2:10 ; 1 Joh. 4:10 ; Openb. 1:5 , 1:6 . Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Romeinen 3:24 : En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Efeziërs 2:7 : Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Efeziërs 2:8 : Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Efeziërs 2:9 : Niet uit de werken, opdat niemand roeme. 2 Timotheüs 1:9 : Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; 1 Petrus 2:10 : U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden. 1 Johannes 4:10 : Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. Openbaring 1:5 : En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^numeri-18-7-12]: Kanttekening 12: vreemde, die nadert: Die niet is van Aärons linie, en zich het priesterambt wil aannemen. Zie boven, Num. 16:40 , en 2 Kron. 26:19 . Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had. 2 Kronieken 26:19 : Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar.
[^numeri-18-8-14]: Kanttekening 14: heilige dingen: Hebreeuws, heiligheden. Zie Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^numeri-18-8-15]: Kanttekening 15: vanwege de zalving: Dat is, omdat u tot dit heilig ambt gezalfd bent. Zie Lev. 8:12 , enz. Leviticus 8:12 : Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen.
[^numeri-18-8-16]: Kanttekening 16: eeuwige inzetting: Tot de komst van de Messias. Zie Gen. 13:15 , en Gen. 17:7 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^numeri-18-8-13]: Kanttekening 13: Zie boven, Num. 5:9 . Numeri 5:9 : Evenzo zal alle heffing van alle geheiligde dingen van de kinderen van Israël, welke zij tot de priester brengen, van hem zijn.
[^numeri-18-9-17]: Kanttekening 17: heiligheid van de heiligheden: Zie Lev. 2:3 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^numeri-18-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, wat geen brandoffer is, of bestemd om met vuur geheel op het altaar verbrand te worden, maar wat van de vuuroffers overblijft, enz.
[^numeri-18-9-19]: Kanttekening 19: heiligheid van de heiligheden zijn: Dat is, u en uw zonen zult het voor een zeer heilig ding houden. Anders, een heiligheid van de heiligheden, het zal van u en van uw zonen zijn; dat is, omdat het een zeer heilig ding is, zult u en uw zonen dat hebben.
[^numeri-18-10-20]: Kanttekening 20: allerheiligste zult u dat eten: Het zij binnen in het heilige, of buiten naast het brandofferaltaar, dat zelf een heiligheid van de heiligheden genoemd wordt; Ex. 29:37 . Zie verder Lev. 6:16 , 6:26 , en Lev. 7:6 , en Lev. 8:31 , en Lev. 14:13 . Deze plaats wordt het heilige van de heiligen, of het allerheiligste, of zeer heilige genoemd in vergelijking van de gehele voorhof, waar de gemeente bijeenkwam. God heeft gewild dat de priesters dit alles hier zouden eten, om de heiligheid van deze offeranden te tonen, en de priesters \[die niet voor Gods aangezicht als zijn gasten aten\] van alle overdaad en onmatigheid af te houden. Wat nu in hun private huizen mocht gegeten worden en door wie, daarvan zie vers 11 , 18:13 , 18:19 . Exodus 29:37 : Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 6:26 : De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. Leviticus 7:6 : Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid van de heiligheden. Leviticus 8:31 : En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet het daar, en ook het brood, dat in de korf van het vuloffer is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten. Leviticus 14:13 : Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor de priester; het is een heiligheid van de heiligheden. Numeri 18:11 : Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegofferen van de kinderen van Israël; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. Numeri 18:13 : De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij YHWH zullen brengen, zullen van u zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. Numeri 18:19 : Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u.
[^numeri-18-11-b]: Verwijzing b: Lev. 10:14 . Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven.
[^numeri-18-12-21]: Kanttekening 21: het beste van de olie: Hebreeuws, al het vette van de olie; en zo in het volgende, en onder, vers 29 , 18:30 , 18:32 . Zie Gen. 45:18 . Numeri 18:29 : Van al uw gaven zult u alle hefoffer van YHWH offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan. Numeri 18:30 : U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip. Numeri 18:32 : Zo zult u daarover geen zonde dragen, als u het beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de kinderen van Israël niet ontheiligen, opdat u niet sterft. Genesis 45:18 : En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en u zult het vette van dit land eten.
[^numeri-18-14-c]: Verwijzing c: Lev. 27:28 . Leviticus 27:28 : Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand YHWH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal YHWH een heiligheid van de heiligheden zijn.
[^numeri-18-14-22]: Kanttekening 22: verbannene in Israël: Zie Lev. 27:28 . Leviticus 27:28 : Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand YHWH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal YHWH een heiligheid van de heiligheden zijn.
[^numeri-18-15-d]: Verwijzing d: Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Lev. 27:26 ; Num. 3:13 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH!
[^numeri-18-15-23]: Kanttekening 23: opent, van alle vlees: Hebreeuws, alle opening van de baarmoeder. Zie Ex. 13:2 , 13:12 , 13:13 , 13:15 , en Num. 3:12 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 13:12 : Zo zult u tot YHWH doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht van de beesten, die u hebben zult; de mannetjes zullen van YHWH zijn. Exodus 13:13 : Maar al wat de baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een lam; wanneer u het nu niet lost, zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen zult u lossen. Exodus 13:15 : Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde YHWH alle eerstgeborenen in Egypteland, van de eerstgeborene van de mens af, tot de eerstgeborene van de beesten; daarom offer ik YHWH de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; maar alle eerstgeborenen mijner zonen los ik. Numeri 3:12 : En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen van Israël; en de Levieten zullen van Mij zijn.
[^numeri-18-15-24]: Kanttekening 24: ganselijk lossen: Hebreeuws, zult u lossende lossen; dat is, ganselijk laten lossen, en zo moet men in de volgende verzen door lossen verstaan: laten lossen.
[^numeri-18-16-25]: Kanttekening 25: oud lossen: Hebreeuws, van een zoon van een maand.
[^numeri-18-16-26]: Kanttekening 26: Die u naar mijn bevel doen zult, gelijk blijkt in het volgende.
[^numeri-18-16-27]: Kanttekening 27: het geld van vijf sikkelen: Of, zilver van vijf sikkelen.
[^numeri-18-16-28]: Kanttekening 28: sikkel van het heiligdom: Zie Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^numeri-18-16-e]: Verwijzing e: Ex. 30:13 ; Lev. 27:25 ; Num. 3:47 ; Ez. 45:12 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH. Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. Numeri 3:47 : U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^numeri-18-16-29]: Kanttekening 29: twintig gera: Zie Lev. 27:25 . Leviticus 27:25 : Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera.
[^numeri-18-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, heiligheid; dat is, een heilig ding.
[^numeri-18-18-31]: Kanttekening 31: Zie Lev. 7:34 . Leviticus 7:34 : Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de kinderen van Israël uit hun dankofferen genomen, en heb die aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen van Israël.
[^numeri-18-18-32]: Kanttekening 32: Of, achterbout.
[^numeri-18-19-33]: Kanttekening 33: tot een eeuwige inzetting: Met deze en de volgende woorden heeft God alle murmurering, tegenspraak en krakeel onder de Israëlieten willen voorkomen en bedwingen.
[^numeri-18-19-34]: Kanttekening 34: zoutverbond zijn: Dat is, gedurig en bestendig, gelijk de dingen die gezouten zijn, lang duren en voor vervuiling of verrotting bewaard zijn. Zie Lev. 2:13 , en 2 Kron. 13:5 . Leviticus 2:13 : En alle offerande van uw spijsoffer zult u met zout zouten, en het zout van het verbond van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult u zout offeren. 2 Kronieken 13:5 : Staat het u niet toe te weten, dat YHWH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?
[^numeri-18-20-f]: Verwijzing f: Deut. 10:9 ; Deut. 18:2 ; Ez. 44:28 . Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 18:2 : Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft. Ezechiël 44:28 : Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult u hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.
[^numeri-18-20-35]: Kanttekening 35: uw deel en uw erfenis: Vergelijk Deut. 10:9 . Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft.
[^numeri-18-21-36]: Kanttekening 36: En zie: Of, en aangaande de kinderen van Levi, zie Ik heb hun, enz.
[^numeri-18-21-37]: Kanttekening 37: tienden in Israël ter erfenis gegeven: Zie Lev. 27:30 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig.
[^numeri-18-22-38]: Kanttekening 38: om zonde te dragen: Dat is, om zich schuldig te maken en straf op zich te laden. Zie boven, vers 1 , en onder, vers 32 . Numeri 18:1 : Zo zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt. Numeri 18:32 : Zo zult u daarover geen zonde dragen, als u het beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de kinderen van Israël niet ontheiligen, opdat u niet sterft.
[^numeri-18-22-39]: Kanttekening 39: Gelijk Korach en de zijnen gebeurd is. Zie boven, Num. 16 .
[^numeri-18-23-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, Levi.
[^numeri-18-23-41]: Kanttekening 41: hun ongerechtigheid dragen: Dat is, zij zelf de straf dragen, wanneer zij misdoen in hun dienst. Zie boven, vers 1 . Numeri 18:1 : Zo zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.
[^numeri-18-27-42]: Kanttekening 42: als koren van de dorsvloer: Dat is, het zal geacht worden en zo aangenaam zijn, alsof u eigen land hadt en van de vrucht daarvan \[gelijk de andere stammen\], uw tienden opofferde.
[^numeri-18-27-43]: Kanttekening 43: Wijnpers en oliepers. Zie Joël 2:24 . Joël 2:24 : En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.
[^numeri-18-29-44]: Kanttekening 44: Dat is, van alle tienden, die u gegeven worden.
[^numeri-18-29-45]: Kanttekening 45: alle hefoffer: Dat is, allerlei.
[^numeri-18-29-46]: Kanttekening 46: het beste van die: Hebreeuws, vette; gelijk boven, vers 12 , en in vers 30 . Numeri 18:12 : Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. Numeri 18:30 : U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip.
[^numeri-18-29-47]: Kanttekening 47: heiliging daarvan: Dat is, door welk deel uw tienden geheiligd worden, zo dat u die met vrije consciëntie nuttigen mag. Zie onder, vers 32 . Anders, zijn heilig deel ervan. Numeri 18:32 : Zo zult u daarover geen zonde dragen, als u het beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de kinderen van Israël niet ontheiligen, opdat u niet sterft.
[^numeri-18-30-48]: Kanttekening 48: als een inkomen van de dorsvloer: Zie boven, vers 27 . Numeri 18:27 : En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van de dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.
[^numeri-18-32-49]: Kanttekening 49: Zie boven, vers 1 , 18:22 . Numeri 18:1 : Zo zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt. Numeri 18:22 : En de kinderen van Israël zullen niet meer naderen tot de tent van de samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.
[^numeri-18-32-50]: Kanttekening 50: beste daarvan offert: Hebreeuws, vette; gelijk boven, vers 12 . Zie daar. Numeri 18:12 : Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven.

### Numeri 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/19.json)

*Bevel om het reinigingswater te maken met as van de rode geslachte en verbrande vaars, vers 1, enz. Over verschillende soorten onreinheid en het reinigen door gebruik van het genoemde water, 11. Wet tegen wie deze reiniging verachten, 20.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v1)

**2** Dit is de inzetting van de wet, die YHWH geboden heeft, zeggende: Spreek tot de Israëlieten, dat zij[^numeri-19-2-1] tot u brengen een rode volkomen vaars, waarin geen gebrek is, op welke geen juk[^numeri-19-2-3] gekomen is.[^numeri-19-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v2)

**3** En u zult die geven aan Eleazar, de priester; en hij zal ze[^numeri-19-3-a] uitbrengen tot[^numeri-19-3-4] buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v3)

**4** En Eleazar, de priester, zal van haar[^numeri-19-4-b] bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent van de samenkomst zevenmaal sprenkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v4)

**5** Verder zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden;[^numeri-19-5-c] haar huid, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v5)

**6** En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van de brand van deze vaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v6)

**7** Dan zal de priester zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v7)

**8** Ook die haar verbrand heeft, zal zijn kleren met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v8)

**9** En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn[^numeri-19-9-5] ter bewaring voor de gemeenschap van de Israëlieten, tot het[^numeri-19-9-6] water van de afzondering; het is[^numeri-19-9-7] ontzondiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v9)

**10** En die de as van deze vaars verzameld heeft, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. Dit zal de Israëlieten, en de vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v10)

**11** [^numeri-19-11-d] Wie een dode,[^numeri-19-11-8] enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v11)

**12** Op de derde dag zal hij[^numeri-19-12-9] zich daarmee ontzondigen, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar als hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v12)

**13** Al wie een dode, het dode lichaam van een mens, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die[^numeri-19-13-10] verontreinigt de tabernakel van YHWH; daarom zal[^numeri-19-13-11] die ziel[^numeri-19-13-12] uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water van de afzondering op hem niet gesprenkeld is, zal hij onrein zijn; zijn onreinheid[^numeri-19-13-13] is nog in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v13)

**14** Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn[^numeri-19-14-14] in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v14)

**15** Ook alle open gereedschap, waarop geen[^numeri-19-15-15] deksel[^numeri-19-15-16] gebonden is, dat is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v15)

**16** En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente van een mens[^numeri-19-16-17], of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v16)

**17** [^numeri-19-17-18] Voor een onreine nu zullen zij nemen van het[^numeri-19-17-19] stof van de brand van[^numeri-19-17-20] de ontzondiging, en daarop[^numeri-19-17-21] levend water doen in een kruik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v17)

**18** En een rein man zal[^numeri-19-18-e] hysop nemen, en in dat water dopen, en sprenkelen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; ook aan degene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v18)

**19** En de reine zal de onreine op de derde dag, en op de zevende dag besprenkelen; en op de zevende dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en op de avond rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v19)

**20** Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen,[^numeri-19-20-22] die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het[^numeri-19-20-23] heiligdom van YHWH verontreinigd, het water van de afzondering is op hem niet gesprenkeld, hij is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v20)

**21** Dit zal hun zijn tot een eeuwige inzetting. En die het water van de afzondering sprenkelt, zal zijn kleren wassen; ook wie het water van de afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v21)

**22** Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en de ziel, die[^numeri-19-22-24] dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/19.html#v22)

[^numeri-19-2-1]: Kanttekening 1: tot u brengen: Hebreeuws, nemen tot u; dat is, nemen en brengen tot u. Zie van zulk een gebruik van sommige woorden Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^numeri-19-2-3]: Kanttekening 3: gekomen is: Hebreeuws, opgekomen opgegaan, of, opgeklommen; dat is, die nimmer juk gedragen, nimmer onder het juk gegaan heeft.
[^numeri-19-2-2]: Kanttekening 2: geen gebrek: Vergelijk Hebr. 7:26 ; 1 Petr. 1:19 , enz. Hebreeën 7:26 : Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden; 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^numeri-19-3-a]: Verwijzing a: Hebr. 13:11 ; idem v. 12 . Hebreeën 13:11 : Want waarvan de dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Hebreeën 13:12 : Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.
[^numeri-19-3-4]: Kanttekening 4: buiten het leger: Zie de beduiding Hebr. 13:11 , 13:12 . Hebreeën 13:11 : Want van welke dieren het bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Hebreeën 13:12 : Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.
[^numeri-19-4-b]: Verwijzing b: Hebr. 9:13 . Hebreeën 9:13 : Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees;
[^numeri-19-5-c]: Verwijzing c: Ex. 29:14 ; Lev. 4:11 ; idem v. 12 . Exodus 29:14 : Maar het vlees van het var, en zijn vel, en zijn drek, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. Leviticus 4:11 : Maar de huid van die var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest; Leviticus 4:12 : En die heel var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.
[^numeri-19-9-5]: Kanttekening 5: ter bewaring: Dat is, zij \[namelijk deze as\] zal bewaard worden.
[^numeri-19-9-6]: Kanttekening 6: water van de afzondering: Waarmee besprengd zouden worden degenen, die om enige ceremoniëele onreinheid van de tabernakel van de Heer of van de bijeenkomsten van de gemeente waren afgezonderd, tot een teken van hun reiniging.
[^numeri-19-9-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, zonde; dat is, ontzondiging, of reiniging van zonden. Zie vers 12 , 19:13 , 19:19 , 19:20 . De zin is: dat water en de besprenging daarmee zal een teken zijn van de reiniging van zonden, die alleen geschiedt door het bloed van de Messias en Zaligmaker, onze Heer Jezus Christus, mits gesprengd \[dat is, toegeëigend\] zijnde aan de zielen van alle ware kinderen van God, waarvan deze gehele ceremonie een voorbeeld was. Zie Hebr. 9:12 , 9:13 , 9:14 , en Hebr. 10:1 , 10:2 , 10:3 , 10:4 , 10:12 , 10:14 ; 1 Petr. 1:2 ; 1 Joh. 1:7 , enz. Zo wordt het woord zonde ook zeer dikwijls genomen voor offerande voor de zonde, of zondoffer. Zie en vergelijk boven, Num. 8:7 waar dit water genoemd wordt water van de zonde, en onder, vers 17 hebt u brand van de zonde. Numeri 19:12 : Op de derde dag zal hij zich daarmee ontzondigen, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar als hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn. Numeri 19:13 : Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt de tabernakel van YHWH; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water van de afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem. Numeri 19:19 : En de reine zal de onreine op de derde dag, en op de zevende dag besprengen; en op de zevende dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en op de avond rein zijn. Numeri 19:20 : Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom van YHWH verontreinigd, het water van de afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein. Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 9:13 : Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees; Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Hebreeën 10:1 : Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. Hebreeën 10:2 : Anders zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die de dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben van de zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde; Hebreeën 10:3 : Maar nu geschiedt in die alle jaren weer gedachtenis van de zonden. Hebreeën 10:4 : Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Hebreeën 10:12 : Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God; Hebreeën 10:14 : Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Numeri 8:7 : En aldus zult u hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water van de ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun gehele vlees doen gaan, en zij zullen hun kleren wassen, en zich reinigen. Numeri 19:17 : Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof van de brand van de ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat.
[^numeri-19-11-d]: Verwijzing d: Num. 31:19 ; Hagg. 2:14 . Numeri 31:19 : En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen. Haggai 2:14 : En Haggai zei: Als iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden.
[^numeri-19-11-8]: Kanttekening 8: enig dood lichaam van een mens: Hetzij van een Jood, of van een vreemdeling. Hebreeuws, ziel. Zie Lev. 19:28 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH!
[^numeri-19-12-9]: Kanttekening 9: daarmee ontzondigen: Met het water van de afzondering.
[^numeri-19-13-10]: Kanttekening 10: verontreinigt de tabernakel: Wanneer hij, nog onrein zijnde, evenwel niet schroomt tegen Gods uitgedrukt bevel in de voorhof van zijn heilige woning te verschijnen.
[^numeri-19-13-11]: Kanttekening 11: die ziel: Dat is, mens, persoon.
[^numeri-19-13-12]: Kanttekening 12: uitgeroeid worden uit Israël: Als hebbende moedwilliglijk veracht, niet alleen dit ceremoniëel gebod van YHWH, maar ook de betekende zaak, te weten, de reiniging door het bloed van de Messias, gelijk de volgende woorden uitwijzen; vergelijk met boven, vers 9 . Vergelijk ook Hebr. 10:26 , 10:27 , 10:28 , 10:29 . Zie verder Gen. 17:14 ; zo onder, vers 20 . Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging. Hebreeën 10:26 : Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; Hebreeën 10:27 : Maar een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en hitte van het vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. Hebreeën 10:28 : Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; Hebreeën 10:29 : Hoeveel te zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest van de genade smaadheid heeft aangedaan? Genesis 17:14 : En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. Numeri 19:20 : Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom van YHWH verontreinigd, het water van de afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.
[^numeri-19-13-13]: Kanttekening 13: is nog in hem: Of, zal voortaan in hem zijn, of, blijft in hem.
[^numeri-19-14-14]: Kanttekening 14: in een tent: Dat is, in het leger, in zijn woning.
[^numeri-19-15-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, gewrongen doek, of stuk laken, of snoer, waarmee men iets bindt.
[^numeri-19-15-16]: Kanttekening 16: gebonden is: Hebreeuws, aangevoegd, samengevoegd, gekoppeld. De zin is, dat nergens mee toegedekt, bestopt of bewonden is.
[^numeri-19-16-17]: Kanttekening 17: Die gestorven is.
[^numeri-19-17-18]: Kanttekening 18: Voor een onreine: Hier beveelt nu God de wijze aan van het water van de afzondering te bereiden en te gebruiken.
[^numeri-19-17-19]: Kanttekening 19: stof van de brand: Dat is, van de bewaarde as van de verbrande rode vaars. Zie boven, vers 9 . Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^numeri-19-17-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, van de zonde; dat is, dienende tot ontzondiging of reiniging van zonde. Zie boven, vers 9 . Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^numeri-19-17-21]: Kanttekening 21: levend water: Dat is, springende, lopende of vlietende, genomen uit een fontein of rivier. Zie Gen. 26:19 ; Lev. 14:5 . Genesis 26:19 : De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water. Leviticus 14:5 : De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.
[^numeri-19-18-e]: Verwijzing e: Ps. 51:9 . Psalmen 51:9 : Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
[^numeri-19-20-22]: Kanttekening 22: die ziel zal uit het midden van de gemeente: Dat is, die persoon, of, mens.
[^numeri-19-20-23]: Kanttekening 23: heiligdom van YHWH verontreinigd: Zie boven, vers 13 . Numeri 19:13 : Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt de tabernakel van YHWH; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water van de afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.
[^numeri-19-22-24]: Kanttekening 24: dat : Of, hem .

### Numeri 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/20.json)

*De kinderen van Israel komen in de woestijn Zin, waar Mirjam sterft, vers 1, enz. zij morren om water, 2. De HEERE beveelt Mozes tot de rots te spreken, opdat die water zou geven, 7. Mozes slaat op de rots, 11. De HEERE is verstoord op Mozes en Aaron vanwege hun ongeloof, 12. Mozes verzoekt doortocht door Edom, 14. die hem geweigerd wordt, 18, 20. Op bevel van de HEERE draagt Aaron op de berg Hor zijn hogepriesterambt over aan zijn zoon Eleazar, 23. en hij sterft daar, 28. de hele gemeente beweent hem, 29.*

**1** Als de Israëlieten, de hele gemeenschap, in de woestijn Zin gekomen waren, in de[^numeri-20-1-1] eerste maand, zo bleef het volk te[^numeri-20-1-2] Kades. En[^numeri-20-1-3] Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v1)

**2** En er was geen water voor de vergadering; toen verzamelden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v2)

**3** En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende:[^numeri-20-3-4] Och, of wij de geest gegeven hadden, toen[^numeri-20-3-a] onze broers voor het aangezicht van YHWH de geest gaven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v3)

**4** Waarom toch hebt u de gemeente van YHWH in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v4)

**5** En waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen[^numeri-20-5-5] in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappels; ook is er geen water om te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v5)

**6** Toen gingen Mozes en Aäron[^numeri-20-6-6] van het aangezicht van de gemeente tot de deur van de tent van de samenkomst, en[^numeri-20-6-7] zij vielen op hun aangezichten; en de[^numeri-20-6-8] heerlijkheid van YHWH verscheen hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v6)

**7** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v7)

**8** Neem[^numeri-20-8-9] die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven;[^numeri-20-8-b] zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v8)

**9** Toen nam Mozes de staf van[^numeri-20-9-10] voor het aangezicht van YHWH, zoals Hij hem geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v9)

**10** En Mozes en Aäron verzamelden de gemeente voor de steenrots,[^numeri-20-10-c] en hij[^numeri-20-10-11] zei tot[^numeri-20-10-12] hen: Hoor toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen?[^numeri-20-10-d][^numeri-20-10-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v10)

**11** Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de[^numeri-20-11-14] steenrots[^numeri-20-11-15] tweemaal met zijn staf;[^numeri-20-11-e] en er kwam veel water uit,[^numeri-20-11-f] zodat de vergadering dronk, en haar beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v11)

**12** Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron:[^numeri-20-12-g] Omdat u[^numeri-20-12-16] Mij niet geloofd hebt, dat[^numeri-20-12-17] u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van[^numeri-20-12-18] Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v12)

**13** Dit zijn de wateren[^numeri-20-13-19] van Meriba, daar de Israëlieten met[^numeri-20-13-20] YHWH om getwist hebben; en Hij werd[^numeri-20-13-21] aan hen geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v13)

**14** Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van[^numeri-20-14-22] Edom,[^numeri-20-14-h] die zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite,[^numeri-20-14-23] die ons ontmoet is;[^numeri-20-14-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v14)

**15** Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaders kwaad gedaan hebben.[^numeri-20-15-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v15)

**16** Toen[^numeri-20-16-i] riepen wij tot YHWH, en Hij hoorde onze stem, en Hij[^numeri-20-16-k] zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, een stad aan het uiterste van uw gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v16)

**17** Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van[^numeri-20-17-26] de putten drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken[^numeri-20-17-27] ter rechterhand noch ter linkerhand, voordat wij door uw gebied zullen getrokken zijn.[^numeri-20-17-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v17)

**18** Maar Edom zei tot hem: U zult[^numeri-20-18-29] door mij niet trekken, opdat ik niet misschien[^numeri-20-18-30] met het zwaard uitga u tegemoet![^numeri-20-18-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v18)

**19** Toen zeiden de Israëlieten tot hem: Wij zullen door de gebaande weg optrekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik de prijs daarvoor geven; ik zal alleen, zonder iets anders, te voet doortrekken.[^numeri-20-19-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v19)

**20** Maar hij zei: U zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v20)

**21** Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn gebied te trekken;[^numeri-20-21-33] daarom[^numeri-20-21-l] week Israël van hem af.[^numeri-20-21-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v21)

**22** Toen reisden zij van Kades;[^numeri-20-22-m] en de Israëlieten kwamen, de hele gemeenschap, aan de berg Hor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v22)

**23** YHWH nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v23)

**24** Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u tegen Mijn[^numeri-20-24-35] mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba.[^numeri-20-24-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v24)

**25** [^numeri-20-25-n] Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot de berg Hor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v25)

**26** En trek Aäron zijn kleren uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron[^numeri-20-26-37] zal verzameld worden, en daar sterven.[^numeri-20-26-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v26)

**27** Mozes nu deed, zoals YHWH geboden had; want zij klommen op tot de berg Hor, voor de ogen van de hele gemeenschap.[^numeri-20-27-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v27)

**28** En Mozes trok Aäron zijn kleren uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan;[^numeri-20-28-o] en Aäron stierf daar, op de top van die berg. Toen kwam Mozes en Eleazar van die berg af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v28)

**29** Toen de hele gemeenschap zag, dat[^numeri-20-29-40] Aäron overleden was, zo[^numeri-20-29-41] beweenden zij Aäron[^numeri-20-29-42] dertig dagen, het hele huis van Israël.[^numeri-20-29-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/20.html#v29)

[^numeri-20-1-1]: Kanttekening 1: eerste maand: Te weten, van het veertigste jaar na de uitgang uit Egypte, onder, Num. 33:38 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^numeri-20-1-2]: Kanttekening 2: Dit Kades was gelegen aan het gebied van de Edomieten, vers 16 , onderscheiden van Kades-Barnea, Deut. 1:19 . Numeri 20:16 : Toen riepen wij tot YHWH, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste van uw landpale. Deuteronomium 1:19 : Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die geheel grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, gelijk YHWH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.
[^numeri-20-1-3]: Kanttekening 3: Mirjam stierf daar: De zus van Mozes en Aäron, een profetes. Zie Ex. 15:20 . In dit veertigste jaar na de uitgang van de Israëlieten is ook Aäron, onder, Num. 33:38 , en Mozes, Deut. 34:5 , gestorven. Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Deuteronomium 34:5 : Zo stierf Mozes, de knecht van YHWH, daar in het land van Moab, naar de mond van YHWH.
[^numeri-20-3-4]: Kanttekening 4: Dit woord och, drukt uit de smart huns harten, hun uitpersende deze wens.
[^numeri-20-3-a]: Verwijzing a: boven, Num. 16:32 ; idem v. 49 . Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. Numeri 16:49 : Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.
[^numeri-20-5-5]: Kanttekening 5: in deze kwade plaats: Zie Jer. 2:6 . Jeremia 2:6 : En zeiden niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
[^numeri-20-6-6]: Kanttekening 6: van het aangezicht van de gemeente: Te weten, vrezende voor het geweld en de overlast van het volk.
[^numeri-20-6-7]: Kanttekening 7: zij vielen op hun aangezichten: Te weten, Mozes en Aäron, God YHWH aanroepende, gelijk Ex. 17:4 . Exodus 17:4 : Zo riep Mozes tot YHWH, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
[^numeri-20-6-8]: Kanttekening 8: heerlijkheid van YHWH verscheen hun: Verschijnende in de wolkkolom.
[^numeri-20-8-9]: Kanttekening 9: die staf: Te weten, de staf van Aäron, die voor de ark van het verbond bewaard werd. Zie boven, Num. 17:10 . Sommigen verstaan de staf van Mozes, met welke hij de wonderwerken gedaan had. Numeri 17:10 : Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
[^numeri-20-8-b]: Verwijzing b: Ps. 78:15 ; idem 78:16 ; Ps. 105:41 ; Ps. 114:8 ; Neh. 9:15 . Psalmen 78:15 : Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. Psalmen 78:16 : Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. Psalmen 114:8 : Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein. Nehemia 9:15 : En U hebt hun brood uit de hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en U hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover U Uw hand ophieft, dat U het hun zoudt geven.
[^numeri-20-9-10]: Kanttekening 10: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, uit de tabernakel.
[^numeri-20-10-c]: Verwijzing c: Ps. 106:32 ; idem v. 33 . Psalmen 106:32 : Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hen. Psalmen 106:33 : Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.
[^numeri-20-10-11]: Kanttekening 11: Te weten, Mozes.
[^numeri-20-10-12]: Kanttekening 12: Het was Mozes niet bevolen het volk aan te spreken, maar dat hij de steenrots aanspreken zou, vers 8 . Numeri 20:8 : Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken.
[^numeri-20-10-d]: Verwijzing d: Deut. 32:51 . Deuteronomium 32:51 : Omdat u u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden van de kinderen van Israël, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat u Mij niet geheiligd hebt in het midden van de kinderen van Israël.
[^numeri-20-10-13]: Kanttekening 13: zullen wij: Hieraan hadden zij niet behoren te twijfelen, want God had het hun beloofd, vers 8 . Numeri 20:8 : Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken.
[^numeri-20-11-14]: Kanttekening 14: Van de geestelijke betekenis van deze steenrots, zie 1 Kor. 10:4 . 1 Korinthiërs 10:4 : En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^numeri-20-11-15]: Kanttekening 15: tweemaal met zijn staf: Dit was ook een teken van Mozes haastigen toorn.
[^numeri-20-11-e]: Verwijzing e: Ps. 78:15 ; Ps. 105:41 ; Jes. 48:21 ; 1 Kor. 10:4 . Psalmen 78:15 : Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. Jesaja 48:21 : En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit de rotssteen stromen; als Hij de rotssteen kloof, zo vloeiden de wateren daarheen. 1 Korinthiërs 10:4 : En allen deze geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^numeri-20-11-f]: Verwijzing f: Jes. 43:20 . Jesaja 43:20 : Het gedierte van het veld zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
[^numeri-20-12-g]: Verwijzing g: Deut. 1:37 ; Num. 27:14 . Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om u, zeggende: U zult daar ook niet inkomen. Numeri 27:14 : Aangezien u Mijn mond opstandig bent geweest in de woestijn Zin, in de twisting van de vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin.
[^numeri-20-12-16]: Kanttekening 16: Mij niet geloofd hebt: Dat is, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, doende wat Ik u bevolen had, twijfelende of Ik machtig genoeg was uit te voeren wat Ik u te doen bevolen had.
[^numeri-20-12-17]: Kanttekening 17: u Mij heiligde: Mits op mijn woord de steen vrijmoedig bevelende dat hij water voortbrengen zou; het volk zo een goed exempel gevende, om mijn woorden te geloven.
[^numeri-20-12-18]: Kanttekening 18: daarom zult u: Gelijk God hier bedreigt, zo is het geschied; want Aäron is gestorven op de berg Hor, onder, vers 28 , en Mozes op de berg Nebo, Deut. 34 . Numeri 20:28 : En Mozes trok Aäron zijn kleren uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf daar, op de hoogte van die berg. Toen kwam Mozes en Eleazar van die berg af.
[^numeri-20-13-19]: Kanttekening 19: van Meriba: Dat is, twistwateren.
[^numeri-20-13-20]: Kanttekening 20: YHWH om getwist hebben: Met Mozes, de dienaar van YHWH, vers 3 . Zie Ex. 16:8 . Numeri 20:3 : En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van YHWH de geest gaven! Exodus 16:8 : Verder zei Mozes: Als YHWH u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat YHWH uw murmureringen gehoord heeft, die u tegen Hem mort; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen YHWH.
[^numeri-20-13-21]: Kanttekening 21: aan hen geheiligd: Te weten, aan Mozes en Aäron, want straffende hun ongehoorzaamheid, heeft Hij zichzelven geheiligd. Zie Lev. 10:3 , en Lev. 22:32 . Anderen passen dit op de Israëlieten, aan welke God zijn heilig woord heeft waar gemaakt, toen Hij hun water uit de steenrots gegeven heeft. Leviticus 10:3 : En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat YHWH gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron zweeg stil. Leviticus 22:32 : En u zult Mijn heilige Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden van de kinderen van Israël geheiligd worde; Ik ben YHWH, die u heilige!
[^numeri-20-14-22]: Kanttekening 22: Edom, of Ezau, en Jakob, of Israël, zijn gebroeders geweest; die hier tot elkaar spreken, zijn derzelver nakomelingen geweest.
[^numeri-20-14-h]: Verwijzing h: Deut. 23:7 ; Obad. v. 10 ; idem v. 12 . Deuteronomium 23:7 : De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land. Obadja 1:10 : Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid. Obadja 1:12 : Toen zoudt u niet gezien hebben op de dag uw broers, de dag zijn vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, op de dag van de benauwdheid;
[^numeri-20-14-23]: Kanttekening 23: broer Israël: Edom, of Ezau, en Jakob, of Israël, zijn gebroeders geweest; die hier tot elkaar spreken, zijn derzelver nakomelingen geweest.
[^numeri-20-14-24]: Kanttekening 24: die ons ontmoet is: Hebreeuws, die ons gevonden heeft.
[^numeri-20-15-25]: Kanttekening 25: vele dagen gewoond hebben: Dat is, lange tijd.
[^numeri-20-16-i]: Verwijzing i: Ex. 2:23 . Exodus 2:23 : En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.
[^numeri-20-16-k]: Verwijzing k: Ex. 14:19 . Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor het legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.
[^numeri-20-17-26]: Kanttekening 26: uw land trekken: Dit was hun toen de naaste weg naar het land Kanaän.
[^numeri-20-17-27]: Kanttekening 27: het water van de putten drinken: Te weten, zonder dat te betalen gelijk vers 19 . Numeri 20:19 : Toen zeiden de kinderen van Israël tot hem: Wij zullen door de gebaande weg optrekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik de prijs daarvoor geven; ik zal alleen, zonder iets anders, te voet doortrekken.
[^numeri-20-17-28]: Kanttekening 28: koninklijken weg gaan: Hebreeuws, de weg van de koning. Anders, de landstraat, of, de herenweg.
[^numeri-20-18-29]: Kanttekening 29: tot hem: Te weten, tot Mozes, of tot Israël.
[^numeri-20-18-30]: Kanttekening 30: door mij niet trekken: Dat is, door mijn land, gelijk er vers 17 staat. Zie dergelijke manier van spreken, Deut. 2:30 ; Rom. 15:28 . Numeri 20:17 : Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw gebied zullen getrokken zijn. Deuteronomium 2:30 : Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons erdoor niet laten doortrekken; want YHWH, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te deze dage. Romeinen 15:28 : Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.
[^numeri-20-18-31]: Kanttekening 31: met het zwaard uitga: Dat is, gewapender hand.
[^numeri-20-19-32]: Kanttekening 32: zo zal ik de prijs daarvoor geven: Dit heeft God te doen bevolen, Deut. 2:6 , 2:7 . Deuteronomium 2:6 : Voedsel zult u voor geld van hen kopen, dat u etet; en ook zult u water voor geld van hen kopen, dat u drinket. Deuteronomium 2:7 : Want YHWH, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is YHWH, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.
[^numeri-20-21-33]: Kanttekening 33: De Israëlieten.
[^numeri-20-21-l]: Verwijzing l: Richt. 11:18 . Richteren 11:18 : Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land van de Edomieten en het land van de Moabieten, en kwam van de opgang van de zon aan het land van de Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale van de Moabieten; want de Arnon is de landpale van de Moabieten.
[^numeri-20-21-34]: Kanttekening 34: daarom week Israël van hem af: Dit deden de Israëlieten op het bevel Gods, Deut. 2:4 , 2:5 , onaangezien de weg, die zij daarna door de woestijn passeerden, hun zeer moeilijk en zwaar viel; Num. 21:4 , 21:5 . Deuteronomium 2:4 : En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan de landpale van uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten. Deuteronomium 2:5 : Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven. Numeri 21:4 : Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg. Numeri 21:5 : En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
[^numeri-20-22-m]: Verwijzing m: Num. 33:37 . Numeri 33:37 : En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan de berg Hor, aan het einde van het land van Edom.
[^numeri-20-24-35]: Kanttekening 35: Aäron zal tot zijn volken verzameld worden: Dat is, Aäron zal sterven.
[^numeri-20-24-36]: Kanttekening 36: mond opstandig geweest zijt: Dat is, mijn bevel.
[^numeri-20-25-n]: Verwijzing n: Num. 33:38 ; Deut. 32:50 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Deuteronomium 32:50 : En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
[^numeri-20-26-37]: Kanttekening 37: zijn kleren uit: Te weten, zijn priesterlijke kleren, van welke zie Ex. 28:2 . Exodus 28:2 : En u zult voor uw broer Aäron heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.
[^numeri-20-26-38]: Kanttekening 38: zal verzameld worden: Te weten, tot zijn volken, gelijk vers 24 . Numeri 20:24 : Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de kinderen van Israël gegeven heb, omdat u Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba.
[^numeri-20-27-39]: Kanttekening 39: zij klommen op tot de berg Hor: Te weten, Mozes, Aäron en Eleazar.
[^numeri-20-28-o]: Verwijzing o: Deut. 10:6 ; Deut. 32:50 . Deuteronomium 10:6 : (En de kinderen van Israël reisden van Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats. Deuteronomium 32:50 : En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
[^numeri-20-29-40]: Kanttekening 40: Dat is, vernam; te weten, uit de mond van Mozes en Eleazar, en ziende dat hij niet wederkwam. Zie dergelijke manier van spreken Gen. 42:1 , vergelijk met Hand. 7:12 . Genesis 42:1 : Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zei Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet u op elkaar? Handelingen 7:12 : Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.
[^numeri-20-29-41]: Kanttekening 41: Aäron overleden was: Aäron is gestorven in het 123ste jaar van zijn ouderdom, Num. 33:38 , 33:39 , op de eerste dag van de vijfde maand, in het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte. Van zijn begrafenis wordt gesproken Deut. 10:6 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Numeri 33:39 : Aäron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op de berg Hor. Deuteronomium 10:6 : (En de kinderen van Israël reisden van Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.
[^numeri-20-29-42]: Kanttekening 42: beweenden zij Aäron: Dat is, zij droegen een rouw over Aäron.
[^numeri-20-29-43]: Kanttekening 43: dertig dagen: Zolang beweenden zij Mozes ook; Deut. 34:8 . Deuteronomium 34:8 : En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid.

### Numeri 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/21.json)

*De Kanaanieten strijden tegen Israel en overweldigen sommigen van hen, vers 1, enz. maar door de hulp van God overwinnen zij hen weer en roeien hen en hun steden uit, 3. Het volk mort weer, 5. daarom wordt het met vurige slangen geplaagd, 6. zij hebben berouw, 7. God beveelt een koperen slang op te richten, 8. dat doet Mozes. Wie die aanzag, werd genezen, 9. verschillende reizen van de Israelieten, 10. hun loflied te Beer, voor het water dat God hun gegeven had, 17. De Israelieten verzoeken doortocht door het land, 21. Sihon weigert het hun, 23. De Israelieten verslaan hen, met Sihon, hun koning, en nemen hun steden in, 24. Spreuken over de onderdrukking van Sihon, 27. Og, de koning van Basan, strijdt tegen de Israelieten en wordt verslagen, en Israel neemt zijn land in, 33.*

**1** Als de Kanaäniet, de koning van[^numeri-21-1-1] Harad, wonende tegen[^numeri-21-1-2] het zuiden, hoorde, dat Israël[^numeri-21-1-3] door de weg van de spionnen kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen daaruit als gevangenen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v1)

**2** Toen beloofde Israël YHWH een gelofte, en zei: Als U dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden[^numeri-21-2-4] verbannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v2)

**3** YHWH dan verhoorde de stem van Israël, en[^numeri-21-3-5] gaf de Kanaänieten over; en[^numeri-21-3-6] hij verbande hen en hun steden; en[^numeri-21-3-7] hij noemde de naam van die plaats[^numeri-21-3-8] Horma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v3)

**4** Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van[^numeri-21-4-9] de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het[^numeri-21-4-10] volk werd verdrietig[^numeri-21-4-11] op deze weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v4)

**5** En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en[^numeri-21-5-a] onze ziel walgt over[^numeri-21-5-12] dit zeer lichte brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v5)

**6** Toen[^numeri-21-6-b] zond YHWH[^numeri-21-6-13] vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volk van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v6)

**7** Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen YHWH en tegen u gesproken hebben; bid YHWH, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v7)

**8** En YHWH zei tot Mozes: Maak u[^numeri-21-8-14] een vurige slang, en stel ze op een[^numeri-21-8-15] stang; en het zal gebeuren,[^numeri-21-8-c] dat al wie gebeten is, als hij haar[^numeri-21-8-16] aanziet, zo zal hij leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v8)

**9** [^numeri-21-9-d] En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het gebeurde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v9)

**10** [^numeri-21-10-e] Toen verreisden de Israëlieten, en zij sloegen hun kamp op te Oboth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v10)

**11** Daarna reisden zij van Oboth, en sloegen hun kamp op aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen de opgang van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v11)

**12** Van daar reisden zij, en sloegen hun kamp op bij de beek Zered. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v12)

**13** Van daar reisden zij, en sloegen hun kamp op[^numeri-21-13-17] aan deze zijde van de Arnon, die in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de[^numeri-21-13-f] Amorieten; want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v13)

**14** (Daarom[^numeri-21-14-18] wordt gezegd in het[^numeri-21-14-19] boek van[^numeri-21-14-20] de oorlogen van YHWH:[^numeri-21-14-21] Tegen[^numeri-21-14-22] Waheb, in een[^numeri-21-14-23] wervelwind, en tegen de beken Arnon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v14)

**15** En de afloop van de beken, die zich naar de[^numeri-21-15-24] gelegenheid van[^numeri-21-15-25] Ar wendt, en[^numeri-21-15-26] leunt aan de grens van Moab.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v15)

**16** En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welke YHWH tot Mozes zei: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v16)

**17** (Toen zong Israël[^numeri-21-17-27] dit lied: Spring op, u put,[^numeri-21-17-28] zingt daarvan bij beurte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v17)

**18** U put, die de vorsten gegraven hebben, die de edelen van het volk gedolven hebben, door[^numeri-21-18-29] de wetgever,[^numeri-21-18-30] met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v18)

**19** En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v19)

**20** En van Bamoth tot het dal, dat[^numeri-21-20-31] in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen[^numeri-21-20-32] de wildernis ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v20)

**21** [^numeri-21-21-g] Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v21)

**22** Laat mij door uw land[^numeri-21-22-h] trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water van de putten niet drinken; wij zullen op de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetogen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v22)

**23** [^numeri-21-23-i] Maar Sihon liet Israël niet toe, door zijn gebied door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed[^numeri-21-23-33] tegen Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v23)

**24** [^numeri-21-24-k] Maar Israël sloeg hem met de[^numeri-21-24-34] scherpte van het zwaard, en[^numeri-21-24-l] nam zijn land in erfelijke bezitting, van[^numeri-21-24-35] de Arnon af tot de Jabbok toe,[^numeri-21-24-m] tot aan de kinderen Ammons;[^numeri-21-24-36] want de grens van de kinderen Ammons was vast.[^numeri-21-24-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v24)

**25** [^numeri-21-25-n] Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar bijbehorende plaatsen.[^numeri-21-25-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v25)

**26** Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.[^numeri-21-26-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v26)

**27** Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Kom tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon![^numeri-21-27-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v27)

**28** Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd[^numeri-21-28-41] Ar van[^numeri-21-28-42] de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon.[^numeri-21-28-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v28)

**29** Wee u, Moab! U, volk[^numeri-21-29-o] Kamoz bent verloren![^numeri-21-29-44] Hij heeft[^numeri-21-29-45] zijn zonen,[^numeri-21-29-46] die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten.[^numeri-21-29-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v29)

**30** En wij hebben hen neergeveld! Hesbon is verloren tot[^numeri-21-30-48] Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, die tot[^numeri-21-30-49] Medeba toe reikt.[^numeri-21-30-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v30)

**31** Zo woonde Israël in het land van de Amoriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v31)

**32** Daarna zond Mozes om Jaëzer te bespioneren; en zij namen haar[^numeri-21-32-51] bijbehorende plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.[^numeri-21-32-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v32)

**33** Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan;[^numeri-21-33-p] en[^numeri-21-33-53] Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, te[^numeri-21-33-54] Edreï.[^numeri-21-33-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v33)

**34** YHWH nu zei tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en[^numeri-21-34-q] u zult hem doen, zoals u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v34)

**35** En zij sloegen[^numeri-21-35-r] hem, en zijn zonen, en al zijn volk, zo dat hem niemand overbleef; en zij namen[^numeri-21-35-56] zijn land in erfelijke bezitting.[^numeri-21-35-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/21.html#v35)

[^numeri-21-1-1]: Kanttekening 1: Harad schijnt te wezen de stad, waar deze koning zijn zetel had. Zie Joz. 12:14 . Anderen menen dat Harad geweest is de naam diens konings. Jozua 12:14 : De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
[^numeri-21-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, van het land Kanaän, waarheen de verspieders getrokken waren, Num. 13:17 . Zie ook Num. 33:40 . Numeri 13:17 : Mozes dan zond hen, om het land Kanaän te verspieden; en hij zei tot hen: Trekt dit heen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte; Numeri 33:40 : En de Kanaäniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaän, hoorde, dat de kinderen van Israël aankwamen.
[^numeri-21-1-3]: Kanttekening 3: door de weg van de verspieders kwam: Dat is, door de weg die de verspieders, die Mozes uitgezonden had, gereisd waren. Sommigen houden Atharim \[dat hier is overgezet verspieders \] voor de naam van een zekere plaats.
[^numeri-21-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, ik zal hen voor mij, of tot ons voordeel niet houden, maar ik zal hen u heiligen, of u ter ere verdelgen. Zie Jos. 6:17,19,21,24, en Lev. 27:28 , 27:29 . Leviticus 27:28 : Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand YHWH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal YHWH een heiligheid van de heiligheden zijn. Leviticus 27:29 : Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden.
[^numeri-21-3-5]: Kanttekening 5: gaf de Kanaänieten over: Te weten, in zijn hand, gelijk vers 2 . Numeri 21:2 : Toen beloofde Israël YHWH een gelofte, en zei: Als U dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.
[^numeri-21-3-6]: Kanttekening 6: verbande hen en hun steden: Dit is niet volkomenlijk geschied ten tijde van Mozes, maar door Jozua. Zie Joz. 12:14 , en Richt. 1:16 , 1:17 . Jozua 12:14 : De koning van Horma, een; de koning van Harad, een; Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^numeri-21-3-7]: Kanttekening 7: hij noemde de naam van die plaats: Te weten, Israël, dat is, de Israëlieten.
[^numeri-21-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, verbanning.
[^numeri-21-4-9]: Kanttekening 9: Zie Ex. 13:18 . Exodus 13:18 : Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland.
[^numeri-21-4-10]: Kanttekening 10: werd verdrietig: Hebreeuws, werd verkort. Zie Richt. 10:16 . Richteren 10:16 : En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden YHWH. Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël.
[^numeri-21-4-11]: Kanttekening 11: op deze weg: Of, vanwege deze weg.
[^numeri-21-5-a]: Verwijzing a: Num. 11:6 . Numeri 11:6 : Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!
[^numeri-21-5-12]: Kanttekening 12: dit zeer lichte brood: Aldus noemt dit volk het hemelse brood.
[^numeri-21-6-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 10:9 . 1 Korinthiërs 10:9 : En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
[^numeri-21-6-13]: Kanttekening 13: vurige slangen onder het volk: Hebreeuws, brandende. Zo genoemd omdat zij de mensen, die zij beten, dodelijken brand en volgens die grote dorst aanbrachten.
[^numeri-21-8-14]: Kanttekening 14: een vurige slang: vers 9 wordt zij genoemd een koperen slang. De zin van deze woorden is: maak een koperen slang, die de vurige gelijk zij. Numeri 21:9 : En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
[^numeri-21-8-15]: Kanttekening 15: Of, staak, spar. Anders, tot een teken, of op een banier.
[^numeri-21-8-c]: Verwijzing c: Joh. 3:14 . Johannes 3:14 : En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon van de mensen verhoogd worden;
[^numeri-21-8-16]: Kanttekening 16: zo zal hij leven: Dat is, hij zal genezen worden en het leven behouden.
[^numeri-21-9-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 18:4 ; Joh. 3:14 . 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan. Johannes 3:14 : En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon van de mensen verhoogd worden;
[^numeri-21-10-e]: Verwijzing e: Num. 33:43 . Numeri 33:43 : En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.
[^numeri-21-13-17]: Kanttekening 17: aan deze zijde van de Arnon: Anders, aan het veer van Arnon.
[^numeri-21-13-f]: Verwijzing f: Richt. 11:18 . Richteren 11:18 : Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land van de Edomieten en het land van de Moabieten, en kwam van de opgang van de zon aan het land van de Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale van de Moabieten; want de Arnon is de landpale van de Moabieten.
[^numeri-21-14-18]: Kanttekening 18: wordt gezegd: Anders, zal gezegd worden; te weten in toekomende eeuwen.
[^numeri-21-14-19]: Kanttekening 19: Dit boek, geschrift of verhaal is niet meer voorhanden, nochtans zonder kwetsing of vermindering van de kanonieke boeken.
[^numeri-21-14-20]: Kanttekening 20: oorlogen van YHWH: Dat is, van de oorlogen, die door de beschikking en kracht van God geschied zijn.
[^numeri-21-14-21]: Kanttekening 21: Hierdoor kan men verstaan: waren de oorlogen van de Heere, of, strijdende, of iets dergelijks. De volgende woorden, alsook vers 15 zijn zwaar te verstaan en worden onderscheidenlijk uitgelegd; wij stellen die hier, gelijk zij door de voornaamsten onder de geleerden vertaald worden. Numeri 21:15 : En de afloop van de beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leunt aan de landpale van Moab.)
[^numeri-21-14-22]: Kanttekening 22: Men meent dat dit de naam van de koning van Moab is, wie Sihon zou overwonnen hebben; vers 26 . Numeri 21:26 : Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
[^numeri-21-14-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, Besupha. Enigen nemen dit woord voor de naam van een plaats, anders genoemd Suf; Deut. 1:1 . Anders, de Rode zee. Deuteronomium 1:1 : Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
[^numeri-21-15-24]: Kanttekening 24: Of, situatie.
[^numeri-21-15-25]: Kanttekening 25: Ar is de naam van een stad in het land van de Moabieten; vers 28 . Numeri 21:28 : Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon.
[^numeri-21-15-26]: Kanttekening 26: Of, grenst, stoot, is gelegen.
[^numeri-21-17-27]: Kanttekening 27: dit lied: Met dit lied zingen en roemen zij de weldaad Gods, hun bewezen door het geven van die bornput.
[^numeri-21-17-28]: Kanttekening 28: zingt daarvan bij beurte: Of, zingt het bij beurte. Zie Ex. 15:21 , en 1 Sam. 18:7 ; Ps. 147:7 . Exodus 15:21 : Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt YHWH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! 1 Samuël 18:7 : En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden! Psalmen 147:7 : Zingt YHWH bij beurte met dankzegging; psalmzingt onze God op de harp.
[^numeri-21-18-29]: Kanttekening 29: de wetgever: Dat is, door het beleid van de wetgever, te weten, Mozes; zo ook Deut. 33:21 ; of versta, God zelf door de wetgever, gelijk Jes. 33:22 . Deuteronomium 33:21 : En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij daar in het deel van de wetgever bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden van het volk; hij verrichtte de gerechtigheid van YHWH, en zijn gerichten met Israël. Jesaja 33:22 : Want YHWH is onze Rechter, YHWH is onze Wetgever, YHWH is onze Koning. Hij zal ons behouden.
[^numeri-21-18-30]: Kanttekening 30: met hun staven): Versta dit van de staven van Mozes en Aäron, of van de regimentsstaven, die de vorsten en regeerders gemeenlijk in de hand hadden, tot een teken van hun ambt en hun macht, die zij van God ontvangen hadden.
[^numeri-21-20-31]: Kanttekening 31: in het veld van Moab is: Dat is, in het land.
[^numeri-21-20-32]: Kanttekening 32: de wildernis ziet: Anders, Jesimoth.
[^numeri-21-21-g]: Verwijzing g: Deut. 2:26 ; Richt. 11:19 . Deuteronomium 2:26 : Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, de koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende: Richteren 11:19 : Maar Israël zond boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.
[^numeri-21-22-h]: Verwijzing h: Num. 20:17 . Numeri 20:17 : Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw gebied zullen getrokken zijn.
[^numeri-21-23-i]: Verwijzing i: Deut. 29:7 ; Deut. 2:30 ; Richt. 11:20 ; Joz. 24:8 . Deuteronomium 29:7 : Toen u nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen. Deuteronomium 2:30 : Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelfde niet laten doortrekken; want YHWH, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te deze dage. Richteren 11:20 : Maar Sihon betrouwde Israël niet door zijn landpale door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jaza; en hij streed tegen Israël. Jozua 24:8 : Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.
[^numeri-21-23-33]: Kanttekening 33: De naam van een stad, van welke ook gesproken wordt Deut. 2:32 ; Richt. 11:20 ; Jer. 48:21 , 48:34 . Deuteronomium 2:32 : En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz. Richteren 11:20 : Maar Sihon betrouwde Israël niet door zijn landpale door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jaza; en hij streed tegen Israël. Jeremia 48:21 : En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, Jeremia 48:34 : Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.
[^numeri-21-24-k]: Verwijzing k: Deut. 2:33 ; Deut. 29:7 ; Joz. 24:8 ; Joz. 12:2 ; Richt. 11:21 . Deuteronomium 2:33 : En YHWH, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk. Deuteronomium 29:7 : Toen u nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen. Jozua 24:8 : Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht. Jozua 12:2 : Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, welke aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Richteren 11:21 : En YHWH, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; zo nam Israël erfelijk in het gehele land van de Amorieten, die in datzelfde land woonden.
[^numeri-21-24-34]: Kanttekening 34: scherpte van het zwaard: Hebreeuws, mond.
[^numeri-21-24-l]: Verwijzing l: Ps. 135:11 ; idem 135:12 ; Ps. 136:19 ; Amos 2:9 . Psalmen 135:11 : Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän, Psalmen 135:12 : En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël. Psalmen 136:19 : Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Amos 2:9 : Ik daarentegen heb de Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.
[^numeri-21-24-35]: Kanttekening 35: Dit zijn de namen van rivieren.
[^numeri-21-24-m]: Verwijzing m: Deut. 2:37 . Deuteronomium 2:37 : Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de gehele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons verboden had.
[^numeri-21-24-36]: Kanttekening 36: Dit zijn de namen van rivieren.
[^numeri-21-24-37]: Kanttekening 37: want de landpale van de kinderen Ammons was vast: Dit is de reden, waarom Sihon het gebied niet heeft kunnen innemen, gelijk hij het land van de Moabieten had ingenomen.
[^numeri-21-25-n]: Verwijzing n: Deut. 2:34 ; idem v. 35 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. Deuteronomium 2:35 : Het vee alleen roofden wij voor ons, en de roof van de steden, die wij innamen.
[^numeri-21-25-38]: Kanttekening 38: onderhorige plaatsen: Hebreeuws, dochters; dat is, kleine steden, dorpen en vlekken, die onder Hesbon behoorden, als onder haar moederstad of hoofdstad. Mozes noemt ze onbemuurde steden, Deut. 3:5 . Deuteronomium 3:5 : Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.
[^numeri-21-26-39]: Kanttekening 39: tegen de vorige koning van de Moabieten: Te weten, met die koning, die het naast vóór Balak koning geweest was.
[^numeri-21-27-40]: Kanttekening 40: men bouwe en bevestige de stad van Sihon: Te weten, groter en sterker dan het tevoren geweest is.
[^numeri-21-28-41]: Kanttekening 41: is een vuur uitgegaan uit Hesbon: Dat is, Sihon, nadat hij Hesbon ingenomen had, is vandaar als een vuur voortgevlogen naar de Moabieten toe.
[^numeri-21-28-42]: Kanttekening 42: Ar van de Moabieten: Dit was de hoofdstad van het land van de Moabieten, waarvan het gehele land de naam gekregen heeft.
[^numeri-21-28-43]: Kanttekening 43: de heren van de hoogten van de Arnon: Versta, de priesters en vorsten, die de stad door hun afgod niet hebben kunnen bevrijden. Zie Jer. 48:7 . Anders, de burgers van Bamoth, te Arnon. Jeremia 48:7 : Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^numeri-21-29-o]: Verwijzing o: 1 Kon. 11:7 ; idem v. 33 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. 1 Koningen 11:33 : Daarom zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechte; gelijk zijn vader David.
[^numeri-21-29-44]: Kanttekening 44: volk Kamoz: Dat is, u volk, dat de Chamos eert en dient. Aldus werd genoemd de afgod van de Moabieten, 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^numeri-21-29-45]: Kanttekening 45: Hij heeft: Te weten, Chamos.
[^numeri-21-29-46]: Kanttekening 46: zijn zonen: Te weten, van Moab; dat is, de Moabieten.
[^numeri-21-29-47]: Kanttekening 47: die ontliepen: Dat is, Chamos heeft hen gevankelijk laten wegvoeren, zonder dat hij hen heeft kunnen beschermen.
[^numeri-21-30-48]: Kanttekening 48: Of, geschoten; te weten, met pijlen. Anders, hun lamp is vergaan; dat is, hun heerlijkheid.
[^numeri-21-30-49]: Kanttekening 49: Dibon toe: Een van de hoge plaatsen of steden in het land Moab; Jes. 14:2 ; Jer. 48:18 , 48:22 . Jesaja 14:2 : En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis van Israël zal hen erfelijk bezitten in het land van YHWH tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers. Jeremia 48:18 : Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, u inwoneres, u dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven. Jeremia 48:22 : En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,
[^numeri-21-30-50]: Kanttekening 50: Medeba toe reikt : Een stad in het land Moab; Jes. 15:2 . Jesaja 15:2 : Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden.
[^numeri-21-32-51]: Kanttekening 51: Jaëzer te verspieden: De naam van een stad, die eertijds de Moabieten had toebehoord, van welke gesproken wordt Num. 32:1 , 32:3 , 32:35 , en Jer. 48:32 . Numeri 32:1 : De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. Numeri 32:3 : Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; Numeri 32:35 : En Atroth-Sofan, en Jaëzer, en Jogbeha, Jeremia 48:32 : Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;
[^numeri-21-32-52]: Kanttekening 52: onderhorige plaatsen in: Zie boven, vers 25 . Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
[^numeri-21-33-p]: Verwijzing p: Deut. 3:1 ; Deut. 29:7 . Deuteronomium 3:1 : Daarna keerden wij ons en togen op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï. Deuteronomium 29:7 : Toen u nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.
[^numeri-21-33-53]: Kanttekening 53: Dit was een goed, vet weiland, waarvan gesproken wordt Deut. 32:14 ; Ps. 22:13 ; Jer. 50:19 ; Amos 4:1 ; Micha 7:14 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jeremia 50:19 : En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. Amos 4:1 : Hoort dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; u, die tot hun heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
[^numeri-21-33-54]: Kanttekening 54: Deze Og is ook een koning van de Amorieten geweest, een reus. Zie van hem Deut. 3:1 , 3:11 . Deuteronomium 3:1 : Daarna keerden wij ons en togen op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï. Deuteronomium 3:11 : Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen van de reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba van de kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar de elleboog van een man.
[^numeri-21-33-55]: Kanttekening 55: Een stad in het koninkrijk van Og gelegen; Deut. 3:10 . Deuteronomium 3:10 : Al de steden van het platte land, en het gehele Gilead, en het gehele Bazan, tot Salcha en Edreï toe; steden van het koninkrijk van Og in Bazan.
[^numeri-21-34-q]: Verwijzing q: Ps. 136:20 . Psalmen 136:20 : En Og, de koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^numeri-21-35-r]: Verwijzing r: Ps. 136:20 ; idem v. 21 ; idem v. 22 . Psalmen 136:20 : En Og, de koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:21 : En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:22 : Ten erve aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^numeri-21-35-56]: Kanttekening 56: niemand overbleef: Hebreeuws, geen overige overbleef.
[^numeri-21-35-57]: Kanttekening 57: zijn land in erfelijke bezitting: Te weten, het land van de koning Og.

### Numeri 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/22.json)

*Balak, de koning van de Moabieten, ontbiedt Bileam om Israel te vervloeken, vers 1, enz. Bileam vraagt de HEERE wat hij doen moest, 8. Die verbiedt hem naar Balak te gaan, 12. Balak ontbiedt hem nog een keer, 15. en de HEERE laat hem gaan, 20. De engel zou hem gedood hebben als zijn ezelin niet opzij was gegaan, 21. en zich onder hem had neergelegd, 27. Bileams ogen worden geopend, zodat hij de engel zag, 31. Die bestraft hem, 32. Hij bekent zijn schuld en is bereid terug te keren, 34. maar de engel laat hem verder trekken, 35. Balak komt Bileam tegemoet en ontvangt hem zeer voornaam, 36. maar welke eer hij hem ook bewijst, hij kan hem niet bewegen Israel te vervloeken, 38.*

**1** Daarna reisden de kinderen van Israël, en sloegen hun kamp op in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van[^numeri-22-1-1] de Jordaan van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v1)

**2** Toen[^numeri-22-2-2] Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v2)

**3** [^numeri-22-3-3] Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab[^numeri-22-3-4] was benauwd voor het aangezicht van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v3)

**4** Daarom zei Moab tot[^numeri-22-4-5] de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente[^numeri-22-4-6] afgrazen[^numeri-22-4-7] al wat rondom ons is, zoals de os de groente van het veld afgraast. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v4)

**5** Die zond boden aan[^numeri-22-5-8][^numeri-22-5-a] Bileam, de zoon van Beor, te[^numeri-22-5-9] Pethor, dat aan de[^numeri-22-5-10] rivier is,[^numeri-22-5-11] in het land van de kinderen van zijn volk, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het[^numeri-22-5-12] gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v5)

**6** En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wie u zegent, die zal gezegend zijn, en wie u vervloekt, die zal vervloekt zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v6)

**7** Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden[^numeri-22-7-13] het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v7)

**8** Hij dan zei tot hen: Overnacht hier deze nacht, zo zal ik u een antwoord teruggeven, zoals YHWH tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten van de Moabieten bij Bileam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v8)

**9** En God[^numeri-22-9-14] kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen, die bij u zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v9)

**10** Toen zei Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v10)

**11** Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht van het land bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik daartegen kunnen strijden, of het uitdrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v11)

**12** Toen zei God tot Bileam: U zult met hen niet trekken; u zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v12)

**13** Toen stond Bileam 's morgens op, en zei tot de vorsten van Balak: Ga naar uw land; want YHWH weigert mij toe te laten met u te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v13)

**14** Zo stonden dan de vorsten van de Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden:[^numeri-22-14-15] Bileam heeft geweigerd met ons te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v14)

**15** Maar Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en voornamer, dan[^numeri-22-15-16] die waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v15)

**16** Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Zo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v16)

**17** Want ik zal u[^numeri-22-17-17] zeer hoog vereren, en al wat u tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v17)

**18** Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van[^numeri-22-18-b] Balak: Wanneer Balak mij[^numeri-22-18-18] zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet[^numeri-22-18-19] het bevel van YHWH van mijn God te overtreden, om te doen klein of groot.[^numeri-22-18-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v18)

**19** En nu, blijft u toch[^numeri-22-19-21] ook hier deze nacht,[^numeri-22-19-22] opdat ik wete, wat YHWH tot mij verder spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v19)

**20** God nu kwam tot Bileam in de nacht, en zei tot hem: Omdat die mannen gekomen zijn, om u te roepen,[^numeri-22-20-23] sta op, ga met hen; en toch zult u dat doen, dat Ik tot u spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v20)

**21** Toen stond Bileam 's morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v21)

**22** Maar de toorn van God werd ontstoken,[^numeri-22-22-24] omdat hij op weg ging; en de Engel van YHWH stelde Zich in de weg, hem tot een[^numeri-22-22-25] tegenstander; hij reed nu op zijn ezelin, en twee van zijn jongeren waren bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v22)

**23** De[^numeri-22-23-c] ezelin nu zag de Engel van YHWH staande in de weg, met Zijn[^numeri-22-23-26] uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen[^numeri-22-23-27] sloeg Bileam de ezelin, om haar naar de weg te doen sturen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v23)

**24** Maar de Engel van YHWH stond in een pad van de wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan de overzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v24)

**25** Toen de ezelin de Engel van YHWH zag, zo klemde zij zichzelf aan de wand, en klemde Bileams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v25)

**26** Toen ging de Engel van YHWH nog verder, en Hij stond in een nauwe plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechterhand noch ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v26)

**27** Als de ezelin de Engel van YHWH zag, zo legde zij zich neer onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v27)

**28** YHWH nu opende de mond van de ezelin, die tot Bileam zei: Wat heb ik u gedaan, dat u mij nu drie keer geslagen hebt?[^numeri-22-28-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v28)

**29** Toen zei Bileam tot de ezelin: Omdat u mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zou u nu doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v29)

**30** De ezelin nu zei tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke u gereden hebt van toen af, dat u mijn heer geweest bent, tot op deze dag?[^numeri-22-30-28] Ben ik ooit gewend geweest u zo te doen? Hij dan zei: Nee! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v30)

**31** Toen ontdekte YHWH de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van YHWH zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v31)

**32** Toen zei de Engel van YHWH tot hem: Waarom hebt u uw ezelin nu drie keer geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenstander,[^numeri-22-32-29] omdat[^numeri-22-32-30][^numeri-22-32-e] deze weg[^numeri-22-32-31] van Mij afwijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v32)

**33** Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu drie keer voor Mijn aangezicht geweken; als zij voor Mijn aangezicht niet geweken was, zeker Ik zou u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v33)

**34** Toen zei Bileam tot de Engel van YHWH: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat U mij tegemoet op deze weg stond; en nu,[^numeri-22-34-32] is het kwaad in Uw ogen,[^numeri-22-34-33] ik zal terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v34)

**35** De Engel van YHWH nu zei tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult u spreken. Zo trok Bileam met de vorsten van Balak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v35)

**36** Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad van de Moabieten, die aan de grens van de Arnon ligt, die aan het uiterste van de grens is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v36)

**37** En Balak zei tot Bileam: Heb ik niet[^numeri-22-37-34] ernstig tot u gezonden, om u te roepen? Waarom bent u niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v37)

**38** Toen zei Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen;[^numeri-22-38-35] zal ik nu enigszins[^numeri-22-38-36] iets kunnen spreken? Het woord, dat God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v38)

**39** En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te[^numeri-22-39-37] Kirjath-huzzoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v39)

**40** Toen[^numeri-22-40-38] slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v40)

**41** En het gebeurde[^numeri-22-41-39] 's morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste[^numeri-22-41-40] van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/22.html#v41)

[^numeri-22-1-1]: Kanttekening 1: Jordaan van Jericho: Van de Jordaan van Jericho; dat is, die nabij Jericho passeert of, die een veer bij Jericho had.
[^numeri-22-2-2]: Kanttekening 2: Deze Balak was in deze tijd koning van de Moabieten, vers 4 . Zie van hem breder Richt. 11:25 , en Micha 6:5 . Numeri 22:4 : Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente van het veld oplikt. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. Richteren 11:25 : Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gekrijgd? Micha 6:5 : Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van YHWH kent.
[^numeri-22-3-3]: Kanttekening 3: Zo vreesde Moab zeer: Hier wordt vervuld wat Ex. 15:15 voorzegd is. Exodus 15:15 : Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!
[^numeri-22-3-4]: Kanttekening 4: was benauwd: Of, werd verdrietig, gelijk Ex. 1:12 . Exodus 1:12 : Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen van Israël.
[^numeri-22-4-5]: Kanttekening 5: de oudsten van de Midianieten: Zij worden vorsten genaamd vers 8 . Numeri 22:8 : Hij dan zei tot hen: Overnacht hier deze nacht, zo zal ik u een antwoord wederbrengen, gelijk als YHWH tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten van de Moabieten bij Bileam.
[^numeri-22-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, opeten en verteren.
[^numeri-22-4-7]: Kanttekening 7: al wat rondom ons is: Hebreeuws, al onze rondommen, of, onze rondommigheden.
[^numeri-22-5-8]: Kanttekening 8: Hij wordt Joz. 13:22 genoemd een voorzegger. Zie onder, Num. 24:1 . De apostel Petrus noemt hem een profeet, 2 Petr. 2:16 . Jozua 13:22 : Daartoe hebben de kinderen van Israël met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn. Numeri 24:1 : Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. 2 Petrus 2:16 : Maar hij heeft de bestraffing van zijn ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft de dwaasheid van de profeet verhinderd.
[^numeri-22-5-a]: Verwijzing a: Joz. 24:9 . Jozua 24:9 : Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.
[^numeri-22-5-9]: Kanttekening 9: Een stad in Mesopotamië, onder, Num. 23:7 ; Deut. 23:4 . Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken.
[^numeri-22-5-10]: Kanttekening 10: rivier is: Te weten, de Eufraat.
[^numeri-22-5-11]: Kanttekening 11: in het land van de kinderen van zijn volk: Dat is, in zijn, te weten Bileams vaderland, dat was Mesopotamië, gelijk blijkt onder, Num. 23:7 . Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!
[^numeri-22-5-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, oog. Zie Ex. 10:5 , 10:15 ; zo vers 11 . Exodus 10:5 : En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt. Exodus 10:15 : Want zij bedekten het gezicht van het gehele land, zo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het gehele Egypteland. Numeri 22:11 : Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht van het land bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik daartegen kunnen strijden, of het uitdrijven.
[^numeri-22-7-13]: Kanttekening 13: het loon van de waarzeggingen: 2 Petr. 2:15 , wordt het genoemd het loon van de ongerechtigheid. Zie Jer. 22:13 . 2 Petrus 2:15 : Die de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen de weg van Balaäm, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefgehad heeft; Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^numeri-22-9-14]: Kanttekening 14: kwam tot Bileam: Te weten, in de nacht.
[^numeri-22-14-15]: Kanttekening 15: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan: Gelijk Bileam de Moabietische vorsten minder zei dan God tot hem gesproken had, zo boodschappen zij hun heer Balak minder dan Bileam hun gezegd had.
[^numeri-22-15-16]: Kanttekening 16: die waren: Te weten, dan de eerstgezondenen.
[^numeri-22-17-17]: Kanttekening 17: zeer hoog vereren: Hebreeuws, erende zal ik u eren.
[^numeri-22-18-b]: Verwijzing b: onder, Num. 24:13 . Numeri 24:13 : Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel van YHWH niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat YHWH spreken zal, dat zal ik spreken.
[^numeri-22-18-18]: Kanttekening 18: zijn huis vol zilver en goud gave: Hebreeuws, de volheid van zijn huis.
[^numeri-22-18-19]: Kanttekening 19: het bevel: Hebreeuws, de mond.
[^numeri-22-18-20]: Kanttekening 20: YHWH van mijn God te overtreden: Hieruit blijkt dat Bileam enigermate de ware God gekend heeft ten aanzien van deze handeling, maar niet geheel noch oprecht.
[^numeri-22-19-21]: Kanttekening 21: ook hier deze nacht: Ook; te weten, gelijk de vorige gezanten hebben gedaan.
[^numeri-22-19-22]: Kanttekening 22: opdat ik wete: Bileam geliet zich, dat hij niet anders in deze zaak doen zou, dan wat God behagen zou, daar hij toch wel wist dat God hem reeds verboden had de Israëlieten te vloeken.
[^numeri-22-20-23]: Kanttekening 23: sta op, ga met hen: God YHWH laat Bileam eindelijk toe, dat hij met de gezanten van Balak gaan zal; niet dat het hem aangenaam was, gelijk blijkt vers 22 , maar om de boosheid van Bileam des te meer te ontdekken en zijn heerlijkheid er in te openbaren, dat Hij Bileam gedwongen heeft het volk te zegenen, dat deze voorgenomen had te vloeken. Numeri 22:22 : Maar de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel van YHWH stelde Zich in de weg, hem tot een tegenpartij; hij reed nu op zijn ezelin, en twee van zijn jongeren waren bij hem.
[^numeri-22-22-24]: Kanttekening 24: omdat hij heentoog: Te weten, met zulk een voornemen, om het volk van God te vloeken. Anders, als.
[^numeri-22-22-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, Satan.
[^numeri-22-23-c]: Verwijzing c: 2 Petr. 2:16 ; Judas v. 11 . 2 Petrus 2:16 : Maar hij heeft de bestraffing zijn ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft van de profeten dwaasheid verhinderd. Judas 1:11 : Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
[^numeri-22-23-26]: Kanttekening 26: uitgetrokken zwaard in Zijn hand: Dat was een teken van de toorn en van de wraak, gelijk Joz. 5:13 , en 1 Kron. 21:16 . Jozua 5:13 : Verder geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Bent U van ons, of van onze vijanden? 1 Kronieken 21:16 : Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van YHWH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.
[^numeri-22-23-27]: Kanttekening 27: sloeg Bileam de ezelin: Te weten, met zijn stok, vers 27 . Numeri 22:27 : Als de ezelin de Engel van YHWH zag, zo legde zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.
[^numeri-22-28-d]: Verwijzing d: 2 Petr. 2:16 ; Judas v. 11 . 2 Petrus 2:16 : Maar hij heeft de bestraffing zijn ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft van de profeten dwaasheid verhinderd. Judas 1:11 : Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
[^numeri-22-30-28]: Kanttekening 28: Ben ik ooit gewend geweest: Hebreeuws, heb ik, de wijze hebbende, de wijze gehad?
[^numeri-22-32-29]: Kanttekening 29: Dat is, want u gaat de weg niet in, die ik wil dat u zult ingaan.
[^numeri-22-32-30]: Kanttekening 30: deze weg: Te weten, die u voor hebt.
[^numeri-22-32-e]: Verwijzing e: 2 Petr. 2:15 . 2 Petrus 2:15 : Die de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen de weg van Balaäm, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefgehad heeft;
[^numeri-22-32-31]: Kanttekening 31: van Mij afwijkt: Hebreeuws, tegenover mij; dat is, onder mijn ogen, in mijn aanwezigheid.
[^numeri-22-34-32]: Kanttekening 32: is het kwaad in Uw ogen: Dat is, behaagt het u niet.
[^numeri-22-34-33]: Kanttekening 33: ik zal terugkeren: Hebreeuws, ik zal mij terugkeren.
[^numeri-22-37-34]: Kanttekening 34: ernstiglijk tot u gezonden: Hebreeuws, zendende gezonden.
[^numeri-22-38-35]: Kanttekening 35: zal ik nu enigszins: Hebreeuws, zal ik, kunnende kunnen, iets spreken?
[^numeri-22-38-36]: Kanttekening 36: iets kunnen spreken: Te weten, wat ik wil, en God niet wil.
[^numeri-22-39-37]: Kanttekening 37: Anders, de stad van de straten, of, in de stad, die buiten gelegen is.
[^numeri-22-40-38]: Kanttekening 38: slachtte Balak runderen en schapen: Te weten, tot een offerande; en de overgebleven stukken aten zij in een maaltijd. Zie onder, Num. 25:2 . Numeri 25:2 : En zij nodigden het volk tot de slachtofferen van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden.
[^numeri-22-41-39]: Kanttekening 39: 's morgens: Te weten, des anderen daags, na het feest van de offerande.
[^numeri-22-41-40]: Kanttekening 40: van het volk: Te weten, van het volk van Israël.

### Numeri 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/23.json)

*Balak en Bileam slachten en offeren runderen en rammen, vers 1, enz. God legt een zegen over Israel in Bileams mond, 5. Hierover wordt Balak verstoord, 11. Zij gaan naar een andere plaats om het volk van God te vervloeken, 13. en offeren daar opnieuw, 14. God ontmoet Bileam weer en legt nog een grotere zegen in zijn mond, 16. Balak brengt Bileam naar een derde plaats, waar zij ook offers brengen, 27.*

**1** Toen zei Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v1)

**2** Balak nu deed, zoals Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden een stier en een ram, op elk altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v2)

**3** Toen zei Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer,[^numeri-23-3-1] en ik zal heengaan; misschien zal YHWH mij[^numeri-23-3-2] tegemoet komen; en wat Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de[^numeri-23-3-3] hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v3)

**4** Als God Bileam ontmoet was, zo zei hij tot Hem: Zeven altaren heb ik gereedgemaakt, en heb een stier en een ram op elk altaar geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v4)

**5** Toen legde YHWH het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v5)

**6** Als hij nu tot hem terugkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v6)

**7** Toen[^numeri-23-7-4] hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit[^numeri-23-7-5] Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij[^numeri-23-7-6] Jakob, en kom, scheld Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v7)

**8** Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar YHWH niet scheldt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v8)

**9** Want van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; zie,[^numeri-23-9-a] dat volk zal[^numeri-23-9-7] alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v9)

**10** Wie zal het[^numeri-23-10-8] stof van Jakob tellen, en het getal,[^numeri-23-10-9] ja, het vierde deel van Israël?[^numeri-23-10-10] Mijn ziel sterve de dood van[^numeri-23-10-11] de oprechten, en mijn uiterste zij zoals[^numeri-23-10-12] het zijne! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v10)

**11** Toen zei Balak tot Bileam: Wat hebt u mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie,[^numeri-23-11-13] u hebt hen doorgaans gezegend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v11)

**12** Hij nu antwoordde en zei: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat YHWH in mijn mond gelegd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v12)

**13** Toen zei Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats,[^numeri-23-13-14] vanwaar u hem zult zien; u zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet geheel zien; en vervloek hem mij van daar! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v13)

**14** Zo nam hij hem mee tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een stier en een ram op elk altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v14)

**15** Toen zei hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal[^numeri-23-15-15] Hem daar ontmoeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v15)

**16** Als YHWH Bileam ontmoet was,[^numeri-23-16-b] zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v16)

**17** Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten van de Moabieten bij hem. Balak nu zei tot hem: Wat heeft YHWH gesproken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v17)

**18** Toen hief hij zijn spreuk op, en zei:[^numeri-23-18-16] Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, u, zoon van Zippor! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v18)

**19** [^numeri-23-19-c] God is geen man, dat Hij liegen zou, noch het kind van een mens, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet[^numeri-23-19-17] bestendig maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v19)

**20** Zie, ik heb[^numeri-23-20-18] ontvangen te[^numeri-23-20-19] zegenen;[^numeri-23-20-20] omdat Hij zegent, zo zal ik het niet keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v20)

**21** [^numeri-23-21-21] Hij[^numeri-23-21-22][^numeri-23-21-d] schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de[^numeri-23-21-23] boosheid in Israël. YHWH, zijn God, is met hem, en het[^numeri-23-21-24] geklank[^numeri-23-21-25] van de Koning is bij[^numeri-23-21-26] hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v21)

**22** God heeft hen uit Egypte[^numeri-23-22-e] uitgevoerd; zijn krachten zijn als van[^numeri-23-22-27] een eenhoorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v22)

**23** Want[^numeri-23-23-28] er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israël.[^numeri-23-23-29] In deze tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël,[^numeri-23-23-30] wat God gewerkt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v23)

**24** Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, voordat het de roof gegeten, en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v24)

**25** Toen zei Balak tot Bileam:[^numeri-23-25-31] U zult het geheel noch vloeken, noch in geen geval zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v25)

**26** Maar Bileam antwoordde en zei tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat YHWH spreken zal, dat zal ik doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v26)

**27** Verder zei Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan een andere plaats meenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van die God, dat u[^numeri-23-27-32] het mij van daar vervloekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v27)

**28** Toen nam Balak Bileam mee tot de hoogte van[^numeri-23-28-33] Peor, die tegen de woestijn ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v28)

**29** En Bileam zei tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v29)

**30** Balak nu deed, zoals Bileam gezegd had; en hij offerde een stier en een ram op elk altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/23.html#v30)

[^numeri-23-3-1]: Kanttekening 1: Te weten, om God te vragen, maar dit deed hij door onbehoorlijke wijze van doen, gelijk blijkt Num. 24:1 . Numeri 24:1 : Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.
[^numeri-23-3-2]: Kanttekening 2: tegemoet komen: Hebreeuws, mij tegemoet ontmoeten.
[^numeri-23-3-3]: Kanttekening 3: Anders, alleen.
[^numeri-23-7-4]: Kanttekening 4: hief hij zijn spreuk op: Door het woord opheffen wordt hier te kennen gegeven, dat Bileam zijn stem verheven en overluid gesproken heeft.
[^numeri-23-7-5]: Kanttekening 5: Te weten, Mesopotamië, dat in Syrië gelegen is, Deut. 23:4 . Hebreeuws, Aram. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken.
[^numeri-23-7-6]: Kanttekening 6: Dat is, de nakomelingen Jakobs. Zo straks, Israël , dat is de Israëlieten.
[^numeri-23-9-a]: Verwijzing a: Deut. 33:28 . Deuteronomium 33:28 : Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.
[^numeri-23-9-7]: Kanttekening 7: alleen wonen: Te weten, van andere natiën afgezonderd, zo in kerkelijke als politieke zaken. Vergelijk Micha 7:14 , met de aantekeningen. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
[^numeri-23-10-8]: Kanttekening 8: stof van Jakob: Dat is, de kinderen, of het zaad. Zie Gen. 13:16 en 28:14 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
[^numeri-23-10-9]: Kanttekening 9: het vierde deel: Anders, van een kwartier . Het schijnt dat Bileam gezien heeft op het leger van de Israëlieten, dat in vier kwartieren gedeeld was rondom de tabernakel, Num. 2 .
[^numeri-23-10-10]: Kanttekening 10: Mijn ziel sterve de dood: Dat is, laat mij sterven de dood van de gerechtigen, maar Bileam is onder de vijanden Gods omgekomen; onder, Num. 31:8 ; Joz. 13:22 . Zie ook 2 Kor. 11:15 . Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor. Jozua 13:22 : Daartoe hebben de kinderen van Israël met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn. 2 Korinthiërs 11:15 : Zo is het dan niets groots, als ook zijn dienaren zich veranderen, als waren zij dienaren van de gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.
[^numeri-23-10-11]: Kanttekening 11: Of, degenen die recht zijn.
[^numeri-23-10-12]: Kanttekening 12: het zijne: Te weten, van Israël.
[^numeri-23-11-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, u hebt hen gezegend zegenende.
[^numeri-23-13-14]: Kanttekening 14: van waar u hem zult zien: Alsof hij zei: Of u misschien door de grote menigte verschrikt mocht worden, en daarom hem niet durven vloeken. Anders, vanwaar u hem zien zult (u hebt alleen zijn einde gezien, maar u hebt hem niet gantselijk gezien) en vervloekt , etc.
[^numeri-23-15-15]: Kanttekening 15: Te weten, YHWH, om raad te vragen.
[^numeri-23-16-b]: Verwijzing b: boven, Num. 22:35 . Numeri 22:35 : De Engel van YHWH nu zei tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult u spreken. Zo toog Bileam met de vorsten van Balak.
[^numeri-23-18-16]: Kanttekening 16: Te weten, om het woord van YHWH met eerbied aan te horen. Zie Richt. 3:20 . Richteren 3:20 : En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel.
[^numeri-23-19-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 15:29 ; Jak. 1:17 . 1 Samuël 15:29 : En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou. Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^numeri-23-19-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, doen staan.
[^numeri-23-20-18]: Kanttekening 18: Te weten, last van YHWH. De zin is: God heeft mij bevolen Israël te zegenen, ik moet hem gehoorzaam zijn.
[^numeri-23-20-19]: Kanttekening 19: Te weten, dit volk van Israël.
[^numeri-23-20-20]: Kanttekening 20: Te weten, YHWH.
[^numeri-23-21-21]: Kanttekening 21: Dat is, God YHWH is zo goedertieren over de Israëlieten, dat Hij hun zonden als niet ziet, noch toerekent.
[^numeri-23-21-22]: Kanttekening 22: schouwt niet: Anders, Hij ziet geen afgoderij, enz. en geen moeite, enz.; dat is, de woeling, die de afgodendienaars bedrijven.
[^numeri-23-21-d]: Verwijzing d: Ps. 32:1 ; idem 32:2 ; Ps. 51:11 ; Jer. 50:20 ; Rom. 4:7 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Psalmen 32:2 : Welgelukzalig is de mens, die YHWH de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Psalmen 51:11 : Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. Jeremia 50:20 : In die dagen en in die tijd, spreekt YHWH, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze degenen vergeven, die Ik zal doen overblijven. Romeinen 4:7 : Zeggende: Zalig zijn zij, waarvan de ongerechtigheden vergeven zijn, en waarvan de zonden bedekt zijn;
[^numeri-23-21-23]: Kanttekening 23: Dat is, God YHWH is zo goedertieren over de Israëlieten, dat Hij hun zonden als niet ziet, noch toerekent.
[^numeri-23-21-24]: Kanttekening 24: Te weten, van de trompetten. Hij ziet op de zilveren trompetten, van welke zie boven, Num. 10:9 ; Joz. 6:16 , 6:20 ; Richt. 7:20 ; 2 Kron. 13:12 . Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uw gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden. Jozua 6:16 : En het geschiedde ten zevenden male, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want YHWH heeft u de stad gegeven! Jozua 6:20 : Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. Richteren 7:20 : Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon! 2 Kronieken 13:12 : Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesters met de trompetten van het geklank, om tegen u alarmgeklank te maken; o kinderen van Israël, strijdt niet tegen YHWH, de God van uw vaderen, want u zult geen voorspoed hebben.
[^numeri-23-21-25]: Kanttekening 25: Dat is, van God, de Koning van de koningen. Dit kan men duiden op de predikatie van het goddelijke woord.
[^numeri-23-21-26]: Kanttekening 26: bij hem: Te weten, bij Jakob, of bij Israël.
[^numeri-23-22-e]: Verwijzing e: onder, Num. 24:8 . Numeri 24:8 : God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.
[^numeri-23-22-27]: Kanttekening 27: De eenhoorn wordt in de Heilige Schrift geroemd vanwege zijn kracht, onder, Num. 24:8 ; Deut. 33:17 ; Job 39:12 ; Ps. 22:22 , en Ps. 92:11 . Dit beest is te die tijde bekend geweest, maar wat het eigenlijk is weet men nu niet. Numeri 24:8 : God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met die zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Job 39:12 : Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij overnachten aan uw kribbe? Psalmen 22:22 : Verlos mij uit de muil van de leeuw; en verhoor mij van de hoornen van de eenhoornen. Psalmen 92:11 : Maar U zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
[^numeri-23-23-28]: Kanttekening 28: tegen Jakob: Dat is, de toverij vermag niet tegen de Israëlieten. Anders, in Jakob, enz.
[^numeri-23-23-29]: Kanttekening 29: Hij wil zeggen: Men zal niet alleen in toekomende tijden vertellen de wonderwerken, die God onder dit volk gedaan heeft, maar ook nu.
[^numeri-23-23-30]: Kanttekening 30: gewrocht heeft: Anders, wat is het, dat God gedaan heeft?
[^numeri-23-25-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, vloekende niet vloeken, en zegenende niet zegenen.
[^numeri-23-27-32]: Kanttekening 32: het mij van daar vervloekt: Te weten, het volk van Israël.
[^numeri-23-28-33]: Kanttekening 33: De naam van een berg, bij de Grieken Phogor genoemd, op welke de Moabieten hun afgod, genoemd Baäl-Peor, plachten offerande te doen; onder, Num. 25:3 , 25:5 , 25:18 ; daar hadden zij een tempel, geheten Beth-Peor, is toegevallen, Joz. 13:15 , 13:20 . Numeri 25:3 : Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. Numeri 25:5 : Toen zei Mozes tot de rechters van Israël: Een iedere dode zijn mannen, die zich aan Baäl-peor gekoppeld hebben! Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. Jozua 13:15 : Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, Jozua 13:20 : En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;

### Numeri 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/24.json)

*Bileam laat zijn huichelarij varen en profeteert de voorspoed van Israel, vers 1, enz. Balak verlaat hem in toorn, 10. maar eerst profeteert Bileam over de ster die uit Jakob zou voortkomen, en over de ondergang van sommige volken, 14. Daarna scheiden Bileam en Balak van elkaar, 25.*

**1** Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij[^numeri-24-1-1] ditmaal niet heen, zoals meermalen,[^numeri-24-1-2] tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht[^numeri-24-1-3] naar de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v1)

**2** Als Bileam zijn ogen ophief, en Israël zag, gelegerd naar[^numeri-24-2-4] zijn stammen, zo[^numeri-24-2-5] was de Geest van God op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v2)

**3** En hij hief zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wie[^numeri-24-3-6] de ogen geopend zijn, spreekt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v3)

**4** De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het visioen van de Almachtigen ziet; die[^numeri-24-4-7] verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v4)

**5** Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v5)

**6** Zoals de beken breiden[^numeri-24-6-8] zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; YHWH heeft ze geplant, als de[^numeri-24-6-9] aloë's, als de[^numeri-24-6-10] cederbomen aan het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v6)

**7** Er zal water uit[^numeri-24-7-11] zijn emmers vloeien, en zijn zaad zal[^numeri-24-7-12] in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven[^numeri-24-7-13] Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v7)

**8** God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als[^numeri-24-8-a] van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente[^numeri-24-8-14] breken, en met zijn pijlen doorschieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v8)

**9** [^numeri-24-9-b] Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich neergelegd, zoals een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem[^numeri-24-9-15] doen opstaan?[^numeri-24-9-16] Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v9)

**10** Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en[^numeri-24-10-17] hij sloeg zijn handen samen; en Balak zei tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie,[^numeri-24-10-18] u hebt hen nu drie keer steeds gezegend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v10)

**11** En nu,[^numeri-24-11-19] pak u weg[^numeri-24-11-20] naar uw plaats! Ik had gezegd,[^numeri-24-11-21] dat ik u hoog vereren zou; maar zie,[^numeri-24-11-22] YHWH heeft u die eer van u geweerd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v11)

**12** Toen zei Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die u tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v12)

**13** [^numeri-24-13-c] Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel van YHWH niet overtreden, doende goed of kwaad[^numeri-24-13-23] uit mijn eigen hart; wat YHWH spreken zal, dat zal ik spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v13)

**14** En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom,[^numeri-24-14-24] ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal[^numeri-24-14-25] in de laatste dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v14)

**15** Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wie de ogen geopend zijn, spreekt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v15)

**16** De hoorder van de redenen Gods spreekt, en die de wetenschap van de Allerhoogste weet; die het visioen van de Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v16)

**17** Ik[^numeri-24-17-26] zal[^numeri-24-17-27] hem zien, maar[^numeri-24-17-28] nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een[^numeri-24-17-29] ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de[^numeri-24-17-30] grenzen van de Moabieten verslaan, en zal al de[^numeri-24-17-31] kinderen van[^numeri-24-17-32] Seth verstoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v17)

**18** En[^numeri-24-18-33] Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en[^numeri-24-18-34] Seïr zal[^numeri-24-18-35] zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; maar Israël zal[^numeri-24-18-36] kracht doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v18)

**19** [^numeri-24-19-d] En er zal[^numeri-24-19-37] één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen[^numeri-24-19-38] uit de steden ombrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v19)

**20** Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Amalek is de[^numeri-24-20-39] eersteling van de heidenen;[^numeri-24-20-40] maar zijn uiterste is ten verderve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v20)

**21** Toen hij de[^numeri-24-21-41] Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw[^numeri-24-21-42] nest in een steenrots gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v21)

**22** Evenwel zal[^numeri-24-22-43] Kaïn verteerd worden,[^numeri-24-22-44] totdat u Assur als gevangene wegvoeren zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v22)

**23** Verder hief hij zijn spreuk op, en zei: Och,[^numeri-24-23-45] wie zal leven, als God[^numeri-24-23-46] dit[^numeri-24-23-47] doen zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v23)

**24** En de schepen van de[^numeri-24-24-48] oever[^numeri-24-24-49] van de Chitteers, die zullen Assur onderdrukken, zij zullen ook[^numeri-24-24-50] Heber onderdrukken; en[^numeri-24-24-51] hij zal ook ten verderve zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v24)

**25** Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weer[^numeri-24-25-52] tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/24.html#v25)

[^numeri-24-1-1]: Kanttekening 1: ditmaal niet heen: Hebreeuws, gelijk maal in maal.
[^numeri-24-1-2]: Kanttekening 2: tot de toverijen: Hebreeuws, de toverijen tegemoet. Versta, de onbehoorlijke manier van voorzeggingen, die hij gebruikt had, en die van God voor toverij gehouden wordt.
[^numeri-24-1-3]: Kanttekening 3: naar de woestijn: Waar de kinderen van Israël hun leger hadden in het veld van de Moabieten.
[^numeri-24-2-4]: Kanttekening 4: zijn stammen: Te weten, in zulk een orde afgedeeld, als YHWH bevolen had, Num. 2 .
[^numeri-24-2-5]: Kanttekening 5: was de Geest van God op hem: Dat is, God gaf hem in wat hij spreken zou.
[^numeri-24-3-6]: Kanttekening 6: de ogen geopend zijn: Te weten, de ogen van het verstand, om te zien wat in toekomende tijden de kinderen van Israël bejegenen zou. Hebreeuws, het oog.
[^numeri-24-4-7]: Kanttekening 7: verrukt wordt: Hebreeuws, vallende.
[^numeri-24-6-8]: Kanttekening 8: zij zich uit: Te weten, de kinderen van Israël.
[^numeri-24-6-9]: Kanttekening 9: als de sandelbomen: Of, aloë. Dit is een boom, wiens hout, als het dor wordt, een lieflijken reuk van zich geeft.
[^numeri-24-6-10]: Kanttekening 10: cederbomen aan het water: Het hout van deze boom is schoon, het wast hoog en dik, en het verrot niet lichtelijk. Van dit hout was de tempel van Salomo getimmerd; 1 Kon. 6:9 , 6:10 . 1 Koningen 6:9 : Zo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en bedekte dat huis met gewelven en rijen van cederen. 1 Koningen 6:10 : Hij bouwde ook de kamers aan het gehele huis, van vijf ellen in haar hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederenhout.
[^numeri-24-7-11]: Kanttekening 11: zijn emmeren vloeien: Te weten, uit Israël.
[^numeri-24-7-12]: Kanttekening 12: in vele wateren zijn: Dat is, het zal zeer vermenigvuldigen.
[^numeri-24-7-13]: Kanttekening 13: Dit is de naam van de koning, ja van alle koningen van de Amelekieten, welk koninkrijk in deze tijd zeer heerlijk en groot was. Zie 1 Sam. 15:8 . 1 Samuël 15:8 : En hij ving Agag, de koning van de Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte van het zwaard.
[^numeri-24-8-a]: Verwijzing a: boven, Num. 23:22 . Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.
[^numeri-24-8-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, uitbenen; dat is, het been uit het vlees trekken.
[^numeri-24-9-b]: Verwijzing b: Gen. 49:9 ; boven, Num. 23:24 . Genesis 49:9 : Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Numeri 23:24 : Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het de roof gegeten, en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben!
[^numeri-24-9-15]: Kanttekening 15: doen opstaan: Of, opwekken.
[^numeri-24-9-16]: Kanttekening 16: Zo wie u zegent: Volgens de belofte van God, Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^numeri-24-10-17]: Kanttekening 17: hij sloeg zijn handen samen: Tot een teken van toorn en verdriet.
[^numeri-24-10-18]: Kanttekening 18: u hebt hen nu driemaal gedurig gezegend: Hebreeuws, zegenende hebt u hun gezegend.
[^numeri-24-11-19]: Kanttekening 19: pak u weg: Hebreeuws, vlucht u.
[^numeri-24-11-20]: Kanttekening 20: naar uw plaats: Te weten, naar Mesopotamië, tot uw stad Pethor.
[^numeri-24-11-21]: Kanttekening 21: dat ik u hoog vereren zou: Hebreeuws, vererende vereren zou; te weten, met grote geschenken.
[^numeri-24-11-22]: Kanttekening 22: YHWH heeft u die eer van u geweerd: Hebreeuws, YHWH heeft u geweerd van de eer.
[^numeri-24-13-c]: Verwijzing c: boven, Num. 22:18 . Numeri 22:18 : Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel van YHWH mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.
[^numeri-24-13-23]: Kanttekening 23: uit mijn eigen hart: Dat is, van mijzelf. Zie Num. 16:28 . Numeri 16:28 : Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat YHWH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
[^numeri-24-14-24]: Kanttekening 24: ik zal u raad geven: Dat is, ik zal u raad geven en meteen waarschuwen. Sommigen verstaan door de raad hier de navolgende profetie; anderen de goddeloze raad, waarvan onder, Num. 25 , vergelijk met Num. 31:16 , en Openb. 2:14 . Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH. Openbaring 2:14 : Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
[^numeri-24-14-25]: Kanttekening 25: in de laatste dagen: Te weten, ten tijde Davids, gelijk geschreven staat 2 Sam. 8:2 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^numeri-24-17-26]: Kanttekening 26: Anders, ik zie hem, of, het.
[^numeri-24-17-27]: Kanttekening 27: hem zien: Dit is een profetie op Christus, de toekomende Messias, waarvan David een voorbeeld geweest is.
[^numeri-24-17-28]: Kanttekening 28: nu niet: Dat is, nog niet.
[^numeri-24-17-29]: Kanttekening 29: ster … scepter: Door de woorden ster en scepter, verstaat Bileam het heerlijke koninkrijk van het volk van God, dat ten dele wereldlijk in David, maar voornamelijk in het geestelijke koninkrijk van onze Heere Jezus Christus vervuld is. Zie Openb. 22:16 . Openbaring 22:16 : Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^numeri-24-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, hoeken, zijden; dat is, de grenzen. Zie de vervulling van deze profetie 2 Sam. 8:2 . Maar voornamelijk is dit vervuld door de roeping van de heidenen door de apostelen. Sommigen verstaan door de hoeken of palen de vorsten van het land. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^numeri-24-17-31]: Kanttekening 31: kinderen van Seth: Dat is, alle andere volken, uit welke de Heere Christus zijn kerk vergaderen zou; want de nakomelingen van Kaïn zijn in de zondvloed omgekomen.
[^numeri-24-17-32]: Kanttekening 32: Eigenlijk, ontwallen, ontmuren.
[^numeri-24-18-33]: Kanttekening 33: Edom zal een erfelijke bezitting zijn: Zie de vervulling hiervan 1 Kron. 18:13 , en verder, aangaande het geestelijke, in de roeping van de heidenen en demping van de vijanden van Gods kerk. 1 Kronieken 18:13 : En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en YHWH behoedde David overal, waar hij heenging.
[^numeri-24-18-34]: Kanttekening 34: Dit is de naam van het gebergte, waar de Edomieten woonden, Gen. 36:7 , 36:8 . Genesis 36:7 : Want hun bezittingen waren te veel, om samen te wonen; en het land van hun vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee. Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.
[^numeri-24-18-35]: Kanttekening 35: zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn: Te weten, de kinderen van Israël.
[^numeri-24-18-36]: Kanttekening 36: kracht doen: Anders, macht betonen; dat is, kloekelijk handelen.
[^numeri-24-19-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 8:14 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^numeri-24-19-37]: Kanttekening 37: een uit Jakob heersen: Versta, David en Christus.
[^numeri-24-19-38]: Kanttekening 38: uit de steden ombrengen: Hebreeuws, uit de stad; dat is, uit elke stad, of al de steden; te weten, van de Edomieten, vers 18 . Numeri 24:18 : En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; maar Israël zal kracht doen.
[^numeri-24-20-39]: Kanttekening 39: eersteling van de heidenen: Of, de eerste; dat is, een zeer treffelijk koninkrijk, of de eerste, die tegen de Israëlieten oorlog gevoerd heeft.
[^numeri-24-20-40]: Kanttekening 40: maar zijn uiterste is ten verderve: Dat is, de Amalekieten zullen verdelgd worden naar de raad en het besluit Gods. Zie Ex. 17:14 ; 1 Sam. 15 . Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.
[^numeri-24-21-41]: Kanttekening 41: Deze woonden onder de Amalekieten, 1 Sam. 15:6 . 1 Samuël 15:6 : En Saul liet de Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten.
[^numeri-24-21-42]: Kanttekening 42: nest in een steenrots gelegd: Dat is, woning, gelijk Job 29:18 . Job 29:18 : En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.
[^numeri-24-22-43]: Kanttekening 43: Kaïn verteerd worden: Anders, de Kaïnieten, of, de Kenieten, die, zo het schijnt, van een, Kaïn genoemd, hun oorsprong hebben.
[^numeri-24-22-44]: Kanttekening 44: totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal: Anders, zolang als u Assur zal gevangen houden.
[^numeri-24-23-45]: Kanttekening 45: Och, wie zal leven: Dat is, wie zal levend blijven? Alsof hij zei: Och, wat een grote jammer en ellende zal alsdan velen volken overkomen!
[^numeri-24-23-46]: Kanttekening 46: Te weten, wat hier volgt, vers 24 , of, hem \[te weten, Israël\] stellen zal, of, zich zetten zal. Numeri 24:24 : En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.
[^numeri-24-23-47]: Kanttekening 47: doen zal: Hebreeuws, zetten, ordineren zal.
[^numeri-24-24-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, hand; dat is, kust of oever.
[^numeri-24-24-49]: Kanttekening 49: van de Chitteërs: Kittim of Chittim is geweest één van de zonen van Javan, de zoon van Jafeth, die Noachs zoon was; Gen. 10:4 ; zijn nakomelingen hebben zich nedergezet in Cilicië, Macedonië, Cyprus en Italië. Josef. lib. 4, cap. 22, Antiq. (Flaviius Josefus, Joodse oudheden, 4de boek, 12de hoofdstuk). Zodat onder het woord Chittim somtijds dit, somtijds dat volk of natie verstaan wordt. Genesis 10:4 : En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^numeri-24-24-50]: Kanttekening 50: Heber plagen: Dat is, de Hebreën of nakomelingen van Heber, van welke zie Gen. 10:22 , 10:24 . Al de Joden of Israëlieten zijn Hebers nakomelingen, die door de Romeinen en Grieken zijn geplaagd geweest. Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Genesis 10:24 : En Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.
[^numeri-24-24-51]: Kanttekening 51: hij zal ook ten verderve zijn: Te weten, de Chittieter.
[^numeri-24-25-52]: Kanttekening 52: tot zijn plaats: Te weten, naar Mesopotamië. Dit was wel Bileams mening en voornemen, maar hij is door de Midianieten opgehouden, en daarna door de Israëlieten met het zwaard verslagen; Num. 31:8 . Anderen meenden dat wel Bileam tehuis is gekomen, maar naderhand opnieuw tot de Midianieten gekeerd en met hen omgekomen. Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor.

### Numeri 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/25.json)

*De Israelieten plegen hoererij te Sittim met de dochters van de Moabieten, en afgoderij met Baal-Peor, vers 1, enz. De HEERE beveelt Mozes de afgodendienaars om te brengen, 4. Pinehas doodt Zimri en Kozbi, 7. Daarom belooft God hem het priesterschap in eeuwigheid, 11. God beveelt de Midianieten te verslaan, 17. omdat zij listig tegen Israel gehandeld hadden, 18.*

**1** En[^numeri-25-1-a] Israël verbleef te[^numeri-25-1-1] Sittim, en[^numeri-25-1-2] het volk begon te ontucht plegen met de dochters van[^numeri-25-1-3] de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v1)

**2** [^numeri-25-2-b] En[^numeri-25-2-4] zij nodigden het volk tot de slachtoffers[^numeri-25-2-5] van haar goden; en[^numeri-25-2-6] het volk[^numeri-25-2-7] at, en boog zich voor haar goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v2)

**3** Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor,[^numeri-25-3-c] ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v3)

**4** En YHWH zei tot Mozes:[^numeri-25-4-d] Neem[^numeri-25-4-8] al de hoofden van het volk, en hang[^numeri-25-4-9] ze YHWH tegen de[^numeri-25-4-10] zon, zo zal de hitte van de toorn van YHWH gekeerd worden van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v4)

**5** Toen zei Mozes tot de rechters van Israël: Laat ieder zijn mannen doden, die zich aan Baäl-peor gekoppeld hebben![^numeri-25-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v5)

**6** En ziet, een man uit de Israëlieten kwam, en bracht een Midianitische vrouw tot[^numeri-25-6-12] zijn broers voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de hele gemeenschap van de Israëlieten, toen zij huilden voor de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v6)

**7** Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester,[^numeri-25-7-e] dat zag, zo stond hij op uit het midden van de vergadering, en nam een speer in zijn hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v7)

**8** En hij ging de Israëlietische man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, de Israëlietische man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de Israëlieten opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v8)

**9** [^numeri-25-9-f] Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren[^numeri-25-9-13] vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v9)

**10** Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v10)

**11** Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn woede van over de Israëlieten afgewend, omdat hij[^numeri-25-11-g] Mijn ijver geijverd heeft in het midden daarvan, zodat Ik de Israëlieten in Mijn ijver niet vernield heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v11)

**12** Daarom spreek: Zie,[^numeri-25-12-14] Ik[^numeri-25-12-h] geef hem Mijn verbond[^numeri-25-12-15] van de vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v12)

**13** En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het[^numeri-25-13-16] verbond van het eeuwige priesterdom, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v13)

**14** De naam nu van de verslagen Israëlitische man, die verslagen was met de Midianitische vrouw, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis van de Simeonieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v14)

**15** En de naam van de verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een[^numeri-25-15-17] hoofd was van de volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v15)

**16** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v16)

**17** Handel[^numeri-25-17-i] vijandig met de Midianieten, en versla hen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v17)

**18** Want zij hebben vijandig[^numeri-25-18-k] tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten,[^numeri-25-18-18] hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/25.html#v18)

[^numeri-25-1-a]: Verwijzing a: Num. 31:16 ; Num. 33:49 . Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH. Numeri 33:49 : En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden van de Moabieten.
[^numeri-25-1-1]: Kanttekening 1: Een plaats in de woestijn, in de lage landen van de Moabieten, bij de Jordaan. Num. 33:48 , 33:49 wordt deze genoemd Abel Sittim; hier bleef Israël tot na de dood van Mozes; toen heeft Jozua het vandaar gebracht tot aan de Jordaan, waar zij te Gilgal over passeerden; Joz. 2:1 , en Joz. 3:1 . Numeri 33:48 : En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. Numeri 33:49 : En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden van de Moabieten. Jozua 2:1 : Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, waarvan de naam was Rachab, en zij sliepen daar. Jozua 3:1 : Jozua dan maakte zich 's morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen van Israël; en zij overnachtten daar, voordat zij overtrokken.
[^numeri-25-1-2]: Kanttekening 2: het volk begon te hoereren: Te weten, velen onder de Israëlieten \[ 1 Kor. 10:8 \], want al wie deze zonde begingen, zijn omgekomen, maar wie YHWH aanhingen, bleven in het leven; Deut. 4:3 , 4:4 . 1 Korinthiërs 10:8 : En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. Deuteronomium 4:3 : Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft YHWH, uw God, uit het midden van u verdaan. Deuteronomium 4:4 : U daarentegen, die YHWH, uw God, aanhingt, u bent heden allen levende.
[^numeri-25-1-3]: Kanttekening 3: Versta hierbij, ook van de Midianieten, gelijk blijkt uit vers 6 , 25:17 , 25:18 . Numeri 25:6 : En ziet, een man uit de kinderen van Israël kwam, en bracht een Midianietin tot zijn broers voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, toen zij weenden voor de deur van de tent van de samenkomst. Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen; Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor.
[^numeri-25-2-b]: Verwijzing b: Ps. 106:28 ; Hosea 9:10 . Psalmen 106:28 : Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-peor, en zij hebben de offeranden van de doden gegeten. Hosea 9:10 : Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden geheel verfoeilijk naar hun boelerij.
[^numeri-25-2-4]: Kanttekening 4: zij nodigden het volk: Te weten, de dochters van de Moabieten.
[^numeri-25-2-5]: Kanttekening 5: haar goden: Anders, van haar God; te weten, Baäl-Peor.
[^numeri-25-2-6]: Kanttekening 6: het volk: Te weten, een deel van het Israëlietische volk.
[^numeri-25-2-7]: Kanttekening 7: Zo gemeenschap hebbende met haar afgoderij, 1 Kor. 10:18 , hiervoor had God YHWH hen gewaarschuwd; Ex. 34:14 . 1 Korinthiërs 10:18 : Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar? Exodus 34:14 : (Want u zult u niet buigen voor een anderen god; want de Naam van YHWH is IJveraar! een ijverig God is Hij!)
[^numeri-25-3-c]: Verwijzing c: Ps. 106:29 . Psalmen 106:29 : En zij hebben de Heer tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.
[^numeri-25-4-d]: Verwijzing d: Deut. 4:3 ; Joz. 22:17 . Deuteronomium 4:3 : Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft YHWH, uw God, uit het midden van u verdaan. Jozua 22:17 : Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van die wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in de vergadering van YHWH geweest is?
[^numeri-25-4-8]: Kanttekening 8: alle hoofden van het volk: Te weten, wie aan deze zonde schuld hebben. Zie een exempel vers 14 . Sommigen verstaan dat deze hoofden van het volk genomen zijn geweest als rechters, om de schuldigen op te hangen. Numeri 25:14 : De naam nu van de verslagen Israëlietische man, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis van de Simeonieten.
[^numeri-25-4-9]: Kanttekening 9: YHWH: Anders, voor YHWH. \[YHWH\] ; dat is, ter ere Gods, de rechtvaardige, die de zonden haat en straft.
[^numeri-25-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, in het openbaar, voor allemans ogen, zolang de zon deze dag schijnen zal.
[^numeri-25-5-11]: Kanttekening 11: zijn mannen: Die onder hem behoren, naar de order daarvan gegeven Ex. 18:25 . Exodus 18:25 : En Mozes verkoos kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen;
[^numeri-25-6-12]: Kanttekening 12: zijn broers: Te weten, tot de Israëlieten, die in het leger waren.
[^numeri-25-7-e]: Verwijzing e: Ps. 106:30 . Psalmen 106:30 : Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
[^numeri-25-9-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 10:8 . 1 Korinthiërs 10:8 : En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.
[^numeri-25-9-13]: Kanttekening 13: vier en twintig duizend: De apostel, 1 Kor. 10:8 , zegt drie en twintig duizend. Het is te vermoeden dat de rechters er een duizend gestraft hebben, 1 Kor. 10:5 , en dat God er drie en twintig duizend geslagen heeft, of, een duizend is er gehangen, de rest is door Gods hand geslagen. 1 Korinthiërs 10:8 : En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. 1 Korinthiërs 10:5 : Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
[^numeri-25-11-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 11:2 . 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^numeri-25-12-14]: Kanttekening 14: Ik geef hem: Dat is, Ik geef hem het priesterdom, dat hij dat vrediglijk en voorspoediglijk erve en bezitte, hij en zijn nakomelingen, omdat hij Mij door zijn ijver heeft tevreden gesteld.
[^numeri-25-12-h]: Verwijzing h: Ps. 106:31 . Psalmen 106:31 : En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.
[^numeri-25-12-15]: Kanttekening 15: van de vrede: Of, \[te weten\] de vrede.
[^numeri-25-13-16]: Kanttekening 16: verbond van het eeuwige priesterdom: Dat is, een eeuwig priesterdom, met een eeuwig verbond bevestigd. Maar versta door eeuwig, totdat de Messias komt. Zie Hebr. 7:11 . Hebreeën 7:11 : Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder dat heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?
[^numeri-25-15-17]: Kanttekening 17: hoofd was van de volken: Ja, hij wordt onder de koningen van de Midianieten gesteld, Num. 31:8 . Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor.
[^numeri-25-17-i]: Verwijzing i: onder, Num. 31:2 . Numeri 31:2 : Neem de wraak van de kinderen van Israël van de Midianieten; daarna zult u verzameld worden tot uw volken.
[^numeri-25-18-k]: Verwijzing k: Openb. 18:6 . Openbaring 18:6 : Vergeldt haar, gelijk als zij u vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.
[^numeri-25-18-18]: Kanttekening 18: Dat is, die van hun natie was.

### Numeri 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/26.json)

*Telling van de Israelieten van twintig jaar en ouder, geschikt voor de oorlog, vers 1, enz. afzonderlijk van elke stam, behalve de stam Levi, 5. in het algemeen van alle getelden samen, 51. aan wie het land Kanaan door het lot verdeeld moest worden, naar verhouding van de grootte of kleinheid van de stammen, 52. Telling van alleen de Levieten, 57. Maar bij de telling van de Levieten was er niemand van hen die in de woestijn Sinai na hun uittocht uit Egypte geteld waren, behalve Jozua en Kaleb, 65.*

**1** Het gebeurde nu[^numeri-26-1-1] na die plaag, dat YHWH sprak tot Mozes, en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v1)

**2** [^numeri-26-2-2] Neem het aantal van de hele gemeenschap van de Israëlieten op,[^numeri-26-2-a] van twintig[^numeri-26-2-3] jaar oud en daarboven, naar het huis van hun vaders,[^numeri-26-2-4] al wie ten strijde in Israël uittrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v2)

**3** Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in[^numeri-26-3-5] de vlakke velden van Moab,[^numeri-26-3-6] aan de Jordaan van Jericho, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v3)

**4** [^numeri-26-4-7] Dat men opneme van twintig jaar oud en daarboven;[^numeri-26-4-b] zoals YHWH Mozes geboden had, en de Israëlieten,[^numeri-26-4-8] die uit Egypteland vertrokken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v4)

**5** Ruben[^numeri-26-5-c] was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch,[^numeri-26-5-9] van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v5)

**6** Van[^numeri-26-6-10] Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v6)

**7** Dit zijn de geslachten van de Rubenieten; en hun ingeschrevenen waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v7)

**8** En de[^numeri-26-8-11] zonen van Pallu waren Eliab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v8)

**9** En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram;[^numeri-26-9-d] deze Dathan en Abiram waren de[^numeri-26-9-12] geroepenen van de vergadering, die ruzie maakten met Mozes en tegen Aäron,[^numeri-26-9-13] in de vergadering van Korach, als zij zich tegen YHWH verzetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v9)

**10** En de aarde haar[^numeri-26-10-14] mond opendeed, en verslond[^numeri-26-10-15] hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden[^numeri-26-10-16] tot een teken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v10)

**11** Maar de kinderen van[^numeri-26-11-17] Korach stierven niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v11)

**12** De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van[^numeri-26-12-18] Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v12)

**13** Van[^numeri-26-13-19] Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v13)

**14** Dat zijn de geslachten van de[^numeri-26-14-20] Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v14)

**15** De zonen van Gad, naar hun geslachten: van[^numeri-26-15-21] Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v15)

**16** Van[^numeri-26-16-22] Ozni het geslacht van de Oznieten; van Heri het geslacht van de Herieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v16)

**17** Van[^numeri-26-17-23] Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v17)

**18** Dat zijn de geslachten van de zonen van Gad, naar hun ingeschrevenen: veertig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v18)

**19** De zonen van Juda waren Er en Onan;[^numeri-26-19-e] maar Er en Onan[^numeri-26-19-24] stierven in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v19)

**20** Zo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van[^numeri-26-20-25] Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v20)

**21** En de zonen[^numeri-26-21-f] van Perez waren: van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Hamul het geslacht van de Hamulieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v21)

**22** Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun ingeschrevenen: zes en zeventig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v22)

**23** De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren:[^numeri-26-23-26] van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puva het geslacht van de Punieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v23)

**24** Van[^numeri-26-24-27] Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v24)

**25** Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun ingeschrevenen: vier en zestig duizend en driehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v25)

**26** De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht van de Seredieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jahleel het geslacht van de Jahleelieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v26)

**27** Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten, naar hun ingeschrevenen: zestig duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v27)

**28** De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v28)

**29** De zonen van Manasse waren:[^numeri-26-29-g] van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v29)

**30** Dit zijn de zonen van[^numeri-26-30-28][^numeri-26-30-29] Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v30)

**31** En van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v31)

**32** En van Semida het geslacht van de Semidaieten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v32)

**33** [^numeri-26-33-h] Maar[^numeri-26-33-30] Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen van de dochters van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v33)

**34** Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun ingeschrevenen waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v34)

**35** Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v35)

**36** En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht van de Eranieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v36)

**37** Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraïm, naar hun ingeschrevenen: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v37)

**38** De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van[^numeri-26-38-31] Ahiram het geslacht van de Ahiramieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v38)

**39** Van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v39)

**40** En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naäman het geslacht van de Naämieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v40)

**41** Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v41)

**42** Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van[^numeri-26-42-32] Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v42)

**43** Al de geslachten van de Suhamieten, naar hun ingeschrevenen, waren vier en zestig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v43)

**44** De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaieten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v44)

**45** Van de zonen van Beria waren: van[^numeri-26-45-33] Heber het geslacht van de Heberieten; van Malchiël het geslacht van de Malchiëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v45)

**46** En de naam van de dochter van Aser was Serah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v46)

**47** Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser, naar hun ingeschrevenen: drie en vijftig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v47)

**48** De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van[^numeri-26-48-34] Jahzeel het geslacht van de Jahzeelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v48)

**49** Van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van[^numeri-26-49-35] Sillem het geslacht van de Sillemieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v49)

**50** Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en vierhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v50)

**51** Dat zijn[^numeri-26-51-36] de ingeschrevenen van de zonen van Israël: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v51)

**52** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v52)

**53** [^numeri-26-53-37] Aan deze zal het land uitgedeeld worden ter erfenis,[^numeri-26-53-38] naar het getal van de namen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v53)

**54** [^numeri-26-54-i] Aan degenen, die veel zijn, zult[^numeri-26-54-39] u hun erfenis groter maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis kleiner maken; aan ieder zal, naar zijn ingeschrevenen, zijn erfenis gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v54)

**55** Het land toch zal[^numeri-26-55-k] door het[^numeri-26-55-40] lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen van hun vaders zullen[^numeri-26-55-41] zij erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v55)

**56** Naar[^numeri-26-56-42] het lot zal elks[^numeri-26-56-43] erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v56)

**57** [^numeri-26-57-l] Dit zijn nu de ingeschrevenen van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v57)

**58** Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van[^numeri-26-58-44] de Libnieten, het geslacht van[^numeri-26-58-45] de Hebronieten, het geslacht van[^numeri-26-58-46] de Machlieten, het geslacht van de Muzieten, het geslacht van[^numeri-26-58-47] de Korachieten. En Kohath verwekte Amram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v58)

**59** [^numeri-26-59-m] En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die[^numeri-26-59-48] de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v59)

**60** En aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v60)

**61** [^numeri-26-61-n] Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v61)

**62** En hun ingeschrevenen waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is,[^numeri-26-62-49] van een maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld[^numeri-26-62-50] onder de Israëlieten, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v62)

**63** Dat zijn de ingeschrevenen van Mozes en Eleazar, de priester, die de Israëlieten[^numeri-26-63-51] telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v63)

**64** En onder deze was niemand van hen die geteld waren door Mozes en Aäron, de priester,[^numeri-26-64-52] als zij de Israëlieten telden in de woestijn van Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v64)

**65** [^numeri-26-65-o] Want YHWH had van die gezegd, dat zij in de woestijn[^numeri-26-65-53] zeker zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan[^numeri-26-65-54] Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/26.html#v65)

[^numeri-26-1-1]: Kanttekening 1: na die plaag: Versta, de plaag vermeld in het voorgaande hoofdstuk Num. 25 , door welke vier en twintig duizend Israëlieten omgekomen zijn, ter oorzaak van hun hoererij met de Moabietische vrouwen en afgoderij met Baäl-Peor bedreven. Na deze plagen waren er geen meer \[dan Jozua en Kaleb\] overig van degenen, die, boven de twintig jaren oud zijnde, om hun murmurering, waren veroordeeld in de woestijn te moeten sterven, voordat de kinderen van Israël in het bezit van het beloofde land treden zouden. Zie boven, Num. 14:33 , 14:34 , 14:35 ; zie in vers 63 , 26:64 , 26:65 ; Deut. 2:14 . Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking. Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering van degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! Numeri 26:63 : Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester, die de kinderen van Israël telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho. Numeri 26:64 : En onder deze was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, de priester, als zij de kinderen van Israël telden in de woestijn van Sinaï. Numeri 26:65 : Want YHWH had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had.
[^numeri-26-2-2]: Kanttekening 2: Neem de som: Deze telling van de kinderen van Israël wordt gehouden voor de derde, nadat zij uit Egypte gescheiden waren. De eerste was in hetzelfde jaar toen zij uitlogen, Ex. 30:12 , enz. De tweede was in het begin van het tweede jaar, Num. 1:2 . De derde deze, van welke vers 2 gesproken wordt. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel aan YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. Numeri 26:2 : Neem de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis van hun vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt.
[^numeri-26-2-a]: Verwijzing a: boven, Num. 1:3 . Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron.
[^numeri-26-2-3]: Kanttekening 3: van twintig jaren oud: Hebreeuws, een zoon van twintig jaren oud. Zo in het volgende.
[^numeri-26-2-4]: Kanttekening 4: al wie ten heire in Israël uittrekt: Zie boven, Num. 22:1 , en onder in vers 63 , en Num. 33:48 . Numeri 22:1 : Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. Numeri 26:63 : Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester, die de kinderen van Israël telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho. Numeri 33:48 : En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
[^numeri-26-3-5]: Kanttekening 5: vlakke velden van Moab: Zie boven, Num. 22:1 , en onder in vers 63 , en Num. 33:48 . Numeri 22:1 : Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. Numeri 26:63 : Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester, die de kinderen van Israël telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho. Numeri 33:48 : En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.
[^numeri-26-3-6]: Kanttekening 6: de Jordaan van Jericho: Waar deze rivier zich nabij de stad Jericho wendt. Zo boven, Num. 22:1 , en onder, vers 63 . Numeri 22:1 : Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. Numeri 26:63 : Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, de priester, die de kinderen van Israël telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
[^numeri-26-4-7]: Kanttekening 7: Dat men opneme : Dit woord is hier tot aanvulling ingevoegd uit vers 2 . Evenwel, het kan nagelaten worden, de overzetting aldus gesteld zijnde: Van twintig jaren oud, en daarboven, enz., zodat dit het begin zou zijn van de rol, die Mozes gemaakt en het volk voorgelezen heeft. Numeri 26:2 : Neem de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis van hun vaderen, al wie ten heire in Israël uittrekt.
[^numeri-26-4-b]: Verwijzing b: boven, Num. 1:1 ; idem v. 2 ; idem v. 3 . Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron.
[^numeri-26-4-8]: Kanttekening 8: die uit Egypteland uitgetogen waren: Zie boven, Num. 1:2 , en vergelijk Ex. 30:12 . Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel aan YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult.
[^numeri-26-5-c]: Verwijzing c: Gen. 46:9 ; Ex. 6:13 ; 1 Kron. 5:1 . Genesis 46:9 : En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
[^numeri-26-5-9]: Kanttekening 9: van welke was: Het woordje van is hier ingevoegd, naar gelijkheid van de volgende manier van spreken. Zo ook onder, vers 23 , enz. Het andere moet dikwijls, naar de eigenschap van de Hebreeuwse taal, tot aanvulling van de zin, als een bijvoegsel, er in gelaten worden. Numeri 26:23 : De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puva het geslacht van de Punieten;
[^numeri-26-6-10]: Kanttekening 10: Hezron het geslacht van de Hezronieten: Hebreeuws, Chetsron.
[^numeri-26-8-11]: Kanttekening 11: zonen van Pallu waren Eliab: Het getal van velen, voor het getal van een. Zie Gen. 21:7 , en Gen. 46:7 . Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. Genesis 46:7 : Zijn zonen, en de zonen van zijn zonen met hem; zijn dochters, en de dochters van zijn zonen, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
[^numeri-26-9-d]: Verwijzing d: boven, Num. 16:2 . Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam.
[^numeri-26-9-12]: Kanttekening 12: geroepenen van de vergadering: Zie boven, Num. 1:16 , en Num. 16:2 . Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël. Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam.
[^numeri-26-9-13]: Kanttekening 13: in de vergadering van Korach: Versta, die muitige en oproerige samenspanning, waarvan Korach het hoofd geweest was. Zie boven, Num. 16:1 , 16:2 , 16:3 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben. Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. Numeri 16:3 : En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze gehele vergadering, zij allen, zijn heilig, en YHWH is in het midden van hen; waarom dan verheft u u over de gemeente van YHWH?
[^numeri-26-10-14]: Kanttekening 14: Dat is, openspleet, zeer wijde en diepe kloven makende.
[^numeri-26-10-15]: Kanttekening 15: met Korach: Versta, met Korachs huisgezin, wat toen bij hem was; boven, Num. 16:32 . Want Korach zelf was met de twee honderd vijftig mannen verbrand; in hetzelfde hoofdstuk, Num. 16:35 . Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. Numeri 16:35 : Daartoe ging een vuur uit van YHWH, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.
[^numeri-26-10-16]: Kanttekening 16: tot een teken: Hebreeuws, tot een banier; dat is, tot een opmerkelijk exempel van een rechtvaardige straf Gods over degenen, die oproer en scheuring aanrichten tegen de orde, die God in zijn kerk en de republiek gesteld heeft.
[^numeri-26-11-17]: Kanttekening 17: stierven niet: Te weten, noch door het vuur, dat hun vader en zijn rot verteerd had, noch door de verzinking in de aarde, met het huisgezin huns vaders. Dat geschied is omdat zij in die muiterij niet hadden bewilligd, en in de dienst van het tabernakel mochten bezig zijn.
[^numeri-26-12-18]: Kanttekening 18: Anders genoemd Jemuël; Gen. 46:10 . Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische vrouw.
[^numeri-26-13-19]: Kanttekening 19: Die ook Zochar genoemd wordt, Gen. 46:10 . Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische vrouw.
[^numeri-26-14-20]: Kanttekening 20: twee en twintig duizend en tweehonderd: Merk op, dat hun getal zeer verminderd was van wat verhaald wordt boven, Num. 1:23 ; mogelijk omdat zij Zimri, de zoon van Salu, die een overste van de Simeonieten was, in het stukje van zijn boze daad, vermeld boven, Num. 25:14 , waren toegedaan geweest, ja daarin hem nagevolgd hadden. Numeri 1:23 : Hun getelden van de stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd. Numeri 25:14 : De naam nu van de verslagen Israëlietische man, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis van de Simeonieten.
[^numeri-26-15-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, Tsephon; die ook Ziphjon genoemd wordt, Gen. 46:16 . Vergelijk verder deze namen met Gen. 46 ; idem, met 1 Kron. 1 , 1 Kron. 2 , 1 Kron. 3 , 1 Kron. 4 , 1 Kron. 5 , 1 Kron. 6 , 1 Kron. 7 , 1 Kron. 8 , enz. Genesis 46:16 : En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
[^numeri-26-16-22]: Kanttekening 22: Die ook Ezbon schijnt genaamd te zijn, Gen. 46:16 . Genesis 46:16 : En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
[^numeri-26-17-23]: Kanttekening 23: Genaamd Arodi; Gen. 46:16 . Genesis 46:16 : En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.
[^numeri-26-19-e]: Verwijzing e: Gen. 38:7 ; idem 38:10 ; Gen. 46:12 . Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH. Genesis 38:10 : En het was kwaad in de ogen van YHWH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook. Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^numeri-26-19-24]: Kanttekening 24: stierven in het land Kanaän: Te weten, door een rechtvaardig oordeel van God, dat ging over hun grote en grove zonden. Zie Gen. 38:7 . Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH.
[^numeri-26-20-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, Perets.
[^numeri-26-21-f]: Verwijzing f: Gen. 46:12 . Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^numeri-26-23-26]: Kanttekening 26: van Tola: Zie boven, vers 5 . Numeri 26:5 : Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten;
[^numeri-26-24-27]: Kanttekening 27: Ook Job genaamd; Gen. 46:13 . Genesis 46:13 : En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
[^numeri-26-29-g]: Verwijzing g: Joz. 17:1 . Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.
[^numeri-26-30-28]: Kanttekening 28: van : Dit woordje is hier en in vers 31 , 26:32 bijgevoegd uit de voorgaande en navolgende manier van spreken in Num. 26 . Zie boven, vers 5 . Numeri 26:31 : En van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten; Numeri 26:32 : En van Semida het geslacht van de Semidaieten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten. Numeri 26:5 : Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten;
[^numeri-26-30-29]: Kanttekening 29: Anders genoemd Abiëzer, Joz. 17:2 , en elders. Jozua 17:2 : Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.
[^numeri-26-33-h]: Verwijzing h: onder, Num. 27:1 . Numeri 27:1 : Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
[^numeri-26-33-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, Tselophchad.
[^numeri-26-38-31]: Kanttekening 31: Die ook Ehi schijnt genaamd te zijn, Gen. 46:21 , en Achrach, 1 Kron. 8:1 . Genesis 46:21 : En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. 1 Kronieken 8:1 : Benjamin nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde,
[^numeri-26-42-32]: Kanttekening 32: Die ook Chuschim schijnt genoemd te zijn; Gen. 46:23 . Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim.
[^numeri-26-45-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, Cheber, met de letter Chet.
[^numeri-26-48-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, Jachtseël, of Jachtsiël, gelijk 1 Kron. 7:13 . 1 Kronieken 7:13 : De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
[^numeri-26-49-35]: Kanttekening 35: Die ook Schallum genoemd wordt, 1 Kron. 7:13 . 1 Kronieken 7:13 : De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
[^numeri-26-51-36]: Kanttekening 36: de getelden van de zonen van Israël: Merk hier op de gewisse waarheid en almogende kracht van God, in de beloofde vermenigvuldiging van Abrahams zaad. Want zo in 38 jaren meer dan zes honderd duizend en drie duizend Israëlieten gestorven waren, zo heeft nochtans God teweeggebracht, dat hetzelfde getal dat verhaald wordt boven, Num. 1:46 , gebleven is, uitgenomen een duizend en enige honderden. Numeri 1:46 : Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.
[^numeri-26-53-37]: Kanttekening 37: Aan deze zal het land: Te weten, geslachten van de stammen.
[^numeri-26-53-38]: Kanttekening 38: naar het getal van de namen: Dat is, naardat een geslacht klein of groot is; dat is, uit weinige of uit veel mensen bestaande, waarvan de namen in een register waren opgetekend. Vergelijk vers 54 . Numeri 26:54 : Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; aan een ieder zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
[^numeri-26-54-i]: Verwijzing i: onder, Num. 33:54 . Numeri 33:54 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uw vaderen zult u de erfenis nemen.
[^numeri-26-54-39]: Kanttekening 39: u hun erfenis meerder maken: Dat door Mozes geschied is op deze zijde van de Jordaan, onder de stammen van Ruben en Gad en de halve stam van Manasse, onder, Num. 32:33 , maar door Jozua, naar het bevel van Mozes, onder de andere stammen, en de andere halve stam van Manasse; Jos. 14, enz. Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halven stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom.
[^numeri-26-55-k]: Verwijzing k: onder, Num. 33:54 ; Joz. 11:23 ; Joz. 14:2 . Numeri 33:54 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uw vaderen zult u de erfenis nemen. Jozua 11:23 : Zo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat YHWH tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van de krijg. Jozua 14:2 : Door het lot hun erfenis, gelijk als YHWH door de dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en de halven stam.
[^numeri-26-55-40]: Kanttekening 40: lot gedeeld worden: Het land werd eerst door het lot gedeeld in twaalf stammen, en de stammen daarna in huisgezinnen, en dat door het oordeel van de oversten en van de hogepriester.
[^numeri-26-55-41]: Kanttekening 41: zij erven: Te weten, de huisgezinnen van elke stam zullen naar de wijze in vers 54 voorgeschreven, in hun erf treden. Numeri 26:54 : Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; aan een ieder zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
[^numeri-26-56-42]: Kanttekening 42: het lot zal: Hebreeuws, naar de mond van het lot. Want het lot is van YHWH, verklarende zijn wil.
[^numeri-26-56-43]: Kanttekening 43: erfenis gedeeld worden: Versta, ten aanzien van de deling van de stammen.
[^numeri-26-57-l]: Verwijzing l: Ex. 6:16 ; idem v. 17 ; idem v. 18 ; idem v. 19 . Exodus 6:16 : De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. Exodus 6:18 : En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten. Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
[^numeri-26-58-44]: Kanttekening 44: Die van Gerson afkomstig waren. Zie boven, Num. 3:18 . Numeri 3:18 : En dit zijn de namen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï.
[^numeri-26-58-45]: Kanttekening 45: Van Kahath afkomstig, boven Num. 3:19 . Numeri 3:19 : En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.
[^numeri-26-58-46]: Kanttekening 46: Deze en de Musieten hadden hun afkomst van Merari; boven, Num. 3:20 . Numeri 3:20 : En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten van de Levieten, naar het huis van hun vaderen.
[^numeri-26-58-47]: Kanttekening 47: De nakomelingen Kahaths; boven, Num. 16:1 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.
[^numeri-26-59-m]: Verwijzing m: Ex. 2:1 ; idem 2:2 ; Ex. 6:19 . Exodus 2:1 : En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. Exodus 2:2 : En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
[^numeri-26-59-48]: Kanttekening 48: de huisvrouw van Levi: Hebreeuws, welke zij de Levi baarde. Versta door deze barende, niet Jochebed \[die de geboren persoon is\], maar de huisvrouw van Levi, de moeder van Jochebed en de moei van Amram, wiens grootvader Levi was.
[^numeri-26-61-n]: Verwijzing n: Lev. 10:2 ; boven, Num. 3:4 ; 1 Kron. 24:2 . Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH. Numeri 3:4 : Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van YHWH, als zij vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron. 1 Kronieken 24:2 : Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht huns vaders, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt.
[^numeri-26-62-49]: Kanttekening 49: van een maand oud en daarboven: Hebreeuws, zonen van een maagd.
[^numeri-26-62-50]: Kanttekening 50: onder de kinderen van Israël: Hebreeuws, in het midden; zo in het volgende van dit vers.
[^numeri-26-63-51]: Kanttekening 51: Zie boven, Num. 1:1 , 1:2 , enz. Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaderen, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^numeri-26-64-52]: Kanttekening 52: als zij de kinderen van Israël: Zie van deze telling, Ex. 30:12 , 30:13 , 30:14 . Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel aan YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH. Exodus 30:14 : Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer van YHWH geven.
[^numeri-26-65-o]: Verwijzing o: boven, Num. 14:28 ; idem v. 29 ; idem v. 34 ; idem v. 35 ; 1 Kor. 10:5 ; idem v. 6 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Numeri 14:29 : Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, u, die tegen Mij gemurmureerd hebt. Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking. Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! 1 Korinthiërs 10:5 : Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 1 Korinthiërs 10:6 : En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals als zij lust gehad hebben.
[^numeri-26-65-53]: Kanttekening 53: gewisselijk zouden sterven: Hebreeuws, stervende sterven; dat is, zekerlijk sterven; te weten, òf door plagen, òf hun natuurlijken dood, en dat vanwege hun opstandigheid. Zie boven, Num. 14:28 , 14:29 , 14:30 , en onder, Num. 27:3 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Numeri 14:29 : Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, u, die tegen Mij gemurmureerd hebt. Numeri 14:30 : Zo u in dat land komt, over dat Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Numeri 27:3 : Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering van degenen, die zich tegen YHWH vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen.
[^numeri-26-65-54]: Kanttekening 54: Deze twee waren God getrouw gebleven, en hadden het volk mee daartoe vermaand; boven, Num. 14:6 , enz. Numeri 14:6 : En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun kleren.

### Numeri 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/27.json)

*De dochters van Zelafead verzoeken een erfdeel onder de broers van hun vader, vers 1, enz. God staat hun verzoek toe, 5. en maakt bij deze gelegenheid een burgerlijke wet over het recht van opvolging in een erfdeel, 8. Mozes, die van God bevel ontvangen heeft om vanaf een berg het land Kanaan te aanschouwen om daarna te sterven zonder in het land te komen, 12. met aanwijzing van de reden daarvan, 14. bidt de HEERE dat hij het volk een vrome leidsman in zijn plaats wil geven, 15. God beveelt hiertoe Jozua te kiezen en hem in zijn ambt voor het volk met handoplegging te bevestigen, 18. wat door Mozes gedaan wordt, 22.*

**1** Toen naderden[^numeri-27-1-a] de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de[^numeri-27-1-1] geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen[^numeri-27-1-2] van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v1)

**2** En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de hele gemeenschap, aan de deur van de tent van de samenkomst, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v2)

**3** Onze vader[^numeri-27-3-b] is gestorven in de woestijn,[^numeri-27-3-c] en hij is[^numeri-27-3-3] niet geweest in het midden van de vergadering van degenen, die zich tegen YHWH[^numeri-27-3-4] verzameld hebben in de vergadering van Korach; maar hij is[^numeri-27-3-5] in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v3)

**4** Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn[^numeri-27-4-6] geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden van de broers van onze vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v4)

**5** En Mozes bracht haar[^numeri-27-5-7] rechtzaak voor[^numeri-27-5-8] het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v5)

**6** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v6)

**7** De dochters van Zelafead spreken recht;[^numeri-27-7-d] u zult haar[^numeri-27-7-9] geheel geven de bezitting van een erfenis, in het midden van de broers van haar vader; en u zult de erfenis van haar vader op haar doen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v7)

**8** En tot de Israëlieten zult u spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult u zijn erfenis op zijn dochter doen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v8)

**9** En als hij geen dochter heeft, zo zult u zijn[^numeri-27-9-10] erfenis aan zijn broers geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v9)

**10** Als hij nu geen broers heeft, zo zult u zijn erfenis aan de broers van zijn vader geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v10)

**11** Als ook zijn vader geen broers heeft, zo zult u zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van[^numeri-27-11-11] zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal de Israëlieten tot een inzetting[^numeri-27-11-12] van het recht zijn, zoals YHWH Mozes geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v11)

**12** [^numeri-27-12-e] Daarna zei YHWH tot Mozes: Klim op deze berg[^numeri-27-12-13] Abarim, en zie dat land, dat Ik de Israëlieten gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v12)

**13** Wanneer u dat gezien zult hebben, dan zult u[^numeri-27-13-14] tot uw volken verzameld worden, u ook, zoals[^numeri-27-13-f] uw broer Aäron verzameld geworden is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v13)

**14** [^numeri-27-14-g] Aangezien u tegen Mijn mond opstandig bent geweest in de[^numeri-27-14-15] woestijn Zin, in de twisting van de[^numeri-27-14-h] vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te[^numeri-27-14-16] heiligen. Dat zijn de wateren[^numeri-27-14-17] van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v14)

**15** Toen sprak Mozes tot YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v15)

**16** Dat YHWH,[^numeri-27-16-18][^numeri-27-16-i] de God van de geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v16)

**17** Die[^numeri-27-17-19] voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen[^numeri-27-17-20] uitleide, en die hen inleide;[^numeri-27-17-k] opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v17)

**18** Toen zei YHWH tot Mozes:[^numeri-27-18-l] Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man,[^numeri-27-18-m] in wie[^numeri-27-18-21] de Geest is; en[^numeri-27-18-22] leg uw hand op hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v18)

**19** En stel hem voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de hele gemeenschap; en geef hem[^numeri-27-19-23] bevel voor hun ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v19)

**20** En[^numeri-27-20-24] leg op hem van uw[^numeri-27-20-25] heerlijkheid, opdat zij horen,[^numeri-27-20-26] te weten de hele gemeenschap van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v20)

**21** En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal,[^numeri-27-21-n] naar de wijze[^numeri-27-21-27] van Urim, voor het aangezicht van YHWH;[^numeri-27-21-28] naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de Israëlieten met hem, en de hele gemeenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v21)

**22** En Mozes deed, zoals YHWH hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de hele gemeenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v22)

**23** En[^numeri-27-23-29] hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; zoals YHWH door[^numeri-27-23-30] de dienst van Mozes gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/27.html#v23)

[^numeri-27-1-a]: Verwijzing a: boven, Num. 26:33 ; boven, Num. 36:2 ; Joz. 17:3 . Numeri 26:33 : Maar Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen van de dochters van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. Numeri 36:2 : En zeiden: YHWH heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de kinderen van Israël in erfenis te geven; en mijn heer is door YHWH geboden, de erfenis van onze broer Zelafead te geven aan zijn dochters. Jozua 17:3 : Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
[^numeri-27-1-1]: Kanttekening 1: geslachten van Manasse: Tot welke, omdat zij er mee toe behoorden, zo verschijnen zij onder dezelfde voor Mozes, om het erfdeel van haar vader, die gestorven was, te verzoeken.
[^numeri-27-1-2]: Kanttekening 2: zijn dochters: Namelijk van Zelafead.
[^numeri-27-3-b]: Verwijzing b: boven, Num. 14:35 ; boven, Num. 26:64 . Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! Numeri 26:64 : En onder deze was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, de priester, als zij de kinderen van Israël telden in de woestijn van Sinaï.
[^numeri-27-3-c]: Verwijzing c: boven, Num. 16:1 . Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.
[^numeri-27-3-3]: Kanttekening 3: niet geweest: Dat is, niet gemengd in hun samenspanning, zodat hij met hun boze daad gene gemeenschap heeft gehad.
[^numeri-27-3-4]: Kanttekening 4: vergaderd hebben in de vergadering van Korach: Te weten, door de samenspanning en muiterij, van welke wij lezen boven, Num. 16:1 , 16:2 , 16:3 , enz. Numeri 16:1 : Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben. Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. Numeri 16:3 : En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze gehele vergadering, zij allen, zijn heilig, en YHWH is in het midden van hen; waarom dan verheft u u over de gemeente van YHWH?
[^numeri-27-3-5]: Kanttekening 5: in zijn zonde gestorven: Hoewel hij niet schuldig was aan de conspiratie van Korach, zo is hij nochtans mee schuldig geweest aan de algemene murmurering van het volk, waarom God hun gedreigd had dat zij in de woestijn zouden omkomen. Zie Num. 14 .
[^numeri-27-4-6]: Kanttekening 6: weggenomen worden: Hebreeuws, verminderd.
[^numeri-27-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, het oordeel, of, gericht; dat is, zaak, different of geschil, dat door de uitspraak van God gewezen moest worden. Want het was nog in twijfel of de dochters, als er geen mannelijke erfgenaam was, zouden mogen delen, dan of, met een bruidsgift uit de erfenis zouden moeten scheiden.
[^numeri-27-5-8]: Kanttekening 8: het aangezicht van YHWH: Dat is, in de tent van de samenkomst, waar Mozes de stem van YHWH van boven het verzoendeksel van de ark, uit het midden van de twee cherubim, hoorde tot het spreken. Zie Ex. 25:22 , en boven, Num. 7:89 . Of versta, dat Mozes door het middel van de tekenen urim en thummim, die aan de borstlap van de hogepriester waren, de wil van God vernomen heeft. Vergelijk onder, vers 21 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël. Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem. Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^numeri-27-7-d]: Verwijzing d: onder, Num. 36:2 . Numeri 36:2 : En zeiden: YHWH heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de kinderen van Israël in erfenis te geven; en mijn heer is door YHWH geboden, de erfenis van onze broer Zelafead te geven aan zijn dochters.
[^numeri-27-7-9]: Kanttekening 9: ganselijk geven: Hebreeuws, gevende zult u haar geven; te weten, het erfgoed dat haar vader zou moeten hebben zo hij leefde.
[^numeri-27-9-10]: Kanttekening 10: erfenis aan zijn broers geven: Welverstaande, na het overlijden van de man, die geen dochters heeft. Zo is ook te nemen het einde van vers 10 . Numeri 27:10 : Als hij nu geen broers heeft, zo zult u zijn erfenis aan de broers van zijn vader geven.
[^numeri-27-11-11]: Kanttekening 11: zijn geslacht is: Te weten, van zijn vader, van welke de zonen hun benaming hebben.
[^numeri-27-11-12]: Kanttekening 12: van het recht zijn: Dat is, waarnaar de rechters in het gericht over dusdanige zaken zullen moeten oordelen en uitspraak doen.
[^numeri-27-12-e]: Verwijzing e: Deut. 32:48 ; idem v. 49 . Deuteronomium 32:48 : Daarna sprak YHWH tot Mozes, op dienzelfde dag, zeggende: Deuteronomium 32:49 : Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de kinderen van Israël tot een bezitting geven zal;
[^numeri-27-12-13]: Kanttekening 13: YHWH wijst hem een berg van het gebergte Abarim. Aan dit gebergte is geweest de één en veertigste en de voorlaatste rustplaats van de kinderen van Israël reizende naar het beloofde land, en ook de berg Nebo, op welke Mozes stierf; Deut. 32:49 , 32:50 en Deut. 34:1 , 34:5 . Deuteronomium 32:49 : Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de kinderen van Israël tot een bezitting geven zal; Deuteronomium 32:50 : En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Deuteronomium 34:5 : Zo stierf Mozes, de knecht van YHWH, daar in het land van Moab, naar de mond van YHWH.
[^numeri-27-13-14]: Kanttekening 14: tot uw volken verzameld worden: Zie Gen. 15:5 , en Gen. 25:8 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^numeri-27-13-f]: Verwijzing f: boven, Num. 20:24 . Numeri 20:24 : Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de kinderen van Israël gegeven heb, omdat u Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba.
[^numeri-27-14-g]: Verwijzing g: boven, Num. 20:12 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^numeri-27-14-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, Tsin.
[^numeri-27-14-h]: Verwijzing h: boven, Num. 20:12 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^numeri-27-14-16]: Kanttekening 16: Wij heiligen God als wij van Zijn heiligheid en al Zijn goddelijke deugden en werken recht gevoelen, met eerbied spreken, en met onze werken oorzaak geven, dat Zijn naam geprezen en groot gemaakt wordt; Lev. 22:2 , zo boven, Num. 20:12 ; Jes. 8:13 , en Jes. 29:23 . Leviticus 22:2 : Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen van de kinderen van Israël, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. Jesaja 8:13 : YHWH van de legermachten, Die zult u heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking. Jesaja 29:23 : Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige Jakobs heiligen, en de God van Israël vrezen.
[^numeri-27-14-17]: Kanttekening 17: Dat is, van de twisting, en worden door aanwijzing van de plaatsen onderscheiden van het twistwater te Rafidim, waar zij door ongeloof tegen YHWH niet gezondigd hadden; Ex. 17:7 . Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet?
[^numeri-27-16-18]: Kanttekening 18: de God van de geesten van alle vlees: Dat is, die de zielen van alle mensen geschapen heeft en daarin de gaven uitstort, zowel van de natuur als van de genade, die hun nodig zijn tot uitvoering van hun beroeping. Zie boven, Num. 16:22 . Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^numeri-27-16-i]: Verwijzing i: boven, Num. 16:22 ; Hebr. 12:9 . Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven?
[^numeri-27-17-19]: Kanttekening 19: voor hun aangezicht uitga: Dat is, die de werken van zijn beroeping in huis en buitenshuis in alle gelegenheid trouwelijk waarneme en kloekelijk uitvoere. Zie Deut. 28:6 , en Deut. 31:2 met de aantekeningen. Deuteronomium 28:6 : Gezegend zult u zijn in uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan. Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^numeri-27-17-20]: Kanttekening 20: Dat is, die de gemeente door zijn autoriteit gebiede en geleide, en trouwelijk regere, en voorsta, ten einde ieder, naar zijn beroeping, zijn behoorlijken plicht doe, en zo in het geestelijke als in het lichamelijke welvare.
[^numeri-27-17-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 22:17 ; Matt. 9:36 ; Mark. 6:34 . 1 Koningen 22:17 : En hij zei: Ik zag het gehele Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en YHWH zei: Deze hebben geen heer; een iedereen kere weer naar zijn huis in vrede. Mattheüs 9:36 : En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. Marcus 6:34 : En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.
[^numeri-27-18-l]: Verwijzing l: Deut. 3:21 . Deuteronomium 3:21 : Ook gebood ik Jozua ter zelfder tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat YHWH, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal YHWH aan alle koninkrijken doen, naar welke u heen doortrekt.
[^numeri-27-18-m]: Verwijzing m: Deut. 34:9 . Deuteronomium 34:9 : Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest van de wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen van Israël naar hem, en deden gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^numeri-27-18-21]: Kanttekening 21: de Geest is: Te weten, die hem nodig is in zulk een zware regering, als de Geest van de vrees voor YHWH, van de wijsheid, van de sterkte, van de gerechtigheid, van het geduld, van de matigheid; welke gaven van mijn Geest voortkomen.
[^numeri-27-18-22]: Kanttekening 22: leg uw hand op hem: Door deze ceremonie moest hij voor God toegeheiligd en overgegeven zijn, om zijn ambt getrouwelijk te bedienen, en daartoe de nodige gaven ontvangen. Zie van het onderscheiden gebruik van deze ceremonie Gen. 48:14 ; Lev. 1:4 ; Num. 8:10 . Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Numeri 8:10 : Ja, u zult de Levieten voor het aangezicht van YHWH doen naderen; en de kinderen van Israël zullen hun handen op de Levieten leggen.
[^numeri-27-19-23]: Kanttekening 23: bevel voor hun ogen: Te weten, van wat hij in de uitvoering van zijn ambt doen of laten moet.
[^numeri-27-20-24]: Kanttekening 24: leg op hem: Vergelijk boven, Num. 11:17 , en de aantekeningen er op. Numeri 11:17 : Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt.
[^numeri-27-20-25]: Kanttekening 25: Versta hierdoor, niet alleen de uiterlijke luister van de hoogheid en van het aanzien, maar in het bijzonder de inwendige versiering en waardigheid van het ambt.
[^numeri-27-20-26]: Kanttekening 26: Dat is, hem gehoorzaam zijn.
[^numeri-27-21-n]: Verwijzing n: Ex. 28:30 ; Lev. 8:8 . Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 8:8 : Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim.
[^numeri-27-21-27]: Kanttekening 27: van Urim: Zie hiervan Ex. 28:30 ; Lev. 8:8 . Hierdoor werd God over twijfelachtige en zeer gewichtige zaken extra-ordinair raad gevraagd. Zie boven de aantekeningen vers 5 ; maar anders moesten ordinairlijk de oversten zich houden aan het geschreven woord en de geopenbaarde wil van God, Deut. 17:19 ; Joz. 1:7 , 1:8 . Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 8:8 : Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim. Numeri 27:5 : En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht van YHWH. Deuteronomium 17:19 : En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij YHWH, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze inzettingen, om die te doen; Jozua 1:7 : Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de gehele wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt alom, waar u zult gaan; Jozua 1:8 : Dat het boek van deze wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat u waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult u uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult u verstandig handelen.
[^numeri-27-21-28]: Kanttekening 28: naar zijn mond: Dat is, naar het bevel en voorschrift van YHWH zullen zij ook in hun beroeping hun schuldigen plicht doen. Vergelijk boven de aantekeningen op vers 17 . Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben.
[^numeri-27-23-29]: Kanttekening 29: hij legde zijn handen op hem: Zie boven, vers 18 . Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem;
[^numeri-27-23-30]: Kanttekening 30: door de dienst: Hebreeuws, door de hand.

### Numeri 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/28.json)

*Wetten over offers die op bepaalde vastgestelde tijden gebracht moeten worden, vers 1, enz. zoals het dagelijkse brandoffer, 's morgens, 3. met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, 7. en 's avonds, 8. het offer van de sabbat, 9. het brandoffer van de nieuwemaanden, 11. met zijn spijsoffer, drankoffers en zondoffer, 12. de tijd van het paasfeest, 16. de offers, 19. en de duur, 24. het pinksterfeest en zijn offers, 26.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v1)

**2** Gebied de Israëlieten, en zeg tot hen: Mijn offergave, Mijn[^numeri-28-2-1] voedsel voor Mijn[^numeri-28-2-2] vuuroffers,[^numeri-28-2-3] Mijn liefelijke reuk, zult u waarnemen, om Mij te offeren op zijn vastgestelde tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v2)

**3** En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult:[^numeri-28-3-a] twee volkomen[^numeri-28-3-4] eenjarige lammeren overdag, tot een[^numeri-28-3-5] voortdurende[^numeri-28-3-6] brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v3)

**4** Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden[^numeri-28-4-7] tussen de twee avonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v4)

**5** [^numeri-28-5-b] En een[^numeri-28-5-8] tiende deel van een efa meelbloem als[^numeri-28-5-9][^numeri-28-5-c] voedseloffer, gemengd met het vierendeel van[^numeri-28-5-10][^numeri-28-5-d] een hin van gestoten olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v5)

**6** Het is het voortdurende brandoffer, dat op de berg Sinaï[^numeri-28-6-11] ingesteld was tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v6)

**7** En zijn[^numeri-28-7-12] drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het[^numeri-28-7-13] heiligdom zult u het drankoffer[^numeri-28-7-14] van de sterke[^numeri-28-7-15] drank voor YHWH offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v7)

**8** En het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden; zoals het voedseloffer 's morgens, en zoals zijn drankoffer zult u het bereiden, als vuuroffer van de liefelijke reuk voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v8)

**9** Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, als voedseloffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v9)

**10** Het is het brandoffer van de sabbat op[^numeri-28-10-16] elke sabbat, boven het voortdurende brandoffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v10)

**11** En aan[^numeri-28-11-17] het begin van elke maand zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee[^numeri-28-11-18] jonge stieren, en één ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v11)

**12** En drie tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd tot de ene stier; en twee tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, tot de ene ram; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v12)

**13** En[^numeri-28-13-19] tot elk tiende deel meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, tot het[^numeri-28-13-20] ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijke reuk, een vuuroffer, YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v13)

**14** En hun drankoffers zullen zijn de helft van een hin tot een stier, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer van de nieuwe maan in[^numeri-28-14-21] elke maand,[^numeri-28-14-22] naar de maanden van het jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v14)

**15** Daartoe zal één geitenbok als[^numeri-28-15-23] zondoffer voor YHWH, boven het voortdurende brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v15)

**16** [^numeri-28-16-e] En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het[^numeri-28-16-24] pascha[^numeri-28-16-25] voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v16)

**17** En op de vijftiende dag van die maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v17)

**18** Op de[^numeri-28-18-f] eerste dag zal[^numeri-28-18-26] een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult u doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v18)

**19** Maar u zult een vuuroffer als brandoffer voor YHWH offeren:[^numeri-28-19-27] twee jonge stieren, en één ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v19)

**20** En hun voedseloffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een stier, en twee tienden tot een ram zult u bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v20)

**21** Tot elk zult u een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v21)

**22** Daarna één bok als zondoffer, om over u verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v22)

**23** Behalve het morgenbrandoffer, dat tot een voortdurende brandoffer is, zult u deze dingen bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v23)

**24** Achtervolgens deze dingen zult u overdag, zeven dagen lang, het voedsel van het vuuroffer bereiden tot een liefelijke reuk voor YHWH; boven dat steeds brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v24)

**25** En op de zevende dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v25)

**26** Ook op de dag van de eerstelingen, als u een[^numeri-28-26-28] nieuw voedseloffer voor YHWH zult offeren[^numeri-28-26-29] naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v26)

**27** Dan zult u YHWH[^numeri-28-27-30] een brandoffer tot een liefelijke reuk offeren: twee jonge stieren, één ram, zeven eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v27)

**28** En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot één stier, twee tienden tot één ram; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v28)

**29** Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v29)

**30** Één geitenbok, om voor u verzoening te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v30)

**31** Behalve het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, zult u ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/28.html#v31)

[^numeri-28-2-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, brood. Zie Lev. 3:11 , en onder, vers 24 . Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Numeri 28:24 : Achtervolgens deze dingen zult u per dag, zeven dagen lang, het voedsel van het vuuroffer bereiden tot een liefelijken reuk voor YHWH; boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer.
[^numeri-28-2-2]: Kanttekening 2: Zie Lev. 1:9 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^numeri-28-2-3]: Kanttekening 3: Mijn liefelijken reuk: Zie Lev. 8:21 . Leviticus 8:21 : Maar het ingewand en de schenkelen wies hij met water; en Mozes stak die hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer was het voor YHWH, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^numeri-28-3-a]: Verwijzing a: Ex. 29:38 . Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, van het dag, geduriglijk.
[^numeri-28-3-4]: Kanttekening 4: eenjarige lammeren: Hebreeuws, zonen eens jaars; zo in het volgende, als in vers 9 , 28:11 , 28:19 , 28:27 . Numeri 28:9 : Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer. Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Numeri 28:19 : Maar u zult een vuuroffer ten brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. Numeri 28:27 : Dan zult u YHWH een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;
[^numeri-28-3-5]: Kanttekening 5: Zie onder, vers 6 en de aantekeningen. Numeri 28:6 : Het is het gedurig brandoffer, dat op de berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor YHWH.
[^numeri-28-3-6]: Kanttekening 6: Zie Gen. 8:20 , en Lev. 6:9 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. Leviticus 6:9 : Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is datgene, wat door de branding op het altaar de gehele nacht tot aan de morgen opvaart; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
[^numeri-28-4-7]: Kanttekening 7: tussen de twee avonden: Dat is, tussen beide de einden van de avond of tussen ingang en uitgang van de avond. De avond ging in met de negende ure van de dag; dat is, drie uren vóór de ondergang van de zon, en ging met dezelfde ondergang uit. De twee einden van de avond worden twee avonden geheten, omdat het eerste het einde was van de afgaande dag en het andere het begin van de aankomende nacht. Zie ook Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^numeri-28-5-b]: Verwijzing b: Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^numeri-28-5-8]: Kanttekening 8: tiende deel: Genaamd in het Hebreeuws gomer; anders homer, of, omer. Zie Ex. 16:36 , en Lev. 5:11 . Hieruit blijkt dat wanneer van een, of twee, of drie, enz. delen meelbloem gesproken wordt, dit te verstaan zij van de delen van een efa. Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^numeri-28-5-9]: Kanttekening 9: Zie Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer voor YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^numeri-28-5-c]: Verwijzing c: Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^numeri-28-5-10]: Kanttekening 10: Een maat van natte waren, aldus bij de Hebreën genoemd; van welke zie Lev. 19:36 . Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^numeri-28-5-d]: Verwijzing d: Ex. 29:40 . Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het een lam.
[^numeri-28-6-11]: Kanttekening 11: ingesteld was: Hebreeuws, gemaakt. Zie van het gedurig brandoffer Ex. 29:38 , 29:39 , enz. en van de andere offers, Lev. 23 , welke, omdat zij daarna negen en dertig jaren lang in de woestijn niet wel onderhouden zijn geweest, zo heeft God de wetten daarvan, toen zij nu op het intreden van het land Kanaän waren, willen vernieuwen; eensdeels opdat zij niet meer zouden nagelaten worden, anderdeels opdat hieruit blijken zou dat Hij, als een genadig vader, dat volk, niettegenstaande zijn veelvuldige afwijkingen, nog voor zijn eigendom gehouden heeft, van dat Hij begeerde gekend te zijn. Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, per dag, geduriglijk. Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.
[^numeri-28-7-12]: Kanttekening 12: Zie Lev. 23:37 . Leviticus 23:37 : Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om YHWH vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;
[^numeri-28-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, in de voorhof van het tabernakel, op het brandofferaltaar: zo ook genoemd 2 Kron. 29:7 ; zie de aantekeningen daar. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
[^numeri-28-7-14]: Kanttekening 14: sterken dranks: Hebreeuws, Schechar. Zie Lev. 10:9 . Versta, wijn, gelijk te zien is, onder, vers 14 , en Ex. 29:40 , en Lev. 23:13 . Leviticus 10:9 : Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten; Numeri 28:14 : En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer van de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar. Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Leviticus 23:13 : En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, voor YHWH tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.
[^numeri-28-7-15]: Kanttekening 15: Het Hebreeuwse woord betekent het offeren van vochtige dingen, als Gen. 35:14 ; Ex. 30:9 . Genesis 35:14 : En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover. Exodus 30:9 : U zult geen vreemd reukwerk op hetzelfde aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten.
[^numeri-28-10-16]: Kanttekening 16: elke sabbat: Hebreeuws, in zijn sabbat. Zo ook onder, vers 14 , in zijn maand, voor, in elke maand. Numeri 28:14 : En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer van de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar.
[^numeri-28-11-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, hoofden. Zo Ex. 12:2 , boven, Num. 10:10 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben YHWH, uw God!
[^numeri-28-11-18]: Kanttekening 18: jonge varren: Hebreeuws, de zonen van een rund. Zo ook onder, vers 19 , 28:27 . Zie Lev. 1:14 . Numeri 28:19 : Maar u zult een vuuroffer ten brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. Numeri 28:27 : Dan zult u YHWH een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren; Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^numeri-28-13-19]: Kanttekening 19: tot elk tiende deel: Hebreeuws, een tiende, een tiende. Zie Gen. 7:2 , en onder, vers 21 , 28:29 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. Numeri 28:21 : Tot elk zult u een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe. Numeri 28:29 : Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
[^numeri-28-13-20]: Kanttekening 20: een lam: Dat is, elk lam. Zo onder, Num. 29:4 ; 1 Kon. 10:14 , op een jaar; dat is, op elk jaar, enz. Numeri 29:4 : En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; 1 Koningen 10:14 : Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;
[^numeri-28-14-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, haar maand.
[^numeri-28-14-22]: Kanttekening 22: naar de maanden van het jaar: Of, door de maanden van het jaar; dat is dat in het begin van elke maand van het jaar geofferd moest worden.
[^numeri-28-15-23]: Kanttekening 23: zondoffer YHWH: Zie Lev. 4:3 . Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^numeri-28-16-e]: Verwijzing e: Ex. 12:18 ; Ex. 23:15 ; Lev. 23:5 . Exodus 12:18 : In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de één en twintigsten dag van de maand, in de avond. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha.
[^numeri-28-16-24]: Kanttekening 24: Zie Lev. 23:5 . Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH.
[^numeri-28-16-25]: Kanttekening 25: YHWH: Anders, van YHWH.
[^numeri-28-18-f]: Verwijzing f: Lev. 23:7 . Leviticus 23:7 : Op de eerste dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen.
[^numeri-28-18-26]: Kanttekening 26: een heilige samenroeping zijn: En dienvolgens, een heilige bijeenkomst tot de Godsdienst. Hebreeuws, een samenroeping van de heiligheid; zo onder, vers 25 , 28:26 . Zie Lev. 23:2 . Numeri 28:25 : En op de zevende dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. Numeri 28:26 : Ook op de dag van de eerstelingen, als u een nieuw spijsoffer voor YHWH zult offeren naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. Leviticus 23:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: De vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn vastgestelde hoogtijden.
[^numeri-28-19-27]: Kanttekening 27: twee jonge varren: Hebreeuws, twee zonen van het rund.
[^numeri-28-26-28]: Kanttekening 28: nieuw spijsoffer: Zie Lev. 23:16 . Leviticus 23:16 : Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult u vijftig dagen tellen, dan zult u een nieuw spijsoffer voor YHWH offeren.
[^numeri-28-26-29]: Kanttekening 29: naar uw werken: Dat is, nadat de zeven weken, van welke wij lezen Lev. 23:15 , 23:16 , zullen afgelopen zijn. Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Leviticus 23:16 : Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult u vijftig dagen tellen, dan zult u een nieuw spijsoffer voor YHWH offeren.
[^numeri-28-27-30]: Kanttekening 30: een brandoffer: Dit offer, behorende tot deze dag, is te onderscheiden van een ander, waarvan te zien is Lev. 23:18 , wat eigenlijk diende tot de onderhouding van de pinksterdag; dit kwam er bij, om de wijze van de eerstelingen, die aan de Heer te offeren waren, voor te schrijven, zodat zij beiden gedaan moesten worden, zijnde het ene door het andere niet weggenomen. Leviticus 23:18 : U zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen YHWH een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.

### Numeri 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/29.json)

*Wetten over het offer van het feest van de trompetten, vers 1, enz. zijn brandoffer, 2. en zijn zondoffer, 5. over het feest van de verzoening, 7. zijn offers, 8. over het loofhuttenfeest, dat zeven dagen duurt, 12. met het offer van elke dag, van de eerste dag, 13. de tweede, 17. de derde, 20. de vierde, 23. de vijfde, 26. de zesde, 29. de zevende, 32. over de achtste dag, die een grote feestdag was, 35. zijn offers, 36. Besluit van het hoofdstuk, bestaande uit een bevel en de uitvoering daarvan, 39.*

**1** Evenzo in[^numeri-29-1-1] de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen;[^numeri-29-1-a] het zal u een dag[^numeri-29-1-2] van het geklank zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v1)

**2** Dan zult u een brandoffer, tot een liefelijke reuk, voor YHWH bereiden: één[^numeri-29-2-3] jonge stier, één ram, zeven volkomen[^numeri-29-2-4] eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v2)

**3** En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd; drie[^numeri-29-3-5] tienden tot de stier, twee tienden tot de ram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v3)

**4** En een tiende tot[^numeri-29-4-6] een lam, tot die zeven lammeren toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v4)

**5** En één geitenbok als zondoffer, om over u verzoening te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v5)

**6** Behalve[^numeri-29-6-7] het brandoffer van de maand, en zijn voedseloffer, en het[^numeri-29-6-8] voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, met hun drankoffers,[^numeri-29-6-9] naar hun wijze, tot een liefelijke reuk, als vuuroffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v6)

**7** En op de[^numeri-29-7-10] tiende van deze zevende maand zult u een heilige samenroeping hebben, en[^numeri-29-7-b] u zult[^numeri-29-7-11] uw zielen verootmoedigen; geen werk zult u doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v7)

**8** Maar u zult brandoffer, tot een liefelijke reuk, voor YHWH offeren: één jonge stier, één ram, zeven eenjarige lammeren;[^numeri-29-8-c] volkomen zullen zij u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v8)

**9** En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot de stier, twee tienden tot de ene ram; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v9)

**10** [^numeri-29-10-12] Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v10)

**11** Één geitenbok als zondoffer, naast het[^numeri-29-11-13] zondoffer van de verzoeningen, en het voortdurende brandoffer; en zijn voedseloffer, met hun drankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v11)

**12** Ook op de vijftiende dag van deze zevende maand, zult u[^numeri-29-12-14] een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u voor YHWH een feest vieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v12)

**13** En u zult een brandoffer als vuuroffer offeren, tot een liefelijke reuk voor YHWH:[^numeri-29-13-15] dertien jonge stieren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v13)

**14** En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot[^numeri-29-14-16] één stier, tot die dertien stieren toe; twee tienden tot één ram, onder die twee rammen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v14)

**15** En tot elk een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v15)

**16** En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v16)

**17** Daarna[^numeri-29-17-17] op de tweede dag: twaalf jonge stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v17)

**18** En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal,[^numeri-29-18-18] naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v18)

**19** En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, met hun drankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v19)

**20** En[^numeri-29-20-19] op de derde dag: elf stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v20)

**21** En hun voedseloffers, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v21)

**22** En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v22)

**23** Verder op de vierde dag: tien stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v23)

**24** Hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v24)

**25** En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v25)

**26** En op de vijfde dag: negen stieren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v26)

**27** En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v27)

**28** En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v28)

**29** Daarna op de zesde dag: acht stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v29)

**30** En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v30)

**31** En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v31)

**32** En op de zevende dag: zeven stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v32)

**33** En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v33)

**34** En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v34)

**35** Op de achtste dag[^numeri-29-35-d] zult u een[^numeri-29-35-20] verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v35)

**36** En u zult een brandoffer als vuuroffer offeren, tot een liefelijke reuk voor YHWH; één stier, één ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v36)

**37** Hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stier, tot de ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v37)

**38** En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v38)

**39** Deze dingen zult u voor YHWH doen op uw vastgestelde hoogtijden; naast uw[^numeri-29-39-21] geloften, en uw vrijwillige offers, met uw brandoffers, en met uw voedseloffers en met uw drankoffers, en met uw dankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v39)

**40** En Mozes sprak tot de Israëlieten naar al wat YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/29.html#v40)

[^numeri-29-1-1]: Kanttekening 1: zevende maand: Zie van deze maand Lev. 23:24 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^numeri-29-1-a]: Verwijzing a: Lev. 23:24 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^numeri-29-1-2]: Kanttekening 2: van het geklank zijn: Dit feest wordt zo genoemd, omdat dit het volk met het blazen van de trompetten aangekondigd en te kennen gegeven werd. Zie Lev. 23:24 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^numeri-29-2-3]: Kanttekening 3: jongen var: Hebreeuws, een zoon van een rund; zo onder, vers 8 , 29:13 , 29:17 . Zie Lev. 1:14 . Numeri 29:8 : Maar u zult brandoffer, ten liefelijken reuk, voor YHWH offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. Numeri 29:13 : En u zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk voor YHWH: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn; Numeri 29:17 : Daarna op de tweede dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^numeri-29-2-4]: Kanttekening 4: eenjarige lammeren: Hebreeuws, zonen van het jaar; dat is, een jaar oud. Zo onder, vers 8 , 29:13 , 29:17 , enz. Zie Lev. 23:18 . Numeri 29:8 : Maar u zult brandoffer, ten liefelijken reuk, voor YHWH offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. Numeri 29:13 : En u zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk voor YHWH: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn; Numeri 29:17 : Daarna op de tweede dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Leviticus 23:18 : U zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen YHWH een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^numeri-29-3-5]: Kanttekening 5: drie tienden tot de var: Te weten, van een efa. Zo in het volgende. Zie boven, Num. 28:5 . Numeri 28:5 : En een tiende deel van een efa meelbloem ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie.
[^numeri-29-4-6]: Kanttekening 6: een lam: Dat is, elk lam; zie boven, Num. 28:13 ; zo onder, vers 10 , 29:15 . Numeri 28:13 : En tot elk tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, voor YHWH. Numeri 29:10 : Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; Numeri 29:15 : En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;
[^numeri-29-6-7]: Kanttekening 7: het brandoffer van de maand: Dat geofferd moest worden op de eerste dag van iedere maand; boven, Num. 28:11 , 28:12 , enz.; 2 Kron. 2:4 ; zodat dit ordinaire offer van de nieuwe maanden door het voorgemelde niet moest nagelaten worden. Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Numeri 28:12 : En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd tot de ene var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot de ene ram; 2 Kronieken 2:4 : Zie, ik zal een huis voor de Naam van YHWH, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van de welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van het gedurige brood, en voor de brandofferen van de morgen en van de avond, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van YHWH, onzes Gods; dat voor eeuwig is in Israël.
[^numeri-29-6-8]: Kanttekening 8: gedurig brandoffer: Zie boven, Num. 28:6 , en onder, vers 11 , 29:16 , enz. Numeri 28:6 : Het is het gedurig brandoffer, dat op de berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor YHWH. Numeri 29:11 : Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer van de verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen. Numeri 29:16 : En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
[^numeri-29-6-9]: Kanttekening 9: naar hun wijze: Dat is, naar de wet, die God daarvan bevolen en ingesteld had. Zie Lev. 5:10 . Leviticus 5:10 : En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.
[^numeri-29-7-10]: Kanttekening 10: tienden van deze zevende maand: Deze dag was de dag van de verzoening, waarvan men lezen mag Lev. 16:29 , 16:30 , en Lev. 23:27 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. Leviticus 16:30 : Want op die dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u voor het aangezicht van YHWH gereinigd worden. Leviticus 23:27 : Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^numeri-29-7-b]: Verwijzing b: Lev. 16:29 ; idem 16:31 ; Lev. 23:27 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tienden van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. Leviticus 16:31 : Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting. Leviticus 23:27 : Maar op de tienden van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^numeri-29-7-11]: Kanttekening 11: uw zielen verootmoedigen: Dat is, uw personen vernederen voor de Heer, met de overlegging en bekentenis van uw zonden, met vasten, met bidden en met een voornemen om uw leven te beteren. Zie Lev. 26:29 . Leviticus 26:29 : Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten.
[^numeri-29-8-c]: Verwijzing c: boven, Num. 28:19 . Numeri 28:19 : Maar u zult een vuuroffer ten brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.
[^numeri-29-10-12]: Kanttekening 12: Tot elk een tiende tot een lam: Hebreeuws, een tiende, een tiende tot een lam. Zo onder, vers 15 , en boven, Num. 28:13 . Numeri 29:15 : En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe; Numeri 28:13 : En tot elk tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, voor YHWH.
[^numeri-29-11-13]: Kanttekening 13: zondoffer van de verzoeningen: Waarvan men lezen kan Lev. 16:11 , 16:15 , dat, niettegenstaande de andere offeranden, hier op de verzoendag geboden, evenwel ook op dezelfde geofferd moest worden. Gelijk telkens herhaald wordt dat het dagelijkse offer moest blijven, hoewel op enige dagen nog andere offeranden daarenboven verordend waren. Zie onder, vers 16 , 29:22 , 29:25 , 29:28 , 29:31 , 29:34 , 29:38 , 29:39 . Leviticus 16:11 : Aäron dan zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, toebrengen, en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, slachten. Leviticus 16:15 : Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in de voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van de var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. Numeri 29:16 : En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:22 : En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:25 : En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:28 : En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:31 : En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankofferen. Numeri 29:34 : En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:38 : En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer. Numeri 29:39 : Deze dingen zult u YHWH doen op uw vastgestelde hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen en met uw drankofferen, en met uw dankofferen.
[^numeri-29-12-14]: Kanttekening 14: heilige samenroeping hebben: Versta, het feest van de tenten of loofhutten, van dat zie Lev. 23:34 , en Deut. 16:13 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor YHWH zijn. Deuteronomium 16:13 : Het feest van de loofhutten zult u u zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.
[^numeri-29-13-15]: Kanttekening 15: dertien jonge varren: Te weten, op de eerste dag van dit feest. Want op de tweede moesten maar twaalf varren geofferd zijn, op de derde maar elf, en zo doorgaans een var minder dan op de voorgaande geofferd was. Zie onder, vers 17 , 29:20 , 29:23 , 29:26 , 29:29 , 29:32 . Numeri 29:17 : Daarna op de tweede dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Numeri 29:20 : En op de derde dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Numeri 29:23 : Verder op de vierde dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Numeri 29:26 : En op de vijfde dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren; Numeri 29:29 : Daarna op de zesde dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; Numeri 29:32 : En op de zevende dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
[^numeri-29-14-16]: Kanttekening 16: een var: Dat is, tot elke var, gelijk boven, vers 4 . Zo in het volgende. Numeri 29:4 : En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;
[^numeri-29-17-17]: Kanttekening 17: op de tweede dag: Te weten, van het feest van de tenten; en zo in het volgende.
[^numeri-29-18-18]: Kanttekening 18: naar de wijze: Zie boven, vers 6 . Numeri 29:6 : Behalve het brandoffer van de maand, en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen, naar hun wijze, ten liefelijken reuk, ten vuuroffer voor YHWH.
[^numeri-29-20-19]: Kanttekening 19: op de dertiende dag: Te weten, van voorgemeld feest, en zo in het volgende.
[^numeri-29-35-d]: Verwijzing d: Lev. 23:36 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtsten dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^numeri-29-35-20]: Kanttekening 20: verbodsdag hebben: Hebreeuws, verbod, of, ophouding. Omdat op die dag alle dienstwerk verboden was. Zie Lev. 23:36 . Dit was de grote dag van het feest, op welke Christus stond in de tempel, en riep de dorstige zielen tot hem, belovende dezelfde verkwikking; Joh. 7:37 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^numeri-29-39-21]: Kanttekening 21: Deze geloften en de offeranden, hier in de tekst verhaald, waren ordinaire godsdienstige werken, welke om de extra-ordinaire in dit hoofdstuk vermeld, die op zekere dagen van het jaar naar Gods bevel geschiedden, niet moesten nagelaten worden. Zie boven, vers 11 . Numeri 29:11 : Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer van de verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.

### Numeri 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/30.json)

*Wetten over de geloften gedaan door een man, die verklaren dat ze gehouden moesten worden, vers 1, 2, enz. of door een dochter van het huisgezin, wanneer ze gehouden moesten worden, 3. of niet, 5. of door een getrouwde vrouw, wanneer ze gehouden moesten worden, 6. of niet, 8. of door een weduwe of verstoten of verlaten vrouw, dat die geldig moesten zijn, 9. opnieuw over een getrouwde vrouw, 10. Besluit van het hoofdstuk, 16.*

**1** En Mozes sprak tot de[^numeri-30-1-1] hoofden van de stammen[^numeri-30-1-2] van de Israëlieten, zeggende: Dit is de zaak, die YHWH geboden heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v1)

**2** [^numeri-30-2-a] Wanneer een man YHWH een gelofte[^numeri-30-2-3] zal beloofd, of[^numeri-30-2-4] een eed zal gezworen hebben,[^numeri-30-2-5] zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet[^numeri-30-2-6] ontheiligen;[^numeri-30-2-7] naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v2)

**3** Maar als een[^numeri-30-3-8] vrouw YHWH een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis van haar vader in haar jeugd zal verbonden hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v3)

**4** En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft,[^numeri-30-4-9] zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen[^numeri-30-4-10] al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v4)

**5** Maar als haar vader dat zal breken,[^numeri-30-5-11] op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar YHWH[^numeri-30-5-12] zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v5)

**6** Maar als zij[^numeri-30-6-13] immers een man heeft, en[^numeri-30-6-14] haar geloften op haar zijn, of de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v6)

**7** En haar man dat zal[^numeri-30-7-15] horen, en op de dag als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v7)

**8** Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH haar vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v8)

**9** Voor wat betreft de gelofte van een[^numeri-30-9-16] weduwe, of van een[^numeri-30-9-17] verstotene: alles, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v9)

**10** Maar als zij in het huis van haar man gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v10)

**11** En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zo zullen al haar geloften bestaan, en ook alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v11)

**12** Maar als haar man die dingen[^numeri-30-12-18] geheel te niet maakt, op de dag als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis van haar ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en YHWH zal het haar vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v12)

**13** Alle gelofte, en alle eed van de verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v13)

**14** Maar zo haar man tegen haar van dag tot dag[^numeri-30-14-19] geheel stilzwijgt, zo bevestigt hij al haar geloften, of al haar verbintenissen, die op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, op de dag als hij het hoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v14)

**15** Maar zo hij[^numeri-30-15-20] ze geheel te niet maken zal, nadat hij het gehoord zal hebben, zo[^numeri-30-15-21] zal hij haar ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v15)

**16** Dat zijn de voorschriften, die YHWH Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jeugd, in het huis van haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/30.html#v16)

[^numeri-30-1-1]: Kanttekening 1: hoofden van de stammen: Welke waren een overste uit elke stam. Zie boven, Num. 1:4 , 1:16 , en de aantekeningen er op. Numeri 1:4 : En met u zullen zijn van elke stam een man, die een hoofdman is over het huis van zijn vaderen. Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^numeri-30-1-2]: Kanttekening 2: van de kinderen van Israël: Aan wie elk hoofd in zijn stam de volgende ordinantie moest aandienen.
[^numeri-30-2-a]: Verwijzing a: Deut. 23:21 . Deuteronomium 23:21 : Wanneer u YHWH, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, u zult niet vertrekken die te betalen; want YHWH, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn.
[^numeri-30-2-3]: Kanttekening 3: zal beloofd: Te weten, simpelijk zonder eedzweren, van iets vrijwilliglijk te zullen geven, of te doen ter ere Gods. Wat een gelofte is, zie Lev. 7:16 . Leviticus 7:16 : En zo het slachtoffer van zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook op de andere dag gegeten worden.
[^numeri-30-2-4]: Kanttekening 4: een eed zal gezworen hebben: Te weten, zich door deze verplichtende en schuldig makende, van het te willen doen of laten.
[^numeri-30-2-5]: Kanttekening 5: zijn ziel met een verbintenis: Hebreeuws, een band op zijn ziel bindende; dat is, zichzelven of zijn persoon; zo in het volgende. Gelijk de lichamen gebonden worden met touwen en zelen, om in een zekere plaats te blijven, zo worden de zielen van de mensen gebonden door belofte aan YHWH gedaan, om aan datgene, wat zij beloofd hebben, zich vast te houden.
[^numeri-30-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, tot schande en oorzaak van lastering maken, met zijn belofte te breken.
[^numeri-30-2-7]: Kanttekening 7: naar alles, wat uit zijn mond gegaan is: Welverstaande, wat in zijn vermogen is en geoorloofd, niet strijdende tegen de wet van YHWH; hoedanig de belofte was van degenen, die Paulus, voorgenomen hadden te vermoorden, Hand. 23:14 . Handelingen 23:14 : Die gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.
[^numeri-30-3-8]: Kanttekening 8: vrouw YHWH: Versta hier, niet een getrouwde vrouw, gelijk onder, vers 6 , 30:7 , 30:8 , maar een vrouwelijke persoon, gelijk een jonge dochter, die nog onder het gebied van haar vader is, gelijk uit vers 3 en vers 16 kan afgenomen worden; zo wordt Maria, de moeder van YHWH, onder de vrouwen en een vrouw genaamd; Luk. 1:42 ; Gal. 4:4 . Numeri 30:6 : Maar als zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft; Numeri 30:7 : En haar man dat zal horen, en op de dag als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan. Numeri 30:8 : Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH het haar vergeven. Numeri 30:3 : Maar als een vrouw YHWH een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis haars vaders in haar jonkheid zal verbonden hebben; Numeri 30:16 : Dat zijn de inzettingen, die YHWH Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jonkheid, ten huize haars vaders. Lukas 1:42 : En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend zijt u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw buik! Galaten 4:4 : Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
[^numeri-30-4-9]: Kanttekening 9: zal horen: Dat is, of openlijk inwilligen, of door stilzwijgen toelaten, want \[gelijk men zegt\] wie zwijgt, schijnt te consenteren of toe te stemmen.
[^numeri-30-4-10]: Kanttekening 10: al haar geloften bestaan: Dat is, zij zal moeten, al wat zij YHWH beloofd heeft, zonder nalaten volbrengen.
[^numeri-30-5-11]: Kanttekening 11: de dage als hij het hoort: Versta hieruit twee dingen: I. dat de vader vernomen hebbende de geloften van zijn dochter, zich niet lang mocht bedenken van die in te willigen of af te zeggen; II. dat de dochter, zo haast als haar vader haar geloften afgezegd had, noodzakelijk van dezelfde afstand moest doen. Verg. ond. vers 7 en 8.
[^numeri-30-5-12]: Kanttekening 12: zal het haar vergeven: Te weten: I. dat zij zo onvoorzichtiglijk gelofte gedaan had, zonder haar vader te kennen; II. dat zij gedwongen was haar gelofte na te laten. Zo onder, vers 8.
[^numeri-30-6-13]: Kanttekening 13: immers een man heeft: Hebreeuws, van een man zijnde zijn zal; dat is, met een man vastelijk beloofd of getrouwd, en dienvolgens onder zijn gebied staande. Zie deze manier van spreken ook onder, Num. 36:3 . Numeri 36:3 : Wanneer zij één van de zonen van de andere stammen van de kinderen van Israël tot vrouwen zouden worden, zo zou haar erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van die stam, aan welke zij geworden zouden; zo zou van het lot onzer erfenis worden afgetrokken.
[^numeri-30-6-14]: Kanttekening 14: haar geloften op haar zijn: Dat is, als zij enige geloften tot haar last zal hebben, die zij beloofd heeft te volbrengen, of simpelijk met solemnele woorden, of met bijvoeging van een eed; gelijk boven, vers 2 , zo ook onder, vers 8 , 30:10 . Numeri 30:2 : Wanneer een man YHWH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen. Numeri 30:8 : Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH het haar vergeven. Numeri 30:10 : Maar als zij ten huize haars mans gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft;
[^numeri-30-7-15]: Kanttekening 15: en op de dag als hij het hoort: Vergelijk boven, de aantekeningen op vers 5 , en zie vers 8 . Numeri 30:5 : Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar YHWH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken. Numeri 30:8 : Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH het haar vergeven.
[^numeri-30-9-16]: Kanttekening 16: Waarvan de man, toen zij haar gelofte deed, overleden was, zodat zij, haarzelve geworden zijnde, de macht had gelofte te doen, zonder iemand er over te kennen.
[^numeri-30-9-17]: Kanttekening 17: Versta, een vrouw, die, een scheidbrief ontvangen hebbende, van haar man verlaten is; zo Lev. 21:7 . Deze was ook haarzelve, omdat de man haar van het recht en gebied, dat hij over haar had gehad, door de scheiding ontslagen had. Hierom moesten zulke geloften standgrijpen. Leviticus 21:7 : Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.
[^numeri-30-12-18]: Kanttekening 18: ganselijk te niet maakt: Hebreeuws, teniet makende teniet maakt. Zo onder, vers 5 . Numeri 30:5 : Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar YHWH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken.
[^numeri-30-14-19]: Kanttekening 19: ganselijk stilzwijgt: Hebreeuws, stilzwijgende stilzwijgt.
[^numeri-30-15-20]: Kanttekening 20: ganselijk te niet maken zal: Hebreeuws, teniet makende zal teniet gemaakt hebben; te weten, niet op dezelfde dag, toen hij ze hoorde, maar een dag of meer daarna.
[^numeri-30-15-21]: Kanttekening 21: zal hij haar ongerechtigheid dragen: Dat is, zal hij schuldig zijn aan de straf, welke verdiend is door het verbreken van de voorgemelde beloften. Zie van deze manier van spreken Lev. 5:1 . Anderen vertalen hier het Hebreeuwse woord wegnemen; te weten, de ongerechtigheid van de vrouw, dat zij door het verbreken van haar gelofte geen schuld zal hebben, noch strafbaar zijn. Gelijk vers 5 , 30:8 , 30:12 vermeld wordt. Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. Numeri 30:5 : Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar YHWH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken. Numeri 30:8 : Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH het haar vergeven. Numeri 30:12 : Maar als haar man die dingen ganselijk te niet maakt, op de dag als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis van haar ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en YHWH zal het haar vergeven.

### Numeri 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/31.json)

*De Israelieten wordt geboden oorlog te voeren tegen de Midianieten, vers 1, enz. met een leger van twaalfduizend mannen en Pinehas, de zoon van Eleazar, 4. die de Midianieten overwinnen, 7. terugkeren naar de hunnen, met de gevangenen en de buit, 12. door Mozes ontvangen worden met berisping over wat zij verkeerd gedaan hadden, 14. en met bevel over wat zij moesten doen, 17. Wet over het verdelen van de buit, 25. met de uitvoering van de wet en de som van de buit, 31. en het deel van de HEERE dat de priesters en Levieten toekwam, 41. De oversten van het leger brengen de HEERE een offer, 48. dat in de tabernakel ter gedachtenis bewaard wordt, 54.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v1)

**2** [^numeri-31-2-a] Neem de[^numeri-31-2-1] wraak van de Israëlieten van de Midianieten;[^numeri-31-2-2][^numeri-31-2-b] daarna zult u verzameld worden tot uw volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v2)

**3** Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u[^numeri-31-3-3] ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak[^numeri-31-3-4] van YHWH te doen aan de Midianieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v3)

**4** [^numeri-31-4-5] Van elke stam onder alle stammen van Israël zult u een duizend ten strijde zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v4)

**5** Zo werden geleverd uit de duizenden van Israël, duizend van elke stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v5)

**6** En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elke stam, hen en[^numeri-31-6-6] Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de[^numeri-31-6-7] heilige voorwerpen, en de trompetten van het geklank in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v6)

**7** En zij streden tegen de Midianieten, zoals YHWH Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v7)

**8** Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de[^numeri-31-8-8] koningen van de[^numeri-31-8-c] Midianieten, Evi, en Rekem, en[^numeri-31-8-9] Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard[^numeri-31-8-10] Bileam, de zoon van Beor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v8)

**9** Maar de Israëlieten namen de vrouwen van de Midianieten, en hun kinderen gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v9)

**10** Verder al hun steden[^numeri-31-10-11] met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v10)

**11** [^numeri-31-11-d] En zij namen al de roof, en al de buit, van mensen en van beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v11)

**12** Daarna brachten zij de[^numeri-31-12-12] gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de gemeenschap van de Israëlieten, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de[^numeri-31-12-13] Jordaan van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v12)

**13** Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten van de vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v13)

**14** En Mozes werd enorm vertoornd tegen de bevelhebbers van het leger, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden, die uit de strijd van die oorlog kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v14)

**15** En Mozes zei tot hen:[^numeri-31-15-14] Hebt u dan alle vrouwen laten leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v15)

**16** Zie, deze waren, door[^numeri-31-16-e] de[^numeri-31-16-15] raad van Bileam, de Israëlieten, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor[^numeri-31-16-16] die plaag werd onder de vergadering van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v16)

**17** [^numeri-31-17-f] Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderen; en doodt alle vrouw, die[^numeri-31-17-17] door bijligging van de man een man[^numeri-31-17-18] bekend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v17)

**18** Maar al de kinderen[^numeri-31-18-19] van vrouwelijk geslacht, die de bijligging van de man niet bekend hebben, laat voor u leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v18)

**19** En u, legert u buiten het leger[^numeri-31-19-20] zeven dagen; een ieder, die een[^numeri-31-19-21] mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag[^numeri-31-19-22] ontzondigen, u en uw gevangenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v19)

**20** Ook zult u alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle werk van geitenhaar, en gereedschap van hout,[^numeri-31-20-23] ontzondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v20)

**21** En Eleazar, de priester, zei tot de[^numeri-31-21-24] soldaten, die tot die strijd getogen waren: Dit is de inzetting van de wet, die YHWH Mozes geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v21)

**22** Alleen[^numeri-31-22-25] het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v22)

**23** Alle ding,[^numeri-31-23-26] dat het vuur lijdt, zult u door het vuur laten doorgaan, dat het rein wordt; evenwel zal het[^numeri-31-23-g] door[^numeri-31-23-27] het water van de afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult u door het water laten doorgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v23)

**24** U zult ook uw kleren op de zevende dag wassen, dat u rein wordt; en daarna zult u in het leger komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v24)

**25** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v25)

**26** Neem het aantal op van de buit[^numeri-31-26-28] van de gevangenen van mensen en van beesten; u en Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de vergadering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v26)

**27** En[^numeri-31-27-h] deel de buit[^numeri-31-27-29] in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de hele gemeenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v27)

**28** Daarna zult u[^numeri-31-28-30] een schatting voor YHWH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze strijd uitgetogen zijn, van vijfhonderd één[^numeri-31-28-31] ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezels, en uit de[^numeri-31-28-32] schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v28)

**29** Van hun helft zult u het nemen, en de priester Eleazar geven[^numeri-31-29-33] tot een hefoffer van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v29)

**30** Maar van de helft[^numeri-31-30-34] van de Israëlieten zult u[^numeri-31-30-35] één gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezels, en uit de schapen, uit[^numeri-31-30-36] al de beesten; en u zult ze aan de Levieten geven,[^numeri-31-30-37] die de taak van de tabernakel van YHWH waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v30)

**31** En Mozes en Eleazar, de priester, deden, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v31)

**32** De buit nu,[^numeri-31-32-38] het overschot van de roof, dat de[^numeri-31-32-39] soldaten geroofd hadden, was zeshonderd vijf en zeventig duizend[^numeri-31-32-40] schapen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v32)

**33** En twee en zeventig duizend runderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v33)

**34** En één en zestig duizend ezels; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v34)

**35** En de zielen van de mensen, uit de vrouwen, die geen bijligging van de man bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v35)

**36** En de helft, te weten het deel van degenen, die tot deze strijd uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v36)

**37** En[^numeri-31-37-41] de schatting voor YHWH van schapen was zeshonderd vijf en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v37)

**38** En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor YHWH twee en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v38)

**39** En de ezels waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor YHWH was één en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v39)

**40** En de zielen van de mensen waren zestien duizend, en hun schatting voor YHWH twee en dertig zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v40)

**41** [^numeri-31-41-i] En Mozes gaf Eleazar, de priester, de schatting van het hefoffer van YHWH, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v41)

**42** En van[^numeri-31-42-42] de helft van de Israëlieten, die Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v42)

**43** (Het[^numeri-31-43-43] halve deel nu van de vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v43)

**44** En de runderen waren zes en dertig duizend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v44)

**45** En de ezels dertig duizend en vijfhonderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v45)

**46** En de zielen van de mensen zestien duizend;) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v46)

**47** Van die helft van de Israëlieten nam Mozes[^numeri-31-47-44] één gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak van de tabernakel van YHWH waarnamen, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v47)

**48** Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden van het leger waren, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v48)

**49** En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen het aantal van de soldaten, die[^numeri-31-49-45] onder onze hand geweest zijn; en[^numeri-31-49-46] uit ons ontbreekt niet één man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v49)

**50** Daarom hebben wij een offergave van YHWH gebracht, een ieder wat hij[^numeri-31-50-47] gekregen heeft, een gouden[^numeri-31-50-48] voorwerp, een[^numeri-31-50-49] keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of[^numeri-31-50-50] een afhangende gordel, om voor onze zielen[^numeri-31-50-51] verzoening te doen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v50)

**51** Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van hen het goud,[^numeri-31-51-52] alle kunstig gemaakte voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v51)

**52** En al het goud van het hefoffer, dat zij YHWH offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig[^numeri-31-52-53] sikkels, van de bevelhebbers van de duizenden, en van de bevelhebbers van de honderden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v52)

**53** Voor wat betreft de soldaten, ieder[^numeri-31-53-54] had[^numeri-31-53-k] geroofd voor zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v53)

**54** Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de bevelhebbers van de duizenden en van de honderden, en zij brachten het in de tent van de samenkomst,[^numeri-31-54-55] ter herinnering voor de Israëlieten, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/31.html#v54)

[^numeri-31-2-a]: Verwijzing a: boven, Num. 25:17 . Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen;
[^numeri-31-2-1]: Kanttekening 1: Neem de wraak van de kinderen van Israël van de Midianieten: Hebreeuws, wreek de wraak van de kinderen van Israël van de Midianieten; te weten, over het kwaad, dat zij onder de Israëlieten listiglijk veroorzaakt hebben, toen zij hen gebracht hebben tot lichamelijke en geestelijke hoererij, vermeld hier boven Num. 25:1 , 25:2 , enz. en onder, vers 15 , 31:16 . Numeri 25:1 : En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 25:2 : En zij nodigden het volk tot de slachtofferen van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. Numeri 31:15 : En Mozes zei tot hen: Hebt u dan alle vrouwen laten leven? Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH.
[^numeri-31-2-2]: Kanttekening 2: daarna zult u verzameld worden: Dat is, u zult sterven en uit deze wereld verhuizen. Zie van deze manier van spreken Gen. 15:15 , en Gen. 25:8 , en boven Num. 20:24 , 20:26 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goede ouderdom begraven worden. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Numeri 20:24 : Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de kinderen van Israël gegeven heb, omdat u Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba. Numeri 20:26 : En trek Aäron zijn kleren uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven.
[^numeri-31-2-b]: Verwijzing b: boven, Num. 27:13 . Numeri 27:13 : Wanneer u dat gezien zult hebben, dan zult u tot uw volken verzameld worden, u ook, gelijk als uw broer Aäron verzameld geworden is;
[^numeri-31-3-3]: Kanttekening 3: ten strijde: Of, ten legermacht; en zo in het volgende.
[^numeri-31-3-4]: Kanttekening 4: wraak van YHWH: Te weten, die YHWH geboden had tegen de Midianieten te zullen gedaan worden. Zie boven, Num. 25:17 , 25:18 , waarmee God verklaarde dat de vijandschap, tegen zijn volk bewezen, zoveel als Hem aangedaan was. Vergelijk Zach. 2:8 , en Hand. 9:4 . aan de Midianieten. Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen; Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^numeri-31-4-5]: Kanttekening 5: Van elke stam: Hebreeuws, duizend van een stam, duizend van een stam. Zie deze manier van spreken ook Lev. 24:8 , en boven, Num. 13:2 , enz. Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond. Numeri 13:2 : Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, dat Ik de kinderen van Israël geven zal; van elke stam zijn vaderen zult u een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.
[^numeri-31-6-6]: Kanttekening 6: Te weten, niet eigenlijk om te vechten of een krijgsoverste te zijn, maar om vanwege God, als een goed raadsman en beleider, het leger bij te blijven en dat tot kloekheid te vermanen, achtervolgens zijn bijzonderen ijver, tevoren bewezen; boven, Num. 25:13 . Vergelijk Deut. 20:2 , 20:3 , enz. Numeri 25:13 : En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond van het eeuwige priesterdom, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen van Israël. Deuteronomium 20:2 : En het zal gebeuren, als u tot de strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken. Deuteronomium 20:3 : En tot hen zeggen: Hoort, Israël! u bent heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
[^numeri-31-6-7]: Kanttekening 7: heilige vaten: Welke waren, naar sommiger gevoelen, de ark van het verbond met haar toebehoren, mits die in het leger somtijds meegenomen werd, dat men verstaan kan uit Num. 14:44 ; Joz. 4:11 ; 1 Sam. 4:4 . Anderen verstaan daarmee alleen de trompetten, die meteen in vers 6 vermeld worden, en in de krijg moesten gebruikt worden. Numeri 14:44 : Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte van de berg te klimmen; maar de ark van het verbond van YHWH en Mozes scheidden niet uit het midden van het leger. Jozua 4:11 : En het geschiedde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging de ark van YHWH over, en de priesters voor het aangezicht van het volk. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. Numeri 31:6 : En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elke stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten van het geklank in zijn hand.
[^numeri-31-8-8]: Kanttekening 8: koningen van de Midianieten: Welke leenmannen of vazallen van de koning Sihon, voordat hij door Mozes uitgeroeid werd, geweest zijn, Joz. 13:21 , maar daarna zich als koningen gehouden hebben. Zie boven, Num. 25:15 . Jozua 13:21 : En alle steden van het vlakke land, en het gehele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelke Mozes geslagen heeft, en ook de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners van het land. Numeri 25:15 : En de naam van de verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een hoofd was van de volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten.
[^numeri-31-8-c]: Verwijzing c: Joz. 13:21 ; idem v. 22 . Jozua 13:21 : En alle steden van de vlakken lands, en het gehele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelke Mozes geslagen heeft, en ook de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners van het land. Jozua 13:22 : Daartoe hebben de kinderen van Israël met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn.
[^numeri-31-8-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, Tsur.
[^numeri-31-8-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, Bilam, te weten, daar hij op de weg was om weer te keren naar zijn landschap Mesopotamië. Zie boven, Num. 24:25 . Numeri 24:25 : Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weer tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.
[^numeri-31-10-11]: Kanttekening 11: met hun woonplaatsen: Anders, in, of, door hun woonplaatsen.
[^numeri-31-11-d]: Verwijzing d: Deut. 20:14 . Deuteronomium 20:14 : Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit uw vijanden, die u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^numeri-31-12-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, de gevangenis; te weten, de Midianietische vrouwen en de kleine kinderen, die zij gevangen hadden. Zie boven, vers 9 . Het woord gevangenis is dikwijls voor de gevangenen genomen; zo onder, vers 19 , 31:26 ; idem Ex. 12:29 ; 2 Kron. 29:5 ; Ef. 4:8 . Numeri 31:9 : Maar de kinderen van Israël namen de vrouwen van de Midianieten, en hun kinderen gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen. Numeri 31:19 : En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen. Numeri 31:26 : Neem op de som van de buit van de gevangenen van mensen en van beesten; u en Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de vergadering. Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. 2 Kronieken 29:5 : En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom. Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^numeri-31-12-13]: Kanttekening 13: Jordaan van Jericho: Dat is, die tegenover, of voorbij, of niet ver van Jericho vloeit, en een veer of overdracht bij deze stad heeft. Vergelijk boven, Num. 22:1 . Numeri 22:1 : Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.
[^numeri-31-15-14]: Kanttekening 14: Hebt u dan alle vrouwen laten leven: Aldus vragende, geeft hij te verstaan dat zij zulks in geen geval moesten gedaan hebben. Zie deze manier van vragen, die zeer sterk tegenspreekt en een bevestiging inhoudt, Gen. 18:17 met de aantekeningen. Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^numeri-31-16-e]: Verwijzing e: boven, Num. 25:1 ; idem v. 2 ; idem v. 18 ; 2 Petr. 2:15 ; Openb. 2:14 . Numeri 25:1 : En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 25:2 : En zij nodigden het volk tot de slachtofferen haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. 2 Petrus 2:15 : Die de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen de weg van Balaäm, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefgehad heeft; Openbaring 2:14 : Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
[^numeri-31-16-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, woord. Versta, de snode vond en arglistige raad, waardoor de Israëlieten in hoerdom en afgoderij gevallen zijn. Zie boven, Num. 24:14 . Numeri 24:14 : En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.
[^numeri-31-16-16]: Kanttekening 16: die plaag: Zie van deze plaag boven, Num. 25:9 . Numeri 25:9 : Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.
[^numeri-31-17-f]: Verwijzing f: Richt. 21:11 . Richteren 21:11 : Maar dit is de zaak, die ge doen zult; al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging van een man bekend hebben, zult u verbannen.
[^numeri-31-17-17]: Kanttekening 17: door bijligging van de man: Vergelijk vers 18 ; idem Lev. 18:22 , en Lev. 20:13 . Numeri 31:18 : Maar al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging van de man niet bekend hebben, laat voor u leven. Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel. Leviticus 20:13 : Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
[^numeri-31-17-18]: Kanttekening 18: bekend heeft: Zie Gen. 4:1 , en Gen. 19:8 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^numeri-31-18-19]: Kanttekening 19: van vrouwelijk geslacht: Hebreeuws, onder de wijven.
[^numeri-31-19-20]: Kanttekening 20: zeven dagen: Naar de ordinantie en wet gegeven van God, ten aanzien van de onreinen, Lev. 15:13 , en boven, Num. 19:11 , enz., en onderhouden in Mirjam, boven, Num. 12:14 . Leviticus 15:13 : Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. Numeri 19:11 : Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden!
[^numeri-31-19-21]: Kanttekening 21: een mens: Hebreeuws, een ziel.
[^numeri-31-19-22]: Kanttekening 22: Zie boven, Num. 8:21 . Numeri 8:21 : En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun kleren, en Aäron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.
[^numeri-31-20-23]: Kanttekening 23: Dat is, reinigen naar de wet van de ceremoniën en zo bekwaam maken tot een goed en eerlijk gebruik. Vergelijk Lev. 8:15 , en Lev. 14:49 , en Lev. 16:16 met de aantekeningen er op. Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor verzoening te doen. Leviticus 14:49 : Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop. Leviticus 16:16 : Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden van de kinderen van Israël, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, welke met hen woont in het midden van hun onreinigheden.
[^numeri-31-21-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, mannen van de krijg, of, van de legermacht; dat is, die in een oorlog zich laten gebruiken en de wapenen hanteren.
[^numeri-31-22-25]: Kanttekening 25: het goud en het zilver: Te weten, wat zij van de Midianieten genomen hadden.
[^numeri-31-23-26]: Kanttekening 26: dat het vuur lijdt: Hebreeuws, wat in het vuur gaan zal; dat is, wat, door het vuur gehaald zijnde, onbeschadigd en onverteerd er uit komt. Zo in het volgende.
[^numeri-31-23-g]: Verwijzing g: boven, Num. 19:9 . Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^numeri-31-23-27]: Kanttekening 27: water van de afzondering: Zie van dit water boven, Num. 19:9 . Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^numeri-31-26-28]: Kanttekening 28: van de gevangenen: Hebreeuws, van de gevangenis. Zie boven, vers 12 . Numeri 31:12 : Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.
[^numeri-31-27-h]: Verwijzing h: 1 Sam. 30:24 . 1 Samuël 30:24 : Wie zou toch u in deze zaak horen? Want gelijk het deel degenen is, die in de strijd mee afgetogen zijn, zo zal ook het deel degenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.
[^numeri-31-27-29]: Kanttekening 29: in twee helften: Welke orde David heeft gevolgd in het delen van de buit tussen degenen, die gestreden hadden, en anderen, die bij het gereedschap gebleven waren om dat te bewaren, 1 Sam. 30:24 . 1 Samuël 30:24 : Wie zou toch u in deze zaak horen? Want gelijk het deel degenen is, die in de strijd mee afgetogen zijn, zo zal ook het deel degenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.
[^numeri-31-28-30]: Kanttekening 30: een schatting: Of, een toegelegd deel, dat was als een schatting, die YHWH tot bewijs van dankbaarheid gegeven moest worden, en de priesters, die YHWH in de tabernakel dienden, voor hun deel toebescheiden was.
[^numeri-31-28-31]: Kanttekening 31: Het woord ziel, ten aanzien van de mensen, betekent hier een mens of persoon, en ten aanzien van de beesten een beest of stuk. Van elk uit de vijf honderd moesten de krijgslieden YHWH een toeëigenen; gelijk de Israëlieten, die in de legermacht niet getrokken waren, uit hun helft van vijftig een de Levieten moesten geven, dat is, tienmaal meer dan de krijgslieden de priesters gaven.
[^numeri-31-28-32]: Kanttekening 32: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, zo in het volgende. Zie Gen. 26:14 , en Lev. 1:2 . Genesis 26:14 : En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offerande offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^numeri-31-29-33]: Kanttekening 33: tot een heffing van YHWH: Dat is, om dat YHWH te offeren en toe te heiligen, tot een bewijs van dankbaarheid; zo onder, vers 41 , 31:52 . Het Hebreeuwse woord is hier in het algemeen genomen voor offer of gave. Zie boven, Num. 5:9 . Numeri 31:41 : En Mozes gaf Eleazar, de priester, de schatting van de heffing van YHWH, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Numeri 31:52 : En al het goud van de heffing, dat zij YHWH offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden van de duizenden, en van de hoofdlieden van de honderden. Numeri 5:9 : Evenzo zal alle heffing van alle geheiligde dingen van de kinderen van Israël, welke zij tot de priester brengen, de zijne zijn.
[^numeri-31-30-34]: Kanttekening 34: van de kinderen van Israël: Dat is, die de kinderen van Israël toebehoorde, achtervolgens de bedeling, vermeld boven, vers 27 . Zie van deze helft onder, vers 42 , 31:47 . Numeri 31:27 : En deel de buit in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de gehele vergadering. Numeri 31:42 : En van de helft van de kinderen van Israël, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden; Numeri 31:47 : Van die helft van de kinderen van Israël nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van de tabernakel van YHWH waarnamen, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^numeri-31-30-35]: Kanttekening 35: een gevangene van vijftig nemen: Of, een deel, dat vastgehouden is, van de mensen, of van de beesten.
[^numeri-31-30-36]: Kanttekening 36: al de beesten: Dat is, uit alle soorten van beesten; vergelijk Gen. 7:14 . Genesis 7:14 : Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
[^numeri-31-30-37]: Kanttekening 37: die de wacht van de tabernakel: Zie Num. 3:7 . Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^numeri-31-32-38]: Kanttekening 38: het overschot van de roof: Versta, dat zuiver overgebleven was boven de gedode vrouwen en manskinderen, boven, vers 17 , en boven wat het leger, zeven dagen in het veld liggende, verteerd had, vers 19 . Numeri 31:17 : Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderen; en doodt alle vrouw, die door bijligging van de man een man bekend heeft. Numeri 31:19 : En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen.
[^numeri-31-32-39]: Kanttekening 39: krijgsvolk geroofd had: Hebreeuws, volk van de krijg, of van de legermacht. Vergelijk boven de aantekeningen op vers 21 . Numeri 31:21 : En Eleazar, de priester, zei tot de krijgslieden, die tot die strijd getogen waren: Dit is de inzetting van de wet, die YHWH Mozes geboden heeft.
[^numeri-31-32-40]: Kanttekening 40: Zie boven, vers 28 . Numeri 31:28 : Daarna zult u een schatting voor YHWH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.
[^numeri-31-37-41]: Kanttekening 41: de schatting voor YHWH: Versta, de aangeschatte portie, die de krijgslieden YHWH moesten toeleggen. Zie boven, vers 28 , en de aantekeningen daarop. Numeri 31:28 : Daarna zult u een schatting voor YHWH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.
[^numeri-31-41-i]: Verwijzing i: boven, Num. 18:8 ; idem v. 19 . Numeri 18:8 : Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting. Numeri 18:19 : Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u.
[^numeri-31-42-42]: Kanttekening 42: helft van de kinderen van Israël: Zie van deze helft boven, vers 30 , en onder, vers 47 . Numeri 31:30 : Maar van de helft van de kinderen van Israël zult u een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en u zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel van YHWH waarnemen. Numeri 31:47 : Van die helft van de kinderen van Israël nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van de tabernakel van YHWH waarnamen, gelijk als YHWH Mozes geboden had.
[^numeri-31-43-43]: Kanttekening 43: halve deel nu van de vergadering was: Hebreeuws, de helft van de vergadering; dat is, het halve deel, dat de vergadering toekwam.
[^numeri-31-47-44]: Kanttekening 44: een gevangene uit vijftig: Zie boven, vers 30 . Numeri 31:30 : Maar van de helft van de kinderen van Israël zult u een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en u zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel van YHWH waarnemen.
[^numeri-31-49-45]: Kanttekening 45: onder onze hand geweest zijn: Dat is, onder ons gebied. Zie Gen. 16:6 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^numeri-31-49-46]: Kanttekening 46: uit ons: Anders, daarvan.
[^numeri-31-50-47]: Kanttekening 47: gekregen heeft: Hebreeuws, gevonden.
[^numeri-31-50-48]: Kanttekening 48: Of, gereedschap, of, juweel.
[^numeri-31-50-49]: Kanttekening 49: Anders, arm- of beensiersel, of, gouden kousenband.
[^numeri-31-50-50]: Kanttekening 50: een afhangenden gordel: Zie Ex. 35:22 . Exodus 35:22 : Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer YHWH offerde,
[^numeri-31-50-51]: Kanttekening 51: verzoening te doen: Vanwege hun zonden, vermeld vers 14 , 31:15 , 31:16 . Numeri 31:14 : En Mozes werd grotelijks vertoornd tegen de bevelhebbers van de legermacht, de hoofdlieden van de duizenden, en de hoofdlieden van de honderden, die uit de strijd van die oorlog kwamen. Numeri 31:15 : En Mozes zei tot hen: Hebt u dan alle vrouwen laten leven? Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH.
[^numeri-31-51-52]: Kanttekening 52: alle welgewrochte vaten: Hebreeuws, alle vat, of, gereedschap van het werk. Versta hierdoor, allerlei gouden tuig of vat, of juweel, dat met grote arbeid zeer kostelijk gemaakt was.
[^numeri-31-52-53]: Kanttekening 53: Versta, gouden sikkelen, van de waarde daarvan zie Gen. 24:22 , en boven, Num. 7:14 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds. Numeri 7:14 : Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;
[^numeri-31-53-54]: Kanttekening 54: had geroofd voor zichzelven: Waarvan zij hun hoofdlieden niet hadden medegedeeld, zodat zij nog veel van de buit overig hadden boven wat zij de priesters, de Levieten en de Israëlieten gegeven hadden.
[^numeri-31-53-k]: Verwijzing k: Deut. 20:14 . Deuteronomium 20:14 : Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit uw vijanden, die u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^numeri-31-54-55]: Kanttekening 55: ter gedachtenis: Te weten, zowel van de weldaad van God, waardoor zij hun vijanden overwonnen hadden en met God verzoend waren, als om hun schuldigen plicht, om God daarvoor dankbaar te zijn en hem getrouw te blijven, ten einde Hij hen altijd met zijn genade en zegen zou bijwonen.

### Numeri 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/32.json)

*De stammen Ruben en Gad verzoeken om redenen aan Mozes hun erfdeel te mogen hebben aan deze zijde van de Jordaan, vers 1, enz. Mozes bestraft hen eerst scherp, 6. maar als zij beloven gewapend voor hun broeders mee te trekken naar Kanaan totdat het land onderworpen is, verkrijgen zij, naast de halve stam Manasse, hun verzoek, op de genoemde voorwaarde, 16.*

**1** De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad[^numeri-32-1-1] hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats[^numeri-32-1-2] voor vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v1)

**2** Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleazar, de priester, en tot de oversten van de vergadering, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v2)

**3** Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v3)

**4** Dit land,[^numeri-32-4-3] dat YHWH voor het aangezicht van de gemeenschap van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v4)

**5** Verder zeiden zij: Als wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v5)

**6** Maar Mozes zei tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van[^numeri-32-6-4] Ruben: Zullen uw broers ten strijde gaan, en zult u hier blijven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v6)

**7** Waarom toch zult u het hart van de Israëlieten[^numeri-32-7-5] breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat YHWH hun gegeven heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v7)

**8** Zo deden uw vaders, als ik hen van[^numeri-32-8-a] Kades-barnea zond, om dit land te bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v8)

**9** Als zij opgekomen waren tot aan het[^numeri-32-9-6] dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart van de Israëlieten, dat zij niet gingen naar het land, dat YHWH hun gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v9)

**10** Toen ontstak de toorn van YHWH op die dag, en Hij zwoer, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v10)

**11** [^numeri-32-11-b] Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn,[^numeri-32-11-7] van twintig jaar oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen[^numeri-32-11-8] heb! Want zij hebben niet[^numeri-32-11-9] volhard Mij na te volgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v11)

**12** Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de[^numeri-32-12-10] Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben[^numeri-32-12-11] volhard YHWH na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v12)

**13** Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn,[^numeri-32-13-12] veertig jaren, totdat verteerd was het hele geslacht, dat[^numeri-32-13-13] gedaan had, wat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v13)

**14** En zie, u bent opgestaan in stede van uw vaders, een menigte van zondige mensen,[^numeri-32-14-14] om de hitte van de toorn van YHWH tegen Israël te vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v14)

**15** Wanneer u van achter[^numeri-32-15-15] Hem u zult afkeren, zo zal Hij verder voortvaren[^numeri-32-15-16] het te laten in de woestijn; en u zult al dit volk verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v15)

**16** Toen traden[^numeri-32-16-17] zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier[^numeri-32-16-18] schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v16)

**17** Maar wij zelf zullen ons[^numeri-32-17-19] toerusten,[^numeri-32-17-20] haastende voor het aangezicht van de Israëlieten, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de versterkte steden,[^numeri-32-17-21] vanwege de inwoners van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v17)

**18** Wij zullen niet[^numeri-32-18-22] terugkeren tot onze huizen, voordat zich de Israëlieten tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v18)

**19** Want wij zullen met hen niet erven aan de overzijde van de Jordaan, en[^numeri-32-19-23] verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen de[^numeri-32-19-24] opgang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v19)

**20** Toen zei Mozes tot hen: Als u deze zaak doen zult, als u zich voor het aangezicht van YHWH zult[^numeri-32-20-25] toerusten ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v20)

**21** En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken[^numeri-32-21-26] voor het aangezicht van YHWH, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v21)

**22** En het land voor het aangezicht van YHWH ten onder gebracht zij; zo zult u daarna terugkeren, en onschuldig zijn voor YHWH en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v22)

**23** Als u daarentegen zo niet zult doen, ziet, zo hebt u tegen YHWH gezondigd; maar[^numeri-32-23-27] u zult uw zonde bemerken, als zij u[^numeri-32-23-28] vinden zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v23)

**24** Bouw u steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat[^numeri-32-24-29] uit uw mond uitgegaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v24)

**25** Toen[^numeri-32-25-30] spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, zoals mijn heer gebiedt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v25)

**26** Onze kinderen, onze vrouwen, onze bezittingen en al onze beesten zullen daar zijn in de steden van Gilead; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v26)

**27** Maar uw knechten zullen overtrekken, al[^numeri-32-27-31] wie ten strijde toegerust is, voor het aangezicht van YHWH tot de strijd, zoals mijn heer gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v27)

**28** [^numeri-32-28-c] Toen gebood Mozes, aangaande hen, de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v28)

**29** En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van YHWH, als het land voor uw aangezicht zal ten onder gebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v29)

**30** Maar als zij niet[^numeri-32-30-32] toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van u in[^numeri-32-30-33] het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v30)

**31** En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat YHWH tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij zo doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v31)

**32** Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht van YHWH naar het land Kanaän; en de bezitting van onze erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v32)

**33** [^numeri-32-33-d] Zo gaf Mozes hun, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden daarvan in het gebied, de steden van het land rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v33)

**34** En de kinderen van[^numeri-32-34-34] Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v34)

**35** En Atroth-Sofan, en Jaëzer, en Jogbeha, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v35)

**36** En Beth-Nimra, en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v36)

**37** En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v37)

**38** En[^numeri-32-38-35] Nebo, en Baäl-Meon,[^numeri-32-38-36] veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v38)

**39** [^numeri-32-39-e] En de kinderen van Machir, de zoon van Manasse,[^numeri-32-39-37] gingen naar Gilead, en namen[^numeri-32-39-38] dat in, en[^numeri-32-39-39] zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v39)

**40** Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse; en hij woonde daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v40)

**41** [^numeri-32-41-40] Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam[^numeri-32-41-41] hun dorpen in, en hij noemde die[^numeri-32-41-42] Havvoth-Jaïr. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v41)

**42** En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar[^numeri-32-42-43] bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/32.html#v42)

[^numeri-32-1-1]: Kanttekening 1: machtig veel: Hebreeuws, zeer machtig. De Israëlieten waren wel vast doorgaans omgaande met vee, gelijk te zien is Gen. 46:32 , 46:34 , en Gen. 47:3 , 47:4 , enz., maar het schijnt dat deze twee stammen zich boven andere daartoe hadden begeven, hebbende misschien \[gelijk sommigen menen\] in Egypte bijzondere gelegenheid gehad van bekwame akkers in hun woonplaatsen, en verder in het veroveren van de koninkrijken van Sihon en Og, en de grote nederlaag van de Midianieten, daarop gelet, dat zij voor zichzelven veel vee mochten nemen, en van anderen kopen of verwisselen. Genesis 46:32 : En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht. Genesis 46:34 : Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel. Genesis 47:3 : Toen zei Farao tot zijn broers: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders. Genesis 47:4 : Verder zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!
[^numeri-32-1-2]: Kanttekening 2: voor vee: Hebreeuws, van vee; dat is, zij bemerkten en bevonden dat deze gehele omstreekt recht bekwaam en dienstig zou zijn voor hun vee.
[^numeri-32-4-3]: Kanttekening 3: dat YHWH: Dat is, welks inwoners.
[^numeri-32-6-4]: Kanttekening 4: Zullen uw broers ten strijde gaan: Mozes weigert niet alleen dit land hun ten erve te geven, zo het Israël van God ook ten erve gegeven was, Deut. 2:12 , 2:31 , maar bestraft hen scherpelijk, dat zij zich van hun broers wilden afzonderen en tot rust begeven, latende die alleen ten strijde gaan; dat hun niet betaamde, en ergernis, als ook versaagdheid, bij hun medebroers veroorzaken, en het voltooien van Gods beloften \[zoveel in hen was\] zou verachteren, gelijk in het volgende verklaard wordt. Deuteronomium 2:12 : Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hun plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het land van zijn erfenis, dat YHWH hun gegeven heeft. Deuteronomium 2:31 : En YHWH zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.
[^numeri-32-7-5]: Kanttekening 5: Dat is, uw medebroers met uw exempel onlustig of onwillig maken. Vergelijk Deut. 1:28 ; Hand. 21:13 ; zo vers 9 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Handelingen 21:13 : Maar Paulus antwoordde: Wat doet u, dat u weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heer Jezus. Numeri 32:9 : Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart van de kinderen van Israël, dat zij niet gingen naar het land, dat YHWH hun gegeven had.
[^numeri-32-8-a]: Verwijzing a: boven, Num. 13:3 ; Deut. 1:22 . Numeri 13:3 : Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 1:22 : Toen naderde u allen tot mij, en zeide: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.
[^numeri-32-9-6]: Kanttekening 6: dal Eskol: Anders, beek. Zie boven, Num. 13:24 ; Deut. 1:24 . Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden. Deuteronomium 1:24 : Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden dat.
[^numeri-32-11-b]: Verwijzing b: boven, Num. 14:28 ; Deut. 1:35 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^numeri-32-11-7]: Kanttekening 7: van twintig jaren oud: Hebreeuws, van een zoon van twintig jaar, enz.
[^numeri-32-11-8]: Kanttekening 8: Want zij hebben niet: Dit is een onvolkomen rede, in het eedzweren gebruikelijk. Zie boven, Num. 14:23 , 14:28 , 14:35 ; Deut. 1:35 , en vergelijk Gen. 14:23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering van degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven! Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^numeri-32-11-9]: Kanttekening 9: volhard Mij na te volgen: Hebreeuws, zij hebben niet vervuld \[te gaan\] achter Mij. Met gelijke manier van spreken wordt het tegendeel van Jozua en Kaleb in Num. 31:12 gezegd. Zie Deut. 1:36 , en boven, Num. 14:24 . Numeri 31:12 : Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho. Deuteronomium 1:36 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft YHWH te volgen. Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, waarin hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
[^numeri-32-12-10]: Kanttekening 10: Vergelijk Joz. 15:17 ; Richt. 1:13 , en Richt. 3:9 , 3:11 ; 1 Kron. 4:13 , 4:15 . Jozua 15:17 : Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. Richteren 1:13 : Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. Richteren 3:9 : Zo riepen de kinderen van Israël tot YHWH; en YHWH verwekte de kinderen van Israël een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij. Richteren 3:11 : Toen was het land veertig jaren stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. 1 Kronieken 4:13 : En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath. 1 Kronieken 4:15 : De kinderen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
[^numeri-32-12-11]: Kanttekening 11: volhard YHWH na te volgen: Zie op vers 11 . Numeri 32:11 : Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;
[^numeri-32-13-12]: Kanttekening 12: veertig jaren: Zijnde, om de volheid van het getal, er onder mee gerekend de twee jaren van de uittocht uit Egypte, tot het uitzenden van de verspieders van Kades-Barnea.
[^numeri-32-13-13]: Kanttekening 13: kwaad was in de ogen van YHWH: Dat is, wat YHWH kwalijk beviel.
[^numeri-32-14-14]: Kanttekening 14: om de hitte van de toorn van YHWH: Hebreeuws, om nog of, verder toe te doen tot, of boven de hitte, enz.
[^numeri-32-15-15]: Kanttekening 15: Hem u zult afkeren: Namelijk, YHWH. De zin is: Als u YHWH niet langer zult willen navolgen.
[^numeri-32-15-16]: Kanttekening 16: het te laten in de woestijn: Te weten, Israël. De zin is: Hij zal hen weer laten omzwerven in de woestijn, gelijk hun vaderen gebeurd is, totdat zij ook, gelijk die, allen omkomen.
[^numeri-32-16-17]: Kanttekening 17: zij toe tot hem: De Rubenieten en Gadieten kwamen daarna weer tot Mozes.
[^numeri-32-16-18]: Kanttekening 18: schaapskooien bouwen: Het Hebreeuwse woord betekent zulke perken of plaatsen voor het vee, die met heggen, staketsels of muren omtuind en verzekerd waren; zo onder, vers 24 . Numeri 32:24 : Bouwt u steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.
[^numeri-32-17-19]: Kanttekening 19: Of, haastig, of, wakker aangorden, wapenen om \[te gaan\] voor, enz.
[^numeri-32-17-20]: Kanttekening 20: Dat is, wakker heen marcherende voor onze broers, in zulk een getal, als vereist zal worden om die in hun bezitting met gewapende hand te brengen. Zie Joz. 4:12 , 4:13 . Jozua 4:12 : En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en ook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht van de kinderen van Israël, gelijk als Mozes tot hen gesproken had. Jozua 4:13 : Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht van YHWH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
[^numeri-32-17-21]: Kanttekening 21: vanwege de inwoners van het land: Opdat hun middelertijd geen leed overkome van de overige inwoners van het land.
[^numeri-32-18-22]: Kanttekening 22: terugkeren tot onze huizen: Zie Joz. 22:1 -10. Jozua 22:1 : Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse,
[^numeri-32-19-23]: Kanttekening 23: verder heen: Dat is, tot aan het uiterste gebied van Kanaän.
[^numeri-32-19-24]: Kanttekening 24: Te weten, van de zon; dat is, oostwaarts, tegen het oosten van Kanaän, waar Gilead gelegen was.
[^numeri-32-20-25]: Kanttekening 25: toerusten ten strijde: Of, wapenen, de wapenen aandoen, aangorden, vers 17 , en in het volgende. Numeri 32:17 : Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners van het land.
[^numeri-32-21-26]: Kanttekening 26: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, voor YHWH, van wiens aanwezigheid de ark van het verbond een zichtbaar teken was. Zie Joz. 4:13 . Jozua 4:13 : Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht van YHWH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
[^numeri-32-23-27]: Kanttekening 27: u zult uw zonde gewaar worden: Anders, weet dat uw zonde u vinden zal; dat is, de straf van uw zonde u treffen zal.
[^numeri-32-23-28]: Kanttekening 28: vinden zal: Dat is, wanneer u daarom zult gestraft worden.
[^numeri-32-24-29]: Kanttekening 29: uit uw mond uitgegaan is: Dat is, wat u beloofd hebt. Vergelijk boven, Num. 30:3 , enz.; Deut. 23:23 ; Matt. 15:18 . Numeri 30:3 : Maar als een vrouw YHWH een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis haars vaders in haar jonkheid zal verbonden hebben; Deuteronomium 23:23 : Wat uit uw lippen gaat, zult u houden en doen; gelijk als u YHWH, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat u met uw mond gesproken hebt. Mattheüs 15:18 : Maar die dingen, die de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en die ontreinigen de mens.
[^numeri-32-25-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, zei; dat is, zij zeiden allen, als één man, eendrachtiglijk, of, één van hen, uit aller naam.
[^numeri-32-27-31]: Kanttekening 31: wie ten heire toegerust is: Anders, een ieder ten heire gerust. Zo vers 29 . Numeri 32:29 : En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van YHWH, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven.
[^numeri-32-28-c]: Verwijzing c: Joz. 1:13 ; Joz. 4:12 . Jozua 1:13 : Gedenkt aan het woord, dat Mozes, de knecht van YHWH, u geboden heeft, zeggende: YHWH, uw God, geeft u rust, en Hij geeft u dit land; Jozua 4:12 : En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en ook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht van de kinderen van Israël, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.
[^numeri-32-30-32]: Kanttekening 32: toegerust met u zullen overtrekken: Of, gewapend, aangegord, gelijk boven.
[^numeri-32-30-33]: Kanttekening 33: in het land Kanaän: Zij zullen Gilead moeten verlaten en, gelijk de anderen, in Kanaän hun deel en erve hebben.
[^numeri-32-33-d]: Verwijzing d: Deut. 3:12 ; Joz. 13:8 ; Joz. 22:4 . Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Jozua 13:8 : Met die de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; die Mozes hunlieden gaf aan de overzijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, hun gegeven had: Jozua 22:4 : En nu, YHWH, uw God, heeft uw broers rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu opnieuw, en gaat u naar uw tenten, naar het land uw bezitting, dat u Mozes, de knecht van YHWH, gegeven heeft op gene zijde van de Jordaan.
[^numeri-32-34-34]: Kanttekening 34: bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër: Dat is, zij verbouwden, zij bouwden weer op; zo in het volgende. Al deze plaatsen waren gelegen aan de oostzijde van de Jordaan, tussen de rivier Arnon en de Jordaan.
[^numeri-32-38-35]: Kanttekening 35: Zie van deze stad, Deut. 34:1 ; Jes. 15:2 ; Jer. 48:1 . Anders was het ook de naam van een berg. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Jesaja 15:2 : Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jeremia 48:1 : Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt.
[^numeri-32-38-36]: Kanttekening 36: veranderd zijnde van naam: Zij gaven andere namen \[gelijk volgt\] omdat de vorige afgodisch waren; want Nebo en Baäl waren beide namen van afgoden, en ontwijfelijk zijn er zodanige meer geweest.
[^numeri-32-39-e]: Verwijzing e: Gen. 50:23 . Genesis 50:23 : En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
[^numeri-32-39-37]: Kanttekening 37: gingen naar Gilead: Of, waren gegaan, enz. en hadden dat ingenomen; en zo in vers 40 . Numeri 32:40 : Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse; en hij woonde daarin.
[^numeri-32-39-38]: Kanttekening 38: dat in: Versta, een gedeelte van Gilead. Zie Deut. 3:12 , 3:13 , en daar Deut. 3:15 ; idem Gen. 31:21 . Dit deel van Gilead en Jaïrs plaatsen strekte noordwaarts van de beek Jabbok naar Syrië toe. Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden daarvan, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; dat werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 3:15 : En aan Machir gaf ik Gilead. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^numeri-32-39-39]: Kanttekening 39: zij verdreven de Amorieten: Hebreeuws, hij verdreef de Amorieter, enz.; hij, te weten Machir, dat is, zijn nakomelingen.
[^numeri-32-41-40]: Kanttekening 40: Jaïr nu: Deze wordt mee gerekend onder Manasse, omdat zijn grootvader gehuwd was aan Machirs dochter. Zie 1 Kron. 2:21 , 2:22 . 1 Kronieken 2:21 : Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub. 1 Kronieken 2:22 : Segub nu verwekte Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
[^numeri-32-41-41]: Kanttekening 41: hun dorpen in: Van de Gileadieten.
[^numeri-32-41-42]: Kanttekening 42: Dat is, Jaïrs dorpen, vlekken of hoeven. Zie Deut. 3:14 . Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag.
[^numeri-32-42-43]: Kanttekening 43: onderhorige plaatsen: Dat is, vlekken, dorpen, stadjes, die tot Kenath, als de hoofdstad, behoorden. Hebreeuws, dochters. Zie boven, Num. 21:25 , en vergelijk 1 Kron. 2:23 . Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen. 1 Kronieken 2:23 : En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jaïr, van hen, met Kenath en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, de vader van Gilead.

### Numeri 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/33.json)

*Verhaal van de tochten en legeringen van de kinderen van Israel vanaf Egypte tot aan het land Kanaan, vers 1, enz. Bevel om de inwoners van het land te verdrijven en de afgoderij uit te roeien, 50. met zware dreigementen als zij anders doen, 55. om het land door het lot te verdelen, 54.*

**1** Dit zijn de reizen van de Israëlieten, die uit Egypteland vertrokken zijn, naar hun legers, door de[^numeri-33-1-1] hand van Mozes en Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v1)

**2** En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen,[^numeri-33-2-2] naar de mond van YHWH; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v2)

**3** [^numeri-33-3-a] Zij reisden dan van Rameses; in[^numeri-33-3-3] de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, op de andere dag van het pascha, trokken de Israëlieten uit[^numeri-33-3-4] door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v3)

**4** [^numeri-33-4-5] Als de Egyptenaars begroeven degenen, die YHWH onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had YHWH[^numeri-33-4-6] gerichten geoefend aan hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v4)

**5** Als de Israëlieten van[^numeri-33-5-7] Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v5)

**6** [^numeri-33-6-b] En zij verreisden van Sukkoth, en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan het einde van de woestijn is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v6)

**7** [^numeri-33-7-c] En zij verreisden van Etham, en keerden weer naar[^numeri-33-7-8] Pi-hachiroth, dat tegenover Baäl-sefon is, en zij sloegen hun kamp op voor Migdol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v7)

**8** En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en sloegen hun kamp op in[^numeri-33-8-d] Mara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v8)

**9** En zij verreisden van Mara, en kwamen te[^numeri-33-9-e] Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij sloegen hun kamp op daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v9)

**10** En zij verreisden van Elim, en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v10)

**11** En zij verreisden van de Schelfzee, en[^numeri-33-11-f] sloegen hun kamp op in de[^numeri-33-11-9] woestijn Sin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v11)

**12** En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij sloegen hun kamp op in Dofka. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v12)

**13** En zij verreisden van Dofka, en sloegen hun kamp op in Aluz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v13)

**14** En zij verreisden van Aluz, en sloegen hun kamp op in[^numeri-33-14-g] Rafidim; maar daar was geen water voor het volk, om te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v14)

**15** En zij verreisden van Rafidim, en[^numeri-33-15-h] sloegen hun kamp op in de woestijn van Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v15)

**16** En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en[^numeri-33-16-i] sloegen hun kamp op in[^numeri-33-16-10] Kibroth-thaava. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v16)

**17** En zij verreisden van Kibroth-thaava, en sloegen hun kamp op in Hazeroth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v17)

**18** En zij verreisden van Hazeroth, en sloegen hun kamp op in Rithma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v18)

**19** En zij verreisden van Rithma, en sloegen hun kamp op in Rimmon-perez. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v19)

**20** En zij verreisden van Rimmon-perez, en sloegen hun kamp op in Libna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v20)

**21** En zij verreisden van Libna, en sloegen hun kamp op in Rissa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v21)

**22** En zij verreisden van Rissa, en sloegen hun kamp op in Kehelatha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v22)

**23** En zij verreisden van Kehelatha, en sloegen hun kamp op in het gebergte van Safer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v23)

**24** En zij verreisden van het gebergte Safer, en sloegen hun kamp op in Harada. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v24)

**25** En zij verreisden van Harada, en sloegen hun kamp op in Makheloth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v25)

**26** En zij verreisden van Makheloth, en sloegen hun kamp op in Tachath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v26)

**27** En zij verreisden van Tachath, en sloegen hun kamp op in Tharah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v27)

**28** En zij verreisden van Tharah, en sloegen hun kamp op in Mithka. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v28)

**29** En zij verreisden van Mithka, en sloegen hun kamp op in Hasmona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v29)

**30** En zij[^numeri-33-30-k] verreisden van Hasmona, en sloegen hun kamp op in Moseroth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v30)

**31** En zij verreisden van Moseroth, en sloegen hun kamp op in Bene-jaakan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v31)

**32** En zij verreisden van Bene-jaakan, en sloegen hun kamp op in Hor-gidgad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v32)

**33** En zij verreisden van Hor-gidgad, en sloegen hun kamp op in Jotbatha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v33)

**34** En zij verreisden van Jotbatha, en sloegen hun kamp op in Abrona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v34)

**35** En zij verreisden van Abrona, en sloegen hun kamp op in Ezeon-geber. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v35)

**36** En zij verreisden van Ezeon-geber, en[^numeri-33-36-l] sloegen hun kamp op in de woestijn[^numeri-33-36-11] Zin, dat is Kades. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v36)

**37** En zij verreisden van Kades, en[^numeri-33-37-m] sloegen hun kamp op aan de berg Hor, aan het einde van het land van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v37)

**38** [^numeri-33-38-n] Toen ging de priester Aäron op de berg Hor,[^numeri-33-38-12] naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypteland, in de[^numeri-33-38-13] vijfde maand, op de eerste van de maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v38)

**39** Aäron nu[^numeri-33-39-14] was honderd drie en twintig jaar oud, als hij stierf op de berg Hor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v39)

**40** [^numeri-33-40-o] En de Kanaäniet, de koning van[^numeri-33-40-15] Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaän, hoorde, dat de Israëlieten aankwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v40)

**41** En zij[^numeri-33-41-p] verreisden van de berg Hor, en sloegen hun kamp op in Zalmona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v41)

**42** En zij verreisden van Zalmona, en sloegen hun kamp op in Funon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v42)

**43** En zij verreisden van Funon, en[^numeri-33-43-q] sloegen hun kamp op in Oboth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v43)

**44** En zij verreisden van Oboth, en sloegen hun kamp op aan de heuvelen[^numeri-33-44-16] van Abarim, in het gebied van Moab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v44)

**45** En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en sloegen hun kamp op in[^numeri-33-45-17] Dibon-gad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v45)

**46** En zij verreisden van Dibon-gad, en sloegen hun kamp op in Almon-diblathaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v46)

**47** En zij verreisden van Almon-diblathaim, en sloegen hun kamp op in de bergen[^numeri-33-47-18] Abarim, tegen[^numeri-33-47-19] Nebo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v47)

**48** En zij verreisden van de bergen Abarim, en sloegen hun kamp op in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van[^numeri-33-48-20] Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v48)

**49** En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan[^numeri-33-49-21][^numeri-33-49-r] Abel-sittim, in de vlakke velden van de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v49)

**50** En YHWH sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v50)

**51** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v51)

**52** [^numeri-33-52-s] Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beelden verderven; ook zult u al hun[^numeri-33-52-22] gegoten beelden verderven, en al hun[^numeri-33-52-23] hoogten vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v52)

**53** En u zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om het erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v53)

**54** En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten;[^numeri-33-54-t] van hen,[^numeri-33-54-24] die veel zijn, zult u hun erfenis groter maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis kleiner maken; waarheen voor[^numeri-33-54-25] iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen van uw vaders zult u de erfenis nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v54)

**55** Maar als u de inwoners van het land niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het gebeuren, dat, die u van hen zult laten overblijven,[^numeri-33-55-v] tot[^numeri-33-55-26] doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u[^numeri-33-55-27] zullen benauwen op het land, waarin u woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v55)

**56** En het zal gebeuren, dat Ik u zal doen, zoals Ik hun dacht te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/33.html#v56)

[^numeri-33-1-1]: Kanttekening 1: Mozes en Aäron: Dat is, door het beleid.
[^numeri-33-2-2]: Kanttekening 2: naar de mond van YHWH: Dat is, op het bevel van YHWH.
[^numeri-33-3-a]: Verwijzing a: Ex. 12:37 . Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen.
[^numeri-33-3-3]: Kanttekening 3: eerste maand: Genaamd Abib, anders Nisan. Zie Ex. 12:2 , en Ex. 13:4 ; Deut. 1:3 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Deuteronomium 1:3 : En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen van Israël, naar alles wat hem YHWH aan hen bevolen had;
[^numeri-33-3-4]: Kanttekening 4: door een hoge hand: Zie Ex. 14:8 . Exodus 14:8 : Want YHWH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen van Israël najaagde; maar de kinderen van Israël waren door een hoge hand uitgegaan.
[^numeri-33-4-5]: Kanttekening 5: Als de Egyptenaars begroeven: Alhoewel de Egyptenaar door deze begrafenissen van hun eerstgeborenen ten hoogste mochten vertoornd en verbitterd zijn geworden tegen de Israëlieten, die zij voor hun ogen zagen vertrekken, heeft hen God nochtans zo verslagen en versaagd gemaakt, dat zij het hart niet hebben gehad om de kinderen van Israël enig leed te doen, of hun vrediglijk vertrek te verhinderen.
[^numeri-33-4-6]: Kanttekening 6: gerichten geoefend: Zie Ex. 12:12 , en vergelijk Jes. 19:1 . Exodus 12:12 : Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH! Jesaja 19:1 : De last van Egypte. Ziet, YHWH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.
[^numeri-33-5-7]: Kanttekening 7: Rameses verreisd waren: Zie Gen. 47:11 . Genesis 47:11 : En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broers woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.
[^numeri-33-6-b]: Verwijzing b: Ex. 13:20 . Exodus 13:20 : Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde van de woestijn.
[^numeri-33-7-c]: Verwijzing c: Ex. 14:2 . Exodus 14:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij terugkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult u u legeren aan de zee.
[^numeri-33-7-8]: Kanttekening 8: Zie Ex. 15:27 . Exodus 15:27 : Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich daar aan de wateren.
[^numeri-33-8-d]: Verwijzing d: Ex. 15:22 ; idem v. 23 . Exodus 15:22 : Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. Exodus 15:23 : Toen kwamen zij te Mara; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.
[^numeri-33-9-e]: Verwijzing e: Ex. 15:27 . Exodus 15:27 : Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich daar aan de wateren.
[^numeri-33-11-f]: Verwijzing f: Ex. 16:1 . Exodus 16:1 : Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de gehele vergadering van de kinderen van Israël in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinaï, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
[^numeri-33-11-9]: Kanttekening 9: Waar zij, tegen YHWH murmurerende, eerst het manna bekomen hebben. Deze woestijn is te onderscheiden van de andere woestijn Zin, of Tsin, onder, vers 36 . Numeri 33:36 : En zij verreisden van Ezeon-geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
[^numeri-33-14-g]: Verwijzing g: Ex. 17:1 . Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
[^numeri-33-15-h]: Verwijzing h: Ex. 19:1 . Exodus 19:1 : In de derde maand, na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypteland, ten zelfde dage kwamen zij in de woestijn Sinaï.
[^numeri-33-16-i]: Verwijzing i: boven, Num. 11:34 ; idem v. 35 . Numeri 11:34 : Daarom heet men de naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. Numeri 11:35 : Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.
[^numeri-33-16-10]: Kanttekening 10: Dat is, lustgraven.
[^numeri-33-30-k]: Verwijzing k: Deut. 10:6 . Deuteronomium 10:6 : (En de kinderen van Israël reisden van Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.
[^numeri-33-36-l]: Verwijzing l: boven, Num. 20:1 . Numeri 20:1 : Als de kinderen van Israël, de gehele vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven.
[^numeri-33-36-11]: Kanttekening 11: Zie boven, Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^numeri-33-37-m]: Verwijzing m: boven, Num. 20:22 . Numeri 20:22 : Toen reisden zij van Kades; en de kinderen van Israël kwamen, de gehele vergadering, aan de berg Hor.
[^numeri-33-38-n]: Verwijzing n: boven, Num. 20:25 ; Deut. 32:50 . Numeri 20:25 : Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot de berg Hor. Deuteronomium 32:50 : En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
[^numeri-33-38-12]: Kanttekening 12: naar de mond van YHWH: Dat is, naar Gods ordinantie en bevel.
[^numeri-33-38-13]: Kanttekening 13: vijfde maand: Bij de Joden genaamd Ab, passende op onze Juli en Augustus.
[^numeri-33-39-14]: Kanttekening 14: was honderd drie en twintig jaren oud: Hebreeuws, was een zoon van honderd en drie en twintig jaar.
[^numeri-33-40-o]: Verwijzing o: boven, Num. 21:1 . Numeri 21:1 : Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door de weg van de verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit dezelfde gevankelijk weg.
[^numeri-33-40-15]: Kanttekening 15: Of, de koning Harad. Zie de historie van deze, boven, Num. 21:1 , 21:2 , 21:3 , en de aantekeningen daar. Numeri 21:1 : Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door de weg van de verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit hem gevankelijk weg. Numeri 21:2 : Toen beloofde Israël YHWH een gelofte, en zei: Als U dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. Numeri 21:3 : YHWH dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde de naam dier plaats Horma.
[^numeri-33-41-p]: Verwijzing p: boven, Num. 21:4 . Numeri 21:4 : Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg.
[^numeri-33-43-q]: Verwijzing q: boven, Num. 21:10 . Numeri 21:10 : Toen verreisden de kinderen van Israël, en zij legerden zich te Oboth.
[^numeri-33-44-16]: Kanttekening 16: Zijnde bergen in het land van de Moabieten gelegen, en het scheidende van het land van de Ammonieten; zie onder, vers 47 . Numeri 33:47 : En zij verreisden van Almon-diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
[^numeri-33-45-17]: Kanttekening 17: Tot onderscheid van een ander Dibon, dat de kinderen van Ruben toegedeeld is; Joz. 13:15 , 13:17 . Jozua 13:15 : Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon,
[^numeri-33-47-18]: Kanttekening 18: Strekkende van bij de Dode zee, of het zuidelijke einde van Arnon tot aan Nebo.
[^numeri-33-47-19]: Kanttekening 19: Zie Deut. 34:1 . Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe;
[^numeri-33-48-20]: Kanttekening 20: Dat is, waar deze rivier tegenover Jericho is lopende; zo elders meer.
[^numeri-33-49-21]: Kanttekening 21: Enige menen dat dit dezelfde plaats is, die boven alleen Sittim genoemd is, Num. 25:1 , en hier genoemd Abel-Sittim, ten aanzien van de klacht en rouw, die de kinderen van Israël daar bedreven over de plaag van de Heer. Numeri 25:1 : En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten.
[^numeri-33-49-r]: Verwijzing r: boven, Num. 25:1 ; Joz. 2:1 . Numeri 25:1 : En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Jozua 2:1 : Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, waarvan de naam was Rachab, en zij sliepen daar.
[^numeri-33-52-s]: Verwijzing s: Deut. 7:2 ; idem v. 3 . Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^numeri-33-52-22]: Kanttekening 22: gegotene beelden verderven: Hebreeuws, beelden van gieting, of, gegoten dingen.
[^numeri-33-52-23]: Kanttekening 23: hoogten verdelgen: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^numeri-33-54-t]: Verwijzing t: boven, Num. 26:54 . Numeri 26:54 : Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; aan een iedereen zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
[^numeri-33-54-24]: Kanttekening 24: die veel zijn: Zie boven, Num. 26:54 . Numeri 26:54 : Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; aan een iedereen zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.
[^numeri-33-54-25]: Kanttekening 25: voor iemand het lot zal uitgaan: Hebreeuws, hem.
[^numeri-33-55-v]: Verwijzing v: Joz. 23:13 ; Richt. 2:3 . Jozua 23:13 : Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft. Richteren 2:3 : Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
[^numeri-33-55-26]: Kanttekening 26: doornen zullen zijn: Dat is, zij zullen u een gedurige kwelling en verdriet zijn, zij zullen u lust en rust benemen, en ook u verleiden tot zonden, waarom mijn toorn tegenover u ontsteken zal. Zie Joz. 23:13 ; Richt. 2:3 ; vergelijk Ex. 23:33 , en Ex. 34:12 ; Deut. 7:16 . De waarheid van dit goddelijk dreigement hebben de Israëlieten doorgaans ondervonden, tot Davids tijden toe. Jozua 23:13 : Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft. Richteren 2:3 : Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn. Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn.
[^numeri-33-55-27]: Kanttekening 27: Of, vijandiglijk handelen.

### Numeri 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/34.json)

*God beschrijft de grenzen van Kanaan, vers 1, enz. en noemt hen die het aan de kinderen van Israel zullen verdelen, 16.*

**1** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v1)

**2** Gebied de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis[^numeri-34-2-1] vallen zal, het land Kanaän, naar zijn[^numeri-34-2-2] gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v2)

**3** [^numeri-34-3-a] De zuidzijde nu zal u zijn van de woestijn Zin,[^numeri-34-3-3] aan de kant van Edom; en de zuider grens zal u zijn van het einde van[^numeri-34-3-4] de Zoutzee tegen het oosten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v3)

**4** En deze grens zal u omgaan van het zuiden naar de opgang van[^numeri-34-4-5] Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en[^numeri-34-4-6] haar uitgangen zullen zijn,[^numeri-34-4-7] van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar[^numeri-34-4-8] Hazar-addar, en doorgaan naar[^numeri-34-4-9] Azmon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v4)

**5** Verder zal deze grens omgaan van Azmon naar de rivier[^numeri-34-5-10] van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn[^numeri-34-5-11] naar de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v5)

**6** Voor wat betreft de grens van het[^numeri-34-6-12] westen, daar zal u de[^numeri-34-6-13] grote zee de grens zijn; dit zal uw gebied van het westen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v6)

**7** Verder zal u de grens van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult u zich de berg[^numeri-34-7-14] Hor aftekenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v7)

**8** Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te[^numeri-34-8-15] Hamath; en de uitgangen van deze grens zullen zijn naar[^numeri-34-8-16] Zedad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v8)

**9** En deze grens zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-enan; dit zal u de noorder grens zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v9)

**10** Verder zult u zich tot een grens tegen het oosten aftekenen van Hazar-enan naar[^numeri-34-10-17] Sefam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v10)

**11** En deze grens zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze grens afgaan en strekken langs de[^numeri-34-11-18] oever van de zee[^numeri-34-11-19] Cinnereth naar het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v11)

**12** Verder zal deze grens afgaan[^numeri-34-12-20] langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn gebied rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v12)

**13** En Mozes gebood de Israëlieten, zeggende: Dit is het land, dat u door het lot als erfenis innemen zult, dat YHWH aan de negen stammen en de halve stam van Manasse te geven geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v13)

**14** Want de stam van de kinderen van de Rubenieten, naar het huis van hun vaders, en de stam van de kinderen van de Gadieten, naar het huis van hun vaders, hebben ontvangen; en ook de halve stam van Manasse[^numeri-34-14-21] heeft zijn erfenis ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v14)

**15** Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho naar het oosten tegen de[^numeri-34-15-22] opgang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v15)

**16** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v16)

**17** [^numeri-34-17-b] Dit zijn de namen van de mannen, die u het land als erfenis zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v17)

**18** Daartoe zult u[^numeri-34-18-23] uit elke stam een overste nemen, om het land als erfenis uit te delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v18)

**19** En dit zijn de namen van deze mannen: van de stam van Juda, Kaleb, zoon van Jefunne; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v19)

**20** En van de stam van de kinderen van Simeon, Semuël, zoon van Ammihud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v20)

**21** Van de stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v21)

**22** En[^numeri-34-22-24] van de stam van de kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v22)

**23** Van de kinderen van Jozef: van de stam van de kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v23)

**24** En van de stam van de kinderen van Efraïm, de overste Kemuël, zoon van Siftan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v24)

**25** En van de stam van de kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v25)

**26** En van de stam van de kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v26)

**27** En van de stam van de kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v27)

**28** En van de stam van de kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v28)

**29** Dit zijn ze, die YHWH[^numeri-34-29-25] geboden heeft, de Israëlieten de erfenissen uit te delen, in het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/34.html#v29)

[^numeri-34-2-1]: Kanttekening 1: vallen zal: Door loting ten deel zal vallen, of uitgedeeld worden.
[^numeri-34-2-2]: Kanttekening 2: Die in het volgende beschreven worden; vergelijk hiermee Gen. 10:19 , en Gen. 15:18 ; Ex. 23:31 ; Deut. 1:7 , en Deut. 11:24 ; Joz. 1:4 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 23:31 : En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. Deuteronomium 1:7 : Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath. Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Jozua 1:4 : Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het gehele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal ulieder landpale zijn.
[^numeri-34-3-a]: Verwijzing a: Joz. 15:1 . Jozua 15:1 : En het lot voor de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;
[^numeri-34-3-3]: Kanttekening 3: aan de zijden van Edom: Dat is, langs het gebied of grenzen van de Edomieten. Zie Joz. 15:1 . Jozua 15:1 : En het lot voor de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;
[^numeri-34-3-4]: Kanttekening 4: Anders genoemd de Dode zee. Zie Gen. 14:3 . Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^numeri-34-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, van de scorpioenen, waarvan deze plaats de naam kan hebben ontvangen; zie Deut. 8:15 . Dit was aan de zuidelijke einde van de Zoutzee en het oostelijke einde van het gebergte van Edom. Deuteronomium 8:15 : Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
[^numeri-34-4-6]: Kanttekening 6: haar uitgangen: Dat is uitgangen van deze landpale.
[^numeri-34-4-7]: Kanttekening 7: Anders, tegen .
[^numeri-34-4-8]: Kanttekening 8: Deze twee plaatsen worden hier samengevoegd, als na bijeengelegen. Verg. Joz. 15:3 , alwaar ze van elkaar worden afgescheiden, en de eerste genoemd Hezron . De kaarten stellen ze beide aan de noordzijde van het gebergte van Edom, niet ver van Azmon. Jozua 15:3 : En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaä;
[^numeri-34-4-9]: Kanttekening 9: Gelegen aan het westeinde van het gebergte van Edom, niet ver van Gerar.
[^numeri-34-5-10]: Kanttekening 10: rivier van Egypte: Die Egypte van het Joodse land afscheidt. Vergelijk Gen. 15:18 . Anders, naar het dal, of, vallei van Egypte, want daar waren moerassige laagten. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^numeri-34-5-11]: Kanttekening 11: naar de zee: Dat is, naar het westen. Zie Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^numeri-34-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, zee; en zo in het volgende.
[^numeri-34-6-13]: Kanttekening 13: grote zee: Versta, de Middellandse zee, genoemd de Grote zee, in vergelijking van de andere wateren en zeeën of meren, die omtrent het Joodse land zijn.
[^numeri-34-7-14]: Kanttekening 14: Dit is niet geweest de berg Hor, op welke Aäron gestorven is, boven, Num. 33:38 , maar een andere, ook genoemd Hermon, aan het westeinde van het gebergte Libanon. Uit vergelijking van Joz. 13:5 , met dit en vers 8 . Dat de berg Hermon verscheidene namen gehad heeft, blijkt uit Deut. 3:9 , en Deut. 4:48 . Sommigen nemen het voor een berg aan de zee gelegen, die als een hoofd, of kaap \[gelijk wij nu spreken\] uitstak. Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. Jozua 13:5 : Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. Numeri 34:8 : Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze landpale zullen zijn naar Zedad. Deuteronomium 3:9 : (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.) Deuteronomium 4:48 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, welke is Hermon;
[^numeri-34-8-15]: Kanttekening 15: Een vermaarde koninklijke stad, aan de voet van het gebergte Libanon. Zie Gen. 10:18 ; boven, Num. 13:21 ; Joz. 13:5 ; Richt. 3:3 ; 2 Sam. 8:9 ; 1 Kon. 8:65 ; 2 Kon. 14:25 , 14:28 , en 2 Kon. 17:24 , 17:30 , en 2 Kon. 23:33 ; Jer. 49:23 ; Ez. 47:16 , 47:17 , en Ez. 48:1 ; Amos 6:2 ; Zach. 9:2 . Genesis 10:18 : En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid. Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. Jozua 13:5 : Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. Richteren 3:3 : Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath. 2 Samuël 8:9 : Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David de gehele legermacht van Hadad-ezer geslagen had; 1 Koningen 8:65 : Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen. 2 Koningen 14:25 : Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. 2 Koningen 14:28 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damascus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. 2 Koningen 17:30 : Want de mensen van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de mensen van Chut maakten Nergal, en de mensen van Hamath maakten Asima, 2 Koningen 23:33 : Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. Jeremia 49:23 : Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten. Ezechiël 47:16 : Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de landpale van Damascus en tussen de landpale van Hamath is; Hazar Hattichon, dat aan de landpale van Havran is. Ezechiël 47:17 : Zo zal de landpale van de zee af zijn, Hazar-enon, de landpale van Damascus, en het noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath; en dat zal de noorderhoek zijn. Ezechiël 48:1 : Dit nu zijn de namen van de stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde van de weg van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-enan, de landpale van Damascus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij de ooster hoek en westerhoek hebben), zal Dan een snoer hebben. Amos 6:2 : Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath van de Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale? Zacharia 9:2 : En ook zal Hij Hamath daarmee bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;
[^numeri-34-8-16]: Kanttekening 16: Deze en de volgende plaatsen strekten langs het gebergte Libanon van Hamath af, verder aan de westzijde van de Jordaan, waar die begint, tot aan de zee Cinnereth of Gennesareth.
[^numeri-34-10-17]: Kanttekening 17: Ook, naar sommiger gevoelen, genoemd Sifamoth; 1 Sam. 30:28 . 1 Samuël 30:28 : En tot die te Aroër, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,
[^numeri-34-11-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, schouder.
[^numeri-34-11-19]: Kanttekening 19: Naderhand genoemd Gennesareth, bekend in de Evangelische historie. Zie ook Deut. 3:17 . Deuteronomium 3:17 : Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.
[^numeri-34-12-20]: Kanttekening 20: langs de Jordaan: Hebreeuws, naar de Jordaan; te weten, daar en zo als deze rivier van de zee Cinnereth voortloopt en ten laatste valt in de Zoutzee.
[^numeri-34-14-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, hebben.
[^numeri-34-15-22]: Kanttekening 22: Te weten, van de zon.
[^numeri-34-17-b]: Verwijzing b: Joz. 14:1 . Jozua 14:1 : Dit is nu wat de kinderen van Israël geërfd hebben in het land Kanaän; dat de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de kinderen van Israël, hun hebben doen erven;
[^numeri-34-18-23]: Kanttekening 23: uit elke stam een overste: Hebreeuws, een overste, of vorst, een overste uit een stam.
[^numeri-34-22-24]: Kanttekening 24: van de stam van de kinderen van Dan: Of, van de stam van de kinderen Dans, een overste: te weten , Bukki, enz. en zo in het volgende.
[^numeri-34-29-25]: Kanttekening 25: geboden heeft: Of, gesteld, verordineerd heeft, om enz.; vergelijk 2 Sam. 6:21 , en 2 Sam. 7:11 , enz. 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH. 2 Samuël 7:11 : En van die dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u YHWH te kennen, dat YHWH u een huis maken zal.

### Numeri 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/35.json)

*Het aantal steden die de kinderen van Israel aan de Levieten, met weidegronden, moesten geven, vers 1, enz. waaronder zes vrijsteden zouden zijn voor hen die onverwacht of onbewust een doodslag deden, 6. wetten over doodslag, 16. Verbod om losgeld te nemen tot vrijspraak van een schuldige doodslager, of om hen die zich wettig in vrijsteden ophielden voor de vastgestelde tijd naar hun woonplaatsen te laten terugkeren, 31.*

**1** En YHWH sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v1)

**2** [^numeri-35-2-a] Gebied de Israëlieten, dat zij[^numeri-35-2-1] van de erfenis van hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult u aan de Levieten[^numeri-35-2-2] voorsteden geven, aan de steden daaromheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v2)

**3** En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun bezittingen, en voor al hun gedierte, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v3)

**4** En de voorsteden van de steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v4)

**5** En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten,[^numeri-35-5-3] twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het[^numeri-35-5-4] westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v5)

**6** [^numeri-35-6-b] De steden nu, die u aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes[^numeri-35-6-5] vrijsteden, die u geven zult, opdat de[^numeri-35-6-6] moordenaar daarheen vlucht; en daarboven zult u hun twee en veertig steden geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v6)

**7** Al de steden, die u aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v7)

**8** De steden, die u van de bezitting van de Israëlieten geven zult, zult u van die, die[^numeri-35-8-7] vele heeft,[^numeri-35-8-8] vele nemen, en van die, die weinig heeft, weinig nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v8)

**9** Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v9)

**10** Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen:[^numeri-35-10-9][^numeri-35-10-c] Wanneer u over de Jordaan gaat naar het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v10)

**11** Zo zult u[^numeri-35-11-10] maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vlucht, die een[^numeri-35-11-11] ziel[^numeri-35-11-12] onwetend geslagen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v11)

**12** En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de[^numeri-35-12-13] bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve,[^numeri-35-12-14] voordat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v12)

**13** En deze steden, die u geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v13)

**14** [^numeri-35-14-d] Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het[^numeri-35-14-15] land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v14)

**15** Die zes steden zullen voor de Israëlieten, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vlucht, wie een ziel zonder opzet slaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v15)

**16** Maar als hij hem met een ijzeren instrument[^numeri-35-16-16] geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal[^numeri-35-16-17] zeker[^numeri-35-16-18] gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v16)

**17** Of als hij hem met een[^numeri-35-17-19] handsteen, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v17)

**18** Of als hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v18)

**19** De wreker van het bloed, die zal de moordenaar[^numeri-35-19-20] doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v19)

**20** [^numeri-35-20-e] Als hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v20)

**21** Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; degene die geslagen heeft, zal zeker gedood worden, een moordenaar is hij; de bloedwreker zal deze moordenaar[^numeri-35-21-21] doden, als hij hem ontmoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v21)

**22** Maar als hij hem in haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v22)

**23** Of[^numeri-35-23-22] zonder opzet met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn[^numeri-35-23-23] kwaad zoekende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v23)

**24** Zo zal de vergadering richten tussen degene die geslagen heeft, en tussen de bloedwreker, naar deze zelfde bepalingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v24)

**25** En de vergadering zal de[^numeri-35-25-24] moordenaar redden uit de hand van de bloedwreker, en de vergadering zal hem doen terugkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was; en hij zal daarin blijven tot de[^numeri-35-25-25] dood van de hogepriester, die men met de[^numeri-35-25-26] heilige olie gezalfd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v25)

**26** Maar als de moordenaar[^numeri-35-26-27] enigszins zal gaan uit de grenzen van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v26)

**27** En de bloedwreker hem zal vinden buiten de grenzen van zijn vrijstad; zo de bloedwreker de moordenaar zal doden, het zal hem geen[^numeri-35-27-28] bloedschuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v27)

**28** Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood van de hogepriester; maar na de dood van de hogepriester[^numeri-35-28-29] zal de moordenaar terugkeren tot het land van zijn bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v28)

**29** En deze dingen zullen u zijn tot een inzetting van recht, bij uw generaties, in al uw woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v29)

**30** Al wie[^numeri-35-30-30] de[^numeri-35-30-f] ziel slaat,[^numeri-35-30-31] naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar één enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel,[^numeri-35-30-32] dat zij sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v30)

**31** En u zult geen[^numeri-35-31-33] verzoening nemen voor de ziel van de moordenaar, die[^numeri-35-31-34] schuldig is te sterven; want hij zal zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v31)

**32** Ook zult u geen verzoening nemen[^numeri-35-32-35] voor die, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou terugkeren, om te wonen in het[^numeri-35-32-36] land, tot de dood van de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v32)

**33** Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene, die dat vergoten heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v33)

**34** Verontreinig dan het land niet, waarin u gaat wonen, in het midden waarvan Ik wonen zal; want Ik ben YHWH, wonende in het midden van[^numeri-35-34-37] de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/35.html#v34)

[^numeri-35-2-a]: Verwijzing a: Joz. 21:2 . Jozua 21:2 : En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaän, zeggende: YHWH heeft geboden door de dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.
[^numeri-35-2-1]: Kanttekening 1: erfenis van hun bezitting: Alhoewel God de Levieten geen erfenis, als aan de andere stammen, in Kanaän heeft toegelegd, zo heeft Hij nochtans gewild dat zij alom in het land hun woonsteden zouden hebben, om het volk bekwamer met Gods woord te bedienen, en op de bewaring van de reine godsdienst acht en toezicht te nemen.
[^numeri-35-2-2]: Kanttekening 2: Hierdoor worden verstaan de naast omliggende landen of velden, die de Levieten zouden dienen, niet alleen tot schuren en stalling voor koren en beesten, enz., maar ook, naar sommiger gevoelen, tot bouwland en weiland. Zie Jer. 32:7 . Jeremia 32:7 : Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want u hebt het recht van lossing, om te kopen.
[^numeri-35-5-3]: Kanttekening 3: twee duizend ellen: Boven de duizend ellen, die in vers 4 vermeld zijn, nog een duizend, of, zoals anderen menen, nog twee andere duizend ellen, dienende tot weiden en akkerbouw, naar sommiger gevoelen. Anderen verstaan dat in vers 5 verklaard wordt de manier van de voorzegde duizend ellen rondom de stad te meten van het ene kwartier tot het andere, zo rechtuit als in het rond; of, dat hier nu gemene burgerlijke ellen verstaan worden, waarvan de twee duizend maar een duizend heilige ellen maakten, gelijk de sikkel van het heiligdom dubbel zoveel deed als de gemene of burgerlijke sikkel; waarvan het oordeel de verstandige lezer bevolen wordt. Numeri 35:4 : En de voorsteden van de steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom. Numeri 35:5 : En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.
[^numeri-35-5-4]: Kanttekening 4: van het westen: Hebreeuws, van de zee.
[^numeri-35-6-b]: Verwijzing b: Joz. 21:21 . Jozua 21:21 : En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van het doodlager, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden;
[^numeri-35-6-5]: Kanttekening 5: Of, steden van toevlucht, toeloop. Zie Joz. 20:2 . Jozua 20:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Geeft voor u de vrijsteden, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes.
[^numeri-35-6-6]: Kanttekening 6: Versta, die onwetend en onwillens een doodslag gedaan heeft, gelijk onder, vers 11 , 35:15 , 35:22 , 35:23 . Numeri 35:11 : Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft. Numeri 35:15 : Die zes steden zullen voor de kinderen van Israël, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vliede, wie een ziel onvoorziens slaat. Numeri 35:22 : Maar als hij hem met haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; Numeri 35:23 : Of onvoorziens met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;
[^numeri-35-8-7]: Kanttekening 7: vele heeft: Vergelijk boven, Num. 33:54 , en zie Joz. 21:9 , 21:16 . Numeri 33:54 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen van uw vaderen zult u de erfenis nemen. Jozua 21:9 : Verder gaven zij van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
[^numeri-35-8-8]: Kanttekening 8: vele nemen: Hebreeuws, vermenigvuldigen; dat is, vele steden nemen, of de Levieten geven.
[^numeri-35-10-9]: Kanttekening 9: Wanneer u over de Jordaan gaat: Of, als u over de Jordaan zult gekomen zijn, enz.
[^numeri-35-10-c]: Verwijzing c: Deut. 19:2 ; Joz. 20:2 . Deuteronomium 19:2 : Zo zult u u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten. Jozua 20:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Geeft voor u de vrijsteden, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes.
[^numeri-35-11-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, u zult u steden doen ontmoeten, of, maken te bejegenen; dat is, de vrijsteden zo ordineren dat zij bij de hand en niet ver af gelegen zijn, opdat de onschuldige moordenaar op het spoedigst daarheen mag vluchten, en niet vervalle in de hand van de bloedwreker. Vergelijk Deut. 19:3 , en aantekeningen daar. Deuteronomium 19:3 : U zult u de weg bereiden, en de pale van uw land, dat u YHWH, uw God, zal doen erven, in drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder moordenaar daarheen vliede.
[^numeri-35-11-11]: Kanttekening 11: ziel … geslagen heeft: Dat is, een mens doodgeslagen heeft.
[^numeri-35-11-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, door dwaling; dat is, onwetend, gelijk Deut. 19:4 , 19:5 ; zo onder, vers 15 , 35:22 , 35:23 . Deuteronomium 19:4 : En dit zij de zaak van de moordenaar, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte; Deuteronomium 19:5 : Als, die met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van de steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in één van deze steden vluchten en leven; Numeri 35:15 : Die zes steden zullen voor de kinderen van Israël, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vliede, wie een ziel onvoorziens slaat. Numeri 35:22 : Maar als hij hem met haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; Numeri 35:23 : Of onvoorziens met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;
[^numeri-35-12-13]: Kanttekening 13: Zie de verzen 19, 21, 24, 27, alwaar hij bloedwreker genoemd wordt.
[^numeri-35-12-14]: Kanttekening 14: Van de hand van de bloedwreker. Zie Deut. 16:6 . Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte.
[^numeri-35-14-d]: Verwijzing d: Deut. 4:41 ; Joz. 20:8 . Deuteronomium 4:41 : Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^numeri-35-14-15]: Kanttekening 15: Over de Jordaan. Vergelijk Deut. 19:8 , 19:9 , 19:10 . Deuteronomium 19:8 : En als YHWH, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaderen te geven gesproken heeft; Deuteronomium 19:9 : (Wanneer u al ditzelfde gebod zult waarnemen, om dat te doen, wat ik u heden gebiede, YHWH, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult u u nog drie steden toedoen tot deze drie; Deuteronomium 19:10 : Opdat het bloed van de onschuldige niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.
[^numeri-35-16-16]: Kanttekening 16: geslagen heeft: Versta, niet onvoorziens of onwetend, maar wetens en willens.
[^numeri-35-16-17]: Kanttekening 17: zekerlijk gedood: Hebreeuws, zal stervende, of, met de dood gedood worden; en zo vers 17 , 35:18 , 35:21 . Numeri 35:17 : Of als hij hem met een handsteen, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zekerlijk gedood worden. Numeri 35:18 : Of als hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zekerlijk gedood worden. Numeri 35:21 : Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; de slager zal zekerlijk gedood worden, een moordenaar is hij; de bloedwreker zal deze moordenaar doden, als hij hem ontmoet.
[^numeri-35-16-18]: Kanttekening 18: Ofschoon hij in een vrijstad mocht gevlucht zijn. Zie Deut. 19:11 , 19:12 . Deuteronomium 19:11 : Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot één van die steden; Deuteronomium 19:12 : Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve.
[^numeri-35-17-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, steen van de hand; dat is, met de hand geworpen.
[^numeri-35-19-20]: Kanttekening 20: Vergelijk Deut. 19:12 , en boven, vers 12 , en onder, vers 30 . Deuteronomium 19:12 : Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve. Numeri 35:12 : En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe. Numeri 35:30 : Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve.
[^numeri-35-20-e]: Verwijzing e: Deut. 19:11 . Deuteronomium 19:11 : Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lage legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot één van die steden;
[^numeri-35-21-21]: Kanttekening 21: Anders, mogen doden.
[^numeri-35-23-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, zonder te zien. Anders, zonder hem te zien.
[^numeri-35-23-23]: Kanttekening 23: kwaad zoekende: Dat is, ongeluk, schade, kwetsing, veelmin zijn dood.
[^numeri-35-25-24]: Kanttekening 24: Versta, die onwillens en onwetend zijn naaste geslagen heeft, gelijk vers 23 . Numeri 35:23 : Of onvoorziens met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;
[^numeri-35-25-25]: Kanttekening 25: Of, het sterven, en zo in het volgende.
[^numeri-35-25-26]: Kanttekening 26: heilige olie: Zijnde zo een voorbeeld van de Messias, van onze Hogepriester en Zaligmaker Jezus Christus, die door zijn dood het handschrift onzer zonden uitgewist en ons met God verzoend heeft. Zie ook Lev. 21:10 , en vergelijk Ps. 45:8 ; Ef. 2:16 , 2:17 ; Kol. 2:14 ; Hebr. 1:9 . Leviticus 21:10 : En hij, die de hogepriester onder zijn broers is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn kleren scheuren. Psalmen 45:8 : U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Efeziërs 2:16 : En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap daaraan gedood hebbende. Efeziërs 2:17 : En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren. Kolossensen 2:14 : Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft dat uit het midden weggenomen, het aan het kruis genageld hebbende; Hebreeën 1:9 : U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw medegenoten.
[^numeri-35-26-27]: Kanttekening 27: enigszins zal gaan uit: Hebreeuws, uitgaande uit zal gaan.
[^numeri-35-27-28]: Kanttekening 28: bloedschuld zijn: Hebreeuws, bloed; dat is, bloedschuld, of, doodslag zijn. De zin is: het zal hem bij de rechters voor geen doodslag toegerekend worden. Zie Gen. 37:26 . Genesis 37:26 : Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^numeri-35-28-29]: Kanttekening 29: Dat is, mogen terugkeren tot zijn vorige eigen woonplaats.
[^numeri-35-30-30]: Kanttekening 30: de ziel slaat: Dat is, een mens of persoon het leven beneemt; dat sommigen hier verstaan van het straffen van de moordenaar.
[^numeri-35-30-f]: Verwijzing f: Deut. 17:6 ; Deut. 19:15 . Deuteronomium 17:6 : Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
[^numeri-35-30-31]: Kanttekening 31: zal men de moordenaar doden: Dit ziet op de rechter, of bloedwreker, die een moordenaar niet mocht doden zonder voorafgaande wettelijke overtuiging.
[^numeri-35-30-32]: Kanttekening 32: dat zij sterve: Hebreeuws, om te sterven; dat is, men zal niemand doden op eens mensen getuigenis alleen.
[^numeri-35-31-33]: Kanttekening 33: geen verzoening: Dat is, geen verzoengeld, of enig geschenk, om het leven van de moordenaar te sparen, of hem \[gelijk men zegt\] pardon geven.
[^numeri-35-31-34]: Kanttekening 34: schuldig is te sterven: Wie bevonden wordt de dood verdiend te hebben. Het Hebreeuwse woord betekent een ongerechtige, of een, die onrecht en schuld heeft; en wordt tegengesteld aan de gerechtige, rechtvaardige of onschuldige in zaken van gericht. Vergelijk Deut. 25:1 . Anders wordt het ook in het algemeen genomen voor een goddeloze, ongoddelijke, boze, onvrome, die geduriglijk onrustig en woelende is in het kwade, gelijk Jes. 57:20 geschreven staat. Vergelijk Job 9:20 . Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. Jesaja 57:20 : Maar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. Job 9:20 : Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
[^numeri-35-32-35]: Kanttekening 35: voor die, die gevlucht is: Anders, voor het vluchten; om hem te vergunnen, dat hij niet behoefde te vluchten naar een vrijstad, of dat hij, daarin gevlucht zijnde, vandaar vrij tot zijn woonplaats zou mogen terugkeren, vóór de dood van de hogepriester.
[^numeri-35-32-36]: Kanttekening 36: Zijn bezitting, gelijk boven, vers 28 ; dat is, zijn vorige eigen woonplaats. Numeri 35:28 : Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood van de hogepriester; maar na de dood van de hogepriester zal de moordenaar terugkeren tot het land van zijn bezitting.
[^numeri-35-34-37]: Kanttekening 37: Ik ben YHWH: Of, Ik, YHWH, ben wonende, enz.

### Numeri 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/numeri/36.json)

*Mozes, gevraagd over de dochters van Zelafead, gebiedt op bevel van de HEERE dat zij zullen trouwen binnen hun vaderlijke stam, vers 1, enz. Een gelijk algemeen bevel over alle ervende dochters, 8. Gehoorzaamheid van de dochters van Zelafead, 10.*

**1** En de[^numeri-36-1-1] familiehoofden van het geslacht de kinderen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, uit de geslachten van de kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van de oversten,[^numeri-36-1-2] familiehoofden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v1)

**2** En zeiden:[^numeri-36-2-a] YHWH heeft[^numeri-36-2-3] mijn heer[^numeri-36-2-4] geboden, dat land door het lot aan de Israëlieten in erfenis te geven;[^numeri-36-2-b] en mijn heer is door YHWH[^numeri-36-2-5] geboden, de erfenis van[^numeri-36-2-6] onze[^numeri-36-2-7] broer Zelafead te geven aan zijn dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v2)

**3** Wanneer zij één van de zonen van de andere stammen van de Israëlieten[^numeri-36-3-8] tot vrouwen zouden worden, zo zou haar erfenis van de erfenis van onze vaders afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van die stam, aan welke zij geworden zouden; zo zou van het lot van onze erfenis worden afgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v3)

**4** Als ook de Israëlieten een[^numeri-36-4-9] jubeljaar zullen hebben, zo zou haar erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van die stam, aan welke zij zouden geworden zijn; zo zou haar erfenis van de erfenis van de stam van onze vaders afgetrokken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v4)

**5** Toen gebood Mozes de Israëlieten, naar de mond van YHWH, zeggende: De stam van de kinderen van Jozef spreekt recht.[^numeri-36-5-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v5)

**6** Dit is het woord, dat YHWH van de dochters van Zelafead geboden heeft, zeggende: Laat zij die tot vrouwen worden, die in haar[^numeri-36-6-11] ogen goed zal zijn; alleen, dat zij aan het geslacht van de stam van haar vader tot vrouwen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v6)

**7** Zo zal de erfenis van de Israëlieten niet omgewend worden van stam tot stam; want de Israëlieten zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van de stam van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v7)

**8** [^numeri-36-8-12]Verder zal elke dochter, die een erfenis erft, van de stammen van de Israëlieten, tot vrouw worden aan één van het geslacht van de stam van haar vader; opdat de Israëlieten erfelijk bezitten, een ieder de erfenis van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v8)

**9** Zo zal de erfenis niet omgewend worden van de ene stam tot de anderen; want de stammen van de Israëlieten zullen aanhangen, een ieder aan zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v9)

**10** Zoals YHWH Mozes geboden had, zo deden de dochters van Zelafead; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v10)

**11** [^numeri-36-11-c] Want Machla, Thirza, en Hogla, en Milka, en Noha, dochters van Zelafead, zijn aan de zonen van haar ooms tot vrouwen geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v11)

**12** Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; zo[^numeri-36-12-13] bleef haar erfenis aan de stam van het geslacht van haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v12)

**13** Dat zijn de geboden en de rechten, die YHWH door de[^numeri-36-13-14] dienst van Mozes aan de Israëlieten geboden heeft, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/numeri/36.html#v13)

[^numeri-36-1-1]: Kanttekening 1: familiehoofden: Wie het toekwam te letten op de zaken, die de algemene welvaart van de ganse stam waren aangaande.
[^numeri-36-1-2]: Kanttekening 2: familiehoofden: Van de instelling van deze vergadering, zie boven, Num. 11 .
[^numeri-36-2-a]: Verwijzing a: boven, Num. 26:55 ; idem 26:56 ; boven, Num. 33:54 . Numeri 26:55 : Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen hun vaderen zullen zij erven. Numeri 26:56 : Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen. Numeri 33:54 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uw vaderen zult u de erfenis nemen.
[^numeri-36-2-3]: Kanttekening 3: mijn heer: Dat is, u Mozes.
[^numeri-36-2-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Num. 26:55 , 26:56 , en Num. 33:54 . Numeri 26:55 : Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij erven. Numeri 26:56 : Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen. Numeri 33:54 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis meerder maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen van uw vaderen zult u de erfenis nemen.
[^numeri-36-2-b]: Verwijzing b: boven, Num. 27:7 ; Joz. 17:3 ; idem v. 4 . Numeri 27:7 : De dochters van Zelafead spreken recht; u zult haar ganselijk geven de bezitting van een erfenis, in het midden van de broers haars vaders; en u zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. Jozua 17:3 : Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. Jozua 17:4 : Deze dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van Jozua, de zoon van Nun, en voor het aangezicht van de oversten, zeggende: YHWH heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden onzer broers. Daarom gaf hij haar, naar de mond van YHWH, een erfdeel in het midden van de broers van haar vader.
[^numeri-36-2-5]: Kanttekening 5: Zie boven, Num. 27:7 . Zij willen zeggen dat het voorgaande gebod, van de erfenissen bij loting uit te delen, hiermee niet wel zou accorderen als de dochters door het huwelijk de erfenissen aan andere stammen zouden overbrengen, gelijk in het volgende blijkt. Numeri 27:7 : De dochters van Zelafead spreken recht; u zult haar ganselijk geven de bezitting van een erfenis, in het midden van de broers haars vaders; en u zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.
[^numeri-36-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, bloedverwant, zijnde van onze stam.
[^numeri-36-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, Tselophchad.
[^numeri-36-3-8]: Kanttekening 8: tot vrouwen zouden worden: Dat is, trouwen; zo in het volgende.
[^numeri-36-4-9]: Kanttekening 9: jubeljaar zullen hebben: Waarin een ieder terugkeerde tot zijn bezitting. Zie Lev. 25:13 , welke wet door zulke huwelijken zou teniet gedaan worden. Leviticus 25:13 : Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting.
[^numeri-36-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, bevel; waarmee te kennen wordt gegeven dat Mozes YHWH hierover eerst raad heeft gevraagd.
[^numeri-36-6-11]: Kanttekening 11: ogen goed zal zijn: Dat is, die haar zal mogen bevallen; aan welke het haar zal goeddunken.
[^numeri-36-8-12]: Kanttekening 12: Verder zal elke dochter: Dit is nu een generale wet, die het God geliefd heeft bij deze occasie te geven voor de staat van Israël, aangaande de dochters, die bij gebreke van mannelijke erven zouden komen te erven in haar vaderlijk huis.
[^numeri-36-11-c]: Verwijzing c: boven, Num. 27:1 . Numeri 27:1 : Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
[^numeri-36-12-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, was, of is geweest. Zie Ps. 37:18 . Psalmen 37:18 : Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^numeri-36-13-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, hand.

## Deuteronomium

### Deuteronomium 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/1.json)

*Waar en wanneer Mozes de wet van God herhaald heeft, vers 1, enz. Kort verhaal van wat met Israel gebeurde vanaf de tijd dat zij van Horeb vertrokken tot zij bij Kades-Barnea kwamen, namelijk: Gods bevel om te vertrekken, met belofte, 6. Instelling van rechters en ambtslieden, 9. Reis door de woestijn en aankomst bij Kades-Barnea, 19. uitzending, terugkeer en verslag van de verspieders, 22. weerspannigheid en gemopper van het volk, 26. Gods toorn en vonnis tegen de ongehoorzamen, 34. Die tegen Gods bevel optrekken, door de Amorieten geslagen worden en, hoewel zij klagen, door God niet verhoord worden, 41.*

**1** Dit[^deuteronomium-1-1-1] zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft,[^deuteronomium-1-1-2] aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het[^deuteronomium-1-1-3] vlakke veld tegenover[^deuteronomium-1-1-4] Suf, tussen[^deuteronomium-1-1-5] Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v1)

**2** Elf dagreizen zijn het van[^deuteronomium-1-2-6] Horeb,[^deuteronomium-1-2-7] door de weg van het[^deuteronomium-1-2-8] gebergte Seïr, tot aan[^deuteronomium-1-2-9] Kades-barnea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v2)

**3** En het is gebeurd in het[^deuteronomium-1-3-10] veertigste jaar, in[^deuteronomium-1-3-11] de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de Israëlieten, naar alles wat hem YHWH[^deuteronomium-1-3-12] aan hen bevolen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v3)

**4** [^deuteronomium-1-4-a] Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van[^deuteronomium-1-4-13] de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, die woonde in[^deuteronomium-1-4-14] Astharoth, te Edreï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v4)

**5** Aan deze zijde van de Jordaan, in het[^deuteronomium-1-5-15] land van[^deuteronomium-1-5-16] Moab, hief Mozes aan,[^deuteronomium-1-5-17] deze wet uit te leggen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v5)

**6** YHWH, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende:[^deuteronomium-1-6-18] U bent[^deuteronomium-1-6-19] lang genoeg bij deze berg gebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v6)

**7** Keer u, en vertrekt, en gaat in[^deuteronomium-1-7-20] het gebergte[^deuteronomium-1-7-21] van de Amorieten, en tot al hun buren, in het vlakke veld, op het gebergte, en[^deuteronomium-1-7-22] in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier[^deuteronomium-1-7-23] Frath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v7)

**8** Zie, Ik heb dat land gegeven[^deuteronomium-1-8-24] voor uw aangezicht; ga daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaders,[^deuteronomium-1-8-b] Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v8)

**9** En ik[^deuteronomium-1-9-25] sprak in die tijd tot u, zeggende:[^deuteronomium-1-9-c] Ik alleen zal[^deuteronomium-1-9-26] u niet kunnen dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v9)

**10** YHWH, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en zie, u bent vandaag[^deuteronomium-1-10-27] als de sterren van de hemel in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v10)

**11** YHWH, uw vaders God, doe tot u, zo als u nu bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, zoals Hij tot u gesproken heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v11)

**12** Hoe zou ik alleen[^deuteronomium-1-12-28] uw moeite, en uw last, en uw[^deuteronomium-1-12-29] twistzaken dragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v12)

**13** [^deuteronomium-1-13-30] Neem u wijze, en verstandige, en[^deuteronomium-1-13-31] ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw[^deuteronomium-1-13-32] hoofden stelle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v13)

**14** Toen antwoordde u mij, en zei: Dit[^deuteronomium-1-14-33] woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v14)

**15** Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en voormannen voor uw stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v15)

**16** En ik gebood uw rechters in die tijd, zeggende:[^deuteronomium-1-16-34] Hoor de verschillen tussen uw broers,[^deuteronomium-1-16-d] en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen[^deuteronomium-1-16-35] zijn vreemdeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v16)

**17** [^deuteronomium-1-17-e] U zult het[^deuteronomium-1-17-36] aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de[^deuteronomium-1-17-37] kleine, zowel als de[^deuteronomium-1-17-38] grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht[^deuteronomium-1-17-39] is van God; maar de zaak,[^deuteronomium-1-17-40] die voor u te[^deuteronomium-1-17-41] zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v17)

**18** Zo gebood ik u in die tijd alle zaken, die u zou doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v18)

**19** Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden die gehele grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, zoals YHWH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v19)

**20** Toen zei ik tot u: U bent gekomen tot het gebergte van de Amorieten, dat YHWH, onze God, ons geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v20)

**21** Zie, YHWH, uw God, heeft dat land gegeven[^deuteronomium-1-21-42] voor uw aangezicht; trek op, bezit het erfelijk, zoals YHWH, uw vaders God, tot u gesproken heeft; vrees niet, en ontzet u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v21)

**22** Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons[^deuteronomium-1-22-43] bescheid terugbrengen, welke weg wij daarin optrekken zullen, en tot welke steden wij komen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v22)

**23** Deze zaak nu[^deuteronomium-1-23-44] was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van[^deuteronomium-1-23-f] elke stam een man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v23)

**24** [^deuteronomium-1-24-g] Die keerden zich, en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het[^deuteronomium-1-24-45] dal[^deuteronomium-1-24-46] Eskol, en verspiedden het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v24)

**25** En zij namen van[^deuteronomium-1-25-47] de vrucht van het land in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weer, en zeiden: Het land, dat YHWH, onze God, ons geven zal, is goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v25)

**26** [^deuteronomium-1-26-h] Maar u wilde niet optrekken; maar u was[^deuteronomium-1-26-48] de mond van YHWH, van uw God, opstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v26)

**27** En u morde in uw tenten, en zei: [^deuteronomium-1-27-49] Omdat YHWH ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand van de Amorieten, om ons te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v27)

**28** Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart[^deuteronomium-1-28-50] doen smelten, zeggende: Het is een volk,[^deuteronomium-1-28-51] groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot[^deuteronomium-1-28-52] in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.[^deuteronomium-1-28-53][^deuteronomium-1-28-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v28)

**29** Toen zei ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v29)

**30** YHWH, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v30)

**31** [^deuteronomium-1-31-54] En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat YHWH uw God, u daarin gedragen heeft,[^deuteronomium-1-31-55] als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwam aan deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v31)

**32** Maar[^deuteronomium-1-32-56] door dit woord[^deuteronomium-1-32-57] geloofde u niet aan YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v32)

**33** Die voor uw aangezicht op de weg wandelde,[^deuteronomium-1-33-k] om u de plaats uit te zien, waar u zou legeren; in de nacht[^deuteronomium-1-33-58] in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zou gaan, en overdag in de wolk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v33)

**34** Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer boos, en zwoer, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v34)

**35** Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht,[^deuteronomium-1-35-l] zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaders te zullen geven![^deuteronomium-1-35-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v35)

**36** Behalve[^deuteronomium-1-36-60] Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik[^deuteronomium-1-36-61] het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen;[^deuteronomium-1-36-62] omdat hij volhard heeft YHWH na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v36)

**37** Ook vertoornde zich YHWH op mij[^deuteronomium-1-37-63] om uwentwil, zeggende:[^deuteronomium-1-37-m] U zult daar ook niet inkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v37)

**38** Jozua, de zoon van Nun, die[^deuteronomium-1-38-64] voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het[^deuteronomium-1-38-65] Israël doen erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v38)

**39** En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die vandaag[^deuteronomium-1-39-66] noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v39)

**40** U daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, de weg van de[^deuteronomium-1-40-67] Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v40)

**41** Toen antwoordde u, en zei tot mij: Wij hebben tegen YHWH gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat YHWH, onze God, ons geboden heeft. Als u nu ieder zijn[^deuteronomium-1-41-68] krijgsgereedschap aangordde, en[^deuteronomium-1-41-69] willens was, om[^deuteronomium-1-41-70] naar het gebergte heen op te trekken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v41)

**42** Zo zei YHWH tot mij: Zeg hun: Trek niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het[^deuteronomium-1-42-71] midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v42)

**43** Maar als ik tot u sprak, zo hoorde u niet, maar was de mond van YHWH opstandig, en handelde[^deuteronomium-1-43-72] trots, en trok op naar het gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v43)

**44** Toen[^deuteronomium-1-44-73] trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, zoals[^deuteronomium-1-44-74] de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v44)

**45** Als u nu terugkwam en huilde voor het aangezicht van YHWH, zo verhoorde YHWH uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v45)

**46** Zo bleef u in Kades vele dagen,[^deuteronomium-1-46-75] naar de dagen, dat u er bleef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/1.html#v46)

[^deuteronomium-1-1-1]: Kanttekening 1: Dit zijn de woorden: Anders, dat zijn, of, waren de woorden, enz. Menende dat deze eerste twee verzen, een besluit zijn van de woorden en geschiedenissen, die in het voorgaande verhaald zijn.
[^deuteronomium-1-1-2]: Kanttekening 2: aan deze zijde van de Jordaan: Mozes heeft dit gesproken en geschreven aan de oostzijde van de Jordaan, want hij is daarover niet gekomen, maar in het land van de Moabieten gestorven; onder, Deut. 34:5 . Deuteronomium 34:5 : Zo stierf Mozes, de knecht van YHWH, daar in het land van Moab, naar de mond van YHWH.
[^deuteronomium-1-1-3]: Kanttekening 3: vlakke veld: Versta, de velden, of het effen, platte land van de Moabieten. Zie onder, vers 5 , en Deut. 34:8 ; idem, Num. 22:1 . Deuteronomium 1:5 : Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende: Deuteronomium 34:8 : En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid. Numeri 22:1 : Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.
[^deuteronomium-1-1-4]: Kanttekening 4: Sommigen verstaan hier door Suf de Rode zee, waarin Farao met zijn leger verdronken is, liggende aan Egypte, waarheen Israël weer terug had moeten keren; anderen, de Dode zee, liggende aan het zuidelijke einde van het land van de Moabieten westwaarts; of, de landstreek aan één van deze beide zeeën gelegen. Vergelijk Num. 21:14 . Suf betekent bies, of, schelf, wier, meergras. Numeri 21:14 : (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van YHWH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
[^deuteronomium-1-1-5]: Kanttekening 5: Paran en tussen Tofel: Van Paran, zie Gen. 14:6 ; Num. 10:12 , Num. 12:16 ; van Hazeroth, Num. 12:16 , Num. 33:17 , 33:18 . Sommigen menen dat hier de uiterste palen van het land van de Moabieten beschreven worden, naar het zuiden, noorden en oosten. Tofel, Laban en Dizahab, worden elders in de Schrift niet vermeld, zodat daarvan verscheiden gevoelen is. Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. Numeri 10:12 : En de kinderen van Israël togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran. Numeri 12:16 : Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran. Numeri 12:16 : Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran. Numeri 33:17 : En zij verreisden van Kibroth-thaava, en legerden zich in Hazeroth. Numeri 33:18 : En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.
[^deuteronomium-1-2-6]: Kanttekening 6: Van de berg Horeb, zie Ex. 3:1 , en Ex. 33:6 , enz. Sommigen houden Horeb en Sinaï voor twee bergen, dicht aan elkaar gelegen, gelijk ook enige kaarten hebben. Zie dergelijke onder, Deut. 34:1 . Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. Exodus 33:6 : De kinderen van Israël dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van de berg Horeb. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe;
[^deuteronomium-1-2-7]: Kanttekening 7: door de weg van het gebergte: Dat is, wanneer men van Horeb naar Kades-Barnea recht toereist, de weg van het gebergte Seïr, of Edom, anders ook \[zo het schijnt\] genoemd het gebergte van de Amorieten, onder, vers 7 . Met deze woorden geeft Mozes te verstaan, dat de Israëlieten over een korte weg lang hebben moet reizen. Van Egypte tot aan Kades-Barnea hebben zij omtrent twee jaren doorgebracht. Zie op vers 6 . Vandaar tot de velden Moabs acht en dertig jaren; onder, Deut. 2:14 . Omdat God, vertoornd zijnde, hen weer terug deed keren, totdat de opstandigen in de woestijn waren omgekomen. Zie Num. 14:33 , 14:34 , enz. Deuteronomium 1:7 : Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath. Deuteronomium 1:6 : YHWH, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: U bent lang genoeg bij deze berg gebleven. Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had. Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking.
[^deuteronomium-1-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, die naar het gebergte Seïr of van de Edomieten gaat; hoewel het gebergte van Horeb strekkende naar Edom, ook zo mag zijn genoemd.
[^deuteronomium-1-2-9]: Kanttekening 9: Zie Gen. 16:14 . Genesis 16:14 : Daarom noemde men die put, de put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
[^deuteronomium-1-3-10]: Kanttekening 10: veertigste jaar: Na de uittocht uit Egypte, niet lang voor Mozes' dood, Num. 33:38 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^deuteronomium-1-3-11]: Kanttekening 11: elfde maand: Namelijk, Sebat; Zach. 1:7 . Passende voor een deel op Januari, voor een deel op Februari, wanneer het begin van het jaar genomen wordt van de eerste maand van het kerkelijke jaar, genoemd Abib of Nisan; zie Ex. 12:2 , en Ex. 13:4 ; Neh. 2:1 ; Esth. 3:7 . Zacharia 1:7 : Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Nehemia 2:1 : Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. Esther 3:7 : In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.
[^deuteronomium-1-3-12]: Kanttekening 12: aan hen bevolen had: Dat is, om hun aan te zeggen.
[^deuteronomium-1-4-a]: Verwijzing a: Num. 21:24 ; idem v. 33 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï.
[^deuteronomium-1-4-13]: Kanttekening 13: van de Amorieten: Hebreeuws, van de Amoriet; gelijk elders dikwijls. Zie van dit volk, Gen. 10:16 . Van deze twee geschiedenissen, alsook van Basan, en Astharoth en Edreï, zie Num. 21:21 -35 en Joz. 13:31 . Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, Numeri 21:21 : Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: Jozua 13:31 : En het halve Gilead, en Astharoth, en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.
[^deuteronomium-1-4-14]: Kanttekening 14: in Astharoth: Astharoth en Edreï waren twee koninklijke steden in Basan, naderhand aan de Rubenieten afgestaan, gelegen aan de oostzijde van de Jordaan, aan het gebergte: Astharoth, in het noorden bij Syrië; Edreï in het zuidelijke einde van Basan. Zie Gen. 14:5 \[waar Astharoth Karnaïm genoemd wordt\], en Joz. 13:31 . De afgoden van de Filistijnen en Sidoniërs waren ook Astharoth genoemd; zie Richt. 2:13 . Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; Jozua 13:31 : En het halve Gilead, en Astharoth, en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen. Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^deuteronomium-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, van de Moabieten, gelijk dikwijls.
[^deuteronomium-1-5-16]: Kanttekening 16: hief Mozes aan: Of, heeft Mozes gewild, het heeft hem goed gedacht.
[^deuteronomium-1-5-17]: Kanttekening 17: deze wet uit te leggen: Dat is, de wetten, die hij in de drie voorafgaande boeken had voorgesteld, heeft hij wederhaald, breder verklaard en het volk ingescherpt. Deze uitlegging begint eigenlijk onder, Deut. 4 , nadat Mozes enige geschiedenissen verhaald had, om de Israëlieten tot aandacht en gehoorzaamheid te bewegen.
[^deuteronomium-1-6-18]: Kanttekening 18: U bent: Hebreeuws, het is u veel te blijven, of, wonen, enz.
[^deuteronomium-1-6-19]: Kanttekening 19: lang genoeg: Te weten, omtrent een jaar, want zij zijn in het begin van de derde maand na de uittocht uit Egypte bij Sinaï en Horeb gekomen; Ex. 19:1 , 19:2 . En zijn vandaar getogen in het volgende jaar, op de twintigste dag van de tweede maand; Num. 10:11 . Exodus 19:1 : In de derde maand, na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypteland, ten zelfde dage kwamen zij in de woestijn Sinaï. Exodus 19:2 : Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich daar tegenover die berg. Numeri 10:11 : En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de wolk verheven werd van boven de tabernakel van het getuigenis.
[^deuteronomium-1-7-20]: Kanttekening 20: het gebergte: Beginnende bij de bergen Horeb en Sinaï, en verder strekkende noordwaarts tot aan Kades-Barnea, bij de grenzen van Seïr en Kanaän, naar uitwijzen van de kaart.
[^deuteronomium-1-7-21]: Kanttekening 21: van de Amorieten: Hebreeuws, van de Amorieter en tot al zijn geburen; dat is, naastgelegen plaatsen.
[^deuteronomium-1-7-22]: Kanttekening 22: in het zuiden: Dit ziet op de palen van het beloofde land, tegen het zuiden, westen, noorden en oosten. Vergelijk Num. 34:2 . Maar niettegenstaande dit bevel, zo zouden de opstandigen evenwel in dit land niet komen; onder, vers 35 . Het gebergte Libanon wordt dikwijls in de Schrift vermeld, gelegen aan de noordergrenzen van Kanaän. Numeri 34:2 : Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn gebied. Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^deuteronomium-1-7-23]: Kanttekening 23: Dat is, Eufraat. Zie daarvan Gen. 2:14 , en Gen. 15:18 . Genesis 2:14 : En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^deuteronomium-1-8-24]: Kanttekening 24: voor uw aangezicht: Dat is, Ik heb het voor u opengesteld, dat u het inneemt, enz. Zo wordt van de inwoners van dit land gezegd, dat God hen voor Israëls aangezicht gegeven heeft; dat is \[gelijk de Schrift ook spreekt\] in hun hand, om die te slaan. Zie onder, Deut. 2:31 , 2:33 , en elders dikwijls. Deuteronomium 2:31 : En YHWH zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten. Deuteronomium 2:33 : En YHWH, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.
[^deuteronomium-1-8-b]: Verwijzing b: Gen. 15:18 ; Gen. 17:7 ; idem 17:8 . Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^deuteronomium-1-9-25]: Kanttekening 25: sprak ter zelfder tijd tot u: Naar de raad van Jethro, Ex. 18:19 . Exodus 18:19 : Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees u voor het volk bij God, en breng u de zaken voor God;
[^deuteronomium-1-9-c]: Verwijzing c: Ex. 18:18 . Exodus 18:18 : U zult geheel vervallen, zo u, als dit volk, dat bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, u alleen kunt het niet doen.
[^deuteronomium-1-9-26]: Kanttekening 26: u niet kunnen dragen: Dat is, de last van uw zaken, die onder u voorvallen, zou mij alleen te zwaar zijn.
[^deuteronomium-1-10-27]: Kanttekening 27: als de sterren van de hemel in menigte: Naar de belofte, Gen. 15:5 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn!
[^deuteronomium-1-12-28]: Kanttekening 28: uw moeite: Dat is, de moeite, die u mij aandoet; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-1-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, twist, of, twistzaak; dat is, uwe processen die u tegen elkaar opneemt en voor mij brengt, om mijn uitspraak er over te ontvangen.
[^deuteronomium-1-13-30]: Kanttekening 30: Neemt u wijze: Hebreeuws, geeft.
[^deuteronomium-1-13-31]: Kanttekening 31: ervarene mannen: Anders, bekende.
[^deuteronomium-1-13-32]: Kanttekening 32: hoofden stelle: Dat is, oversten, rechters.
[^deuteronomium-1-14-33]: Kanttekening 33: woord is goed: Of, deze zaak die, enz.
[^deuteronomium-1-16-34]: Kanttekening 34: Hoort de verschillen : Of, horende \[de verschillen\] tussen uwe broers, zo, enz.
[^deuteronomium-1-16-d]: Verwijzing d: Joh. 7:24 . Johannes 7:24 : Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
[^deuteronomium-1-16-35]: Kanttekening 35: zijn vreemdeling: Dat is, die bij, of onder hem is, of verkeert.
[^deuteronomium-1-17-e]: Verwijzing e: Lev. 19:15 ; 1 Sam. 16:7 ; Spreuk. 24:23 ; Jak. 2:1 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. 1 Samuël 16:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan. Spreuken 24:23 : Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed. Jakobus 2:1 : Mijn broers, hebt niet het geloof van onze Heer Jezus Christus, de Heer van de heerlijkheid, met aanneming van de persoon.
[^deuteronomium-1-17-36]: Kanttekening 36: aangezicht in het gericht niet kennen: Dat is, u zult het gericht niet buigen naar enig uiterlijk aanzien, conditie of kwaliteit van degenen, die voor het gericht verschijnen. Zie zulk een manier van spreken Lev. 19:15 , en onder, Deut. 10:17 ; 2 Kron. 19:6 , 19:7 ; Job 13:8 ; Jak. 2:1 , 2:9 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 2 Kronieken 19:6 : En hij zei tot de richters: Ziet wat u doet, want u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor YHWH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 13:8 : Zult u Zijn aangezicht aannemen? Zult u voor God twisten? Jakobus 2:1 : Mijn broers, hebt niet het geloof van onze Heer Jezus Christus, de Heer van de heerlijkheid, met aanneming van de persoon. Jakobus 2:9 : Maar als u de persoon aanneemt, zo doet u zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.
[^deuteronomium-1-17-37]: Kanttekening 37: Dat is, geringen, armen, verachten. Hebreeuws, gelijk de kleinen, gelijk de groten, of zo de kleinen, zo de groten; dat is, de minsten zowel als de meesten.
[^deuteronomium-1-17-38]: Kanttekening 38: Dat is, rijken, vermogenden, aanzienlijken.
[^deuteronomium-1-17-39]: Kanttekening 39: Dat is, het is door God ingesteld, en wordt in zijn naam en van zijnentwege, naar de wetten, die Hij ons voorgeschreven heeft, bediend.
[^deuteronomium-1-17-40]: Kanttekening 40: die voor u: Dat is, zwaarder dan dat u die zoudt kunnen afdoen.
[^deuteronomium-1-17-41]: Kanttekening 41: zwaar zal zijn: Of, hard.
[^deuteronomium-1-21-42]: Kanttekening 42: voor uw aangezicht: Zie boven, vers 8 . Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
[^deuteronomium-1-22-43]: Kanttekening 43: bescheid wederbrengen: Hebreeuws, een woord wederbrengen, of antwoorden.
[^deuteronomium-1-23-44]: Kanttekening 44: was goed in mijn ogen: Dat is, beviel mij wel; daarom heeft Mozes haar ook voor YHWH gebracht, die hem bevel er van gaf; Num. 13:3 . Numeri 13:3 : Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de kinderen van Israël.
[^deuteronomium-1-23-f]: Verwijzing f: Num. 13:2 ; idem v. 3 . Numeri 13:2 : Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, dat Ik de kinderen van Israël geven zal; van elke stam zijn vaderen zult u een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. Numeri 13:3 : Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de kinderen van Israël.
[^deuteronomium-1-24-g]: Verwijzing g: Num. 13:23 . Numeri 13:23 : Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
[^deuteronomium-1-24-45]: Kanttekening 45: Naar het uitwijzen van enige kaarten, was de beek Sorek naast dit dal Eskol, of druivendal, lopende uit het gebergte van Juda. Vergelijk Num. 13:23 , en Richt. 16:4 . Het Hebreeuwse woord betekent somtijds dal, somtijds beek, omdat de beken veel in dalen zijn lopende; hierom hebben anderen beek. Numeri 13:23 : Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen. Richteren 16:4 : En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, wier naam was Delila.
[^deuteronomium-1-24-46]: Kanttekening 46: Dit woord Eskol betekent een bos druiven, een druif. Deze plaats is door de Israëlieten genaamd Druivendal, omdat deze vruchten veel, zonderling schoon en groot daar wiessen, en een monster daarvan door de verspieders was afgesneden, gedragen en medegebracht. Zie Num. 13:24 . Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden.
[^deuteronomium-1-25-47]: Kanttekening 47: vrucht van het land: Te weten, wijndruiven, granaatappelen en vijgen. Zie Num. 13:24 . Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden.
[^deuteronomium-1-26-h]: Verwijzing h: Num. 14:1 . Numeri 14:1 : Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.
[^deuteronomium-1-26-48]: Kanttekening 48: de mond van YHWH: Dat is, tegen het bevel.
[^deuteronomium-1-27-49]: Kanttekening 49: Omdat YHWH ons haat: Anders, uit haat van YHWH tegen ons, heeft Hij, enz. Dat is, omdat Hij ons haat.
[^deuteronomium-1-28-50]: Kanttekening 50: doen smelten: Dat is, hebben ons kleinmoedig, bevreesd en versaagd gemaakt; een gelijkenis genomen van was, dat door het vuur of de hitte van de zon smelt. Zo wordt het hart week door vrees van gevaar en ongeluk. Zo Joz. 2:9 , 2:24 , en Joz. 5:1 ; Jer. 49:23 , enz. Jozua 2:9 : En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Jozua 2:24 : En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, YHWH heeft dat gehele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten. Jozua 5:1 : En het geschiedde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Jeremia 49:23 : Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.
[^deuteronomium-1-28-51]: Kanttekening 51: groter en langer dan wij: Meerder in getal en sterker in krachten.
[^deuteronomium-1-28-52]: Kanttekening 52: in de hemel toe: Dat is, uitnemend sterk en vast; anders, gesterkt \[opgaande\] tot in de hemel. Zie Gen. 11:4 . Genesis 11:4 : En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gehele aarde verstrooid worden!
[^deuteronomium-1-28-53]: Kanttekening 53: Dat is, reuzen, zo genaamd naar een zekeren Enak. Zie Num. 13:22 ; Richt. 1:10 , 1:20 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Richteren 1:10 : En Juda was heengetogen tegen de Kanaänieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai. Richteren 1:20 : En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
[^deuteronomium-1-28-i]: Verwijzing i: Num. 13:28 . Numeri 13:28 : Behalve dat het een sterk volk is, dat in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.
[^deuteronomium-1-31-54]: Kanttekening 54: En in de woestijn: Anders, en wat u gezien hebt in de woestijn.
[^deuteronomium-1-31-55]: Kanttekening 55: als een man zijn zoon draagt: Vergelijk Ex. 19:4 ; Num. 11:12 , en onder, Deut. 32:10 , 32:11 ; Ps. 91:12 ; Jes. 46:3 , 46:4 . Exodus 19:4 : Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Numeri 11:12 : Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaderen gezworen hebt? Deuteronomium 32:10 : Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Deuteronomium 32:11 : Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; Psalmen 91:12 : Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot. Jesaja 46:3 : Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het gehele overblijfsel van het huis van Israël! u die van Mij gedragen bent van de buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. Jesaja 46:4 : En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik u dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
[^deuteronomium-1-32-56]: Kanttekening 56: door dit woord: Anders, door deze zaak; dat is, wat u gezien en gehoord hadt, bewoog u niet.
[^deuteronomium-1-32-57]: Kanttekening 57: geloofde u niet aan YHWH: U vertrouwde niet op hem, dat Hij zijn beloften volbrengen zou.
[^deuteronomium-1-33-k]: Verwijzing k: Ex. 13:21 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^deuteronomium-1-33-58]: Kanttekening 58: opdat Hij u de weg wees: Anders, om u te doen zien op de weg.
[^deuteronomium-1-35-l]: Verwijzing l: Num. 14:22 ; idem v. 23 ; Ps. 95:11 . Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
[^deuteronomium-1-35-59]: Kanttekening 59: gezworen heb uw vaderen te zullen geven: Een onvolkomen rede, in het eedzweren gebruikelijk. Zie Gen. 14:23 , en Num. 14:23 . Sommigen verstaan daarop: zo zal Ik geen God zijn, of, Ik zal niet leven. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^deuteronomium-1-36-60]: Kanttekening 60: En ook Jozua, de zoon van Nun. Zie onder, vers 38 , en Num. 14:6 , 14:30 . Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven. Numeri 14:6 : En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun kleren. Numeri 14:30 : Zo u in dat land komt, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
[^deuteronomium-1-36-61]: Kanttekening 61: het land geven: Versta een deel van het land. Kaleb en Jozua waren mee geweest onder de verspieders, Num. 14:6 . Numeri 14:6 : En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun kleren.
[^deuteronomium-1-36-62]: Kanttekening 62: omdat hij volhard heeft: Hebreeuws, omdat hij vervuld heeft \[te gaan\] achter YHWH, dat is, bestendiglijk YHWH in deze zaak gehoorzaamd en gevolgd heeft. Zie Num. 14:24 , en Num. 32:11 , 32:12 . Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, waarin hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. Numeri 32:11 : Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen; Numeri 32:12 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard YHWH na te volgen.
[^deuteronomium-1-37-63]: Kanttekening 63: om uwentwil: Want Mozes werd door het ongeloof en morren van het volk, zo ontsteld en verstoord, dat hij zich aan YHWH vergreep. Zie de historie Num. 20:10 , 20:11 , 20:12 . Numeri 20:10 : En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoort toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen? Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^deuteronomium-1-37-m]: Verwijzing m: Num. 20:12 ; Num. 27:14 ; onder, Deut. 3:26 ; onder, Deut. 4:21 ; onder, Deut. 34:4 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. Numeri 27:14 : Aangezien u Mijn mond opstandig bent geweest in de woestijn Zin, in de twisting van de vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin. Deuteronomium 3:26 : Maar YHWH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar YHWH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak. Deuteronomium 4:21 : Ook vertoornde Zich YHWH over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat YHWH, uw God, u ter erfenis geven zal. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^deuteronomium-1-38-64]: Kanttekening 64: voor uw aangezicht staat: Dat is, die steeds bij en omtrent u is, om u te dienen, die op u past. Vergelijk 1 Kon. 1:2 ; Dan. 1:5 , 1:19 . 1 Koningen 1:2 : Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde. Daniël 1:5 : En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken van het voedsel van de koning, en van de wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren zo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht van de koning. Daniël 1:19 : En de koning sprak met hen; maar er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht van de koning.
[^deuteronomium-1-38-65]: Kanttekening 65: Israël doen erven: Dat is, hij zal niet alleen in het land Kanaän komen, maar ook in uw plaats na uw overlijden gesteld worden; daarom onderwijs, vermaan en sterk hem, om hem tot dat hoge ambt te bereiden.
[^deuteronomium-1-39-66]: Kanttekening 66: noch goed noch kwaad weten: Een manier van spreken in de Schrift gebruikelijk, om de kindsheid of kindse jaren te beschrijven. Zie gelijke manier van spreken Jes. 7:15 ; Jona 4:11 . Jesaja 7:15 : Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede. Jona 4:11 : En Ik zou die grote stad Nineve niet sparen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?
[^deuteronomium-1-40-67]: Kanttekening 67: Dat is, biezenzee \[gemeenlijk genaamd het Rode meer \], die zij door Gods machtige hand tevoren gepasseerd waren, en vandaar zover naar het beloofde land gereisd hadden.
[^deuteronomium-1-41-68]: Kanttekening 68: Of, krijgswapenen.
[^deuteronomium-1-41-69]: Kanttekening 69: willens was: Of, gereed was, u daartoe bereidde. Anders, u verstoutet, of, vermetelijk onderwondt.
[^deuteronomium-1-41-70]: Kanttekening 70: naar het gebergte heen op te trekken: Zie boven, vers 2 . Deuteronomium 1:2 : Elf dag reizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-barnea.
[^deuteronomium-1-42-71]: Kanttekening 71: midden van u: Met mijn genade en gewoonlijken bijstand. Vergelijk onder, Deut. 23:14 . Deuteronomium 23:14 : Want YHWH, uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie, en achterwaarts van u afkere.
[^deuteronomium-1-43-72]: Kanttekening 72: Alsof u zonder Gods hand en hulp door uw eigen krachten uw vijanden kondt overwinnen.
[^deuteronomium-1-44-73]: Kanttekening 73: togen de Amorieten uit: Hebreeuws, de Amoriet toog uit, enz.
[^deuteronomium-1-44-74]: Kanttekening 74: de bijen doen: Die, getergd en vertoornd zijnde, met menigte van alle kanten dengene navliegen, steken en verjagen, die haar komt storen. Zie Ps. 118:12 . Psalmen 118:12 : Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in de Naam van YHWH, dat ik ze verhouwen heb.
[^deuteronomium-1-46-75]: Kanttekening 75: naar de dagen: Dat is, naar uitwijzen van de dagen, die u weet dat u daar gebleven bent.

### Deuteronomium 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/2.json)

*Optocht van Kades-Barnea, vers 1, enz. hoe zij zich tijdens het trekken moesten gedragen tegenover de Edomieten, 4. Moabieten, 9. en Ammonieten, 19. Tussendoor wordt verhaald hoe lang dit trekken duurde en hoe de ongehoorzamen omkwamen, 14. Ten slotte hoe de Israelieten Sihon, de koning van de Amorieten, overwonnen en zijn land innamen, 24.*

**1** Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn,[^deuteronomium-2-1-1] de weg van de Schelfzee, zoals YHWH tot mij gesproken had, en wij trokken om het gebergte[^deuteronomium-2-1-2] Seïr, vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v1)

**2** Toen sprak YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v2)

**3** [^deuteronomium-2-3-3] U hebt dit gebergte genoeg omgetrokken; keer u naar[^deuteronomium-2-3-4] het noorden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v3)

**4** En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan het gebied van uw broers, de[^deuteronomium-2-4-5] kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u[^deuteronomium-2-4-6] vrezen; maar u zult u zeer wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v4)

**5** Meng[^deuteronomium-2-5-7] u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet[^deuteronomium-2-5-8] tot de betreding van een voetzool; want Ik heb[^deuteronomium-2-5-a] Ezau het gebergte Seïr ter erfenis[^deuteronomium-2-5-9] gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v5)

**6** [^deuteronomium-2-6-10] Voedsel zult u voor geld van hen kopen, dat u eet; en ook zult u water voor geld van hen kopen, dat u drinkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v6)

**7** Want YHWH, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand; Hij[^deuteronomium-2-7-11] kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is YHWH, uw God,[^deuteronomium-2-7-12] met u geweest; geen ding heeft u ontbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v7)

**8** Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van[^deuteronomium-2-8-13] Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortrokken de weg van de woestijn van Moab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v8)

**9** Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen[^deuteronomium-2-9-14] Ar ter erfenis gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v9)

**10** De[^deuteronomium-2-10-15] Emieten woonden te voren daarin, een groot, en veelvuldig, en lang volk, zoals de[^deuteronomium-2-10-16] Enakieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v10)

**11** Deze werden ook voor[^deuteronomium-2-11-17] reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v11)

**12** Ook woonden de[^deuteronomium-2-12-18] Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en vernietigden hen van hun aangezicht, en hebben in hun plaats gewoond; zoals Israël gedaan heeft aan[^deuteronomium-2-12-19] het land van zijn erfenis, dat YHWH hun gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v12)

**13** Nu, maakt u op, en trekt over de beek[^deuteronomium-2-13-20] Zered. Zo trokken wij over de beek Zered. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v13)

**14** De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getrokken zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het hele geslacht van[^deuteronomium-2-14-21] de soldaten uit het midden van de legers verteerd was,[^deuteronomium-2-14-22] zoals YHWH hun gezworen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v14)

**15** Zo was ook de hand van YHWH tegen hen, om hen uit het midden van de legers te verslaan, totdat zij verteerd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v15)

**16** En het gebeurde, als al de soldaten verteerd waren, uit het midden van de legers wegstervende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v16)

**17** Dat YHWH tot mij sprak, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v17)

**18** U zult vandaag doortrekken aan[^deuteronomium-2-18-23] Ar, het gebied van Moab; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v18)

**19** En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng[^deuteronomium-2-19-24] u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v19)

**20** Dit werd ook voor een land van de reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden[^deuteronomium-2-20-25] hen Zamzummieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v20)

**21** Een groot, en veelvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en YHWH vernietigde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hun plaats woonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v21)

**22** Zoals[^deuteronomium-2-22-26] Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor wier aangezicht Hij de Horieten vernietigde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v22)

**23** Ook hebben de[^deuteronomium-2-23-27] Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de[^deuteronomium-2-23-28] Avieten, die in Hazerim tot[^deuteronomium-2-23-29] Gaza toe woonden, vernietigd, en aan hun plaats gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v23)

**24** Maak u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; zie, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven;[^deuteronomium-2-24-30] begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v24)

**25** Te deze dage zal Ik beginnen[^deuteronomium-2-25-31] uw schrik en uw vrees te geven over het aangezicht van de volken, onder de gehele hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v25)

**26** [^deuteronomium-2-26-b] Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, de koning van Hesbon, met[^deuteronomium-2-26-32] woorden van vrede, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v26)

**27** [^deuteronomium-2-27-c] Laat mij door uw land doortrekken; ik zal[^deuteronomium-2-27-33] alleen langs de weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v27)

**28** Verkoop mij voedsel voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleen laat mij op mijn[^deuteronomium-2-28-34] voeten doortrekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v28)

**29** Zoals de[^deuteronomium-2-29-35] kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de[^deuteronomium-2-29-36] Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat YHWH, onze God, ons geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v29)

**30** Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons[^deuteronomium-2-30-37] door hetzelfde niet laten doortrekken; want YHWH, uw God,[^deuteronomium-2-30-38] verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, zoals het is op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v30)

**31** En YHWH zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land[^deuteronomium-2-31-39] voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v31)

**32** [^deuteronomium-2-32-d] En Sihon trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v32)

**33** En[^deuteronomium-2-33-e] YHWH, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v33)

**34** En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij[^deuteronomium-2-34-40] verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v34)

**35** Het vee alleen roofden wij voor ons, en de roof van de steden, die wij innamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v35)

**36** Van Aroër af, dat aan de[^deuteronomium-2-36-41] oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te[^deuteronomium-2-36-42] hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v36)

**37** Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de[^deuteronomium-2-37-43] hele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons[^deuteronomium-2-37-44] verboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/2.html#v37)

[^deuteronomium-2-1-1]: Kanttekening 1: de weg van de Schelfzee: Dat is, weer terug naar de Rode zee, die zij, uit Egypte trekkende, gepasseerd waren.
[^deuteronomium-2-1-2]: Kanttekening 2: Sommige kaarten stellen naast het gebergte Seïr, of van de Edomieten, waarin zij eigenlijk woonden, liggende langs de zuidelijke grenzen van Kanaän, nog een ander gebergte van de Rode zee af, strekkende naar het eigenlijk gebergte van Edom, en ook genoemd het gebergte Seïr en van de Amorieten, omdat men langs hetzelfde toog naar de Edomieten en Amorieten, waarbij de Israëlieten, weer terugtrekkende naar de Rode zee, lang gereisd hebben, totdat God hun bevolen heeft opnieuw te keren naar het noorden, voorbij het land van de Edomieten en zo verder naar het land van de Moabieten. De lezer kan vergelijken vers 3 , 2:4 , 2:8 . Deuteronomium 2:3 : Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden; Deuteronomium 2:4 : En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan de landpale van uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten. Deuteronomium 2:8 : Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen de weg van de woestijn van Moab.
[^deuteronomium-2-3-3]: Kanttekening 3: genoeg omgetogen: Hebreeuws, het is u veel, of, genoeg geweest om te trekken.
[^deuteronomium-2-3-4]: Kanttekening 4: het noorden: Van de Schelfzee, die in het zuiden lag, weer terug naar het land van Edom en Moab, om voorbij beiden te passeren.
[^deuteronomium-2-4-5]: Kanttekening 5: kinderen van Ezau: De Amalekieten waren ook wel Edomieten, of van Ezau afkomstig, Gen. 36:12 , maar van God door een bijzondere ordinantie uitgesloten. Zie Ex. 17:14 , en onder Deut. 25:17 . Genesis 36:12 : En Timna was een bijwijf van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw. Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt;
[^deuteronomium-2-4-6]: Kanttekening 6: Gedenkende aan het leed, dat hun voorvader Ezau zijn broer Jakob of Israël, uw voorvader, eertijds heeft aangedaan. Of, zij zullen vrezen voor uw macht en de hulp van God, die bij u is. Zie Num. 22:3 . Numeri 22:3 : Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de kinderen van Israël.
[^deuteronomium-2-5-7]: Kanttekening 7: Mengt u niet met hen: Te weten, ten strijde, dat u u met hen in oorlog zoudt begeven; gelijk onder, vers 9 , 2:24 . Wat nu naderhand contrarie geschied is, daartoe hebben de Edomieten, Ammonieten en Moabieten door hun vijandschap oorzaak gegeven. Zie 1 Sam. 14:47 ; 2 Sam. 8:14 ; 1 Kon. 11:15 , 11:16 ; 2 Kon. 8:21 ; 2 Kron. 20:2 , 20:10 , 20:11 ; Ps. 83:7 , 83:8 , 83:9 , enz. Vergelijk 2 Sam. 8:2 . Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 2:24 : Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. 1 Samuël 14:47 : Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 1 Koningen 11:15 : Want het was geschied, als David in Edom was, toen Joab, de krijgsoverste, optoog, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg; 1 Koningen 11:16 : Want Joab bleef daar zes maanden, met het gehele Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. 2 Koningen 8:21 : Daarom toog Joram over naar Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten. 2 Kronieken 20:2 : Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi. 2 Kronieken 20:10 : En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seïr, door wie U Israël niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet; 2 Kronieken 20:11 : Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. Psalmen 83:7 : De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen; Psalmen 83:8 : Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. Psalmen 83:9 : Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn de kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^deuteronomium-2-5-8]: Kanttekening 8: tot de betreding van een voetzool: Dat is, zoveel de plant van een voet betreden mag.
[^deuteronomium-2-5-a]: Verwijzing a: Gen. 36:8 . Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.
[^deuteronomium-2-5-9]: Kanttekening 9: Zie Gen. 36:8 . Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.
[^deuteronomium-2-6-10]: Kanttekening 10: Voedsel zult u voor geld van hen kopen: Die u, naast het hemelse manna, zult mogen begeren.
[^deuteronomium-2-7-11]: Kanttekening 11: kent uw wandelen: Dat is, heeft zorg voor u gedragen in al dit reizen en trekken, dat u niets mocht ontbreken. Zie deze betekenis Ps. 1:6 , en Ps. 31:8 ; Nah. 1:7 , en elders. Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan. Psalmen 31:8 : Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat U mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend; Nahum 1:7 : YHWH is goed, Hij is ter sterkte in de dag van de benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.
[^deuteronomium-2-7-12]: Kanttekening 12: met u geweest: Zie Gen. 21:22 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^deuteronomium-2-8-13]: Kanttekening 13: Elath en Ezeongeber worden beide door sommigen gesteld dicht bij de Schelfzee, gemeenlijk genoemd het Rode meer.
[^deuteronomium-2-9-14]: Kanttekening 14: De hoofdstad van de Moabieten. Zie Num. 21:28 . Numeri 21:28 : Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon.
[^deuteronomium-2-10-15]: Kanttekening 15: Zie Gen. 14:5 , zo genoemd \[gelijk men meent\] omdat zij schrikkelijk en vreeslijk waren. Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;
[^deuteronomium-2-10-16]: Kanttekening 16: Zie boven, Deut. 1:28 , en Num. 13:22 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.
[^deuteronomium-2-11-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, Refaïm; zie Gen. 14:5 . Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;
[^deuteronomium-2-12-18]: Kanttekening 18: Horieten te voren in Seïr: Zie Gen. 14:6 , en Gen. 36:20 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. Genesis 36:20 : Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,
[^deuteronomium-2-12-19]: Kanttekening 19: land van zijn erfenis: Versta hier, de landen van Sihon en Og, die reeds door de kinderen van Israël waren ingenomen, toen Mozes dit zei of schreef.
[^deuteronomium-2-13-20]: Kanttekening 20: Zie Num. 21:12 . Numeri 21:12 : Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.
[^deuteronomium-2-14-21]: Kanttekening 21: Die door Gods bevel geteld waren, zijnde twintig jaren oud en daarboven. Zie Num. 1:3 . Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron.
[^deuteronomium-2-14-22]: Kanttekening 22: gelijk YHWH hun gezworen had: Zie boven, Deut. 1:35 , en Num. 14:21 , enz. Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven! Numeri 14:21 : Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden!
[^deuteronomium-2-18-23]: Kanttekening 23: Zie boven, vers 9 . Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.
[^deuteronomium-2-19-24]: Kanttekening 24: meng u met hen niet: Zie boven, vers 5 . Deuteronomium 2:5 : Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven.
[^deuteronomium-2-20-25]: Kanttekening 25: Dat is, gruwelijke booswichten, straatschenders, rovers, voor welke iedereen schrikte.
[^deuteronomium-2-22-26]: Kanttekening 26: Hij aan de kinderen van Ezau: Namelijk, YHWH.
[^deuteronomium-2-23-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 10:14 . Genesis 10:14 : En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.
[^deuteronomium-2-23-28]: Kanttekening 28: Die tevoren in het land van de Filistijnen gewoond hebben. Zie Joz. 13:3 , en 2 Kon. 17:24 , 17:31 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
[^deuteronomium-2-23-29]: Kanttekening 29: Gaza toe woonden: Zie Gen. 10:19 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.
[^deuteronomium-2-24-30]: Kanttekening 30: begint te erven: Hebreeuws, begint erft.
[^deuteronomium-2-25-31]: Kanttekening 31: uw schrik en uw vreze te geven: Dat is, waarmee zij voor u schrikken en vrezen zullen; zo onder, Deut. 11:25 . Deuteronomium 11:25 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; YHWH, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop u treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.
[^deuteronomium-2-26-b]: Verwijzing b: Num. 21:21 ; Richt. 11:19 . Numeri 21:21 : Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: Richteren 11:19 : Maar Israël zond boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.
[^deuteronomium-2-26-32]: Kanttekening 32: woorden van vrede: Dat is, aanbieding van vrede, met weigering waarvan zij oorzaak van hun eigen ondergang zouden zijn. Zie onder, Deut. 20:10 . Deuteronomium 20:10 : Wanneer u nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult u haar de vrede toeroepen.
[^deuteronomium-2-27-c]: Verwijzing c: Num. 21:21 ; idem v. 22 . Numeri 21:21 : Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: Numeri 21:22 : Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water van de putten niet drinken; wij zullen op de koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.
[^deuteronomium-2-27-33]: Kanttekening 33: alleen langs de weg voorttrekken: Of, gestadiglijk; strak voor mij heen, zonder mij van de weg af te geven, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Hebreeuws, in de weg, in de weg.
[^deuteronomium-2-28-34]: Kanttekening 34: voeten doortrekken: Dat is, te voet, gelijk wij meest spreken. Zie dezelfde manier van spreken Num. 20:19 ; Richt. 4:15 , 4:17 ; 2 Sam. 15:17 , enz. Numeri 20:19 : Toen zeiden de kinderen van Israël tot hem: Wij zullen door de gebaande weg optrekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik de prijs daarvoor geven; ik zal alleen, zonder iets anders, te voet doortrekken. Richteren 4:15 : En YHWH versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het gehele heirleger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. Richteren 4:17 : Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet. 2 Samuël 15:17 : Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.
[^deuteronomium-2-29-35]: Kanttekening 35: kinderen van Ezau: Versta dit van het verkopen van brood en water; dat is, voedsel en drank, want de doortocht hebben zij Israël afgeslagen, Num. 20:18 ; Richt. 11:17 . Numeri 20:18 : Maar Edom zei tot hem: U zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet! Richteren 11:17 : En Israël zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van de Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning van de Moabieten, die ook niet wilde. Zo bleef Israël in Kades.
[^deuteronomium-2-29-36]: Kanttekening 36: Die Israël wel geen brood noch water hebben tegemoet gebracht \[zie onder, Deut. 23:4 \], maar misschien wel dit hun mogen verkocht hebben; daar zij immers hen niet van hun palen afgedreven hebben. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken.
[^deuteronomium-2-30-37]: Kanttekening 37: door hetzelfde niet laten doortrekken: Dat is, door zijn land.
[^deuteronomium-2-30-38]: Kanttekening 38: verhardde zijn geest: Zie Ex. 4:21 . Exodus 4:21 : En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
[^deuteronomium-2-31-39]: Kanttekening 39: voor uw aangezicht te geven: Zie boven, Deut. 1:8 . Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
[^deuteronomium-2-32-d]: Verwijzing d: Num. 21:23 . Numeri 21:23 : Maar Sihon liet Israël niet toe, door zijn landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël;
[^deuteronomium-2-33-e]: Verwijzing e: Deut. 29:7 . Deuteronomium 29:7 : Toen u nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.
[^deuteronomium-2-34-40]: Kanttekening 40: verbanden alle steden: Dat is, wij verdelgden en roeiden hen uit ten enenmale. Zo wordt dit woord ook genomen onder Deut. 3:6 , en Deut. 7:2 , en elders. Deze verbanning moest gebeuren aan allen, die in vijandschap en afgoderij hardnekkig bleven. Vergelijk onder, Deut. 20 , en Joz. 6:17 , 6:18 , 6:21 , en Joz. 9:18 , 9:19 ; 1 Kon. 20:42 , enz. Deuteronomium 3:6 : En wij verbanden ze, gelijk wij Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Jozua 6:17 : Maar deze stad zal YHWH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert. Jozua 6:21 : En zij verbanden alles, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door de scherpte van het zwaard. Jozua 9:18 : En de kinderen van Israël sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij YHWH, de God van Israël; daarom morde de gehele vergadering tegen de oversten. Jozua 9:19 : Toen zeiden al de oversten tot de gehele vergadering: Wij hebben hun gezworen bij YHWH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten. 1 Koningen 20:42 : En hij zei tot hem: Zo zegt YHWH: Omdat u de man, die Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.
[^deuteronomium-2-36-41]: Kanttekening 41: aan de oever: Hebreeuws, aan de lip.
[^deuteronomium-2-36-42]: Kanttekening 42: hoog was: Of, of geen stad, die zich tegen ons kon beschermen.
[^deuteronomium-2-37-43]: Kanttekening 43: gehele streek van de beek Jabbok: Hebreeuws, de gehele zijde van de beek Jabbok en de steden, enz.
[^deuteronomium-2-37-44]: Kanttekening 44: verboden had: Hebreeuws, geboden; dat is, verboden. Zie van dit gebruik van het woord gebieden Lev. 4:2 , en onder, Deut. 4:23 . Hoewel men deze woorden hier ook aldus kon overzetten: waarvan de Heer ons geboden had; te weten, dat wij die niet zouden genaken. Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; Deuteronomium 4:23 : Wacht u, dat u het verbond van YHWH, uws Gods, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat YHWH, uw God, u verboden heeft.

### Deuteronomium 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/3.json)

*Hoe Og, de andere koning van de Amorieten, door Israel overwonnen werd en zijn land ingenomen, vers 1, enz. dat Mozes, evenals het koninkrijk van Sihon, aan de Rubenieten, Gadieten en de halve stam Manasse gegeven heeft, 12. Jozua wordt tot opvolger van Mozes gesterkt, 21. hoe Mozes, die bad om in het land Kanaan te mogen komen, door God afgewezen werd, 23. en het land hem op een berg getoond werd, 27, 28.*

**1** Daarna[^deuteronomium-3-1-a] keerden wij ons en trokken op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v1)

**2** Toen zei YHWH tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en u zult hem doen,[^deuteronomium-3-2-b] zoals u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v2)

**3** En YHWH, onze God, gaf ook Og, de koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem[^deuteronomium-3-3-1] niemand lieten overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v3)

**4** En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de hele[^deuteronomium-3-4-2] landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v4)

**5** Al die steden waren met hoge[^deuteronomium-3-5-3] muren, poorten en grendels gesterkt, behalve zeer vele[^deuteronomium-3-5-4] onbemuurde steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v5)

**6** En wij[^deuteronomium-3-6-5] verbanden ze, zoals wij Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v6)

**7** Maar al het vee en de roof van die steden roofden wij voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v7)

**8** Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze[^deuteronomium-3-8-6] zijde van de Jordaan waren, van de[^deuteronomium-3-8-7] beek Arnon tot de berg[^deuteronomium-3-8-8] Hermon toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v8)

**9** (De Zidoniërs noemen[^deuteronomium-3-9-9] Hermon[^deuteronomium-3-9-10] Sirjon; maar de Amorieten noemen hem[^deuteronomium-3-9-11] Senir.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v9)

**10** Al de steden van het platte land, en het hele Gilead, en het hele Bazan, tot Salcha en Edreï toe; steden van het koninkrijk van Og in Bazan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v10)

**11** Want Og, de koning van Bazan, was[^deuteronomium-3-11-12] alleen van de overigen van de reuzen overgebleven; zie, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te[^deuteronomium-3-11-13] Rabba van de kinderen Ammons? Negen[^deuteronomium-3-11-14] ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar de elleboog van een man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v11)

**12** Ditzelfde land nu[^deuteronomium-3-12-c] namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v12)

**13** En het overige van Gilead, en ook het hele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de hele landstreek van Argob, door het hele Bazan; dat werd genoemd het land van de reuzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v13)

**14** [^deuteronomium-3-14-15] Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de hele landstreek van Argob, tot aan het gebied van[^deuteronomium-3-14-16] de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam,[^deuteronomium-3-14-17] Bazan Havvoth-Jaïr,[^deuteronomium-3-14-18] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v14)

**15** En[^deuteronomium-3-15-19] aan Machir gaf ik[^deuteronomium-3-15-20] Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v15)

**16** Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon,[^deuteronomium-3-16-21] het midden van de beek en het gebied; en tot aan de beek Jabbok, het gebied van de kinderen Ammons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v16)

**17** Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook het gebied; van[^deuteronomium-3-17-22] Cinnereth af tot aan de zee van het[^deuteronomium-3-17-23] vlakke veld, de Zoutzee, onder[^deuteronomium-3-17-24] Asdoth-Pisga tegen het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v17)

**18** Verder gebood ik[^deuteronomium-3-18-d] u in die tijd, zeggende: YHWH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen bent, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de Israëlieten.[^deuteronomium-3-18-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v18)

**19** Behalve uw vrouwen, en uw kinderen, en uw vee (ik weet, dat u veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v19)

**20** Totdat YHWH uw broers rust geve, zoals u, dat zij ook erven het land, dat YHWH, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan; dan zult u terugkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v20)

**21** Ook[^deuteronomium-3-21-e] gebood ik Jozua in die tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat YHWH, uw God, aan[^deuteronomium-3-21-26] deze twee koningen gedaan heeft; zo zal YHWH aan alle koninkrijken doen, naar welke u heen doortrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v21)

**22** Vrees ze niet; want YHWH, uw God, strijdt voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v22)

**23** Ook bad ik YHWH om genade, zeggende in die tijd: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v23)

**24** Adonai[^deuteronomium-3-24-27] YHWH! U hebt begonnen[^deuteronomium-3-24-28] Uw knecht te tonen Uw[^deuteronomium-3-24-29] grootheid en[^deuteronomium-3-24-30] Uw sterke hand; want[^deuteronomium-3-24-f] wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw machtige daden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v24)

**25** Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bekijken, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat[^deuteronomium-3-25-31] goede gebergte,[^deuteronomium-3-25-32] en de Libanon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v25)

**26** [^deuteronomium-3-26-g] Maar YHWH verstoorde zich zeer[^deuteronomium-3-26-33] om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar YHWH zei tot mij:[^deuteronomium-3-26-34] Het zij u genoeg;[^deuteronomium-3-26-35] spreek niet meer tot Mij van deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v26)

**27** Klim op de[^deuteronomium-3-27-36] hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en[^deuteronomium-3-27-37] zie toe met uw ogen; want u zult over deze Jordaan niet gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v27)

**28** [^deuteronomium-3-28-38] Gebied dan Jozua, en versterk hem, en[^deuteronomium-3-28-39] bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk heen overgaan, en zal hun dat land, dat u zien zult, doen erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v28)

**29** Zo bleven wij in dit dal tegenover[^deuteronomium-3-29-40] Beth-Peor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/3.html#v29)

[^deuteronomium-3-1-a]: Verwijzing a: Num. 21:33 ; Deut. 29:7 . Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï. Deuteronomium 29:7 : Toen u nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.
[^deuteronomium-3-2-b]: Verwijzing b: Num. 21:34 . Numeri 21:34 : De YHWH nu zei tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en u zult hem doen, gelijk als u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
[^deuteronomium-3-3-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, geen overblijfsel, of, overgeblevene.
[^deuteronomium-3-4-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, koord, of, touw, snoer; gelijk ook onder, vers 13 , omdat men de landen in die tijd met koorden gewoon was af te meten en uit te delen. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen.
[^deuteronomium-3-5-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, muur, poort, en grendel.
[^deuteronomium-3-5-4]: Kanttekening 4: onbemuurde steden: Anders, steden van de landbouwers; dat is, landsteden.
[^deuteronomium-3-6-5]: Kanttekening 5: Zie boven, Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^deuteronomium-3-8-6]: Kanttekening 6: deze zijde: De oostzijde.
[^deuteronomium-3-8-7]: Kanttekening 7: In het zuiden.
[^deuteronomium-3-8-8]: Kanttekening 8: Hermon toe: In het noorden. Hebreeuws, Chermon.
[^deuteronomium-3-9-9]: Kanttekening 9: Ook genoemd Sion. Zie onder, Deut. 4:48 ; Richt. 3:3 ; 1 Kron. 5:23 . Deuteronomium 4:48 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, welke is Hermon; Richteren 3:3 : Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath. 1 Kronieken 5:23 : De kinderen nu van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en de berg Hermon.
[^deuteronomium-3-9-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, Schirjon.
[^deuteronomium-3-9-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Schenir; dat is \[gelijk enige menen\], sneeuwberg, omdat deze berg, vanwege de schrikkelijke hoogte, altijd vol sneeuw was, gelijk de Alpen.
[^deuteronomium-3-11-12]: Kanttekening 12: overigen van de reuzen: Dit dient tot vergroting van de macht van YHWH, die Hij in het verdelgen van deze reus en al zijn volk bewezen heeft.
[^deuteronomium-3-11-13]: Kanttekening 13: De hoofdstad van de Ammonieten. Zie 2 Sam. 12:26 . De zin is, dat deze bedstede voorzeker daar nog voorhanden was. 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.
[^deuteronomium-3-11-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 6:15 . Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
[^deuteronomium-3-12-c]: Verwijzing c: Num. 32:33 . Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halven stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom.
[^deuteronomium-3-14-15]: Kanttekening 15: Jaïr, de zoon van Manasse: Zie Num. 32:41 . Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr.
[^deuteronomium-3-14-16]: Kanttekening 16: Gezurieten en Maächathieten: Hebr. Geschurie , dat is, de Geschurieter. Gesur en Maächa waren beide gelegen aan de noordgrenzen van Kanaän. Zie 2 Sam. 3:3 en 10:6 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
[^deuteronomium-3-14-17]: Kanttekening 17: Hebr. Chavvot (חַוֺּת) , dat is, Jaïrs dorpen, of Jaïrs hoeven. Zie Num. 32:41 . Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr.
[^deuteronomium-3-14-18]: Kanttekening 18: tot op deze dag: Versta, zijn die zo genoemd; zij hebben deze naam behouden; zo elders dikwijls.
[^deuteronomium-3-15-19]: Kanttekening 19: Deze is geweest de zoon van Manasse, Gen. 50:23 . Genesis 50:23 : En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
[^deuteronomium-3-15-20]: Kanttekening 20: Versta, een gedeelte van Gilead, uit vergelijking van vers 12 , 3:13 . Het schijnt dat dit eigenlijk de naam van Gilead gehad heeft, en het deel van de Rubenieten en Gadieten, de helft van Gilead, vers 13 , en Jaïrs deel, Havvoth Jaïr, vers 14 . Gelijk ook enige kaarten dat zo hebben. Vergelijk ook 2 Kon. 10:33 . Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag. 2 Koningen 10:33 : Van de Jordaan af, tegen de opgang van de zon, het gehele land van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van de Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.
[^deuteronomium-3-16-21]: Kanttekening 21: het midden van de beek en de landpale: Dat is, tussen de beek, enz.
[^deuteronomium-3-17-22]: Kanttekening 22: Cinnereth af: Zie Num. 34:11 ; Joz. 12:3 , naderhand genoemd de zee Gennesareth, Luk. 5:1 , enz. Numeri 34:11 : En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs de oever van de zee Cinnereth oostwaarts. Jozua 12:3 : En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga. Lukas 5:1 : En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
[^deuteronomium-3-17-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 14:3 . Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^deuteronomium-3-17-24]: Kanttekening 24: Anders, beneden de afloop van de heuvel tegen het oosten. Naar sommige kaarten ligt de stad Asdoth-Pisga tussen de hoge berg Pisga en de berg Pehor. Zie ook Joz. 12:3 , en Joz. 13:20 . Jozua 12:3 : En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga. Jozua 13:20 : En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;
[^deuteronomium-3-18-d]: Verwijzing d: Num. 32:20 . Numeri 32:20 : Toen zei Mozes tot hen: Als u deze zaak doen zult, als u u voor het aangezicht van YHWH zult toerusten ten strijde.
[^deuteronomium-3-18-25]: Kanttekening 25: gebood ik u: Dit gebod ging de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse aan.
[^deuteronomium-3-21-e]: Verwijzing e: Num. 27:18 . Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem;
[^deuteronomium-3-21-26]: Kanttekening 26: twee koningen gedaan heeft: Te weten, de koning Sihon en de koning Og.
[^deuteronomium-3-24-27]: Kanttekening 27: In het Hebreeuws staan de letters van het woord YHWH, maar hebbende de punten van het woord Elohim, gelijk ook elders.
[^deuteronomium-3-24-28]: Kanttekening 28: uw knecht te tonen: Dat is, mij die uw knecht ben.
[^deuteronomium-3-24-29]: Kanttekening 29: Uw grootheid: Zie onder, Deut. 11:2 . Deuteronomium 11:2 : En u zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van YHWH, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;
[^deuteronomium-3-24-30]: Kanttekening 30: Uw sterke hand: Of, uwe hand, die sterk is.
[^deuteronomium-3-24-f]: Verwijzing f: Ps. 89:7 ; idem v. 8 ; idem v. 9 . Psalmen 89:7 : Want wie mag in de hemel tegen YHWH geschat worden? Wie is YHWH gelijk, onder de kinderen van de sterken? Psalmen 89:8 : God is grotelijks geducht in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn. Psalmen 89:9 : O YHWH, God van de legermachten! wie is als U, grootmachtig, o YHWH! en Uw getrouwheid is rondom U.
[^deuteronomium-3-25-31]: Kanttekening 31: goede gebergte: Dat is, schoon en vruchtbaar.
[^deuteronomium-3-25-32]: Kanttekening 32: en de Libanon: Anders, te weten de Libanon.
[^deuteronomium-3-26-g]: Verwijzing g: boven, Deut. 1:37 ; boven, Deut. 31:2 ; boven, Deut. 34:4 . Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen. Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^deuteronomium-3-26-33]: Kanttekening 33: om uwentwille over mij: Zie boven, Deut. 1:37 . Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.
[^deuteronomium-3-26-34]: Kanttekening 34: Het zij u genoeg: Of, u hebt genoeg. Vergelijk hiermede 2 Kor. 12:8 , 12:9 . 2 Korinthiërs 12:8 : Hierover heb ik de Heer driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. 2 Korinthiërs 12:9 : En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij woon.
[^deuteronomium-3-26-35]: Kanttekening 35: spreek niet meer tot Mij van deze zaak: Hebreeuws, doe niet toe, of, vaar niet voort te spreken.
[^deuteronomium-3-27-36]: Kanttekening 36: hoogte van Pisga: Hebreeuws, het hoofd.
[^deuteronomium-3-27-37]: Kanttekening 37: zie toe met uw ogen: Te weten, naar het land Kanaän.
[^deuteronomium-3-28-38]: Kanttekening 38: Gebied dan Jozua: Dat is, onderwijs en bericht hem van alles, wat hem tot uitvoering van zijn ambt zal nodig zijn, volgens mijn voorschrift.
[^deuteronomium-3-28-39]: Kanttekening 39: bekrachtig hem: Dat is, spreek hem goede moed in, en maak hem hartig tegen alle voorvallende zwarigheden.
[^deuteronomium-3-29-40]: Kanttekening 40: Anders, het huis van Pehor. Sommige kaarten hebben hier een stad, genoemd Beth-Peor, liggende aan de voet eens bergs van gelijken naam, dicht bij Pisga en Nebo.

### Deuteronomium 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/4.json)

*Vermaningen om Gods geboden te onderhouden zonder die enigszins te veranderen, vers 1, enz. met voorstelling zowel van de straffen voor de ongehoorzamen, 3. als van de zegen en lof voor de gehoorzamen, 4. Verhaal van het geven van de wet, 9. uitvoerig en ernstig verbod van allerlei afgoderij door beelden en afbeeldingen, met zware dreigementen en troostrijke beloften, 15. Verhaal van Gods bijzondere weldaden aan Israel bewezen, die hen tot gehoorzaamheid behoren te bewegen, 32. Verordening van drie vrijsteden aan deze zijde van de Jordaan, 41. Inleiding op de volgende herhaling van de wetten van God, 44.*

**1** Nu dan, Israël! hoor naar de[^deuteronomium-4-1-a] voorschriften en naar de rechten, die ik u lere te doen; opdat u leeft, en heen inkomt, en erft het land, dat YHWH, uw vaders God, u geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v1)

**2** U zult tot dit woord, dat ik u gebiede,[^deuteronomium-4-2-b] niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van YHWH, uw God, die ik u gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v2)

**3** Uw ogen hebben gezien, wat God[^deuteronomium-4-3-1] om[^deuteronomium-4-3-c] Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft YHWH, uw God, uit het midden van u weggevaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v3)

**4** U daarentegen, die YHWH, uw God, aanhingt, u bent vandaag allen levende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v4)

**5** Zie, ik heb u geleerd de voorschriften en rechten, zoals YHWH, mijn God, mij geboden heeft; opdat u zo doet in het midden van het land, waar u naar toe gaat, om het te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v5)

**6** Behoud ze dan, en doet ze; want[^deuteronomium-4-6-2] dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze voorschriften horen zullen, en zeggen:[^deuteronomium-4-6-3] Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v6)

**7** [^deuteronomium-4-7-d] Want wat groot volk is er, dat de goden[^deuteronomium-4-7-4] zo nabij zijn als YHWH, onze God,[^deuteronomium-4-7-5] telkens als wij Hem aanroepen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v7)

**8** En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige voorschriften en rechten heeft, als deze hele wet is, die ik vandaag[^deuteronomium-4-8-6] voor uw aangezicht geef? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v8)

**9** Alleen wees op uw hoede, en bewaart uw ziel[^deuteronomium-4-9-7] wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen van uw leven; en u zult[^deuteronomium-4-9-e] ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v9)

**10** Op de dag als u voor het aangezicht van YHWH, van uw God, aan Horeb stond, als YHWH tot mij zei: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op de aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;[^deuteronomium-4-10-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v10)

**11** En u naderde en stond beneden die[^deuteronomium-4-11-f] berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het[^deuteronomium-4-11-9] midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v11)

**12** Zo sprak YHWH tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zag geen[^deuteronomium-4-12-10] gelijkenis,[^deuteronomium-4-12-11] behalve de stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v12)

**13** Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien[^deuteronomium-4-13-12] woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v13)

**14** Ook gebood mij YHWH in die tijd, dat ik u voorschriften en rechten leren zou; opdat u die deed in dat land, naar dat u doortrekt, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v14)

**15** Wees dan wel op uw hoede[^deuteronomium-4-15-13] voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v15)

**16** Opdat u[^deuteronomium-4-16-14] zich niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de afbeelding van[^deuteronomium-4-16-15] enig beeld, de gedaante van man of vrouw, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v16)

**17** De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelde vogel, die[^deuteronomium-4-17-16] door de hemel vliegt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v17)

**18** De gedaante van iets, dat op de aardbodem kruipt; de gedaante van enige vis, die in het water is onder de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v18)

**19** Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het hele leger van de hemel; en wordt aangedreven, dat u zich voor die buigt, en hen[^deuteronomium-4-19-17] dient; die YHWH, uw God, aan alle volken onder de gehele hemel heeft uitgedeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v19)

**20** Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte,[^deuteronomium-4-20-18] uitgevoerd; opdat u Hem[^deuteronomium-4-20-19] tot een[^deuteronomium-4-20-g] erfvolk zou zijn, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v20)

**21** [^deuteronomium-4-21-20] Ook[^deuteronomium-4-21-h] vertoornde Zich YHWH over mij, om uw woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat YHWH, uw God, u ter erfenis geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v21)

**22** Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar u zult er overgaan, en dat goede land erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v22)

**23** Pas op dat u het verbond van YHWH, van uw God, dat Hij met u[^deuteronomium-4-23-21] gemaakt heeft, niet vergeet, dat u zich een[^deuteronomium-4-23-22] gesneden beeld zou maken, de afbeelding van iets, dat YHWH, uw God, u[^deuteronomium-4-23-23] verboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v23)

**24** Want YHWH, uw God, is een[^deuteronomium-4-24-i] verterend[^deuteronomium-4-24-24] vuur,[^deuteronomium-4-24-k] een[^deuteronomium-4-24-25] jaloers God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v24)

**25** Wanneer u nu kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben, en in het land[^deuteronomium-4-25-26] oud geworden zult zijn, en u zich zult verderven, dat u gesneden beelden maakt, de afbeelding van[^deuteronomium-4-25-27] enig ding, en doet, wat[^deuteronomium-4-25-28] kwaad is in de ogen van YHWH, van uw God, om Hem tot toorn te verwekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v25)

**26** Zo roep ik vandaag de[^deuteronomium-4-26-29] hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u[^deuteronomium-4-26-30] voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar[^deuteronomium-4-26-31] geheel vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v26)

**27** En YHWH zal u[^deuteronomium-4-27-l] verstrooien onder de volken; en u zult[^deuteronomium-4-27-32] een klein volkje in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v27)

**28** En daar zult u goden dienen, die[^deuteronomium-4-28-m] van de mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch ruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v28)

**29** Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw[^deuteronomium-4-29-33] hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v29)

**30** Wanneer u in angst zult zijn, en u[^deuteronomium-4-30-34] al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen,[^deuteronomium-4-30-35] dan zult u terugkeren[^deuteronomium-4-30-36] tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v30)

**31** Want YHWH, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond[^deuteronomium-4-31-37] van uw vaders, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v31)

**32** Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het[^deuteronomium-4-32-38] ene einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding gebeurd of gehoord zij, als dit: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v32)

**33** Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, zoals u gehoord hebt, en levend zij gebleven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v33)

**34** Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door[^deuteronomium-4-34-39] verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door[^deuteronomium-4-34-40] strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en met grote[^deuteronomium-4-34-41] verschrikkingen; naar al wat YHWH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v34)

**35** U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH[^deuteronomium-4-35-42] die God is; er is niemand meer[^deuteronomium-4-35-43][^deuteronomium-4-35-n] dan Hij alleen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v35)

**36** [^deuteronomium-4-36-44] Van de hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en[^deuteronomium-4-36-45] op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en u hebt Zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v36)

**37** En omdat Hij uw vaders liefhad, en[^deuteronomium-4-37-46] hun zaad na hen gekozen had, zo[^deuteronomium-4-37-o] heeft Hij u[^deuteronomium-4-37-47] voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v37)

**38** Om volken, die groter en machtiger waren dan u, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hun land ter erfenis gave, als het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v38)

**39** Zo zult u vandaag weten, en[^deuteronomium-4-39-48] in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v39)

**40** En u zult houden Zijn voorschriften en Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat u de dagen verlengt in het land, dat YHWH, uw God, u geeft,[^deuteronomium-4-40-49] voor altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v40)

**41** [^deuteronomium-4-41-p] Toen[^deuteronomium-4-41-50] scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v41)

**42** Opdat daarheen vluchtte de moordenaar, die zijn naaste onwetend doodslaat, die hij[^deuteronomium-4-42-51] van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in één van deze steden vluchtte en levend bleef; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v42)

**43** [^deuteronomium-4-43-52][^deuteronomium-4-43-q] Bezer in de woestijn, in het effen land,[^deuteronomium-4-43-53] voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v43)

**44** Dit is nu de wet, die Mozes de Israëlieten voorstelde: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v44)

**45** [^deuteronomium-4-45-54] Dit zijn de[^deuteronomium-4-45-55] getuigenissen, en de voorschriften, en de rechten, die Mozes sprak tot de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v45)

**46** Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover[^deuteronomium-4-46-56] Beth-Peor, in het land van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die Mozes[^deuteronomium-4-46-r] sloeg, en de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v46)

**47** En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van[^deuteronomium-4-47-s] Og, koning van Bazan; twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen de opgang van de zon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v47)

**48** Van Aroër af, dat aan de[^deuteronomium-4-48-57] oever van de beek Arnon is, tot aan de[^deuteronomium-4-48-58] berg Sion, die is Hermon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v48)

**49** En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de[^deuteronomium-4-49-59] zee van het vlakke veld, onder[^deuteronomium-4-49-60] Asdoth-pisga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/4.html#v49)

[^deuteronomium-4-1-a]: Verwijzing a: Lev. 19:37 ; Lev. 20:8 ; Lev. 22:31 . Leviticus 19:37 : Daarom zult u al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben YHWH! Leviticus 20:8 : En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelfde; Ik ben YHWH, die u heilige. Leviticus 22:31 : Daarom zult u Mijn geboden houden, en dezelfde doen; Ik ben YHWH!
[^deuteronomium-4-2-b]: Verwijzing b: onder, Deut. 12:32 ; Spreuk. 30:6 ; Openb. 22:18 . Deuteronomium 12:32 : Al dit woord, dat ik u gebiede, zult u waarnemen om te doen; u zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen. Spreuken 30:6 : Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en u leugenachtig bevonden wordt. Openbaring 22:18 : Want ik betuig aan een iedereen, die de woorden van de profetie van deze boeks hoort: Als iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.
[^deuteronomium-4-3-1]: Kanttekening 1: om Baäl-Peor: Dat is, om de afgoderij met de Baäl-Peor bedreven. Anders, tegen, vanwege, met .
[^deuteronomium-4-3-c]: Verwijzing c: Num. 25:4 ; Joz. 22:17 . Numeri 25:4 : En YHWH zei tot Mozes: Neem al de hoofden van het volk, en hang ze YHWH tegen de zon, zo zal de hitte van de toorn van YHWH gekeerd worden van Israël. Jozua 22:17 : Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van die wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in de vergadering van YHWH geweest is?
[^deuteronomium-4-6-2]: Kanttekening 2: dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn: Dat is, dit zult u voor de ware wijsheid en kloekheid houden, en daarvan onder de omliggende volken openbare belijdenis doen, waarbij Ik zo zal werken, dat zij u alleen voor een recht, wijs en kloek volk zullen houden.
[^deuteronomium-4-6-3]: Kanttekening 3: Dit groot volk alleen: Anders, immers, of, gewisselijk is dit grote volk, enz.
[^deuteronomium-4-7-d]: Verwijzing d: Deut. 26:19 . Deuteronomium 26:19 : Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.
[^deuteronomium-4-7-4]: Kanttekening 4: nabij zijn als YHWH: Dat is Goddelijke genadige aanwezigheid zo bewijzende met allerlei zegeningen en bijzonder met zeer wonderlijke, gerede en krachtige hulp in noden en zwarigheden.
[^deuteronomium-4-7-5]: Kanttekening 5: telkens als wij Hem aanroepen: Hebreeuws, in al ons roepen tot hem; dat is telkens als wij hem aanroepen: of, in alles, waarom wij hem aanroepen.
[^deuteronomium-4-8-6]: Kanttekening 6: voor uw aangezicht geef: Anders, u voorstel.
[^deuteronomium-4-9-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, zeer; en zo vers 15 , enz. Deuteronomium 4:15 : Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
[^deuteronomium-4-9-e]: Verwijzing e: onder, Deut. 6:7 ; onder, Deut. 11:19 . Deuteronomium 6:7 : En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat. Deuteronomium 11:19 : En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat;
[^deuteronomium-4-10-8]: Kanttekening 8: Dit moet men in het algemeen verstaan van het gehele volk van Israël; want degenen, die in die tijd aan de berg Horeb stonden, waren nu al gestorven, boven, Deut. 2:14 , 2:15 , 2:16 , hoewel het gelooflijk is, dat er van de tegenwoordig levenden, die toen jong waren, mee bij hun vaderen aan de berg Horeb gestaan hebben. Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had. Deuteronomium 2:15 : Zo was ook de hand van YHWH tegen hen, om hen uit het midden van de heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren. Deuteronomium 2:16 : En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden van de heirlegers wegstervende,
[^deuteronomium-4-11-f]: Verwijzing f: Ex. 19:18 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer.
[^deuteronomium-4-11-9]: Kanttekening 9: tot aan het midden van de hemel: Hebreeuws, tot aan het hart van de hemel; dat is, midden in de lucht. Zo in het hart van de zee, Ex. 15:8 ; Spreuk. 23:34 , en Spreuk. 30:19 ; idem, in het hart van de eik, 2 Sam. 18:14 ; in het hart van de aarde, Matt. 12:40 . Exodus 15:8 : En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als één hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee. Spreuken 23:34 : En u zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van de mast slaapt. Spreuken 30:19 : De weg van een arend in de hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart van de zee; en de weg van een man bij een maagd. 2 Samuël 18:14 : Toen zei Joab: Ik zal hier bij u zo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van de eik. Mattheüs 12:40 : Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^deuteronomium-4-12-10]: Kanttekening 10: Te weten, waardoor God zou afgebeeld zijn.
[^deuteronomium-4-12-11]: Kanttekening 11: behalve de stem: Dat is, maar hoorde alleen de stem.
[^deuteronomium-4-13-12]: Kanttekening 12: Dat is, geboden.
[^deuteronomium-4-15-13]: Kanttekening 13: voor uw zielen: Dat is, ten beste van uw zielen; draagt goede zorg voor uw zielen. Vergelijk Joz. 23:11 ; Jer. 17:21 ; Mal. 2:15 , 2:16 . Jozua 23:11 : Daarom bewaart uw zielen naarstiglijk, dat u YHWH, uw God, liefhebt. Jeremia 17:21 : Zo zegt YHWH: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op de sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem. Maleachi 2:15 : Heeft Hij niet maar een gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom maar die enen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd. Maleachi 2:16 : Want YHWH, de God van Israël, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij de wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt YHWH van de legermachten; daarom wacht u met uw geest, dat u niet trouweloos handelt.
[^deuteronomium-4-16-14]: Kanttekening 14: u niet verderft: Anders, het niet verderft.
[^deuteronomium-4-16-15]: Kanttekening 15: enig beeld: Versta, tot enig religieus of godsdienstig gebruik. Want dit gaat het burgerlijk, nodig en matig gebruik van schilderijen, beelden, kaarten, munten, enz. niet aan, noch ook het sieraad van de tabernakel, wat de Heer zelf bevolen heeft.
[^deuteronomium-4-17-16]: Kanttekening 16: door de hemel vliegt: Dat is, door, of in de lucht.
[^deuteronomium-4-19-17]: Kanttekening 17: die YHWH uw God: Dat is, omdat zij geen god, maar Gods schepselen zijn, die Hij tot algemeen gebruik en dienst van de mensen geschapen heeft.
[^deuteronomium-4-20-18]: Kanttekening 18: de ijzeroven: Versta, een smeltoven, of smeltketel, waarin men ijzer smelt. Zie 1 Kon. 8:51 . Egypte wordt daarbij vergeleken vanwege de benauwdheid en de ellende, die Israël daar uitgestaan en geleden had. 1 Koningen 8:51 : Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden van de ijzeren ovens;
[^deuteronomium-4-20-19]: Kanttekening 19: tot een erfvolk zoudt zijn: Zie Ex. 19:5 ; Tit. 2:14 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Titus 2:14 : Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
[^deuteronomium-4-20-g]: Verwijzing g: Ex. 19:5 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^deuteronomium-4-21-20]: Kanttekening 20: Ook vertoornde Zich YHWH over mij: Zie boven, Deut. 1:37 . Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.
[^deuteronomium-4-21-h]: Verwijzing h: boven, Deut. 1:37 ; boven, Deut. 3:26 ; boven, Deut. 31:2 ; boven, Deut. 34:4 . Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen. Deuteronomium 3:26 : Maar YHWH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar YHWH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak. Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan. Deuteronomium 34:4 : En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan.
[^deuteronomium-4-23-21]: Kanttekening 21: gemaakt heeft: Zie Gen. 15:17 , 15:18 . Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^deuteronomium-4-23-22]: Kanttekening 22: Of, gegraven.
[^deuteronomium-4-23-23]: Kanttekening 23: verboden heeft: Hebreeuws, geboden heeft. Van het gebruik van dit woord, zie men Lev. 4:2 , en boven, Deut. 2:37 . Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; Deuteronomium 2:37 : Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de gehele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons verboden had.
[^deuteronomium-4-24-i]: Verwijzing i: onder, Deut. 9:3 ; Hebr. 12:29 . Deuteronomium 9:3 : Zo zult u heden weten, dat YHWH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, gelijk als YHWH tot u gesproken heeft. Hebreeën 12:29 : Want onze God is een verterend vuur.
[^deuteronomium-4-24-24]: Kanttekening 24: God wordt vergeleken bij een vuur, vanwege zijn haat en schrikkelijken toorn tegen de zonde en de zondaar, die Hij met tijdelijke en in het bijzonder eeuwige straffen zo hij ongelovig en onboetvaardig blijft vervolgt en verteert, gelijk een aangestoken en brandend vuur zeer sterk doordringt, en alles, dat brandbaar is, wijd en zijd verteert. Zie onder, Deut. 9:3 , en Deut. 32:22 ; Ps. 21:10 en Ps. 78:21 ; Jes. 33:14 , enz.; Jer. 4:4 ; Hebr. 12:29 . Deuteronomium 9:3 : Zo zult u heden weten, dat YHWH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, gelijk als YHWH tot u gesproken heeft. Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. Psalmen 21:10 : U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. Psalmen 78:21 : Daarom hoorde YHWH, en werd toornig; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël; Jesaja 33:14 : De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? Jeremia 4:4 : Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. Hebreeën 12:29 : Want onze God is een verterend vuur.
[^deuteronomium-4-24-k]: Verwijzing k: Ex. 20:5 ; Ex. 34:14 ; onder, Deut. 5:9 ; onder, Deut. 6:15 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten; Exodus 34:14 : (Want u zult u niet buigen voor een anderen god; want van YHWH Naam is IJveraar! een ijverig God is Hij!) Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten; Deuteronomium 6:15 : Want YHWH, uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn van YHWH, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van de aardbodem verdelge.
[^deuteronomium-4-24-25]: Kanttekening 25: ijverig God: Die jaloërs is, alleen als God wil gekend en geëerd zijn, en geen medegenoot naast zich die eer toestaat \[ Jes. 42:8 , en Jes. 48:11 \], houdende zich sterk en vuriglijk over alles, dat zijn eer betreft, en vijandiglijk hatende alles wat daartegen strijdt. Jesaja 42:8 : Ik ben YHWH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof de gesneden beelden. Jesaja 48:11 : Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
[^deuteronomium-4-25-26]: Kanttekening 26: oud geworden zult zijn: Dat is, lang gewoond zult hebben.
[^deuteronomium-4-25-27]: Kanttekening 27: enig ding: Zie boven, vers 16 , 4:17 , 4:18 , 4:19 , en Ex. 20:4 . Deuteronomium 4:16 : Opdat u u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw, Deuteronomium 4:17 : De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelden vogel, die door de hemel vliegt; Deuteronomium 4:18 : De gedaante van iets, dat op de aardbodem kruipt; de gedaante van enige vis, die in het water is onder de aarde; Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, de gehele legermacht van de hemel; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; die YHWH, uw God, aan alle volken onder de gansen hemel heeft uitgedeeld. Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is.
[^deuteronomium-4-25-28]: Kanttekening 28: kwaad is: Dat is, wat hem mishaagt of kwalijk bevalt.
[^deuteronomium-4-26-29]: Kanttekening 29: de hemel en de aarde: Dat is, alle hemelse en aardse schepselen. Dit is een manier van spreken, waardoor de onvernuftige schepselen tegen de mens, wegens verstoktheid en ongevoeligheid, worden ingevoerd om hem door natuurlijke redenen, die hij in het aanschouwen en gebruiken daarvan behoort te betrachten van zijn hardnekkigheid en ondankbaarheid tegen de machtigen en goeden God aan te klagen en te overtuigen. Zie onder, Deut. 30:19 , en Deut. 31:28 , en vergelijk onder, Deut. 32:1 ; Jes. 1:2 ; Micha 6:2 . Deuteronomium 30:19 : Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat u levet, u en uw zaad; Deuteronomium 31:28 : Vergadert tot mij al de oudsten van uw stammen, en uw ambtlieden; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen de hemel en de aarde tot getuigen neme. Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Jesaja 1:2 : Hoort, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. Micha 6:2 : Hoort, u bergen! de twist van YHWH, en ook u sterke fondamenten van de aarde! want YHWH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
[^deuteronomium-4-26-30]: Kanttekening 30: voorzeker … omkomen: Hebreeuws, omkomende omkomen.
[^deuteronomium-4-26-31]: Kanttekening 31: ganselijk verdelgd worden: Hebreeuws, verdelgd wordende verdelgd worden.
[^deuteronomium-4-27-l]: Verwijzing l: onder, Deut. 28:62 ; idem v. 64 . Deuteronomium 28:62 : En u zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat u geweest bent als de sterren van het hemel in menigte; omdat u van de stem van YHWH, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt. Deuteronomium 28:64 : En YHWH zal u verstrooien onder alle volken, van het een einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; en daar zult u andere goden dienen, die u niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.
[^deuteronomium-4-27-32]: Kanttekening 32: een klein volksken: Hebreeuws, mensen van getal; dat is, die haast geteld zijn. Zie Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^deuteronomium-4-28-m]: Verwijzing m: Ps. 115:4 ; Ps. 135:15 . Psalmen 115:4 : Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensen handen; Psalmen 135:15 : De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
[^deuteronomium-4-29-33]: Kanttekening 33: met uw gehele hart en met uw gehele ziel: Zie onder, Deut. 6:5 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen.
[^deuteronomium-4-30-34]: Kanttekening 34: al deze dingen zullen treffen: Hebreeuws, al deze woorden, of zaken zullen vinden. Zie gelijke manier van spreken onder, Deut. 31:17 , en 1 Sam. 23:17 ; versta die voorgezegde ellenden. Zie boven, vers 26 , 4:27 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? 1 Samuël 23:17 : En hij zei tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar u zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel. Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden. Deuteronomium 4:27 : En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal.
[^deuteronomium-4-30-35]: Kanttekening 35: dan zult u terugkeren: Dit alsook vers 29 schijnt een profetie te zijn van de bekering van de Joden. Vergelijk onder, Deut. 30:1 , 30:2 , 30:3 , enz. Hos. 3:5 . Anders, en u u bekeren zult tot de Heer uw God, enz., en dan in Deut. 5:31 , zo zal Hij u niet verlaten, enz. Deuteronomium 4:29 : Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Deuteronomium 30:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult u het weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u YHWH, uw God, gedreven heeft; Deuteronomium 30:2 : En u zult u bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, u en uw kinderen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-4-30-36]: Kanttekening 36: tot YHWH, uw God: Anders, tot de Heer uw God toe. Zie hiervan Joël 2:12 . Joël 2:12 : Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
[^deuteronomium-4-31-37]: Kanttekening 37: uw vaderen: Dat is, met uwe vaders opgericht, gelijk de volgende woorden aanwijzen.
[^deuteronomium-4-32-38]: Kanttekening 38: van het ene einde van de hemel: Dat is, in de gehele wereld, die onder de hemel gelegen is, van het ene einde van de wereld tot het andere; zo onder, Deut. 30:4 ; Matt. 24:31 ; Mark. 13:27 . Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. Mattheüs 24:31 : En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve. Marcus 13:27 : En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste van de aarde, tot het uiterste van de hemel.
[^deuteronomium-4-34-39]: Kanttekening 39: Door welke Farao verzocht werd of hij Israël zou laten trekken, en Israël, of zij hun God zouden vertrouwen. Zie van het woord verzoeken Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^deuteronomium-4-34-40]: Kanttekening 40: Zo tegen Farao, die God met zijn gehele heirleger in de Rode zee gestort en verdelgd heeft, als tegen Sihon en Og, de koningen van de Amorieten.
[^deuteronomium-4-34-41]: Kanttekening 41: Die eerst over de Egyptenaars en daarna over andere volken gekomen zijn. Zie Ex. 23:27 , en boven, Deut. 2:25 , en onder, Deut. 34:12 . Anders, verschrikkelijkheden; dat is, schrikkelijke daden. Exodus 23:27 : Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren. Deuteronomium 2:25 : Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht van de volken, onder de gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. Deuteronomium 34:12 : En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van geheel Israël.
[^deuteronomium-4-35-42]: Kanttekening 42: die God is: Dat is, alleen de ware God is, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
[^deuteronomium-4-35-43]: Kanttekening 43: dan Hij alleen: Of, behalve Hij alleen, buiten Hem alleen.
[^deuteronomium-4-35-n]: Verwijzing n: onder, Deut. 32:39 ; Jes. 45:5 ; idem v. 18 ; idem v. 22 ; Mark. 12:29 ; idem v. 32 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:18 : Want zo zegt YHWH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben YHWH, en niemand meer. Jesaja 45:22 : Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer. Marcus 12:29 : En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heer, onze God, is een enig Heer. Marcus 12:32 : En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester, U hebt wel in van de waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
[^deuteronomium-4-36-44]: Kanttekening 44: Van de hemel: Dat is, uit de lucht.
[^deuteronomium-4-36-45]: Kanttekening 45: op de aarde: Te weten, op de berg Sinaï.
[^deuteronomium-4-37-46]: Kanttekening 46: hun zaad na hen: Hebreeuws, zijn zaad na hem; dat is, een ieders zaad na hem.
[^deuteronomium-4-37-o]: Verwijzing o: Ex. 13:3 ; idem v. 9 ; idem v. 14 . Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Exodus 13:14 : Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: De YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.
[^deuteronomium-4-37-47]: Kanttekening 47: voor Zijn aangezicht: Anders, met zijn aangezicht; dat is, aanwezigheid zonderling betonende door de wolkkolom en de vuurkolom, en u steeds als onder zijn ogen hebbende, om u overal te geleiden. Vergelijk Ex. 13:21 , en Ex. 14:19 , 14:20 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en 's nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 14:20 : En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de gansen nacht.
[^deuteronomium-4-39-48]: Kanttekening 48: in uw hart hervatten: Dat is, indachtig zijn en behartigen.
[^deuteronomium-4-40-49]: Kanttekening 49: voor altijd: Versta, met conditie van gehoorzaamheid. Vergelijk boven, vers 26 , 4:27 . Hebreeuws, al de dagen. Welke woorden ook kunnen gevoegd worden in het begin van vers 40 : Houdt al de dagen; te weten, uws levens, altijd. Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden. Deuteronomium 4:27 : En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. Deuteronomium 4:40 : En u zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat u de dagen verlengt in het land, dat YHWH, uw God, u geeft, voor altijd.
[^deuteronomium-4-41-p]: Verwijzing p: Num. 35:6 ; idem v. 14 . Numeri 35:6 : De steden nu, die u aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die u geven zult, opdat de moordenaar daarheen vliede; en boven dezelfde zult u hun twee en veertig steden geven. Numeri 35:14 : Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.
[^deuteronomium-4-41-50]: Kanttekening 50: scheidde Mozes drie steden uit: Volgens Gods bevel; Num. 35:14 . Numeri 35:14 : Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.
[^deuteronomium-4-42-51]: Kanttekening 51: van gisteren: Dat is, van tevoren.
[^deuteronomium-4-43-52]: Kanttekening 52: Bezer in de woestijn: Zie Joz. 20:8 . Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^deuteronomium-4-43-q]: Verwijzing q: Joz. 20:8 . Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^deuteronomium-4-43-53]: Kanttekening 53: voor de Rubenieten: Hebreeuws, voor de Rubeniet; en zo in het volgende. Anders, van, of van de; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-4-45-54]: Kanttekening 54: Dit zijn de: Versta, die in Deut. 5 verhaald worden.
[^deuteronomium-4-45-55]: Kanttekening 55: Versta, Gods heilige leer, getuigende van zijn wezen, wil en werken. Zie onder, Deut. 6:17 , en Ps. 19:8 , enz. Deuteronomium 6:17 : U zult de geboden van YHWH, uws Gods, vlijtig houden, en ook Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft. Psalmen 19:8 : De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende.
[^deuteronomium-4-46-56]: Kanttekening 56: Zie boven, Deut. 3:29 . Deuteronomium 3:29 : Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.
[^deuteronomium-4-46-r]: Verwijzing r: Num. 21:24 ; boven, Deut. 1:4 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Deuteronomium 1:4 : Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edreï.
[^deuteronomium-4-47-s]: Verwijzing s: Num. 21:33 ; boven, Deut. 3:3 . Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï. Deuteronomium 3:3 : En YHWH, onze God, gaf ook Og, de koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.
[^deuteronomium-4-48-57]: Kanttekening 57: aan de oever: Hebreeuws, aan de lip. Zie Gen. 41:3 . Genesis 41:3 : En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan de oever van de rivier.
[^deuteronomium-4-48-58]: Kanttekening 58: Sion, welke is Hermon: Zie boven, Deut. 3:9 . Deuteronomium 3:9 : (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
[^deuteronomium-4-49-59]: Kanttekening 59: zee van het vlakke veld: Versta, de Dode zee, of Zoutzee. Zie Gen. 14:3 . Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^deuteronomium-4-49-60]: Kanttekening 60: Zie boven, Deut. 3:17 . Deuteronomium 3:17 : Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.

### Deuteronomium 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/5.json)

*Herhaling van de tien geboden van God, met een inleiding, vers 1, enz. over de verschrikking en het verzoek van het volk dat zij de stem van God zo niet meer mochten horen, maar dat God in plaats van Mozes met hen wilde spreken, 22. Dit staat de HEERE toe, 30. vermaning tot gehoorzaamheid, 32.*

**1** En Mozes riep het hele Israël, en zei tot hen: Hoor, Israël! de voorschriften en rechten, die ik vandaag voor uw oren spreek, dat u ze leert en waarneemt, daarom te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v1)

**2** YHWH, onze God, heeft een[^deuteronomium-5-2-a] verbond met ons[^deuteronomium-5-2-1] gemaakt aan[^deuteronomium-5-2-2] Horeb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v2)

**3** Met[^deuteronomium-5-3-3] onze vaders heeft YHWH[^deuteronomium-5-3-4] dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier vandaag allen levend zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v3)

**4** [^deuteronomium-5-4-5] Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v4)

**5** (Ik stond in die tijd tussen YHWH en tussen u, om u het woord van YHWH aan te zeggen; want u[^deuteronomium-5-5-b] vreesde voor het vuur en klom niet op de berg) zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v5)

**6** [^deuteronomium-5-6-6][^deuteronomium-5-6-c] Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het[^deuteronomium-5-6-7] diensthuis uitgeleid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v6)

**7** U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v7)

**8** [^deuteronomium-5-8-d] U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige afbeelding, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v8)

**9** U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een[^deuteronomium-5-9-8][^deuteronomium-5-9-e] jaloers God, Die de[^deuteronomium-5-9-9] misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, en[^deuteronomium-5-9-10] aan het derde, en aan het vierde geslacht van degenen, die Mij haten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v9)

**10** En[^deuteronomium-5-10-11] doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v10)

**11** U zult de[^deuteronomium-5-11-f] Naam van YHWH, van uw God, niet[^deuteronomium-5-11-12] zinloos[^deuteronomium-5-11-13] gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden degene, die Zijn Naam zinloos gebruikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v11)

**12** Onderhoud de[^deuteronomium-5-12-g] sabbatdag, dat u die heiligt;[^deuteronomium-5-12-14] zoals YHWH, uw God, u geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v12)

**13** Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v13)

**14** Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH, van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienaar, en uw dienstmaagd ruste, zoals u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v14)

**15** Want u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat YHWH, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u YHWH, uw God, geboden, dat u de sabbatdag houden zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v15)

**16** [^deuteronomium-5-16-h] Eer uw vader, en uw moeder, zoals YHWH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen[^deuteronomium-5-16-15] verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v16)

**17** [^deuteronomium-5-17-i] U zult niet doodslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v17)

**18** [^deuteronomium-5-18-k] En u zult geen overspel doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v18)

**19** En u zult niet stelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v19)

**20** En u zult geen valse getuigenis[^deuteronomium-5-20-16] spreken tegen uw naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v20)

**21** En u zult niet begeren de vrouw van uw naaste; en u[^deuteronomium-5-21-17][^deuteronomium-5-21-l] zult u niet laten gelusten het huis van uw naaste, zijn akker, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v21)

**22** Deze woorden sprak YHWH tot uw hele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een luide stem, en deed[^deuteronomium-5-22-18] daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v22)

**23** En het gebeurde, als u die stem uit het midden van de duisternis hoorde, en de berg van vuur brandde, zo naderde u tot mij, alle hoofden van uw stammen, en uw oudsten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v23)

**24** En zei: Zie, YHWH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat[^deuteronomium-5-24-19] hij levend blijft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v24)

**25** Maar nu,[^deuteronomium-5-25-20] waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij doorgingen de stem van YHWH, van onze God, langer te horen, zo zouden wij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v25)

**26** Want wie is er van alle[^deuteronomium-5-26-21] vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft zoals[^deuteronomium-5-26-m] wij, en is levend gebleven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v26)

**27** Nader u, en hoor alles, wat YHWH, onze God, zeggen zal; en[^deuteronomium-5-27-n] spreek u tot ons al wat YHWH, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v27)

**28** Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, toen u tot mij sprak, zo zei YHWH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben;[^deuteronomium-5-28-22] het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v28)

**29** [^deuteronomium-5-29-23] Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden altijd te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen goed zou gaan in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v29)

**30** Ga, zeg hun: Keer weer naar uw tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v30)

**31** Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de[^deuteronomium-5-31-24] geboden, en voorschriften, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v31)

**32** Neem dan waar, dat u doet, zoals YHWH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af[^deuteronomium-5-32-25] ter rechterhand, noch ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v32)

**33** In al de[^deuteronomium-5-33-26] weg, die YHWH, uw God, u gebiedt, zult u gaan; opdat u leeft, en dat het u welga, en u de dagen verlengt in het land, dat u erven zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/5.html#v33)

[^deuteronomium-5-2-a]: Verwijzing a: Ex. 19:5 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^deuteronomium-5-2-1]: Kanttekening 1: Zie Gen. 15:18 , zo boven, Deut. 4:23 . Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Deuteronomium 4:23 : Wacht u, dat u het verbond van YHWH, uws Gods, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat YHWH, uw God, u verboden heeft.
[^deuteronomium-5-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Deut. 1:2 . Deuteronomium 1:2 : Elf dag reizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-barnea.
[^deuteronomium-5-3-3]: Kanttekening 3: onze vaderen: Te weten, Abraham, Izak, Jakob en andere godzalige voorvaders, die allen gestorven waren toen God deze gehele wet, in de woestijn op de berg Sinaï of Horeb, aan Israël openbaarde. Sommigen verstaan dit van de vaders, die in de woestijn waren omgekomen, het verbond Gods verbroken en zich daarom onwaardig gemaakt hadden.
[^deuteronomium-5-3-4]: Kanttekening 4: dit verbond: Gelijk het met al zijn omstandigheden en particuliere wetten, in forma \[gelijk men zegt\] op de berg Sinaï of Horeb aan Israël is geopenbaard. Want de substantie van de wet van de zeden en van de ceremoniën hebben de gelovige voorvaders gehad, en daarnaar door de genade van YHWH hun godsdienstigheid gericht.
[^deuteronomium-5-4-5]: Kanttekening 5: Van aangezicht tot aangezicht: Dat is, zeer gemeenzaam, gelijk wanneer de ene vriend mond voor mond tot de ander zeer vrij spreekt, menselijker wijze ten aanzien van God gesproken. Zie Ex. 33:11 ; Num. 12:8 , en onder, Deut. 34:10 ; ook Num. 14:14 . Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Deuteronomium 34:10 : En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die YHWH gekend had, van aangezicht tot aangezicht, Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat overdag, en in een vuurkolom 's nachts.
[^deuteronomium-5-5-b]: Verwijzing b: Ex. 19:16 ; Ex. 20:18 . Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Exodus 20:18 : En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid van de bazuin, en de rokende berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre;
[^deuteronomium-5-6-6]: Kanttekening 6: Ik ben YHWH: Vergelijk deze wederhaling van de wet met de eerste publicatie Ex. 20:2 , enz., en zie onder, vers 12 . Exodus 20:2 : Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Deuteronomium 5:12 : Onderhoudt de sabbatdag, dat u die heiligt; gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft.
[^deuteronomium-5-6-c]: Verwijzing c: Ex. 20:2 ; Ps. 81:11 . Exodus 20:2 : Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Psalmen 81:11 : Ik ben de Heer, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
[^deuteronomium-5-6-7]: Kanttekening 7: uit het diensthuis uitgeleid heb: Hebreeuws, uit het huis van de dienaren; en zo doorgaans.
[^deuteronomium-5-8-d]: Verwijzing d: Lev. 26:1 . Leviticus 26:1 : U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u u stellen, noch gebeelde steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God!
[^deuteronomium-5-9-8]: Kanttekening 8: ijverig God: Zie boven, Deut. 4:24 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^deuteronomium-5-9-e]: Verwijzing e: Ex. 20:5 ; Ex. 34:7 ; idem 34:14 ; Jer. 32:18 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten; Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Exodus 34:14 : (Want u zult u niet buigen voor een anderen god; want van YHWH Naam is IJveraar! een ijverig God is Hij!) Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten!
[^deuteronomium-5-9-9]: Kanttekening 9: Of, ongerechtigheid.
[^deuteronomium-5-9-10]: Kanttekening 10: aan het derde, en aan het vierde: Hebreeuws, aan de derde en aan de vierde.
[^deuteronomium-5-10-11]: Kanttekening 11: doe barmhartigheid: Of, doe, bewijs, weldadigheid, goedertierenheid, goedgunstigheid.
[^deuteronomium-5-11-f]: Verwijzing f: Lev. 19:12 ; Matt. 5:33 . Leviticus 19:12 : U zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want u zoudt de Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben YHWH. Mattheüs 5:33 : Opnieuw hebt u gehoord, dat van de ouden gezegd is: U zult de eed niet breken, maar u zult de Heer uw eden houden.
[^deuteronomium-5-11-12]: Kanttekening 12: Anders, valselijk.
[^deuteronomium-5-11-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, nemen; te weten, in de mond, gelijk Ps. 50:16 ; of opnemen. Psalmen 50:16 : Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt u Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
[^deuteronomium-5-12-g]: Verwijzing g: Gen. 2:2 ; Ex. 23:12 ; Ex. 35:2 ; Lev. 23:3 ; Ez. 20:12 ; Hebr. 4:4 . Genesis 2:2 : Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. Exodus 23:12 : Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevende dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. Exodus 35:2 : Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid zijn, een sabbat van de rust YHWH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden. Leviticus 23:3 : Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heilige samenroeping; geen werk zult u doen; het is van YHWH sabbat, in al uw woningen. Ezechiël 20:12 : Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige. Hebreeën 4:4 : Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God heeft op de zevende dag van al Zijn werken gerust.
[^deuteronomium-5-12-14]: Kanttekening 14: gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft: Deze woorden, alsook enige andere, vers 14 , 5:15 , 5:16 , heeft Mozes boven de woorden, die Ex. 20 staan, bij manier van verklaring hier bijgevoegd, gelijk hier ook enige uitgelaten zijn, die in Exodus staan. Deuteronomium 5:14 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH, uws Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienaar, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als u. Deuteronomium 5:15 : Want u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat YHWH, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft u YHWH, uw God, geboden, dat u de sabbatdag houden zult. Deuteronomium 5:16 : Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal.
[^deuteronomium-5-16-h]: Verwijzing h: Lev. 19:3 ; Matt. 15:4 ; Lukas 18:20 ; Ef. 6:2 ; idem v. 3 . Leviticus 19:3 : Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben YHWH, uw God! Mattheüs 15:4 : Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. Lukas 18:20 : U weet de geboden: U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder. Efeziërs 6:2 : Eert uw vader en moeder (dat het eerste gebod is met een belofte), Efeziërs 6:3 : Opdat het u welga, en dat u lang leeft op de aarde.
[^deuteronomium-5-16-15]: Kanttekening 15: opdat uw dagen verlengd worden: Anders, opdat zij uw dagen verlengen; zij, te weten vader en moeder, door het gebed of de zegening.
[^deuteronomium-5-17-i]: Verwijzing i: Matt. 5:21 ; Lukas 18:20 ; Rom. 13:9 . Mattheüs 5:21 : U hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Lukas 18:20 : U weet de geboden: U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
[^deuteronomium-5-18-k]: Verwijzing k: Lukas 18:20 . Lukas 18:20 : U weet de geboden: U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.
[^deuteronomium-5-20-16]: Kanttekening 16: Anders, antwoorden, getuigen.
[^deuteronomium-5-21-17]: Kanttekening 17: uws naasten vrouw: Ex. 20:17 wordt het huis van de naasten voor zijn vrouw gesteld, tot een klaar bewijs dat dit maar één gebod is. Exodus 20:17 : U zult niet begeren uws naasten huis; u zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
[^deuteronomium-5-21-l]: Verwijzing l: Rom. 7:7 . Romeinen 7:7 : Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren.
[^deuteronomium-5-22-18]: Kanttekening 18: deed daar niets toe: Dat is, Hij sprak niet meer tot het gehele volk; maar de andere wetten en inzettingen sprak Hij tot Mozes in het bijzonder.
[^deuteronomium-5-24-19]: Kanttekening 19: Te weten, de mens.
[^deuteronomium-5-25-20]: Kanttekening 20: waarom zouden wij sterven: Zij willen zeggen, dat het wel een groot mirakel is, dat zij levend zijn gebleven, maar zouden niet graag dat perijkel weer uitstaan. Vergelijk Gen. 16:13 , en Richt. 6:22 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van de aanziens! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? Richteren 6:22 : Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heer, YHWH! daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht.
[^deuteronomium-5-26-21]: Kanttekening 21: Dat is, wat mens is er. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^deuteronomium-5-26-m]: Verwijzing m: boven, Deut. 4:33 ; Richt. 13:22 . Deuteronomium 4:33 : Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, gelijk als u gehoord hebt, en levend zij gebleven? Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.
[^deuteronomium-5-27-n]: Verwijzing n: Ex. 20:19 ; Hebr. 12:19 . Exodus 20:19 : En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! Hebreeën 12:19 : En tot het geklank van de bazuin, en de stem van de woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.
[^deuteronomium-5-28-22]: Kanttekening 22: het is allemaal goed: Hebreeuws, zij hebben wel gedaan, of, goed gemaakt, alles wat zij gesproken hebben.
[^deuteronomium-5-29-23]: Kanttekening 23: Och, dat zij zulk een hart hadden: Hebreeuws, wie zal geven, dat zij dit hun hart hebben, enz.; een menselijke manier van wensen, gelijk elders dikwijls, die van God gebruikt wordt, om te tonen dat zulk een hart hem aangenaam is; gelijk mensen plegen te wensen naar dingen, die hun aangenaam zijn. Anders is God almachtig, doende wat Hij wil en aan geen zulke beweging onderworpen. Vergelijk Richt. 9:29 ; 2 Sam. 18:33 ; Job 6:8 , en Job 11:5 , enz. Richteren 9:29 : Och, dat dit volk in mijn hand ware! ik zou Abimelech wel verdrijven. En tot Abimelech zei hij: Vermeerder uw legermacht, en trek uit. 2 Samuël 18:33 : Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal van de poort, en weende; en in zijn gaan zei hij zo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven was, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; Job 11:5 : Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
[^deuteronomium-5-31-24]: Kanttekening 24: geboden, en inzettingen, en rechten: Van deze drie achtereenvolgende woorden betekent het eerste \[naar het gevoelen van de meesten\], de wet van de zeden, het tweede de ceremoniële wetten, het derde de politieke of burgerlijke wetten of rechten.
[^deuteronomium-5-32-25]: Kanttekening 25: niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand: Dat is, op geen manier, op geen enkele wijze. Als onder Deut. 28:14 . Deuteronomium 28:14 : En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen.
[^deuteronomium-5-33-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.

### Deuteronomium 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/6.json)

*Bevel om de geboden van God te houden en hem als de enige ware God lief te hebben, met bijgevoegde belofte, vers 1, enz. Bevel om Gods geboden de kinderen in te prenten en ze ook anderszins altijd voor ogen te houden, 6. Eveneens om God en zijn weldaden niet te vergeten, 10. Over het vrezen van God en het vermijden van afgoderij, 13. Om God niet te verzoeken, maar hem onderdanig te zijn, 16. Om de verlossing uit Egypte de kinderen ijverig voor te houden, opdat zij God leren vrezen en gehoorzaam zijn, 20.*

**1** Dit zijn dan[^deuteronomium-6-1-1] de geboden, de voorschriften en de rechten, die YHWH, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat u ze doet in het land, naar dat u heentrekt, om dat erfelijk te bezitten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v1)

**2** Opdat u YHWH, uw God, vreest, om te houden al Zijn voorschriften, en Zijn geboden, die ik u gebiede; u, en uw kind, en kindskind, al de dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v2)

**3** Hoor dan, Israël! en neem waar, dat u ze doet, opdat het u welga, en opdat u zeer vermenigvuldigt (zoals u YHWH, uw vaders God, gesproken heeft) in het land, dat van[^deuteronomium-6-3-2] melk en honing is vloeiende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v3)

**4** [^deuteronomium-6-4-a] Hoor, Israël! YHWH, onze God, is één[^deuteronomium-6-4-3] enig YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v4)

**5** Zo zult u YHWH, uw God,[^deuteronomium-6-5-b] liefhebben, met uw hele hart, en met uw hele ziel, en met al uw vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v5)

**6** En deze woorden, die ik u vandaag gebiede, zullen in uw hart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v6)

**7** En u zult ze[^deuteronomium-6-7-c] uw kinderen[^deuteronomium-6-7-4] inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u neerligt, en als u opstaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v7)

**8** Ook zult u ze tot een[^deuteronomium-6-8-5] teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdsbanden zijn tussen uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v8)

**9** En u zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v9)

**10** Als het dan zal gebeurd zijn, dat YHWH, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v10)

**11** En huizen, vol van alle goeds, die u niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die u niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt,[^deuteronomium-6-11-d] en u[^deuteronomium-6-11-6] gegeten hebt en verzadigd bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v11)

**12** Zo pas op dat u YHWH niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het[^deuteronomium-6-12-7] diensthuis heeft uitgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v12)

**13** U zult YHWH, uw[^deuteronomium-6-13-8] God,[^deuteronomium-6-13-e] vrezen, en Hem dienen; en u zult[^deuteronomium-6-13-9] bij Zijn Naam zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v13)

**14** U zult andere goden niet navolgen, van de goden van de volken, die rondom u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v14)

**15** Want YHWH, uw God is een[^deuteronomium-6-15-10] jaloers God in het midden van u; dat de toorn van YHWH, van uw God, tegen u niet ontsteke, en Hij u van de aardbodem vernietige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v15)

**16** U zult YHWH, uw God,[^deuteronomium-6-16-f] niet[^deuteronomium-6-16-11] verzoeken, zoals u Hem verzocht hebt te[^deuteronomium-6-16-g] Massa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v16)

**17** U zult de geboden van YHWH, van uw God,[^deuteronomium-6-17-12] vlijtig houden, en ook Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften, die Hij u geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v17)

**18** En u zult doen, wat recht en goed is in de ogen van YHWH; opdat het u welga, en dat u inkomt, en erft het goede land, dat YHWH uw vaders gezworen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v18)

**19** Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, zoals YHWH gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v19)

**20** Wanneer uw zoon u[^deuteronomium-6-20-13] morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en voorschriften, en rechten, die YHWH, onze God, u geboden heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v20)

**21** Zo zult u tot uw zoon zeggen: Wij waren dienaren van Farao in Egypte; maar YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v21)

**22** En YHWH gaf tekenen, en grote[^deuteronomium-6-22-14] en kwade wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v22)

**23** En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onze vaders gezworen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v23)

**24** En YHWH gebood ons te doen al deze voorschriften, om te vrezen YHWH, onze God, ons[^deuteronomium-6-24-15] voor altijd ten goede, om ons in het leven te behouden, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v24)

**25** En het zal ons[^deuteronomium-6-25-16] gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, van onze God, zoals Hij ons geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/6.html#v25)

[^deuteronomium-6-1-1]: Kanttekening 1: de geboden: Hebreeuws, het gebod; zie boven, Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-6-3-2]: Kanttekening 2: melk en honig is vloeiende: Zie Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^deuteronomium-6-4-a]: Verwijzing a: boven, Deut. 4:35 ; Mark. 12:29 ; Joh. 17:3 ; 1 Kor. 8:4 ; idem v. 6 . Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Marcus 12:29 : En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heer, onze God, is een enig Heer. Johannes 17:3 : En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^deuteronomium-6-4-3]: Kanttekening 3: enig YHWH: Dat is, een enig, eeuwig, almachtig, goddelijk wezen. Zie van het woord YHWH, of YHWH, Gen. 2:4 . Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.
[^deuteronomium-6-5-b]: Verwijzing b: onder, Deut. 10:12 ; Matt. 22:37 ; Lukas 10:27 . Deuteronomium 10:12 : Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God, te dienen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel; Mattheüs 22:37 : En Jezus zei tot hem: U zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Lukas 10:27 : En hij, antwoordende, zei: U zult de Heer, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
[^deuteronomium-6-7-c]: Verwijzing c: boven, Deut. 4:9 ; boven, Deut. 11:19 . Deuteronomium 4:9 : Alleen wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. Deuteronomium 11:19 : En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat;
[^deuteronomium-6-7-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, scherpen, wetten, slijpen; dat is, zo voordragen, dat zij in hun hart mogen doordringen; gelijk wapens gescherpt worden, om naar het voornemen van degene, die deze gebruikt, door te dringen.
[^deuteronomium-6-8-5]: Kanttekening 5: teken binden op uw hand: Dat is, u zult alle middelen gebruiken om dezelve in gestadige gedachtenis te houden en uw kinderen dezelfde voor ogen te leggen, om daarnaar te leven. Zie Ex. 13:9 , en van de voorhoofdspanselen vers 16 . Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^deuteronomium-6-11-d]: Verwijzing d: onder, Deut. 8:9 ; idem v. 10 . Deuteronomium 8:9 : Een land, waarin u brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen u koper uithouwen zult. Deuteronomium 8:10 : Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u YHWH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
[^deuteronomium-6-11-6]: Kanttekening 6: gegeten hebt: Anders, dat u dan zult eten en verzadigd worden, \[maar\], enz.
[^deuteronomium-6-12-7]: Kanttekening 7: diensthuis heeft uitgevoerd: Hebreeuws, uit het huis van de dienaren; gelijk boven, Deut. 5:6 . Deuteronomium 5:6 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.
[^deuteronomium-6-13-8]: Kanttekening 8: Versta, alleen, gelijk vers 14 uitwijst en te zien is Matt. 4:10 . Deuteronomium 6:14 : U zult andere goden niet navolgen, van de goden van de volken, die rondom u zijn. Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen.
[^deuteronomium-6-13-e]: Verwijzing e: onder, Deut. 10:20 ; Matt. 4:10 ; Lukas 4:8 . Deuteronomium 10:20 : De YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. Lukas 4:8 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: U zult de Heer, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
[^deuteronomium-6-13-9]: Kanttekening 9: bij Zijn Naam zweren: Wanneer de publieke of private nood zulks vereist, zo zult u uw God deze eer aandoen, dat u bij hem alleen zweert.
[^deuteronomium-6-15-10]: Kanttekening 10: ijverig God in het midden van u: Zie Ex. 20:5 , en boven, Deut. 4:24 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten; Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^deuteronomium-6-16-f]: Verwijzing f: Matt. 4:7 ; Lukas 4:12 . Mattheüs 4:7 : Jezus zei tot hem: Er is opnieuw geschreven: U zult de Heer, uw God, niet verzoeken. Lukas 4:12 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Er is gezegd: U zult de Heer, uw God, niet verzoeken.
[^deuteronomium-6-16-11]: Kanttekening 11: God verzoeken is of uit mistrouwen op hem, of uit hoogachting van zichzelven, het goddelijke voorschrift, de rechte orde en de ordinaire middelen verlaten, om zijn eigen goeddunken te volgen en van God, zijn eigenschappen en zijn wil proef te nemen. Zie Ex. 17:2 ; Num. 14:22 ; Ps. 78:18 ; Matt. 4:7 ; Hand. 15:10 . Exodus 17:2 : Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest; Psalmen 78:18 : En zij verzochten God in hun hart, begerende voedsel naar hun lust. Mattheüs 4:7 : Jezus zei tot hem: Er is opnieuw geschreven: U zult de Heer, uw God, niet verzoeken. Handelingen 15:10 : Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
[^deuteronomium-6-16-g]: Verwijzing g: Ex. 17:2 ; Num. 20:3 . Exodus 17:2 : Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Numeri 20:3 : En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van YHWH de geest gaven!
[^deuteronomium-6-17-12]: Kanttekening 12: vlijtig houden: Hebreeuws, houdende houden.
[^deuteronomium-6-20-13]: Kanttekening 13: morgen zal vragen: Dat is, na deze, heden of morgen, gelijk men zegt. Zie Gen. 30:33 . Genesis 30:33 : Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
[^deuteronomium-6-22-14]: Kanttekening 14: en kwade wonderen: Dat is, vreemde, schrikkelijke, schadelijke en verderflijke plagen, waardoor de Egyptenaars zeer gekweld en gepijnigd werden.
[^deuteronomium-6-24-15]: Kanttekening 15: voor altijd ten goede: Hebreeuws, al de dagen.
[^deuteronomium-6-25-16]: Kanttekening 16: gerechtigheid zijn: Naar de wet, bij conditie als wij de gehele wet volkomenlijk onderhouden, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Vergelijk Lev. 18:5 ; Ez. 20:11 ; Matt. 19:17 ; Rom. 10:5 ; Gal. 3:12 ; Jak. 2:10 . Maar nadermaal alle wedergeboren kinderen van God in dit leven onvolmaakt blijven, zodat zij de voorzegde conditie niet kunnen volbrengen, zo is er geen andere weg om voor God gerechtvaardigd te worden, dan door een oprecht geloof aan Jezus Christus, wiens gerechtigheid en voldoening ons van de Vader uit genade geschonken, toegekend en door het geloof toegeëigend worden. Zie Jer. 33:16 ; Dan. 9:24 ; Rom. 3:27 , en Rom. 8:3 ; 1 Kor. 1:30 ; 2 Kor. 5:21 ; Gal. 3:10 , 3:11 ; waarop dan de goede werken volgen als een vrucht van het geloof en bewijs van schuldige dankbaarheid, naar het voorschrift van Gods wet, enz.; 1 Kor. 6:20 ; Gal. 5:6 ; Fil. 1:11 ; Jak. 2:18 . Sommigen verstaan hier door gerechtigheid, het bewijs en uiterlijk betoon van de gerechtigheid, dat wij door het geloof hebben. Leviticus 18:5 : Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens dezelfde zal doen, die zal door dezelfde leven; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:11 : Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, die, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven. Mattheüs 19:17 : En Hij zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Maar wilt u in het leven ingaan, onderhoud de geboden. Romeinen 10:5 : Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven. Galaten 3:12 : Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven. Jakobus 2:10 : Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. Jeremia 33:16 : In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Romeinen 3:27 : Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof. Romeinen 8:3 : Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. 1 Korinthiërs 1:30 : Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Galaten 3:10 : Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen. Galaten 3:11 : En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 1 Korinthiërs 6:20 : Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Filippenzen 1:11 : Vervuld met vruchten van de gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God. Jakobus 2:18 : Maar, zal iemand zeggen: U hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.

### Deuteronomium 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/7.json)

*Hoe de kinderen van Israel zich moesten gedragen tegenover de heidense inwoners van Kanaan en hun afgoderijen, vers 1, enz. de heerlijkheid van Israel boven alle volken, met de oorzaak daarvan, 6. Beloften van velerlei zegeningen, indien zij God gehoorzaam zullen zijn, 9. Troost en versterking tegen het grote aantal en de macht van de heidense volken, 17. Verbod om het zilver en goud van de afgoden te behouden, 25.*

**1** Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij[^deuteronomium-7-1-a] vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de[^deuteronomium-7-1-1] Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v1)

**2** En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze[^deuteronomium-7-2-b] slaat; zo zult u hen[^deuteronomium-7-2-2] geheel verbannen;[^deuteronomium-7-2-c] u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v2)

**3** U zult u ook met hen niet[^deuteronomium-7-3-d] vermaagschappen; u zult[^deuteronomium-7-3-3] uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v3)

**4** Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn van YHWH zou tegen u ontsteken, en u haast vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v4)

**5** Maar zo zult u hun doen:[^deuteronomium-7-5-e] hun altaren zult u afwerpen, en hun[^deuteronomium-7-5-4] opgerichte beelden verbreken, en hun[^deuteronomium-7-5-5] bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v5)

**6** Want[^deuteronomium-7-6-f] u bent een[^deuteronomium-7-6-6] heilig volk voor YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een eigendomsvolk zou zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v6)

**7** YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het kleinste van alle volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v7)

**8** Maar[^deuteronomium-7-8-7] omdat YHWH u liefhad, en opdat Hij hield de eed,[^deuteronomium-7-8-g] die Hij uw vaders gezworen had, heeft u YHWH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v8)

**9** U zult dan weten, dat YHWH, uw God,[^deuteronomium-7-9-h] die God is, die[^deuteronomium-7-9-8] getrouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v9)

**10** En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten,[^deuteronomium-7-10-9] in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn vijand niet[^deuteronomium-7-10-i] vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v10)

**11** Houd dan de geboden, en de voorschriften, en de rechten, die ik u vandaag gebiede, om die te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v11)

**12** Zo zal het gebeuren,[^deuteronomium-7-12-k] omdat u deze rechten zult horen, en houden, en die doen, dat YHWH, uw God, u het verbond en de goedertierenheid zal houden, die Hij uw vaders gezworen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v12)

**13** En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie, de[^deuteronomium-7-13-10] voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft u te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v13)

**14** Gezegend zult u zijn boven alle volken; er zal onder u[^deuteronomium-7-14-l] noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v14)

**15** En YHWH zal alle ziekte van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten van de Egyptenaren, die[^deuteronomium-7-15-11] u kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v15)

**16** U zult dan al die volken[^deuteronomium-7-16-12] verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een[^deuteronomium-7-16-13] strik zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v16)

**17** [^deuteronomium-7-17-14] Zo u in uw hart zei: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v17)

**18** Vrees niet voor hen;[^deuteronomium-7-18-15] gedenk steeds, wat YHWH, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v18)

**19** [^deuteronomium-7-19-m] De grote[^deuteronomium-7-19-16] verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en de uitgestrekte arm, door welke u YHWH, uw God, heeft uitgevoerd; zo zal YHWH, uw God, doen aan alle volken, voor wier aangezicht u vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v19)

**20** Daartoe zal YHWH, uw God, ook[^deuteronomium-7-20-17][^deuteronomium-7-20-n] horzels onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht[^deuteronomium-7-20-18] verborgen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v20)

**21** Ontzet u niet voor hun aangezicht; want YHWH, uw God, is in het[^deuteronomium-7-21-19] midden van u, een groot en vreselijk God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v21)

**22** En YHWH, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht geleidelijk uitwerpen; haastig zult u hen[^deuteronomium-7-22-20][^deuteronomium-7-22-21] niet[^deuteronomium-7-22-22] mogen te niet doen, opdat het wild van het veld niet[^deuteronomium-7-22-23] tegen u vermenigvuldige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v22)

**23** En YHWH zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal[^deuteronomium-7-23-24] hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v23)

**24** Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat u hun naam van onder de hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, voordat u hen zult hebben vernietigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v24)

**25** De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is YHWH, uw God, een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v25)

**26** U zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat u[^deuteronomium-7-26-25] een ban zou worden, zoals[^deuteronomium-7-26-26] dat is; u zult het[^deuteronomium-7-26-27] geheel verafschuwen, en volledig een gruwel daarvan hebben, want het is[^deuteronomium-7-26-28] een ban. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/7.html#v26)

[^deuteronomium-7-1-a]: Verwijzing a: onder, Deut. 31:3 . Deuteronomium 31:3 : De YHWH, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat u hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als YHWH gesproken heeft.
[^deuteronomium-7-1-1]: Kanttekening 1: Zie Gen. 10:15 , enz., en Gen. 15:19 , enz. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 15:19 : De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet,
[^deuteronomium-7-2-b]: Verwijzing b: Num. 33:52 ; Joz. 11:11 . Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Jozua 11:11 : En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
[^deuteronomium-7-2-2]: Kanttekening 2: ganselijk verbannen: Hebreeuws, verbannende verbannen. Zie boven, Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^deuteronomium-7-2-c]: Verwijzing c: Ex. 23:32 ; Ex. 34:15 . Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun gode offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet.
[^deuteronomium-7-3-d]: Verwijzing d: Ex. 34:16 ; 1 Kon. 11:2 . Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. 1 Koningen 11:2 : Van die volken, waarvan YHWH gezegd had tot de kinderen van Israël: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde.
[^deuteronomium-7-3-3]: Kanttekening 3: uw dochters: In het Hebreeuws staat dit en enige navolgende woorden in het eenvoudig getal, ziende op ieder van deze volken, zonen en dochters.
[^deuteronomium-7-5-e]: Verwijzing e: Ex. 23:24 ; Ex. 34:13 ; onder, Deut. 12:2 ; idem v. 3 . Exodus 23:24 : U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen. Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom. Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^deuteronomium-7-5-4]: Kanttekening 4: opgerichte beelden verbreken: Anders, statuen, of, pilaarbeelden.
[^deuteronomium-7-5-5]: Kanttekening 5: bossen zult u afhouwen: Versta, de afgodische bossen, die zij ter afgoderij gesticht hebben. Zie onder, Deut. 12:3 . Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^deuteronomium-7-6-f]: Verwijzing f: Ex. 19:5 ; boven, Deut. 4:20 ; boven, Deut. 14:21 ; boven, Deut. 26:18 ; boven, Deut. 28:9 ; 1 Petr. 2:9 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 4:20 : Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is. Deuteronomium 14:21 : U zult geen dood aas eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk YHWH, uw God. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Deuteronomium 26:18 : En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden; Deuteronomium 28:9 : De YHWH zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer u de geboden van YHWH, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden Van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
[^deuteronomium-7-6-6]: Kanttekening 6: heilig volk YHWH: Dat is, een volk, uit alle volken van God afgezonderd en Hem toegeëigend, opdat Hij u, naar luid van de beloften zijns verbonds, zegene en u in zijn geboden heiliglijk \[gelijk Hij, uw bondsgenoot, heilig is\] volgens uw verbondsbeloften wandelt. Zie onder, Deut. 28:9 ; 1 Petr. 2:9 . Deuteronomium 28:9 : YHWH zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer u de geboden van YHWH, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
[^deuteronomium-7-8-7]: Kanttekening 7: omdat YHWH: Hebreeuws, om, of, uit, vermits de liefde van YHWH \[tot\] u.
[^deuteronomium-7-8-g]: Verwijzing g: onder, Deut. 10:15 . Deuteronomium 10:15 : Alleen heeft YHWH lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, gelijk het te deze dage is.
[^deuteronomium-7-9-h]: Verwijzing h: Ex. 20:5 ; boven, Deut. 5:9 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid degenen, die Mij haten;
[^deuteronomium-7-9-8]: Kanttekening 8: getrouwe God: Dat is, die waarachtig is in zijn woorden, en zijn beloften zekerlijk volbrengt. Zie Jes. 49:7 ; 1 Kor. 1:9 , en 1 Kor. 10:13 ; 2 Kor. 1:18 ; 1 Thess. 5:24 ; 2 Thess. 3:3 ; 2 Tim. 2:13 ; Hebr. 11:11 ; 1 Joh. 1:9 . Jesaja 49:7 : Zo zegt YHWH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Die, aan Welke het volk een gruwel heeft, tot de Knecht van degenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de wil van YHWH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft. 1 Korinthiërs 1:9 : God is getrouw, door Welke u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer. 1 Korinthiërs 10:13 : Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 2 Korinthiërs 1:18 : Maar God is getrouw, dat ons woord, dat tot u is geschied, niet is geweest ja en neen. 1 Thessalonicensen 5:24 : Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. 2 Thessalonicensen 3:3 : Maar de Heer is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van de boze. 2 Timotheüs 2:13 : Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen. Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. 1 Johannes 1:9 : Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
[^deuteronomium-7-10-9]: Kanttekening 9: in zijn aangezicht: Dat is, in hun aanwezigheid, onder hun ogen, gelijk men zegt, of in het openbaar, zonder hun wereldse hoogheid, macht, of trotsheid te ontzien; en zo dat zij de straffende hand van YHWH tegen hen moeten merken en gevoelen.
[^deuteronomium-7-10-i]: Verwijzing i: Nahum 1:2 . Nahum 1:2 : Een ijverig God en een wreker is YHWH, een wreker is YHWH, en zeer grimmig; een wreker is YHWH aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt de toorn Zijn vijanden.
[^deuteronomium-7-12-k]: Verwijzing k: Lev. 26:3 ; onder, Deut. 28:1 . Leviticus 26:3 : Als u in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult; Deuteronomium 28:1 : En het zal gebeuren, als u van de stem van YHWH, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal YHWH, uw God, u hoog zetten boven alle volken van de aarde.
[^deuteronomium-7-13-10]: Kanttekening 10: voortzetting van uw koeien: Of, aanwas; dat is, de vrucht.
[^deuteronomium-7-14-l]: Verwijzing l: Ex. 23:26 . Exodus 23:26 : Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uw dagen vervullen.
[^deuteronomium-7-15-11]: Kanttekening 11: die u kent: Die u aan de Egyptenaars hebt gezien. Vergelijk onder, Deut. 28:60 . Deuteronomium 28:60 : En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor die u gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.
[^deuteronomium-7-16-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, eigenlijk, eten, opeten, en zo verder, verteren; dat is, u zult hen vernielen, verdelgen, zonder sparen of schromen, gelijk het voedsel niet gespaard wordt, veel weiniger een roof van een wild dier. Vergelijk onder, Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^deuteronomium-7-16-13]: Kanttekening 13: strik zijn: Zie Ex. 23:33 , en Ex. 34:12 ; Richt. 2:3 . Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Richteren 2:3 : Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
[^deuteronomium-7-17-14]: Kanttekening 14: Zo u in uw hart: Dat is, zo u bij uzelven mocht denken; zo onder, Deut. 8:17 , en Deut. 9:4 , enz. Deuteronomium 8:17 : En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen. Deuteronomium 9:4 : Wanneer hen nu YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: YHWH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH voor uw aangezicht uit de bezitting.
[^deuteronomium-7-18-15]: Kanttekening 15: gedenkt steeds: Hebreeuws, gedenkende gedenkt.
[^deuteronomium-7-19-m]: Verwijzing m: boven, Deut. 4:34 ; onder, Deut. 29:3 . Deuteronomium 4:34 : Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al wat YHWH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft? Deuteronomium 29:3 : De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen.
[^deuteronomium-7-19-16]: Kanttekening 16: Zie boven, Deut. 4:34 . Deuteronomium 4:34 : Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al wat YHWH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
[^deuteronomium-7-20-17]: Kanttekening 17: horzelen onder hen zenden: Zie Ex. 23:28 . Exodus 23:28 : Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.
[^deuteronomium-7-20-n]: Verwijzing n: Ex. 23:28 ; Joz. 24:12 . Exodus 23:28 : Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. Jozua 24:12 : En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, \[gelijk\] de beide koningen van de Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.
[^deuteronomium-7-20-18]: Kanttekening 18: verborgen zijn: Dat is, die zich verstopt hebben, en uw hand mogen ontkomen zijn.
[^deuteronomium-7-21-19]: Kanttekening 19: midden van u: Te weten, met zijn genade en hulp.
[^deuteronomium-7-22-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, een weinig, een weinig; dat is, al gemakkelijk, de één voor, de ander na.
[^deuteronomium-7-22-21]: Kanttekening 21: Of, uittrekken, uitwortelen, nederstorten.
[^deuteronomium-7-22-22]: Kanttekening 22: mogen te niet doen: Of, kunnen.
[^deuteronomium-7-22-23]: Kanttekening 23: tegen u vermenigvuldige: Of, boven u.
[^deuteronomium-7-23-24]: Kanttekening 24: Of, verbaasd maken met grote verbaasdheid.
[^deuteronomium-7-26-25]: Kanttekening 25: een ban zoudt worden: Dat is, verbannen; zie hiervan een aanmerkelijk exempel, Joz. 7:11 , 7:21 , 7:24 , 7:25 , 7:26 . Jozua 7:11 : Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd. Jozua 7:21 : Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, wier gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. Jozua 7:24 : Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. Jozua 7:26 : En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam dier plaats het dal van Achor, tot deze dag toe.
[^deuteronomium-7-26-26]: Kanttekening 26: datzelve is: Te weten, het verbannen goed.
[^deuteronomium-7-26-27]: Kanttekening 27: ganselijk verfoeien: Hebreeuws, verfoeiende verfoeien, en gruwelende gruwelen.
[^deuteronomium-7-26-28]: Kanttekening 28: een ban: Dat is, ten verderf overgegeven, omdat het ter afgoderij gediend heeft.

### Deuteronomium 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/8.json)

*Vermaning tot gehoorzaamheid, door verhaal van vele grote weldaden van God aan Israel bewezen, vers 1, enz. Eveneens door een beschrijving van de schoonheid en vruchtbaarheid van het beloofde land, 7. met waarschuwingen tegen hoogmoed en het vergeten van God en zijn weldaden, 10. en ook dreigementen van zware straffen indien zij het tegendeel zouden doen, 19.*

**1** [^deuteronomium-8-1-1] Alle geboden, die ik u vandaag gebiede, zult u waarnemen om te doen, opdat u leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat YHWH aan uw vaders gezworen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v1)

**2** En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te[^deuteronomium-8-2-2] verzoeken, om te[^deuteronomium-8-2-3] weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zou houden, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v2)

**3** En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het[^deuteronomium-8-3-a] Man, dat u niet kende, noch uw vaders gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte,[^deuteronomium-8-3-b] dat de mens niet alleen[^deuteronomium-8-3-4] van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH[^deuteronomium-8-3-5] uitgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v3)

**4** [^deuteronomium-8-4-c] Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet[^deuteronomium-8-4-6] gezwollen, deze veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v4)

**5** Bekent dan in uw hart, dat YHWH, uw God, u straft,[^deuteronomium-8-5-7] zoals een man zijn zoon straft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v5)

**6** En houdt de geboden van YHWH, van uw God,[^deuteronomium-8-6-8] om in Zijn[^deuteronomium-8-6-9] wegen te wandelen, en om Hem te vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v6)

**7** Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die[^deuteronomium-8-7-10] in dalen en in bergen[^deuteronomium-8-7-11] uitvlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v7)

**8** Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappels; een land van[^deuteronomium-8-8-12] olierijke olijfbomen, en van honing; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v8)

**9** Een land, waarin u[^deuteronomium-8-9-13] brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, waarvan de stenen ijzer zijn[^deuteronomium-8-9-14], en waarvan u uit de bergen koper uithouwen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v9)

**10** [^deuteronomium-8-10-15][^deuteronomium-8-10-d] Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u YHWH, uw God,[^deuteronomium-8-10-16] loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v10)

**11** Pas op dat u YHWH, uw God, niet vergeet, dat u niet zou houden Zijn[^deuteronomium-8-11-17] geboden, en Zijn rechten, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v11)

**12** Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v12)

**13** En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat u hebt vermeerderd zal zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v13)

**14** Uw hart zich dan verheffe, dat u vergeet YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v14)

**15** Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was;[^deuteronomium-8-15-e] Die u water uit de[^deuteronomium-8-15-18] keiachtige rots voortbracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v15)

**16** Die u in de woestijn spijsde met[^deuteronomium-8-16-f] Man, dat uw vaders niet gekend hadden;[^deuteronomium-8-16-19] om u te verootmoedigen, en om u te[^deuteronomium-8-16-20] verzoeken, opdat Hij u[^deuteronomium-8-16-21] ten laatste weldeed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v16)

**17** [^deuteronomium-8-17-22] En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit[^deuteronomium-8-17-24] vermogen verkregen.[^deuteronomium-8-17-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v17)

**18** Maar u zult gedenken YHWH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v18)

**19** Maar als het gebeurt, dat u YHWH, uw God,[^deuteronomium-8-19-25] geheel vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u daarvoor buigt, zo betuig ik vandaag tegen u, dat u[^deuteronomium-8-19-26] voorzeker zult vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v19)

**20** Zoals de heidenen, die YHWH voor uw aangezicht weggevaagd heeft, zo zult u vergaan, omdat u de stem van YHWH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/8.html#v20)

[^deuteronomium-8-1-1]: Kanttekening 1: Alle geboden: Hebreeuws, alle gebod, dat ik, enz. of elk gebod.
[^deuteronomium-8-2-2]: Kanttekening 2: om u te verzoeken: Menselijker wijze van God gesproken. Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^deuteronomium-8-2-3]: Kanttekening 3: om te weten: Opdat gijzelf en anderen mogen weten; dat is, opdat het openbaar en bekend worde, enz. Zo onder, Deut. 13:3 ; Richt. 3:4 ; 2 Kron. 32:31 . Deuteronomium 13:3 : U zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromen-dromer niet horen; want YHWH, uw God, verzoekt u, om te weten, of u YHWH, uw God, liefhebt met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Richteren 3:4 : Deze dan waren, om Israël door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden van YHWH zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had. 2 Kronieken 32:31 : Maar het is zo, als de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
[^deuteronomium-8-3-a]: Verwijzing a: Ex. 16:14 ; idem v. 15 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. Exodus 16:15 : Toen het de kinderen van Israël zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft.
[^deuteronomium-8-3-b]: Verwijzing b: Matt. 4:4 ; Lukas 4:4 . Mattheüs 4:4 : Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond van God uitgaat. Lukas 4:4 : En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord van God.
[^deuteronomium-8-3-4]: Kanttekening 4: van het brood leeft: Of, op, door, bij; gelijk wij ook spreken: bij brood, op brood leven, zich onderhouden.
[^deuteronomium-8-3-5]: Kanttekening 5: Of voortkomt. Hebreeuws, van, bij, of door allen uitgang van de mond van YHWH; dat is, van alles, wat God niet alleen gewoonlijk maar ook buiten de algemene orde daartoe belieft te ordineren, beschikken en zegenen, waarvan Hij bevel geeft, dat de mens daarvan zijn leven onderhoude, ja ook zonder middel, wanneer het hem belieft.
[^deuteronomium-8-4-c]: Verwijzing c: onder, Deut. 29:5 ; Neh. 9:21 . Deuteronomium 29:5 : En Ik heb u veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw kleren zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet. Nehemia 9:21 : Zo hebt U hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun kleren zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.
[^deuteronomium-8-4-6]: Kanttekening 6: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk: het opzwellen, verheffen, rijzen van het deeg door de desem; Mozes wil zeggen dat hun voeten niet ontsteld of verzeerd zijn geweest door de moeilijkheid en het ongemak van al dat reizen en trekken.
[^deuteronomium-8-5-7]: Kanttekening 7: gelijk als een man: Met al zulke liefde, op dezelfde manier, en tot zulk einde, als een goedig vader zijn kind kastijdt. Zie Spreuk. 3:11 , 3:12 ; Hebr. 12:5 , 12:6 , 12:7 , 12:8 , 12:9 , 12:10 , enz. Spreuken 3:11 : Mijn zoon! verwerp de tucht van YHWH niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; Spreuken 3:12 : Want YHWH kastijdt dengene, die Hij liefheeft, ja, gelijk een vader de zoon, in die hij een welbehagen heeft. Hebreeën 12:5 : En u hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding van de Heer, en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt; Hebreeën 12:6 : Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12:7 : Als u de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt?) Hebreeën 12:8 : Maar als u zonder kastijding bent, welke allen deelachtig zijn geworden, zo bent u dan bastaarden, en niet zonen. Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven? Hebreeën 12:10 : Want genen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden.
[^deuteronomium-8-6-8]: Kanttekening 8: om in Zijn: Of, wandelende in zijn wegen, en hem vrezende.
[^deuteronomium-8-6-9]: Kanttekening 9: wegen te wandelen: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-8-7-10]: Kanttekening 10: in dalen: Hebreeuws, in dal en in berg.
[^deuteronomium-8-7-11]: Kanttekening 11: Of, voortkomen, ontspringen.
[^deuteronomium-8-8-12]: Kanttekening 12: olierijke olijfbomen: Hebreeuws, olijfbomen van de olie.
[^deuteronomium-8-9-13]: Kanttekening 13: brood zonder schaarsheid eten zult: Zie Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^deuteronomium-8-9-14]: Kanttekening 14: ijzer zijn: Dat is, waar in de stenen ijzer gevonden wordt, of waar de stenen ijzerachtig zijn.
[^deuteronomium-8-10-15]: Kanttekening 15: Als u dan zult gegeten hebben: Anders, u zult dan eten en verzadigd worden, en enz.
[^deuteronomium-8-10-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 6:12 ; idem v. 13 . Deuteronomium 6:12 : Zo wacht u, dat u YHWH niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd. Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren.
[^deuteronomium-8-10-16]: Kanttekening 16: loven over dat goede land: Hebreeuws, zegenen.
[^deuteronomium-8-11-17]: Kanttekening 17: Zie boven, Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-8-15-e]: Verwijzing e: Ex. 17:6 ; Num. 20:11 ; Ps. 78:15 ; Ps. 114:8 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 78:15 : Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. Psalmen 114:8 : Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein.
[^deuteronomium-8-15-18]: Kanttekening 18: keiachtige rots: Hebreeuws, de rots van de kei; dat is, de keiachtige, steenachtige rots.
[^deuteronomium-8-16-f]: Verwijzing f: Ex. 16:14 ; idem v. 15 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. Exodus 16:15 : Toen het de kinderen van Israël zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft.
[^deuteronomium-8-16-19]: Kanttekening 19: om u te verootmoedigen: Zie boven, vers 2 , 8:3 , enz. Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet. Deuteronomium 8:3 : En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat.
[^deuteronomium-8-16-20]: Kanttekening 20: Zie boven, vers 2 . Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet.
[^deuteronomium-8-16-21]: Kanttekening 21: ten laatste weldeed: Hebreeuws, in uw uiterste, in uw laatste, achterste; dat is, achterna.
[^deuteronomium-8-17-22]: Kanttekening 22: En u: Dit moet gevoegd worden met het begin van vers 12 en vers 14 . Deuteronomium 8:12 : Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, Deuteronomium 8:14 : Uw hart zich alsdan verheffe, dat u vergeet YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;
[^deuteronomium-8-17-24]: Kanttekening 24: vermogen verkregen: Zie Ps. 73:12 . Psalmen 73:12 : Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
[^deuteronomium-8-17-23]: Kanttekening 23: in uw hart zegt: Zie boven, Deut. 7:17 . Deuteronomium 7:17 : Zo u in uw hart zeide: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?
[^deuteronomium-8-19-25]: Kanttekening 25: ganselijk vergeet: Hebreeuws, vergetende vergeet.
[^deuteronomium-8-19-26]: Kanttekening 26: voorzeker zult vergaan: Hebreeuws, vergaande vergaan zult.

### Deuteronomium 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/9.json)

*Trouwe waarschuwingen aan Israel, dat zij, wanneer zij hun vijanden overwonnen hebben en in het beloofde land gebracht zijn, geenszins moesten denken dat God dit om hun gerechtigheid gedaan had, maar om de boosheid van de inwoners te straffen en zijn genadige verbondsbeloften aan Israel te vervullen, vers 1, enz. wat Mozes bewijst met een lang verhaal van Israels weerspannigheid en gruwelijke zonden, begaan bij Horeb, 7. te Tabhera, Massa en Kibroth-Taava, 22. en ook te Kades-Barnea, 23. waarbij Mozes verhaalt hoe zeer hij om hun zonden ontsteld was en welke voorbeden hij heeft moeten doen om Gods toorn te stillen, 15.*

**1** Hoor, Israël! u zult[^deuteronomium-9-1-1] vandaag over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om[^deuteronomium-9-1-2] volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot[^deuteronomium-9-1-3] in de hemel gesterkt zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v1)

**2** Een groot en lang volk, kinderen van[^deuteronomium-9-2-4] de Enakieten; die u kent, en waarvan[^deuteronomium-9-2-a] u gehoord hebt:[^deuteronomium-9-2-5] Wie zou bestaan voor het aangezicht van de kinderen van Enak? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v2)

**3** Zo zult u vandaag weten, dat YHWH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een[^deuteronomium-9-3-6][^deuteronomium-9-3-b] verterend vuur: Die zal hen vernietigen, en Die zal hen voor uw aangezicht neerwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, zoals YHWH tot u gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v3)

**4** Wanneer hen nu YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo[^deuteronomium-9-4-7] spreek niet in uw hart, zeggende: YHWH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH voor uw aangezicht uit de bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v4)

**5** Niet om[^deuteronomium-9-5-8] uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid van uw hart, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat YHWH, uw God, aan uw vaders, Abraham, Izak en Jakob,[^deuteronomium-9-5-c] gezworen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v5)

**6** Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft, om dat te erven; want u bent een[^deuteronomium-9-6-9] hardnekkig volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v6)

**7** Gedenk, vergeet niet, dat u YHWH, uw God, in de woestijn, zeer[^deuteronomium-9-7-d] vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwam aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v7)

**8** [^deuteronomium-9-8-10][^deuteronomium-9-8-e] Want aan Horeb vertoornde u YHWH zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v8)

**9** Als ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen van[^deuteronomium-9-9-11] het verbond, dat YHWH met u gemaakt[^deuteronomium-9-9-12] had, toen[^deuteronomium-9-9-f] bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg,[^deuteronomium-9-9-13] at geen brood, en dronk geen water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v9)

**10** En YHWH gaf mij de twee stenen tafelen,[^deuteronomium-9-10-g] met[^deuteronomium-9-10-14] Gods vinger beschreven; en[^deuteronomium-9-10-15] daarop, naar al de woorden, die YHWH op de berg, uit het midden van het[^deuteronomium-9-10-16] vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v10)

**11** Zo gebeurde het, na verloop van veertig dagen en veertig nachten, als mij YHWH de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v11)

**12** Dat YHWH tot mij zei: Sta op, ga haastig af van hier; want uw volk, dat u uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft[^deuteronomium-9-12-17] het verdorven; zij zijn haastig afgeweken van de[^deuteronomium-9-12-18] weg, die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v12)

**13** Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een[^deuteronomium-9-13-h] hardnekkig volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v13)

**14** [^deuteronomium-9-14-19][^deuteronomium-9-14-i] Laat van Mij af, dat Ik hen vernietige, en hun naam van onder de hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v14)

**15** Toen keerde ik mij, en ging van de berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen van het verbond waren op beide mijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v15)

**16** En ik zag toe, en zie, u had tegen YHWH, uw God, gezondigd; u had u een gegoten kalf gemaakt; u was haastig afgeweken van de weg, die u YHWH geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v16)

**17** Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v17)

**18** En ik wierp mij neer voor het aangezicht van YHWH,[^deuteronomium-9-18-20] als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u had gezondigd, doende[^deuteronomium-9-18-21] dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v18)

**19** Want ik vreesde vanwege de toorn en de woede waarmee YHWH zeer op u vertoornd was, om u te vernietigen; maar YHWH verhoorde mij ook op dat moment. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v19)

**20** Ook vertoornde Zich YHWH zeer tegen Aäron, om hem te vernietigen; maar ik bad ook in die tijd voor Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v20)

**21** Maar[^deuteronomium-9-21-22] uw zonde, het kalf, dat u had gemaakt,[^deuteronomium-9-21-k] nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en[^deuteronomium-9-21-23] zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v21)

**22** Ook vertoornde u YHWH zeer te[^deuteronomium-9-22-24][^deuteronomium-9-22-l] Thab-era en te[^deuteronomium-9-22-25][^deuteronomium-9-22-m] Massa, en te[^deuteronomium-9-22-26][^deuteronomium-9-22-n] Kibroth-thaava. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v22)

**23** Verder als YHWH u zond uit Kades-barnea, zeggende:[^deuteronomium-9-23-o] Ga op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo was u de mond van YHWH, van uw God, opstandig, en geloofde Hem niet, en was Zijn stem niet gehoorzaam.[^deuteronomium-9-23-27][^deuteronomium-9-23-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v23)

**24** Opstandig bent u geweest tegen YHWH, van de dag af, dat ik u[^deuteronomium-9-24-29] gekend heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v24)

**25** En ik wierp mij neer voor het aangezicht van YHWH, die veertig dagen en veertig nachten, waarin ik mij neerwierp, omdat YHWH gezegd had, dat Hij u vernietigen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v25)

**26** En ik bad tot YHWH, en zei: Heere, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw[^deuteronomium-9-26-30] grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.[^deuteronomium-9-26-p] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v26)

**27** Gedenk[^deuteronomium-9-27-31] aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardheid van dit volk, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v27)

**28** [^deuteronomium-9-28-32] Opdat het land, vanwaar U ons hebt uitgevoerd,[^deuteronomium-9-28-q] niet zegge: Omdat ze YHWH niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.[^deuteronomium-9-28-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v28)

**29** Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat U door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekte arm hebt uitgevoerd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/9.html#v29)

[^deuteronomium-9-1-1]: Kanttekening 1: heden over de Jordaan gaan: Dat is, haast binnen korte tijd.
[^deuteronomium-9-1-2]: Kanttekening 2: volken te erven: Dat is, landen van de volken, die, enz. Want die volken moesten zij uitroeien naar Gods bevel.
[^deuteronomium-9-1-3]: Kanttekening 3: in de hemel gesterkt zijn: Zie boven, Deut. 1:28 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^deuteronomium-9-2-4]: Kanttekening 4: Gelijk boven, Deut. 1:28 , en Deut. 2:10 , 2:11 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 2:10 : De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten. Deuteronomium 2:11 : Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
[^deuteronomium-9-2-a]: Verwijzing a: Num. 13:32 ; idem v. 33 . Numeri 13:32 : Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen van Israël, zeggende: Dat land, door dat wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden van hetzelfde gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. Numeri 13:33 : Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen.
[^deuteronomium-9-2-5]: Kanttekening 5: Wie zou bestaan: Een algemeen spreekwoord, ten tijde toen deze reuzen in bloei waren.
[^deuteronomium-9-3-6]: Kanttekening 6: verterend vuur: Zie boven, Deut. 4:24 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^deuteronomium-9-3-b]: Verwijzing b: boven, Deut. 4:24 ; Hebr. 12:29 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Hebreeën 12:29 : Want onze God is een verterend vuur.
[^deuteronomium-9-4-7]: Kanttekening 7: spreek niet in uw hart: Zie boven, Deut. 7:17 . Deuteronomium 7:17 : Zo u in uw hart zeide: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?
[^deuteronomium-9-5-8]: Kanttekening 8: uw gerechtigheid: Want u, wil YHWH zeggen, hebt geen gerechtigheid bij uzelven, maar het tegendeel. Zie vers 6 , 9:7 , enz. Een gelijke manier van spreken gebruikt de apostel, Tit. 3:5 , en elders dikwijls in het verhaal van de oorzaken van de zaligheid; dat is, onzer verlossing en bezitting van het hemelse Kanaän, gelijk hij zegt: Niet uit de werken, niet uit de rechtvaardige werken, die wij zouden gedaan hebben, enz. Deuteronomium 9:6 : Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk. Deuteronomium 9:7 : Gedenk, vergeet niet, dat u YHWH, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwaamt aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen YHWH. Titus 3:5 : Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heiligen Geestes;
[^deuteronomium-9-5-c]: Verwijzing c: Gen. 12:7 ; Gen. 13:15 ; Gen. 15:7 ; Gen. 17:8 ; Gen. 26:4 ; Gen. 28:13 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:7 : Verder zei Hij tot hem: Ik ben YHWH, Die u uitgeleid heb uit Ur van de Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van het hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^deuteronomium-9-6-9]: Kanttekening 9: hardnekkig volk: Zie Ex. 32:9 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^deuteronomium-9-7-d]: Verwijzing d: Ex. 14:11 ; Ex. 16:2 ; Ex. 17:2 ; Num. 11:4 . Exodus 14:11 : En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Exodus 16:2 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. Exodus 17:2 : Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^deuteronomium-9-8-10]: Kanttekening 10: Want aan Horeb vertoornde u YHWH zeer: Dit volgende verhaal dient tot bewijs van vers 5 , 9:6 , waar Mozes zei dat God hen niet om hun gerechtigheid in het land Kanaän brengen zou. Deuteronomium 9:5 : Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat YHWH, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. Deuteronomium 9:6 : Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk.
[^deuteronomium-9-8-e]: Verwijzing e: Ex. 32:4 ; Ps. 106:19 . Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. Psalmen 106:19 : Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
[^deuteronomium-9-9-11]: Kanttekening 11: Dat is, op welke de tien geboden geschreven waren, die het verbond van de wet van God bevatten, zo vers 10 , enz. Deuteronomium 9:10 : En YHWH gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelfde, naar al de woorden, die YHWH op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had.
[^deuteronomium-9-9-12]: Kanttekening 12: gemaakt had: Zie Gen. 15:18 . Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^deuteronomium-9-9-f]: Verwijzing f: Ex. 24:18 ; Ex. 34:28 . Exodus 24:18 : En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg veertig dagen en veertig nachten. Exodus 34:28 : En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden.
[^deuteronomium-9-9-13]: Kanttekening 13: at geen brood, en dronk geen water: Dat is, ik nuttigde noch voedsel noch drank; zo vers 18 ; 1 Kon. 13:8 , 13:9 , 13:16 ; 2 Kon. 2:22 . Deuteronomium 9:18 : En ik wierp mij neder voor het aangezicht van YHWH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u hadt gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 1 Koningen 13:8 : Maar de man van God zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken. 1 Koningen 13:9 : Want zo heeft mij YHWH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent. 1 Koningen 13:16 : Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats. 2 Koningen 2:22 : Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had.
[^deuteronomium-9-10-g]: Verwijzing g: Ex. 31:18 . Exodus 31:18 : En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen van het getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God.
[^deuteronomium-9-10-14]: Kanttekening 14: Gods vinger beschreven: Dat is, met zijn vinger. Zie de geestelijke beduiding hiervan, 2 Kor. 3:3 , 3:7 , en vergelijk Jer. 31:33 . 2 Korinthiërs 3:3 : Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van de harten. 2 Korinthiërs 3:7 : En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden. Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^deuteronomium-9-10-15]: Kanttekening 15: op dezelfde: Te weten, was geschreven.
[^deuteronomium-9-10-16]: Kanttekening 16: op de dag van de verzameling: Toen Israël onder aan de voet van de berg stond om de geboden van YHWH aan te horen.
[^deuteronomium-9-12-17]: Kanttekening 17: het verdorven: Of, zich verdorven. Zie Ex. 32:7 . Exodus 32:7 : Toen sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.
[^deuteronomium-9-12-18]: Kanttekening 18: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-9-13-h]: Verwijzing h: Ex. 32:9 ; Ex. 33:3 ; Ex. 34:9 ; onder, Deut. 10:16 ; onder, Deut. 31:27 ; 2 Kon. 17:14 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Exodus 34:9 : En hij zei: Heer! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heer in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! Deuteronomium 10:16 : Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Deuteronomium 31:27 : Want ik ken uw opstandigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met u leve, bent u opstandig geweest tegen YHWH; hoe veel te meer na mijn dood! 2 Koningen 17:14 : Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hun vaderen geweest was, die aan YHWH, hun God, niet geloofd hadden.
[^deuteronomium-9-14-19]: Kanttekening 19: Laat van Mij af: Alsof YHWH zei: Val Mij niet meer lastig met uw voorbidden voor dit hardnekkig volk. Zie Mozes' voorbede, Ex. 32:11 , 32:12 , enz., en Ex. 34:9 , en onder, vers 26 , enz. Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen. Exodus 34:9 : En hij zei: Heer! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heer in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! Deuteronomium 9:26 : En ik bad tot YHWH, en zei: Heer, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.
[^deuteronomium-9-14-i]: Verwijzing i: Ex. 32:10 ; Ps. 106:23 . Exodus 32:10 : En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. Psalmen 106:23 : Daarom Hij zei, dat Hij hen verdelgen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
[^deuteronomium-9-18-20]: Kanttekening 20: als in het eerst: Ik deed wederom gelijk ik tevoren gedaan had.
[^deuteronomium-9-18-21]: Kanttekening 21: dat kwaad is in de ogen van YHWH: Dat is, wat hem mishaagt.
[^deuteronomium-9-21-22]: Kanttekening 22: uw zonde: Dat is, gelijk de volgende woorden uitwijzen, het gegoten kalf, waarmee u de gruwelijke zonde van de afgoderij gedreven hadt. Vergelijk Jes. 27:9 ; Hos. 10:8 ; Amos 8:14 . Jesaja 27:9 : Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij de zonde daarvan zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Amos 8:14 : Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weer opstaan.
[^deuteronomium-9-21-k]: Verwijzing k: Ex. 32:20 . Exodus 32:20 : En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de kinderen van Israël drinken.
[^deuteronomium-9-21-23]: Kanttekening 23: zijn stof wierp ik in de beek: Om deze gruwel op het hoogste te verfoeien en alle gedachtenis daarvan in de diepte te versmoren. Zie hiervan breder Ex. 32:20 , en vergelijk 2 Kon. 23:12 . Exodus 32:20 : En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de kinderen van Israël drinken. 2 Koningen 23:12 : Verder de altaren die op het dak van de opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en ook de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis van YHWH gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
[^deuteronomium-9-22-24]: Kanttekening 24: Dat is, brand; waarom deze plaats aldus genaamd is, zie Num. 11:2 , 11:3 . Numeri 11:2 : Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot YHWH; en het vuur werd gedempt. Numeri 11:3 : Daarom noemde hij de naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur van YHWH onder hen gebrand had.
[^deuteronomium-9-22-l]: Verwijzing l: Num. 11:1 . Numeri 11:1 : En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van de leger.
[^deuteronomium-9-22-25]: Kanttekening 25: Dat is, verzoeking. Zie Ex. 17:7 . Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet?
[^deuteronomium-9-22-m]: Verwijzing m: Ex. 17:7 . Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet?
[^deuteronomium-9-22-26]: Kanttekening 26: Dat is, lustgraven. Zie Num. 11:34 . Numeri 11:34 : Daarom heet men de naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
[^deuteronomium-9-22-n]: Verwijzing n: Num. 11:4 ; idem v. 34 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:34 : Daarom heet men de naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
[^deuteronomium-9-23-o]: Verwijzing o: Num. 13:3 ; Num. 14:1 . Numeri 13:3 : Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van YHWH; al die mannen waren hoofden van de kinderen van Israël. Numeri 14:1 : Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.
[^deuteronomium-9-23-27]: Kanttekening 27: mond van YHWH, uws Gods: Dat is, het bevel.
[^deuteronomium-9-23-28]: Kanttekening 28: geloofde Hem niet: Zie boven, Deut. 1:32 . Deuteronomium 1:32 : Maar door dit woord geloofde u niet aan YHWH, uw God.
[^deuteronomium-9-24-29]: Kanttekening 29: gekend heb: Dat is, met u omgegaan, en volgens mijn beroep met u te doen gehad heb.
[^deuteronomium-9-26-30]: Kanttekening 30: grootheid verlost hebt: Dat is, majesteit, of grote mogendheid; zie onder, Deut. 11:2 . Deuteronomium 11:2 : En u zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van YHWH, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;
[^deuteronomium-9-26-p]: Verwijzing p: Ex. 32:11 ; Num. 14:13 . Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Numeri 14:13 : En Mozes zei tot YHWH: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;
[^deuteronomium-9-27-31]: Kanttekening 31: aan Uw knechten: Dat is, van het verbond, dat U met hen gemaakt hebt.
[^deuteronomium-9-28-32]: Kanttekening 32: Opdat het land: Hebreeuws, opdat zij niet zeggen het land, van daar, enz.; dat is, opdat de inwoners van het land, van daar, enz., niet zeggen, namelijk de Egyptenaars; gelijk Ex. 32:12 . Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.
[^deuteronomium-9-28-q]: Verwijzing q: Ex. 32:12 ; Num. 14:16 . Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen. Numeri 14:16 : Omdat YHWH dit volk niet kon brengen in dat land, dat Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!
[^deuteronomium-9-28-33]: Kanttekening 33: omdat Hij hen haatte: Vergelijk boven, Deut. 1:27 . Deuteronomium 1:27 : En u morde in uw tenten, en zeide: Omdat YHWH ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand van de Amorieten, om ons te verdelgen.

### Deuteronomium 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/10.json)

*Verhaal van het maken van de twee andere stenen tafelen en het inschrijven van de tien geboden daarop, en ook van de kist of ark waarin Mozes ze wegborg, vers 1, enz. Aarons dood en de afzondering van de stam Levi voor de dienst van de HEERE, 6. Mozes' verblijf op de berg, 10. Een heerlijke vermaning aan Israel tot het vrezen van God, gehoorzaamheid en liefde voor de naaste, in het bijzonder voor de vreemdelingen, en ook tot kennis van de ware God, met verschillende aangrijpende redenen, 12.*

**1** [^deuteronomium-10-1-1] In die tijd zei YHWH tot mij:[^deuteronomium-10-1-a] Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult u zich een[^deuteronomium-10-1-2] kist van hout maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v1)

**2** En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die u gebroken hebt; en u zult ze leggen in die kist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v2)

**3** Zo maakte ik een kist van[^deuteronomium-10-3-3] sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op de berg, en de twee tafelen waren in mijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v3)

**4** Toen schreef[^deuteronomium-10-4-4] Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de[^deuteronomium-10-4-5] tien woorden, die YHWH,[^deuteronomium-10-4-6] op de dag van de verzameling, op de berg, uit het midden van het vuur, tot u gesproken had; en YHWH gaf ze mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v4)

**5** En ik keerde mij, en ging af van de berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en daar[^deuteronomium-10-5-7] zijn zij, zoals YHWH mij geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v5)

**6** (En de Israëlieten[^deuteronomium-10-6-b] reisden van[^deuteronomium-10-6-8] Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar[^deuteronomium-10-6-c] stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v6)

**7** Van daar reisden zij naar[^deuteronomium-10-7-9][^deuteronomium-10-7-d] Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v7)

**8** In die tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen,[^deuteronomium-10-8-10] om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om[^deuteronomium-10-8-11] in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v8)

**9** Daarom heeft[^deuteronomium-10-9-12] Levi[^deuteronomium-10-9-e] geen deel noch erfenis met zijn broers;[^deuteronomium-10-9-13] YHWH is zijn Erfdeel, zoals YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v9)

**10** En ik stond op de berg, als de vorige dagen,[^deuteronomium-10-10-f] veertig dagen en veertig nachten; en YHWH[^deuteronomium-10-10-g] verhoorde mij ook op datzelfde moment; YHWH heeft u niet willen verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v10)

**11** Maar YHWH zei tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht van het volk, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaders gezworen heb, hun te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v11)

**12** Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn[^deuteronomium-10-12-14] wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God,[^deuteronomium-10-12-h] te dienen,[^deuteronomium-10-12-15] met uw hele hart en met uw hele ziel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v12)

**13** Om te houden de geboden van YHWH, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede,[^deuteronomium-10-13-16] u ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v13)

**14** Zie, van YHWH, van uw God, is de hemel, en de hemel[^deuteronomium-10-14-17] van de hemelen, de[^deuteronomium-10-14-i] aarde, en al wat daarin is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v14)

**15** [^deuteronomium-10-15-18] Alleen heeft YHWH lust gehad aan uw vaders, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v15)

**16** [^deuteronomium-10-16-19] Besnijd dan de voorhuid[^deuteronomium-10-16-k] van uw hart, en verhardt uw[^deuteronomium-10-16-l] nek niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v16)

**17** Want YHWH, uw God, is een God van[^deuteronomium-10-17-20] de goden, en[^deuteronomium-10-17-m] een Heere van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die[^deuteronomium-10-17-n] geen[^deuteronomium-10-17-21] aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v17)

**18** Die het recht van de wees en van de weduwe[^deuteronomium-10-18-22] doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v18)

**19** Daarom zult u de vreemdeling liefhebben, want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v19)

**20** YHWH, uw God, zult u[^deuteronomium-10-20-o] vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u[^deuteronomium-10-20-p] aanhangen, en bij Zijn Naam[^deuteronomium-10-20-23] zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v20)

**21** Hij is uw[^deuteronomium-10-21-24] Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v21)

**22** Uw vaders trokken af naar[^deuteronomium-10-22-25] Egypte met[^deuteronomium-10-22-q] zeventig[^deuteronomium-10-22-26] zielen; en nu heeft u YHWH, uw God, gesteld[^deuteronomium-10-22-r] als de[^deuteronomium-10-22-27] sterren van de hemel in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/10.html#v22)

[^deuteronomium-10-1-1]: Kanttekening 1: Ter zelver tijd: Wanneer de toorn van YHWH, na mijn voorbede, die in het einde Deut. 9 verhaald is, nu gestild was.
[^deuteronomium-10-1-a]: Verwijzing a: Ex. 34:1 . Exodus 34:1 : Toen zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt.
[^deuteronomium-10-1-2]: Kanttekening 2: Of, ark. Dit kan men verstaan van een kist, in welke Mozes de tafelen zou leggen, ten tijde toe dat de ark van het verbond ( Ex. 25:21 ) gemaakt zou zijn, of, van de ark van het verbond zelve, die God hier bevolen heeft, dat zij naderhand zou gemaakt worden. Exodus 25:21 : En u zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat u in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.
[^deuteronomium-10-3-3]: Kanttekening 3: Zie Ex. 25:5 . Exodus 25:5 : En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
[^deuteronomium-10-4-4]: Kanttekening 4: Namelijk, de Heer.
[^deuteronomium-10-4-5]: Kanttekening 5: tien woorden: Dat is, de tien geboden.
[^deuteronomium-10-4-6]: Kanttekening 6: op de dag van de verzameling: Gelijk boven, Deut. 9:10 . Deuteronomium 9:10 : En YHWH gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelfde, naar al de woorden, die YHWH op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had.
[^deuteronomium-10-5-7]: Kanttekening 7: zijn zij: Of, waren zij.
[^deuteronomium-10-6-b]: Verwijzing b: Num. 33:30 . Numeri 33:30 : En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.
[^deuteronomium-10-6-8]: Kanttekening 8: Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera: Of, van Beëroth van de kinderen Jaäkans naar Moser. Sommigen menen dat hier twee optochten samengevoegd worden, hoewel zij eerst van Moseroth zijn opgetogen en daarna van Bene-Jaäkan. Zie Num. 33:31 , 33:32 . Maar het kan zijn dat een plaatsje bij de berg Hor \[waar Aäron stierf\] geweest is, die Moser of Mosera geheten heeft. Tussen de optocht van Bene-Jaäkan en Aärons dood op Hor, worden Num. 33 verscheidene optochten en legeringen gesteld, zie daar. Zodat dit Beëroth Bene-Jaäkan wel een andere plaats kan geweest zijn dan Bene-Jaäkan, bloot zo genoemd, waarop de aandachtige lezer kan letten. Numeri 33:31 : En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-jaakan. Numeri 33:32 : En zij verreisden van Bene-jaakan, en legerden zich in Hor-gidgad.
[^deuteronomium-10-6-c]: Verwijzing c: Num. 20:28 ; Num. 33:38 . Numeri 20:28 : En Mozes trok Aäron zijn kleren uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf daar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van die berg af. Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^deuteronomium-10-7-9]: Kanttekening 9: Num. 33:32 , 33:33 Hor Gidgad. Numeri 33:32 : En zij verreisden van Bene-jaakan, en legerden zich in Hor-gidgad. Numeri 33:33 : En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
[^deuteronomium-10-7-d]: Verwijzing d: Num. 33:32 ; idem v. 33 . Numeri 33:32 : En zij verreisden van Bene-jaakan, en legerden zich in Hor-gidgad. Numeri 33:33 : En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.
[^deuteronomium-10-8-10]: Kanttekening 10: om voor het aangezicht van YHWH te staan: Dat is, om hem in de verrichting van de godsdienst in zijn heilige woning te dienen, gelijk de volgende woorden verklaren. Vergelijk onder, Deut. 17:12 , en Deut. 18:5 , 18:7 ; Richt. 20:28 ; 1 Kon. 17:1 ; Ps. 134:1 , en Ps. 135:2 ; Ez. 44:15 , 44:16 . Deuteronomium 17:12 : De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar YHWH, uw God, te dienen, of naar de rechter, dezelfde man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen. Deuteronomium 18:5 : Want YHWH, uw God, heeft hem uit al uw stammen gekozen, dat hij sta, om te dienen in de Naam van YHWH, hij en zijn zonen, te alle dage. Deuteronomium 18:7 : En hij dienen zal in de Naam van YHWH, zijns Gods, als al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van YHWH staan; Richteren 20:28 : En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer, of zal ik ophouden? en YHWH zei: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven. 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! Psalmen 134:1 : Een lied Hammaäloth. Ziet, looft YHWH, alle u knechten van YHWH! u, die allen nacht in het huis van YHWH staat. Psalmen 135:2 : U, die staat in het huis van YHWH, in de voorhoven van het huis onzes Gods! Ezechiël 44:15 : Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH; Ezechiël 44:16 : Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen.
[^deuteronomium-10-8-11]: Kanttekening 11: in Zijn Naam te zegenen: Om Gods zegen in zijn naam of van zijnentwege over het volk in het scheiden van de vergadering uit te spreken. Zie Lev. 9:23 . Leviticus 9:23 : Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen al het volk.
[^deuteronomium-10-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, de stam van Levi, of de Levieten.
[^deuteronomium-10-9-e]: Verwijzing e: Num. 18:20 ; Num. 18:21 ; onder, Deut. 18:1 ; Ez. 44:28 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Numeri 18:21 : En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Deuteronomium 18:1 : De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten. Ezechiël 44:28 : Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult u hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.
[^deuteronomium-10-9-13]: Kanttekening 13: YHWH is zijn Erfdeel: Dat is, wat YHWH van de andere stammen geofferd wordt, daarvan zullen zij leven, volgens de ordinantie van de Heer daarvan gegeven. Zie Num. 18:20 , 18:21 , 18:22 , 18:23 , enz. Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Numeri 18:21 : En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 18:22 : En de kinderen van Israël zullen niet meer naderen tot de tent van de samenkomst, om zonde te dragen en te sterven. Numeri 18:23 : Maar de Levieten, die zullen bedienen de dienst van de tent van de samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw geslachten; en in het midden van de kinderen van Israël zullen zij geen erfenis erven.
[^deuteronomium-10-10-f]: Verwijzing f: boven, Deut. 9:18 . Deuteronomium 9:18 : En ik wierp mij neder voor het aangezicht van YHWH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u hadt gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^deuteronomium-10-10-g]: Verwijzing g: boven, Deut. 9:19 . Deuteronomium 9:19 : Want ik vreesde vanwege de toorn en de grimmigheid waarmee YHWH zeer op u vertoornd was, om u te verdelgen; maar YHWH verhoorde mij ook op dat maal.
[^deuteronomium-10-12-14]: Kanttekening 14: wegen te wandelen: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-10-12-h]: Verwijzing h: boven, Deut. 6:5 ; Matt. 22:37 ; Lukas 10:27 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen. Mattheüs 22:37 : En Jezus zei tot hem: U zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Lukas 10:27 : En hij, antwoordende, zei: U zult de Heer, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
[^deuteronomium-10-12-15]: Kanttekening 15: met uw gehele hart en met uw gehele ziel: Gelijk Deut. 6:5 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen.
[^deuteronomium-10-13-16]: Kanttekening 16: u ten goede: Zie boven, Deut. 6:25 . Deuteronomium 6:25 : En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
[^deuteronomium-10-14-17]: Kanttekening 17: van de hemelen, de aarde: Dat is, de hoogste hemel, alsook 1 Kon. 8:27 , die de derde hemel genoemd wordt, 2 Kor. 12:2 . Hemel van de hemelen wordt gezegd, gelijk het Hooglied van Salomo, het lied van de liederen, ijdelheid van de ijdelheden, koning van de koningen, knechten van de knechten. 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Korinthiërs 12:2 : Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel;
[^deuteronomium-10-14-i]: Verwijzing i: Gen. 14:11 ; Ps. 24:1 ; Ps. 115:16 . Genesis 14:11 : En zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra, en al hun voedsel, en trokken weg. Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 115:16 : Aangaande de hemel, de hemel is van YHWH; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
[^deuteronomium-10-15-18]: Kanttekening 18: Alleen heeft YHWH: Mozes wil zeggen dat er geen andere oorzaak is van de verkiezing Israëls en van hun vaderen, dan het enkele vrije welbehagen en de loutere genade van God; want hem waren al zijn schepselen, ten aanzien van de schepping, even na; Hij had niemand van doen en het stond hem vrij, Israël en zijn vaderen in hun zondigen staat, als andere volken, te laten, of te verkiezen en te begenadigen wie of welk volk Hij wilde. Vergelijk Ex. 33:19 ; boven, Deut. 9:4 , 9:5 , 9:6 , enz; Joz. 24:2 , 24:3 ; Matt. 11:26 ; Hand. 13:17 , en Hand. 14:16 ; Rom. 9:15 , en Rom. 11:35 ; Ef. 1:5 , 1:9 , 1:11 , enz. Exodus 33:19 : Maar Hij zei: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de Naam van YHWH uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal. Deuteronomium 9:4 : Wanneer hen nu YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: YHWH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH voor uw aangezicht uit de bezitting. Deuteronomium 9:5 : Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat YHWH, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. Deuteronomium 9:6 : Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Jozua 24:3 : Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het gehele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. Mattheüs 11:26 : Ja, Vader! Want zo is geweest het welbehagen voor U. Handelingen 13:17 : De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid. Handelingen 14:16 : Welke in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen; Romeinen 9:15 : Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, die Ik barmhartig ben. Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil. Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven. Efeziërs 1:11 : In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil;
[^deuteronomium-10-16-19]: Kanttekening 19: Besnijdt dan de voorhuid uws harten: Dat is, doet uit uw hart weg alles, dat tegen de heiligen wil van YHWH strijdt, en kruisigt uw vlees. Vergelijk Jer. 4:4 ; Rom. 2:28 , 2:29 ; Kol. 2:11 . Van het verharden van de nekken, zie men Ex. 32:9 . Jeremia 4:4 : Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uw handelingen. Romeinen 2:28 : Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van de harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Kolossensen 2:11 : In Welke u ook besneden bent met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus; Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^deuteronomium-10-16-k]: Verwijzing k: Jer. 4:4 . Jeremia 4:4 : Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uw handelingen.
[^deuteronomium-10-16-l]: Verwijzing l: Ex. 32:9 ; Ex. 33:3 ; Ex. 34:9 ; boven, Deut. 9:13 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Exodus 34:9 : En hij zei: Heer! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heer in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.
[^deuteronomium-10-17-20]: Kanttekening 20: Dat is, de afgoden zijn niets, maar deze is de enige, ware, allerhoogste God, die ook heerst over alle engelen en mensen, die vanwege enig goddelijk ambt, of dienst goden genaamd worden; zo Ps. 50:1 . Vergelijk 1 Kor. 8:5 , 8:6 , en Openb. 17:14 , en Openb. 19:16 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang. 1 Korinthiërs 8:5 : Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem. Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^deuteronomium-10-17-m]: Verwijzing m: Openb. 17:14 . Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.
[^deuteronomium-10-17-n]: Verwijzing n: 2 Kron. 19:6 ; idem v. 7 ; Job 34:19 ; Hand. 10:34 ; Rom. 2:11 ; Gal. 2:6 ; Ef. 6:9 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 . 2 Kronieken 19:6 : En hij zei tot de richters: Ziet wat u doet, want u houdt het gericht niet de mens, maar YHWH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Galaten 2:6 : En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^deuteronomium-10-17-21]: Kanttekening 21: aangezicht aanneemt: Dat is, die geen uiterlijk onderscheid van de mensen aanziet of iemand rijk of arm, ingeboren of vreemdeling, Jood of heiden zij, enz. Zie ook Lev. 19:15 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^deuteronomium-10-18-22]: Kanttekening 22: Dat is, uitvoert.
[^deuteronomium-10-20-o]: Verwijzing o: boven, Deut. 6:13 ; Matt. 4:10 ; Lukas 4:8 . Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. Lukas 4:8 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: U zult de Heer, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
[^deuteronomium-10-20-p]: Verwijzing p: onder, Deut. 13:4 . Deuteronomium 13:4 : De YHWH, uw God, zult u navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult u houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.
[^deuteronomium-10-20-23]: Kanttekening 23: Zie boven, Deut. 6:13 . Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren.
[^deuteronomium-10-21-24]: Kanttekening 24: Dat is, die u door zijn genade en weldadigheid oorzaak geeft om hem te loven, en waarop u zich hebt te beroemen, en wiens lof u steeds in uw hart en mond behoort te voeren. Vergelijk Jer. 17:14 . Jeremia 17:14 : Genees mij, YHWH! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want U bent mijn Lof.
[^deuteronomium-10-22-25]: Kanttekening 25: Zie Gen. 12:10 . Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land.
[^deuteronomium-10-22-q]: Verwijzing q: Gen. 46:27 ; Ex. 1:5 ; Hand. 7:14 . Genesis 46:27 : En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig. Exodus 1:5 : Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; maar Jozef was in Egypte. Handelingen 7:14 : En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
[^deuteronomium-10-22-26]: Kanttekening 26: zeventig zielen: Dat is, zij waren niet meer dan zeventig personen.
[^deuteronomium-10-22-r]: Verwijzing r: Gen. 15:5 . Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn!
[^deuteronomium-10-22-27]: Kanttekening 27: sterren van de hemel in menigte: Zie Gen. 13:16 , en Gen. 15:5 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

### Deuteronomium 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/11.json)

*Mozes vermaant Israel opnieuw om Gods geboden te onderhouden, ten eerste met verhaal van Gods weldaden en wonderwerken aan hen bewezen, vers 1, enz. ten tweede met beschrijving van het beloofde land, 9. ten derde met belofte van geschikt weer en vruchtbaarheid van het land, 13. ten vierde met dreigementen van het tegendeel, in geval van afwijking, 16. vermaning om Gods geboden steeds voor ogen te houden en de kinderen te leren, met mooie beloften, 18. Voorstelling van zegen en vloek, 26. Bevel en ordening over het uitspreken daarvan wanneer zij in Kanaan gekomen zouden zijn.*

**1** Daarom zult u YHWH, uw God, liefhebben, en u zult[^deuteronomium-11-1-1] altijd[^deuteronomium-11-1-2] onderhouden Zijn bevel, en Zijn[^deuteronomium-11-1-3] voorschriften, en Zijn rechten, en Zijn geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v1)

**2** En u zult vandaag weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de[^deuteronomium-11-2-4] onderwijzing van YHWH, van uw God, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn[^deuteronomium-11-2-5] uitgestrekte arm; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v2)

**3** Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, de koning van Egypte, en aan zijn hele land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v3)

**4** En wat Hij gedaan heeft aan het leger van de Egyptenaren, aan zijn paarden en aan zijn wagens; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij u van achteren vervolgden; en YHWH verdeed hen, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v4)

**5** En wat Hij u gedaan heeft in de woestijn, totdat u gekomen bent aan deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v5)

**6** Daarboven, wat Hij gedaan heeft[^deuteronomium-11-6-a] aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun[^deuteronomium-11-6-6] huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat[^deuteronomium-11-6-7] bestond,[^deuteronomium-11-6-8] dat hun aanging, in het midden van geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v6)

**7** Want het zijn[^deuteronomium-11-7-9] uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk van YHWH, dat Hij gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v7)

**8** Houd dan[^deuteronomium-11-8-10] alle geboden, die ik u vandaag gebiede; opdat u gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v8)

**9** En opdat u de dagen verlengt in het land, dat YHWH uw vaders gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land,[^deuteronomium-11-9-11] vloeiende van melk en honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v9)

**10** Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, vanwaar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde[^deuteronomium-11-10-12] met uw gang, als een kruidhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v10)

**11** Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water[^deuteronomium-11-11-13] bij de regen van de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v11)

**12** Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van[^deuteronomium-11-12-14] YHWH, van uw God, zijn steeds daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v12)

**13** En het zal gebeuren, zo u[^deuteronomium-11-13-15] ijverig zult horen naar Mijn geboden, die Ik u vandaag gebiede, om YHWH, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw hele hart en met uw hele ziel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v13)

**14** [^deuteronomium-11-14-16] Zo zal Ik de regen van uw[^deuteronomium-11-14-17] land geven te zijner tijd,[^deuteronomium-11-14-18] vroege regen en[^deuteronomium-11-14-19] spade regen, opdat u uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie inzamelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v14)

**15** En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en u zult eten en verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v15)

**16** Pas op dat uw hart niet verleid wordt, dat u[^deuteronomium-11-16-b] afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v16)

**17** Dat de toorn van YHWH tegen u ontsteke, en Hij de hemel[^deuteronomium-11-17-20] toesluite, dat er geen regen zij, en de aarde haar gewas niet geve; en u haastig omkomt van het goede land, dat u YHWH geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v17)

**18** [^deuteronomium-11-18-c] Leg dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en[^deuteronomium-11-18-21] bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdsbanden zijn tussen uw ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v18)

**19** En[^deuteronomium-11-19-d] leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u neerligt, en als u opstaat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v19)

**20** En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v20)

**21** Opdat uw dagen, en de dagen van uw kinderen, in het land, dat YHWH uw vaders gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, zoals[^deuteronomium-11-21-22] de dagen van de hemel op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v21)

**22** Want zo u[^deuteronomium-11-22-23] ijverig houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, YHWH, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v22)

**23** Zo zal YHWH al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en u zult erfelijk bezitten[^deuteronomium-11-23-24] groter en machtiger volken, dan u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v23)

**24** Alle plaats,[^deuteronomium-11-24-25][^deuteronomium-11-24-e] waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn;[^deuteronomium-11-24-26] van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de[^deuteronomium-11-24-27] achterste zee, zal uw gebied zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v24)

**25** Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; YHWH, uw God, zal[^deuteronomium-11-25-28] uw schrik en uw vrees geven over al het land, waarop u treden zult,[^deuteronomium-11-25-f] zoals Hij tot u gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v25)

**26** Zie, ik[^deuteronomium-11-26-29] stel u vandaag voor, zegen en vloek: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v26)

**27** De zegen, wanneer u horen zult naar de geboden van YHWH, van uw God, die ik u vandaag gebiede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v27)

**28** Maar de vloek, zo u niet horen zult naar de geboden van YHWH, van uw God, en afwijkt van de weg, die ik u vandaag gebiede, om andere goden na te wandelen, die u niet gekend hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v28)

**29** En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven;[^deuteronomium-11-29-g] dan[^deuteronomium-11-29-30] zult u de[^deuteronomium-11-29-31] zegen[^deuteronomium-11-29-32] uitspreken op de berg Gerizim, en[^deuteronomium-11-29-h] de[^deuteronomium-11-29-33] vloek op de berg Ebal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v29)

**30** Zijn[^deuteronomium-11-30-34] zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van[^deuteronomium-11-30-35] More? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v30)

**31** Want u zult over de Jordaan gaan, dat u inkomt om te erven dat land, dat YHWH, uw God, u geven zal; en u zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v31)

**32** Neem dan waar te doen al de voorschriften en de rechten, die ik u vandaag voorstel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/11.html#v32)

[^deuteronomium-11-1-1]: Kanttekening 1: te alle dage: Hebreeuws, al de dagen; te weten, uws levens, gelijk dikwijls. Zie Deut. 12:1 , 12:19 , en Deut. 16:3 , en Deut. 17:19 , enz. Deuteronomium 12:1 : Dit zijn de inzettingen en de rechten, die u zult waarnemen om te doen, in dat land, dat u YHWH, de God van uw vaderen, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die u op de aardbodem leeft. Deuteronomium 12:19 : Wacht u, dat u de Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land. Deuteronomium 16:3 : U zult niets gedesemds op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood van de ellende, (want in de haast bent u uit Egypteland uitgetogen); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens. Deuteronomium 17:19 : En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij YHWH, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze inzettingen, om die te doen;
[^deuteronomium-11-1-2]: Kanttekening 2: onderhouden Zijn bevel: Hebreeuws, u zult zijn bewaring bewaren, of, zijn onderhouding onderhouden. Zijn bewaring, of onderhouding; dat is, wat Hij u bevolen heeft te bewaren of te onderhouden. Zie Gen. 26:5 . Genesis 26:5 : Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
[^deuteronomium-11-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-11-2-4]: Kanttekening 4: onderwijzing van YHWH: Dat is, alles wat God aan zijn volk om hen te onderwijzen in die tijd gedaan had, dat in het volgende verhaald wordt.
[^deuteronomium-11-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, zijn majesteit en grote goddelijke macht, lichtende in zijn werken, gelijk de volgende woorden verklaren; zo boven, Deut. 3:24 , en Deut. 9:26 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Deuteronomium 9:26 : En ik bad tot YHWH, en zei: Heer, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.
[^deuteronomium-11-6-a]: Verwijzing a: Num. 16:31 ; Num. 27:3 ; Ps. 106:17 . Numeri 16:31 : En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aarde, dat onder hen was, gekloofd; Numeri 27:3 : Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering degenen, die zich tegen YHWH vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. Psalmen 106:17 : De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.
[^deuteronomium-11-6-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, huizen.
[^deuteronomium-11-6-7]: Kanttekening 7: Zie Gen. 7:4 . Genesis 7:4 : Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van de aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
[^deuteronomium-11-6-8]: Kanttekening 8: dat hun aanging: Hebreeuws, dat aan hun voet was; dat is, in hun dienst, macht of bezit; of, wat hen aanging of volgde. Vergelijk Ex. 11:8 . Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn.
[^deuteronomium-11-7-9]: Kanttekening 9: uw ogen: Mozes wil zeggen dat het een bijzondere weldaad van God is, dat al deze wonderen bij hun leven en voor hun ogen geschied zijn. Vergelijk boven, Deut. 5:3 . Deuteronomium 5:3 : Met onze vaderen heeft YHWH dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen levend zijn.
[^deuteronomium-11-8-10]: Kanttekening 10: alle geboden: Hebreeuws, allen, of, elk gebod, dat ik, enz. zo onder, vers 22 . Deuteronomium 11:22 : Want zo u naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, YHWH, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;
[^deuteronomium-11-9-11]: Kanttekening 11: vloeiende van melk en honig: Zie Ex. 3:8 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^deuteronomium-11-10-12]: Kanttekening 12: met uw gang: Hebreeuws, met uw voet; dat is, met uw dienst en arbeid, moetende het water met moeite er in dragen of leiden, om dat te bevochtigen. Anders, naar uw eigen goeddunken.
[^deuteronomium-11-11-13]: Kanttekening 13: bij de regen van de hemel: Zonder arbeid en toedoen van de mensen.
[^deuteronomium-11-12-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, zoekt, nazoekt, of navraagt: menselijk van God gesproken. Want de mensen plegen te zoeken en te vragen naar wat zij een bijzondere genegenheid toedragen. Vergelijk Job 3:4 ; Jes. 62:2 . Job 3:4 : Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; Jesaja 62:2 : En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en u zult met een nieuwen naam genoemd worden, welke de mond van YHWH uitdrukkelijk noemen zal.
[^deuteronomium-11-13-15]: Kanttekening 15: naarstiglijk zult horen: Hebreeuws, horende horen zult.
[^deuteronomium-11-14-16]: Kanttekening 16: Zo zal Ik de regen: Hier voert Mozes God zelven in, aldus sprekende.
[^deuteronomium-11-14-17]: Kanttekening 17: lands geven op Zijn tijd: Dat is, uw land vereisen zal.
[^deuteronomium-11-14-18]: Kanttekening 18: vroegen regen: Die God gaf, nadat het land bebouwd en bezaaid was, om het zaad uit de aarde te doen opschieten.
[^deuteronomium-11-14-19]: Kanttekening 19: spaden regen: Die kort vóór de oogst viel, om de vruchten zwaar en rijp te maken. Zie Jer. 5:24 ; Hos. 6:3 ; Joël 2:23 ; Jak. 5:7 . Jeremia 5:24 : En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu YHWH, onze God, vrezen, Die de regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst, bewaart. Hosea 6:3 : Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Joël 2:23 : En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in YHWH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen nederdalen, de vroegen regen en de spaden regen in de eerste maand. Jakobus 5:7 : Zo zijt dan lankmoedig, broers, tot de toekomst van de Heer. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht van het land, lankmoedig zijnde over dezelfde, totdat het de vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.
[^deuteronomium-11-16-b]: Verwijzing b: boven, Deut. 8:19 . Deuteronomium 8:19 : Maar als het geschiedt, dat u YHWH, uw God, ganselijk vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor dezelfde buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat u voorzeker zult vergaan.
[^deuteronomium-11-17-20]: Kanttekening 20: Een manier van spreken, waardoor bij gelijkenis wordt uitgedrukt de goddelijke regering in de lucht, dienende tot wering en ophouding van de regen. Zie 1 Kon. 8:35 ; 2 Kron. 6:26 , en 2 Kron. 7:13 . 1 Koningen 8:35 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; 2 Kronieken 6:26 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; 2 Kronieken 7:13 : Zo Ik de hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend;
[^deuteronomium-11-18-c]: Verwijzing c: boven, Deut. 6:6 ; idem v. 8 . Deuteronomium 6:6 : En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
[^deuteronomium-11-18-21]: Kanttekening 21: bindt ze tot een teken op uw hand: Zie Ex. 13:9 , en boven, Deut. 6:8 . Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
[^deuteronomium-11-19-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 4:9 ; boven, Deut. 6:7 . Deuteronomium 4:9 : Alleen wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. Deuteronomium 6:7 : En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat.
[^deuteronomium-11-21-22]: Kanttekening 22: gelijk de dagen van de hemel op de aarde: Dat is, zolang de wereld staat zal God zijn volk met zijn zegen bijblijven. Vergelijk Ps. 89:37 , 89:38 ; Matt. 28:20 . Anders, uw dagen en die van uw kinderen zullen vele zijn, gelijk de dagen van de hemel vele zijn. Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38 : Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^deuteronomium-11-22-23]: Kanttekening 23: naarstiglijk houdt al deze geboden: Hebreeuws, houdende houdt.
[^deuteronomium-11-23-24]: Kanttekening 24: groter en machtiger volken: Dat is, landen van groter en machtiger volken; gelijk boven, Deut. 9:1 . Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;
[^deuteronomium-11-24-25]: Kanttekening 25: waar uw voetzool op treedt: Vergelijk boven, Deut. 2:5 ; Joz. 1:3 , en Joz. 14:9 . Deuteronomium 2:5 : Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven. Jozua 1:3 : Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb. Jozua 14:9 : Toen zwoer Mozes te die zelven dage, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen.
[^deuteronomium-11-24-e]: Verwijzing e: Joz. 1:3 ; Joz. 14:9 . Jozua 1:3 : Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb. Jozua 14:9 : Toen zwoer Mozes te die zelven dage, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen.
[^deuteronomium-11-24-26]: Kanttekening 26: van de woestijn en de Libanon: Vergelijk Gen. 10:19 , en Gen. 15:18 ; Ex. 23:31 ; Num. 34 ; boven, Deut. 1:7 ; Joz. 1:4 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 23:31 : En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. Deuteronomium 1:7 : Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath. Jozua 1:4 : Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het gehele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal ulieder landpale zijn.
[^deuteronomium-11-24-27]: Kanttekening 27: achterste zee: Dat is, die in het westen gelegen is. Oost, of de opgang van de zon, wordt genoemd het voorste deel, en west, of de ondergang, wordt genoemd het achterste. Vergelijk onder, Deut. 34:2 ; Joz. 1:4 , en Joz. 13:5 ; Joël 2:20 . Deuteronomium 34:2 : En het gehele Nafthali, en het land van Efraïm en Manasse, en het gehele land van Juda, tot aan de achterste zee; Jozua 1:4 : Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het gehele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal ulieder landpale zijn. Jozua 13:5 : Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. Joël 2:20 : En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
[^deuteronomium-11-25-28]: Kanttekening 28: uw schrik en uw vreze geven: Gelijk boven, Deut. 2:25 . Deuteronomium 2:25 : Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht van de volken, onder de ganse hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.
[^deuteronomium-11-25-f]: Verwijzing f: Ex. 23:27 . Exodus 23:27 : Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren.
[^deuteronomium-11-26-29]: Kanttekening 29: stel u heden voor: Hebreeuws, ik geef, of, stel voor ulieder aangezicht; zo onder, vers 32 , en Deut. 30:1 . Deuteronomium 11:32 : Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel. Deuteronomium 30:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult u het weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u YHWH, uw God, gedreven heeft;
[^deuteronomium-11-29-g]: Verwijzing g: onder, Deut. 27:12 ; Joz. 8:33 . Deuteronomium 27:12 : Deze zullen staan, om het volk te zegenen op de berg Gerizim, als u over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin. Jozua 8:33 : En geheel Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen.
[^deuteronomium-11-29-30]: Kanttekening 30: zult u: Dat is, u zult bevel geven dat de zegen uitgesproken wordt. Zie de vervulling Joz. 8:33 , 8:34 . Jozua 8:33 : En geheel Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen. Jozua 8:34 : En daarna las hij overluid al de woorden van de wet, de zegening en de vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.
[^deuteronomium-11-29-31]: Kanttekening 31: Die beschreven wordt onder, Deut. 28 .
[^deuteronomium-11-29-32]: Kanttekening 32: Uiten, uitgeven. Hebreeuws, geven. Vergelijk onder, Deut. 13:1 ; 1 Kon. 13:5 . Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; 1 Koningen 13:5 : En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man van God gegeven had, door het woord van YHWH.
[^deuteronomium-11-29-h]: Verwijzing h: onder, Deut. 27:13 . Deuteronomium 27:13 : En deze zullen staan over de vloek op de berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.
[^deuteronomium-11-29-33]: Kanttekening 33: vloek op de berg Ebal: Die beschreven wordt onder, Deut. 27 en Deut. 28 .
[^deuteronomium-11-30-34]: Kanttekening 34: zij niet aan de overzijde van de Jordaan: Te weten, de plaatsen, in het einde van vers 29 genoemd, zijn gewisselijk daar gelegen. Deuteronomium 11:29 : En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal.
[^deuteronomium-11-30-35]: Kanttekening 35: Zie Gen. 12:6 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.

### Deuteronomium 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/12.json)

*Bevel om alle afgoderij in het land Kanaan uit te roeien, vers 1, enz. en de uiterlijke godsdienst naar Gods instelling te verrichten op de plaats die hij kiezen zou, 5. Wat hun toegestaan was te eten, met wie, op welke plaatsen, en wat daarover verboden was, 7, 12. Eveneens een hernieuwd gebod om de juiste godsdienst waar te nemen en de afgodische wijze van de Kanaanieten geenszins te volgen, 26.*

**1** Dit zijn de voorschriften en de rechten, die u zult waarnemen om te doen, in dat land, dat u YHWH, uw vaders God, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die u op de aardbodem leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v1)

**2** [^deuteronomium-12-2-a] U zult[^deuteronomium-12-2-1] geheel vernielen[^deuteronomium-12-2-2] al de plaatsen, alwaar de volken,[^deuteronomium-12-2-3] die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de[^deuteronomium-12-2-4] hoge bergen, en op de heuvelen, en onder[^deuteronomium-12-2-5] alle[^deuteronomium-12-2-6] groene boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v2)

**3** En u zult hun[^deuteronomium-12-3-b] altaren afwerpen, en hun[^deuteronomium-12-3-7] opgerichte beelden verbreken, en hun[^deuteronomium-12-3-8] bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden neerhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit die plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v3)

**4** U zult YHWH, uw God,[^deuteronomium-12-4-9] zo niet doen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v4)

**5** [^deuteronomium-12-5-c] Maar naar de[^deuteronomium-12-5-10] plaats, die YHWH, uw God, uit al uw[^deuteronomium-12-5-11] stammen verkiezen zal, om Zijn[^deuteronomium-12-5-12] Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v5)

**6** En daarheen zult u brengen uw brandoffers, en uw slachtoffers, en uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en uw[^deuteronomium-12-6-13] geloften, en uw vrijwillige offers, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v6)

**7** En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, van uw God, eten en vrolijk zijn, u en uw[^deuteronomium-12-7-14] huizen,[^deuteronomium-12-7-15] over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v7)

**8** U zult niet doen naar alles, wat wij hier vandaag doen, een ieder[^deuteronomium-12-8-16] al wat in zijn ogen recht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v8)

**9** Want u bent tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die YHWH, uw God, u geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v9)

**10** Maar u zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u YHWH, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en u zult zeker wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v10)

**11** Dan zal er een plaats zijn,[^deuteronomium-12-11-d] die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandoffers, en uw slachtoffers, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en al het beste[^deuteronomium-12-11-17] van uw geloften, die u YHWH beloven zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v11)

**12** En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienaressen, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij[^deuteronomium-12-12-e] heeft[^deuteronomium-12-12-18] geen deel noch erfenis met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v12)

**13** Pas op dat u uw brandoffers niet offert in alle plaats, die[^deuteronomium-12-13-19] u zien zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v13)

**14** Maar in de plaats, die YHWH in één van uw stammen zal verkiezen, daar zult u uw brandoffers offeren, en daar zult u doen al wat ik u gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v14)

**15** Maar naar alle lust van uw ziel zult u slachten en vlees eten, naar de zegen van YHWH, van uw God, die Hij u geeft, in al uw[^deuteronomium-12-15-20] poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een[^deuteronomium-12-15-21] ree, en als van een hert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v15)

**16** [^deuteronomium-12-16-f] Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v16)

**17** U zult in uw poorten niet mogen eten de tienden[^deuteronomium-12-17-22] van uw koren, en van uw nieuwe wijn, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige van uw geloften, die u zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offers, noch het hefoffer van uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v17)

**18** Maar u zult dat eten voor het aangezicht van YHWH, van uw God, in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God, over alles,[^deuteronomium-12-18-23] waaraan u uw handen geslagen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v18)

**19** Pas op dat u de Leviet niet verlaat,[^deuteronomium-12-19-24] al uw dagen in uw land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v19)

**20** Wanneer YHWH, uw God, uw gebied zal verwijd hebben,[^deuteronomium-12-20-g] zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zeggen zult: Ik zal vlees eten; omdat uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult u vlees eten, naar alle lust van uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v20)

**21** Zo de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, ver van u zal zijn, zo zult u slachten van uw runderen en van uw schapen, die YHWH u gegeven heeft, zoals ik u geboden heb; en u zult eten in uw poorten, naar alle lust van uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v21)

**22** [^deuteronomium-12-22-25] Maar zoals een ree en een hert gegeten wordt, zo zult u dat eten; de onreine en de reine zullen het samen eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v22)

**23** Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het[^deuteronomium-12-23-26] bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v23)

**24** [^deuteronomium-12-24-27] U zult dat niet eten; op de aarde zult u het uitgieten als water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v24)

**25** U zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als u zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v25)

**26** Maar[^deuteronomium-12-26-28] uw heilige dingen, die u hebben zult, en uw geloften zult u opnemen, en komen tot de plaats, die YHWH verkiezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v26)

**27** En u zult uw brandoffers, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar van YHWH, van uw God; en het bloed van uw slachtoffers zal op het altaar van YHWH, van uw God, worden uitgegoten; maar het vlees zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v27)

**28** Neem waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als u zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v28)

**29** Wanneer YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar die u heengaat, om[^deuteronomium-12-29-29] die erfelijk te bezitten; en u die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v29)

**30** Pas op dat u niet verstrikt wordt[^deuteronomium-12-30-30] achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen vernietigd zijn; en dat u niet vraagt naar hun goden, zeggende: Zoals deze volken hun goden gediend hebben, zo zal ik ook doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v30)

**31** U zult YHWH, uw God, zo niet doen; want al wat YHWH een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor[^deuteronomium-12-31-31] hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v31)

**32** [^deuteronomium-12-32-32] Al dit woord, dat ik u gebiede, zult u waarnemen om te doen;[^deuteronomium-12-32-h] u zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/12.html#v32)

[^deuteronomium-12-2-a]: Verwijzing a: Ex. 34:12 ; idem v. 13 ; boven, Deut. 7:5 . Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
[^deuteronomium-12-2-1]: Kanttekening 1: ganselijk vernielen: Hebreeuws, vernielende vernielen.
[^deuteronomium-12-2-2]: Kanttekening 2: al de plaatsen: Versta zulke, die ter afgoderij bereid en opgericht waren, gelijk tempels, huizen en allerlei op heidense wijze gewijde plaatsen en instrumenten van de afgoderij.
[^deuteronomium-12-2-3]: Kanttekening 3: die u zult erven: Dat is, wier landen u zult erven; gelijk boven, Deut. 11:23 . Deuteronomium 11:23 : Zo zal YHWH al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en u zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan u bent.
[^deuteronomium-12-2-4]: Kanttekening 4: hoge bergen: Waar zij de hemel en hun afgoden meenden wat nader te zijn dan in de laagten. Vergelijk Jes. 57:5 , 57:7 ; Ez. 6:13 ; Hos. 4:13 . Jesaja 57:5 : Die hittig zijt in de eikenbossen, onder alle groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen. Jesaja 57:7 : U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Ezechiël 6:13 : Dan zult u weten, dat Ik YHWH ben, als hun verslagenen in het midden van hun drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder alle groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten. Hosea 4:13 : Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel.
[^deuteronomium-12-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, allerlei.
[^deuteronomium-12-2-6]: Kanttekening 6: groenen boom: Die in hoogte, schoonheid en schaduw uitstak boven anderen. Zie 2 Kon. 16:4 . 2 Koningen 16:4 : Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.
[^deuteronomium-12-3-b]: Verwijzing b: Richt. 2:2 . Richteren 2:2 : En u aangaande, u zult geen verbond maken met de inwoners van deze lands; hun altaren zult u afbreken. Maar u bent Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt u dit gedaan?
[^deuteronomium-12-3-7]: Kanttekening 7: opgerichte beelden: Of, pilaarbeelden, statuen.
[^deuteronomium-12-3-8]: Kanttekening 8: bossen met vuur: Dichte, duistere bossen, ter afgoderij misbruikt, alsof duisternis tot religieusheid diende en enige heiligheid aan zich had.
[^deuteronomium-12-4-9]: Kanttekening 9: zo niet doen: Gelijk de heidenen, die afgoderij aanstelden in alle plaatsen, waar het hun lustte.
[^deuteronomium-12-5-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 7:12 . 2 Kronieken 7:12 : En YHWH verscheen Salomo van de nacht, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats gekozen tot een offerhuis.
[^deuteronomium-12-5-10]: Kanttekening 10: De vaste plaats, waartoe naderhand door God gekozen en bestemd is Jeruzalem. Zie 2 Sam. 7 , en 2 Sam. 24 ; 1 Kron. 22 ; Ps. 122:1 , 122:2 , 122:3 , 122:4 , en Ps. 132:13 , 132:14 . Eer Jeruzalem daartoe was verordineerd, was er geen vaste plaats, hoewel men God gewoonlijk dienen en raad vragen moest ter plaatse, waar de ark van het verbond of tent van de samenkomst door Gods bevel was berustende, gelijk in de volgende boeken zal worden bevonden. Psalmen 122:1 : Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis van YHWH gaan. Psalmen 122:2 : Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! Psalmen 122:3 : Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is; Psalmen 122:4 : Waarheen de stammen opgaan, de stammen van YHWH, tot de getuigenis Israëls, om de Naam van YHWH te danken. Psalmen 132:13 : Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
[^deuteronomium-12-5-11]: Kanttekening 11: stammen verkiezen zal: De stam van Juda heeft God hiermede vereerd, de andere daarin voorbijgaande. Zie Ps. 78:67 , 78:68 , 78:69 . Psalmen 78:67 : Maar Hij verwierp de tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet. Psalmen 78:68 : Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad. Psalmen 78:69 : En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
[^deuteronomium-12-5-12]: Kanttekening 12: Naam daar te zetten: Dat de ark van het verbond, zijnde een bijzonder zichtbaar teken mijner genadige aanwezigheid, daar vastelijk in mijn tabernakel of huis beruste, en mijn openbare solemnele godsdienst daar verricht worde, enz. Vergelijk 2 Sam. 6:2 ; 1 Kon. 8:29 ; zo onder, vers 11 , 12:21 , en Deut. 14:23 , 14:24 , en Deut. 16:2 , 16:6 , 16:11 , enz. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en alle keur van uw geloften, die u YHWH beloven zult. Deuteronomium 12:21 : Zo de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, verre van u zal zijn, zo zult u slachten van uw runderen en van uw schapen, die YHWH u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en u zult eten in uw poorten, naar allen lust van uw ziel. Deuteronomium 14:23 : En voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen, zult u eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen; opdat u YHWH, uw God, leert vrezen alle dagen. Deuteronomium 14:24 : Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat u zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te stellen; wanneer YHWH, uw God, u zal gezegend hebben; Deuteronomium 16:2 : Dan zult u YHWH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen. Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte. Deuteronomium 16:11 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^deuteronomium-12-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, wat u YHWH beloofd hebt te geven.
[^deuteronomium-12-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, huisgezinnen.
[^deuteronomium-12-7-15]: Kanttekening 15: over alles: Hebreeuws, over alle uitsteking, allen uitslag, aanslag van uw hand; dat is, alles, waartoe u uw hand hebt uitgestrekt of uitstrekken mag. Zo onder, vers 18 , en Deut. 15:10 , enz. Deuteronomium 12:18 : Maar u zult dat eten voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, over alles, waaraan u uw handen geslagen hebt. Deuteronomium 15:10 : U zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als u hem geeft; want omwille van deze zaak zal u YHWH, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan u uw hand slaat.
[^deuteronomium-12-8-16]: Kanttekening 16: al wat in zijn ogen recht is: Dat is, al wat hemzelven goeddunkt. Hoever zich dit uitstrekte, is te zien in vers 11 . Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en alle keur van uw geloften, die u YHWH beloven zult.
[^deuteronomium-12-11-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^deuteronomium-12-11-17]: Kanttekening 17: keur van uw geloften: Dat is, wat u van het beste uitgelezen en YHWH beloofd hebt.
[^deuteronomium-12-12-e]: Verwijzing e: Num. 18:20 ; boven, Deut. 10:9 ; boven, Deut. 18:1 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 18:1 : De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten.
[^deuteronomium-12-12-18]: Kanttekening 18: geen deel noch erve met u: Zie boven, Deut. 10:9 . Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-12-13-19]: Kanttekening 19: u zien zult: Namelijk, met behagen.
[^deuteronomium-12-15-20]: Kanttekening 20: Dat is, in al uw steden of woonplaatsen, en telkens.
[^deuteronomium-12-15-21]: Kanttekening 21: ree, en als van een hert: Dat is, niet als een heilige, maar als een gemeen toegelaten voedsel. Herten en reeën waren wel reine beesten, die men als een gemeen voedsel \[onder, Deut. 14 \] mocht eten, maar zij werden niet gebruikt tot offeranden; zo onder, vers 22 , en Deut. 15:22 . Deuteronomium 12:22 : Maar gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, zo zult u dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten. Deuteronomium 15:22 : In uw poorten zult u het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,
[^deuteronomium-12-16-f]: Verwijzing f: Gen. 9:4 ; Lev. 7:26 ; Lev. 17:10 ; onder, Deut. 15:23 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 7:26 : Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Deuteronomium 15:23 : Zijn bloed alleen zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water.
[^deuteronomium-12-17-22]: Kanttekening 22: van uw koren: Zie van de tienden Lev. 27:30 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig.
[^deuteronomium-12-18-23]: Kanttekening 23: waaraan u uw handen geslagen hebt: Zie boven, vers 7 , en onder, Deut. 15:10 . Deuteronomium 12:7 : En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft. Deuteronomium 15:10 : U zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als u hem geeft; want omwille van deze zaak zal u YHWH, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan u uw hand slaat.
[^deuteronomium-12-19-24]: Kanttekening 24: al uw dagen in uw land: Dat is, zolang u op de aarde zult leven.
[^deuteronomium-12-20-g]: Verwijzing g: Gen. 28:13 ; Ex. 23:31 ; Deut. 11:24 ; Deut. 19:8 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Exodus 23:31 : En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Deuteronomium 19:8 : En als YHWH, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaderen te geven gesproken heeft;
[^deuteronomium-12-22-25]: Kanttekening 25: Maar gelijk als een ree: Zie boven, vers 15 . Deuteronomium 12:15 : Maar naar allen lust van uw ziel zult u slachten en vlees eten, naar de zegen van YHWH, uws Gods, die Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.
[^deuteronomium-12-23-26]: Kanttekening 26: bloed is de ziel: Zie Lev. 17:11 . Leviticus 17:11 : Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
[^deuteronomium-12-24-27]: Kanttekening 27: U zult dat niet eten: Deze ceremonie boven, vers 16 , ook geboden, wordt hier zonderling ingescherpt. Zie hiervan Gen. 9:4 , en Lev. 17:11 . Deuteronomium 12:16 : Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 17:11 : Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
[^deuteronomium-12-26-28]: Kanttekening 28: uw heilige dingen: Hebreeuws, uw heiligheden; dat is, dingen, die de Heer geheiligd of toegeëigend zijn, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^deuteronomium-12-29-29]: Kanttekening 29: die erfelijk te bezitten: Dat is, hun land; gelijk boven, Deut. 9:1 , en Deut. 11:23 , enz. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn; Deuteronomium 11:23 : Zo zal YHWH al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en u zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan u bent.
[^deuteronomium-12-30-30]: Kanttekening 30: achter hen: Dat is, zo, dat u hen navolgt.
[^deuteronomium-12-31-31]: Kanttekening 31: hun goden: Dat is, ter ere van hun afgoden. Van deze gruwel van de heidenen door de afvallige Joden nagevolgd, zie Jer. 7:31 , en Jer. 19:5 , en vergelijk 2 Kon. 16:3 , en 2 Kon. 17:17 , 17:31 , en 2 Kon. 23:10 . Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jeremia 19:5 : Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^deuteronomium-12-32-32]: Kanttekening 32: Al dit woord: Of, dit gehele woord; gelijke woorden zie boven, Deut. 4:2 . Anders, elke zaak, die ik u gebied, die, enz. Deuteronomium 4:2 : U zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van YHWH, uw God, die ik u gebiede.
[^deuteronomium-12-32-h]: Verwijzing h: Deut. 4:2 ; Spreuk. 30:6 ; Openb. 22:18 . Deuteronomium 4:2 : U zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van YHWH, uw God, die ik u gebiede. Spreuken 30:6 : Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en u leugenachtig bevonden wordt. Openbaring 22:18 : Want ik betuig aan een iedereen, die de woorden van de profetie van deze boeks hoort: Als iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.

### Deuteronomium 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/13.json)

*Hoe het volk van God zich moest gedragen tegenover een valse profeet die hen zou trachten te brengen tot afval van de ware God, vers 1, enz. en ook tegenover anderen, zelfs de naaste en beste vrienden, die tot afgoderij aanraden, 6. Eveneens tegenover een afvallige stad, 12.*

**1** Wanneer een[^deuteronomium-13-1-1] profeet, of[^deuteronomium-13-1-2] dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u[^deuteronomium-13-1-3] geven een teken of wonder; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v1)

**2** [^deuteronomium-13-2-4] En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die u niet gekend hebt,[^deuteronomium-13-2-5] navolgen en hen dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v2)

**3** U zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromen-dromer niet horen; want YHWH, uw God,[^deuteronomium-13-3-6] verzoekt u, om te weten, of u YHWH, uw God, liefhebt met uw hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v3)

**4** YHWH, uw God, zult u navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult u houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn,[^deuteronomium-13-4-a] en Hem dienen, en Hem aanhangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v4)

**5** En die profeet, of dromen-dromer, zal[^deuteronomium-13-5-b] gedood worden; want hij heeft tot een afval[^deuteronomium-13-5-7] gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u[^deuteronomium-13-5-8] het boze uit het midden van u wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v5)

**6** Wanneer uw[^deuteronomium-13-6-c] broer,[^deuteronomium-13-6-9] de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw[^deuteronomium-13-6-10] van uw schoot, of uw vriend, die[^deuteronomium-13-6-11] als uw ziel is, u zal[^deuteronomium-13-6-12] aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v6)

**7** Van de goden van de volken, die rondom u zijn, nabij u, of ver van u, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v7)

**8** Zo zult u hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet sparen, en u zult u niet ontfermen, noch hem verbergen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v8)

**9** Maar u zult hem[^deuteronomium-13-9-13] zeker doodslaan;[^deuteronomium-13-9-d] uw hand zal[^deuteronomium-13-9-14] eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v9)

**10** En u zult hem met stenen stenigen, dat hij sterve; want hij heeft u gezocht af te drijven van YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v10)

**11** Opdat geheel Israël het[^deuteronomium-13-11-e] hore en vreze, en niet doorga te doen naar dit boze[^deuteronomium-13-11-15] stuk in het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v11)

**12** Wanneer u van één van uw steden, die YHWH, uw God, u geeft, om daar te wonen, zult horen zeggen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v12)

**13** Er zijn mannen,[^deuteronomium-13-13-16] Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v13)

**14** Zo zult u onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v14)

**15** Zo zult u de inwoners van die stad[^deuteronomium-13-15-17] geheel slaan[^deuteronomium-13-15-18] met de scherpte van het[^deuteronomium-13-15-19] zwaard, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook haar beesten, met de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v15)

**16** En al haar roof zult u verzamelen in het midden van haar straat, en YHWH, uw God, die stad en al haar roof geheel met vuur verbranden; en zij zal één[^deuteronomium-13-16-20] hoop zijn eeuwig, zij zal niet weer gebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v16)

**17** [^deuteronomium-13-17-21] Ook zal er niets van[^deuteronomium-13-17-22] het verbannene aan uw hand kleven, opdat YHWH Zich wende van de hitte van Zijn toorn, en u geve barmhartigheid, en Zich over u erbarme, en u vermenigvuldige, zoals Hij uw vaders gezworen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v17)

**18** Wanneer u de stem van YHWH, van uw God, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, om te doen[^deuteronomium-13-18-23] wat recht is in de ogen van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/13.html#v18)

[^deuteronomium-13-1-1]: Kanttekening 1: Versta, een valsen profeet, die valselijk roemt van goddelijke gezichten en openbaringen.
[^deuteronomium-13-1-2]: Kanttekening 2: Zich valselijk beroemende op goddelijke dromen. Vergelijk Num. 12:6 . Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^deuteronomium-13-1-3]: Kanttekening 3: geven een teken of wonder: Dat is, uitspreken, voorzeggende dat het komen zal. Zo wordt het woord geven ook genomen boven, Deut. 11:29 , en 1 Kon. 13:15 . Deuteronomium 11:29 : En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal. 1 Koningen 13:15 : Toen zei hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.
[^deuteronomium-13-2-4]: Kanttekening 4: En dat teken of dat wonder komt: Anders, ofschoon dat teken, enz.
[^deuteronomium-13-2-5]: Kanttekening 5: navolgen en hen dienen: Hebreeuws, achter andere goden wandelen. Zo vers 4 . Deuteronomium 13:4 : YHWH, uw God, zult u navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult u houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.
[^deuteronomium-13-3-6]: Kanttekening 6: verzoekt u: Zie boven, Deut. 8:2 . Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet.
[^deuteronomium-13-4-a]: Verwijzing a: boven, Deut. 10:20 . Deuteronomium 10:20 : De YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.
[^deuteronomium-13-5-b]: Verwijzing b: onder, Deut. 18:20 ; Jer. 14:15 . Deuteronomium 18:20 : Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, dezelfde profeet zal sterven. Jeremia 14:15 : Daarom zegt YHWH zo: Aangaande de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden.
[^deuteronomium-13-5-7]: Kanttekening 7: gesproken tegen YHWH: Dat is, geleerd, geraden, gedreven.
[^deuteronomium-13-5-8]: Kanttekening 8: het boze: Anders, de boze; vergelijk onder, Deut. 22:21 , 22:23 , 22:24 , en 1 Kor. 5:13 . Deuteronomium 22:21 : Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de mensen van haar stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Deuteronomium 22:23 : Wanneer er een jonge dochter zal zijn, die een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben; Deuteronomium 22:24 : Zo zult u ze beiden uitbrengen tot de poort derzelver stad, en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; de jonge dochter, ter oorzake, dat zij niet geroepen heeft in de stad, en de man, ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. 1 Korinthiërs 5:13 : Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet u deze boze uit u weg.
[^deuteronomium-13-6-c]: Verwijzing c: onder, Deut. 17:2 . Deuteronomium 17:2 : Wanneer in het midden van u, in een uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van YHWH, uws Gods, overtredende Zijn verbond;
[^deuteronomium-13-6-9]: Kanttekening 9: de zoon van uw moeder: Die u door het recht van de natuur en de band van het bloed nader is dan andere Israëlieten, die ook om de gemene afkomst van Jakob uw broers genoemd worden.
[^deuteronomium-13-6-10]: Kanttekening 10: van uw schoot: Dat is die in uw schoot slaapt. Zie Micha 7:5 . Zo wordt daarentegen de echte man genoemd: De man van haar \[van de vrouwe\] schoot; onder, Deut. 28:56 . Anderen: De vrouw van uw schoot; dat is, die u zeer lief is. Micha 7:5 : Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt. Deuteronomium 28:56 : Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
[^deuteronomium-13-6-11]: Kanttekening 11: als uw ziel is: Dat is, die u zo liefhebt als uw eigen persoon.
[^deuteronomium-13-6-12]: Kanttekening 12: aanporren in het geheime: Of, aanzoeken.
[^deuteronomium-13-9-13]: Kanttekening 13: zekerlijk doodslaan: Hebreeuws, u zult hem doodslaande doodslaan; dat is, u zult niet nalaten hem te doden.
[^deuteronomium-13-9-d]: Verwijzing d: onder, Deut. 17:7 . Deuteronomium 17:7 : De hand van de getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van de gansen volks; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^deuteronomium-13-9-14]: Kanttekening 14: eerst tegen hem zijn: Hebreeuws, in het begin. Als zijnde de aanbrenger en getuige geweest bij het gericht, volgens de wet; onder, Deut. 17:7 ; vergelijk Hand. 7:58 . Deuteronomium 17:7 : De hand van de getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het ganse volk; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Handelingen 7:58 : En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.
[^deuteronomium-13-11-e]: Verwijzing e: onder, Deut. 17:13 . Deuteronomium 17:13 : Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.
[^deuteronomium-13-11-15]: Kanttekening 15: stuk in het midden van u: Hebreeuws, zaak, ding, woord; zo onder, Deut. 17:5 . Deuteronomium 17:5 : Zo zult u die man of die vrouw, die ditzelve boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.
[^deuteronomium-13-13-16]: Kanttekening 16: Of, Belials zonen. Het Hebreeuwse woord Belijaal betekent zoveel in onze spraak als een deugniet, of iemand zonder juk; dat is, een onbandig mens, die zich onder geen tucht of wet wil buigen. Zie Richt. 19:22 ; 1 Sam. 1:16 , en 1 Sam. 2:12 , en 1 Sam. 10:27 , en 1 Sam. 25:17 ; 2 Sam. 16:7 , en 2 Sam. 20:1 , en 2 Sam. 22:5 ; 1 Kon. 21:10 ; 2 Kron. 13:7 ; Ps. 41:9 ; Spreuk. 19:28 ; Nah. 1:11 , 1:15 ; deze naam wordt ook de duivel gegeven; 2 Kor. 6:15 ; vergelijk ook onder, Deut. 25:2 , en 2 Sam. 3:34 . Richteren 19:22 : Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen. 1 Samuël 1:16 : Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet. 1 Samuël 2:12 : Maar de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden YHWH niet. 1 Samuël 10:27 : Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof. 1 Samuël 25:17 : Weet dan nu, en zie, wat u doen zult; want het kwaad is ten volle over onze heer besloten, en over zijn gehele huis; en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken. 2 Samuël 16:7 : Aldus nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man! 2 Samuël 20:1 : Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, een ieder naar zijn tenten, o Israël! 2 Samuël 22:5 : Want baren van de dood hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij. 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve. 2 Kronieken 13:7 : Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken. Psalmen 41:9 : Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weer opstaan. Spreuken 19:28 : Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond van de goddelozen slokt de ongerechtigheid in. Nahum 1:11 : Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen YHWH, een Belialsraadsman. Nahum 1:15 : Ziet op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is geheel uitgeroeid. 2 Korinthiërs 6:15 : En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met de ongelovige? Deuteronomium 25:2 : En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn aanwezigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^deuteronomium-13-15-17]: Kanttekening 17: ganselijk slaan: Hebreeuws, slaande slaan.
[^deuteronomium-13-15-18]: Kanttekening 18: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-13-15-19]: Kanttekening 19: verbannende haar: Zie boven, Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^deuteronomium-13-16-20]: Kanttekening 20: hoop zijn eeuwig: Hebreeuws, een hoop van de eeuwigheid; dat is, zij zal eeuwig overhoop, als een steenhoop, liggen.
[^deuteronomium-13-17-21]: Kanttekening 21: Ook zal er niets van: Vergelijk boven, Deut. 7:25 , 7:26 . Deuteronomium 7:25 : De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is YHWH, uw God, een gruwel. Deuteronomium 7:26 : U zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat u een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; u zult het ganselijk verfoeien, en ten enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.
[^deuteronomium-13-17-22]: Kanttekening 22: het verbannene aan uw hand kleven: Hebreeuws, van de ban.
[^deuteronomium-13-18-23]: Kanttekening 23: wat recht is: Dat is, wat de Heer kent of oordeelt voor recht en goed, en dat dienvolgens hem wel behaagt.

### Deuteronomium 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/14.json)

*Verbod van heidense rouw over doden, vers 1, enz. welk gedierte toegestaan of verboden was te eten, 3. over het opbrengen en gebruik van de tienden, 22.*

**1** U bent[^deuteronomium-14-1-1] kinderen van YHWH, van uw God; u zult uzelf niet[^deuteronomium-14-1-2][^deuteronomium-14-1-a] snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v1)

**2** Want u bent[^deuteronomium-14-2-b] een heilig volk voor YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een eigendomsvolk te zijn, uit al de volken, die[^deuteronomium-14-2-3] op de aardbodem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v2)

**3** U zult geen[^deuteronomium-14-3-4] gruwel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v3)

**4** [^deuteronomium-14-4-c] Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v4)

**5** Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v5)

**6** [^deuteronomium-14-6-5] Alle beesten, die gespleten hoeven hebben, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v6)

**7** Maar deze zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, en de haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij hebben geen gespleten hoeven; onrein zullen zij u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v7)

**8** Ook het varken; want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver zult u niet aanroeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v8)

**9** Dit zult u eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v9)

**10** Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult u niet eten; het zal u onrein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v10)

**11** Alle reine vogel zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v11)

**12** Maar deze zijn het, van die u niet zult eten: de adelaar, en de havik, en de zeearend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v12)

**13** En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v13)

**14** En alle raven naar zijn aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v14)

**15** En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v15)

**16** En de steenuil, en de ransuil, en de kauw, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v16)

**17** En de roerdomp, en de pelikaan, en de visarend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v17)

**18** En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vleermuis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v18)

**19** Ook al het kruipend gevogelte zal u onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v19)

**20** Al het rein gevogelte zult u eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v20)

**21** U zult geen kadaver eten; de[^deuteronomium-14-21-6] vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God. U zult het[^deuteronomium-14-21-d] bokje niet[^deuteronomium-14-21-7] koken in de melk van zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v21)

**22** U zult[^deuteronomium-14-22-8] trouw vertienen al het inkomen van uw zaad, dat[^deuteronomium-14-22-9] elk jaar van het veld voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v22)

**23** [^deuteronomium-14-23-e] En voor het aangezicht van YHWH, van uw God, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen, zult u eten de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn, en van uw olie, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen; opdat u YHWH, uw God, leert vrezen alle[^deuteronomium-14-23-10] dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v23)

**24** Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat u dat niet zou kunnen heendragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te stellen; wanneer YHWH, uw God, u zal gezegend[^deuteronomium-14-24-11] hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v24)

**25** Zo maak het tot geld, en[^deuteronomium-14-25-12] bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v25)

**26** En geeft dat[^deuteronomium-14-26-f] geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor[^deuteronomium-14-26-13] sterke drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en[^deuteronomium-14-26-14] eet daar voor het aangezicht van YHWH, van uw God, en wees vrolijk, u en uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v26)

**27** Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult u niet verlaten; want hij heeft[^deuteronomium-14-27-15] geen[^deuteronomium-14-27-g] deel noch erfenis met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v27)

**28** [^deuteronomium-14-28-16] Ten einde van drie jaar zult u voortbrengen alle tienden van uw[^deuteronomium-14-28-17] inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v28)

**29** Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfenis met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u YHWH, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/14.html#v29)

[^deuteronomium-14-1-1]: Kanttekening 1: kinderen van YHWH: Kinderen van de genade en dienvolgens Gods erfgenamen Rom. 8:17 ; hebbende de belofte en hoop van de zalige opstanding en van het eeuwige leven; waarom het u niet betaamt over doden te treuren, gelijk de heidenen, die geen hoop hebben; 1 Thess. 4:13 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 1 Thessalonicensen 4:13 : Maar, broers, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
[^deuteronomium-14-1-2]: Kanttekening 2: niet snijden: Dat is geen insnijding maken in uw vlees; een heidense manier van rouw, in het bijzonder bij het afsterven van enige bijzondere vrienden. Zie Lev. 19:28 . Vergelijk 1 Kon. 18:28 ; Jer. 16:6 , en Jer. 41:5 , en Jer. 47:5 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! 1 Koningen 18:28 : En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. Jeremia 16:6 : Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. Jeremia 41:5 : Zo kwamen er mensen van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende de baard afgeschoren, en de kleren gescheurd, en zichzelven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hun hand, om in het huis van YHWH te brengen. Jeremia 47:5 : Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult u uzelven insnijdingen maken?
[^deuteronomium-14-1-a]: Verwijzing a: Lev. 19:27 ; idem 19:28 ; Lev. 21:5 . Leviticus 19:27 : U zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult u de hoeken uws baards niet verderven. Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Leviticus 21:5 : Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.
[^deuteronomium-14-2-b]: Verwijzing b: boven, Deut. 7:6 ; boven, Deut. 26:18 . Deuteronomium 7:6 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 26:18 : En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden;
[^deuteronomium-14-2-3]: Kanttekening 3: op de aardbodem zijn: Hebreeuws, op het aangezicht van de aardbodem.
[^deuteronomium-14-3-4]: Kanttekening 4: gruwel eten: Dat is, wat u YHWH verboden heeft te eten, waarvan u dienvolgens een gruwel behoort te hebben.
[^deuteronomium-14-4-c]: Verwijzing c: Lev. 11:2 . Leviticus 11:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, zeggende: Dit is het gedierte, dat u eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
[^deuteronomium-14-6-5]: Kanttekening 5: Alle beesten: Zie hiervan en van het volgende, Lev. 11:3 , enz., en de aantekeningen daar. Leviticus 11:3 : Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof van de klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult u eten.
[^deuteronomium-14-21-6]: Kanttekening 6: Versta, de onbesneden vreemdeling, die zich tot de onderhouding van Gods wet niet had verbonden, alleen verkerende onder de Israëlieten; want de besneden vreemdelingen waren verbonden tot de onderhouding van de wetten van Israël.
[^deuteronomium-14-21-d]: Verwijzing d: Ex. 23:19 ; Ex. 34:26 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult u in het huis van YHWH uws Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Exodus 34:26 : De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult u in het huis van YHWH uws Gods brengen. U zult het bokje in de melk zijn moeder niet koken.
[^deuteronomium-14-21-7]: Kanttekening 7: Anders, zieden.
[^deuteronomium-14-22-8]: Kanttekening 8: getrouwelijk vertienen: Hebreeuws, vertienende vertienen. Zie Lev. 27:30 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig.
[^deuteronomium-14-22-9]: Kanttekening 9: elk jaar: Hebreeuws, jaar, jaar; dat is, elk jaar, jaar op jaar.
[^deuteronomium-14-23-e]: Verwijzing e: boven, Deut. 12:17 ; idem v. 18 . Deuteronomium 12:17 : U zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige uw geloften, die u zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer uw hand. Deuteronomium 12:18 : Maar u zult dat eten voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, over alles, waaraan u uw handen geslagen hebt.
[^deuteronomium-14-23-10]: Kanttekening 10: alle dagen: Te weten, uws levens; gelijk boven, Deut. 11:1 . Deuteronomium 11:1 : Daarom zult u YHWH, uw God, liefhebben, en u zult te alle dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.
[^deuteronomium-14-24-11]: Kanttekening 11: gezegend hebben: Te weten, zo dat de tienden te veel zouden zijn om te brengen ter plaatse, die God gekozen heeft.
[^deuteronomium-14-25-12]: Kanttekening 12: bindt het geld in uw hand: Dat is, bindt het samen in buidels of zakken \[zie 2 Kon. 12:10 \] en neem het met u. 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd.
[^deuteronomium-14-26-f]: Verwijzing f: Matt. 21:12 . Mattheüs 21:12 : En Jezus ging in de tempel van God, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in de tempel, en keerde om de tafelen van de wisselaars, en de zitstoelen degenen, die de duiven verkochten.
[^deuteronomium-14-26-13]: Kanttekening 13: sterken drank: Zie Lev. 10:9 . Leviticus 10:9 : Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;
[^deuteronomium-14-26-14]: Kanttekening 14: eet daar: Zie boven, Deut. 12:7 . Deuteronomium 12:7 : En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft.
[^deuteronomium-14-27-15]: Kanttekening 15: geen deel noch erve met u: Zie boven, Deut. 10:9 . Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-14-27-g]: Verwijzing g: Num. 18:20 ; idem v. 24 ; boven, Deut. 10:9 ; boven, Deut. 12:12 ; boven, Deut. 18:1 ; idem 18:2 ; boven, Deut. 26:12 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Numeri 18:24 : Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 12:12 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met u. Deuteronomium 18:1 : De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten. Deuteronomium 18:2 : Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 26:12 : Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
[^deuteronomium-14-28-16]: Kanttekening 16: Ten einde van drie jaren: Zie boven, Deut. 12:17 . Deuteronomium 12:17 : U zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige van uw geloften, die u zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer van uw hand.
[^deuteronomium-14-28-17]: Kanttekening 17: in hetzelfde jaar: Te weten, het laatste van alle drie jaren, of elk derde jaar.

### Deuteronomium 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/15.json)

*Wanneer en hoe zij het vrijjaar moesten houden, vers 1, enz. Een ernstig bevel om voor de armen in Israel te zorgen, met belofte van Gods zegen, 7. Over de vrijlating van de gekochte Hebreeuwse knechten en dienstmaagden, en hoe men met hen moest handelen indien zij wilden blijven, 12. Over het heiligen van het eerstgeboren vee, 19.*

**1** [^deuteronomium-15-1-a] Ten[^deuteronomium-15-1-1] einde van zeven jaren zult u een[^deuteronomium-15-1-2] vrijlating[^deuteronomium-15-1-3] maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v1)

**2** Dit nu is de[^deuteronomium-15-2-4] zaak van de vrijlating, dat ieder[^deuteronomium-15-2-5] schuldeiser, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet aanmanen,[^deuteronomium-15-2-6] omdat men[^deuteronomium-15-2-7] voor YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v2)

**3** De buitenlander zult u aanmanen; maar wat u[^deuteronomium-15-3-8] bij uw broer hebt, zal uw hand vrijlaten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v3)

**4** [^deuteronomium-15-4-9] Alleen, omdat er geen[^deuteronomium-15-4-10] bedelaar onder u zal zijn;[^deuteronomium-15-4-11] want YHWH zal u[^deuteronomium-15-4-12] overvloedig zegenen in het land, dat u YHWH, uw God, als erfenis zal geven, om hetzelfde erfelijk te bezitten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v4)

**5** Als u slechts de stem van YHWH, van uw God,[^deuteronomium-15-5-13] vlijtig zult gehoorzamen, dat u waarneemt te doen al deze geboden, die ik u vandaag gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v5)

**6** [^deuteronomium-15-6-14] Want YHWH, uw God, zal u zegenen, zoals Hij tot u heeft gesproken, zo[^deuteronomium-15-6-b] zult u aan vele volken lenen; maar u zult niet ontlenen; en u zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v6)

**7** Wanneer er onder u een arme zal zijn,[^deuteronomium-15-7-15] één uit uw broers, in één van uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v7)

**8** Maar u zult hem uw hand[^deuteronomium-15-8-16] gul opendoen, en zult hem[^deuteronomium-15-8-17] rijk lenen,[^deuteronomium-15-8-18] genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v8)

**9** Pas op dat in uw hart geen[^deuteronomium-15-9-19] Belialswoord[^deuteronomium-15-9-20] zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar van de vrijlating, naakt; dat uw oog[^deuteronomium-15-9-21] boos zij tegen uw broer, die arm is, en dat u hem niet geeft; en hij over u roepe tot YHWH, en[^deuteronomium-15-9-22] zonde in u zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v9)

**10** [^deuteronomium-15-10-c] U zult hem[^deuteronomium-15-10-23] gul geven, en uw hart zal niet boos zijn,[^deuteronomium-15-10-24] als u hem geeft; want omwille van deze zaak zal u YHWH, uw God, zegenen in al uw werk,[^deuteronomium-15-10-25] en in alles, waaraan u uw hand slaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v10)

**11** Want[^deuteronomium-15-11-d] de arme[^deuteronomium-15-11-26] zal niet ophouden uit het midden van het land; daarom gebiede ik u, zeggende: U zult uw[^deuteronomium-15-11-27] hand gul opendoen aan uw broer, aan[^deuteronomium-15-11-28] uw bedrukten en aan uw armen in uw land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v11)

**12** [^deuteronomium-15-12-e] Wanneer uw broer, een[^deuteronomium-15-12-29] Hebreër of een Hebreïnne, aan u[^deuteronomium-15-12-30] verkocht zal zijn,[^deuteronomium-15-12-31] zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v12)

**13** En als u hem vrij van u gaan laat, zo zult u hem niet leeg laten gaan: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v13)

**14** U zult hem[^deuteronomium-15-14-32] rijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft, daarvan zult u hem geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v14)

**15** En u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat u YHWH, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u vandaag deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v15)

**16** Maar het zal gebeuren, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, omdat[^deuteronomium-15-16-33] het hem wel bij u is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v16)

**17** Zo zult u[^deuteronomium-15-17-f] een priem nemen, en[^deuteronomium-15-17-34] steken in zijn oor en in de deur, en hij zal[^deuteronomium-15-17-35] eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v17)

**18** Het zal niet[^deuteronomium-15-18-36] hard zijn in uw ogen, als u hem vrij van u gaan laat; want[^deuteronomium-15-18-37] als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u YHWH, uw God, zegenen in alles, wat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v18)

**19** [^deuteronomium-15-19-g] Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een mannetje, zult u voor YHWH, uw God,[^deuteronomium-15-19-38] heiligen; u zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene van uw schapen scheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v19)

**20** Voor het aangezicht van YHWH, van uw God, zult u ze jaar op jaar eten in de plaats, die YHWH zal verkiezen, u en uw[^deuteronomium-15-20-39] huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v20)

**21** [^deuteronomium-15-21-h] Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u het YHWH, uw God, niet offeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v21)

**22** In uw poorten zult u het eten; de onreine en de reine samen, als een[^deuteronomium-15-22-40] ree, en als een hert, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v22)

**23** [^deuteronomium-15-23-i] Zijn bloed alleen zult u niet eten;[^deuteronomium-15-23-41] u zult het op de aarde uitgieten als water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/15.html#v23)

[^deuteronomium-15-1-a]: Verwijzing a: Ex. 21:2 ; Jer. 34:14 . Exodus 21:2 : Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Jeremia 34:14 : Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een iedereen zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
[^deuteronomium-15-1-1]: Kanttekening 1: einde van zeven jaren: Dat is, in het laatste jaar van alle zeven jaren; want het zevende jaar was telkens een jaar van de vrijlating. Vergelijk Ex. 21:2 ; Jer. 34:14 . Zo worden elders jaren en dagen gezegd vervuld te worden of vervuld te zijn, wanneer ze eerst aankomen of lopen. Zie Deut. 14:28 : Joz. 3:2 ; Jer. 25:12 ; Luk. 2:21 ; Hand. 2:1 . Exodus 21:2 : Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Jeremia 34:14 : Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een ieder zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet. Deuteronomium 14:28 : Ten einde van drie jaren zult u voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten; Jozua 3:2 : En het geschiedde, dat de ambtlieden, op het einde van drie dagen, door het midden van het leger gingen; Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was. Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
[^deuteronomium-15-1-2]: Kanttekening 2: Of, nalating. Het Hebreeuwse woord betekent beide; en beide moest men het zevende jaar doen: schulden nalaten, of niet inmane, en knechten en maagden vrijlaten, en het land niet bebouwen.
[^deuteronomium-15-1-3]: Kanttekening 3: Dat is houden.
[^deuteronomium-15-2-4]: Kanttekening 4: zaak van de vrijlating: Hebreeuws, het woord; dat is, het recht of de wijze. Vergelijk onder, Deut. 19:4 . Deuteronomium 19:4 : En dit zij de zaak van de doodslager, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;
[^deuteronomium-15-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, alle meester, of, heer van de inmaning, of, van het geleende van zijn hand; dat is, een ieder, die recht heeft om de schuldenaar te manen en zijn hand aan hem of het zijne te slaan. Anders, een ieder heer zal het geleende van zijn hand vrijlaten, dat hij van zijn naasten vorderen mocht.
[^deuteronomium-15-2-6]: Kanttekening 6: omdat men: Of, wanneer men YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen.
[^deuteronomium-15-2-7]: Kanttekening 7: YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen: Dat is, de Heer ter ere, die het zo bevolen heeft. Anders, een nalating, of, vrijlating van YHWH; dat is, die van YHWH bevolen is.
[^deuteronomium-15-3-8]: Kanttekening 8: bij uw broer hebt: Dat u hem geleend of geborgd hebt.
[^deuteronomium-15-4-9]: Kanttekening 9: Anders, behalve wanneer er geen arme onder u zal zijn; dat is, als de schuldenaar rijk is en de macht wel heeft om u te betalen. Vergelijk vers 5 , 15:6 , 15:7 . Deuteronomium 15:5 : Als u slechts de stem van YHWH, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat u waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede. Deuteronomium 15:6 : Want YHWH, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult u aan vele volken lenen; maar u zult niet ontlenen; en u zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen. Deuteronomium 15:7 : Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broers, in een van uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is;
[^deuteronomium-15-4-10]: Kanttekening 10: bedelaar onder u zal zijn: Of, nooddruftige.
[^deuteronomium-15-4-11]: Kanttekening 11: want YHWH: Anders, wanneer YHWH u, enz.
[^deuteronomium-15-4-12]: Kanttekening 12: overvloediglijk zegenen: Hebreeuws, zegenende zegenen.
[^deuteronomium-15-5-13]: Kanttekening 13: vlijtiglijk zult gehoorzamen: Hebreeuws, gehoorzamende gehoorzamen.
[^deuteronomium-15-6-14]: Kanttekening 14: Want YHWH, uw God: Anders, wanneer.
[^deuteronomium-15-6-b]: Verwijzing b: onder, Deut. 28:12 . Deuteronomium 28:12 : De YHWH zal u opendoen Zijn goeden schat, de hemel, om aan uw land regen te geven op zijn tijd, en om te zegenen al het werk uw hand; en u zult aan vele volken lenen, maar u zult niet ontlenen.
[^deuteronomium-15-7-15]: Kanttekening 15: een uit uw broers: Hebreeuws, uit, of, van een van uw broers.
[^deuteronomium-15-8-16]: Kanttekening 16: mildelijk opendoen: Hebreeuws, opdoende opdoen.
[^deuteronomium-15-8-17]: Kanttekening 17: rijk lenen: Hebreeuws, lenende lenen.
[^deuteronomium-15-8-18]: Kanttekening 18: genoeg voor zijn gebrek: Hebreeuws, de genoegzaamheid van zijn gebrek.
[^deuteronomium-15-9-19]: Kanttekening 19: Van dit woord, zie boven, Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^deuteronomium-15-9-20]: Kanttekening 20: woord zij: Of, zaak, ding.
[^deuteronomium-15-9-21]: Kanttekening 21: boos zij tegen uw broer: Dat is, stuurs, onvriendelijk, dat u hem een kwaad en nijdig gelaat toont. Vergelijk onder, Deut. 28:54 ; Spreuk. 22:9 , en Matt. 20:15 . Deuteronomium 28:54 : Aangaande de man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broer, en tegen de huisvrouw zijns schoots, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben; Spreuken 22:9 : Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood de armen gegeven. Mattheüs 20:15 : Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
[^deuteronomium-15-9-22]: Kanttekening 22: zonde in u zij: Die van God aan u gezocht en gestraft wordt.
[^deuteronomium-15-10-c]: Verwijzing c: Matt. 5:42 ; Lukas 6:35 . Mattheüs 5:42 : Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil. Lukas 6:35 : Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
[^deuteronomium-15-10-23]: Kanttekening 23: mildelijk geven: Hebreeuws, gevende geven.
[^deuteronomium-15-10-24]: Kanttekening 24: als u hem geeft: Dat is, het zal u niet verdrieten, u zult hem met geen verkeerd, onwillig, onlustig gemoed geven, maar blijdelijk. Vergelijk Rom. 12:8 ; 2 Kor. 9:7 . Romeinen 12:8 : Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 2 Korinthiërs 9:7 : Een ieder doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit verdriet, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.
[^deuteronomium-15-10-25]: Kanttekening 25: en in alles: Hebreeuws, in alle uitstrekking, of, in allen uitslag van uw hand. Zie boven, Deut. 12:7 . Deuteronomium 12:7 : En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft.
[^deuteronomium-15-11-d]: Verwijzing d: Matt. 26:11 ; Joh. 12:8 . Mattheüs 26:11 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd. Johannes 12:8 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd.
[^deuteronomium-15-11-26]: Kanttekening 26: zal niet ophouden: Dat is, er zullen altijd armen in het land, of bij u zijn. Vergelijk Matt. 26:11 ; Joh. 12:8 . Mattheüs 26:11 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd. Johannes 12:8 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd.
[^deuteronomium-15-11-27]: Kanttekening 27: mildelijk opendoen: Hebreeuws, opdoende opdoen.
[^deuteronomium-15-11-28]: Kanttekening 28: uw bedrukten: Dat is, dengene die onder u woont en wiens armoede u bekend is, aan welke u, als uw broer, bijzonderlijk verplicht bent, gelijk het voorgaande en volgende verklaart.
[^deuteronomium-15-12-e]: Verwijzing e: Ex. 21:2 ; Jer. 34:14 . Exodus 21:2 : Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Jeremia 34:14 : Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een iedereen zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
[^deuteronomium-15-12-29]: Kanttekening 29: Hebreër of een Hebreïnne: Zie Gen. 10:21 . Genesis 10:21 : Verder zijn Sem zonen geboren; dezelfde is ook de vader aller zonen van Heber, broer van Jafeth, de grootste.
[^deuteronomium-15-12-30]: Kanttekening 30: verkocht zal zijn: Zie Ex. 31:2 . Exodus 31:2 : Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
[^deuteronomium-15-12-31]: Kanttekening 31: zo zal hij u zes jaren dienen: Anders, en u zes jaren zal gediend hebben; tenware dan dat het jubeljaar, in een daarvan vallende, hem vrij maakte.
[^deuteronomium-15-14-32]: Kanttekening 32: rijk opleggen van uw kudde: Hebreeuws, om de hals doende om de hals doen. Het Hebreeuwse woord betekent een halsband omdoen, de hals als met een band of keten omringen. Mozes wil zeggen dat men hem rijk zal voorzien en vereren, opdat hij met vreugde scheide.
[^deuteronomium-15-16-33]: Kanttekening 33: omdat het hem wel bij u is: Dat is, omdat hij bij u welvaart.
[^deuteronomium-15-17-f]: Verwijzing f: Ex. 21:6 . Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^deuteronomium-15-17-34]: Kanttekening 34: steken in zijn oor en in de deur: Zie hiervan Ex. 21:5 , 21:6 . Exodus 21:5 : Maar als de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan; Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^deuteronomium-15-17-35]: Kanttekening 35: eeuwig uw dienaar zijn: Hebreeuws, en hij zal u een dienaar van de eeuwigheid zijn; dat is, de ganse tijd zijns levens; zo Ex. 21:6 . Vergelijk Ex. 19:9 ; 1 Sam. 1:22 , enz; Ps. 73:12 . Anderen verstaan dit tot het jubeljaar toe. Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. Exodus 19:9 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u geloven. Want Mozes had YHWH de woorden van het volk verkondigd. 1 Samuël 1:22 : Maar Hanna toog niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van YHWH verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid. Psalmen 73:12 : Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
[^deuteronomium-15-18-36]: Kanttekening 36: hard zijn in uw ogen: Dat is, het zal u niet hard dunken, of toeschijnen.
[^deuteronomium-15-18-37]: Kanttekening 37: als een dubbel-loons-dagloner: Dat is, hij heeft gedaan als een dubbele dagloner; of hij is u zoveel waard geweest als een dubbele dagloner; want hij heeft de vrijheid niet gehad van zijn dienst u te weigeren, op te zeggen, slapelijk te doen, \[gelijk dagloners wel doen\] maar heeft u tot uw genoegen zes jaren voluit moeten dienen. Uit Jes. 16:14 nemen sommigen af dat de dagloners zich niet langer dan voor drie jaren mochten besteden. Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^deuteronomium-15-19-g]: Verwijzing g: Ex. 13:2 ; Ex. 22:29 ; Ex. 34:19 ; Lev. 27:26 ; Num. 3:13 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 34:19 : Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH!
[^deuteronomium-15-19-38]: Kanttekening 38: Vergelijk Gen. 2:3 ; Lev. 8:10 . Genesis 2:3 : En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken. Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^deuteronomium-15-20-39]: Kanttekening 39: Dat is, huisgezin.
[^deuteronomium-15-21-h]: Verwijzing h: Lev. 22:20 ; onder, Deut. 17:1 . Leviticus 22:20 : U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^deuteronomium-15-22-40]: Kanttekening 40: als een ree, en als een hert: Zie boven, Deut. 12:15 . Deuteronomium 12:15 : Maar naar allen lust van uw ziel zult u slachten en vlees eten, naar de zegen van YHWH, uws Gods, die Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.
[^deuteronomium-15-23-i]: Verwijzing i: boven, Deut. 12:16 ; idem v. 23 . Deuteronomium 12:16 : Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. Deuteronomium 12:23 : Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten;
[^deuteronomium-15-23-41]: Kanttekening 41: u zult het op de aarde uitgieten als water: Zie boven, Deut. 12:23 , 12:24 , 12:25 . Deuteronomium 12:23 : Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten; Deuteronomium 12:24 : U zult dat niet eten; op de aarde zult u het uitgieten als water; Deuteronomium 12:25 : U zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als u zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen van YHWH.

### Deuteronomium 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/16.json)

*Over het houden van de feesten, namelijk pascha, vers 1, enz. pinksteren, 9. loofhuttenfeest, 13. wie, waar en hoe zij op deze feesten moesten verschijnen, 16. over het ambt van de rechters, 18. over afgodische bossen en pilaren, 21.*

**1** Neem waar de maand[^deuteronomium-16-1-1] Abib, dat u voor YHWH, uw God, pascha houdt; want in de maand[^deuteronomium-16-1-2][^deuteronomium-16-1-3][^deuteronomium-16-1-a] Abib heeft u YHWH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd,[^deuteronomium-16-1-4] bij nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v1)

**2** Dan zult u voor YHWH, uw God, het pascha[^deuteronomium-16-2-5] slachten,[^deuteronomium-16-2-6] schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v2)

**3** U zult[^deuteronomium-16-3-b] niets gedesemds[^deuteronomium-16-3-7] op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood[^deuteronomium-16-3-8] van de ellende, (want in haast bent u uit Egypteland uitgetrokken); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen van uw leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v3)

**4** Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enig deel van uw gebied; ook zal[^deuteronomium-16-4-c] van het vlees, dat u aan de avond van de eerste dag geslacht zult hebben, niets tot de morgen overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v4)

**5** U zult het pascha niet mogen slachten in één van uw[^deuteronomium-16-5-9] poorten, die YHWH, uw God, u geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v5)

**6** Maar[^deuteronomium-16-6-10] aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de[^deuteronomium-16-6-11] zon ondergaat,[^deuteronomium-16-6-12] op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v6)

**7** Dan zult u het[^deuteronomium-16-7-13] koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen[^deuteronomium-16-7-14] zal; daarna zult u zich 's morgens keren, en heengaan naar uw[^deuteronomium-16-7-15] tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v7)

**8** Zes dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is een[^deuteronomium-16-8-16] verbodsdag voor YHWH, uw God; dan zult u geen werk doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v8)

**9** [^deuteronomium-16-9-d] Zeven weken zult u zich tellen; van dat men met de[^deuteronomium-16-9-17] sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v9)

**10** Daarna zult u voor YHWH, uw God, het wekenfeest[^deuteronomium-16-10-18] houden; het zal een[^deuteronomium-16-10-19] vrijwillige schatting van uw hand zijn, dat u geven zult, naardat u YHWH, uw God, zal gezegend hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v10)

**11** En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v11)

**12** En u zult gedenken, dat u een dienaar geweest bent in Egypte; en u zult deze voorschriften houden en doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v12)

**13** [^deuteronomium-16-13-e] Het feest van[^deuteronomium-16-13-20] de loofhutten zult u zich zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v13)

**14** En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v14)

**15** Zeven dagen zult u voor YHWH, uw God, feest houden, in de plaats, die YHWH verkiezen zal;[^deuteronomium-16-15-21] want YHWH, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk van uw handen; daarom zult u immers vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v15)

**16** [^deuteronomium-16-16-f] Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, van uw God, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het wekenfeest, en op het feest van de[^deuteronomium-16-16-g] loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v16)

**17** Een ieder,[^deuteronomium-16-17-22] naar de gave van zijn hand, naar de zegen van YHWH, van uw God, die Hij u gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v17)

**18** [^deuteronomium-16-18-23] Rechters en voormannen zult u zich stellen in al uw poorten, die YHWH, uw God, u geven zal,[^deuteronomium-16-18-24] onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v18)

**19** U zult het gericht niet buigen; u zult[^deuteronomium-16-19-h] het[^deuteronomium-16-19-25] aangezicht niet kennen; ook zult u[^deuteronomium-16-19-i] geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de[^deuteronomium-16-19-26] woorden van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v19)

**20** [^deuteronomium-16-20-27] Gerechtigheid, gerechtigheid zult u najagen; opdat u leeft, en erfelijk bezit het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v20)

**21** U zult u geen bos planten[^deuteronomium-16-21-28] van enig geboomte,[^deuteronomium-16-21-29] bij het altaar van YHWH, van uw God, dat u zich maken zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v21)

**22** Ook zult u zich geen[^deuteronomium-16-22-30] opgericht beeld stellen, dat YHWH, uw God, haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/16.html#v22)

[^deuteronomium-16-1-1]: Kanttekening 1: Ex. 13:4 , en boven, Deut. 1:3 . Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Deuteronomium 1:3 : En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de kinderen van Israël, naar alles wat hem YHWH aan hen bevolen had;
[^deuteronomium-16-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ex. 12:11 . Hebreeuws, Pesach. Exodus 12:11 : Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH.
[^deuteronomium-16-1-3]: Kanttekening 3: Anders, maakt, of, doet. Anders, Pascha bereidt.
[^deuteronomium-16-1-a]: Verwijzing a: Ex. 12:2 ; Lev. 23:5 ; Num. 9:1 ; Num. 28:16 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van de jaar zijn. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Numeri 9:1 : En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende: Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha YHWH.
[^deuteronomium-16-1-4]: Kanttekening 4: bij nacht: Zie Ex. 12:31 . Exodus 12:31 : Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient YHWH, gelijk u gesproken hebt.
[^deuteronomium-16-2-5]: Kanttekening 5: Of, offeren, en zo vers 4 , 16:5 , 16:6 . Deuteronomium 16:4 : Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enige uw gebied; ook zal van het vlees, dat u aan de avond van de eerste dag geslacht zult hebben, niets tot de morgen overnachten. Deuteronomium 16:5 : U zult het pascha niet mogen slachten in een van uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft. Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte.
[^deuteronomium-16-2-6]: Kanttekening 6: schapen en runderen: Dat is, al zulke offeranden, als de Heer op dit feest te slachten en te offeren bevolen had; Num. 28:16 ; een jong lam of geit was eigenlijk het paaschoffer genoemd. Zie Ex. 12:3 , 12:4 , 12:5 , 12:27 . Daarbenevens moesten ook andere offeranden op het feest geslacht en geofferd worden. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha voor YHWH. Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme iedereen een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 12:4 : Maar als een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal van de zielen, iedereen naar dat hij eten kan; u zult rekening maken naar het lam. Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is voor YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.
[^deuteronomium-16-3-b]: Verwijzing b: Ex. 12:19 ; Ex. 34:18 . Exodus 12:19 : Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelfde ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land. Exodus 34:18 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan.
[^deuteronomium-16-3-7]: Kanttekening 7: op hetzelfde: Te weten, feest. Anders, daarmede; te weten, met het lam, en daarna met de offeranden.
[^deuteronomium-16-3-8]: Kanttekening 8: van de ellende: Dat is, waarmee u indachtig zult zijn aan de verdrukking, die u in Egypte geleden hebt; of zulk brood, wat in de haast zowat toegemaakt wordt, wanneer de nood en de haast niet toelaten dat men het naar gewone wijze ten volle bereide en aangenaam of smakelijk make.
[^deuteronomium-16-4-c]: Verwijzing c: Ex. 12:10 . Exodus 12:10 : U zult daarvan ook niet laten overblijven tot de morgen; maar wat daarvan overblijft tot de morgen, zult u met vuur verbranden.
[^deuteronomium-16-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, binnen een van uw steden of woonplaatsen.
[^deuteronomium-16-6-10]: Kanttekening 10: aan de plaats: Anders, \[reizende\] naar de plaats, enz., daar zult u, enz.
[^deuteronomium-16-6-11]: Kanttekening 11: zon ondergaat: Zie Ex. 12:6 ; 2 Kron. 35:14 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. 2 Kronieken 35:14 : Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandofferen en van het vet; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesters, de zonen van Aäron.
[^deuteronomium-16-6-12]: Kanttekening 12: op de vastgestelde tijd: Dat is, juist, of even op die tijd, toen u uit Egypte uittrokt, op de veertiende dag van de maand Abib; Ex. 13:3 , 13:4 . Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib.
[^deuteronomium-16-7-13]: Kanttekening 13: koken en eten: Dat is, braden. Zie Ex. 12:9 ; 2 Kron. 35:13 . Exodus 12:9 : U zult daarvan niet rauw eten, ook in geen geval in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand. 2 Kronieken 35:13 : En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastig onder al het volk.
[^deuteronomium-16-7-14]: Kanttekening 14: Als het feest over is, dat zeven dagen duurde.
[^deuteronomium-16-7-15]: Kanttekening 15: Versta, woningen of huizen, zoals die dan zouden zijn.
[^deuteronomium-16-8-16]: Kanttekening 16: verbods dag : Zie Lev. 23:36 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^deuteronomium-16-9-d]: Verwijzing d: Ex. 23:16 ; Lev. 23:15 ; Num. 28:26 . Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van de jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de anderen dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van de beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Numeri 28:26 : Ook op de dag van de eerstelingen, als u een nieuw spijsoffer YHWH zult offeren naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen.
[^deuteronomium-16-9-17]: Kanttekening 17: sikkel begint: Om de Heer een garf te offeren. Zie Lev. 2:14 , en Lev. 23:10 . Leviticus 2:14 : En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. Leviticus 23:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een garf van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen.
[^deuteronomium-16-10-18]: Kanttekening 18: weken houden: Namelijk, van de zeven voorzegde weken. Dit feest wordt anders genoemd het feest van de eerstelingen; Num. 28:26 , idem pinksterfeest, Hand. 2:1 . Numeri 28:26 : Ook op de dag van de eerstelingen, als u een nieuw spijsoffer YHWH zult offeren naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
[^deuteronomium-16-10-19]: Kanttekening 19: vrijwillige schatting van uw hand zijn: Hebreeuws, tribuut, of, schatting van de vrijwilligheid; zie hiervan onder, Deut. 26:1 , enz. Anders, met een vrijwillige schatting, of genoegzaamheid ener vrijwillige offerande. Deuteronomium 26:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;
[^deuteronomium-16-13-e]: Verwijzing e: Ex. 23:16 ; Lev. 23:34 . Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van de jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn.
[^deuteronomium-16-13-20]: Kanttekening 20: Zie Lev. 23:34 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor YHWH zijn.
[^deuteronomium-16-15-21]: Kanttekening 21: want YHWH, uw God: Anders, wanneer YHWH, uw God, u zal gezegend hebben.
[^deuteronomium-16-16-f]: Verwijzing f: Ex. 23:17 ; Ex. 34:23 . Exodus 23:17 : Drie malen van de jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heern YHWH verschijnen. Exodus 34:23 : Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heern YHWH, de God van Israël.
[^deuteronomium-16-16-g]: Verwijzing g: Ex. 23:15 . Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen.
[^deuteronomium-16-17-22]: Kanttekening 22: naar de gave van zijn hand: Naardat zijn hand vermag te geven, gelijk de volgende woorden schijnen te verklaren. Anders, naardat aan zijn hand gegeven is. Dat ook op het volgende niet kwalijk past. Vergelijk Ps. 55:23 ; Num. 18:6 ; Ez. 46:5 , 46:7 , 46:11 . Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Numeri 18:6 : Want Ik, zie, Ik heb uw broers, de Levieten, uit het midden van de kinderen van Israël genomen; zij zijn u een gave, gegeven aan YHWH, om de dienst van de tent van de samenkomst te bedienen. Ezechiël 46:5 : En het spijsoffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa. Ezechiël 46:7 : En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot de var, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa. Ezechiël 46:11 : Verder op de feesten, en op de vastgestelde hoogtijden zal het spijsoffer zijn, een efa tot een var, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave van zijn hand; en olie, een hin tot een efa.
[^deuteronomium-16-18-23]: Kanttekening 23: Rechters en ambtlieden: Vergelijk 1 Kron. 23:4 , en 1 Kron. 26:29 ; 2 Kron. 19:8 . 1 Kronieken 23:4 : Uit deze waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis van YHWH aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters; 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters. 2 Kronieken 19:8 : Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de familiehoofden van Israël, over het gericht van YHWH, en over rechtsgeschillen, als zij weer te Jeruzalem gekomen waren.
[^deuteronomium-16-18-24]: Kanttekening 24: onder uw stammen: Of, voor, naar uw stammen.
[^deuteronomium-16-19-h]: Verwijzing h: Lev. 19:15 ; boven, Deut. 1:17 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
[^deuteronomium-16-19-25]: Kanttekening 25: aangezicht niet kennen: Zie boven, Deut. 1:17 . Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
[^deuteronomium-16-19-i]: Verwijzing i: Ex. 23:8 . Exodus 23:8 : Ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak van de rechtvaardigen.
[^deuteronomium-16-19-26]: Kanttekening 26: woorden van de rechtvaardigen: Versta, de woorden van de rechters, dat zij kwade vonnissen uitspreken, of, de woorden van degenen, die een rechtvaardige zaak hebben, die door de omgekochte rechter verkeerd en verdraaid worden. Anders, zaken.
[^deuteronomium-16-20-27]: Kanttekening 27: Gerechtigheid, gerechtigheid: Dat is enkel of louter gerechtigheid. Het is gesproken met nadruk. Vergelijk Deut. 2:27 ; Jes. 26:5 , 26:15 ; Ez. 21:9 , met de aantekeningen. Deuteronomium 2:27 : Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleen langs de weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken. Jesaja 26:5 : Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. Jesaja 26:15 : U, o YHWH! hadt dit volk vermeerderd, U hadt dit volk vermeerderd; U was verheerlijkt geworden; maar U hebt hen in al de einden van de aarde verre weggedaan. Ezechiël 21:9 : Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
[^deuteronomium-16-21-28]: Kanttekening 28: van enig geboomte: Of, bosplanten \[noch\] enig geboomte.
[^deuteronomium-16-21-29]: Kanttekening 29: bij het altaar van YHWH: Dat is, met de mening van enige godsdienstigheid, dat u er mee zoudt te kennen geven, wanneer u enig bos nabij het altaar of de tempel van YHWH zoudt planten, of anders hetzelfde naast het altaar van YHWH enige heiligheid toeschrijven, en van gelijke of meerdere waarde houden. Zie 2 Kon. 16 , 2 Kon. 17 .
[^deuteronomium-16-22-30]: Kanttekening 30: opgericht beeld: Of, pilaarbeeld, statue.

### Deuteronomium 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/17.json)

*Welk offervee voor God een gruwel was, vers 1, enz. over de straf van hen die van de ware godsdienst tot afgoderij afweken, 2. hoe de lagere rechters zich moesten gedragen in zware, onduidelijke rechtszaken, 8. over het kiezen van een koning en zijn plicht, 14.*

**1** U zult YHWH, uw God, geen os of[^deuteronomium-17-1-1] klein vee offeren, waaraan[^deuteronomium-17-1-a] een gebrek zij[^deuteronomium-17-1-2] of enig kwaad; want dat is[^deuteronomium-17-1-3] YHWH, uw God, een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v1)

**2** [^deuteronomium-17-2-b] Wanneer in het midden van u, in één van uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van YHWH, van uw God, overtredende[^deuteronomium-17-2-4] Zijn verbond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v2)

**3** Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor[^deuteronomium-17-3-5] het[^deuteronomium-17-3-6] hele leger van de hemel, dat ik niet geboden heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v3)

**4** En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v4)

**5** Zo zult u die man of die vrouw, die dit boze[^deuteronomium-17-5-7] stuk gedaan hebben, tot uw[^deuteronomium-17-5-8] poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v5)

**6** [^deuteronomium-17-6-9][^deuteronomium-17-6-c] Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden,[^deuteronomium-17-6-10] die sterven zal; op de mond van één enige getuige zal hij niet gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v6)

**7** [^deuteronomium-17-7-d] De hand van de getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk; zo zult u het[^deuteronomium-17-7-11] boze uit het midden van u wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v7)

**8** Wanneer een zaak aan het gericht[^deuteronomium-17-8-e] voor u te[^deuteronomium-17-8-12] zwaar zal zijn, tussen[^deuteronomium-17-8-13] bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen[^deuteronomium-17-8-14] plaag en plaag, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u zich opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v8)

**9** En u zult komen tot de[^deuteronomium-17-9-15] Levietische priesters,[^deuteronomium-17-9-16] en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de[^deuteronomium-17-9-17] zaak van het recht aanzeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v9)

**10** En u zult doen naar het[^deuteronomium-17-10-18] bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van die plaats, die YHWH verkiezen zal, en u zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v10)

**11** Naar[^deuteronomium-17-11-19] het bevel van de wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult u doen; u zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechterhand of ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v11)

**12** De man nu, die[^deuteronomium-17-12-20] trots handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die[^deuteronomium-17-12-21] staat, om daar YHWH, uw God, te dienen,[^deuteronomium-17-12-22] of naar de rechter, die man zal sterven; en u zult het[^deuteronomium-17-12-23] boze uit Israël wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v12)

**13** Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trots handele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v13)

**14** Wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, geeft, en u dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en u[^deuteronomium-17-14-24] zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v14)

**15** Zo zult u[^deuteronomium-17-15-25] zeker hem tot koning over u stellen, die YHWH, uw God, verkiezen zal; uit het midden[^deuteronomium-17-15-26] van uw broers zult u een koning over u stellen; het is u niet toegestaan over u te zetten een vreemde man, die uw broer niet zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v15)

**16** Maar hij zal voor zich de paarden niet[^deuteronomium-17-16-27] vermenigvuldigen, en het volk niet doen terugkeren naar Egypte, om[^deuteronomium-17-16-28] paarden te vermenigvuldigen; terwijl YHWH u gezegd heeft:[^deuteronomium-17-16-29] U zult voortaan niet terugkeren door deze weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v16)

**17** Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer[^deuteronomium-17-17-30] vermenigvuldigen.[^deuteronomium-17-17-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v17)

**18** Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een[^deuteronomium-17-18-32] dubbel van deze wet afschrijven in een boek,[^deuteronomium-17-18-33] uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v18)

**19** En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij YHWH, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze voorschriften, om die te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v19)

**20** Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broers, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechterhand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/17.html#v20)

[^deuteronomium-17-1-1]: Kanttekening 1: klein vee: Dat is, schaap of geit. Zie Ex. 12:5 , en boven, Deut. 14:4 . Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. Deuteronomium 14:4 : Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten;
[^deuteronomium-17-1-a]: Verwijzing a: Lev. 22:20 ; boven, Deut. 15:21 . Leviticus 22:20 : U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. Deuteronomium 15:21 : Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u YHWH, uw God, niet offeren;
[^deuteronomium-17-1-2]: Kanttekening 2: enig kwaad: Hebreeuws, enige kwade zaak, of enig kwaad ding.
[^deuteronomium-17-1-3]: Kanttekening 3: YHWH, uw God, een gruwel: Hebreeuws, een gruwel van YHWH, uws Gods; dat is, wat YHWH voor een gruwel houdt. Zo onder, Deut. 18:12 , en elders meer; gelijk, een vloek van YHWH, onder, Deut. 21:23 . Deuteronomium 18:12 : Want al wie zulks doet, is YHWH een gruwel; en vanwege deze gruwelen verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting. Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^deuteronomium-17-2-b]: Verwijzing b: boven, Deut. 13:6 . Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen;
[^deuteronomium-17-2-4]: Kanttekening 4: Zijn verbond: Dat is, het verbond, dat Hij met u gemaakt heeft, waarin u uw God gehoorzaamheid beloofd hebt.
[^deuteronomium-17-3-5]: Kanttekening 5: het gehele: Of, enig; dat is, geen van allen.
[^deuteronomium-17-3-6]: Kanttekening 6: dat ik niet geboden heb: Maar wel uitdrukkelijk en scherpelijk verboden.
[^deuteronomium-17-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, zaak, of woord; gelijk boven, Deut. 13:11 . Deuteronomium 13:11 : Opdat geheel Israël het hore en vreze, en niet voortvare te doen naar dit boze stuk in het midden van u.
[^deuteronomium-17-5-8]: Kanttekening 8: uw poorten: Waar de publieke bijeenkomsten en het gericht gehouden werden. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^deuteronomium-17-6-9]: Kanttekening 9: Op de mond van twee getuigen: Dat is, op het zeggen, verklaren, enz.
[^deuteronomium-17-6-c]: Verwijzing c: Num. 35:30 ; onder, Deut. 19:15 ; Matt. 18:16 ; 2 Kor. 13:1 ; Hebr. 10:28 . Numeri 35:30 : Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. Mattheüs 18:16 : Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 2 Korinthiërs 13:1 : Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. Hebreeën 10:28 : Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
[^deuteronomium-17-6-10]: Kanttekening 10: die sterven zal: Hebreeuws, de dode, of, stervende; dat is, die de dood verdiend heeft, of sterven zal. Vergelijk Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^deuteronomium-17-7-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 13:9 . Deuteronomium 13:9 : Maar u zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van de gansen volks.
[^deuteronomium-17-7-11]: Kanttekening 11: boze uit het midden van u wegdoen: Zie boven, Deut. 13:5 . Deuteronomium 13:5 : En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^deuteronomium-17-8-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 19:10 ; Mal. 2:7 . 2 Kronieken 19:10 : En in alle geschil, dat van uw broers, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan YHWH, en een grote toornigheid over u en over uw broers zij; doet zo, en u zult niet schuldig worden. Maleachi 2:7 : Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^deuteronomium-17-8-12]: Kanttekening 12: zwaar zal zijn: Hebreeuws eigenlijk, wonderlijk, vreemd, of verborgen; dat is, zodanig, dat u daarin niet kondt beslissen of durven vertrouwen, wat recht of onrecht is.
[^deuteronomium-17-8-13]: Kanttekening 13: bloed en bloed: Dat is, in materie van doodslag. Zie Gen. 37:26 . Genesis 37:26 : Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^deuteronomium-17-8-14]: Kanttekening 14: plage en plage: Als in materie van wonden, kwetsuren, of ook enige kwade, vreemde plagen aan het lichaam van de mens, misschien ook aan huizen, kleren, enz.
[^deuteronomium-17-9-15]: Kanttekening 15: Levietische priesters: Dit schijnt te zien op de hogepriester, alsook op de hoogste rechter. Zie onder, vers 12 . Deuteronomium 17:12 : De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar YHWH, uw God, te dienen, of naar de rechter, dezelfde man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen.
[^deuteronomium-17-9-16]: Kanttekening 16: en tot de rechter: Anders, of tot de rechter. Vergelijk onder, vers 12 . Deuteronomium 17:12 : De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar YHWH, uw God, te dienen, of naar de rechter, dezelfde man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen.
[^deuteronomium-17-9-17]: Kanttekening 17: zaak van het recht aanzeggen: Of, het woord van het recht, of oordeel; dat is, waarin deze zaak recht is en van u behoort geoordeeld en uitgesproken te worden.
[^deuteronomium-17-10-18]: Kanttekening 18: het bevel van het woord: Hebreeuws, naar de mond van het woord; dat is, juist en in alles naar hun zeggen.
[^deuteronomium-17-11-19]: Kanttekening 19: het bevel van de wet: Hebreeuws, naar de mond.
[^deuteronomium-17-12-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, in, of door trotsheid, of vermetelheid.
[^deuteronomium-17-12-21]: Kanttekening 21: Zie boven, Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^deuteronomium-17-12-22]: Kanttekening 22: Naar de natuur van de zaken zal vereisen.
[^deuteronomium-17-12-23]: Kanttekening 23: boze uit Israël wegdoen: Als boven, vers 7 . Deuteronomium 17:7 : De hand van de getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het gehele volk; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^deuteronomium-17-14-24]: Kanttekening 24: zeggen zult: Te weten, wettelijk en met Gods believen zulks besluitende; dat niet geschiedde 1 Sam. 8:5 , en omdat zulks de Heer mishaagde; 1 Sam. 8:7 , en 1 Sam. 12:19 . 1 Samuël 8:5 : En zij zeiden tot hem: Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. 1 Samuël 8:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. 1 Samuël 12:19 : En al het volk zei tot Samuël: Bid voor uw knechten YHWH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben.
[^deuteronomium-17-15-25]: Kanttekening 25: ganselijk … stellen: Hebreeuws, stellende stellen; dat is, u zult geen ander mogen stellen dan die, enz.
[^deuteronomium-17-15-26]: Kanttekening 26: uw broers: Dat is, hij zal een Israëliet moeten zijn.
[^deuteronomium-17-16-27]: Kanttekening 27: Dat is, zoveel werk van ruiters en knechten niet maken, dat hij op zijn grote macht hoogmoedig worde en, tot Gods oneer zijn vertrouwen er op stellende, \[gelijk de heidense en goddeloze koningen deden\] zichzelven en zijn onderdanen door vermetelheid in perijkel en verdriet brenge.
[^deuteronomium-17-16-28]: Kanttekening 28: paarden te vermenigvuldigen: Waardoor Egypte vermaard was. Zie Ex. 14 en 15 ; Jes. 31:1 , 31:3 ; Ez. 17:15 , enz. Jesaja 31:1 : Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet. Jesaja 31:3 : Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en YHWH zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen. Ezechiël 17:15 : Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?
[^deuteronomium-17-16-29]: Kanttekening 29: U zult voortaan niet terugkeren: Hebreeuws, u zult niet meer toedoen, of, voortvaren om weer te keren. Versta, om u te wreken aan Egypte, of verbond met hen te maken, of slaven daar te worden.
[^deuteronomium-17-17-30]: Kanttekening 30: Te weten, van YHWH.
[^deuteronomium-17-17-31]: Kanttekening 31: zilver en goud: Hier past ook de aantekening op vers 16 . Deuteronomium 17:16 : Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen terugkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl YHWH u gezegd heeft: U zult voortaan niet terugkeren door deze weg.
[^deuteronomium-17-18-32]: Kanttekening 32: dubbel van deze wet: Of, copie, afschrift, geschreven uit en naar het originele wetboek, dat bij de priesters was berustende, en dat zij steeds voor ogen moesten hebben, om zich daarnaar te reguleren. Vergelijk onder, Deut. 31:9 , 31:26 . Deuteronomium 31:9 : En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van YHWH droegen, en aan alle oudsten van Israël. Deuteronomium 31:26 : Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van YHWH, uws Gods, dat het daar zij ten getuige tegen u.
[^deuteronomium-17-18-33]: Kanttekening 33: uit wat : Anders, \[nemende die\] van de aanwezigheid van de Levietische priesters; dat is, hij zal het wetboek, dat bij de priesters berust, laten halen, en daaruit een copie schrijven, of doen schrijven.

### Deuteronomium 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/18.json)

*Over het erfdeel en recht van de priesters en Levieten op offers en eerstelingen, vers 1, enz. verbod om de heidense, afgodische, duivelse gruwelen na te volgen, 9. Een zeer heerlijke belofte over de zending van onze Heere Christus, die het hoofd van alle profeten is, 15. over de straf en het kenmerk van een valse profeet, 20.*

**1** De Levietische priesters, de hele stam van Levi, zullen geen deel noch erfenis hebben met Israël;[^deuteronomium-18-1-1][^deuteronomium-18-1-a] de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v1)

**2** Daarom zal[^deuteronomium-18-2-2] hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broers;[^deuteronomium-18-2-3][^deuteronomium-18-2-b] YHWH is zijn Erfdeel, zoals Hij tot hem gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v2)

**3** Dit nu zal het recht van de priester zijn van het volk, van hen, die een offergave offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij de priester zal geven de schouder, en beide kaken, en de pens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v3)

**4** De eerstelingen van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering van uw schapen zult u hem geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v4)

**5** Want YHWH, uw God, heeft hem uit al uw stammen gekozen, dat hij[^deuteronomium-18-5-4] sta, om te dienen in de Naam van YHWH, hij en zijn zonen, altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v5)

**6** Verder wanneer een Leviet zal komen uit één van uw poorten, uit geheel Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte van zijn ziel, tot de plaats, die YHWH zal hebben gekozen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v6)

**7** [^deuteronomium-18-7-5] En hij dienen zal in de Naam van YHWH, van zijn God, als al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van YHWH staan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v7)

**8** [^deuteronomium-18-8-6] Zo zullen zij een gelijk deel eten,[^deuteronomium-18-8-7] boven zijn verkoping[^deuteronomium-18-8-8] bij de vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v8)

**9** Wanneer u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u niet leren te doen naar de gruwelijke dingen van die[^deuteronomium-18-9-9] volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v9)

**10** Onder u zal niet gevonden worden,[^deuteronomium-18-10-c] die zijn zoon of zijn dochter[^deuteronomium-18-10-10] door het vuur doet doorgaan,[^deuteronomium-18-10-11][^deuteronomium-18-10-d] die met waarzeggerijen omgaat,[^deuteronomium-18-10-12] een bezweerder, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v10)

**11** Of een[^deuteronomium-18-11-13] bezweerder, die met bezwering omgaat, of die[^deuteronomium-18-11-14] een waarzeggenden geest vraagt, of een dodenbezweerder, of die de doden vraagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v11)

**12** Want al wie dat doet, is[^deuteronomium-18-12-15] YHWH een gruwel; en vanwege deze gruwelijke dingen[^deuteronomium-18-12-16] verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v12)

**13** Oprecht zult u zijn met YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v13)

**14** Want deze volken,[^deuteronomium-18-14-17] die u zult erven, horen naar bezweerders en waarzeggers; maar wat u betreft, YHWH, uw God, heeft[^deuteronomium-18-14-18] u dat niet toegelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v14)

**15** [^deuteronomium-18-15-19][^deuteronomium-18-15-e] Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers,[^deuteronomium-18-15-20] als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v15)

**16** Naar alles, wat u van YHWH, uw God, aan Horeb, op de dag van de verzameling, geëist hebt, zeggende:[^deuteronomium-18-16-f] Ik zal niet doorgaan te horen de stem van YHWH, van mijn God, en dit grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v16)

**17** Toen zei YHWH tot mij:[^deuteronomium-18-17-21] Het is goed, wat zij gesproken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v17)

**18** Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broers, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn[^deuteronomium-18-18-22] mond geven,[^deuteronomium-18-18-g] en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v18)

**19** En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v19)

**20** Maar[^deuteronomium-18-20-h] de profeet, die hoogmoedig zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v20)

**21** Zo u dan in uw hart zou mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat YHWH niet gesproken heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v21)

**22** Wanneer die profeet in de Naam van YHWH zal hebben gesproken, en dat[^deuteronomium-18-22-23] woord gebeurt niet, en komt niet; dat is het woord, dat YHWH niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; u zult[^deuteronomium-18-22-24] voor hem niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/18.html#v22)

[^deuteronomium-18-1-1]: Kanttekening 1: de vuuroffers van YHWH: Zie Lev. 1:9 . Leviticus 1:9 : Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^deuteronomium-18-1-a]: Verwijzing a: Num. 18:20 ; boven, Deut. 10:9 ; 1 Kor. 9:13 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. 1 Korinthiërs 9:13 : Weet u niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?
[^deuteronomium-18-2-2]: Kanttekening 2: hij geen erfdeel hebben: Te weten, de Leviet.
[^deuteronomium-18-2-3]: Kanttekening 3: YHWH is zijn Erfdeel: Zie Num. 18:20 ; boven, Deut. 10:9 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft.
[^deuteronomium-18-2-b]: Verwijzing b: Num. 18:20 ; boven, Deut. 10:9 ; Ez. 44:28 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Ezechiël 44:28 : Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult u hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.
[^deuteronomium-18-5-4]: Kanttekening 4: sta, om te dienen: Zo onder, vers 7 ; zie boven, Deut. 10:8 . Deuteronomium 18:7 : En hij dienen zal in de Naam van YHWH, zijns Gods, als al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van YHWH staan; Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^deuteronomium-18-7-5]: Kanttekening 5: En hij dienen zal: Of, zo zal hij mogen dienen. En in vers 8 : gelijken deel zullen zij eten. Deuteronomium 18:8 : Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.
[^deuteronomium-18-8-6]: Kanttekening 6: Zo zullen zij een gelijk deel eten: Hebreeuws, deel gelijk deel.
[^deuteronomium-18-8-7]: Kanttekening 7: boven zijn verkoping: Of, boven de verkopingen van een ieder; dat is, boven wat zij hebben en behouden zullen van de prijs van hun verkochte goederen, die zij zullen mogen wederkopen en lossen. Zie Lev. 25:32 , 25:33 . Leviticus 25:32 : Aangaande de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben. Leviticus 25:33 : En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad van zijn bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden van de Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen van Israël.
[^deuteronomium-18-8-8]: Kanttekening 8: bij de vaderen: Dat is, aan, of, bij de vaderlijke familiën gedaan. Anders, naar de vaderlijke huisgezinnen, in welke de Levieten waren afgedeeld, Num. 3 . Deze woorden voegen sommigen bij de eerste woorden van vers 8 , in deze zin: Gelijken deel zullen zij eten, zo nochtans, dat elk zich voege bij zijn vaderlijke familie. Anders, alleen van wat hem geleverd is naar de vaderlijke huisgezinnen. Deuteronomium 18:8 : Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.
[^deuteronomium-18-9-9]: Kanttekening 9: Van de Kanaänieten, die er in wonen.
[^deuteronomium-18-10-c]: Verwijzing c: Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^deuteronomium-18-10-10]: Kanttekening 10: door het vuur doet doorgaan: Zie de aantekeningen Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^deuteronomium-18-10-11]: Kanttekening 11: die met waarzeggerijen omgaat: Hebreeuws, een voorzegger van de voorzeggingen, of, rader van de raadselen, gisser van de gissingen.
[^deuteronomium-18-10-d]: Verwijzing d: Lev. 20:27 ; 1 Sam. 28:7 ; Jes. 8:19 . Leviticus 20:27 : Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. 1 Samuël 28:7 : Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft. Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^deuteronomium-18-10-12]: Kanttekening 12: een guichelaar: Zie Lev. 19:26 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
[^deuteronomium-18-11-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, die met bezwering zweert, of, bezwering bezweert; eigenlijk: die koppeling samenkoppelt.
[^deuteronomium-18-11-14]: Kanttekening 14: een waarzeggende geest: Zie Lev. 19:31 , en Lev. 20:6 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.
[^deuteronomium-18-12-15]: Kanttekening 15: YHWH een gruwel: Hebreeuws, een gruwel van YHWH. Zie boven, Deut. 17:1 . Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^deuteronomium-18-12-16]: Kanttekening 16: verdrijft hen YHWH: Te weten, de inwoners van Kanaän.
[^deuteronomium-18-14-17]: Kanttekening 17: die u zult erven: Dat is, wier landen; gelijk boven, Deut. 9:1 en elders meer. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;
[^deuteronomium-18-14-18]: Kanttekening 18: heeft u zulks niet toegelaten: Hebreeuws, heeft u zo niet toegelaten; versta, te doen.
[^deuteronomium-18-15-19]: Kanttekening 19: Een Profeet: Versta, de Heer Jezus Christus; Hand. 3:22 , en Hand. 7:37 . Handelingen 3:22 : Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. Handelingen 7:37 : Deze is de Mozes, die tot de kinderen van Israël gezegd heeft: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen.
[^deuteronomium-18-15-e]: Verwijzing e: Joh. 1:46 ; Hand. 3:22 ; Hand. 7:37 . Johannes 1:46 : Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Die gevonden, van Welke Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth. Handelingen 3:22 : Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. Handelingen 7:37 : Deze is de Mozes, die tot de kinderen van Israël gezegd heeft: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen.
[^deuteronomium-18-15-20]: Kanttekening 20: als mij: Niettegenstaande de eeuwige Godheid, onbevlekte mensheid en het zaligmakende ambt van onze Heer Jezus Christus, mag Hij evenwel met Mozes worden vergeleken in de volgende zaken: I. Gelijk Mozes een waarachtig mens was, uit het zaad van Abraham, zo ook Christus. II. Gelijk Mozes Gods volk gevoerd heeft uit de lichamelijke slavernij van Egypte, zo heeft Christus zijn volk verlost uit de geestelijke slavernij. III. Gelijk Mozes stond tussen God en het volk in het verbond van de wet, Gal. 3:19 , zo is Christus de enige Middelaar tussen God en zijn volk in het verbond van de genade. IV. Gelijk Mozes getrouw was in het gehele huis van God, Hebr. 3:2 , zo Christus bovenal, in zijn gemeente te bezorgen, enz. V. Mozes was een groot profeet en leraar van het volk; Christus is het hoofd aller profeten, door wiens geest Mozes en de andere gesproken hebben, 1 Petr. 1:11 . Maar dat hier de andere profeten niet verstaan worden, blijkt Deut. 34:10 , waar gezegd wordt dat geen profeet in Israël is opgestaan gelijk Mozes. Galaten 3:19 : Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar. Hebreeën 3:2 : Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was. 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. Deuteronomium 34:10 : En er stond geen profeet meer op in Israël, gelijk Mozes, die YHWH gekend had, van aangezicht tot aangezicht,
[^deuteronomium-18-16-f]: Verwijzing f: Ex. 20:19 ; boven, Deut. 5:25 ; Hebr. 12:19 . Exodus 20:19 : En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! Deuteronomium 5:25 : Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven. Hebreeën 12:19 : En tot het geklank van de bazuin, en de stem van de woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.
[^deuteronomium-18-17-21]: Kanttekening 21: Het is goed: Hebreeuws, zij hebben goed gemaakt, of, wel gedaan, wat zij gesproken hebben: gelijk boven, Deut. 5:28 . Deuteronomium 5:28 : Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, toen u tot mij spraakt, zo zei YHWH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben.
[^deuteronomium-18-18-22]: Kanttekening 22: mond geven: Vergelijk deze manier van spreken met Ex. 4:15 ; onder, Deut. 31:19 ; 2 Sam. 14:3 ; Ps. 40:4 ; Jer. 1:9 , en Jer. 5:14 , hoewel er een groot onderscheid is tussen dit werk van God aan Jezus Christus persoon en de dienst van zijn knechten, of het doen van andere mensen. Exodus 4:15 : U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. Deuteronomium 31:19 : En nu, schrijft u dit lied, en leert het de kinderen van Israël; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen van Israël. 2 Samuël 14:3 : En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond. Psalmen 40:4 : En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang voor onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op YHWH vertrouwen. Jeremia 1:9 : En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Jeremia 5:14 : Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^deuteronomium-18-18-g]: Verwijzing g: Joh. 4:25 . Johannes 4:25 : De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.
[^deuteronomium-18-20-h]: Verwijzing h: boven, Deut. 13:5 ; Jer. 14:14 . Deuteronomium 13:5 : En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Jeremia 14:14 : En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
[^deuteronomium-18-22-23]: Kanttekening 23: woord geschiedt niet: Dat is, het tweede merkteken van een valsen profeet. Van het eerste, bestaande in het punt van de leer; zie boven, Deut. 13 .
[^deuteronomium-18-22-24]: Kanttekening 24: voor hem niet vrezen: Anders, voor hetzelfde; namelijk, woord, profetie.

### Deuteronomium 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/19.json)

*Over het instellen van drie vrijsteden in het land Kanaan, en voor wie die een toevlucht zouden zijn, vers 1, enz. over het later instellen van nog drie andere vrijsteden, 8. over de straf van de moedwillige doodslager, 11. verbod om de grenzen van de naaste te verleggen, 14. over het aantal getuigen voor het gerecht en de straf van valse getuigen, 15.*

**1** Wanneer YHWH, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, van wie het land YHWH, uw God, u geven zal, en u[^deuteronomium-19-1-1] die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v1)

**2** [^deuteronomium-19-2-a] Zo zult u zich[^deuteronomium-19-2-2] drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v2)

**3** U zult u de[^deuteronomium-19-3-3] weg bereiden, en het[^deuteronomium-19-3-4] gebied van uw land, dat u YHWH, uw God, zal doen erven, in[^deuteronomium-19-3-5] drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder moordenaar daarheen vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v3)

**4** En dit zij de[^deuteronomium-19-4-6] zaak van de moordenaar, die daarheen vluchten zal, dat hij leve;[^deuteronomium-19-4-b] die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch[^deuteronomium-19-4-7] van gisteren en eergisteren niet haatte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v4)

**5** Als, die met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl[^deuteronomium-19-5-8] wordt aangedreven, om hout af te houwen,[^deuteronomium-19-5-9] en het ijzer schiet af[^deuteronomium-19-5-10] van de steel, en[^deuteronomium-19-5-11] treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in één van deze steden vluchten en leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v5)

**6** Opdat de[^deuteronomium-19-6-12] bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te ver zou zijn, en[^deuteronomium-19-6-13] hem sla aan het leven; zo toch[^deuteronomium-19-6-14] geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van[^deuteronomium-19-6-15] gisteren en eergisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v6)

**7** Daarom gebiede ik u, zeggende: U zult u drie steden uitscheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v7)

**8** En als YHWH, uw God, uw gebied zal verruimen, zoals Hij uw vaders gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaders te geven[^deuteronomium-19-8-c] gesproken heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v8)

**9** (Wanneer u al dit gebod zult waarnemen, om dat te doen, wat ik u vandaag gebiede, YHWH, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult u[^deuteronomium-19-9-d] zich nog drie steden toedoen tot deze drie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v9)

**10** Opdat het bloed van de onschuldigen niet vergoten wordt in het midden van uw land, dat u YHWH, uw God, als erfenis geeft, en[^deuteronomium-19-10-16] bloedschulden op u zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v10)

**11** Maar[^deuteronomium-19-11-e] wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem hinderlagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het[^deuteronomium-19-11-17] leven, dat hij sterve; en vlucht tot één van die steden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v11)

**12** Zo zullen de oudsten[^deuteronomium-19-12-18] van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v12)

**13** Uw oog zal hem niet sparen; maar u zult het bloed van de onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v13)

**14** [^deuteronomium-19-14-f] U zult het gebied van uw naaste, die de[^deuteronomium-19-14-19] voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u YHWH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v14)

**15** [^deuteronomium-19-15-g] Één enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van[^deuteronomium-19-15-20] alle zonde, die hij zou mogen zondigen;[^deuteronomium-19-15-h] op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de[^deuteronomium-19-15-21] zaak bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v15)

**16** Wanneer[^deuteronomium-19-16-22] een valse getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v16)

**17** Zo zullen die twee mannen, die de twist hebben, staan voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht[^deuteronomium-19-17-23] van de priester, en van de rechters, die in die dagen zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v17)

**18** En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is[^deuteronomium-19-18-24] een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v18)

**19** [^deuteronomium-19-19-i] Zo zult u hem doen, zoals hij zijn broer dacht te doen;[^deuteronomium-19-19-25] zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v19)

**20** Dat de[^deuteronomium-19-20-26] overgeblevenen het horen en vrezen, en niet doorgaan meer te doen naar dit boze[^deuteronomium-19-20-27] stuk, in het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v20)

**21** En uw oog zal niet sparen;[^deuteronomium-19-21-28][^deuteronomium-19-21-k] ziel om ziel,[^deuteronomium-19-21-29] oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/19.html#v21)

[^deuteronomium-19-1-1]: Kanttekening 1: die erfelijk zult bezitten: Te weten, die volken, dit is, derzelver land. Zie boven, Deut. 9:1 , enz. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;
[^deuteronomium-19-2-a]: Verwijzing a: Ex. 21:13 ; Num. 35:9 ; Joz. 20:2 . Exodus 21:13 : Maar die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen vliede. Numeri 35:9 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Jozua 20:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Geeft voor u de vrijsteden, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes.
[^deuteronomium-19-2-2]: Kanttekening 2: drie steden uitscheiden: Vergelijk boven, Deut. 4:41 ; Num. 35:14 . Deuteronomium 4:41 : Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; Numeri 35:14 : Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.
[^deuteronomium-19-3-3]: Kanttekening 3: weg bereiden: Naar deze steden.
[^deuteronomium-19-3-4]: Kanttekening 4: pale uws lands: Dat is, uw land.
[^deuteronomium-19-3-5]: Kanttekening 5: drieen delen: Opdat in elk derde deel van het land een stad ter bekwamer plaatse mocht bestemd worden, naar welke de moordenaar in dat kwartier ten spoedigste mocht vluchten. Zie onder, vers 6 . Deuteronomium 19:6 : Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.
[^deuteronomium-19-4-6]: Kanttekening 6: zaak van de doodslager: Dat is, dit zal het recht van deze zaak zijn, zo zal men er mee handelen. Zo boven, Deut. 15:2 . Deuteronomium 15:2 : Dit nu is de zaak van de vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet manen, omdat men YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen.
[^deuteronomium-19-4-b]: Verwijzing b: Ex. 21:13 ; boven, Deut. 4:41 ; idem v. 42 . Exodus 21:13 : Maar die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen vliede. Deuteronomium 4:41 : Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; Deuteronomium 4:42 : Opdat daarheen vluchtte de moordenaar, die zijn naaste onwetende doodslaat, die hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in één van deze steden vluchtte en levend bleef;
[^deuteronomium-19-4-7]: Kanttekening 7: van gisteren en eergisteren: Dat is, van tevoren, gelijk boven, Deut. 4:42 , en onder, vers 6 . Deuteronomium 4:42 : Opdat daarheen vluchtte de moordenaar, die zijn naaste onwetende doodslaat, die hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in één van deze steden vluchtte en levend bleef; Deuteronomium 19:6 : Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.
[^deuteronomium-19-5-8]: Kanttekening 8: wordt aangedreven: Of, haar geslingerd vervorderd hebbende.
[^deuteronomium-19-5-9]: Kanttekening 9: en het ijzer schiet af: Anders, zo werpt hij.
[^deuteronomium-19-5-10]: Kanttekening 10: van de steel: Hebreeuws, uit, of, van het hout.
[^deuteronomium-19-5-11]: Kanttekening 11: treft zijn naaste: Hebreeuws, vindt.
[^deuteronomium-19-6-12]: Kanttekening 12: Een van de naaste bloedvrienden van de doden.
[^deuteronomium-19-6-13]: Kanttekening 13: hem sla aan het leven: Hebreeuws, sla hem aan de ziel; dat is, zo, dat zijn ziel van hem ga, of zo, dat hij hem het leven beneme. Zie Gen. 37:21 ; zo onder, vers 11 ; Jer. 40:14 , 40:15 . Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Deuteronomium 19:11 : Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot één van die steden; Jeremia 40:14 : En zeiden tot hem: Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet. Jeremia 40:15 : Johanan nochtans, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch heengaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en geheel Juda, die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan?
[^deuteronomium-19-6-14]: Kanttekening 14: geen oordeel van de dood aan hem is: Dat is, zo hij toch niet verdiend heeft ter dood verwezen of aan het leven gestraft te worden; gelijk onder, Deut. 21:22 ; Jer. 26:11 , 26:16 ; Luk. 24:20 . Deuteronomium 21:22 : Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben; Jeremia 26:11 : Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als u met uw oren gehoord hebt. Jeremia 26:16 : Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en tot de profeten: Aan deze man is geen oordeel van de dood, want hij heeft tot ons gesproken in de Naam van YHWH, onzes Gods. Lukas 24:20 : En hoe onze overpriesters en oversten Dezelfde overgeleverd hebben tot het oordeel van de dood, en Hem gekruisigd hebben.
[^deuteronomium-19-6-15]: Kanttekening 15: niet van gisteren en eergisteren: Gelijk boven, vers 4 . Deuteronomium 19:4 : En dit zij de zaak van de doodslager, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;
[^deuteronomium-19-8-c]: Verwijzing c: Gen. 28:13 ; boven, Deut. 12:20 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Deuteronomium 12:20 : Wanneer YHWH, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en u zeggen zult: Ik zal vlees eten; omdat uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult u vlees eten, naar allen lust uw ziel.
[^deuteronomium-19-9-d]: Verwijzing d: Joz. 20:7 . Jozua 20:7 : Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.
[^deuteronomium-19-10-16]: Kanttekening 16: bloedschulden op u zouden zijn: Hebreeuws, bloeden.
[^deuteronomium-19-11-e]: Verwijzing e: Gen. 9:6 ; Ex. 21:12 ; idem v. 14 ; Lev. 24:17 ; Num. 35:16 . Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Exodus 21:12 : Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden. Exodus 21:14 : Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve. Leviticus 24:17 : En als iemand enige ziel van de mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden. Numeri 35:16 : Maar als hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zekerlijk gedood worden.
[^deuteronomium-19-11-17]: Kanttekening 17: leven, dat hij sterve: Hebreeuws, ziel; gelijk boven, vers 6 , en onder, vers 21 . Deuteronomium 19:6 : Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. Deuteronomium 19:21 : En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.
[^deuteronomium-19-12-18]: Kanttekening 18: zijn stad zenden: Dat is, de oudsten van de plaats, waar de moordenaar woonachtig is, of tehuis behoort.
[^deuteronomium-19-14-f]: Verwijzing f: Spreuk. 22:28 . Spreuken 22:28 : Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
[^deuteronomium-19-14-19]: Kanttekening 19: voorvaderen gepaald hebben: Hebreeuws, de eerste.
[^deuteronomium-19-15-g]: Verwijzing g: Num. 35:30 ; boven, Deut. 17:6 ; Matt. 18:16 . Numeri 35:30 : Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Deuteronomium 17:6 : Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Mattheüs 18:16 : Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.
[^deuteronomium-19-15-20]: Kanttekening 20: alle zonde: Dat is, allerlei zonde.
[^deuteronomium-19-15-h]: Verwijzing h: boven, Deut. 17:6 ; Joh. 8:17 ; 2 Kor. 13:1 ; Hebr. 10:28 . Deuteronomium 17:6 : Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Johannes 8:17 : En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. 2 Korinthiërs 13:1 : Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. Hebreeën 10:28 : Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
[^deuteronomium-19-15-21]: Kanttekening 21: zaak bestaan: Of, het woord.
[^deuteronomium-19-16-22]: Kanttekening 22: een wrevelige getuige: Hebreeuws, een getuige van de wrevel, of, van de moedwil; dat is, die, òf uit eigen moedwil, òf door iemands aandrijven, zijn naaste met valsheid zoekt te overvallen, onrecht en geweld aan te doen.
[^deuteronomium-19-17-23]: Kanttekening 23: van de priesters: Of aldus: Van de priesters, of van de rechters. Zie boven, Deut. 17:9 , 17:12 . Deuteronomium 17:9 : En u zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen. Deuteronomium 17:12 : De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar YHWH, uw God, te dienen, of naar de rechter, dezelfde man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen.
[^deuteronomium-19-18-24]: Kanttekening 24: een vals getuige: Hebreeuws, een getuige van de valsheid, of, van de leugens.
[^deuteronomium-19-19-i]: Verwijzing i: Spreuk. 19:5 . Spreuken 19:5 : Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal niet ontkomen.
[^deuteronomium-19-19-25]: Kanttekening 25: zo zult u: Zie boven, Deut. 13:5 . Deuteronomium 13:5 : En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^deuteronomium-19-20-26]: Kanttekening 26: Dat is, de anderen, het gehele volk. Zie boven, Deut. 13:11 , en Deut. 17:13 . Deuteronomium 13:11 : Opdat geheel Israël het hore en vreze, en niet voortvare te doen naar dit boze stuk in het midden van u. Deuteronomium 17:13 : Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.
[^deuteronomium-19-20-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, woord, ding, zaak.
[^deuteronomium-19-21-28]: Kanttekening 28: ziel om ziel: Dat is, leven om leven.
[^deuteronomium-19-21-k]: Verwijzing k: Ex. 21:23 ; Lev. 24:20 ; Matt. 5:38 . Exodus 21:23 : Maar als er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u geven ziel voor ziel, Leviticus 24:20 : Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. Mattheüs 5:38 : U hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
[^deuteronomium-19-21-29]: Kanttekening 29: oog om oog: Zie Lev. 24:20 . Leviticus 24:20 : Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.

### Deuteronomium 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/20.json)

*Goddelijke oorlogsverordeningen, namelijk: met welk vertrouwen zij ten strijde zouden trekken, vers 1. Hoe de priester het volk moest toespreken wanneer zij tot de strijd zouden komen, 2. De ambtslieden moesten bepaalde personen gebieden naar huis te gaan, 5. en dan hoofdlieden aan de spits van het volk aanstellen, 9. Ordening over het belegeren en innemen van steden, zowel buiten als binnen Kanaan, 10. welke bomen zij tijdens de belegering mochten omhakken of niet, 19.*

**1** Wanneer u zult uittrekken tot de strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagens, een volk, meerder dan u, zo zult u voor hen niet vrezen; want YHWH, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v1)

**2** En het zal gebeuren, als u tot de strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v2)

**3** En tot hen zeggen: Hoor, Israël! u bent vandaag na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v3)

**4** Want het is YHWH, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v4)

**5** Dan zullen de voormannen tot het volk spreken, zeggende:[^deuteronomium-20-5-1] Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet[^deuteronomium-20-5-2] heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v5)

**6** En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft,[^deuteronomium-20-6-a] en daarvan vrucht niet[^deuteronomium-20-6-3] heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v6)

**7** En wie is de man,[^deuteronomium-20-7-b] die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in die strijd sterve, en een ander man haar neme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v7)

**8** Daarna zullen de voormannen doorgaan te spreken tot het volk, en zeggen:[^deuteronomium-20-8-c] Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte,[^deuteronomium-20-8-4] zoals zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v8)

**9** En het zal gebeuren, als die voormannen geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten van de legers aan het hoofd van het volk bestellen.[^deuteronomium-20-9-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v9)

**10** Wanneer u nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo[^deuteronomium-20-10-6] zult u haar de vrede toeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v10)

**11** En het zal gebeuren, als zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u schatplichtig zijn, en u dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v11)

**12** Maar zo zij geen vrede met u zal maken, maar strijd tegen u voeren, zo zult u haar belegeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v12)

**13** En YHWH, uw God, zal haar in uw hand geven; en u zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met[^deuteronomium-20-13-7] de scherpte van het zwaard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v13)

**14** Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit van uw vijanden, die u YHWH, uw God, gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v14)

**15** Zo zult u aan alle steden doen, die zeer ver van u zijn, die niet zijn van de steden[^deuteronomium-20-15-8] van deze volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v15)

**16** Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, als erfenis geeft,[^deuteronomium-20-16-d] zult u niets laten leven, dat[^deuteronomium-20-16-9] adem heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v16)

**17** Maar u zult[^deuteronomium-20-17-10] ze geheel verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zoals u YHWH, uw God, geboden heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v17)

**18** Opdat zij u niet leren te doen naar al hun gruwelijke dingen, die zij hun goden gedaan hebben, en u zondigt tegen YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v18)

**19** Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen[^deuteronomium-20-19-11] (want het geboomte van het veld[^deuteronomium-20-19-12] is het voedsel van de mens), opdat[^deuteronomium-20-19-13] het[^deuteronomium-20-19-14] voor uw aangezicht kome tot een bolwerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v19)

**20** Maar het geboomte, dat u kennen zult, dat het geen geboomte tot voedsel is, dat zult u verderven en afhouwen; en u zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, die tegen u strijd voert, totdat zij ten onderga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/20.html#v20)

[^deuteronomium-20-5-1]: Kanttekening 1: Wie is de man: Dat is, degene, die een nieuw huis gebouwd heeft, enz. Vergelijk 2 Sam. 20:11 ; 2 Kron. 36:23 ; Ezra 1:3 ; Ps. 34:13 , enz. 2 Samuël 20:11 : Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zei: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na! 2 Kronieken 36:23 : Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? YHWH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. Ezra 1:3 : Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van YHWH, van de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont. Psalmen 34:13 : Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
[^deuteronomium-20-5-2]: Kanttekening 2: Dat is, heeft het niet begonnen te bewonen; tot welk einde de inwijding door gebeden en dankzeggingen geschiedde. Vergelijk Ps. 30:1 , en Neh. 12:27 , enz. Psalmen 30:1 : Een psalm, een lied van de inwijding van Davids huis. Nehemia 12:27 : In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen.
[^deuteronomium-20-6-a]: Verwijzing a: Lev. 19:23 ; idem v. 24 ; idem v. 25 . Leviticus 19:23 : Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter voedsel geplant zult hebben, zo zult u de voorhuid daarvan, daarvan vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden. Leviticus 19:24 : Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor YHWH. Leviticus 19:25 : En in het vijfde jaar zult u daarvan vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben YHWH, uw God!
[^deuteronomium-20-6-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, ontheiligd; dat is, hij heeft nog geen vruchten daarvan voor zich mogen genieten, omdat de wijngaard nog in zijn voorhuid was, en de vruchten aan de Heer moesten worden toegebracht. Zie de wet hiervan Lev. 19:23 , 19:24 , 19:25 . Zo Jer. 31:5 . Leviticus 19:23 : Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte tot voedsel geplant zult hebben, zo zult u de voorhuid daarvan, de vrucht daarvan, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden. Leviticus 19:24 : Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor YHWH. Leviticus 19:25 : En in het vijfde jaar zult u de vrucht daarvan eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben YHWH, uw God! Jeremia 31:5 : U zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
[^deuteronomium-20-7-b]: Verwijzing b: onder, Deut. 24:5 . Deuteronomium 24:5 : Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het legermacht niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.
[^deuteronomium-20-8-c]: Verwijzing c: Richt. 7:3 . Richteren 7:3 : Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.
[^deuteronomium-20-8-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Deut. 1:28 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^deuteronomium-20-9-5]: Kanttekening 5: spits van het volk: Hebreeuws, in, of, aan het hoofd van het volk.
[^deuteronomium-20-10-6]: Kanttekening 6: zult u haar: Hebreeuws, u zult haar, of, tot haar roepen van, of, tot vrede; dat is, u zult haar eerst door boden nodigen tot vrede, presenterende haar te sparen aan het leven en aan het goed.
[^deuteronomium-20-13-7]: Kanttekening 7: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard.
[^deuteronomium-20-15-8]: Kanttekening 8: van deze volken: Versta, die in het land Kanaän woonden, die de Heer geboden had te verbannen, gelijk in het volgende verhaald wordt.
[^deuteronomium-20-16-d]: Verwijzing d: Num. 33:52 ; boven, Deut. 7:1 ; idem v. 2 . Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^deuteronomium-20-16-9]: Kanttekening 9: adem heeft: Hebreeuws, geen adem laten leven.
[^deuteronomium-20-17-10]: Kanttekening 10: ganselijk verbannen: Hebreeuws, verbannende verbannen. Zie boven, Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^deuteronomium-20-19-11]: Kanttekening 11: het geboomte van het veld: Dat is, hoewel de bomen van het veld algemeen zijn, zo zult u nochtans de vruchtbomen sparen, omdat er andere genoeg zijn, om af te houwen en bolwerken ervan te maken, gelijk in vers 20 nader verklaard wordt. De laatste woorden van vers 19 worden zeer onderscheidenlijk overgezet. Deuteronomium 20:20 : Maar het geboomte, dat u kennen zult, dat het geen geboomte tot voedsel is, dat zult u verderven en afhouwen; en u zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, die tegen u krijg voert, totdat zij ten onderga. Deuteronomium 20:19 : Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is het voedsel van de mens), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.
[^deuteronomium-20-19-12]: Kanttekening 12: is het voedsel van de mens : Hebreeuws, is de mens; dat is, het leven en onderhoud van de mens.
[^deuteronomium-20-19-13]: Kanttekening 13: Te weten, het vruchtgeboomte, dat zult u niet afhouwen om bolwerken ervan te maken.
[^deuteronomium-20-19-14]: Kanttekening 14: voor uw aangezicht: Hebreeuws, van uw aangezicht.

### Deuteronomium 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/21.json)

*Wat men moest doen wanneer iemand verslagen in het veld gevonden werd en de doodslager onbekend was, vers 1, enz. Hoe een Israeliet moest handelen met een heidense vrouw die in de oorlog gevangen was, als hij die wilde trouwen, 10. Wet om het recht van de eerstgeboren zoon geenszins te bekorten, wanneer iemand twee vrouwen had en bij beiden zonen verwekt had, 15. Wet over de straf van een weerspannige zoon, 18. Wet over iemand die aan het hout opgehangen was, 22.*

**1** Wanneer in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v1)

**2** Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom de verslagene zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v2)

**3** De stad nu, die de naaste zal zijn aan de verslagene, daar zullen de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, met die niet gewerkt is, die aan het juk niet getrokken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v3)

**4** En de oudsten van die stad zullen de jonge koe afbrengen[^deuteronomium-21-4-1] in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe daar in het dal de nek doorhouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v4)

**5** Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want YHWH, uw God, heeft hen gekozen, om Hem te dienen, en om[^deuteronomium-21-5-2] in de Naam van YHWH te zegenen, en[^deuteronomium-21-5-3] naar hun mond zal alle twist en alle plaag[^deuteronomium-21-5-4] afgedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v5)

**6** En alle oudsten van die stad, die naast aan de verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v6)

**7** En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen[^deuteronomium-21-7-5] hebben het niet gezien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v7)

**8** [^deuteronomium-21-8-6] Wees genadig aan Uw volk Israël, dat U, o YHWH! verlost hebt, en leg[^deuteronomium-21-8-7] geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En[^deuteronomium-21-8-8] dat bloed zal voor hen verzoend zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v8)

**9** Zo zult u het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want u zult doen, wat recht is in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v9)

**10** Wanneer u zult uitgetrokken zijn tot de strijd tegen uw vijanden; en YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat u[^deuteronomium-21-10-9] hun gevangenen als gevangene wegvoert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v10)

**11** En u onder de gevangenen zult zien een vrouw, mooi van gestalte, en u lust tot haar gekregen zult hebben, dat u haar tot vrouw neemt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v11)

**12** Zo zult u[^deuteronomium-21-12-10] haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagels knippen.[^deuteronomium-21-12-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v12)

**13** En zij zal het[^deuteronomium-21-13-12] kleed van haar gevangenschap van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder[^deuteronomium-21-13-13] een maand lang bewenen; en daarna zult u tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v13)

**14** En het zal gebeuren, als u geen behagen in haar hebt, dat u haar zult laten gaan naar haar[^deuteronomium-21-14-14] begeerte; maar u zult[^deuteronomium-21-14-15] haar in geen geval voor geld verkopen, u zult met haar[^deuteronomium-21-14-16] geen winst drijven, daarom dat u[^deuteronomium-21-14-17] haar vernederd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v14)

**15** Wanneer een man twee vrouwen heeft, één geliefde, en[^deuteronomium-21-15-18] één gehate; en de geliefde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v15)

**16** Zo zal het gebeuren, op de dag als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen[^deuteronomium-21-16-19] de eerstgeboorte te geven aan de zoon van de geliefde,[^deuteronomium-21-16-20] voor het aangezicht van de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v16)

**17** Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal[^deuteronomium-21-17-21] hij kennen,[^deuteronomium-21-17-a] gevende hem[^deuteronomium-21-17-22] het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is[^deuteronomium-21-17-b] het begin van zijn kracht, het[^deuteronomium-21-17-23] recht van de eerstgeboorte is het zijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v17)

**18** Wanneer iemand een moedwillige en opstandige zoon heeft, die de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gestraft zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v18)

**19** Zo[^deuteronomium-21-19-24] zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten[^deuteronomium-21-19-25] van zijn stad, en tot de[^deuteronomium-21-19-26] poorte van zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v19)

**20** En zij zullen zeggen tot de oudsten van zijn stad: Deze onze zoon is afwijkende en opstandig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en dronkaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v20)

**21** Dan zullen alle mensen van zijn stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en u zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het geheel Israël hore, en vreze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v21)

**22** Verder, wanneer in iemand[^deuteronomium-21-22-27] een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v22)

**23** Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het[^deuteronomium-21-23-28] zeker ten zelf dage begraven; want een opgehangene is[^deuteronomium-21-23-c] voor God[^deuteronomium-21-23-29] een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, als erfenis geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/21.html#v23)

[^deuteronomium-21-4-1]: Kanttekening 1: in een ruw dal: Deze omstandigheden dienden, naar sommiger gevoelens, om de gruwelijkheid van de doodslag enigszins af te beelden, en de mensen er van af te schrikken.
[^deuteronomium-21-5-2]: Kanttekening 2: in de Naam van YHWH te zegenen: Zie boven, Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^deuteronomium-21-5-3]: Kanttekening 3: naar hun mond: Dat is, naar hun woord, zeggen, uitspraak.
[^deuteronomium-21-5-4]: Kanttekening 4: afgedaan worden: Hebreeuws, zijn, of worden.
[^deuteronomium-21-7-5]: Kanttekening 5: hebben het niet gezien: Dat is, hebben het niet zien vergieten.
[^deuteronomium-21-8-6]: Kanttekening 6: Wees genadig aan Uw volk Israël: Hebreeuws, Verzoen , of, Maak verzoening voor of over Uw volk .
[^deuteronomium-21-8-7]: Kanttekening 7: leg geen onschuldig bloed: Dat is, wil uw gehele volk deze doodslag van een onschuldige niet toerekenen, of daarom straffen.
[^deuteronomium-21-8-8]: Kanttekening 8: dat bloed zal voor hen verzoend zijn: Dat is, aldus zullen zij van de schuld van deze doodslag ontlast zijn, dat zij hun niet toegerekend worde.
[^deuteronomium-21-10-9]: Kanttekening 9: hun gevangenen: Hebreeuws, zijn gevangenis; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-21-12-10]: Kanttekening 10: binnen in uw huis: Hebreeuws, in het midden van uw huis; gelijk onder, Deut. 22:2 . Deuteronomium 22:2 : En als uw broer niet nabij u is, of u hem niet kent, zo zult u ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broer die zoeke, en u ze hem wedergeeft.
[^deuteronomium-21-12-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, maken; dat is, toemaken, bereiden. In deze zin wordt het Hebreeuwse woord ook gevonden 2 Sam. 19:24 . Al deze ceremoniën in vers 12 en vers 13 verhaald, als: scheren van het hoofd, besnijden, of reinigen van de nagels, het afleggen van de vorige heidense kleren, het bewenen van haar ouders, enz., waren een teken van de aflegging en verlating van het vorige heidense afgodische wezen, aanneming van de ware religie en inlijving in Gods volk. Vergelijk Ps. 45:11 . Sommigen, die menen dat deze dingen dienden om de man van dit huwelijk afkerig te maken, zetten het over: nagels laten groeien. 2 Samuël 19:24 : Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam. Deuteronomium 21:12 : Zo zult u haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden. Deuteronomium 21:13 : En zij zal het kleed van haar gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult u tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn. Psalmen 45:11 : Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
[^deuteronomium-21-13-12]: Kanttekening 12: kleed van haar gevangenis: Het heidense kleed, waarin zij gevangen was.
[^deuteronomium-21-13-13]: Kanttekening 13: een maand: Hebreeuws, een maand van de dagen. Zie Gen. 29:14 ; zo, een jaar van de dagen; dat is, een vol jaar. Zie Gen. 41:1 . Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand. Genesis 41:1 : En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.
[^deuteronomium-21-14-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, ziel.
[^deuteronomium-21-14-15]: Kanttekening 15: in geen geval voor geld verkopen: Hebreeuws, verkopende niet verkopen.
[^deuteronomium-21-14-16]: Kanttekening 16: geen winst drijven: Vergelijk onder, Deut. 24:7 . Deuteronomium 24:7 : Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broers, uit de kinderen van Israël, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen.
[^deuteronomium-21-14-17]: Kanttekening 17: vernederd hebt: Of, geschonden, beslapen hebt.
[^deuteronomium-21-15-18]: Kanttekening 18: een gehate: Dat is, die hij minder bemint dan de andere. Vergelijk Gen. 29:31 . Genesis 29:31 : Toen nu YHWH zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
[^deuteronomium-21-16-19]: Kanttekening 19: de eerstgeboorte: Dat is, het recht van de eerstgeboorte.
[^deuteronomium-21-16-20]: Kanttekening 20: voor het aangezicht: Dat is, hem in zijn aanwezigheid en als onder zijn ogen voorbij gaande, tot zijn beschaming en verkorting. Anders, voor zijn aangezicht; dat is, in zijn plaats.
[^deuteronomium-21-17-21]: Kanttekening 21: Dat is, hij zal met de daad bewijzen dat hij hem houdt voor de eerstgeborene.
[^deuteronomium-21-17-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 5:1 . 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
[^deuteronomium-21-17-22]: Kanttekening 22: het dubbele deel: Of, twee delen. Hebreeuws, de mond van twee; vergelijk 2 Kon. 2:9 . Zie de aantekeningen daar; idem Zach. 13:8 . 2 Koningen 2:9 : Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zei tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, voordat ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zei: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn! Zacharia 13:8 : En het zal gebeuren in het gehele land, spreekt YHWH, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en de geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.
[^deuteronomium-21-17-b]: Verwijzing b: Gen. 49:3 . Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!
[^deuteronomium-21-17-23]: Kanttekening 23: recht van de eerstgeboorte: Zie Gen. 25:31 . Genesis 25:31 : Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte.
[^deuteronomium-21-19-24]: Kanttekening 24: Anders, zullen mogen.
[^deuteronomium-21-19-25]: Kanttekening 25: zijn stad: Waar de zoon woont.
[^deuteronomium-21-19-26]: Kanttekening 26: de poorte: Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^deuteronomium-21-22-27]: Kanttekening 27: een zonde: Hebreeuws, een zonde, een oordeel van de dood. Zie boven, Deut. 19:6 . Deuteronomium 19:6 : Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.
[^deuteronomium-21-23-28]: Kanttekening 28: zekerlijk … begraven: Hebreeuws, begravende begraven.
[^deuteronomium-21-23-c]: Verwijzing c: Gal. 3:13 . Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die aan het hout hangt.
[^deuteronomium-21-23-29]: Kanttekening 29: voor God een vloek: Hebreeuws, een vloek Gods, gelijk boven, Deut. 17 ;1, een gruwel van YHWH. Dit ziet wel in het algemeen op de misdaden, die gruwelijk zijn in de ogen van YHWH, maar in het bijzonder op het voornemen Gods aangaande onze Zaligmaker Jezus Christus, die voor ons, die vanwege de zonde onder de vloek waren, de vloek zou dragen, en tot teken en verzekering daarvan aan het hout gehangen worden. Zie Gal. 3:13 ; 1 Petr. 2:24 . Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is iedereen, die aan het hout hangt. 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent.

### Deuteronomium 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/22.json)

*Verschillende wetten, namelijk over liefde en trouw aan de naaste, wanneer iets van het zijne verdwaald, verloren of anderszins in gevaar is, vers 1, enz. Over het verwisselen van mannelijke en vrouwelijke kleren, 5. Over een vogelnest, 6. Over een leuning op het dak, 8. Over verschillende vermenging van ongelijke dingen, 9. Over koordjes aan de kleren, 12. Over de straf van hem die zijn vrouw met valse geruchten belast, 13. Over de straf van een jonge dochter die in haar vaders huis eerder gehoereerd heeft, 20. Over de straf van de overspeler, 22. en in het bijzonder wanneer een ondertrouwde jonge dochter in de stad bij iemand ligt, 23. Eveneens wanneer zij in het veld verkracht wordt, 25. Eveneens wanneer iemand bij een vrije dochter ligt, 28. Over bloedschande, 30.*

**1** U zult os of klein vee van uw broer[^deuteronomium-22-1-1][^deuteronomium-22-1-a] niet zien[^deuteronomium-22-1-2] afgedreven, en u van die[^deuteronomium-22-1-3] verbergen; u zult ze uw broer[^deuteronomium-22-1-4] geheel weer toesturen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v1)

**2** En als uw broer[^deuteronomium-22-2-5] niet nabij u is, of u hem niet kent,[^deuteronomium-22-2-6] zo zult u[^deuteronomium-22-2-7] ze binnen in uw huis verzamelen, dat zij bij u zijn, totdat uw broer die zoeke, en u ze hem teruggeeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v2)

**3** Zo zult u ook doen aan zijn ezel, en zo zult u doen aan zijn kleding, ja, zo zult u doen aan al[^deuteronomium-22-3-8] het verlorene van uw broer, dat van hem verloren zal zijn, en dat u zult hebben gevonden;[^deuteronomium-22-3-9] u zult u niet mogen verbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v3)

**4** U zult de ezel van uw broer of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met[^deuteronomium-22-4-10] hem[^deuteronomium-22-4-11] geheel oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v4)

**5** Het[^deuteronomium-22-5-12] kleed van een man zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie dat doet,[^deuteronomium-22-5-13] is YHWH, uw God, een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v5)

**6** Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op de weg voorkomt, in enige boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder[^deuteronomium-22-6-14] zittende op de jongen of op de eieren, zo zult u de moeder met de[^deuteronomium-22-6-15] jongen niet nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v6)

**7** U zult de moeder[^deuteronomium-22-7-16] geheel vrijlaten; maar de jongen zult u voor u nemen; opdat het u welga, en u de dagen verlengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v7)

**8** Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen[^deuteronomium-22-8-17] bloedschuld op uw[^deuteronomium-22-8-18] huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v8)

**9** U zult uw wijngaard niet met[^deuteronomium-22-9-19] tweeërlei[^deuteronomium-22-9-b] bezaaien; opdat de volheid van het zaad, dat u[^deuteronomium-22-9-20] zult gezaaid hebben, en de inkomst van de wijngaard niet[^deuteronomium-22-9-21] ontheiligd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v9)

**10** U zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v10)

**11** [^deuteronomium-22-11-22] U zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v11)

**12** [^deuteronomium-22-12-23][^deuteronomium-22-12-c] Snoeren zult u zich maken aan de vier[^deuteronomium-22-12-24] hoeken[^deuteronomium-22-12-25] van uw opperkleed, waarmee u zich bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v12)

**13** Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, dan haar zal haten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v13)

**14** En haar[^deuteronomium-22-14-26] oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwade naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb de maagdom aan haar niet gevonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v14)

**15** Dan zullen de vader van dit meisje en haar moeder nemen, en tot de oudsten van de[^deuteronomium-22-15-27] stad aan de poort uitbrengen, de maagdom van deze jonge vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v15)

**16** En de vader van het meisje zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan deze man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v16)

**17** En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb de maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom van mijn dochter. En[^deuteronomium-22-17-28] zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten van de stad uitbreiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v17)

**18** Dan zullen de oudsten van die stad die man nemen, en straffen hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v18)

**19** En zij zullen hem een boete opleggen van honderd[^deuteronomium-22-19-29] zilverlingen, en ze geven aan de vader van het meisje, omdat[^deuteronomium-22-19-30] hij een kwade naam heeft uitgebracht over een meisje van Israël; verder zal zij hem tot vrouw zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v19)

**20** Maar als[^deuteronomium-22-20-31] dit woord[^deuteronomium-22-20-32] waarachtig is, dat de maagdom aan het meisje niet gevonden is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v20)

**21** Zo zullen zij dit meisje uitbrengen tot de deur van het huis van haar vader, en de mensen van haar stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in het huis van haar vader; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v21)

**22** [^deuteronomium-22-22-33][^deuteronomium-22-22-d] Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij de getrouwde vrouw van een man, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult u het boze uit Israël wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v22)

**23** Wanneer er een meisje zal zijn, dat een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v23)

**24** Zo zult u ze beiden uitbrengen tot de poort van die stad, en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; het meisje, omdat zij niet geroepen heeft in de stad, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste[^deuteronomium-22-24-34] vernederd heeft; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v24)

**25** En als een man een ondertrouwd meisje in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v25)

**26** Maar het meisje zult u[^deuteronomium-22-26-35] niets doen; het meisje heeft[^deuteronomium-22-26-36] geen zonde van de dood; want zoals wanneer een man tegen zijn naaste opstond, en[^deuteronomium-22-26-37] sloeg hem dood aan het leven,[^deuteronomium-22-26-38] zo is deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v26)

**27** Want hij heeft haar in het veld gevonden; het ondertrouwde meisje riep, en er was niemand, die haar verloste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v27)

**28** Wanneer een man een meisje zal gevonden hebben, dat een maagd is, dat niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij[^deuteronomium-22-28-39] gevonden zullen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v28)

**29** Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van het meisje[^deuteronomium-22-29-e] vijftig[^deuteronomium-22-29-40] zilverlingen geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v29)

**30** Een man zal de vrouw van zijn vader niet nemen, en hij zal de slip van zijn[^deuteronomium-22-30-41] vader niet ontdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/22.html#v30)

[^deuteronomium-22-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, groot vee.
[^deuteronomium-22-1-a]: Verwijzing a: Ex. 23:4 . Exodus 23:4 : Wanneer u uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde ganselijk wederbrengen.
[^deuteronomium-22-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, van de weg, of van de kudde, en dienvolgens dolende.
[^deuteronomium-22-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, onttrekken, u houdende alsof u ze niet gezien hadt, latende dezelfde voort dolen. Zo onder, vers 3 , 22:4 . Deuteronomium 22:3 : Zo zult u ook doen aan zijn ezel, en zo zult u doen aan zijn kleding, ja, zo zult u doen aan al het verlorene van uw broer, dat van hem verloren zal zijn, en dat u zult hebben gevonden; u zult u niet mogen verbergen. Deuteronomium 22:4 : U zult de ezel van uw broer of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem ganselijk oprichten.
[^deuteronomium-22-1-4]: Kanttekening 4: ganselijk weer toesturen: Hebreeuws, wedersturende wedersturen.
[^deuteronomium-22-2-5]: Kanttekening 5: niet nabij u is: Dat is, te ver van u woont.
[^deuteronomium-22-2-6]: Kanttekening 6: zo zult u ze: Hebreeuws, zo zult u hem; te weten, de os, waarbij het klein vee mee verstaan wordt, en zo in de volgende woorden.
[^deuteronomium-22-2-7]: Kanttekening 7: binnen in uw huis vergaderen: Hebreeuws, in het midden van het huis vergaderen; dat is, in uw huis innemen, niet buiten laten blijven. Vergelijk Richt. 19:15 . Richteren 19:15 : En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten.
[^deuteronomium-22-3-8]: Kanttekening 8: het verlorene van uw broer: Hebreeuws, het verlies.
[^deuteronomium-22-3-9]: Kanttekening 9: u zult u niet mogen verbergen: Of, het zal niet mogen verborgen worden.
[^deuteronomium-22-4-10]: Kanttekening 10: Te weten, uw broer, die u zult helpen in het oprichten.
[^deuteronomium-22-4-11]: Kanttekening 11: ganselijk oprichten: Hebreeuws, oprichtende oprichten.
[^deuteronomium-22-5-12]: Kanttekening 12: kleed van een man: Hebreeuws, tuig, gereedschap; in het Hebreeuws is een woordje, waarvan te zien is Lev. 15:4 . Leviticus 15:4 : Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
[^deuteronomium-22-5-13]: Kanttekening 13: is YHWH, uw God: Hebreeuws, een gruwel van YHWH uws Gods. Zie boven, Deut. 17:1 . Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^deuteronomium-22-6-14]: Kanttekening 14: zittende op de jongen: Hebreeuws, liggende.
[^deuteronomium-22-6-15]: Kanttekening 15: jongen niet nemen: Hebreeuws, kinderen; en zo in vers 7 . Deuteronomium 22:7 : U zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult u voor u nemen; opdat het u welga, en u de dagen verlengt.
[^deuteronomium-22-7-16]: Kanttekening 16: ganselijk vrijlaten: Hebreeuws, vrijlatende vrijlaten.
[^deuteronomium-22-8-17]: Kanttekening 17: leuning maken: Omdat de daken in het Joodse land zo plat waren, dat men er op wandelen kon. Zie Richt. 16:27 ; 1 Sam. 9:25 , 9:26 ; 2 Sam. 11:2 ; Neh. 8:17 ; Jer. 19:13 ; Matt. 10:27 , en Matt. 24:17 ; Mark. 2:4 ; Hand. 10:9 . Richteren 16:27 : Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten van de Filistijnen; en op het dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde. 1 Samuël 9:25 : Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak. 1 Samuël 9:26 : En zij stonden vroeg op; en het geschiedde, omtrent de opgang van de dageraad, zo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten. 2 Samuël 11:2 : Zo geschiedde het tegen de avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien. Nehemia 8:17 : Zo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, iedereen op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat van de Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort. Jeremia 19:13 : En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op wier daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Mattheüs 10:27 : Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken. Mattheüs 24:17 : Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; Marcus 2:4 : En niet kunnende tot Hem genaken, omdat de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het bed neder, daar de geraakte op lag. Handelingen 10:9 : En de volgende dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure.
[^deuteronomium-22-8-18]: Kanttekening 18: bloedschuld op uw huis legt: Hebreeuws, bloeden.
[^deuteronomium-22-9-19]: Kanttekening 19: tweeërlei bezaaien: Gelijk men in die landen gewoon was tussen de wijnstokken allerlei te zaaien, als: rogge, weit, gerst, enz.
[^deuteronomium-22-9-b]: Verwijzing b: Lev. 19:19 . Leviticus 19:19 : U zult Mijn inzettingen houden; u zult geen tweeërlei aard uw beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult u niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
[^deuteronomium-22-9-20]: Kanttekening 20: volheid van het zaad: Dat is, de volrijpe vruchten. Zie Ex. 22:29 . Exodus 22:29 : Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven.
[^deuteronomium-22-9-21]: Kanttekening 21: ontheiligd worde: Of, verontreinigd. anders, geheiligd; te weten de Heer, en overzulks de priesters ten deel valle, zodat u voor u daarvan niet mag genieten, omdat u tegen het bevel van de Heer gedaan zult hebben. Zie boven, Deut. 20:6 . Deuteronomium 20:6 : En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en de vrucht daarvan niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete.
[^deuteronomium-22-11-22]: Kanttekening 22: U zult geen kleed: Zie Lev. 19:19 . Leviticus 19:19 : U zult Mijn inzettingen houden; u zult geen tweeërlei aard van uw beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult u niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.
[^deuteronomium-22-12-23]: Kanttekening 23: Snoeren zult u u maken: Vergelijk Num. 15:38 , 15:39 , en Matt. 23:5 . Anders, zomen, boorden, franjes, bandjes. Numeri 15:38 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken van hun kleren, bij hun geslachten; en op de snoertjes van de hoek zullen zij een hemelsblauwen draad zetten. Numeri 15:39 : En hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van YHWH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende; Mattheüs 23:5 : En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot.
[^deuteronomium-22-12-c]: Verwijzing c: Num. 15:38 ; Matt. 23:5 . Numeri 15:38 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hun kleren, bij hun geslachten; en op de snoertjes van de hoek zullen zij een hemelsblauwen draad zetten. Mattheüs 23:5 : En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot.
[^deuteronomium-22-12-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, vleugels.
[^deuteronomium-22-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, deksels.
[^deuteronomium-22-14-26]: Kanttekening 26: oorzaak van naspraak: Of, stukken, daden, vonden, versiersels.
[^deuteronomium-22-15-27]: Kanttekening 27: maagdom van deze jonge vrouw: Dat is, de merktekenen van haar maagdom, en zo in het volgende. Zie nadere verklaring van dit, vers 17 . Deuteronomium 22:17 : En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb de maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten van de stad uitbreiden.
[^deuteronomium-22-17-28]: Kanttekening 28: zij zullen het kleed: Vader en moeder.
[^deuteronomium-22-19-29]: Kanttekening 29: Dat is, zilveren sikkels, wat meer dan vijf en twintig rijksdaalders. Zie Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^deuteronomium-22-19-30]: Kanttekening 30: De man van de jonge dochter.
[^deuteronomium-22-20-31]: Kanttekening 31: ditzelve woord: Of, dezelfde zaak.
[^deuteronomium-22-20-32]: Kanttekening 32: waarachtig is: Hebreeuws, waarheid.
[^deuteronomium-22-22-33]: Kanttekening 33: Wanneer een man gevonden zal worden: Dat is, als het bevonden wordt dat iemand bij een getrouwde vrouw gelegen heeft.
[^deuteronomium-22-22-d]: Verwijzing d: Lev. 20:10 . Leviticus 20:10 : Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
[^deuteronomium-22-24-34]: Kanttekening 34: vernederd heeft: Gelijk boven, Deut. 21:14 , en onder, vers 29 . Deuteronomium 21:14 : En het zal gebeuren, als u geen behagen in haar hebt, dat u haar zult laten gaan naar haar begeerte; maar u zult haar in geen geval voor geld verkopen, u zult met haar geen winst drijven, daarom dat u haar vernederd hebt. Deuteronomium 22:29 : Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.
[^deuteronomium-22-26-35]: Kanttekening 35: niets doen: Hebreeuws, geen ding, geen woord.
[^deuteronomium-22-26-36]: Kanttekening 36: geen zonde van de dood: Dat is, geen schuld, die doodwaardig is. Vergelijk boven, Deut. 21:22 . Deuteronomium 21:22 : Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben;
[^deuteronomium-22-26-37]: Kanttekening 37: sloeg hem dood: Hebreeuws, sloeg hem de ziel dood; dat is, sloeg hem \[gelijk de Heilige Schrift dikwijls spreekt\] aan het leven; dat is, sloeg hem zo, dat hij hem het leven benam.
[^deuteronomium-22-26-38]: Kanttekening 38: zo is deze zaak: Dat is, met deze zaak is het ook zo gelegen. Gelijk de man onschuldig is, die met geweld vermoord wordt, zo ook de jonge dochter, die met geweld verkracht wordt.
[^deuteronomium-22-28-39]: Kanttekening 39: gevonden zullen zijn: Dat is, ontdekt, haar misdaad bevonden.
[^deuteronomium-22-29-e]: Verwijzing e: Ex. 22:16 . Exodus 22:16 : Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij.
[^deuteronomium-22-29-40]: Kanttekening 40: zilverlingen geven: Zie boven, vers 19 . Deuteronomium 22:19 : En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan de vader van de jonge dochter, omdat hij een kwade naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israël; verder zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.
[^deuteronomium-22-30-41]: Kanttekening 41: vaders slippe niet ontdekken: Dat is, het kleed van zijn stiefmoeder. Zie Lev. 18:7 , 18:8 , en onder, Deut. 27:20 . De zin is, u zult bij uwe stiefmoeder niet liggen. Leviticus 18:7 : U zult de schaamte uws vaders en de schaamte van uw moeder niet ontdekken; zij is uw moeder; u zult haar schaamte niet ontdekken. Leviticus 18:8 : U zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders. Deuteronomium 27:20 : Vervloekt zij, die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.

### Deuteronomium 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/23.json)

*Wie in de vergadering van de HEERE in het geheel niet mochten komen, en wie daarentegen in zekere mate wel, vers 1, enz. hoe en waarom het legerkamp rein gehouden moest worden, 9. hoe men moest handelen met een knecht die zijn heer ontvlucht was, 15. over hoeren en schandknapen, 17. over woeker, 19. over geloften, 21. over het plukken van druiven en aren, 24.*

**1** Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal[^deuteronomium-23-1-1] in de vergadering van YHWH niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v1)

**2** [^deuteronomium-23-2-2] Geen bastaard zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v2)

**3** Geen[^deuteronomium-23-3-a] Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v3)

**4** Omdat zij u op de weg niet tegengekomen zijn[^deuteronomium-23-4-3] met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat[^deuteronomium-23-4-4] hij tegen u gehuurd heeft[^deuteronomium-23-4-b] Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit[^deuteronomium-23-4-5] Mesopotamië, om u te vloeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v4)

**5** Maar YHWH, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar YHWH, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat YHWH, uw God, u liefhad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v5)

**6** U zult hun[^deuteronomium-23-6-6] vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v6)

**7** De[^deuteronomium-23-7-7] Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is[^deuteronomium-23-7-8] uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v7)

**8** Voor wat betreft de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering van[^deuteronomium-23-8-9] YHWH komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v8)

**9** Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult u zich wachten voor alle kwade zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v9)

**10** Wanneer iemand onder u is, die niet rein is, door enig[^deuteronomium-23-10-10] toeval in de nacht, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v10)

**11** Maar het zal gebeuren, dat hij zich tegen het naderen van de avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v11)

**12** U zult ook een[^deuteronomium-23-12-11] plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult u uitgaan naar buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v12)

**13** En u zult een schopje hebben,[^deuteronomium-23-13-12] naast uw gereedschap, en het zal gebeuren, als u buiten[^deuteronomium-23-13-13] gezeten hebt, dan zult u daarmee graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v13)

**14** Want YHWH, uw God,[^deuteronomium-23-14-14] wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden[^deuteronomium-23-14-15] voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat[^deuteronomium-23-14-16] Hij[^deuteronomium-23-14-17] niets schandelijks onder u zie, en achteruit van u afkere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v14)

**15** U zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van[^deuteronomium-23-15-18] zijn heer tot u ontkomen zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v15)

**16** Hij zal bij u[^deuteronomium-23-16-19] blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in één van uw[^deuteronomium-23-16-20] poorten, waar het goed voor hem is; u zult hem niet verdrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v16)

**17** Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen[^deuteronomium-23-17-21] schandjongen zijn onder de zonen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v17)

**18** U zult geen hoerenloon noch[^deuteronomium-23-18-22] hondenprijs in het huis van YHWH, van uw God, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn YHWH, uw God, een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v18)

**19** U zult aan uw broer niet[^deuteronomium-23-19-23][^deuteronomium-23-19-c] woekeren, met rente van geld, met rente van voedsel, met rente van enig ding, waarmee men woekert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v19)

**20** Aan de vreemde[^deuteronomium-23-20-24] zult u woekeren; maar aan uw broer zult u niet woekeren; opdat u YHWH, uw God, zegene,[^deuteronomium-23-20-25] in alles, waaraan u uw hand slaat, in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v20)

**21** Wanneer u YHWH, uw God,[^deuteronomium-23-21-d] een gelofte zult beloofd hebben, u zult niet vertrekken die te betalen; want YHWH, uw God, zal[^deuteronomium-23-21-26] ze zeker van u eisen, en[^deuteronomium-23-21-27] zonde zou in u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v21)

**22** Maar als u nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v22)

**23** [^deuteronomium-23-23-28] Wat uit uw lippen gaat, zult u houden en doen; zoals u YHWH, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat u met uw mond gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v23)

**24** Wanneer u gaan zult in de wijngaard van uw naaste, zo zult u druiven[^deuteronomium-23-24-29] eten[^deuteronomium-23-24-30] naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw mand zult u niets doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v24)

**25** Wanneer u zult gaan in het staande koren van uw naaste[^deuteronomium-23-25-e], zo zult u de[^deuteronomium-23-25-31] aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan het staande koren van uw naaste niet[^deuteronomium-23-25-32] bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/23.html#v25)

[^deuteronomium-23-1-1]: Kanttekening 1: in de vergadering: Dat is, naar het meeste gevoelen, zal geen stem hebben in publieke vergaderingen, noch plaats in de Raad van de regenten, rechters of officieren van het volk, welke vergadering ook een vergadering Gods genoemd wordt, Ps. 82:1 . Zo werden ook tot het priesterambt geen toegelaten, die enig gebrek aan het lichaam hadden, Lev. 21:17 , enz. De reden van deze wet kan zijn: eensdeels, omdat zodanigen gemeenlijk kleinhartig zijn; anderdeels, omdat het tot verwijt en kleinachting van het ambt zou kunnen strekken. Van de bijeenkomsten van de gemeente tot de publieke godsdienst kan men dit niet verstaan, omdat daarin ook de vreemdelingen \[mits besneden zijnde\] toegelaten werden, Ex. 12:48 ; Lev. 22:18 ; Num. 9:14 , en Num. 15:15 . Daarentegen in de vergadering, van welke vers 1 en in het volgende gesproken wordt, mochten de Ammonieten en Moabieten ganselijk niet komen, gelijk volgt vers 3 . Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden; Leviticus 21:17 : Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om het voedsel zijns Gods te offeren. Exodus 12:48 : Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. Leviticus 22:18 : Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijn offerande zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offeren, die zij YHWH ten brandoffer zullen offeren; Numeri 9:14 : En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha YHWH ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, zo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor u zijn, beiden de vreemdeling en de inboorling van het land. Numeri 15:15 : U, gemeente, het zij u en de vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk u, zo zal de vreemdeling voor het aangezicht van YHWH zijn. Deuteronomium 23:1 : Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering van YHWH niet komen. Deuteronomium 23:3 : Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen tot in eeuwigheid.
[^deuteronomium-23-2-2]: Kanttekening 2: Geen bastaard: Gelijk Jeftha was, Richt. 11:1 , 11:2 , die om de nood, buiten order, daartoe gebruikt en door God gezegend is. Richteren 11:1 : Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; maar Gilead had Jeftha gegenereerd. Richteren 11:2 : Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen van deze vrouw, groot geworden zijnde, stieten Jeftha uit, en zeiden tot hem: U zult in het huis onzes vaders niet erven, want u bent een zoon van een andere vrouw.
[^deuteronomium-23-3-a]: Verwijzing a: Neh. 13:1 . Nehemia 13:1 : Te die dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren van het volk; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de gemeente van God, tot in eeuwigheid;
[^deuteronomium-23-4-3]: Kanttekening 3: met brood en met water: Zie boven, Deut. 2:28 . Deuteronomium 2:28 : Verkoop mij voedsel voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleen laat mij op mijn voeten doortrekken;
[^deuteronomium-23-4-4]: Kanttekening 4: hij tegen u gehuurd heeft Bileam: Namelijk, de Moabiet; Num. 22:3 , 22:4 , 22:5 , enz. Numeri 22:3 : Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Numeri 22:4 : Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente van het veld oplikt. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
[^deuteronomium-23-4-b]: Verwijzing b: Num. 22:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Numeri 22:3 : Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van deze volks, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Numeri 22:4 : Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente van het veld oplikt. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
[^deuteronomium-23-4-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, Aram Naharajim; dat is, Syrië van de twee rivieren. Zie Gen. 24:10 . Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van zijns heren kamelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^deuteronomium-23-6-6]: Kanttekening 6: vrede en hun best: Dat is, voorspoed, welstand.
[^deuteronomium-23-7-7]: Kanttekening 7: Maar uitgezonderd de Amalekieten. Zie onder, Deut. 25:17 . Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt;
[^deuteronomium-23-7-8]: Kanttekening 8: uw broer: Een nakomeling van Ezau, die de broer was van Jakob uw voorvader.
[^deuteronomium-23-8-9]: Kanttekening 9: Dat is, mogen komen.
[^deuteronomium-23-10-10]: Kanttekening 10: toeval van de nacht: Zie Lev. 15:4 , 15:16 , 15:17 . Leviticus 15:4 : Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. Leviticus 15:16 : Verder een man, als van hem het zaad van het bijliggen zal uitgegaan zijn, die zal zijn gehele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:17 : Ook alle kleed, en alle vel, aan dat het zaad van het bijliggen wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan de avond.
[^deuteronomium-23-12-11]: Kanttekening 11: plaats hebben: Hebreeuws, hand; welk woord ook genomen wordt voor ruimte, zijde, plaats, begrijp, enz. Zie Spreuk. 8:3 ; Jes. 57:8 met de aantekeningen. Spreuken 8:3 : Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid: Jesaja 57:8 : En achter de deur en posten zet u uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt u u, en klimt op; u maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enige uit dezelfde, u hebt hun leger lief in elke plaats, die u ziet.
[^deuteronomium-23-13-12]: Kanttekening 12: naast uw gereedschap: Of, op uwe wapens.
[^deuteronomium-23-13-13]: Kanttekening 13: gezeten hebt: Dat is, het werk van de natuur gedaan hebt.
[^deuteronomium-23-14-14]: Kanttekening 14: wandelt in het midden: Zie Lev. 26:12 . Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^deuteronomium-23-14-15]: Kanttekening 15: voor uw aangezicht te geven: Zie boven, Deut. 1:8 . Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
[^deuteronomium-23-14-16]: Kanttekening 16: Namelijk, YHWH.
[^deuteronomium-23-14-17]: Kanttekening 17: niets schandelijks onder u zie: Hebreeuws, geen naaktheid, of, schandelijkheid van enig ding; dat is, niets oneerlijks, onreins, dat de eerbaarheid niet toelaat bloot te laten liggen.
[^deuteronomium-23-15-18]: Kanttekening 18: zijn heer tot u ontkomen zal zijn: Die hem tirannisch behandelde.
[^deuteronomium-23-16-19]: Kanttekening 19: Nadat hij kennis van zaken genomen en bevonden zult hebben, dat hij zijn heer om genoegzame redenen ontgaan is; tenware dan dat u hem met zijn heer mocht verzoenen en zo hem wederzenden. Sommigen verstaan dit alleen van de knechten van de omliggende volken, die hen met onmenselijke wreedheid naar hun lust behandelden.
[^deuteronomium-23-16-20]: Kanttekening 20: Dat is, steden of woonplaatsen, waarin het hem best passen of schikken zal.
[^deuteronomium-23-17-21]: Kanttekening 21: schandjongen zijn: Dat is, die zich door mannen laat verontreinigen. Zie Gen. 19:5 ; Lev. 18:22 ; 1 Kon. 14:24 , en 1 Kon. 22:47 ; 2 Kon. 23:7 ; Rom. 1:27 . Genesis 19:5 : En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen. Leviticus 18:22 : Bij een man zult u niet liggen met vrouwelijke bijligging; dit is een gruwel. 1 Koningen 14:24 : Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen van de heidenen, die YHWH van het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. 1 Koningen 22:47 : Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren. 2 Koningen 23:7 : Daartoe brak hij de huizen van de schandjongens af, die aan het huis van YHWH waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden. Romeinen 1:27 : En ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
[^deuteronomium-23-18-22]: Kanttekening 22: Dat is, geld, dat met de gruwelijke zonde van de onkuisheid, in vers 17 vermeld, verdiend is. Vergelijk 2 Sam. 3:8 ; Openb. 22:15 . Sommigen verstaan dit eigenlijk van de prijs, waarvoor een hond, als een onrein dier, verkocht is. Deuteronomium 23:17 : Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël. 2 Samuël 3:8 : Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat u heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid van een vrouw? Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^deuteronomium-23-19-23]: Kanttekening 23: Zie Lev. 25:36 . Leviticus 25:36 : U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.
[^deuteronomium-23-19-c]: Verwijzing c: Ex. 22:25 ; Lev. 26:35 ; Neh. 5:2 ; Lukas 6:34 ; idem v. 35 . Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Leviticus 26:35 : Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde. Nehemia 5:2 : Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochters, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. Lukas 6:34 : En als u leent dengenen, van welke u hoopt weer te ontvangen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars lenen de zondaren, opdat zij gelijkenis weer mogen ontvangen. Lukas 6:35 : Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
[^deuteronomium-23-20-24]: Kanttekening 24: zult u woekeren: Dat is, zult u mogen woekeren. Omdat zij niet als de arme Israëlieten door armoede, maar om hun koophandel en nering met de Joden handelden.
[^deuteronomium-23-20-25]: Kanttekening 25: in alles, waaraan: Hebreeuws, in allen uitslag, of aanslag van uw hand.
[^deuteronomium-23-21-d]: Verwijzing d: Num. 30:2 . Numeri 30:2 : Wanneer een man YHWH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.
[^deuteronomium-23-21-26]: Kanttekening 26: zekerlijk van u eisen: Hebreeuws, eisende eisen.
[^deuteronomium-23-21-27]: Kanttekening 27: zonde zou in u zijn: Dat is, het zou u tot zonde gerekend en gestraft worden. Zo boven, Deut. 15:9 . Deuteronomium 15:9 : Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar van de vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broer, die arm is, en dat u hem niet gevet; en hij over u roepe tot YHWH, en zonde in u zij.
[^deuteronomium-23-23-28]: Kanttekening 28: Wat uit uw lippen gaat: Hebreeuws, de uitgang van uw lippen.
[^deuteronomium-23-24-29]: Kanttekening 29: Dat is, mogen eten, zo ook in vers 25 . Deuteronomium 23:25 : Wanneer u zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan uws naasten staande koren niet bewegen.
[^deuteronomium-23-24-30]: Kanttekening 30: naar uw lust: Hebreeuws, naar uw ziel; dat is, naar uw lust; gelijk boven dikwijls.
[^deuteronomium-23-25-e]: Verwijzing e: Matt. 12:1 . Mattheüs 12:1 : In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
[^deuteronomium-23-25-31]: Kanttekening 31: aren met uw hand afplukken: Zie een exempel in Christus' apostelen, Matt. 12:1 . Mattheüs 12:1 : In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.
[^deuteronomium-23-25-32]: Kanttekening 32: Of, herwaarts en daarheen gaan laten, slaan.

### Deuteronomium 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/24.json)

*Over de vrouw die door haar man met een scheidbrief verlaten is, vers 1, enz. vrijheid van de pasgetrouwde, 5. panden, 6. mensendieven, 7. melaatsheid, 8. opnieuw over panden, 10. Over dagloon, 14. niemand te straffen voor de misdaad van een ander, 16. Over het bewijzen van recht en liefde aan weduwen, wezen en vreemdelingen, 17.*

**1** Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij[^deuteronomium-24-1-1] iets schandelijks aan haar gevonden heeft,[^deuteronomium-24-1-2] dat hij haar een[^deuteronomium-24-1-3][^deuteronomium-24-1-a] scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v1)

**2** Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal heengaan en de vrouw van een andere man worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v2)

**3** En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v3)

**4** Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen[^deuteronomium-24-4-4] terugnemen, dat zij hem zijn vrouw wordt,[^deuteronomium-24-4-5] nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht van YHWH; zo zult u[^deuteronomium-24-4-6] het land niet doen zondigen, dat u YHWH, uw God, als erfenis geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v4)

**5** Wanneer een man een nieuwe[^deuteronomium-24-5-b] vrouw zal genomen hebben, die zal[^deuteronomium-24-5-7] in het leger niet uittrekken, en[^deuteronomium-24-5-8] men zal hem geen last opleggen; één jaar lang zal hij[^deuteronomium-24-5-9] vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v5)

**6** Men zal beide[^deuteronomium-24-6-10] molenstenen, immers de[^deuteronomium-24-6-11] bovenste molensteen, niet te pand nemen; want[^deuteronomium-24-6-12] hij neemt[^deuteronomium-24-6-13] de ziel te pand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v6)

**7** Wanneer iemand gevonden zal worden, die[^deuteronomium-24-7-14] een ziel[^deuteronomium-24-7-c] steelt uit zijn broers, uit de Israëlieten, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v7)

**8** Wees op uw hoede in de plaag van de melaatsheid, dat u[^deuteronomium-24-8-15] ijverig waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesters u zullen leren; zoals[^deuteronomium-24-8-d] ik hun geboden heb, zult u waarnemen te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v8)

**9** Gedenk, wat YHWH, uw God, gedaan heeft aan[^deuteronomium-24-9-e] Mirjam, op de weg, als u uit Egypte was uitgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v9)

**10** Wanneer u aan uw naaste[^deuteronomium-24-10-16] iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v10)

**11** Buiten zult u staan, en de man, die u geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v11)

**12** Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet[^deuteronomium-24-12-17] neerliggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v12)

**13** U zult hem dat pand[^deuteronomium-24-13-18] zeker[^deuteronomium-24-13-f] teruggeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed neerligge, en u[^deuteronomium-24-13-19] zegene; en[^deuteronomium-24-13-20] het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v13)

**14** U zult de arme en behoeftige dagloner niet[^deuteronomium-24-14-21][^deuteronomium-24-14-g] verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw[^deuteronomium-24-14-22] poorten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v14)

**15** [^deuteronomium-24-15-23] Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover[^deuteronomium-24-15-24] niet ondergaan; want hij is arm, en[^deuteronomium-24-15-25] zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot YHWH, en[^deuteronomium-24-15-26] zonde in u zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v15)

**16** [^deuteronomium-24-16-27] De vaders zullen niet gedood worden[^deuteronomium-24-16-h] voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v16)

**17** U zult het recht van[^deuteronomium-24-17-i] de[^deuteronomium-24-17-28] vreemdeling en van de wees niet buigen, en u zult het kleed van de weduwe niet te pand nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v17)

**18** Maar u zult gedenken, dat u een knecht in Egypte geweest bent, en YHWH, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebiede ik u deze zaak te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v18)

**19** Wanneer u uw oogst op uw akker[^deuteronomium-24-19-k] afgeoogst, en een schoof op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u YHWH, uw God, zegene, in al het werk van uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v19)

**20** Wanneer u uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult u de takken[^deuteronomium-24-20-29] achter u niet nauw doorzoeken; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v20)

**21** Wanneer u uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult u de druiven achter u niet nalopen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v21)

**22** En u zult gedenken, dat u een knecht in Egypteland geweest bent; daarom gebiede ik u deze zaak te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/24.html#v22)

[^deuteronomium-24-1-1]: Kanttekening 1: iets schandelijks: Hebreeuws, naaktheid, of schandelijkheid eens dings. Versta, al zulke dingen, waardoor de man mishagen aan haar neemt, uitgenomen hoererij.
[^deuteronomium-24-1-2]: Kanttekening 2: dat hij haar: Anders, en hij haar een scheidbrief geschreven en in haar hand gegeven, en uit zijn huis verlaten zal hebben; en zo verder tot vers 4 toe. Deuteronomium 24:4 : Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht van YHWH; zo zult u het land niet doen zondigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^deuteronomium-24-1-3]: Kanttekening 3: scheidbrief zal schrijven: Hebreeuws, een brief, of, boekje daarvan, of, uitsnijding; omdat de band van het huwelijk daarmede als in tweeën gesneden en de gehuwden ganselijk vaneen gescheiden werden. Zie de verklaring van onze Heer Jezus Christus over deze wet Matt. 19:3 , enz. Mattheüs 19:3 : En de Farizeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?
[^deuteronomium-24-1-a]: Verwijzing a: Matt. 5:31 ; Matt. 19:7 ; Mark. 10:4 . Mattheüs 5:31 : Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief. Mattheüs 19:7 : Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? Marcus 10:4 : En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
[^deuteronomium-24-4-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, mogen terugkeren, om haar te nemen.
[^deuteronomium-24-4-5]: Kanttekening 5: nadat zij is verontreinigd geworden: Vergelijk Matt. 5:32 . Mattheüs 5:32 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.
[^deuteronomium-24-4-6]: Kanttekening 6: het land niet doen zondigen: Dat is, geen schuld en straf over het land brengen, of, de inwoners van het land geen oorzaak geven tot zondigen.
[^deuteronomium-24-5-b]: Verwijzing b: Deut. 20:7 . Deuteronomium 20:7 : En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in die strijd sterve, en een ander man haar neme.
[^deuteronomium-24-5-7]: Kanttekening 7: in het legermacht: Tot een krijg. Zie Num. 1:3 . Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron.
[^deuteronomium-24-5-8]: Kanttekening 8: men zal hem geen last opleggen: Hebreeuws, geen ding; \[dat is, geen last\] zal over hem gaan.
[^deuteronomium-24-5-9]: Kanttekening 9: vrij zijn in zijn huis: Hebreeuws, onschuldig; dat is, vrij van last, gelijk de onschuldige vrij behoort te zijn van straf.
[^deuteronomium-24-6-10]: Kanttekening 10: Dit schijnt te zien op de handmolens, die men vanouds in huisgezinnen placht te hebben. Vergelijk Ex. 11:5 ; Num. 11:8 ; Jer. 25:10 . Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. Numeri 11:8 : Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie. Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp.
[^deuteronomium-24-6-11]: Kanttekening 11: bovensten molensteen: Want de bovenste steen moet malen.
[^deuteronomium-24-6-12]: Kanttekening 12: hij neemt: Die zulks doet.
[^deuteronomium-24-6-13]: Kanttekening 13: de ziel te pand: Dat is, het leven. Versta, datgene waarvan de mens leven of zich onderhouden moet.
[^deuteronomium-24-7-14]: Kanttekening 14: een ziel steelt: Dat is, een mens.
[^deuteronomium-24-7-c]: Verwijzing c: Ex. 21:16 . Exodus 21:16 : Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden.
[^deuteronomium-24-8-15]: Kanttekening 15: naarstiglijk waarneemt: Hebreeuws, zeer.
[^deuteronomium-24-8-d]: Verwijzing d: Lev. 13:2 . Leviticus 13:2 : Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden.
[^deuteronomium-24-9-e]: Verwijzing e: Num. 12:10 . Numeri 12:10 : En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.
[^deuteronomium-24-10-16]: Kanttekening 16: iets zult geleend hebben: Hebreeuws, de lening van iets geleend zult hebben.
[^deuteronomium-24-12-17]: Kanttekening 17: Slapen gaan.
[^deuteronomium-24-13-18]: Kanttekening 18: zekerlijk wedergeven: Hebreeuws, wedergevende wedergeven.
[^deuteronomium-24-13-f]: Verwijzing f: Ex. 22:26 . Exodus 22:26 : Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat;
[^deuteronomium-24-13-19]: Kanttekening 19: Dat is, uw medelijdendheid voor God gedenke en zijn goddelijken zegen u van harte toewense en toebidde.
[^deuteronomium-24-13-20]: Kanttekening 20: het zal u gerechtigheid zijn: God zal het houden voor een goed werk van de barmhartigheid, dat hem in de Messias aangenaam is, als uit waar geloof en tot zijn eer gedaan, naar zijn wet, die een richtsnoer is van de gerechtigheid, waarnaar zij die door het geloof gerechtvaardigd zijn, voor God ter dankbaarheid schuldig zijn te wandelen. Vergelijk boven, Deut. 6:25 , en Deut. 9:5 ; Ps. 106:31 ; Luk. 1:74 , 1:75 ; Rom. 6:18 , 6:19 ; Gal. 5:6 ; Fil. 1:11 . Deuteronomium 6:25 : En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. Deuteronomium 9:5 : Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat YHWH, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. Psalmen 106:31 : En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. Lukas 1:74 : Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. Lukas 1:75 : In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. Romeinen 6:18 : En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienaren van de gerechtigheid. Romeinen 6:19 : Ik spreek op menselijke wijze, om de zwakheid uws vleses wil; want gelijk u uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn aan de onreinigheid en aan de ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn aan de gerechtigheid, tot heiligmaking. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Filippenzen 1:11 : Vervuld met vruchten van de gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.
[^deuteronomium-24-14-21]: Kanttekening 21: Zijn loon met list of geweld onttrekken of bekorten.
[^deuteronomium-24-14-g]: Verwijzing g: Lev. 19:13 ; Jak. 5:4 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Jakobus 5:4 : Ziet, het loon van de werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei degenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heer Sebaoth.
[^deuteronomium-24-14-22]: Kanttekening 22: poorten zijn: Dat is, steden of woonplaatsen.
[^deuteronomium-24-15-23]: Kanttekening 23: Op zijn dag: Dat is, tenzelfde dage, wanneer hij gewerkt en zijn loon verdiend heeft.
[^deuteronomium-24-15-24]: Kanttekening 24: niet ondergaan: Dat is, u zult maken dat hij vóór de ondergang van de zon voldaan is.
[^deuteronomium-24-15-25]: Kanttekening 25: zijn ziel: Hebreeuws, hij verheft zijn ziel tot, of, naar hetzelfde; te weten, loon; dat is, zijn hart verlangt daarnaar. Zie Ps. 24:4 . Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
[^deuteronomium-24-15-26]: Kanttekening 26: zonde in u zij: Zie boven, Deut. 23:21 . Deuteronomium 23:21 : Wanneer u YHWH, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, u zult niet vertrekken die te betalen; want YHWH, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn.
[^deuteronomium-24-16-27]: Kanttekening 27: De vaders: Mozes wil zeggen, dat de rechters toezien zullen, dat zij geen onschuldigen straffen voor of met de schuldigen. Zie ook 2 Kron. 25:4 . 2 Kronieken 25:4 : Maar hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.
[^deuteronomium-24-16-h]: Verwijzing h: 2 Kon. 14:6 ; 2 Kron. 25:4 ; Jer. 31:30 ; Ez. 18:20 . 2 Koningen 14:6 : Maar de kinderen van het doodlager doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden. 2 Kronieken 25:4 : Maar hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven. Jeremia 31:30 : Maar een iedereen zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. Ezechiël 18:20 : De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn.
[^deuteronomium-24-17-i]: Verwijzing i: Ex. 22:21 ; idem v. 22 ; Spreuk. 22:22 ; Jes. 1:23 ; Jer. 5:28 ; Jer. 22:3 ; Ez. 22:29 ; Zach. 7:10 . Exodus 22:21 : U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. Exodus 22:22 : U zult geen weduwe noch wees beledigen. Spreuken 22:22 : Beroof de arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel de ellendige niet in de poort. Jesaja 1:23 : Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak van de weduwen komt voor hen niet. Jeremia 5:28 : Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de nooddruftigen niet. Jeremia 22:3 : Zo zegt YHWH: Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukkers; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats. Ezechiël 22:29 : Het volk van het land pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij de ellendige en nooddruftige, en de vreemdeling verdrukken zij zonder recht. Zacharia 7:10 : En verdrukt de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt niet in uw hart de één van de anderen kwaad.
[^deuteronomium-24-17-28]: Kanttekening 28: van de wees niet buigen: Hieronder moet de weduwe ook verstaan worden, gelijk in het volgende bij de weduwe de andere moeten verstaan worden.
[^deuteronomium-24-19-k]: Verwijzing k: Lev. 19:9 ; Lev. 23:22 . Leviticus 19:9 : Als u ook de oogst uws lands inoogsten zult, u zult de hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. Leviticus 23:22 : Als u nu de oogst uws lands zult inoogsten, u zult, in uw inoogsten, de hoek van het veld niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult u ze laten; Ik ben YHWH, uw God!
[^deuteronomium-24-20-29]: Kanttekening 29: achter u niet nauw doorzoeken: Dat is, die u achtergelaten of overgeslagen hebt; en zo in vers 21 . Deuteronomium 24:21 : Wanneer u uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult u de druiven achter u niet nalezen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.

### Deuteronomium 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/25.json)

*Hoedanig de vonnissen van de rechters tussen partijen moeten zijn, vers 1, enz. Hoe ver men moet laten slaan wie slagen verdiend heeft, 2. een dorsende os, 4. Over de plicht van de naaste broer of bloedverwant aan de weduwe van de gestorven broer die geen mannelijke erfgenamen heeft nagelaten, 5. straf van een onbeschaamde vrouw, 11. Juist gewicht en juiste maat, 13. Gebod om de Amalekieten uit te roeien, 17.*

**1** Wanneer er tussen mensen twist zal zijn,[^deuteronomium-25-1-1] en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat[^deuteronomium-25-1-2] zij hen richten, zo zullen[^deuteronomium-25-1-3] zij de[^deuteronomium-25-1-4] rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v1)

**2** En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige[^deuteronomium-25-2-5] slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen neervallen, en hem doen slaan[^deuteronomium-25-2-6] in zijn aanwezigheid,[^deuteronomium-25-2-7] naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn,[^deuteronomium-25-2-8] in getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v2)

**3** Met[^deuteronomium-25-3-a] veertig slagen zal hij hem[^deuteronomium-25-3-9] doen slaan,[^deuteronomium-25-3-10] hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien zo hij doorgaat hem daarboven met meer slagen te doen slaan,[^deuteronomium-25-3-11] uw broer dan voor uw ogen[^deuteronomium-25-3-12] verachtelijk gehouden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v3)

**4** [^deuteronomium-25-4-13] Een os zult u[^deuteronomium-25-4-b] niet muilbanden, als hij[^deuteronomium-25-4-14] dorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v4)

**5** Wanneer broers samenwonen en[^deuteronomium-25-5-15] één van hen sterft en geen zoon heeft, zal de vrouw van de overledene[^deuteronomium-25-5-16] niet de vrouw van een vreemde man buiten de familie worden;[^deuteronomium-25-5-c] de broer van haar man zal tot haar ingaan,[^deuteronomium-25-5-17] haar tot vrouw nemen en tegenover haar de zwagerplicht vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v5)

**6** En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren,[^deuteronomium-25-6-18] zal staan in de naam van zijn broer, van de verstorvene;[^deuteronomium-25-6-19] opdat zijn naam niet uitgewist wordt uit Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v6)

**7** Maar als deze man de vrouw van zijn broer niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broers vrouw opgaan naar de[^deuteronomium-25-7-20] poort tot de oudsten, en zeggen:[^deuteronomium-25-7-d] De broer van mijn man weigert zijn broer een naam te verwekken in Israël; hij wil mij de plicht van de broer van een man niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v7)

**8** Dan zullen hem de oudsten van zijn stad roepen, en tot hem spreken;[^deuteronomium-25-8-21] blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v8)

**9** Zo zal de vrouw van zijn broer voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn[^deuteronomium-25-9-22] schoen van zijn voet uittrekken, en[^deuteronomium-25-9-23] spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal met die man gedaan worden, die het huis van zijn broer[^deuteronomium-25-9-24] niet zal bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v9)

**10** En[^deuteronomium-25-10-25] zijn naam zal in Israël genoemd worden: Het huis van degene, wiens schoen uitgetrokken is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v10)

**11** Wanneer mannen,[^deuteronomium-25-11-26] de één met de ander,[^deuteronomium-25-11-27] twisten, en de vrouw van de één toetreedt, om haar man uit de hand van degene, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en[^deuteronomium-25-11-28] zijn schamelheid aangrijpt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v11)

**12** Zo zult u haar hand afhouwen,[^deuteronomium-25-12-29] uw oog zal niet sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v12)

**13** U zult geen[^deuteronomium-25-13-30] tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v13)

**14** U zult in uw huis geen tweeërlei[^deuteronomium-25-14-31] efa hebben, een grote en een kleine. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v14)

**15** U[^deuteronomium-25-15-32] zult een volkomen en gerechte weegsteen hebben; u zult een volkomen en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v15)

**16** Want al wie dat doet,[^deuteronomium-25-16-33] is YHWH, uw God,[^deuteronomium-25-16-e] een gruwel; ja, al wie onrecht doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v16)

**17** Gedenk, wat u[^deuteronomium-25-17-34][^deuteronomium-25-17-f] Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v17)

**18** Hoe hij u op de weg ontmoette, en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als u moe en mat was; en hij vreesde God niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v18)

**19** Het zal dan gebeuren, als u YHWH, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u YHWH, uw God, als erfenis geven zal, om hetzelfde erfelijk te bezitten, dat u de herinnering van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/25.html#v19)

[^deuteronomium-25-1-1]: Kanttekening 1: en zij tot het gerecht: Wanneer zij elkaar niet behoorlijk kunnen verdragen. Anders, zo zullen zij, enz.
[^deuteronomium-25-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, de rechters.
[^deuteronomium-25-1-3]: Kanttekening 3: De rechters.
[^deuteronomium-25-1-4]: Kanttekening 4: de rechtvaardige rechtvaardig spreken: Dat is hier, dengene, die onschuldig is, of een rechtvaardige zaak heeft, voor zodanig verklaren, en de schuldige, of, die onrecht heeft, voor zodanig verklaren en veroordelen. Zie verder Gen. 44:16 ; Num. 35:31 . Genesis 44:16 : Toen zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is. Numeri 35:31 : En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de doodslager, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.
[^deuteronomium-25-2-5]: Kanttekening 5: slagen verdiend heeft: Hebreeuws, een zoon, of kind van het slaan is; dat is, waard om geslagen te worden, of die slagen verdiend heeft en daartoe verwezen of veroordeeld is. Vergelijk Matt. 23:15 ; Joh. 17:12 ; Ef. 2:3 ; 2 Thess. 2:3 . Zie verder 2 Sam. 3:34 . Mattheüs 23:15 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt u hem een kind van het dodenrijk, tweemaal meer dan u bent. Johannes 17:12 : Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. Efeziërs 2:3 : Onder die ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen; 2 Thessalonicensen 2:3 : Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^deuteronomium-25-2-6]: Kanttekening 6: in zijn aanwezigheid: Hebreeuws, voor zijn aangezicht.
[^deuteronomium-25-2-7]: Kanttekening 7: naar dat het voor zijn: Hebreeuws, naar de genoegzaamheid van zijn onrechtvaardigheid.
[^deuteronomium-25-2-8]: Kanttekening 8: in getal: Dat is, met zeker getal van slagen, naar de eis van zijn misdaad, maar niet boven de veertig, gelijk volgt.
[^deuteronomium-25-3-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 11:24 . 2 Korinthiërs 11:24 : Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.
[^deuteronomium-25-3-9]: Kanttekening 9: doen slaan: Dat is, mogen doen slaan.
[^deuteronomium-25-3-10]: Kanttekening 10: hij zal er niet toedoen: Hieruit is de gewoonte gekomen, dat men niet meer dan negen en dertig slagen heeft gegeven, om immers niet te veel te doen. Zie 2 Kor. 11:24 ; hoewel veel Joden de negen en dertig slagen uit deze tekst zoeken te bewijzen, verkerende die naar hun gewoonte. 2 Korinthiërs 11:24 : Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.
[^deuteronomium-25-3-11]: Kanttekening 11: uw broer dan voor uw ogen: Die, gelijk u, van het zaad Abrahams is.
[^deuteronomium-25-3-12]: Kanttekening 12: verachtelijk gehouden worde: Dat is, van de rechter en anderen minder geacht worde, gelijk de wet van de liefde vereist en onder Gods volk betaamt, en de misdadige door onmatig slaan voor de ogen van zijn broers niet ijslijk en mismaakt worde, of ook in gevaar van het leven kome.
[^deuteronomium-25-4-13]: Kanttekening 13: Een os zult u niet muilbanden: Zodat hij onder de arbeid zijn voeder niet zou kunnen nemen.
[^deuteronomium-25-4-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 9:9 ; 1 Tim. 5:18 . 1 Korinthiërs 9:9 : Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? 1 Timotheüs 5:18 : Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard.
[^deuteronomium-25-4-14]: Kanttekening 14: Het koren met voeten tredende, of \[gelijk de Hebreën zeggen\] de dorswagen \[die van onderen vol stompe houten, takken of kerven was\] daarover omtrekkende, om het koren van het stro te scheiden en het stro tot kaf voor de beesten te maken; waarop God verder in deze wet gezien heeft, zie 1 Kor. 9:9 , 9:10 , enz. 1 Korinthiërs 9:9 : Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? 1 Korinthiërs 9:10 : Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
[^deuteronomium-25-5-15]: Kanttekening 15: één van hen sterft: Anders, de eerste; dat is, de eerstgeborene of de oudste onder velen, ja ook de naaste bloedverwant onder velen. Vergelijk Gen. 38:6 , enz; Ruth 3 , en Matt. 22:24 , enz. Genesis 38:6 : Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar. Mattheüs 22:24 : Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer diens vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken.
[^deuteronomium-25-5-16]: Kanttekening 16: aan geen vreemde man daarbuiten geworden: Versta, buiten de familie van haar gestorven man zal zij niet mogen trouwen of iemand ter vrouw worden.
[^deuteronomium-25-5-c]: Verwijzing c: Matt. 22:24 ; Mark. 12:19 ; Lukas 20:28 . Mattheüs 22:24 : Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer daarvan vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken. Marcus 12:19 : Meester! Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broer daarvan vrouw nemen zal en zijn broer zaad verwekken. Lukas 20:28 : Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broer sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broer de vrouw nemen zal, en zijn broer zaad verwekken.
[^deuteronomium-25-5-17]: Kanttekening 17: nemen haar zich ter vrouw: Wel verstaande, zo hij ongetrouwd is. Zie de wet Lev. 18:18 . Leviticus 18:18 : U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontdekken.
[^deuteronomium-25-6-18]: Kanttekening 18: zal staan in de naam zijns broers: Dat is, zal een zoon van de gestorven broer genaamd worden, en als zijn erfgenaam in zijn plaats treden.
[^deuteronomium-25-6-19]: Kanttekening 19: opdat zijn naam niet: Hieruit, alsook uit vers 7 , blijkt dat dit huwelijk voornamelijk zag op de vermenigvuldiging van Abrahams zaad, of de Joodse familiën, tot op de komst van de Messias. Dienvolgens gaat deze wet de Christenen geheel niet aan. Deuteronomium 25:7 : Maar als deze man zijns broers vrouw niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broers vrouw opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: Mijns mans broer weigert zijn broer een naam te verwekken in Israël; hij wil mij de plicht van de broer van een man niet doen.
[^deuteronomium-25-7-20]: Kanttekening 20: poort tot de oudsten: Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^deuteronomium-25-7-d]: Verwijzing d: Ruth 4:7 . Ruth 4:7 : Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de gehele zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël.
[^deuteronomium-25-8-21]: Kanttekening 21: blijft hij dan daarbij staan: Vergelijk Ez. 44:24 . Ezechiël 44:24 : En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn vastgestelde hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.
[^deuteronomium-25-9-22]: Kanttekening 22: schoen van zijn voet uittrekken: Tot een teken dat hij in zijns broers erfenis niet zou mogen treden. Zie Ruth 4:8 . Ruth 4:8 : Zo zei de losser tot Boaz: Aanvaard u het voor u; en hij trok zijn schoen uit.
[^deuteronomium-25-9-23]: Kanttekening 23: spuwen in zijn aangezicht: Om met deze openbare smaadheid hem te beschamen, en anderen af te schrikken.
[^deuteronomium-25-9-24]: Kanttekening 24: huis niet zal bouwen: Zie Gen. 16:2 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
[^deuteronomium-25-10-25]: Kanttekening 25: zijn naam zal in Israël genoemd worden: Versta, en van zijn huis.
[^deuteronomium-25-11-26]: Kanttekening 26: de één met de ander: Hebreeuws, de man en zijn broer.
[^deuteronomium-25-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, vechten.
[^deuteronomium-25-11-28]: Kanttekening 28: zijn schamelheid aangrijpt: Van de tegenpartij.
[^deuteronomium-25-12-29]: Kanttekening 29: uw oog zal niet sparen: Om iedereen van alle oneerbaarheid en onbeschaamdheid af te schrikken.
[^deuteronomium-25-13-30]: Kanttekening 30: tweeërlei weegstenen: Hebreeuws, niet steen en steen; dat is, tweeërlei gewicht. Zie Lev. 19:36 . Zo ook onder, vers 15 , en Spreuk. 20:10 . Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! Deuteronomium 25:15 : U zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; u zult een volkomen en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Spreuken 20:10 : Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is YHWH een gruwel, ja die beide.
[^deuteronomium-25-14-31]: Kanttekening 31: tweeërlei efa: Hebreeuws, efa en efa. Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^deuteronomium-25-15-32]: Kanttekening 32: gerechten weegsteen hebben: Hebreeuws, steen van de gerechtigheid; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-25-16-33]: Kanttekening 33: is YHWH, … een gruwel: Hebreeuws, een gruwel van YHWH. Zie boven, Deut. 17:1 . Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^deuteronomium-25-16-e]: Verwijzing e: Spreuk. 11:1 . Spreuken 11:1 : Een bedriegelijke weegschaal is YHWH een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.
[^deuteronomium-25-17-34]: Kanttekening 34: Amalek gedaan heeft: Dat is, de Amalekieten, die wel afkomstig waren van Amalek, Ezaus kindskind, maar, om hun bittere vijandschap tegen Israël bewezen, door God specialijk verbannen zijn. Vergelijk boven, Deut. 23:7 . Deuteronomium 23:7 : De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land.
[^deuteronomium-25-17-f]: Verwijzing f: Ex. 17:8 . Exodus 17:8 : Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

### Deuteronomium 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/26.json)

*Offering van de eerstelingen van alle vruchten, met een mooie belijdenis, dankzegging en vreugde voor de HEERE, vers 1, enz. en ook over de driejaarlijkse tienden, 12. Bevestiging van het verbond tussen God en zijn volk van weerszijden, 16.*

**1** Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, als erfenis geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v1)

**2** Zo zult u nemen van[^deuteronomium-26-2-a] de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u YHWH, uw God, geeft, en zult ze in een mand leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die YHWH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v2)

**3** En u zult komen tot de priester, die in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar vandaag voor YHWH, uw God, dat ik gekomen ben in het land, dat YHWH onze vaders gezworen heeft ons te zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v3)

**4** En de priester zal de mand van uw hand nemen, en hij zal die voor het altaar van YHWH, van uw God, neerzetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v4)

**5** Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, van uw God, betuigen en zeggen: Mijn[^deuteronomium-26-5-1] vader was een[^deuteronomium-26-5-2] bedorven[^deuteronomium-26-5-3] Syriër, en hij[^deuteronomium-26-5-b] trok af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig[^deuteronomium-26-5-4] volk; maar hij werd daar tot een groot, machtig en veelvuldig volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v5)

**6** Maar de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harde dienst op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v6)

**7** Toen riepen wij tot YHWH, de God van onze vaders; en YHWH[^deuteronomium-26-7-c] verhoorde onze stem en[^deuteronomium-26-7-5] zag onze ellende aan, en onze arbeid, en onze onderdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v7)

**8** En YHWH voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote schrik, en door tekenen, en door wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v8)

**9** En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v9)

**10** En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht van dit land, dat U, YHWH, mij gegeven hebt! Dan zult u ze neerzetten voor het aangezicht van YHWH, van uw God, en zult u buigen voor het aangezicht van YHWH, van uw God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v10)

**11** En u zult vrolijk zijn over al het goede, dat YHWH, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; u, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v11)

**12** Wanneer u[^deuteronomium-26-12-6] zult geëindigd hebben[^deuteronomium-26-12-d] alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw[^deuteronomium-26-12-7] poorten eten en verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v12)

**13** En u zult voor het aangezicht van YHWH, van uw God, zeggen: Ik heb het[^deuteronomium-26-13-8] heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan de Leviet en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe gegeven,[^deuteronomium-26-13-e] naar al Uw geboden, die U mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v13)

**14** Ik heb daarvan niets gegeten[^deuteronomium-26-14-9] in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen[^deuteronomium-26-14-10] tot iets onreins, noch daarvan gegeven[^deuteronomium-26-14-11] tot een dode; ik ben de stem van YHWH, van mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat U mij geboden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v14)

**15** Zie naar beneden van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw[^deuteronomium-26-15-12] volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaders gezworen hebt, een land van melk en honing vloeiende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v15)

**16** Te deze dage gebiedt u YHWH, uw God, deze voorschriften en rechten te doen; houd dan en doet ze, met uw hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v16)

**17** [^deuteronomium-26-17-13] Vandaag[^deuteronomium-26-17-f] hebt u YHWH doen[^deuteronomium-26-17-14] zeggen, dat Hij u[^deuteronomium-26-17-15] tot een God zal zijn, en dat u zult wandelen in Zijn wegen, en houden[^deuteronomium-26-17-16] Zijn voorschriften, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat u Zijn stem zult gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v17)

**18** En YHWH heeft u vandaag doen zeggen, dat u Hem tot een[^deuteronomium-26-18-g] eigendomsvolk zult zijn, zoals Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v18)

**19** [^deuteronomium-26-19-h] Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft,[^deuteronomium-26-19-17] hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot[^deuteronomium-26-19-18] heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor YHWH, uw God, zoals Hij gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/26.html#v19)

[^deuteronomium-26-2-a]: Verwijzing a: Ex. 23:19 ; Ex. 34:26 ; Lev. 2:14 ; Lev. 23:10 ; Num. 15:17 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult u in het huis van YHWH uws Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Exodus 34:26 : De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult u in het huis van YHWH uws Gods brengen. U zult het bokje in de melk zijn moeder niet koken. Leviticus 2:14 : En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. Leviticus 23:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een garf van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen. Numeri 15:17 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende:
[^deuteronomium-26-5-1]: Kanttekening 1: Mijn vader: Dat is, voorvader, namelijk Jakob.
[^deuteronomium-26-5-2]: Kanttekening 2: Of, vergaande, verloren gaande; dat is, nabij om te vergaan \[gelijk dikwijls, een verloren schaap ; dat is, verbijsterd en in perijkel zijnde van vergaan\] ten aanzien van al het ongelijk, dat hem zijn schoonvader aangedaan had, en ook andere moeilijkheden en zwarigheden, die hij, zo in de dienst bij Laban als in en na het terugkeren vandaar, geleden heeft. Vergelijk de hoofdstukken Gen. 31 , Gen. 33 , Gen. 34 , Gen. 37 , en Gen. 47:9 . Deze belijdenis diende ter ere Gods, die het aanstaande verderf van Jakob en zijn gehele geslacht, volgens zijn beloften, wonderbaarlijk had verhoed. Genesis 47:9 : En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven mijner vaderen, in de dagen van hun vreemdelingschappen.
[^deuteronomium-26-5-3]: Kanttekening 3: Ten aanzien van zijn langdurig wonen in Syrië bij Laban; anders was hij in het land Kanaän geboren. Anders, bedorven van de Syriër, te weten, Laban, Gen. 25:20 . Genesis 25:20 : En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich ter vrouw nam.
[^deuteronomium-26-5-b]: Verwijzing b: Gen. 46:1 . Genesis 46:1 : En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan de God van zijn vader Izak.
[^deuteronomium-26-5-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, mannen.
[^deuteronomium-26-7-c]: Verwijzing c: Ex. 2:23 . Exodus 2:23 : En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.
[^deuteronomium-26-7-5]: Kanttekening 5: zag onze ellende aan: Zie Gen. 16:13 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet?
[^deuteronomium-26-12-6]: Kanttekening 6: geëindigd hebben alle tienden … te vertienen: Dat is, alle tienden bijeen zult gebracht hebben. Zie van de tienden Lev. 27:30 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig.
[^deuteronomium-26-12-d]: Verwijzing d: Lev. 27:30 ; Num. 18:24 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig. Numeri 18:24 : Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven.
[^deuteronomium-26-12-7]: Kanttekening 7: Dat is, steden of plaatsen van uw woning.
[^deuteronomium-26-13-8]: Kanttekening 8: het heilige: Versta, de tienden, die de Heer geheiligd waren, voor de Leviet, vreemdeling, enz.
[^deuteronomium-26-13-e]: Verwijzing e: boven, Deut. 14:27 . Deuteronomium 14:27 : Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult u niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.
[^deuteronomium-26-14-9]: Kanttekening 9: in mijn leed: Dat is, in mijn tegenspoed, ofschoon het mij niet welging, heb ik evenwel de tienden voor mij niet aangetast. Of, in mijn rouw, waardoor het onrein zou zijn geworden; waarop de volgende woorden mee zien.
[^deuteronomium-26-14-10]: Kanttekening 10: tot iets onreins: Dat is, tot enig onrein gebruik, of in onreinheid; dat is, zodat ik daardoor zou verontreinigd zijn.
[^deuteronomium-26-14-11]: Kanttekening 11: tot een dode: Tot enige leedmaaltijd of begrafenis van de doden, waarin men zulks met enige schijn van heiligheid zou mogen zoeken te excuseren en nochtans verontreinigd worden.
[^deuteronomium-26-15-12]: Kanttekening 12: Dat is, de kinderen, of nakomelingen, van Israël of Jakob.
[^deuteronomium-26-17-13]: Kanttekening 13: Dat is, in deze tijd is het verbond, eertijds met Abraham en zijn zaad, opgericht, vernieuwd en door de vervulling van Gods belofte en het bewijs van uw dankbaarheid bekrachtigd.
[^deuteronomium-26-17-f]: Verwijzing f: Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^deuteronomium-26-17-14]: Kanttekening 14: Dat is, verklaren, beloven; en zo in vers 18 . Deuteronomium 26:18 : En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden;
[^deuteronomium-26-17-15]: Kanttekening 15: tot een God zal zijn: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^deuteronomium-26-17-16]: Kanttekening 16: Zijn inzettingen: Zie boven, Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-26-18-g]: Verwijzing g: Ex. 19:5 ; boven, Deut. 7:6 ; boven, Deut. 14:2 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 7:6 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 14:2 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een volk van de eigendoms te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn.
[^deuteronomium-26-19-h]: Verwijzing h: boven, Deut. 4:7 . Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen?
[^deuteronomium-26-19-17]: Kanttekening 17: hoog zette: U zo doen uitsteken, dat u boven alle volken geroemd, vermaard en verheerlijkt zijt, en dat tot prijs en heerlijkheid van Gods hogen en heerlijken naam, die de enige auteur is van allen genadigen, zo geestelijken als lichamelijken zegen. Vergelijk onder, Deut. 28:1 , en boven, Deut. 10:21 ; 2 Sam. 7:23 ; Jer. 33:9 , enz. Deuteronomium 28:1 : En het zal gebeuren, als u de stem van YHWH, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal YHWH, uw God, u hoog zetten boven alle volken van de aarde. Deuteronomium 10:21 : Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben. 2 Samuël 7:23 : En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, dat God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor u deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat U U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende. Jeremia 33:9 : En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke.
[^deuteronomium-26-19-18]: Kanttekening 18: Of, sieraad, smuk.

### Deuteronomium 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/27.json)

*Bevel om gedenkstenen en een altaar op te richten over de Jordaan, en met welk doel, vers 1, enz. Bevel en ordening om daar de zegen en de vloek uit te spreken, met de formule van de vloek, 11.*

**1** En Mozes, samen met de oudsten van Israël, gebood het volk, zeggende: Behoud al deze[^deuteronomium-27-1-1] geboden, die ik u vandaag gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v1)

**2** Het zal dan gebeuren, op de dag[^deuteronomium-27-2-a] als u over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal, zo zult u zich grote stenen oprichten, en[^deuteronomium-27-2-2] bestrijken ze met kalk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v2)

**3** En u zult daarop schrijven alle woorden van deze wet, als u overgegaan zult zijn;[^deuteronomium-27-3-3] opdat u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honing, zoals YHWH, uw vaders God, tot u gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v3)

**4** Het zal dan gebeuren, als u over de Jordaan gegaan zult zijn, dat u die stenen, van die ik u vandaag gebiede, zult oprichten op de berg Ebal, en u zult ze met kalk bestrijken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v4)

**5** [^deuteronomium-27-5-b] En u zult daar YHWH, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; u zult[^deuteronomium-27-5-4] geen ijzer over hetzelfde bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v5)

**6** Van[^deuteronomium-27-6-5] hele stenen zult u het altaar van YHWH, van uw God, bouwen, en u zult YHWH, uw God, brandoffers daarop offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v6)

**7** Ook zult u dankoffers offeren, en zult daar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v7)

**8** En u zult op deze stenen schrijven alle woorden van deze wet,[^deuteronomium-27-8-6] die wel uitdrukkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v8)

**9** Verder sprak Mozes, samen met de Levietische priesters, tot geheel Israël, zeggende: Luister toe en hoort o Israël![^deuteronomium-27-9-7] Op deze dag bent u voor YHWH, uw God, tot een volk geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v9)

**10** Daarom zult u de stem van YHWH, van uw God, gehoorzaam zijn, en u zult doen Zijn geboden en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v10)

**11** En Mozes gebood het volk op die dag, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v11)

**12** [^deuteronomium-27-12-8] Deze zullen staan, om het volk te zegenen op de berg Gerizim, als u over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v12)

**13** En deze zullen staan over de vloek op de berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v13)

**14** En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israël, met verheven stem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v14)

**15** Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld,[^deuteronomium-27-15-9] een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen,[^deuteronomium-27-15-10] zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen:[^deuteronomium-27-15-11] Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v15)

**16** Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v16)

**17** Vervloekt zij, die het gebied van zijn naaste verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v17)

**18** Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v18)

**19** Vervloekt zij, die het recht van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v19)

**20** Vervloekt zij, die bij de vrouw van zijn vader ligt, omdat hij[^deuteronomium-27-20-12] de slip van zijn vader ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v20)

**21** Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v21)

**22** Vervloekt zij, die bij zijn zus ligt, de[^deuteronomium-27-22-13] dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v22)

**23** Vervloekt zij, die bij zijn[^deuteronomium-27-23-14] schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v23)

**24** Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene[^deuteronomium-27-24-15] verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v24)

**25** Vervloekt zij,[^deuteronomium-27-25-16] die geschenk neemt, om[^deuteronomium-27-25-17] een ziel,[^deuteronomium-27-25-18] het bloed van een onschuldige, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v25)

**26** [^deuteronomium-27-26-c] Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal[^deuteronomium-27-26-19] bevestigen, doende die! En al het volk zal zeggen: Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/27.html#v26)

[^deuteronomium-27-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, al dit gebod, dat, enz.
[^deuteronomium-27-2-a]: Verwijzing a: Joz. 4:1 . Jozua 4:1 : Het geschiedde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat YHWH tot Jozua sprak, zeggende:
[^deuteronomium-27-2-2]: Kanttekening 2: bestrijken ze met kalk: Hebreeuws, bekalken ze met kalk; en zo onder, vers 4 . Deuteronomium 27:4 : Het zal dan gebeuren, als u over de Jordaan gegaan zult zijn, dat u dezelfde stenen, van die ik u heden gebiede, zult oprichten op de berg Ebal, en u zult ze met kalk bestrijken;
[^deuteronomium-27-3-3]: Kanttekening 3: opdat u komt in het land: Anders, omdat u komt.
[^deuteronomium-27-5-b]: Verwijzing b: Ex. 20:25 ; Joz. 8:31 . Exodus 20:25 : Maar als u Mij een stenen altaar zult maken, zo zult u dit niet bouwen van gehouwen steen; zo u uw houwijzer daarover verheft, zo zult u het ontheiligen. Jozua 8:31 : Gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, de kinderen van Israël geboden had, achtereenvolgens wat geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over die men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij YHWH brandofferen; ook offerden zij dankofferen.
[^deuteronomium-27-5-4]: Kanttekening 4: geen ijzer over hetzelfde bewegen: Dat is, u zult geen ijzeren instrument aan de stenen gebruiken, om die kunstiglijk te bereiden, opdat het niet tot misbruik gedije. Want dit was maar voor een tijd, totdat God zijn wil van een zekere plaats van zijn dienst zou hebben geopenbaard.
[^deuteronomium-27-6-5]: Kanttekening 5: gehele stenen: Ruw en onbehouwen, zoals u die vinden zult.
[^deuteronomium-27-8-6]: Kanttekening 6: die wel uitdrukkende: Zo, dat zij wel leesbaar en langdurig zijn.
[^deuteronomium-27-9-7]: Kanttekening 7: Op deze dag bent u YHWH: Vergelijk boven, Deut. 26:17 . Deuteronomium 26:17 : Heden hebt u YHWH doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat u zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat u aan Zijn stem zult gehoorzaam zijn.
[^deuteronomium-27-12-8]: Kanttekening 8: Deze zullen staan: Vergelijk boven, Deut. 11:29 . Deuteronomium 11:29 : En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal.
[^deuteronomium-27-15-9]: Kanttekening 9: een gruwel van YHWH: Zie boven, Deut. 17:1 . Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^deuteronomium-27-15-10]: Kanttekening 10: zal maken: Of, al zou hij het in het verborgen zetten.
[^deuteronomium-27-15-11]: Kanttekening 11: Zie Num. 5:22 . Numeri 5:22 : Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!
[^deuteronomium-27-20-12]: Kanttekening 12: zijns vaders slippe ontdekt heeft: Zie boven, Deut. 22:30 . Deuteronomium 22:30 : Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken.
[^deuteronomium-27-22-13]: Kanttekening 13: dochter zijns vaders: Dat is, zijn half-zus, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^deuteronomium-27-23-14]: Kanttekening 14: schoonmoeder ligt: Dat is, de moeder van zijn huisvrouw.
[^deuteronomium-27-24-15]: Kanttekening 15: Dat is, ombrengt, vermoordt.
[^deuteronomium-27-25-16]: Kanttekening 16: die geschenk neemt: Hetzij rechter, of getuige, of een moordenaar, daartoe omgekocht, enz.
[^deuteronomium-27-25-17]: Kanttekening 17: een ziel: Dat is, een mens.
[^deuteronomium-27-25-18]: Kanttekening 18: het bloed eens onschuldigen: Dat is, zo dat het bloed eens onschuldigen door hem of zijn toedoen vergoten worde.
[^deuteronomium-27-26-c]: Verwijzing c: Gal. 3:10 . Galaten 3:10 : Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen.
[^deuteronomium-27-26-19]: Kanttekening 19: Met hart, mond en met de daad, die steeds nakomende en volbrengende. Vergelijk Jer. 35:14 , 35:16 . Jeremia 35:14 : De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord. Jeremia 35:16 : Omdat dan de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort;

### Deuteronomium 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/28.json)

*Register van de zegeningen die Mozes van Godswege het volk belooft, als zij Hem gehoorzamen, vers 1 enz. Daartegenover een register van de vervloekingen, die hij hun dreigt en voorzegt, als zij van God afwijken en Zijn geboden verlaten, 15.*

**1** En[^deuteronomium-28-1-a] het zal gebeuren, als u de stem van YHWH, van uw[^deuteronomium-28-1-1] God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, zo zal YHWH, uw God, u[^deuteronomium-28-1-2] hoog zetten boven alle volken van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v1)

**2** En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer u de stem van YHWH, van uw God, zult gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v2)

**3** Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v3)

**4** Gezegend zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v4)

**5** Gezegend zal zijn uw[^deuteronomium-28-5-3] mand en uw[^deuteronomium-28-5-4] baktrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v5)

**6** Gezegend zult u zijn in[^deuteronomium-28-6-5] uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v6)

**7** YHWH zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan,[^deuteronomium-28-7-6] geslagen voor uw aangezicht; door één weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v7)

**8** YHWH zal de zegen[^deuteronomium-28-8-7][^deuteronomium-28-8-8] gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren,[^deuteronomium-28-8-9] en in alles, waaraan u uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v8)

**9** YHWH zal u Zichzelf[^deuteronomium-28-9-b] tot een[^deuteronomium-28-9-10] heilig volk[^deuteronomium-28-9-11] bevestigen, zoals Hij u gezworen heeft, wanneer u de geboden van YHWH, van uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v9)

**10** En alle volken van de aarde zullen zien,[^deuteronomium-28-10-12] dat de Naam van YHWH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v10)

**11** [^deuteronomium-28-11-c] En YHWH zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht van uw buik, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht van uw land; op het land, dat YHWH uw vaders gezworen heeft u te zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v11)

**12** YHWH zal u opendoen Zijn goede schat, de[^deuteronomium-28-12-13] hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk van uw hand; en u zult aan vele[^deuteronomium-28-12-d] volken lenen, maar u zult niet ontlenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v12)

**13** En YHWH zal u[^deuteronomium-28-13-14] tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen[^deuteronomium-28-13-15] boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van YHWH, van uw God, die ik u vandaag gebiede te houden en te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v13)

**14** En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u vandaag gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v14)

**15** Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, van uw God,[^deuteronomium-28-15-e] niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v15)

**16** Vervloekt zult u zijn in de stad, en vervloekt zult u zijn op het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v16)

**17** Vervloekt zal zijn uw mand en uw baktrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v17)

**18** Vervloekt zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v18)

**19** Vervloekt zult u zijn in uw ingaan, en vervloekt zult u zijn in uw uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v19)

**20** YHWH zal onder u zenden de vloek,[^deuteronomium-28-20-16] de verstoring en het verderf, in alles, waaraan u uw hand slaat, dat u doen zult; totdat u vernietigd wordt, en totdat u haastig omkomt, vanwege de boosheid van uw werken, waarmee u Mij verlaten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v20)

**21** YHWH zal u de pest doen aankleven, totdat[^deuteronomium-28-21-17] Hij u verdoe van het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v21)

**22** [^deuteronomium-28-22-f] YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met[^deuteronomium-28-22-18] vurigheid, en met[^deuteronomium-28-22-19] hitte, en met[^deuteronomium-28-22-20] droogte, en met[^deuteronomium-28-22-21] brandkoren, en met[^deuteronomium-28-22-22] honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v22)

**23** [^deuteronomium-28-23-g] En uw[^deuteronomium-28-23-23] hemel, die boven uw hoofd is, zal[^deuteronomium-28-23-24] koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v23)

**24** YHWH, uw God, zal[^deuteronomium-28-24-25] pulver en stof tot regen van uw land geven;[^deuteronomium-28-24-26] van de hemel zal het op u neerdalen, totdat u vernietigd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v24)

**25** YHWH zal u[^deuteronomium-28-25-27] geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door één weg zult u tot[^deuteronomium-28-25-28] hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde[^deuteronomium-28-25-29] beroerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v25)

**26** En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte van de hemel, en aan de beesten van de aarde tot voedsel zijn; en niemand zal ze afschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v26)

**27** YHWH zal u slaan met[^deuteronomium-28-27-30][^deuteronomium-28-27-h] zweren van Egypte, en met gezwellen, en met droge schurft, en met[^deuteronomium-28-27-31] krauwsel, waarvan u niet zult kunnen genezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v27)

**28** YHWH zal u slaan met waanzin, en met blindheid, en met[^deuteronomium-28-28-32] verbaasdheid van het hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v28)

**29** Dat u op de middag zult omtasten, zoals een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v29)

**30** U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet[^deuteronomium-28-30-33] onheilig maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v30)

**31** Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar u zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet terugkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v31)

**32** Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en[^deuteronomium-28-32-34] naar hen bezwijken de hele dag; maar[^deuteronomium-28-32-35] het zal in het vermogen van uw hand niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v32)

**33** De vrucht van uw land en[^deuteronomium-28-33-36] al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v33)

**34** En u zult waanzinnig zijn,[^deuteronomium-28-34-37] vanwege het gezicht van uw ogen, dat u zien zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v34)

**35** YHWH zal u slaan met boze zweren, aan de knieën en aan de benen, waarvan u niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v35)

**36** YHWH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaders; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v36)

**37** En u zult zijn tot een[^deuteronomium-28-37-38] schrik, tot een spreekwoord en tot een[^deuteronomium-28-37-39] spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v37)

**38** [^deuteronomium-28-38-i] U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v38)

**39** Wijngaarden zult u planten, en bouwen, maar u zult geen wijn drinken, noch iets verzamelen; want de worm zal het afeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v39)

**40** Olijfbomen zult u hebben in al uw gebied, maar u zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v40)

**41** Zonen en dochters zult u winnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v41)

**42** Al uw geboomte, en de vrucht van uw land zal[^deuteronomium-28-42-40] het boos gewormte erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v42)

**43** De vreemdeling, die in het midden van u is, zal[^deuteronomium-28-43-41] hoog, hoog boven u opklimmen; en u zult laag, laag neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v43)

**44** Hij zal u lenen, maar u zult hem niet lenen; hij zal[^deuteronomium-28-44-42] tot een hoofd zijn, en u zult tot een staart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v44)

**45** En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat u vernietigd wordt; omdat u de stem van YHWH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn voorschriften, die Hij u geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v45)

**46** En[^deuteronomium-28-46-43] zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v46)

**47** [^deuteronomium-28-47-44] Omdat u YHWH, uw God, niet gediend zult hebben met[^deuteronomium-28-47-45] vrolijkheid en goedheid van het hart, vanwege de[^deuteronomium-28-47-46] veelheid van alles; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v47)

**48** Zo zult u uw vijanden, die YHWH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een[^deuteronomium-28-48-47] ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u vernietige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v48)

**49** YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de[^deuteronomium-28-49-48] aarde, zoals een adelaar vliegt; een volk, waarvan u de taal niet zult verstaan[^deuteronomium-28-49-49]; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v49)

**50** Een volk,[^deuteronomium-28-50-50] stijf van aangezicht, dat het[^deuteronomium-28-50-51] aangezicht van de oude niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v50)

**51** En[^deuteronomium-28-51-52] het zal de vrucht van uw beesten, en de vrucht van uw land opeten, totdat u vernietigd zult zijn; dat u[^deuteronomium-28-51-53] geen koren, nieuwe wijn noch olie, voortzetting van uw koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat[^deuteronomium-28-51-54] Hij u verdoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v51)

**52** En het zal u[^deuteronomium-28-52-55] benauwen in al uw[^deuteronomium-28-52-56] poorten, totdat uw hoge en vaste muren neervallen, op welke u vertrouwde in uw hele land; ja, het zal u benauwen in al uw poorten, in uw hele land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v52)

**53** [^deuteronomium-28-53-k] En u zult eten de vrucht van uw buik, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v53)

**54** Voor wat betreft de man, die teder onder u, en die zeer[^deuteronomium-28-54-57] wellustig geweest is, zijn oog[^deuteronomium-28-54-58] zal kwaad zijn tegen zijn broer, en tegen de[^deuteronomium-28-54-59] huisvrouw van zijn schoot, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v54)

**55** Dat hij niet aan één van die zal geven van het vlees van zijn zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u in al uw poorten zal benauwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v55)

**56** Voor wat betreft de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man van haar schoot, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v56)

**57** En dat[^deuteronomium-28-57-60] om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar[^deuteronomium-28-57-61] zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vanwege gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u zal benauwen in uw poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v57)

**58** Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke[^deuteronomium-28-58-62] Naam, YHWH, uw God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v58)

**59** Zo zal YHWH uw plagen[^deuteronomium-28-59-63] wonderlijk maken, en ook de plagen van uw zaad; het zullen grote en[^deuteronomium-28-59-64] gewisse plagen, en boze en gewisse ziekten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v59)

**60** En Hij zal[^deuteronomium-28-60-65] op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor die u gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v60)

**61** Ook[^deuteronomium-28-61-66] alle ziekte, en alle plaag, die in het boek van deze wet niet geschreven is, zal YHWH over u doen komen, totdat u vernietigd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v61)

**62** En u zult met[^deuteronomium-28-62-67] weinig mensen overgelaten worden, in plaats dat u geweest bent als de[^deuteronomium-28-62-l] sterren van de hemel in menigte; omdat u de stem van YHWH, van uw God, niet gehoorzaam geweest bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v62)

**63** En het zal gebeuren,[^deuteronomium-28-63-m] zoals YHWH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich YHWH over u verblijden, u verdoende en u vernietigende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v63)

**64** YHWH zal u[^deuteronomium-28-64-n] verstrooien onder alle volken,[^deuteronomium-28-64-68] van het ene einde van de aarde tot het andere einde; en daar zult u andere goden dienen die u niet gekend hebt, noch uw vaderen — van hout en steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v64)

**65** Daartoe zult u onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want YHWH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en[^deuteronomium-28-65-69] mattigheid van de ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v65)

**66** En uw leven zal[^deuteronomium-28-66-70] tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u[^deuteronomium-28-66-71] zult van uw leven niet zeker zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v66)

**67** 's Morgens zult u[^deuteronomium-28-67-72] zeggen: 'Was het maar avond!' en 's avonds zult u zeggen: 'Was het maar morgen!' vanwege de schrik in uw hart waarmee u verschrikt zult zijn, en vanwege[^deuteronomium-28-67-73] wat uw ogen zullen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v67)

**68** En YHWH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen,[^deuteronomium-28-68-74] door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult[^deuteronomium-28-68-75] die niet meer zien; en daar zult u zich aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienaressen;[^deuteronomium-28-68-76] maar er zal geen koper zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/28.html#v68)

[^deuteronomium-28-1-a]: Verwijzing a: Leviticus 26:3.
[^deuteronomium-28-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: gehoorzamende zult gehoorzamen.
[^deuteronomium-28-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven, hoofdstuk 26, vers 19.
[^deuteronomium-28-5-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen, de korf waarin u uw brood of vruchten van het land legt — die zal nooit leeg zijn. Zie boven, hoofdstuk 26:2, 10.
[^deuteronomium-28-5-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: u zult deeg en brood genoeg hebben.
[^deuteronomium-28-6-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen, binnenshuis en buitenshuis, in al uw doen, handel en wandel. Zo ook hieronder, vers 19. Vergelijk Numeri 27:17 en hieronder, hoofdstuk 31:2.
[^deuteronomium-28-7-6]: Kanttekening 6: Vergelijk boven, hoofdstuk 1, vers 8; zo ook hieronder, vers 25.
[^deuteronomium-28-8-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: de zegen met u gebieden.
[^deuteronomium-28-8-8]: Kanttekening 8: Zie Leviticus 25, vers 21.
[^deuteronomium-28-8-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: en in alle onderneming, of uitstrekking van uw hand.
[^deuteronomium-28-9-b]: Verwijzing b: Boven, hoofdstuk 7:6.
[^deuteronomium-28-9-10]: Kanttekening 10: Zie boven, hoofdstuk 7, vers 6 en vergelijk hieronder, hoofdstuk 29, vers 13.
[^deuteronomium-28-9-11]: Kanttekening 11: Of: stellen, oprichten.
[^deuteronomium-28-10-12]: Kanttekening 12: Of: dat u naar de naam van YHWH genoemd bent. Vergelijk Genesis 48:6 en 16.
[^deuteronomium-28-11-c]: Verwijzing c: Hieronder, hoofdstuk 30:9.
[^deuteronomium-28-12-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen, de lucht (als zijn schatkamer) zo besturen dat de tijdige regen u van daar toekomt.
[^deuteronomium-28-12-d]: Verwijzing d: Boven, hoofdstuk 15:6.
[^deuteronomium-28-13-14]: Kanttekening 14: Dat u in aanzien, eer en macht de voorrang zult hebben, zoals de volgende woorden ook verduidelijken. Een manier van spreken ontleend aan de positie en betekenis van deze lichaamsdelen bij dieren. Vergelijk Jesaja 9:13-14 en 19:15.
[^deuteronomium-28-13-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: overwinnen en niet het onderspit delven.
[^deuteronomium-28-15-e]: Verwijzing e: Leviticus 26:14. Klaagliederen 2:17. Daniël 9:11, 13. Maleachi 2:2.
[^deuteronomium-28-20-16]: Kanttekening 16: De betekenis is dat al uw plannen verstoord, bedorven, verhinderd en teruggedraaid zullen worden.
[^deuteronomium-28-21-17]: Kanttekening 17: Namelijk YHWH. Vergelijk hieronder, vers 48.
[^deuteronomium-28-22-f]: Verwijzing f: Leviticus 26:16.
[^deuteronomium-28-22-18]: Kanttekening 18: Of: ontsteking, dat wil zeggen, vurige of hete zweren.
[^deuteronomium-28-22-19]: Kanttekening 19: Ontsteking van de lucht. Sommigen verstaan dit als inwendige brand van het lichaam, waarop aanhoudende dorst volgt.
[^deuteronomium-28-22-20]: Kanttekening 20: Dat het lange tijd niet regent. Zie 1 Koningen 17:1, 7 en Haggai 1:10-11. Anders: zwaard.
[^deuteronomium-28-22-21]: Kanttekening 21: Een plaag in het gewas, wanneer het door langdurige droogte en hitte of door een droge oostenwind verschroeid en verdord wordt. Sommigen verstaan door deze twee woorden bepaalde ziekten, zoals brandziekte en geelzucht.
[^deuteronomium-28-22-22]: Kanttekening 22: Of: schimmel, een andere plaag in het koren, wanneer het door te veel vocht vervuilt en verrot. Zie over deze plaag 1 Koningen 8:37, 2 Kronieken 6:28, Amos 4:9, Haggai 2:17.
[^deuteronomium-28-23-g]: Verwijzing g: Leviticus 26:19.
[^deuteronomium-28-23-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: de lucht.
[^deuteronomium-28-23-24]: Kanttekening 24: Zie Leviticus 26, vers 19.
[^deuteronomium-28-24-25]: Kanttekening 25: Anders: de regen van uw land tot stof en as maken — dat wil zeggen, de regen zal nutteloos en ondienstig zijn voor het bevochtigen van de aardbodem.
[^deuteronomium-28-24-26]: Kanttekening 26: Het stof, door de wind opgestoven, zal van boven weer op u neerdalen, alsof het op u regent, en dat zal uw regen zijn.
[^deuteronomium-28-25-27]: Kanttekening 27: Zie boven, vers 7.
[^deuteronomium-28-25-28]: Kanttekening 28: De vijand.
[^deuteronomium-28-25-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: u zult in voortdurende onrust zijn vanwege buitenlands geweld; of: u zult tussen de omliggende koninkrijken heen en weer gedreven worden. Zie 2 Kronieken 29:8, Jeremia 15:4, 24:9, 29:18 en 34:17.
[^deuteronomium-28-27-30]: Kanttekening 30: Die God aan mensen en dieren in heel Egypte stuurde, Exodus 9:9.
[^deuteronomium-28-27-h]: Verwijzing h: Exodus 9:9.
[^deuteronomium-28-27-31]: Kanttekening 31: Of: jeukte.
[^deuteronomium-28-28-32]: Kanttekening 32: Of: domheid, stomheid, verdwaasdheid. Vergelijk Job 5:13-14.
[^deuteronomium-28-30-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: geen vruchten daarvan voor uzelf mogen genieten. Zie boven, hoofdstuk 20, vers 6 en vergelijk hoofdstuk 22:9.
[^deuteronomium-28-32-34]: Kanttekening 34: Verstaat: van omzien en verlangen naar de zonen en dochters zullen uw ogen wegkwijnen.
[^deuteronomium-28-32-35]: Kanttekening 35: U zult de macht niet hebben om hen te verlossen of terug te krijgen. Anders: er zal geen kracht in uw hand zijn.
[^deuteronomium-28-33-36]: Kanttekening 36: Zie Job 20:18-19.
[^deuteronomium-28-34-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: vanwege de dingen die u met uw eigen ogen zult moeten aanzien. Zo ook hieronder, vers 67.
[^deuteronomium-28-37-38]: Kanttekening 38: Dat de volken zich over uw plagen en ellenden ontzetten zullen. Anders: tot verwoesting.
[^deuteronomium-28-37-39]: Kanttekening 39: Of: fabel, smaad.
[^deuteronomium-28-38-i]: Verwijzing i: Micha 6:15. Haggai 1:6.
[^deuteronomium-28-42-40]: Kanttekening 40: Anders: de vlam, slag, verrotting — een plaag in bomen en vruchten, veroorzaakt door dampen die van boven (vooral in de hondsdagen) verdrogen en verhitten, en de bomen en vruchten verschroeien, verdrogen en verderven.
[^deuteronomium-28-43-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: zeer hoog, en steeds meer in hoogte boven u toenemende en voortgaande, zoals u voortgaat in zonden.
[^deuteronomium-28-44-42]: Kanttekening 42: Zie boven, vers 13.
[^deuteronomium-28-46-43]: Kanttekening 43: Namelijk deze vervloekingen.
[^deuteronomium-28-47-44]: Kanttekening 44: Of: in plaats daarvan, omdat u YHWH niet hebt willen dienen in voorspoed, zult u vreemde volken moeten dienen in grote ellende, zoals in het volgende vers gedreigd wordt.
[^deuteronomium-28-47-45]: Kanttekening 45: Met lust en gewilligheid.
[^deuteronomium-28-47-46]: Kanttekening 46: Of: overvloed, waardoor u wellustig en verwend zult worden. Zie hieronder, hoofdstuk 31:20 en 32:15. De vervulling zie Nehemia 9:25-26 en elders.
[^deuteronomium-28-48-47]: Kanttekening 47: Een manier van spreken ontleend aan het juk van dieren, dat gewoonlijk van hout was; daartegen dreigt God dat hij zijn volk een ijzeren juk zal opleggen, dat wil zeggen, een harde, zware, zeer belastende en langdurige dienstbaarheid. Zo ook Jeremia 28:13-14.
[^deuteronomium-28-49-48]: Kanttekening 48: Zo snel en onverwacht zal het u overkomen als een adelaar pleegt te vliegen.
[^deuteronomium-28-49-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: horen. Zie Genesis 11, vers 7.
[^deuteronomium-28-50-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: Hebreeuws: eigenlijk: sterk, onbeschaamd, hard, onbeweeglijk, dat niemand zal ontzien of sparen, over niemand bewogen zal worden, of hij nu oud of jong is: zoals in het volgende vers verduidelijkt wordt. Zo ook Daniël 8:23.
[^deuteronomium-28-50-51]: Kanttekening 51: Vergelijk boven, hoofdstuk 1, vers 17.
[^deuteronomium-28-51-52]: Kanttekening 52: Namelijk het volk waarover in het vorige vers gesproken is.
[^deuteronomium-28-51-53]: Kanttekening 53: Het volk.
[^deuteronomium-28-51-54]: Kanttekening 54: Namelijk YHWH.
[^deuteronomium-28-52-55]: Kanttekening 55: Of: benauwen.
[^deuteronomium-28-52-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: steden, en zo ook verderop.
[^deuteronomium-28-53-k]: Verwijzing k: Leviticus 26:29. 2 Koningen 6:29. Klaagliederen 4:10.
[^deuteronomium-28-54-57]: Kanttekening 57: Delicaat, kieskeurig, verwend.
[^deuteronomium-28-54-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: zijn oog zal onvriendelijk, nijdig en afgunstig zijn; zo ook hieronder, vers 56. Zie boven, hoofdstuk 15, vers 9.
[^deuteronomium-28-54-59]: Kanttekening 59: Zie boven, hoofdstuk 13, vers 6.
[^deuteronomium-28-57-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: vanwege haar pasgeboren kindje, samen met de nageboorte die deze verwende vrouw haar man etc. zal misgunnen en zelf in het geheim, door een gruwelijk oordeel van God, zal eten. Zie 2 Koningen 6:28.
[^deuteronomium-28-57-61]: Kanttekening 61: Die ouder en groter waren.
[^deuteronomium-28-58-62]: Kanttekening 62: Vergelijk Genesis 2, vers 4 en Leviticus 24, vers 11, 2 Samuël 6, vers 2. De naam van YHWH, dat wil zeggen YHWH zelf, aan wie alleen deze naam YHWH toekomt, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, als zijnde de enige ware God in wezen, eigenschappen, heerlijkheid en werken.
[^deuteronomium-28-59-63]: Kanttekening 63: Zo grote, vreemde en verschrikkelijke plagen zal hij u zenden dat iedereen zich erover zal verwonderen.
[^deuteronomium-28-59-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws: getrouwe: dat wil zeggen, die zeker zullen treffen en lang zullen aanhouden.
[^deuteronomium-28-60-65]: Kanttekening 65: De vreemde, slechte ziekten waarmee God de Egyptenaren geplaagd heeft, zal hij dan op u leggen. Zie Exodus 8 en 9. Vergelijk boven, hoofdstuk 7:15.
[^deuteronomium-28-61-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: allerlei.
[^deuteronomium-28-62-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws: in, of, met mensen van weinigen. Vergelijk Genesis 34, vers 30 en Numeri 9:20. Zie ook Jesaja 1:9.
[^deuteronomium-28-62-l]: Verwijzing l: Boven, hoofdstuk 10:22.
[^deuteronomium-28-63-m]: Verwijzing m: Jesaja 1:24.
[^deuteronomium-28-64-n]: Verwijzing n: Boven, hoofdstuk 4:27. Nehemia 1:8.
[^deuteronomium-28-64-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws: van het einde van de aarde tot het einde.
[^deuteronomium-28-65-69]: Kanttekening 69: Of: zwakheid, verdriet.
[^deuteronomium-28-66-70]: Kanttekening 70: Deze manier van spreken wordt verduidelijkt door de volgende woorden: u zult niet zeker zijn van uw leven. Zoals wanneer iets aan een dunne draad voor onze ogen hangt, zodat men altijd vreest dat het nu of dan zal vallen.
[^deuteronomium-28-66-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws: uw leven niet geloven of vertrouwen.
[^deuteronomium-28-67-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws: wie zal de avond geven? en ook: wie zal de morgen geven. Zie en vergelijk deze manier van spreken met boven, hoofdstuk 5, vers 29.
[^deuteronomium-28-67-73]: Kanttekening 73: Zie boven, vers 34.
[^deuteronomium-28-68-74]: Kanttekening 74: Verstaat: die naar Egypte leidt.
[^deuteronomium-28-68-75]: Kanttekening 75: Of: dat land, namelijk Egypte. Zie boven, hoofdstuk 17:16. Alsof YHWH zei: ik zal u terugvoeren waarvandaan ik u weggevoerd had, met de belofte van eeuwige vrijheid, op voorwaarde van gehoorzaamheid. Zie Jeremia 44 en Hosea 8:13 en 9:6.
[^deuteronomium-28-68-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: u zult zo veracht en gehaat zijn dat niemand u zal willen kopen om als slaaf te gebruiken.

### Deuteronomium 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/29.json)

*Mozes verhaalt opnieuw de grote en veelvuldige weldaden die God aan het volk tot nu toe bewezen heeft, vers 1 enz. Vermaant en verplicht hen daarop zeer ernstig voor het aangezicht van de HEERE, dat zij Zijn verbond met hen en hun nakomelingen gemaakt, getrouw onderhouden, 9. Waarschuwt hen voor ongeloof, zorgeloze verachting en verbreking van het goddelijk verbond, met dreiging van een verschrikkelijk verderf, 18. Besluit met een korte en leerzame uitspraak, die het doel en gebruik van het geopenbaarde goddelijke Woord omvat, 29.*

**1** Dit zijn de woorden van het verbond, dat YHWH Mozes geboden heeft te[^deuteronomium-29-1-1] maken met de Israëlieten, in het land van[^deuteronomium-29-1-2] Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan[^deuteronomium-29-1-3] Horeb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v1)

**2** En Mozes riep geheel Israël, en zei tot hen:[^deuteronomium-29-2-a] U hebt gezien al wat YHWH in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v2)

**3** [^deuteronomium-29-3-b] De grote[^deuteronomium-29-3-4] verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, die tekenen en grote wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v3)

**4** Maar YHWH heeft u niet gegeven[^deuteronomium-29-4-5] een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v4)

**5** En[^deuteronomium-29-5-6] Ik heb u veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw kleren zijn[^deuteronomium-29-5-7] aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v5)

**6** [^deuteronomium-29-6-8] Brood hebt u niet gegeten, en wijn en sterke drank hebt u niet gedronken;[^deuteronomium-29-6-9] opdat u wist, dat Ik YHWH, uw God, ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v6)

**7** Toen u nu kwam aan deze plaats, trok[^deuteronomium-29-7-c] Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v7)

**8** En wij hebben hun land ingenomen, en dat[^deuteronomium-29-8-d] als erfenis gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, en ook aan de halve stam van de Manassieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v8)

**9** Houd dan de woorden van dit verbond, en doet ze; opdat u[^deuteronomium-29-9-10] verstandig handelt in alles, wat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v9)

**10** [^deuteronomium-29-10-11] U[^deuteronomium-29-10-12] staat vandaag allen voor het aangezicht van YHWH, van uw God: uw hoofden van uw stammen, uw oudsten, en uw voormannen, alle man van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v10)

**11** Uw kinderen, uw vrouwen, en uw[^deuteronomium-29-11-13] vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw[^deuteronomium-29-11-14] houthouwer tot uw waterputter toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v11)

**12** Om over te gaan in het verbond van YHWH, van uw God, en in Zijn[^deuteronomium-29-12-15][^deuteronomium-29-12-16] vloek, dat YHWH, uw God, vandaag met u maakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v12)

**13** Opdat Hij u vandaag Zichzelf tot[^deuteronomium-29-13-17] een volk bevestige, en Hij u[^deuteronomium-29-13-18] tot een God zij, zoals Hij tot u gesproken heeft, en[^deuteronomium-29-13-e] zoals Hij uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v13)

**14** En niet met u alleen maak ik dit verbond en deze[^deuteronomium-29-14-19] vloek; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v14)

**15** Maar[^deuteronomium-29-15-20] met degene, die vandaag hier bij ons voor het aangezicht van YHWH, van onze God, staat; en met degene, die hier vandaag bij ons niet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v15)

**16** Want u weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetrokken zijn door het midden van de volken, die u doorgetrokken bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v16)

**17** En u hebt gezien hun gruwelijke dingen, en hun[^deuteronomium-29-17-21] afgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v17)

**18** Dat onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart vandaag wende van YHWH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder u niet zij een[^deuteronomium-29-18-f] wortel, die[^deuteronomium-29-18-22] gal en alsem drage; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v18)

**19** En het gebeure, als[^deuteronomium-29-19-23] hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelf[^deuteronomium-29-19-25] zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de[^deuteronomium-29-19-27] dronkene te doen tot de dorstige.[^deuteronomium-29-19-24][^deuteronomium-29-19-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v19)

**20** YHWH zal hem niet willen vergeven; maar dan zal de toorn en ijver van YHWH roken over die man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en YHWH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v20)

**21** En YHWH zal hem[^deuteronomium-29-21-28] ten kwade afscheiden van al de stammen van Israël, naar alle vloeken van het verbond, dat in het boek van deze wet geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v21)

**22** Dan zal[^deuteronomium-29-22-29] zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na u opstaan zullen, en de vreemde, die uit ver land komen zal, als zij zullen zien de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee YHWH het gekrenkt heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v22)

**23** Dat zijn hele aarde zij zwavel en zout van[^deuteronomium-29-23-30] de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; zoals de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn woede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v23)

**24** En alle volken zullen zeggen:[^deuteronomium-29-24-g] Waarom heeft YHWH aan dit land zo gedaan?[^deuteronomium-29-24-31] Wat is de ontsteking van deze grote toorn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v24)

**25** Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van YHWH, van de God van hun vaders, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v25)

**26** En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet[^deuteronomium-29-26-32] gekend hadden, en geen van welke[^deuteronomium-29-26-33] hun iets medegedeeld had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v26)

**27** Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al deze vloek, die in dit boek geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v27)

**28** En YHWH heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in woede, en in grote toorn; en Hij heeft hen verworpen in een ander land,[^deuteronomium-29-28-34] zoals het is op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v28)

**29** [^deuteronomium-29-29-35] De verborgen dingen zijn voor YHWH, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/29.html#v29)

[^deuteronomium-29-1-1]: Kanttekening 1: Of: houwen, snijden. Zie Genesis 15, vers 18; en zo ook verderop.
[^deuteronomium-29-1-2]: Kanttekening 2: Het was in feite één en hetzelfde verbond, maar hier in de velden van Moab vernieuwd, herhaald en verduidelijkt, met vele andere personen, op een andere plaats en op een andere wijze dan aan de berg Horeb of Sinaï. Vergelijk boven, hoofdstuk 5:2 en de aantekening daar op vers 3.
[^deuteronomium-29-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, hoofdstuk 1, vers 2.
[^deuteronomium-29-2-a]: Verwijzing a: Exodus 19:4.
[^deuteronomium-29-3-b]: Verwijzing b: Boven, hoofdstuk 4:34 en 7:19.
[^deuteronomium-29-3-4]: Kanttekening 4: Zie Deuteronomium 4, vers 34.
[^deuteronomium-29-4-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: een verstandig hart, ziende ogen en horende oren. De betekenis is dat God hun tot nu toe niet gegeven had de gave om echt te begrijpen, behoorlijk op te merken en na te denken, en met vrucht tot Gods eer en hun zaligheid te gebruiken wat zij gezien en gehoord hadden. Vergelijk hieronder, hoofdstuk 30, vers 6. Jesaja 6:9-10. Ezechiël 36:26 e.v. en Mattheüs 13:9, 11, 23.
[^deuteronomium-29-5-6]: Kanttekening 6: Dit spreekt God, zoals te zien is aan het einde van het zesde vers.
[^deuteronomium-29-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: van aan of van over u: dat wil zeggen, dat u ze van u zou hebben moeten werpen als versleten, zoals men oude kleren doet; en zo ook verderop van de schoen.
[^deuteronomium-29-6-8]: Kanttekening 8: Gewoon, alledaags brood, want YHWH voedde hen met manna.
[^deuteronomium-29-6-9]: Kanttekening 9: Verstaat: dit alles heb ik zo beschikt, u op wonderlijke wijze met voedsel en drank verzorgend, opdat u weet dat ik YHWH, uw God, ben.
[^deuteronomium-29-7-c]: Verwijzing c: Numeri 21:24, 33. Boven, hoofdstuk 2:32 en 3:1.
[^deuteronomium-29-8-d]: Verwijzing d: Numeri 32:33. Boven, hoofdstuk 3:12. Jozua 13:12.
[^deuteronomium-29-9-10]: Kanttekening 10: Anders: opdat u voorspoedig bent in alles, of: alles voorspoedig maakt.
[^deuteronomium-29-10-11]: Kanttekening 11: Het vervolg van deze woorden staat in vers 12.
[^deuteronomium-29-10-12]: Kanttekening 12: Door God door mij bijeengeroepen zijnde, zoals boven in vers 1 en 2 te zien is.
[^deuteronomium-29-11-13]: Kanttekening 13: Die uit Egypte mee gevolgd waren (Exodus 12:38) of van andere volken bijgekomen waren en door aanneming van de Joodse godsdienst bij het volk van God ingelijfd waren.
[^deuteronomium-29-11-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: zelfs de eenvoudigste en geringste onder het volk.
[^deuteronomium-29-12-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de vervloeking van het verbond, waarmee zij zichzelf, in de eed die zij God deden, vervloekten als zij de beloften van gehoorzaamheid niet hielden. Zie Nehemia 10:29.
[^deuteronomium-29-12-16]: Kanttekening 16: Verbond.
[^deuteronomium-29-13-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: als een volk dat hem toebehoort en hem als eigendom is, om de zegen van zijn verbond te genieten en hem te dienen. Vergelijk boven, hoofdstuk 7, vers 6 en 28:9.
[^deuteronomium-29-13-18]: Kanttekening 18: Zie Genesis 17, vers 7.
[^deuteronomium-29-13-e]: Verwijzing e: Genesis 17:7.
[^deuteronomium-29-14-19]: Kanttekening 19: Zie boven, vers 12.
[^deuteronomium-29-15-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: met u die hier bent, en (zoals ik Abraham lang geleden verklaard heb) met uw nageslacht, met uw nakomelingen die nog niet geboren zijn en die nu of later zouden kunnen zeggen dat dit verbond hen niet betreft. Vergelijk Handelingen 2:39.
[^deuteronomium-29-17-21]: Kanttekening 21: Zie Leviticus 26, vers 30.
[^deuteronomium-29-18-f]: Verwijzing f: Handelingen 8:23. Hebreeën 12:15.
[^deuteronomium-29-18-22]: Kanttekening 22: Of: vergif, een giftig kruid. Dat wil zeggen: een zodanig hart dat werken voortbrengt die voor God gruwelijk zijn en de mens bitter opbreken, als een dodelijk gif. Zie verder Psalm 69, vers 22.
[^deuteronomium-29-19-23]: Kanttekening 23: Namelijk hij die bij de wortel in het vorige vers vergeleken werd.
[^deuteronomium-29-19-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de vloek die hij hoort, in zijn hart veracht, en zich integendeel bij zichzelf gelukkig acht, zichzelf alle welvaart en voorspoed belooft, ook al veracht hij God en zijn Woord.
[^deuteronomium-29-19-27]: Kanttekening 27: Of: om de besproeide aarde bij de dorstige te voegen. Dit schijnt een spreekwoord geweest te zijn, ontleend aan een droge aarde die bevochtigd moet worden; zo streeft deze naar vermeerdering van zonde, waarvan hij als het ware dorst, om zijn lust volledig te boeten; of van dronkaards, die van nature geneigd zijn te drinken en bovendien middelen zoeken om zichzelf volkomen dronken en dol te maken. Zo doet de goddeloze, die al slecht genoeg is, zichzelf er lust van maakt om nog slechter te worden, zonde op zonde te stapelen en, als gevoelloos geworden, zonder nadenken van kwaad naar erger voort te gaan. Vergelijk Job 34:7, Mattheüs 12:43-45, Efeziërs 4:19, Hebreeën 6:8, 2 Petrus 2:20.
[^deuteronomium-29-19-24]: Kanttekening 24: Zie boven, vers 12.
[^deuteronomium-29-19-26]: Kanttekening 26: Of: verbeelding, speculatie, gedachte. Anders: hardheid. Zie Jeremia 3, vers 17.
[^deuteronomium-29-21-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: tot straf, ongeluk en verderf.
[^deuteronomium-29-22-29]: Kanttekening 29: Het vervolg van deze woorden staat in vers 24.
[^deuteronomium-29-23-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: dat de aarde verbrand is. Anders: dat heel zijn land door zwavel verbrand is. De betekenis is dat dit land door Gods rechtvaardige vloek geheel wonderlijk geschonden en bedorven is, zoals eertijds Sodom, Gomorra, etc.
[^deuteronomium-29-24-g]: Verwijzing g: Jeremia 22:8.
[^deuteronomium-29-24-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: wat betekent of meent dit, wat is de oorzaak?
[^deuteronomium-29-26-32]: Kanttekening 32: Zoals de ware God de zijnen welwillend kent en verzorgt, Psalm 1:6, 2 Timoteüs 2:19.
[^deuteronomium-29-26-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: iets goeds had gedaan of kunnen doen. Anders: die hij (namelijk YHWH) hen niet had toebedeeld, om als goden door hen gediend te worden. Vergelijk boven, hoofdstuk 4:19.
[^deuteronomium-29-28-34]: Kanttekening 34: Deze woorden (evenals de voorafgaande) horen bij het antwoord dat men de volken in die tijd op hun vraag zou geven.
[^deuteronomium-29-29-35]: Kanttekening 35: Mozes, die over vele grote en ook toekomstige dingen gesproken heeft en nog zal spreken, beteugelt in dit vers de nieuwsgierigheid om verder te onderzoeken wat in Gods raad verborgen is, en beveelt het volk binnen de grenzen van zijn geopenbaard Woord te blijven, om dat te onderzoeken, te geloven en ernaar te leven.

### Deuteronomium 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/30.json)

*Belofte van genadige verlossing en bekering van de Joden, met aanwijzing van de oorsprong van de heilzame bekering en de zegen die daarop volgt, vers 1, enz. Roem van de heerlijke openbaring van het goddelijke woord, 11. Voorstelling van leven en dood, met een krachtige betuiging en vermaning om het leven en de zegen te kiezen, 15.*

**1** Verder zal het gebeuren, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn,[^deuteronomium-30-1-1] deze zegen of deze vloek, die ik u[^deuteronomium-30-1-2] voorgesteld heb; zo zult u het[^deuteronomium-30-1-3] weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u YHWH, uw God, gedreven heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v1)

**2** En[^deuteronomium-30-2-4] u zult u bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u vandaag gebiede, u en uw kinderen, met uw hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v2)

**3** [^deuteronomium-30-3-5] En YHWH, uw God, zal[^deuteronomium-30-3-6][^deuteronomium-30-3-a] uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u[^deuteronomium-30-3-7] weer verzamelen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v3)

**4** [^deuteronomium-30-4-b] Al waren uw verdrevenen[^deuteronomium-30-4-8] aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, verzamelen, en van daar zal Hij u nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v4)

**5** En YHWH, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaders erfelijk bezeten hebben, en u zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v5)

**6** En YHWH, uw God,[^deuteronomium-30-6-9][^deuteronomium-30-6-c] zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw hele hart en met uw hele[^deuteronomium-30-6-10] ziel, opdat u leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v6)

**7** En YHWH, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v7)

**8** U dan zult u bekeren, en de stem van YHWH gehoorzaam zijn, en u zult doen al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v8)

**9** [^deuteronomium-30-9-d] En YHWH, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk van uw hand, in de vrucht van uw buik, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht van uw land, ten goede; want YHWH zal[^deuteronomium-30-9-11] terugkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, zoals Hij Zich over uw vaders verblijd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v9)

**10** Wanneer u de stem van YHWH, van uw God, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn voorschriften, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer u zich zult bekeren tot YHWH, uw God, met uw hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v10)

**11** Want dit gebod, dat ik u vandaag gebiede, dat is van[^deuteronomium-30-11-e] u niet[^deuteronomium-30-11-12] verborgen, en dat is niet ver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v11)

**12** Het is niet in de hemel, om te zeggen:[^deuteronomium-30-12-f] Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons[^deuteronomium-30-12-13] hale, en ons hetzelfde horen late, dat wij het doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v12)

**13** Het is ook niet aan de overzijde van de zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan de overzijde van de zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelfde horen late, dat wij het doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v13)

**14** Want dit woord is[^deuteronomium-30-14-14] zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v14)

**15** Zie, ik heb u vandaag voorgesteld[^deuteronomium-30-15-15] het leven, en het goede, en de dood, en het kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v15)

**16** Want ik gebiede u vandaag, YHWH, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden[^deuteronomium-30-16-16] Zijn geboden, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, opdat u leeft en vermenigvuldigt, en YHWH, uw God, u zegene in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v16)

**17** Maar als uw hart zich zal afwenden, en u niet horen zult, en u gedreven zult worden, dat u zich voor andere goden buigt, en die dient; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v17)

**18** Zo verkondig ik u vandaag, dat u[^deuteronomium-30-18-17] voorzeker zult omkomen; u zult de dagen niet verlengen op het land, naar dat u over de Jordaan bent heengaande, om daarin te komen, dat u het erfelijk bezit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v18)

**19** [^deuteronomium-30-19-g] Ik[^deuteronomium-30-19-18] neem vandaag tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik[^deuteronomium-30-19-19] u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw zaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v19)

**20** Liefhebbende YHWH, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij[^deuteronomium-30-20-20] is uw leven en de lengte van uw dagen; opdat u blijft in het land, dat YHWH uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/30.html#v20)

[^deuteronomium-30-1-1]: Kanttekening 1: deze zegen: Eerst de zegen op de gehoorzaamheid en daarna de vloek op de ongehoorzaamheid, zodat u beide ondervonden zult hebben.
[^deuteronomium-30-1-2]: Kanttekening 2: voorgesteld heb: Hebreeuws, voor uw aangezicht gegeven heb; gelijk boven, Deut. 11:26 , en onder, vers 15 , 30:19 . Deuteronomium 11:26 : Ziet, ik stel u heden voor, zegen en vloek: Deuteronomium 30:15 : Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en de dood, en het kwade. Deuteronomium 30:19 : Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat u levet, u en uw zaad;
[^deuteronomium-30-1-3]: Kanttekening 3: weer ter harte nemen: Hebreeuws, doen terugkeren, tot aan, of in uw hart. Vergelijk boven, Deut. 4:29 , 4:30 , enz. Daar hebt u een gelijke profetie als hier en in het volgende. Anders, en u het weer ter harte zult genomen hebben. Deuteronomium 4:29 : Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Deuteronomium 4:30 : Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
[^deuteronomium-30-2-4]: Kanttekening 4: u zult u bekeren: Anders, en u u bekeerd zult hebben.
[^deuteronomium-30-3-5]: Kanttekening 5: En YHWH, uw God: Anders, zo zal YHWH, enz.
[^deuteronomium-30-3-6]: Kanttekening 6: uw gevangenis wenden: Dat is, de menigte van uw gevangenen doen terugkeren; zo Ps. 68:19 ; Ef. 4:8 . Psalmen 68:19 : U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o YHWH God! Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^deuteronomium-30-3-a]: Verwijzing a: Neh. 1:8 ; Ps. 106:45 ; Jer. 32:37 . Nehemia 1:8 : Gedenk toch van het woord, dat U Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. Psalmen 106:45 : En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijn goedertierenheden. Jeremia 32:37 : Ziet, Ik zal hen vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid, en in grote toorn; en Ik zal hen tot deze plaats wederbrengen, en zal hen zeker doen wonen.
[^deuteronomium-30-3-7]: Kanttekening 7: weer vergaderen: Hebreeuws, en Hij zal terugkeren, en zal u vergaderen; dat is, Hij zal u weer vergaderen, of, Hij zal met zijn genade terugkeren en u vergaderen, enz.
[^deuteronomium-30-4-b]: Verwijzing b: Neh. 1:9 . Nehemia 1:9 : En u zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde van het hemel, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik gekozen heb, om Mijn Naam daar te doen wonen.
[^deuteronomium-30-4-8]: Kanttekening 8: aan het einde van de hemel: Vergelijk boven, Deut. 4:32 . Deuteronomium 4:32 : Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:
[^deuteronomium-30-6-9]: Kanttekening 9: zal uw hart besnijden: Dat is, Hij zal u door de kracht zijns Geestes verlichten, reinigen en tot zijn dienst bekwaam maken. Vergelijk boven, Deut. 10:16 , waar God beveelt te doen, wat Hij hier belooft te werken, dat men het kon doen. Zie ook boven, Deut. 29:4 . Zo, dat hier het verbond van de genade, in Christus bevestigd, herhaald wordt. Deuteronomium 10:16 : Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Deuteronomium 29:4 : Maar YHWH heeft u niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag.
[^deuteronomium-30-6-c]: Verwijzing c: Jer. 32:39 ; Ez. 11:19 ; Ez. 36:26 . Jeremia 32:39 : En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. Ezechiël 11:19 : En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; Ezechiël 36:26 : En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
[^deuteronomium-30-6-10]: Kanttekening 10: opdat u levet: Hebreeuws, om uws levens wil.
[^deuteronomium-30-9-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 28:11 . Deuteronomium 28:11 : En YHWH zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uw beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat YHWH uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.
[^deuteronomium-30-9-11]: Kanttekening 11: Dat is, zal zich weer verblijden, om u wel te doen, gelijk Jer. 32:41 . Jeremia 32:41 : En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn gehele hart en met Mijn gehele ziel.
[^deuteronomium-30-11-e]: Verwijzing e: Jes. 45:19 . Jesaja 45:19 : Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik ben YHWH, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.
[^deuteronomium-30-11-12]: Kanttekening 12: Anders, te hoog, te wonderlijk. Zie Gen. 18:14 ; Deut. 17:8 ; Spreuk. 30:18 ; Jer. 32:17 . Vergelijk Rom. 10:6 , 10:7 , 10:8 , waar de apostel deze tekst past op de leer en genade van het Evangelie, zonder die men de geboden van de Heer niet recht verstaan, veel weiniger naar dezelfde voor God behagelijk leven kan. Vergelijk boven, Deut. 29:4 , met de aantekeningen daar. Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben! Deuteronomium 17:8 : Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u u opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; Spreuken 30:18 : Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: Jeremia 32:17 : Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. Romeinen 10:6 : Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen. Romeinen 10:7 : Of, wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelfde is Christus uit de doden opbrengen. Romeinen 10:8 : Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken. Deuteronomium 29:4 : Maar YHWH heeft u niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag.
[^deuteronomium-30-12-f]: Verwijzing f: Rom. 10:6 . Romeinen 10:6 : Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen.
[^deuteronomium-30-12-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, neme; dat is, neme en brenge. Zie Gen. 12:15 , en zo in vers 13 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Deuteronomium 30:13 : Het is ook niet op gene zijde van de zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan de overzijde van de zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelfde horen late, dat wij het doen?
[^deuteronomium-30-14-14]: Kanttekening 14: zeer nabij u: Alsof Mozes zei: U hebt geen excuus van onwetendheid voor te wenden, omdat dit woord u ten volle verklaard is en u het dagelijks in de mond hebt, en genoeg verstaat wat YHWH van u eist. Vergelijk onder, Deut. 31:19 , waarop deze woorden verder passen. Zie Rom. 10:8 . Deuteronomium 31:19 : En nu, schrijft u dit lied, en leert het de kinderen van Israël; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen van Israël. Romeinen 10:8 : Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken.
[^deuteronomium-30-15-15]: Kanttekening 15: het leven: Het leven, met allerlei zegen, zo u gehoorzaam bent, de dood, met mijn vloek, zo u ongehoorzaam bent. Gelijk de volgende verzen verklaren.
[^deuteronomium-30-16-16]: Kanttekening 16: Zijn geboden: Zie boven, Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^deuteronomium-30-18-17]: Kanttekening 17: voorzeker zult omkomen: Hebreeuws, omkomende omkomen.
[^deuteronomium-30-19-g]: Verwijzing g: boven, Deut. 4:26 . Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^deuteronomium-30-19-18]: Kanttekening 18: neem heden tegen u: Zie boven, Deut. 4:26 . Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^deuteronomium-30-19-19]: Kanttekening 19: u voorgesteld: Hebreeuws, voor uw aangezicht gegeven.
[^deuteronomium-30-20-20]: Kanttekening 20: is uw leven en de lengte van uw dagen: Dat is, die u het leven geeft, onderhoudt en verlengt. Vergelijk Hand. 17:25 , 17:28 . Handelingen 17:25 : En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft; Handelingen 17:28 : Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.

### Deuteronomium 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/31.json)

*Mozes verklaart voor het volk dat hij spoedig zal sterven en niet in het land Kanaan zal komen, belovend dat God hen door Jozua daarin zal brengen en hun vijanden zal verdelgen, vers 1, enz. hij sterkt en troost Jozua, 7. schrijft dit wetboek en levert het over aan de priesters, Levieten en oudsten, met bevel om het elke zeven jaar voor het hele volk te lezen, 9. God stelt Jozua aan in zijn ambt, 14. en voorzegt Mozes en Jozua de ongehoorzaamheid en afwijking van het volk, met de toekomstige straffen, 16. beveelt Mozes een lied tot waarschuwing en overtuiging van het volk te schrijven en hun dat te leren, 19. Mozes beveelt de Levieten dit wetboek te leggen aan de zijde van de ark van het verbond, 24. gebiedt het hele volk te verzamelen om het lied aan te horen, 28.*

**1** Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot geheel Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v1)

**2** En zei tot hen: Ik ben vandaag[^deuteronomium-31-2-1] honderd en twintig jaar oud; ik zal niet meer kunnen[^deuteronomium-31-2-2] uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij[^deuteronomium-31-2-a] gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v2)

**3** YHWH, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht vernietigen,[^deuteronomium-31-3-3] dat u hen erfelijk[^deuteronomium-31-3-b] bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, zoals YHWH gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v3)

**4** En YHWH zal hun doen, zoals Hij[^deuteronomium-31-4-c] aan Sihon en Og, koningen van de Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij vernietigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v4)

**5** Wanneer hen nu YHWH[^deuteronomium-31-5-4] voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult u hun doen[^deuteronomium-31-5-5] naar alle gebod,[^deuteronomium-31-5-d] dat ik u geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v5)

**6** Wees sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is YHWH, uw God, Die met u gaat;[^deuteronomium-31-6-6][^deuteronomium-31-6-e] Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v6)

**7** En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van geheel Israël: Wees sterk en heb goede moed, want u zult met dit volk ingaan in het land dat YHWH hun vaders gezworen heeft, hun te zullen geven; en u zult het hun doen erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v7)

**8** YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees[^deuteronomium-31-8-f] niet, en ontzet u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v8)

**9** En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de[^deuteronomium-31-9-7] priesters, de zonen van Levi,[^deuteronomium-31-9-8] die de ark van het verbond van YHWH droegen, en aan alle oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v9)

**10** En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren,[^deuteronomium-31-10-9] op de gezette tijd van het jaar van de vrijlating, op het feest van de loofhutten.[^deuteronomium-31-10-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v10)

**11** Als geheel Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van YHWH, van uw God, in de plaats, die Hij zal gekozen hebben, zult[^deuteronomium-31-11-11] u deze wet voor geheel Israël uitroepen, voor hun oren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v11)

**12** [^deuteronomium-31-12-12] Verzamelt het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw[^deuteronomium-31-12-13] poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen YHWH, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v12)

**13** En dat hun kinderen, die het niet[^deuteronomium-31-13-14] geweten hebben, horen en leren, om te vrezen YHWH, uw God, al de dagen, die u leeft op het land, naar dat u over de Jordaan bent heengaande, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v13)

**14** En YHWH zei tot Mozes: Zie,[^deuteronomium-31-14-15] uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt u in de tent van de samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v14)

**15** Toen verscheen YHWH in de tent, in de[^deuteronomium-31-15-16] wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur van de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v15)

**16** En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult[^deuteronomium-31-16-17] slapen met uw vaders; en dit volk zal opstaan, en nahoereren[^deuteronomium-31-16-18] de goden[^deuteronomium-31-16-19] van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van[^deuteronomium-31-16-20] hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met[^deuteronomium-31-16-21] hetzelfde gemaakt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v16)

**17** Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en[^deuteronomium-31-17-22] Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij[^deuteronomium-31-17-23] tot voedsel zijn, en vele[^deuteronomium-31-17-24] kwaden en benauwdheden zullen[^deuteronomium-31-17-25] het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet[^deuteronomium-31-17-26] getroffen, omdat mijn God[^deuteronomium-31-17-27] in het midden van mij niet is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v17)

**18** Ik dan zal Mijn aangezicht op die dag[^deuteronomium-31-18-28] geheel verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v18)

**19** En nu, schrijft u[^deuteronomium-31-19-29] dit lied, en leert het de Israëlieten;[^deuteronomium-31-19-30] legt het in hun mond; opdat dit lied Mij[^deuteronomium-31-19-31] tot getuige zij tegen de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v19)

**20** Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaders gezworen heb, vloeiende van melk en honing, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v20)

**21** En het zal gebeuren, wanneer vele kwaden en benauwdheden[^deuteronomium-31-21-32] hetzelfde zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit de mond van zijn zaad niet vergeten worden; omdat Ik weet zijn[^deuteronomium-31-21-33] maaksel dat het vandaag maakt, voordat Ik het inbreng in het land, dat Ik[^deuteronomium-31-21-34] gezworen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v21)

**22** Zo schreef Mozes dit lied op die dag, en hij leerde het de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v22)

**23** En[^deuteronomium-31-23-35] Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei:[^deuteronomium-31-23-g] Wees sterk en heb goede moed, want u zult de Israëlieten inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v23)

**24** En het gebeurde, als Mozes voltooid had de woorden van deze[^deuteronomium-31-24-36] wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v24)

**25** Zo gebood Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v25)

**26** Neem dit[^deuteronomium-31-26-h] wetboek, en legt het[^deuteronomium-31-26-37] aan de zijde van de ark van het verbond van YHWH, van uw God, dat het daar zij tot getuige tegen[^deuteronomium-31-26-38] u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v26)

**27** Want ik ken uw opstandigheid, en uw[^deuteronomium-31-27-39] harde nek. Zie, terwijl ik nog vandaag met u leve,[^deuteronomium-31-27-40] bent u opstandig geweest tegen YHWH; hoe veel te meer na mijn dood! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v27)

**28** Verzamelt tot mij al de oudsten van uw stammen, en uw voormannen; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen de hemel en de aarde tot getuigen neme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v28)

**29** Want ik weet, dat u het na mijn dood[^deuteronomium-31-29-41] zeker zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u[^deuteronomium-31-29-42] dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat[^deuteronomium-31-29-43] kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v29)

**30** Toen sprak Mozes, voor de oren van de hele gemeente van Israël, de woorden van dit lied, totdat zij voltrokken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/31.html#v30)

[^deuteronomium-31-2-1]: Kanttekening 1: honderd en twintig jaren oud: Hebreeuws, een zoon van honderd en twintig jaar.
[^deuteronomium-31-2-2]: Kanttekening 2: uitgaan en ingaan: Dat is, mijn ambt, gelijk tevoren, onder u bedienen. Zie Num. 27:16 , 27:17 . Vergelijk boven, Deut. 28:6 . Numeri 27:16 : Dat YHWH, de God van de geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben. Deuteronomium 28:6 : Gezegend zult u zijn in uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan.
[^deuteronomium-31-2-a]: Verwijzing a: Num. 27:12 ; boven, Deut. 3:26 . Numeri 27:12 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Klim op deze berg Abarim, en zie dat land, dat Ik de kinderen van Israël gegeven heb. Deuteronomium 3:26 : Maar YHWH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar YHWH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.
[^deuteronomium-31-3-3]: Kanttekening 3: dat u hen erfelijk bezit: Te weten, de volken; dat is, hun landen; gelijk boven, Deut. 9:1 , en elders dikwijls. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;
[^deuteronomium-31-3-b]: Verwijzing b: Num. 27:18 . Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem;
[^deuteronomium-31-4-c]: Verwijzing c: Num. 21:24 ; idem v. 33 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï.
[^deuteronomium-31-5-4]: Kanttekening 4: voor uw aangezicht: Zie boven, Deut. 1:8 . Deuteronomium 1:8 : Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat YHWH aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.
[^deuteronomium-31-5-5]: Kanttekening 5: naar alle gebod: U zult hen ganselijk verbannen. Zie boven, Deut. 7:1 , 7:2 . Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^deuteronomium-31-5-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 7:1 ; idem v. 2 . Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^deuteronomium-31-6-6]: Kanttekening 6: Hij zal u niet begeven: Deze belofte wordt allen gelovigen toegeëigend; Hebr. 13:5 . Hebreeën 13:5 : Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
[^deuteronomium-31-6-e]: Verwijzing e: Joz. 1:5 ; Hebr. 13:5 . Jozua 1:5 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. Hebreeën 13:5 : Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
[^deuteronomium-31-8-f]: Verwijzing f: Joz. 1:9 . Jozua 1:9 : Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goede moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want YHWH, uw God, is met u alom, waar u heengaat.
[^deuteronomium-31-9-7]: Kanttekening 7: Vergelijk boven, Deut. 17:18 . Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
[^deuteronomium-31-9-8]: Kanttekening 8: die de ark van het verbond: Vergelijk onder, vers 25 , en zie Num. 4:15 . Deuteronomium 31:25 : Zo gebood Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zeggende: Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^deuteronomium-31-10-9]: Kanttekening 9: op de gezette tijd: Zie boven, Deut. 15:1 , enz. Deuteronomium 15:1 : Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken.
[^deuteronomium-31-10-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Deut. 16:13 , enz., en Lev. 23:34 , enz. Deuteronomium 16:13 : Het feest van de loofhutten zult u u zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor YHWH zijn.
[^deuteronomium-31-11-11]: Kanttekening 11: Te weten, priester, met de bijstaande priesters en Levieten, enz. Zie een exempel, Neh. 8:1 , 8:5 , 8:7 , 8:8 . Nehemia 8:1 : Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen van Israël in hun steden waren, Nehemia 8:5 : En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, die zij tot die zaak gemaakt hadden, en naast hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maäseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam. Nehemia 8:7 : En Ezra loofde YHWH, de grote God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en aanbaden YHWH, met de aangezichten ter aarde. Nehemia 8:8 : Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.
[^deuteronomium-31-12-12]: Kanttekening 12: Vergadert het volk: Of, vergaderende, enz. De zin is: Dat dit telkens ten einde van zeven jaren gebeuren moest.
[^deuteronomium-31-12-13]: Kanttekening 13: Dat is, steden, woonplaatsen.
[^deuteronomium-31-13-14]: Kanttekening 14: geweten hebben: Of, ervaren, ondervonden hebben; dat is, niet gezien al mijn wonderen, gelijk u die gezien hebt.
[^deuteronomium-31-14-15]: Kanttekening 15: uw dagen zijn genaderd: Dat is, uw sterfdag is gekomen.
[^deuteronomium-31-15-16]: Kanttekening 16: Uit welke God met Mozes placht te spreken. Zie Ex. 33:9 ; Ps. 99:7 . Exodus 33:9 : En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom naar beneden, en stond in de deur van de tent, en Hij sprak met Mozes. Psalmen 99:7 : Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
[^deuteronomium-31-16-17]: Kanttekening 17: slapen met uw vaderen: Of, nederliggen; te weten, om te slapen; dat is, u zult sterven. Zo wordt de dood een slaap genoemd, omdat de lichamen rusten tot de tijd van de opwekking; Ps. 13:4 , en Ps. 76:6 ; Dan. 12:2 ; Joh. 11:11 ; 1 Thess. 4:13 , 4:14 , 4:15 ; 2 Petr. 3:4 . Psalmen 13:4 : Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape; Psalmen 76:6 : De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 11:11 : Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken. 1 Thessalonicensen 4:13 : Maar, broers, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. 1 Thessalonicensen 4:14 : Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem. 1 Thessalonicensen 4:15 : Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heer, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 2 Petrus 3:4 : En zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping.
[^deuteronomium-31-16-18]: Kanttekening 18: nahoereren de goden: Zie Ex. 34:15 , en Lev. 20:5 . Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^deuteronomium-31-16-19]: Kanttekening 19: van de vreemden van dat land: Hebreeuws, van de vreemden van dat land; dat is, van de Kanaänieten, die van God en zijn volk vervreemd waren, dienende vreemde goden.
[^deuteronomium-31-16-20]: Kanttekening 20: Versta, het land, of de vreemde Kanaänietische inwoners daarvan.
[^deuteronomium-31-16-21]: Kanttekening 21: hetzelfde gemaakt heb: Te weten, volk; en zo in het volgende doorgaans, hoewel het getal van enen en velen onder elkaar vermengd is.
[^deuteronomium-31-17-22]: Kanttekening 22: Mijn aangezicht van hen verbergen: Dat is, mijn zegen en hulp, waardoor Ik mijn genadige aanwezigheid placht te bewijzen, hunlieden onttrekken; en zo in vers 18 . Deuteronomium 31:18 : Ik dan zal Mijn aangezicht op die dag ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.
[^deuteronomium-31-17-23]: Kanttekening 23: ter voedsel zijn: Hebreeuws, om te eten; dat is, van de vijanden als wilde dieren verscheurd en verslonden te worden. Vergelijk boven, Deut. 7:16 ; Ez. 34:5 , 34:8 , 34:10 , en Ez. 35:12 . Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Ezechiël 34:5 : Zo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden, omdat zij verstrooid waren. Ezechiël 34:8 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet; Ezechiël 34:10 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot voedsel zullen zijn. Ezechiël 35:12 : En u zult weten, dat Ik, YHWH, al uw lasteringen gehoord heb, die u tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter voedsel gegeven.
[^deuteronomium-31-17-24]: Kanttekening 24: kwaden en benauwdheden: Dat is, ongelukken, ellenden; en zo in het volgende.
[^deuteronomium-31-17-25]: Kanttekening 25: Te weten, volk; gelijk boven en in het volgende.
[^deuteronomium-31-17-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, gevonden; en zo in vers 21 . Deuteronomium 31:21 : En het zal gebeuren, wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelfde zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit de mond zijns zaads niet vergeten worden; omdat Ik weet zijn maaksel dat het heden maakt, aleer Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb.
[^deuteronomium-31-17-27]: Kanttekening 27: in het midden van mij niet is: Gelijk boven, Deut. 1:42 . Deuteronomium 1:42 : Zo zei YHWH tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen worde.
[^deuteronomium-31-18-28]: Kanttekening 28: ganselijk verbergen: Hebreeuws, verbergende verbergen.
[^deuteronomium-31-19-29]: Kanttekening 29: dit lied: Dat in Deut. 32 beschreven is, zijnde van God gesteld in de vorm van een lied, opdat het volk het te bekwamer mocht leren en onthouden.
[^deuteronomium-31-19-30]: Kanttekening 30: legt het in hun mond: Dat is, maakt dat zij het wel verstaan, van buiten leren en zingen kunnen, en zo dagelijks in de mond hebben. Vergelijk Ex. 4:15 ; 2 Sam. 14:3 , enz. Exodus 4:15 : U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. 2 Samuël 14:3 : En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.
[^deuteronomium-31-19-31]: Kanttekening 31: ten getuige zij: Tot een gedachtenis van al mijn getrouwe waarschuwingen, en tot hun overtuiging van de rechtvaardigheid mijner straf, wanneer zij opstandig zullen zijn.
[^deuteronomium-31-21-32]: Kanttekening 32: hetzelfde zullen treffen: Te weten, volk, gelijk boven en onder.
[^deuteronomium-31-21-33]: Kanttekening 33: Het maaksel zijns harten. Zie Gen. 6:5 . Genesis 6:5 : En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was.
[^deuteronomium-31-21-34]: Kanttekening 34: gezworen heb: Hun te zullen geven.
[^deuteronomium-31-23-35]: Kanttekening 35: Hij gebood Jozua: YHWH.
[^deuteronomium-31-23-g]: Verwijzing g: Joz. 1:6 . Jozua 1:6 : Wees sterk en heb goede moed! want u zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.
[^deuteronomium-31-24-36]: Kanttekening 36: wet te schrijven in een boek: Dit wordt verstaan niet alleen van de tafelen van de tien geboden en dit lied, maar van de gehele verklaring van de wet, daar zij in deze boeken van Mozes begrepen is.
[^deuteronomium-31-26-h]: Verwijzing h: 2 Kon. 22:8 . 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^deuteronomium-31-26-37]: Kanttekening 37: aan de zijde van de ark van het verbond: In het heilige van de heiligen, om de waardigheid en goddelijkheid van dit boek te betuigen. De twee tafelen van het verbond lagen in de ark; en dit boek \[om de ark niet te openen\] buiten aan de zijde van de ark. Dit boek werd gevonden ten tijde van de koning Josia, 2 Kon. 22:8 . 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^deuteronomium-31-26-38]: Kanttekening 38: Niet alleen de Levieten, maar ook het gehele volk.
[^deuteronomium-31-27-39]: Kanttekening 39: harden nek: Vergelijk Jes. 48:4 . Jesaja 48:4 : Omdat Ik wist, dat u hard bent, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;
[^deuteronomium-31-27-40]: Kanttekening 40: bent u opstandig geweest: Zie boven, Deut. 9:7 , 9:23 , 9:24 . Deuteronomium 9:7 : Gedenk, vergeet niet, dat u YHWH, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwaamt aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen YHWH. Deuteronomium 9:23 : Verder als YHWH u zond uit Kades-barnea, zeggende: Gaat op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo was u de mond van YHWH, uws Gods, opstandig, en geloofde Hem niet, en was Zijn stem niet gehoorzaam. Deuteronomium 9:24 : Opstandig bent u geweest tegen YHWH, van de dag af, dat ik u gekend heb.
[^deuteronomium-31-29-41]: Kanttekening 41: zekerlijk zult verderven: Hebreeuws, verdervende zult verderven.
[^deuteronomium-31-29-42]: Kanttekening 42: dit kwaad: Versta, het kwaad van de straf, of allerlei plagen, die boven verhaald zijn.
[^deuteronomium-31-29-43]: Kanttekening 43: kwaad is in de ogen van YHWH: Versta, het kwaad van de zonde.

### Deuteronomium 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/32.json)

*Het goddelijke lied, waarin zeer heerlijk geroemd worden zowel God zelf als zijn overgrote weldaden aan Israel, vers 1 tot 5 en vers 7 tot 15. en waarin daartegenover zeer krachtig hun gruwelijke ondankbaarheid gelaakt wordt, 5, 6, 15, enz. Gods toorn en toekomstige straffen voorgesteld, 19. zonder echter de afgodische gruwelen van de vijanden van zijn volk te ontzien, 31. waarop God dan zijn volk weer troost, belovend dat hij zich op zijn en hun afgodische vijanden zal wreken, zijn kerk met zich zal verzoenen, verheugen en ook onder de heidenen zal uitbreiden, 36. Wanneer Mozes dit lied uitgesproken heeft, vermaant hij hen opnieuw om Gods woord tot hun eigen welzijn te betrachten, 44. en hij ontvangt diezelfde dag bevel om het land Kanaan vanaf een berg te zien en daar te sterven, 48.*

**1** Neig de oren,[^deuteronomium-32-1-1] u hemel, en ik zal spreken; en[^deuteronomium-32-1-2] de aarde hore de redenen van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v1)

**2** Mijn leer[^deuteronomium-32-2-3] druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als[^deuteronomium-32-2-4] druppelen op het kruid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v2)

**3** Want ik zal de Naam van YHWH[^deuteronomium-32-3-5] uitroepen;[^deuteronomium-32-3-6] geef onze God grootheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v3)

**4** Hij is de[^deuteronomium-32-4-7] Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al[^deuteronomium-32-4-8] Zijn wegen zijn recht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v4)

**5** [^deuteronomium-32-5-9] Hij heeft het tegen[^deuteronomium-32-5-10] Hem verdorven; het zijn[^deuteronomium-32-5-11] Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v5)

**6** Zult u dit YHWH vergelden, u, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u[^deuteronomium-32-6-12] verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v6)

**7** Gedenk aan de dagen van[^deuteronomium-32-7-13] ouds; merk op de jaren[^deuteronomium-32-7-14] van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v7)

**8** Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij[^deuteronomium-32-8-15] Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld[^deuteronomium-32-8-16] naar het getal van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v8)

**9** Want[^deuteronomium-32-9-17] het deel van YHWH is Zijn volk,[^deuteronomium-32-9-18] Jakob is het snoer van Zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v9)

**10** Hij vond hem in een land van de woestijn, en[^deuteronomium-32-10-19] in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als[^deuteronomium-32-10-20] Zijn oogappel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v10)

**11** Zoals een adelaar[^deuteronomium-32-11-21] zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt,[^deuteronomium-32-11-22] ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v11)

**12** Zo[^deuteronomium-32-12-23] leidde hem YHWH alleen, en er was geen vreemd god met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v12)

**13** Hij deed hem rijden op de[^deuteronomium-32-13-24] hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem[^deuteronomium-32-13-25] honing zuigen uit de steenrots, en olie uit de[^deuteronomium-32-13-26] kei van de rots; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v13)

**14** Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die[^deuteronomium-32-14-27] in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van[^deuteronomium-32-14-28] de nieren van tarwe; en het druivenbloed,[^deuteronomium-32-14-29] reine wijn, hebt u gedronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v14)

**15** Als nu[^deuteronomium-32-15-30] Jeschurun vet werd, zo[^deuteronomium-32-15-31] sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen,[^deuteronomium-32-15-32] Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v15)

**16** Zij hebben Hem tot[^deuteronomium-32-16-33] ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelijke dingen hebben zij Hem tot toorn verwekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v16)

**17** Zij hebben aan de[^deuteronomium-32-17-34] demonen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die[^deuteronomium-32-17-35] van nabij gekomen waren, voor die uw vaders niet geschrikt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v17)

**18** De Rotssteen, Die u[^deuteronomium-32-18-36] gegenereerd heeft, hebt u vergeten; en u hebt in vergetenis gesteld de God, Die u gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v18)

**19** Als YHWH zag, zo versmaadde Hij hen, uit[^deuteronomium-32-19-37] boosheid tegen zijn zonen en zijn dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v19)

**20** En Hij zei: Ik zal Mijn[^deuteronomium-32-20-38] aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun[^deuteronomium-32-20-39] einde zal wezen; want zij zijn een[^deuteronomium-32-20-40] geheel verkeerd geslacht, kinderen, in wie[^deuteronomium-32-20-41] geen trouw is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v20)

**21** [^deuteronomium-32-21-a] Zij hebben Mij tot ijver verwekt[^deuteronomium-32-21-42] door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun zinloosheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die[^deuteronomium-32-21-43] geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v21)

**22** Want[^deuteronomium-32-22-b] een[^deuteronomium-32-22-44] vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen[^deuteronomium-32-22-45] tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen[^deuteronomium-32-22-46] in vlam zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v22)

**23** Ik zal[^deuteronomium-32-23-47] kwaden over hen hopen; Mijn[^deuteronomium-32-23-48] pijlen zal Ik op hen verschieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v23)

**24** Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de[^deuteronomium-32-24-49] brandende pest en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig gif van slangen van[^deuteronomium-32-24-50] het stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v24)

**25** Van buiten zal het zwaard[^deuteronomium-32-25-51] beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook de jongeling, ook het meisje, het zuigende kind met de[^deuteronomium-32-25-52] grijze man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v25)

**26** Ik zei: In alle hoeken zou Ik[^deuteronomium-32-26-53] hen verstrooien; Ik zou hun herinnering van onder de mensen doen ophouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v26)

**27** Ten ware, dat Ik de[^deuteronomium-32-27-54] boosheid van de[^deuteronomium-32-27-55] vijand schroomde, dat niet hun tegenstanders zich[^deuteronomium-32-27-56] vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen:[^deuteronomium-32-27-57] Onze hand is hoog geweest; YHWH heeft dit alles niet gewerkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v27)

**28** Want[^deuteronomium-32-28-58] zij zijn een volk, dat door[^deuteronomium-32-28-59] raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v28)

**29** O, dat zij wijs waren; zij[^deuteronomium-32-29-60] zouden dit vernemen, zij zouden op hun[^deuteronomium-32-29-61] einde merken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v29)

**30** Hoe zou één[^deuteronomium-32-30-62] enige[^deuteronomium-32-30-63] duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hun[^deuteronomium-32-30-64] Rotssteen hen verkocht, en YHWH hen[^deuteronomium-32-30-65] overgeleverd had? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v30)

**31** Want[^deuteronomium-32-31-66] hun[^deuteronomium-32-31-67] rotssteen is niet zoals onze[^deuteronomium-32-31-68] Rotssteen,[^deuteronomium-32-31-69] zelfs onze vijanden rechters zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v31)

**32** Want hun wijnstok is[^deuteronomium-32-32-70] uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn[^deuteronomium-32-32-71] vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bessen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v32)

**33** Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v33)

**34** [^deuteronomium-32-34-72] Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v34)

**35** [^deuteronomium-32-35-c] Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hun voet zal wankelen; want de dag van hun ondergang is nabij, en de dingen,[^deuteronomium-32-35-73] die hun zullen gebeuren, haasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v35)

**36** Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten[^deuteronomium-32-36-74] berouwen; want Hij zal zien, dat de[^deuteronomium-32-36-75] hand is weggegaan, en de[^deuteronomium-32-36-76] beslotene en verlatene niets is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v36)

**37** Dan zal Hij zeggen: Waar zijn[^deuteronomium-32-37-77] hun goden; de rotssteen, op welke zij betrouwden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v37)

**38** [^deuteronomium-32-38-78] Van wie de slachtoffers vet zij aten, van wie de drankoffers wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat[^deuteronomium-32-38-79] er plek om te schuilen voor u zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v38)

**39** Zie nu, dat Ik, Ik DIE ben, en[^deuteronomium-32-39-d] geen God met Mij, Ik[^deuteronomium-32-39-e] dood en maak levend;[^deuteronomium-32-39-80] Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v39)

**40** Want[^deuteronomium-32-40-81] Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen:[^deuteronomium-32-40-82] Ik leef in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v40)

**41** Als Ik Mijn[^deuteronomium-32-41-83] glinsterend zwaard slijp, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenstanders doen terugkeren, en Mijn vijanden vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v41)

**42** Ik zal Mijn[^deuteronomium-32-42-84] pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van[^deuteronomium-32-42-85] de gevangenen,[^deuteronomium-32-42-86] van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v42)

**43** [^deuteronomium-32-43-87][^deuteronomium-32-43-f] Juich, u heidenen,[^deuteronomium-32-43-88] met Zijn volk! want Hij zal het bloed van Zijn[^deuteronomium-32-43-89] knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenstanders doen terugkeren, en[^deuteronomium-32-43-90] verzoenen Zijn land en Zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v43)

**44** En Mozes kwam, en sprak al de woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en[^deuteronomium-32-44-91] Hosea, de zoon van Nun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v44)

**45** Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot geheel Israël te spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v45)

**46** Zo zei hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik vandaag onder u betuige, dat u ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden van deze wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v46)

**47** Want dat is geen[^deuteronomium-32-47-92] vergeefs woord voor u; maar het is uw leven; en door dit woord zult u de dagen verlengen op het land, waar u over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v47)

**48** Daarna sprak YHWH tot Mozes, op die dag, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v48)

**49** [^deuteronomium-32-49-g] Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die[^deuteronomium-32-49-93] tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten tot een bezitting geven zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v49)

**50** En sterf[^deuteronomium-32-50-94][^deuteronomium-32-50-h] op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word met uw voorgeslacht verenigd; zoals uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd met zijn voorgeslacht verenigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v50)

**51** Omdat u zich tegen Mij[^deuteronomium-32-51-i] vergrepen hebt, in het midden van de Israëlieten, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat u Mij niet[^deuteronomium-32-51-95] geheiligd hebt in het midden van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v51)

**52** Want van tegenover zult u dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik de Israëlieten geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/32.html#v52)

[^deuteronomium-32-1-1]: Kanttekening 1: u hemel: Zulk een aanspraak van de onvernuftige schepselen diende tot Israëls overtuiging en beschaming. Vergelijk boven, Deut. 4:26 . Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^deuteronomium-32-1-2]: Kanttekening 2: de aarde hore de redenen: Of, u aarde, hoor.
[^deuteronomium-32-2-3]: Kanttekening 3: druipe als een regen: Of, zal druipen; dat is, ik zal een leer voorstellen, die zo dienstig en heilzaam zal zijn voor de mensen als de dauw en regen is voor het kruid. Vergelijk Ez. 21:2 ; Amos 7:16 ; Micha 2:6 , enz. Ezechiël 21:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël; Amos 7:16 : Nu dan, hoor het woord van YHWH: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak. Micha 2:6 : Profeteert u niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.
[^deuteronomium-32-2-4]: Kanttekening 4: druppelen op het kruid: Of, een dichte regen.
[^deuteronomium-32-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, roepen; dat is openbaarlijk verkondigen. Anders, aanroepen.
[^deuteronomium-32-3-6]: Kanttekening 6: geeft onze God grootheid: Dat is, schrijft hem toe de majesteit en grootmogendheid, die Hij heeft, en roemt hem vanwege dezelfde. Zie boven, Deut. 9:26 , en Deut. 11:2 . Deuteronomium 9:26 : En ik bad tot YHWH, en zei: Heer, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd. Deuteronomium 11:2 : En u zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van YHWH, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;
[^deuteronomium-32-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, vast en onbewegelijk, een gewisse toevlucht en bescherming voor de zijnen. Zo onder, vers 31 . Deuteronomium 32:31 : Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.
[^deuteronomium-32-4-8]: Kanttekening 8: Zijn wegen zijn gerichte: Al zijn doen, zijn gehele regering, is vergezelschapt met gerechtigheid, strekkende tot behoudenis van de vromen en straf van de bozen.
[^deuteronomium-32-5-9]: Kanttekening 9: Hij heeft het tegen: Namelijk, Israël.
[^deuteronomium-32-5-10]: Kanttekening 10: Hem verdorven: Namelijk, YHWH.
[^deuteronomium-32-5-11]: Kanttekening 11: Zijn kinderen niet: Te weten, die het zo verdorven en zo schandelijk gemaakt hebben. Anders, hun gebrek is niet van zijn kinderen; dat is, betaamt dengenen niet, die zijn kinderen genaamd worden, omdat het niet uit zwakheid, maar uit moedwil en een onboetvaardig hart voortkomt.
[^deuteronomium-32-6-12]: Kanttekening 12: Of, gekocht.
[^deuteronomium-32-7-13]: Kanttekening 13: van ouds: Hebreeuws, van de eeuw, of, eeuwigheid; dat is, gedenk aan alles, dat van het begin van de wereld in Gods kerk gebeurd is. Zie Jer. 2:20 . Jeremia 2:20 : Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^deuteronomium-32-7-14]: Kanttekening 14: van elk geslacht: Hebreeuws, van geslacht en geslacht; dat is, van alle geslachten, of elk geslacht. Zie 1 Kon. 8:39 . 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef iedereen naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^deuteronomium-32-8-15]: Kanttekening 15: Adams (אָדָם) kinderen vaneen scheidde: Anders, de kinderen van de mensen.
[^deuteronomium-32-8-16]: Kanttekening 16: naar het getal van de kinderen van Israël: Zo, te weten, dat Hij alle stammen en nakomelingen van Israël hun woningen en bezittingen heeft verordineerd en toegelegd. Vergelijk boven, Deut. 3:12 , 3:13 , enz., Joz. 13:14 , 13:15 , enz.; Hand. 17:26 . De zin is, dat God in zijn raad en regering zijn oog bijzonderlijk op zijn volk heeft gehad. Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Jozua 13:14 : Alleen gaf hij de stam Levi geen erfenis. De vuurofferen Gods, van YHWH van Israël, zijn zijn erfenis, gelijk als Hij tot hem gesproken had. Jozua 13:15 : Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, Handelingen 17:26 : En heeft uit een bloede het gehele geslacht van de mensen gemaakt, om op de hele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning;
[^deuteronomium-32-9-17]: Kanttekening 17: van YHWH deel is Zijn volk: Dat is, YHWH zeer lief, gelijk de mensen hun erfdeel placht te zijn.
[^deuteronomium-32-9-18]: Kanttekening 18: Jakob is het snoer van Zijn erve: Dat is, het volk van Israël, van Jakob afkomstig, is God zo na en waard, gelijk mensen hun erfdeel, dat men met snoeren placht af te meten en uit te delen. Zie boven, Deut. 3:4 . Deuteronomium 3:4 : En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.
[^deuteronomium-32-10-19]: Kanttekening 19: in een woeste huilende wildernis: Hebreeuws, in een woestheid van het huilen van de eenzaamheid, of, wildernis.
[^deuteronomium-32-10-20]: Kanttekening 20: Zijn oogappel: Gelijk mensen hun oogappel, die zeer teder is, naarstiglijk plegen te bewaren. Zie Ps. 17:8 ; Zach. 2:8 . Vergelijk Spreuk. 7:2 . Psalmen 17:8 : Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen, Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Spreuken 7:2 : Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als de appel van uw ogen.
[^deuteronomium-32-11-21]: Kanttekening 21: zijn nest opwekt: Dat is, zijn nestkiekens of jongskens met enig geluid wakker maakt, om hun te verstaan te geven dat hij hen aan het vliegen wil brengen.
[^deuteronomium-32-11-22]: Kanttekening 22: neemt en ze draagt op zijn vlerken: Hebreeuws, neemt het en draagt het; te weten, elk jong.
[^deuteronomium-32-12-23]: Kanttekening 23: hem YHWH alleen: Israël, of Jakob.
[^deuteronomium-32-13-24]: Kanttekening 24: hoogten van de aarde: Dat is, Hij verhoogde hem zeer heerlijk en gaf hem de hoogste en vastste steden in. Zie boven, Deut. 1:28 . Vergelijk met Deut. 2:36 , en Num. 21:25 , 21:32 . Zo onder, Deut. 33:29 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 2:36 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht. Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen. Numeri 21:32 : Daarna zond Mozes om Jaëzer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting. Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden!
[^deuteronomium-32-13-25]: Kanttekening 25: honig zuigen uit de steenrots: Want het beloofde land vloeide van honig, Ex. 3:8 , 3:17 , ook in bossen, 1 Sam. 14 , en holen van steenklippen, naar de aard van de bijen, Ps. 81:17 . Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. Exodus 3:17 : Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honig. Psalmen 81:17 : En Hij zou het gespijsd hebben met het vette van de tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.
[^deuteronomium-32-13-26]: Kanttekening 26: kei van de rots: Vergelijk boven, Deut. 8:15 . Deuteronomium 8:15 : Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
[^deuteronomium-32-14-27]: Kanttekening 27: in Bazan weiden: Hebreeuws, kinderen van Basan. Zie Num. 32:33 , 32:34 , en elders dikwijls, waar Basan \[gelegen aan de oostzijde van de Jordaan\] verklaard wordt geweest te zijn een zeer vette landouw. Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom. Numeri 32:34 : En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër,
[^deuteronomium-32-14-28]: Kanttekening 28: nieren van tarwe: Dat is, met zonderling dikke en gezwollen tarwekorreltjes, die ten aanzien van hun gedaante, gelegenheid in het vette en zwelling met de nieren vergeleken worden.
[^deuteronomium-32-14-29]: Kanttekening 29: reinen wijn: Of, rode wijnen.
[^deuteronomium-32-15-30]: Kanttekening 30: Jeschurun vet werd: Versta, het volk van Israël, dat hier Jeschurun genoemd wordt, omdat zij recht behoorden te zijn, en oprecht of rechtuit in Gods wegen te wandelen, als daartoe van hem geroepen zijnde, en omdat bij hen alleen was de regel van ware gerechtigheid, maar daar het verre daarvan geweest was en in het toekomende zou zijn, wordt hier deze titel, de rechte, of, die recht geworden is, hun verwijtswijze gegeven, die anders een treffelijke eretitel was; gelijk onder, Deut. 33:5 , 33:26 . Deuteronomium 33:5 : En Hij was koning in Jeschurun, als de hoofden van het volk zich vergaderden, samen met de stammen van Israël. Deuteronomium 33:26 : Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op de hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.
[^deuteronomium-32-15-31]: Kanttekening 31: sloeg hij achteruit: Gelijk dartele kalven of moedwillige paarden; dat is, hij werd rebel tegen God.
[^deuteronomium-32-15-32]: Kanttekening 32: Die hem gemaakt heeft: Hebreeuws, zijn Maker; zie Job 4:17 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
[^deuteronomium-32-16-33]: Kanttekening 33: ijver verwekt: Zie boven, Deut. 4:24 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^deuteronomium-32-17-34]: Kanttekening 34: duivelen geofferd: Dat is, de afgoden, door welke de duivelen gediend worden. Vergelijk 1 Kor. 10:20 . Het Hebreeuwse woord betekent verwoesters, zoals de duivelen met recht genoemd worden, gelijk de engel van de afgrond de verderver genoemd wordt; Openb. 9:11 . 1 Korinthiërs 10:20 : Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de duivelen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de duivelen gemeenschap hebt. Openbaring 9:11 : En zij hadden over zich tot een koning de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon (אֲבַדּוֺן), en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon.
[^deuteronomium-32-17-35]: Kanttekening 35: van nabij gekomen waren: Dat is, nieuwelijks, of onlangs opgekomen waren.
[^deuteronomium-32-18-36]: Kanttekening 36: gegenereerd heeft: Dat is, God, die als vader en moeder over u is, hebbende u tot zijn kinderen gemaakt, en met vaderlijke en moederlijke genegenheid behandeld.
[^deuteronomium-32-19-37]: Kanttekening 37: toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochters: Hebreeuws, toorn van zijn zonen en van zijn dochters; dat is, waarmee Hij tegen hen vertoornd was. Vergelijk Jer. 7:29 ; Joël 3:19 ; Obad. v. 10 , enz. Anders, die zijn zonen en zijn dochters verwekt hadden. Jeremia 7:29 : Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef een weeklacht op de hoge plaatsen; want YHWH heeft het geslacht van Zijn toorn verworpen en verlaten. Joël 3:19 : Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben. Obadja 1:10 : Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
[^deuteronomium-32-20-38]: Kanttekening 38: aangezicht van hen verbergen: Zie boven, Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^deuteronomium-32-20-39]: Kanttekening 39: einde zal wezen: Hebreeuws, laatste, uiterste, achterste; zo onder, vers 29 . Dat is, wat hem ten laatste wedervaren zal, hoe hun dit bekomen zal. Vergelijk Ps. 37:37 ; Spreuk. 14:12 , en Spreuk. 16:25 , met de aantekeningen. Deuteronomium 32:29 : O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken. Psalmen 37:37 : Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn. Spreuken 14:12 : Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen van de dood. Spreuken 16:25 : Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen van de dood.
[^deuteronomium-32-20-40]: Kanttekening 40: geheel verkeerd geslacht: Hebreeuws, geslacht van de verkeerdheden.
[^deuteronomium-32-20-41]: Kanttekening 41: trouw is: Dat is, die geen geloof noch woord houden, die ontrouw en meinedig zijn.
[^deuteronomium-32-21-a]: Verwijzing a: Rom. 10:19 . Romeinen 10:19 : Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal u tot jaloërsheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
[^deuteronomium-32-21-42]: Kanttekening 42: door wat geen God is: Dat is, door de afgoden. Zie 1 Kor. 8:4 , 8:5 , en 1 Kor. 10:19 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Korinthiërs 8:5 : Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), 1 Korinthiërs 10:19 : Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
[^deuteronomium-32-21-43]: Kanttekening 43: geen volk zijn: Versta, de heidenen, die God zou bekeren en roepen tot zijn kennis en gemeenschap, inplaats van de Joden. Zie Rom. 9:25 , en Rom. 10:19 , enz. Romeinen 9:25 : Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Romeinen 10:19 : Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal u tot jaloërsheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
[^deuteronomium-32-22-b]: Verwijzing b: Jer. 15:14 . Jeremia 15:14 : En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
[^deuteronomium-32-22-44]: Kanttekening 44: vuur is aangestoken in Mijn toorn: Dat is, gruwelijke plagen van verwoesting, krijg, honger, pestilentie, enz., gelijk volgt. Vergelijk boven, Deut. 4:24 . Zie Job 22:20 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Job 22:20 : Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^deuteronomium-32-22-45]: Kanttekening 45: tot in het onderste dodenrijk: Hebreeuws, tot het dodenrijk van het onderste, of, van de benedenheid toe; dat is, tot in de plaats van de graven, diep in de aarde, die zo zal worden verwoest en verdorven, dat zij in lang geen vruchten zal voortbrengen. Zie verder van het Hebreeuwse woord Scheol (שְׁאָ֫לָה) Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^deuteronomium-32-22-46]: Kanttekening 46: in vlam zetten: Hebreeuws, vlammen.
[^deuteronomium-32-23-47]: Kanttekening 47: kwaden over hen hopen: Dat is, plagen, ongelukken, die hier door Gods pijlen en vers 22 door het vuur verstaan worden. Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten.
[^deuteronomium-32-23-48]: Kanttekening 48: pijlen zal Ik op hen verschieten: Dat is, al mijn plagen, die de Schrift dikwijls Gods pijlen noemt, omdat zij van hem worden toegezonden en diep treffen; zo onder, vers 42 . Deuteronomium 32:42 : Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van de gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn.
[^deuteronomium-32-24-49]: Kanttekening 49: karbonkel en bitter verderf: Dat is, vurig gezwel, hebbende de naam van een vurige kool.
[^deuteronomium-32-24-50]: Kanttekening 50: Die het stof van de aarde eten, Gen. 3:14 . Genesis 3:14 : Toen zei YHWH God tot die slang: Omdat u dit gedaan hebt, zo bent u vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte van het veld! Op uw buik zult u gaan, en stof zult u eten, al de dagen uws levens.
[^deuteronomium-32-25-51]: Kanttekening 51: De één van de ander, zonder verschoning, gelijk volgt.
[^deuteronomium-32-25-52]: Kanttekening 52: grijzen man: Hebreeuws, man van de grijsheid, of, grauwigheid.
[^deuteronomium-32-26-53]: Kanttekening 53: Of, verdoen; uit hoeken zou Ik hen halen, hoek uit hoek in zou Ik hen jagen. Zie het vervolg van dit, vers 28 . Deuteronomium 32:28 : Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
[^deuteronomium-32-27-54]: Kanttekening 54: toornigheid van de vijand: Of, terging.
[^deuteronomium-32-27-55]: Kanttekening 55: Menselijk van God gesproken. De zin is: tenzij Ik zulks naliet om de eer mijns naams, opdat die onder de heidenen niet gelasterd worde.
[^deuteronomium-32-27-56]: Kanttekening 56: vreemd mochten houden: Te weten, zo, dat zij niet zouden willen weten dat Ik het gedaan had om Israëls gruwelijke zonden, maar dat zij door hulp van hun afgoden Israël zo hadden vermeesterd en uitgeroeid.
[^deuteronomium-32-27-57]: Kanttekening 57: Onze hand is hoog geweest: Dat is, wij hebben door onze macht de overhand over Israël bekomen; het is Gods werk niet.
[^deuteronomium-32-28-58]: Kanttekening 58: zij zijn een volk: De Israëlieten.
[^deuteronomium-32-28-59]: Kanttekening 59: raadslagen verloren gaat: Door eigen kwade raad zichzelven in het verderf stort.
[^deuteronomium-32-29-60]: Kanttekening 60: zouden dit vernemen: Of, dat zij dit verstonden! dat zij op hun einde merkten!
[^deuteronomium-32-29-61]: Kanttekening 61: einde merken: Zie boven, vers 20 . Deuteronomium 32:20 : En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.
[^deuteronomium-32-30-62]: Kanttekening 62: Te weten, van de vijanden.
[^deuteronomium-32-30-63]: Kanttekening 63: duizend jagen: Van de Israëlieten. Anders, een \[van de Israëlieten\] zou duizend \[vijanden\] verjagen, enz., ten ware, enz.
[^deuteronomium-32-30-64]: Kanttekening 64: rotssteen hen verkocht: Dat is, God; gelijk boven.
[^deuteronomium-32-30-65]: Kanttekening 65: overgeleverd had: Of, besloten had; te weten, in de hand van de vijanden.
[^deuteronomium-32-31-66]: Kanttekening 66: Te weten, van de vijanden.
[^deuteronomium-32-31-67]: Kanttekening 67: rotssteen is niet gelijk: Dat is, afgoden, op welke zij zich als op een rots verlaten.
[^deuteronomium-32-31-68]: Kanttekening 68: Onze God, op welke wij ons verlaten als op een rots.
[^deuteronomium-32-31-69]: Kanttekening 69: zelfs onze vijanden: Of, laat onze vijanden zelfs rechters zijn; dat is, zij moeten het zelf bekennen, als bevindende door de ervarenheid dat hun afgoden geheel geen macht hebben om te wreken of te straffen, gelijk de God van Israël zijn macht aan zijn volk en de vijanden daarvan in het openbaar betoont, aan beiden zijn rechtvaardigheid bewijzende.
[^deuteronomium-32-32-70]: Kanttekening 70: uit de wijnstok van Sodom: Alsof hij daaruit gesproten ware; dat is, zij zijn van gelijken aard en werken als die van Sodom en Gomorra. Een zeer schoon en vruchtbaar land, maar geheel goddeloze inwoners. Of, dit ziet op de wijn, die de afgoden geofferd werd. Zie vers 38 . Deuteronomium 32:38 : Wier slachtofferen vet zij aten, wier drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.
[^deuteronomium-32-32-71]: Kanttekening 71: vergiftige wijndruiven: Hebreeuws, wijndruiven van het vergift. Anders, van de gal; dat is, galachtig.
[^deuteronomium-32-34-72]: Kanttekening 72: Is dat niet bij Mij opgesloten: Dat is, Ik weet het alles zeer wel, en heb de wraak \[waarvan in het volgende\] vastelijk besloten, maar zal de executie opschorten tot de tijd, die Ik in mijn verborgen raad daartoe bestemd heb. Vergelijk Job 33:16 ; Ps. 56:9 . Job 33:16 : Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun kastijding; Psalmen 56:9 : U hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?
[^deuteronomium-32-35-c]: Verwijzing c: Rom. 12:19 ; Hebr. 10:30 ; 1 Petr. 2:23 . Romeinen 12:19 : Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heer. Hebreeën 10:30 : Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer. En opnieuw: De Heer zal Zijn volk oordelen. 1 Petrus 2:23 : Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Die, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
[^deuteronomium-32-35-73]: Kanttekening 73: die hun zullen gebeuren: Anders, die hun bereid zijn.
[^deuteronomium-32-36-74]: Kanttekening 74: Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^deuteronomium-32-36-75]: Kanttekening 75: hand is weggegaan: Dat is, alle macht, alle vermogen zijns volks.
[^deuteronomium-32-36-76]: Kanttekening 76: beslotene en verlatene niets is: Of, Dat er geen beslotene noch verlatene is. Dit schijnt een spreekwoord geweest te zijn, betekenende de uiterste benauwdheid en verwoesting. Vergelijk 1 Kon. 14:10 , en 1 Kon. 21:21 , en in het bijzonder 2 Kon. 14:26 . De zin is: dat het ook zelfs met hen gedaan was, beiden die zich in de steden verstopt en verborgen hadden, op hoop van te ontkomen; of van iemand door medelijden of gunst opgesloten of in gevangenis bewaard waren, en die in het ruime veld weggelaten of gevlucht waren, menende dat men van hen niet meer zou denken, dat zij reeds van de vijand schenen verlaten en vergeten te zijn. Wanneer zodanigen mee opgezocht en achterhaald worden, of dat er zulken bijkans niet zijn, dat is een teken dat er kwalijk iemand ontkomt of gespaard wordt. Wanneer het zover gekomen is, dan wil de Heer zeggen, zal God van de hemel hulp en verlossing zenden. 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 2 Koningen 14:26 : Want YHWH zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had.
[^deuteronomium-32-37-77]: Kanttekening 77: hun goden: Te weten, van de vijanden.
[^deuteronomium-32-38-78]: Kanttekening 78: Wier slachtofferen vet zij aten: Anders, welke het vette van hun slachtoffers aten, \[en\] de wijn van hun drankoffers dronken.
[^deuteronomium-32-38-79]: Kanttekening 79: verberging voor u zij: Of, een schuilplaats, of, dat er beschutting over u zij.
[^deuteronomium-32-39-d]: Verwijzing d: boven, Deut. 4:35 ; Jes. 45:5 ; idem v. 18 ; idem v. 22 . Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:18 : Want zo zegt YHWH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben YHWH, en niemand meer. Jesaja 45:22 : Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer.
[^deuteronomium-32-39-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 2:6 . 1 Samuël 2:6 : De YHWH doodt en maakt levend; Hij doet ter dodenrijk nederdalen, en Hij doet weer opkomen.
[^deuteronomium-32-39-80]: Kanttekening 80: versla en Ik heel: Of, verwond, doorsteek.
[^deuteronomium-32-40-81]: Kanttekening 81: Ik zal Mijn hand: Dat is, Ik zal zweren. God spreekt zo menselijkerwijze. Deze manier van doen was in het eedzweren gebruikelijk. Zie Gen. 14:22 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^deuteronomium-32-40-82]: Kanttekening 82: Ik leef in eeuwigheid: Zwerende bij mijzelf. Zie Hebr. 6:13 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
[^deuteronomium-32-41-83]: Kanttekening 83: glinsterend zwaard wette: Hebreeuws, de bliksem, of, blik, glinster van mijn zwaard.
[^deuteronomium-32-42-84]: Kanttekening 84: pijlen dronken maken van bloed: Zie boven, vers 23 . Deuteronomium 32:23 : Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
[^deuteronomium-32-42-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws, van de gevangenis.
[^deuteronomium-32-42-86]: Kanttekening 86: van het hoofd af: Dat is, van boven af, beginnende van het hoofd. Anders, van het begin af zullen de wraken, of, wrekingen van de vijand zijn; dat is, Ik zal alles, wat de vijanden van de beginne af misdaan hebben, samen wreken.
[^deuteronomium-32-43-87]: Kanttekening 87: Juicht, u heidenen: Zie Rom. 15:10 . Romeinen 15:10 : En opnieuw zegt Hij: Weest vrolijk, u heidenen met Zijn volk!
[^deuteronomium-32-43-f]: Verwijzing f: Rom. 15:10 . Romeinen 15:10 : En opnieuw zegt Hij: Weest vrolijk, u heidenen met Zijn volk!
[^deuteronomium-32-43-88]: Kanttekening 88: Zijn volk: Versta, de Joden.
[^deuteronomium-32-43-89]: Kanttekening 89: knechten wreken: Vergelijk Openb. 19:2 . Openbaring 19:2 : Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed van Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft.
[^deuteronomium-32-43-90]: Kanttekening 90: Te weten, met zichzelven, uit genade, om de Messias' wil.
[^deuteronomium-32-44-91]: Kanttekening 91: Hosea, de zoon van Nun: Dat is, Jozua.
[^deuteronomium-32-47-92]: Kanttekening 92: vergeefs woord voor u: Of, ijdel. De zin is: dit woord is zo ijdel of slecht niet, dat het u de moeite niet waard zou zijn op het hoogste dat te behartigen.
[^deuteronomium-32-49-g]: Verwijzing g: Num. 27:12 . Numeri 27:12 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Klim op deze berg Abarim, en zie dat land, dat Ik de kinderen van Israël gegeven heb.
[^deuteronomium-32-49-93]: Kanttekening 93: tegenover Jericho is): Of, in het gezicht van Jericho.
[^deuteronomium-32-50-94]: Kanttekening 94: vergaderd tot uw volken: Zie Gen. 15:15 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden.
[^deuteronomium-32-50-h]: Verwijzing h: Num. 27:13 ; Num. 33:38 . Numeri 27:13 : Wanneer u dat gezien zult hebben, dan zult u tot uw volken verzameld worden, u ook, gelijk als uw broer Aäron verzameld geworden is; Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^deuteronomium-32-51-i]: Verwijzing i: Num. 20:12 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^deuteronomium-32-51-95]: Kanttekening 95: geheiligd hebt: Dat is, u hebt zulk een vertrouwen die tijd op Mij niet gehad en tot mijn eer voor het volk in het openbaar vertoond gelijk u betaamde. Zie verder Lev. 10:3 . Leviticus 10:3 : En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat YHWH gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron zweeg stil.

### Deuteronomium 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/33.json)

*Mozes zegent de twaalf stammen van Israel voor zijn dood en voorzegt wat elke stam zal overkomen.*

**1** Dit nu is de[^deuteronomium-33-1-1] zegen, met welke Mozes, de[^deuteronomium-33-1-2] man van God, de Israëlieten gezegend heeft, voor zijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v1)

**2** Hij zei dan: YHWH is van Sinaï gekomen, en is voor hen opgegaan van Seïr; Hij is blinkend verschenen van het gebergte[^deuteronomium-33-2-4] Paran, en is aangekomen met tien duizenden van de heiligen; tot Zijn rechterhand was een[^deuteronomium-33-2-6] vurige wet aan[^deuteronomium-33-2-7] hen.[^deuteronomium-33-2-3][^deuteronomium-33-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v2)

**3** Immers houdt Hij van de[^deuteronomium-33-3-8] volken! Al zijn heiligen zijn[^deuteronomium-33-3-9] in Uw hand;[^deuteronomium-33-3-10] zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal[^deuteronomium-33-3-11] ontvangen van Uw woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v3)

**4** Mozes heeft ons de wet geboden, een[^deuteronomium-33-4-12] erfenis van[^deuteronomium-33-4-13] Jakobs gemeente; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v4)

**5** En Hij was[^deuteronomium-33-5-14] koning in[^deuteronomium-33-5-15] Jeschurun, als de hoofden van het volk zich verzamelden, samen met de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v5)

**6** Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn mensen[^deuteronomium-33-6-16] van getal zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v6)

**7** En[^deuteronomium-33-7-17] dit is van Juda, dat[^deuteronomium-33-7-18] hij zei:[^deuteronomium-33-7-19] Hoor, YHWH! de stem van Juda! en[^deuteronomium-33-7-20] breng hem weer tot zijn volk;[^deuteronomium-33-7-21] zijn handen moeten hem genoegzaam zijn, en weest U hem een[^deuteronomium-33-7-22] Hulp tegen zijn vijanden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v7)

**8** En van Levi zei hij:[^deuteronomium-33-8-23] Uw Thummim en Uw Urim zijn aan de man, Uw[^deuteronomium-33-8-24] gunstgenoot; die U[^deuteronomium-33-8-25] verzocht hebt in Massa, met welke U getwist hebt aan de wateren van Meriba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v8)

**9** [^deuteronomium-33-9-26] Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik[^deuteronomium-33-9-27] zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en[^deuteronomium-33-9-28] bewaarden Uw verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v9)

**10** Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet;[^deuteronomium-33-10-29] zij zullen reukwerk voor Uw[^deuteronomium-33-10-30] neus leggen, en dat geheel[^deuteronomium-33-10-31] verteerd zal worden, op Uw[^deuteronomium-33-10-32] altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v10)

**11** Zegen, YHWH! zijn[^deuteronomium-33-11-33] vermogen, en laat U het werk van zijn handen wel[^deuteronomium-33-11-34] bevallen; versla het middel van degenen, die tegen hem opstaan en hem haten,[^deuteronomium-33-11-35] dat zij niet weer opstaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v11)

**12** En van Benjamin zei hij: De[^deuteronomium-33-12-36] geliefde van YHWH, hij zal zeker[^deuteronomium-33-12-37] bij Hem wonen. Hij zal hem de hele dag[^deuteronomium-33-12-38] overdekken, en[^deuteronomium-33-12-39] tussen Zijn schouders zal hij wonen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v12)

**13** En van Jozef zei hij:[^deuteronomium-33-13-a] Zijn land zij gezegend van YHWH, van het[^deuteronomium-33-13-40] uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de[^deuteronomium-33-13-41] diepte, die beneden is liggende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v13)

**14** En[^deuteronomium-33-14-42] van de uitnemendste inkomsten van de zon, en van[^deuteronomium-33-14-43] de uitnemendste voortzetting van de maan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v14)

**15** En van[^deuteronomium-33-15-44] het voornaamste van[^deuteronomium-33-15-45] de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v15)

**16** En van het uitnemendste van de aarde en haar volheid,[^deuteronomium-33-16-46] en van de goedgunstigheid van Degene,[^deuteronomium-33-16-47] Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd[^deuteronomium-33-16-48] van Jozef, en op de schedel van[^deuteronomium-33-16-49][^deuteronomium-33-16-b] de afgezonderden van zijn broers! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v16)

**17** Hij heeft de heerlijkheid van[^deuteronomium-33-17-50] de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van[^deuteronomium-33-17-51] de eenhoorn; daarmee zal hij de volken samen stoten tot aan de einden van het land.[^deuteronomium-33-17-52] Deze[^deuteronomium-33-17-53] nu zijn de tien duizenden van[^deuteronomium-33-17-54] Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v17)

**18** En van Zebulon zei hij: Verheug u, Zebulon! over uw[^deuteronomium-33-18-55] uittocht, en Issaschar! over uw[^deuteronomium-33-18-56] hutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v18)

**19** [^deuteronomium-33-19-57] Zij zullen de volken tot de berg roepen; daar zullen zij offergaven[^deuteronomium-33-19-58] van de gerechtigheid offeren; want zij zullen de[^deuteronomium-33-19-59] overvloed van de zeeën zuigen, en de[^deuteronomium-33-19-60] bedekte verborgen dingen van[^deuteronomium-33-19-61] het zand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v19)

**20** En van Gad zei hij:[^deuteronomium-33-20-62] Gezegend zij,[^deuteronomium-33-20-63] die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een[^deuteronomium-33-20-64] oude leeuw, en verscheurt de arm, ja ook de schedel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v20)

**21** En[^deuteronomium-33-21-65] hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij daar in het deel van de wetgever bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden van het volk; hij verrichtte de gerechtigheid van YHWH, en zijn gerichten met Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v21)

**22** En van Dan zei hij: Dan is een jonge[^deuteronomium-33-22-66] leeuw; hij zal als[^deuteronomium-33-22-67] uit Bazan voortspringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v22)

**23** En van Nafthali zei hij: O Nafthali! wees verzadigd van de[^deuteronomium-33-23-68] goedgunstigheid, en vol van de zegen van YHWH; bezit erfelijk het[^deuteronomium-33-23-69] westen en het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v23)

**24** En van Aser zei hij: Aser zij gezegend[^deuteronomium-33-24-70] met zonen; hij zij zijn broers aangenaam, en[^deuteronomium-33-24-71] dope zijn voet in olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v24)

**25** [^deuteronomium-33-25-72] IJzer en koper zal[^deuteronomium-33-25-73] onder uw schoen zijn; en uw[^deuteronomium-33-25-74] sterkte zoals uw dagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v25)

**26** [^deuteronomium-33-26-75] Niemand is er zoals God, o Jeschurun! Die[^deuteronomium-33-26-76] op de hemel vaart tot uw hulp, en[^deuteronomium-33-26-77] met Zijn hoogheid op de[^deuteronomium-33-26-78] bovenste wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v26)

**27** [^deuteronomium-33-27-79] De eeuwige God zij u[^deuteronomium-33-27-80] een woning, en van onder[^deuteronomium-33-27-81] eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Vernietig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v27)

**28** [^deuteronomium-33-28-c] Israël dan zal zeker alleen wonen,[^deuteronomium-33-28-82] en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en nieuwe wijn; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v28)

**29** Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH,[^deuteronomium-33-29-83] het Schild van uw hulp, en Die een[^deuteronomium-33-29-84] Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u[^deuteronomium-33-29-85] onderwerpen, en u zult op[^deuteronomium-33-29-86] hun hoogten treden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/33.html#v29)

[^deuteronomium-33-1-1]: Kanttekening 1: Zie Gen. 27 .
[^deuteronomium-33-1-2]: Kanttekening 2: man van God: Dat is, de profeet, sprekende door ingeven van de Heiligen Geestes, 2 Petr. 1:21 . Zie verder van deze titel Richt. 13:6 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^deuteronomium-33-2-4]: Kanttekening 4: Van Seïr en Paran zie men Gen. 14:6 , en boven Deut. 1:1 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. Deuteronomium 1:1 : Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.
[^deuteronomium-33-2-6]: Kanttekening 6: vurige wet: Hebreeuws, vuur van de wet. Versta, dat grote vuur, uit welks midden de wet tot het volk uitgesproken werd. Zie boven, Deut. 4:11 , 4:12 , 4:33 , 4:36 , en Deut. 5:22 , 5:23 , 5:24 , 5:25 , 5:26 , en Ex. 19:16 , 19:18 . Anders, hadden zij; te weten, de heilige engelen, een vuur van de wet. Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). Deuteronomium 4:12 : Zo sprak YHWH tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zaagt geen gelijkenis, behalve de stem. Deuteronomium 4:33 : Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, gelijk als u gehoord hebt, en levend zij gebleven? Deuteronomium 4:36 : Van de hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en u hebt Zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord. Deuteronomium 5:22 : Deze woorden sprak YHWH tot uw gehele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij. Deuteronomium 5:23 : En het geschiedde, als u die stem uit het midden van de duisternis hoorde, en de berg van vuur brandde, zo naderde u tot mij, alle hoofden van uw stammen, en uw oudsten, Deuteronomium 5:24 : En zeide: Zie, YHWH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft. Deuteronomium 5:25 : Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven. Deuteronomium 5:26 : Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven? Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer.
[^deuteronomium-33-2-7]: Kanttekening 7: De Israëlieten.
[^deuteronomium-33-2-3]: Kanttekening 3: YHWH is van Sinaï gekomen: Mozes schijnt hier Gods openbaringen, in zijn tijd aan Israël gedaan, te vergelijken bij de gang van de zon, die hiervoor breekt allengskens, en bij trappen rijst en meerder licht geeft, totdat zij ten laatste het klare middaglicht voortbrengt. Zo heeft de Heer eerst zijn wet gegeven op de berg Sinaï, Ex. 19 , Ex. 20 . Daarna heeft Hij water uit de rots gegeven en aan het gebergte Seïr, of van de Edomieten, de metalen slang, zijnde, naast het man, voorbeelden van Christus, doen oprichten, Num. 20:21 ; Joh. 3:14 ; 1 Kor. 10:4 . Ten laatste heeft Hij door Mozes in het land van de Moabieten zijn wet zeer heerlijk verklaard, dat profetische lied en deze zegen voor zijn volk geopenbaard, gelijk in dit gehele boek te zien is. Vergelijk Hab. 3:3 , 3:4 , enz. Numeri 20:21 : Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. Johannes 3:14 : En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon van de mensen verhoogd worden; 1 Korinthiërs 10:4 : En allen dezelfde geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Habakuk 3:3 : God kwam van Theman, en de Heilige van de berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en de aarde was vol van Zijn lof. Habakuk 3:4 : En er was een glans als van het licht, Hij had hoornen aan Zijn hand, en daar was Zijn sterkte verborgen.
[^deuteronomium-33-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, van de heiligheid. Versta, de millioenen van de heilige engelen, wier hoofd de Zoon van God is. Zie Hand. 7:53 ; Gal. 3:19 , en vergelijk Ps. 68:18 ; Dan. 7:10 , enz. Handelingen 7:53 : U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden! Galaten 3:19 : Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar. Psalmen 68:18 : Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heer is onder hen, een Sinaï in heiligheid! Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
[^deuteronomium-33-3-8]: Kanttekening 8: Versta, de stammen van Israël, gelijk Richt. 5:14 , en onder, vers 19 , enz. Richteren 5:14 : Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door de staf van de schrijver. Deuteronomium 33:19 : Zij zullen de volken tot de berg roepen; daar zullen zij offeranden van de gerechtigheid offeren; want zij zullen de overvloed van de zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen van het zand.
[^deuteronomium-33-3-9]: Kanttekening 9: in Uw hand: Dat is, U aanschouwt, bezorgt en bewaart hen. Mozes spreekt hier God aan.
[^deuteronomium-33-3-10]: Kanttekening 10: zij zullen in het midden: Anders, laat hen, enz., te weten, als discipelen aan de voeten van hun meester. Zie 2 Kon. 2:3 , en 2 Kon. 4:38 ; Hand. 22:3 . 2 Koningen 2:3 : Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. 2 Koningen 4:38 : Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en zied moes voor de zonen van de profeten. Handelingen 22:3 : Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent;
[^deuteronomium-33-3-11]: Kanttekening 11: ontvangen van Uw woorden: Wat hem tot onderwijs en zaligheid mag strekken.
[^deuteronomium-33-4-12]: Kanttekening 12: Die Gods volk zo lief en dierbaar moet zijn, als een mens zijn erfdeel is.
[^deuteronomium-33-4-13]: Kanttekening 13: Jakobs gemeente: De gemeente, die van Jakob afkomstig is.
[^deuteronomium-33-5-14]: Kanttekening 14: Wetten gevende, en het volk regerende als een koning. Ook wordt het woord koning voor een vorst of prins genomen, Jer. 19:3 , en Jer. 46:25 . Zie de aantekeningen daar. Jeremia 19:3 : En zeg: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van dat een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen; Jeremia 46:25 : YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^deuteronomium-33-5-15]: Kanttekening 15: Zie boven, Deut. 32:15 . Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^deuteronomium-33-6-16]: Kanttekening 16: van getal zijn: Of, dat zij \[niet\] weinig van getal zijn; dat is, groot van getal. Anders, hoewel zijn mensen weinig van getal zijn.
[^deuteronomium-33-7-17]: Kanttekening 17: dit is van Juda: Dat is, dit is de zegen van Juda; waaronder Simeon mee begrepen is, als hebbende zijn land onder Juda verspreid, en met hem ten oorlog uittrekkende. Zie Joz. 19:1 ; Richt. 1:3 ; 1 Kron. 4:24 . Jozua 19:1 : Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda. Richteren 1:3 : Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Zo toog Simeon op met hem. 1 Kronieken 4:24 : De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
[^deuteronomium-33-7-18]: Kanttekening 18: hij zei: Namelijk Mozes, en zo in het volgende.
[^deuteronomium-33-7-19]: Kanttekening 19: Hoor, YHWH: Als zij u bidden om victorie.
[^deuteronomium-33-7-20]: Kanttekening 20: breng hem weer: Maak dat hij overwinne en behouden weer tot de zijnen kome.
[^deuteronomium-33-7-21]: Kanttekening 21: zijn handen: Geef hem genoegzame kracht om tegen zijn vijanden te bestaan.
[^deuteronomium-33-7-22]: Kanttekening 22: tegen zijn vijanden: Hebreeuws, van; dat is, die hem bijsta en redde van zijn vijanden.
[^deuteronomium-33-8-23]: Kanttekening 23: Uw Thummim en Uw Urim: Mozes spreekt hier, gelijk ook in de volgende verzen, God aan. Van urim en thummim, zie Ex. 28:30 . Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH.
[^deuteronomium-33-8-24]: Kanttekening 24: Te weten, de hogepriester, die een man van God en in Gods gunst was. Anders, uw welbeminde, uw weldadige, goedgunstige, goedertierene.
[^deuteronomium-33-8-25]: Kanttekening 25: verzocht hebt in Massa: Zie de historie Num. 20 .
[^deuteronomium-33-9-26]: Kanttekening 26: Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Namelijk, Levi.
[^deuteronomium-33-9-27]: Kanttekening 27: zie hem niet: Dat is, ik verschoon hen of spaar hen niet, wanneer God mij zulks gebiedt. Dit ziet op de historie Ex. 32:26 , enz. Exodus 32:26 : Zo bleef Mozes staan in de poort van het leger, en zei: Wie YHWH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.
[^deuteronomium-33-9-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, kende.
[^deuteronomium-33-10-29]: Kanttekening 29: zij zullen reukwerk: Te weten de Levietische priesters; Ex. 40:27 . Exodus 40:27 : En hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als YHWH aan Mozes geboden had.
[^deuteronomium-33-10-30]: Kanttekening 30: neus leggen: Menselijk van God gesproken; dat is, voor U, U, die op een bijzondere wijze tegenwoordig bent bij de ark van het verbond, die in het allerheiligste was, achter welks voorhangsel het reukaltaar stond.
[^deuteronomium-33-10-31]: Kanttekening 31: verteerd zal worden: Met vuur, als brandoffers en enige andere offers.
[^deuteronomium-33-10-32]: Kanttekening 32: Van het brandoffer.
[^deuteronomium-33-11-33]: Kanttekening 33: Of, zijn legermacht; dat is, heiren; zo de Levieten in hun orden tot verscheidene diensten onderscheiden waren. Zie Num. 4 .
[^deuteronomium-33-11-34]: Kanttekening 34: versla de lenden van degenen: Of, verwond, doorsteek; dat is, verbreek hun kracht. Vergelijk Ps. 18:39 . Psalmen 18:39 : Ik doorstak hen, dat zij niet weer konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
[^deuteronomium-33-11-35]: Kanttekening 35: dat zij niet weer opstaan: Anders, zo haast als zij opstaan.
[^deuteronomium-33-12-36]: Kanttekening 36: beminde van YHWH: Dit ziet op de tedere liefde van Jakob tot Benjamin, tot welke Jakob zonder twijfel van God gedreven was. Zie daarvan Gen. 42:36 , 42:38 , en Gen. 43:6 , 43:14 , en Gen. 44:20 , 44:22 , 44:29 , enz. Genesis 42:36 : Toen zei Jakob, hun vader, tot hen: U berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult u Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij! Genesis 42:38 : Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zoudt u mijn grauwe haar met droefenis ten grave doen nederdalen. Genesis 43:6 : En Israël zei: Waarom hebt u zo kwalijk aan mij gedaan, dat u die man te kennen gaf, of u nog een broer hadt? Genesis 43:14 : En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw anderen broer en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd! Genesis 44:20 : Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een oude vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinste, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. Genesis 44:22 : En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; als hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven. Genesis 44:29 : Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt u mijn grauwe haar met jammer ten grave doen nederdalen!
[^deuteronomium-33-12-37]: Kanttekening 37: bij Hem wonen: Bij YHWH, gelijk Benjamin eertijds bij zijn vader Jakob.
[^deuteronomium-33-12-38]: Kanttekening 38: Of, beschutten.
[^deuteronomium-33-12-39]: Kanttekening 39: tussen Zijn schouders: Tussen Benjamins schouders zal YHWH wonen; dat is, in Jeruzalem, de hoofdstad van zijn bezitting. Zo wordt Jeruzalem vergeleken bij het hoofd, staande tussen de schouders, en Benjamins land bij het lichaam.
[^deuteronomium-33-13-a]: Verwijzing a: Gen. 49:25 . Genesis 49:25 : Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen van het hemel van boven, met zegeningen van de afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder!
[^deuteronomium-33-13-40]: Kanttekening 40: uitnemendste van de hemel: Versta, de uitnemendste vruchte, die door de regen van de lucht voortgekomen en groeien. Zie Gen. 49:25 . Genesis 49:25 : Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen van de afgrond, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder!
[^deuteronomium-33-13-41]: Kanttekening 41: Dat is, de diepe wateren. Zie Gen. 49:25 . Genesis 49:25 : Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen van de afgrond, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder!
[^deuteronomium-33-14-42]: Kanttekening 42: uitnemendste inkomsten van de zon: Hebreeuws, van het uitnemendste van de inkomsten van de zon; en zo in het volgende; dat is, de schoonste vruchten, die door de warmte van de zon voortkomen en rijpen.
[^deuteronomium-33-14-43]: Kanttekening 43: Die de maan in verscheiden maanden is voortzettende of voortstotende, doordien zij de aarde bevochtigt.
[^deuteronomium-33-15-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, van het hoofd; dat is, het principaalste, voornaamste; Ex. 30:23 . Versta, de schone gezonde kruiden, boomvruchten, wijnstokken, de schone olijf- en vijgebomen, die zeer lieflijk op de bergen en heuvelen voortkomen. Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
[^deuteronomium-33-15-45]: Kanttekening 45: oude bergen: Hebreeuws, bergen van de oudheid, en zo, heuvelen van de eeuwigheid; dat is, die van het begin van de wereld geweest zijn. Zie Gen. 49:26 . Genesis 49:26 : De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderde van zijn broers!
[^deuteronomium-33-16-46]: Kanttekening 46: en van de goedgunstigheid: Of, en \[dit door\] de goedgunstigheid Gods; zijnde de fontein van deze zegen.
[^deuteronomium-33-16-47]: Kanttekening 47: Die in het braambos woonde: Die Mozes in het bos verscheen, Ex. 3:2 . Exodus 3:2 : En de Engel van YHWH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.
[^deuteronomium-33-16-48]: Kanttekening 48: Dat is, Jozefs nakomelingen.
[^deuteronomium-33-16-49]: Kanttekening 49: afgezonderden van zijn broers: Zie Gen. 48:22 , en Gen. 49:26 . Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. Genesis 49:26 : De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderde van zijn broers!
[^deuteronomium-33-16-b]: Verwijzing b: Gen. 49:26 . Genesis 49:26 : De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderden zijn broers!
[^deuteronomium-33-17-50]: Kanttekening 50: eerstgeborenen zijns osses: Dat is, hij is schoon, sterk en wakker, als de eerstgeborene van een van zijn ossen.
[^deuteronomium-33-17-51]: Kanttekening 51: Zie Num. 23:22 ,en Num. 24:8 . De gelijkenis van hoornen wordt dikwijls in de Schrift gebruikt om te betekenen: macht, sterkte en bescherming, heerlijkheid, eer, waardigheid, hoogmoed, verhoging; idem, vastheid en duurzaamheid van een ding. Zie 1 Sam. 2:1 ; 2 Sam. 22:3 ; Job 16:15 ; Ps. 22:22 , en Ps. 75:5 , 75:6 , 75:11 , en Ps. 89:18 , 89:25 , en Ps. 92:11 , en Ps. 112:9 , en Ps. 132:17 , en Ps. 148:14 ; Jer. 48:25 ; Klaagl. 2:3 , 2:17 ; Ez. 29:21 , en Ez. 34:21 ; Micha 4:13 ; Luk. 1:69 , enz. Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn. Numeri 24:8 : God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. 1 Samuël 2:1 : Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt van vreugde op in YHWH; mijn hoorn is verhoogd in YHWH; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. 2 Samuël 22:3 : God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost! Job 16:15 : Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. Psalmen 22:22 : Verlos mij uit de muil van de leeuw; en verhoor mij van de hoornen van de eenhoornen. Psalmen 75:5 : Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt de hoorn niet. Psalmen 75:6 : Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals. Psalmen 75:11 : En ik zal alle hoornen van de goddelozen afhouwen; de hoornen van de rechtvaardige zullen verhoogd worden. Psalmen 89:18 : Want U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. Psalmen 89:25 : En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. Psalmen 92:11 : Maar U zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten. Psalmen 112:9 : Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt. Psalmen 148:14 : En Hij heeft de hoorn van Zijn volk verhoogd, de roem van al Zijn gunstgenoten, van de kinderen van Israël, van het volk, dat nabij Hem is. Hallelujah! Jeremia 48:25 : Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt YHWH. Klaagliederen 2:3 : Gimel. Hij heeft, in ontsteking van de toorn, de hele hoorn Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert. Klaagliederen 2:17 : Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd. Ezechiël 29:21 : Op die dag zal Ik de hoorn van het huis van Israël doen uitspruiten, en u opening van de mond geven in het midden van hen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 34:21 : Omdat u al de zwakken met de zijde en met de schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat u dezelfde naar buiten toe verstrooid hebt; Micha 4:13 : Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun winst YHWH verbannen, en hun vermogen de Heer van de gehele aarde. Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
[^deuteronomium-33-17-52]: Kanttekening 52: van het land: Of, van de aarde.
[^deuteronomium-33-17-53]: Kanttekening 53: Deze nu zijn de tien duizenden: Dat is, deze hoornen van Jozef beduiden, enz.
[^deuteronomium-33-17-54]: Kanttekening 54: Efraïm wordt groter gerekend, omdat het recht van de eerstgeboorte op hem was overgebracht door Jakob. Zie Gen. 48:14 , 48:17 , 48:18 , 48:19 . Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Genesis 48:17 : Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen. Genesis 48:18 : En Jozef zei tot zijn vader: Niet zo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. Genesis 48:19 : Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broer groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
[^deuteronomium-33-18-55]: Kanttekening 55: Dat is, vanwege uw zeevaart en handel, waardoor u rijkdom bekomen zult. Zie Gen. 49:13 ; Joz. 19:11 ; Matt. 4:15 . Genesis 49:13 : Zebulon zal aan de haven van de zeeën wonen, en hij zal aan de haven van de schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon. Jozua 19:11 : En hun landpale gaat naar boven naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is. Mattheüs 4:15 : Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken;
[^deuteronomium-33-18-56]: Kanttekening 56: Dat is, over uw veehandel, waartoe de hutten dienden. Zie Gen. 4:20 , en vergelijk Gen. 49:14 , 49:15 . Genesis 4:20 : En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader van degenen, die tenten bewoonden, en vee hadden. Genesis 49:14 : Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken. Genesis 49:15 : Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder belasting.
[^deuteronomium-33-19-57]: Kanttekening 57: Zij zullen de volken: Dat is, zij zullen, door Gods zegen verwekt zijnde, ijveren om de andere stammen met hun exempel, als ver vandaan wonende, te nodigen en op te wekken om mee naar de berg Zion te gaan, tot de godsdienst. Sommigen verstaan ook dat zij door middel van de zeevaart de heidenen zouden nodigen tot de ware religie.
[^deuteronomium-33-19-58]: Kanttekening 58: van de gerechtigheid offeren: Dat is, wettelijke offeranden, of, dankoffers, die zij naar recht schuldig zijn.
[^deuteronomium-33-19-59]: Kanttekening 59: overvloed van de zeeën zuigen: Dat is, die waren en rijkdommen, welke over zee gebracht worden.
[^deuteronomium-33-19-60]: Kanttekening 60: bedekte verborgen dingen: Versta, allerlei kostelijkheden, als: goud, edelgesteente, enz., die men pleegt op te sluiten en te verbergen; deze worden \[gelijk men zegt\] over zee en land gevoerd.
[^deuteronomium-33-19-61]: Kanttekening 61: Dat is, van de zee, wier oevers en grond vol zand zijn; of, de kostelijkheden, die gemeenlijk op de grond in de zee zeer overvloedig, door schipbreuken verborgen zijn, en somtijds aan de oever worden uitgeworpen, of anders gevist en opgehaald.
[^deuteronomium-33-20-62]: Kanttekening 62: Gezegend zij: Dat is, geloofd, geprezen; zie Gen. 14:20 . Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^deuteronomium-33-20-63]: Kanttekening 63: die aan Gad ruimte maakt: Namelijk God, die de Gadieten, toen zij mee van de Ammonieten benauwd waren, ruimte gaf door Jeftha de Gileadiet. Zie Richt. 11 , en vergelijk Gen. 49:19 ; Ps. 4:2 , enz. Genesis 49:19 : Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde. Psalmen 4:2 : Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
[^deuteronomium-33-20-64]: Kanttekening 64: oude leeuw: Moedig en onversaagd uit zijn leger, als een leeuw, hervoor tredende, om zijn vijanden onder te brengen. Zie de vervulling 1 Kron. 5:19 , 5:20 , 5:21 , 5:22 . en verscheurt de arm, ja ook de schedel. 1 Kronieken 5:19 : En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. 1 Kronieken 5:20 : Maar zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in de krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden. 1 Kronieken 5:21 : En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen van de mensen. 1 Kronieken 5:22 : Want er vielen vele verwonden, omdat de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.
[^deuteronomium-33-21-65]: Kanttekening 65: hij heeft zich van het eerste voorzien: Hij zag in het begin een bekwame woonplaats voor zich uit, of, van het eerste; dat is, van de eerste plaats die hem voorkwam, te weten Gilead, Num. 32:1 , enz., welke ook van de wetgever Mozes hun toegestaan is, Num. 32:33 , enz. En daar lieten de Gadieten, volgens hun aanbod en Mozes' toestemming hun vrouwen, kinderen en vee onder Gods beschutting in zekere vaste steden, gaande gewapend vooraan met de andere Israëlieten, om Gods oordeel tegen de Kanaänieten uit te voeren. Zie Num. 32:16 , 32:17 , enz., en boven Deut. 3:16 , 3:18 , 3:19 , 3:20 . Numeri 32:1 : De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom. Numeri 32:16 : Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. Numeri 32:17 : Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners van het land. Deuteronomium 3:16 : Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Deuteronomium 3:18 : Verder gebood ik u ter zelfder tijd, zeggende: YHWH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de kinderen van Israël. Deuteronomium 3:19 : Behalve uw vrouwen, en uw kinderen, en uw vee (ik weet, dat u veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb; Deuteronomium 3:20 : Totdat YHWH uw broers rust geve, gelijk u, dat zij ook erven het land, dat YHWH, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan; dan zult u terugkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.
[^deuteronomium-33-22-66]: Kanttekening 66: Wakker en hartig tegen de vijanden.
[^deuteronomium-33-22-67]: Kanttekening 67: Bazan voortspringen: Hieruit wordt afgenomen dat daar vele en sterke leeuwen geweest zijn. Vergelijk Richt. 14:5 . Van Basan zie boven, Deut. 2:14 . Richteren 14:5 : Zo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, heen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet. Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had.
[^deuteronomium-33-23-68]: Kanttekening 68: Van gaven, die uit de gunst en de zegen van de Heer voortkomen.
[^deuteronomium-33-23-69]: Kanttekening 69: westen en het zuiden: Hebreeuws, de zee; omdat de Middellandse zee ten westen van Kanaän gelegen was. Zie Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^deuteronomium-33-24-70]: Kanttekening 70: met zonen: Anders, boven de \[andere\] zonen; dat is, zijn broers; of, gezegend, dat is, gedankt en geroemd van \[de andere\] zonen wanneer die van de vruchtbaarheid zijns lands genieten zullen.
[^deuteronomium-33-24-71]: Kanttekening 71: dope zijn voet in olie: Vergelijk Gen. 49:20 ; Job 29:6 . Genesis 49:20 : Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. Job 29:6 : Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
[^deuteronomium-33-25-72]: Kanttekening 72: Ijzer en koper: Hebreeuws, ijzer en koper \[zij\] uw schoen. De zin is: in uw aarde, onder uw voeten, zal ijzer en koper zijn; vergelijk boven, Deut. 8:9 . Anders, uw grendel zal ijzer en koper zijn; dat is, uw land zal als met ijzeren en koperen grendels gesloten en bewaard zijn. Deuteronomium 8:9 : Een land, waarin u brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen u koper uithouwen zult.
[^deuteronomium-33-25-73]: Kanttekening 73: onder uw schoen zijn: Anders, uw besluiting zijn. Verstaande het gebergte waarin deze metalen zouden gevonden worden.
[^deuteronomium-33-25-74]: Kanttekening 74: sterkte gelijk uw dagen: Anders, vermaardheid. De zin is: zolang u een volk zult zijn, zult u sterk, machtig, of vermaard vanwege uw sterkte of vermogen zijn, uw ouderdom zal zijn als uw jeugd.
[^deuteronomium-33-26-75]: Kanttekening 75: Niemand is er gelijk God: Of, er is niemand gelijk de God van Jeschurun. Zie van Jeschurun boven, Deut. 32:15 . Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^deuteronomium-33-26-76]: Kanttekening 76: op de hemel vaart tot uw hulp: Dat is, op de lucht, vanwaar Hij zijn volk hulp toeschikt tegen hun vijanden, die Hij vandaar met schrikkelijk onweer van hagel, bliksem en donder slaat en verderft. Zie een heerlijke verklaring Ps. 18:7 -20. Psalmen 18:7 : Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
[^deuteronomium-33-26-77]: Kanttekening 77: met Zijn hoogheid: Dat is, met zijn ogen en heerlijke werkingen.
[^deuteronomium-33-26-78]: Kanttekening 78: bovenste wolken: Of, dunste, die in het opperste deel van de lucht voortgebracht worden.
[^deuteronomium-33-27-79]: Kanttekening 79: De eeuwige God: Het Hebreeuwse woord, van schepselen gebruikt, betekent dat Hij in voortijden, vanouds, of van het begin van de wereld geweest is, gelijk boven, vers 15 , maar van God gebruikt, betekent het ook eeuwigheid, of, die vóór alle tijden geweest is. Hebreeuws, God van de eeuwigheid. Deuteronomium 33:15 : En van het voornaamste van de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen;
[^deuteronomium-33-27-80]: Kanttekening 80: een woning: Dat is, als een verheven plaats, waarin u stil en zeker mag leven.
[^deuteronomium-33-27-81]: Kanttekening 81: eeuwige armen: Hebreeuws, armen van de eeuwigheid; dat is, de eeuwige almachtigheid Gods zal hen beneden op aarde helpen en beschutten.
[^deuteronomium-33-28-c]: Verwijzing c: Jer. 23:6 ; Jer. 33:16 . Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: De YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 33:16 : In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: De YHWH, onze GERECHTIGHEID.
[^deuteronomium-33-28-82]: Kanttekening 82: Jakobs oog zal zijn: Dat is, Jakobs nakomelingen zullen in vrede wonen, met hun ogen de vruchtbaarheid van hun land mogen aanschouwen en daarin hun lust scheppen. Anders, Jakobs fontein; dat is, een voortdurende oorsprong en vloed van allen zegen zij onder het volk van Israël, dat uit Jakob gesproten is, enz.
[^deuteronomium-33-29-83]: Kanttekening 83: het Schild van uw hulp: Of, uw schild van de hulp; dat is, uw helpend schild; gelijk Ps. 2:6 de berg mijner heiligheid; dat is, mijn heilige berg. Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.
[^deuteronomium-33-29-84]: Kanttekening 84: Zwaard is van uw hoogheid: Die voor u vecht om u te verhogen.
[^deuteronomium-33-29-85]: Kanttekening 85: geveinst aan u onderwerpen: Zullen gedwongen worden zich u te onderwerpen, alhoewel zij het van harte niet zullen menen. Zie 2 Sam. 22:45 ; Ps. 18:45 , en vergelijk Ps. 66:3 , en Ps. 81:16 . 2 Samuël 22:45 : Vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. Psalmen 18:45 : Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen. Psalmen 66:3 : Zegt tot God: Hoe vreselijk bent U in Uw werken! Om de grootheid van Uw sterkte zullen zich Uw vijanden geveinst aan U onderwerpen. Psalmen 81:16 : Die YHWH haten, zouden zich Hem geveinst onderworpen hebben, maar hun tijd zou eeuwig geweest zijn.
[^deuteronomium-33-29-86]: Kanttekening 86: hun hoogten treden: Zie boven, Deut. 32:13 . Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots;

### Deuteronomium 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/deuteronomium/34.json)

*Mozes klimt op de berg Nebo, vanwaar God hem het beloofde land laat zien, vers 1, enz. Mozes, nog krachtig zijnde, sterft daar, wordt door God begraven en door Israel beweend, 5. Jozua wordt geroemd, maar Mozes veel meer, 9.*

**1** Toen[^deuteronomium-34-1-1] ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg[^deuteronomium-34-1-2] Nebo,[^deuteronomium-34-1-3] op de hoogten van Pisga, die recht tegenover Jericho is; en YHWH[^deuteronomium-34-1-a] wees hem dat hele land,[^deuteronomium-34-1-4] Gilead tot[^deuteronomium-34-1-5] Dan toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v1)

**2** En het hele[^deuteronomium-34-2-6] Nafthali, en het land van Efraïm en Manasse, en het hele land van Juda, tot aan de[^deuteronomium-34-2-7] achterste zee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v2)

**3** En het Zuiden, en het effen veld van de[^deuteronomium-34-3-8] vallei van Jericho, de palmstad, tot[^deuteronomium-34-3-9] Zoar toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v3)

**4** En YHWH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik[^deuteronomium-34-4-b] Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet[^deuteronomium-34-4-10] overgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v4)

**5** Zo stierf Mozes, de knecht van YHWH, daar in het land van Moab, naar de[^deuteronomium-34-5-11] mond van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v5)

**6** En[^deuteronomium-34-6-12] Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab,[^deuteronomium-34-6-13] tegenover Beth-peor; en[^deuteronomium-34-6-c] niemand heeft zijn[^deuteronomium-34-6-14] graf geweten,[^deuteronomium-34-6-15] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v6)

**7** Mozes nu was[^deuteronomium-34-7-16] honderd en twintig jaar oud, als hij stierf;[^deuteronomium-34-7-17] zijn oog was niet donker geworden, en zijn[^deuteronomium-34-7-18] kracht was niet[^deuteronomium-34-7-19] vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v7)

**8** En de Israëlieten beweenden Mozes, in de vlakke velden van[^deuteronomium-34-8-20] Moab, dertig dagen; en de dagen van het huilen, van de rouw over Mozes, werden voltooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v8)

**9** Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de[^deuteronomium-34-9-21] Geest van de[^deuteronomium-34-9-d] wijsheid; want Mozes had zijn[^deuteronomium-34-9-22] handen op hem gelegd; zo hoorden de Israëlieten naar hem, en deden zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v9)

**10** En er stond geen profeet meer op in Israël, zoals[^deuteronomium-34-10-23] Mozes, die YHWH gekend had,[^deuteronomium-34-10-24] van aangezicht tot aangezicht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v10)

**11** In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem YHWH gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v11)

**12** En in al die[^deuteronomium-34-12-25] sterke hand, en in al die grote[^deuteronomium-34-12-26] verschrikking, die[^deuteronomium-34-12-27] Mozes gedaan heeft voor de ogen van geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/deuteronomium/34.html#v12)

[^deuteronomium-34-1-1]: Kanttekening 1: ging Mozes op: Door Gods openbaring tevoren wetende dat hij daar zou sterven, ging hij gewillig naar zijn sterfplaats.
[^deuteronomium-34-1-2]: Kanttekening 2: gelegen aan de zuidzijde van Pisga, dicht bij de stad Nebo, door de Rubenieten opgebouwd, Num. 32:38 . Vergelijk boven, Deut. 32:49 . Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. Deuteronomium 32:49 : Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de kinderen van Israël tot een bezitting geven zal;
[^deuteronomium-34-1-3]: Kanttekening 3: hoogten van Pisga: Hebreeuws, hoofd. Dit was een zeer hoge berg, gelegen aan Nebo, die veel lager was, dienende als tot een opgang naar de spits van Pisga.
[^deuteronomium-34-1-a]: Verwijzing a: boven, Deut. 3:27 . Deuteronomium 3:27 : Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want u zult over deze Jordaan niet gaan.
[^deuteronomium-34-1-4]: Kanttekening 4: Zie Gen. 31:21 , Num. 32:1 , 32:29 , enz. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Numeri 32:1 : De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. Numeri 32:29 : En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van YHWH, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven.
[^deuteronomium-34-1-5]: Kanttekening 5: Dan toe: Gelegen in het noordeinde van Kanaän, tevoren genoemd Leschem of Laïs, ingenomen en vernoemd door de stam Dan; Joz. 19:47 ; Richt. 18:29 . Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. Richteren 18:29 : En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad te voren Laïs was.
[^deuteronomium-34-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, land van Nafthali.
[^deuteronomium-34-2-7]: Kanttekening 7: Zie boven, Deut. 11:24 . Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn.
[^deuteronomium-34-3-8]: Kanttekening 8: Omdat in de vallei van Jericho veel palmbomen wiessen, alsook balsem, waarvan deze stad vermaard was, en de naam Jericho, vanwege de goede reuk, had. Zie ook Richt. 1:16 , 2 Kron. 28:15 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. 2 Kronieken 28:15 : De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria.
[^deuteronomium-34-3-9]: Kanttekening 9: Zoar toe: Zie Gen. 19:20 . Genesis 19:20 : Ziet toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
[^deuteronomium-34-4-b]: Verwijzing b: Gen. 12:7 ; Gen. 13:15 ; Gen. 15:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 28:13 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfde dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van het hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^deuteronomium-34-4-10]: Kanttekening 10: Over de Jordaan.
[^deuteronomium-34-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, woord, zeggen, of, ordinantie.
[^deuteronomium-34-6-12]: Kanttekening 12: Hij begroef hem in een dal: YHWH.
[^deuteronomium-34-6-13]: Kanttekening 13: Zie boven, Deut. 3:29 . Deuteronomium 3:29 : Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.
[^deuteronomium-34-6-c]: Verwijzing c: Judas v. 9 . Judas 1:9 : Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u!
[^deuteronomium-34-6-14]: Kanttekening 14: De plaats, waar Hem YHWH begraven had; zie de Zendbrief van Judas v. 9 . Dit heeft God zonder twijfel gewild om alle aanleiding van superstitie of afgoderij \[waartoe dit volk zeer genegen was\] voor te komen, gelijk de duivel het ter contrarie graag ontdekt had. Judas 1:9 : Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u!
[^deuteronomium-34-6-15]: Kanttekening 15: tot op deze dag: Uit deze woorden blijkt duidelijk dat dit hoofdstuk na Mozes' dood geschreven is.
[^deuteronomium-34-7-16]: Kanttekening 16: honderd en twintig jaren oud: Hebreeuws, een zoon van honderd en twintig jaar.
[^deuteronomium-34-7-17]: Kanttekening 17: zijn oog was niet donker geworden: Vergelijk Joz. 14:10 , 14:11 . Jozua 14:10 : En nu, zie, YHWH heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat YHWH dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud. Jozua 14:11 : Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was op de dag toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, zo is nu mijn kracht, tot de oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.
[^deuteronomium-34-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, frisheid, jeugdigheid. Hebreeuws eigenlijk, groente, groenigheid; een gelijkenis van groene kruiden, die vol sap en bloeiende zijn. Desniettegenstaande heeft God hem, nog fris en sterk zijnde, doen sterven.
[^deuteronomium-34-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, weggevloden.
[^deuteronomium-34-8-20]: Kanttekening 20: dertig dagen: Vergelijk Gen. 50:3 , 50:10 , en Num. 20:29 . Genesis 50:3 : En veertig dagen werden aan hem vervuld; want zo werden vervuld de dagen van degenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. Genesis 50:10 : Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan de overzijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen. Numeri 20:29 : Toen de gehele vergadering zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het gehele huis van Israël.
[^deuteronomium-34-9-21]: Kanttekening 21: Geest van de wijsheid: Dat is, van de gave van de wijsheid, die de Heilige Geest in hem tot verrichting van zulk een ambt gewerkt had.
[^deuteronomium-34-9-d]: Verwijzing d: Num. 27:18 . Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem;
[^deuteronomium-34-9-22]: Kanttekening 22: handen op hem gelegd: Hebreeuws eigenlijk, had met zijn handen op hem gesteund. Zie hiervan, Gen. 48:14 ; Num. 8:10 , en Num. 27:18 . Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Numeri 8:10 : Ja, u zult de Levieten voor het aangezicht van YHWH doen naderen; en de kinderen van Israël zullen hun handen op de Levieten leggen. Numeri 27:18 : Toen zei YHWH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem;
[^deuteronomium-34-10-23]: Kanttekening 23: die YHWH gekend had: Anders, die YHWH, enz.
[^deuteronomium-34-10-24]: Kanttekening 24: van aangezicht tot aangezicht: Zie Ex. 33:11 ; Num. 12:8 , en boven, Deut. 5:4 . Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Deuteronomium 5:4 : Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur,
[^deuteronomium-34-12-25]: Kanttekening 25: sterke hand: Dat is, de werken van de goddelijke kracht. Vergelijk boven, Deut. 4:34 . Deuteronomium 4:34 : Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al wat YHWH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
[^deuteronomium-34-12-26]: Kanttekening 26: Dat is, schrikkelijke mirakuleuze daden.
[^deuteronomium-34-12-27]: Kanttekening 27: Mozes gedaan heeft: God, door de hand of de dienst van Mozes.

## Jozua

### Jozua 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/1.json)

*God beveelt Jozua het volk naar het land Kanaan te leiden, vers 1 enzovoort, waarvan de grenzen worden vermeld, 4. God versterkt Jozua met bijzondere beloften, 5, en vermaant hem zijn wet ijverig te betrachten, 7. Jozua beveelt het volk zich voor de tocht over de Jordaan gereed te maken, 10, en hij vermaant de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse om op te trekken, vanwege de belofte die zij aan Mozes hadden gedaan, 12, wat zij bereid zijn te doen, 16. Alle stammen beloven Jozua te gehoorzamen, 17.*

**1** Het gebeurde nu, na[^jozua-1-1-a] de dood van Mozes, de knecht van YHWH, dat YHWH tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar[^jozua-1-1-b] van Mozes, sprak, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v1)

**2** Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze[^jozua-1-2-1] Jordaan, u en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, de Israëlieten,[^jozua-1-2-2] geve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v2)

**3** [^jozua-1-3-c] Alle plaats, waarop uw voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, zoals Ik tot Mozes gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v3)

**4** Van[^jozua-1-4-3] de woestijn en deze[^jozua-1-4-4] Libanon af tot aan de grote rivier,[^jozua-1-4-5] de rivier Frath, het hele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal uw gebied zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v4)

**5** Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen van uw leven; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn;[^jozua-1-5-d] Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v5)

**6** [^jozua-1-6-e] Wees sterk en heb goede moed! want u zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaders heb gezworen hun te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v6)

**7** Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de hele wet, die Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft,[^jozua-1-7-f] en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt overal, waar u zult gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v7)

**8** Dat het boek van deze wet niet wijke[^jozua-1-8-6] van uw mond,[^jozua-1-8-g] maar overleg het dag en nacht, opdat u waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want dan zult u uw wegen voorspoedig maken, en dan zult u verstandig handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v8)

**9** Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goede moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want YHWH, uw God, is met u overal, waar u heengaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v9)

**10** Toen gebood Jozua de voormannen van het volk, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v10)

**11** Ga door het midden van het leger, en beveelt het volk, zeggende: Bereid proviant voor u; want binnen nog drie dagen zult u over deze Jordaan gaan, dat u ingaat, om te erven het land, dat YHWH, uw God, u geeft om te beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v11)

**12** En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en de halve stam van Manasse, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v12)

**13** Gedenk aan het woord, dat Mozes, de knecht van YHWH, u geboden heeft, zeggende: YHWH, uw God, geeft u rust, en Hij geeft u[^jozua-1-13-7] dit land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v13)

**14** Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar u zult[^jozua-1-14-8] gewapend trekken, voor het aangezicht van uw broers,[^jozua-1-14-9] alle strijdbare helden, en zult hen helpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v14)

**15** Totdat YHWH uw broers rust geve, als u, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat YHWH, uw God, hun geeft; dan zult u terugkeren tot het land van uw erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht van YHWH, u gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v15)

**16** Toen antwoordden[^jozua-1-16-10] zij Jozua, zeggende: Al wat u ons geboden hebt, zullen wij doen, en overal, waar u ons zenden zult, zullen wij gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v16)

**17** Zoals wij in alles naar Mozes hebben gehoord, zo zullen wij naar u horen;[^jozua-1-17-11] alleen dat YHWH, uw God, met u zij, zoals Hij met Mozes geweest is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v17)

**18** Alle man, die uw[^jozua-1-18-12] mond opstandig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat u hem gebieden zult, die zal gedood worden, alleen wees sterk en heb goede moed! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/1.html#v18)

[^jozua-1-1-a]: Verwijzing a: Deut. 34:5 . Deuteronomium 34:5 : Zo stierf Mozes, de knecht van YHWH, daar in het land van Moab, naar de mond van YHWH.
[^jozua-1-1-b]: Verwijzing b: Deut. 1:38 . Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven.
[^jozua-1-2-1]: Kanttekening 1: Dit is de grootste rivier van het land Kanaän; zij vloeit langs het beloofde land, en eindigt in de Dode Zee, of Lacus Asphaltites. In en aan deze rivier heeft Johannes de Doper eerst de doop bediend, Mark. 1:5 , en onze Zaligmaker Jezus Christus is daarin gedoopt, Matt. 3:13 . Marcus 1:5 : En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden. Mattheüs 3:13 : Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.
[^jozua-1-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, al voorlang te geven beloofd heb, maar nu dadelijk in de volle bezitting stel.
[^jozua-1-3-c]: Verwijzing c: Deut. 11:24 ; Joz. 14:9 . Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Jozua 14:9 : Toen zwoer Mozes te die zelven dage, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen.
[^jozua-1-4-3]: Kanttekening 3: Te weten, in de woestijn Zin; Ex. 16 .
[^jozua-1-4-4]: Kanttekening 4: Dit is de hoogste en grootste berg, die in Syrië is, beginnende van omtrent Sidon en strekkende tot bij Damascus.
[^jozua-1-4-5]: Kanttekening 5: Deze was de landpale tegen het oosten.
[^jozua-1-5-d]: Verwijzing d: Deut. 31:6 ; idem v. 8 ; Hebr., 13:5 ; idem v. 6 . Deuteronomium 31:6 : Weest sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is YHWH, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. Deuteronomium 31:8 : De YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. Hebreeën 13:5 : Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. Hebreeën 13:6 : Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: De Heer is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.
[^jozua-1-6-e]: Verwijzing e: Deut. 31:23 . Deuteronomium 31:23 : En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Zijt sterk en heb goede moed, want u zult de kinderen van Israël inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.
[^jozua-1-7-f]: Verwijzing f: Deut. 5:32 ; Deut. 28:14 . Deuteronomium 5:32 : Neemt dan waar, dat u doet, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand. Deuteronomium 28:14 : En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen.
[^jozua-1-8-6]: Kanttekening 6: van uw mond: Dat is, laat uw hart zo vervuld zijn met Gods woord en kennis, dat uw mond daarvan overvloeie. Zie Matt. 12:34 . Mattheüs 12:34 : U adderengebroed! hoe kunt u goede dingen spreken, daar u boos bent? want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.
[^jozua-1-8-g]: Verwijzing g: Ps. 1:2 . Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^jozua-1-13-7]: Kanttekening 7: dit land: Te weten, waar zij in deze tijd waren, aan deze zijde van de Jordaan. Zie Num. 32:33 . Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden ervan in het gebied, de steden van het land rondom.
[^jozua-1-14-8]: Kanttekening 8: gewapend trekken: Zie Ex. 13:18 . Exodus 13:18 : Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland.
[^jozua-1-14-9]: Kanttekening 9: alle strijdbare helden: Hij wil zeggen dat allen, die uit deze stammen deze tocht zouden doen, moesten zijn uitgelezen mannen, helden, wel gewapend.
[^jozua-1-16-10]: Kanttekening 10: Te weten, al de stammen, of de ambtlieden, in hun naam, zich zo aan de regering van Jozua onderwerpende.
[^jozua-1-17-11]: Kanttekening 11: alleen dat: Dit is een wens, waarmee deze stammen Jozua gelukwensen in de aangevangen bediening van zijn ambt, ziende op wat God hem belooft, vers 5 . Maar anderen nemen het alsof het een beding of een conditie ware, belovende hem te gehoorzamen, als YHWH met hem zou zijn gelijk Hij met Mozes geweest was. Jozua 1:5 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
[^jozua-1-18-12]: Kanttekening 12: Dat is, bevel.

### Jozua 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/2.json)

*Jozua zendt twee mannen uit om het land Kanaan en Jericho te verkennen, vers 1 enzovoort, die de koning van die stad laat zoeken, 3, maar Rachab verbergt hen, 4, en misleidt op listige wijze de boden van de koning, 5. Zij verhaalt de grote ontzetting van het volk van die stad en dat land, en verklaart dat dit van God de Heere kwam, 9. Zij verzoekt dat de Israelieten haar en het huis van haar vader in leven willen laten, 12, wat de verkenners haar onder ede beloven, maar met een voorwaarde, 14. Daarna keren zij terug naar Jozua, 23, en brengen hem goede tijding, 24.*

**1** Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die[^jozua-2-1-1] in het geheim spioneren zouden, gezonden van[^jozua-2-1-2] Sittim, zeggende: Ga heen, bezichtigt het land en[^jozua-2-1-3] Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, van wie de naam was Rachab, en zij sliepen daar.[^jozua-2-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v1)

**2** Toen werd de koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in deze nacht zijn hier mannen gekomen van de Israëlieten, om dit land te doorzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v2)

**3** Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die in uw huis gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het hele land te doorzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v3)

**4** Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij[^jozua-2-4-5] had hen verborgen; en[^jozua-2-4-6] zei zo: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v4)

**5** En het gebeurde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaag hen haastig na, want u zult ze achterhalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v5)

**6** Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen[^jozua-2-6-7] verstopt onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v6)

**7** Die mannen nu jaagden hen na op de weg van de Jordaan, tot aan de[^jozua-2-7-8] doorwaadbare plaatsen; en men sloot de[^jozua-2-7-9] poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v7)

**8** Voordat zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v8)

**9** En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat[^jozua-2-9-10] uw verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor uw aangezicht gesmolten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v9)

**10** Want wij hebben gehoord, dat YHWH[^jozua-2-10-a] de wateren van de Schelfzee uitgedroogd heeft voor uw aangezicht, toen u uit Egypte ging; en[^jozua-2-10-b] wat u aan de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die aan de overzijde van de Jordaan waren, die u[^jozua-2-10-11] verbannen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v10)

**11** Als wij het hoorden,[^jozua-2-11-12] zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege uw aanwezigheid; want[^jozua-2-11-c] YHWH, uw God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v11)

**12** Nu dan, zweert mij toch bij YHWH, omdat ik goedertierenheid aan u gedaan heb, dat u ook goedertierenheid doen zult aan het huis van mijn vader[^jozua-2-12-13], en geeft mij een waarteken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v12)

**13** Dat u mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broers en mijn zussen, met alles, wat zij hebben; en dat u[^jozua-2-13-14] onze zielen van de dood redden zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v13)

**14** Toen spraken die mannen tot haar:[^jozua-2-14-15] Onze ziel zij voor u om te sterven, als[^jozua-2-14-16] u deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan gebeuren, wanneer YHWH ons dit land geeft, zo zullen wij aan u goedertierenheid en trouw[^jozua-2-14-17] bewijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v14)

**15** Zij liet hen dan neer met een touw door het venster; want haar huis was op de stadsmuur; en zij woonde op de muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v15)

**16** En zij zei tot hen: Ga op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v16)

**17** Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen[^jozua-2-17-18] onschuldig zijn[^jozua-2-17-19] van deze uw eed, die u ons hebt doen zweren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v17)

**18** Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult u dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, waardoor u ons zult neergelaten hebben; en u zult tot u in het huis verzamelen uw vader, en uw moeder, en uw broers, en het hele huisgezin van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v18)

**19** Zo zal het gebeuren, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan[^jozua-2-19-20][^jozua-2-19-d] zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, als een hand tegen hem zijn zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v19)

**20** Maar als u deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, die u ons hebt doen zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v20)

**21** Zij nu zei: Het zij zo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v21)

**22** Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren; want de vervolgers hadden[^jozua-2-22-21] hen op de hele weg gezocht, maar niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v22)

**23** [^jozua-2-23-22] Zo keerden die twee mannen weer, en gingen af van het gebergte, en[^jozua-2-23-23] voeren over, en kwamen tot Jozua, de zoon van Nun; en zij vertelden hem[^jozua-2-23-24] al wat hun overkomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v23)

**24** En zij zeiden tot Jozua: Zeker, YHWH heeft dat hele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/2.html#v24)

[^jozua-2-1-1]: Kanttekening 1: in het geheim verspieden zouden: Hebreeuws, אֲנָשִׁ֤ים, stilzwijgende; dat is, hij had dit het volk niet geopenbaard, gelijk Mozes gedaan had toen hij twaalf mannen uitgezonden heeft; Num. 13:2 , en Num. 32:8 . Numeri 13:2 : Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, dat Ik de kinderen van Israël geven zal; van elke stam van zijn vaderen zult u een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. Numeri 32:8 : Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-barnea zond, om dit land te bezien.
[^jozua-2-1-2]: Kanttekening 2: Gelegen in het land van de Moabieten, waar zich de Israëlieten verlopen hebben met hoererij en met afgoderij met de Baäl Peor; Num. 25:1 . Numeri 25:1 : En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten.
[^jozua-2-1-3]: Kanttekening 3: Jericho werd naderhand toegedeeld de stam van Benjamin; omtrent honderd vijftig stadiën van Jeruzalem, zestig van de Jordaan. Dit is de eerste stad, die de Israëlieten met geweld hebben aangetast. Zij was gelegen in een effen vruchtbaar land, waar vele palmbomen wiessen, waarvan zij de palmstad genoemd wordt; Deut. 34:3 ; Richt. 1:16 ; 2 Kron. 28:15 . Deuteronomium 34:3 : En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe. Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. 2 Kronieken 28:15 : De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria.
[^jozua-2-1-4]: Kanttekening 4: van een vrouw: Anders, van een vrouw, die een hoer was. Het Hebreeuwse woord betekent ook een waardin; maar Hebr., 11:31 en Jak. 2:25 wordt Rachab uitdrukkelijk een hoer genoemd. Hebreeën 11:31 : Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. Jakobus 2:25 : En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
[^jozua-2-4-5]: Kanttekening 5: had hen verborgen: Hebreeuws, תֹּ֣אמֶר, had hem verborgen; te weten, elk één van hen.
[^jozua-2-4-6]: Kanttekening 6: zei aldus: Anders, en zij zei, het is recht.
[^jozua-2-6-7]: Kanttekening 7: onder de vlasstoppelen: Hebreeuws, עֲרֻכ֥וֹת, in het vlas van het hout; aldus schijnt genoemd te zijn het vlas dat ruw is en zijn stoppels nog bij zich heeft. Er zijn er, die menen dat bij het vlas van het hout te verstaan is boomwol, dat ? en ? van de Grieken genoemd wordt, dat in Syrië en Assyrië veel gevonden werd.
[^jozua-2-7-8]: Kanttekening 8: Versta hier, het veer of veren, waar men over de Jordaan pleegt te varen; opdat men hen daar niet zou overlaten.
[^jozua-2-7-9]: Kanttekening 9: poort toe: Te weten, de stadspoort, opdat die verspieders, als zij nog in de stad waren, niet zouden kunnen ontkomen.
[^jozua-2-9-10]: Kanttekening 10: ulieder verschrikking: Dat is, verschrikking uliever halve of vanwege u.
[^jozua-2-10-a]: Verwijzing a: Ex. 14:21 ; Joz. 4:23 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Jozua 4:23 : Want YHWH, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat u er was doorgegaan; gelijk als YHWH, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;
[^jozua-2-10-b]: Verwijzing b: Num. 21:24 ; idem v. 34 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 21:34 : De YHWH nu zei tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en u zult hem doen, gelijk als u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
[^jozua-2-10-11]: Kanttekening 11: verbannen hebt: Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jozua-2-11-12]: Kanttekening 12: zo versmolt ons hart: Dat is, wij hebben al onze moed of courage verloren. Zie deze manier van spreken ook Joz. 5:1 , en Joz. 7:5 ; Deut. 1:28 , en Deut. 20:8 ; Jes. 13:7 ; Ez. 21:15 ; Nah. 2:10 . Jozua 5:1 : En het geschiedde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Jozua 7:5 : En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart. Jesaja 13:7 : Daarom zullen alle handen slap worden, en het hart van alle mensen zal versmelten; Ezechiël 21:15 : Ik heb de punt van het zwaard gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten. Nahum 2:10 : Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieën schudden, en in al de lenden is smart, en hun aller aangezichten betrekken, als een pot.
[^jozua-2-11-c]: Verwijzing c: Deut. 4:39 . Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
[^jozua-2-12-13]: Kanttekening 13: Dat is, geslacht. Zie Joz. 6:23 , 6:25 . Jozua 6:23 : Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broers, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israël. Jozua 6:25 : Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin haars vaders, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op deze dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.
[^jozua-2-13-14]: Kanttekening 14: onze zielen van de dood redden zult: Dat is, onze personen.
[^jozua-2-14-15]: Kanttekening 15: Onze ziel zij voor u: Dat is, wij zullen u en de uwen sparen en beschermen, al zou dit ons het leven kosten.
[^jozua-2-14-16]: Kanttekening 16: u deze onze zaak: Dat is, u of iemand van de uwen.
[^jozua-2-14-17]: Kanttekening 17: trouw bewijzen: Hebreeuws, אֱמֶֽת, doen.
[^jozua-2-17-18]: Kanttekening 18: onschuldig zijn: Dat is, vrij. Zo ook vers 20 . Jozua 2:20 : Maar als u deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, die u ons hebt doen zweren.
[^jozua-2-17-19]: Kanttekening 19: van deze uw eed: Dat is, van de eed, die u ons afgenomen hebt.
[^jozua-2-19-20]: Kanttekening 20: zijn bloed zij op zijn hoofd: Dat is, die zij zelf schuldig daaraan, als zijn bloed vergoten wordt.
[^jozua-2-19-d]: Verwijzing d: Matt. 27:25 . Mattheüs 27:25 : En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.
[^jozua-2-22-21]: Kanttekening 21: op al de weg: Te weten, naar de Jordaan toegaande, maar zij zochten hen op het gebergte niet, waar zich de verspieders onthielden.
[^jozua-2-23-22]: Kanttekening 22: Zo keerden die twee mannen weer: Dat is, zij kwamen weer op hun rechte weg, van welke zij geweken waren, om niet te vallen in de handen van degenen, die hen vervolgden.
[^jozua-2-23-23]: Kanttekening 23: voeren over: Te weten, over de Jordaan.
[^jozua-2-23-24]: Kanttekening 24: al wat hun wedervaren was: Hebreeuws. Al wat hen gevonden had.

### Jozua 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/3.json)

*Jozua, met de Israelieten van Sittim vertrokken, komt bij de Jordaan, vers 1 enzovoort. De ambtslieden geven orders wanneer en op welke wijze het volk en de priesters voort zouden trekken, 2. Jozua troost en versterkt het volk en verhaalt het wonder dat de HEERE voor hun ogen zou doen, 9, door de Jordaan droog te maken totdat de ark en het hele volk droogvoets daardoor zouden zijn gegaan, 13.*

**1** Jozua dan maakte zich 's morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de Israëlieten; en zij overnachtten daar, voordat zij overtrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v1)

**2** En het gebeurde, dat de voormannen,[^jozua-3-2-1] op het einde van drie dagen, door het midden van het leger gingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v2)

**3** En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer u de ark van het verbond van YHWH, van uw God, ziet, en de[^jozua-3-3-2] Levietische priesters die dragende, verreist u ook van uw plaats, en volgt haar na; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v3)

**4** Dat er toch ruimte zij tussen u en haar, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert haar niet; opdat u die weg weet, die u gaan zult; want u bent door die weg niet gegaan[^jozua-3-4-3] gisteren en eergisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v4)

**5** Jozua[^jozua-3-5-4] zei ook tot het volk:[^jozua-3-5-5] Heilig u! want morgen zal YHWH wonderen in het midden van u doen.[^jozua-3-5-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v5)

**6** Evenzo sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neem de ark van het verbond op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark van het verbond op, en zij gingen voor het aangezicht van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v6)

**7** Want YHWH had tot Jozua gezegd: Deze dag zal Ik beginnen[^jozua-3-7-7] u groot te maken voor de ogen van geheel Israël, opdat zij weten,[^jozua-3-7-a] dat Ik met u zijn zal, zoals Ik met Mozes geweest ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v7)

**8** U dan zult de priesters, die de ark van het verbond dragen, gebieden, zeggende: Wanneer u komt tot aan het uiterste van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v8)

**9** Toen zei Jozua tot de Israëlieten: Nader hierheen, en hoort de woorden van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v9)

**10** Verder zei Jozua:[^jozua-3-10-8] Hieraan zult u bekennen,[^jozua-3-10-9] dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij geheel voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v10)

**11** Zie, de ark van het verbond van[^jozua-3-11-10] de Heere van de hele aarde gaat door voor uw aangezicht in de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v11)

**12** Nu dan,[^jozua-3-12-11] neemt u zich twaalf mannen uit de stammen van Israël,[^jozua-3-12-12] uit iedere stam één man; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v12)

**13** Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heere van de hele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de[^jozua-3-13-13] Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvloeien,[^jozua-3-13-b] en zij zullen op één hoop blijven staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v13)

**14** En het gebeurde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan,[^jozua-3-14-c] zo droegen de priesters de ark van het verbond voor het aangezicht van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v14)

**15** En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het[^jozua-3-15-14] water (de Jordaan nu was[^jozua-3-15-d] vol al de dagen van de[^jozua-3-15-15] oogst aan al haar oevers); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v15)

**16** Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad[^jozua-3-16-16] Adam af, die aan de kant[^jozua-3-16-17] van Sarthan ligt; en die naar de zee van het[^jozua-3-16-18] vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen,[^jozua-3-16-19] zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v16)

**17** Maar de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, stonden onbeweeglijk op het droge, in het midden van de Jordaan; en geheel Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/3.html#v17)

[^jozua-3-2-1]: Kanttekening 1: op het einde van drie dagen: Versta, het einde van de drie dagen, waarvan boven, Joz. 1:11 , gesproken is. En zie over deze manier van spreken Deut. 15:1 . Jozua 1:11 : Gaat door het midden van het leger, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor u; want binnen nog drie dagen zult u over deze Jordaan gaan, dat u ingaat, om te erven het land, dat YHWH, uw God, u geeft om te beërven. Deuteronomium 15:1 : Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken.
[^jozua-3-3-2]: Kanttekening 2: Levietische priesters: Dat is, die allen uit de stam van Levi waren, maar niet allen, die uit die stam waren, waren priesters.
[^jozua-3-4-3]: Kanttekening 3: gisteren en eergisteren: Dat is, tevoren. Zie Gen. 31:2 . Genesis 31:2 : Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was tegenover hem niet als gisteren en eergisteren.
[^jozua-3-5-4]: Kanttekening 4: zei ook: Te weten, tevoren. Of, had gezegd.
[^jozua-3-5-5]: Kanttekening 5: Heiligt u: Van heiligen zie Ex. 19:10 ; Lev. 20:7 ; Num. 11:18 ; Joz. 7:13 , en 1 Sam. 16:5 . Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, Leviticus 20:7 : Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben YHWH, uw God! Numeri 11:18 : En tot het volk zult u zeggen: Heiligt u tegen morgen, en u zult vlees eten; want u hebt voor de oren van YHWH geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal YHWH u vlees geven, en u zult eten. Jozua 7:13 : Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uw vijanden, totdat u de ban wegdoet uit het midden van u. 1 Samuël 16:5 : Hij dan zei: Met vrede; ik ben gekomen om YHWH offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.
[^jozua-3-5-6]: Kanttekening 6: Zie onder, vers 13 , enz. Jozua 3:13 : Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heer van de gehele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op één hoop blijven staan.
[^jozua-3-7-7]: Kanttekening 7: u groot te maken: Dat is, u in aanzien te brengen door het treffelijk mirakel, dat Ik doen zal, waaraan het volk van Israël zal bekennen dat Ik u tot een hoofd over hen gesteld heb, en dat Ik hen door uw dienst in het land Kanaän brengen zal.
[^jozua-3-7-a]: Verwijzing a: Joz. 1:5 . Jozua 1:5 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
[^jozua-3-10-8]: Kanttekening 8: Te weten, aan dit wonderwerk, dat verhaald wordt vers 13 . Jozua 3:13 : Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heer van de gehele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op één hoop blijven staan.
[^jozua-3-10-9]: Kanttekening 9: levende God: Anders, dat God in het midden van ons is levende.
[^jozua-3-11-10]: Kanttekening 10: ark van het verbond van de Heer: Anders, de Ark van het verbond, \[ja\] de Heer van de gehele aardbodem . Verg. Mich. 4:13 , Zach. 4:14 en 6:5 . Micha 4:13 : Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun winst aan YHWH verbannen, en hun vermogen aan de Heer van de gehele aarde. Zacharia 4:14 : Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heer van de gehele aarde staan. Zacharia 6:5 : En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij stonden voor de Heer van de gehele aarde.
[^jozua-3-12-11]: Kanttekening 11: neemt u: Te weten, om te verrichten wat verhaald wordt onder, Joz. 4:2 , enz. Jozua 4:2 : Neemt u u twaalf mannen uit het volk, uit elke stam een man.
[^jozua-3-12-12]: Kanttekening 12: uit iederen stam een man: Hebreeuws, שָּֽׁבֶט, een man, een man uit een stam.
[^jozua-3-13-13]: Kanttekening 13: afgesneden worden: Hij wil zeggen: dat het water, dat van boven afkwam, zou blijven staan, het andere zou afvlieten.
[^jozua-3-13-b]: Verwijzing b: Ps. 114:3 . Psalmen 114:3 : De zee zag het, en vluchtte; de Jordaan keerde achterwaarts.
[^jozua-3-14-c]: Verwijzing c: Hand. 7:45 . Handelingen 7:45 : Welke ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;
[^jozua-3-15-14]: Kanttekening 14: de Jordaan nu was vol: Dat is, zij pleegt op deze tijd vol te zijn, dat is, haar natuur, en zo was het ook in deze tijd.
[^jozua-3-15-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 12:15 . 1 Kronieken 12:15 : Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelfde vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners van de laagten, tegen het oosten en tegen het westen.
[^jozua-3-15-15]: Kanttekening 15: Anders, boven; zo onder, Joz. 4:18 . Jozua 4:18 : En het geschiedde, toen de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen van de priesters afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weer in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al haar oevers.
[^jozua-3-16-16]: Kanttekening 16: Deze stad wordt in sommige kaarten gesteld aan de oostzijde van de Jordaan, tegenover Gilgal.
[^jozua-3-16-17]: Kanttekening 17: Een plaats, gelegen zuidwaarts van Adam aan de oostzijde van de Jordaan. Zie van twee andere Zarthans 1 Kon. 4:12 , en 1 Kon. 7:46 . 1 Koningen 4:12 : Baäna, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het gehele Beth-sean, dat is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot op gene zijde van Jokmeam. 1 Koningen 7:46 : In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth en tussen Zarthan.
[^jozua-3-16-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, de zee van het zout. Zie Gen. 14:3 . Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^jozua-3-16-19]: Kanttekening 19: zij werden afgesneden: Hij wil te verstaan geven dat de onderste wateren met een snellen vloed meteen zijn afgelopen en verzwolgen in de Zoutzee, opdat het volk van God droogvoets op de grond van de rivier gaan zou.

### Jozua 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/4.json)

*God gebiedt dat men twaalf stenen uit de Jordaan draagt, ter gedachtenis dat de Israelieten droogvoets daardoor waren gegaan, vers 1 enzovoort. Jozua beveelt dit te doen, 4. De kinderen Israels doen het, 8. Jozua zet ook twaalf gedenkstenen op, midden in de Jordaan, 9. De orde die het volk en de priesters hebben aangehouden bij het gaan door de Jordaan, 10. De Rubenieten, Gadieten en de halve stam Manasse trekken gewapend voorop, 12. God maakt Jozua groot voor de ogen van de Israelieten, 14. De priesters wordt bevolen met de ark uit de Jordaan op te klimmen, 15. De wateren van de Jordaan keren terug naar hun plaats, 18. De tijd van deze doortocht, 19. Twaalf stenen worden te Gilgal opgericht, 20, en met welk doel, 21.*

**1** Het gebeurde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat YHWH tot Jozua[^jozua-4-1-1][^jozua-4-1-a] sprak, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v1)

**2** Neem u zich twaalf mannen uit het volk,[^jozua-4-2-2] uit elke stam één man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v2)

**3** En gebiedt hun, zeggende: Neem voor u op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten van de priesters, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met u over, en stelt[^jozua-4-3-3] ze in het kamp, waar u deze nacht zult overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v3)

**4** Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld, uit elke stam één man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v4)

**5** En Jozua zei tot hen: Ga over voor de ark van YHWH, van uw God, midden in de Jordaan; en heft u een ieder één steen op zijn schouder, naar het getal van de stammen van de Israëlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v5)

**6** Opdat dit een[^jozua-4-6-4] teken zij onder u; wanneer uw kinderen[^jozua-4-6-5] morgen vragen zullen, zeggende:[^jozua-4-6-6] Wat zijn u deze stenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v6)

**7** Zo zult u tot hen[^jozua-4-7-b] zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn[^jozua-4-7-7] afgesneden geweest voor de ark van het verbond van YHWH; als zij trok door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen de Israëlieten ter herinnering zijn tot[^jozua-4-7-8] in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v7)

**8** De Israëlieten nu deden zo, zoals Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, zoals YHWH tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen van de Israëlieten en zij brachten ze met zich over naar[^jozua-4-8-9] het nachtleger, en stelden ze daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v8)

**9** Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten van de priesters, die de ark van het verbond droegen; en zij zijn daar tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v9)

**10** De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle dingen voltooid waren, die YHWH Jozua geboden had het volk aan te zeggen,[^jozua-4-10-10] naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte, en het trok over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v10)

**11** En het gebeurde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging de ark van YHWH over, en de priesters[^jozua-4-11-11] voor het aangezicht van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v11)

**12** [^jozua-4-12-c] En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en ook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het[^jozua-4-12-12] aangezicht van de Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v12)

**13** Ongeveer veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken[^jozua-4-13-13] er voor het aangezicht van YHWH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v13)

**14** [^jozua-4-14-d] Op die dag maakte YHWH Jozua groot voor de ogen van het hele Israël; en zij vreesden hem, zoals zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v14)

**15** YHWH dan[^jozua-4-15-14] sprak tot Jozua, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v15)

**16** Gebied de priesters, die de ark van het getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v16)

**17** Toen gebood Jozua de priesters, zeggende: Klim op uit de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v17)

**18** En het gebeurde, toen de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen van de priesters afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weer in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al[^jozua-4-18-15] haar oevers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v18)

**19** Het volk nu was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij sloegen hun kamp op te[^jozua-4-19-16] Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v19)

**20** En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v20)

**21** En hij sprak tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaders vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v21)

**22** Zo zult u het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is[^jozua-4-22-17] Israël door deze Jordaan gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v22)

**23** Want YHWH, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat u er was doorgegaan;[^jozua-4-23-e] zoals YHWH, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat[^jozua-4-23-18] wij daardoor gegaan waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v23)

**24** Opdat alle volken van de aarde de hand van YHWH kennen zouden,[^jozua-4-24-19] dat zij sterk is; opdat u YHWH, uw God, vreest[^jozua-4-24-20] altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/4.html#v24)

[^jozua-4-1-1]: Kanttekening 1: Breder verklarende de last, die Hij hem gegeven had, boven, Joz. 3:12 . Jozua 3:12 : Nu dan, neemt u u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit iederen stam een man;
[^jozua-4-1-a]: Verwijzing a: Joz. 3:12 . Jozua 3:12 : Nu dan, neemt u u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit iederen stam een man;
[^jozua-4-2-2]: Kanttekening 2: uit elke stam een man: Hebreeuws, שָּֽׁבֶט, een man, een man uit de stam; gelijk vers 4 . Jozua 4:4 : Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen van Israël, uit elke stam een man.
[^jozua-4-3-3]: Kanttekening 3: in het nachtleger: Te weten, te Gilgal; gelijk blijkt onder, vers 19 , 4:20 . Jozua 4:19 : Het volk nu was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. Jozua 4:20 : En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.
[^jozua-4-6-4]: Kanttekening 4: teken zij onder u: Dat is, een gedenkteken. vers 7 wordt het een gedachtenis genoemd. Jozua 4:7 : Zo zult u tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark van het verbond van YHWH; als zij toog door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen de kinderen van Israël ter gedachtenis zijn tot in eeuwigheid.
[^jozua-4-6-5]: Kanttekening 5: morgen vragen zullen: Zie Gen. 30:33 ; Ex. 13:14 ; Deut. 6:20 . Genesis 30:33 : Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. Exodus 13:14 : Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: De YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. Deuteronomium 6:20 : Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die YHWH, onze God, u geboden heeft?
[^jozua-4-6-6]: Kanttekening 6: Wat zijn u deze stenen: Dat is, waartoe dienen deze stenen? of, wat hebben zij te beduiden? Zo ook vers 21 . Zie Ex. 12:26 . Jozua 4:21 : En hij sprak tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen? Exodus 12:26 : En het zal gebeuren, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt u daar voor een dienst?
[^jozua-4-7-b]: Verwijzing b: Joz. 3:13 . Jozua 3:13 : Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heer van de gehele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op één hoop blijven staan.
[^jozua-4-7-7]: Kanttekening 7: afgesneden geweest: Dat is, verdeeld. Zie Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^jozua-4-7-8]: Kanttekening 8: in eeuwigheid: Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^jozua-4-8-9]: Kanttekening 9: het nachtleger: Zie boven, vers 3 . Jozua 4:3 : En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor u op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten van de priesters, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met u over, en stelt ze in het nachtleger, waar u deze nacht zult overnachten.
[^jozua-4-10-10]: Kanttekening 10: naar al wat Mozes Jozua geboden had: Zie Num. 27:21 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^jozua-4-11-11]: Kanttekening 11: voor het aangezicht van het volk: Dat is, in het aanschouwen van het gehele volk.
[^jozua-4-12-c]: Verwijzing c: Num. 32:20 ; idem v. 29 . Numeri 32:20 : Toen zei Mozes tot hen: Als u deze zaak doen zult, als u u voor het aangezicht van YHWH zult toerusten ten strijde. Numeri 32:29 : En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van YHWH, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven.
[^jozua-4-12-12]: Kanttekening 12: aangezicht van de kinderen van Israël: Te weten, voor de andere stammen van de kinderen van Israël. Zie Joz. 1:14 . Jozua 1:14 : Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar u zult gewapend trekken, voor het aangezicht uw broers, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;
[^jozua-4-13-13]: Kanttekening 13: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, voor YHWH, die zich boven de ark van het verbond openbaarde. Zie Num. 32:21 . Numeri 32:21 : En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht van YHWH, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.
[^jozua-4-14-d]: Verwijzing d: Joz. 3:7 . Jozua 3:7 : Want YHWH had tot Jozua gezegd: Deze dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van geheel Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben.
[^jozua-4-15-14]: Kanttekening 14: sprak tot Jozua: Dat is, had gezegd, en zo ook vers 17 . Jozua 4:17 : Toen gebood Jozua de priesters, zeggende: Klimt op uit de Jordaan.
[^jozua-4-18-15]: Kanttekening 15: haar oevers: Te weten, van de Jordaan.
[^jozua-4-19-16]: Kanttekening 16: Dat is, in die plaats, welke Jozua daarna Gilgal genoemd heeft; onder, Joz. 5:9 . Jozua 5:9 : Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag.
[^jozua-4-22-17]: Kanttekening 17: Dat is, de nakomelingen Israëls of Jakobs.
[^jozua-4-23-e]: Verwijzing e: Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^jozua-4-23-18]: Kanttekening 18: wij daardoor gegaan waren: Te weten, ik, Kaleb en uwe vaders.
[^jozua-4-24-19]: Kanttekening 19: dat zij sterk is: Anders, want zij is sterk.
[^jozua-4-24-20]: Kanttekening 20: te alle dage: Hebreeuws, יָּמִֽים, al de dagen.

### Jozua 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/5.json)

*Alle koningen van de Amorieten en de Kanaanieten schrikken hevig wanneer zij horen van het droogvallen van de Jordaan en de doortocht van de Israelieten, vers 1 enzovoort. De mannen van de Israelieten, die onderweg geboren waren, worden te Gilgal besneden, op bevel van God, 2, waar zij ook het pascha vieren, 10. Het manna houdt op nadat zij van het koren van het land gegeten hadden, 12. CHRISTUS, de Vorst van zijn volk, verschijnt aan Jozua in de gedaante van een krijgsman, 13.*

**1** En het gebeurde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de[^jozua-5-1-1] Jordaan naar het westen, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de Israëlieten, totdat wij daardoor gegaan waren;[^jozua-5-1-2] zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v1)

**2** In die tijd sprak YHWH tot Jozua: Maak[^jozua-5-2-a] u[^jozua-5-2-3] stenen messen, en[^jozua-5-2-4] besnijd opnieuw de Israëlieten ten tweede maal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v2)

**3** Toen maakte zich Jozua stenen messen, en[^jozua-5-3-5] besneed de Israëlieten op de[^jozua-5-3-6] heuvel van de voorhuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v3)

**4** Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle soldaten, waren gestorven in de woestijn, op de weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v4)

**5** Want al het volk, dat er uittrok, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op de weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden[^jozua-5-5-7] zij niet besneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v5)

**6** Want de Israëlieten wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het hele volk van de soldaten, die uit Egypte gegaan waren; die de stem van YHWH niet gehoorzaam geweest waren, die YHWH gezworen had,[^jozua-5-6-b] dat Hij hun niet zou laten zien het land, dat YHWH hun vaders gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v6)

**7** Maar hun zonen heeft[^jozua-5-7-8] Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op de weg niet besneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v7)

**8** En het gebeurde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger,[^jozua-5-8-9] totdat zij genezen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v8)

**9** Verder sprak YHWH tot Jozua: Vandaag heb Ik[^jozua-5-9-10] de smaad van Egypte[^jozua-5-9-11] van u afgewenteld; daarom noemde men de naam van die plaats[^jozua-5-9-12] Gilgal,[^jozua-5-9-13] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v9)

**10** Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd lagen, zo[^jozua-5-10-14] hielden zij het[^jozua-5-10-c] pascha op de veertiende dag[^jozua-5-10-15] van die maand, in de avond, op de vlakke velden van Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v10)

**11** En zij aten van het overjarige koren van het[^jozua-5-11-d] land, op de andere dag van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v11)

**12** En het Manna hield op op de andere dag, nadat zij van het land overjarige koren gegeten hadden; en de Israëlieten hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst van het land Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v12)

**13** Verder gebeurde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet,[^jozua-5-13-e] er stond[^jozua-5-13-16] een Man tegenover hem, Die een[^jozua-5-13-17] uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Bent U van ons, of van onze vijanden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v13)

**14** En Hij zei:[^jozua-5-14-18] Nee, maar Ik ben[^jozua-5-14-19] de Vorst van het leger van YHWH: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en[^jozua-5-14-20] aanbad, en zei tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v14)

**15** Toen zei de Vorst van het leger van YHWH tot Jozua:[^jozua-5-15-21] Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is[^jozua-5-15-22] heilig. En Jozua deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/5.html#v15)

[^jozua-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, aan de westzijde wonende, in het land Kanaän.
[^jozua-5-1-2]: Kanttekening 2: zo versmolt hun hart: Dat is, zij zijn versaagd geworden. Zie Joz. 2:9 , 2:24 . Jozua 2:9 : En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Jozua 2:24 : En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, YHWH heeft dat gehele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten.
[^jozua-5-2-a]: Verwijzing a: Ex. 4:25 . Exodus 4:25 : Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Werkelijk, u bent mij een bloedbruidegom!
[^jozua-5-2-3]: Kanttekening 3: stenen messen: Anders, scherpe messen. Hebreeuws, חַֽרְב֣וֹת, zwaarden, of messen van rotsen, gelijk Ex. 4:25 . Exodus 4:25 : Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Werkelijk, u bent mij een bloedbruidegom!
[^jozua-5-2-4]: Kanttekening 4: besnijd opnieuw: Hebreeuws, שׁ֛וּב, keer weer, besnijd; dat is, besnijd opnieuw; een Hebreeuwse manier van spreken. Zie Num. 11:4 ; Ps. 85:7 ; Ez. 8:6 . De besnijdenis is eerst bevolen aan Abraham en zijn zaad, en daarin gecontinueerd tot in Egypte, waar diegenen welke uit Egypte getogen zijn, ook waren besneden. Maar zo aan diegenen, die in de woestijn geboren zijn, de besnijdenis niet was geschied, zo wordt hierdoor Gods bevel aan deze hervat. Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Psalmen 85:7 : Zult U ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Ezechiël 8:6 : En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien.
[^jozua-5-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, diegenen, die nog niet besneden waren, welke zij waren, die in de woestijn geboren waren.
[^jozua-5-3-6]: Kanttekening 6: heuvel van de voorhuiden: Enige behouden het Hebreeuwse woord Araloth in de tekst, betekende voorhuiden, omdat de voorhuiden van de kinderen van Israël daar besneden waren.
[^jozua-5-5-7]: Kanttekening 7: zij niet besneden: Te weten, de ouders. Dit is nagebleven, of door sloffigheid en onachtzaamheid; of omdat zij niet wisten wanneer zij voortreizen zouden, en het de pas-besnedenen zwaar zou gevallen hebben, ja ook gevaarlijk, voort te reizen.
[^jozua-5-6-b]: Verwijzing b: Num. 14:23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^jozua-5-7-8]: Kanttekening 8: Te weten, God de Heer.
[^jozua-5-8-9]: Kanttekening 9: totdat zij genezen waren: Hebreeuws, חֲיוֹתָֽ, totdat zij leefden; gelijk Num. 21:8 . Numeri 21:8 : En YHWH zei tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal gebeuren, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.
[^jozua-5-9-10]: Kanttekening 10: de smaad: Zo noemt hij de voorhuid, die de Israëlieten aan hun kinderen gelaten hadden, hierin meer het exempel van de onbesneden Egyptenaars navolgende dan het bevel Gods. Zie Jer. 9:25 , 9:26 . Sommigen verstaan door de smaad van Egypte, de smaad, die de Egyptenaars God en zijn volk zouden opgelegd en nagezegd hebben, als zij buiten het land Kanaän hadden moeten blijven. Zie Deut. 9:28 . Jeremia 9:25 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben; Jeremia 9:26 : Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart. Deuteronomium 9:28 : Opdat het land, van waar U ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze YHWH niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.
[^jozua-5-9-11]: Kanttekening 11: van u afgewenteld: Hebreeuws, יִּקְרָ֞א, van op u; dat is, die op u lag.
[^jozua-5-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, rolling, afwenteling; omdat door de besnijdenis de schande van de Israëlieten afgewenteld is.
[^jozua-5-9-13]: Kanttekening 13: tot op deze dag: Te weten, blijft deze naam, of houdt die plaats deze naam.
[^jozua-5-10-14]: Kanttekening 14: hielden zij het pascha: Hebreeuws, פֶּ֡סַח, maakten zij. Het houden van pasen is ook in de woestijn nagelaten geweest, uitgenomen in het tweede jaar na de uittocht, zie Num. 9:1 . Numeri 9:1 : En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:
[^jozua-5-10-c]: Verwijzing c: Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^jozua-5-10-15]: Kanttekening 15: derzelver maand: Te weten, op de veertiende dag van de eerste maand van het jaar; gelijk blijkt Joz. 4:19 . Jozua 4:19 : Het volk nu was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho.
[^jozua-5-11-d]: Verwijzing d: Ex. 12:39 ; Lev. 2:14 . Exodus 12:39 : En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; omdat zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden. Leviticus 2:14 : En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren.
[^jozua-5-13-e]: Verwijzing e: Ex. 23:23 . Exodus 23:23 : Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
[^jozua-5-13-16]: Kanttekening 16: een Man: Dit was de Heer Christus in de gedaante van een man, gelijk af te nemen is uit Joz. 6:2 . Jozua 6:2 : Toen zei YHWH tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.
[^jozua-5-13-17]: Kanttekening 17: uitgetogen zwaard: Te weten, om Jozua daarmede te verkloeken, hem te kennen gevende dat Hij met hem zou zijn, en strijden tegen de Kanaänieten, en hem de victorie zou doen hebben.
[^jozua-5-14-18]: Kanttekening 18: Te weten, Ik behoor uw vijanden niet toe.
[^jozua-5-14-19]: Kanttekening 19: de Vorst: Te weten, Christus, die over het leger van de Israëlieten, welke het volk van de Heer zijn, zorg draagt.
[^jozua-5-14-20]: Kanttekening 20: Want hij kende Hem te zijn de ware God. Als dit maar een geschapen engel geweest was, Hij zou niet geleden hebben dat men hem zo zou geëerd hebben, gelijk te zien is Openb. 19:10 , en Openb. 22:9 . Openbaring 19:10 : En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uw broers, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. Openbaring 22:9 : En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uw broers, van de profeten, en van degenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God.
[^jozua-5-15-21]: Kanttekening 21: Trek uw schoenen af: Dit heeft ook God Mozes bevolen Ex. 3:5 . Zie ook Hand. 7:33 . Exodus 3:5 : En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land. Handelingen 7:33 : En de Heer zei tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke u staat, is heilig land.
[^jozua-5-15-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, heiligheid. Waarom was deze plaats heilig? Omdat de Heer haar door zijn bijzondere aanwezigheid geheiligd had. Zie Ex. 3:5 , en de aantekeningen daar. Exodus 3:5 : En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land.

### Jozua 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/6.json)

*De HEERE geeft Jozua de stad Jericho in zijn hand, vers 1 enzovoort, maar eerst laat Hij de krijgslieden, evenals de ark en zeven priesters, zeven dagen lang rondom de stad gaan, 2. Op de zevende dag wordt de stad ingenomen, doordat de muur instort, 20. De Israelieten vallen van alle kanten binnen en vernietigen met het zwaard zowel mensen als vee, 21. Maar zij sparen Rachab met alles wat zij heeft, 22. De stad en alles wat erin is wordt verbrand, behalve het goud, zilver, koper en de ijzeren voorwerpen, 24. Jozua vervloekt de man die Jericho zou herbouwen, 26. God is met Jozua, 26.*

**1** (Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten,[^jozua-6-1-1] voor het aangezicht van de Israëlieten; er ging niemand uit, en er ging niemand in.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v1)

**2** Toen zei YHWH tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.[^jozua-6-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v2)

**3** U dan allen, die soldaten bent, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; zo zult u doen zes dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v3)

**4** En zeven priesters zullen zeven[^jozua-6-4-3] ramsbazuinen dragen, voor de ark; en u zult op de zevende dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v4)

**5** En het zal gebeuren, als men langzaam met de ramshoorn blaast, als u het geluid van de bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de[^jozua-6-5-4] stadsmuur[^jozua-6-5-5] onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, ieder tegenover zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v5)

**6** Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zei tot hen: Draag de ark van het verbond, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v6)

**7** En tot het volk zei hij: Trek door en gaat rondom deze stad; en wie[^jozua-6-7-6] toegerust is, die ga door voor de ark van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v7)

**8** En het gebeurde, zoals Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen,[^jozua-6-8-7] voor het aangezicht van YHWH; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en[^jozua-6-8-8] de ark van het verbond van YHWH volgde hen na; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v8)

**9** En wie toegerust was, ging voor het aangezicht van de priesters, die de bazuinen bliezen; en de[^jozua-6-9-9] achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v9)

**10** Jozua nu had het volk geboden, zeggende: U zult niet juichen, ja, u zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op de dag, wanneer ik tot u zeggen zal: Juich! dan zult u juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v10)

**11** En hij deed de ark van YHWH rondom de stad gaan, omringende die eenmaal; toen kwamen zij weer in het leger, en overnachtten in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v11)

**12** Daarna stond Jozua 's morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v12)

**13** En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark van YHWH, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark van YHWH na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v13)

**14** Zo gingen zij eenmaal rondom de stad op de tweede dag; en zij keerden weer in het leger. Zo deden zij zes dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v14)

**15** En het gebeurde op de zevende dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan van de dageraad, en zij gingen rondom de stad, naar dezelfde wijze, zevenmaal; alleen op die dag gingen zij zevenmaal rondom de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v15)

**16** En het gebeurde de zevende keer, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juich, want YHWH heeft u de stad gegeven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v16)

**17** [^jozua-6-17-10] Maar deze stad zal voor YHWH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die[^jozua-6-17-11] wij uitgezonden hadden,[^jozua-6-17-12] verborgen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v17)

**18** Alleen dat u zich wacht van het verbannene, opdat u zich misschien niet[^jozua-6-18-13] verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch het beroert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v18)

**19** [^jozua-6-19-a] Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren voorwerpen, zullen voor YHWH[^jozua-6-19-14] heilig zijn; tot de schat van YHWH zullen zij komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v19)

**20** Het volk dan juichte, als[^jozua-6-20-15] zij met de bazuinen bliezen; en het gebeurde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich;[^jozua-6-20-b] en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v20)

**21** En[^jozua-6-21-16] zij verbanden alles, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door[^jozua-6-21-17] de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v21)

**22** Jozua nu zei tot de twee mannen, de spionnen van het land: Ga in het huis van de vrouw, van de hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft,[^jozua-6-22-c] zoals u haar gezworen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v22)

**23** Toen gingen de jongemannen, de spionnen, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broers, en al wat zij had; ook brachten zij uit[^jozua-6-23-18] al haar huisgezinnen, en zij[^jozua-6-23-19] stelden hen buiten het leger van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v23)

**24** De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleen het zilver en goud, en ook de koperen en ijzeren voorwerpen, gaven zij tot de schat van het[^jozua-6-24-20] huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v24)

**25** Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin van haar vader, en al wat zij had;[^jozua-6-25-21] en zij heeft gewoond in het midden van Israël[^jozua-6-25-22] tot op deze dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te bespioneren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v25)

**26** En ter zelver tijd[^jozua-6-26-23] bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van YHWH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeboren zoon, en haar[^jozua-6-26-24] poorten stelle op zijn jongste zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v26)

**27** Zo was YHWH met Jozua; en zijn gerucht[^jozua-6-27-25] liep door het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/6.html#v27)

[^jozua-6-1-1]: Kanttekening 1: voor het aangezicht: Te weten, uit vrees van de kinderen van Israël.
[^jozua-6-2-2]: Kanttekening 2: YHWH: Boven, Joz. 5:13 , wordt Hij een man genoemd. Jozua 5:13 : Verder geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Zijt U van ons, of van onze vijanden?
[^jozua-6-4-3]: Kanttekening 3: ramsbazuinen dragen: Dat is, bazuinen van ramshoornen gemaakt.
[^jozua-6-5-4]: Kanttekening 4: Versta dit van een deel van de muur; ware de gehele muur gevallen, zo moest ook Rachabs huis gevallen zijn, want het stond op de muur; boven, Joz. 2:15 . Jozua 2:15 : Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op de stadsmuur; en zij woonde op de muur.
[^jozua-6-5-5]: Kanttekening 5: onder zich vallen: Hebreeuws, עִיר֙, aan zijn plaats.
[^jozua-6-7-6]: Kanttekening 6: toegerust is: Dat is, gewapend.
[^jozua-6-8-7]: Kanttekening 7: voor het aangezicht van YHWH: Zie boven, de aantekeningen Joz. 4:13 . Jozua 4:13 : Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht van YHWH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
[^jozua-6-8-8]: Kanttekening 8: de ark van het verbond: Dat is, de ark, in welke lagen de twee tafelen, waarop het verbond geschreven was.
[^jozua-6-9-9]: Kanttekening 9: Zie Num. 10:25 . Numeri 10:25 : Toen toog op de banier van het leger van de kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn legermacht was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai.
[^jozua-6-17-10]: Kanttekening 10: Maar deze stad: Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jozua-6-17-11]: Kanttekening 11: wij uitgezonden hadden: Te weten, ik en de oversten, zonder kennis van het volk, boven, Joz. 2:1 , 2:4 , 2:6 . Jozua 2:1 : Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar. Jozua 2:4 : Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zei aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren. Jozua 2:6 : Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstopt onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.
[^jozua-6-17-12]: Kanttekening 12: verborgen heeft: Sommigen: wel, of, naarstiglijk verborgen heeft.
[^jozua-6-18-13]: Kanttekening 13: Dat is, geen oorzaak zijt, dat u zelf verdelgd wordt.
[^jozua-6-19-a]: Verwijzing a: Num. 31:54 . Numeri 31:54 : Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden van de duizenden en van de honderden, en zij brachten het in de tent van de samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen van Israël, voor het aangezicht van YHWH.
[^jozua-6-19-14]: Kanttekening 14: heilig zijn: Hebreeuws, יהוָ֑ה, heiligheid.
[^jozua-6-20-15]: Kanttekening 15: zij met de bazuinen bliezen: Te weten, de zeven priesters.
[^jozua-6-20-b]: Verwijzing b: Hebr., 11:30 . Hebreeën 11:30 : Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.
[^jozua-6-21-16]: Kanttekening 16: zij verbanden alles: Dat is, zij vernielden alles, gelijk men de verbannen dingen pleegt te doen. Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jozua-6-21-17]: Kanttekening 17: de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, de mond.
[^jozua-6-22-c]: Verwijzing c: Joz. 2:14 ; Hebr., 11:31 . Jozua 2:14 : Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor u om te sterven, als u deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan gebeuren, wanneer YHWH ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen. Hebreeën 11:31 : Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen.
[^jozua-6-23-18]: Kanttekening 18: al haar huisgezinnen: Of, geslachten, of maagschappen; te weten, die haar aangingen.
[^jozua-6-23-19]: Kanttekening 19: stelden hen: Te weten, zolang, totdat zij in de Israëlietische religie wel onderwezen, en zo in de gemeente van God aangenomen waren. Zie Deut. 21:10 . Deuteronomium 21:10 : Wanneer u zult uitgetogen zijn tot de strijd tegen uw vijanden; en YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat u hun gevangenen gevankelijk wegvoert;
[^jozua-6-24-20]: Kanttekening 20: huis van YHWH: Dat is, van de tabernakel. Zie boven, vers 19 , en Num. 31:54 . Jozua 6:19 : Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen YHWH heilig zijn; tot de schat van YHWH zullen zij komen. Numeri 31:54 : Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden van de duizenden en van de honderden, en zij brachten het in de tent van de samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen van Israël, voor het aangezicht van YHWH.
[^jozua-6-25-21]: Kanttekening 21: en zij heeft gewoond: Ja, zij is naderhand getrouwd in de stam van Juda, aan Salmon, de zoon van Nahesson; Matt. 1:5 . Mattheüs 1:5 : En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai;
[^jozua-6-25-22]: Kanttekening 22: tot op deze dag: Dit sluit niet uit dat Rachab en haar nakomelingen ook niet na die tijd zouden gewoond hebben onder de Israëlieten.
[^jozua-6-26-23]: Kanttekening 23: bezwoer hen Jozua: Te weten, door het ingeven van de Heilige Geest.
[^jozua-6-26-24]: Kanttekening 24: op zijn eerstgeborenen zoon: Of, om, voor; dat is, dat het hem zijn eerstgeboren zoon koste. Zie de vervulling hiervan aan Hiël en zijn zonen, 1 Kon. 16:34 . 1 Koningen 16:34 : In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord van YHWH, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had.
[^jozua-6-27-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, was; dat is, men sprak van hem in alle omliggende landen.

### Jozua 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/7.json)

*Omdat Achan van het gebannene had genomen, ontsteekt de toorn van de Heere tegen Israel, vers 1 enzovoort. Jozua stuurt enig volk naar Ai, 2, waar 36 Israelieten worden verslagen, 5. Jozua en de oudsten van Israel zijn hierover zeer ontzet en vernederen zich voor de Heere, 6, die hem de oorzaak van deze nederlaag openbaart, 11. Hij beveelt hem de man die het gebannene goed gestolen had door loting aan te wijzen, 14, en hem met al het zijne te verbranden, 15. Achan blijkt de schuldige man te zijn, 16. Hij en al de zijnen worden gestenigd en verbrand, 24.*

**1** Maar[^jozua-7-1-1] de Israëlieten overtraden door overtreding met[^jozua-7-1-2] het verbannene;[^jozua-7-1-a] want[^jozua-7-1-3] Achan, de zoon van Charmi, de zoon[^jozua-7-1-4] van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van[^jozua-7-1-5] het verbannene. Toen ontstak de toorn van YHWH[^jozua-7-1-6] tegen de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v1)

**2** Als Jozua mannen zond van Jericho naar[^jozua-7-2-7] Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trek omhoog en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v2)

**3** Daarna keerden zij weer naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het hele volk niet optrekke, dat er ongeveer twee duizend mannen, of ongeveer drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v3)

**4** Zo trokken daarheen op van het volk ongeveer drie duizend man; die vluchtten voor het aangezicht van de mannen van Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v4)

**5** En de mannen van Ai sloegen van hen ongeveer zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot[^jozua-7-5-8] Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v5)

**6** Toen[^jozua-7-6-9] verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van[^jozua-7-6-10] Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v6)

**7** En Jozua zei: Ach, Adonai YHWH! waarom[^jozua-7-7-11] hebt U dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand van de Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan de overzijde van de Jordaan![^jozua-7-7-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v7)

**8** [^jozua-7-8-13] Och, YHWH! wat zal ik zeggen, aangezien dat Israël voor het aangezicht van zijn vijanden de nek gekeerd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v8)

**9** Als het de Kanaänieten, en alle inwoners van het land horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onze naam uitroeien van de aarde;[^jozua-7-9-14] wat zult U dan voor Uw grote Naam doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v9)

**10** Toen zei YHWH tot Jozua: Sta op; waarom[^jozua-7-10-15] ligt u dus neer op uw aangezicht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v10)

**11** [^jozua-7-11-16] Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook[^jozua-7-11-17] Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van[^jozua-7-11-18] het verbannene genomen, en ook[^jozua-7-11-19] gestolen, en ook[^jozua-7-11-20] gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v11)

**12** Daarom zullen de Israëlieten niet kunnen bestaan voor het aangezicht van hun vijanden; zij zullen de nek voor het aangezicht van hun vijanden keren; want[^jozua-7-12-21] zij zijn in de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij u[^jozua-7-12-22] de ban uit het midden van u vernietigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v12)

**13** Sta op,[^jozua-7-13-23] heilig het volk, en zeg: Heilig u tegen morgen; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht van uw vijanden, voordat u de ban wegdoet uit het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v13)

**14** U zult dan in de morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal gebeuren, de stam, die YHWH[^jozua-7-14-24] geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij[^jozua-7-14-25] huisgezinnen, en welk huisgezin YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen[^jozua-7-14-26] man voor man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v14)

**15** En het zal gebeuren, die geraakt zal worden[^jozua-7-15-27] met de ban, die zal[^jozua-7-15-28] met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond van YHWH overtreden heeft, en omdat hij[^jozua-7-15-29] dwaasheid in Israël gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v15)

**16** Toen maakte zich Jozua 's morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v16)

**17** Als hij[^jozua-7-17-30] het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen,[^jozua-7-17-31] man voor man, zo werd Zabdi geraakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v17)

**18** Wiens huisgezin, als hij dat deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v18)

**19** Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon![^jozua-7-19-32] Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v19)

**20** Achan nu antwoordde Jozua, en zei: Werkelijk, ik heb tegen YHWH, de God van Israël, gezondigd, en heb[^jozua-7-20-33] zo en zo gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v20)

**21** Want ik zag onder de roof een[^jozua-7-21-34] schoon sierlijk[^jozua-7-21-35] Babylonisch overkleed, en[^jozua-7-21-36] tweehonderd sikkels zilver, en een gouden[^jozua-7-21-37] tong, waarvan het gewicht vijftig sikkels was; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver[^jozua-7-21-38] daaronder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v21)

**22** Toen zond Jozua boden heen, die tot de tent liepen; en ziet,[^jozua-7-22-39] het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v22)

**23** Zij dan namen die dingen uit het midden van de tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de Israëlieten; en zij stortten ze[^jozua-7-23-40] uit voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v23)

**24** Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan,[^jozua-7-24-41] de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezels, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze[^jozua-7-24-42] naar het dal Achor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v24)

**25** En Jozua zei: Hoe hebt u ons in het ongeluk gestort? YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde[^jozua-7-25-44] hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.[^jozua-7-25-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v25)

**26** En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom[^jozua-7-26-45] noemde men de naam van die plaats[^jozua-7-26-46] het dal van Achor, tot deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/7.html#v26)

[^jozua-7-1-1]: Kanttekening 1: de kinderen van Israël: Versta, één van de kinderen van Israël, te weten, Achan. Vergelijk Richt. 12:7 . Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^jozua-7-1-2]: Kanttekening 2: het verbannene: Dat is, tegen de wet van God, de verbannen dingen aangaande.
[^jozua-7-1-a]: Verwijzing a: Joz. 22:20 ; 1 Kron. 2:7 . Jozua 22:20 : Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een toorn over de gehele vergadering van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid. 1 Kronieken 2:7 : En de kinderen van Charmi waren Achar, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.
[^jozua-7-1-3]: Kanttekening 3: Hij wordt 1 Kron. 2:7 Achar, dat is verstoorder, genoemd. 1 Kronieken 2:7 : En de kinderen van Charmi waren Achar, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.
[^jozua-7-1-4]: Kanttekening 4: Hij wordt ook Simri genoemd, 1 Kron. 2:6 . 1 Kronieken 2:6 : En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
[^jozua-7-1-5]: Kanttekening 5: het verbannene: Zie boven, Joz. 6:18 , 6:19 . Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert. Jozua 6:19 : Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen YHWH heilig zijn; tot de schat van YHWH zullen zij komen.
[^jozua-7-1-6]: Kanttekening 6: tegen de kinderen van Israël: Om de zonde van een man vertoornt zich God over de gehele gemeente van de Israëlieten. Zie Joz. 22:20 . Jozua 22:20 : Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een toorn over de gehele vergadering van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.
[^jozua-7-2-7]: Kanttekening 7: Ai lag op een berg, drie mijlen van Jericho westwaarts, in dat deel van het land Kanaän, dat aan de stam Benjamin is ten deel gevallen. Er is nog een ander Ai geweest in de stam van Gad, dat de Ammonieten hadden ingenomen, waartegen Jeremia profeteert, Jer. 49:3 . Jeremia 49:3 : Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jozua-7-5-8]: Kanttekening 8: Schebarim toe: Deze plaats is eerst zo genoemd na deze nederlaag van de Israëlieten. Schebarim betekent brekingen, of verbrekingen, omdat het leger van de Israëlieten daar gebroken en vaneen gehouwen is.
[^jozua-7-6-9]: Kanttekening 9: verscheurde Jozua: Tot een teken van grote droefenis en benauwdheid van het hart. Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^jozua-7-6-10]: Kanttekening 10: en zij wierpen: Dit plachten de Israëlieten te doen tot een teken van droefenis en verbaasdheid; 1 Sam. 4:12 ; 2 Sam. 13:19 ; Jona 3:6 ; Micha 1:10 . 1 Samuël 4:12 : Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo dezelfde dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. 2 Samuël 13:19 : Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet. Jona 3:6 : Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. Micha 1:10 : Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.
[^jozua-7-7-11]: Kanttekening 11: hebt U: Hebreeuws, passerende doen passeren. Hier schijnt Jozua door menselijke zwakheid, vanwege de geleden schade, wat ter zijde af te treden.
[^jozua-7-7-12]: Kanttekening 12: Versta hieronder, al de zeven volken, die het land, aan de Israëlieten van God beloofd, bezaten.
[^jozua-7-8-13]: Kanttekening 13: Och, YHWH: Hebreeuws, in mij Heer. Zie Gen. 43:20 . Genesis 43:20 : En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om voedsel te kopen.
[^jozua-7-9-14]: Kanttekening 14: wat zult U: Alsof hij zei: Hoe zult U uw grote en heerlijke naam behouden, als de Kanaänieten zullen zeggen dat U nu de macht niet meer hebt om ons te beschermen en hen te dempen, gelijk U vóór deze meermalen gedaan hebt.
[^jozua-7-10-15]: Kanttekening 15: ligt u dus neder: Hebreeuws, נֹפֵ֥ל, eigenlijk: bent u nedervallende.
[^jozua-7-11-16]: Kanttekening 16: Israël heeft gezondigd: Dat is, een onder de Israëlieten; te weten, Achan.
[^jozua-7-11-17]: Kanttekening 17: Mijn verbond: Dat is, mijn gebod, waartoe zij zich in het verbond verplicht hebben, om het te onderhouden. Zie boven, Joz. 6:18 . Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.
[^jozua-7-11-18]: Kanttekening 18: het verbannene genomen: Te weten, dat Ik bevolen heb, dat men zou verbannen, Joz. 6:18 . Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.
[^jozua-7-11-19]: Kanttekening 19: Te weten, wat men had behoren te brengen in de schatkamer van de Heer, boven, Joz. 6:19 . Jozua 6:19 : Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen YHWH heilig zijn; tot de schat van YHWH zullen zij komen.
[^jozua-7-11-20]: Kanttekening 20: Anders, geloochend, ontkend.
[^jozua-7-12-21]: Kanttekening 21: zij zijn in de ban: Dat is, zij zijn in de straf gevallen, die Ik over deze verbannen volken zou hebben laten komen, omdat zij zich aan het verbannene vergrepen hebben.
[^jozua-7-12-22]: Kanttekening 22: de ban uit het midden: Dat is, dengene, die verdiend heeft verbannen te zijn, omdat hij zich aan het verbannene vergrepen heeft. Zo ook onder, vers 13 . Jozua 7:13 : Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uw vijanden, totdat u de ban wegdoet uit het midden van u.
[^jozua-7-13-23]: Kanttekening 23: heilig het volk: Dat is, maak dat zich het volk reinige en tot heiligheid schikke, door de ceremoniën van God verordineerd, Ex. 19:10 . Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen,
[^jozua-7-14-24]: Kanttekening 24: geraakt zal hebben: Hebreeuws, יִקְרַ֣ב, gevat, of, gevangen; te weten, door het lot, dat de Heer regeert; Spreuk. 16:33 . Zie 1 Sam. 14:41 ; Jona 1:7 . Spreuken 16:33 : Het lot wordt in de schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van YHWH. 1 Samuël 14:41 : Saul nu sprak tot YHWH, de God van Israël: Toon de onschuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrijuit. Jona 1:7 : Verder zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, vanwege wie ons dit kwaad overkomt. Zo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.
[^jozua-7-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, huizen.
[^jozua-7-14-26]: Kanttekening 26: man voor man: Hebreeuws, גְּבָרִֽים, met mannen.
[^jozua-7-15-27]: Kanttekening 27: met de ban: Dat is, met het verbannen, gestolen goed.
[^jozua-7-15-28]: Kanttekening 28: met vuur verbrand worden: Te weten, nadat hij eerst ter dood toe zal gestenigd zijn. Zie Num. 15:30 , 15:35 . Numeri 15:30 : Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; Numeri 15:35 : Zo zei YHWH tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger.
[^jozua-7-15-29]: Kanttekening 29: Dat is, een schendig stuk, of schandelijkheid. Aldus wordt Gen. 34:7 het schofferen van Dina genoemd, en het schenden van de Levietische vrouw Richt. 20:6 . Genesis 34:7 : En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden. Richteren 20:6 : Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde haar, en zond haar in het gehele land van de erfenis van Israël, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden.
[^jozua-7-17-30]: Kanttekening 30: het geslacht van Juda: Dat is, stam, of elk geslacht van die.
[^jozua-7-17-31]: Kanttekening 31: man voor man: Hebreeuws, גְּבָרִ֔ים, bij mannen; dat is, naar de huisgezinnen van de vaderen, niet hoofd bij hoofd, iedereen, gelijk vers 18 . Jozua 7:18 : Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda.
[^jozua-7-19-32]: Kanttekening 32: Geef toch YHWH: Hebreeuws, stel. Toen Achan zijn begane misdaad beleed, zo gaf hij God de eer, dat Hij hem recht getroffen had.
[^jozua-7-20-33]: Kanttekening 33: zo en zo gedaan: Te weten, gelijk de Heer gesproken heeft, vers 11 . Jozua 7:11 : Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.
[^jozua-7-21-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, goed.
[^jozua-7-21-35]: Kanttekening 35: Babylonisch overkleed: Hebreeuws, אַחַ֨ת, een mantel van Sinear. Zie Gen. 10:10 . Genesis 10:10 : En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^jozua-7-21-36]: Kanttekening 36: tweehonderd sikkelen zilvers: Dit is de helft van de prijs, waarvoor Abraham de dubbele spelonk van Efron gekocht heeft, doende de twee honderd gemene sikkelen vijftig rijksdaalders.
[^jozua-7-21-37]: Kanttekening 37: Een langwerpig en breedachtig stuk goud, hebbende het fatsoen van een tong, het zij wat het ook mag geweest zijn.
[^jozua-7-21-38]: Kanttekening 38: Te weten, onder de Babylonische mantel.
[^jozua-7-22-39]: Kanttekening 39: het lag verborgen: Te weten, het goed. Of hij, te weten, de mantel.
[^jozua-7-23-40]: Kanttekening 40: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, voor de tent van de samenkomst, waar de ark, een heilig teken van de aanwezigheid van de Heer was; want deze gehele handeling is in een algemene samenkomst van het volk geschied.
[^jozua-7-24-41]: Kanttekening 41: de zoon van Zerah: Dat is, neef. Zie vers 1 . Jozua 7:1 : Maar de kinderen van Israël overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van YHWH tegen de kinderen van Israël.
[^jozua-7-24-42]: Kanttekening 42: het dal Achor: Dat is, het dal van de beroerte; naderhand zo genaamd, vanwege deze geschiedenis, vers 26 . Jozua 7:26 : En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam dier plaats het dal van Achor, tot deze dag toe.
[^jozua-7-25-44]: Kanttekening 44: hem met stenen: Te weten, Achan; versta hierbij ook al de zijnen, gelijk vers 26 . Jozua 7:26 : En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam dier plaats het dal van Achor, tot deze dag toe.
[^jozua-7-25-43]: Kanttekening 43: Van het woord beroeren, zie 1 Kon. 18:17 . 1 Koningen 18:17 : En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei: Zijt u die beroerder van Israël?
[^jozua-7-26-45]: Kanttekening 45: noemde men de naam dier plaats: Anders, noemde; te weten, Jozua.
[^jozua-7-26-46]: Kanttekening 46: het dal van Achor: Dat is, het dal van de beroerte; omdat het gehele volk van Israël hier beroerd en bedroefd was geworden vanwege Achans diefstal, en omdat hij ook door deze schrikkelijke straf daarin was beroerd, vers 25 . Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? De YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.

### Jozua 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/8.json)

*God spreekt Jozua nieuwe moed in en draagt hem op Ai te gaan belegeren, met de belofte dat hij het zal innemen, vers 1 enzovoort. Jozua belegert Ai en legt een hinderlaag, 3, en zij nemen het in door list en verrassing, 19. Ai wordt verbrand, 20. De koning van Ai wordt gevangengenomen, 23. Alle inwoners van de stad worden gedood, 25. Het vee en de overige buit worden geroofd, 27. Ai wordt tot een steenhoop gemaakt, 28, en zijn koning gehangen, 29. Jozua bouwt de Heere een altaar, 30, op bevel van God, en offert daarop, 31. Hij schrijft de wet van Mozes op stenen, 32. Hij laat die met haar zegeningen en vloeken voor het hele volk voorlezen op de bergen Gerizim en Ebal, 33.*

**1** Toen zei YHWH tot Jozua:[^jozua-8-1-a] Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al de soldaten, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb de koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v1)

**2** U nu zult aan Ai en haar koning doen,[^jozua-8-2-b] zoals u aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat u haar roof en[^jozua-8-2-c] haar vee voor u roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van daarachter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v2)

**3** Toen maakte zich Jozua op, en al de soldaten, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v3)

**4** En gebood hun, zeggende: Zie toe, u zult tegen de stad hinderlagen leggen van achter de stad; houd u niet zeer verre van de stad, en wees u allen bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v4)

**5** Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal gebeuren, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, zoals in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v5)

**6** Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vluchten voor onze aangezichten, zoals in het eerst; zo zullen wij vluchten voor hun aangezichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v6)

**7** [^jozua-8-7-1] Dan zult u opstaan uit de achterlage,[^jozua-8-7-2] en u zult de stad innemen; want YHWH, uw God, zal ze in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v7)

**8** En het zal gebeuren, wanneer u de stad ingenomen hebt, zo zult u de stad met vuur aansteken; naar het woord van YHWH zult u doen; zie, ik heb het u geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v8)

**9** Zo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte die nacht in het midden van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v9)

**10** En Jozua maakte zich 's morgens vroeg op, en hij[^jozua-8-10-3] monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht van het volk, naar Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v10)

**11** Ook trokken al de soldaten op, die bij hem waren; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij sloegen hun kamp op tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v11)

**12** Hij nam ook ongeveer vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v12)

**13** En zij[^jozua-8-13-4] stelden het volk, het hele leger, dat aan het noorden van de stad was, en zijn[^jozua-8-13-5] hinderlaag was aan het westen van de stad. En Jozua ging in dezelfde nacht in het midden[^jozua-8-13-6] van het dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v13)

**14** En het gebeurde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen van de stad kwamen uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al[^jozua-8-14-7] zijn volk,[^jozua-8-14-8] op de vastgestelde tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage legde van achter de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v14)

**15** Jozua dan, en geheel Israël,[^jozua-8-15-9] werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vluchtten[^jozua-8-15-10] door de weg van de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v15)

**16** Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v16)

**17** En er werd[^jozua-8-17-11] niet één man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v17)

**18** Toen sprak YHWH tot Jozua:[^jozua-8-18-12] Strek de[^jozua-8-18-13] speer uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de speer, die in zijn hand was, naar de stad aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v18)

**19** Toen rees de achterlage haastig op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en[^jozua-8-19-14] staken de stad aan met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v19)

**20** Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook van de stad ging op naar de hemel; en zij hadden[^jozua-8-20-15] geen ruimte, om hierheen of daarheen te vluchten; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v20)

**21** En Jozua en geheel Israël, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook van de stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v21)

**22** Ook kwamen[^jozua-8-22-16] die uit de stad[^jozua-8-22-17] hun tegemoet, zodat[^jozua-8-22-18] zij in het midden van de Israëlieten waren, de één van hier en de ander van daar; en[^jozua-8-22-d] zij sloegen hen,[^jozua-8-22-19] totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v22)

**23** Maar de koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v23)

**24** En het gebeurde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn,[^jozua-8-24-20] waarin zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door[^jozua-8-24-21] de scherpte van het zwaard gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich geheel Israël naar Ai, en[^jozua-8-24-22] zij sloegen ze met de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v24)

**25** En het gebeurde, dat allen, die op die dag vielen,[^jozua-8-25-23] zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al samen mensen van Ai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v25)

**26** Jozua trok ook zijn hand niet terug,[^jozua-8-26-24] die hij met de speer had uitgestrekt, voordat hij al de inwoners van Ai[^jozua-8-26-25] verbannen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v26)

**27** [^jozua-8-27-e] Alleen roofden de Israëlieten voor zichzelf het vee en de buit van die stad,[^jozua-8-27-f] naar het woord van YHWH, dat Hij Jozua geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v27)

**28** Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot[^jozua-8-28-26] een eeuwige hoop,[^jozua-8-28-27] ter verwoesting, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v28)

**29** En de koning van Ai hing hij aan een hout,[^jozua-8-29-28] tot aan de avond; en[^jozua-8-29-g] omstreeks de ondergang van de zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur van de stadspoort, en richtten daarop een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v29)

**30** Toen[^jozua-8-30-29] bouwde Jozua een altaar voor YHWH, de God van Israël, op de berg[^jozua-8-30-30] Ebal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v30)

**31** [^jozua-8-31-h] Zoals Mozes, de knecht van YHWH, de Israëlieten geboden had, achtereenvolgens wat geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van hele stenen,[^jozua-8-31-31] waarover men geen ijzer[^jozua-8-31-32] bewogen had; en daarop offerden zij YHWH brandoffers; ook offerden zij dankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v31)

**32** [^jozua-8-32-i] Daar schreef hij ook[^jozua-8-32-33] op stenen[^jozua-8-32-34] een dubbel van de wet van[^jozua-8-32-35] Mozes, dat hij geschreven heeft voor het aangezicht van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v32)

**33** En geheel Israël met zijn oudsten, en voormannen, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als ingezetenen, een helft daarvan tegenover de berg[^jozua-8-33-36] Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël[^jozua-8-33-37] in het eerst te zegenen.[^jozua-8-33-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v33)

**34** En daarna las[^jozua-8-34-39] hij overluid al de woorden van de wet, de zegening en de vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v34)

**35** Daar was niet één woord van al wat Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las[^jozua-8-35-k] voor de hele gemeente van Israël, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en[^jozua-8-35-40] de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/8.html#v35)

[^jozua-8-1-a]: Verwijzing a: Deut. 1:21 ; Deut. 7:18 . Deuteronomium 1:21 : Ziet, YHWH, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als YHWH, uw vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet. Deuteronomium 7:18 : Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat YHWH, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;
[^jozua-8-2-b]: Verwijzing b: Joz. 6:21 . Jozua 6:21 : En zij verbanden alles, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door de scherpte van het zwaard.
[^jozua-8-2-c]: Verwijzing c: Deut. 20:14 . Deuteronomium 20:14 : Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit uw vijanden, die u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^jozua-8-7-1]: Kanttekening 1: Dan zult u: Te weten, wanneer u het teken zien zult, dat ik u geven zal. Zie vers 18 . Jozua 8:18 : Toen sprak YHWH tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.
[^jozua-8-7-2]: Kanttekening 2: en u zult de stad innemen: Anders, en u zult de stad \[dat is, de rest van de inwoners van de stad\] uitdrijven.
[^jozua-8-10-3]: Kanttekening 3: Anders, telde, stelde in orde, overzag.
[^jozua-8-13-4]: Kanttekening 4: Te weten, in orde.
[^jozua-8-13-5]: Kanttekening 5: Het Hebreeuwse woord betekent eigelijk hiel, ook ondertreding, of ondervoetdrukking, maar het wordt ook gebruikt voor list, bedrog, lagen. Anders, zijn uiterste einde.
[^jozua-8-13-6]: Kanttekening 6: van het dal: Daarvan vers 11 . Jozua 8:11 : Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.
[^jozua-8-14-7]: Kanttekening 7: zijn volk: Dat is, met het grootste deel van het volk; want dat er nog enig volk in de stad gebleven is, blijk vers 16 . Jozua 8:16 : Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.
[^jozua-8-14-8]: Kanttekening 8: op de vastgestelde tijd: Of, ter bestemder, of gezetter plaats.
[^jozua-8-15-9]: Kanttekening 9: werd geslagen: Dit moet men niet naar de letter verstaan, alsof enige van de Israëlieten door die van Ai inderdaad verslagen zijn geworden, want daardoor zouden de Israëlieten de moed opnieuw verloren hebben; maar het is te zeggen dat zij veinsden, of zich gelieten alsof zij vreesden dat zij opnieuw van die van Ai zouden verslagen worden.
[^jozua-8-15-10]: Kanttekening 10: door de weg van de woestijn: Anders, voor de woestijn; te weten, waar men gaat naar de woestijn, die tussen Ai en Jericho ligt; te weten, opnieuw teruglopen naar Jericho, vanwaar zij gekomen waren.
[^jozua-8-17-11]: Kanttekening 11: niet een man: Te weten, die ten strijde bekwaam was. Vergelijk onder, vers 24 . Jozua 8:24 : En het geschiedde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in die zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte van het zwaard gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich geheel Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte van het zwaard.
[^jozua-8-18-12]: Kanttekening 12: Te weten, tot een teken aan degenen, die in de achterhoede liggen, dat zij komen aantrekken. Anders, uit vers 26 aldus: Strek uw hand met de spies, of vaan, standaard, banier. Vergelijk deze daad van Jozua met de daad van Mozes, Ex. 17:11 , 17:12 . Jozua 8:26 : Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had. Exodus 17:11 : En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. Exodus 17:12 : Maar de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de één op deze, de ander op de andere zijde; zo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
[^jozua-8-18-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Sam. 17:7 . 1 Samuël 17:7 : En de schacht van zijn spies was als een weversboom, en het lemmer van zijn spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.
[^jozua-8-19-14]: Kanttekening 14: staken de stad aan met vuur: Niet de gehele stad, want zo zou al de buit mee zijn verbrand geworden maar een deel derzelve, opdat de Israëlieten, die kwansuis gevlucht waren, de rook ziende, zich omkeren en de vijand aantasten zouden.
[^jozua-8-20-15]: Kanttekening 15: geen ruimte: Hebreeuws, יָדַ֛יִם, in hen waren geen handen om te vluchten. Hand voor ruimte of plaats wordt gebruikt Num. 2:17 ; Ps. 104:25 ; Jes. 22:18 ; Neh. 7:4 . Anders, geen macht. Numeri 2:17 : Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, een ieder aan zijn plaats, naar hun banieren. Psalmen 104:25 : Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. Jesaja 22:18 : Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen uw heerlijke wagens zijn, o u schandvlek van het huis uws heren! Nehemia 7:4 : De stad nu was wijd van ruimte en groot; maar van het volk was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.
[^jozua-8-22-16]: Kanttekening 16: die uit de stad: Te weten, die in de achterhoede gelegen hadden, en nu in de stad gekomen waren en haar in brand gestoken hadden.
[^jozua-8-22-17]: Kanttekening 17: Te weten, de burgers van Ai.
[^jozua-8-22-18]: Kanttekening 18: Te weten, de burgers van Ai.
[^jozua-8-22-d]: Verwijzing d: Deut. 7:2 . Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^jozua-8-22-19]: Kanttekening 19: geen overige onder hen overbleef: Hebreeuws, שָׂרִ֥יד, dat er iemand onder hen overbleef, in het leven behouden of ontkomen.
[^jozua-8-24-20]: Kanttekening 20: Te weten, de kinderen van Israël.
[^jozua-8-24-21]: Kanttekening 21: de scherpte: Hebreeuws, פִי, de mond.
[^jozua-8-24-22]: Kanttekening 22: Te weten, die nog over waren in de stad, als oude mannen, vrouwen, kinderen en allen, die niet tot de strijd uitgetrokken waren.
[^jozua-8-25-23]: Kanttekening 23: zo mannen als vrouwen: Hebreeuws, אִשָּׁ֔ה, van de man tot de vrouw.
[^jozua-8-26-24]: Kanttekening 24: die hij met de spies: Zie boven, vers 18 . Dit was het teken, waaraan de Israëlieten konden weten wanneer zij zouden ophouden van het verwoesten van de stad. Jozua 8:18 : Toen sprak YHWH tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.
[^jozua-8-26-25]: Kanttekening 25: verbannen had: Dat is, ten enenmale uitgeroeid en verdelgd had.
[^jozua-8-27-e]: Verwijzing e: Num. 31:22 ; idem v. 26 . Numeri 31:22 : Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood; Numeri 31:26 : Neem op de som van de buit van de gevangenen van mensen en van beesten; u en Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de vergadering.
[^jozua-8-27-f]: Verwijzing f: Joz. 8:2 . Jozua 8:2 : U nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als u aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat u haar roof en haar vee voor u roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelfde.
[^jozua-8-28-26]: Kanttekening 26: een eeuwigen hoop: Hebreeuws, עוֹלָם֙, tot een hoop van de eeuwigheid . Dit betekent somtijds een lange tijd. Ai is naderhand van de Benjaminieten bewoond geweest, Neh. 11:31 . Nehemia 11:31 : De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-el, en haar onderhorige plaatsen,
[^jozua-8-28-27]: Kanttekening 27: ter verwoesting: Dat is, tot een woeste plaats.
[^jozua-8-29-28]: Kanttekening 28: tot aan de avondstond: Achtervolgens de wet van God; Deut. 21:22 . Deuteronomium 21:22 : Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben;
[^jozua-8-29-g]: Verwijzing g: Deut. 21:22 ; idem v. 23 . Deuteronomium 21:22 : Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van het dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben; Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^jozua-8-30-29]: Kanttekening 29: Toen bouwde Jozua: Te weten, nadat zij over de Jordaan gekomen waren, of nadat zij Ai hadden ingenomen.
[^jozua-8-30-30]: Kanttekening 30: Deze berg lag bij Sichem, gelijk te zien is Richt. 9:7 . Richteren 9:7 : Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zei tot hen: Hoort naar mij, u, burgers van Sichem! en God zal naar u horen.
[^jozua-8-31-h]: Verwijzing h: Ex. 20:25 ; Deut. 27:4 . Exodus 20:25 : Maar als u Mij een stenen altaar zult maken, zo zult u dit niet bouwen van gehouwen steen; zo u uw houwijzer daarover verheft, zo zult u het ontheiligen. Deuteronomium 27:4 : Het zal dan gebeuren, als u over de Jordaan gegaan zult zijn, dat u dezelfde stenen, van die ik u heden gebiede, zult oprichten op de berg Ebal, en u zult ze met kalk bestrijken;
[^jozua-8-31-31]: Kanttekening 31: over die: Dat is, niet effen gemaakt, of gepolijst met de instrumenten van de steenhouwers.
[^jozua-8-31-32]: Kanttekening 32: bewogen had: Dat is, gebruikt.
[^jozua-8-32-i]: Verwijzing i: Deut. 27:3 . Deuteronomium 27:3 : En u zult daarop schrijven alle woorden van deze wet, als u overgegaan zult zijn; opdat u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als YHWH, uw vaderen God, tot u gesproken heeft.
[^jozua-8-32-33]: Kanttekening 33: op stenen: Dit waren andere stenen dan die, van welke vers 31 gesproken is. Jozua 8:31 : Gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, de kinderen van Israël geboden had, achtereenvolgens wat geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over die men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij YHWH brandofferen; ook offerden zij dankofferen.
[^jozua-8-32-34]: Kanttekening 34: Of, afschrift, copie, wederhaling van de wet; te weten, de voornaamste stukken van de wet, of de tien geboden, of, gelijk enige menen, de zegeningen en vervloekingen. Zie Deut. 17:18 . Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
[^jozua-8-32-35]: Kanttekening 35: Of, die; te weten, wet.
[^jozua-8-33-36]: Kanttekening 36: Anders, Grizim. Deze beide bergen Gerizim en Ebal zijn gelegen in de stam van Efraïm, niet ver van Sichem; zie daarvan Deut. 11:29 , 11:30 , en Deut. 27:12 ; Richt. 9:7 . Deuteronomium 11:29 : En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal. Deuteronomium 11:30 : Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More? Deuteronomium 27:12 : Deze zullen staan, om het volk te zegenen op de berg Gerizim, als u over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin. Richteren 9:7 : Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zei tot hen: Hoort naar mij, u, burgers van Sichem! en God zal naar u horen.
[^jozua-8-33-37]: Kanttekening 37: in het eerst: Of, voor de eerste maal. Dit wordt gezegd ten aanzien dat de wet daarna alle zeven jaren moest gelezen worden voor het volk.
[^jozua-8-33-38]: Kanttekening 38: Versta hierbij, en om de vloek te spreken tegen de overtreders van de wet. Zie Deut. 27:11 , en Deut. 31:10 , enz. Deuteronomium 27:11 : En Mozes gebood het volk op die dag, zeggende: Deuteronomium 31:10 : En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op de gezette tijd van het jaar van de vrijlating, op het feest van de loofhutten.
[^jozua-8-34-39]: Kanttekening 39: Te weten, Jozua; maar door één van de Levieten, gelijk Mozes bevolen heeft, Deut. 27:14 . Deuteronomium 27:14 : En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israël, met verhevene stem:
[^jozua-8-35-k]: Verwijzing k: Deut. 31:11 . Deuteronomium 31:11 : Als geheel Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, in de plaats, die Hij zal gekozen hebben, zult u deze wet voor geheel Israël uitroepen, voor hun oren;
[^jozua-8-35-40]: Kanttekening 40: de vreemdelingen: Versta hier, zodanige vreemdelingen, die de religie van de Israëlieten hadden aangenomen en beleden. Zie boven, vers 33 . Jozua 8:33 : En geheel Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen.

### Jozua 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/9.json)

*Toen alle koningen van Kanaan hoorden wat Jozua allemaal deed, hielden zij samen raad en besloten eensgezind tegen Israel te strijden, vers 1 enzovoort. De Gibeonieten doen alsof zij uit verre landen komen en blijven in leven door een bedrieglijk verbond dat zij met de Israelieten sluiten, 3. Hun list komt na drie dagen aan het licht, 16. Het verdrag blijft toch geldig vanwege de eed, 18, maar tot straf voor hun bedrog worden zij tot dienstknechten van de Israelieten gemaakt, 21.*

**1** En het gebeurde, toen dit hoorden al de koningen,[^jozua-9-1-1] die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle[^jozua-9-1-2] havens van[^jozua-9-1-3] de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;[^jozua-9-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v1)

**2** Zo verzamelden zij zich samen, om eenmoedig tegen Jozua en tegen Israël te strijden.[^jozua-9-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v2)

**3** Als de inwoners te[^jozua-9-3-6] Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v3)

**4** Zo handelden zij ook[^jozua-9-4-7] op sluwe wijze, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en[^jozua-9-4-8] samengebonden leren wijnzakken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v4)

**5** Ook oude en[^jozua-9-5-9] bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude kleren aan, en[^jozua-9-5-10] al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog[^jozua-9-5-11] en beschimmeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v5)

**6** En zij gingen tot Jozua in het leger te[^jozua-9-6-12] Gilgal, en zij zeiden tot hem[^jozua-9-6-13] en tot de mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v6)

**7** Toen zeiden de mannen van Israël tot de[^jozua-9-7-14] Hevieten: Misschien woont u[^jozua-9-7-15] in het midden van ons,[^jozua-9-7-16] hoe zullen wij dan een verbond met u maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v7)

**8** Zij dan zeiden tot Jozua:[^jozua-9-8-17] Wij zijn uw knechten. Toen zei Jozua tot hen: Wie bent u, en vanwaar komt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v8)

**9** Zij nu zeiden tot hem:[^jozua-9-9-18] Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen,[^jozua-9-9-19] om de Naam van YHWH, van uw God; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v9)

**10** En[^jozua-9-10-a] alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Bazan, die te Astharoth woonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v10)

**11** Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners van ons land, zeggende: Neem reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn uw knechten, zo maakt nu een verbond met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v11)

**12** Dit ons brood hebben wij warm tot onze proviant uit onze huizen genomen, op de dag toen wij uittrokken om tot u te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is[^jozua-9-12-20] beschimmeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v12)

**13** En deze leren wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze kleren, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v13)

**14** Toen namen[^jozua-9-14-21] de mannen van hun reiskost, maar zij[^jozua-9-14-22] baden YHWH niet om raad.[^jozua-9-14-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v14)

**15** En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de[^jozua-9-15-24] vergadering zwoeren hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v15)

**16** En het gebeurde na verloop van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun buren waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v16)

**17** Want toen de Israëlieten voorttogen, zo kwamen zij op de derde dag aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en[^jozua-9-17-25] Chefira, en[^jozua-9-17-26] Beëroth, en Kirjath-Jearim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v17)

**18** En de Israëlieten sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij YHWH, de God van Israël;[^jozua-9-18-27] daarom morde de hele gemeenschap tegen de oversten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v18)

**19** Toen zeiden al de oversten tot de hele gemeenschap: Wij hebben hun gezworen bij YHWH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet[^jozua-9-19-28] aantasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v19)

**20** [^jozua-9-20-29] Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden,[^jozua-9-20-30] opdat geen grote toorn over ons zij, omwille van[^jozua-9-20-31] de eed, die wij hun gezworen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v20)

**21** Verder zeiden de oversten tot[^jozua-9-21-32] hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en[^jozua-9-21-33] waterputters zijn van[^jozua-9-21-34] de hele[^jozua-9-21-35] gemeenschap, zoals de oversten tot hen gezegd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v21)

**22** En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt u ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van u gezeten, daar u in het midden van ons bent wonende? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v22)

**23** Nu dan,[^jozua-9-23-36] vervloekt bent u! en onder u zullen niet[^jozua-9-23-37] afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters in het[^jozua-9-23-38] huis van mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v23)

**24** Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Omdat het aan uw knechten[^jozua-9-24-39] zeker was te kennen gegeven, dat YHWH, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij u al dit land geven, en[^jozua-9-24-b] al de inwoners van het land voor uw aangezicht vernietigen zou, zo vreesden wij[^jozua-9-24-40] om ons leven zeer voor uw aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v24)

**25** En nu, zie, wij zijn[^jozua-9-25-41] in uw hand; doe, zoals het goed en zoals het recht is in uw ogen ons te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v25)

**26** Zo deed hij hun zo, en hij verloste hen van de hand van de Israëlieten, dat zij hen niet doodsloegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v26)

**27** Zo[^jozua-9-27-42] gaf Jozua hen over op diezelfde dag tot houthouwers en waterputters van de vergadering, en dat tot het altaar van YHWH, tot deze dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/9.html#v27)

[^jozua-9-1-1]: Kanttekening 1: die aan deze zijde: Te weten, in het land Kanaän, waar toen ter tijd de Israëlieten in waren gekomen, alsook de schrijver van dit boek.
[^jozua-9-1-2]: Kanttekening 2: Anders, oevers, of, reden.
[^jozua-9-1-3]: Kanttekening 3: grote zee: Dat is, van de Middellandse zee.
[^jozua-9-1-4]: Kanttekening 4: en de Jebusieten: De Girgasieten zijn hier niet bijgevoegd, wellicht omdat zij gering waren.
[^jozua-9-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, met een mond; dat is, eendrachtiglijk zich tezamen verbindende.
[^jozua-9-3-6]: Kanttekening 6: Dit is een grote stad geweest, Joz. 10:2 , gelegen in het erfdeel van de stam van Benjamin, en zij was in deze tijd de hoofdstad van de Hevieten, Joh. 11:19 ; dienvolgens waren de Gibeonieten mee gehorig tot die zeven volken, die God bevolen had uit te roeien, en met welke zij geen verbond mochten maken zonder Gods speciaal consent, Ex. 23:32 ; Deut. 7:2 . Zij is daarna de priester tot een woning gegeven, Joz. 21:17 . Jozua 10:2 : Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als één van de koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk. Johannes 11:19 : En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broer. Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
[^jozua-9-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, gelijk Balak en anderen tevoren gedaan hadden, of, gelijk de andere Kanaänietische koningen gezocht hebben zichzelven met wapens te beschermen, zo hebben deze gezocht met listigheid hun leven te behouden.
[^jozua-9-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, waar zij gescheurd waren.
[^jozua-9-5-9]: Kanttekening 9: bevlekte schoenen: Anders, gelapte.
[^jozua-9-5-10]: Kanttekening 10: al het brood: Hebreeuws, לֶ֣חֶם, al het brood van hun reiskost.
[^jozua-9-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, eigenlijk, gespikkeld, geplekt.
[^jozua-9-6-12]: Kanttekening 12: Zie Joz. 5:9 . Jozua 5:9 : Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag.
[^jozua-9-6-13]: Kanttekening 13: en tot de mannen van Israël: Hebreeuws, אֶ֤רֶץ, tot de man Israëls; dat is, tot ieder man onder de Israëlieten. Anders, tot de vorsten, of voornaamste mannen van Israël. Zo ook onder, vers 7 , 9:14 . Jozua 9:7 : Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont u in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken? Jozua 9:14 : Toen namen de mannen van hun reiskost; en zij vraagden het de mond van YHWH niet.
[^jozua-9-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, Gibeonieten. Zie onder, Joz. 11:19 . Jozua 11:19 : Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen van Israël, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
[^jozua-9-7-15]: Kanttekening 15: in het midden van ons: Dat is, in dit land, dat ons van God gegeven is.
[^jozua-9-7-16]: Kanttekening 16: hoe zullen wij: Dit was de Israëlieten expresselijk verboden; Ex. 23:32 ; Deut. 7:2 . Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^jozua-9-8-17]: Kanttekening 17: Wij zijn uw knechten: Dat is, wij onderwerpen ons onder uw heerschappij en bevel, en zijn gewillig aan te nemen de conditie, die het u believen zal ons te geven, al ware het ook dat u ons tot uw knechten wilde maken.
[^jozua-9-9-18]: Kanttekening 18: Uw knechten: Dat is, wij.
[^jozua-9-9-19]: Kanttekening 19: om de Naam van YHWH: Dat is, hebbende gehoord de heerlijkheid van de God van Israël en de grote daden, die Hij gedaan heeft.
[^jozua-9-10-a]: Verwijzing a: Num. 21:24 ; idem v. 33 ; Deut. 1:4 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï. Deuteronomium 1:4 : Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edreï.
[^jozua-9-12-20]: Kanttekening 20: Gelijk vers 5 . Jozua 9:5 : Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude kleren aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.
[^jozua-9-14-21]: Kanttekening 21: de mannen: Dat is, de oversten van de Israëlieten, gelijk vers 15 . Anders, zij namen de mannen aan vanwege hun reiskost; oordelende uit hun beschimmeld voedsel, dat zij van verre kwamen. Jozua 9:15 : En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun.
[^jozua-9-14-22]: Kanttekening 22: Te weten, door de hogepriester, de efod aanhebbende. Zie Num. 27:21 . Zie ook 1 Sam. 23:9 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts.
[^jozua-9-14-23]: Kanttekening 23: de mond van YHWH niet: Dat is, de Heer, die beloofd had te antwoorden van het verzoendeksel; Ex. 25:22 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^jozua-9-15-24]: Kanttekening 24: zwoeren hun: Dat is, zij bevestigden met een eed wat Jozua hun beloofd had, te weten dat zij levend blijven zouden.
[^jozua-9-17-25]: Kanttekening 25: Chefira was een stad in het erfdeel van de stam van Benjamin. Zie Joz. 18:26 . Jozua 18:26 : En Mizpe, en Chefira, en Moza,
[^jozua-9-17-26]: Kanttekening 26: Deze stad lag ook in de stam van Benjamin; Joz. 18:25 . Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth,
[^jozua-9-18-27]: Kanttekening 27: daarom morde: Te weten, omdat zij de Gibeonieten niet mochten uitroeien, zowel als de andere natiën van de Kanaänieten.
[^jozua-9-19-28]: Kanttekening 28: Te weten vijandelijker wijze; dat is, wij mogen hen niet doden of ten onderbrengen.
[^jozua-9-20-29]: Kanttekening 29: Dit zullen wij hun doen: Te weten, wat vers 21 gezegd wordt. Jozua 9:21 : Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de gehele vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.
[^jozua-9-20-30]: Kanttekening 30: opdat geen grote toorn: Dat is, dat YHWH vanwege zulke meinedigheid zich over ons niet vertoorne, en een plaag over ons zende, gelijk naderhand over Saul gekomen is, 2 Sam. 21:1 . 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.
[^jozua-9-20-31]: Kanttekening 31: vanwege de eed: Te weten, als wij die verbraken.
[^jozua-9-21-32]: Kanttekening 32: Te weten, tot de kinderen van Israël.
[^jozua-9-21-33]: Kanttekening 33: Deze waren de geringsten en verachtsten onder het volk, Deut. 29:11 . Deuteronomium 29:11 : Uw kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe;
[^jozua-9-21-34]: Kanttekening 34: gelijk de oversten: Dat is, gelijk wij gezegd hebben.
[^jozua-9-21-35]: Kanttekening 35: tot hen gezegd hebben: Te weten, tot de Gibeonieten.
[^jozua-9-23-36]: Kanttekening 36: Versta door deze vloek, een tijdelijk armen, ellendigen staat, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jozua-9-23-37]: Kanttekening 37: Dat is, niet ophouden maar altijd in uw geslachten en bij uw nakomelingen slaven blijven.
[^jozua-9-23-38]: Kanttekening 38: huize mijns Gods: Dat is, in de tabernakel, en daarna in de tempel, ja tot dienst van de gehele gemeente, vers 21 . Jozua 9:21 : Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de gehele vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.
[^jozua-9-24-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, te kennen gevende te kennen gegeven was.
[^jozua-9-24-b]: Verwijzing b: Deut. 7:1 ; idem v. 2 . Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^jozua-9-24-40]: Kanttekening 40: onzes levens zeer: Hebreeuws, נַפְשֹׁתֵ֨י, onze zielen; dat is, leven, personen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^jozua-9-25-41]: Kanttekening 41: in uw hand: Dat is, in uw macht en geweld; u mag met ons doen, en ons zulk een dienst en last opleggen, als het u belieft.
[^jozua-9-27-42]: Kanttekening 42: gaf Jozua hen: Hiervan houdt men, dat zij genoemd zijn tempelknechten, dat is, gegevenen, overgegevenen.

### Jozua 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/10.json)

*Vijf koningen van de Kanaanieten verbinden zich samen om Gibeon te gaan belegeren, vers 1 enzovoort. De inwoners van Gibeon vragen hulp aan Jozua, 6. Hij trekt op met zijn leger, 7, overvalt hen onverwacht, 9, en verslaat hen, 10. De Heere werpt hagelstenen op hen, 11. De zon en de maan blijven ongeveer een dag stilstaan op het verzoek van Jozua, 13. De vijf koningen verbergen zich in de grot bij Makkeda, 16. Jozua laat hen daarin opsluiten, 18. Hij laat hen eruit halen, 22, en in tegenwoordigheid van iedereen met voeten treden, 24. Daarna laat hij hen ophangen, 26, en in de grot te Makkeda werpen, 27. Jozua neemt Makkeda in en verbrandt zijn koning met de stad en alles wat erin was, 28. Hij trekt naar Libna en verovert het, 29, vandaar naar Lachis en verovert het, 31. Koning Horam wordt verslagen, 33. Eglon wordt ingenomen, 34. Hebron wordt ingenomen, 36, evenzo Debir, 38, en het hele land, 40. Jozua keert terug naar Gilgal, 43.*

**1** Het gebeurde nu, toen Adoni-zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning zo gedaan had, zoals hij[^jozua-10-1-a] aan Jericho en haar koning gedaan had; en[^jozua-10-1-b] dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gemaakt hadden, en in hun midden waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v1)

**2** Zo vreesden[^jozua-10-2-1] zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als één van de koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren[^jozua-10-2-2] sterk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v2)

**3** Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Pir-am, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon,[^jozua-10-3-3] zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v3)

**4** Kom op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v4)

**5** Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen[^jozua-10-5-4] van de Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en streden tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v5)

**6** De mannen nu van Gibeon[^jozua-10-6-5] zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende:[^jozua-10-6-6] Trek uw handen niet af[^jozua-10-6-7] van uw knechten, kom haastig tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen van de Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v6)

**7** Toen trok Jozua op van Gilgal, hij en al de[^jozua-10-7-8] soldaten met hem, en alle strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v7)

**8** Want YHWH had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v8)

**9** Zo kwam Jozua snel tot hen; de gehele nacht over was hij van Gilgal opgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v9)

**10** En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te[^jozua-10-10-9] Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v10)

**11** Het gebeurde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH[^jozua-10-11-10] grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v11)

**12** Toen[^jozua-10-12-11] sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht van de Israëlieten overgaf, en zei[^jozua-10-12-12] voor de ogen van de Israëlieten: Zon,[^jozua-10-12-13] sta stil te[^jozua-10-12-14] Gibeon, en u, maan, in[^jozua-10-12-15] het dal van Ajalon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v12)

**13** En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek[^jozua-10-13-16] van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan ongeveer een volkomen dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v13)

**14** En er was geen dag aan deze gelijk, voor hem noch na hem,[^jozua-10-14-17] dat YHWH de stem van een man zo verhoorde; want YHWH streed voor Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v14)

**15** [^jozua-10-15-18] Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v15)

**16** Maar[^jozua-10-16-19] die vijf koningen waren gevlucht, en hadden zich verborgen in de grot bij Makkeda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v16)

**17** En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de grot bij Makkeda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v17)

**18** Zo zei Jozua: Wentelt grote stenen voor de mond van de grot, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v18)

**19** Maar staat u niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en[^jozua-10-19-20] slaat hen in de staart; laat hen in hun steden niet komen; want YHWH, uw God, heeft ze in uw hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v19)

**20** En het gebeurde, toen Jozua en de Israëlieten geëindigd hadden hen met een zeer grote slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de versterkte steden gekomen waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v20)

**21** Zo keerde[^jozua-10-21-21] al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda,[^jozua-10-21-22] in vrede;[^jozua-10-21-23] niemand had zijn tong tegen de Israëlieten geroerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v21)

**22** Daarna zei Jozua: Open de mond van de grot, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die grot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v22)

**23** Zij nu deden zo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de grot: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v23)

**24** En het gebeurde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zei tot de oversten van het oorlogsvolk, die met hem getrokken waren: Treed toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v24)

**25** Toen zei Jozua tot hen: Vrees niet en ontzet u niet, wees sterk en hebt goede moed; want zo zal YHWH aan al uw vijanden doen, tegen wie u strijdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v25)

**26** En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf[^jozua-10-26-24] palen; en zij hingen aan de palen[^jozua-10-26-25] tot de[^jozua-10-26-c] avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v26)

**27** En het gebeurde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de palen afname, en zij wierpen hen in de grot, waar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor de mond van de grot, die daar zijn tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v27)

**28** Op dezelfde dag nam ook Jozua[^jozua-10-28-26] Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte van het zwaard; daartoe verbande hij haar koning, hen en alle[^jozua-10-28-27] ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed de koning van Makkeda, zoals hij de koning van Jericho gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v28)

**29** Toen trok Jozua door, en[^jozua-10-29-28] geheel Israël met hem, van Makkeda naar[^jozua-10-29-29] Libna, en hij streed tegen Libna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v29)

**30** En YHWH gaf die ook in de hand van Israël, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haar koning, zoals hij de koning van Jericho gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v30)

**31** Toen trok Jozua voort, en geheel Israël met hem, van Libna naar[^jozua-10-31-30] Lachis; en hij belegerde haar en streed tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v31)

**32** En YHWH gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in[^jozua-10-32-31] op de tweede dag, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij Libna gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v32)

**33** Toen trok Horam, de koning van[^jozua-10-33-32] Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v33)

**34** En Jozua trok voort van Lachis naar[^jozua-10-34-33] Eglon, en geheel Israël met hem; en zij belegerden haar en streden tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v34)

**35** En zij namen haar in op[^jozua-10-35-34] diezelfde dag, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op dezelfde dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v35)

**36** Daarna trok Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon[^jozua-10-36-35] naar Hebron, en zij streden tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v36)

**37** En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, zo[^jozua-10-37-36] haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v37)

**38** Toen keerde Jozua, en geheel Israël met hem, naar[^jozua-10-38-37] Debir, en hij streed tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v38)

**39** En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; zoals hij aan Hebron gedaan had, zo deed hij aan Debir en haar koning, en zoals hij aan Libna en haar koning gedaan had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v39)

**40** Zo[^jozua-10-40-38] sloeg Jozua het hele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande[^jozua-10-40-39] alles, wat adem had,[^jozua-10-40-40] zoals YHWH, de God van Israël,[^jozua-10-40-d] geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v40)

**41** En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het hele land[^jozua-10-41-41] Gosen, en tot Gibeon toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v41)

**42** En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal;[^jozua-10-42-42] want YHWH, de God van Israël, streed voor Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v42)

**43** Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal.[^jozua-10-43-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/10.html#v43)

[^jozua-10-1-a]: Verwijzing a: Joz. 6:15 . Jozua 6:15 : En het geschiedde op de zevende dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan van de dageraads, en zij gingen rondom de stad, naar dezelfde wijze, zevenmaal; alleen op die dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.
[^jozua-10-1-b]: Verwijzing b: Joz. 9:15 . Jozua 9:15 : En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun.
[^jozua-10-2-1]: Kanttekening 1: Te weten, de koning te Jeruzalem en zijn volk, alsook de andere koningen, die vers 3 genoemd staan. Jozua 10:3 : Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Pir-am, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon, zeggende:
[^jozua-10-2-2]: Kanttekening 2: Anders, kloek, helden, machtig.
[^jozua-10-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, latende hun zeggen.
[^jozua-10-5-4]: Kanttekening 4: Zie de aantekeningen Gen. 48:22 . Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb.
[^jozua-10-6-5]: Kanttekening 5: zonden tot Jozua: Te weten, toen zij hoorden dat de vijf koningen zich tegen hen opmaakten.
[^jozua-10-6-6]: Kanttekening 6: Trek uw handen niet af: Of, laat uw handen niet af, of vertraag, of verslap uw handen niet.
[^jozua-10-6-7]: Kanttekening 7: van uw knechten: Dat is, van ons, die wij ons aan u hebben overgegeven tot knechten, waarom u dan ook schuldig bent ons te beschermen tegen dit soort geweld.
[^jozua-10-7-8]: Kanttekening 8: Dit waren geen gehuurde soldaten, maar de mannelijkste en kloekste mannen uit alle stammen.
[^jozua-10-10-9]: Kanttekening 9: Niet in de stad Gibeon, maar in het land omtrent Gibeon. Zo staat er Joz. 5:13 te Jericho, dat is, in de landstreek bij of omtrent Jericho. Jozua 5:13 : Verder geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Bent U van ons, of van onze vijanden?
[^jozua-10-11-10]: Kanttekening 10: grote stenen: Te weten, hagelstenen, gelijk straks in vers 11 volgt. Jozua 10:11 : Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden.
[^jozua-10-12-11]: Kanttekening 11: sprak Jozua: Dat is, hij riep en bad de Heer aan.
[^jozua-10-12-12]: Kanttekening 12: voor de ogen: Dat is, in de aanwezigheid.
[^jozua-10-12-13]: Kanttekening 13: sta stil: Hebreeuws, שֶׁ֚מֶשׁ, zwijg; gelijk 1 Sam. 14:9 ; Ps. 4:5 ; Jona 1:12 . 1 Samuël 14:9 : Als zij aldus tot ons zeggen: Staat stil, totdat wij aan u komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen. Psalmen 4:5 : Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela. Jona 1:12 : En hij zei tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van u; want ik weet, dat deze grote storm u om mijnentwil over komt.
[^jozua-10-12-14]: Kanttekening 14: Dat is, sta stil te dier plaats waar u nu bent, want Jozua was in deze tijd te Gibeon, vers 10 . Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
[^jozua-10-12-15]: Kanttekening 15: Deze plaats behoorde tot de stam van Zebulon, Richt. 12:12 . Er was een ander Ajalon in de stam van Dan, Joz. 19:42 . De zin van de woorden van Jozua is: Zon, ga ons niet onder terwijl wij in Gibeon strijden, en maan, breng ons de nacht niet aan. Zie vers 13 . Anderen aldus: De zon sta stil, of, dat de zon stil sta. Richteren 12:12 : En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon. Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, Jozua 10:13 : En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechte? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
[^jozua-10-13-16]: Kanttekening 16: van de oprechte: Of, van de vrome of van degene die recht is. Sommigen behouden het Hebreeuwse woord Jaschar in de tekst. Dit boek, gelijk meer andere historische boeken, van welke in de Heilige Schrift melding gemaakt wordt, zijn nu niet meer voorhanden. Zie Num. 21:14 . Numeri 21:14 : (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van YHWH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
[^jozua-10-14-17]: Kanttekening 17: dat YHWH: Dat is, dat God, om de bede eens mensen, de zon en maan deed stilstaan. Ten tijde van Hizkia heeft de zon niet stilgestaan, maar is teruggegaan.
[^jozua-10-15-18]: Kanttekening 18: Toen keerde Jozua weer: Te weten, nadat hij verricht had alles wat van vers 15 verhaald wordt. De schrijver van dit boek heeft deze hele oorlog als in één somma in het kort verhaald; daarna beschrijft hij wijdlopiger en nader wat zich daarin heeft toegedragen. Jozua 10:15 : Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal.
[^jozua-10-16-19]: Kanttekening 19: die vijf koningen: Te weten, die genoemd staan, vers 3 . Jozua 10:3 : Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Pir-am, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon, zeggende:
[^jozua-10-19-20]: Kanttekening 20: slaat hen in de staart: De mening is dat zij de achtersten, of de natocht zouden aanvallen en slaan.
[^jozua-10-21-21]: Kanttekening 21: al het volk: Te weten, al het volk dat Jozua had gevonden, om de vijand te vervolgen, vers 19 . Jozua 10:19 : Maar staat u niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in de staart; laat hen in hun steden niet komen; want YHWH, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.
[^jozua-10-21-22]: Kanttekening 22: Dat is, fris en gezond.
[^jozua-10-21-23]: Kanttekening 23: Dat is, niemand had zich met een woord tegen hen gezet. Vergelijk Ex. 11:7 . Exodus 11:7 : Maar bij alle kinderen van Israël zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat u weet, dat YHWH tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt.
[^jozua-10-26-24]: Kanttekening 24: Of, bomen.
[^jozua-10-26-25]: Kanttekening 25: tot de avond: Gelijk boven, Joz. 8:29 . Jozua 8:29 : En de koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan de avondstond; en omtrent de ondergang van de zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur van de stadspoort, en richtten daarop een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag.
[^jozua-10-26-c]: Verwijzing c: Deut. 21:23 ; Joz. 8:29 . Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft. Jozua 8:29 : En de koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan de avondstond; en omtrent de ondergang van de zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur van de stadspoort, en richtten daarop een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag.
[^jozua-10-28-26]: Kanttekening 26: Dit was een stad, gelegen in het uiterste gebied van de stam van Juda, tegen het westen, Joz. 15:41 . Jozua 15:41 : En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
[^jozua-10-28-27]: Kanttekening 27: ziel die daarin was: Dat is, mensen, en zo hierna; want vee en andere dingen waren de buit van de Israëlieten, Deut. 20:16 , 20:17 , en onder, vers 40 , en Joz. 11:11 . Deuteronomium 20:16 : Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, ten erve geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft. Deuteronomium 20:17 : Maar u zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u YHWH, uw God, geboden heeft; Jozua 10:40 : Zo sloeg Jozua het gehele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als YHWH, de God van Israël, geboden had. Jozua 11:11 : En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.
[^jozua-10-29-28]: Kanttekening 28: geheel Israël met hem: Te weten, die allen, die mee te Gibeon geweest waren.
[^jozua-10-29-29]: Kanttekening 29: Anders, Lobna; een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:42 , en de priesters uit het huis van Aäron tot een woning gegeven, Joz. 21:13 . Jozua 15:42 : Libna, en Ether, en Asan, Jozua 21:13 : Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de doodslager, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;
[^jozua-10-31-30]: Kanttekening 30: Dit was een sterke stad, gelegen aan de uiterste palen van de stam van Juda, tegen het westen, Joz. 15:39 . Jozua 15:39 : Lachis, en Bozkath, en Eglon,
[^jozua-10-32-31]: Kanttekening 31: op de tweede dag: Te weten, nadat hij met het leger daarvoor gekomen was.
[^jozua-10-33-32]: Kanttekening 32: Een stad, gelegen in de stam van Efraïm, Joz. 16:3 , 16:10 ; Richt. 1:29 . Jozua 16:3 : En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee. Jozua 16:10 : En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; zo woonden die Kanaänieten in het midden van de Efraïmieten tot op deze dag; maar zij waren onder schatting dienende. Richteren 1:29 : Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer.
[^jozua-10-34-33]: Kanttekening 33: Een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:39 , omtrent vijf mijlen van Jeruzalem, naar het zuiden, en drie mijlen van Emmaus. Jozua 15:39 : Lachis, en Bozkath, en Eglon,
[^jozua-10-35-34]: Kanttekening 34: ten zelven dage: Te weten, toen hij het belegerd had. Zie vers 32 . Jozua 10:32 : En YHWH gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in op de tweede dag, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij Libna gedaan had.
[^jozua-10-36-35]: Kanttekening 35: naar Hebron: De inneming van Hebron wordt onder, Joz. 14 , Joz. 15 , breder verhaald. Deze stad is één van de oudste steden in het land Kanaän. Zij is gebouwd zeven jaren vóór Zoan in Egypte, Num. 13:22 . Zij lag in het erfdeel van Juda, Joz. 15:13 . Zij was eerst genoemd Kiriath-Arba. Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^jozua-10-37-36]: Kanttekening 36: Versta hier, die koning van Hebron, die in de plaats van de opgehangene, vers 26 , gevolgd was. Jozua 10:26 : En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot de avond.
[^jozua-10-38-37]: Kanttekening 37: Een stad, gelegen aan de uiterste palen van de stam van Juda, waar zij aan het erfdeel van de stam van Simeon komt, en is eerst genoemd geweest Kiriath-Sefer; dat is, de Boekstad. Er was ook een stad, Debir genoemd, gelegen over de Jordaan in de stam van Gad, aan de uiterste landpale daarvan, Joz. 13:26 . Jozua 13:26 : En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;
[^jozua-10-40-38]: Kanttekening 38: sloeg Jozua: Dat is, hij won dat gehele land en nam het in.
[^jozua-10-40-39]: Kanttekening 39: alles, wat adem had: Dat is, al de mensen, want het vee behielden zij voor hun buit. Hebreeuws, הֶחֱרִ֔ים, allen adem.
[^jozua-10-40-40]: Kanttekening 40: gelijk als YHWH: Dit dient om Jozua en de Israëlieten te verontschuldigen, vanwege het ombrengen van zo grote menigte van mensen, als zij door de scherpte van het zwaard vernield hebben.
[^jozua-10-40-d]: Verwijzing d: Deut. 7:2 ; Deut. 20:16 ; idem 20:17 ; Joz. 8:2 . Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 20:16 : Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, ten erve geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft. Deuteronomium 20:17 : Maar u zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u YHWH, uw God, geboden heeft; Jozua 8:2 : U nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als u aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat u haar roof en haar vee voor u roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelfde.
[^jozua-10-41-41]: Kanttekening 41: Dit is dat Gosen niet, dat in Egypte ligt, waarvan Gen. 45:10 gesproken wordt, maar het ligt in het land Kanaän, waarvan onder, Joz. 11:16 , 11:17 , gesproken wordt, en Joz. 15:51 . Genesis 45:10 : En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt. Jozua 11:16 : Zo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israëls, en zijn laagte. Jozua 11:17 : Van de kale berg, die naar boven naar Seïr gaat, tot Baäl-gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. Jozua 15:51 : En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
[^jozua-10-42-42]: Kanttekening 42: want YHWH: Deze woorden zijn hier bijgevoegd, om allen mensen, die dit lezen, alle twijfeling aangaande de waarheid van deze grote daden te benemen.
[^jozua-10-43-43]: Kanttekening 43: Toen keerde Jozua weer: Al wat er tot hiertoe in dit boek verhaald is, is geschied in de tijd van omtrent zeven jaren, van het begin van dit boek af, dat is, van wat Jozua en de kinderen van Israël uitgericht hebben na hun inkomst in het land Kanaän.

### Jozua 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/11.json)

*Nadat die vijf koningen van de Kanaanieten overwonnen waren, verzamelden alle andere koningen en volken van het land Kanaan zich bij het water Merom om tegen Israel te strijden, vers 1 enzovoort. God spreekt Jozua moed in en belooft hem de overwinning over allen, 6. Jozua overvalt hen onverwacht, 7, en verslaat hen allen samen, 8, en hij neemt al hun steden in en plundert ze, terwijl hij de inwoners ervan doodt, 12. Alleen Gibeon sluit vrede met de Israelieten, 19. De Enakieten worden ook uitgeroeid, 21, behalve die te Gaza, Gath en Asdod, 23.*

**1** Het gebeurde daarna, als Jabin, de koning van[^jozua-11-1-1] Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, en tot de koning van[^jozua-11-1-2] Simron, en tot de koning van Achsaf, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v1)

**2** En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en[^jozua-11-2-3] op het vlakke, tegen het zuiden van[^jozua-11-2-4] Cinneroth, en in de laagte, en[^jozua-11-2-5] in Nafoth-dor,[^jozua-11-2-6] aan de zee waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v2)

**3** Tot de Kanaänieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land[^jozua-11-3-7] van Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v3)

**4** Deze nu trokken uit, en al hun legers met hen; veel volk, als het zand, dat aan de oever van de zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v4)

**5** Al deze koningen werden verzameld, en kwamen en sloegen hun kamp op samen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v5)

**6** En YHWH zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omstreeks deze tijd zal Ik hen allen verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult[^jozua-11-6-8] u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v6)

**7** En Jozua, en al de soldaten met hem, kwam snel over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v7)

**8** En YHWH gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot[^jozua-11-8-9] groot Sidon toe, en tot[^jozua-11-8-10] Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v8)

**9** Jozua nu deed hun, zoals hem YHWH gezegd had; hun paarden[^jozua-11-9-11] verlamde hij, en hun wagens verbrandde hij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v9)

**10** En Jozua keerde weer ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren[^jozua-11-10-12] het hoofd van al deze koninkrijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v10)

**11** En zij sloegen[^jozua-11-11-13] alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef[^jozua-11-11-14] niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v11)

**12** En Jozua nam al de steden van deze koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard, hen verbannende,[^jozua-11-12-a] zoals Mozes, de knecht van YHWH geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v12)

**13** Alleen verbrandden de Israëlieten geen steden,[^jozua-11-13-15] die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v13)

**14** En al de roof van deze steden, en het vee, roofden de Israëlieten voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen vernietigden; zij lieten niet overblijven wat adem had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v14)

**15** [^jozua-11-15-b] Zoals YHWH Mozes, Zijn knecht, geboden had,[^jozua-11-15-c] zo gebood Mozes aan Jozua; en zo deed Jozua; hij deed er niet één woord af van alles, wat YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v15)

**16** Zo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al[^jozua-11-16-16] het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het[^jozua-11-16-17] gebergte van Israël, en zijn laagte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v16)

**17** Van de[^jozua-11-17-18] kale berg, die omhoog naar Seïr gaat, tot Baäl-gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v17)

**18** [^jozua-11-18-19] Vele dagen voerde Jozua strijd tegen al deze koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v18)

**19** Er was geen stad, die vrede maakte met de Israëlieten, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij[^jozua-11-19-20] namen ze allen in door strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v19)

**20** Want het was van YHWH, hun harten te verstokken, dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zou, dat hun geen genade gebeurde, maar opdat hij hen vernietigen zou, zoals YHWH Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v20)

**21** In die tijd nu kwam Jozua, en roeide de[^jozua-11-21-21] Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het hele gebergte van Juda, en van het hele gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v21)

**22** Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de Israëlieten; alleen bleven zij over te Gaza, te[^jozua-11-22-22] Gath, en te Asdod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v22)

**23** Zo nam Jozua[^jozua-11-23-23] al dat land in, naar alles, wat YHWH tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël als erfenis,[^jozua-11-23-24] naar hun afdelingen, naar hun stammen.[^jozua-11-23-25] En het land rustte van de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/11.html#v23)

[^jozua-11-1-1]: Kanttekening 1: De naam van een stad, gelegen in het over- Galilea, anders genoemd Galilea van de heidenen, niet ver van Kades.
[^jozua-11-1-2]: Kanttekening 2: Joz. 12:20 wordt deze stad genoemd Simron Meron. Jozua 12:20 : De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
[^jozua-11-2-3]: Kanttekening 3: op het vlakke: Anders, in de woestijn.
[^jozua-11-2-4]: Kanttekening 4: Anders genoemd Gennesaret, Luk. 5:1 , ook de zee van Tiberias, en de Galilese zee. Lukas 5:1 : En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.
[^jozua-11-2-5]: Kanttekening 5: in Nafoth-Dor: Of, in de landstreken, gewesten, omstreken van Dor.
[^jozua-11-2-6]: Kanttekening 6: aan de zee waren: Of, tegen het westen.
[^jozua-11-3-7]: Kanttekening 7: Zie Richt. 10:17 . Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^jozua-11-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, de zenuwen van de achterste schenkels in stukken snijden, opdat zij noch tot de krijg, noch tot anderen arbeid deugen zouden.
[^jozua-11-8-9]: Kanttekening 9: groot Sidon toe: Niet daarom wordt deze stad groot Sidon genoemd, alsof er ook een klein Sidon ware, maar ten aanzien van de grootheid van de stad. Zij heeft haar naam van Sidon, de eerstgeboren zoon van Kanaän, van welke gesproken wordt Gen. 10:5 . Genesis 10:5 : Van deze zijn verdeeld de eilanden van de volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.
[^jozua-11-8-10]: Kanttekening 10: Dit woord wordt verscheidenlijk uitgelegd; enige, tot aan de warme wateren; anderen, tot de glasovens; anderen, tot aan de zoutputten. Hebreeuws, tot de verbrandingen van de wateren.
[^jozua-11-9-11]: Kanttekening 11: verlamde hij: Zie vers 6 . Jozua 11:6 : En YHWH zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden.
[^jozua-11-10-12]: Kanttekening 12: het hoofd: Dat is, de hoofdstad; versta dit van dat deel van het Kanaänietische land, waar Jozua in die tijd de krijg voerde.
[^jozua-11-11-13]: Kanttekening 13: alle ziel: Dat is, al de mensen, het vee hebben zij geroofd en voor zichzelven behouden.
[^jozua-11-11-14]: Kanttekening 14: niets over: Dat is, geen mens.
[^jozua-11-12-a]: Verwijzing a: Deut. 20:16 ; idem v. 17 ; Joz. 10:40 . Deuteronomium 20:16 : Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, ten erve geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft. Deuteronomium 20:17 : Maar u zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u YHWH, uw God, geboden heeft; Jozua 10:40 : Zo sloeg Jozua het gehele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als YHWH, de God van Israël, geboden had.
[^jozua-11-13-15]: Kanttekening 15: die op haar heuvelen stonden: Anders, die met haar wallen \[of bolwerken\] gebleven waren; dat is, die nog niet geslecht of ontmuurd waren, toen de Israëlieten die innamen, maar waren bemuurd of bewald gebleven, want de kinderen van Israël lieten die in haar geheel, opdat zij vrij en frank in dezelven zouden mogen wonen.
[^jozua-11-15-b]: Verwijzing b: Ex. 23:32 ; idem 23:33 ; Ex. 34:12 ; Num. 33:52 . Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.
[^jozua-11-15-c]: Verwijzing c: Deut. 7:2 ; Deut. 20:16 . Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 20:16 : Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, ten erve geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft.
[^jozua-11-16-16]: Kanttekening 16: het land van Gosen: Zie boven, Joz. 10:41 . Jozua 10:41 : En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het gehele land Gosen, en tot Gibeon toe.
[^jozua-11-16-17]: Kanttekening 17: Dat is, waarin Israël gewoond heeft, of dat de stammen van Israël, \[uitgenomen Juda\] ten deel gevallen was; die van de stam van Juda hadden hun eigen gebergte, gelijk blijkt vers 21 . Jozua 11:21 : Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het gehele gebergte van Juda, en van het gehele gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden.
[^jozua-11-17-18]: Kanttekening 18: kalen berg: Aldus wordt deze berg genaamd, omdat hij kaal, of zonder bomen, gras of kruid was. Anderen behouden het Hebreeuwse woord Halack, als zijnde een eigennaam.
[^jozua-11-18-19]: Kanttekening 19: Vele dagen: Wat meer dan zes jaren, gelijk af te nemen is uit Kalebs ouderdom, toen hij een erfland van Jozua begeerde, Joz. 14:7 . Jozua 14:7 : Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht van YHWH, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.
[^jozua-11-19-20]: Kanttekening 20: namen ze allen in: Te weten, al de bovengenoemde steden; of al de steden waar Jozua voor kwam; anders is het zeker dat er nog lang daarna, ten tijde van de richters, vele steden waren, die de Israëlieten nog niet ingenomen hadden.
[^jozua-11-21-21]: Kanttekening 21: Enakieten uit: Zie Num. 13:22 , en Deut. 1:28 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^jozua-11-22-22]: Kanttekening 22: Hier woonde de reus Goliath, 1 Sam. 17:4 . 1 Samuël 17:4 : Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
[^jozua-11-23-23]: Kanttekening 23: al dat land in: Dat is, het grootste en voornaamste deel; of al, dat is, allerlei land, te weten, vlak, bergachtig, weiland, heide, waterig, enz.
[^jozua-11-23-24]: Kanttekening 24: naar hun afdelingen: Deze afdeling van het land wordt verhaald Joz. 15 , en in de navolgende hoofdstukken.
[^jozua-11-23-25]: Kanttekening 25: En het land rustte: Versta dit van openbaren oorlog, als men met legers tegen elkaar in het veld komt.

### Jozua 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/12.json)

*Een kort verslag of register van de koningen en hun rijken die door de Israelieten zijn verslagen, zodat zij hun land als erfdeel zouden bezitten: eerst ten tijde van Mozes aan de overzijde van de Jordaan, vers 1 enzovoort, daarna door Jozua aan deze zijde van de Jordaan, 7, samen eenendertig koningen, 24.*

**1** Dit nu zijn de koningen van het land, die de Israëlieten geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan de overzijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; van de beek Arnon af tot de berg Hermon, en het hele vlakke veld tegen het oosten: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v1)

**2** Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, die aan[^jozua-12-2-1] de oever van de beek Arnon is,[^jozua-12-2-a] en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen Ammons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v2)

**3** En over het vlakke veld tot aan de zee[^jozua-12-3-2] van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan[^jozua-12-3-3] de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg[^jozua-12-3-4] naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden[^jozua-12-3-5] Asdoth-Pisga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v3)

**4** [^jozua-12-4-b] Daartoe de grens van Og, de koning van Bazan, die van het overblijfsel van[^jozua-12-4-6] de reuzen was, wonende te Astharoth en te Edreï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v4)

**5** En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de grens[^jozua-12-5-7] van de Gezurieten, en van de Maächathieten; en de helft van Gilead, de grens van Sihon, de koning van Hesbon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v5)

**6** Mozes, de knecht van YHWH, en de Israëlieten sloegen[^jozua-12-6-c] hen, en Mozes, de knecht van YHWH, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v6)

**7** Dit nu zijn de koningen van het land, die Jozua sloeg, en de Israëlieten,[^jozua-12-7-d] aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baäl-gad aan, in het dal van de Libanon, en tot[^jozua-12-7-8] aan de kale berg, die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen van Israël tot een erfelijke bezitting,[^jozua-12-7-9] naar hun afdelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v7)

**8** Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen van de wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v8)

**9** De koning van Jericho, één; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v9)

**10** De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v10)

**11** De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v11)

**12** De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v12)

**13** De koning van Debir, één; de koning van Geder, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v13)

**14** De koning van[^jozua-12-14-10] Horma, één; de koning van Harad, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v14)

**15** De koning van Libna, één; de koning van[^jozua-12-15-11] Adullam, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v15)

**16** De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v16)

**17** De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v17)

**18** De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v18)

**19** De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v19)

**20** De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v20)

**21** De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v21)

**22** De koning van Kedes, één, de koning van Jokneam, aan de Karmel, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v22)

**23** De koning van Dor,[^jozua-12-23-12] tot Nafath-Dor, één;[^jozua-12-23-13] de koning van de heidenen te Gilgal, één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v23)

**24** De koning van Thirza, één. Al deze koningen zijn één en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/12.html#v24)

[^jozua-12-2-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, lip.
[^jozua-12-2-a]: Verwijzing a: Deut. 3:8 ; idem v. 16 . Deuteronomium 3:8 : Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe; Deuteronomium 3:16 : Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons;
[^jozua-12-3-2]: Kanttekening 2: Zie Joz. 11:3 ; Deut. 3:17 . Jozua 11:3 : Tot de Kanaänieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. Deuteronomium 3:17 : Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.
[^jozua-12-3-3]: Kanttekening 3: zee van het vlakke veld: Aldus wordt genoemd de Dode zee, dat is, de Zoutzee en de poel van Sodom, en de poel Asphaltites.
[^jozua-12-3-4]: Kanttekening 4: Dat is gelegen in het gebied van de Moabieten, Ez. 25:9 . Ezechiël 25:9 : Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad van het land, Beth-jesimoth, Baäl-meon, en tot Kiriathaim toe;
[^jozua-12-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, afloop van de heuvel ; het is een deel van de berg Abarim.
[^jozua-12-4-b]: Verwijzing b: Deut. 1:4 . Deuteronomium 1:4 : Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edreï.
[^jozua-12-4-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, Refaïm.
[^jozua-12-5-7]: Kanttekening 7: Deze woonden in het land Basan aan de uiterste palen van dat land, dat 2 Sam. 15:8 , door Absalon genoemd wordt Gesur in Syrië, omdat het omtrent de stad en het land van Damascus lag. Gesur was een koninklijke stad. De dochter van Thalmai, de koning te Gesur, was Davids huisvrouw en de moeder van Absalom, 2 Sam. 3:3 , tot welke ook Absalom gevlucht is, toen hij zijn broer Amnon had omgebracht, 2 Sam. 13:37 . Het land van de Gesurieten is wel de halve stam van Manasse ten deel gevallen, maar zij hebben de inwoners daarvan niet verdreven, Joz. 13:13 . 2 Samuël 15:8 : Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zekerlijk weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen. 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 13:37 : (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen. Jozua 13:13 : Maar de kinderen van Israël verdreven de Gezurieten en de Maächathieten niet; maar Gezur en Maächath woonden in het midden van Israël tot op deze dag.
[^jozua-12-6-c]: Verwijzing c: Num. 21:24 ; Num. 32:33 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halven stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom.
[^jozua-12-7-d]: Verwijzing d: Joz. 10:40 . Jozua 10:40 : Zo sloeg Jozua het gehele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als YHWH, de God van Israël, geboden had.
[^jozua-12-7-8]: Kanttekening 8: kalen berg: Zie boven, Joz. 11:17 . Jozua 11:17 : Van de kale berg, die naar boven naar Seïr gaat, tot Baäl-gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.
[^jozua-12-7-9]: Kanttekening 9: Dat is, een ieder zijn deel.
[^jozua-12-14-10]: Kanttekening 10: Zie de aantekeningen Richt. 1:17 . Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^jozua-12-15-11]: Kanttekening 11: Dit was een stad in het land Juda, van welke ook gesproken wordt 1 Kron. 11:15 , bij die was een spelonk, waarin zich David heeft opgehouden, vluchtende voor Saul, 1 Sam. 22:1 , en daar heeft hij de 57en Psalm gemaakt. 1 Kronieken 11:15 : En drie uit de dertig hoofden togen af naar de rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim. 1 Samuël 22:1 : Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het gehele huis zijns vaders, en kwamen daarheen tot hem af.
[^jozua-12-23-12]: Kanttekening 12: tot Nafath-Dor: Zie Joz. 11:2 . Jozua 11:2 : En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-dor, aan de zee waren;
[^jozua-12-23-13]: Kanttekening 13: de koning van de heidenen te Gilgal: Of, de koning van Gojim.

### Jozua 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/13.json)

*De Heere maakt Jozua, toen hij nu oud geworden was, bekend welk land er nog overig was om in te nemen, vers 1 enzovoort. Hij beveelt hem dat hele land onder de negen en een halve stam te verdelen, 7. Hierbij wordt een kort verslag gevoegd van het land dat Mozes had ingenomen aan de overzijde van de Jordaan, 9. De reden waarom de Levieten geen erfdeel mochten hebben, 14. Het deel van de Rubenieten, 9, van de Gadieten, 24, van de halve stam Manasse, 29. Er wordt opnieuw aangewezen waarom de Levieten geen erfdeel gegeven is, 33.*

**1** Jozua nu was oud,[^jozua-13-1-1] op dagen gekomen; en YHWH zei tot hem: U bent oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v1)

**2** Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen van de Filistijnen en het hele[^jozua-13-2-2] Gesuri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v2)

**3** Van[^jozua-13-3-3] de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de grens van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt;[^jozua-13-3-4] vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet,[^jozua-13-3-5] en de Avvieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v3)

**4** Van het zuiden, het hele land van de Kanaänieten, en[^jozua-13-4-6] Meara, die van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de grens van de Amorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v4)

**5** Daartoe het land van[^jozua-13-5-7] de Giblieten, en de hele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v5)

**6** Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-Maim toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht van de Israëlieten; alleen maak, dat het Israël als erfdeel valle, zoals Ik u geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v6)

**7** En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan de halve stam van Manasse, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v7)

**8** [^jozua-13-8-8] Met wie de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; die Mozes hun gaf aan de overzijde van de Jordaan tegen het oosten,[^jozua-13-8-9] zoals Mozes, de knecht van YHWH, hun gegeven had: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v8)

**9** Van Aroër aan, die aan de[^jozua-13-9-10] oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v9)

**10** En al de steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de grens van de kinderen Ammons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v10)

**11** En Gilead, en de grens van de Gezurieten, en van de Maächathieten, en de gehele berg Hermon, en geheel Bazan, tot Salcha toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v11)

**12** Het hele koninkrijk van Og, in Bazan, die geregeerd heeft te Astharoth, en te Edreï; deze is overig gebleven uit het overblijfsel[^jozua-13-12-11] van de reuzen, die Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v12)

**13** Maar de Israëlieten verdreven de Gezurieten en de Maächathieten niet; maar Gezur en Maächath woonden in het midden van Israël tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v13)

**14** Alleen gaf[^jozua-13-14-12] hij de stam Levi geen erfenis.[^jozua-13-14-13] De vuuroffers Gods, van YHWH[^jozua-13-14-14] van Israël, zijn[^jozua-13-14-15] zijn erfenis, zoals Hij tot hem gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v14)

**15** Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v15)

**16** Dat hun gebied was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v16)

**17** [^jozua-13-17-16] Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v17)

**18** En Jahza, en Kedemoth, en Mefaäth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v18)

**19** En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op de berg van het dal, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v19)

**20** En Beth-Peor, en[^jozua-13-20-17] Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v20)

**21** En alle steden van het vlakke land, en het hele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon regeerde, die Mozes geslagen heeft,[^jozua-13-21-18] en ook de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba,[^jozua-13-21-19] geweldigen van Sihon, inwoners van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v21)

**22** [^jozua-13-22-20] Daartoe hebben de Israëlieten met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v22)

**23** De grens nu van de kinderen van Ruben was de Jordaan, en haar[^jozua-13-23-a] gebied; dat is het erfdeel van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v23)

**24** En aan de stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v24)

**25** Dat hun gebied was Jaëzer, en al de steden van Gilead, en[^jozua-13-25-21] het halve land van de kinderen Ammons, tot Aroër toe, die voor aan Rabba is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v25)

**26** En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de grens van Debir; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v26)

**27** En in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar gebied, tot aan het einde van de zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.[^jozua-13-27-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v27)

**28** Dit is het erfdeel van de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v28)

**29** Verder had Mozes aan de halve stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan de halve stam van de kinderen van Manasse[^jozua-13-29-23] bleef, naar hun huisgezinnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v29)

**30** Zodat hun gebied was van Mahanaim af, het hele Bazan, het hele koninkrijk van Og, de koning van Bazan, en al de plaatsen[^jozua-13-30-24] van Jaïr, die in Bazan zijn,[^jozua-13-30-25] zestig steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v30)

**31** En het halve Gilead, en Astharoth, en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse,[^jozua-13-31-26] namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v31)

**32** Dat is het, wat Mozes als erfenis[^jozua-13-32-27] uitgedeeld had in de velden van Moab, aan de overzijde van de Jordaan van Jericho, tegen het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v32)

**33** Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel;[^jozua-13-33-b] YHWH, de God van Israël, is Zelf hun Erfdeel, zoals Hij[^jozua-13-33-28] tot hen gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/13.html#v33)

[^jozua-13-1-1]: Kanttekening 1: wel bedaagd: Hebreeuws, בָּ֖א, komende, of gaande in dagen. Zie de aantekeningen op Gen. 18:11 . Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen.
[^jozua-13-2-2]: Kanttekening 2: Van het land Gesur wordt ook gesproken 2 Sam. 3:3 , en 2 Sam. 15:8 , en 2 Sam. 14:23 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 15:8 : Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zekerlijk weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen. 2 Samuël 14:23 : Zo maakte zich Joab op, en toog naar Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem.
[^jozua-13-3-3]: Kanttekening 3: Een rivier, die van zwartigheid haar naam heeft; men meent dat zij Palestina van Egypte scheidt. Zie Num. 34:5 . Numeri 34:5 : Verder zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.
[^jozua-13-3-4]: Kanttekening 4: vijf vorsten van de Filistijnen: Hier wordt het woord vorsten gesteld voor de vorstendommen zelf.
[^jozua-13-3-5]: Kanttekening 5: de Avvieten: Dat is, boven de vijf vorsten waren ook nog de Avieten. Hebreeuws, עַוִּֽים, Avvim. Het is wel zo, dat die van Gafthor de Avieten verdelgd hadden, Deut. 2:23 , maar er waren er nog enige overig gebleven, van welke hier gesproken wordt. Deuteronomium 2:23 : Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.
[^jozua-13-4-6]: Kanttekening 6: Enige nemen dit voor de naam van een stad. Anderen voor de naam ener rivier.
[^jozua-13-5-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 5:18 ; Ps. 83:8 . 1 Koningen 5:18 : En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. Psalmen 83:8 : Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.
[^jozua-13-8-8]: Kanttekening 8: Met die de: Te weten, halven stam van Manasse.
[^jozua-13-8-9]: Kanttekening 9: gelijk als Mozes: Dat is, op zulk een wijze en met zulke conditiën. Zie boven, Joz. 4:12 . Jozua 4:12 : En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en ook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht van de kinderen van Israël, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.
[^jozua-13-9-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, lip.
[^jozua-13-12-11]: Kanttekening 11: van de reuzen: Zie Gen. 14:5 . Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;
[^jozua-13-14-12]: Kanttekening 12: hij de stam Levi: Te weten, Mozes, gelijk blijkt vers 33 . Jozua 13:33 : Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; YHWH, de God van Israël, is Zelf hun Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.
[^jozua-13-14-13]: Kanttekening 13: De vuurofferen Gods: Dat is, wat van de vuuroffers overig bleef. Zie Num. 18:8 , 18:20 , 18:21 , 18:24 ; Deut. 10:9 , en Deut. 18:2 . Numeri 18:8 : Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting. Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Numeri 18:21 : En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 18:24 : Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 18:2 : Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.
[^jozua-13-14-14]: Kanttekening 14: Of, dat is.
[^jozua-13-14-15]: Kanttekening 15: zijn erfenis: Te weten, van Levi, of van de Levieten.
[^jozua-13-17-16]: Kanttekening 16: Deze stad kwam de Rubenieten en de Gadieten tezamen toe, dat aan te merken is, omdat er onder, Joz. 21:39 , gezegd wordt dat de Gadieten deze stad de Levieten gegeven hebben. Jozua 21:39 : Hesbon en haar voorsteden, Jaëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
[^jozua-13-20-17]: Kanttekening 17: Zie de aantekeningen Joz. 12:3 . Jozua 12:3 : En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.
[^jozua-13-21-18]: Kanttekening 18: Versta dat Mozes deze ook verslagen heeft. Zie Num. 31:8 . Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor.
[^jozua-13-21-19]: Kanttekening 19: Dat is, stadhouders, leenmannen, oversten. Num. 31:8 worden zij koningen genoemd. Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor.
[^jozua-13-22-20]: Kanttekening 20: Zie Num. 24:25 . Numeri 24:25 : Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weer tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.
[^jozua-13-23-a]: Verwijzing a: Num. 34:6 . Numeri 34:6 : Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.
[^jozua-13-25-21]: Kanttekening 21: het halve land: Hier is aan te merken dat Sihon het de Ammonieten eerst had afgenomen, Num. 21:26 ; zodat de kinderen van Israël het de Ammonieten niet afgenomen hebben, \[want zulks was hun verboden, Deut. 2:29 \] maar de koning Sihon. Zie Richt. 11:15 . Numeri 21:26 : Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. Deuteronomium 2:29 : Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat YHWH, onze God, ons geven zal. Richteren 11:15 : En hij zei tot hem: Zo zegt Jeftha: Israël heeft het land van de Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen;
[^jozua-13-27-22]: Kanttekening 22: haar landpale: Dit was de oever van de Jordaan.
[^jozua-13-29-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, was.
[^jozua-13-30-24]: Kanttekening 24: Jaïr is van zijn vaderlijke afkomst uit de stam van Juda geweest, want Hezron, de zoon van Perez, was zijn grootvader uit de stam van Juda; maar de dochter van Machir, de zoon van Manasse, was zijn grootmoeder, 1 Kron. 2:21 , 2:22 , en omdat zijn grootmoeder Manasse tot grootvader gehad heeft, daarom wordt hij een zoon van Manasse genoemd, Num. 32:41 . Hij heeft ook de stam van Manasse gevolgd, onder welke hij zich zo kloekelijk gedragen heeft, dat hij zulk een groot land en erfdeel onder hen gekregen heeft. 1 Kronieken 2:21 : Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub. 1 Kronieken 2:22 : Segub nu verwekte Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead. Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr.
[^jozua-13-30-25]: Kanttekening 25: zestig steden: Dit is het getal van de steden, die deze stam in het koninkrijk Basan gehad heeft.
[^jozua-13-31-26]: Kanttekening 26: de helft van de kinderen: Want zijn zes zonen hadden hun erfdeel ontvangen aan de andere zijde van de Jordaan, met de negen stammen. Zie onder, Joz. 17:2 . Jozua 17:2 : Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.
[^jozua-13-32-27]: Kanttekening 27: uitgedeeld had: Anders, ingegeven had.
[^jozua-13-33-b]: Verwijzing b: Num. 18:20 ; Deut. 10:9 ; Deut. 18:2 . Numeri 18:20 : Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 10:9 : Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 18:2 : Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.
[^jozua-13-33-28]: Kanttekening 28: tot hen gesproken heeft: Of, van hen.

### Jozua 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/14.json)

*Toen men het land aan deze zijde van de Jordaan zou verdelen, vers 1 enzovoort, bracht Kaleb naar voren dat het land Hebron hem door Mozes was beloofd, 6, toen hij was teruggekeerd van het verkennen van het land en het volk goede moed gaf, 7. Jozua geeft Kaleb het land dat hij verlangde, 13.*

**1** Dit[^jozua-14-1-1] is nu wat de Israëlieten geërfd hebben in het land[^jozua-14-1-a] Kanaän; dat de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en[^jozua-14-1-2] de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten, hun hebben doen erven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v1)

**2** Door het lot van hun erfenis, zoals YHWH door de[^jozua-14-2-3] dienst van Mozes geboden had,[^jozua-14-2-b] aangaande de negen stammen en de[^jozua-14-2-4] halve stam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v2)

**3** Want aan de twee stammen en de halve stam had Mozes een erfdeel gegeven aan de overzijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel[^jozua-14-3-5] onder hen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v3)

**4** Want de kinderen van[^jozua-14-4-6] Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en[^jozua-14-4-7] haar voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v4)

**5** Zoals YHWH Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten, en[^jozua-14-5-8] zij deelden het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v5)

**6** [^jozua-14-6-9] Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te[^jozua-14-6-10] Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: U weet[^jozua-14-6-c] het woord, dat YHWH tot Mozes,[^jozua-14-6-11] de man van God, gesproken heeft te Kades-barnea, vanwege mij, en vanwege u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v6)

**7** Ik was[^jozua-14-7-12] veertig jaar oud, toen Mozes, de knecht van YHWH, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te bespioneren, en ik hem antwoord bracht,[^jozua-14-7-13] zoals het in mijn hart was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v7)

**8** Maar[^jozua-14-8-14] mijn broers, die met mij opgegaan waren,[^jozua-14-8-15] deden het hart van het volk smelten;[^jozua-14-8-d] maar[^jozua-14-8-16] ik volhardde YHWH, mijn God, na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v8)

**9** [^jozua-14-9-17]Toen zwoer Mozes op diezelfde dag, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen als erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen.[^jozua-14-9-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v9)

**10** En[^jozua-14-10-19] nu, zie, YHWH heeft mij in het leven behouden, zoals Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sinds dat YHWH dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben vandaag[^jozua-14-10-20] vijf en tachtig jaar oud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v10)

**11** Ik ben nog vandaag zo sterk, zoals ik was op de dag toen Mozes mij uitzond; zoals mijn kracht toen was, zo is nu mijn kracht, tot de oorlog, en[^jozua-14-11-21] om[^jozua-14-11-e] uit te gaan, en om in te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v11)

**12** En nu, geef mij[^jozua-14-12-22] dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want[^jozua-14-12-23] u hebt het op die dag gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote versterkte steden waren; of YHWH met mij was, dat ik hen verdreef, zoals YHWH gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v12)

**13** Toen[^jozua-14-13-24] zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron als erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v13)

**14** Daarom werd[^jozua-14-14-25] Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, als erfdeel tot op deze dag; omdat hij volhard had YHWH, de God van Israël, na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v14)

**15** De naam nu van[^jozua-14-15-26] Hebron was vroeger Kirjath-arba,[^jozua-14-15-27] die[^jozua-14-15-28] een groot mens geweest is onder de Enakieten. En[^jozua-14-15-29] het land rustte van de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/14.html#v15)

[^jozua-14-1-1]: Kanttekening 1: is nu wat: Te weten, dat verhaald wordt in dit en de vijf volgende hoofdstukken.
[^jozua-14-1-a]: Verwijzing a: Num. 34:17 . Numeri 34:17 : Dit zijn de namen van de mannen, die u het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.
[^jozua-14-1-2]: Kanttekening 2: de familiehoofden: Dat is, de overste vaders van de stammen van Israël. Deze mannen, die over deze uitdeling van het land zouden staan, zijn tevoren door God zelf aangesteld en met namen uitgedrukt ten tijde van Mozes; Num. 34:16 . Numeri 34:16 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende:
[^jozua-14-2-3]: Kanttekening 3: dienst van Mozes: Hebreeuws, בְּ, de hand.
[^jozua-14-2-b]: Verwijzing b: Num. 26:55 . Numeri 26:55 : Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen hun vaderen zullen zij erven.
[^jozua-14-2-4]: Kanttekening 4: halven stam: Te weten, de halve stam van Manasse.
[^jozua-14-3-5]: Kanttekening 5: onder hen gegeven: Hebreeuws, תוֹכָֽ, in het midden van hen.
[^jozua-14-4-6]: Kanttekening 6: waren twee stammen: Dit had Jakob zo op zijn sterfbed verordineerd, Gen. 48:5 . Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
[^jozua-14-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, steden.
[^jozua-14-5-8]: Kanttekening 8: zij deelden het land: Niet met de daad, maar naar de orde, die zij in hun zin of bij zichzelven maakten. Zo staat er Gen. 37:21 ; Hij verloste hem; dat is, hij meende of poogde hem te verlossen. Zo ook Ex. 12:48 , en het pascha houdt; dat is, houden wil. Genesis 37:21 : Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. Exodus 12:48 : Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
[^jozua-14-6-9]: Kanttekening 9: Toen naderden: Te weten, om Kaleb, die van hun stam was, bij te staan in het bevorderen van zijn recht en erfdeel, dat hem beloofd was.
[^jozua-14-6-10]: Kanttekening 10: Het schijnt dat deze deling is geschied toen het leger en de tent nog te Gilgal waren. De andere delingen zijn te Silo geschied, waarheen de tent gebracht is van Gilgal, gelijk hieronder, Joz. 18 verhaald wordt.
[^jozua-14-6-c]: Verwijzing c: Num. 14:24 ; Deut. 1:36 . Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. Deuteronomium 1:36 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft YHWH te volgen.
[^jozua-14-6-11]: Kanttekening 11: de man van God: Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^jozua-14-7-12]: Kanttekening 12: veertig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָ֜ה, een zoon van veertig jaar; zo ook vers 10 . Jozua 14:10 : En nu, zie, YHWH heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat YHWH dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud.
[^jozua-14-7-13]: Kanttekening 13: gelijk als het in mijn hart was: Dat is, gelijk ik in mijn hart wist waar te zijn; te weten dat God ons in het land Kanaän brengen zou.
[^jozua-14-8-14]: Kanttekening 14: mijn broers: Dat is, mijn landslieden, verstaande de tien verspieders, die met hem uitgezonden waren.
[^jozua-14-8-15]: Kanttekening 15: deden het hart: Dat is, zij maakten het hart van het volk versaagd en moedeloos.
[^jozua-14-8-d]: Verwijzing d: Num. 14:24 . Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
[^jozua-14-8-16]: Kanttekening 16: ik volhardde: Hebreeuws, אָנֹכִ֣י, vervulde achter de Heer; zo ook vers 9 , 14:14 ; Num. 14:24 . Jozua 14:9 : Toen zwoer Mozes te die zelven dage, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt YHWH, mijn God, na te volgen. Jozua 14:14 : Daarom werd Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, ten erfdeel tot op deze dag; omdat hij volhard had YHWH, de God van Israël, na te volgen. Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
[^jozua-14-9-17]: Kanttekening 17: Toen zwoer Mozes: Zonder twijfel door Gods last en ingeven. Vergelijk de eed Gods, Num. 14:21 , 14:24 . Numeri 14:21 : Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden! Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
[^jozua-14-9-18]: Kanttekening 18: Als niet het land: Zie Gen. 14:23 ; en de volkomen reden Joz. 22:22 , en 1 Sam. 24:22 , en 1 Sam. 25:22 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Jozua 22:22 : De God van de goden, YHWH, de God van de goden, YHWH, Die weet het; Israël zelf zal het ook weten! Is het door opstandigheid, of is het door overtreding tegen YHWH, zo behoudt ons heden niet; 1 Samuël 24:22 : Zo zweer mij dan nu bij YHWH, zo u mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen uit het huis van mijn vader! 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is!
[^jozua-14-10-19]: Kanttekening 19: Dit was het zevende jaar nadat de Israëlieten in het land Kanaän gekomen waren.
[^jozua-14-10-20]: Kanttekening 20: vijf en tachtig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָֽה, een zoon van vijf en tachtig jaar.
[^jozua-14-11-21]: Kanttekening 21: om uit te gaan: Zie Deut. 31:2 . Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^jozua-14-11-e]: Verwijzing e: Num. 27:17 ; Deut. 31:2 . Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben. Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^jozua-14-12-22]: Kanttekening 22: dit gebergte: Dat is, dit bergland, te weten, het gebergte Juda, waarop de stad Hebron lag.
[^jozua-14-12-23]: Kanttekening 23: u hebt het: Hieruit is af te nemen dat Kaleb deze bede aan Jozua gedaan heeft voordat het land Kanaän geheel ingenomen was, onaangezien Joz. 10:36 , 10:37 , verhaald is dat Jozua Hebron heeft ingenomen en verstoord. Jozua 10:36 : Daarna toog Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar. Jozua 10:37 : En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.
[^jozua-14-13-24]: Kanttekening 24: zegende hem Jozua: Dat is, hij consenteerde hem zijn begeerte, en hij wenste hem geluk en alles goeds daarmede.
[^jozua-14-14-25]: Kanttekening 25: Hebron aan Kaleb: Versta dit niet zozeer van de stad Hebron \[want zij was een vrijstad en kwam de Levieten toe\] als van het land, de dorpen en vlekken daar rondom gelegen. Zie Joz. 21:11 , 21:12 ; 1 Kron. 6:56 . Jozua 21:11 : Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar. Jozua 21:12 : Maar het veld van de stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, tot zijn bezitting. 1 Kronieken 6:56 : Maar het veld van de stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, de zoon van Jefunne.
[^jozua-14-15-26]: Kanttekening 26: Velen houden het er voor dat Kiriath-Arba is genoemd geworden Hebron, naar Hebron, de zoon van Kaleb, die 1 Kron. 2:42 , genoemd wordt de vader Hebron. 1 Kronieken 2:42 : De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron.
[^jozua-14-15-27]: Kanttekening 27: Arba is de naam van een man, van welke de stad haar naam heeft.
[^jozua-14-15-28]: Kanttekening 28: een groot mens: Zo ten aanzien van zijn macht en autoriteit als van de grootte van zijn lichaam: en groot onder de Enakim; dat is, de grootste onder hen, zo ook Luk. 1:28 . Lukas 1:28 : En de engel tot haar ingekomen zijnde, zei: Wees gegroet, u begenadigde; de Heer is met u; u bent gezegend onder de vrouwen.
[^jozua-14-15-29]: Kanttekening 29: het land rustte: Te weten, nadat Jozua aan Kaleb de stad Hebron gegeven en Kaleb die had ingenomen; maar niet in die tijd toen Kaleb haar van Jozua begeerde, vers 12 , want toen was Hebron en nog vele landen te winnen. Jozua 14:12 : En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft.

### Jozua 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/15.json)

*De grenzen van het erfdeel van de stam Juda, vers 1 enzovoort, en daaronder Kirjath-Arba, het erfdeel van Kaleb, 13, die de drie zonen van Enak daaruit verdreven heeft, 14. Kaleb belooft hem die Kirjath-Sefer zou verslaan zijn dochter Achsa te geven, 16, wat Othniel gedaan heeft, 17. Zij verzoekt haar vader om enig land als bruidsschat, 18, wat hij haar geeft, 19. Hierbij wordt het register gevoegd van de steden die in de stam Juda gelegen zijn, 20. De kinderen van Juda konden de Jebusieten niet uit Jeruzalem verdrijven, 63.*

**1** En het lot voor de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de grens van Edom, de woestijn Zin, naar het zuiden, was het uiterste tegen het zuiden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v1)

**2** Zodat hun[^jozua-15-2-1] gebied,[^jozua-15-2-a] tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van[^jozua-15-2-2] de tong af, die tegen het zuiden ziet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v2)

**3** En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van[^jozua-15-3-3] Akrabbim, en gaat door naar[^jozua-15-3-4] Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaä; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v3)

**4** En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de[^jozua-15-4-5] beek van Egypte; en de uitgangen van deze grens zullen naar de zee zijn. Dit zal uw gebied tegen het zuiden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v4)

**5** De grens nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn,[^jozua-15-5-6] tot aan het uiterste van de Jordaan; en de grens, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong van de zee, van het uiterste van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v5)

**6** En deze grens zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-Araba; en deze grens zal opgaan tot de steen[^jozua-15-6-7] van Bohan, de zoon van Ruben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v6)

**7** Verder zal deze grens opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal naar het noorden zien naar[^jozua-15-7-8] Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze grens doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen[^jozua-15-7-9] te En-Rogel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v7)

**8** En deze grens zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde[^jozua-15-8-10] van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze grens zal omhoog gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, naar het westen, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v8)

**9** Daarna zal deze grens strekken van de hoogte van de berg tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze grens strekken naar Baäla; deze is Kirjath-Jearim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v9)

**10** Daarna zal deze grens zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar[^jozua-15-10-11] het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar[^jozua-15-10-12] Beth-Semes, en door Timna gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v10)

**11** Verder zal deze grens uitgaan aan de zijde van Ekron, naar het noorden, en deze grens zal strekken naar Sichron aan, en over de berg Baäla gaan, en uitgaan te Jabneël; en de uitgangen van deze grens zullen zijn[^jozua-15-11-13] naar de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v11)

**12** [^jozua-15-12-b] De grens nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en zijn gebied. Dit is de grens van de kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v12)

**13** Maar aan Kaleb, de zoon van Jefunne,[^jozua-15-13-14] had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda,[^jozua-15-13-15] naar de mond van YHWH tot Jozua, de[^jozua-15-13-16] stad van Arba,[^jozua-15-13-c] vader van Enak, dat is Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v13)

**14** En[^jozua-15-14-d] Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v14)

**15** En vandaar trok[^jozua-15-15-17] hij omhoog tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v15)

**16** En[^jozua-15-16-18] Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v16)

**17** Othniël nu, de zoon van Kenaz, de[^jozua-15-17-19] broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v17)

**18** En het gebeurde, als zij tot[^jozua-15-18-20] hem kwam, zo porde zij[^jozua-15-18-21] hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en[^jozua-15-18-22] zij sprong van de ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v18)

**19** En zij zei: Geef mij een[^jozua-15-19-23] zegen; omdat u mij[^jozua-15-19-24] een dor land gegeven hebt, geef mij ook[^jozua-15-19-25] bronnen. Toen gaf hij haar hoge bronnen en lage bronnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v19)

**20** Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v20)

**21** De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de grens van Edom, tegen het zuiden, zijn:[^jozua-15-21-26] Kabzeël, en Eder, en Jagur, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v21)

**22** En Kina, en[^jozua-15-22-27] Dimona, en Adada, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v22)

**23** En Kedes, en Hazor, en Jithnan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v23)

**24** Zif, en Telem, en Bealoth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v24)

**25** En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, (dat is[^jozua-15-25-28] Hazor). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v25)

**26** Amam, en[^jozua-15-26-29] Sema, en Molada, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v26)

**27** En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v27)

**28** En Hazar-Sual, en Beër-Seba, en Biz-Jotheja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v28)

**29** Baäla, en Ijim, en Azem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v29)

**30** En Eltholad, en Chesil, en[^jozua-15-30-30] Horma, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v30)

**31** En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v31)

**32** En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn[^jozua-15-32-31] negen en twintig en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v32)

**33** In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v33)

**34** En Zanoah, en En-Gannim, Tappuah, en Enam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v34)

**35** Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v35)

**36** En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim;[^jozua-15-36-32] veertien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v36)

**37** Zenan, en Hadasa, en Migdal-Gad, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v37)

**38** En Dilan, en Mizpa, en[^jozua-15-38-33] Jokteël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v38)

**39** [^jozua-15-39-34] Lachis, en Bozkath, en Eglon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v39)

**40** En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v40)

**41** En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v41)

**42** [^jozua-15-42-35] Libna, en Ether, en Asan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v42)

**43** En Jiftah, en Asna, en Nezib, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v43)

**44** En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v44)

**45** Ekron, en haar[^jozua-15-45-36] bijbehorende plaatsen, en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v45)

**46** Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die[^jozua-15-46-37] aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v46)

**47** Asdod, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en[^jozua-15-47-38] de grote zee, en haar gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v47)

**48** Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v48)

**49** En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v49)

**50** En Anab, en Estemo, en Anim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v50)

**51** En[^jozua-15-51-39] Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v51)

**52** Arab, en Duma, en Esan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v52)

**53** En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v53)

**54** En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v54)

**55** [^jozua-15-55-40] Maon, Karmel, en Zif, en Juta, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v55)

**56** En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v56)

**57** Kaïn, Gibeä, en Timna; tien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v57)

**58** Halhul, Beth-Zur, en Gedor, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v58)

**59** En Maärath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v59)

**60** [^jozua-15-60-41] Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v60)

**61** In de woestijn: Beth-Araba, Middin en Sechacha, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v61)

**62** En Nibsan, en de[^jozua-15-62-42] Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v62)

**63** Maar de kinderen van Juda[^jozua-15-63-43] konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem,[^jozua-15-63-44] tot deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/15.html#v63)

[^jozua-15-2-1]: Kanttekening 1: Te weten, de zuiderlandpale.
[^jozua-15-2-a]: Verwijzing a: Num. 34:4 . Numeri 34:4 : En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar de opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-addar, en doorgaan naar Azmon.
[^jozua-15-2-2]: Kanttekening 2: tong af: Men meent dat het een arm is, die van het land tongsgewijze uitstak in de Zoutzee; zo ook Jes. 11:15 ; of een inhoek van de zee, die als een tong in het land ging. Jesaja 11:15 : Ook zal YHWH de inham van de zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte van Zijn wind; en Hij zal die slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.
[^jozua-15-3-3]: Kanttekening 3: Zie Richt. 1:36 . Het schijnt dat deze plaats zo is genaamd, omdat daar veel slangen en scorpioenen waren, want het Hebreeuwse woord betekent scorpioenen. Zie Deut. 8:15 . Richteren 1:36 : En de landpale van de Amorieten was van de opgang van Akrabbim, van de rotssteen, en naar boven heen. Deuteronomium 8:15 : Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
[^jozua-15-3-4]: Kanttekening 4: Het schijnt de naam ener plaats te zijn, in die tijden vermaard, waarvan de woestijn Zin haar naam bekomen heeft.
[^jozua-15-4-5]: Kanttekening 5: Anders, rivier, genaamd Sichor. Zie Joz. 13:3 . Anders, dal, alsook onder, vers 7 en elders. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel.
[^jozua-15-5-6]: Kanttekening 6: tot aan het uiterste: Te weten, waar zij in de Zoutzee valt.
[^jozua-15-6-7]: Kanttekening 7: De stam van Juda had geen land aan die zijde van de Jordaan. Het schijnt dat die plaats de naam van Bohan, een Rubeniet, gekregen heeft, vanwege enige gedenkwaardige zaak daar bedreven door hem, of hem aangaande.
[^jozua-15-7-8]: Kanttekening 8: Onder, Joz. 18:17 , genoemd Geliloth. Jozua 18:17 : En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover de opgang naar Adummim, en zij gaat af aan de steen van Bohan, de zoon van Ruben;
[^jozua-15-7-9]: Kanttekening 9: te En-Rogel: Anders, aan de fontein Rogel; dat is, de fontein van de volder. Zie 1 Kon. 1:9 . 1 Koningen 1:9 : En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning.
[^jozua-15-8-10]: Kanttekening 10: Jeruzalem wordt Jebus of de stad van de Jebusiet genaamd, omdat het de hoofdstad van de Jebusieten was, en nog door hen bewoond was; onder, Joz. 18:28 ; Richt. 19:10 . Jozua 18:28 : En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen. Richteren 19:10 : Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (die is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem.
[^jozua-15-10-11]: Kanttekening 11: het gebergte Seïr: Dit gebergte lag in het land van Juda. Er was een ander Seïr, in het land Edom, waar dit land de naam van had.
[^jozua-15-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, het huis van de zon . Het is een stad geweest in de stam Juda gelegen, 2 Kon. 14:11 , maar de Levieten tot hun woning gegeven, Joz. 21:16 . Zij moet onderscheiden zijn van dat Beth-Semes dat in de stam Issaschar gelegen is, Joz. 19:22 . In deze stad werd de Ark van het Verbond eerst gebracht, nadat zij zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was, 1 Sam. 6:12 . 2 Koningen 14:11 : Maar Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te Beth-semes, dat in Juda is. Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. Jozua 19:22 : En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen. 1 Samuël 6:12 : De koeien nu gingen recht in die weg, op de weg naar Beth-semes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechterhand noch ter linkerhand; en de vorsten van de Filistijnen gingen daarachter tot aan de landpale van Beth-semes.
[^jozua-15-11-13]: Kanttekening 13: Te weten, naar de Middellandse zee, welke vers 12 genoemd wordt de Grote zee. Jozua 15:12 : De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale van de kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.
[^jozua-15-12-b]: Verwijzing b: Num. 34:6 . Numeri 34:6 : Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.
[^jozua-15-13-14]: Kanttekening 14: Te weten, Jozua.
[^jozua-15-13-15]: Kanttekening 15: naar de mond van YHWH: Dat is, achtervolgens het gebod en uitdrukkelijk bevel van de Heer.
[^jozua-15-13-16]: Kanttekening 16: stad van Arba: Doorgaans genoemd Kiriath-Arba.
[^jozua-15-13-c]: Verwijzing c: Joz. 14:15 ; Richt. 1:20 . Jozua 14:15 : De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van de krijg. Richteren 1:20 : En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
[^jozua-15-14-d]: Verwijzing d: Richt. 1:10 . Richteren 1:10 : En Juda was heengetogen tegen de Kanaänieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
[^jozua-15-15-17]: Kanttekening 17: Te weten, Kaleb, wie hier deze krijgstocht wordt toegeschreven, omdat hij hem ten gevalle geschied is. Daarom belooft hij ook hem, die Kiriath-Sefer slaan zou, zijn dochter, vers 16 . Maar Jozua en geheel Israël zijn met hem opgetrokken, Joz. 10:36 . Jozua 15:16 : En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. Jozua 10:36 : Daarna toog Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.
[^jozua-15-16-18]: Kanttekening 18: Kaleb zei: Zie het breder verhaal hiervan Richt. 1:11 . Richteren 1:11 : En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
[^jozua-15-17-19]: Kanttekening 19: de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb: Anders, neef, dat is, één van de nakomelingen van Kenaz; zie 1 Kron. 4:13 . 1 Kronieken 4:13 : En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath.
[^jozua-15-18-20]: Kanttekening 20: hem : Te weten, Othniël, haar man.
[^jozua-15-18-21]: Kanttekening 21: Te weten, Othniël.
[^jozua-15-18-22]: Kanttekening 22: zij sprong van de ezel af: Te weten, om haar vader met eerbied aan te spreken. Zie de aantekeningen Gen. 24:64 , en 1 Sam. 25:23 . Genesis 24:64 : Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van de kameel af. 1 Samuël 25:23 : Toen nu Abigaïl David zag, zo haastte zij zich, en kwam van de ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde.
[^jozua-15-19-23]: Kanttekening 23: Dat is, een gave, of geschenk. Zie Gen. 33:11 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^jozua-15-19-24]: Kanttekening 24: een dor land: Hebreeuws, נָתַתָּ֥ה, eigenlijk, zuidland.
[^jozua-15-19-25]: Kanttekening 25: Anders, waterfonteinen, of waterspringen.
[^jozua-15-21-26]: Kanttekening 26: Neh. 11:25 wordt het Jekabzeël genoemd. Nehemia 11:25 : In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
[^jozua-15-22-27]: Kanttekening 27: Anders, Dibon genoemd, Neh. 11:25 . Nehemia 11:25 : In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;
[^jozua-15-25-28]: Kanttekening 28: Dit is de stad Hazor, die in het begin van vers 25 genoemd staat; en zij is Hezron genoemd geworden, om haar te onderscheiden van dat Hazor, dat bij Kades ligt, van dat vers 23 gesproken wordt. Jozua 15:25 : En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, (dat is Hazor). Jozua 15:23 : En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
[^jozua-15-26-29]: Kanttekening 29: Joz. 19:2 wordt deze stad genoemd Seba. Jozua 19:2 : En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
[^jozua-15-30-30]: Kanttekening 30: Zie de aantekeningen op Richt. 1:17 . Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^jozua-15-32-31]: Kanttekening 31: negen en twintig: Er zijn er zes en dertig genoemd; maar omdat enige derzelve aan de stam van Simeon gekomen zijn, gelijk blijkt Joz. 19:2 , zo telt hij er hier maar negen en twintig, die aan de stam van Juda gebleven zijn. Ook zijn enige derzelve de stam van Juda en de stam van Simeon gemeen gebleven. Jozua 19:2 : En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
[^jozua-15-36-32]: Kanttekening 32: veertien steden: Er staan er vijftien genoemd, vers 33 , 15:34 , 15:35 , 15:36 ; enige menen dat Gedera en Gederothaïm een en dezelfde stad is. En zo zou het woordje en zoveel zijn als dat is. Jozua 15:33 : In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, Jozua 15:34 : En Zanoah, en En-Gannim, Tappuah, en Enam, Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, Jozua 15:36 : En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
[^jozua-15-38-33]: Kanttekening 33: Zie 2 Kon. 14:7 . 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag.
[^jozua-15-39-34]: Kanttekening 34: Zie Joz. 10:31 , en 2 Kon. 14:19 . Jozua 10:31 : Toen toog Jozua voort, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar. 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^jozua-15-42-35]: Kanttekening 35: Zie Joz. 10:29 . Jozua 10:29 : Toen toog Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.
[^jozua-15-45-36]: Kanttekening 36: onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְנֹתֶ֖י, dochters; dat is, de kleine steden daaronder behorende; zo vers 47 , en elders meer. Jozua 15:47 : Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.
[^jozua-15-46-37]: Kanttekening 37: aan de zijde: Hebreeuws, יַ֥ד, op de hand.
[^jozua-15-47-38]: Kanttekening 38: de grote zee: Zie Num. 34:6 . Numeri 34:6 : Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.
[^jozua-15-51-39]: Kanttekening 39: Zie Joz. 10:41 . Jozua 10:41 : En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het gehele land Gosen, en tot Gibeon toe.
[^jozua-15-55-40]: Kanttekening 40: Van deze stad heeft de woestijn, daarbij gelegen, haar naam gekregen; en David heeft zich daarin verborgen, voor Saul vluchtende, 1 Sam. 23:25 , het was een boschachtige plaats, waar vele spelonken in waren. Zij was de geboorteplaats van Nabal, de man van Abigaïl; 1 Sam. 25:2 . 1 Samuël 23:25 : Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van die rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^jozua-15-60-41]: Kanttekening 41: Dat is, Kiriath-Baäl; het heet anders Kiriath-Jearim.
[^jozua-15-62-42]: Kanttekening 42: Enige stellen de Hebreeuwse woorden Ir-Hammelach in de tekst als een eigennaam van een stad.
[^jozua-15-63-43]: Kanttekening 43: konden de Jebusieten: Zie Richt. 2:20 de oorzaak hiervan. Richteren 2:20 : Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, dat Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;
[^jozua-15-63-44]: Kanttekening 44: tot deze dag toe: Versta hier, de dag, in welke dit boek geschreven is, want naderhand zijn de Jebusieten door David overwonnen en daaruit verdreven geweest; 2 Sam. 5:6 . Ook was tevoren een deel van deze stad door Juda ingenomen; Richt. 1:8 . 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.

### Jozua 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/16.json)

*Het lot van de stam Jozef, namelijk dat van Efraim en Manasse in het algemeen, vers 1 enzovoort. Daarna een afzonderlijke beschrijving van de grenzen van Efraim, 5. De Efraimieten verdrijven sommige Kanaanieten niet, maar maken hen alleen schatplichtig, 10.*

**1** Daarna[^jozua-16-1-1] kwam het lot van de kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, naar het oosten, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v1)

**2** En het komt van Beth-el uit naar[^jozua-16-2-2] Luz; en het gaat door tot de grens van de Archiet, tot Ataroth toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v2)

**3** En het gaat af tegen het westen naar de grens Jafleti, tot aan de grens van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v3)

**4** Zo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v4)

**5** De grens nu van de kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de grens van hun erfdeel was naar het oosten Atroth-addar tot aan het bovenste Beth-horon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v5)

**6** En deze grens gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze grens keert zich om tegen het oosten naar Thaänath-Silo, en gaat daardoor van het oosten naar Janoah; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v6)

**7** En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v7)

**8** Van Tappuah gaat deze grens naar het westen[^jozua-16-8-3] naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v8)

**9** En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel van de kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v9)

**10** En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; zo woonden die Kanaänieten in het midden van de[^jozua-16-10-4] Efraïmieten tot op deze dag;[^jozua-16-10-5] maar zij waren onder belasting dienende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/16.html#v10)

[^jozua-16-1-1]: Kanttekening 1: kwam het lot: Te weten, uit het vat, waar de loten in geworpen waren.
[^jozua-16-2-2]: Kanttekening 2: Dit is dat Luz niet van dat Gen. 28:19 gesproken wordt, maar een ander Luz, waarvan Richt. 1:26 melding gemaakt wordt. Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. Richteren 1:26 : Toen toog deze man in het land van de Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op deze dag.
[^jozua-16-8-3]: Kanttekening 3: naar de beek Kana: Anders, in het dal van Kana.
[^jozua-16-10-4]: Kanttekening 4: tot op deze dag: Te weten, in welke de schrijver van dit boek leefde. Ten tijde van Salomo heeft de koning van Egypte de Kanaänieten overwonnen, en hij heeft de stad Gazer zijn dochter, Salomo's vrouw, ten huwelijk medegegeven; 1 Kon. 9:16 . 1 Koningen 9:16 : Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.
[^jozua-16-10-5]: Kanttekening 5: maar zij waren: Dat is, zij hebben hen overheerd en dienstbaar gemaakt, en hebben hen onder tribuut gehouden.

### Jozua 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/17.json)

*Het erfdeel van de stam Manasse aan deze zijde van de Jordaan, vers 1 enzovoort. Aan de vijf dochters van Zelafead wordt op hun verzoek een erfdeel gegeven, 3. De grens van Manasse wordt nader beschreven, 7, en de Kanaanieten die daar niet verdreven zijn, worden schatplichtig gemaakt, 12. Toen de kinderen van Jozef klaagden dat hun gebied te krap was, 14, wijst Jozua hun een manier aan om hun gebied uit te breiden, 15, wat hun niet bevalt, 16, maar Jozua belooft hun de overwinning over de Kanaanieten, 17.*

**1** De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij[^jozua-17-1-a] de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van[^jozua-17-1-1] Gilead; omdat hij een soldaat was, zo had hij Gilead en Bazan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v1)

**2** Ook hadden[^jozua-17-2-2] de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van[^jozua-17-2-3] Jozef, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v2)

**3** [^jozua-17-3-b] Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en[^jozua-17-3-c] dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v3)

**4** Deze dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van Jozua, de zoon van Nun, en voor het aangezicht van de oversten, zeggende:[^jozua-17-4-d] YHWH heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden van onze broers. Daarom gaf hij haar, naar de mond van YHWH, een erfdeel in het midden van de broers van haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v4)

**5** En aan Manasse vielen[^jozua-17-5-4] tien snoeren toe, naast het land Gilead en Bazan, dat aan de overzijde van de Jordaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v5)

**6** Want de[^jozua-17-6-5] dochters van Manasse erfden een erfdeel in het midden van zijn zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v6)

**7** Zodat de grens van Manasse was van Aser af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en deze grens gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappuah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v7)

**8** Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, hadden de kinderen van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v8)

**9** Daarna komt de grens af naar de beek Kana tegen het zuiden[^jozua-17-9-6] van de[^jozua-17-9-7] beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden van de steden van Manasse; en de grens van Manasse is aan het noorden van de beek, en haar uitgangen zijn aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v9)

**10** Het was van Efraïm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en[^jozua-17-10-8] de zee was[^jozua-17-10-9] zijn gebied; en aan het noorden stootten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v10)

**11** Want Manasse had, in Issaschar en in Aser,[^jozua-17-11-10] Beth-Sean en haar bijbehorende plaatsen, en Jibleam en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te[^jozua-17-11-11] En-Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar bijbehorende plaatsen: drie landstreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v11)

**12** En[^jozua-17-12-e] de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelfde land wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v12)

**13** En het gebeurde, als de Israëlieten sterk werden, zo maakten zij de Kanaänieten schatplichtig; maar[^jozua-17-13-12] zij verdreven hen niet geheel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v13)

**14** Toen spraken[^jozua-17-14-13] de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt u mij[^jozua-17-14-14] als erfdeel maar een lot en een deel gegeven, daar ik toch een groot volk ben,[^jozua-17-14-15] voor zoveel YHWH mij dus verre gezegend heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v14)

**15** Jozua nu zei tot hen: Omdat u een groot volk bent, zo ga op naar het woud, en[^jozua-17-15-16] houw daar voor u af in het land van de Ferezieten en van de Refaieten, omdat u het gebergte van Efraïm te nauw is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v15)

**16** Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte[^jozua-17-16-17] zou ons niet genoegzaam zijn; er[^jozua-17-16-18] zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en[^jozua-17-16-19] haar bijbehorende plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v16)

**17** Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen één lot hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v17)

**18** Maar het gebergte zal het uwe zijn; en omdat het een woud is, zo houw het af,[^jozua-17-18-20] zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want[^jozua-17-18-21] u zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/17.html#v18)

[^jozua-17-1-a]: Verwijzing a: Gen. 46:20 . Genesis 46:20 : En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, de overste te On, baarde.
[^jozua-17-1-1]: Kanttekening 1: omdat hij: Hij wil zeggen dat Machir, omdat hij door zijn kloekheid het land Basan had ingenomen, zo heeft hij een dubbele portie gekregen, daar hem toch zulks ook als de eerstgeborene toekwam; Deut. 21:17 . Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne.
[^jozua-17-2-2]: Kanttekening 2: de overgebleven: Versta dit van hen, die geen erfdeel hadden ontvangen aan de overzijde van de Jordaan.
[^jozua-17-2-3]: Kanttekening 3: naar hun huisgezinnen: Dat is, die hoofden waren van de geslachten, die van hen afkwamen en de naam droegen.
[^jozua-17-3-b]: Verwijzing b: Num. 26:33 ; Num. 27:1 . Numeri 26:33 : Maar Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen van de dochters van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. Numeri 27:1 : Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
[^jozua-17-3-c]: Verwijzing c: Num. 27:1 . Numeri 27:1 : Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
[^jozua-17-4-d]: Verwijzing d: Num. 27:7 ; Num. 36:2 . Numeri 27:7 : De dochters van Zelafead spreken recht; u zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broers haars vaders; en u zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. Numeri 36:2 : En zeiden: De YHWH heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de kinderen van Israël in erfenis te geven; en mijn heer is door YHWH geboden, de erfenis van onze broer Zelafead te geven aan zijn dochters.
[^jozua-17-5-4]: Kanttekening 4: vielen tien snoeren toe: Dat is, tien stukken lands, want men placht het land af te meten en uit te delen met touwen en koorden; en versta hier dat de vijf gebroeders, die vers 2 genoemd staan, vijf loten gehad hebben; maar het zesde lot voor Zelafead, de zoon van Hefer, is op zijn vijf dochters gekomen, omdat hij geen zoon had nagelaten. Dit maakt samen tien snoeren, of tien delen. Jozua 17:2 : Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.
[^jozua-17-6-5]: Kanttekening 5: Te weten, die van Manasse afkomstig en door Zelafead gegenereerd waren.
[^jozua-17-9-6]: Kanttekening 6: van de beek: Of, van het dal.
[^jozua-17-9-7]: Kanttekening 7: Deze steden: Te weten, Tappuah en Kana; hij wil zeggen dat de steden en het land van de stammen van Efraïm en Manasse onder elkaar vermengd waren. Zie boven, Joz. 16:9 . Jozua 16:9 : En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel van de kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.
[^jozua-17-10-8]: Kanttekening 8: de zee: Te weten, de Syrische zee.
[^jozua-17-10-9]: Kanttekening 9: zijn landpale: Dit past op de landpale van Efraïm en ook op de landpale van Manasse.
[^jozua-17-11-10]: Kanttekening 10: Naderhand genoemd Scythopolis, of, de stad van de Scyten; 2 Makk. 12:29 . Zie ook 1 Makk. 5:52 . 2 Makkabeeën 12:29 : En vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën. 1 Makkabeeën 5:52 : En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte van het zwaard, en heeft de stad geheel uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan.
[^jozua-17-11-11]: Kanttekening 11: Dit wordt vertaald de fontein Dor. Hieromtrent zijn er velen van de vluchtende soldaten van Sisera verslagen door Barak; Ps. 83:11 . Psalmen 83:11 : Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek van de aarde.
[^jozua-17-12-e]: Verwijzing e: Richt. 1:27 . Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land.
[^jozua-17-13-12]: Kanttekening 12: zij verdreven hen niet ganselijk: Hebreeuws, הוֹרִישֽׁ, verdrijvende verdreven zij hen niet.
[^jozua-17-14-13]: Kanttekening 13: de kinderen: Te weten, de beide stammen, zowel Efraïm als Manasse, gelijk blijkt uit vers 15 , 17:16 , 17:17 . Jozua 17:15 : Jozua nu zei tot hen: Omdat u een groot volk bent, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land van de Ferezieten en van de Refaieten, omdat u het gebergte van Efraïm te eng is. Jozua 17:16 : Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn. Jozua 17:17 : Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen een lot hebben;
[^jozua-17-14-14]: Kanttekening 14: ten erfdeel: Dat is, maar zoveel lands, alsof wij maar één stam waren en onder elkaar wonen zouden, daar wij toch twee stammen zijn.
[^jozua-17-14-15]: Kanttekening 15: voor zoveel: Deze beide stammen waren in de laatste telling sterk 85. 200. Zie Num. 26:34 , 26:37 . Numeri 26:34 : Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd. Numeri 26:37 : Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
[^jozua-17-15-16]: Kanttekening 16: Hij wil zeggen: Houwt het bos af en bereidt de grond tot bouwland, en timmert daar huizen en steden.
[^jozua-17-16-17]: Kanttekening 17: zou ons niet genoegzaam zijn: Hebreeuws, הָ֑ר, en zou niet gevonden worden voor ons; zo Num. 11:22 , en elders. Numeri 11:22 : Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?
[^jozua-17-16-18]: Kanttekening 18: zijn ook ijzeren wagens: Alsof zij zeggen wilden: De Kanaänieten, die veel ijzeren wagens hebben, waarmee zij ten strijde trekken, zullen ons te machtig zijn en met geweld tegenstand doen als wij het hout, dat op het gebergte staat, willen afhouwen.
[^jozua-17-16-19]: Kanttekening 19: haar onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְנוֹתֶ֔י, zijn dochters; dat is, kleine steden.
[^jozua-17-18-20]: Kanttekening 20: zo zullen: Dat is, zo zult u het kunnen bezetten en bezitten van het ene einde tot aan het andere.
[^jozua-17-18-21]: Kanttekening 21: u zult: Dit spreekt Jozua dus vrijmoedig, steunende op de belofte van God; boven, Joz. 13:6 . Jozua 13:6 : Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-Maim toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht van de kinderen van Israël; alleen maak, dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb.

### Jozua 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/18.json)

*De tent der samenkomst wordt te Silo opgericht, vers 1 enzovoort. Daar worden uit elke stam, op bevel van Jozua, drie mannen uitgezonden in het land Kanaan, dat nog onverdeeld was, om daaruit nog zeven delen te maken voor de zeven stammen die nog geen erfdeel hadden ontvangen, 3. Toen dat gebeurd was, 9, werpt Jozua het lot te Silo en verdeelt zo het land onder hen, 10. Het eerste lot komt uit voor de stam Benjamin, waarvan de grenzen en steden beschreven worden, 11.*

**1** En de hele gemeenschap van de Israëlieten verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op[^jozua-18-1-1] de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v1)

**2** En er bleven over onder de Israëlieten, aan wie zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v2)

**3** En Jozua zei tot de Israëlieten: Hoe lang houdt u zich zo slap, om voort te gaan, om het land te beërven, dat YHWH, de God van uw vaders, u gegeven heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v3)

**4** Geef voor u drie mannen van elke stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en[^jozua-18-4-2] beschrijven hetzelfde[^jozua-18-4-3] naar[^jozua-18-4-4] hun erven, en weer tot mij komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v4)

**5** Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn gebied van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn gebied van het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v5)

**6** En u zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij hierheen brengen, dat ik voor u het lot hier werpe[^jozua-18-6-5] voor het aangezicht van YHWH, van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v6)

**7** [^jozua-18-7-6] Want de Levieten hebben geen deel in het midden van u; maar het[^jozua-18-7-7] priesterdom van YHWH is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen aan de overzijde van de Jordaan, naar het oosten, dat hun Mozes, de knecht van YHWH, gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v7)

**8** Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Ga, en doorwandelt het land, en beschrijft het; kom dan weer tot mij, zo zal ik u hier het lot werpen,[^jozua-18-8-8] voor het aangezicht van YHWH, te Silo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v8)

**9** De mannen dan gingen heen, en trokken het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weer tot Jozua in het leger te Silo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v9)

**10** Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht van YHWH. En Jozua deelde daar de Israëlieten het land,[^jozua-18-10-9] naar hun afdelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v10)

**11** En het lot van de stam van de kinderen van[^jozua-18-11-10] Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de grens van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v11)

**12** En hun gebied was naar de hoek naar het noorden van de Jordaan; en deze grens gaat omhoog aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte naar het westen, en[^jozua-18-12-a] haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v12)

**13** En van daar gaat de grens door naar Luz, aan de zijde van Luz[^jozua-18-13-11] (die is Beth-El), naar het zuiden; en deze grens gaat af naar Atroth-Addar, aan de berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v13)

**14** En die grens strekt en keert zich om, naar de westhoek naar het zuiden van de berg, die tegenover Beth-Horon naar het zuiden is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baäl (die is Kirjath-Jearim), een stad van de kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v14)

**15** De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jearim; en deze grens gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein van de wateren van Neftoah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v15)

**16** En deze grens gaat af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal van[^jozua-18-16-12] de Refaïeten is tegen het noorden; en[^jozua-18-16-b] gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten naar het zuiden, en[^jozua-18-16-c] gaat af aan de fontein van Rogel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v16)

**17** En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Semes;[^jozua-18-17-13] van daar gaat zij uit naar[^jozua-18-17-14] Geliloth, die is tegenover de opgang naar Adummim, en[^jozua-18-17-d] zij gaat af aan de steen[^jozua-18-17-15] van Bohan, de zoon van Ruben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v17)

**18** En gaat door ter zijde tegenover[^jozua-18-18-16] Araba naar het noorden, en gaat af te Araba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v18)

**19** Verder gaat deze grens door aan de zijde van Beth-Hogla naar het noorden, en de uitgangen van deze grens zijn aan[^jozua-18-19-17] de tong van de Zoutzee naar het noorden, aan het uiterste van de Jordaan naar het zuiden. Dit is de zuiderlandpale. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v19)

**20** De Jordaan nu bepaalt haar aan de hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, in hun gebied rondom, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v20)

**21** De steden nu van de stam van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-Hogla, en Emek-Keziz, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v21)

**22** En Beth-Araba, en Zemaraim, en Beth-El, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v22)

**23** En Haävvim, en Para, en Ofra, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v23)

**24** Chefar-Haämmonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v24)

**25** Gibeon, en Rama, en Beëroth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v25)

**26** En Mizpe, en Chefira, en Moza, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v26)

**27** En Rekem, en Jirpeël, en Tharala, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v27)

**28** En Zela, Elef en[^jozua-18-28-18] Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/18.html#v28)

[^jozua-18-1-1]: Kanttekening 1: de tent: Zie hiervan Ex. 27:21 . Exodus 27:21 : In de tent van de samenkomst, van buiten de voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen van Israël.
[^jozua-18-4-2]: Kanttekening 2: Dat is, dat zij het ergens op aftekenen in manier van een tafel, of landbeschrijving of kaart, waarin al de gelegenheid van het land uitgedrukt wordt, welke nog te delen overblijft.
[^jozua-18-4-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, naar de mond van hun erven.
[^jozua-18-4-4]: Kanttekening 4: hun erven: Te weten, van de stammen.
[^jozua-18-6-5]: Kanttekening 5: voor het aangezicht: Te weten, voor de tent van de samenkomst, en zo vers 8 . Jozua 18:8 : Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weer tot mij, zo zal ik u hier het lot werpen, voor het aangezicht van YHWH, te Silo.
[^jozua-18-7-6]: Kanttekening 6: Want de: Hier geeft Jozua de reden, waarom er maar zeven loten zijn zouden, ofschoon er bijna nog eens zoveel stammen waren.
[^jozua-18-7-7]: Kanttekening 7: Dat is, de offeranden, de tienden, de eerste vruchten, enz. komen de Levieten toe, waar zij van leven moeten.
[^jozua-18-8-8]: Kanttekening 8: voor het aangezicht: Gelijk boven, vers 6 . Jozua 18:6 : En u zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor u het lot hier werpe voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods.
[^jozua-18-10-9]: Kanttekening 9: naar hun afdelingen: Dat is, elke stam zijn deel.
[^jozua-18-11-10]: Kanttekening 10: kwam op: Te weten, uit het vat, waar het in geworpen was.
[^jozua-18-12-a]: Verwijzing a: Joz. 7:2 . Jozua 7:2 : Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt naar boven en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
[^jozua-18-13-11]: Kanttekening 11: welke is Beth-El: Zie boven, Joz. 16:2 . Jozua 16:2 : En het komt van Beth-el uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale van de Archiet, tot Ataroth toe;
[^jozua-18-16-12]: Kanttekening 12: Of, Reuzen.
[^jozua-18-16-b]: Verwijzing b: Joz. 15:8 . Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal naar boven gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden.
[^jozua-18-16-c]: Verwijzing c: Joz. 15:7 . Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel.
[^jozua-18-17-13]: Kanttekening 13: van daar: Dat is, van En-Semes.
[^jozua-18-17-14]: Kanttekening 14: Welke genaamd is geweest Gilgal; Joz. 15:7 . Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel.
[^jozua-18-17-d]: Verwijzing d: Joz. 15:6 . Jozua 15:6 : En deze landpale zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-Araba; en deze landpale zal opgaan tot de steen van Bohan, de zoon van Ruben.
[^jozua-18-17-15]: Kanttekening 15: Zie Joz. 15:6 . Jozua 15:6 : En deze landpale zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-Araba; en deze landpale zal opgaan tot de steen van Bohan, de zoon van Ruben.
[^jozua-18-18-16]: Kanttekening 16: Anders, het vlakke veld.
[^jozua-18-19-17]: Kanttekening 17: de tong: Zie Joz. 15:2 . Jozua 15:2 : Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van de tong af, die tegen het zuiden ziet;
[^jozua-18-28-18]: Kanttekening 18: Anders, de stad van de Jebusieten.

### Jozua 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/19.json)

*Het lot van de stam Simeon valt in het land van de stam Juda, vers 1 enzovoort, omdat het lot van de stam Juda te groot was, 9. Het derde lot voor de kinderen van Zebulon, 10. Het vierde voor de kinderen van Issaschar, 17. Het vijfde voor Aser, 24. Het zesde voor Naftali, 32. Het zevende voor Dan, 47. De kinderen Israels geven Jozua als erfdeel Timnath-Serah, 49. Het verdelen van het beloofde land komt tot een eind, 51.*

**1** Daarna[^jozua-19-1-1] ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en[^jozua-19-1-2] hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v1)

**2** En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba,[^jozua-19-2-3] en Seba, en Molada, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v2)

**3** En Hazar-sual, en[^jozua-19-3-4] Bala, en Azem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v3)

**4** En Eltholad, en Bethul, en[^jozua-19-4-5] Horma, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v4)

**5** En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-suza, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v5)

**6** En Beth-lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v6)

**7** Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v7)

**8** En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baälath-beer,[^jozua-19-8-6] dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v8)

**9** [^jozua-19-9-7] Het erfdeel van de kinderen van Simeon is onder het snoer van de kinderen van Juda; want het erfdeel van de kinderen van[^jozua-19-9-8] Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v9)

**10** Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen[^jozua-19-10-9] van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de grens van hun erfdeel was tot aan Sarid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v10)

**11** En hun gebied gaat omhoog[^jozua-19-11-10] naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v11)

**12** En zij wendt zich van Sarid naar het oosten tegen de opgang van de zon, tot de grens van Chisloth-thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat omhoog naar Jafia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v12)

**13** En vandaar gaat zij naar het oosten door naar de opgang, naar[^jozua-19-13-11] Gath-hefer, te Eth-kazin, en zij komt uit te Rimmon-methoar,[^jozua-19-13-12] dat is Nea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v13)

**14** En deze grens keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v14)

**15** En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en[^jozua-19-15-13] Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v15)

**16** Dit is het erfdeel van de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v16)

**17** Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v17)

**18** En hun gebied was Jizreëla, en Chesulloth, en[^jozua-19-18-14] Sunem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v18)

**19** En Hafaraim, en Sion, en Anacharath, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v19)

**20** En Rabbith, en Kisjon, en Ebez, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v20)

**21** En Remeth, en[^jozua-19-21-15] En-gannim, en En-hadda, en Beth-pazzez. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v21)

**22** En deze grens reikt aan Thabor, en Sahazima, en[^jozua-19-22-16] Beth-semes; en de uitgangen van hun gebied zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v22)

**23** Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v23)

**24** Toen ging het vijfde lot voor de stam van de kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v24)

**25** En hun gebied was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v25)

**26** En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan[^jozua-19-26-17] Karmel naar het westen, en aan[^jozua-19-26-18] Sichor-libnath; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v26)

**27** En wendt zich tegen de opgang van de zon naar Beth-dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-el naar het noorden naar Beth-emek, en Nehiel, en komt uit tot[^jozua-19-27-19] Kabul ter linkerhand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v27)

**28** En[^jozua-19-28-20] Ebron, en Rehob, en Hammon, en[^jozua-19-28-21] Kana, tot aan[^jozua-19-28-22] groot Sidon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v28)

**29** En deze grens wendt zich naar Rama, en tot aan de versterkte stad[^jozua-19-29-23] Tyrus; dan keert deze grens naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v29)

**30** En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v30)

**31** Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v31)

**32** Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v32)

**33** En hun gebied is van Helef, van Allon tot Zaanannim, en Adami-nekeb, en Jabneel, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v33)

**34** En deze grens wendt zich naar het westen naar Asnoth-thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen de opgang van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v34)

**35** De versterkte steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en[^jozua-19-35-24] Cinnereth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v35)

**36** En Adama, en Rama, en Hazor, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v36)

**37** En Kedes, en Edreï, en En-hazor, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v37)

**38** En Jiron, en Migdal-el, Horem en Beth-anath, en Beth-semes; negentien steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v38)

**39** Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v39)

**40** Het zevende lot ging uit voor de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v40)

**41** En de grens van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v41)

**42** En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v42)

**43** En Elon, en Timnatha, en Ekron, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v43)

**44** En Elteke, en[^jozua-19-44-25] Gibbethon, en Baälath, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v44)

**45** En Jehud, en Bene-berak, en Gath-rimmon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v45)

**46** En Me-jarkon, en Rakkon, met de grens tegenover[^jozua-19-46-26] Jafo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v46)

**47** Maar de grens van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom trokken de kinderen van Dan op, en streden tegen[^jozua-19-47-27] Lesem, en namen haar in, en sloegen[^jozua-19-47-28] haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en[^jozua-19-47-29] zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v47)

**48** Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v48)

**49** Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn gebied, zo gaven de Israëlieten aan Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v49)

**50** Naar de mond van YHWH gaven zij hem die stad, die hij begeerde,[^jozua-19-50-30] Thimnath-serah, op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad, en woonde daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v50)

**51** [^jozua-19-51-31] Dit zijn de erfdelen, die Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen, door het lot aan de Israëlieten erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht van YHWH, aan de deur van de tent van de samenkomst. Zo maakten zij een einde van het uitdelen van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/19.html#v51)

[^jozua-19-1-1]: Kanttekening 1: ging het: Ging uit; te weten, uit het vat, waar men al de loten in geworpen had en uittrok.
[^jozua-19-1-2]: Kanttekening 2: hun erfdeel: Zie Gen. 49:7 , waar Jakob voorzegt dat Simeon en Levi, om de moord, die zij te Sichem hadden begaan, verstrooid zouden worden in Israël. De Levieten zijn het gehele land door verspreid geworden, en de Simeonieten zijn in Juda verdeeld geweest. Genesis 49:7 : Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun toorn, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël.
[^jozua-19-2-3]: Kanttekening 3: Dit woordje en houdt men hier zoveel te zijn als of, dat is. Want Seba en Beër-Seba is, naar het gevoelen van velen, een en dezelfde stad; daarom wordt het 1 Kron. 4:28 , waar deze geschiedenis weer verhaald wordt, uitgelaten en onder vers 6 worden maar dertien steden genoemd. 1 Kronieken 4:28 : En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-sual, Jozua 19:6 : En Beth-lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.
[^jozua-19-3-4]: Kanttekening 4: Deze stad wordt 1 Kron. 4:29 genoemd Bilha. Dikwijls valt er enige verandering of toevoeging in de eigennamen van de mensen, steden en dorpen. Hier staat vers 4 Eltholad, maar 1 Kron. 4:29 Tholad; en voor Bethul, Bethuël, voor Bethlebaoth, vers 6 , staat 1 Kron. 4:32 Beth-Biri. Zulke veranderingen zijn er velen, te lang en te moeilijk, dat men die altijd zou aantekenen. De veranderingen zijn gekomen door langheid van tijden of kortheidshalve, of omdat de uitspraak lichter valt dus dan zo. 1 Kronieken 4:29 : En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, Jozua 19:4 : En Eltholad, en Bethul, en Horma, 1 Kronieken 4:29 : En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, Jozua 19:6 : En Beth-lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen. 1 Kronieken 4:32 : En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
[^jozua-19-4-5]: Kanttekening 5: Zie de aantekeningen Richt. 1:17 . Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^jozua-19-8-6]: Kanttekening 6: dat is Ramath: Sommigen verstaan dat Baälath-Beër en Ramath een en dezelfde stad zijn.
[^jozua-19-9-7]: Kanttekening 7: Het erfdeel: Zie de aantekeningen Joz. 15:32 . Jozua 15:32 : En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
[^jozua-19-9-8]: Kanttekening 8: was te groot: Dat is, het was groter dan zij nodig hadden, of te groot om door de stam van Juda alleen bewoond te kunnen worden.
[^jozua-19-10-9]: Kanttekening 9: Hier gaat de stam van Zebulon voor de stam van Issaschar, onaangezien Issaschar ouder was dan Zebulon, gelijk Jakob in zijn testament, Gen. 49:13 , 49:14 , deze orde ook gesteld heeft; alsook Mozes, Deut. 33:18 . Genesis 49:13 : Zebulon zal aan de haven van de zeeën wonen, en hij zal aan de haven van de schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon. Genesis 49:14 : Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken. Deuteronomium 33:18 : En van Zebulon zei hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.
[^jozua-19-11-10]: Kanttekening 10: naar het westen: Hebreeuws, מַרְעֲלָ֖ה, naar de zee.
[^jozua-19-13-11]: Kanttekening 11: Dit was de geboorteplaats van de profeet Jona, 2 Kon. 14:25 . 2 Koningen 14:25 : Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, van de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was.
[^jozua-19-13-12]: Kanttekening 12: Anders, die eindigt te Nea.
[^jozua-19-15-13]: Kanttekening 13: Dit is dat Bethlehem niet waar Christus geboren is, want dat lag in de stam van Juda, en dit ligt in de stam van Zebulon, vers 10 . Jozua 19:10 : Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.
[^jozua-19-18-14]: Kanttekening 14: Deze stad was gelegen aan de landpale van Issaschar, en zij is vermaard vanwege de herbergzaamheid, die de profeet Eliza daar gevonden heeft, en omdat zij is de geboorteplaats van Abisag, die de koning David in zijn oude dagen gekoesterd heeft; 1 Kon. 1:3 . 1 Koningen 1:3 : Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle gebied van Israël; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot de koning.
[^jozua-19-21-15]: Kanttekening 15: Er ligt een ander En-Gannim in de stam van Juda, en nog een ander bij de Jordaan.
[^jozua-19-22-16]: Kanttekening 16: Er zijn verscheidene steden in het land Kanaän geweest, Semes genaamd.
[^jozua-19-26-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, aan de zee.
[^jozua-19-26-18]: Kanttekening 18: Enige menen dat Libnath een beek is, anders Belum of Pagida genoemd.
[^jozua-19-27-19]: Kanttekening 19: Kabul ter linkerhand: Enige nemen dit voor de naam van een stad, anderen menen dat het is de naam van een landschap, waarin twintig steden lagen, die Salomo Hiram gaf.
[^jozua-19-28-20]: Kanttekening 20: Dit Ebron geschreven in het Hebreeuws, met een ain, is te onderscheiden van het vermaarde Hebron, gelegen in Juda, dat geschreven wordt met een cheth.
[^jozua-19-28-21]: Kanttekening 21: Dit is het grote Kana, niet ver van Sidon gelegen, in het Galilea van de heidenen. Het kleine Kana lag in de stam van Zebulon, in Neder-Galilea. Hier veranderde Christus het water in wijn, Joh. 2:1 . En Hij genas hier de zoon van de hoveling, Joh. 4:46 . Johannes 2:1 : En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. Johannes 4:46 : Zo kwam dan Jezus opnieuw te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon ziek was, te Kapernaum.
[^jozua-19-28-22]: Kanttekening 22: groot Sidon: Deze stad wordt groot Sidon genaamd, niet omdat er ook een klein Sidon was, maar ten aanzien van haar treffelijkheid, vermaardheid en rijkdom.
[^jozua-19-29-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, Tsor; en betekent een rotssteen, omdat het op een rotssteen gebouwd was en rondom in de zee en in de rotsstenen lag. Het behoorde wel tot de stam van Aser, maar de heidenen hebben het ingehouden, gelijk te zien is 2 Sam. 5:11 ; 1 Kon. 5:1 , 5:2 , en elders meer. 2 Samuël 5:11 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. 1 Koningen 5:1 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had. 1 Koningen 5:2 : Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende:
[^jozua-19-35-24]: Kanttekening 24: Anders, Gennesareth.
[^jozua-19-44-25]: Kanttekening 25: Toen Nadab, de zoon van Rehabeam, deze stad belegerde, is hij door Baësa dood geslagen; 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^jozua-19-46-26]: Kanttekening 26: Anders, Joppe; Hand. 9:36 . Hier is Jona scheep gegaan om te varen naar Tharsis, Jona 1:3 ; het wordt nu Jaffa genoemd. Handelingen 9:36 : En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, dat overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. Jona 1:3 : Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelfde, om met hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH.
[^jozua-19-47-27]: Kanttekening 27: Anders, Laisch, of Laïs, gelijk Richt. 18 , waar deze historie breder verhaald wordt. En daar wordt gezegd dat dit geschied is toen er geen koning of rechter in Israël was. Hieruit is af te nemen dat dit boek door Jozua niet geschreven is, want hij kon niet schrijven wat na zijn dood geschied is.
[^jozua-19-47-28]: Kanttekening 28: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, met de mond.
[^jozua-19-47-29]: Kanttekening 29: zij noemden Lesem, Dan: De zin is: nadat zij de stad Lesem ingenomen hadden, noemden zij die Dan, naar de patriarch Dan, van wie zij gesproten waren. Deze stad was gelegen aan de voet van de berg Libanon, in het dal Rehob, waar eigenlijk de Jordaan haar oorsprong neemt. Toen de viervorst Filippus, de broer van Herodus, ten tijden van de keizer Tiberius deze stad herbouwd en grotelijks verbeterd had, heeft hij die genaamd Coesaroea-Philippi, naar de keizer en naar zijn naam. Plinius getuigt dat zij ook Paneas is genoemd geweest en nog later Pelin. Zij ligt aan het einde van het land Kanaän oostwaarts, van Sidon omtrent 35.000 passen.
[^jozua-19-50-30]: Kanttekening 30: Anders genoemd Thimnath-Heres, Richt. 2:9 . Hier is de treffelijke veldoverste Jozua begraven, Joz. 24:30 . Richteren 2:9 : En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas; Jozua 24:30 : En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van de berg Gaas.
[^jozua-19-51-31]: Kanttekening 31: Dit zijn: Dit vers is een algemeen besluit van al wat van Joz. 14 tot dit hoofdstuk van de uitdeling van het beloofde land geschreven is.

### Jozua 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/20.json)

*Het bevel van de HEERE aangaande de zes vrijsteden voor hen die onopzettelijk een doodslag zouden begaan, vers 1 enzovoort, en het juiste gebruik daarvan, 5. De Israelieten wijzen hiervoor zes steden aan, drie aan deze en drie aan de overzijde van de Jordaan.*

**1** Verder sprak YHWH tot Jozua, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v1)

**2** Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Geef voor u de vrijsteden,[^jozua-20-2-a] waarvan Ik met u gesproken heb[^jozua-20-2-2] door de dienst van Mozes.[^jozua-20-2-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v2)

**3** Dat daarheen vlucht de moordenaar, die een[^jozua-20-3-3] ziel door dwaling,[^jozua-20-3-4] niet met wetenschap, verslaat; opdat zij u zijn tot een toevlucht[^jozua-20-3-5] voor de bloedwreker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v3)

**4** [^jozua-20-4-b] Als hij vlucht tot één van die steden, zo zal hij staan[^jozua-20-4-6] aan de deur van de stadspoort, en hij zal[^jozua-20-4-7] zijn woorden spreken voor de oren van[^jozua-20-4-8] de oudsten van die stad;[^jozua-20-4-9] dan zullen zij hem tot zich in de stad[^jozua-20-4-10] nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v4)

**5** En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij de moordenaar in zijn hand niet overgeven, omdat hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem[^jozua-20-5-11] gisteren en eergisteren niet heeft gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v5)

**6** En hij zal in dezelfde stad wonen,[^jozua-20-6-12] totdat hij sta voor het aangezicht van de vergadering voor het[^jozua-20-6-13] gericht, totdat de hogepriester sterve, die in die dagen zijn zal;[^jozua-20-6-14] dan zal de moordenaar terugkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, vanwaar hij gevlucht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v6)

**7** Toen[^jozua-20-7-15] heiligden zij[^jozua-20-7-16] Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron,[^jozua-20-7-17] op het gebergte van Juda.[^jozua-20-7-18][^jozua-20-7-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v7)

**8** En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho naar het oosten, gaven zij[^jozua-20-8-c] Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.[^jozua-20-8-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v8)

**9** Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al de Israëlieten, en voor de vreemdeling, die in het midden van hen verkeert, opdat daarheen vluchte al wie een ziel slaat zonder opzet; opdat hij niet sterve door de hand van de bloedwreker, voordat hij voor het aangezicht van de vergadering gestaan zal hebben.[^jozua-20-9-21][^jozua-20-9-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/20.html#v9)

[^jozua-20-2-a]: Verwijzing a: Ex. 21:13 ; Num. 35:9 ; Deut. 19:1 ; idem v. 2 . Exodus 21:13 : Maar die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen vliede. Numeri 35:9 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Deuteronomium 19:1 : Wanneer YHWH, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, wier land YHWH, uw God, u geven zal, en u die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen; Deuteronomium 19:2 : Zo zult u u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.
[^jozua-20-2-2]: Kanttekening 2: door de dienst van Mozes: Hebreeuws, בְּ, door de hand van Mozes.
[^jozua-20-2-1]: Kanttekening 1: de vrijsteden: Hebreeuws, תְּנ֤וּ, steden van het vertrek, of van de inkorting. Het Hebreeuwse woord betekent samentrekking, of inkorten. Deze steden worden zo genoemd, omdat diegenen, die vanwege de doodslag vluchtende waren, zich daarin moesten vertrekken en zich daar binnen houden.
[^jozua-20-3-3]: Kanttekening 3: een ziel: Dat is, een mens; ja het lichaam eens mensen, want de ziel van de mens kan niet gedood worden; voor ziel staat vers 5 zijn naaste. Jozua 20:5 : En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij de moordenaar in zijn hand niet overgeven, omdat hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat.
[^jozua-20-3-4]: Kanttekening 4: niet met wetenschap: Die met moedwil of opzettelijk iemand gedood hadden, waren nergens vrij, ook niet in de tempel, noch bij het altaar, Ex. 21:14 . Exodus 21:14 : Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.
[^jozua-20-3-5]: Kanttekening 5: voor de bloedwreker: Dat is, voor die, die van de bloede van de doodgeslagene zijnde, recht en reden heeft om wraak er over te doen, of te eisen.
[^jozua-20-4-b]: Verwijzing b: Num. 35:22 ; idem v. 23 ; Deut. 19:4 ; idem v. 5 . Numeri 35:22 : Maar als hij hem met van de haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; Numeri 35:23 : Of onvoorziens met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende; Deuteronomium 19:4 : En dit zij de zaak van het doodlager, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte; Deuteronomium 19:5 : Als, die met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van de steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in één van deze steden vluchten en leven;
[^jozua-20-4-6]: Kanttekening 6: aan de deur van de stadspoort: Dat is, aan het raadhuis of rechthuis, dat eertijds in de stadspoorten placht te zijn.
[^jozua-20-4-7]: Kanttekening 7: hij zal zijn woorden spreken: Dat is, hij zal zich aangeven waarom hij daar gekomen is, hoe en wat hij gedaan heeft.
[^jozua-20-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, van de magistraat.
[^jozua-20-4-9]: Kanttekening 9: dan zullen: Te weten, nadat men zal bevonden hebben dat hij geen opzettelijke moordenaar is.
[^jozua-20-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, verzamelen.
[^jozua-20-5-11]: Kanttekening 11: gisteren en eergisteren: Dat is, tevoren.
[^jozua-20-6-12]: Kanttekening 12: totdat hij sta: Anders, van dat hij gestaan zal hebben, enz. menende dat hij niet in de stad genomen mocht worden, zonder eerst te staan voor het gericht.
[^jozua-20-6-13]: Kanttekening 13: totdat de hogepriester sterve: De zin van deze woorden is, dat de gevluchte, nadat hij was verhoord en vrijgesproken, evenwel in de vrijstad moest blijven tot de dood van de hogepriester, die in die tijd leefde, als hij de doodslag begaan heeft.
[^jozua-20-6-14]: Kanttekening 14: dan zal: Te weten, nadat hij voor het gericht gestaan heeft en vrijgekend is.
[^jozua-20-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, zij ordineerden tot vrijsteden.
[^jozua-20-7-16]: Kanttekening 16: Deze drie steden lagen aan deze zijde van de Jordaan, gelijk af te nemen is uit vers 8 . Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^jozua-20-7-17]: Kanttekening 17: Deze drie steden lagen aan deze zijde van de Jordaan, gelijk af te nemen is uit vers 8 . Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^jozua-20-7-18]: Kanttekening 18: Deze drie steden lagen aan deze zijde van de Jordaan, gelijk af te nemen is uit vers 8 . Jozua 20:8 : En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse.
[^jozua-20-7-19]: Kanttekening 19: op het gebergte van Juda: Dat is, in het bergland van Juda, gelijk Luk. 1:39 , 1:65 . Lukas 1:39 : En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda; Lukas 1:65 : En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen.
[^jozua-20-8-c]: Verwijzing c: Deut. 4:43 . Deuteronomium 4:43 : Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
[^jozua-20-8-20]: Kanttekening 20: Dat deze stad in de woestijn lag, blijkt uit 1 Macc. 5. Dat zij in de laagte lag, te weten, in de lage velden van de Moabieten blijkt uit Jer. 48:24 . Jeremia 48:24 : En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
[^jozua-20-9-21]: Kanttekening 21: de steden: Hebreeuws, הָיוּ֩, de steden van de bestemming, of bescheiding; dat is, die verordineerd zijn tot vluchtsteden. Anders, van de bijeenkomst.
[^jozua-20-9-22]: Kanttekening 22: totdat hij: Dat is, totdat zijn zaak in het gericht zal verhoord zijn. En versta hierbij, en hij van het gericht vrijgekend zal wezen.

### Jozua 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/21.json)

*De Israelieten geven de Levieten door het lot steden om in te wonen, en ook de weidegronden die daarbij horen, vers 1 enzovoort. Daarna worden in het bijzonder de steden genoemd die de kinderen van Aaron door loting toevielen, 8. Namen van de steden die aan de Kahathieten gegeven zijn, 20, evenals aan de Gersonieten, 27, en de Merarieten, 34. Alle steden die aan de Levieten gegeven zijn, waren achtenveertig, met hun weidegronden, 41. De Israelieten bezitten rustig het land Kanaan dat aan hun vaderen was toegezegd, 43.*

**1** Toen[^jozua-21-1-a] naderden de[^jozua-21-1-1] familiehoofden van de Levieten tot Eleazar, de priester, en tot Jozua, de zoon van Nun, en tot de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v1)

**2** En zij spraken tot hen,[^jozua-21-2-2] te Silo, in het land Kanaän, zeggende: YHWH heeft geboden[^jozua-21-2-3] door de dienst van[^jozua-21-2-b] Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v2)

**3** Daarom gaven de Israëlieten aan de Levieten van hun erfdeel, naar de mond van YHWH, deze steden en de voorsteden daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v3)

**4** Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen van de Kahathieten; en voor de kinderen van Aäron, de priester, uit de Levieten, waren van de stam van Juda, en van de stam van Simeon, en van de stam van Benjamin, door het lot,[^jozua-21-4-4] dertien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v4)

**5** En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van de stam van Efraïm, en van de stam van Dan, en van de halve stam van Manasse,[^jozua-21-5-5] tien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v5)

**6** En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de halve stam van Manasse, in Bazan, bij het[^jozua-21-6-6] lot, dertien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v6)

**7** Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon,[^jozua-21-7-7] twaalf steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v7)

**8** Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, zoals YHWH geboden had[^jozua-21-8-8] door de dienst van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v8)

**9** Verder gaven zij van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v9)

**10** Dat zij waren van de kinderen van Aäron, van de huisgezinnen van de Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v10)

**11** Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van[^jozua-21-11-9] Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar[^jozua-21-11-10] voorsteden rondom haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v11)

**12** Maar[^jozua-21-12-11] het veld van de stad en haar dorpen,[^jozua-21-12-12] gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, tot zijn bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v12)

**13** [^jozua-21-13-13] Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de moordenaar, Hebron en haar voorsteden, en[^jozua-21-13-14] Libna en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v13)

**14** En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v14)

**15** En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v15)

**16** En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en[^jozua-21-16-15] Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v16)

**17** En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v17)

**18** [^jozua-21-18-16] Anathoth en haar voorsteden, en[^jozua-21-18-17] Almon en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v18)

**19** Al de steden van de kinderen van Aäron, de priesters, waren dertien steden en haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v19)

**20** De huisgezinnen nu van de kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden van hun lot van de stam van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v20)

**21** En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van de moordenaar, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en[^jozua-21-21-18] Gezer en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v21)

**22** En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v22)

**23** En van de stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v23)

**24** Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v24)

**25** En van de halve stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v25)

**26** Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v26)

**27** En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de Levieten, van de halve stam van Manasse, de vrijstad van de moordenaar, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v27)

**28** En van de stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v28)

**29** Jarmuth en haar voorsteden, En-Gannim en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v29)

**30** En van de stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v30)

**31** En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v31)

**32** En van de stam van Nafthali, de vrijstad van de moordenaar, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v32)

**33** Al de steden van de Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v33)

**34** Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van de stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v34)

**35** Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v35)

**36** En van de stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v36)

**37** Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v37)

**38** Van de stam van Gad nu, de vrijstad van de moordenaar, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v38)

**39** Hesbon en haar voorsteden, Jaëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v39)

**40** Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen van de Levieten; en hun lot was twaalf steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v40)

**41** Al de steden van de Levieten, in het midden van de erfenis van de Israëlieten,[^jozua-21-41-19] waren acht en veertig steden en haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v41)

**42** Deze steden waren[^jozua-21-42-20] elk met haar voorsteden rondom haar; zo was het met al die steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v42)

**43** Zo gaf YHWH aan[^jozua-21-43-21] Israël het hele land, dat Hij gezworen had hun vaders te geven, en zij beërfden het, en woonden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v43)

**44** En YHWH gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaders gezworen had; en[^jozua-21-44-22] er bestond niet één man van al hun vijanden voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf YHWH in hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v44)

**45** Er viel niet één woord van al de goede woorden, die YHWH gesproken had tot het huis van Israël; het kwam allemaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/21.html#v45)

[^jozua-21-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 6:54 . 1 Kronieken 6:54 : En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun gebied, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin van de Kahathieten, want dat lot was voor hen.
[^jozua-21-1-1]: Kanttekening 1: familiehoofden: Dat is, oversten over de geslachten van de Levieten, welke drie waren, te weten: de Kahathieten, Gersonieten en Merarieten.
[^jozua-21-2-2]: Kanttekening 2: te Silo: Alwaar opgericht was de ark van het verbond en de tent van de samenkomst.
[^jozua-21-2-3]: Kanttekening 3: door de dienst: Hebreeuws, יַד, door de hand van Mozes. Zo ook vers 8 . Jozua 21:8 : Zo gaven de kinderen van Israël aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk YHWH geboden had door de dienst van Mozes.
[^jozua-21-2-b]: Verwijzing b: Num. 35:2 . Numeri 35:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij van de erfenis hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult u aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelfde.
[^jozua-21-4-4]: Kanttekening 4: dertien steden: Van welke breder gesproken wordt onder, vers 11 , enz. Jozua 21:11 : Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.
[^jozua-21-5-5]: Kanttekening 5: tien steden: Zie hiervan breder onder, vers 20 . Jozua 21:20 : De huisgezinnen nu van de kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van de stam van Efraïm.
[^jozua-21-6-6]: Kanttekening 6: dertien steden: Waarvan breder gesproken wordt onder, vers 27 , enz. Jozua 21:27 : En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de Levieten, van de halve stam van Manasse, de vrijstad van de moordenaar, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden.
[^jozua-21-7-7]: Kanttekening 7: twaalf steden: Van deze twaalf steden zie onder, vers 34 , enz. Jozua 21:34 : Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van de stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden;
[^jozua-21-8-8]: Kanttekening 8: door de dienst: Hebreeuws, גּוֹרָֽל, door de hand van Mozes; gelijk boven, vers 2 . Jozua 21:2 : En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaän, zeggende: De YHWH heeft geboden door de dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.
[^jozua-21-11-9]: Kanttekening 9: Anders, Enak; Joz. 15:13 . Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^jozua-21-11-10]: Kanttekening 10: Dat is, akkers en weiden, die dicht voor de steden lagen.
[^jozua-21-12-11]: Kanttekening 11: het veld: Te weten, 2000 ellen ver van de stad; zie Num. 35:5 . Numeri 35:5 : En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.
[^jozua-21-12-12]: Kanttekening 12: gaven zij aan Kaleb: Zie boven, Joz. 14:14 . Jozua 14:14 : Daarom werd Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, ten erfdeel tot op deze dag; omdat hij volhard had YHWH, de God van Israël, na te volgen.
[^jozua-21-13-13]: Kanttekening 13: In het naamregister van deze hieronder genoemde steden en het register derzelve, 1 Kron. 6:57 , vindt men somtijds enig verschil in sommige namen van de steden. Dit komt daardoor, dat sommige namen van de steden door langheid van tijden veranderd zijn; ook zijn er enige steden, die meer dan een naam gehad hebben. 1 Kronieken 6:57 : En de kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,
[^jozua-21-13-14]: Kanttekening 14: Zie Joz. 10:29 . Jozua 10:29 : Toen toog Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.
[^jozua-21-16-15]: Kanttekening 15: Zie van deze stad 2 Kon. 14:11 . 2 Koningen 14:11 : Maar Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te Beth-semes, dat in Juda is.
[^jozua-21-18-16]: Kanttekening 16: Hier is de profeet Jeremia geboren; Jer. 1:1 . Jeremia 1:1 : De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^jozua-21-18-17]: Kanttekening 17: Deze stad wordt ook genoemd Allemeth; beide betekent het jongheid. Zij wordt ook 2 Sam. 3:16 genoemd Bachurim, dat hetzelfde betekent. 2 Samuël 3:16 : En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tot hem: Ga weg, keer weer. En hij keerde weer.
[^jozua-21-21-18]: Kanttekening 18: Zie Richt. 1:29 . Richteren 1:29 : Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer.
[^jozua-21-41-19]: Kanttekening 19: De stam van Levi was de kleinste onder al de stammen van de Israëlieten, want in deze zijn maar geteld drie en twintig duizend mannen, Num. 26:62 . Hoe komt het dan, dat andere stammen, die nog meer dan dubbel zo groot van mensen waren, maar 12, of 16, of 19, of 20 steden gehad hebben, en de stam van Levi 48 steden? Het antwoord is dit: dat niet al de steden van de andere stammen genoemd worden; maar al de steden van de Levieten worden genoemd. Ten anderen, zo mochten de Levieten nergens dan in steden wonen, maar wel de andere stammen; daarom behoefden de Levieten meer steden dan de andere stammen. Numeri 26:62 : En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld onder de kinderen van Israël, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen van Israël.
[^jozua-21-42-20]: Kanttekening 20: elk met: Hebreeuws, אֵ֔לֶּה, stad stad.
[^jozua-21-43-21]: Kanttekening 21: Dat is, de kinderen van Israël.
[^jozua-21-44-22]: Kanttekening 22: er bestond: Dat is, niemand kon de kinderen van Israël tegenstand doen of beschadigen.

### Jozua 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/22.json)

*De Rubenieten, Gadieten en de halve stam Manasse worden door Jozua naar huis gezonden, vers 1 enzovoort. Jozua vermaant hen zeer ernstig de Heere te vrezen, 5. Zij vertrekken met grote buit, 8. Zij bouwen een altaar aan de oever van de Jordaan, 10. Toen de andere Israelieten dit vernamen, kwamen zij samen om tegen hen te strijden, 11. Maar eerst zenden zij gezanten naar hen, die hen daarover met harde woorden bestraffen, 13. Maar zij verontschuldigen zich, 21, zodat de gezanten en het hele volk daarmee tevreden waren, 30.*

**1** Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v1)

**2** En hij zei tot hen: U hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht van YHWH, geboden heeft; en[^jozua-22-2-a] u bent mijn stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v2)

**3** U hebt uw broers niet verlaten[^jozua-22-3-1] nu lange tijd, tot op deze dag toe; maar u hebt waargenomen de onderhouding van de geboden van YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v3)

**4** En nu, YHWH, uw God, heeft uw broers rust gegeven, zoals Hij hun toegezegd had; keer dan nu opnieuw, en gaat u naar uw tenten, naar het land van uw bezitting,[^jozua-22-4-b] dat u Mozes, de knecht van YHWH, gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v4)

**5** Alleen neemt ijverig waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht van YHWH, geboden heeft,[^jozua-22-5-c] dat u YHWH, uw God, liefhebt, en dat u wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat u Hem dient met uw hele hart en met uw hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v5)

**6** Zo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun[^jozua-22-6-2] tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v6)

**7** Want aan de helft van de stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de[^jozua-22-7-3] andere helft daarvan gaf Jozua[^jozua-22-7-4] een erfdeel bij hun broers, aan deze zijde van de[^jozua-22-7-5] Jordaan naar het westen. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v7)

**8** En hij sprak tot hen, zeggende: Keer weer tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel kleren; deel de roof van uw vijanden[^jozua-22-8-6] met uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v8)

**9** Zo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse opnieuw, en trokken van de Israëlieten, van Silo, dat in het land Kanaän is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land van hun bezitting, waarin zij bezitters gemaakt waren, naar de mond van YHWH, door[^jozua-22-9-7] de dienst van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v9)

**10** [^jozua-22-10-d] Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse daar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v10)

**11** En de Israëlieten hoorden zeggen: Zie, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaän, aan de grenzen van de[^jozua-22-11-8] Jordaan, aan de zijde van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v11)

**12** Als de Israëlieten dit hoorden, zo verzamelde de hele gemeenschap van de Israëlieten te Silo, dat zij tegen hen optogen met een leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v12)

**13** En de Israëlieten zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan de halve stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v13)

**14** En[^jozua-22-14-9] tien vorsten met hem,[^jozua-22-14-10] van ieder vaderlijk huis één vorst, uit al de stammen van Israël; en zij waren een ieder een hoofd van het huis van hun vaders over de duizenden van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v14)

**15** Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de halve stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v15)

**16** Zo spreekt de hele gemeente van YHWH: Wat overtreding is dit, waarmee u overtreden hebt tegen de God van Israël, vandaag afkerende[^jozua-22-16-11] van achter YHWH, mits dat u een altaar voor u gebouwd hebt, om vandaag tegen YHWH opstandig te zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v16)

**17** Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, waarvan wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in de vergadering van YHWH geweest is?[^jozua-22-17-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v17)

**18** Omdat u zich vandaag van achter YHWH afkeert, het zal dan gebeuren, als u vandaag opstandig bent tegen YHWH, zo zal Hij Zich[^jozua-22-18-12] morgen enorm vertoornen tegen de hele gemeente van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v18)

**19** Maar toch,[^jozua-22-19-13] als het land van uw bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting van[^jozua-22-19-14] YHWH, waar de[^jozua-22-19-15] tabernakel van YHWH woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar wees niet opstandig tegen YHWH, en wees ook niet opstandig tegen ons, een altaar voor u bouwende, naast het altaar van YHWH, onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v19)

**20** Heeft niet Achan,[^jozua-22-20-16] de zoon van Zerah,[^jozua-22-20-17] overtreding begaan met[^jozua-22-20-18] het verbannene, en[^jozua-22-20-19] kwam er niet een[^jozua-22-20-20] toorn over de hele gemeenschap van Israël? En die man stierf[^jozua-22-20-21] niet alleen[^jozua-22-20-22] in zijn ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v20)

**21** Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden van[^jozua-22-21-23] de duizenden van Israël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v21)

**22** De[^jozua-22-22-24] God van de goden, YHWH, de God van de goden, YHWH, Die weet het; Israël zelf zal het ook weten! Is het door opstandigheid, of is het door overtreding tegen YHWH,[^jozua-22-22-25] zo behoudt ons vandaag niet;[^jozua-22-22-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v22)

**23** Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter YHWH af te keren, of om brandoffer en voedseloffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen,[^jozua-22-23-26] zo eise het YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v23)

**24** En zo wij dit niet uit zorg[^jozua-22-24-27] vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende:[^jozua-22-24-28] Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende:[^jozua-22-24-29] Wat hebt u met YHWH, de God van Israël, te doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v24)

**25** YHWH heeft immers de Jordaan tot grens gezet tussen ons en tussen u, u, kinderen van Ruben, en u, kinderen van Gad! u[^jozua-22-25-30] hebt geen deel aan YHWH. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij YHWH niet vreesden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v25)

**26** Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer,[^jozua-22-26-31] noch ten offer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v26)

**27** Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen u, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij de dienst van YHWH voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandoffers, en met onze slachtoffers, en met onze dankoffers; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: U hebt geen deel aan YHWH.[^jozua-22-27-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v27)

**28** Daarom zeiden wij: Wanneer het gebeurt, dat zij morgen \[zo\] tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Zie[^jozua-22-28-32] de gedaante van het altaar van YHWH, dat onze vaders gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v28)

**29** Het zij verre van ons, dat wij zouden opstandig zijn tegen YHWH, of dat wij te deze dage ons van achter YHWH afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten voedseloffer, of ten slachtoffer, naast het altaar van YHWH, onze God, dat voor Zijn tabernakel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v29)

**30** Toen de priester Pinehas, en de oversten van de[^jozua-22-30-33] vergadering, en de hoofden van de duizenden van Israël, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v30)

**31** En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Vandaag weten wij,[^jozua-22-31-34] dat YHWH in het midden van ons is, omdat u deze overtreding tegen YHWH niet begaan hebt; toen[^jozua-22-31-35] hebt u de Israëlieten verlost uit de hand van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v31)

**32** En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, keerde opnieuw met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanaän, tot de Israëlieten; en zij[^jozua-22-32-36] brachten hun antwoord weer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v32)

**33** Het antwoord nu was goed in de ogen van de Israëlieten, en de Israëlieten loofden God, en zeiden niet \[meer\] van tegen hen op te trekken met een leger, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v33)

**34** En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar:[^jozua-22-34-37] Dat het een getuige zij tussen ons,[^jozua-22-34-38] dat God YHWH is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/22.html#v34)

[^jozua-22-2-a]: Verwijzing a: Num. 32:20 ; Deut. 3:18 . Numeri 32:20 : Toen zei Mozes tot hen: Als u deze zaak doen zult, als u u voor het aangezicht van YHWH zult toerusten ten strijde. Deuteronomium 3:18 : Verder gebood ik u ter zelfder tijd, zeggende: De YHWH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de kinderen van Israël.
[^jozua-22-3-1]: Kanttekening 1: nu langen tijd: Hebreeuws, יָמִ֣ים, deze vele dagen. Het waren, naar sommiger rekening, ruim dertien jaren. Zij hebben zeven jaren doorgebracht met het innemen van het land, en zeven jaren met de deling daarvan.
[^jozua-22-4-b]: Verwijzing b: Num. 32:33 ; Deut. 3:13 ; Deut. 29:8 ; Joz. 13:8 . Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halven stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halven stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 29:8 : En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, en ook aan de halven stam van de Manassieten. Jozua 13:8 : Met die de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; die Mozes hunlieden gaf aan de overzijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, hun gegeven had:
[^jozua-22-5-c]: Verwijzing c: Deut. 10:12 . Deuteronomium 10:12 : Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God, te dienen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel;
[^jozua-22-6-2]: Kanttekening 2: Dat is, woningen, woonplaatsen, gelijk elders.
[^jozua-22-7-3]: Kanttekening 3: de andere helft van dezelfde: Dat is, de andere halve stam van Manasse. Hebreeuws, en zijn helft .
[^jozua-22-7-4]: Kanttekening 4: bij hun broers: Te weten, met de andere negen stammen, die op deze zijde van de Jordaan hun erfdeel ontvangen hebben.
[^jozua-22-7-5]: Kanttekening 5: Anders, bij de zee, of naar de zee aan.
[^jozua-22-8-6]: Kanttekening 6: met uw broers: Dat is, met de stammen, die aan deze zijde van de Jordaan gebleven zijn bij de bagage. Zie hiervan Num. 31:27 , en 1 Sam. 30:24 . Numeri 31:27 : En deel de buit in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de gehele vergadering. 1 Samuël 30:24 : Wie zou toch u in deze zaak horen? Want gelijk het deel van degenen is, die in de strijd mee afgetogen zijn, zo zal ook het deel van degenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.
[^jozua-22-9-7]: Kanttekening 7: door de dienst van Mozes: Hebreeuws, בְּ, door de hand van Mozes.
[^jozua-22-10-d]: Verwijzing d: Joz. 18:17 . Jozua 18:17 : En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover de opgang naar Adummim, en zij gaat af aan de steen van Bohan, de zoon van Ruben;
[^jozua-22-11-8]: Kanttekening 8: aan de zijde van de kinderen van Israël: Te weten, van het grootste deel van de kinderen van Israël.
[^jozua-22-14-9]: Kanttekening 9: tien vorsten: Er waren negen stammen en een halve, zodat hier blijkt, dat de halve stam van Manasse, zowel als de gehele stammen, een vorst gezonden heeft.
[^jozua-22-14-10]: Kanttekening 10: van ieder vaderlijk huis een vorst: Hebreeuws, נָשִׂ֤יא, een vorst, een vorst in het vaderlijke huis.
[^jozua-22-16-11]: Kanttekening 11: van achter YHWH: Dat is, dat u de Heer niet navolgt; zo ook vers 18 , 22:23 , 22:29 . Jozua 22:18 : Omdat u u heden van achter YHWH afkeert, het zal dan gebeuren, als u heden opstandig bent tegen YHWH, zo zal Hij Zich morgen grotelijks vertoornen tegen de gehele gemeente van Israël. Jozua 22:23 : Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter YHWH af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zo eise het YHWH. Jozua 22:29 : Het zij verre van ons, dat wij zouden opstandig zijn tegen YHWH, of dat wij te deze dage ons van achter YHWH afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer, of ten slachtoffer, behalve het altaar van YHWH, onze God, dat voor Zijn tabernakel is.
[^jozua-22-17-e]: Verwijzing e: Num. 25:3 ; Deut. 4:3 . Numeri 25:3 : Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. Deuteronomium 4:3 : Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft YHWH, uw God, uit het midden van u verdaan.
[^jozua-22-18-12]: Kanttekening 12: morgen grotelijks: Dat is, in toekomstige tijden; zo ook vers 24 , en Joz. 4:6 . Jozua 22:24 : En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt u met YHWH, de God van Israël, te doen? Jozua 4:6 : Opdat dit een teken zij onder u; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen?
[^jozua-22-19-13]: Kanttekening 13: als het land: Alsof hij zei: meent u dat God ulieder land niet zo wel in zijn gunst en bescherming aanneemt als het onze, zo komt, enz.
[^jozua-22-19-14]: Kanttekening 14: waar de: De tabernakel stond te Silo. Zie Joz. 18:1 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
[^jozua-22-19-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, woning, woonstede.
[^jozua-22-20-16]: Kanttekening 16: de zoon van Zerah: Dat is, die van het geslacht, of huisgezin en nakomelingen van Zerah was; want zijn naaste vader was Charmi, Joz. 7:17 , 7:18 . Jozua 7:17 : Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt; Jozua 7:18 : Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda.
[^jozua-22-20-17]: Kanttekening 17: overtreding begaan: Hebreeuws, מָ֤עַל, overtreding overtreden.
[^jozua-22-20-18]: Kanttekening 18: het verbannene: Hebreeuws, חֵ֔רֶם, de ban.
[^jozua-22-20-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, was.
[^jozua-22-20-20]: Kanttekening 20: Te weten, Gods, dat is, straf; zie Num. 1:53 . Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen.
[^jozua-22-20-21]: Kanttekening 21: niet alleen: Want eerst zijn er zes en dertig Israëlieten bij Ai geslagen, daarna ook zijn vrouw, kinderen en bezittingen. Hebreeuws, גָוַ֖ע, en die enige man verging niet.
[^jozua-22-20-22]: Kanttekening 22: in zijn ongerechtigheid: Of, om zijn, enz.
[^jozua-22-21-23]: Kanttekening 23: duizenden van Israël: De Israëlieten waren in duizenden afgedeeld. Zie Ex. 18:25 ; Richt. 6:15 . Exodus 18:25 : En Mozes verkoos kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen; Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader.
[^jozua-22-22-24]: Kanttekening 24: De God van de goden: Zie Deut. 10:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;
[^jozua-22-22-25]: Kanttekening 25: zo behoudt: Dit houden sommigen voor een aanspraak tot de Heer, sommigen, tot het volk Israël, of Pinehas.
[^jozua-22-22-f]: Verwijzing f: Ps. 50:1 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^jozua-22-23-26]: Kanttekening 26: zo eise YHWH: Dat is, zo straffe ons YHWH daarom. Hebreeuws, zo zoeke het YHWH.
[^jozua-22-24-27]: Kanttekening 27: Te weten, van de ware Godsdienst.
[^jozua-22-24-28]: Kanttekening 28: Dat is, hiernamaals.
[^jozua-22-24-29]: Kanttekening 29: Wat hebt u met YHWH: Hebreeuws, wat is u, en de Heer de God van Israël? Zulke manieren van spreken worden ook in het Nieuwe Testament gebruikt, Matt. 8:29 , en Joh. 2:4 . Mattheüs 8:29 : En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Zijt U hier gekomen om ons te pijnigen voor de tijd? Johannes 2:4 : Jezus zei tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.
[^jozua-22-25-30]: Kanttekening 30: hebt geen deel: Dat is, u bent Gods volk niet; u hebt geen deel aan de rijkdommen van zijn genade en weldaden. Zie dergelijke manier van spreken 2 Sam. 20:1 ; 1 Kon. 12:16 . 2 Samuël 20:1 : Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, een ieder naar zijn tenten, o Israël! 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.
[^jozua-22-26-31]: Kanttekening 31: noch ten offer: Dat is, niet tot enig offer.
[^jozua-22-27-g]: Verwijzing g: Gen. 31:48 ; Joz. 24:27 . Genesis 31:48 : Toen zei Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead, Jozua 24:27 : En Jozua zei tot het gehele volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van YHWH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God niet liegt.
[^jozua-22-28-32]: Kanttekening 32: de gedaante: Of, gestalte; dat is, patroon, figuur, vorm, gelijkenis.
[^jozua-22-30-33]: Kanttekening 33: en de hoofden van de: Dat is, namelijk, te weten; zie vers 14 . Jozua 22:14 : En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israël; en zij waren een ieder een hoofd van het huis van hun vaderen over de duizenden van Israël.
[^jozua-22-31-34]: Kanttekening 34: dat YHWH in het midden: Doordien Hij u behoedt, dat u u aan hem niet bezondigt, noch u van ons afscheurt, gelijk wij vreesden, waaruit groot onheil in geheel Israël zou gerezen zijn.
[^jozua-22-31-35]: Kanttekening 35: hebt u: Te weten, toen u dit altaar gebouwd hebt tot dat einde als u ons gezegd hebt; want hadt u hem gebouwd om een nieuwen Godsdienst op te richten en om u van de andere stammen af te zonderen, daarmede zoudt u Gods toorn en straf over geheel Israël verwekt hebben.
[^jozua-22-32-36]: Kanttekening 36: brachten hun antwoord weer: Hebreeuws, דָּבָֽר, zij brachten hun het woord opnieuw; dat is, zij hebben de gemeente trouwelijk aangezegd het antwoord en ontschuldiging van de Rubenieten, enz., en ook hun heel handel en voornemen.
[^jozua-22-34-37]: Kanttekening 37: Dat het een getuige zij: Anderen voegen in de tekst hierbij het Hebreeuwse woordje Ed, dat is, getuige. Anderen menen dat de woorden, die in de tekst volgen \[ki ed hu benotenu, want hij is getuige tussen ons\] zijn geweest de naam van dit altaar.
[^jozua-22-34-38]: Kanttekening 38: dat YHWH God is: Dat is, dat men hem alleen dienen en voor de ware God kennen zal.

### Jozua 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/23.json)

*Jozua, oud geworden, verzamelt heel Israel en verhaalt hoe wonderbaarlijk God voor zijn volk gestreden heeft en de landen van de overwonnen volken hun als erfenis gegeven heeft, vers 1 enzovoort. Daarom vermaant hij hen ijverig te zijn in het onderhouden van de wet die door Mozes beschreven is, 6, en zich ervoor te hoeden in te gaan en zich te vermengen met de afgoderij van de heidenen, 7, terwijl hij hun de weldaden voorhoudt die zij van God ontvangen hadden en nog zouden ontvangen, 9, met de dreiging van Gods straffen als zij de Heere zouden verlaten, 11.*

**1** En het gebeurde[^jozua-23-1-1] na vele dagen, nadat YHWH Israël rust gegeven had van al zijn vijanden rondom heen, en Jozua oud geworden[^jozua-23-1-2] \[en\] op dagen gekomen was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v1)

**2** Zo riep Jozua[^jozua-23-2-3] geheel Israël, hun oudsten, en hun hoofden, en hun richters, en hun voormannen, en hij zei tot hen: Ik ben oud geworden, \[en\] op dagen gekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v2)

**3** En u hebt gezien alles, wat YHWH, uw God, gedaan heeft aan al deze volken voor uw aangezicht; want YHWH, uw God, Zelf, is het, Die voor u gestreden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v3)

**4** Zie, ik heb u deze[^jozua-23-4-4] overige volken door het lot doen toevallen, als erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen de ondergang van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v4)

**5** En YHWH, uw God, Zelf[^jozua-23-5-5] zal hen uitstoten voor uw aangezicht, en Hij zal hen van voor uw aangezicht verdrijven; en u zult hun land erfelijk bezitten,[^jozua-23-5-a] zoals YHWH, uw God, tot u[^jozua-23-5-6] gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v5)

**6** Zo wees zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van[^jozua-23-6-b] Mozes; opdat u daarvan niet afwijkt ter rechter \[hand\] noch ter linkerhand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v6)

**7** Dat u[^jozua-23-7-7] niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij u;[^jozua-23-7-8][^jozua-23-7-c] gedenk ook niet aan de naam van hun goden,[^jozua-23-7-9] en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v7)

**8** [^jozua-23-8-d] Maar YHWH, uw God, zult u aanhangen, zoals u tot op deze dag gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v8)

**9** Want YHWH heeft van uw aangezicht verdreven grote en machtige volken; en wat u betreft, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan, tot op deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v9)

**10** [^jozua-23-10-e] Één enig man onder u zal er duizend jagen; want het is YHWH, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, zoals Hij tot u[^jozua-23-10-10] gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v10)

**11** Daarom bewaart uw zielen ijverig, dat u YHWH, uw God, liefhebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v11)

**12** Want zo u[^jozua-23-12-11] enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en u tot hen zult ingaan, en zij tot u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v12)

**13** [^jozua-23-13-12] Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een[^jozua-23-13-13] gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v13)

**14** En ziet,[^jozua-23-14-14] ik ga[^jozua-23-14-15] vandaag in de weg[^jozua-23-14-16] van de hele aarde; en u weet in uw hele hart en in uw hele ziel, dat er niet één enig woord[^jozua-23-14-17] gevallen is van al die goede woorden, die YHWH, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is daarvan niet één enig woord gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v14)

**15** En het zal gebeuren, zoals al die goede dingen over u gekomen zijn, die YHWH, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal YHWH over u komen laten[^jozua-23-15-18] al die kwade[^jozua-23-15-19] dingen, totdat Hij u vernietige van dit goede land, dat u YHWH, uw God gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v15)

**16** Wanneer u het verbond van YHWH, van uw God, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en u heengaat en dient andere goden, en u daarvoor neerbuigt, zo zal de toorn van YHWH over u ontsteken, en u zult haastig omkomen van het goede land, dat Hij u gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/23.html#v16)

[^jozua-23-1-1]: Kanttekening 1: na vele dagen: Het zijn geweest omtrent veertien jaren, nadat zij in het land Kanaän gekomen waren. Vergelijk dit met de aantekeningen boven, Joz. 22:3 . Jozua 22:3 : U hebt uw broers niet verlaten nu langen tijd, tot op deze dag toe; maar u hebt waargenomen de onderhouding van de geboden van YHWH, uw God.
[^jozua-23-1-2]: Kanttekening 2: wel bedaagd was: Hebreeuws, יָּמִֽים, tot dagen gekomen was.
[^jozua-23-2-3]: Kanttekening 3: geheel Israël: Versta de hoofden en oversten, en ook allen, die van het volk daartoe verschijnen konden.
[^jozua-23-4-4]: Kanttekening 4: overige volken: Te weten, die van de Israëlieten nog zouden bekrijgd en uitgeroeid worden.
[^jozua-23-5-5]: Kanttekening 5: zal hen uitstoten: Te weten, de heidense natiën, die nog in het land Kanaän zijn overig gebleven.
[^jozua-23-5-a]: Verwijzing a: Ex. 14:14 ; Ex. 23:27 ; Num. 33:53 ; Deut. 6:19 ; Joz. 13:6 . Exodus 14:14 : De YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn. Exodus 23:27 : Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren. Numeri 33:53 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelfde erfelijk te bezitten. Deuteronomium 6:19 : Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als YHWH gesproken heeft. Jozua 13:6 : Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-Maim toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht van de kinderen van Israël; alleen maak, dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb.
[^jozua-23-5-6]: Kanttekening 6: gesproken heeft: Dat is, beloofd heeft.
[^jozua-23-6-b]: Verwijzing b: Deut. 5:32 ; Deut. 28:14 . Deuteronomium 5:32 : Neemt dan waar, dat u doet, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand. Deuteronomium 28:14 : En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen.
[^jozua-23-7-7]: Kanttekening 7: niet ingaat: Dat is, maakt u niet gemeenzaam met hen. Want die met pik omgaat, die wordt daarvan besmet. Enige verstaan dit zo, alsof de Israëlieten verboden werd met die volken te huwelijken. Zie onder, vers 12 . Jozua 23:12 : Want zo u enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en u tot hen zult ingaan, en zij tot u;
[^jozua-23-7-8]: Kanttekening 8: Anders, maakt geen gewag van de naam van hun goden.
[^jozua-23-7-c]: Verwijzing c: Ex. 23:13 ; Ps. 16:4 ; Jer. 5:7 ; Zefan. 1:5 ; Ef. 5:3 . Exodus 23:13 : In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden! Psalmen 16:4 : De smarten degenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. Jeremia 5:7 : Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. Zefanja 1:5 : En die zich nederbuigen op de daken voor het legermacht van het hemel, en die zich nederbuigende zweren bij YHWH, en zweren bij Malcham; Efeziërs 5:3 : Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen betaamt,
[^jozua-23-7-9]: Kanttekening 9: en doet er niet: De zin is: Zweert niet bij de goden van de heidenen, en doet er ook anderen niet bij zweren. Zie Ex. 23:13 ; Deut. 12:3 ; Ps. 16:4 . Exodus 23:13 : In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden! Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats. Psalmen 16:4 : De smarten van degenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
[^jozua-23-8-d]: Verwijzing d: Deut. 11:22 . Deuteronomium 11:22 : Want zo u naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, YHWH, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;
[^jozua-23-10-e]: Verwijzing e: Lev. 26:8 ; Deut. 32:30 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. Deuteronomium 32:30 : Hoe zou een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hun Rotssteen hen verkocht, en YHWH hen overgeleverd had?
[^jozua-23-10-10]: Kanttekening 10: gesproken heeft: Dat is, beloofd heeft.
[^jozua-23-12-11]: Kanttekening 11: enigszins afkeert: Hebreeuws, שׁ֣וֹב, afkerende afkeert.
[^jozua-23-13-12]: Kanttekening 12: Weet voorzeker: Hebreeuws, יָד֨וֹעַ֙, weet wetende.
[^jozua-23-13-13]: Kanttekening 13: Eertijds placht men de mensen in de zijden te geselen of te slaan, gelijk af te nemen is hier en Jezus Sirach 30:12, en Sirach 40:6.
[^jozua-23-14-14]: Kanttekening 14: ik ga: Dat is, ik sterf, gelijk alle mensen.
[^jozua-23-14-15]: Kanttekening 15: heden in de weg: Dat is, haast. Want Jozua heeft deze vermaning niet gedaan even op die dag toen hij gestorven is, maar tevoren.
[^jozua-23-14-16]: Kanttekening 16: gehele aarde: Dat is, alle mensen die op aarde leven. Zie 1 Kon. 2:2 . 1 Koningen 2:2 : Ik ga heen in de weg van de gehele aarde, zo wees sterk, en wees een man.
[^jozua-23-14-17]: Kanttekening 17: Vergelijk 1 Sam. 3:19 , met de aantekeningen daar. 1 Samuël 3:19 : Samuël nu werd groot; en YHWH was met hem, en liet niet een van al Zijn woorden op de aarde vallen.
[^jozua-23-15-18]: Kanttekening 18: al die kwade: Te weten, waarmee Hij u bedreigd heeft, als u zijn geboden niet zoudt onderhouden.
[^jozua-23-15-19]: Kanttekening 19: Anders, woorden.

### Jozua 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jozua/24.json)

*Jozua verzamelt alle stammen van Israel te Sichem, vers 1 enzovoort. Hij brengt hun de weldaden van God in herinnering die aan hun vaderen en aan henzelf bewezen waren, 2. Daarom vermaant hij hen die ene ware God alleen trouw te dienen, 14, waarbij hij voor zichzelf en zijn huis een verklaring aflegt, 15. Het volk belooft ook tot viermaal toe te zullen volharden in de oprechte godsdienst, 16. Jozua vernieuwt het verbond van de HEERE met het volk, 25. Hij schrijft dit in het wetboek van de HEERE en richt een grote steen op ter gedachtenis daarvan, 26. De dood, ouderdom en begrafenis van Jozua, 29. De begraving van de beenderen van Jozef, 32. De dood en begraving van Eleazar, 33.*

**1** Daarna verzamelde Jozua al de stammen van[^jozua-24-1-1] Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en zijn hoofden, en zijn richters, en zijn voormannen; en zij stelden zich[^jozua-24-1-2] voor het aangezicht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v1)

**2** Toen zei Jozua[^jozua-24-2-3] tot het hele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond,[^jozua-24-2-b] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.[^jozua-24-2-a][^jozua-24-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v2)

**3** [^jozua-24-3-c] Toen nam Ik uw vader Abraham van de overzijde van de rivier, en deed hem wandelen door het hele land Kanaän;[^jozua-24-3-d] Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v3)

**4** [^jozua-24-4-e] En aan Izak gaf Ik[^jozua-24-4-5] Jakob en Ezau; en[^jozua-24-4-f] Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen trokken af in Egypte.[^jozua-24-4-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v4)

**5** Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, zoals Ik in zijn midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.[^jozua-24-5-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v5)

**6** Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwam u aan de zee,[^jozua-24-6-i] en de Egyptenaars jaagden uw vaders na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v6)

**7** Zij nu riepen tot YHWH, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en[^jozua-24-7-6] uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt u vele dagen in de woestijn gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v7)

**8** [^jozua-24-8-k] Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik vernietigde hen voor uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v8)

**9** [^jozua-24-9-l] Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en[^jozua-24-9-7] hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v9)

**10** Maar Ik wilde Bileam niet horen; daarom zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v10)

**11** [^jozua-24-11-m] Toen u over de Jordaan getrokken was, en te Jericho kwam, zo[^jozua-24-11-8] streden de[^jozua-24-11-9] burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten;[^jozua-24-11-n] maar Ik gaf hen in uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v11)

**12** En[^jozua-24-12-o] Ik zond[^jozua-24-12-10] horzels voor u heen; die dreven hen weg van uw aangezicht,[^jozua-24-12-11][^jozua-24-12-p] \[zoals\] de beide koningen van de Amorieten, niet door[^jozua-24-12-12] uw zwaard, noch door uw boog.[^jozua-24-12-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v12)

**13** [^jozua-24-13-q] Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan u niet gewerkt hebt, en steden, die u niet gebouwd hebt, en u woont daarin; u eet van de[^jozua-24-13-14] wijngaarden en olijfbomen, die u niet geplant hebt.[^jozua-24-13-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v13)

**14** En nu, vreest YHWH, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die[^jozua-24-14-16] uw vaders gediend hebben, aan de overzijde van de rivier, en in Egypte; en dient YHWH.[^jozua-24-14-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v14)

**15** Maar zo het kwaad is in uw ogen YHWH te dienen, kiest u vandaag, wie u dienen zult; hetzij de goden, die uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont; maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen YHWH dienen![^jozua-24-15-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v15)

**16** Toen antwoordde het volk en zei: Het zij verre van ons, dat wij YHWH verlaten zouden, om andere goden te dienen.[^jozua-24-16-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v16)

**17** Want YHWH is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaders uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op de hele weg, waardoor wij getrokken zijn, en onder alle volken, door wier midden wij getrokken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v17)

**18** En YHWH heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amoriet, inwoner van het land. Wij zullen ook YHWH dienen, want Hij is onze God.[^jozua-24-18-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v18)

**19** Toen zei Jozua tot het volk: U zult YHWH niet kunnen dienen, want Hij is een[^jozua-24-19-21] heilig God; Hij is een jaloers God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet[^jozua-24-19-22] vergeven.[^jozua-24-19-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v19)

**20** Als u YHWH verlaten en vreemde goden dienen zult,[^jozua-24-20-r] zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v20)

**21** Toen zei het volk tot Jozua: Nee, maar wij zullen YHWH dienen.[^jozua-24-21-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v21)

**22** Jozua nu zei tot het volk: U bent getuigen over uzelf, dat u zich YHWH gekozen hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v22)

**23** En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot YHWH, de God van Israël.[^jozua-24-23-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v23)

**24** En het volk zei tot Jozua: Wij zullen YHWH, onze God, dienen, en wij zullen Zijn stem gehoorzamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v24)

**25** Zo[^jozua-24-25-s] maakte Jozua op die dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht[^jozua-24-25-26] te Sichem.[^jozua-24-25-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v25)

**26** En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder[^jozua-24-26-28] de eik, die bij het heiligdom van YHWH was.[^jozua-24-26-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v26)

**27** En Jozua zei tot het hele volk: Zie, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van YHWH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God[^jozua-24-27-30] niet liegt.[^jozua-24-27-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v27)

**28** Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v28)

**29** En het gebeurde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht van YHWH, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.[^jozua-24-29-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v29)

**30** En zij begroeven hem in het gebied van zijn erfdeel,[^jozua-24-30-t] te Timnath-serah, die is op een berg van Efraïm, aan het noorden van de berg Gaas.[^jozua-24-30-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v30)

**31** Israël nu diende YHWH al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk van YHWH[^jozua-24-31-34] wisten, dat Hij aan Israël gedaan had.[^jozua-24-31-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v31)

**32** Zij begroeven ook de beenderen van[^jozua-24-32-v] Jozef, die de Israëlieten uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor[^jozua-24-32-36] honderd geldstukken, want[^jozua-24-32-37] zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.[^jozua-24-32-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v32)

**33** Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op de heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jozua/24.html#v33)

[^jozua-24-1-1]: Kanttekening 1: te Sichem: Dat is, naar sommiger mening, te Silo, dat in het land van Sichem ligt, want daar was de tabernakel. Versta dit ook zo onder, vers 32 . Maar anderen menen dat Jozua de ark zou hebben laten brengen van Silo naar de stad Sichem, op deze landdag, gelijk zulks wel meer geschied is, onder Eli, Samuël, Saul en David. Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.
[^jozua-24-1-2]: Kanttekening 2: voor het aangezicht: Dat is, voor de tabernakel, in welke God woonde.
[^jozua-24-2-3]: Kanttekening 3: tot het gehele volk: Zie boven, Joz. 23:2 . Jozua 23:2 : Zo riep Jozua geheel Israël, hun oudsten, en hun hoofden, en hun richters, en hun ambtlieden, en hij zei tot hen: Ik ben oud geworden, \[en\] wel bedaagd;
[^jozua-24-2-b]: Verwijzing b: Gen. 11:26 ; idem v. 31 . Genesis 11:26 : En Terah leefde zeventig jaren, en verwekte Abram, Nahor en Haran. Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^jozua-24-2-a]: Verwijzing a: Deut. 26:5 . Deuteronomium 26:5 : Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
[^jozua-24-2-4]: Kanttekening 4: van de rivier: Versta, de rivier Eufraat, en zo onder, vers 3 , 24:14 , 24:15 . Jozua 24:3 : Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het gehele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. Jozua 24:14 : En nu, vreest YHWH, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan de overzijde van de rivier, en in Egypte; en dient YHWH. Jozua 24:15 : Maar zo het kwaad is in uw ogen YHWH te dienen, kiest u heden, wie u dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen YHWH dienen!
[^jozua-24-3-c]: Verwijzing c: Gen. 12:1 . Genesis 12:1 : De YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^jozua-24-3-d]: Verwijzing d: Gen. 21:2 . Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^jozua-24-4-e]: Verwijzing e: Gen. 25:24 . Genesis 25:24 : Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
[^jozua-24-4-5]: Kanttekening 5: Hier wordt Ezau de eerstgeborene niet eerst genoemd, maar Jakob. Zie dergelijks ook Gen. 11:26 , en 1 Kron. 1:28 , en vers 5 . Genesis 11:26 : En Terah leefde zeventig jaren, en verwekte Abram, Nahor en Haran. 1 Kronieken 1:28 : De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël. Jozua 24:5 : Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in het midden daarvan gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.
[^jozua-24-4-f]: Verwijzing f: Gen. 36:8 . Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom.
[^jozua-24-4-g]: Verwijzing g: Gen. 46:1 . Genesis 46:1 : En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan de God van zijn vader Izak.
[^jozua-24-5-h]: Verwijzing h: Ex. 3:10 ; Ex. 12:37 . Exodus 3:10 : Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat u Mijn volk (de kinderen van Israël) uit Egypte voert. Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen.
[^jozua-24-6-i]: Verwijzing i: Ex. 14:1 . Exodus 14:1 : Toen sprak YHWH tot Mozes, zeggende:
[^jozua-24-7-6]: Kanttekening 6: uw ogen hebben gezien: Dit is te verstaan van velen van degenen, die onder de twintig jaren oud waren toen zij uit Egypte togen, want die daarboven waren \[uitgenomen Kaleb en Jozua\] waren allen in de woestijn gestorven.
[^jozua-24-8-k]: Verwijzing k: Num. 21:21 ; idem v. 33 . Numeri 21:21 : Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï.
[^jozua-24-9-l]: Verwijzing l: Num. 22:5 ; Deut. 23:4 ; Richt. 11:25 . Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Richteren 11:25 : Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gekrijgd?
[^jozua-24-9-7]: Kanttekening 7: hij streed: Dat is, wilde, of gedacht te strijden. Zie Richt. 11:25 ; vergelijk Joh. 10:32 , 10:33 , waar stenigen voor willen stenigen gebruikt wordt; zodat het schijnt dat dit te verstaan is van Balaks vijandelijk gemoed, dat hij tegen Israël heeft betoond, eerst toen hij hen door Bileam heeft willen doen vervloeken; daarna, toen hij door de Moabietische vrouwen de Israëlieten tot hoererij, daarna tot afgoderij heeft gebracht, en zo de toorn van God over hen heeft doen komen, door Bileams raad. Richteren 11:25 : Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gekrijgd? Johannes 10:32 : Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt u Mij? Johannes 10:33 : De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over godslastering, en omdat U, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.
[^jozua-24-11-m]: Verwijzing m: Joz. 3:14 ; Joz. 6:1 . Jozua 3:14 : En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark van het verbond voor het aangezicht van het volk. Jozua 6:1 : (Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen van Israël; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)
[^jozua-24-11-8]: Kanttekening 8: Te weten, die van Jericho met toesluiting van zijn poorten; maar die natiën, die daarna genoemd worden, met wapenen.
[^jozua-24-11-9]: Kanttekening 9: Of, de heren, of mannen.
[^jozua-24-11-n]: Verwijzing n: Joz. 6:20 ; Joz. 10:8 ; Joz. 11:8 . Jozua 6:20 : Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. Jozua 10:8 : Want YHWH had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan. Jozua 11:8 : En YHWH gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.
[^jozua-24-12-o]: Verwijzing o: Ex. 23:28 ; Deut. 7:20 . Exodus 23:28 : Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. Deuteronomium 7:20 : Daartoe zal YHWH, uw God, ook horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.
[^jozua-24-12-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, de horzel.
[^jozua-24-12-11]: Kanttekening 11: Hij wil zeggen: gelijk u tevoren de beide koningen van de Ammorieten verdreven hebt, te weten Sihon en Og. Zie onder, vers 18 . Jozua 24:18 : En YHWH heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amoriet, inwoner van het land. Wij zullen ook YHWH dienen, want Hij is onze God.
[^jozua-24-12-p]: Verwijzing p: Ps. 44:4 . Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt.
[^jozua-24-12-12]: Kanttekening 12: uw zwaard: Versta hieronder ook alle andere wapenen, gelijk Gen. 48:22 ; Ps. 7:13 , en Ps. 44:4 , 44:7 . De zin van deze woorden is dat hun zwaarden en bogen tevergeefs zouden geweest zijn, tenzij God de Heer hun vijanden had verdelgd. Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. Psalmen 7:13 : Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid. Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt. Psalmen 44:7 : Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
[^jozua-24-12-13]: Kanttekening 13: Versta hieronder ook alle andere wapenen, gelijk Gen. 48:22 ; Ps. 7:13 , en Ps. 44:4 , 44:7 . De zin van deze woorden is dat hun zwaarden en bogen tevergeefs zouden geweest zijn, tenzij God de Heer hun vijanden had verdelgd. Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. Psalmen 7:13 : Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid. Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt. Psalmen 44:7 : Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
[^jozua-24-13-q]: Verwijzing q: Deut. 6:10 ; idem v. 11 ; idem v. 12 . Deuteronomium 6:10 : Als het dan zal geschied zijn, dat YHWH, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, Deuteronomium 6:11 : En huizen, vol van alle goeds, die u niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die u niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt, en u gegeten hebt en verzadigd bent; Deuteronomium 6:12 : Zo wacht u, dat u YHWH niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.
[^jozua-24-13-14]: Kanttekening 14: en steden: Joz. 11:13 staat dat de Israëlieten geen steden verbrandden dan Hazor alleen. Dit is daarom geschied, opdat de kinderen van Israël huizen en steden zouden vinden, om te wonen. Jozua 11:13 : Alleen verbrandden de Israëlieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.
[^jozua-24-13-15]: Kanttekening 15: Dat is, van de vruchten van de wijngaarden, en van de olijven, die op de bomen gewassen zijn. Zie dergelijke manier van spreken Gen. 3:12 ; Openb. 1:7 . Genesis 3:12 : Toen zei Adam: De vrouw, die U bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven, en ik heb gegeten. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^jozua-24-14-16]: Kanttekening 16: in oprechtheid: Dat is, oprecht, van ganser harte, zonder bedrog.
[^jozua-24-14-17]: Kanttekening 17: uw vaders: Te weten, Therah, Nahor, enz., ja ook Abraham, eer God de Heer hem uit Ur van de Chaldeën geroepen heeft.
[^jozua-24-15-18]: Kanttekening 18: Maar zo: Jozua stelt het de Israëlieten niet vrij, God te dienen of niet; maar dit zegt hij opdat zij vrij en ongedwongen zouden verklaren wat zij te doen gezind waren, en opdat zij des te vaster zouden verbonden blijven God te dienen, nadat zij zulks vrijwillig aangenomen hadden te doen. Zie dergelijke manier van spreken, Ruth 1:8 , 1:15 . Ruth 1:8 : Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weer, een ieder tot het huis van haar moeder; YHWH doe bij u weldadigheid, gelijk als u gedaan hebt bij de doden, en bij mij. Ruth 1:15 : Daarom zei zij: Zie, uw zwagerin is teruggekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer u ook weer, uw zwagerin na.
[^jozua-24-16-19]: Kanttekening 19: Het zij verre: Hebreeuws, עֲזֹ֖ב, het zij ons verre van te verlaten.
[^jozua-24-18-20]: Kanttekening 20: ook YHWH dienen: Te weten, zowel als u en uws vaders huis.
[^jozua-24-19-21]: Kanttekening 21: U zult: Te weten, als u de vreemde goden bij u behoudt, vermengende de valse godsdienst met de ware godsdienst, gelijk vers 23 af te nemen is. Jozua 24:23 : En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot YHWH, de God van Israël.
[^jozua-24-19-22]: Kanttekening 22: heilig God: Hebreeuws, Elohim (אֱלֹהִים) Kedoschim hu. Zie hiervan Gen. 20:13 . Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer!
[^jozua-24-19-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, wegnemen; gelijke manier van spreken zie Gen. 50:17 . Anders, niet verdragen. Genesis 50:17 : Zo zult u tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding van uw broers, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.
[^jozua-24-20-r]: Verwijzing r: Joz. 23:15 . Jozua 23:15 : En het zal gebeuren, gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn, die YHWH, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal YHWH over u komen laten al die kwade dingen, totdat Hij u verdelge van dit goede land, dat u YHWH, uw God gegeven heeft.
[^jozua-24-21-24]: Kanttekening 24: Versta hierbij, wij zullen de Heer niet verlaten.
[^jozua-24-23-25]: Kanttekening 25: vreemde goden weg: Te weten de goden van de vreemdelingen. Uit deze woorden is te zien, ofschoon er openlijk geen afgoderij is geduld geweest, dat er nochtans enige onder de Israëlieten in deze tijd waren, die de afgoden in het verborgen bij zich hadden, en die eerden en dienden. Zie Amos 5:25 , 5:26 ; Hand. 7:43 . Zie ook Gen. 35:2 . Amos 5:25 : Hebt u Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis van Israël? Amos 5:26 : Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt. Handelingen 7:43 : Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon. Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^jozua-24-25-s]: Verwijzing s: Ex. 15:25 . Exodus 15:25 : Hij dan riep tot YHWH; en YHWH wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Daar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en daar verzocht Hij hetzelfde,
[^jozua-24-25-26]: Kanttekening 26: Zo maakt Jozua: Dat is, hij vernieuwde en bevestigde het verbond, dat God met het volk van Israël had opgericht.
[^jozua-24-25-27]: Kanttekening 27: te Sichem: Zie boven, vers 1 . Jozua 24:1 : Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en zijn hoofden, en zijn richters, en zijn ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.
[^jozua-24-26-28]: Kanttekening 28: Dat is, de woorden van dit verbond.
[^jozua-24-26-29]: Kanttekening 29: de eik: Van deze eik zie Richt. 9:6 . Richteren 9:6 : Toen vergaderden zich alle burgeren van Sichem, en het gehele huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech ten koning, bij de hoge eik, die bij Sichem is.
[^jozua-24-27-30]: Kanttekening 30: want hij heeft: Dat is, hij is daar tegenwoordig geweest. De steen, die geen gevoel heeft, wordt hier gevoel toegeschreven. Zo staat er: Hoort, u hemelen en u aarde, Jes. 1:2 , en Deut. 32:1 . De hemelen vertellen de ere Gods, Ps. 19:2 . De stenen zullen roepen, Luk. 19:40 . Jesaja 1:2 : Hoort, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Psalmen 19:2 : De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Lukas 19:40 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zeg u, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.
[^jozua-24-27-31]: Kanttekening 31: niet liegt: Maar houdt en doet wat u hem beloofd hebt.
[^jozua-24-29-32]: Kanttekening 32: oud zijnde: Hebreeuws, בֶּן, een zoon van honderd en tien jaren.
[^jozua-24-30-t]: Verwijzing t: Joz. 19:50 ; Richt. 2:9 . Jozua 19:50 : Naar de mond van YHWH gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-serah, op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelfde. Richteren 2:9 : En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas;
[^jozua-24-30-33]: Kanttekening 33: Anders genoemd Timnath-Heres; Richt. 2:9 . Richteren 2:9 : En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas;
[^jozua-24-31-34]: Kanttekening 34: die lang: Hebreeuws, יָמִים֙, die hun dagen verlengden na Jozua. Zie Ex. 20:12 . Exodus 20:12 : Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH uw God geeft.
[^jozua-24-31-35]: Kanttekening 35: Versta hier degenen, die met Jozua het volk geregeerd en hem overleefd hadden. Zie Richt. 2:7 . Richteren 2:7 : En het volk diende YHWH, al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk van YHWH, dat Hij aan Israël gedaan had.
[^jozua-24-32-v]: Verwijzing v: Gen. 50:25 ; Ex. 13:19 . Genesis 50:25 : En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren! Exodus 13:19 : En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen van Israël bezworen, zeggende: God zal u voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met u op van hier!
[^jozua-24-32-36]: Kanttekening 36: te Sichem: Versta dit als boven, vers 1 ; want hier volgt dat Jozefs beenderen begraven zijn in het stuk veld, enz., welk stuk veld in de stad Sichem niet lag, gelijk af te nemen is uit Gen. 33:18 . Jozua 24:1 : Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en zijn hoofden, en zijn richters, en zijn ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God. Genesis 33:18 : En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad.
[^jozua-24-32-37]: Kanttekening 37: honderd stukken gelds: Zie Gen. 33:19 , en de aantekeningen daarop. Stefanus, Hand. 7:16 , zegt: Voor de prijs van het zilver. Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^jozua-24-32-38]: Kanttekening 38: Te weten, dat stuk veld en de begrafenis die daarin was.

## Richteren

### Richteren 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/1.json)

*De stam Juda begint op Gods bevel oorlog te voeren tegen de inwoners van Kanaän, vers 1, enz. Hij verslaat Adonibezek, 4. Hij verovert Jeruzalem, 8. Hij verslaat de kinderen van Enak van Hebron, 10. Othniël verovert Debir, en verkrijgt daardoor de dochter van Kaleb tot vrouw, 11. De Kenieten wonen onder Juda, 16. Simeon verovert Zefath, 17, en Juda verscheidene steden der Filistijnen, 18. Die van het huis van Jozef veroveren Bethel, 23. Verhaal van de slapheid der stammen in het verdrijven der Kanaänieten, waardoor zij door hen gekweld worden en onder elkaar blijven wonen, 19, 21, enz.*

**1** En het gebeurde na de dood van Jozua, dat de Israëlieten YHWH vroegen, zeggende:[^richteren-1-1-a] Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te strijden?[^richteren-1-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v1)

**2** En YHWH zei: Juda zal optrekken, zie, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.[^richteren-1-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v2)

**3** Toen zei Juda tot zijn broer[^richteren-1-3-3] Simeon: Trek met mij op in mijn[^richteren-1-3-4] lot, en laat ons tegen de Kanaänievoor de oorlogn, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Zo trok Simeon op met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v3)

**4** En Juda trok op, en YHWH gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in[^richteren-1-4-5] hun hand; en zij sloegen hen[^richteren-1-4-6] bij Bezek, tien duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v4)

**5** En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaänieten en de Ferezieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v5)

**6** Maar Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en[^richteren-1-6-7] hieuwen de duimen van zijn handen en van zijn voeten af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v6)

**7** Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel,[^richteren-1-7-8] de kruimen oprapende; zoals ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v7)

**8** Want de kinderen van Juda[^richteren-1-8-9] hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden[^richteren-1-8-10] haar ingenomen, en met de[^richteren-1-8-11] scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur[^richteren-1-8-12] gezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v8)

**9** [^richteren-1-9-b] En[^richteren-1-9-13] daarna waren de kinderen van Juda afgetrokken, om te strijden tegen de Kanaänieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v9)

**10** [^richteren-1-10-c] En[^richteren-1-10-14] Juda was heengetrokken tegen de Kanaänieten, die te[^richteren-1-10-15] Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai,[^richteren-1-10-16] en Ahiman, en Thalmai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v10)

**11** En van daar was[^richteren-1-11-17] hij heengetrokken tegen de inwoners van[^richteren-1-11-d] Debir; de naam nu van[^richteren-1-11-18] Debir was tevoren Kirjath-Sefer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v11)

**12** En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v12)

**13** Toen nam Othniël haar in,[^richteren-1-13-19] de zoon van Kenaz,[^richteren-1-13-20] broer van Kaleb,[^richteren-1-13-21] die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v13)

**14** [^richteren-1-14-22] En het gebeurde, als zij tot hem kwam, dat zij hem[^richteren-1-14-23] aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen zei Kaleb tot haar: Wat is u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v14)

**15** En zij zei tot hem: Geef mij een[^richteren-1-15-24] zegen; omdat u mij een[^richteren-1-15-25] dor land gegeven hebt, geef mij ook bronnen. Toen gaf Kaleb haar hoge bronnen en lage bronnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v15)

**16** De kinderen van[^richteren-1-16-26] de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken ook uit[^richteren-1-16-27] de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van[^richteren-1-16-28] Harad is;[^richteren-1-16-29] en zij gingen heen en woonden met het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v16)

**17** [^richteren-1-17-30] Juda dan trok met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te[^richteren-1-17-31] Zefat, en zij[^richteren-1-17-32] verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad[^richteren-1-17-33] Horma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v17)

**18** Daartoe nam Juda[^richteren-1-18-34] Gaza in, met haar[^richteren-1-18-35] gebied, en Askelon met haar gebied, en Ekron met haar gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v18)

**19** En YHWH was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar[^richteren-1-19-36] hij ging niet voort om de inwoners van het dal te verdrijven,[^richteren-1-19-37] omdat zij ijzeren wagens hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v19)

**20** En zij gaven[^richteren-1-20-38] Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de[^richteren-1-20-39] drie zonen van Enak.[^richteren-1-20-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v20)

**21** Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten,[^richteren-1-21-40] te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op[^richteren-1-21-41] deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v21)

**22** En het huis van Jozef trok ook op naar Beth-El. En YHWH was met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v22)

**23** En het huis van Jozef bestelde spionnen bij Beth-El; de naam nu van deze stad was tevoren[^richteren-1-23-42] Luz.[^richteren-1-23-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v23)

**24** En de[^richteren-1-24-43] wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch de ingang van de stad, en wij zullen goedertierenheid bij u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v24)

**25** En als hij hun de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte van het zwaard; maar die man en zijn hele huis lieten zij gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v25)

**26** Toen trok deze man in het land van[^richteren-1-26-44] de Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v26)

**27** En[^richteren-1-27-45] Manasse verdreef[^richteren-1-27-46] Beth-Sean niet, noch haar[^richteren-1-27-47] bijbehorende plaatsen, noch[^richteren-1-27-48] Thaänach met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van[^richteren-1-27-49] Jibleam met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar bijbehorende plaatsen; en de Kanaänieten[^richteren-1-27-50] wilden wonen in hetzelfde land.[^richteren-1-27-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v27)

**28** En het gebeurde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op belasting stelde; maar hij verdreef[^richteren-1-28-51] hen niet geheel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v28)

**29** Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te[^richteren-1-29-52] Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer.[^richteren-1-29-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v29)

**30** Zebulon verdreef de inwoners van[^richteren-1-30-53] Kitron niet, noch de inwoners van[^richteren-1-30-54] Nahalol; maar de Kanaänieten woonden in het midden van[^richteren-1-30-55] hem, en waren schatplichtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v30)

**31** Aser verdreef de inwoners van[^richteren-1-31-56] Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch[^richteren-1-31-57] Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v31)

**32** Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v32)

**33** Nafthali verdreef de inwoners van[^richteren-1-33-58] Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v33)

**34** En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in[^richteren-1-34-59] het dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v34)

**35** Ook[^richteren-1-35-60] wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te[^richteren-1-35-61] Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij[^richteren-1-35-62] schatplichtig werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v35)

**36** En het gebied van de Amorieten was van de opgang van[^richteren-1-36-63] Akrabbim, van de[^richteren-1-36-64] rotssteen, en omhoog heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/1.html#v36)

[^richteren-1-1-a]: Verwijzing a: Richt. 20:18 . Richteren 20:18 : En de kinderen van Israël maakten zich op, en togen naar boven in het huis van God, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En YHWH zei: Juda vooreerst.
[^richteren-1-1-1]: Kanttekening 1: Door de hogepriester, met de efod bekleed zijnde. Zie hiervan Gods bevel, Num. 27:21 , en vergelijk onder Richt. 20:18 ; 1 Sam. 23:9 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering. Richteren 20:18 : En de kinderen van Israël maakten zich op, en togen naar boven in het huis van God, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons vooreerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En YHWH zei: Juda vooreerst. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts.
[^richteren-1-2-2]: Kanttekening 2: Juda zal optrekken: Dat is, de stam van Juda. Zo is het volgende Simeon dat is, de stam Simeons, en zo verder in de rest.
[^richteren-1-3-3]: Kanttekening 3: De erfenissen van Juda en Simeon waren voor een deel onder elkaar vermengd of gemeen. Zie Joz. 19:1 , 19:9 . Jozua 19:1 : Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda. Jozua 19:9 : Het erfdeel van de kinderen van Simeon is onder het snoer van de kinderen van Juda; want het erfdeel van de kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.
[^richteren-1-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, om het land, dat mij door het lot toegevallen is, in te nemen.
[^richteren-1-4-5]: Kanttekening 5: hun hand: In de hand van Juda en Simeon.
[^richteren-1-4-6]: Kanttekening 6: Niet ver van Jeruzalem gelegen. Zie ook 1 Sam. 11:8 . 1 Samuël 11:8 : En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen van Israël waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.
[^richteren-1-6-7]: Kanttekening 7: De oorzaak hiervan was zijn gruwelijke tirannie verhaald in vers 7 . Richteren 1:7 : Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar.
[^richteren-1-7-8]: Kanttekening 8: de kruimen oplezende: Wat van de tafel afviel, of hun toegeworpen werd.
[^richteren-1-8-9]: Kanttekening 9: hadden tegen Jeruzalem gestreden: Anders, streden; maar het gevoelen van de meesten is, dat alhier bij gelegenheid wat in vers 7 gezegd is, dat zij Adoni-Bezek te Jeruzalem brachten, de inneming van Jeruzalem en enige andere geschiedenissen \[tot aan vers 17 \] uit het boek Jozua worden herhaald, gelijk te zien is Joz. 15 . Richteren 1:7 : Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar. Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^richteren-1-8-10]: Kanttekening 10: Versta, dat deel van de stad, dat hun ten deel gevallen was, niet het andere deel wat Benjamin mee toekwam, en het slot. Zie Joz. 15:8 , 15:63 , en Joz. 18:11 , 18:28 . Ook onder, vers 21 , met de aantekeningen. Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze landpale zal naar boven gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. Jozua 15:63 : Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe. Jozua 18:11 : En het lot van de stam van de kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef. Jozua 18:28 : En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen. Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag.
[^richteren-1-8-11]: Kanttekening 11: scherpte van het zwaard: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard.
[^richteren-1-8-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, gezonden; dat is, zij hadden het vuur daarin geworpen; zo onder, Richt. 20:48 . Richteren 20:48 : En de mannen van Israël keerden weer tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, die van de gehele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur.
[^richteren-1-9-b]: Verwijzing b: Joz. 10:36 ; Joz. 11:21 ; Joz. 15:13 . Jozua 10:36 : Daarna toog Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar. Jozua 11:21 : Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het gehele gebergte van Juda, en van het gehele gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden. Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^richteren-1-9-13]: Kanttekening 13: Na de inneming van Jeruzalem.
[^richteren-1-10-c]: Verwijzing c: Joz. 15:14 . Jozua 15:14 : En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.
[^richteren-1-10-14]: Kanttekening 14: Onder het beleid van Jozua en Kaleb; Joz. 15:14 . Jozua 15:14 : En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.
[^richteren-1-10-15]: Kanttekening 15: Hebron woonden: Zie Joz. 15:13 . Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^richteren-1-10-16]: Kanttekening 16: Sesai, en Ahiman, en Thalmai: Drie reuzen, kinderen Enaks, gelijk onder vers 20 verhaald wordt. Richteren 1:20 : En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
[^richteren-1-11-17]: Kanttekening 17: hij heengetogen: Juda.
[^richteren-1-11-d]: Verwijzing d: Joz. 15:15 . Jozua 15:15 : En vandaar toog hij naar boven tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).
[^richteren-1-11-18]: Kanttekening 18: Debir was te voren Kirjath-sefer: Zie Joz. 12:13 . Jozua 12:13 : De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
[^richteren-1-13-19]: Kanttekening 19: de zoon van Kenaz: Dat is, nakomeling van Kenaz, gelijk sommigen dit verstaan.
[^richteren-1-13-20]: Kanttekening 20: broer van Kaleb: Dat is, bloedverwant, nabestaande. Dit verstaan sommigen van Othniël, anderen van Kenaz. Vergelijk Num. 32:12 ; Joz. 15:17 ; onder, Richt. 3:9 , 3:11 ; 1 Kron. 4:13 , 4:15 . Numeri 32:12 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard YHWH na te volgen. Jozua 15:17 : Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. Richteren 3:9 : Zo riepen de kinderen van Israël tot YHWH; en YHWH verwekte de kinderen van Israël een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij. Richteren 3:11 : Toen was het land veertig jaren stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. 1 Kronieken 4:13 : En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath. 1 Kronieken 4:15 : De kinderen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
[^richteren-1-13-21]: Kanttekening 21: die jonger was dan hij: Hebreeuws, יִּתֶּן, kleiner, of, minder dan hij; namelijk, Kenaz. Anders, die \[te weten, Othniël\] de jongste was van, of, uit hem, namelijk, Kenaz; dat is, de jongste en geringste van aanzien onder alle nakomelingen van Kenaz, en desniettegenstaande vereerd en verheven boven anderen door deze mannelijke daad, het gevolgde huwelijk en richterschap; onder, Richt. 3:9 , enz. Richteren 3:9 : Zo riepen de kinderen van Israël tot YHWH; en YHWH verwekte de kinderen van Israël een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij.
[^richteren-1-14-22]: Kanttekening 22: En het geschiedde: Zie van dit verhaal Joz. 15:18 , 15:19 , en de aantekeningen daar. Jozua 15:18 : En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? Jozua 15:19 : En zij zei: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.
[^richteren-1-14-23]: Kanttekening 23: Of, aanzocht.
[^richteren-1-15-24]: Kanttekening 24: Zie Gen. 33:11 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^richteren-1-15-25]: Kanttekening 25: dor land gegeven hebt: Hebreeuws, גֻּלֹּ֣ת, Zuidland.
[^richteren-1-16-26]: Kanttekening 26: Versta, Jethro; zie Num. 24:21 , 24:22 . Numeri 24:21 : Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw nest in een steenrots gelegd. Numeri 24:22 : Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!
[^richteren-1-16-27]: Kanttekening 27: de Palmstad: Jericho. Zie Deut. 34:3 . Deuteronomium 34:3 : En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.
[^richteren-1-16-28]: Kanttekening 28: Harad is: De naam van een stad, gelegen bij het gebergte Seïr, en misschien ook van een koning van die plaats. Zie Num. 21:1 . Numeri 21:1 : Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door de weg van de verspieders kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen uit hem gevankelijk weg.
[^richteren-1-16-29]: Kanttekening 29: en zij gingen heen: Hebreeuws, יֵּ֥שֶׁב, en hij ging en woonde, of, bleef met, of, bij het volk. Hij, namelijk, de Keniet; dat is, Jethro's nakomelingen. Sommigen zetten het aldus over: Want hij \[de Keniet\] was \[mee\] getogen, en was gebleven, of, had gewoond bij het volk, namelijk Israël. Zie Num. 10:29 , en Num. 24:21 , 24:22 ; 1 Sam. 15:6 . Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken. Numeri 24:21 : Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw nest in een steenrots gelegd. Numeri 24:22 : Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal! 1 Samuël 15:6 : En Saul liet de Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten.
[^richteren-1-17-30]: Kanttekening 30: Juda dan toog met zijn broer Simeon: Hier wordt de historie, boven vers 8 verlaten zijnde, hervat en vervolgd. Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
[^richteren-1-17-31]: Kanttekening 31: Deze plaats wordt nergens meer vermeld; alleen vindt men 2 Kron. 14:9 , 14:10 het dal Zefatha bij Maresa, in Juda. Sommigen zetten het daar over: Het dal \[liggende\] naar Zefath toe. 2 Kronieken 14:9 : En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een legermacht van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe. 2 Kronieken 14:10 : Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.
[^richteren-1-17-32]: Kanttekening 32: verbanden hen: Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^richteren-1-17-33]: Kanttekening 33: Dat is, ban, verbanning. Vergelijk Num. 14:45 , en Num. 21:3 . Sommigen menen dat dit Horma is de koninklijke stad, gelegen aan de zuidelijke grenzen van Kanaän, aan het westelijke einde van het gebergte Seïr. Zie Joz. 12:14 , en Joz. 15:30 , Joz. 19:4 ; 1 Sam. 30:30 ; 1 Kron. 4:30 . Numeri 14:45 : Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe. Numeri 21:3 : YHWH dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde de naam dier plaats Horma. Jozua 12:14 : De koning van Horma, een; de koning van Harad, een; Jozua 15:30 : En Eltholad, en Chesil, en Horma, Jozua 19:4 : En Eltholad, en Bethul, en Horma, 1 Samuël 30:30 : En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach, 1 Kronieken 4:30 : En te Bethuël, en te Horma, en te Ziklag,
[^richteren-1-18-34]: Kanttekening 34: Deze steden waren gelegen in het land van de Filistijnen, aan de Middellandse zee, en worden dikwijls in de Heilige Schrift vermeld.
[^richteren-1-18-35]: Kanttekening 35: Dat is, het omliggende land; zo in het volgende.
[^richteren-1-19-36]: Kanttekening 36: hij ging niet voort : Namelijk, Juda. Anders, maar niet verdrijvende.
[^richteren-1-19-37]: Kanttekening 37: omdat zij ijzeren wagens hadden: Hoewel de Heer met Juda geweest was in het innemen van het gebergte, zo was hij evenwel niet moedig genoeg om de rest te vervolgen, door menselijke vrees, die hier bij hem meer vermocht dan het bevel en de beloften van God; Joz. 13:6 , en Joz. 17:18 . Van de ijzeren wagens in die tijd in het strijden gebruikelijk, zie Joz. 17:18 . Jozua 13:6 : Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-Maim toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht van de kinderen van Israël; alleen maak, dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb. Jozua 17:18 : Maar het gebergte zal het uwe zijn; en omdat het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want u zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk. Jozua 17:18 : Maar het gebergte zal het uwe zijn; en omdat het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want u zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.
[^richteren-1-20-38]: Kanttekening 38: Hebron aan Kaleb: Zie hiervan de historie Joz. 14:6 tot het einde. Jozua 14:6 : Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: U weet het woord, dat YHWH tot Mozes, de man van God, gesproken heeft te Kades-barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.
[^richteren-1-20-39]: Kanttekening 39: drie zonen van Enak: Van welke boven vermeld is, vers 10 . Van Enak en zijn nakomelingen, die reuzen geweest zijn, zie Num. 13:22 . Anders, van de reus. Richteren 1:10 : En Juda was heengetogen tegen de Kanaänieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was te voren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai. Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.
[^richteren-1-20-e]: Verwijzing e: Num. 14:24 ; Joz. 14:13 . Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. Jozua 14:13 : Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.
[^richteren-1-21-40]: Kanttekening 40: Jeruzalem wonende: Versta, in het opperste deel van de stad en het slot, dat Benjamin ten deel was gevallen, daar hun erfenissen bij die van Juda voor een deel gelegen waren; Joz. 18:11 . Juda had het zijne ingenomen, gelijk boven vers 8 ; uit het slot zijn de Jebusieten eerst door David verdreven; 2 Sam. 5:6 , 5:7 . Jozua 18:11 : En het lot van de stam van de kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef. Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. 2 Samuël 5:7 : Maar David nam de burg Sion in; die is de stad van David.
[^richteren-1-21-41]: Kanttekening 41: deze dag: Toen dit van de auteur van dit boek beschreven werd.
[^richteren-1-23-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 28:19 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
[^richteren-1-23-f]: Verwijzing f: Gen. 28:19 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.
[^richteren-1-24-43]: Kanttekening 43: wachters zagen een man: Die uitgezonden waren, om de gelegenheid van de stad te bespieden.
[^richteren-1-26-44]: Kanttekening 44: Wonende aan de noordzijde van het gebergte Efraïms.
[^richteren-1-27-45]: Kanttekening 45: Versta, de halve stam, wonende in Kanaän; niet, die over de Jordaan in Gilead en Basan woonden.
[^richteren-1-27-46]: Kanttekening 46: Beth-Sean niet: Dat is, de inwoners van Beth-Sean; gelijk in het volgende verklaard wordt. Beth-Sean lag bij de Jordaan aan de westzijde. Zie Joz. 17:11 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^richteren-1-27-47]: Kanttekening 47: onderhorige plaatsen: Dat is, de omliggende plaatsen, onder haar sorterende. Hebreeuws, בְּנוֹתֶי, dochters.
[^richteren-1-27-48]: Kanttekening 48: Gelegen aan het gebergte Gilboa. Zie ook Joz. 17:11 , en Joz. 21:25 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Jozua 21:25 : En van de halve stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
[^richteren-1-27-49]: Kanttekening 49: Joz. 17:11 . Beide deze plaatsen lagen nabij de Middellandse zee. Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^richteren-1-27-50]: Kanttekening 50: wilden wonen: Of, vonden goed, bewilligden, of begonnen. \[Hebreeuws, שֶׁ֖בֶת, de Kanaäniet wilde, enz.\] te weten, òf uit moedwil, òf op conditie van tribuut, gelijk sommigen dit uit vers 28 verklaren. Zo onder, vers 35 . Zie ook Joz. 17:12 . Richteren 1:28 : En het geschiedde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op belasting stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk. Richteren 1:35 : Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij schatplichtig werden. Jozua 17:12 : En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelfde land wonen.
[^richteren-1-27-g]: Verwijzing g: Joz. 17:11 ; idem v. 12 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Jozua 17:12 : En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelfde land wonen.
[^richteren-1-28-51]: Kanttekening 51: verdreef hen niet ganselijk: Hebreeuws, הוֹרִישֽׁ, verdrijvende verdreef hij hem niet; te weten, de Kanaäniet.
[^richteren-1-29-52]: Kanttekening 52: Gezer woonden: Gelegen bij de beek Gaäs naar de Middellandse zee toe, zijnde mee een stad van de Levieten, Joz. 21:21 . Jozua 21:21 : En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van de doodslager, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden;
[^richteren-1-29-h]: Verwijzing h: Joz. 16:10 . Jozua 16:10 : En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; zo woonden die Kanaänieten in het midden van de Efraïmieten tot op deze dag; maar zij waren onder schatting dienende.
[^richteren-1-30-53]: Kanttekening 53: Gelegen bij het gebergte van Zebulon westwaarts, nabij de oorsprong van de beek Jiftahel.
[^richteren-1-30-54]: Kanttekening 54: Zie Joz. 19:15 . Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
[^richteren-1-30-55]: Kanttekening 55: Zebulon.
[^richteren-1-31-56]: Kanttekening 56: Deze plaatsen waren gelegen aan de Middellandse zee, alleen lagen Afik en Achlaz wat landwaarts in. Van Asers lot zie Joz. 19:24 , enz. Rechob was ook een stad van de Levieten, Joz. 21:31 , mee landwaarts in gelegen. Zie Num. 13:21 . Jozua 19:24 : Toen ging het vijfde lot voor de stam van de kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen. Jozua 21:31 : En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden. Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^richteren-1-31-57]: Kanttekening 57: Dat is, de inwoners van deze steden.
[^richteren-1-33-58]: Kanttekening 58: Beth-semes niet: Zie van deze beide steden, gelegen in Nafthali, Joz. 19:38 . Jozua 19:38 : En Jiron, en Migdal-el, Horem en Beth-anath, en Beth-semes; negentien steden en haar dorpen.
[^richteren-1-34-59]: Kanttekening 59: het dal: Dat is, in de laagten.
[^richteren-1-35-60]: Kanttekening 60: wilden de Amorieten: Zie boven, vers 28 . Richteren 1:28 : En het geschiedde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op belasting stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
[^richteren-1-35-61]: Kanttekening 61: Zie Joz. 19:42 , en Joz. 21:24 . Saälbim lag in het dal Eskol, Ajalon vandaar in het noord-westen naar de westzee, op de grenzen van Dan. Andere plaatsen van deze naam, zie onder Richt. 12:12 . Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, Jozua 21:24 : Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. Richteren 12:12 : En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.
[^richteren-1-35-62]: Kanttekening 62: schatplichtig werden: Hebreeuws, מַֽס, tot belasting werden, of waren. De zin is, die van het huis van Jozef kwamen Dan te hulp, en bedwongen de Amorieten zover, dat zij hun schatplichtig werden.
[^richteren-1-36-63]: Kanttekening 63: Gelegen bij het zuidelijke einde van de Zoutzee, en aan het oostelijke einde van het gebergte Seïr, op de uiterste grenzen van Kanaän, tegen het zuiden. Zie Joz. 15:2 , 15:3 , 15:5 . Jozua 15:2 : Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van de tong af, die tegen het zuiden ziet; Jozua 15:3 : En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaä; Jozua 15:5 : De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong van de zee, van het uiterste van de Jordaan.
[^richteren-1-36-64]: Kanttekening 64: Anders, Sela, of Petra Arabioe, een vermaarde stad, op een steenrots gelegen.

### Richteren 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/2.json)

*Gods Engel bestraft Israël te Bochim, vers 1, enz. Waar zij hun zonden bewenen, 4. Een verhaal van de staat van Israël onder de richteren, waarin hun eerste godsvrucht, in de tijd van Jozua en de vrome oudsten, vergeleken wordt met de latere afvalligheid tot allerlei afgoderij, waarover zij telkens door God door de vijanden gestraft zijn, en, door de richteren verlost zijnde, opnieuw van kwaad tot erger zijn vervallen, 6, 7, enz.*

**1** En een[^richteren-2-1-1] Engel van YHWH kwam omhoog van[^richteren-2-1-2] Gilgal tot[^richteren-2-1-3] Bochim, en Hij zei: Ik heb u uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaders gezworen heb, en gezegd:[^richteren-2-1-a] Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v1)

**2** En wat u betreft, u zult geen[^richteren-2-2-b] verbond maken met de inwoners van dit land; hun[^richteren-2-2-c] altaren zult u afbreken. Maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt u dit gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v2)

**3** Daarom heb Ik ook gezegd:[^richteren-2-3-d] Ik[^richteren-2-3-4] zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de[^richteren-2-3-5] zijden zijn, en hun goden zullen u[^richteren-2-3-e] tot een strik zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v3)

**4** En het gebeurde, als de Engel van YHWH deze woorden tot alle Israëlieten gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v4)

**5** Daarom noemden zij de naam van die plaats[^richteren-2-5-6] Bochim; en zij offerden daar aan YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v5)

**6** [^richteren-2-6-7][^richteren-2-6-f] Als Jozua het volk had[^richteren-2-6-8] laten gaan, zo waren de Israëlieten heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v6)

**7** En het volk diende YHWH, al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die[^richteren-2-7-9] lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk van YHWH, dat Hij aan Israël gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v7)

**8** Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht van YHWH, gestorven was,[^richteren-2-8-10] honderd en tien jaar oud zijnde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v8)

**9** En zij hem begraven hadden in het gebied van zijn erfdeel, te[^richteren-2-9-11] Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v9)

**10** En al dat geslacht ook tot zijn vaders verzameld was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat YHWH niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v10)

**11** Toen deden de Israëlieten, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de[^richteren-2-11-12] Baäls. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v11)

**12** En zij verlieten YHWH, de God van hun vaders, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden van de volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten YHWH tot toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v12)

**13** Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en[^richteren-2-13-13] Astharoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v13)

**14** Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden;[^richteren-2-14-g] en Hij[^richteren-2-14-14] verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v14)

**15** Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van YHWH tegen hen, ten[^richteren-2-15-15] kwade,[^richteren-2-15-h] zoals YHWH gesproken, en zoals YHWH gezworen had; en[^richteren-2-15-16] hun was zeer bang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v15)

**16** En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand[^richteren-2-16-17][^richteren-2-16-18] van degenen, die hen beroofden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v16)

**17** Maar zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar[^richteren-2-17-19] hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van de weg, die hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden van YHWH; zo deden zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v17)

**18** En wanneer YHWH hun richteren verwekte, zo was YHWH met de richter, en verloste hen uit de hand van hun vijanden,[^richteren-2-18-20] al de dagen van de richter; want het[^richteren-2-18-21] berouwde YHWH, om hun zuchten vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v18)

**19** [^richteren-2-19-i] Maar het gebeurde met het versterven van de richter, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaders, navolgende andere goden, die dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets[^richteren-2-19-22] vallen van hun werken, noch van deze hun[^richteren-2-19-23] harde weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v19)

**20** Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, dat Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaders geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v20)

**21** [^richteren-2-21-k] Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen,[^richteren-2-21-24] die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v21)

**22** Opdat Ik Israël door hen[^richteren-2-22-25] verzoeke, of zij de weg van YHWH zullen houden, om daarin te wandelen, zoals hun vaders gehouden hebben, of niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v22)

**23** Zo liet YHWH deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastig uit de bezitting verdreef;[^richteren-2-23-26] die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/2.html#v23)

[^richteren-2-1-1]: Kanttekening 1: Engel van YHWH: Versta, de Zoon van God, gelijk duidelijk blijkt uit het gehele vervolg. Zie ook Richt. 6:11 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^richteren-2-1-2]: Kanttekening 2: Zie Joz. 5:9 . Jozua 5:9 : Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag.
[^richteren-2-1-3]: Kanttekening 3: Zo genoemd van het wenen van het volk, onder vers 5 , zijnde nabij Gilgal gelegen. Richteren 2:5 : Daarom noemden zij de naam dier plaats Bochim; en zij offerden daar YHWH.
[^richteren-2-1-a]: Verwijzing a: Gen. 17:7 ; Deut. 29:14 ; idem v. 15 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Deuteronomium 29:14 : En niet met u alleen maak ik dit verbond en deze vloek; Deuteronomium 29:15 : Maar met dengene, die heden hier bij ons voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, staat; en met dengene, die hier heden bij ons niet is.
[^richteren-2-2-b]: Verwijzing b: Deut. 7:2 . Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^richteren-2-2-c]: Verwijzing c: Deut. 12:3 . Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^richteren-2-3-d]: Verwijzing d: Joz. 23:13 . Jozua 23:13 : Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^richteren-2-3-4]: Kanttekening 4: zal hen: Te weten, de heidenen, in Kanaän wonende.
[^richteren-2-3-5]: Kanttekening 5: zijden zijn: Zie breder verklaring hiervan Num. 33:35 . Numeri 33:35 : En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-geber.
[^richteren-2-3-e]: Verwijzing e: Ex. 23:33 ; Ex. 34:12 ; Deut. 7:16 . Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn.
[^richteren-2-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, de wenende.
[^richteren-2-6-7]: Kanttekening 7: Als Jozua: In het volgende wordt de reden verhaald, waarom God de inwoners van dit land niet wilde verdrijven, te weten, Israëls afvalligheid van God.
[^richteren-2-6-f]: Verwijzing f: Joz. 24:28 . Jozua 24:28 : Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.
[^richteren-2-6-8]: Kanttekening 8: laten gaan: Nadat hij hen zeer heftiglijk vermaand en tot de reine Godsdienst verplicht had, Joz. 24 .
[^richteren-2-7-9]: Kanttekening 9: lang geleefd hadden na Jozua: Dat is, die Jozua overleefd hadden.
[^richteren-2-8-10]: Kanttekening 10: honderd en tien jaren oud zijnde: Hebreeuws, שָׁנִֽים, een zoon van honderd en tien jaren.
[^richteren-2-9-11]: Kanttekening 11: Anders genaamd Thimnath-Serah, Joz.24:30 . Jozua 24:30 : En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-serah, welke is op een berg van Efraïm, aan het noorden van de berg Gaas.
[^richteren-2-11-12]: Kanttekening 12: Met het woord Baäl, betekenende een Heer, hebben de heidenen in het algemeen hun afgoden genoemd, omdat zij die voor hun heren en gevers van alles goeds hielden; en om die te onderscheiden, omdat zij verscheiden waren, hebben zo heidenen als afgodische Joden hun nog toenamen bijgevoegd, als Baäl-Berith, onder, Richt. 8:33 ; Baäl-Peor, Num. 25:3 ; Baäl-Zebub, 2 Kon.1:6 ; Baäl Astaroth, vergelijk onder, vers 13 , en 1 Kon. 16:31 . De afgoderij, met deze bedreven, was een gehele afwijking van God, hoewel de afvallige Israëlieten zichzelven wijsmaakten dat zij God daardoor mee konden vereren, alsook door de gouden kalveren, 1 Kon. 12:28 . Zie Hos. 2:15 , en onder Richt. 8:33 . Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God. Numeri 25:3 : Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. 2 Koningen 1:6 : En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Gaat heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt YHWH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven. Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth. 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. Hosea 2:15 : En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl! Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God.
[^richteren-2-13-13]: Kanttekening 13: Dat is, de beelden van de afgod of van de afgodin, bij de heidenen genoemd Astarte, die de Sidoniërs en Filistijnen in de gedaanten van schapen hadden opgericht. Zie 1 Sam. 31:10 ; 1 Kon. 11:5 , 11:33 ; 2 Kon. 23:13 . 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san. 1 Koningen 11:5 : Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten. 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, die waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^richteren-2-14-g]: Verwijzing g: Ps. 44:13 ; Jes. 50:1 . Psalmen 44:13 : U verkoopt Uw volk om geen waardij; en U verhoogt hun prijs niet. Jesaja 50:1 : Zo zegt YHWH: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wie Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.
[^richteren-2-14-14]: Kanttekening 14: verkocht hen: Dat is, Hij leverde hen over, gelijk de verkoper de verkochte waren overlevert in de hand van de koper. Zo onder, Richt. 4:2 , 4:9 , en Richt. 10:7 . Vergelijk Ps. 44:13 . Richteren 4:2 : Zo verkocht hen YHWH in de hand van Jabin, koning van de Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; die nu woonde in Haroseth van de heidenen. Richteren 4:9 : En zij zei: Ik zal zekerlijk met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn op deze weg, die u wandelt; want YHWH zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw. Zo maakte Debora zich op, en toog met Barak naar Kedes. Richteren 10:7 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons. Psalmen 44:13 : U verkoopt Uw volk om geen waardij; en U verhoogt hun prijs niet.
[^richteren-2-15-15]: Kanttekening 15: Om hen met allerlei plagen, ongeluk en ellenden te straffen.
[^richteren-2-15-h]: Verwijzing h: Lev. 26 ; Deut. 28 .
[^richteren-2-15-16]: Kanttekening 16: hun was zeer bang: Of, Hij \[de Heer\] benauwde hen zeer.
[^richteren-2-16-17]: Kanttekening 17: Door een bijzondere beroeping en aandrift zijns Geestes.
[^richteren-2-16-18]: Kanttekening 18: Versta, geen landsheren of koningen, noch ook die het ordinaire richterambt bedienden of recht spraken tussen de man en zijn naaste, dat verbleef bij de stammen, volgens de orde van God, door Mozes ingesteld, maar die het publieke recht van Gods volk tegen hun verdrukkers en vijanden uitvoerden en hen van hun hand verlosten, de godsdienst zuiverden en in reinheid behielden, en de republiek van Israël bij haar vrijheid beschermden en in gemene zaken met hun dienst en goede raad bijstonden. Zie onder, Richt. 3:9 , 3:10 , 3:15 , enz., en Richt. 4:4 , en Richt. 6:15 , 6:16 , en Richt. 8:23 , en zo verder. Richteren 3:9 : Zo riepen de kinderen van Israël tot YHWH; en YHWH verwekte de kinderen van Israël een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij. Richteren 3:10 : En de Geest van YHWH was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en YHWH gaf Cuschan Rischataim, de koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim. Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten. Richteren 4:4 : Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël. Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader. Richteren 6:16 : En YHWH zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult u de Midianieten slaan, als een enige man. Richteren 8:23 : Maar Gideon zei tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; YHWH zal over u heersen.
[^richteren-2-17-19]: Kanttekening 19: hoereerden andere goden na: Zie Lev. 17:7 , en Lev. 20:5 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^richteren-2-18-20]: Kanttekening 20: al de dagen van de richter: Dat is, zolang die richter leefde.
[^richteren-2-18-21]: Kanttekening 21: berouwde YHWH: Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^richteren-2-19-i]: Verwijzing i: Richt. 3:12 . Richteren 3:12 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; toen sterkte YHWH Eglon, de koning van de Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^richteren-2-19-22]: Kanttekening 22: vallen van hun werken: Geen berouw krijgende en niet aflatende van hun voornemen en doen.
[^richteren-2-19-23]: Kanttekening 23: harde weg: Dat is, van hun hardnekkige manier van leven en doen, waarmee zij God vertoornden en zichzelven kwetsten, gelijk een harde weg dengenen kwetst en bezeert, die er op gaat.
[^richteren-2-21-k]: Verwijzing k: Joz. 23:13 . Jozua 23:13 : Weet voorzeker, dat YHWH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^richteren-2-21-24]: Kanttekening 24: die Jozua heeft achtergelaten: Versta, die overgebleven waren van degenen, die Jozua verdreven had, en ook de anderen, van welke Richt. 1 gesproken is.
[^richteren-2-22-25]: Kanttekening 25: Zie Gen. 22:1 ; zo onder, Richt. 3:1 , 3:4 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! Richteren 3:1 : Dit nu zijn de heidenen, die YHWH liet blijven, om door hen Israël te verzoeken, allen, die niet wisten van al de krijgen van Kanaän; Richteren 3:4 : Deze dan waren, om Israël door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden van YHWH zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.
[^richteren-2-23-26]: Kanttekening 26: die Hij in de hand van Jozua: Of, en Hij gaf hen niet over, of, had hen niet overgegeven.

### Richteren 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/3.json)

*Register van de heidense volken die God in Kanaän heeft overgelaten, om Israël te beproeven, vers 1, enz. Wanneer Israël van God afvalt, wordt het overgegeven in de hand van de koning van Mesopotamië, 5. Nadat het van diens tirannie door Othniël verlost is, vervalt het weer tot de vorige boosheid, en wordt verslagen en verdrukt door Eglon, de koning der Moabieten, 9. Van wie God hen verlost door de richter Ehud, 15, zoals ook daarna van de Filistijnen, door de richter Samgar, 31.*

**1** Dit nu zijn de heidenen, die YHWH liet blijven, om door hen Israël te[^richteren-3-1-1] verzoeken,[^richteren-3-1-2] allen, die niet wisten van al de[^richteren-3-1-3] oorlogen van Kanaän; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v1)

**2** Alleen, opdat de[^richteren-3-2-4] geslachten van de Israëlieten[^richteren-3-2-5] die wisten, opdat Hij[^richteren-3-2-6] hun de oorlog leerde, tenminste van hen, die daar tevoren niet van wisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v2)

**3** Vijf[^richteren-3-3-7] vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de[^richteren-3-3-8] Hevieten, wonende in het[^richteren-3-3-9] gebergte van de Libanon,[^richteren-3-3-10] van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te[^richteren-3-3-11] Hamath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v3)

**4** Deze dan waren, om Israël door hen te[^richteren-3-4-12] verzoeken, opdat men[^richteren-3-4-13] wiste, of zij de geboden van YHWH zouden horen, die Hij hun vaders door de[^richteren-3-4-14] hand van Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v4)

**5** Als nu de Israëlieten woonden in het midden van de Kanaänieten, van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v5)

**6** Zo namen zij zich hun dochters tot vrouwen, en gaven hun eigen dochters aan hun zonen; en zij dienden hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v6)

**7** En de Israëlieten deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de[^richteren-3-7-15] bossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v7)

**8** Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij[^richteren-3-8-16] verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van[^richteren-3-8-17] Mesopotamië; en de Israëlieten dienden Cuschan Rischataim acht jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v8)

**9** Zo riepen de Israëlieten tot YHWH; en YHWH verwekte de Israëlieten een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van[^richteren-3-9-18] Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v9)

**10** En de[^richteren-3-10-19] Geest van YHWH was over hem, en hij[^richteren-3-10-20] richtte Israël, en trok uit ten strijde; en YHWH gaf Cuschan Rischataim, de koning van[^richteren-3-10-21] Syrië, in zijn hand, dat zijn hand[^richteren-3-10-22] sterk werd over Cuschan Rischataim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v10)

**11** Toen was het land veertig jaren stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v11)

**12** Maar de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; toen[^richteren-3-12-23] sterkte YHWH Eglon, de koning van de Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v12)

**13** En hij verzamelde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij trok heen, en sloeg Israël, en zij namen de[^richteren-3-13-24] Palmstad in bezit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v13)

**14** En de Israëlieten dienden Eglon, koning van de Moabieten, achttien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v14)

**15** Toen riepen de Israëlieten tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera,[^richteren-3-15-25] een zoon van Jemini, een man,[^richteren-3-15-26] die links was. En de Israëlieten zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v15)

**16** En Ehud maakte zich een zwaard,[^richteren-3-16-27] dat twee scherpten had, waarvan de lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn kleren, aan zijn rechterheup. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v16)

**17** En hij bracht aan Eglon, de koning van de Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v17)

**18** En het gebeurde, als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zo[^richteren-3-18-28] geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v18)

**19** Maar hij zelf keerde opnieuw van de[^richteren-3-19-29] gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zei: Ik heb een geheime zaak aan u, o koning! die zei:[^richteren-3-19-30] Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v19)

**20** En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een[^richteren-3-20-31] koele opperzaal,[^richteren-3-20-32] die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen[^richteren-3-20-33] stond hij op van de stoel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v20)

**21** Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v21)

**22** Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot[^richteren-3-22-34] (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en[^richteren-3-22-35] de mest uitging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v22)

**23** Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren van de[^richteren-3-23-36] opperzaal voor zich toe, en[^richteren-3-23-37] deed ze in het slot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v23)

**24** Als hij uitgegaan was, zo kwamen[^richteren-3-24-38] zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren van de opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij[^richteren-3-24-39] bedekt zijn voeten in de verkoelkamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v24)

**25** Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende[^richteren-3-25-40] hij de deuren van de opperzaal niet. Toen namen zij de sleutel en deden open; en zie, hun heer[^richteren-3-25-41] lag ter aarde dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v25)

**26** En Ehud ontkwam, terwijl[^richteren-3-26-42] zij wachtten; want hij ging voorbij de[^richteren-3-26-43] gesneden beelden, en ontkwam naar[^richteren-3-26-44] Sehirath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v26)

**27** En het gebeurde, als hij aankwam, zo[^richteren-3-27-45] blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraïm; en de Israëlieten trokken met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v27)

**28** En hij zei tot hen:[^richteren-3-28-46] Volg mij na; want YHWH heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij trokken af, hem na, en namen de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v28)

**29** En zij sloegen de Moabieten in die tijd, ongeveer tien duizend man, allen[^richteren-3-29-47] vette en allen strijdbare mannen, dat er niet één man ontkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v29)

**30** Zo werd Moab op die dag onder Israëls hand ten onder gebracht; en het land was stil tachtig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v30)

**31** Na hem nu[^richteren-3-31-48] was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok;[^richteren-3-31-49] zo verloste hij ook Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/3.html#v31)

[^richteren-3-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Richt. 2:22 . Richteren 2:22 : Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij de weg van YHWH zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.
[^richteren-3-1-2]: Kanttekening 2: Israëlieten.
[^richteren-3-1-3]: Kanttekening 3: krijgen van Kanaän: Die tevoren bij het leven van Jozua tegen de Kanaänieten gevoerd waren.
[^richteren-3-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, de nakomelingen.
[^richteren-3-2-5]: Kanttekening 5: die wisten: Te weten, krijgen in Kanaän, waarvan in vers 3 . Richteren 3:3 : Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath.
[^richteren-3-2-6]: Kanttekening 6: Hij, namelijk, de Heer, die deze krijgen tegen de Kanaänieten niet alleen bevolen, maar ook zijn goddelijk beleid, bijstand en overwinning beloofd had, als zij hem bestendiglijk aanhingen, maar het contrarie als zij hem verlieten, in welk geval zij zouden ondervinden de menigvuldige en grote ellende, die zulke oorlogen aanbrengen.
[^richteren-3-3-7]: Kanttekening 7: vorsten van de Filistijnen: Zie Joz. 13:3 , en onder, Richt. 16:5 , of drossaards, baljuwen, potestaten. Anders, gouvernementen, drosambten, regentschappen. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Richteren 16:5 : Toen kwamen de vorsten van de Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmee wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een ieder, duizend en honderd zilverlingen.
[^richteren-3-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, Chivviten.
[^richteren-3-3-9]: Kanttekening 9: Gelegen aan de noordelijke grenzen van Kanaän, zeer vermaard, en dikwijls in de Heilige Schrift vermeld.
[^richteren-3-3-10]: Kanttekening 10: Gelegen aan het oostelijke einde van het gebergte Libanon, noordwaarts van Basan af. Zie 1 Kron. 5:23 . De berg Hermon was aan het westelijke einde van Libanon, bij Sidon. Zie Deut. 3:9 , en Deut. 4:48 . 1 Kronieken 5:23 : De kinderen nu van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en de berg Hermon. Deuteronomium 3:9 : (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.) Deuteronomium 4:48 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, welke is Hermon;
[^richteren-3-3-11]: Kanttekening 11: Gelegen aan de noordelijke landpale van Kanaän.
[^richteren-3-4-12]: Kanttekening 12: Als boven, Richt. 2:22 . Richteren 2:22 : Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij de weg van YHWH zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.
[^richteren-3-4-13]: Kanttekening 13: Dat is, opdat het bekend en openbaar werd. Zie Deut. 8:2 . Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet.
[^richteren-3-4-14]: Kanttekening 14: hand van Mozes geboden had: Dat is, door de dienst.
[^richteren-3-7-15]: Kanttekening 15: Versta, gewijde, afgodische bossen en bomen, die ter ere van de heidense afgoden en tot hun dienst geplant of bestemd waren; of, de bosgoden, zo genoemd omdat zij in dikke, duistere bossen en onder schone hoge bomen op zijn heidens geëerd werden.
[^richteren-3-8-16]: Kanttekening 16: verkocht hen: Zie boven, Richt. 2:14 . Richteren 2:14 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden.
[^richteren-3-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, Aram-Naharaïm; dat is, Syrië van de twee rivieren; zo wordt Mesopotamië in het Grieks om dezelfde oorzaak genoemd. Zie Gen. 24:10 . Onder, vers 10 , wordt het alleen Aram, dat is, Syrië, genoemd. Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van zijns heren kamelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. Richteren 3:10 : En de Geest van YHWH was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en YHWH gaf Cuschan Rischataim, de koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.
[^richteren-3-9-18]: Kanttekening 18: Zie boven, Richt. 1:13 . Richteren 1:13 : Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
[^richteren-3-10-19]: Kanttekening 19: Geest van YHWH was over hem: Versta, de geest van de dapperheid, kloekmoedigheid, wijsheid, beleid, enz. werkende in hem wat tot uitvoering zijns beroeps nodig was. Vergelijk onder, Richt. 6:34 , en Richt. 11:29 . Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. Richteren 11:29 : Toen kwam de Geest van YHWH op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.
[^richteren-3-10-20]: Kanttekening 20: richtte Israël: Zie boven, Richt. 2:16 . Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richters, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden;
[^richteren-3-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, Aram. Zie vers 8 . Richteren 3:8 : Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamië; en de kinderen van Israël dienden Cuschan Rischataim acht jaren.
[^richteren-3-10-22]: Kanttekening 22: sterk werd over Cuschan Rischataim: Dat is, hij werd deze koning te sterk, hij werd zijner machtig.
[^richteren-3-12-23]: Kanttekening 23: sterkte YHWH Eglon: Hij gaf hem macht en overwinning tegen Israël, tot een straf van hun zonden.
[^richteren-3-13-24]: Kanttekening 24: Jericho. Zie Deut. 34:3 , en boven, Richt. 1:16 . Deuteronomium 34:3 : En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe. Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^richteren-3-15-25]: Kanttekening 25: een zoon van Jemini: Dat is een Benjaminiet, gelijk onder, Richt. 19:16 . Richteren 19:16 : En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini.
[^richteren-3-15-26]: Kanttekening 26: links was: Hebreeuws, אִטֵּ֖ר, die aan, of, van zijn rechterhand versloten was, of, wiens rechterhand gesloten was; dat is, die zijn rechterhand niet zo wel kon gebruiken; vergelijk onder, Richt. 20:16 . Het is opmerkelijk dat het voor God door deze man, die men daartoe naar menselijk oordeel onbekwaam zou achten, beliefd heeft zijn volk te verlossen. Zie onder, vers 31 . Richteren 20:16 : Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste. Richteren 3:31 : Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; zo verloste hij ook Israël.
[^richteren-3-16-27]: Kanttekening 27: dat twee scherpten had: Hebreeuws, שְׁנֵ֥י, en dat had twee monden; dat is, het sneed aan beide zijde, of, was tweesnijdend.
[^richteren-3-18-28]: Kanttekening 28: geleidde hij het volk: Of, liet het volk gaan.
[^richteren-3-19-29]: Kanttekening 29: gesneden beelden: Of, gehouwen, gegraven; deze mochten van de afgodische Israëlieten of de Moabieten bij Gilgal opgericht zijn, omdat Israël daar, in Kanaän eerst komende, besneden was, en over zulks voor een heilige plaats gehouden werd. Anders, van de steengraven, of, de plaatsen waar de stenen gehouwen en gegraven worden; duidende dit op de stenen bij Jozua door Gods bevel daar opgericht tot een gedenkteken van de mirakuleuse overkomst over de Jordaan; Joz. 4:20 . Jozua 4:20 : En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.
[^richteren-3-19-30]: Kanttekening 30: Te weten, totdat alle omstanders zijn uitgegaan.
[^richteren-3-20-31]: Kanttekening 31: koele opperzaal: Hebreeuws, מְּקֵרָ֤ה, een opperzaal van de verkoeling; dat is, in een zomerzaal, dienende tot verkoeling tegen de hitte van de zomer.
[^richteren-3-20-32]: Kanttekening 32: die hij voor zich alleen had: Anders, hij nu zat alleen in een koele opperzaal, die voor hem was, of die hij had.
[^richteren-3-20-33]: Kanttekening 33: stond hij op van de stoel: Hoewel hij \[als een afgodendienaar\] zijn afgoden meerder achtte dan de God van Israël, heeft hij nochtans zijn woord of gezant deze eerbied willen bewijzen.
[^richteren-3-22-34]: Kanttekening 34: (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik): Als niet kunnende, om oorzaak in de voorgaande woorden verhaald.
[^richteren-3-22-35]: Kanttekening 35: de drek uitging: Anders, het kwam uit aan het fondament, te weten, het lemmer of het zwaard.
[^richteren-3-23-36]: Kanttekening 36: voor zich: Anders, voor, of over hem; te weten, de koning Eglon.
[^richteren-3-23-37]: Kanttekening 37: deed ze in het slot: Of, grendelde haar.
[^richteren-3-24-38]: Kanttekening 38: zijn knechten: Te weten van Eglon.
[^richteren-3-24-39]: Kanttekening 39: bedekt zijn voeten in de verkoelkamer: Aldus wordt de stoel- of kamergang eerbaarlijk in de Schrift uitgedrukt, omdat zij in het nederzitten of bukken de voeten met hun overkleed bedekten. Zie 1 Sam. 24:4 . 1 Samuël 24:4 : En hij kwam tot de schaapskooien aan de weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van de spelonk.
[^richteren-3-25-40]: Kanttekening 40: hij de deuren van de opperzaal niet: Eglon.
[^richteren-3-25-41]: Kanttekening 41: lag ter aarde dood: Of, was dood ter aarde gevallen. Het Hebreeuwse woord betekent wel meest vallen, maar wordt ook op verscheidene plaatsen liggen overgezet. Zie Deut. 21:1 ; onder, Richt. 4:22 , en Richt. 5:27 , en Richt. 7:12 ; 1 Sam. 31:8 . Deuteronomium 21:1 : Wanneer in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft; Richteren 4:22 : En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die u zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap zijns hoofds. Richteren 5:27 : Tussen haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden! Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. 1 Samuël 31:8 : Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
[^richteren-3-26-42]: Kanttekening 42: zij vertoefden: De knechten van de dode koning.
[^richteren-3-26-43]: Kanttekening 43: gesneden beelden: Zie boven, vers 19 . Richteren 3:19 : Maar hij zelf keerde opnieuw van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zei: Ik heb een geheime zaak aan u, o koning! die zei: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.
[^richteren-3-26-44]: Kanttekening 44: Versta, niet het gebergte Seïr of van de Edomieten, maar een plaats aan of op het gebergte Efraïms gelegen, gelijk uit vers 27 wordt afgenomen. Richteren 3:27 : En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraïm; en de kinderen van Israël togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.
[^richteren-3-27-45]: Kanttekening 45: blies hij: Dat is, het blazen; zo onder, Richt. 6:34 , enz. Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.
[^richteren-3-28-46]: Kanttekening 46: Volgt mij na: Of, jaagt na, volgt achter mij.
[^richteren-3-29-47]: Kanttekening 47: vette en allen strijdbare mannen: Dat is, lijvige, sterke, welgestelde, de beste, bekwaamste ten strijde, of rijke, vermogende.
[^richteren-3-31-48]: Kanttekening 48: was Samgar: Te weten, richter, verlosser.
[^richteren-3-31-49]: Kanttekening 49: Het Hebreeuwse woord komt van leren, en betekent zulk een stok, knods of roede, waaraan een of meer prikkels zijn, dienende om de ossen in het ploegen te leren voortgaan. Hiermede wordt te kennen gegeven de slechtheid en geringheid van de middelen, die nochtans van de Heer zo zijn gezegend, dat veel welgewapend volk daartegen niet heeft kunnen bestaan, gelijk David Goliath met zijn slinger neervelde. Vergelijk 1 Kor. 1:28 , en zie boven, vers 15 , en onder, Richt. 15:15 , enz. 1 Korinthiërs 1:28 : En het onedele van de wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, opdat Hij wat iets is, te niet zou maken; Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten. Richteren 15:15 : En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmede duizend man.

### Richteren 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/4.json)

*God plaagt Israël om hun zonden door koning Jabin, wiens legeroverste Sisera was, vers 1, 2, enz. Daarna verwekt God de profetes Debora, die Barak namens Hem opdraagt op te trekken tegen Sisera, met belofte van overwinning, en zij trekt met hem op, 4, enz. Het leger van Sisera wordt vreselijk verslagen, 15. Jaël verbergt de vluchtende Sisera, en brengt hem om in haar tent, 17. Koning Jabin wordt uitgeroeid, 24.*

**1** Maar de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, als Ehud gestorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v1)

**2** Zo[^richteren-4-2-1] verkocht hen YHWH in de hand van[^richteren-4-2-2] Jabin, koning van[^richteren-4-2-3] de Kanaänieten, die te[^richteren-4-2-4] Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was[^richteren-4-2-a] Sisera;[^richteren-4-2-5] die nu woonde in[^richteren-4-2-6] Haroseth van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v2)

**3** Toen riepen de Israëlieten tot YHWH; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v3)

**4** Debora nu, een[^richteren-4-4-7] vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van[^richteren-4-4-8] Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v4)

**5** En zij woonde onder de[^richteren-4-5-9] palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de Israëlieten gingen op tot haar[^richteren-4-5-10] ten gerichte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v5)

**6** En zij zond heen en riep[^richteren-4-6-b] Barak, de zoon van[^richteren-4-6-11] Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem:[^richteren-4-6-12] Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en[^richteren-4-6-13] trek op de berg[^richteren-4-6-14] Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v6)

**7** En Ik zal aan de beek[^richteren-4-7-c] Kison tot u[^richteren-4-7-15] trekken Sisera, de oorlogsoverste van Jabin, met zijn wagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v7)

**8** Toen zei Barak tot haar: Als u met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar als u niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v8)

**9** En zij zei: Ik[^richteren-4-9-16] zal zeker met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn[^richteren-4-9-17] op deze weg, die u wandelt; want YHWH zal Sisera[^richteren-4-9-18] verkopen in de hand van een vrouw. Zo maakte Debora zich op, en trok met Barak naar Kedes.[^richteren-4-9-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v9)

**10** Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes,[^richteren-4-10-20] en hij trok op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook trok Debora met hem op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v10)

**11** [^richteren-4-11-21] Heber nu, de[^richteren-4-11-22] Keniet, had zich afgezonderd van[^richteren-4-11-23] Kaïn, uit de kinderen[^richteren-4-11-d] van[^richteren-4-11-24] Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in Zaanaim, die bij Kedes is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v11)

**12** Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, op de berg Thabor getrokken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v12)

**13** Zo[^richteren-4-13-25] riep Sisera al zijn wagens bijeen, negenhonderd ijzeren wagens, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth van de heidenen tot de beek Kison. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v13)

**14** Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, waarop YHWH Sisera in uw hand gegeven heeft;[^richteren-4-14-26] is YHWH niet[^richteren-4-14-27] voor uw aangezicht heen uitgetrokken? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v14)

**15** [^richteren-4-15-e] En YHWH[^richteren-4-15-28] versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het hele leger, door de[^richteren-4-15-29] scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v15)

**16** En Barak jaagde ze na, achter de wagens en achter het leger, tot aan Haroseth van de heidenen. En het hele leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard, dat er niet overbleef[^richteren-4-16-30] tot één toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v16)

**17** Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v17)

**18** Jaël nu ging uit, Sisera tegemoet, en zei tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een[^richteren-4-18-31] deken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v18)

**19** [^richteren-4-19-f] Daarna zei hij tot haar: Geef mij toch een beetje water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v19)

**20** Ook zei hij tot haar: Sta in de deur van de tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat u zegt:[^richteren-4-20-32] Niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v20)

**21** [^richteren-4-21-33] Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel[^richteren-4-21-34] van de tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef de nagel in de slaap van zijn hoofd, dat hij in de aarde[^richteren-4-21-35] vast werd; hij nu was met een diepe slaap bevangen en vermoeid, en stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v21)

**22** En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die u zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap van zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v22)

**23** Zo heeft God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, ten onder gebracht, voor het aangezicht van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v23)

**24** En de hand van de Israëlieten[^richteren-4-24-36] ging steeds voort, en werd hard over Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/4.html#v24)

[^richteren-4-2-1]: Kanttekening 1: verkocht hen: Zie boven, Richt. 2:14 . Richteren 2:14 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden.
[^richteren-4-2-2]: Kanttekening 2: Zie van een ander Jabin, Joz. 11:1 . Jozua 11:1 : Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, en tot de koning van Simron, en tot de koning van Achsaf,
[^richteren-4-2-3]: Kanttekening 3: Hierdoor worden somtijds in het gemeen verstaan al de heidense volkeren die in Kanaän woonden; somtijds, gelijk hier, een bijzonder volk onder die, wonende aan de noordgrenzen van Kanaän.
[^richteren-4-2-4]: Kanttekening 4: Zie Joz. 11:10 , 11:11 , en Joz. 19:36 ; Jer. 49:28 . Jozua 11:10 : En Jozua keerde weer ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. Jozua 11:11 : En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. Jozua 19:36 : En Adama, en Rama, en Hazor, Jeremia 49:28 : Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.
[^richteren-4-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 12:9 . 1 Samuël 12:9 : Maar zij vergaten YHWH, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van Sisera, de krijgsoverste, te Hazor, en in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de koning van de Moabieten, die tegen hen streden.
[^richteren-4-2-5]: Kanttekening 5: Te weten, Sisera, of \[gelijk sommigen\] Jabin.
[^richteren-4-2-6]: Kanttekening 6: Een stad, gelegen aan de wateren van Merom, van welke te zien is Joz. 11:5 , 11:7 . Het kan zijn dat verscheidene overgebleven heidense volken zich hier nedergeslagen hebben, om onder de macht van Jabin en Sisera tegen Israël verzekerd te zijn. Hebreeuws, Charoscheth. Jozua 11:5 : Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. Jozua 11:7 : En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snel over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.
[^richteren-4-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, een vrouw een profetes; zo onder, Richt. 6:8 , een man een profeet. Richteren 6:8 : Zo zond YHWH een man, die een profeet was, tot de kinderen van Israël; die zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd;
[^richteren-4-4-8]: Kanttekening 8: De naam van een man, van welke de Heilige Schrift elders niet meldt. Sommigen nemen Lappidoth voor de naam van de geboorteplaats van Debora.
[^richteren-4-5-9]: Kanttekening 9: Zo naar Debora genoemd.
[^richteren-4-5-10]: Kanttekening 10: gingen op tot haar: Om van haar, als een profetes, de wil van de Heer te vernemen in zaken, waarin zij geen uitkomst wisten te vinden bij zichzelven, of door de ordinaire wegen van onderwijs of justitie.
[^richteren-4-6-b]: Verwijzing b: Hebr., 11:32 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;
[^richteren-4-6-11]: Kanttekening 11: Een stad in Nafthali, Joz. 19:32 , 19:37 . Bestemd tot een vrijstad, Joz. 20:7 . Mee aan de Levieten gegeven, Joz. 21:32 ; zie ook 2 Kon. 15:29 . Zij was gelegen op een berg tussen de wateren van Merom en de zee Gennesareth. Een ander Kedes was er in Issachar, 1 Kron. 6:72 . Jozua 19:32 : Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen. Jozua 19:37 : En Kedes, en Edreï, en En-hazor, Jozua 20:7 : Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. Jozua 21:32 : En van de stam van Nafthali, de vrijstad van de doodslager, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden. 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 1 Kronieken 6:72 : En van de stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,
[^richteren-4-6-12]: Kanttekening 12: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Alsof zij zei: Immers, of zekerlijk heeft Hij het u geboden. Zulk een manier van vragen bevestigt zekerlijk wat vraaggewijs gezegd wordt; zo onder, vers 14 , en Richt. 6:14 , enz. Richteren 4:14 : Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welke YHWH Sisera in uw hand gegeven heeft; is YHWH niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem. Richteren 6:14 : Toen keerde zich YHWH tot hem, en zei: Ga heen in deze uw kracht, en u zult Israël uit de hand van de Midianieten verlossen; heb Ik u niet gezonden?
[^richteren-4-6-13]: Kanttekening 13: Versta, trekt tot u , dat is, vergadert tot u, brengt te zamen, doet tot u komen; gebruikende daartoe de redenen, die ik u nu heb bekend gemaakt, en de hulp van de oversten onder de stammen. Vergelijk onder, Richt. 5:14 . Waartegen God in het volgende vers zegt: Ik zal de Sisera tot u trekken . Richteren 5:14 : Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door de staf van de schrijver.
[^richteren-4-6-14]: Kanttekening 14: Gelegen in de stam Zebulon, naar het westen, bij de beek Kison; zie Ps. 89:13 ; 1 Sam. 10:3 ; Jer. 46:18 ; Hos. 5:1 . Psalmen 89:13 : Het noorden en het zuiden, die hebt U geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam. 1 Samuël 10:3 : Als u u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-el; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn. Jeremia 46:18 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen! Hosea 5:1 : Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.
[^richteren-4-7-c]: Verwijzing c: Ps. 83:10 . Psalmen 83:10 : Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;
[^richteren-4-7-15]: Kanttekening 15: tot u trekken: Dat is, Ik zal door mijn goddelijke kracht en regering hem daar tot u doen komen. De beek of rivier Kison liep uit de zee Gennesareth naar het westen bij de berg Karmel in de Middellandse zee, zijnde als een scheiding tussen Issaschar en Zebulon.
[^richteren-4-9-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, gaande gaan, of trekkende trekken.
[^richteren-4-9-17]: Kanttekening 17: op deze weg: Of, op deze tocht, die u doet. Anders, vanwege de weg die u gaat; dat is, omdat u zo zwak van vertrouwen bent, dat u zonder mij het gebod van de Heer niet wilt achtervolgen, zo zal ook een vrouw daarvan de eer hebben.
[^richteren-4-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, overleveren. Zie boven, Richt. 2:14 . Richteren 2:14 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden.
[^richteren-4-9-19]: Kanttekening 19: van een vrouw: Dit kan men verstaan van Jaël, of ook van Debora zelve.
[^richteren-4-10-20]: Kanttekening 20: toog op, op zijn voeten, met tien duizend man: Anders, deed tien duizend man naast zich optrekken. Hebreeuws, אַלְפֵ֖י, met, naast, of, aan zijn voeten; dat is, die hem volgden, zijn voetstappen natraden. Zie Ex. 11:8 ; 1 Kon. 20:10 . Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn. 1 Koningen 20:10 : En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt!
[^richteren-4-11-21]: Kanttekening 21: De man van Jaël, van welke onder, vers 17 , enz. Hebreeuws, Cheber. Richteren 4:17 : Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet.
[^richteren-4-11-22]: Kanttekening 22: Zie Num. 24:21 , 24:22 ; boven, Richt. 1:16 , en de aantekeningen daar. Numeri 24:21 : Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw nest in een steenrots gelegd. Numeri 24:22 : Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal! Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^richteren-4-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, van de Kenieten, hebbende hun woonplaats in de woestijn van Juda, zie boven, Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^richteren-4-11-d]: Verwijzing d: Num. 10:29 . Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^richteren-4-11-24]: Kanttekening 24: Zie Num. 10:29 . Anders genaamd Jethro. Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^richteren-4-13-25]: Kanttekening 25: riep Sisera al zijn wagens bijeen: Dat is, hij deed hen door uitroeping bijeenkomen, of, hij ontbood hen.
[^richteren-4-14-26]: Kanttekening 26: Zie van zulke vragen boven, vers 6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^richteren-4-14-27]: Kanttekening 27: Als de opperste krijgsoverste, om voor u te strijden en u de victorie te beschikken. Zie onder, Richt. 5:20 ; 2 Sam. 5:24 . Richteren 5:20 : Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. 2 Samuël 5:24 : En het geschiede, als u hoort het geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen, dan rep u; want alsdan is YHWH voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger van de Filistijnen te slaan.
[^richteren-4-15-e]: Verwijzing e: Ps. 83:10 . Psalmen 83:10 : Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;
[^richteren-4-15-28]: Kanttekening 28: versloeg Sisera: Zie Richt. 5:20 . Richteren 5:20 : Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.
[^richteren-4-15-29]: Kanttekening 29: door de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, door , of aan de mond van het zwaard . Zo in het volgende vers. Anders, verschrikte etc. voor de , etc., waarvan de zin zou wezen dat God hunlieden op een bijzondere wijze verbaasd heeft gemaakt, opdat zij zonder tegenstand door het zwaard van de Israëlieten mochten vallen.
[^richteren-4-16-30]: Kanttekening 30: dat er niet overbleef tot een toe: Dat is, dat er ook niet een overbleef. Vergelijk Richt. 14:3 , en Ps. 53:4 ; Rom. 3:12 , enz. Richteren 14:3 : Maar zijn vader zei tot hem, en ook zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters van uw broers, en onder al mijn volk, dat u heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen. Psalmen 53:4 : Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een. Romeinen 3:12 : Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.
[^richteren-4-18-31]: Kanttekening 31: Of, een ruige, ruwe sprei.
[^richteren-4-19-f]: Verwijzing f: Richt. 5:25 . Richteren 5:25 : Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter.
[^richteren-4-20-32]: Kanttekening 32: Of, neen.
[^richteren-4-21-33]: Kanttekening 33: Deze daad van Jaël wordt van de Geest van de Heer in het volgende \[ Richt. 5:23 , enz.\] hoog geroemd, als gedaan zijnde uit een bijzonderen ijver van God ingegeven en op zijn bevel van Debora en Barak gepubliceerd. Richteren 5:23 : Vloekt Meroz, zegt de Engel van YHWH, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp van YHWH, tot de hulp van YHWH, met de helden.
[^richteren-4-21-34]: Kanttekening 34: nagel van de tent: Die men gebruikte in het spannen en hechten van de tenten, zijnde van zulk een lengte, dat hij door het hoofd van Sisera kon reiken in de aarde; van gelijke is de hamer naar evenredigheid geweest. Zie onder, Richt. 5:26 . Richteren 5:26 : Haar hand sloeg zij aan de nagel, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doorgenageld en doorgedrongen.
[^richteren-4-21-35]: Kanttekening 35: vast werd: Of, indrong, te weten, de nagel, of zij vestigde hem in de aarde.
[^richteren-4-24-36]: Kanttekening 36: ging steeds voort: Hebreeuws, קָשָׁ֔ה, ging gaande; dat is, hun macht nam steeds toe, zodat zij Jabin overweldigden.

### Richteren 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/5.json)

*Debora vermaant in deze lofzang tot dankzegging, en gaat met haar voorbeeld het volk voor, vers 1, enz. Zij verhaalt Gods heerlijke weldaden, in vroeger tijden aan zijn volk bewezen, 4. Zij vergelijkt de ellenden van de voorgaande tijd met de tegenwoordige toestand, 6. Zij wekt de regenten, de gemeente, zichzelf en Barak op tot lof van de HEERE, 9. Zij roemt de oversten der stammen, die tot deze strijd gewillig opgetrokken zijn, en scheldt de onwilligen, die thuisgebleven zijn, 14. Zij beschrijft uitvoerig deze wonderlijke overwinning, 19. Zij vervloekt die van Meroz, omdat zij Gods volk niet te hulp zijn gekomen, 23. Zij prijst de heldin Jaël en haar daad, 24. Zij bespot de ijdele hoop van Sisera's hofdames, 28. Zij besluit met wensen en bidden voor Gods volk tegen de vijanden, 31.*

**1** Verder zong Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, op dezelfde dag, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v1)

**2** Loof YHWH, van het[^richteren-5-2-1] wreken van de wraken[^richteren-5-2-2] in Israël, van dat het[^richteren-5-2-3] volk zich gewillig heeft aangeboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v2)

**3** Hoor, u koningen, neem ter ore, u vorsten! Ik, voor YHWH zal ik zingen, ik zal YHWH, de God van Israël, psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v3)

**4** YHWH! toen U[^richteren-5-4-4] voorttrok van[^richteren-5-4-5] Seïr, toen U daarheen traadt van het veld van[^richteren-5-4-6][^richteren-5-4-a] Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v4)

**5** [^richteren-5-5-b] De[^richteren-5-5-7] bergen vloeiden weg van het aangezicht van YHWH;[^richteren-5-5-8] zelfs[^richteren-5-5-c] Sinaï van het aangezicht van YHWH, van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v5)

**6** In de dagen[^richteren-5-6-9] van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen[^richteren-5-6-10] van[^richteren-5-6-11] Jaël, hielden de wegen op, en[^richteren-5-6-12] die op paden wandelden, gingen kromme wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v6)

**7** De[^richteren-5-7-13] dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een[^richteren-5-7-14] moeder in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v7)

**8** Verkoos[^richteren-5-8-15] hij[^richteren-5-8-16] nieuwe goden, dan was er strijd in de poorten; werd er ook een[^richteren-5-8-17] schild gezien, of een speer, onder veertig duizend in Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v8)

**9** Mijn hart is tot wetgevers[^richteren-5-9-18] van Israël, die zich[^richteren-5-9-19] gewillig aangeboden hebben onder het volk; loof YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v9)

**10** U, die op witte[^richteren-5-10-20] ezelinnen rijdt, u, die[^richteren-5-10-21] aan het gerichte zit, en u, die over[^richteren-5-10-22] weg wandelt,[^richteren-5-10-23] spreekt er van! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v10)

**11** [^richteren-5-11-24] Van het geluid van[^richteren-5-11-25] de schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept,[^richteren-5-11-26] spreekt daar samen van de[^richteren-5-11-27] gerechtigheid van YHWH, van de[^richteren-5-11-28] gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël; toen[^richteren-5-11-29] ging het volk van YHWH af tot de poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v11)

**12** Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid[^richteren-5-12-30] uw gevangenen gevangen, u zoon van Abinoam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v12)

**13** Toen deed[^richteren-5-13-31] Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; YHWH[^richteren-5-13-32] doet mij heersen over de geweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v13)

**14** Uit[^richteren-5-14-33] Efraïm was hun[^richteren-5-14-34] wortel tegen Amalek.[^richteren-5-14-35] Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit[^richteren-5-14-36] Machir zijn de[^richteren-5-14-37] wetgevers afgetrokken, en uit Zebulon,[^richteren-5-14-38] trekkende door de staf van de schrijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v14)

**15** Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en zoals Issaschar, zo was Barak;[^richteren-5-15-40] op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens[^richteren-5-15-41] gedeelten waren de[^richteren-5-15-42] inbeeldingen van het hart groot.[^richteren-5-15-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v15)

**16** Waarom bleeft[^richteren-5-16-43] u zitten tussen de[^richteren-5-16-44] stallingen, om te horen het geblaat van de[^richteren-5-16-45] kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote[^richteren-5-16-46] onderzoekingen van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v16)

**17** [^richteren-5-17-47] Gilead bleef aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in[^richteren-5-17-48] schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn[^richteren-5-17-49] gescheurde plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v17)

**18** Zebulon, het is een volk,[^richteren-5-18-50] dat zijn ziel versmaad heeft[^richteren-5-18-51] ter dood, ook Nafthali,[^richteren-5-18-52] op de hoogten van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v18)

**19** De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te[^richteren-5-19-53] Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen winst van[^richteren-5-19-54] het zilver daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v19)

**20** [^richteren-5-20-55] Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v20)

**21** De beek Kison[^richteren-5-21-56] wentelde hen weg, de[^richteren-5-21-57] beek Kedumin, de beek Kison;[^richteren-5-21-58] vertreed, o mijn ziel![^richteren-5-21-59] de sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v21)

**22** Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het[^richteren-5-22-60] rennen, het rennen van zijn[^richteren-5-22-61] machtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v22)

**23** Vloek[^richteren-5-23-62] Meroz, zegt de[^richteren-5-23-63] Engel van[^richteren-5-23-64] YHWH, vloekt haar inwoners steeds; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp[^richteren-5-23-65] van YHWH, tot de hulp van YHWH, met[^richteren-5-23-66] de helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v23)

**24** [^richteren-5-24-67] Gezegend zij boven[^richteren-5-24-68] de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen[^richteren-5-24-69] in de tent! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v24)

**25** Water eiste hij, melk gaf zij; in een[^richteren-5-25-70] herenschaal bracht zij[^richteren-5-25-71] boter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v25)

**26** Haar[^richteren-5-26-72] hand sloeg zij aan de nagel, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera;[^richteren-5-26-73] zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doorgenageld en[^richteren-5-26-74] doorgedrongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v26)

**27** Tussen haar voeten[^richteren-5-27-75] kromde hij zich, viel heen, lag daar neer; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij[^richteren-5-27-76] geheel geschonden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v27)

**28** De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de[^richteren-5-28-77] traliën: Waarom wacht zijn wagen te komen! Waarom blijven de gangen van zijn[^richteren-5-28-78] wagens achter? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v28)

**29** [^richteren-5-29-79] Haar meest wijze vorstinnen antwoordden haar; ook beantwoordde zij zichzelf:[^richteren-5-29-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v29)

**30** [^richteren-5-30-81] Zouden zij dan de buit niet[^richteren-5-30-82] vinden en delen? een[^richteren-5-30-83] liefje, of twee liefjes,[^richteren-5-30-84] voor iedere man? Voor Sisera een buit van verscheidene kleuren, een buit van verscheidene kleuren, gestikt; van verscheiden kleur aan beide zijden gestikt,[^richteren-5-30-85] voor de buithalzen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v30)

**31** Zo moeten omkomen al Uw vijanden, o YHWH! die[^richteren-5-31-86] Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn,[^richteren-5-31-87] als wanneer de zon[^richteren-5-31-88] opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/5.html#v31)

[^richteren-5-2-1]: Kanttekening 1: wreken van de wraken: Omdat Hij zich en zijn volk volkomenlijk gewroken heeft aan zijn en zijns volks vijanden.
[^richteren-5-2-2]: Kanttekening 2: in Israël: Anders, voor , of, door Israël .
[^richteren-5-2-3]: Kanttekening 3: Zebulon en Nafthali. Zie boven, Richt. 4:10 , en onder, vers 18 . Met nog enige andere stammen. Zie onder, vers 14 , 5:15 . Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op. Richteren 5:18 : Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, ook Nafthali, op de hoogten van het veld. Richteren 5:14 : Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door de staf van de schrijver. Richteren 5:15 : Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, zo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen van het hart groot.
[^richteren-5-4-4]: Kanttekening 4: Uw volk voorgaande en leidende door de wolkkolom.
[^richteren-5-4-5]: Kanttekening 5: beefde de aarde: Het was alsof zich alle creaturen van onderen en van boven over uw aankomst en aanwezigheid ontzetten. Vergelijk Ps. 68:8 , 68:9 . Psalmen 68:8 : O God! toen U voor het aangezicht Uws volks uittrokt, toen U daarheen tradt in de woestijn; Sela. Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël.
[^richteren-5-4-6]: Kanttekening 6: Voerende uw volk van de berg Hor (na de overwinning van de Kanaänitische koning van Harad) langs de grenzen van de Edomieten, die hen de doortocht weigerden, naar het land van de koningen Sihon en Og, om die te verdelgen, en Israël in het beloofde land te brengen. Zie Num. 20:21 , en 21:4 , etc. Numeri 20:21 : Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. Numeri 21:4 : Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg.
[^richteren-5-4-a]: Verwijzing a: Ps. 68:8 ; idem v. 9 . Psalmen 68:8 : O God! toen U voor het aangezicht Uws volks uittrokt, toen U daarheen tradt in de woestijn; Sela. Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël.
[^richteren-5-5-b]: Verwijzing b: Ps. 68:15 ; idem 68:16 ; idem 68:17 ; Ps. 97:5 . Psalmen 68:15 : Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. Psalmen 68:16 : De berg Basan is een berg van God; de berg Basan is een bultige berg. Psalmen 68:17 : Waarom springt u op, u bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er YHWH wonen in eeuwigheid. Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde.
[^richteren-5-5-7]: Kanttekening 7: bergen vervloten: Het was, of scheen niet anders dan of zulks geschiedde. Vergelijk Ps. 68:15 , 68:17 , en Ps. 97:5 . Men kan dit ook duiden op de heidense volken, Amorieten en Kanaänieten, aan de bergen wonende, die vanwege Israëls aankomst en de grote daden van God die zij gehoord hadden, sidderden en beefden. Vergelijk Deut. 2:25 ; Joz. 5:1 . Psalmen 68:15 : Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. Psalmen 68:17 : Waarom springt u op, u bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er YHWH wonen in eeuwigheid. Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde. Deuteronomium 2:25 : Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht van de volken, onder de ganse hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. Jozua 5:1 : En het geschiedde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen van Israël.
[^richteren-5-5-8]: Kanttekening 8: zelfs Sinaï: Alles, wat zij achter zich lieten, als Sinaï, en waar zij naar toe trokken ontstelde zich. Of, gelijk als Sinaï gedaan had ten tijde toen God zijn wet gaf. Vergelijk Ps. 68:9 . Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël.
[^richteren-5-5-c]: Verwijzing c: Ex. 19:18 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer.
[^richteren-5-6-9]: Kanttekening 9: Zie boven, Richt. 3:31 . Richteren 3:31 : Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; zo verloste hij ook Israël.
[^richteren-5-6-10]: Kanttekening 10: Zie Richt. 4:21 , enz. Richteren 4:21 : Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel van de tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef de nagel in de slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
[^richteren-5-6-11]: Kanttekening 11: hielden de wegen op: Dat is, de gemene- of herenwegen waren niet te gebruiken, vanwege rovers en straatschenders.
[^richteren-5-6-12]: Kanttekening 12: die op paden wandelden: Hebreeuws, אֳרָח֖וֹת, de wandelaars van de paden; dat is, die de gemene wegen plachten te gebruiken, zochten moeilijke omwegen, om de stropers en vijanden te ontgaan.
[^richteren-5-7-13]: Kanttekening 13: De dorpen hielden op: Ongemuurde plaatsen, als vlekken, dorpen, kleine steden, omdat er niemand veilig wonen kon, zo vervielen die en lagen woest en onbewoond. Anders, de landman, of, het landvolk, inwoners van de dorpen, dorpslieden.
[^richteren-5-7-14]: Kanttekening 14: een moeder in Israël: Die, als een profetes , het volk, zijnde mijn discipelen (die in de Schriftuur kinderen van de profeten genoemd worden) van Gods wil heb onderwezen, en, als een richteres , de ellende van de onderdanen met moederlijk medelijden ter harte genomen en afgewend heb.
[^richteren-5-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk, Israël.
[^richteren-5-8-16]: Kanttekening 16: nieuwe goden: De afgoden van de heidenen; zo strafte God hen telkens met overlast van krijg en oorlog.
[^richteren-5-8-17]: Kanttekening 17: schild gezien: Zij waren zo moedeloos en verslagen dat men geen tegenweer zag.
[^richteren-5-9-18]: Kanttekening 18: De oversten van het volk, of van de stammen, die het volk door bevelen en hun voorbeeld gewillig en moedig hebben gemaakt.
[^richteren-5-9-19]: Kanttekening 19: aangeboden hebben: Zie boven, vers 2 , en Richt. 4:6 , 4:10 . Richteren 5:2 : Looft YHWH, van het wreken van de wraken in Israël, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.
[^richteren-5-10-20]: Kanttekening 20: die op witte ezelinnen rijdt: Gelijk grote en aanzienlijke mensen gewoon waren te doen. Zie onder, Richt. 10:4 , en Richt. 12:14 . Richteren 10:4 : En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn. Richteren 12:14 : En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren.
[^richteren-5-10-21]: Kanttekening 21: die aan het gerichte zit: Anders, die u aan Middin woont; verstaande een plaats, waar de aanstoot van de vijand meest gevallen is. Zie Joz. 15:61 . Jozua 15:61 : In de woestijn: Beth-Araba, Middin en Sechacha,
[^richteren-5-10-22]: Kanttekening 22: Zie vers 6 . Richteren 5:6 : In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.
[^richteren-5-10-23]: Kanttekening 23: spreekt er van: Anders, denkt, peinst er aan.
[^richteren-5-11-24]: Kanttekening 24: Van het gedruis: Anders, vanwege.
[^richteren-5-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, krijgslieden, die met gedruis aankwamen om de waterscheppers te storen en overlast aan te doen, met plunderen, roven en anders.
[^richteren-5-11-26]: Kanttekening 26: Het Hebreeuwse woord wordt ook gevonden onder, Richt. 11:40 . Richteren 11:40 : Dat de dochters van Israël van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar.
[^richteren-5-11-27]: Kanttekening 27: gerechtigheid van YHWH: Dat is, de rechtvaardige daden van de Heer, door welke Hij zijn volk gewroken en van de overlast van de vijand bevrijd heeft. Vergelijk 1 Sam. 12:7 ; Micha 6:5 , met de aantekeningen. 1 Samuël 12:7 : En nu, stelt u hier, dat ik met u rechte, voor het aangezicht van YHWH, over al de gerechtigheden van YHWH, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft. Micha 6:5 : Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van YHWH kent.
[^richteren-5-11-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, gerechtigheden zijns dorps; dat is, bewezen aan de dorpen of landbouwers. Vergelijk boven, vers 6 . Richteren 5:6 : In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.
[^richteren-5-11-29]: Kanttekening 29: Zij mochten weer vrij of onbeschroomd de poorten uit en ingaan.
[^richteren-5-12-30]: Kanttekening 30: uw gevangenen gevangen: Hebreeuws, שֶׁבְיְ, uw gevangenis.
[^richteren-5-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, de Heer gaf aan het overblijfsel van Israël de heerschappij over de groten en aanzienlijken van het Kanaänietische volk. Anders, Hij gaf de heerschappij van de overgebleven vijand aan de heerlijken, of machtigen, groten van het volk van Israël . Of, Hij deed het overgebleven volk heersen over de heerlijken.
[^richteren-5-13-32]: Kanttekening 32: doet mij heersen: Of, geeft mij heerschappij.
[^richteren-5-14-33]: Kanttekening 33: Hier verhaalt Debora hoe de stammen zich in deze hebben gekweten; toeschrijvende lof en schande naar ieders verdienste.
[^richteren-5-14-34]: Kanttekening 34: Dit verstaan sommigen van Debora, wonende op het gebergte Efraïms, boven, Richt. 4:5 ; die door Gods genade als de wortel en oorsprong was van dit gehele werk tegen de Kanaänieten, die ten aanzien van hun vijandschap en uitroeiing met Amalek mogen worden vergeleken. Anderen duiden het op Jozua, die ook uit Efraïm was en Amalek overwon, Ex. 17:13 . Anders, wier wortel is bij Amalek; dat is, Juda en Simeon, wier begin zich van Efraïms gebergte uitstrekte tot aan Amalek, gelijk te zien is uit vergelijking van boven, Richt. 1:16 , met 1 Sam. 15:6 . Richteren 4:5 : En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen van Israël gingen op tot haar ten gerichte. Exodus 17:13 : Zo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte van het zwaard. Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. 1 Samuël 15:6 : En Saul liet de Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten.
[^richteren-5-14-35]: Kanttekening 35: Dat is, de stam van Benjamin volgde U, o Heer, mee na, onder uw ander volk. Sommigen duiden het op Efraïm, die Benjamin gevolgd heeft.
[^richteren-5-14-36]: Kanttekening 36: Dat is, de stam van Manasse, wiens eerstgeboren zoon Machir was, Joz. 17:1 . Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.
[^richteren-5-14-37]: Kanttekening 37: de wetgevers: Dat is, oudsten en richters van het volk.
[^richteren-5-14-38]: Kanttekening 38: Te weten, het volk tot haar. Zie boven, Richt. 4:6 . Anders, die met de staf, of de pen van de schrijver trokken; dat is, met de schrijfpen omgingen, of door middel van brieven of missieven het volk bijeentrokken of deden vergaderen. Vergelijk boven, Richt. 4:6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^richteren-5-15-40]: Kanttekening 40: Zie boven, Richt. 4:10 , 4:14 . Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op. Richteren 4:14 : Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welke YHWH Sisera in uw hand gegeven heeft; is YHWH niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.
[^richteren-5-15-41]: Kanttekening 41: Rubens gedeelten: Ruben, wonende aan de andere zijde van de Jordaan, zich houdende als afgezonderd van zijn broers.
[^richteren-5-15-42]: Kanttekening 42: inbeeldingen van het hart: Of, inzettingen, opzetten, besluitingen; dat is, zij waren zeer traag, zwaarmoedig, hebbende \[zoals men zegt\] grote wijsheid in het hoofd, en voorwendende veel zwarigheden, die hen ophielden en verhinderden, dat zij hun broers niet te hulp kwamen, maar zich tussen beiden, als neutraal hielden, hun particulier belang meer achtende dan het algemene. Anders, over, of van Rubens afzonderingen zijn grote gedachten van het hart, dat is, daarover valt veel na te denken en te verwonderen; zo in vers 16 . Sommigen menen dat hier geroemd wordt de grote vromigheid die zij tevoren bewezen hadden in het trekken over de Jordaan voor hun broers, waarmee deze hun slapheid niet overeenkwam. Richteren 5:16 : Waarom bleeft u zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat van de kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen van het hart.
[^richteren-5-15-39]: Kanttekening 39: Anders, mijn vorsten.
[^richteren-5-16-43]: Kanttekening 43: Of, Ruben. Deze stam was rijk aan vee. Zie Num. 32:1 , enz. Numeri 32:1 : De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.
[^richteren-5-16-44]: Kanttekening 44: Of, twee rijen kooien, of stallen. Het Hebreeuwse woord schijnt daarop te zien, dat de stallen en kooien in twee rijen tegenover elkaar \[gelijk men nu ook gemeenlijk doet\] gemaakt waren, tussen welke men doorging, en elk zijn voeder bekwamelijk kon geven. Anders, tussen twee lasten, gelijk een ezel, die, aan beide zijden beladen zijnde, zich nederlegt om te rusten. Vergelijk Gen. 49:14 . Genesis 49:14 : Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.
[^richteren-5-16-45]: Kanttekening 45: geblaat van de kudden: Of, schuifelingen, sijfelingen, pijpingen, sissingen.
[^richteren-5-16-46]: Kanttekening 46: onderzoekingen van het hart: Zie op vers 15 . Richteren 5:15 : Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, zo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen van het hart groot.
[^richteren-5-17-47]: Kanttekening 47: Dat is, de Gileadieten, waardoor verstaan wordt de halve stam van Manasse, wonende aan de overzijde van de Jordaan. Gilead was een zoon van Machir. Zie Joz. 17:1 , 17:3 . Anders kan men ook door Gilead tezamen verstaan Ruben, Gad en de voornoemde halve stam van Manasse, als wonende in Gilead. Zie Num. 32:5 , 32:29 , 32:33 . Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan. Jozua 17:3 : Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. Numeri 32:5 : Verder zeiden zij: Als wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan. Numeri 32:29 : En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van YHWH, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven. Numeri 32:33 : Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden daarvan in het gebied, de steden van het land rondom.
[^richteren-5-17-48]: Kanttekening 48: De erfenissen van Dan en Aser waren merendeels gelegen aan de zee. Zie van Dan Joz. 19:40 , 19:46 , en van Aser ook daar Joz. 19:24 , 19:26 . Deze stammen waren in deze krijg ook tehuis gebleven, om het gevaar te ontgaan, of zich met hun bezittingen in schepen, of op hoge rotsen te redden. Jozua 19:40 : Het zevende lot ging uit voor de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen. Jozua 19:46 : En Me-jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo. Jozua 19:24 : Toen ging het vijfde lot voor de stam van de kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen. Jozua 19:26 : En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-libnath;
[^richteren-5-17-49]: Kanttekening 49: gescheurde plaatsen: Dat is, in steden en vlekken, die vervallen en niet wel bemuurd waren, of in kreken, die door de vloed van de zee in het land scheuren. Anders, op zijn kloven of hoge rotsen.
[^richteren-5-18-50]: Kanttekening 50: zijn ziel versmaad heeft: Dat is, zijn leven, hun personen, zo ter dood gewaagd hebben, dat zij het leven schenen te verachten, en gewillig zich daarheen te begeven, tot Israëls verlossing. Zie van het woord versmaden Job 27:6 . Job 27:6 : Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
[^richteren-5-18-51]: Kanttekening 51: ter dood: Hebreeuws, נַפְתָּלִ֑י, tot sterven .
[^richteren-5-18-52]: Kanttekening 52: hoogten van het veld: Dat is, op de berg Thabor zich houdende bij Barak, en met hem ten strijde moediglijk aftrekkende. Zie boven, Richt. 4:10 , 4:14 . Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op. Richteren 4:14 : Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welke YHWH Sisera in uw hand gegeven heeft; is YHWH niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.
[^richteren-5-19-53]: Kanttekening 53: Plaatsen, behorende tot de halve stam van Manasse. Zie boven, Richt. 1:27 , en vergelijk Joz. 17:11 . Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^richteren-5-19-54]: Kanttekening 54: zilvers daarvan: Of, gelds. Anders, zij brachten niet een stukje zilver daarvan, daar zij grote buit meenden te halen.
[^richteren-5-20-55]: Kanttekening 55: Van de hemel streden zij: Met deze manieren van spreken wordt te kennen gegeven, dat God van boven en beneden, door velerlei creaturen en middelen tegen Sisera en zijn heirleger gestreden heeft.
[^richteren-5-21-56]: Kanttekening 56: wentelde hen weg: Of, veegde hen, keerde hen weg, door toorn van de stroom, die van boven door storm en onweer was verwekt.
[^richteren-5-21-57]: Kanttekening 57: beek Kedumin: Lopende van het gebergte in de beek Kison, naar uitwijzen van de kaart. Anders, beek van de oudheden; dat is, zeer oude beek, die vanouds, van de beginne af geweest, en van God daartoe gemaakt en behouden is.
[^richteren-5-21-58]: Kanttekening 58: Dat is, veracht de macht van de vijand. Anders, mijn ziel trad op de sterken; door het gebed en Gods ingeven vertrouwende, dat zij als vertreden en onder de voeten gelegd zouden worden.
[^richteren-5-21-59]: Kanttekening 59: de sterken: Hebreeuws, עֹֽז, de sterkte; te weten van de machtige vijand, die nu onder onze voeten gelegd is.
[^richteren-5-22-60]: Kanttekening 60: rennen, het rennen: Of, stampen, draven, trotteren, klateren; dat is, van het veel en haastig lopen en rennen.
[^richteren-5-22-61]: Kanttekening 61: Die, de vlucht nemende, door snelheid van hun paarden meenden te ontkomen, maar tevergeefs.
[^richteren-5-23-62]: Kanttekening 62: Een stad of landstreek, nabij de beek Kison, niet ver van de plaats, waar de slag geschied is, aan de zuidelijke grenzen van Issaschar.
[^richteren-5-23-63]: Kanttekening 63: Engel van YHWH: Vergelijk onder, Richt. 6:11 , enz. Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^richteren-5-23-64]: Kanttekening 64: vloekt haar inwoners geduriglijk: Hebreeuws, אֹ֥רוּ, vloekt vloekende.
[^richteren-5-23-65]: Kanttekening 65: van YHWH, tot de hulp van YHWH: Dat is, tot Israëls hulp, die de Heer bevolen en beschikt heeft. Of, tot de hulp van het volk van de Heer. Anders is het menselijkerwijze gesproken van God, die eigenlijk niemands hulp van doen heeft.
[^richteren-5-23-66]: Kanttekening 66: de helden: Die Barak en Debora gevolgd zijn.
[^richteren-5-24-67]: Kanttekening 67: Zie Gen. 14:19 . Genesis 14:19 : En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
[^richteren-5-24-68]: Kanttekening 68: de vrouwen Jaël: Te weten, andere vrouwen; zo in het volgende.
[^richteren-5-24-69]: Kanttekening 69: in de tent: Dat is, in haar tent, waar zij dat prijzenswaardig werk gedaan had. Of \[die\] in tenten \[wonen\].
[^richteren-5-25-70]: Kanttekening 70: Hebreeuws, in een schaal van de heerlijken; dat is, in een zulke grote schaal, als glorierijke, grootmachtige heren en vorsten wel plegen te gebruiken.
[^richteren-5-25-71]: Kanttekening 71: Anders, botermelk, melk waar de boter nog in was.
[^richteren-5-26-72]: Kanttekening 72: hand sloeg zij aan de nagel: Te weten, de linkerhand; of aldus: haar handen strekten zich uit, de ene aan de nagel, de rechter aan de hamer van de arbeidslieden.
[^richteren-5-26-73]: Kanttekening 73: zij streek zijn hoofd af: Het Hebreeuwse woord wordt bij de Hebreën eigenlijk gebruikt van het afstrijken van de maten, die te vol of opgehoopt zijn. De zin is: dat zij hem het hoofd heeft afgesneden.
[^richteren-5-26-74]: Kanttekening 74: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk veranderen, ten goede of ten kwade; en verder doorgaan, doordringen, van het een tot het andere, idem, verderven.
[^richteren-5-27-75]: Kanttekening 75: kromde hij zich: Vanwege de pijn; of pogende zich op te richten, maar meteen daarheen vallende, enz.
[^richteren-5-27-76]: Kanttekening 76: geheel geschonden: Hebreeuws, שָׁדֽוּד, eigenlijk, verwoest; dat is, geheel beroofd en ten enenmale verdorven. Want zulk een machtig en trots krijgsoverste, te voet gevlucht, verbaasd, vermoeid en door een vrouw verstopt en toegedekt zijnde, lag daar doornageld, gekromd, bebloed en dood.
[^richteren-5-28-77]: Kanttekening 77: door de traliën: Of, door een kijkvenstertje.
[^richteren-5-28-78]: Kanttekening 78: wagens achter: Hebreeuws, מַרְכְּבוֹתָֽי, de gangen, de voeten, of, voetstappen zijn wagens.
[^richteren-5-29-79]: Kanttekening 79: De wijsten: Anders, een ieder van haar wijze staatsvrouwen antwoordde haar.
[^richteren-5-29-80]: Kanttekening 80: Anders, vorstinnen.
[^richteren-5-30-81]: Kanttekening 81: Zouden zij: Alsof zij zei: Ik heb ongelijk, dat ik die zo haast tegemoet zie; want zij moeten toch eerst de buit uitvinden en delen, enz.
[^richteren-5-30-82]: Kanttekening 82: vinden en delen: Dat is, aantreffen, bekomen.
[^richteren-5-30-83]: Kanttekening 83: Of, boelke, meisje.
[^richteren-5-30-84]: Kanttekening 84: voor iegelijken man: Hebreeuws, גֶּ֔בֶר, voor het hoofd van een man; dat is, voor elk hoofd, voor elke man.
[^richteren-5-30-85]: Kanttekening 85: voor de buithalzen: Hebreeuws, שָׁלָֽל, voor de halzen van de buit; dat is, degenen wie de beste buit toekomt, als krijgsoversten, of die in de strijd zich wel gekweten en goeden buit bekomen hebben, zodat hun een goed gedeelte toebehoort; of, die de buit op de hals nadroegen, of met gevaar van hun halzen gehaald hadden.
[^richteren-5-31-86]: Kanttekening 86: Hem daarentegen liefhebben: De Heer.
[^richteren-5-31-87]: Kanttekening 87: als wanneer: Dat is, zij moeten in krachten en glans voortgaan, en toenemen, gelijk de zon oprijst en voortgaat. Vergelijk Jes. 40:31 . Jesaja 40:31 : Maar die YHWH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
[^richteren-5-31-88]: Kanttekening 88: opgaat in haar kracht: Of, voortgaat.

### Richteren 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/6.json)

*Israël wordt om zijn zonden zeer geplaagd door de Midianieten, vers 1, enz. Het roept tot de HEERE, die hun door een profeet de oorzaak van deze ellenden voorstelt, 6. De Engel des HEEREN komt tot Gideon, en roept hem tot Israëls verlossing van het geweld der Midianieten, 11. Verhaal van een wonderteken, dat zich heeft voorgedaan met de spijs die Gideon de Engel voorzette, 17. Gideon bouwt de HEERE een altaar, en breekt, op Gods bevel, het altaar van Baäl af, waardoor hij in gevaar komt bij de inwoners, maar door Joas beschermd wordt, 24. Gideon maakt zich gereed tot de strijd tegen de Midianieten, en wordt door God door een wonderteken in zijn roeping gesterkt, 33.*

**1** Maar de Israëlieten deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf hen YHWH in de hand van[^richteren-6-1-1] de Midianieten, zeven jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v1)

**2** Als nu de hand van de Midianieten sterk werd over Israël,[^richteren-6-2-2] maakten zich de Israëlieten, vanwege de Midianieten,[^richteren-6-2-3] de holen, die in de bergen zijn, en de grotten, en de vestingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v2)

**3** Want het gebeurde, als Israël gezaaid had, zo[^richteren-6-3-4] kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het[^richteren-6-3-5] oosten kwamen ook op tegen[^richteren-6-3-6] hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v3)

**4** En zij sloegen hun kamp op tegen hen, en verdierven de opkomst van het land, tot daar u komt te[^richteren-6-4-7] Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v4)

**5** Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen zoals de[^richteren-6-5-8] sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen[^richteren-6-5-9] niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v5)

**6** Zo werd Israël zeer[^richteren-6-6-10] verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de Israëlieten tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v6)

**7** En het gebeurde, als de Israëlieten tot YHWH riepen, vanwege de Midianieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v7)

**8** Zo zond YHWH een man, die een[^richteren-6-8-11] profeet was, tot de Israëlieten; die zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v8)

**9** En Ik heb u verlost van de hand van de Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v9)

**10** En Ik zei tot u: Ik ben YHWH, uw God; vrees[^richteren-6-10-a] de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont; maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v10)

**11** Toen kwam een[^richteren-6-11-12] Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, die[^richteren-6-11-13] aan Joas, de[^richteren-6-11-14] Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon[^richteren-6-11-15] dorste tarwe[^richteren-6-11-16] bij de pers,[^richteren-6-11-17] om die te vluchten voor het aangezicht van[^richteren-6-11-18] de Midianieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v11)

**12** Toen verscheen hem de Engel van YHWH, en zei tot hem: YHWH is met u, u, strijdbare held! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v12)

**13** Maar Gideon zei tot Hem:[^richteren-6-13-19] Och, mijn[^richteren-6-13-20] Heer! zo YHWH met ons is, waarom is ons dan dit alles[^richteren-6-13-21] overkomen? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons YHWH niet uit Egypte opgevoerd? Maar nu heeft ons YHWH verlaten, en heeft ons in de hand van de Midianieten gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v13)

**14** Toen[^richteren-6-14-22] keerde zich YHWH tot hem, en zei:[^richteren-6-14-b] Ga heen in[^richteren-6-14-23] deze uw kracht, en u zult Israël uit de hand van de Midianieten verlossen;[^richteren-6-14-24] heb Ik u niet gezonden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v14)

**15** En hij zei tot Hem:[^richteren-6-15-25] Och, mijn Heer![^richteren-6-15-26] waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn[^richteren-6-15-27] duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v15)

**16** En YHWH zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult u de Midianieten slaan, als één enige man.[^richteren-6-16-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v16)

**17** En hij zei tot Hem: Als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een[^richteren-6-17-29] teken, dat U het bent, Die met mij spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v17)

**18** Wijk toch niet van hier, voordat ik tot U kome, en mijn[^richteren-6-18-30] geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zei: Ik zal blijven, totdat u terugkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v18)

**19** En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een[^richteren-6-19-31] efa meel; het vlees legde hij in een mand, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder de eik, en zette het neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v19)

**20** Maar de Engel van God zei tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op die rotssteen, en[^richteren-6-20-32] giet het sop uit; en hij deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v20)

**21** En de Engel van YHWH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging[^richteren-6-21-33] er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van YHWH verdween[^richteren-6-21-34] uit zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v21)

**22** Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heere, YHWH![^richteren-6-22-35] daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van[^richteren-6-22-36] aangezicht tot aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v22)

**23** Maar YHWH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v23)

**24** Toen bouwde Gideon daar YHWH een altaar, en noemde het:[^richteren-6-24-37] YHWH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van[^richteren-6-24-38] de Abi-ezrieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v24)

**25** En het gebeurde in die nacht, dat YHWH tot hem zei: Neem een stier van de ossen, die van uw vader zijn,[^richteren-6-25-39] te weten, de tweede stier, van[^richteren-6-25-40] zeven jaren; en breek af het altaar van Baäl, dat van uw vader is, en[^richteren-6-25-41] houw af het bos, dat daarbij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v25)

**26** En bouw YHWH, uw God, een altaar, op de[^richteren-6-26-42] hoogte van deze[^richteren-6-26-43] vesting, in een[^richteren-6-26-44] bekwame plaats; en neem de tweede stier, en[^richteren-6-26-45] offer een brandoffer met het hout van de haag, die u zult hebben afgehouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v26)

**27** Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, zoals YHWH tot hem gesproken had. Maar het gebeurde, omdat hij het huis van zijn vader en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v27)

**28** Als nu de mannen van die stad 's morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Baäl omgeworpen, en de haag, die daarbij was, afgehouwen, en die tweede stier was op het gebouwde altaar geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v28)

**29** Zo zeiden zij,[^richteren-6-29-46] de één tot de ander: Wie heeft dit[^richteren-6-29-47] gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zei men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v29)

**30** Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v30)

**31** Joas daarentegen zei tot allen, die bij hem stonden: Zult u voor de Baäl[^richteren-6-31-48] twisten; zult u hem verlossen? Die voor hem[^richteren-6-31-49] zal twisten, zal nog deze morgen gedood worden! Als hij een god is, hij twiste[^richteren-6-31-50] voor zichzelf, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v31)

**32** Daarom noemde[^richteren-6-32-51] hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl[^richteren-6-32-52] twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v32)

**33** Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken[^richteren-6-33-53] over, en sloegen hun kamp op in het dal[^richteren-6-33-54] van Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v33)

**34** Toen[^richteren-6-34-55] trok de Geest van YHWH Gideon aan, en hij[^richteren-6-34-56] blies met de bazuin, en de[^richteren-6-34-57] Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v34)

**35** Ook zond hij boden in[^richteren-6-35-58] geheel Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; evenzo zond hij boden in[^richteren-6-35-59] Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v35)

**36** En Gideon[^richteren-6-36-60] zei tot God: Als U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v36)

**37** Zie, ik zal een wollen vlies op de[^richteren-6-37-61] vloer leggen; als er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de[^richteren-6-37-62] hele aarde, zo zal ik weten, dat U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v37)

**38** En het gebeurde zo; want hij stond op de andere dag vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong de dauw uit het vlies, een schaal vol water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v38)

**39** En Gideon zei tot God:[^richteren-6-39-c] Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleen ditmaal spreke; laat mij toch alleen ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de hele aarde zij dauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v39)

**40** En God deed zo in die nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de hele aarde was dauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/6.html#v40)

[^richteren-6-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, van Midian, en zo in deze gehele historie. Zie van deze Num. 25:17 , 25:18 , en Num. 31:2 , enz. Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen; Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. Numeri 31:2 : Neem de wraak van de kinderen van Israël van de Midianieten; daarna zult u verzameld worden tot uw volken.
[^richteren-6-2-2]: Kanttekening 2: maakten zich de kinderen van Israël: Of, zij bereidden, vermaakten, maakten toe.
[^richteren-6-2-3]: Kanttekening 3: de holen: Om zich daarin tegen de Midianieten te verbergen en te verzekeren.
[^richteren-6-3-4]: Kanttekening 4: kwamen de Midianieten op: Dit hadden zij tevoren jaarlijks gedaan en deden het nu in het zevende jaar opnieuw.
[^richteren-6-3-5]: Kanttekening 5: oosten kwamen: Die oostwaarts woonden, in het bijzonder de Arabieren, die in tenten gewoon waren zich te onthouden. Zie onder, Richt. 8:10 , 8:11 ; Gen. 29:1 , en Job 1:3 . Hebreeuws, קֶ֖דֶם, kinderen van het oosten. Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. Richteren 8:11 : En Gideon toog naar boven, de weg van degenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. Genesis 29:1 : Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land van de kinderen van het Oosten. Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
[^richteren-6-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk, Israël, gelijk in het begin van vers 3 staat. Richteren 6:3 : Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.
[^richteren-6-4-7]: Kanttekening 7: Gelegen in het westen aan de grote zee, verdervende zo het gehele land van het oosten tot het westen.
[^richteren-6-5-8]: Kanttekening 8: Want hun heirleger was wel honderd en vijftig en dertig duizend strijdende mannen sterk, gelijk te zien is onder, Richt. 8:10 , buiten het andere gespuis, dat zulke legers, die geen tegenstand verwachtten, placht te volgen. Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
[^richteren-6-5-9]: Kanttekening 9: niet tellen kon: Hebreeuws, אֵ֣ין, hadden geen getal; dat is, zij waren zeer kwalijk, vanwege de veelheid, te tellen. Zo Richt. 7:12 . Daarentegen wordt van een kleinen hoop volks gezegd, dat zij mensen van getal zijn; dat is, licht om te tellen. Zie Gen. 34:30 . Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^richteren-6-6-10]: Kanttekening 10: vanwege de Midianieten: Hebreeuws, יִּזְעֲק֥וּ, voor het aangezicht; dat is, voor, of om hun aanwezigheid.
[^richteren-6-8-11]: Kanttekening 11: profeet was: Hebreeuws, בְּנֵ֣י, een man, een profeet. Vergelijk boven, Richt. 4:4 . Richteren 4:4 : Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël.
[^richteren-6-10-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 17:35 ; idem v. 38 . 2 Koningen 17:35 : Nochtans had YHWH een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: U zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen. 2 Koningen 17:38 : En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult u niet vergeten; en u zult andere goden niet vrezen.
[^richteren-6-11-12]: Kanttekening 12: Engel van YHWH: Versta, de Zoon van God, die onder, vers 14 , 6:16 met Gods eigen naam, de Heer, of YHWH, genoemd wordt. Vergelijk Gen. 18:17 , en Gen. 48:16 . Zie ook boven, Richt. 5:23 . Richteren 6:14 : Toen keerde zich YHWH tot hem, en zei: Ga heen in deze uw kracht, en u zult Israël uit de hand van de Midianieten verlossen; heb Ik u niet gezonden? Richteren 6:16 : En YHWH zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult u de Midianieten slaan, als een enige man. Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! Richteren 5:23 : Vloekt Meroz, zegt de Engel van YHWH, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp van YHWH, tot de hulp van YHWH, met de helden.
[^richteren-6-11-13]: Kanttekening 13: Omdat Joas daar \[zoals men meent\] de voornaamste was, of het ambt van de overheid bediende. Vergelijk onder, vers 31 , 6:32 . Richteren 6:31 : Joas daarentegen zei tot allen, die bij hem stonden: Zult u voor de Baäl twisten; zult u hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog deze morgen gedood worden! Als hij een god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen. Richteren 6:32 : Daarom noemde hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.
[^richteren-6-11-14]: Kanttekening 14: Uit de stam van Manasse. Zie Joz. 17:2 , en onder, vers 34 , 6:35 ; 1 Kron. 7:14 , 7:18 . Daar was een ander Ofra in de stam van Benjamin gelegen, Joz. 18:23 . Jozua 17:2 : Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen. Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. Richteren 6:35 : Ook zond hij boden in geheel Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; evenzo zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet. 1 Kronieken 7:14 : De kinderen van Manasse waren Asriël, welke de vrouw van Gilead baarde; maar zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead. 1 Kronieken 7:18 : Wat betreft nu zijn zus Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahela. Jozua 18:23 : En Haävvim, en Para, en Ofra,
[^richteren-6-11-15]: Kanttekening 15: dorste tarwe: Niet met ossen \[waarvan Deut. 25:4 \], maar met een stok of dorsvlegel, zoals enige verklaren, om te minder opzien te geven, of in de haast wat voorraad te hebben. Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst.
[^richteren-6-11-16]: Kanttekening 16: bij de pers: Dat is, in de plaats, waar de wijnpers of oliepers stond, waar men, naar sommiger gevoelen, niet gewoon was te dorsen; opdat niemand daarop acht mocht slaan, en deze tarwe voor de aanstaande nood te zekerder geborgen kon worden.
[^richteren-6-11-17]: Kanttekening 17: om die te vluchten: Dat is, om de tarwe in het vluchten mee te nemen, of om zijns vaders huis te doen vluchten, als hij deze tarwe tot provisie zou hebben gedorst.
[^richteren-6-11-18]: Kanttekening 18: Die reeds in aantocht waren. Zie onder, vers 33 , en Richt. 7 . Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
[^richteren-6-13-19]: Kanttekening 19: Och, mijn: Van deze manier van spreken zie Gen. 43:20 , zo onder, vers 15 . Genesis 43:20 : En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om voedsel te kopen. Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader.
[^richteren-6-13-20]: Kanttekening 20: Gideon bewijst hem burgerlijke eer, vooralsnog niet anders wetende of hij was een mens, daar hij in mansgedaante verscheen.
[^richteren-6-13-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, heeft ons dit alles gevonden? Dat is, getroffen, is ons overgekomen.
[^richteren-6-14-22]: Kanttekening 22: keerde Zich YHWH tot hem: Of, de Heer zag hem aan, zag op hem; gevende hem meteen bevel en de nodige krachten om Israël te verlossen, gelijk volgt.
[^richteren-6-14-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 12:11 ; Hebr., 11:32 . 1 Samuël 12:11 : En YHWH zond Jerubbaäl, en Bedan, en Jeftha, en Samuël, en Hij rukte u uit de hand uw vijanden rondom, zo dat u zeker woonde. Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;
[^richteren-6-14-23]: Kanttekening 23: deze uw kracht: Die u nu van mij ontvangt.
[^richteren-6-14-24]: Kanttekening 24: heb Ik u niet gezonden: Immers ja, wil de Heer zeggen: want u hoort mij zeggen ga, met belofte van een goede uitkomst. Daarom twijfel niet, of u zult verrichten, waartoe Ik u zend. Vergelijk boven, Richt. 4:6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^richteren-6-15-25]: Kanttekening 25: Och, mijn Heer: Zie vers 13 . Richteren 6:13 : Maar Gideon zei tot Hem: Och, mijn Heer! zo YHWH met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons YHWH niet uit Egypte opgevoerd? Maar nu heeft ons YHWH verlaten, en heeft ons in de hand van de Midianieten gegeven.
[^richteren-6-15-26]: Kanttekening 26: waarmee zal ik Israël verlossen: Aldus vraagt hij, om van deze hoge en zware beroeping enig nader bescheid en volle verzekering te bekomen. Vergelijk Luk. 1:34 . Lukas 1:34 : En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne?
[^richteren-6-15-27]: Kanttekening 27: Tot welke ik behoor. Uit Ex. 18:25 ; Deut. 1:15 blijkt dat het volk in duizenden door Mozes was afgedeeld, hebbende elk duizend zijn overste, enz. Exodus 18:25 : En Mozes verkoos kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen; Deuteronomium 1:15 : Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.
[^richteren-6-16-28]: Kanttekening 28: enige man: Alsof u maar met één man te doen hadt; dat is, u zult hen lichtelijk verslaan.
[^richteren-6-17-29]: Kanttekening 29: Om mij te verzekeren dat u van God hiertoe gezonden bent, opdat ik deze beroeping met een goede consciëntie mag aannemen.
[^richteren-6-18-30]: Kanttekening 30: geschenk uitbrenge: Alsnog niet anders denkende dan dat hij een mens en profeet was, wil hij hem, naar de wijze van de oudvaders, in de haast met voedsel en drank onthalen. vers 22 wordt hij eerst gewaar dat hij een engel was. Vergelijk hiermede onder, Richt. 13:15 . Richteren 6:22 : Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heer, YHWH! daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht. Richteren 13:15 : Toen zei Manoach tot de Engel van YHWH: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.
[^richteren-6-19-31]: Kanttekening 31: efa meels: Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^richteren-6-20-32]: Kanttekening 32: giet het sop uit: Op het vlees en de koeken, om het wonder te heerlijker en klaarder te maken. Vergelijk 1 Kon. 18:34 . 1 Koningen 18:34 : En hij zei: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zei: Doet het ten tweede male. En zij deden het ten tweede male. Verder zei hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male;
[^richteren-6-21-33]: Kanttekening 33: vuur op uit de rots: Vergelijk Lev. 9:24 ; 1 Kon. 18:38 ; 2 Kron. 7:1 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis.
[^richteren-6-21-34]: Kanttekening 34: uit zijn ogen: Versta, zeer haastig en onvoorziens, zodat hij hem geheel niet meer zag; waardoor hij verschrikt en bevreesd werd, gelijk volgt.
[^richteren-6-22-35]: Kanttekening 35: Te weten, zal ik moeten sterven. Gideon vreest dat hij zal moeten sterven vanwege dit gezicht, gelijk blijkt uit de woorden van God in vers 23 . Vergelijk onder, Richt. 13:22 ; Gen. 16:13 , en Gen. 32:30 ; Ex. 33:20 ; Deut. 5:24 , 5:26 . Richteren 6:23 : Maar YHWH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben. Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. Deuteronomium 5:24 : En zeide: Zie, YHWH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft. Deuteronomium 5:26 : Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven?
[^richteren-6-22-36]: Kanttekening 36: aangezicht tot aangezicht: Vergelijk Deut. 5:4 . Deuteronomium 5:4 : Van aangezicht tot aangezicht heeft YHWH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur,
[^richteren-6-24-37]: Kanttekening 37: YHWH is vrede: Hebreeuws, שָׁל֑וֹם, YHWH Schalom. De zin is: De Heer is onze vrede; belooft, geeft en zendt ons nu de vrede. Want ten eerste, is deze engel, die de Heer Christus zelf was, onze vrede en de rechte vredevorst, Jes. 9:5 , en Jes. 53:5 ; Micha 5:4 ; Luk. 2:14 ; Hand. 10:36 ; Hebr. 7:2 . Zo wordt Hij ook genaamd de Heer onze gerechtigheid; Jer. 23:6 . Ten tweede, had Hij hier Gideon zijn vrede toegezegd, en ook aan zijn volk vrede en verlossing van de Midianieten. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Micha 5:4 : En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Handelingen 10:36 : Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft de kinderen van Israël, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heer van allen. Hebreeën 7:2 : Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede; Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID.
[^richteren-6-24-38]: Kanttekening 38: Zie boven, vers 11 , en vergelijk onder, vers 34 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten. Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.
[^richteren-6-25-39]: Kanttekening 39: te weten, de tweede var: Anders, en de anderen, of tweede; verstaande dat God bevolen heeft twee varren te nemen; maar omdat in het volgende alleen vermaand wordt van die zevenjarigen, en ganselijk niets van een anderen bevolen, wat men die zou doen, wordt de overzetting, die in de tekst staat, door de meesten voor de beste gehouden.
[^richteren-6-25-40]: Kanttekening 40: zeven jaren: Even oud en zoveel jaren gemest zijnde als Israëls ellende onder de Midianieten geduurd had. Deze var meent men, dat Joas gehouden en gemest heeft, om naar de afgodische wijze van die tijd de Baäl te offeren.
[^richteren-6-25-41]: Kanttekening 41: houw af het bos: God wil dat Gideon zijn beroep zal beginnen met de zuivering van de godsdienst.
[^richteren-6-26-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, hoofd.
[^richteren-6-26-43]: Kanttekening 43: Versta, de rotssteen, uit welke het vuur was uitgegaan, dat het voedsel met het sap verteerd had, vers 21 . Zulke rotsstenen gebruikte zij in tijd van nood voor een sterkte en toevlucht. Richteren 6:21 : En de Engel van YHWH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van YHWH bekwam uit zijn ogen.
[^richteren-6-26-44]: Kanttekening 44: bekwame plaats: Of, ordentelijk, geschiktelijk. Hebreeuws, מַּֽעֲרָכָ֑ה, in, of, met ordening, schikking, bekwaamheid. Anders, met een laag \[hout\] om dat ordelijk te leggen onder de var ten brandoffer.
[^richteren-6-26-45]: Kanttekening 45: offer een brandoffer: Dit was een bijzonder bevel van de Heer in deze tijd van verval; anders was het offeren ordinairlijk aan de priesters bevolen.
[^richteren-6-29-46]: Kanttekening 46: de één tot de ander: Hebreeuws, רֵעֵ֔, de man tot zijn naasten.
[^richteren-6-29-47]: Kanttekening 47: stuk gedaan: Hebreeuws, דָּבָ֣ר, woord, ding, zaak; zo in het volgende.
[^richteren-6-31-48]: Kanttekening 48: Pleiten, rechten. Zo in het volgende.
[^richteren-6-31-49]: Kanttekening 49: zal twisten: Dat is, wie verder zijn zaak meer zal durven opnemen en daarvoor spreken. Het schijnt dat Joas tevoren, door menselijke zwakheid, de boosheid van het volk heeft toegegeven, maar nu door deze goddelijke openbaring gesterkt zijnde, recht daartegen gaat.
[^richteren-6-31-50]: Kanttekening 50: voor zichzelven: Of, hij rechte tegen hem \[Gideon\] dat hij, enz.
[^richteren-6-32-51]: Kanttekening 51: hij hem op die dag Jerubbaäl: Joas noemde zijn zoon Gideon Jerubbaäl, dat is, Baäl twiste, of, zal twisten. Zie onder, Richt. 7:1 . Richteren 7:1 : Toen stond Jerubbaäl (die is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
[^richteren-6-32-52]: Kanttekening 52: twiste tegen hem: Of, zal twisten, rechten. Sommigen menen dat het volk, als in afgoderij verzopen zijnde, verwacht heeft dat Baäl deze Gideon op een bijzondere wijze straffen zou, maar het contrarie merkende, hem, als een held Gods, te vuriger gevolgd heeft.
[^richteren-6-33-53]: Kanttekening 53: Over de Jordaan. Zie onder, Richt. 7:24 . Richteren 7:24 : Ook zond Gideon boden in het gehele gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan.
[^richteren-6-33-54]: Kanttekening 54: Zijnde gelegen in Issaschar aan de andere zijde van het gebergte Gilboa, dat tussen Manasse en Issaschar was. Zie Joz. 19:18 , eindigende westwaarts bij de stad Jizreël. Een ander Jizreël was er in Juda; Joz. 15:56 . Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem, Jozua 15:56 : En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah,
[^richteren-6-34-55]: Kanttekening 55: toog de Geest van YHWH: Of, bekleedde hem; te weten, met zulke gaven van wijsheid, ijver, kloekmoedigheid en dapperheid, gelijk de Geest van de Heer wist dat hem tot dit werk, als wapenen nodig zouden zijn. Zie deze manier van spreken ook 1 Kron. 12:18 ; 2 Kron. 24:20 ; Luk. 24:49 ; Rom. 13:14 , en vergelijk Gal. 3:27 ; Ef. 4:24 ; Kol. 3:12 . 1 Kronieken 12:18 : En de Geest toog Amasai aan, de overste van de hoofdlieden, en hij zei: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, u, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden van de benden. 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. Lukas 24:49 : En ziet, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. Romeinen 13:14 : Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. Efeziërs 4:24 : En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
[^richteren-6-34-56]: Kanttekening 56: blies met de bazuin: Dat is, liet hen blazen, gelijk boven, Richt. 3:27 . Richteren 3:27 : En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraïm; en de kinderen van Israël togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.
[^richteren-6-34-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, Abi-Ezer; dat is, die van dat geslacht van Gideon en van zijn vader Joas waren \[boven, vers 11 \], werden bijeengeroepen en vergaderden zich bij hem, om hem te volgen. Zo in het volgende. Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^richteren-6-35-58]: Kanttekening 58: geheel Manasse: Omdat de halve stam aan deze en de andere helft aan de andere zijde van de Jordaan woonde.
[^richteren-6-35-59]: Kanttekening 59: Deze drie stammen waren naast en aan elkaar gelegen, tegen het noorden en aan de zee. In Issaschar, liggende tussen Manasse en Zebulon, was het gehele heirleger van de vijand, gelijk boven, vers 33 . Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
[^richteren-6-36-60]: Kanttekening 60: zei tot God: Anders, Gideon had gezegd; menende dat dit al tevoren geschied is, eer Gideon zich opmaakte tegen de Midianieten, en dat hier verhaald wordt als een reden, waardoor Gideon ten volle in zijn geloof gesterkt zijnde, de beroeping met ijver heeft aangenomen en uitgevoerd. Het is opmerkelijk dat God Gideon zijn verzoek zonder enige berisping heeft toegestaan, waaruit, alsook uit de manier van zijn begeren, blijkt dat hij het niet uit wantrouwen en ongeloof, maar ootmoediglijk tot versterking zijns geloofs begeerd heeft.
[^richteren-6-37-61]: Kanttekening 61: Of, grond, erf, werf. Versta, een effen, onbetimmerde plaats, die buitenshuis onder de open lucht was.
[^richteren-6-37-62]: Kanttekening 62: Versta, de andere aarde daaromtrent, en zo onder, vers 39 . Richteren 6:39 : En Gideon zei tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleen ditmaal spreke; laat mij toch alleen ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de gehele aarde zij dauw.
[^richteren-6-39-c]: Verwijzing c: Gen. 18:32 . Genesis 18:32 : Nog zei hij: Dat toch de Heer niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven vanwege de tienen.

### Richteren 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/7.json)

*Gideon legert zich tegen de Midianieten met zijn krijgsvolk, vers 1. Dat hij op Gods bevel door afkondiging en een teken moet verminderen tot driehonderd man, die hij alleen behoudt, 2. Hij verkent het leger der Midianieten, en, gesterkt door het vertellen en uitleggen van een wonderlijke droom, verdeelt hij zijn volk in drie groepen, die alle tegelijk op de bazuinen blazen, en de kruiken (waarin fakkels waren) stukslaan, 15. Waardoor de Midianieten ontzet en op de vlucht raken, ja, elkaar zelfs vernielen, 21. De dichtstbijzijnde Israëlieten worden opgeroepen om de vluchtende vijand te bestrijden en de doorgang over de Jordaan te beletten, 23. Twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, worden gevangen en gedood, 25.*

**1** Toen stond Jerubbaäl[^richteren-7-1-1] (die is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij sloegen hun kamp op aan de fontein[^richteren-7-1-2] van Harod; dat hij het leger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel[^richteren-7-1-3] More, in het[^richteren-7-1-4] dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v1)

**2** En YHWH zei tot Gideon: Het volk is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn[^richteren-7-2-5] hand heeft mij verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v2)

**3** Nu dan,[^richteren-7-3-6] roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende:[^richteren-7-3-7][^richteren-7-3-a] Wie bevreesd is en beeft, die kere weer, en[^richteren-7-3-9] spoede zich[^richteren-7-3-10] naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.[^richteren-7-3-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v3)

**4** En YHWH zei tot Gideon: Nog is het volk te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u daar[^richteren-7-4-11] beproeven; en het zal gebeuren, van wie Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van wie Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v4)

**5** En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zei YHWH tot Gideon: Al wie met zijn tong[^richteren-7-5-12] uit het water zal likken, zoals een hond zou likken, die zult u alleen stellen; evenzo al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v5)

**6** Toen was het getal van degenen, die met hun hand tot hun mond gelikt hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v6)

**7** En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat[^richteren-7-7-13] al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v7)

**8** [^richteren-7-8-14] En het volk nam de proviant in hun hand, en hun bazuinen; en[^richteren-7-8-15] hij liet al[^richteren-7-8-16] die mannen van Israël gaan, ieder naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het leger van de[^richteren-7-8-17] Midianieten beneden in het dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v8)

**9** En het gebeurde in die nacht, dat YHWH tot hem zei: Sta op, ga heen af in het[^richteren-7-9-18] leger, want Ik heb het in uw hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v9)

**10** Vrees u dan[^richteren-7-10-19] nog af te gaan, zo ga af, u, en Pura, uw jongen, naar het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v10)

**11** En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw[^richteren-7-11-20] handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van[^richteren-7-11-21] de schildwachten, die in het leger waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v11)

**12** [^richteren-7-12-b] En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten,[^richteren-7-12-22] lagen in het dal, zoals[^richteren-7-12-23] sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren[^richteren-7-12-24] ontelbaar, zoals het zand, dat aan de[^richteren-7-12-25] oever van de zee is, in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v12)

**13** Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een[^richteren-7-13-26] geroosterd gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om,[^richteren-7-13-27] het onderste boven, dat de tent er lag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v13)

**14** En zijn metgezel antwoordde, en zei: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëlietische man; God heeft de Midianieten en dit hele leger in zijn hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v14)

**15** En het gebeurde, als Gideon de vertelling van deze droom, en zijn[^richteren-7-15-28] uitlegging hoorde, zo[^richteren-7-15-29] aanbad hij; en hij keerde weer tot het leger van Israël, en zei: Maak u op, want YHWH heeft het leger van de Midianieten in uw hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v15)

**16** En hij deelde de driehonderd man in drie[^richteren-7-16-30] hopen; en hij gaf[^richteren-7-16-31] ieder een bazuin in zijn hand, en lege kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v16)

**17** En hij zei tot hen: Zie[^richteren-7-17-32] naar mij en doet[^richteren-7-17-33] zo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste van de leger, zo zal het gebeuren, zoals ik zal doen, zo zult u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v17)

**18** Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult u ook met de bazuin blazen, rondom het hele leger, en u zult zeggen:[^richteren-7-18-34] Voor YHWH en voor Gideon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v18)

**19** Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van de leger, in het begin van de[^richteren-7-19-35] middelste nachtwaak,[^richteren-7-19-36] als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook[^richteren-7-19-37] sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v19)

**20** Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v20)

**21** En zij stonden, ieder in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het hele leger, en zij schreeuwden en vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v21)

**22** Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo[^richteren-7-22-c] zette YHWH[^richteren-7-22-38] het zwaard van de één[^richteren-7-22-39] tegen de anderen, en dat in het hele leger; en het leger vluchtte tot[^richteren-7-22-40] Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de[^richteren-7-22-41] grens van Abel-mehola, boven Tabbath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v22)

**23** Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit geheel Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v23)

**24** Ook zond Gideon boden in het[^richteren-7-24-42] hele gebergte van Efraïm, zeggende: Kom af de Midianieten tegemoet, en beneemt hun de wateren, tot aan[^richteren-7-24-43] Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara,[^richteren-7-24-44] en de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v24)

**25** [^richteren-7-25-d] En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen[^richteren-7-25-45] Oreb, en Zeëb doodden zij[^richteren-7-25-46] in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon,[^richteren-7-25-47] over de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/7.html#v25)

[^richteren-7-1-1]: Kanttekening 1: die is Gideon: Zie boven, Richt. 6:32 . Richteren 6:32 : Daarom noemde hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.
[^richteren-7-1-2]: Kanttekening 2: van Harod: Hebreeuws, מַחֲנֵ֤ה, Charod; gelegen aan de grenzen van Manasse, aan deze zijde van het gebergte, waarachter de Midianieten gelegerd waren aan de andere zijde. Zie Richt. 6:33 . Deze naam mag de fontein gekregen hebben van het vrezen en sidderen van de 22.000 Israëlieten, onder, vers 3 . Een andere fontein was er bij Jizreël, aan het einde van dit gebergte, westwaarts. Zie 1 Sam. 29:1 . Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël. Richteren 7:3 : Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven. 1 Samuël 29:1 : De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreël is.
[^richteren-7-1-3]: Kanttekening 3: Dit schijnt geweest te zijn één van de bergen Gilboa; zo genoemd van de tijdige regen; vallende zeer mildelijk op de velden, die op de hoogte van die gelegen waren, gelijk sommigen afnemen uit vergelijking van 2 Sam. 1:21 . Op dit gebergte Gilboa werd ook Saul van de Filistijnen verslagen, 1 Sam. 31:1 . 2 Samuël 1:21 : U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden van de hefofferen; want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie. 1 Samuël 31:1 : De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
[^richteren-7-1-4]: Kanttekening 4: Jizreël, gelijk boven, Richt. 6:33 . Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
[^richteren-7-2-5]: Kanttekening 5: hand heeft mij verlost: Of, mijn hand, \[dat is, macht\] heeft mij heil, of verlossing beschikt, aangebracht, de overwinning gemaakt. Zie gelijke manier van spreken Ex. 8:19 . Exodus 8:19 : Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk YHWH gesproken had.
[^richteren-7-3-6]: Kanttekening 6: roep nu uit voor de oren van het volk: Dat is, laat uitroepen en zeggen.
[^richteren-7-3-7]: Kanttekening 7: Wie blode: Vergelijk Deut. 20:8 . Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart.
[^richteren-7-3-a]: Verwijzing a: Deut. 20:8 . Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart.
[^richteren-7-3-9]: Kanttekening 9: spoede zich: Of, vliege heen, verpakke zich deze morgen, of vroeg. Het Hebreeuwse woord schijnt te zien op het snel vliegen van de vogeltjes, en zo verder te betekenen: haastig, spoediglijk doorgaan, enz.
[^richteren-7-3-10]: Kanttekening 10: naar het gebergte van Gilead: Hebreeuws, יָּ֣שָׁב, van, of tegen het gebergte Gileads; dat is, langs de weg, die naar en van dat gebergte gaat; zijnde dit gebergte gelegen recht tegenover Gideons leger, over de Jordaan, vanwaar die van de halve stam van Manasse tot hem gekomen waren. Zie boven, Richt. 6:35 . Richteren 6:35 : Ook zond hij boden in geheel Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; evenzo zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.
[^richteren-7-3-8]: Kanttekening 8: versaagd is: Of, bevende, sidderende, vervaard.
[^richteren-7-4-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, eigenlijk, scheiden, reinigen; gelijk een goudsmid het zilver reinigt, scheidende het goed zilver van het schuim.
[^richteren-7-5-12]: Kanttekening 12: uit het water zal likken: Dat hij staande met de hand zal geschept hebben, gelijk verklaard wordt vers 6 . Dit was een teken van kloekmoedigheid en wakkerheid, gelijk het bukken op de knieën een teken van lafhartigheid en traagheid. Richteren 7:6 : Toen was het getal van degenen, die met hun hand tot hun mond gelikt hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken.
[^richteren-7-7-13]: Kanttekening 13: al dat volk weggaan: Versta, het andere, overige volk.
[^richteren-7-8-14]: Kanttekening 14: En het volk nam de teerkost in hun hand: Anders, toen namen zij de teerkost van het volk in hun hand, en ook derzelver bazuinen; te weten, die drie honderd namen van het volk teerkost voor zich, zoveel hun nodig was, alsook bazuinen, te weten, drie honderd \[ vers 16 \], houdende de weggaanden nog twintig, naar sommiger rekening, zo de gehele legermacht van Gideon tevoren 32.000 sterk was; boven, vers 3 ; hebbende elke duizend tien bazuinen, of elke honderd een. Richteren 7:16 : En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een ieder een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. Richteren 7:3 : Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.
[^richteren-7-8-15]: Kanttekening 15: hij liet: Gideon.
[^richteren-7-8-16]: Kanttekening 16: die mannen: Te weten, de anderen; gelijk in vers 7 . Richteren 7:7 : En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
[^richteren-7-8-17]: Kanttekening 17: beneden in het dal: Aan de andere zijde van het gebergte, zodat hij het voor zich had in het dal Jizreël, toen hij op de berg stond, waar ook het leger van Gideon voor een deel mag hebben gelegen, gelijk af te nemen is uit vers 9 . Richteren 7:9 : En het geschiedde in dezelfde nacht, dat YHWH tot hem zei: Sta op, ga heen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.
[^richteren-7-9-18]: Kanttekening 18: Van de Midianieten.
[^richteren-7-10-19]: Kanttekening 19: af te gaan: Te weten, alleen.
[^richteren-7-11-20]: Kanttekening 20: handen gesterkt worden: Dat is, u zult moedig en bereid worden om hun leger aan te grijpen.
[^richteren-7-11-21]: Kanttekening 21: Het Hebreeuwse woord is eigenlijk te zeggen: gevijfde, die bij vijven, of vijf sterk in het gelid plegen te marcheren, gelijk te zien is Ex. 13:18 . Hiervan komt verder de betekenis van gewapenden, gelijk de tochtorden, en in het bijzonder schildwachten, gemeenlijk moeten zijn. Exodus 13:18 : Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland.
[^richteren-7-12-b]: Verwijzing b: Richt. 6:3 ; idem v. 5 ; idem v. 33 . Richteren 6:3 : Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. Richteren 6:33 : Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
[^richteren-7-12-22]: Kanttekening 22: lagen in het dal: Hebreeuws, עֵ֔מֶק, vielen, of waren gevallen in het dal; dat is, zij lagen verspreid in het dal.
[^richteren-7-12-23]: Kanttekening 23: sprinkhanen in menigte: Zie boven, Richt. 6:5 . Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
[^richteren-7-12-24]: Kanttekening 24: Gelijk boven, Richt. 6:5 . Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
[^richteren-7-12-25]: Kanttekening 25: oever van de zee is: Hebreeuws, יָּ֖ם, aan de lip van de zee.
[^richteren-7-13-26]: Kanttekening 26: geroost gerstebrood: Of, een taart van gerstebrood. Anders, een gedruis van een gerstebrood. Dit geeft te kennen de slechtigheid en verachtelijkheid van het middel, waardoor God Midian slaan en zijn volk verlossen zou.
[^richteren-7-13-27]: Kanttekening 27: het onderste boven: Hebreeuws, מַ֖עְלָ, keerde haar om naar boven.
[^richteren-7-15-28]: Kanttekening 28: uitlegging hoorde: Hebreeuws, שִׁבְר֖, breking; dat is, ontleding, uitlegging, oplossing. Het schijnt dat de manier van spreken ontleend is aan vruchten, die harde schillen hebben en gebroken moeten worden, voordat men de kern kan eten.
[^richteren-7-15-29]: Kanttekening 29: aanbad hij: Hebreeuws, שִׁבְר֖, boog hij zich. Erende en dankende God vanwege zijn wonderlijke regering en deze troost. Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^richteren-7-16-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, hoofden; zo onder, vers 20 , en Richt. 9:34 . Richteren 7:20 : Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon! Richteren 9:34 : Abimelech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij leiden lagen op Sichem, met vier hopen.
[^richteren-7-16-31]: Kanttekening 31: een ieder: Hebreeuws, יִּתֵּ֨ן, hij gaf bazuinen in de hand van hen allen.
[^richteren-7-17-32]: Kanttekening 32: naar mij en doet: Hebreeuws, תַּעֲשׂ֑וּ, ziet, of, u zult zien van, of, uit mij; dat is, naar de aard van de Hebreeuwse spraak somtijds zoveel als: na, of, op mij, tegen mij aan. Vergelijk boven, vers 3 . Anders kan men het ook aldus overzetten: uit, of van mij zult u zien en zo doen; dat is, u zult van mij, of uit mij leren en bemerken wat u doen zult. Richteren 7:3 : Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.
[^richteren-7-17-33]: Kanttekening 33: Gelijk u mij ziet doen.
[^richteren-7-18-34]: Kanttekening 34: Voor YHWH en voor Gideon: Versta hierop: wordt deze strijd gevoerd. Zo wordt de Hebreeuwse letter lamed in zaken van strijd gebruikt, Ex. 14:14 , 14:25 , of aldus: YHWH en Gideon; te weten, zij de overwinning. Of, van YHWH en Gideons; te weten, is het zwaard, uit vers 20 . Exodus 14:14 : YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn. Exodus 14:25 : En Hij stiet de raderen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. Richteren 7:20 : Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon!
[^richteren-7-19-35]: Kanttekening 35: middelste nachtwaak: Dat is, omtrent middernacht, wanneer de wachten wel plegen veranderd te worden.
[^richteren-7-19-36]: Kanttekening 36: als zij maar even: Hebreeuws, אַ֛ךְ, stellende hadden zij gesteld. Anders, maar zij hadden de wachters al opgewekt, of zij wekten alleen de wachters op.
[^richteren-7-19-37]: Kanttekening 37: sloegen zij de kruiken: Of, sloegen haar tegen elkaar, zo dat de stukken hier en daar verstrooid werden. Vergelijk Ps. 2:9 ; Jer. 13:14 , en Jer. 48:12 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Jeremia 13:14 : En Ik zal hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt YHWH; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. Jeremia 48:12 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hun flessen in stukken slaan.
[^richteren-7-22-c]: Verwijzing c: Ps. 83:10 . Psalmen 83:10 : Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;
[^richteren-7-22-38]: Kanttekening 38: zette YHWH: Dat is, beschikte.
[^richteren-7-22-39]: Kanttekening 39: een tegen de anderen: Hebreeuws, רֵעֵ֖, van de man tegen zijn naasten, of metgezel; dat is, de Heer beschikte dat zij elkaar, als vijanden, door verbaasdheid op het lijf vielen en ombrachten.
[^richteren-7-22-40]: Kanttekening 40: Uit het dal waar zij waren gelegerd geweest, langs het gebergte naar de Jordaan, en weer langs de Jordaan landwaarts in; waar Abel-Mehola en Tabbath lagen in Manasse. Zie van Abel-Mehola, 1 Kon. 4:12 en 19:16 . 1 Koningen 4:12 : Baäna, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het gehele Beth-sean, dat is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot op gene zijde van Jokmeam. 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats.
[^richteren-7-22-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, lip.
[^richteren-7-24-42]: Kanttekening 42: gebergte van Efraïm: Aan de andere zijde van Manasse zuidwaarts gelegen, opdat de Midianieten, van beide zijden besloten en van de Jordaan verstoken zijnde, nergens heen mochten ontkomen. Maar intussen waren Zebah en Tsalmuna met omtrent 15.000 man over de Jordaan geraakt, die Gideon met zijn 300 man nagejaagd en verslagen heeft. Zie Richt. 8:10 , 8:12 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. Richteren 8:12 : En Zebah en Tsalmuna vloden; maar hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het gehele leger.
[^richteren-7-24-43]: Kanttekening 43: Nabij de Jordaan gelegen; dit houden sommigen voor Bethabara; Joh. 1:28 . Johannes 1:28 : Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.
[^richteren-7-24-44]: Kanttekening 44: Dat is, hier, naar veler gevoelen, zoveel als: te weten.
[^richteren-7-25-d]: Verwijzing d: Ps. 83:12 ; Jes. 10:26 . Psalmen 83:12 : Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna; Jesaja 10:26 : Want YHWH van de legermachten zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, die Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren.
[^richteren-7-25-45]: Kanttekening 45: Gelegen bij het oosteinde van het gebergte Efraïms, niet ver van de Jordaan. Deze plaats is naderhand zo genoemd vanwege deze geschiedenis, gelijk ook de andere plaats Zeëb.
[^richteren-7-25-46]: Kanttekening 46: Anders, bij, of, aan.
[^richteren-7-25-47]: Kanttekening 47: Of, aan deze zijde. Want het Hebreeuwse woord, naar gelegenheid van de zaken, betekent beiden. In Richt. 8 wordt verhaald dat Gideon met zijn 300 mannen over de Jordaan getrokken is, om de Midianieten en de anderen van het oosten na te jagen. Zie daar Richt. 8:4 . Het meeste gevoelen is, dat dit en wat in Richt. 8:1 , 8:2 , 8:3 volgt, hier vooraf verhaald wordt, om wat door die van Efraïm aan deze zijde van de Jordaan kloekelijk verricht is, te voltooien, maar dat het eerst gebeurd is, toen Gideon van het najagen over de Jordaan en de volle victorie terugkeerde. Maar de aandachtige lezer zal kunnen oordelen, uit vergelijking van vers 25 met Richt. 8:3 . Zie de aantekeningen daar. Richteren 8:4 : Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe, nochtans vervolgende. Richteren 8:1 : Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. Richteren 8:2 : Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? Richteren 8:3 : God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. Richteren 7:25 : En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan. Richteren 8:3 : God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

### Richteren 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/8.json)

*De Efraïmieten morren tegen Gideon, maar worden door hem gestild, vers 1, enz. Hij vervolgt de twee koningen der Midianieten over de Jordaan, waar die van Sukkoth en Pnuël smadelijk weigeren zijn volk te verkwikken, 4. Hij overvalt en vangt de twee koningen der Midianieten en verstrooit hun overige leger, 11. Wanneer hij terugkeert, straft hij die van Sukkoth en Pnuël, 13. Hij doodt de twee koningen, Zebah en Zalmuna, 18; weigert heer over Israël te zijn, 22. Hij vraagt een geschenk van de buit, en maakt daarvan een aanstootgevende efod, en stelt die te Ofra, 24. Gideons kinderen, vrouwen, dood en begrafenis, 30. Israël wordt weer afvallig van God, en is ondankbaar jegens het huis van Gideon, 33.*

**1** [^richteren-8-1-1] Toen zeiden de mannen van[^richteren-8-1-a] Efraïm tot hem: Wat[^richteren-8-1-2] is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentrok om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v1)

**2** Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan,[^richteren-8-2-3] zoals u; zijn niet de[^richteren-8-2-4] nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van[^richteren-8-2-5] Abi-ezer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v2)

**3** God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven;[^richteren-8-3-6] wat heb ik dan kunnen doen, zoals u? Toen liet hun[^richteren-8-3-7] toorn van hem af, als hij dit woord sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v3)

**4** Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe, toch[^richteren-8-4-8] vervolgende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v4)

**5** En hij zei tot de mensen van[^richteren-8-5-9] Sukkoth: Geef toch enige[^richteren-8-5-10] bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen[^richteren-8-5-11] volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v5)

**6** Maar de oversten van Sukkoth[^richteren-8-6-12] zeiden:[^richteren-8-6-13] Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw leger brood zouden geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v6)

**7** Toen zei Gideon: Daarom, als YHWH Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw[^richteren-8-7-14] vlees dorsen met doornen van de woestijn, en met distelen.[^richteren-8-7-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v7)

**8** En hij trok van daar op naar[^richteren-8-8-16] Pnuël, en sprak tot[^richteren-8-8-17] hen evenzo. En de mensen van Pnuël antwoordden hem, zoals de mensen van Sukkoth geantwoord hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v8)

**9** Daarom sprak hij ook tot de mensen van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede terugkome, zal ik deze[^richteren-8-9-18] toren afwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v9)

**10** Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, ongeveer vijftien duizend, al de overgeblevenen van het hele leger van de kinderen van het oosten; en de[^richteren-8-10-19] gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard[^richteren-8-10-20] uittrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v10)

**11** En Gideon trok omhoog, de weg van degenen, die in[^richteren-8-11-21] tenten wonen, tegen het oosten van[^richteren-8-11-22] Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was[^richteren-8-11-23] zorgeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v11)

**12** En Zebah en Tsalmuna vluchtten; maar hij jaagde hen na; en hij[^richteren-8-12-b] ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en[^richteren-8-12-24] verschrikte het hele leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v12)

**13** Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam,[^richteren-8-13-25] voor de opgang van de zon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v13)

**14** Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die[^richteren-8-14-26] schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v14)

**15** Toen kwam hij tot de mensen van Sukkoth, en zei: Zie daar Zebah en Tsalmuna, om wie u mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v15)

**16** En hij nam de oudsten van die stad, en doornen van de woestijn, en distelen, en deed het de mensen van Sukkoth daardoor[^richteren-8-16-27] verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v16)

**17** En de toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de[^richteren-8-17-28] mensen van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v17)

**18** Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die u te[^richteren-8-18-29] Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Zoals u, zo waren zij, dezelfde, van gedaante als koningszonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v18)

**19** Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder; zo werkelijk als YHWH leeft, zo u hen had laten leven, ik zou u niet doden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v19)

**20** En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v20)

**21** Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht.[^richteren-8-21-c] Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de[^richteren-8-21-30] maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v21)

**22** Toen zeiden de[^richteren-8-22-31] mannen van Israël tot Gideon: Heers over ons,[^richteren-8-22-32] zo u als uw zoon en de zoon van uw zoon, omdat u ons van de hand van de Midianieten verlost hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v22)

**23** Maar Gideon zei tot hen:[^richteren-8-23-33] Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; YHWH zal over u heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v23)

**24** Verder zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geef mij maar ieder een[^richteren-8-24-34] voorhoofdsiersel van zijn roof; want[^richteren-8-24-35] zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, omdat zij[^richteren-8-24-36] Ismaëlieten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v24)

**25** En zij zeiden: Wij zullen[^richteren-8-25-37] ze graag geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v25)

**26** En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd[^richteren-8-26-38] sikkels goud, zonder de maantjes, en[^richteren-8-26-39] ketenen, en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen van hun kamelen geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v26)

**27** En Gideon maakte daarvan een[^richteren-8-27-40] efod, en[^richteren-8-27-41] stelde die in zijn stad, te Ofra; en geheel Israël[^richteren-8-27-42] hoereerde daar die na; en het werd Gideon en zijn huis tot een[^richteren-8-27-43] valstrik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v27)

**28** Zo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten, en[^richteren-8-28-44] hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren,[^richteren-8-28-45] in de dagen van Gideon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v28)

**29** En[^richteren-8-29-46] Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en[^richteren-8-29-47] woonde in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v29)

**30** Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn[^richteren-8-30-48] heup voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v30)

**31** En zijn[^richteren-8-31-49] bijvrouw, dat te[^richteren-8-31-50] Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij[^richteren-8-31-51] noemde zijn naam[^richteren-8-31-52] Abimelech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v31)

**32** En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede[^richteren-8-32-53] ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, van[^richteren-8-32-54] de Abi-ezriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v32)

**33** En het gebeurde, als Gideon gestorven was, dat de Israëlieten zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich[^richteren-8-33-55] Baäl-berith tot een God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v33)

**34** En de Israëlieten dachten niet aan YHWH, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v34)

**35** En zij deden[^richteren-8-35-56] geen goedertierenheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/8.html#v35)

[^richteren-8-1-1]: Kanttekening 1: de mannen van Efraïm: Zie de aantekeningen Richt. 7:25 . Richteren 7:25 : En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan.
[^richteren-8-1-a]: Verwijzing a: Richt. 12:1 . Richteren 12:1 : Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom bent u doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.
[^richteren-8-1-2]: Kanttekening 2: stuk is dit: Hebreeuws, דָּבָ֤ר, ding, zaak.
[^richteren-8-2-3]: Kanttekening 3: gelijk u: Dat is, dat met uw daad te vergelijken is.
[^richteren-8-2-4]: Kanttekening 4: nalezingen van Efraïm: Hij verstaat het vervolgen van het vluchtende heirleger van de Midianieten en het vangen van de twee vorsten; dit vergelijkt hij met het nalezen van de druiven, die in de wijnoogst overgelaten zijn, en zijn eigen doen bij de wijnoogst zelf.
[^richteren-8-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, het gehele werk van mij en mijn huis. Want hij was een Abiëzriet. Zie boven, Richt. 6:11 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^richteren-8-3-6]: Kanttekening 6: wat heb ik dan kunnen doen: Het schijnt dat Gideon in deze tijd de twee koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, nog niet geslagen had.
[^richteren-8-3-7]: Kanttekening 7: toorn van hem af: Hebreeuws, דַבְּר֖, geest, moed.
[^richteren-8-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, de vijand.
[^richteren-8-5-9]: Kanttekening 9: Naast gelegen over de Jordaan, in Gads erfdeel, bij de beek of rivier Jabbok. Zie hiervan Gen. 33:17 ; Ps. 60:8 , en Ps. 108:8 , en van een ander Sukkoth Ex. 12:37 ; Num. 33:5 . Genesis 33:17 : Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam dier plaats Sukkoth. Psalmen 60:8 : God heeft gesproken in Zijn heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. Psalmen 108:8 : God heeft gesproken in Zijn heiligdom, daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen. Numeri 33:5 : Als de kinderen van Israël van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.
[^richteren-8-5-10]: Kanttekening 10: bollen broods aan het volk: Anders, stukken.
[^richteren-8-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, dat bij, of, aan zijn voeten is; dat is, mijn voetstappen volgt, of in mijn dienst, onder mijn beleid is. Vergelijk Ex. 11:8 . Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn.
[^richteren-8-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, zei; te weten, een ieder van hen, of een, als president, uit aller naam.
[^richteren-8-6-13]: Kanttekening 13: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna: Dat is, hebt u reeds hun macht in uw geweld? Zij weigeren niet alleen Gideons verzoek, maar verachten en bespotten hem daarenboven, als een, die zich te vroeg als victorieus gedraagt, roepende haring \[zoals men zegt\] voordat hij gevangen is. Zij menen dat het anders zal uitvallen, en willen daarom met Gideon niet te doen hebben.
[^richteren-8-7-14]: Kanttekening 14: vlees dorsen: Dat is, uw lichamen; straffende uw ontrouw en bespotting op een bijzondere wijze, die u tot smaad en spot zal strekken.
[^richteren-8-7-15]: Kanttekening 15: Die tussen Sukkoth en Pnuël gelegen was, bij de beek Jabbok, die Jakob passeerde toen hij met God geworsteld en tevoren de heirlegers van de engelen gezien, en van die plaats gezegd had: dit is Gods veld, noemende de plaats Mahanaïm; dat is, twee heiren; Gen. 32:1 , 32:2 , 32:22 , 32:24 . Hiervan wordt deze woestijn \[als dichtbij gelegen\] genoemd de woestijn van Mahanaïm, uit 2 Sam. 17:27 , 17:29 . Genesis 32:1 : Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen van God ontmoetten hem. Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam derzelver plaats Mahanaim. Genesis 32:22 : En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok. Genesis 32:24 : Maar Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 2 Samuël 17:29 : En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig in de woestijn.
[^richteren-8-8-16]: Kanttekening 16: Zie Gen. 32:30 , en 1 Kon. 12:25 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. 1 Koningen 12:25 : Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuël.
[^richteren-8-8-17]: Kanttekening 17: hen evenzo: Die van Pnuël.
[^richteren-8-9-18]: Kanttekening 18: toren afwerpen: Op welke zij zich, als een vastheid, mogen hebben verlaten, en daarom te trotser gesproken.
[^richteren-8-10-19]: Kanttekening 19: Die tevoren omgekomen waren.
[^richteren-8-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, uittrok; dat is, ieder van hen was tot de krijg bekwaam geweest. Dit dient tot merkelijke vergroting van Gideons victorie. Zie ook deze manier van spreken van het uittrekken van het zwaard, onder, Richt. 20:15 , 20:17 , 20:25 , 20:46 ; 2 Sam. 24:9 ; 2 Kon. 3:26 , enz. Richteren 20:15 : En de kinderen van Benjamin werden op die dag geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibeä geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen. Richteren 20:17 : En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog. Richteren 20:25 : En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en velden van de kinderen van Israël nog achttien duizend man neder ter aarde; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 2 Samuël 24:9 : En Joab gaf de som van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man. 2 Koningen 3:26 : Maar als de koning van de Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittrokken, om door te breken tegen de koning van Edom; maar zij konden niet.
[^richteren-8-11-21]: Kanttekening 21: tenten wonen: Te weten, van de Arabieren, die daarvan Scenitae genoemd zijn, alsof men zei Tentenaars.
[^richteren-8-11-22]: Kanttekening 22: Nobah en Jogbeha: Deze twee plaatsen waren ook daar over de Jordaan gelegen, tegen het oosten.
[^richteren-8-11-23]: Kanttekening 23: Of, zeker, gerust, niet denkende dat Gideon met zijn volk, van najagen vermoeid zijnde, zo haast over de Jordaan en verder deze weg naar het oosten hen zou kunnen achterhalen.
[^richteren-8-12-b]: Verwijzing b: Ps. 83:12 . Psalmen 83:12 : Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;
[^richteren-8-12-24]: Kanttekening 24: verschrikte het gehele leger: Omdat hij hen onvoorziens overviel, werden zij verbaasd en vluchtende verslagen, of immers geheel en ten enenmale verstrooid en machteloos gemaakt.
[^richteren-8-13-25]: Kanttekening 25: voor de opgang van de zon: Of, van \[dat is, kort na, of tegen \] het opgaan van de zon. Want hij had, zonder te rusten \[hoewel vermoeid zijnde\] met zijn volk de vijand vervolgd. Anders, van bij de opgang van Heres. Of, van de opgang van de zon; dat is, van het oosten, waarheen hij de Midianieten vervolgd had. Anders, na de opklimming van de zon; dat is, tegen dat zij begon te dalen.
[^richteren-8-14-26]: Kanttekening 26: schreef hem op de oversten van Sukkoth: Dat is, hij gaf Gideon de namen van de oversten in geschrift, opdat hij niemand dan de schuldigen mocht straffen.
[^richteren-8-16-27]: Kanttekening 27: Te weten, wat zij hadden misdaan, dat is, hij stelde een exempel door deze straf of bijzondere kastijding, om die van Sukkoth deze hoogmoed af te leren. Of zij gedood zijn, gelijk die van Pnuël, dan of zij met deze smadelijke kastijding bij het leven zijn gelaten, staat er niet.
[^richteren-8-17-28]: Kanttekening 28: mensen van de stad: Versta, de oversten van de stad, of alle schuldigen, gelijk uit het voorgaande exempel kan afgenomen worden.
[^richteren-8-18-29]: Kanttekening 29: Thabor doodsloegt: Een berg, gelegen in Zebulon naar de zee toe, dicht aan de beek Kison, aan de zuidzijde van het gebergte, tegenover het dal Jizreël, waar de Midianieten hun leger hadden gehad. Wanneer dit geschied is, wordt hier niet gezegd. Het is te vermoeden dat zij het in deze tocht gedaan hebben, zo om de ligging van de plaats, als omdat Gideon nog niet zeker schijnt geweten te hebben wat eigenlijk van deze zaak was; alhoewel hij schijnt geweten te hebben dat deze zijn broers gedood waren, en dat deze koningen op deze berg enige notabele personen hadden omgebracht, zonder te weten wie, alhoewel vermoeden hebbende van zijn broers.
[^richteren-8-21-c]: Verwijzing c: Ps. 83:12 . Psalmen 83:12 : Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;
[^richteren-8-21-30]: Kanttekening 30: Die gouden halssiersels, die in het Hebreeuws, hun naam hebben van de maan, omdat zij rond waren gelijk de volle maan.
[^richteren-8-22-31]: Kanttekening 31: de mannen: Hebreeuws, אִֽישׁ, de man , dat is een ieder onder het volk.
[^richteren-8-22-32]: Kanttekening 32: zo u als uw zoon en uws zoons zoon: Hebreeuws, בִּנְ, ook u, ook uw zoon, ook uws zoons zoon.
[^richteren-8-23-33]: Kanttekening 33: Ik zal over u niet heersen: Uit deze woorden en onder, vers 29 , blijkt duidelijk dat degenen, die in dit boek richters genoemd worden, geen koningen, landsheren, of ook ordinaire richters van het volk geweest zijn, maar bijzonderlijk geroepen tot verlossing, berscherming, hulp en dienst van Israël, behoudens de vrijheid en de orde van hun republiek. Zie boven, Richt. 2:16 . Richteren 8:29 : En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en woonde in zijn huis. Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richters, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden;
[^richteren-8-24-34]: Kanttekening 34: voorhoofdsiersel van zijn roof: Of, de voorhoofdsiersels, die hij geroofd heeft. Hebreeuws, נִזְמֵ֤י, Een voorhoofdsiersel, of, oorsiersel van zijn roof. Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt van beiden, zo van gouden sieraad aan het voorhoofd als aan de oren. Zie Gen. 24:22 , 24:47 , en Gen. 35:4 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, wier gewicht was tien sikkelen gouds. Genesis 24:47 : Toen vraagde ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, welke Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; Genesis 35:4 : Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is.
[^richteren-8-24-35]: Kanttekening 35: zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad: De vijanden.
[^richteren-8-24-36]: Kanttekening 36: Ismaëlieten waren: Zie Gen. 37:25 , en Gen. 25:13 , enz. Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^richteren-8-25-37]: Kanttekening 37: graag geven: Hebreeuws, יִּפְרְשׂוּ֙, gevende zullen wij geven.
[^richteren-8-26-38]: Kanttekening 38: sikkelen gouds: Zie Gen. 24:22 ; Num. 7:14 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, wier gewicht was tien sikkelen gouds. Numeri 7:14 : Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;
[^richteren-8-26-39]: Kanttekening 39: Anders, gouden busjes, doosjes, kasjes, waarin zij welriekende specerijen of kostelijke zalven medevoerden, om die in flauwten, krankten, of ook voor wonden en kwetsuren te gebruiken.
[^richteren-8-27-40]: Kanttekening 40: Zie Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^richteren-8-27-41]: Kanttekening 41: stelde die in zijn stad: Te weten, op een hogen stok, stang of iets dergelijks, tot een gedenkteken van deze victorie, maar het werd na zijn dood \[gelijk sommigen uit vers 33 , afnemen\] grotelijks misbruikt. Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God.
[^richteren-8-27-42]: Kanttekening 42: hoereerde daar dezelfde na: Bedrijvende met die efod geestelijke hoererij; dat is, afgoderij en superstitie. Zie Lev. 17:7 , en Lev. 20:5 , gelijk zij gedaan hebben met de koperen slang door Mozes opgericht; 2 Kon. 18:4 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien. 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.
[^richteren-8-27-43]: Kanttekening 43: Vergelijk Ex. 23:33 , en Ex. 34:12 ; Deut. 7:16 . De zin is dat het Gideon \[als hebbende onbedachtelijk het volk, tot afgoderij zeer genegen zijnde, de gelegenheid gegeven\] tot zonde is gerekend, en zijn huis ten verderve gestrekt heeft. Zie Richt. 9 . Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn.
[^richteren-8-28-44]: Kanttekening 44: hieven hun hoofd niet meer op: Hebreeuws, רֹאשָׁ֑, deden niet toe, of, voeren niet voort hun hoofd op te heffen.
[^richteren-8-28-45]: Kanttekening 45: in de dagen van Gideon: Dat is, zolang Gideon leefde.
[^richteren-8-29-46]: Kanttekening 46: Dat is, Gideon. Zie boven, Richt. 7:1 . Richteren 7:1 : Toen stond Jerubbaäl (die is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
[^richteren-8-29-47]: Kanttekening 47: woonde in zijn huis: De regering van het volk, die hem was aangeboden, niet aannemende, hen nochtans met zijn autoriteit en aanzien dienende, tot onderhouding van de reine godsdienst en bescherming van hun vrijheid, gelijk uit vers 28 , 8:33 is af te nemen. Geheel anders deed zijn onechte zoon Abimelich, Richt. 9 . Richteren 8:28 : Zo werden de Midianieten te ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God.
[^richteren-8-30-48]: Kanttekening 48: heupe voortgekomen waren: Zie Gen. 46:26 . Genesis 46:26 : Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
[^richteren-8-31-49]: Kanttekening 49: Zie van bijwijven, Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, wier naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^richteren-8-31-50]: Kanttekening 50: Sichem was: Gelegen op een berg in Efraïm, niet ver van Samaria, ten westen van Ofra, waar Gideon woonde. Zie Gen. 12:6 , en Gen. 33:18 . Het was één van de vrijsteden; Joz. 20:7 . Hieromtrent zijn ook Jozefs beenderen begraven; Joz. 24:32 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Genesis 33:18 : En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad. Jozua 20:7 : Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. Jozua 24:32 : Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen van Israël uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.
[^richteren-8-31-51]: Kanttekening 51: noemde zijn naam: Hebreeuws, שְׁמ֖, stelde, zette.
[^richteren-8-31-52]: Kanttekening 52: Die de Sichemieten, na Gideons dood, tot een koning maakten, voorbijgaande, ja dodende al de echte zonen van Gideon, behalve Jotham, die zich verborg. Zie Richt. 9 .
[^richteren-8-32-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, grauwigheid, grijzigheid. Zie Gen. 15:15 . Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden.
[^richteren-8-32-54]: Kanttekening 54: Zie boven, Richt. 6:11 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^richteren-8-33-55]: Kanttekening 55: Baäl-berith tot een God: Dat is, de heer van het verbond. Verlatende zo en verbrekende het verbond van de ware God, die hen zulks menigmalen duidelijk en op het hoogst verboden had, hoewel zij zich wijsmaakten dat dit wel bestaan mocht, wanneer zij Gods verbond en naam daarin betrokken en voorgaven dit tot zijn dienst en eer te gebeuren. Zie ook van deze afgod onder, Richt. 9:4 , en van de Baäls, Richt. 2:11 . Richteren 9:4 : En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden. Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^richteren-8-35-56]: Kanttekening 56: geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl: Zie onder, Richt. 9:5 , 9:16 , 9:17 , 9:24 , 9:56 , 9:57 . Richteren 9:5 : En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op een steen; maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl werd overgelaten, want hij had zich verstopt. Richteren 9:16 : Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de verdienste van zijn handen gedaan hebt. Richteren 9:17 : (Want mijn vader heeft voor u gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit de hand van de Midianieten gered; Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Richteren 9:56 : Zo deed God terugkeren het kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broers. Richteren 9:57 : Evenzo al het kwaad van de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.

### Richteren 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/9.json)

*Abimelech, de zoon van Gideon, beweegt door zijn verwanten die van Sichem ertoe dat zij hem tot koning uitroepen en van geld voorzien, vers 1, enz. Hij vermoordt zijn 70 broers, 5. Wanneer Jotham, de jongste, overgebleven is, stelt hij Abimelech en de Sichemieten, terwijl zij hem koning maakten, door een treffende gelijkenis voor ogen wat zij deden, en hoe het hun samen daarom zou vergaan, 7. Na drie jaar ontstaat er oproer en strijd tussen de Sichemieten en Abimelech, 22. Die Sichem bestrijdt, verovert en verwoest, 43. En de toren te Sichem (waarin het volk gevlucht was) in brand steekt, 47. Hij verovert ook Thebez, 50; maar wanneer hij de toren met het volk in brand wil steken, werpt een vrouw van boven hem zijn schedel in stukken, en hij wordt vervolgens door zijn wapendrager doorstoken, 52.*

**1** Abimelech nu, de zoon van Jerubbaäl, ging heen naar[^richteren-9-1-1] Sichem, tot de[^richteren-9-1-2] broers van zijn moeder; en hij sprak tot hen, en tot het hele geslacht van het huis van de vader van zijn moeder, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v1)

**2** Spreek toch voor de oren van[^richteren-9-2-3] alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat[^richteren-9-2-4] één man over u heerse? Gedenk ook, dat ik uw[^richteren-9-2-5] been en uw vlees ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v2)

**3** Toen spraken de broers van zijn moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al die woorden; en hun hart neigde zich[^richteren-9-3-6] naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v3)

**4** En zij gaven hem zeventig[^richteren-9-4-7] zilverlingen, uit het[^richteren-9-4-8] huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmee[^richteren-9-4-9] ijdele en lichtvaardige mannen,[^richteren-9-4-10] die hem navolgden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v4)

**5** En hij kwam in het huis van zijn vader te Ofra, en doodde zijn broers, de zonen van[^richteren-9-5-11] Jerubbaäl, zeventig mannen, op één steen; maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl werd overgelaten, want hij had zich verstopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v5)

**6** Toen verzamelden zich alle burgers van Sichem, en het hele[^richteren-9-6-12] huis van Millo, en gingen heen en[^richteren-9-6-13] maakten Abimelech tot koning,[^richteren-9-6-a] bij de[^richteren-9-6-14] hoge eik, die bij Sichem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v6)

**7** Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de[^richteren-9-7-15] hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij[^richteren-9-7-17] zei tot hen: Hoor naar mij, u, burgers van Sichem! en God zal naar u horen.[^richteren-9-7-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v7)

**8** [^richteren-9-8-18] De bomen[^richteren-9-8-19] gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Wees u koning over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v8)

**9** Maar de olijfboom zei tot hen: Zou ik[^richteren-9-9-20] mijn vettigheid[^richteren-9-9-21] verlaten, die[^richteren-9-9-22] God en de mensen in mij prijzen? En zou ik heengaan om te[^richteren-9-9-23] zweven over de bomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v9)

**10** Toen zeiden de bomen tot de vijgeboom: Kom u, wees koning over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v10)

**11** Maar de vijgeboom zei tot hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v11)

**12** Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom u, wees koning over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v12)

**13** Maar de wijnstok zei tot hen: Zou ik mijn nieuwe wijn verlaten, die[^richteren-9-13-24] God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v13)

**14** Toen zeiden al de bomen tot de doornenbos: Kom u, wees koning over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v14)

**15** En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van[^richteren-9-15-25] de Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v15)

**16** [^richteren-9-16-26] Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de[^richteren-9-16-27] verdienste van zijn handen gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v16)

**17** (Want mijn vader heeft voor u gestreden, en hij heeft[^richteren-9-17-28] zijn ziel[^richteren-9-17-29] verre weggeworpen, en u uit de hand van de Midianieten gered; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v17)

**18** Maar u bent[^richteren-9-18-30] vandaag opgestaan tegen het huis van mijn vader, en[^richteren-9-18-31] hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één steen gedood; en u hebt Abimelech, een zoon van zijn[^richteren-9-18-32] dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v18)

**19** Als u dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbaäl en bij zijn huis te deze dage gehandeld hebt, zo wees vrolijk over Abimelech, en hij zij ook vrolijk over u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v19)

**20** Maar als niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v20)

**21** Toen vluchtte Jotham, en[^richteren-9-21-33] vluchtte, en ging naar[^richteren-9-21-34] Beer; en hij woonde daar vanwege zijn broer Abimelech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v21)

**22** Als nu Abimelech drie jaar over Israël geheerst had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v22)

**23** Zo zond God een[^richteren-9-23-35] boze geest tussen Abimelech en tussen de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v23)

**24** Opdat het[^richteren-9-24-36] geweld,[^richteren-9-24-37] gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed[^richteren-9-24-38] gelegd werd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die[^richteren-9-24-39] zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v24)

**25** En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de[^richteren-9-25-40] hoogten van de bergen hinderlagen legden, en[^richteren-9-25-41] al wie voorbij hen op de weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v25)

**26** Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broers, en zij[^richteren-9-26-42] gingen over in Sichem; en de burgers van Sichem verlieten zich op[^richteren-9-26-43] hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v26)

**27** En zij trokken uit in[^richteren-9-27-44] het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten[^richteren-9-27-45] lofliederen; en zij gingen in het huis[^richteren-9-27-46] van hun god, en aten en dronken, en vloekten Abimelech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v27)

**28** En Gaäl, de zoon van Ebed, zei:[^richteren-9-28-47] Wie is Abimelech, en[^richteren-9-28-48] wat is Sichem, dat wij[^richteren-9-28-49] hem dienen zouden? is hij niet[^richteren-9-28-50] een zoon van Jerubbaäl? en[^richteren-9-28-51] Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen[^richteren-9-28-52] van Hemor, de vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v28)

**29** [^richteren-9-29-53]Och, dat dit volk in[^richteren-9-29-54] mijn hand was! ik zou Abimelech wel verdrijven. En[^richteren-9-29-55] tot Abimelech zei hij:[^richteren-9-29-56] Vermeerder uw leger, en trek uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v29)

**30** Als Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v30)

**31** En hij zond[^richteren-9-31-57] listig boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers zijn te Sichem gekomen, en zie,[^richteren-9-31-58] zij, met deze stad, handelen vijandig tegen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v31)

**32** Zo maak u nu op bij nacht, u en het volk, dat met u is, en leg hinderlagen in het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v32)

**33** En het gebeure in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo[^richteren-9-33-59] hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, zoals uw[^richteren-9-33-60] hand vinden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v33)

**34** Abimelech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij legden hinderlagen op Sichem, met vier[^richteren-9-34-61] groepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v34)

**35** En Gaäl, de zoon van Ebed, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimelech rees op, en al het volk, dat met hem was, uit de achterlage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v35)

**36** Als Gaäl dat volk zag, zo zei hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de[^richteren-9-36-62] hoogten van de bergen. Zebul daarentegen zei tot hem: U ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v36)

**37** Maar Gaäl voer verder voort te spreken en zei: Zie daar volk, afkomende uit het[^richteren-9-37-63] midden van het land, en één hoop komt van de weg[^richteren-9-37-64] van de eik Meonenim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v37)

**38** Toen zei Zebul tot hem: Waar is nu uw[^richteren-9-38-65] mond, waarmee u zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat u veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v38)

**39** En Gaäl trok uit voor het aangezicht van de burgers van Sichem, en hij streed tegen Abimelech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v39)

**40** En Abimelech jaagde hem na, want hij vluchtte voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur van de stadspoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v40)

**41** Abimelech nu bleef te[^richteren-9-41-66] Aruma; en Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, dat zij te Sichem niet mochten wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v41)

**42** En het gebeurde op de andere dag dat het volk uittrok in het veld, en zij zeiden het Abimelech aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v42)

**43** Toen nam hij het volk, en deelde hen in drie hopen, en hij legde hinderlagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en sloeg hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v43)

**44** Want Abimelech en de[^richteren-9-44-67] hopen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur van de stadspoort; en de twee andere hopen overvielen allen, die in het veld waren, en sloegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v44)

**45** Verder streed Abimelech tegen de stad die hele dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met[^richteren-9-45-68] zout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v45)

**46** Als alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de vesting, in het huis van de[^richteren-9-46-69] god Berith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v46)

**47** En het werd Abimelech aangezegd, dat alle burgers van de toren van Sichem zich verzameld hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v47)

**48** Zo ging Abimelech op de berg[^richteren-9-48-70] Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam[^richteren-9-48-71] een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zei tot het volk, dat bij hem was:[^richteren-9-48-72] Wat u mij hebt zien doen, haast u, doet als[^richteren-9-48-73] ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v48)

**49** Zo hieuw ook al het volk ieder zijn tak af, en zij volgden Abimelech na, en legden ze aan de vesting, en verbrandden daardoor de vesting met vuur; dat ook alle mensen van de toren van Sichem stierven, ongeveer duizend mannen en vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v49)

**50** Verder trok[^richteren-9-50-74] Abimelech naar[^richteren-9-50-75] Thebez, en hij sloeg zijn kamp op tegen Thebez, en nam haar in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v50)

**51** Maar er was een sterke toren in het midden van de stad; zo vluchtten daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak van de toren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v51)

**52** Toen kwam Abimelech tot aan de toren, en[^richteren-9-52-76] bestormde die; en hij naderde tot aan de deur van de toren, om die met vuur te verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v52)

**53** Maar een[^richteren-9-53-b] vrouw wierp een stuk van een[^richteren-9-53-77] molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v53)

**54** Toen riep hij haastig de jongen, die zijn wapenen droeg, en zei tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v54)

**55** Als nu de[^richteren-9-55-78] mannen van Israël zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij ieder naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v55)

**56** Zo deed God[^richteren-9-56-79] terugkeren het kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende[^richteren-9-56-80] zijn zeventig broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v56)

**57** Evenzo al het kwaad van[^richteren-9-57-81] de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en[^richteren-9-57-82] de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/9.html#v57)

[^richteren-9-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Richt. 8:31 . Richteren 8:31 : En zijn bijwijf, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
[^richteren-9-1-2]: Kanttekening 2: broer van zijn moeder: Dat is, bloedverwanten en vrienden. Zo, vers 3 , 9:18 . Richteren 9:3 : Toen spraken de broers van zijn moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al dezelfde woorden; en hun hart neigde zich naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broer. Richteren 9:18 : Maar u bent heden opgestaan tegen het huis van mijn vader, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op een steen gedood; en u hebt Abimelech, een zoon van zijn dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is);
[^richteren-9-2-3]: Kanttekening 3: burgers van Sichem: Hebreeuws, מַה, heren, meesters, mannen, burgers. Zie van het Hebreeuwse woord Baäl, Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^richteren-9-2-4]: Kanttekening 4: een man over u heerse: Hij wil zeggen, dat het buiten twijfel het beste is, verstaande door deze ene man, zichzelven.
[^richteren-9-2-5]: Kanttekening 5: been en uw vlees ben: Van moeders zijde uit Sichem gesproten, en velen onder u in bloede bestaande. Zie van deze manier van spreken, Gen. 2:23 , en Gen. 29:14 . Genesis 2:23 : Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
[^richteren-9-3-6]: Kanttekening 6: naar Abimelech: Hebreeuws, אַחֲרֵ֣י, achter; dat is, om hem na te volgen.
[^richteren-9-4-7]: Kanttekening 7: Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^richteren-9-4-8]: Kanttekening 8: huis van Baäl-berith: Dat is, uit de afgodische tempel van deze afgod, staande op een hoge berg bij Sichem, naar uitwijzen van de kaart. Zie ook van deze afgod boven, Richt. 8:33 . Richteren 8:33 : En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God.
[^richteren-9-4-9]: Kanttekening 9: ijdele en lichtvaardige mannen: Dat is, een hoop van kaal, behoeftig en licht gespuis, bij welke geen vrees voor God was. Vergelijk 2 Kron. 13:7 . 2 Kronieken 13:7 : Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.
[^richteren-9-4-10]: Kanttekening 10: die hem navolgden: Hebreeuws, אַחֲרָֽי, en zij gingen achter hem.
[^richteren-9-5-11]: Kanttekening 11: zeventig mannen: Er werden maar negen en zestig gedood \[want Jotham ontkwam\], maar de Heilige Schrift noemt naar gewoonte het volle getal. Zie Gen. 42:13 ; Num. 14:33 ; 1 Kor. 15:5 . Genesis 42:13 : En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, zonen van één man, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onze vader; maar de één is niet meer. Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. 1 Korinthiërs 15:5 : En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
[^richteren-9-6-12]: Kanttekening 12: huis van Millo: Hebreeuws, יַּמְלִ֥יכוּ, Beth-millo; een stad, gelegen, naar uitwijzen van de kaart, oostwaarts van Sichem, aan het gebergte Efraïms, niet ver van Beth-aven. Anderen verstaan hierdoor de sterkte, vermeld onder, vers 46 , 9:49 , gehouden als een raadhuis, of landhuis, waarin de volle raad placht te vergaderen, met enig garnizoen bezet, dat in deze handel mee gebruikt is. Het woord Millo komt van vullen, volheid, vervulling, waarom het sommigen nemen voor een diepen kuil of vallei, die met aarde en steengruis opgevuld zijnde, gediend heeft tot bouwing van een sterkte, daarvan genoemd Millo. Enige menen dat het geslacht van de vader van Abimelechs moeder hiervan zo genoemd is. Het woord Millo wordt ook gevonden 2 Sam. 5:9 ; 1 Kon. 9:15 , en 1 Kon. 11:27 ; 2 Kon. 12:20 ; 1 Kron. 11:8 ; 2 Kron. 32:5 . Richteren 9:46 : Als alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van de god Berith. Richteren 9:49 : Zo hieuw ook al het volk een ieder zijn tak af, en zij volgden Abimelech na, en leiden ze aan de sterkte, en verbrandden daardoor de sterkte met vuur; dat ook alle mensen van de toren van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen. 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. 1 Koningen 11:27 : Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk van de stad van zijn vader David toe. 2 Koningen 12:20 : En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; 1 Kronieken 11:8 : En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad. 2 Kronieken 32:5 : Zo versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die gebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte.
[^richteren-9-6-13]: Kanttekening 13: maakten Abimelech ten koning: Hebreeuws, מֶ֑לֶךְ, alsof men zei: zij koningden hem ten koning.
[^richteren-9-6-a]: Verwijzing a: Joz. 24:26 . Jozua 24:26 : En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom van YHWH was.
[^richteren-9-6-14]: Kanttekening 14: hogen eik: Of, pilaareik. Zie Joz. 24:26 , 24:27 . Deze plaats hebben zij vermoedelijk verkozen, om dit werk met enige schijn van heiligheid te bekleden, dat zij nochtans met een gruwelijke tirannie hadden begonnen, en zonder de andere stammen daarover te roepen, of God eens raad te vragen, voltrokken. Anders, bij het plein van de pilaar. Jozua 24:26 : En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom van YHWH was. Jozua 24:27 : En Jozua zei tot het gehele volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van YHWH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God niet liegt.
[^richteren-9-7-15]: Kanttekening 15: hoogte van de berg: Hebreeuws, יִּשָּׂ֥א, het hoofd.
[^richteren-9-7-17]: Kanttekening 17: zei tot hen: Zo het schijnt, door Gods ingeven, die Jothams woorden bevestigd heeft; onder, vers 24 , 9:57 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Richteren 9:57 : Evenzo al het kwaad van de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.
[^richteren-9-7-16]: Kanttekening 16: Die aan Sichem was gelegen en recht tegenover lag de berg Ebal, waarvan te zien is Deut. 11:29 , 11:30 ; Joz. 8:33 . Deuteronomium 11:29 : En het zal gebeuren, als u YHWH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal. Deuteronomium 11:30 : Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More? Jozua 8:33 : En geheel Israël met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht van YHWH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen.
[^richteren-9-8-18]: Kanttekening 18: De bomen: Zie een gelijke versierde rede of gelijkenis, tot lering, 2 Kon. 14:9 . 2 Koningen 14:9 : Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.
[^richteren-9-8-19]: Kanttekening 19: gingen eens heen: Hebreeuws, הָֽלְכוּ֙, gaande gingen zij.
[^richteren-9-9-20]: Kanttekening 20: mijn vettigheid: Dat is, de olie.
[^richteren-9-9-21]: Kanttekening 21: Of, zal ik laten ophouden, of, gedwongen worden op te houden, en zo in het volgende.
[^richteren-9-9-22]: Kanttekening 22: God en de mensen in mij prijzen: Want de olie werd gebruikt in de offeranden en lampen van de tabernakel, alsook bij het zalven van de priesters, koningen en \[gelijk uit 1 Kon. 19:16 afgenomen wordt\] profeten, en in het algemeen tot voedsel, sieraad en smuk van 's mensen lichaam. Anders, waarmee men door mij God en de mensen vereert. 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats.
[^richteren-9-9-23]: Kanttekening 23: zweven over de bomen: Dat is, om als koning te gaan omlopen, woelen en zorgen voor andere bomen.
[^richteren-9-13-24]: Kanttekening 24: God en mensen vrolijk maakt: Omdat de wijn in offeranden gebruikt werd en het hart van de mensen verheugt; Ps. 104:15 . Anders, die goden; dat is, die grote heren, en mensen, dat is, gemene mensen verheugt. Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
[^richteren-9-15-25]: Kanttekening 25: Dit gebergte was zeer vermaard vanwege de schone, heerlijke cederbomen, zijnde zeer sterk en duurzaam, die in menigte daarop wiessen, waarvan verscheidene gelijkenissen in de Schrift genomen worden. Zie 2 Kon. 14:9 ; 2 Kron. 2:8 ; Ps. 29:5 , en Ps. 92:13 ; Hoogl. 3:9 , en Hoogl. 5:15 ; Jes. 60:13 ; Jer. 22:23 ; Ez. 17:3 , en Ez. 31:3 ; Hos. 14:6 , 14:7 , 14:8 . 2 Koningen 14:9 : Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. 2 Kronieken 2:8 : Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn. Psalmen 29:5 : De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen van Libanon. Psalmen 92:13 : De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Hooglied 3:9 : De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. Hooglied 5:15 : Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen. Jesaja 60:13 : De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Jeremia 22:23 : O u, die nu op de Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw! Ezechiël 17:3 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder. Ezechiël 31:3 : Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken. Hosea 14:6 : Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Hosea 14:7 : Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als die van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. Hosea 14:8 : Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
[^richteren-9-16-26]: Kanttekening 26: Zo nu: Hier verklaart nu Jotham de voorgestelde gelijkenis.
[^richteren-9-16-27]: Kanttekening 27: verdienste zijn handen gedaan hebt: Of, weldaad.
[^richteren-9-17-28]: Kanttekening 28: zijn ziel: Dat is, zijn leven en persoon niet gespaard, maar voor u gewaagd, of in groot perijkel gesteld.
[^richteren-9-17-29]: Kanttekening 29: verre weggeworpen: Hebreeuws, נֶּ֔גֶד, van tegenover, of, van nabij; gelijk wanneer men iets uit de ogen ver van zich werpt, willende daarop niet zien, om hetzelfde te bezorgen of acht er op te nemen. Vergelijk Deut. 28:66 , en onder, Richt. 12:3 . Deuteronomium 28:66 : En uw leven zal tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u zult van uw leven niet zeker zijn. Richteren 12:3 : Als ik nu zag, dat u niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en YHWH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?
[^richteren-9-18-30]: Kanttekening 30: heden opgestaan: Dat is, in deze tijd.
[^richteren-9-18-31]: Kanttekening 31: hebt zijn zonen: Deze moord verwijt hij de Sichemieten, omdat zij Abimelech daarin gesterkt hadden. Zie vers 24 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^richteren-9-18-32]: Kanttekening 32: Zo noemt hij verachtelijk zijns vaders bijwijf, om de Sichemieten de onbillijkheid van hun daad in te scherpen.
[^richteren-9-21-33]: Kanttekening 33: Het schijnt dat met deze samenvoeging van woorden, die één ding betekenen, te kennen gegeven wordt zijn haastigheid in het vluchten, om door zijn broer niet achterhaald te worden.
[^richteren-9-21-34]: Kanttekening 34: Waar deze plaats gelegen is, is onzeker. Sommigen gissen dat zij lag in de stam van Simeon, aan de uiterste palen van Kanaän, waar enige plaatsen zijn, die de naam Beër hebben, maar met enig bijvoegsel.
[^richteren-9-23-35]: Kanttekening 35: bozen geest: Dit kan men verstaan van een bozen engel of satan, gelijk 1 Sam. 18:10 , en 1 Sam. 19:9 . Of van wederwil, onlust, tweedracht, die de Satan onder hen door een rechtvaardig oordeel van God verwekt heeft. Vergelijk 1 Sam. 16:14 , en 2 Sam. 16:10 , en 2 Sam. 24:1 . 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand. 1 Samuël 19:9 : Maar de boze geest van YHWH was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand; 1 Samuël 16:14 : En de Geest van YHWH week van Saul; en een boze geest van YHWH verschrikte hem. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 2 Samuël 24:1 : En de toorn van YHWH voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen hen, zeggende: Ga, tel Israël en Juda.
[^richteren-9-24-36]: Kanttekening 36: Dat is, straf van het geweld.
[^richteren-9-24-37]: Kanttekening 37: gedaan : Hebreeuws, חֲמַ֖ס, het geweld, of de wreedheid van de zeventig zonen; dat is hun gedaan; aldus dikwijls.
[^richteren-9-24-38]: Kanttekening 38: gelegd wierd op Abimelech: Te weten, op het hoofd van Abimelech en van de Sichemieten. Deze manieren van spreken zijn in de Heilige Schrift gebruikelijk, om te betekenen de wraak van geweld, doodslag of bloedvergieten. Vergelijk 1 Sam. 25:39 ; 2 Sam. 1:16 ; 1 Kon. 2:31 , 2:32 , 2:33 ; Esth. 9:25 ; Ps. 7:17 ; Jer. 51:35 ; Matt. 23:34 , 23:35 , en Matt. 27:25 ; Hand. 5:28 , en Hand. 18:6 , enz. Zie ook onder, vers 56 , 9:57 . 1 Samuël 25:39 : Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zei hij: Gezegend zij YHWH, Die de twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat YHWH het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David zond heen, en liet met Abigaïl spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. 1 Koningen 2:31 : En de koning zei tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat u wegdoet, van mij en van het huis van mijn vader, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft. 1 Koningen 2:32 : Zo zal YHWH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de krijgsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de krijgsoverste van Juda. 1 Koningen 2:33 : Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid. Esther 9:25 : Maar als zij voor de koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou terugkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. Psalmen 7:17 : Zijn moeite zal op zijn hoofd terugkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. Jeremia 51:35 : Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem. Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelfde zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelfde zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. Mattheüs 27:25 : En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. Handelingen 5:28 : Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat u in deze Naam niet zoudt leren? En ziet, u hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan. Richteren 9:56 : Zo deed God terugkeren het kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broers. Richteren 9:57 : Evenzo al het kwaad van de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.
[^richteren-9-24-39]: Kanttekening 39: zijn handen: Die Abimelech in zijn boos voornemen gesterkt en geholpen hadden. Vergelijk boven, Richt. 7:11 . Richteren 7:11 : En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van de schildwachten, die in het leger waren.
[^richteren-9-25-40]: Kanttekening 40: hoogten van de bergen: Hebreeuws, רָאשֵׁ֣י, hoofden.
[^richteren-9-25-41]: Kanttekening 41: al wie voorbij hen: Zijnde Abimelech toegedaan. Sichem lag op de pas van en naar Jeruzalem, en de bergen Gerizim, Ebal, van Baäl-Berith, Zalmon, enz. lagen er dichtbij. Zie boven, vers 7 , en onder, vers 46 , 9:48 . Richteren 9:7 : Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zei tot hen: Hoort naar mij, u, burgers van Sichem! en God zal naar u horen. Richteren 9:46 : Als alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van de god Berith. Richteren 9:48 : Zo ging Abimelech op de berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zei tot het volk, dat bij hem was: Wat u mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.
[^richteren-9-26-42]: Kanttekening 42: gingen over in Sichem: Verlatende hun vorige woonplaats.
[^richteren-9-26-43]: Kanttekening 43: Te weten, Gaäl, die zij als een hoofd en krijgsoverste gebruikten tegen Abimelech.
[^richteren-9-27-44]: Kanttekening 44: Tot een teken van vertrouwen en kleinachting van Abimelech.
[^richteren-9-27-45]: Kanttekening 45: Anders, goede sier, gelijk zij gewoon waren te doen in de wijnoogst.
[^richteren-9-27-46]: Kanttekening 46: huns gods: Baäl-Beriths afgodischen tempel. Zie boven, vers 4 . Richteren 9:4 : En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.
[^richteren-9-28-47]: Kanttekening 47: Wie is Abimelech: Zie gelijke verachtelijke manier van spreken 1 Sam. 25:10 . 1 Samuël 25:10 : En Nabal antwoordde de knechten van David, en zei: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer.
[^richteren-9-28-48]: Kanttekening 48: wat is Sichem: Alsof zij zeiden: Sichem is al te heerlijk en hoog geacht dan dat de heren en burgers daarvan deze Abimelech zouden dienen. Anders: Wie is Sichem? menende dat het hier de naam is van Hemors zoon, Gen. 34 , wie Jakobs zonen niet hebben willen dienen, maar hem gedood, of iemand van zijn nakomelingen van die naam, bij welke Abimelech, als een tiran en slecht van afkomst zijnde, niet is te vergelijken.
[^richteren-9-28-49]: Kanttekening 49: hem dienen zouden: Abimelech.
[^richteren-9-28-50]: Kanttekening 50: een zoon van Jerubbaäl: Dat is, van Gideon, die een vijand was van onze god Baäl en als een gemeen man zonder regering geleefd heeft.
[^richteren-9-28-51]: Kanttekening 51: en Zebul zijn bevelhebber: Die van Abimelech als stadhouder te Sichem was gesteld, vers 30 , en hier tegenwoordig, of immers in de stad, vers 36 . Richteren 9:30 : Als Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn. Richteren 9:36 : Als Gaäl dat volk zag, zo zei hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten van de bergen. Zebul daarentegen zei tot hem: U ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan.
[^richteren-9-28-52]: Kanttekening 52: Dat is, die afkomstig, of nakomelingen zijn van Hemor, Sichems vader. Of, degenen, die niet tiranniek \[gelijk Abimelech\] maar vaderlijk regeren, gelijk Hemor eertijds deed, die als een vader van deze stad gehouden werd; sommigen nemen het aldus: Zo u zoudt dienen, hadt u toch Hemor en zijn nakomelingen mogen dienen; maar dat hebben onze voorvaders niet willen doen, waarom zouden wij dan nu deze Abimelech dienen?
[^richteren-9-29-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, wie zal geven dat, enz. Zie van deze manier van wensen Deut. 5:29 . Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^richteren-9-29-54]: Kanttekening 54: mijn hand ware: Dat is, in mijn macht, onder mijn beleid, zou ik Abimelech haast van kant helpen.
[^richteren-9-29-55]: Kanttekening 55: tot Abimelech zei hij: De afwezenden, alsof hij tegenwoordig ware, \[gelijk pochers en snorkers plegen\] schimpelijk trotserende.
[^richteren-9-29-56]: Kanttekening 56: Vermeerder uw legermacht: Versterk uw volk zozeer als u kunt of wilt, en komt er uit, of voor de dag, gelijk men zegt.
[^richteren-9-31-57]: Kanttekening 57: listiglijk boden: Dat is, in het geheim, latende niets schijnen. Hebreeuws, מַלְאָכִ֛ים, met list, bedrog, of valsheid. Sommigen nemen het Hebreeuwse woord Thorma voor een stad, die zij menen dezelfde te wezen, die onder, vers 41 , genoemd wordt Aruma. Richteren 9:41 : Abimelech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, dat zij te Sichem niet mochten wonen.
[^richteren-9-31-58]: Kanttekening 58: Of, zij dwingen, sterken, wapenen, bezetten deze stad tegen u. Anders, zij zullen u, met de stad \[te weten, Aruma, waar u in bent\], belegeren.
[^richteren-9-33-59]: Kanttekening 59: hij en het volk: Gaäl.
[^richteren-9-33-60]: Kanttekening 60: hand vinden zal: Zoals de gelegenheid zich u zal presenteren, naardat de zaak zich zal geven en u te rade bevinden zult. Zie een dergelijke betekenis van deze manier van spreken Lev. 25:28 ; 1 Sam. 10:7 , en 1 Sam. 25:8 ; Pred. 9:10 . Leviticus 25:28 : Maar als zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van de koper daarvan tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren. 1 Samuël 10:7 : En het zal gebeuren, als u deze tekenen zullen komen, doe u, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. 1 Samuël 25:8 : Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goede dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, wat uw hand vinden zal. Prediker 9:10 : Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar u heengaat.
[^richteren-9-34-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, hoofden; zo boven, Richt. 7:16 , en onder, vers 43 , 9:44 . Richteren 7:16 : En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een ieder een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. Richteren 9:43 : Toen nam hij het volk, en deelde hen in drie hopen, en hij legde lagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en sloeg hen. Richteren 9:44 : Want Abimelech en de hopen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur van de stadspoort; en de twee andere hopen overvielen allen, die in het veld waren, en sloegen hen.
[^richteren-9-36-62]: Kanttekening 62: hoogten van de bergen: Hebreeuws, הָרִ֑ים, hoofden.
[^richteren-9-37-63]: Kanttekening 63: midden van het land: Hebreeuws, טַבּ֣וּר, de navel; een gelijkenis, genomen van de gelegenheid van de navel in 's mensen lichaam. Anders, van de hoogte van het land.
[^richteren-9-37-64]: Kanttekening 64: de eik Meonenim: Of, effen plein van de sterrenkijkers, waarzeggers, guichelaars.
[^richteren-9-38-65]: Kanttekening 65: Dat is, u trotseren en grootspreken.
[^richteren-9-41-66]: Kanttekening 66: Een stad, zuidwaarts van Sichem gelegen, niet ver van de samenloop van de wegen, die van Jeruzalem en Silo naar Sichem gaan, middenwegs tussen Silo en Sichem.
[^richteren-9-44-67]: Kanttekening 67: Dat is, één hoop van de hopen, of troepen. Zie onder, Richt. 12:7 . Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^richteren-9-45-68]: Kanttekening 68: Menende nu volkomenlijk te triomferen en niet denkende wat hij zelf verdiend had, doet hij dit uit hoogmoed, tot een teken dat Sichem eeuwig onvruchtbaar, woest en onbewoond zou blijven, of tot een eeuwig gedenkteken van een voorbeeldige straf van deze rebellie. Vergelijk Num. 18:19 ; Deut. 29:23 ; 2 Kron. 13:5 ; Zef. 2:9 . Maar dat Sichem naderhand bebouwd en bewoond is geweest, blijkt 1 Kon. 12:1 , 12:25 . Numeri 18:19 : Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u. Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; 2 Kronieken 13:5 : Staat het u niet toe te weten, dat YHWH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond? Zefanja 2:9 : Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten. 1 Koningen 12:1 : En Rehabeam toog naar Sichem, want het gehele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. 1 Koningen 12:25 : Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuël.
[^richteren-9-46-69]: Kanttekening 69: Boven genoemd Baäl-Berith, vers 4 . Sommigen menen dat dit Bethel-Berith nog een andere Baälstempel geweest is, gelegen op een berg dicht aan Sichem westwaarts, gelijk Baäl-Beriths tempel oostwaarts aan Sichem op een hoge berg lag. Aldus waren zij aan beide zijden met Baälstempels voorzien, en meenden daarin wel bewaard en verzekerd te zijn, maar, gelijk blijkt, tevergeefs. Richteren 9:4 : En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.
[^richteren-9-48-70]: Kanttekening 70: Liggende aan de westzijde van Sichem. Zie ook van deze berg Ps. 68:15 . Psalmen 68:15 : Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.
[^richteren-9-48-71]: Kanttekening 71: een bijl in zijn hand: Hebreeuws, קַּרְדֻּמּ֜וֹת, bijlen.
[^richteren-9-48-72]: Kanttekening 72: Wat u mij hebt zien doen: Anders, ik heb gedaan wat u gezien hebt.
[^richteren-9-48-73]: Kanttekening 73: Te weten, gedaan heb.
[^richteren-9-50-74]: Kanttekening 74: Zich inbeeldende dat hem deze victoriën geduriglijk volgen zouden.
[^richteren-9-50-75]: Kanttekening 75: Een stad, gelegen noordwaarts van Sichem, tussen het gebergte van Samaria en Gilboa.
[^richteren-9-52-76]: Kanttekening 76: bestormde die: Of, streed er tegen.
[^richteren-9-53-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 11:21 . 2 Samuël 11:21 : Wie sloeg Abimelech, de zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van de muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom bent u tot de muur genaderd? Dan zult u zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.
[^richteren-9-53-77]: Kanttekening 77: Eindelijk, de bovenste steen van de molen, die boven de ondersteen wordt omgedreven.
[^richteren-9-55-78]: Kanttekening 78: mannen van Israël zagen: Die het met Abimelech gehouden hadden.
[^richteren-9-56-79]: Kanttekening 79: terugkeren het kwaad van Abimelech: Te weten, op Abimelechs hoofd; dat is, betaalde, vergold hem. Zie boven, vers 24 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^richteren-9-56-80]: Kanttekening 80: zijn zeventig broers: Zijn eigen broers en zijns vaders echte zonen, boven, vers 5 , daar hijzelf maar een zoon van een bijwijf was, zie Richt. 8:30 , 8:31 . Richteren 9:5 : En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op een steen; maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl werd overgelaten, want hij had zich verstopt. Richteren 8:30 : Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. Richteren 8:31 : En zijn bijwijf, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
[^richteren-9-57-81]: Kanttekening 81: mensen van Sichem: Die Abimelech geholpen hadden in zijn tirannisch voornemen, boven, vers 24 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^richteren-9-57-82]: Kanttekening 82: de vloek van Jotham: Zie boven, vers 20 . Richteren 9:20 : Maar als niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech!

### Richteren 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/10.json)

*Thola en Jaïr zijn richteren, vers 1, enz. Israël vervalt in gruwelijke afgoderij, 6. Daarom geeft God hen over in de hand der Filistijnen en Ammonieten, die hen jammerlijk plagen, 7. Israël verkrijgt ten slotte, door ootmoedig bidden en smeken, alsook afschaffing van de afgoderij, genade bij God, 10. De Ammonieten en Israëlieten legeren zich tegen elkaar in Gilead, 17.*

**1** Na Abimelech nu[^richteren-10-1-1] stond op, om Israël te[^richteren-10-1-2] behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van[^richteren-10-1-3] Issaschar; en hij woonde te[^richteren-10-1-4] Samir, op het gebergte van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v1)

**2** En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v2)

**3** En na hem stond op Jaïr, de[^richteren-10-3-5] Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v3)

**4** En hij had dertig zonen, rijdende op dertig[^richteren-10-4-6] ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden[^richteren-10-4-7] Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v4)

**5** En Jaïr stierf, en werd begraven te[^richteren-10-5-8] Kamon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v5)

**6** Toen[^richteren-10-6-9] voeren de Israëlieten voort te doen, dat[^richteren-10-6-a] kwaad was in de ogen van YHWH, en dienden de Baäls, en[^richteren-10-6-10] Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, en ook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten YHWH, en dienden Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v6)

**7** Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij[^richteren-10-7-11] verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v7)

**8** En zij[^richteren-10-8-12] onderdrukten en vertraden de Israëlieten in[^richteren-10-8-13] dat jaar; achttien[^richteren-10-8-14] jaren, onderdrukten zij al de Israëlieten, die aan de overzijde van de Jordaan waren, in het land van de Amorieten, dat in[^richteren-10-8-15] Gilead is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v8)

**9** Daartoe trokken de kinderen Ammons over de Jordaan, om te strijden, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v9)

**10** Toen riepen de Israëlieten tot YHWH, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v10)

**11** Maar YHWH zei tot de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v11)

**12** En de Sidoniërs, en Amalekieten, en[^richteren-10-12-16] Maonieten, die u onderdrukten, toen u tot Mij riept, dan uit hun hand verlost? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v12)

**13** Toch hebt u Mij[^richteren-10-13-b] verlaten, en andere goden gediend; daarom[^richteren-10-13-17] zal Ik u niet meer verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v13)

**14** [^richteren-10-14-18] Ga heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, in de tijd van uw benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v14)

**15** Maar de Israëlieten zeiden tot YHWH: Wij hebben gezondigd; doe U ons, naar alles, wat[^richteren-10-15-19] goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch te deze dage! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v15)

**16** En zij deden de[^richteren-10-16-20] vreemde goden uit hun midden weg, en dienden YHWH. Toen werd Zijn ziel[^richteren-10-16-21] verdrietig over de[^richteren-10-16-22] arbeid van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v16)

**17** En de kinderen van Ammon werden bijeengeroepen, en sloegen hun kamp op in[^richteren-10-17-23] Gilead; daarentegen werden de[^richteren-10-17-24] Israëlieten verzameld, en sloegen hun kamp op te[^richteren-10-17-25] Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v17)

**18** Toen zei het volk, de[^richteren-10-18-26] oversten van Gilead,[^richteren-10-18-27] de één tot de ander:[^richteren-10-18-28] Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons?[^richteren-10-18-c] die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/10.html#v18)

[^richteren-10-1-1]: Kanttekening 1: stond op: Van God \[gelijk de andere richters\] daartoe bijzonderlijk verwekt zijnde. Zo vers 3 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
[^richteren-10-1-2]: Kanttekening 2: Om Israël na Abimelechs dood in vrede en welstand te herstellen en te beschermen tegen allen, die hen zouden mogen willen beroeren, bespringen of onderdrukken.
[^richteren-10-1-3]: Kanttekening 3: Een van de allerkleinste stammen.
[^richteren-10-1-4]: Kanttekening 4: Te onderscheiden van een ander Samir, gelegen op het gebergte in Juda, aan de uiterste grenzen van Kanaän; Joz. 15:48 . Jozua 15:48 : Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
[^richteren-10-3-5]: Kanttekening 5: Uit het land Gilead, gelegen aan de oostzijde van de Jordaan. Zie Gen. 31:21 , 31:48 ; Num. 32 , en Joz. 17:1 , 17:5 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijn was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Genesis 31:48 : Toen zei Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead, Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan. Jozua 17:5 : En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde van de Jordaan is.
[^richteren-10-4-6]: Kanttekening 6: Zie boven, Richt. 5:10 . Richteren 5:10 : U, die op witte ezelinnen rijdt, u, die aan het gerichte zit, en u, die over weg wandelt, spreekt er van!
[^richteren-10-4-7]: Kanttekening 7: Of, Jaïrs hoeven, vlekken . Zo genoemd van hun vader Jaïr, of naar de vorige Jaïr, waarvan te zien is Num. 32:41 , Deut. 3:14 . Misschien is deze Jaïr een nakomeling van de voorgaande geweest. Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr. Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag.
[^richteren-10-5-8]: Kanttekening 8: Een stad, gelegen aan het noorden van het gebergte Gileads, in het land Basan, toebehorende aan de halve stam van Manasse.
[^richteren-10-6-9]: Kanttekening 9: voeren … voort te doen: Telkens van kwaad naar erger voortgaande, gelijk blijkt uit het volgende.
[^richteren-10-6-a]: Verwijzing a: Richt. 2:11 ; Richt. 3:7 ; Richt. 4:1 ; Richt. 6:1 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls. Richteren 3:7 : En de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen. Richteren 4:1 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, als Ehud gestorven was. Richteren 6:1 : Maar de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf hen YHWH in de hand van de Midianieten, zeven jaren.
[^richteren-10-6-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Richt. 2:13 . Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^richteren-10-7-11]: Kanttekening 11: verkocht hen: Dat is, Hij gaf hen, of leverde hen over in de macht, enz. Zie boven, Richt. 2:14 . Richteren 2:14 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden.
[^richteren-10-8-12]: Kanttekening 12: onderdrukten en vertraden: Of, overweldigden, verbraken, verwreven . Anders: zij hadden onderdrukt en vertreden .
[^richteren-10-8-13]: Kanttekening 13: datzelve jaar: Toen zij tot deze gruwelijke afgoderij vervielen, de Heer telkens dankende voor de langdurige vrede, die Hij hun verleend had.
[^richteren-10-8-14]: Kanttekening 14: achttien jaren: Anders, zijnde het achttiende jaar, \[te weten\] alle, enz.
[^richteren-10-8-15]: Kanttekening 15: Zie boven, vers 3 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
[^richteren-10-12-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, Maon. Er was een stad van die naam in het zuiden van Juda, bij de woestijn Maon. Zie Joz. 15:55 . Anders, de inwoners van het land . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
[^richteren-10-13-b]: Verwijzing b: Deut. 32:15 ; Jer. 2:13 . Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils. Jeremia 2:13 : Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van de levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^richteren-10-13-17]: Kanttekening 17: zal Ik u niet meer verlossen: Hebreeuws, הוֹשִׁ֥יעַ, Ik zal niet toedoen of voortgaan om u te verlossen. Dit dreigt de Heer onder conditie als zij zich niet van harte bekeerden, verlatende alle afgoderij en de ware God alleen dienende, gelijk het volgende uitwijst.
[^richteren-10-14-18]: Kanttekening 18: Gaat heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt: Dit is een manier van spreken, genoemd ironie of bespotting, alsof God zei: Ziet en ondervindt of de goden, die u voor deze hebt aangebeden, u zullen verlossen.
[^richteren-10-15-19]: Kanttekening 19: goed is in Uw ogen: Dat is, naar uw believen, welgevallen.
[^richteren-10-16-20]: Kanttekening 20: de vreemde goden: Hebreeuws, אֱלֹהֵ֤י, de goden van de vreemden; dat is, van de heidenen, die van God en Israël vervreemd waren.
[^richteren-10-16-21]: Kanttekening 21: Of, angstig, benauwd. Hebreeuws, eigenlijk, verkort afgemaaid. Dit wordt menselijker wijze en bij gelijkenis door God gezegd. Vergelijk Ex. 6:8 ; Num. 21:4 ; onder, Richt. 16:16 , en Job 21:4 , enz. Exodus 6:8 : En Mozes sprak zo tot de kinderen van Israël; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van de geest, en vanwege de harde dienstbaarheid. Numeri 21:4 : Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg. Richteren 16:16 : En het geschiedde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe; Job 21:4 : Is (mij aangaande) mijn klacht tot de mens? Maar of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
[^richteren-10-16-22]: Kanttekening 22: Of, moeite , dat is, ellende, lijden, verdriet, die hen werd aangedaan en waarin hun ziel arbeidde.
[^richteren-10-17-23]: Kanttekening 23: Zie boven, vers 3 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
[^richteren-10-17-24]: Kanttekening 24: kinderen van Israël: Zijnde na hun bekering getroost en versterkt van de Heer, die Jeftha tot hun verlosser verwekt heeft, zie Richt. 11 .
[^richteren-10-17-25]: Kanttekening 25: Gelegen op of aan het gebergte van Gilead. Zie Gen. 31:49 , en onder, Richt. 11:11 , 11:29 . Er zijn meer andere plaatsen geweest van deze naam, omdat het Hebreeuwse woord ook betekent een hoogte, of anders bekwame plaats waar men wacht kan houden en ver van zich zien. Zie van een land Mizpa, Joz. 11:3 , gelegen onder de berg Hermon, aan de zee. Van Mizpa in Juda, Joz. 15:38 ; en in Benjamin, Joz. 18:26 ; en Mizpa van de Moabieten, 1 Sam. 22:3 . Zie ook 1 Kon. 15:22 ; Neh. 3:7 , 3:15 , 3:19 ; Jer. 40:6 ; Hos. 5:1 . Genesis 31:49 : En Mizpa; omdat hij zei: Dat YHWH opzicht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de één van de ander zullen verborgen zijn! Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa. Richteren 11:29 : Toen kwam de Geest van YHWH op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons. Jozua 11:3 : Tot de Kanaänieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. Jozua 15:38 : En Dilan, en Mizpa, en Jokteël, Jozua 18:26 : En Mizpe, en Chefira, en Moza, 1 Samuël 22:3 : En David ging van daar naar Mizpa van de Moabieten; en hij zei tot de koning van de Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij u uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal. 1 Koningen 15:22 : Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa. Nehemia 3:7 : En aan hun hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa; tot aan de stoel van de landvoogd aan deze zijde van de rivier. Nehemia 3:15 : En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij het hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad. Nehemia 3:19 : Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover de opgang naar het wapenhuis, aan de hoek. Jeremia 40:6 : Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten. Hosea 5:1 : Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.
[^richteren-10-18-26]: Kanttekening 26: de oversten: De oudsten van het volk. Zie onder, Richt. 11:5 . Richteren 11:5 : Zo geschiedde het, als de kinderen Ammons tegen Israël krijgden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob.
[^richteren-10-18-27]: Kanttekening 27: de één tot de ander: Hebreeuws, רֵעֵ֔, de man tot zijn naaste.
[^richteren-10-18-28]: Kanttekening 28: Wie is de man: De zin is: Die dat zal doen, zal een krijgsoverste of richter wezen over alle Israëlieten, die in Gilead wonen. Zie zulk een manier van vragen Deut. 20:5 , 20:6 , enz.; Ps. 34:13 , 34:14 , en elders. Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. Deuteronomium 20:6 : En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en daarvan vrucht niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete. Psalmen 34:13 : Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Psalmen 34:14 : Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
[^richteren-10-18-c]: Verwijzing c: Richt. 11:6 ; idem v. 9 ; idem v. 10 ; idem v. 11 . Richteren 11:6 : En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. Richteren 11:9 : Toen zei Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo u mij wederhaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en YHWH hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn? Richteren 11:10 : En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: De YHWH zij toehoorder tussen ons, als wij niet zo naar uw woord doen. Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa.

### Richteren 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/11.json)

*Wanneer Jefta, als onwettig kind, door zijn broers verstoten is, gaat hij wonen in het land Tob, waar hij zich met enig volk oefent in strooptochten, vers 1, enz. Hij wordt daarna door de oudsten van Gilead geroepen tot krijgsoverste tegen de Ammonieten, 5. Wat hij onder zekere voorwaarde aanneemt, 9. Hij zendt tweemaal boden tot de koning der Ammonieten, om hem tot het staken van de strijd te bewegen, maar tevergeefs, 12. Daarom trekt Jefta, door Gods Geest gedreven, tegen hem op, en doet een onbedachte gelofte, 29. Hij verslaat de Ammonieten, 32, en volbrengt zijn gelofte aan zijn dochter, 34.*

**1** [^richteren-11-1-a] Jeftha nu, de[^richteren-11-1-1] Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een[^richteren-11-1-2] hoerenkind; maar[^richteren-11-1-3] Gilead had Jeftha gegenereerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v1)

**2** Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen[^richteren-11-2-4] van deze vrouw, groot geworden zijnde, verstootten Jeftha uit, en zeiden tot hem: U zult in het huis van onze vader niet erven, want u bent een zoon van een[^richteren-11-2-5] andere vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v2)

**3** Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land[^richteren-11-3-6] Tob; en[^richteren-11-3-7] ijdele mannen verzamelden zich tot Jeftha, en[^richteren-11-3-8] trokken met hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v3)

**4** [^richteren-11-4-9] En het gebeurde,[^richteren-11-4-10] na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen Israël streden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v4)

**5** Zo gebeurde het, als de kinderen Ammons tegen Israël streden, dat de[^richteren-11-5-11] oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land[^richteren-11-5-12] van Tob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v5)

**6** En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een[^richteren-11-6-13] overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v6)

**7** Maar Jeftha zei tot de oudsten van Gilead: Hebt u mij niet gehaat, en mij uit mijn vaders huis verstoten? waarom bent u dan nu tot mij gekomen,[^richteren-11-7-14] terwijl u in benauwdheid bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v7)

**8** En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u teruggekomen, dat u met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en u zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v8)

**9** Toen zei Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo u mij terughaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en YHWH hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v9)

**10** En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: YHWH zij[^richteren-11-10-15] toehoorder tussen ons, als wij niet zo naar uw woord doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v10)

**11** Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn[^richteren-11-11-16] woorden voor het[^richteren-11-11-17] aangezicht van YHWH te Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v11)

**12** Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons,[^richteren-11-12-18] zeggende:[^richteren-11-12-19] Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om[^richteren-11-12-20] tegen mijn land te strijden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v12)

**13** En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optrok, mijn land genomen heeft, van[^richteren-11-13-21] de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot[^richteren-11-13-22] aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weer met vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v13)

**14** Maar Jeftha[^richteren-11-14-23] voer verder voort, en zond boden tot de koning van de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v14)

**15** En hij[^richteren-11-15-24] zei tot hem: Zo zegt Jeftha:[^richteren-11-15-b] Israël heeft het land van de Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen;[^richteren-11-15-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v15)

**16** Want als zij uit Egypte optrokken, zo wandelde Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te[^richteren-11-16-26] Kades. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v16)

**17** En Israël zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende:[^richteren-11-17-c] Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van de Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning van de Moabieten, die ook niet wilde. Zo bleef Israël in Kades.[^richteren-11-17-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v17)

**18** Daarna wandelde[^richteren-11-18-28] hij in de woestijn, en trok om het land van de Edomieten en het land van de Moabieten, en kwam van de opgang van de zon aan het land van de Moabieten, en[^richteren-11-18-29] zij sloegen hun kamp op aan de overzijde van[^richteren-11-18-30] de Arnon; maar zij kwamen niet binnen het gebied van de Moabieten; want de Arnon is het gebied van de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v18)

**19** [^richteren-11-19-d] Maar Israël zond boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, koning van Hesbon, en Israël[^richteren-11-19-31] zei tot hem:[^richteren-11-19-e] Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan[^richteren-11-19-32] mijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v19)

**20** Maar Sihon betrouwde Israël niet door zijn[^richteren-11-20-33] gebied door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij sloegen hun kamp op te Jaza; en hij streed tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v20)

**21** En YHWH, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; zo nam Israël erfelijk in het hele land van de Amorieten, die in dat land woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v21)

**22** En zij namen erfelijk in het gehele[^richteren-11-22-34] gebied[^richteren-11-22-f] van de Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v22)

**23** Zo heeft nu YHWH, de God van Israël, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zou u[^richteren-11-23-35] hun erfgenaam zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v23)

**24** Zou u niet degene erven, die uw god[^richteren-11-24-36] Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen[^richteren-11-24-37] wij al degene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v24)

**25** [^richteren-11-25-g] Nu verder, bent u[^richteren-11-25-38] veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël[^richteren-11-25-39] getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gestreden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v25)

**26** Terwijl Israël[^richteren-11-26-40] driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stadjes, en in Aroër en in de stadjes, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet[^richteren-11-26-41] gered? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v26)

**27** Ook heb[^richteren-11-27-42] ik tegen u niet gezondigd, maar u[^richteren-11-27-43] doet kwalijk bij mij, dat u tegen mij strijdt; YHWH, Die Rechter is, richte vandaag tussen de Israëlieten en tussen de kinderen Ammons! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v27)

**28** Maar de koning van de kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem[^richteren-11-28-44] gezonden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v28)

**29** Toen[^richteren-11-29-45] kwam de Geest van YHWH op Jeftha, dat hij[^richteren-11-29-46] Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa[^richteren-11-29-47] in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v29)

**30** En Jeftha beloofde YHWH een gelofte, en zei: Als U de kinderen Ammons[^richteren-11-30-48] geheel in mijn hand zult geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v30)

**31** Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons terugkom, dat zal[^richteren-11-31-49] van YHWH zijn,[^richteren-11-31-50] en ik zal het[^richteren-11-31-51] offeren als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v31)

**32** Zo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en YHWH gaf hen in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v32)

**33** En hij sloeg hen van[^richteren-11-33-52] Aroër af tot daar u komt te[^richteren-11-33-53] Minnith, twintig steden, en tot aan[^richteren-11-33-54] Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de kinderen Ammons ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v33)

**34** Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit[^richteren-11-34-55] zich anders geen zoon of dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v34)

**35** En het gebeurde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij[^richteren-11-35-56] geheel neergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot YHWH, en ik zal niet kunnen[^richteren-11-35-58] teruggaan.[^richteren-11-35-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v35)

**36** En zij zei tot hem: Mijn vader! heb u uw mond opengedaan tot YHWH, doe mij, zoals uit uw mond gegaan is; aangezien YHWH u volkomen wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons.[^richteren-11-36-59][^richteren-11-36-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v36)

**37** Verder zei zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij gebeuren:[^richteren-11-37-61] Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga[^richteren-11-37-62] af tot de bergen, en[^richteren-11-37-63] bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v37)

**38** En hij zei: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdom op de bergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v38)

**39** En het gebeurde na verloop van twee maanden dat zij tot haar vader terugkwam, die aan haar[^richteren-11-39-64] volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man[^richteren-11-39-65] bekend. Verder werd het een[^richteren-11-39-66] gewoonte in Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v39)

**40** Dat de dochters van Israël[^richteren-11-40-67] van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet,[^richteren-11-40-68] aan te spreken, vier dagen in het jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/11.html#v40)

[^richteren-11-1-a]: Verwijzing a: Hebr., 11:32 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;
[^richteren-11-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Richt. 10:3 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
[^richteren-11-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, was een zoon van een vrouw, ener hoer. Zie Deut. 23:2 . Anders, de zonen ener waardin. Deuteronomium 23:2 : Geen bastaard zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen.
[^richteren-11-1-3]: Kanttekening 3: Te onderscheiden van Gilead, de zoon van Machir, Joz. 17:1 , 17:3 , zijnde nochtans een van zijn nakomelingen, van dezelfde naam. Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan. Jozua 17:3 : Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
[^richteren-11-2-4]: Kanttekening 4: van deze vrouw: Te weten, van zijn echte vrouw.
[^richteren-11-2-5]: Kanttekening 5: andere vrouw: Dat is, een vreemde, die geen echte vrouw van onze vader geweest is.
[^richteren-11-3-6]: Kanttekening 6: Een landstreek, gelegen langs het gebergte Gilead, bij de ingang van Woest-Arabië, aan de grenzen van de Ammonieten. Zie ook 2 Sam. 10:6 , 10:8 . 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man. 2 Samuël 10:8 : En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur van de poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa waren bijzonder in het veld.
[^richteren-11-3-7]: Kanttekening 7: Of, ledige, behoeftige, geen middel hebbende om te leven.
[^richteren-11-3-8]: Kanttekening 8: togen met hem uit: Om buit te halen, vermoedelijk van de Ammonieten, dat de Israëlieten te meer heeft kunnen bewegen om hem in de krijg te gebruiken tegen de Ammonieten.
[^richteren-11-4-9]: Kanttekening 9: Hier wordt nu vervolgd de historie, die in Richt. 10:18 was begonnen, nadat er tussen ingevoegd was het voorgaande verhaal van Jeftha. Richteren 10:18 : Toen zei het volk, de oversten van Gilead, de één tot de ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.
[^richteren-11-4-10]: Kanttekening 10: na enige dagen: Na de verklaring, die door de oversten van de Gileadieten gedaan was, Richt. 10:18 , of na de tijd, die in Richt. 10:8 , is uitgedrukt. Richteren 10:18 : Toen zei het volk, de oversten van Gilead, de één tot de ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead. Richteren 10:8 : En zij onderdrukten en vertraden de kinderen van Israël in datzelve jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de kinderen van Israël, die aan de overzijde van de Jordaan waren, in het land van de Amorieten, dat in Gilead is.
[^richteren-11-5-11]: Kanttekening 11: oudsten van Gilead heengingen: Of, op een bevel van de Heer, wie zij mogen hebben raad gevraagd, of immers door zijn bijzonder ingeven en regering.
[^richteren-11-5-12]: Kanttekening 12: Zie vers 3 . Richteren 11:3 : Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen vergaderden zich tot Jeftha, en togen met hem uit.
[^richteren-11-6-13]: Kanttekening 13: Of, hertog, generaal, krijgsoverste; maar geen koning, gelijk de Sichemieten Abimelech hadden gemaakt.
[^richteren-11-7-14]: Kanttekening 14: in benauwdheid zijt: Hebreeuws, צַ֥ר, terwijl u angst, of benauwdheid is.
[^richteren-11-10-15]: Kanttekening 15: toehoorder tussen ons: Om getuige te zijn, of als rechter tussen beiden, ons te straffen zo wij anders bij u doen. Vergelijk Deut. 1:16 ; 1 Kon. 3:11 ; Klaagl. 3:61 , 3:62 ; Mal. 2:14 . Deuteronomium 1:16 : En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling. 1 Koningen 3:11 : En God zei tot hem: Daarom dat u deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel van uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; Klaagliederen 3:61 : Schin. YHWH! U hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; Klaagliederen 3:62 : Schin. De lippen van degenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij de hele dag. Maleachi 2:14 : U nu zegt: Waarom? Daarom dat YHWH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw van uw jeugd, met die u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.
[^richteren-11-11-16]: Kanttekening 16: Die hij tevoren tot de gezanten van het volk gesproken had.
[^richteren-11-11-17]: Kanttekening 17: aangezicht van YHWH: Niet bij de ark van het verbond \[gelijk dit dikwijls genomen is\] maar in de generale vergadering van het volk deed hij zijn verklaring \[gelijk een held van het geloof, Hebr., 11:32 \] met religieuze aandacht, als in Gods aanwezigheid, of met aanroeping zijns heiligen naams, en onderlingen eed. De ark van het verbond was ten tijde van Jozua gebracht te Silo, Joz. 18:1 , en was nog daar ten tijde van Eli; 1 Sam. 1:3 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten; Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging naar boven uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.
[^richteren-11-12-18]: Kanttekening 18: Versta, door de gezanten. Zo onder, vers 17 , en in het volgende. Richteren 11:17 : En Israël zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van de Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning van de Moabieten, die ook niet wilde. Zo bleef Israël in Kades.
[^richteren-11-12-19]: Kanttekening 19: met elkaar te doen: Hebreeuws, מַה, wat is mij en u, of wat hebben ik en u? Zie deze manier van spreken ook 2 Sam. 16:10 ; Joh. 2:4 , enz. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? Johannes 2:4 : Jezus zei tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.
[^richteren-11-12-20]: Kanttekening 20: tegen mijn land te krijgen: Jeftha spreekt hier in de naam van het volk, welks voorvechter hij was.
[^richteren-11-13-21]: Kanttekening 21: Arnon af tot aan de Jabbok: Zie van Arnon, Num. 21:13 , 21:14 , 21:15 ; van Jabbok, Gen. 32:22 , enz. Numeri 21:13 : Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. Numeri 21:14 : (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van YHWH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, Numeri 21:15 : En de afloop van de beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leunt aan de landpale van Moab.) Genesis 32:22 : En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.
[^richteren-11-13-22]: Kanttekening 22: aan de Jordaan: Van het gebergte Gileads oostwaarts, tot aan de Jordaan westwaarts.
[^richteren-11-14-23]: Kanttekening 23: voer verder voort: Dit is een zeer wijze en opmerkelijke daad van Jeftha, dat hij Gods bevel betrachtende, Deut. 2:19 , eerst begeerd heeft te weten de oorzaken, die de Ammonieten tot deze krijg mochten hebben bewogen, en daarop hun koning met vele zeer bondige redenen zoekt te overtuigen en tot afstand te bewegen; dienende dit alles tot kwijting en gerustheid van zijn consciëntie, alsook tot versterking van Israël. Deuteronomium 2:19 : En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.
[^richteren-11-15-24]: Kanttekening 24: zei tot hem: Door de gezanten, of liet hem zeggen.
[^richteren-11-15-b]: Verwijzing b: Num. 21:13 ; Deut. 2:9 ; idem v. 19 . Numeri 21:13 : Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 2:19 : En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.
[^richteren-11-15-25]: Kanttekening 25: Want God had van beiden tegenbevel gegeven, omdat zij Lots nakomelingen waren. Zie Deut. 2:9 , 2:19 . Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 2:19 : En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.
[^richteren-11-16-26]: Kanttekening 26: Anders genaamd Zin, te onderscheiden van Kades Barnea. Zie Gen. 14:7 ; Num. 13:26 , en Num. 20:14 , en Num. 33:36 . Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. Numeri 13:26 : En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, in de woestijn van Paran, naar Kades; en brachten bescheid weer aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hun de vrucht van het land zien. Numeri 20:14 : Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van Edom, welke zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite, die ons ontmoet is; Numeri 33:36 : En zij verreisden van Ezeon-geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.
[^richteren-11-17-c]: Verwijzing c: Num. 20:17 . Numeri 20:17 : Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw gebied zullen getrokken zijn.
[^richteren-11-17-27]: Kanttekening 27: Dit kan men ook afnemen uit Deut. 2:29 . Deuteronomium 2:29 : Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat YHWH, onze God, ons geven zal.
[^richteren-11-18-28]: Kanttekening 28: hij in de woestijn: Namelijk, Israël.
[^richteren-11-18-29]: Kanttekening 29: zij legerden zich: Het volk van Israël.
[^richteren-11-18-30]: Kanttekening 30: Zie boven, vers 13 . Richteren 11:13 : En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weer met vrede.
[^richteren-11-19-d]: Verwijzing d: Deut. 2:26 . Deuteronomium 2:26 : Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, de koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:
[^richteren-11-19-31]: Kanttekening 31: zei tot hem: Zie boven, vers 12 . Richteren 11:12 : Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om tegen mijn land te krijgen?
[^richteren-11-19-e]: Verwijzing e: Num. 21:22 . Numeri 21:22 : Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water van de putten niet drinken; wij zullen op de koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.
[^richteren-11-19-32]: Kanttekening 32: mijn plaats: Dat is, onze, te weten, Israëls; onze, dat is, die ons van God gegeven is, namelijk het land Kanaän.
[^richteren-11-20-33]: Kanttekening 33: landpale door te trekken: Dat is, door zijn land; zo onder, vers 22 . Richteren 11:22 : En zij namen erfelijk in de gehele landpale van de Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.
[^richteren-11-22-34]: Kanttekening 34: landpale van de Amorieten: Dat is, het gehele land Sihon, besloten tussen deze palen, de Arnon in het zuiden, de Jabbok in het noorden, de woestijn of Woest Arabië in het oosten, en de Jordaan in het westen.
[^richteren-11-22-f]: Verwijzing f: Deut. 2:36 . Deuteronomium 2:36 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
[^richteren-11-23-35]: Kanttekening 35: hun erfgenaam zijn: Hebreeuws, אֱמֹרִ֔י, zoudt u hem erven? Hem, namelijk, de Amoriet; dat is, het land van de Amorieten; alsook in vers 24 , Deut. 9:1 , en elders dikwijls. Jeftha wil zeggen dat dit is tegen recht en billijkheid. Richteren 11:24 : Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. Deuteronomium 9:1 : Hoor, Israël! u zult heden over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;
[^richteren-11-24-36]: Kanttekening 36: Een afgod van de Moabieten, en \[gelijk hier blijkt\] van de Ammonieten. Zie Num. 21:29 ; 1 Kon. 11:7 ; Jer. 48:7 , 48:13 , 48:46 . Numeri 21:29 : Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. Jeremia 48:7 : Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 48:13 : En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis van Israël beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hun vertrouwen. Jeremia 48:46 : Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.
[^richteren-11-24-37]: Kanttekening 37: wij al dengene erven: Met recht, zo onze God de enige ware God is, wie alles toekomt.
[^richteren-11-25-g]: Verwijzing g: Num. 22:2 . Numeri 22:2 : Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had;
[^richteren-11-25-38]: Kanttekening 38: veel beter dan Balak: Hebreeuws, בָּלָ֥ק, beter beter. De zin is: Hebt u nu zoveel meerder of groter recht dan Balak, die Israël nooit daarover lastig gevallen is? Zie van Balak Num. 22 , Num. 23 , Num. 24 .
[^richteren-11-25-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, twistende getwist, en zo: strijdende gestreden, of krijgende gekrijgd.
[^richteren-11-26-40]: Kanttekening 40: driehonderd jaren: Hier \[alsook elders in de Heilige Schrift\] wordt een rond getal gesteld; alhoewel, naar sommiger rekening, enige weinige jaren zouden overschieten, als men de jaren neemt van de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte, waarvan Jeftha dit verhaal begonnen heeft, en meer jaren onder de drie honderd zijn dan men zou rekenen van de victorie van Israël tegen Sihon bekomen. Zie van dit gebruik van de Heilige Schrift Gen. 15:13 , en onder, Richt. 20:46 ; 2 Sam. 5:5 . Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hun niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda.
[^richteren-11-26-41]: Kanttekening 41: Dat de Ammonieten in zo langen tijd zonder twijfel eens zouden hebben bestaan, als zij zulk een recht vermeend hadden te hebben.
[^richteren-11-27-42]: Kanttekening 42: ik tegen u niet gezondigd: Jeftha wil zeggen dat Israël de Ammonieten hiertoe geen oorzaak gegeven heeft.
[^richteren-11-27-43]: Kanttekening 43: doet kwalijk bij mij: Hebreeuws, רָעָ֖ה, u doet kwaad met mij.
[^richteren-11-28-44]: Kanttekening 44: gezonden had: Dat is, door de gezanten hem hadden laten aanzeggen.
[^richteren-11-29-45]: Kanttekening 45: kwam de Geest van YHWH op Jeftha: Hebreeuws, ר֣וּחַ, was, werd; dat is, toog hem aan, gelijk boven, Richt. 6:34 , en Richt. 3:10 . Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. Richteren 3:10 : En de Geest van YHWH was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en YHWH gaf Cuschan Rischataim, de koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.
[^richteren-11-29-46]: Kanttekening 46: Gilead en Manasse doortrok: Dat is, door het gedeelte van het land Gilead, dat de halve stam van Manasse over de Jordaan bewoonde.
[^richteren-11-29-47]: Kanttekening 47: in Gilead: Onderscheiden van andere plaatsen, hebbende dezelfde naam. Zie boven, Richt. 10:17 . Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^richteren-11-30-48]: Kanttekening 48: ganselijk in mijn hand zult geven: Of, zekerlijk. Hebreeuws, יָדִֽ, gevende geven zult.
[^richteren-11-31-49]: Kanttekening 49: van YHWH zijn: Of, YHWH; te weten, geheiligd zijn.
[^richteren-11-31-50]: Kanttekening 50: Anders, of, alsof hij zei: Mag het geofferd worden, ik zal het offeren; zo niet, het zal evenwel YHWH geheiligd zijn.
[^richteren-11-31-51]: Kanttekening 51: offeren ten brandoffer: Welverstaande, als het zo is, dat het naar Gods wet geoorloofd is te offeren; nu was het niet alleen verboden mensen te offeren, maar ook onreine beesten. Zie Lev. 27:11 , 27:12 , 27:13 . Leviticus 27:11 : En als het enig onrein beest is, waarvan men YHWH geen offerande offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten. Leviticus 27:12 : En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn. Leviticus 27:13 : Maar als hij het immers lossen zal, zo zal hij het vijfde deel daarvan boven uw schatting toedoen.
[^richteren-11-33-52]: Kanttekening 52: Liggende aan de beek Arnon; Deut. 3:12 . Niet waar deze beek van het gebergte Gilead westwaarts afloopt in de Jordaan, maar uit het zuidelijke einde van dit gebergte zuidwaarts heenloopt en eindelijk valt in de Zoutzee. Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden daarvan, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
[^richteren-11-33-53]: Kanttekening 53: Gelegen in het oosten over de beek Arnon.
[^richteren-11-33-54]: Kanttekening 54: Dit wordt door sommigen overgezet: Het plein van de wijngaarden.
[^richteren-11-34-55]: Kanttekening 55: uit zich: Dat is, die uit hem was voortgekomen.
[^richteren-11-35-56]: Kanttekening 56: ganselijk nedergebogen: Hebreeuws, הִכְרַעְתִּ֔, u hebt mij nederbuigende nedergebogen. Aldus ontstelt Jeftha, omdat zijn enig kind in de maagdelijke staat zou moeten blijven, en hem geen nakomelingen van haar geboren mochten worden.
[^richteren-11-35-58]: Kanttekening 58: Dat is, ik zal van mijn gelofte niet kunnen afwijken, ik zal ze moeten volbrengen; niet denkende dat hij ze met dertig sikkelen zilvers, naar de sikkel van het heiligdom, had kunnen lossen, naar de wet van God; Lev. 27:4 , 27:5 . Of hij heeft gemeend dat hij zijn gelofte zo hoog en sterk gedaan had, dat de lossing geen plaats had, of van zichzelf was uitgesloten. Leviticus 27:4 : Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkelen. Leviticus 27:5 : En is het van een, die vijf jaren oud is, tot een, die twintig jaren oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkelen zijn, en voor een vrouw tien sikkelen.
[^richteren-11-35-57]: Kanttekening 57: onder degenen: Dat is, u verstoort mij in deze zaak, gelijk anderen in andere zaken mij verstoord hebben. Vergelijk Ps. 54:6 . Psalmen 54:6 : Ziet, God is mij een Helper; de Heer is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
[^richteren-11-36-59]: Kanttekening 59: doe mij: De dochter onderwerpt zich aan de gelofte haars vaders, onder wiens macht zij nog stond, en met wiens toestemming zij buiten dat vermocht een gelofte te doen. Zie Num. 30:4 , 30:5 . Vergelijk ook Luk. 2:37 ; 1 Kor. 7:25 , 7:26 , 7:27 , 7:28 . Numeri 30:4 : En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. Numeri 30:5 : Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar YHWH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken. Lukas 2:37 : En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, die niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. 1 Korinthiërs 7:25 : Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heer; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heer gekregen heb, om getrouw te zijn. 1 Korinthiërs 7:26 : Ik houde dan dit goed te zijn, om de aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens goed is zo te zijn. 1 Korinthiërs 7:27 : Bent u aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; bent u ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw. 1 Korinthiërs 7:28 : Maar als u ook trouwt, u zondigt niet; en als een maagd trouwt, zij zondigt niet. Maar zulke zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare u.
[^richteren-11-36-60]: Kanttekening 60: volkomen wraak gegeven heeft: Hebreeuws, נְקָמ֛וֹת, wraken gedaan heeft.
[^richteren-11-37-61]: Kanttekening 61: Laat twee maanden van mij af: Dat is, vergun mij twee maanden tijds.
[^richteren-11-37-62]: Kanttekening 62: ga af tot de bergen: Hieruit nemen sommigen af dat Jeftha's huis op een hoge berg gelegen is geweest, gelijk de plaatsen, Mizpa genoemd, gemeenlijk, als wachtplaatsen, op hoge bergen gelegen waren. Zie boven, Richt. 10:17 . Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^richteren-11-37-63]: Kanttekening 63: bewene mijn maagdom: Omdat het voortbrengen van kinderen in die tijd zeer veel geacht, en het contrarie voor smadelijk gehouden werd. Zie Gen. 30:23 . Merk hier en in het volgende, dat zij niet wil gaan wenen, omdat zij geslacht of gedood en ten brandoffer zal moeten worden opgeofferd, maar alleen spreekt van haar maagdom, overeenkomende met wat in de volgende verzen verhaald wordt. Genesis 30:23 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn smaadheid weggenomen!
[^richteren-11-39-64]: Kanttekening 64: volbracht zijn gelofte: Doende haar blijven \[gelijk in het volgende verhaald wordt\] in haar maagdelijken stand, en haar aan de Heer heiligende en afzonderende volgens zijn belofte vers 37 . Vergelijk 1 Sam. 1:22 ; Luk. 2:37 ; 1 Kor. 7:32 . Richteren 11:37 : Verder zei zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij gebeuren: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga af tot de bergen, en bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen. 1 Samuël 1:22 : Maar Hanna toog niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van YHWH verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid. Lukas 2:37 : En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, die niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. 1 Korinthiërs 7:32 : En ik wil, dat u zonder bekommernis bent. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer zal behagen;
[^richteren-11-39-65]: Kanttekening 65: Zie Gen. 4:1 , en Gen. 19:8 . Deze woorden zijn een platte en naakte verklaring van wat Jeftha aan zijn dochter, volgens de zin van zijn gelofte, gedaan heeft. Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^richteren-11-39-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, inzetting, ordinantie.
[^richteren-11-40-67]: Kanttekening 67: van jaar tot jaar heengingen: Hebreeuws, בְּנ֣וֹת, van dagen tot dagen; dat is, van jaar tot jaar, of jaarlijks; gelijk de laatste woorden van vers 40 verklaren. Zie ook Lev. 25:29 . Richteren 11:40 : Dat de dochters van Israël van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar. Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^richteren-11-40-68]: Kanttekening 68: aan te spreken: Of, samenspreken, kouten; te weten, om haar te vergezelschappen en in haar maagdelijken stand te troosten en te verkwikken. Het Hebreeuwse woord wordt ook gevonden boven, Richt. 5:11 , waar het dezelfde betekenis heeft, die hier in de tekst gevolgd is. Richteren 5:11 : Van het gedruis van de schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt daar te zamen van de gerechtigheid van YHWH, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël; toen ging het volk van YHWH af tot de poorten.

### Richteren 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/12.json)

*Die van Efraïm komen zonder reden in opstand tegen Jefta, vers 1, enz. En er worden tweeënveertigduizend van hen verslagen, 4. Jefta sterft, 7. Na hem zijn richters Ebzan, 8; Elon, 11; Abdon, 13.*

**1** Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken[^richteren-12-1-1] over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha:[^richteren-12-1-2][^richteren-12-1-a] Waarom bent u doorgetrokken om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons[^richteren-12-1-3] niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen[^richteren-12-1-4] uw huis met u met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v1)

**2** En Jeftha zei tot hen:[^richteren-12-2-5] Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb u geroepen, maar u hebt mij uit hun hand niet verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v2)

**3** Als ik nu zag, dat[^richteren-12-3-6] u niet verloste, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en trok[^richteren-12-3-7] door tot de kinderen Ammons, en YHWH[^richteren-12-3-8] gaf hen in mijn hand;[^richteren-12-3-9] waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v3)

**4** En Jeftha[^richteren-12-4-10] verzamelde alle mannen van Gilead, en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm,[^richteren-12-4-11] want de Gileadieten, zijnde tussen Efraïm en tussen Manasse,[^richteren-12-4-12] zeiden: U bent[^richteren-12-4-13] vluchtelingen van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v4)

**5** Want de Gileadieten namen de Efraïmieten de[^richteren-12-5-14] doorwaadbare plaatsen van de Jordaan af; en het gebeurde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot[^richteren-12-5-15] hem: Bent u een[^richteren-12-5-16] Efraïmiet? wanneer hij zei: Nee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v5)

**6** Zo zeiden zij tot hem:[^richteren-12-6-17] Zeg nu[^richteren-12-6-18] Schibboleth; maar hij zei: Sibbolet, en kon het zo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en[^richteren-12-6-19] versloegen hem aan de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan, dat in die tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v6)

**7** Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de[^richteren-12-7-20] steden van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v7)

**8** En na hem richtte Israël Ebzan, van[^richteren-12-8-21] Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v8)

**9** En hij had dertig zonen; en hij[^richteren-12-9-22] zond dertig dochters naar buiten, en bracht dertig dochters van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israël zeven jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v9)

**10** Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v10)

**11** En na hem richtte Israël Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israël tien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v11)

**12** En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te[^richteren-12-12-23] Ajalon, in het land van Zebulon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v12)

**13** En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de[^richteren-12-13-24] Pirhathoniet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v13)

**14** En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen,[^richteren-12-14-25] rijdende op zeventig[^richteren-12-14-b] ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v14)

**15** Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op de berg van[^richteren-12-15-26] de Amalekiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/12.html#v15)

[^richteren-12-1-1]: Kanttekening 1: over naar het noorden: Versta, over de Jordaan in het land Gilead, waar Jeftha was, noordwaarts.
[^richteren-12-1-2]: Kanttekening 2: Waarom bent u doorgetogen: Gelijk zij tevoren gesproken hadden tot Gideon; boven, Richt. 8:1 . Maar lieten zich nog in die tijd gezeggen, maar hier stichtten zij, uit enkel trotsheid en hoogmoed, een inlandsen krijg, en betonen grote ondankbaarheid tegen Jeftha tot hun eigen nadeel.
[^richteren-12-1-a]: Verwijzing a: Richt. 8:1 . Richteren 8:1 : Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
[^richteren-12-1-3]: Kanttekening 3: niet geroepen: Het tegendeel verklaart Jeftha in vers 2 . Richteren 12:2 : En Jeftha zei tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb u geroepen, maar u hebt mij uit hun hand niet verlost.
[^richteren-12-1-4]: Kanttekening 4: uw huis met u met vuur verbranden: Anders, uw huis over, of, boven u met vuur verbranden.
[^richteren-12-2-5]: Kanttekening 5: Ik en mijn volk: Hebreeuws, רִ֗יב, ik was een man van de twist, en mijn volk, en de kinderen Ammons zeer. Jeftha wil zeggen dat, alhoewel de Ammonieten niet op het land van Efraïm, maar op dat van de Israëlieten, die in Gilead woonden, aanspraak maakten, hij nochtans Efraïm, als broers en bondgenoten, te hulp geroepen heeft, maar tevergeefs. Jeftha zoekt hen eerst met redenen tot afstand van wapenen te bewegen, gelijk hij tevoren aan de Ammonieten gedaan had. Aangaande de Hebreeuwse manier van spreken, vergelijk 2 Sam. 8:10 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^richteren-12-3-6]: Kanttekening 6: u niet verlostet: Efraïm.
[^richteren-12-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, palm; dat is, ik stelde mijn leven in groot perijkel; zo 1 Sam. 19:5 , en 1 Sam. 28:21 ; Job 13:14 ; Ps. 119:109 . De manier van spreken schijnt genomen te zijn van degenen, die een kostelijk en nochtans zeer breekbaar ding, als glas of iets dergelijks, in de hand dragen, met perijkel van te laten vallen en gebroken te worden. Vergelijk boven, Richt. 9:17 . 1 Samuël 19:5 : Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de Filistijn geslagen, en YHWH heeft een groot heil aan het gehele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zoudt u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende? 1 Samuël 28:21 : De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zei tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die u tot mij gesproken hebt. Job 13:14 : Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen? Psalmen 119:109 : Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet. Richteren 9:17 : (Want mijn vader heeft voor u gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit de hand van de Midianieten gered;
[^richteren-12-3-8]: Kanttekening 8: YHWH gaf hen in mijn hand: Bevestigende mijn beroep en de billijkheid of rechtvaardigheid van deze krijg.
[^richteren-12-3-9]: Kanttekening 9: waarom bent u dan: Omdat u geheel geen reden hebt.
[^richteren-12-4-10]: Kanttekening 10: vergaderde alle mannen van Gilead: Ziende dat Efraïm hardnekkig bleef en hem wilde overvallen.
[^richteren-12-4-11]: Kanttekening 11: want de Gileadieten: In het Hebreeuws, אָמְרוּ֙, zijn de woorden aldus overgezet: Want zij zeiden: Gijlieden zijt vluchtenden van Efraïm: \[namelijk\] de Gileadieten, in het midden van Efraïm, in het midden van Manasse; dat is, die aan de veren van de Jordaan woonden, in het midden tussen Efraïm en Manasse; vers 4 wordt in het volgende verklaard. Anders, u, Gileadieten, bent vluchtenden van Efraïm, onder de Efraïmieten en onder de Manassieten. Alsof die van Efraïm zo smadelijk en verachtelijk van de Gileadieten gesproken hadden, of gewoon waren te spreken; en zulks de oorzaak was van deze krijg en van hun nederlaag; waarover de verstandige lezer mag oordelen. Richteren 12:4 : En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraïm en tussen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraïm.
[^richteren-12-4-12]: Kanttekening 12: Versta, tot de Efraïmieten, die zij uit hun spraak kenden, toen zij, nadat Efraïm overwonnen en op de vlucht geslagen was, over de Jordaan naar hun land meenden te ontkomen.
[^richteren-12-4-13]: Kanttekening 13: vluchtelingen van Efraïm: Hebreeuws, ת֥וֹךְ, eigenlijk, ontkomenen, ontlopenen.
[^richteren-12-5-14]: Kanttekening 14: veren van de Jordaan af: Gelijk Efraïm door Gideons aanzeggen gedaan had aan de Midianieten boven, Richt. 7:24 , opdat zij niet mochten ontkomen. Richteren 7:24 : Ook zond Gideon boden in het gehele gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan.
[^richteren-12-5-15]: Kanttekening 15: Te weten, tot iedereen van Efraïm, die de Jordaan begeerde te passeren.
[^richteren-12-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, Efraïmiet. Zo 1 Sam. 1:1 . 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^richteren-12-6-17]: Kanttekening 17: Zeg nu: Om verzekerd te wezen dat hij niet was uit enige stam in Gilead wonende, als Rubeniet, Gadiet of Manassiet, die ook aan de veren mochten komen om over te gaan.
[^richteren-12-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, een stroom, vloed, of vaart. Somtijds ook een korenaar. Dit woord verkozen zij, omdat het bij de veren van de Jordaan wel tepaskwam, en de Efraïmieten zonder achterdenken hun spraak zouden melden, gelijk het gemeenlijk gebeurt dat een volk of natie, enerlei spraak hebbende, nochtans verscheidene woorden en letters in het ene gedeelte van het land anders uitspreekt dan in een ander geschiedt. Vergelijk Matt. 26:73 . Mattheüs 26:73 : En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, u bent ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
[^richteren-12-6-19]: Kanttekening 19: versloegen hem: Hebreeuws, יִּשְׁחָט֖וּ, eigenlijk, staken hem de keel af, keelden hem.
[^richteren-12-7-20]: Kanttekening 20: steden van Gilead: Dat is, in één van de steden van het land Gilead. Zie gelijke manier van spreken Gen. 19:29 ; 2 Kron. 35:24 ; onder, Richt. 18:14 ; Neh. 6:2 ; Jona 1:5 ; Matt. 27:44 . Sommigen menen dat de voornaamste stad in Gilead aldus mag genoemd zijn, omdat zij in verscheidene gedeelten, elk hebbende een bijzonderen naam, afgedeeld kan geweest zijn, gelijk Jeruzalem, Ramathaïm; 1 Sam. 1:1 ; en hedendaags veel dergelijke grote steden gevonden worden. Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had. 2 Kronieken 35:24 : En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. Nehemia 6:2 : Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen. Jona 1:5 : Toen vreesden de zeelieden, en riepen iedereen tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen. Mattheüs 27:44 : En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^richteren-12-8-21]: Kanttekening 21: Zie Gen. 35:19 . Er zijn twee steden van die naam geweest: een in Juda, waar onze Zaligmaker Jezus Christus geboren is; de andere op de noordelijke grenzen van Zebulon, zie Joz. 19:15 , welke hier schijnt verstaan te worden, omdat de andere gemeenlijk genoemd wordt Bethlehem Juda. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
[^richteren-12-9-22]: Kanttekening 22: zond dertig dochters naar buiten: Dat is, hij gaf dertig dochters uit ten huwelijk, en nam er dertig weer van buiten, tot vrouwen voor zijn zonen.
[^richteren-12-12-23]: Kanttekening 23: Te onderscheiden van een ander Ajalon in het land van Dan; boven, Richt. 1:35 . Het schijnt dat er meer steden van deze naam in andere stammen geweest zijn. Zie 1 Kron. 6:69 , en 1 Kron. 8:13 ; 2 Kron. 11:10 , en 2 Kron. 28:18 . Richteren 1:35 : Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij schatplichtig werden. 1 Kronieken 6:69 : En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden. 1 Kronieken 8:13 : En Beria, en Sema; deze waren familiehoofden van de inwoners te Ajalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven. 2 Kronieken 11:10 : En Zora, en Ajalon, en Hebron; die in Juda en in Benjamin de vaste steden waren. 2 Kronieken 28:18 : Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^richteren-12-13-24]: Kanttekening 24: Van hier was ook Benaja, een van Davids helden; 2 Sam. 23:30 . De stad Pirhaton was gelegen westwaarts van Samaria en Sichem, op een hoge berg, genaamd de berg van de Amalekiet, of van de Amalekieten. 2 Samuël 23:30 : Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
[^richteren-12-14-25]: Kanttekening 25: rijdende op zeventig ezelveulens: Zie boven, Richt. 5:10 , en Richt. 10:4 . Richteren 5:10 : U, die op witte ezelinnen rijdt, u, die aan het gerichte zit, en u, die over weg wandelt, spreekt er van! Richteren 10:4 : En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn.
[^richteren-12-14-b]: Verwijzing b: Richt. 10:4 . Richteren 10:4 : En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn.
[^richteren-12-15-26]: Kanttekening 26: Het eigen land van de Amalekieten was gelegen buiten de grenzen van Kanaän, in het zuidoosten, tegenover Egypte, bij de Schelfzee, aan de woestijn Havila. Zie 1 Sam. 15:7 , en vergelijk Ex. 17:8 . Maar uit deze plaats schijnt het dat een gedeelte in Efraïm eertijds ook gewoond, of immers gezocht heeft te nestelen. 1 Samuël 15:7 : Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar u komt te Sur, dat voor aan Egypte is. Exodus 17:8 : Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

### Richteren 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/13.json)

*God geeft Israël, om hun zonden, een lange tijd over in de hand der Filistijnen, vers 1. De Engel des HEEREN verschijnt aan de onvruchtbare vrouw van Manoah, en zegt haar aan dat zij een zoon zal baren, en hoe zij zich zal gedragen, en hoe men met het kind zal handelen, 2. Wanneer Manoah dit van zijn vrouw vernomen heeft, bidt en verkrijgt hij dat de Engel terugkomt, en hen beiden over het kind onderricht, 6. Manoah wil de Engel spijs bereiden, en vraagt naar zijn naam, 15. Maar de Engel vaart in de vlam van het brandoffer (dat hij in plaats van spijs begeerd had) ten hemel, 20. Waardoor Manoah zeer verschrikt is, en door zijn vrouw gesterkt wordt, 22. Die hem Simson baart, 24, in wie Gods Geest begint te werken, 25.*

**1** En de Israëlieten voeren voort[^richteren-13-1-a] te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v1)

**2** En er was een man van[^richteren-13-2-1] Zora, uit het geslacht van[^richteren-13-2-2] een Daniet, van wie de naam Manoach was; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v2)

**3** En een[^richteren-13-3-3] Engel van YHWH verscheen aan deze vrouw, en Hij zei tot haar: Zie nu, u bent onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar u zult zwanger worden, en een zoon baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v3)

**4** Zo wees toch nu op uw hoede, en drink[^richteren-13-4-4] geen[^richteren-13-4-b] wijn noch sterke drank, en eet niets[^richteren-13-4-5] onreins. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v4)

**5** Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren,[^richteren-13-5-c] op wiens hoofd geen[^richteren-13-5-6] scheermes zal komen; want dat jongetje zal een[^richteren-13-5-7] Nazireër Gods zijn, van[^richteren-13-5-8] moeders buik af; en hij zal[^richteren-13-5-9] beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v5)

**6** Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een[^richteren-13-6-10] Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer[^richteren-13-6-11] vreselijk; en ik vroeg Hem niet, vanwaar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v6)

**7** Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterke drank, en eet niets onreins; want dat jongetje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag van zijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v7)

**8** Toen[^richteren-13-8-12] aanbad Manoach YHWH vurig, en zei: Och, YHWH! dat toch de Man van God, Die U gezonden hebt, weer tot ons kome, en ons lere, wat we dat jongetje doen zullen, dat geboren zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v8)

**9** En God verhoorde de stem van Manoach; en de Engel van God kwam opnieuw tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, maar haar man Manoach was niet bij haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v9)

**10** Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zei tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, die op die dag tot mij kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v10)

**11** Toen stond Manoach op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot die Man, en zei tot Hem: Bent u die Man, Die tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zei: Ik ben het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v11)

**12** Toen zei Manoach: Nu,[^richteren-13-12-13] dat Uw woorden komen; maar wat zal de wijze van het jongetje en zijn werk zijn?[^richteren-13-12-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v12)

**13** En de Engel van YHWH zei tot Manoach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb,[^richteren-13-13-15] zal zij zich wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v13)

**14** Zij zal niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn[^richteren-13-14-16] voortkomt; en wijn en sterke drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v14)

**15** Toen zei Manoach tot de Engel van YHWH: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje[^richteren-13-15-17] voor Uw aangezicht bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v15)

**16** Maar de Engel van YHWH zei tot Manoach: Als u Mij zult ophouden, Ik zal[^richteren-13-16-18] van uw brood niet eten; en als u een brandoffer zult doen, dat zult u YHWH offeren.[^richteren-13-16-19] Want Manoach wist niet, dat het een Engel van YHWH was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v16)

**17** En Manoach zei tot de Engel van YHWH: Wat is Uw naam, opdat wij U[^richteren-13-17-20] vereren, wanneer Uw woord zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v17)

**18** En de Engel van YHWH zei tot hem: Waarom vraagt u dus naar Mijn naam? Die is toch[^richteren-13-18-21] Wonderlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v18)

**19** Toen nam Manoach een geitenbokje, en het voedseloffer, en[^richteren-13-19-22] offerde het op de rotssteen[^richteren-13-19-23] aan YHWH. En[^richteren-13-19-24] Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v19)

**20** En het gebeurde, als de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel van YHWH op in de vlam van het altaar. Als Manoach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v20)

**21** En de Engel van YHWH[^richteren-13-21-25] verscheen niet meer aan Manoach, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manoach, dat het een Engel van YHWH was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v21)

**22** En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen[^richteren-13-22-26] zeker[^richteren-13-22-d] sterven, omdat wij God gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v22)

**23** Maar zijn huisvrouw zei tot hem: Zo YHWH lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en voedseloffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om deze tijd zoiets als dit laten horen.[^richteren-13-23-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v23)

**24** Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam[^richteren-13-24-28][^richteren-13-24-e] Simson; en dat jongetje werd groot, en YHWH zegende het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v24)

**25** En de Geest van YHWH begon hem bij tijden aan te[^richteren-13-25-29] vuren in het[^richteren-13-25-30] leger van Dan, tussen[^richteren-13-25-31] Zora en tussen Esthaol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/13.html#v25)

[^richteren-13-1-a]: Verwijzing a: Richt. 2:11 ; Richt. 3:7 ; Richt. 4:1 ; Richt. 6:1 ; Richt. 10:6 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls. Richteren 3:7 : En de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen. Richteren 4:1 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, als Ehud gestorven was. Richteren 6:1 : Maar de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf hen YHWH in de hand van de Midianieten, zeven jaren. Richteren 10:6 : Toen voeren de kinderen van Israël voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, en ook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten YHWH, en dienden Hem niet.
[^richteren-13-2-1]: Kanttekening 1: Gelegen aan de westelijke zijde van het gebergte, dat Juda en Dan van elkaar scheidt; aan de oostelijke zijde woonde de stam Juda. Zie Joz. 15:33 , en Joz. 19:40 , 19:41 . Jozua 15:33 : In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, Jozua 19:40 : Het zevende lot ging uit voor de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen. Jozua 19:41 : En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes,
[^richteren-13-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, van de stam Dan.
[^richteren-13-3-3]: Kanttekening 3: Engel van YHWH: Versta hier, de Zoon van God zelf, gelijk Richt. 6:11 . Zie onder de aantekeningen vers 16 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten. Richteren 13:16 : Maar de Engel van YHWH zei tot Manoach: Als u Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en als u een brandoffer zult doen, dat zult u YHWH offeren. Want Manoach wist niet, dat het een Engel van YHWH was.
[^richteren-13-4-4]: Kanttekening 4: drink geen wijn noch sterken drank: Zie Num. 6:3 , 6:4 . Numeri 6:3 : Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. Numeri 6:4 : Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.
[^richteren-13-4-b]: Verwijzing b: Num. 6:2 ; idem v. 3 . Numeri 6:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich YHWH af te zonderen; Numeri 6:3 : Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.
[^richteren-13-4-5]: Kanttekening 5: Zie Lev. 11 .
[^richteren-13-5-c]: Verwijzing c: Num. 6:5 ; 1 Sam. 1:11 . Numeri 6:5 : Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds groeien. 1 Samuël 1:11 : En zij beloofde een gelofte, en zei: YHWH van de legermachten, zo U eenmaal de ellende van Uw dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat YHWH geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.
[^richteren-13-5-6]: Kanttekening 6: Zie Num. 6:5 . Numeri 6:5 : Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds groeien.
[^richteren-13-5-7]: Kanttekening 7: Nazireeër Gods zijn: Dat is, afgezonderde. Zie hiervan Num. 6:2 . Numeri 6:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich YHWH af te zonderen;
[^richteren-13-5-8]: Kanttekening 8: moeders : Het woord moeder, wordt hier en in vers 7 ingevoegd uit Richt. 16:17 . Richteren 13:7 : Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag zijns doods. Richteren 16:17 : Zo verklaarde hij haar zijn gehele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijn moeders buik af; als ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen.
[^richteren-13-5-9]: Kanttekening 9: beginnen Israël te verlossen: Maar niet ganselijk verlossen, dat naderhand geschied is, ten tijde van Samuël en David. Zie 1 Sam. 7:13 , 7:14 , 2 Sam. 8:1 en 21:15 , etc. en 23:12 . 1 Samuël 7:13 : Zo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in het gebied van Israël; want de hand van YHWH was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël. 1 Samuël 7:14 : En de steden, welke de Filistijnen van Israël genomen hadden kwamen weer aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël derzelver landpale uit de hand van de Filistijnen; en er was vrede tussen Israël en tussen de Amorieten. 2 Samuël 8:1 : En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. 2 Samuël 21:15 : Verder hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israël. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moe werd. 2 Samuël 23:12 : Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en YHWH wrocht een groot heil.
[^richteren-13-6-10]: Kanttekening 10: Man van God: Zo worden de profeten en leraars van Gods volk genoemd, omdat zij van God tot een heiligen en goddelijken dienst beroepen zijn, die Hij, als zijnde zijn boden, zijn heiligen wil zeer gemeenzaam openbaart, om die het volk aan te dienen, en omdat zij instrumenten zijns Heiligen Geestes zijn. Zie Joz. 14:6 ; 1 Sam. 2:27 ; 1 Kon. 13:1 , en 1 Kon. 17:18 , 17:24 ; 2 Kon. 4 , 2 Kon. 5 , 2 Kon. 6 , 2 Kon. 7 , 2 Kon. 8 ; Ezra 3:2 ; Neh. 12:24 , 12:36 , ook 1 Tim. 6:11 ; 2 Tim. 3:17 ; 2 Petr. 1:21 . Jozua 14:6 : Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: U weet het woord, dat YHWH tot Mozes, de man van God, gesproken heeft te Kades-barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u. 1 Samuël 2:27 : En er kwam een man van God tot Eli, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Heb Ik Mij duidelijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao? 1 Koningen 13:1 : En ziet, een man van God kwam uit Juda, door het woord van YHWH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken. 1 Koningen 17:18 : En zij zei tot Elia: Wat heb ik met u te doen, u man van God? Bent u bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden? 1 Koningen 17:24 : Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man van God bent, en dat het woord van YHWH in uw mond waarheid is. Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. Nehemia 12:24 : De hoofden dan van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broers tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, de man van God, wacht tegen wacht. Nehemia 12:36 : En zijn broers, Semaja, en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man van God; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen. 1 Timotheüs 6:11 : Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 2 Timotheüs 3:17 : Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^richteren-13-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, aanzienlijk, eerwaardig, of ook verschrikkelijk.
[^richteren-13-8-12]: Kanttekening 12: aanbad Manoach YHWH vuriglijk: Zie Gen. 25:21 . Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
[^richteren-13-12-13]: Kanttekening 13: dat Uw woorden komen: Of, elk één van uw woorden; dat is, al uw woorden moeten uitkomen, of vervuld worden.
[^richteren-13-12-14]: Kanttekening 14: wijze en zijn werk zijn: Dat is, hoe zullen wij met hem handelen, wat zullen wij in zijn opvoeding waarnemen?
[^richteren-13-13-15]: Kanttekening 15: zal zij zich wachten: De engel antwoordt wel van de plicht van de vrouw, maar dit alles zag voornamelijk op de staat en het ambt van de zoon, waartoe deze bevelen aan de moeder waren dienende.
[^richteren-13-14-16]: Kanttekening 16: Wat eetbaar is, als: druiven, rozijnen, enz. Zie Num. 6:3 , 6:4 . Numeri 6:3 : Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. Numeri 6:4 : Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.
[^richteren-13-15-17]: Kanttekening 17: voor Uw aangezicht bereiden: Dat is, om u voor te zetten. Vergelijk boven, Richt. 6:18 , 6:19 . Richteren 6:18 : Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zei: Ik zal blijven, totdat u wederkomt. Richteren 6:19 : En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meels; het vlees legde hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder de eik, en zette het neder.
[^richteren-13-16-18]: Kanttekening 18: van uw brood niet eten: Dat is, van uw voedsel. Alsof hij zei: Dat bokje zou zijn òf tot voedsel voor mij, òf tot een brandoffer. Nu heb ik geen voedsel van doen, als zijnde geen mens maar een engel, ja Gods Zoon. Als u dan een brandoffer mij offert, dat zult u voor God zelven opofferen, gevende daarmede te kennen dat hij waarachtig God was. Vergelijk vers 17 , 13:18 , 13:19 , en vers 22 , 13:23 . Richteren 13:17 : En Manoach zei tot de Engel van YHWH: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen. Richteren 13:18 : En de Engel van YHWH zei tot hem: Waarom vraagt u dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk. Richteren 13:19 : Toen nam Manoach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op de rotssteen, YHWH. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe. Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben. Richteren 13:23 : Maar zijn huisvrouw zei tot hem: Zo YHWH lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om deze tijd laten horen, zulks als dit is.
[^richteren-13-16-19]: Kanttekening 19: Want Manoach wist niet: Dit is de reden, waarom Manoach hem voedsel had willen bereiden en voorzetten.
[^richteren-13-17-20]: Kanttekening 20: Met enig geschenk, tot een teken van dankbaarheid. Vergelijk 1 Sam. 9:7 , 9:8 , en 1 Kon. 14:3 . 1 Samuël 9:7 : Toen zei Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch die man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gaven, om de man van God te brengen; wat hebben wij? 1 Samuël 9:8 : En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze. 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal.
[^richteren-13-18-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, Peli; dat is, wonderlijk, of verborgen. Vergelijk Jes. 9:5 . Anders, en hij was wonderlijk, te weten in zijn doen, gelijk in vers 19 gezegd wordt. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Richteren 13:19 : Toen nam Manoach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op de rotssteen, YHWH. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe.
[^richteren-13-19-22]: Kanttekening 22: offerde het op de rotssteen: Vergelijk Richt. 6:26 . Richteren 6:26 : En bouw YHWH, uw God, een altaar, op de hoogte van deze sterkte, in een bekwame plaats; en neem de tweede var, en offer een brandoffer met het hout van de hage, die u zult hebben afgehouwen.
[^richteren-13-19-23]: Kanttekening 23: YHWH: Naar de woorden van de engel, vers 16 . Richteren 13:16 : Maar de Engel van YHWH zei tot Manoach: Als u Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en als u een brandoffer zult doen, dat zult u YHWH offeren. Want Manoach wist niet, dat het een Engel van YHWH was.
[^richteren-13-19-24]: Kanttekening 24: Hij handelde wonderlijk in Zijn doen: Te weten, deze engel.
[^richteren-13-21-25]: Kanttekening 25: verscheen niet meer aan Manoach: Hebreeuws, הֵרָאֹ֖ה, deed niet meer toe, of, voer niet meer voort te verschijnen.
[^richteren-13-22-26]: Kanttekening 26: zekerlijk sterven: Hebreeuws, נָמ֑וּת, stervende sterven. Vergelijk boven, Richt. 6:22 , en de aantekeningen daar. Richteren 6:22 : Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heer, YHWH! daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht.
[^richteren-13-22-d]: Verwijzing d: Ex. 33:20 ; Deut. 5:26 ; Richt. 6:22 ; idem v. 23 . Exodus 33:20 : Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. Deuteronomium 5:26 : Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levenden Gods, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven? Richteren 6:22 : Toen zag Gideon, dat het een Engel van YHWH was; en Gideon zei: Ach, Heer, YHWH! daarom, omdat ik een Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht. Richteren 6:23 : Maar YHWH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven.
[^richteren-13-23-27]: Kanttekening 27: dit is: Zijnde geen teken van toorn, maar van bijzondere genade en gunst.
[^richteren-13-24-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, Schim-schon.
[^richteren-13-24-e]: Verwijzing e: Hebr., 11:32 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;
[^richteren-13-25-29]: Kanttekening 29: Dat is hier, in het geheim op een extra-ordinaire of bijzondere wijze te porren en te bewegen, om in zijn roeping te ijveren, en gelegenheid te zoeken tot verlossing Israëls van de hand van de Filistijnen. Het Hebreeuwse woord heeft verscheidene betekenissen, als van gang, voetstap, eenmaal, of meermalen, beurt, reis, en wordt ook genomen voor een aanbeeld, waarop men de ene slag voor, de andere na, of bij beurten en wijlen slaat. Waarvan verder komt de betekenis van slaan, drijven, aandrijven, alsof een smid op een aanbeeld sloeg. Vergelijk de manier van spreken gebruikt Matt. 4:1 ; Luk. 4:1 ; Rom. 8:14 ; 2 Petr. 1:21 . Mattheüs 4:1 : Toen werd Jezus van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de duivel. Lukas 4:1 : En Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde opnieuw van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn; Romeinen 8:14 : Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^richteren-13-25-30]: Kanttekening 30: leger van Dan: Hebreeuws, בֵ֥ין, Machane-Dan; waarom deze plaats zo genoemd is, zie onder, Richt. 18:11 , 18:12 . Het kan zijn dat Simson hier iets met de Filistijnen heeft te doen gehad. Richteren 18:11 : Toen reisden van daar uit het geslacht van de Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen. Richteren 18:12 : En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim.
[^richteren-13-25-31]: Kanttekening 31: Zora en tussen Esthaol: Zie boven, vers 2 . Esthaol lag verder af in het westen, naar de zee toe, bij de beek Sorek. Zie onder, Richt. 16:4 , 16:31 . Richteren 13:2 : En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. Richteren 16:4 : En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, wier naam was Delila. Richteren 16:31 : Toen kwamen zijn broers af, en het gehele huis zijns vaders, en namen hem op, en brachten hem naar boven, en begroeven hem tussen Zora en tussen Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach; hij nu had Israël gericht twintig jaren.

### Richteren 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/14.json)

*Simson, die gelegenheid zoekt om zijn roeping tegen de Filistijnen uit te voeren, begeert een Filistijnse dochter van Timna tot vrouw, vers 1, 2, 4, enz. Hoewel zijn ouders daarmee niet tevreden zijn, willigen zij het toch in, 3. Onderweg ontmoet en verscheurt hij een jonge leeuw, 5. In wiens karkas hij bij de terugkeer honing vindt, 8. Hij houdt bruiloft, en stelt zijn toegevoegde Filistijnse metgezellen een raadsel voor, met belofte en beding van een beloning, 10. Waarvan zijn vrouw de verklaring, door ingeven van de Filistijnen, hem afperst en onthult, 15. Daarom doodt Simson dertig Filistijnen van Askelon, en betaalt zijn metgezellen de beloofde beloning, 19. Zijn vrouw wordt aan een ander gegeven, 20.*

**1** En Simson ging af naar[^richteren-14-1-1] Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochters van de Filistijnen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v1)

**2** Zo ging hij omhoog, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zei: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochters van de Filistijnen; nu dan,[^richteren-14-2-2] neem mij die tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v2)

**3** Maar zijn vader zei tot hem, en ook zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters van uw broers, en onder al mijn volk, dat u heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die[^richteren-14-3-4] onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader:[^richteren-14-3-5] Neem mij die, want zij is[^richteren-14-3-6] bevallig in mijn ogen.[^richteren-14-3-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v3)

**4** Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van YHWH[^richteren-14-4-7] was, dat[^richteren-14-4-8] hij gelegenheid zocht[^richteren-14-4-9] van de Filistijnen; want de Filistijnen[^richteren-14-4-10] heersten in die tijd over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v4)

**5** Zo ging Simson, met zijn[^richteren-14-5-11] vader en zijn moeder, heen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een[^richteren-14-5-12] jonge leeuw, brullende hem tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v5)

**6** Toen kwam de Geest van YHWH[^richteren-14-6-13] met kracht over hem, dat hij[^richteren-14-6-14] hem vaneen scheurde, zoals men een bokje vaneen scheurt, en er was[^richteren-14-6-15] niets in zijn hand; maar hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v6)

**7** En hij kwam af, en[^richteren-14-7-16] sprak tot de vrouw; en zij[^richteren-14-7-17] beviel in Simsons ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v7)

**8** En na[^richteren-14-8-18] sommige dagen kwam hij weer, om haar te[^richteren-14-8-19] nemen; toen week hij[^richteren-14-8-20] af, om het kadaver van de leeuw te bekijken, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v8)

**9** En hij nam[^richteren-14-9-21] die in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; maar hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v9)

**10** Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson daar[^richteren-14-10-22] een bruiloft, want zo waren de jongemannen gewend te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v10)

**11** En het gebeurde, als[^richteren-14-11-23] zij hem zagen, zo[^richteren-14-11-24] namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v11)

**12** Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een[^richteren-14-12-25] raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft[^richteren-14-12-26] wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig[^richteren-14-12-27] fijne lijnwaadsklederen,[^richteren-14-12-28] en dertig[^richteren-14-12-29] wisselklederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v12)

**13** En als u het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult u mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v13)

**14** En hij zei tot hen:[^richteren-14-14-30] Voedsel ging uit van de[^richteren-14-14-31] eter, en[^richteren-14-14-32] zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v14)

**15** Daarna gebeurde het op de[^richteren-14-15-33] zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van[^richteren-14-15-34] Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis van uw vader, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om[^richteren-14-15-35] het onze te bezitten;[^richteren-14-15-36] is het zo niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v15)

**16** En Simsons huisvrouw huilde voor hem en zei:[^richteren-14-16-37] U haat mij maar, en hebt mij niet lief; u hebt de kinderen van mijn volk een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zei tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren?[^richteren-14-16-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v16)

**17** En zij huilde voor hem, op de[^richteren-14-17-39] zevende van de dagen waarin zij deze bruiloft hadden; zo gebeurde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel de kinderen van haar volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v17)

**18** Toen zeiden de mannen van de stad tot hem, op de zevende dag, voordat de zon onderging: Wat is zoeter dan honing? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zei tot hen: Zo u met mijn[^richteren-14-18-40] kalf niet had geploegd, u zou mijn raadsel niet hebben uitgevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v18)

**19** Toen kwam de Geest van YHWH[^richteren-14-19-41] met kracht over hem, en hij ging af naar[^richteren-14-19-42] de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun[^richteren-14-19-43] gewaad, en gaf de[^richteren-14-19-44] wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op naar het huis van zijn vader[^richteren-14-19-45]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v19)

**20** En de huisvrouw van[^richteren-14-20-46] Simson werd[^richteren-14-20-47] van zijn metgezel, die[^richteren-14-20-48] hem vergezeld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/14.html#v20)

[^richteren-14-1-1]: Kanttekening 1: Liggende in het westen van Zora, niet ver van de Middellandse zee.
[^richteren-14-2-2]: Kanttekening 2: neem mij die tot een vrouw: Zie van het recht van de ouders in de huwelijken van hun kinderen, Gen. 21:21 , en Gen. 24:3 , en Gen. 26:34 . Genesis 21:21 : En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. Genesis 24:3 : Opdat ik u doe zweren bij YHWH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, in het midden van welke ik woon; Genesis 26:34 : Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet.
[^richteren-14-3-4]: Kanttekening 4: Zie Gen. 34:14 . Met deze heidense inwoners van Kanaän had God uitdrukkelijk verboden enig verbond of huwelijk te maken. Zie Ex. 34:12 , 34:16 , en elders. Waarom zij reden hadden om te letten op Gods geopenbaard bevel en Simson te bestraffen, als niet wetende van de geheime regering en het voornemen Gods \[zie vers 4 \], die recht heeft om zijn schepselen wetten te stellen, maar zelf te doen naar zijn welbehagen, en iets tegenovergesteld extraordinairlijk te laten gebeuren. Vergelijk Gen. 22:2 ; Ex. 3:22 , enz. Genesis 34:14 : En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Richteren 14:4 : Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van YHWH was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. Exodus 3:22 : Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven.
[^richteren-14-3-5]: Kanttekening 5: Neem mij die: Zie Gen. 19:14 . Genesis 19:14 : Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want YHWH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als jokkende.
[^richteren-14-3-6]: Kanttekening 6: bevallig in mijn ogen: Hebreeuws, עֵינָֽ, recht.
[^richteren-14-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, bloedverwanten, of landslieden. Zie Gen. 13:8 , en Gen. 24:27 . Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers. Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^richteren-14-4-7]: Kanttekening 7: YHWH was: Die hierdoor voorhad Simson de occasie of gelegenheid te geven tot volvoering van zijn roeping.
[^richteren-14-4-8]: Kanttekening 8: Hij gelegenheid zocht: Te weten, Simson. Want hoewel hij van God daartoe geroepen was, mocht hij evenwel, wat zonder dat goed en recht was zo zoeken te beginnen, dat de mensen hem met reden geen ongelijk konden geven.
[^richteren-14-4-9]: Kanttekening 9: van de Filistijnen: Dat zij van hun zijde hem occasie mochten geven, om tegen hen te beginnen.
[^richteren-14-4-10]: Kanttekening 10: heersten in die tijd over Israël: Zie boven, Richt. 13:1 . Richteren 13:1 : En de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren.
[^richteren-14-5-11]: Kanttekening 11: vader en zijn moeder: Zijnde nu veranderd, òf omdat zij uit alles, wat voor zijn ontvangenis en geboorte geschied was, tot nadenken waren gekomen, dat dit van God moest zijn; of omdat Simson hunlieden zijn voornemen en goddelijke aandrift ontdekt had.
[^richteren-14-5-12]: Kanttekening 12: jonge leeuw: Hebreeuws, שֹׁאֵ֖ג, een jong van de leeuwen, brullende in zijn ontmoeting. Het schijnt dat hij van zijn ouders door een anderen weg was afgegaan. Vergelijk onder, vers 8 . Richteren 14:8 : En na sommige dagen kwam hij weer, om haar te nemen; toen week hij af, om het aas van de leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honig.
[^richteren-14-6-13]: Kanttekening 13: kwam met kracht over hem: Of, viel, of kwam machtiglijk op hem, makende hem extra-ordinair moedig en sterk, om hem door deze proef tot uitvoering van zijn beroep te bereiden, en daarin te versterken; alsook om hem stof te geven tot het raadsel en wat daarop gevolgd is.
[^richteren-14-6-14]: Kanttekening 14: hem van een scheurde: De leeuw.
[^richteren-14-6-15]: Kanttekening 15: niets in zijn hand: Geen instrument of geweer; alleen gebruikende zijn handen.
[^richteren-14-7-16]: Kanttekening 16: sprak tot de vrouw: Zo hijzelf, alsook zijn ouders.
[^richteren-14-7-17]: Kanttekening 17: beviel in Simsons ogen: Hebreeuws, עֵינֵ֥י, zij was recht in Simsons ogen.
[^richteren-14-8-18]: Kanttekening 18: sommige dagen kwam hij weer: Hebreeuws, קַחְתָּ֔, van, of na dagen. Zie Gen. 4:3 . Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH offer bracht.
[^richteren-14-8-19]: Kanttekening 19: Dat is, te trouwen.
[^richteren-14-8-20]: Kanttekening 20: Te weten, van de gemene weg naar de plaats, waar hij de dode en gescheurde leeuw geworpen had. Zie vers 5 . Richteren 14:5 : Zo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, heen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
[^richteren-14-9-21]: Kanttekening 21: die in zijn handen: De honig.
[^richteren-14-10-22]: Kanttekening 22: een bruiloft: Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen een maaltijd, maar is hier te verstaan van een bruiloftsmaal.
[^richteren-14-11-23]: Kanttekening 23: zij hem zagen: Te weten, de Filistijnen van Thimnath, die wat bijzonders in Simson uit zijn gelaat en wezen gemerkt hebbende, achterdenken kregen, en daarom onder schijn van eer door dit bijgevoegde gezelschap \[dat zij door de bruidsvrienden met glimp konden beschikken\] op hem deden letten.
[^richteren-14-11-24]: Kanttekening 24: namen zij dertig metgezellen: Dat is, zij namen en brachten. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^richteren-14-12-25]: Kanttekening 25: raadsel te raden geven: Dat is, een kunstige, duistere en vreemde rede, of spreuk, onder welk iets verborgen is, dat de woorden niet geven, maar door nadenken moet worden uitgevonden, en alsdan klaar en bevallig is. Hebreeuws, הַגֵּ֣ד, alsof men zei: Een raadsel raadselen; zo onder, vers 13 , 14:16 ; Ez. 17:2 . Zie verder 1 Kon. 10:1 . Richteren 14:13 : En als u het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult u mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen. Richteren 14:16 : En Simsons huisvrouw weende voor hem en zei: U haat mij maar, en hebt mij niet lief; u hebt aan de kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zei tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren? Ezechiël 17:2 : Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël, 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.
[^richteren-14-12-26]: Kanttekening 26: wel zult verklaren en uitvinden: Hebreeuws, נָתַתִּ֤י, verklarende verklaren.
[^richteren-14-12-27]: Kanttekening 27: fijne lijnwaadsklederen: Het Hebreeuwse woord wordt genomen voor fijn lijnwaad, en een laken, hemd, of iets anders daarvan gemaakt, om zich ’s nachts daarmede te dekken, of ook overdag om te slaan of aan te doen. Hetzelfde woord vindt men in het Nieuwe Testament gebruikt in de Griekse spraak, Matt. 27:59 ; Mark. 14:51 , 14:52 , en Mark. 15:46 ; Luk. 23:53 . Mattheüs 27:59 : En Jozef, het lichaam nemende, wond het in een zuiver fijn lijnwaad. Marcus 14:51 : En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem. Marcus 14:52 : En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevlucht. Marcus 15:46 : En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, dat uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf. Lukas 23:53 : En als hij het afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.
[^richteren-14-12-28]: Kanttekening 28: en dertig: Anders, te weten, dertig wisselklederen, van hetzelfde fijne lijnwaad gemaakt. Vergelijk onder, vers 19 . Richteren 14:19 : Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis.
[^richteren-14-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, verwisselingen van kleren.
[^richteren-14-14-30]: Kanttekening 30: Voedsel ging uit: Of, om de aardigheid van het raadsel en van de Hebreeuwse spraak wat nader te komen, aldus: Eten \[gelijk wij zeggen: breng het eten, dat is, het voedsel, op de tafel\] ging uit, of, kwam voort van de eter, en zoet kwam voort van de zure, of, scherpen. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen sterk, maar ook hard, wreed, scherp, enzovoorts, zuur, gelijk wij van zeer zuren azijn zeggen dat hij zeer sterk is. En een zuur gelaat, gezicht, voor een zuur, wreed, sterk gelaat, of gezicht.
[^richteren-14-14-31]: Kanttekening 31: Van dengene, die geen voedsel placht van zich te geven, maar zelf alles te verslinden, te weten de leeuw.
[^richteren-14-14-32]: Kanttekening 32: Te weten, honig.
[^richteren-14-15-33]: Kanttekening 33: zevende dag: Na de eerste drie dagen bevindende dat zij met hun eigen verstand en arbeid niets waren gevorderd, schijnen zij de zaak van tijd tot tijd bij Simsons vrouw sterker aangebonden te hebben, totdat het op de zevende dag, door hun dreigementen en de listigheid van zijn vrouw, gelukt is. Anders, zeven dagen, verstaande daardoor een deel van de zeven dagen.
[^richteren-14-15-34]: Kanttekening 34: Overreed uw man: Leid, lok hem, met beweeglijke woorden en manieren van doen; dit betekent eigenlijk het Hebreeuwse woord.
[^richteren-14-15-35]: Kanttekening 35: het onze te bezitten: Hebreeuws, קְרָאתֶ֥ם, om ons te erven, of erfelijk te bezitten. Ons, dat is, ons goed, omdat zij boven de schande de schade zouden hebben van het lijnwaad en de kleren.
[^richteren-14-15-36]: Kanttekening 36: is het zo niet: Anders, of niet?
[^richteren-14-16-37]: Kanttekening 37: U haat mij maar: Of, immers haat u mij.
[^richteren-14-16-38]: Kanttekening 38: kinderen mijns volks: Simsons Filistijnse metgezellen; zo in vers 17 . Richteren 14:17 : En zij weende voor hem, op de zevende van de dagen waarin zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel aan de kinderen haars volks.
[^richteren-14-17-39]: Kanttekening 39: zevenden van de dagen: Hebreeuws, הָיָ֥ה, zeven, dat is hier, de zevende, gelijk 1 Kron. 9:25 , en zo elders dikwijls. 1 Kronieken 9:25 : En hun broers waren op hun dorpen, inkomende ten zevende dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
[^richteren-14-18-40]: Kanttekening 40: mijn kalf niet hadt geploegd: Hij wil zeggen: Hadt u niet door mijn vrouw van mijzelf de verklaring getrokken. Het is een verbloemde manier van spreken, genomen van het ploegen van de landbouwers, die door de dienst van de beesten de aarde als opgraven en opwerpen, opdat ontdekt worde wat verborgen was. Zo heeft hun Simson tegelijk de ontrouw van zijn vrouw en hun bedrog aardiglijk verweten.
[^richteren-14-19-41]: Kanttekening 41: kwam met kracht over hem: Vergelijk boven, vers 6 . Richteren 14:6 : Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand; maar hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.
[^richteren-14-19-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, Askelon; dat is, die van Askelon, gelijk boven, Richt. 1:27 , enz. gelegen aan de grenzen van Dan, over de beek Sorek, aan de Middellandse zee; toebehorende aan de stammen van Juda en Simeon, maar door de Filistijnen bewoond. Zie boven, Richt. 1:18 . Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. Richteren 1:18 : Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
[^richteren-14-19-43]: Kanttekening 43: Wat zij hadden aangehad, en hij hun afgetogen had.
[^richteren-14-19-44]: Kanttekening 44: wisselklederen aan degenen: Zie boven, vers 12 . Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.
[^richteren-14-19-45]: Kanttekening 45: vaders huis: Verlatende voor een tijd zijn vrouw. Zie Richt. 15:1 . Richteren 15:1 : En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zei: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.
[^richteren-14-20-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, werd zijn metgezel; te weten, ter vrouw.
[^richteren-14-20-47]: Kanttekening 47: zijns metgezels: Zie Richt. 15:2 , 15:6 . Richteren 15:2 : Want haar vader zei: Ik sprak zeker, dat u haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zus schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar. Richteren 15:6 : Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.
[^richteren-14-20-48]: Kanttekening 48: hem vergezelschapt had: Zie boven, vers 11 . Richteren 14:11 : En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.

### Richteren 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/15.json)

*Simson wil zijn vrouw bezoeken, maar zij wordt hem geweigerd, vers 1, enz. Daarom steekt hij het koren der Filistijnen in brand door vossen met fakkels, 4. Waarover de Filistijnen Simsons vrouw met haar vader verbranden, 7. Wat Simson weer wreekt, 8. De Filistijnen trekken op om zich op Simson te wreken, die door die van Juda gebonden aan hen overgeleverd wordt, 9. Maar hij breekt zijn boeien, en verslaat duizend Filistijnen met een ezelskinnebak, 14. Wanneer hij daarvan vermoeid en dorstig is, verkrijgt hij van God door het gebed een bron, drinkt en wordt verkwikt, 18.*

**1** En het gebeurde na sommige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw[^richteren-15-1-1] bezocht met een geitenbokje, en hij zei: Laat mij tot mijn huisvrouw[^richteren-15-1-2] ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v1)

**2** Want haar vader zei: Ik[^richteren-15-2-3] sprak zeker, dat u haar geheel haatte, zo heb ik haar aan uw[^richteren-15-2-4] metgezel gegeven. Is niet haar[^richteren-15-2-5] kleinste zus[^richteren-15-2-6] schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v2)

**3** Toen zei Simson tot hen: Ik ben ditmaal onschuldig van[^richteren-15-3-7] de[^richteren-15-3-8] Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v3)

**4** En Simson ging heen, en[^richteren-15-4-9] ving driehonderd[^richteren-15-4-10] vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v4)

**5** En hij[^richteren-15-5-11] stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren van de Filistijnen; en hij stak in brand[^richteren-15-5-12] zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v5)

**6** Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de[^richteren-15-6-13] Thimniet,[^richteren-15-6-14] omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden[^richteren-15-6-15] haar en haar vader met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v6)

**7** Toen zei Simson tot hen:[^richteren-15-7-16] Zou u zo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v7)

**8** En hij sloeg hen, de schenkel[^richteren-15-8-17] en de heup, met een grote slag; en hij ging[^richteren-15-8-18] af, en woonde op de hoogte[^richteren-15-8-19] van de rots[^richteren-15-8-20] Etam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v8)

**9** Toen trokken de Filistijnen op, en sloegen hun kamp op tegen Juda, en breidden zich uit in[^richteren-15-9-21] Lechi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v9)

**10** En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij zeiden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om hem te doen, zoals hij ons gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v10)

**11** Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist u niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Zoals zij mij gedaan hebben, zo heb ik hun gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v11)

**12** En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand van de Filistijnen. Toen zei Simson tot hen: Zweer mij, dat u op mij niet zult[^richteren-15-12-22] aanvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v12)

**13** En zij spraken tot hem, zeggende: Nee, maar wij zullen u[^richteren-15-13-23] wel binden, en u in hun hand overgeven; maar wij zullen u in geen geval doden. En zij[^richteren-15-13-24] bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem[^richteren-15-13-25] op van de rots. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v13)

**14** Als hij kwam tot Lechi, zo[^richteren-15-14-26] juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest van YHWH kwam met kracht over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden[^richteren-15-14-27] als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden[^richteren-15-14-28] versmolten van zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v14)

**15** En hij vond een[^richteren-15-15-29] vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmee duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v15)

**16** Toen zei Simson: Met een ezelskinnebakken, één hoop,[^richteren-15-16-30] twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v16)

**17** En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij het kaakbeen uit zijn hand, en hij noemde die plaats[^richteren-15-17-31] Ramath-lechi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v17)

**18** Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot YHWH, en zei: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen?[^richteren-15-18-a][^richteren-15-18-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v18)

**19** Toen kloofde God de[^richteren-15-19-33] holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit daarvan, en hij dronk. Toen kwam zijn[^richteren-15-19-34] geest weer, en hij werd[^richteren-15-19-35] levend. Daarom noemde[^richteren-15-19-36] hij[^richteren-15-19-37] haar naam:[^richteren-15-19-38] De fontein van de aanroeper, die in Lechi is, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v19)

**20** En hij[^richteren-15-20-39] richtte Israël, in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/15.html#v20)

[^richteren-15-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, ging om haar te bezoeken.
[^richteren-15-1-2]: Kanttekening 2: ingaan in de kamer: Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^richteren-15-2-3]: Kanttekening 3: sprak zeker: Hebreeuws, אָמֹ֤ר, zeggende zei ik; dat is, ik zei tot mijn volk, of dacht zekerlijk, ganselijk. Zie Gen. 20:11 , zo in het volgende, hatende haattet. Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^richteren-15-2-4]: Kanttekening 4: Zie Gen. 38:14 . Genesis 38:14 : Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.
[^richteren-15-2-5]: Kanttekening 5: kleinste zus: Dat is, jongste. Zie Gen. 9:24 , en Gen. 29:16 . Genesis 9:24 : En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. Genesis 29:16 : En Laban had twee dochters: de naam van de grootste was Lea; en de naam van de kleinste was Rachel.
[^richteren-15-2-6]: Kanttekening 6: schoner dan zij: Hebreeuws, טוֹבָ֣ה, beter.
[^richteren-15-3-7]: Kanttekening 7: Te weten, van de Filistijnen.
[^richteren-15-3-8]: Kanttekening 8: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen: Hij wil zeggen dat hij rechtvaardige oorzaak heeft om de Filistijnen te beschadigen. Vergelijk boven, Richt. 14:4 , en onder, vers 11 . Richteren 14:4 : Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van YHWH was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. Richteren 15:11 : Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist u niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, zo heb ik hunlieden gedaan.
[^richteren-15-4-9]: Kanttekening 9: ving driehonderd: Of, zelf, òf ook met behulp van zijn vrienden.
[^richteren-15-4-10]: Kanttekening 10: Die bij menigten in die landen waren; gelijk af te nemen is uit Neh. 4:3 ; Ps. 63:11 ; Hoogl. 2:15 ; en in het bijzonder blijkt uit deze plaats. Nehemia 4:3 : En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zei: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren. Psalmen 63:11 : Men zal hen storten door het geweld van het zwaard; zij zullen de vossen ten deel worden. Hooglied 2:15 : Vangt u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
[^richteren-15-5-11]: Kanttekening 11: hij stak de fakkelen aan met vuur: Hebreeuws, לַּפִּידִ֔ים, hij stak vuur aan in de fakkels.
[^richteren-15-5-12]: Kanttekening 12: zowel de korenhopen als het staande koren: De vruchten, die al afgesneden en bij garven aan hopen samengebracht en opgehoopt waren.
[^richteren-15-6-13]: Kanttekening 13: De Thimniet, Simsons schoonvader.
[^richteren-15-6-14]: Kanttekening 14: zijn huisvrouw heeft genomen: Van Simson.
[^richteren-15-6-15]: Kanttekening 15: haar en haar vader met vuur: Simsons vrouw.
[^richteren-15-7-16]: Kanttekening 16: Zoudt u zo doen: Anders: Al hadt u zo gedaan; te weten, toen mijn vrouw mij ontnomen werd; maar ik zal mij dan nog wreken aan u, enz., alsof hij zei: Al hebt u dat gedaan, ik zal daarom niet ophouden voordat ik mij ten volle gewroken heb. In dit alles moet men Simson niet aanzien als een privaat persoon, maar als een richter en verlosser Israëls, door God daartoe extra-ordinairlijk geroepen.
[^richteren-15-8-17]: Kanttekening 17: en de heup: Hebreeuws, יָרֵ֖ךְ, op, naast, aan, bij de heup, of dij. Het schijnt een spreekwoord geweest te zijn, betekenende de verbreking van 's mensen lichaam, kracht, vermogen. Vergelijk Deut. 28:35 . Anders, hij sloeg hem met de schenkel op de heup; dat is, hij brak hun de lenden. Deuteronomium 28:35 : YHWH zal u slaan met boze zweren, aan de knieën en aan de benen, waarvan u niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.
[^richteren-15-8-18]: Kanttekening 18: Van zijns vaders woonplaats naar het zuiden.
[^richteren-15-8-19]: Kanttekening 19: van de rots: Of, een steile uitstekende plaats.
[^richteren-15-8-20]: Kanttekening 20: Een stad, gelegen bij het zuidelijke einde van het gebergte van Juda, op een hoge en zeer vaste rots, waarnevens de beek Etham was lopende, aan de grenzen van Juda en Simeon. Tegenover in Simeons land lag een ander Etham aan de westzijde van het gebergte Juda, naar uitwijzen van de kaarten, 1 Kron. 4:32 wordt Etham de stam van Simeon toegerekend. Maar was ook Simeons erfenis eensdeels onder Juda; Joz. 19:1 . 1 Kronieken 4:32 : En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden. Jozua 19:1 : Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda.
[^richteren-15-9-21]: Kanttekening 21: Naderhand zo genaamd van Simson, onder vers 17 , gelegen in de stam Dan. Richteren 15:17 : En het geschiedde, als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij het kinnebakken uit zijn hand, en hij noemde dezelfde plaats Ramath-lechi.
[^richteren-15-12-22]: Kanttekening 22: Om mij te doden; gelijk deze manier van spreken dikwijls in de Heilige Schrift genomen wordt en vers 13 verklaart. Richteren 15:13 : En zij spraken tot hem, zeggende: Nee, maar wij zullen u wel binden, en u in hun hand overgeven; maar wij zullen u in geen geval doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots.
[^richteren-15-13-23]: Kanttekening 23: wel binden: Hebreeuws, אָסֹ֤ר, bindende binden.
[^richteren-15-13-24]: Kanttekening 24: in geen geval doden: Hebreeuws, נְמִיתֶ֑, dodende zullen wij u niet doden.
[^richteren-15-13-25]: Kanttekening 25: op van de rots: Noordwaarts naar Lechi, waar de Filistijnen gelegerd waren, vers 9 . Richteren 15:9 : Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.
[^richteren-15-14-26]: Kanttekening 26: juichten de Filistijnen hem tegemoet: Van vreugde, menende hun vijand nu in handen te hebben.
[^richteren-15-14-27]: Kanttekening 27: als linnen draden: Hij brak die zo licht en haast alsof het verzengde draden geweest waren, of gelijk vlas met vuur verbrand wordt.
[^richteren-15-14-28]: Kanttekening 28: versmolten van zijn handen: Zij werden zo licht en haast los, gelijk was door het vuur smelt.
[^richteren-15-15-29]: Kanttekening 29: vochtig ezelskinnebakken: Nog vers en vast zijnde, niet verdroogd. Het woord wordt ook van etterige vochtigheid genomen; Jes. 1:6 . Jesaja 1:6 : Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelfde; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.
[^richteren-15-16-30]: Kanttekening 30: twee hopen: Het schijnt dat hij, van beide zijden bevochten en gedrongen zijnde, twee hopen van de verslagenen gemaakt heeft.
[^richteren-15-17-31]: Kanttekening 31: Dat is, de hoogte van het kinnebak. Anders, wegwerping van het kinnebak. Deze plaats is ook Lechi alleen genoemd, boven, vers 9 . Richteren 15:9 : Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.
[^richteren-15-18-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 17:26 ; idem v. 36 ; 2 Sam. 1:20 . 1 Samuël 17:26 : Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levenden God zou honen? 1 Samuël 17:36 : Uw knecht heeft zo de leeuw als de beer geslagen; zo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk één van die, omdat hij de slagorden van de levenden God gehoond heeft. 2 Samuël 1:20 : Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde.
[^richteren-15-18-32]: Kanttekening 32: Hiermede betoont Simson zijn geloof, en houdt God zijn genadeverbond voor. Zie Hebr., 11:32 . En vergelijk Gen. 34:14 ; 1 Sam. 17:26 , 17:36 ; 2 Sam. 1:20 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten; Genesis 34:14 : En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande. 1 Samuël 17:26 : Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? 1 Samuël 17:36 : Uw knecht heeft zo de leeuw als de beer geslagen; zo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk één van die, omdat hij de slagorden van de levende God gehoond heeft. 2 Samuël 1:20 : Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde.
[^richteren-15-19-33]: Kanttekening 33: holle plaats: Het Hebreeuwse woord \[komende van stoten, stampen\] zou eigenlijk een mortier betekenen, en zo verder een holligheid, of holle plaats, die men ten aanzien daarvan met een diepen en hollen mortier kan vergelijken; zie hetzelfde Hebreeuwse woord Spreuk. 27:22 ; Zef. 1:11 . Sommigen verstaan hier een baktand, van het kinnebak van de ezel, of de holligheid daarvan. Maar het Hebreeuwse woord wordt in die betekenis nergens meer gevonden. Spreuken 27:22 : Al stiet u de dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken. Zefanja 1:11 : Huilt, u inwoners van de laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.
[^richteren-15-19-34]: Kanttekening 34: zijn geest weer: Die vanwege de dorst scheen uit hem te zullen gaan, daar hij vreesde van dorst te zullen versmachten en sterven.
[^richteren-15-19-35]: Kanttekening 35: Dat is, verkwikt, fris, wakker.
[^richteren-15-19-36]: Kanttekening 36: Te weten, Simson, tot een teken van dankbaarheid tot God en een gedachtenis van deze victorie bij Israël.
[^richteren-15-19-37]: Kanttekening 37: haar naam: De naam van de fontein.
[^richteren-15-19-38]: Kanttekening 38: De fontein van de aanroeper: Hebreeuws, לֶּ֔חִי, en Hakkore.
[^richteren-15-20-39]: Kanttekening 39: richtte Israël: Dat is, hij voerde de wraak van de Heer voor Israël uit tegen de Filistijnen. Zie van het gebruik van dit woord in deze historiën boven, Richt. 2:16 . Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richters, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden;

### Richteren 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/16.json)

*Wanneer Simson te Gaza ingesloten is, staat hij 's nachts op, en neemt de deuren van de stadspoort met de grendels op zijn schouders, en draagt ze op een berg, vers 1, enz. Hij bemint Delila, die hem door ingeven van de Filistijnse vorsten zo lang kwelt, dat hij haar ten slotte ronduit verklaart waarin zijn kracht gelegen is, 4. Zo wordt hij verraden, en door de Filistijnen gevangen, die hem de ogen uitsteken en in de gevangenis zetten, 19. Wanneer zijn haar weer aangegroeid is, en de Filistijnen verzameld waren om hun spot met hem te drijven ter ere van hun afgoden, wreekt hij zich vreselijk op hen, door het hele huis te laten instorten; zo sterft hij en wordt begraven, 22.*

**1** Simson nu[^richteren-16-1-1] ging heen naar[^richteren-16-1-2] Gaza; en hij zag daar[^richteren-16-1-3] een vrouw, die een hoer was; en hij[^richteren-16-1-4] ging tot haar in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v1)

**2** [^richteren-16-2-5] Toen werd de Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; zo gingen zij[^richteren-16-2-6] rondom, en legden hem de gehele nacht hinderlagen in de stadspoort; maar zij[^richteren-16-2-7] hielden zich de gehele nacht stil, zeggende:[^richteren-16-2-8] Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v2)

**3** Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op om middernacht, en hij greep de deuren van de stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met de grendelboom, en legde ze op zijn schouders, en droeg ze[^richteren-16-3-9] omhoog op de hoogte van de berg, die in het gezicht van Hebron is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v3)

**4** En het gebeurde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek[^richteren-16-4-10] Sorek, van wie de naam Delila was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v4)

**5** Toen kwamen de[^richteren-16-5-11] vorsten van de Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar:[^richteren-16-5-12] Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmee wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te[^richteren-16-5-13] plagen; zo zullen wij u geven, ieder, duizend en honderd[^richteren-16-5-14] zilverlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v5)

**6** Delila dan zei tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmee u zou kunnen gebonden worden, dat men u plaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v6)

**7** En Simson zei tot haar: Als zij mij bonden met zeven[^richteren-16-7-15] verse touwen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een[^richteren-16-7-16] ander mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v7)

**8** Toen[^richteren-16-8-17] brachten de vorsten van de Filistijnen tot haar op zeven verse touwen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v8)

**9** De[^richteren-16-9-18] achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zei zij tot hem: De[^richteren-16-9-19] Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de touwen, zoals een snoertje van[^richteren-16-9-20] grof vlas verbroken wordt, als het vuur[^richteren-16-9-21] ruikt. Zo werd zijn kracht niet bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v9)

**10** Toen zei Delila tot Simson: Zie, u hebt met mij gespot, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee u zou kunnen gebonden worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v10)

**11** En hij zei tot haar: Als zij[^richteren-16-11-22] mij vastbonden met nieuwe touwen, waarmee geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v11)

**12** Toen nam Delila nieuwe touwen, en bond hem daarmee, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak[^richteren-16-12-23] hij ze van zijn armen als een draad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v12)

**13** En Delila zei tot Simson: Tot hiertoe hebt u met mij gespot, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee u zou kunnen gebonden worden. En hij zei tot haar: Als u de[^richteren-16-13-24] zeven haarlokken van mijn hoofd vlochtet aan een[^richteren-16-13-25] weversboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v13)

**14** En zij[^richteren-16-14-26] maakte ze vast met een pin, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en[^richteren-16-14-27] nam weg de pin[^richteren-16-14-28] van de gevlochten haarlokken, en de weversboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v14)

**15** Toen zei zij tot hem: Hoe zult u zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? U hebt nu drie keer met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v15)

**16** En het gebeurde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel[^richteren-16-16-29] verdrietig werd tot stervens toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v16)

**17** Zo verklaarde hij haar zijn hele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een[^richteren-16-17-30] Nazireër Gods van mijn moeders buik af; als ik geschoren werd, zo zou mijn[^richteren-16-17-31] kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v17)

**18** Als nu Delila zag, dat hij haar zijn hele hart verklaard had, zo zond zij heen, en[^richteren-16-18-32] riep de vorsten van de Filistijnen, zeggende: Kom ditmaal op, want hij heeft mij zijn hele hart verklaard. En de vorsten van de Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten dat[^richteren-16-18-33] geld in hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v18)

**19** Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en[^richteren-16-19-34] riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren, en zij begon hem te[^richteren-16-19-35] plagen; en zijn kracht week van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v19)

**20** En zij zei: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zei: Ik zal ditmaal uitgaan,[^richteren-16-20-36] als op andere keren, en mij[^richteren-16-20-37] uitschudden; want hij wist niet, dat YHWH van hem[^richteren-16-20-38] geweken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v20)

**21** Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn[^richteren-16-21-39] ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in de[^richteren-16-21-40] gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v21)

**22** En het haar van zijn hoofd begon weer te[^richteren-16-22-41] groeien,[^richteren-16-22-42] zoals toen hij geschoren werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v22)

**23** Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god[^richteren-16-23-43] Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v23)

**24** Evenzo als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onze vijand, en die ons land verwoestte, en die van onze verslagenen[^richteren-16-24-44] velen maakte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v24)

**25** En het gebeurde, als hun hart[^richteren-16-25-45] vrolijk was, dat zij zeiden: Roep Simson, dat hij voor ons[^richteren-16-25-46] spele. En zij riepen Simson uit de gevangenis;[^richteren-16-25-47] en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v25)

**26** Toen zei Simson tot de jongen, die hem bij de hand hield:[^richteren-16-26-48] Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, waarop het huis gevestigd is, dat ik daaraan[^richteren-16-26-49] leune. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v26)

**27** Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten van de Filistijnen; en op het[^richteren-16-27-50] dak waren ongeveer drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v27)

**28** Toen[^richteren-16-28-a] riep Simson tot YHWH, en zei: Heere, YHWH! gedenk toch aan mij, en sterk mij toch alleen ditmaal, o God![^richteren-16-28-51] dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v28)

**29** En Simson vatte de twee[^richteren-16-29-52] middelste pilaren, waarop het huis was gevestigd, en[^richteren-16-29-53] waarop het steunde, de ene met zijn rechterhand, en de andere met zijn linkerhand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v29)

**30** En Simson zei: Mijn[^richteren-16-30-54] ziel sterve met de Filistijnen; en hij[^richteren-16-30-55] boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v30)

**31** Toen kwamen zijn broers af, en het hele huis van zijn vader, en namen hem op, en brachten hem omhoog, en begroeven hem tussen[^richteren-16-31-56] Zora en tussen[^richteren-16-31-57] Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach; hij nu had Israël gericht[^richteren-16-31-58] twintig jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/16.html#v31)

[^richteren-16-1-1]: Kanttekening 1: ging heen: Na de slag van de Filistijnen, in Richt. 15 beschreven.
[^richteren-16-1-2]: Kanttekening 2: Een van de voornaamste hoofdsteden van de Filistijnen, gelegen aan de Middellandse zee, in het land van Simeon.
[^richteren-16-1-3]: Kanttekening 3: een vrouw: Hebreeuws, שָׁם֙, een vrouw, een hoer. Anders, waardin.
[^richteren-16-1-4]: Kanttekening 4: ging tot haar in: Zie Gen. 6:4 . Sommigen verstaan dat hij bij haar ter herberg gelegen heeft. Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^richteren-16-2-5]: Kanttekening 5: Toen werd de Gazieten gezegd: Hebreeuws, אמֹ֗ר, de Gazieten zeggende; welke afgebroken rede aldus wordt aangevuld, \[toen werd\] de Gazieten \[aangezegd\] mits te zeggen; of, \[men gaf het\] de Gazieten \[te kennen\], zeggende. Dit beduidt, naar sommiger gevoelen, dat zij meteen gewaarschuwd zijn van Simsons aankomst, om deze occasie in geen geval te verliezen.
[^richteren-16-2-6]: Kanttekening 6: De een de ander aanzeggende dat men met algemene hand moest op zijn en op Simson loeren, opdat hij nu niet ontkwam.
[^richteren-16-2-7]: Kanttekening 7: hielden zich de ganse nacht stil: Hebreeuws, לַּ֨יְלָה֙, zij zwegen; dat is, zij hielden zich stil, en deden niets. Zie onder, Richt. 18:19 , en 1 Kon. 22:3 . Richteren 18:19 : En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van een man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël? 1 Koningen 22:3 : Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië.
[^richteren-16-2-8]: Kanttekening 8: Tot aan het morgenlicht: Versta hierop, laat ons stil zijn totdat het licht wordt.
[^richteren-16-3-9]: Kanttekening 9: op de hoogte van de berg: Hebreeuws, הָ֔ר, op het hoofd. Dit was een hoge berg, gelegen oostwaarts voor Gaza, op welks spits \[gelijk uit deze tekst is af te nemen\] men zag op Hebron, mee gelegen op een hoge berg bij de westelijke grenzen van Juda. Hiermede komen ook de kaarten overeen. Sommigen menen dat hij die gedragen heeft tot op het gebergte van Juda, dicht bij Hebron.
[^richteren-16-4-10]: Kanttekening 10: Lopende bij het dal Eskol, of het druivendal \[waarvan Deut. 1:24 \] uit het gebergte van Juda in de Middellandse zee, en scheidende de stammen Dan en Simeon van elkaar. Naar het gevoelen van anderen zouden Eskol en Sorek namen moeten zijn van een en dezelfde beek. Maar Num. 13:24 staat dat de plaats \[niet beek\] door de Israëlieten genoemd is Nahal-Eskol. Deuteronomium 1:24 : Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelve. Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden.
[^richteren-16-5-11]: Kanttekening 11: vorsten van de Filistijnen: Zie boven, Richt. 3:3 . Richteren 3:3 : Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath.
[^richteren-16-5-12]: Kanttekening 12: Overreed hem: Zie boven, Richt. 14:15 . Richteren 14:15 : Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?
[^richteren-16-5-13]: Kanttekening 13: Of, te verootmoedigen; zo vers 6 . Richteren 16:6 : Delila dan zei tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmee u zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plage.
[^richteren-16-5-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^richteren-16-7-15]: Kanttekening 15: verse zelen: Anders, verse, of frisse, groene, tenen roeden, of tenen banden, wisschenbanden, wilgenbanden.
[^richteren-16-7-16]: Kanttekening 16: ander mens: Of, als één van de mensen, of als een enig mens, zo vers 11 . Richteren 16:11 : En hij zei tot haar: Als zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met die geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.
[^richteren-16-8-17]: Kanttekening 17: brachten de vorsten van de Filistijnen: Hebreeuws, סַרְנֵ֣י, deden tot haar opkomen; dat is, zij brachten, of schikten, deden haar brengen.
[^richteren-16-9-18]: Kanttekening 18: achterlage nu zat bij haar in een kamer: Dat is, die Filistijnen, die daarop loerden en pasten.
[^richteren-16-9-19]: Kanttekening 19: Filistijnen over u, Simson: Dat is, daar zijn de Filistijnen, die u willen overvallen.
[^richteren-16-9-20]: Kanttekening 20: grof vlas verbroken wordt: Of, werk.
[^richteren-16-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, nabij vuur komt, of vuur \[gelijk men ook zegt\] gevoelt, gewaar wordt. Vergelijk Ps. 58:10 . Psalmen 58:10 : Eer dan uw potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
[^richteren-16-11-22]: Kanttekening 22: vastbonden met nieuwe touwen: Hebreeuws, חֲדָשִׁ֔ים, bindende bonden.
[^richteren-16-12-23]: Kanttekening 23: hij ze van zijn armen: Te weten, de dikke touwen.
[^richteren-16-13-24]: Kanttekening 24: zeven haarlokken mijns hoofds: Dat is, het gehele haar van mijn hoofd, in zoveel lokken als het afgedeeld is; vergelijk onder, vers 19 , 16:22 . Richteren 16:19 : Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem. Richteren 16:22 : En het haar zijns hoofds begon weer te groeien, gelijk toen hij geschoren werd.
[^richteren-16-13-25]: Kanttekening 25: Anders, web om een weversboom gewonden zijnde. Versta hierop: \[zoals in het voorgaande\] zo zou ik zwak worden en zijn als een ander mens.
[^richteren-16-14-26]: Kanttekening 26: maakte ze vast met een pin: Versta, nadat zij volgens zijn zeggen met de gevlochten haarlokken gedaan had, zo maakte zij dezelfde nog, voor de zekerheid, vast met een pin aan de weversboom. Anderen verstaan dat zij de weversboom heeft vastgenageld, opdat Simson die niet van de plaats zou kunnen vertrekken, of losmaken.
[^richteren-16-14-27]: Kanttekening 27: nam weg de pin: Of, ging weg met de nagel en met de weversboom; tonende zijn vorige kracht, en dat dit het middel niet was om hem te vangen en te bedwingen.
[^richteren-16-14-28]: Kanttekening 28: van de gevlochten haarlokken : Dat is, waarmee Delila de gevlochten haarlokken had vastgemaakt. Hebreeuws, מַּסָּֽכֶת, van de vlechting.
[^richteren-16-16-29]: Kanttekening 29: verdrietig werd tot stervens toe: Hebreeuws, מֽוּת, verkort werd; gelijk vruchten, die men afmaait, afoogst. De zin is dat hem al zijn moed en lust verging, ja \[gelijk wij ook spreken\] de adem hem kort werd, en zijn geest na aan het bezwijken was, vanwege benauwdheid; waardoor hij zich ten laatste van Delila liet overwinnen. Een zeer opmerkelijk en ernstig exempel van menselijke zwakheid en onbedachtheid in zulk een voortreffelijken held Gods, gelijk Simson was. Vergelijk Job 21:4 . Job 21:4 : Is (mij aangaande) mijn klacht tot de mens? Maar of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
[^richteren-16-17-30]: Kanttekening 30: nazireër Gods: Zie boven, Richt. 13:5 . Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
[^richteren-16-17-31]: Kanttekening 31: kracht van mij wijken: Niet dat zijn kracht in het haar gelegen was, maar omdat het afscheren van zijn haar een verbreking was van de gelofte zijns nazireërschaps \[ Num. 6:5 ; boven, Richt. 13:5 \], waaraan hij verplicht was door het bevel Gods, die hem door zijn Geest met deze extra-ordinaire sterkte begaafde, zolang hij zijn nazireërschap onderhield, maar hem daarvan ontblootte toen hij aan de inbreuk daarvan schuldig werd. Numeri 6:5 : Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds groeien. Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
[^richteren-16-18-32]: Kanttekening 32: riep de vorsten van de Filistijnen: Dat is, liet roepen, ontbood, en liet zeggen.
[^richteren-16-18-33]: Kanttekening 33: geld in hun hand: Of, zilver. Zie boven, vers 5 . Richteren 16:5 : Toen kwamen de vorsten van de Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmee wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een ieder, duizend en honderd zilverlingen.
[^richteren-16-19-34]: Kanttekening 34: riep een man: Dat is, liet roepen, ontbood.
[^richteren-16-19-35]: Kanttekening 35: Dat is, aan te stoten, of anders aan te roeren, prikkelen, enz. om hem wakker te maken en van de aankomst van de Filistijnen \[gelijk tevoren\] te waarschuwen, opdat men zag of hij te vangen en te dwingen ware, of niet.
[^richteren-16-20-36]: Kanttekening 36: als op andere malen: Hebreeuws, אִנָּעֵ֔ר, gelijk maal in \[of, op \] maal; dat is, gelijk tevoren meermalen.
[^richteren-16-20-37]: Kanttekening 37: Gelijk iemand die geschoren is, of zich verwakkert en zijn kracht vergadert tot enig werk. Anders, ik zal mij schudden \[uit hun handen\]; alsof hij zei: Ik zal mij lichtelijk uit hun handen redden.
[^richteren-16-20-38]: Kanttekening 38: geweken was: Versta, zover, en ten aanzien daarvan, dat Hij hem die vorige kracht onttrokken had.
[^richteren-16-21-39]: Kanttekening 39: ogen uit: Opdat hij hunlieden niet meer kwaad zou kunnen doen; latende hem nochtans leven, tot een schouwspel en roem van hun afgod Dagon. Zie vers 23 , 16:24 . Maar God, die alles regeert, had hierin wat anders voor, gelijk de uitkomst geleerd heeft. Richteren 16:23 : Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven. Richteren 16:24 : Evenzo als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onze vijand, en die ons land verwoestte, en die onzer verslagenen velen maakte!
[^richteren-16-21-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, in het huis van de gebondenen.
[^richteren-16-22-41]: Kanttekening 41: En Simson door een oprecht berouw weer te komen tot zijn vorigen stand van het nazireërschap, en van God te ontvangen de voorgaande krachten. Hebreeuws, te groenen, uit te spruiten; gelijk gras en kruid.
[^richteren-16-22-42]: Kanttekening 42: gelijk toen hij geschoren werd: Of, gelijk die, die geschoren was. Of, gelijk als het afgeschoren was; dat is, het haar begon weer zo lang te worden als het was ten tijde, toen hij geschoren werd door bedrog van Delila. Anders, nadat hij geschoren was.
[^richteren-16-23-43]: Kanttekening 43: De afgod van de Filistijnen, zo genoemd omdat hij met zijn onderste deel een vis gelijk was \[de Filistijnen woonden aan de zee\], en het bovenste een menselijke gedaante had. Zie van deze 1 Sam. 5:2 , 5:3 , 5:4 , 5:5 . Zo hebben andere heidenen hun zeeafgoden gehad, als: Neptunus, Triton, Leucothea, enz. Sommigen menen dat deze afgod zo genoemd is van het Hebreeuwse woord dagan, dat is, koren, omdat zij hem voor de god van de landbouw hielden. Van zulke afgoderij zie Rom. 1:23 , 1:25 . 1 Samuël 5:2 : En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. 1 Samuël 5:3 : Maar als die van Asdod des anderen daags vroeg opstonden, ziet, zo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van YHWH. En zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. 1 Samuël 5:4 : Toen zij nu des anderen daags des morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van YHWH; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen van zijn handen afgehouwen, aan de dorpel; alleen was Dagon daarop overgebleven. 1 Samuël 5:5 : Daarom treden de priesters van Dagon, en allen, die in het huis van Dagon komen, niet op de dorpel van Dagon te Asdod, tot op deze dag. Romeinen 1:23 : En hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. Romeinen 1:25 : Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid, amen.
[^richteren-16-24-44]: Kanttekening 44: velen maakte: Dat is, die een menigte van Filistijnen voor en na verslagen heeft.
[^richteren-16-25-45]: Kanttekening 45: vrolijk was: Hebreeuws, לִבָּ֔, goed; dat is, vrolijk, van goede dingen, gelijk men zegt. Zo onder, Richt. 18:20 , en Richt. 19:6 ; Ruth 3:7 ; 2 Sam. 13:28 . Richteren 18:20 : Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. Richteren 19:6 : Zo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: Bewillig toch en overnacht, en laat uw hart vrolijk zijn. Ruth 3:7 : Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een koren hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. 2 Samuël 13:28 : Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult u hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.
[^richteren-16-25-46]: Kanttekening 46: Of, lache, doe lachen, opdat wij ons pleizier en tijdverdrijf daaraan nemen; gelijk de koning Belsazar aan de gouden en zilveren vaten van de heilige tempel, Dan. 5 , tot roem van de afgoden en Gods oneer.
[^richteren-16-25-47]: Kanttekening 47: en hij speelde voor hun aangezichten: Anders, dat hij speelde.
[^richteren-16-26-48]: Kanttekening 48: Laat mij gaan: Of, stel, leid mij.
[^richteren-16-26-49]: Kanttekening 49: Alsof hij vermoeid ware geweest van de arbeid van het malen in de gevangenis, en het haastig aankomen in deze plaats.
[^richteren-16-27-50]: Kanttekening 50: dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen: Als zijnde plat, naar de wijze van die landen. Zie Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^richteren-16-28-a]: Verwijzing a: Hebr., 11:32 . Hebreeën 11:32 : En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten;
[^richteren-16-28-51]: Kanttekening 51: dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen: Dit bad hij uit geloof, en werd van God verhoord, die hem, door het uitgraven van zijn ogen door de Filistijnen, tot uitvoering van zijn beroep \[zo zij meenden\] onbekwaam gemaakt zijnde, deze occasie, dit voornemen, en deze extra-ordinaire sterkte gegeven, dit gebed ingegeven, en hem in zijn dood wonderbaarlijker victorie verleend heeft dan in zijn leven; tot eer van zijn heilige naam, bespotting van de afgoden en beschaming van zijn vijanden; zie vers 30 . Richteren 16:30 : En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
[^richteren-16-29-52]: Kanttekening 52: middelste pilaren: Hebreeuws, שְׁנֵ֣י, pilaren van het midden.
[^richteren-16-29-53]: Kanttekening 53: waarop het steunde: Anders, en hij \[Simson\] steunde op of aan dezelfde.
[^richteren-16-30-54]: Kanttekening 54: ziel sterve met de Filistijnen: Dat is, hier zoveel, als: Ik zelf, mijn persoon sterve. Zie Gen. 9:5 , en Gen. 12:5 . Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mens eisen. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^richteren-16-30-55]: Kanttekening 55: boog zich met kracht: Of, strekte zich uit; de pilaren van zich afstotende, en dezelfde inbuigende.
[^richteren-16-31-56]: Kanttekening 56: Zie boven, Richt. 13:2 . Richteren 13:2 : En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.
[^richteren-16-31-57]: Kanttekening 57: Zie boven, Richt. 13:25 . Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.
[^richteren-16-31-58]: Kanttekening 58: twintig jaren: Gelijk boven, Richt. 15:20 . Dit besluit, hier wederhaald, geeft te verstaan dat deze laatste daad van Simson tot zijn richterambt zowel behoorde, als de andere voorgaande. Gelijk hij ook bijzonderlijk in zijn dood gehouden wordt als een voorbeeld van onze Heer Christus, die al zijn en onze vijanden voornamelijk door zijn dood heeft overwonnen. Richteren 15:20 : En hij richtte Israël, in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren.

### Richteren 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/17.json)

*Van geld dat Micha, een Efraïmiet, zijn moeder ontnomen had en teruggeeft, laat de moeder afgodische beelden maken, vers 1, enz. Waarvoor Micha een afgodshuis inricht, met een efod en huisgodjes, en hij maakt een van zijn zonen tot priester, 5. Hoe het in Israël in die tijd gesteld was, 6. Daarna krijgt Micha een Leviet, die door het land reisde, die hij in de plaats van zijn zoon voor een vast loon tot priester aanneemt, 7. menend dat God hem daarom moest zegenen, 13.*

**1** [^richteren-17-1-1] En er was een man van het gebergte van Efraïm, van wie de naam Micha was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v1)

**2** Die zei tot zijn moeder: De duizend en honderd[^richteren-17-2-2] zilverlingen, die u ontnomen zijn, waarover u gevloekt hebt, en ook[^richteren-17-2-4] voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat[^richteren-17-2-5] geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zei zijn moeder:[^richteren-17-2-6] Gezegend zij mijn zoon door YHWH![^richteren-17-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v2)

**3** Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld[^richteren-17-3-7] aan YHWH geheel geheiligd van mijn hand, voor[^richteren-17-3-8] mijn zoon, om een gesneden beeld[^richteren-17-3-9] en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu teruggeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v3)

**4** Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weer. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze de goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten[^richteren-17-4-10] beeld; dat was in het huis van Micha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v4)

**5** En de man Micha had een godshuis; en hij[^richteren-17-5-11] maakte een[^richteren-17-5-12] efod, en[^richteren-17-5-13] terafim, en[^richteren-17-5-14] vulde de hand van één uit zijn zonen, dat hij hem tot een[^richteren-17-5-15] priester was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v5)

**6** [^richteren-17-6-a] In die dagen was er geen[^richteren-17-6-16] koning in Israël; ieder deed, wat recht was in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v6)

**7** Nu was er een[^richteren-17-7-17] jongeling van Bethlehem-juda,[^richteren-17-7-18] van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v7)

**8** En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-juda getrokken, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te[^richteren-17-8-19] gaan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v8)

**9** Zo zei Micha tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v9)

**10** Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een[^richteren-17-10-20] vader en tot een priester; en ik zal u[^richteren-17-10-21] jaarlijks geven tien zilverlingen, en[^richteren-17-10-22] orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet[^richteren-17-10-23] met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v10)

**11** En de Leviet bewilligde bij die man te blijven; en de jongeling was hem[^richteren-17-11-24] als één van zijn zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v11)

**12** En Micha[^richteren-17-12-25] vulde de hand van de Leviet, dat hij hem tot een priester werd; zo was hij in het huis van Micha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v12)

**13** Toen zei Micha: Nu[^richteren-17-13-26] weet ik, dat YHWH mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/17.html#v13)

[^richteren-17-1-1]: Kanttekening 1: En er was een man: Wanneer de zaken, in dit hoofdstuk en het volgende verhaald, geschied zijn, daarvan is verscheiden gevoelen. Het naaste schijnt te zijn dat zij wel, om de orde niet te verbreken van de historie van de richters, tot hiertoe uitgesteld en achteraan gevoegd zijn, om levendig te vertonen de zeer vervallen staat van Israël en de rechtvaardigheid van de goddelijke straf, maar niet geschied na Simsons dood, maar kort na de dood van Jozua en de vrome oudsten, in die tijd, die beschreven wordt boven, Richt. 2:10 , 2:11 , 2:12 , 2:13 , en Richt. 3:5 , 3:6 , 3:7 , 3:8 . De aandachtige lezer kan vergelijken Joz. 19:47 met boven, Richt. 13:25 , en onder, Richt. 18:1 , 18:7 , 18:12 , 18:27 , 18:29 . Idem onder, Richt. 19:11 , 19:12 , met boven, Richt. 1:8 . Ook letten op Richt. 20:28 , waar gesproken wordt van de priester Pinehas, Aärons kindskind, als in die tijd levende; van welke men al leest Num. 25:7 , enz., en Joz. 22:13 , 22:32 . Richteren 2:10 : En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat YHWH niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had. Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls. Richteren 2:12 : En zij verlieten YHWH, de God van hun vaderen, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden van de volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten YHWH tot toorn. Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth. Richteren 3:5 : Als nu de kinderen van Israël woonden in het midden van de Kanaänieten, van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; Richteren 3:6 : Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden. Richteren 3:7 : En de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen. Richteren 3:8 : Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamië; en de kinderen van Israël dienden Cuschan Rischataim acht jaren. Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol. Richteren 18:1 : In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelfde dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. Richteren 18:7 : Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enige mens. Richteren 18:12 : En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim. Richteren 18:27 : Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur. Richteren 18:29 : En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad te voren Laïs was. Richteren 19:11 : Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zei tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad van de Jebusieten wijken, en daarin overnachten. Richteren 19:12 : Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen van Israël; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe. Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. Richteren 20:28 : En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer, of zal ik ophouden? en YHWH zei: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven. Numeri 25:7 : Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden van de vergadering, en nam een spies in zijn hand; Jozua 22:13 : En de kinderen van Israël zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan de halve stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester; Jozua 22:32 : En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, keerde terug met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanaän, tot de kinderen van Israël; en zij brachten hun antwoord weer;
[^richteren-17-2-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^richteren-17-2-4]: Kanttekening 4: voor mijn oren gesproken hebt: Zodat ik de vloek zelf gehoord heb. Hierdoor schijnt hij bewogen te zijn tot bekentenis en wedergeving.
[^richteren-17-2-5]: Kanttekening 5: Of, zilver.
[^richteren-17-2-6]: Kanttekening 6: Gezegend zij mijn zoon YHWH: Zover is het vandaar, wil zij zeggen, dat ik u, mijn zoon, die vloek zou toedenken. Ten aanzien van u wederroep ik die ganselijk.
[^richteren-17-2-3]: Kanttekening 3: gevloekt hebt: Te weten, de dief, die ze u mocht hebben ontnomen.
[^richteren-17-3-7]: Kanttekening 7: YHWH ganselijk geheiligd: Hebreeuws, כֶּסֶף֩, de Heer heiligende geheiligd. Dit was de dekmantel van de afgoderij, dat zij dezelfde de Heer wilde opdringen, alsof zij tot zijn dienst geschiedde, tegen zo menige uitgedrukte bevelen van de Heer, gelijk de boeken van Mozes en de tien geboden zelf betuigen.
[^richteren-17-3-8]: Kanttekening 8: mijn zoon: Dat is, zoons zoon, zie vers 5 . Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^richteren-17-3-9]: Kanttekening 9: en een gegoten beeld: Het schijnt dat zij twee beelden gemeend heeft, een gesneden en een gegoten, gelijk te zien is Richt. 18:17 , 18:18 , hoewel daar in Richt. 18:20 , 18:30 , 18:31 alleen van één gemeld wordt; ook wordt hier vers 4 gezegd in het getal van enen: Dat \[beeld\] was in het huis van Micha, waarop de aandachtige lezer kan letten. Richteren 18:17 : Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren. Richteren 18:18 : Als die nu in het huis van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, de efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zei de priester tot hen: Wat doet u? Richteren 18:20 : Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. Richteren 18:30 : En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd. Richteren 18:31 : Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te Silo was. Richteren 17:4 : Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weer. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze de goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.
[^richteren-17-4-10]: Kanttekening 10: Men kan verstaan dat het van marmer of iets anders eerst gesneden of gehouwen, en daarna met zilveren platen overtogen was; want van zo kleine som kon geen enkel zilveren beeld gemaakt worden, dat van zulk een grootte was, dat men het eerst in dit afgodshuis, daarna in de stad Dan voor een algemeen beeld gebruiken kon.
[^richteren-17-5-11]: Kanttekening 11: Van de resterende som van het geld.
[^richteren-17-5-12]: Kanttekening 12: Zie Ex. 28:4 . Exodus 28:4 : Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^richteren-17-5-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 31:19 . Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^richteren-17-5-14]: Kanttekening 14: vulde de hand van een uit zijn zonen: Zie Lev. 7:37 , zo onder, vers 12 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer; Richteren 17:12 : En Micha vulde de hand van de Leviet, dat hij hem tot een priester wierd; zo was hij in het huis van Micha.
[^richteren-17-5-15]: Kanttekening 15: priester ware: Dit alles deed hij tegen Gods uitgedrukt bevel. Want God had maar één efod geboden te maken voor de hogepriester in Israël, om God door urim en thummim raad te vragen, Num. 27:21 . Beelden ten godsdienst waren scherpelijk verboden, en niemand mocht priester zijn, dan die van Aärons linie was; zie Num. 16:40 , en Num. 18:2 , 18:7 , enz. Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering. Numeri 16:40 : Ter nagedachtenis voor de kinderen van Israël, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van YHWH; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem YHWH door de dienst van Mozes gesproken had. Numeri 18:2 : En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis. Numeri 18:7 : Maar u, en uw zonen met u, zult ulieder priesterambt waarnemen in alle zaken van het altaar, en in wat van binnen de voorhang is, dat zult u bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.
[^richteren-17-6-a]: Verwijzing a: Richt. 18:1 ; Richt. 21:25 . Richteren 18:1 : In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelfde dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. Richteren 21:25 : In die dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen.
[^richteren-17-6-16]: Kanttekening 16: koning in Israël: Dat is, geen regent, richter, overste, of wettelijke hoge overheid, die het volk in tucht en orde hield; anders zou het schijnen alsof er tevoren koningen in Israël geweest waren, maar nu niet. Zo wordt het woord koning ook in het algemeen voor regeerder genomen, Gen. 36:31 ; Deut. 33:5 . Dit wordt hier en in het volgende meermalen verhaald, als een reden van deze woeste ongebondenheid, dat iedereen deed niet wat recht en goed was in Gods ogen, maar in zijn eigen ogen, dat is, wat hemzelven goeddocht en wat hij maar wilde. Hieruit wordt ook afgenomen dat deze geschiedenissen behoren tot een tijd, in welke geen richter of wettelijke hoge overheid in Israël was. Genesis 36:31 : En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen van Israël. Deuteronomium 33:5 : En Hij was koning in Jeschurun, als de hoofden van het volk zich vergaderden, samen met de stammen van Israël.
[^richteren-17-7-17]: Kanttekening 17: jongeling van Bethlehem-juda: Van het Hebreeuwse woord zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^richteren-17-7-18]: Kanttekening 18: van het geslacht van Juda: Deze woorden worden bij de meesten verstaan van Bethlehem-Juda, zo dat zij van de Heilige Geest hierbij gevoegd zijn, om des te klaarder uit te drukken dat dit Bethlehem \[tot onderscheiding van het andere, dat Zebulon toebehoorde, Joz. 19:15 \], zonder allen twijfel behoorde tot het geslacht en de stam Juda; en dat, omdat dit de geboorteplaats van de Messias, onze Heer Jezus Christus, zou zijn. Sommigen duiden ze op de Leviet, die wel uit de stam Levi geweest, maar te Bethlehem-Juda geboren en opgetogen is, òf van moeders zijde uit de stam Juda, òf ook \[zoals sommigen menen\] in waarheid uit de stam Juda, maar desniettegenstaande, naar de verdorvenheid van die tijden, als tot een Leviet gemaakt en gebruikt; gelijk Jerobeam ook deed, 1 Kon. 12:31 ; 2 Kron. 11:14 , 11:15 . Maar dit schijnt niet wel te passen op vers 13 . Want Micha had alzowel met zijn zoon, zijnde uit Efraïm, tevreden kunnen zijn als met deze, als hij uit Juda, en niet uit Levi, geweest was. Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen. 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 2 Kronieken 11:14 : Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom van YHWH te mogen bedienen. 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. Richteren 17:13 : Toen zei Micha: Nu weet ik, dat YHWH mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb.
[^richteren-17-8-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, te doen. Anders, doende zijn reis.
[^richteren-17-10-20]: Kanttekening 20: vader en tot een priester: Deze titel, die aan de ware profeten en oprechte leraars van de gemeente van God, vanwege hun geestelijke, recht vaderlijke weldaden en diensten aan het volk van God, als kinderen gedaan, toekomt, geeft hij ten onrechte aan deze afgodische buikdienaar. Zie 2 Kon. 6:21 , en 2 Kon. 8:9 , en 2 Kon. 13:14 ; Jes. 22:21 ; 1 Kor. 4:14 , 4:15 ; 1 Thess. 2:11 . 2 Koningen 6:21 : En de koning van Israël zei tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader? 2 Koningen 8:9 : Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen? 2 Koningen 13:14 : Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, van die hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! Jesaja 22:21 : En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoneren te Jeruzalem en de huize van Juda tot een vader zijn. 1 Korinthiërs 4:14 : Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u. 1 Korinthiërs 4:15 : Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. 1 Thessalonicensen 2:11 : Gelijk u weet, hoe wij een ieder van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,
[^richteren-17-10-21]: Kanttekening 21: jaarlijks geven tien zilverlingen: Hebreeuws, עֲשֶׂ֤רֶת, in dagen; dat is, in een jaar van de dagen, dat is, een geheel of vol jaar; zie boven, Richt. 11:40 . Richteren 11:40 : Dat de dochters van Israël van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar.
[^richteren-17-10-22]: Kanttekening 22: orde van kleren: Dat is, ik zal u bestellen zoveel kleren, als u naar uw staat zult van doen hebben. Anders, een pak, of twee pak kleren; idem, de waarde van kleren.
[^richteren-17-10-23]: Kanttekening 23: met hem : Te weten, met Micha, naar zijn huis.
[^richteren-17-11-24]: Kanttekening 24: als één van zijn zonen: Dat is, hij had hem zo lief en waard, als een van zijn zonen.
[^richteren-17-12-25]: Kanttekening 25: vulde de hand van de Leviet: Gelijk boven, vers 5 . Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^richteren-17-13-26]: Kanttekening 26: weet ik: Niettegenstaande hij veelvoudiglijk \[gelijk boven is verhaald\] afgoderij bedreef, maakte hij zich evenwel wijs dat hij en zijn afgoderij God moesten behagen. Een spiegel van de gruwelijke verdorvenheid van die tijd.

### Richteren 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/18.json)

*Die van de stam Dan, die niet genoeg erfdeel hadden, zonden vijf mannen uit om een plaats te verkennen, vers 1. Dezen komen onderweg bij het huis van Micha, en verlangen dat de Leviet over hun reis God raadpleegt, 2. Wanneer zij het antwoord hebben, verkennen zij de stad Laïs, en doen daarvan verslag aan hun broeders, die zij aansporen de stad te overvallen, 7. Daarop trekken zeshonderd gewapende Danieten heen, en ontnemen onderweg Micha zijn priester en de afgoden, 11. Die Micha tevergeefs terugeist, 22. Zij overvallen, herbouwen en bewonen Laïs, en noemen die Dan, 27. Zij stellen een priester aan, en stichten afgoderij met de beelden van Micha, 30.*

**1** In die dagen was er[^richteren-18-1-a] geen[^richteren-18-1-1] koning in Israël; en in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis[^richteren-18-1-2] toegevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v1)

**2** Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen[^richteren-18-2-3] uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van[^richteren-18-2-4] Zora en van Esthaol, om het land te bespioneren, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Ga, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van[^richteren-18-2-5] Micha, en overnachtten daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v2)

**3** Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem[^richteren-18-3-6] van de jongeling, de Leviet; en zij[^richteren-18-3-7] weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet u hier, en wat hebt u hier? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v3)

**4** En hij zei tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v4)

**5** Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch[^richteren-18-5-8] God, dat wij mogen weten, of onze weg, waarop wij wandelen, voorspoedig zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v5)

**6** En de priester[^richteren-18-6-9] zei tot hen: Ga in vrede; uw weg, die u zult heentrekken, is[^richteren-18-6-10] voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v6)

**7** Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te[^richteren-18-7-11] Laïs; en zij zagen het volk, dat in hun midden was, zijnde[^richteren-18-7-12] gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en[^richteren-18-7-13] zeker zijnde; en daar was[^richteren-18-7-14] geen[^richteren-18-7-15] erfheer, die[^richteren-18-7-16] iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij[^richteren-18-7-17] verre van de Sidoniërs, en[^richteren-18-7-18] hadden niets te doen met enige mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v7)

**8** En zij kwamen tot hun broers te Zora en te Esthaol, en hun broers zeiden tot hen: Wat zegt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v8)

**9** En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bekeken, en ziet, het is zeer goed; zou u dan[^richteren-18-9-19] stil zijn? Wees niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v9)

**10** (Als u daarheen komt, zo zult u komen tot een zorgeloos volk, en dat land is[^richteren-18-10-20] wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v10)

**11** Toen reisden van daar uit het geslacht van de Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v11)

**12** En zij trokken op, en sloegen hun kamp op bij[^richteren-18-12-21] Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats,[^richteren-18-12-22][^richteren-18-12-b] Machane-dan, tot op deze dag; zie, het is achter Kirjath-jearim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v12)

**13** En van daar trokken zij door naar het gebergte van Efraïm, en zij kwamen tot aan het huis van[^richteren-18-13-23] Micha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v13)

**14** Toen[^richteren-18-14-24] antwoordden de[^richteren-18-14-25] vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te bespioneren, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in[^richteren-18-14-26] die huizen een[^richteren-18-14-27] efod is, en[^richteren-18-14-28] terafim, en een[^richteren-18-14-29] gesneden en een gegoten beeld? Zo[^richteren-18-14-30] weet nu, wat u te doen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v14)

**15** [^richteren-18-15-31] Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van[^richteren-18-15-32] de jongeling, de Leviet, in het huis van Micha; en zij[^richteren-18-15-33] vroegen hem naar[^richteren-18-15-34] vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v15)

**16** En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v16)

**17** Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te bespioneren, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het[^richteren-18-17-35] gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v17)

**18** Als[^richteren-18-18-36] die nu in het huis van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, de efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zei de priester tot hen: Wat doet u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v18)

**19** En zij zeiden tot hem: Zwijg,[^richteren-18-19-37] leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van één man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël?[^richteren-18-19-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v19)

**20** Toen werd het[^richteren-18-20-39] hart van de[^richteren-18-20-40] priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v20)

**21** Zo keerden zij zich, en trokken voort; en zij stelden de kinderen, en het vee, en de[^richteren-18-21-41] bagage[^richteren-18-21-42] voor zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v21)

**22** Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen,[^richteren-18-22-43] zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v22)

**23** En zij riepen de kinderen van Dan na; die hun aangezichten omkeerden, en zeiden tot Micha: Wat is u, dat u bijeengeroepen bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v23)

**24** Toen zei hij: U hebt mijn goden, die ik gemaakt had, weggenomen, en ook de priester, en bent weggegaan;[^richteren-18-24-44] wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dat u tot mij zegt: Wat is u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v24)

**25** Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen,[^richteren-18-25-45] van bitter gemoed, op u aanvallen, en u[^richteren-18-25-46] uw leven verliest, en het leven van uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v25)

**26** Zo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zo keerde hij om, en kwam weer tot zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v26)

**27** [^richteren-18-27-47] Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een[^richteren-18-27-48] stil en zeker volk, en sloegen[^richteren-18-27-49] hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v27)

**28** En er was niemand, die hen verloste; want[^richteren-18-28-50] zij was[^richteren-18-28-51] ver van Sidon, en[^richteren-18-28-52] zij hadden niets met enige mens te doen; en[^richteren-18-28-53] zij lag in het dal, dat bij[^richteren-18-28-54] Beth-rechob is. Daarna herbouwden[^richteren-18-28-55] zij de stad, en woonden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v28)

**29** [^richteren-18-29-c] En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam van hun vader Dan, die aan[^richteren-18-29-56] Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad tevoren Laïs was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v29)

**30** En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden[^richteren-18-30-57] beeld op; en[^richteren-18-30-58] Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag toe, dat het[^richteren-18-30-59] land als gevangene is weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v30)

**31** Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te[^richteren-18-31-60] Silo was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/18.html#v31)

[^richteren-18-1-a]: Verwijzing a: Richt. 17:6 ; Richt. 21:25 . Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen. Richteren 21:25 : In die dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen.
[^richteren-18-1-1]: Kanttekening 1: koning in Israël: Zie Richt. 17:6 . Dit was de oorzaak dat die van de stam Dan zichzelven moesten helpen, daar de stammen tevoren elkaar bijgestaan hadden, om iedereen een bekwame en genoegzame erfenis te verzorgen, volgens het bevel van Mozes; Num. 32:21 , 32:22 , enz.; Joz. 22:2 , 22:3 , en boven Richt. 1:3 . Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen. Numeri 32:21 : En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht van YHWH, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben. Numeri 32:22 : En het land voor het aangezicht van YHWH ten ondergebracht zij; zo zult u daarna terugkeren, en onschuldig zijn voor YHWH en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht van YHWH. Jozua 22:2 : En hij zei tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht van YHWH, geboden heeft; en u bent mijner stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb. Jozua 22:3 : U hebt uw broers niet verlaten nu langen tijd, tot op deze dag toe; maar u hebt waargenomen de onderhouding van de geboden van YHWH, uw God. Richteren 1:3 : Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Zo toog Simeon op met hem.
[^richteren-18-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, noch door het lot, bij het leven van Jozua, noch naderhand door order van hoge overheid of hulp van de andere stammen. Hun erfenis was hun onder Jozua wel toegevallen, maar al te klein. Zie Joz. 19:47 , waar in het kort verhaald wordt wat hier in het lang beschreven is. Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.
[^richteren-18-2-3]: Kanttekening 3: uit hun einden: Anders, van hun uitersten; dat is, zowel van hogen als van lagen staat.
[^richteren-18-2-4]: Kanttekening 4: Zora en van Esthaol: Zie boven, Richt. 13:2 , 13:25 . Richteren 13:2 : En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.
[^richteren-18-2-5]: Kanttekening 5: Zie Richt. 17:1 , enz. Richteren 17:1 : En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.
[^richteren-18-3-6]: Kanttekening 6: van de jongeling: Zie boven, Richt. 17:7 , enz. Het kan zijn dat zij nabij geherbergd zijnde \[gelijk gemeenlijk bij zulke afgodshuizen herbergen plegen te zijn, om de toeloop van de nieuwsgierige en superstitieuse mensen\] hem hebben horen zingen of spreken, niet als een Efraïmiet, maar als een Jood, in het godshuis van Micha. Richteren 17:7 : Nu was er een jongeling van Bethlehem-juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling.
[^richteren-18-3-7]: Kanttekening 7: Naar het huis van Micha.
[^richteren-18-5-8]: Kanttekening 8: Zo noemen zij de afgoderij van de valsen efod en van de beelden, waarvan de Leviet gezegd had, en door hen wel onthouden is. Zie onder, vers 14 , en boven, Richt. 17:5 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^richteren-18-6-9]: Kanttekening 9: zei tot hen: Nadat hij op zijn wijze de afgoden gevraagd had.
[^richteren-18-6-10]: Kanttekening 10: voor YHWH: Alsof hij zei: De ogen van de Heer \[gelijk de Heilige Schrift ook spreekt\] zijn open over uw voornemen en deze uw tocht, om die te richten en te zegenen; de Heer draagt zorg daarvoor. Aldus misbruikt hij stoutelijk de naam van de Heer in zijn afgodisch doen.
[^richteren-18-7-11]: Kanttekening 11: Zie onder, vers 27 . Richteren 18:27 : Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur.
[^richteren-18-7-12]: Kanttekening 12: gelegen in zekerheid: Of, bewoond. Versta dat de stad Laïs gelegen was in een heilige plaats, buiten alle perijkel van enige aanval of overval, naar hun eigen en de algemene opinie. Anderen duiden dit op de inwoners, waarvan in de volgende woorden gesproken wordt.
[^richteren-18-7-13]: Kanttekening 13: zeker zijnde: Hebreeuws, בֹטֵ֗חַ, vertrouwende; dat is, zeker en zorgeloos zijnde.
[^richteren-18-7-14]: Kanttekening 14: Anders, niemand die \[hun\] enige schaamte, of schande aandeed, \[ook niemand\] die de regering erfelijk bezat. Sommigen duiden dit op het volk, dat zij een erfvrije republiek hadden.
[^richteren-18-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, de regering, of, het opperste gebied, bedwang, erfelijk bezittende. Het schijnt dat zij nu deze dan genen tot regeerder hebben gebruikt, die de onderdanen niet heeft willen vertoornen, maar in alles laten geworden. Of ook wel zonder regeerder mogen geweest zijn.
[^richteren-18-7-16]: Kanttekening 16: om enige zaak: Die iemand om enige misdaad, schaamte of schande dorst aandoen; zodat ieder deed wat hij wilde, zijnde overzulks hun zonden rijp ter straf.
[^richteren-18-7-17]: Kanttekening 17: verre van de Sidoniërs: Zodat zij hun niet konden te hulp komen, als te ver naar het westen aan de zee gelegen zijnde.
[^richteren-18-7-18]: Kanttekening 18: hadden niets te doen: Hebreeuws, עִם, zij hadden geen woord, zaak, of niets met een mens; dat is, noch verbond, noch handel, noch wandel met iemand, maar leefden voor zichzelven in alle zorgeloosheid en weelde.
[^richteren-18-9-19]: Kanttekening 19: stil zijn: Zonder iets hiertoe te zeggen of te doen, bij de hand te nemen? Hebreeuws, מַחְשִׁ֔ים, zwijgen. Zie van het gebruik van zulke woorden, boven, Richt. 16:2 ; Ex. 14:14 ; 1 Kon. 22:3 ; Ps. 28:1 , met de aantekeningen daar. Richteren 16:2 : Toen werd de Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; zo gingen zij rondom, en leiden hem de ganse nacht lagen in de stadspoort; maar zij hielden zich de ganse nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden. Exodus 14:14 : YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn. 1 Koningen 22:3 : Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië. Psalmen 28:1 : Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U Zich van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen.
[^richteren-18-10-20]: Kanttekening 20: wijd van ruimte: Hebreeuws, נְתָנָ֥, wijd van handen, of zijden. Zie deze manier van spreken Gen. 34:21 . Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven.
[^richteren-18-12-21]: Kanttekening 21: Anders genoemd Kiriath-Baäl. Zie Joz. 15:60 . Gelegen op een berg aan de uiterste grenzen van Juda en Dan, tegen het noorden. Jozua 15:60 : Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
[^richteren-18-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, het leger van Dan; zie boven, Richt. 13:25 . Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.
[^richteren-18-12-b]: Verwijzing b: Richt. 13:25 . Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.
[^richteren-18-13-23]: Kanttekening 23: Zie boven, Richt. 17:1 . Richteren 17:1 : En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.
[^richteren-18-14-24]: Kanttekening 24: Dat is, zij namen het woord, begonnen te spreken. Zo wordt dit woord ook elders gebruikt. Zie 1 Sam. 14:28 ; 1 Kon. 1:28 , en 1 Kon. 13:6 ; 2 Kron. 29:31 ; Ezra 10:2 ; Jes. 14:10 , en in het Nieuwe Testament, Matt. 11:25 , en Matt. 17:4 , en Matt. 22:1 , en Matt. 28:5 ; Hand. 5:8 , en Hand. 10:46 , en Hand. 15:13 ; Openb. 7:13 . 1 Samuël 14:28 : Toen antwoordde een man uit het volk, en zei: Uw vader heeft het volk moeizaam bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die heden brood eet! Daarom bezwijkt het volk. 1 Koningen 1:28 : En de koning David antwoordde en zei: Roept mij Bathseba; en zij kwam voor het aangezicht van de koning, en stond voor het aangezicht van de koning. 1 Koningen 13:6 : Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uws Gods, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk te voren. 2 Kronieken 29:31 : En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen YHWH gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis van YHWH; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van hart brandofferen. Ezra 10:2 : Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, één van de zonen van Elam, en zei tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onze God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken van het land bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israël, wat dit betreft. Jesaja 14:10 : Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. Mattheüs 11:25 : In dienzelfde tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. Mattheüs 17:4 : En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Heer! het is goed, dat wij hier zijn; zo U wilt, laat ons hier drie tenten maken, voor U een, en voor Mozes een, en een voor Elias. Mattheüs 22:1 : En Jezus, antwoordende, sprak tot hen opnieuw door gelijkenissen, zeggende: Mattheüs 28:5 : Maar de engel, antwoordende, zei tot de vrouwen: Vreest u niet; want ik weet, dat u zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Handelingen 5:8 : En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. Handelingen 10:46 : Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus: Handelingen 15:13 : En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broers, hoort mij. Openbaring 7:13 : En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleren, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?
[^richteren-18-14-25]: Kanttekening 25: vijf mannen: Zie boven, vers 2 , enz. Richteren 18:2 : Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten daar.
[^richteren-18-14-26]: Kanttekening 26: die huizen: Dat is, in één van die huizen; zie boven, Richt. 12:7 . Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^richteren-18-14-27]: Kanttekening 27: efod is: Gelijk boven, Richt. 17:5 . Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^richteren-18-14-28]: Kanttekening 28: Gelijk boven, Richt. 17:5 . Richteren 17:5 : En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^richteren-18-14-29]: Kanttekening 29: gesneden en een gegoten beeld: Zie boven, Richt. 17:3 . Richteren 17:3 : Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld YHWH ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.
[^richteren-18-14-30]: Kanttekening 30: weet nu: Dat is, beraadslaagt of het niet goed is, dat wij dit alles met ons nemen, om te gebruiken ter plaatse, waar wij zullen komen, gelijk wij in onze voorgaande reis God daardoor raad vraagden; zie boven, vers 5 . Richteren 18:5 : Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welke wij wandelen, voorspoedig zal zijn.
[^richteren-18-15-31]: Kanttekening 31: Toen weken zij daarheen: Nadat zij besloten hadden al deze instrumenten van de afgoderij weg te nemen.
[^richteren-18-15-32]: Kanttekening 32: jongeling, de Leviet: Van wie, Richt. 17:7 . Richteren 17:7 : Nu was er een jongeling van Bethlehem-juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling.
[^richteren-18-15-33]: Kanttekening 33: vraagden hem: Toen hij uitgeëist of door de vijf mannen uitgeleid was tot voor de poort.
[^richteren-18-15-34]: Kanttekening 34: Dat is, naar zijn welstand, of het hem nog welging; zie Gen. 37:14 , en Ex. 18:7 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem. Exodus 18:7 : Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent.
[^richteren-18-17-35]: Kanttekening 35: gesneden beeld: Van dit gesneden en het andere gegoten beeld, zie boven, Richt. 17:3 . Richteren 17:3 : Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld YHWH ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.
[^richteren-18-18-36]: Kanttekening 36: die nu in het huis van Micha waren ingegaan: Te weten, de vijf mannen.
[^richteren-18-19-37]: Kanttekening 37: leg uw hand op uw mond: Dat is, \[gelijk wij spreken\], houd uw mond toe, bedwing die, spreek niet tegen, maak geen gerucht. Zie deze manier van spreken Job 21:5 , en Job 29:9 , en Job 39:37 ; Spreuk. 30:32 ; Micha 7:16 . Job 21:5 : Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond. Job 29:9 : De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond. Job 39:37 : Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Spreuken 30:32 : Zo u dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo u kwaad bedacht hebt, de hand op de mond! Micha 7:16 : De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op de mond leggen; hun oren zullen doof worden.
[^richteren-18-19-38]: Kanttekening 38: of dat u een priester bent voor een stam: Zij willen zeggen dat hij zijn conditie grotelijks zal verbeteren, en overzulks zich hebben te verblijden.
[^richteren-18-20-39]: Kanttekening 39: hart van de priester: Een teken dat hij een rechte buikdienaar was, wie het om de wereldse eer en profijt te doen was.
[^richteren-18-20-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, goed; gelijk boven, Richt. 16:25 . Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^richteren-18-21-41]: Kanttekening 41: Of, trots; of ook, het kostelijke.
[^richteren-18-21-42]: Kanttekening 42: voor zich: Opdat zij buiten perijkel mochten zijn en hunlieden niet in de weg zijn, of iemand van achteren op hen mocht aanvallen, om het gestolene weer te halen.
[^richteren-18-22-43]: Kanttekening 43: zijnde in de huizen: Dat is, die bij en omtrent hem woonden, de gehele nabuurschap werd met groot geroep vergaderd.
[^richteren-18-24-44]: Kanttekening 44: wat heb ik nu meer: Hij wil zeggen, als een verblind afgodendienaar, dat zij hem ontnomen hadden wat hem het allerliefste was.
[^richteren-18-25-45]: Kanttekening 45: van bitteren gemoede: Hebreeuws, אֲנָשִׁים֙, bitter van ziel; dat is, wier gemoed op u verbitterd of bitterlijk vertoornd is; zo 2 Sam. 17:8 . Somwijlen betekent deze manier van spreken bedroefd van geest; 1 Sam. 1:10 ; Spreuk. 31:5 , enz. 2 Samuël 17:8 : Verder zei Husai: U kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet overnachten met het volk. 1 Samuël 1:10 : Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot YHWH, en zij weende zeer. Spreuken 31:5 : Opdat hij niet drinke, en het vastgestelde vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
[^richteren-18-25-46]: Kanttekening 46: leven verliest: Hebreeuws, אָסַפְתָּ֥ה, uw ziel vergadert, en de ziel van uw huis; dat is, u en uw huisgezin om het leven komt, of sterft; Ps. 26:9 . Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^richteren-18-27-47]: Kanttekening 47: Zij dan namen wat Micha gemaakt had: De Danieten.
[^richteren-18-27-48]: Kanttekening 48: stil en zeker volk: Hebreeuws, עַם֙, rustende, of stil zijnde, en vertrouwende; gelijk boven, vers 7 . Richteren 18:7 : Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enige mens.
[^richteren-18-27-49]: Kanttekening 49: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, פִי, aan de mond van het zwaard.
[^richteren-18-28-50]: Kanttekening 50: zij was: De stad Laïs.
[^richteren-18-28-51]: Kanttekening 51: verre van Sidon: Oostwaarts van Sidon af gelegen, dicht bij de berg Libanon, waar de twee fonteinen Jor en Dan ineenlopende, de Jordaan maken. Zie verder Gen. 14:14 ; Joz. 19:47 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.
[^richteren-18-28-52]: Kanttekening 52: zij hadden niets met enige mens te doen: Te weten, de inwoners. Zie vers 7 . Richteren 18:7 : Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enige mens.
[^richteren-18-28-53]: Kanttekening 53: zij lag in het dal: De stad.
[^richteren-18-28-54]: Kanttekening 54: Beth-rechob is: Vergelijk 2 Sam. 10:6 , 10:8 . 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man. 2 Samuël 10:8 : En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur van de poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa waren bijzonder in het veld.
[^richteren-18-28-55]: Kanttekening 55: zij de stad: De Danieten.
[^richteren-18-29-c]: Verwijzing c: Joz. 19:47 . Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.
[^richteren-18-29-56]: Kanttekening 56: Israël geboren was: Dat is, Jakob; zie Gen. 30:6 . Genesis 30:6 : Toen zei Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.
[^richteren-18-30-57]: Kanttekening 57: beeld op: Zie boven, vers 14 , 18:17 , en Richt. 17:3 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. Richteren 18:17 : Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren. Richteren 17:3 : Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld YHWH ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.
[^richteren-18-30-58]: Kanttekening 58: Van wie boven, Richt. 17:7 , enz. Richteren 17:7 : Nu was er een jongeling van Bethlehem-juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling.
[^richteren-18-30-59]: Kanttekening 59: land gevankelijk is weggevoerd: Dat is, de inwoners van het land; dat \[gelijk uit vers 31 wordt afgenomen\] geschied is ten tijde toen de Filistijnen Israël sloegen met een zeer grote nederlaag en de ark van de Heer wegvoerden, 1 Sam. 4:2 , 4:10 , 4:11 , 4:17 . Al zulke grote nederlagen plegen vergezelschapt te zijn met wegvoering van vele gevangenen. Richteren 18:31 : Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te Silo was. 1 Samuël 4:2 : En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor het aangezicht van de Filistijnen geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man. 1 Samuël 4:10 : Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een ieder in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 1 Samuël 4:17 : Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zei: Israël is gevlucht voor het aangezicht van de Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark van God is genomen.
[^richteren-18-31-60]: Kanttekening 60: Waarheen het huis van God gebracht werd ten tijde van Jozua, Joz. 18:1 . De ark, door de Filistijnen weggevoerd en weer gezonden zijnde, werd gebracht te Kiriath-Jearim, 1 Sam. 7:1 , 7:2 , en alle afgoden door Samuël afgeschaft, 1 Sam. 7:3 , 7:4 , waaronder zonder twijfel deze afgod van Micha en van de Danieten mee geweest is. Daarna werd de ark door David binnen Jeruzalem gehaald, 2 Sam. 6:16 , 6:17 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. 1 Samuël 7:2 : En het geschiedde, van die dag af, dat de ark van de Heer te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het gehele huis van Israël klaagde YHWH achterna. 1 Samuël 7:3 : Toen sprak Samuël tot het gehele huis van Israël, zeggende: Als u u met uw gehele hart tot YHWH bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot YHWH, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken. 1 Samuël 7:4 : De kinderen van Israël nu deden de Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden YHWH alleen. 2 Samuël 6:16 : En het geschiedde, als de ark van YHWH in de stad van David kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht van YHWH, verachtte zij hem in haar hart. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.

### Richteren 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/19.json)

*Een Leviet trekt van het gebergte van Efraïm naar Bethlehem, om zijn bijvrouw, die van hem weggegaan was, terug te halen, vers 1, enz. Hij wordt door haar vader vriendelijk onthaald en opgehouden tot op de vijfde dag, 3. Toen vertrok hij, en kwam te Gibea in Benjamin, 10. Waar hij ten slotte door een oude man, die van het gebergte van Efraïm was, geherbergd wordt, 16. Maar de lieden van de stad omsingelen het huis, en willen de Leviet gruwelijk geweld aandoen, die hun door de nood gedwongen zijn bijvrouw overgeeft, die zij tot de dood toe misbruiken, 22. Haar man voert haar dood naar huis, verdeelt haar in twaalf stukken, en zendt die overal in de landstreken van Israël, 28.*

**1** Het gebeurde ook in die dagen,[^richteren-19-1-a] als[^richteren-19-1-1] er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling[^richteren-19-1-2] aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een[^richteren-19-1-3] vrouw, een bijvrouw, nam van[^richteren-19-1-4] Bethlehem-juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v1)

**2** Maar zijn bijvrouw hoereerde,[^richteren-19-2-5] bij hem zijnde, en[^richteren-19-2-6] trok van hem weg naar het huis van haar vader, tot Bethlehem-juda; en zij was daar[^richteren-19-2-7] enige dagen, te weten vier maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v2)

**3** En haar man maakte zich op, en trok haar na, om[^richteren-19-3-8] naar haar hart te spreken, om haar weer te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En[^richteren-19-3-9] zij bracht hem in het huis van haar vader. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v3)

**4** En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en overnachtten daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v4)

**5** Op de vierde dag nu gebeurde het, dat zij 's morgens vroeg op waren, en[^richteren-19-5-10] hij opstond om weg te trekken; toen zei de vader van het meisje tot zijn schoonzoon:[^richteren-19-5-11] Sterk uw hart met een stuk brood, en daarna zult u wegtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v5)

**6** Zo zaten zij neer, en zij beiden aten samen, en dronken. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: Bewillig toch en overnacht, en laat uw hart[^richteren-19-6-12] vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v6)

**7** Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij daar[^richteren-19-7-13] opnieuw overnachtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v7)

**8** Als hij op de vijfde dag 's morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij wachtten, totdat de dag zich[^richteren-19-8-14] neigde; en zij beiden aten samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v8)

**9** Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijvrouw, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, overnacht toch;[^richteren-19-9-15] zie, de dag legert zich, overnacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw[^richteren-19-9-16] tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v9)

**10** Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (die is[^richteren-19-10-17] Jeruzalem), en met hem het paar[^richteren-19-10-18] gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v10)

**11** Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zei tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad van de Jebusieten wijken, en daarin overnachten.[^richteren-19-11-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v11)

**12** Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot[^richteren-19-12-20] een vreemde stad, die niet is van de Israëlieten; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v12)

**13** Verder zei hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot één van die plaatsen naderen, en te[^richteren-19-13-21] Gibeä of te Rama overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v13)

**14** Zo trokken zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibeä, die[^richteren-19-14-22] Benjamins is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v14)

**15** En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neer in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis[^richteren-19-15-23] nam, om te overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v15)

**16** En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, die man ook was van[^richteren-19-16-24] het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen[^richteren-19-16-25] van deze plaats waren[^richteren-19-16-26] kinderen van Jemini. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v16)

**17** Als[^richteren-19-17-27] hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij[^richteren-19-17-28] die reizende man op de straat van de stad; en de oude man zei: Waar trekt u heen, en vanwaar komt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v17)

**18** En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, vanwaar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getrokken, maar ik trek nu naar het[^richteren-19-18-29] huis van YHWH; en er is niemand, die mij in huis neemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v18)

**19** Daar toch onze ezels zowel stro als voer hebben, en ook brood en wijn[^richteren-19-19-30] is voor mij, en voor uw[^richteren-19-19-31] dienstmaagd, en voor de jongen, die bij[^richteren-19-19-32] uw knechten is; er is[^richteren-19-19-33] aan geen ding gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v19)

**20** Toen zei de oude man: Vrede zij u![^richteren-19-20-34] al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen overnacht niet op de straat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v20)

**21** En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezels voer; en hun[^richteren-19-21-35] voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v21)

**22** Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad[^richteren-19-22-b] (mannen, die[^richteren-19-22-36] Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem[^richteren-19-22-37] bekennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v22)

**23** En de man, de heer van het huis, ging tot hen uit, en zei tot hen: Niet, mijn[^richteren-19-23-38] broers, doet toch zo kwalijk niet; aangezien deze man in mijn[^richteren-19-23-39] huis gekomen is, zo doet zulke[^richteren-19-23-40] dwaasheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v23)

**24** Zie, mijn dochter die maagd is, en[^richteren-19-24-41] zijn bijvrouw, die zal ik nu uitbrengen,[^richteren-19-24-42] dat u die schendt, en haar doet, wat[^richteren-19-24-43] goed is in uw ogen; maar doet aan deze man zulk een[^richteren-19-24-44] dwaas ding niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v24)

**25** Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de[^richteren-19-25-45] man zijn bijvrouw, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij[^richteren-19-25-46] bekenden haar, en[^richteren-19-25-47] waren met haar bezig de gehele nacht tot aan de morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v25)

**26** En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en[^richteren-19-26-48] viel neer voor de deur van het huis van de man, waarin[^richteren-19-26-49] haar heer was,[^richteren-19-26-50] totdat het licht werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v26)

**27** Als nu haar heer 's morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijvrouw, aan de deur van het huis, en haar handen op de dorpel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v27)

**28** En hij zei tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar[^richteren-19-28-51] niemand antwoordde. Toen[^richteren-19-28-52] nam hij haar op de ezel, en de man maakte zich op, en trok naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v28)

**29** Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijvrouw, en[^richteren-19-29-53] deelde haar met[^richteren-19-29-54] haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in het hele[^richteren-19-29-55] gebied van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v29)

**30** En het gebeurde, dat al wie het zag, zei: Dat is niet gebeurd noch gezien, van die dag af, dat de Israëlieten uit Egypteland zijn opgetrokken, tot op deze dag; leg uw[^richteren-19-30-56] hart daarop,[^richteren-19-30-57] geeft raad en[^richteren-19-30-58] spreekt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/19.html#v30)

[^richteren-19-1-a]: Verwijzing a: Richt. 17:6 ; Richt. 18:1 ; Richt. 21:25 . Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen. Richteren 18:1 : In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelfde dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. Richteren 21:25 : In die dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen.
[^richteren-19-1-1]: Kanttekening 1: geen koning was in Israël: Dat is, geen wettelijke hoge overheid of regeerder, die de boosdoeners strafte; zie boven, Richt. 17:6 . Hieruit ontstonden mee de ongebondenheid van het bijwijf van de Leviet \[die noch in Efraïm, noch in Juda gestraft werd\] en de gevolgde zeer gruwelijke daad van de inwoners van Gibeä. Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen.
[^richteren-19-1-2]: Kanttekening 2: aan de zijden van het gebergte van Efraïm: Dat is, aan één van de zijden; zie boven, Richt. 12:7 . Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^richteren-19-1-3]: Kanttekening 3: Zie Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, wier naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^richteren-19-1-4]: Kanttekening 4: Zie Gen. 35:19 ; en boven, Richt. 12:8 . Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Richteren 12:8 : En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem.
[^richteren-19-2-5]: Kanttekening 5: bij hem zijnde: Of, tegen hem; dat is, tegen de trouw van het huwelijk, die zij hem beloofd had, bedreef zij overspel met anderen. Want ofschoon de bijwijven in het Oude Testament van zulke eer en waardigheid niet waren als de opperste vrouwen en moeders van het huisgezin, zo waren zij nochtans echte vrouwen en haar kinderen echte kinderen; zie onder, Richt. 20:4 . Richteren 20:4 : Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zei: Ik kwam met mijn bijwijf te Gibeä, die Benjamins is, om te overnachten.
[^richteren-19-2-6]: Kanttekening 6: toog van hem weg: Uit vrees voor haar man, of uit afkeer, die zij van hem genomen had.
[^richteren-19-2-7]: Kanttekening 7: enige dagen: Anders, een jaar \[en\] vier maanden. Of, de dagen van vier maanden; dat is, vier volle maanden. Hebreeuws, יָמִ֖ים, dagen, vier maanden.
[^richteren-19-3-8]: Kanttekening 8: naar haar hart te spreken: Of, tot, op, aan haar hart te spreken; dat is, om met lieflijke redenen, die haar hart mochten raken, tot bekering en wederkomst haar te bewegen, willende liever met haar verzoenen dan haar verlaten, als het doenlijk ware; zie van deze manier van spreken Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^richteren-19-3-9]: Kanttekening 9: zij bracht hem in het huis haars vaders: Zijn bijwijf.
[^richteren-19-5-10]: Kanttekening 10: hij opstond om weg te trekken: De Leviet.
[^richteren-19-5-11]: Kanttekening 11: Sterk uw hart met een bete broods: Dat is, ontbijt eerst was, en trek dan weg; zie Gen. 18:5 ; 1 Kon. 13:7 . Genesis 18:5 : En ik zal een bete broods langen, dat U Uw hart sterkt; daarna zult U voortgaan, daarom omdat U tot Uw knecht overgekomen bent. En zij zeiden: Doe zo als u gesproken hebt. 1 Koningen 13:7 : En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
[^richteren-19-6-12]: Kanttekening 12: vrolijk zijn: Hebreeuws, לִבֶּֽ, goed; dat is, vrolijk van goede dingen. Zie boven, Richt. 16:25 ; zo vers 9 , 19:22 . Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren. Richteren 19:9 : Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, overnacht toch; zie, de dag legert zich, overnacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent. Richteren 19:22 : Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.
[^richteren-19-7-13]: Kanttekening 13: opnieuw overnachtte: Hebreeuws, שָֽׁם, keerde terug en daar overnachtte.
[^richteren-19-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, totdat de zon begon te dalen, en het vast naar de avond ging.
[^richteren-19-9-15]: Kanttekening 15: zie, de dag legert zich: Hebreeuws, יּוֹם֙, zie het legeren van de dag; dat is, de dag legt zich, gaat naar het einde, of omtrent deze tijd van de dag plegen de reizende mensen zich te legeren, en u \[wil hij zeggen\] zoudt nu beginnen te reizen. Anders, leger u heden, of deze dag; dat is, laat uw slaapplaats heden nog hier zijn.
[^richteren-19-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, naar de plaats van uw woning.
[^richteren-19-10-17]: Kanttekening 17: Naderhand zo genoemd, in deze tijd door de Jebusieten bewoond. Zie vers 11 , 19:12 , en Joz. 15:63 ; 2 Sam. 5:6 . Richteren 19:11 : Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zei tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad van de Jebusieten wijken, en daarin overnachten. Richteren 19:12 : Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen van Israël; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe. Jozua 15:63 : Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe. 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
[^richteren-19-10-18]: Kanttekening 18: gezadelde ezelen: Of, opgebonden, en verder beladen, gelijk af te nemen uit vers 19 . Richteren 19:19 : Daar toch onze ezelen zowel stro als voeder hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor de jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.
[^richteren-19-11-19]: Kanttekening 19: Jebusieten wijken: Zie Gen. 10:16 . Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
[^richteren-19-12-20]: Kanttekening 20: vreemde stad: Hebreeuws, נָכְרִ֔י, stad van een vreemde; dat is, enige stad van de heidenen, die van God en zijn volk vervreemd waren. Hieruit wordt afgenomen dat Jeruzalem ten tijde, toen dit gebeurd is, niet was bewoond door de Israëlieten, of immers niet zo, dat zij de stad machtig waren. Vergelijk Joz. 15:63 , en boven, Richt. 1:8 , 1:21 , en 2 Sam. 5:6 . Het kan zijn dat de Israëlieten, nu en dan God vertoornende, zowel Jeruzalem als andere plaatsen geheel weer verloren hebben, hoewel dat hun van de Heer erfelijk was gegeven, en van hem gekozen om daar zijn naam te zetten, gelijk naderhand geschied is, ten tijde van David, Salomo, enz. Jozua 15:63 : Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe. Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag. 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
[^richteren-19-13-21]: Kanttekening 21: Gibeä of te Rama overnachten: Deze beide steden waren op bergen niet ver van Jeruzalem noordwaarts gelegen, op de weg naar het gebergte Efraïms, waar deze Leviet te die tijde woonde; zie vers 1 . Richteren 19:1 : Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
[^richteren-19-14-22]: Kanttekening 22: Benjamins is: Dat is, de stam Benjamins toebehorende en daarin gelegen.
[^richteren-19-15-23]: Kanttekening 23: nam, om te overnachten: Hebreeuws, לֽוּן, vergaderde, verzamelde of \[gelijk men zegt\] opnam, innam; zo onder, vers 18 . Zie verder van het gebruik van het Hebreeuwse woord Ps. 26:9 . Richteren 19:18 : En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getogen, maar ik trek nu naar het huis van YHWH; en er is niemand, die mij in huis neemt. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^richteren-19-16-24]: Kanttekening 24: het gebergte van Efraïm: Alwaar deze Leviet als vreemdeling zich ophield, boven, vers 1 . Richteren 19:1 : Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
[^richteren-19-16-25]: Kanttekening 25: van deze plaats: Te weten, Gibeä.
[^richteren-19-16-26]: Kanttekening 26: kinderen van Jemini: Dat is, van de stam Benjamins. Zie Gen. 35:18 ; 2 Sam. 16:11 , enz. en boven, Richt. 3:15 . Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd. Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten.
[^richteren-19-17-27]: Kanttekening 27: De oude man.
[^richteren-19-17-28]: Kanttekening 28: die reizende man: De Leviet.
[^richteren-19-18-29]: Kanttekening 29: huis van YHWH: Zijnde in die tijd te Silo, in Benjamin, niet ver van Efraïms gebergte, gelijk afgenomen wordt uit Joz. 18:1 ; boven, Richt. 18:31 ; 1 Sam. 1:3 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. Richteren 18:31 : Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te Silo was. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging naar boven uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.
[^richteren-19-19-30]: Kanttekening 30: is voor mij: Versta, bij ons, dat wij voor ons tot de reis hebben meegenomen. Of aldus: En ook brood en wijn bij uw knechten is, voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor de jongen.
[^richteren-19-19-31]: Kanttekening 31: Hij bedoelt zijn bijwijf.
[^richteren-19-19-32]: Kanttekening 32: knechten is: Dat is, bij ons, mij en mijn bijwijf.
[^richteren-19-19-33]: Kanttekening 33: aan geen ding gebrek: Behalve logies.
[^richteren-19-20-34]: Kanttekening 34: al wat u ontbreekt: Hebreeuws, מַחְסוֹרְ, al uw gebrek op, bij, of, over mij; dat is, al wat u zou mogen ontbreken is, of ligge op mij, of neem ik op of over mij, of is bij mij.
[^richteren-19-21-35]: Kanttekening 35: voeten gewassen hebbende: Zie Gen. 18:4 . Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^richteren-19-22-b]: Verwijzing b: Gen. 19:4 ; Hosea 9:9 ; Hosea 10:9 . Genesis 19:4 : Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af. Hosea 9:9 : Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. Hosea 10:9 : Sinds de dagen van Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande geblev (לֵב)en; de strijd te Gibeä, tegen de kinderen van de verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
[^richteren-19-22-36]: Kanttekening 36: Belials kinderen waren: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^richteren-19-22-37]: Kanttekening 37: Zie Gen. 19:5 . Genesis 19:5 : En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
[^richteren-19-23-38]: Kanttekening 38: Zie Gen. 19:7 . Genesis 19:7 : En hij zei: Mijn broers! doet toch geen kwaad!
[^richteren-19-23-39]: Kanttekening 39: huis gekomen is: Zie Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^richteren-19-23-40]: Kanttekening 40: dwaasheid niet: Zie Gen. 34:7 . Genesis 34:7 : En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden.
[^richteren-19-24-41]: Kanttekening 41: zijn bijwijf: Van de Leviet.
[^richteren-19-24-42]: Kanttekening 42: dat u die schendt: Vergelijk deze lelijke onbedachtheid met Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^richteren-19-24-43]: Kanttekening 43: goed is in uw ogen: Dat is, naar uw goeddunken of believen. Zie ook Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^richteren-19-24-44]: Kanttekening 44: een dwaas ding niet: Hebreeuws, זֹּֽאת, een zaak, of ding, of stuk van deze dwaasheid.
[^richteren-19-25-45]: Kanttekening 45: man zijn bijwijf: De Leviet.
[^richteren-19-25-46]: Kanttekening 46: bekenden haar: Zie Gen. 4:1 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen!
[^richteren-19-25-47]: Kanttekening 47: waren met haar bezig: Of, mishandelden haar.
[^richteren-19-26-48]: Kanttekening 48: viel neder: Hebreeuws, פֶּ֧תַח, viel, of, lag daar; dat is, gevallen zijnde lag daar. Zie van zulk een gebruik van sommige woorden Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^richteren-19-26-49]: Kanttekening 49: haar heer was: Versta, haar man. Zie Gen. 18:12 , en 1 Petr. 3:6 . Genesis 18:12 : Zo lachte Sara bij zichzelf, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is? 1 Petrus 3:6 : Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, wier dochters u geworden bent, als u weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking.
[^richteren-19-26-50]: Kanttekening 50: totdat het licht werd: Hebreeuws, אֽוֹר, tot aan het licht.
[^richteren-19-28-51]: Kanttekening 51: Want zij was dood; zie Richt. 20:5 . Richteren 20:5 : En de burgers van Gibeä maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden, dat zij gestorven is.
[^richteren-19-28-52]: Kanttekening 52: nam hij haar op de ezel: Dat is, hij nam haar en legde haar op de ene ezel. Vergelijk boven, vers 26 . Richteren 19:26 : En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
[^richteren-19-29-53]: Kanttekening 53: deelde haar: Hebreeuws, עֲצָמֶ֔י, alsof men zei: Stukte haar in twaalf stukken, deelde haar in twaalf delen.
[^richteren-19-29-54]: Kanttekening 54: haar beenderen: Of, door haar beenderen; dat is, het lichaam in de samenvoeging van de beenderen doorsnijdende.
[^richteren-19-29-55]: Kanttekening 55: gebied van Israël: Omdat geen koning, \[dat is, wettelijke hoge overheid\] in die tijd in Israël was, aan wie hij de klacht mocht doen, boven, vers 1 . Deze daad is in geen geval te prijzen, want het was schandelijk zo te handelen met het dode lichaam van zijn vrouw. Richteren 19:1 : Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
[^richteren-19-30-56]: Kanttekening 56: hart daarop: Het woord hart is hier ingevoegd uit 1 Sam. 25:25 , waar dergelijke manier van spreken vol gevonden wordt. De zin is: Neemt dit ter harte. Men zou het anders slechtelijk aldus mogen nemen: Legt u daarop, gelijk wij in onze taal zo spreken. 1 Samuël 25:25 : Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan deze Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, zo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die u gezonden hebt.
[^richteren-19-30-57]: Kanttekening 57: geeft raad: Of, neemt raad, beraadt u.
[^richteren-19-30-58]: Kanttekening 58: Te weten, met elkaar, of spreekt wat u hiervan denkt, wat men behoort te doen, om zulk een kwaad uit Israël weg te doen; gelijk onder, Richt. 20:13 . Richteren 20:13 : Zo geeft nu die mannen, die kinderen Belials, die te Gibeä zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israël wegdoen. Maar de kinderen van Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broers, de kinderen van Israël.

### Richteren 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/20.json)

*De kinderen van Israël verzamelen zich eendrachtig te Mizpa, en nemen kennis van het feit dat aan de bijvrouw van de Leviet begaan is, vers 1, enz. Zij regelen alles, en zenden mannen naar de stam Benjamin, om de daders van dit feit te mogen krijgen en straffen, maar krijgen geen gehoor, 8. Daarom trekken zij op Gods antwoord tegen hen op, en worden tweemaal verslagen, 18. Wanneer zij zich daarna verootmoedigd hebben, en duidelijker antwoord door de hogepriester Pinehas van God verkregen hebben, trekken zij nog eens op, en verslaan die van Benjamin zo, dat zij de hele stam, vrouwen en mannen, uitroeien, en alle steden verbranden, zodat er slechts zeshonderd man overblijft, die ontvluchtten, 26.*

**1** Toen trokken[^richteren-20-1-1] alle Israëlieten uit, en de vergadering verzamelde zich,[^richteren-20-1-2] als één enig man, van[^richteren-20-1-3] Dan af tot Ber-seba toe, ook het[^richteren-20-1-4] land van Gilead, tot YHWH[^richteren-20-1-5] te[^richteren-20-1-6] Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v1)

**2** En uit de[^richteren-20-2-7] hoeken van het gehele volk stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het[^richteren-20-2-8] zwaard uittrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v2)

**3** (De kinderen Benjamins nu[^richteren-20-3-9] hoorden, dat de Israëlieten opgetrokken waren naar Mizpa.) En de Israëlieten[^richteren-20-3-10] zeiden: Spreek,[^richteren-20-3-11] hoe is dit kwaad gebeurd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v3)

**4** Toen[^richteren-20-4-12] antwoordde de Levietische man, de[^richteren-20-4-13] man van de vrouw, die[^richteren-20-4-14] gedood was, en zei: Ik kwam met mijn bijvrouw te Gibeä, die Benjamins is, om te overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v4)

**5** En de burgers van Gibeä maakten zich tegen mij op, en omringden[^richteren-20-5-15] tegen mij het huis bij nacht; zij[^richteren-20-5-16] dachten mij te doden, en mijn bijvrouw hebben zij geschonden, dat zij gestorven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v5)

**6** Toen greep ik mijn bijvrouw, en[^richteren-20-6-17] deelde haar, en zond haar in het hele land van de erfenis van Israël,[^richteren-20-6-18] omdat zij een schandelijke daad en[^richteren-20-6-19] dwaasheid in Israël gedaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v6)

**7** Zie, u allen bent[^richteren-20-7-20] Israëlieten, geeft hier voor u woord en raad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v7)

**8** Toen maakte zich al het volk op, als één enig man, zeggende: Wij zullen[^richteren-20-8-21] niet gaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v8)

**9** Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gibeä zullen doen: tegen haar[^richteren-20-9-22] bij het lot! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v9)

**10** En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om proviant te nemen voor het[^richteren-20-10-23] volk, opdat zij, komende te[^richteren-20-10-24] Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v10)

**11** Zo werden alle mannen van Israël verzameld tot deze stad,[^richteren-20-11-25] verbonden als één enig man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v11)

**12** En de stammen van Israël zonden mannen door de[^richteren-20-12-26] gehele stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder u gebeurd is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v12)

**13** Zo geeft nu[^richteren-20-13-27] die mannen, die[^richteren-20-13-a] kinderen[^richteren-20-13-28] Belials, die te Gibeä zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israël wegdoen.[^richteren-20-13-b] Maar de kinderen van[^richteren-20-13-29] Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broers, de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v13)

**14** Maar de kinderen van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gibeä, om uit te trekken ten strijde tegen de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v14)

**15** En de kinderen van Benjamin werden op die dag geteld uit de steden,[^richteren-20-15-30] zes en twintig duizend mannen, die het[^richteren-20-15-31] zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibeä geteld werden, zevenhonderd uitgelezen mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v15)

**16** Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezen mannen, die[^richteren-20-16-c] links[^richteren-20-16-32] waren;[^richteren-20-16-33] deze allen slingerden met een steen op een haar,[^richteren-20-16-34] dat het hun niet miste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v16)

**17** En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v17)

**18** En de Israëlieten maakten zich op, en trokken omhoog in het huis van God, en vroegen God, en zeiden:[^richteren-20-18-37] Wie zal onder ons allereerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En YHWH zei: Juda allereerst.[^richteren-20-18-35][^richteren-20-18-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v18)

**19** Zo maakten zich de Israëlieten in de morgenstond op, en sloegen hun kamp op tegen Gibeä. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v19)

**20** En de mannen van Israël trokken uit ten strijde tegen Benjamin; verder[^richteren-20-20-38] schikten de mannen van Israël de strijd tegen hen bij Gibeä. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v20)

**21** Toen trokken de kinderen van Benjamin uit van Gibeä, en zij[^richteren-20-21-39] vernielden ter aarde op die dag van Israël twee en twintig duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v21)

**22** Maar het volk[^richteren-20-22-40] versterkte zich, te weten de mannen van Israël, en zij[^richteren-20-22-41] beschikten de strijd opnieuw ter plaatse, waar zij die van de vorige dag geschikt hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v22)

**23** En de Israëlieten trokken op, en huilden voor het[^richteren-20-23-42] aangezicht van YHWH tot op de avond, en vroegen YHWH zeggende: Zal[^richteren-20-23-43] ik[^richteren-20-23-44] weer naderen ten strijde tegen de kinderen van[^richteren-20-23-45] Benjamin, mijn broer? En YHWH zei: Trek tegen hem op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v23)

**24** Zo naderden de Israëlieten tot de kinderen van Benjamin, op de andere dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v24)

**25** En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en[^richteren-20-25-46] velden van de Israëlieten nog achttien duizend man neer ter aarde;[^richteren-20-25-47] die allen trokken het zwaard uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v25)

**26** Toen trokken alle Israëlieten en al het volk op, en kwamen in het[^richteren-20-26-48] huis van God, en huilden, en bleven daar voor het aangezicht van YHWH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v26)

**27** En de Israëlieten vroegen YHWH, want[^richteren-20-27-49] daar was de ark van het verbond van God in die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v27)

**28** En[^richteren-20-28-50] Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van[^richteren-20-28-51] Aäron, stond voor[^richteren-20-28-52] Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik[^richteren-20-28-53] nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer, of zal ik ophouden? en YHWH zei: Trek op, want morgen zal Ik[^richteren-20-28-54] hem in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v28)

**29** Toen bestelde Israël[^richteren-20-29-d] achterlagen op Gibeä rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v29)

**30** En de Israëlieten trokken op, aan de derde dag, tegen de kinderen van Benjamin; en zij schikten de strijd op Gibeä, als op de andere keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v30)

**31** Toen trokken de kinderen van Benjamin[^richteren-20-31-55] uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk,[^richteren-20-31-56] en te doorsteken, zoals de andere keren, op de straten, waarvan de één opgaat naar het[^richteren-20-31-57] huis van God, en de ander naar Gibeä, in het veld, ongeveer dertig man van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v31)

**32** Toen zeiden de kinderen van Benjamin: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen, als tevoren; maar de Israëlieten zeiden: Laat ons vluchten, en[^richteren-20-32-58] hen van de stad aftrekken naar de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v32)

**33** Toen maakten zich alle mannen van Israël op uit hun plaatsen, en schikten de strijd te[^richteren-20-33-59] Baäl-thamar; ook brak Israëls achterlage op uit haar plaats,[^richteren-20-33-60] na de ontbloting van Gibeä. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v33)

**34** En tien duizend uitgelezen mannen van geheel Israël kwamen van[^richteren-20-34-62] tegenover Gibeä, en de strijd werd zwaar; maar[^richteren-20-34-63] zij wisten niet, dat het kwaad hen treffen zou.[^richteren-20-34-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v34)

**35** Toen sloeg YHWH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de Israëlieten op die dag van Benjamin[^richteren-20-35-65] vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit.[^richteren-20-35-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v35)

**36** En de kinderen van Benjamin zagen, dat zij geslagen waren; want de mannen van Israël gaven de Benjaminieten plaats, omdat zij vertrouwden op de achterlage, die zij tegen Gibeä gesteld hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v36)

**37** En de achterlage haastte, en[^richteren-20-37-67] brak vooruit naar Gibeä toe; ja, de achterlage[^richteren-20-37-68] trok recht door, en sloeg de hele[^richteren-20-37-69] stad met de scherpte van het zwaard.[^richteren-20-37-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v37)

**38** En de mannen van Israël hadden een bestemde tijd met de hinderlaag, wanneer zij[^richteren-20-38-71] een grote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan.[^richteren-20-38-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v38)

**39** [^richteren-20-39-73] Zo keerden zich de mannen van Israël om in de strijd; en Benjamin had begonnen te slaan[^richteren-20-39-74] en te doorsteken van de mannen van Israël ongeveer dertig man; want[^richteren-20-39-75] zij zeiden: Immers is[^richteren-20-39-76] hij zeker voor ons aangezicht geslagen, als in de vorige strijd.[^richteren-20-39-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v39)

**40** Toen begon de[^richteren-20-40-78] verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de[^richteren-20-40-79] brand van de stad op naar de hemel.[^richteren-20-40-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v40)

**41** En de mannen van Israël keerden zich om; en de mannen van Benjamin werden verbaasd, want zij zagen, dat het kwaad hen treffen zou.[^richteren-20-41-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v41)

**42** Zo wendden zij zich voor het aangezicht van de mannen van Israël naar de weg van de[^richteren-20-42-82] woestijn;[^richteren-20-42-83] maar de strijd kleefde hen aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen.[^richteren-20-42-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v42)

**43** Zij omringden[^richteren-20-43-85] Benjamin, zij vervolgden hem, zij vertraden hem[^richteren-20-43-86] gemakkelijk, tot voor Gibeä, tegen de opgang van de zon.[^richteren-20-43-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v43)

**44** En er vielen van Benjamin achttien duizend mannen; deze allen waren strijdbare mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v44)

**45** Toen keerden zij zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de rotssteen van[^richteren-20-45-88] Rimmon; maar[^richteren-20-45-89] zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; verder kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man.[^richteren-20-45-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v45)

**46** Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen.[^richteren-20-46-90] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v46)

**47** Maar zeshonderd mannen keerden zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de[^richteren-20-47-e] rotssteen van Rimmon, en bleven in de rotssteen van Rimmon, vier maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v47)

**48** En de mannen van Israël keerden weer tot de[^richteren-20-48-92] kinderen van Benjamin, en sloegen[^richteren-20-48-93] hen met de scherpte van het[^richteren-20-48-94] zwaard, die van de hele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur.[^richteren-20-48-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/20.html#v48)

[^richteren-20-1-1]: Kanttekening 1: al de kinderen van Israël uit: Uitgezonderd de Benjaminieten; zie vers 12 , 20:13 , enz. Richteren 20:12 : En de stammen van Israël zonden mannen door de ganse stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder u geschied is? Richteren 20:13 : Zo geeft nu die mannen, die kinderen Belials, die te Gibeä zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israël wegdoen. Maar de kinderen van Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broers, de kinderen van Israël.
[^richteren-20-1-2]: Kanttekening 2: als een enig man: Dat is, met zonderlinge eendracht en gewilligheid, onbezwaard; zo onder, vers 8 , 20:11 ; 1 Sam. 11:7 ; 2 Sam. 19:14 ; Ezra 3:1 ; Neh. 8:2 , enz. Richteren 20:8 : Toen maakte zich al het volk op, als een enig man, zeggende: Wij zullen niet gaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis. Richteren 20:11 : Zo werden alle mannen van Israël verzameld tot deze stad, verbonden als een enig man. 1 Samuël 11:7 : En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in het hele gebied van Israël door de hand van de boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuël, zo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vrees voor YHWH op het volk, en zij gingen uit als een enig man. 2 Samuël 19:14 : Zo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enige man; en zij zonden heen tot de koning, zeggende: Keer weer, u en al uw knechten. Ezra 3:1 : Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen van Israël in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem. Nehemia 8:2 : Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek van de wet van Mozes zou halen, die YHWH Israël geboden had.
[^richteren-20-1-3]: Kanttekening 3: Dan af tot Ber-Seba toe: De stad Dan was de noordelijke, en Ber-Seba de zuidelijke landpale van Kanaän; zie 1 Kon. 4:25 . 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
[^richteren-20-1-4]: Kanttekening 4: land van Gilead: Dat is, de Israëlieten, die daar woonden, in het oosten over de Jordaan, te weten, Ruben, Gad en de halve stam van Manasse. Zie Num. 32 .
[^richteren-20-1-5]: Kanttekening 5: Om hem te bidden en verder te Silo raad te vragen.
[^richteren-20-1-6]: Kanttekening 6: Gelegen in Benjamin, Joz. 18:26 , westwaarts te Silo, mee naar uitwijzen van de kaarten. Een plaats bekwaam tot een landdag, als zijnde vast, naar de lengte, in het midden van Kanaän gelegen. Zie 1 Sam. 7:5 , 7:16 , en 1 Sam. 10:17 , enz.; 2 Kon. 25:22 , enz.; Jer. 40:6 , enz., en Jer. 41:1 , enz. Sommigen menen dat hier een bijzondere plaats is verordineerd geweest, tot gemene gebeden en oefening van de godzaligheid, als een synagoge en dergelijken meer geweest zijn, hoewel de ceremoniele godsdienst, van offeranden te doen, enz., gebeuren moest te Silo, waar de tabernakel en de ark waren. Van andere plaatsen, hebbende deze naam, zie boven, Richt. 10:17 . Jozua 18:26 : En Mizpe, en Chefira, en Moza, 1 Samuël 7:5 : Verder zei Samuël: Vergadert het gehele Israël naar Mizpa, en ik zal YHWH voor u bidden. 1 Samuël 7:16 : En hij toog van jaar tot jaar, en ging rondom naar Beth-el, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte Israël in al die plaatsen. 1 Samuël 10:17 : Maar Samuël riep het volk te zamen tot YHWH, te Mizpa. 2 Koningen 25:22 : Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. Jeremia 40:6 : Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten. Jeremia 41:1 : Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijken zade, en de oversten van de koning, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten daar brood te zamen, te Mizpa. Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^richteren-20-2-7]: Kanttekening 7: hoeken van het gehele volk: Dat is, van alle, ook de uiterste kwartieren. Anders, alle hoofden van het volk; verstaande, dat die de hoeken van het volk genoemd worden bij gelijkenis, als zijnde de voornaamsten, en de vastheid van het volk, gelijk de hoeken in een huis.
[^richteren-20-2-8]: Kanttekening 8: zwaard uittrokken: Zie boven, Richt. 8:10 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
[^richteren-20-3-9]: Kanttekening 9: Maar verschenen niet mee te Mizpa.
[^richteren-20-3-10]: Kanttekening 10: Versta, tot de Leviet, wiens bijwijf ter dood toe mishandeld was, en die hier tegenwoordig was, als ook vermoedelijk zijn jongen, die bij hem geweest was.
[^richteren-20-3-11]: Kanttekening 11: hoe is dit kwaad geschied: Zij willen niet besluiten noch bij de hand nemen, zonder eerst de zaak wel onderzocht en overwogen te hebben.
[^richteren-20-4-12]: Kanttekening 12: antwoordde de Levietische man: Dat is, verlof hebbende om te spreken, zo nam hij het woord, en verhaalde de gehele zaak; zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^richteren-20-4-13]: Kanttekening 13: man van de vrouw: Hoewel de vrouw zij bijwijf was, werden zij nochtans voor echte mensen gehouden; zie Richt. 19:2 . Richteren 19:2 : Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehem-juda; en zij was daar enige dagen, te weten vier maanden.
[^richteren-20-4-14]: Kanttekening 14: gedood was: Dat is, zo mishandeld, dat zij er van gestorven was, gelijk in het volgende verhaald wordt.
[^richteren-20-5-15]: Kanttekening 15: tegen mij het huis bij nacht: Om mij gruwelijk te misbruiken.
[^richteren-20-5-16]: Kanttekening 16: dachten mij te doden: Te weten, als ik hun gruwelijke moedwilligheid niet zou hebben willen gehoorzamen; en ik had liever te sterven dan zulks te doen.
[^richteren-20-6-17]: Kanttekening 17: deelde haar: Te weten, in twaalf stukken, boven, Richt. 19:29 . Richteren 19:29 : Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in het hele gebied van Israël.
[^richteren-20-6-18]: Kanttekening 18: zij een schandelijke daad: Die van Gibeä.
[^richteren-20-6-19]: Kanttekening 19: dwaasheid in Israël gedaan hadden: Zie Gen. 34:7 . Zo onder, vers 10 . Genesis 34:7 : En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden. Richteren 20:10 : En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft.
[^richteren-20-7-20]: Kanttekening 20: kinderen van Israël: Wie het in geen geval \[als zijnde Gods volk en bondgenoten\] betaamt zulk een gruwel ongestraft te laten.
[^richteren-20-8-21]: Kanttekening 21: niet gaan: Versta, tenzij wij eerst zullen hebben gedaan, wat in het volgende verhaald wordt.
[^richteren-20-9-22]: Kanttekening 22: bij het lot: Om uit te loten, wie het leger met proviand verzorgen en wie strijden zal.
[^richteren-20-10-23]: Kanttekening 23: Dat strijden zal.
[^richteren-20-10-24]: Kanttekening 24: In vers 9 en doorgaans in deze historie genoemd Gibeä, dat is, de inwoners van Gibeä doen naar hun verdiensten. Richteren 20:9 : Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gibeä zullen doen: tegen haar bij het lot!
[^richteren-20-11-25]: Kanttekening 25: verbonden als een enig man: Hebreeuws, חֲבֵרִֽים, gezellen, vergezelschapt, samengevoegd.
[^richteren-20-12-26]: Kanttekening 26: gansen stam van Benjamin: Hebreeuws, אמֹ֑ר, door alle stammen; dat is, de duizenden, waarin de stam Benjamins \[gelijk anderen\] was afgedeeld.
[^richteren-20-13-27]: Kanttekening 27: die mannen: Die aan deze gruwel schuldig zijn.
[^richteren-20-13-a]: Verwijzing a: Richt. 19:22 . Richteren 19:22 : Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.
[^richteren-20-13-28]: Kanttekening 28: Gelijk boven, Richt. 19:22 ; zie Deut. 13:13 . Richteren 19:22 : Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen. Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^richteren-20-13-b]: Verwijzing b: Hosea 9:9 ; Hosea 10:9 . Hosea 9:9 : Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. Hosea 10:9 : Sinds de dagen van Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibeä, tegen de kinderen van de verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
[^richteren-20-13-29]: Kanttekening 29: wilden niet horen: Makende zich zo schuldig aan die gruwelijke daad van de inwoners van Gibeä.
[^richteren-20-15-30]: Kanttekening 30: zes en twintig duizend mannen: Van dit getal zijn vijf en twintig duizend en een honderd gebleven, vers 35 . De overige negen honderd mogen gelaten zijn tot bezetting van de steden, bij de bagage, en om proviand te beschikken. Deze zijn na de slag in de steden allen omgebracht, vers 48 . Zes honderd \[honderd minder dan die van Gibeä alleen buiten de anderen uitmaakten\] zijn ontkomen en overgebleven, vers 47 . Richteren 20:35 : Toen sloeg YHWH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de kinderen van Israël op die dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:48 : En de mannen van Israël keerden weer tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, die van de gehele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur. Richteren 20:47 : Maar zeshonderd mannen keerden zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon, en bleven in de rotssteen van Rimmon, vier maanden.
[^richteren-20-15-31]: Kanttekening 31: zwaard uittrokken: Zie Richt. 8:10 , en onder, vers 17 , 20:46 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. Richteren 20:17 : En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog. Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen.
[^richteren-20-16-c]: Verwijzing c: Richt. 3:15 . Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten.
[^richteren-20-16-32]: Kanttekening 32: links waren: Hebreeuws, אִטֵּ֖ר, gesloten aan hun rechterhand, of, wier rechterhand gesloten was; Zie boven, Richt. 3:15 . Richteren 3:15 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH, en YHWH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen van Israël zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten.
[^richteren-20-16-33]: Kanttekening 33: deze allen slingerden met een steen op een haar: Of, een ieder van deze slingerde met een steen, enz.
[^richteren-20-16-34]: Kanttekening 34: dat het hun niet miste: Hebreeuws, יַחֲטִֽא, en deden \[de steen\] niet missen, of, falen, afdwalen; te weten, van op een haar te treffen. In het Hebreeuws wordt hier gebruikt hetzelfde woord, dat overal zondigen, doen zondigen betekent, omdat de zonde een missing, fout, of afdwaling is van Gods wet, wanneer iets daarmede niet overeenkomt, of \[gelijk de apostel Johannes zegt, in de 1n Brief, 1 Joh. 3:4 \] onwettigheid, of onwettelijkheid is. Vergelijk Job 5:24 . 1 Johannes 3:4 : Een ieder, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid. Job 5:24 : En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen.
[^richteren-20-18-37]: Kanttekening 37: Wie zal onder ons: Niet bekommerd zijnde om de rechtvaardigheid van deze krijg, noch om de victorie, die zij nochtans \[hoewel veel sterker zijnde dan Benjamin\] van God behoorden te begeren en te verwachten, zo vragen zij alleen naar de orde van de strijd, waarin zij schijnen het niet zo wel een geweest te zijn; vergelijk boven, Richt. 1:1 . Richteren 1:1 : En het geschiedde na de dood van Jozua, dat de kinderen van Israël YHWH vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen?
[^richteren-20-18-35]: Kanttekening 35: huize Gods: Zijnde te Silo, oostwaarts van Mizpa, en niet ver van Gibeä gelegen. Zie boven, Richt. 19:18 . Hebreeuws, יֹּֽאמְרוּ֙, Beth-El; dat is, huis van God; zie onder, vers 26 . Richteren 19:18 : En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getogen, maar ik trek nu naar het huis van YHWH; en er is niemand, die mij in huis neemt. Richteren 20:26 : Toen togen alle kinderen van Israël en al het volk op, en kwamen in het huis van God, en weenden, en bleven daar voor het aangezicht van YHWH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van YHWH.
[^richteren-20-18-36]: Kanttekening 36: vraagden God: Zie boven, Richt. 1:1 . Richteren 1:1 : En het geschiedde na de dood van Jozua, dat de kinderen van Israël YHWH vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen?
[^richteren-20-20-38]: Kanttekening 38: schikten de mannen van Israël: Dat is, zij stelden zich in orde om te strijden, zij stelden hun slagorde.
[^richteren-20-21-39]: Kanttekening 39: vernielden ter aarde: Hebreeuws, יּ֣וֹם, zij verdierven; zo onder, vers 25 , 20:35 , 20:42 . Het Hebreeuwse woord dient tot verzwaring van het doden, alsof men zei: Geheel en al verdoen, vernielen; zie Ez. 9:6 , 9:8 . Richteren 20:25 : En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en velden van de kinderen van Israël nog achttien duizend man neder ter aarde; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:35 : Toen sloeg YHWH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de kinderen van Israël op die dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:42 : Zo wendden zij zich voor het aangezicht van de mannen van Israël naar de weg van de woestijn; maar de strijd kleefde hen aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen. Ezechiël 9:6 : Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderen en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op die het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren. Ezechiël 9:8 : Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zei: Ach, Heer YHWH, zult U al het overblijfsel van Israël verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?
[^richteren-20-22-40]: Kanttekening 40: versterkte zich: Dat is, zij grepen moed en vermanden zich, niettegenstaande deze nederlaag.
[^richteren-20-22-41]: Kanttekening 41: beschikte de strijd: Hebreeuws, מִלְחָמָ֔ה, zij voeren voort, of, deden toe, de strijd te schikken.
[^richteren-20-23-42]: Kanttekening 42: aangezicht van YHWH: Dat is, in de tent van de samenkomst, waar de ark van het verbond was, een zichtbaar teken van Gods aanwezigheid en genade. Zie onder, vers 26 , 20:27 , en Lev. 1:3 . Richteren 20:26 : Toen togen alle kinderen van Israël en al het volk op, en kwamen in het huis van God, en weenden, en bleven daar voor het aangezicht van YHWH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van YHWH. Richteren 20:27 : En de kinderen van Israël vraagden YHWH, want daar was de ark van het verbond van God in die dagen. Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^richteren-20-23-43]: Kanttekening 43: Israël; zo onder, vers 28 . Richteren 20:28 : En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer, of zal ik ophouden? en YHWH zei: Trekt op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven.
[^richteren-20-23-44]: Kanttekening 44: weer genaken ten strijde: Hebreeuws, מִּלְחָמָ֔ה, zal ik toedoen, of, voortvaren te genaken.
[^richteren-20-23-45]: Kanttekening 45: mijn broer: Het schijnt dat zij, vermits de geleden nederlaag, twijfelen of het voor God aangenaam is, dat zij als tegen hun broers krijgen, zonder te vragen naar de uitkomst of de victorie.
[^richteren-20-25-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, verdierven.
[^richteren-20-25-47]: Kanttekening 47: allen trokken het zwaard uit: Dat is, deze allen waren strijdbare mannen; zie vers 15 , 20:17 . Richteren 20:15 : En de kinderen van Benjamin werden op die dag geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibeä geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen. Richteren 20:17 : En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog.
[^richteren-20-26-48]: Kanttekening 48: huize Gods: Hebreeuws, יָּבֹ֣אוּ, Beth-El; dat is, Gods huis, gelijk het door de meeste overzetters in deze historie wordt vertaald. Dit is ook de naam van de vermaarde plaats Beth-El \[zie Gen. 28:19 \]. En omdat in vers 27 gezegd wordt, dat daar de ark van het verbond in die tijd was, nemen sommigen daaruit af, dat zij te Bethel en niet te Silo \[in deze historie nergens genoemd dan onder, Richt. 21:12 , 21:19 , 21:21 \] geweest is, omdat het woordje daar zo wel niet schijnt te passen, als er geen plaats tevoren genoemd zou zijn. Maar Bethel was zo ver oostwaarts van Gibeä \[naar uitwijzen van de beste kaarten\] gelegen, dat het gehele volk zeer kwalijk zo haast daarheen trekken en terugkeren kon; maar Silo was dicht bij Gibeä. De aandachtige lezer zal hiervan kunnen oordelen. Zie boven, Richt. 19:18 , en onder, Richt. 21:12 . Genesis 28:19 : En hij noemde de naam dier plaats Beth-el; daar toch de naam dier stad te voren was Luz. Richteren 20:27 : En de kinderen van Israël vraagden YHWH, want daar was de ark van het verbond van God in die dagen. Richteren 21:12 : En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging van de man; en zij brachten die in het leger te Silo, die is in het land Kanaän. Richteren 21:19 : Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest van YHWH te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis van God, tegen de opgang van de zon, aan de hoge weg, die opgaat van het huis van God naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona. Richteren 21:21 : En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zo komt u voort uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochters van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin. Richteren 19:18 : En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getogen, maar ik trek nu naar het huis van YHWH; en er is niemand, die mij in huis neemt. Richteren 21:12 : En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging van de man; en zij brachten die in het leger te Silo, die is in het land Kanaän.
[^richteren-20-27-49]: Kanttekening 49: daar was de ark van het verbond: In Gods huis, te Silo; anderen verstaan Bethel; zie de aantekeningen op vers 26 . Richteren 20:26 : Toen togen alle kinderen van Israël en al het volk op, en kwamen in het huis van God, en weenden, en bleven daar voor het aangezicht van YHWH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van YHWH.
[^richteren-20-28-50]: Kanttekening 50: Zie boven, Richt. 17:1 . Richteren 17:1 : En er was een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Micha.
[^richteren-20-28-51]: Kanttekening 51: Dat is, diende als hogepriester. Zie Deut. 10:8 , en Deut. 18:5 , enz. Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. Deuteronomium 18:5 : Want YHWH, uw God, heeft hem uit al uw stammen gekozen, dat hij sta, om te dienen in de Naam van YHWH, hij en zijn zonen, te alle dage.
[^richteren-20-28-52]: Kanttekening 52: Zijn aangezicht: Van de Heer, of voor haar, te weten, de ark van het verbond.
[^richteren-20-28-53]: Kanttekening 53: nog meer uittrekken ten strijde: Hebreeuws, צֵ֧את, zal ik \[namelijk Israël\] nog, of, voortaan toedoen, of, voortvaren uit te trekken.
[^richteren-20-28-54]: Kanttekening 54: hem in uw hand geven: Benjamin.
[^richteren-20-29-d]: Verwijzing d: Joz. 8:4 . Jozua 8:4 : En gebood hun, zeggende: Ziet toe, u zult van de stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest u allen bereid.
[^richteren-20-31-55]: Kanttekening 55: het volk tegemoet: Israël.
[^richteren-20-31-56]: Kanttekening 56: en te doorsteken: Hebreeuws, פַ֣עַם, doorgestokenen, of die doorstoken, of ter dood verwond, of doodgestoken waren.
[^richteren-20-31-57]: Kanttekening 57: huis van God: Of, Bethel.
[^richteren-20-32-58]: Kanttekening 58: hen van de stad aftrekken: Benjamin.
[^richteren-20-33-59]: Kanttekening 59: Westwaarts van Gibeä gelegen, naar uitwijzen van de kaarten.
[^richteren-20-33-60]: Kanttekening 60: na de ontbloting van Gibeä: Dat is, nadat de stad van het krijgsvolk, dat nu van dezelfde was afgetrokken ontbloot was. Anders, uit de beemden, wiesen, mieden, weiden.
[^richteren-20-34-62]: Kanttekening 62: zij wisten niet: Om zich te houden tussen de stad en het krijgsvolk, ten einde zij niet weer in de stad mochten geraken.
[^richteren-20-34-63]: Kanttekening 63: treffen zou: Die van Benjamin.
[^richteren-20-34-61]: Kanttekening 61: tegenover Gibeä: Dat is, Gibeä, gelijk boven, vers 10 . Richteren 20:10 : En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft.
[^richteren-20-35-65]: Kanttekening 65: trokken het zwaard uit: Zie Richt. 8:10 ; boven, vers 17 , en onder, vers 46 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. Richteren 20:17 : En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog. Richteren 20:46 : Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen.
[^richteren-20-35-64]: Kanttekening 64: Of, raken zou, of dat het kwaad hen was nakende; zo onder, vers 41 . Richteren 20:41 : En de mannen van Israël keerden zich om; en de mannen van Benjamin werden verbaasd, want zij zagen, dat het kwaad hen treffen zou.
[^richteren-20-37-67]: Kanttekening 67: trok rechtdoor: Of, trok , te weten het bijhebbende volk tot zich, om door te dringen in de stad. Vergelijk boven, Richt. 4:6 . Anders, maakte een trekkend geluid, blies langzaam, trekkende ; te weten, met de bazuin, gelijk Ex. 19:13 , Joz. 6:5 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? Exodus 19:13 : Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen. Jozua 6:5 : En het zal gebeuren, als men langzaam met de ramshoorn blaast, als u het geluid van de bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een ieder tegenover zich.
[^richteren-20-37-68]: Kanttekening 68: Dat is, allen, die in de stad gevonden werden.
[^richteren-20-37-69]: Kanttekening 69: scherpte van het zwaard: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard.
[^richteren-20-37-66]: Kanttekening 66: brak voorwaarts: Of, viel aan, brak door.
[^richteren-20-38-71]: Kanttekening 71: zouden doen opgaan: Dat alsdan die van Israël zich wenden en de Benjaminieten aanvallen zouden, want het zou een teken zijn dat de stad was ingenomen.
[^richteren-20-38-70]: Kanttekening 70: een grote verheffing van rook: Hebreeuws, מַשְׂאַ֥ת, zouden vermenigvuldigen een verheffing van de rook te doen opgaan van de stad.
[^richteren-20-39-73]: Kanttekening 73: en te doorsteken: Hebreeuws, שְׁלֹשִׁ֣ים, doorgestokenen; gelijk vers 31 . Richteren 20:31 : Toen togen de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk, en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten, waarvan de één opgaat naar het huis van God, en de ander naar Gibeä, in het veld, omtrent dertig man van Israël.
[^richteren-20-39-74]: Kanttekening 74: zij zeiden: Die van Benjamin.
[^richteren-20-39-75]: Kanttekening 75: Te weten, Israël.
[^richteren-20-39-76]: Kanttekening 76: zekerlijk voor ons aangezicht geslagen: Hebreeuws, פָנֵ֔י, geslagen zijnde is hij geslagen.
[^richteren-20-39-72]: Kanttekening 72: Zo keerden zich de mannen van Israël om: Als vluchtenden, om die van Benjamin van de stad te trekken; gelijk boven, vooraf verhaald is, vers 31 . Richteren 20:31 : Toen togen de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk, en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten, waarvan de één opgaat naar het huis van God, en de ander naar Gibeä, in het veld, omtrent dertig man van Israël.
[^richteren-20-40-78]: Kanttekening 78: brand van de stad: Hebreeuws, כְלִיל, de gehele vertering; dat is, de brand, waardoor de gehele stad verteerd werd.
[^richteren-20-40-79]: Kanttekening 79: Dat is, in de lucht.
[^richteren-20-40-77]: Kanttekening 77: verheffing op te gaan van de stad: Waarvan boven, vers 38 . Richteren 20:38 : En de mannen van Israël hadden een bestemde tijd met de achterlage, wanneer zij een grote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan.
[^richteren-20-41-80]: Kanttekening 80: kwaad hen treffen zou: Gelijk boven, vers 34 . Richteren 20:34 : En tien duizend uitgelezen mannen van geheel Israël kwamen van tegenover Gibeä, en de strijd werd zwaar; maar zij wisten niet, dat het kwaad hen treffen zou.
[^richteren-20-42-82]: Kanttekening 82: kleefde hen aan: Dat is, achterhaalde hen, troffen evenwel, gelijk vers 45 . Richteren 20:45 : Toen keerden zij zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; verder kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man.
[^richteren-20-42-83]: Kanttekening 83: vernielden ze in het midden van hen: Hebreeuws, תוֹכֽ, verdierven hen in hun midden; dat is, omringende hen van alle kanten, sloegen zij hen, gelijk volgt.
[^richteren-20-42-81]: Kanttekening 81: Dat is, de strijders.
[^richteren-20-43-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws, \[in, of met\] rust; dat is, zonder grote moeite of arbeid. Sommigen nemen het voor de naam ener plaats, die Menuah of Menucha zou genaamd zijn.
[^richteren-20-43-86]: Kanttekening 86: Hieruit wordt door sommigen afgenomen dat er nog een ander Gibeä was in het oosten gelegen van Gibeä, of Geba, dat doorgaans in deze historie vermeld wordt, gelijk de kaarten mee beide deze steden zo stellen, noemende het ene Gibeä, of Geba, en het andere \[dat hier ook Gibeä genoemd wordt\] Gibeath, of Gabaäth.
[^richteren-20-43-84]: Kanttekening 84: Dat is, de mannen Benjamins, of Benjaminieten.
[^richteren-20-45-88]: Kanttekening 88: zij deden een nalezing onder hen: Hebreeuws, חֲמֵ֥שֶׁת, zij lazen hem \[Benjamin\] na op de straten; dat is, zij sloegen hen hier en daar bij partijen, gelijk men de overgebleven druiven in de wijnoogst naleest, en op het laatste afsnijdt, opdat er niets overblijve; zie boven, Richt. 8:2 . Richteren 8:2 : Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
[^richteren-20-45-89]: Kanttekening 89: kleefden zij hen achteraan: Dat is, zij vervolgden hen al straks op de hielen, zonder hun enige rust of uitvlucht toe te laten.
[^richteren-20-45-87]: Kanttekening 87: Een stad op een rots gelegen, tussen Bethel en Gibeä, aan de zuidelijke grenzen van Benjamin.
[^richteren-20-46-90]: Kanttekening 90: vijf en twintig duizend mannen: In dit getal worden, naar het gebruik van de Heilige Schrift, de honderd \[waarvan boven, vers 35 , om de rondheid van het getal, uitgelaten. Vergelijk boven, Richt. 11:26 . Richteren 20:35 : Toen sloeg YHWH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de kinderen van Israël op die dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 11:26 : Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stedekens, en in Aroër en in de stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet gered?
[^richteren-20-47-e]: Verwijzing e: Richt. 21:13 . Richteren 21:13 : Toen zond de gehele vergadering heen, en sprak tot de kinderen van Benjamin, die in de rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe.
[^richteren-20-48-92]: Kanttekening 92: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard.
[^richteren-20-48-93]: Kanttekening 93: die van de gehele stad tot de beesten toe: Hebreeuws, עַ֖ד, van de stad van de geheelheid; vergelijk Ps. 38:4 . Anders, van de mensen van de stad tot de beesten toe. Psalmen 38:4 : Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
[^richteren-20-48-94]: Kanttekening 94: Hebreeuws, zonden, gelijk boven, Richt. 1:8 . Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
[^richteren-20-48-91]: Kanttekening 91: kinderen van Benjamin: Die in de steden gebleven waren.

### Richteren 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/richteren/21.json)

*De kinderen van Israël bedrijven rouw over de ondergang van de stam Benjamin, vers 1, enz. Zij vinden een uitweg om de overgeblevenen aan vrouwen te helpen, zonder hun eed te schenden, 5. De inwoners van Jabes in Gilead, omdat zij niet mee opgekomen waren tot deze strijd, worden allen uitgeroeid, behalve vierhonderd jonge dochters, die de kinderen van Israël geven aan een deel van de overgebleven Benjaminieten, 8. Voor de anderen vinden zij het goed verlof te geven dat zij op het feest te Silo de dansende dochters overvallen en wegvoeren, zoveel als zij nodig hebben, 16. Daarbij bedenken zij met welk antwoord zij de klagende verwanten zouden tevredenstellen, 22.*

**1** De mannen van Israël nu hadden te[^richteren-21-1-1] Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijn dochter aan de Benjaminieten tot vrouw geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v1)

**2** Zo kwam het volk[^richteren-21-2-2] tot het huis van God, en zij bleven daar tot op de avond,[^richteren-21-2-3] voor Gods aangezicht; en zij hieven hun stem op en huilden met groot geween. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v2)

**3** En zeiden: O[^richteren-21-3-4] YHWH, God van Israël! Waarom is dit gebeurd in Israël, dat er vandaag één stam van Israël gemist wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v3)

**4** En het gebeurde op de andere dag, dat zich het volk vroeg opmaakte, en bouwde daar[^richteren-21-4-5] een altaar; en zij offerden brandoffers en dankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v4)

**5** En de Israëlieten zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in de vergadering uit al de stammen van[^richteren-21-5-6] Israël tot YHWH? Want er was een grote eed gebeurd aangaande degene, die niet opkwam tot YHWH te Mizpa, zeggende: Hij zal[^richteren-21-5-7] zeker gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v5)

**6** En het berouwde de Israëlieten over Benjamin, hun broer; en zij zeiden:[^richteren-21-6-8] Vandaag is één stam van Israël afgesneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v6)

**7** Wat zullen wij,[^richteren-21-7-9] wat betreft de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij YHWH gezworen, dat wij hun van onze dochters geen tot vrouwen zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v7)

**8** En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot YHWH te Mizpa? En ziet, van[^richteren-21-8-10] Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v8)

**9** Want het volk werd geteld, en ziet, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v9)

**10** Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de[^richteren-21-10-11] strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trek heen, en slaat met de scherpte van het zwaard de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v10)

**11** Maar dit is de zaak, die u doen zult;[^richteren-21-11-a] al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging van een man bekend hebben, zult u[^richteren-21-11-12] verbannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v11)

**12** En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd meisjes, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging van de man; en zij brachten die in het leger te[^richteren-21-12-13] Silo,[^richteren-21-12-14] die is in het land[^richteren-21-12-15] Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v12)

**13** Toen[^richteren-21-13-16] zond de hele vergadering heen, en sprak tot de kinderen van Benjamin, die in de[^richteren-21-13-b] rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v13)

**14** Zo kwamen de Benjaminieten in die tijd weer; en zij gaven hun de vrouwen,[^richteren-21-14-17] die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar zo waren[^richteren-21-14-18] er nog niet genoeg voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v14)

**15** Toen[^richteren-21-15-19] berouwde het het volk over Benjamin, omdat YHWH een scheur gemaakt had in de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v15)

**16** En de oudsten van de vergadering zeiden: Wat zullen wij, wat betreft de vrouwen, doen aan[^richteren-21-16-20] degenen, die overgebleven zijn? Want[^richteren-21-16-21] de vrouwen zijn uit Benjamin vernietigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v16)

**17** Verder zeiden zij: De erfenis[^richteren-21-17-22] van degenen, die ontkomen zijn, is van Benjamin, en er moet geen stam uitgewist worden uit Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v17)

**18** Maar wij zullen hun geen vrouwen van onze dochters kunnen geven; want de Israëlieten hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die de Benjaminieten een vrouw geeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v18)

**19** Toen zeiden zij: Zie, er is een[^richteren-21-19-23] feest van YHWH te Silo, van[^richteren-21-19-24] jaar tot jaar, dat[^richteren-21-19-25] gehouden wordt tegen het noorden van[^richteren-21-19-26] het huis van God, tegen de opgang van de zon, aan de hoge weg, die opgaat van het huis van God naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v19)

**20** En zij geboden de kinderen van Benjamin, zeggende: Ga heen, en loert in de wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v20)

**21** En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met[^richteren-21-21-27] reien te dansen, zo komt u voort uit de wijngaarden, en[^richteren-21-21-28] schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochters van Silo; en gaat heen[^richteren-21-21-29] in het land van Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v21)

**22** En het zal gebeuren, wanneer haar vaders of haar broers zullen komen, om voor ons te rechten, dat wij tot hen zullen zeggen:[^richteren-21-22-30] Weest hun om onzentwil genadig,[^richteren-21-22-31] omdat wij geen huisvrouw voor een ieder van hen in deze strijd genomen hebben; want u hebt ze hun niet[^richteren-21-22-32] gegeven, dat u op deze tijd schuldig zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v22)

**23** En de kinderen van Benjamin deden zo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de reiende dochters, die zij roofden, en zij trokken heen, en keerden weer tot hun erfenis, en herbouwden de[^richteren-21-23-33] steden, en woonden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v23)

**24** Ook trokken de Israëlieten in die tijd van daar, ieder naar zijn stam en naar zijn geslacht; zo trokken zij uit van daar, ieder naar zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v24)

**25** [^richteren-21-25-c] In die dagen was er geen[^richteren-21-25-34] koning in Israël; ieder deed, wat recht was in zijn ogen.[^richteren-21-25-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/richteren/21.html#v25)

[^richteren-21-1-1]: Kanttekening 1: Mizpa gezworen: Zie boven, Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^richteren-21-2-2]: Kanttekening 2: het huis van God: Of, Bethel, Beth-El.
[^richteren-21-2-3]: Kanttekening 3: voor Gods aangezicht: Zie boven, Richt. 20:23 . Richteren 20:23 : En de kinderen van Israël togen op, en weenden voor het aangezicht van YHWH tot op de avond, en vraagden YHWH zeggende: Zal ik weer genaken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer? En YHWH zei: Trekt tegen hem op.
[^richteren-21-3-4]: Kanttekening 4: O YHWH, God van Israël: Hadden zij dit tevoren bedacht en hun victorie matiger gebruikt, zo hadden zij al deze zwarigheden en bekommernissen bekwamelijk kunnen ontgaan.
[^richteren-21-4-5]: Kanttekening 5: een altaar: Versta, een extra-ordinair altaar, buiten het ordinaire, dat in de tent van de samenkomst was, en dit vanwege de grote menigte van de offeranden van het gehele volk. Vergelijk 1 Kon. 8:64 . 1 Koningen 8:64 : Ten zelfde dage heiligde de koning het middelste van de voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, en ook het vet van de dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet van de dankofferen te vatten.
[^richteren-21-5-6]: Kanttekening 6: tot YHWH: Zie boven, Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^richteren-21-5-7]: Kanttekening 7: zekerlijk gedood worden: Hebreeuws, יוּמָֽת, hij zal stervende gedood worden, of, men zal hem stervende doen sterven.
[^richteren-21-6-8]: Kanttekening 8: Heden is een stam van Israël afgesneden: Of, zouden wij heden een stam van Israël afsnijden?
[^richteren-21-7-9]: Kanttekening 9: wat betreft de vrouwen: Dat is, opdat zij vrouwen mogen bekomen, en de stam onderhouden worde.
[^richteren-21-8-10]: Kanttekening 10: van Jabes: Gelegen over de Jordaan, waar dezelfde loopt door de zee Gennesareth, tegen het oosten. Zie ook 1 Sam. 11:1 , 11:3 , 11:9 , enz., en 1 Sam. 31:11 , enz. 1 Samuël 11:1 : Toen toog Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen. 1 Samuël 11:3 : Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al het gebied van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan. 1 Samuël 11:9 : Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Aldus zult u de mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing gebeuren, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd. 1 Samuël 31:11 : Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;
[^richteren-21-10-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, van de kinderen, of, zonen van de strijdbaarheid, of, van het heir.
[^richteren-21-11-a]: Verwijzing a: Num. 31:17 . Numeri 31:17 : Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderen; en doodt alle vrouw, die door bijligging van de man een man bekend heeft.
[^richteren-21-11-12]: Kanttekening 12: Dat is, uitroeien, ombrengen. Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^richteren-21-12-13]: Kanttekening 13: Zie Joz. 18:1 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
[^richteren-21-12-14]: Kanttekening 14: die is: Of, dat \[te weten, leger\] was, enz.
[^richteren-21-12-15]: Kanttekening 15: Over de Jordaan tegen het westen, te rekenen van Gilead, dat gelegen was aan de overzijde van de Jordaan, tegen het oosten.
[^richteren-21-13-16]: Kanttekening 16: zond de gehele vergadering heen: Hebreeuws, עֵדָ֔ה, zonden en spraken, enz. Dat is, zond enige en liet door dezelfde met hen spreken.
[^richteren-21-13-b]: Verwijzing b: Richt. 20:47 . Richteren 20:47 : Maar zeshonderd mannen keerden zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon, en bleven in de rotssteen van Rimmon, vier maanden.
[^richteren-21-14-17]: Kanttekening 17: die zij in het leven behouden hadden: De anderen allemaal verbannen of omgebracht zijnde, gelijk vers 10 bevolen was. Richteren 21:10 : Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trekt heen, en slaat met de scherpte van het zwaard de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderen.
[^richteren-21-14-18]: Kanttekening 18: waren er nog niet genoeg voor hen: Hebreeuws, מָצְא֥וּ, en vonden zij niet voor hen. Zie van deze manier van spreken Num. 11:22 ; Joz. 17:17 , enz. Numeri 11:22 : Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij? Jozua 17:17 : Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen een lot hebben;
[^richteren-21-15-19]: Kanttekening 19: berouwde het het volk over Benjamin: Omdat er geen middel meer overig scheen te wezen om de resterenden met vrouwen te voorzien.
[^richteren-21-16-20]: Kanttekening 20: Versta, de anderen, die nog twee honderd in getal waren.
[^richteren-21-16-21]: Kanttekening 21: de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd: Hebreeuws, אִשָּֽׁה, de vrouw is verdelgd.
[^richteren-21-17-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, van de ontkoming; dat is, degenen die ontkomen zijn. De zin is: De overgeblevenen moeten behouden de gehele erfenis, die de stam Benjamins ten tijde van Jozua bij het lot ten deel gevallen is; men mag geen anderen stam een gedeelte daarvan ingeven. Omdat nu deze overgeblevenen weinig in getal zijn, zo dienen zij immers allen van vrouwen verzorgd opdat de stam, weer uitgebreid zijnde, in wezen blijve, zijn erfenis besla, en bewone. Anders, degenen, die van Benjamin ontkomen zijn, \[moeten hun\] erfenis \[behouden\] dat er geen stam, enz.
[^richteren-21-19-23]: Kanttekening 23: feest van YHWH te Silo: Wat dit voor een feest geweest is, is onzeker. Sommigen gissen dat het is geweest het feest van de loofhutten.
[^richteren-21-19-24]: Kanttekening 24: jaar tot jaar: Hebreeuws, יָמִ֗ימָ, van dagen tot dagen; dat is, van jaar tot jaar; de zin is: Alle jaren, of jaarlijks. Zie deze betekenis van het woord dagen Lev. 25:29 , en de aantekeningen daar. Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^richteren-21-19-25]: Kanttekening 25: tegen het noorden: Dit wordt door de meeste uitleggers gehouden voor een beschrijving van de plaatsen, waar zich het volk, bij menigten van alle kwartieren opkomende, placht te verspreiden en te vermaken, omdat zij geen ruimte daartoe binnen Silo hadden. Deze beschrijving diende de Benjaminieten om daarop te letten, gelijk volgt.
[^richteren-21-19-26]: Kanttekening 26: het huis van God: Anders, Behtel.
[^richteren-21-21-27]: Kanttekening 27: reien te dansen: Of, met pijpen te pijpen, met fluiten te fluiten.
[^richteren-21-21-28]: Kanttekening 28: schaakt u: Of, grijpt, rooft.
[^richteren-21-21-29]: Kanttekening 29: in het land van Benjamin: Naar de plaatsen, die u tevoren bewoond hebt, om die weer op te bouwen. Zie vers 23 . Richteren 21:23 : En de kinderen van Benjamin deden zo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de reiende dochters, die zij roofden, en zij togen heen, en keerden weer tot hun erfenis, en herbouwden de steden, en woonden daarin.
[^richteren-21-22-30]: Kanttekening 30: Zijt hun om onzentwil genadig: De zin is: Staat ons deze Benjaminieten gunstiglijk toe, dat wij hen ditmaal sparen: of \[naar sommiger mening\] staat ons deze dochters voor ditmaal toe, geeft, schenkt haar ons uit gratie, om de volgende redenen. Anders, zijt hun \[deze Benjaminieten\] onzenthalve genadig, of, hebt om onzentwil medelijden met hen, hebt medelijden met ons voor hen.
[^richteren-21-22-31]: Kanttekening 31: omdat wij geen huisvrouw: Dat is omdat wij daarop niet gelet hebben, dat wij voor al de overgebleven Benjaminieten vrouwen genoeg mochten overhouden van de inwoners van de stad Jabes in Gilead. Zie boven, vers 11 , 21:12 . Zo nemen zij op zich de schuld van onbedachtelijk en onvoorzichtelijk gehandeld te hebben. Richteren 21:11 : Maar dit is de zaak, die ge doen zult; al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging van een man bekend hebben, zult u verbannen. Richteren 21:12 : En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging van de man; en zij brachten die in het leger te Silo, die is in het land Kanaän.
[^richteren-21-22-32]: Kanttekening 32: Maar zij hebben haar zelf genomen, zodat u niet schuldig bent aan enige inbreuk van uw gedanen eed. Zie boven, vers 1 , 21:7 , 21:18 . Richteren 21:1 : De mannen van Israël nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijn dochter aan de Benjaminieten ter vrouwe geven. Richteren 21:7 : Wat zullen wij, wat betreft de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij YHWH gezworen, dat wij hun van onze dochters geen tot vrouwen zullen geven. Richteren 21:18 : Maar wij zullen hun geen vrouwen van onze dochters kunnen geven; want de kinderen van Israël hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die de Benjaminieten een vrouw geeft!
[^richteren-21-23-33]: Kanttekening 33: de steden: Die met vuur verbrand waren; boven, Richt. 20:48 . Richteren 20:48 : En de mannen van Israël keerden weer tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, die van de gehele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur.
[^richteren-21-25-c]: Verwijzing c: Richt. 17:6 ; Richt. 18:1 ; Richt. 19:1 . Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een iedereen deed, wat recht was in zijn ogen. Richteren 18:1 : In die dagen was er geen koning in Israël; en in dezelfde dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. Richteren 19:1 : Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
[^richteren-21-25-34]: Kanttekening 34: koning in Israël: Zie boven, Richt. 17:6 . Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; een ieder deed, wat recht was in zijn ogen.
[^richteren-21-25-35]: Kanttekening 35: Dat is, wat hem docht recht te zijn; niet wat recht was in de ogen van de Heer.

## Ruth

### Ruth 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ruth/1.json)

*Elimelech vertrekt, vanwege de duurte, van Bethlehem naar het land der Moabieten, en sterft daar, vers 1, enz. Zijn twee zonen nemen Moabitische vrouwen, en sterven ook, 4. Naomi, weduwe van Elimelech, die hoort dat de duurte ophield, begeeft zich met de twee schoondochters, Orpa en Ruth, op reis naar Bethlehem, 6. Naomi vermaant beide schoondochters terug te keren, 8. Orpa laat zich gezeggen, en trekt terug naar haar land, maar Ruth wil Naomi geenszins verlaten, 14. Zo komen zij beiden te Bethlehem, 19.*

**1** In de dagen, als de[^ruth-1-1-1] richters richtten, zo gebeurde het, dat er honger in[^ruth-1-1-2] het land was; daarom trok een man van[^ruth-1-1-3] Bethlehem-juda, om als vreemdeling te verkeren in de[^ruth-1-1-4] velden van Moab, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v1)

**2** De naam nu van deze man was Elimelech, en de naam van zijn huisvrouw[^ruth-1-2-5] Naomi, en de naam van zijn twee zonen Machlon en Chiljon,[^ruth-1-2-6] Efrathers, van Bethlehem-juda; en zij kwamen in de velden van Moab, en[^ruth-1-2-7] bleven daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v2)

**3** En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v3)

**4** Die namen zich[^ruth-1-4-8] Moabietische vrouwen; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij bleven daar ongeveer tien jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v4)

**5** En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; zo werd[^ruth-1-5-9] deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v5)

**6** Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer[^ruth-1-6-10] uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat YHWH Zijn volk[^ruth-1-6-11] bezocht had, gevende hun[^ruth-1-6-12] brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v6)

**7** Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om[^ruth-1-7-13] weer te keren naar het land van Juda, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v7)

**8** Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Ga heen, keert weer, ieder tot het[^ruth-1-8-14] huis van haar moeder; YHWH doe bij u goedertierenheid, zoals u gedaan hebt bij de[^ruth-1-8-15] doden, en bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v8)

**9** YHWH geve u, dat u[^ruth-1-9-16] ruste vindt, ieder in het[^ruth-1-9-17] huis van haar man! En als zij[^ruth-1-9-18] haar kuste, hieven zij haar stem op en huilden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v9)

**10** En zij zeiden tot haar: Wij zullen zeker met u[^ruth-1-10-19] terugkeren tot uw volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v10)

**11** Maar Naomi zei: Keer weer, mijn dochters! Waarom zou u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn[^ruth-1-11-20] lichaam, dat zij u[^ruth-1-11-21] tot mannen zouden zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v11)

**12** Keer weer, mijn dochters! Ga heen; want ik ben te[^ruth-1-12-22] oud om een man te hebben. Wanneer ik al zei: Ik heb hoop, of ik ook in deze nacht[^ruth-1-12-23] een man had, ja, ook zonen baarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v12)

**13** Zou u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zou u daarnaar opgehouden worden, om[^ruth-1-13-24] geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want[^ruth-1-13-25] het is mij veel bitterder dan u; maar de[^ruth-1-13-26] hand van YHWH is tegen mij uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v13)

**14** Toen hieven zij haar stem op, en huilden opnieuw; en Orpa kuste haar[^ruth-1-14-27] schoonmoeder, maar Ruth[^ruth-1-14-28] kleefde haar aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v14)

**15** Daarom zei zij: Zie, uw[^ruth-1-15-30] schoonzus is teruggekeerd tot haar volk en tot[^ruth-1-15-31] haar goden; keer u ook weer, uw schoonzus na.[^ruth-1-15-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v15)

**16** Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weer te keren; want waar u zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten;[^ruth-1-16-32] uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v16)

**17** Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden;[^ruth-1-17-33] zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v17)

**18** Als zij nu zag, dat zij vast voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v18)

**19** Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het gebeurde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de hele stad over haar beroerd werd, en[^ruth-1-19-34] zij zeiden: Is dit Naomi? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v19)

**20** Maar zij zei tot hen: Noem mij niet[^ruth-1-20-35] Naomi, noemt mij[^ruth-1-20-36] Mara; want de[^ruth-1-20-37] Almachtige heeft mij[^ruth-1-20-38] grote bitterheid aangedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v20)

**21** [^ruth-1-21-39] Vol trok ik weg, maar[^ruth-1-21-40] leeg heeft mij YHWH doen terugkeren; waarom zou u mij Naomi noemen, daar YHWH tegen mij[^ruth-1-21-41] getuigt, en de Almachtige mij[^ruth-1-21-42] kwaad aangedaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v21)

**22** Zo kwam Naomi weer, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden van Moab[^ruth-1-22-43] terugkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/1.html#v22)

[^ruth-1-1-1]: Kanttekening 1: richters richtten: Zie Richt. 2:16 . Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richters, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden;
[^ruth-1-1-2]: Kanttekening 2: land was: Kanaän. Vergelijk Richt. 6:4 , 6:6 . Richteren 6:4 : En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst van het land, tot daar u komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. Richteren 6:6 : Zo werd Israël zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH.
[^ruth-1-1-3]: Kanttekening 3: Zie Richt. 12:8 . Richteren 12:8 : En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem.
[^ruth-1-1-4]: Kanttekening 4: velden Moabs: Dat is, in het land van de Moabieten, die van Lot afkomstig waren; Deut. 2:9 . Dit land was gelegen in het oosten, over de Jordaan, hebbende veel vlakke velden. Zie Deut. 34:1 , 34:8 . Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Deuteronomium 34:8 : En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid.
[^ruth-1-2-5]: Kanttekening 5: Zie onder, vers 20 . Ruth 1:20 : Maar zij zei tot hen: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.
[^ruth-1-2-6]: Kanttekening 6: Bethlehem-Juda was eertijds ook genoemd Efrata; Gen. 35:19 . Ook het land waarin Bethlehem lag; Micha 5:1 ; hiervan worden zij genoemd Efraters. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid.
[^ruth-1-2-7]: Kanttekening 7: bleven daar: Hebreeuws, שָֽׁם, waren.
[^ruth-1-4-8]: Kanttekening 8: Moabietische vrouwen: Dat hun geoorloofd was te doen als deze vrouwen bekeerd waren, anders niet, want Kanaänietische vrouwen te nemen was verboden om deze reden: opdat zij Gods volk niet mochten verleiden tot afgoderij, welke reden ook plaats had in de Moabietische afgodische vrouwen. Zie Ezra 9:1 ; Neh. 13:23 . Dat Ruth bekeerd is, daarvan blijkt onder, vers 16 , en Ruth 2:12 . Ezra 9:1 : Als nu deze dingen voltooid waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Nehemia 13:23 : Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Ruth 1:16 : Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weer te keren; want waar u zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^ruth-1-5-9]: Kanttekening 9: deze vrouw: Naomi.
[^ruth-1-6-10]: Kanttekening 10: uit de velden van Moab: Om te trekken naar Bethlehem-Juda, vers 19 . Ruth 1:19 : Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de gehele stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?
[^ruth-1-6-11]: Kanttekening 11: bezocht had: Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^ruth-1-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, koren, en verder alle nooddruft tot onderhouding van het menselijke leven nodig, zodat de honger en duurte ophielden.
[^ruth-1-7-13]: Kanttekening 13: weer te keren: Versta dit ten aanzien van Naomi, die in het land Juda tevoren gewoond had, en van haar schoondochters \[die daar niet geweest noch gewoond hadden\] in het terugkeren werd vergezelschapt; zie vers 10 , en Ruth 2:6 . Ruth 1:10 : En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u terugkeren tot uw volk. Ruth 2:6 : En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zei: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen is uit de velden Moabs;
[^ruth-1-8-14]: Kanttekening 14: Of, omdat de vader van Orpa overleden mocht zijn, of, omdat de moeders de dochters gemeenlijk meest beminnen. Van Ruth wordt gezegd, Ruth 2:11 , dat zij haar vader verlaten heeft. Ruth 2:11 : En Boaz antwoordde en zei tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat u bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na de dood uws mans, en hebt uw vader en uw moeder, en het land van uw geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat u van te voren niet kende.
[^ruth-1-8-15]: Kanttekening 15: doden, en bij mij: Versta, Machlon en Chiljon, zonen van Naomi en gewezen mannen van haar schoondochters.
[^ruth-1-9-16]: Kanttekening 16: ruste vindt: Zie onder, Ruth 3:1 . Ruth 3:1 : En Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: Mijn dochter! zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?
[^ruth-1-9-17]: Kanttekening 17: Die u zult mogen trouwen.
[^ruth-1-9-18]: Kanttekening 18: Om afscheid van haar te nemen. Zie Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^ruth-1-10-19]: Kanttekening 19: terugkeren tot uw volk: Dat is, wij zullen u, daar u tot uw volk terugkeert, vergezelschappen en met u gaan.
[^ruth-1-11-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, ingewand.
[^ruth-1-11-21]: Kanttekening 21: tot mannen zouden zijn: Naar de wet, Deut. 25:5 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemde man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van een mans broer.
[^ruth-1-12-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, ik ben ouder geworden dan dat ik een man zou geworden.
[^ruth-1-12-23]: Kanttekening 23: een man had: Hebreeuws, יָלַ֥דְתִּי, een man geworde; te weten, ter vrouw, of bij een man deze nacht lage.
[^ruth-1-13-24]: Kanttekening 24: geen man te nemen: Hebreeuws, אַ֣ל, geen man zoudt geworden.
[^ruth-1-13-25]: Kanttekening 25: het is mij veel bitterder dan u: Te weten, dat ik van u scheiden moet. Of, omdat ik nu oud zijnde mijn man en kinderen verloren heb, en u nog van toekomstige mannen en kinderen troost zult kunnen genieten. Anders: het is mij zeer bitter om uwentwil, of van uwentwege; omdat u uw mannen hebt verloren, en nu zo ongaarne van mij ook zult worden afgetrokken.
[^ruth-1-13-26]: Kanttekening 26: hand van YHWH is tegen mij uitgegaan: Alsof zij zei: Omdat het Gods slag, plaag en werk is, dat ik van mijn man en mijn beide zonen beroofd ben, en nu ook uw gezelschap zal verliezen, zo moet ik mij in zijn wil geruststellen; zo moet u ook doen.
[^ruth-1-14-27]: Kanttekening 27: Versta, Naomi, nemende daarmede haar afscheid, en wederkerende naar haar woonplaats. Zie vers 15 , en boven, vers 9 . Ruth 1:15 : Daarom zei zij: Zie, uw zwagerin is teruggekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer u ook weer, uw zwagerin na. Ruth 1:9 : YHWH geve u, dat u ruste vindt, een ieder in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden;
[^ruth-1-14-28]: Kanttekening 28: kleefde haar aan: Dat is, zij wilde van Naomi niet scheiden, maar bleef bij haar en trok met haar voort, gelijk in het vervolg verhaald wordt.
[^ruth-1-15-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, uw broers vrouw; dat is hier, die uws mans broers gehad heeft.
[^ruth-1-15-31]: Kanttekening 31: haar goden: Of, haar God, te weten, de afgod van de Moabieten, genoemd Kamos. Zie Richt. 11:24 . Richteren 11:24 : Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.
[^ruth-1-15-29]: Kanttekening 29: Naomi.
[^ruth-1-16-32]: Kanttekening 32: uw volk is mijn volk, en uw God mijn God: Hiermede toont zij haar bekering tot de ware God en de gemeenschap van zijn kerk, waarin het schijnt dat Naomi haar met de voorgaande redenen, met het exempel van haar zwagerin, had willen beproeven. Vergelijk Joz. 24:18 . Jozua 24:18 : En YHWH heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amoriet, inwoner van het land. Wij zullen ook YHWH dienen, want Hij is onze God.
[^ruth-1-17-33]: Kanttekening 33: zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe: Dat is, de Heer straffe mij zo, en ga voort in zijn straf, of vermeerdere dezelfde, als ik het anders meen of anders doe dan ik gesproken heb. Het is een manier van eedzweren, waarin het kwaad verzwegen wordt, dat zij zichzelven toedachten en toewensten, of ook Gods oordeel bevalen. Vergelijk Gen. 14:23 , en 1 Kon. 19:2 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
[^ruth-1-19-34]: Kanttekening 34: zij zeiden: De vrouwen te Bethlehem.
[^ruth-1-20-35]: Kanttekening 35: Dat is, mijn lieflijkheid, genoegelijkheid, mijn plezier.
[^ruth-1-20-36]: Kanttekening 36: Dat is, bittere, of, bitterheid.
[^ruth-1-20-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, Schaddai. Zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^ruth-1-20-38]: Kanttekening 38: grote bitterheid aangedaan: Mij berovende van mijn man en mijn beide zonen.
[^ruth-1-21-39]: Kanttekening 39: Vol toog ik weg: Hebbende in het leven mijn man en mijn twee zonen, met genoegzame middelen om van te leven.
[^ruth-1-21-40]: Kanttekening 40: leeg heeft mij YHWH doen terugkeren: Beroofd van mijn man en mijn twee zonen en middelen; zie onder, Ruth 2:18 . Ruth 2:18 : En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.
[^ruth-1-21-41]: Kanttekening 41: Dat is, heeft zich tegen mij aangesteld als een wederpartijder, of, heeft door zijn plagen tegen mij zijn toorn betuigd en mij van mijn zonden overtuigd. Vergelijk Job 10:17 , en Job 16:8 ; Mal. 3:5 ; Jak. 5:3 . Job 10:17 : U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij. Job 16:8 : Dat U mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. Maleachi 3:5 : En Ik zal tot u tot het oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon van de dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en de wees, en de vreemdeling het recht verdraaien, en Mij niet vrezen, zegt YHWH van de legermachten. Jakobus 5:3 : Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; u hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.
[^ruth-1-21-42]: Kanttekening 42: kwaad aangedaan heeft: Anders, mij nedergedrukt, of verslagen heeft; dat is, heeft mij tegenspoed, ellende en verdriet toegezonden. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^ruth-1-22-43]: Kanttekening 43: Dat is, Naomi in het wederkomen vergezelschapt; gelijk boven, vers 7 , 1:10 . Ruth 1:7 : Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om weer te keren naar het land van Juda, Ruth 1:10 : En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u terugkeren tot uw volk.

### Ruth 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ruth/2.json)

*Ruth gaat eropuit om aren op het veld op te lezen, en komt juist op de akker van Boaz, de bloedverwant van haar overleden man, vers 1, enz. Die haar zeer troostend bejegent, en de knechten omwille van haar een milde opdracht geeft, 8. Ruth komt thuis, en toont en verhaalt aan Naomi wat zij heeft meegemaakt, 18. Die daarom God dankt, en Ruth vermaant op die akker te blijven, 20.*

**1** Naomi nu had een[^ruth-2-1-1] bloedvriend van[^ruth-2-1-2] haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was[^ruth-2-1-a] Boaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v1)

**2** En Ruth, de Moabietische, zei tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de[^ruth-2-2-3] aren oprapen, achter die, in[^ruth-2-2-4] wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tot haar: Ga heen, mijn dochter! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v2)

**3** Zo ging zij heen, en kwam en raapte op in het veld, achter de maaiers; en[^ruth-2-3-5] haar viel bij geval voor, een deel van het veld van[^ruth-2-3-6] Boaz, die van het geslacht van Elimelech was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v3)

**4** En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zei tot de maaiers: YHWH zij met u! En zij zeiden tot hem: YHWH zegene u![^ruth-2-4-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v4)

**5** Daarna zei Boaz tot zijn[^ruth-2-5-8] jongen, die over de maaiers gezet was: Van wie is deze jonge vrouw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v5)

**6** En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zei: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi[^ruth-2-6-9] teruggekomen is uit de velden van Moab; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v6)

**7** En zij heeft gezegd: Laat mij toch oprapen en aren bij de graanschoven verzamelen, achter de maaiers; zo is zij gekomen en heeft gestaan[^ruth-2-7-10] van 's morgens af tot nu toe; nu is[^ruth-2-7-11] haar te huis blijven weinig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v7)

**8** Toen zei Boaz tot Ruth: Hoort u niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te rapen; ook zult u van hier niet weggaan, maar hier zult u zich houden bij mijn[^ruth-2-8-12] maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v8)

**9** Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat[^ruth-2-9-13] zij maaien zullen, en u zult achter[^ruth-2-9-14] hen gaan;[^ruth-2-9-15] heb ik de jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de kruiken, en drink van wat de jongens zullen geschept hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v9)

**10** Toen viel zij op haar aangezicht, en[^ruth-2-10-16] boog zich ter aarde, en zij zei tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij[^ruth-2-10-17] kent, daar ik een vreemde ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v10)

**11** En Boaz antwoordde en zei tot haar: Het is mij wel[^ruth-2-11-18] aangezegd alles, wat u bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na de dood van uw man, en hebt uw vader en uw moeder, en het land van uw geboorte verlaten, en bent heengegaan tot een volk, dat u van[^ruth-2-11-19] te voren niet kende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v11)

**12** YHWH vergelde u uw daad en[^ruth-2-12-20] uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël,[^ruth-2-12-21] onder Wiens[^ruth-2-12-22] vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v12)

**13** En zij zei:[^ruth-2-13-23] Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, omdat u mij getroost hebt, en omdat[^ruth-2-13-24] u naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben,[^ruth-2-13-25] zoals één van uw dienaressen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v13)

**14** Als het nu etenstijd was, zei Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw stuk brood in de azijn. Zo zat zij neer aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroosterd[^ruth-2-14-26] koren, en zij at, en werd verzadigd,[^ruth-2-14-27] en hield over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v14)

**15** Als zij nu opstond, om op te rapen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de graanschoven oprapen, en beschaamt haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v15)

**16** Ja, laat ook[^ruth-2-16-28] geleidelijk van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het oprape, en bestraft haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v16)

**17** Zo raapte zij op in dat veld, tot aan de avond; en zij[^ruth-2-17-29] sloeg uit, wat zij opgeraapt had, en het was ongeveer een[^ruth-2-17-30] efa gerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v17)

**18** En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgeraapt had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij[^ruth-2-18-31] van haar verzadiging overgehouden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v18)

**19** Toen zei haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt u vandaag opgeraapt, en waar hebt u[^ruth-2-19-33] gewerkt?[^ruth-2-19-34] Gezegend zij, die u[^ruth-2-19-35] gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wie zij gewerkt had, en zei: De naam van de man, bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz.[^ruth-2-19-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v19)

**20** Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij[^ruth-2-20-36] door YHWH,[^ruth-2-20-37] Die Zijn goedertierenheid niet heeft nagelaten aan de[^ruth-2-20-38] levenden en aan de[^ruth-2-20-39] doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze[^ruth-2-20-40] lossers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v20)

**21** En Ruth, de Moabietische, zei:[^ruth-2-21-41] Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: U zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de gehele oogst, die ik heb, zullen hebben voltooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v21)

**22** En Naomi zei tot haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat u met zijn maagden uitgaat, opdat zij u niet[^ruth-2-22-42] tegenvallen in een ander veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v22)

**23** Zo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te rapen, totdat de gersteoogst en tarweoogst voltooid waren; en zij bleef bij haar schoonmoeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/2.html#v23)

[^ruth-2-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, eigenlijk, bekende; maar dit woord wordt ook genomen voor een bloedverwant, neef, of zwager. Zie Spreuk. 7:4 , en onder, Ruth 3:2 . Spreuken 7:4 : Zeg tot de wijsheid: U bent mijn zus; en heet het verstand uw bloedvriend; Ruth 3:2 : Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u geweest bent, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht gerst op de dorsvloer wannen.
[^ruth-2-1-2]: Kanttekening 2: man, een man: Van de verstorven Elimelech, gelijk volgt.
[^ruth-2-1-a]: Verwijzing a: Matt. 1:5 . Mattheüs 1:5 : En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai;
[^ruth-2-2-3]: Kanttekening 3: aren oplezen: Vergelijk Lev. 19:9 , en Lev. 23:22 ; Deut. 24:19 , enz. Leviticus 19:9 : Als u ook de oogst uws lands inoogsten zult, u zult de hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. Leviticus 23:22 : Als u nu de oogst uws lands zult inoogsten, u zult, in uw inoogsten, de hoek van het veld niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult u ze laten; Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 24:19 : Wanneer u uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u YHWH, uw God, zegene, in al het werk van uw handen.
[^ruth-2-2-4]: Kanttekening 4: wiens ogen ik genade zal vinden: Bij wie ik deze gunst zal verkrijgen, dat hij mij toelate op zijn akker van de korenaren achter de maaiers wat op te lezen. Zie van deze manier van spreken Gen. 18:3 . Zo onder, vers 10 , 2:13 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij. Ruth 2:10 : Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zei tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij kent, daar ik een vreemde ben? Ruth 2:13 : En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, omdat u mij getroost hebt, en omdat u naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een van uw dienstmaagden.
[^ruth-2-3-5]: Kanttekening 5: haar viel bij geval voor: Hebreeuws, חֶלְקַ֤ת, haar ontmoeting, of bejegening, geval, toeval, geviel, of kwam voor, ontmoette, bejegende, enz. Dit wordt gezegd ten aanzien van Ruth, die niet wist wiens akker het was; maar het werd van God zo beschikt, om de weg te bereiden tot wat hierna verhaald wordt.
[^ruth-2-3-6]: Kanttekening 6: Matt. 1:5 genoemd Boöz. Mattheüs 1:5 : En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai;
[^ruth-2-4-7]: Kanttekening 7: zegene u: Zie Gen. 12:2 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^ruth-2-5-8]: Kanttekening 8: Dat is hier te zeggen, dienaar, gelijk in vers 6 blijkt. Zie van het gebruik van het Hebreeuwse woord Gen. 22:5 . Ruth 2:6 : En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zei: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen is uit de velden Moabs; Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^ruth-2-6-9]: Kanttekening 9: wedergekomen is: Zie boven, Ruth 1:7 , 1:10 . Ruth 1:7 : Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om weer te keren naar het land van Juda, Ruth 1:10 : En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u terugkeren tot uw volk.
[^ruth-2-7-10]: Kanttekening 10: van de morgen af tot nu toe: Hebreeuws, שִׁבְתָּ֥, van toen, 's morgens, enz.
[^ruth-2-7-11]: Kanttekening 11: haar te huis blijven weinig: Of, haar blijven is hier, tehuis weinig; dat is, zij is heden-morgen een weinig in huis geweest, voor de rest is haar blijven hier. Anders: Dat zij nu in de hut, of, daar binnen gezeten heeft, is weinig. Versta in de hut, die in het veld mocht gemaakt zijn, om zich voor de hitte somtijds wat te verbergen, of wat te rusten, misschien ook om te eten.
[^ruth-2-8-12]: Kanttekening 12: Versta, dienstmaagden, die ik in mijn werk heb, gelijk boven, jongen, voor dienaar, vers 5 . Ruth 2:5 : Daarna zei Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw?
[^ruth-2-9-13]: Kanttekening 13: zij maaien zullen: De maaiers.
[^ruth-2-9-14]: Kanttekening 14: haarlieden gaan: De dienstmaagden.
[^ruth-2-9-15]: Kanttekening 15: heb ik de jongens niet geboden: Ik heb het hun wel ernstiglijk geboden, wil hij zeggen. Zie Richt. 4:6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^ruth-2-10-16]: Kanttekening 16: boog zich ter aarde: Zie Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^ruth-2-10-17]: Kanttekening 17: Dat is, dat u mij aanspreekt en weldoet, niet anders dan of ik uw bekende of familie ware.
[^ruth-2-11-18]: Kanttekening 18: aangezegd alles: Hebreeuws, הֻגַּ֜ד, aangezegd wordende is mij aangezegd.
[^ruth-2-11-19]: Kanttekening 19: te voren niet kende: Hebreeuws, שִׁלְשֽׁוֹם, gisteren, eergisteren.
[^ruth-2-12-20]: Kanttekening 20: uw loon zij volkomen: Dat God de weldadigen genadiglijk beloofd heeft.
[^ruth-2-12-21]: Kanttekening 21: onder wiens: Of, die u gekomen bent, om onder zijn vleugelen toevlucht te nemen, of, bescherming te zoeken, of, u te betrouwen.
[^ruth-2-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, genadige beschutting, bescherming en koestering; een gelijkenis genomen van de jongen van de vogels, die zich onder de vleugels van de ouden verbergen om gekoesterd en bewaard te zijn. Zie Ps. 17:8 , en Ps. 36:8 , en Ps. 57:2 , en Ps. 63:8 , en Ps. 91:4 ; Matt. 23:37 . Psalmen 17:8 : Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen, Psalmen 36:8 : Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen. Psalmen 57:2 : Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. Psalmen 63:8 : Want U bent mij een hulp geweest; en in de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen. Psalmen 91:4 : Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult u betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar. Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^ruth-2-13-23]: Kanttekening 23: Laat mij genade vinden in uw ogen: Of, ik zal genade vinden, enz.
[^ruth-2-13-24]: Kanttekening 24: naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt: Zie Gen. 34:3 , en Richt. 19:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter. Richteren 19:3 : En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weer te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.
[^ruth-2-13-25]: Kanttekening 25: niet ben: Of, niet zal zijn; dat is, ik zal mij nochtans daarom niet zoveel achten, of zo gedragen, alsof ik een van uw dienstmaagden ware, maar minder.
[^ruth-2-14-26]: Kanttekening 26: koren : Of, gort, tot voedsel bereid. Vergelijk 2 Sam. 17:28 . 2 Samuël 17:28 : Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost,
[^ruth-2-14-27]: Kanttekening 27: en hield over: Vergelijk onder, vers 18 . Ruth 2:18 : En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.
[^ruth-2-16-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, rovende roof voor haar van de handvollen; dat is, nu en dan, òf met opzet òf willens berooft uwe handvollen, latende daarvan telkens enige aren vallen, opdat zij te meer mag oplezen.
[^ruth-2-17-29]: Kanttekening 29: sloeg uit: Zie Richt. 6:11 . Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^ruth-2-17-30]: Kanttekening 30: efa gerst: Zie Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^ruth-2-18-31]: Kanttekening 31: van haar verzadiging overgehouden had: Zie boven, vers 14 . Ruth 2:14 : Als het nu etenstijd was, zei Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in de azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.
[^ruth-2-19-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, gedaan; te weten, uw werk. Zo Matt. 20:12 . Deze laatsten hebben één ure gedaan, te weten, werk, dat is, gewerkt, gewrocht. Zo in vers 20 . Zie verder Spreuk. 31:13 . Mattheüs 20:12 : Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gewerkt, en u hebt ze ons gelijk gemaakt, die de last van de dag en de hitte gedragen hebben. Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers. Spreuken 31:13 : Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust van haar handen.
[^ruth-2-19-34]: Kanttekening 34: Gezegend zij: Gelijk vers 20 . Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.
[^ruth-2-19-35]: Kanttekening 35: gekend heeft: Zie boven, vers 10 . Ruth 2:10 : Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zei tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij kent, daar ik een vreemde ben?
[^ruth-2-19-32]: Kanttekening 32: haar schoonmoeder tot haar: Naomi tot Ruth.
[^ruth-2-20-36]: Kanttekening 36: YHWH: Dat is, van de Heer. Vergelijk Gen. 24:31 , en onder, Ruth 3:10 . Genesis 24:31 : En hij zei: Kom in, u, gezegende van YHWH! waarom zoudt u buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kamelen. Ruth 3:10 : En hij zei: Gezegend zijt u YHWH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk.
[^ruth-2-20-37]: Kanttekening 37: Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten: Namelijk, Boaz.
[^ruth-2-20-38]: Kanttekening 38: Aan u en mij.
[^ruth-2-20-39]: Kanttekening 39: Mijn verstorven man en beide zonen, zijnde van zijn bloed, om wier wil en gedachtenis hij ons beiden goed heeft gedaan; of, wie hij in hun leven goed heeft gedaan, gelijk hij nu aan ons doet, om hunnentwil.
[^ruth-2-20-40]: Kanttekening 40: Dat is, die recht heeft ons erfgoed en personen, vervreemd en verkocht zijnde, vanwege naaste bloedverwantschap te lossen, weer te kopen en vrij te maken, en zelfs ook u ten huwelijk te nemen, naar de wetten, Lev. 25:25 , 25:47 , enz.; Deut. 25:5 , enz.; Matt. 22:24 , enz. Leviticus 25:25 : Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broers lossen. Leviticus 25:47 : En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broer, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben; Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemde man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van een mans broer. Mattheüs 22:24 : Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer diens vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken.
[^ruth-2-21-41]: Kanttekening 41: Versta, moet hij gezegend zijn, uit vers 20 . Of, ook \[zult u weten\] dat hij, enz. Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.
[^ruth-2-22-42]: Kanttekening 42: tegenvallen in een ander veld: Zij wil zeggen: blijf voortaan waar u zo wel bent bejegend, en ga op geen ander veld, waar u kwalijk zoudt mogen bejegend worden.

### Ruth 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ruth/3.json)

*Op de raad van Naomi, vers 1, enz., gaat Ruth naar de dorsvloer van Boaz, en legt zich neer aan zijn voeten, 6. Die, wanneer hij ontwaakt, haar vriendelijk bejegent, en het recht van lossing erkent, 8. Maar omdat er een ander was, nader verwant dan hij, wil hij eerst met die spreken, 12. Hij zendt Ruth vroeg in de morgen naar huis met een goede gift, 14.*

**1** En Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: Mijn dochter! zou ik u geen[^ruth-3-1-1] rust zoeken, dat het u welga? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v1)

**2** Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u[^ruth-3-2-2] geweest bent, van[^ruth-3-2-3] onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht[^ruth-3-2-4] gerst op de dorsvloer wannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v2)

**3** Zo baad u, en[^ruth-3-3-5] zalf u, en doe uw[^ruth-3-3-6] kleren[^ruth-3-3-7] aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, voordat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v3)

**4** En het zal gebeuren, als hij[^ruth-3-4-8] neerligt, dat u de plaats zult merken, waar hij zal neergelegen zijn;[^ruth-3-4-9] ga dan in, en[^ruth-3-4-10] sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v4)

**5** En[^ruth-3-5-11] zij zei tot haar: Al wat u tot mij zegt, zal ik doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v5)

**6** Zo ging zij af naar de dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v6)

**7** Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart[^ruth-3-7-12] vrolijk was, zo kwam hij om neer te liggen aan het uiterste van een korenhoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v7)

**8** En het gebeurde te middernacht, dat die man verschrikte, en[^ruth-3-8-13] om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v8)

**9** En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd,[^ruth-3-9-14] breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de[^ruth-3-9-15] losser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v9)

**10** En hij zei: Gezegend bent u door YHWH, mijn dochter! U[^ruth-3-10-16] hebt deze uw laatste goedertierenheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v10)

**11** En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de hele[^ruth-3-11-17] stad van mijn volk weet, dat u een[^ruth-3-11-18] deugdelijke vrouw bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v11)

**12** Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v12)

**13** Blijf deze nacht over; verder in de morgen zal het gebeuren, als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar als het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als YHWH leeft; leg u neer tot de morgen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v13)

**14** Zo lag zij neer aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei:[^ruth-3-14-20] Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.[^ruth-3-14-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v14)

**15** Verder zei hij: Lang de[^ruth-3-15-21] sluier, die op u is, en houd die; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v15)

**16** Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, die zei: Wie bent u, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.[^ruth-3-16-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v16)

**17** Ook zei zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zei tot mij: Kom niet leeg tot uw schoonmoeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v17)

**18** Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij vandaag deze zaak voltooid hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/3.html#v18)

[^ruth-3-1-1]: Kanttekening 1: rust zoeken: Dat is, een goed huwelijk voor u zoeken te bemiddelen? Zij wil zeggen dat zulks ganselijk haar schuldige plicht is. Zie zulk vragen boven, Ruth 2:9 ; zo in vers 2 . Ruth 2:9 : Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en u zult achter haarlieden gaan; heb ik de jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de vaten, en drink van wat de jongens zullen geschept hebben. Ruth 3:2 : Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u geweest bent, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht gerst op de dorsvloer wannen.
[^ruth-3-2-2]: Kanttekening 2: geweest zijt: Om aren op te lezen; boven, Ruth 2:8 , 2:22 , 2:23 . Ruth 2:8 : Toen zei Boaz tot Ruth: Hoort u niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult u van hier niet weggaan, maar hier zult u u houden bij mijn maagden. Ruth 2:22 : En Naomi zei tot haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat u met zijn maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld. Ruth 2:23 : Zo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te lezen, totdat de gersteoogst en tarweoogst voltooid waren; en zij bleef bij haar schoonmoeder.
[^ruth-3-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, eigenlijk, is niet Boaz onze kennis? Zie boven, Ruth 2:1 , en Ruth 2:20 . Ruth 2:1 : Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz. Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.
[^ruth-3-2-4]: Kanttekening 4: gerst op de dorsvloer wannen: Hebreeuws, לָּֽיְלָה, de dorsvloer van de gerst; dat is, de gerst, die op de dorsvloer is.
[^ruth-3-3-5]: Kanttekening 5: zalf u: Met welriekende olie, gelijk in de oostelijke landen gebruikelijk was. Zie 2 Sam. 12:20 , en 2 Sam. 14:2 ; 2 Kron. 28:15 ; Ps. 104:14 ; Matt. 6:17 . 2 Samuël 12:20 : Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis van YHWH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at. 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; 2 Kronieken 28:15 : De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria. Psalmen 104:14 : Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. Mattheüs 6:17 : Maar u, als u vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
[^ruth-3-3-6]: Kanttekening 6: De beste die u hebt.
[^ruth-3-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, aan u, over u.
[^ruth-3-4-8]: Kanttekening 8: Om te slapen.
[^ruth-3-4-9]: Kanttekening 9: ga dan in: Deze raad schijnt naar het uiterlijk aanzien niet eerlijk te zijn, maar Naomi, wetende godvruchtigheid en eerbaarheid van Boaz en Ruth, alsook lettende op Boaz' ouderdom, heeft niet getwijfeld, of Boaz zou eerlijk en wijselijk in deze zaak handelen, gelijk hij ook gedaan heeft, zodat Naomi in haar vertrouwen niet is bedrogen. De ergernis aangaande, die heeft Naomi door de omstandigheid van tijd en plaats voorzichtiglijk weten te ontgaan, alsook Boaz zelf. Zie vers 14 . Ruth 3:14 : Zo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.
[^ruth-3-4-10]: Kanttekening 10: sla zijn voetdeksel op: Of, ontdek zijn voeten. Het Hebreeuwse woord vindt men ook onder, vers 7 , 3:8 , 3:14 ; idem, Dan. 10:6 . Ruth 3:7 : Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een koren hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. Ruth 3:8 : En het geschiedde te middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel. Ruth 3:14 : Zo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is. Daniël 10:6 : En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk de stem van een menigte.
[^ruth-3-5-11]: Kanttekening 11: zij zei tot haar: Ruth antwoordde.
[^ruth-3-7-12]: Kanttekening 12: vrolijk was: Hebreeuws, יִּיטַ֣ב, goed. Gelijk Richt. 16:25 . Zie daar. Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^ruth-3-8-13]: Kanttekening 13: om zich greep: Of, zich heen en weer, of, herwaarts en daarheen keerde.
[^ruth-3-9-14]: Kanttekening 14: breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd: Dat is, neem mij onder uw bescherming, als een man zijn vrouw doet. Vergelijk boven, Ruth 2:12 . Of, uw zoom, boord, te weten, van uw kleed. Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^ruth-3-9-15]: Kanttekening 15: Zie Ruth 2:20 . Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.
[^ruth-3-10-16]: Kanttekening 16: hebt deze uw laatste weldadigheid: De zin is, wat u nu doet is nog beter dan het voorgaande, dat u gedaan hebt aan uw verstorven man en uw schoonmoeder Naomi. Zie boven, Ruth 1:8 , en Ruth 2:11 . Ruth 1:8 : Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weer, een ieder tot het huis van haar moeder; YHWH doe bij u weldadigheid, gelijk als u gedaan hebt bij de doden, en bij mij. Ruth 2:11 : En Boaz antwoordde en zei tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat u bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na de dood uws mans, en hebt uw vader en uw moeder, en het land van uw geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat u van te voren niet kende.
[^ruth-3-11-17]: Kanttekening 17: stad mijns volks weet: Hebreeuws, עַמִּ֔, poort. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^ruth-3-11-18]: Kanttekening 18: deugdelijke vrouw zijt: Of, kloeke.
[^ruth-3-14-20]: Kanttekening 20: Het worde niet bekend: Gelijk Boaz een goede consciëntie voor God had, zo wilde hij ook een goede naam bij de mensen behouden.
[^ruth-3-14-19]: Kanttekening 19: een de ander kennen kon: Hebreeuws, רֵעֵ֑, de man zijn naaste.
[^ruth-3-15-21]: Kanttekening 21: Of, schortekleed, voorschoot, schorteldoek, waarmee de vrouwen haar voorlijf bedekken.
[^ruth-3-16-22]: Kanttekening 22: Wie bent u, mijn dochter: Het was nog zo donker dat de één de ander niet wel kon kennen gelijk vers 14 , gezegd is; hoewel Naomi uit het dragen heeft mogen afnemen, dat zij nog jong was, zodat zij haar naar de wijze van de ouden, dochter genoemd heeft. Ruth 3:14 : Zo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.

### Ruth 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ruth/4.json)

*Boaz onderhandelt voor het gerecht met de andere bloedverwant, die nader verwant was dan hij, of hij zijn recht van lossing wil gebruiken en Ruth trouwen, of niet, vers 1, enz. Toen die dat weigerde, en zijn recht afstond, neemt Boaz het gerecht en het volk tot getuigen, en onder gelukwensing van alle omstanders trouwt hij Ruth, 6. Die hem Obed baart, Davids grootvader, 13. Geslachtsregister van Perez tot op David, 18.*

**1** En Boaz ging op in de[^ruth-4-1-1] poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van wie Boaz[^ruth-4-1-2] gesproken had, ging voorbij; zo zei[^ruth-4-1-3] hij: Wijk hierheen, zet u hier,[^ruth-4-1-4] u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v1)

**2** En[^ruth-4-2-5] hij nam tien mannen van[^ruth-4-2-6] de oudsten van de stad, en zei: Zet u hier; en zij zetten zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v2)

**3** Toen zei hij tot die losser: Het stuk lands, dat van[^ruth-4-3-7] onze broer Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land van de Moabieten teruggekomen is,[^ruth-4-3-8] verkocht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v3)

**4** En ik heb[^ruth-4-4-9] gezegd:[^ruth-4-4-10] Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende:[^ruth-4-4-11] Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik[^ruth-4-4-12] na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v4)

**5** Maar Boaz zei: Op de dag als u het land aanvaardt[^ruth-4-5-13] van de hand van Naomi, zo zult u het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van de verstorvene, om de naam van de verstorvene te verwekken over zijn erfdeel.[^ruth-4-5-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v5)

**6** Toen zei die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve;[^ruth-4-6-15] los u[^ruth-4-6-16] mijn lossing voor u; want ik zal niet kunnen lossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v6)

**7** [^ruth-4-7-a] Nu was dit[^ruth-4-7-17] van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de[^ruth-4-7-18] verwisseling, om de hele zaak te bevestigen, zo trok de man[^ruth-4-7-19] zijn schoen uit en gaf[^ruth-4-7-20] die aan zijn naaste; en dit was tot[^ruth-4-7-21] een getuigenis in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v7)

**8** Zo zei de losser tot Boaz: Aanvaard u het voor u; en[^ruth-4-8-22] hij trok zijn schoen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v8)

**9** Toen zei Boaz tot de oudsten en al het volk: U bent vandaag getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimelech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is,[^ruth-4-9-23] van de hand van Naomi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v9)

**10** Daartoe[^ruth-4-10-24] aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om de naam van de verstorvene over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam van de verstorvene niet wordt uitgeroeid van zijn broers, en van de poort van zijn plaats; u bent vandaag getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v10)

**11** En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als[^ruth-4-11-b] Rachel en als Lea, die beiden het huis van[^ruth-4-11-25] Israël gebouwd hebben; en[^ruth-4-11-26] handel kloek in Efratha, en[^ruth-4-11-27] maak uw naam beroemd in Bethlehem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v11)

**12** En uw huis zij, als het huis van[^ruth-4-12-c] Perez[^ruth-4-12-28] (die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat YHWH u geven zal uit deze jonge vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v12)

**13** Zo nam Boaz Ruth, en zij werd hem tot vrouw, en hij[^ruth-4-13-29] ging tot haar in; en YHWH gaf haar,[^ruth-4-13-30] dat zij zwanger werd en een zoon baarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v13)

**14** Toen zeiden de vrouwen tot Naomi:[^ruth-4-14-31] Geloofd zij YHWH,[^ruth-4-14-32] Die niet heeft nagelaten u vandaag een[^ruth-4-14-33] losser te geven; en zijn naam worde[^ruth-4-14-34] beroemd in Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v14)

**15** Die zal u zijn tot een[^ruth-4-15-35] verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te[^ruth-4-15-36] onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard,[^ruth-4-15-37] die voor u beter is dan[^ruth-4-15-38] zeven zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v15)

**16** En Naomi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v16)

**17** En de buren gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van[^ruth-4-17-39] Isaï, Davids vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v17)

**18** Dit nu zijn de[^ruth-4-18-40] afstammelingen van Perez:[^ruth-4-18-d] Perez verwekte[^ruth-4-18-41] Hezron; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v18)

**19** En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v19)

**20** En Amminadab verwekte[^ruth-4-20-42] Nahesson; en Nahesson verwekte Salma; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v20)

**21** En Salmon verwekte Boaz, en Boaz verwekte Obed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v21)

**22** En Obed verwekte Isaï; en Isaï verwekte David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ruth/4.html#v22)

[^ruth-4-1-1]: Kanttekening 1: Waar men het gericht hield en het volk bijeenkwam.
[^ruth-4-1-2]: Kanttekening 2: gesproken had: Zie Ruth 3:12 . Ruth 3:12 : Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.
[^ruth-4-1-3]: Kanttekening 3: Boaz.
[^ruth-4-1-4]: Kanttekening 4: u, zulk een: Hebreeuws, פְּלֹנִ֣י, Peloni, Almoni. Een manier van spreken bij de Hebreën, wanneer zij iemand menen, wiens naam zij juist niet weten, of mogen vergeten hebben, of niet willen hebben noemen, in plaats waarvan wij plegen te gebruiken N.N., of, u man, hoe u dan heet. Zie ook 2 Kon. 6:8 . 2 Koningen 6:8 : En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.
[^ruth-4-2-5]: Kanttekening 5: Boaz.
[^ruth-4-2-6]: Kanttekening 6: de oudsten van de stad: Zie 1 Kon. 21:8 . 1 Koningen 21:8 : Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
[^ruth-4-3-7]: Kanttekening 7: broer Elimelech was: Dat is bloedverwant.
[^ruth-4-3-8]: Kanttekening 8: Te weten, door nood en gebrek. Zie Lev. 25:25 . Leviticus 25:25 : Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broers lossen.
[^ruth-4-4-9]: Kanttekening 9: Anders, gedacht; zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^ruth-4-4-10]: Kanttekening 10: Ik zal het voor uw oor openbaren: Hebreeuws, אמֹ֗ר, ik zal uw oor ontdekken; dat is ik zal het zeggen dat u het hoort, ik zal het u openbaren, of te weten doen, wat u onbekend is, opdat u, als de naaste zijnde, u zoudt mogen verklaren. Als de oren toegedekt zijn, kan men kwalijk horen, ter contrarie als zij ontdekt en vrij zijn, hoort men wel. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 9:15 , en de aantekeningen daar. Idem 2 Sam. 7:27 ; Job 33:16 . 1 Samuël 9:15 : Want YHWH had het voor Samuëls oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende: 2 Samuël 7:27 : Want U, YHWH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden. Job 33:16 : Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun kastijding;
[^ruth-4-4-11]: Kanttekening 11: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners: Anders, koop; en zo in het volgende.
[^ruth-4-4-12]: Kanttekening 12: na u: Dat is, ik ben de naaste na u.
[^ruth-4-5-13]: Kanttekening 13: van de hand van Naomi: Dat is, als verkocht en vervreemd zijnde, niet alleen van Naomi, maar ook van Ruth, en daarom meteen Ruth moeten trouwen, om haar verstorven man, wiens naaste bloedvriend u bent, zaad te verwekken, naar de wet, Deut. 25:5 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemde man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van een mans broer.
[^ruth-4-5-14]: Kanttekening 14: Van Machlon, de zoon van Elimelech.
[^ruth-4-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, verlieze, en tegelijk mijn naam uitsterve. Want als hij maar een zoon bij Ruth mocht winnen, die zou moeten gehouden worden als een zoon van de verstorvene, en zijn naam voeren, naar de wet Deut. 25:6 . Zodat de naam van deze losser daarmede als dood zou zijn. Deuteronomium 25:6 : En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal staan in de naam zijns broers, van de verstorvene; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël.
[^ruth-4-6-16]: Kanttekening 16: mijn lossing voor u: Dat is, datgene waartoe ik het recht van lossen heb.
[^ruth-4-7-a]: Verwijzing a: Deut. 25:7 . Deuteronomium 25:7 : Maar als deze man zijns broers vrouw niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broers vrouw opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: Mijns mans broer weigert zijn broer een naam te verwekken in Israël; hij wil mij de plicht van van een man broers niet doen.
[^ruth-4-7-17]: Kanttekening 17: van ouds: Of, tevoren, in voortijden.
[^ruth-4-7-18]: Kanttekening 18: Bij allen overdracht, of publieke vervreemding.
[^ruth-4-7-19]: Kanttekening 19: zijn schoen uit: Vergelijk Deut. 25:9 . Deuteronomium 25:9 : Zo zal zijns broers vrouw voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal aan die man gedaan worden, die zijns broers huis niet zal bouwen.
[^ruth-4-7-20]: Kanttekening 20: aan zijn naaste: Wie hij zijn recht overdroeg, en daarmede van hetzelfde in toekomende tijden verstoken was.
[^ruth-4-7-21]: Kanttekening 21: getuigenis in Israël: Dat iemand het recht van enig land of erfgoed als zijn eigen te betreden en te bezitten aan een ander overdroeg.
[^ruth-4-8-22]: Kanttekening 22: hij trok zijn schoen uit: Omdat hier van Ruth geen melding wordt gemaakt, en Naomi haar bevolen had, dat zij zich stil zou houden en Boaz laten begaan, Ruth 3:18 , zo is daaruit af te nemen dat Ruth hier niet tegenwoordig was, noch deze zaak bij het gericht dreef, maar Boaz; daarom heeft deze man zijn schoen aan Boaz gegeven. Anders zou de wet, Deut. 25:9 , ontwijfelbaar gevolgd zijn geweest; tenzij dan, dat zij door menselijk goeddunken en vermetelheid verzacht mag geweest zijn. Ruth 3:18 : Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voltooid hebbe. Deuteronomium 25:9 : Zo zal zijns broers vrouw voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal aan die man gedaan worden, die zijns broers huis niet zal bouwen.
[^ruth-4-9-23]: Kanttekening 23: van de hand van Naomi: Dat is, van Naomi vervreemd of verkocht zijnde; gelijk boven, vers 5 . Ruth 4:5 : Maar Boaz zei: Op de dag als u het land aanvaardt van de hand van Naomi, zo zult u het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van de verstorvene, om de naam van de verstorvene te verwekken over zijn erfdeel.
[^ruth-4-10-24]: Kanttekening 24: aanvaard ik mij ook Ruth: Hebreeuws, מֹּאֲבִיָּה֩, koopje, verkrijge, bekome.
[^ruth-4-11-b]: Verwijzing b: Gen. 30:24 ; idem 30:25 ; Gen. 35:17 ; idem 35:18 ; Gen. 29:32 . Genesis 30:24 : En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De YHWH voege mij een anderen zoon daartoe. Genesis 30:25 : En het geschiedde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zei: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. Genesis 35:17 : En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zei de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want deze zoon zult u ook hebben! Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.
[^ruth-4-11-25]: Kanttekening 25: gebouwd hebben: Dat is, het huis van Jakob vermenigvuldigd hebben, door het voortbrengen van kinderen; zie Gen. 16:2 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
[^ruth-4-11-26]: Kanttekening 26: handel kloekelijk in Efratha: Of, maak, verkrijg rijkdom, bekom vermogen, word machtig, vermogend.
[^ruth-4-11-27]: Kanttekening 27: maak uw naam vermaard in Bethlehem: Hebreeuws, בֵ֥ית, roep de naam uit.
[^ruth-4-12-c]: Verwijzing c: Gen. 38:29 ; 1 Kron. 2:4 ; Matt. 1:3 . Genesis 38:29 : Maar het geschiedde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. 1 Kronieken 2:4 : Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf. Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram;
[^ruth-4-12-28]: Kanttekening 28: die Thamar aan Juda baarde: Hier en in het volgende wordt ontdekt de voornaamste oorzaak, waarom het de Heilige Geest geliefd heeft deze gehele historie van Ruth in de kanonieke boeken van de Heilige Schrift in te lijven en te bewaren: te weten, opdat blijken mocht de waarheid van de belofte van God, dat de Messias uit Juda \[ Gen. 49:10 \] zou voortkomen, wiens geslacht \[naar het vlees\] in het volgende verhaald wordt tot op David; en verder van David tot Christus, Matt. 1 , en Luk. 3 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^ruth-4-13-29]: Kanttekening 29: ging tot haar in: Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^ruth-4-13-30]: Kanttekening 30: dat zij zwanger werd en een zoon baarde: Hebreeuws, בֵּֽן, ontvangenis.
[^ruth-4-14-31]: Kanttekening 31: Geloofd zij YHWH: Hebreeuws, בָּר֣וּךְ, gezegend.
[^ruth-4-14-32]: Kanttekening 32: Die niet heeft nagelaten: Hebreeuws, הִשְׁבִּ֥ית, die u heden niet heeft doen ophouden een losser.
[^ruth-4-14-33]: Kanttekening 33: losser te geven: Versta, de zoon van Ruth, die in zijns vaders Machlons \[die Naomi's zoon geweest was\] plaats, als erfgenaam zou treden, gelijk uit het vervolg is af te nemen. Anderen verstaan het van Boaz.
[^ruth-4-14-34]: Kanttekening 34: vermaard in Israël: Hebreeuws, יִשְׂרָאֵֽל, uitgeroepen, of genoemd. Vergelijk boven, vers 11 . Ruth 4:11 : En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; YHWH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem!
[^ruth-4-15-35]: Kanttekening 35: verkwikker van de ziel: Hebreeuws, כַלְכֵּ֖ל, wederbrenger van de ziel; dat is, hij zal uw leven en lust herstellen, verkwikken, u als verjeugdigen. Vergelijk Ps. 19:8 , en Ps. 23:3 ; Klaagl. 1:11 , 1:19 . Psalmen 19:8 : De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende. Psalmen 23:3 : Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, vanwege Zijn Naam. Klaagliederen 1:11 : Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, YHWH, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben. Klaagliederen 1:19 : Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.
[^ruth-4-15-36]: Kanttekening 36: Of, voeden, ondersteunen, Zie gelijk gebruik van het Hebreeuwse woord Gen. 45:11 , en Gen. 47:12 ; 1 Kon. 18:4 ; Ps. 55:23 . Genesis 45:11 : En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! Genesis 47:12 : En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broers, en het gehele huis zijns vaders, met brood, tot de mond van de kinderen toe. 1 Koningen 18:4 : Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
[^ruth-4-15-37]: Kanttekening 37: die u beter is: Schoondochter Ruth.
[^ruth-4-15-38]: Kanttekening 38: dan zeven zonen: Dat is, dan vele zonen. Zie Gen. 4:15 . Genesis 4:15 : Maar YHWH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
[^ruth-4-17-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, Ischai.
[^ruth-4-18-40]: Kanttekening 40: geboorten van Perez: Dat is, nakomelingen, die van Perez geboren en afgekomen zijn.
[^ruth-4-18-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 2:5 ; Matt. 1:3 . 1 Kronieken 2:5 : De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul. Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram;
[^ruth-4-18-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, Chetsron.
[^ruth-4-20-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, Nachschon.

## 1 Samuël

### 1 Samuël 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/1.json)

*Elkana gaat jaarlijks op naar het feest te Silo, met zijn beide vrouwen, vers 1 enz. van wie de ene, Hanna genoemd, onvruchtbaar was, 5. De andere, namelijk Peninna, verwijt Hanna haar onvruchtbaarheid, 6. Daarom bidt Hanna de HEERE vurig om een zoon, die zij belooft de HEERE tot Zijn dienst te geven, 10. De priester Eli, menende dat zij dronken was, bestraft haar, 12. Maar toen hij door haar beter ingelicht was, 15. troost hij haar, 17. Zij keert met Elkana terug naar huis, 18. Zij wordt zwanger, 19. en baart Samuel, 20. Toen zij hem opgevoed had, wijdt zij hem geheel toe aan de dienst van de HEERE, zoals zij beloofd had, 24.*

**1** Daar was een man van[^1samuel-1-1-1] Ramathaim-zofim,[^1samuel-1-1-2] van het gebergte[^1samuel-1-1-3] van Efraïm, van wie de naam Elkana was, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een[^1samuel-1-1-4][^1samuel-1-1-a] Efrathiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v1)

**2** En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v2)

**3** [^1samuel-1-3-b] Deze man nu ging omhoog uit zijn stad[^1samuel-1-3-5] van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren aan YHWH van de legermachten te[^1samuel-1-3-6] Silo; en daar waren[^1samuel-1-3-7] priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v3)

**4** En het gebeurde op die dag, als Elkana[^1samuel-1-4-8] offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochters,[^1samuel-1-4-9] delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v4)

**5** Maar aan Hanna gaf hij een[^1samuel-1-5-10] aanzienlijk deel, want hij had Hanna[^1samuel-1-5-11] lief;[^1samuel-1-5-12] maar YHWH had haar baarmoeder toegesloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v5)

**6** En[^1samuel-1-6-13] haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging,[^1samuel-1-6-14] om haar te vergrimmen, omdat YHWH haar baarmoeder toegesloten had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v6)

**7** En[^1samuel-1-7-15] zo deed[^1samuel-1-7-16] hij jaar op jaar; van dat[^1samuel-1-7-17] zij opging tot het huis van YHWH,[^1samuel-1-7-18] zo tergde zij haar zo; daarom huilde zij en[^1samuel-1-7-19] at niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v7)

**8** Toen zei Elkana, haar man: Hanna, waarom weent u, en waarom eet u niet, en waarom is uw hart treurig? Ben ik u niet beter dan tien zonen?[^1samuel-1-8-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v8)

**9** Toen stond Hanna op, nadat hij[^1samuel-1-9-20] gegeten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post[^1samuel-1-9-21] van de tempel van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v9)

**10** Zij dan[^1samuel-1-10-22] van ziel bitter bedroefd zijnde, zo bad zij tot YHWH, en[^1samuel-1-10-23] zij huilde zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v10)

**11** En zij[^1samuel-1-11-24] beloofde een gelofte, en zei: YHWH van de legermachten, zo U eenmaal[^1samuel-1-11-26] de ellende van Uw dienstmaagd aanziet, en aan mij gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw[^1samuel-1-11-27] dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat YHWH geven al de dagen van zijn leven, en[^1samuel-1-11-29] er[^1samuel-1-11-d] zal geen scheermes op zijn hoofd komen.[^1samuel-1-11-25][^1samuel-1-11-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v11)

**12** Het gebeurde nu,[^1samuel-1-12-30] als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht van YHWH, zo gaf Eli acht op haar mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v12)

**13** Want Hanna sprak in haar hart; alleen roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v13)

**14** En Eli zei tot haar: Hoe lang zult u zich dronken aanstellen?[^1samuel-1-14-31] Doe uw wijn van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v14)

**15** Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer! ik ben een vrouw,[^1samuel-1-15-32] bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken; maar ik heb[^1samuel-1-15-33][^1samuel-1-15-e] mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v15)

**16** Acht[^1samuel-1-16-34] toch uw dienstmaagd niet voor[^1samuel-1-16-35] een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v16)

**17** Toen antwoordde Eli en zei: Ga heen in vrede, en de God van Israël zal uw bede geven, die u van Hem gebeden hebt.[^1samuel-1-17-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v17)

**18** En zij zei:[^1samuel-1-18-37] Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Zo ging die vrouw van haar weg; en[^1samuel-1-18-38] zij at, en[^1samuel-1-18-39] haar aangezicht was haar niet meer zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v18)

**19** En zij stonden 's morgens vroeg op, en zij[^1samuel-1-19-40] aanbaden voor het aangezicht van YHWH, en zij keerden weer, en kwamen tot hun huis[^1samuel-1-19-41] te Rama. En Elkana[^1samuel-1-19-42] had gemeenschap met zijn huisvrouw Hanna, en YHWH[^1samuel-1-19-43] gedacht aan haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v19)

**20** En het gebeurde, na verloop van dagen, dat Hanna zwanger werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuël: Want, zei zij, ik heb hem van YHWH gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v20)

**21** En die man, Elkana[^1samuel-1-21-44] trok op met zijn hele huis,[^1samuel-1-21-45] om YHWH te offeren[^1samuel-1-21-46] het jaarlijkse offer, en zijn gelofte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v21)

**22** Maar Hanna trok niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van YHWH verschijne, en blijve daar tot[^1samuel-1-22-48] in eeuwigheid.[^1samuel-1-22-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v22)

**23** En Elkana, haar man, zei tot haar: Doe, wat goed is in uw ogen; blijf, totdat u hem zult gespeend hebben; YHWH bevestige naar Zijn woord! Zo bleef de vrouw, en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v23)

**24** [^1samuel-1-24-f] Daarna, als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich omhoog, met drie stieren, en[^1samuel-1-24-49] een efa meel, en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis van YHWH te Silo; en de jongen was zeer jong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v24)

**25** En zij slachtten een stier; zo brachten zij het kind tot Eli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v25)

**26** En zij zei: Och, mijn heer![^1samuel-1-26-50] zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om YHWH te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v26)

**27** Ik bad om dit kind, en YHWH heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v27)

**28** Daarom heb ik hem ook aan YHWH overgegeven[^1samuel-1-28-51][^1samuel-1-28-52] al de dagen, die hij wezen zal; hij is van YHWH gebeden. En[^1samuel-1-28-53] hij bad daar YHWH aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/1.html#v28)

[^1samuel-1-1-1]: Kanttekening 1: Dit woord staat in het Hebreeuws, in het getal van twee alsof men zei tweevoudig Rama, omdat deze stad \[zoals men meent\] in tweeën is verdeeld geweest. Zij wordt Matt. 27:57 genoemd Arimathea. Mattheüs 27:57 : En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
[^1samuel-1-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, de Zofieten, of van de inwoners van het land Zuf, waarvan gesproken wordt onder, 1 Sam. 9:5 . 1 Samuël 9:5 : Toen zij in het land van Zuf kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en voor ons bekommerd zij.
[^1samuel-1-1-3]: Kanttekening 3: Hiermede wordt deze stad onderscheiden van Rama in Benjamin, en van Rama in de stam Nafthali, en andere steden meer, die Rama genoemd worden.
[^1samuel-1-1-4]: Kanttekening 4: Anders, een Efraïmiet, gelijk Richt. 12:5 . Dat is, van een die in het land van Efraïm geboren is, maar van afkomst was hij uit de stam van Levi; 1 Kron. 6:27 . Richteren 12:5 : Want de Gileadieten namen de Efraïmieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt u een Efraïmiet? wanneer hij zei: Nee; 1 Kronieken 6:27 : Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
[^1samuel-1-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 6:26 ; idem v. 27 . 1 Kronieken 6:26 : Elkana; diens zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath; 1 Kronieken 6:27 : Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
[^1samuel-1-3-b]: Verwijzing b: Ex. 23:14 ; Deut. 16:16 . Exodus 23:14 : Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^1samuel-1-3-5]: Kanttekening 5: van jaar tot jaar: Hebreeuws, יָמִ֔ימָ, van dagen tot dagen. Het Hebreeuwse woord Jamim wordt in de Heilige Schrift dikwijls voor jaren gebruikt, en hier wordt gesproken van de drie jaarlijkse feestdagen van de Joden. Zie Lev. 25:29 . Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^1samuel-1-3-6]: Kanttekening 6: Waar de tabernakel was; Joz. 18:1 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
[^1samuel-1-3-7]: Kanttekening 7: priesters van YHWH: Te weten, onder hun vader Eli, die hogepriester was.
[^1samuel-1-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, dankoffer, waarvan degene die het offerde zijn deel had, dat hij met zijn huisgezin eten mocht.
[^1samuel-1-4-9]: Kanttekening 9: Te weten, van het offer. Zie Deut. 12:12 , en Deut. 16:11 . Deuteronomium 12:12 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met u. Deuteronomium 16:11 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^1samuel-1-5-10]: Kanttekening 10: aanzienlijk deel: Wat schoon en heerlijk was aan te zien. Hebreeuws, אַפָּ֑יִם, een stuk van twee aanzichten. Deze beleefdheid deed Elkana zijn vrouw Hanna, om haar daarmede te vermaken.
[^1samuel-1-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, zonderling lief, liever dan hij Peninna had. Zie dergelijk exempel Gen. 29:30 . Genesis 29:30 : En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.
[^1samuel-1-5-12]: Kanttekening 12: maar YHWH had haar baarmoeder toegesloten: Zie Gen. 20:18 . Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^1samuel-1-6-13]: Kanttekening 13: haar tegenpartijdige: Te weten, Peninna, die haar afgunstig was; Lev. 18:18 . Leviticus 18:18 : U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontdekken.
[^1samuel-1-6-14]: Kanttekening 14: om haar te vergrimmen: Anders, omdat zij donderde; dat is, met onstuimige woorden uitvoer.
[^1samuel-1-7-15]: Kanttekening 15: Te weten, gelijk vers 4 , 1:5 , verhaald wordt. 1 Samuël 1:4 : En het geschiedde op die dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochters, delen. 1 Samuël 1:5 : Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; maar YHWH had haar baarmoeder toegesloten.
[^1samuel-1-7-16]: Kanttekening 16: hij jaar op jaar: Te weten, Elkana.
[^1samuel-1-7-17]: Kanttekening 17: zij opging: Te weten Hanna.
[^1samuel-1-7-18]: Kanttekening 18: zo tergde zij haar zo: De zin van deze woorden is, dat Peninna Hanna heeft getergd, beroerd en tot toorn verwekt.
[^1samuel-1-7-19]: Kanttekening 19: at niet: Dat is, zij at zeer weinig.
[^1samuel-1-8-c]: Verwijzing c: Ruth 4:15 . Ruth 4:15 : Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen.
[^1samuel-1-9-20]: Kanttekening 20: hij gegeten: Te weten, Elkana, want het schijnt dat zij òf niet, òf weinig gegeten heeft.
[^1samuel-1-9-21]: Kanttekening 21: van de tempel van YHWH: Dat is, van de tabernakel, want in deze tijd was de tempel nog niet gebouwd.
[^1samuel-1-10-22]: Kanttekening 22: van ziel bitterlijk bedroefd zijnde: Hebreeuws, נָ֑פֶשׁ, bitter van ziel. Vergelijk Richt. 18:25 . Richteren 18:25 : Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en u uw leven verliest, en het leven van uw huis.
[^1samuel-1-10-23]: Kanttekening 23: zij weende zeer: Hebreeuws, תִבְכֶּֽה, zij weende wenende.
[^1samuel-1-11-24]: Kanttekening 24: beloofde een gelofte: Te weten, met kennis en believen van haar man; want anders was de belofte van de vrouwen krachteloos, zie Num. 30:8 . Numeri 30:8 : Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal YHWH haar vergeven.
[^1samuel-1-11-26]: Kanttekening 26: de ellende van Uw dienstmaagd: Aldus noemt zij haar onvruchtbaarheid; zie Gen. 29:32 . Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.
[^1samuel-1-11-27]: Kanttekening 27: een mannelijk zaad,: Hebreeuws, זֶ֣רַע, een zaad van de mannen; dat is, een zoon.
[^1samuel-1-11-29]: Kanttekening 29: er zal geen scheermes op zijn hoofd komen: Dat is, hij zal een nazireër zijn; Num. 6:5 . Numeri 6:5 : Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds groeien.
[^1samuel-1-11-d]: Verwijzing d: Richt. 13:5 . Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit van de Filistijnen hand.
[^1samuel-1-11-25]: Kanttekening 25: zo U eenmaal … aanziet: Hebreeuws, als u ziende ziet.
[^1samuel-1-11-28]: Kanttekening 28: geven al de dagen zijns levens: Dat is, toeëigenen tot uw dienst.
[^1samuel-1-12-30]: Kanttekening 30: als zij evenzeer bleef biddende: Hebreeuws, הִתְפַּלֵּ֖ל, vermenigvuldigende te bidden.
[^1samuel-1-14-31]: Kanttekening 31: Doe uw wijn van u: Dat is, leg u te slapen, opdat u de wijn verteert en uitslaapt.
[^1samuel-1-15-32]: Kanttekening 32: bezwaard van geest: Hebreeuws, ר֨וּחַ֙, hard van geest, of gemoed.
[^1samuel-1-15-33]: Kanttekening 33: mijn ziel uitgegoten: Dat is, mijns harten nood en benauwdheid.
[^1samuel-1-15-e]: Verwijzing e: Ps. 62:9 . Psalmen 62:9 : Vertrouw op Hem altijd, o u volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
[^1samuel-1-16-34]: Kanttekening 34: Acht toch uw dienstmaagd: Hebreeuws, תִּתֵּן֙, stel uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials.
[^1samuel-1-16-35]: Kanttekening 35: een dochter Belials: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^1samuel-1-17-36]: Kanttekening 36: zal uw bede geven: Of, geve u uwe bede.
[^1samuel-1-18-37]: Kanttekening 37: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen: Met deze woorden begeert zij dat Eli voor haar God de Heer voorgaan haar verkwikt.
[^1samuel-1-18-38]: Kanttekening 38: zij at: Want de woorden van Eli hadden haar verkwikt.
[^1samuel-1-18-39]: Kanttekening 39: haar aangezicht: Hebreeuws, הָיוּ, haar aangezicht was haar niet meer; te weten, dat droeve aangezicht, dat zij tevoren gehad had.
[^1samuel-1-19-40]: Kanttekening 40: Zie Gen. 24:26 ; zo onder, vers 28 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH; 1 Samuël 1:28 : Daarom heb ik hem ook YHWH overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van YHWH gebeden. En hij bad daar YHWH aan.
[^1samuel-1-19-41]: Kanttekening 41: te Rama: vers 1 , te Ramathaïm. 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^1samuel-1-19-42]: Kanttekening 42: Dat is, besliep, gelijk Gen. 4:1 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen!
[^1samuel-1-19-43]: Kanttekening 43: gedacht aan haar: Dat is, Hij liet met de daad blijken dat Hij haar gebed verhoord had.
[^1samuel-1-21-44]: Kanttekening 44: toog op: Te weten, naar Silo, gelijk boven, vers 3 . 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.
[^1samuel-1-21-45]: Kanttekening 45: om YHWH te offeren: Te weten, wat hij beloofd had de Heer te offeren, tot een teken van de dankbaarheid, dat de Heer hem een zoon van zijn huisvrouw Hanna gegeven had, of om zijn belofte en die van zijn vrouw, aangaande het kind, te volbrengen.
[^1samuel-1-21-46]: Kanttekening 46: het jaarlijkse offer: Hebreeuws, יָּמִ֖ים, het offer van de dagen; dat is, dat op de zekere feestdagen ieder jaar geofferd werd.
[^1samuel-1-22-48]: Kanttekening 48: in eeuwigheid: Dat is, zijn levensdagen. Zie boven, vers 11 , en onder, vers 28 . 1 Samuël 1:11 : En zij beloofde een gelofte, en zei: YHWH van de legermachten, zo U eenmaal de ellende van Uw dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat YHWH geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. 1 Samuël 1:28 : Daarom heb ik hem ook YHWH overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van YHWH gebeden. En hij bad daar YHWH aan.
[^1samuel-1-22-47]: Kanttekening 47: Hanna toog niet op: Aan de vrouwen was niet bevolen ieder jaar op te trekken \[hoewel zij het wel mochten, en somtijds ook plachten te doen\] maar aan de mannen alleen, Ex. 23:17 . Exodus 23:17 : Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heer YHWH verschijnen.
[^1samuel-1-24-f]: Verwijzing f: Lukas 2:41 . Lukas 2:41 : En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.
[^1samuel-1-24-49]: Kanttekening 49: een efa meels: Zie Ex. 16:36 , en Lev. 5:11 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^1samuel-1-26-50]: Kanttekening 50: zo waarachtig als uw ziel leeft: Dat is, zo waarachtig als u leeft.
[^1samuel-1-28-51]: Kanttekening 51: Anders, geleend; te weten, om in de tabernakel te dienen.
[^1samuel-1-28-52]: Kanttekening 52: al de dagen: Anders, al de dagen, die hij wezen zal, zal hij de Heer gegeven zijn.
[^1samuel-1-28-53]: Kanttekening 53: Te weten, Samuël, of Eli, of ook Elkana en Hanna.

### 1 Samuël 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/2.json)

*Lofzang van Hanna, waarin zij de weldadigheid van de HEERE roemt, zowel in het algemeen als in het bijzonder, vers 1 enz. de hoogmoedigen dreigend met een uiteindelijk verderf, 3. De moedwillige boosheid van de zonen van Eli wordt verhaald, 12. en daartegenover hoe Samuel zich in zijn dienst kweet, 18. Hanna baart meer kinderen, 21. Eli berispt zijn zonen wel over hun boze daden, maar niet met zulke gestrengheid als het behoorde, 22. De HEERE laat door een profeet aan Eli aanzeggen dat hij met zijn hele huis jammerlijk zou omkomen, 27.*

**1** Toen bad Hanna en zei:[^1samuel-2-1-a] Mijn hart springt van vreugde op in[^1samuel-2-1-1] YHWH; mijn hoorn is verhoogd in YHWH; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden;[^1samuel-2-1-4] want ik verheug mij[^1samuel-2-1-5] in Uw heil.[^1samuel-2-1-2][^1samuel-2-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v1)

**2** Er is niemand heilig, zoals YHWH; want er is niemand dan U, en er[^1samuel-2-2-6][^1samuel-2-2-b] is geen[^1samuel-2-2-7] rotssteen, zoals onze God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v2)

**3** Maakt het niet te veel, dat[^1samuel-2-3-8] u hoog, hoog zou spreken, dat iets[^1samuel-2-3-9] hards uit uw mond zou gaan; want YHWH is een God[^1samuel-2-3-10] van de wetenschappen, en[^1samuel-2-3-11] Zijn daden zijn recht gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v3)

**4** De boog van de sterken is[^1samuel-2-4-12] gebroken; en die[^1samuel-2-4-13] struikelden, zijn met sterkte omgord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v4)

**5** Die[^1samuel-2-5-c] verzadigd waren,[^1samuel-2-5-14] hebben zich verhuurd om brood, en die[^1samuel-2-5-15] hongerig waren,[^1samuel-2-5-16] zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare[^1samuel-2-5-17] zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had,[^1samuel-2-5-18] krachteloos is geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v5)

**6** YHWH[^1samuel-2-6-19][^1samuel-2-6-d] doodt en[^1samuel-2-6-20] maakt levend;[^1samuel-2-6-21] Hij doet in het dodenrijk neerdalen[^1samuel-2-6-22], en Hij doet weer opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v6)

**7** YHWH maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v7)

**8** [^1samuel-2-8-e] Hij verheft de geringe uit het stof, en de arme verhoogt Hij uit de mest,[^1samuel-2-8-23] om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van eer doe beërven;[^1samuel-2-8-f] want de grondvesten van de aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v8)

**9** Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen[^1samuel-2-9-24] zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v9)

**10** Die met YHWH twisten, zullen verpletterd worden;[^1samuel-2-10-g] Hij zal in de hemel over hen donderen; YHWH zal de einden van[^1samuel-2-10-25] de aarde richten, en zal[^1samuel-2-10-26] Zijn[^1samuel-2-10-h] Koning sterkte geven, en de hoorn[^1samuel-2-10-27] Zijn Gezalfde verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v10)

**11** Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was YHWH dienende voor het aangezicht van de priester Eli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v11)

**12** Maar de zonen van Eli waren[^1samuel-2-12-28] kinderen Belials; zij kenden YHWH niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v12)

**13** Want[^1samuel-2-13-29] de wijze van die priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offergave[^1samuel-2-13-30] offerde, de jongen van de priester kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v13)

**14** En sloeg in de teile, of in de ketel, of in de pan, of in de pot;[^1samuel-2-14-31] al wat de krauwel optrok, dat nam de priester[^1samuel-2-14-32] voor zich. Zo deden zij[^1samuel-2-14-33] aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v14)

**15** Ook voordat zij het vet[^1samuel-2-15-34] aanstaken, kwam de jongen van de priester, en zei tot de man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor de priester; want[^1samuel-2-15-35] hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar[^1samuel-2-15-36] rauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v15)

**16** Wanneer nu die man tot hem zei: Zij zullen dat vet als heden geheel[^1samuel-2-16-37] aansteken, zo neem dan voor u, zoals het uw ziel lusten zal; zo zei hij tot hem: Nu zult u het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v16)

**17** Zo was de zonde[^1samuel-2-17-38] van deze jongemannen zeer groot voor het aangezicht van YHWH; want[^1samuel-2-17-39] de mensen verachtten het voedseloffer van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v17)

**18** Maar Samuël diende voor het aangezicht van YHWH, zijnde een jongeling, omgord met de linnen[^1samuel-2-18-40] lijfrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v18)

**19** En zijn moeder maakte hem een kleine rok, en bracht hem die[^1samuel-2-19-41] van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het[^1samuel-2-19-42] jaarlijkse offer te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v19)

**20** [^1samuel-2-20-43] En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zei: YHWH geve u[^1samuel-2-20-44] zaad uit deze vrouw[^1samuel-2-20-45] voor de bede, die[^1samuel-2-20-46] zij YHWH afgebeden heeft. En zij gingen naar[^1samuel-2-20-47] zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v20)

**21** Want YHWH[^1samuel-2-21-48] bezocht Hanna, en zij werd zwanger, en[^1samuel-2-21-49] baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël[^1samuel-2-21-50] werd groot[^1samuel-2-21-51] bij YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v21)

**22** Maar Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan geheel Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die[^1samuel-2-22-52] met hopen samenkwamen[^1samuel-2-22-53] aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v22)

**23** En hij zei tot hen: Waarom doet u al zulke dingen, dat ik deze uw slechte dingen hore van dit hele volk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v23)

**24** [^1samuel-2-24-54] Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; u maakt, dat het volk van YHWH[^1samuel-2-24-55] overtreedt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v24)

**25** Wanneer[^1samuel-2-25-56] een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de[^1samuel-2-25-57] goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen YHWH[^1samuel-2-25-58] zondigt, wie zal voor hem bidden? Maar zij hoorden de stem van hun vader niet,[^1samuel-2-25-59] want YHWH wilde hen doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v25)

**26** [^1samuel-2-26-i] En de jongeling Samuël[^1samuel-2-26-60] nam toe, en werd groot en[^1samuel-2-26-61] aangenaam zowel bij YHWH als ook bij de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v26)

**27** En er kwam[^1samuel-2-27-62] een man van God tot Eli, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Heb Ik Mij duidelijk geopenbaard aan het huis[^1samuel-2-27-64] van uw vader, toen[^1samuel-2-27-65] zij in Egypte waren, in het[^1samuel-2-27-66] huis van Farao?[^1samuel-2-27-63][^1samuel-2-27-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v27)

**28** En Ik heb[^1samuel-2-28-67] hem uit alle stammen van Israël Mij tot priester gekozen, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en[^1samuel-2-28-l] heb aan het huis van uw vader gegeven[^1samuel-2-28-68] al de vuuroffers van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v28)

**29** Waarom[^1samuel-2-29-69] slaat[^1samuel-2-29-m] u achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn voedseloffer, dat Ik geboden heb in de[^1samuel-2-29-70] woning; en eert uw zonen meer dan Mij[^1samuel-2-29-71], dat[^1samuel-2-29-72] u zich mest van het voornaamste van alle voedseloffers van Mijn volk Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v29)

**30** Daarom spreekt YHWH, de God van Israël: Ik had[^1samuel-2-30-74] wel duidelijk gezegd: Uw[^1samuel-2-30-n] huis en het huis van uw vader zouden[^1samuel-2-30-75] voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt YHWH: Volstrekt niet van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden,[^1samuel-2-30-77] zullen licht geacht worden.[^1samuel-2-30-73][^1samuel-2-30-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v30)

**31** Zie, de dagen komen,[^1samuel-2-31-78] dat Ik uw arm zal afhouwen, en de arm van het huis van uw vader, dat er geen oud man in uw huis wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v31)

**32** En u zult aanschouwen[^1samuel-2-32-79] de benauwdheid van de woning van God, in[^1samuel-2-32-80] plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal op geen dag een oud man in uw huis zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v32)

**33** [^1samuel-2-33-81] Maar de man, die Ik[^1samuel-2-33-82] u niet zal uitroeien van Mijn altaar,[^1samuel-2-33-83] zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en[^1samuel-2-33-84] al de menigte van uw huize zal sterven,[^1samuel-2-33-85] mannen geworden zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v33)

**34** Dit nu zal u een teken zijn, dat over uw beide zonen, over[^1samuel-2-34-86] Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v34)

**35** En Ik zal Mij[^1samuel-2-35-87] een getrouwe priester verwekken; die zal doen, zoals[^1samuel-2-35-88] in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een[^1samuel-2-35-89] bestendig huis bouwen, en[^1samuel-2-35-90] hij zal[^1samuel-2-35-91] altijd voor het aangezicht[^1samuel-2-35-92] van Mijn Gezalfde[^1samuel-2-35-93] wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v35)

**36** En het zal gebeuren, dat al wie van uw huis zal overig zijn,[^1samuel-2-36-94] zal komen, om zich voor[^1samuel-2-36-95] hem neer te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een stuk brood mag eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/2.html#v36)

[^1samuel-2-1-a]: Verwijzing a: Lukas 1:46 . Lukas 1:46 : En Maria zei: Mijn ziel maakt groot de Heer;
[^1samuel-2-1-1]: Kanttekening 1: in YHWH: Te weten, omdat Hij mij deze grote weldaad bewezen heeft, dat Hij mij deze zoon gegeven heeft.
[^1samuel-2-1-4]: Kanttekening 4: want ik verheug mij: Anders, want u hebt mij verheugd mits uw heil.
[^1samuel-2-1-5]: Kanttekening 5: in Uw heil: Dat is, in de gelukzaligheid, die U mij gedaan hebt, o Heer.
[^1samuel-2-1-2]: Kanttekening 2: mijn hoorn is verhoogd: Dat is, ik heb als een nieuwe kracht van de Heer ontvangen; ik ben nu welgemoed en onversaagd. Het is een gelijkenis genomen van de gehoornde beesten, die hun meeste sterkte en ook hun versiersel in de hoornen hebben. Zie Ps. 92:11 . Psalmen 92:11 : Maar U zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
[^1samuel-2-1-3]: Kanttekening 3: mijn mond is wijd opengedaan: Alsof zij zei: Nu mij de Heer deze zoon gegeven heeft, nu durf ik met open mond spreken tegen mijn vijanden, in het bijzonder tegen Peninna, haar kinderen en vrienden, die mij mijn onvruchtbaarheid verweten hebben.
[^1samuel-2-2-6]: Kanttekening 6: er is: Dat is, er is niemand op wie men zich zekerlijk verlaten mag, dan op u, Heer; zie Deut. 32:4 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
[^1samuel-2-2-b]: Verwijzing b: Deut. 3:24 ; Ps. 86:8 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Psalmen 86:8 : Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken.
[^1samuel-2-2-7]: Kanttekening 7: rotssteen, gelijk onze God: De sterke God wordt ook een steenrots genoemd Deut. 32:15 , en elders meer. Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^1samuel-2-3-8]: Kanttekening 8: u hoog: Hanna spreekt hier Peninna aan \[zie boven 1 Sam. 1:6 , 1:7 \] en ook alle trotse, vermetele mensen. 1 Samuël 1:6 : En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat YHWH haar baarmoeder toegesloten had. 1 Samuël 1:7 : En zo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis van YHWH, zo tergde zij haar zo; daarom weende zij en at niet.
[^1samuel-2-3-9]: Kanttekening 9: hards uit uw mond zou gaan: Of, het oude; dat is, gelijk u voor dezen pleegt te doen.
[^1samuel-2-3-10]: Kanttekening 10: van de wetenschappen: Dat is, van alle, of grote wetenschap. Vergelijk Spreuk. 1:20 , met de aantekeningen. Spreuken 1:20 : De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten.
[^1samuel-2-3-11]: Kanttekening 11: Zijn daden zijn recht gedaan: Vergelijk Ez. 18:25 . Anders, de daden, of werken, worden van Hem bestuurd, of gewogen. Sommigen aldus: En zijn zijne werken \[ niet \] recht gemaakt? Ezechiël 18:25 : Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; hoort nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?
[^1samuel-2-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, de bogen zijn gebroken. Zie gelijke verandering van getal Job 29:10 . Anders, de sterken \[met\] de boog zijn gebroken. Job 29:10 : De stem van de vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
[^1samuel-2-4-13]: Kanttekening 13: Te weten, zo uit zwakheid van het lichaam als uit kleinmoedigheid.
[^1samuel-2-5-c]: Verwijzing c: Ps. 34:11 ; Klaagl. 5:6 ; Lukas 1:53 . Psalmen 34:11 : Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die YHWH zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. Klaagliederen 5:6 : Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven, en de Assyriër, om met brood verzadigd te worden. Lukas 1:53 : Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden.
[^1samuel-2-5-14]: Kanttekening 14: hebben zich verhuurd: Dat is, zij zijn zo arm geworden, dat zij zich hebben moeten verhuren, opdat zij het voedsel krijgen mochten.
[^1samuel-2-5-15]: Kanttekening 15: hongerig waren: Vergelijk Job 18:12 . Job 18:12 : Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
[^1samuel-2-5-16]: Kanttekening 16: zijn het niet meer: Hebreeuws, עֲקָרָה֙, hebben opgehouden; te weten, te zijn, of hongerig te zijn.
[^1samuel-2-5-17]: Kanttekening 17: zeven heeft gebaard: Dat is, velen gelijk Ruth 4:15 ; zie onder, vers 21 . Ruth 4:15 : Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen. 1 Samuël 2:21 : Want YHWH bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël werd groot bij YHWH.
[^1samuel-2-5-18]: Kanttekening 18: krachteloos is geworden: Te weten, om kinderen te ontvangen en te baren.
[^1samuel-2-6-19]: Kanttekening 19: Dat is, Hij zendt de mensen grote benauwdheid en ellenden toe, die met de dood te vergelijken zijn.
[^1samuel-2-6-d]: Verwijzing d: Deut. 32:39 ; Ez. 37:11 ; idem v. 12 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! Ezechiël 37:11 : Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het gehele huis van Israël; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Ezechiël 37:12 : Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël.
[^1samuel-2-6-20]: Kanttekening 20: maakt levend: Dat is, Hij verlost de treurigen opnieuw uit hun benauwdheid en angst.
[^1samuel-2-6-21]: Kanttekening 21: Hij doet: Dat is, Hij brengt in de uiterste verachting en smaad.
[^1samuel-2-6-22]: Kanttekening 22: dodenrijk nederdalen: Dat is, in de uiterste benauwdheid; zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^1samuel-2-8-e]: Verwijzing e: Job 36:15 ; Ps. 113:7 ; idem v. 8 ; Lukas 1:52 . Job 36:15 : Hij zal de ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Psalmen 113:8 : Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk. Lukas 1:52 : Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
[^1samuel-2-8-23]: Kanttekening 23: uit de drek: Of, uit de mesthoop.
[^1samuel-2-8-f]: Verwijzing f: Ps. 24:2 ; Ps. 102:26 ; Ps. 104:5 . Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. Psalmen 102:26 : U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; Psalmen 104:5 : Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen.
[^1samuel-2-9-24]: Kanttekening 24: zullen zwijgen in duisternis: Of, zullen uitgeroeid worden \[en geworpen\] in de duisternis.
[^1samuel-2-10-g]: Verwijzing g: 1 Sam. 7:10 . 1 Samuël 7:10 : En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.
[^1samuel-2-10-25]: Kanttekening 25: de einden van de aarde richten: Dat is, ook die, welke aan de uiterste einden van de wereld zijn.
[^1samuel-2-10-26]: Kanttekening 26: Zijn Koning sterkte geven: Te weten Christus, die Hij heeft verordineerd, en die Hij op de vastgestelde tijd zenden zal.
[^1samuel-2-10-h]: Verwijzing h: Ps. 2:6 ; Ps. 89:25 . Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid. Psalmen 89:25 : En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.
[^1samuel-2-10-27]: Kanttekening 27: Zijn Gezalfde verhogen: Dat is Christus. Zie Ps. 2:2 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
[^1samuel-2-12-28]: Kanttekening 28: kinderen Belials: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^1samuel-2-13-29]: Kanttekening 29: de wijze dier priesters: Hebreeuws, אֶת, Misphat, het recht; welk woord somtijds een gewoonte of gebruik betekent, niet alleen een goed en prijselijk, maar ook een kwaad en misprijselijk gebruik of wijze.
[^1samuel-2-13-30]: Kanttekening 30: Dat is, bracht om geofferd te worden; zo vers 15 . 1 Samuël 2:15 : Ook voordat zij het vet aanstaken, kwam de jongen van de priester, en zei tot de man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor de priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.
[^1samuel-2-14-31]: Kanttekening 31: al wat de krauwel optrok: God had de priesters zekere delen of stukken van de beesten, die geofferd werden, tot hun voedsel gegeven; te weten, de borst en de rechterschouder, Ex. 29:27 , 29:28 , en Lev. 7:31 , 7:32 , 7:33 , maar zij mochten niet nemen wat hun beliefde, of wat de gaffel hun gaf; ook moest het deel, dat de priesters toekwam, eerst voor de Heer opgeheven en bewogen worden; Lev. 7:34 . Exodus 29:27 : En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat van Aäron, en van wat van zijn zonen is. Exodus 29:28 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen van Israël; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen van Israël zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor YHWH zijn. Leviticus 7:31 : En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. Leviticus 7:32 : U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer aan de priester geven, uit uw dankofferen. Leviticus 7:33 : Wie uit de zonen van Aäron het bloed van het dankoffer en het vet offert, die zal de rechterschouder ten dele zijn. Leviticus 7:34 : Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de kinderen van Israël uit hun dankofferen genomen, en heb dezelfde aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen van Israël.
[^1samuel-2-14-32]: Kanttekening 32: voor zich: Of, daarmede; te weten, met de krauwel.
[^1samuel-2-14-33]: Kanttekening 33: al de Israëliëten: Hebreeuws, al Israël.
[^1samuel-2-15-34]: Kanttekening 34: Zie Lev. 3:3 , enz. Leviticus 3:3 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer YHWH offeren; het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is.
[^1samuel-2-15-35]: Kanttekening 35: hij zal geen gekookt vlees: Nochtans nam de priester ook wel gekookt vlees, gelijk te zien is in vers 13 . Hier wordt te kennen gegeven dat hij liever rauw vlees had dan gekookt. 1 Samuël 2:13 : Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, de jongen van de priester kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand;
[^1samuel-2-15-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, levend.
[^1samuel-2-16-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, aanstekende aansteken.
[^1samuel-2-17-38]: Kanttekening 38: van deze jongelingen: Te weten, de zonen van Eli.
[^1samuel-2-17-39]: Kanttekening 39: de mensen verachtten: Hij wil zeggen: Toen het volk zag dat de zonen van Eli de offeranden zo schandelijk misbruikten tot hun wellusten, zo werden zij daardoor afgekeerd van de godsdienst, zo dat zij geen spijsoffers meer tot de Heer brachten.
[^1samuel-2-18-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, efod. Vergelijk 2 Sam. 6:14 . 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok.
[^1samuel-2-19-41]: Kanttekening 41: van jaar tot jaar: Hebreeuws, יָמִ֑ימָ, van dagen tot dagen.
[^1samuel-2-19-42]: Kanttekening 42: jaarlijkse offer te offeren: Hebreeuws, יָּמִֽים, het offer van de dagen.
[^1samuel-2-20-43]: Kanttekening 43: En Eli zegende Elkana: Dat is, hij als hogepriester had haar veel geluk gewenst.
[^1samuel-2-20-44]: Kanttekening 44: zaad uit deze vrouw: Dat is, kinderen.
[^1samuel-2-20-45]: Kanttekening 45: voor de bede: Dat is, voor de afgebeden en nu voor God gegeven zoon.
[^1samuel-2-20-46]: Kanttekening 46: zij YHWH afgebeden heeft: Hebreeuws, שָׁאַ֖ל, hij. Zie dergelijke verwisseling van het vrouwelijke en mannelijke geslacht Gen. 24:14 ; Ex. 31:15 ; Lev. 2:8 ; 1 Sam. 25:27 ; 2 Kon. 3:26 ; Hos. 14:7 ; Ruth 1:8 , 1:9 , 1:11 , 1:19 , 1:22 . Anders, die men YHWH afgebeden heeft, of, die men voor YHWH gebeden, of, begeerd heeft. Het is alsof hij zei: Zij heeft deze zoon niet voor haarzelve, of tot haar voordeel, begeerd en de Heer afgebeden, maar opdat zij die de Heer zou toeëigenen tot zijn dienst. Genesis 24:14 : Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen drenken; diezelve zij, die U Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat U weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt. Exodus 31:15 : Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heiligheid van YHWH! Wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden. Leviticus 2:8 : Dan zult u dat spijsoffer, dat daarvan zal gemaakt worden, YHWH toebrengen; en men zal het tot de priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal. 1 Samuël 25:27 : En nu, dit is de zegen, die uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde aan de jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen. 2 Koningen 3:26 : Maar als de koning van de Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittrokken, om door te breken tegen de koning van Edom; maar zij konden niet. Hosea 14:7 : Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als die van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. Ruth 1:8 : Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weer, een ieder tot het huis van haar moeder; YHWH doe bij u weldadigheid, gelijk als u gedaan hebt bij de doden, en bij mij. Ruth 1:9 : YHWH geve u, dat u ruste vindt, een ieder in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden; Ruth 1:11 : Maar Naomi zei: Keert weer, mijn dochters! Waarom zoudt u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? Ruth 1:19 : Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de gehele stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi? Ruth 1:22 : Zo kwam Naomi weer, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.
[^1samuel-2-20-47]: Kanttekening 47: zijn plaats: Te weten, naar de plaats van Elkana.
[^1samuel-2-21-48]: Kanttekening 48: bezocht Hanna: Bevestigende de zegen van Eli, die zij vertrouwd hadden dat de Heer volbrengen zou.
[^1samuel-2-21-49]: Kanttekening 49: Welverstaande in verscheidene drachten.
[^1samuel-2-21-50]: Kanttekening 50: werd groot: Versta dit van de wasdom van het lichaam in grootte, en van de ziel in wijsheid en kennis; zie Luk. 1:80 , en Luk. 2:40 , 2:52 . Lukas 1:80 : En het kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag van zijn vertoning aan Israël. Lukas 2:40 : En het Kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade van God was over Hem. Lukas 2:52 : En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.
[^1samuel-2-21-51]: Kanttekening 51: bij YHWH: Anders, voor, of met de Heer.
[^1samuel-2-22-52]: Kanttekening 52: met hopen samenkwamen: Zie de aantekeningen op Ex. 38:8 . Exodus 38:8 : Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels van de te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent van de samenkomst.
[^1samuel-2-22-53]: Kanttekening 53: aan de deur: Dat is, tot voor de tent, want in de tent mochten zij niet komen.
[^1samuel-2-24-54]: Kanttekening 54: Niet, mijn zonen: Dat is, het betaamt u niet zo te handelen.
[^1samuel-2-24-55]: Kanttekening 55: Te weten, het bevel van het offer; zie boven, vers 17 . 1 Samuël 2:17 : Zo was de zonde van deze jongelingen zeer groot voor het aangezicht van YHWH; want de mensen verachtten het spijsoffer van YHWH.
[^1samuel-2-25-56]: Kanttekening 56: een mens: Hebreeuws, יֶחֱטָ֨א, een man.
[^1samuel-2-25-57]: Kanttekening 57: Anders, de overheid, de richters. Zie Ex. 21:6 , en de aantekeningen daar. Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^1samuel-2-25-58]: Kanttekening 58: Te weten, opzettelijk, en met moedwilligheid.
[^1samuel-2-25-59]: Kanttekening 59: want YHWH wilde hen doden: Daarom gaf hun de Heer de genade niet dat zij zich bekeerden, maar Hij heeft hen meer en meer verlaten, en heeft hen rechtvaardig overgegeven in een verkeerden zin, ten verderve.
[^1samuel-2-26-i]: Verwijzing i: Lukas 2:52 . Lukas 2:52 : En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.
[^1samuel-2-26-60]: Kanttekening 60: nam toe: Hebreeuws, הֹלֵ֥ךְ, ging. Vergelijk Gen. 26:13 met de aantekeningen. Genesis 26:13 : En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.
[^1samuel-2-26-61]: Kanttekening 61: aangenaam beide: Hebreeuws, עִם, goed.
[^1samuel-2-27-62]: Kanttekening 62: een man van God tot Eli: Dat is, een profeet van de Heer, gelijk 2 Petr. 1:21 ; 1 Tim. 6:11 , en 2 Tim. 3:17 . Wie deze profeet geweest is, is ons onbekend. Zie de aantekeningen Richt. 13:6 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. 1 Timotheüs 6:11 : Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 2 Timotheüs 3:17 : Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust. Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^1samuel-2-27-64]: Kanttekening 64: uws vaders: Te weten van Aäron, van wie Eli afkomstig was door Ithamar.
[^1samuel-2-27-65]: Kanttekening 65: zij in Egypte waren: Te weten, de kinderen van Israël.
[^1samuel-2-27-66]: Kanttekening 66: huis van Farao: Dat is, toen zij nog waren onder de heerschappij en tirannie van Farao.
[^1samuel-2-27-63]: Kanttekening 63: Heb Ik Mij duidelijk geopenbaard: Of, ben Ik niet, enz. Hebreeuws, נִגְלֹ֤ה, openbarende geopenbaard.
[^1samuel-2-27-k]: Verwijzing k: Hand. 7:25 . Handelingen 7:25 : En hij meende, dat zijn broers zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
[^1samuel-2-28-67]: Kanttekening 67: Te weten, Aäron.
[^1samuel-2-28-l]: Verwijzing l: Lev. 10:14 . Leviticus 10:14 : Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen van de kinderen van Israël gegeven.
[^1samuel-2-28-68]: Kanttekening 68: al de vuurofferen: Versta, al de stukken van de beesten, die in de offers op het altaar niet moesten verbrand worden. Zie Lev. 7:34 , en Num. 18:18 . Leviticus 7:34 : Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de kinderen van Israël uit hun dankofferen genomen, en heb dezelfde aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen van Israël. Numeri 18:18 : En hun vlees zal het uwe zijn; gelijk de beweegborst, en gelijk de rechterschouder, zal het uwe zijn.
[^1samuel-2-29-69]: Kanttekening 69: Te weten, u Eli en uw zonen.
[^1samuel-2-29-m]: Verwijzing m: Deut. 32:15 . Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^1samuel-2-29-70]: Kanttekening 70: Dat is, tabernakel, welke Gods woning was.
[^1samuel-2-29-71]: Kanttekening 71: eert uw zonen meer dan Mij: Denzelven meer respect toedragende dan Mij, want u durft hen niet eens vertoornen, noch terdege berispen, veel minder straffen naar behoren, of van het priesterdom afzetten, gelijk hun snode boevenstukken dat wel verdiend hebben.
[^1samuel-2-29-72]: Kanttekening 72: Te weten, u Eli zowel als uw zonen.
[^1samuel-2-30-74]: Kanttekening 74: wel duidelijk gezegd: Hebreeuws, אָמ֣וֹר, Ik had zeggende gezegd.
[^1samuel-2-30-n]: Verwijzing n: Ex. 28:43 ; Ex. 29:9 . Exodus 28:43 : Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent van de samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem. Exodus 29:9 : En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand zijn zonen.
[^1samuel-2-30-75]: Kanttekening 75: voor Mijn aangezicht: Dat is, het priesterdom bedienen; versta hierbij, als zij in mijn geboden zouden wandelen.
[^1samuel-2-30-77]: Kanttekening 77: zullen licht geacht worden: Hebreeuws, יֵקָֽלּוּ, zullen licht worden.
[^1samuel-2-30-73]: Kanttekening 73: Ik had: Te weten, toen Ik het priesterlijk ambt in uws vaders huis heb ingesteld.
[^1samuel-2-30-76]: Kanttekening 76: Dat zij verre van Mij: Te weten, vanwege uw ongehoorzaamheid.
[^1samuel-2-31-78]: Kanttekening 78: dat Ik uw arm zal afhouwen: Dat is, Ik zal u beroven van uw sterkte, te weten, van uw kinderen en het priesterlijk ambt; want toen het hogepriesterambt van Eli en de zijnen genomen was, zo vermochten zij geheel niet. Zie onder, vers 36 . Het woord arm, voor sterkte, wordt ook gebruikt Job 22:9 ; Ps. 37:17 , en elders meer. 1 Samuël 2:36 : En het zal gebeuren, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een bete broods mag eten. Job 22:9 : De weduwen hebt u leeg weggezonden, en de armen van de wezen zijn verbrijzeld. Psalmen 37:17 : Want de armen van de goddelozen zullen verbroken worden; maar YHWH ondersteunt de rechtvaardigen.
[^1samuel-2-32-79]: Kanttekening 79: de benauwdheid van de woning van God : Van de wegvoering van de ark uit de tabernakel of woning, de nederlaag Israëls en de gevangenis van de ark, zie onder, 1 Sam. 4:11 . Anders, u zult een tegenpartij in de woning zien. U, dat is, uw nakomelingen \[want Eli is zijn levenlang priester gebleven\], maar naderhand zal er een ander \[de uwen uitgestoten zijnde\] in de plaats derzelve gesteld worden; zie 1 Kon. 2:27 . 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 1 Koningen 2:27 : Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij priester van YHWH niet was, om te vervullen het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.
[^1samuel-2-32-80]: Kanttekening 80: in plaats van: Anders, in alles, waarmee Hij Israël goed gedaan zou hebben.
[^1samuel-2-33-81]: Kanttekening 81: Maar de man: Dat is, die aan de dienst van het altaar blijven zal.
[^1samuel-2-33-82]: Kanttekening 82: u niet zal uitroeien: Dat is, van de uwen.
[^1samuel-2-33-83]: Kanttekening 83: zou zijn: Dat is, ware het dat u dan nog leefde en al deze dingen zaagt, u zoudt uw ogen uitschreien. Dit kan verstaan worden van het jammerlijk vermoorden van de priesters te Nob, 1 Sam. 22:18 , of ook wel van de schandelijke afzetting van Abjathar, 1 Kon. 2:26 , waar de eerste woorden van vers 33 ook wel op passen. 1 Samuël 22:18 : Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen. 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 1 Samuël 2:33 : Maar de man, die Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.
[^1samuel-2-33-84]: Kanttekening 84: al de menigte: Dat is, meestal.
[^1samuel-2-33-85]: Kanttekening 85: mannen geworden zijnde: Dat is, in het beste van hun leven.
[^1samuel-2-34-86]: Kanttekening 86: Hofni en Pinehas: Zie de vervulling hiervan onder, 1 Sam. 4:11 . 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.
[^1samuel-2-35-87]: Kanttekening 87: een getrouwen priester verwekken: Te weten, Zadok, die van het geslacht van Eleazar was; zie de vervulling 1 Kron. 29:22 . 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1samuel-2-35-88]: Kanttekening 88: in Mijn hart: Dat is, gelijk Mij behaagt.
[^1samuel-2-35-89]: Kanttekening 89: bestendig huis bouwen: Hebreeuws, הִתְהַלֵּ֥ךְ, een getrouw huis. In Zadoks geslacht is het hogepriesterambt lang gebleven, achtervolgens wat God Pinehas, de zoon van Eleazar, beloofd heeft, Num. 25:13 . Numeri 25:13 : En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond van het eeuwige priesterdom, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen van Israël.
[^1samuel-2-35-90]: Kanttekening 90: hij zal: Versta hierbij, en zijn nakomelingen.
[^1samuel-2-35-91]: Kanttekening 91: altijd voor het aangezicht: Hebreeuws, יָּמִֽים, al de dagen; te weten, zijns levens.
[^1samuel-2-35-92]: Kanttekening 92: Mijns Gezalfde: Dat is, voor de koning, die Ik verkiezen zal, die ook een voorbeeld zal zijn van Christus, die Ik tot een koning over Sion, mijn heilige berg, gezalfd heb.
[^1samuel-2-35-93]: Kanttekening 93: Dat is, het priesterambt bedienen, gelijk vers 30 . 1 Samuël 2:30 : Daarom spreekt YHWH, de God van Israël: Ik had wel duidelijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt YHWH: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.
[^1samuel-2-36-94]: Kanttekening 94: zal komen: Zie de vervulling, 1 Kon. 2:26 ; 2 Kon. 23:9 . Zie ook merktekenen hiervan Ez. 44:14 . 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 2 Koningen 23:9 : Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van YHWH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers. Ezechiël 44:14 : Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.
[^1samuel-2-36-95]: Kanttekening 95: hem neder te buigen: Te weten, voor Zadok en zijn nakomelingen.

### 1 Samuël 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/3.json)

*Samuel wordt in één nacht driemaal door de HEERE geroepen, en meende dat het Eli was die hem riep, vers 1 enz. maar toen hij voor de vierde maal geroepen was, antwoordt hij de HEERE, 10. Die hem openbaart dat Hij het huis van Eli zou uitroeien, 11. wat Samuel hem 's morgens, op zijn verzoek, bekendmaakt, 15. Eli onderwerpt zich aan de wil van de HEERE, 18. Samuel wordt door heel Israël als een profeet erkend, omdat de HEERE Zich meermalen aan Samuel openbaarde, 19.*

**1** En de jongeling Samuël diende YHWH[^1samuel-3-1-1] voor het aangezicht van Eli; en het woord van YHWH[^1samuel-3-1-2] was schaars in die dagen; er was geen[^1samuel-3-1-3] openbaar visioen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v1)

**2** En het gebeurde[^1samuel-3-2-4] op die dag, als Eli op zijn plaats neerlag (en[^1samuel-3-2-a] zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij[^1samuel-3-2-5] niet zien kon), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v2)

**3** En Samuël zich ook neergelegd had, voordat[^1samuel-3-3-6] de lampe Gods uitgedaan werd, in[^1samuel-3-3-7] de tempel van YHWH, waar de ark van God was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v3)

**4** Dat YHWH Samuël riep; en hij zei: Zie, hier ben ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v4)

**5** En hij liep tot Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar hij zei: Ik heb niet geroepen, keer weer, leg u neer. En hij ging heen en legde zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v5)

**6** Toen riep YHWH Samuël opnieuw; en Samuël stond op; en ging tot Eli, en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Hij dan zei: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weer, leg u neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v6)

**7** [^1samuel-3-7-8] Maar Samuël kende YHWH nog niet; en het woord van YHWH was aan hem nog niet geopenbaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v7)

**8** Toen riep YHWH Samuël opnieuw, voor de derde keer; en hij stond op, en ging tot Eli, en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Toen verstond Eli, dat YHWH de jongeling riep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v8)

**9** Daarom zei Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neer, en het zal gebeuren, zo Hij u roept, zo zult u zeggen: Spreek, YHWH, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en legde zich aan[^1samuel-3-9-9] zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v9)

**10** Toen kwam YHWH, en stelde Zich daar, en riep[^1samuel-3-10-11] zoals de andere keren: Samuël, Samuël! En Samuël zei: Spreek, want Uw knecht hoort.[^1samuel-3-10-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v10)

**11** En YHWH zei tot Samuël: Zie, Ik doe[^1samuel-3-11-12] één ding in Israël, dat al wie het horen zal[^1samuel-3-11-b],[^1samuel-3-11-13] die zullen zijn beide oren klinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v11)

**12** Op die dag zal Ik verwekken over Eli alles, wat[^1samuel-3-12-c] Ik tegen zijn huis[^1samuel-3-12-14] gesproken heb; Ik zal het beginnen en voltooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v12)

**13** Want Ik heb hem te kennen gegeven,[^1samuel-3-13-15] dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, vanwege de ongerechtigheid, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben[^1samuel-3-13-16] vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens[^1samuel-3-13-17] zuur aangezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v13)

**14** Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van[^1samuel-3-14-18] het huis van Eli tot in eeuwigheid[^1samuel-3-14-19] zal verzoend worden door slachtoffer of door voedseloffer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v14)

**15** Samuël nu lag tot aan de morgen; toen deed hij de deuren van het huis van YHWH open; maar Samuël vreesde dit[^1samuel-3-15-20] visioen aan Eli te kennen te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v15)

**16** Toen riep Eli Samuël, en zei: Mijn zoon Samuël! Hij dan zei: Zie, hier ben ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v16)

**17** En hij zei: Wat is het woord, dat Hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God[^1samuel-3-17-21] doe u zo, en zo doe Hij daartoe, als u een woord voor mij verbergt van al de woorden, die Hij tot u gesproken heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v17)

**18** Toen gaf hem Samuël te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. En hij zei: Hij is YHWH; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v18)

**19** Samuël nu werd groot; en YHWH was met hem, en liet[^1samuel-3-19-22] niet één van al Zijn woorden op de aarde vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v19)

**20** En geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, bekende, dat Samuël[^1samuel-3-20-23] bevestigd was tot een profeet van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v20)

**21** En YHWH voer voort te verschijnen te Silo;[^1samuel-3-21-24] want YHWH openbaarde Zich aan Samuël te Silo, door het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/3.html#v21)

[^1samuel-3-1-1]: Kanttekening 1: voor het aangezicht van Eli: Zie 1 Sam. 2:11 . 1 Samuël 2:11 : Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was YHWH dienende voor het aangezicht van de priester Eli.
[^1samuel-3-1-2]: Kanttekening 2: was dierbaar: Hij wil zeggen dat er in die tijd weinig profeten of getrouwe leraars in Israël waren, zodat, als er een man van God kwam, dat iets zeldzaams was.
[^1samuel-3-1-3]: Kanttekening 3: openbaar gezicht: Hebreeuws, נִפְרָֽץ, doorgebroken, uitgebroken. Anders, menigvuldig.
[^1samuel-3-2-4]: Kanttekening 4: op die dag: Te weten, toen het woord van de Heer zo dierbaar was.
[^1samuel-3-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 4:15 . 1 Samuël 4:15 : (Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.)
[^1samuel-3-2-5]: Kanttekening 5: niet zien kon): Dat is, niet wel, zo staat er Gen. 48:10 van Jakob, dat hij niet zag; dat is, hij zag niet wel, want Gen. 48:8 staat, dat hij de zonen van Jozef zag. Genesis 48:10 : Maar de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen. Genesis 48:8 : En Israël zag de zonen van Jozef, en zei: Wiens zijn deze?
[^1samuel-3-3-6]: Kanttekening 6: de lampe Gods uitgedaan werd: Hij spreekt van de lamp, die op de gouden kandelaar stond, die de ganse nacht van de avond tot aan de morgen moest branden, dan bluste men dezelfde uit; Ex. 27:21 ; Lev. 24:3 ; 2 Kron. 13:11 . Exodus 27:21 : In de tent van de samenkomst, van buiten de voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen van Israël. Leviticus 24:3 : Aäron zal die voor het aangezicht van YHWH gedurig toerichten, van de avond tot de morgen, buiten de voorhang van het getuigenis, in de tent van de samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten. 2 Kronieken 13:11 : En zij steken aan voor YHWH brandofferen, op elke morgen en op elke avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, naast de toerichting van het brood op de reine tafel, en de gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elke avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht van YHWH, onzes Gods; maar u hebt Hem verlaten.
[^1samuel-3-3-7]: Kanttekening 7: de tempel van YHWH: Dat is, in één van de kamertjes nabij of omtrent de tabernakel, want de tempel was in deze tijd nog niet gebouwd.
[^1samuel-3-7-8]: Kanttekening 8: Maar Samuël kende YHWH nog niet: Dat is, hij kende de roepende stem van de Heer niet, daar hij die niet gewoon was te horen. Of, hij had nog geen verstand van die manier van openbaringen, door welke de Heer door aanspraak aan de mensen verschijnt.
[^1samuel-3-9-9]: Kanttekening 9: zijn plaats: Zie boven, vers 2 . 1 Samuël 3:2 : En het geschiedde op die dag, als Eli op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),
[^1samuel-3-10-11]: Kanttekening 11: gelijk de andere malen: Hebreeuws, יֹּ֤אמֶר, als beurt op beurt.
[^1samuel-3-10-10]: Kanttekening 10: en stelde Zich daar: Anders, en Hij bleef staande; dat is, Hij ging niet weer weg, gelijk Hij te voren gedaan had.
[^1samuel-3-11-12]: Kanttekening 12: een ding in Israël: Versta, de nederlagen van de Israëlieten, waarvan gesproken wordt onder, 1 Sam. 4:2 , 4:10 . 1 Samuël 4:2 : En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor het aangezicht van de Filistijnen geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man. 1 Samuël 4:10 : Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een ieder in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks.
[^1samuel-3-11-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 21:12 ; Jer. 19:3 . 2 Koningen 21:12 : Daarom, zo zegt YHWH, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. Jeremia 19:3 : En zeg: Hoort van YHWH woord, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van dat een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;
[^1samuel-3-11-13]: Kanttekening 13: die : Hij wil zeggen dat degenen, die de grote nederlaag van de Israëlieten zullen horen, die zullen hunne zinnen van verbaasdheid als verliezen.
[^1samuel-3-12-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 2:31 . 1 Samuël 2:31 : Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en de arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.
[^1samuel-3-12-14]: Kanttekening 14: gesproken heb: Te weten, door de man van God, 1 Sam. 2:27 , enz. 1 Samuël 2:27 : En er kwam een man van God tot Eli, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Heb Ik Mij duidelijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?
[^1samuel-3-13-15]: Kanttekening 15: dat Ik zijn huis: Dat is, dat Ik mijn rechtvaardige straf en wraak over hem en zijn huis zal uitvoeren.
[^1samuel-3-13-16]: Kanttekening 16: vervloekt gemaakt: Anders, licht, veracht, dat is, toen zij met hun boze stukken en kwaad leven gemaakt hebben dat men hen vloekte en verachtte als lichte gezellen, die geen eer waard waren.
[^1samuel-3-13-17]: Kanttekening 17: zuur aangezien: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk fronsen, of rimpelen krijgen in het aangezicht, dat geschiedt van diegenen, die uit ongezindheid zuur zien. Versta hierbij, veel weiniger heeft hij hen gestraft naar behoren, dat hij had behoren te doen als vader, als hogepriester en als richter, die gesteld was om het kwaad te beletten en te straffen.
[^1samuel-3-14-18]: Kanttekening 18: Zo de ongerechtigheid: Deze manier van zweren zie Gen. 14:22 , 14:23 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1samuel-3-14-19]: Kanttekening 19: zal verzoend worden: Zo namelijk, dat Ik de tijdelijke straffen, die Ik over het huis van Eli uitgesproken heb, zou terughouden en niet uitvoeren.
[^1samuel-3-15-20]: Kanttekening 20: Dat is, die dingen, die de Heer hem in een gezicht geopenbaard had, alhoewel dit niet alleen een gezicht was, maar ook een verschijning. Samuël heeft wakende deze woorden gehoord, en niet in een verrukking of vertrekking van zinnen, gelijk de gezichten pleegden te gebeuren; zie Gen. 15:1 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^1samuel-3-17-21]: Kanttekening 21: doe u zo: Zie van deze manier van spreken Ruth 1:17 . Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
[^1samuel-3-19-22]: Kanttekening 22: niet een van al Zijn woorden op de aarde vallen: Dat is, de Heer volbracht met de daad alles wat Hij door Samuël voorzegd had. Op de aarde vallen, is zoveel te zeggen als tenietgaan, of te schande komen, gelijk Matt. 10:29 . Vergelijk 1 Kon. 8:56 . Mattheüs 10:29 : Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. 1 Koningen 8:56 : Geloofd zij YHWH, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn knecht.
[^1samuel-3-20-23]: Kanttekening 23: bevestigd was: Anders, getrouw geacht, of bevonden.
[^1samuel-3-21-24]: Kanttekening 24: want YHWH openbaarde Zich: Hij wil zeggen dat de Heer door dromen, gezichten en aanspraken zijn woord aan Samuël openbaarde, dat tevoren zelden geschiedde. Zie boven, vers 1 . 1 Samuël 3:1 : En de jongeling Samuël diende YHWH voor het aangezicht van Eli; en het woord van YHWH was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.

### 1 Samuël 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/4.json)

*De Israëlieten worden door de Filistijnen verslagen, vers 1 enz. daarom laten zij de ark van het verbond van Silo in het leger brengen, 3. Die met groot gejuich van het volk ontvangen wordt, 5. wat de Filistijnen verbaast, 6. Doch zij vatten weer moed, 9. De Filistijnen verslaan de Israëlieten voor de tweede maal, 10. De ark wordt genomen, en de beide zonen van Eli sneuvelen, 11. Toen dit aan Eli bericht werd, 12. werd de hele stad bedroefd, 13. en Eli, dit alles horende, valt achterover van zijn stoel, breekt zijn nek en sterft, 14. En zijn schoondochter sterft in de bevalling, 19. Nadat zij haar zoon Ikabod genoemd had, 21.*

**1** En[^1samuel-4-1-1] het woord van Samuël kwam tot geheel Israël. En Israël trok uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en sloeg zijn kamp op bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen sloegen hun kamp op[^1samuel-4-1-2] bij Afek.[^1samuel-4-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v1)

**2** En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich[^1samuel-4-2-4] de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor het aangezicht van de Filistijnen geslagen; want[^1samuel-4-2-5] zij sloegen[^1samuel-4-2-6] in de slagorden in het veld ongeveer vier duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v2)

**3** Als het volk opnieuw in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons YHWH vandaag geslagen voor het aangezicht van de[^1samuel-4-3-7] Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van YHWH, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand van onze vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v3)

**4** Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die[^1samuel-4-4-a] tussen[^1samuel-4-4-8] de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren[^1samuel-4-4-9] daar met de ark van het verbond van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v4)

**5** En het gebeurde, als de ark van het verbond van YHWH in het leger kwam, zo juichte geheel Israël met een groot gejuich, zo dat de aarde dreunde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v5)

**6** Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat[^1samuel-4-6-10] is de stem van dit grote juichen in het leger van de Hebreën? Toen vernamen zij, dat de ark van YHWH in het leger gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v6)

**7** Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is gisteren en eergisteren niet gebeurd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v7)

**8** Wee ons, wie zal ons redden uit de hand[^1samuel-4-8-11] van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij[^1samuel-4-8-12] de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v8)

**9** Wees sterk, en wees mannen, u Filistijnen, opdat u de Hebreën niet misschien dient,[^1samuel-4-9-b] zoals zij u gediend hebben; zo wees mannen, en strijdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v9)

**10** Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vluchtten ieder in[^1samuel-4-10-13] zijn tenten; en er gebeurde een zeer grote[^1samuel-4-10-14] nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v10)

**11** En[^1samuel-4-11-c] de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v11)

**12** Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo deze dag; en[^1samuel-4-12-15] zijn kleren waren gescheurd, en[^1samuel-4-12-16] er[^1samuel-4-12-d] was aarde op zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v12)

**13** En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van de weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark van God. Als die man kwam, om dat te verkondigen in de stad, toen[^1samuel-4-13-17] schreeuwde de hele stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v13)

**14** En als Eli de stem van het geroep hoorde, zo zei hij: Wat is de stem van dit rumoer? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v14)

**15** (Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen[^1samuel-4-15-18] stonden[^1samuel-4-15-e] stijf, dat hij niet zien kon.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v15)

**16** En die man zei tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben vandaag uit de slagorden gevlucht. Hij dan zei: Wat is er gebeurd, mijn zoon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v16)

**17** Toen antwoordde[^1samuel-4-17-19] hij, die de boodschap bracht, en zei: Israël is gevlucht voor het aangezicht van de Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk gebeurd; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark van God is genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v17)

**18** En het gebeurde, als hij van de ark van God vermeldde, zo viel hij achteruit van de stoel af, aan de zijde van[^1samuel-4-18-20] de poort, en brak de nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v18)

**19** En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was zwanger, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo[^1samuel-4-19-21] kromde zij zich, en baarde; want[^1samuel-4-19-22] haar[^1samuel-4-19-23] weeën overvielen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v19)

**20** En ongeveer de tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die[^1samuel-4-20-24] bij haar stonden: Vrees niet, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet, en[^1samuel-4-20-25] nam het niet ter harte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v20)

**21** En zij noemde de jongen[^1samuel-4-21-26] Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God als gevangene weggevoerd was, en vanwege haar schoonvader en haar man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v21)

**22** En zij zei: De[^1samuel-4-22-27] eer is als gevangene weggevoerd uit Israël, want de ark van God is genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/4.html#v22)

[^1samuel-4-1-1]: Kanttekening 1: het woord van Samuël: Dat is, de profetie, die Samuël van de Heer geopenbaard was, heeft hij het volk verkondigd, en is volbracht; zie 1 Sam. 3:11 , 3:21 . 1 Samuël 3:11 : En YHWH zei tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken. 1 Samuël 3:21 : En YHWH voer voort te verschijnen te Silo; want YHWH openbaarde Zich aan Samuël te Silo, door het woord van YHWH.
[^1samuel-4-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, steen van de hulpe, helpsteen. Deze plaats heeft eerst naderhand deze naam gekregen. Zie onder, 1 Sam. 7:12 ; zo wordt Luz Gen. 12 Bethel genoemd, welke naam Jakob deze plaats lang daarna eerst gegeven heeft; Gen. 28 . 1 Samuël 7:12 : Samuël nu nam een steen, en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zei: Tot hiertoe heeft YHWH ons geholpen.
[^1samuel-4-1-3]: Kanttekening 3: Een stad in de stam van Juda gelegen; Joz. 15:53 . Maar er is een ander Afek in de stam van Isschaschar, 1 Sam. 29 ; ook een in de stam van Aser, Joz. 19:30 ; Richt. 1:31 . Jozua 15:53 : En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, Jozua 19:30 : En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen. Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
[^1samuel-4-2-4]: Kanttekening 4: de strijd uitspreidde: Dat is, de krijgslieden die streden. Hij wil zeggen, wanneer nu al de benden en compagnieën beiderzijds aan elkaar gekomen waren om te vechten, zo sloegen zij, enz.
[^1samuel-4-2-5]: Kanttekening 5: zij sloegen: Te weten, de Filistijnen.
[^1samuel-4-2-6]: Kanttekening 6: in de slagorden: Hij wil zeggen, gedurende de slag, toen de beide legers nog in hun slagorden stonden.
[^1samuel-4-3-7]: Kanttekening 7: Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van de:
[^1samuel-4-4-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 6:2 ; Ps. 80:2 ; Ps. 99:1 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend. Psalmen 99:1 : De YHWH regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
[^1samuel-4-4-8]: Kanttekening 8: de cherubim woont: Van tussen welke God tot Mozes en anderen sprak; Ex. 25:22 ; Num. 7:89 . Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël. Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem.
[^1samuel-4-4-9]: Kanttekening 9: daar met de ark van het verbond van God: Te weten, in het leger.
[^1samuel-4-6-10]: Kanttekening 10: is de stem: Dat is, beduidt.
[^1samuel-4-8-11]: Kanttekening 11: deze heerlijke Goden: Of, van deze heerlijke God.
[^1samuel-4-8-12]: Kanttekening 12: de woestijn: Dat is, in de Schelfzee, welke ligt aan de woestijn Etham. Zie Ex. 13:20 , en Ex. 14 . Exodus 13:20 : Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde van de woestijn.
[^1samuel-4-9-b]: Verwijzing b: Richt. 13:1 . Richteren 13:1 : En de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren.
[^1samuel-4-10-13]: Kanttekening 13: zijn tenten: Dat is, in zijn huis, gelijk onder, 1 Sam. 13:2 , en 1 Kon. 12:16 , enz. 1 Samuël 13:2 : Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, een ieder naar zijn tent. 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.
[^1samuel-4-10-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, slag.
[^1samuel-4-11-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 2:34 ; Ps. 78:61 . 1 Samuël 2:34 : Dit nu zal u een teken zijn, dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op een dag zullen zij beiden sterven. Psalmen 78:61 : En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijders.
[^1samuel-4-12-15]: Kanttekening 15: zijn kleren waren gescheurd: Tot een teken van droefenis, en dat hij kwade tijding bracht. Van deze manier van doen, zie de aantekening Gen. 37:29 ; Joz. 7:6 , enz., en 2 Sam. 1:2 , 1:11 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren. Jozua 7:6 : Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder. 2 Samuël 1:11 : Toen vatte David zijn kleren en scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren.
[^1samuel-4-12-16]: Kanttekening 16: er was aarde op zijn hoofd: Zie dergelijk exempel Joz. 7:6 , en 2 Sam. 1:2 . Jozua 7:6 : Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^1samuel-4-12-d]: Verwijzing d: Joz. 7:6 . Jozua 7:6 : Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.
[^1samuel-4-13-17]: Kanttekening 17: schreeuwde de gehele stad: Dat is, de inwoners van de stad riepen en schreeuwden overluid van verdriet, toen zij hoorden dat de ark van het verbond genomen was.
[^1samuel-4-15-18]: Kanttekening 18: stonden stijf: Hebreeuws, יָכ֖וֹל, stonden.
[^1samuel-4-15-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 3:2 . 1 Samuël 3:2 : En het geschiedde op die dag, als Eli op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),
[^1samuel-4-17-19]: Kanttekening 19: Of, de boodschapper.
[^1samuel-4-18-20]: Kanttekening 20: Versta dit van de stadspoort.
[^1samuel-4-19-21]: Kanttekening 21: kromde zij zich: Te weten, van pijn en benauwdheid, die zij gevoelde.
[^1samuel-4-19-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, haar noden wendden zich over haar.
[^1samuel-4-19-23]: Kanttekening 23: Angsten, benauwdheden, nood.
[^1samuel-4-20-24]: Kanttekening 24: bij haar stonden: Of, over haar.
[^1samuel-4-20-25]: Kanttekening 25: nam het niet ter harte: Hebreeuws, לִבָּֽ, zij zette haar hart daar niet \[op\]; dat is, zij werd door zulke woorden niet bewogen; zij verkwikten haar hart niet.
[^1samuel-4-21-26]: Kanttekening 26: Dat is, waar is de heerlijkheid? Anders, er is geen eer. Alsof zij zei: Alle heerlijkheid en treffelijkheid van Israël is ons nu benomen, nu de ark ons benomen is, welke Israël grote heerlijkheid en vermaardheid toebracht. Want zij was een teken van de genadige aanwezigheid Gods onder zijn volk. Deze manier van spreken wordt ook gebruikt Ps. 26:8 , en Ps. 78:61 . Psalmen 26:8 : YHWH! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats van de tabernakel van Uw eer. Psalmen 78:61 : En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijder.
[^1samuel-4-22-27]: Kanttekening 27: eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël: Deze vrouw beklaagt zich meer en is bedroefder om de algemene schade dan om haar eigen verlies. Zie ook boven, vers 18 . 1 Samuël 4:18 : En het geschiedde, als hij van de ark van God vermeldde, zo viel hij achterwaarts van de stoel af, aan de zijde van de poort, en brak de nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren.

### 1 Samuël 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/5.json)

*De Filistijnen plaatsen de ark van God te Asdod in het huis van hun afgod Dagon, vers 1 enz. Die ervoor neervalt, 3. Dit geschiedt de volgende dag opnieuw, en zijn hoofd en handen breken van zijn lichaam af, 4. De Filistijnen worden zeer zwaar geplaagd met gezwellen in alle steden waar zij de ark brachten, 6. zodat zij onderling beraadslagen hoe zij van de ark zouden afkomen, 7. Zij zenden haar naar Ekron, 10. waarover die zeer ontsteld raken, 10. ten slotte besluiten zij haar weer naar de Israëlieten terug te zenden, 11.*

**1** De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van[^1samuel-5-1-1] Eben-Haëzer tot[^1samuel-5-1-2] Asdod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v1)

**2** En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten[^1samuel-5-2-3] ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v2)

**3** Maar als die van Asdod op de andere dag vroeg opstonden, ziet, zo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van YHWH. En zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v3)

**4** Toen zij nu op de andere dag 's morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van YHWH; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen van zijn handen afgehouwen, aan de dorpel; alleen was[^1samuel-5-4-4] Dagon daarop overgebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v4)

**5** [^1samuel-5-5-5] Daarom treden de priesters van Dagon, en allen, die in het huis van Dagon komen,[^1samuel-5-5-6] niet op de dorpel van Dagon te Asdod, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v5)

**6** Maar de[^1samuel-5-6-7] hand van YHWH was zwaar over die van Asdod, en[^1samuel-5-6-8] verwoestte hen; en Hij sloeg ze met[^1samuel-5-6-9] gezwellen,[^1samuel-5-6-a] Asdod en haar gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v6)

**7** Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat het zo toeging, zo zeiden zij: Dat de ark van de God van Israël bij ons niet blijve; want Zijn hand is hard over ons, en over Dagon, onze god. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v7)

**8** Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten van de Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen? En[^1samuel-5-8-10] die zeiden: Dat de ark van de God van Israël[^1samuel-5-8-11] rondom Gath ga. Zo droegen zij de ark van de God van Israël rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v8)

**9** En het gebeurde, nadat zij die hadden rondom gedragen, zo was de hand van YHWH tegen die stad met een zeer grote[^1samuel-5-9-12] kwelling; want Hij sloeg de mensen van die stad van de kleine tot de grote, en zij hadden[^1samuel-5-9-13] gezwellen[^1samuel-5-9-14] in de verborgen plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v9)

**10** Toen zonden zij de ark van God naar[^1samuel-5-10-15] Ekron; maar het gebeurde, als de ark van God te Ekron kwam,[^1samuel-5-10-16] zo riepen[^1samuel-5-10-17] die van Ekron, zeggende: Zij hebben de ark van de God van Israël tot mij rondom gebracht, om mij en mijn volk te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v10)

**11** En zij zonden heen, en verzamelden al de vorsten van de Filistijnen, en zeiden: Zend de ark van de God van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij[^1samuel-5-11-18] mij en mijn volk niet dode; want er was een[^1samuel-5-11-19] dodelijke kwelling in de hele stad, en de hand van God was er zeer zwaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v11)

**12** En de mensen,[^1samuel-5-12-20] die niet stierven, werden geslagen met gezwellen, zodat het geschrei van[^1samuel-5-12-21] de stad opklom naar de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/5.html#v12)

[^1samuel-5-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, 1 Sam. 4:1 . 1 Samuël 4:1 : En het woord van Samuël geschiedde aan geheel Israël. En Israël toog uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.
[^1samuel-5-1-2]: Kanttekening 2: Deze stad wordt Hand. 8:40 genoemd Azotus. Zij is geweest één van de voornaamste steden van de Filistijnen, in welke ten tijde van Jozua reuzen woonden; Joz. 11:22 . Handelingen 8:40 : Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam. Jozua 11:22 : Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de kinderen van Israël; alleen bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.
[^1samuel-5-2-3]: Kanttekening 3: in het huis van Dagon: Dat is, in de tempel van de afgod Dagon; zie Richt. 16:23 . Dit deden de Filistijnen tot een teken van victorie, die zij meenden door de hulp van deze hun god verkregen te hebben. Richteren 16:23 : Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven.
[^1samuel-5-4-4]: Kanttekening 4: Dagon daarop overgebleven: Dat is, de romp, waar het hoofd met de handen af waren.
[^1samuel-5-5-5]: Kanttekening 5: Daarom treden: Waarom traden zij niet op de dorpel? Het schijnt dat zij hem heilig hebben geacht, omdat Dagon er op gelegen had.
[^1samuel-5-5-6]: Kanttekening 6: niet op de dorpel: Dat is, op de dorpel van de tempel van Dagon; zo staat er: De sleutel Davids? dat is, van het huis van David.
[^1samuel-5-6-7]: Kanttekening 7: hand van YHWH was zwaar: Dat is, de Heer bezocht die van Asdod met zware plagen.
[^1samuel-5-6-8]: Kanttekening 8: verwoestte hen: Te weten, door de muizen, gelijk gezegd wordt 1 Sam. 6:4 . 1 Samuël 6:4 : Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten van de Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten.
[^1samuel-5-6-9]: Kanttekening 9: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een heuvel en ook het fondament, omdat dit deel van het menselijk lichaam verheven is. Dat dit deel van het lichaam van de Filistijnen is geplaagd geweest, wordt duidelijk gezegd Ps. 78:66 . Deze plaag wordt in onze taal genoemd de spenen, takken, aambeien, of vijgpuisten, waaraan de mensen grote pijn lijden. Psalmen 78:66 : En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
[^1samuel-5-6-a]: Verwijzing a: Ps. 78:66 . Psalmen 78:66 : En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
[^1samuel-5-8-10]: Kanttekening 10: die zeiden: Te weten, de vorsten van de Filistijnen.
[^1samuel-5-8-11]: Kanttekening 11: Gath ga: Dit is ook één van de voornaamste steden van de Filistijnen geweest, gelegen op een heuvel of berg, genoemd Amma, niet ver van de zee. Deze stad heeft David ingenomen, 2 Sam. 8:1 , vergelijk met 1 Kron. 18:1 ; zie breder van deze stad 2 Kon. 12:17 ; 2 Kron. 11:8 , en 2 Kron. 26:6 . 2 Samuël 8:1 : En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. 1 Kronieken 18:1 : Het geschiedde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit de hand van de Filistijnen. 2 Koningen 12:17 : Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken. 2 Kronieken 11:8 : En Gath, en Maresa, en Zif, 2 Kronieken 26:6 : Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak de muur van Gath, en de muur van Jabne, en de muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.
[^1samuel-5-9-12]: Kanttekening 12: Of, verstoring.
[^1samuel-5-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, de gezwellen waren niet uitwendig maar inwendig in de endeldarm, zo dat men daar niet bij kon komen om ze te doen bloeden als ze zwoeren, dat de pijnlijkste soort van spenen of vijgwratten is.
[^1samuel-5-9-14]: Kanttekening 14: in de verborgen plaatsen: Hebreeuws, עפלים, waren hun verborgen.
[^1samuel-5-10-15]: Kanttekening 15: Dit is ook één van de voornaamste steden van de Filistijnen geweest, en is de stam van Juda ten erfdeel gevallen, Joz. 15:45 ; Richt. 1:18 . Zie van deze stad breder Joz. 13:3 ; 2 Kon. 1:2 ; Jer. 25:20 ; Amos 1:8 ; Zef. 2:4 , en Zach. 9:5 , 9:7 . Jozua 15:45 : Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen. Richteren 1:18 : Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 2 Koningen 1:2 : En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte genezen zal. Jeremia 25:20 : En de gehele gemengde hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van het land van de Filistijnen, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod; Amos 1:8 : En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt de Heer YHWH. Zefanja 2:4 : Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden. Zacharia 9:5 : Askelon zal het zien, en zal vrezen; evenzo Gaza, en zal grote smart hebben, en ook Ekron, omdat wat, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden. Zacharia 9:7 : En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; zo zal hij ook onze God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
[^1samuel-5-10-16]: Kanttekening 16: zo riepen: De Ekronieten, gehoord en gezien hebbende de zware plagen, waarmee God de Heer hun naburen, vanwege de ark, geplaagd had, waren verschrikt toen zij hoorden dat men de ark tot hen brengen wilde.
[^1samuel-5-10-17]: Kanttekening 17: die van Ekron: Te weten, de oversten van de stad, want er volgt: om mij en mijn volk te doden.
[^1samuel-5-11-18]: Kanttekening 18: mij en mijn volk niet dode: Aldus sprak een ieder onder de vorsten van de Filistijnen.
[^1samuel-5-11-19]: Kanttekening 19: dodelijke kwelling: Enige menen dat, behalve de spenen, onder de Filistijnen nog een andere dodelijke ziekte geregeerd heeft. Zie vers 12 . 1 Samuël 5:12 : En de mensen, die niet stierven, werden geslagen met spenen, zodat het geschrei van de stad opklom naar de hemel.
[^1samuel-5-12-20]: Kanttekening 20: die niet stierven: Te weten, van de dodelijke kwelling, waarvan straks gesproken is, vers 11 . 1 Samuël 5:11 : En zij zonden heen, en vergaderden al de vorsten van de Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark van de God van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de gehele stad, en de hand van God was er zeer zwaar.
[^1samuel-5-12-21]: Kanttekening 21: stad opklom naar de hemel: Dat is, van de inwoners van de stad.

### 1 Samuël 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/6.json)

*Nadat de ark zeven maanden bij de Filistijnen geweest was, vers 1 enz. overleggen zij met hun priesters hoe zij haar zullen terugzenden, 2. die raden aan dat men haar niet ledig, maar met een geschenk zou terugzenden, 3. namelijk met vijf gouden gezwellen en muizen, 4. op een nieuwe wagen, 7. zo deden de Filistijnen, 10. De koeien die voor de wagen gespannen waren, gingen rechtstreeks naar Beth-Semes, 12. Waar de Levieten daarom offer brengen, 14. Welke vorsten en steden gouden gezwellen en muizen geofferd hebben, 17. De inwoners van Beth-Semes worden zwaar door de HEERE geslagen, omdat zij uit nieuwsgierigheid in de ark keken, 19. Zij verzoeken de inwoners van Kirjath-Jearim de ark vandaar in hun stad te halen, 20.*

**1** Als nu de ark van YHWH zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v1)

**2** Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark van YHWH doen? Laat ons weten,[^1samuel-6-2-1] waarmee wij ze aan[^1samuel-6-2-2] haar plaats zenden zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v2)

**3** Zij dan zeiden: Als u de ark van de God van Israël wegzendt, zendt haar niet[^1samuel-6-3-3] leeg weg, maar[^1samuel-6-3-4] vergeldt[^1samuel-6-3-5] Hem geheel een schuldoffer; dan zult u genezen worden, en u zal bekend worden, waarom Zijn[^1samuel-6-3-6] hand van u niet afwijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v3)

**4** Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden gezwellen, en[^1samuel-6-4-7] vijf gouden muizen, naar het getal[^1samuel-6-4-8] van de vorsten van de Filistijnen; want[^1samuel-6-4-9] het is dezelfde plaag[^1samuel-6-4-10] over u allen, en over uw vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v4)

**5** Zo maakt dan beelden van uw gezwellen, en beelden[^1samuel-6-5-11] van uw muizen, die het land verderven, en[^1samuel-6-5-12] geeft de God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over u, en van over uw[^1samuel-6-5-13] god, en van over uw land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v5)

**6** Waarom toch zou u uw hart verzwaren, zoals de[^1samuel-6-6-14] Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet,[^1samuel-6-6-15] toen Hij[^1samuel-6-6-a] wonderlijk met[^1samuel-6-6-16] hen gehandeld had,[^1samuel-6-6-17] hen laten trekken, dat zij[^1samuel-6-6-18] heengingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v6)

**7** Nu dan,[^1samuel-6-7-19] neemt en maakt een[^1samuel-6-7-20] nieuwe wagen, en twee zogende koeien, op die geen juk gekomen is; span de koeien aan de wagen, en brengt[^1samuel-6-7-21] haar kalveren van achter haar[^1samuel-6-7-22] weer naar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v7)

**8** Neem dan de ark van YHWH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden[^1samuel-6-8-23] kleinoden, die u[^1samuel-6-8-24] Hem als schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v8)

**9** Zie dan toe, als zij de weg van haar gebied opgaat naar Beth-semes, zo[^1samuel-6-9-25] heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een[^1samuel-6-9-26] toeval geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v9)

**10** En die mensen deden zo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan de wagen, en haar[^1samuel-6-10-27] kalveren sloten zij in huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v10)

**11** En zij zetten de ark van YHWH op de wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden van hun[^1samuel-6-11-28] gezwellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v11)

**12** De koeien nu gingen recht in die weg, op de weg naar[^1samuel-6-12-29] Beth-semes op een straat;[^1samuel-6-12-30] zij gingen steeds voort,[^1samuel-6-12-31] al loeiende, en[^1samuel-6-12-32] weken noch ter rechterhand noch ter linkerhand; en de vorsten van de Filistijnen gingen daarachter tot aan de grens van Beth-semes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v12)

**13** En die van Beth-semes[^1samuel-6-13-33] maaiden de tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v13)

**14** En de wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en[^1samuel-6-14-34] zij kloofden het hout van de wagen, en offerden de koeien aan YHWH als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v14)

**15** En de Levieten namen de ark van YHWH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes[^1samuel-6-15-35] offerden brandoffers, en slachtten slachtoffers voor YHWH, op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v15)

**16** En als de vijf vorsten van de Filistijnen dat gezien hadden, zo keerden zij weer op die dag naar Ekron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v16)

**17** Dit nu zijn de gouden gezwellen, die de Filistijnen aan YHWH als schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod één voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gath één, voor Ekron één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v17)

**18** Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden van de Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de versterkte steden af tot aan de landvlekken; en tot aan[^1samuel-6-18-36] Abel, de grote steen, waarop zij de ark van YHWH neergesteld hadden,[^1samuel-6-18-37] die tot op deze dag is op de akker van Jozua, de Beth-semiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v18)

**19** En de Heere sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij[^1samuel-6-19-38] in de ark van YHWH gezien hadden; ja, Hij sloeg[^1samuel-6-19-39] van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat YHWH een grote slag onder het volk geslagen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v19)

**20** Toen zeiden de mensen van Beth-semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht[^1samuel-6-20-40] van YHWH, deze heilige God? En tot wie van ons zal Hij optrekken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v20)

**21** Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van YHWH teruggebracht; kom af, haalt ze omhoog tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/6.html#v21)

[^1samuel-6-2-1]: Kanttekening 1: Anders, hoe.
[^1samuel-6-2-2]: Kanttekening 2: haar plaats: Te weten, in het land van Israël.
[^1samuel-6-3-3]: Kanttekening 3: niet leeg weg: Dat is, niet zonder enig geschenk, of verering.
[^1samuel-6-3-4]: Kanttekening 4: vergeldt … ganselijk: Hebreeuws, vergeldende vergeldt.
[^1samuel-6-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, de God van Israël.
[^1samuel-6-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, de plaag of straf, die alleen van de macht en regering Gods komt.
[^1samuel-6-4-7]: Kanttekening 7: Van de muizen is tevoren niet gesproken.
[^1samuel-6-4-8]: Kanttekening 8: vorsten van de Filistijnen: Zie van deze vijf vorsten, vers 17 . 1 Samuël 6:17 : Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan YHWH ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod een voor Gaza een, voor Askelon een, voor Gath een, voor Ekron een.
[^1samuel-6-4-9]: Kanttekening 9: enerlei plaag: Zij willen zeggen: de vorsten, oversten en het gemene volk te Ekron zijn van God met een en dezelfde plaag geplaagd.
[^1samuel-6-4-10]: Kanttekening 10: over u allen: Hebreeuws, אַחַ֛ת, over hen allen; zie boven, 1 Sam. 5:11 . 1 Samuël 5:11 : En zij zonden heen, en vergaderden al de vorsten van de Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark van de God van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de gehele stad, en de hand van God was er zeer zwaar.
[^1samuel-6-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, van de muizen, die u geplaagd en gepijnigd hebben. Gelijk de spenen het lichaam van de Filistijnen geplaagd hebben, zo hebben de muizen hun schade gedaan aan hun bezaaid land, met het zaad te knagen en te eten.
[^1samuel-6-5-12]: Kanttekening 12: geeft de God van Israël de eer: Mits bekennende, dat u met recht van Hem gestraft bent over uw vergrijpingen aan de Ark van de Heer. Zo spreekt ook Jozua tot Achan, Joz. 7:19 . Jozua 7:19 : Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
[^1samuel-6-5-13]: Kanttekening 13: uw land: Te weten, Dagon.
[^1samuel-6-6-14]: Kanttekening 14: Egyptenaars en Farao: Deze manier van spreken, te weten, dat enig ding in het algemeen gezegd wordt, en daarna het een of ander in het bijzonder, wordt meermalen in de Heilige Schrift gebruikt, gelijk Joz. 2:1 ; 1 Kon. 11:1 ; 2 Sam. 2:1 ; Ps. 18:1 , en Mark. 16:7 . Jozua 2:1 : Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar. 1 Koningen 11:1 : En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat naast de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische; 2 Samuël 2:1 : En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. Psalmen 18:1 : Voor de opperzangmeester, een psalm van David, de knecht van YHWH, die de woorden van dit lied tot YHWH gesproken heeft, op de dag als hem YHWH gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. Marcus 16:7 : Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.
[^1samuel-6-6-15]: Kanttekening 15: Hij … met hen gehandeld had: Anders, toen Hij met hen doende was, of, toen Hij zich oefende aan hen, of, nadat Hij hen bespot had.
[^1samuel-6-6-a]: Verwijzing a: Ex. 12:31 . Exodus 12:31 : Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient YHWH, gelijk u gesproken hebt.
[^1samuel-6-6-16]: Kanttekening 16: Te weten, de Egyptenaars.
[^1samuel-6-6-17]: Kanttekening 17: Te weten, de Israëlieten.
[^1samuel-6-6-18]: Kanttekening 18: Te weten uit Egypte.
[^1samuel-6-7-19]: Kanttekening 19: neemt en maakt: Anders, maakt en neemt een nieuwen wagen.
[^1samuel-6-7-20]: Kanttekening 20: De heidense priesters hebben geacht dat het onbetamelijk was, dat men de ark van de Heer zou zetten en voeren op een wagen, die tevoren tot boerenwerk of tot anderen arbeid was gebruikt geweest; zie iets dergelijks 2 Sam. 6:3 . 2 Samuël 6:3 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.
[^1samuel-6-7-21]: Kanttekening 21: haar kalveren: Hebreeuws, עֲגָלָ֔ה, haar zonen, of kinderen; zo ook vers 10 . 1 Samuël 6:10 : En die mensen deden zo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan de wagen, en haar kalveren sloten zij in huis.
[^1samuel-6-7-22]: Kanttekening 22: Dit vermeerdert het wonderwerk, dat de koeien niet teruggekeerd zijn naar haar zuigelingen.
[^1samuel-6-8-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, vaten, gereedschap; te weten, de gouden spenen en muizen.
[^1samuel-6-8-24]: Kanttekening 24: Te weten de God van Israël.
[^1samuel-6-9-25]: Kanttekening 25: Dat is, zo zullen wij daaruit bekennen dat de God van Israël ons deze plaag heeft toegezonden.
[^1samuel-6-9-26]: Kanttekening 26: Dat is, iets waarvan men de natuurlijke of de regerende oorzaak niet weten kan.
[^1samuel-6-10-27]: Kanttekening 27: haar kalveren: Hebreeuws, בְּנֵי, haar kinderen, of zonen.
[^1samuel-6-11-28]: Kanttekening 28: Of, aarzen.
[^1samuel-6-12-29]: Kanttekening 29: Zie van deze stad Joz. 15:10 in de aantekeningen, en Joz. 21:16 . Jozua 15:10 : Daarna zal deze landpale zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan. Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
[^1samuel-6-12-30]: Kanttekening 30: zij gingen steeds voort: Hebreeuws, הָלֹךְ֙, zij gingen gaande.
[^1samuel-6-12-31]: Kanttekening 31: al loeiende: Te weten, omdat zij van haar kalveren afgetrokken waren, want ook de beesten hebben hun jongen lief.
[^1samuel-6-12-32]: Kanttekening 32: noch ter rechter hand noch ter linkerhand: Hieruit is af te nemen dat er verscheidene straten of bijwegen geweest zijn; maar deze koeien zijn, door de regering Gods, de rechte weg naar Beth-Semes ingegaan.
[^1samuel-6-13-33]: Kanttekening 33: maaiden de tarweoogst: Dit placht in het Joodse land te gebeuren omtrent pinksteren, Lev. 23 , dat is, in de maand Mei, of kort daarna. Daarom is de ark van de Filistijnen genomen omtrent het begin van November, want zij is zeven maanden in hun land geweest, vers 1 . 1 Samuël 6:1 : Als nu de ark van YHWH zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was,
[^1samuel-6-14-34]: Kanttekening 34: zij kloofden het hout van de wagen: Te weten, de Levietische priesters, die te Beth-Semes woonden, gelijk blijkt vers 15 . Want deze stad was de Levieten tot een woning gegeven. Zie Joz. 21:16 . Het ambt van deze was de ark aan te tasten en te dragen; Num. 4:5 , enz. 1 Samuël 6:15 : En de Levieten namen de ark van YHWH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes offerden brandofferen, en slachtten slachtofferen voor YHWH, op dezelfde dag. Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmede de ark van het getuigenis bedekken.
[^1samuel-6-15-35]: Kanttekening 35: offerden brandofferen: Dat is, zij behandigden de priesters beesten ten brandoffer, enz.
[^1samuel-6-18-36]: Kanttekening 36: Abel, de grote steen : Dat is, klacht. Zie van deze steen boven, vers 14 , 6:15 . Waarom hij zo genaamd wordt, zie vers 19 . Vergelijk Gen. 50:11 . 1 Samuël 6:14 : En de wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van de wagen, en offerden de koeien YHWH ten brandoffer. 1 Samuël 6:15 : En de Levieten namen de ark van YHWH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes offerden brandofferen, en slachtten slachtofferen voor YHWH, op dezelfde dag. 1 Samuël 6:19 : En de Heer sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij in de ark van YHWH gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat YHWH een grote slag onder het volk geslagen had. Genesis 50:11 : Als de inwoners van het land, de Kanaänieten, die rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.
[^1samuel-6-18-37]: Kanttekening 37: die tot op deze dag is: Enige verstaan hier de ark, maar anderen de steen, dat gelooflijker is.
[^1samuel-6-19-38]: Kanttekening 38: in de ark van YHWH gezien hadden: Tegen het bevel Gods, Num. 4:5 , 4:20 . Het schijnt wel dat de Beth-Semieten al te nieuwsgierig geweest zijn om te zien of de Filistijnen iets uit de ark genomen of erbij gedaan hadden, en het schijnt dat er enige stoute verachting mee vermengd is geweest. Numeri 4:5 : In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en de voorhang van het deksel afnemen, en zullen daarmede de ark van het getuigenis bedekken. Numeri 4:20 : Maar zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.
[^1samuel-6-19-39]: Kanttekening 39: van het volk: Te weten, van de andere Israëlieten, die daar lagen om de wacht te houden, opdat hun gebied niet beschadigd werd; ook van die, welke daar van alle stammen gekomen waren om de ark te zien, op de tijding dat die weer tehuis gekomen was.
[^1samuel-6-20-40]: Kanttekening 40: van YHWH: Dat is, voor YHWH, die boven de ark zich openbaarde.

### 1 Samuël 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/7.json)

*De ark wordt gebracht en geplaatst te Kirjath-Jearim, vers 1 enz. Samuel vermaant het volk tot bekering en het wegdoen van de afgoden, 3. De Israëlieten gehoorzamen hem, 4. vast- en biddag, 6. De Filistijnen menen de Israëlieten te overvallen: de Israëlieten zijn bevreesd, 7. Samuel offert en bidt de HEERE voor Israël, hij en het volk worden verhoord, 9. De HEERE verschrikt de Filistijnen met donder, en zij worden verslagen, 10. Samuel richt een gedenksteen op te Mizpa, ter gedachtenis van die overwinning, 12. De hand van de HEERE was tegen de Filistijnen zolang Samuel leefde, 13. De Israëlieten krijgen de steden terug die de Filistijnen hun afgenomen hadden, 14. Samuel doorkruist en bezoekt alle steden van het land, 16. en keert terug naar Rama, 17.*

**1** Toen kwamen de mannen van[^1samuel-7-1-1] Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op,[^1samuel-7-1-a] en zij brachten ze in het huis van[^1samuel-7-1-2] Abinadab, op de heuvel; en zij[^1samuel-7-1-3] heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v1)

**2** En het gebeurde, van die dag af, dat de ark van de Heere te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het hele huis[^1samuel-7-2-4] van Israël klaagde YHWH achterna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v2)

**3** Toen sprak Samuël tot het hele huis van Israël, zeggende: Als u zich met uw hele hart tot YHWH bekeert, zo doet[^1samuel-7-3-5] de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de[^1samuel-7-3-6] Astharoths; en[^1samuel-7-3-b] richt uw hart tot YHWH, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v3)

**4** De Israëlieten nu deden de[^1samuel-7-4-7] Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden YHWH alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v4)

**5** Verder zei Samuël: Verzamelt het hele Israël naar[^1samuel-7-5-8] Mizpa, en ik zal YHWH voor u bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v5)

**6** En zij werden verzameld te Mizpa, en zij schepten water, en[^1samuel-7-6-9] goten het uit voor het aangezicht van YHWH; en zij vastten op die dag, en zeiden daar: Wij hebben tegen YHWH gezondigd. Zo[^1samuel-7-6-10] richtte Samuël de Israëlieten te Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v6)

**7** Toen de Filistijnen hoorden, dat de Israëlieten zich verzameld hadden te Mizpa,[^1samuel-7-7-11] zo kwamen de oversten van de Filistijnen op tegen Israël. Als de Israëlieten dat hoorden, zo vreesden zij[^1samuel-7-7-12] voor het aangezicht van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v7)

**8** En de Israëlieten zeiden tot Samuël:[^1samuel-7-8-13] Zwijg niet van onzentwege, dat u niet zou roepen tot YHWH, onze God, opdat Hij ons verlosse uit de hand van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v8)

**9** Toen nam Samuël een[^1samuel-7-9-14] melklam, en[^1samuel-7-9-15] hij offerde het geheel aan YHWH als brandoffer; en Samuël riep tot YHWH voor Israël; en YHWH[^1samuel-7-9-16] verhoorde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v9)

**10** En het gebeurde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote[^1samuel-7-10-17] donder over de Filistijnen, en[^1samuel-7-10-c] Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v10)

**11** En de mannen van Israël trokken uit van Mizpa, en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Beth-kar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v11)

**12** Samuël nu nam een steen, en stelde die tussen Mizpa en tussen[^1samuel-7-12-18] Sen, en hij noemde diens naam[^1samuel-7-12-19][^1samuel-7-12-d] Eben-Haëzer; en hij zei: Tot hiertoe heeft YHWH ons geholpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v12)

**13** Zo werden de Filistijnen vernederd, en[^1samuel-7-13-20] kwamen[^1samuel-7-13-21] niet meer[^1samuel-7-13-22] in het gebied van Israël; want de hand van YHWH was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v13)

**14** En de steden, die de Filistijnen van Israël genomen hadden kwamen weer aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël de grens daarvan uit de hand van de Filistijnen; en[^1samuel-7-14-23] er was vrede tussen Israël en tussen[^1samuel-7-14-24] de Amorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v14)

**15** Samuël nu[^1samuel-7-15-25] richtte Israël[^1samuel-7-15-26] al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v15)

**16** En hij trok van jaar tot jaar, en ging rondom naar[^1samuel-7-16-27] Beth-el, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte Israël in al die plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v16)

**17** Maar hij[^1samuel-7-17-28] keerde weer naar[^1samuel-7-17-29] Rama; want[^1samuel-7-17-e] daar was zijn huis, en[^1samuel-7-17-30] daar richtte hij Israël; en hij bouwde daar YHWH een altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/7.html#v17)

[^1samuel-7-1-1]: Kanttekening 1: Zie van deze stad de aantekeningen op Richt. 18:12 . Richteren 18:12 : En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim.
[^1samuel-7-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 6:4 . 2 Samuël 6:4 : Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel is, met de ark van God, wegvoerden, zo ging Ahio voor de ark heen.
[^1samuel-7-1-2]: Kanttekening 2: op de heuvel: Anders, te Gibeä.
[^1samuel-7-1-3]: Kanttekening 3: heiligden zijn zoon Eleazar: Dat is, wijdden, of verordineerden hem tot een heiligen dienst.
[^1samuel-7-2-4]: Kanttekening 4: klaagde YHWH achterna: Anders, zuchtten tot de Heer; te weten, toen zij door de Filistijnen hard verdrukt werden. Zie onder, vers 3 . 1 Samuël 7:3 : Toen sprak Samuël tot het gehele huis van Israël, zeggende: Als u u met uw gehele hart tot YHWH bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot YHWH, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken.
[^1samuel-7-3-5]: Kanttekening 5: de vreemde goden uit het midden: Hebreeuws, אֱלֹהֵ֧י, de goden van de vreemden. Hij verstaat de afgoden van de vreemde of uitlandse volken, die rondom hen lagen.
[^1samuel-7-3-6]: Kanttekening 6: Zie Richt. 2:13 . Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^1samuel-7-3-b]: Verwijzing b: Deut. 6:13 ; Deut. 10:20 ; Matt. 4:10 ; Lukas 4:8 . Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. Deuteronomium 10:20 : De YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. Lukas 4:8 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: U zult de Heer, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
[^1samuel-7-4-7]: Kanttekening 7: Baäls en de Astharoths weg: Zie Richt. 2:11 . Baäl is een mannelijke naam; maar Astaroth is een vrouwelijke naam; zodat hier gesproken wordt van de afgoden en afgodinnen van de heidenen. Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^1samuel-7-5-8]: Kanttekening 8: Hier plachten de Israëlieten hun landsvergadering te houden; zie Richt. 20:1 . Samuël heeft goedgevonden het volk hier bijeen te roepen, opdat hij voor hen, en zij tegelijk met hem, de Heer zouden bidden. Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^1samuel-7-6-9]: Kanttekening 9: goten het uit: Tot een teken dat zij hun harten, \[van zonden gewassen en gereinigd zijnde\] uitgoten voor de Heer. Zie dergelijk 1 Sam. 1:15 . De zin is: zij riepen de Heer van harte aan om verlossing. Daartoe was ook hun vasten behorende. 1 Samuël 1:15 : Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterken drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van YHWH.
[^1samuel-7-6-10]: Kanttekening 10: richtte Samuël: Dat is, hij regeerde hen, en hij bracht hen door zijn goede vermaning tot bekering. Zie de aantekeningen op Richt. 2:16 . Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
[^1samuel-7-7-11]: Kanttekening 11: zo kwamen de oversten van de Filistijnen: Te weten, met heirkracht, gelijk blijkt vers 10 . 1 Samuël 7:10 : En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.
[^1samuel-7-7-12]: Kanttekening 12: voor het aangezicht van de Filistijnen: Dat is, van de komst. Zie de aantekeningen op Gen. 36:6 . Genesis 36:6 : Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob.
[^1samuel-7-8-13]: Kanttekening 13: Zwijg niet van onzentwege: Of, laat niet af, en houd u niet stil van ons, van te roepen, enz. Zie de aantekeningen Job 13:13 . Job 13:13 : Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
[^1samuel-7-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, een jong lam, dat nog de melk van zijn moeder zoog.
[^1samuel-7-9-15]: Kanttekening 15: hij offerde: Hij zelf, of door een priester.
[^1samuel-7-9-16]: Kanttekening 16: verhoorde hem: Of, antwoordde hem.
[^1samuel-7-10-17]: Kanttekening 17: donder over de Filistijnen: Hebreeuws, יּ֨וֹם, stem.
[^1samuel-7-10-c]: Verwijzing c: Joz. 10:10 . Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
[^1samuel-7-12-18]: Kanttekening 18: Dat is, de tand, en door gelijkenis, een rots, die als een tand scherp uitsteekt, gelijk 1 Sam. 14:4 , 14:5 . 1 Samuël 14:4 : Er was nu tussen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot de bezetting van de Filistijnen, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan de andere zijde; en de naam van de ene was Bozes, en de naam van de andere Sene. 1 Samuël 14:5 : De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
[^1samuel-7-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, helpsteen, of steen van de hulp.
[^1samuel-7-12-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 4:1 . 1 Samuël 4:1 : En het woord van Samuël geschiedde aan geheel Israël. En Israël toog uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.
[^1samuel-7-13-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, zij voeren niet meer voort te komen; te weten, met heirlegers, om Israël enige steden af te nemen; maar zij hadden en hielden nog hun garnizoenen en soldaten op de grenzen, om die te bewaren, gelijk te zien is 1 Sam. 10:5 . Of, niet meer, betekent hier in langen tijd niet weer. Of, niet meer, voor niet telkens, gelijk Gen. 32:28 ; 2 Kon. 6:23 , 6:24 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar de bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren. Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 2 Koningen 6:23 : En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden van de Syriërs niet meer in het land van Israël. 2 Koningen 6:24 : En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn gehele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde.
[^1samuel-7-13-21]: Kanttekening 21: niet meer: Anders, niet weer.
[^1samuel-7-13-22]: Kanttekening 22: in het gebied van Israël: Dat is, in het land van de Israëlieten.
[^1samuel-7-14-23]: Kanttekening 23: er was vrede: Dat is, zij voerden geen openbaren krijg tegen elkaar.
[^1samuel-7-14-24]: Kanttekening 24: de Amorieten: Versta, onder de naam van de Amorieten ook andere volken van het land Kanaän, of van de Filistijnen.
[^1samuel-7-15-25]: Kanttekening 25: richtte Israël: Zie boven, vers 6 . 1 Samuël 7:6 : En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht van YHWH; en zij vastten op die dag, en zeiden daar: Wij hebben tegen YHWH gezondigd. Zo richtte Samuël de kinderen van Israël te Mizpa.
[^1samuel-7-15-26]: Kanttekening 26: al de dagen zijns levens: Te weten, van die dag af toen hij richter geworden is tot zijn dood toe, want ofschoon Saul als koning geregeerd heeft, zo is evenwel Samuël mee in de regering gebleven, en hebben zij tezamen geregeerd veertig jaren, Hand. 13:21 . Handelingen 13:21 : En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren.
[^1samuel-7-16-27]: Kanttekening 27: Beth-El, en Gilgal, en Mizpa: Dit kan verstaan worden van de stad Bethel, of van het huis van God, \[want dat betekent Bethel \] en zo zou hier verstaan worden Kiriath-Jearim, waar toen ten tijde de ark van het verbond was.
[^1samuel-7-17-28]: Kanttekening 28: keerde weer: Hebreeuws, רָמָ֨תָ, en zijn wederkomst was naar Rama.
[^1samuel-7-17-29]: Kanttekening 29: Deze stad wordt 1 Sam. 1:1 genoemd Ramathaïm; zie de aantekeningen daar. 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^1samuel-7-17-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 8:4 . 1 Samuël 8:4 : Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama;
[^1samuel-7-17-30]: Kanttekening 30: daar richtte hij Israël: Dat is, hij had daar zijn ordinaire woning; toen hij het land omgegaan of doorwandeld had, zo is hij weer daar gekomen.

### 1 Samuël 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/8.json)

*Samuel stelt zijn zonen aan tot rechters over Israël, vers 1 enz. hun namen, 2. Zij zijn niet oprecht in de uitoefening van hun ambt, 3. Daarom begeert het volk een koning, 4. Dit mishaagt Samuel; hij draagt het de HEERE voor, 6. Het mishaagt ook de HEERE, doch Hij beveelt dat hij naar het volk zal luisteren, 7. En dat hij hun het harde bestuur van de koningen zal voorhouden, 9. wat Samuel doet, 10, 11 enz. Doch het volk blijft vasthouden aan zijn vorige begeerte, 19. God beveelt Samuel dat men het volk zijn begeerte inwilligt, 22.*

**1** Het gebeurde nu, toen Samuël oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot[^1samuel-8-1-1] richters over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v1)

**2** De naam van zijn eerstgeboren zoon nu was[^1samuel-8-2-2] Joël, en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters te[^1samuel-8-2-3] Ber-seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v2)

**3** Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich[^1samuel-8-3-4] tot[^1samuel-8-3-a] de gierigheid, en namen geschenken, en[^1samuel-8-3-5] bogen het recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v3)

**4** Toen verzamelden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v4)

**5** En zij zeiden tot hem: Zie,[^1samuel-8-5-6] u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen;[^1samuel-8-5-b] zo zet nu een koning over ons, om ons[^1samuel-8-5-7] te richten, zoals[^1samuel-8-5-8] al de volken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v5)

**6** Maar[^1samuel-8-6-9][^1samuel-8-6-c] dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuël[^1samuel-8-6-10] bad YHWH aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v6)

**7** Maar YHWH zei tot Samuël:[^1samuel-8-7-11] Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben[^1samuel-8-7-12] u niet verworpen, maar zij hebben[^1samuel-8-7-13] Mij verworpen,[^1samuel-8-7-14] dat Ik geen Koning over hen zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v7)

**8** Naar de werken, die zij gedaan hebben, van die dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; zo doen zij u ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v8)

**9** Hoor dan nu naar hun stem; maar als u hen op het[^1samuel-8-9-15] hoogste zult betuigd hebben, zo zult u hen te kennen geven[^1samuel-8-9-16] de wijze van de koning, die over hen regeren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v9)

**10** Samuël nu zei al de woorden van YHWH het volk aan, dat een koning van hem begeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v10)

**11** En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen[^1samuel-8-11-17] nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v11)

**12** En dat hij hen zich stelle tot oversten van de duizenden, en tot oversten van de vijftigen; en dat zij zijn[^1samuel-8-12-18] akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, en ook zijn wapentuig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v12)

**13** En uw dochters zal hij nemen tot apothekeressen, en tot[^1samuel-8-13-19] keukenmaagden, en tot baksters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v13)

**14** En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan[^1samuel-8-14-20] zijn knechten geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v14)

**15** En[^1samuel-8-15-21] uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan[^1samuel-8-15-22] zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v15)

**16** En hij zal uw knechten, en uw dienaressen, en uw beste jongemannen, en uw ezels nemen, en hij zal zijn werk daarmee doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v16)

**17** Hij zal uw kudden vertienen; en u zult hem tot knechten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v17)

**18** U zult wel op die dag roepen, vanwege uw koning, die u zich zult gekozen hebben, maar YHWH zal u op die dag niet verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v18)

**19** Maar het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: [^1samuel-8-19-23] Nee, maar er zal een koning over ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v19)

**20** En wij zullen ook zijn zoals al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v20)

**21** Als Samuël al de woorden van het volk gehoord had, zo sprak hij die voor de oren van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v21)

**22** YHWH nu zei tot Samuël: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zei Samuël tot de mannen van Israël:[^1samuel-8-22-24] Ga heen, ieder naar zijn stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/8.html#v22)

[^1samuel-8-1-1]: Kanttekening 1: richters over Israël: Versta dit zo, dat hij nochtans zelf overrichter gebleven is, gelijk het vervolg uitwijst.
[^1samuel-8-2-2]: Kanttekening 2: Anders, Vaschni, 1 Kron. 6:28 , wiens zoon een zangmeester geweest is, met name Heman, 1 Kron. 6:33 . 1 Kronieken 6:28 : De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia. 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,
[^1samuel-8-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, hebbende te Ber-Seba hun woonplaats, en daar het richterambt uitoefenende.
[^1samuel-8-3-4]: Kanttekening 4: tot de gierigheid: Hebreeuws, יִּ֨קְחוּ, achter, of, na.
[^1samuel-8-3-a]: Verwijzing a: Ex. 18:21 ; Deut. 16:19 . Exodus 18:21 : Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen. Deuteronomium 16:19 : U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen.
[^1samuel-8-3-5]: Kanttekening 5: bogen het recht: Anders, verkeerden.
[^1samuel-8-5-6]: Kanttekening 6: u bent oud geworden: En daarom kunt u de landen en steden niet meer doorreizen, gelijk u tot nog toe gedaan hebt.
[^1samuel-8-5-b]: Verwijzing b: Hosea 13:10 ; Hand. 13:21 . Hosea 13:10 : Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten? Handelingen 13:21 : En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren.
[^1samuel-8-5-7]: Kanttekening 7: te richten: Dat is, te regeren, te weten, met koninklijke autoriteit.
[^1samuel-8-5-8]: Kanttekening 8: al de volken hebben : Dat is, meest allen, want er waren ook enige onder de heidense natiën, die geen koningen, maar vorsten hadden.
[^1samuel-8-6-9]: Kanttekening 9: dit woord was kwaad: Want het kwam God alleen toe zulk een vorm van regering over zijn volk te stellen, gelijk het hem beliefde. Maar het betaamde het volk niet dit te doen uit hoogmoed of eergierigheid, of misvertrouwen, of andere inzichten, zonder de Heer raad te vragen; zie vers 7 . 1 Samuël 8:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.
[^1samuel-8-6-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 12:17 . 1 Samuël 12:17 : Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot YHWH roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat u voor de ogen van YHWH gedaan hebt, dat u een koning voor u begeerd hebt.
[^1samuel-8-6-10]: Kanttekening 10: bad YHWH aan: Om te weten hoe hij zich in deze zaak gedragen zou, en of hij de begeerte van het volk zou inwilligen of niet.
[^1samuel-8-7-11]: Kanttekening 11: Hoor naar de stem van het volk: Dit heeft de Heer in toorn gezegd, gelijk Hosea betuigt, Hos. 13:11 . Hosea 13:11 : Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn toorn.
[^1samuel-8-7-12]: Kanttekening 12: u niet verworpen: Dat is, u niet alleen; want zij hebben Samuël ook verworpen, gelijk ook te zien is vers 8 . Zie gelijke manier van spreken Gen. 32:28 . 1 Samuël 8:8 : Naar de werken, die zij gedaan hebben, van die dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; zo doen zij u ook. Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd.
[^1samuel-8-7-13]: Kanttekening 13: Mij verworpen: Eensdeels, omdat zij mij niet langer voor hun enige koning hebben willen kennen, maar een anderen onder of naast mij hebben. Zie onder, 1 Sam. 12:12 , 12:19 . Anderdeels, omdat zij dat aan mijn goddelijke voorzienigheid niet hebben aanbevolen, welke vorm van regering hen best diende. 1 Samuël 12:12 : Als u nu zag, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zei u tot mij: Nee, maar een koning zal over ons regeren; zo toch YHWH, uw God, uw Koning was. 1 Samuël 12:19 : En al het volk zei tot Samuël: Bid voor uw knechten YHWH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben.
[^1samuel-8-7-14]: Kanttekening 14: dat Ik geen Koning over hen zal zijn: Hebreeuws, מְּלֹ֥ךְ, van over hen te regeren.
[^1samuel-8-9-15]: Kanttekening 15: hoogste zult betuigd hebben: Hebreeuws, הִגַּדְתָּ֣, betuigende zelf betuigd hebben.
[^1samuel-8-9-16]: Kanttekening 16: wijze van de koning: Of, manier, gelijk boven, 1 Sam. 2:13 , onder, 1 Sam. 27:11 ; 2 Kon. 17:33 , 17:34 , 17:40 , enz., dat is, hoe de koning, die over hen regeren zal, hen zal behandelen, of, hoe de koningen gemeenlijk met hun onderzaten omgaan. Het woord Mischphat beduidt hier geen recht; want als de koningen dit alles, wat hier volgt, mochten doen, zo heeft Achab niet gezondigd toen hij Naboth zijn land ontweldigde. Merk op dit ook op vers 11 , God geeft de koningen een ander recht dan hier verhaald wordt, Deut. 17:15 . Samuël heeft daarna het ware recht van de koning verhaald en beschreven, 1 Sam. 10:25 . 1 Samuël 2:13 : Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, de jongen van de priester kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand; 1 Samuël 27:11 : En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Zo heeft David gedaan! En zo was zijn wijze al de dagen, die hij in het land van de Filistijnen gewoond heeft. 2 Koningen 17:33 : Zij vreesden YHWH, en dienden ook hun goden, naar de wijze van de volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. 2 Koningen 17:34 : Tot op deze dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen YHWH niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat YHWH geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf. 2 Koningen 17:40 : Maar zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze. 1 Samuël 8:11 : En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen; Deuteronomium 17:15 : Zo zult u ganselijk tot koning over u stellen, die YHWH, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broers zult u een koning over u stellen; u zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broer niet zij. 1 Samuël 10:25 : Samuël nu sprak tot het volk het recht van het koninkrijk, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht van YHWH. Toen liet Samuël het gehele volk gaan, elk naar zijn huis.
[^1samuel-8-11-17]: Kanttekening 17: Te weten, met geweld.
[^1samuel-8-12-18]: Kanttekening 18: akker ploegen: Hebreeuws, קְצֹ֣ר, eigenlijk, zijn ploeging.
[^1samuel-8-13-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, slachteressen (vrouwen die slachten).
[^1samuel-8-14-20]: Kanttekening 20: knechten geven: Versta hier raadsheren, ambtlieden, enz. niet zulke knechts, die dienstbare werken deden, gelijk vers 16 , 8:17 . 1 Samuël 8:16 : En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen. 1 Samuël 8:17 : Hij zal uw kudden vertienen; en u zult hem tot knechten zijn.
[^1samuel-8-15-21]: Kanttekening 21: uw zaad: Hebreeuws, זַרְעֵי, uw zaden; dat is, al uw zaad.
[^1samuel-8-15-22]: Kanttekening 22: Zie de betekenis van dit woord in de aantekeningen Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^1samuel-8-19-23]: Kanttekening 23: Versta hierbij, uw vermaning zal ons voornemen niet doen veranderen.
[^1samuel-8-22-24]: Kanttekening 24: Gaat heen: Alsof hij zei: Gaat voor ditmaal heen, ik zal mij over deze zaak nader bedenken, en God vragen wie Hij u tot een koning geven zal.

### 1 Samuël 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/9.json)

*Het geslacht van Kis wordt verhaald, vers 1 enz. De persoon van Saul wordt beschreven, 2. Kis zendt Saul om de ezelinnen te gaan zoeken, 3. hij doorkruist het land, maar vindt de ezelinnen niet, 4. Op raad van zijn knecht gaat hij naar Samuel, 6. Samuel gaat Saul tegemoet, 14. God had Samuel geopenbaard dat Saul tot hem zou komen, 15. en gelast dat hij hem tot koning zou maken, 16. Samuel nodigt Saul ter maaltijd, 19. hij zegt hem dat de ezelinnen gevonden waren, en dat hij koning zou worden, 20. wat Saul vreemd voorkomt, 21. Samuel plaatst hem bovenaan, 22. en eert hem met een bijzonder stuk spijs, 23. Samuel spreekt met Saul alleen op het dak, 25. En hij openbaart hem dat hij koning zou worden, 26.*

**1** Er was nu een man van Benjamin, van wie de naam Kis was, een zoon[^1samuel-9-1-1] van[^1samuel-9-1-a] Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de[^1samuel-9-1-2] zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v1)

**2** Die had een zoon, van wie de naam Saul was, een jongeling, en[^1samuel-9-2-3] schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de Israëlieten; van zijn schouders en omhoog was hij hoger dan al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v2)

**3** De ezelinnen nu van Kis, de vader van Saul, waren[^1samuel-9-3-4] verloren; daarom zei Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu één van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v3)

**4** Hij dan ging door het gebergte van Efraïm, en hij ging door het land[^1samuel-9-4-5] van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land[^1samuel-9-4-6] van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij[^1samuel-9-4-7] door het land van Jemini, maar zij vonden ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v4)

**5** Toen zij in het[^1samuel-9-5-8] land van Zuf kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en zich zorgen om ons maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v5)

**6** Hij daarentegen zei tot hem: Zie toch, er is een[^1samuel-9-6-9] man van God in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat[^1samuel-9-6-10] komt zeker; laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij[^1samuel-9-6-11] ons onze weg aanwijzen, waarop wij gaan zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v6)

**7** Toen zei Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan,[^1samuel-9-7-12] wat zullen wij toch die man brengen? Want[^1samuel-9-7-13] het brood is weg uit onze[^1samuel-9-7-14] voorwerpen, en wij hebben geen[^1samuel-9-7-15] gaven, om de man van God te brengen; wat hebben wij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v7)

**8** En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er[^1samuel-9-8-16] vindt zich in mijn hand het vierendeel van een zilveren sikkel; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze.[^1samuel-9-8-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v8)

**9** (Vroeger zei een ieder[^1samuel-9-9-b] zo in Israël, als hij ging om God te[^1samuel-9-9-19] vragen: Kom en laat ons gaan tot de ziener; want die vandaag een profeet genoemd wordt, die werd vroeger een[^1samuel-9-9-20] ziener genoemd.)[^1samuel-9-9-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v9)

**10** Toen zei Saul tot zijn jongen:[^1samuel-9-10-21] Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen[^1samuel-9-10-22] naar de stad, waar de man van God was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v10)

**11** Als zij opklommen door de opgang van de stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de[^1samuel-9-11-23] ziener hier? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v11)

**12** Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Zie,[^1samuel-9-12-24] hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen, omdat het volk vandaag[^1samuel-9-12-25] een offergave heeft op de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v12)

**13** Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, voordat hij komt, want[^1samuel-9-13-26] hij zegent[^1samuel-9-13-27] het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v13)

**14** Zo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden van de stad kwamen, ziet,[^1samuel-9-14-28] zo ging Samuël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v14)

**15** [^1samuel-9-15-29][^1samuel-9-15-c] Want YHWH had[^1samuel-9-15-30] het voor Samuëls oor geopenbaard, één dag voordat Saul kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v15)

**16** Morgen ongeveer deze tijd zal Ik[^1samuel-9-16-31] tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u tot voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat het geroep daarvan tot Mij gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v16)

**17** Toen Samuël Saul aanzag,[^1samuel-9-17-32] zo antwoordde hem YHWH: Zie, dit is de man, over wie Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk[^1samuel-9-17-33] heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v17)

**18** En Saul naderde tot Samuël in[^1samuel-9-18-34] het midden van de poort, en zei: Wijs mij toch, waar is hier het huis van de ziener? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v18)

**19** En Samuël antwoordde Saul en zei: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat u vandaag met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en[^1samuel-9-19-35] alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v19)

**20** Want wat de ezelinnen betreft, die u vandaag de derde dag verloren hebt,[^1samuel-9-20-36] zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en van wie zal zijn[^1samuel-9-20-37] al het gewenste, dat in Israël is? Is het niet van u, en van het hele huis van uw vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v20)

**21** Toen antwoordde Saul, en zei: Ben ik niet een[^1samuel-9-21-38] zoon van Jemini, van de kleinsten van de stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van de stam van[^1samuel-9-21-40] Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden?[^1samuel-9-21-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v21)

**22** Samuël dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en[^1samuel-9-22-41] hij gaf hun plaats aan het opperste van de genodigden; die nu waren ongeveer dertig man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v22)

**23** Toen zei Samuël[^1samuel-9-23-42] tot de kok: Breng dat stuk, dat ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zei: Zet het bij u weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v23)

**24** De kok nu bracht[^1samuel-9-24-43] een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en[^1samuel-9-24-44] hij zei: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet,[^1samuel-9-24-45] want het is op de vastgestelde tijd voor u bewaard,[^1samuel-9-24-46] als ik zei: Ik heb het volk genodigd. Zo at Saul met Samuël op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v24)

**25** Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij[^1samuel-9-25-47] sprak met Saul[^1samuel-9-25-48] op het dak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v25)

**26** En zij stonden vroeg op; en het gebeurde, ongeveer de opgang van de dageraad, zo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten.[^1samuel-9-26-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v26)

**27** Toen zij afgegaan waren aan het einde van de stad, zo zei Samuël tot Saul: Zeg de jongen,[^1samuel-9-27-50] dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta u[^1samuel-9-27-51] als nu[^1samuel-9-27-52] stil, en ik zal u Gods woord doen horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/9.html#v27)

[^1samuel-9-1-1]: Kanttekening 1: Anders, Ner; 1 Kron. 8:33 , en 1 Kron. 9:39 . 1 Kronieken 8:33 : Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaäl. 1 Kronieken 9:39 : En Ner verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaäl.
[^1samuel-9-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 14:51 . 1 Samuël 14:51 : En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël.
[^1samuel-9-1-2]: Kanttekening 2: van een man van Jemini: Anders, een man, die een Benjaminiet was.
[^1samuel-9-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, goed; zo ook Gen. 6:2 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
[^1samuel-9-3-4]: Kanttekening 4: Dit is niet bij geval geschied, maar door de voorzienigheid Gods, om zo Saul tot Samuël te brengen en tot koning te doen zalven.
[^1samuel-9-4-5]: Kanttekening 5: Dit is een vlak land, gelijk te zien is 2 Kon. 4:42 . 2 Koningen 4:42 : En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht de man van God broden van de eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten.
[^1samuel-9-4-6]: Kanttekening 6: In dit land, gelegen in de stam van Benjamin, lag de stad Salim, waarvan melding wordt gedaan Joh. 3:23 , niet wijd van Gilgal, bij de Jordaan. Johannes 3:23 : En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, omdat daar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.
[^1samuel-9-4-7]: Kanttekening 7: door het land van Jemini: Of, door het land van de Benjaminieten.
[^1samuel-9-5-8]: Kanttekening 8: het land van Zuf kwamen: Zie boven, 1 Sam. 1:1 . 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^1samuel-9-6-9]: Kanttekening 9: een man van God: Dat is, een profeet; te weten, Samuël. Zie de aantekeningen Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^1samuel-9-6-10]: Kanttekening 10: dat komt zekerlijk: Hebreeuws, עַתָּה֙, het komt komende.
[^1samuel-9-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, welke weg wij moeten ingaan om onze ezelinnen te vinden, waarom wij ons op deze reis begeven hebben.
[^1samuel-9-7-12]: Kanttekening 12: wat zullen wij toch die man brengen: Alsof hij zei: Wij kennen deze man van God niet, noch hij ons, en wij zullen hem moeite aandoen, de eerbaarheid zou wel vereisen dat wij hem iets vereren zouden. Zie dergelijk exempel 1 Kon. 14:3 , en 2 Kon. 4:42 . 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal. 2 Koningen 4:42 : En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht de man van God broden van de eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten.
[^1samuel-9-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, onze voorraad of provisie, zodat wij niets hebben om de profeet te vereren.
[^1samuel-9-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, onze knapzakken of malen.
[^1samuel-9-7-15]: Kanttekening 15: Zie de aantekeningen Richt. 13:17 , en 1 Kon. 14:3 . Richteren 13:17 : En Manoach zei tot de Engel van YHWH: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen. 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal.
[^1samuel-9-8-16]: Kanttekening 16: er vindt zich in mijn hand: Dat is, ik heb in mijn hand. Zo staat er 1 Petr. 2:22 : Er is geen bedrog in zijn mond gevonden; dat is, er was geen bedrog in zijn mond. Zie Jes. 53:9 . 1 Petrus 2:22 : Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Jesaja 53:9 : En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
[^1samuel-9-8-17]: Kanttekening 17: Van de waarde van de sikkel zie de aantekeningen Gen. 20:16 . Het vierendeel van een zilveren sikkel was niet veel meer dan drie stuivers. Zodat er in deze verering meer werd gezien op het dankbaar gemoed dan op de waardigheid van het geschenk. Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^1samuel-9-9-b]: Verwijzing b: Gen. 25:22 . Genesis 25:22 : En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zei zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om YHWH te vragen.
[^1samuel-9-9-19]: Kanttekening 19: God te vragen: Te weten, door een profeet.
[^1samuel-9-9-20]: Kanttekening 20: een ziener genoemd: Zo werden de profeten genoemd, omdat zich God door gezichten aan hen openbaarde, wat zij het volk te kennen gaven. Zie Num. 12:6 , en Num. 24:4 . Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Numeri 24:4 : De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het gezicht van de Almachtige ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden!
[^1samuel-9-9-18]: Kanttekening 18: Eertijds zei een ieder: De woorden van vers 9 zijn de woorden van de schrijver van dit boek, en hieruit willen enige besluiten dat niet Samuël maar Ezra of iemand anders dit boek geschreven heeft. 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^1samuel-9-10-21]: Kanttekening 21: Dat is, u hebt recht en wel gesproken.
[^1samuel-9-10-22]: Kanttekening 22: Te weten, naar Rama.
[^1samuel-9-11-23]: Kanttekening 23: Is de ziener hier: Anders, is hier een ziener?
[^1samuel-9-12-24]: Kanttekening 24: voor uw aangezicht: Dit is niet te zeggen, dat Saul en zijn knecht te dier stond Samuël zagen, of met de opslag van hun ogen zien konden; zij zagen hem niet vóór zij in de stad bij hem kwamen, zodat de woorden voor uw aangezicht betekenen nabij, of bij de hand.
[^1samuel-9-12-25]: Kanttekening 25: een offerande: Hebreeuws, יּ֛וֹם, een slachting. Anders, een maaltijd, gelijk Gen. 31:54 , en 1 Sam. 28:24 ; 1 Kon. 19:21 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. 1 Samuël 28:24 : En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van. 1 Koningen 19:21 : Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen zood hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.
[^1samuel-9-13-26]: Kanttekening 26: Te weten, door het gebed en met dankzegging, Deut. 8:10 . Deuteronomium 8:10 : Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u YHWH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
[^1samuel-9-13-27]: Kanttekening 27: Dat is, het geofferd vlees, waarmee men maaltijd zal houden.
[^1samuel-9-14-28]: Kanttekening 28: Want hij wist wel dat zij in die tijd tot hem komen zouden, gelijk blijkt uit vers 15 , 9:16 . 1 Samuël 9:15 : Want YHWH had het voor Samuëls oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende: 1 Samuël 9:16 : Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat zijn geroep tot Mij gekomen is.
[^1samuel-9-15-29]: Kanttekening 29: Hier wordt aangewezen de oorzaak waarom Samuël Saul tegemoet gegaan is, om wie hij die plechtige maaltijd had laten toebereiden.
[^1samuel-9-15-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 15:1 . 1 Samuël 15:1 : Toen zei Samuël tot Saul: YHWH heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden van YHWH.
[^1samuel-9-15-30]: Kanttekening 30: Dat is, de Heer had het Samuël duidelijk te kennen gegeven. Zie dergelijke manier van spreken Ruth 4:4 ; 1 Sam. 20:12 , 20:13 ; 2 Sam. 7:27 ; Job 33:16 ; Jes. 22:14 , en Jes. 48:8 . Ruth 4:4 : En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten mijns volks; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen. 1 Samuël 20:12 : En Jonathan zei tot David: YHWH, de God van Israël, als ik mijn vader onderzocht zal hebben omtrent deze tijd, morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zend, en voor uw oor openbare; 1 Samuël 20:13 : Zo doe YHWH aan Jonathan, en zo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat u in vrede heengaat; en YHWH zij met u, gelijk als Hij met mijn vader geweest is. 2 Samuël 7:27 : Want U, YHWH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden. Job 33:16 : Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun kastijding; Jesaja 22:14 : Maar YHWH van de legermachten heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Als u deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat u sterft! zegt de Heer, YHWH van de legermachten. Jesaja 48:8 : Ook hebt u ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat u geheel trouweloos handelen zoudt, en dat u van de buik af een overtreder genaamd bent.
[^1samuel-9-16-31]: Kanttekening 31: tot u zenden: Te weten, door een geheime drift want Saul dacht hier niet op, maar hij was uitgegaan om de ezelinnen te zoeken.
[^1samuel-9-17-32]: Kanttekening 32: antwoordde hem YHWH: Te weten, door een geheime aanspraak, gelijk onder, 1 Sam. 16:7 , 16:12 . 1 Samuël 16:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte van zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan. 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.
[^1samuel-9-17-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, terughouden. Het is zoveel te zeggen als, hij zal door zijn autoriteit, bevel en straf, de boze mensen terughouden, tomen, bedwingen van zondigen, of van te doen wat zij willen.
[^1samuel-9-18-34]: Kanttekening 34: midden van de poort: Dat is, in het midden van de stad. Zie boven, vers 14 . 1 Samuël 9:14 : Zo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden van de stad kwamen, ziet, zo ging Samuël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.
[^1samuel-9-19-35]: Kanttekening 35: wat in uw hart is: Dat is, alles waar u mee bekommerd bent, en mij vragen wilt.
[^1samuel-9-20-36]: Kanttekening 36: zet uw hart daarop niet: Dat is, neem het niet ter harte.
[^1samuel-9-20-37]: Kanttekening 37: Dat is, het beste en uitgelezenste, dat in Israël is. Zie boven 1 Sam. 8:11 . Anders, tot wie is de gehele begeerte Israëls? Dat is, wie begeert al het volk van Israël tot hun koning liever dan u? Anderen nemen het in deze zin, alsof hij zei, op wie zal de keus tot koning, wie geheel Israël begeert, vallen, anders dan op u? 1 Samuël 8:11 : En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen;
[^1samuel-9-21-38]: Kanttekening 38: van Jemini: Dat is, van een Benjaminiet.
[^1samuel-9-21-40]: Kanttekening 40: spreekt u mij dan aan met zulke woorden: Hebreeuws, דָּבָ֖ר, spreekt u tot mij naar dit woord.
[^1samuel-9-21-39]: Kanttekening 39: kleinste van de stammen: Deze stam, te weten, de stam Benjamins was schier geheel verdelgd geworden, vanwege het bijwijf van de Leviet. Zo dat er maar zeshonderd mannen waren overig gebleven, Richt. 20:47 . Richteren 20:47 : Maar zeshonderd mannen keerden zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon, en bleven in de rotssteen van Rimmon, vier maanden.
[^1samuel-9-22-41]: Kanttekening 41: gaf hun plaats aan het opperste van de genodigden: Dat is, hij zette hen boven aan. Hiermede heeft Samuël de aanwezende gasten enigermate te kennen gegeven de waardigheid van het ambt, waartoe God Saul verordineerd had; gelijk hij ook dat deed met Saul het voornaamste stuk voedsel voor te zetten. Zie iets dergelijks Gen. 43:34 . Ja vanwege Saul heeft hij ook zijn jongen geëerd en mee bovenaan gezet. Genesis 43:34 : En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.
[^1samuel-9-23-42]: Kanttekening 42: Uit dit voorzegde blijkt genoegzaam dat Samuël vanwege Saul, die hij wist dat op komenden weg was, deze maaltijd had doen bereiden.
[^1samuel-9-24-43]: Kanttekening 43: Het Hebreeuwse woord betekent zowel de voorbout als de achterbout.
[^1samuel-9-24-44]: Kanttekening 44: Te weten, Samuël.
[^1samuel-9-24-45]: Kanttekening 45: Hij wil zeggen: Toen ik deze maaltijd u ter ere liet bereiden, heb ik bevolen dat dit voornaamste stuk voor u zou bewaard worden.
[^1samuel-9-24-46]: Kanttekening 46: Te weten, tot de kok, of hofmeester, of dienaren, knechten, volk.
[^1samuel-9-25-47]: Kanttekening 47: sprak met Saul: Dat is, hij zei hem het bevel Gods aan, dat hij koning zou worden.
[^1samuel-9-25-48]: Kanttekening 48: Te weten, op zijn, Samuëls dak. Eertijds waren de daken bij de Joden plat, zodat men er op kon gaan en wandelen; zie Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^1samuel-9-26-49]: Kanttekening 49: Te weten, om daar met hem alleen te spreken van zijn roeping tot het koninkrijk.
[^1samuel-9-27-50]: Kanttekening 50: voor onze aangezichten heenga: Te weten, opdat hij niet hore wat wij spreken.
[^1samuel-9-27-51]: Kanttekening 51: als nu stil: Hebreeuws, יּ֔וֹם, als deze dag; dat is, in deze tijd.
[^1samuel-9-27-52]: Kanttekening 52: en ik zal u Gods woord doen horen: Samuël heeft wel Saul, toen zij alleen met hun beiden op het dak waren, de wil van de Heer, aangaande zijn verkiezing tot het koninklijke ambt, verklaard, maar naderhand, in het scheiden, heeft Samuël Saul dat nog breder te kennen gegeven, hem daarbij voorzeggende de tekenen, die hem tot verzekering daarvan ontmoeten zouden, waarvan breder 1 Sam. 10 gesproken wordt.

### 1 Samuël 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/10.json)

*Samuel zalft Saul tot koning over Israël, vers 1 enz. En hij voorzegt hem wat hem onderweg zou overkomen, 2. Saul profeteert onder de profeten, 10. hij komt tot zijn oom, 14. Aan wie hij zegt wat Samuel over de ezelinnen gezegd had, maar hij verzwijgt de zaak van het koningschap, 16. Samuel verzamelt het volk te Mizpa, 17. Daar houdt hij hun hun ondankbaarheid voor ogen, 18. Saul wordt door het lot tot koning over Israël aangewezen, doch hij verbergt zich, 21. zijn gestalte, 23. Saul plaatst zich voor heel het volk, dat hem met gejuich ontvangt, 24. Samuel schrijft het recht van de koning in een boek, 25. Nadat dit alles verricht was, gaat Saul naar zijn huis te Gibea, 26. Sommigen verachten Saul, wat hij zich niet aantrekt, 27.*

**1** Toen nam Samuël een[^1samuel-10-1-1] oliekruik, en[^1samuel-10-1-2] goot ze uit op zijn hoofd, en[^1samuel-10-1-3] kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u[^1samuel-10-1-a] tot een voorganger[^1samuel-10-1-4] over Zijn erfdeel gezalfd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v1)

**2** Als u vandaag van mij gaat, zo zult u twee mannen vinden bij het[^1samuel-10-2-5] graf van Rachel, aan de grens van Benjamin, te[^1samuel-10-2-6] Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die u bent gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken van de ezelinnen verlaten, en hij maakt zich zorgen om u, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v2)

**3** Als u zich van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan[^1samuel-10-3-7] Elon-thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar[^1samuel-10-3-8] Beth-el; één, dragende drie bokjes, en één, dragende drie bollen broods, en één, dragende een fles wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v3)

**4** En[^1samuel-10-4-b] zij zullen u[^1samuel-10-4-9] naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult u van hun hand nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v4)

**5** Daarna zult u komen[^1samuel-10-5-10] op de heuvel Gods, waar bezettingen van de Filistijnen zijn[^1samuel-10-5-11]; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één[^1samuel-10-5-12] hoop profeten,[^1samuel-10-5-c] van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten[^1samuel-10-5-13] luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij[^1samuel-10-5-14] zullen[^1samuel-10-5-d] profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v5)

**6** En de Geest van YHWH zal met kracht over u komen, en[^1samuel-10-6-15] u zult met hen profeteren; en[^1samuel-10-6-16] u zult in een andere man veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v6)

**7** En het zal gebeuren, als u deze tekenen zullen komen,[^1samuel-10-7-17] doe u, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v7)

**8** U nu zult voor mijn aangezicht afgaan[^1samuel-10-8-18] naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandoffers te offeren,[^1samuel-10-8-19] om te offeren offergaven van de dankzegging; zeven dagen zult u daar beiden, totdat[^1samuel-10-8-e] ik tot u kome, en u bekend make, wat u doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v8)

**9** Het gebeurde nu, toen hij zijn[^1samuel-10-9-20] schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen op diezelfde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v9)

**10** Toen[^1samuel-10-10-21] zij daar[^1samuel-10-10-f] aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem één hoop[^1samuel-10-10-22] profeten tegemoet; en de Geest van YHWH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v10)

**11** En het gebeurde, als een ieder die hem[^1samuel-10-11-23] van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zei het volk,[^1samuel-10-11-24] een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat aan de zoon van Kis gebeurd is? Is Saul ook onder de profeten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v11)

**12** Toen antwoordde[^1samuel-10-12-25] een man van daar, en zei:[^1samuel-10-12-26] Wie[^1samuel-10-12-g] is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden:[^1samuel-10-12-27] Is Saul[^1samuel-10-12-h] ook onder de profeten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v12)

**13** Toen hij nu voltooid had te profeteren, zo kwam hij[^1samuel-10-13-28] op de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v13)

**14** En Sauls oom zei tot hem en tot zijn jongen: Waar bent u heengegaan? Hij nu zei: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v14)

**15** Toen zei Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël u gezegd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v15)

**16** Saul nu zei tot zijn oom: Hij heeft ons[^1samuel-10-16-29] voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak van het koninkrijk, waarvan Samuël gezegd[^1samuel-10-16-30] had, gaf hij hem niet te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v16)

**17** Maar Samuël riep het volk samen[^1samuel-10-17-31] tot YHWH, te Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v17)

**18** En hij zei tot de Israëlieten: Zo heeft YHWH, de God van Israël, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en Ik heb u van de hand van de Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v18)

**19** [^1samuel-10-19-i] Maar u hebt vandaag uw God verworpen, Die u uit al uw[^1samuel-10-19-32] ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt[^1samuel-10-19-33] tot Hem gezegd: Zet een koning over ons;[^1samuel-10-19-k] nu dan, stelt u voor het aangezicht van YHWH, naar uw stammen en[^1samuel-10-19-34] naar uw duizenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v19)

**20** Toen nu Samuël al de stammen van[^1samuel-10-20-35] Israël had doen naderen,[^1samuel-10-20-l] zo is de stam van[^1samuel-10-20-36] Benjamin geraakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v20)

**21** Toen hij de stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v21)

**22** Toen vraagden zij verder YHWH, of die man nog daarheen komen zou? YHWH dan zei: Zie, hij heeft zich tussen de[^1samuel-10-22-37] voorwerpen verstopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v22)

**23** Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden van het volk; en[^1samuel-10-23-m] hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en omhoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v23)

**24** Toen zei Samuël tot het hele volk: Ziet u, die YHWH gekozen heeft? Want zoals hij, is er niemand onder het hele volk. Toen juichte het hele volk, en zij zeiden: de koning[^1samuel-10-24-38][^1samuel-10-24-39] leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v24)

**25** Samuël nu sprak tot het volk[^1samuel-10-25-40] het recht van het koninkrijk, en schreef het[^1samuel-10-25-41] in een boek, en legde het[^1samuel-10-25-42] voor het aangezicht van YHWH. Toen liet Samuël het hele volk gaan, elk naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v25)

**26** En Saul ging ook naar zijn huis te Gibeä, en[^1samuel-10-26-n] van het leger gingen met hem, van wie het hart God geroerd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v26)

**27** Maar[^1samuel-10-27-43] de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? [^1samuel-10-27-o] en zij verachtten hem, en brachten hem[^1samuel-10-27-44][^1samuel-10-27-p] geen geschenk. Maar hij was[^1samuel-10-27-45] als doof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/10.html#v27)

[^1samuel-10-1-1]: Kanttekening 1: Of, olieflesje, olievaatje. Onder, 1 Sam. 16:13 , waar van de zalving van David gesproken wordt, staat oliehoorn. Saul en Jehu 2 Kron. 9:1 , 9:3 zijn uit een oliekruik gezalfd geworden, maar David uit een hoorn. 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 2 Kronieken 9:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. 2 Kronieken 9:3 : Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,
[^1samuel-10-1-2]: Kanttekening 2: goot ze uit op zijn hoofd: Er zijn in het Oude Testament drieërlei personen met zalving in hun ambten ingehuldigd geworden, hogepriesters, koningen en profeten.
[^1samuel-10-1-3]: Kanttekening 3: kuste hem: Tot een teken van onderdanigheid, hem zo erkennende voor zijn heer, omdat hem God tot het koninklijke ambt geroepen had. Zie dergelijk exempel 1 Kon. 19:18 , en vergelijk Ps. 2:12 . 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^1samuel-10-1-a]: Verwijzing a: Hand. 13:21 . Handelingen 13:21 : En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren.
[^1samuel-10-1-4]: Kanttekening 4: over Zijn erfdeel: Dat is, over zijn volk van Israël, dat Hij zich tot een erfdeel uit alle natiën heeft gekozen; Deut. 9:26 , en Deut. 32:9 . Deuteronomium 9:26 : En ik bad tot YHWH, en zei: Heer, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd. Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve.
[^1samuel-10-2-5]: Kanttekening 5: graf van Rachel: Dit graf was bij Bethlehem Juda, gelijk te zien is Gen. 35:19 , 35:20 , maar strekte die landpale daar aan de landpale van de stam Benjamins. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Genesis 35:20 : En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op deze dag.
[^1samuel-10-2-6]: Kanttekening 6: Dit is de naam van een plaats, die nergens meer dan hier gevonden wordt, en betekent zoveel als een schone schaduw.
[^1samuel-10-3-7]: Kanttekening 7: Anders, het vlakke veld van Thabor , of, aan de eiken van Thabor . Er zijn verscheidene plaatsen Thabor genoemd.
[^1samuel-10-3-8]: Kanttekening 8: Sommigen zetten dit over: In het huis van God , te weten te Kirjath-Jearim, als boven 1 Sam. 7:1 ,2,16, waar de Ark destijds was.
[^1samuel-10-4-b]: Verwijzing b: Richt. 18:15 . Richteren 18:15 : Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van de jongeling, de Leviet, in het huis van Micha; en zij vraagden hem naar vrede.
[^1samuel-10-4-9]: Kanttekening 9: naar uw welstand vragen: Zie Gen. 43:27 . Genesis 43:27 : En hij vraagde hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zeide? Leeft hij nog?
[^1samuel-10-5-10]: Kanttekening 10: op de heuvel Gods: Dit is een hoogte geweest bij de stad Gibeä, waar een school was van jonge profeten. In de stad zelve hadden de Filistijnen hun bezetting, gelijk straks volgt. Anders, te Gibeä Gods.
[^1samuel-10-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, garnizoen, de wacht houdende, gelijk onder, 1 Sam. 13:3 . 1 Samuël 13:3 : Maar Jonathan sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te Geba was, dat de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het gehele land, zeggende: Laat het de Hebreën horen.
[^1samuel-10-5-12]: Kanttekening 12: één hoop profeten: Hebreeuws, נְבִיאִים֙, een zeel, of, snoer; dat is, een hoop mannen, die in orde gaan en als een linie, of koord trekken; en zo vers 10 . 1 Samuël 10:10 : Toen zij daar aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem één hoop profeten tegemoet; en de Geest van YHWH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.
[^1samuel-10-5-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 16:39 . 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is;
[^1samuel-10-5-13]: Kanttekening 13: luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen: Met deze muziekinstrumenten verkwikten zij zich en verwekten hun geest om te profeteren. Zie een dergelijk exempel 2 Kon. 3:15 . In het Hebreeuws, כִנּ֔וֹר, staan deze woorden in het eenvoudig getal. 2 Koningen 3:15 : Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand van YHWH op hem kwam.
[^1samuel-10-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, van hemelse, goddelijke, heilige, stichtelijke dingen spreken en zingen.
[^1samuel-10-5-d]: Verwijzing d: Num. 11:25 . Numeri 11:25 : Toen kwam YHWH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
[^1samuel-10-6-15]: Kanttekening 15: u zult met hen profeteren: Dat is, u zult een tijdlang de gave van de profetie hebben. Zie Num. 11:25 . Numeri 11:25 : Toen kwam YHWH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
[^1samuel-10-6-16]: Kanttekening 16: u zult in een anderen man veranderd worden: Dat is, u zult het hart van een kloeken, verstandigen held krijgen, om te regeren en krijg te voeren, gelijk het een koning betaamt.
[^1samuel-10-7-17]: Kanttekening 17: doe u: Dat is, al wat de nood en de gelegenheid vereist, wat gedaan moet worden ten beste van het land. Doe dat als een wijs en kloekmoedig koning. Dit heeft Saul gedaan, toen hij uitgetrokken is om te strijden tegen de Ammonieten 1 Sam. 11 , en de Filistijnen, 1 Sam. 13 . Aangaande de manier van spreken, zie Richt. 9:33 . Richteren 9:33 : En het geschiede in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, gelijk als uw hand vinden zal.
[^1samuel-10-8-18]: Kanttekening 18: Versta, maar eerst naar Mizpa, gelijk te zien is vers 17 , en 1 Sam. 11:14 . Te Mizpa is Saul door het lot tot koning gekozen; maar te Gilgal is hij bevestigd geworden. 1 Samuël 10:17 : Maar Samuël riep het volk te zamen tot YHWH, te Mizpa. 1 Samuël 11:14 : Verder zei Samuël tot het volk: Komt en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk daar vernieuwen.
[^1samuel-10-8-19]: Kanttekening 19: om te offeren offeranden van de dankzegging: Zie onder, 1 Sam. 13:8 . 1 Samuël 13:8 : En hij bleef zeven dagen, tot de tijd, die Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
[^1samuel-10-8-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 13:8 . 1 Samuël 13:8 : En hij bleef zeven dagen, tot de tijd, die Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
[^1samuel-10-9-20]: Kanttekening 20: Dat is, rug.
[^1samuel-10-10-21]: Kanttekening 21: Te weten, Saul en zijn jongen.
[^1samuel-10-10-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 19:18 . 1 Samuël 19:18 : Zo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te Najoth.
[^1samuel-10-10-22]: Kanttekening 22: Versta hier, door het woord profeten, de discipelen van de profeten die zich oefenden en studeerden in de Heilige Schrift.
[^1samuel-10-11-23]: Kanttekening 23: van te voren: Hebreeuws, יִּרְא֕וּ, van gisteren, eergisteren.
[^1samuel-10-11-24]: Kanttekening 24: een ieder tot zijn metgezel: Dat is, de één tot de ander.
[^1samuel-10-12-25]: Kanttekening 25: een man: Vermoedelijk één uit het getal van die profeten.
[^1samuel-10-12-26]: Kanttekening 26: Wie is toch hun vader: Alsof hij zei: Even diezelfde God en Vader, die de anderen de Geest van de profetie gegeven heeft, die is machtig die ook Saul te geven. Enige nemen hier het woord vader voor leermeester; gelijk de discipelen van de profeten genoemd worden zonen van de profeten. Sommigen nemen het zo: Wie is hunlieder vader? dat is, de anderen hebben zowel ongeleerde vaders als Saul, maar dit is een werk van God.
[^1samuel-10-12-g]: Verwijzing g: Galat. 1:24 . Galaten 1:24 : En zij verheerlijkten God in mij.
[^1samuel-10-12-27]: Kanttekening 27: Is Saul ook onder de profeten: Dit spreekwoord gebruikt men wanneer men van iemand spreekt, die onverhoeds en onverwachts iets voortreffelijks, of iets bijzonders doet.
[^1samuel-10-12-h]: Verwijzing h: 1 Sam. 19:24 . 1 Samuël 19:24 : En hij toog zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en de gansen nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?
[^1samuel-10-13-28]: Kanttekening 28: op de hoogte: Te weten, in de school of synagoge, die op de heuvel Gods was, vers 5 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar de bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.
[^1samuel-10-16-29]: Kanttekening 29: voorzeker te kennen gegeven: Hebreeuws, הִגִּיד֙, te kennen gevende te kennen gegeven.
[^1samuel-10-16-30]: Kanttekening 30: gaf hij hem niet te kennen: Het schijnt dat Samuël hem dat verboden had; en opdat het te geheimer blijven zou, had Samuël gezegd dat Saul zijn jongen zou doen vertrekken, 1 Sam. 9:27 . 1 Samuël 9:27 : Toen zij afgegaan waren aan het einde van de stad, zo zei Samuël tot Saul: Zeg de jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta u als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen.
[^1samuel-10-17-31]: Kanttekening 31: tot YHWH: Te weten, om als voor de Heer, in de vergadering van Gods volk te verschijnen, tot verkiezing en bevestiging van een koning, of, naar sommiger mening, voor de ark van het verbond, vanwaar God de Heer antwoord gaf. Om deze zaak zou de ark daar gebracht zijn, maar hierna te Gilgal, gelijk af te nemen is onder, 1 Sam. 11:15 . 1 Samuël 11:15 : Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul daar koning voor het aangezicht van YHWH te Gilgal; en zij offerden daar dankofferen voor het aangezicht van YHWH; en Saul verheugde zich daar geheel zeer, met al de mannen van Israël.
[^1samuel-10-19-i]: Verwijzing i: 1 Sam. 8:7 . 1 Samuël 8:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.
[^1samuel-10-19-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, kwaden.
[^1samuel-10-19-33]: Kanttekening 33: tot Hem gezegd: Dat is, tot mij, die zijn profeet ben. Zie boven, 1 Sam. 8:19 , en onder, 1 Sam. 12:12 . 1 Samuël 8:19 : Maar het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Nee, maar er zal een koning over ons zijn. 1 Samuël 12:12 : Als u nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeide u tot mij: Nee, maar een koning zal over ons regeren; zo toch YHWH, uw God, uw Koning was.
[^1samuel-10-19-k]: Verwijzing k: 1 Sam. 8:19 ; 1 Sam. 12:12 . 1 Samuël 8:19 : Maar het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Nee, maar er zal een koning over ons zijn. 1 Samuël 12:12 : Als u nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeide u tot mij: Nee, maar een koning zal over ons regeren; zo toch YHWH, uw God, uw Koning was.
[^1samuel-10-19-34]: Kanttekening 34: naar uw duizenden: De stammen van de Israëlieten werden in zekere hopen, elk van duizend man, afgedeeld, gelijk Micha 5:1 en elders te zien is. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid.
[^1samuel-10-20-35]: Kanttekening 35: had doen naderen: Te weten, om het lot te werpen. Zie dergelijk exempel Joz. 7:14 . Voordat zij het lot wierpen, baden zij de Heer, vers 22 ; Hand. 1:24 . Jozua 7:14 : U zult dan in de morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal gebeuren, de stam, welke YHWH geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man. 1 Samuël 10:22 : Toen vraagden zij verder YHWH, of die man nog daarheen komen zou? YHWH dan zei: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstopt. Handelingen 1:24 : En zij baden en zeiden: U Heer! U Kenner van de harten van allen, wijs van deze twee een aan, die U uitverkoren hebt;
[^1samuel-10-20-l]: Verwijzing l: Joz. 7:14 . Jozua 7:14 : U zult dan in de morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal gebeuren, de stam, welke YHWH geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin YHWH geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.
[^1samuel-10-20-36]: Kanttekening 36: Te weten, met het lot. Hebreeuws, gevat, getroffen; dat is, het lot viel op de stam van Benjamin, waarmee God de Heer wilde te kennen geven dat het een onder de huisgezinnen van die stam was, welke Hij tot koning wilde zetten.
[^1samuel-10-22-37]: Kanttekening 37: tussen de vaten verstopt: Dat is, onder de bagage van het volk.
[^1samuel-10-23-m]: Verwijzing m: 1 Sam. 9:2 . 1 Samuël 9:2 : Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen van Israël; van zijn schouders en opwaarts was hij hoger dan al het volk.
[^1samuel-10-24-38]: Kanttekening 38: het gehele volk: Het grootste deel van het volk; want daar waren er enige, die hem verachtten, gelijk te zien is vers 27 . 1 Samuël 10:27 : Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof.
[^1samuel-10-24-39]: Kanttekening 39: de koning leve: Zie 1 Kon. 1:25 . 1 Koningen 1:25 : Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft uitgenodigd al de zonen van de koning, en de oversten van het heir, en Abjathar, de priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adonia leve!
[^1samuel-10-25-40]: Kanttekening 40: het recht van het koninkrijk: Versta dit niet van de wijze, manier, of gewoonte van doen, die de koningen onwettiglijk somwijlen aannemen, \[gelijk het Hebreeuwse woord genomen is boven 1 Sam. 8:9 , 8:11 \], maar van de wetten, die Samuël door Gods ingeven stelde, aangaande de regering van de koningen. Zie Deut. 17:18 . Of van de ordonnantiën om zowel de koning als de onderzaten te leren, hoe zij zich tegen elkaar gedragen zouden. 1 Samuël 8:9 : Hoor dan nu naar hun stem; maar als u hen op het hoogste zult betuigd hebben, zo zult u hen te kennen geven de wijze van de koning, die over hen regeren zal. 1 Samuël 8:11 : En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen; Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
[^1samuel-10-25-41]: Kanttekening 41: in een boek: Dit boek is niet meer voorhanden.
[^1samuel-10-25-42]: Kanttekening 42: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, voor YHWH, die zijn aanwezigheid boven de ark openbaarde.
[^1samuel-10-26-n]: Verwijzing n: 1 Sam. 13:2 . 1 Samuël 13:2 : Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, een iedereen naar zijn tent.
[^1samuel-10-27-43]: Kanttekening 43: de kinderen Belials zeiden: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^1samuel-10-27-o]: Verwijzing o: 1 Sam. 11:12 . 1 Samuël 11:12 : Toen zei het volk tot Samuël: Wie is hij, die zei: Zou Saul over ons regeren? Geeft hier die mannen, dat wij hen doden.
[^1samuel-10-27-44]: Kanttekening 44: geen geschenk: Gelijk de onderdanen plachten te doen tot een teken van gehoorzaamheid en dat zij hem erkenden voor hun koning. Zie 2 Kron. 17:5 ;; Matt. 2:11 . 2 Kronieken 17:5 : En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. Mattheüs 2:11 : En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
[^1samuel-10-27-p]: Verwijzing p: 2 Kron. 17:5 . 2 Kronieken 17:5 : En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.
[^1samuel-10-27-45]: Kanttekening 45: als doof: Of, als stom, als stilzwijgende.

### 1 Samuël 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/11.json)

*Nahas belegert Jabes in Gilead, vers 1 enz. Hij wil de belegerden niet aannemen dan onder harde voorwaarden, 2. De belegerden vragen zeven dagen om zich hierover te beraden, 3. en nadat zij die verkregen hebben, vragen zij hulp van hun broeders, 4. Toen Saul deze onredelijke voorwaarden hoorde, werd hij zeer toornig, 5. Hij bereidt zich voor om Jabes te ontzetten, 6. met een leger van 330.000 man, 8. Hij laat de inwoners van Jabes weten dat hij hen zou ontzetten, 9. Die hun belegeraars misleiden, 10. Hoe Saul Jabes ontzet heeft, 11. Het volk wil hen doden die geweigerd hadden Saul tot koning aan te nemen, 12. Maar Saul wil dit niet toelaten, 13. Hij wordt in het koningschap bevestigd te Gilgal, 14.*

**1** Toen trok Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde[^1samuel-11-1-1] Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v1)

**2** Maar Nahas, de Ammoniet, zei tot hen:[^1samuel-11-2-2] Mits deze zal ik een verbond met u maken, dat ik u allen het rechteroog uitsteke; en dat ik deze[^1samuel-11-2-3] schande op geheel Israël legge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v2)

**3** Toen zeiden tot hem[^1samuel-11-3-4] de oudsten Jabes:[^1samuel-11-3-5] Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al het gebied van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo[^1samuel-11-3-6] zullen wij tot u uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v3)

**4** Als de boden te[^1samuel-11-4-7] Gibeä-sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v4)

**5** En ziet,[^1samuel-11-5-8] Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zei: Wat is het volk, dat zij huilen? Toen vertelden zij hem de woorden van de mannen van Jabes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v5)

**6** [^1samuel-11-6-9] Toen kwam de Geest van God met kracht over Saul, als hij deze woorden hoorde; en[^1samuel-11-6-10] zijn toorn ontstak zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v6)

**7** En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij[^1samuel-11-7-11] zond ze in alle gebied van Israël door de hand van de boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter[^1samuel-11-7-13] Samuël, zo zal men zijn runderen doen. Toen viel[^1samuel-11-7-14] de vrees voor YHWH op het volk, en zij[^1samuel-11-7-a] gingen uit als één enig man.[^1samuel-11-7-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v7)

**8** En hij[^1samuel-11-8-15] telde[^1samuel-11-8-16] hen te Bezek; en van de Israëlieten waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v8)

**9** Toen zeiden[^1samuel-11-9-17] zij tot de boden, die gekomen waren: Zo zult u de mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing gebeuren, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v9)

**10** En de mannen van Jabes[^1samuel-11-10-18] zeiden: [^1samuel-11-10-19] Morgen zullen wij tot u uitgaan, en u zult ons doen naar alles, wat goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v10)

**11** Het gebeurde nu[^1samuel-11-11-20] op de andere dag, dat Saul het volk stelde in drie[^1samuel-11-11-21] hopen, en zij kwamen in het midden[^1samuel-11-11-22] van het leger, in[^1samuel-11-11-23] de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het gebeurde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee samen bleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v11)

**12** Toen zei het volk tot Samuël:[^1samuel-11-12-b] Wie is hij, die zei: Zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dat wij hen doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v12)

**13** Maar Saul zei:[^1samuel-11-13-24] Er zal op deze dag geen man gedood worden, want YHWH heeft vandaag een verlossing in Israël gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v13)

**14** Verder[^1samuel-11-14-25] zei Samuël tot het volk: Kom en laat ons naar Gilgal gaan, en[^1samuel-11-14-26] het koninkrijk daar vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v14)

**15** Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul daar koning[^1samuel-11-15-27] voor het aangezicht van YHWH te Gilgal; en zij offerden daar dankoffers voor het aangezicht van YHWH; en Saul verheugde zich daar geheel zeer, met al de mannen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/11.html#v15)

[^1samuel-11-1-1]: Kanttekening 1: Jabes in Gilead: Zie Richt. 21:8 . Richteren 21:8 : En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot YHWH te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente.
[^1samuel-11-2-2]: Kanttekening 2: Mits deze: Hebreeuws, זֹאת֙, daarin.
[^1samuel-11-2-3]: Kanttekening 3: Anders, smaad.
[^1samuel-11-3-4]: Kanttekening 4: de oudsten Jabes: Dat is, de regeerders van de stad Jabes.
[^1samuel-11-3-5]: Kanttekening 5: Laat zeven dagen van ons af: Dat is, laat ons zeven dagen met vrede.
[^1samuel-11-3-6]: Kanttekening 6: zullen wij tot u uitgaan: Te weten, om ons over te geven in uw handen.
[^1samuel-11-4-7]: Kanttekening 7: Gibeä-sauls kwamen: Deze stad heette eerst Gibeä Benjamins, omdat zij in het erfdeel van de stam Benjamins gelegen was. Zij is alsdan eerst Gibeä Sauls genoemd geworden, nadat Saul \[die daar geboren was\], koning over Israël geworden is.
[^1samuel-11-5-8]: Kanttekening 8: Saul kwam achter de runderen uit het veld: Want toen hij van Samuël in het geheim tot een koning gezalfd en van het merendeel van het volk aangenomen was, zo heeft hij dat ambt nog niet openlijk begonnen te bedienen, en daarom voerde hij nog geen koninklijken staat, maar hij leefde als een particulier en gemeen man, totdat hij openlijk van al het volk ingehuldigd was.
[^1samuel-11-6-9]: Kanttekening 9: Toen kwam de Geest van God met kracht over Saul: Dat is, ogenblikkelijk heeft God door de kracht zijns Geestes Saul gegeven de gaven, sterkte en kloekmoedigheid om zich tegen de Ammonieten te stellen.
[^1samuel-11-6-10]: Kanttekening 10: zijn toorn ontstak zeer: Te weten, tegen Nahas, omdat hij zulke schandelijke conditiën van het verdrag de inwoners van Jabes had voorgeschreven.
[^1samuel-11-7-11]: Kanttekening 11: zond ze in alle gebied van Israël: Te weten, de stukken van de ossen, opdat de Israëlieten die ziende, gedenken zouden, wat schade hun zou overkomen, zo zij weigerden Saul in deze tocht te volgen.
[^1samuel-11-7-13]: Kanttekening 13: Samuël wordt hier bijgevoegd, omdat hij als richter en profeet mee is getogen, om dit ontzet te doen, gelijk blijkt vers 12 ; in het bijzonder omdat Saul in het rijk nog niet openlijk bevestigd was. 1 Samuël 11:12 : Toen zei het volk tot Samuël: Wie is hij, die zei: Zou Saul over ons regeren? Geeft hier die mannen, dat wij hen doden.
[^1samuel-11-7-14]: Kanttekening 14: de vrees voor YHWH op het volk: Dat is, een vrees, die de Heer hun aanjoeg.
[^1samuel-11-7-a]: Verwijzing a: Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^1samuel-11-7-12]: Kanttekening 12: Hetzij van de boden van de Jabesieten, of anderen, die hij daartoe gekozen had.
[^1samuel-11-8-15]: Kanttekening 15: telde hen: Of, monsterde hen.
[^1samuel-11-8-16]: Kanttekening 16: te Bezek: Dat is, in de landpale omtrent de stad Bezek, van welke gesproken wordt Richt. 1:5 . Richteren 1:5 : En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaänieten en de Ferezieten.
[^1samuel-11-9-17]: Kanttekening 17: zij tot de boden: Te weten, Samuël en Saul.
[^1samuel-11-10-18]: Kanttekening 18: Te weten, tot de Ammonieten, die hen belegerden.
[^1samuel-11-10-19]: Kanttekening 19: Morgen zullen wij tot u uitgaan: Welverstaande, zo er geen ontzet komt; zie vers 3 . Zij verzwijgen het ontzet, dat hun toegezegd was, opdat de vijand op zijn hoede niet zijn zou, maar onvoorziens verrast en overvallen mocht worden. 1 Samuël 11:3 : Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al het gebied van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.
[^1samuel-11-11-20]: Kanttekening 20: van de anderen daags: Het schijnt dat dit geschied is van de anderen daags, nadat de boden van Jabes vertrokken waren naar de stad; en het was de achtste dag na de belofte van de stad over te geven, zo zij in zeven dagen niet ontzet werden.
[^1samuel-11-11-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, hoofden. Zo ook Richt. 7:16 , 7:20 . Richteren 7:16 : En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een ieder een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. Richteren 7:20 : Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon!
[^1samuel-11-11-22]: Kanttekening 22: van het leger: Te weten, van de Ammonieten.
[^1samuel-11-11-23]: Kanttekening 23: de morgenwake: Te weten, wanneer men pleegt van de wacht af te trekken.
[^1samuel-11-12-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 10:27 . 1 Samuël 10:27 : Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof.
[^1samuel-11-13-24]: Kanttekening 24: Er zal te deze dage: Zie dergelijk exempel 2 Sam. 19:22 . 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?
[^1samuel-11-14-25]: Kanttekening 25: zei Samuël tot het volk: Te weten, in het leger bij Jabes, nadat zij de Ammonieten geslagen en zo Jabes ontzet hadden.
[^1samuel-11-14-26]: Kanttekening 26: het koninkrijk daar vernieuwen: Dat is, Saul daar in het koninkrijk bevestigen. Er waren daar enige, die Saul niet hadden willen aannemen tot hun koning, 1 Sam. 10:27 . Samuël twijfelde niet of de kwaadwilligen zouden hem nu wel aannemen, omdat zij zijn dapperheid in de strijd gezien hadden, en de anderen hen hadden willen doden, maar Saul had dat verhinderd. 1 Samuël 10:27 : Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof.
[^1samuel-11-15-27]: Kanttekening 27: voor het aangezicht van YHWH te Gilgal: Zie boven, 1 Sam. 10:17 , en onder, 1 Sam. 14:18 . 1 Samuël 10:17 : Maar Samuël riep het volk te zamen tot YHWH, te Mizpa. 1 Samuël 14:18 : Toen zei Saul tot Ahia: Breng de ark van God herwaarts. Want de ark van God was op die dag bij de kinderen van Israël.

### 1 Samuël 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/12.json)

*Nadat Samuel het volk een koning gegeven had, vers 1 enz. verhaalt hij hoe hij zelf geregeerd had, 2. en hij vraagt daarvan getuigenis, 3. dat het volk hem geeft, 4. Samuel houdt hun de zonde voor ogen die zij begaan hadden door de HEERE te verwerpen en een koning te eisen, 7. Doch hij troost hen weer, indien zij de HEERE gehoorzaam zouden zijn, 14. en dreigt hen, indien zij Hem niet gehoorzamen, 15. Door een onverwacht teken verschrikt hij hen zozeer, 16. dat zij, hun misdaad erkennend, begeren met de HEERE verzoend te worden, 19. Samuel troost het volk, 20. met de belofte dat hij voor hen zou bidden, 23. Hen daarbij opnieuw vermanend de HEERE te vrezen en te dienen, 24.*

**1** [^1samuel-12-1-1] Toen zei Samuël tot geheel Israël: Zie, ik heb naar uw stem gehoord in alles, wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v1)

**2** En nu, ziet,[^1samuel-12-2-2] daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijn zonen[^1samuel-12-2-3] zijn bij u; en ik heb voor uw aangezichten gewandeld van mijn jeugd af tot deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v2)

**3** Zie, hier ben ik, betuigt tegen mij voor YHWH, en voor[^1samuel-12-3-4] Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wie ik verongelijkt heb, wie ik[^1samuel-12-3-5] onderdrukt heb, en van wiens hand ik[^1samuel-12-3-6] een geschenk genomen heb,[^1samuel-12-3-7] dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het u wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v3)

**4** Toen zeiden zij: U hebt ons niet verongelijkt, en u hebt ons niet onderdrukt, en u hebt van niemands hand iets genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v4)

**5** Toen zei hij tot hen: YHWH zij een Getuige tegen u, en Zijn gezalfde zij op deze dag getuige, dat[^1samuel-12-5-8] u in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zei: Hij zij Getuige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v5)

**6** Verder zei Samuël tot het volk: Het is YHWH, Die Mozes en Aäron[^1samuel-12-6-9] gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v6)

**7** En nu, stelt u hier, dat ik met u rechte, voor het aangezicht van YHWH, over al de[^1samuel-12-7-10] gerechtigheden van YHWH, die Hij aan u en aan uw vaders gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v7)

**8** [^1samuel-12-8-a] Nadat Jakob in Egypte gekomen was,[^1samuel-12-8-11] zo[^1samuel-12-8-b] riepen uw vaders tot YHWH; en YHWH[^1samuel-12-8-c] zond Mozes en Aäron, en zij leidden uw vaders uit Egypte, en deden[^1samuel-12-8-12] hen aan deze plaats wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v8)

**9** Maar zij vergaten YHWH, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van[^1samuel-12-9-d] Sisera, de oorlogsoverste, te Hazor, en in de[^1samuel-12-9-e] hand van de Filistijnen, en in de hand van[^1samuel-12-9-13][^1samuel-12-9-f] de koning van de Moabieten, die tegen hen streden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v9)

**10** En zij riepen tot YHWH, en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij YHWH verlaten, en de Baäls en Astharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit de hand van onze vijanden, en wij zullen U dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v10)

**11** En YHWH zond[^1samuel-12-11-14][^1samuel-12-11-g] Jerubbaäl, en[^1samuel-12-11-15][^1samuel-12-11-h] Bedan, en[^1samuel-12-11-i] Jeftha, en Samuël, en Hij rukte u uit de hand van uw vijanden rondom, zo dat u zeker woonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v11)

**12** Als u nu zag, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zei[^1samuel-12-12-k] u tot mij: Nee, maar een koning zal over ons regeren; zo toch YHWH, uw God, uw Koning was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v12)

**13** En nu, ziet daar de koning,[^1samuel-12-13-l] die[^1samuel-12-13-16] u gekozen hebt, die u begeerd hebt; en zie, YHWH[^1samuel-12-13-17] heeft een koning over u gezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v13)

**14** Zo[^1samuel-12-14-m] u YHWH zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en tegen de mond van YHWH niet opstandig bent, zo zult u, zowel u als de koning, die over u regeren zal,[^1samuel-12-14-18] achter YHWH, uw God, zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v14)

**15** Maar zo u naar de stem van YHWH niet zult horen, maar tegen de mond van YHWH opstandig zijn, zo zal de hand van YHWH, tegen u zijn,[^1samuel-12-15-19] als tegen uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v15)

**16** Ook[^1samuel-12-16-20] stelt u nu hier, en ziet die grote zaak, die YHWH voor uw ogen doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v16)

**17** Is[^1samuel-12-17-21] het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot YHWH roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat u voor de ogen van YHWH gedaan hebt, dat u een koning voor u begeerd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v17)

**18** Toen Samuël YHWH aanriep, zo gaf YHWH donder en regen op die dag; daarom vreesde al het volk zeer YHWH en Samuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v18)

**19** En al het volk zei tot Samuël: Bid[^1samuel-12-19-22] voor uw knechten tot YHWH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v19)

**20** Toen zei Samuël tot het volk: Vrees niet, u hebt al dit kwaad gedaan;[^1samuel-12-20-23] maar wijk niet[^1samuel-12-20-24] van achter YHWH af, maar dient YHWH met uw hele hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v20)

**21** En[^1samuel-12-21-25] wijkt niet af; want u zou[^1samuel-12-21-26] de zinloosheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn zinloosheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v21)

**22** Want YHWH zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat YHWH beliefd heeft, u Zich tot een volk te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v22)

**23** Wat ook mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen YHWH zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar[^1samuel-12-23-27] ik zal u de goede en rechte weg leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v23)

**24** Vrees slechts YHWH, en dient Hem trouw met uw hele hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij u gedaan heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v24)

**25** Maar als u[^1samuel-12-25-28] voortaan kwaad doet, zo zult u, als ook uw koning, omkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/12.html#v25)

[^1samuel-12-1-1]: Kanttekening 1: zei Samuël tot geheel Israël: Te weten, te Gilgal, waar hij de koning had bevestigd, 1 Sam. 11:15 . 1 Samuël 11:15 : Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul daar koning voor het aangezicht van YHWH te Gilgal; en zij offerden daar dankofferen voor het aangezicht van YHWH; en Saul verheugde zich daar geheel zeer, met al de mannen van Israël.
[^1samuel-12-2-2]: Kanttekening 2: daar trekt de koning: Dat is, hij is in zijn ambt bevestigd, om u voor te gaan in de krijg en om u te regeren.
[^1samuel-12-2-3]: Kanttekening 3: zijn bij u: Dat is, zij wonen en verkeren onder u, niet meer als regenten, maar als burgers en particuliere personen, buiten alle regering; gebruikt hen waartoe het u belieft.
[^1samuel-12-3-4]: Kanttekening 4: Zijn gezalfde: Te weten, de koning Saul, die ik op bevel van de Heer tot een koning over u gezalfd heb; zo ook onder, vers 5 , en 1 Sam. 24:7 . 1 Samuël 12:5 : Toen zei hij tot hen: YHWH zij een Getuige tegen u, en Zijn gezalfde zij te deze dage getuige, dat u in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zei: Hij zij Getuige! 1 Samuël 24:7 : En hij zei tot zijn mannen: Dat late YHWH ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, de gezalfde van YHWH, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde van YHWH!
[^1samuel-12-3-5]: Kanttekening 5: onderdrukt heb: Te weten, door valse en lasterlijke woorden, of kwaad beleid van zaken.
[^1samuel-12-3-6]: Kanttekening 6: een geschenk genomen heb: Hebreeuws, מִי֙, een verzoening; dat is, een geschenk, waarmee zich de misdadiger met de toornige richter als verzoent en zijn gunst koopt.
[^1samuel-12-3-7]: Kanttekening 7: dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben: Dat is, dat ik zijn misdaag niet zou gezien hebben, om die te straffen naar behoren. Of in deze zin: Dat ik zou moeten schaamrood worden, en hem niet durven aanzien, wanneer hij mij in mijn aangezicht zou verweten hebben, dat ik geschenken van hem genomen heb. Anders, ja ik heb mijn ogen daarvoor verborgen, of, daarom zou verborgen hebben.
[^1samuel-12-5-8]: Kanttekening 8: u in mijn hand niets gevonden hebt: Te weten, dat ik genomen heb om het recht te buigen, of te verkeren, of dat mij tot schande of oneer zou kunnen gerekend worden.
[^1samuel-12-6-9]: Kanttekening 9: gemaakt heeft: Dat is, groot en heerlijk gemaakt heeft; te weten, de ene tot een leidsman van het volk, de andere tot een hogepriester.
[^1samuel-12-7-10]: Kanttekening 10: gerechtigheden van YHWH: Versta door dit woord zowel beloften en weldaden, als bedreigingen en straffen. Hij wil het volk te kennen geven dat de Heer in al zijne werken zich betoond had te zijn een rechtvaardig God, zowel in het geven van zijn weldaden als wanneer Hij hen gestraft heeft, toen zij van Hem zijn afgevallen. Vergelijk Richt. 5:11 ; Micha 6:5 met de aantekeningen. Richteren 5:11 : Van het gedruis van de schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt daar te zamen van de gerechtigheid van YHWH, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël; toen ging het volk van YHWH af tot de poorten. Micha 6:5 : Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van YHWH kent.
[^1samuel-12-8-a]: Verwijzing a: Gen. 46:5 . Genesis 46:5 : Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had, om hem te voeren.
[^1samuel-12-8-11]: Kanttekening 11: zo riepen uw vaders tot YHWH: Samuël voegt hier aaneen wat vele jaren daarna gevolgd is, want de Israëlieten riepen nog en klaagden tot de Heer niet, toen zij eerst met Jakob in Egypte gekomen waren, maar lang daarna, toen er een koning was opgestaan, die hun zware dienstbaarheid oplegde. Zie Ex. 1:13 , 1:14 , en Ex. 2:23 , 2:24 , enz. Exodus 1:13 : En de Egyptenaars deden de kinderen van Israël dienen met hardheid; Exodus 1:14 : Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid. Exodus 2:23 : En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God. Exodus 2:24 : En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.
[^1samuel-12-8-b]: Verwijzing b: Ex. 2:23 . Exodus 2:23 : En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.
[^1samuel-12-8-c]: Verwijzing c: Ex. 3:10 . Exodus 3:10 : Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat u Mijn volk (de kinderen van Israël) uit Egypte voert.
[^1samuel-12-8-12]: Kanttekening 12: aan deze plaats wonen: Te weten, aan deze en aan de andere zijde van de Jordaan, in het land Kanaän. Mozes heeft haar gesteld in het koninkrijk van de Amorieten, maar Jozua in het land Kanaän.
[^1samuel-12-9-d]: Verwijzing d: Richt. 4:2 . Richteren 4:2 : Zo verkocht hen YHWH in de hand van Jabin, koning van de Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelfde nu woonde in Haroseth van de heidenen.
[^1samuel-12-9-e]: Verwijzing e: Richt. 10:7 ; Richt. 13:1 . Richteren 10:7 : Zo ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons. Richteren 13:1 : En de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren.
[^1samuel-12-9-13]: Kanttekening 13: van de koning van de Moabieten: Genaamd Eglon, Richt. 3:12 . Richteren 3:12 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; toen sterkte YHWH Eglon, de koning van de Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^1samuel-12-9-f]: Verwijzing f: Richt. 3:12 . Richteren 3:12 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; toen sterkte YHWH Eglon, de koning van de Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^1samuel-12-11-14]: Kanttekening 14: Dat is, Gideon, waarom hij Jerubbaäl is genoemd geworden, zie Richt. 6:32 . Richteren 6:32 : Daarom noemde hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.
[^1samuel-12-11-g]: Verwijzing g: Richt. 6:14 . Richteren 6:14 : Toen keerde zich YHWH tot hem, en zei: Ga heen in deze uw kracht, en u zult Israël uit van de Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?
[^1samuel-12-11-15]: Kanttekening 15: Anders, Jaïr genoemd, zoals enige menen, een Gileadiet; Richt. 10:3 . Het kan wel zijn, dat de richter Jaïr ook Bedan is genoemd geweest, om hem te onderscheiden van een anderen Jaïr, die ten tijde van Mozes geleefd heeft, waarvan te lezen is Num. 32:41 . Te meer omdat 1 Kron. 7:17 gemeld wordt een Bedan onder de kinderen van Machir, Gileads vader. Anderen nemen Bedan voor Simson, omdat hij uit de stam Dan was; anderen voor Abdon, omdat de namen schijnen overeen te komen; Richt. 12:13 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren. Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr. 1 Kronieken 7:17 : De kinderen van Ulam nu waren Bedan; deze zijn de kinderen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. Richteren 12:13 : En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.
[^1samuel-12-11-h]: Verwijzing h: Richt. 10:3 . Richteren 10:3 : En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
[^1samuel-12-11-i]: Verwijzing i: Richt. 11:15 . Richteren 11:15 : En hij zei tot hem: Zo zegt Jeftha: Israël heeft het land van de Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen;
[^1samuel-12-12-k]: Verwijzing k: 1 Sam. 8:5 ; idem v. 19 . 1 Samuël 8:5 : En zij zeiden tot hem: Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. 1 Samuël 8:19 : Maar het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Nee, maar er zal een koning over ons zijn.
[^1samuel-12-13-l]: Verwijzing l: 1 Sam. 10:19 . 1 Samuël 10:19 : Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht van YHWH, naar uw stammen en naar uw duizenden.
[^1samuel-12-13-16]: Kanttekening 16: u gekozen hebt: Te weten, nadat het lot over de Heer getrokken was; boven, 1 Sam. 10:19 . 1 Samuël 10:19 : Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht van YHWH, naar uw stammen en naar uw duizenden.
[^1samuel-12-13-17]: Kanttekening 17: heeft een koning over u gezet: Te weten, toen Hij u uw begeerte heeft ingewilligd, hoewel zij kwaad en met grote ondankbaarheid vermengd was.
[^1samuel-12-14-m]: Verwijzing m: Deut. 1:26 . Deuteronomium 1:26 : Maar u wilde niet optrekken; maar u was de mond van YHWH uws Gods, opstandig.
[^1samuel-12-14-18]: Kanttekening 18: achter YHWH: Hij wil zeggen: De Heer zal voor u gaan, Hij zal u leiden en stieren, beschutten en beschermen. Anders, u zult Hem navolgen.
[^1samuel-12-15-19]: Kanttekening 19: als tegen uw vaders: Anders, en tegen uw vaders; dat is, koningen of vaderlijke huizen.
[^1samuel-12-16-20]: Kanttekening 20: stelt u nu hier : Dat is, houdt wat stil, hebt wat geduld, dat u ziet en hoort wat de Heer doen zal.
[^1samuel-12-17-21]: Kanttekening 21: niet vandaag de tarweoogst: Alsof hij zei: Is het nu niet een schone en klare dag, gelijk de dagen in de tarwenoogst plegen te zijn? op welke tijden het niet placht te regenen; Spreuk. 26:1 . U ziet nu geen teken van onweer voorhanden. Nochtans zult u zien dat ik, door mijn gebed, regen en donder van de Heer verkrijgen zal. Spreuken 26:1 : Gelijk de sneeuw in de zomer, en gelijk de regen in de oogst, zo past de zot de eer niet.
[^1samuel-12-19-22]: Kanttekening 22: voor uw knechten YHWH, uw God: Dat is, voor ons.
[^1samuel-12-20-23]: Kanttekening 23: maar wijkt niet: Alsof hij zeggen wilde: Al hebt u zoveel kwaad gedaan, zo zal Hij u evenwel genadig zijn, als u aflaat van zondigen.
[^1samuel-12-20-24]: Kanttekening 24: van achter YHWH af: Dat is, van zijne navolging.
[^1samuel-12-21-25]: Kanttekening 25: wijkt niet af: Te weten, van de Heer.
[^1samuel-12-21-26]: Kanttekening 26: de ijdelheden na volgen : Dat is, de afgoden, die ijdelheden genoemd worden, \[omdat de afgod niet is in de wereld \]; gelijk Paulus zegt 1 Kor. 8:4 ; òf, omdat zij niet bevorderlijk zijn, gelijk Samuël hier zegt; òf omdat zij niets anders zijn dan het werk van de handen van de mensen, Lev. 19:4 ; Ps. 115:4 ; òf omdat zij de mensen tot ijdelheid en leugens verwekken. 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God! Psalmen 115:4 : Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de handen van de mensen;
[^1samuel-12-23-27]: Kanttekening 27: ik zal u de goede en rechte weg leren: Te weten, als een profeet en leraar, van God beroepen, betaamt. Zie 1 Kor. 9:16 . 1 Korinthiërs 9:16 : Want als ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!
[^1samuel-12-25-28]: Kanttekening 28: voortaan kwaad doet: Hebreeuws, תָּרֵ֑עוּ, kwaad doende doet.

### 1 Samuël 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/13.json)

*Saul kiest 3000 krijgslieden, die bij hem en bij Jonathan zouden zijn, vers 1 enz. Jonathan verslaat de bezetting van de Filistijnen te Gibea, 3. Saul laat heel het volk samenroepen, 4. De Filistijnen komen met een grote macht om tegen Israël te strijden, 5. De Israëlieten verbergen zich uit vrees in de spelonken enz. 6. Saul offert voordat Samuel bij hem komt, 7. daarover wordt hij door Samuel bestraft, 11. en hij voorzegt hem dat zijn koningschap niet bestendig zou zijn, 13. Saul houdt zich met zijn volk te Gibea, 16. De Filistijnen vallen in het land van Israël met drie groepen, 17. waar wapens ontbreken, 19. Alleen Saul en Jonathan hebben wapens, 22.*

**1** [^1samuel-13-1-1] Saul was een jaar in zijn regering geweest, en[^1samuel-13-1-2] het tweede jaar regeerde hij over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v1)

**2** Toen verkoos zich Saul[^1samuel-13-2-3] drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te[^1samuel-13-2-4] Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te[^1samuel-13-2-5] Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, ieder naar zijn tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v2)

**3** Maar Jonathan[^1samuel-13-3-6] sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te[^1samuel-13-3-7] Geba was, dat de Filistijnen[^1samuel-13-3-8] hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het hele land, zeggende:[^1samuel-13-3-9] Laat het de Hebreën horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v3)

**4** Toen hoorde het hele Israël zeggen:[^1samuel-13-4-10] Saul heeft de bezetting van de Filistijnen geslagen,[^1samuel-13-4-11] en ook is Israël in kwade reuk gekomen bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v4)

**5** En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël,[^1samuel-13-5-12] dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat[^1samuel-13-5-13] aan de oever van de zee is; en zij trokken op, en sloegen hun kamp op te[^1samuel-13-5-14] Michmas, tegen het oosten van[^1samuel-13-5-15] Beth-Aven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v5)

**6** Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich[^1samuel-13-6-16] het volk in de grotten, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v6)

**7** De[^1samuel-13-7-17] Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo[^1samuel-13-7-18] kwam al het volk bevende achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v7)

**8** [^1samuel-13-8-19] En hij bleef zeven dagen, tot de tijd, die[^1samuel-13-8-20] Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide[^1samuel-13-8-21] het volk van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v8)

**9** Toen[^1samuel-13-9-22] zei Saul: Breng tot mij herwaarts een brandoffer, en dankoffers; en hij[^1samuel-13-9-23] offerde brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v9)

**10** En het gebeurde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet,[^1samuel-13-10-24] om hem te zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v10)

**11** Toen zei Samuël:[^1samuel-13-11-25] Wat hebt u gedaan? Saul nu zei: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en u op de bestemde tijd van de dagen niet kwam, en de Filistijnen te Michmas verzameld waren,[^1samuel-13-11-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v11)

**12** [^1samuel-13-12-27] Zo zei ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht van YHWH niet ernstig aangebeden,[^1samuel-13-12-29] zo dwong ik mijzelf, en heb brandoffer geofferd.[^1samuel-13-12-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v12)

**13** Toen zei Samuël tot Saul:[^1samuel-13-13-30] U hebt dwaas gedaan; u hebt het gebod van YHWH, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want YHWH zou nu uw[^1samuel-13-13-31] rijk over Israël bevestigd hebben tot[^1samuel-13-13-32] in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v13)

**14** Maar nu zal uw rijk niet bestaan.[^1samuel-13-14-33] YHWH heeft Zich[^1samuel-13-14-34] een man gezocht naar Zijn hart, en YHWH[^1samuel-13-14-35] heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat YHWH u geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v14)

**15** Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibeä-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd,[^1samuel-13-15-36] ongeveer zeshonderd man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v15)

**16** En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te[^1samuel-13-16-37] Gibeä-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v16)

**17** En[^1samuel-13-17-38] de plunderaars gingen uit het leger van de Filistijnen, in drie groepen; de ene groep keerde zich op de weg naar[^1samuel-13-17-39] Ofra, naar het land Sual; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v17)

**18** En één hoop keerde zich naar de weg van[^1samuel-13-18-40] Beth-Horon; en één hoop keerde zich naar de weg van de grens, die naar het dal[^1samuel-13-18-41] Zeboim naar de woestijn uitziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v18)

**19** En er[^1samuel-13-19-a] werd geen smid gevonden in het hele land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd:[^1samuel-13-19-42] Opdat de Hebreën geen zwaard noch speer maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v19)

**20** Daarom moest geheel Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat ieder zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v20)

**21** Maar zij hadden[^1samuel-13-21-43] tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige[^1samuel-13-21-44] vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen[^1samuel-13-21-45] van de prikkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v21)

**22** En het gebeurde op de dag van de strijd, dat er geen zwaard noch speer[^1samuel-13-22-46] gevonden werd in de hand van het hele volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v22)

**23** En het leger van de[^1samuel-13-23-47] Filistijnen trok naar[^1samuel-13-23-48] de doortocht van Michmas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/13.html#v23)

[^1samuel-13-1-1]: Kanttekening 1: was een jaar in zijn regering geweest: Hebreeuws, מָלְכ֑, Saul zijnde eens jaars zoons in zijn regeren.
[^1samuel-13-1-2]: Kanttekening 2: het tweede jaar regeerde hij over Israël: Hebreeuws, מָלַ֖ךְ, twee jaren; dat is, tweede jaar. Zie Richt. 14:17 . Richteren 14:17 : En zij weende voor hem, op de zevende van de dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel de kinderen haars volks.
[^1samuel-13-2-3]: Kanttekening 3: drie duizend mannen uit Israël: Deze 3000 mannen pasten zo op Sauls dienst, waar heen en waartoe hij hen gebruiken wilde.
[^1samuel-13-2-4]: Kanttekening 4: Michmas en op het gebergte van Beth-El: Versta dit niet van een stad zo genoemd, maar van een hoek van het land in de landpale van Benjamin, bij de berg Beth-El; want gelijk hier gezegd wordt dat Saul te Michmas met zijn volk was, zo staat hier onder, vers 5 , dat ook de Filistijnen zich te Michmas legerden. 1 Samuël 13:5 : En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
[^1samuel-13-2-5]: Kanttekening 5: Zie Richt. 19:12 . Richteren 19:12 : Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen van Israël; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe.
[^1samuel-13-3-6]: Kanttekening 6: sloeg de bezetting van de Filistijnen: Te weten, door Sauls bevel, gelijk blijkt vers 4 . 1 Samuël 13:4 : Toen hoorde het gehele Israël zeggen: Saul heeft de bezetting van de Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal.
[^1samuel-13-3-7]: Kanttekening 7: te Geba was: Anders, op de heuvel. Zie boven, 1 Sam. 10:5 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar de bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.
[^1samuel-13-3-8]: Kanttekening 8: Versta hierbij, en zij bereidden zich om de Israëlieten te bekrijgen.
[^1samuel-13-3-9]: Kanttekening 9: Laat het de Hebreën horen: Te weten, opdat zij zich wachten, dat zij van de Filistijnen niet overvallen worden, maar zich tegen hen wapenen of opmaken, om tegen de Filistijnen te strijden.
[^1samuel-13-4-10]: Kanttekening 10: Saul heeft de bezetting van de Filistijnen geslagen: Niet Saul, maar Jonathan door Sauls bevel, of, zij meenden dat het Saul gedaan had.
[^1samuel-13-4-11]: Kanttekening 11: en ook is Israël stinkende geworden: Zie Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^1samuel-13-5-12]: Kanttekening 12: dertig duizend wagens: Dat is, 30.000 mannen, die op wagens zijnde, uit die streden.
[^1samuel-13-5-13]: Kanttekening 13: aan de oever van de zee is: Hebreeuws, שְׂפַֽת, aan de lip.
[^1samuel-13-5-14]: Kanttekening 14: Zie boven, vers 2 . 1 Samuël 13:2 : Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, een ieder naar zijn tent.
[^1samuel-13-5-15]: Kanttekening 15: Daar was een stad aldus genoemd en ook een woestijn, Joz. 18:12 . Jozua 18:12 : En hun landpale was naar de hoek noordwaarts van de Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven.
[^1samuel-13-6-16]: Kanttekening 16: het volk: Te weten, de krijgslieden van de Israëlieten, die bij Saul waren.
[^1samuel-13-7-17]: Kanttekening 17: Hebreën nu gingen over de Jordaan: Versta hier, het gemene volk, dat niet strijdbaar was.
[^1samuel-13-7-18]: Kanttekening 18: kwam al het volk bevende achter hem: Hebreeuws, אַחֲרָֽי, zo beefde al het volk achter hem. Dit schijnt dat te verstaan is van het volk, dat zich verborgen had, vers 6 . 1 Samuël 13:6 : Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
[^1samuel-13-8-19]: Kanttekening 19: En hij bleef zeven dagen: 1 Sam. 10:8 . 1 Samuël 10:8 : U nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden van de dankzegging; zeven dagen zult u daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat u doen zult.
[^1samuel-13-8-20]: Kanttekening 20: Samuël bestemd had: Zie boven, 1 Sam. 10:8 , tot wat einde deze dag bestemd was. 1 Samuël 10:8 : U nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden van de dankzegging; zeven dagen zult u daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat u doen zult.
[^1samuel-13-8-21]: Kanttekening 21: het volk van hem: Te weten, het strijdbare volk, dat bij hem geweest was. Dit verliep ginds en herwaarts, Saul verlatende.
[^1samuel-13-9-22]: Kanttekening 22: zei Saul: Te weten, verdrietig en moe zijnde van langer te wachten, en vrezende het perijkel, dat voorhanden was. Zie vers 11 , 13:12 . 1 Samuël 13:11 : Toen zei Samuël: Wat hebt u gedaan? Saul nu zei: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en u op de bestemde tijd van de dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren, 1 Samuël 13:12 : Zo zei ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht van YHWH niet ernstig aangebeden, zo dwong ik mijzelf, en heb brandoffer geofferd.
[^1samuel-13-9-23]: Kanttekening 23: offerde brandoffer: Te weten, door een priester, en versta hierbij dat Saul ook de Heer gebeden heeft, gelijk blijkt onder vers 12 . Als Saul zelf geofferd heeft \[gelijk sommigen menen\], zo is zijn zonde nog des te groter geweest. 1 Samuël 13:12 : Zo zei ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht van YHWH niet ernstig aangebeden, zo dwong ik mijzelf, en heb brandoffer geofferd.
[^1samuel-13-10-24]: Kanttekening 24: om hem te zegenen: Dat is, om hem te groeten en welkom te heten. Zie de aantekeningen Gen. 31:55 . Genesis 31:55 : En Laban stond 's morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats.
[^1samuel-13-11-25]: Kanttekening 25: Wat hebt u gedaan: Dit is geen vraag van een onwetende, maar veel meer een ernstige bestraffing, gelijk Gen. 3:13 . Genesis 3:13 : En YHWH God zei tot de vrouw: Wat is dit, dat u gedaan hebt? En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.
[^1samuel-13-11-26]: Kanttekening 26: op de bestemde tijd van de dagen niet kwaamt: Samuël is immers op de zevende dag bij Saul gekomen, alhoewel hij niet even op die ure daar was, in welke Saul hem verwachtte.
[^1samuel-13-12-27]: Kanttekening 27: Zo zei ik: Te weten, bij mijzelf; dat is, ik dacht.
[^1samuel-13-12-29]: Kanttekening 29: zo dwong ik mijzelf: Of, ik heb mijzelf geweld gedaan; dat is, ik heb het onwillens en met een grote strijd mijns gemoeds gedaan, ja als door nood gedwongen zijnde.
[^1samuel-13-12-28]: Kanttekening 28: ernstig aangebeden: Bij de offeranden werden gebeden tot God gedaan.
[^1samuel-13-13-30]: Kanttekening 30: U hebt zottelijk gedaan: Te weten, dat u de bestemde tijd niet hebt afgewacht.
[^1samuel-13-13-31]: Kanttekening 31: rijk over Israël bevestigd hebben: Dat is, het rijk waarover Hij u gesteld had, om als koning te regeren.
[^1samuel-13-13-32]: Kanttekening 32: in eeuwigheid: Dat is, lange tijd, al uw leven lang, of op u en op enige van uw nakomelingen; te weten, zo u mij gehoorzaam geweest was. Maar naar het eeuwig besluit van God moest eindelijk het koninkrijk op de stam van Juda komen. Zie Deut. 15:17 in de aantekening. Deuteronomium 15:17 : Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^1samuel-13-14-33]: Kanttekening 33: YHWH heeft Zich: Dit kon Samuël niet weten dan door het ingeven Gods.
[^1samuel-13-14-34]: Kanttekening 34: een man gezocht naar Zijn hart: Te weten, David, waarvan onder, 1 Sam. 16 , breder gesproken wordt. Maar in deze tijd wist Samuël zelf dit nog niet, gelijk blijkt onder, 1 Sam. 16 .
[^1samuel-13-14-35]: Kanttekening 35: heeft hem geboden: Van die tijd af, toen David van God tot een koning gekozen is geweest, heeft Saul ontwettelijk geregeerd.
[^1samuel-13-15-36]: Kanttekening 36: omtrent zeshonderd man: Daar hij er 2000 placht te hebben, vers 2 . Het schijnt dat de anderen uit vrees verlopen waren. Zie boven, vers 6 , 13:8 . 1 Samuël 13:2 : Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, een ieder naar zijn tent. 1 Samuël 13:6 : Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten. 1 Samuël 13:8 : En hij bleef zeven dagen, tot de tijd, die Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.
[^1samuel-13-16-37]: Kanttekening 37: Anders, Gibeä Benjamins, vers 15 , en elders Gibeä Sauls. 1 Samuël 13:15 : Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibeä-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
[^1samuel-13-17-38]: Kanttekening 38: de verdervers gingen uit het leger van de Filistijnen: Hebreeuws, שְׁלֹשָׁ֣ה, de verderver; dat is, de krijgslieden, die uitgezonden waren om het land met branden en blaken en anders te beschadigen.
[^1samuel-13-17-39]: Kanttekening 39: Een stad van de Benjaminieten, van welke ook Joz. 18:23 , gewag gemaakt wordt. Jozua 18:23 : En Haävvim, en Para, en Ofra,
[^1samuel-13-18-40]: Kanttekening 40: Gelegen in de stam van Efraïm, aan de landpale Benjamins, Joz. 16:3 , en Joz. 18:13 . Jozua 16:3 : En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee. Jozua 18:13 : En van daar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Beth-El), zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atroth-Addar, aan de berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is.
[^1samuel-13-18-41]: Kanttekening 41: Zeboim naar de woestijn uitziet: Gelegen in de stam Benjamins, aan de woestijn van de Jordaan, waarvan ook Neh. 11:34 gesproken wordt. Nehemia 11:34 : Hadid, Zeboim, Neballat,
[^1samuel-13-19-a]: Verwijzing a: Richt. 5:8 . Richteren 5:8 : Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israël?
[^1samuel-13-19-42]: Kanttekening 42: Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken: Versta hierbij, wij moeten toezien, gelijk Gen. 3:22 . Genesis 3:22 : Toen zei YHWH God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van de boom van het leven, en ete, en leve in eeuwigheid.
[^1samuel-13-21-43]: Kanttekening 43: tandige vijlen tot hun houwelen: Hebreeuws, פִ֗ים, vijlen \[met\] monden; dat is, die scherpe tanden hadden.
[^1samuel-13-21-44]: Kanttekening 44: Of, gaffelen.
[^1samuel-13-21-45]: Kanttekening 45: van de prikkelen: Het Hebreeuwse woord betekent een scherpe in een ploegstok, waar men de ploegende beesten mee prikkelt om die voort te drijven.
[^1samuel-13-22-46]: Kanttekening 46: gevonden werd: Vanwege de zware heerschappij van de Filistijnen, vers 19 . 1 Samuël 13:19 : En er werd geen smid gevonden in het gehele land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken.
[^1samuel-13-23-47]: Kanttekening 47: Anders, bezetting.
[^1samuel-13-23-48]: Kanttekening 48: de doortocht van Michmas: Denwelken als zij in hadden, zo hadden zij een vrijen pas in het land van de Benjaminieten.

### 1 Samuël 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/14.json)

*Jonathan met zijn wapendrager verslaan twintig mannen in het leger van de Filistijnen, vers 1 enz. waardoor het hele leger verschrikt wordt, 15. Toen Saul dit gewaarwerd, vervolgt hij hen, doch de Filistijnen verslaan elkaar, 20. De Israëlieten die bij de Filistijnen waren, voegen zich bij Saul, 21. evenals alle Israëlieten die zich op het gebergte verborgen hadden, 22. Saul bezweert het volk dat niemand voor de avond iets zou eten, 24. zodat niemand van de druipende honing durfde te eten, 25. Jonathan eet wat honing en wordt daardoor verkwikt, 27. Het volk, hongerig zijnde, eet het vlees met het bloed, 32. wat Saul hun verbiedt, 34. Hij bouwt een altaar, 35. Hij vervolgt zijn vijanden, 36. Saul vraagt de HEERE, maar krijgt geen antwoord, 37. Saul laat het lot werpen om te weten wie zich bezondigd had, 40. Het lot treft Jonathan, 43. Saul wil hem doden, maar wordt door het volk verhinderd, 44. Saul voert oorlog; zijn zonen, dochters, vrouw, legeroverste, vader, enz. 47.*

**1** Het gebeurde nu op één dag, dat Jonathan, de zoon van Saul, tot de jongen, die zijn wapenen droeg, zei: Kom, en laat ons tot de bezetting van de Filistijnen overgaan, die aan de overzijde is;[^1samuel-14-1-1] maar hij gaf het zijn vader niet te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v1)

**2** Saul nu[^1samuel-14-2-2] zat aan het uiterste van Gibeä onder de granatenboom, die[^1samuel-14-2-3] te Migron was; en[^1samuel-14-2-a] het volk, dat bij hem was, was ongeveer zeshonderd man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v2)

**3** En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer[^1samuel-14-3-4] van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli,[^1samuel-14-3-5] was priester van YHWH, te Silo,[^1samuel-14-3-6] dragende de[^1samuel-14-3-7] efod; maar[^1samuel-14-3-8] het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v3)

**4** Er was nu tussen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot de bezetting van de Filistijnen, een[^1samuel-14-4-9] scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan[^1samuel-14-4-10] de overzijde; en de naam van de ene was Bozes, en de naam van[^1samuel-14-4-11] de andere Sene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v4)

**5** De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v5)

**6** Jonathan nu zei tot de jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting[^1samuel-14-6-12] van deze onbesnedenen overgaan;[^1samuel-14-6-13] misschien zal YHWH voor ons werken; want bij YHWH is geen verhindering, om te verlossen door velen of[^1samuel-14-6-15] door weinigen.[^1samuel-14-6-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v6)

**7** Toen zei zijn wapendrager tot hem: Doe[^1samuel-14-7-16] al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u,[^1samuel-14-7-17] naar uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v7)

**8** Jonathan nu zei: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en[^1samuel-14-8-18] wij zullen ons aan hen ontdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v8)

**9** Als[^1samuel-14-9-19] zij zo tot ons zeggen:[^1samuel-14-9-20] Sta stil, totdat wij aan u komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v9)

**10** Maar zeggen zij zo: Klim tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want YHWH heeft hen in onze hand gegeven; en[^1samuel-14-10-21] dit zal ons een teken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v10)

**11** Toen zij beiden zich aan de bezetting van de Filistijnen ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Zie, de Hebreën zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstopt hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v11)

**12** Verder[^1samuel-14-12-22] antwoordden de mannen van de bezetting aan Jonathan en zijn wapendrager, en zeiden: Klim op tot ons, en[^1samuel-14-12-23] wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zei tot zijn wapendrager: Klim op achter mij, want YHWH heeft hen gegeven in de hand van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v12)

**13** Toen klom Jonathan op zijn handen en op zijn voeten, en zijn wapendrager hem na; en[^1samuel-14-13-24] zij vielen voor Jonathans aangezicht, en[^1samuel-14-13-25] zijn wapendrager doodde ze achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v13)

**14** Deze eerste slag nu, waarmee Jonathan en zijn wapendrager ongeveer twintig mannen versloegen,[^1samuel-14-14-26] gebeurde ongeveer in de helft van een bunder, zijnde[^1samuel-14-14-27] een juk ossen lands. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v14)

**15** En er was een beving in[^1samuel-14-15-28] het leger, op het veld en onder het hele volk; de bezetting en de[^1samuel-14-15-29] verdervers beefden ook zelf; ja, het land werd beroerd, want het was[^1samuel-14-15-30] een beving Gods. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v15)

**16** Als nu de wachters van Saul te Gibeä-benjamins zagen, dat, ziet, de[^1samuel-14-16-31] menigte versmolt, en doorging, en geklopt werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v16)

**17** Toen zei Saul tot het volk, dat bij hem was: Telt toch, en beziet, wie van ons weggegaan zijn. En zij telden, en ziet, Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v17)

**18** Toen zei Saul tot[^1samuel-14-18-32] Ahia:[^1samuel-14-18-33] Breng de ark van God herwaarts. Want de ark van God was op die dag bij de Israëlieten.[^1samuel-14-18-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v18)

**19** En het gebeurde, toen Saul nog tot de priester sprak, dat het rumoer, dat in het leger van de Filistijnen was,[^1samuel-14-19-35] zeer toenam en vermenigvuldigde; zo zei Saul tot de priester:[^1samuel-14-19-36] Haal uw hand in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v19)

**20** Saul nu, en al het volk, dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde; en ziet,[^1samuel-14-20-37] het zwaard van de enen was tegen de anderen, er was een zeer groot geluid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v20)

**21** Er waren ook Hebreën[^1samuel-14-21-38] bij de Filistijnen,[^1samuel-14-21-39] als vroeger, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; deze nu[^1samuel-14-21-40] vervoegden zich ook met de Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v21)

**22** Als alle mannen van Israël,[^1samuel-14-22-41] die zich verstopt hadden in het gebergte van Efraïm, hoorden, dat de Filistijnen vluchtten,[^1samuel-14-22-42] zo kleefden zij ook hen achteraan in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v22)

**23** Zo verloste YHWH Israël op die dag; en het[^1samuel-14-23-43] leger trok over naar[^1samuel-14-23-44] Beth-aven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v23)

**24** En de mannen van Israël werden[^1samuel-14-24-45] verzwakt op die dag; want Saul[^1samuel-14-24-46] had het volk bezworen, zeggende:[^1samuel-14-24-47] Vervloekt zij de man, die[^1samuel-14-24-48] voedsel eet tot aan de avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat hele volk geen voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v24)

**25** En[^1samuel-14-25-49] het hele volk kwam in een woud; en daar was honing op het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v25)

**26** Toen het volk in het woud kwam, ziet, zo was er een honigvloed; maar[^1samuel-14-26-50] niemand raakte met zijn hand aan zijn mond, want het volk vreesde de bezwering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v26)

**27** Maar[^1samuel-14-27-51] Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van de staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte die in een honigraat; als hij nu[^1samuel-14-27-52] zijn hand tot zijn mond wendde, zo[^1samuel-14-27-53] werden zijn ogen verlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v27)

**28** Toen[^1samuel-14-28-54] antwoordde een man uit het volk, en zei: Uw vader[^1samuel-14-28-55] heeft het volk moeizaam bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die[^1samuel-14-28-56] vandaag brood eet![^1samuel-14-28-57] Daarom bezwijkt het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v28)

**29** Toen zei Jonathan: Mijn vader heeft[^1samuel-14-29-58] het land in het ongeluk gestort; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honing gesmaakt heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v29)

**30** Hoe[^1samuel-14-30-59] veel meer, als het volk vandaag had mogen[^1samuel-14-30-60] vrij eten van[^1samuel-14-30-61] de buit van zijn vijanden, die het gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v30)

**31** Maar zij sloegen op die dag de Filistijnen van Michmas tot[^1samuel-14-31-62] Ajalon; en het volk was zeer moe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v31)

**32** Toen[^1samuel-14-32-63] maakte zich het volk aan de buit, en zij namen schapen, en runderen, en[^1samuel-14-32-64] kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at[^1samuel-14-32-65] ze met het bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v32)

**33** En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk verzondigt zich aan YHWH, etende met het bloed. En hij zei: U hebt trouweloos gehandeld; wentelt[^1samuel-14-33-67] vandaag[^1samuel-14-33-68] een grote steen tot mij.[^1samuel-14-33-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v33)

**34** Verder sprak Saul: Verstrooi u onder het volk, en zegt tot hen: Breng tot mij ieder zijn os, en ieder zijn schaap, en slacht het hier, en eet, en bezondigt u niet aan YHWH, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk ieder zijn os met zijn hand, in de nacht, en slachtte ze daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v34)

**35** Toen bouwde Saul YHWH een altaar;[^1samuel-14-35-69] dit was het eerste altaar, dat hij YHWH bouwde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v35)

**36** Daarna zei Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na, bij nacht, en laat ons hen beroven, totdat het morgen licht worde, en laat ons niet één man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is in uw ogen; maar de priester zei: Laat ons herwaarts[^1samuel-14-36-70] tot God naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v36)

**37** Toen[^1samuel-14-37-71] vraagde Saul God: Zal ik aftrekken de Filistijnen na? Zult U ze in de hand van Israël overgeven? Maar[^1samuel-14-37-72] Hij antwoordde hem niet op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v37)

**38** Toen zei Saul: Kom herwaarts[^1samuel-14-38-73][^1samuel-14-38-b] uit alle hoeken van het volk, en[^1samuel-14-38-74] verneemt, en ziet, waarin deze zonde vandaag gebeurd zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v38)

**39** Want zo waarachtig als YHWH leeft, Die Israël verlost, al was het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij[^1samuel-14-39-75] de dood sterven; en niemand uit het hele volk antwoordde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v39)

**40** Verder zei hij tot het hele Israël: U zult aan de ene zijde zijn, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zei het volk tot Saul: Doe, wat goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v40)

**41** Saul nu sprak tot YHWH, de God van Israël: Toon de onschuldige. Toen werd Jonathan en[^1samuel-14-41-77] Saul geraakt, en het volk ging vrijuit.[^1samuel-14-41-76][^1samuel-14-41-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v41)

**42** Toen zei Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.[^1samuel-14-42-79] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v42)

**43** Saul dan zei tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat u gedaan hebt. Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zei: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste van de staf, die ik in mijn hand had; zie hier ben ik, moet ik sterven?[^1samuel-14-43-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v43)

**44** Toen zei Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan! u moet de dood sterven.[^1samuel-14-44-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v44)

**45** Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Volstrekt niet! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit vandaag[^1samuel-14-45-82] met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.[^1samuel-14-45-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v45)

**46** Saul nu trok op van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hun plaats.[^1samuel-14-46-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v46)

**47** Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen[^1samuel-14-47-85] Edom, en tegen de[^1samuel-14-47-86] koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde,[^1samuel-14-47-87] oefende hij straf.[^1samuel-14-47-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v47)

**48** En hij handelde dapper, en hij[^1samuel-14-48-89] sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand van degene, die hem beroofde.[^1samuel-14-48-90] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v48)

**49** De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen van zijn twee dochters waren deze: de naam van de eerstgeborene was Merab, en de naam van[^1samuel-14-49-91] de kleinste Michal.[^1samuel-14-49-92] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v49)

**50** En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom.[^1samuel-14-50-93] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v50)

**51** En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël.[^1samuel-14-51-94] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v51)

**52** En er was een sterke strijd tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die verzamelde hij tot zich.[^1samuel-14-52-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/14.html#v52)

[^1samuel-14-1-1]: Kanttekening 1: maar hij gaf het zijn vader niet te kennen: Vermoedelijk omdat hij vreesde dat zijn vader hem hiertoe geen verlof zou gegeven hebben.
[^1samuel-14-2-2]: Kanttekening 2: zat aan het uiterste van Gibeä: Dat is, had zijn tent geslagen.
[^1samuel-14-2-3]: Kanttekening 3: te Migron was: Van Migron wordt ook gesproken Jes. 10:28 . Het is een stuk lands, gelegen aan de ene zijde van de engte naar Gibeä aan; hier lag Saul in de spelonk met zijn zes honderd mannen, loerende wat de Filistijnen doen zouden; onder, vers 11 . Jesaja 10:28 : Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af. 1 Samuël 14:11 : Toen zij beiden zich aan de bezetting van de Filistijnen ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Ziet, de Hebreën zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstopt hadden.
[^1samuel-14-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 13:15 . 1 Samuël 13:15 : Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibeä-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.
[^1samuel-14-3-4]: Kanttekening 4: Zie boven, 1 Sam. 4:21 . 1 Samuël 4:21 : En zij noemde het jongen Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.
[^1samuel-14-3-5]: Kanttekening 5: was priester van YHWH: Of, van de priester van de Heer te Silo.
[^1samuel-14-3-6]: Kanttekening 6: Of, droeg.
[^1samuel-14-3-7]: Kanttekening 7: Versta hierbij ook de borstlap en urim en thummim, welke de hogepriester aantoog als hij de Heer om raad vraagde.
[^1samuel-14-3-8]: Kanttekening 8: het volk wist niet: Ja ook Saul en de priester wisten het niet.
[^1samuel-14-4-9]: Kanttekening 9: scherpte van een steenklip: Hebreeuws; tand; en zo in het volgende.
[^1samuel-14-4-10]: Kanttekening 10: andere zijde: Zodat de weg tussen twee steenrotsen was.
[^1samuel-14-4-11]: Kanttekening 11: andere Sene: Hebreeuws, אֶחָ֖ד, van de ene.
[^1samuel-14-6-12]: Kanttekening 12: van deze onbesnedenen overgaan: Alsof hij zeggen wilde: Deze Filistijnen zijn vreemd van Gods verbond, en daarom hatelijk voor zijn ogen, maar wij zijn besneden en dragen het teken en het verbond Gods aan onze lichamen.
[^1samuel-14-6-13]: Kanttekening 13: misschien zal YHWH: Aldus spreekt Jonathan, omdat hij geen belofte van de victorie van God had.
[^1samuel-14-6-15]: Kanttekening 15: door weinigen: Zie hiervan een exempel Richt. 7:7 ; 2 Kron. 14 . Zie ook Joz. 14:12 . Richteren 7:7 : En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats. Jozua 14:12 : En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft.
[^1samuel-14-6-14]: Kanttekening 14: voor ons werken: Of, \[wat\] voor ons doen.
[^1samuel-14-7-16]: Kanttekening 16: al, wat in uw hart is: Dat is, al wat u goeddunkt.
[^1samuel-14-7-17]: Kanttekening 17: naar uw hart: Dat is, zoals het u belieft of goeddunkt.
[^1samuel-14-8-18]: Kanttekening 18: wij zullen ons: Dat is, wij zullen ons van hen laten zien.
[^1samuel-14-9-19]: Kanttekening 19: zij aldus tot ons zeggen: Zie dergelijk Gen. 24:14 . Genesis 24:14 : Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen drenken; diezelve zij, die U Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat U weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
[^1samuel-14-9-20]: Kanttekening 20: Staat stil: Hebreeuws, דֹּ֕מּוּ, zwijgt. Zie Joz. 10:12 , 10:13 . Jozua 10:12 : Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! Jozua 10:13 : En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
[^1samuel-14-10-21]: Kanttekening 21: dit zal ons een teken zijn: Vergelijk Gen. 24:14 met de aantekeningen. Genesis 24:14 : Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen drenken; diezelve zij, die U Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat U weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.
[^1samuel-14-12-22]: Kanttekening 22: antwoordden de mannen: Dat is, zeiden, of spraken. Want er gaat geen vraag voor.
[^1samuel-14-12-23]: Kanttekening 23: wij zullen het u wijs maken: Alsof zij zeiden: Wij zullen u leren en doen gevoelen wat het is zichzelven dus lichtvaardiglijk in perijkel te brengen.
[^1samuel-14-13-24]: Kanttekening 24: zij vielen voor Jonathans aangezicht: Te weten, zijn vijanden, die hij versloeg.
[^1samuel-14-13-25]: Kanttekening 25: zijn wapendrager doodde ze achter hem: Hebbende nu een zwaard en wapen gekregen van één van de verslagenen; want tevoren hadden Saul en Jonathan alleen zwaarden, gelijk 1 Sam. 13:22 staat. 1 Samuël 13:22 : En het geschiedde op de dag van de strijd, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het gehele volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.
[^1samuel-14-14-26]: Kanttekening 26: Met deze woorden wordt te kennen gegeven dat deze slachting geschied is in een klein deel, zo dat Jonathan lichtelijk van zijne vijanden had kunnen omsingeld en overvallen worden, had hem God niet wonderbaarlijk bijgestaan.
[^1samuel-14-14-27]: Kanttekening 27: een juk ossen lands: Dat is, zoveel als een jok ossen, onder een jok gaande, op een dag kunnen ploegen.
[^1samuel-14-15-28]: Kanttekening 28: het leger: Te weten, in het leger van de Filistijnen.
[^1samuel-14-15-29]: Kanttekening 29: verdervers beefden ook zelven: Te weten, die soldaten, die uitgetrokken waren om het land te verderven, waarvan 1 Sam. 13:17 , gesproken wordt. 1 Samuël 13:17 : En de verdervers gingen uit het leger van de Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op de weg naar Ofra, naar het land Sual;
[^1samuel-14-15-30]: Kanttekening 30: een beving Gods: Zie de aantekeningen op Gen. 30:8 . Hij wil zeggen dat het een verschrikking was, die God over hen zond; of een beving Gods, dat is, een zeer grote beving. Genesis 30:8 : Toen zei Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zus geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
[^1samuel-14-16-31]: Kanttekening 31: menigte versmolt: Te weten, van de Filistijnen.
[^1samuel-14-18-32]: Kanttekening 32: Zie boven, vers 3 . 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was.
[^1samuel-14-18-33]: Kanttekening 33: Breng de ark van God herwaarts: Te weten, om God bij de ark te vragen, of ik de Filistijnen vervolgen zal.
[^1samuel-14-18-34]: Kanttekening 34: bij de kinderen van Israël: Te weten, in het leger, daar zij anders \[gelijk men meent\] te Silo was.
[^1samuel-14-19-35]: Kanttekening 35: zeer toenam en vermenigvuldigde: Hebreeuws, רָ֑ב, gaande ging, en vermenigvuldigde.
[^1samuel-14-19-36]: Kanttekening 36: Haal uw hand in: Dat is, laat verblijven wat ik u straks bevolen had aangaande de ark. Saul heeft zolang niet willen wachten totdat hij antwoord van God ontvangen had.
[^1samuel-14-20-37]: Kanttekening 37: het zwaard van de enen was tegen de anderen: Hebreeuws, רֵעֵ֔, het zwaard van de man tegen zijn naaste; dat is, de Filistijnen sloegen elkaar. Zie dergelijk exempel Richt. 7 ;22, en 2 Kron. 20:23 . 2 Kronieken 20:23 : Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de één de ander ten verderve.
[^1samuel-14-21-38]: Kanttekening 38: bij de Filistijnen: Te weten, hen als knechten dienende, of, tot hen overgelopen, die bij deze gelegenheid bij de Israëlieten zich vervoegden.
[^1samuel-14-21-39]: Kanttekening 39: als eertijds: Hebreeuws, שִׁלְשׁ֔וֹם, als gisteren eergisteren.
[^1samuel-14-21-40]: Kanttekening 40: vervoegden zich ook met de Israëlieten: Hebreeuws, עִם, zij \[waren\] om te zijn met Israël.
[^1samuel-14-22-41]: Kanttekening 41: die zich verstopt hadden: Zie boven, 1 Sam. 13:6 . 1 Samuël 13:6 : Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
[^1samuel-14-22-42]: Kanttekening 42: zo kleefden zij ook hen achteraan: Dat is, zij hielpen ook de Filistijnen vervolgen en verslaan.
[^1samuel-14-23-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, de krijg, of strijd; dat is, de krijgslieden; versta, van het krijgsvolk, dat de Filistijnen vervolgde.
[^1samuel-14-23-44]: Kanttekening 44: Niet ver van Michmas gelegen, gelijk te zien is boven, 1 Sam. 13:5 . 1 Samuël 13:5 : En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
[^1samuel-14-24-45]: Kanttekening 45: mat op die dag: Of, benauwd, bedrukt, geperst; te weten, door de honger, gelijk volgt.
[^1samuel-14-24-46]: Kanttekening 46: had het volk bezworen: Saul heeft het volk verboden te eten, opdat hij te spoediger zijn vijanden zou vervolgen en dempen, vrezende dat zij hem ontkomen zouden als het volk zich aan het eten begeven had, maar hij gebruikt kwade middelen daartoe.
[^1samuel-14-24-47]: Kanttekening 47: Vervloekt zij de man: En volgens die waard aan het leven gestraft te worden. Zie vers 39 . 1 Samuël 14:39 : Want zo waarachtig als YHWH leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij de dood sterven; en niemand uit het gehele volk antwoordde hem.
[^1samuel-14-24-48]: Kanttekening 48: voedsel eet tot aan de avond: Hebreeuws, עַד, brood; zo in het volgende. Hier blijkt dat brood genomen wordt voor allerlei voedsel, want honig wordt daaronder ook begrepen; zo ook onder, vers 28 , en Gen. 43:31 . 1 Samuël 14:28 : Toen antwoordde een man uit het volk, en zei: Uw vader heeft het volk moeizaam bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die heden brood eet! Daarom bezwijkt het volk. Genesis 43:31 : Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zei: Zet brood op.
[^1samuel-14-25-49]: Kanttekening 49: het gehele volk kwam in een woud: Dat is, al het volk van het land; zo ook boven, vers 15 , en onder, vers 29 , en Gen. 41:57 . 1 Samuël 14:15 : En er was een beving in het leger, op het veld en onder het gehele volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelven; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods. 1 Samuël 14:29 : Toen zei Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honig gesmaakt heb; Genesis 41:57 : En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
[^1samuel-14-26-50]: Kanttekening 50: niemand raakte met zijn hand aan zijn mond: Te weten, nadat hij haar in de honig gedoopt had, om daarvan in de mond te steken en te eten; dat is, niemand at daarvan.
[^1samuel-14-27-51]: Kanttekening 51: Jonathan had het niet gehoord: Want hij was in het leger niet geweest, nadat hij de Filistijnen geslagen had.
[^1samuel-14-27-52]: Kanttekening 52: zijn hand tot zijn mond wendde: Versta hierbij, nadat hij van de honig gegeten had, dat men hem aan de ogen kon merken.
[^1samuel-14-27-53]: Kanttekening 53: werden zijn ogen verlicht: Of, zo zagen zijn ogen; te weten, duidelijk. Dat is, hij kreeg als nieuwe kracht en wakkerheid.
[^1samuel-14-28-54]: Kanttekening 54: antwoordde een man uit het volk: Dat is, sprak, of nam het woord.
[^1samuel-14-28-55]: Kanttekening 55: heeft het volk moeizaam bezworen: Hebreeuws, אמֹ֔ר, bezwerende bezworen.
[^1samuel-14-28-56]: Kanttekening 56: heden brood eet: Te weten, tot aan de avond, gelijk vers 24 staat. Want bij de Hebreën eindigde de dag met de ondergang van de zon. 1 Samuël 14:24 : En de mannen van Israël werden mat op die dag; want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die voedsel eet tot aan de avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat gehele volk geen voedsel.
[^1samuel-14-28-57]: Kanttekening 57: Daarom bezwijkt het volk: Of, het volk is vermoeid, of, moe.
[^1samuel-14-29-58]: Kanttekening 58: het land beroerd: Dat is, de inwoners van het land, of de krijgslieden, die in het leger zijn.
[^1samuel-14-30-59]: Kanttekening 59: Te weten, zou het volk sterk en kloek geworden zijn om de vijanden te vervolgen, als, enz.
[^1samuel-14-30-60]: Kanttekening 60: vrij eten: Hebreeuws, יּוֹם֙, etende eten.
[^1samuel-14-30-61]: Kanttekening 61: de buit van zijn vijanden: Te weten, van het vee en anderen voorraad van voedsel.
[^1samuel-14-31-62]: Kanttekening 62: Er was een Ajalon in de stam van Dan, Joz. 19:42 , aan de priesters gegeven, Joz. 21:24 , en 1 Kron. 6:69 . Maar hier wordt gesproken van een ander in de stam van Juda. Rehabeam heeft die gesterkt, en zij wordt gesteld onder de sterkste steden van het koninkrijk van Juda, 2 Kron. 11:10 . Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, Jozua 21:24 : Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. 1 Kronieken 6:69 : En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden. 2 Kronieken 11:10 : En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
[^1samuel-14-32-63]: Kanttekening 63: maakte zich het volk aan de buit: Anders, wendde, of keerde zich het volk aan de buit.
[^1samuel-14-32-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, de zonen van de runderen.
[^1samuel-14-32-65]: Kanttekening 65: met het bloed: Te weten, voordat het bloed geheel uit het vlees gedropen was. Dit deed het volk vanwege de grote honger, die het had, niet kunnende wachten totdat de beesten uitgebloed hadden. Zie Lev. 3:17 , en Lev. 17:10 ; Deut. 12:16 , 12:23 . Leviticus 3:17 : Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Deuteronomium 12:16 : Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. Deuteronomium 12:23 : Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten;
[^1samuel-14-33-67]: Kanttekening 67: Dat is, meteen, voordat het avond wordt.
[^1samuel-14-33-68]: Kanttekening 68: een grote steen: Te weten, om op dezelfde de beesten te slachten, opdat het bloed te eer en te meer daar uitlope, of vliete. Sommigen menen dat men van die grote steen het altaar gemaakt heeft, waarvan vers 35 gesproken wordt. 1 Samuël 14:35 : Toen bouwde Saul YHWH een altaar; dit was het eerste altaar, dat hij YHWH bouwde.
[^1samuel-14-33-66]: Kanttekening 66: trouweloos gehandeld: Namelijk, tegen God.
[^1samuel-14-35-69]: Kanttekening 69: dit was het eerste altaar: Hebreeuws, הֵחֵ֔ל, dit altaar begon hij de Heer te bouwen.
[^1samuel-14-36-70]: Kanttekening 70: tot God naderen: Dat is, tot de ark van God; te weten, om hem te vragen, of het zijn wil is dat wij dit doen.
[^1samuel-14-37-71]: Kanttekening 71: vraagde Saul God: Te weten, door de hogepriester.
[^1samuel-14-37-72]: Kanttekening 72: Hij antwoordde hem niet: Dit was een teken dat God op hem vertoornd was; zie dergelijk exempel 1 Sam. 28:6 . De Heer was gram, niet op Jonathan, maar op Saul, omdat hij zulk een dwazen en onvoorzichtigen eed gedaan en het volk afgenomen had. 1 Samuël 28:6 : En Saul vraagde YHWH; maar YHWH antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.
[^1samuel-14-38-73]: Kanttekening 73: uit alle hoeken van het volk: Zie Richt. 20:2 . Richteren 20:2 : En uit de hoeken van het gehele volk stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.
[^1samuel-14-38-b]: Verwijzing b: Richt. 20:2 . Richteren 20:2 : En uit de hoeken van de gansen volks stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.
[^1samuel-14-38-74]: Kanttekening 74: Anders, weet, bekent.
[^1samuel-14-39-75]: Kanttekening 75: de dood sterven: Hebreeuws, מ֣וֹת, hij zal stervende sterven.
[^1samuel-14-41-77]: Kanttekening 77: Saul geraakt: Te weten, door het lot. Getroffen worden, en vrijuitgaan, worden hier tegen elkaar gesteld.
[^1samuel-14-41-76]: Kanttekening 76: Toon de onschuldige: Hebreeuws, הָ֣בָ, geef de volkomene, of, oprechte. Anders, geef een oprecht \[lot\].
[^1samuel-14-41-78]: Kanttekening 78: vrij uit: Te weten, door het lot. Getroffen worden, en vrijuitgaan, worden hier tegen elkaar gesteld.
[^1samuel-14-42-79]: Kanttekening 79: werd Jonathan geraakt: Saul bidt vers 41 : Toon de onschuldige, willende zeggen de schuldige. Maar God toont hier die, die inderdaad onschuldig was, naar luid van Sauls woorden. 1 Samuël 14:41 : Saul nu sprak tot YHWH, de God van Israël: Toon de onschuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrijuit.
[^1samuel-14-43-80]: Kanttekening 80: maar een weinig honigs geproefd: Hebreeuws, טָעַ֜מְתִּי, proevende geproefd, enz.
[^1samuel-14-44-81]: Kanttekening 81: Zo doe mij God: Van deze manier van eedzweren, zie Ruth 1:17 . Doordien Saul hier en elders telkens zweert, blijkt genoegzaam dat hij tot vloeken en zweren geneigd en gewend was. Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
[^1samuel-14-45-82]: Kanttekening 82: als er een haar van zijn hoofd: Versta hierbij, zo straffe ons God, of iets dergelijks. Het is een afgebroken manier van eedzweren bij de Hebreën, en zie verder 2 Sam. 14:11 . 2 Samuël 14:11 : En zij zei: De koning gedenke toch aan YHWH, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zei hij: Zo waarachtig als YHWH leeft, als er één van de haren uws zoons op de aarde zal vallen!
[^1samuel-14-45-83]: Kanttekening 83: met God gedaan: Dat is, door de hulp en regering van God. Zie boven, vers 6 . 1 Samuël 14:6 : Jonathan nu zei tot de jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting van deze onbesnedenen overgaan; misschien zal YHWH voor ons werken; want bij YHWH is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen.
[^1samuel-14-46-84]: Kanttekening 84: van achter de Filistijnen: Dat is, hij hield op van de Filistijnen te vervolgen, eensdeels omdat de nacht voorbij was, anderdeels omdat God hem niet geantwoord had, vers 37 . 1 Samuël 14:37 : Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken de Filistijnen na? Zult U ze in de hand van Israël overgeven? Maar Hij antwoordde hem niet op die dag.
[^1samuel-14-47-85]: Kanttekening 85: Dat is, de Moabieten.
[^1samuel-14-47-86]: Kanttekening 86: Dat is, de Edomieten.
[^1samuel-14-47-87]: Kanttekening 87: koningen van Zoba: Het land van deze lag van Batanea tot de Eufraat. Zie verder op 2 Sam. 10:6 . 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
[^1samuel-14-47-88]: Kanttekening 88: oefende hij straf: Dat is, God gebruikte hem als een instrument om de vijanden van zijn kerk te straffen. Anders, maakte hij het kwalijk, of deed hij kwaad, beroerde hij hen, plaagde hij hen. Te weten, de vijanden beschadigende.
[^1samuel-14-48-89]: Kanttekening 89: handelde dapper: Anders, hij maakte, of, verzamelde een legermacht.
[^1samuel-14-48-90]: Kanttekening 90: sloeg de Amalekieten: Hiervan wordt breder gesproken onder 1 Sam. 15 .
[^1samuel-14-49-91]: Kanttekening 91: Isvi, en Malchi-Sua: Hij wordt onder, 1 Sam. 31:2 , genoemd Abinadab, als ook 1 Kron. 8:33 , en 1 Kron. 10:2 . 1 Samuël 31:2 : En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. 1 Kronieken 8:33 : Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaäl. 1 Kronieken 10:2 : En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.
[^1samuel-14-49-92]: Kanttekening 92: Of, jongste.
[^1samuel-14-50-93]: Kanttekening 93: Anders, Abner.
[^1samuel-14-51-94]: Kanttekening 94: Hij wordt Ner genoemd 1 Kron. 8:33 . Zie boven, 1 Sam. 9:1 . 1 Kronieken 8:33 : Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaäl. 1 Samuël 9:1 : Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held.
[^1samuel-14-52-95]: Kanttekening 95: alle kloeke mannen: Hebreeuws, גִּבּוֹר֙, alle zonen van de kloekheid, of, van de sterkte.

### 1 Samuël 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/15.json)

*Samuel beveelt Saul de Amalekieten uit te roeien, vers 2 enz. Saul monstert zijn volk, dat 210.000 sterk is, 4. Hij gebiedt de Kenieten van Amalek weg te wijken, 6. Saul verslaat de Amalekieten, maar hij spaart de koning en het beste vee, 7. Dit mishaagt de HEERE zeer, 11. Samuel bestraft Saul, en verkondigt hem (niettegenstaande zijn verontschuldigingen en schuldbekentenis) dat God hem, om zijn ondankbaarheid en ongehoorzaamheid, van het koningschap verstoten had, 14. de scheur van Sauls mantel duidt aan dat het koninkrijk van Saul gescheurd was, 27. God kan niet liegen, 29. Samuel houwt Agag, de koning van de Amalekieten, in stukken, 33. Hij trekt naar huis en bedrijft rouw over Saul, 34.*

**1** Toen zei Samuël tot Saul: YHWH heeft mij gezonden, dat ik u tot koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb bezocht, wat Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op de weg, toen hij uit Egypte opkwam.[^1samuel-15-2-a][^1samuel-15-2-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v2)

**3** Ga nu heen, en sla Amalek, en[^1samuel-15-3-2] verban alles, wat hij heeft, en spaar hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezels toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v3)

**4** Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te[^1samuel-15-4-3] Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v4)

**5** Als Saul tot aan[^1samuel-15-5-4] de stad Amalek kwam, zo legde hij een achterlage in het dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v5)

**6** En Saul liet de[^1samuel-15-6-b] Kenieten zeggen:[^1samuel-15-6-5] Ga weg, wijkt, trekt af uit het midden van de[^1samuel-15-6-6] Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime;[^1samuel-15-6-c] want[^1samuel-15-6-7] u hebt barmhartigheid gedaan aan al de Israëlieten, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v6)

**7** Toen sloeg Saul de Amalekieten van[^1samuel-15-7-8] Havila af, tot daar u komt te[^1samuel-15-7-9] Sur, dat voor aan Egypte is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v7)

**8** En hij ving[^1samuel-15-8-10][^1samuel-15-8-d] Agag, de koning van de Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v8)

**9** Maar Saul en het hele volk[^1samuel-15-9-11] spaarde Agag, en de beste schapen, en runderen, en de[^1samuel-15-9-12] naast beste, en[^1samuel-15-9-13] de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat[^1samuel-15-9-14] verdwijnende was, verbanden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v9)

**10** Toen kwam het woord van YHWH tot Samuël, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v10)

**11** [^1samuel-15-11-15] Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en[^1samuel-15-11-16] Mijn woorden niet bevestigd heeft.[^1samuel-15-11-17] Toen[^1samuel-15-11-18] ontstak Samuël, en[^1samuel-15-11-19] hij riep tot YHWH de hele nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v11)

**12** Daarna maakte zich Samuël 's morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël[^1samuel-15-12-20] geboodschapt, zeggende: Saul is te[^1samuel-15-12-21] Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich[^1samuel-15-12-22] een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v12)

**13** Samuël nu kwam tot Saul, en Saul zei tot hem: Gezegend bent u voor YHWH! Ik heb het woord van YHWH bevestigd.[^1samuel-15-13-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v13)

**14** Toen zei Samuël: Wat is dan dit voor een stem van de schapen in mijn oren, en een stem van de runderen, die ik hoor? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v14)

**15** Saul nu zei: Zij hebben ze van de Amalekieten gebracht, want het volk heeft de[^1samuel-15-15-24] beste schapen en runderen gespaard, om aan YHWH, uw God, te offeren; maar[^1samuel-15-15-25] het overige hebben wij verbannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v15)

**16** Toen zei Samuël tot Saul: Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat YHWH vannacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zei tot hem: Spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v16)

**17** En Samuël zei: Is het niet zo, toen u klein was in uw ogen, dat u het hoofd van de stammen van Israël geworden bent, en dat YHWH u tot koning over Israël[^1samuel-15-17-27] gezalfd heeft?[^1samuel-15-17-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v17)

**18** En YHWH heeft u[^1samuel-15-18-28] op de weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban[^1samuel-15-18-29] de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat u hen te niet doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v18)

**19** Waarom toch hebt u naar de stem van YHWH niet gehoord,[^1samuel-15-19-30] maar bent tot de roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v19)

**20** Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem van YHWH gehoord, en heb gewandeld op de weg, waarop mij YHWH gezonden heeft; en ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, mee gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v20)

**21** [^1samuel-15-21-31] Het volk nu heeft genomen van de roof, schapen en runderen,[^1samuel-15-21-32] het voornaamste van het verbannene, om aan YHWH, uw God, op te offeren te Gilgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v21)

**22** Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandoffers, en slachtoffers, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie,[^1samuel-15-22-e] gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v22)

**23** Want opstandigheid[^1samuel-15-23-33] is een zonde van de toverij, en wederstreven is[^1samuel-15-23-34] afgoderij en[^1samuel-15-23-35] beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v23)

**24** Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van YHWH en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.[^1samuel-15-24-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v24)

**25** Nu dan, vergeef mij toch mijn zonde, en keer met mij opnieuw, dat ik YHWH aanbidde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v25)

**26** Maar Samuël zei tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren; omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft YHWH u verworpen, dat u geen koning over Israël zult zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v26)

**27** Als zich Samuël omkeerde om weg te gaan, zo greep[^1samuel-15-27-37] hij een[^1samuel-15-27-38] slip van zijn mantel en[^1samuel-15-27-39] zij scheurde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v27)

**28** Toen zei Samuël tot hem: YHWH heeft vandaag het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v28)

**29** En ook liegt Hij, Die de[^1samuel-15-29-40] Overwinning van Israël is, niet, en het[^1samuel-15-29-41] berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v29)

**30** Hij dan zei: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu[^1samuel-15-30-42] voor de oudsten van mijn volk, en voor Israël; en keer opnieuw met mij, dat ik YHWH, uw God, aanbidde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v30)

**31** Toen[^1samuel-15-31-43] keerde Samuël opnieuw Saul na; en Saul aanbad YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v31)

**32** Toen zei Samuël: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, hier tot mij; Agag nu ging tot hem[^1samuel-15-32-44] weeldelijk; en Agag[^1samuel-15-32-45] zei:[^1samuel-15-32-46] Werkelijk, de bitterheid van de dood is geweken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v32)

**33** Maar Samuël zei: Zoals uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, zo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen.[^1samuel-15-33-47] Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht van YHWH te Gilgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v33)

**34** Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibeä-sauls. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v34)

**35** En Samuël[^1samuel-15-35-48] zag Saul niet meer[^1samuel-15-35-49] tot de dag van zijn dood toe;[^1samuel-15-35-50] evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde YHWH, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/15.html#v35)

[^1samuel-15-2-a]: Verwijzing a: Ex. 17:8 ; idem v. 14 ; Deut. 25:17 . Exodus 17:8 : Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. Deuteronomium 25:17 : Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt;
[^1samuel-15-2-1]: Kanttekening 1: heb bezocht: Dat is, onderzocht, overdacht, gemerkt. Anders, Ik zal zekerlijk bezoeken. Alsof God sprak van het toekomende als van wat geschied is.
[^1samuel-15-3-2]: Kanttekening 2: verban alles: Dat is, roei geheellijk uit, en dood al wat leven heeft.
[^1samuel-15-4-3]: Kanttekening 3: Dat is, in het veld bij de stad Telaïm, gelegen in de stam van Juda, die Joz. 15:24 Thelem genoemd wordt. Jozua 15:24 : Zif, en Telem, en Bealoth,
[^1samuel-15-5-4]: Kanttekening 4: de stad Amalek: Versta dit, òf van de eerste stad van de Amalekieten, waar Saul voor gekomen is; òf van de hoofdstad, waar vermoedelijk de koning woonde; òf stad voor steden, want de Amalekieten bewoonden meer dan één stad.
[^1samuel-15-6-b]: Verwijzing b: Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^1samuel-15-6-5]: Kanttekening 5: Gaat weg: Deze korte afgebroken manier van spreken betekent dat zij zich moesten haasten in het opbreken. Zie dergelijke manier van spreken, Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^1samuel-15-6-6]: Kanttekening 6: opdat ik u met hen niet wegruime: Dat is, dat ik u niet van gelijke doe als ik hun doen zal.
[^1samuel-15-6-c]: Verwijzing c: Ex. 18:10 ; idem v. 19 ; Num. 10:29 . Exodus 18:10 : En Jethro zei: Gezegend zij YHWH, Die u verlost heeft uit de hand van de Egyptenaren, en uit Farao's hand; Die dit volk van onder de hand van de Egyptenaren verlost heeft! Exodus 18:19 : Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees u voor het volk bij God, en breng u de zaken voor God; Numeri 10:29 : Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke YHWH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want YHWH heeft over Israël het goede gesproken.
[^1samuel-15-6-7]: Kanttekening 7: u hebt barmhartigheid gedaan: Dat is eigenlijk te verstaan van Jethro de Keniet, Mozes' schoonvader, van wie de Kenieten afkomstig waren.
[^1samuel-15-7-8]: Kanttekening 8: Een land in Arabië gelegen. Zie Gen. 2:11 . Genesis 2:11 : De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het, die het gehele land van Havila omloopt, waar het goud is.
[^1samuel-15-7-9]: Kanttekening 9: Dit is de landpale van Arabië tegen Egypte. Zie Gen. 16:7 , en Gen. 25:18 . Daar wordt ook Ex. 15:22 van de woestijn Sur gesproken. Genesis 16:7 : En de Engel van YHWH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur. Genesis 25:18 : En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers. Exodus 15:22 : Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.
[^1samuel-15-8-10]: Kanttekening 10: Men meent dat dit een algemene naam van alle koningen van de Amalekieten geweest is, gelijk Farao van de koningen van Egypte, en Abimelech van de koningen te Gerar.
[^1samuel-15-8-d]: Verwijzing d: Num. 24:7 . Numeri 24:7 : Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.
[^1samuel-15-9-11]: Kanttekening 11: Dit had God verboden, vers 3 . 1 Samuël 15:3 : Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezelen toe.
[^1samuel-15-9-12]: Kanttekening 12: naast beste : Dat is, de middelmatige. Anders, de gemeste.
[^1samuel-15-9-13]: Kanttekening 13: de lammeren: Anders, leiders van het vee. Anders, belhamels.
[^1samuel-15-9-14]: Kanttekening 14: dat verdwijnende was: Hebreeuws, הֶחֱרִֽימוּ, dat smolt; dat is, dat in zichzelven verging en als versmolt.
[^1samuel-15-11-15]: Kanttekening 15: Het berouwt Mij: Dit is een menselijke manier van spreken. Zie de aantekeningen Gen. 6:6 , ook onder, vers 35 . Zodat hiermede niet strijdt wat onder, vers 29 , gezegd wordt. Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. 1 Samuël 15:35 : En Samuël zag Saul niet meer tot de dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde YHWH, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. 1 Samuël 15:29 : En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.
[^1samuel-15-11-16]: Kanttekening 16: Mijn woorden: Dat is, hij heeft mijn bevel bij hem geen kracht laten vinden, dat hij het getrouwelijk zou uitgevoerd hebben. Vergelijk Deut. 27:26 . Deuteronomium 27:26 : Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^1samuel-15-11-17]: Kanttekening 17: Hij ontstak over Saul, omdat hij Gods bevel niet had uitgericht.
[^1samuel-15-11-18]: Kanttekening 18: Te weten, met verdriet en toorn.
[^1samuel-15-11-19]: Kanttekening 19: hij riep tot YHWH: Samuël bad de Heer voor Saul, dat Hij hem van het koninkrijk niet verstoten zou, maar God heeft dit gebed van Samuël niet verhoord, gelijk af te nemen is onder, vers 23 , 15:26 , 15:28 . 1 Samuël 15:23 : Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. 1 Samuël 15:26 : Maar Samuël zei tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren; omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft u YHWH verworpen, dat u geen koning over Israël zult zijn. 1 Samuël 15:28 : Toen zei Samuël tot hem: YHWH heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u.
[^1samuel-15-12-20]: Kanttekening 20: Anders, de weet gedaan.
[^1samuel-15-12-21]: Kanttekening 21: Een stad en berg in de stam van Juda, die gelegen was op de weg, waar men uit het land van de Amalekieten naar Juda komt, Joz. 15:55 , zeer vruchtbaar in weiden en andere vruchten. Er is een ander Karmel in de stam Issaschar, 1 Kon. 18:19 . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^1samuel-15-12-22]: Kanttekening 22: een pilaar gesteld: Hebreeuws, יָ֔ד, een hand; dat is, een gedenkteken, misschien in de gedaante van een hand, ter gedachtenis dat hij de vijanden met de hand geslagen en overwonnen heeft. Zie dergelijk 2 Sam. 18:18 . Anders, en had een plaats verordineerd; te weten, om zijn legermacht te verversen en te overzien, en om de buit uit te delen. 2 Samuël 18:18 : Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zei: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms hand.
[^1samuel-15-13-23]: Kanttekening 23: Zie boven, vers 11 . 1 Samuël 15:11 : Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuël, en hij riep tot YHWH de gehele nacht.
[^1samuel-15-15-24]: Kanttekening 24: beste schapen: Zie boven, vers 9 . 1 Samuël 15:9 : Maar Saul en het gehele volk verschoonde Agag, en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat verdwijnende was, verbanden zij.
[^1samuel-15-15-25]: Kanttekening 25: het overige: Zie boven, vers 8 . 1 Samuël 15:8 : En hij ving Agag, de koning van de Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte van het zwaard.
[^1samuel-15-17-27]: Kanttekening 27: gezalfd heeft: Te weten, door mij.
[^1samuel-15-17-26]: Kanttekening 26: toen u klein was in uw ogen: Dat is, toen u uzelven klein en gering achttet. Zie boven, 1 Sam. 9:21 . 1 Samuël 9:21 : Toen antwoordde Saul, en zei: Ben ik niet een zoon van Jemini, van de kleinsten van de stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van de stam van Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden?
[^1samuel-15-18-28]: Kanttekening 28: op de weg gezonden: Dat is, op deze aanslag en krijgstocht tegen de Amalekieten; zo ook vers 20 . 1 Samuël 15:20 : Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem van YHWH gehoord, en heb gewandeld op de weg, op denwelken mij YHWH gezonden heeft; en ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, mee gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen.
[^1samuel-15-18-29]: Kanttekening 29: de zondaars: Dat is de grote zondaars, uitmuntende in zonden en boosheid boven anderen. Vergelijk Gen. 13:13 ; Ps. 1:1 ; Matt. 9:10 , en Matt. 11:19 ; Joh. 9:24 , 9:31 . Genesis 13:13 : En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen YHWH. Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Mattheüs 9:10 : En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen. Mattheüs 11:19 : De Zoon van de mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen. Johannes 9:24 : Zij dan riepen voor de tweede maal de mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is. Johannes 9:31 : En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^1samuel-15-19-30]: Kanttekening 30: maar zijt tot de roof gevlogen: Zie de aantekeningen 1 Sam. 25:14 . 1 Samuël 25:14 : Maar een jongeling uit de jongelingen boodschapte het aan Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onze heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren.
[^1samuel-15-21-31]: Kanttekening 31: Het volk nu heeft genomen: Alsof hij zei: Niet ik, maar het volk, dat ik vreesde, vers 24 , heeft van de buit genomen. 1 Samuël 15:24 : Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van YHWH en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.
[^1samuel-15-21-32]: Kanttekening 32: het voornaamste: Hebreeuws, רֵאשִׁ֣ית, de eerstelingen.
[^1samuel-15-22-e]: Verwijzing e: Pred. 4:17 ; Hosea 6:6 ; Matt. 9:13 ; Matt. 12:7 . Prediker 4:17 : Bewaar uw voet, als u tot het huis van God ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om van de zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 12:7 : Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^1samuel-15-23-33]: Kanttekening 33: is een zonde van de toverij: Dat is, zo groot een zonde als de toverij is.
[^1samuel-15-23-34]: Kanttekening 34: Het Hebreeuwse woord betekent ijdelheid, leugen, ongerechtigheid, en somwijlen moeite, arbeid; idem een afgod en afgodendienst, zo genoemd omdat de afgodendienaars in het plegen van hun afgodische superstitiën veel moeiten en arbeid doen, dat toch al ijdelheden zijn, die niet te beduiden hebben.
[^1samuel-15-23-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, terafim. Zie de aantekeningen Gen. 31:19 . Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^1samuel-15-24-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, mond; dat is, wat God door uw mond gesproken heeft.
[^1samuel-15-27-37]: Kanttekening 37: Te weten, Saul.
[^1samuel-15-27-38]: Kanttekening 38: een slip: Hebreeuws, כְנַף, een vleugel; dat is, slip, of pand, bij welke Saul de profeet Samuël wilde vasthouden.
[^1samuel-15-27-39]: Kanttekening 39: Te weten, de slip, of, hij , te weten, de mantel.
[^1samuel-15-29-40]: Kanttekening 40: Overwinning van Israël is: Dat is, God de Heer, die voor Israël strijdt en zijn vijanden overwint. Anders, de eeuwigheid Israëls , dat is, de eeuwige onveranderlijke God. Anders, de sterkte Israëls .
[^1samuel-15-29-41]: Kanttekening 41: berouwt Hem niet: Zie de aantekeningen Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^1samuel-15-30-42]: Kanttekening 42: voor de oudsten: Of, in aanwezigheid van de oudsten.
[^1samuel-15-31-43]: Kanttekening 43: keerde Samuël opnieuw Saul na: Te weten, om de koninklijke waardigheid in het bijwezen en in het aanzien van het volk te eren.
[^1samuel-15-32-44]: Kanttekening 44: Of, sierlijk, delikatelijk, tederlijk. Dit kan verstaan worden van zijn zachte en sierlijke kleren, die hij mag aangedaan hebben, om zo met een statelijk aanzien tot de profeet te gaan.
[^1samuel-15-32-45]: Kanttekening 45: Dat is, dacht bij zichzelven, of hij zei dit tot zijn dienaren of de omstanders.
[^1samuel-15-32-46]: Kanttekening 46: Alsof hij zei: Nu merk ik wel dat ik niet gedood zal worden, gelijk ik tot nu toe gevreesd heb, omdat ik tot een profeet gebracht word, verlost zijnde uit de handen eens gewapenden konings.
[^1samuel-15-33-47]: Kanttekening 47: Toen hieuw Samuël Agag in stukken: Zie dergelijk exempel in de profeet Elia, 1 Kon. 18:40 , en 2 Kon. 1:10 , 1:12 . Deze profeten zijn hiertoe bewogen door een inwendige roering en ingeving Gods, zodat dit door iedereen niet mag nagevolgd worden, wiens beroeping het eigenlijk niet is het zwaard van de justitie te gebruiken. 1 Koningen 18:40 : En Elia zei tot hen: Grijpt de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen daar. 2 Koningen 1:10 : Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Als ik dan een man van God ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen. 2 Koningen 1:12 : En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man van God, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigen.
[^1samuel-15-35-48]: Kanttekening 48: zag Saul niet meer: Anders, en bezocht Saul niet meer; te weten, om hem te onderrichten aangaande de regering van het koninkrijk, of om God voor hem te vragen. Anders heeft Samuël Saul onverhoeds gezien te Najoth in Rama, onder, 1 Sam. 19:24 . Zien voor bezoeken staat ook 2 Kon. 8:29 , en elders meer. 1 Samuël 19:24 : En hij toog zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en de gehele nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten? 2 Koningen 8:29 : Toen keerde Joram, de koning, opnieuw, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek.
[^1samuel-15-35-49]: Kanttekening 49: tot de dag zijns doods toe: Denzelven daarmede ingerekend. Hij wil zeggen dat hij hem nooit weer bezocht heeft.
[^1samuel-15-35-50]: Kanttekening 50: evenwel droeg Samuël leed om Saul: Samuël heeft zijn levenlang over Saul geen leed gedragen, maar zolang, totdat het hem van God verboden was, en het hem van de Heer bevolen was David tot koning over Israël te zalven, gelijk te zien is onder, 1 Sam. 16:1 . 1 Samuël 16:1 : Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.

### 1 Samuël 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/16.json)

*De HEERE zendt Samuel naar Bethlehem tot Isaï, om een van zijn zonen tot koning te zalven: Samuel, voor Saul vrezende, wordt door de HEERE onderricht hoe hij zijn zaak zou aanleggen, vers 2 enz. Samuel was geneigd Eliab, de oudste zoon van Isaï, tot koning te zalven, 6. Maar de HEERE maakt hem bekend dat Hij David, de jongste zoon van Isaï, tot koning verkoren had, 12. Deze zalft Samuel, en de Geest van God komt op hem, 13. Maar wijkt van Saul, 14. David wordt op raad van de knechten van Saul aan het hof geroepen om voor Saul te spelen, 16. De lof van David, 18. Saul heeft hem zeer lief en maakt hem zijn wapendrager, 21. David speelt voor Saul als de boze geest hem kwelde en verontrustte, 23.*

**1** Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël?[^1samuel-16-1-1] Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v1)

**2** Maar Samuël zei:[^1samuel-16-2-2] Hoe zou ik heengaan? Saul zal het toch[^1samuel-16-2-3] horen en mij doden. Toen zei YHWH: Neem een kalf van de runderen[^1samuel-16-2-4] met u, en zeg: Ik ben gekomen, om YHWH offergave te doen.[^1samuel-16-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v2)

**3** En u zult Isaï[^1samuel-16-3-6] ten offer[^1samuel-16-3-7] nodigen, en Ik zal u te kennen geven, wat u doen zult, en u zult voor Mij zalven, die Ik u zeggen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v3)

**4** Samuël nu deed, wat YHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen[^1samuel-16-4-8] kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en[^1samuel-16-4-9] zeiden: [^1samuel-16-4-10] Is uw komst met vrede? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v4)

**5** Hij dan zei: Met vrede; ik ben gekomen om YHWH offergave te doen;[^1samuel-16-5-11] heilig u, en komt met mij ten offer; en[^1samuel-16-5-12] hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v5)

**6** En het gebeurde, toen[^1samuel-16-6-13] zij inkwamen, zo zag hij[^1samuel-16-6-14] Eliab aan, en[^1samuel-16-6-15] dacht:[^1samuel-16-6-16] Zeker, is deze voor YHWH, Zijn gezalfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v6)

**7** Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn uiterlijk niet aan, noch de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem[^1samuel-16-7-18] verworpen; want het is niet zoals de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is,[^1samuel-16-7-a] maar YHWH ziet het hart aan.[^1samuel-16-7-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v7)

**8** Toen riep Isaï Abinadab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook[^1samuel-16-8-20] niet gekozen.[^1samuel-16-8-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v8)

**9** Daarna liet Isaï[^1samuel-16-9-21] Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v9)

**10** Zo liet Isaï zijn[^1samuel-16-10-22] zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar Samuël zei tot Isaï: YHWH heeft deze niet gekozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v10)

**11** Verder zei Samuël tot Isaï:[^1samuel-16-11-23] Zijn dit al de jongemannen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij[^1samuel-16-11-b] weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet[^1samuel-16-11-24] rondom aanzitten, voordat hij hier zal gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v11)

**12** Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.[^1samuel-16-12-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v12)

**13** Toen[^1samuel-16-13-c] nam Samuël de oliehoorn, en[^1samuel-16-13-26] hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En[^1samuel-16-13-27] de[^1samuel-16-13-d] Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v13)

**14** En de Geest van YHWH week van Saul; en[^1samuel-16-14-28] een boze geest van YHWH[^1samuel-16-14-29] verschrikte hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v14)

**15** Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest[^1samuel-16-15-30] van God verschrikt u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v15)

**16** Onze heer zegge toch[^1samuel-16-16-31] tot uw knechten,[^1samuel-16-16-32] die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de[^1samuel-16-16-33] harp spelen kan; en het zal gebeuren, als[^1samuel-16-16-34] de boze geest van God op u is, dat hij met zijn hand spele,[^1samuel-16-16-35] dat het beter met u wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v16)

**17** Toen zei Saul tot zijn knechten: Zie mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v17)

**18** Toen antwoordde één van de jongemannen, en zei: Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, de Bethlehemiet, die spelen kan en hij is een dapper held, en een soldaat, en verstandig in[^1samuel-16-18-36] zaken, en een schoon man, en YHWH is met hem.[^1samuel-16-18-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v18)

**19** Saul nu zond boden tot Isaï, en zei: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v19)

**20** Toen nam Isaï[^1samuel-16-20-38] een ezel met brood, en een leren zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v20)

**21** Zo kwam David tot Saul, en[^1samuel-16-21-39] hij stond voor zijn aangezicht; en hij hield veel van hem, en hij werd zijn wapendrager. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v21)

**22** Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht[^1samuel-16-22-40] staan, want[^1samuel-16-22-41] hij heeft genade in mijn ogen gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v22)

**23** En het gebeurde, als de[^1samuel-16-23-42] geest van God over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand;[^1samuel-16-23-43] dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/16.html#v23)

[^1samuel-16-1-1]: Kanttekening 1: Vul uw hoorn met olie: Zie boven, 1 Sam. 10:1 . 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?
[^1samuel-16-2-2]: Kanttekening 2: Hoe zou ik heengaan: Samuël is hier bevangen geweest met menselijke vrees, en uit bekommernis vraagt hij de Heer raad, hoe hij zijn bevel bekwamelijk mocht in het werk stellen en het ogenschijnlijk perijkel ontgaan.
[^1samuel-16-2-3]: Kanttekening 3: horen en mij doden: Dat is, vernemen, gewaarworden.
[^1samuel-16-2-4]: Kanttekening 4: met u, en zeg: Hebreeuws, יָדֶ֔, in uw hand. Hij wil zeggen: Heb een kalf gereed, of bij de hand.
[^1samuel-16-2-5]: Kanttekening 5: offerande te doen: Hebreeuws, בָּֽאתִי, te slachten; te weten, een dankoffer.
[^1samuel-16-3-6]: Kanttekening 6: ten offer: Of, tot de maaltijd, die gehouden werd na de gedane offerande, van dat vlees dat God geofferd was. En hieruit blijkt dat dit niet geschied is in het huis van Isaï, want niemand wordt ter maaltijd in zijn eigen huis genodigd.
[^1samuel-16-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, roepen.
[^1samuel-16-4-8]: Kanttekening 8: kwamen de oudsten van de stad: Hebreeuws, יֶּחֶרְד֞וּ, beefden hem tegemoet. Vergelijk boven, 1 Sam. 13:7 ; onder, 1 Sam. 21:1 ; Hos. 11:10 . 1 Samuël 13:7 : De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. 1 Samuël 21:1 : Toen kwam David te Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u alleen, en geen man met u? Hosea 11:10 : Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.
[^1samuel-16-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, zei; te weten, een uit aller naam.
[^1samuel-16-4-10]: Kanttekening 10: Is uw komst met vrede: Hebreeuws, בּוֹאֶֽ, is uw komen vrede? Zij dachten misschien dat Samuël voor Saul vluchtte, vermoedelijk gehoord hebbende dat Saul op hem vertoornd was, omdat hij hem had aangezegd dat God hem van het koninkrijk verstoten had; of misschien waren zij bezorgd dat zij een grote zonde begaan hadden, welke de profeet hun kwam openbaren, en om hun de straf Gods daarover te verkondigen.
[^1samuel-16-5-11]: Kanttekening 11: heiligt u: Dat is, bereidt en schikt u daartoe, gelijk dat betaamt. Zie Ex. 19:10 , 19:14 , 19:15 . Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, Exodus 19:14 : Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun kleren. Exodus 19:15 : En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw.
[^1samuel-16-5-12]: Kanttekening 12: hij heiligde Isaï en zijn zonen: Dat is, hij beval niet alleen Isaï, maar ook zijn zonen, dat zij zich zouden heiligen. Zonder twijfel heeft Samuël Isaï tegelijk geopenbaard dat hij van God gezonden was, om één van zijn zonen tot koning in Sauls plaats te zalven, gelijk blijkt uit de naastvolgende verzen.
[^1samuel-16-6-13]: Kanttekening 13: zij inkwamen: Te weten, de zonen van Isaï, die de één voor de ander na in zekere kamer kwamen.
[^1samuel-16-6-14]: Kanttekening 14: Eliab aan: Anders, Elihu genoemd, 1 Kron. 27:18 . 1 Kronieken 27:18 : Over Juda was Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michaël;
[^1samuel-16-6-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, zei; te weten, in zijn hart maar niet door ingeving Gods. Samuël, zijn schoonheid en grootte aanziende, heeft gemeend dat dit de rechte man was, die de Heer gekozen had.
[^1samuel-16-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, hij is de man, die ik tot koning zalven moet; maar hij heeft hierin gemist, gelijk Nathan, 2 Sam. 7:3 , sprekende naar zijn eigen gevoelen. 2 Samuël 7:3 : En Nathan zei tot de koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want YHWH is met u.
[^1samuel-16-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, niet gekozen tot koning, en zo vers 8 , 16:9 , enz., want van de verkiezing ter zaligheid wordt hier niet gesproken. 1 Samuël 16:8 : Toen riep Isaï Abinadab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen. 1 Samuël 16:9 : Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen.
[^1samuel-16-7-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 28:9 ; Ps. 7:10 ; Jer. 11:20 ; Jer. 17:10 ; Jer. 20:12 . 1 Kronieken 28:9 : En u, mijn zoon Salomo, ken de God uws vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! Jeremia 11:20 : Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 20:12 : U dan, o YHWH van de legermachten, Die de rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.
[^1samuel-16-7-17]: Kanttekening 17: zei tot Samuël: Te weten, geheimer wijze, gelijk onder, vers 12 , en boven, 1 Sam. 9:17 . 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. 1 Samuël 9:17 : Toen Samuël Saul aanzag, zo antwoordde hem YHWH: Zie, dit is de man, van welke Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.
[^1samuel-16-8-20]: Kanttekening 20: niet gekozen: Te weten, tot de koninklijke waardigheid.
[^1samuel-16-8-19]: Kanttekening 19: hij zei: Te weten, Samuël.
[^1samuel-16-9-21]: Kanttekening 21: Samma voorbijgaan: Anders genoemd Simea, 2 Sam. 13:3 , en 1 Kron. 2:13 . 2 Samuël 13:3 : Maar Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man. 1 Kronieken 2:13 : En Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde,
[^1samuel-16-10-22]: Kanttekening 22: zeven zonen: Vergelijk 1 Kron. 2:13 , 2:14 . 1 Kronieken 2:13 : En Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde, 1 Kronieken 2:14 : Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,
[^1samuel-16-11-23]: Kanttekening 23: Zijn dit al de jongelingen: Hebreeuws, תַ֣מּוּ, zijn de jongelingen geëindigd?
[^1samuel-16-11-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 7:8 ; Ps. 78:70 . 2 Samuël 7:8 : Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël. Psalmen 78:70 : En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
[^1samuel-16-11-24]: Kanttekening 24: rondom aanzitten: Hebreeuws, נָסֹ֖ב, omsingelen, omwenden, omkeren.
[^1samuel-16-12-25]: Kanttekening 25: YHWH zei: Te weten, door een geheime en inwendige ingeving van de Heilige Geest.
[^1samuel-16-13-c]: Verwijzing c: Ps. 89:21 . Psalmen 89:21 : Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;
[^1samuel-16-13-26]: Kanttekening 26: hij zalfde hem: Te weten, nadat hij zijn vader, hem en allen, die daar tegenwoordig waren, de wil van de Heer hiervan had te kennen gegeven.
[^1samuel-16-13-27]: Kanttekening 27: de Geest van YHWH kwam met kracht over David: Zie dergelijk exempel Richt. 13:25 , en 1 Sam. 11:6 . Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol. 1 Samuël 11:6 : Toen kwam de Geest van God met kracht over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer.
[^1samuel-16-13-d]: Verwijzing d: Hand. 7:46 ; Hand. 13:22 . Handelingen 7:46 : Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor de God van Jakob. Handelingen 13:22 : En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
[^1samuel-16-14-28]: Kanttekening 28: een boze geest van YHWH: Dit was een dolheid of beroering van zinnen, welke de Satan in Saul verwekte, door Gods toelating en regering, waarmee Hij Saul rechtvaardiglijk strafte.
[^1samuel-16-14-29]: Kanttekening 29: verschrikte hem: Of, beroerde hem, maakte hem ongerust.
[^1samuel-16-15-30]: Kanttekening 30: Gods verschrikt u: Van God gezonden om zijn rechtvaardig oordeel uit te voeren.
[^1samuel-16-16-31]: Kanttekening 31: tot uw knechten: Dat is, ons.
[^1samuel-16-16-32]: Kanttekening 32: die voor uw aangezicht staan : Dat is, die tot uw dienst bereid staan.
[^1samuel-16-16-33]: Kanttekening 33: harp spelen kan: Zie Gen. 4:21 . Genesis 4:21 : En de naam zijns broers was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
[^1samuel-16-16-34]: Kanttekening 34: de boze geest van God op u is: Zie vers 15 . 1 Samuël 16:15 : Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest van God verschrikt u.
[^1samuel-16-16-35]: Kanttekening 35: dat het beter met u worde: Dat is, opdat uw hart en gemoed tot rust en stilte kome, de melancholie door de muziek verdreven of geminderd zijnde.
[^1samuel-16-18-36]: Kanttekening 36: Of, woorden. Anders, een welsprekend man.
[^1samuel-16-18-37]: Kanttekening 37: YHWH is met hem: Dat is, hij is gezegend of gelukkig in al zijn aanslagen.
[^1samuel-16-20-38]: Kanttekening 38: een ezel met brood: Hebreeuws, לֶ֨חֶם֙, een ezel van het brood; dat is, een ezel met brood beladen.
[^1samuel-16-21-39]: Kanttekening 39: hij stond voor zijn aangezicht: Dat is, hij bleef aan het hof in de dienst van de koning. Zo werd ook het woord staan genomen vers 22 . Zie de aantekeningen Deut. 1:38 . 1 Samuël 16:22 : Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden. Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven.
[^1samuel-16-22-40]: Kanttekening 40: Gelijk vers 21 . 1 Samuël 16:21 : Zo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.
[^1samuel-16-22-41]: Kanttekening 41: hij heeft genade in mijn ogen gevonden: Zie de aantekeningen Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^1samuel-16-23-42]: Kanttekening 42: geest van God over Saul was: Versta, die boze geest, waarvan vers 14 , 16:15 gesproken is. 1 Samuël 16:14 : En de Geest van YHWH week van Saul; en een boze geest van YHWH verschrikte hem. 1 Samuël 16:15 : Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest van God verschrikt u.
[^1samuel-16-23-43]: Kanttekening 43: dat was voor Saul een verademing: Dat is, die verschrikkingen en kwellingen van de boze geest hielden op als David speelde. God heeft door zijn voorzienigheid deze zaak zo geregeerd en beschikt, opdat David in het hof van de koning zou opgetrokken worden, om hem zo de baan te openen en de weg te bereiden tot het koninkrijk, waartoe Hij hem gekozen en al gezalfd had.

### 1 Samuël 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/17.json)

*Toen de legers van de Filistijnen en de Israëlieten tegenover elkaar lagen, vers 1 enz. treedt de reus Goliath naar voren, en verschrikt Israël met zijn gestalte, wapens en trotse uitdaging, 4. David, door zijn vader naar het leger tot zijn broeders gezonden, wordt, toen hij dit zag, verdrietig over de trots van deze onbesneden Goliath, en verklaart zich bereid om met hem te strijden, 12. waarover zijn oudste broer hem heftig uitscheldt, 28. Saul laat David halen, die bij zijn aanbod blijft, en geeft de reden van zijn goede moed, 31. hij gaat ongewapend, met zijn staf en slinger, op Goliath af, 38. die hem veracht, vervloekt en bedreigt, 42. maar David, vol geloof en vertrouwen op God, velt hem neer en verslaat hem, 45. Waarop de Filistijnen vluchten en verslagen en geplunderd worden, 51. Saul maakt kennis met David, 55.*

**1** [^1samuel-17-1-1] En de Filistijnen verzamelden hun leger ten strijde, en verzamelden zich te[^1samuel-17-1-2] Socho, dat in Juda is; en zij sloegen hun kamp op tussen Socho en tussen[^1samuel-17-1-3] Azeka, aan[^1samuel-17-1-4] het einde van Dammim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v1)

**2** Maar Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en sloegen hun kamp op in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v2)

**3** De Filistijnen nu stonden aan een berg aan de ene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan de andere zijde; en de vallei was tussen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v3)

**4** Toen ging er[^1samuel-17-4-5] een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en[^1samuel-17-4-6] een span. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v4)

**5** En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was[^1samuel-17-5-7] vijf duizend sikkels kopers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v5)

**6** En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen[^1samuel-17-6-8] schild tussen zijn schouders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v6)

**7** En de schacht van zijn speer was als een weversboom, en het lemmer van zijn speer was van zeshonderd sikkels ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v7)

**8** Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zei tot hen:[^1samuel-17-8-9] Waarom zou u uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en u knechten van Saul? Kies een man onder u, die tot[^1samuel-17-8-10] mij afkome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v8)

**9** Als hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij u tot knechten zijn; maar als ik hem overwin en hem sla, zo zult u ons tot knechten zijn, en ons dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v9)

**10** [^1samuel-17-10-11] Verder zei de Filistijn:[^1samuel-17-10-12] Ik heb vandaag de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geef mij een man, dat wij samen strijden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v10)

**11** Toen Saul en het hele Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, waren zij ontsteld, en vreesden zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v11)

**12** David nu was de zoon[^1samuel-17-12-13] van de Efrathische man van Bethlehem-juda, van wie de naam Isaï was, en die[^1samuel-17-12-14] acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v12)

**13** En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in de oorlog. De namen nu van zijn drie zonen, die in de oorlog gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v13)

**14** En David was de[^1samuel-17-14-15] kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v14)

**15** [^1samuel-17-15-16] Maar David ging heen, en kwam weer[^1samuel-17-15-17] van Saul, om de schapen van zijn vader[^1samuel-17-15-a] te weiden te Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v15)

**16** De Filistijn nu trad toe, 's morgens vroeg en 's avonds. Zo stelde hij zich daar veertig dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v16)

**17** En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem[^1samuel-17-17-18] toch voor uw broers[^1samuel-17-17-19] een efa van dit geroosterd koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v17)

**18** Maar breng deze tien[^1samuel-17-18-20] melkkazen aan de oversten over duizend; en u zult uw broers bezoeken, of het hun welga, en u zult van hen een teken van leven[^1samuel-17-18-21] meenemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v18)

**19** Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v19)

**20** Toen maakte zich David 's morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij de hoeder, en hij nam het op, en ging heen, zoals Isaï hem bevolen had; en[^1samuel-17-20-b] hij kwam[^1samuel-17-20-22] aan de wagenburg, als het leger in slagorde uittrok, en[^1samuel-17-20-23] men ten strijde riep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v20)

**21** En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v21)

**22** David nu liet[^1samuel-17-22-24] de voorwerpen van zich, onder de hand van de bewaarder van de voorwerpen, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vroeg zijn broers[^1samuel-17-22-25] naar hun welstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v22)

**23** Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter[^1samuel-17-23-26] op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het leger van[^1samuel-17-23-27] de Filistijnen, en hij sprak[^1samuel-17-23-28] achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v23)

**24** Maar alle mannen in Israël, als zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v24)

**25** En de mannen van Israël zeiden: Hebt u die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal gebeuren, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en[^1samuel-17-25-29] hij zal het huis van zijn vader vrijmaken in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v25)

**26** Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende:[^1samuel-17-26-30] Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v26)

**27** Opnieuw zei hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Zo zal men de man doen, die hem slaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v27)

**28** Als Eliab, zijn grootste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom bent u nu afgekomen, en onder wie hebt u de weinig schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw overmoed, en de boosheid van uw hart wel; want u bent afgekomen, opdat u de strijd zou zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v28)

**29** Toen zei David:[^1samuel-17-29-31] Wat heb ik nu gedaan?[^1samuel-17-29-32] Is er geen oorzaak? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v29)

**30** En hij wendde zich af van die naar een ander toe,[^1samuel-17-30-33] en hij zei achtereenvolgens dat woord; en het volk gaf hem weer antwoord, achtervolgens de eerste woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v30)

**31** Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de aanwezigheid van Saul verkondigd werden, zo[^1samuel-17-31-34] liet hij hem halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v31)

**32** En David zei tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil.[^1samuel-17-32-35] Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v32)

**33** Maar Saul zei tot David: U zult niet[^1samuel-17-33-36] kunnen heengaan tot deze Filistijn, om met hem te strijden; want u bent[^1samuel-17-33-37] een jongeling, en hij is een soldaat van zijn jeugd af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v33)

**34** Toen zei David tot Saul: Uw knecht[^1samuel-17-34-38] weidde de schapen van zijn vader, en er kwam een leeuw en een beer, en nam[^1samuel-17-34-39] een schaap van de kudde weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v34)

**35** En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v35)

**36** Uw knecht heeft zo de leeuw als de beer geslagen;[^1samuel-17-36-40] zo zal deze onbesneden Filistijn zijn, zoals één van die, omdat hij de slagorden van de levende God gehoond heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v36)

**37** Verder zei David: YHWH, Die mij van de[^1samuel-17-37-41] hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tot David: Ga heen, en YHWH zij met u![^1samuel-17-37-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v37)

**38** En Saul kleedde David met zijn kleren, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.[^1samuel-17-38-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v38)

**39** En David gordde zijn zwaard aan over zijn kleren, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zei David tot Saul: Ik kan in[^1samuel-17-39-44] deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.[^1samuel-17-39-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v39)

**40** En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand; zo naderde hij tot de Filistijn.[^1samuel-17-40-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v40)

**41** De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.[^1samuel-17-41-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v41)

**42** Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, en ook knap van uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v42)

**43** De Filistijn nu zei tot David: Ben ik een hond, dat u tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.[^1samuel-17-43-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v43)

**44** Daarna zei de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogels van de hemel geven, en aan de dieren van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v44)

**45** David daarentegen zei tot de Filistijn: U komt tot mij met een zwaard, en met een speer, en met een schild; maar ik kom tot u in[^1samuel-17-45-49] de[^1samuel-17-45-50] Naam van YHWH van de legermachten, de God van de slagorden van[^1samuel-17-45-51] Israël, Die u gehoond hebt.[^1samuel-17-45-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v45)

**46** Op deze dag zal YHWH u in mijn hand geven, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van het leger van de Filistijnen deze dag aan de vogels van de hemel, en aan de beesten van het veld geven; en de hele aarde zal weten, dat Israël een God heeft.[^1samuel-17-46-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v46)

**47** En deze hele vergadering zal weten, dat YHWH niet door het zwaard, noch door de speer verlost; want de oorlog is van YHWH, Die zal u in onze hand geven.[^1samuel-17-47-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v47)

**48** En het gebeurde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, de Filistijn tegemoet.[^1samuel-17-48-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v48)

**49** En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof de Filistijn in zijn[^1samuel-17-49-56] voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.[^1samuel-17-49-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v49)

**50** Zo overweldigde David de Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg de Filistijn, en doodde hem; maar David had geen zwaard in de hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v50)

**51** Daarom liep David, en stond op de Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmee af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, zo vluchtten zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v51)

**52** Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden van de Filistijnen vielen op de weg van[^1samuel-17-52-58] Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.[^1samuel-17-52-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v52)

**53** Daarna keerden de Israëlieten om, van het fel najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers.[^1samuel-17-53-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v53)

**54** Daarna nam David het hoofd van de Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.[^1samuel-17-54-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v54)

**55** Toen Saul David zag uitgaan de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de oorlogsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.[^1samuel-17-55-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v55)

**56** De koning nu zei: Vraag u het, wiens zoon deze jongeling is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v56)

**57** Als David keerde terug van het slaan van de Filistijn, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v57)

**58** En Saul zei tot hem: Wiens zoon bent u, jongeling? En David zei: Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/17.html#v58)

[^1samuel-17-1-1]: Kanttekening 1: de Filistijnen: Hier wordt, volgens eniger gevoelen, verhaald wat geschied is eer David aan het hof gekomen is, dat op het einde van 1 Sam. 16 beschreven staat; maar het wordt hier gesteld, om aan te wijzen door wat oorzaak David aan Sauls hof gekomen is.
[^1samuel-17-1-2]: Kanttekening 2: Een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:35 . Rehabeam heeft haar gebouwd en gesterkt, 2 Kron. 11:7 . Maar ten tijde van Achaz hebben de Filistijnen haar weer ingenomen, 2 Kron. 28:18 . Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, 2 Kronieken 11:7 : En Beth-Zur, en Socho, en Adullam, 2 Kronieken 28:18 : Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^1samuel-17-1-3]: Kanttekening 3: Deze stad was gelegen in de uiterste palen van de stam van Juda tegen het westen, Joz. 15:35 . Rehabeam heeft haar vastgemaakt, 2 Kron. 11:9 ; en zij is van Nebukadnezar belegerd. Zie Jer. 34:7 . Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, 2 Kronieken 11:9 : En Adoraim, en Lachis, en Azeka, Jeremia 34:7 : Als de legermacht van de koning van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.
[^1samuel-17-1-4]: Kanttekening 4: het einde van Dammim: Anders, Efes-Dammim genoemd en Pas-Dammim, 1 Kron. 11:13 . 1 Kronieken 11:13 : Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk van de akker vol gerst was, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte;
[^1samuel-17-4-5]: Kanttekening 5: een kampvechter uit: Hebreeuws, מַּחֲנ֣וֹת, een man tussen twee, of, tussenbeiden, of, tussenbeiden treden. Deze reus schijnt aldus genaamd te zijn omdat hij zich tussen de beide legers stelde, en aanbood met iemand te vechten; of, een man tussen twee; dat is, die tussen hun tweeën een kamp leveren willen. Anders, een tweevechter.
[^1samuel-17-4-6]: Kanttekening 6: een span: Begrijpende wel drie handbreedten, of twaalf vingers.
[^1samuel-17-5-7]: Kanttekening 7: vijf duizend sikkelen kopers: Vier gemene sikkelen doen een ons, zodat, naar die rekening, dit harnas gewogen heeft 1250 onsen; dat is, 78 pond en twee onsen.
[^1samuel-17-6-8]: Kanttekening 8: schild tussen zijn schouders: Of, halskraag, ringkraag, of, schouderwapen.
[^1samuel-17-8-9]: Kanttekening 9: Waarom zoudt u uittrekken: Hij wil zeggen: Wat is het nodig, dat het gehele leger in de wapenen komt om te strijden? Het kan met minder moeite gebeuren, te weten, als u iemand van de uwen uitmaakt, die man voor man met mij vecht.
[^1samuel-17-8-10]: Kanttekening 10: mij afkome: Te weten, om alleen tegen mij alleen te vechten.
[^1samuel-17-10-11]: Kanttekening 11: Verder zei de Filistijn: Te weten, toen hij zag dat er niemand uitkwam om met hem te vechten.
[^1samuel-17-10-12]: Kanttekening 12: Ik heb heden: Te weten, omdat ik hen uitgeroepen heb, om een uit te zenden, die tegen mij alleen zou komen strijden, en daar is niemand onder hen allen, die dat durft bestaan. Dit zal hun een eeuwige schande en verwijt zijn; wat mij betreft, ik heb, enz.
[^1samuel-17-12-13]: Kanttekening 13: Efrathischen man: Van welke gesproken wordt boven, 1 Sam. 16:19 . 1 Samuël 16:19 : Saul nu zond boden tot Isaï, en zei: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.
[^1samuel-17-12-14]: Kanttekening 14: acht zonen had: Vergelijk 1 Kron. 2:13 , 2:14 . 1 Kronieken 2:13 : En Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde, 1 Kronieken 2:14 : Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde,
[^1samuel-17-14-15]: Kanttekening 15: Te weten, onder die, die eigenlijk zonen genoemd worden. Zie boven, 1 Sam. 16:11 . 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.
[^1samuel-17-15-16]: Kanttekening 16: Maar David ging heen: Sommigen verstaan dit zo, dat David dikwijls heeft over en weer gegaan, zijnde van zijn vader telkens gezonden in het leger om te vernemen, hoe het met zijn zonen al ging, en om hen van nooddruft te verzorgen, vers 17 ; als hij dit verricht had, zo keerde hij weer tot de schapen. 1 Samuël 17:17 : En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broers een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers.
[^1samuel-17-15-17]: Kanttekening 17: van Saul: Dat is, naar sommiger gevoelen, van zijn broers, die bij Saul in het leger waren, want dit is geschied eer David aan het hof gekomen was.
[^1samuel-17-15-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 16:19 . 1 Samuël 16:19 : Saul nu zond boden tot Isaï, en zei: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.
[^1samuel-17-17-18]: Kanttekening 18: Anders, nu.
[^1samuel-17-17-19]: Kanttekening 19: een efa: Zie van deze maat Ex. 16:36 . Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
[^1samuel-17-18-20]: Kanttekening 20: Dat is, verse kazen, waar men de melk nog kon uitdrukken.
[^1samuel-17-18-21]: Kanttekening 21: u zult van hen een teken van leven meenemen: Te weten, opdat ik daaruit voorzeker mag afnemen dat u uw boodschap terdeeg gedaan hebt.
[^1samuel-17-20-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 26:5 . 1 Samuël 26:5 : En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag in de wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd.
[^1samuel-17-20-22]: Kanttekening 22: aan de wagenburg: Dat is, aan die plaats, waar het leger met de bagagewagens als besloten of omsingeld was. Zo ook onder, 1 Sam. 26:5 . 1 Samuël 26:5 : En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag in de wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd.
[^1samuel-17-20-23]: Kanttekening 23: men ten strijde riep: Anders, en zij maakten een veldgeschrei tot de oorlog, of, zij maakten een groot geroep in het leger, gelijk wanneer daar een alarm is.
[^1samuel-17-22-24]: Kanttekening 24: de vaten van zich: Versta hier, dat David zijn gereedschap, of bagage, of zak, waarin hij de kazen en de broden droeg \[waarvan vers 17 staat\] bij de bewaarders van de vaten gelaten heeft, om des te spoediger het leger te gaan doorzien. 1 Samuël 17:17 : En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broers een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers.
[^1samuel-17-22-25]: Kanttekening 25: naar hun welstand: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, naar de vrede.
[^1samuel-17-23-26]: Kanttekening 26: Te weten, opwaarts naar de berg, waar het leger van de Israëlieten lag, vers 3 . 1 Samuël 17:3 : De Filistijnen nu stonden aan een berg aan de andere, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
[^1samuel-17-23-27]: Kanttekening 27: Of, slagordening.
[^1samuel-17-23-28]: Kanttekening 28: die woorden: Te weten, die in vers 8 staan.
[^1samuel-17-25-29]: Kanttekening 29: hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël: Dat is, hij zal hem en zijn huis edel maken, en die privilegiën en vrijheden geven, die men placht de edelen te geven, wanneer zij zich in de dienst van het land en hun prins wel gekweten hadden.
[^1samuel-17-26-30]: Kanttekening 30: Wat zal men die man doen: Hebreeuws, יַכֶּה֙, wat zal die man gedaan worden?
[^1samuel-17-29-31]: Kanttekening 31: Wat heb ik nu gedaan: Te weten, waarom u mij dus bekijft, en beschuldigt van hovaardij?
[^1samuel-17-29-32]: Kanttekening 32: Is er geen oorzaak: Alsof hij zei: Mijn vader heeft mij immers hier tot u gezonden. Anders, is het niet dit woord, of oorzaak? Dat is, naar sommiger mening: Is dat woord, dat ik daar gesproken heb, oorzaak dat u op mij zo vergramd bent en mij zo bekijft? Anders, is dat de zaak niet?
[^1samuel-17-30-33]: Kanttekening 33: en hij zei achtervolgens dat woord: David heeft dikwijls verscheidene personen gevraagd, eensdeels om de zekerheid van de zaak volkomenlijk te vernemen, anderdeels om zijn genegenheid om met deze Filistijn te kampen, bekend te maken, opdat het zo voor de koning mocht komen.
[^1samuel-17-31-34]: Kanttekening 34: zo liet hij hem halen: Hebreeuws, יִּקָּחֵֽ, nam hij hem.
[^1samuel-17-32-35]: Kanttekening 35: Uw knecht zal heengaan: Dat is, ik die uw knecht ben, zo ook onder, vers 34 . 1 Samuël 17:34 : Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.
[^1samuel-17-33-36]: Kanttekening 36: kunnen heengaan: Te weten met hoop of uitzicht van hem te overwinnen.
[^1samuel-17-33-37]: Kanttekening 37: een jongeling: En daarom nog onervaren in zaken van oorlog; of, een kind; te weten, vergeleken zijn met deze reus.
[^1samuel-17-34-38]: Kanttekening 38: weid de schapen: Hebreeuws, הָיָ֧ה, was weidende onder de schapen.
[^1samuel-17-34-39]: Kanttekening 39: een schaap van de kudde weg: Of, lam, of, geit.
[^1samuel-17-36-40]: Kanttekening 40: zo zal deze onbesneden Filistijn zijn: Of hij zeggen wilde: Hij zal van mij geslagen en gedood worden, gelijk ik de leeuw en de beer gedood heb.
[^1samuel-17-37-41]: Kanttekening 41: hand van de leeuw gered heeft: Of, poot, klauw.
[^1samuel-17-37-42]: Kanttekening 42: hand van de beer: Of, poot, klauw.
[^1samuel-17-38-43]: Kanttekening 43: zijn kleren: Versta dit van Sauls kleren, dat is, wapenen, die hij placht aan te trekken als hij ten strijde ging, of die hij uit zijn wapenhuis heeft genomen, die David pasten.
[^1samuel-17-39-44]: Kanttekening 44: en wilde gaan: Of, en begon te gaan.
[^1samuel-17-39-45]: Kanttekening 45: deze niet gaan: Te weten, wapenen, of rustingen, of harnassen.
[^1samuel-17-40-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, vat.
[^1samuel-17-41-47]: Kanttekening 47: zijn schilddrager: Hebreeuws, נֹשֵׂ֥א, de man die het schild droeg.
[^1samuel-17-43-48]: Kanttekening 48: met stokken: Anders, met een stok. David had maar een stok of herdersstaf, vers 40 , zodat hier het getal van velen schijnt te staan voor het getal van een. Zie Gen. 21:7 . 1 Samuël 17:40 : En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand; zo naderde hij tot de Filistijn. Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
[^1samuel-17-45-49]: Kanttekening 49: U komt tot mij met een zwaard: Dat is, u verlaat u op uw zwaard, enz. Zie boven, vers 5 , 17:6 . 1 Samuël 17:5 : En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers; 1 Samuël 17:6 : En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;
[^1samuel-17-45-50]: Kanttekening 50: Dat is, door ingeving Gods, en hebbende zijn naam eerst aangeroepen, en verlaat mij op zijn genadige hulp en bijstand, welke Hij dengenen, die op hem vertrouwen, beloofd heeft.
[^1samuel-17-45-51]: Kanttekening 51: Naam van YHWH van de legermachten: Zie Spreuk. 18:10 . Spreuken 18:10 : De Naam van YHWH is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een Vesting gesteld worden.
[^1samuel-17-45-52]: Kanttekening 52: Of, dat; te weten, legermacht.
[^1samuel-17-46-53]: Kanttekening 53: een God heeft: Te weten, een God, die met de daad doet blijken dat Hij almachtig is.
[^1samuel-17-47-54]: Kanttekening 54: want de krijg is van YHWH: Dat is, God, die de krijg regeert, geeft de overwinning die het hem belieft. Anders, want deze krijg is van de Heer; alsof hij zei: Gijlieden voert krijg tegen de Heer, maar wij voor de Heer. Hij betreft zijn eer en de verlossing zijns volks.
[^1samuel-17-48-55]: Kanttekening 55: naar de slagorde toe: Te weten, tot de kampplaats tussen de beide legers.
[^1samuel-17-49-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, sloeg.
[^1samuel-17-49-57]: Kanttekening 57: zodat de steen zonk: Dat is, zodat de steen in zijn voorhoofd bleef stekende. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk in het water dopen of inzinken. De zin is: dat de steen zo lichtelijk en zo diep in zijn voorhoofd ging en bleef zitten, alsof hij daarin versmoord en bedekt ware geweest, en dit door de kracht van God, die met David was.
[^1samuel-17-52-58]: Kanttekening 58: aan de vallei: Van welke gesproken is vers 3 . 1 Samuël 17:3 : De Filistijnen nu stonden aan een berg aan de andere, en de Israëlieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.
[^1samuel-17-52-59]: Kanttekening 59: Een stad, gelegen in de stam van Juda, gelijk te zien is Joz. 15:36 . Jozua 15:36 : En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
[^1samuel-17-53-60]: Kanttekening 60: Hij spreekt in het getal van velen, ten aanzien van de verscheidene kwartieren en het groot getal van de krijgslieden, van de paarden en andere lastdragende beesten, die in dit leger van de Filistijnen waren.
[^1samuel-17-54-61]: Kanttekening 61: Te weten, Goliaths wapenen, die David hem had afgenomen. Maar Goliaths zwaard heeft David, voordat hij koning werd, in de tent van de samenkomst te Nob gelegd. Zie onder, 1 Sam. 21:9 . 1 Samuël 21:9 : Toen zei de priester: Het zwaard van Goliath, de Filistijn, denwelken u sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter de efod; als u u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zei: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.
[^1samuel-17-55-62]: Kanttekening 62: Wiens zoon is deze jongeling: Deze dingen zijn geschied eer David aan het hof kwam; zie op vers 1 . Enigen menen dat Sauls verstand en memorie, doordien hem de kwade geest zo plaagde, gekrenkt en gekwetst was, zo dat hij vergeten had wiens zoon David was. Anderen zeggen dat Saul David wel kende, zoveel zijn persoon aanging, maar dat hij nu begeert te weten van welk geslacht en plaats hij gesproten was. Wat Abner betreft, sommigen menen dat hij niet aan het hof was toen David van Saul geroepen werd om voor hem te spelen, maar hier of daar bij het leger mag geweest zijn, gelijk hij de meeste tijd was. 1 Samuël 17:1 : En de Filistijnen verzamelden hun legermacht ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.

### 1 Samuël 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/18.json)

*Jonathan krijgt David hartelijk lief, en sluit een verbond met hem, vers 1 enz. hem geschenken gevend, 4. Saul stelt hem aan over zijn krijgsvolk, 5. De vrouwen prijzen David in hun gezang boven Saul, 6. Hierover wordt Saul toornig, 8. Hij poogde David met een spies te doorsteken, 10. Maar David ontweek, 11. Saul vreest David, 12, 14. David is voorspoedig in al zijn wegen, 14. Hij wordt door het volk bemind, 16. Saul belooft David bedrieglijk zijn dochter Merab, 17. Maar zij wordt aan Adriël gegeven, 19. Daarna belooft Saul David zijn dochter Michal, 20. doch als een valstrik, 21. De knechten van Saul raden David aan de dochter van de koning ten huwelijk te nemen, 22. David laat zich dat welgevallen, 23. Saul eist 100 voorhuiden van de Filistijnen als bruidsschat, 25. Die David belooft te leveren, 26. en hij levert ze in dubbel getal: toen gaf Saul hem Michal, 27. die heeft David lief, 28. Saul vreest David en is hem vijandig, 29. David is voorspoedig, en is geëerd en vermaard, 30.*

**1** Het gebeurde nu, als[^1samuel-18-1-1] hij geëindigd had tot Saul te spreken,[^1samuel-18-1-2] dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan hield van hem[^1samuel-18-1-3] als van zijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v1)

**2** En[^1samuel-18-2-4] Saul nam hem op die dag, en liet hem niet terugkeren tot het huis van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v2)

**3** Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v3)

**4** En Jonathan deed zijn mantel af,[^1samuel-18-4-5] die hij aan had, en gaf hem aan David, ook[^1samuel-18-4-6] zijn kleren, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v4)

**5** En David trok uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtig, en Saul zette hem over de soldaten; en hij was[^1samuel-18-5-7] aangenaam in de ogen van het hele volk, en ook in de ogen van de knechten van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v5)

**6** Het gebeurde nu, toen[^1samuel-18-6-8] zij kwamen, en David keerde terug van het slaan[^1samuel-18-6-9] van de Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, de koning Saul tegemoet, met trommelen,[^1samuel-18-6-10] met vreugde en met[^1samuel-18-6-11] muziekinstrumenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v6)

**7** En[^1samuel-18-7-a] de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: [^1samuel-18-7-b] Saul heeft[^1samuel-18-7-12] zijn duizenden verslagen, maar David[^1samuel-18-7-13] zijn tienduizenden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v7)

**8** Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zei: Zij hebben David tien duizend gegeven, maar mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v8)

**9** En Saul[^1samuel-18-9-14] had het oog op David, van die dag af en voortaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v9)

**10** En het gebeurde op de andere dag, dat de[^1samuel-18-10-15] boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij[^1samuel-18-10-16] profeteerde midden in het huis, en David[^1samuel-18-10-17] speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een speer in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v10)

**11** En Saul schoot de speer, en[^1samuel-18-11-18] zei:[^1samuel-18-11-19] Ik zal David aan de wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v11)

**12** En Saul[^1samuel-18-12-20] vreesde voor David, want YHWH was met hem, en Hij was van Saul geweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v12)

**13** Daarom deed hem Saul van zich weg, en[^1samuel-18-13-21] hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij[^1samuel-18-13-22] ging uit en hij ging in voor het aangezicht van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v13)

**14** En David gedroeg zich voorzichtig op al zijn wegen; en YHWH was met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v14)

**15** Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzichtig gedroeg,[^1samuel-18-15-23] vreesde hij voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v15)

**16** Maar[^1samuel-18-16-24] geheel Israël en[^1samuel-18-16-25] Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v16)

**17** Daarom zei Saul tot David: Zie,[^1samuel-18-17-26] mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij[^1samuel-18-17-27] een dapper zoon, en voer[^1samuel-18-17-28] de oorlog van YHWH. Want Saul[^1samuel-18-17-29] zei:[^1samuel-18-17-30] Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v17)

**18** Maar David zei tot Saul:[^1samuel-18-18-31] Wie ben ik, en wat is mijn leven, en het huisgezin van mijn vader in Israël, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v18)

**19** Het gebeurde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan[^1samuel-18-19-32] Adriël,[^1samuel-18-19-33] de Meholathiet, tot vrouw gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v19)

**20** Maar Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v20)

**21** En Saul zei: Ik zal haar hem geven,[^1samuel-18-21-34] dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. Daarom zei Saul tot David: Met de[^1samuel-18-21-35] andere zult u[^1samuel-18-21-36] vandaag mijn schoonzoon worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v21)

**22** En Saul gebood zijn knechten: Spreek met David[^1samuel-18-22-37] in het geheime, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu de schoonzoon van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v22)

**23** En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zei David: Is dat licht in uw ogen, de schoonzoon van de koning te worden,[^1samuel-18-23-38] daar ik een arm en verachtzaam man ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v23)

**24** En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende:[^1samuel-18-24-39] Zulke woorden heeft David gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v24)

**25** Toen zei Saul: Zo zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden van de koning. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen.[^1samuel-18-25-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v25)

**26** Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij de schoonzoon van de koning zou worden; maar[^1samuel-18-26-41] de dagen waren nog niet vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v26)

**27** Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en[^1samuel-18-27-c] David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze de koning[^1samuel-18-27-42] volledig, opdat hij schoonzoon van de koning worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal tot vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v27)

**28** En Saul zag en merkte, dat YHWH met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v28)

**29** Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een[^1samuel-18-29-43] vijand al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v29)

**30** Als de vorsten van de[^1samuel-18-30-44] Filistijnen uittrokken, zo gebeurde het, als zij uittrokken, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/18.html#v30)

[^1samuel-18-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, David.
[^1samuel-18-1-2]: Kanttekening 2: dat de ziel van Jonathan: Zie de aantekeningen Gen. 44:30 . Genesis 44:30 : Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (zo zijn ziel aan de ziel van deze gebonden is),
[^1samuel-18-1-3]: Kanttekening 3: als zijn ziel: Dat is, zichzelven.
[^1samuel-18-2-4]: Kanttekening 4: Saul nam hem op die dag: Boven, 1 Sam. 16:19 wordt gezegd dat Saul David bij zich genomen heeft, opdat hij voor hem op de harp spelen zou, en toen ging hij af en aan; boven, 1 Sam. 17:15 . Nu wordt hier gezegd dat Saul David tot zich genomen heeft, te weten, om hem in de krijg te gebruiken, als één van zijn oversten, vers 5 , en daarom moest hij steeds aan het hof blijven. 1 Samuël 16:19 : Saul nu zond boden tot Isaï, en zei: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is. 1 Samuël 17:15 : Maar David ging heen, en kwam weer van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. 1 Samuël 18:5 : En David toog uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen van het ganse volk, en ook in de ogen van de knechten van Saul.
[^1samuel-18-4-5]: Kanttekening 5: die hij aan had: Hebreeuws, מְּעִיל֙, die op hem was.
[^1samuel-18-4-6]: Kanttekening 6: zijn kleren: Versta dit van de krijgsklederen.
[^1samuel-18-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, goed.
[^1samuel-18-6-8]: Kanttekening 8: Te weten, Saul met zijn krijgsvolk.
[^1samuel-18-6-9]: Kanttekening 9: van de Filistijnen: Hebreeuws, פְּלִשְׁתִּ֔י, van de Filistijn; waaronder men verstaan kan de reus Goliath vooreerst, en daarna het leger van de Filistijnen in het algemeen.
[^1samuel-18-6-10]: Kanttekening 10: met vreugde: Zie dergelijke exempelen Ex. 15:20 , 15:21 ; Richt. 11:34 . Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Exodus 15:21 : Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt YHWH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! Richteren 11:34 : Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter.
[^1samuel-18-6-11]: Kanttekening 11: Het instrument, dat hier in het Hebreeuws, genoemd wordt, is ons heden ten dage onbekend, maar het schijnt dat het een instrument met drie snaren geweest is.
[^1samuel-18-7-a]: Verwijzing a: Ex. 15:21 . Exodus 15:21 : Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt YHWH; want Hij is hernstig verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!
[^1samuel-18-7-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 21:11 ; 1 Sam. 29:5 . 1 Samuël 21:11 : Maar de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning van het land? Zong men niet van deze in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden? 1 Samuël 29:5 : Is dit niet die David, van denwelken zij in de rei elkaar antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden?
[^1samuel-18-7-12]: Kanttekening 12: zijn duizenden verslagen: Dat is, vele.
[^1samuel-18-7-13]: Kanttekening 13: zijn tienduizenden: Dat is, tienmaal zoveel als Saul.
[^1samuel-18-9-14]: Kanttekening 14: had het oog op David: Hebreeuws, עון, oogde David; dat is, hij loerde op hem, en bespiedde alle gelegenheid om hem te doden; of hij zag hem van die tijd af met kwade ogen aan, en hij was hem vijand, vers 29 . 1 Samuël 18:29 : Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.
[^1samuel-18-10-15]: Kanttekening 15: boze geest van God: Zie boven, 1 Sam. 16:15 . 1 Samuël 16:15 : Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest van God verschrikt u.
[^1samuel-18-10-16]: Kanttekening 16: profeteerde midden in het huis: De zin is dat Saul, van de boze geest gekweld wordende, als in verrukking van zinnen viel en vreemde gebaren betoonde. Vergelijk 1 Kon. 18:29 met de aantekeningen. 1 Koningen 18:29 : Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.
[^1samuel-18-10-17]: Kanttekening 17: speelde op snarenspel met zijn hand: Te weten, om Saul van de onrust en kwelling van de boze geest te verlichten, en hem in zijn melancholie eerst aan het hof geroepen, boven, 1 Sam. 16:16 . 1 Samuël 16:16 : Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal gebeuren, als de boze geest van God op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.
[^1samuel-18-11-18]: Kanttekening 18: Dat is, hij dacht bij zichzelven. Want het is niet te vermoeden dat hij dit overluid gesproken heeft. Zie dergelijke onder, vers 17 , 18:21 . 1 Samuël 18:17 : Daarom zei Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij een dapper zoon, en voer de krijg van YHWH. Want Saul zei: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. 1 Samuël 18:21 : En Saul zei: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. Daarom zei Saul tot David: Met de andere zult u heden mijn schoonzoon worden.
[^1samuel-18-11-19]: Kanttekening 19: Ik zal David aan de wand spitten: Hebreeuws, דָוִ֖ד, ik zal in David en in de wand slaan.
[^1samuel-18-12-20]: Kanttekening 20: vreesde voor David: Saul vreesde dat het volk en de krijgslieden, die David liefhadden, David tot koning kiezen zouden, vers 8 . 1 Samuël 18:8 : Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zei: Zij hebben David tien duizend gegeven, maar mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.
[^1samuel-18-13-21]: Kanttekening 21: hij zette hem: Niet uit gunst hem deze staat gevende, maar op hoop dat hij in de handen van de vijanden vallen en doodgeslagen zou worden. Zie vers 17 , 18:25 . 1 Samuël 18:17 : Daarom zei Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij een dapper zoon, en voer de krijg van YHWH. Want Saul zei: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. 1 Samuël 18:25 : Toen zei Saul: Aldus zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden van de koning. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen.
[^1samuel-18-13-22]: Kanttekening 22: ging uit en hij ging in: Dat is, hij leidde het volk aan de vijand en van de vijand, gelijk dat een kloeken overste betaamde. Zo ook onder, vers 16 . 1 Samuël 18:16 : Maar geheel Israël en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.
[^1samuel-18-15-23]: Kanttekening 23: vreesde hij: Zie hiervan de oorzaak boven, vers 8.
[^1samuel-18-16-24]: Kanttekening 24: geheel Israël: Versta de elf stammen.
[^1samuel-18-16-25]: Kanttekening 25: Juda had David lief: Dat is de stam van Juda.
[^1samuel-18-17-26]: Kanttekening 26: mijn grootste dochter Merab: Omdat Saul David niet openlijk durfde doden, en God hem in de krijg bewaarde, zo zoekt hij hem, onder een schijn van liefde en vriendschap, in het net te krijgen en om te brengen.
[^1samuel-18-17-27]: Kanttekening 27: een dapper zoon: Hebreeuws, הֱיֵה, een zoon van de dapperheid.
[^1samuel-18-17-28]: Kanttekening 28: de krijg van YHWH: Dat is, de oorlogen van het Israëlietische volk, die zij voeren om de eer van God voor te staan tegen de afgodische heidenen.
[^1samuel-18-17-29]: Kanttekening 29: Te weten, bij zichzelven in zijn hart.
[^1samuel-18-17-30]: Kanttekening 30: Dat mijn hand niet tegen hem zij: Dat is, ik zal hem met mijn eigen handen niet doden, maar ik zal hem door de hand van de Filistijnen laten omkomen. Dit bedacht Saul daarom, opdat de kwade wil van het volk, dat David liefhad, op hem niet vallen zou.
[^1samuel-18-18-31]: Kanttekening 31: Wie ben ik: Hij wil zeggen: Ik ben veel te gering, dat ik de schoonzoon van een koning zou worden. Aldus spreekt David ook 2 Sam. 7:18 . 2 Samuël 7:18 : Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht van YHWH, en hij zei: Wie ben ik, Heer YHWH, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?
[^1samuel-18-19-32]: Kanttekening 32: Hij is geweest de zoon van Barzillaï de Efraïmiet, 2 Sam. 21:8 , alwaar gezegd wordt dat de vijf kinderen, die hij Merab gewonnen heeft, van de Gibeonieten zijn gehangen. 2 Samuël 21:8 : Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zus, Sauls dochter, die zij Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet, gebaard had;
[^1samuel-18-19-33]: Kanttekening 33: de Meholathiet: Dat is, die te Mehola geboren was. Deze stad werd Abel-Mehola genoemd, Richt. 7:22 . Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de een tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^1samuel-18-21-34]: Kanttekening 34: dat zij hem tot een valstrik zij: Zie onder, vers 25 . 1 Samuël 18:25 : Toen zei Saul: Aldus zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden van de koning. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen.
[^1samuel-18-21-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, twee; dat is, de tweede. Zie boven, 1 Sam. 13:1 . 1 Samuël 13:1 : Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël.
[^1samuel-18-21-36]: Kanttekening 36: mijn schoonzoon worden: Dat is, binnen korte tijd, of, op die dag; verstaande een zekeren en bestemden dag, die Saul daartoe bestemd had, gedurende welke tijd David zijn bruidsgift van honderd voorhuiden van de Filistijnen zou opbrengen. Zie hieronder, vers 26 . Maar Sauls hoop was, dat David, zich hiertoe schikkende, de ene of de andere tijd zou omkomen. 1 Samuël 18:26 : Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij de schoonzoon van de koning zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.
[^1samuel-18-22-37]: Kanttekening 37: in het geheime: Alsof hij zei: Houd u niet, dat u dat door mijn bevel doet, maar alsof u het uit uzelven deedt, zonder mijn kennis.
[^1samuel-18-23-38]: Kanttekening 38: daar ik een arm en verachtzaam man ben: Hij wil zeggen: Omdat ik een arm gezel ben, in vergelijking met de koning, zo heb ik de macht niet om een bruidsgift te geven, gelijk de dochter van een koning toestaat. Want de mannen ontvingen in die tijd geen bruidsgift van de vrouw, maar zij gaven de bruidsgiften. Zie Gen. 34:12 ; Ex. 22:16 , 22:17 . Deze bruidsgift was tenminste vijftig sikkelen zilvers, Deut. 22:29 . Dat is wat meer dan twaalf en een half onsen zilvers, dat is twaalf rijksdaalders en een halve (ƒ 31,25). Genesis 34:12 : Vergroot zeer over mij de bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als u tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw. Exodus 22:16 : Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij. Exodus 22:17 : Als haar vader ganselijk weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar de bruidschat van de maagden. Deuteronomium 22:29 : Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van de jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen.
[^1samuel-18-24-39]: Kanttekening 39: Zulke woorden heeft David gesproken: Hebreeuws, דִּבֶּ֥ר, naar deze woorden.
[^1samuel-18-25-40]: Kanttekening 40: Want Saul dacht David te vellen: Dat is, Saul vermoedde dat David eer in de krijg zou omkomen, voordat hij honderd Filistijnen zou ombrengen.
[^1samuel-18-26-41]: Kanttekening 41: de dagen waren nog niet vervuld: Te weten, die dagen, die bestemd waren om de bruiloft te houden, of om de levering van de voorhuiden te doen.
[^1samuel-18-27-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 3:14 . 2 Samuël 3:14 : Ook zond David boden tot Isboseth, de zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden van de Filistijnen ondertrouwd heb.
[^1samuel-18-27-42]: Kanttekening 42: Dat is, in vol getal.
[^1samuel-18-29-43]: Kanttekening 43: al zijn dagen: Dat is, zolang als Saul leefde.
[^1samuel-18-30-44]: Kanttekening 44: Te weten, om krijg te voeren tegen de Israëlieten.

### 1 Samuël 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/19.json)

*Saul zoekt David te doden, vers 1 enz. Jonathan waarschuwt David, 2. en hij spreekt voor hem bij Saul, 4. Die zweert dat hij David niet zou doden, 6. David komt weer aan het hof, 7. Hij trekt ten strijde en verslaat de Filistijnen, 8. Daarom zoekt Saul David alweer te doden, 10. Michal, Davids vrouw, maakt hem dat bekend, 11. Daarom vluchtte hij, 12. Michal misleidt haar vader, 13. David komt te Rama bij Samuel, 18. Saul zendt boden naar Najoth om David te grijpen: die profeteren, 20. Hij zendt andere boden, die ook profeteren, 21. Hij trekt zelf erheen, 22. en hij profeteert ook, 23.*

**1** Daarom sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Maar Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v1)

**2** En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wees toch 's morgens op uw hoede, en blijf in het verborgene, en verstop u.[^1samuel-19-2-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v2)

**3** Maar ik zal uitgaan, en aan de hand van mijn vader staan[^1samuel-19-3-2] op het veld, waar u zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal[^1samuel-19-3-3] zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v3)

**4** Zo sprak dan Jonathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zei tot hem: De koning[^1samuel-19-4-4] zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v4)

**5** Want[^1samuel-19-5-5] hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de[^1samuel-19-5-6] Filistijn geslagen, en YHWH heeft een groot heil aan het hele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zou u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v5)

**6** Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als YHWH leeft,[^1samuel-19-6-7] hij zal niet gedood worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v6)

**7** En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en[^1samuel-19-7-8] hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v7)

**8** En er werd opnieuw strijd; en David trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een grote slag, en zij vluchtten voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v8)

**9** [^1samuel-19-9-a] Maar de boze geest van YHWH was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn speer was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v9)

**10** Saul nu zocht met de speer[^1samuel-19-10-9] David aan de wand te spitten, maar hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de speer in de wand sloeg. Toen vluchtte David, en ontkwam in die nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v10)

**11** Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem 's[^1samuel-19-11-10] morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw[^1samuel-19-11-11] ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v11)

**12** En Michal liet David[^1samuel-19-12-12] door een venster neer, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v12)

**13** En Michal nam[^1samuel-19-13-13] een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde[^1samuel-19-13-14] een geitenvel aan zijn hoofdkussen, en dekte het met een kleed toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v13)

**14** Saul nu zond boden, om David[^1samuel-19-14-15] te halen. Zij dan zei: Hij is ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v14)

**15** Toen zond Saul boden, om David te[^1samuel-19-15-16] bekijken, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v15)

**16** Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdkussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v16)

**17** [^1samuel-19-17-17] Toen zei Saul tot Michal: Waarom hebt u mij zo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zei tot Saul: Hij zei tot mij: Laat mij gaan,[^1samuel-19-17-18] waarom zou ik u doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v17)

**18** Zo vluchtte David en ontkwam, en[^1samuel-19-18-19] hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te[^1samuel-19-18-20] Najoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v18)

**19** En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth,[^1samuel-19-19-21] bij Rama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v19)

**20** Toen zond Saul boden heen, om David te[^1samuel-19-20-22] halen; die[^1samuel-19-20-23] zagen een vergadering van profeten,[^1samuel-19-20-24] profeterende, en Samuël staande, over hen gesteld; en de Geest van God was over Sauls boden, en die[^1samuel-19-20-25] profeteerden ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v20)

**21** Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v21)

**22** Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot de grote waterput, die te[^1samuel-19-22-26] Sechu was, en hij vraagde en zei: Waar is Samuël, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v22)

**23** Toen ging hij daarheen naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest van God was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v23)

**24** En[^1samuel-19-24-27] hij trok zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en[^1samuel-19-24-28] hij viel[^1samuel-19-24-29] bloot neer die hele dag, en de hele nacht. Daarom zegt[^1samuel-19-24-30] men: Is Saul ook onder de profeten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/19.html#v24)

[^1samuel-19-2-1]: Kanttekening 1: 's morgens: Want Sauls trawanten meenden hem 's morgens te doden, vers 11 . Anders, tot morgen, want middelertijd had Jonathan voorgenomen met Saul voor David ten beste te spreken, en te vernemen of Saul nog volhardde in zijn boos voornemen. 1 Samuël 19:11 : Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem 's morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden.
[^1samuel-19-3-2]: Kanttekening 2: op het veld: Anders, in het veld.
[^1samuel-19-3-3]: Kanttekening 3: zien wat het zij: Of, vernemen, of, merken.
[^1samuel-19-4-4]: Kanttekening 4: zondige niet tegen zijn knecht David: Te weten hem ongelijk doende, en hem dus dodelijk vervolgende.
[^1samuel-19-5-5]: Kanttekening 5: zijn ziel in zijn hand gezet: Hij wil zeggen: Hij heeft zijn leven gewaagd en zichzelven in doodsgevaar gesteld. Zie gelijke manier van spreken onder, 1 Sam. 28:21 ; Richt. 12:3 . 1 Samuël 28:21 : De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zei tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die u tot mij gesproken hebt. Richteren 12:3 : Als ik nu zag, dat u niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en YHWH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?
[^1samuel-19-5-6]: Kanttekening 6: de Filistijn geslagen: Anders, de Filistijnen. Zie boven, 1 Sam. 18:6 . 1 Samuël 18:6 : Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David keerde terug van het slaan van de Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, de koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.
[^1samuel-19-6-7]: Kanttekening 7: hij zal niet gedood worden: Te weten, door mijn bevel. Zodat Saul hier van zijn voornemen, vers 1 , afstand doet. Hebreeuws, יוּמָֽת, als hij gedood wordt! Zie de aantekeningen Gen. 14:23 . 1 Samuël 19:1 : Daarom sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Maar Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1samuel-19-7-8]: Kanttekening 8: hij was voor zijn aangezicht: Dat is, hij kwam aan het hof, en bediende zijn ambt, gelijk hij tevoren gedaan had.
[^1samuel-19-9-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 16:14 ; 1 Sam. 18:10 . 1 Samuël 16:14 : En de Geest van YHWH week van Saul; en een boze geest van YHWH verschrikte hem. 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde van de anderen daags, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.
[^1samuel-19-10-9]: Kanttekening 9: David aan de wand te spitten: Zie boven, 1 Sam. 18:11 . 1 Samuël 18:11 : En Saul schoot de spies, en zei: Ik zal David aan de wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.
[^1samuel-19-11-10]: Kanttekening 10: Zie boven, vers 2 . 1 Samuël 19:2 : En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch 's morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.
[^1samuel-19-11-11]: Kanttekening 11: uw ziel: Dat is, uzelven, uw persoon, uw leven.
[^1samuel-19-12-12]: Kanttekening 12: door een venster: Want de deuren waren bezet met de knechten van Saul.
[^1samuel-19-13-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, terafim; gelijk onder, vers 16 . 1 Samuël 19:16 : Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.
[^1samuel-19-13-14]: Kanttekening 14: Kwanswijs of het Davids haar ware.
[^1samuel-19-14-15]: Kanttekening 15: Anders, te vangen. Hebreeuws, te nemen.
[^1samuel-19-15-16]: Kanttekening 16: Dat is, te bezoeken, kwanswijs, alsof zij hem uit vriendschap in zijn ziekte kwamen bezoeken. Maar voornamelijk om te zien, of hij in waarheid ziek was, of dat hij zich ziek hield, en in alle geval hem mee te nemen.
[^1samuel-19-17-17]: Kanttekening 17: Toen zei: Te weten, nadat de boden Saul hadden verteld wat hun wedervaren was.
[^1samuel-19-17-18]: Kanttekening 18: Zij wil zeggen dat David gedreigd had haar te doden, als zij hem niet liet gaan. Zie gelijke manier van spreken 2 Sam. 2:22 . 2 Samuël 2:22 : Toen voer Abner verder voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broer Joab?
[^1samuel-19-18-19]: Kanttekening 19: hij kwam tot Samuël: Te weten, om raad te vragen wat hij doen zou, en ook vermoedende dat hij daar vrijer dan ergens anders wezen zou in het gezelschap van Samuël en de andere profeten, die zelf te Gibeä, onaangezien de Filistijnen daar hun garnizoen hadden, vrij waren, 1 Sam. 10:10 . 1 Samuël 10:10 : Toen zij daar aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest van YHWH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.
[^1samuel-19-18-20]: Kanttekening 20: Dit is een plaats, waar de profeten, een collegium of school hadden, bij Rama gelegen, waar Samuël zijn woning had.
[^1samuel-19-19-21]: Kanttekening 21: bij Rama: Zo wordt de Hebreeuwse letter Beth duidelijk genomen, Joz. 5:13 , enz. Jozua 5:13 : Verder geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Zijt U van ons, of van onze vijanden?
[^1samuel-19-20-22]: Kanttekening 22: Zie vers 14 . 1 Samuël 19:14 : Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zei: Hij is ziek.
[^1samuel-19-20-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, zag; dat is, elk een derzelver zag.
[^1samuel-19-20-24]: Kanttekening 24: Dat is, God lovende en zijn naam groot makende met gebeden en lofzangen.
[^1samuel-19-20-25]: Kanttekening 25: profeteerden ook: Dat is, zij stelden zich aan gelijk de profeten deden als zij profeteerden. Zie boven, 1 Sam. 18:10 . Het schijnt dat deze boden van Saul zo van zin veranderd zijn geworden dat zij, hun wapenen afleggende, niet verder dachten de handen aan David te slaan, daar zij nochtans om uitgezonden waren. 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde de volgende dag, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.
[^1samuel-19-22-26]: Kanttekening 26: Zie van deze stad de aantekeningen 1 Sam. 17:1 . 1 Samuël 17:1 : En de Filistijnen verzamelden hun legermacht ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
[^1samuel-19-24-27]: Kanttekening 27: toog zelf ook zijn kleren uit: Dat is, hij legde zijn koninklijke of krijgsmans opperkleding af, met welke hij gekomen was om David te vangen.
[^1samuel-19-24-28]: Kanttekening 28: Versta, dat hij gelijk als in een verrukking van zinnen is gevallen, gelijk dat somtijds de profeten is wedervaren. Zie Num. 24:4 . Of, hij viel neder, gelijk de anderen in het bidden zich tegen de aarde strekkende, zich zo tezamen voor de Heer verootmoedigende. Numeri 24:4 : De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het gezicht van de Almachtige ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden!
[^1samuel-19-24-29]: Kanttekening 29: Of, naakt. Versta dit zo, dat hij zich ontbloot heeft van zijn koninklijk, of opperkleed, of van zijn krijgsmanskleed. Zie dergelijk Jes. 20:2 ; Micha 1:8 . Jesaja 20:2 : Ter zelfder tijd sprak YHWH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande naakt en barrevoets. Micha 1:8 : Hierom zal ik luid weeklagen en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen als de draken, en treuren als de jonge struisen.
[^1samuel-19-24-30]: Kanttekening 30: Is Saul ook onder de profeten: Zie boven, 1 Sam. 10:12 . Hier past dit spreekwoord op diegenen, die van God wonderbaarlijk in hun voornemen verhinderd worden, gelijk Saul hier wedervaren is. Zie dergelijke geschiedenis Num. 23:24 , in Bileam; en Hand. 9 , in Saul. 1 Samuël 10:12 : Toen antwoordde een man van daar, en zei: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten? Numeri 23:24 : Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het de roof gegeten, en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben!

### 1 Samuël 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/20.json)

*David beklaagt zich bij Jonathan over Saul, vers 1 enz. Jonathan troost David, en kan niet geloven dat Saul hem zocht te doden, 2. Maar David houdt daaraan vast, 3. David verzoekt dat Jonathan zijn afwezigheid bij Saul wil verontschuldigen, 5. Jonathan belooft David te waarschuwen, 9. Ja, hij zweert het hem, 13. Hij vraagt dezelfde goedertierenheid van David, 14. Zij vernieuwen het verbond van vriendschap met elkaar, 16. wat David met een eed bekrachtigt, 17. Zij worden het eens hoe Jonathan David de gezindheid van zijn vader zou bekendmaken, 19. Saul vraagt naar David op het feest van de nieuwe maan, 27. Jonathan verontschuldigt David, 28. Toen Saul hierover toornig werd, scheldt hij Jonathan uit en poogt hem te doden, 30. Jonathan waarschuwt David door het schieten van de pijlen, 35. Zij scheiden met grote droefheid en met tranen van elkaar, 41.*

**1** [^1samuel-20-1-1] Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en[^1samuel-20-1-2] hij kwam, en zei voor het aangezicht van Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht van uw vader, dat hij mijn ziel zoekt?[^1samuel-20-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v1)

**2** Hij daarentegen zei tot hem: Volstrekt niet, u zult niet sterven. Zie,[^1samuel-20-2-4] mijn vader doet geen grote zaak, en geen kleine zaak, die hij[^1samuel-20-2-5] voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak[^1samuel-20-2-6] van mij verbergen? Dat is niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v2)

**3** Toen zwoer David verder, en zei: Uw vader[^1samuel-20-3-7] weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij[^1samuel-20-3-8] gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich geen zorgen maakt; en zeker, zo waarachtig als YHWH leeft, en uw ziel leeft, er[^1samuel-20-3-10] is maar als een schrede tussen mij en tussen de dood![^1samuel-20-3-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v3)

**4** Jonathan nu zei tot David: Wat uw[^1samuel-20-4-11] ziel zegt, dat zal ik u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v4)

**5** En David zei tot Jonathan: Zie, morgen is[^1samuel-20-5-12] de nieuwe[^1samuel-20-5-13] maan, dat ik zeker met de koning zou aanzitten om te eten; zo[^1samuel-20-5-14] laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan de derde avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v5)

**6** Als uw vader mij zeker mist, zo zult u zeggen: David heeft van mij[^1samuel-20-6-15] zeer begeerd, dat hij tot[^1samuel-20-6-16] zijn stad Bethlehem mocht lopen; want daar is[^1samuel-20-6-17] een jaarlijks offer voor het hele geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v6)

**7** Als hij zo zegt: Het is goed, zo heeft[^1samuel-20-7-18] uw knecht vrede; maar als hij[^1samuel-20-7-19] geheel ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v7)

**8** [^1samuel-20-8-20] Doe dan barmhartigheid aan uw knecht,[^1samuel-20-8-a] want u hebt uw knecht in een verbond van YHWH met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood u mij;[^1samuel-20-8-21] waarom zou u mij toch tot uw vader brengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v8)

**9** Toen zei Jonathan: Volstrekt niet van u! Maar als ik zeker merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten was, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?[^1samuel-20-9-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v9)

**10** David nu zei tot Jonathan:[^1samuel-20-10-23] Wie zal het mij te kennen geven, als uw vader u[^1samuel-20-10-24] wat hards antwoordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v10)

**11** Toen zei Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v11)

**12** En Jonathan zei tot David:[^1samuel-20-12-25] YHWH, de God van Israël, als ik mijn vader onderzocht zal hebben ongeveer deze tijd, morgen[^1samuel-20-12-26] of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zend, en voor uw oor openbare; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v12)

**13** [^1samuel-20-13-27] Zo doe YHWH aan Jonathan, en zo doe Hij daartoe![^1samuel-20-13-28] Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat u in vrede heengaat; en[^1samuel-20-13-29] YHWH zij met u,[^1samuel-20-13-30] zoals Hij met mijn vader geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v13)

**14** En zult u niet, als ik[^1samuel-20-14-31] dan nog leve, ja, zult u niet[^1samuel-20-14-32] de goedertierenheid van YHWH aan mij doen,[^1samuel-20-14-33] dat ik niet sterve? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v14)

**15** Ook zult u uw goedertierenheid niet afsnijden van mijn[^1samuel-20-15-34] huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer YHWH ieder van de vijanden van David van de aardbodem zal uitgeroeid hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v15)

**16** Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David,[^1samuel-20-16-36] zeggende: Dat YHWH eise van de hand van de vijanden van David![^1samuel-20-16-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v16)

**17** En[^1samuel-20-17-37] Jonathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad;[^1samuel-20-17-38] want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v17)

**18** Daarna zei Jonathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal leeg gevonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v18)

**19** En als u de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig[^1samuel-20-19-39] af, en ga tot die plaats, waar u zich verborgen had op de dag[^1samuel-20-19-40] van deze handeling; en blijf[^1samuel-20-19-41] bij de steen Ezel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v19)

**20** Zo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik[^1samuel-20-20-42] naar een teken schoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v20)

**21** En zie, ik zal de jongen zenden, zeggende: Ga heen,[^1samuel-20-21-43] zoek de pijlen, als ik[^1samuel-20-21-44] uitdrukkelijk tot de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem[^1samuel-20-21-45] hem; en kom u, want er is vrede voor u, en[^1samuel-20-21-46] er is geen ding, zo werkelijk YHWH leeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v21)

**22** Maar als ik tot de jongen zo zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en verder;[^1samuel-20-22-47] ga heen, want YHWH heeft u laten gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v22)

**23** [^1samuel-20-23-b] En voor wat betreft de zaak, waarvan ik en u gesproken hebben, zie, YHWH zij[^1samuel-20-23-48] tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v23)

**24** David nu[^1samuel-20-24-49] verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij het voedsel[^1samuel-20-24-50], om te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v24)

**25** Toen zich de koning gezet had op zijn zitplaats,[^1samuel-20-25-51] op dit maal zoals de andere maal, aan de stede bij de wand,[^1samuel-20-25-52] zo stond Jonathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd leeg gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v25)

**26** En Saul sprak[^1samuel-20-26-53] op die dag niets, want[^1samuel-20-26-54] hij zei:[^1samuel-20-26-55] Hem is wat voorgevallen, dat hij[^1samuel-20-26-56] niet rein is; voorzeker, hij is niet rein.[^1samuel-20-26-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v26)

**27** Het gebeurde nu op de andere dag, de tweede van de nieuwe maan, als Davids plaats leeg gevonden werd, zo zei Saul tot zijn zoon[^1samuel-20-27-58] Jonathan: Waarom is[^1samuel-20-27-59] de zoon van Isaï noch gisteren noch vandaag tot het voedsel gekomen?[^1samuel-20-27-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v27)

**28** En Jonathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstig naar Bethlehem te mogen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v28)

**29** En hij zei: Laat mij toch gaan; want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broer heeft het mij zelfs[^1samuel-20-29-61] geboden; heb ik nu genade in uw ogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijn broers zie; hierom is hij aan de tafel van de koning niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v29)

**30** Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jonathan, en hij zei tot hem: U, zoon van de verkeerde in opstandigheid, weet ik het niet, dat u de zoon van Isaï gekozen hebt tot uw schande, en[^1samuel-20-30-63] tot schande van de naaktheid van uw moeder?[^1samuel-20-30-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v30)

**31** Want al de dagen, die de zoon van Isaï op de aardbodem leven zal, zo zult u noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij,[^1samuel-20-31-64] want hij is een kind van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v31)

**32** Toen antwoordde Jonathan Saul, zijn vader, en zei tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v32)

**33** Toen schoot Saul de speer[^1samuel-20-33-65] op hem, om[^1samuel-20-33-66] hem te slaan. Zo merkte Jonathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v33)

**34** Daarom stond Jonathan van de tafel op in hitte van de toorn; en hij at op de tweede dag van de nieuwe maan geen brood, want hij maakte zich zorgen om David, omdat zijn vader hem gesmaad had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v34)

**35** En het gebeurde[^1samuel-20-35-67] 's morgens, dat Jonathan in het veld ging, op de tijd, die[^1samuel-20-35-68] David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v35)

**36** En hij zei tot zijn jongen: Loop,[^1samuel-20-36-69] zoek nu de pijlen, die ik schieten zal. De jongen liep heen, en[^1samuel-20-36-70] hij schoot een pijl, die hij deed over hem vliegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v36)

**37** Toen de jongen tot aan de plaats van de pijl, die Jonathan geschoten had, gekomen was, zo riep Jonathan de jongen na, en zei: Is niet de pijl van u af en verder? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v37)

**38** Opnieuw riep Jonathan de jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil! De jongen van Jonathan nu raapte de pijl op, en hij kwam tot zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v38)

**39** Maar de jongen wist er niets van; Jonathan en David alleen wisten van de zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v39)

**40** Toen gaf Jonathan zijn[^1samuel-20-40-71] gereedschap aan de jongen, die hij had; en hij zei tot hem: Ga heen, breng het in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v40)

**41** Als de jongen heenging, zo stond David op van[^1samuel-20-41-72] de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich drie keer; en zij kusten[^1samuel-20-41-73] elkaar, en huilden met elkaar,[^1samuel-20-41-74] totdat het David geheel veel maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v41)

**42** Toen zei Jonathan tot David: Ga in vrede; wat wij beiden in de Naam van YHWH gezworen hebben, zeggende: YHWH zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v42)

**43** Daarna stond[^1samuel-20-43-75] hij op, en ging heen; en Jonathan kwam[^1samuel-20-43-76] in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/20.html#v43)

[^1samuel-20-1-1]: Kanttekening 1: vluchtte David van Najoth bij Rama: Te weten, toen Saul zo in zijn geest verrukt zijnde, profeteerde, en te Najoth een dag en een nacht bleef.
[^1samuel-20-1-2]: Kanttekening 2: hij kwam: Te weten, te Gibeä Sauls, waar Jonathan toen was hof houdende, als zijnde stadhouder zijns vaders.
[^1samuel-20-1-3]: Kanttekening 3: dat hij mijn ziel zoekt: Dat is, dat hij naar mijn leven staat, gelijk Matt. 2:20 . Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^1samuel-20-2-4]: Kanttekening 4: mijn vader doet geen grote zaak: De vrome Jonathan was in zijn mening bedrogen, een al te goed gevoelen van zijn vader hebbende, die hem zijn boos voornemen tegen David niet geopenbaard heeft.
[^1samuel-20-2-5]: Kanttekening 5: voor mijn oor niet openbaart: Zie de aantekeningen Ruth 4:4 . Ruth 4:4 : En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten mijns volks; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.
[^1samuel-20-2-6]: Kanttekening 6: van mij verbergen: Of, voor mij.
[^1samuel-20-3-7]: Kanttekening 7: weet zeer wel: Hebreeuws, יָדֹ֨עַ, wetende weet.
[^1samuel-20-3-8]: Kanttekening 8: Te weten, bij zichzelven, in zijn eigen hart; dat is, hij heeft gedacht.
[^1samuel-20-3-10]: Kanttekening 10: is maar als een schrede: Dat is, ik ben in een zeker en merkelijk gevaar van de dood.
[^1samuel-20-3-9]: Kanttekening 9: opdat hij zich niet bekommere: Of, opdat het hem niet smarte.
[^1samuel-20-4-11]: Kanttekening 11: ziel zegt: Dat is, begeerte. Zie Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^1samuel-20-5-12]: Kanttekening 12: de nieuwe maan: Op welke dag zij plachten met elkaar maaltijd te houden, en vrolijk te zijn, nadat men dankoffers geofferd had.
[^1samuel-20-5-13]: Kanttekening 13: dat ik zekerlijk: Hebreeuws, מָחָ֔ר, dat ik zittende zou zitten; te weten, na het gehouden slachtoffer. Zie Num. 10:10 . Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God!
[^1samuel-20-5-14]: Kanttekening 14: laat mij gaan: Dat is, geef mij verlof om te mogen uitblijven tot aan de avond van de derde dag van de nieuwe maan, dan wil ik mij in het veld vervoegen, maar eerst wil ik heengaan naar Bethlehem, om daar het feest van de nieuwe maan met mijn familie te houden. Zie vers 19 , 20:35 . 1 Samuël 20:19 : En als u de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar u u verborgen hadt op de dag van deze handeling; en blijf bij de steen Ezel. 1 Samuël 20:35 : En het geschiedde 's morgens, dat Jonathan in het veld ging, op de tijd, die David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem.
[^1samuel-20-6-15]: Kanttekening 15: zeer begeerd: Hebreeuws, רוּץ֙, begerende begeerd.
[^1samuel-20-6-16]: Kanttekening 16: zijn stad Bethlehem mocht lopen: Dit is, naar Bethlehem, waar hij geboren is, gelijk Joh. 7:42 . Zie Gen. 23:10 , en Gen. 24:10 . Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit het zaad Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was? Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van zijns heren kamelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^1samuel-20-6-17]: Kanttekening 17: een jaarlijks offer: Hebreeuws, שָׁ֖ם, een offer van de dagen; dat is, van een vol jaar. Zie Lev. 25:29 , namelijk een dankoffer, waarbij dan een maaltijd gehouden werd. Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 9:12 . Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. 1 Samuël 9:12 : Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Ziet, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, omdat het volk heden een offerande heeft op de hoogte.
[^1samuel-20-7-18]: Kanttekening 18: uw knecht vrede: Uw knecht; dat is, ik.
[^1samuel-20-7-19]: Kanttekening 19: geheel ontstoken is: Hebreeuws, יֶֽחֱרֶה֙, ontstoken zijnde ontstoken is.
[^1samuel-20-8-20]: Kanttekening 20: Doe dan barmhartigheid aan uw knecht: Dat is, bewijs mij nu deze gunst en weldaad, dat u mij bijtijds waarschuwt.
[^1samuel-20-8-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 18:3 . 1 Samuël 18:3 : Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel.
[^1samuel-20-8-21]: Kanttekening 21: waarom zoudt u mij: Te weten, om van hem gedood te worden. Alsof hij zei: U zelf hebt macht om mij te doden als ik het verdiend heb, zonder dat u mij behoeft tot uw vader te brengen om van hem gedood te worden.
[^1samuel-20-9-22]: Kanttekening 22: Dat zij verre van u: Te weten, dat u zoudt gedood worden.
[^1samuel-20-10-23]: Kanttekening 23: Wie zal het mij te kennen geven: Anders, wie zal mij \[het goede\] te kennen geven, of als, enz.
[^1samuel-20-10-24]: Kanttekening 24: wat hards antwoordt: Te weten, dat hij dreigde mij te doden, of iets dergelijks.
[^1samuel-20-12-25]: Kanttekening 25: YHWH, de God van Israël: Anders, o Heer, God van Israël, en aldus zou Jonathan God aanroepen tot getuige van zijn oprechtheid.
[^1samuel-20-12-26]: Kanttekening 26: Dit was de volgende dag na de nieuwe maan, want deze samenspreking van Jonathan met David geschiedde daags vóór de nieuwe maan, vers 5 . 1 Samuël 20:5 : En David zei tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met de koning zou aanzitten om te eten; zo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan de derde avond.
[^1samuel-20-13-27]: Kanttekening 27: Zo doe YHWH aan Jonathan: Zie van deze manier van spreken Ruth 1:17 . Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
[^1samuel-20-13-28]: Kanttekening 28: Als mijn vader: Dat is, als ik zie dat mijn vader heeft voorgenomen u kwaad te doen.
[^1samuel-20-13-29]: Kanttekening 29: YHWH zij met u: Te weten, als u na de dood van mijn vader zult koning zijn geworden. Hieruit is af te nemen dat Jonathan toen wel geweten heeft, dat David koning zou worden, als al van Samuël gezalfd zijnde. Jonathan heeft de ordinantie Gods willen gehoorzamen, al was hij Sauls oudste zoon en de naaste tot de kroon.
[^1samuel-20-13-30]: Kanttekening 30: gelijk als Hij met mijn vader geweest is: Te weten, toen Hij hem gezegend en victorie gegeven heeft.
[^1samuel-20-14-31]: Kanttekening 31: dan nog leve: Te weten, als u koning zult zijn.
[^1samuel-20-14-32]: Kanttekening 32: de weldadigheid van YHWH: Dat is, een goeddadigheid, die de Heer aangenaam is; of, hij verstaat de vriendschap en trouw, die zij elkaar voor de Heer gezworen hadden.
[^1samuel-20-14-33]: Kanttekening 33: dat ik niet sterve: Dat is, dat u mij niet doodt, mij latende ontgelden het geweld en ongelijk, dat mijn vader u is doende.
[^1samuel-20-15-34]: Kanttekening 34: huis tot in eeuwigheid: Dat is, geslacht, familie, bloedvrienden.
[^1samuel-20-16-36]: Kanttekening 36: Dat YHWH eise van de hand van de vijanden Davids: Jonathan, om David volkomenlijk te verzekeren, wenst met een eed Gods rechtvaardige wraak over Davids vijanden, waaronder hij ook zou zijn, als hij het verbond kwam te verbreken. Sommigen nemen het zo, dat Jonathan hier David bezweert, dat het God van Davids hand zal eisen, als hij het verbond aan zijn zijde verbrak, noemende de vijanden Davids inplaats van David zelf; vergelijk onder, 1 Sam. 25:22 , met de aantekeningen. Sommigen zetten het aldus over: \[Maar de Heer eise het van de hand van de vijanden Davids\] willende zeggen, dat David wel dit verbond, zoveel in hem was, heeft onderhouden, maar dat God, desniettegenstaande, zijn rechtvaardig oordeel over Sauls huis heeft uitgevoerd. 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is!
[^1samuel-20-16-35]: Kanttekening 35: maakte Jonathan: Dat is, hij vernieuwde en bevestigde het verbond, dat hij tevoren met David gemaakt had, 1 Sam. 18:3 . 1 Samuël 18:3 : Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel.
[^1samuel-20-17-37]: Kanttekening 37: Jonathan voer voort: Eerst heeft Jonathan David een eed gedaan, en beloofd hem voor te staan, vers 13 . Nu verzoekt Jonathan, dat David hem ook met ede belove, dat hij hem en de zijnen barmhartigheid wil bewijzen, als hij koning zou geworden zijn. 1 Samuël 20:13 : Zo doe YHWH aan Jonathan, en zo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat u in vrede heengaat; en YHWH zij met u, gelijk als Hij met mijn vader geweest is.
[^1samuel-20-17-38]: Kanttekening 38: want hij had hem lief: Dat is, hij had hem zo lief als zichzelven.
[^1samuel-20-19-39]: Kanttekening 39: Te weten, naar Bethlehem.
[^1samuel-20-19-40]: Kanttekening 40: van deze handeling: Te weten, toen ik ten beste voor u bij mijn vader spreken zou. Zie boven, 1 Sam. 19:2 . 1 Samuël 19:2 : En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch 's morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.
[^1samuel-20-19-41]: Kanttekening 41: bij de steen Ezel: Anders, bij de steen die de weg aanwijst; dat is, een steen die aan de weg staat, en wijst de reizende man welke weg hij moet ingaan; of bij de steen van de gang; dat is, daar u en ik gewoon zijn naar toe te gaan als wij wat heimelijks met elkaar te spreken hebben.
[^1samuel-20-20-42]: Kanttekening 42: naar een teken schoot: Anders, naar het doel.
[^1samuel-20-21-43]: Kanttekening 43: zoek de pijlen: Hebreeuws, חִצִּ֑ים, vind de pijlen; dat is, zoek de pijlen totdat u ze gevonden hebt.
[^1samuel-20-21-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, zeggende zeg.
[^1samuel-20-21-45]: Kanttekening 45: Te weten, de jongen. Anders, neem ze, te weten, de pijlen.
[^1samuel-20-21-46]: Kanttekening 46: er is geen ding: Te weten, wat u in de weg is, of waar u u voor te vrezen hebt.
[^1samuel-20-22-47]: Kanttekening 47: ga heen: Alsof hij zei: Uit die woorden, of uit dat teken, zult u kunnen verstaan en afnemen, dat het Gods wil is, dat u u voor een tijdlang ter zijde trekt en niet aan het hof komt.
[^1samuel-20-23-b]: Verwijzing b: onder, v. 42 . 1 Samuël 20:42 : Toen zei Jonathan tot David: Ga in vrede; wat wij beiden in de Naam van YHWH gezworen hebben, zeggende: De YHWH zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid!
[^1samuel-20-23-48]: Kanttekening 48: tussen mij en tussen u: Te weten, tot getuige.
[^1samuel-20-24-49]: Kanttekening 49: verborg zich in het veld: Te weten, op de vastgestelde tijd, waarvan boven vers 5 , 20:19 gesproken is; gedurende welke tijd geschied is wat in de elf naastvolgende verzen verhaald wordt. 1 Samuël 20:5 : En David zei tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met de koning zou aanzitten om te eten; zo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan de derde avond. 1 Samuël 20:19 : En als u de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar u u verborgen hadt op de dag van deze handeling; en blijf bij de steen Ezel.
[^1samuel-20-24-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, bij het brood; gelijk vers 27 . 1 Samuël 20:27 : Het geschiedde nu de volgende dag, de tweede van de nieuwe maan, als Davids plaats leeg gevonden werd, zo zei Saul tot zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot het voedsel gekomen?
[^1samuel-20-25-51]: Kanttekening 51: op dit maal: Hebreeuws, פַ֗עַם, gelijk maal in maal; gelijk Num. 24:1 , en Richt. 16:20 . Numeri 24:1 : Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. Richteren 16:20 : En zij zei: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zei: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat YHWH van hem geweken was.
[^1samuel-20-25-52]: Kanttekening 52: zo stond Jonathan op: Te weten, opdat hij Abner de eer doen zou, dat hij hem liet bovenaan zitten, want Abner was Sauls oom, en daarenboven ook zijn veldoverste.
[^1samuel-20-26-53]: Kanttekening 53: sprak op die dag niets: Te weten, aan David; dat is, hij vraagde niet waarom David niet aan de tafel was gekomen.
[^1samuel-20-26-54]: Kanttekening 54: hij zei: Te weten, bij zichzelven, dat is, hij dacht.
[^1samuel-20-26-55]: Kanttekening 55: Hem is wat voorgevallen: Hebreeuws, מִקְרֶ֣ה, het is een toeval.
[^1samuel-20-26-56]: Kanttekening 56: niet rein is: Er worden veel dingen in de wet verhaald, die de mensen onrein maakten. Zie Lev. 11:24 , en Lev. 15:16 . De onreinen nu wordt verboden te eten van het vlees, dat de Heer opgeofferd was, Lev. 7:19 , 7:20 , 7:21 . Ja zij moesten zich ook onthouden van het gezelschap van andere mensen, opdat anderen door hen niet ontreinigd werden. Leviticus 11:24 : En aan deze zult u verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:16 : Verder een man, als van hem het zaad van het bijliggen zal uitgegaan zijn, die zal zijn gehele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 7:19 : En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten. Leviticus 7:20 : Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. Leviticus 7:21 : En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid van de mens, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees van het dankoffer, dat van YHWH is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.
[^1samuel-20-26-57]: Kanttekening 57: hij is niet rein: Versta hierbij: En daarom is hij niet gekomen.
[^1samuel-20-27-58]: Kanttekening 58: Saul kon wel denken dat David grote oorzaak had uit zijn ogen te blijven, omdat Saul had gezocht hem te doden. Maar hij dacht dat David dat aan zijn onzinnigheid zou toeschrijven, en dat hij zich voor hem niet vrezen zou, omdat hij nu weer tot zijn verstand gekomen was.
[^1samuel-20-27-59]: Kanttekening 59: is de zoon van Isaï: Aldus noemt hij David verachtelijk, niet eens denkende dat hij zelf de zoon van Kis was.
[^1samuel-20-27-60]: Kanttekening 60: tot het voedsel gekomen: Hebreeuws, לָּֽחֶם, tot het brood, of bij het voedsel; gelijk boven, vers 24 . 1 Samuël 20:24 : David nu verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij het voedsel, om te eten.
[^1samuel-20-29-61]: Kanttekening 61: Te weten, in de naam van mijn vader, die ik schuldig ben te gehoorzamen.
[^1samuel-20-30-63]: Kanttekening 63: tot schande van de naaktheid van uw moeder: Alsof Saul zeggen wilde: Zo doende, zal men u niet houden voor mijn echten zoon, maar voor een bastaard, die uw moeder buiten het echte bed geworven heeft.
[^1samuel-20-30-62]: Kanttekening 62: van de verkeerde in opstandigheid: Dat is, van een verkeerde opstandige moeder.
[^1samuel-20-31-64]: Kanttekening 64: want hij is een kind van de dood: Wij zouden zeggen: Hij is een dood man, dat is, hij is de dood waard, hij moet zekerlijk sterven. Zo staat er Ef. 2:3 : kinderen van de toorn. Zie 2 Sam. 12:5 . Efeziërs 2:3 : Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen; 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
[^1samuel-20-33-65]: Kanttekening 65: op hem: Anders, naar hem.
[^1samuel-20-33-66]: Kanttekening 66: hem te slaan: Even gelijk hij David had menen te doen.
[^1samuel-20-35-67]: Kanttekening 67: 's morgens: Te weten, op de derde dag van de nieuwe maan.
[^1samuel-20-35-68]: Kanttekening 68: David bestemd was: Zie boven, vers 19 . 1 Samuël 20:19 : En als u de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar u u verborgen hadt op de dag van deze handeling; en blijf bij de steen Ezel.
[^1samuel-20-36-69]: Kanttekening 69: zoek nu de pijlen: Hebreeuws, חִצִּ֔ים, vind; zie vers 21 . 1 Samuël 20:21 : En zie, ik zal de jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, als ik uitdrukkelijk tot de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom u, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zo waarlijk YHWH leeft!
[^1samuel-20-36-70]: Kanttekening 70: hij schoot een pijl: Te weten, Jonathan.
[^1samuel-20-40-71]: Kanttekening 71: gereedschap aan de jongen: Anders, wapenen, vaten; dat is, gereedschap, als zijn boog, koker en pijlen. Hiermede verzond Jonathan zijn jongen naar de stad, opdat hij, alleen zijnde, des te vrijer met David mocht spreken.
[^1samuel-20-41-72]: Kanttekening 72: de zuidzijde: Versta hier, de zuidzijde van het veld waar zij op waren, of de zuidzijde van de steen, bij welke zich David verborgen had.
[^1samuel-20-41-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws, de man zijn naasten.
[^1samuel-20-41-74]: Kanttekening 74: totdat het David geheel veel maakte: Hebreeuws, הִגְדִּֽיל, totdat het David groot maakte; te weten, met wenen.
[^1samuel-20-43-75]: Kanttekening 75: hij op: Te weten, David.
[^1samuel-20-43-76]: Kanttekening 76: in de stad: Te weten, te Gibeä Sauls, waar hij zijn huis had, gelijk af te nemen is, onder 1 Sam. 23:18 , 23:19 . 1 Samuël 23:18 : En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht van YHWH; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis. 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is?

### 1 Samuël 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/21.json)

*David, vluchtend voor Saul, komt te Nob bij de priester Achimelech, vers 1 enz. Hij doet alsof Saul hem gezonden had om een geheime zaak te verrichten, 2. Hij vraagt brood, 3. Achimelech geeft hem de toonbroden, 4. Dit ziet Doëg, 7. David vraagt om een wapen, 8. Achimelech geeft hem het zwaard van Goliath, 9. David vlucht en komt bij Achis, 10. Hij is bij de vorsten van Achis niet welkom, 11. David is in grote vrees, 12. Hij verandert zijn gelaat en doet alsof hij gek was, 13. Achis neemt het kwalijk dat men een gekke man bij hem gebracht had, 14.*

**1** Toen kwam David te[^1samuel-21-1-1] Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech[^1samuel-21-1-2] kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u[^1samuel-21-1-3] alleen, en geen man met u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v1)

**2** En David zei tot de priester Achimelech: De[^1samuel-21-2-4] koning heeft mij een zaak bevolen, en zei tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, waarvoor ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb;[^1samuel-21-2-5] de jongemannen nu heb ik de plaats van[^1samuel-21-2-6] zulk een te kennen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v2)

**3** En nu[^1samuel-21-3-7] wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v3)

**4** En de priester antwoordde David, en zei: Er is geen[^1samuel-21-4-8] gewoon brood onder mijn hand;[^1samuel-21-4-9] maar er is[^1samuel-21-4-10] heilig brood, wanneer zich de jongemannen slechts van[^1samuel-21-4-11] de vrouwen onthouden hebben.[^1samuel-21-4-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v4)

**5** David nu antwoordde de priester, en zei tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest[^1samuel-21-5-13] gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de[^1samuel-21-5-14] voorwerpen van de jongemannen zijn heilig; en het is[^1samuel-21-5-15] enigerwijze normaal brood, te meer omdat vandaag ander in de[^1samuel-21-5-16] voorwerpen zal geheiligd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v5)

**6** Toen[^1samuel-21-6-a] gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van YHWH weggenomen waren, dat[^1samuel-21-6-17] men er warm brood legde, op de dag[^1samuel-21-6-18] als dat weggenomen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v6)

**7** Daar was nu een man van de knechten van Saul, op die dag[^1samuel-21-7-19] opgehouden[^1samuel-21-7-20] voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een[^1samuel-21-7-21] Edomiet, de machtigste onder de herders, die Saul had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v7)

**8** En David zei tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen speer of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, omdat de zaak van de koning haastig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v8)

**9** Toen zei de priester: Het zwaard van Goliath, de Filistijn, die u sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed,[^1samuel-21-9-22] achter de efod; als u zich dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zei: Er is zijn gelijke niet; geef het mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v9)

**10** En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot[^1samuel-21-10-23] Achis, de koning van Gath.[^1samuel-21-10-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v10)

**11** Maar de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David,[^1samuel-21-11-25] de koning van het land? Zong men niet van deze in de reien, zeggende:[^1samuel-21-11-b] Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v11)

**12** En David legde deze woorden in zijn hart; en[^1samuel-21-12-26] hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v12)

**13** Daarom veranderde hij[^1samuel-21-13-27] zijn gezicht voor hun ogen, en hij maakte zichzelf gek[^1samuel-21-13-28] onder hun handen; en[^1samuel-21-13-29] hij bekrabbelde de deuren van de poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v13)

**14** Toen zei Achis tot zijn knechten: Zie, u ziet, dat de man krankzinnig is, waarom hebt u hem tot mij gebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v14)

**15** Heb ik razenden gebrek, dat u deze gebracht hebt, om[^1samuel-21-15-30] voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/21.html#v15)

[^1samuel-21-1-1]: Kanttekening 1: Dit was een priesterlijke stad, niet ver van Anathoth, in de stam Benjamins, 1 Kon. 2:26 , Neh. 11:32 , waar in deze tijd de ark van het verbond was. Hierdoor is het geschied, dat daar zoveel priesters bij elkaar waren, gelijk verhaald wordt, 1 Sam. 22:18 . 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. Nehemia 11:32 : Anathoth, Nob, Ananja, 1 Samuël 22:18 : Toen zei de koning tot Doëg: Wend u u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen.
[^1samuel-21-1-2]: Kanttekening 2: kwam bevende David tegemoet: Hebreeuws, יהוֹנָתָ֖ן, beefde David tegemoet. Vergelijk boven, 1 Sam. 13:7 , en 1 Sam. 16:4 . 1 Samuël 13:7 : De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. 1 Samuël 16:4 : Samuël nu deed, wat YHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?
[^1samuel-21-1-3]: Kanttekening 3: Matt. 12:3 , 12:4 , wordt vermeld van David en die met hem waren, van welke hier gezegd wordt dat David hun een zekere plaats te kennen gegeven had, zo dat het schijnt, dat David alleen tot de priester gekomen is. Mattheüs 12:3 : Maar Hij zei tot hen: Hebt u niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.
[^1samuel-21-2-4]: Kanttekening 4: koning heeft mij een zaak bevolen: Dit is een leugen, uit menselijke zwakheid gesproten, om de rechte oorzaak van zijn vlucht te bedekken. Zie Ex. 1:19 . Exodus 1:19 : En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; voordat de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.
[^1samuel-21-2-5]: Kanttekening 5: de jongelingen: Dat is, de mannen, die mij van de koning bijgevoegd zijn.
[^1samuel-21-2-6]: Kanttekening 6: zulk een te kennen gegeven: Hebreeuws, אִתָּֽ, Peloni Almoni. Zie Ruth 4:1 . Anders, op de plaats van N.N. bescheiden. Anders, op de plaats van een zo en zo genoemd. Ruth 4:1 : En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich.
[^1samuel-21-3-7]: Kanttekening 7: wat is er onder uw hand: Te weten, van eetwaren.
[^1samuel-21-4-8]: Kanttekening 8: gemeen brood: Het woord gemeen wordt hier en elders gesteld tegen het woord heilig, of geheiligde.
[^1samuel-21-4-9]: Kanttekening 9: Hij spreekt van de toonbroden, die voor de Heer gesteld en zo de Heer geheiligd werden, van welke niemand mocht eten dan alleen de priesters. Zie Ex. 25:30 , en Lev. 24:5 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^1samuel-21-4-10]: Kanttekening 10: heilig brood: Hebreeuws, לֶ֖חֶם, brood van de heiligheid; dat is, heilig brood, en zo onder vers 5 . 1 Samuël 21:5 : David nu antwoordde de priester, en zei tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten van de jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer omdat heden ander in de vaten zal geheiligd worden.
[^1samuel-21-4-11]: Kanttekening 11: de vrouwen: Versta, van hun echte huisvrouwen, want hoewel het huwelijk eerlijk is bij allen, en een onbevlekt bed, Hebr., 13:4 , nochtans, vanwege de zwakheid van de mens, vermengt zich lichtelijk de zonde hierin; daarom wil de Heer dat men op zekere voorvallende gelegenheid en tijden zich van de huwelijkse samenkomst zal onthouden. Zie 1 Sam. 19:15 ; 1 Kor. 7:5 . Hebreeën 13:4 : Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. 1 Samuël 19:15 : Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode. 1 Korinthiërs 7:5 : Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u u tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u u niet kunt onthouden.
[^1samuel-21-4-12]: Kanttekening 12: Versta hierbij, zo zal ik u dat geven.
[^1samuel-21-5-13]: Kanttekening 13: gisteren en eergisteren: David wil zeggen: Wij zijn drie dagen op de reis, en zo van onze vrouwen afgescheiden geweest.
[^1samuel-21-5-14]: Kanttekening 14: de vaten: Dat is, hun lichaam, kleren, en al wat zij op de reis meegenomen hebben. En heilig is hier te zeggen, niet ontreinigd door het aanroeren van iets onreins.
[^1samuel-21-5-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, en deze weg is onheilig, of gemeen. David wil zeggen, u behoeft zo grote zwarigheid niet te maken van mij en die bij mij zijn van deze broden te eten te geven; want ofschoon die heilig zijn zolang zij op de tafel voor de Heer staan, nochtans omdat u die nu moet veranderen en wegnemen, \[of, ze al weggenomen en veranderd zijn\] en verse broden in de plaats leggen, \[of, gelegd mogen zijn\], zo zal hun heiligheid nu zodanig niet zijn als tevoren; zij zullen enigszins gemeen worden, omdat de priesters met hun huisgezinnen die zullen eten, daar zij tevoren, voor het aangezicht van de Heer liggende, van niemand mochten gegeten worden. Daarom, naar de regel en wet van de liefde, \[die meer is dan de ceremoniën\] zo mogen ook wel anderen in de tijd van nood en bij gebrek van ander voedsel, daarvan eten; gelijk Christus deze wet heeft uitgelegd, Matt. 12:4 , 12:7 . Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen. Mattheüs 12:7 : Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^1samuel-21-5-16]: Kanttekening 16: Van deze vaten zie Ex. 25:29 . Exodus 25:29 : U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken.
[^1samuel-21-6-a]: Verwijzing a: Matt. 12:3 ; Mark. 2:25 ; Lukas 6:3 . Mattheüs 12:3 : Maar Hij zei tot hen: Hebt u niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? Marcus 2:25 : En Hij zei tot hen: Hebt u nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren? Lukas 6:3 : En Jezus, hun antwoordende, zei: Hebt u ook dat niet gelezen, dat David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?
[^1samuel-21-6-17]: Kanttekening 17: warm brood: Dat is, vers, nieuw-gebakken brood.
[^1samuel-21-6-18]: Kanttekening 18: dage als dat weggenomen werd: Te weten, als de sabbatdag aankwam, gelijk er geboden wordt Lev. 24:8 . Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^1samuel-21-7-19]: Kanttekening 19: Of, zich opgesloten hebbende. Het zij vanwege de sabbat, op welke hij daar wilde rusten, of dat hij daar een tijdlang wilde blijven om te aanbidden, of om enige van zijn beloften te volbrengen.
[^1samuel-21-7-20]: Kanttekening 20: voor het aangezicht van YHWH: Te weten, in de tabernakel.
[^1samuel-21-7-21]: Kanttekening 21: Te weten, van geboorte, maar door aanneming van de Israëlietische religie een Jodengenoot geworden. Anders, een Adomiet, dat is, van de stad Adama, gelegen in de stam Nafthali, Joz. 19:36 . Jozua 19:36 : En Adama, en Rama, en Hazor,
[^1samuel-21-9-22]: Kanttekening 22: achter de efod: Zo, dat het bij de efod in de tent bewaard en opgesloten lag. Anders, nadat hij \[Achimelech\] de efod aangedaan had, en de Heer raad gevraagd had. Zie 1 Sam. 22:10 , 22:13 , 22:15 . Zie gelijke manier van spreken Gen. 24:67 , en Deut. 24:20 , 24:21 . 1 Samuël 22:10 : Die YHWH voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn. 1 Samuël 22:13 : Toen zei Saul tot hem: Waarom hebt u samen u tegen mij verbonden, u en de zoon van Isaï, mits dat u hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is? 1 Samuël 22:15 : Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het gehele huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot. Genesis 24:67 : En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Zo werd Izak getroost na zijn moeders dood. Deuteronomium 24:20 : Wanneer u uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult u de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn. Deuteronomium 24:21 : Wanneer u uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult u de druiven achter u niet nalezen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.
[^1samuel-21-10-23]: Kanttekening 23: Deze koning wordt Ps. 34:1 Abimelech genoemd, Achis was zijn eigen naam; maar Abimelech was een algemene naam van alle koningen van de Filistijnen. Zie Gen. 20 , Gen. 21 , Gen. 26 . Psalmen 34:1 : Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
[^1samuel-21-10-24]: Kanttekening 24: In het land van de Filistijnen gelegen. Zie 1 Sam. 5:8 , en 1 Sam. 17:4 . 1 Samuël 5:8 : Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten van de Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen? En die zeiden: Dat de ark van de God van Israël rondom Gath ga. Zo droegen zij de ark van de God van Israël rondom. 1 Samuël 17:4 : Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
[^1samuel-21-11-25]: Kanttekening 25: de koning van het land: Dat is gouverneur of regent van het Israëlietische land, die de dochter van koning Saul getrouwd heeft, en die na hem wel koning kon worden.
[^1samuel-21-11-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 18:7 . 1 Samuël 18:7 : En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!
[^1samuel-21-12-26]: Kanttekening 26: hij was zeer bevreesd: Zie Ps. 34 .
[^1samuel-21-13-27]: Kanttekening 27: zijn gelaat voor hun ogen: Hebreeuws, דְּבָרִ֥ים, zijn smaak. Gelijk men aan de smaak verneemt of het voedsel goed of kwaad, zuur of zoet is; zo aan het gelaat of gebaren verneemt men of een man wijs of dwaas, vroom of kwaad is.
[^1samuel-21-13-28]: Kanttekening 28: onder hun handen: Dat is, als zij hem gevangen hadden en tot de koning leidden. Zie Ps. 34 , en Ps. 56:1 . Psalmen 56:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.
[^1samuel-21-13-29]: Kanttekening 29: hij bekrabbelde de deuren van de poort: Anders, hij tekende aan de deuren van de poorten; dat is, hij schilderde, of maakte enige schreefjes aan de deuren, alsof hij slecht of gek ware geweest.
[^1samuel-21-15-30]: Kanttekening 30: voor mij: Dat is, in mijn aanwezigheid.

### 1 Samuël 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/22.json)

*Toen David aan de Filistijnen ontvlucht was, komt hij te Adullam: waar zijn bloedverwanten en andere verdrukte lieden bij hem komen, vers 1 enz. vandaar trekt hij naar Mizpa in het land van de Moabieten, 3. waar zij, met toestemming van de koning van de Moabieten, een tijd lang blijven, 4. Maar op vermaning van de profeet Gad trekt hij weer naar het land Juda, 5. Toen Saul dit vernam, 6. beschuldigt hij zijn knechten, ja ook Jonathan, van heimelijk verdrag met David, 7. Doëg maakt de koning bekend wat hij te Nob gehoord en gezien had, 9. Daarom veroordeelt Saul de hogepriester Achimelech en alle andere priesters tot de dood, 17. wat Doëg gedaan heeft, door 85 priesters te doden, 18. Saul laat de stad Nob, met alles wat erin is, verwoesten, 19. De priester Abjathar blijft als enige in leven, die tot David vluchtte, 20. die hem verkondigt wat te Nob geschied was, 21. David erkent dat hij de oorzaak van deze moord en ellende was, 22. En hij neemt Abjathar in zijn bescherming, 23.*

**1** Toen ging David van daar, en ontkwam in de grot[^1samuel-22-1-1] van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het hele huis van zijn vader, en kwamen daarheen tot hem af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v1)

**2** En tot hem verzamelde[^1samuel-22-2-2] alle man, die[^1samuel-22-2-3] benauwd was, en alle man,[^1samuel-22-2-4] die een schuldeiser had, en alle man,[^1samuel-22-2-5] wiens ziel bitter bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren ongeveer vierhonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v2)

**3** En David ging van daar naar[^1samuel-22-3-6] Mizpa van de Moabieten; en hij zei tot de koning van de Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder[^1samuel-22-3-8] bij u uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.[^1samuel-22-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v3)

**4** En hij bracht hen voor het aangezicht van de koning van de Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de[^1samuel-22-4-9] vesting was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v4)

**5** Maar de profeet[^1samuel-22-5-10] Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v5)

**6** En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat[^1samuel-22-6-11] op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn speer in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v6)

**7** Toen zei Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoor toch, u, zonen[^1samuel-22-7-12] van Jemini, zal[^1samuel-22-7-13] ook de zoon van Isaï u allen akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v7)

**8** Dat u zich allen tegen mij verbonden hebt, en niemand[^1samuel-22-8-14] voor mijn oor openbaart, dat[^1samuel-22-8-15] mijn zoon een verbond gemaakt heeft met de zoon van Isaï; en niemand is onder u, die het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want[^1samuel-22-8-16] mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot iemand die lagen legt, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v8)

**9** Toen antwoordde Doëg, de[^1samuel-22-9-17] Edomiet, die[^1samuel-22-9-18] bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag[^1samuel-22-9-19] de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van[^1samuel-22-9-20] Ahitub; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v9)

**10** Die YHWH voor hem vraagde, en gaf hem proviant; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v10)

**11** Toen zond de koning heen, om de priester Achimelech, de zoon van[^1samuel-22-11-21] Ahitub, te roepen, en het hele huis van zijn vader, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v11)

**12** En Saul zei: Hoor nu, u, zoon van Ahitub! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn heer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v12)

**13** Toen zei Saul tot hem: Waarom hebt u samen u tegen mij verbonden, u en de zoon van Isaï, mits dat u hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, zoals het op deze dag is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v13)

**14** En Achimelech antwoordde de koning en zei: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en de schoonzoon van de koning, en[^1samuel-22-14-22] voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v14)

**15** Heb ik vandaag begonnen God voor hem te vragen?[^1samuel-22-15-23] Volstrekt niet van mij, de koning legge[^1samuel-22-15-24] op zijn knecht[^1samuel-22-15-25] geen ding, noch op het hele huis van mijn vader; want uw knecht heeft[^1samuel-22-15-26] van al deze dingen niet geweten, klein noch groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v15)

**16** Maar de koning zei: Achimelech, u moet de dood sterven, u en het hele huis van uw vader.[^1samuel-22-16-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v16)

**17** En de koning zei tot de lijfwachten, die bij hem stonden: Wend u, en[^1samuel-22-17-28] doodt de priesters van YHWH,[^1samuel-22-17-29] omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Maar de knechten van de koning wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters van YHWH aan te vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v17)

**18** Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen,[^1samuel-22-18-30] die de linnen lijfrok droegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v18)

**19** Hij sloeg ook Nob, de stad van deze priesters, met de[^1samuel-22-19-31] scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v19)

**20** Maar één van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam, van wie de naam Abjathar was;[^1samuel-22-20-32] die vluchtte David na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v20)

**21** En Abjathar[^1samuel-22-21-33] boodschapte het David, dat Saul de priesters van YHWH gedood had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v21)

**22** Toen zei David tot Abjathar: Ik wist wel op die dag, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het[^1samuel-22-22-34] voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al[^1samuel-22-22-35] de zielen van het huis van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v22)

**23** Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar[^1samuel-22-23-36] u zult met mij in bewaring zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/22.html#v23)

[^1samuel-22-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekeningen Joz. 12:15 . Jozua 12:15 : De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
[^1samuel-22-2-2]: Kanttekening 2: alle man: Hebreeuws, אִ֨ישׁ, alle man van de benauwdheid.
[^1samuel-22-2-3]: Kanttekening 3: benauwd was: Te weten, door armoede of enige andere ellende.
[^1samuel-22-2-4]: Kanttekening 4: die een schuldeiser had: Te weten, die hem hard viel en dagelijks maande om betaald te zijn, tegen de wet, Ex. 22:25 . Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen.
[^1samuel-22-2-5]: Kanttekening 5: wiens ziel bitterlijk bedroefd was: Hebreeuws, נֶ֔פֶשׁ, wie de ziel bitter was. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 1:10 , 2 Kon. 4:27 . 1 Samuël 1:10 : Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot YHWH, en zij weende zeer. 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^1samuel-22-3-6]: Kanttekening 6: Mizpa van de Moabieten: Zie van deze stad de aantekeningen Richt. 10:17 . Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^1samuel-22-3-8]: Kanttekening 8: bij u uitgaan: Dat is, onder uwe bescherming uit- en ingaan, voor een tijdlang wonen en verkeren. Anders, tot u uitgaan.
[^1samuel-22-3-7]: Kanttekening 7: de koning van de Moabieten: Deze koning was Sauls vijand, gelijk te zien is 1 Sam. 14:47 , daarom heeft hij des te liever David plaats in zijn land gegund; gelijk de Filistijnen ook gedaan hebben, onder 1 Sam. 27 . Anderen menen dat David daarheen gevlucht is, omdat zijns grootvaders, te weten Obeds moeder een Moabietische vrouw geweest is, hopende daarom meer gunst bij de Moabieten te vinden dan bij andere natiën. 1 Samuël 14:47 : Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf.
[^1samuel-22-4-9]: Kanttekening 9: de vesting: Versta dit van Mizpa van de Moabieten, vers 3 . 1 Samuël 22:3 : En David ging van daar naar Mizpa van de Moabieten; en hij zei tot de koning van de Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij u uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.
[^1samuel-22-5-10]: Kanttekening 10: Gad zei tot David: Deze profeet is veel bij David geweest, gelijk te zien is 2 Sam. 24:11 ; 1 Kron. 21:9 ; 2 Kron. 29:25 , en elders. 2 Samuël 24:11 : Als nu David 's morgens opstond, zo geschiedde het woord van YHWH tot de profeet Gad, Davids ziener, zeggende: 1 Kronieken 21:9 : YHWH nu sprak tot Gad, de ziener van David, zeggende: 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand van Zijn profeten.
[^1samuel-22-6-11]: Kanttekening 11: op een heuvel: Anders, in Gibeä. Anders, in een hoogte.
[^1samuel-22-7-12]: Kanttekening 12: Zie Richt. 19:16 . Richteren 19:16 : En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini.
[^1samuel-22-7-13]: Kanttekening 13: de zoon van Isaï: Zie boven, 1 Sam. 20:27 , alsook onder vers 9 . 1 Samuël 20:27 : Het geschiedde nu de volgende dag, de tweede van de nieuwe maan, als Davids plaats leeg gevonden werd, zo zei Saul tot zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot het voedsel gekomen? 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub;
[^1samuel-22-8-14]: Kanttekening 14: voor mijn oor openbaart: Dat is, mij ontdekt of te kennen geeft. Zie Ruth 4:4 . Ruth 4:4 : En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten mijns volks; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.
[^1samuel-22-8-15]: Kanttekening 15: mijn zoon een verbond gemaakt heeft: Dit spreekt Saul òf bij gissing, omdat Jonathan het beste voor David sprak, òf het was hem van iemand gezegd, dat Jonathan en David een verbond samen gemaakt hadden, waarvan gesproken wordt boven, 1 Sam. 18:3 . 1 Samuël 18:3 : Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel.
[^1samuel-22-8-16]: Kanttekening 16: mijn zoon heeft mijn knecht: Dit zegt Saul uit verdenking, te meer omdat David met vierhonderd man in het land Juda gekomen was, menende dat hij geheime verstandhouding met Jonathan had.
[^1samuel-22-9-17]: Kanttekening 17: Anders, Adomiet. Zie boven, 1 Sam. 21:7 . 1 Samuël 21:7 : Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.
[^1samuel-22-9-18]: Kanttekening 18: bij de knechten van Saul stond: Anders, en die over de knechten van Saul gesteld was.
[^1samuel-22-9-19]: Kanttekening 19: de zoon van Isaï: Deze hoofse pluimstrijker spreekt ook al gelijk zijn meester Saul, vers 7 . Zie ook van Doëg, 1 Sam. 21:7 ; Ps. 52:1 , 52:2 , enz. 1 Samuël 22:7 : Toen zei Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, u, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen? 1 Samuël 21:7 : Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had. Psalmen 52:1 : Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester. Psalmen 52:2 : Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech.
[^1samuel-22-9-20]: Kanttekening 20: Van Ahitub wordt gesproken boven, 1 Sam. 14:3 . 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was.
[^1samuel-22-11-21]: Kanttekening 21: Deze Ahitub was de zoon van Pinehas, de zoon van Eli. Hij had twee zonen, namelijk Ahia, van wie gewag wordt gemaakt boven, 1 Sam. 14:3 , en Achimelech, van wie hier gesproken wordt. 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was.
[^1samuel-22-14-22]: Kanttekening 22: voortgaande in uw gehoorzaamheid: Dat is, hij gaat alom heen waar u hem schikt of heenzendt. Zie boven, 1 Sam. 21:2 . Achimelech heeft niet anders geweten dan hij hier spreekt, toen hij David de toonbroden en het zwaard van Goliath gegeven heeft. 1 Samuël 21:2 : En David zei tot de priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zei tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; de jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen gegeven.
[^1samuel-22-15-23]: Kanttekening 23: Dat zij verre van mij: Te weten, dat ik mij met David tegen u zou verbonden hebben, gelijk Saul hem verweet, vers 13 . 1 Samuël 22:13 : Toen zei Saul tot hem: Waarom hebt u samen u tegen mij verbonden, u en de zoon van Isaï, mits dat u hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is?
[^1samuel-22-15-24]: Kanttekening 24: op zijn knecht: Dat is, op mij.
[^1samuel-22-15-25]: Kanttekening 25: geen ding: Te weten, geen zaak van samenspanning of rebellie tegen de koning.
[^1samuel-22-15-26]: Kanttekening 26: van al deze dingen niet geweten: Te weten, van enige verbinding of samenspanning tegen de koning, waarvan vers 8 gesproken wordt. 1 Samuël 22:8 : Dat u u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met de zoon van Isaï; en niemand is onder u, die het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is.
[^1samuel-22-16-27]: Kanttekening 27: u moet de dood sterven: Hebreeuws, תָּמ֖וּת, stervende zult sterven; hij wil zeggen, ik zal u straks laten doden.
[^1samuel-22-17-28]: Kanttekening 28: doodt de priesters van YHWH: Saul heeft wel deze priesters ten onrechte veroordeeld en door zijn eigen moedwil laten ombrengen. Evenwel, dit doende volbrengt hij wat de Heer in zijn rechtvaardig oordeel besloten had over het huis van Eli. Zie boven, 1 Sam. 2:30 . 1 Samuël 2:30 : Daarom spreekt YHWH, de God van Israël: Ik had wel duidelijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt YHWH: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.
[^1samuel-22-17-29]: Kanttekening 29: omdat hun hand ook met David is: Dit is, omdat zij ook verstandhouding met David hebben, en zijn metgezellen zijn in zijn ontrouw tegen mij.
[^1samuel-22-18-30]: Kanttekening 30: die de linnen lijfrok droegen: Dat is, die de dienst van God pleegden in de tent; want als zij die pleegden, moesten zij linnen kleren aantrekken. Zie Ex. 28:42 . Exodus 28:42 : Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees van de schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lenden tot de dijen.
[^1samuel-22-19-31]: Kanttekening 31: scherpte van het zwaard: Hebreeuws, פִי, mond.
[^1samuel-22-20-32]: Kanttekening 32: die vluchtte David na: Hij kwam bij hem te Kehila, 1 Sam. 23:6 . 1 Samuël 23:6 : En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand.
[^1samuel-22-21-33]: Kanttekening 33: boodschapte het David: Te weten, toen hij bij David te Kehila gekomen was.
[^1samuel-22-22-34]: Kanttekening 34: voorzeker Saul zou te kennen geven: Hebreeuws, שָׁא֑וּל, te kennen gevende, te kennen geven zou.
[^1samuel-22-22-35]: Kanttekening 35: de zielen van uws vaders huis: Dat is, mensen, gelijk Gen. 14:21 . Alsof David zei: Ik ben aanleiding van wat over al de personen van het huis uws vaders gekomen is; het is mijnenthalve geschied, maar buiten mijn voornemen. Genesis 14:21 : En de koning van Sodom zei tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de bezittingen voor u.
[^1samuel-22-23-36]: Kanttekening 36: u zult met mij in bewaring zijn: Dat is, God zal ons samen bewaren. Of, ik neem u in mijn bewaring. Anders, want u zult bewaring \[of wacht\] bij mij zijn; dat is, u zult bij mij zijn om de wacht te houden over de godsdienst, en ik zal in alle voorvallende zaken de Heer door u vragen. Zie 1 Sam. 30:7 . 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David.

### 1 Samuël 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/23.json)

*Toen David hoorde dat Kehila belegerd was, vers 1 enz. ontzet hij haar en verslaat de Filistijnen, op bevel van God, 2. Daar komt Abjathar bij David, en brengt de efod mee, 6. Saul meende David daar in te sluiten en te grijpen, 7. Daarom gaat hij om Kehila te belegeren, 8. David, die de inwoners van Kehila niet vertrouwt, vraagt de HEERE om raad door Abjathar, 9. De HEERE maakt David bekend dat de inwoners van Kehila van plan waren hem aan Saul over te leveren, 11. Daarom vlucht hij vandaar naar de woestijn Zif, met de 600 mannen die bij hem waren, 13. waar Jonathan bij hem komt, en het verbond van vriendschap met hem vernieuwt, 16. en hem troost, 17. De inwoners van Zif verraden David bij Saul, 19. waarvoor Saul hen bedankt, 21. en hij vermaant hen nauwgezet op alles te letten, 22. Hij vervolgt David met zijn leger in de woestijn Maon, 25. waar hij hem omsingelt, 26. Saul krijgt bericht dat de Filistijnen in het land waren gevallen, 27. waardoor hij genoodzaakt wordt David te verlaten, 28.*

**1** En men[^1samuel-23-1-1] boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen[^1samuel-23-1-2] Kehila, en zij beroven[^1samuel-23-1-3] de schuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v1)

**2** En David[^1samuel-23-2-4] vraagde YHWH, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En YHWH zei tot David: Ga heen, en u zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v2)

**3** Maar de mannen van David zeiden tot hem: Zie,[^1samuel-23-3-5] wij vrezen[^1samuel-23-3-6] hier in Juda;[^1samuel-23-3-7] hoeveel te meer, als wij naar Kehila tegen de slagorden van de Filistijnen gaan zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v3)

**4** Toen[^1samuel-23-4-8] vraagde David YHWH nog verder; en YHWH antwoordde hem en zei: Maak u op, trek af naar Kehila; want Ik geef de Filistijnen[^1samuel-23-4-9] in uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v4)

**5** Zo trok David en zijn mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een grote slag; zo verloste David de inwoners van Kehila. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v5)

**6** En[^1samuel-23-6-10] het gebeurde,[^1samuel-23-6-a] toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila,[^1samuel-23-6-11] dat hij afkwam met de efod in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v6)

**7** Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehila gekomen was, zo zei Saul: God heeft hem in mijn hand[^1samuel-23-7-12] overgegeven, want hij is besloten, komende in[^1samuel-23-7-13] een stad met poorten en grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v7)

**8** Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila, om David en zijn mannen te belegeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v8)

**9** Als nu David verstond,[^1samuel-23-9-14] dat Saul dit kwaad tegen hem[^1samuel-23-9-15] in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar:[^1samuel-23-9-16] Breng de efod herwaarts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v9)

**10** En David zei: YHWH, God van[^1samuel-23-10-17] Israël! Uw knecht[^1samuel-23-10-18] heeft zeker gehoord, dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v10)

**11** Zullen mij ook[^1samuel-23-11-19] de burgers van Kehila in zijn hand overgeven?[^1samuel-23-11-20] Zal Saul afkomen, zoals Uw knecht gehoord heeft? O YHWH, God van Israël, geef het toch Uw knecht te kennen! YHWH nu zei: Hij zal afkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v11)

**12** Daarna zei David:[^1samuel-23-12-21] Zouden de burgers van Kehila mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul? En YHWH zei: Zij zouden u overgeven.[^1samuel-23-12-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v12)

**13** Toen maakte zich David en zijn mannen op, ongeveer zeshonderd man, en zij gingen uit Kehila, en zij gingen heen, waar zij konden gaan. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehila ontkomen was,[^1samuel-23-13-23] zo hield hij op uit te trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v13)

**14** David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op de berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem[^1samuel-23-14-24] alle dagen, maar God gaf hem niet over in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v14)

**15** Als David[^1samuel-23-15-25] zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v15)

**16** Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij[^1samuel-23-16-26] versterkte zijn hand in God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v16)

**17** En hij zei tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar u zult koning worden over Israël, en[^1samuel-23-17-27] ik zal de tweede bij u zijn;[^1samuel-23-17-28] ook weet mijn vader Saul dat wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v17)

**18** En die beiden[^1samuel-23-18-29] maakten een verbond[^1samuel-23-18-30] voor het aangezicht van YHWH; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v18)

**19** Toen trokken de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende:[^1samuel-23-19-32] Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila,[^1samuel-23-19-33] die aan de rechterhand van de wildernis is?[^1samuel-23-19-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v19)

**20** Nu dan, o koning,[^1samuel-23-20-34] kom spoedig af naar al de begeerte van uw ziel; en[^1samuel-23-20-35] het komt ons toe hem over te geven in de hand van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v20)

**21** Toen zei Saul:[^1samuel-23-21-36] Gezegend bent u voor YHWH, dat u zich over mij ontfermd hebt![^1samuel-23-21-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v21)

**22** Ga toch heen, en[^1samuel-23-22-38] bereidt de zaak nog meer, dat u weet en beziet zijn plaats, waar zijn[^1samuel-23-22-39] gang is, wie hem daar gezien heeft; want[^1samuel-23-22-40] hij heeft tot mij gezegd,[^1samuel-23-22-41] dat hij zeer listig pleegt te handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v22)

**23** Daarom ziet toe, en verneemt naar alle schuilplaatsen, waarin hij schuilt; kom dan weer tot mij met vast bescheid, zo zal ik met u gaan; en het zal gebeuren, zo hij in het land is, zo zal ik hem naspeuren onder alle duizenden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v23)

**24** Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangezicht van Saul. David nu en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de rechterhand van de wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v24)

**25** Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die[^1samuel-23-25-42] van die rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van[^1samuel-23-25-43] Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v25)

**26** En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de overzijde van de berg. Het gebeurde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v26)

**27** Maar daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn[^1samuel-23-27-44] in het land gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v27)

**28** Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij trok de Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats[^1samuel-23-28-45] Sela-Machlekoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/23.html#v28)

[^1samuel-23-1-1]: Kanttekening 1: boodschapte David: Te weten, toen hij in het land Juda, in het woud Thereth was, boven, 1 Sam. 22:5 . Wat hier wordt beschreven, is geschied eer Abjathar tot David is komen vluchten en hem de droeve tijding bracht van de moord van de priesters, onder vers 6 . Daarom zetten sommigen de eerste woorden van vers 1 aldus over: David nu was geboodschapt. 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Samuël 23:6 : En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand. 1 Samuël 23:1 : En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij beroven de schuren.
[^1samuel-23-1-2]: Kanttekening 2: Deze stad lag in de stam van Juda, gelijk te zien is Joz. 15:44 . Jozua 15:44 : En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen;
[^1samuel-23-1-3]: Kanttekening 3: de schuren: Of, dorsvloeren; dat is, de voorraad van de vruchten, die in de schuren vergaderd was.
[^1samuel-23-2-4]: Kanttekening 4: vraagde YHWH: Vermoedelijk door de profeet Gad, \[die bij hem was, 1 Sam. 22:5 \], of door Abjathar, die bij David kwam toen hij naar Kehila trok, vers 6 . 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Samuël 23:6 : En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand.
[^1samuel-23-3-5]: Kanttekening 5: wij vrezen: Te weten, voor Saul, die ons vervolgt als vijanden.
[^1samuel-23-3-6]: Kanttekening 6: hier in Juda: Te weten, hier in het woud Thereth, waar zij toen waren, gelegen in Juda, boven, 1 Sam. 22:5 . Kehila lag ook in Juda. 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.
[^1samuel-23-3-7]: Kanttekening 7: hoeveel te meer: Versta hierbij: Zullen wij ons vrezen, te weten, als wij de Filistijnen van voren en Saul van achteren hebben, en zo twee vijanden inplaats van enen zullen hebben.
[^1samuel-23-4-8]: Kanttekening 8: vraagde David YHWH nog verder: Hebreeuws, שְׁאֹ֣ל, en David voer voort de Heer te vragen. Versta dit zo, dat David niet zozeer zijnenthalve ten anderen male de Heer gevraagd heeft, als vanwege zijn krijgsvolk, dat vreesachtig was om naar Kehila te gaan.
[^1samuel-23-4-9]: Kanttekening 9: in uw hand: Te weten, eer Saul u zal kunnen bespringen.
[^1samuel-23-6-10]: Kanttekening 10: het geschiedde: Anders, het was geschied.
[^1samuel-23-6-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 22:20 . 1 Samuël 22:20 : Maar één van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.
[^1samuel-23-6-11]: Kanttekening 11: dat hij afkwam met de efod in zijn hand: Dat is, toen hij haastig vluchtte, nam hij de efod mee in zijn hand, in welke de urim en thummim waren, door welke men de Heer vraagde, Ex. 28:30 . Anders, dat de efod hem in zijn hand kwam. Exodus 28:30 : U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van YHWH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht van YHWH.
[^1samuel-23-7-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, eigenlijk, vervreemd; dat men overgeeft of levert, wordt vervreemd.
[^1samuel-23-7-13]: Kanttekening 13: een stad met poorten en grendelen: Hebreeuws, בְרִֽיחַ, in een stad van de poorten en van de grendelen. Alsof hij zei: David, menende zeker te zijn in een vaste stad, heeft zichzelven als gevangen genomen, want als ik de stad met een leger omsingel en beleger, zo kan hij mij niet ontkomen.
[^1samuel-23-9-14]: Kanttekening 14: dat Saul: Hij wil zeggen dat Saul steeds in zijn hoofd had, daarop praktiseerde en met al zijn zinnen dag en nacht arbeidde, om David kwaad te doen en te doden.
[^1samuel-23-9-15]: Kanttekening 15: in het geheim voorhad: Anders, smeedde.
[^1samuel-23-9-16]: Kanttekening 16: Breng de efod herwaarts: Te weten, met de borstlap, en trek hem aan, en vraag de Heer raad voor mij door de urim en thummim. Zie Num. 27:21 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^1samuel-23-10-17]: Kanttekening 17: Uw knecht: Dat is, ik heb zekerlijk gehoord.
[^1samuel-23-10-18]: Kanttekening 18: heeft zekerlijk gehoord: Hebreeuws, עַבְדְּ, heeft horende gehoord.
[^1samuel-23-11-19]: Kanttekening 19: de burgers van Kehila: Anders, de heren. Zie Richt. 9:2 . Richteren 9:2 : Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat een man over u heerse? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben.
[^1samuel-23-11-20]: Kanttekening 20: Zal Saul afkomen: Versta hierbij, als ik hier blijf, gelijk blijkt vers 14 . 1 Samuël 23:14 : David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op de berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, maar God gaf hem niet over in zijn hand.
[^1samuel-23-12-21]: Kanttekening 21: Zouden de burgers: Zie Richt. 9:2 in de aantekening. Richteren 9:2 : Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat een man over u heerse? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben.
[^1samuel-23-12-22]: Kanttekening 22: Zij zouden u overgeven: Te weten, als u in deze stad binnen haar muren bleeft.
[^1samuel-23-13-23]: Kanttekening 23: zo hield hij op uit te trekken: Hij wil zeggen dat Saul zijn krijgsvolk van zich liet trekken, David niet verder met krijgsmacht vervolgende.
[^1samuel-23-14-24]: Kanttekening 24: alle dagen: Dat is, doorgaans, van tijd tot tijd, immers zolang als David zich in de vesting onthield; want als David zich tot de Filistijnen begaf, zo heeft Saul nagelaten hem te zoeken, 1 Sam. 27:4 . 1 Samuël 27:4 : Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.
[^1samuel-23-15-25]: Kanttekening 25: Dat is, vernam, te weten door zijn verspieders, die hij uitzond, of door zijn vrienden, die hij in Juda had.
[^1samuel-23-16-26]: Kanttekening 26: versterkte zijn hand in God: Dat is, hij sterkte en troostte hem, hem voorhoudende en indachtig makende de beloften van God, gelijk blijkt vers 17 . 1 Samuël 23:17 : En hij zei tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar u zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul dat wel.
[^1samuel-23-17-27]: Kanttekening 27: ik zal de tweede bij u zijn: Het schijnt dat David dit zijn vriend Jonathan beloofd heeft, toen zij een verbond met elkaar hebben opgericht. Hebreeuws, מִשְׁנֶ֑ה, ik zal u tot een tweede zijn, of laat mij de tweede naast u zijn.
[^1samuel-23-17-28]: Kanttekening 28: ook weet mijn vader Saul dat wel: Samuël had dit aan Saul genoegzaam te kennen gegeven, boven, 1 Sam. 15:28 . 1 Samuël 15:28 : Toen zei Samuël tot hem: YHWH heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u.
[^1samuel-23-18-29]: Kanttekening 29: maakten een verbond: Dat is, zij vernieuwden het verbond, dat zij tevoren met elkaar gemaakt hadden, 1 Sam. 18:3 , en 1 Sam. 20:16 . 1 Samuël 18:3 : Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel. 1 Samuël 20:16 : Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat YHWH eise van de hand van de vijanden Davids!
[^1samuel-23-18-30]: Kanttekening 30: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, een vast verbond, in de aanwezigheid van de priester van de Heer. Of zij maakten een verbond, dat zij met ede bevestigden, en waarover zij God tot getuige aanriepen.
[^1samuel-23-19-32]: Kanttekening 32: Heeft zich niet David bij ons verborgen: Zij willen zeggen: David heeft zich gewisselijk bij ons verborgen. Zie van zulke vragen, Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^1samuel-23-19-33]: Kanttekening 33: die aan de rechterhand: Anders, die aan het zuiden van Jesimon is.
[^1samuel-23-19-31]: Kanttekening 31: de Zifieten op: Dat is, de inwoners van Zif. Er zijn twee steden aldus genaamd geweest: de ene lag aan de uiterste landpale van Juda tegen het zuiden, waarvan Joz. 15:24 gesproken wordt. De andere lag meer inwaarts in het land omtrent de woestijn Maon, waarvan Joz. 15:55 . Dat is het Zif, waarvan hier gesproken wordt, gelegen op een berg. Onder, 1 Sam. 26:1 staat dat de Zifieten David ten anderen male aan Saul hebben willen overleveren. Hoe nu David in deze nood tot God zijne toevlucht genomen heeft, zie Ps. 54 , die hij toen ter tijd gemaakt heeft. Jozua 15:24 : Zif, en Telem, en Bealoth, Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 1 Samuël 26:1 : De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibeä, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op de heuvel van Hachila, voor aan de wildernis?
[^1samuel-23-20-34]: Kanttekening 34: kom spoedig af: Hebreeuws, אַוַּ֨ת, afkomende komt af.
[^1samuel-23-20-35]: Kanttekening 35: het komt ons toe: Zie deze manier van spreken, Micha 3:1 met de aantekeningen. Micha 3:1 : Verder zei ik: Hoort nu, u hoofden Jakobs, en u oversten van het huis van Israël! Betaamt het u niet het recht te weten?
[^1samuel-23-21-36]: Kanttekening 36: Gezegend zijt u YHWH: Aldus misbruikt Saul de heilige naam van God, om hen tot een lelijke verraderij aan te porren.
[^1samuel-23-21-37]: Kanttekening 37: dat u u: Kwanswijs of hij zeggen wilde: U bent degenen, die mij verlost uit de hand van David, die mijn verderf zoekt.
[^1samuel-23-22-38]: Kanttekening 38: Dat is, maakt dat alles wel geboodschap en besteld worde, dat hij ons niet ontsluipe.
[^1samuel-23-22-39]: Kanttekening 39: gang is: Hebreeuws, רַגְל֔, voet; dat is, waar hij zich onthoudt, waar hij gemeenlijk zijn gang heeft, en gaat hem naarstig op het spoor na.
[^1samuel-23-22-40]: Kanttekening 40: hij heeft tot mij gezegd: David zelf, toen hij nog bij mij was en ik hem vraagde hoe hij zo voorspoedig in de oorlog was.
[^1samuel-23-22-41]: Kanttekening 41: dat hij zeer listiglijk pleegt: Hebreeuws, יַעְרִ֖ם, dat hij listiglijk handelende listiglijk handelde; of met list omging.
[^1samuel-23-25-42]: Kanttekening 42: van die rotssteen afgegaan was: Te weten, van de heuvel Hachila in de woestijn, waar hij zich verborgen had; vandaar begaf hij zich in de ruimte, namelijk in de woestijn Maon, vers 19 , waar hij beter kon wegkomen, als Saul hem najaagde en vervolgde. 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is?
[^1samuel-23-25-43]: Kanttekening 43: Zie de aantekeningen Joz. 15:55 . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
[^1samuel-23-27-44]: Kanttekening 44: in het land gevallen: Of, hebben zich in het land verspreid.
[^1samuel-23-28-45]: Kanttekening 45: Of, Sela Hammachlekoth; dat is, steenrots van de deling, zo genoemd, omdat Saul zijn volk heeft moeten afdelen, en David verlaten om de Filistijnen na te jagen, of tegen te staan.

### 1 Samuël 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/24.json)

*Toen Saul gehoord had dat David bij Engedi was, vervolgt hij hem daar, vers 1 enz. hij komt in een spelonk waarin David met zijn volk was, die de slip van Sauls mantel afsnijdt, maar de hand niet aan hem wil slaan, 4. hij bewijst daarmee zijn onschuld tegenover Saul, die hij nagaat en aanspreekt, 9. Saul wordt daarover ontroerd, erkent zijn schuld, en neemt een eed van David, 17.*

**1** En David trok[^1samuel-24-1-1] van daar op, en hij bleef in de vestingen van[^1samuel-24-1-2] En-gedi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v1)

**2** En het gebeurde, nadat Saul teruggekeerd was[^1samuel-24-2-3] van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v2)

**3** Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij trok heen, om David en zijn mannen te zoeken[^1samuel-24-3-4] boven op de rotsstenen van de steenbokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v3)

**4** En hij kwam tot de[^1samuel-24-4-5] schaapskooien aan de weg, waar een grot was; en Saul ging daarin,[^1samuel-24-4-6] om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van de grot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v4)

**5** Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie de dag, waarop YHWH tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u zult hem doen, zoals het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed[^1samuel-24-5-8] stilletjes een slip van Sauls mantel.[^1samuel-24-5-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v5)

**6** Maar het gebeurde daarna, dat Davids[^1samuel-24-6-9] hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v6)

**7** En hij zei tot zijn mannen: Dat late YHWH ver van mij zijn,[^1samuel-24-7-10] dat ik die zaak doen zou aan mijn heer,[^1samuel-24-7-11] de gezalfde van YHWH, dat ik mijn hand tegen hem[^1samuel-24-7-12] uitsteken zou; want hij is de gezalfde van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v7)

**8** En David[^1samuel-24-8-13] scheidde zijn mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de grot, en ging[^1samuel-24-8-14] op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v8)

**9** Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de grot, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David[^1samuel-24-9-15] boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v9)

**10** En David zei tot Saul: Waarom hoort u de woorden van de mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw[^1samuel-24-10-16] kwaad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v10)

**11** Zie, op deze dag hebben uw ogen gezien, dat[^1samuel-24-11-17] YHWH u vandaag in mijn hand gegeven heeft in deze grot, en[^1samuel-24-11-18] men zei,[^1samuel-24-11-19] dat ik u doden zou; maar[^1samuel-24-11-20] mijn hand spaarde u, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v11)

**12** [^1samuel-24-12-21] Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip van uw mantel in mijn hand; want als ik de slip van uw mantel afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie,[^1samuel-24-12-22] dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; toch[^1samuel-24-12-23] jaagt u mijn ziel, dat u ze wegneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v12)

**13** YHWH zal richten tussen mij en tussen u, en YHWH zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v13)

**14** [^1samuel-24-14-24]Zoals het spreekwoord van de ouden zegt:[^1samuel-24-14-25] Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v14)

**15** Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na?[^1samuel-24-15-26] Naar een dode hond, naar een enige vlo! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v15)

**16** Maar YHWH zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v16)

**17** En het gebeurde, toen David geëindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zo zei Saul: Is dit uw stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijn stem op en huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v17)

**18** En hij zei tot David: U bent rechtvaardiger dan ik; want u hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v18)

**19** En u hebt mij vandaag aangewezen, dat u mij goed gedaan hebt; want YHWH had mij in uw hand besloten, en u hebt mij niet gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v19)

**20** Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft,[^1samuel-24-20-27] zal hij hem op een goede weg laten gaan? YHWH nu vergelde u het goede, voor deze[^1samuel-24-20-28] dag, die u mij vandaag gemaakt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v20)

**21** En nu, zie, ik weet, dat u[^1samuel-24-21-29] voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand[^1samuel-24-21-30] bestaan zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v21)

**22** Zo zweer mij dan nu bij YHWH,[^1samuel-24-22-31] zo u mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen uit het huis van mijn vader! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v22)

**23** Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging in zijn huis, maar[^1samuel-24-23-32] David en zijn mannen gingen op in de vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/24.html#v23)

[^1samuel-24-1-1]: Kanttekening 1: van daar op: Te weten, uit de woestijn Maon, waar Saul hem meende te vangen, gelijk 1 Sam. 23:25 gezegd is. 1 Samuël 23:25 : Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van die rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon.
[^1samuel-24-1-2]: Kanttekening 2: Anders genoemd Hazazon-Thamar, Gen. 14:7 , en 2 Kron. 20:2 . Het is een stad, gelegen in de stam van Juda, aan de Zout- of Dode zee, naar het zuiden, tussen hoge bergen en rotsstenen, in het midden van welke veel schone en genoegelijke valleien en velden zijn, beplant met velerlei schone bomen, als palmen en dergelijke; ook wast daar veel balsem, enz. Genesis 14:7 : Daarna keerden zij terug, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 2 Kronieken 20:2 : Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van de andere zijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi.
[^1samuel-24-2-3]: Kanttekening 3: van achter de Filistijnen: Dat is, van het vervolgen van de Filistijnen, die hem in het land waren gevallen, terwijl hij David vervolgde, boven, 1 Sam. 23:27 . 1 Samuël 23:27 : Maar daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.
[^1samuel-24-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, in de hoge en steile rotsen, op welke de steenbokken klimmen en springen.
[^1samuel-24-4-5]: Kanttekening 5: Anders, te Gidroth Zon.
[^1samuel-24-4-6]: Kanttekening 6: om zijn voeten te dekken: Dat is, om zijn gevoeg te doen. Zie van deze manier van spreken Richt. 3:24 . Richteren 3:24 : Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren van de opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer.
[^1samuel-24-5-8]: Kanttekening 8: Of, heuselijk, behendiglijk.
[^1samuel-24-5-7]: Kanttekening 7: in welke YHWH tot u zegt: Dat is, de Heer geeft u rechtstreeks zulke bekwame gelegenheid om uw vijand te doden, alsof Hij tot u sprak: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand. Anders, waarvan de Heer u gezegd heeft.
[^1samuel-24-6-9]: Kanttekening 9: hart hem sloeg: Vrezende of hij God mocht vertoornd hebben omdat hij de koning deze smaadheid aangedaan had. Vergelijk 2 Sam. 24:10 . 2 Samuël 24:10 : En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zei tot YHWH: Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb; maar nu, o YHWH, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.
[^1samuel-24-7-10]: Kanttekening 10: dat ik die zaak doen zou: Te weten, wat u mij raadt.
[^1samuel-24-7-11]: Kanttekening 11: de gezalfde van YHWH: Dat is, die uit het bevel van de Heer koning over Israël gezalfd is.
[^1samuel-24-7-12]: Kanttekening 12: uitsteken zou: Of, uitstrekken, leggen, slaan aan hem. Zie Gen. 37:22 . Genesis 37:22 : Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen.
[^1samuel-24-8-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, kloof, of verdeelde zijn mannen; dat is, David heeft het samenspannen van zijn krijgslieden gescheurd of verdeeld, en teniet gemaakt, die gereed waren om Saul om te brengen. Of, toen zijn mannen, van beide zijden van de spelonk voortkomende, Saul wilden aanvallen, zo heeft hij hen aan beide zijden van elkaar gehouden.
[^1samuel-24-8-14]: Kanttekening 14: op de weg: Of, zijns weegs.
[^1samuel-24-9-15]: Kanttekening 15: boog zich: Tot een teken van onderdanigheid.
[^1samuel-24-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, uw ondergang en verderf.
[^1samuel-24-11-17]: Kanttekening 17: YHWH u heden in mijn hand gegeven heeft: Zie boven, vers 5 . 1 Samuël 24:5 : Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie de dag, in welke YHWH tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u zult hem doen, gelijk als het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel.
[^1samuel-24-11-18]: Kanttekening 18: men zei: Dat is, sommigen dergenen, die bij mij waren, rieden mij dat enz.
[^1samuel-24-11-19]: Kanttekening 19: dat ik u doden zou: Hebreeuws, הֲרָגֲ, om u te doden.
[^1samuel-24-11-20]: Kanttekening 20: mijn hand verschoonde u: Hebreeuws, אֹמַ֗ר, zij verschoonde u; te weten, mijn hand, of mijn ziel, of mijn oog, of mijn zwaard.
[^1samuel-24-12-21]: Kanttekening 21: Zie toch, mijn vader: Met deze lieflijke aanspraak zoekt hij Saul te bewegen, dat hij afstand zou doen van zijn kwaad voornemen.
[^1samuel-24-12-22]: Kanttekening 22: dat er in mijn hand geen kwaad: Dat is, dat ik tegen uw persoon niets kwaads heb bedacht, of voorgenomen met mijn hand te doen.
[^1samuel-24-12-23]: Kanttekening 23: jaagt u mijn ziel: Te weten, gelijk de jagers het wild naspeuren, het najagende door bossen en op het veld, op bergen en in dal. Zie boven, vers 3 , en 1 Sam. 26:20 . 1 Samuël 24:3 : Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen van de steenbokken. 1 Samuël 26:20 : En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht van YHWH; want de koning van Israël is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.
[^1samuel-24-14-24]: Kanttekening 24: Gelijk als het spreekwoord van de ouden zegt: Hebreeuws, קַּדְמֹנִ֔י, naar de spreuk van de oude; dat is, van de ouden, te weten, die lang vóór deze tijd geleefd hebben.
[^1samuel-24-14-25]: Kanttekening 25: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort: Alsof hij zei: U behoeft voor mij niet te vrezen, ik zal mijn handen aan u niet leggen. Goddeloze mensen begaan zulke goddeloze daden. Godzalige mannen wreken zichzelven niet, maar zij geven aan God de wraak op. Zo zal ik ook doen; ik zal mijn handen met het bloed van de koning niet bezoedelen.
[^1samuel-24-15-26]: Kanttekening 26: Naar een doden hond: David wil zeggen, het is de moeite niet waard, noch eer genoeg, dat een koning van Israël zulke moeite zou doen, om met zoveel volk mij na te jagen, die toch niet bijten noch schaden kan, niet meer kracht noch macht hebbende als een dode hond of vlo. Zie dergelijke manier van spreken onder, 1 Sam. 26:20 . 1 Samuël 26:20 : En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht van YHWH; want de koning van Israël is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.
[^1samuel-24-20-27]: Kanttekening 27: zal hij hem: Dat is, zal hij hem laten gaan, zonder hem enige schade aan te doen?
[^1samuel-24-20-28]: Kanttekening 28: dag, die u mij heden: In welke u mij het leven behouden hebt. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 118:24 . Psalmen 118:24 : Dit is de dag, die YHWH gemaakt heeft; laat ons op die ons verheugen, en verblijd zijn.
[^1samuel-24-21-29]: Kanttekening 29: voorzeker koning worden zult: Hebreeuws, מָלֹ֖ךְ, koning wordende zult koning worden.
[^1samuel-24-21-30]: Kanttekening 30: bestaan zal: Dat is, stedig en vast blijven zal.
[^1samuel-24-22-31]: Kanttekening 31: zo u mijn zaad: Dit is een manier van eedzweren. Zie Gen. 14:22 , 14:23 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1samuel-24-23-32]: Kanttekening 32: maar David en zijn mannen gingen op in de vesting: Want hij durfde Saul nog niet vertrouwen, omdat hij zijn ongestadigheid genoegzaam bevonden had in de verzoening, die hij vóór deze met hem gemaakt had, 1 Sam. 19 . Het is ook gebleken dat Saul hierna tot zijn vorige vervolging teruggekeerd is.

### 1 Samuël 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/25.json)

*Samuel sterft: David trekt naar de woestijn Paran, vers 1 enz. De rijkdom van Nabal, 2. de aard van hem en zijn vrouw Abigaïl, 3. David vraagt Nabal zeer beleefd om wat hulp voor zijn leger, 4. Maar Nabal bejegent de boden van David spottend, 10. wat zij David berichten, 12. Die daarover zo verstoord is geweest, dat hij Nabal met zijn hele huisgezin dreigde te verdelgen, 13. Toen Abigaïl dit vernomen had, gaat zij David haastig tegemoet, en stilt zijn toorn door indringende woorden en geschenken, 14. Nabal, dit horende, wordt ontroerd en sterft, 37. David neemt Abigaïl en Ahinoam tot vrouwen, 39.*

**1** [^1samuel-25-1-a] En Samuël stierf; en geheel Israël verzamelde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En[^1samuel-25-1-1] David maakte zich op, en trok af naar de woestijn Paran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v1)

**2** En er was een man te[^1samuel-25-2-2] Maon, en zijn bedrijf was te[^1samuel-25-2-3] Karmel; en die man was zeer[^1samuel-25-2-4] groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v2)

**3** En de naam van de man was Nabal, en de naam van zijn huisvrouw was Abigaïl; en de vrouw was goed van verstand, en mooi van gestalte; maar de man was hard en boos van daden, en hij was een[^1samuel-25-3-5] Kalebiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v3)

**4** Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v4)

**5** Zo zond David tien jongemannen; en David zei tot de jongemannen: Ga op naar Karmel, en als u tot Nabal komt, zo zult u hem in mijn naam[^1samuel-25-5-6] naar de welstand vragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v5)

**6** En zult zo zeggen tot die[^1samuel-25-6-7] welvarende:[^1samuel-25-6-8] Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v6)

**7** En nu, ik heb gehoord, dat u scheerders hebt; nu, de herders, die u hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen smaad aangedaan, en zij[^1samuel-25-7-10][^1samuel-25-7-9] hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v7)

**8** Vraag het[^1samuel-25-8-11] uw jongemannen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat[^1samuel-25-8-12] dan deze jongemannen genade vinden in uw ogen, want wij zijn[^1samuel-25-8-13] op een goede dag gekomen; geef toch uw knechten, en[^1samuel-25-8-14] uw zoon David, wat uw[^1samuel-25-8-15] hand vinden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v8)

**9** Toen de jongemannen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo[^1samuel-25-9-16] hielden zij stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v9)

**10** En Nabal antwoordde de knechten van David, en zei: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn vandaag vele knechten,[^1samuel-25-10-17] die zich afscheuren, elk van zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v10)

**11** Zou ik dan mijn brood, en mijn[^1samuel-25-11-18] water, en[^1samuel-25-11-19] mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik het de mannen geven, die ik niet weet, vanwaar zij zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v11)

**12** Toen keerden zich de jongemannen van David naar hun weg; en zij keerden weer, en kwamen, en boodschapten[^1samuel-25-12-20] hem achtervolgens al deze woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v12)

**13** David dan zei tot zijn mannen: Ieder gorde zijn zwaard aan. Toen gordde ieder zijn zwaard aan, en David gordde ook zijn zwaard aan; en zij trokken op achter David, ongeveer vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het[^1samuel-25-13-21] gereedschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v13)

**14** Maar een jongeling uit de jongemannen boodschapte het aan Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onze heer[^1samuel-25-14-23] te zegenen; maar hij is tegen hen[^1samuel-25-14-24] uitgevaren.[^1samuel-25-14-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v14)

**15** Toch zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaad geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v15)

**16** [^1samuel-25-16-25] Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v16)

**17** Weet dan nu, en zie, wat u doen zult; want het kwaad is ten volle over onze heer besloten, en over zijn hele huis; en hij is een[^1samuel-25-17-26] zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v17)

**18** Toen haastte zich Abigaïl, en nam tweehonderd broden, en twee lederen zakken wijn, en vijf[^1samuel-25-18-27] toebereide schapen, en vijf[^1samuel-25-18-28] maten geroosterd koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en legde die op ezels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v18)

**19** En zij zei tot haar jongemannen: Trek heen voor mijn aangezicht; zie, ik kom achter u; maar haar man Nabal gaf zij het niet te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v19)

**20** Het gebeurde nu, toen zij op de ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene van de berg, en ziet, David en zijn mannen kwamen af haar tegemoet, en[^1samuel-25-20-29] zij ontmoette hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v20)

**21** David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat[^1samuel-25-21-30] deze in de woestijn heeft, zo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v21)

**22** [^1samuel-25-22-31] Zo[^1samuel-25-22-32] doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik[^1samuel-25-22-33] van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat,[^1samuel-25-22-34] dat mannelijk is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v22)

**23** Toen nu Abigaïl David zag, zo haastte zij zich, en kwam van de ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v23)

**24** En[^1samuel-25-24-35] zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer,[^1samuel-25-24-36] mijn zij de misdaad, en laat toch[^1samuel-25-24-37] uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v24)

**25** Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan deze Belials man, aan Nabal; want zoals zijn naam is, zo is hij; zijn naam is[^1samuel-25-25-38] Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongemannen[^1samuel-25-25-39] van mijn heer niet gezien, die u gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v25)

**26** En nu, mijn heer! zo waarachtig als YHWH leeft, en[^1samuel-25-26-40] uw ziel leeft,[^1samuel-25-26-41] het is YHWH, Die u verhinderd heeft van te komen[^1samuel-25-26-42] met bloedstorting,[^1samuel-25-26-43] dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat[^1samuel-25-26-44] als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v26)

**27** En nu, dit[^1samuel-25-27-45] is de zegen, die uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde aan de jongemannen,[^1samuel-25-27-46] die de voetstappen van mijn heer nawandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v27)

**28** [^1samuel-25-28-47] Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want YHWH zal zeker mijn heer[^1samuel-25-28-48] een bestendig huis maken, omdat mijn heer de[^1samuel-25-28-49] oorlogen van YHWH oorloogt, en[^1samuel-25-28-50] geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v28)

**29** Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de[^1samuel-25-29-51] ziel van mijn heer ingebonden zijn in het bundeltje van de levenden bij YHWH, uw God; maar de ziel van uw vijanden zal Hij slingeren[^1samuel-25-29-52] uit het midden van de holligheid van de slinger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v29)

**30** En het zal gebeuren, als YHWH mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v30)

**31** [^1samuel-25-31-53] Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot van het hart, te weten, dat u bloed zonder oorzaak zou vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelf zou verlost hebben; en als YHWH mijn heer weldoen zal, zo[^1samuel-25-31-54] zult u uw dienstmaagd gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v31)

**32** Toen zei David tot Abigaïl: Gezegend zij YHWH, de God van Israël, Die u op deze dag mij tegemoet gezonden heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v32)

**33** En gezegend zij[^1samuel-25-33-55] uw raad en gezegend bent u, dat u mij op deze dag geweerd hebt, van te komen met[^1samuel-25-33-56] bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v33)

**34** Want voorzeker, het is zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, Die mij verhinderd heeft, van[^1samuel-25-34-57] u kwaad te doen, dat, tenzij u zich gehaast had, en mij tegemoet gekomen was, zo was van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v34)

**35** Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zei tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en[^1samuel-25-35-58] heb uw aangezicht aangenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v35)

**36** Toen nu Abigaïl tot Nabal kwam, ziet, zo had hij[^1samuel-25-36-59] een maaltijd in zijn huis,[^1samuel-25-36-60] als de maaltijd van een koning; en het hart van Nabal was[^1samuel-25-36-61] vrolijk[^1samuel-25-36-62] daarop, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet één woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v36)

**37** Het gebeurde nu in de morgen,[^1samuel-25-37-63] toen de wijn van Nabal gegaan was, zo gaf hem zijn huisvrouw[^1samuel-25-37-64] die woorden te kennen.[^1samuel-25-37-65] Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en[^1samuel-25-37-66] hij werd als een steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v37)

**38** En het gebeurde ongeveer na tien dagen, zo sloeg YHWH Nabal, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v38)

**39** Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zei hij: Gezegend zij YHWH, Die de twist van mijn smaad getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft[^1samuel-25-39-67] zijn knecht[^1samuel-25-39-68] onthouden[^1samuel-25-39-69] van het kwade, en dat YHWH het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David zond heen, en[^1samuel-25-39-70] liet met Abigaïl spreken, om haar tot vrouw te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v39)

**40** Als nu de knechten van David tot Abigaïl gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, om u tot vrouw te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v40)

**41** Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en[^1samuel-25-41-71] zij zei: Zie, uw dienstmaagd zij tot een dienares,[^1samuel-25-41-72] om de voeten van de knechten van mijn heer te wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v41)

**42** Abigaïl nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden,[^1samuel-25-42-73] die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v42)

**43** Ook nam David Ahinoam van[^1samuel-25-43-74] Jizreël; zo waren ook die beiden hem tot vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v43)

**44** [^1samuel-25-44-b] Want[^1samuel-25-44-75] Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan[^1samuel-25-44-76] Palti, de zoon van Laïs, die van[^1samuel-25-44-77] Gallim was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/25.html#v44)

[^1samuel-25-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 28:3 . 1 Samuël 28:3 : Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.
[^1samuel-25-1-1]: Kanttekening 1: David maakte zich op: Zolang Samuël leefde heeft David troost en raad bij hem gezocht, daarom bleef hij zo nabij hem als hij kon of mocht. Maar als nu Samuël gestorven was, zo vertrok David naar de woestijn Paran, welke gelegen is aan de zuidzijde van het land Kanaän. Zie van Paran de aantekeningen Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^1samuel-25-2-2]: Kanttekening 2: Van deze plaats, gelegen in de stam van Juda, zie de aantekeningen op Joz. 15:55 . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
[^1samuel-25-2-3]: Kanttekening 3: Deze berg met de stad en omstreken is te onderscheiden van de andere, gelegen in de stam van Issaschar, beroemd vanwege de profeet Elia. Zie 1 Kon. 18:19 , en boven, 1 Sam. 15:12 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Samuël 15:12 : Daarna maakte zich Samuël 's morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.
[^1samuel-25-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, rijk, groot van vermogen, gelijk 2 Sam. 19:32 . 2 Samuël 19:32 : Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.
[^1samuel-25-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, \[gelijk men meent\] van de nakomelingen van Kaleb. Vergelijk onder, 1 Sam. 30:14 met de aantekeningen. 1 Samuël 30:14 : Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op wat van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.
[^1samuel-25-5-6]: Kanttekening 6: naar de welstand vragen: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, naar de vrede vragen; dat is, vragen of het hem welgaat.
[^1samuel-25-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, levenden; dat is, die vrolijk of voorspoediglijk leeft. Vergelijk de gelukwensing aan de koningen gebruikelijk: De koning leve, 1 Sam. 10:24 , enz. 1 Samuël 10:24 : Toen zei Samuël tot het gehele volk: Ziet u, die YHWH gekozen heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het gehele volk. Toen juichte het gehele volk, en zij zeiden: de koning leve!
[^1samuel-25-6-8]: Kanttekening 8: Vrede zij u: Hebreeuws, שָׁלוֹם֙, u vrede; dat is, u zij vrede, gelijk 2 Sam. 17:3 , en 1 Sam. 20:9 . 2 Samuël 17:3 : En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn. 1 Samuël 20:9 : Toen zei Jonathan: Dat zij verre van u! Maar als ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?
[^1samuel-25-7-10]: Kanttekening 10: zij hebben ook niets gemist: Dat is, in het tellen van hun schapen, die hun vertrouwd en te bewaren gegeven waren, is niet te zoeken geweest, dat men gemist zou hebben, zo ook onder vers 15 , 25:21 . 1 Samuël 25:15 : Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren. 1 Samuël 25:21 : David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, zo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.
[^1samuel-25-7-9]: Kanttekening 9: smaadheid aangedaan: Of, niet gehoond, beschaamd.
[^1samuel-25-8-11]: Kanttekening 11: uw jongelingen: Dat is, uw herders en knechten, die bij uw schapen geweest zijn.
[^1samuel-25-8-12]: Kanttekening 12: dan deze jongelingen: Zij verhalen Davids woorden, daarom spreken zij van zichzelven als van een derden persoon. Zij willen zeggen: Laat ons, die jongelingen of knechten van David zijn, en van hem tot u gezonden, genade en gunst bij u vinden.
[^1samuel-25-8-13]: Kanttekening 13: op een goeden dag gekomen: Dat is, op een vrolijken dag, omdat u nu de schapen ontvangt en vergadert. Het is recht en billijk, dat u van uw overvloed de bedrukten en verjaagden wat mededeelt, volgende de wet Deut. 12:12 , en Deut. 14:26 , 14:29 , en Deut. 15:7 . Deuteronomium 12:12 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met u. Deuteronomium 14:26 : En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet daar voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, en weest vrolijk, u en uw huis. Deuteronomium 14:29 : Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u YHWH, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat u doen zult. Deuteronomium 15:7 : Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broers, in een van uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is;
[^1samuel-25-8-14]: Kanttekening 14: uw zoon David: Hij wil zeggen: Die u eert als een zoon zijn vader.
[^1samuel-25-8-15]: Kanttekening 15: uw hand vinden zal: Dat is, enig geschenk of gift, zo veel en wat u belieft ons te geven. Zie Richt. 9:33 . Richteren 9:33 : En het geschiede in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, gelijk als uw hand vinden zal.
[^1samuel-25-9-16]: Kanttekening 16: zo hielden zij stil: Hebreeuws, יָּנֽוּחוּ, zij rustten; dat is, zij zwegen en hielden zich stil, om te horen wat Nabal antwoorden zou.
[^1samuel-25-10-17]: Kanttekening 17: die zich afscheuren: Dat is, die weglopen of afvallen van hun heren. Aldus verwijt hij David, alsof hij zich tegen zijn heer Saul verhief.
[^1samuel-25-11-18]: Kanttekening 18: In die landstreek was het water kwalijk te bekomen, zo het land waar Nabal woonde een dor land was, zodat vanwege het water in die landen dikwijls twist viel. Zie Gen. 21:25 , en Gen. 26:15 . Genesis 21:25 : En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. Genesis 26:15 : En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden die met aarde.
[^1samuel-25-11-19]: Kanttekening 19: mijn geslacht: Hebreeuws, טִבְחָתִ֔, mijn slachting, die ik geslacht heb.
[^1samuel-25-12-20]: Kanttekening 20: hem achtervolgens al deze woorden: Te weten, David.
[^1samuel-25-13-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, vaten; dat is gereedschap, bagage, tuig of tros, gelijk boven, 1 Sam. 17:22 . 1 Samuël 17:22 : David nu liet de vaten van zich, onder de hand van de bewaarder van de vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broers naar hun welstand.
[^1samuel-25-14-23]: Kanttekening 23: te zegenen: Dat is, te groeten, en veel geluk te wensen, gelijk Gen. 31:55 . Genesis 31:55 : En Laban stond 's morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats.
[^1samuel-25-14-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, is bij gelijkenis genomen van een roofvogel of grijpvogel, die met geweld en snel op een aas valt, om dat te verscheuren. Zo, wil hij zeggen, heeft Nabal de boden Davids met bijtende en spijtige woorden bejegend en afgewezen, hen toesnauwende alsof hij hen had willen bijten.
[^1samuel-25-14-22]: Kanttekening 22: een jongeling uit de jongelingen: Te weten, een van Nabals knechten.
[^1samuel-25-16-25]: Kanttekening 25: Zij zijn een muur om ons geweest: Alsof zij zeiden: Zij hebben ons niet alleen zelfs niet beschadigd, maar ook voor andere, zo dieven als wilde beesten, die ons hadden mogen beschadigen, bewaard.
[^1samuel-25-17-26]: Kanttekening 26: zoon Belials: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^1samuel-25-18-27]: Kanttekening 27: toebereide schapen: Hebreeuws, צֹ֤אן, gemaakte.
[^1samuel-25-18-28]: Kanttekening 28: maten geroost koren: Hebreeuws, סְאִים֙, Seïm. Zie Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^1samuel-25-20-29]: Kanttekening 29: zij ontmoette hen: De tekst wil zeggen dat David en Abigaïl elkaar onverhoeds ontmoet hebben, komende de één van deze, de ander van de andere zijde van de berg.
[^1samuel-25-21-30]: Kanttekening 30: deze in de woestijn heeft: Te weten, Nabal. Hij verwaardigt zich niet zijn naam uit te drukken, vanwege de grote onbeleefdheid en ondankbaarheid, die hij tegen hem gebruikte.
[^1samuel-25-22-31]: Kanttekening 31: Zie de aantekeningen Ruth 1:17 , wat deze manier van spreken betreft. Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
[^1samuel-25-22-32]: Kanttekening 32: doe God aan de vijanden van David: Dat is, God geve dat alle vijanden Davids zo mogen varen als ik deze Nabal denk te doen. Hoewel enige menen, dat David inplaats van te zeggen: God doe mij dit of dat, zijn vijanden het kwaad toegewenst heeft, dat sommigen lichtvaardiglijk zichzelven al vloekende toe te wensen plegen. Vergelijk boven, 1 Sam. 20:16 . 1 Samuël 20:16 : Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat YHWH eise van de hand van de vijanden Davids!
[^1samuel-25-22-33]: Kanttekening 33: van allen, die hij heeft: Of, van allen dat hij heeft.
[^1samuel-25-22-34]: Kanttekening 34: dat mannelijk is: Hebreeuws, קִֽיר, dat aan de wand pist . Een manier van spreken, waarmee te kennen gegeven wordt een gehele uitroeiing van een huis, zo dat niemand overgelaten wordt, zelfs niet een hond die gemeenlijk aan de wand watert. Zo ook vers 34, en 1 Kon. 14:10 en 2 Kon. 9:8 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 2 Koningen 9:8 : En het gehele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^1samuel-25-24-35]: Kanttekening 35: zij viel aan zijn voeten: Tot een teken van ootmoedige eerbieding. Zie dergelijke 2 Kon. 4:27 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^1samuel-25-24-36]: Kanttekening 36: mijn zij de misdaad: Alsof zij zei: Straf mij inplaats van mijn man en al die anderen, die u voorgenomen hebt te straffen.
[^1samuel-25-24-37]: Kanttekening 37: uw dienstmaagd: Dat is, mij.
[^1samuel-25-25-38]: Kanttekening 38: Dat is, dwaas, zot, een wie de wijsheid en vroomheid ontvallen is.
[^1samuel-25-25-39]: Kanttekening 39: van mijn heer niet gezien: Dat is, uwe.
[^1samuel-25-26-40]: Kanttekening 40: uw ziel leeft: Zie 2 Kon. 2:2 . 2 Koningen 2:2 : En Elia zei tot Elisa: Blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el.
[^1samuel-25-26-41]: Kanttekening 41: het is YHWH: Te weten, toen Hij mij u heeft tegemoet gezonden, om met beleefde woorden en geschenken uw toorn en kwaad voornemen te stillen en te breken.
[^1samuel-25-26-42]: Kanttekening 42: met bloedstorting: Hebreeuws, הוֹשֵׁ֥עַ, met bloeden; gelijk Gen. 4:10 , en hier onder, vers 33 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. 1 Samuël 25:33 : En gezegend zij uw raad en gezegend zijt u, dat u mij te deze dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben!
[^1samuel-25-26-43]: Kanttekening 43: dat uw hand u zou verlossen: Zo namelijk, dat u u tegen mijn heillozen man met eigen hand niet komt wreken en u van de smaad, welke hij u aangedaan heeft, verlossen.
[^1samuel-25-26-44]: Kanttekening 44: als Nabal worden uw vijanden: Zij wil zeggen: Ik wens dat uw vijanden zo weinig vermogen en zo verachte mensen zijn mogen, als Nabal is, die niet waard is dat u u aldus over hem zoudt vertoornen, veel weiniger, dat u om zijnentwil mij en mijn gehele huisgezin zoudt verdelgen. Anderen verstaan die woorden aldus: Ik wens dat het uw vijanden ga, gelijk het Nabal zou gaan, als u in uw voornemen voortgingt.
[^1samuel-25-27-45]: Kanttekening 45: is de zegen: Dat is, dit is het geschenk, dat u door uw afgezonden knechten van Nabal begeerd hebt, boven, vers 8 . 1 Samuël 25:8 : Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, wat uw hand vinden zal.
[^1samuel-25-27-46]: Kanttekening 46: die mijns heren voetstappen nawandelen: Hebreeuws, אֲדֹנִֽ, die bij, of aan de voeten mijns heren gaan; dat is, die hem volgen.
[^1samuel-25-28-47]: Kanttekening 47: Vergeef toch aan uw dienstmaagd: Alsof zij zeggen wilde: Ik neem op mij de schuld en straf mijns heillozen mans, maar vergeef ze mij, daar bid ik u om.
[^1samuel-25-28-48]: Kanttekening 48: een bestendig huis maken: Dat is, dat u gerustelijk zult mogen wonen en regeren, en niet langer, gelijk u nu doen moet, alle dagen van de ene plaats tot de andere zult moeten vluchten.
[^1samuel-25-28-49]: Kanttekening 49: oorlogen van YHWH oorloogt: Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 18:17 . 1 Samuël 18:17 : Daarom zei Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij een dapper zoon, en voer de krijg van YHWH. Want Saul zei: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij.
[^1samuel-25-28-50]: Kanttekening 50: geen kwaad bij u gevonden is: Dit is hier eigenlijk te verstaan van eigen wraakgierigheid of andere grote wandaden; daarom, wil zij zeggen, hoop ik niet dat u het nu eerst doen zult.
[^1samuel-25-29-51]: Kanttekening 51: ziel mijns heren: Dit is een manier van spreken genomen van de mensen, die wat zij dierbaar houden en wel bewaren willen, binden in een bundeltje en sluiten het op. Het is, alsof zij zei: Het leven zal u niet ontnomen worden, omdat u in de bewaring van de Allerhoogste zult zijn. Saul zal u tevergeefs vervolgen; daarentegen zullen die goddelozen, die u vervolgen, verstrooid en verslingerd worden, alsof zij met een slinger uitgeworpen en weggeslingerd werden.
[^1samuel-25-29-52]: Kanttekening 52: uit het midden van de holligheid van de slinger: Of, in, te weten, zijnde. Alsof de ziel, gelijk een steen, in de slinger lag.
[^1samuel-25-31-53]: Kanttekening 53: Zo zal dit u: Alsof zij zei: Dan zult u geen knagende consciëntie hebben, noch verdriet van het gemoed, dat u uzelven gewroken hebt met het vergieten van onschuldig bloed.
[^1samuel-25-31-54]: Kanttekening 54: zo zult u uw dienstmaagd gedenken: Zij wil zeggen: Als u na deze hieraan gedenkt, dat ik u verhinderd hebt onnozel bloed te vergieten, zo zult u mij nog daarvoor bedanken.
[^1samuel-25-33-55]: Kanttekening 55: uw raad: Te weten, de raad, welke u genomen hebt, om door deze uw komst en beleefdheid mij af te raden en te beletten van het storten van het onschuldig bloed.
[^1samuel-25-33-56]: Kanttekening 56: Gelijk boven, vers 26 . 1 Samuël 25:26 : En nu, mijn heer! zo waarachtig als YHWH leeft, en uw ziel leeft, het is YHWH, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken!
[^1samuel-25-34-57]: Kanttekening 57: u kwaad te doen: Versta hierbij, en uw gehele huisgezin; gelijk ik onvoorzichtiglijk in mijn toorn gezworen had, vers 22 . 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is!
[^1samuel-25-35-58]: Kanttekening 58: heb uw aangezicht aangenomen: Dat is, ik heb u in genade aangenomen, en zal doen wat u begeert. Zie de aantekeningen Gen. 19:21 , en Gen. 32:20 . Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
[^1samuel-25-36-59]: Kanttekening 59: een maaltijd in zijn huis: Zie dergelijke 2 Sam. 13:23 . 2 Samuël 13:23 : En het geschiedde, na twee volle jaren, dat Absalom, schaapsscheerders had te Baäl-Hazor, dat bij Efraïm is; zo nodigde Absalom al de zonen van de koning.
[^1samuel-25-36-60]: Kanttekening 60: als de maaltijd van een koning: Nabal deed gelijk die rijke man Luk. 16:19 , vergetende de arme en gebrekkelijke mensen. Lukas 16:19 : En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig.
[^1samuel-25-36-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, goed.
[^1samuel-25-36-62]: Kanttekening 62: op dezelfde: Te weten, maaltijd, anders, in hem.
[^1samuel-25-37-63]: Kanttekening 63: toen de wijn van Nabal gegaan was: Dat is, toen hij zijn dronkenschap geheel uitgeslapen had. Zolang hij dronken was, zouden haar vermaningen geweest zijn als rozen voor de varkens gestrooid.
[^1samuel-25-37-64]: Kanttekening 64: die woorden te kennen: Te weten, die hij gesproken had; wat zij tot David gezegd had, en wat David haar opnieuw geantwoord had, enz.
[^1samuel-25-37-65]: Kanttekening 65: Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem: Dat is, hij verschrikte zozeer, dat hij schier dood nederviel.
[^1samuel-25-37-66]: Kanttekening 66: hij werd als een steen: Hebreeuws, אָֽבֶן, hij werd tot een steen, dat is, hij werd zonder gevoel, zijn bloed veranderde in zijn lijf, verstaande het perijkel waarin hij zichzelven gebracht had.
[^1samuel-25-39-67]: Kanttekening 67: Dat is, mij.
[^1samuel-25-39-68]: Kanttekening 68: Anders, teruggehouden.
[^1samuel-25-39-69]: Kanttekening 69: van het kwade: Of, van die boze daad; te weten, dat ik onschuldig bloed zou vergoten hebben, uit eigen wraakgierigheid.
[^1samuel-25-39-70]: Kanttekening 70: liet met Abigaïl spreken: Te weten, door zijn gezanten, en nadat Nabal een tijdlang was dood geweest.
[^1samuel-25-41-71]: Kanttekening 71: zij zei: Te weten, tot David, alhoewel afwezig, begerende dat zijn boden hem deze haar woorden zouden te kennen geven, en David in haar naam boodschappen.
[^1samuel-25-41-72]: Kanttekening 72: om de voeten van de knechten mijns heren te wassen: Dat is, om de allergeringste en nederigste dienst te doen.
[^1samuel-25-42-73]: Kanttekening 73: die haar voetstappen nawandelden: Anders, die haar op de voet volgden.
[^1samuel-25-43-74]: Kanttekening 74: Dit was een stad in de stam van Juda, gelijk te zien is Joz. 15:56 . Jozua 15:56 : En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah,
[^1samuel-25-44-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 3:15 . 2 Samuël 3:15 : Isboseth dan zond heen, en nam haar van de man, van Paltiël, de zoon van Laïs.
[^1samuel-25-44-75]: Kanttekening 75: Saul had zijn dochter Michal: In deze daad hebben kwalijk gedaan en gezondigd Saul, Michal en Palti, verbrekende het wettelijke huwelijk van Michal met David.
[^1samuel-25-44-76]: Kanttekening 76: Hij wordt Palthiël genoemd 2 Sam. 3:15 . 2 Samuël 3:15 : Isboseth dan zond heen, en nam haar van de man, van Paltiël, de zoon van Laïs.
[^1samuel-25-44-77]: Kanttekening 77: Gallim was: Dit schijnt gelegen te hebben in de stam Benjamins, niet ver van Gibeä Sauls. Zie Jes. 10:30 . Jesaja 10:30 : Roep luide met uw stem, u dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth!

### 1 Samuël 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/26.json)

*Toen Saul van de Zifieten vernomen had waar David was, zoekt hij hem, vers 1 enz. Toen David dit vernam, verspiedt hij de legerplaats van Saul, en neemt zijn spies en waterkruik, maar wil niet toelaten dat hem leed geschiedt, 4. hij verwijt Abner daarna zijn nalatigheid, 13. hij vermaant Saul, 18. die zijn schuld en Davids onschuld erkent, 21. zij scheiden in vriendschap, 25.*

**1** De[^1samuel-26-1-1] Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibeä, zeggende:[^1samuel-26-1-2] Houd zich David niet verborgen op de heuvel van Hachila, voor aan de wildernis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v1)

**2** Toen maakte zich Saul op, en trok af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v2)

**3** En Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel van Hachila, die voor aan de wildernis is aan de weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v3)

**4** Want David had spionnen gezonden, en hij vernam, dat Saul voorzeker kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v4)

**5** En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag[^1samuel-26-5-3] in de wagenburg, en[^1samuel-26-5-4] het volk was rondom hem gelegerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v5)

**6** Toen[^1samuel-26-6-5] antwoordde David, en sprak tot Achimelech, de[^1samuel-26-6-6] Hethiet, en tot Abisai, de zoon[^1samuel-26-6-7] van Zeruja, de broer van Joab, zeggende: Wie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zei Abisai: Ik zal met u afgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v6)

**7** Zo kwamen David en Abisai tot[^1samuel-26-7-8] het volk in de nacht; en ziet, Saul lag te slapen in de wagenburg, en zijn speer stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner, en het volk lag rondom hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v7)

**8** Toen zei Abisai tot David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de speer[^1samuel-26-8-9] op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet voor de tweede keer doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v8)

**9** David daarentegen zei tot Abisai:[^1samuel-26-9-10] Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan[^1samuel-26-9-11] de gezalfde van YHWH gelegd, en is[^1samuel-26-9-12] onschuldig gebleven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v9)

**10** Verder zei David: Zo waarachtig als YHWH leeft;[^1samuel-26-10-14] maar YHWH zal hem slaan, of[^1samuel-26-10-15] zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome.[^1samuel-26-10-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v10)

**11** YHWH late het verre van mij zijn,[^1samuel-26-11-16] dat ik mijn hand legge aan de gezalfde van YHWH! zo neem toch nu de speer, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v11)

**12** Zo nam David de speer en de waterfles van Sauls hoofdeinde, en zij gingen heen; en er was niemand, die het zag, en niemand, die het merkte, ook niemand, die ontwaakte; want zij sliepen allen; want er was[^1samuel-26-12-17] een diepe slaap van YHWH op hen gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v12)

**13** Toen David over aan de overzijde gekomen was, zo stond hij[^1samuel-26-13-18] op de hoogte van de berg van verre, dat er een grote plaats tussen hen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v13)

**14** En David riep[^1samuel-26-14-19] tot het volk, en tot Abner, de zoon van Ner, zeggende: Zult u niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en zei: Wie bent u, die tot de koning roept?[^1samuel-26-14-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v14)

**15** Toen zei David tot Abner:[^1samuel-26-15-21] Bent u niet een man, en[^1samuel-26-15-22] wie is u gelijk in Israël? Waarom dan hebt u over uw heer, de koning, geen wacht gehouden? Want daar is één van het volk gekomen, om de koning, uw heer, te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v15)

**16** Deze zaak, die u gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als YHWH leeft,[^1samuel-26-16-23] u bent kinderen van de dood, die over uw heer, de gezalfde van YHWH, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de speer van de koning is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v16)

**17** Saul nu kende de stem van David, en zei: Is dit uw stem, mijn zoon David? David zei: Het is mijn stem, mijn heer koning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v17)

**18** Hij zei verder: Waarom vervolgt mijn heer[^1samuel-26-18-24] zijn knecht zo achterna, want wat heb ik gedaan, en[^1samuel-26-18-25] wat kwaad is er in mijn hand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v18)

**19** En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden van zijn knecht. Als YHWH u tegen mij[^1samuel-26-19-26] aanport,[^1samuel-26-19-27] laat Hem het voedseloffer ruiken; maar als het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht van YHWH, omdat zij mij vandaag verstoten, dat ik niet mag[^1samuel-26-19-28] vastgehecht blijven[^1samuel-26-19-29] in het erfdeel van YHWH, zeggende:[^1samuel-26-19-30] Ga heen, dien andere goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v19)

**20** En nu,[^1samuel-26-20-31] mijn bloed valle niet op de[^1samuel-26-20-32] aarde van voor het aangezicht van YHWH; want de koning van Israël is uitgegaan om een enige vlo te zoeken,[^1samuel-26-20-a] zoals men een veldhoen op de bergen nastreeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v20)

**21** Toen zei Saul: Ik heb gezondigd; keer weer, mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen,[^1samuel-26-21-33] voor dat mijn ziel deze dag dierbaar in uw ogen geweest is; zie, ik heb dwaas gedaan, en ik heb zeer enorm gedwaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v21)

**22** Toen antwoordde David, en zei: Zie, de speer van de koning; zo laat één van de jongemannen overkomen, en halen ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v22)

**23** YHWH dan vergelde aan ieder zijn[^1samuel-26-23-34] gerechtigheid en zijn getrouwheid; want YHWH had u vandaag in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan de[^1samuel-26-23-35] gezalfde van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v23)

**24** En zie, zoals op deze dag uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, zo zij mijn ziel in de ogen van YHWH groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v24)

**25** Toen zei Saul tot David: Gezegend bent u, mijn zoon David;[^1samuel-26-25-36] u zult het ja zeker doen, en[^1samuel-26-25-37] u zult ook zeker de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weer naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/26.html#v25)

[^1samuel-26-1-1]: Kanttekening 1: Zifieten nu kwamen: Dit is de tweede verraderij van de Zifieten; de eerste staat geschreven 1 Sam. 23:19 . 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is?
[^1samuel-26-1-2]: Kanttekening 2: Houdt zich David niet verborgen: Zij willen zeggen: Ja gewisselijk, hij is weer bij ons gekomen en verbergt zich op, enz.
[^1samuel-26-5-3]: Kanttekening 3: in de wagenburg: Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 17:20 . 1 Samuël 17:20 : Toen maakte zich David 's morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij de hoeder, en hij nam het op, en ging heen, gelijk als Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan de wagenburg, als de legermacht in slagorde uittrok, en men ten strijde riep.
[^1samuel-26-5-4]: Kanttekening 4: het volk was rondom hem gelegerd: Anders, het krijgsvolk.
[^1samuel-26-6-5]: Kanttekening 5: antwoordde David: Dat is, sprak, want er gaat geen vraag voor.
[^1samuel-26-6-6]: Kanttekening 6: Te weten, van afkomst, maar een Israëliet of Jodengenoot van religie. Eigenlijk worden Hethieten genoemd die van Heth, Kanaäns zoon, afkomstig waren. Zie Gen. 10:15 , en Gen. 15:20 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 15:20 : En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten,
[^1samuel-26-6-7]: Kanttekening 7: Deze was de zus van David, zij heeft drie zonen gehad, te weten, Joab, Abisai en Asahel, die naar hun moeder genoemd worden de zonen van Zeruja, hier en 1 Kron. 2:16 , vanwege de vermaardheid van David; maar van hun vader wordt geen gewag gemaakt. 1 Kronieken 2:16 : En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie.
[^1samuel-26-7-8]: Kanttekening 8: het volk 's nachts: Te weten, in het leger van Saul.
[^1samuel-26-8-9]: Kanttekening 9: op eenmaal ter aarde slaan: Of, met een slag. Abisai wil zeggen: Ik zal hem met de eerste slag wel zo treffen, dat ik hem voorzeker zal doden, zodat het niet nodig zal zijn hem ten tweede male te slaan.
[^1samuel-26-9-10]: Kanttekening 10: Verderf hem niet: Dat is, dood hem niet.
[^1samuel-26-9-11]: Kanttekening 11: de gezalfde van YHWH gelegd: Zie boven, 1 Sam. 24:7 , in de aantekeningen. 1 Samuël 24:7 : En hij zei tot zijn mannen: Dat late YHWH ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, de gezalfde van YHWH, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde van YHWH!
[^1samuel-26-9-12]: Kanttekening 12: onschuldig gebleven: Dat is ongestraft gebleven.
[^1samuel-26-10-14]: Kanttekening 14: maar YHWH zal hem slaan: David wil zeggen: Ik laat de Heer met hem doen zoals het Hem belieft; wat mij betreft, ik wil de hand aan hem niet leggen.
[^1samuel-26-10-15]: Kanttekening 15: zijn dag zal komen: Dat is, de tijd, welke hem God gestemd of besteld heeft, dat hij zijn natuurlijken dood sterve. Zie Job 15:32 . Job 15:32 : Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.
[^1samuel-26-10-13]: Kanttekening 13: Zo waarachtig als YHWH leeft: Versta hierop: Ik zal het niet toelaten.
[^1samuel-26-11-16]: Kanttekening 16: dat ik mijn hand legge: Hebreeuws, עַתָּה, van mijn hand te leggen.
[^1samuel-26-12-17]: Kanttekening 17: een diepe slaap: Dat is, een zeer diepe slaap van God gezonden.
[^1samuel-26-13-18]: Kanttekening 18: op de hoogte van de berg: Hebreeuws, הָ֖ר, op het hoofd.
[^1samuel-26-14-19]: Kanttekening 19: tot het volk: Te weten, tot Sauls krijgsvolk.
[^1samuel-26-14-20]: Kanttekening 20: die tot de koning roept: Abner wil zeggen: Die dus roept en tiert, dat u zelfs de koning niet verschoont, maar hem mee uit zijn slaap opwekt.
[^1samuel-26-15-21]: Kanttekening 21: Zijt u niet een man: Deze vraag bevestigt, gelijk elders meer. Hij wil zeggen: Abner, u bent immers een dapper man, een held, kloek en moedig.
[^1samuel-26-15-22]: Kanttekening 22: wie is u gelijk in Israël: Alsof hij zei: Niemand is u gelijk in dapperheid.
[^1samuel-26-16-23]: Kanttekening 23: u bent kinderen van de dood: Dat is, u hebt de dood verdiend.
[^1samuel-26-18-24]: Kanttekening 24: zijn knecht zo achterna: Dat is, mij.
[^1samuel-26-18-25]: Kanttekening 25: wat kwaad is er in mijn hand: Dat is, wat heb ik kwaads gedaan? Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 24:12 . 1 Samuël 24:12 : Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt u mijn ziel, dat u ze wegneemt.
[^1samuel-26-19-26]: Kanttekening 26: Te weten, door zijn bevel of bijzondere beschikking.
[^1samuel-26-19-27]: Kanttekening 27: Hem het spijsoffer rieken: Of aldus: Hij zal het spijsoffer rieken, of Hij rieke het spijsoffer. Dit verstaan sommigen aldus: Als God u dat bevolen heeft, zo zal uw spijsoffer hem aangenaam zijn. Anderen aldus: Zo zal ik de Heer door offerande verzoenen voor de zonde, met welke ik dat verdiend heb.
[^1samuel-26-19-28]: Kanttekening 28: vastgehecht blijven: Dat is, dat ik niet steeds de godsdienst mag bijwonen, maar gedurig moet omzwerven van de ene plaats tot de andere.
[^1samuel-26-19-29]: Kanttekening 29: in het erfdeel van YHWH: Dat is, bij het volk van de Heer, dat hem zo lief is als enig mens zijn erfgoed wezen kan.
[^1samuel-26-19-30]: Kanttekening 30: Ga heen: Dat is, zij bewegen mij, zoveel in hen is, van de ware godsdienst af te vallen tot de afgoderij van de heidenen.
[^1samuel-26-20-31]: Kanttekening 31: mijn bloed valle niet op de aarde: Alsof hij zei: De Heer, voor wiens aangezicht ik oprecht wandel, wil u niet toelaten dat u mijn bloed zoudt vergieten.
[^1samuel-26-20-32]: Kanttekening 32: van voor het aangezicht van YHWH: Dat is, de Heer zie het en straffe het. Anders, voor het aangezicht van de Heer.
[^1samuel-26-20-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 24:15 . 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!
[^1samuel-26-21-33]: Kanttekening 33: voor dat mijn ziel: Dat is, omdat u mij hebt verschoond en mij mijn leven niet hebt genomen, daar u het wel hadt kunnen doen.
[^1samuel-26-23-34]: Kanttekening 34: gerechtigheid en zijn getrouwheid: Dat is, naardat iedereen oprecht gehandeld en trouw en geloof gehouden heeft.
[^1samuel-26-23-35]: Kanttekening 35: aan de gezalfde van YHWH: Dat is, aan u, die de gezalfde van de Heer bent.
[^1samuel-26-25-36]: Kanttekening 36: u zult het ja gewisselijk doen: Hebreeuws, עָשֹׂ֣ה, doende zult u het doen, en vermogende zult u vermogen.
[^1samuel-26-25-37]: Kanttekening 37: u zult ook gewisselijk: Dat is, u zult uw vijand te machtig vallen, en u zult hen overweldigen. Anderen nemen het in deze zin: Ga zo voort in al uw zaken met gerechtigheid en trouw, gelijk u tegen mij doet, en twijfel niet, u zult de overhand behouden en tot de koninklijke waardigheid komen.

### 1 Samuël 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/27.json)

*David, die Saul niet vertrouwt, besluit het land van Israël te verlaten, vers 1 enz. Hij trekt met 600 man tot koning Achis, 2. Waar hij met zijn hele huisgezin een tijd lang blijft, 3. Toen Saul dit hoorde, laat hij af hem te vervolgen, 4. David verzoekt om een stad om daarin te wonen, 5. Achis geeft hem Ziklag, 6. Hier woonde hij een jaar en vier maanden, 7. David berooft enige van de naburige volken, 8. En laat daar niemand in leven, 9. Opdat niemand zich over hem bij Achis zou beklagen, 11. Achis gelooft en vertrouwt David te zeer, 12.*

**1** David nu zei[^1samuel-27-1-1] in zijn hart: Nu zal ik[^1samuel-27-1-2] één van de dagen door Sauls hand omkomen;[^1samuel-27-1-3] mij is niet beter, dan[^1samuel-27-1-4] dat ik haastig ontkome in het land van de Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in het hele gebied van Israël; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v1)

**2** Toen maakte zich David op, en[^1samuel-27-2-5] hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, de zoon van Maoch, de koning van[^1samuel-27-2-6] Gath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v2)

**3** En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, ieder met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreëlietische, en Abigaïl,[^1samuel-27-3-7] de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v3)

**4** Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v4)

**5** En David zei tot Achis: Als ik nu genade in uw ogen gevonden heb,[^1samuel-27-5-8] men geve mij een plaats in één van de steden van het land, dat ik daar woon;[^1samuel-27-5-9] want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v5)

**6** Toen gaf Achis op die dag[^1samuel-27-6-10] Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v6)

**7** Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde,[^1samuel-27-7-11] was een jaar en vier maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v7)

**8** David nu trok op met zijn mannen, en zij overvielen de[^1samuel-27-8-12] Gesurieten, en de[^1samuel-27-8-13] Girzieten, en de[^1samuel-27-8-14] Amalekieten (want[^1samuel-27-8-15] deze zijn vanouds geweest de inwoners[^1samuel-27-8-16] van het land), dat u gaat naar Sur, en tot aan Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v8)

**9** En David sloeg dat[^1samuel-27-9-17] land,[^1samuel-27-9-18] en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezels, en kamelen, en kleren, en keerde weer en kwam tot Achis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v9)

**10** Als Achis zei: Waar bent u vandaag ingevallen? zo zei David:[^1samuel-27-10-19] Tegen het zuiden van Juda,[^1samuel-27-10-20] en tegen het zuiden van de Jerahmeelieten, en tegen het zuiden van de Kenieten.[^1samuel-27-10-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v10)

**11** En[^1samuel-27-11-22] David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen,[^1samuel-27-11-23] zeggende:[^1samuel-27-11-24] Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Zo heeft David gedaan! En zo was zijn wijze al de dagen, die hij in het land van de Filistijnen gewoond heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v11)

**12** En Achis geloofde David,[^1samuel-27-12-25] zeggende: Hij heeft zich[^1samuel-27-12-26] geheel en al in kwade reuk gebracht bij zijn volk, in Israël; daarom zal hij[^1samuel-27-12-27] eeuwig mij tot een knecht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/27.html#v12)

[^1samuel-27-1-1]: Kanttekening 1: in zijn hart: Dat is, bij zichzelven. Dit is een bewijs van de zwakheid Davids in het geloof en het vertrouwen op de voortreffelijke beloften van God.
[^1samuel-27-1-2]: Kanttekening 2: van de dagen: Dat is, de een of andere tijd.
[^1samuel-27-1-3]: Kanttekening 3: mij is niet beter: Dat is de raad van het zwakke vlees geweest. Zie 1 Sam. 22:5 , waar de profeet Gath David in gelijke zaak bestraft heeft. 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.
[^1samuel-27-1-4]: Kanttekening 4: dat ik haastig ontkome: Hebreeuws, ט֜וֹב, ontkomende ontkome.
[^1samuel-27-2-5]: Kanttekening 5: hij ging door: Vermoedelijk eerst vrijgeleide van Achis begeerd en verkregen hebbende, om daar te mogen komen en blijven; en niet voor zijn persoon alleen, gelijk hij eerst gedaan heeft, boven, 1 Sam. 21:10 , maar met al de mannen en vrouwen die bij hem waren. 1 Samuël 21:10 : En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, de koning van Gath.
[^1samuel-27-2-6]: Kanttekening 6: In het land van de Filistijnen gelegen, uit welke stad Goliath was, boven 1 Sam. 6:17 . 1 Samuël 6:17 : Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan YHWH ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod een voor Gaza een, voor Askelon een, voor Gath een, voor Ekron een.
[^1samuel-27-3-7]: Kanttekening 7: de huisvrouw van Nabal: Dat is, die Nabals huisvrouw geweest was. Aldus wordt zij ook genoemd onder 1 Sam. 30:5 . 1 Samuël 30:5 : Davids beide vrouwen waren ook gevankelijk weggevoerd, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet.
[^1samuel-27-5-8]: Kanttekening 8: men geve mij een plaats: David zocht ergens alleen te wonen met de zijnen, om te ontgaan het gevaar zo van het lichaam als van de ziel, dat hem van de Filistijnen had mogen overkomen.
[^1samuel-27-5-9]: Kanttekening 9: want waarom zou uw knecht: David verstond wel hoe zorgelijk het was voor vreemdelingen, \[in het bijzonder die van enig vermogen zijn\] bij een koning in zijn eigen stad te wonen. Daarom wilde hij deze jaloëzie graag voorkomen. Maar hij geeft het een anderen naam, alsof hij zei: Deze eer komt mij niet toe, heer koning.
[^1samuel-27-6-10]: Kanttekening 10: Deze stad heeft eerst de naam van Juda toegekomen, zoveel hun God die steden van het land geschonken had, gelijk te zien is Joz. 15:31 ; maar de Filistijnen hadden haar van de Israëlieten afgenomen en tot deze tijd toe ingehouden. Nu geeft Achis hem aan David. Jozua 15:31 : En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
[^1samuel-27-7-11]: Kanttekening 11: was een jaar en vier maanden: Hebreeuws, חֳדָשִֽׁים, was dagen en vier maanden. Het woord dagen in het getal van vele, wordt dikwijls bij de Hebreën voor een jaar genomen; zie Lev. 25:29 . David is te Ziklag gebleven tot de dood van Saul, toen kwam hij te Hebron, 2 Sam. 2:1 . Sommigen nemen het aldus: \[Enige\] dagen en vier maanden. Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. 2 Samuël 2:1 : En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron.
[^1samuel-27-8-12]: Kanttekening 12: Zie de aantekeningen Joz. 12:5 , en Joz. 16:3 . Jozua 12:5 : En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale van de Gezurieten, en van de Maächathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, de koning van Hesbon. Jozua 16:3 : En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.
[^1samuel-27-8-13]: Kanttekening 13: Voor Gizrieten. Dit waren Kanaänieten, die tevoren te Gezer of te Gazer gewoond hadden, in het land Efraïm. Deze, vandaar ook verdreven zijnde, gingen wonen tegen het zuiden van het land Kanaän.
[^1samuel-27-8-14]: Kanttekening 14: Deze waren van de nakomelingen van Ezau, welke God Saul geboden had geheellijk uit te roeien en te verdelgen. Maar hij heeft enige laten overblijven, tegen welke David hier de oorlog voert.
[^1samuel-27-8-15]: Kanttekening 15: Te weten, de Gesurieten en Girzieten. Deze hebben eertijds het land Kanaän bewoond.
[^1samuel-27-8-16]: Kanttekening 16: van het land: Te weten, van het Joodse land, zowel aan deze als aan de andere zijde van de Jordaan.
[^1samuel-27-9-17]: Kanttekening 17: Dat is, de inwoners van het land. Dit nu moet verstaan worden van al de Amalekieten, die hij daar vond, welke God bevolen had uit te roeien, Ex. 17:14 ; Deut. 25:19 , en 1 Sam. 15:3 . Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. Deuteronomium 25:19 : Het zal dan gebeuren, als u YHWH, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, om het erfelijk te bezitten, dat u de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet! 1 Samuël 15:3 : Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezelen toe.
[^1samuel-27-9-18]: Kanttekening 18: en liet noch man noch vrouw leven: Dit deed hij daarom, opdat zij hem niet zouden verklappen bij de Filistijnen, welke hij zocht wijs te maken dat hij in het land van de Israëlieten gevallen was.
[^1samuel-27-10-19]: Kanttekening 19: Tegen het zuiden van Juda: Maar niet in het land Juda, gelijk Achis dat verstond en ook David scheen te zeggen; maar David is gevallen in die landen, die daaraan paalden, te weten, in het land van de Amalekieten en van hun naburen en zo heeft David de koning Achis, uit menselijke zwakheid, bedrogen door dubbelzinnige woorden.
[^1samuel-27-10-20]: Kanttekening 20: van de Jerahmeëlieten: Deze waren inwoners van het land Juda, nakomelingen van Hezron, 1 Kron. 2:9 , 2:25 . 1 Kronieken 2:9 : En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai. 1 Kronieken 2:25 : De kinderen van Jerahmeël nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
[^1samuel-27-10-21]: Kanttekening 21: van de Kenieten: Deze waren de nakomelingen van Jethro, de schoonvader van Mozes. Zie de aantekeningen Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^1samuel-27-11-22]: Kanttekening 22: David liet noch man noch vrouw leven: Dit deed David daarom, opdat niemand tijding aan Achis brengen zou, gelijk straks gezegd wordt. Maar zo lag ook Ziklag zo ver van Gath, dat ook daarom de tijding hiervan niet haast aan Achis kon gebracht worden. Ondertussen voerde David de wraak van God uit over deze verbannen volken.
[^1samuel-27-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, bij zichzelven denkende.
[^1samuel-27-11-24]: Kanttekening 24: Dat zij misschien van ons niet boodschappen: Versta hierbij: Ik moet wel toezien.
[^1samuel-27-12-25]: Kanttekening 25: Te weten, bij zichzelven.
[^1samuel-27-12-26]: Kanttekening 26: ten enenmaal stinkende gemaakt: Hebreeuws, עַמּ֣, stinkende makende stinkende gemaakt; dat is, zo stinkende, gehaat en verachtzaam gemaakt, dat zijn eigen volk hem niet kan verdragen. Zie de aantekeningen Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^1samuel-27-12-27]: Kanttekening 27: Dat is, altijd, of zijn levenlang.

### 1 Samuël 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/28.json)

*Achis, op het punt op te trekken tegen Israël, vertrouwt op David, vers 1 enz. Samuel was gestorven en begraven, en Saul had de tovenaars uitgeroeid, 3. maar nu, voor de Filistijnen bevreesd en door God verlaten zijnde, gaat hij om raad tot een toverkol, 5. Die, door Saul verzekerd dat zij hierom niet gestraft zou worden, een Samuel doet opkomen, 9. van wie Saul zijn naderende ondergang verneemt en bezwijkt, 16. hij wordt door de raad en hulp van de toverkol en zijn knechten met spijs verkwikt, 21.*

**1** En het gebeurde in die dagen, als de Filistijnen hun[^1samuel-28-1-1] legers verzamelden tot de strijd, om tegen Israël te strijden, zo zei Achis tot David:[^1samuel-28-1-2] U zult zeker weten, dat u met mij in het leger zult uittrekken, u en uw mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v1)

**2** Toen zei David tot Achis:[^1samuel-28-2-3] Zo zult u weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zei tot David:[^1samuel-28-2-4] Daarom zal ik u tot bewaarder van mijn hoofd zetten, altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v2)

**3** [^1samuel-28-3-5][^1samuel-28-3-a] Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in[^1samuel-28-3-6] zijn stad. En Saul had[^1samuel-28-3-7] uit het land weggedaan de waarzeggers[^1samuel-28-3-8] en[^1samuel-28-3-9] dodenbezweerders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v3)

**4** En de Filistijnen kwamen en verzamelden zich, en zij sloegen hun kamp op te[^1samuel-28-4-10] Sunem; en Saul verzamelde geheel Israël, en zij sloegen hun kamp op op[^1samuel-28-4-11] Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v4)

**5** Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v5)

**6** En Saul[^1samuel-28-6-12] vraagde YHWH; maar YHWH antwoordde hem niet;[^1samuel-28-6-13] noch door[^1samuel-28-6-14] dromen, noch door[^1samuel-28-6-15] de urim, noch[^1samuel-28-6-16] door de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v6)

**7** Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoek mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te[^1samuel-28-7-17] Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v7)

**8** En Saul[^1samuel-28-8-18] verstelde zich, en trok andere kleren aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen in de nacht tot de vrouw, en hij zei: Voorzeg mij toch door de waarzeggende geest, en[^1samuel-28-8-19] doe mij opkomen, die ik tot u zeggen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v8)

**9** Toen zei de vrouw tot hem: Zie,[^1samuel-28-9-20] u weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de dodenbezweerders uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt u dan mijn ziel een strik,[^1samuel-28-9-21] om mij te doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v9)

**10** Saul nu zwoer haar bij YHWH, zeggende: Zo waarachtig als YHWH leeft, als u een[^1samuel-28-10-23] straf om deze zaak zal overkomen![^1samuel-28-10-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v10)

**11** Toen zei de vrouw: Wie zal ik u doen opkomen? En hij zei: Doe mij Samuël opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v11)

**12** Toen nu de vrouw[^1samuel-28-12-24] Samuël zag, zo[^1samuel-28-12-25] riep zij met luide stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt u mij bedrogen? Want u bent Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v12)

**13** En de koning zei tot haar:[^1samuel-28-13-26] Vrees niet; maar[^1samuel-28-13-27] wat ziet u? Toen zei de vrouw tot Saul: Ik zie[^1samuel-28-13-28] goden, uit de aarde opkomende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v13)

**14** Hij dan zei tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zei: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed.[^1samuel-28-14-29] Toen Saul vernam, dat het Samuël was, zo[^1samuel-28-14-30] neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v14)

**15** En[^1samuel-28-15-31] Samuël zei tot Saul:[^1samuel-28-15-32] Waarom hebt u mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zei Saul:[^1samuel-28-15-33] Ik ben zeer benauwd, want de Filistijnen strijden tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch[^1samuel-28-15-34] door de dienst van de profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat u mij te kennen geeft, wat ik doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v15)

**16** Toen zei Samuël: Waarom vraagt u mij toch, omdat YHWH van u geweken en uw vijand geworden is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v16)

**17** Want YHWH heeft[^1samuel-28-17-35] voor Zich gedaan, zoals Hij[^1samuel-28-17-36] door mijn dienst gesproken heeft; en heeft het koninkrijk van uw hand gescheurd, en Hij heeft dat gegeven aan uw naaste, aan David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v17)

**18** Zoals u naar de stem van YHWH niet gehoord hebt, en de hitte van Zijn toorn niet[^1samuel-28-18-37] uitgericht hebt tegen Amalek; daarom heeft YHWH u deze zaak gedaan[^1samuel-28-18-38] op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v18)

**19** [^1samuel-28-19-39] En YHWH zal ook[^1samuel-28-19-40] Israël met u in de hand van de Filistijnen geven, en morgen zult u en uw zonen[^1samuel-28-19-41] bij mij zijn; ook zal YHWH het leger van Israël in de hand van de Filistijnen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v19)

**20** Toen[^1samuel-28-20-42] viel Saul haastig ter aarde,[^1samuel-28-20-43] zo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden van Samuël; ook was er geen kracht in hem; want hij had de hele dag en de hele nacht[^1samuel-28-20-44] geen brood gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v20)

**21** De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zei tot hem: Zie,[^1samuel-28-21-45] uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn[^1samuel-28-21-46] hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die u tot mij gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v21)

**22** Zo hoor toch u nu ook naar de stem van uw dienstmaagd, en laat mij een stuk brood voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat u over weg gaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v22)

**23** Maar hij weigerde het, en zei: Ik zal niet eten. Maar zijn knechten, en ook de vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hun stem, en hij stond op van de aarde, en zette zich op het bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v23)

**24** En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v24)

**25** En zij bracht ze voor Saul en voor zijn knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, en gingen weg in die nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/28.html#v25)

[^1samuel-28-1-1]: Kanttekening 1: legers vergaderden: Hier staat legers in het getal van vele, alsook onder, 1 Sam. 29:1 , waaruit af te nemen is dat de Filistijnen verscheidene legers samen hebben te veld gebracht. 1 Samuël 29:1 : De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreël is.
[^1samuel-28-1-2]: Kanttekening 2: U zult zekerlijk weten: Hebreeuws, יָדֹ֣עַ, wetende zult u weten.
[^1samuel-28-2-3]: Kanttekening 3: Aldus zult u weten: Of, hier aan. Dit is opnieuw een dubbelzinnige manier van spreken, gelijk boven, 1 Sam. 27:10 . 1 Samuël 27:10 : Als Achis zei: Waar bent u heden ingevallen? zo zei David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden van de Jerahmeelieten, en tegen het zuiden van de Kenieten.
[^1samuel-28-2-4]: Kanttekening 4: Daarom zal ik u: Alsof hij zei: Omdat ik u toevertrouw dat u u kloekelijk in mijn dienst zult laten gebruiken, zo zal ik u tot een bewaarder van mijn hoofd, dat is, van mijn lijf en leven stellen, zolang als ik en u leven.
[^1samuel-28-3-5]: Kanttekening 5: Samuël nu was gestorven: Dit wordt hier gesteld om aan te wijzen, waarom Saul aan Samuël geen raad gevraagd had, maar had bevolen een toveres te zoeken.
[^1samuel-28-3-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 25:1 . 1 Samuël 25:1 : En Samuël stierf; en geheel Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.
[^1samuel-28-3-6]: Kanttekening 6: zijn stad: Dat is, in de stad, in welke hij geboren en opgetogen was, en meest gewoond had.
[^1samuel-28-3-7]: Kanttekening 7: uit het land: Versta, het land van Israël. Zie Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^1samuel-28-3-8]: Kanttekening 8: Zie Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^1samuel-28-3-9]: Kanttekening 9: Of, zwarte kunstenaars.
[^1samuel-28-4-10]: Kanttekening 10: Zie de aantekeningen Joz. 19:18 . Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem,
[^1samuel-28-4-11]: Kanttekening 11: Dit is een gebergte, gelegen niet ver van het dal Jizreël, waar de slag geschied is, waar Saul met zijn zonen zijn omgekomen. Zie onder, 1 Sam. 31:1 , en 2 Sam. 1:21 . 1 Samuël 31:1 : De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 2 Samuël 1:21 : U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden van de hefofferen; want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.
[^1samuel-28-6-12]: Kanttekening 12: vraagde YHWH: Te weten, door enige profeet, want Abjathar was deze tijd bij David, met de efod, waar de urim en thummim, door welke men de Heer vraagde, in waren. Zie boven, 1 Sam. 23:6 , en 1 Sam. 30:7 . 1 Samuël 23:6 : En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand. 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David.
[^1samuel-28-6-13]: Kanttekening 13: noch door: In het Hebreeuws, חֲלֹמ֛וֹת, staat voor noch driemaal ook. Waarop men moet verstaan het woordje niet, uit het voorgaande, dat tezamen zoveel is als noch.
[^1samuel-28-6-14]: Kanttekening 14: Zie Num. 12:6 . Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^1samuel-28-6-15]: Kanttekening 15: de urim: Zie Num. 27:21 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^1samuel-28-6-16]: Kanttekening 16: door de profeten: Dat is, noch door gewoonlijke, noch op een bijzondere wijze.
[^1samuel-28-7-17]: Kanttekening 17: Endor is een vrouw: Een stad in de stam van Manasse gelegen, aan deze zijde van de Jordaan. Zie de aantekeningen Joz. 17:11 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^1samuel-28-8-18]: Kanttekening 18: verstelde zich: Of, veranderde zich, maakte zich onbekend, verkleedde zich. Vergelijk 1 Kon. 22:30 . Te weten, opdat deze vrouw hem niet kennen zou. 1 Koningen 22:30 : En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd.
[^1samuel-28-8-19]: Kanttekening 19: doe mij opkomen: Te weten, uit het graf. Aldus vraagt Saul de doden raad voor de levende, dat Jesaja bestraft, Jes. 8:19 . Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^1samuel-28-9-20]: Kanttekening 20: u weet: Te weten, als zijnde een Israëlietisch man, dat zij uit zijn spraak en kleding kon vernemen; maar toen zij dit sprak wist zij nog niet dat zij met Saul sprak.
[^1samuel-28-9-21]: Kanttekening 21: om mij te doden: Zij wil zeggen, om Saul, als hij dit vernemen zal, oorzaak te geven mij te doden.
[^1samuel-28-10-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, ongerechtigheid, of misdaad; dat is, straf van de ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^1samuel-28-10-22]: Kanttekening 22: als u: Versta hierbij, zo straffe mij God, of iets dergelijks. Zie de aantekeningen Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1samuel-28-12-24]: Kanttekening 24: Samuël zag: Dat is, een boze geest, in de gedaante van Samuël, welke zij door haar duivelskunst had doen opkomen. Jezus Sirach in een groot misverstand als hij schrijft dat Samuël, nadat hij ontslapen was, geprofeteerd en Saul zijn einde voorzegd heeft, Jezus Sirach. 46:22.
[^1samuel-28-12-25]: Kanttekening 25: riep zij met luide stem: Uit vrees dat zij van Saul zou gevangen en gedood worden; want zij vernam door ingeving van de duivel of anders dat hij Saul zelf was. Of, zij riep, toen zij Samuël zag opkomen.
[^1samuel-28-13-26]: Kanttekening 26: Vrees niet: Te weten, dat ik u zal doden, of laten doden.
[^1samuel-28-13-27]: Kanttekening 27: wat ziet u: Te weten, dat u dus bevreesd en verschrikt bent.
[^1samuel-28-13-28]: Kanttekening 28: Dat is, een aanzienlijk statelijk persoon in de gedaante van Samuël. Zij spreekt zo, Elohim (אֱלֹהִים), in het getal van velen, op zijn heidens en als een toveres. Sommigen verstaan hier door goden de gedaante van Samuël met een gespuis van boze geesten.
[^1samuel-28-14-29]: Kanttekening 29: Toen Saul vernam: Te weten, naar het oordeel van zijn verwarde zinnen en uit de woorden van de toveres, maar hij zelf heeft deze Samuël niet gezien.
[^1samuel-28-14-30]: Kanttekening 30: neigde hij zich: Saul, door deze toveres van de duivel bedrogen zijnde, heeft de duivel geëerd inplaats van Samuël.
[^1samuel-28-15-31]: Kanttekening 31: Samuël zei: Gelijk boven, vers 12 . 1 Samuël 28:12 : Toen nu de vrouw Samuël zag, zo riep zij met luide stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt u mij bedrogen? Want u bent Saul.
[^1samuel-28-15-32]: Kanttekening 32: Waarom hebt u mij onrustig gemaakt: Het was in de macht van de duivel en van de toveres niet de ware Samuël op te wekken en daar te doen verschijnen. Het is niet dan enkel bedriegerij van de duivel geweest, denwelken God somtijds enige werkingen toelaat, tot verderf dergenen, die daaraan geloven.
[^1samuel-28-15-33]: Kanttekening 33: Ik ben zeer benauwd: Hebreeuws, צַר, mij is bangheid zeer; dat is, grote bangheid.
[^1samuel-28-15-34]: Kanttekening 34: door de dienst van de profeten: Hebreeuws, יַֽד, door de hand van de profeten; dat is, door middel van enige profeet. Zie verder vers 6 . 1 Samuël 28:6 : En Saul vraagde YHWH; maar YHWH antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.
[^1samuel-28-17-35]: Kanttekening 35: voor Zich gedaan: Dat is, tot zijn eer, naar zijn welgevallen. Anders, hem, te weten David. Of slechts, hij heeft het gedaan.
[^1samuel-28-17-36]: Kanttekening 36: door mijn dienst: Hebreeuws, יָדִ֑, door mijn hand. Dit had God door de boze geest niet gesproken, maar door de ware Samuël, boven, 1 Sam. 15:28 . 1 Samuël 15:28 : Toen zei Samuël tot hem: YHWH heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u.
[^1samuel-28-18-37]: Kanttekening 37: uitgericht hebt: Hebreeuws, עֲמָלֵ֑ק, gedaan.
[^1samuel-28-18-38]: Kanttekening 38: te deze dage: Dat is, in deze tijd.
[^1samuel-28-19-39]: Kanttekening 39: En YHWH: Dit kon de duivel enigszins raden, omdat hij wist dat de Heer van Saul geweken was, en dat Saul nu dus versaagd en vreesachtig was, en ook omdat er weinig moed en orde bij de Israëlieten was tot tegenstand van de Filistijnen.
[^1samuel-28-19-40]: Kanttekening 40: Israël met u: Dat is, het leger van de Israëlieten.
[^1samuel-28-19-41]: Kanttekening 41: bij mij zijn: Te weten, bij de doden; dat is, u zult dood zijn. Zie dergelijke manier van spreken 2 Sam. 12:23 . Want dat men dit zou verstaan van in de hel te zijn, waar de duivelen zijn, zou op Jonathan en velen van de Israëlieten niet passen, die wel in de slag zijn dood gebleven, maar niet naar de ziel in de verdoemenis gevaren. 2 Samuël 12:23 : Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.
[^1samuel-28-20-42]: Kanttekening 42: viel Saul haastig ter aarde: Hebreeuws, יִּפֹּ֤ל, toen haastte Saul en viel ter aarde.
[^1samuel-28-20-43]: Kanttekening 43: zo lang als hij was: Hebreeuws, אַ֔רְצָ, \[met\] de volheid van zijn statuur, of lengte.
[^1samuel-28-20-44]: Kanttekening 44: geen brood gegeten: Dat is, geen voedsel genuttigd.
[^1samuel-28-21-45]: Kanttekening 45: uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord: Dat is, ik heb uw stem gehoord.
[^1samuel-28-21-46]: Kanttekening 46: hand gesteld: Hebreeuws, כַפִּ֔, palm. Zij wil zeggen: Ik heb mijn leven gewaagd; want zij had Saul ten gevalle zich tot waarzegging laten gebruiken, dat aan het leven zou zijn gestraft geworden, had Saul bij zijn voornemen gebleven, waarvan vers 9 gesproken wordt. Zie de aantekeningen Richt. 12:3 . 1 Samuël 28:9 : Toen zei de vrouw tot hem: Zie, u weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt u dan mijn ziel een strik, om mij te doden? Richteren 12:3 : Als ik nu zag, dat u niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en YHWH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?

### 1 Samuël 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/29.json)

*De vorsten van de Filistijnen willen David in het leger niet dulden, ondanks dat Achis hem verdedigt, vers 3 enz. De vorsten geven de reden waarom zij David bij hen niet willen dulden, 4. Achis laat David teruggaan, hoewel met tegenzin, 6. David wilde liever bij Achis gebleven zijn, 8. maar die beveelt hem voor de tweede maal af te trekken, 10. Dat doet David, 11.*

**1** De Filistijnen nu hadden al hun legers verzameld te[^1samuel-29-1-1] Afek; en de Israëlieten sloegen hun kamp op bij de fontein, die bij[^1samuel-29-1-2] Jizreël is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v1)

**2** En de vorsten van de Filistijnen trokken daarheen met honderden, en met duizenden; maar David met zijn mannen trokken met Achis in de achtertocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v2)

**3** Toen zeiden de oversten van de Filistijnen:[^1samuel-29-3-3] Wat zullen deze Hebreën? Zo zei Achis tot de oversten van de Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, de koning van Israël, die deze dagen of[^1samuel-29-3-4] deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem[^1samuel-29-3-5] niets gevonden van die dag af, dat hij[^1samuel-29-3-6] afgevallen is tot deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v3)

**4** Maar de oversten van de Filistijnen werden zeer boos op hem, en de oversten van de Filistijnen zeiden tot hem:[^1samuel-29-4-a] Doe de man[^1samuel-29-4-7] terugkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar u hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in de strijd,[^1samuel-29-4-8] opdat hij ons niet tot[^1samuel-29-4-9] een tegenstander wordt in de strijd; want waarmee zou deze zich bij zijn heer[^1samuel-29-4-10] aangenaam maken?[^1samuel-29-4-11] Is het niet met de hoofden van deze mannen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v4)

**5** Is dit niet die David, van wie zij[^1samuel-29-5-b] in de rei elkaar antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v5)

**6** Toen riep Achis David, en zei tot hem:[^1samuel-29-6-12] Het is zo waarachtig als YHWH leeft,[^1samuel-29-6-13] dat u oprecht bent, en[^1samuel-29-6-14] uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden, van die dag af, dat u tot mij bent gekomen, tot deze dag toe; maar u bent niet[^1samuel-29-6-15] aangenaam in de ogen van de vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v6)

**7** Zo keer nu om, en ga in vrede, opdat u geen kwaad doet in de ogen van de vorsten van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v7)

**8** Toen zei David tot Achis:[^1samuel-29-8-16] Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt u in uw knecht gevonden, van die dag af, dat ik voor uw aangezicht geweest ben, tot deze dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer, de koning? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v8)

**9** Achis nu antwoordde en zei tot David: Ik weet het; werkelijk, u bent[^1samuel-29-9-17] aangenaam in mijn ogen, als[^1samuel-29-9-18] een engel van God; maar de oversten van de Filistijnen hebben gezegd: Laat hem met ons in deze strijd niet optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v9)

**10** Nu dan, maak u[^1samuel-29-10-19] morgen vroeg op met de knechten van uw heer, die met u gekomen zijn; en als u zich morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het u licht geworden is, zo gaat heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v10)

**11** Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijn mannen, dat zij 's morgens weggingen, om weer te keren in het land van de Filistijnen; de Filistijnen daarentegen trokken op naar Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/29.html#v11)

[^1samuel-29-1-1]: Kanttekening 1: Er zijn verscheidene steden in het land Kanaän, die Afek genoemd worden: I. Een in de stam van Juda, Joz. 15:53 ; II. In de stam van Aser, Richt. 1:21 ; III. In de stam van Issaschar, bij het gebergte Gilboa, bij het grote veld Megiddo, waarvan dit hier kan verstaan worden. Jozua 15:53 : En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag.
[^1samuel-29-1-2]: Kanttekening 2: Jizreël is: Dit is een schone stad geweest op de grenzen van de stammen Issaschar en Manasse, Joz. 19:18 , gelegen aan de voet van het gebergte Gilboa. Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem,
[^1samuel-29-3-3]: Kanttekening 3: Wat zullen deze Hebreën: Of waartoe zijn, enz.
[^1samuel-29-3-4]: Kanttekening 4: deze jaren bij mij geweest is: Het was nu in het tweede jaar, dat David te Ziklag gewoond had. Zie 1 Sam. 27:7 , en daar tevoren was hij ook te Gath een tijdlang bij Achis geweest. 1 Samuël 27:7 : Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.
[^1samuel-29-3-5]: Kanttekening 5: niets gevonden: Te weten, niets kwaads, of enige ontrouw.
[^1samuel-29-3-6]: Kanttekening 6: afgevallen is: Te weten, van Saul zijn heer, die mijn vijand is. Anders, mij toegevallen is.
[^1samuel-29-4-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 12:19 . 1 Kronieken 12:19 : Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten van de Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.
[^1samuel-29-4-7]: Kanttekening 7: Anders, omkeren.
[^1samuel-29-4-8]: Kanttekening 8: opdat hij ons niet: Te weten, gelijk vele Hebreën hier tevoren gedaan hebben, die van ons tot Jonathan gevallen zijn, boven, 1 Sam. 14:21 . 1 Samuël 14:21 : Er waren ook Hebreën bij de Filistijnen, als eertijds, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; deze nu vervoegden zich ook met de Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren.
[^1samuel-29-4-9]: Kanttekening 9: een tegenstander worde: Zie de aantekeningen Job 1:16 . Job 1:16 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^1samuel-29-4-10]: Kanttekening 10: aangenaam maken: Dat is met zijn heer verzoenen.
[^1samuel-29-4-11]: Kanttekening 11: Is het niet met de hoofden van deze mannen: Te weten, ons overleverende in de handen Sauls, zich in de krijg omkerende en op ons volk slaande.
[^1samuel-29-5-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 18:7 . 1 Samuël 18:7 : En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!
[^1samuel-29-6-12]: Kanttekening 12: Het is zo waarachtig : Alhoewel Achis een afgodendienaar was, zo zweert hij hier nochtans bij YHWH, de ware God. De Filistijnen hadden de macht van de ware God wel beproefd, toen de ark van het verbond bij hen was, 1 Sam. 5 . Het kan ook wel zijn dat Achis door de lange omgang met David enige kennis van de ware God heeft gehad.
[^1samuel-29-6-13]: Kanttekening 13: dat u oprecht bent: Dat is, ik houd u voor een oprechten en getrouwen dienaar.
[^1samuel-29-6-14]: Kanttekening 14: uw uitgang en uw ingang: Dat is, uw handel en wandel, uw regering en beleid van zaken staan mij zeer wel aan. Zie Num. 27:17 . Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben.
[^1samuel-29-6-15]: Kanttekening 15: aangenaam in de ogen van de vorsten: Hebreeuws, ט֥וֹב, goed.
[^1samuel-29-8-16]: Kanttekening 16: Maar wat heb ik gedaan: David laat niet anders schijnen of blijken dan dat hij zeer gewillig en ijverig was om tegen Israël, het volk van God, te gaan strijden, maar wat hij in de zin had te doen, was YHWH bekend.
[^1samuel-29-9-17]: Kanttekening 17: aangenaam in mijn ogen: Hebreeuws, עֵינַ֖, goed.
[^1samuel-29-9-18]: Kanttekening 18: een engel van God: Achis, alhoewel een heiden, bekent dat er goede engelen zijn.
[^1samuel-29-10-19]: Kanttekening 19: morgen vroeg op: Te weten, voordat de strijd aangaat.

### 1 Samuël 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/30.json)

*David, die merkt dat de Amalekieten Ziklag in zijn afwezigheid geplunderd en verbrand hadden, en het volk, met zijn beide vrouwen, gevankelijk hadden weggevoerd, is zeer terneergeslagen, en in groot gevaar van zijn eigen volk, vers 1 enz. hij zoekt raad bij God, die hem beveelt de Amalekieten te vervolgen, 7. Toen David dit deed met een deel van zijn krijgsvolk, vindt hij een verhongerde achtergelaten Egyptenaar, die hem alles bekendmaakt en hem tot de Amalekieten brengt, 9. David overvalt en verslaat hen, en herkrijgt de hele buit, 17. hij maakt een verordening over het verdelen van de buit, 22. hij zendt geschenken aan zijn vrienden, 26.*

**1** Het gebeurde nu, als David en zijn mannen[^1samuel-30-1-1] de derde dag te Ziklag kwamen, dat[^1samuel-30-1-2] de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag[^1samuel-30-1-3] geslagen, en het met vuur verbrand hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v1)

**2** En dat zij de vrouwen, die daarin waren, als gevangene weggevoerd hadden; maar zij hadden niemand doodgeslagen, van de[^1samuel-30-2-4] kleinste tot de grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren van hun weg gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v2)

**3** En David en zijn mannen kwamen aan de stad, en ziet, zij was met vuur verbrand; en hun vrouwen, en hun zonen en hun dochters waren als gevangene weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v3)

**4** Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en huilden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te huilen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v4)

**5** Davids beide vrouwen waren ook als gevangene weggevoerd, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl,[^1samuel-30-5-5] de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v5)

**6** En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen; want[^1samuel-30-6-6] de zielen van het hele volk waren verbitterd, ieder[^1samuel-30-6-7] over zijn zonen en over zijn dochters; maar[^1samuel-30-6-8] David sterkte zich in YHWH, zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v6)

**7** En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van[^1samuel-30-7-9] Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v7)

**8** Toen vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik[^1samuel-30-8-10] deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zei tot hem: Jaag na, want u zult zeker achterhalen, en u zult zeker verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v8)

**9** David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven[^1samuel-30-9-11] de overigen staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v9)

**10** En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moe waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v10)

**11** En[^1samuel-30-11-12] zij vonden een Egyptische man op het veld, en[^1samuel-30-11-13] zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood, en hij at, en zij gaven hem water te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v11)

**12** Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn[^1samuel-30-12-14] geest kwam weer[^1samuel-30-12-15] in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen[^1samuel-30-12-16] brood gegeten, noch water gedronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v12)

**13** Daarna zei David tot hem: Van wie bent u? En vanwaar bent u? Toen zei de Egyptische[^1samuel-30-13-17] jongen: Ik ben de knecht van een Amalekietische man, en mijn heer heeft mij verlaten, omdat ik voor[^1samuel-30-13-18] drie dagen ziek geworden ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v13)

**14** Wij waren ingevallen tegen het zuiden van[^1samuel-30-14-19] de Cherethieten, en op wat van Juda is, en[^1samuel-30-14-20] tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v14)

**15** Toen zei David tot hem: Zou u mij wel heen afleiden tot deze bende? Hij dan zei: Zweer mij bij God,[^1samuel-30-15-21] dat u mij niet zult doden, en dat u mij niet zult overleveren in de hand van mijn heer! Zo zal ik u tot deze bende afleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v15)

**16** En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de hele aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al de grote buit, die zij genomen hadden uit het land van de Filistijnen, en uit[^1samuel-30-16-22] het land van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v16)

**17** En David sloeg hen van[^1samuel-30-17-23] de schemering[^1samuel-30-17-24] tot aan de avond van hun andere dag; en er ontkwam niet één man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kamelen reden en vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v17)

**18** Zo redde David al wat de Amalekieten genomen hadden; ook redde David zijn twee vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v18)

**19** En onder hen werd niet gemist van de kleinste tot aan de grootste, en tot aan de zonen en dochters; en van de buit, ook tot alles, wat zij van hen genomen hadden; David bracht het allemaal weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v19)

**20** David nam ook al de schapen en de runderen;[^1samuel-30-20-25] zij dreven[^1samuel-30-20-26] ze voor dat vee heen, en zeiden: [^1samuel-30-20-27] Dit is Davids buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v20)

**21** Als David tot[^1samuel-30-21-28] de tweehonderd mannen kwam, die zo moe waren geweest, dat zij David niet hadden kunnen navolgen, en die zij aan de beek Besor hadden laten blijven, die gingen David tegemoet, en het volk, dat bij hem was, tegemoet; en David trad tot het volk, en hij vraagde hen naar de welstand.[^1samuel-30-21-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v21)

**22** [^1samuel-30-22-30] Toen antwoordde elke boosaardige Belialsman onder de mannen, die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij[^1samuel-30-22-31] met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van de buit, die wij gered hebben, niet geven, maar aan ieder zijn vrouw en zijn kinderen; laat hen die heenleiden, en weggaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v22)

**23** Maar David zei: Zo zult u niet doen, mijn broers, met wat ons YHWH gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.[^1samuel-30-23-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v23)

**24** Wie zou toch u in deze zaak horen? Want zoals het deel van degenen is, die in de strijd mee afgetogen zijn, zo zal ook het deel van degenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn;[^1samuel-30-24-33] zij zullen gelijkelijk delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v24)

**25** En dit is van die dag af en[^1samuel-30-25-34] voortaan zo geweest; want hij heeft het tot een inzetting en tot een recht gesteld in Israël,[^1samuel-30-25-35] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v25)

**26** Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda,[^1samuel-30-26-36] zijn vrienden, van de buit, zeggende: Zie, daar is[^1samuel-30-26-37] een zegen voor u, van de buit van de vijanden van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v26)

**27** Namelijk tot die te[^1samuel-30-27-38] Beth-El, en tot die te[^1samuel-30-27-39] Ramoth tegen het zuiden, en tot die te[^1samuel-30-27-40] Jather, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v27)

**28** En tot die te[^1samuel-30-28-41] Aroër, en tot die te[^1samuel-30-28-42] Sifmoth, en tot die te[^1samuel-30-28-43] Esthemoa, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v28)

**29** En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden van[^1samuel-30-29-44] de Jerahmeëlieten waren, en tot die, welke in de steden van[^1samuel-30-29-45] de Kenieten waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v29)

**30** En tot die te[^1samuel-30-30-46] Horma, en tot die te[^1samuel-30-30-47] Chor-Asan, en tot die te Atach, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v30)

**31** En tot die te[^1samuel-30-31-48] Hebron, en tot al de plaatsen,[^1samuel-30-31-49] waar David gewandeld had, hij en zijn mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/30.html#v31)

[^1samuel-30-1-1]: Kanttekening 1: de derde dag: Te weten, nadat David uit het leger van de Filistijnen gescheiden was, want zo ver lag wel het leger van de Filistijnen \[waar David met zijn mannen geweest was\] van de stad Ziklag, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 1:2 . 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^1samuel-30-1-2]: Kanttekening 2: de Amalekieten: Versta, de overgebleven Amalekieten, die ontkomen waren toen Saul die sloeg, 1 Sam. 15:7 . Of dit is te verstaan van de Amalekieten, die ergens in een andere streek of hoek lands woonden dan die, welke door Saul zijn uitgeroeid. Deze hebben hun ouden haat tegen de Israëlieten getoond. 1 Samuël 15:7 : Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar u komt te Sur, dat voor aan Egypte is.
[^1samuel-30-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, geruïneerd en de inwoners kwalijk gehandeld. Zie Ez. 33:21 . Ezechiël 33:21 : En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
[^1samuel-30-2-4]: Kanttekening 4: van de kleinste tot de grootste: Anders, kleinen, groten.
[^1samuel-30-5-5]: Kanttekening 5: huisvrouw van Nabal: Zie de aantekeningen 1 Sam. 27:3 . 1 Samuël 27:3 : En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een ieder met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
[^1samuel-30-6-6]: Kanttekening 6: de zielen van het gehele volk: Hebreeuws, נֶ֣פֶשׁ, de ziel van het gehele volk was bitter; dat is, zij waren van harte bedroefd, daartoe met bitterheid en toorn ingenomen tegen David, hem de schuld gevende dat zij van hun vrouwen en kinderen beroofd waren door de Amalekieten; daartoe zijnde bewogen geworden, omdat David hen eerst vijandelijk aangetast en geslagen had, 1 Sam. 27:8 . 1 Samuël 27:8 : David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners van het land), dat u gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
[^1samuel-30-6-7]: Kanttekening 7: over zijn zonen en over zijn dochters: Of, vanwege.
[^1samuel-30-6-8]: Kanttekening 8: David sterkte zich in YHWH, zijn God: Vertrouwende op de beloften en toezeggingen, die God hem gedaan had, dat hij koning worden zou. Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 23:16 . 1 Samuël 23:16 : Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God.
[^1samuel-30-7-9]: Kanttekening 9: Breng mij toch de efod hier: Dat is, trek de efod aan om mijnentwil, opdat u daardoor de Heer raad vraagt. Zie Num. 27:21 , en boven, 1 Sam. 23:9 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts.
[^1samuel-30-8-10]: Kanttekening 10: deze bende achternajagen: Hij verstaat de Amalekieten, alsook vers 15 . 1 Samuël 30:15 : Toen zei David tot hem: Zoudt u mij wel heen afleiden tot deze bende? Hij dan zei: Zweer mij bij God, dat u mij niet zult doden, en dat u mij niet zult overleveren in de hand mijns heren! Zo zal ik u tot deze bende afleiden.
[^1samuel-30-9-11]: Kanttekening 11: de overigen staan: Te weten, twee honderd mannen, die zo moe waren dat zij niet volgen konden, vers 10 . 1 Samuël 30:10 : En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moe waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan.
[^1samuel-30-11-12]: Kanttekening 12: zij vonden een Egyptischen man: Te weten, de mannen, die bij David waren.
[^1samuel-30-11-13]: Kanttekening 13: zij brachten hem tot David: Hebreeuws, יִּתְּנוּ, zij namen hem tot David; dat is, zij namen en brachten. Zie de aantekeningen Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1samuel-30-12-14]: Kanttekening 14: geest kwam weer: Dat is, hij die flauw en amechtig was en van honger schier versmacht, werd door het voedsel verkwikt. Zodat het woord geest hier betekent ademing.
[^1samuel-30-12-15]: Kanttekening 15: in hem: Anders, tot hem.
[^1samuel-30-12-16]: Kanttekening 16: brood gegeten, noch water gedronken: Dat is, voedsel.
[^1samuel-30-13-17]: Kanttekening 17: Dat is, jonkman, jongeling. Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^1samuel-30-13-18]: Kanttekening 18: voor drie dagen: Hebreeuws, חָלִ֖יתִי, die is de derde dag.
[^1samuel-30-14-19]: Kanttekening 19: de Cherethieten: Dat is, van de Filistijnen, gelijk men kan afnemen uit vers 16 . Aldus worden de Filistijnen ook genaamd Ez. 25:16 ; Zef. 2:5 . 1 Samuël 30:16 : En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de gehele aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al de grote buit, die zij genomen hadden uit het land van de Filistijnen, en uit het land van Juda. Ezechiël 25:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen. Zefanja 2:5 : Wee de inwoneren van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, land van de Filistijnen! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
[^1samuel-30-14-20]: Kanttekening 20: tegen het zuiden van Kaleb: Dat is, tegen het zuiden van het land, waar de nakomelingen van Kaleb woonden. Zie Joz. 14:13 , en Joz. 15:13 . Jozua 14:13 : Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel. Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.
[^1samuel-30-15-21]: Kanttekening 21: dat u mij niet zult doden: Hebreeuws, תְּמִיתֵ֗, zo u mij zult doden, en zo u mij zult overleveren, enz. Zie van zulke eedzweren, Gen. 14:23 . De zin is: Dat u mij niet zult doden, of dat, enz. Vergelijk boven, 1 Sam. 24:22 , enz. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 1 Samuël 24:22 : Zo zweer mij dan nu bij YHWH, zo u mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van het huis van mijn vader!
[^1samuel-30-16-22]: Kanttekening 22: het land van Juda: Daaronder behoorde nu Ziklag en het land van Kaleb.
[^1samuel-30-17-23]: Kanttekening 23: de schemering: Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, gelijk ook ons woord schemering, betekent zowel de avond- als de morgenschemering. Sommigen menen dat David dit volk in de avondschemering heeft aangevallen \[want hij vond hen etende, drinkende en dansende, dat gemeenlijk 's avonds, niet met het aanbreken van de dag geschiedt\], houden ook dat David, zijnde maar vier honderd man sterk, liever de duisternis van de nacht heeft waargenomen, om deze grote menigte te overvallen in hun dronkenschap en vreugde, dan de schemering van de morgenstond, toen de dag aankwam. Anderen nochtans nemen het hier voor de schemering van de morgen, achtende dat David en zijn mannen 's avonds te moe waren om een aanval op hun vijanden te doen.
[^1samuel-30-17-24]: Kanttekening 24: tot aan de avond: Dat is, 's avonds van de andere dag, in welke David met zijn mannen was uitgetogen.
[^1samuel-30-20-25]: Kanttekening 25: zij dreven ze: Te weten, de mannen van David.
[^1samuel-30-20-26]: Kanttekening 26: voor datzelve vee heen: Dat is, voor het vee, dat hun van de Amalekieten was ontnomen geweest.
[^1samuel-30-20-27]: Kanttekening 27: Dit is Davids buit: Dat is, die David toebehoort, daarom heeft hij ook daarvan weggeschonken waar en aan wie het hem beliefde. Zie onder, vers 26 . 1 Samuël 30:26 : Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda, zijn vrienden, van de buit, zeggende: Ziet, daar is een zegen voor u, van de buit van de vijanden van YHWH.
[^1samuel-30-21-28]: Kanttekening 28: de tweehonderd mannen kwam: Zie boven, vers 9 , 30:10 . 1 Samuël 30:9 : David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven de overigen staan. 1 Samuël 30:10 : En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moe waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan.
[^1samuel-30-21-29]: Kanttekening 29: hij vraagde hen naar de welstand: Dat is, hij groette hen vriendelijk, en vraagde hun of het hun al welging.
[^1samuel-30-22-30]: Kanttekening 30: Toen antwoordde een ieder boos: Te weten, als men begon te spreken van de buit te delen.
[^1samuel-30-22-31]: Kanttekening 31: met ons niet getogen zijn: Hebreeuws, הָלְכ֣וּ, met mij.
[^1samuel-30-23-32]: Kanttekening 32: met wat ons YHWH gegeven heeft: Te weten, met de buit, welke wij gekregen hebben, niet door onze eigen macht, maar die ons de Heer gegeven heeft.
[^1samuel-30-24-33]: Kanttekening 33: zij zullen gelijkelijk delen: Dat is, de mannen, die achtergebleven zijn en die bij de bagage gebleven zijn, zullen zo wel hun deel van de buit hebben als die, welke met mij voortgetogen zijn. Hierin volgt David de ordinantie Gods, Num. 31:27 , en ook de redelijkheid en billijkheid. Zie Joz. 22:8 , en 2 Makk. 8:28 . Numeri 31:27 : En deel de buit in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de gehele vergadering. Jozua 22:8 : En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weer tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel kleren; deelt de roof van uw vijanden met uw broers. 2 Makkabeeën 8:28 : En na de Sabbat deelden zij uit aan de zieken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden zij onder zichzelf en onder hun knechten.
[^1samuel-30-25-34]: Kanttekening 34: voortaan zo geweest: Anders, boven, of opwaarts. Dat sommigen verstaan van de voorgaande tijd; zodat het hier van David weer in het gebruik gebracht en vastgezet is.
[^1samuel-30-25-35]: Kanttekening 35: tot op deze dag: De rede zou aldus vol zijn: dat duurt tot op deze dag.
[^1samuel-30-26-36]: Kanttekening 36: zijn vrienden: Dat is, degenen, die hem getrouw bleven in deze zijn zware vervolging.
[^1samuel-30-26-37]: Kanttekening 37: een zegen voor u: Dat is, een geschenk. Zie Gen. 33:11 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^1samuel-30-27-38]: Kanttekening 38: Anders, degenen, die in het huis van God waren; te weten, te Kiriath-Jearim, waar de ark van het verbond was; 1 Sam. 6:21 , en 1 Sam. 7:1 . 1 Samuël 6:21 : Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van YHWH wedergebracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde.
[^1samuel-30-27-39]: Kanttekening 39: Deze stad lag in het erfdeel van de stam Simeons, Joz. 19:8 en zij lag in het zuider kwartier van het land Kanaän, en is zo onderscheiden van andere steden, die ook Ramah heetten, als Ramoth in Gilead, 1 Kon. 22:3 . Jozua 19:8 : En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baälath-beer, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen. 1 Koningen 22:3 : Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië.
[^1samuel-30-27-40]: Kanttekening 40: Een stad, gelegen in de stam van Juda, op het gebergte; Joz. 15:48 . Jozua 15:48 : Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
[^1samuel-30-28-41]: Kanttekening 41: Deze stad lag aan de beek Arnon, de stam van Ruben gegeven. Zie Deut. 3:12 ; Joz. 13:16 . Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden daarvan, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Jozua 13:16 : Dat hun landpale was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe;
[^1samuel-30-28-42]: Kanttekening 42: Anders genoemd Sefam; Num. 34:10 . Numeri 34:10 : Verder zult u u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-enan naar Sefam.
[^1samuel-30-28-43]: Kanttekening 43: Een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:50 , anders genoemd Eschtemo. Zij was aan de kinderen van Aäron gegeven, 1 Kron. 6:57 . Jozua 15:50 : En Anab, en Estemo, en Anim, 1 Kronieken 6:57 : En aan de kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,
[^1samuel-30-29-44]: Kanttekening 44: Zie de aantekeningen boven, 1 Sam. 27:10 . 1 Samuël 27:10 : Als Achis zei: Waar bent u heden ingevallen? zo zei David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden van de Jerahmeelieten, en tegen het zuiden van de Kenieten.
[^1samuel-30-29-45]: Kanttekening 45: Kenieten waren: Zie van deze Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^1samuel-30-30-46]: Kanttekening 46: Anders, Zefat. Zie Richt. 1:17 . Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^1samuel-30-30-47]: Kanttekening 47: Dit schijnt dezelfde stad te zijn, die Joz. 19:7 alleen Asan genoemd wordt, gelegen in de stam Simeons. Jozua 19:7 : Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen;
[^1samuel-30-31-48]: Kanttekening 48: Zie van deze stad Gen. 23:2 in de aantekeningen. Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^1samuel-30-31-49]: Kanttekening 49: waar David gewandeld had: Dat is, waar David zich somwijlen met zijn volk onthouden had, als hij voor Saul heeft moeten vluchten. David is dankbaar geweest tegenover diegenen, die hem met de zijnen geherbergd en goed gedaan hebben.

### 1 Samuël 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1samuel/31.json)

*De Israëlieten worden door de Filistijnen verslagen, vers 1 enz. De zonen van Saul eveneens, 2. Saul wordt gewond, 3. hij stort zich in zijn eigen zwaard, 4. zo doet zijn wapendrager ook, 5. Saul sterft: zijn drie zonen, zijn wapendrager en zijn volk komen om, 6. de overigen vluchten en verlaten de steden, 7. De Filistijnen snijden Sauls hoofd af, 8. en zij plaatsen zijn wapens in het huis van Astoreth, en hangen zijn lichaam op aan de muur te Beth-San, 10. De inwoners van Jabes nemen het lichaam van Saul en van zijn zonen af, en verbranden ze, 12. en begraven hun beenderen, 13.*

**1** De Filistijnen[^1samuel-31-1-1] dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen[^1samuel-31-1-2] verslagen op het gebergte Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v1)

**2** En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en[^1samuel-31-2-3] Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v2)

**3** En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met de boog schieten,[^1samuel-31-3-4] troffen hem aan, en[^1samuel-31-3-5] hij vreesde zeer voor de schutters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v3)

**4** Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en[^1samuel-31-4-6] met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en[^1samuel-31-4-7] viel daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v4)

**5** Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v5)

**6** Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook[^1samuel-31-6-8] al zijn mannen, op die dag te gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v6)

**7** Als de mannen van Israël, die aan deze zijde[^1samuel-31-7-9] van het dal waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en[^1samuel-31-7-10] woonden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v7)

**8** Het gebeurde nu[^1samuel-31-8-11] op de andere dag, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v8)

**9** En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij trokken zijn wapenen uit, en zij[^1samuel-31-9-12] zonden ze in het land van de Filistijnen[^1samuel-31-9-13] rondom, om te[^1samuel-31-9-a] boodschappen in het huis van hun[^1samuel-31-9-14] afgoden, en onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v9)

**10** En zij leiden zijn wapenen in het huis van[^1samuel-31-10-15] Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij[^1samuel-31-10-16] aan de muur te[^1samuel-31-10-17] Beth-san. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v10)

**11** Als[^1samuel-31-11-18] de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v11)

**12** Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en[^1samuel-31-12-19] brandden ze daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v12)

**13** En zij namen hun beenderen, en begroeven[^1samuel-31-13-20] ze onder het geboomte te Jabes; en[^1samuel-31-13-21] zij vastten zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1samuel/31.html#v13)

[^1samuel-31-1-1]: Kanttekening 1: dan streden tegen Israël: Hierom komt de schrijver van dit boek opnieuw tot de historie, die hij in 1 Sam. 26 gelaten heeft, om ondertussen te vertellen wat David middelertijd gedaan heeft tegen de Amalekieten, die in zijn afwezen Ziklag geplunderd en verbrand hadden. Dit hoofdstuk komt bijna van woord tot woord overeen met 1 Kron. 10 .
[^1samuel-31-1-2]: Kanttekening 2: verslagen op het gebergte Gilboa: Hebreeuws, גִּלְבֹּֽעַ, eigenlijk, doorstoken.
[^1samuel-31-2-3]: Kanttekening 3: Abinadab, en Malchisua: Hij wordt 1 Sam. 14:49 Isvi genoemd. 1 Samuël 14:49 : De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen van zijn twee dochters waren deze: de naam van de eerstgeborene was Merab, en de naam van de kleinste Michal.
[^1samuel-31-3-4]: Kanttekening 4: troffen hem aan: Hebreeuws, קָּ֑שֶׁת, vonden hem.
[^1samuel-31-3-5]: Kanttekening 5: hij vreesde zeer voor de schutters: Anders, hij werd zeer gewond van de schutters.
[^1samuel-31-4-6]: Kanttekening 6: met mij de spot drijven: Te weten, wanneer zij, mij gevangen krijgende, mij allen schimp en hoon zouden aandoen, en zouden mij dan nog eindelijk een smadelijken dood doen sterven. De Filistijnen, Saul niet levend kunnen krijgen, hebben zijn dood lichaam veel smaadheid aangedaan, onder vers 9 , 31:10 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san.
[^1samuel-31-4-7]: Kanttekening 7: viel daarin: Dat is, hij doorstak zichzelven, zo ook vers 5 . 1 Samuël 31:5 : Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.
[^1samuel-31-6-8]: Kanttekening 8: al zijn mannen: Versta het merendeel van zijn hofgezin en van zijn huisgenoten, alsook het gros van het leger. Hoewel van beiderlei enige ontkomen zijn. Vergelijk 1 Kron. 10:6 . 1 Kronieken 10:6 : Zo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn gehele huis is tegelijk gestorven.
[^1samuel-31-7-9]: Kanttekening 9: van het dal waren: Versta hier het dal of de laagte Jizreëls.
[^1samuel-31-7-10]: Kanttekening 10: woonden daarin: Zie boven, 1 Sam. 27:6 . 1 Samuël 27:6 : Toen gaf Achis op die dag Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
[^1samuel-31-8-11]: Kanttekening 11: van de anderen daags: Te weten, na de veldslag.
[^1samuel-31-9-12]: Kanttekening 12: zonden ze in het land van de Filistijnen: Te weten, het hoofd en de wapenen van Saul.
[^1samuel-31-9-13]: Kanttekening 13: om te boodschappen: Te weten, hun victorie.
[^1samuel-31-9-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 10 .
[^1samuel-31-9-14]: Kanttekening 14: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk droefenissen, smarten en verschrikkingen. Zo worden de afgoden genoemd, omdat zij de oorzaak zijn, dat God hun dienaren smart, droefenis en schrik aandoet.
[^1samuel-31-10-15]: Kanttekening 15: Zie Richt. 2:13 , in de aantekeningen. Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^1samuel-31-10-16]: Kanttekening 16: zij aan de muur: Te weten, in de straat, die bij de stadsmuur was, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 21:12 . 2 Samuël 21:12 : Zo ging David heen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die ze gestolen hadden van de straat Beth-san, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, op de dag als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.
[^1samuel-31-10-17]: Kanttekening 17: Anders genoemd Bethsean, Joz. 17:11 , en Richt. 1:27 . Dit was een stad, gelegen in de stam van Manasse, Joz. 17:11 , die in deze tijd van de Filistijnen ingehouden werd. Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^1samuel-31-11-18]: Kanttekening 18: de inwoners van Jabes: Dit deden de burgers van Jabes tot een teken van dankbaarheid, omdat zij door Saul waren ontzet en verlost geworden van de harde belegging van de koning Nahas, 1 Sam. 11:11 . 1 Samuël 11:11 : Het geschiedde nu van de anderen daags, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.
[^1samuel-31-12-19]: Kanttekening 19: brandden ze daar: Zo deze lichamen enige dagen waren onbegraven geweest en in de zon gehangen hadden, zo waren zij buiten alle twijfel verdorven en stinkende geworden, zo dat men ze met balsemen niet zou hebben kunnen bewaren. Daarom hebben zij het vlees verbrand en de beenderen begraven, verhoedende zo dat die dode lichamen meer gehoond en beschimpt, en ook weer opgegraven konden worden. Vergelijk Amos 6:10 , met de aantekeningen. Anders, zij brandden bij, of over hen; te weten, enige specerijen, dat ziet op de manier eertijds gebruikt aan de lichamen van de koningen. Zie 2 Kron. 16:14 ; Jer. 34:5 . Amos 6:10 : En de naaste vriend zal een ieder van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om de Naam van YHWH te vermelden. 2 Kronieken 16:14 : En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een zeer grote branding. Jeremia 34:5 : U zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH.
[^1samuel-31-13-20]: Kanttekening 20: onder het geboomte te Jabes: Zie 1 Kron. 10:12 . 1 Kronieken 10:12 : Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.
[^1samuel-31-13-21]: Kanttekening 21: zij vastten zeven dagen: Versta, dagelijks tot op de avond; zie 1 Kron. 10:12 . Zo bewijzende hun droefenis over Saul en zijn zonen. 1 Kronieken 10:12 : Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.

## 2 Samuël

### 2 Samuël 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/1.json)

*Terwijl David te Ziklag is, ontvangt hij het bericht van de dood van Saul en Jonathan, vers 1 enz. Waarover hij met de zijnen rouw bedrijft, 11. En hij laat de bode, die zich erop beroemde Saul gedood te hebben, ombrengen, 13. Davids klaaglied over Saul en Jonathan, 17.*

**1** Verder gebeurde het na Sauls dood, als David van de[^2samuel-1-1-1] slag van[^2samuel-1-1-a] de Amalekieten was teruggekeerd, en David twee dagen te[^2samuel-1-1-2] Ziklag gebleven was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v1)

**2** Zo gebeurde het op de derde dag, dat, ziet, uit het leger van Saul, een man kwam, van wie de kleren[^2samuel-1-2-3] gescheurd waren, en[^2samuel-1-2-4] aarde was op zijn hoofd; en het gebeurde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v2)

**3** En David zei tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontkomen uit het leger van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v3)

**4** Verder zei David tot hem:[^2samuel-1-4-5] Wat is de zaak? Vertel het mij toch. En hij zei, dat het volk uit de strijd gevlucht was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v4)

**5** En David zei tot de[^2samuel-1-5-6] jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet u, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v5)

**6** Toen zei de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik[^2samuel-1-6-7] kwam toevallig op het gebergte van[^2samuel-1-6-8] Gilboa; en ziet, Saul[^2samuel-1-6-9] leunde op zijn speer; en ziet, de wagens en[^2samuel-1-6-10] ritmeesters[^2samuel-1-6-11] hielden dicht op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v6)

**7** Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zei: Zie, hier ben ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v7)

**8** En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik zei tot hem: Ik ben een Amalekiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v8)

**9** Toen zei hij tot mij: Sta toch[^2samuel-1-9-12] bij mij, en dood mij; want deze[^2samuel-1-9-13] benauwdheid heeft mij[^2samuel-1-9-14] opgehouden;[^2samuel-1-9-15] want mijn leven is nog geheel in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v9)

**10** Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na[^2samuel-1-10-16] zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en de armband, die aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn[^2samuel-1-10-17] heer gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v10)

**11** [^2samuel-1-11-b] Toen vatte David zijn kleren en[^2samuel-1-11-18] scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v11)

**12** En zij weeklaagden, en huilden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van YHWH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v12)

**13** Verder zei David tot de jongen, die hem de boodschap gebracht had: Vanwaar bent u? En hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, van een Amalekiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v13)

**14** En David zei tot hem: Hoe, hebt u niet gevreesd uw hand uit te strekken, om de gezalfde van YHWH te[^2samuel-1-14-20] verderven?[^2samuel-1-14-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v14)

**15** En David riep een van de[^2samuel-1-15-21] jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v15)

**16** En David zei tot hem:[^2samuel-1-16-22] Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v16)

**17** David nu klaagde[^2samuel-1-17-23] deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v17)

**18** Als hij[^2samuel-1-18-24] gezegd had, dat men de kinderen[^2samuel-1-18-25] van Juda de boog[^2samuel-1-18-26] zou leren; zie,[^2samuel-1-18-27] het is geschreven in het boek[^2samuel-1-18-28] van[^2samuel-1-18-c] de Oprechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v18)

**19** O[^2samuel-1-19-29] Sieraad van Israël, op uw[^2samuel-1-19-30] hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v19)

**20** [^2samuel-1-20-d] Verkondigt het niet te[^2samuel-1-20-31] Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden,[^2samuel-1-20-32] opdat de dochters[^2samuel-1-20-33] van de onbesnedenen niet[^2samuel-1-20-34] opspringen van vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v20)

**21** [^2samuel-1-21-35] U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u,[^2samuel-1-21-36] noch velden van de hefoffers; want daar is het schild van de helden[^2samuel-1-21-37] smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof[^2samuel-1-21-38] hij niet gezalfd was geweest met olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v21)

**22** [^2samuel-1-22-39] Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achteruit gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v22)

**23** Saul en Jonathan, die geliefden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren[^2samuel-1-23-40] lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v23)

**24** U, dochters van Israël, weent over Saul; die u[^2samuel-1-24-41] kleedde met scharlaken,[^2samuel-1-24-42] met weelde;[^2samuel-1-24-43] die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v24)

**25** Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd! Jonathan is verslagen op[^2samuel-1-25-44] uw hoogten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v25)

**26** Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broer Jonathan! U was mij zeer liefelijk;[^2samuel-1-26-45] uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van[^2samuel-1-26-46] de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v26)

**27** Hoe zijn de helden gevallen, en de[^2samuel-1-27-47] oorlogswapenen verloren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/1.html#v27)

[^2samuel-1-1-1]: Kanttekening 1: van de slag van de Amalekieten: Hebreeuws, עֲמָלֵ֑ק, van de Amalek te slaan. Zie de historie, 1 Sam. 30 .
[^2samuel-1-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 30:17 . 1 Samuël 30:17 : En David sloeg hen van de schemering tot aan de avond van hunlieder anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kamelen reden en vloden.
[^2samuel-1-1-2]: Kanttekening 2: Zie 1 Sam. 27:6 . 1 Samuël 27:6 : Toen gaf Achis op die dag Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
[^2samuel-1-2-3]: Kanttekening 3: gescheurd waren: Tot teken van rouw en harteleed; zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2samuel-1-2-4]: Kanttekening 4: Vergelijk Joz. 7:6 ; 1 Sam. 4:12 , en onder, 2 Sam. 13:19 , en 2 Sam. 15:32 ; Job 2:12 . Dit was in rouw een teken van schaamte, nietswaardigheid en diepe vernedering. Jozua 7:6 : Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 1 Samuël 4:12 : Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. 2 Samuël 13:19 : Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervige rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet. 2 Samuël 15:32 : En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij daar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd. Job 2:12 : En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel.
[^2samuel-1-4-5]: Kanttekening 5: Wat is de zaak: Of eigenlijk, wat is de zaak, of de handel geweest?
[^2samuel-1-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, jonkman, jongeling. Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^2samuel-1-6-7]: Kanttekening 7: kwam bij geval: Hebreeuws, הַ֣ר, ontmoetende ben ik ontmoet, of bij geval komende, kwam ik bij geval.
[^2samuel-1-6-8]: Kanttekening 8: Gelegen in Issaschar, aan de zuidelijke grenzen. Zie 1 Sam. 28:4 , en 1 Sam. 31:1 . 1 Samuël 28:4 : En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde geheel Israël, en zij legerden zich op Gilboa. 1 Samuël 31:1 : De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vloden voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.
[^2samuel-1-6-9]: Kanttekening 9: leunde op zijn spies: Dat is, drukte, om het scherp zijn spies te doen doordringen in zijn lichaam.
[^2samuel-1-6-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, de meesters, of heren van de ruiters.
[^2samuel-1-6-11]: Kanttekening 11: hielden dicht op hem: Hebreeuws, הִדְבִּקֻֽ, kleefden hem aan.
[^2samuel-1-9-12]: Kanttekening 12: bij mij: Of, tegen mij, op mij, of staat op tegen mij; zo vers 10 . 2 Samuël 1:10 : Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.
[^2samuel-1-9-13]: Kanttekening 13: Of, geoogde, of geborduurde krijgsrok. Het Hebreeuwse woord wordt aldus hier alleen gevonden, en komt van een woord dat borduurwerk, of geoogdwerk maken, idem omvatten, inhechten in kastjes betekent. Daarom zetten het sommigen over: Deze omsingeling, bezetting, benauwing \[van de ruiters\] ook schrik, benauwdheid, heeft mij aangeroepen.
[^2samuel-1-9-14]: Kanttekening 14: Dat de spies niet heeft kunnen doordringen in mijn lichaam.
[^2samuel-1-9-15]: Kanttekening 15: want mijn leven: Alsof hij zei: Ik heb vast gewerkt, om mijzelf met mijn spies het leven te benemen, maar het heeft niet willen zijn, mijn leven is nog geheel in mij.
[^2samuel-1-10-16]: Kanttekening 16: zijn val: Nadat hij in de spies, en met die was nedergevallen. Dit voegt hij daarbij om zich te ontschuldigen van Sauls dood, en de tijding, die hij bracht, te bevestigen en buiten twijfel te stellen. De lezer kan dit gehele verhaal vergelijken met 1 Sam. 31 , en oordelen wat van de zaak is.
[^2samuel-1-10-17]: Kanttekening 17: heer gebracht: Te weten, David, dat is, tot u.
[^2samuel-1-11-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 3:31 ; 2 Sam. 13:31 . 2 Samuël 3:31 : David dan zei tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheurt uw kleren, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner heen; en de koning David ging achter de baar. 2 Samuël 13:31 : Toen stond de koning op, en scheurde zijn kleren, en legde zich neder ter aarde; evenzo stonden al zijn knechten met gescheurde kleren.
[^2samuel-1-11-18]: Kanttekening 18: scheurde ze: Gelijk boven, vers 2 . 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derden dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^2samuel-1-14-20]: Kanttekening 20: Dat is, te verslaan, neervellen, doden. Vergelijk Richt. 20:21 , 20:25 , 20:35 , 20:42 , en elders. Richteren 20:21 : Toen togen de kinderen van Benjamin uit van Gibeä, en zij vernielden ter aarde op die dag van Israël twee en twintig duizend man. Richteren 20:25 : En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en velden van de kinderen van Israël nog achttien duizend man neder ter aarde; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:35 : Toen sloeg YHWH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de kinderen van Israël op die dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. Richteren 20:42 : Zo wendden zij zich voor het aangezicht van de mannen van Israël naar de weg van de woestijn; maar de strijd kleefde hen aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen.
[^2samuel-1-14-19]: Kanttekening 19: gezalfde van YHWH: Zie 1 Sam. 10:1 , en 1 Kon. 1:14 . 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? 1 Koningen 1:14 : Zie, als u daar nog met de koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden vervullen.
[^2samuel-1-15-21]: Kanttekening 21: Zijne dienaren of hovelingen.
[^2samuel-1-16-22]: Kanttekening 22: Uw bloed zij op uw hoofd: Zie Lev. 20:9 , en Richt. 9:24 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^2samuel-1-17-23]: Kanttekening 23: deze klage: Die in vers 19 begint. 2 Samuël 1:19 : O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!
[^2samuel-1-18-24]: Kanttekening 24: gezegd had: Dat is, bevolen, orde gesteld, om het volk van God na huns konings dood vooreerst op te richten en tot kloekmoedigheid te vermanen, opdat zij door zijn volgend klaaglied niet versaagd mochten worden.
[^2samuel-1-18-25]: Kanttekening 25: van Juda: Uit welke stam David zelf gesproten was, en die de belofte van God had van het koninkrijk en dapperheid in de oorlog; Gen. 49:8 , 49:9 , 49:10 . Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek uw vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. Genesis 49:9 : Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^2samuel-1-18-26]: Kanttekening 26: zou leren: Versta het hanteren van de boog, om geoefende schutters en krijgslieden te worden, naar Sauls en Jonathans exempel, vers 22 . 2 Samuël 1:22 : Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer.
[^2samuel-1-18-27]: Kanttekening 27: het is geschreven in het boek: Dit kan men zo verstaan, dat in dit boek geschreven is geweest, wat David dienaangaande voor orde gesteld heeft, om de oefening van de krijgswapenen bij zijn stam gemeen te maken.
[^2samuel-1-18-28]: Kanttekening 28: van de Oprechten: Van dit boek, zie Joz. 10:13 . Jozua 10:13 : En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
[^2samuel-1-18-c]: Verwijzing c: Joz. 10:13 . Jozua 10:13 : En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.
[^2samuel-1-19-29]: Kanttekening 29: Sieraad van Israël: Zo noemt hij God, van welke alle Israëls heerlijkheid en sieraad afkwam. Vergel. Deut. 4:7 , 4:8 en 33:29 . Anderen duiden het op Saul, of het beloofde land. Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 4:8 : En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gehele wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild uw hulp, en Die een Zwaard is uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden!
[^2samuel-1-19-30]: Kanttekening 30: Te weten, op de bergen van Gilboa vers 21 , en 1 Sam. 31:8 , die hij Gods hoogten noemt, omdat ze God bijzonderlijk als in Israël gelegen toebehoorden. 2 Samuël 1:21 : U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden van de hefofferen; want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie. 1 Samuël 31:8 : Het geschiedde nu van de anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.
[^2samuel-1-20-d]: Verwijzing d: Micha 1:10 . Micha 1:10 : Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.
[^2samuel-1-20-31]: Kanttekening 31: Gath en Askelon waren beide bewoond van de Filistijnen, liggende in het zuidwesten van de bergen Gilboa aan de zee; Gath in Dan, en Askelon in Simeon. Zie Richt. 14:19 , en onder, 2 Sam. 21:20 , 21:22 . Richteren 14:19 : Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis. 2 Samuël 21:20 : Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren. 2 Samuël 21:22 : Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijn knechten.
[^2samuel-1-20-32]: Kanttekening 32: God en zijn volk lasterende en beschimpende; gelijk Richt. 16:23 , enz. Richteren 16:23 : Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven.
[^2samuel-1-20-33]: Kanttekening 33: Zie Richt. 15:18 . Richteren 15:18 : Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot YHWH, en zei: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen?
[^2samuel-1-20-34]: Kanttekening 34: opspringen van vreugde: Met uiterlijke gebaren en tekenen van vreugde hun goden de lof van deze victorie toeschrijvende.
[^2samuel-1-21-35]: Kanttekening 35: U, bergen van Gilboa: Dit dient tot beweging en schrik van de Israëlieten over de zaken, die daar gebeurd waren. Vergelijk Richt. 5:23 ; Job 3 , en elders. Richteren 5:23 : Vloekt Meroz, zegt de Engel van YHWH, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp van YHWH, tot de hulp van YHWH, met de helden.
[^2samuel-1-21-36]: Kanttekening 36: noch velden van de hefofferen: Dat is, er moeten op deze bergen geen vruchtbare velden zijn, waarvan men hefoffers zou kunnen doen. Of, op de verheven velden, hoge velden. Hebreeuws, שְׂדֵ֣י, velden van de verheffingen.
[^2samuel-1-21-37]: Kanttekening 37: Of, verfoeilijk, verachtelijk.
[^2samuel-1-21-38]: Kanttekening 38: hij niet gezalfd ware geweest met olie: Namelijk, Saul, die zo smadelijk en verachtelijk gevallen was, dat het zeer ernstig was voor een gezalfde van de Heer. Anderen duiden het op Sauls schild; gelijk men in die tijd de schilden \[als met leder overtrokken\] met olie placht te zalven; zie Jes. 21:5 . Anders, zonder de gezalfde met olie; dat is, afgezonderd van de gezalfde enz.; namelijk van Saul. Jesaja 21:5 : Bereid de tafel, zie toe, u wachter! eet, drink; maakt u op, u vorsten, bestrijkt het schild!
[^2samuel-1-22-39]: Kanttekening 39: Van het bloed van de verslagenen: De zin is: Jonathans boog en Sauls zwaard plachten altijd zekerlijk te treffen, zodat zij niet wederkeerden zonder de dapperste krijgslieden van de vijand neergeveld te hebben; hoewel het nu, helaas, geheel anders gevallen is.
[^2samuel-1-23-40]: Kanttekening 40: lichter dan adelaars: Dat is, sneller.
[^2samuel-1-24-41]: Kanttekening 41: kleedde met scharlaken: Het land tegen de vijanden beschermende, dat het in vrede en overvloed van allen rijkdom bloeide, waarvan dit een teken was.
[^2samuel-1-24-42]: Kanttekening 42: met weelde: Dat is, lustiglijk, lieflijk, tederlijk, dat het lieflijk was om te zien. Anders, met \[allerlei, of met andere\] wellustigheden (עֵ֫דֶן).
[^2samuel-1-24-43]: Kanttekening 43: die u sieraad van goud: Hebreeuws, עֲדִ֣י, die sieraad van goud deed opkomen op uw kleding, door de oorzaak in de voorgaande aantekening vermeld, en ook door de roof, die hij bekwam van de vijanden.
[^2samuel-1-25-44]: Kanttekening 44: uw hoogten: Zie vers 19 . 2 Samuël 1:19 : O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!
[^2samuel-1-26-45]: Kanttekening 45: uw liefde: Die u mij toedroegt.
[^2samuel-1-26-46]: Kanttekening 46: Met welke men de vrouwen liefheeft; dat is, zij overtrof de allernauwste vriendschap, die tussen mensen kan wezen, zijnde tot Davids troost in Jonathans hart ontstoken en onderhouden door de Heilige Geest.
[^2samuel-1-27-47]: Kanttekening 47: Of, instrumenten van oorlog; te weten, Saul en Jonathan, die als wapenen Israëls waren, en middelen, waardoor Israël beschermd werd. Men kan het ook eigenlijk verstaan van de krijgswapenen, die de Filistijnen ten buit hebben gekregen.

### 2 Samuël 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/2.json)

*David trekt op Gods bevel, met zijn huis en volk, naar Hebron, vers 1 enz. Waar die van Juda hem tot hun koning zalven, 4. Hij prijst en troost de burgers van Jabes in Gilead, omdat zij Saul begraven hadden, 5. Abner daarentegen maakt Isboseth, de zoon van Saul, koning over Israël, 8. en voert zijn krijgsvolk uit tegen Davids volk bij Gibeon, 12. Waar hij na een verschrikkelijk en bloedig gevecht van vierentwintig jonge helden door Joab op de vlucht geslagen wordt, 17. Asahel jaagt hem na, en wordt door hem doorstoken, 19. Abner en Joab scheiden ten slotte weer van elkaar, 26. Asahel wordt begraven, 32.*

**1** En het gebeurde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En[^2samuel-2-1-2] Hij zei: Naar[^2samuel-2-1-3] Hebron.[^2samuel-2-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v1)

**2** Zo trok David daarheen op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal,[^2samuel-2-2-4] de Karmeliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v2)

**3** Ook deed David zijn mannen optrekken, die[^2samuel-2-3-5] bij hem waren, ieder met zijn huisgezin; en zij woonden in de[^2samuel-2-3-6] steden van Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v3)

**4** Daarna kwamen de mannen van Juda, en[^2samuel-2-4-7] zalfden daar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij[^2samuel-2-4-8] David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul[^2samuel-2-4-9] begraven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v4)

**5** Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en[^2samuel-2-5-10] hij zei tot hen:[^2samuel-2-5-11] Gezegend bent u YHWH, dat u deze goedertierenheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.[^2samuel-2-5-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v5)

**6** Zo doe nu YHWH aan u goedertierenheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede[^2samuel-2-6-13] doen,[^2samuel-2-6-14] omdat u deze zaak gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v6)

**7** En nu, laat uw handen sterk zijn, en wees[^2samuel-2-7-15] dapper,[^2samuel-2-7-16] omdat uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij[^2samuel-2-7-17] die van het huis van Juda tot[^2samuel-2-7-18] koning over zich gezalfd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v7)

**8** [^2samuel-2-8-19] Abner nu, de zoon van Ner, de oorlogsoverste, die Saul gehad had, nam[^2samuel-2-8-20] Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem[^2samuel-2-8-21] over naar Mahanaim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v8)

**9** En maakte hem tot[^2samuel-2-9-22] koning over[^2samuel-2-9-23] Gilead, en over de[^2samuel-2-9-24] Aschurieten, en over[^2samuel-2-9-25] Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over[^2samuel-2-9-26] geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v9)

**10** Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij[^2samuel-2-10-27] koning werd over Israël; en hij[^2samuel-2-10-28] regeerde het tweede jaar; alleen die van het huis van[^2samuel-2-10-29] Juda volgden David na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v10)

**11** [^2samuel-2-11-a] Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v11)

**12** Toen trok Abner, de zoon van Ner,[^2samuel-2-12-30] uit, met de knechten van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaim naar[^2samuel-2-12-31] Gibeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v12)

**13** [^2samuel-2-13-32] Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, trokken ook uit; en zij ontmoetten elkaar bij de[^2samuel-2-13-33] vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de overzijde van de vijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v13)

**14** En Abner zei tot Joab: Laat zich nu de[^2samuel-2-14-34] jongens opmaken, en voor ons[^2samuel-2-14-35] aangezicht[^2samuel-2-14-36] vechten. En Joab zei: Laat hen zich opmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v14)

**15** Toen maakten zich op, en gingen[^2samuel-2-15-37] over[^2samuel-2-15-38] in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v15)

**16** En de één greep de[^2samuel-2-16-39] ander bij het hoofd, en stootte zijn zwaard in de zijde van de anderen, en zij[^2samuel-2-16-40] vielen samen; daarvan noemde men die[^2samuel-2-16-41] plaats Chelkath-hazurim, die bij Gibeon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v16)

**17** En er was op die dag een geheel zeer harde strijd. Maar Abner en de mannen van Israël werden voor het aangezicht van de knechten van David geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v17)

**18** Nu waren daar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was[^2samuel-2-18-42] licht op zijn voeten, als een van de reeën, die in het veld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v18)

**19** En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v19)

**20** Toen zag Abner achter zich om, en zei: Bent u dit, Asahel? En hij zei: Ik ben het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v20)

**21** En Abner zei tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun[^2samuel-2-21-43] gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v21)

**22** Toen voer Abner verder voort, zeggende tot Asahel: Wijk af van achter mij;[^2samuel-2-22-44] waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broer Joab? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v22)

**23** Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het[^2samuel-2-23-45] achterste van de speer[^2samuel-2-23-46] aan de vijfde rib, dat de speer van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn[^2samuel-2-23-47] plaats. En het gebeurde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v23)

**24** Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot de heuvel van Amma, die is voor Giach, op de weg van de woestijn van Gibeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v24)

**25** En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot één[^2samuel-2-25-48] groep; en zij stonden op de spits van een heuvel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v25)

**26** Toen riep Abner tot Joab, en zei: Zal dan het zwaard[^2samuel-2-26-49] eeuwig verteren? Weet u niet, dat[^2samuel-2-26-50] het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult u het volk niet zeggen, dat zij terugkeren[^2samuel-2-26-51] van hun broers te vervolgen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v26)

**27** En Joab zei: Zo waarachtig als God leeft, tenzij u gesproken had, zeker het volk zou al toen van de morgen af weggevoerd zijn geweest, ieder van zijn broer te vervolgen![^2samuel-2-27-52][^2samuel-2-27-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v27)

**28** Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet verder voort te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v28)

**29** Abner dan en zijn mannen gingen die gehele nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het hele[^2samuel-2-29-54] Bithron door, en kwamen tot[^2samuel-2-29-55] Mahanaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v29)

**30** Joab keerde ook weer van achter Abner, en verzamelde het hele volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v30)

**31** Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v31)

**32** En zij namen Asahel op, en begroeven hem in het graf van zijn vader, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen de gehele nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/2.html#v32)

[^2samuel-2-1-2]: Kanttekening 2: Hij zei: De YHWH.
[^2samuel-2-1-3]: Kanttekening 3: Gelegen in Juda, niet ver van het westerse gebergte, en Aärons kinderen toegeëigend. Zie Gen. 13:18 ; Joz. 21:10 , 21:11 , 21:13 , waaruit afgenomen wordt dat wel David voor zijn persoon daar gewoond en hof gehouden heeft, maar zijn volk zich onthouden in de naastgelegen steden plaatsen, \[gelijk onder, vers 3 \], om de priesters en Levieten, aan wie deze stad van de stam Juda gegeven was, in hun bezit niet te benauwen. Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar. Jozua 21:10 : Dat zij waren van de kinderen van Aäron, van de huisgezinnen van de Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne. Jozua 21:11 : Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar. Jozua 21:13 : Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de moordenaars, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; 2 Samuël 2:3 : Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iedereen met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
[^2samuel-2-1-1]: Kanttekening 1: Zie Richt. 1:1 ; 1 Sam. 23:6 , 23:9 en 1 Sam. 30:7 , 30:8 . Richteren 1:1 : En het geschiedde na de dood van Jozua, dat de kinderen van Israël YHWH vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen? 1 Samuël 23:6 : En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts. 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David. 1 Samuël 30:8 : Toen vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zei tot hem: Jaag na, want u zult gewisselijk achterhalen, en u zult gewisselijk verlossen.
[^2samuel-2-2-4]: Kanttekening 4: de huisvrouw van Nabal: Versta, gewezene huisvrouw; zo 1 Sam. 30:5 . Zie 1 Sam. 25:39 , enz., en vergelijk onder, 2 Sam. 12:15 . 1 Samuël 30:5 : Davids beide vrouwen waren ook gevankelijk weggevoerd, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet. 1 Samuël 25:39 : Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zei hij: Gezegend zij YHWH, Die de twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat YHWH het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David zond heen, en liet met Abigaïl spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. 2 Samuël 12:15 : Toen ging Nathan naar zijn huis. En YHWH sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uria David gebaard had, dat het zeer ziek werd.
[^2samuel-2-3-5]: Kanttekening 5: bij hem waren: Versta, de strijdbare mannen, die hem in zijn ballingschap gevolgd waren. Zie 1 Sam. 22:2 . 1 Samuël 22:2 : En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.
[^2samuel-2-3-6]: Kanttekening 6: steden van Hebron: Dat is, die omtrent Hebron gelegen waren en daaronder behoorden.
[^2samuel-2-4-7]: Kanttekening 7: David was eerst in het geheime door Gods bevel van Samuël gezalfd tot koning, 1 Sam. 16:13 ; hier wordt hij opnieuw van zijn stam Juda, wetende zonder twijfel de wil van de Heer, gezalfd. Ten derden male werd hij van geheel Israël gezalfd, onder, 2 Sam. 5:3 , dienende dit alles tot versterking van David, en bevestiging zijns beroeps, en ook tot voorbeelding van de zalving onzes Jezus Christus. Zie 1 Kon. 1:34 . 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël. 1 Koningen 1:34 : En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!
[^2samuel-2-4-8]: Kanttekening 8: Gevraagd hebbende, of onderzoekende, wat van Sauls dode lichaam mocht zijn, willende dat begraven, als het niet was geschied.
[^2samuel-2-4-9]: Kanttekening 9: begraven hebben: Zie 1 Sam. 31:11 , 31:12 , 31:13 . 1 Samuël 31:11 : Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; 1 Samuël 31:12 : Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar. 1 Samuël 31:13 : En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
[^2samuel-2-5-10]: Kanttekening 10: hij zei tot hen: Dat is, liet zeggen.
[^2samuel-2-5-11]: Kanttekening 11: Gezegend zijt u YHWH: Zie Gen. 24:31 ; Ruth 2:20 , en Ruth 3:10 . Genesis 24:31 : En hij zei: Kom in, u, gezegende van YHWH! waarom zoudt u buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kamelen. Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers. Ruth 3:10 : En hij zei: Gezegend zijt u YHWH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk.
[^2samuel-2-5-12]: Kanttekening 12: dat u: Of, die.
[^2samuel-2-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, vergelden. Of in deze zin: Gelijk de Heer dat aan u vergelden zal, zo zal ik het ook doen. Anders, \[naar\] dit goede.
[^2samuel-2-6-14]: Kanttekening 14: omdat u: Of, die u, enz.
[^2samuel-2-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, tot kinderen, of zonen van de dapperheid, of kloekheid. Zie onder, 2 Sam. 3:34 . 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^2samuel-2-7-16]: Kanttekening 16: Hij wil zeggen: Geeft de moed niet verloren, al is het dat uw heer en koning dood is.
[^2samuel-2-7-17]: Kanttekening 17: die van het huis van Juda: Hebreeuws, בֵית, het huis van Juda hebben, enz.
[^2samuel-2-7-18]: Kanttekening 18: koning over zich gezalfd: Zodat ik boven de gewilligheid de macht heb om u in voorvallende zwarigheid te hulp te komen. Alhoewel David van Gods raad verzekerd was, gebruikt hij niettemin deze geoorloofde middelen om met weldoen de harten van de Israëlieten te winnen, en de uitkomst met vertrouwen en geduld te verwachten.
[^2samuel-2-8-19]: Kanttekening 19: Abner nu: Ook genaamd Abiner. Zie 1 Sam. 14:50 , 14:51 . 1 Samuël 14:50 : En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. 1 Samuël 14:51 : En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël.
[^2samuel-2-8-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, Isch-boscheth.
[^2samuel-2-8-21]: Kanttekening 21: over naar Mahanaim: Over de Jordaan, waar Mahanaïm gelegen was, aan de beek Jabbok, niet ver van Jabes in Gilead. Zie Gen. 32:2 . Dit schijnt Abner gedaan te hebben om de Gileadieten, tot welke David zijn boden gezonden had, tegen David vast te maken, en te breken de gunst, die hij daar mocht verkregen hebben. Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam derzelver plaats Mahanaim.
[^2samuel-2-9-22]: Kanttekening 22: Niettegenstaande dat deze Abner de wil van de Heer niet onbekend was, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 3:9 , 3:10 , 3:18 . 2 Samuël 3:9 : God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als YHWH aan David gezworen heeft, dat ik even zo aan hem zal doen. 2 Samuël 3:10 : Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende de stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe. 2 Samuël 3:18 : Zo doet het nu; want YHWH heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand van de Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.
[^2samuel-2-9-23]: Kanttekening 23: Zie van Gilead, Num. 32 .
[^2samuel-2-9-24]: Kanttekening 24: Hierdoor wordt bij de meesten verstaan de stam van Aser, zijnde de uiterste in het noorden van Kanaän, aan de zee. Hebreeuws, de Aschuriet.
[^2samuel-2-9-25]: Kanttekening 25: De stad was gelegen tussen half Manasse en Issaschar, op de grenzen; het dal Jizreël lag in Issaschar, nagenoeg in het midden van Kanaän, waaronder de naast gelegen Zebulon, Nafthali en half Manasse mee verstaan worden; gelijk naast Efraïm, Dan, en Simeon voor een deel in Juda gelegen.
[^2samuel-2-9-26]: Kanttekening 26: geheel Israël: Uitgenomen Juda, gelijk volgt.
[^2samuel-2-10-27]: Kanttekening 27: koning werd over Israël: Hebreeuws, מָלְכ, regeerde; dat is, koning werd, of begon te regeren; en telkens in deze historiën van de koningen.
[^2samuel-2-10-28]: Kanttekening 28: regeerde het tweede jaar: Zie 1 Sam. 13:1 . Of, had geregeerd; want de zin schijnt te wezen dat hij twee volle jaren geregeerd had, toen de strijd, vers 1 , enz. verhaald, gebeurd is. Zie verder onder, 2 Sam. 3:1 ; hoewel hieruit niet volgt dat zij David in deze twee voorgaande jaren ten enenmale in vrede hebben gelaten. 1 Samuël 13:1 : Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël. 2 Samuël 2:1 : En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. 2 Samuël 3:1 : En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker.
[^2samuel-2-10-29]: Kanttekening 29: volgden David na: Hebreeuws, אַחֲרֵ֥י, waren achter David.
[^2samuel-2-11-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 5:5 ; 1 Kon. 2:11 . 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. 1 Koningen 2:11 : De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
[^2samuel-2-12-30]: Kanttekening 30: Om krijg te voeren tegen David en Juda.
[^2samuel-2-12-31]: Kanttekening 31: Gelegen in Benjamin, Joz. 18:25 . Zie ook Joz. 9 , Joz. 10 . Deze stad lag niet ver van de grenzen van Juda, en was de kinderen van Aäron gegeven, Joz. 21:17 . Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth, Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
[^2samuel-2-13-32]: Kanttekening 32: Deze was Davids krijgsoverste, gelijk Abner Isboseths. Zeruja was Davids zus. Zie 1 Kron. 2:16 . 1 Kronieken 2:16 : En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie.
[^2samuel-2-13-33]: Kanttekening 33: vijver van Gibeon: Die buiten Gibeon was aan de zuidzijde van Gibeon.
[^2samuel-2-14-34]: Kanttekening 34: jongens opmaken: Enige wakkere jonge krijgslieden.
[^2samuel-2-14-35]: Kanttekening 35: In onze aanwezigheid, voor onze ogen, tot een schouwspel en dat wij toeziende, ons stil houden, en laten hen begaan.
[^2samuel-2-14-36]: Kanttekening 36: Dat is, schermutselen, in de wapens elkaar beproevende. Het schijnt dat Abner, naar de wijze van de ruwe soldaten, de dood van enige jonge helden weinig heeft geacht, waarvan hij zijn straf in het einde van deze strijd gevoeld heeft. Zie vers 17 , 2:26 , 2:27 . 2 Samuël 2:17 : En er was op dienzelfden dag een geheel zeer harde strijd. Maar Abner en de mannen van Israël werden voor het aangezicht van de knechten van David geslagen. 2 Samuël 2:26 : Toen riep Abner tot Joab, en zei: Zal dan het zwaard eeuwig verteren? Weet u niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult u het volk niet zeggen, dat zij terugkeren van hun broers te vervolgen? 2 Samuël 2:27 : En Joab zei: Zo waarachtig als God leeft, tenzij u gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van de morgen af weggevoerd zijn geweest, een iedereen van zijn broer te vervolgen!
[^2samuel-2-15-37]: Kanttekening 37: Of, voorbij; te weten, de vijver, waarvan vers 13 . 2 Samuël 2:13 : Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de andere zijde van de vijver.
[^2samuel-2-15-38]: Kanttekening 38: in getal: Dat is, in gelijk getal van beide zijden.
[^2samuel-2-16-39]: Kanttekening 39: ander bij het hoofd: Hebreeuws, רֵעֵ֗, de man zijn naaste, of zijn metgezel; zo in het volgende.
[^2samuel-2-16-40]: Kanttekening 40: vielen te zamen: Dat is, zij bleven alle vier en twintig dood.
[^2samuel-2-16-41]: Kanttekening 41: Dat is, deel, stuk lands, of akker van de rotsen; dat is, van de helden, die als rotsen onbeweeglijk zijn geweest, en elk in zijn plaats gebleven, of van de spitsen, scherpten, omdat zij door de scherpte van het zwaard elkaar hebben neergeveld.
[^2samuel-2-18-42]: Kanttekening 42: licht op zijn voeten: Dat is, zeer snel in het lopen. Vergelijk boven, 2 Sam. 1:23 . 2 Samuël 1:23 : Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen.
[^2samuel-2-21-43]: Kanttekening 43: Dat is, hun kleding, of wapenen, of beide. Zie Richt. 14:19 . Richteren 14:19 : Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis.
[^2samuel-2-22-44]: Kanttekening 44: waarom zal ik u ter aarde slaan: Alsof hij zei: Waarom wilt u dat gevaar uitstaan? U zult mij dringen, dat ik u niet zal kunnen sparen, dat ik uws broers halve \[die een dapper krijgsoverste is\] anders graag zou doen.
[^2samuel-2-23-45]: Kanttekening 45: achterste van de spies: Dat is, hij stak hem met het scherp, dat aan het onderste, of achterste van de spies was.
[^2samuel-2-23-46]: Kanttekening 46: aan de vijfde rib: Of, bij, naast, onder. Dit wordt van velen verstaan van de plaats van de rechterzijde, waar de lever ligt aan het borstbeen, en waar de stam is van de leverader, alwaar ervaren en geleerde geneeskundigen betuigen, en de heidenen ook bekend is geweest, dat de wonde haastiger dan enige andere de mens doodt. Sommigen verstaan het van de linkerzijde, waar het hart ligt, of het week van de zijden onder de korte ribben, die vijf in getal zijn. Dat schijnt bevestigd te worden door de uitstorting van het ingewand door deze wond geschied, waarvan onder, 2 Sam. 20:10 . Vergelijk onder, 2 Sam. 3:27 , en 2 Sam. 4:6 , en 2 Sam. 20:10 . 2 Samuël 20:10 : En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweede male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna. 2 Samuël 3:27 : Als nu Abner weer te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden van de poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem daar aan de vijfde rib, dat hij stierf, vanwege het bloed van zijn broer Asahel. 2 Samuël 4:6 : En zij kwamen daarin tot het midden van het huis, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broer Baëna ontkwamen. 2 Samuël 20:10 : En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweede male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna.
[^2samuel-2-23-47]: Kanttekening 47: Dat is, hij bleef dood liggen op de plaats, waar hij gestaan had, of gestoken werd.
[^2samuel-2-25-48]: Kanttekening 48: Of, dicht samengevoegden troep. Hebreeuws, eigenlijk, bundeltje. Aldus schikken zij zich in orde op de hoogte eens heuvels, om zich bekwamelijk te beschermen.
[^2samuel-2-26-49]: Kanttekening 49: eeuwig verteren: Dat is, zonder ophouden.
[^2samuel-2-26-50]: Kanttekening 50: het in het laatste: Dat is, dat het ten laatste een bittere of droevige uitkomst zal moeten geven?
[^2samuel-2-26-51]: Kanttekening 51: van hun broers te vervolgen: Hebreeuws, אֲחֵי, van achter hun broers.
[^2samuel-2-27-52]: Kanttekening 52: gesproken hadt: Hij wil zeggen: Eerst tot vechten gepord en de strijd zo veroorzaakt hadt. Zie boven, vers 14 . Ik zou al heden vroeg het volk hebben doen aftrekken. 2 Samuël 2:14 : En Abner zei tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zei: Laat hen zich opmaken.
[^2samuel-2-27-53]: Kanttekening 53: van zijn broer te vervolgen: Hebreeuws, אָחִֽי, van achter zijn broer.
[^2samuel-2-29-54]: Kanttekening 54: gehele Bithron door: Of, de gehele landscheiding, het afgezonderd, afgesneden deel van het land, dat over de Jordaan lag, en daardoor van Kanaän was afgescheiden. Zo worden Hoogl. 2:17 genoemd bergen van Bather, dat is, van de afscheiding, omdat zij in Gilead gelegen en door de Jordaan van Kanaän afgezonderd waren. Hooglied 2:17 : Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether.
[^2samuel-2-29-55]: Kanttekening 55: Vanwaar zij uitgetogen waren, vers 12 . 2 Samuël 2:12 : Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.

### 2 Samuël 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/3.json)

*Oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David, vers 1. Register van Davids zonen, die hem te Hebron geboren zijn, 2. Abner, die van groot aanzien is in het huis van Saul, wordt vanwege een zeker verwijt op Isboseth vertoornd, en onderhandelt met David om tot overeenstemming te komen, 6. Brengt Michal, de dochter van Saul, weer terug bij David, volgens diens wens, 13. En nadat hij met de oudsten van Israël gesproken heeft, bezoekt hij David te Hebron, sluit met hem een verbond in vriendschap, en vertrekt in vrede, 17. Joab, die van buiten komt en dit verneemt, beschuldigt David daarover, achterhaalt Abner buiten Davids weten, en vermoordt hem verraderlijk, 22. Waarover David zeer ontstemd is, openlijk zijn onschuld verklaart, Abner een statige begrafenis bereidt, zijn dapperheid roemt, over hem weeklaagt, en zich verontschuldigt dat hij de daders van deze moord nu niet straft, 28.*

**1** En er was een[^2samuel-3-1-1] lange strijd tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David[^2samuel-3-1-2] ging en werd sterker; maar[^2samuel-3-1-3] die van het huis van Saul gingen en werden zwakker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v1)

**2** En David werden[^2samuel-3-2-a] zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v2)

**3** En zijn tweede was[^2samuel-3-3-4] Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal,[^2samuel-3-3-5] de Karmeliet; en de derde,[^2samuel-3-3-6] Absalom, de zoon van[^2samuel-3-3-7] Maächa, de dochter van Thalmai, koning van[^2samuel-3-3-8] Gesur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v3)

**4** En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde[^2samuel-3-4-9] Sefatja, de zoon van Abital; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v4)

**5** En de zesde, Jithream, van Egla, Davids[^2samuel-3-5-10] huisvrouw. Deze zijn David geboren te Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v5)

**6** Terwijl die strijd was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo gebeurde het, dat Abner zich[^2samuel-3-6-11] sterkte in het huis van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v6)

**7** Saul nu had een bijvrouw gehad, van wie de naam Rizpa was, dochter van Aja; en Isboseth zei tot Abner: Waarom bent u[^2samuel-3-7-13] ingegaan tot de bijvrouw van mijn vader?[^2samuel-3-7-b][^2samuel-3-7-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v7)

**8** Toen[^2samuel-3-8-14] ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een[^2samuel-3-8-15] hondskop,[^2samuel-3-8-16] ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, vandaag goedertierenheid doe, en u niet[^2samuel-3-8-17] overgeleverd heb in Davids hand, dat u vandaag[^2samuel-3-8-18] aan mij onderzoekt de ongerechtigheid[^2samuel-3-8-19] van een vrouw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v8)

**9** [^2samuel-3-9-20] God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, zoals YHWH[^2samuel-3-9-21] aan David gezworen heeft, dat ik even zo aan hem zal doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v9)

**10** Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en[^2samuel-3-10-22] oprichtende de stoel van David over Israël en over Juda, van[^2samuel-3-10-23] Dan tot Ber-seba toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v10)

**11** En[^2samuel-3-11-24] hij kon Abner verder niet één woord antwoorden, omdat hij hem[^2samuel-3-11-25] vreesde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v11)

**12** Toen zond Abner boden[^2samuel-3-12-26] voor zich tot David, zeggende:[^2samuel-3-12-27] Van wie is het land? zeggende verder: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om geheel Israël tot u om te keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v12)

**13** En[^2samuel-3-13-28] hij zei:[^2samuel-3-13-29] Wel, ik zal een verbond met u maken; maar één ding begeer ik van u,[^2samuel-3-13-30] zeggende: U zult mijn[^2samuel-3-13-31] aangezicht niet zien, tenzij dat u[^2samuel-3-13-32] Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als u komt om mijn aangezicht te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v13)

**14** Ook zond David[^2samuel-3-14-33] boden tot Isboseth, de zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij[^2samuel-3-14-c] met[^2samuel-3-14-34] honderd voorhuiden van de Filistijnen ondertrouwd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v14)

**15** [^2samuel-3-15-35] Isboseth dan zond heen, en[^2samuel-3-15-36] nam haar van de man, van[^2samuel-3-15-37][^2samuel-3-15-d] Paltiël, de zoon van Laïs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v15)

**16** En haar man ging met haar, al gaande en huilend achter haar, tot[^2samuel-3-16-38] Bahurim toe. Toen zei Abner tot hem: Ga weg, keer weer. En hij keerde weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v16)

**17** Abner nu had[^2samuel-3-17-39] woorden met de oudsten van Israël, zeggende: U hebt David te[^2samuel-3-17-40] voren lang tot een koning over u begeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v17)

**18** Zo doet het nu; want YHWH heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand van de Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v18)

**19** En Abner sprak[^2samuel-3-19-41] ook voor de oren van Benjamin. Verder ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te[^2samuel-3-19-42] spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het[^2samuel-3-19-43] hele huis van Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v19)

**20** En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en de mannen, die met hem waren, een maaltijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v20)

**21** Toen zei Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en verzamelen geheel Israël tot mijn heer, de koning, dat zij een verbond met u maken, en u regeert[^2samuel-3-21-44] over alles, wat uw ziel begeert. Zo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v21)

**22** En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een[^2samuel-3-22-45] bende, en brachten met zich een grote roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v22)

**23** Als nu Joab en het hele leger, dat met hem was, aankwamen, zo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot de koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v23)

**24** Toen ging Joab tot de koning in, en zei: Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom nu hebt u hem laten gaan, dat hij zo[^2samuel-3-24-46] vrij is weggegaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v24)

**25** U kent Abner, de zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te[^2samuel-3-25-47] overreden, en om te weten uw[^2samuel-3-25-48] uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat u doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v25)

**26** En Joab ging uit van David, en zond Abner[^2samuel-3-26-49] boden na, die hem opnieuw haalden van de[^2samuel-3-26-50] bornput van Sira; maar David wist het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v26)

**27** Als nu Abner weer te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden van de poort, om in de[^2samuel-3-27-51] stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem daar aan de[^2samuel-3-27-52] vijfde rib, dat hij stierf, vanwege het bloed[^2samuel-3-27-53] van zijn broer Asahel.[^2samuel-3-27-d][^2samuel-3-27-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v27)

**28** Als David dat daarna hoorde, zo zei hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk,[^2samuel-3-28-54] bij YHWH, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, de[^2samuel-3-28-55] zoon van Ner. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v28)

**29** [^2samuel-3-29-56] Laat het blijven op het hoofd van Joab, en op het hele huis van zijn vader; en laat er in het huis van Joab nooit iemand ontbreken die een[^2samuel-3-29-58] vloed heeft, of melaats is, of zich[^2samuel-3-29-59] aan de stok vasthoudt, of door het zwaard valt, of gebrek aan brood heeft![^2samuel-3-29-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v29)

**30** Zo hebben Joab en zijn broer[^2samuel-3-30-60] Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broer Asahel te Gibeon in de[^2samuel-3-30-61] strijd gedood had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v30)

**31** David dan zei tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was:[^2samuel-3-31-62] Scheur uw kleren, en gordt[^2samuel-3-31-63] zakken aan, en weeklaagt[^2samuel-3-31-64] voor Abner heen; en de koning David ging achter de[^2samuel-3-31-65] baar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v31)

**32** Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en huilde bij Abners graf; ook huilde al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v32)

**33** En de koning maakte een klage over Abner, en zei:[^2samuel-3-33-66] Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v33)

**34** [^2samuel-3-34-67] Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, zoals men valt voor het aangezicht van[^2samuel-3-34-68] kinderen van de verkeerdheid. Toen huilde het hele volk nog[^2samuel-3-34-69] meer over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v34)

**35** Daarna kwam al het volk, om David[^2samuel-3-35-70] brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende:[^2samuel-3-35-71] God doe mij zo, en doe er zo toe, als ik voor het[^2samuel-3-35-72] ondergaan van de zon brood of iets smake! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v35)

**36** Als al het volk dit vernam, zo was het[^2samuel-3-36-73] goed in hun ogen, alles, zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen van het hele volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v36)

**37** En al het volk en geheel Israël merkten op die dag, dat het[^2samuel-3-37-74] van de koning niet was, dat men Abner, de zoon van Ner, gedood had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v37)

**38** Verder zei de koning tot zijn knechten: Weet u niet, dat te deze dage een vorst, ja, een grote in Israël[^2samuel-3-38-75] gevallen is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v38)

**39** Maar ik ben vandaag[^2samuel-3-39-76] zwak, en[^2samuel-3-39-77] gezalfd tot koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn[^2samuel-3-39-78] harder dan ik;[^2samuel-3-39-79] YHWH zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/3.html#v39)

[^2samuel-3-1-1]: Kanttekening 1: lange krijg: Deze krijg schijnt geduurd te hebben vijf jaren. Want ten tijde van de eerste strijd \[waarvan 2 Sam. 2:12 , enz.\], hadden David en Isboseth twee jaren beiden geregeerd, gelijk afgenomen wordt uit 2 Sam. 2:10 en vergelijking van 2 Sam. 2:4 , 2:9 daar; waaruit te zien is dat zij beiden op één tijd begonnen hebben te regeren. David nu heeft te Hebron geregeerd zeven jaren en zes maanden, 2 Sam. 2:11 , totdat, Isboseth omgebracht zijnde \[onder, 2 Sam. 4:6 , 4:7 \], David over geheel Israël tot koning werd gezalfd, 2 Sam. 5:3 . Zodat deze oorlog de vijf overige jaren en enige maanden schijnt geduurd te hebben. 2 Samuël 2:12 : Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon. 2 Samuël 2:10 : Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleen die van het huis van Juda volgden David na. 2 Samuël 2:4 : Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden daar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. 2 Samuël 2:9 : En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over geheel Israël. 2 Samuël 2:11 : Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. 2 Samuël 4:6 : En zij kwamen daarin tot het midden van het huis, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broer Baëna ontkwamen. 2 Samuël 4:7 : Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen, de weg op het vlakke veld, de gehele nacht. 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël.
[^2samuel-3-1-2]: Kanttekening 2: ging en werd sterker: Hebreeuws, הֹלֵ֣ךְ, was gaande en sterk wordende; dat is, werd al sterker en sterker.
[^2samuel-3-1-3]: Kanttekening 3: die van het huis van Saul gingen en werden zwakker: Hebreeuws, דַלִּֽים, het huis Sauls waren gaande en zwak, of, dun, uitgeput wordende; dat is, die van Sauls huis werden al kleiner en kleiner, of machtelozer. Zie Gen. 26:13 ; Jona 1:11 . Genesis 26:13 : En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. Jona 1:11 : Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
[^2samuel-3-2-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 3:1 . 1 Kronieken 3:1 : Deze nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigaïl, de Karmelietische;
[^2samuel-3-3-4]: Kanttekening 4: Anders genaamd Daniël; 1 Kron. 3:1 . 1 Kronieken 3:1 : Deze nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigaïl, de Karmelietische;
[^2samuel-3-3-5]: Kanttekening 5: de huisvrouw van Nabal: Zie boven, 2 Sam. 2:2 . 2 Samuël 2:2 : Zo toog David daarheen op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet.
[^2samuel-3-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, Abschalom.
[^2samuel-3-3-7]: Kanttekening 7: Bekeerd zijnde tot de ware religie.
[^2samuel-3-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, Geschur; gelijk onder, 2 Sam. 13:37 , 13:38 , en 2 Sam. 14:23 , en 2 Sam. 15:8 . Een stad, gelegen in het noorden, aan de grenzen van Gilead, vooraan in het gedeelte van Syrië, genaamd Trachonitis. Zie Deut. 3:14 ; Joz. 12:5 ; onder, 2 Sam. 15:8 . Daar zijn ook Gerusieten geweest tegen het zuiden van Kanaän, naar Egypte toe, 1 Sam. 27:8 , van welke David, te Ziklag zijnde, grote roof haalde. 2 Samuël 13:37 : (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen. 2 Samuël 13:38 : Zo vluchtte Absalom, en toog naar Gesur; en hij was daar drie jaren. 2 Samuël 14:23 : Zo maakte zich Joab op, en toog naar Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem. 2 Samuël 15:8 : Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zekerlijk weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen. Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag. Jozua 12:5 : En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale van de Gezurieten, en van de Maächathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, de koning van Hesbon. 2 Samuël 15:8 : Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zekerlijk weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen. 1 Samuël 27:8 : David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners van het land), dat u gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.
[^2samuel-3-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, Schepatia.
[^2samuel-3-5-10]: Kanttekening 10: Davids huisvrouw: Waarom deze hier alleen Davids huisvrouw genoemd wordt, daar zij toch allen zijn huisvrouwen waren, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen menen dat deze de allervoortreffelijkste en voornaamste, anderen dat zij de geringste geweest is, en nergens zonderling door bekend dan dat David haar getrouwd had. Het eenvoudigste schijnt te wezen dat er een andere van die naam geweest mag zijn, en deze hierdoor van die onderscheiden.
[^2samuel-3-6-11]: Kanttekening 11: Bekomende, door zijn grote manhaftigheid en kloeke daden, zonderlinge macht, autoriteit en aanzien, zelfs bij de koning Isboseth, gelijk blijkt in het volgende. Anders, zich kloekelijk gedroeg voor Sauls huis.
[^2samuel-3-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, hebt bij haar gelegen. Het schijnt dat Isboseth vermoeden heeft gehad, alsof Abner wel mocht trachten naar het koninkrijk.
[^2samuel-3-7-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 21:8 ; idem v. 10 ; idem v. 11 . 2 Samuël 21:8 : Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zus, Sauls dochter, die zij Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet, gebaard had; 2 Samuël 21:10 : Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande die voor zich uit op een rotssteen, van het begin van de oogst, totdat er water op hen drupte van de hemel; en zij liet het gevogelte van de hemel op hen niet rusten van de dag, noch het gedierte van het veld van de nacht. 2 Samuël 21:11 : En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.
[^2samuel-3-7-12]: Kanttekening 12: Van deze, zie onder, 2 Sam. 21:8 , 21:10 , 21:11 , enz. 2 Samuël 21:8 : Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zus, Sauls dochter, die zij Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet, gebaard had; 2 Samuël 21:10 : Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande die voor zich uit op een rotssteen, van het begin van de oogst, totdat er water op hen drupte van de hemel; en zij liet het gevogelte van de hemel op hen niet rusten van de dag, noch het gedierte van het veld van de nacht. 2 Samuël 21:11 : En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.
[^2samuel-3-8-14]: Kanttekening 14: ontstak Abner zeer: Hebreeuws, אַבְנֵ֨ר, ontstak de Abner zeer; te weten de toorn. Zie Gen. 4:5 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
[^2samuel-3-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, veracht, of van geen waarde. Vergelijk 1 Sam. 24:15 , en Deut. 23:18 , onder, 2 Sam. 9:8 , en 2 Sam. 16:9 . 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo! Deuteronomium 23:18 : U zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis van YHWH, uws Gods, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn YHWH, uw God, een gruwel. 2 Samuël 9:8 : Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? 2 Samuël 16:9 : Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen.
[^2samuel-3-8-16]: Kanttekening 16: ik, die tegen Juda: Anders, die van, met, of voor Juda is? Zou ik heden, enz.; dat is, alsof ik het met Juda hield, of tot Juda overgelopen was, of tot Juda behoorde? Daar ik integendeel zo en zo gedaan heb en nog doe, enz.
[^2samuel-3-8-17]: Kanttekening 17: overgeleverd heb in Davids hand: Hebreeuws, בְּ, heb doen vinden; dat is, heb doen vallen, of overgeleverd in Davids hand.
[^2samuel-3-8-18]: Kanttekening 18: aan mij onderzoekt: Of, u legt mij te last, bezoekt mij heden \[vanwege\] enz. Of, bezoekt over mij; dat is, u wilt mij onderzoeken en als terechtstellen en straffen om een misdaad, die ik aan deze vrouw zou hebben bedreven? Daar u dat behoorde over te zien. Of, u straft mij alsof het waar is. Is dit mijn loon voor al mijn getrouwe diensten? Zo onverdragelijk viel hem deze bestraffing.
[^2samuel-3-8-19]: Kanttekening 19: van een vrouw: Dat is, met ene, of deze vrouw bedreven.
[^2samuel-3-9-20]: Kanttekening 20: God doe Abner zo: Van deze manier van zweren, zie Ruth 1:17 , en 1 Kon. 19:2 . Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
[^2samuel-3-9-21]: Kanttekening 21: YHWH aan David gezworen heeft: Niettegenstaande hij dat wel wist, had hij evenwel Sauls huis voorgestaan en David tegengestaan. Zie ook vers 18 . 2 Samuël 3:18 : Zo doet het nu; want YHWH heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand van de Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.
[^2samuel-3-10-22]: Kanttekening 22: Of, bevestigende.
[^2samuel-3-10-23]: Kanttekening 23: van Dan tot Ber-Seba toe: Dit waren de uiterste grenzen van Kanaän: Dan in het noorden en Ber-Seba in het zuiden. Zie 1 Kon. 4:25 . 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een iedereen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
[^2samuel-3-11-24]: Kanttekening 24: hij kon Abner verder niet een woord antwoorden: Isboseth.
[^2samuel-3-11-25]: Kanttekening 25: Zorgende dat hij harder behandeld zijnde, wel in ernst mocht doen, wat hij maar uit toornigheid scheen te dreigen, en dat vanwege zijn macht en het aanzien, dat hij had; boven, vers 6 . 2 Samuël 3:6 : Terwijl die krijg was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo geschiedde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul.
[^2samuel-3-12-26]: Kanttekening 26: voor zich tot David: Of, in zijn plaats; dat is, inplaats van zelf te komen, of, uit zijn eigen naam, maar niet uit de naam van de koning Isboseth of van het rijk. Anders, inplaats van dat; dat is, daarom, derhalve.
[^2samuel-3-12-27]: Kanttekening 27: Wiens is het land: Hij wil zeggen: Het koninkrijk van Israëls land komt toch niemand toe dan u, aan wie het van God beloofd is.
[^2samuel-3-13-28]: Kanttekening 28: David.
[^2samuel-3-13-29]: Kanttekening 29: Of, het is wel, het is goed; dat is, uw voorslag bevalt mij wel, ik neem dat aan.
[^2samuel-3-13-30]: Kanttekening 30: Dat is, te weten dit, enz.
[^2samuel-3-13-31]: Kanttekening 31: aangezicht niet zien: Vergelijk Gen. 43:3 . Genesis 43:3 : Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
[^2samuel-3-13-32]: Kanttekening 32: Davids eerste huisvrouw, van welke de Schriftuur betuigt, dat zij hem beminde en hem getrouw was geweest; 1 Sam. 18:20 , 18:28 , en 1 Sam. 19:11 , 19:12 . 1 Samuël 18:20 : Maar Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen. 1 Samuël 18:28 : En Saul zag en merkte, dat YHWH met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief. 1 Samuël 19:11 : Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem van de morgen doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden. 1 Samuël 19:12 : En Michal liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.
[^2samuel-3-14-33]: Kanttekening 33: boden tot Isboseth: Om zo Abner gelegenheid te geven, dat hij, zonder Isboseths achterdenken, zijn belofte mocht volbrengen.
[^2samuel-3-14-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 18:25 ; idem v. 27 . 1 Samuël 18:25 : Toen zei Saul: Aldus zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan van de koning vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen. 1 Samuël 18:27 : Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze de koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon van de koning worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.
[^2samuel-3-14-34]: Kanttekening 34: honderd voorhuiden van de Filistijnen: Volgens Sauls eis, die David door dat middel meende van kant te helpen door de Filistijnen. Zie 1 Sam. 18:25 -27. 1 Samuël 18:25 : Toen zei Saul: Aldus zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan van de koning vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen.
[^2samuel-3-15-35]: Kanttekening 35: Isboseth dan zond heen: Zonder twijfel door Abner overreed zijnde, die hij, vermits vrees, niets durfde weigeren.
[^2samuel-3-15-36]: Kanttekening 36: nam haar: Dat is, liet haar door de gezonden boden nemen.
[^2samuel-3-15-37]: Kanttekening 37: Ook genaamd Palti, aan wie Saul deze Michal, nadat David gevlucht was, ter vrouw gegeven heeft; 1 Sam. 25:44 . 1 Samuël 25:44 : Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, die van Gallim was.
[^2samuel-3-15-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 25:44 . 1 Samuël 25:44 : Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, die van Gallim was.
[^2samuel-3-16-38]: Kanttekening 38: Bahurim toe: Gelegen in Benjamin, onder, 2 Sam. 19:16 , nabij de grenzen van Juda, naar uitwijzen van de kaarten. 2 Samuël 19:16 : En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet;
[^2samuel-3-17-39]: Kanttekening 39: woorden met de oudsten van Israël: Hebreeuws, אמֹ֑ר, Abners woord \[of handel, raadslag \] was, of was geweest met, enz. Vergelijk 1 Kon. 1:7 , en Num. 31:16 . 1 Koningen 1:7 : En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia. Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH.
[^2samuel-3-17-40]: Kanttekening 40: te voren lang tot een koning over u begeerd: Hebreeuws, מֶ֖לֶךְ, ook gisteren, ook eergisteren.
[^2samuel-3-19-41]: Kanttekening 41: ook voor de oren van Benjamin: Gelijk hij met de oudsten van Israël gedaan had.
[^2samuel-3-19-42]: Kanttekening 42: Om David rapport te doen van al wat Israël, en bijzonderlijk Benjamin, goedgevonden en verklaard hadden.
[^2samuel-3-19-43]: Kanttekening 43: gehele huis van Benjamin: Versta, het merendeel; want er waren nog al velen het huis Sauls toegedaan, omdat Saul uit Benjamins stam gesproten was. Zie 1 Sam. 9:16 , en 1 Sam. 10:20 , 10:21 ; 1 Kron. 12:29 , en vergelijk deze manier van spreken met Matt. 3:5 , en Filip. 2:21 , enz. 1 Samuël 9:16 : Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat zijn geroep tot Mij gekomen is. 1 Samuël 10:20 : Toen nu Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt. 1 Samuël 10:21 : Toen hij de stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. 1 Kronieken 12:29 : En van de kinderen van Benjamin, de broers van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden; Mattheüs 3:5 : Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan; Filippensen 2:21 : Want zij zoeken allen het hunne, niet wat van Christus Jezus is.
[^2samuel-3-21-44]: Kanttekening 44: over alles: Of, naar alles, of, ganselijk als enz.; dat is, naar uws harten wens.
[^2samuel-3-22-45]: Kanttekening 45: Of, een troep, een hoop stropende krijgslieden, die zij achterhaald en geplunderd hadden.
[^2samuel-3-24-46]: Kanttekening 46: vrij is weggegaan: Hebreeuws, הָלֽוֹךְ, gaande gegaan is.
[^2samuel-3-25-47]: Kanttekening 47: Met zoete woorden te verleiden. Zie Richt. 14:15 . Richteren 14:15 : Daarna geschiedde het op de zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?
[^2samuel-3-25-48]: Kanttekening 48: uitgang en uw ingang: Dat is, uw handel en wandel, uw regering buiten en binnen. Zie Deut. 28:6 . Deuteronomium 28:6 : Gezegend zult u zijn in uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan.
[^2samuel-3-26-49]: Kanttekening 49: boden na: Alsof de koning hem nog iets te zeggen had, hoewel het buiten van de koning weten was, gelijk volgt.
[^2samuel-3-26-50]: Kanttekening 50: bornput van Sira: Of, gracht, waterpoel, waterbak; gelegen ten noorden van Hebron, dicht bij, aan de weg, die van Hebron naar Jeruzalem en Benjamin gaat, volgens de kaarten.
[^2samuel-3-27-51]: Kanttekening 51: stilte met hem te spreken: Of, vreedzaamlijk; alsof hij hem alleen en in het geheime vertrouwder wijze wat had te zeggen.
[^2samuel-3-27-52]: Kanttekening 52: vijfde rib: Gelijk boven, 2 Sam. 2:23 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^2samuel-3-27-53]: Kanttekening 53: vanwege het bloed van zijn broer Asahel: Dat is, van de doodslag, die hij aan zijn broer Asahel begaan had, boven, 2 Sam. 2:23 , en onder, vers 30 . Zie Gen. 4:9 , 4:10 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven. 2 Samuël 3:30 : Zo hebben Joab en zijn broer Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broer Asahel te Gibeon in de strijd gedood had. Genesis 4:9 : En YHWH zei tot Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik mijns broers hoeder? Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^2samuel-3-27-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 2:5 . 1 Koningen 2:5 : Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
[^2samuel-3-27-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 2:23 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^2samuel-3-28-54]: Kanttekening 54: bij YHWH: Hebreeuws, van bij YHWH; alsof hij zei: Ik ben vrij van straf bij de Heer, die deze moord noch mij, noch mijn koninkrijk zal toerekenen.
[^2samuel-3-28-55]: Kanttekening 55: bloed van Abner: Hebreeuws, בֶּן, bloeden; gelijk Gen. 4:9 , 4:10 , enz. Genesis 4:9 : En YHWH zei tot Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik mijns broers hoeder? Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^2samuel-3-29-56]: Kanttekening 56: Het blijve op het hoofd van Joab: Te weten, bloed; zie Richt. 9:24 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^2samuel-3-29-58]: Kanttekening 58: vloed hebbe: Zie Lev. 15:2 , enz. Leviticus 15:2 : Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
[^2samuel-3-29-59]: Kanttekening 59: aan de stok houde: Dat is, die ongezond, zwak, machteloos of lam is.
[^2samuel-3-29-57]: Kanttekening 57: Dat is, er zij in Joabs huis altijd iemand, die deze plagen of enige van die onderworpen is.
[^2samuel-3-30-60]: Kanttekening 60: Abisai Abner doodgeslagen: Hieruit blijkt dat Abisai van deze moord mee geweten en daartoe geraden heeft, hoewel hij in het voorgaande niet is genoemd.
[^2samuel-3-30-61]: Kanttekening 61: strijd gedood had: En dienvolgens niet moorddadiglijk, gelijk Joab Abner had gedaan. Zie boven, 2 Sam. 2:20 , 2:21 , 2:22 , 2:23 . 2 Samuël 2:20 : Toen zag Abner achter zich om, en zei: Zijt u dit, Asahel? En hij zei: Ik ben het. 2 Samuël 2:21 : En Abner zei tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u één van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem. 2 Samuël 2:22 : Toen voer Abner verder voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broer Joab? 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^2samuel-3-31-62]: Kanttekening 62: scheurt uw kleren: Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2samuel-3-31-63]: Kanttekening 63: zakken aan: Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^2samuel-3-31-64]: Kanttekening 64: voor Abner heen: Dat is, voor het lijk, gelijk in het volgende wordt verklaard. Vergelijk Luk. 7:14 . Lukas 7:14 : En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg u, sta op!
[^2samuel-3-31-65]: Kanttekening 65: Of, het lijk. Hebreeuws, bed; dat is, waarin Abner lag en gedragen werd.
[^2samuel-3-33-66]: Kanttekening 66: Is dan Abner gestorven: Alsof hij zei: Is het niet jammer dat zulk een dapper krijgsheld zo ernstig zijn leven heeft moeten verliezen, alsof hij één van de snoodste mensen ware, of iemand, die zich zonder enige tegeweer zottelijk laat ombrengen. Maar dat zal \[wil David zeggen\] zijn krijgslof niet verduisteren.
[^2samuel-3-34-67]: Kanttekening 67: Uw handen waren niet gebonden: David wil zeggen dat Joab wel bevonden zou hebben dat hij met een krijgsman te doen had, die handen en voeten reppen kon, als hij hem voor de vuist \[gelijk men zegt\] had bevochten.
[^2samuel-3-34-68]: Kanttekening 68: kinderen van de verkeerdheid: Of, zonen van de verkeerdheid, ongerechtigheid, schalkheid, gelijk onder, 2 Sam. 7:10 , dat is, geheel verkeerde mensen. Waarmee David Joab en zijn broer openlijk doorstrijkt en die schandelijke moord verwijt. Aangaande de manier van spreken \[kinderen, of zonen van de verkeerdheid\] die is in de Heilige Schrift elders dikwijls gebruikt. Zo, kinderen Belials; dat is, van de ondeugd, of ongebondenheid, halsstarrigheid, Deut. 13:13 ; kinderen van de overtreding, Jes. 57:4 ; kinderen van de ongehoorzaamheid, Ef. 2:2 ; kinderen van de duisternis, 1 Thess. 5:5 , gelijk ter contrarie, kinderen van de kloekheid, of dapperheid, boven, 2 Sam. 2:7 ; kinderen van het licht, Ef. 5:8 , en dergelijke meer. Vergelijk onder, 2 Sam. 12:5 . 2 Samuël 7:10 : En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weer gedreven worde; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst. Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt; Jesaja 57:4 : Over wie maakt u u lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Bent u niet kinderen van de overtreding, een zaad van de valsheid? Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. 2 Samuël 2:7 : En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, omdat uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd. Efeziërs 5:8 : Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht. 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
[^2samuel-3-34-69]: Kanttekening 69: meer over hem: Of, opnieuw. Hebreeuws, בְכּ֥וֹת, het gehele volk voeren voort, of deden toe te wenen over hem.
[^2samuel-3-35-70]: Kanttekening 70: brood te doen eten: Dat is, om hem te vermanen dat hij wat zou nuttigen, zich met voedsel verkwikken en sterken.
[^2samuel-3-35-71]: Kanttekening 71: God doe mij zo: Gelijk boven, vers 9 . 2 Samuël 3:9 : God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als YHWH aan David gezworen heeft, dat ik even zo aan hem zal doen.
[^2samuel-3-35-72]: Kanttekening 72: ondergaan van de zon: Want dat was de orde in een recht vasten, dat men zich van alle voedsel onthield tot op de avond; zo boven, 2 Sam. 1:12 , enz. 2 Samuël 1:12 : En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van YHWH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.
[^2samuel-3-36-73]: Kanttekening 73: goed in hun ogen: Dat is, het beviel het volk wel.
[^2samuel-3-37-74]: Kanttekening 74: van de koning niet was: Dat is, dat het van de koning raad en wil geheel niet geweest was.
[^2samuel-3-38-75]: Kanttekening 75: gevallen is: En dat dienvolgens de moordenaar van zulk een personaadje tot een exempel van anderen strengelijk behoorde gestraft te worden?
[^2samuel-3-39-76]: Kanttekening 76: Dat is, ik ben nog gering van macht. Een gelijkenis van een jong kind genomen.
[^2samuel-3-39-77]: Kanttekening 77: gezalfd ten koning: Dat is, ik ben nog zwak en jong in mijn koninkrijk. Ik ben wel van Samuël gezalfd tot een koning over geheel Israël, maar heb nog inderdaad geen stam onder mij dan Juda alleen.
[^2samuel-3-39-78]: Kanttekening 78: harder dan ik: Dat is, machtiger en vaster, dan dat ik hen zou durven of kunnen naar behoren straffen, vermits het groot aanzien, dat zij bij het krijgsvolk hebben. Aldus schijnt David \[die zoveel proeven van Gods genadigen bijstand had\] de politieke consideratiën en menselijke vrees al te veel toegegeven te hebben, uitstellende de straf tot bekwamer gelegenheid, die hij nochtans bij zijn leven niet heeft gevonden of waargenomen, bevelende eindelijk de wraak aan zijn zoon Salomo; 1 Kon. 2:5 . 1 Koningen 2:5 : Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
[^2samuel-3-39-79]: Kanttekening 79: YHWH zal de boosdoener vergelden: Omdat het mij aan de macht nu ontbreekt, zo zal de Almachtige God hem straffen, of mij de macht nog verlenen, dat ik het doe of doe doen. Zie het begin hiervan onder, 2 Sam. 19:13 , het vervolg 1 Kon. 2:5 , 2:6 , en de volle uitvoering 1 Kon. 2:34 . 2 Samuël 19:13 : En tot Amasa zult u zeggen: Zijt u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te allen dage, in Joabs plaats. 1 Koningen 2:5 : Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren. 1 Koningen 2:6 : Doe dan naar uw wijsheid, dat u zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen. 1 Koningen 2:34 : En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn.

### 2 Samuël 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/4.json)

*Isboseth en de zijnen worden door de dood van Abner verbijsterd, vers 1. Twee hoofdmannen vermoorden Isboseth, en brengen zijn hoofd bij David, 2. die hen laat ombrengen en ophangen, maar het hoofd van Isboseth laat begraven, 9.*

**1** Als nu Sauls[^2samuel-4-1-1] zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen[^2samuel-4-1-2] slap, en geheel Israël werd[^2samuel-4-1-3] verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v1)

**2** En Sauls zoon had twee mannen, oversten van[^2samuel-4-2-4] benden; de naam van de enen was[^2samuel-4-2-5] Baëna, en de naam van de anderen Rechab, zonen van Rimmon, de Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook[^2samuel-4-2-6] Beëroth werd aan Benjamin[^2samuel-4-2-7] gerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v2)

**3** En de Beërothieten waren gevlucht naar[^2samuel-4-3-8] Gitthaim, en waren daar vreemdelingen tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v3)

**4** [^2samuel-4-4-a] En[^2samuel-4-4-9] Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die[^2samuel-4-4-10] verlamd was aan beide voeten;[^2samuel-4-4-11] vijf jaren was hij oud als het[^2samuel-4-4-12] gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het gebeurde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was[^2samuel-4-4-13] Mefiboseth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v4)

**5** En de zonen van Rimmon: de Beërothiet, Rechab en Baëna,[^2samuel-4-5-14] gingen heen, en kwamen in het huis van Isboseth,[^2samuel-4-5-15] als de dag heet geworden was; en hij[^2samuel-4-5-16] lag op de slaapstede, in de middag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v5)

**6** En zij kwamen daarin tot het midden van het huis, alsof zij tarwe kwamen halen; en zij sloegen hem aan de[^2samuel-4-6-18] vijfde rib; en Rechab en zijn broer Baëna ontkwamen.[^2samuel-4-6-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v6)

**7** Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en[^2samuel-4-7-19] hakten zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen, de weg op het vlakke veld, de[^2samuel-4-7-20] gehele nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v7)

**8** En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die[^2samuel-4-8-21] uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v8)

**9** Maar David antwoordde Rechab en zijn broer Baëna, de zonen van Rimmon, de Beërothiet, en zei tot hen: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v9)

**10** [^2samuel-4-10-b]Omdat ik hem, die mij boodschapte, zeggende: Zie,[^2samuel-4-10-22] Saul is dood; daar hij in[^2samuel-4-10-23] zijn ogen was als een, die goede boodschap bracht, toch[^2samuel-4-10-24] gegrepen en te Ziklag gedood heb,[^2samuel-4-10-25] hoewel hij meende, dat ik hem bodenloon zou geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v10)

**11** [^2samuel-4-11-26] Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een[^2samuel-4-11-27] rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet[^2samuel-4-11-28] eisen, en u van de aarde wegdoen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v11)

**12** En David gebood zijn[^2samuel-4-12-29] jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hun handen en hun voeten af, en hingen ze op bij de vijver te Hebron, maar het hoofd van Isboseth namen zij, en begroeven het in Abners[^2samuel-4-12-c] graf te Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/4.html#v12)

[^2samuel-4-1-1]: Kanttekening 1: Sauls zoon: Isboseth.
[^2samuel-4-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, hij verloor allen moed en dapperheid om tegen David te krijgen. Vergelijk onder, 2 Sam. 17:2 ; Ezra 4:4 ; Jes. 13:7 , en Jes. 35:3 ; Jer. 38:4 , en Jer. 47:3 , en Jer. 50:43 ; Zef. 3:16 . 2 Samuël 17:2 : Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan. Ezra 4:4 : Evenwel maakte het volk van het land de handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; Jesaja 13:7 : Daarom zullen alle handen slap worden, en het hart van alle mensen zal versmelten; Jesaja 35:3 : Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. Jeremia 38:4 : Zo zeiden de vorsten tot de koning: Laat toch deze man gedood worden; want aldus maakt hij de handen van de krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van het ganse volk slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt de vrede van dit volk niet, maar het kwaad. Jeremia 47:3 : Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven van zijn sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen; Jeremia 50:43 : De koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van een barende vrouw. Zefanja 3:16 : Te die dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.
[^2samuel-4-1-3]: Kanttekening 3: Of, beroerd; omdat Abner, met hen gehandeld hebbende van het koninkrijk op David te brengen, nu gestorven was, zodat zij niet wisten wat van de zaak zou mogen worden. De anderen, die het nog met Sauls huis hielden, zijn verbaasd geworden door het verlies van deze krijgsoverste, op welke het huis Sauls steunde.
[^2samuel-4-2-4]: Kanttekening 4: Van stropend en rovend krijgsvolk, gelijk boven, 2 Sam. 3:22 . 2 Samuël 3:22 : En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een grote roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede.
[^2samuel-4-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, Baänah.
[^2samuel-4-2-6]: Kanttekening 6: Zie Joz. 18:25 . Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth,
[^2samuel-4-2-7]: Kanttekening 7: Ofschoon de Benjaminieten na Sauls nederlaag \[gelijk in het volgende verhaald worden\] daaruit gevlucht waren, en de Filistijnen deze plaats \[gelijk andere\] mogen hebben ingenomen. Zie 1 Sam. 31:7 . 1 Samuël 31:7 : Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.
[^2samuel-4-3-8]: Kanttekening 8: Neh. 11:33 wordt een stad van deze naam gesteld in Benjamin. Sommigen menen dat er nog een andere plaats bij de zuidelijke grenzen van Juda is geweest, waarheen zij veiligheidshalve zouden gevlucht zijn, en zich daar zo wel bevonden, dat zij aan het terugkeren niet dachten, totdat de zaken van Sauls huis aldus waren verlopen, en dit beschreven werd ten tijde als het verser daad geschied was. Nehemia 11:33 : Hazor, Rama, Gitthaim,
[^2samuel-4-4-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 9:3 . 2 Samuël 9:3 : En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
[^2samuel-4-4-9]: Kanttekening 9: Die in de strijd met zijn vader Saul gebleven was.
[^2samuel-4-4-10]: Kanttekening 10: geslagen was aan beide voeten: Dat is, lam; gelijk volgt. Zo onder, 2 Sam. 9:3 . 2 Samuël 9:3 : En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.
[^2samuel-4-4-11]: Kanttekening 11: vijf jaren was hij oud: Hebreeuws, חָמֵ֣שׁ, hij was een zoon van vijf jaren.
[^2samuel-4-4-12]: Kanttekening 12: De tijding van de nederlaag.
[^2samuel-4-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Mefiboscheth, anders genoemd Merib-Baäl, 1 Kron. 8:34 . 1 Kronieken 8:34 : En Jonathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl verwekte Micha.
[^2samuel-4-5-14]: Kanttekening 14: gingen heen: Ziende dat Isboseths zaken, na Abners dood, van kleinen omvang waren, en dat David ongetwijfeld aan het koninkrijk zou komen, omdat Mefiboseth, als lam zijnde, \[gelijk in vers 4 verhaald is\] ongeschikt was tot de opvolging en zijn wraak niet te vrezen, zo hebben zij deze moord bestaan om bij David in gunst te geraken. 2 Samuël 4:4 : En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth.
[^2samuel-4-5-15]: Kanttekening 15: als de dag heet geworden was: Of, omtrent de hitte van de dag.
[^2samuel-4-5-16]: Kanttekening 16: lag op de slaapstede: Om te rusten, of een middagslaap te nemen. Vergelijk onder, 2 Sam. 11:2 . 2 Samuël 11:2 : Zo geschiedde het tegen de avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien.
[^2samuel-4-6-18]: Kanttekening 18: vijfde rib: Gelijk boven, 2 Sam. 2:23 , en 2 Sam. 3:27 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven. 2 Samuël 3:27 : Als nu Abner weer te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden van de poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem daar aan de vijfde rib, dat hij stierf, vanwege het bloed van zijn broer Asahel.
[^2samuel-4-6-17]: Kanttekening 17: tarwe halen: Zich verstellende en gelatende alsof zij korenlopers, of korendragers waren.
[^2samuel-4-7-19]: Kanttekening 19: hieuwen zijn hoofd af: Hebreeuws, רֹאשׁ֑, deden zijn hoofd weg, of af.
[^2samuel-4-7-20]: Kanttekening 20: vlakke veld: Van Mahanaïm \[waar Isboseth hof hield; boven, 2 Sam. 2:8 , 2:29 \] de Jordaan passerende, gingen zij haastig over de vlakke velden van Jericho naar Hebron. 2 Samuël 2:8 : Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, die Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, 2 Samuël 2:29 : Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het gehele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
[^2samuel-4-8-21]: Kanttekening 21: uw ziel zocht: Dat is, die uw leven zocht, u naar het leven stond. Zie Ex. 4:19 ; 1 Sam. 20:1 , en 1 Sam. 23:15 ; 2 Sam. 16:11 ; Ps. 63:10 , enz.; elders betekent deze manier van spreken ook iemands leven zoeken te behouden, Spreuk. 29:10 . Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 1 Samuël 20:1 : Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam, en zei voor het aangezicht van Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht uws vaders, dat hij mijn ziel zoekt? 1 Samuël 23:15 : Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd. Psalmen 63:10 : Maar deze, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen van de aarde. Spreuken 29:10 : Bloedgierige mensen haten de vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
[^2samuel-4-10-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 1:15 . 2 Samuël 1:15 : En David riep één van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.
[^2samuel-4-10-22]: Kanttekening 22: Saul is dood: Zeggende daarbij dat hij zelf Saul op zijn begeren had helpen doden; boven, 2sam. 1:10.
[^2samuel-4-10-23]: Kanttekening 23: zijn ogen was: Dat is, hem docht, hij maakte zich wijs.
[^2samuel-4-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, doen grijpen en doodslaan. Zie boven, 2 Sam. 1:15 . 2 Samuël 1:15 : En David riep één van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.
[^2samuel-4-10-25]: Kanttekening 25: hoewel hij meende : Anders, welk het bodenloon was, dat ik hem behoorde te geven.
[^2samuel-4-11-26]: Kanttekening 26: Hoeveel te meer: Te weten, behoor ik dat te doen.
[^2samuel-4-11-27]: Kanttekening 27: rechtvaardigen man: Dat is, die dat aan hen geheel niet verdiend had.
[^2samuel-4-11-28]: Kanttekening 28: Mits u te straffen, omdat u zijn bloed hebt vergoten, en kunt het, alsook de man zijn leven, niet wedergeven. Zie Gen. 9:5 ; Ps. 9:13 ; Ez. 3:18 , 3:20 , en Ez. 33:8 . Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mens eisen. Psalmen 9:13 : Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep van de ellendigen niet. Ezechiël 3:18 : Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 3:20 : Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 33:8 : Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^2samuel-4-12-29]: Kanttekening 29: Dat is, dienaren, hovelingen, officieren, pages.
[^2samuel-4-12-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 3:32 . 2 Samuël 3:32 : Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en weende bij Abners graf; ook weende al het volk.

### 2 Samuël 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/5.json)

*David wordt tot koning gezalfd over heel Israël, vers 1 enz. De jaren van zijn regering te Hebron en Jeruzalem, 4. Hij wint de burcht Sion, en woont aldaar, 6. Hiram sluit vriendschap met hem, en zendt hem hout en werklieden om een huis te bouwen, 11. David neemt meer vrouwen, en krijgt meer kinderen, 13. De Filistijnen trekken tegen hem op, en worden tweemaal door hem verslagen, 17.*

**1** [^2samuel-5-1-a] Toen kwamen alle[^2samuel-5-1-1] stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw[^2samuel-5-1-2] gebeente en uw vlees zijn wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v1)

**2** Daartoe ook te[^2samuel-5-2-3] voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël[^2samuel-5-2-4] uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u[^2samuel-5-2-5] gezegd:[^2samuel-5-2-b] U zult Mijn volk Israël[^2samuel-5-2-6] weiden, en u zult tot een[^2samuel-5-2-7] voorganger zijn over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v2)

**3** Zo kwamen alle[^2samuel-5-3-8] oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een[^2samuel-5-3-9] verbond met hen te Hebron, voor het[^2samuel-5-3-10] aangezicht van YHWH; en zij[^2samuel-5-3-11] zalfden David tot koning over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v3)

**4** Dertig jaar was David[^2samuel-5-4-12] oud, als hij koning werd;[^2samuel-5-4-13] veertig jaren heeft hij geregeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v4)

**5** [^2samuel-5-5-c] Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v5)

**6** En de koning[^2samuel-5-6-14] trok met zijn[^2samuel-5-6-15] mannen naar[^2samuel-5-6-16] Jeruzalem, tegen de[^2samuel-5-6-17] Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de[^2samuel-5-6-18] blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat wil zeggen: David zal hier niet inkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v6)

**7** Maar David nam de burg Sion in; die is de[^2samuel-5-7-19] stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v7)

**8** Want David zei op diezelfde dag: Al wie de Jebusieten[^2samuel-5-8-20] slaat, en geraakt aan die[^2samuel-5-8-21] watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel[^2samuel-5-8-22] gehaat zijn, die[^2samuel-5-8-23] zal tot een hoofd en tot een overste zijn;[^2samuel-5-8-24] daarom zegt[^2samuel-5-8-25] men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.[^2samuel-5-8-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v8)

**9** Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En[^2samuel-5-9-26] David bouwde rondom van[^2samuel-5-9-27] Millo af en naar binnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v9)

**10** David nu[^2samuel-5-10-28] ging steeds voort, en werd groot; want YHWH, de God van[^2samuel-5-10-29] de[^2samuel-5-10-30] legermachten, was met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v10)

**11** En[^2samuel-5-11-31][^2samuel-5-11-e] Hiram, de koning van[^2samuel-5-11-32] Tyrus, zond boden tot David, en cederhout, en[^2samuel-5-11-33] timmerlieden, en[^2samuel-5-11-34] metselaars; en zij bouwden David een huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v11)

**12** En David merkte, dat YHWH hem tot een koning over Israël[^2samuel-5-12-35] bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had,[^2samuel-5-12-36] omwille van Zijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v12)

**13** [^2samuel-5-13-f] En David nam meer[^2samuel-5-13-37] bijvrouwen, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochters geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v13)

**14** [^2samuel-5-14-g] En dit zijn de namen van degenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn:[^2samuel-5-14-38] Schammua, en Schobab, en Nathan, en[^2samuel-5-14-39] Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v14)

**15** En Ibchar, en[^2samuel-5-15-40] Elischua en Nefeg, en Jafia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v15)

**16** En Elischama, en[^2samuel-5-16-41] Eljada, en Elifeleth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v16)

**17** [^2samuel-5-17-42][^2samuel-5-17-h] Als nu de Filistijnen hoorden, dat[^2samuel-5-17-43] zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, zo trokken alle Filistijnen op om David te[^2samuel-5-17-44] zoeken; en David, dat horende,[^2samuel-5-17-45] trok af, naar de[^2samuel-5-17-46] burg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v17)

**18** En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal[^2samuel-5-18-47] Refaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v18)

**19** Zo[^2samuel-5-19-48] vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U ze in mijn hand geven? En YHWH zei tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen[^2samuel-5-19-49] zeker in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v19)

**20** Toen kwam David te[^2samuel-5-20-50][^2samuel-5-20-i] Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam van die plaats,[^2samuel-5-20-52] Baäl-perazim.[^2samuel-5-20-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v20)

**21** En[^2samuel-5-21-53] zij lieten hun[^2samuel-5-21-54] afgoden daar;[^2samuel-5-21-k] en David en zijn mannen[^2samuel-5-21-55] namen ze op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v21)

**22** Daarna trokken de Filistijnen[^2samuel-5-22-56] weer op; en zij verspreidden zich in het dal[^2samuel-5-22-57] Refaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v22)

**23** En David[^2samuel-5-23-58] vraagde YHWH, Die zei: U zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat u aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v23)

**24** En het gebeure, als u hoort het[^2samuel-5-24-59] geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen, dan[^2samuel-5-24-60] rep u; want dan is YHWH voor uw aangezicht[^2samuel-5-24-61] uitgegaan, om het leger van de Filistijnen te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v24)

**25** En David deed zo, zoals YHWH hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van[^2samuel-5-25-62] Geba af, totdat u komt[^2samuel-5-25-63] te Gezer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/5.html#v25)

[^2samuel-5-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 11:1 . 1 Kronieken 11:1 : Toen vergaderde zich geheel Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.
[^2samuel-5-1-1]: Kanttekening 1: stammen van Israël: Versta, gezanten van alle stammen. Zie vers 3 . 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël.
[^2samuel-5-1-2]: Kanttekening 2: gebeente en uw vlees zijn wij: Wij zijn van enen bloede, beiden gesproten uit de patriarch Jakob, en dienvolgens broers. Zodanigen had God geboden tot koning te kiezen, Deut. 17:15 . Aangaande de manier van spreken, zie Gen. 29:14 . Deuteronomium 17:15 : Zo zult u ganselijk tot koning over u stellen, die YHWH, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broers zult u een koning over u stellen; u zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broer niet zij. Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
[^2samuel-5-2-3]: Kanttekening 3: te voren: Hebreeuws, שִׁלְשׁ֗וֹם, gisteren, ook eergisteren.
[^2samuel-5-2-4]: Kanttekening 4: uitvoerende en inbrengende: Dat is, die het krijgsvolk aan en van de vijand voerde, overal voorging, en beleid van zaken had, en overzulks, als een ervaren heer, tot het koninkrijk bekwaam is. Zie 1 Sam. 18:5 , 18:16 , en vergelijk Num. 27:17 . 1 Samuël 18:5 : En David toog uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen van het ganse volk, en ook in de ogen van de knechten van Saul. 1 Samuël 18:16 : Maar geheel Israël en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht. Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben.
[^2samuel-5-2-5]: Kanttekening 5: Ten tijde van uw zalving door Samuël, beschreven 1 Sam. 16:11 , 16:12 , 16:13 . Alhoewel deze woorden daar niet staan. 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama.
[^2samuel-5-2-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 7:7 ; Ps. 78:71 . 2 Samuël 7:7 : Overal, waar Ik met al de kinderen van Israël heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met één van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis? Psalmen 78:71 : Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.
[^2samuel-5-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, regeren met al zulke zorg, genegenheid en getrouwheid, als een goed herder, \[waarop u zich verstaat\] zijn schapen leidt, weidt, regeert, bezorgt en beschermt. Zie Ps. 78:70 , 78:71 , en onder, 2 Sam. 7:7 . Psalmen 78:70 : En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; Psalmen 78:71 : Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. 2 Samuël 7:7 : Overal, waar Ik met al de kinderen van Israël heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met één van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis?
[^2samuel-5-2-7]: Kanttekening 7: voorganger zijn over Israël: Of, leidsman, hertog. Zie onder, 2 Sam. 6:21 . 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH.
[^2samuel-5-3-8]: Kanttekening 8: oudsten van Israël: Zie Ex. 3:16 , en vergelijk Lev. 4:15 , en Lev. 9:1 . Exodus 3:16 : Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 9:1 : En het geschiedde op de achtste dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël;
[^2samuel-5-3-9]: Kanttekening 9: een verbond: Waardoor zij wederzijds bij ede tot hun schuldige plichten werden verbonden.
[^2samuel-5-3-10]: Kanttekening 10: aangezicht van YHWH: Dat is, in bijwezen van de priester met de efod bekleed, of, in een statelijke vergadering en rijksdag, met aanroeping van de naam van de Heer. Vergelijk Richt. 11:11 . Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa.
[^2samuel-5-3-11]: Kanttekening 11: zalfden David tot koning over Israël: Dit was Davids derde zalving. Zie boven, 2 Sam. 2:4 . 2 Samuël 2:4 : Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden daar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
[^2samuel-5-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, een zoon van dertig jaar.
[^2samuel-5-4-13]: Kanttekening 13: veertig jaren: En zes maanden, gelijk uit vers 5 blijkt. Van zulk een gebruik van een rond getal, zie Richt. 11:26 . Anderen verstaan zes maanden onder de veertig jaren. Maar vers 5 en 1 Kon. 2:11 \[alwaar dezelfde jaren van Davids regering te Hebron alleen gesteld worden, zonder de zes maanden\] schijnen mee te brengen dat de zes maanden van zijn regering te Hebron overschieten. 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. Richteren 11:26 : Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stedekens, en in Aroër en in de stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet gered? 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. 1 Koningen 2:11 : De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
[^2samuel-5-5-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 2:11 ; 1 Kon. 2:11 ; 1 Kron. 3:4 . 2 Samuël 2:11 : Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. 1 Koningen 2:11 : De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd. 1 Kronieken 3:4 : Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.
[^2samuel-5-6-14]: Kanttekening 14: Zonder twijfel door Gods raad en met toestemming van de gezanten en oudsten van Israël, die bij hem geweest waren, vers 3 . 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël.
[^2samuel-5-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, krijgslieden, gelijk in de voorgaande hoofstukken dikwijls.
[^2samuel-5-6-16]: Kanttekening 16: Tevoren genoemd Jebus, Richt. 19:10 , en Salem, Gen. 14:18 ; Ps. 76:2 , 76:3 , zijnde de plaats, die van God gekozen was om daar zijn naam te zetten en de stoel van het koninkrijk van geheel Israël op te richten, toebehorende Juda \[Davids stam\] en Benjamin. Richteren 19:10 : Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem. Genesis 14:18 : En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God. Psalmen 76:2 : God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël. Psalmen 76:3 : En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.
[^2samuel-5-6-17]: Kanttekening 17: Die tot deze tijd toe Jeruzalem hadden ingenomen, of immers het meeste en sterkste deel, te weten, het slot. Zie Richt. 1:8 , en Richt. 19:12 . Richteren 1:8 : Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. Richteren 19:12 : Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen van Israël; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe.
[^2samuel-5-6-18]: Kanttekening 18: blinden en kreupelen zullen u afdrijven: Die zij, \[naar sommiger gevoelen\] tot Davids spijt en spot de vesting in bewaring hadden gegeven, willende daarmede tonen dat de plaats van zichzelf zo vast en sterk was, dat ook kreupelen en blinden die tegen David zouden kunnen beschermen. Anders, tenzij dat u die blinden en kreupelen wegneemt, of wegdoet; waardoor enige verstaan de afgodische beelden van de Jebusieten, die zij, als patronen en beschermers, het slot toevertrouwden, noemende die blinden en kreupelen naar het gevoelen van David en van de Israëlieten, maar menen dat zij wel anders zouden bevinden. Anderen verstaan door de blinden en kreupelen de soldaten van David, die zij zo verwijtelijk schelden, alsof zij zeiden: Het moesten andere krijgslieden doen dan uw volk.
[^2samuel-5-7-19]: Kanttekening 19: de stad van David: Zie vers 9 , en 1 Kon. 2:10 . 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^2samuel-5-8-20]: Kanttekening 20: Versta, die de eerste en voorste zal zijn in het slaan van de Jebusieten. Zie 1 Kron. 11:6 . 1 Kronieken 11:6 : Want David zei: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, die het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.
[^2samuel-5-8-21]: Kanttekening 21: Of, kanaal, buis, waterleiding, sluis; dat is, binnen de vesting, waar deze watergoot, en ook de lammen en blinden lagen, of waar de afgoden opgericht waren.
[^2samuel-5-8-22]: Kanttekening 22: gehaat zijn: Vanwege de bespotting van de Jebusieten, boven, vers 6 . Of versta, de afgoden van de Jebusieten, die Davids ziel haatte. Anders, \[ want de kreupelen en blinden zijn van Davids ziel gehaat \], dat is, David heeft geen lam en blind volk lief, maar kloeke krijgslieden. 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
[^2samuel-5-8-23]: Kanttekening 23: zal tot een hoofd en tot een overste zijn: Deze woorden zijn tot aanvulling van Davids redenen hier ingevoegd uit 1 Kron. 11:6 . Sommigen verstaan het dat men het zo hier kan nemen, dat de belofte van beloning verzwegen kan zijn, als in het eedzweren en anders wel gebruikelijk is. 1 Kronieken 11:6 : Want David zei: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, die het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.
[^2samuel-5-8-24]: Kanttekening 24: daarom zegt men: Dat is, tot gedachtenis van deze aanmerkelijke geschiedenis is dit spreekwoord gebleven.
[^2samuel-5-8-25]: Kanttekening 25: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen: Of, daar is een blinde en lamme; \[dat is, daar zijn blinden en lammen\] hij zal er niet binnen komen. Om zo te bespotten een zorgeloze, of degenen, die op ijdele en nietige hulp trots zijnde en roemende, zich bedrogen vinden, gelijk de Jebusieten in hun roem op de blinden en kreupelen tegen David. Sommigen menen dat men te die tijde tot ene gedachtenis besloten heeft, geen blinden en lammen binnen de burg Zion meer te laten komen. Enige menen de zin te zijn, dat het kloeke krijgslieden moeten zijn, die een vaste plaats zullen innemen.
[^2samuel-5-8-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 11:6 . 1 Kronieken 11:6 : Want David zei: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, die het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.
[^2samuel-5-9-26]: Kanttekening 26: David bouwde: En Joab bouwde de rest, 1 Kron. 11:8 . 1 Kronieken 11:8 : En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad.
[^2samuel-5-9-27]: Kanttekening 27: Van Millo, zie 1 Kon. 9:15 , en Richt. 9:6 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. Richteren 9:6 : Toen vergaderden zich alle burgeren van Sichem, en het gehele huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech ten koning, bij de hoge eik, die bij Sichem is.
[^2samuel-5-10-28]: Kanttekening 28: ging geduriglijk voort: Hebreeuws, הָל֣וֹךְ, ging gaande en groot wordende; dat is, werd van tijd tot tijd hoe langer hoe machtiger.
[^2samuel-5-10-29]: Kanttekening 29: Zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^2samuel-5-10-30]: Kanttekening 30: was met hem: Zie Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 ; Num. 14:9 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet!
[^2samuel-5-11-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, Chiram.
[^2samuel-5-11-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 14:1 . 1 Kronieken 14:1 : Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.
[^2samuel-5-11-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, Tsor. Een zeer vermaarde, machtige, koninklijke koopstad, gelegen aan en in de zee bij de westelijke grenzen van de stam Aser. Zie ook Joz. 19:29 . Jozua 19:29 : En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
[^2samuel-5-11-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, meesters, of, kunstenaars van hout.
[^2samuel-5-11-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, kunstenaars, of meesters van steen van de wand, of wandsteen.
[^2samuel-5-12-35]: Kanttekening 35: bevestigd had: Dat is, hij werd door bevinding van Gods genadigen zegen en bijstand, zo in het geestelijke als lichamelijke hoe langer hoe meer versterkt en verzekerd van zijn beroep tot het koninkrijk over Israël.
[^2samuel-5-12-36]: Kanttekening 36: omwille van Zijn volk Israël: Dat is, ten beste van zijn kerk.
[^2samuel-5-13-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 3:9 ; 1 Kron. 14:3 . 1 Kronieken 3:9 : Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen van de bijwijven, en Thamar hun zus. 1 Kronieken 14:3 : En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David verwekte meer zonen en dochters.
[^2samuel-5-13-37]: Kanttekening 37: Zie van bijwijven, Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^2samuel-5-14-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 3:5 ; 1 Kron. 14:4 . 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël; 1 Kronieken 14:4 : Dit nu zijn de namen van de kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,
[^2samuel-5-14-38]: Kanttekening 38: Ook genoemd Schima, 1 Kron. 3:5 . 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël;
[^2samuel-5-14-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, Schelomoh.
[^2samuel-5-15-40]: Kanttekening 40: Ook genoemd Elischama, 1 Kron. 3:6 . 1 Kronieken 3:6 : Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
[^2samuel-5-16-41]: Kanttekening 41: Ook genoemd Beëliada, 1 Kron. 14:7 . 1 Kronieken 14:7 : En Elisama, en Beëljada, en Elifelet.
[^2samuel-5-17-42]: Kanttekening 42: Als nu de Filistijnen hoorden: Vergelijk hiermede de wederhaling van deze geschiedenis, gedaan 1 Kron. 14:8 , enz. 1 Kronieken 14:8 : Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het gehele Israël, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.
[^2samuel-5-17-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 14:8 . 1 Kronieken 14:8 : Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het gehele Israël, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.
[^2samuel-5-17-43]: Kanttekening 43: zij David ten koning over Israël gezalfd hadden: Te weten, de Israëlieten.
[^2samuel-5-17-44]: Kanttekening 44: Om hem, als een vreselijken vijand, intijds te overvallen en met gemener hand te slaan.
[^2samuel-5-17-45]: Kanttekening 45: toog af: Met zijn krijgsvolk.
[^2samuel-5-17-46]: Kanttekening 46: Om met zijn leger zich bij de burg te onthouden, totdat hij wat zeker mocht hebben besloten. Zie 1 Kron. 14:8 . 1 Kronieken 14:8 : Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het gehele Israël, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.
[^2samuel-5-18-47]: Kanttekening 47: Of, van de grenzen. Zie Gen. 14:5 . Dit dal lag in Juda, Joz. 15:8 . Of, aan de noordelijke grenzen van Juda, in Benjamin, ten westen van Jeruzalem. Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden.
[^2samuel-5-19-48]: Kanttekening 48: vraagde David YHWH: Vergelijk 1 Sam. 23:9 , en 1 Sam. 30:7 , en 2 Sam. 2:1 , enz. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts. 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David. 2 Samuël 2:1 : En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron.
[^2samuel-5-19-49]: Kanttekening 49: zekerlijk in uw hand geven: Hebreeuws, יָדֶֽ, gevende geven.
[^2samuel-5-20-50]: Kanttekening 50: Zo naderhand van David genoemd, gelijk in het volgende verhaald wordt.
[^2samuel-5-20-i]: Verwijzing i: Jes. 28:21 . Jesaja 28:21 : Want YHWH zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!
[^2samuel-5-20-52]: Kanttekening 52: Dat is, heer, of, meester, bezitter van scheuren, breuken, doorbrekingen; dat is, het plein, of effen van de scheuren, de plaats van de scheuren.
[^2samuel-5-20-51]: Kanttekening 51: YHWH: Of, YHWH is door mijn vijanden heen doorgebroken, voor mijn aangezicht, gelijk een waterbreuk, of, inbreuk, doorbreking van wateren. De zin schijnt te wezen dat God door zijn macht en Davids dienst \[ 1 Kron. 14:11 \] de Filistijnen had overvallen en nedergestort, gelijk wateren met macht en sterkelijk doorbreken, en alles overlopen en neervellen; of, zo licht als water verloopt of, zo licht als water verloopt of gedeeld en verstrooid wordt, heeft God de Filistijnen van elkaar verstrooid. 1 Kronieken 14:11 : Toen zij nu optogen naar Baäl-perazim, zo sloeg hen David daar; en David zei: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemden zij de naam derzelver plaats Baäl-perazim.
[^2samuel-5-21-53]: Kanttekening 53: zij lieten: De Filistijnen, die hun afgoden hadden meegenomen, menende door derzelver aanwezigheid zeker victorie te bekomen.
[^2samuel-5-21-54]: Kanttekening 54: afgoden daar: Het Hebreeuwse woord betekent smarten, weedommen, omdat dit de vruchten van de afgoderij zijn. Zie 1 Sam. 31:9 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk.
[^2samuel-5-21-k]: Verwijzing k: 1 Kron. 14:12 . 1 Kronieken 14:12 : En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.
[^2samuel-5-21-55]: Kanttekening 55: namen ze op: Om die, volgens Davids bevel, en Gods gebod \[ Deut. 7:25 \] met vuur te verbranden, gelijk uitdrukkelijk staat 1 Kron. 14:12 . Anders, verbrandde ze, lieten ze opgaan \[in het vuur\]. Deuteronomium 7:25 : De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is YHWH, uw God, een gruwel. 1 Kronieken 14:12 : En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.
[^2samuel-5-22-56]: Kanttekening 56: weer op: Hebreeuws, פְּלִשְׁתִּ֖ים, deden toe, of, voeren voort weer, of, nogmaals op te trekken.
[^2samuel-5-22-57]: Kanttekening 57: Gelijk tevoren. Zie boven, vers 18 . 2 Samuël 5:18 : En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.
[^2samuel-5-23-58]: Kanttekening 58: vraagde YHWH: Zie boven, vers 19 . 2 Samuël 5:19 : Zo vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U ze in mijn hand geven? En YHWH zei tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.
[^2samuel-5-24-59]: Kanttekening 59: geruis van een gang: Dat is \[gelijk sommigen verstaan\], een gedruis als van marcheren, waardoor de aanwezigheid van de heilige engelen kan worden verstaan.
[^2samuel-5-24-60]: Kanttekening 60: rep u: Dat is, maak u op met het krijgsvolk, om de Filistijnen aan te vallen.
[^2samuel-5-24-61]: Kanttekening 61: Zie Richt. 4:14 . Richteren 4:14 : Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welke YHWH Sisera in uw hand gegeven heeft; is YHWH niet voor uw aangezicht heen uitgetogen? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.
[^2samuel-5-25-62]: Kanttekening 62: Anders doorgaans genoemd Gibeä, gelegen in Benjamin. Zie Richt. 19 ;13, en Richt. 20:10 ; 1 Kron. 14:16 staat Gibeon. Richteren 20:10 : En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. 1 Kronieken 14:16 : David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen de legermacht van de Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer.
[^2samuel-5-25-63]: Kanttekening 63: te Gezer: Gelegen in Efraïm, in het westen naar de zee toe. Zie Joz. 16:10 . Jozua 16:10 : En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; zo woonden die Kanaänieten in het midden van de Efraïmieten tot op deze dag; maar zij waren onder schatting dienende.

### 2 Samuël 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/6.json)

*David haalt de ark van het verbond met veel volk en grote vreugde uit het huis van Abinadab, vers 1 enz. Uza, die de ark vermetel aangrijpt, wordt door God gedood, 6. Waarover David bedroefd is, en hij laat de ark zetten in het huis van Obed-Edom, 8. Haalt haar naderhand zeer feestelijk vandaar, huppelt voor haar uit, en wordt daarom door Michal veracht, 12. Hij laat de ark op haar plaats stellen, offert God, zegent en begiftigt het volk, 17. Wordt door Michal bespot, en verdedigt zich met een heilige ijver tegen haar, 20. De onvruchtbaarheid van Michal, 23.*

**1** [^2samuel-6-1-1][^2samuel-6-1-a] Daarna verzamelde David[^2samuel-6-1-2] opnieuw alle beste mannen in Israël, dertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v1)

**2** En David[^2samuel-6-2-3] maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van[^2samuel-6-2-4] Baälim-juda, om van daar op te brengen de[^2samuel-6-2-5] ark van God,[^2samuel-6-2-6] waarbij de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die[^2samuel-6-2-7] daarop woont tussen de[^2samuel-6-2-8] cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v2)

**3** En zij[^2samuel-6-3-9] voerden de ark van God op een[^2samuel-6-3-b] nieuwe wagen, en[^2samuel-6-3-10] haalden ze uit[^2samuel-6-3-c] het huis van Abinadab, dat[^2samuel-6-3-11] op een heuvel is; en Uza en[^2samuel-6-3-12] Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v3)

**4** Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel is, met de ark van God, wegvoerden, zo ging Ahio[^2samuel-6-4-13] voor de ark heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v4)

**5** En David en het hele huis van Israël speelden voor het aangezicht van YHWH, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met[^2samuel-6-5-14] schellen, en met cimbalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v5)

**6** [^2samuel-6-6-d] Als zij nu kwamen tot aan[^2samuel-6-6-15] Nachons dorsvloer, zo strekte Uza[^2samuel-6-6-16] zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de[^2samuel-6-6-17] runderen[^2samuel-6-6-18] struikelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v6)

**7** Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Uza, en God sloeg hem daar, om deze[^2samuel-6-7-19] onbedachtzaamheid; en hij stierf daar bij de ark van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v7)

**8** En[^2samuel-6-8-20] David ontstak, omdat YHWH een zware slag toegebracht had aan Uza; en hij noemde die plaats[^2samuel-6-8-21] Perez-uza,[^2samuel-6-8-22] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v8)

**9** En David[^2samuel-6-9-23] vreesde YHWH ten zelf dage; en hij zei:[^2samuel-6-9-24] Hoe zal de ark van YHWH tot mij komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v9)

**10** David dan wilde de ark van YHWH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis[^2samuel-6-10-25] van Obed-edom,[^2samuel-6-10-26] de Gethiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v10)

**11** En de ark van YHWH bleef in het huis van Obed-edom, de Gethiet, drie maanden;[^2samuel-6-11-e] en YHWH zegende Obed-edom en zijn hele huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v11)

**12** Toen boodschapte men de koning David, zeggende: YHWH heeft het huis van Obed-edom, en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God; zo ging[^2samuel-6-12-27] David heen en haalde de ark van God uit het huis van Obed-edom omhoog in de stad van David, met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v12)

**13** En het gebeurde, als zij, die de ark van YHWH[^2samuel-6-13-28] droegen,[^2samuel-6-13-29] zes treden voortgetreden waren, dat[^2samuel-6-13-30] hij ossen en gemest vee offerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v13)

**14** En David[^2samuel-6-14-31] huppelde met alle macht voor het aangezicht van[^2samuel-6-14-32] YHWH; en David was omgord met een[^2samuel-6-14-33] linnen lijfrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v14)

**15** Zo brachten David en het[^2samuel-6-15-34] hele huis van Israël de ark van YHWH op, met gejuich en met[^2samuel-6-15-35] geluid van de bazuinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v15)

**16** En het gebeurde, als de ark van YHWH in de stad van David kwam, dat[^2samuel-6-16-36] Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag,[^2samuel-6-16-37] springende en huppelende voor het aangezicht[^2samuel-6-16-38] van YHWH,[^2samuel-6-16-39] verachtte zij hem in haar hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v16)

**17** Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar[^2samuel-6-17-f] plaats, in het midden van de tent, die David voor haar[^2samuel-6-17-40] gespannen had; en David offerde brandoffers voor het aangezicht van YHWH, en dankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v17)

**18** Als David geëindigd had het brandoffer en de dankoffers te offeren,[^2samuel-6-18-g] zo[^2samuel-6-18-41] zegende hij het volk in de[^2samuel-6-18-42] Naam van YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v18)

**19** En hij deelde uit aan het hele volk, aan de hele menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan ieder een broodkoek, en een schoon[^2samuel-6-19-43] stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, ieder naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v19)

**20** Als nu David wederkwam, om zijn huis te[^2samuel-6-20-44] zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zei:[^2samuel-6-20-45] Hoe is vandaag de koning van Israël verheerlijkt, die zich vandaag voor de ogen van de dienaressen van zijn dienaren heeft ontbloot, zoals een van de[^2samuel-6-20-46] ijdele mensen zich onbeschaamdelijk ontbloot? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v20)

**21** Maar David zei tot Michal: Voor het[^2samuel-6-21-47] aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft[^2samuel-6-21-48] voor uw vader en voor zijn hele huis,[^2samuel-6-21-49] mij aangesteld heeft als een[^2samuel-6-21-50] voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v21)

**22** Ook zal ik mij nog geringer houden dan zo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienaressen, waarvan u gezegd hebt,[^2samuel-6-22-51] daarmee zal ik verheerlijkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v22)

**23** Michal nu, Sauls dochter, had geen kind,[^2samuel-6-23-52] tot de dag van haar dood toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/6.html#v23)

[^2samuel-6-1-1]: Kanttekening 1: verzamelde David: Vergelijk deze historie met 1 Kron. 13 , alwaar zij wordt wederhaald.
[^2samuel-6-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 13:5 . 1 Kronieken 13:5 : David dan vergaderde geheel Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark van God te brengen van Kirjath-jearim.
[^2samuel-6-1-2]: Kanttekening 2: Het schijnt dat hij tevoren gelijke verzameling gedaan had, als hij ten strijde zou gaan tegen de Filistijnen, boven, 2 Sam. 5:6 , enz., en 2 Sam. 5:22 , enz. Enige menen dat dit ziet op de voorgaande verzameling, waarvan boven, 2 Sam. 5:1 , 5:3 . 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. 2 Samuël 5:22 : Daarna togen de Filistijnen weer op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim. 2 Samuël 5:1 : Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij. 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël.
[^2samuel-6-2-3]: Kanttekening 3: maakte zich op: Toen hij van Jeruzalem te Baälim Juda, dat is, Kiriath-Jearim, gekomen was.
[^2samuel-6-2-4]: Kanttekening 4: Zie 1 Kron. 13:6 , en 1 Sam. 7:1 , en Joz. 15:10 , 15:60 . 1 Kronieken 13:6 : Toen toog David op met het gehele Israël naar Baäla, dat is, Kirjath-jearim, dat in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark van God, van YHWH, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. Jozua 15:10 : Daarna zal deze landpale zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan. Jozua 15:60 : Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
[^2samuel-6-2-5]: Kanttekening 5: ark van God: Dat is, die van God tot zijn dienst en troost zijns volks verordineerd was.
[^2samuel-6-2-6]: Kanttekening 6: bij dewelke de Naam wordt aangeroepen: Vergelijk Lev. 24:11 , en Deut. 28:58 . Anders, wiens \[te weten, Gods\] naam genoemd wordt, de naam, enz. Zie verder 1 Kon. 8:29 , en 1 Kon. 18:15 . Leviticus 24:11 : Toen lasterde de zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan. Deuteronomium 28:58 : Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijken en vreselijken Naam, YHWH, uw God; 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^2samuel-6-2-7]: Kanttekening 7: daarop woont: Te weten, op de ark.
[^2samuel-6-2-8]: Kanttekening 8: Zie Gen. 3:24 . Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^2samuel-6-3-9]: Kanttekening 9: voerden de ark van God op een nieuwen wagen: Vergeten hebbende, of niet denkende aan het bevel van YHWH, die geboden had dat de priesters de ark zouden dragen, Num. 4:15 , en Num. 7:9 . Het schijnt dat zij hierin het exempel van de Filistijnen hebben nagevolgd. Zie 1 Sam. 6:7 , 6:8 , enz. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst. Numeri 7:9 : Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen. 1 Samuël 6:7 : Nu dan, neemt en maakt een nieuwen wagen, en twee zogende koeien, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeien aan de wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weer naar huis. 1 Samuël 6:8 : Neemt dan de ark van YHWH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die u Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.
[^2samuel-6-3-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 6:7 ; idem v. 8 . 1 Samuël 6:7 : Nu dan, neemt en maakt een nieuwen wagen, en twee zogende koeien, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeien aan de wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weer naar huis. 1 Samuël 6:8 : Neemt dan de ark van YHWH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die u Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.
[^2samuel-6-3-10]: Kanttekening 10: haalden ze uit het huis van Abinadab: Hebreeuws, גִּבְעָ֑ה, hieven haar, namen haar op.
[^2samuel-6-3-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 7:1 . 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde.
[^2samuel-6-3-11]: Kanttekening 11: op een heuvel is: Op een hoogte, die bij of in Kiriath-Jearim was. Hebreeuws, עֻזָּ֣א, Gibeä. Zie 1 Sam. 7:1 . 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde.
[^2samuel-6-3-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, Achio.
[^2samuel-6-4-13]: Kanttekening 13: voor de ark heen: Om de runderen, die de wagen trokken, te leiden. Zie vers 6 . Anderen nemen de voorgaande woorden aldus: Als zij nu haar \[te weten, de ark\] wegvoerden uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel was met de ark van God. Sommigen verstaan het woordje hem van Uza, dat zij hem genomen hebben om naast de ark te gaan. 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden.
[^2samuel-6-5-14]: Kanttekening 14: Anders, trompen, cornetten.
[^2samuel-6-6-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 13:9 . 1 Kronieken 13:9 : Toen zij aan de dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.
[^2samuel-6-6-15]: Kanttekening 15: Nachons dorsvloer: Hebreeuws, יִּשְׁלַ֨ח, Goren Nachon, 1 Kron. 13:9 genaamd Chidons dorsvloer. 1 Kronieken 13:9 : Toen zij aan de dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.
[^2samuel-6-6-16]: Kanttekening 16: zijn hand uit: Deze woorden staan 1 Kron. 13:9 . 1 Kronieken 13:9 : Toen zij aan de dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.
[^2samuel-6-6-17]: Kanttekening 17: Die de wagen met de ark trokken.
[^2samuel-6-6-18]: Kanttekening 18: Of, traden ter zijde uit, gleden. Anders, schudden, ontzetten zich in al hun leden, gelijk wanneer iemand met beroerte geslagen wordt; of, schudden \[de ark\] dat zij in gevaar scheen te zijn van af te vallen.
[^2samuel-6-7-19]: Kanttekening 19: Of, deze fout, dwaling, onvoorzichtigheid, vergrijping, vermetelheid. Want God had uitdrukkelijk bevolen dat niemand dan de priesters de heilige vaten zouden aanroeren, op straf van de dood; Num. 4:15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^2samuel-6-8-20]: Kanttekening 20: David ontstak: Hebreeuws, דָוִ֔ד, aan David ontstak; te weten, zijn gemoed, of de toornigheid met droefenis over de zonde en straf van Uza, door welke deze algemene blijdschap als gescheurd en ingebroken was. Zie verder 1 Kron. 15:2 , 15:13 . 1 Kronieken 15:2 : Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die heeft YHWH gekozen, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 15:13 : Want omdat u ten eerste dit niet deedt, heeft YHWH, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.
[^2samuel-6-8-21]: Kanttekening 21: Dat is, de scheur, of breuk, reet, van Uza.
[^2samuel-6-8-22]: Kanttekening 22: tot op deze dag: Te weten, blijft dezelfde naam.
[^2samuel-6-9-23]: Kanttekening 23: vreesde YHWH: Verschrikt zijnde, en ontziende Gods majesteit, heiligheid, rechtvaardige gestrengheid en ijver, durfde hij niet verder voortvaren, bekommerd zijnde hoe hij God welgevallig dit werk zou mogen voltooien.
[^2samuel-6-9-24]: Kanttekening 24: Hoe zal de ark van YHWH tot mij komen: Alsof hij zei: Het schijnt de wil van YHWH nog niet te zijn \[vermits deze droevige scheur\], dat ik haar tot mij halen zal. Of, er moet nog iets ontbreken, dat ik niet weet en waarvan ik Gods openbaring zal moeten verwachten.
[^2samuel-6-10-25]: Kanttekening 25: Die een Leviet was, van de deurwachters en zangers. Zie 1 Kron. 15:18 , 15:21 , en 1 Kron. 16:38 . 1 Kronieken 15:18 : En met hen hun broers van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaäziel, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maäseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, de poortwachters. 1 Kronieken 15:21 : En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om de toon te versterken. 1 Kronieken 16:38 : Obed-edom nu, met hunlieder broers, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortwachters;
[^2samuel-6-10-26]: Kanttekening 26: Van Geth of Gath, een koninklijke hoofdstad van de Filistijnen, onderscheiden \[naar sommiger kaarten\] van Gath-Rimmon, nabij gelegen, en de Levieten toegeëigend, Joz. 21:24 , 21:25 . Sommigen menen dat Obed-Edom met David ten tijde van Saul daarheen gevlucht is, 1 Sam. 21:10 . Anderen dat hij in ballingschap daar geboren is. Anderen dat hij van Gath-Rimmon geboortig is geweest. Jozua 21:24 : Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. Jozua 21:25 : En van de halven stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden. 1 Samuël 21:10 : En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, de koning van Gath.
[^2samuel-6-11-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 13:14 . 1 Kronieken 13:14 : Zo bleef de ark van God bij het huisgezin van Obed-edom, in zijn huis, drie maanden; en YHWH zegende het huis van Obed-edom, en alles, wat hij had.
[^2samuel-6-12-27]: Kanttekening 27: David heen: Zo uit deze, alook uit andere zegeningen van YHWH, die 1 Kron. 14 , in orde verhaald worden, afnemende en vertrouwende dat YHWH met hem en zijn volk tevreden was. De manier van deze inhaling van de ark wordt breder 1 Kron. 15 beschreven.
[^2samuel-6-13-28]: Kanttekening 28: Versta, de priesters en de Levieten. Zie 1 Kron. 15:2 , 15:12 , 15:13 , 15:14 . 1 Kronieken 15:2 : Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die heeft YHWH gekozen, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 15:12 : En hij zei tot hen: Gijlieden zijt familiehoofden onder de Levieten; heiligt u, u en uw broers, dat u de ark van YHWH, van de God van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 1 Kronieken 15:13 : Want omdat u ten eerste dit niet deedt, heeft YHWH, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht. 1 Kronieken 15:14 : Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark van YHWH, van de God van Israël, op te brengen.
[^2samuel-6-13-29]: Kanttekening 29: zes treden voortgetreden waren: Zie 1 Kron. 15:26 . Anders, zes gangen gegaan waren. 1 Kronieken 15:26 : Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van YHWH droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.
[^2samuel-6-13-30]: Kanttekening 30: hij ossen en gemest vee offerde: Te weten, David, door de priesters; om God zo in het algemeen voor zijn genade te danken, alsook in het bijzonder dat er geen scheur, gelijk tevoren geschied was, en de dragers van de ark van God gesterkt en voor ongeval bewaard waren. Dit offeren heeft kunnen gebeuren op een altaar, dat in haast was opgeworpen, naar het bevel, Ex. 20:24 . Vergelijk 1 Kron. 15:26 . Exodus 20:24 : Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. 1 Kronieken 15:26 : Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van YHWH droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.
[^2samuel-6-14-31]: Kanttekening 31: huppelde met alle macht: Het Hebreeuwse woord komt van Car, dat betekent een lam, dat, al voorgaande, huppelt en springt. Versta dit niet vleselijk, of naar de wijze van de kinderen van deze wereld, maar uit enkel heilige geestelijke vreugde, die de Heilige Geest in zijn hart ontstak over de bestelling van de reinen godsdienst, en de goddelijke voorbeelden en tekenen van de zaligmakende genade van onze Heiligen Jezus Christus, die uit zijn zaad zou voortkomen naar het vlees.
[^2samuel-6-14-32]: Kanttekening 32: van YHWH: Die boven de ark tegenwoordig was en zich daar openbaarde. Zie 1 Sam. 4:4 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.
[^2samuel-6-14-33]: Kanttekening 33: linnen lijfrok: Hebreeuws, בָּֽד, efod; dat is, had een licht linnen overkleed aan. Zie 1 Sam. 2:18 , en dit tot een bewijs zijn deemoedigheid voor YHWH. Zie vers 21 , 6:22 . 1 Samuël 2:18 : Maar Samuël diende voor het aangezicht van YHWH, zijnde een jongeling, omgord met de linnen lijfrok. 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH. 2 Samuël 6:22 : Ook zal ik mij nog geringer houden dan zo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan u gezegd hebt, met dezelfde zal ik verheerlijkt worden.
[^2samuel-6-15-34]: Kanttekening 34: gehele huis van Israël: Zie 1 Kron. 15:3 , 15:25 , en boven, vers 1 . 1 Kronieken 15:3 : Ook vergaderde David geheel Israël te Jeruzalem, om de ark van YHWH op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had. 1 Kronieken 15:25 : Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israël, en de oversten van de duizenden, heengingen, om de ark van het verbond van YHWH op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde; 2 Samuël 6:1 : Daarna verzamelde David opnieuw alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend.
[^2samuel-6-15-35]: Kanttekening 35: geluid van de bazuinen: Zie 1 Kron. 15:24 . 1 Kronieken 15:24 : En Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-Edom en Jehia waren poortwachters van de ark.
[^2samuel-6-16-36]: Kanttekening 36: Zie boven, 2 Sam. 3:13 , enz. 2 Samuël 3:13 : En hij zei: Wel, ik zal een verbond met u maken; maar een ding begeer ik van u, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat u Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als u komt om mijn aangezicht te zien.
[^2samuel-6-16-37]: Kanttekening 37: springende en huppelende: Of, zich sterkende, of \[gelijk wij zeggen\] naar zijn uiterste vermogen zich daartoe zettende en huppelende; dat is, met alle macht huppelende, gelijk vers 14 . 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok.
[^2samuel-6-16-38]: Kanttekening 38: van YHWH: Gelijk boven, vers 14 , en onder, vers 17 , 6:21 . 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen. 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH.
[^2samuel-6-16-39]: Kanttekening 39: verachtte zij hem in haar hart: Van Davids heilig en geestelijk werk onheiliglijk, vleselijk oordelende.
[^2samuel-6-17-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 15:1 ; 1 Kron. 16:1 . 1 Kronieken 15:1 : En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde van de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar. 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.
[^2samuel-6-17-40]: Kanttekening 40: gespannen had: Al voordat hij heenging om de ark te halen. Zie 1 Kron. 15:1 . Dit heeft hij door ingeven van de Heilige Geest gedaan, om te dienen ten tijde toe, dat een ander huis van YHWH mocht worden gebouwd, dat hij voornemens was te doen, maar door Gods bevel van Salomo geschied is. De andere tent, door Mozes opgericht, is geweest te Silo, 1 Sam. 1:3 , enz., en 1 Sam. 14:3 ; te Nob, 1 Sam. 21:1 , enz., en te Gibeon, 1 Kron. 16:39 , 16:40 . 1 Kronieken 15:1 : En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was. 1 Samuël 21:1 : Toen kwam David te Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u alleen, en geen man met u? 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is; 1 Kronieken 16:40 : Om YHWH de brandofferen geduriglijk te offeren op het brandofferaltaar, van de morgen en van de avond; en dat naar alles, wat er geschreven staat in de wet van YHWH, die Hij Israël geboden had.
[^2samuel-6-18-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 16:2 . 1 Kronieken 16:2 : Als David het brandoffer en de dankofferen geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van YHWH.
[^2samuel-6-18-41]: Kanttekening 41: zegende hij het volk: Als een profeet en godzalig koning wenst hij het volk van God alle lichamelijke en geestelijke welvaart.
[^2samuel-6-18-42]: Kanttekening 42: Naam van YHWH van de legermachten: Zie boven, vers 2 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^2samuel-6-19-43]: Kanttekening 43: stuk vlees , en een fles wijn : Dit verstaan de Hebreën van zulk een stuk of gedeelte van een beest, gelijk vrienden op grote gastmalen elkaar te die tijde plachten te vereren. Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord eschpar komt van vuur en vet; dat is te zeggen een rundgebraad.
[^2samuel-6-20-44]: Kanttekening 44: Zie vers 18 . 2 Samuël 6:18 : Als David geëindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van YHWH van de legermachten.
[^2samuel-6-20-45]: Kanttekening 45: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt: Dit spreekt zij spottenderwijze, willende zeggen dat David zichzelven als weggeworpen en te schande gemaakt had, zich aanstellende niet als een koning, maar als één van de snoodsten en verachtelijksten onder het volk.
[^2samuel-6-20-46]: Kanttekening 46: ijdele mensen: Van het kaal, ijdel en lichtvaardig gespuis, zie Richt. 9:4 . Hebreeuws, נִגְל֖וֹת, zich ontblotende ontbloot, of, ontbloot wordende ontbloot wordt. Richteren 9:4 : En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.
[^2samuel-6-21-47]: Kanttekening 47: aangezicht van YHWH: Gelijk boven, vers 14 , 6:16 , 6:17 . David wil zeggen dat hij dit alles ter ere Gods en tot dankbaarheid voor zijn onbegrijpende genade, zo geestelijke als lichamelijke, gedaan heeft, ja dat hij \[gelijk volgt\] nog veel meer schuldig was te doen, en doen wilde. 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok. 2 Samuël 6:16 : En het geschiedde, als de ark van YHWH in de stad van David kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht van YHWH, verachtte zij hem in haar hart. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^2samuel-6-21-48]: Kanttekening 48: voor uw vader en voor zijn gehele huis: Dit is, voorbijgaande uw vader en uws vaders huis.
[^2samuel-6-21-49]: Kanttekening 49: mij instellende: Hebreeuws, צַוֺּ֨ת, mij gebiedende; of bevelende een voorganger, versta te zijn; dat is, mij instellende tot een voorganger. Vergelijk onder, 2 Sam. 7:11 , en 1 Sam. 13:14 . 2 Samuël 7:11 : En van die dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u YHWH te kennen, dat YHWH u een huis maken zal. 1 Samuël 13:14 : Maar nu zal uw rijk niet bestaan. YHWH heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en YHWH heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat u YHWH geboden had.
[^2samuel-6-21-50]: Kanttekening 50: Of, leidsman; gelijk 1 Sam. 9:16 , en 1 Sam. 10:1 , en 1 Sam. 13:14 , en 1 Sam. 25:30 . 1 Samuël 9:16 : Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat zijn geroep tot Mij gekomen is. 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? 1 Samuël 13:14 : Maar nu zal uw rijk niet bestaan. YHWH heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en YHWH heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat u YHWH geboden had. 1 Samuël 25:30 : En het zal gebeuren, als YHWH mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël;
[^2samuel-6-22-51]: Kanttekening 51: met dezelfde: Achtende het mij geen schande \[gelijk u meent\] maar een eer te zijn voor God, wanneer ik hem ook met de allerminsten zijns volks vereer, en mij in die delen aan hen gelijk stel.
[^2samuel-6-23-52]: Kanttekening 52: tot de dag van haar dood toe: Dat is, zolang zij leefde, nimmermeer. Vergelijk 1 Sam. 15:35 ; Matt. 1:25 , enz. 1 Samuël 15:35 : En Samuël zag Saul niet meer tot de dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde YHWH, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.

### 2 Samuël 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/7.json)

*Nadat David tot rust gekomen is, wil hij de HEERE een huis bouwen, wat de profeet Nathan prijst, vers 1 enz. Maar God laat het David door diezelfde profeet terstond verbieden, met een verhaal van de grote weldaden die hem tevoren bewezen zijn, en de belofte van grotere toekomstige weldaden, namelijk een zoon, Salomo, die God een huis zou bouwen, en de Messias, die uit zijn zaad naar het vlees zou voortkomen, 4. Waarover David zeer verwonderd en verheugd is, en hij brengt de HEERE een zeer hartelijke dankzegging, 17.*

**1** [^2samuel-7-1-1][^2samuel-7-1-a] En het gebeurde, als de koning in zijn huis[^2samuel-7-1-2] zat, en YHWH hem rust gegeven had van al zijn[^2samuel-7-1-3] vijanden rondom, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v1)

**2** Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een[^2samuel-7-2-4] cederen huis, en de ark van God woont in het midden[^2samuel-7-2-5] van de gordijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v2)

**3** En Nathan zei tot de koning: Ga heen,[^2samuel-7-3-6] doe al wat in uw hart is, want YHWH is met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v3)

**4** Maar het gebeurde in dezelfde nacht, dat het woord van YHWH tot Nathan kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v4)

**5** Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt YHWH: Zou u Mij een huis bouwen tot Mijn woning?[^2samuel-7-5-8][^2samuel-7-5-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v5)

**6** Want Ik heb in geen huis gewoond,[^2samuel-7-6-b] van die dag af, dat Ik de Israëlieten uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik[^2samuel-7-6-9] heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v6)

**7** [^2samuel-7-7-10]Overal, waar Ik met al de Israëlieten heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te[^2samuel-7-7-12] weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis?[^2samuel-7-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v7)

**8** Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zou zijn over Mijn volk, over Israël.[^2samuel-7-8-13][^2samuel-7-8-c][^2samuel-7-8-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v8)

**9** En Ik ben met u geweest,[^2samuel-7-9-d] overal, waar u gegaan bent, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een grote naam gemaakt, als de naam van de groten, die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v9)

**10** En[^2samuel-7-10-15] Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij[^2samuel-7-10-16] aan zijn plaats woont, en niet meer heen en weer gedreven wordt; en de[^2samuel-7-10-17] kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet[^2samuel-7-10-18] meer verdrukken, zoals[^2samuel-7-10-19] in het eerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v10)

**11** En van[^2samuel-7-11-20] die dag af, dat Ik[^2samuel-7-11-21] geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u YHWH te kennen, dat YHWH[^2samuel-7-11-22] u een huis maken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v11)

**12** [^2samuel-7-12-e] Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaders zult[^2samuel-7-12-23] ontslapen zijn, zo zal Ik uw[^2samuel-7-12-24] zaad na u doen opstaan, dat uit[^2samuel-7-12-25] uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v12)

**13** [^2samuel-7-13-f] Die zal Mijn Naam een[^2samuel-7-13-26] huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in[^2samuel-7-13-27] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v13)

**14** [^2samuel-7-14-g] Ik zal[^2samuel-7-14-28] hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon;[^2samuel-7-14-h] die als[^2samuel-7-14-29] hij misdoet, zo zal Ik hem met een[^2samuel-7-14-30] mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v14)

**15** Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v15)

**16** Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot[^2samuel-7-16-31] in eeuwigheid,[^2samuel-7-16-32] voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v16)

**17** Naar al deze woorden, en naar dit hele visioen,[^2samuel-7-17-33] zo sprak Nathan tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v17)

**18** Toen ging de koning David[^2samuel-7-18-34] in, en bleef voor het[^2samuel-7-18-35] aangezicht van YHWH, en hij zei: Wie ben ik, Adonai YHWH, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v18)

**19** Daartoe is[^2samuel-7-19-36] dit in Uw ogen nog klein geweest, Adonai YHWH, maar U hebt ook over het huis van Uw knecht gesproken[^2samuel-7-19-37] tot van verre heen; en dit naar de[^2samuel-7-19-38] wet van de mensen, Adonai YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v19)

**20** En wat zal David nog meer tot U spreken? Want U kent Uw knecht, Adonai YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v20)

**21** Vanwege Uw[^2samuel-7-21-39] woord, en naar Uw hart hebt U[^2samuel-7-21-40] al deze grote[^2samuel-7-21-41] dingen[^2samuel-7-21-42] gedaan,[^2samuel-7-21-43] om aan Uw knecht bekend te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v21)

**22** Daarom bent U groot, YHWH God![^2samuel-7-22-i] Want er is niemand zoals U, en er is geen God dan[^2samuel-7-22-44] alleen U,[^2samuel-7-22-45] naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v22)

**23** [^2samuel-7-23-k] En wie is, zoals Uw volk, zoals Israël, één enig volk op aarde,[^2samuel-7-23-46] dat[^2samuel-7-23-47] God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een[^2samuel-7-23-48] Naam te zetten, en om[^2samuel-7-23-49] voor u deze[^2samuel-7-23-50] grote en verschrikkelijke dingen te doen aan[^2samuel-7-23-51] Uw land, voor het aangezicht van Uw volk, dat U Zich uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden[^2samuel-7-23-52] verdrijvende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v23)

**24** En U hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in[^2samuel-7-24-53] eeuwigheid; en U, YHWH, bent hun tot een[^2samuel-7-24-54] God[^2samuel-7-24-55] geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v24)

**25** Nu dan, YHWH God, doe dit woord, dat U over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, zoals U gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v25)

**26** En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: YHWH van de legermachten is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v26)

**27** Want U, YHWH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor[^2samuel-7-27-56] het oor van Uw knecht geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht[^2samuel-7-27-57] in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v27)

**28** Nu dan, Adonai YHWH! U bent die God, en[^2samuel-7-28-l] Uw woorden zullen waarheid zijn, en U hebt dit goede tot Uw knecht gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v28)

**29** Zo moge het U nu behagen, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want U, Adonai YHWH, hebt het gesproken, en[^2samuel-7-29-58] met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/7.html#v29)

[^2samuel-7-1-1]: Kanttekening 1: het geschiedde: Vergelijk dit gehele hoofdstuk, 2 Sam. 7 , met 1 Kron. 17 .
[^2samuel-7-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 17 .
[^2samuel-7-1-2]: Kanttekening 2: Wonende in stilte en rust, gelijk volgt.
[^2samuel-7-1-3]: Kanttekening 3: vijanden rondom: Die zo voor David vreesden, dat zij hem geen krijg meer durfden aandoen, hoewel David uit eigen beweging naderhand verscheidene oorlogen gevoerd heeft, om Israël in bezitting te stellen van het recht en de vrijheid, die hun van God beloofd was. Zie onder, 2 Sam. 8:11 , 8:12 , 8:13 , 8:14 ; 1 Kron. 18:3 , en Gen. 15:18 . 2 Samuël 8:11 : Welke de koning David ook YHWH heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had; 2 Samuël 8:12 : Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^2samuel-7-2-4]: Kanttekening 4: cederen huis: Zie boven, 2 Sam. 5:11 . 2 Samuël 5:11 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.
[^2samuel-7-2-5]: Kanttekening 5: van de gordijnen: Volgens Gods bevel, Ex. 26:1 , enz. David wil zeggen dat het hem niet betaamt betere woning te hebben dan de ark, en dat hij daarom voorhad God een cederen huis te bouwen. Zie vers 7 . Exodus 26:1 : De tabernakel nu zult u maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult u ze maken. 2 Samuël 7:7 : Overal, waar Ik met al de kinderen van Israël heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met één van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis?
[^2samuel-7-3-6]: Kanttekening 6: doe al wat in uw hart is: Dit spreekt Nathan in de haast uit zichzelven, niet anders denkende dan dat Davids voornemen God behaagde, zonder zijn openbaring over deze gewichtige zaak te verwachten. Zie dergelijke van Samuël, 1 Sam. 16:6 . 1 Samuël 16:6 : En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor YHWH, Zijn gezalfde.
[^2samuel-7-5-8]: Kanttekening 8: tot Mijn woning: Versta daarop, u zult dat niet doen.
[^2samuel-7-5-7]: Kanttekening 7: Mij een huis bouwen: Zo spreekt God, omdat Hij zich in dit huis en boven de ark met zijn genadige aanwezigheid openbaarde.
[^2samuel-7-6-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2samuel-7-6-9]: Kanttekening 9: Ik heb gewandeld: Hebreeuws, אֶֽהְיֶה֙, Ik ben geweest wandelende.
[^2samuel-7-7-10]: Kanttekening 10: De zin is dat YHWH zich nooit beklaagd heeft, dat de regenten van Israël Hem geen cederen huis bouwden.
[^2samuel-7-7-12]: Kanttekening 12: Zie boven, 2 Sam. 5:2 . 2 Samuël 5:2 : Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël.
[^2samuel-7-7-11]: Kanttekening 11: die Ik bevolen heb: Uit welke Ik nu en dan een rechter of regent genomen of verwekt heb.
[^2samuel-7-8-13]: Kanttekening 13: Gelijk boven, 2 Sam. 6:2 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^2samuel-7-8-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 16:11 ; idem v. 12 ; Ps. 78:70 . 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. Psalmen 78:70 : En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
[^2samuel-7-8-14]: Kanttekening 14: Ik heb u genomen van de schaapskooi: Het volgende verhaal van Gods bijzondere weldaden aan David bewezen en in het toekomende te bewijzen, diende om de bekommernis en twijfeling voor te komen, die David daaruit had mogen scheppen, dat God van hem geen huis voor zich wilde gebouwd hebben; waardoor hij in deze gedachten had kunnen vervallen, alsof hij God niet aangenaam moest zijn, of dat Hij hem niet waard kende om dat te doen.
[^2samuel-7-9-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 8:6 ; idem v. 14 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2samuel-7-10-15]: Kanttekening 15: Ik heb voor Mijn volk: Anders, ik zal, enz.
[^2samuel-7-10-16]: Kanttekening 16: aan zijn plaats woont: Dat is, in zijn eigen afgezonderd land.
[^2samuel-7-10-17]: Kanttekening 17: kinderen van de verkeerdheid: Zie boven, 2 Sam. 3:34 . 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^2samuel-7-10-18]: Kanttekening 18: meer verdrukken: Hebreeuws, עַנּוֹת֔, zullen niet toedoen, of voortvaren hem \[Israël\] te verdrukken. Versta dit alles onder conditie van gehoorzaamheid. Zie Deut. 28 .
[^2samuel-7-10-19]: Kanttekening 19: als in het eerst: Dit kan men verstaan van de verdrukking in Egypte.
[^2samuel-7-11-20]: Kanttekening 20: die dag: Sinds Israël, door Jozua in het beloofde land ingevoerd en geplant zijnde, van verscheidene richters is gediend en beschermd geweest, maar ook van verscheidene vijanden zeer verdrukt en geplaagd, tot deze tijd toe, dat Ik u rust gegeven heb, enz. Zie van het woord richters, Richt. 2:16 . Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
[^2samuel-7-11-21]: Kanttekening 21: geboden heb: Dat is, door mijn bevel, raad en woord verwekt en gesteld heb. Zie boven, 2 Sam. 6:21 . 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH.
[^2samuel-7-11-22]: Kanttekening 22: u een huis maken zal: Inplaats dat u voorhebt YHWH een huis te bouwen, laat Hij u weten dat Hij u een huis wil bouwen, dat is, uw koninkrijk bij uw nakomelingen bestendig te maken, en wat veel meer is uit uw zaad de Messias naar het vlees , die een eeuwig koning over zijn volk zal zijn, verwekken. Deze profetie moet men zo verstaan, dat zij eensdeels ziet op Salomo als een voorbeeld van de Heer Christus, anderdeels op Christus, wiens voorbeeld hij geweest is. En dat sommigen dingen passen op Salomo alleen, sommige op Christus alleen, en eigenlijk sommige op hen beiden.
[^2samuel-7-12-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 8:20 . 1 Koningen 8:20 : Zo heeft YHWH bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, gelijk als YHWH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd de Naam van YHWH, van de God van Israël.
[^2samuel-7-12-23]: Kanttekening 23: ontslapen zijn: Zie Deut. 31:16 ; Hand. 13:36 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb. Handelingen 13:36 : Want David, als hij in zijn tijd de raad van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;
[^2samuel-7-12-24]: Kanttekening 24: Dat is, uw zoon, of een van uw zonen. Versta, Salomo en de Messias onze Heer Jezus Christus, wiens voorbeeld Salomo geweest is. Zie 1 Kron. 28:6 ; Hand. 13:22 , 13:23 ; Rom. 1:3 , enz.; Hebr., 1:5 . 1 Kronieken 28:6 : En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn. Handelingen 13:22 : En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. Handelingen 13:23 : Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; Romeinen 1:3 : Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^2samuel-7-12-25]: Kanttekening 25: uw lijf voortkomen zal: Hebreeuws, מֵּעֶ֑י, uit uw ingewand.
[^2samuel-7-13-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 5:5 ; 1 Kon. 6:12 ; 1 Kron. 22:10 . 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 1 Koningen 6:12 : Wat dit betreft huis, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelfde; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb; 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid.
[^2samuel-7-13-26]: Kanttekening 26: huis bouwen: Salomo de tempel; de Heer Jezus Christus het geestelijk huis; dat is, de kerk van God.
[^2samuel-7-13-27]: Kanttekening 27: Het koninkrijk van Salomo en Davids nakomelingen heeft wel geduurd een langen tijd, maar dit moet men eigenlijk verstaan van het geestelijke koninkrijk van Jezus Christus, zo hetzelfde alleen eigenlijk eeuwig is. Zo onder, vers 16 . Zie Luk. 1:32 , 1:33 . 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^2samuel-7-14-g]: Verwijzing g: Ps. 89:27 ; Hebr., 1:5 . Psalmen 89:27 : Hij zal Mij noemen: U bent mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^2samuel-7-14-28]: Kanttekening 28: hem zijn tot een Vader: Dat is, Salomo uit genade, door aanneming, in Christus; maar de Heer Christus zelf \[als die mijn eigen, eeuwige en eniggeboren Zoon is\] naar de natuur. Zie Joh. 1:18 ; Hand. 13:33 ; Rom. 8:32 ; Hebr., 1:3 , 1:5 ; 1 Joh. 4:9 , enz. Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Handelingen 13:33 : Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? 1 Johannes 4:9 : Hierin is de liefde van God tegenover ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
[^2samuel-7-14-h]: Verwijzing h: Ps. 89:31 . Psalmen 89:31 : Als zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
[^2samuel-7-14-29]: Kanttekening 29: hij misdoet: Namelijk, Salomo; want de Heer Christus is geheel zonder zonden geweest. Zie Jes. 53:9 ; 2 Kor. 5:21 ; Hebr., 4:15 ; 1 Petr. 1:19 ; hoewel Hij onze zonden op zich genomen en als onze borg daarvoor betaald heeft. Jesaja 53:9 : En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Hebreeën 4:15 : Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^2samuel-7-14-30]: Kanttekening 30: Dat is, vaderlijk en matiglijk, gelijk een mens zijn kind pleegt te tuchtigen; maar zal hem niet verwerpen, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^2samuel-7-16-31]: Kanttekening 31: in eeuwigheid: Zie boven, vers 13 , en vergelijk Luk. 1:32 , 1:33 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^2samuel-7-16-32]: Kanttekening 32: voor uw aangezicht: Dat is, u zult het begin van de vervulling van deze beloften beleven en aanschouwen in uw zoon Salomo, waaruit u zult vertrouwen van de rest alsof u de vervulling met uw ogen nu aanzaagt. Zie 1 Kon. 1:48 en 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 1:48 : Ja, ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die heden gegeven heeft een, zittende op mijn troon, dat het mijn ogen gezien hebben! 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2samuel-7-17-33]: Kanttekening 33: zo sprak Nathan tot David: Dat is, Nathan heeft alles, wat hem van YHWH was geopenbaard, getrouwelijk aan David overgedragen, zonder iets af of toe te doen.
[^2samuel-7-18-34]: Kanttekening 34: In de tent, die hij voor de ark van het verbond had doen maken; boven 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^2samuel-7-18-35]: Kanttekening 35: aangezicht van YHWH: Zie boven, 2 Sam. 6:14 . 2 Samuël 6:14 : En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van YHWH; en David was omgord met een linnen lijfrok.
[^2samuel-7-19-36]: Kanttekening 36: dit in Uw ogen nog klein geweest: Dat U tot deze tijd toe bij mij gedaan hebt.
[^2samuel-7-19-37]: Kanttekening 37: tot van verre heen: Dat is, van zaken, die na een langen tijd eerst zullen gebeuren.
[^2samuel-7-19-38]: Kanttekening 38: wet van de mensen: Dat is, gelijk de mensen menselijk plegen te disponeren over hun huis, goed en de nakomelingen. Anders, naar een onderwijzing van de mensen; dat is, zeer vrij, gemeenzaamlijk en vriendelijk, gelijk mensen met mensen plegen te spreken en hen te leren. Anders, is dit een wijze van de mensen? dat is, zo met mensen te handelen? Aldus zou de zin zijn: Zijn mensen waard dat U zo vriendelijk van zulke grote toekomende dingen, die in uw raad besloten zijn, tot hen zoudt spreken? Het is te veel en te groot.
[^2samuel-7-21-39]: Kanttekening 39: woords wil: Dat is, om uw beloften wil. Of, versta door het WOORD de eeuwige Zoon van God, die het zelfstandige woord van de Vader is, in welke alle beloften van God Ja en Amen zijn. Zie 1 Kron. 17:19 ; Hagg. 2:6 . 1 Kronieken 17:19 : YHWH, vanwege Uw knecht, en naar Uw hart, hebt U al deze grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken. Haggai 2:6 : Met het woord, in dat Ik met u een verbond gemaakt heb, als u uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!
[^2samuel-7-21-40]: Kanttekening 40: Dat is, genadig welbehagen, raad, of, gunstige genegenheid tot mij.
[^2samuel-7-21-41]: Kanttekening 41: grote dingen: Hebreeuws, גְּדוּלָּ֖ה, al deze grootheid.
[^2samuel-7-21-42]: Kanttekening 42: David spreekt door geloof en naar de wijze van de profeten van het toekomende, alsof het reeds volbracht ware, vermits de zekerheid van de goddelijke beloften.
[^2samuel-7-21-43]: Kanttekening 43: om aan Uw knecht: Of, makende \[die\] uw knecht bekend.
[^2samuel-7-22-i]: Verwijzing i: Deut. 3:24 ; Deut. 4:35 ; Deut. 32:39 ; 1 Sam. 2:2 ; Ps. 86:8 ; Jes. 45:5 ; idem v. 18 ; idem v. 22 ; Mark. 12:29 ; idem v. 32 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:2 : Er is niemand heilig, gelijk YHWH; want er is niemand dan U, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! Psalmen 86:8 : Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken. Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:18 : Want zo zegt YHWH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben YHWH, en niemand meer. Jesaja 45:22 : Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer. Marcus 12:29 : En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heer, onze God, is een enig Heer. Marcus 12:32 : En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester, U hebt wel in van de waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;
[^2samuel-7-22-44]: Kanttekening 44: alleen U: Of, behalve, naast U.
[^2samuel-7-22-45]: Kanttekening 45: naar alles: Dat is, naar uitwijzen van alles, enz.
[^2samuel-7-23-k]: Verwijzing k: Deut. 4:7 ; Deut. 33:29 ; Ps. 147:20 . Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild uw hulp, en Die een Zwaard is uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! Psalmen 147:20 : Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
[^2samuel-7-23-46]: Kanttekening 46: Of, dat, omdat.
[^2samuel-7-23-47]: Kanttekening 47: God is heengegaan: Hebreeuws, ELOHIM (אֱלֹהִים) zijn heen gegaan. Zie van deze manier van spreken Gen. 20:13 . Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer!
[^2samuel-7-23-48]: Kanttekening 48: Naam te zetten: Dit is, tot eer zijns heiligen naams.
[^2samuel-7-23-49]: Kanttekening 49: voor u: Te weten, o Israël.
[^2samuel-7-23-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, deze grootheid en verschrikkelijkheden, of vreeslijkheden.
[^2samuel-7-23-51]: Kanttekening 51: Uw land: O God.
[^2samuel-7-23-52]: Kanttekening 52: verdrijvende : Dit woord is hier ingevoegd uit 1 Kron. 17:21 . Anders, aldus: Voor het aangezicht uws volks, dat U U verlost hebt van Egypte, van de volken en hun goden. 1 Kronieken 17:21 : En wie is als Uw volk Israël, een enig volk op de aarde, dat God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat U U een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht Uws volks, dat U uit Egypte verlost hebt?
[^2samuel-7-24-53]: Kanttekening 53: Versta, Israël naar het vlees, tot op de komst van Christus, maar het geestelijke Israël \[dat is, de kerk van God, bestaande uit gelovige Joden en heidenen\] in alle eeuwigheid.
[^2samuel-7-24-54]: Kanttekening 54: Zie Gen. 17:7 ; Lev. 18:2 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Leviticus 18:2 : Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Ik ben YHWH, uw God!
[^2samuel-7-24-55]: Kanttekening 55: Of, geweest.
[^2samuel-7-27-56]: Kanttekening 56: oor Uws knechts: Dat is, U hebt het mij doen horen, mij geopenbaard, te weten gedaan, dat mij tevoren verborgen was. Zie gelijke manier van spreken, Ruth 4:4 , en 1 Sam. 9:15 ; zie daar. Ruth 4:4 : En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten mijns volks; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen. 1 Samuël 9:15 : Want YHWH had het voor Samuëls oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende:
[^2samuel-7-27-57]: Kanttekening 57: in zijn hart gevonden: Hebreeuws, הִתְפַּלֵּ֣ל, zijn hart gevonden, of, met of bij zijn hart gevonden; dat is, hij heeft zich daarover in zijn hart zo gesteld gevonden, dat hij voorgenomen heeft dit gebed tot bewijs zijns geloofs en zijn dankbaarheid voor U uit te spreken.
[^2samuel-7-28-l]: Verwijzing l: Joh. 17:17 . Johannes 17:17 : Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
[^2samuel-7-29-58]: Kanttekening 58: met Uw zegen: Met deze woorden betuigt David zijn geloof, waarmee hij deze beloften van God aannam, vastelijk vertrouwende dat zij zouden worden volbracht.

### 2 Samuël 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/8.json)

*David onderwerpt de Filistijnen, vers 1. Alsook de Moabieten, 2. Verslaat ook Hadadezer, de koning van Zoba, 3. en de Syriërs van Damascus, die hem te hulp kwamen, 5. legt een garnizoen in Syrië van Damascus, 6. wordt door koning Toï met voortreffelijke geschenken vereerd, die hij, met grote buit, de HEERE heiligt, 10. Verslaat de Edomieten, en legt een garnizoen in hun land, 13. Verhaal van Davids regering, en de voornaamste ambtenaren, 15.*

**1** [^2samuel-8-1-a] En het gebeurde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam[^2samuel-8-1-1] Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v1)

**2** Ook sloeg hij de Moabieten, en[^2samuel-8-2-2] meette hen met een snoer,[^2samuel-8-2-3] doende hen ter aarde neerliggen; en hij meette met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, en brachten[^2samuel-8-2-4] geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v2)

**3** David sloeg ook[^2samuel-8-3-5] Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van[^2samuel-8-3-6] Zoba, toen[^2samuel-8-3-7] hij heen trok,[^2samuel-8-3-8] om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v3)

**4** En David[^2samuel-8-4-b] nam hem duizend[^2samuel-8-4-9] wagens af, en zevenhonderd[^2samuel-8-4-10] ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde[^2samuel-8-4-11] alle[^2samuel-8-4-12] wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v4)

**5** En[^2samuel-8-5-13] de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v5)

**6** En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten,[^2samuel-8-6-14] en brachten geschenken; en YHWH[^2samuel-8-6-15] behoedde David overal, waar hij heentrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v6)

**7** En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers[^2samuel-8-7-16] knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v7)

**8** Daartoe nam de koning David zeer veel koper uit[^2samuel-8-8-17] Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v8)

**9** Als nu[^2samuel-8-9-18] Thoi, de koning van[^2samuel-8-9-19] Hamath, hoorde, dat David het hele leger van Hadad-ezer geslagen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v9)

**10** Zo zond Thoi zijn zoon[^2samuel-8-10-20] Joram tot de koning David, om hem te vragen naar[^2samuel-8-10-21] zijn welstand, en om hem te[^2samuel-8-10-22] zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer[^2samuel-8-10-23] voerde steeds strijd tegen Thoi); en in[^2samuel-8-10-24] zijn hand waren zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en koperen voorwerpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v10)

**11** Die de koning David ook YHWH heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v11)

**12** Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen van Ammon, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v12)

**13** [^2samuel-8-13-c] Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had,[^2samuel-8-13-25] in het Zoutdal,[^2samuel-8-13-26] achttien duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v13)

**14** En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden[^2samuel-8-14-27] David tot knechten; en YHWH[^2samuel-8-14-28] behoedde David overal, waar hij heentrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v14)

**15** Zo regeerde David over geheel Israël, en David[^2samuel-8-15-29] deed aan zijn hele[^2samuel-8-15-30] volk recht en gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v15)

**16** [^2samuel-8-16-d] Joab nu, de zoon van Zeruja, was[^2samuel-8-16-31] over het leger; en Josafat, zoon van Achilud, was[^2samuel-8-16-32] kanselier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v16)

**17** En[^2samuel-8-17-33] Zadok, zoon van Ahitub, en[^2samuel-8-17-34] Achimelech, zoon van Abjathar, waren[^2samuel-8-17-35] priesters; en Seraja was[^2samuel-8-17-36] schrijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v17)

**18** Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de[^2samuel-8-18-37] Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren[^2samuel-8-18-38] prinsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/8.html#v18)

[^2samuel-8-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 18:1 . 1 Kronieken 18:1 : Het geschiedde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit van de Filistijnen hand.
[^2samuel-8-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de toom van Amma, of van de elleboog. Het schijnt ganselijk dat hierdoor verstaan wordt de koninklijke hoofdstad van de Filistijnen, Gath, die uitdrukkelijk vermeld is 1 Kron. 18:1 , en \[gelijk sommigen menen\] gelegen op een berg genoemd Amma, en hier geheten een toom, omdat zij door haar vastheid en macht de omliggende plaatsen in bedwang hield, en de inval van de vijanden belette. 1 Kronieken 18:1 : Het geschiedde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit de hand van de Filistijnen.
[^2samuel-8-2-2]: Kanttekening 2: mat hen met een snoer: Dat is, hij deelde hun land bij meting, dat men te die tijde deed met snoeren of koorden, ombrengende bij loting de inwoners van twee delen, maar een volkomen deel latende in het leven. Of, hij deelde het volk in drie gelijke delen bij loting, zo gelijk, alsof zij met snoeren gemeten waren, enz. God had wel bevolen Ammon en Moab \[als Loths nakomelingen\] te sparen, Deut. 2:9 , 2:19 , maar omdat zij bittere vijandschap tegen Gods volk gepleegd hadden en met de vijanden aanspanden, zo heeft hen David, als zodanig, vijandelijk moeten behandelen. Zie Num. 22:2 , 22:3 , 22:4 , enz., en Num. 24:17 , en Num. 25:17 , 25:18 , en Num. 31:2 ; Richt. 3:14 , 3:21 , 3:28 , 3:30 ; 1 Sam. 14 ;47, en onder 2 Sam. 10:4 , 10:7 , enz. Deuteronomium 2:9 : Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 2:19 : En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. Numeri 22:2 : Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had; Numeri 22:3 : Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Numeri 22:4 : Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente van het veld oplikt. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. Numeri 24:17 : Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren. Numeri 25:17 : Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen; Numeri 25:18 : Want zij hebben vijandelijk tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. Numeri 31:2 : Neem de wraak van de kinderen van Israël van de Midianieten; daarna zult u verzameld worden tot uw volken. Richteren 3:14 : En de kinderen van Israël dienden Eglon, koning van de Moabieten, achttien jaren. Richteren 3:21 : Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik; Richteren 3:28 : En hij zei tot hen: Volgt mij na; want YHWH heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan. Richteren 3:30 : Zo werd Moab op die dag onder Israëls hand te ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren. 2 Samuël 10:4 : Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. 2 Samuël 10:7 : Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het gehele leger met de helden.
[^2samuel-8-2-3]: Kanttekening 3: doende hen ter aarde nederliggen: Uit verachting hen ter aarde nederleggende. Of, hen zo afmattende, dat zij als ter aarde neerbogen, mat en overwonnen zijnde.
[^2samuel-8-2-4]: Kanttekening 4: Tot een teken van onderdanigheid. Zo onder, vers 6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2samuel-8-3-5]: Kanttekening 5: Ook genoemd Hadarezer, 1 Kron. 18:3 . 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath.
[^2samuel-8-3-6]: Kanttekening 6: Zie 1 Sam. 14:47 . Dit meent men geweest te zijn het gedeelte van Syrië, dat Sofene genoemd wordt; komende deze woorden Zoba, of Zova, en Sofene zeer na overeen. Zie ook onder, 2 Sam. 10:6 . 1 Samuël 14:47 : Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
[^2samuel-8-3-7]: Kanttekening 7: David, of gelijk sommigen, Hadad-Ezer.
[^2samuel-8-3-8]: Kanttekening 8: om zijn hand te wenden: Dat is, om zijn macht uit te strekken, enz. Anders, om zijn grenzen te stellen, of herstellen. \[Hebreeuws, הָשִׁ֥יב, te doen terugkeren, of weer te brengen \] aan de rivier Fraat; dat is Eufraat, welke landpale Israël van God beloofd was, en dienvolgens hem moest toegeëigend worden. Vergelijk 1 Kron. 18:3 , en zie Gen. 15:18 , enz. 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^2samuel-8-4-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 18:4 . 1 Kronieken 18:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar hij behield honderd wagens daarvan over.
[^2samuel-8-4-9]: Kanttekening 9: wagens af: Dat is hier ingevoegd uit 1 Kron. 18:4 , waar deze historie wordt wederhaald. 1 Kronieken 18:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar hij behield honderd wagens daarvan over.
[^2samuel-8-4-10]: Kanttekening 10: Versta, \[zoals enige dit nemen\] rotten van ruiters, elk rot bestaande uit tien, makende zo tezamen zeven duizend ruiters, welk getal uitdrukkelijk staat 1 Kron. 18:4 . Vergelijk 2 Sam. 10:18 . 1 Kronieken 18:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar hij behield honderd wagens daarvan over. 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^2samuel-8-4-11]: Kanttekening 11: Uitgezonderd de honderd, die hij behield, gelijk volgt.
[^2samuel-8-4-12]: Kanttekening 12: Of, wagens. Zie Joz. 11:6 . Jozua 11:6 : En YHWH zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden.
[^2samuel-8-5-13]: Kanttekening 13: de Syriërs van Damascus: Hebreeuws, עְזֹ֕ר, Aram; dat is, Syrië. Zie Gen. 10:22 , en Gen. 22:21 , waardoor de Syriërs verstaan worden. Syrië van Damascus was wel het voornaamste deel of koninkrijk onder al de gedeelten, landen, provinciën of koninkrijken, \[waarvan enige verhaald worden, onder, 2 Sam. 10:6 \], die onder Syrië begrepen waren; zijnde tot onderscheiding genoemd Syrië van Damascus, van de naam van de vermaarde hoofdstad van dit koninkrijk. Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Genesis 22:21 : Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram, 2 Samuël 10:6 : Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.
[^2samuel-8-6-14]: Kanttekening 14: brengende geschenken: Gelijk boven, vers 2 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^2samuel-8-6-15]: Kanttekening 15: behoedde David overal: Of, gaf David heil, of overwinning; waardoor het Hebreeuwse woord bekwamelijk kan worden genomen in krijgszaken. Zo onder, 2 Sam. 8 ;14, en 2 Sam. 22:51 , en 2 Sam. 23:10 , 23:12 ; Ps. 20:6 ; Spreuk. 21:31 , enz. 2 Samuël 22:51 : Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. 2 Samuël 23:10 : Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moe werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en YHWH wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde opnieuw hem na, alleen om te plunderen. 2 Samuël 23:12 : Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en YHWH wrocht een groot heil. Psalmen 20:6 : Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in de Naam onzes Gods. YHWH vervulle al uw begeerten. Spreuken 21:31 : Het paard wordt bereid tegen de dag van de strijd; maar de overwinning is van YHWH.
[^2samuel-8-7-16]: Kanttekening 16: knechten geweest waren: Dat is, officieren.
[^2samuel-8-8-17]: Kanttekening 17: Betach, en uit Berothai: Tibehat en Chun genoemd 1 Kron. 18:8 . 1 Kronieken 18:8 : Ook nam David zeer veel kopers uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen vaten gemaakt.
[^2samuel-8-9-18]: Kanttekening 18: Ook genoemd Thou, 1 Kron. 18:9 . 1 Kronieken 18:9 : Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de gehele heirkracht van Hadar-ezer, de koning van Zoba, geslagen had;
[^2samuel-8-9-19]: Kanttekening 19: Zie Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^2samuel-8-10-20]: Kanttekening 20: Hadoram genoemd, 1 Kron. 18:10 . 1 Kronieken 18:10 : Zo zond hij zijn zoon Hadoram tot de koning David, om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had (want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou), en alle gouden, en zilveren, en koperen vaten;
[^2samuel-8-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, naar vrede; dat is, om hem vriendelijk te begroeten. Zie Gen. 43:27 . Genesis 43:27 : En hij vraagde hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zeide? Leeft hij nog?
[^2samuel-8-10-22]: Kanttekening 22: Hem te begroeten en geluk te wensen vanwege de verkregen victorie, dat is \[gelijk men zegt\] te congratuleren.
[^2samuel-8-10-23]: Kanttekening 23: voerde steeds krijg tegen Thoi: Hebreeuws, יָד֗, was een man van de krijgen van Thoï; dat is, hij deed hem steeds de oorlog aan, was zijn vijand en tegenstrijder, die hem niet ongekweld liet. Zie Gen. 9:20 , en vergelijk Richt. 12:2 ; onder 2 Sam. 18:20 , en 2 Kron. 35:21 ; Ps. 41:10 . Genesis 9:20 : En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard. Richteren 12:2 : En Jeftha zei tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb u geroepen, maar u hebt mij uit hun hand niet verlost. 2 Samuël 18:20 : Maar Joab zei tot hem: U zult deze dag geen boodschapper zijn, maar op een anderen dag zult u boodschappen; deze dag nu zult u niet boodschappen, daarom dat de zoon van de koning dood is. 2 Kronieken 35:21 : Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? Wat u betreft, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
[^2samuel-8-10-24]: Kanttekening 24: zijn hand: Dit is, Joram, de zoon van Thoï, had deze geschenken bij zich, onder zijn handen, gelijk men zegt. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 9:8 ; 2 Kon. 5:5 , enz. 1 Samuël 9:8 : En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze. 2 Koningen 5:5 : Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.
[^2samuel-8-13-c]: Verwijzing c: Ps. 60:2 . Psalmen 60:2 : Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
[^2samuel-8-13-25]: Kanttekening 25: in het Zoutdal: Te weten, maakte hij zich een naam, of, \[staande\] in het Zoutdal, enz. waarvan zie 2 Kon. 14:7 . Dit dal lag aan het zuidelijke einde van de Zoutzee, aan het oostelijke einde van het gebergte van de Edomieten of Seïr. 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag.
[^2samuel-8-13-26]: Kanttekening 26: achttien duizend: Van de Edomieten, zie 1 Kron. 18:12 , waarop vers 14 past. Vergelijk ook Ps. 60:2 . 1 Kronieken 18:12 : Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. Psalmen 60:2 : Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
[^2samuel-8-14-27]: Kanttekening 27: David tot knechten: En zijn nakomelingen, tot de tijd van Joram, Josafats zoon. Zie 2 Kon. 8:22 . 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^2samuel-8-14-28]: Kanttekening 28: behoedde David overal: Gelijk boven, vers 6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2samuel-8-15-29]: Kanttekening 29: deed aan zijn gehele volk: Hebreeuws, צְדָקָ֖ה, was doende.
[^2samuel-8-15-30]: Kanttekening 30: recht en gerechtigheid: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^2samuel-8-16-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 18:15 . 1 Kronieken 18:15 : Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het legermacht; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;
[^2samuel-8-16-31]: Kanttekening 31: over het leger: Dat is, generaal krijgsoverste.
[^2samuel-8-16-32]: Kanttekening 32: Zie 1 Kon. 4:3 . 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^2samuel-8-17-33]: Kanttekening 33: Van Aärons linie, door Eleazar, 1 Kron. 6:4 , 6:8 , en 1 Kron. 24:3 . Zie van deze onder 2 Sam. 15:24 , en 2 Sam. 20:25 ; 1 Kron. 16:39 , en 1 Kron. 24:3 , en 1 Kron. 29:22 ; idem 1 Kon. 1:8 , 1:32 , 1:38 , en 1 Kon. 2:35 . 1 Kronieken 6:4 : En Eleazar verwekte Pinehas, Pinehas verwekte Abisua; 1 Kronieken 6:8 : En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Ahimaäz; 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst. 2 Samuël 15:24 : En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark van het verbond van God, en zij zetten de ark van God neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan. 2 Samuël 20:25 : En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters. 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is; 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst. 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op diezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester. 1 Koningen 1:8 : Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met Adonia niet. 1 Koningen 1:32 : En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning. 1 Koningen 1:38 : Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon. 1 Koningen 2:35 : En de koning zette Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het leger; en Zadok, de priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.
[^2samuel-8-17-34]: Kanttekening 34: Van Aärons linie, door Ithamar en Eli, 1 Kron. 24:3 . 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.
[^2samuel-8-17-35]: Kanttekening 35: Van de ordeningen van de priesters zie Num. 3:32 , en 2 Kon. 23:4 . Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het leger van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
[^2samuel-8-17-36]: Kanttekening 36: Zie 1 Kon. 4:3 . 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^2samuel-8-18-37]: Kanttekening 37: Krethi en de Plethi: Over welke Benaja overste was. Zie 2 Sam. 20:23 ; 1 Kron. 18:17 . Van Krethi en Plethi, zie 1 Kon. 1:38 . 2 Samuël 20:23 : Joab nu was over het gehele leger van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi; 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eerste aan de hand van de koning. 1 Koningen 1:38 : Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon.
[^2samuel-8-18-38]: Kanttekening 38: Of, hoofdofficieren. Van het Hebreeuwse woord \[dat anders gemeenlijk priesters betekent\], zie Gen. 41:45 . Hier kan het geen priesters betekenen, omdat Davids zonen uit de stam van Juda waren, niet uit de stam van Levi. Dit woord wordt 1 Kron. 18:17 aldus verklaard: Davids zonen waren de eerste aan de hand van de koning, of de koning ter hand, gelijk men zegt. Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eerste aan de hand van de koning.

### 2 Samuël 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/9.json)

*David, gedenkend aan zijn beloften die hij Jonathan gedaan had, laat diens zoon Mefiboseth zoeken en bij zich brengen, vers 1 enz. Geeft hem al het goed van Saul, en stelt Ziba daarover tot beheerder aan, maar neemt Mefiboseth aan zijn tafel, 7.*

**1** En David zei: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik goedertierenheid aan hem doe, vanwege Jonathan?[^2samuel-9-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v1)

**2** Het huis van Saul nu had een[^2samuel-9-2-2] knecht, van wie de naam Ziba was; en zij riepen hem tot David. En de koning zei tot hem: Bent u Ziba? En hij zei:[^2samuel-9-2-4] Uw knecht.[^2samuel-9-2-a][^2samuel-9-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v2)

**3** En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik[^2samuel-9-3-5] Gods goedertierenheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die[^2samuel-9-3-6] geslagen is aan[^2samuel-9-3-b] beide voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v3)

**4** En de koning zei tot hem: Waar is hij? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, te[^2samuel-9-4-7] Lodebar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v4)

**5** Toen zond de koning David heen, en hij[^2samuel-9-5-8] nam hem uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v5)

**6** Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neer. En David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v6)

**7** En David zei tot hem: Vrees niet, want ik zal[^2samuel-9-7-9] zeker goedertierenheid bij u doen, omwille van uw vader Jonathan; en ik zal[^2samuel-9-7-10] u alle[^2samuel-9-7-11] akkers van uw vader[^2samuel-9-7-12] Saul wedergeven; en u zult steeds[^2samuel-9-7-13] brood eten aan mijn tafel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v7)

**8** Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een[^2samuel-9-8-14] doden hond, als ik ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v8)

**9** Toen riep de koning Ziba, Sauls[^2samuel-9-9-15] jongen, en zei tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn hele huis, heb ik de zoon van uw heer gegeven.[^2samuel-9-9-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v9)

**10** Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon van uw heer brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon van uw heer, zal voortdurend brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v10)

**11** En Ziba zei tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, zo zal uw knecht doen.[^2samuel-9-11-17] Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van de zonen van de koning zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v11)

**12** Mefiboseth nu had een kleine zoon, van wie de naam Micha was; en allen,[^2samuel-9-12-18] die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v12)

**13** Zo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij steeds at aan de tafel van de koning;[^2samuel-9-13-19] en hij was kreupel aan beide zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/9.html#v13)

[^2samuel-9-1-1]: Kanttekening 1: Jonathans wil: Zie boven, 2 Sam. 1:26 , en 1 Sam. 20 . 2 Samuël 1:26 : Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broer Jonathan! U was mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van de vrouwen.
[^2samuel-9-2-2]: Kanttekening 2: Een bezorger van het huis, als hofmeester, Gen. 15:2 , 15:3 . Vergelijk onder, vers 10 . Genesis 15:2 : Toen zei Abram: Heer, YHWH! wat zult U mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer? Genesis 15:3 : Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! 2 Samuël 9:10 : Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
[^2samuel-9-2-4]: Kanttekening 4: Uw knecht: Dat is, ik ben Ziba, tot uw dienst.
[^2samuel-9-2-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 16:1 ; 2 Sam. 19:17 . 2 Samuël 16:1 : Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths jongen, met een paar gezadelde ezelen, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een leren zak wijn. 2 Samuël 19:17 : En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij togen vaardiglijk over de Jordaan, voor de koning.
[^2samuel-9-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, Tsiba.
[^2samuel-9-3-5]: Kanttekening 5: Gods weldadigheid bij hem doe: Zie 1 Sam. 20 ;14,15,16,17.
[^2samuel-9-3-6]: Kanttekening 6: geslagen is aan beide voeten: Gelijk boven, 2 Sam. 4:4 ; dat is, kreupel, gelijk onder, vers 13 . 2 Samuël 4:4 : En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth. 2 Samuël 9:13 : Zo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan de tafel van de koning; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
[^2samuel-9-3-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 4:4 . 2 Samuël 4:4 : En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth.
[^2samuel-9-4-7]: Kanttekening 7: Gelegen over de Jordaan, in het land Gilead, niet ver van Mahanaïm. Zie onder, 2 Sam. 17:27 . 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,
[^2samuel-9-5-8]: Kanttekening 8: nam hem uit het huis van Machir: Dit is, liet hem halen.
[^2samuel-9-7-9]: Kanttekening 9: ik zal zekerlijk: Hebreeuws, עָשֹׂה֩, ik zal doende doen, enz.
[^2samuel-9-7-10]: Kanttekening 10: En uw zoon, onder, vers 9 , 9:12 . 2 Samuël 9:9 : Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zei tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn gehele huis, heb ik de zoon uws heren gegeven. 2 Samuël 9:12 : Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
[^2samuel-9-7-11]: Kanttekening 11: akkers van uw vader Saul: Of, al het veld, land.
[^2samuel-9-7-12]: Kanttekening 12: Omdat Isboseth en anderen van Sauls huis tegen David gekrijgd hadden, zo waren hun goederen aan de koning vervallen, die ze nu Mefiboseth wedergeeft.
[^2samuel-9-7-13]: Kanttekening 13: brood eten aan mijn tafel: Dat is, dagelijks bij mij eten en drinken, ter tafel bij mij gaan. Zie boven, 2 Sam. 3:35 . 2 Samuël 3:35 : Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, als ik voor het ondergaan van de zon brood of iets smake!
[^2samuel-9-8-14]: Kanttekening 14: doden hond: Een spreekwoord bij de Joden, waarmee iemands nietigheid en verachtelijkheid wordt uitgedrukt. Zie 1 Sam. 24:15 , en onder, 2 Sam. 16:9 . Vergelijk boven, 2 Sam. 3:8 . 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo! 2 Samuël 16:9 : Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen. 2 Samuël 3:8 : Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat u heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid van een vrouw?
[^2samuel-9-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, die Sauls knecht geweest was.
[^2samuel-9-9-16]: Kanttekening 16: zoon uws heren gegeven: Te weten, Mefiboseth; of gelijk sommigen, Micha \[vs. 12\]?, als die daarvan zou leven; maar hiermede was de vader niet uitgesloten, gelijk vers 7 . 2 Samuël 9:7 : En David zei tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en u zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.
[^2samuel-9-11-17]: Kanttekening 17: Ook zou Mefiboseth: Hij wil zeggen dat hij ook Mefiboseth zelf \[als het de koning had beliefd\] aan zijn tafel zo wel zou getrakteerd hebben, alsof hij aan het hof ware. Anderen nemen dit voor de woorden van de koning, aldus: Maar Mefiboseth \[zei de koning\] zal eten aan mijn tafel, als één van de zonen van de koning.
[^2samuel-9-12-18]: Kanttekening 18: die in het huis van Ziba woonden: Hebreeuws, עֲבָדִ֖ים, alle, of, de gehele woning van het huis van Ziba.
[^2samuel-9-13-19]: Kanttekening 19: en hij was kreupel aan beide zijn voeten: Of, hoewel hij, enz.

### 2 Samuël 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/10.json)

*David zendt gezanten tot de koning van de Ammonieten, met een aanbieding van zijn gunst, vers 1, 2. Maar deze koning behandelt de gezanten schandelijk, 3. en verzamelt een groot krijgsleger tegen David, 6. Waartegen David Joab en Abisaï uitzendt, die de Ammonieten en Syriërs (die hen te hulp gekomen waren) verslaan, en terugkeren naar Jeruzalem, 7. De Syriërs, die zich weer tegen David verzamelen, worden door hem verslagen en onderworpen, 15.*

**1** [^2samuel-10-1-1][^2samuel-10-1-a] En het gebeurde daarna, dat de[^2samuel-10-1-2] koning van de kinderen van Ammon stierf, en zijn zoon[^2samuel-10-1-3] Hanun werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v1)

**2** Toen zei David: Ik zal goedertierenheid doen aan Hanun, de zoon van[^2samuel-10-2-4] Nahas,[^2samuel-10-2-5] zoals zijn vader goedertierenheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door de dienst van zijn knechten te troosten over[^2samuel-10-2-8] zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen van Ammon.[^2samuel-10-2-6][^2samuel-10-2-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v2)

**3** Toen zeiden de vorsten van de kinderen van Ammon tot hun heer Hanun: Eer David uw vader[^2samuel-10-3-9] in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft?[^2samuel-10-3-10] Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v3)

**4** Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor[^2samuel-10-4-11] hun baard half af, en sneed hun kleren[^2samuel-10-4-12] half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v4)

**5** Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zei: Blijf te[^2samuel-10-5-13] Jericho, totdat uw baard weer[^2samuel-10-5-14] gegroeid zal zijn, komt dan weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v5)

**6** Toen nu de kinderen van Ammon zagen, dat zij zich bij David[^2samuel-10-6-15] in kwade reuk gebracht hadden, zonden de kinderen van Ammon heen, en[^2samuel-10-6-16] huurden van[^2samuel-10-6-17] de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van[^2samuel-10-6-18] Tob twaalf duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v6)

**7** Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het hele leger met de[^2samuel-10-7-19] helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v7)

**8** En de kinderen van Ammon trokken uit, en stelden de slagorde voor de deur[^2samuel-10-8-20] van de poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa stonden afzonderlijk in het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v8)

**9** Als nu Joab zag, dat de[^2samuel-10-9-21] spits van de slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde[^2samuel-10-9-22] tegen de Syriërs aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v9)

**10** En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen van Ammon aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v10)

**11** En hij zei: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult u mij[^2samuel-10-11-23] komen verlossen; en zo de kinderen van Ammon u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v11)

**12** [^2samuel-10-12-24] Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; YHWH nu[^2samuel-10-12-25] doe, wat[^2samuel-10-12-26] goed is in Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v12)

**13** Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot de strijd tegen de Syriërs; en zij vluchtten voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v13)

**14** Als de kinderen van Ammon zagen, dat de Syriërs vluchtten, vluchtten zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weer van de kinderen van Ammon, en kwam te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v14)

**15** Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, zo verzamelden zij zich weer samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v15)

**16** En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die aan de overzijde van[^2samuel-10-16-27] de rivier zijn, en zij kwamen te[^2samuel-10-16-28] Helam; en[^2samuel-10-16-29] Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, trok voor hun aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v16)

**17** Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij geheel Israël, en trok over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden[^2samuel-10-17-30] de slagorde tegen David aan, en streden met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v17)

**18** Maar de Syriërs vluchtten voor Israëls aangezicht, en David[^2samuel-10-18-31] versloeg van de Syriërs zevenhonderd[^2samuel-10-18-32] wagens, en veertig[^2samuel-10-18-33] duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v18)

**19** Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers[^2samuel-10-19-34] knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en[^2samuel-10-19-35] dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen van Ammon meer te[^2samuel-10-19-36] verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/10.html#v19)

[^2samuel-10-1-1]: Kanttekening 1: En het geschiedde daarna: Vergelijk dit hoofdstuk met 1 Kron. 19 .
[^2samuel-10-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 19:1 . 1 Kronieken 19:1 : En het geschiedde na deze, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats.
[^2samuel-10-1-2]: Kanttekening 2: koning van de kinderen Ammons: Zie van deze 1 Sam. 11 , waar hij genoemd wordt Nahas, gelijk ook hier in vers 2 . 2 Samuël 10:2 : Toen zei David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door de dienst van zijn knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.
[^2samuel-10-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, Chanun.
[^2samuel-10-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, Nachasch.
[^2samuel-10-2-5]: Kanttekening 5: gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft: Wanneer en waarin dit geschied is, wordt in de Heilige Schrift niet vermeld. Het kan zijn dat hij gelijke weldadigheid aan David bewezen heeft ten tijde van zijn ballingschap, gelijk de koning van de Moabieten; 1 Sam. 22:4 . 1 Samuël 22:4 : En hij bracht hen voor het aangezicht van de koning van de Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.
[^2samuel-10-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, zijns vaders dood.
[^2samuel-10-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, hand.
[^2samuel-10-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, zijn officieren, of hovelingen, die hij als gezanten tot hem schikte.
[^2samuel-10-3-9]: Kanttekening 9: in uw ogen: Dat is, naar uw mening. De zin is: Meent u, of, denkt u dat David dit doet om uw vader te eren?
[^2samuel-10-3-10]: Kanttekening 10: Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden: Zij willen zeggen dat hij het zonder allen twijfel daarom gedaan heeft. Zie van zulk vragen Richt. 4:6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^2samuel-10-4-11]: Kanttekening 11: hun baard half af: Hebreeuws, חֲצִ֣י, de helft huns baards.
[^2samuel-10-4-12]: Kanttekening 12: half af: Hebreeuws, חֲצִ֣י, in, of door de helft.
[^2samuel-10-5-13]: Kanttekening 13: Versta, ter plaatse, of omtrent waar Jericho voormaals gebouwd was, want Jericho is eerst weer opgebouwd ten tijde van Achab, 1 Kon. 16:34 . 1 Koningen 16:34 : In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord van YHWH, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had.
[^2samuel-10-5-14]: Kanttekening 14: gewassen zal zijn: Hebreeuws, זְקַנְ, zal groenen. Een gelijkenis, genomen van de uitspruitende en groenende kruiden.
[^2samuel-10-6-15]: Kanttekening 15: stinkende gemaakt hadden: Zie Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^2samuel-10-6-16]: Kanttekening 16: huurden van: Te weten, om hen als soldaten in deze krijg te dienen. Dat is de eerste historie van de Heilige Schrift in welke men leest van krijgslieden, die zich verhuurd hebben om geld andere heren in de krijg te dienen.
[^2samuel-10-6-17]: Kanttekening 17: Syriërs van Beth-Rechob: Zie boven, 2 Sam. 8:5 . 2 Samuël 8:5 : En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^2samuel-10-6-18]: Kanttekening 18: Zie Richt. 11:3 . Richteren 11:3 : Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen vergaderden zich tot Jeftha, en togen met hem uit.
[^2samuel-10-7-19]: Kanttekening 19: Zie van Davids helden, onder, 2 Sam. 23:8 , enz. 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.
[^2samuel-10-8-20]: Kanttekening 20: Van de stad Medeba, zie 1 Kron. 19:7 . Dit deden zij mee om de stad te bewaren en bij nood daarin te mogen wijken; \[onder, vers 14 \], latende het overschot bijzonder in het veld, om van de andere zijde Joab aan te tasten. 1 Kronieken 19:7 : Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagens; en de koning van Maächa en zijn volk kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde. 2 Samuël 10:14 : Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weer van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.
[^2samuel-10-9-21]: Kanttekening 21: spits van de slagorde: Hebreeuws, הָיְתָ֤ה, het aangezicht.
[^2samuel-10-9-22]: Kanttekening 22: tegen de Syriërs aan: Hebreeuws, יַּעֲרֹ֖ךְ, in het gemoed van Syrië; en zo in vers 10 , 10:17 . 2 Samuël 10:10 : En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan. 2 Samuël 10:17 : Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij geheel Israël, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.
[^2samuel-10-11-23]: Kanttekening 23: komen verlossen: Hebreeuws, ישׁוּעָ֑ה, tot verlossing zijn.
[^2samuel-10-12-24]: Kanttekening 24: Wees sterk: Dat is, houd u dapper en mannelijk.
[^2samuel-10-12-25]: Kanttekening 25: Of, zal doen.
[^2samuel-10-12-26]: Kanttekening 26: goed is in Zijn ogen: Dat is, wat hem behaagt.
[^2samuel-10-16-27]: Kanttekening 27: rivier zijn: Namelijk, Eufraat.
[^2samuel-10-16-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, Chelam. Deze plaats wordt in de Heilige Schrift nergens vermeld dan in deze historie.
[^2samuel-10-16-29]: Kanttekening 29: Ook genoemd Schophach; 1 Kron. 19:16 . 1 Kronieken 19:16 : Als de Syriërs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israël geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan de andere zijde van de rivier woonden; en Sofach, de krijgsoverste van Hadar-ezer, toog voor hun aangezicht heen.
[^2samuel-10-17-30]: Kanttekening 30: tegen David aan: Hebreeuws, יִּלָּחֲמ֖וּ, in het gemoed, gelijk boven, vers 9 , 10:10 . 2 Samuël 10:9 : Als nu Joab zag, dat de spits van de slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde tegen de Syriërs aan; 2 Samuël 10:10 : En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.
[^2samuel-10-18-31]: Kanttekening 31: versloeg van de Syriërs: Hebreeuws, מֵאוֹת֙, sloeg dood.
[^2samuel-10-18-32]: Kanttekening 32: Versta, met hun ruiters, die van de wagens, op welke zij gevoerd werden, vochten; en kan men hierdoor verstaan zeven honderd rotten van ruiters, makende tezamen zeven duizend; welk getal uitdrukkelijk staat 1 Kron. 19:18 . Zie boven, 2 Sam. 8:4 . 1 Kronieken 19:18 : Maar de Syriërs vloden voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagens, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, de krijgsoverste. 2 Samuël 8:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over.
[^2samuel-10-18-33]: Kanttekening 33: Hiervoor staat 1 Kron. 19:18 voetvolk, of te voet; dat zo kan worden vergeleken, dat boven de gemelde wagens en ruiters, het meeste leger, zo te paard als te voet, verslagen is, zodat hier de menigte van het paardenvolk, en 1 Kron. 19 een gelijke menigte van het voetvolk verhaald wordt. Dat deze volken met grote menigten plachten ten strijde te gaan \[gelijk ook David zelf daarom met geheel Israël is uitgetogen\] is uit de Heilige Schrift bekend. Anderen verstaan zeven honderd grote en uitstekende wagens in deze plaats, en het gehele getal van de wagens tezamen, groot en klein, zeven duizend, 1 Kron. 19:18 . 1 Kronieken 19:18 : Maar de Syriërs vloden voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagens, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, de krijgsoverste. 1 Kronieken 19:18 : Maar de Syriërs vloden voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagens, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, de krijgsoverste.
[^2samuel-10-19-34]: Kanttekening 34: knechten waren: Dat is, die hem onderworpen, of onder zijn bescherming waren, of die hij tot zijn dienst in deze krijg gebruikt had.
[^2samuel-10-19-35]: Kanttekening 35: dienden hen: Dat is, waren hun onderworpen en onderdanig. Vergelijk 1 Sam. 4:9 , en elders dikwijls. 1 Samuël 4:9 : Zijt sterk, en weest mannen, u Filistijnen, opdat u de Hebreën niet misschien dient, gelijk als zij u gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt.
[^2samuel-10-19-36]: Kanttekening 36: Dit is, bij te staan, te hulp komen, om te verlossen.

### 2 Samuël 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/11.json)

*Terwijl Joab, op last van David, de stad Rabba belegert, vers 1, pleegt David thuis overspel met Bathseba, 2. en als hij verneemt dat zij zwanger geworden was, ontbiedt hij haar man Uria uit het leger, om zijn schande te bedekken, 5. Wat niet lukt, en daarom zendt hij Uria terug naar het leger met een brief aan Joab, die hij beveelt te zorgen dat Uria door de hand van de vijand omkomt, 9. Wat zo geschiedt, en als Joab dit aan David bericht heeft, trouwt David deze Bathseba, 17.*

**1** [^2samuel-11-1-a] En het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn[^2samuel-11-1-2] knechten met hem, en geheel Israël heenzond, dat zij de kinderen van Ammon zouden vernietigen, en[^2samuel-11-1-3] Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.[^2samuel-11-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v1)

**2** Zo gebeurde het tegen de avondtijd, dat David van zijn[^2samuel-11-2-4] leger opstond, en wandelde op het[^2samuel-11-2-5] dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was heel knap om te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v2)

**3** En David zond heen, en ondervraagde naar deze vrouw; en[^2samuel-11-3-6] men zei:[^2samuel-11-3-7] Is dat niet[^2samuel-11-3-8] Bathseba, de dochter[^2samuel-11-3-9] van Eliam, de huisvrouw van Uria, de Hethiet?[^2samuel-11-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v3)

**4** Toen[^2samuel-11-4-11] zond David boden heen, en[^2samuel-11-4-12] liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich[^2samuel-11-4-b] van haar[^2samuel-11-4-13] onreinheid gezuiverd), daarna keerde zij weer naar haar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v4)

**5** En die vrouw werd zwanger; zo[^2samuel-11-5-14] zond zij heen, en liet David weten, en[^2samuel-11-5-15] zei: Ik ben zwanger geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v5)

**6** Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uria, de Hethiet, tot mij. En Joab zond Uria tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v6)

**7** Als nu Uria tot hem kwam, zo vraagde David naar de[^2samuel-11-7-16] welstand van Joab, en naar de welstand van het volk, en naar de welstand van de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v7)

**8** Daarna zei David tot Uria: Ga af naar uw huis, en[^2samuel-11-8-17] was uw voeten. En toen Uria uit het huis van de koning uitging, werd hem een gerecht van de koning achternagebracht.[^2samuel-11-8-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v8)

**9** Maar Uria legde zich neer voor de deur van het huis van de koning, met al de knechten van zijn heer; en hij ging niet af in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v9)

**10** En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zei David tot Uria: Komt u niet van de[^2samuel-11-10-19] reis? Waarom bent u niet afgegaan in uw huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v10)

**11** En Uria zei tot David: De[^2samuel-11-11-20] ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten van mijn heer zijn gelegerd op het open[^2samuel-11-11-21] veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen?[^2samuel-11-11-22] Zo waarachtig als u leeft en uw ziel leeft,[^2samuel-11-11-23] als ik deze zaak doen zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v11)

**12** Toen zei David tot Uria: Blijf ook vandaag hier, zo zal ik u morgen afzenden. Zo bleef Uria te Jeruzalem, die dag en de andere dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v12)

**13** En David nodigde hem, zodat hij[^2samuel-11-13-24] voor zijn aangezicht at en dronk, en[^2samuel-11-13-25] hij maakte hem dronken. Daarna ging[^2samuel-11-13-26] hij in de avond uit, om zich neer te leggen op zijn bed, met de knechten van zijn[^2samuel-11-13-27] heer, maar[^2samuel-11-13-28] ging niet af in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v13)

**14** 's Morgens nu gebeurde het, dat David[^2samuel-11-14-29] een brief schreef aan Joab; en hij zond die door de hand van Uria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v14)

**15** En hij schreef in die brief,[^2samuel-11-15-30] zeggende:[^2samuel-11-15-31] Stel Uria[^2samuel-11-15-32] vooraan tegenover de sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen wordt en sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v15)

**16** Zo gebeurde het, als Joab op de[^2samuel-11-16-33] stad[^2samuel-11-16-34] gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat daar strijdbare mannen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v16)

**17** Als nu de mannen van de stad uittrokken en met Joab streden,[^2samuel-11-17-35] vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria, de Hethiet, stierf ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v17)

**18** Toen zond Joab heen, en liet David de gehele handel van deze strijd weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v18)

**19** En hij beval de bode, zeggende: Als u zult geëindigd hebben de gehele handel van deze strijd tot de koning uit te spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v19)

**20** En het zal gebeuren, als de woede van de koning opkomt, en hij tot u zegt: Waarom bent u zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist u niet, dat zij van de muur zouden[^2samuel-11-20-36] schieten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v20)

**21** [^2samuel-11-21-c] Wie sloeg Abimelech, de zoon[^2samuel-11-21-37] van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van de muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom bent u tot de muur genaderd? Dan zult u zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v21)

**22** En de bode ging heen, en kwam in, en gaf David te kennen alles, waar hem Joab om uitgezonden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v22)

**23** En de bode zei tot David:[^2samuel-11-23-38] Die mannen[^2samuel-11-23-39] zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur van de poort.[^2samuel-11-23-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v23)

**24** Toen schoten de schutters van de muur af op uw knechten, dat er van de knechten van de koning dood gebleven zijn; en uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v24)

**25** Toen zei David tot de bode: Zo zult u tot Joab zeggen:[^2samuel-11-25-41] Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, want het zwaard verteert[^2samuel-11-25-42] zowel deze als anderen; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor[^2samuel-11-25-43] ze; versterk hem zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v25)

**26** Als nu de huisvrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zo droeg zij leed over haar[^2samuel-11-26-44] heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v26)

**27** En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en[^2samuel-11-27-45] nam haar in zijn huis; en zij werd hem tot vrouw, en baarde hem een zoon. Maar deze zaak, die David gedaan had,[^2samuel-11-27-46] was kwaad in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/11.html#v27)

[^2samuel-11-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 20:1 . 1 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van de jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze.
[^2samuel-11-1-2]: Kanttekening 2: knechten met hem: Dat is, zijn krijgsoverste met de soldaten.
[^2samuel-11-1-3]: Kanttekening 3: Rabba belegeren zouden: De hoofdstad van de Ammonieten, gelegen over de Jordaan aan het gebergte Gileads, bij de oorsprong van de beek Jabbok. Zie ook onder 2 Sam. 12:26 , enz. 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.
[^2samuel-11-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, als het jaar om was en de zomertijd van het volgende jaar aankwam, wanneer de koningen plachten te velde te trekken om krijg te voeren; zijnde het weer alsdan bekwaam om voederingen en nooddruftige behoeften voor mensen en beesten te bekomen. Zie 1 Kon. 20:22 , 20:26 ; 1 Kron. 20:1 , en 2 Kron. 36:10 . 1 Koningen 20:22 : Toen trad die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u doen zult; want met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken. 1 Koningen 20:26 : Het geschiedde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël. 1 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van het jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze. 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^2samuel-11-2-4]: Kanttekening 4: leger opstond: Waarop hij zijn middagrust genomen had. Vergelijk boven, 2 Sam. 4:5 , 4:7 . 2 Samuël 4:5 : En de zonen van Rimmon: de Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen heen, en kwamen in het huis van Isboseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in de middag. 2 Samuël 4:7 : Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen, de weg op het vlakke veld, de gehele nacht.
[^2samuel-11-2-5]: Kanttekening 5: Zie van de gelegenheid van de daken Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^2samuel-11-3-6]: Kanttekening 6: men zei: Hebreeuws, זֹאת֙, hij zei. Dat is, iemand van zijn hofgezin zei.
[^2samuel-11-3-7]: Kanttekening 7: Is dat niet: Hij wil zeggen dat het zekerlijk Bathseba was. Zie van zulk vragen Richt. 4:6 , en boven, 2 Sam. 10:3 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? 2 Samuël 10:3 : Toen zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?
[^2samuel-11-3-8]: Kanttekening 8: Anders genoemd Bathsua, 1 Kron. 3:5 . 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël;
[^2samuel-11-3-9]: Kanttekening 9: Anders genoemd Ammiël; 1 Kron. 3:5 . 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël;
[^2samuel-11-3-10]: Kanttekening 10: Maar bekeerd tot de ware religie, en daarin ijverende, gelijk te zien is onder, vers 11 . Vergelijk 1 Sam. 26:6 . Sommigen menen dat hij een Hethiet genoemd is, omdat hij bij de kinderen Heths gewoond had. Van dit volk, zie Gen. 23:3 , enz. 2 Samuël 11:11 : En Uria zei tot David: De ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als u leeft en uw ziel leeft, als ik deze zaak doen zal! 1 Samuël 26:6 : Toen antwoordde David, en sprak tot Achimelech, de Hethiet, en tot Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab, zeggende: Wie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zei Abisai: Ik zal met u afgaan. Genesis 23:3 : Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijn dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:
[^2samuel-11-4-11]: Kanttekening 11: zond David boden heen: Niettegenstaande dat hij verstaan had, dat zij een echten had.
[^2samuel-11-4-12]: Kanttekening 12: liet haar halen: Hebreeuws, יִּקָּחֶ֗, nam haar; dat is, liet haar nemen en brengen.
[^2samuel-11-4-b]: Verwijzing b: Lev. 15:19 ; Lev. 18:19 . Leviticus 15:19 : Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 18:19 : Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
[^2samuel-11-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, geheiligd; dat is, gezuiverd, gereinigd. Zie hiervan Lev. 15:19 , 15:20 , 15:21 , enz. Leviticus 15:19 : Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:20 : En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. Leviticus 15:21 : En al wie haar leger aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
[^2samuel-11-5-14]: Kanttekening 14: zond zij heen: Merkende dat zij zwanger geworden was van Davids bijligging.
[^2samuel-11-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, liet hem zeggen.
[^2samuel-11-7-16]: Kanttekening 16: welstand van Joab: Hebreeuws, שְׁל֤וֹם, naar de vrede; en zo in het volgende. Zie boven, 2 Sam. 8:10 , en Gen. 43:27 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Genesis 43:27 : En hij vraagde hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zeide? Leeft hij nog?
[^2samuel-11-8-17]: Kanttekening 17: was uw voeten: Zie Gen. 18:4 . Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom.
[^2samuel-11-8-18]: Kanttekening 18: volgde hem een gerecht van de koning achterna: Hebreeuws, מֶּֽלֶךְ, ging een gerecht van de koning achter hem uit. Versta een gerecht van de tafel van de koning, waardoor David Uria wilde verwekken om zich met zijn vrouw vrolijk te maken en bij haar te slapen, om daarna te doen geloven dat Uria de vader van het kind was, en zo zijn overspel voor de mensen te verbergen.
[^2samuel-11-10-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, weg.
[^2samuel-11-11-20]: Kanttekening 20: Die zij in zware oorlogen plachten mee te nemen, om, in de nood zijnde, de Heer raad te vragen, gelijk te zien is Num. 31:6 , 1 Sam. 4:4 , en 1 Sam. 14:18 , hoewel dat ten aanzien van de huichelaars \[die ongelovig zijnde, zich op de uiterlijke genadetekenen tevergeefs verlaten\] vruchteloos was. Numeri 31:6 : En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elke stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten van het geklank in zijn hand. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 1 Samuël 14:18 : Toen zei Saul tot Ahia: Breng de ark van God herwaarts. Want de ark van God was op die dag bij de kinderen van Israël.
[^2samuel-11-11-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, aangezicht van het veld.
[^2samuel-11-11-22]: Kanttekening 22: u leeft en uw ziel leeft: Zie Gen. 42:16 . Genesis 42:16 : Zendt één uit u, die uw broer hale; maar weest u gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en als niet, zo waarlijk als Farao leeft, zo bent u verspieders!
[^2samuel-11-11-23]: Kanttekening 23: als ik deze zaak doen zal: Waarop te verstaan is: Zo doe mij God dit en dat. Van zulk een afgebroken manier van spreken, in het eedzweren gebruikelijk, zie Gen. 14:23 . Deze ijverige en godvruchtige redenen van Uria behoorden David wel bewogen te hebben, om zich aan deze vromen man niet verder te bezondigen. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^2samuel-11-13-24]: Kanttekening 24: voor zijn aangezicht: Dat is, in Davids aanwezigheid, aan zijn tafel.
[^2samuel-11-13-25]: Kanttekening 25: hij maakte hem dronken: David maakte Uria dronken, strekkende dit al tot hetzelfde einde, waarvan vers 8 gezegd is. 2 Samuël 11:8 : Daarna zei David tot Uria: Ga af naar uw huis, en was uw voeten. En toen Uria uit het huis van de koning uitging, volgde hem een gerecht van de koning achterna.
[^2samuel-11-13-26]: Kanttekening 26: hij in de avond uit: Uria.
[^2samuel-11-13-27]: Kanttekening 27: heren knechten: Davids.
[^2samuel-11-13-28]: Kanttekening 28: ging niet af in zijn huis: Niettegenstaande dat hij dronken, of beschonken was, bleef hij bestendig bij zijn verklaring vers 11 gedaan. 2 Samuël 11:11 : En Uria zei tot David: De ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als u leeft en uw ziel leeft, als ik deze zaak doen zal!
[^2samuel-11-14-29]: Kanttekening 29: een brief schreef aan Joab: Toen hij merkte dat het eerste voornemen, om zijn overspel door Uria en Bathseba's bijslapen te verbergen, niet gelukt was, neemt hij voor, de goeden Uria op zulk een wijze te doen ombrengen, dat men het beleid en de praktijk \[zo hij meende\] niet zou merken; vallende zo door zijn vleselijke verblinding en de verleiding van de duivel, van de ene zware zonde in de andere.
[^2samuel-11-15-30]: Kanttekening 30: Dat is, aldus, in deze voege.
[^2samuel-11-15-31]: Kanttekening 31: Stel Uria: Hebreeuws, הָב֣וּ, geef, breng.
[^2samuel-11-15-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, tegenover het aangezicht van de sterkste strijd; dat is, waar de kloekste en dapperste krijgslieden van de vijand zijn, gelijk in vers 16 gezegd wordt, opdat hij, van u verlaten zijnde, zonder teil verslagen worde en omkome. 2 Samuël 11:16 : Zo geschiedde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat daar strijdbare mannen waren.
[^2samuel-11-16-33]: Kanttekening 33: Namelijk, Rabba, die hij belegerd had; boven, vers 1 . 2 Samuël 11:1 : En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.
[^2samuel-11-16-34]: Kanttekening 34: gelet had: Om te vernemen waar de belegerden hun kloekste krijgslieden mochten gebruiken, en om Uria tegen dezelfde vooraan te stellen. Anders, wacht tegen de stad gesteld had.
[^2samuel-11-17-35]: Kanttekening 35: vielen er van het volk: Dat is, en werden sommigen doodgeslagen.
[^2samuel-11-20-36]: Kanttekening 36: Met pijlen of andere krijgswapenen, gelijk te die tijde gebruikelijk was. Zie vers 24 . 2 Samuël 11:24 : Toen schoten de schutters van de muur af op uw knechten, dat er van de knechten van de koning dood gebleven zijn; en uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.
[^2samuel-11-21-c]: Verwijzing c: Richt. 9:52 ; idem v. 53 . Richteren 9:52 : Toen kwam Abimelech tot aan de toren, en bestormde die; en hij genaakte tot aan de deur van de toren, om die met vuur te verbranden. Richteren 9:53 : Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan.
[^2samuel-11-21-37]: Kanttekening 37: Anders genoemd Jerubaäl; dat is, Gideon. Zie Richt. 7:1 . Richteren 7:1 : Toen stond Jerubbaäl (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
[^2samuel-11-23-38]: Kanttekening 38: Die mannen: Van de belegerde stad Rabba.
[^2samuel-11-23-39]: Kanttekening 39: zijn ons zeker te machtig geweest: Of, omdat de mannen \[van de stad\] zich mannelijk, of dapperlijk tegen ons gedroegen, en tot ons in het veld uitkwamen, zo zijn wij, enz.
[^2samuel-11-23-40]: Kanttekening 40: Dat is, tot aan de ingang van de stadspoort toe hebben wij hen teruggedreven, zodat wij, door de hitte van de strijd wat te na komende, sommigen van de onze verloren hebben.
[^2samuel-11-25-41]: Kanttekening 41: Laat deze zaak: Dat is, laat u dit niet mishagen, laat u het niet vreemd dunken.
[^2samuel-11-25-42]: Kanttekening 42: zowel deze als genen: Hebreeuws, תֹּאכַ֣ל, na dat en na dit, of deze; of zo en aldus.
[^2samuel-11-25-43]: Kanttekening 43: versterk hem zo: David beveelt de bode, dat hij Joab aldus zal sterken en vanwege de koning goede moed geven. Deze historie wordt vervolgd 2 Sam. 12:26 . 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.
[^2samuel-11-26-44]: Kanttekening 44: Of, man. Vergelijk Gen. 20:3 , en zie Ex. 21:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Exodus 21:3 : Als hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; als hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.
[^2samuel-11-27-45]: Kanttekening 45: nam haar in zijn huis: Hebreeuws, תְּהִי, verzamelde haar. Zie Richt. 19:15 . Richteren 19:15 : En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten.
[^2samuel-11-27-46]: Kanttekening 46: was kwaad in de ogen van YHWH: Dat is, deze gehele handelwijze van David mishaagde de Heer zeer.

### 2 Samuël 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/12.json)

*De profeet Nathan stelt David, op Gods bevel, zijn grove zonden voor ogen door een gelijkenis, met scherpe bestraffing van zijn ondankbaarheid, en dreiging met zware straffen, vers 1 enz. David belijdt zijn zonden, die God hem ook vergeeft, maar met de toevoeging van een scherpe kastijding, 13. David smeekt en vast streng voor het zieke kind terwijl het nog leeft, maar is goedsmoeds als het dood is, 15. Waarvan hij, gevraagd zijnde, reden geeft, 21. Krijgt daarna uit Bathseba de beloofde zoon, Salomo, die Jedidja genoemd wordt, 24. David wint Rabba, en straft de Ammonieten zwaar, 26.*

**1** En YHWH zond[^2samuel-12-1-1] Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zei hij tot hem:[^2samuel-12-1-2] Er waren twee mannen in één stad, de één rijk en de ander arm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v1)

**2** De rijke had zeer veel schapen en runderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v2)

**3** Maar de arme had geheel niet dan één enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn brood, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v3)

**4** Toen nu de rijke man een wandelaar ontving, zag hij ervan af te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor de reizende man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam het ooilam van de arme man, en bereidde dat voor de man, die tot hem gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v4)

**5** Toen ontstak Davids toorn zeer tegen[^2samuel-12-5-3] die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een[^2samuel-12-5-4] kind van de dood! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v5)

**6** En dat ooilam zal hij[^2samuel-12-6-5][^2samuel-12-6-a] viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet gespaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v6)

**7** Toen zei Nathan tot David: U[^2samuel-12-7-6] bent die man! Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u tot koning[^2samuel-12-7-b] gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v7)

**8** En Ik heb u het huis[^2samuel-12-8-8] van uw[^2samuel-12-8-7] heer gegeven, daartoe de vrouwen van uw heer in uw[^2samuel-12-8-9] schoot, ja, Ik heb u het[^2samuel-12-8-10] huis van Israël en Juda gegeven; en[^2samuel-12-8-11] als het weinig is, Ik zou u zoveel en nog meer daartoe doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v8)

**9** Waarom hebt u dan het[^2samuel-12-9-12] woord van YHWH veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard[^2samuel-12-9-13] verslagen, en de vrouw van Uria hebt u tot vrouw genomen; en hem hebt u met het zwaard van de kinderen[^2samuel-12-9-14] van Ammon doodgeslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v9)

**10** Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in[^2samuel-12-10-15] eeuwigheid; daarom dat u Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt, dat zij u zijn vrouw wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v10)

**11** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken[^2samuel-12-11-16] uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen[^2samuel-12-11-17] voor uw ogen, en[^2samuel-12-11-c] zal haar[^2samuel-12-11-18] aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de[^2samuel-12-11-19] ogen van deze zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v11)

**12** Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal[^2samuel-12-12-20] deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v12)

**13** Toen zei David tot Nathan:[^2samuel-12-13-21] Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: YHWH heeft ook uw[^2samuel-12-13-22] zonde weggenomen, u zult niet[^2samuel-12-13-23] sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v13)

**14** Toch, omdat u door deze zaak de vijanden van YHWH[^2samuel-12-14-24] enorm hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is,[^2samuel-12-14-25] de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v14)

**15** Toen ging Nathan naar zijn huis. En YHWH sloeg het kind, dat de huisvrouw[^2samuel-12-15-26] van Uria David gebaard had, dat het zeer ziek werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v15)

**16** En David[^2samuel-12-16-27] zocht God voor die jongen; en David vastte een vasten, en[^2samuel-12-16-28] ging in, en[^2samuel-12-16-29] lag de nacht over op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v16)

**17** Toen maakten zich de[^2samuel-12-17-30] oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen[^2samuel-12-17-31] brood met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v17)

**18** En het gebeurde op de zevende dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht[^2samuel-12-18-32] kwaad doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v18)

**19** Maar David zag, dat zijn knechten[^2samuel-12-19-33] mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Daarom zei David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v19)

**20** Toen stond David op van de aarde, en[^2samuel-12-20-34] waste en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het[^2samuel-12-20-35] huis van YHWH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem[^2samuel-12-20-36] brood voor, en hij at. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v20)

**21** Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat u gedaan hebt? Vanwege het levende kind hebt u gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt brood gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v21)

**22** En hij zei: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik[^2samuel-12-22-37] zei: Wie weet, YHWH zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v22)

**23** Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen[^2samuel-12-23-38] wederhalen? Ik zal wel tot[^2samuel-12-23-39] hem gaan, maar hij zal tot mij niet[^2samuel-12-23-40] terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v23)

**24** Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij[^2samuel-12-24-d] baarde een zoon, die zij Salomo noemde; en YHWH had hem lief.[^2samuel-12-24-e][^2samuel-12-24-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v24)

**25** [^2samuel-12-25-42] En zond heen door de[^2samuel-12-25-43] hand van de profeet Nathan, en noemde zijn naam[^2samuel-12-25-44] Jedid-jah,[^2samuel-12-25-45] omwille van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v25)

**26** [^2samuel-12-26-46][^2samuel-12-26-f] Joab nu streed tegen Rabba van de kinderen van Ammon; en hij nam de[^2samuel-12-26-47] koninklijke stad in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v26)

**27** Toen zond Joab boden tot David, en[^2samuel-12-27-48] zei: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de[^2samuel-12-27-49] waterstad ingenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v27)

**28** Zo verzamel u nu het overige van het volk, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zo ik de stad zou innemen, mijn naam[^2samuel-12-28-50] over haar uitgeroepen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v28)

**29** Toen verzamelde David al[^2samuel-12-29-51] dat volk, en trok naar Rabba; en hij streed tegen haar, en nam ze in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v29)

**30** [^2samuel-12-30-g] En hij nam de kroon van haar koning van zijn hoofd af, waarvan het gewicht een talent goud was[^2samuel-12-30-52][^2samuel-12-30-53], met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v30)

**31** [^2samuel-12-31-h] Het[^2samuel-12-31-54] volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en[^2samuel-12-31-55] legde het onder[^2samuel-12-31-56] zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de[^2samuel-12-31-57] kleioven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen van Ammon. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/12.html#v31)

[^2samuel-12-1-1]: Kanttekening 1: Nathan tot David: De profeet, gelijk boven, 2 Sam. 7:2 . 2 Samuël 7:2 : Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen.
[^2samuel-12-1-2]: Kanttekening 2: Er waren twee mannen in een stad: Door middel van deze gelijkenis en haar verklaring heeft het de genadige God beliefd zijn knecht David vooreerst daartoe te brengen, dat hij tegen zichzelven onwetend het vonnis zou uitspreken, en voorst door de krachtige werking van de Heilige Geest uit de slaap van zijn zonden ontwaken, derzelver gruwelijkheid behartigen, en een oprecht berouw bekomen en bewijzen, gelijk geschied is.
[^2samuel-12-5-3]: Kanttekening 3: die man: Versta, de rijke man.
[^2samuel-12-5-4]: Kanttekening 4: kind van de dood: Dat is, hij is van de dood schuldig, hij heeft de dood verdiend, ten aanzien van de omstandigheden van het bittere geweld, dat hij aan die arme man gepleegd had. Vergelijk met deze manier van spreken, Gen. 20:3 ; Deut. 25:2 ; boven 2 Sam. 3:34 , en Ef. 2:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Deuteronomium 25:2 : En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn aanwezigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem. Efeziërs 2:3 : Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen;
[^2samuel-12-6-5]: Kanttekening 5: viervoudig wedergeven: Naar de wet, Ex. 22:1 . Exodus 22:1 : Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.
[^2samuel-12-6-a]: Verwijzing a: Ex. 22:1 . Exodus 22:1 : Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.
[^2samuel-12-7-6]: Kanttekening 6: zijt die man: Dat is, u bent die man gelijk, hebbende zoveel te grover en gruwelijker feit bedreven, als het meerder is iemand zijn enige echte vrouw te ontnemen, dan een enig lam, en nog daarenboven de onschuldige man te doden.
[^2samuel-12-7-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 16:13 . 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama.
[^2samuel-12-8-8]: Kanttekening 8: Niet dat God de veelheid van de vrouwen voor goed heeft gekend, maar in het Oude Testament verdragen zonder straf.
[^2samuel-12-8-7]: Kanttekening 7: heren huis gegeven: Sauls. Hebreeuws, בֵּ֣ית, van uw heren; in het getal van velen, dat voor het getal van enen in de Heilige Schrift pleegt gebruikt te worden. Zie Gen. 39:2 . Sommigen behouden, in de overzetting het getal van velen, aldus: uw heren; dat is, dergenen, die meerder en machtiger waren dan u, en zo in de volgende woorden; verstaande dat het huwelijk tussen David en Saul vrouwen \[vanwege de zwagerschap\] ongeoorloofd is geweest. Sommigen verstaan door de vrouwen van Saul niet zijn huisvrouwen, maar andere staatsvrouwen. Genesis 39:2 : En YHWH was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.
[^2samuel-12-8-9]: Kanttekening 9: Zie Gen. 16:5 ; Deut. 13:6 . Anderen verstaan, in uw schoot; dat is, in uw macht; zo nochtans dat hij haar tegen Gods wet niet mocht misbruiken. Vergelijk 1 Sam. 24:11 . Genesis 16:5 : Toen zei Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; YHWH rechte tussen mij en tussen u! Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen; 1 Samuël 24:11 : Zie, te deze dage hebben uw ogen gezien, dat YHWH u heden in mijn hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zei, dat ik u doden zou; maar mijn hand verschoonde u, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van YHWH.
[^2samuel-12-8-10]: Kanttekening 10: huis van Israël en Juda gegeven: Dat is, het koninkrijk van mijn gehele volk.
[^2samuel-12-8-11]: Kanttekening 11: als het weinig is: Of, als \[u dit te\] weinig \[mocht hebben toegeschenen\] ik zou u daarenboven zoveel en nog meer daartoe hebben gedaan. Hebreeuws, מְעָ֔ט, als, of, na die en na die dingen. God wil zeggen, dat Hij, die hem zoveel goeds gedaan had, machtig was hem verder van alles naar zijns harten wens te verzorgen, als hem iets mocht ontbreken. Zodat hij geheel geen reden had zijn zo goedigen God zo te vertoornen, en zijn boze lusten met zulke schandelijke middelen te voldoen.
[^2samuel-12-9-12]: Kanttekening 12: woord van YHWH veracht: Het zesde, zevende en achtste gebod van de wet van de Heer.
[^2samuel-12-9-13]: Kanttekening 13: Beschikkende door Joab dat hij van de Ammonieten is omgebracht, gelijk in het volgende wordt verklaard. Zie boven, 2 Sam. 11:14 , 11:15 , 11:16 , 11:17 . 2 Samuël 11:14 : 's Morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond die door de hand van Uria. 2 Samuël 11:15 : En hij schreef in die brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover de sterkste strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve. 2 Samuël 11:16 : Zo geschiedde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat daar strijdbare mannen waren. 2 Samuël 11:17 : Als nu de mannen van de stad uittrokken en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria, de Hethiet, stierf ook.
[^2samuel-12-9-14]: Kanttekening 14: kinderen Ammons doodgeslagen: Die onbesneden en vijanden van God en zijn volk waren.
[^2samuel-12-10-15]: Kanttekening 15: Dat is, een langen tijd, of uw levenlang; gelijk 1 Sam. 1:22 . Zie ook Deut. 15:17 . 1 Samuël 1:22 : Maar Hanna toog niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van YHWH verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid. Deuteronomium 15:17 : Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^2samuel-12-11-16]: Kanttekening 16: uit uw huis: Versta, door Davids eigen zonen, Amnon, Absalom en Adonia, gelijk in 2 Sam. 13 en 1 Kon. 1 verhaald wordt. Door deze boosheid heeft God met een heilig en onstraffelijk oordeel David, om zijn zonden wil, scherpelijk getuchtigd en gekastijd. Zie vers 12 . 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon.
[^2samuel-12-11-17]: Kanttekening 17: voor uw ogen: Dat is, bij uw leven, dat u het met verdriet en hartzeer zult moeten horen en geloven, alsof u het met uw ogen hadt gezien, zowel als geheel Israël. Zie onder, 2 Sam. 16:22 . 2 Samuël 16:22 : Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het gehele Israël.
[^2samuel-12-11-c]: Verwijzing c: Deut. 28:30 ; 2 Sam. 16:22 . Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken. 2 Samuël 16:22 : Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het gehele Israël.
[^2samuel-12-11-18]: Kanttekening 18: naaste geven: Namelijk, Absalom.
[^2samuel-12-11-19]: Kanttekening 19: ogen van deze zon: Dat is, bij lichten, hellen dag, bij de zonneschijn; zo wordt van zulke schepselen dikwijls gesproken alsof zij gehoor, gezicht en verstand hadden. Zie Deut. 32:1 . Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
[^2samuel-12-12-20]: Kanttekening 20: deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon: Die in vers 11 verhaald is, te weten, dat God Davids vrouwen zou nemen, en die Absalom geven enz. Is dan God een auteur van Absaloms gruwelijke zonden? Dat zij verre. Nochtans zegt Hij hier uitdrukkelijk dat Hij deze zaak doen zal, enz. Heeft Hij dan Absalom deze boosheid en zonde niet ingestort? In geen geval. Maar Hij heeft de moedwillige boosheid van Absalom, Achitofel en de duivel, \[die zij van zichzelven hadden\] door zijn heilige voorzienigheid zo geregeerd, dat zij die tot Davids verdriet hebben aangewend en gebruikt; dat de duivel, Absalom en Achitofel \[die hun hart en boze lusten gezocht hebben te volbrengen\] zo weinig verschoont, als Gods raad van zijn welbeminden Zoon tot onze zaligheid in de dood over te leveren, de verrader Judas, de Joden en Pilatus heeft kunnen verschonen. Het werk van Absalom enz. is boos en duivels, maar Gods werk is heilig en goed; want Hij heeft door boze instrumenten zijn knecht David tot zijn eer en Davids best willen kastijden. Absaloms en Achitofels boosheid ontdekken en tot eer van zijn rechtvaardigheid straffen. Van zulke exempelen van Gods voorzienigheid en regering over het kwaad is de Heilige Schrift overal vol. En dit heeft David zeer wel geweten en bekend, en deshalve zich voor God hartelijk verootmoedigd. Zie Gen. 45:5 . 2 Samuël 12:11 : Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon. Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven.
[^2samuel-12-13-21]: Kanttekening 21: Ik heb gezondigd tegen YHWH: Zie de verklaring van deze bekentenis in Ps. 51 .
[^2samuel-12-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, eigenlijk, doen overgaan, doorgaan, voorbijgaan; dat is, vergeven, kwijtgescholden. Zo onder, 2 Sam. 24:10 ; Job 7:21 . Vergelijk 1 Kron. 21:8 ; Spreuk. 19:11 ; Amos 7:8 ; Micha 7:18 , en Zach. 3:4 . 2 Samuël 24:10 : En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zei tot YHWH: Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb; maar nu, o YHWH, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan. Job 7:21 : En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. 1 Kronieken 21:8 : Toen zei David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld. Spreuken 19:11 : Het verstand van de mensen vertraagt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan. Amos 7:8 : En YHWH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei YHWH: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Micha 7:18 : Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Zacharia 3:4 : Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile kleren van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
[^2samuel-12-13-23]: Kanttekening 23: Dat is, Ik zal u om deze zonde met de dood noch tijdelijk noch eeuwig straffen, hoewel u het volgens uw eigen vonnis, vers 5 , en mijn rechtvaardigheid wel verdiend hadt. 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
[^2samuel-12-14-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, lasterende hebt doen lasteren. Vooreerst, de Ammonieten, die, Uria en anderen van uw knechten doodgeslagen hebbende, hun goden, naar de wijze van de heidenen, hebben geroemd, en de God van Israël, als onmachtig, gelasterd, en ten tweede, in het algemeen alle omliggende vijanden, die kwalijk van God en zijn volk spreken, dat zij van zulk een koning veel meer werk maken, die zo lelijke stukken bedrijft aan zijn goede onderzaten. Of, u hebt hun oorzaak gegeven om lasterlijk te spreken, wanneer zij dit zullen vernemen. Vergelijk Rom. 2:24 , en elders. Romeinen 2:24 : Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
[^2samuel-12-14-25]: Kanttekening 25: de dood sterven: Hebreeuws, יָמֽוּת, stervende sterven.
[^2samuel-12-15-26]: Kanttekening 26: van Uria David gebaard had: Dat is, die Uria's huisvrouw geweest was. Vergelijk boven, 2 Sam. 2:2 . 2 Samuël 2:2 : Zo toog David daarheen op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet.
[^2samuel-12-16-27]: Kanttekening 27: zocht God: Dat is hier te zeggen, hij bad God vuriglijk om de gezondheid van het kind. Zie 2 Kron. 20:3 , 20:4 ; Ps. 27:8 , en Ps. 34:5 , en Ps. 77:3 ; Jes. 26:16 , en Jes. 31:1 ; Jer. 50:4 , enz. 2 Kronieken 20:3 : Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om YHWH te zoeken; en hij riep een vasten uit in geheel Juda. 2 Kronieken 20:4 : En Juda werd vergaderd, om de hulp van YHWH te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om YHWH te zoeken. Psalmen 27:8 : Mijn hart zegt tot U: U zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o YHWH! Psalmen 34:5 : Daleth. Ik heb YHWH gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered. Psalmen 77:3 : Ten dage mijner benauwdheid zocht ik YHWH; mijn hand was van de nacht uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. Jesaja 26:16 : YHWH! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was. Jesaja 31:1 : Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet. Jeremia 50:4 : In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken.
[^2samuel-12-16-28]: Kanttekening 28: ging in: In zijn binnenkamer, of kabinet.
[^2samuel-12-16-29]: Kanttekening 29: lag de nacht over op de aarde: Hebreeuws, אָֽרְצָ, hij overnachtte en lag op de aarde.
[^2samuel-12-17-30]: Kanttekening 30: oudsten van zijn huis: Dat is, zijn voornaamste officieren of hovelingen, die in het volgende zijn knechten genoemd worden.
[^2samuel-12-17-31]: Kanttekening 31: brood met hen: Zie boven, 2 Sam. 3:35 , en elders dikwijls. 2 Samuël 3:35 : Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, als ik voor het ondergaan van de zon brood of iets smake!
[^2samuel-12-18-32]: Kanttekening 32: kwaad doen: Dat is, dit mocht hem nog meer kwellen en bedroeven dan tevoren.
[^2samuel-12-19-33]: Kanttekening 33: Binnensmonds en zachtjes, stillekens met elkaar spraken, opdat het David niet mocht horen.
[^2samuel-12-20-34]: Kanttekening 34: wies en zalfde zich: Zie Ruth 3:3 . Ruth 3:3 : Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.
[^2samuel-12-20-35]: Kanttekening 35: huis van YHWH: Versta, de tent, die David voor de ark had doen maken. Zie boven, 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor de aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^2samuel-12-20-36]: Kanttekening 36: brood voor: Gelijk boven, vers 17 , en in vers 22 . 2 Samuël 12:17 : Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen. 2 Samuël 12:22 : En hij zei: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zei: Wie weet, YHWH zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve.
[^2samuel-12-22-37]: Kanttekening 37: Te weten, bij mijzelf, dat is, ik dacht.
[^2samuel-12-23-38]: Kanttekening 38: Te weten, in het leven.
[^2samuel-12-23-39]: Kanttekening 39: hem gaan: Te weten, tot het kind, naar het lichaam in het graf, naar de ziel in de hemel.
[^2samuel-12-23-40]: Kanttekening 40: In dit leven.
[^2samuel-12-24-d]: Verwijzing d: Matt. 1:6 . Mattheüs 1:6 : En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
[^2samuel-12-24-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 22:9 . 1 Kronieken 22:9 : Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen.
[^2samuel-12-24-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, Schelomoh. Deze naam heeft David hem gegeven naar Gods bevel. Zie 1 Kron. 22:9 . 1 Kronieken 22:9 : Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen.
[^2samuel-12-25-42]: Kanttekening 42: En zond heen: Te weten, YHWH. Anders, hij \[David\] zond \[hem\] onder de hand van de profeet Nathan \[dat is, om van Nathan geleerd en geregeerd te worden in de vreze van de Heer\], die zijn naam noemde Jedid-Jah.
[^2samuel-12-25-43]: Kanttekening 43: hand van de profeet Nathan: Dat is, door de dienst.
[^2samuel-12-25-44]: Kanttekening 44: Dat is, beminde van de Heer. Hebreeuws, Jedijde-Jah.
[^2samuel-12-25-45]: Kanttekening 45: om de wil van YHWH: Dat is, omdat de Heer hem liefhad, gelijk vers 24 gezegd is, en omdat hij een voorbeeld zou zijn van de Heer Christus, die de welbeminde Zoon van God, de stichter van Gods huis en de rechte koning van de vrede is. Zie boven 2 Sam. 7:13 , enz. 1 Kron. 22:9 , 22:10 ; Ps. 45 ; Hooglied doorgaans; Jes. 9:5 , enz.; Matt. 3:17 ; Luk. 1:32 , 1:33 ; Hebr., 3:6 . 2 Samuël 12:24 : Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en YHWH had hem lief. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 22:9 : Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Hebreeën 3:6 : Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
[^2samuel-12-26-46]: Kanttekening 46: Joab nu krijgde: Hier wordt nu vervolgd de historie, die begonnen is boven, 2 Sam. 11 .
[^2samuel-12-26-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 20:1 . 1 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van de jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze.
[^2samuel-12-26-47]: Kanttekening 47: koninklijke stad in: Hebreeuws, מְּלוּכָֽה, de stad van het koninkrijk. Waardoor men verstaan kan dat deel van de stad, waar het koninklijke hof in was, dat aan het water gelegen of met wateren omsingeld mag geweest zijn. Zie vers 27 . 2 Samuël 12:27 : Toen zond Joab boden tot David, en zei: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.
[^2samuel-12-27-48]: Kanttekening 48: Dat is, liet hem zeggen.
[^2samuel-12-27-49]: Kanttekening 49: waterstad ingenomen: Zie vers 26 . 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.
[^2samuel-12-28-50]: Kanttekening 50: over haar uitgeroepen worde: Of, daarover genoemd worde; dat is, opdat u de eer daarvan mag hebben, en niet ik, die de eer zou hebben als men zei: Joab heeft Rabba gewonnen.
[^2samuel-12-29-51]: Kanttekening 51: dat volk: Het overige volk, gelijk in vers 28 gezegd is. 2 Samuël 12:28 : Zo verzamel u nu het overige van het volk, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zo ik de stad zou innemen, mijn naam over haar uitgeroepen worde.
[^2samuel-12-30-g]: Verwijzing g: 1 Kron. 20:2 . 1 Kronieken 20:2 : En David nam de kroon huns konings van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roofs uit de stad.
[^2samuel-12-30-52]: Kanttekening 52: gewicht was: Anders, prijs, of, waardij.
[^2samuel-12-30-53]: Kanttekening 53: talent gouds: Zie Ex. 25:39 . Een burgerlijk talent gouds zou bedragen twee en zestig pond en een half, het pond van twaalf onsen, dat is zes en veertig ponden \[elk pond van zestien onsen\] en veertien onsen. Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2samuel-12-31-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 20:3 . 1 Kronieken 20:3 : Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en zo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David opnieuw met al het volk naar Jeruzalem.
[^2samuel-12-31-54]: Kanttekening 54: volk nu: Versta, zoveel van hen, als tot voorbeeldige straf nodig was. Onder, 2 Sam. 17:27 , wordt verhaald van enen Sobi, die sommigen menen dat de zoon van de koning van Rabba was, en niet alleen in het leven behouden, maar ook van David in zijns broers Hanums plaats koning gemaakt is. 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,
[^2samuel-12-31-55]: Kanttekening 55: legde het: Deze harde straffen, in de oosterse landen \[zo men meent\] gebruikelijk, heeft David de Ammonieten aangedaan, omdat zij zijn vriendelijke intentie en daad zo bitterlijk misduid, en zijn gezanten, tegen alle volkenrecht, zo schandelijk behandeld hadden; zie boven, 2 Sam. 10:2 , 10:3 , 10:4 , en daarenboven gruwelijke afgodendienaars, lasteraars en vijanden van God en zijn volk waren, die zonder twijfel zulke soorten van doden het volk van God tirannelijk hadden aangedaan. Vergelijk boven 2 Sam. 8:2 ; Amos 1:3 , en Hebr., 11:37 , en zie van de getakte dorswagens Deut. 25:4 . 2 Samuël 10:2 : Toen zei David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door de dienst van zijn knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons. 2 Samuël 10:3 : Toen zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere? 2 Samuël 10:4 : Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. Amos 1:3 : Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst. Hebreeën 11:37 : Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst.
[^2samuel-12-31-56]: Kanttekening 56: Dat is, hij liet hen doorzagen, met ijzeren getakte dorswagens \[gelijk koren\] verpletteren, met bijlen doorhouwen en in tichelovens verbranden.
[^2samuel-12-31-57]: Kanttekening 57: ticheloven doorgaan: Anders, door de oven van Malchen, \[dat is, Moloch \] welke afgod zij hun kinderen gewoon waren te offeren, latende die passeren door het vuur. Zie 2 Kon. 16:3 , en 2 Kon. 23:10 ; idem Lev. 18:21 , en Lev. 20:2 , enz. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.

### 2 Samuël 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/13.json)

*Amnon bemint zijn zuster Thamar, en verkracht haar, met behulp van de arglistige raad van Jonadab, maar verstoot haar terstond weer, vers 1 enz. Wat Absalom, de volle broer van Thamar, na verloop van twee jaar bitter wreekt, door zijn broer Amnon te laten vermoorden, 23. Deze zaken ontstellen en bedroeven David zeer, 21, 36. Absalom vlucht naar Gesur, 37.*

**1** En het gebeurde daarna, zo Absalom, Davids[^2samuel-13-1-1] zoon, een knappe zus had, van wie de naam Thamar was, dat Amnon, Davids[^2samuel-13-1-2] zoon, haar lief kreeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v1)

**2** En Amnon was benauwd tot ziek wordens toe, om zijn zus Thamars wil; want zij was een[^2samuel-13-2-3] maagd, zodat het in Amnons ogen[^2samuel-13-2-4] zwaar was, haar iets te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v2)

**3** Maar Amnon had een vriend, van wie de naam Jonadab was, een zoon van[^2samuel-13-3-5] Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer[^2samuel-13-3-6] wijs man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v3)

**4** Die zei tot hem: Waarom bent u[^2samuel-13-4-7] van morgen tot morgen zo[^2samuel-13-4-8] mager, u koningszoon, zult u het mij niet te kennen geven? Toen zei Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zus van mijn broer Absalom, lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v4)

**5** En[^2samuel-13-5-9] Jonadab zei tot hem: Leg u op uw bed, en[^2samuel-13-5-10] maak u ziek; als dan uw vader zal komen om u te zien, zo zult u tot hem zeggen: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij mij met[^2samuel-13-5-11] brood spijzige, en het voedsel voor mijn ogen toemake, opdat ik het aanzie, en van haar hand ete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v5)

**6** Amnon dan legde zich, en maakte zich ziek. Toen nu de koning kwam om hem te zien, zei Amnon tot de koning: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij twee[^2samuel-13-6-12] koekjes voor mijn ogen toemake, en ik van haar hand ete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v6)

**7** Toen zond David heen tot Thamar in[^2samuel-13-7-13] het huis, zeggende: Ga toch heen in het huis van uw broer Amnon, en maak hem een voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v7)

**8** En Thamar ging heen in het huis van haar broer Amnon, (hij nu was[^2samuel-13-8-14] neerliggende), en zij nam deeg, en kneedde het, en maakte koekjes toe voor zijn ogen, en bakte de koekjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v8)

**9** En zij nam een pan, en[^2samuel-13-9-15] goot ze uit voor zijn aangezicht; maar hij weigerde te eten. En Amnon zei: Doe alle man van mij uitgaan. En alle man ging van hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v9)

**10** Toen zei Amnon tot Thamar: Breng het voedsel in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broer Amnon in de kamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v10)

**11** Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zo greep hij haar, en zei tot haar: Kom, lig bij mij, mijn zus! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v11)

**12** Maar zij zei tot hem: Niet, mijn broer, verkracht[^2samuel-13-12-16] mij niet, want zo doet men niet in[^2samuel-13-12-17] Israël; doe deze dwaasheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v12)

**13** Want ik, waarheen zou ik mijn schande brengen? En u, u zou zijn als een van de dwazen in Israël; zo spreek toch nu tot de koning, want hij zal mij van u[^2samuel-13-13-18] niet onthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v13)

**14** Maar hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v14)

**15** Daarna haatte haar Amnon met een zeer grote haat; want de haat, waarmee hij haar haatte, was groter dan de liefde, waarmee hij haar had liefgehad; en Amnon zei tot haar: Maak u op, ga weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v15)

**16** Toen zei zij tot hem:[^2samuel-13-16-19] Er zijn geen redenen om mij uit te drijven; dit kwaad zou groter zijn dan het andere, dat u bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v16)

**17** En hij riep zijn jongen, die hem diende, en zei: Drijf nu[^2samuel-13-17-20] deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v17)

**18** Zij nu had een[^2samuel-13-18-21] veelvervigen rok aan; want zo werden de dochters van de koning, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v18)

**19** Toen[^2samuel-13-19-22] nam Thamar[^2samuel-13-19-23] as op haar hoofd, en[^2samuel-13-19-24] scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging[^2samuel-13-19-25][^2samuel-13-19-26] vast heen en kreet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v19)

**20** En haar broer Absalom zei tot haar: Is uw[^2samuel-13-20-27] broer[^2samuel-13-20-28] Amnon bij u geweest? Nu dan, mijn zus,[^2samuel-13-20-29] zwijg stil, hij is uw broer;[^2samuel-13-20-30] zet uw hart niet op deze zaak. Zo bleef Thamar en was[^2samuel-13-20-31] eenzaam in het huis van haar broer Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v20)

**21** Als de koning David al deze dingen hoorde,[^2samuel-13-21-32] zo ontstak hij zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v21)

**22** Maar Absalom sprak niet met Amnon,[^2samuel-13-22-33] noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, omdat hij zijn zus Thamar verkracht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v22)

**23** En het gebeurde, na[^2samuel-13-23-34] twee volle jaren, dat Absalom, schaapsscheerders had te[^2samuel-13-23-35] Baäl-Hazor, dat bij Efraïm is;[^2samuel-13-23-36] zo nodigde Absalom al de zonen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v23)

**24** En Absalom kwam tot de koning, en zei: Zie, nu heeft uw knecht schaapsscheerders; dat toch de koning en zijn[^2samuel-13-24-37] knechten met[^2samuel-13-24-38] uw knecht gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v24)

**25** Maar de koning zei tot Absalom: Niet, mijn zoon, laat ons toch niet al samen gaan, opdat wij u niet[^2samuel-13-25-39] moeilijk zijn; en[^2samuel-13-25-40] hij hield bij hem aan, maar[^2samuel-13-25-41] hij wilde niet gaan, maar[^2samuel-13-25-42] zegende hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v25)

**26** Toen zei Absalom: Zo niet, laat toch mijn broer Amnon met ons gaan. Maar de koning zei tot hem: Waarom zou hij met u gaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v26)

**27** Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al de zonen van de koning met hem gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v27)

**28** Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart[^2samuel-13-28-43] vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Sla Amnon, dan zult u hem doden; vrees niet;[^2samuel-13-28-44] is het niet, omdat ik het u geboden heb? Wees sterk en wees dapper.[^2samuel-13-28-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v28)

**29** En Absaloms jongens deden aan Amnon, zoals Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen van de koning op, en reden ieder op zijn muildier, en vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v29)

**30** En het gebeurde, als zij op de weg waren, dat het gerucht tot David kwam, dat men zei: Absalom heeft al de zonen van de koning geslagen, en er is niet één van hen overgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v30)

**31** Toen stond de koning op, en[^2samuel-13-31-46][^2samuel-13-31-a] scheurde zijn kleren, en[^2samuel-13-31-47] legde zich neer ter aarde; evenzo[^2samuel-13-31-48] stonden al zijn knechten met gescheurde kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v31)

**32** Maar[^2samuel-13-32-49] Jonadab, de zoon van Simea, Davids broer,[^2samuel-13-32-50] antwoordde en zei: Mijn heer[^2samuel-13-32-51] zegge niet, dat zij al de jongemannen, de zonen van de koning, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want[^2samuel-13-32-52] bij Absalom[^2samuel-13-32-53] is er op toegeleid, van de dag af, dat hij zijn zus Thamar verkracht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v32)

**33** Zo[^2samuel-13-33-54] neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn[^2samuel-13-33-55] hart, denkende: al de zonen van de koning zijn dood; want Amnon alleen is dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v33)

**34** Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de[^2samuel-13-34-56] wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volk van de weg achter[^2samuel-13-34-57] hem, aan de zijde van het gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v34)

**35** Toen zei Jonadab tot de koning: Zie, de zonen van de koning komen; naar het woord[^2samuel-13-35-58] van uw knecht, zo is het gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v35)

**36** En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwamen de zonen van de koning, en hieven hun stemmen op en huilden; en de koning ook en al zijn knechten huilden met een zeer groot geween. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v36)

**37** (Absalom dan vluchtte, en trok tot Thalmai, de zoon van[^2samuel-13-37-59] Ammihur, koning van[^2samuel-13-37-60] Gesur.) En[^2samuel-13-37-61] hij droeg rouw over zijn zoon,[^2samuel-13-37-62] al die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v37)

**38** Zo vluchtte Absalom, en trok naar Gesur; en hij was daar drie jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v38)

**39** Toen[^2samuel-13-39-63] verlangde de ziel van de koning David zeer om naar Absalom[^2samuel-13-39-64] uit te trekken; want hij had zich[^2samuel-13-39-65] getroost over Amnon, dat hij dood was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/13.html#v39)

[^2samuel-13-1-1]: Kanttekening 1: zoon, een schone zus had: Uit Maächa, dochter van Thalmai, koning van Gesur, boven 2 Sam. 3:3 ; uit deze had David ook Thamar; zijnde zo Absalom en Thamar van één vader en ééne moeder geboren. 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
[^2samuel-13-1-2]: Kanttekening 2: zoon, haar lief kreeg: Uit Ahinoam, boven 2 Sam. 3:3 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
[^2samuel-13-2-3]: Kanttekening 3: En dienvolgens zo nauw bewaard, dat het Amnon niet wel mogelijk scheen in het geheime met haar te spreken en haar machtig te worden. Vergelijk Spreuk. 30:19 . Spreuken 30:19 : De weg van een arend in de hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart van de zee; en de weg van een man bij een maagd.
[^2samuel-13-2-4]: Kanttekening 4: zwaar was: Of, onmogelijk. Hebreeuws, עֲשׂ֥וֹת, eigenlijk, wonderlijk, verborgen. Vergelijk Gen. 18:14 . Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben!
[^2samuel-13-3-5]: Kanttekening 5: Zie 1 Sam. 16:9 , en onder 2 Sam. 21:21 . 1 Samuël 16:9 : Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen. 2 Samuël 21:21 : En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broer, sloeg hem.
[^2samuel-13-3-6]: Kanttekening 6: wijs man: Dat is hier, zeer listig en kloek om een kwade raad te vinden, gelijk hij hier gedaan heeft, inplaats dat hij Amnon behoorde bestraft en dit feit afgeraden te hebben, ja zelfs de koning, desnoods daarvan gewaarschuwd. Vergelijk onder 2 Sam. 14:2 ; Ps. 58:6 . 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; Psalmen 58:6 : Opdat zij niet hore naar de stem van de belezers, van degene, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
[^2samuel-13-4-7]: Kanttekening 7: van morgen tot morgen: Hebreeuws, בֶּן, in de morgen, in de morgen, of 's morgens, 's morgens; dat is, alle morgen, alle dagen, van dag tot dag. Hij wil zeggen: Wat schort u dat u er dagelijks zo mager uitziet?
[^2samuel-13-4-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, zo dun, uitgeteerd.
[^2samuel-13-5-9]: Kanttekening 9: Jonadab zei: Hebreeuws, יֹּ֤אמֶר, Jehonadab.
[^2samuel-13-5-10]: Kanttekening 10: maak u ziek: Of, stel u ziek; dat is, houd u alsof u ziek was.
[^2samuel-13-5-11]: Kanttekening 11: brood spijzige: Dat is, gelijk volgt, wat voedsel of enig eten bereide.
[^2samuel-13-6-12]: Kanttekening 12: koekjes voor mijn ogen toemake: Of, stuifkens besla. In het Hebreeuws, שְׁתֵּ֣י, zijn twee woorden, die beide komen van een woord, dat het hart betekent; alsof men zei: Hartelijke \[koekjes\] hartelijk make, of bereide; dat is, enige koekjes \[waarvoor het Hebreeuwse woord genomen wordt\] zo bakke, dat mij het toebereiden en bakken zowel als het voedsel, mijn hart verkwikke en aangenaam zij.
[^2samuel-13-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, hij liet haar zeggen.
[^2samuel-13-8-14]: Kanttekening 14: Op zijn leger, of bed, gelijk boven vers 5 . 2 Samuël 13:5 : En Jonadab zei tot hem: Leg u op uw leger, en maak u ziek; als dan uw vader zal komen om u te zien, zo zult u tot hem zeggen: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en het voedsel voor mijn ogen toemake, opdat ik het aanzie, en van haar hand ete.
[^2samuel-13-9-15]: Kanttekening 15: goot ze uit: Of, schudde ze.
[^2samuel-13-12-16]: Kanttekening 16: verkracht mij niet: Zie Gen. 34:2 . Genesis 34:2 : Sichem nu, de zoon van Hemor de Heviet, de landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.
[^2samuel-13-12-17]: Kanttekening 17: Zijnde een heilig volk van God, en belijdenis doende van godvruchtigheid.
[^2samuel-13-13-18]: Kanttekening 18: niet onthouden: Het is te vermoeden dat zij dit gesproken heeft, om Amnons hand op ditmaal te ontgaan, niet twijfelende of de koning zou daarna middel vinden om zulk een huwelijk te beletten, dat in Gods wet verboden was, Lev. 18:9 , 18:11 . Leviticus 18:9 : De schaamte van uw zus, van de dochter uws vaders, of van de dochter van uw moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult u niet ontdekken. Leviticus 18:11 : De schaamte van de dochter van de huisvrouw uws vaders, die uw vader geboren is (zij is uw zus), haar schaamte zult u niet ontdekken.
[^2samuel-13-16-19]: Kanttekening 19: Er zijn geen oorzaken: Anders, laat er geen oorzaak zijn; dat is, geef toch geen oorzaak tot een nieuw kwaad, waaruit meer kwaad zou volgen dat uit het voorgaande; gemerkt de zaak nu nog zou kunnen verborgen blijven, maar zo u mij met schande openlijk van u verstoot, zal Gods naam bij de vijanden gelasterd, zijn volk geërgerd, u en ik openlijk onteerd, de koning verstoord, en mijn broer Absalom op u verbitterd worden en zich willen wreken. Op dit bidden van Thamar past het volgende bekwamelijk, waar Amnon haar bede afslaat.
[^2samuel-13-17-20]: Kanttekening 20: deze van mij uit naar buiten: Hatelijk en verachtelijk gesproken.
[^2samuel-13-18-21]: Kanttekening 21: veelvervigen rok aan: Zie Gen. 37:3 . Genesis 37:3 : En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon van de ouderdom; en hij maakte hem een veelvervigen rok.
[^2samuel-13-19-22]: Kanttekening 22: nam Thamar: Dat is, zij nam en wierp, of strooide.
[^2samuel-13-19-23]: Kanttekening 23: as op haar hoofd: Vergelijk boven, 2 Sam. 1:3 . 2 Samuël 1:3 : En David zei tot hem: Van waar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontkomen uit het heirleger van Israël.
[^2samuel-13-19-24]: Kanttekening 24: scheurde de veelvervigen rok: Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2samuel-13-19-25]: Kanttekening 25: hand op haar hoofd: Naar de wijze van de rouwdragende vrouwen. Zie Jer. 2:37 . Jeremia 2:37 : U zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want YHWH heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmede niet zult gedijen.
[^2samuel-13-19-26]: Kanttekening 26: vast heen en kreet: Hebreeuws, זָעָֽקָה, ging gaande \[te weten, naar haar broer Absalom, gelijk volgt\] en kreet; dat is, al gaande en krijtende. Vergelijk onder, 2 Sam. 16:5 . 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.
[^2samuel-13-20-27]: Kanttekening 27: Dat is, halfbroer. Zie boven, vers 1 . 2 Samuël 13:1 : En het geschiedde daarna, zo Absalom, Davids zoon, een schone zus had, welker naam was Thamar, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg.
[^2samuel-13-20-28]: Kanttekening 28: Amnon bij u geweest: Sommigen menen dat Absalom zijns broers naam hier zo verandert uit verachting; want zijn naam was Amnon.
[^2samuel-13-20-29]: Kanttekening 29: zwijg stil: Om de eer onzes huises.
[^2samuel-13-20-30]: Kanttekening 30: zet uw hart niet op deze zaak: Dat is, neem het niet al te zeer ter harte, kwel u daar niet over.
[^2samuel-13-20-31]: Kanttekening 31: eenzaam in het huis van haar broer Absalom: Als beschaamd zijnde, het gezelschap van de mensen mijdende en van niemand bezocht zijnde; of, verbaasd.
[^2samuel-13-21-32]: Kanttekening 32: ontstak hij zeer: Hebreeuws, מְאֹֽד, hem ontstak zeer; te weten, de toorn. Zie Gen. 4:5 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
[^2samuel-13-22-33]: Kanttekening 33: noch kwaad noch goed: Hebreeuws, ט֑וֹב, van het kwade af tot het goede toe. Vergelijk Gen. 24:50 , en Gen. 31:24 . De zin is dat Absalom, hoewel verbitterd zijnde, nochtans dit tegen Amnon geheel niet liet blijken, maar wachtte op gelegenheid van wraak. Genesis 24:50 : Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van YHWH is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken. Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
[^2samuel-13-23-34]: Kanttekening 34: twee volle jaren: Hebreeuws, יִּהְי֤וּ, twee jaren van de dagen.
[^2samuel-13-23-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, Baäl-Chatsor. Anders in de effen, of pleinen van Hazor, zijnde gelegen aan de grenzen van Efraïm en Benjamin, waar de stad Efraïm ook ligt, anders genoemd Efrem, naar uitwijzen van de kaarten.
[^2samuel-13-23-36]: Kanttekening 36: zo nodigde Absalom al de zonen van de koning: Gelijk men te die tijde gewoon was grote gastmalen te maken bij het scheren van de schapen. Zie Gen. 38:13 , en 1 Sam. 25:2 , 25:4 , 25:6 , 25:36 . Genesis 38:13 : En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel. 1 Samuël 25:4 : Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor, 1 Samuël 25:6 : En zult zo zeggen tot die welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! 1 Samuël 25:36 : Toen nu Abigaïl tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning; en het hart van Nabal was vrolijk op dezelfde, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.
[^2samuel-13-24-37]: Kanttekening 37: Dat is, officieren, hovelingen.
[^2samuel-13-24-38]: Kanttekening 38: uw knecht: Dat is, met mij.
[^2samuel-13-25-39]: Kanttekening 39: moeilijk zijn: Want de aanwezigheid van de koning en van zijn officieren of hovelingen zou Absalom moeilijker en kostbaarder gevallen zijn.
[^2samuel-13-25-40]: Kanttekening 40: hij hield bij hem aan: Absalom.
[^2samuel-13-25-41]: Kanttekening 41: hij wilde niet gaan: De koning.
[^2samuel-13-25-42]: Kanttekening 42: zegende hem: Dat is, wenste hem alles goeds. Gelijk boven, 2 Sam. 6:20 , enz. 2 Samuël 6:20 : Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zei: Hoe is heden de koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de ogen van de dienstmaagden van zijn dienaren heeft ontbloot, gelijk één van de ijdele mensen zich onbeschaamdelijk ontbloot?
[^2samuel-13-28-43]: Kanttekening 43: vrolijk is van de wijn: Hebreeuws, יַּ֨יִן֙, goed. Zie Richt. 16:25 . Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^2samuel-13-28-44]: Kanttekening 44: is het niet: Of, is het niet \[zo\] dat ik het, enz. Dat is, u doet het toch niet van uzelven, maar door mijn bevel en last; daarom zal ik er voor instaan, en niet u. Zo vreest niet.
[^2samuel-13-28-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, tot kinderen, of, zonen van de kloekheid, of, dapperheid. Zie boven, 2 Sam. 3:34 . 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^2samuel-13-31-46]: Kanttekening 46: scheurde zijn kleren: Gelijk boven, vers 19 . 2 Samuël 13:19 : Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet.
[^2samuel-13-31-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 1:11 . 2 Samuël 1:11 : Toen vatte David zijn kleren en scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren.
[^2samuel-13-31-47]: Kanttekening 47: legde zich neder ter aarde: Gelijk boven, 2 Sam. 12:16 . 2 Samuël 12:16 : En David zocht God voor die jongen; en David vastte een vasten, en ging in, en lag de nacht over op de aarde.
[^2samuel-13-31-48]: Kanttekening 48: Of, al zijn knechten, die er stonden, hadden gescheurde kleren, of, scheurden al zijn knechten, die daar stonden, de kleren. Hebreeuws, waren gescheurd, of, gescheurden van kleren.
[^2samuel-13-32-49]: Kanttekening 49: Zie boven, vers 3 . 2 Samuël 13:3 : Maar Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man.
[^2samuel-13-32-50]: Kanttekening 50: antwoordde en zei: Dat is, nam het woord, begon te spreken. Zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^2samuel-13-32-51]: Kanttekening 51: zegge niet: Te weten, bij zichzelven; dat is, denke niet, beelde zich niet in.
[^2samuel-13-32-52]: Kanttekening 52: bij Absalom: Anders, op Absaloms mond; dat is, woord, zeggen of bevel.
[^2samuel-13-32-53]: Kanttekening 53: is er op toegelegd: Of, op Absaloms bevel is het geschied, dat besteld, of, opgezet was; of, is het een opzet geweest.
[^2samuel-13-33-54]: Kanttekening 54: neme nu: Hebreeuws, אַל, legge, stelle.
[^2samuel-13-33-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, zeggende; te weten, bij zichzelven; dat is, denkende, gelijk vers 32 . 2 Samuël 13:32 : Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broer, antwoordde en zei: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, de zonen van de koning, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegeleid, van de dag af, dat hij zijn zus Thamar verkracht heeft.
[^2samuel-13-34-56]: Kanttekening 56: wacht hield: En, als hij wat vernam, daarvan een teken gaf met de bazuin, of kwam het aanzeggen, of, de vragenden aanzeide wat hij zag.
[^2samuel-13-34-57]: Kanttekening 57: Namelijk, Absalom, die die weg heen getogen was naar Baäl-Hazor, en nu vandaar vluchtte naar Gesur.
[^2samuel-13-35-58]: Kanttekening 58: uws knechts: Dat is, gelijk ik gezegd heb, zo is het. Zie vers 32 . 2 Samuël 13:32 : Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broer, antwoordde en zei: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, de zonen van de koning, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegeleid, van de dag af, dat hij zijn zus Thamar verkracht heeft.
[^2samuel-13-37-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, Ammichur. Deze Thalmai was Absaloms grootvader van moeders wege. Zie boven, 2 Sam. 3:3 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
[^2samuel-13-37-60]: Kanttekening 60: Zie boven, 2 Sam. 3:3 , en onder, 2 Sam. 15:8 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 15:8 : Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zekerlijk weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen.
[^2samuel-13-37-61]: Kanttekening 61: hij droeg rouw: David.
[^2samuel-13-37-62]: Kanttekening 62: al die dagen: Dat is, vele dagen, te weten, de drie jaren, die Absalom te Gesur geweest is, gelijk volgt; want daarna legde de koning de rouw af. Anders wordt dit gemeenlijk verstaan van al de dagen van het leven; welke woorden, van het leven, dikwijls daarbij worden gevoegd.
[^2samuel-13-39-63]: Kanttekening 63: Of, bezweek, werd verteerd; idem, de begeerte, de lust verteerde David. Het Hebreeuwse woord is gesteld in het vrouwelijke geslacht, zodat het op David niet past, maar wel op zijne ziel, welk woord hier ingevoegd is uit Ps. 84:3 , en Ps. 119:81 ; waar dergelijke manier van spreken zo voluit gevonden wordt. Zie ook Job 19:27 . Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Psalmen 119:81 : Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^2samuel-13-39-64]: Kanttekening 64: uit te trekken: Dit kan men verstaan van te doen uittrekken; dat is, iemand uit de zenden om Absalom weer te halen.
[^2samuel-13-39-65]: Kanttekening 65: getroost over Amnon: Dat is, hij had de rouw over Amnons dood afgelegd. Zie Gen. 37:35 , en Gen. 38:12 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader. Genesis 38:12 : Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.

### 2 Samuël 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/14.json)

*Joab brengt Absalom, door middel van een schrandere vrouw uit Tekoa, weer in genade bij David, vers 1 enz. die Joab toestemming geeft Absalom terug te halen, maar niet wil toestaan dat hij hem onder ogen komt, 21. Absaloms schoonheid, lange haar en kinderen, 25. Hij dwingt ten slotte Joab voor hem te verkrijgen dat hij bij zijn vader mag komen, zoals geschiedt, 29.*

**1** Als nu Joab, de zoon van Zeruja, merkte, dat het hart van de[^2samuel-14-1-1] koning over Absalom was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v1)

**2** Zo zond Joab heen naar[^2samuel-14-2-2] Thekoa, en nam van daar een[^2samuel-14-2-3] wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw draagt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met[^2samuel-14-2-4] olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v2)

**3** En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab[^2samuel-14-3-5] legde de woorden in haar mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v3)

**4** En de Thekoietische vrouw zei tot de koning, als zij op haar[^2samuel-14-4-6] aangezicht ter aarde was gevallen, en zich[^2samuel-14-4-7] neergebogen had, zo zei zij:[^2samuel-14-4-8] Behoud, o koning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v4)

**5** En de koning zei tot haar: Wat is u? En zij zei: Zeker, ik ben een weduwvrouw, en mijn man is gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v5)

**6** Nu had uw dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twistten in het veld, en er was geen[^2samuel-14-6-9] scheider tussen hen; zo sloeg de één de ander, en doodde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v6)

**7** En zie, het hele[^2samuel-14-7-10] geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef die hier, die zijn broer geslagen heeft, dat wij hem voor de[^2samuel-14-7-11] ziel van zijn broer, die hij doodgeslagen heeft, doden, en ook de erfgenaam vernietigen; zo zullen zij mijn[^2samuel-14-7-12] kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen[^2samuel-14-7-13] naam noch overblijfsel laten[^2samuel-14-7-14] op de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v7)

**8** Toen zei de koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal[^2samuel-14-8-15] voor u gebieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v8)

**9** En de Thekoietische vrouw zei tot de koning: Mijn heer koning, de[^2samuel-14-9-16] ongerechtigheid zij op mij en op het huis van mijn vader; de koning daarentegen, en zijn stoel, zij onschuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v9)

**10** En de koning zei: Spreek iemand tegen u, zo breng hem tot mij; en hij zal u[^2samuel-14-10-17] voortaan niet meer aantasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v10)

**11** En zij zei: De koning gedenke toch aan YHWH, uw God, dat de bloedwrekers niet te[^2samuel-14-11-20] vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet vernietigen. Toen zei hij:[^2samuel-14-11-21] Zo waarachtig als YHWH leeft, als er één van[^2samuel-14-11-23] de haren van uw zoon op de aarde zal vallen![^2samuel-14-11-18][^2samuel-14-11-19][^2samuel-14-11-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v11)

**12** Toen zei deze vrouw: Laat toch uw dienstmaagd een woord tot mijn heer de koning spreken. En hij zei: Spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v12)

**13** En de vrouw zei: Waarom hebt u dan[^2samuel-14-13-24] zoiets tegen Gods[^2samuel-14-13-25] volk gedaan? Want daaruit, dat de koning[^2samuel-14-13-26] dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, omdat de koning zijn[^2samuel-14-13-27] verstotene niet wederhaalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v13)

**14** Want wij zullen[^2samuel-14-14-28] de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde,[^2samuel-14-14-29] niet verzameld wordt.[^2samuel-14-14-30] God dan zal de[^2samuel-14-14-31] ziel niet wegnemen, maar Hij zal[^2samuel-14-14-32] gedachten denken, dat Hij de[^2samuel-14-14-33] verstotene niet van[^2samuel-14-14-34] Zich verstote. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v14)

**15** Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot de koning, mijn heer, te spreken, is omdat het[^2samuel-14-15-35] volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zo[^2samuel-14-15-36] zei uw dienstmaagd: Ik zal nu tot de koning spreken; misschien zal de koning het[^2samuel-14-15-37] woord van zijn dienstmaagd doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v15)

**16** Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te[^2samuel-14-16-38] redden van de hand van de man, die voorheeft mij en mijn zoon samen van Gods[^2samuel-14-16-39] erfenis te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v16)

**17** Verder zei uw dienstmaagd: Het[^2samuel-14-17-41] woord van mijn heer, van de koning, zij toch tot rust; want[^2samuel-14-17-43] zoals een Engel van God, zo is mijn heer de koning, om te[^2samuel-14-17-44] horen het goede en het kwade; en YHWH, uw God,[^2samuel-14-17-45] zal met u zijn.[^2samuel-14-17-40][^2samuel-14-17-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v17)

**18** Toen antwoordde de koning, en zei tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak, die ik u vragen zal. En de vrouw zei: Mijn heer de koning spreke toch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v18)

**19** En de koning zei: Is Joabs[^2samuel-14-19-46] hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer koning, als[^2samuel-14-19-47] iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in de mond van uw dienstmaagd gelegd;[^2samuel-14-19-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v19)

**20** Dat ik de[^2samuel-14-20-49] gestalte van deze zaak zo[^2samuel-14-20-50] omwenden zou, dat heeft uw knecht Joab gedaan; maar mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een[^2samuel-14-20-51] Engel van God, om te merken alles,[^2samuel-14-20-52] wat op de aarde is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v20)

**21** Toen zei de koning tot Joab: Zie nu,[^2samuel-14-21-53] ik heb deze zaak gedaan; zo ga heen, haal de[^2samuel-14-21-54] jongeling Absalom weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v21)

**22** Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich, en[^2samuel-14-22-55] dankte de koning; en Joab zei: Vandaag heeft[^2samuel-14-22-56] uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer koning! Omdat de koning het[^2samuel-14-22-57] woord[^2samuel-14-22-58] van zijn knecht gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v22)

**23** Zo maakte zich Joab op, en trok naar[^2samuel-14-23-59] Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v23)

**24** En de koning zei: Dat[^2samuel-14-24-60] hij in zijn huis kere, en mijn[^2samuel-14-24-61] aangezicht niet zie. Zo keerde Absalom in zijn huis, en zag het aangezicht van de koning niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v24)

**25** Nu was er in geheel Israël geen man zo schoon als Absalom, zeer te prijzen; van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe was er geen gebrek in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v25)

**26** En als hij zijn hoofd[^2samuel-14-26-62] schoor, (nu gebeurde het na verloop[^2samuel-14-26-63] van elk jaar, dat hij het schoor, omdat het hem te zwaar was, zo schoor hij het), zo woog het haar van zijn hoofd tweehonderd sikkels, naar[^2samuel-14-26-64] het gewicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v26)

**27** Ook werden Absalom drie zonen geboren, en een dochter, van wie de naam Thamar was; deze was een vrouw, schoon van aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v27)

**28** Zo bleef Absalom[^2samuel-14-28-65] twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij het aangezicht van de koning niet zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v28)

**29** Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot de koning zond; maar hij wilde niet tot hem komen. Zo zond hij nog voor de tweede keer; evenwel wilde hij niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v29)

**30** Zo zei hij tot zijn knechten: Zie, de akker van Joab is naast de mijne, en hij heeft gerst daarop; ga heen, en steek het aan met vuur, en Absaloms knechten staken die akker aan met vuur.[^2samuel-14-30-66][^2samuel-14-30-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v30)

**31** Toen maakte zich Joab op en kwam tot Absalom in het huis, en zei tot hem: Waarom hebben uw knechten het stuk akkers, dat van mij is, met vuur aangestoken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v31)

**32** En Absalom zei tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot de koning zend, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het was mij goed, dat ik nog daar was;[^2samuel-14-32-68] nu dan, laat mij het aangezicht van de koning zien; is er dan nog[^2samuel-14-32-69] een misdaad in mij, zo dode hij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v32)

**33** Toen ging Joab in tot de koning, en[^2samuel-14-33-70] zei het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot de koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde, voor het aangezicht van de koning; en de koning[^2samuel-14-33-71] kuste Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/14.html#v33)

[^2samuel-14-1-1]: Kanttekening 1: Dat zijn hart zo over hem hing, dat hij hem graag zou zien wedergehaald, maar dat het hem ontbreken mocht aan bekwame gelegenheid of een eerlijk voorwendsel, zo bedenkt hij een behendig middel daartoe, dat in het volgende verhaald wordt.
[^2samuel-14-2-2]: Kanttekening 2: Een stadje, gelegen op een berg, aan de noordelijke grenzen van Juda, niet ver van Jeruzalem. Zie 2 Kron. 11:6 . 2 Kronieken 11:6 : Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,
[^2samuel-14-2-3]: Kanttekening 3: wijze vrouw: Vergelijk boven, 2 Sam. 13:3 . 2 Samuël 13:3 : Maar Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man.
[^2samuel-14-2-4]: Kanttekening 4: Zie Ruth 3:3 . Ruth 3:3 : Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.
[^2samuel-14-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, zei haar voor, zoals zij tot de koning nazeggen zou. Vergelijk Ex. 4:15 . Exodus 4:15 : U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult.
[^2samuel-14-4-6]: Kanttekening 6: aangezicht ter aarde was gevallen: Tot een teken van ootmoedigen eerbied, gelijk Ruth 2:10 ; 1 Sam. 20:41 , en 1 Sam. 25:23 , 25:24 , onder 2 Sam. 22 ; 1 Kon. 18:7 , enz. Ruth 2:10 : Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zei tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij kent, daar ik een vreemde ben? 1 Samuël 20:41 : Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkaar, en weenden met elkaar, totdat het David geheel veel maakte. 1 Samuël 25:23 : Toen nu Abigaïl David zag, zo haastte zij zich, en kwam van de ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde. 1 Samuël 25:24 : En zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd. 1 Koningen 18:7 : Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zei: Bent u mijn heer Elia?
[^2samuel-14-4-7]: Kanttekening 7: nedergebogen had: Zie Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^2samuel-14-4-8]: Kanttekening 8: Behoud, o koning: Of, verlos, schaf heil.
[^2samuel-14-6-9]: Kanttekening 9: scheider tussen hen: Redder of verlosser. Daarom kon ook niemand van de gelegenheid van de misdaad getuigen. Zie Deut. 19:15 , enz. Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
[^2samuel-14-7-10]: Kanttekening 10: Om het recht van bloedwraak tegen de moordenaar uit te voeren. Zie Num. 35:19 ; Deut. 19:12 . Numeri 35:19 : De wreker van het bloed, die zal de moordenaar doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden. Deuteronomium 19:12 : Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve.
[^2samuel-14-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, het leven, of de persoon.
[^2samuel-14-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, mijn enige overige zoon doden, door welke het geslacht zou kunnen worden voortgeplant en bewaard, gelijk van een kool een vuur kan gemaakt en bewaard worden.
[^2samuel-14-7-13]: Kanttekening 13: Omdat deze zoon alleen zijns vaders naam zou dragen en erfgenaam zijn. Zie Deut. 25:6 ; Ruth 4:5 , 4:10 . Deuteronomium 25:6 : En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal staan in de naam zijns broers, van de verstorvene; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël. Ruth 4:5 : Maar Boaz zei: Op de dag als u het land aanvaardt van de hand van Naomi, zo zult u het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van de verstorvene, om de naam van de verstorvene te verwekken over zijn erfdeel. Ruth 4:10 : Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om de naam van de verstorvene over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam van de verstorvene niet worde uitgeroeid van zijn broers, en van de poort van zijn plaats; u bent heden getuigen.
[^2samuel-14-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, stellen.
[^2samuel-14-8-15]: Kanttekening 15: voor u gebieden: Over u, of, om u, u aangaande. De zin is: Ik zal bevel geven dat uw zoon geen leed geschiede. Of, \[gelijk sommigen\] ik zal de zaak doen onderzoeken door rechters.
[^2samuel-14-9-16]: Kanttekening 16: Als er enige mocht zijn in dit uw vonnis, die neem ik op mij, als verzekerd zijnde van mijns zoons onschuld, of de billijkheid van uw sententie.
[^2samuel-14-10-17]: Kanttekening 17: voortaan niet meer aantasten: Hebreeuws, גַ֥עַת, niet toedoen, of, voortvaren om u aan te roeren, dat is, u te kwellen, lastig te vallen.
[^2samuel-14-11-20]: Kanttekening 20: vele worden om te verderven: De zin is: Omdat er veel bloedverwanten en veel bloedwrekers zijn, zo nodig zijn dat de koning niet één alleen, maar allen bevel geve, anders zou lichtelijk de één of de ander, geen bevel hebbende, mijn zoon mogen doden.
[^2samuel-14-11-21]: Kanttekening 21: Zo waarachtig als : Versta hierop: Zal ik ook doen wat ik gezegd heb.
[^2samuel-14-11-23]: Kanttekening 23: de haren uws zoons: Dat is, ik zal beschikken dat uw zoon in het minste niet zal beschadigd worden. Zie 1 Sam. 14:45 ; 1 Kon. 1:52 ; Hand. 27:34 , en vergelijk Matt. 10:30 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. Handelingen 27:34 : Daarom vermaan ik u voedsel te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. Mattheüs 10:30 : En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld.
[^2samuel-14-11-18]: Kanttekening 18: Het schijnt dat zij ziet op de wet van God gegeven, Num. 35:11 , 35:12 . Sommigen verstaan dat zij door deze woorden van de koning een eed verzoekt. Anderen dat zij ziet op het exempel van Kaïn de broermoorder, welke God verschoond heeft. Numeri 35:11 : Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft. Numeri 35:12 : En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.
[^2samuel-14-11-19]: Kanttekening 19: uw God: Dat is, zijn.
[^2samuel-14-11-22]: Kanttekening 22: als er een: Versta hierop: Zo doe mij God dit en dat. Zie van zulk eedzweren Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^2samuel-14-13-24]: Kanttekening 24: Te weten, dat u in uw vonnis meteen veroordeeld hebt, als onbillijk en onbetamelijk zijnde.
[^2samuel-14-13-25]: Kanttekening 25: volk gedaan: Dat naar Absaloms wederkomst verlangt, opdat hij in zijns ouden vaders plaats tot hun best zou mogen regeren.
[^2samuel-14-13-26]: Kanttekening 26: dit woord gesproken heeft: Dat is, de voorgaande sententie over de zaak mijns zoons.
[^2samuel-14-13-27]: Kanttekening 27: Namelijk, Absalom, wiens zaak, zij wil zeggen, gelijk te zijn met de zaak van haar zoon; hoewel er groot onderscheid tussen was, omdat Absalom zijn broer niet in het gevecht of onverhoeds, maar verradelijk had doen vermoorden. Zie boven, 2 Sam. 13:28 . 2 Samuël 13:28 : Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult u hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.
[^2samuel-14-14-28]: Kanttekening 28: de dood sterven: Hebreeuws, נָמ֔וּת, stervende sterven; te weten, als Absalom niet wederkomt. Anderen verstaan deze en de volgende woorden van de natuurlijke dood, alsof zij zei: Verhaast toch Absaloms dood niet, hij zal toch vroeg genoeg sterven, gelijk wij allen eens moeten sterven, en staan niet op vóór de jongste dag.
[^2samuel-14-14-29]: Kanttekening 29: niet verzameld wordt: Dat is, niet weer kan bijeengebracht worden, als het op aarde weggegoten is.
[^2samuel-14-14-30]: Kanttekening 30: God dan: Om zijns volks wil, opdat wij niet, van Absalom beroofd zijnde, na uw dood, zonder hoofd en beschermer zouden zijn en een roof onzer vijanden worden.
[^2samuel-14-14-31]: Kanttekening 31: ziel niet wegnemen: Of, heeft \[zijne\] ziel niet weggenomen; dat is, het leven van Absalom. Anders, en God zal geen persoon aannemen; te weten, dat iemand de dood zou ontgaan.
[^2samuel-14-14-32]: Kanttekening 32: gedachten denken: Dat is, en hij \[te weten, de koning\] zal gedachten denken, enz. middel beschikken, verschaffen, de zaak daarheen richten. Versta, opdat na zijn dood het rijk van een navolger mag voorzien zijn.
[^2samuel-14-14-33]: Kanttekening 33: Absalom.
[^2samuel-14-14-34]: Kanttekening 34: Zich verstote: Zodat hij niet weer tot Gods volk zou komen.
[^2samuel-14-15-35]: Kanttekening 35: volk mij vreesachtig gemaakt heeft: Sprekende dagelijks, gelijk in vers 14 verhaald is, uit vrees dat Absalom wel geheel mocht wegblijven. 2 Samuël 14:14 : Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote.
[^2samuel-14-15-36]: Kanttekening 36: zei uw dienstmaagd: Te weten, bij zichzelven, dat is, dacht; zo vers 17 . 2 Samuël 14:17 : Verder zei uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, van de koning, zij toch tot rust; want gelijk een Engel van God, zo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en YHWH, uw God, zal met u zijn.
[^2samuel-14-15-37]: Kanttekening 37: woord van zijn dienstmaagd doen: Dat is, de raad, voorslag.
[^2samuel-14-16-38]: Kanttekening 38: En dan verder van gelijken moeten doen aan zijn zoon Absalom, om de gelijkheid van deze beide zaken.
[^2samuel-14-16-39]: Kanttekening 39: erve te verdelgen: Dat is, uit Gods volk, zijnde hem zo lief als iemand zijn erfdeel wezen kan.
[^2samuel-14-17-41]: Kanttekening 41: woord mijns heren: Dat is, de uitspraak, het vonnis.
[^2samuel-14-17-43]: Kanttekening 43: gelijk een Engel van God: Zo wijs als enz. Zie vers 20 . 2 Samuël 14:20 : Dat ik de gestalte van deze zaak zo omwenden zou, dat heeft uw knecht Joab gedaan; maar mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel van God, om te merken alles, wat op de aarde is.
[^2samuel-14-17-44]: Kanttekening 44: horen het goede en het kwade: Dat is, om te verstaan, te oordelen wat goed of wat kwaad is. Zo onder 2 Sam. 19:27 . 2 Samuël 19:27 : Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning valselijk aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen.
[^2samuel-14-17-45]: Kanttekening 45: zal met u zijn: Of, zij met u.
[^2samuel-14-17-40]: Kanttekening 40: zei uw dienstmaagd: Dat is, dacht, gelijk vers 15 . 2 Samuël 14:15 : Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot de koning, mijn heer, te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zo zei uw dienstmaagd: Ik zal nu tot de koning spreken; misschien zal de koning het woord van zijn dienstmaagd doen.
[^2samuel-14-17-42]: Kanttekening 42: zij toch tot rust: Wensender wijze gesproken. Of, zal nu tot rust zijn; dat is, zal dienen tot troost en gerustheid, niet alleen voor mij en mijn zoon, maar bijgevolg ook voor Absalom, de koning zelf en het gehele volk, dat naar Absalom verlangt.
[^2samuel-14-19-46]: Kanttekening 46: hand met u: Dat is, doet u dit alles niet door ingeven en beleid van Joab?
[^2samuel-14-19-47]: Kanttekening 47: Anders, als er ter rechter- of ter linkerhand is af te wijken, enz. Zij wil zeggen: Men zou toch de koning met leugens niet kunnen bedriegen, zo hij meteen merkt wat van de zaak is.
[^2samuel-14-19-48]: Kanttekening 48: Gelijk boven, vers 3 . 2 Samuël 14:3 : En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.
[^2samuel-14-20-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, het aangezicht.
[^2samuel-14-20-50]: Kanttekening 50: omwenden zou: Eerst spreken van mijn zaak, en het vonnis van de koning daarvan hebbende, alsdan de zaak wenden en toepassen op Absalom.
[^2samuel-14-20-51]: Kanttekening 51: Engel van God: Gelijk vers 17 . 2 Samuël 14:17 : Verder zei uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, van de koning, zij toch tot rust; want gelijk een Engel van God, zo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en YHWH, uw God, zal met u zijn.
[^2samuel-14-20-52]: Kanttekening 52: wat op de aarde is: Of, wat in dat land \[omgaat\].
[^2samuel-14-21-53]: Kanttekening 53: ik heb deze zaak gedaan: Dat is, ik heb het verzoek, dat u door de Thekoïetische vrouw mij hebt doen voorstellen, toegestaan; of, u hebt deze zaak gedaan; dat is, zo beleid.
[^2samuel-14-21-54]: Kanttekening 54: jongeling Absalom weer: Hebreeuws, נַּ֖עַר, jongen; hoewel hij een man was. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^2samuel-14-22-55]: Kanttekening 55: dankte de koning: Hebreeuws, מֶּ֑לֶךְ, zegende.
[^2samuel-14-22-56]: Kanttekening 56: uw knecht gemerkt: Dat is, ik.
[^2samuel-14-22-57]: Kanttekening 57: Dat is, het verzoek, de raad.
[^2samuel-14-22-58]: Kanttekening 58: van zijn knecht: Anders, uws knechts.
[^2samuel-14-23-59]: Kanttekening 59: Zie boven, 2 Sam. 3:3 , en 2 Sam. 13:37 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 13:37 : (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.
[^2samuel-14-24-60]: Kanttekening 60: hij in zijn huis kere: Absalom.
[^2samuel-14-24-61]: Kanttekening 61: aangezicht niet zie: Zie Gen. 43:3 . Dit diende eensdeels om Absalom te meer in betrachting van zijn misdaad op te houden; anderdeels om de ergernis en ongerustheid te vermijden, die bij de vromen en de kinderen van de koning had mogen ontstaan, als Absalom meteen in gelijken graad met zijne broers ware hersteld. Genesis 43:3 : Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is.
[^2samuel-14-26-62]: Kanttekening 62: Dat is, liet scheren, en zo in het volgende.
[^2samuel-14-26-63]: Kanttekening 63: van elk jaar: Hebreeuws, יָּמִים֙, van dagen tot dagen; dat is, van jaar tot jaar, of elk jaar. Zie Lev. 25:29 . Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^2samuel-14-26-64]: Kanttekening 64: naar het gewicht van de koning: Dat is, naar het gewicht van de gemene burgerlijke sikkel, en niet de heilige. Zie Gen. 20:16 . Hebreeuws, מֶּֽלֶךְ, Naar de steen van de koning; dat is, naar het koninklijk gewicht. Zie Lev. 19:36 , en Deut. 25:13 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! Deuteronomium 25:13 : U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine.
[^2samuel-14-28-65]: Kanttekening 65: twee volle jaren te Jeruzalem: Hebreeuws, יָמִ֑ים, twee jaren van de dagen. Zie Gen. 41:1 . Genesis 41:1 : En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.
[^2samuel-14-30-66]: Kanttekening 66: hij tot zijn knechten: Absalom.
[^2samuel-14-30-67]: Kanttekening 67: zijde van het mijne: Hebreeuws, שָׁ֣ם, aan mijn hand; dat is, zijde. De zin is: aan de zijde van mijn akker.
[^2samuel-14-32-68]: Kanttekening 68: nu dan: Dit spreekt nu Absalom tot Joab.
[^2samuel-14-32-69]: Kanttekening 69: een misdaad in mij: Zo stout spreekt hij, omdat hij de goedertierenheid van de koning wel wist.
[^2samuel-14-33-70]: Kanttekening 70: zei het hem aan: Dat hij van Absalom in last had.
[^2samuel-14-33-71]: Kanttekening 71: kuste Absalom: Tot een teken van volkomen genade en verzoening. Vergelijk Gen. 27:26 . Genesis 27:26 : En zijn vader Izak zei tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!

### 2 Samuël 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/15.json)

*Nadat Absalom de harten van het volk door listige praktijken gestolen heeft, vers 1 enz. gaat hij onder de schijn van een gelofte, met verlof van zijn vader, naar Hebron, maar maakt aldaar, met behulp van Achitofel, een grote samenzwering, en werpt zich op als koning, 7. David, dit horende, vlucht haastig met zijn volk uit Jeruzalem, en laat daar alleen enige van zijn bijvrouwen achter, 13.*

**1** En het gebeurde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig mannen,[^2samuel-15-1-1] lopende voor zijn aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v1)

**2** Ook maakte zich Absalom 's morgens vroeg op, en stond aan de zijde van de weg van de poort. En het gebeurde, dat Absalom iedereen, die een geschil had, om tot de koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zei: Uit welke stad bent u? Als hij dan zei: Uw knecht is uit[^2samuel-15-2-3] een van de stammen van Israël;[^2samuel-15-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v2)

**3** Zo zei Absalom tot hem:[^2samuel-15-3-4] Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar u hebt geen[^2samuel-15-3-5] verhoorder vanwege de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v3)

**4** Verder zei Absalom:[^2samuel-15-4-6] Och, dat men mij tot rechter stelde in het land! Dat iedereen tot mij zou komen, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v4)

**5** Het gebeurde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v5)

**6** [^2samuel-15-6-7] En naar die wijze deed Absalom aan geheel Israël, die tot de koning ten gerichte kwamen. Zo[^2samuel-15-6-8] stal Absalom het hart van de mannen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v6)

**7** Ten einde nu van[^2samuel-15-7-9] veertig jaren is het gebeurd, dat Absalom tot de koning zei: Laat mij toch heengaan, en mijn[^2samuel-15-7-10] gelofte, die ik YHWH beloofd heb, te[^2samuel-15-7-11] Hebron betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v7)

**8** Want[^2samuel-15-8-12] uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te[^2samuel-15-8-13] Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als YHWH mij zeker weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik YHWH dienen.[^2samuel-15-8-14][^2samuel-15-8-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v8)

**9** Toen zei de koning tot hem: Ga in vrede. Zo maakte hij zich op, en ging naar Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v9)

**10** Absalom nu had[^2samuel-15-10-16] spionnen uitgezonden in alle stammen van Israël, om te zeggen: Als u het geluid van de bazuin zult horen, zo zult u zeggen: Absalom[^2samuel-15-10-17] is koning te Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v10)

**11** En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen,[^2samuel-15-11-18] genodigd zijnde, maar gaande in hun eenvoud, want zij wisten van geen zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v11)

**12** Absalom zond ook om Achitofel, de Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit[^2samuel-15-12-19] Gilo te halen, als hij offergaven offerde. En de samenzwering werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v12)

**13** Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van ieder in Israël volgt Absalom na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v13)

**14** Zo zei David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maak u op, en laat ons vluchten, want er zou voor ons geen[^2samuel-15-14-20] ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons[^2samuel-15-14-21] drijve, en deze[^2samuel-15-14-22] stad sla[^2samuel-15-14-23] met de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v14)

**15** Toen zeiden de knechten van de koning tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal,[^2samuel-15-15-24] ziet, hier zijn uw knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v15)

**16** En de koning ging uit met zijn hele huis[^2samuel-15-16-25] te voet; maar de koning liet[^2samuel-15-16-26] tien bijvrouwen, om het huis te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v16)

**17** Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een[^2samuel-15-17-27] verre plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v17)

**18** En al zijn[^2samuel-15-18-28] knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de[^2samuel-15-18-29][^2samuel-15-18-a] Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van[^2samuel-15-18-30] Gath[^2samuel-15-18-31] te voet gekomen waren, gingen voor het aangezicht van de koning heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v18)

**19** Zo zei de koning tot[^2samuel-15-19-32] Ithai, de Gethiet: Waarom zou u ook met ons gaan? Keer weer, en blijf bij de[^2samuel-15-19-33] koning; want u bent[^2samuel-15-19-34] vreemd, en ook zult u weer vertrekken naar uw plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v19)

**20** [^2samuel-15-20-35] Gisteren bent u gekomen, en vandaag zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weer; en breng uw broers terug;[^2samuel-15-20-36] goedertierenheid en trouw zij met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v20)

**21** Maar Ithai antwoordde de koning, en zei: Zo waarachtig als YHWH leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v21)

**22** Toen zei David tot Ithai: Zo kom, en ga[^2samuel-15-22-37] over. Zo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v22)

**23** En het hele[^2samuel-15-23-38] land huilde met[^2samuel-15-23-39] luide stem, als al het volk[^2samuel-15-23-40] overging; ook ging de koning over de[^2samuel-15-23-b] beek[^2samuel-15-23-41] Kidron, en al het volk ging over, recht[^2samuel-15-23-42] naar de weg van[^2samuel-15-23-43] de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v23)

**24** En ziet,[^2samuel-15-24-44] Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark van het verbond van God, en zij zetten de ark van God neer; en[^2samuel-15-24-45] Abjathar[^2samuel-15-24-46] klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v24)

**25** Toen zei de koning tot Zadok: Breng de ark van God weer in de stad; als ik genade zal vinden in de ogen van YHWH, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, en ook Zijn woning.[^2samuel-15-25-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v25)

**26** Maar als Hij zo zal[^2samuel-15-26-48] zeggen: Ik heb geen lust tot u;[^2samuel-15-26-49] zie, hier ben ik, Hij doe mij,[^2samuel-15-26-50] zo als het in Zijn ogen goed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v26)

**27** Verder zei de koning tot de priester Zadok:[^2samuel-15-27-51] Bent u niet een ziener? Keer weer in de stad met vrede; ook uw beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v27)

**28** Zie, ik zal verblijven in de vlakke velden van de woestijn, totdat er een[^2samuel-15-28-52] woord van u kome, dat men mij aanzegge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v28)

**29** Zo bracht Zadok, en Abjathar, de ark van God weer te Jeruzalem, en zij bleven daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v29)

**30** En David ging op door de opgang van[^2samuel-15-30-53] de olijven, opgaande en huilend, en het hoofd was hem[^2samuel-15-30-54] bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en huilend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v30)

**31** [^2samuel-15-31-55] Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, YHWH![^2samuel-15-31-56] maak toch Achitofels raad tot zotheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v31)

**32** En het gebeurde, als David tot op de[^2samuel-15-32-57] hoogte kwam, dat hij daar God aanbad; zie, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok[^2samuel-15-32-58] gescheurd, en aarde op zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v32)

**33** En David zei tot hem: Zo u met mij voortgaat, zo zult u[^2samuel-15-33-59] mij tot een last zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v33)

**34** Maar zo u weer in de stad gaat, en tot Absalom zegt:[^2samuel-15-34-60] Uw knecht, ik zal van de koning zijn; ik ben wel de knecht van uw vader van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zou u mij de raad van Achitofel te niet maken.[^2samuel-15-34-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v34)

**35** [^2samuel-15-35-62] En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, daar met u? Zo zal het gebeuren, dat u alle ding, dat u uit het huis van de koning zult horen, de priesters, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v35)

**36** Zie, hun beide zonen zijn daar bij hen, Ahimaäz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult u door hun[^2samuel-15-36-63] hand tot mij zenden alle ding, dat u zult horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v36)

**37** Zo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/15.html#v37)

[^2samuel-15-1-1]: Kanttekening 1: lopende voor zijn aangezicht heen: Versta, trawanten, lijfgarde, of lakeien, enz., gelijk 1 Kon. 1:5 ; zie ook 1 Sam. 8:11 . Aldus heeft zich Absalom op een nieuwe manier willen voordoen, om het volk in te planten dat hij zich gedroeg als erfgenaam van de kroon: zijnde Amnon, de eerstgeborene, dood, en misschien ook Chilead, de tweede, of immers van geen betekenis. Het kan ook zijn dat hij hiermede Salomo heeft willen voorkomen, van wiens successie hij Gods raad en zijns vaders voornemen mag hebben vernomen. 1 Koningen 1:5 : Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. 1 Samuël 8:11 : En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen;
[^2samuel-15-2-3]: Kanttekening 3: één van de stammen van Israël: Dat is, uit deze of die stad, gelegen in deze of die stam.
[^2samuel-15-2-2]: Kanttekening 2: Van het hof van de koning.
[^2samuel-15-3-4]: Kanttekening 4: Of, let op uw zaken, zij zijn goed en recht.
[^2samuel-15-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, daar is niemand vanwege de koning, die uw zaken behoorlijk onderzoekt en u aan recht helpt.
[^2samuel-15-4-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, wie zal mij stellen; enz. Een manier van wensen. Vergelijk Richt. 9:29 . Richteren 9:29 : Och, dat dit volk in mijn hand ware! ik zou Abimelech wel verdrijven. En tot Abimelech zei hij: Vermeerder uw legermacht, en trek uit.
[^2samuel-15-6-7]: Kanttekening 7: En naar die wijze: Hebreeuws, דָּבָ֤ר, naar dit woord, of naar deze zaak; dat is, aldus, op deze wijze.
[^2samuel-15-6-8]: Kanttekening 8: stal Absalom: Dat is, hij verwekte en trok tot zich de genegenheid van de Israëlieten. Vergelijk Gen. 31:20 . Genesis 31:20 : En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, de Syriër, omdat hij hem niet te kennen gaf, dat hij vluchtte.
[^2samuel-15-7-9]: Kanttekening 9: veertig jaren: Waarvan af deze veertig jaren te rekenen zijn, is onzeker, zo de heilige Schrift dat niet vermeld en verscheiden gevoelen daarvan is.
[^2samuel-15-7-10]: Kanttekening 10: Hij bedekt zijn heilloze samenzwering met een schijn van heiligheid, om zijn vader te bedriegen, en voor het gemene volk zijn regeerzucht te verbergen.
[^2samuel-15-7-11]: Kanttekening 11: Hebron betalen: Een plaats, die door veel aanmerkelijke zaken zeer vermaard was in Israël. Zie Gen. 23:2 , boven, 2 Sam. 2:3 , en 2 Sam. 5:1 , enz. Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. 2 Samuël 2:3 : Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een ieder met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron. 2 Samuël 5:1 : Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
[^2samuel-15-8-12]: Kanttekening 12: uw knecht: Dat is, ik heb, enz.
[^2samuel-15-8-13]: Kanttekening 13: Gesur in Syrië woonde: Zie boven, 2 Sam. 13:37 , 13:38 . 2 Samuël 13:37 : (Absalom dan vluchtte, en toog tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen. 2 Samuël 13:38 : Zo vluchtte Absalom, en toog naar Gesur; en hij was daar drie jaren.
[^2samuel-15-8-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, wederbrengende zal wederbrengen.
[^2samuel-15-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, een bijzonderen godsdienst doen met offeranden te offeren, en de Heer zo voor zijn weldaad, aan mij bewezen, te danken, gelijk mijn gelofte medebrengt.
[^2samuel-15-10-16]: Kanttekening 16: verspieders uitgezonden: Die het volk, al tot Absalom genegen zijnde, vers 2 , tot afval van David mochten bereiden en moedig maken, om Absalom te volgen. 2 Samuël 15:2 : Ook maakte zich Absalom van de morgen vroeg op, en stond aan de zijde van de weg van de poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot de koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zei: Uit welke stad bent u? Als hij dan zei: Uw knecht is uit één van de stammen van Israël;
[^2samuel-15-10-17]: Kanttekening 17: is koning te Hebron: Of, regeert.
[^2samuel-15-11-18]: Kanttekening 18: genodigd zijnde: Om Absaloms dankfeest bij te wonen, zonder in het minst te weten van zijn samenzwering, gelijk volgt.
[^2samuel-15-12-19]: Kanttekening 19: uit Gilo: Een stad in Juda, Joz. 15:51 . Jozua 15:51 : En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
[^2samuel-15-14-20]: Kanttekening 20: ontkomen zijn: Als wij lang hier vertoefden, hij zou ons overvallen, wij zouden zijn hand niet kunnen ontkomen.
[^2samuel-15-14-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, aandrijve.
[^2samuel-15-14-22]: Kanttekening 22: Dat is, de inwoners van Jeruzalem.
[^2samuel-15-14-23]: Kanttekening 23: met de scherpte van het zwaard: Hebreeuws, חָֽרֶב, aan de mond van het zwaard.
[^2samuel-15-15-24]: Kanttekening 24: ziet, hier zijn uw knechten: Dat is, wij zijn bereid en willig om u te volgen, en te doen wat u belieft, wat u gebiedt. Vergelijk onder, 2 Sam. 19:38 , en Ps. 25:12 . Zie ook Gen. 22:1 . 2 Samuël 19:38 : Toen zei de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat u op mij begeren zult, zal ik u doen. Psalmen 25:12 : Mem. Wie is de man, die YHWH vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen. Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^2samuel-15-16-25]: Kanttekening 25: te voet: Hebreeuws, יַּעֲזֹ֣ב, op, of met zijn voeten; en zo in het volgende. Vergelijk vers 30 . Anders, aan zijn voeten; dat is, achter hem, of hem volgende. 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^2samuel-15-16-26]: Kanttekening 26: tien bijwijven: Hebreeuws, נָשִׁ֛ים, tien wijven, bijwijven.
[^2samuel-15-17-27]: Kanttekening 27: verre plaats: Hebreeuws, מֶּרְחָֽק, in een huis \[dat is, plaats\] van de verheid. De zin is: als zij een stuk wegs van de stad gekomen waren, hielden zij stil, om zich in orde te stellen en zo over de beek Kidron te gaan.
[^2samuel-15-18-28]: Kanttekening 28: Dat is, officieren en hovelingen, gelijk dikwijls.
[^2samuel-15-18-29]: Kanttekening 29: Dat is, zijn lijfgarde. Zie 1 Kon. 1:38 . 1 Koningen 1:38 : Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon.
[^2samuel-15-18-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 8:18 ; 1 Kon. 1:38 ; 1 Kron. 18:17 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. 1 Koningen 1:38 : Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon. 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eerste aan de hand van de koning.
[^2samuel-15-18-30]: Kanttekening 30: Zie boven, 2 Sam. 6:10 , en 2 Sam. 8:1 . 2 Samuël 6:10 : David dan wilde de ark van YHWH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, de Gethiet. 2 Samuël 8:1 : En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen.
[^2samuel-15-18-31]: Kanttekening 31: te voet gekomen waren: Hebreeuws, גַּ֔ת, op zijn voeten. Versta, dat een ieder van hen te voet gekomen was.
[^2samuel-15-19-32]: Kanttekening 32: De overste van de zes honderd, die van Gath tot David gekomen waren, houdende garnizoen \[gelijk sommigen menen\] in de stad Gath, die David de Filistijnen afgenomen had. Zie boven, 2 Sam. 8:1 . Deze is van David mee gebruikt als een krijgsoverste; onder, 2 Sam. 18:2 . 2 Samuël 8:1 : En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. 2 Samuël 18:2 : Verder zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, de zoon van Zeruja, Joabs broer, en een derde deel onder de hand van Ithai, de Gethiet. En de koning zei tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met u uittrekken.
[^2samuel-15-19-33]: Kanttekening 33: Te weten, Absalom, die nu van het volk voor koning gehouden wordt.
[^2samuel-15-19-34]: Kanttekening 34: Zodat Absalom geen oorzaak kan hebben, om u suspect te houden; en dienvolgens zult u vrij met Absaloms verlof, weer naar Gath mogen trekken, daar u, bij mij blijvende, uw staat en bijhebbend volk in gevaar zoudt stellen.
[^2samuel-15-20-35]: Kanttekening 35: Gisteren bent u gekomen: Dat is, onlangs.
[^2samuel-15-20-36]: Kanttekening 36: weldadigheid en trouw zij met u: Dat is, gelijke weldadigheid en trouw moet u wedervaren als u aan mij bewezen hebt. Anders, vergeld uw broers, die met u zijn, weldadigheid en trouw.
[^2samuel-15-22-37]: Kanttekening 37: Over, of door de beek Kidron, gelijk in het volgende verhaald wordt.
[^2samuel-15-23-38]: Kanttekening 38: gehele land weende: Dat is, alle inwoners van het land, omtrent Jeruzalem gelegen.
[^2samuel-15-23-39]: Kanttekening 39: luide stem: Hebreeuws, גָּד֔וֹל, groter.
[^2samuel-15-23-40]: Kanttekening 40: Of, doorging; zo sommigen menen dat er ondiepten geweest zijn, waar men te voet kon doorgaan.
[^2samuel-15-23-b]: Verwijzing b: Joh. 18:1 . Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^2samuel-15-23-41]: Kanttekening 41: Lopende oostwaarts voorbij Jeruzalem, langs de voet van de Olijfberg. Over deze beek ging ook onze Zaligmaker Jezus Christus, Joh. 18:1 , als Hij voor ons zou gevangen worden en lijden. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^2samuel-15-23-42]: Kanttekening 42: naar de weg: Hebreeuws, מִּדְבָּֽר, naar het aangezicht van de weg, enz.
[^2samuel-15-23-43]: Kanttekening 43: Liggende tussen Jeruzalem en de Jordaan, anders ook genoemd het vlakke veld. Zie onder, vers 28 , en 2 Sam. 16:2 , en 2 Sam. 17:16 ; idem boven, 2 Sam. 2:29 . 2 Samuël 15:28 : Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden van de woestijn, totdat er een woord van u kome, dat men mij aanzegge. 2 Samuël 16:2 : En de koning zei tot Ziba: Wat zult u daarmede? En Ziba zei: De ezels zijn voor het huis van de koning, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de woestijn drinken. 2 Samuël 17:16 : Nu dan, zendt haastig heen, en boodschapt David, zeggende: Overnacht deze nacht niet in de vlakke velden van de woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden worde, en al het volk, dat met hem is. 2 Samuël 2:29 : Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het gehele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
[^2samuel-15-24-44]: Kanttekening 44: Zie boven, 2 Sam. 8:17 . 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
[^2samuel-15-24-45]: Kanttekening 45: Zie van deze 1 Sam. 22:20 , enz., en 1 Sam. 30:7 , 30:8 , onder, 2 Sam. 20:25 ; 1 Kon. 1:7 , en 1 Kon. 2:26 , 2:27 . 1 Samuël 22:20 : Maar één van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na. 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David. 1 Samuël 30:8 : Toen vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zei tot hem: Jaag na, want u zult gewisselijk achterhalen, en u zult gewisselijk verlossen. 2 Samuël 20:25 : En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters. 1 Koningen 1:7 : En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia. 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 1 Koningen 2:27 : Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij de priester van YHWH niet was, om te vervullen het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.
[^2samuel-15-24-46]: Kanttekening 46: klom op: Het kan zijn dat hij van de hoogte van de Olijfberg heeft willen toezien, wanneer al het volk, dat David uit Jeruzalem volgde, zou over de beek Kidron gegaan zijn, en dat er niemand meer was te verwachten. Vergelijk Joz. 3:17 . Jozua 3:17 : Maar de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, stonden steevast op het droge, in het midden van de Jordaan; en geheel Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken.
[^2samuel-15-25-47]: Kanttekening 47: Zijn woning: Anders, haar woning; namelijk van de ark. Versta, de tabernakel, waar de ark te die tijde in gesteld en God dienvolgens daar op een bijzondere wijze met zijn genade tegenwoordig was. Zie boven, 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^2samuel-15-26-48]: Kanttekening 48: Ik heb geen lust tot u: Alsof hij zei: Belieft het hem daarentegen mij verder te kastijden, ik ben bereid om mij zijn wil te onderwerpen.
[^2samuel-15-26-49]: Kanttekening 49: zie, hier ben ik: Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^2samuel-15-26-50]: Kanttekening 50: zo als het in Zijn ogen goed is: Dat is, zoals het hem zal welgevallen, of goeddunken.
[^2samuel-15-27-51]: Kanttekening 51: Bent u niet een ziener: Dat is, een leraar, die op het volk moet toezien? Anders, u bent de ziener; dat is, gelijk als een profeet \[zie 1 Sam. 9:9 \], omdat hij de Heer vraagde door urim en thummim, en van hem antwoord ontving. Hij mag ook daarenboven een profeet geweest zijn. Sommigen nemen het aldus: Ziet u niet? Te weten, hoe de zaken gaan en wat nodig is. 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^2samuel-15-28-52]: Kanttekening 52: Dat is, enig bescheid van wat te Jeruzalem passeert, of van Absalom wordt voorgenomen.
[^2samuel-15-30-53]: Kanttekening 53: Die op de Olijfberg bij menigte stonden.
[^2samuel-15-30-54]: Kanttekening 54: Dit waren tekenen van rouw, schaamte en vernedering. Zie ook van toedekken of verhullen van het hoofd, onder, 2 Sam. 19:4 ; Esth. 6:12 ; Jer. 14:3 , 14:4 ; Ez. 31:15 ; en van barrevoets of ongeschoeid gaan, Jes. 20:2 , 20:3 , 20:4 ; Jer. 2:25 . 2 Samuël 19:4 : De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luide stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! Esther 6:12 : Daarna keerde Mordechai opnieuw tot de poort van de koning; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde. Jeremia 14:3 : En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten leeg weer; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd. Jeremia 14:4 : Omdat de aarde gescheurd is, omdat er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. Ezechiël 31:15 : Zo zegt de Heer YHWH: Op de dag als hij naar het dodenrijk nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil de afgrond, en weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden. Jesaja 20:2 : Ter zelfder tijd sprak YHWH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande naakt en barrevoets. Jesaja 20:3 : Toen zei YHWH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; Jesaja 20:4 : Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. Jeremia 2:25 : Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!
[^2samuel-15-31-55]: Kanttekening 55: Toen gaf men David te kennen: Anders, toen verklaarde David, zeggende, enz.
[^2samuel-15-31-56]: Kanttekening 56: maak toch: Hebreeuws, עֲצַ֥ת, maak zot, verdwaas. Vergelijk onder, 2 Sam. 16:23 . 2 Samuël 16:23 : En in die dagen was Achitofels raad, die hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; zo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom.
[^2samuel-15-32-57]: Kanttekening 57: hoogte kwam: Te weten, van de Olijfberg, vanwaar hij de stad en woning van de Heer, waarin de ark \[een voorbeeld van de Messias Jezus Christus \] haar verblijf had, en waarheen de gelovigen van het Oude Testament, absent of ballingen zijnde, hun aangezicht in het bidden plachten te richten, tot een teken dat zij hun gebeden fondeerden op de verdiensten van de Messias. Vergelijk 1 Kon. 8:44 , 8:48 ; Dan. 6:11 . 1 Koningen 8:44 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; 1 Koningen 8:48 : En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart, en met hun gehele ziel, in het land van hun vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar de weg van hun land (dat U hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Daniël 6:11 : Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had.
[^2samuel-15-32-58]: Kanttekening 58: Zie boven, 2 Sam. 1:2 . 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^2samuel-15-33-59]: Kanttekening 59: mij tot een last zijn: Hebreeuws, מַשָּֽׂא, een last op mij zijn.
[^2samuel-15-34-60]: Kanttekening 60: Uw knecht: Een afgebroken rede, gelijk men nu ook spreekt, voor: ik ben uw knecht, ik zal uw knecht zijn. Anders, O koning, ik zal uw knecht zijn, gelijk ik uws vaders knecht tevoren geweest ben, zo zal ik nu uw knecht zijn.
[^2samuel-15-34-61]: Kanttekening 61: van te voren geweest: Hebreeuws, אָ֔ז, van toen af.
[^2samuel-15-35-62]: Kanttekening 62: En zijn niet: Dat is, die zijn voorzeker daar. Van zulk een manier van vragen, zie Richt. 4:6 , en elders dikwijls. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^2samuel-15-36-63]: Kanttekening 63: Dat is, dienst.

### 2 Samuël 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/16.json)

*Ziba verkrijgt van David, door geschenken en valse aangifte, al het goed van zijn heer Mefiboseth, vers 1 enz. Simeï hoont en vervloekt David, 5. Abisaï wil het wreken, maar David neemt het zeer geduldig op, 9. Absalom komt met Achitofel te Jeruzalem, 15. Husai voegt zich behendig bij Absalom, 16. Absalom slaapt met de bijvrouwen van zijn vader in het openbaar, naar de raad van Achitofel, 20. die in die tijd hoog geacht was, 23.*

**1** Als nu David een weinig van de[^2samuel-16-1-1] hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths[^2samuel-16-1-2] jongen, met een paar[^2samuel-16-1-3] gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een leren zak wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v1)

**2** En de koning zei tot Ziba:[^2samuel-16-2-4] Wat zult u daarmee? En Ziba zei: De ezels zijn voor het[^2samuel-16-2-5] huis van de koning, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de[^2samuel-16-2-6] woestijn drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v2)

**3** Toen zei de koning: Waar is dan de[^2samuel-16-3-7] zoon van uw heer? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij[^2samuel-16-3-9] zei: Vandaag zal mij het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader wedergeven.[^2samuel-16-3-8][^2samuel-16-3-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v3)

**4** Zo zei de koning tot Ziba: Zie,[^2samuel-16-4-10] het zal het uwe zijn alles wat Mefiboseth[^2samuel-16-4-11] heeft. En Ziba zei: Ik[^2samuel-16-4-12] buig mij neer, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v4)

**5** Als nu de koning David tot aan[^2samuel-16-5-13] Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, van wie de naam Simeï was, de zoon[^2samuel-16-5-14][^2samuel-16-5-b] van Gera; hij[^2samuel-16-5-15] ging steeds voort, en vloekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v5)

**6** En hij wierp David met stenen, en ook alle knechten van de koning[^2samuel-16-6-16] David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v6)

**7** Zo nu zei Simeï[^2samuel-16-7-17] in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man![^2samuel-16-7-18][^2samuel-16-7-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v7)

**8** YHWH heeft[^2samuel-16-8-20] op u doen terugkomen al het bloed van[^2samuel-16-8-21] Sauls huis, in plaats van wie u geregeerd hebt; nu heeft YHWH het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, u bent in uw ongeluk, omdat u[^2samuel-16-8-22] een man van het bloed bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v8)

**9** Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze[^2samuel-16-9-23][^2samuel-16-9-c] dode hond mijn heer de koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v9)

**10** Maar de koning zei:[^2samuel-16-10-24] Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja?[^2samuel-16-10-25] Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem[^2samuel-16-10-26] gezegd: Vloek David; wie zou dan[^2samuel-16-10-27] zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v10)

**11** Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Zie, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen,[^2samuel-16-11-28] zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van[^2samuel-16-11-29] Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem[^2samuel-16-11-30] gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v11)

**12** Misschien zal YHWH mijn[^2samuel-16-12-31] ellende aanzien; en YHWH zal mij goed vergelden voor zijn[^2samuel-16-12-32] vloek, te deze dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v12)

**13** Zo ging David met zijn mensen op de weg; en Simeï[^2samuel-16-13-33] ging al voort langs de zijde van de berg tegen[^2samuel-16-13-34] hem over, en vloekte, en wierp met stenen[^2samuel-16-13-35] van tegenover hem, en[^2samuel-16-13-36] stoof met stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v13)

**14** En de koning kwam in, en al het volk, dat met hem was, moe zijnde; en hij verkwikte zich daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v14)

**15** Absalom nu en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met[^2samuel-16-15-37] hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v15)

**16** En het gebeurde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zei:[^2samuel-16-16-38] De koning leve, de koning leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v16)

**17** Maar Absalom zei tot Husai: Is dit uw goedertierenheid aan uw vriend? Waarom bent u niet met uw vriend getrokken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v17)

**18** En Husai zei tot Absalom: Nee, maar die YHWH verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israël, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v18)

**19** En ten andere, wie zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht[^2samuel-16-19-39] van zijn zoon? Zoals ik voor het aangezicht van uw vader gediend heb, zo zal ik voor uw aangezicht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v19)

**20** Toen zei Absalom tot Achitofel: Geef onder u raad, wat zullen wij doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v20)

**21** En Achitofel zei tot Absalom:[^2samuel-16-21-40] Ga in tot de bijvrouwen van uw vader, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal geheel Israël[^2samuel-16-21-41] horen, dat u bij uw vader[^2samuel-16-21-42] in kwade reuk bent gekomen, en de handen van allen, die met u zijn, zullen[^2samuel-16-21-43] gesterkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v21)

**22** Zo spanden zij Absalom een tent op het[^2samuel-16-22-44] dak; en Absalom ging in tot de bijvrouwen van zijn vader, voor[^2samuel-16-22-45] de ogen van het hele Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v22)

**23** En in die dagen was Achitofels raad, die hij raadde,[^2samuel-16-23-46] als of men naar Gods woord gevraagd had; zo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/16.html#v23)

[^2samuel-16-1-1]: Kanttekening 1: Van de Olijfberg.
[^2samuel-16-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, knecht of dienaar. Zie van deze boven, 2 Sam. 9:2 , enz. 2 Samuël 9:2 : Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zei tot hem: Bent u Ziba? En hij zei: Uw knecht.
[^2samuel-16-1-3]: Kanttekening 3: gezadelde ezelen: Anders, gegorde, geladene.
[^2samuel-16-2-4]: Kanttekening 4: Wat zult u daarmede: Hebreeuws, מָה, wat \[zullen\] u die?
[^2samuel-16-2-5]: Kanttekening 5: huis van de koning: Als daar waren enige vrouwen, en ook de vrienden en hovelingen van de koning, naast de koning zelf, die te voet ging; boven, 2 Sam. 15:16 , 15:17 , 15:30 . 2 Samuël 15:16 : En de koning ging uit met zijn gehele huis te voet; maar de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren. 2 Samuël 15:17 : Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats. 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^2samuel-16-2-6]: Kanttekening 6: woestijn drinken: Zie boven, 2 Sam. 15:23 , en onder, 2 Sam. 17:29 . 2 Samuël 15:23 : En het gehele land weende met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn. 2 Samuël 17:29 : En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig in de woestijn.
[^2samuel-16-3-7]: Kanttekening 7: Mefiboseth.
[^2samuel-16-3-9]: Kanttekening 9: Een schandelijke ontrouw aan zijn heer, met een stoute leugen, die David, zonder onderzoek, al te haast geloofd heeft. Zie onder, 2 Sam. 19:26 , 19:27 . 2 Samuël 19:26 : En hij zei: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zei: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot de koning trekken, want uw knecht is kreupel. 2 Samuël 19:27 : Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning valselijk aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen.
[^2samuel-16-3-8]: Kanttekening 8: Jonathans.
[^2samuel-16-3-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 19:27 . 2 Samuël 19:27 : Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning valselijk aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen.
[^2samuel-16-4-10]: Kanttekening 10: het zal het uwe zijn: Een haastig oordeel van zo wijzen koning. Zie onder, 2 Sam. 19:27 , enz. 2 Samuël 19:27 : Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning valselijk aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen.
[^2samuel-16-4-11]: Kanttekening 11: Zie boven, 2 Sam. 9:7 , 9:9 . 2 Samuël 9:7 : En David zei tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en u zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. 2 Samuël 9:9 : Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zei tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn gehele huis, heb ik de zoon uws heren gegeven.
[^2samuel-16-4-12]: Kanttekening 12: buig mij neder: Tot teken van eerbied en dankbaarheid, gelijk boven, 2 Sam. 14:22 . Hierom was het Ziba te doen, die deze gelegenheid waarnam om zijn particulier profijt te doen met Davids nood. 2 Samuël 14:22 : Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich, en dankte de koning; en Joab zei: Heden heeft uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer koning! Omdat de koning het woord van zijn knecht gedaan heeft.
[^2samuel-16-5-13]: Kanttekening 13: Bahurim kwam: Zie boven, 2 Sam. 3:16 , en onder, 2 Sam. 19:16 . 2 Samuël 3:16 : En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tot hem: Ga weg, keer weer. En hij keerde weer. 2 Samuël 19:16 : En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet;
[^2samuel-16-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, Schimi.
[^2samuel-16-5-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 2:8 . 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!
[^2samuel-16-5-15]: Kanttekening 15: ging steeds voort: Hebreeuws, יָצ֖וֹא, hij ging, of kwam uit, uitgaande, of, uitkomende, en vloekte; dat is, hij ging algaande en vloekende.
[^2samuel-16-6-16]: Kanttekening 16: Niettegenstaande dat deze allen aan Davids zijde gingen, bestond hij zulk een stout stuk.
[^2samuel-16-7-17]: Kanttekening 17: in zijn vloeken: Of, als, of terwijl hij hem \[David\] vloekte.
[^2samuel-16-7-18]: Kanttekening 18: man van het bloed: Hebreeuws, דָּמִ֖ים, man van de bloeden; dat is, u moordenaar, u bloeddorstige, bloedgierige; zie Ps. 5:7 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^2samuel-16-7-19]: Kanttekening 19: Belials man: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^2samuel-16-8-20]: Kanttekening 20: op u: Zie Richt. 9:24 . Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^2samuel-16-8-21]: Kanttekening 21: Sauls huis: Hij scheldt David als een auteur van Abners en Isboseths moord, waardoor hij wil zeggen dat David aan de kroon geraakt is van geheel Israël.
[^2samuel-16-8-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, kwaad; dat is, ellende, straf van uw zonde.
[^2samuel-16-9-23]: Kanttekening 23: dode hond: Zie boven, 2 Sam. 9:8 . 2 Samuël 9:8 : Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?
[^2samuel-16-9-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 24:15 ; 2 Sam. 9:8 . 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo! 2 Samuël 9:8 : Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?
[^2samuel-16-10-24]: Kanttekening 24: Wat heb ik met u te doen: Hebreeuws, בְּנֵ֣י, wat \[is\] mij en u? of wat hebben ik en u? te weten, met elkaar te doen. Alsof hij zei: Wat bent u mij altijd lastig met uw toorn en hevigheid, waardoor u geneigd bent meteen met het zwaard gereed te zijn. Zo onder, 2 Sam. 19:22 ; Richt. 11:12 , enz. 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël? Richteren 11:12 : Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om tegen mijn land te krijgen?
[^2samuel-16-10-25]: Kanttekening 25: Of, dat hij vloekte.
[^2samuel-16-10-26]: Kanttekening 26: Versta dit niet eigenlijk alsof God, òf uitwendiglijk door zijn woord, òf inwendiglijk door zijn Heilige Geest dat zou hebben bevolen; maar, door gelijkenis, van de geheime regering en voorzienigheid Gods, door welke Hij deze Simeï de satan en zijn eigen boze lusten heeft overgegeven, en zijn boosheid, die hij van zichzelven had, zo geregeerd, dat hij ze nu tegen David aanwendt, om die vaderlijk te kastijden en te vernederen, en de boosheid van Simeï daarna rechtvaardiglijk te straffen. Vergelijk 1 Sam. 18:10 , 18:11 ; 1 Kon. 22:21 , 22:22 ; 1 Kron. 21:1 , en boven, 2 Sam. 12:11 , 12:12 , onder, 2 Sam. 24:1 . 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde de volgende dag, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand. 1 Samuël 18:11 : En Saul schoot de spies, en zei: Ik zal David aan de wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af. 1 Koningen 22:21 : Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht van YHWH, en zei: Ik zal hem overreden. 1 Koningen 22:22 : En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe zo. 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde. 2 Samuël 12:11 : Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon. 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. 2 Samuël 24:1 : En de toorn van YHWH voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda.
[^2samuel-16-10-27]: Kanttekening 27: Te weten, tot de Heer. Alhoewel nu God David geen onrecht deed, zo beging nochtans Simeï een grote misdaad, die David oordeelde strafbaar te zijn. Zie 1 Kon. 2:9 . 1 Koningen 2:9 : Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
[^2samuel-16-11-28]: Kanttekening 28: zoekt mijn ziel: Dat is, staat naar mijn leven. Zie boven, 2 Sam. 4:8 . 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^2samuel-16-11-29]: Kanttekening 29: Dat is, deze Benjaminiet, gelijk Richt. 19:16 , Simeï was van Sauls geslacht, boven, vers 5 , en Saul was uit de stam Benjamin. Zie boven, 2 Sam. 3:19 , en onder, 2 Sam. 19:16 . Richteren 19:16 : En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini. 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte. 2 Samuël 3:19 : En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Verder ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het gehele huis van Benjamin. 2 Samuël 19:16 : En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet;
[^2samuel-16-11-30]: Kanttekening 30: Zie op vers 10 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^2samuel-16-12-31]: Kanttekening 31: ellende aanzien: Anders, mijn oog; dat is, mijn tranen.
[^2samuel-16-12-32]: Kanttekening 32: Dat is, waarmee Simeï mij op deze dag vloekt; of, God zal mij misschien, zelfs ook op deze dag, wat goeds bescheren voor deze vloek.
[^2samuel-16-13-33]: Kanttekening 33: ging al voort: Hebreeuws, הֹלֵךְ֩, ging gaande.
[^2samuel-16-13-34]: Kanttekening 34: hem over: David.
[^2samuel-16-13-35]: Kanttekening 35: van tegenover hem: Of, tegen hem aan.
[^2samuel-16-13-36]: Kanttekening 36: stoof met stof: Dat is, hij verwekte stof en schopte, of wierp het op David en zijn volk; of hij wierp met aarden kluiten, zodat David en de zijnen van derzelver stof bestoven werden.
[^2samuel-16-15-37]: Kanttekening 37: Absalom.
[^2samuel-16-16-38]: Kanttekening 38: De koning leve: Dat is: Ik wens de koning geluk en heil met een lang leven.
[^2samuel-16-19-39]: Kanttekening 39: zijns zoons: Davids.
[^2samuel-16-21-40]: Kanttekening 40: Ga in tot de bijwijven uws vaders: Dat is, beslaap haar. Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^2samuel-16-21-41]: Kanttekening 41: Dat is, dat horende, zullen zij verstaan en merken dat u met ernst tegen uw vader gaat, en naar hem niet vraagt, zodat zij niet hebben te vrezen, dat u u met uw vader mocht verzoenen, en zij alsdan in perijkel van straf blijven.
[^2samuel-16-21-42]: Kanttekening 42: stinkende zijt geworden: Zie Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^2samuel-16-21-43]: Kanttekening 43: gesterkt worden: Dat is, zij zullen moed en courage nemen, om met u tegen uw vader dapperlijk en zonder schromen aan te gaan. Gelijk daarentegen, het slap worden van de handen betekent moed en courage te verliezen. Zie boven, 2 Sam. 4:1 . 2 Samuël 4:1 : Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^2samuel-16-22-44]: Kanttekening 44: Zie Deut. 22:8 , en boven, 2 Sam. 11:2 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. 2 Samuël 11:2 : Zo geschiedde het tegen de avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien.
[^2samuel-16-22-45]: Kanttekening 45: de ogen van het gehele Israël: Zonder schroom en schaamte voor God en mensen volgde hij deze schandelijken raad, omdat hij van Achitofel kwam, wiens raad van zulke waarde was gelijk volgt. En zo wordt hier vervuld wat God door Nathan David had voorzegd, boven, 2 Sam. 12:11 , 12:12 . 2 Samuël 12:11 : Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon. 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon.
[^2samuel-16-23-46]: Kanttekening 46: als of men: Dat is, zo veel en hoog geacht, alsof de raad van God zelven kwam. Zodat David wel reden had om te bidden tot God, gelijk te zien, boven, 2 Sam. 15:31 . Hoe nu God David verhoord en Achitofel met zijn raad te schande gemaakt heeft, zie daarvan in 2 Sam. 17 . 2 Samuël 15:31 : Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, YHWH! maak toch Achitofels raad tot zotheid.

### 2 Samuël 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/17.json)

*De raad van Achitofel om David in der haast te overvallen wordt door Gods beschikking verworpen, en de raad van Husai gevolgd, vers 1 enz. Husai laat David dit weten, en raadt hem aan terstond verder te trekken, 15. Zo steekt David de Jordaan over, 22. Dit verdriet Achitofel zo zeer dat hij zichzelf ophangt, 23. David komt te Mahanaïm, en Absalom trekt over de Jordaan, en maakt Amasa tot krijgsoverste, 24. Davids goede vrienden voorzien hem te Mahanaïm van allerlei nooddruft, 27.*

**1** Verder zei Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitzoeken, dat ik mij opmake en David deze nacht achterna jage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v1)

**2** Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en[^2samuel-17-2-1] slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v2)

**3** En ik zal al het volk tot u doen terugkeren;[^2samuel-17-3-2] de man, die u zoekt, is zoals het terugkeren van allen; zo zal al het volk in[^2samuel-17-3-3] vrede zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v3)

**4** Dit[^2samuel-17-4-4] woord nu was[^2samuel-17-4-5] recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v4)

**5** Maar Absalom zei: Roep toch ook Husai, de Archiet, en laat ons horen,[^2samuel-17-5-6] wat hij ook zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v5)

**6** En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende:[^2samuel-17-6-7] Zo heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek[^2samuel-17-6-8] u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v6)

**7** Toen zei Husai tot Absalom: De raad, die Achitofel op[^2samuel-17-7-9] ditmaal geraden heeft, is niet goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v7)

**8** Verder zei Husai: U kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van[^2samuel-17-8-10] gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een soldaat, en zal niet overnachten[^2samuel-17-8-11] met het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v8)

**9** Zie, nu heeft hij zich verstopt in een van de holen, of in een van[^2samuel-17-9-12] de plaatsen. En het zal gebeuren, als er in het eerst[^2samuel-17-9-13] sommigen onder hen vallen, dat[^2samuel-17-9-14] een ieder, die het zal horen, dan zal zeggen: Er is een slag gebeurd onder het volk, dat Absalom[^2samuel-17-9-15] navolgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v9)

**10** Zo zou hij, die ook een[^2samuel-17-10-16] dapper man is, van wie het hart is als een leeuwenhart, te[^2samuel-17-10-17] enen male smelten; want geheel Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v10)

**11** Maar ik rade, dat[^2samuel-17-11-18] in alle haast tot u verzameld worde geheel Israël, van[^2samuel-17-11-19] Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw[^2samuel-17-11-20] persoon medega in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v11)

**12** Dan zullen wij tot hem komen, in een van de plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem[^2samuel-17-12-21] gemakkelijk overvallen, zoals de dauw op de aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet één worden overgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v12)

**13** En als hij zich in een stad zal begeven, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en wij zullen ze tot in de[^2samuel-17-13-22] beek neertrekken, totdat ook niet één steentje daar[^2samuel-17-13-23] gevonden worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v13)

**14** Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had[^2samuel-17-14-24] het geboden, om de[^2samuel-17-14-25] goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het[^2samuel-17-14-26] kwaad over Absalom bracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v14)

**15** En Husai zei tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Zo en zo heeft Achitofel Absalom en de oudsten van Israël geraden, maar zo en zo heb ik geraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v15)

**16** Nu dan, zendt haastig heen, en boodschapt David, zeggende: Overnacht deze nacht niet in de vlakke velden van de woestijn, en ook ga[^2samuel-17-16-27] spoedig[^2samuel-17-16-28] over; opdat de koning niet verslonden wordt, en al het volk, dat met hem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v16)

**17** [^2samuel-17-17-29] Jonathan nu en Ahimaäz[^2samuel-17-17-30] stonden bij de fontein Rogel; en een[^2samuel-17-17-31] dienstmaagd ging heen en zei het hun aan; en zij gingen heen en zeiden het de koning David aan; want zij[^2samuel-17-17-32] mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v17)

**18** Een jongen dan nog zag hen, en zei het Absalom aan; maar die beiden gingen haastig, en kwamen in het huis van een man te Bahurim, die een put had in zijn[^2samuel-17-18-33] voorhof, en zij daalden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v18)

**19** En de vrouw nam en spreidde een deksel over[^2samuel-17-19-34] het opene van de put, en strooide gort daarop. Zo werd de zaak niet bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v19)

**20** Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaäz en Jonathan? En de vrouw zei tot hen: Zij zijn over dat[^2samuel-17-20-35] waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v20)

**21** En het gebeurde, nadat[^2samuel-17-21-36] zij weggegaan waren, zo klommen zij uit de put, en gingen heen en boodschapten het de koning David; en zij zeiden tot David: Maak u op, en gaat haastig over het[^2samuel-17-21-37] water, want[^2samuel-17-21-38] zo heeft Achitofel tegen u geraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v21)

**22** Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht[^2samuel-17-22-39] ontbrak er niet tot één toe, die niet over de Jordaan gegaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v22)

**23** Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en trok naar zijn huis in zijn[^2samuel-17-23-40] stad, en[^2samuel-17-23-41] gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in het graf van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v23)

**24** David nu kwam te[^2samuel-17-24-42] Mahanaim, en Absalom trok over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v24)

**25** En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het leger. Amasa nu was de zoon van een man, van wie de naam Jethra was, de Israëliet, die[^2samuel-17-25-44] ingegaan was tot[^2samuel-17-25-45] Abigal, dochter van[^2samuel-17-25-46] Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.[^2samuel-17-25-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v25)

**26** Israël nu en Absalom sloegen hun kamp op in het land[^2samuel-17-26-47] van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v26)

**27** En het gebeurde, als David te Mahanaim gekomen was, dat[^2samuel-17-27-48] Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen van Ammon, en[^2samuel-17-27-49] Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en[^2samuel-17-27-50][^2samuel-17-27-a] Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v27)

**28** Beddewerk, en schalen, en[^2samuel-17-28-51] aarden voorwerpen, en tarwe, en gerst, en meel, en geroosterd koren, en bonen, en linzen, ook[^2samuel-17-28-52] geroosterd, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v28)

**29** En honing, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij[^2samuel-17-29-53] zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig[^2samuel-17-29-54] in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/17.html#v29)

[^2samuel-17-2-1]: Kanttekening 1: Zie boven, 2 Sam. 4:1 . 2 Samuël 4:1 : Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^2samuel-17-3-2]: Kanttekening 2: de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen: Hij wil zeggen: Het is u toch om David te doen; het volk zoudt u graag tot u trekken. Als ik nu David zal hebben omgebracht, daarmede zal het gedaan zijn, zo zal ik het volk lichtelijk tot u wenden, ja zijn dood is inderdaad de wederkering van al het volk, dat tevreden zal zijn en u voor koning aannemen, als maar David van kant is. Anders, als zij allen terugkeren hij is \[toch\] de man, die u zoekt \[zo\] zal al het volk tevreden zijn.
[^2samuel-17-3-3]: Kanttekening 3: vrede zijn: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, zal vrede zijn. Vergelijk 1 Sam. 25:6 ; onder 2 Sam. 20:8 ; Job 21:9 , enz. 1 Samuël 25:6 : En zult zo zeggen tot die welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! 2 Samuël 20:8 : Als zij nu waren bij de grote steen, die bij Gibeon is, zo kwam Amasa voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn lenden in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit. Job 21:9 : Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.
[^2samuel-17-4-4]: Kanttekening 4: Dit woord: Of, deze zaak, deze raad.
[^2samuel-17-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, beviel Absalom wel, docht hem recht en goed te zijn.
[^2samuel-17-5-6]: Kanttekening 6: wat hij ook zegt: Hebreeuws, פִ֖י, wat hij ook hebbe in zijn mond.
[^2samuel-17-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, naar ditzelve woord; dat is aldus, in deze manier heeft hij geraden.
[^2samuel-17-6-8]: Kanttekening 8: Geef u ook uw raad.
[^2samuel-17-7-9]: Kanttekening 9: ditmaal geraden heeft: Alsof hij zei: Hij is anders een kloek raadsheer, maar hierin heeft hij gefeild.
[^2samuel-17-8-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, ziel; gelijk Richt. 18:25 ; dat is, bitterlijk vertoornd. Richteren 18:25 : Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en u uw leven verliest, en het leven van uw huis.
[^2samuel-17-8-11]: Kanttekening 11: met het volk: Maar zich van hen afgeven, en ergens in een onbekende plaats versteken of verzekeren, gelijk hij in zijn ballingschap bij Sauls tijden dikwijls gedaan had.
[^2samuel-17-9-12]: Kanttekening 12: Die hem van Sauls tijden af bekend zijn.
[^2samuel-17-9-13]: Kanttekening 13: onder hen: Onder degenen, die David vervolgen. Anders, door hen; dat is, door Davids krijgslieden mochten geslagen worden.
[^2samuel-17-9-14]: Kanttekening 14: een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Hebreeuws, הָֽיְתָה֙, de horende zal horen en zeggen.
[^2samuel-17-9-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, achter Absalom is.
[^2samuel-17-10-16]: Kanttekening 16: dapper man: Hebreeuws, חַ֗יִל, een zoon, of, kind van de dapperheid, kloekheid. Zie boven, 2 Sam. 3:34 . Zo in het volgende. 2 Samuël 3:34 : Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^2samuel-17-10-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, smeltende smelten; dat is, geheel moedeloos en versaagd worden. Zie Deut. 1:28 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^2samuel-17-11-18]: Kanttekening 18: in alle haast: Hebreeuws, יֵאָסֵ֨ף, verzameld wordende verzameld worden.
[^2samuel-17-11-19]: Kanttekening 19: van Dan tot Ber-Seba toe: De twee uiterste gebieden in het noorden en zuiden.
[^2samuel-17-11-20]: Kanttekening 20: uw persoon: Hebreeuws, פָנֶ֥י, uw aangezicht.
[^2samuel-17-12-21]: Kanttekening 21: Of, belegeren, of tegen hem zijn.
[^2samuel-17-13-22]: Kanttekening 22: beek nedertrekken: Dat is, in de gracht.
[^2samuel-17-13-23]: Kanttekening 23: gevonden worde: Te weten, op de anderen liggende; hij wil zeggen: Wij zullen de stad lichtelijk en geheellijk verwoesten of uitroeien.
[^2samuel-17-14-24]: Kanttekening 24: Dat is, zo gewild, verordineerd, en door zijn Goddelijke voorzienigheid ten beste van David geschikt. Vergelijk boven, 2 Sam. 16:10 , 16:11 , 16:12 , en zie Lev. 25:21 ; Amos 6:11 , en Amos 9:3 ; Nah. 1:14 ; idem Ps. 33:9 , en Ps. 111:9 , en Ps. 148:5 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd. 2 Samuël 16:12 : Misschien zal YHWH mijn ellende aanzien; en YHWH zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te deze dage. Leviticus 25:21 : Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Amos 6:11 : Want ziet, YHWH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten. Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Nahum 1:14 : Maar tegen u heeft YHWH bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als u zult veracht zijn geworden. Psalmen 33:9 : Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. Psalmen 111:9 : Pe. Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk. Psalmen 148:5 : Dat zij de Naam van YHWH loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
[^2samuel-17-14-25]: Kanttekening 25: goeden raad: Dienstiger voor Absalom, om David te overvallen en geen tijd van rust te geven; hoewel deze raad in zichzelven onrechtvaardig was.
[^2samuel-17-14-26]: Kanttekening 26: De welverdiende straf, waarvan in het volgende.
[^2samuel-17-16-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, overgaande gaat over.
[^2samuel-17-16-28]: Kanttekening 28: Over de Jordaan, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^2samuel-17-17-29]: Kanttekening 29: Zie boven, 2 Sam. 15:27 , 15:28 . 2 Samuël 15:27 : Verder zei de koning tot de priester Zadok: Bent u niet een ziener? Keer weer in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u. 2 Samuël 15:28 : Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden van de woestijn, totdat er een woord van u kome, dat men mij aanzegge.
[^2samuel-17-17-30]: Kanttekening 30: stonden bij: Dat is, zij verhielden zich daar, en verwachtten tijding, die zij David mochten overbrengen. Van de plaats, zie Joz. 15:7 , en Joz. 18:16 . Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel. Jozua 18:16 : En deze landpale gaat af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal van de Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;
[^2samuel-17-17-31]: Kanttekening 31: Die men zonder nadenken tot een fontein kon zenden, om iets te wassen of om water te halen.
[^2samuel-17-17-32]: Kanttekening 32: mochten zich niet zien laten: Dat is, zij durfden in de stad niet komen, en alsdan weer uitgaan naar David, om geen achterdenken te geven.
[^2samuel-17-18-33]: Kanttekening 33: Versta, een open plaats aan zijn huis.
[^2samuel-17-19-34]: Kanttekening 34: het opene: Hebreeuws, פְּנֵ֣י, het aangezicht.
[^2samuel-17-20-35]: Kanttekening 35: Of, waterveer.
[^2samuel-17-21-36]: Kanttekening 36: Absaloms knechten.
[^2samuel-17-21-37]: Kanttekening 37: De Jordaan, gelijk volgt.
[^2samuel-17-21-38]: Kanttekening 38: Gelijk boven verhaald is.
[^2samuel-17-22-39]: Kanttekening 39: ontbrak er niet tot een toe: Bij nacht gingen zij allen over, zodat er in de morgen niet een aan de andere zijde gebleven was.
[^2samuel-17-23-40]: Kanttekening 40: Boven genoemd Gilo; 2 Sam. 15:12 . 2 Samuël 15:12 : Absalom zond ook om Achitofel, de Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.
[^2samuel-17-23-41]: Kanttekening 41: gaf bevel aan zijn huis: Of, gaf, stelde orde, disponeerde over zijn huis; dat is, huisgezin en goederen; dat zoveel is als: hij verklaarde zijn uitersten wil, en maakte zijn testament. Vergelijk 2 Kon. 20:1 ; Jes. 38:1 . 2 Koningen 20:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven. Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^2samuel-17-24-42]: Kanttekening 42: Zie boven, 2 Sam. 2:8 . 2 Samuël 2:8 : Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, die Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
[^2samuel-17-25-44]: Kanttekening 44: ingegaan was: Dat is, die bij haar gelegen had. Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^2samuel-17-25-45]: Kanttekening 45: 1 Kron. 2:16 , 2:17 genoemd Abigaïl. Deze was Davids zus, gelijk Zeruja ook was. 1 Kronieken 2:16 : En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie. 1 Kronieken 2:17 : En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet.
[^2samuel-17-25-46]: Kanttekening 46: Huisvrouw \[gelijk sommigen menen\] van Isaï, Davids vader. Anderen menen dat Isaï zelf anders Nahas genoemd is geweest. Hebreeuws, Nachasch.
[^2samuel-17-25-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, Jithra de Israëliet, anders genoemd Jether, 1 Kron. 2:17 , alwaar hij genoemd wordt een Ismaëliet; waaruit door sommigen wordt afgenomen dat hij van afkomst een Ismaëliet was, maar, bekeerd zijnde, het volk van God ingelijfd en ten aanzien van die een Israëliet genoemd. Anderen menen dat hij een Israëliet was van afkomst, maar onder de Ismaëlieten gewoond en verkeerd had, en daarvan ook zo genoemd. 1 Kronieken 2:17 : En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet.
[^2samuel-17-26-47]: Kanttekening 47: Waar Manahaïm ook gelegen was, om David van alle kanten te omsingelen, volgens de raad van Husai.
[^2samuel-17-27-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, Schobi. Enige menen dat deze een broer was van Hanun, waarvan boven, 2 Sam. 10:1 enz., gesproken is, en dat David Hanun, toen hij Rabba innam boven 2 Sam. 12:30 , 12:31 afgezet of ook gedood hebbende, deze broer in zijn plaats tot koning heeft gesteld, die overzulks hier zijn dankbaarheid zou hebben bewezen. 2 Samuël 10:1 : En het geschiedde daarna, dat de koning van de kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats. 2 Samuël 12:30 : En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd af, welker gewicht was een talent gouds, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad. 2 Samuël 12:31 : Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem.
[^2samuel-17-27-49]: Kanttekening 49: Zie boven, 2 Sam. 9:4 , 9:5 . 2 Samuël 9:4 : En de koning zei tot hem: Waar is hij? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, te Lodebar. 2 Samuël 9:5 : Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar.
[^2samuel-17-27-50]: Kanttekening 50: Zie onder, 2 Sam. 19:31 , 19:32 , enz. 2 Samuël 19:31 : Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. 2 Samuël 19:32 : Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.
[^2samuel-17-27-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 19:31 ; idem v. 32 ; 1 Kon. 2:7 . 2 Samuël 19:31 : Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. 2 Samuël 19:32 : Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man. 1 Koningen 2:7 : Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult u weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom.
[^2samuel-17-28-51]: Kanttekening 51: aarden vaten: Hebreeuws, כְלִ֣י, vaten van de formeerders; dat is, van de pottenbakker.
[^2samuel-17-28-52]: Kanttekening 52: Te weten, de bonen en linzen.
[^2samuel-17-29-53]: Kanttekening 53: Te weten, bij zichzelven; dat is, dachten, horende van Davids vluchten uit Jeruzalem, en haastig passeren door de woestijn, dat zij ontwijfelbaar daar aan alles gebrek zouden hebben geleden; daarom hadden zij deze provisie bereid om hen te verversen.
[^2samuel-17-29-54]: Kanttekening 54: in de woestijn: Of, van de woestijn.

### 2 Samuël 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/18.json)

*David monstert zijn volk, en stelt orde op de strijd, maar blijft zelf, op verzoek van het volk, te Mahanaïm, vers 1 enz. geeft bevel Absalom te sparen, 5. Het volk van Absalom wordt verslagen, en Absalom zelf, hangend met zijn lange haar aan een eik, door Joab doorstoken, en vervolgens in een kuil geworpen, met een grote steenhoop erop, 7. Over de pilaar van Absalom, die hij tijdens zijn leven tot zijn gedachtenis had laten oprichten, 18. Ahimaäz en Kuschi brengen David bericht, 19. die grote rouw bedrijft over Absalom, 33.*

**1** En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v1)

**2** Verder zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, de zoon van Zeruja, Joabs broer, en een derde deel onder de hand van[^2samuel-18-2-1] Ithai, de Gethiet. En de koning zei tot het volk: Ik zal ook zelf zeker met u uittrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v2)

**3** Maar het volk zei: U zult niet uittrekken; want of wij te enen male vluchtten, zij zullen[^2samuel-18-3-2] het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen;[^2samuel-18-3-3] maar u bent nu als tien duizend van ons. Zo zal het nu beter zijn, dat u ons uit de[^2samuel-18-3-4] stad[^2samuel-18-3-5] ter hulpe bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v3)

**4** Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen,[^2samuel-18-4-6] wat goed is in uw ogen. De koning nu stond[^2samuel-18-4-7] aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v4)

**5** En de koning gebood Joab, en Abisai, en Ithai, zeggende: Handel mij voorzichtig met de jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v5)

**6** Zo trok het volk uit in het veld,[^2samuel-18-6-8] Israël tegemoet, en de strijd gebeurde bij[^2samuel-18-6-9] Efraïms woud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v6)

**7** En het volk van Israël werd daar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en daar gebeurde op die dag een grote slag, van[^2samuel-18-7-10] twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v7)

**8** Want de strijd werd daar verspreid over al dat land. En het woud[^2samuel-18-8-11] verteerde[^2samuel-18-8-12] meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v8)

**9** Absalom nu ontmoette voor het aangezicht van de knechten van David; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de[^2samuel-18-9-13] dichte takken van een grote eik, zo werd[^2samuel-18-9-14] zijn hoofd vast aan de eik, dat hij[^2samuel-18-9-15] hangen bleef tussen de hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v9)

**10** Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zei: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v10)

**11** Toen zei Joab tot de man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, u hebt het gezien, waarom dan hebt u hem niet daar ter aarde geslagen, zo het aan mij stond om u tien[^2samuel-18-11-16] zilverlingen en een gordel te geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v11)

**12** Maar die man zei tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht[^2samuel-18-12-17] wegen, zo zou ik mijn hand aan de zoon van de koning niet slaan; want de koning heeft u, en Abisai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende:[^2samuel-18-12-18] Hoed u, wie u bent, van de jongeling, van Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v12)

**13** [^2samuel-18-13-19] Of ik al vals tegen mijn ziel handelde, zo zou toch geen ding voor de koning verborgen worden; ook u zelf zou er u[^2samuel-18-13-20] van tegenover stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v13)

**14** Toen zei Joab:[^2samuel-18-14-21] Ik zal[^2samuel-18-14-22] hier bij u zo niet talmen; en hij nam drie[^2samuel-18-14-23] pijlen, en stak ze in Absaloms[^2samuel-18-14-24] hart, daar hij nog levend was in[^2samuel-18-14-25] het midden van de eik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v14)

**15** En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v15)

**16** Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v16)

**17** En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een grote kuil, en stelden op hem een zeer grote[^2samuel-18-17-26] steenhoop; en geheel[^2samuel-18-17-27] Israël vluchtte, ieder naar zijn[^2samuel-18-17-28] tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v17)

**18** Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het[^2samuel-18-18-29] koningsdal is; want hij zei: Ik heb[^2samuel-18-18-30] geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms[^2samuel-18-18-31] hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v18)

**19** Toen zei Ahimaäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en de koning boodschappen, dat YHWH hem[^2samuel-18-19-32] recht gedaan heeft van de hand van zijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v19)

**20** Maar Joab zei tot hem: U zult deze dag[^2samuel-18-20-33] geen boodschapper zijn, maar op een andere dag zult u boodschappen; deze dag nu zult u niet boodschappen,[^2samuel-18-20-34] daarom dat de zoon van de koning dood is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v20)

**21** En Joab zei tot[^2samuel-18-21-35] Cuschi: Ga heen, en zeg de koning aan, wat u gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en liep heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v21)

**22** Maar Ahimaäz, Zadoks zoon, voer nog voort en zei tot Joab:[^2samuel-18-22-36] Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zei: Waarom zou u nu heenlopen, mijn[^2samuel-18-22-37] zoon! Zo u toch geen[^2samuel-18-22-38] passende boodschap hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v22)

**23** Wat het ook zij, zei[^2samuel-18-23-40] hij, laat mij heenlopen; zo zei hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep de weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.[^2samuel-18-23-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v23)

**24** David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak van de poort aan de muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v24)

**25** Zo riep de wachter, en zei het de koning aan; en de koning zei: Als hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond; en[^2samuel-18-25-41] hij ging al voort en naderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v25)

**26** Toen zag de wachter een andere man lopende, en de wachter riep tot de poortwachter en zei: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zei de koning: Die is ook een boodschapper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v26)

**27** Verder zei de wachter: Ik zie de manier van lopen van de eerste aan, als die van Ahimaäz, Zadoks zoon. Toen zei de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v27)

**28** Ahimaäz dan riep en zei tot de koning[^2samuel-18-28-42] Vrede! En hij boog zich voor de koning met het aangezicht ter aarde, en hij zei:[^2samuel-18-28-43] Geloofd zij YHWH, uw God, Die de mannen, die hun hand tegen mijn heer de koning ophieven, heeft[^2samuel-18-28-44] overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v28)

**29** Toen zei de koning:[^2samuel-18-29-45] Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Ahimaäz[^2samuel-18-29-46] zei: Ik zag een groot[^2samuel-18-29-47] rumoer, als Joab, de knecht van de koning, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat.[^2samuel-18-29-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v29)

**30** En de koning zei: Ga om, stel u hier; zo ging hij om, en bleef staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v30)

**31** En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zei: Mijn heer de koning wordt geboodschapt, dat u YHWH vandaag heeft[^2samuel-18-31-49] recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v31)

**32** Toen zei de koning tot Cuschi:[^2samuel-18-32-50] Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v32)

**33** Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal van de poort, en huilde; en in zijn gaan[^2samuel-18-33-51] zei hij zo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom![^2samuel-18-33-52] Och, dat ik, ik voor u gestorven was, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/18.html#v33)

[^2samuel-18-2-1]: Kanttekening 1: Zie boven, 2 Sam. 15:19 . 2 Samuël 15:19 : Zo zei de koning tot Ithai, de Gethiet: Waarom zoudt u ook met ons gaan? Keer weer, en blijf bij de koning; want u bent vreemd, en ook zult u weer vertrekken naar uw plaats.
[^2samuel-18-3-2]: Kanttekening 2: het hart op ons niet stellen: Dat is, zij zullen daarnaar niet vragen, zullen daarvan geen groot werk maken, want het is hun niet om ons, maar om uw persoon te doen.
[^2samuel-18-3-3]: Kanttekening 3: maar u bent nu als tien duizend onzer: Dat is, aan uw persoon is nu meer gelegen als aan vele duizenden van ons. Vergelijk hiermede de woorden Achitofels, boven 2 Sam. 17:2 , 17:3 . Anders, Al \[waren\] onzer, naar dat wij nu \[zijn,\] tien duizend maal meer . 2 Samuël 17:2 : Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan. 2 Samuël 17:3 : En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.
[^2samuel-18-3-4]: Kanttekening 4: Mahanaïm; gelijk boven, 2 Sam. 17:24 , 17:27 . 2 Samuël 17:24 : David nu kwam te Mahanaim, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem. 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,
[^2samuel-18-3-5]: Kanttekening 5: ter hulpe zijt: Hebreeuws, עזיר, om te helpen; wanneer wij zouden mogen verlegen zijn.
[^2samuel-18-4-6]: Kanttekening 6: wat goed is in uw ogen: Dat is, wat u behaagt, of goeddunkt.
[^2samuel-18-4-7]: Kanttekening 7: aan de zijde van de poort: Of, op de plaats, tussen de twee poorten, onder vers 24 . Hebreeuws, שַּׁ֔עַר, eigenlijk, hand, maar van zulk een gebruik van dit woord, zie Deut. 23:12 , en onder vers 18 , en elders. 2 Samuël 18:24 : David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak van de poort aan de muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen. Deuteronomium 23:12 : U zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult u uitgaan naar buiten. 2 Samuël 18:18 : Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zei: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms hand.
[^2samuel-18-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, Absalom en zijn volk, die hier doorgaans Israël worden genoemd, ten aanzien dat verre het meeste deel van Israël bij hem was.
[^2samuel-18-6-9]: Kanttekening 9: Efraïms woud: Dit woud was niet ver van Mahanaïm gelegen, aan de oostzijde van de Jordaan in Gilead, in de stam Gad; maar heeft de naam van Efraïms woud, \[zoals enige menen\] gekregen van Efraïms nederlaag, ten tijde van Jeftha de Gileadiet. Zie Richt. 12:14 , 12:5 . Efraïms land was aan de westzijde van de Jordaan, in het land Kanaän. Richteren 12:14 : En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren. Richteren 12:5 : Want de Gileadieten namen de Efraïmieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt u een Efraïmiet? wanneer hij zei: Nee;
[^2samuel-18-7-10]: Kanttekening 10: twintig duizend: Van de Israëlieten, die van Davids volk geslagen werden.
[^2samuel-18-8-11]: Kanttekening 11: Dat is, die in het woud vluchtende, of gedreven zijnde, daarin omkwamen, zich in het een en het ander verwarrende, verwondende en in kuilen vallende, misschien ook van beesten verscheurd zijnde, of van honger en dorst stervende.
[^2samuel-18-8-12]: Kanttekening 12: meer van het volk: Hebreeuws, עָ֔ם, het woud vermenigvuldigde te verteren, enz.
[^2samuel-18-9-13]: Kanttekening 13: dichte takken: Hebreeuws, תַּ֣חַת, de dichtheid.
[^2samuel-18-9-14]: Kanttekening 14: Vermits zijn lang haar \[waarvan boven, 2 Sam. 14:26 \] om de dichte takken van de eik slingerde, en daaraan vastrukte. 2 Samuël 14:26 : En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde het ten einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was, zo beschoor hij het), zo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar het gewicht van de koning.
[^2samuel-18-9-15]: Kanttekening 15: hangen bleef: Hebreeuws, יֻּתַּן֙, gegeven werd.
[^2samuel-18-11-16]: Kanttekening 16: Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^2samuel-18-12-17]: Kanttekening 17: Dat is, mij toegewogen zijnde, in mijn handen ontvangen of tellen.
[^2samuel-18-12-18]: Kanttekening 18: Hoedt u: Versta, aan te roeren, of leed te doen. Hebreeuws, אמֹ֔ר, eigenlijk, bezwaar, of let er op, neem waar, neem in acht, zie toe, gelijk wij zeggen wie aan, of tegen de jongeling, van Absalom. De zin is: wie hem leed doet, die zal ik, enz., het is een afgebroken rede bij ons ook gebruikelijk. Of, let er op dat hem niemand leed doe. Anders, een ieder lette op de jongeling, op Absalom.
[^2samuel-18-13-19]: Kanttekening 19: Of ik: Dat is, of ik, Absalom gedood hebbende, het valselijk mocht ontkennen, zo zou het toch niet verborgen blijven voor de koning, en dan zou ik gevaar mijns levens lopen. Anders, aan mijn ziel; dat is, aan, of tegen Absaloms leven of persoon.
[^2samuel-18-13-20]: Kanttekening 20: van tegenover stellen: Dat is, u zoudt mij verlaten en van verre blijven staan, zonder mij te helpen. Vergelijk Ps. 38:12 . Anders, tegenstellen. Psalmen 38:12 : Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
[^2samuel-18-14-21]: Kanttekening 21: Ik zal: Of hij zei: Het is geen tijd hier bij u lang te staan. Ik zal doen zo ik het versta.
[^2samuel-18-14-22]: Kanttekening 22: hier bij u: Hebreeuws, אֹחִ֣ילָה, voor uw aangezicht.
[^2samuel-18-14-23]: Kanttekening 23: Versta, werppijlen, kleine spiesjes, of enig dergelijk scherp geweer in de oorlog te die tijde gebruikelijk.
[^2samuel-18-14-24]: Kanttekening 24: Dat is, in het midden zijns lichaams, omtrent het hart; want het blijkt vers 15 , dat hij nog geleefd heeft. 2 Samuël 18:15 : En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem.
[^2samuel-18-14-25]: Kanttekening 25: het midden van de eik: Hebreeuws, אֵלָֽה, in het hart van de eik; zie Deut. 4:11 . Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stond beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid).
[^2samuel-18-17-26]: Kanttekening 26: Een geheel ander gedenkteken, door Gods rechtvaardig oordeel opgericht, dan wat hij zichzelven in zijn leven had doen stellen. Zie vers 18 . 2 Samuël 18:18 : Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zei: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms hand.
[^2samuel-18-17-27]: Kanttekening 27: Israël vluchtte: Die Absalom gevolgd hadden.
[^2samuel-18-17-28]: Kanttekening 28: Dat is, woonplaatsen.
[^2samuel-18-18-29]: Kanttekening 29: koningsdal is: Zie Gen. 14:17 . Genesis 14:17 : En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij teruggekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal van de koning.
[^2samuel-18-18-30]: Kanttekening 30: geen zoon: Hieruit wordt afgenomen dat Absaloms zonen, \[waarvan boven, 2 Sam. 14:27 \] in deze tijd gestorven waren. 2 Samuël 14:27 : Ook werden Absalom drie zonen geboren, en een dochter, welker naam was Thamar; deze was een vrouw, schoon van aanzien.
[^2samuel-18-18-31]: Kanttekening 31: Dat is, gedenkteken, of hand; dat is, zijn werk. Sommigen menen dat het een pilaar geweest is, zo genoemd van de gedaante van een hand. Anders, plaats, of ruimte. Zie boven, vers 4 . Vergelijk 1 Sam. 15:12 . 2 Samuël 18:4 : Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. 1 Samuël 15:12 : Daarna maakte zich Samuël van de morgen vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.
[^2samuel-18-19-32]: Kanttekening 32: recht gedaan heeft: Dat is, recht doende verlost heeft. Zo onder vers 31 . Vergelijk de aantekeningen Richt. 2:16 . 2 Samuël 18:31 : En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zei: Mijn heer de koning wordt geboodschapt, dat u YHWH heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden. Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
[^2samuel-18-20-33]: Kanttekening 33: geen boodschapper zijn: Hebreeuws, יּ֣וֹם, geen man van de boodschap, of van de tijding. Vergelijk boven, 2 Sam. 8:10 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^2samuel-18-20-34]: Kanttekening 34: daarom dat de zoon van de koning dood is: Hij wil zeggen: U zoudt een tijding brengen, die de koning niet aangenaam zou zijn. Anders, want het zou zijn van de dode zoon van de koning.
[^2samuel-18-21-35]: Kanttekening 35: Of, de Moriaan, of Arabier, \[zie Num. 12:1 \]; zijnde ook een van Davids knechten, gelijk af te nemen is uit vers 31 . Deze schijnt Joab gekozen te hebben omdat hij een vreemdeling was. Sommigen houden het voor een eigennaam. Numeri 12:1 : Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake van de vrouw, van de Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen. 2 Samuël 18:31 : En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zei: Mijn heer de koning wordt geboodschapt, dat u YHWH heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden.
[^2samuel-18-22-36]: Kanttekening 36: Wat het ook zij: Of hij zei: Het zij zo het wil, daar kome van wat er van kome. Zo in vers 23 . Het schijnt dat hij zich wat beters liet voorstaan dan Joab gezegd had. 2 Samuël 18:23 : Wat het ook zij, zei hij, laat mij heenlopen; zo zei hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep de weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.
[^2samuel-18-22-37]: Kanttekening 37: Dat is, lieve jongeling, die ik als een zoon bemin. Zo plegen personen, die ouder en meerder zijn, de jongeren en minderen lieflijk aan te spreken. Zie Gen. 43:29 . Genesis 43:29 : En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: Is dit uw kleinste broer, waarvan u tot mij zei? Daarna zei hij: Mijn zoon? God zij u genadig!
[^2samuel-18-22-38]: Kanttekening 38: bekwame boodschap hebt: Hebreeuws, מֹצֵֽאת, vindende; dat is, genoegzaam, bekwaam, wel passende, voegende. Vergelijk Num. 11:22 . Anders, omdat het u geen profijtelijke boodschap zou zijn, of, omdat zij u niets aanbrengen zou; dat is, geen bodenloon of gunst, maar het contrarie. Of aldus: omdat u toch geen goede boodschap voorkomt. Numeri 11:22 : Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?
[^2samuel-18-23-40]: Kanttekening 40: Joab.
[^2samuel-18-23-39]: Kanttekening 39: Ahimaäz.
[^2samuel-18-25-41]: Kanttekening 41: hij ging: Ahimaäz, die de wachter eerst zag. Hebreeuws, הָל֖וֹךְ, hij ging gaande.
[^2samuel-18-28-42]: Kanttekening 42: Dat is, alles is wel, ik breng wat goeds, wil hij zeggen.
[^2samuel-18-28-43]: Kanttekening 43: Geloofd zij YHWH: Hebreeuws, gezegend.
[^2samuel-18-28-44]: Kanttekening 44: Of, besloten; te weten, in de hand van Davids volk. Zo 1 Sam. 24:19 , en 1 Sam. 26:8 , en elders. 1 Samuël 24:19 : En u hebt mij heden aangewezen, dat u mij goed gedaan hebt; want YHWH had mij in uw hand besloten, en u hebt mij niet gedood. 1 Samuël 26:8 : Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweede male doen.
[^2samuel-18-29-45]: Kanttekening 45: Is het wel: Hebreeuws, נַּ֖עַר, heeft hij vrede? Zo onder, vers 32 . 2 Samuël 18:32 : Toen zei de koning tot Cuschi: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.
[^2samuel-18-29-46]: Kanttekening 46: Hebbende zich op Joabs redenen nader bedacht, verzwijgt hij de tijding van Absalom.
[^2samuel-18-29-47]: Kanttekening 47: Of, een grote menigte.
[^2samuel-18-29-48]: Kanttekening 48: knecht van de koning: Cuschi.
[^2samuel-18-31-49]: Kanttekening 49: recht gedaan: Gelijk boven, vers 19 . 2 Samuël 18:19 : Toen zei Ahimaäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en de koning boodschappen, dat YHWH hem recht gedaan heeft van de hand van zijn vijanden.
[^2samuel-18-32-50]: Kanttekening 50: Is het wel: Gelijk vers 29 . 2 Samuël 18:29 : Toen zei de koning: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Ahimaäz zei: Ik zag een groot rumoer, als Joab, de knecht van de koning, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat.
[^2samuel-18-33-51]: Kanttekening 51: zei hij zo: David heeft verscheidene oorzaken gehad om zich hartelijk te bedroeven over dit ongeval, in het bijzonder wanneer hij, boven zijns zoons tijdelijken dood, mocht vrezen zijn eeuwigen ondergang.
[^2samuel-18-33-52]: Kanttekening 52: Och, dat ik: Hebreeuws, wie zal geven, of, wie gave dat, enz. Zie van zulk een manier van spreken in het wensen, Ex. 16:3 ; Deut. 5:29 , enz. Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden. Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!

### 2 Samuël 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/19.json)

*Joab beweegt David door harde dreigementen ertoe zijn rouw over Absalom te verlaten, en zich aan het volk te vertonen, vers 1 enz. David wordt weer in zijn koninkrijk hersteld, en maakt Amasa krijgsoverste in de plaats van Joab, 13. Simeï bidt David om genade en verkrijgt die, 16. David geeft Mefiboseth, na het betoog van zijn onschuld, de helft van zijn goed terug, 24. wil de goede oude Barzillai met zich aan het hof nemen, maar omdat deze zich verontschuldigt, neemt hij diens zoon Chimham in zijn plaats mee, 31. De andere stammen twisten met die van Juda, vanwege hun haastigheid in het terugbrengen en begeleiden van de koning, 41.*

**1** En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v1)

**2** Toen werd de[^2samuel-19-2-1] verlossing op die dag het hele volk tot rouw; want het volk had op die dag horen zeggen:[^2samuel-19-2-2] Het smart de koning over zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v2)

**3** En het volk kwam op die dag[^2samuel-19-3-3] sluipend in de[^2samuel-19-3-4] stad, zoals het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in de strijd gevlucht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v3)

**4** De koning nu had zijn aangezicht[^2samuel-19-4-5] toegewonden, en de koning riep met luide stem:[^2samuel-19-4-6] Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v4)

**5** Toen kwam Joab tot de koning in het huis, en zei: U hebt vandaag beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw[^2samuel-19-5-7] ziel, en de ziel van uw zonen en van uw dochters, en de ziel van uw vrouwen, en de ziel van uw bijvrouwen vandaag hebben bevrijd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v5)

**6** Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want u geeft vandaag te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk vandaag, dat zo Absalom leefde, en wij vandaag allen dood waren, dat het dan recht zou zijn in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v6)

**7** Zo sta nu op, ga uit, en spreek[^2samuel-19-7-8] naar het hart van uw knechten; want ik zweer bij YHWH, als u niet uitgaat, zo[^2samuel-19-7-9] er een man deze nacht bij u zal overnachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v7)

**8** Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor het aangezicht van de koning, maar[^2samuel-19-8-10] Israël was gevlucht, ieder naar zijn[^2samuel-19-8-11] tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v8)

**9** En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich[^2samuel-19-9-12] twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand van onze vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v9)

**10** En Absalom, die wij over ons[^2samuel-19-10-13] gezalfd hadden, is in de strijd gestorven; nu dan, waarom[^2samuel-19-10-14] zwijgt u van de[^2samuel-19-10-15] koning weer te halen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v10)

**11** Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesters,[^2samuel-19-11-16] zeggende: Spreek tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zou u de laatsten zijn, om de koning weer te halen in zijn[^2samuel-19-11-17] huis? (Want de[^2samuel-19-11-18] rede van het hele Israël was tot de koning gekomen in zijn[^2samuel-19-11-19] huis.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v11)

**12** U bent mijn broers;[^2samuel-19-12-20] mijn been en mijn vlees bent u; waarom zou u dan de laatsten zijn, om de koning weer te halen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v12)

**13** En tot[^2samuel-19-13-a] Amasa zult[^2samuel-19-13-21] u zeggen: Bent u niet mijn[^2samuel-19-13-22] been en mijn vlees? God[^2samuel-19-13-23] doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, altijd, in[^2samuel-19-13-24] Joabs plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v13)

**14** Zo neigde[^2samuel-19-14-25] hij het hart aller mannen van Juda,[^2samuel-19-14-26] als van een enige man; en zij zonden heen tot de koning, zeggende: Keer weer, u en al uw knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v14)

**15** Toen keerde de koning weer, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om de koning tegemoet te gaan, dat zij de koning over de Jordaan voerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v15)

**16** En[^2samuel-19-16-b] Simeï, de zoon van Gera, een[^2samuel-19-16-27] zoon van Jemini, die van[^2samuel-19-16-28] Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v16)

**17** En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de[^2samuel-19-17-29] knecht van Sauls huis, en zijn[^2samuel-19-17-30] vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij[^2samuel-19-17-31] trokken vaardig over de Jordaan,[^2samuel-19-17-32] voor de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v17)

**18** Als men nu de[^2samuel-19-18-33] doorwaadbare plaats overstak, om[^2samuel-19-18-34] het huis van de koning over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neer voor het aangezicht van de[^2samuel-19-18-35] koning, als hij over de Jordaan voer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v18)

**19** En hij zei tot de koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerd gedaan heeft, op die dag, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning[^2samuel-19-19-36] zich ter harte zou nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v19)

**20** Want[^2samuel-19-20-37] uw knecht weet het zeker, ik heb gezondigd; maar zie, ik ben vandaag gekomen, de eerste van het hele huis van Jozef, om mijn heer de koning[^2samuel-19-20-38] tegemoet af te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v20)

**21** Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zei: Zou dan Simeï[^2samuel-19-21-39] hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch de gezalfde van YHWH gevloekt heeft.[^2samuel-19-21-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v21)

**22** Maar David zei:[^2samuel-19-22-41] Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij vandaag ten[^2samuel-19-22-42] satan zou zijn? Zou vandaag iemand[^2samuel-19-22-43] gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik[^2samuel-19-22-44] vandaag koning geworden ben over Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v22)

**23** En de koning zei tot Simeï: U zult[^2samuel-19-23-45] niet sterven. En de koning zwoer hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v23)

**24** Mefiboseth, Sauls[^2samuel-19-24-46] zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn[^2samuel-19-24-47] voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was[^2samuel-19-24-48] weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v24)

**25** En het gebeurde, als hij te[^2samuel-19-25-49] Jeruzalem de koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zei: Waarom bent u niet met mij getrokken, Mefiboseth? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v25)

**26** En hij zei: Mijn heer koning, mijn[^2samuel-19-26-50] knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zei: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot de koning trekken, want uw knecht is kreupel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v26)

**27** [^2samuel-19-27-c] Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning[^2samuel-19-27-51] vals aangedragen; maar mijn heer de koning is als een[^2samuel-19-27-52] engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v27)

**28** Want heel het huis van[^2samuel-19-28-53] mijn vader is niet geweest,[^2samuel-19-28-54] dan maar mensen van de dood voor mijn heer de koning; toch hebt u uw knecht gezet onder degenen, die aan[^2samuel-19-28-55] uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer[^2samuel-19-28-56] te roepen aan de koning? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v28)

**29** Toen zei de koning tot hem: Waarom spreekt u meer van uw zaken?[^2samuel-19-29-57] Ik heb gezegd: U en Ziba, deelt het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v29)

**30** En Mefiboseth zei tot de koning: Hij neme het ook geheel[^2samuel-19-30-58] weg, aangezien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v30)

**31** [^2samuel-19-31-59] Barzillai, de Gileadiet,[^2samuel-19-31-60] kwam ook af van Rogelim; en hij trok met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v31)

**32** Barzillai nu was zeer oud, een[^2samuel-19-32-61] man van tachtig jaren;[^2samuel-19-32-d] en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer[^2samuel-19-32-62] groot man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v32)

**33** En de koning zei tot Barzillai: Trek u met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v33)

**34** Maar Barzillai zei tot de koning:[^2samuel-19-34-63] Hoe veel zullen de dagen van de jaren van mijn leven zijn, dat ik met de koning zou optrekken naar Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v34)

**35** Ik ben vandaag[^2samuel-19-35-64] tachtig jaar oud;[^2samuel-19-35-65] zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zou ik meer kunnen horen naar de stem van de zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer de koning verder tot een last zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v35)

**36** Uw knecht zal maar een weinig met de koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning[^2samuel-19-36-66] zulk een vergelding doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v36)

**37** Laat toch uw knecht terugkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf van mijn vader en van mijn moeder; maar zie, daar is uw knecht[^2samuel-19-37-67] Chimham, laat die met mijn heer de koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v37)

**38** Toen zei de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in[^2samuel-19-38-68] uw ogen; ja, alles, wat u op mij[^2samuel-19-38-69] begeren zult, zal ik u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v38)

**39** Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was[^2samuel-19-39-70] overgegaan,[^2samuel-19-39-71] kuste de koning Barzillai, en zegende hem; zo keerde[^2samuel-19-39-72] hij weer naar zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v39)

**40** En de koning trok voort naar Gilgal, en Chimham trok met hem voort; en al het volk van Juda[^2samuel-19-40-73] had de koning overgevoerd, als ook[^2samuel-19-40-74] een gedeelte van het[^2samuel-19-40-75] volk van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v40)

**41** En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot de koning; en zij zeiden tot de koning: Waarom hebben u onze broers, de mannen van Juda,[^2samuel-19-41-76] gestolen, en hebben de koning en zijn huis over de Jordaan[^2samuel-19-41-77] gevoerd, en alle mannen van David[^2samuel-19-41-78] met hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v41)

**42** Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning[^2samuel-19-42-79] ons na verwant is; en waarom bent u nu boos over deze zaak?[^2samuel-19-42-80] Hebben wij dan[^2samuel-19-42-81] enigszins gegeten van de kost van de[^2samuel-19-42-82] koning, of heeft hij ons een geschenk geschonken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v42)

**43** En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda, en zeiden:[^2samuel-19-43-83] Wij hebben[^2samuel-19-43-84] tien delen aan de[^2samuel-19-43-85] koning, en ook aan David, wij, meer dan u; waarom hebt u ons dan gering geacht, dat[^2samuel-19-43-86] ons woord niet het eerste geweest is, om onze koning weer te halen? Maar het woord van de mannen van Juda was[^2samuel-19-43-87] harder dan het woord van de mannen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/19.html#v43)

[^2samuel-19-2-1]: Kanttekening 1: Of, heil, overwinning, victorie; dat is, de vreugde, die het volk zou getoond hebben over de victorie, werd veranderd in rouw.
[^2samuel-19-2-2]: Kanttekening 2: Het smart de koning: Of, de koning is zeer bedroefd.
[^2samuel-19-3-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, het volk stal zich om te komen, of, komende.
[^2samuel-19-3-4]: Kanttekening 4: Mahanaïm.
[^2samuel-19-4-5]: Kanttekening 5: Of, bedekt. Tot een teken van grote rouw. Zie boven, 2 Sam. 15:30 . 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^2samuel-19-4-6]: Kanttekening 6: Mijn zoon Absalom: Zie boven, 2 Sam. 18:33 . 2 Samuël 18:33 : Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal van de poort, en weende; en in zijn gaan zei hij zo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven was, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
[^2samuel-19-5-7]: Kanttekening 7: uw ziel: Dat is hier, uw leven of persoon, gelijk elders dikwijls.
[^2samuel-19-7-8]: Kanttekening 8: naar het hart: Zie Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^2samuel-19-7-9]: Kanttekening 9: zo er: Versta daarop, zo doe mij God dit en dat. Een manier van eedzweren, gelijk dikwijls.
[^2samuel-19-8-10]: Kanttekening 10: Israël was gevlucht: Die Absalom gevolgd waren.
[^2samuel-19-8-11]: Kanttekening 11: Dat is, woonplaatsen.
[^2samuel-19-9-12]: Kanttekening 12: Met berouw en schaamte zichzelven veroordelende.
[^2samuel-19-10-13]: Kanttekening 13: gezalfd hadden: Dat is, die wij tot koning hadden verkozen en meenden te doen zalven.
[^2samuel-19-10-14]: Kanttekening 14: Of, zijt stil. Zie Richt. 18:9 . Richteren 18:9 : En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt u dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;
[^2samuel-19-10-15]: Kanttekening 15: de koning: David, onze wettelijke en weldadige koning.
[^2samuel-19-11-16]: Kanttekening 16: Dat is, hij zond heen en liet hun zeggen.
[^2samuel-19-11-17]: Kanttekening 17: In het koninklijke hof te Jeruzalem.
[^2samuel-19-11-18]: Kanttekening 18: In de voorgaande verzen verhaald.
[^2samuel-19-11-19]: Kanttekening 19: Te Mahanaïm.
[^2samuel-19-12-20]: Kanttekening 20: mijn been: Zie boven, 2 Sam. 5:1 . Zo in vers 13 . 2 Samuël 5:1 : Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij. 2 Samuël 19:13 : En tot Amasa zult u zeggen: Zijt u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te alle dage, in Joabs plaats.
[^2samuel-19-13-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 17:25 . 2 Samuël 17:25 : En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het legermacht. Amasa nu was van een man zoon, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
[^2samuel-19-13-21]: Kanttekening 21: Priesters, Zadok en Abjathar.
[^2samuel-19-13-22]: Kanttekening 22: mijn vlees: Want hij was de zoon van Davids zus. Zie boven, 2 Sam. 17:25 . 2 Samuël 17:25 : En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over de legermacht. Amasa nu was de zoon van een man, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
[^2samuel-19-13-23]: Kanttekening 23: doe mij zo: Van zulk zweren, zie Ruth 1:17 , en 1 Kon. 19:2 . Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
[^2samuel-19-13-24]: Kanttekening 24: Joabs plaats: Zie boven, 2 Sam. 3:39 . 2 Samuël 3:39 : Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; YHWH zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid.
[^2samuel-19-14-25]: Kanttekening 25: Te weten, David. Sommigen duiden het op Amasa.
[^2samuel-19-14-26]: Kanttekening 26: als van een enige man: Dat zij zo eendrachtig waren als een enig man. Zie Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^2samuel-19-16-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 16:5 ; 1 Kon. 2:8 . 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte. 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!
[^2samuel-19-16-27]: Kanttekening 27: zoon van Jemini: Dat is, een Benjaminiet. Zie boven, 2 Sam. 16:11 . 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd.
[^2samuel-19-16-28]: Kanttekening 28: Zie boven, 2 Sam. 3:16 , en 2 Sam. 16:5 . 2 Samuël 3:16 : En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tot hem: Ga weg, keer weer. En hij keerde weer. 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.
[^2samuel-19-17-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, jongen. Zie boven, 2 Sam. 9:2 , en 2 Sam. 16:1 , enz. Deze vreesde dat David gelijk ook geschied is zijn bedriegelijke ontrouw, aan Mefiboseth begaan, zou vernemen; daarom zoekt hij met deze gedienstigheid het hart van de koning daartegen te verzachten, dat hem ook gelukt is. 2 Samuël 9:2 : Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zei tot hem: Zijt u Ziba? En hij zei: Uw knecht. 2 Samuël 16:1 : Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths jongen, met een paar gezadelde ezelen, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een leren zak wijn.
[^2samuel-19-17-30]: Kanttekening 30: vijftien zonen: Gelijk boven, 2 Sam. 9:10 . 2 Samuël 9:10 : Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.
[^2samuel-19-17-31]: Kanttekening 31: togen vaardiglijk: Of, zij maakten de Jordaan vaardig; dat is zij maakten alles klaar en gereed voor de koning en zijn huis, om over te varen.
[^2samuel-19-17-32]: Kanttekening 32: voor de koning: Dat is, voordat de koning nog aan het veer van de Jordaan gekomen was om over te varen, zo waren zij al over, en hadden alles gereed gemaakt.
[^2samuel-19-18-33]: Kanttekening 33: Of, schouw, veerschuit, pleit.
[^2samuel-19-18-34]: Kanttekening 34: huis van de koning: Dat is, de koning, met zijn hofgezin.
[^2samuel-19-18-35]: Kanttekening 35: als hij over de Jordaan voer: Anders, als hij overgevaren was, of overvaren zou.
[^2samuel-19-19-36]: Kanttekening 36: zich ter harte zou nemen: Dat is, daarop letten, en mij naar mijn verdienste doen straffen. Hebreeuws, יַּרְדֵּֽן, in, of aan zijn hart stellen.
[^2samuel-19-20-37]: Kanttekening 37: uw knecht weet: Dat is, ik weet.
[^2samuel-19-20-38]: Kanttekening 38: van Jozef: Hierdoor verstaat hij niet alleen Efraïm en Manasse, maar ook Benjamin, (uit welke stam hij was, vers 16 ) omdat Jozef en Benjamin volle broers waren van één vader en één moeder, zodat ook Benjamin onder de banier van Efraïm optoog, Num. 10:22 , 10:23 , 10:24 . Sommigen verstaan dat hij wil zeggen: Hij is eerder gekomen dan iemand van de tien stammen, of Efraïm en Manasse, maar het schijnt dat hier door het huis van Jozef in het algemeen verstaan worden de Israëlieten, tegengesteld tegen de stam van Juda. 2 Samuël 19:16 : En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet; Numeri 10:22 : Daarna toog op de banier van het leger van de kinderen van Efraïm, naar hun heiren; en over de legermacht was Elisama, de zoon van Ammihud. Numeri 10:23 : En over de legermacht van de stam van de kinderen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur. Numeri 10:24 : En over de legermacht van de stam van de kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.
[^2samuel-19-21-39]: Kanttekening 39: Omdat hij om genade bidt, en de koning aldus tegemoet gekomen is.
[^2samuel-19-21-40]: Kanttekening 40: gezalfde van YHWH: Vergelijk 1 Sam. 24:7 . Van Davids zalving ten koning, 2 Sam. 5:2 . 1 Samuël 24:7 : En hij zei tot zijn mannen: Dat late YHWH ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, de gezalfde van YHWH, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde van YHWH! 2 Samuël 5:2 : Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël.
[^2samuel-19-22-41]: Kanttekening 41: Wat heb ik: Zie boven, 2 Sam. 16:10 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^2samuel-19-22-42]: Kanttekening 42: ten satan zoudt zijn: Dat is, wederpartijder; tegenstrijder, die mij hinderlijk is en tegenvalt in mijn voornemen, Matt. 16:23 . Zie verder Job 1:6 . Mattheüs 16:23 : Maar Hij, Zich omkerende, zei tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! u bent Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die van de mensen zijn. Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
[^2samuel-19-22-43]: Kanttekening 43: gedood worden: Vergelijk 1 Sam. 11:13 . 1 Samuël 11:13 : Maar Saul zei: Er zal te deze dage geen man gedood worden, want YHWH heeft heden een verlossing in Israël gedaan.
[^2samuel-19-22-44]: Kanttekening 44: heden koning geworden ben: Hij wil zeggen, opnieuw als van nieuw, enz.
[^2samuel-19-23-45]: Kanttekening 45: niet sterven: Versta, heden, en verder gedurende mijn regering zal ik u niet doen straffen. Omdat nochtans Simeï's misdaad zeer ergerlijk en grof was, ook het algemeen merkelijk rakende, zo heeft David niet gewild dat hij ten enenmale of voor altijd ongestraft zou blijven. Zie 1 Kon. 2:8 , 2:9 . 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode! 1 Koningen 2:9 : Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
[^2samuel-19-24-46]: Kanttekening 46: Sauls zoon: Dat is, kindskind, want Mefiboseth was Jonathans zoon, bov. 2 Sam. 9:3 , 6 , etc. 2 Samuël 9:3 : En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. 2 Samuël 9:6 : Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw knecht.
[^2samuel-19-24-47]: Kanttekening 47: voeten niet schoongemaakt: Hebreeuws, had zijn voeten niet gemaakt, noch zijn knevelbaard gemaakt; dat is, (gelijk dit woord dikwijls elders genomen wordt) toegemaakt, bereid, toegeschikt. Vergelijk in het bijzonder Deut. 21:12 . Dit waren alle tekenen van groot verdriet en rouw, die Mefiboseth had over Davids ongeluk, die hem zoveel goeds gedaan had. Vergelijk boven, 2 Sam. 12:20 . Deuteronomium 21:12 : Zo zult u haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden. 2 Samuël 12:20 : Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis van YHWH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.
[^2samuel-19-24-48]: Kanttekening 48: Van Jeruzalem, vluchtende voor Absalom.
[^2samuel-19-25-49]: Kanttekening 49: als hij te Jeruzalem: Nadat de koning binnen Jeruzalem gekomen was. Het schijnt dat hij onderweg geen gelegenheid gehad heeft, of zich ontzien heeft de koning aan te spreken. Anders, als Jeruzalem dat is, de inwoners van Jeruzalem de koning tegemoet kwam, waaronder zich Mefiboseth mee gevoegd heeft, om de koning aan de Jordaan te ontmoeten.
[^2samuel-19-26-50]: Kanttekening 50: Ziba.
[^2samuel-19-27-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 16:3 . 2 Samuël 16:3 : Toen zei de koning: Waar is dan de zoon uws heren? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zei: Heden zal mij het huis van Israël van mijn vader koninkrijk wedergeven.
[^2samuel-19-27-51]: Kanttekening 51: valselijk aangedragen: Zie boven, 2 Sam. 16:3 . 2 Samuël 16:3 : Toen zei de koning: Waar is dan de zoon uws heren? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zei: Heden zal mij het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader wedergeven.
[^2samuel-19-27-52]: Kanttekening 52: engel van God: Gelijk boven, 2 Sam. 14:17 . 2 Samuël 14:17 : Verder zei uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, van de koning, zij toch tot rust; want gelijk een Engel van God, zo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en YHWH, uw God, zal met u zijn.
[^2samuel-19-28-53]: Kanttekening 53: vaders huis: Dat is, van mijn grootvader Saul.
[^2samuel-19-28-54]: Kanttekening 54: mensen van de dood: Dat is, die allen de dood verdiend hadden. Vergelijk Gen. 20:3 ; 2 Sam. 12:5 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
[^2samuel-19-28-55]: Kanttekening 55: Zie boven, 2 Sam. 9:7 , 9:10 , 9:13 . 2 Samuël 9:7 : En David zei tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en u zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. 2 Samuël 9:10 : Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 2 Samuël 9:13 : Zo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan de tafel van de koning; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.
[^2samuel-19-28-56]: Kanttekening 56: te roepen: Te klagen over het onrecht, dat mij mijn knecht gedaan heeft.
[^2samuel-19-29-57]: Kanttekening 57: Ik heb gezegd: Te weten, toen mij voorkwam dat Ziba u ongelijk had gedaan; of, ik zeg; dat is, verordineer en beveel. Zoveel had Ziba met zijn praktijken bij deze, anders zeer wijzen koning, uitgericht, dat hij een verering bekomt, inplaats dat hij vanwege zijn schandelijke ontrouw aan Mefiboseth bewezen, en leugentaal, waarmee hij de koning had bedrogen, verdiend had gestraft te worden.
[^2samuel-19-30-58]: Kanttekening 58: Alsof hij zei: Het is mij genoeg, dat het gemeen wel gaat. Aan mijn particulier is weinig gelegen; of, die schade zal ik door overdenking van het algemene welvaren geduldiglijk opnemen.
[^2samuel-19-31-59]: Kanttekening 59: Zie boven, 2 Sam. 17:27 , en 1 Kon. 2:7 . 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 1 Koningen 2:7 : Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult u weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom.
[^2samuel-19-31-60]: Kanttekening 60: kwam ook af: Voordat de koning over de Jordaan toog.
[^2samuel-19-32-61]: Kanttekening 61: man van tachtig jaren: Hebreeuws, רֹגְלִ֑ים, een zoon.
[^2samuel-19-32-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 17:27 ; 1 Kon. 2:7 . 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 1 Koningen 2:7 : Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult u weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom.
[^2samuel-19-32-62]: Kanttekening 62: groot man: Van vermogen of middelen; gelijk 1 Sam. 25:2 . 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^2samuel-19-34-63]: Kanttekening 63: Hoe veel: Alsof hij zei: Ik heb toch maar weinig tijds te leven, waartoe dan de moeite?
[^2samuel-19-35-64]: Kanttekening 64: tachtig jaren oud: Hebreeuws, יֹּ֥אמֶר, een zoon van tachtig jaar.
[^2samuel-19-35-65]: Kanttekening 65: zou ik kunnen onderscheiden: Hij wil zeggen dat hij te oud is om in dat alles vermaak te nemen, dat het hem beter paste bij zijn graf te zijn en tot zijn sterfdag zich te bereiden.
[^2samuel-19-36-66]: Kanttekening 66: zulk een vergelding doen: Voor een kleine weldaad zo grote vergelding.
[^2samuel-19-37-67]: Kanttekening 67: Onder, vers 40 , genoemd Chimham, een van Barzillai's zonen, gelijk afgenomen wordt uit 1 Kon. 2:7 . 2 Samuël 19:40 : En de koning toog voort naar Gilgal, en Chimham toog met hem voort; en al het volk van Juda had de koning overgevoerd, als ook een gedeelte van het volk van Israël. 1 Koningen 2:7 : Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult u weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom.
[^2samuel-19-38-68]: Kanttekening 68: uw ogen: Dat u aangenaam en welgevallig zal mogen zijn.
[^2samuel-19-38-69]: Kanttekening 69: begeren zult: Hebreeuws, ט֖וֹב, verkiezen zult; te weten, om van mij te begeren, of wat u believen, behagen zal, wat u lief en aangenaam zal zijn. Zie boven, 2 Sam. 15:15 . 2 Samuël 15:15 : Toen zeiden de knechten van de koning tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.
[^2samuel-19-39-70]: Kanttekening 70: Met de schouw; gelijk vers 18 . 2 Samuël 19:18 : Als nu de pont overvoer, om het huis van de koning over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht van de koning, als hij over de Jordaan voer;
[^2samuel-19-39-71]: Kanttekening 71: kuste de koning Barzillai: Nemende van hem afscheid, met dankzegging en wensing alles goeds. Zie Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^2samuel-19-39-72]: Kanttekening 72: hij weer naar zijn plaats: Barzillai keerde weer naar Rogelim.
[^2samuel-19-40-73]: Kanttekening 73: had de koning overgevoerd: Of, geleidde de koning; en zo in vers 41 . 2 Samuël 19:41 : En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot de koning; en zij zeiden tot de koning: Waarom hebben u onze broers, de mannen van Juda, gestolen, en hebben de koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem?
[^2samuel-19-40-74]: Kanttekening 74: een gedeelte: Hebreeuws, יְבָ֣רֲכֵ֔, de helft; dat altemet voor een gedeelte genomen wordt.
[^2samuel-19-40-75]: Kanttekening 75: Dat is, van de andere stammen.
[^2samuel-19-41-76]: Kanttekening 76: Dat is, als steelsgewijze, zonder ons te ontbieden, alleen geleid.
[^2samuel-19-41-77]: Kanttekening 77: Of, gevoerd? Alle mannen Davids nu \[waren\] bij hem; te weten, bij de koning, die al zijn officieren en krijgslieden bij zich had.
[^2samuel-19-41-78]: Kanttekening 78: met hem: Dat is, Davids officieren en krijgslieden waren allen met David, en hielden het met die van Juda, die David zelf daartoe bewogen had, boven vers 11 , 19:12 , 19:14 . Hierom spraken die van Juda te stouter. 2 Samuël 19:11 : Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesters, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt u de laatsten zijn, om de koning weer te halen in zijn huis? (Want de rede van het gehele Israël was tot de koning gekomen in zijn huis.) 2 Samuël 19:12 : U bent mijn broers; mijn been en mijn vlees bent u; waarom zoudt u dan de laatsten zijn, om de koning weer te halen? 2 Samuël 19:14 : Zo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enige man; en zij zonden heen tot de koning, zeggende: Keer weer, u en al uw knechten.
[^2samuel-19-42-79]: Kanttekening 79: ons na verwant is: Hebreeuws, מַדּוּעַ֩, mij; te weten, de stam van Juda.
[^2samuel-19-42-80]: Kanttekening 80: Hebben wij dan: Zij willen zeggen: Meent u dat de koning ons daartoe gekocht heeft door goede beloften of geschenken?
[^2samuel-19-42-81]: Kanttekening 81: enigszins gegeten: Hebreeuws, בֵּית, etende gegeten.
[^2samuel-19-42-82]: Kanttekening 82: konings kost : Hebreeuws, יַּרְדֵּ֔ן, van de koning.
[^2samuel-19-43-83]: Kanttekening 83: Wij hebben: Hebreeuws, אִ֣ישׁ, ik; te weten, Israël; en zo in het volgende.
[^2samuel-19-43-84]: Kanttekening 84: tien delen: Hebreeuws, אִ֣ישׁ, handen. Dit zeggen zij omdat zij tien stammen waren, en overzulks tien stemmen hadden.
[^2samuel-19-43-85]: Kanttekening 85: Dat is, aan de koning in het algemeen, of aan het koninkrijk, en ook aan deze koning David, die wij met onze algemene stemmen gekozen hebben; 2 Sam. 5:1 . 2 Samuël 5:1 : Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
[^2samuel-19-43-86]: Kanttekening 86: ons woord: Dat is, dat wij niet de voorstemming en de voortocht gehad hebben in deze zaak.
[^2samuel-19-43-87]: Kanttekening 87: Dat is, sterker, krachtiger, zodat die van Israël tegen hen niet konden opkomen, maar moesten aflaten.

### 2 Samuël 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/20.json)

*De goddeloze Seba maakt Israël, bij gelegenheid van deze twist, oproerig en afvallig van David, vers 1. Hoe David gehandeld heeft met de bijvrouwen die door Absalom misbruikt waren, 3. David zendt Amasa uit om Juda te verzamelen tegen Seba, 4. maar toen deze wat te lang uitbleef, stuurt hij Abisaï met krijgsvolk uit, 6. Amasa ontmoet hen onderweg, en wordt door Joab verraderlijk doorstoken, 8. Joab en Abisaï jagen Seba na, en belegeren hem in Abel Beth-Maächa, 13. waar de burgers, door de raad van een wijze vrouw, Seba het hoofd afhouwen en het tot Joab over de muur werpen; zo wordt dit oproer en deze oorlog beëindigd, 16. Register van de voornaamste ambtenaren en bevelhebbers in Davids koninkrijk, 23.*

**1** Toen was daar toevallig een[^2samuel-20-1-1] Belials man, van wie de naam Seba was, een zoon van Bichri, een man van[^2samuel-20-1-3] Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, ieder naar zijn tenten, o[^2samuel-20-1-5] Israël![^2samuel-20-1-2][^2samuel-20-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v1)

**2** Toen trok alle man van Israël op[^2samuel-20-2-6] van achter David, Seba, de zoon van Bichri, achterna; maar de mannen van Juda[^2samuel-20-2-7] kleefden hun koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v2)

**3** Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de[^2samuel-20-3-8] tien vrouwen, zijn bijvrouwen, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en[^2samuel-20-3-9] deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar[^2samuel-20-3-10] ging tot haar niet in. En zij waren[^2samuel-20-3-11] opgesloten tot op de dag van hun dood,[^2samuel-20-3-12] levende als weduwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v3)

**4** Verder zei de koning tot Amasa: Roep mij de mannen van Juda samen, tegen de derde dag; en u,[^2samuel-20-4-14] stel u dan hier.[^2samuel-20-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v4)

**5** En Amasa ging heen, om Juda bijeen te roepen; maar hij[^2samuel-20-5-15] bleef achter, boven de gezetten tijd, die[^2samuel-20-5-16] hij hem gezet had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v5)

**6** Toen zei David tot[^2samuel-20-6-17] Abisai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, meer kwaad doen, dan Absalom; neem u de knechten[^2samuel-20-6-18] van uw heer, en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien versterkte steden voor zich vinde, en zich aan onze ogen onttrekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v6)

**7** Toen trokken uit, hem achterna, de[^2samuel-20-7-19] mannen van Joab, en de[^2samuel-20-7-20] Krethi, en de Plethi, en al de helden. Deze trokken uit van Jeruzalem, om Seba, de zoon van Bichri, achterna te jagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v7)

**8** Als zij nu waren bij de grote steen, die bij[^2samuel-20-8-21] Gibeon is, zo kwam Amasa[^2samuel-20-8-22] voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn[^2samuel-20-8-23] kleed,[^2samuel-20-8-24] dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn middel in zijn schede; en als[^2samuel-20-8-25] hij voortging, zo[^2samuel-20-8-26] viel het uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v8)

**9** En Joab zei tot Amasa:[^2samuel-20-9-27] Is het wel met u, mijn[^2samuel-20-9-28] broer? En[^2samuel-20-9-29] Joab vatte met de rechterhand de baard van Amasa, om hem te[^2samuel-20-9-30] kussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v9)

**10** En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was;[^2samuel-20-10-a] zo[^2samuel-20-10-31] sloeg hij hem daarmee aan de[^2samuel-20-10-32] vijfde rib, en hij stortte zijn binnenste ter aarde uit, en hij sloeg hem niet[^2samuel-20-10-33] voor de tweede keer, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v10)

**11** Maar een man, van Joabs[^2samuel-20-11-34] jongens, bleef bij hem staan, en hij zei:[^2samuel-20-11-35] Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is,[^2samuel-20-11-36] die volge Joab na! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v11)

**12** Amasa nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als[^2samuel-20-12-37] die man zag, dat al[^2samuel-20-12-38] het volk staan bleef, zo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, omdat hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v12)

**13** Toen hij nu van de straat weggenomen was, trok alle man voort, Joab na, om Seba, de zoon van Bichri, achterna te jagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v13)

**14** En[^2samuel-20-14-39] hij trok heen door alle stammen van Israël, naar Abel, te weten,[^2samuel-20-14-40] Beth-Maächa, en het hele[^2samuel-20-14-41] Berim; en[^2samuel-20-14-42] zij verzamelden zich, en kwamen hem ook na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v14)

**15** En zij kwamen en belegerden[^2samuel-20-15-43] hem in Abel Beth-Maächa, en zij[^2samuel-20-15-44] wierpen een[^2samuel-20-15-45] wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was,[^2samuel-20-15-46] verdorven de muur, om die neer te vellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v15)

**16** Toen riep een wijze vrouw[^2samuel-20-16-47] uit de stad: Hoor, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v16)

**17** Toen hij nu tot haar naderde, zei de vrouw: Bent u Joab? En hij zei: Ik ben het; en zij zei tot hem: Hoor de woorden van uw dienstmaagd; en hij zei: Ik hoor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v17)

**18** Toen sprak zij, zeggende: In voortijden spraken zij[^2samuel-20-18-48] gemeenlijk, zeggende: Zij zullen[^2samuel-20-18-49] zonder twijfel te Abel vragen; en[^2samuel-20-18-50] zo volbrachten zij het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v18)

**19** [^2samuel-20-19-51] Ik ben een van de vreedzamen, van de getrouwen in Israël, en u zoekt te doden een[^2samuel-20-19-52] stad, die een moeder is in Israël; waarom zou u het[^2samuel-20-19-53] erfdeel van YHWH verslinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v19)

**20** Toen antwoordde Joab, en zei: Het zij verre, het zij verre van mij,[^2samuel-20-20-54] dat ik zou verslinden, en dat ik zou verderven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v20)

**21** [^2samuel-20-21-55]De zaak is niet zo; maar een man van het gebergte van Efraïm, van wie de naam Seba is, de zoon van Bichri, heeft zijn[^2samuel-20-21-56] hand opgeheven tegen de koning, tegen David; lever hem alleen, zo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zei de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over de muur geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v21)

**22** En de vrouw kwam in tot al het[^2samuel-20-22-57] volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen Seba, de zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toen blies hij met de bazuin, en[^2samuel-20-22-58] zij verstrooiden zich van de stad, ieder naar zijn tenten; en Joab keerde weer naar Jeruzalem tot de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v22)

**23** [^2samuel-20-23-b] Joab nu was[^2samuel-20-23-59] over het hele leger van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, over de[^2samuel-20-23-60] Krethi en over de Plethi; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v23)

**24** En Adoram was over de[^2samuel-20-24-61] belasting; en Josafat, de zoon van Ahilud, was[^2samuel-20-24-62] kanselier; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v24)

**25** En[^2samuel-20-25-63] Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren[^2samuel-20-25-64] priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v25)

**26** En ook was Ira, de Jaïriet, Davids[^2samuel-20-26-65] opperofficier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/20.html#v26)

[^2samuel-20-1-1]: Kanttekening 1: Belials man: Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^2samuel-20-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, 2 Sam. 16:11 . 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd.
[^2samuel-20-1-5]: Kanttekening 5: Hij spreekt die van Israël aan, die met Juda getwist en zich beklaagd hadden dat zij verongelijkt waren. Zie 2 Sam. 19:41 , 19:43 . 2 Samuël 19:41 : En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot de koning; en zij zeiden tot de koning: Waarom hebben u onze broers, de mannen van Juda, gestolen, en hebben de koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem? 2 Samuël 19:43 : En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan de koning, en ook aan David, wij, meer dan u; waarom hebt u ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onze koning weer te halen? Maar het woord van de mannen van Juda was harder dan het woord van de mannen van Israël.
[^2samuel-20-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, Scheba.
[^2samuel-20-1-4]: Kanttekening 4: Versta hierop, vertrekke, begeve zich.
[^2samuel-20-2-6]: Kanttekening 6: van achter David: Dat is, zij verlieten David en volgden Seba na.
[^2samuel-20-2-7]: Kanttekening 7: kleefden hun koning aan: Zij verlieten hem niet, gelijk de andere stammen, maar bleven bij hem, geleidende hem verder tot Jeruzalem toe.
[^2samuel-20-3-8]: Kanttekening 8: tien vrouwen: Zie boven, 2 Sam. 15:16 . 2 Samuël 15:16 : En de koning ging uit met zijn gehele huis te voet; maar de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren.
[^2samuel-20-3-9]: Kanttekening 9: deed ze: De oorzaak, zie boven, 2 Sam. 16:22 . 2 Samuël 16:22 : Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de ogen van het gehele Israël.
[^2samuel-20-3-10]: Kanttekening 10: ging tot haar niet in: Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^2samuel-20-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, gebonden; dat is, zo besloten, alsof zij gevangen en gebonden waren geweest; tenware dan, dat zij in Absaloms feit mochten hebben geconsenteerd.
[^2samuel-20-3-12]: Kanttekening 12: levende als weduwen: \[In\] weduwschap van het leven; dat is, levende als weduwen, of als weduwen zijnde, haar leefdagen. Of, weduwen welker man nog leefde.
[^2samuel-20-4-14]: Kanttekening 14: stel u dan hier: Dat is, stel u dan in en houd u bij mij, om last van mij te ontvangen; want David had hem generaal-krijgsoverste gemaakt in Joabs plaats; boven, 2 Sam. 19:13 . 2 Samuël 19:13 : En tot Amasa zult u zeggen: Bent u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te alle dage, in Joabs plaats.
[^2samuel-20-4-13]: Kanttekening 13: tegen de derde dag: Of, binnen drie dagen. Hebreeuws, שְׁלֹ֣שֶׁת, de derde van de dagen.
[^2samuel-20-5-15]: Kanttekening 15: bleef achter: Anders, hij liet \[hen\], namelijk die van Juda vertoeven; dat is, hij gaf hun langer tijd.
[^2samuel-20-5-16]: Kanttekening 16: hij hem gezet had: David.
[^2samuel-20-6-17]: Kanttekening 17: Joabs broer, zijnde mee een krijgsoverste. Zie boven, 2 Sam. 18:2 , die David hierin gebruikt, om Joab \[die anders de naaste zou geweest zijn\] geen gelegenheid te geven, dat hij zich in de plaats van Amasa mocht indringen, met belediging van Amasa, die de koning het generaalschap met ede beloofd had. 2 Samuël 18:2 : Verder zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, de zoon van Zeruja, Joabs broer, en een derde deel onder de hand van Ithai, de Gethiet. En de koning zei tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met u uittrekken.
[^2samuel-20-6-18]: Kanttekening 18: uws heren: Dat is, mijn officieren en soldaten. Sommigen verstaan hier Amasa, die nu, als generaal, Abisai's heer genoemd wordt.
[^2samuel-20-7-19]: Kanttekening 19: mannen van Joab: Dat is, Joabs soldaten, alsook Joab zelf.
[^2samuel-20-7-20]: Kanttekening 20: Zie 1 Kon. 1:38 . 1 Koningen 1:38 : Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon.
[^2samuel-20-8-21]: Kanttekening 21: Gibeon is: Zie Joz. 10 .
[^2samuel-20-8-22]: Kanttekening 22: voor hun aangezicht: Dat is, hij kwam hun recht in het gemoet, wederkerende van de reis, waartoe hem de koning gezonden had, of, Hij kwam voor, of naast hen heen, langs de weg, daar zij mogen hebben vertoefd.
[^2samuel-20-8-23]: Kanttekening 23: Of, krijgsrok, kazak, krijgsmantel; een kleed \[gelijk enige menen\] in de krijg gebruikelijk en te die tijd bekend.
[^2samuel-20-8-24]: Kanttekening 24: dat hij aan had: Hebreeuws, מִדּ֣, zijn kleding.
[^2samuel-20-8-25]: Kanttekening 25: hij voortging: Te weten, Joab, aftredende uit zijn orde, of de plaats, waar zij vertoefden om Amasa te groeten.
[^2samuel-20-8-26]: Kanttekening 26: viel het uit: Te weten, het zwaard; zodat Amasa, hebbende het zwaard zien vallen, daarop niet verdacht was, dat Joab het met de linkerhand opgenomen had, gelijk sommigen uit vers 9 afnemen. 2 Samuël 20:9 : En Joab zei tot Amasa: Is het wel met u, mijn broer? En Joab vatte met de rechterhand de baard van Amasa, om hem te kussen.
[^2samuel-20-9-27]: Kanttekening 27: Is het wel met u: Hebreeuws, אָחִ֑, \[bent\] u vrede? Gelijk 1 Sam. 25:6 , en boven, 2 Sam. 17:3 . 1 Samuël 25:6 : En zult zo zeggen tot die welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! 2 Samuël 17:3 : En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.
[^2samuel-20-9-28]: Kanttekening 28: Dat is, neef, bloedvriend. Zij waren twee zussenkinderen, 1 Kron. 2:16 , 2:17 . Zie ook boven, 2 Sam. 17:25 . 1 Kronieken 2:16 : En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie. 1 Kronieken 2:17 : En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet. 2 Samuël 17:25 : En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over de legermacht. Amasa nu was de zoon van een man, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
[^2samuel-20-9-29]: Kanttekening 29: Joab vatte: Hebreeuws, יַד, Joabs rechterhand vatte de baard van Amasa.
[^2samuel-20-9-30]: Kanttekening 30: Gelijk in het groeten gebruikelijk was, Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^2samuel-20-10-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 2:5 . 1 Koningen 2:5 : Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
[^2samuel-20-10-31]: Kanttekening 31: Dat is, stak.
[^2samuel-20-10-32]: Kanttekening 32: vijfde rib: Zie boven, 2 Sam. 2:23 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^2samuel-20-10-33]: Kanttekening 33: ten tweede male: Hebreeuws, יָּמֹ֑ת, hij verdubbelde, of wederhaalde niet aan hem; te weten de slag; dat is, hij stak hem niet ten tweede male, omdat hij van de eerste steek meteen stierf. Vergelijk 1 Sam. 26:8 ; Job 29:22 . 1 Samuël 26:8 : Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweede male doen. Job 29:22 : Na mijn woord spraken zij niet weer, en mijn rede drupte op hen.
[^2samuel-20-11-34]: Kanttekening 34: Dat is, dienaren.
[^2samuel-20-11-35]: Kanttekening 35: Wie is er: Dat is, allen, die het met Joab en David houden, die volgen Joab na. Vergelijk Deut. 20:5 , enz. Zo dringt zich Joab bij het krijgsvolk meteen weer in het generaalschap, in de plaats van Amasa, die hij daarom vermoord had. Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
[^2samuel-20-11-36]: Kanttekening 36: die volge Joab na: Hebreeuws, אַחֲרֵ֥י, \[zij\] achter Joab; gelijk boven dikwijls, en in het volgende.
[^2samuel-20-12-37]: Kanttekening 37: die man zag: In vers 11 vermeld. 2 Samuël 20:11 : Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zei: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na!
[^2samuel-20-12-38]: Kanttekening 38: het volk: Dat die weg passeerde, gelijk in het einde van vers 12 verklaard wordt. 2 Samuël 20:12 : Amasa nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, omdat hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan.
[^2samuel-20-14-39]: Kanttekening 39: hij toog heen: Joab, die de vluchtenden Seba door Efraïm, Manasse, Issaschar, Zebulon en Nafthali vervolgde tot aan Abel toe, waar hij nu was.
[^2samuel-20-14-40]: Kanttekening 40: Met deze toenaam was deze stad Abel genoemd, tot onderscheiding van de andere van die naam. Deze stad lag in de stam van Nafthali, aan het noordelijke einde van Kanaän, tegen Syrië aan, waar een gedeelte van Syrië was, genoemd Maächa. Zie ook 2 Kon. 15:29 , en hier, vers 15 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Samuël 20:15 : En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen.
[^2samuel-20-14-41]: Kanttekening 41: Een landstreek bij Abel gelegen.
[^2samuel-20-14-42]: Kanttekening 42: zij verzamelden zich: De Israëlieten van de gemelde plaatsen volgden ook Joab.
[^2samuel-20-15-43]: Kanttekening 43: Seba, de rebel.
[^2samuel-20-15-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, zij stortten uit.
[^2samuel-20-15-45]: Kanttekening 45: wal op: Een opgehoogden aarden dijk; dat is, een bolwerk, of wal. Zo 2 Kon. 19:32 ; Jer. 32:24 , en Jer. 33:4 . 2 Koningen 19:32 : Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. Jeremia 32:24 : Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pestilentie; en wat U gesproken hebt, is geschied, en zie, U ziet het. Jeremia 33:4 : Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
[^2samuel-20-15-46]: Kanttekening 46: verdorven de muur: Hebreeuws, מַשְׁחִיתִ֖ם, waren verdervende, om de muur neder te vellen; dat is, houwende, stotende, brekende, misschien ook ondergravende; want van het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, komt een ander, dat ook een groef betekent.
[^2samuel-20-16-47]: Kanttekening 47: uit de stad: Van de stadsmuur af.
[^2samuel-20-18-48]: Kanttekening 48: spraken zij gemeenlijk: Hebreeuws, רִֽאשֹׁנָה֙, sprekende spraken zij.
[^2samuel-20-18-49]: Kanttekening 49: zonder twijfel … vragen: Hebreeuws, vragende zullen zij vragen, of raadvragende zullen zij raadvragen. Het schijnt een oud spreekwoord geweest te zijn, tot eer van de inwoners van deze stad gebruikt, omdat daar kloeke en wijze mensen gevonden werden, blijkende alhier uit het exempel van deze vrouw.
[^2samuel-20-18-50]: Kanttekening 50: zo volbrachten zij het: Dat is, als men de raad van deze stad volgde, zo ging het wel. Of, zo eindigden zij het geschil. Anders, zo zullen zij het volbrengen, of eindigen.
[^2samuel-20-19-51]: Kanttekening 51: Ik ben een: Zij spreekt in de naam van de stad Abel.
[^2samuel-20-19-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, een stad en een moeder; enz.; dat is, een hoofdstad, hebbende onder haar andere steden en dorpen. Of, versta door de moeder de inwoners van een stad, die als ene moeder is van andere, die zij, als een moeder de kinderen, met wijzen en goeden raad pleegt voor te gaan.
[^2samuel-20-19-53]: Kanttekening 53: erfdeel van YHWH: Dat is, zijn volk, dat Hij bemint, als een mens zijn erfdeel.
[^2samuel-20-20-54]: Kanttekening 54: dat ik zou verslinden: Hebreeuws, אֲבַלַּ֖ע, zo ik zal verslinden, enz. Versta hierop, zo doe mij God dit en dat, gelijk in het eedzweren gebruikelijk.
[^2samuel-20-21-55]: Kanttekening 55: De zaak is niet zo: Hij wil zeggen: Ik ben daarom niet gekomen, maar om Seba te hebben.
[^2samuel-20-21-56]: Kanttekening 56: Heeft zich opgeworpen en een rebellie gesticht.
[^2samuel-20-22-57]: Kanttekening 57: met haar wijsheid: Met wijze redenen de inwoners bewegende om te doen wat zij Joab beloofd had.
[^2samuel-20-22-58]: Kanttekening 58: verstrooiden zich: De belegeraars.
[^2samuel-20-23-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 8:16 . 2 Samuël 8:16 : Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het legermacht; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.
[^2samuel-20-23-59]: Kanttekening 59: over de gehele legermacht van Israël: Na de dood van Amasa was hij in zijn vorigen staat hersteld. Zie boven, vers 4 . Deze officieren worden hier andermaal opgenoemd, omdat David nu als opnieuw in zijn rijk was hersteld; boven, 2 Sam. 19:22 , en omdat er enige verandering en ook bijvoeging schijnt gevallen te zijn. Vergelijk boven, 2 Sam. 8:17 , 8:18 . 2 Samuël 20:4 : Verder zei de koning tot Amasa: Roep mij de mannen van Juda te zamen, tegen de derde dag; en u, stel u dan hier. 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël? 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
[^2samuel-20-23-60]: Kanttekening 60: Krethi en over de Plethi: Zie boven, vers 7 . 2 Samuël 20:7 : Toen togen uit, hem achterna, de mannen van Joab, en de Krethi, en de Plethi, en al de helden. Deze togen uit van Jeruzalem, om Seba, de zoon van Bichri, achterna te jagen.
[^2samuel-20-24-61]: Kanttekening 61: Anders, uitschot. Zie 1 Kon. 4:6 . 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^2samuel-20-24-62]: Kanttekening 62: Zie 1 Kon. 4:3 . 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^2samuel-20-25-63]: Kanttekening 63: Seja was schrijver: Hebreeuws, סֹפֵ֑ר, Scheja. Boven, 2 Sam. 8:17 \[naar sommiger gevoelen\] genoemd Seraja. 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
[^2samuel-20-25-64]: Kanttekening 64: Zie Num. 3:32 , en 2 Kon. 23:4 . Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
[^2samuel-20-26-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, Cohen. Zie boven, 2 Sam. 8:18 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

### 2 Samuël 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/21.json)

*David vraagt God naar de oorzaak van de driejarige hongersnood, en als hij verneemt dat het was omdat Saul de Gibeonieten vervolgd en gedood had, levert hij de Gibeonieten, (maar met sparing van de zoon van Jonathan) volgens hun wens, zeven personen uit Sauls geslacht over, die zij ophangen, vers 1 enz. Rizpa bewaakt de dode lichamen, 10. David laat de beenderen van Saul en Jonathan, alsook de beenderen van de opgehangenen, begraven in het graf van Saul, 12. Verhaal van vier oorlogen van David tegen de Filistijnen, waarin vier Filistijnse reuzen door Davids helden verslagen zijn, 15.*

**1** En er was in Davids dagen een honger, drie jaar, jaar achter jaar; en David[^2samuel-21-1-1] zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten[^2samuel-21-1-2] gedood heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v1)

**2** Toen riep de koning de Gibeonieten, en zei tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de Israëlieten, maar van het[^2samuel-21-2-3] overblijfsel van de Amorieten; en de Israëlieten hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen[^2samuel-21-2-a] te slaan in zijn[^2samuel-21-2-4] ijver voor de Israëlieten en Juda.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v2)

**3** David dan zei tot de Gibeonieten: Wat zal ik u doen, en waarmee zal ik verzoenen, dat[^2samuel-21-3-5] u het[^2samuel-21-3-6] erfdeel van YHWH zegent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v3)

**4** Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in[^2samuel-21-4-7] Israël. En[^2samuel-21-4-8] hij zei: Wat zegt u dan, dat ik u doen zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v4)

**5** En zij zeiden tot de koning:[^2samuel-21-5-9] De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons[^2samuel-21-5-10] gedacht heeft, dat wij zouden vernietigd worden, zonder te kunnen bestaan in enige grens van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v5)

**6** Laat ons zeven mannen van zijn[^2samuel-21-6-11] zonen gegeven worden, dat wij[^2samuel-21-6-12] hen voor YHWH ophangen te Gibeä Sauls,[^2samuel-21-6-13] o, u verkorene van YHWH! En de koning zei: Ik zal hen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v6)

**7** Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van[^2samuel-21-7-b] Saul, om de eed[^2samuel-21-7-14] van YHWH, die tussen hen was, tussen David en tussen Jonathan, Sauls zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v7)

**8** Maar de koning nam de twee zonen van[^2samuel-21-8-15] Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals[^2samuel-21-8-16] zus, Sauls dochter, die zij Adriël, de zoon van Barzillai, de[^2samuel-21-8-17] Meholathiet, gebaard had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v8)

**9** En hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten, die ze ophingen op de[^2samuel-21-9-18] berg voor het aangezicht van YHWH; en die zeven[^2samuel-21-9-19] vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van de oogst, in de eerste dagen, in het begin van de gersteoogst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v9)

**10** Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een[^2samuel-21-10-20] zak, en[^2samuel-21-10-21] spande die voor zich uit op een rotssteen, van het begin van de oogst, totdat er water op[^2samuel-21-10-22] hen drupte van de hemel; en zij liet het gevogelte van de[^2samuel-21-10-23] hemel op hen niet rusten overdag, noch het gedierte van het veld in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v10)

**11** En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijvrouw, gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v11)

**12** Zo ging David heen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgers van Jabes in Gilead,[^2samuel-21-12-c] die ze[^2samuel-21-12-24] gestolen hadden van de straat Beth-san, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, op de dag als de Filistijnen Saul sloegen op[^2samuel-21-12-25] Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v12)

**13** En hij bracht van daar op de[^2samuel-21-13-26] beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen van de gehangenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v13)

**14** En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te[^2samuel-21-14-27] Zela, in het graf van zijn[^2samuel-21-14-28] vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Zo werd God na deze[^2samuel-21-14-29] voor het land verbeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v14)

**15** Verder[^2samuel-21-15-30] hadden de Filistijnen nog een strijd tegen Israël. En David trok af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moe werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v15)

**16** En Isbi Benob, die van de[^2samuel-21-16-31] kinderen van Rafa was, en het gewicht[^2samuel-21-16-32] van zijn speer driehonderd[^2samuel-21-16-33] gewicht kopers, en hij was aangegord met een[^2samuel-21-16-34] nieuw zwaard; deze[^2samuel-21-16-35] dacht David te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v16)

**17** Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg de Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de[^2samuel-21-17-36] mannen van David, zeggende: U zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat u de[^2samuel-21-17-37] lamp van Israël niet uitblust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v17)

**18** En het gebeurde daarna, dat er opnieuw een strijd was[^2samuel-21-18-d] te[^2samuel-21-18-38] Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de[^2samuel-21-18-39] Husathiet,[^2samuel-21-18-40] Saf, die van de kinderen van Rafa was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v18)

**19** Verder was er nog een strijd te Gob tegen de Filistijnen; en[^2samuel-21-19-41] Elhanan, de zoon van[^2samuel-21-19-42] Jaare-oregim, sloeg Beth-halachmi,[^2samuel-21-19-43] die was met[^2samuel-21-19-44] Goliath, de Gethiet, van wie de speerschacht was als een weversboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v19)

**20** Nog was er ook een strijd te[^2samuel-21-20-45] Gath; en er was een[^2samuel-21-20-46] zeer lang man,[^2samuel-21-20-47] die zes vingers had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v20)

**21** En hij[^2samuel-21-21-48] hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van[^2samuel-21-21-49] Simea, Davids broer, sloeg hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v21)

**22** Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij[^2samuel-21-22-50] vielen door de hand van David, en door de hand van zijn[^2samuel-21-22-51] knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/21.html#v22)

[^2samuel-21-1-1]: Kanttekening 1: Om van God door urim en thummim de oorzaak van deze dure tijd te weten, en alsdan behoorlijke middelen te gebruiken tot stilling van Gods toorn. Zie Num. 27:21 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^2samuel-21-1-2]: Kanttekening 2: gedood heeft: Tegen de belofte, die hun met ede gedaan was, gelijk volgt. Zie Joz. 9:15 , 9:18 , enz.; om deze misdaad wordt het gehele land gestraft, omdat het volk Sauls verkeerden ijver geprezen, of immers \[gelijk het dan dikwijls gebeurt\] niet had belet, noch daarover enige vergoeding aan de Gibeonieten tot deze tijd toe gedaan was. Van deze daad Sauls heeft de Heilige Schrift tevoren niets vermeld. Jozua 9:15 : En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun. Jozua 9:18 : En de kinderen van Israël sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij YHWH, de God van Israël; daarom morde de gehele vergadering tegen de oversten.
[^2samuel-21-2-3]: Kanttekening 3: overblijfsel van de Amorieten: Dat is, overgebleven van de vorige heidense inwoners van het land Kanaän, die God bevolen had te verdelgen, en in het algemeen ook Amorieten genoemd worden. Anders waren zij Hevieten, Joz. 9:7 , en Joz. 11:19 . Jozua 9:7 : Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont u in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken? Jozua 11:19 : Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen van Israël, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.
[^2samuel-21-2-a]: Verwijzing a: Joz. 9:19 . Jozua 9:19 : Toen zeiden al de oversten tot de gehele vergadering: Wij hebben hun gezworen bij YHWH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten.
[^2samuel-21-2-4]: Kanttekening 4: Versta, een ongeregelden en geveinsden ijver, waardoor hij meende te verbeteren wat door Jozua en andere vrome regenten, naar zijn zin, verzuimd of kwalijk gedaan was. Maar het streed tegen de eed, die bij Gods naam, door zijn bijzondere voorzienigheid, gedaan was. Waarom ook God hierover nu vertoornd was, gelijk uit deze landplaag en Gods antwoord blijkt.
[^2samuel-21-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, dat zij; te weten, uw landslieden.
[^2samuel-21-3-6]: Kanttekening 6: erfdeel van YHWH zegent: Dat is, dat u niet meer tot God klaagt, maar het volk van God \[gelijk 2 Sam. 20:19 \] deze straf helpt afbidden, en alles goeds weer toebidden. 2 Samuël 20:19 : Ik ben één van de vreedzamen, van de getrouwen in Israël, en u zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israël; waarom zoudt u het erfdeel van YHWH verslinden?
[^2samuel-21-4-7]: Kanttekening 7: Uitgezonderd Sauls huis, gelijk volgt.
[^2samuel-21-4-8]: Kanttekening 8: hij zei: De koning.
[^2samuel-21-5-9]: Kanttekening 9: De man die ons te niet gemaakt: Te weten, Saul; zo onwaardiglijk spreken zij van hem.
[^2samuel-21-5-10]: Kanttekening 10: gedacht heeft: Voorgehad, voorgenomen, gepraktiseerd heeft.
[^2samuel-21-6-11]: Kanttekening 11: zonen gegeven worden: Dat is, van zijn nakomelingen, kinderen, of kleinkinderen, enz. behorende tot het bloedhuis Sauls, vermeld vers 1 . 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.
[^2samuel-21-6-12]: Kanttekening 12: YHWH ophangen: Tot zijn eer, bij wiens naam de eed gedaan is van ons te sparen; of om hem te bevredigen.
[^2samuel-21-6-13]: Kanttekening 13: o, u verkorene van YHWH: Gelijk zij verachtelijk in vers 5 gesproken hebben van Saul, zo spreken zij hier ter contrarie David zeer eerbiediglijk aan. Anders, van de verkorene van de Heer, verstaande dat van Saul; die zij zo zouden noemen om zijn misdaad aan hen begaan, tegen de eed Gods, te vergroten. 2 Samuël 21:5 : En zij zeiden tot de koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enige landpale van Israël;
[^2samuel-21-7-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 18:3 ; 1 Sam. 20:15 ; idem 20:42 ; 1 Sam. 23:18 . 1 Samuël 18:3 : Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel. 1 Samuël 20:15 : Ook zult u uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer YHWH een iedereen van de vijanden van David van de aardbodem zal afgesneden hebben. 1 Samuël 20:42 : Toen zei Jonathan tot David: Ga in vrede; wat wij beiden in de Naam van YHWH gezworen hebben, zeggende: De YHWH zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! 1 Samuël 23:18 : En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht van YHWH; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.
[^2samuel-21-7-14]: Kanttekening 14: van YHWH: Zie 1 Sam. 20:15 , 20:16 , 20:17 . 1 Samuël 20:15 : Ook zult u uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer YHWH een ieder van de vijanden van David van de aardbodem zal afgesneden hebben. 1 Samuël 20:16 : Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat het YHWH eise van de hand van de vijanden Davids! 1 Samuël 20:17 : En Jonathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel.
[^2samuel-21-8-15]: Kanttekening 15: Sauls bijwijf, boven, 2 Sam. 3:7 , en onder, vers 11 . 2 Samuël 3:7 : Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isboseth zei tot Abner: Waarom bent u ingegaan tot het bijwijf van mijn vader? 2 Samuël 21:11 : En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.
[^2samuel-21-8-16]: Kanttekening 16: zus : Namelijk, Merab, die deze Adriël tot een man gehad heeft, 1 Sam. 18:19 . Zo wordt het woord broer van sommigen ingevoerd, onder, vers 19 , en zoon, Jer. 32:12 . Sommigen verstaan hier door Michals zonen de zonen van haar zus Merab, die Michal zou hebben opgevoed, en daarom genoemd geweest haar moeder. Vergelijk Ruth 4:17 . 1 Samuël 18:19 : Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriël, de Meholathiet, ter vrouw gegeven. 2 Samuël 21:19 : Verder was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-oregim, sloeg Beth-halachmi, dewelke was met Goliath, de Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom. Jeremia 32:12 : En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijns ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten. Ruth 4:17 : En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader.
[^2samuel-21-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, Mecholatiet. Uit Manasse aan de westzijde van de Jordaan, waar Abel-Mehola lag. Zie Richt. 7:22 , tot onderscheiding van Barzillai, de Gileadiet, Davids vriend, boven, 2 Sam. 19:31 , enz. Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de een tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath. 2 Samuël 19:31 : Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.
[^2samuel-21-9-18]: Kanttekening 18: Te Gibeä Sauls, gelijk boven, vers 6 , niet ver van Silo, Gibeon en Nobe, in welke plaatsen de tent van de samenkomst geweest is. Zie boven, 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 21:6 : Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen YHWH ophangen te Gibeä Sauls, o, u verkorene van YHWH! En de koning zei: Ik zal hen geven. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^2samuel-21-9-19]: Kanttekening 19: vielen tegelijk: Dat is, kwamen om.
[^2samuel-21-10-20]: Kanttekening 20: Dat is, een grof kleed, als een tent, om daaronder in de nacht en overdag, uit moederlijke liefde bij de dode lichamen van haar kinderen te blijven, die men anders gewoonlijk naar de wet, Deut. 21:23 , op denzelfden dag had moeten afnemen en begraven; maar het schijnt dat deze hebben moeten hangen, totdat God door de regen betoonde met het land verzoend te zijn, omdat God de duurte door droogte veroorzaakt had. Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^2samuel-21-10-21]: Kanttekening 21: spande die: Anders, spreidde.
[^2samuel-21-10-22]: Kanttekening 22: hen drupte van de hemel: De dode lichamen.
[^2samuel-21-10-23]: Kanttekening 23: op hen niet rusten overdag: Om de dode lichamen ongeschonden te houden ter begrafenis.
[^2samuel-21-12-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 31:10 . 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san.
[^2samuel-21-12-24]: Kanttekening 24: gestolen hadden: Zie de historie 1 Sam. 31:10 , 31:11 , 31:12 , 31:13 . 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san. 1 Samuël 31:11 : Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; 1 Samuël 31:12 : Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar. 1 Samuël 31:13 : En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.
[^2samuel-21-12-25]: Kanttekening 25: Het gebergte van Gilboa.
[^2samuel-21-13-26]: Kanttekening 26: beenderen van Saul: Nadat de lichamen verbrand waren, gelijk afgenomen wordt uit 1 Sam. 31:12 . Zie daar. 1 Samuël 31:12 : Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar.
[^2samuel-21-14-27]: Kanttekening 27: Zie Joz. 18:28 . Jozua 18:28 : En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen.
[^2samuel-21-14-28]: Kanttekening 28: Zie 1 Sam. 9:1 , 9:2 . 1 Samuël 9:1 : Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held. 1 Samuël 9:2 : Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen van Israël; van zijn schouders en opwaarts was hij hoger dan al het volk.
[^2samuel-21-14-29]: Kanttekening 29: voor het land verbeden: Dat is, de inwoners van het land, de Israëlieten, zodat Hij de plaag van de honger wegnam en weer regen gaf met vruchtbaarheid. Vergelijk onder, 2 Sam. 24:25 . 2 Samuël 24:25 : En David bouwde daar voor YHWH een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Zo werd YHWH voor het land verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.
[^2samuel-21-15-30]: Kanttekening 30: hadden de Filistijnen: Anders, hadden gehad; verstaande, dat deze krijgen tegen de Filistijnen hier wel tot een besluit van Davids victoriën worden verhaald, maar al tevoren zouden geschied zijn.
[^2samuel-21-16-31]: Kanttekening 31: Rafa was: Anders, van de reus, die te Gath woonde, onder vers 22 . Zo in het volgende. 2 Samuël 21:22 : Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten.
[^2samuel-21-16-32]: Kanttekening 32: Of, van het ijzer, scherp, of de spits van zijn spies.
[^2samuel-21-16-33]: Kanttekening 33: gewicht kopers: Zie 1 Sam. 17:5 . 1 Samuël 17:5 : En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;
[^2samuel-21-16-34]: Kanttekening 34: nieuw zwaard : Of, opnieuw; dat is, gewapend op een nieuwe wijze, tevoren in de krijg niet gebruikelijk.
[^2samuel-21-16-35]: Kanttekening 35: dacht David te slaan: Hebreeuws, הַכּ֥וֹת, zei; te weten, bij zichzelven, dat is, dacht; gelijk elders.
[^2samuel-21-17-36]: Kanttekening 36: mannen van David: De officieren en krijgslieden van David zwoeren David.
[^2samuel-21-17-37]: Kanttekening 37: lamp van Israël: Of, kaars, lantaarn; dat is, opdat u, die Israël met raad en daad voorlicht, niet omkomt. Zie verder van deze schone gelijkenis 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^2samuel-21-18-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 20:4 . 1 Kronieken 20:4 : En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.
[^2samuel-21-18-38]: Kanttekening 38: Gelegen bij Gezer, waar dit geschied is, 1 Kron. 20:4 , in Efraïm, bij Benjamins grenzen, naar het land van de Filistijnen toe. 1 Kronieken 20:4 : En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.
[^2samuel-21-18-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, Chuschatiet.
[^2samuel-21-18-40]: Kanttekening 40: Ook genoemd Sippai, 1 Kron. 20:4 . 1 Kronieken 20:4 : En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.
[^2samuel-21-19-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, Elchanan.
[^2samuel-21-19-42]: Kanttekening 42: Jaïr genoemd, 1 Kron. 20:5 . 1 Kronieken 20:5 : Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
[^2samuel-21-19-43]: Kanttekening 43: Anders, \[broer\] van Goliath. Dat sommigen hier invoegen uit 1 Kron. 20:5 , waar hij genoemd wordt Lachmi; welke plaats de lezer met deze kan vergelijken. 1 Kronieken 20:5 : Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.
[^2samuel-21-19-44]: Kanttekening 44: Die David verslagen had, 1 Sam. 17 .
[^2samuel-21-20-45]: Kanttekening 45: Een vermaarde stad van de Filistijnen, gelegen aan de Middellandse zee.
[^2samuel-21-20-46]: Kanttekening 46: zeer lang man: Hebreeuws, אֶצְבְּעֹ֣ת, een man van mate; dat is, bovenmate groot. Vergelijk Num. 13:33 . Numeri 13:33 : Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen.
[^2samuel-21-20-47]: Kanttekening 47: die zes vingeren had: Hebreeuws, אֶצְבְּעֹ֨ת, de vingers van zijn handen en de vingers van zijn voeten \[waren\] zes en zes, vier en twintig \[in\] getal.
[^2samuel-21-21-48]: Kanttekening 48: hoonde Israël: Vergelijk 1 Sam. 17:10 . 1 Samuël 17:10 : Verder zei de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
[^2samuel-21-21-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, Schima, ook genoemd Schamma, 1 Sam. 16:9 . 1 Samuël 16:9 : Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen.
[^2samuel-21-22-50]: Kanttekening 50: Gelijk Goliath ook tevoren van David was omgebracht, 1 Sam. 17 , die hier ook is geweest hun hoofd en voorganger, waarom hem mee toegeschreven wordt wat zijn knechten gedaan hebben. Anders, en; dat is, te weten.
[^2samuel-21-22-51]: Kanttekening 51: Dat is, zijn officieren en helden.

### 2 Samuël 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/22.json)

*Een zeer heerlijk lof- en danklied van David, waarin hij met alle kracht van zijn geest zijn God ten hoogste roemt, en zeer levendig zijn uiterste noden en gevaren afschildert, waarin hij geweest is vanwege de bittere vervolging van al zijn vijanden, die hem ten onrechte gehaat en steeds zijn verderf gezocht hebben; en daarnaast met zeer verheven woorden de onbegrijpelijke genade en almachtige hand van de HEERE beschrijft, die hem (terwijl hij onschuldig was en in alle oprechtheid voor Hem wandelde) zeer wonderbaar altijd verlost, verhoogd, al zijn vijanden gedempt en hem ten slotte tot rust gebracht heeft. Ondertussen wijst hij door de profetische Geest op het bestendige, eeuwige en onoverwinnelijke koninkrijk van onze Heiland Jezus Christus, van wie hij een voorafbeelding was, en betuigt de toekomstige roeping van de heidenen tot de gehoorzaamheid en gemeenschap van de Heere Christus en zijn kerk.*

**1** En David sprak de woorden van dit lied tot YHWH, op de dag als YHWH hem verlost had uit de hand van al zijn[^2samuel-22-1-1] vijanden, en uit de hand van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v1)

**2** Hij zei dan: YHWH is mij mijn[^2samuel-22-2-3] Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.[^2samuel-22-2-a][^2samuel-22-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v2)

**3** [^2samuel-22-3-4] God is mijn Rots,[^2samuel-22-3-b] ik zal op Hem[^2samuel-22-3-5] betrouwen; mijn Schild en de[^2samuel-22-3-6] Hoorn van mijn heil, mijn[^2samuel-22-3-7] Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v3)

**4** Ik[^2samuel-22-4-8] riep YHWH aan,[^2samuel-22-4-9] Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v4)

**5** Want[^2samuel-22-5-10] golven van de dood hadden mij omvangen; beken[^2samuel-22-5-11] van Belial verschrikten mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v5)

**6** Banden van[^2samuel-22-6-12] het dodenrijk omringden mij; strikken van de dood bejegenden mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v6)

**7** Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit[^2samuel-22-7-13] Zijn paleis, en mijn geroep[^2samuel-22-7-14] kwam in Zijn oren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v7)

**8** Toen[^2samuel-22-8-15] daverde en beefde de aarde; de fundamenten van de hemel beroerden zich, en daverden, omdat[^2samuel-22-8-16] Hij ontstoken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v8)

**9** Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden[^2samuel-22-9-17] daarvan aangestoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v9)

**10** En Hij boog de hemel, en[^2samuel-22-10-18] daalde neer; en donkerheid was onder Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v10)

**11** En Hij voer op een[^2samuel-22-11-19] cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugels van de wind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v11)

**12** En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een[^2samuel-22-12-20] samenbinding van de wateren, wolken van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v12)

**13** [^2samuel-22-13-21] Van de glans voor Hem heen werden kolen van het vuur aangestoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v13)

**14** YHWH donderde van de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn[^2samuel-22-14-22] stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v14)

**15** En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en[^2samuel-22-15-23] verschrikte ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v15)

**16** En de diepe[^2samuel-22-16-24] kolken van de zee werden gezien, de gronden van de wereld werden ontdekt, door de[^2samuel-22-16-25] bestraffing van YHWH, van het geblaas van de[^2samuel-22-16-26] wind van Zijn neus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v16)

**17** Hij[^2samuel-22-17-27] zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit[^2samuel-22-17-28] grote wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v17)

**18** Hij verloste mij van mijn sterke vijand, van mijn vijanden, omdat zij machtiger waren dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v18)

**19** Zij hadden mij bejegend op de dag van mijn ongeluk; maar YHWH was mij een Steun.[^2samuel-22-19-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v19)

**20** En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v20)

**21** YHWH vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weer naar de reinheid[^2samuel-22-21-30] van mijn[^2samuel-22-21-31] handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v21)

**22** Want ik heb de wegen van YHWH gehouden, en ben van mijn God niet[^2samuel-22-22-32] goddeloos afgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v22)

**23** Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn voorschriften, daarvan week ik niet af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v23)

**24** Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn[^2samuel-22-24-33] ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v24)

**25** Zo gaf mij YHWH weer naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid,[^2samuel-22-25-34] voor Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v25)

**26** Bij de goedertierene houdt U Zich goedertieren; bij de oprechten held houdt U Zich oprecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v26)

**27** Bij de reine houdt U Zich rein; maar bij de verkeerde houdt U Zich verdraaid[^2samuel-22-27-35]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v27)

**28** En U verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de[^2samuel-22-28-36] hogen, U zult hen vernederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v28)

**29** Want U bent mijn[^2samuel-22-29-37] Lamp, o YHWH, en YHWH doet mijn[^2samuel-22-29-38] duisternis[^2samuel-22-29-39] opklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v29)

**30** Want[^2samuel-22-30-40] met U[^2samuel-22-30-41] loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v30)

**31** [^2samuel-22-31-42][^2samuel-22-31-c] Gods[^2samuel-22-31-43] weg is volmaakt;[^2samuel-22-31-d] de rede van YHWH is[^2samuel-22-31-44] doorlouterd;[^2samuel-22-31-45] Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v31)

**32** Want[^2samuel-22-32-e] wie is God, behalve YHWH, en wie is een[^2samuel-22-32-46] rotssteen, behalve onze God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v32)

**33** God is mijn Sterkte[^2samuel-22-33-47] en Kracht; en Hij heeft mijn[^2samuel-22-33-48] weg volkomen[^2samuel-22-33-49] geopend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v33)

**34** Hij maakt mijn voeten[^2samuel-22-34-50] zoals van de hinden, en stelt mij op mijn[^2samuel-22-34-51] hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v34)

**35** Hij[^2samuel-22-35-52] leert mijn handen ten strijde, zodat een[^2samuel-22-35-53] stalen boog met mijn armen verbroken is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v35)

**36** Ook hebt U mij gegeven[^2samuel-22-36-54] het schild van Uw heil, en door[^2samuel-22-36-55] Uw verootmoedigen hebt U mij groot gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v36)

**37** U hebt mijn[^2samuel-22-37-56] voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v37)

**38** Ik[^2samuel-22-38-57] vervolgde mijn vijanden, en vernietigde hen, en keerde niet weer, voordat ik ze verdaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v38)

**39** En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weer opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v39)

**40** Want U omgordde mij met kracht ten strijde; U deed onder mij neerbuigen, die tegen mij opstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v40)

**41** En U gaf mij de[^2samuel-22-41-58] nek van mijn vijanden, van mijn vijanden, en ik vernielde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v41)

**42** Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar YHWH, maar Hij antwoordde hun niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v42)

**43** Toen vergruisde ik hen als stof van de aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk van de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v43)

**44** Ook hebt U mij uitgeholpen van de[^2samuel-22-44-59] twisten van mijn volk, U hebt mij[^2samuel-22-44-60] bewaard tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v44)

**45** [^2samuel-22-45-61] Vreemden hebben zich mij[^2samuel-22-45-62] geveinst onderworpen;[^2samuel-22-45-63] zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v45)

**46** Vreemden zijn[^2samuel-22-46-64] vervallen, en hebben zich[^2samuel-22-46-65] aangegord uit hun sloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v46)

**47** YHWH leeft, en[^2samuel-22-47-66] geloofd zij mijn Rotssteen; en[^2samuel-22-47-67] verhoogd zij God, de Rotssteen van mijn heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v47)

**48** De God, Die mij[^2samuel-22-48-68] volkomen wraak geeft, en de volken onder mij neerwerpt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v48)

**49** En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van[^2samuel-22-49-69] geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v49)

**50** [^2samuel-22-50-70] Daarom zal ik U, o YHWH, loven onder de[^2samuel-22-50-f] heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v50)

**51** [^2samuel-22-51-71] Hij is een Toren van[^2samuel-22-51-72] de verlossingen van Zijn[^2samuel-22-51-73] koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn[^2samuel-22-51-74] gezalfde, aan[^2samuel-22-51-75] David en aan zijn zaad,[^2samuel-22-51-76] tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/22.html#v51)

[^2samuel-22-1-1]: Kanttekening 1: en uit de hand van Saul: Dat is, voornamelijk uit Sauls hand, wiens vervolging de allergevaarlijkste voor David was. Vergelijk Mark. 16:7 . Marcus 16:7 : Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.
[^2samuel-22-2-3]: Kanttekening 3: Zie Deut. 32:4 , 32:31 . Zo onder, vers 47 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Deuteronomium 32:31 : Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde. 2 Samuël 22:47 : YHWH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!
[^2samuel-22-2-a]: Verwijzing a: Ps. 18:2 . Psalmen 18:2 : Hij zei dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, YHWH, mijn Sterkte!
[^2samuel-22-2-2]: Kanttekening 2: YHWH is mij mijn: Vergelijk met dit lied Ps. 18 .
[^2samuel-22-3-4]: Kanttekening 4: God is mijn Rots: Hebreeuws, צוּרִ֖, God mijn rotssteens.
[^2samuel-22-3-b]: Verwijzing b: Hebr., 2:13 . Hebreeën 2:13 : En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
[^2samuel-22-3-5]: Kanttekening 5: Of, tot Hem toevlucht nemen; zo vers 31 . Vergelijk Ruth 2:12 . 2 Samuël 22:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^2samuel-22-3-6]: Kanttekening 6: Hoorn mijns heils: Dat is, die mij met zijn sterkte voorvecht, beschermt en behoudt; een gelijkenis genomen van de beesten, die zich met de hoornen verweren en beschermen. Vergelijk Num. 23:22 , en Num. 24:8 ; Deut. 33:17 . Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn. Numeri 24:8 : God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met deze zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^2samuel-22-3-7]: Kanttekening 7: Vesting: Hebreeuws, מִשְׂגַּבִּ, hoogte, hoge plaats. Als een hoogte, waar ik mij berg en verzekerd ben. Deze en andere gelijkenissen zijn genomen van de middelen, die men toen gebruikte om zich voor het geweld van de vijanden te verbergen en te beschermen, als op rotsen, hoogten, torens, bergen, vestingen, enz.
[^2samuel-22-4-8]: Kanttekening 8: riep YHWH aan: Hebreeuws, אֶקְרָ֣א, eigenlijk, zal aanroepen; en telkens in het volgende. De Hebreën gebruiken veel in het verhalen van gepasseerde geschiedenissen woorden, die anders eigenlijk de toekomende tijd betekenen; gelijk zij ze somtijds ook gebruiken voor de tegenwoordige tijd, of iets, dat doorgaans en gewoonlijk geschiedt.
[^2samuel-22-4-9]: Kanttekening 9: Die te prijzen is: Of, geprezen.
[^2samuel-22-5-10]: Kanttekening 10: baren van de dood: Met deze zeer schone, hooggaande verbloemde redenen wil David zeggen dat zijn noden zodanig geweest zijn, dat hij zonder Gods wonderlijke en krachtige verlossing een verloren man ware geweest.
[^2samuel-22-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, van heilloos en ondeugend gespuis, of van de duivel en zijn instrumenten. Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^2samuel-22-6-12]: Kanttekening 12: dodenrijk omringden mij: Of, van het graf; dat is, benauwdheden, die de dood dreigden. Anders, smarten van het dodenrijk.
[^2samuel-22-7-13]: Kanttekening 13: Zijn paleis: Dat is, uit de hemel, vanwaar Hij de volgende wonderen tot Davids verlossing beschikte. Anders, tempel; dat is, tabernakel. Zie Ps. 5:8 . Psalmen 5:8 : Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze.
[^2samuel-22-7-14]: Kanttekening 14: kwam : Dit woord is hier ingevoegd uit Ps. 18:7 . Psalmen 18:7 : Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
[^2samuel-22-8-15]: Kanttekening 15: daverde en beefde de aarde: Dit is een figuurlijke beschrijving van aardbeving en schrikkelijke stormen, waardoor God, van David aangeroepen zijnde, voor hem en zijn volk tegen de vijanden gestreden heeft. Vergelijk Richt. 5:20 , 5:21 ; Ps. 29:5 , 29:6 , 29:7 , enz., en Ps. 144:5 , 144:6 , 144:7 ; van fondamenten, pilaren en krachten van de hemel, zie Job 26:11 . Richteren 5:20 : Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. Richteren 5:21 : De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken. Psalmen 29:5 : De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen van Libanon. Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn. Psalmen 29:7 : De stem van YHWH houwt er vlammen vuurs uit. Psalmen 144:5 : Neig Uw hemelen, YHWH! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken. Psalmen 144:6 : Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. Psalmen 144:7 : Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand van de vreemden; Job 26:11 : De pilaren van de hemel sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
[^2samuel-22-8-16]: Kanttekening 16: Hij ontstoken was: Hebreeuws, חָ֥רָה, omdat hem ontstoken was; te weten, de toorn.
[^2samuel-22-9-17]: Kanttekening 17: daarvan aangestoken: Of, van hem; te weten, de Heer.
[^2samuel-22-10-18]: Kanttekening 18: daalde neder: Menselijk van God gesproken, ten aanzien van zijn werkingen in de tucht, waardoor Hij zijn bijzondere aanwezigheid bewijst, met stormwinden, slagregen, donder, bliksem, hagel, enz., gelijk volgt.
[^2samuel-22-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, engel. \[Zie Gen. 3:24 \], waardoor legermachten van de engelen worden verstaan, die God tot zijn dienst gebruikt naar zijn believen. Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^2samuel-22-12-20]: Kanttekening 20: samenbinding van de wateren: In de dikke zwarte wolken houdt God de wateren als samengebonden, ontbindende en nederstortende die als het hem belieft. Zie Job 26:8 . Job 26:8 : Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
[^2samuel-22-13-21]: Kanttekening 21: Van de glans: Beschrijving van de bliksem, gelijk vers 9 . 2 Samuël 22:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
[^2samuel-22-14-22]: Kanttekening 22: Het geluid van de donderslagen. Zie Ps. 29:3 . Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^2samuel-22-15-23]: Kanttekening 23: verschrikte ze: Of, versloeg hen, verdeed hen; te weten, de vijanden.
[^2samuel-22-16-24]: Kanttekening 24: kolken van de zee: Van de schrikkelijke stormen, gelijk volgt.
[^2samuel-22-16-25]: Kanttekening 25: schelden van YHWH: Zie Ps. 9:6 . Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^2samuel-22-16-26]: Kanttekening 26: van Zijn neus: Of, zijns toorns. Gods toorn wordt zo beschreven, bij gelijkenis van mensen genomen. Vergelijk Job 4:9 ; Ps. 74:1 . Job 4:9 : Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
[^2samuel-22-17-27]: Kanttekening 27: Te weten, zijn hulp, of zijn heilige engelen; of, Hij stak uit; te weten, zijn rechterhand, als wanneer men iemand van boven aangrijpt en uit watersnood optrekt.
[^2samuel-22-17-28]: Kanttekening 28: grote wateren: Of, vele geweldige wateren; dat is, uit diepe noden en benauwdheden, in welke ik als verzonken was, die mij als een sterke watervloed overvielen en dreigden te versmoren of weg te rukken. Zie ook deze gelijkenis Job 22:11 ; Ps. 32:6 , en Ps. 66:12 , en Ps. 69:2 , 69:3 , en Ps. 124:4 ; Jes. 43:2 ; Ez. 26:19 , enz. Job 22:11 : Of u ziet de duisternis niet, en de overvloed van het water bedekt u. Psalmen 32:6 : Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. Psalmen 66:12 : U hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. Psalmen 69:2 : Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Psalmen 69:3 : Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Psalmen 124:4 : Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. Jesaja 43:2 : Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Ezechiël 26:19 : Want zo zegt de Heer YHWH: Als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik een afgrond over u zal doen opkomen, en de grote wateren u zullen overdekken.
[^2samuel-22-19-29]: Kanttekening 29: Vergelijk 1 Sam. 23:24 , 23:25 , 23:26 . Het Hebreeuwse woord betekent verderf, ondergang, dodelijk gevaar. Zie Deut. 32:35 . Het betekent anders damp, Gen. 2:6 , waarbij \[alsook bij duisternis \] de ellenden en perijkelen niet kwalijk worden vergeleken. 1 Samuël 23:24 : Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangezicht van Saul. David nu en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de rechterhand van de wildernis. 1 Samuël 23:25 : Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van die rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon. 1 Samuël 23:26 : En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de andere zijde van de berg. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen. Deuteronomium 32:35 : Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. Genesis 2:6 : Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de gehele aardbodem.
[^2samuel-22-21-30]: Kanttekening 30: Dat is, onschuld, of gerechtigheid mijner zaak. Want Davids vijanden hadden ongelijk, hatende en vervolgende hem ten onrechte; waar hij ter contrarie bekommerd was om zich aan zijn allerbitterste vervolgers, of om hunnentwil, niet te bezondigen, als blijkbaar aan Saul gebleken is, en in het volgende verhaald wordt. Anders wist David zeer wel dat hij een zondaar was, en zijn zaligheid bij de Heer, uit genade, door het beloofde zaad, de Messias, moest verkrijgen, volgens zijn eigen veelvoudige bekentenissen, zelfs hier in vers 24 . Zie 2 Sam. 11:12 , en Ps. 51 , enz. 2 Samuël 22:24 : Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. 2 Samuël 11:12 : Toen zei David tot Uria: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Zo bleef Uria te Jeruzalem, die dag en de andere dag.
[^2samuel-22-21-31]: Kanttekening 31: Zie Gen. 20:5 . Genesis 20:5 : Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.
[^2samuel-22-22-32]: Kanttekening 32: Anders, ik heb niet goddeloos gehandeld \[mits afwijkende\] van mijn God.
[^2samuel-22-24-33]: Kanttekening 33: Dat ik van de verdorvenheid en boosheid, die in mij is, niet mocht verleid worden, om iets onrechts te doen.
[^2samuel-22-25-34]: Kanttekening 34: voor Zijn ogen: Dat is, die Hij wel wist, die hem bekend was.
[^2samuel-22-27-35]: Kanttekening 35: Of, als een worstelaar, door wonderlijke, onverwachte en dikwijls onbegrijpelijke wegen verstrikkende, vangende, nedervellende, en zo rechtvaardiglijk straffende de goddeloze, die kromme en verkeerde wegen tegen U en de vromen ingaat. Anders, onsmakelijk; dat is, wederwillig, onlustig, naar het gevoelen dergenen, die verstaan dat hier een ander woord in het Hebreeuws, gebruikt wordt, gelijk Ps. 18:27 . Vergelijk verder Lev. 26:24 , 26:27 , 26:28 . Psalmen 18:27 : Bij de reine houdt U Zich rein, maar bij de verkeerde bewijst U Zich een Worstelaar. Leviticus 26:24 : Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan. Leviticus 26:27 : Als u ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; Leviticus 26:28 : Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
[^2samuel-22-28-36]: Kanttekening 36: Dat is, hoogmoedige, hoogdragende.
[^2samuel-22-29-37]: Kanttekening 37: Of, kaars, lantaarn; dat is, oorzaak en auteur van al mijn voorspoed, blijdschap en troost.
[^2samuel-22-29-38]: Kanttekening 38: Dat is, tegenspoed, droefenis, ellende. Zie Gen. 15:12 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^2samuel-22-29-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, eigenlijk, Hij doet mijn duisternis blinken, Hij maakt haar blinkende.
[^2samuel-22-30-40]: Kanttekening 40: met U: Dat is, door uw krachtige hulp.
[^2samuel-22-30-41]: Kanttekening 41: loop ik door een bende: Anders, verbreek, of doorbreek ik.
[^2samuel-22-31-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, God, zijn weg is volmaakt. Anders, God is volmaakt \[in\] zijn weg.
[^2samuel-22-31-c]: Verwijzing c: Deut. 32:4 ; Dan. 4:37 ; Openb. 15:3 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Daniël 4:37 : Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning van de hemel, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. Openbaring 15:3 : En zij zongen het gezang van Mozes, de dienaar van God, en het gezang van het Lam, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heer, U almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, U Koning van de heiligen!
[^2samuel-22-31-43]: Kanttekening 43: weg is volmaakt: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^2samuel-22-31-d]: Verwijzing d: Ps. 12:7 ; Ps. 119:140 ; Spreuk. 30:5 . Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Psalmen 119:140 : Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. Spreuken 30:5 : Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
[^2samuel-22-31-44]: Kanttekening 44: Als een metaal, dat van alle schuim en onzuiverheid door de kunst van de goudsmid gezuiverd is. Zie Ps. 12:7 . Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
[^2samuel-22-31-45]: Kanttekening 45: Hij is een Schild: YHWH.
[^2samuel-22-32-e]: Verwijzing e: Deut. 32:39 ; 1 Sam. 2:2 ; Ps. 86:8 ; Jes. 45:5 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:2 : Er is niemand heilig, gelijk YHWH; want er is niemand dan U, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! Psalmen 86:8 : Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken. Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent.
[^2samuel-22-32-46]: Kanttekening 46: Gelijk boven, vers 2 , 22:3 . 2 Samuël 22:2 : Hij zei dan: YHWH is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper. 2 Samuël 22:3 : God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost!
[^2samuel-22-33-47]: Kanttekening 47: en Kracht: Of, \[in de\] legermacht.
[^2samuel-22-33-48]: Kanttekening 48: Mijn pas, dat ik in spijt mijner vijanden heb kunnen passeren waar ik scheen besloten te zijn.
[^2samuel-22-33-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, losgemaakt.
[^2samuel-22-34-50]: Kanttekening 50: gelijk als van de hinden: Snel en ligt in het lopen. Vergelijk boven, 2 Sam. 1:23 . 2 Samuël 1:23 : Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen.
[^2samuel-22-34-51]: Kanttekening 51: Waar ik mij op begaf, om tegen mijn vijanden verzekerd te zijn; gelijk hij ten tijde van Saul dikwijls heeft moeten doen. Anders kan men dit vergelijken met Deut. 32:13 , en Deut. 33:29 , verstaande dit van de vaste sloten en burchten, die God David heeft doen winnen. Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsd aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden!
[^2samuel-22-35-52]: Kanttekening 52: Dat is, maakt ze bekwaam.
[^2samuel-22-35-53]: Kanttekening 53: stalen boog: Of, koperen.
[^2samuel-22-36-54]: Kanttekening 54: het schild Uws heils: Dat is, uw heilzaam, overwinnend, verlossend schild; of uw heil, dat mij als een schild geweest is.
[^2samuel-22-36-55]: Kanttekening 55: Dat is, door het kruis, dat mij anders zou hebben moeten verderven, hebt U mij wonderbaarlijk verhoogd, machtig en groot gemaakt. Anders, door uw verhoren; dat is, doordien U mijn bidden verhoord hebt. Hiervoor staat Ps. 18:36 door uw zachtmoedigheid. Psalmen 18:36 : Ook hebt U mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
[^2samuel-22-37-56]: Kanttekening 56: Of, gang, tred, dat ik vrij en vastelijk in mijn weg voortging, om mijn vijanden te slaan en uw volk in zekerheid te stellen, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^2samuel-22-38-57]: Kanttekening 57: Anders, ik zal, enz. en zo in vers 39 . 2 Samuël 22:39 : En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weer opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.
[^2samuel-22-41-58]: Kanttekening 58: nek mijner vijanden: Dat zij voor mij vluchtten; of U hebt mij hun nek als toegehouden; dat ik die doorhieuw. Zie Gen. 49:8 , Ex. 23:27 . Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. Exodus 23:27 : Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot wie u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren.
[^2samuel-22-44-59]: Kanttekening 59: twisten mijns volks: Die Israël had, eensdeels met de omliggende heidense vijanden, en nu door mijn overwinningen zijn geëindigd; anderdeels \[waarop dit voornamelijk schijnt te zien\] met mijzelf, ten tijde van Saul, Isboseth, Absalom en Seba, die allen ellendiglijk zijn omgekomen, en Israël is mij eendrachtiglijk onderworpen.
[^2samuel-22-44-60]: Kanttekening 60: In zoveel perijkelen tot het koninkrijk.
[^2samuel-22-45-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, zonen, of kinderen eens vreemden; zo in vers 46 ; dat is, vreemde natiën, die van God en zijn volk vreemd zijn, hebben mij gehoorzaamheid en dienstbaarheid beloofd uit vrees, hoewel zij het van harte niet meenden. 2 Samuël 22:46 : Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.
[^2samuel-22-45-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws, hebben mij gelogen, gehuicheld, geveinsd, gelijk huichelaars bij de voorspoed van de vromen plegen te doen. Zie Deut. 33:29 . Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsd aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden!
[^2samuel-22-45-63]: Kanttekening 63: zo haast: Hebreeuws, שְׁמ֥וֹעַ, ten gehore, of met het horen van de oren, zo haast zij hoorden wat God door mij gedaan had.
[^2samuel-22-46-64]: Kanttekening 64: Gelijk bladeren en bloemen, die verwelken en afvallen.
[^2samuel-22-46-65]: Kanttekening 65: Om mij te ontmoeten uit hun vastigheden, of zijn al bevende uit hun besloten plaatsen gewapend voortgekomen, zijnde versaagd en vertwijfelende. Anders, hebben gesidderd; gelijk Ps. 18:46 ; dat is, al sidderende verlopen. Psalmen 18:46 : Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
[^2samuel-22-47-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, gezegend.
[^2samuel-22-47-67]: Kanttekening 67: verhoogd zij God: Dat is, hooglijk geroemd.
[^2samuel-22-48-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, wraken; dat is, volkomen wraak.
[^2samuel-22-49-69]: Kanttekening 69: alles gewelds: Hebreeuws, תַּצִּילֵֽ, van de gewelden; te weten, van Saul, die mij met ongelijk en geweld geduriglijk heeft nagetracht, en anderen die met wrevelig opzet tegen mij zijn opgestaan. Zie Ps. 5:7 , en Ps. 140:2 , 140:5 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel. Psalmen 140:2 : Red mij, YHWH! van de kwade mens; behoed mij voor de man van geweld; Psalmen 140:5 : Bewaar mij, YHWH! van de handen van de goddelozen; behoed mij van de man van geweld; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
[^2samuel-22-50-70]: Kanttekening 70: Daarom zal ik U: Hier profeteert David van de beroeping van de heidenen tot de gemeenschap van de Heer Christus, Rom. 15:9 . Gelijk ontwijfelbaar meer andere dingen in deze lofpsalm mee zien op het koninkrijk onzes Heeren Jezus Christus, wiens voorbeeld David geweest is. Romeinen 15:9 : En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.
[^2samuel-22-50-f]: Verwijzing f: Rom. 15:9 . Romeinen 15:9 : En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.
[^2samuel-22-51-71]: Kanttekening 71: een Toren: Anders, die groot maakt, gelijk Ps. 18:51 . Psalmen 18:51 : Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.
[^2samuel-22-51-72]: Kanttekening 72: Of, overwinningen. Zie boven, 2 Sam. 8:6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2samuel-22-51-73]: Kanttekening 73: Davids.
[^2samuel-22-51-74]: Kanttekening 74: Vergelijk Ps. 2:2 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
[^2samuel-22-51-75]: Kanttekening 75: David en aan zijn zaad: Die een voorbeeld en voorvader was \[naar het vlees\] van onze Heer Jezus Christus, die ook genoemd is, David, Jer. 39:9 ; Ez. 34:23 , 34:24 ; Hos. 3:5 , en gesproten uit zijn zaad, Hand. 13:23 ; Rom. 1:3 , hebbende ook zijn eigen geestelijk zaad, dat is, de kinderen, die hem God gegeven heeft, Hebr., 2:13 . Jeremia 39:9 : Het overige nu van het volk, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige van het volk, die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk naar Babel. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 34:24 : En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Handelingen 13:23 : Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; Romeinen 1:3 : Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; Hebreeën 2:13 : En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
[^2samuel-22-51-76]: Kanttekening 76: tot in eeuwigheid: Vergelijk 2 Sam. 7:12 , 7:13 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.

### 2 Samuël 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/23.json)

*De laatste woorden van David, waarin hij getuigt van zijn goddelijke roeping tot het koninklijke en profetische ambt, vers 1, 2. Profeteert over de Messias Jezus Christus, en de gelukzaligheid onder zijn regering, met een belijdenis van de fouten van zijn huis, en een belijdenis van zijn vertrouwen op Gods eeuwige genadeverbond, 3 enz. Verkondigt ten slotte de goddelozen het eeuwige verderf, 6. Verhaal van Davids helden en hun dapperheid, 8.*

**1** Verder zijn dit de[^2samuel-23-1-1] laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die[^2samuel-23-1-2] hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk[^2samuel-23-1-3] in psalmen van Israël, zegt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v1)

**2** De Geest van YHWH heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v2)

**3** De God van Israël heeft gezegd, de[^2samuel-23-3-4] Rotssteen van Israël heeft[^2samuel-23-3-5] tot mij gesproken: Er zal zijn een[^2samuel-23-3-6] Heerser over de mensen, een[^2samuel-23-3-7] Rechtvaardige, een Heerser[^2samuel-23-3-8] in de vrees voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v3)

**4** En Hij zal zijn[^2samuel-23-4-9] zoals het licht 's morgens, wanneer de zon opgaat, 's morgens zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v4)

**5** [^2samuel-23-5-10] Hoewel mijn huis zo niet is bij God, toch heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles[^2samuel-23-5-11] wel bestemd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet[^2samuel-23-5-12] uitspruiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v5)

**6** Maar de[^2samuel-23-6-13] mannen Belials zullen allemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v6)

**7** Maar een ieder die ze zal[^2samuel-23-7-14] aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout van een speer; en zij zullen[^2samuel-23-7-15] geheel met vuur verbrand worden[^2samuel-23-7-16] ter plekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v7)

**8** [^2samuel-23-8-a] Dit zijn de namen van[^2samuel-23-8-17] de helden, die David gehad heeft:[^2samuel-23-8-18] Joscheb Baschebeth, de[^2samuel-23-8-19] zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de bevelhebbers. Deze was Adino, de Ezniet,[^2samuel-23-8-20] die zich stelde tegen achthonderd,[^2samuel-23-8-21] die van hem verslagen werden op eenmaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v8)

**9** En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van[^2samuel-23-9-22] Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen[^2samuel-23-9-23] beschimpten, die daar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v9)

**10** Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moe werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en YHWH werkte een[^2samuel-23-10-24] groot heil ten zelf dage; en[^2samuel-23-10-25] het volk keerde opnieuw hem na, alleen om te plunderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v10)

**11** Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een[^2samuel-23-11-26] dorp, en daar een stuk akkers was vol[^2samuel-23-11-27] linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v11)

**12** Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en[^2samuel-23-12-28] verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en YHWH werkte een groot heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v12)

**13** Ook gingen af[^2samuel-23-13-29] drie van de dertig hoofden, en kwamen in de oogst tot David, in de grot[^2samuel-23-13-30] van Adullam; en de[^2samuel-23-13-31] hoop van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal[^2samuel-23-13-32] Rafaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v13)

**14** En David was toen in een[^2samuel-23-14-33] vesting; en de bezetting van de Filistijnen was toen te Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v14)

**15** En David kreeg lust, en zei:[^2samuel-23-15-34] Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v15)

**16** Toen braken die drie helden door het leger van de Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; maar hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v16)

**17** En zei: Het zij verre van mij, o YHWH, dat ik dit zou doen; zou[^2samuel-23-17-35] ik drinken het bloed van de mannen, die heengegaan zijn[^2samuel-23-17-36] met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v17)

**18** Abisai, Joabs broer, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van[^2samuel-23-18-37] drieën; en die[^2samuel-23-18-38] hief zijn speer op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder[^2samuel-23-18-39] die drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v18)

**19** Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v19)

**20** Verder Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man, groot van daden, van[^2samuel-23-20-40] Kabzeël; die sloeg twee[^2samuel-23-20-41] sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in[^2samuel-23-20-42] de sneeuwtijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v20)

**21** Daartoe sloeg hij een Egyptische man, een man van[^2samuel-23-21-43] aanzien; en in de hand van de Egyptenaar was een[^2samuel-23-21-44] speer, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar, en doodde hem met zijn eigen speer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v21)

**22** Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder de drie helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v22)

**23** Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eerste kwam hij niet; en David stelde hem over zijn[^2samuel-23-23-45] lijfwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v23)

**24** Asahel, Joabs broer, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v24)

**25** Samma, de[^2samuel-23-25-46] Harodiet; Elika, de Harodiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v25)

**26** Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de[^2samuel-23-26-47] Thekoïet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v26)

**27** Abi-Ezer, de[^2samuel-23-27-48] Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v27)

**28** Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v28)

**29** Heleb, de zoon van Baëna, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van[^2samuel-23-29-49] Gibeä van de kinderen Benjamins; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v29)

**30** Benaja, de[^2samuel-23-30-50] Pirhathoniet; Hiddai, van de[^2samuel-23-30-51] beken[^2samuel-23-30-52] van Gaas; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v30)

**31** Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v31)

**32** Eljachba, de Saälboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v32)

**33** Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v33)

**34** Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maächathiet; Eliam, de zoon van[^2samuel-23-34-53] Achitofel, de Giloniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v34)

**35** Hezrai, de Karmeliet; Paërai, de Arbiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v35)

**36** Jig-Al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v36)

**37** Zelek, de Ammoniet; Naharai, de[^2samuel-23-37-54] Beërothiet, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v37)

**38** Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v38)

**39** Uria, de Hethiet,[^2samuel-23-39-55] zeven en dertig in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/23.html#v39)

[^2samuel-23-1-1]: Kanttekening 1: laatste woorden van David: Voor zijn dood, naar het exempel van Jakob, Gen. 49 , en Mozes, Deut. 32 , en Deut. 33 .
[^2samuel-23-1-2]: Kanttekening 2: hoog is opgericht: Verheven uit nederigen stand, en gezalfd tot koning over Gods volk.
[^2samuel-23-1-3]: Kanttekening 3: psalmen van Israël: Die hij door ingeven van de Heilige Geest voor de kerk van God gedicht heeft.
[^2samuel-23-3-4]: Kanttekening 4: Rotssteen van Israël: Gelijk boven, 2 Sam. 22:2 . Vergelijk 1 Kor. 10:4 . 2 Samuël 22:2 : Hij zei dan: YHWH is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper. 1 Korinthiërs 10:4 : En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^2samuel-23-3-5]: Kanttekening 5: tot mij gesproken: Anders, van mij; verstaande dat David hier verhaalt de profetieën, die God aangaande zijn persoon, koninkrijk en huis geopenbaard had, eensdeels aan David zelven, anderdeels aan de profeten Samuël, Nathan, enz.
[^2samuel-23-3-6]: Kanttekening 6: Heerser over de mensen: Versta, onze eeuwige geestelijke Koning en Heer Jezus Christus, wiens voorbeeld David, \[alsook Salomo\] geweest is, en van welke hem God geopenbaard had, dat hij uit zijn zaad \[naar het vlees\] zou voortkomen. Vergelijk Ps. 2:8 , en Ps. 72:8 ; Jer. 30:21 ; Micha 5:1 . Anderen nemen het als een beschrijving van de deugden en schuldige plichten van de regenten, passende ook daarop de volgende gelijkenis, vers 4 , als waardoor beduid is de aangenaamheid en nuttigheid van zulke regenten, gelijk David en Salomo geweest zijn, hoewel gebrekkelijk in vele. Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 72:8 : En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde. Jeremia 30:21 : En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt YHWH. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.
[^2samuel-23-3-7]: Kanttekening 7: Zie Jes. 53:11 ; Jer. 23:5 , 23:6 , en Jer. 33:15 , 33:16 ; Zach. 9:9 met de aantekeningen. Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 33:15 : In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Jeremia 33:16 : In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID. Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen.
[^2samuel-23-3-8]: Kanttekening 8: vrees voor God: Vergelijk Jes. 11:2 , 11:3 . Jesaja 11:2 : En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Jesaja 11:3 : En Zijn rieken zal zijn in de vrees voor YHWH; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen.
[^2samuel-23-4-9]: Kanttekening 9: gelijk het licht van de morgen: Dat is, de komst van de Messias, en de verrichting van zijn zaligmakend ambt, zal zo lieflijk, aangenaam, nuttig en vruchtbaar zijn voor zijn kerk, als de zaken, in deze gelijkenis verhaald, voor de aarde en haar gewas zijn. Vergelijk met vers 4 , Hos. 6:3 ; Ps. 110:3 ; idem Jes. 60:1 , 60:2 ; Mal. 4:2 ; Luk. 1:78 , en verder Jes. 44:3 , 44:4 , enz., en Jes. 55:10 , 55:11 , enz. 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. Hosea 6:3 : Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Psalmen 110:3 : Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. Jesaja 60:1 : Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van YHWH gaat over u op. Jesaja 60:2 : Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal YHWH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Maleachi 4:2 : Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. Lukas 1:78 : door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Jesaja 44:4 : En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. Jesaja 55:10 : Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet terugkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier, en brood de eter; Jesaja 55:11 : Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend.
[^2samuel-23-5-10]: Kanttekening 10: Hoewel mijn huis: David belijdt hier zijne en zijns huizes zonden en onwaardigheid. \[Vergelijk 2 Sam. 7:18 , 7:19 , enz., en zie 2 Sam. 11 , 2 Sam. 12 , 2 Sam. 13 , 2 Sam. 15 , enz.\], en roemt daartegen Gods onverdiende weldadigheid, hem bewezen door het eeuwig en onveranderlijk genadeverbond, zijnde gegrond in de Messias, wiens dag David \[gelijk Abraham\] door het geloof ziende, daarop getroost en verheugd in de Heer ontslapen is. Vergelijk 2 Sam. 22:51 , en Ps. 72:20 , met de aantekeningen. 2 Samuël 7:18 : Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht van YHWH, en hij zei: Wie ben ik, Heer YHWH, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 2 Samuël 7:19 : Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heer YHWH, maar U hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet van de mensen, Heer YHWH! 2 Samuël 22:51 : Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. Psalmen 72:20 : De gebeden van David, de zoon van Isaï, hebben een einde.
[^2samuel-23-5-11]: Kanttekening 11: wel bestemd: Dat is, dat in Gods eeuwigen raad, tot zijn eer en zaligheid zijns volks, met alle middelen daartoe behorende, wijselijk besloten en voorgeschikt is, en tot de eindelijke vervulling toe zo vast bewaard is en gehouden zal worden, dat de poorten van het dodenrijk daartegen niet zullen vermogen. Vergelijk Matt. 16:18 ; Hand. 13:23 , 13:32 , 13:33 , enz.; Ef. 1:3 , 1:4 , enz.; 1 Petr. 1:5 , 1:10 , 1:11 , enz. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen. Handelingen 13:23 : Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; Handelingen 13:32 : En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelfde vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft. Handelingen 13:33 : Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Efeziërs 1:3 : Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; 1 Petrus 1:5 : Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^2samuel-23-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, hoewel de beloofde Scheut, of Spruit van Isaï en David, de Middelaar van het verbond, de Messias, nog niet is gekomen. Vergelijk Jes. 4:2 , en Jes. 11:1 ; Jer. 23:5 , en Jer. 33:15 ; Zach. 3:8 , en Zach. 6:12 . Sommigen verstaan dat David in vers 4 , 23:5 tegen elkaar stelt de vergankelijkheid van de dingen, die in vers 4 verhaald staan, en de eeuwigheid zijns koninkrijks en van zijn huis in de Messias, die uit zijn zaad voortkomen zou, en zetten deze verzen aldus over: 4 En gelijk een licht van de morgen, \[wanneer\] de zon opgaat; van de morgen zonder wolken zijnde, van de glans, van de regen, de grasscheutjes uit de aarde \[uitspruiten\]; 5 dat zo mijn huis bij God niet zal zijn; want Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld; in alles wel toegerust en bewaard; voorzeker al mijn heil en welgevallen is, dat Hij het niet zal doen uitspruiten. \[Als dat nu reeds uitgesproten is, en in de eeuwigheid niet zal vergaan\]. Jesaja 4:2 : Te die dage zal de SPRUIT van YHWH zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 33:15 : In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Zacharia 3:8 : Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. Zacharia 6:12 : En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen. 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. 2 Samuël 23:5 : Hoewel mijn huis zo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel bestemd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten. 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.
[^2samuel-23-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, verworpenen, goddelozen, deugnieten, verachters en vijanden van het koninkrijk van Christus. Zie van dit woord Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^2samuel-23-7-14]: Kanttekening 14: voorziet zich: Hebreeuws, יִמָּלֵ֥א, wordt vervuld; dat is, hij vult zijn hand, hij voorziet zich eerst met enig instrument, waarmee hij de doornen onbeschadigd kan behandelen.
[^2samuel-23-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, verbrandende verbrand worden.
[^2samuel-23-7-16]: Kanttekening 16: ter zelver plaats: Waar zij zijn gewassen, of heengeworpen waar zij liggen. Hebreeuws, שָּֽׁבֶת, eigenlijk, in de zitplaats, of verblijfplaats, of stoel.
[^2samuel-23-8-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 11:11 . 1 Kronieken 11:11 : Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.
[^2samuel-23-8-17]: Kanttekening 17: Zo worden hier genoemd Davids voornaamste krijgsofficieren, vanwege hun bijzondere dapperheid, manhaftigheid en onversaagdheid in de oorlog. De orde, die onder hen naar hun dapperheid en verdienste van David is aangesteld, is zeer aanmerkelijk.
[^2samuel-23-8-18]: Kanttekening 18: Joscheb Baschebeth: 1 Kron. 11:11 wordt hij genoemd Jaschobham; uit welke plaats het woord zoon hier ook is ingevoegd, gelijk ook daar Chachmoni wordt gesteld voor Tachkemoni. 1 Kronieken 11:11 : Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.
[^2samuel-23-8-19]: Kanttekening 19: de voornaamste: Hebreeuws, רֹ֣אשׁ, het hoofd.
[^2samuel-23-8-20]: Kanttekening 20: die zich stelde : Anders, \[die de overhand had\] over, of tegen, enz.
[^2samuel-23-8-21]: Kanttekening 21: die van hem : Vergelijk 1 Kron. 11:11 . Sommigen menen dat van deze achthonderd maar driehonderd op de plaats zijn dood gebleven, omdat dit getal in het boek van de Kronieken alleen vermeld wordt. Anderen houden het voor twee verscheidene victoriën. 1 Kronieken 11:11 : Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.
[^2samuel-23-9-22]: Kanttekening 22: 1 Kron. 11:12 . De Ahohiet. 1 Kronieken 11:12 : En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.
[^2samuel-23-9-23]: Kanttekening 23: Of, hoon, spijt aandeden, met uitdagen, enz. Anders, toen zij zichzelven waagden, of \[hun zielen\] versmaadden, of, verachtten, tegen de Filistijnen; dat is, toen zij hun leven of personen waagden, in perijkel stelden. Zie Richt. 5:18 , waar die manier van spreken zo volgehouden wordt. Richteren 5:18 : Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, ook Nafthali, op de hoogten van het veld.
[^2samuel-23-10-24]: Kanttekening 24: groot heil: Of, een grote overwinning; zo vers 12 , en boven, 2 Sam. 22:51 , zie daar. 2 Samuël 23:12 : Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en YHWH wrocht een groot heil. 2 Samuël 22:51 : Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.
[^2samuel-23-10-25]: Kanttekening 25: het volk: Dat bereids opgetogen was, keerde weer terug en volgde hem, niet om te strijden \[omdat hij de victorie bevochten had\], maar om te roven.
[^2samuel-23-11-26]: Kanttekening 26: Anders, in één hoop \[gelijk onder, vers 13 \], of, tot voedering, om fourage te halen. 2 Samuël 23:13 : Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in de oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaim.
[^2samuel-23-11-27]: Kanttekening 27: Alsook gersten, 1 Kron. 11:13 , welke de Filistijnen mogen hebben willen wegvoeren, of in de brand steken. 1 Kronieken 11:13 : Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk van de akker vol gerst was, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte;
[^2samuel-23-12-28]: Kanttekening 28: verloste dat: Of, hield dat in.
[^2samuel-23-13-29]: Kanttekening 29: drie van de dertig hoofden: Of, \[deze\] drie de voornaamste boven de dertig.
[^2samuel-23-13-30]: Kanttekening 30: Zie 1 Sam. 22:1 . 1 Samuël 22:1 : Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het gehele huis zijns vaders, en kwamen daarheen tot hem af.
[^2samuel-23-13-31]: Kanttekening 31: Hiervoor 1 Kron. 11:15 leger. Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 68:11 . 1 Kronieken 11:15 : En drie uit de dertig hoofden togen af naar de rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim. Psalmen 68:11 : Uw hoop woonde daarin; U bereidde ze door Uw goedheid voor de ellendige, o God!
[^2samuel-23-13-32]: Kanttekening 32: Of, van de reuzen. Zie boven, 2 Sam. 5:18 . 2 Samuël 5:18 : En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.
[^2samuel-23-14-33]: Kanttekening 33: Zie 1 Sam. 22:4 , 22:5 . Sommigen verstaan hier de burg Zion, waar vandaan David \[hebbende die ingenomen\] uitgetogen is naar Addullam tegen de Filistijnen. 1 Samuël 22:4 : En hij bracht hen voor het aangezicht van de koning van de Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was. 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.
[^2samuel-23-15-34]: Kanttekening 34: Wie zal mij: Dat is: Och dat mij iemand, enz. Een manier van wensen bij de Hebreën, gelijk elders dikwijls.
[^2samuel-23-17-35]: Kanttekening 35: zou ik drinken : Dit is hier ingevoegd uit 1 Kron. 11:19 . Anders aldus: Is het \[niet\] het bloed, enz. 1 Kronieken 11:19 : En hij zei: Dat late mijn God verre van mij zijn, van dat te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
[^2samuel-23-17-36]: Kanttekening 36: met gevaar van hun leven: Hebreeuws, אָבָ֖ה, met, of, op hunne zielen.
[^2samuel-23-18-37]: Kanttekening 37: Of, hoofdlieden.
[^2samuel-23-18-38]: Kanttekening 38: hief zijn spies: Of, zwaaide, velde, drilde, enz.
[^2samuel-23-18-39]: Kanttekening 39: die drie: Dat is, welker hoofd hij was, maar niet de drie eerste, die genoemd zijn vers 8 , 23:9 , 23:11 , en zo in het begin van vers 19 . 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. 2 Samuël 23:9 : En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die daar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen. 2 Samuël 23:11 : Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en daar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte; 2 Samuël 23:19 : Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.
[^2samuel-23-20-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, Kabtseël; een stad, gelegen in het zuideinde van Juda; Joz. 15:21 . Jozua 15:21 : De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeël, en Eder, en Jagur,
[^2samuel-23-20-41]: Kanttekening 41: sterke leeuwen: Hebreeuws, שְׁנֵ֤י, Ariël; dat is, leeuw Gods. Sommigen verstaan door dit woord eigenlijk leeuwen, sommigen mannen als leeuwen. Anderen, twee sterke plaatsen, genoemd Ariël, die hij ingenomen, of het garnizoen daarvan geslagen heeft.
[^2samuel-23-20-42]: Kanttekening 42: Als de wilde beesten allerhongerigst en wreed zijn.
[^2samuel-23-21-43]: Kanttekening 43: Vanwege bijzondere lengte en anders uitstekende. Zie 1 Kron. 11:23 . 1 Kronieken 11:23 : Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand van de Egyptenaar, en hij doodde hem met zijn eigen spies.
[^2samuel-23-21-44]: Kanttekening 44: Zie 1 Kron. 11:23 . 1 Kronieken 11:23 : Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand van de Egyptenaar, en hij doodde hem met zijn eigen spies.
[^2samuel-23-23-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, tot zijn horing, of, over zijn toeluistering, of, gehoorzaamheid; dat is, over de mannen van zijn gehoorzaamheid. Versta, de trawanten, die steeds bij en om hem moesten zijn, om zijne bevelen te horen en te gehoorzamen. Sommigen verstaan hier de koninklijke garde, genoemd de Krethi en Plethi. Zie boven, 2 Sam. 8:18 , en 2 Sam. 20:23 . Vergelijk 1 Sam. 22:14 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. 2 Samuël 20:23 : Joab nu was over de gehele legermacht van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi; 1 Samuël 22:14 : En Achimelech antwoordde de koning en zei: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en de schoonzoon van de koning, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?
[^2samuel-23-25-46]: Kanttekening 46: Zie Richt. 7:1 . Richteren 7:1 : Toen stond Jerubbaäl (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
[^2samuel-23-26-47]: Kanttekening 47: Zie boven, 2 Sam. 14:2 . 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
[^2samuel-23-27-48]: Kanttekening 48: Zie Joz. 21:18 ; 1 Kon. 2:26 ; Jer. 1:1 , en Jer. 11:21 . Jozua 21:18 : Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden. 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. Jeremia 1:1 : De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin; Jeremia 11:21 : Daarom, zo zegt YHWH van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van YHWH, opdat u van onze handen niet sterft.
[^2samuel-23-29-49]: Kanttekening 49: Zie Richt. 19 , en Richt. 20 .
[^2samuel-23-30-50]: Kanttekening 50: Zie Richt. 12:13 . Richteren 12:13 : En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.
[^2samuel-23-30-51]: Kanttekening 51: Of, dalen, valleien.
[^2samuel-23-30-52]: Kanttekening 52: Een berg in Efraïm gelegen, alwaar Jozua begraven was, Richt. 2:9 , en een of meer beken waren spruitende, die tot in de Middellandse zee liepen, naar uitwijzen van de kaarten. Richteren 2:9 : En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas;
[^2samuel-23-34-53]: Kanttekening 53: de Giloniet: Zie boven, 2 Sam. 15:12 . 2 Samuël 15:12 : Absalom zond ook om Achitofel, de Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.
[^2samuel-23-37-54]: Kanttekening 54: Zie boven, 2 Sam. 4:2 . 2 Samuël 4:2 : En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden; de naam van de ene was Baëna, en de naam van de andere Rechab, zonen van Rimmon, de Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook Beëroth werd aan Benjamin gerekend.
[^2samuel-23-39-55]: Kanttekening 55: zeven en dertig: Joab die generaal krijgsoverste en de naaste na de koning was, onder dit getal \[naar het algemeen gevoelen\] mee begrepen zijnde, hoewel het de Heilige Geest niet beliefd heeft zijn naam daaronder te stellen. 1 Kron. 11 wordt een groter getal verhaald dan hier, omdat enige inplaats van de verstorvenen gesteld, of ook anders bijgevoegd mogen zijn.

### 2 Samuël 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2samuel/24.json)

*Door een rechtvaardig oordeel van God wordt David door hoogmoed aangedreven om het volk te tellen, vers 1, 2. Joab en anderen raden het hem af, maar tevergeefs, 3. Daarna gevoelt en belijdt David zijn zonde, 10. God laat hem door de profeet Gad drie plagen voorstellen, om er een uit te kiezen, 11. waarover hij zeer benauwd is, en hij kiest de pest, die een groot aantal van het volk wegneemt, 14. God gebiedt de slaande engel dat hij ophoudt, en daarom bidt David ook, als hij de engel ziet, ootmoedig, 16. Gad beveelt David van Godswege dat hij een altaar zal oprichten en offeren op de dorsvloer van Arauna, 18. David koopt de dorsvloer en gereedschap voor de offerande van Arauna, en offert aldaar; zo houdt de plaag op, 19.*

**1** [^2samuel-24-1-a] En de toorn van YHWH[^2samuel-24-1-1] voer voort te ontsteken tegen Israël; en[^2samuel-24-1-2] Hij porde David aan[^2samuel-24-1-3] tegen hen,[^2samuel-24-1-4] zeggende: Ga, tel Israël en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v1)

**2** De koning dan zei tot Joab, de oorlogsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van[^2samuel-24-2-5] Dan tot Ber-Seba toe, en[^2samuel-24-2-6] tel het volk,[^2samuel-24-2-7] opdat ik het getal van het volk wete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v2)

**3** Toen zei Joab tot de koning: Nu doe YHWH, uw God, tot dit volk, zoals[^2samuel-24-3-8] deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer de koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v3)

**4** Maar het woord van de koning nam de overhand tegen Joab, en tegen de oversten van het leger. Zo trok Joab uit, met de oversten van het leger, van het aangezicht van de koning, om het volk Israël te tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v4)

**5** En zij gingen over de Jordaan, en sloegen hun kamp op bij Aroër, ter rechterhand van de stad, die[^2samuel-24-5-9] in het midden is van de beek van Gad, en aan[^2samuel-24-5-10] Jaëzer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v5)

**6** Verder kwamen zij in[^2samuel-24-6-11] Gilead, en in het[^2samuel-24-6-12] lage land Hodsi; ook kwamen zij tot[^2samuel-24-6-13] Dan-Jaän, en rondom bij[^2samuel-24-6-14] Sidon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v6)

**7** En zij kwamen tot de vesting van[^2samuel-24-7-15] Tyrus, en alle steden van de Hevieten en van de Kanaänieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-Seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v7)

**8** Zo trokken zij om door het hele land; en na verloop van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v8)

**9** En Joab gaf het aantal[^2samuel-24-9-16] van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren[^2samuel-24-9-17] achthonderd duizend strijdbare mannen, die het[^2samuel-24-9-18] zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren[^2samuel-24-9-19] vijfhonderd duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v9)

**10** En[^2samuel-24-10-20] Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zei tot YHWH: Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb; maar nu, o YHWH,[^2samuel-24-10-21] neem toch de misdaad van Uw knecht weg, want ik heb zeer dwaas gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v10)

**11** Als nu David 's morgens opstond, zo kwam het woord van YHWH tot de profeet[^2samuel-24-11-22] Gad, Davids[^2samuel-24-11-23] ziener, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v11)

**12** Ga heen, en spreek tot David: Zo zegt YHWH: Drie dingen[^2samuel-24-12-24] draag Ik u voor; verkies u één uit die, dat Ik u doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v12)

**13** Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zei tot hem: Zal u een honger van[^2samuel-24-13-25] zeven jaren in uw land komen? Of wilt u drie maanden vluchten voor het aangezicht van uw vijanden,[^2samuel-24-13-26] dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pest in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Hem zal teruggeven, Die mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v13)

**14** Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de[^2samuel-24-14-27] hand van YHWH vallen, want Zijn barmhartigheden zijn[^2samuel-24-14-28] vele, maar laat mij in de hand van[^2samuel-24-14-29] mensen niet vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v14)

**15** Toen gaf YHWH een pest in Israël, van de morgen af[^2samuel-24-15-30] tot de gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van[^2samuel-24-15-31] Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v15)

**16** Toen nu de[^2samuel-24-16-32] engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te[^2samuel-24-16-33] verderven,[^2samuel-24-16-34] berouwde YHWH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van YHWH nu was bij de dorsvloer van[^2samuel-24-16-35] Arauna, de Jebusiet.[^2samuel-24-16-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v16)

**17** En David, als hij de engel[^2samuel-24-17-37] zag, die het volk sloeg, sprak tot YHWH, en zei: Zie ik, ik heb[^2samuel-24-17-38] gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze[^2samuel-24-17-39] schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen het huis van mijn vader.[^2samuel-24-17-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v17)

**18** En Gad kwam tot David op die dag, en zei tot hem: Ga[^2samuel-24-18-41] op, richt voor YHWH een altaar op, op de dorsvloer van[^2samuel-24-18-42] Arauna, de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v18)

**19** Zo ging David op naar het woord van Gad, zoals YHWH[^2samuel-24-19-43] geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v19)

**20** En Arauna zag toe, en zag de koning en zijn knechten tot zich overkomen; zo ging Arauna uit, en boog zich voor de koning met zijn aangezicht ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v20)

**21** En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning tot[^2samuel-24-21-44] zijn knecht? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om YHWH een altaar te bouwen, opdat deze plaag[^2samuel-24-21-45] opgehouden wordt van over het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v21)

**22** Toen zei Arauna tot David: Mijn heer de koning neme en offere, wat[^2samuel-24-22-46] goed is in zijn ogen; zie, daar de[^2samuel-24-22-47] runderen als brandoffer, en de sleden en het rundertuig tot[^2samuel-24-22-48] hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v22)

**23** Dit alles[^2samuel-24-23-49] gaf Arauna, de[^2samuel-24-23-50] koning, aan de koning. Verder zei Arauna tot de koning: YHWH uw God[^2samuel-24-23-51] neme een welgevallen in u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v23)

**24** Maar de koning zei tot Arauna: Nee, maar ik zal het[^2samuel-24-24-52] zeker van u kopen voor de prijs; want ik zal aan YHWH, mijn God, niet offeren brandoffers om[^2samuel-24-24-53] niet. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor[^2samuel-24-24-54] vijftig zilveren sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v24)

**25** En David bouwde daar voor YHWH een altaar, en offerde brandoffers en dankoffers. Zo werd YHWH voor het[^2samuel-24-25-55] land verbeden, en deze plaag van over Israël opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2samuel/24.html#v25)

[^2samuel-24-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 21:1 . 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.
[^2samuel-24-1-1]: Kanttekening 1: voer voort: Dit schijnt te zien op de voorgemelde driejarige honger, waarvan boven, 2 Sam. 21:1 , enz. 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.
[^2samuel-24-1-2]: Kanttekening 2: Hij porde: Te weten, de Heer. Niet dat Hij dat zou hebben ingegeven, maar omdat Hij, naar zijn rechtvaardig oordeel, door zijn verborgen regering, de satan dat heeft willen toelaten, en hem gebruiken tot een verdiende straf van de Israëlieten, en tot kastijding en vernedering van David; uit vergelijking van 1 Kron. 21:1 , waar deze historie wordt wederhaald. 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.
[^2samuel-24-1-3]: Kanttekening 3: tegen henlieden: Te weten, tegen de Israëlieten; dat is, tot straf van de Israëlieten. Anders, onder henlieden.
[^2samuel-24-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven, 2 Sam. 16:10 , en vergelijk 1 Sam. 26:19 , en 1 Kon. 22:22 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 1 Samuël 26:19 : En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden zijns knechts. Als YHWH u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken; maar als het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht van YHWH, omdat zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel van YHWH, zeggende: Ga heen, dien andere goden. 1 Koningen 22:22 : En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe zo.
[^2samuel-24-2-5]: Kanttekening 5: Dan tot Ber-Seba toe: De twee uiterste landpalen van Kanaän. Dan in het noorden en Berseba in het zuiden.
[^2samuel-24-2-6]: Kanttekening 6: tel het volk: U en uw gezelschap, dat u mee zult nemen, zullen tellen allen die tot de strijd bekwaam zijn, van twintig jaren af en daar boven. Zie Num. 1:3 , en onder, vers 9 . Maar sommigen menen dat Davids zonde principalijk daarin bestaan heeft dat David ook bevolen heeft te tellen die onder de twintig jaar waren, ten strijde bekwaam. Waaruit ook \[naar hun gevoelen\] ontstaan zou de verscheidenheid van het getal verhaal hier vers 9 , en 1 Kron. 21:5 . Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron. 2 Samuël 24:9 : En Joab gaf de som van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man. 2 Samuël 24:9 : En Joab gaf de som van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man. 1 Kronieken 21:5 : En Joab gaf David de som van het getelde volk; en geheel Israël was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.
[^2samuel-24-2-7]: Kanttekening 7: opdat ik: Hiermede toont David dat hij door enkele nieuwsgierigheid en hoogmoed gedreven wordt; dat Joab en andere oversten merkende, gezocht hebben David dit te ontraden. Vergelijk 1 Kron. 21:3 , 21:6 , en 1 Kron. 27:23 . 1 Kronieken 21:3 : Toen zei Joab: YHWH doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden? 1 Kronieken 21:6 : Maar Levi en Benjamin telde hij onder dezelfde niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel. 1 Kronieken 27:23 : Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaren oud en daar beneden waren; omdat YHWH gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren van de hemel.
[^2samuel-24-3-8]: Kanttekening 8: Zoals elke stam nu is.
[^2samuel-24-5-9]: Kanttekening 9: in het midden: Aroër was gelegen in de stam van Gad, midden tussen de beide beken Arnons, waarvan de ene afliep in de Jordaan, de andere tot in de Dode zee. Zie ook Deut. 2:36 . Deuteronomium 2:36 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
[^2samuel-24-5-10]: Kanttekening 10: Gelegen aan de beek Arnon, waar zij van het noorden naar het zuiden loopt.
[^2samuel-24-6-11]: Kanttekening 11: Strekkende van de beek Arnon tot aan de noordpalen van Kanaän.
[^2samuel-24-6-12]: Kanttekening 12: lage land Hodsi: Hebreeuws, יָּבֹ֨אוּ֙, het land Tachtim Chodschi; dat sommigen vertalen, het land dergenen, die in de laagte wonen, nieuwelijks \[bewoond, of verkregen\], te weten, bij Sauls tijd, gelijk sommigen menen. Zie 1 Kron. 5:10 . Anderen duiden het op het land van de Ammonieten en Moabieten, waarvan boven 2 Sam. 8:2 , en 2 Sam. 12:29 , 12:30 , 12:31 . Sommigen houden het voor een eigennaam van zekere streek. 1 Kronieken 5:10 : En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Samuël 12:29 : Toen verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in. 2 Samuël 12:30 : En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd af, welker gewicht was een talent gouds, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad. 2 Samuël 12:31 : Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem.
[^2samuel-24-6-13]: Kanttekening 13: Dit houdt men te wezen de stad Dan, de noordergrenzen van Kanaän, vermeld vers 2 , tevoren genoemd Laïs en Leschem, Joz. 19:47 ; Richt. 18:29 . 2 Samuël 24:2 : De koning dan zei tot Joab, de krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-Seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal van het volk wete. Jozua 19:47 : Maar de landpale van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op, en krijgden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. Richteren 18:29 : En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad te voren Laïs was.
[^2samuel-24-6-14]: Kanttekening 14: Zie Richt. 18:7 . Richteren 18:7 : Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enige mens.
[^2samuel-24-7-15]: Kanttekening 15: Zie Joz. 19:29 . Jozua 19:29 : En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
[^2samuel-24-9-16]: Kanttekening 16: van het getelde volk: Hebreeuws, עָ֖ם, van de telling.
[^2samuel-24-9-17]: Kanttekening 17: achthonderd duizend: Te weten, naar sommiger gevoelen, boven het ordinaire en bekende krijgsvolk, bedragende 288.000 met de oversten, hebbende onder zich 24.000, gelijk verhaald wordt 1 Kron. 27:1 , enz. Deze onder dit getal mee gerekend zijnde, vindt men omtrent het grotere getal, dat 1 Kron. 21:5 staat. Zie wijder vers 2 . 1 Kronieken 27:1 : Dit nu zijn de kinderen van Israël naar hun getal, de familiehoofden, en de oversten van de duizenden en van de honderden, met hun ambtlieden, de koning dienende in alle zaken van de verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden van het jaar; elke verdeling was vier en twintig duizend. 1 Kronieken 21:5 : En Joab gaf David de som van het getelde volk; en geheel Israël was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken. 2 Samuël 24:2 : De koning dan zei tot Joab, de krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-Seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal van het volk wete.
[^2samuel-24-9-18]: Kanttekening 18: zwaard uittrokken: Zie Richt. 8:10 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
[^2samuel-24-9-19]: Kanttekening 19: vijfhonderd duizend: Het ordinaire bestelde krijgsvolk van Juda, daaronder \[naar sommiger gevoelen\] mee gerekend zijnde, dat 1 Kron. 21:5 is uitgelaten \[omdat zij daar al gerekend waren onder de elf honderd duizend\] en waarvan de oversten verhaald zouden zijn boven, 2 Sam. 23:8 , enz. Het is ook aanmerkelijk dat Joab de stammen van Levi en Benjamin niet heeft willen tellen, misschien ook niet de stad Jeruzalem. Zie 1 Kron. 21:6 , en 1 Kron. 27:24 . 1 Kronieken 21:5 : En Joab gaf David de som van het getelde volk; en geheel Israël was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken. 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. 1 Kronieken 21:6 : Maar Levi en Benjamin telde hij onder dezelfde niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel. 1 Kronieken 27:24 : Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening van de kronieken van de koning David.
[^2samuel-24-10-20]: Kanttekening 20: Davids hart sloeg hem: Vanwege nadenken, droefenis, schrik en berouw over zijn begane zonde. Zie dezelfde manier van spreken 1 Sam. 24:6 , met de aantekeningen. 1 Samuël 24:6 : Maar het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.
[^2samuel-24-10-21]: Kanttekening 21: neem toch de misdaad: Zie boven, 2 Sam. 12:13 . 2 Samuël 12:13 : Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: YHWH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven.
[^2samuel-24-11-22]: Kanttekening 22: Zie van deze 1 Sam. 22:5 ; 1 Kron. 29:29 . 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Kronieken 29:29 : De geschiedenissen nu van de koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuël, de ziener, en in de geschiedenissen van de profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, de ziener;
[^2samuel-24-11-23]: Kanttekening 23: Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^2samuel-24-12-24]: Kanttekening 24: draag Ik u voor: Of, leg Ik u op; dat is, Ik stel u drie plagen voor; welke u zult kiezen, die zal Ik u opleggen of toezenden.
[^2samuel-24-13-25]: Kanttekening 25: zeven jaren: De voorgaande drie jaren \[waarvan boven, 2 Sam. 21:1 \], en het vierde \[waarin dit geschiedde\] daarbij gerekend, zijn het zeven jaren; welverstaande de tijd hieronder gerekend, in welke de honger is opgehouden; anders maar drie, welk getal staat 1 Kron. 21:12 . Sommigen nemen zeven jaren voor een langen tijd, waarvoor drie jaren staan in de Kronieken. Enige menen dat God in het handelen met David eerst wel zeven, en daarna, die verzachtende, minder \[te weten, drie\] heeft voorgesteld. 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. 1 Kronieken 21:12 : Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenstander, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard van YHWH, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervenden engel van YHWH in al het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Die zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.
[^2samuel-24-13-26]: Kanttekening 26: dat die u vervolgen: Hebreeuws, רֹדְפֶ֗, dat hij \[te weten een ieder van uw vijanden\] u vervolge; versta daarbij, en u achterhalende vijandiglijk handele. Zie 1 Kron. 21:12 . 1 Kronieken 21:12 : Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenstander, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard van YHWH, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervenden engel van YHWH in al het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Die zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.
[^2samuel-24-14-27]: Kanttekening 27: hand van YHWH vallen: Zo, dat Hij ons zelf zonder tussenkomen van mensen kastijde.
[^2samuel-24-14-28]: Kanttekening 28: Of, groot.
[^2samuel-24-14-29]: Kanttekening 29: mensen niet vallen: Hebreeuws, אֶפֹּֽלָה, eens mensen; te weten, mijner vijanden, bij welke ik geen barmhartigheid gevonden heb.
[^2samuel-24-15-30]: Kanttekening 30: tot de gezette tijd: Die God door de profeet Gad had uitgedrukt, te weten, drie dagen lang. Sommigen verstaan door de gezette tijd de tijd van het avondoffer van de eerste dag, zodat de tijd door Davids berouw en gebeden \[waarvan in het volgende\] van God verkort is.
[^2samuel-24-15-31]: Kanttekening 31: Dan tot Ber-Seba toe: Dat is, door het gehele land, gelijk vers 2 . 2 Samuël 24:2 : De koning dan zei tot Joab, de krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-Seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal van het volk wete.
[^2samuel-24-16-32]: Kanttekening 32: Die God daartoe uitgezonden had; 1 Kron. 21:15 . 1 Kronieken 21:15 : En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag het YHWH, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zei tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel van YHWH nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^2samuel-24-16-33]: Kanttekening 33: Door de pestilentie.
[^2samuel-24-16-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^2samuel-24-16-35]: Kanttekening 35: Onder, vers 18 , genoemd Aranja, en 1 Kron. 21:15 Ornan. 2 Samuël 24:18 : En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zei tot hem: Ga op, richt YHWH een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 1 Kronieken 21:15 : En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag het YHWH, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zei tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel van YHWH nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^2samuel-24-16-36]: Kanttekening 36: Maar bekeerd tot de ware religie. Jeruzalem was tevoren Jebus genoemd en van de heidense Jebusieten bewoond. Zie Richt. 1:21 , en Richt. 19:10 , 19:12 en boven, 2 Sam. 5:6 . Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag. Richteren 19:10 : Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem. Richteren 19:12 : Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen van Israël; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe. 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
[^2samuel-24-17-37]: Kanttekening 37: Want de engel verscheen in mensengedaante, tussen hemel en aarde, hebbende een bloot zwaard in zijn hand; 1 Kron. 21:16 . 1 Kronieken 21:16 : Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van YHWH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.
[^2samuel-24-17-38]: Kanttekening 38: In het tellen van het volk.
[^2samuel-24-17-39]: Kanttekening 39: Hij verstaat het volk, dat wel aan deze zonde van David geen schuld had, maar anders deze straf verdiend had.
[^2samuel-24-17-40]: Kanttekening 40: Dat is, mijn bloedvrienden, die mij mee geraden of immers niet ontraden hebben.
[^2samuel-24-18-41]: Kanttekening 41: Uit uw slot, naar het gebergte, genoemd Moria, daar de huizing van Arauna was, waar Abraham bevolen was zijn zoon te offeren, Gen. 22:2 , 22:14 , en naderhand de tempel gebouwd is. Zie 1 Kron. 22:1 , enz., en 2 Kron. 3:1 . Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. Genesis 22:14 : En Abraham noemde de naam van die plaats: YHWH zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg van YHWH zal het voorzien worden! 1 Kronieken 22:1 : En David zei: Hier zal het huis van God van YHWH zijn, en hier zal het altaar van het brandoffer voor Israël zijn. 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^2samuel-24-18-42]: Kanttekening 42: Boven en onder genoemd Arauna.
[^2samuel-24-19-43]: Kanttekening 43: geboden had: Door de engel, die God bevel gegeven had de profeet Gad dat aan te dienen; 1 Kron. 21:18 . 1 Kronieken 21:18 : Toen zei de engel van YHWH tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om YHWH een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^2samuel-24-21-44]: Kanttekening 44: zijn knecht: Dat is, tot mij.
[^2samuel-24-21-45]: Kanttekening 45: opgehouden worde: Vergelijk Num. 16:48 . Numeri 16:48 : En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; zo werd de plaag opgehouden.
[^2samuel-24-22-46]: Kanttekening 46: goed is in zijn ogen: Dat is, dat hem gelieft of behaagt.
[^2samuel-24-22-47]: Kanttekening 47: Want Arauna was aan het dorsen, waartoe men gebruikte runderen of ossen, die de getakte dorswagen, of slede, over het koren omtrokken. Zie Deut. 25:4 . Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst.
[^2samuel-24-22-48]: Kanttekening 48: Om de offerande met vuur aan te steken.
[^2samuel-24-23-49]: Kanttekening 49: gaf Arauna: Zoveel hem aanging; maar David wilde het niet aannemen.
[^2samuel-24-23-50]: Kanttekening 50: koning, aan de koning: Sommigen menen dat hij een koning genoemd wordt, omdat hij zich zo liberaal hier gedroeg, alsof hij een koning geweest was. Anderen verstaan dat hij van de Jebusieten koning geweest is, eer David de burg Zion innam. Anderen menen dat koning zijn toenaam is geweest.
[^2samuel-24-23-51]: Kanttekening 51: neme een welgevallen in u: Dat is, tone dat Hij u, en ook uw gebeden en offeranden, genadiglijk in de Messias aanzie en aanneme; waarvan gebleken is door het vuur, dat God van de hemel zond op het brandofferaltaar; 1 Kron. 21:26 . 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.
[^2samuel-24-24-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, kopende kopen.
[^2samuel-24-24-53]: Kanttekening 53: Die mij van een ander omniet zouden gegeven zijn, maar van wat dat mijne is.
[^2samuel-24-24-54]: Kanttekening 54: vijftig zilveren sikkelen: Dit wordt verstaan van de prijs van de runderen en van het andere gereedschap; want de gehele plaats heeft hij gekocht voor zeshonderd gouden sikkelen, 1 Kron. 21:25 . Sommigen verstaan dat hier gesproken wordt van de koop van de dorsvloer en van de runderen; maar 1 Kron. 21:25 van de koop van de gehele plaats, waarop de tempel gebouwd is. Van gouden sikkelen, zie Gen. 24:22 . 1 Kronieken 21:25 : En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. 1 Kronieken 21:25 : En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.
[^2samuel-24-25-55]: Kanttekening 55: lande verbeden: Dat is, de inwoners van het land verzoend, door het middel van de gebeden, die geschiedden in het geloof van de Messias en van zijn enig zoenoffer, waarvan deze offeranden een voorbeeld waren.

## 1 Koningen

### 1 Koningen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/1.json)

*David wordt oud en wordt verzorgd door Abisag, vers 1 enz. Zijn zoon Adonia streeft naar het koninkrijk, 5. Dit wordt verhinderd door Bathseba, op raad van de profeet Nathan, 11. David vernieuwt zijn belofte om het koninkrijk aan zijn zoon Salomo na te laten, 28. die tot koning gezalfd wordt, 32. het bericht daarvan komt ter kennis van Adonia en zijn aanhangers, die hem verlaten, 41. Adonia vreest Salomo, die hem zijn misdaad vergeeft en zo naar huis zendt, 50.*

**1** De koning David nu[^1koningen-1-1-1] was oud,[^1koningen-1-1-2] op dagen gekomen; en zij dekten hem met kleren, maar[^1koningen-1-1-3] hij kreeg geen warmte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v1)

**2** Toen zeiden zijn[^1koningen-1-2-4] knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een meisje, een maagd zoeken, dat[^1koningen-1-2-5] voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en[^1koningen-1-2-6] zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v2)

**3** Zo zochten zij een schoon meisje in alle gebied van Israël; en zij vonden Abisag, een[^1koningen-1-3-7] Sunamietische, en brachten ze tot de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v3)

**4** En het meisje was bovenmate schoon, en koesterde de koning, en diende hem; maar de koning had geen gemeenschap met haar[^1koningen-1-4-8]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v4)

**5** [^1koningen-1-5-9] Adonia nu, de zoon[^1koningen-1-5-10] van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn;[^1koningen-1-5-a] en[^1koningen-1-5-11] hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v5)

**6** En zijn vader had hem[^1koningen-1-6-12] niet bedroefd[^1koningen-1-6-13] van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt u zo gedaan? En ook was hij zeer[^1koningen-1-6-14] mooi van gestalte, en[^1koningen-1-6-b] Haggith had hem gebaard[^1koningen-1-6-15] na Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v6)

**7** En[^1koningen-1-7-c] zijn[^1koningen-1-7-16] raadslagen[^1koningen-1-7-17] waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester;[^1koningen-1-7-18] die hielpen, volgende Adonia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v7)

**8** Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met[^1koningen-1-8-19] Adonia niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v8)

**9** En Adonia[^1koningen-1-9-20] slachtte[^1koningen-1-9-21] schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein[^1koningen-1-9-22] Rogel[^1koningen-1-9-d] is; en nodigde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v9)

**10** Maar Nathan, de profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broer, nodigde hij niet uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v10)

**11** Toen sprak Nathan tot Bathseba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt u niet gehoord, dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v11)

**12** Nu dan, kom, laat mij u toch een raad[^1koningen-1-12-23] geven, dat u uw ziel en de ziel van[^1koningen-1-12-24] uw zoon Salomo redt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v12)

**13** Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Heb u niet, mijn heer koning,[^1koningen-1-13-25] uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal[^1koningen-1-13-26] op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v13)

**14** Zie, als u daar nog met de koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden[^1koningen-1-14-27] vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v14)

**15** En Bathseba ging in tot de koning in de binnenkamer; maar de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v15)

**16** En Bathseba[^1koningen-1-16-28] neigde het hoofd en[^1koningen-1-16-29] boog zich neer voor de koning; en de koning zei: Wat is u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v16)

**17** En zij zei tot hem: Mijn heer! u hebt uw dienstmaagd bij YHWH, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten![^1koningen-1-17-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v17)

**18** En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, u weet het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v18)

**19** En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en uitgenodigd al de zonen van de koning, en Abjathar, de priester, en Joab, de oorlogsoverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet uitgenodigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v19)

**20** Maar u, mijn heer koning,[^1koningen-1-20-31] de ogen van het hele Israël zijn op u, dat u hun zou te kennen geven, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v20)

**21** [^1koningen-1-21-32] Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaders zal[^1koningen-1-21-33] ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo[^1koningen-1-21-34] als zondaars zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v21)

**22** En ziet, zij sprak nog met de koning, als de profeet Nathan inkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v22)

**23** En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij[^1koningen-1-23-35] kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v23)

**24** En Nathan zei: Mijn heer koning! hebt u gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v24)

**25** Want hij is vandaag[^1koningen-1-25-36] afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft uitgenodigd al de zonen van de koning, en de oversten van het leger, en Abjathar, de priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen:[^1koningen-1-25-37] De koning Adonia leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v25)

**26** Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Salomo, uw knecht, heeft hij niet uitgenodigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v26)

**27** Is deze zaak van mijn heer de koning gebeurd? En hebt u uw knecht niet bekend gemaakt, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v27)

**28** En de koning David antwoordde en[^1koningen-1-28-38] zei: Roep mij Bathseba; en[^1koningen-1-28-39] zij kwam voor het aangezicht van de koning, en stond voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v28)

**29** Toen[^1koningen-1-29-40] zwoer de koning, en zei: Zo waarachtig als YHWH leeft, die mijn ziel uit allen nood verlost heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v29)

**30** Voorzeker, zoals ik u gezworen heb bij YHWH, de God van Israël, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, zo zal ik op deze zelfde dag doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v30)

**31** Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neer voor de koning, en zei:[^1koningen-1-31-41] Mijn heer de koning David leve[^1koningen-1-31-42] in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v31)

**32** En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon[^1koningen-1-32-43] van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v32)

**33** En de koning zei tot hen: Neem met u de knechten[^1koningen-1-33-44] van uw heer, en doet mijn zoon Salomo[^1koningen-1-33-45] rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar[^1koningen-1-33-46] Gihon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v33)

**34** En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël[^1koningen-1-34-47] zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v34)

**35** Dan zult u achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij[^1koningen-1-35-48] een voorganger zou zijn over Israël en over Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v35)

**36** Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, de koning, en zei: Amen; zo zegge YHWH, de God van mijn heer de koning![^1koningen-1-36-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v36)

**37** Zoals YHWH met mijn heer de koning geweest is, zo zij Hij met Salomo; en Hij make zijn troon groter dan de troon van mijn heer de koning David! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v37)

**38** Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en[^1koningen-1-38-50] de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v38)

**39** En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit[^1koningen-1-39-51] de tent, en[^1koningen-1-39-52] zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei:[^1koningen-1-39-e] De koning Salomo leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v39)

**40** En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid[^1koningen-1-40-53] spleet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v40)

**41** En Adonia hoorde het, en al de genodigden, die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het[^1koningen-1-41-54] geluid van de bazuinen, en zei: Waarom is het[^1koningen-1-41-55] geroep van die stad, die in roer is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v41)

**42** Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent[^1koningen-1-42-56] een kloek man, en zult het goede[^1koningen-1-42-57] boodschappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v42)

**43** En Jonathan antwoordde en zei tot Adonia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v43)

**44** En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v44)

**45** Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar blij[^1koningen-1-45-58] opgetogen, zodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat u gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v45)

**46** En ook[^1koningen-1-46-59] zit Salomo op de troon van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v46)

**47** Zo zijn ook de knechten van de koning gekomen, om onze heer, de koning David, te[^1koningen-1-47-60] zegenen, zeggende: Uw God make de naam van Salomo[^1koningen-1-47-61] beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning heeft[^1koningen-1-47-62] aangebeden op de slaapstede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v47)

**48** Ja, ook heeft de koning zo gezegd:[^1koningen-1-48-63] Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die vandaag gegeven heeft één, zittende op mijn troon, dat het mijn[^1koningen-1-48-64] ogen gezien hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v48)

**49** Toen verschrikten en stonden op al de genodigden, die bij Adonia waren, en gingen ieder zijn eigen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v49)

**50** Maar Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en[^1koningen-1-50-65] vatte de hoornen[^1koningen-1-50-66] van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v50)

**51** En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere,[^1koningen-1-51-67] dat hij[^1koningen-1-51-68] zijn knecht met het zwaard niet doden zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v51)

**52** En Salomo zei: Als hij een[^1koningen-1-52-69] vroom man zal zijn,[^1koningen-1-52-70] daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v52)

**53** En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neer voor de koning Salomo. En Salomo zei tot hem:[^1koningen-1-53-71] Ga heen naar uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/1.html#v53)

[^1koningen-1-1-1]: Kanttekening 1: was oud: Te weten, omtrent zeventig jaren. Want met zijn dertigste jaar begon hij te regeren, en hij regeerde veertig jaren; zeven in Hebron en drie en dertig in Jeruzalem, 2 Sam. 5:5 , en onder 1 Kon. 2:11 . 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. 1 Koningen 2:11 : De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
[^1koningen-1-1-2]: Kanttekening 2: wel bedaagd: Hebreeuws, בָּ֖א, in dagen gekomen; dat is, was van goeden ouderdom. Zie Gen. 18:11 . Genesis 18:11 : Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen.
[^1koningen-1-1-3]: Kanttekening 3: hij kreeg geen warmte: Hebreeuws, יִחַ֖ם, hem werd niet warm.
[^1koningen-1-2-4]: Kanttekening 4: knechten tot hem: Dat is, raadsheren, officieren, voornaamste hovelingen. Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^1koningen-1-2-5]: Kanttekening 5: voor het aangezicht van de koning sta: Dat is, diene. Zie deze manier van spreken Deut. 1:38 , en Deut. 10:8 ; 1 Sam. 16:22 ; 1 Kon. 12:6 , en vergelijk onder vers 4 , 1:15 . Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven. Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 1 Samuël 16:22 : Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden. 1 Koningen 12:6 : En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal? 1 Koningen 1:4 : En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde de koning, en diende hem; maar de koning bekende ze niet. 1 Koningen 1:15 : En Bathseba ging in tot de koning in de binnenkamer; maar de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende de koning.
[^1koningen-1-2-6]: Kanttekening 6: zij slape in uw schoot: Zie deze manier van spreken ook 2 Sam. 12:3 , en Micha 7:5 , en vergelijk Deut. 13:6 , en ook de aantekeningen. Men meent dat dit geschied is nadat hij haar getrouwd had. 2 Samuël 12:3 : Maar de arme had geheel niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter. Micha 7:5 : Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt. Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen;
[^1koningen-1-3-7]: Kanttekening 7: Zo genoemd, omdat zij was van de stad Sunem, gelegen in de stam van Issaschar, aan de zuidzijde van het gebergte Gilboa. Zie Joz. 19:18 , en 2 Kon. 4:8 . Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem, 2 Koningen 4:8 : Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat daar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Verder geschiedde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.
[^1koningen-1-4-8]: Kanttekening 8: bekende ze niet: Zie Gen. 4:1 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen!
[^1koningen-1-5-9]: Kanttekening 9: Die nu de oudste was van Davids zonen. Want Amnon en Absalom waren dood, gelijk ook Chileab, zo men meent. Zie van deze 2 Sam. 3:3 , 3:4 , 3:5 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 2 Samuël 3:4 : En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital; 2 Samuël 3:5 : En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Deze zijn David geboren te Hebron.
[^1koningen-1-5-10]: Kanttekening 10: Zie van deze ook 2 Sam. 3:4 . 2 Samuël 3:4 : En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;
[^1koningen-1-5-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 15:1 . 2 Samuël 15:1 : En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht heen.
[^1koningen-1-5-11]: Kanttekening 11: hij bereidde zich: Om een koninklijk gevolg en trein te hebben; gelijk ook Absalom gedaan had, 2 Sam. 15:1 . Vergelijk onder, de aantekeningen op 1 Kon. 14:27 .? 2 Samuël 15:1 : En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht heen. 1 Koningen 14:27 : En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de trawanten, die de deur van het huis van de koning bewaarden.
[^1koningen-1-6-12]: Kanttekening 12: niet bedroefd: Te weten, om hem daarover te bestraffen.
[^1koningen-1-6-13]: Kanttekening 13: van zijn dagen: Dat is, binnen zijn leven.
[^1koningen-1-6-14]: Kanttekening 14: schoon van gedaante: Zie Gen. 6:2 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.
[^1koningen-1-6-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 3:2 . 1 Kronieken 3:2 : De derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;
[^1koningen-1-6-15]: Kanttekening 15: Die uit een andere vrouw, met name Maächa, geboren was; 2 Sam. 3:3 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
[^1koningen-1-7-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 2:22 ; idem v. 28 . 1 Koningen 2:22 : Toen antwoordde de koning Salomo, en zei tot zijn moeder: En waarom begeert u Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broer, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, de priester, en voor Joab, de zoon van Zeruja. 1 Koningen 2:28 : Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van YHWH, en vatte de hoornen van het altaar.
[^1koningen-1-7-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, woorden. Dat ook zo genomen wordt Num. 31:16 ; Ez. 38:10 . Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH. Ezechiël 38:10 : Zo zegt de Heer YHWH: Te die dage zal het ook gebeuren, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken,
[^1koningen-1-7-17]: Kanttekening 17: waren met Joab: Dat is, hij hield raad met deze, om te beter tot zijn voornemen te geraken.
[^1koningen-1-7-18]: Kanttekening 18: die hielpen: Hebreeuws, אַחֲרֵ֖י, en hielpen achter Adonia; dat is, hielpen en volgden Adonia. Zo 2 Sam. 2:10 , en onder 1 Kon. 16:21 , enz. 2 Samuël 2:10 : Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleen die van het huis van Juda volgden David na. 1 Koningen 16:21 : Toen werd het volk van Israël verdeeld in twee helften; de helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
[^1koningen-1-8-19]: Kanttekening 19: Adonia niet: Hebreeuws, עִם, Adoniahu. Zo onder vers 9 , enz. 1 Koningen 1:9 : En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning.
[^1koningen-1-9-20]: Kanttekening 20: Te weten, om een statelijken maaltijd in zijn inhuldiging te houden. Het woord slachten wordt ook zo genomen Gen. 31:54 ; 1 Sam. 28:24 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. 1 Samuël 28:24 : En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van.
[^1koningen-1-9-21]: Kanttekening 21: schapen en runderen: Dat is, klein en groot vee. Zie Gen. 26:14 . Genesis 26:14 : En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden.
[^1koningen-1-9-22]: Kanttekening 22: Rogel is: Of, En-Rogel. Zie van deze fontein Joz. 15:7 , en Joz. 18:16 . Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel. Jozua 18:16 : En deze landpale gaat af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal van de Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;
[^1koningen-1-9-d]: Verwijzing d: Joz. 15:7 ; Joz. 18:16 . Jozua 15:7 : Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel. Jozua 18:16 : En deze landpale gaat af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal van de Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel;
[^1koningen-1-12-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, raden.
[^1koningen-1-12-24]: Kanttekening 24: ziel van uw zoon: Dat is, uw en uws zoons leven behoudt, dat in gevaar is als Adonia koning wordt. Vergelijk onder, vers 21 . En van het woordje ziel in deze zin genomen, zie Gen. 19:17 . 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^1koningen-1-13-25]: Kanttekening 25: uw dienstmaagd: Zo noemt zij zichzelven uit ootmoedigheid van de harten en eerbied tot de koning. Anders was zij zijn huisvrouw, 2 Sam. 11:27 . 2 Samuël 11:27 : En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Maar deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen van YHWH.
[^1koningen-1-13-26]: Kanttekening 26: op mijn troon zitten: Dat is, koning worden en als koning regeren. Zie Ex. 11:5 ; Deut. 17:18 , en onder, 1 Kon. 16:11 ,; 1 Kron. 29:23 . Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is; 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden. 1 Kronieken 29:23 : Zo zat Salomo op de troon van YHWH, als koning in zijns vaders Davids plaats, en hij was voorspoedig; en geheel Israël hoorde naar hem.
[^1koningen-1-14-27]: Kanttekening 27: Te weten, met daarbij wat toe te voegen zo u iets tekort verhaalt; of het verhaalde met mijn getuigenis waar te maken, en de koning te vermanen dat hij de wil van God behoort in het werk te stellen, waardoor Hij besloten heeft dat Salomo de kroon erven zou. Zie onder, vers 17 . 1 Koningen 1:17 : En zij zei tot hem: Mijn heer! u hebt uw dienstmaagd bij YHWH, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten!
[^1koningen-1-16-28]: Kanttekening 28: neigde het hoofd: Zie Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^1koningen-1-16-29]: Kanttekening 29: boog zich neder: Versta dat van een burgelijken eerbied, en zie Gen. 18:2 ; idem onder, vers 23 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. 1 Koningen 1:23 : En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde.
[^1koningen-1-17-30]: Kanttekening 30: Die Salomo voor uw erfgenaam in het koninkrijk verklaard heeft, met bijvoeging van heerlijke beloften. Zie 2 Sam. 7:13 ; 1 Kron. 28:5 , en 1 Kron. 29:1 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 28:5 : En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël. 1 Kronieken 29:1 : Verder zei de koning David tot de gehele gemeente: God heeft mijn zoon Salomo alleen gekozen, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, YHWH.
[^1koningen-1-20-31]: Kanttekening 31: de ogen: Dat is, het gehele Israël wacht en hoopt op u, dat u vóór uw dood uw navolger in het koninkrijk openlijk verklaren zult. Zie gelijke manier van spreken 2 Kron. 20:12 ; Ps. 145:15 . 2 Kronieken 20:12 : O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. Psalmen 145:15 : Ain. Aller ogen wachten op U; en U geeft hun hun voedsel op zijn tijd.
[^1koningen-1-21-32]: Kanttekening 32: Anders zal het gebeuren: Hebreeuws, שְׁכַ֥ב, en het zal, of zou, enz.
[^1koningen-1-21-33]: Kanttekening 33: ontslapen zijn: Hebreeuws, הָיִ֗יתִי, eigenlijk, nederliggen; dat is, naar het lichaam gestorven en naar de ziel in de rust van de hemel opgenomen, om daar de zalige opstanding te verwachten. De dood wordt bij een slaap vergeleken, omdat hij geschiedt met het overblijven van het leven van de ziel en eindigt met de opstanding van het dode lichaam. Zie hiervan ook Deut. 31:16 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden daarvan; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik ermee gemaakt heb.
[^1koningen-1-21-34]: Kanttekening 34: als zondaars zullen zijn: Of, als zondaars geacht worden; dat is, als schuldig en van de dood waard, als die iets kwaads bedreven, of ook naar de kroon ten onrechte zouden gestaan hebben. Zie Gen. 43:9 ; zo worden onschuldigen genoemd, die geen straf verdiend hebben, Gen. 44:10 ; Joz. 2:19 . Genesis 43:9 : Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben! Genesis 44:10 : En hij zei: Dit zij nu ook zo, naar uw woorden! Bij wie hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar u zult onschuldig zijn. Jozua 2:19 : Zo zal het gebeuren, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, als een hand tegen hem zijn zal!
[^1koningen-1-23-35]: Kanttekening 35: kwam voor het aangezicht van de koning: Te weten, nadat Bathseba uit de kamer gegaan was, gelijk men kan afnemen uit vers 28 . 1 Koningen 1:28 : En de koning David antwoordde en zei: Roept mij Bathseba; en zij kwam voor het aangezicht van de koning, en stond voor het aangezicht van de koning.
[^1koningen-1-25-36]: Kanttekening 36: Tot de steen Zoheleth bij de fontein Rogel. Zie boven, vers 9 . 1 Koningen 1:9 : En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning.
[^1koningen-1-25-37]: Kanttekening 37: De koning Adonia leve: Dat is, wij wensen dat de koning een lang en gelukzalig leven in zijn regeren hebbe. Zo onder, vers 34 , 1:39 ; 2 Sam. 16:16 . 1 Koningen 1:34 : En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! 1 Koningen 1:39 : En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve! 2 Samuël 16:16 : En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zei: De koning leve, de koning leve!
[^1koningen-1-28-38]: Kanttekening 38: Namelijk, tot de kamerdienaren.
[^1koningen-1-28-39]: Kanttekening 39: zij kwam: Te weten, nadat de profeet Nathan uit de kamer vertrokken was; gelijk afgenomen kan worden uit vers 32 . 1 Koningen 1:32 : En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning.
[^1koningen-1-29-40]: Kanttekening 40: zwoer de koning: David vernieuwt de eed, die hij Bathseba gedaan had, niet uit lichtvaardigheid, maar: I. om door deze kloeke en ijverende gestadigheid het bedrijf en de aanslag van Adonia tegen te komen; II. om Bathseba te troosten; III. om alle mensen na zijn dood een zeker getuigenis na te laten dat hij zich, gelijk in deze zaak zo ook in alle andere, aan het woord en de wil van de Heer vastgehouden had tot het einde zijns levens toe.
[^1koningen-1-31-41]: Kanttekening 41: Mijn heer: Dat is een manier van groeten, waarmee de koningen en prinsen toegesproken werden. Van welke zie ook Dan. 2:4 , en Dan. 3:9 , en Dan. 5:10 , en Dan. 6:7 . Daniël 2:4 : Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. Daniël 3:9 : Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning! leef in eeuwigheid! Daniël 5:10 : Om deze woorden van de koning en zijn geweldigen, ging de koningin in het huis van de maaltijds. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden. Daniël 6:7 : Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot de koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!
[^1koningen-1-31-42]: Kanttekening 42: in eeuwigheid: Dat is, een zeer langen tijd. Zij wil zeggen dat zij niet wenste om de dood van de koning, als zij verzocht dat het recht van de successie op haar zoon bevestigd zou worden, maar bad God, niettegenstaande haar verzoek, om het lange leven van de koning. Zo wordt het woord olam (עוֺלָם) voor een langen en onbepaalden tijd genomen, onder, 1 Kon. 2:33 ; Dan. 2:4 . 1 Koningen 2:33 : Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid. Daniël 2:4 : Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
[^1koningen-1-32-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, Jehojada.
[^1koningen-1-33-44]: Kanttekening 44: uws heren: Dat is, mijn knechten, die mij tot nu toe getrouwelijk gediend hebben. Anders, van uw heren, in het getal van velen; dat is, mijn en Salomo's knechten. Versta door deze de trawanten van de koning, lijfwacht, en die in de oorlog rondom zijn persoon vochten.
[^1koningen-1-33-45]: Kanttekening 45: rijden op de muilezelin: Dit was een teken van de koninklijke waardigheid en eer, tot welke de koning iemand verheffen wilde. Vergelijk Gen. 41:43 ; Esth. 6:8 . Genesis 41:43 : En hij deed hem rijden op de tweede wagen, die hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Zo stelde hij hem over geheel Egypteland. Esther 6:8 : Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
[^1koningen-1-33-46]: Kanttekening 46: De naam van een fontein, vloeiende aan de westzijde van de berg Zion, 2 Kron. 32:30 , en is te onderscheiden van een rivier van het paradijs, ook zo genoemd, Gen. 2:13 . 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. Genesis 2:13 : En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gehele land Cusch omloopt.
[^1koningen-1-34-47]: Kanttekening 47: Zo werden de koningen, welker verkiezing wat extraordinairs inhad, in hun ambt ingehuldigd, 1 Sam. 10:1 , en 1 Sam. 16:12 , 16:13 ; 1 Kon. 19:15 , 19:16 ; 2 Kon. 9:3 . Deze ceremonie van de zalving betekende dat zij tot hun ambt van God geroepen waren, en de nodige gaven daartoe van hem ontvangen zouden. 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van YHWH werd vaardig over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 1 Koningen 19:15 : En YHWH zei tot hem: Ga, keer weer op uwe weg, naar de woestijn van Damascus; en ga daar in, en zalf Hazaël ten koning over Syrië. 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats. 2 Koningen 9:3 : En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt YHWH: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoef niet.
[^1koningen-1-35-48]: Kanttekening 48: een voorganger: Of, voorstander, leidsman, prins, zo onder, 1 Kon. 14:7 , en 1 Kon. 16:2 . 1 Koningen 14:7 : Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb; 1 Koningen 16:2 : Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
[^1koningen-1-36-49]: Kanttekening 49: zo zegge YHWH: Dat is, wil en doe ook zo. Want het zeggen Gods is zijn doen. Zie Gen. 1:3 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^1koningen-1-38-50]: Kanttekening 50: Krethi en de Plethi: Versta, de trawanten en krijgslieden, die gewoonlijk in tijd van vrede of oorlog op de persoon van de koning achtnamen, welke boven, vers 33 , zijn knechten genaamd worden. Zie van deze ook 2 Sam. 8:18 , en 2 Sam. 15:18 . 1 Koningen 1:33 : En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten uws heren, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon. 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. 2 Samuël 15:18 : En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor het aangezicht van de koning heen.
[^1koningen-1-39-51]: Kanttekening 51: de tent: Te weten, in welke David de ark van YHWH gesteld had, 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1koningen-1-39-52]: Kanttekening 52: zalfde Salomo: Versta dit van de eerste zalving van Salomo, welke maar voor de Jeruzalemmers geschiedde; van de tweede, die daarna zeer plechtig voor het gehele Israël geschiedde, zie 1 Kron. 29:22 . 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1koningen-1-39-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 10:24 . 1 Samuël 10:24 : Toen zei Samuël tot het gehele volk: Ziet u, die YHWH gekozen heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het gehele volk. Toen juichte het gehele volk, en zij zeiden: de koning leve!
[^1koningen-1-40-53]: Kanttekening 53: Dit is een overtollige manier van spreken. Vergelijk Gen. 13:16 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.
[^1koningen-1-41-54]: Kanttekening 54: geluid van de bazuinen: Hebreeuws, ק֣וֹל, stem.
[^1koningen-1-41-55]: Kanttekening 55: geroep dier stad: Hebreeuws, קֽוֹל, stem; en zo in het volgende.
[^1koningen-1-42-56]: Kanttekening 56: een kloek man: Hebreeuws, חַ֛יִל, een man van de kloekheid, of dapperheid.
[^1koningen-1-42-57]: Kanttekening 57: goede boodschappen: Dat is, dat aangenaam, en welgevallig is. Zo onder, 1 Kon. 12:7 , en 1 Kon. 22:8 ; 2 Kon. 25:28 ; 2 Kron. 10:7 ; Jer. 12:6 , en Jer. 52:32 . 1 Koningen 12:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn. 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo! 2 Koningen 25:28 : En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. 2 Kronieken 10:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u dit volk goedertieren en tegenover hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn. Jeremia 12:6 : Want ook uw broers en uws vaders huis, ook diezelve handelen trouweloos tegen u; ook diezelve roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. Jeremia 52:32 : En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren.
[^1koningen-1-45-58]: Kanttekening 58: Te weten, in de stad David, welke was de burg Zions, 1 Kron. 11:5 ; 2 Kron. 5:2 . 1 Kronieken 11:5 : En de inwoners van Jebus zeiden tot David: U zult hier niet inkomen. David dan nog won de burg Sion, welke is de stad van David. 2 Kronieken 5:2 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen onder de kinderen van Israël, te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^1koningen-1-46-59]: Kanttekening 59: zit Salomo: Of, heeft gezeten, dat diende tot een openbaar bewijs dat hij koning was geworden. Zie boven, vers 13 . 1 Koningen 1:13 : Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?
[^1koningen-1-47-60]: Kanttekening 60: Dat is, om hem geluk toe te wensen over de inhuldiging zijns zoons Salomo in het koninklijk ambt.
[^1koningen-1-47-61]: Kanttekening 61: beter dan uw naam: Dat is, treffelijker, heerlijker, beroemder.
[^1koningen-1-47-62]: Kanttekening 62: Versta dit van een religieuzen eerbied, die hij deed om God te danken, dat Hij zijn beloften aan Salomo vervuld had, en om hem te bidden dat Hij hem in zijn regering wilde zegenen. Vergelijk Gen. 47:31 , en zie Gen. 24:26 . Genesis 47:31 : En hij zei: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed. Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^1koningen-1-48-63]: Kanttekening 63: Geloofd zij YHWH: Of, gezegend. Zie Gen. 14:20 . Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^1koningen-1-48-64]: Kanttekening 64: gezien hebben: Of, zien.
[^1koningen-1-50-65]: Kanttekening 65: vatte de hoornen: Dit is een oud gebruik geweest, waardoor degenen, die in enige misdaad schuldig zijnde en vrezende met ter haast verdrukt te worden, hun toevlucht tot heilige plaatsen genomen hebben, om genade te bekomen en de straf van de dood te ontgaan. Dat somtijds gelukt is, gelijk hier in Adonia; somtijds mislukt, gelijk in Joab, onder, 1 Kon. 2:28 , omdat tegen zekere zonden een wet daartegen was, Ex. 21:14 . 1 Koningen 2:28 : Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van YHWH, en vatte de hoornen van het altaar. Exodus 21:14 : Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u hem van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.
[^1koningen-1-50-66]: Kanttekening 66: van het altaar: Die te Gibeon was, waar toen de tent van de samenkomst was. Zie 2 Kron. 1:3 , 1:5 . 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. 2 Kronieken 1:5 : Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente bezochten het.
[^1koningen-1-51-67]: Kanttekening 67: dat hij: Hebreeuws, מֶּ֣לֶךְ, zo hij zijn knecht met het zwaard doden zal!
[^1koningen-1-51-68]: Kanttekening 68: zijn knecht: Zo noemt Adonia zichzelven, om te verklaren dat hij nu zijn broer voor zijn heer erkende en bereid was hem te dienen en te gehoorzamen. Vergelijk onder, 1 Kon. 18:12 , 18:13 , en 1 Kon. 20:32 , en 2 Kon. 5:15 , 5:17 . 1 Koningen 18:12 : En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest van YHWH u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees YHWH van mijn jonkheid af. 1 Koningen 18:13 : Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten van YHWH doodde? Dat ik van de profeten van YHWH honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? 1 Koningen 20:32 : Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broer. 2 Koningen 5:15 : Toen keerde hij weer tot de man van God, hij en zijn gehele legermacht, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de gehele aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht. 2 Koningen 5:17 : En Naäman zei: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar YHWH.
[^1koningen-1-52-69]: Kanttekening 69: vroom man zal zijn: Hebreeuws, בֶן, tot een zoon van de vromigheid, of deugdzaamheid. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen sterkte en vromigheid van het lichaam, maar ook deugd en vromigheid van de geest, gelijk vers 52 , en Ruth 3:11 ; Spreuk. 31:10 . 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. Ruth 3:11 : En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de gehele stad mijns volks weet, dat u een deugdelijke vrouw bent. Spreuken 31:10 : Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is ver boven de robijnen.
[^1koningen-1-52-70]: Kanttekening 70: daar zal niet van zijn haar: Dat is, hem zal het minste leed niet gebeuren. Zie deze spreekwoordelijke manier van spreken 1 Sam. 14:45 , en 2 Sam. 14:11 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 2 Samuël 14:11 : En zij zei: De koning gedenke toch aan YHWH, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zei hij: Zo waarachtig als YHWH leeft, als er één van de haren uws zoons op de aarde zal vallen!
[^1koningen-1-53-71]: Kanttekening 71: Ga heen naar uw huis: Dat is, leid een privaat leven, houd u bezig met uw eigen dingen, wees daarin stil, zonder in de regering enige moeite te maken.

### 1 Koningen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/2.json)

*David, liggend op zijn sterfbed, vermaant Salomo tot een Godvruchtig leven en tot kloeke regering, vers 1 enz. Hij draagt hem op Joab te straffen vanwege zijn moorden, 5. Barzillai zijn weldadigheid te vergelden, 7. en Simeï te straffen, 8. David sterft, 10. Salomo regeert, 12. Adonia verzoekt om Abisag, 13. wordt afgewezen en gedood, 22. Abjathar afgezet, 26. Joab gedood, 29. en Simeï, 36.*

**1** Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v1)

**2** [^1koningen-2-2-1] Ik ga heen in de weg van de hele aarde, zo wees sterk, en[^1koningen-2-2-2] wees een man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v2)

**3** En[^1koningen-2-3-3] neem waar de wacht van YHWH, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn[^1koningen-2-3-4] voorschriften, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn[^1koningen-2-3-5] getuigenissen,[^1koningen-2-3-a] zoals geschreven is in de wet van[^1koningen-2-3-b] Mozes; opdat u[^1koningen-2-3-6] verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u zich wenden zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v3)

**4** Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft,[^1koningen-2-4-c] zeggende: Als uw zonen hun[^1koningen-2-4-7] weg bewaren, om[^1koningen-2-4-8] voor Mijn aangezicht trouw, met[^1koningen-2-4-9] hun hele hart en met hun hele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij,[^1koningen-2-4-10] u afgesneden worden van de troon van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v4)

**5** Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja,[^1koningen-2-5-11] mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van[^1koningen-2-5-d] Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft[^1koningen-2-5-12] krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan[^1koningen-2-5-13] aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn[^1koningen-2-5-14] schoenen, die aan zijn voeten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v5)

**6** Doe dan[^1koningen-2-6-15] naar uw wijsheid, dat u[^1koningen-2-6-16] zijn grijze haar niet met vrede in het graf laat dalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v6)

**7** Maar aan de zonen[^1koningen-2-7-e] van Barzillai, de Gileadiet, zult u goedertierenheid bewijzen, en zij zullen zijn[^1koningen-2-7-17] onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo[^1koningen-2-7-18] naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v7)

**8** En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera,[^1koningen-2-8-19] de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij[^1koningen-2-8-f] vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar[^1koningen-2-8-20] Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik[^1koningen-2-8-21] zwoer hem bij YHWH, zeggende:[^1koningen-2-8-22] Zo ik hem met het zwaard dode! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v8)

**9** Maar nu, houd hem[^1koningen-2-9-23] niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten,[^1koningen-2-9-24] wat u hem doen zult, opdat u zijn grijze haar met bloed in het graf doet dalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v9)

**10** En David[^1koningen-2-10-25] ontsliep met zijn vaders,[^1koningen-2-10-g] en werd begraven in de[^1koningen-2-10-26] stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v10)

**11** De[^1koningen-2-11-27] dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren;[^1koningen-2-11-h] zeven jaren heeft hij geregeerd in[^1koningen-2-11-28] Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v11)

**12** [^1koningen-2-12-i] En Salomo zat op de troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v12)

**13** Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathseba, de moeder van Salomo; en zij zei:[^1koningen-2-13-29] Is uw komst vrede? En hij zei: Vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v13)

**14** Daarna zei hij: Ik heb een woord aan u. En zij zei: Spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v14)

**15** Hij zei dan: U weet, dat het koninkrijk[^1koningen-2-15-30] van mij was, en het hele Israël[^1koningen-2-15-31] zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en van mijn broer geworden is[^1koningen-2-15-k];[^1koningen-2-15-32] want het is hem van YHWH geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v15)

**16** En nu begeer ik van u één enige begeerte;[^1koningen-2-16-33] wijs mijn aangezicht niet af. En zij zei tot hem: Spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v16)

**17** En hij zei: Spreek toch tot de koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, tot vrouw geve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v17)

**18** En Bathseba zei: Het is goed, ik zal de koning voor u aanspreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v18)

**19** Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder[^1koningen-2-19-34] van de koning zetten; en[^1koningen-2-19-35] zij zat aan zijn rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v19)

**20** Toen zei zij: Ik begeer van u één enige[^1koningen-2-20-36] kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v20)

**21** En zij zei: Laat Abisag, de Sunamietische, aan Adonia, uw broer, tot vrouw gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v21)

**22** Toen antwoordde de koning Salomo, en zei tot zijn moeder: En waarom begeert u Abisag, de Sunamietische, voor Adonia?[^1koningen-2-22-37] Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broer, die[^1koningen-2-22-38] ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor[^1koningen-2-22-39] Abjathar, de priester, en voor Joab, de zoon van Zeruja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v22)

**23** En de koning Salomo zwoer bij YHWH, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn[^1koningen-2-23-40] leven gesproken hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v23)

**24** En nu, zo waarachtig als YHWH leeft, Die mij bevestigd heeft,[^1koningen-2-24-l] en mij heeft[^1koningen-2-24-41] doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij[^1koningen-2-24-42] een huis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal vandaag[^1koningen-2-24-43] gedood worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v24)

**25** En de koning Salomo[^1koningen-2-25-44] zond door de hand van Benaja, de zoon van Jojada; die[^1koningen-2-25-45] viel op hem aan, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v25)

**26** En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar[^1koningen-2-26-46] Anathoth, op uw akkers; want u bent[^1koningen-2-26-47] een man van de dood;[^1koningen-2-26-48] maar op deze dag zal ik u niet doden,[^1koningen-2-26-m] omdat u de ark van de Heere YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v26)

**27** Salomo dan[^1koningen-2-27-49] verdreef Abjathar,[^1koningen-2-27-50] dat hij priester van YHWH niet was,[^1koningen-2-27-51] om te[^1koningen-2-27-n] vervullen[^1koningen-2-27-52] het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te[^1koningen-2-27-53] Silo gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v27)

**28** Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van YHWH,[^1koningen-2-28-o] en[^1koningen-2-28-54] vatte de hoornen van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v28)

**29** En het werd de koning Salomo aangezegd, dat Joab tot[^1koningen-2-29-55] de tent van YHWH gevlucht was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val op hem aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v29)

**30** En Benaja kwam tot de tent van YHWH, en zei tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zei: Nee, maar hier zal ik sterven! En Benaja bracht het antwoord weer aan de koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v30)

**31** En de koning zei tot hem: Doe zoals hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat u wegdoet, van mij en van het huis van mijn vader, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.[^1koningen-2-31-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v31)

**32** Zo zal YHWH[^1koningen-2-32-57] zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft,[^1koningen-2-32-58] daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de oorlogsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de oorlogsoverste van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v32)

**33** Zo zal hun[^1koningen-2-33-59] bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn[^1koningen-2-33-60] zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in[^1koningen-2-33-61] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v33)

**34** En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v34)

**35** En de koning zette Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het leger; en[^1koningen-2-35-62][^1koningen-2-35-p] Zadok, de priester, zette de koning in de plaats van Abjathar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v35)

**36** Daarna zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon daar; en ga van daar niet uit herwaarts of daarheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v36)

**37** Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek[^1koningen-2-37-63] Kidron zult gaan,[^1koningen-2-37-64] weet voorzeker, dat u[^1koningen-2-37-65] de dood sterven zult; uw[^1koningen-2-37-66] bloed zal op uw hoofd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v37)

**38** En Simeï zei tot de koning: Dat woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde te Jeruzalem vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v38)

**39** Maar het gebeurde met het einde van drie jaar, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot[^1koningen-2-39-67] Achis, de zoon van[^1koningen-2-39-68] Maächa, de koning van[^1koningen-2-39-69] Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v39)

**40** Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijn ezel, en trok heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo trok Simeï heen, en bracht zijn knechten van Gath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v40)

**41** En het werd Salomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v41)

**42** Toen zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij YHWH, en tegen u betuigd, zeggende: Op de dag van uw uitgaan, als u zult herwaarts of daarheen gaan, weet voorzeker, dat u de dood zult sterven? En u zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v42)

**43** Waarom dan hebt u de[^1koningen-2-43-70] eed van YHWH niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v43)

**44** Verder zei de koning tot Simeï:[^1koningen-2-44-q] U weet al de boosheid, die uw hart weet, die u aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft YHWH uw boosheid[^1koningen-2-44-71] op uw hoofd doen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v44)

**45** Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht van YHWH tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v45)

**46** En de koning gebood Benaja, de zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Zo[^1koningen-2-46-r] is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/2.html#v46)

[^1koningen-2-2-1]: Kanttekening 1: Ik ga heen: Deze manier van spreken hebben wij ook Joz. 23:14 , en betekent de scheiding van de mensen uit deze wereld, door de lichamelijken dood, welke niemand kan ontgaan; Hebr., 9:27 . Jozua 23:14 : En ziet, ik ga heden in de weg van de gehele aarde; en u weet in uw gehele hart en in uw gehele ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke YHWH, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is daarvan niet een enig woord gevallen. Hebreeën 9:27 : En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
[^1koningen-2-2-2]: Kanttekening 2: wees een man: Hebreeuws, אִֽישׁ, tot een man; dat is, hoewel u nog jong bent; 1 Kron. 22:5 sta nochtans naar de deugden van een man, meest gelegen in verstand, kloeken moed en gestadigheid. 1 Kronieken 22:5 : Want David zei: Mijn zoon Salomo is een jongeling en teder; en het huis, dat men YHWH bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Zo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood.
[^1koningen-2-3-3]: Kanttekening 3: neem waar de wacht van YHWH: Deze manier van spreken wordt elders van de dienst van de tabernakel gebruikt, gelijk Lev. 8:35 ; Num. 3:7 , maar hier en elders van de burgerlijke plichten, die de prinsen en andere oversten moesten waarnemen, achtervolgens de orde hun van God voorgeschreven. Zie Joz. 22:3 ; 2 Kon. 11:5 . Maar het woord wacht wordt ook overgezet bevel, betekenende in het gemeen al wat de Heer ons voorgeschreven heeft te doen of te laten. Zie Gen. 26:5 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen; Jozua 22:3 : U hebt uw broers niet verlaten nu langen tijd, tot op deze dag toe; maar u hebt waargenomen de onderhouding van de geboden van YHWH, uw God. 2 Koningen 11:5 : En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning; Genesis 26:5 : Daarom Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
[^1koningen-2-3-4]: Kanttekening 4: Deze eerste drie woorden worden zo onderscheiden, die het eerste genomen wordt voor de ceremoniëele wetten; het tweede voor de wetten van de zeden; het derde voor de burgerlijke rechten. Zie Gen. 26:5 ; Deut. 5:31 . Genesis 26:5 : Daarom Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^1koningen-2-3-5]: Kanttekening 5: Versta, de leer van de zaligheid, die van Gods wil tegen ons en van onze schuldigen plicht tegen hem volkomenlijk betuigen. Zie Deut. 4:45 . Deuteronomium 4:45 : Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen van Israël, als zij uit Egypte waren uitgetogen;
[^1koningen-2-3-a]: Verwijzing a: Deut. 17:18 . Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
[^1koningen-2-3-b]: Verwijzing b: Deut. 29:9 ; Joz. 1:7 . Deuteronomium 29:9 : Houdt dan de woorden van deze verbonds, en doet ze; opdat u verstandig handelt in alles, wat u doen zult. Jozua 1:7 : Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de gehele wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt alom, waar u zult gaan;
[^1koningen-2-3-6]: Kanttekening 6: verstandig handelt: Of, voorspoedig maakt alles, enz. Zie deze manier van spreken, Deut. 29:9 . Deuteronomium 29:9 : Houdt dan de woorden van dit verbond, en doet ze; opdat u verstandig handelt in alles, wat u doen zult.
[^1koningen-2-4-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 7:12 ; Ps. 132:12 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Psalmen 132:12 : Als uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
[^1koningen-2-4-7]: Kanttekening 7: weg bewaren: Dat is, zich in genegenheden, voornemen, woorden en werken naar mijn wil schikken; zo onder, 1 Kon. 8:25 ; 2 Kon. 20:3 ; 2 Kron. 6:16 . Dit noemt Mozes zijn ziel bewaren, Deut. 4:15 . 1 Koningen 8:25 : En nu YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israël zitte; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. 2 Koningen 20:3 : Och, YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende geheel zeer. 2 Kronieken 6:16 : En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. Deuteronomium 4:15 : Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
[^1koningen-2-4-8]: Kanttekening 8: voor Mijn aangezicht: Dat is, oprecht als in de aanwezigheid Gods die het hart kent , naar alle geboden te leven. Zie 2 Kon. 20:2 , en 2 Kron. 6:16 . 2 Koningen 20:2 : Toen keerde hij zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot YHWH, zeggende: 2 Kronieken 6:16 : En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
[^1koningen-2-4-9]: Kanttekening 9: hun gehele hart: Dat is, God te gehoorzamen, oprecht, en zonder geveinsdheid, niet naar sommige maar naar al zijn geboden; welke gehoorzaamheid Hij aanziet niet in haar natuur, maar naar zijn genade in Christus, in denwelken zij volmaakt is; Kol. 2:10 . Kolossensen 2:10 : En u bent in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
[^1koningen-2-4-10]: Kanttekening 10: u afgesneden worden: De zin is, dat niemand van zijn nakomelingen ontbreken zou om te regeren; te weten, totdat de Messias komen zou, wiens koninkrijk eeuwig zou zijn.
[^1koningen-2-5-11]: Kanttekening 11: mij gedaan heeft: Te weten, altijd zeer trots tegen mij geweest zijnde, omdat hij de krijgslieden zeer aangenaam was. Zie 2 Sam. 3:39 , en 2 Sam. 3:19 . 2 Samuël 3:39 : Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; YHWH zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid. 2 Samuël 3:19 : En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Verder ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het gehele huis van Benjamin.
[^1koningen-2-5-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 3:27 ; 2 Sam. 20:10 . 2 Samuël 3:27 : Als nu Abner weer te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden van de poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem daar aan de vijfde rib, dat hij stierf, vanwege het bloed van zijn broer Asahel. 2 Samuël 20:10 : En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweede male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna.
[^1koningen-2-5-12]: Kanttekening 12: krijgsbloed vergoten: Hebreeuws, יַּ֣הַרְגֵ֔, heeft bloeden van de krijgs gezet; dat is, moorderijen aangericht. Nu heet krijgsbloed dat in de krijg vergoten wordt, maar Joab had bloed vergoten in tijd van vrede.
[^1koningen-2-5-13]: Kanttekening 13: aan zijn gordel: Te weten, stekende zijn bloedig zwaard in de schede nadat hij die twee mannen vermoord had.
[^1koningen-2-5-14]: Kanttekening 14: Op welke van het bloed van de doorstekenen gevallen is.
[^1koningen-2-6-15]: Kanttekening 15: naar uw wijsheid: Te weten, naar welke u wel gelegenheid vinden zult om hem te straffen, zo hij een man is tot nieuwigheden en beroerten genegen.
[^1koningen-2-6-16]: Kanttekening 16: zijn grauwe haar: Hebreeuws, תוֹרֵ֧ד, zijn grijzigheid, of grauwigheid; dat is, zijn grauwe ouderdom. De zin is, dat Salomo Joab niet zou laten sterven zijn natuurlijken dood, maar een geweldigen hem aandoen. Zie de verklaring onder, vers 8 , en vergelijk Gen. 42:38 , en Gen. 44:29 , 44:31 . 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode! Genesis 42:38 : Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zoudt u mijn grauwe haar met droefenis ten grave doen nederdalen. Genesis 44:29 : Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt u mijn grauwe haar met jammer ten grave doen nederdalen! Genesis 44:31 : Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen het grauwe haar van uw knecht, onze vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.
[^1koningen-2-7-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 17:27 ; 2 Sam. 19:31 . 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 2 Samuël 19:31 : Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.
[^1koningen-2-7-17]: Kanttekening 17: onder degenen: Hebreeuws, אֹכְלֵ֣י, onder uw tafeleters; dat is, die van het voedsel van uw tafel eten.
[^1koningen-2-7-18]: Kanttekening 18: Te weten, mij toebrengende en voorstellende allerlei leeftocht, die ik in een dorre en woeste plaats wel van doen had. Zie 2 Sam. 17:27 , 17:28 , 17:29 . 2 Samuël 17:27 : En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 2 Samuël 17:28 : Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost, 2 Samuël 17:29 : En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig in de woestijn.
[^1koningen-2-8-19]: Kanttekening 19: zoon van Jemini: Anders, een Benjaminiet . Zie Richt. 19:16 en 2 Sam. 16:11 . Richteren 19:16 : En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini. 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd.
[^1koningen-2-8-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 16:5 ; 2 Sam. 19:19 . 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte. 2 Samuël 19:19 : En hij zei tot de koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerd gedaan heeft, op die dag, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter hart zou nemen.
[^1koningen-2-8-20]: Kanttekening 20: Een stad gelegen over de Jordaan in het land Gilead, in de stam van Gad bij de beek Jabbok. Van de oorsprong van haar benaming, zie Gen. 32:2 . Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam derzelver plaats Mahanaim.
[^1koningen-2-8-21]: Kanttekening 21: Zie 2 Sam. 19:23 . 2 Samuël 19:23 : En de koning zei tot Simeï: U zult niet sterven. En de koning zwoer hem.
[^1koningen-2-8-22]: Kanttekening 22: Zo ik hem met het zwaard dode: Hebreeuws, חָֽרֶב, zo ik u met het zwaard dode, God straffe mij of doe mij dit of dat . Want de Hebreën plegen in het zweren de straf te verzwijgen. Zie Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1koningen-2-9-23]: Kanttekening 23: niet onschuldig: Dat is, laat hem niet ongestraft blijven. Zo Ex. 20:7 , en Ex. 34:7 , en Job 9:28 . Exodus 20:7 : U zult de naam van YHWH uws Gods niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Job 9:28 : Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat U mij niet onschuldig zult houden.
[^1koningen-2-9-24]: Kanttekening 24: wat u hem doen zult: Namelijk, naar de wijsheid, die u de Heer gegeven heeft, latende aan deze bevolen zijn de manier hoe u hem ter dood brengen zult. Vergelijk boven, vers 6 . 1 Koningen 2:6 : Doe dan naar uw wijsheid, dat u zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.
[^1koningen-2-10-25]: Kanttekening 25: Zie boven, 1 Kon. 1:21 , en Deut. 31:16 . 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden daarvan; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik ermee gemaakt heb.
[^1koningen-2-10-g]: Verwijzing g: Hand. 2:29 ; Hand. 13:36 . Handelingen 2:29 : U mannen broers, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de patriarch David, dat hij zowel gestorven als begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag. Handelingen 13:36 : Want David, als hij in zijn tijd de raad van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;
[^1koningen-2-10-26]: Kanttekening 26: stad van David: Versta, de burg, waar David zijn huis had. Zo onder, 1 Kon. 3:1 . Zie 2 Sam. 5:7 ; 1 Kron. 11:5 ; 2 Kron. 5:2 . 1 Koningen 3:1 : En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis van YHWH, en de muur van Jeruzalem rondom. 2 Samuël 5:7 : Maar David nam de burg Sion in; die is de stad van David. 1 Kronieken 11:5 : En de inwoners van Jebus zeiden tot David: U zult hier niet inkomen. David dan nog won de burg Sion, welke is de stad van David. 2 Kronieken 5:2 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen onder de kinderen van Israël, te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^1koningen-2-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, de tijd.
[^1koningen-2-11-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 29:27 . 1 Kronieken 29:27 : De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig.
[^1koningen-2-11-28]: Kanttekening 28: De naam van een stad, van welke zie Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^1koningen-2-12-i]: Verwijzing i: 1 Kron. 29:23 ; 2 Kron. 1:1 . 1 Kronieken 29:23 : Zo zat Salomo op de troon van YHWH, als koning in zijns vaders Davids plaats, en hij was voorspoedig; en geheel Israël hoorde naar hem. 2 Kronieken 1:1 : En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.
[^1koningen-2-13-29]: Kanttekening 29: Is uw komst vrede: Hebreeuws, בֹּאֶ֑, is uw komen vrede? Zo 1 Sam. 16:4 . Zij spreekt uit vrees dat hij moeite maken zou, omdat hij naar het koninkrijk gestaan had. Het is zoveel alsof zij zei: Dient uw komst tot welstand van het koninkrijk en van het gemenebest? Wat vrede bij de Hebreën betekent, zie Gen. 37:14 . 1 Samuël 16:4 : Samuël nu deed, wat YHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede? Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^1koningen-2-15-30]: Kanttekening 30: van mij was: Te weten, omdat ik de oudste van de zonen van mijn vader ben. Zie boven, 1 Kon. 1:5 . 1 Koningen 1:5 : Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.
[^1koningen-2-15-31]: Kanttekening 31: zijn aangezicht: Dat is, had zijn ogen op mij geworpen, hopende dat het koninkrijk mijne zou worden, en mij dat gunnende. Vergelijk Jer. 42:15 met de aantekening. Jeremia 42:15 : Nu dan, daarom hoort het woord van YHWH, u overblijfsel van Juda! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Als u ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren;
[^1koningen-2-15-k]: Verwijzing k: 1 Kron. 22:9 ; 1 Kron. 28:5 . 1 Kronieken 22:9 : Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. 1 Kronieken 28:5 : En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël.
[^1koningen-2-15-32]: Kanttekening 32: want het is: Hij gelaat zich dat hij zijn broer Salomo het koninkrijk gunde, misbruikende tot dit einde de naam van de Heer, en zeer listiglijk verbergende zijn voornemen, dat was door middel van de Sunamietische een aanhang te maken, en zo het koninkrijk tot zich te trekken, dat de koning Salomo meteen wel gemerkt heeft, gelijk blijkt uit vers 22 . 1 Koningen 2:22 : Toen antwoordde de koning Salomo, en zei tot zijn moeder: En waarom begeert u Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broer, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, de priester, en voor Joab, de zoon van Zeruja.
[^1koningen-2-16-33]: Kanttekening 33: wijs mijn aangezicht niet af: Dat is, wil mijn bede niet afslaan; zo vers 17 , 2:20 ; 2 Kron. 6:42 ; Ps. 132:10 . Het tegendeel van deze manier van spreken is, iemands aangezicht opnemen. Zie Gen. 19:21 . 1 Koningen 2:17 : En hij zei: Spreek toch tot de koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, ter vrouwe geve. 1 Koningen 2:20 : Toen zei zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen. 2 Kronieken 6:42 : O YHWH God! wend het aangezicht Uws gezalfde niet af; gedenk van de weldadigheden van David, Uw knecht. Psalmen 132:10 : Weer het aangezicht Uws Gezalfde niet af, om Davids, Uws knechts wil. Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt.
[^1koningen-2-19-34]: Kanttekening 34: van de koning: Dat is, voor zijn moeder. Het is een manier van spreken van de Hebreën. Zo onder, 1 Kon. 8:1 , en 1 Kon. 9:1 , en 1 Kon. 11:9 . Vergelijk Gen. 5:1 . 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion. 1 Koningen 9:1 : Het geschiedde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis van YHWH en het huis van de koning, en al de begeerte van Salomo, die hem gelust had te maken; 1 Koningen 11:9 : Daarom vertoornde Zich YHWH tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van YHWH, de God van Israël, Die hem tweemaal verschenen was. Genesis 5:1 : Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
[^1koningen-2-19-35]: Kanttekening 35: zij zat aan zijn rechterhand: Zijnde aldus vereerd met gelijke waardigheid en hoogheid als haar zoon, en dat naar de manier van doen van de grote heren, welke dengenen, wie zij gelijke eer of de eerste naast hen toestaan, plegen tot hun rechterhand te stellen. Vergelijk Matt. 20:21 . Mattheüs 20:21 : En Hij zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.
[^1koningen-2-20-36]: Kanttekening 36: kleine begeerte: Te weten, kleine naar haar gevoelen, maar niet naar het oordeel van de koning, gelijk blijkt uit zijn antwoord.
[^1koningen-2-22-37]: Kanttekening 37: Begeer ook voor hem: Salomo merkt waarheen de bede van Adonia strekte, namelijk tot een nieuwe beroerte om, door middel van het verzochte huwelijk, te bekwamelijker tot het koninkrijk te geraken. Hierom, die zich begeerden groot te maken, hebben deze praktijk meermalen gebruikt. Zie 2 Sam. 3:7 , en 2 Sam. 16:21 . 2 Samuël 3:7 : Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isboseth zei tot Abner: Waarom bent u ingegaan tot van mijn vader bijwijf? 2 Samuël 16:21 : En Achitofel zei tot Absalom: Ga in tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal geheel Israël horen, dat u bij uw vader stinkende bent geworden, en de handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden.
[^1koningen-2-22-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, groter, of, meerder; te weten, van ouderdom.
[^1koningen-2-22-39]: Kanttekening 39: Die Adonia toegedaan waren, zonder twijfel opdat zij in hun ambten en staten zouden mogen blijven, en vrij van gevaar zijn.
[^1koningen-2-23-40]: Kanttekening 40: leven gesproken hebben: Hebreeuws, דָּבָ֖ר, tegen zijn ziel; dat is, tot nadeel van zijn leven. Het woord ziel wordt voor het leven dikwijls genomen. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^1koningen-2-24-l]: Verwijzing l: 2 Sam. 7:12 ; idem v. 13 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.
[^1koningen-2-24-41]: Kanttekening 41: doen zitten: Dat is, als koning doen regeren. Zo 2 Kon. 10:3 , en 2 Kron. 23:20 . Vergelijk boven, 1 Kon. 1:13 de aantekeningen. 2 Koningen 10:3 : Zo ziet naar de beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet die op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren. 2 Kronieken 23:20 : En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van YHWH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk. 1 Koningen 1:13 : Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?
[^1koningen-2-24-42]: Kanttekening 42: een huis gemaakt heeft: Dat is, een huisgezin, en hof naar de staat en waardigheid van een koning; want het woord huis betekent dikwijls het gehele hof en de gansen trein van de hovelingen. Zie Gen. 34:19 . Genesis 34:19 : En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.
[^1koningen-2-24-43]: Kanttekening 43: gedood worden: Als hebbende de koninklijke majesteit gekwetst.
[^1koningen-2-25-44]: Kanttekening 44: Dat is, zond Benaja, hem bevelende dat hij door zijn hand Adonia doden zou. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1koningen-2-25-45]: Kanttekening 45: viel op hem aan: Te weten, met wapen, bekwaam om hem te doden. Zo ook vers 31 , 2:32 , 2:34 , 2:46 . vers 32 spreekt van twee aanvallen, die met het zwaard geschiedden. 1 Koningen 2:31 : En de koning zei tot hem: Doe gelijk als hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat u wegdoet, van mij en van het huis van mijn vader, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft. 1 Koningen 2:32 : Zo zal YHWH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de krijgsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de krijgsoverste van Juda. 1 Koningen 2:34 : En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn. 1 Koningen 2:46 : En de koning gebood Benaja, de zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Zo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo. 1 Koningen 2:32 : Zo zal YHWH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de krijgsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de krijgsoverste van Juda.
[^1koningen-2-26-46]: Kanttekening 46: De naam van een priesterlijke stad, gelegen in de stam van Benjamin, waar Abjathar de prieser en Jeremia de profeet geboren zijn. Zie van deze Joz. 21:18 ; Jer. 1:1 . Jozua 21:18 : Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden. Jeremia 1:1 : De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^1koningen-2-26-47]: Kanttekening 47: een man van de dood: Dat is, van de dood schuldig, of die de dood waard is. Zo 2 Sam. 12:5 ; idem, zonen van de dood, 1 Sam. 26:16 . 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood! 1 Samuël 26:16 : Deze zaak, die u gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als YHWH leeft, u bent kinderen van de dood, die over uw heer, de gezalfde van YHWH, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de spies van de koning is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was.
[^1koningen-2-26-48]: Kanttekening 48: deze dag: Dat aldus kan verstaan worden, dat Salomo met een mindere straf zich voor deze tijd heeft laten genoegen, hem houdende ondertussen onder de doodsschuld, zo dat zo hij in toekomende tijden iets dergelijks kwam te bedrijven, hij het met de dood bezuren zou.
[^1koningen-2-26-m]: Verwijzing m: 1 Sam. 22:20 ; 2 Sam. 15:24 . 1 Samuël 22:20 : Maar één van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na. 2 Samuël 15:24 : En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark van het verbond van God, en zij zetten de ark van God neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan.
[^1koningen-2-27-49]: Kanttekening 49: verdreef Abjathar: Niet dat Salomo hem van zijn priesterambt eigenlijk heeft afgezet, want hij was reeds bij het leven van David, om zijn misdaad tegen de koninklijke majesteit begaan, afgezet, toen Zadok in zijn plaats gezalfd werd, 1 Kron. 29:22 , maar hij heeft hem verdreven, dat is gebannen in zijn huis te Anathoth, waaruit noodzakelijk moest volgen dat hij het priesterambt te Jeruzalem niet kon bedienen; zijnde ook als politiek dood. 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1koningen-2-27-50]: Kanttekening 50: dat hij priester van YHWH niet was: Hebreeuws, כֹּהֵ֖ן, van de Heer, of priester van de Heer te zijn.
[^1koningen-2-27-51]: Kanttekening 51: om te vervullen: Dat wel aldus van Salomo geschied is, maar door het verborgen beleid van de heren, waarop Salomo misschien op die tijd niet heeft gedacht. Zie de voorzeggingen van deze vervulling 1 Sam. 2:33 , en vergelijk Matt. 13:35 , en Matt. 27:9 ; Joh. 12:38 , en Joh. 19:24 , welke plaatsen aanwijzen dat de profetieën Gods zeer dikwijls door de mensen buiten hun weten vervuld worden. 1 Samuël 2:33 : Maar de man, die Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde. Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld. Mattheüs 27:9 : Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Gewaardeerden van de kinderen van Israël, Denwelken zij gewaardeerd hebben; Johannes 12:38 : Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd, en wie is de arm van de Heer geopenbaard? Johannes 19:24 : Zij dan zeiden tot elkaar: Laat ons die niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
[^1koningen-2-27-n]: Verwijzing n: 1 Sam. 2:31 . 1 Samuël 2:31 : Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en de arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.
[^1koningen-2-27-52]: Kanttekening 52: het woord van YHWH: Namelijk dat het huis van Eli, dat van Ithamar afkomstig was, van het hogepriesterambt verstoten zou worden, en een ander huis in zijne plaats zou komen. Dat vervuld is in Zadok, die uit het geslacht van Eleazar voortkomstig was. Zie 1 Sam. 2:35 , en vergelijk Ez. 44:15 . 1 Samuël 2:35 : En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns Gezalfde wandelen. Ezechiël 44:15 : Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH;
[^1koningen-2-27-53]: Kanttekening 53: Silo gesproken had: Een stad in de stam van Efraïm, waar de ark van de Heer langen tijd geweest is; Joz. 18:1 ; Richt. 21:19 ; Ps. 78:60 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. Richteren 21:19 : Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest van YHWH te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis van God, tegen de opgang van de zon, aan de hogen weg, die opgaat van het huis van God naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona. Psalmen 78:60 : Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
[^1koningen-2-28-o]: Verwijzing o: 1 Kon. 1:50 . 1 Koningen 1:50 : Maar Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen van het altaar.
[^1koningen-2-28-54]: Kanttekening 54: vatte de hoornen van het altaar: Zie boven, 1 Kon. 1:50 . 1 Koningen 1:50 : Maar Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen van het altaar.
[^1koningen-2-29-55]: Kanttekening 55: de tent van YHWH: Welke met het altaar, door het bevel Gods in de woestijn gemaakt, Ex. 36:1 , 36:2 , 36:3 , enz., en Ex. 38:1 , enz., te deze tijde waren binnen Gibeon, 2 Kron. 1:3 , 1:5 . Exodus 36:1 : Toen wrocht Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken YHWH wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste van het heiligdom naar alles, dat YHWH geboden had. Exodus 36:2 : Want Mozes had geroepen Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken. Exodus 36:3 : Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het gehele hefoffer, dat de kinderen van Israël gebracht hadden, tot het werk van de dienst van het heiligdom, om dat te maken; maar zij brachten tot hem nog elke morgen vrijwillig offer. Exodus 38:1 : Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was zijn lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte. 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. 2 Kronieken 1:5 : Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente bezochten het.
[^1koningen-2-31-56]: Kanttekening 56: hij gesproken heeft: Namelijk Joab. En versta dit naar de wet, Ex. 21:14 . Exodus 21:14 : Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u hem van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.
[^1koningen-2-32-57]: Kanttekening 57: zijn bloed: Te weten, dat hij met onrecht vergoten heeft. God keert het bloed van een ander op iemands hoofd, als Hij de dood, die hij een ander moedwilliglijk aangedaan heeft, opnieuw het met de dood vergeldt, of door hem zelven, Gen. 4:11 , of door de mens, Gen. 9:6 ; zo onder, vers 44 ; Richt. 9:24 , 9:57 ; 2 Sam. 16:8 . Genesis 4:11 : En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broers bloed van uw hand te ontvangen. Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. 1 Koningen 2:44 : Verder zei de koning tot Simeï: U weet al de boosheid, die uw hart weet, die u aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft YHWH uw boosheid op uw hoofd doen terugkeren. Richteren 9:24 : Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Richteren 9:57 : Evenzo al het kwaad van de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen. 2 Samuël 16:8 : YHWH heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats u geregeerd hebt; nu heeft YHWH het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, u bent in uw ongeluk, omdat u een man van het bloed bent.
[^1koningen-2-32-58]: Kanttekening 58: daar het mijn vader David niet wist: Dat is, waarvan mijn vader geen kennis had voordat het geschiedde, en dat hij niet toestond toen het geschied was. Zie 2 Sam. 3:28 , 3:29 , en boven, vers 5 . 2 Samuël 3:28 : Als David dat daarna hoorde, zo zei hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij YHWH, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, de zoon van Ner. 2 Samuël 3:29 : Het blijve op het hoofd van Joab, en op het gehele huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan de stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe! 1 Koningen 2:5 : Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.
[^1koningen-2-33-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, bloeden. Het woord bloed wordt gesteld in het getal van velen, niet alleen omdat Joab twee mannen vermoord had, maar omdat dikwijls dit woord, zo gesteld zijnde, betekent de schuld en straf van de dood, die de moordenaars over zich brengen, Ex. 22:2 , 22:3 ; Ps. 51:16 , hoewel somtijds ook in het enkel getal, Gen. 42:22 . Exodus 22:2 : Als een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. Exodus 22:3 : Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij. Psalmen 51:16 : Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. Genesis 42:22 : En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!
[^1koningen-2-33-60]: Kanttekening 60: in eeuwigheid: Dat is, een lange tijd, zolang als Joabs vaderlijk huis duren zal. Zie 2 Sam. 3:29 , en vergelijk boven, 1 Kon. 1:31 , en de aantekeningen. 2 Samuël 3:29 : Het blijve op het hoofd van Joab, en op het gehele huis zijns vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan de stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe! 1 Koningen 1:31 : Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!
[^1koningen-2-33-61]: Kanttekening 61: Versta ten aanzien van de uiterlijken welstand een langen tijd, gelijk recht tevoren, en ten aanzien van de geestelijken in Christus, een tijd zonder einde.
[^1koningen-2-35-62]: Kanttekening 62: Die al tevoren bij het leven van David met toestemming van de gehele vergadering was gezalfd. Zie 1 Kron. 29:22 , dat Salomo hier metterdaad goedkeurt. 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1koningen-2-35-p]: Verwijzing p: 1 Sam. 2:35 . 1 Samuël 2:35 : En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns Gezalfde wandelen.
[^1koningen-2-37-63]: Kanttekening 63: Is geweest een beek, vloeiende tussen Jeruzalem en de Olijfberg, door een duister dal oostwaarts van de stad. Zie van deze 2 Sam. 15:23 ; 2 Kon. 23:4 ; Joh. 18:1 . 2 Samuël 15:23 : En het gehele land weende met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^1koningen-2-37-64]: Kanttekening 64: weet voorzeker: Hebreeuws, תֵּדַ֖ע, wetende weet; zo onder, vers 42 . 1 Koningen 2:42 : Toen zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij YHWH, en tegen u betuigd, zeggende: Op de dag van uw uitgaan, als u zult herwaarts of daarheen gaan, weet voorzeker, dat u de dood zult sterven? En u zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
[^1koningen-2-37-65]: Kanttekening 65: de dood sterven zult: Hebreeuws, תָּמ֑וּת, stervende zult sterven; zo onder, vers 42 . 1 Koningen 2:42 : Toen zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij YHWH, en tegen u betuigd, zeggende: Op de dag van uw uitgaan, als u zult herwaarts of daarheen gaan, weet voorzeker, dat u de dood zult sterven? En u zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
[^1koningen-2-37-66]: Kanttekening 66: Zie Lev. 20:9 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^1koningen-2-39-67]: Kanttekening 67: Zie van deze, 1 Sam. 21:10 . 1 Samuël 21:10 : En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, de koning van Gath.
[^1koningen-2-39-68]: Kanttekening 68: Anders genoemd Maoch; 1 Sam. 27:1 . 1 Samuël 27:1 : David nu zei in zijn hart: Nu zal ik één van de dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastig ontkome in het land van de Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de gehele landpale van Israël; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.
[^1koningen-2-39-69]: Kanttekening 69: De naam van een stad in de stam van Dan, die bewoond was van reuzen, afkomstig uit de Filistijnen, Joz. 11:22 , gelijk ook de reus Goliath van deze stad was, 1 Sam. 17:4 . Jozua 11:22 : Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de kinderen van Israël; alleen bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod. 1 Samuël 17:4 : Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
[^1koningen-2-43-70]: Kanttekening 70: eed van YHWH: Versta, de eed bij de naam van de Heer gedaan, denwelken Salomo had gevoegd bij zijn dreigementen tegen Simeï uitgesproken. Zie het voorgaande vers 42 . 1 Koningen 2:42 : Toen zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij YHWH, en tegen u betuigd, zeggende: Op de dag van uw uitgaan, als u zult herwaarts of daarheen gaan, weet voorzeker, dat u de dood zult sterven? En u zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.
[^1koningen-2-44-q]: Verwijzing q: 2 Sam. 16:5 ; idem v. 6 ; idem v. 7 . 2 Samuël 16:5 : Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simeï, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte. 2 Samuël 16:6 : En hij wierp David met stenen, en ook alle knechten van de koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren. 2 Samuël 16:7 : Aldus nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man!
[^1koningen-2-44-71]: Kanttekening 71: op uw hoofd: Zie boven, vers 32 . 1 Koningen 2:32 : Zo zal YHWH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de krijgsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de krijgsoverste van Juda.
[^1koningen-2-46-r]: Verwijzing r: 2 Kron. 1:1 . 2 Kronieken 1:1 : En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.

### 1 Koningen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/3.json)

*Salomo's huwelijk met de dochter van Farao, vers 1 enz. zijn godsdienst, 2. de HEERE verschijnt hem in een droom, en hij bidt om wijsheid, 5. Hij verkrijgt die, met rijkdom en eer, 10. en bewijst zijn wijsheid door het oordeel dat hij geeft over twee vrouwen die om een kind twistten, 16.*

**1** En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte;[^1koningen-3-1-a] en[^1koningen-3-1-1] nam de dochter van Farao, en bracht ze in de[^1koningen-3-1-2] stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en[^1koningen-3-1-3] het huis van YHWH,[^1koningen-3-1-4] en de muur van Jeruzalem rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v1)

**2** [^1koningen-3-2-5] Alleen offerde het volk op[^1koningen-3-2-6] de hoogten, want[^1koningen-3-2-b] geen huis was voor de Naam van YHWH gebouwd, tot die dagen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v2)

**3** En Salomo had YHWH lief, wandelende[^1koningen-3-3-7] in de voorschriften van zijn vader[^1koningen-3-3-8] David; alleen offerde hij en rookte op de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v3)

**4** En[^1koningen-3-4-c] de koning ging naar[^1koningen-3-4-9] Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte[^1koningen-3-4-10] groot was; duizend brandoffers offerde Salomo op dat altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v4)

**5** Te[^1koningen-3-5-d] Gibeon verscheen YHWH aan Salomo[^1koningen-3-5-11] in een droom[^1koningen-3-5-12] in de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v5)

**6** En Salomo zei: U hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote goedertierenheid gedaan, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft,[^1koningen-3-6-13] in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid van het hart met U; en U hebt hem deze grote goedertierenheid gehouden, dat U hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te deze dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v6)

**7** [^1koningen-3-7-e] Nu dan, YHWH, mijn God! U hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet[^1koningen-3-7-14] uit te gaan noch in te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v7)

**8** [^1koningen-3-8-f] En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat U gekozen hebt, een[^1koningen-3-8-15] groot volk, dat niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v8)

**9** Geef dan Uw knecht een[^1koningen-3-9-16] verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw[^1koningen-3-9-17] machtig volk kunnen richten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v9)

**10** Die zaak nu[^1koningen-3-10-18] was goed in de ogen van YHWH, dat Salomo deze zaak begeerd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v10)

**11** [^1koningen-3-11-g] En God zei tot hem: Omdat u deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u[^1koningen-3-11-19] vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de[^1koningen-3-11-20] ziel van uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u,[^1koningen-3-11-21] om gerichtszaken te horen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v11)

**12** Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden;[^1koningen-3-12-h] zie, Ik heb u[^1koningen-3-12-22] een wijs en verstandig hart gegeven,[^1koningen-3-12-23] dat uw gelijke voor u niet geweest is, en uw gelijke na u niet opstaan zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v12)

**13** [^1koningen-3-13-i] Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen[^1koningen-3-13-24] al uw dagen zijn zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v13)

**14** En zo u in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn voorschriften en Mijn geboden, zoals uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v14)

**15** En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de[^1koningen-3-15-25] ark van het verbond van YHWH, en[^1koningen-3-15-26] offerde brandoffers, en bereidde dankoffers, en maakte een maaltijd voor al[^1koningen-3-15-27] zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v15)

**16** Toen kwamen er twee vrouwen, die[^1koningen-3-16-28] hoeren waren, tot de koning; en zij stonden voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v16)

**17** En de ene vrouw zei:[^1koningen-3-17-29] Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v17)

**18** Het is nu gebeurd op de derde dag na mijn baren dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren samen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeën in het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v18)

**19** En de zoon van deze vrouw is in de nacht gestorven, omdat zij op hem[^1koningen-3-19-30] gelegen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v19)

**20** En zij stond om middernacht op, en nam mijn zoon van bij mij, als uw dienstmaagd sliep, en legde hem in haar schoot, en haar dode zoon legde zij in mijn schoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v20)

**21** En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik[^1koningen-3-21-31] lette in de morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v21)

**22** Toen zei de andere vrouw: Nee, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; de ander daarentegen zei: Nee, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v22)

**23** Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is het, die dood is; en die zegt: Nee, maar de dode is uw zoon, en de levende mijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v23)

**24** Verder zei de koning:[^1koningen-3-24-32] Haal mij een zwaard; en zij brachten een zwaard voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v24)

**25** En de koning zei: Doorsnijd dat levende kind in tweeën, en geeft de ene één helft, en de andere één helft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v25)

**26** Maar de vrouw, van wie de zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar[^1koningen-3-26-33] moederhart brandde van medelijden om haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood[^1koningen-3-26-34] het in geen geval; deze daarentegen zei: Het[^1koningen-3-26-35] zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v26)

**27** Toen antwoordde de koning, en zei: Geef aan die het levende kind, en doodt het in geen geval; die is zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v27)

**28** En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht van de koning; want zij zagen, dat de[^1koningen-3-28-36] wijsheid van God[^1koningen-3-28-37] in hem was, om recht te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/3.html#v28)

[^1koningen-3-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 7:8 . 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.
[^1koningen-3-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk, ter vrouwe.
[^1koningen-3-1-2]: Kanttekening 2: stad van David: Zie boven, 1 Kon. 2:10 . Hier had Salomo zijn koninklijke woonstede, uit welke hij verhuisd is, toen hij zich een andere woning binnen Jeruzalem gebouwd had. Zie onder, 1 Kon. 7:1 , 7:8 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David. 1 Koningen 7:1 : Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn gehele huis. 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.
[^1koningen-3-1-3]: Kanttekening 3: huis van YHWH: Zie onder 1 Kon. 6 . Versta, een huis tot de uitwendigen godsdienst geëigend, in dat de ark, die een teken was van Gods aanwezigheid, haar plaats zou hebben, en waarin God door zijn Geest en woord zou wonen. Hierom wordt ook de tempel de woning van de Heer genoemd; 2 Kron. 6:2 . 2 Kronieken 6:2 : En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^1koningen-3-1-4]: Kanttekening 4: en de muur van Jeruzalem rondom: Zie onder, 1 Kon. 9:15 , 9:19 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^1koningen-3-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, hoewel het wel toeging in de regering van Salomo, nochtans was er dit gebrek tegen de wettelijken godsdienst, dat men op de hoogten en vreemde altaren offerde; en niet alleen in de tent van de samenkomst en op het altaar van de Heer. Daardoor namen zij zich te grote vrijheid, nog andere plaatsen en altaren verkiezende om de Heer offerande te doen, dat hun uitdrukkelijk verboden was, Lev. 17:3 , 17:4 , waartegen op andere tijden ook dikwijls gezondigd werd. Zie onder, 1 Kon. 22:44 ; 2 Kon. 14:4 ; 2 Kron. 33:17 . Leviticus 17:3 : Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; Leviticus 17:4 : En dezelfde aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande aan YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden; 1 Koningen 22:44 : Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 2 Koningen 14:4 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 2 Kronieken 33:17 : Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan YHWH, hun God.
[^1koningen-3-2-6]: Kanttekening 6: de hoogten: Wat deze geweest zijn, zie Lev. 26:30 , hoewel daar gesproken wordt van de hoogten, op welke men de afgoden offerde, maar hier van degenen, op welke men de Heer offerande deed; zo 2 Kron. 33:17 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. 2 Kronieken 33:17 : Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan YHWH, hun God.
[^1koningen-3-2-b]: Verwijzing b: Deut. 12:5 . Deuteronomium 12:5 : Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen;
[^1koningen-3-3-7]: Kanttekening 7: in de inzettingen: Dat is, naar het voorschrift en bericht, dat Hij hem gegeven had in zijn leven, en in het bijzonder recht voor zijn dood.
[^1koningen-3-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, hij volgde het algemene misbruik zijns volks na; en hoewel dit God enigszins door de vingers zag, zolang als de tempel tot de uitwendigen godsdienst niet verordend was; nochtans leest men niet dat David dat gedaan heeft, die zonder twijfel bij de ark en op het altaar van Mozes geofferd heeft. Want dat hij offerande gedaan heeft in de schuur van Arauna, geschiedde door Gods extra-ordinair bevel, 2 Sam. 24:18 . 2 Samuël 24:18 : En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zei tot hem: Ga op, richt YHWH een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
[^1koningen-3-4-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 1:3 . 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had.
[^1koningen-3-4-9]: Kanttekening 9: Een Levietische stad, gelegen in de stam Benjamins, Joz. 9:3 , en Joz. 18:25 , en Joz. 21:17 , alwaar de tent van de samenkomst was, met het altaar, dat Bezaleël in de woestijn gemaakt had, 2 Kron. 1:3 , 1:5 , om welke oorzaak men daar enige hoogte gemaakt had, op welke men offerde. Zo hadden zij ook een hoogte te Jeruzalem, waar de ark van de Heer was, onder vers 15 ; 2 Kron. 1:4 . Jozua 9:3 : Als de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had, Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth, Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden; 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. 2 Kronieken 1:5 : Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelfde. 1 Koningen 3:15 : En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond van YHWH, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten. 2 Kronieken 1:4 : (Maar de ark van God had David van Kirjath-jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)
[^1koningen-3-4-10]: Kanttekening 10: groot was: Dat is van grote achting en zeer vermaard, omdat daar de tent van de samenkomst was en het brandofferaltaar.
[^1koningen-3-5-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 9:2 . 1 Koningen 9:2 : Dat YHWH ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.
[^1koningen-3-5-11]: Kanttekening 11: in een droom: Versta niet een natuurlijken maar een goddelijken droom, die hem vastelijk in het geheugen overbleef, met een verzekering dat hij van God extraordinairlijk veroorzaakt was; waarbij kwam een dadelijk gevoelen van de zonderlinge wijsheid, die God hem wonderbaarlijk ingestort had. Vergelijk Gen. 28:12 . Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^1koningen-3-5-12]: Kanttekening 12: van de nacht: Te weten, denzelfden nacht, nadat hij geofferd had. Vergelijk 2 Kron. 1:7 . 2 Kronieken 1:7 : In dienzelfden nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.
[^1koningen-3-6-13]: Kanttekening 13: in waarheid: Dat is, in het geloven, belijden en voorstaan van de ware leer, en in het volgen van de rechte vromigheid en deugdzaamheid van het leven, zowel in zijn persoon als in zijn ambt, en dit alles uit een oprechten ijver zonder geveinsdheid van de geest.
[^1koningen-3-7-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 1:8 . 2 Kronieken 1:8 : En Salomo zei tot God: U hebt aan mijn vader David grote weldadigheid gedaan; en U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats;
[^1koningen-3-7-14]: Kanttekening 14: uit te gaan: Zie Deut. 31:2 . Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^1koningen-3-8-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 1:9 . 2 Kronieken 1:9 : Nu, YHWH God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want U hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof van de aarde;
[^1koningen-3-8-15]: Kanttekening 15: groot volk: Of, menigvuldig.
[^1koningen-3-9-16]: Kanttekening 16: verstandig hart: Hebreeuws, שְׁפֹּ֣ט, een horend hart; dat is, dat wijsheid vatten kan. Zo is horen voor verstaan meermalen genomen. Zie Gen. 11:7 , en de verklaring hieronder, vers 11 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore. 1 Koningen 3:11 : En God zei tot hem: Omdat u deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel van uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen;
[^1koningen-3-9-17]: Kanttekening 17: zwaar volk kunnen richten: Dat is, vele in getal, en groot van vermogen, vergelijk Gen. 50:9 , en zie de aantekeningen. Genesis 50:9 : En met hem togen op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zwaar legermacht.
[^1koningen-3-10-18]: Kanttekening 18: was goed: Dat is, beviel de Heer wel. Zie Gen. 19:8 . Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^1koningen-3-11-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 1:11 . 2 Kronieken 1:11 : Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en u niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel uw haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat u Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb;
[^1koningen-3-11-19]: Kanttekening 19: vele dagen: Zo onder, vers 13 , al uwe dagen, voor al uw leven. Zo wordt een lang leven genaamd verlenging van de dagen, onder, vers 14 , idem, vermenigvuldiging van de dagen, Job 29:18 , enz. 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 1 Koningen 3:14 : En zo u in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. Job 29:18 : En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.
[^1koningen-3-11-20]: Kanttekening 20: ziel uw vijanden: Dat is, hun leven, om hen daarvan te beroven.
[^1koningen-3-11-21]: Kanttekening 21: om gerichtszaken te horen: Dat is, om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad, recht en onrecht, als hij de geschillen zou horen, die hem in het gericht zouden voorgebracht worden.
[^1koningen-3-12-h]: Verwijzing h: Pred. 1:16 . Prediker 1:16 : Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.
[^1koningen-3-12-22]: Kanttekening 22: een wijs en verstandig hart: 2 Kron. 1:10 , 1:12 , wijsheid en wetenschap; versta hier, door de wijsheid een vaste en grondige kennis van alle goddelijke en menselijke rechten, naar welke een koning leven en regeren moet, om God te behagen en zijn volk te behouden. Wetenschap, of verstandigheid, is de kloekheid van de geest, hem van God extra-ordinairlijk ingestort, om de wijsheid recht te gebruiken en naar de rechten of wetten in het werk te stellen. Vergelijk Job 12:12 , en Job 28:12 ; Spreuk. 1:2 . 2 Kronieken 1:10 : Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten? 2 Kronieken 1:12 : De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. Job 12:12 : In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid van de dagen het verstand. Job 28:12 : Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van het verstand? Spreuken 1:2 : Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand;
[^1koningen-3-12-23]: Kanttekening 23: dat uws gelijke: Versta dit ten aanzien: I. van koningen, prinsen en vorsten, onder welke hij in wijsheid zeer heeft uitgestoken; II. van natuurlijke, politieke en burgerlijke dingen; welker eigenschappen, werkingen en toevallen hij wonderlijk getroffen heeft; III. van de manier, waarop hij zijn grote wijsheid gekregen heeft, te weten, niet door menselijke onderwijzing en arbeid, maar door goddelijke ingeving, en de verborgen aanblazing van de Geest.
[^1koningen-3-13-i]: Verwijzing i: Matt. 6:33 ; Efez. 3:20 . Mattheüs 6:33 : Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Efeziërs 3:20 : Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,
[^1koningen-3-13-24]: Kanttekening 24: al uw dagen zijn zal: Dat is, uw leven lang.
[^1koningen-3-15-25]: Kanttekening 25: Dewelke David in de burcht Zions gezet had, 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1koningen-3-15-26]: Kanttekening 26: offerde brandofferen: Te weten, om God te danken: I. voor die vriendelijke verschijning, in welke Hij hem aangeboden heeft de keuze van iets aan hem te verzoeken; II. voor de milde belofte, die Hij hem daar gedaan had; III. voor het gevoelen van de vervulling derzelve; IV. voor de gelukkige bevestiging van zijn koninkrijk.
[^1koningen-3-15-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^1koningen-3-16-28]: Kanttekening 28: hoeren waren: Zie van het Hebreeuwse woord Joz. 2:1 . Jozua 2:1 : Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.
[^1koningen-3-17-29]: Kanttekening 29: Och, mijn heer: Zo onder, vers 26 . Zie Gen. 43:20 . 1 Koningen 3:26 : Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het in geen geval; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. Genesis 43:20 : En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om voedsel te kopen.
[^1koningen-3-19-30]: Kanttekening 30: gelegen had: Te weten, zo dat zij haar kind in de slaap doodgedrukt had.
[^1koningen-3-21-31]: Kanttekening 31: lette in de morgen op hem: Het Hebreeuwse woord betekent dikwijls, iets zeer naarstiglijk waarnemen en aanmerken; Job 37:14 ; Ps. 119:95 ; Jes. 43:18 . Job 37:14 : Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen van God. Psalmen 119:95 : De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. Jesaja 43:18 : Gedenkt van de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.
[^1koningen-3-24-32]: Kanttekening 32: Haalt mij een zwaard: Hebreeuws, חָ֑רֶב, neemt mij een zwaard; dat is, nemende \[brengt\] mij. Zie van deze manier van spreken Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1koningen-3-26-33]: Kanttekening 33: Versta hierdoor, de natuurlijke beweging en beroering, die een moederlijk hart heeft als zij haar kind in enig ongemak en nood, of gevaar van zwarigheid ziet. Zie deze manier van spreken Gen. 43:30 , en de aantekening. Genesis 43:30 : En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende daar.
[^1koningen-3-26-34]: Kanttekening 34: dood het in geen geval: Hebreeuws, תְּמִיתֻ֑, dodende dood het niet. Zo in vers 27 . 1 Koningen 3:27 : Toen antwoordde de koning, en zei: Geeft aan die het levende kind, en doodt het in geen geval; die is zijn moeder.
[^1koningen-3-26-35]: Kanttekening 35: zij noch het uwe noch het mijne: Hebreeuws, יִהְיֶ֖ה, ook mijne, ook uwe zij het niet.
[^1koningen-3-28-36]: Kanttekening 36: wijsheid van God: Dat is, een zeer overtreffelijke en extra-ordinaire wijsheid, die hem van God gegeven was.
[^1koningen-3-28-37]: Kanttekening 37: in hem was: Hebreeuws, קִרְבּ֖, in het midden van hem. Zie Job 20:14 . Job 20:14 : Zijn voedsel zal in zijn ingewand veranderd worden; gal van de adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

### 1 Koningen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/4.json)

*De voornaamste vorsten en ambtenaren van Salomo, vers 1 enz. de grootheid van zijn koninkrijk, 20, 24. Zijn dagelijkse voeding voor zijn hof, 22. zijn paardenstallen, 26. zijn grote wijsheid, 29.*

**1** Zo was de koning Salomo koning[^1koningen-4-1-1] over geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v1)

**2** En deze waren de[^1koningen-4-2-2] vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was[^1koningen-4-2-3] opperambtman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v2)

**3** Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren[^1koningen-4-3-4] schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was[^1koningen-4-3-5] kanselier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v3)

**4** En Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger; en Zadok en[^1koningen-4-4-6] Abjathar waren priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v4)

**5** En Azaria, de zoon van Nathan, was over de[^1koningen-4-5-7] bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was[^1koningen-4-5-8] overambtman, de vriend van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v5)

**6** En Ahisar was[^1koningen-4-6-9] hofmeester; en[^1koningen-4-6-a] Adoniram, de zoon van Abda, was[^1koningen-4-6-10] over de belasting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v6)

**7** En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die[^1koningen-4-7-11] de koning en zijn huis[^1koningen-4-7-12] verzorgden; voor elk was één maand in het jaar om te verzorgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v7)

**8** En dit zijn hun namen: de[^1koningen-4-8-13] zoon van Hur was in het gebergte van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v8)

**9** De zoon van Deker in[^1koningen-4-9-14] Makaz, en in Saalbim, en[^1koningen-4-9-15] Beth-semes, en Elon-beth-hanan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v9)

**10** De zoon van Hesed in[^1koningen-4-10-16] Arubboth; hij had[^1koningen-4-10-17] daartoe Socho en het hele land[^1koningen-4-10-18] Hefer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v10)

**11** De zoon van Abinadab had de hele[^1koningen-4-11-19] landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v11)

**12** Baäna, de zoon van Ahilud, had[^1koningen-4-12-20] Taanach, en Megiddo, en het hele Beth-sean, dat is bij[^1koningen-4-12-21] Zartana, beneden van[^1koningen-4-12-22] Jizreël, van[^1koningen-4-12-23] Beth-sean aan tot[^1koningen-4-12-24] Abel-mehola, tot aan de overzijde van[^1koningen-4-12-25] Jokmeam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v12)

**13** De zoon van Geber was te[^1koningen-4-13-26] Ramoth in[^1koningen-4-13-27] Gilead; hij had de[^1koningen-4-13-28] dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de[^1koningen-4-13-29] streek[^1koningen-4-13-30] van Argob, die is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v13)

**14** Abinadab, de zoon van Iddo, was te[^1koningen-4-14-31] Mahanaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v14)

**15** Ahimaäz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, tot vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v15)

**16** Baäna, de zoon van Husai, was in Aser en in[^1koningen-4-16-32] Aloth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v16)

**17** Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v17)

**18** Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v18)

**19** Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, de koning[^1koningen-4-19-33] van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v19)

**20** Juda nu en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blij zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v20)

**21** [^1koningen-4-21-34] En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de[^1koningen-4-21-35] rivier[^1koningen-4-21-36][^1koningen-4-21-37] tot het land van de Filistijnen, en tot aan de[^1koningen-4-21-38] grens van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v21)

**22** [^1koningen-4-22-39] Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig[^1koningen-4-22-40] kor meelbloem, en zestig kor meel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v22)

**23** Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgezonderd de herten, en reeën, en buffelen en gemeste vogels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v23)

**24** Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde[^1koningen-4-24-41] van de rivier was van[^1koningen-4-24-42] Thifsah tot aan[^1koningen-4-24-43] Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al[^1koningen-4-24-44] zijn zijden rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v24)

**25** En Juda en Israël[^1koningen-4-25-b] woonden zeker, ieder[^1koningen-4-25-45] onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom,[^1koningen-4-25-46] van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v25)

**26** [^1koningen-4-26-c] Salomo had ook veertig duizend[^1koningen-4-26-47] paardenstallen tot zijn[^1koningen-4-26-48] wagens, en twaalf duizend ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v26)

**27** [^1koningen-4-27-49] Die bestelmeesters nu, een ieder op zijn maand, verzorgden de koning Salomo, en al degenen, die tot de tafel van de koning Salomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v27)

**28** De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de[^1koningen-4-28-50] snelle kamelen, brachten zij aan de plaats, waar[^1koningen-4-28-51] hij was, ieder naar zijn last. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v28)

**29** En God gaf Salomo[^1koningen-4-29-52] wijsheid en zeer veel verstand, en een[^1koningen-4-29-53] wijd begrip van het[^1koningen-4-29-54] hart, zoals zand, dat aan de[^1koningen-4-29-55] oever van de zee is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v29)

**30** En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid[^1koningen-4-30-56] van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v30)

**31** Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan[^1koningen-4-31-57] Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v31)

**32** En hij sprak[^1koningen-4-32-58] drie duizend[^1koningen-4-32-59] spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v32)

**33** Hij sprak ook[^1koningen-4-33-60] van de bomen, van de[^1koningen-4-33-61] cederboom af, die op de[^1koningen-4-33-62] Libanon is, tot op de[^1koningen-4-33-63] hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v33)

**34** En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te horen, van alle koningen van de aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/4.html#v34)

[^1koningen-4-1-1]: Kanttekening 1: over geheel Israël: Dat is, over de twaalf stammen. Dat van Salomo gezegd wordt tot onderscheiding van de volgende koningen, van welke sommigen, namelijk die na hem uit het huis van David afkomstig waren, maar over twee stammen, Juda en Benjamin, regeerden; de anderen over de tien andere.
[^1koningen-4-2-2]: Kanttekening 2: Versta opperofficieren, of bevelhebbers.
[^1koningen-4-2-3]: Kanttekening 3: Of, stadhouder; te weten, van de koning, in de gehele regering van het rijk. Men houdt deze Zadok niet voor de hogepriester in de voorgaande hoofdstukken vermeld, maar voor een anderen van die naam, uit een anderen stam gesproten, en dat hij overste-president geweest is in de regering van het gehele land naast de koning, en daarom eerst van allen genoemd. Want het Hebreeuwse woord betekent niet alleen een priester, maar ook een politiek overste. Zie Gen. 41:45 , en onder vers 5 . Anderen menen dat hij was de neef van Zadok, of de zoon van diens zoon Achimaäs, van welke wordt gewag gemaakt, 2 Sam. 15:27 , en dat de zoon van deze, genoemd Azaria, in het bijzonder een priester was om Salomo en zijn gezin in goddelijke zaken te dienen. Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. 1 Koningen 4:5 : En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, de vriend van de koning. 2 Samuël 15:27 : Verder zei de koning tot de priester Zadok: Bent u niet een ziener? Keer weer in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u.
[^1koningen-4-3-4]: Kanttekening 4: Of, secretarissen. Zie ook van zulke officieren, 2 Sam. 8:17 ; Esth. 3:12 . 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. Esther 3:12 : Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in de naam van de koning Ahasveros, en het werd met de ring van de koning verzegeld.
[^1koningen-4-3-5]: Kanttekening 5: Of, registermeester of gedenkmeester. Zie van dit ambt, 2 Sam. 8:16 . 2 Samuël 8:16 : Joab nu, de zoon van Zeruja, was over de legermacht; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.
[^1koningen-4-4-6]: Kanttekening 6: Die de naam van priester bij zijn leven heeft behouden, zonder de daad of actuelen dienst. Zie boven, 1 Kon. 2:26 , 2:27 . 1 Koningen 2:26 : En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 1 Koningen 2:27 : Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij priester van YHWH niet was, om te vervullen het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.
[^1koningen-4-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, bestellers, of bestelden. Versta, de twaalf ambtlieden hierna genoemd van vers 7 tot vers 19 , die daartoe besteld en verordend waren, dat zij elk op zijn maand de koning en zijn hofgezin de gezetten voorraad van voedsel en drank bestellen zouden. Het Hebreeuwse woord wordt elders genomen voor een konings stadhouder, die in de regering van het land zijn plaats bewaart, onder 1 Kon. 22:48 ; idem voor anderen overste, onder, 1 Kon. 5:16 ; 2 Kron. 8:10 . 1 Koningen 4:7 : En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen. 1 Koningen 4:19 : Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was. 1 Koningen 22:48 : Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning. 1 Koningen 5:16 : Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed. 2 Kronieken 8:10 : Uit deze dan waren oversten van de bestelden, die de koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden.
[^1koningen-4-5-8]: Kanttekening 8: Of, president; te weten, in de geheimen raad van de koning, waarom hij dagelijks zijn vrijen toegang tot de koning had als diens gemeenzamen en bijzonderen vriend. Is te onderscheiden van de opper-ambtman, vers 2 . Vergelijk de aantekening. 1 Koningen 4:2 : En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.
[^1koningen-4-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, was over het huis; dat is, over het gehele hofgezin van de koning, gelijk het woordje huis zo is gebruikt geweest, boven 1 Kon. 2:24 . Zie Gen. 34:19 . 1 Koningen 2:24 : En nu, zo waarachtig als YHWH leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden! Genesis 34:19 : En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.
[^1koningen-4-6-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 5:14 ; 1 Kon. 12:18 . 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend van de maands bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot. 1 Koningen 12:18 : Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het gehele Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.
[^1koningen-4-6-10]: Kanttekening 10: over de schatting: Dat is, over de finantiën, domeinen, jaarlijkse inkomsten, tollen, schatting, enz. van de koning. Zodat deze overste zou mogen genoemd worden generaal-ontvanger, thesaurier of schatmeester van de koning. Anderen verstaan hier de oversten over het uitschot van de keurlingen, die als een schatting aan de koning gegeven waren om hem te dienen. Zie onder, 1 Kon. 5:13 , 5:14 . 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend per maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.
[^1koningen-4-7-11]: Kanttekening 11: de koning: Dat is, hem.
[^1koningen-4-7-12]: Kanttekening 12: Te weten, van voedsel en drank.
[^1koningen-4-8-13]: Kanttekening 13: zoon van Hur: Anders, Ben-Hur, en zo in het volgende.
[^1koningen-4-9-14]: Kanttekening 14: Deze waren meest steden in de stam van Dan. Zie Joz. 19:41 , 19:42 , 19:43 . Jozua 19:41 : En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes, Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, Jozua 19:43 : En Elon, en Timnatha, en Ekron,
[^1koningen-4-9-15]: Kanttekening 15: Genaamd Joz. 19:41 Ir-Semes. Jozua 19:41 : En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes,
[^1koningen-4-10-16]: Kanttekening 16: Dit was een deel van het land van Juda.
[^1koningen-4-10-17]: Kanttekening 17: Zie van deze stad, Joz. 15:35 . Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
[^1koningen-4-10-18]: Kanttekening 18: Zie Joz. 12:17 . Jozua 12:17 : De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
[^1koningen-4-11-19]: Kanttekening 19: landstreek van Dor: Dewelke was in de stam van Manasse over de Jordaan; Joz. 17:11 ; Richt. 1:27 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land.
[^1koningen-4-12-20]: Kanttekening 20: Deze behoorden ook tot de stam van Manasse; Joz. 17:11 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^1koningen-4-12-21]: Kanttekening 21: Zie Joz. 17:11 , en Richt. 1:27 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land.
[^1koningen-4-12-22]: Kanttekening 22: Zie van andere Zartans Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^1koningen-4-12-23]: Kanttekening 23: Een stad in de stam van Issaschar Joz. 19:18 . Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem,
[^1koningen-4-12-24]: Kanttekening 24: Zie Richt. 7:22 . Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^1koningen-4-12-25]: Kanttekening 25: Dewelke was in de stam van Zebulon; Joz. 19:11 . Jozua 19:11 : En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.
[^1koningen-4-13-26]: Kanttekening 26: Zie Deut. 4:43 , en 1 Kon. 22:20 . Deuteronomium 4:43 : Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. 1 Koningen 22:20 : En YHWH zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zei aldus, en de andere zei zo.
[^1koningen-4-13-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 31:21 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^1koningen-4-13-28]: Kanttekening 28: dorpen van Jaïr: Zie van deze Num. 32:41 . Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr.
[^1koningen-4-13-29]: Kanttekening 29: Zie Deut. 3:4 . Deuteronomium 3:4 : En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.
[^1koningen-4-13-30]: Kanttekening 30: Zie Deut. 3:14 . Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag.
[^1koningen-4-14-31]: Kanttekening 31: Zie Gen. 32:2 . Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam derzelver plaats Mahanaim.
[^1koningen-4-16-32]: Kanttekening 32: Dit woord nemen enige niet voor een eigennaam, maar vertalen het opperdelen, in of aan het gebergte liggende, en behorende meest tot de stammen van Dan en Aser.
[^1koningen-4-19-33]: Kanttekening 33: Versta, het resterende deel lands, van wat hier tevoren is genoemd geweest, vers 13 . 1 Koningen 4:13 : De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
[^1koningen-4-21-34]: Kanttekening 34: En Salomo: Wij hebben hier de vervulling van de belofte dikwijls vóór deze gegeven, gelijk Gen. 15:18 ; Ex. 23:31 ; Deut. 11:24 ; Joz. 1:4 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 23:31 : En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Jozua 1:4 : Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het gehele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal ulieder landpale zijn.
[^1koningen-4-21-35]: Kanttekening 35: Namelijk Eufraat. Zie Gen. 2:14 . Deze rivier was de landpale van de Israëlieten tegen het noordoosten. Genesis 2:14 : En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^1koningen-4-21-36]: Kanttekening 36: tot : Dit is hier ingevoegd uit 2 Kron. 9:26 . 2 Kronieken 9:26 : En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.
[^1koningen-4-21-37]: Kanttekening 37: het land van de Filistijnen: Dat hun pale was tegen het westen.
[^1koningen-4-21-38]: Kanttekening 38: landpale van Egypte: Versta, de rivier Sichor, de zuidpale huns lands.
[^1koningen-4-22-39]: Kanttekening 39: Het voedsel: Hebreeuws, het brood.
[^1koningen-4-22-40]: Kanttekening 40: kor meelbloem: Versta door dit woord de grootste maat van de Hebreën van droge waren, 10 efa, een efa 432 gewone eierschalen, en dus een kor 4320 eierschalen. Deze maat wordt ook genoemd homer, Lev. 27:16 . Leviticus 27:16 : Als ook iemand van de akker van zijn bezitting voor YHWH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers.
[^1koningen-4-24-41]: Kanttekening 41: van de rivier was: Namelijk, Eufraat. Zo boven, vers 21 . Zie de aantekening. 1 Koningen 4:21 : En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens.
[^1koningen-4-24-42]: Kanttekening 42: De naam van een stad, gelegen aan de noordoostpale van het Israëlietische koninkrijk. Zie van deze ook, 2 Kon. 15:16 . 2 Koningen 15:16 : Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar gebied van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
[^1koningen-4-24-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, Hazza. Een stad, gelegen aan de zuidwestpale van het land van Kanaän, Gen. 10:19 ; Deut. 2:23 . Genesis 10:19 : En de landpale van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. Deuteronomium 2:23 : Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.
[^1koningen-4-24-44]: Kanttekening 44: zijn zijden rondom: Hebreeuws, overgangen.
[^1koningen-4-25-b]: Verwijzing b: Lev. 26:5 . Leviticus 26:5 : En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen.
[^1koningen-4-25-45]: Kanttekening 45: onder zijn wijnstok: Een manier van spreken, betekenende de tijd van grote vrede, overvloed en welstand in alle dingen, niet alleen tijdelijke, gelijk hier, maar ook in geestelijke, gelijk Micha 4:4 ; Zach. 3:10 . Micha 4:4 : Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van YHWH van de legermachten heeft het gesproken. Zacharia 3:10 : Te die dage, spreekt YHWH van de legermachten, zult u een ieder zijn naaste nodigen tot onder de wijnstok en tot onder de vijgeboom.
[^1koningen-4-25-46]: Kanttekening 46: van Dan tot Ber-Seba: Dat is, van de noordpale van het land van Kanaän tot de zuidpale; zo Richt. 20:1 . Van Dan, zie Gen. 14:14 . Van Ber-Seba, Gen. 21:31 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa. Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^1koningen-4-26-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 10:26 ; 2 Kron. 1:14 ; 2 Kron. 9:25 . 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 2 Kronieken 1:14 : En Salomo vergaderde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. 2 Kronieken 9:25 : Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
[^1koningen-4-26-47]: Kanttekening 47: Versta dit van plaatsen voor één paard, in welke ieder een paard stond. Nu Salomo heeft gehad 4000 paardenstallen, 2 Kron. 9:25 , waarvan elke stad had tien paardensteden, makende tezamen het getal van 40.000. 2 Kronieken 9:25 : Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
[^1koningen-4-26-48]: Kanttekening 48: Het getal van deze was 1400, onder 1 Kon. 10:26 . 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
[^1koningen-4-27-49]: Kanttekening 49: Die bestelmeesters nu: Dewelke boven, vers 7 , enz. zijn genoemd geweest. 1 Koningen 4:7 : En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.
[^1koningen-4-28-50]: Kanttekening 50: snelle kamelen: Genoemd drommedarissen. Anderen vertalen het Hebreeuwse woord postpaarden, snelle paarden, of muilen, die ook zeer snel waren in het lopen. Zie Esth. 8:10 , 8:14 . Esther 8:10 : En men schreef in de naam van de koning Ahasveros, en men verzegelde het met de ring van de koning; en men zond de brieven door de hand van de lopers te paard, rijdende op snelle kamelen, op muildieren, van merriën geteeld; Esther 8:14 : De lopers, die op snelle kamelen reden en op muildieren, togen snel uit, aangedreven zijnde door het woord van de koning. Deze wet nu werd gegeven op de burg Susan.
[^1koningen-4-28-51]: Kanttekening 51: hij was: Namelijk, de koning Salomo. Anders, in de plaats waar het \[besteld\] was, of waar een ieder was, naar zijn last.
[^1koningen-4-29-52]: Kanttekening 52: Zie boven, 1 Kon. 3:12 . 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.
[^1koningen-4-29-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, wijdte, of breedheid van het hart; welke somtijds in het kwade genomen werd, betekenende grootheid van het hart, Spreuk. 21:4 ; somtijds in het goede, gelijk hier, en betekent een groot begrip, niet alleen van wetenschap, onderscheiding en memorie, maar ook van moedigheid, courage en lust om in vele dingen alles treffelijk uit te richten. Spreuken 21:4 : Hoogheid van de ogen, en trotsheid van het hart, en de ploeging van de goddelozen, zijn zonde.
[^1koningen-4-29-54]: Kanttekening 54: gelijk zand: Dat is, van de voorzegde dingen had hij zoveel als het zand, enz., een overtollige manier van spreken; gelijk boven, 1 Kon. 1:40 . 1 Koningen 1:40 : En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid spleet.
[^1koningen-4-29-55]: Kanttekening 55: oever van de zee is: Hebreeuws, lip van de zee.
[^1koningen-4-30-56]: Kanttekening 56: van al die van het oosten: Hebreeuws, kinderen van het oosten. Zie Gen. 29:1. Deze, gelijk ook de Egyptenaars, waren beroemd van grote wijsheid in allerlei wetenschap, hoewel zij daarna tot ijdele en bijgelovige kunsten vervallen zijn, Jes. 2:6 . Jesaja 2:6 : Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen van de vreemden tonen zij hun behagen.
[^1koningen-4-31-57]: Kanttekening 57: Zie van deze mannen, 1 Kron. 2:6 . 1 Kronieken 2:6 : En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
[^1koningen-4-32-58]: Kanttekening 58: drie duizend: Waarvan een deel zijn in de boeken van de Spreuken, in de Prediker en in het Hooglied.
[^1koningen-4-32-59]: Kanttekening 59: Het Hebreeuwse woord betekent een rede, die om haar kortheid, wijze en diepzinnige lering boven andere uitsteekt, Spreuk. 1:1 . Spreuken 1:1 : De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,
[^1koningen-4-33-60]: Kanttekening 60: van de bomen: De schriften hiervan zijn nu niet voorhanden, en dat zonder vermindering van de Heilige Schrift of nadeel van onze zaligheid.
[^1koningen-4-33-61]: Kanttekening 61: cederboom af: Zie Richt. 9:15 . Richteren 9:15 : En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.
[^1koningen-4-33-62]: Kanttekening 62: Libanon is: Een kostelijk gebergte, gelegen aan de noordpale van Palestina. Zie Deut. 3:25 , en Deut. 11:24 ; Joz. 9:1 ; Ps. 92:13 ; Jes. 35:2 . Deuteronomium 3:25 : Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan de andere zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon! Deuteronomium 11:24 : Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Jozua 9:1 : En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens van de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten; Psalmen 92:13 : De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Jesaja 35:2 : Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid van YHWH, het sieraad onzes Gods.
[^1koningen-4-33-63]: Kanttekening 63: Het Hebreeuwse woord ezob hebben de Griekse overzetters hyssopus overgezet, welk woord de apostel behoudt, Hebr. 9:19 , hoewel enige hetzelfde houden voor wilde majolein, anderen voor bonenkruid, of hofkumme, anderen voor rozemarijn of parietaria; dat is, muurkruid, glaskruid, mos. Zodat het onzeker is wat het bij de ouden voor een kruid geweest is. Zie Ex. 12:22 . Hebreeën 9:19 : Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk, Exodus 12:22 : Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen.

### 1 Koningen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/5.json)

*Hiram sluit vriendschap met Salomo, vers 1 enz. die hem vraagt om materialen voor de bouw van de tempel, 2 enz. Hiram, die God dankt voor zo'n opvolger van David, zendt ze hem toe, met afspraken over de voorwaarden, 7. Het getal van de arbeiders en werklieden aan de tempel, 13.*

**1** En[^1koningen-5-1-1] Hiram, de koning van[^1koningen-5-1-2] Tyrus,[^1koningen-5-1-3] zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in de plaats van zijn vader),[^1koningen-5-1-a] omdat Hiram[^1koningen-5-1-4] altijd[^1koningen-5-1-5] van David gehouden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v1)

**2** Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v2)

**3** [^1koningen-5-3-b] U weet, dat mijn vader David voor de[^1koningen-5-3-6] Naam van YHWH, zijn God, geen[^1koningen-5-3-7] huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee[^1koningen-5-3-8] zij hem omsingelden, totdat YHWH hen[^1koningen-5-3-9] onder zijn voetzolen gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v3)

**4** Maar nu heeft YHWH, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenstander, en geen[^1koningen-5-4-10] bedreiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v4)

**5** En zie,[^1koningen-5-5-11] ik[^1koningen-5-5-c] denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; zoals YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende:[^1koningen-5-5-d] Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v5)

**6** Zo gebied nu, dat men[^1koningen-5-6-12] mij cederen uit de Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven, naar al wat u zeggen zult; want u weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, zoals de[^1koningen-5-6-13] Sidoniërs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v6)

**7** En het gebeurde, als Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zei:[^1koningen-5-7-14] Gezegend zij YHWH vandaag, Die David een wijze zoon gegeven heeft over dit grote volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v7)

**8** En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom u tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederhout, en met het[^1koningen-5-8-15] dennenhout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v8)

**9** Mijn knechten zullen het afbrengen van de[^1koningen-5-9-16] Libanon[^1koningen-5-9-17] aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee[^1koningen-5-9-18] doen voeren, tot die plaats,[^1koningen-5-9-19] die u aan mij ontbieden zult, en zal het daar[^1koningen-5-9-20] los maken, en u zult het wegnemen; u zult ook mijn wil doen, dat u mijn huis[^1koningen-5-9-21] voedsel geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v9)

**10** Zo gaf Hiram aan Salomo cederhout en dennenhout, naar al zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v10)

**11** En Salomo gaf Hiram twintig duizend[^1koningen-5-11-22] kor tarwe, tot voedsel van zijn huis, en twintig[^1koningen-5-11-23] kor gestoten olie; dat gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v11)

**12** YHWH dan gaf Salomo wijsheid, zoals Hij tot hem[^1koningen-5-12-e] gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en tussen Salomo, en zij beiden maakten een verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v12)

**13** En de koning Salomo legde heel Israël een[^1koningen-5-13-24] herendienst op; de herendienst bestond uit dertig duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v13)

**14** En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend per[^1koningen-5-14-25] maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram[^1koningen-5-14-26] had de leiding over deze herendienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v14)

**15** Daartoe had Salomo[^1koningen-5-15-27] zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend[^1koningen-5-15-28] houwers op het gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v15)

**16** Behalve de oversten van Salomo's[^1koningen-5-16-29] bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en[^1koningen-5-16-30] driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v16)

**17** Als de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen toe,[^1koningen-5-17-31] kostelijke stenen, gehouwen stenen, om de grond van dat huis te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v17)

**18** En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en[^1koningen-5-18-32] de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/5.html#v18)

[^1koningen-5-1-1]: Kanttekening 1: Hij wordt ook Hirom genoemd, onder vers 10 , 5:18 ; idem Huram, 2 Kron. 2:3 , en is te onderscheiden van een anderen Hiram, die een zeer kundig werkmeester was, de zoon van een weduwe; van wie zie onder 1 Kon. 7:13 , 7:14 , en 2 Kron. 2:13 . 1 Koningen 5:10 : Zo gaf Hiram aan Salomo cederenhout en dennenhout, naar al zijn wil. 1 Koningen 5:18 : En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. 2 Kronieken 2:3 : En Salomo zond tot Huram, de koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als u met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij. 1 Koningen 7:13 : En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen. 1 Koningen 7:14 : Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk. 2 Kronieken 2:13 : Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi;
[^1koningen-5-1-2]: Kanttekening 2: De hoofdstad van Fenicië, gelegen in de Middellandse zee, zevenhonderd treden van het vasteland, vóór de tijd van Alexander de Grote zeer rijk, machtig en vermaard door haar zeevaart en koophandel. Zie Jes. 23 ; idem Ez. 26 , Ez. 27 , en Ez. 28 .
[^1koningen-5-1-3]: Kanttekening 3: zond zijn knechten: Om zijn blijdschap te verklaren dat Salomo in zijns vaders plaats koning geworden was, om zijn vriendschap te bekomen en in een verbond met hem te treden; gelijk dit ook geschied is. Zie vers 12 . 1 Koningen 5:12 : YHWH dan gaf Salomo wijsheid, gelijk als Hij tot hem gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en tussen Salomo, en zij beiden maakten een verbond.
[^1koningen-5-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 5:11 ; 1 Kron. 14:1 . 2 Samuël 5:11 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. 1 Kronieken 14:1 : Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.
[^1koningen-5-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, al de dagen.
[^1koningen-5-1-5]: Kanttekening 5: bemind had: Of, Davids vriend geweest was.
[^1koningen-5-3-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 28:3 . 1 Kronieken 28:3 : Maar God heeft tot mij gezegd: U zult Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een krijgsman, en u hebt veel bloed vergoten.
[^1koningen-5-3-6]: Kanttekening 6: Naam van YHWH: Dat is, YHWH zelf, die zich in zijn woord en werken geopenbaard heeft. Zo onder en Ps. 20:2 , en Ps. 52:11 , enz. Zie Deut. 28:58 . Psalmen 20:2 : YHWH verhore u in de dag van de benauwdheid; de Naam van de God van Jakob zette u in een vesting. Psalmen 52:11 : Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. Deuteronomium 28:58 : Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijken en vreselijken Naam, YHWH, uw God;
[^1koningen-5-3-7]: Kanttekening 7: geen huis kon bouwen: Vergelijk Gen. 28:17 , 28:22 . Genesis 28:17 : En hij vreesde, en zei: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel! Genesis 28:22 : En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
[^1koningen-5-3-8]: Kanttekening 8: zij hem omsingelden: Te weten, de vijanden, die hem oorlog aandeden.
[^1koningen-5-3-9]: Kanttekening 9: onder zijn voetzolen gaf: Dat is, onderwierp en onder zijne heerschappij bracht. Zie een gelijke manier van spreken, Ps. 8:7 ; 1 Kor. 15:27 ; Ef. 1:22 . Psalmen 8:7 : U doet hem heersen over de werken van Uw handen; U hebt alles onder zijn voeten gezet; 1 Korinthiërs 15:27 : Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;
[^1koningen-5-4-10]: Kanttekening 10: bejegening van kwaad: Of kwaad toeval, te weten, die mij verhinderen zou voor de Heer een huis te bouwen.
[^1koningen-5-5-11]: Kanttekening 11: ik denk: Hebreeuws, יִשְׂרָאֵ֜ל, ik zeg; te weten, in mijn hart, gelijk zulk zeggen verklaard wordt, Gen. 17:17 ; Ps. 14:1 , en Ps. 36:2 ; Rom. 10:6 . Zeggen in mijn hart is zoveel als denken, overleggen, gevoelen, voornemen, besluiten. Zie Gen. 20:11 . De zin is hier dat Salomo niet alleen dacht, maar ook voornam en vastelijk besloot voor de Heer een huis te bouwen. Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Psalmen 36:2 : De overtreding van de goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vrees voor God voor zijn ogen. Romeinen 10:6 : Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^1koningen-5-5-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 2:1 . 2 Kronieken 2:1 : Salomo nu dacht voor de Naam van YHWH een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.
[^1koningen-5-5-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 7:13 ; 1 Kron. 22:10 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid.
[^1koningen-5-6-12]: Kanttekening 12: Zie boven, 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^1koningen-5-6-13]: Kanttekening 13: Inboorlingen en burgers van de stad Sidon; van dewelke zie Gen. 10:15 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^1koningen-5-7-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 14:20 . Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^1koningen-5-8-15]: Kanttekening 15: Of, een soort van cederen, waarvan men pijlen, spiesen, kisten, muzikale instrumenten, enz. maakte. Anders, abelenhout. Zie van hetzelfde 2 Sam. 6:5 ; onder, 1 Kon. 6:15 , 6:34 ; 2 Kon. 19:23 ; 2 Kron. 3:5 . 2 Samuël 6:5 : En David en het gehele huis van Israël speelden voor het aangezicht van YHWH, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen. 1 Koningen 6:15 : Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van de vloer van het huis tot aan het dak van de wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van het huis met dennen planken. 1 Koningen 6:34 : En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden van de ene deur waren omdraaiende; zo waren de twee gegraveerde zijden van de andere deur omdraaiende. 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds. 2 Kronieken 3:5 : Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.
[^1koningen-5-9-16]: Kanttekening 16: Zie boven, 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^1koningen-5-9-17]: Kanttekening 17: aan de zee: Namelijk van Jaffo, of Joppe; 2 Kron. 2:16 . 2 Kronieken 2:16 : En wij zullen hout houwen uit de Libanon, naar al uw nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en u zult het laten ophalen naar Jeruzalem.
[^1koningen-5-9-18]: Kanttekening 18: doen voeren: Hebreeuws, הַרְבֵּ֣ה, doen leggen; dat is, ik zal het op vlotten leggen en over de zee doen voeren. Het is een Hebreeuwse manier van spreken, die dikwijls voorvalt. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1koningen-5-9-19]: Kanttekening 19: die u: Hebreeuws, die u mij zenden zult; dat is, door zending laten weten.
[^1koningen-5-9-20]: Kanttekening 20: los maken: Of, ontdoen, ontbinden. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk iets verstrooien, verdelen, of losmaken van elkaar; gelijk dit ook met de vlotten geschiedt.
[^1koningen-5-9-21]: Kanttekening 21: voedsel geeft: Hebreeuws, יָּֽם, brood; waaronder ook ander voedsel begrepen is, gelijk vers 11 uitwijst. Zie Gen. 3:19 . Daarom, ofschoon Tyrus en Sidon door de zeevaart rijke steden waren, zo hadden zij nochtans een dor land, dat niet veel vruchten voortbracht; om welke oorzaak zij uit andere landen met voorraad van het voedsel moesten geholpen zijn, en voornamelijk uit het land van Israël; Hand. 12:20 . 1 Koningen 5:11 : En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot voedsel van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; dat gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Handelingen 12:20 : En Herodes had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die kamerling van de koning was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gevoed werd van het land van de koning.
[^1koningen-5-11-22]: Kanttekening 22: kor tarwe: Zie van deze maat boven, 1 Kon. 4:22 . 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;
[^1koningen-5-11-23]: Kanttekening 23: kor gestoten olie: Uit deze plaats, alsook uit Ez. 45:14 , blijkt dat deze maat ook in natte waren gebruikt is geweest, hoewel zij eigenlijk is geweest van droge waren. Er staat 2 Kron. 2:10 van 20.000 bathen olie; idem worden nog hierbij gevoegd 20.000 kor gerst en 20.000 bathen wijn. Maar men houdt dat hier en in 2 Kron. 2:10 van verscheidene leveringen gesproken wordt: hier, van hetgene dat tot jaarlijks onderhoud van Hirams huisgezin behoorde, en daar, van hetgene de werklieden behoefden. Ezechiël 45:14 : Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; u zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, dat is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer. 2 Kronieken 2:10 : En zie, ik zal uw knechten, de houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie. 2 Kronieken 2:10 : En zie, ik zal uw knechten, de houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.
[^1koningen-5-12-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 3:12 . 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.
[^1koningen-5-13-24]: Kanttekening 24: Hierdoor wordt verstaan een schatting niet van goed of geld, maar van personen en mannen, die gekozen en opgenomen werden om op het gebergte Libanon, tot de bouwing van de tempel, hout te houwen, enz. Vergelijk onder, 1 Kon. 9:21 , en de aantekeningen. 1 Koningen 9:21 : Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen van Israël niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op deze dag.
[^1koningen-5-14-25]: Kanttekening 25: bij beurten: Hebreeuws, חָכְמַ֣ת, met veranderingen.
[^1koningen-5-14-26]: Kanttekening 26: was over dit uitschot: Dat is, hij had last om dit uitschot op te nemen, of opzicht daarover te hebben nadat het opgenomen was; of beide was het hem toevertrouwd. Zie van deze Adoniram ook boven, 1 Kon. 4:6 . 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^1koningen-5-15-27]: Kanttekening 27: zeventig duizend: Deze waren vreemdelingen, gelijk te zien is 2 Kron. 2:17 , 2:18 . 2 Kronieken 2:17 : En Salomo telde al de vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling, met dewelke zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd. 2 Kronieken 2:18 : En hij maakte uit dezelfde zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, en ook drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden.
[^1koningen-5-15-28]: Kanttekening 28: Het Hebreeuwse woord betekent zowel steenhouwers, 1 Kron. 22:2 , als houthouwers, Ezra 3:7 . 1 Kronieken 22:2 : En David zei, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land van Israël waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis van God te bouwen. Ezra 3:7 : Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook voedsel en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van de Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen.
[^1koningen-5-16-29]: Kanttekening 29: Dat is, ambtlieden, officieren, commiezen. Vergelijk boven, 1 Kon. 4:5 , en de aantekeningen. 1 Koningen 4:5 : En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, de vriend van de koning.
[^1koningen-5-16-30]: Kanttekening 30: 2 Kron. 2:2 staat zeshonderd, dat aldus verstaan wordt, dat de driehonderd, hier nagelaten, de opzieners van deze oversten geweest zijn. Anderen menen dat er drieduizend en driehonderd waren over de lastdragende mannen en steenhouwers, en driehonderd over degenen, die in het gebergte Libanon bezig waren. 2 Kronieken 2:2 : En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; en ook drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelfde.
[^1koningen-5-17-31]: Kanttekening 31: kostelijke stenen: Versta niet edelgesteenten, die ook aldus genoemd worden, onder, 1 Kon. 10:2 , 10:10 , maar die van fatsoen en grootte zeer uitnemend waren. 1 Koningen 10:2 : En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. 1 Koningen 10:10 : En zij gaf de koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.
[^1koningen-5-18-32]: Kanttekening 32: de Giblieten: Eniger gevoelen is, dat deze zijn geweest de inwoners van de stad Gebal , die bij Zidon lag in Fenicië; van dewelke zie Ps. 83:8 en Ez. 27:9 . Men houdt ook dat Giblim de naam zij geweest van vermaarde konstenaren in steenwerken. Psalmen 83:8 : Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. Ezechiël 27:9 : De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.

### 1 Koningen 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/6.json)

*De tijd van de bouw van Salomo's tempel, vers 1 enz. de vorm en grootte daarvan, 2. de vensters, kamers en materialen, 4. de belofte die God over de tempel uitspreekt, 11. de bekleding van de wanden en de vloer, 14. de Aanspraakplaats, 16. de cherubs, 23. verschillend sieraad, 28. deuren, 31. het binnenvoorhof, 36. de tijd hoe lang de bouw van de tempel geduurd heeft, 37.*

**1** Het gebeurde nu[^1koningen-6-1-1] in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de Israëlieten uit Egypte, in[^1koningen-6-1-a] het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand[^1koningen-6-1-2] Ziv (deze is[^1koningen-6-1-3] de tweede maand), dat hij[^1koningen-6-1-b] het huis van YHWH[^1koningen-6-1-4] bouwde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v1)

**2** En dat huis, dat de koning Salomo voor YHWH bouwde, was van zestig[^1koningen-6-2-5] ellen in zijn[^1koningen-6-2-6] lengte, en van twintig in zijn[^1koningen-6-2-7] breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v2)

**3** En[^1koningen-6-3-8] het voorhuis, vooraan de[^1koningen-6-3-c] tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen,[^1koningen-6-3-9] naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn[^1koningen-6-3-10] breedte, vooraan het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v3)

**4** En hij maakte vensters aan het huis van[^1koningen-6-4-11] gesloten uitzichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v4)

**5** En[^1koningen-6-5-12] rondom[^1koningen-6-5-13] aan de wand van het huis bouwde hij[^1koningen-6-5-14] kamers, aan de wanden van het huis rondom,[^1koningen-6-5-15] zowel van de tempel als van[^1koningen-6-5-16] de aanspraakplaats. Zo maakte hij[^1koningen-6-5-17] zijkamers rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v5)

**6** [^1koningen-6-6-18] De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want[^1koningen-6-6-19] hij had aan het huis rondom naar buiten inkortingen gemaakt, opdat zij[^1koningen-6-6-20] zich niet hielden[^1koningen-6-6-21] in de wanden van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v6)

**7** Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met[^1koningen-6-7-22] volmaakte steen,[^1koningen-6-7-23] zoals die toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v7)

**8** De deur[^1koningen-6-8-24] van de middelste zijkamer was aan de[^1koningen-6-8-25] rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de[^1koningen-6-8-26] derde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v8)

**9** Zo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en[^1koningen-6-9-27] bedekte dat huis met[^1koningen-6-9-28] gewelven en[^1koningen-6-9-29] rijen van cederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v9)

**10** Hij bouwde ook de kamers aan het hele huis, van vijf ellen in haar hoogte; en[^1koningen-6-10-30] hij voegde ze vast aan dat huis met cederhout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v10)

**11** Toen kwam het woord van YHWH tot Salomo, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v11)

**12** Wat dit huis betreft, dat u bouwt,[^1koningen-6-12-d] zo u wandelt in Mijn[^1koningen-6-12-31] voorschriften, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, door daarin te wandelen; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen,[^1koningen-6-12-e] dat Ik tot uw vader David gesproken heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v12)

**13** En Ik zal[^1koningen-6-13-32] in het midden van de Israëlieten wonen; en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v13)

**14** Zo[^1koningen-6-14-33] bouwde Salomo dat huis en volmaakte het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v14)

**15** Ook[^1koningen-6-15-34] bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen[^1koningen-6-15-35] planken; van de vloer van het[^1koningen-6-15-36] huis tot aan het dak van de wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van[^1koningen-6-15-37] het huis met dennen planken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v15)

**16** Daartoe[^1koningen-6-16-38] bouwde hij[^1koningen-6-16-39] twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis,[^1koningen-6-16-40] van de vloer af tot de wanden; dit bouwde hij[^1koningen-6-16-41] Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v16)

**17** Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de[^1koningen-6-17-42] tempel, die vooraan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v17)

**18** En het ceder aan het huis inwendig was gesneden met[^1koningen-6-18-43] knoppen en[^1koningen-6-18-44] open bloemen; het was al ceder, geen steen werd gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v18)

**19** En de aanspraakplaats bereidde hij[^1koningen-6-19-45] inwaarts in[^1koningen-6-19-46] het huis, om de ark van het verbond van YHWH daar te zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v19)

**20** En de aanspraakplaats[^1koningen-6-20-47] vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van[^1koningen-6-20-48] twintig ellen in haar hoogte, en hij overtrok[^1koningen-6-20-49] ze met gesloten goud; ook overtrok hij het[^1koningen-6-20-50] cederen altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v20)

**21** En Salomo overtrok het[^1koningen-6-21-51] huis van binnen met gesloten goud; en[^1koningen-6-21-52] hij trok voor de aanspraakplaats een voorhangsel heen door met gouden ketenen, en overtrok dat met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v21)

**22** Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat het hele huis volmaakt was; daartoe overtrok hij met goud het hele altaar, dat voor[^1koningen-6-22-53] de aanspraakplaats was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v22)

**23** [^1koningen-6-23-f] In de aanspraakplaats nu maakte hij twee[^1koningen-6-23-54] cherubs van[^1koningen-6-23-55] olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v23)

**24** En van vijf ellen was de ene vleugel van de cherub, en van vijf ellen de andere vleugel van de cherub;[^1koningen-6-24-56] van het einde van zijn ene vleugel, tot aan het einde van zijn andere vleugel, waren tien ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v24)

**25** Zo was de andere cherub van tien ellen; beide cherubs hadden dezelfde maat, en dezelfde[^1koningen-6-25-57] snede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v25)

**26** De hoogte van de ene cherub was van tien ellen, en zo van de andere cherub. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v26)

**27** En hij zette deze cherubs in het midden van het[^1koningen-6-27-58] binnenste huis;[^1koningen-6-27-g] en[^1koningen-6-27-59] de cherubs spreidden de vleugels uit, zodat de vleugel van de ene raakte aan deze wand, en de vleugel van de andere cherub raakte aan de andere wand; en hun vleugels naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v27)

**28** En hij overtrok deze cherubs met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v28)

**29** En al de wanden van het huis, in het ronde, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en[^1koningen-6-29-60] van buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v29)

**30** Daartoe overtrok hij de vloer van het huis met goud[^1koningen-6-30-61] van binnen en van buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v30)

**31** En aan de ingang van de aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten[^1koningen-6-31-62] was het vijfde deel van de wand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v31)

**32** De twee deuren ook waren van olieachtige bomen; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, die hij met goud overtrok;[^1koningen-6-32-63] ook trok hij goud over de cherubs en over de palmbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v32)

**33** En zo maakte hij aan de deuren van de tempel posten van olieachtige bomen, uit[^1koningen-6-33-64] het vierde deel van de wand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v33)

**34** En de twee deuren waren van[^1koningen-6-34-65] dennenhout; de twee zijden van de ene deur waren omdraaiende; zo waren de twee gegraveerde zijden van de andere deur omdraaiende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v34)

**35** En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, die hij met goud overtrok, gericht naar het uitgesnedene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v35)

**36** Daarna bouwde hij[^1koningen-6-36-66] het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v36)

**37** In het vierde jaar werd de grond van het huis van YHWH gelegd, in de maand[^1koningen-6-37-67] Ziv; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v37)

**38** En in het elfde jaar, in de maand Bul,[^1koningen-6-38-68] die is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn[^1koningen-6-38-69] stukken en naar al zijn behoren; zo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/6.html#v38)

[^1koningen-6-1-1]: Kanttekening 1: in het vierhonderd en tachtigste jaar: Sommigen rekenen deze jaren aldus: onder Mozes in de woestijn zijn de kinderen van Israël geweest veertig jaren, onder Jozua zeventien, onder de richters 299, onder Eli, Samuël en Saul tachtig, onder David veertig. Deze tezamen gerekend, met vier jaren van het koninkrijk Salomo's, maken 480 jaren.
[^1koningen-6-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 3:2 . 2 Kronieken 3:2 : Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op de tweede dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.
[^1koningen-6-1-2]: Kanttekening 2: Meest overeenkomende met onze April, en ten dele met onze Mei. Zie van deze maand ook onder vers 37 ; idem Num. 1:1 . 1 Koningen 6:37 : In het vierde jaar werd de grond van het huis van YHWH gelegd, in de maand Ziv; Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:
[^1koningen-6-1-3]: Kanttekening 3: de tweede maand: Naar de ordinantie van de Heer, Ex. 12:2 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn.
[^1koningen-6-1-b]: Verwijzing b: Hand. 7:47 . Handelingen 7:47 : En Salomo bouwde Hem een huis.
[^1koningen-6-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, begon te bouwen, zo Gen. 5:32 . Zie hiervan breder onder vers 37 , 6:38 ; 2 Kron. 3:1 . Genesis 5:32 : En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth. 1 Koningen 6:37 : In het vierde jaar werd de grond van het huis van YHWH gelegd, in de maand Ziv; 1 Koningen 6:38 : En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; zo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^1koningen-6-2-5]: Kanttekening 5: ellen in zijn: Te weten, heilige. Zie van deze maat, Gen. 6:15 . Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
[^1koningen-6-2-6]: Kanttekening 6: Deze strekt zich van het oosten tot het westen.
[^1koningen-6-2-7]: Kanttekening 7: Deze was van het zuiden tot het noorden.
[^1koningen-6-3-8]: Kanttekening 8: het voorhuis: Versta niet hierdoor een ruimte voor aan de ingang van het heilige.
[^1koningen-6-3-c]: Verwijzing c: Joh. 10:23 ; Hand. 3:11 ; Hand. 5:12 . Johannes 10:23 : En Jezus wandelde in de tempel, in het voorhof van Salomo. Handelingen 3:11 : En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, dat Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde. Handelingen 5:12 : En door de handen van de apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Salomo.
[^1koningen-6-3-9]: Kanttekening 9: naar de breedte van het huis: Dat is, dit voorhof is zo lang geweest, als het huis van de Heer of de tempel breed was. Vergelijk vers 2 . 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo voor YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.
[^1koningen-6-3-10]: Kanttekening 10: Hier wordt maar gesproken van zijn lengte en breedte; maar 2 Kron. 3:4 vinden wij ook zijn hoogte, welke was van honderd twintig ellen. 2 Kronieken 3:4 : En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud.
[^1koningen-6-4-11]: Kanttekening 11: gesloten uitzichten: Dat is, die ten dele eng en als gesloten waren, tegen het inkijken en ongemak van het weer, ten dele breed, en zo bekwaam voor het vatten van de zonneschijn en het uitzicht. Aldus, naar eniger gevoelen, zijn de vensters in de muur, die zeer dik was, van buiten eng en van binnen wijd geweest. Anderen menen dat zij van buiten wijd en van binnen eng waren; anderen van buiten en van binnen wijd, maar allengskens van beide zijden nauw, ingaande tot het midden van de muur, alwaar zij met glas toegesloten waren, tegen het kwade weer. Anders, die men openen en sluiten kon.
[^1koningen-6-5-12]: Kanttekening 12: Te weten, aan de zuid- en west- en noordzijden van het huis, maar niet aan de oostzijde, welke met het portaal bezet was.
[^1koningen-6-5-13]: Kanttekening 13: aan de wand: Dat is, aan de muur van de tempel; en dat zo, dat de balken de kamers hier gemeld, niet waren gewrocht in de muur van de tempel, maar lagen op de neuten of balkstenen van denzelfden muur daar hij van buiten ingekort was. Deze inkorting geschiedde tot driemaal toe, telkens met het opbouwen van vijf ellen, en dan waren op die uitstekende neutstenen de balken van de kamers, die van drie verdiepingen waren, gelegd en gepast.
[^1koningen-6-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, vloeren; dat is, kamergebouwen en vertrekken buiten aan de tempel ten gebruike van de priesters, als zij hun ambt bedienen zouden, en om daarin op te sluiten de eerstelingen, de tienden, de priesterlijke kleren, de offeranden en andere dingen behorende tot de godsdienst enz. Zie 2 Kon. 11:2 , en 1 Kron. 28:12 , en Ez. 42:13 , 42:14 . 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. 1 Kronieken 28:12 : En een voorbeeld van alles, wat bij hem door de Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis van YHWH, en van alle kamers rondom; tot de schatten van het huis van God, en tot de schatten van de heilige dingen; Ezechiël 42:13 : Toen zei hij tot mij: De kamers van het noorden, en de kamers van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kamers, waarin de priesters, die tot YHWH naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; daar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig. Ezechiël 42:14 : Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in dewelke zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is.
[^1koningen-6-5-15]: Kanttekening 15: van de tempel: Versta het voorste deel van de tempel, anders genoemd het heilige, waarin de priesters dagelijks gingen om te roken en de lampen toe te maken.
[^1koningen-6-5-16]: Kanttekening 16: Of, Antwoordplaats. Het Hebreeuwse woord heeft zijn naam van aanspreken. Versta, de innerste plaats van de tempel, anders genoemd het heilige van de heiligen, vanwaar God zijn aanspraak en antwoord gaf. Vergelijk onder, vers 16 , 6:20 . 1 Koningen 6:16 : Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van de vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige van de heiligen. 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^1koningen-6-5-17]: Kanttekening 17: zijkameren rondom: Hebreeuws, סָבִֽיב, ribben. Versta, dezelfde kamer, van welke in het begin van vers 5 gesproken is, of zekere gangen van galerijen, die vooraan langs de tweede en derde verdieping van deze kamers waren. 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^1koningen-6-6-18]: Kanttekening 18: De onderste kamer: Zo de muur van de tempel drie inkortingen had, de onderste, de middelste en de opperste, zo was de onderste verdieping van de kamers een el nauwer dan de middelste, en de middelste weer zoveel nauwer dan de opperste.
[^1koningen-6-6-19]: Kanttekening 19: hij had aan het huis: Hij had de dikte van de muur van de tempel telkens een el gesmald, om op de neutstenen de balken van de kamers te leggen. Deze smalling of inkorting was in de hoogte van de muur van vijf en tien en vijftien ellen.
[^1koningen-6-6-20]: Kanttekening 20: zich niet: Te weten, de kamers.
[^1koningen-6-6-21]: Kanttekening 21: Dat is, met hun balken in de muur van de tempel niet ingelaten werden met doorboring en verbreking van dezelfde. Vergelijk Ez. 41:6 . Ezechiël 41:6 : De zijkameren nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen, en zij kwamen in de wand, die aan het huis was, tot die zijkamers rondom heen, opdat zij vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in de wand van het huis.
[^1koningen-6-7-22]: Kanttekening 22: volmaakte steen: Dat is, die tevoren tot het werk volkomenlijk bereid was, dat ook van het hout is gezegd, boven, 1 Kon. 5:18 . 1 Koningen 5:18 : En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen.
[^1koningen-6-7-23]: Kanttekening 23: zoals dezelfde toegevoerd was: Hebreeuws, מַקָּב֤וֹת, van de toevoering; dat is, met steen, zoals die daar aangevoerd kwam.
[^1koningen-6-8-24]: Kanttekening 24: van de middelste zijkamer: Dat is, door welke men opging naar de middelste zijkamer.
[^1koningen-6-8-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, schouder. De rechterzijde van de tempel in het uitgaan was het zuiden. Want de ingang van de tempel stond in het oosten, en het allerheiligste in het westen.
[^1koningen-6-8-26]: Kanttekening 26: Te weten, zijkamers. Uit het getal van velen kan men hier verstaan dat elke verdieping verscheidene kamers en hoeken heeft gehad. Zie 2 Kon. 11:2 . 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.
[^1koningen-6-9-27]: Kanttekening 27: Te weten, van binnen aan zijn dak.
[^1koningen-6-9-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, naar sommiger gevoelen, ruggen.
[^1koningen-6-9-29]: Kanttekening 29: rijen van cederen: Hebreeuws, אֲרָזִֽים, ordeningen in, of, met cederen; dat is, met ordelijke samenhechting van cederen balken, planken, of berderen.
[^1koningen-6-10-30]: Kanttekening 30: hij voegde: Dat is, hij legde ze en paste ze op de inkorting van de muur van de tempel. Zie boven, vers 6 . 1 Koningen 6:6 : De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis.
[^1koningen-6-12-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 2:4 ; 1 Kon. 9:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël. 1 Koningen 9:4 : En zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid van de harten, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;
[^1koningen-6-12-31]: Kanttekening 31: Hoe deze drie woorden: inzettingen, rechten en geboden, onderscheiden worden, zie boven, 1 Kon. 2:3 . 1 Koningen 2:3 : En neem waar de wacht van YHWH, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u u wenden zult;
[^1koningen-6-12-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 7:13 ; 1 Kron. 22:10 ; idem v. 19 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 22:19 : Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken YHWH, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom van God van YHWH; dat men de ark van het verbond van YHWH en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat de Naam van YHWH zal gebouwd worden.
[^1koningen-6-13-32]: Kanttekening 32: in het midden: Zie Lev. 26:12 . Leviticus 26:12 : En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^1koningen-6-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, hij ging in de bouwing van de tempel voort, om die van binnen te volmaken en te versieren.
[^1koningen-6-15-34]: Kanttekening 34: bouwde hij: Dat is, hij beschoot de wanden met cederen planken enz. zo in vers 16 . 1 Koningen 6:16 : Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van de vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige van de heiligen.
[^1koningen-6-15-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, zijden; en zo in het volgende.
[^1koningen-6-15-36]: Kanttekening 36: tot aan het dak van de wanden: Hebreeuws, קִיר֨וֹת, tot aan de wanden van het dak; dat is, tot aan het opperste deel van de muur, waarop het dak rust.
[^1koningen-6-15-37]: Kanttekening 37: het huis: Versta dit niet van het innerste deel van het huis, maar van het voorste, genaamd het heilige.
[^1koningen-6-16-38]: Kanttekening 38: De zin is, dat hij de tusschenmuur, waardoor het heilige van het allerheiligste onderscheiden werd, met cederen planken beschoten heeft.
[^1koningen-6-16-39]: Kanttekening 39: twintig ellen: De lengte van de tempel was zestig ellen, boven, vers 2 , waarvan het voorste had veertig, en vervolgens het innerste twintig. 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo voor YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.
[^1koningen-6-16-40]: Kanttekening 40: van de vloer af: Dat is, de hele vloer van de ene muur tot de andere.
[^1koningen-6-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk, de Heer, van wie recht tevoren in vers 13 gesproken is. 1 Koningen 6:13 : En Ik zal in het midden van de kinderen van Israël wonen; en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten.
[^1koningen-6-17-42]: Kanttekening 42: Genaamd het heilige. Dit was dubbel zo lang als het heilige van de heiligen, dat maar twintig ellen in de lengte had, onder vers 20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^1koningen-6-18-43]: Kanttekening 43: Anders, wilde kouwoerden, zo onder, 1 Kon. 7:24 . 1 Koningen 7:24 : En onder haar rand waren knoppen, haar rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gieting gegoten.
[^1koningen-6-18-44]: Kanttekening 44: open bloemen: Hebreeuws, צִצִּ֑ים, opening van de bloem. Zo in het volgende.
[^1koningen-6-19-45]: Kanttekening 45: Te weten, de plaats waar het allerheiligste was; in het uiterste van de tempel.
[^1koningen-6-19-46]: Kanttekening 46: het huis: Hebreeuws, הֵכִ֑ין, in het midden van het huis. Het woordje huis betekent hier het gehele gesticht van de tempel.
[^1koningen-6-20-47]: Kanttekening 47: Dat is, welke, als iemand inging van het oosten naar het westen, voor hem lag in het einde van het heilige. Anders, de ruimte, \[of, de aangezichten \] van de aanspraakplaats, was van, enz.
[^1koningen-6-20-48]: Kanttekening 48: twintig ellen in haar hoogte: Boven, vers 2 , staat wel, van het gehele huis, dat het dertig ellen in zijn hoogte had, maar omdat men van het eerste voorhof tot het tweede, en van het tweede tot het heilige, en van dit tot het allerheiligste met trappen moest opklimmen, gelijk men kan afnemen, Ez. 40:6, zo is het geen wonder, dat de vloer enige ellen hoger, en nader aan het dak geweest is. 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo voor YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.
[^1koningen-6-20-49]: Kanttekening 49: met gesloten goud: Dat is, dicht fijn, rein. Zie 2 Kron. 3:4 . Of, zo genoemd \[gelijk anderen menen\] omdat het van David tot de timmering van de tempel was opgesloten en bewaard geweest, 1 Kron. 29:3 , 29:4 , waar het ook goud van Ofir genoemd wordt, dat om zijn waardigheid altijd in grote achting geweest is, Job 22:24 ; maar het edelste en kostelijkste goud is in het algemeen ook zo genoemd geweest, omdat men dat zeer nauw pleegt op te sluiten, Job 28:15 . 2 Kronieken 3:4 : En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud. 1 Kronieken 29:3 : En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik in het huis van het heiligdom bereid heb; 1 Kronieken 29:4 : Drie duizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden van de huizen te overtrekken; Job 22:24 : Dan zult u het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij de rotssteen van de beken; Job 28:15 : Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.
[^1koningen-6-20-50]: Kanttekening 50: cederen altaar: Versta het reukaltaar, waarvan ook gesproken wordt onder, vers 22 , en 1 Kon. 9:25 . Dit heeft Salomo ook met goud overtogen, en wordt daarom genoemd het gouden altaar, onder 1 Kon. 7:48 . 1 Koningen 6:22 : Zo overtoog hij het gehele huis met goud, totdat het gehele huis volmaakt was; daartoe overtoog hij met goud het gehele altaar, dat voor de aanspraakplaats was. 1 Koningen 9:25 : En Salomo offerde driemaal per jaar brandofferen en dankofferen, op het altaar, dat hij voor YHWH gebouwd had, en rookte op dat, wat voor het aangezicht van YHWH was, als hij het huis volmaakt had. 1 Koningen 7:48 : Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis van YHWH waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op dewelke de toonbroden waren;
[^1koningen-6-21-51]: Kanttekening 51: huis van binnen: Versta, het heilige van de heiligen; gelijk in het einde van vers 21 verklaard wordt. 1 Koningen 6:21 : En Salomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang heen door met gouden ketenen, en overtoog dat met goud.
[^1koningen-6-21-52]: Kanttekening 52: hij toog: De zin is dat Salomo een voorhang heeft laten maken, welke hij langs heen aan het schutsel, dat het heilige van het allerheiligste onderscheidde, heeft opgetogen, hangende aan gouden ketenen. Zie van de voorhang Ex. 26:31 , 26:32 , 26:33 . Exodus 26:31 : Daarna zult u een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. Exodus 26:32 : En u zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten. Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen.
[^1koningen-6-22-53]: Kanttekening 53: gehele altaar: Zie boven, vers 20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^1koningen-6-23-f]: Verwijzing f: Ex. 25:18 . Exodus 25:18 : U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van de verzoendeksels.
[^1koningen-6-23-54]: Kanttekening 54: Zie Gen. 3:24 . Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^1koningen-6-23-55]: Kanttekening 55: olieachtig hout: De cherubim, die Mozes liet maken, waren van louter goud, Ex. 25:18 . Sommigen nu houden deze olieachtige bomen niet voor olijfbomen, maar voor andere bomen, die mee olie uitgeven, gelijk cederbomen en pijnbomen, enz., want de olijfbomen worden van de olieachtige onderscheiden, gelijk Neh. 8:16 . Exodus 25:18 : U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel. Nehemia 8:16 : En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^1koningen-6-24-56]: Kanttekening 56: van het einde van zijn ene vleugel: Hebreeuws, אַמּ֔וֹת, van de einden van zijn vleugelen tot aan de einden van zijn vleugelen.
[^1koningen-6-25-57]: Kanttekening 57: Dat is, maaksel.
[^1koningen-6-27-58]: Kanttekening 58: binnenste huis: Dat is, het heilige van de heiligen; zo wordt het heilige genoemd de tempel die vooraan was, boven vers 17 . 1 Koningen 6:17 : Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was.
[^1koningen-6-27-g]: Verwijzing g: Ex. 25:20 . Exodus 25:20 : En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.
[^1koningen-6-27-59]: Kanttekening 59: cherubs spreidden de vleugelen uit: De zin is, dat de twee cherubim, in het heilige van de heiligen staande, elk met zijn enen vleugel raakte de wand, de één die aan de zuidzijde, de andere die aan de noordzijde was, en dat zij dan met hun andere vleugelen elkaar raakten; zodat zij met dezelfde de gehele breedte van de plaats overreikten; want gelijk deze twintig ellen breed was, boven vers 20 , zo was elke vleugel vijf ellen lang, boven vers 24 ; vervolgens stonden beide de cherubim van elkaar tien ellen, en elk van de wand van zijn zijde vijf ellen, makende tezamen twintig ellen. Vergelijk 2 Kron. 3:11 , enz. 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar. 1 Koningen 6:24 : En van vijf ellen was de ene vleugel van de cherub, en van vijf ellen de andere vleugel van de cherub; van het einde van zijn ene vleugel, tot aan het einde van zijn anderen vleugel, waren tien ellen. 2 Kronieken 3:11 : Aangaande de vleugelen van de cherubim, hun lengte was twintig ellen; de vleugel van de ene was van vijf ellen, rakende aan de wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan de vleugel van de andere cherub.
[^1koningen-6-29-60]: Kanttekening 60: van buiten: Hierdoor verstaan sommigen de wand, die het allerheiligste van het heilige onderscheidde, welke hij versierd heeft, niet alleen van binnen aan de zijde, die in het allerheiligste was, maar ook van buiten aan de zijde, die in het heilige stond. Anderen verstaan het in het algemeen van de wanden, zo van het allerheiligste als van het heilige.
[^1koningen-6-30-61]: Kanttekening 61: van binnen en van buiten: Dat is, in het allerheiligste en in het heilige.
[^1koningen-6-31-62]: Kanttekening 62: Dat is, hij was zo breed en hoog als het vijfde deel van de wand, te weten, vier ellen. Want de wand van de aanspraakplaats was twintig ellen breed en hoog. Zie boven, vers 16 . Anderen vertalen dit zo, dat de bovendorpel en de posten van vijf hoeken, of leden waren. 1 Koningen 6:16 : Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van de vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige van de heiligen.
[^1koningen-6-32-63]: Kanttekening 63: ook trok hij: Hierdoor kon het maaksel van het gegraveerde werk altijd gezien worden.
[^1koningen-6-33-64]: Kanttekening 64: het vierde deel: Want de posten \[de deur mee gerekend zijnde\] waren vijf ellen breed en hoog, dat is het vierde deel van twintig. Andere verstaan dit zo van de posten, dat zij vierhoekig of vierledig waren. Vergelijk boven, vers 31 , en de aantekeningen. 1 Koningen 6:31 : En aan de ingang van de aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel van de wand.
[^1koningen-6-34-65]: Kanttekening 65: Zie boven, 1 Kon. 5:8 . 1 Koningen 5:8 : En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom u tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederenhout, en met het dennenhout.
[^1koningen-6-36-66]: Kanttekening 66: het binnenste voorhof: Versta, het voorhof, dat naast de tempel was, en het voorhof van de priesters genoemd wordt, 2 Kron. 4:9 , omdat niemand dan zij en de Levieten daarin mocht komen, en omdat de priesters daarop het brandofferaltaar offeranden deden en de godsdienst waarnamen. 2 Kronieken 4:9 : Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.
[^1koningen-6-37-67]: Kanttekening 67: Zie boven, vers 1 . 1 Koningen 6:1 : Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de kinderen van Israël uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis van YHWH bouwde.
[^1koningen-6-38-68]: Kanttekening 68: welke is: Deze maand komt overeen ten dele met onze October, ten dele met onze November.
[^1koningen-6-38-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, dingen, of woorden; dat is, naar alles wat daarvan gezegd en bestemd was.

### 1 Koningen 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/7.json)

*De bouw van Salomo's huis, vers 1 enz. Van het Huis van Libanon, 2. Van het voorhuis van de pilaren, 6. van het voorhuis van het gericht, 7. van het huis van de dochter van Farao, 8. van Hiram, de kunstige werkmeester, 13. van de twee koperen pilaren, 15. de gegoten zee, 23. de tien koperen stellingen, 27. de tien koperen wasvaten, 38. kortom alle werk, gereedschap en voorwerpen, koperen en gouden, 40. de geheiligde dingen worden in de tempel gebracht, 51.*

**1** Maar[^1koningen-7-1-1][^1koningen-7-1-a] aan zijn huis bouwde Salomo[^1koningen-7-1-2] dertien jaren, en hij volmaakte zijn hele huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v1)

**2** Hij bouwde ook het huis[^1koningen-7-2-3] van[^1koningen-7-2-4] het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte,[^1koningen-7-2-5] op vier rijen van cederen pilaren,[^1koningen-7-2-6] en cederen balken op de pilaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v2)

**3** En het was bedekt met[^1koningen-7-3-7] ceder van boven[^1koningen-7-3-8] op de ribben,[^1koningen-7-3-9] die op vijf en veertig pilaren waren, vijftien in een rij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v3)

**4** [^1koningen-7-4-10] Er waren drie rijen van uitzichten, dat het ene venster was over het andere venster, in drie orden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v4)

**5** Ook waren al de deuren en de posten vierkantig[^1koningen-7-5-11] van dezelfde uitzicht; en venster was tegenover venster,[^1koningen-7-5-12] in drie orden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v5)

**6** Daarna maakte hij[^1koningen-7-6-13] een voorhuis[^1koningen-7-6-14] van pilaren;[^1koningen-7-6-15] vijftig ellen was zijn lengte, en dertig ellen zijn breedte; en het voorhuis was tegenover[^1koningen-7-6-16] die, en de pilaren met de dikke balken daartegenover. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v6)

**7** Ook maakte hij[^1koningen-7-7-17] een voorhuis voor de troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis van het gericht, dat met ceder bedekt was,[^1koningen-7-7-18] van vloer tot vloer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v7)

**8** En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof,[^1koningen-7-8-19] meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van[^1koningen-7-8-b] Farao, die Salomo tot vrouw genomen had,[^1koningen-7-8-20] een huis, aan[^1koningen-7-8-21] dat voorhuis gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v8)

**9** [^1koningen-7-9-22] Al deze dingen waren van kostelijke stenen,[^1koningen-7-9-23] naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan[^1koningen-7-9-24] de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote[^1koningen-7-9-25] voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v9)

**10** Het was ook gegrondvest met kostelijke stenen, grote stenen; met stenen van tien ellen, en stenen van acht ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v10)

**11** En[^1koningen-7-11-26] bovenop kostelijke stenen, naar de winkelmaten gehouwen, en[^1koningen-7-11-27] cederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v11)

**12** En het[^1koningen-7-12-28] grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het[^1koningen-7-12-29] binnenste voorhof, van het huis van YHWH, en met het voorhuis van dat huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v12)

**13** En de koning Salomo zond heen, en[^1koningen-7-13-30] liet[^1koningen-7-13-31][^1koningen-7-13-c] Hiram van[^1koningen-7-13-32] Tyrus halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v13)

**14** Hij was de[^1koningen-7-14-33] zoon van een[^1koningen-7-14-34] weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een[^1koningen-7-14-35] man van Tyrus geweest, een koperwerker, die[^1koningen-7-14-d] vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v14)

**15** Want hij[^1koningen-7-15-36] vormde[^1koningen-7-15-e] twee koperen pilaren; de hoogte van de ene pilaar was achttien[^1koningen-7-15-37] ellen, en een draad van twaalf ellen omving de[^1koningen-7-15-38] andere pilaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v15)

**16** Hij maakte ook[^1koningen-7-16-39] twee[^1koningen-7-16-40] kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten;[^1koningen-7-16-41] vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v16)

**17** [^1koningen-7-17-42] De netten waren van[^1koningen-7-17-43] vlechtwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren;[^1koningen-7-17-44] zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v17)

**18** Zo maakte hij de pilaren, en ook twee[^1koningen-7-18-45] rijen rondom over het ene net, om[^1koningen-7-18-46] de kapitelen, die boven het hoofd van de granaatappels waren, te bedekken; zo deed hij ook aan het andere kapiteel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v18)

**19** En de kapitelen, die waren op het hoofd van de pilaren,[^1koningen-7-19-47] waren van leliewerk[^1koningen-7-19-48] in het voorhuis,[^1koningen-7-19-49] van vier ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v19)

**20** [^1koningen-7-20-50] De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de[^1koningen-7-20-51] buik, die was naast het net; en tweehonderd granaatappels waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v20)

**21** Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis van de tempel; en de rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam[^1koningen-7-21-52] Jachin, en de linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam[^1koningen-7-21-53] Boaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v21)

**22** En op het hoofd van de pilaren was[^1koningen-7-22-54] het leliewerk; zo werd het werk van de pilaren volmaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v22)

**23** Verder maakte[^1koningen-7-23-f] hij de[^1koningen-7-23-55] gegoten zee; van tien ellen was zij[^1koningen-7-23-56] van haar ene[^1koningen-7-23-57] rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer[^1koningen-7-23-58] van dertig ellen omving ze rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v23)

**24** En[^1koningen-7-24-59] onder haar rand waren[^1koningen-7-24-60] knoppen, haar[^1koningen-7-24-g] rondom omsingelende,[^1koningen-7-24-61] tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in[^1koningen-7-24-62] haar gieting gegoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v24)

**25** Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was daar bovenop; en al[^1koningen-7-25-63] hun achterdelen waren inwaarts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v25)

**26** Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij[^1koningen-7-26-64] hield twee duizend[^1koningen-7-26-65] bath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v26)

**27** Hij maakte ook tien koperen[^1koningen-7-27-66] stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v27)

**28** En dit was het werk van het onderstel; zij hadden[^1koningen-7-28-67] lijsten, en de lijsten waren tussen[^1koningen-7-28-68] kransen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v28)

**29** En op de lijsten, die tussen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een[^1koningen-7-29-69] voet boven heen; en onder de leeuwen en runderen[^1koningen-7-29-70] bijvoegselen van uitgerekt werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v29)

**30** En een onderstel had vier koperen wielen, en[^1koningen-7-30-71] koperen platen; en haar vier hoeken hadden[^1koningen-7-30-72] steunen; onder het[^1koningen-7-30-73] wasvat waren deze gegoten steunen ter zijde van ieders bijvoegselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v30)

**31** En de[^1koningen-7-31-74] mond daarvan was van binnen de[^1koningen-7-31-75] krans, en daarboven van een el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van[^1koningen-7-31-76] een[^1koningen-7-31-77] el en een halve el; en[^1koningen-7-31-78] op de mond daarvan waren ook graveringen, en de[^1koningen-7-31-79] lijsten daarvan waren vierkantig, niet rond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v31)

**32** De vier wielen nu waren onder de lijsten, en[^1koningen-7-32-80] de assen van de wielen aan het onderstel; en de hoogte van een rad was een el en een halve el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v32)

**33** En het werk van die wielen was als het werk van een wagenrad; hun assen, en hun naven, en hun randen, en hun spaken waren alle gegoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v33)

**34** En er waren vier[^1koningen-7-34-81] steunen op de vier hoeken van een onderstel; haar steunen[^1koningen-7-34-82] waren uit het onderstel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v34)

**35** En op[^1koningen-7-35-83] het hoofd van een onderstel was een ronde hoogte van een halve el rondom; ook waren op het hoofd van het onderstel[^1koningen-7-35-84] haar handhaven, en haar lijsten daaruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v35)

**36** Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en[^1koningen-7-36-85] op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks lege plaats, en bijvoegselen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v36)

**37** Aan deze gelijk maakte hij de tien onderstellen; dezelfde gieting, dezelfde maat, dezelfde snede hadden zij allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v37)

**38** [^1koningen-7-38-h] Hij maakte ook tien koperen[^1koningen-7-38-86] wasvaten; een wasvat hield veertig[^1koningen-7-38-87] bath; een wasvat was van vier ellen; op elk onderstel van die tien onderstellen was een wasvat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v38)

**39** En hij zette vijf van die onderstellen aan de rechterzijde van[^1koningen-7-39-88] het huis, en vijf aan de linkerzijde van het huis; maar[^1koningen-7-39-89] de zee zette hij aan de rechterzijde van het huis,[^1koningen-7-39-90] naar het oosten tegen het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v39)

**40** Daartoe maakte[^1koningen-7-40-91] Hiram de wasvaten, en de scheppen, en de besprengbekkens; en Hiram voltooide al het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo maakte voor het huis van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v40)

**41** Te weten de twee pilaren, en[^1koningen-7-41-92] bollen van de kapitelen, die op het hoofd van de twee pilaren waren, en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op het hoofd van de pilaren waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v41)

**42** En[^1koningen-7-42-93] de vierhonderd granaatappels tot de twee netten, namelijk twee rijen van granaatappels tot het ene net, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v42)

**43** En ook de tien[^1koningen-7-43-94] onderstellen, en de[^1koningen-7-43-95] tien wasvaten op de onderstellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v43)

**44** Daartoe de[^1koningen-7-44-96] enige zee; en de[^1koningen-7-44-97] twaalf runderen onder die zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v44)

**45** De[^1koningen-7-45-98] potten ook, en de scheppen, en de besprengbekkens, en al deze voorwerpen, die Hiram voor de koning Salomo tot het huis van YHWH maakte, alle van gepolijst koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v45)

**46** In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in[^1koningen-7-46-99] dichte aarde, tussen[^1koningen-7-46-100] Sukkoth en tussen[^1koningen-7-46-101] Zarthan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v46)

**47** En Salomo liet al deze voorwerpen ongewogen vanwege de zeer grote hoeveelheid; het gewicht van het[^1koningen-7-47-102] koper werd niet onderzocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v47)

**48** Ook maakte Salomo al de voorwerpen, die voor het huis van YHWH waren; het[^1koningen-7-48-103][^1koningen-7-48-k] gouden altaar, en de[^1koningen-7-48-l] gouden[^1koningen-7-48-104] tafel, waarop de toonbroden[^1koningen-7-48-105] waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v48)

**49** En de kandelaren, vijf[^1koningen-7-49-106] aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, voor[^1koningen-7-49-107] de aanspraakplaats, van[^1koningen-7-49-108] gesloten goud; en de[^1koningen-7-49-109] bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v49)

**50** En ook de schalen, en de[^1koningen-7-50-110] messen, en de[^1koningen-7-50-111] sprengbekkens, en de[^1koningen-7-50-112] rookschalen, en de wierookvaten, van[^1koningen-7-50-113] gesloten goud; daartoe de scharnieren van de deuren van het binnenste huis, van het heilige van de heiligen, en van de deuren van het huis van de tempel, van goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v50)

**51** Zo werd al het werk volbracht, dat de koning Salomo aan het huis van YHWH maakte.[^1koningen-7-51-m] Daarna bracht Salomo[^1koningen-7-51-114] de[^1koningen-7-51-n] geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de voorwerpen legde hij onder de schatten van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/7.html#v51)

[^1koningen-7-1-1]: Kanttekening 1: aan zijn huis: Dienende hem en zijn hofgezin tot een ordinaire woning. Zie onder, vers 8 . 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.
[^1koningen-7-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 9:10 . 1 Koningen 9:10 : En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis van YHWH en het huis van de koning;
[^1koningen-7-1-2]: Kanttekening 2: dertien jaren: Bijna nog eens zo lang als aan de tempel, boven, 1 Kon. 6:38 , als die meer haast behoefde, om het bevel van YHWH, en om de wil van de heilige godsdienst, en tot denwelken meer werklieden gebruikt, en meer voorraad van materialen toebereid moesten worden. 1 Koningen 6:38 : En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; zo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.
[^1koningen-7-2-3]: Kanttekening 3: wouds van Libanon: Zo genoemd \[gelijk enige menen\], omdat het in een lustige en verheven plaats in Jeruzalem, of daar buiten met veel schone en hoge bomen, gelijk het woud van Libanon versierd was, dienende de koning tot een huis van genoegen en vermaking. Vergelijk onder, 1 Kon. 9:19 . 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^1koningen-7-2-4]: Kanttekening 4: honderd ellen: Versta, gemene ellen; en zie van deze lengte Gen. 6:15 . Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
[^1koningen-7-2-5]: Kanttekening 5: op vier rijen: Zo dit huis drie verdiepingen hoog was en drie woningen boven elkaar had, zo versta dit van de onderste.
[^1koningen-7-2-6]: Kanttekening 6: en cederen balken: Die de vloer van de middelste woning maakten.
[^1koningen-7-3-7]: Kanttekening 7: Waaruit de derde of opperste vloering ontstond.
[^1koningen-7-3-8]: Kanttekening 8: op de ribben: Of, balken, zolderingen, kamers.
[^1koningen-7-3-9]: Kanttekening 9: die op: Versta, het opperste deel van dit huis, dat \[omdat het minder last had te dragen dan het onderste\] maar drie rijen van pilaren had, daar de onderste vier hadden, boven, vers 2 , zijnde elke rij van vijftien pilaren. 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^1koningen-7-4-10]: Kanttekening 10: Er waren: Gelijk het huis drie verdiepingen hoog was, zo heeft het ook drie rijen van vensters gehad, in elke verdieping een rij, waarvan de opperste recht tegenover de onderste kwamen.
[^1koningen-7-5-11]: Kanttekening 11: van enerlei uitzicht: Dat is, de vensters en de poorten van twee zijden waren in elke zoldering regelrecht de ene op de andere gericht, dat men van de ene tot de andere daar tegenover zijnde, zijn gezicht strekken kon. Anderen vertalen dit: Al de deuren en de posten waren vierkantig met de uitzichten, enz.
[^1koningen-7-5-12]: Kanttekening 12: in drie orden: Hebreeuws, פְּעָמִֽים, drie malen.
[^1koningen-7-6-13]: Kanttekening 13: een voorhuis: Hier wordt van drieërlei voorhuis gewag gemaakt, waarvan dit het eerste is, en was voor aan het huis van het woud Libanons. Zie van het tweede vers 7 , en van het derde vers 8 . 1 Koningen 7:7 : Ook maakte hij een voorhuis voor de troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis van het gericht, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.
[^1koningen-7-6-14]: Kanttekening 14: van pilaren: Dat is, bestaande uit vele pilaren en uit het dak daarop rustende.
[^1koningen-7-6-15]: Kanttekening 15: vijftig ellen: Naar de breedte van het huis. Vergelijk boven, vers 2 . 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^1koningen-7-6-16]: Kanttekening 16: Te weten, deuren; van welke in vers 5 gesproken is, of pilaren, van het huis van het woud; zodat de pilaren en balken, waaruit dit voorhuis bestond, recht over de deuren, en zo in het gezicht waren van het voorgemelde huis. 1 Koningen 7:5 : Ook waren al de deuren en de posten vierkantig van enerlei uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden.
[^1koningen-7-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk, binnen Jeruzalem, voor aan zijn huis, zeer bekwaam voor het volk, dat ten gerichte verscheen, om daar tegen het ongemak van het weder bewaard te worden.
[^1koningen-7-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, van het ene einde van de vloer tot het aan het andere. Enige verstaan dit van de muren of wanden, te weten, dat zij met ceder beschoten zijn geweest, van beneden aan de vloer tot boven aan de zoldering, die mee een vloer is.
[^1koningen-7-8-19]: Kanttekening 19: Het derde voorhuis, dat was tussen het voorhuis van het gericht en het huis van de koning.
[^1koningen-7-8-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 3:1 . 1 Koningen 3:1 : En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis van YHWH, en de muur van Jeruzalem rondom.
[^1koningen-7-8-20]: Kanttekening 20: een huis: Onderscheiden van de burg Davids, waar zij eerst haar woning gehad had. Zie boven, 1 Kon. 3:1 , en 2 Kron. 8:11 . 1 Koningen 3:1 : En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis van YHWH, en de muur van Jeruzalem rondom. 2 Kronieken 8:11 : Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad van David, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zei: Mijn vrouw zal in het huis van David, de koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark van YHWH gekomen is.
[^1koningen-7-8-21]: Kanttekening 21: voorhuis gelijk: Versta, het derde voorhuis, dat inwaarts was, even tevoren genoemd; welk voorhuis het huis van de koningin gelijk gezegd wordt, ten aanzien niet zozeer van de vorm, als wel van de materie, gelijk af te nemen is uit het volgende.
[^1koningen-7-9-22]: Kanttekening 22: Al deze dingen: Versta, al de gebouwen, die in 1 Kon. 7 en 1 Kon. 6 verhaald worden. Vergelijk onder, vers 12 . 1 Koningen 7:12 : En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis van YHWH, en met het voorhuis van dat huis.
[^1koningen-7-9-23]: Kanttekening 23: naar de maten gehouwen: Dat is, naar de maten, die de kunstige steenhouwers volgen, om een werk in de allernetste en sierlijkste vorm te voltooien; zo onder, vers 11 . 1 Koningen 7:11 : En bovenop kostelijke stenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen.
[^1koningen-7-9-24]: Kanttekening 24: Dat is, de uitstekendste bakstenen, aan het opperste van de muur, op welke het verwuifsel van het dak rustte, en staken een palmbreed buiten de muur.
[^1koningen-7-9-25]: Kanttekening 25: Alwaar het volk vergaderde.
[^1koningen-7-11-26]: Kanttekening 26: Te weten, op de grondstenen.
[^1koningen-7-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, geschaafde planken van cederhout, waarmee de gesneden stenen bekleed waren.
[^1koningen-7-12-28]: Kanttekening 28: grote voorhof: Zie boven, vers 9 . 1 Koningen 7:9 : Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof.
[^1koningen-7-12-29]: Kanttekening 29: binnenste voorhof: Zie boven, 1 Kon. 6:36 . 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^1koningen-7-13-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, nam, of, nam aan. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1koningen-7-13-31]: Kanttekening 31: Zie boven, 1 Kon. 5:1 . 1 Koningen 5:1 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had.
[^1koningen-7-13-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 2:13 . 2 Kronieken 2:13 : Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi;
[^1koningen-7-13-32]: Kanttekening 32: Tyrus halen: Zie op dezelfde plaats.
[^1koningen-7-14-33]: Kanttekening 33: Dewelke was van afkomst uit de stam van Dan; 2 Kron. 2:14 . 2 Kronieken 2:14 : De zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.
[^1koningen-7-14-34]: Kanttekening 34: uit de stam: Versta dit van de zoon van de weduwe, die naar zijns vaders afkomst was uit de stam van Nafthali.
[^1koningen-7-14-35]: Kanttekening 35: man van Tyrus: Te weten, ten aanzien van de stad van zijn woning, en niet van zijn geslacht, naar dat hij een Israëliet was. Anders kan dit ook verstaan worden, dat deze vader een Tyriër geweest is, ook van geslacht en afkomst, dat is, een heiden, maar zijn huisvrouw tezamen van Dan en Nafthali, te weten, van een stam uit haar vader, en van de andere uit haar moeder, dat kan geschied zijn door vermenging van de stammen, omdat de Israëlieten niet altijd gevolgd hebben de wet van God, die hun verbood buiten hun stam te trouwen. Zie breder 2 Kron. 2:14 . 2 Kronieken 2:14 : De zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.
[^1koningen-7-14-d]: Verwijzing d: Ex. 31:3 . Exodus 31:3 : En Ik heb hem vervuld met de Geest van God, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
[^1koningen-7-15-36]: Kanttekening 36: Of, hij goot.
[^1koningen-7-15-e]: Verwijzing e: Jer. 52:21 ; 2 Kon. 25:16 ; idem v. 17 . Jeremia 52:21 : Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingeren, en hij was hol. 2 Koningen 25:16 : De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis van YHWH gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht. 2 Koningen 25:17 : De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van de kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met het net.
[^1koningen-7-15-37]: Kanttekening 37: Gerekend naar de maat van het heiligdom, die nog eens zolang waren als de gemene ellen. Zie Gen. 6:15 , en hierom worden 2 Kron. 3:15 naar de gemene maat van de ellen, deze pilaren vijf en dertig ellen toegeschreven, waarbij alsnog komt een el voor de voet òf het onderzetsel; zo is elke pilaar zes en dertig gemene ellen hoog geweest, dat is, achttien heilige. Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. 2 Kronieken 3:15 : Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.
[^1koningen-7-15-38]: Kanttekening 38: anderen pilaar: Te weten, de omloop en de rondigheid van zijn stijl; versta hetzelfde ook van de eerste pilaar.
[^1koningen-7-16-39]: Kanttekening 39: Te weten, voor elke pilaar een.
[^1koningen-7-16-40]: Kanttekening 40: Versta door het woord kapiteel alhier een sieraad, gemaakt boven op de top van de stijl eens pilaars, bestaande uit drie delen: de voet, het gevlochten werk van de granaatappelen, en de kroon.
[^1koningen-7-16-41]: Kanttekening 41: vijf ellen was de hoogte: Welverstaande het gehele kapiteel tezamen met zijn drie delen gemeten zijnde. Want de voet was een el hoog, het granaatappelwerk ook een el en de kroon drie ellen. Zoveel ellen wordt de kroon alleen toegeschreven, 2 Kon. 25:17 , en gerekend zijnde met de granaatappelen, vier ellen. Zie onder, vers 19 . 2 Koningen 25:17 : De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met het net. 1 Koningen 7:19 : En de kapitelen, dewelke waren op het hoofd van de pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen.
[^1koningen-7-17-42]: Kanttekening 42: De netten: De zin is dat het opperste deel, of de kroon van het kapiteel bestond uit een zeer kunstige samenvlechting van loof, bloemen en vruchtenwerk in zekere orden door bandjes aan elkaar geheel sierlijk gehecht. Vergelijk 2 Kron. 3:16 . 2 Kronieken 3:16 : Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden van de pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette ze tussen de ketenen.
[^1koningen-7-17-43]: Kanttekening 43: Of, van gevlochten, of van traliewerk.
[^1koningen-7-17-44]: Kanttekening 44: zeven waren: Dit getal verstaan enige van de orden van het lofwerk en van de snoertjes, die dat werk verbonden en tezamen begrepen; anderen van de snoertjes of bandjes alleen.
[^1koningen-7-18-45]: Kanttekening 45: rijen rondom: Te weten, van granaatappelen, die het middelste deel van de knoop omsingelden.
[^1koningen-7-18-46]: Kanttekening 46: de kapitelen: Dat is, de kronen, het opperste deel van de kapitelen. Zie boven, vers 16 . 1 Koningen 7:16 : Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel.
[^1koningen-7-19-47]: Kanttekening 47: waren van leliewerk: Dat is, hadden het fatsoen, de gedaante en gelijkenis van leliën.
[^1koningen-7-19-48]: Kanttekening 48: in het voorhuis: Dat is, om in het voorhuis gesteld te worden.
[^1koningen-7-19-49]: Kanttekening 49: van vier ellen: Versta dit van de twee delen van het kapiteel, het opperste en middelste, namelijk de kroon en het granaatappelwerk tezamen begrepen. Zie boven, vers 16 . 1 Koningen 7:16 : Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel.
[^1koningen-7-20-50]: Kanttekening 50: De kapitelen nu: Het kapiteel betekent hier het opperste deel van een geheel kapiteel, genaamd de kroon, die rond was als een bol, of in het geheel als een bal, of in de lengte als een ei.
[^1koningen-7-20-51]: Kanttekening 51: Versta, het middelste, of het ruimste en meest uitstekende deel van de bol. Anderen verstaan door de buik het hol, dat boven midden in de pilaar geweest zou zijn, waarin de kapitelen ingelaten werden om vast te staan.
[^1koningen-7-21-52]: Kanttekening 52: Dat is, Hij \[namelijk de Heer\] zal bevestigen.
[^1koningen-7-21-53]: Kanttekening 53: Dat is, in hem is kracht. Deze twee namen geven te kennen dat de geestelijke tempel, welke is de gemeente van de ware gelovigen en uitverkorenen, rustende op de pilaar van de almogende kracht van de Heer, tegen alle uitwendig en inwendig geweld zou staande blijven, zodat de poorten van het dodenrijk daartegen niets zouden vermogen, Matt. 16:18 . Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen.
[^1koningen-7-22-54]: Kanttekening 54: het leliewerk: Zie hiervan boven, vers 19 . 1 Koningen 7:19 : En de kapitelen, dewelke waren op het hoofd van de pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen.
[^1koningen-7-23-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 4:2 ; Jer. 52:20 . 2 Kronieken 4:2 : Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. Jeremia 52:20 : De twee pilaren, de ene zee, en de twaalf koperen runderen, die in de plaats van de stellingen waren, die de koning Salomo voor het huis van YHWH gemaakt had; het koper daarvan, te weten van al deze vaten, was zonder gewicht.
[^1koningen-7-23-55]: Kanttekening 55: gegotene zee: Zo ook genaamd 2 Kron. 4:2 , maar 2 Kon. 25:13 een koperen zee. Versta een zeer groot vat of ketel, houdende grote overvloed van water, en in zulken aanzien een zee genaamd, naar de wijze van de Hebreën, die de vergaderingen van vele wateren zeeën heten. Dit water diende tot de afwasschingen van de priesters en Levieten. Vergelijk Ex. 30:18 , 30:19 , 30:20 , en Ex. 40:30 , 40:31 , 40:32 ; Lev. 8:11 ; 2 Kon. 16:17 , en 2 Kron. 4:6 . 2 Kronieken 4:2 : Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. 2 Koningen 25:13 : Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. Exodus 30:18 : U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen; Exodus 30:19 : Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten. Exodus 30:20 : Wanneer zij in de tent van de samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer YHWH aansteken; Exodus 40:30 : Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen. Exodus 40:31 : En Mozes en Aäron, en zijn zonen wiesen daaruit hun handen en hun voeten. Exodus 40:32 : Als zij ingingen tot de tent van de samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wiesen zij zich, gelijk als YHWH aan Mozes geboden had. Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen. 2 Koningen 16:17 : En de koning Achaz sneed de lijsten van de stellingen af, en nam die van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer. 2 Kronieken 4:6 : En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen.
[^1koningen-7-23-56]: Kanttekening 56: van haar: Dat is, dwars overgemeten in een rechte doorgaande linie, van de ene rand tot de andere.
[^1koningen-7-23-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, lip; en zo in het volgende.
[^1koningen-7-23-58]: Kanttekening 58: van dertig ellen: Dat is, dit vat, in de rondte van buiten gemeten, was dertig ellen wijd. Want de rondte begrijpt driemaal zoveel lengte als de recht doorgaande linie. Vergelijk 2 Kron. 4:2 . 2 Kronieken 4:2 : Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^1koningen-7-24-59]: Kanttekening 59: onder haar rand: Te weten, aan de buitenzijde van deze gegoten zee.
[^1koningen-7-24-60]: Kanttekening 60: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk kolokwinthen, of wilde kouwoerden, of de figuren en afbeeldingen derzelve gelijk boven, 1 Kon. 6:18 , en 2 Kon. 4:39 ; maar het schijnt dat het in het algemeen ook betekent allerlei figuren van loof, bloemen, vruchten en beesten, tot versiering ergens op of in gewrocht. Want 2 Kron. 4:3 wordt tot breder verklaring van deze plaats gesteld de gelijkenis, of beeltenissen van ossen. 1 Koningen 6:18 : En het ceder aan het huis inwendig was gesneden met knoppen en open bloemen; het was al ceder, geen steen werd gezien. 2 Koningen 4:39 : Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in de moespot; want zij kenden ze niet. 2 Kronieken 4:3 : Onder dezelfde nu was de gelijkenis van runderen, rondom heen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen van deze runderen waren in haar gieting gegoten.
[^1koningen-7-24-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 4:3 . 2 Kronieken 4:3 : Onder dezelfde nu was de gelijkenis van runderen, rondom heen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen van deze runderen waren in haar gieting gegoten.
[^1koningen-7-24-61]: Kanttekening 61: tien in een el: De zin is, dat in ieder kubiet, of el, geweest zijn tien knoppen. En zo nu in vers 23 gezegd is dat een rij van deze knoppen dertig ellen in haar omgang had, zo volgt dat het getal van de knoppen in een rij geweest is driehonderd, en in de twee tezamen zeshonderd. 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^1koningen-7-24-62]: Kanttekening 62: haar gieting: Te weten, van de zee. Want zij waren niet gesneden of gegraveerd aan deze koperen zee, maar tezamen met dezelfde gegoten. Zo 2 Kon. 4:3 . 2 Koningen 4:3 : Toen zei hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben.
[^1koningen-7-25-63]: Kanttekening 63: hun achterdelen: Dat is, de achterste delen van deze runderen waren inwaarts onder deze koperen zee verborgen, dat zij niet wel konden gezien worden. Zo 2 Kron. 4:4 . 2 Kronieken 4:4 : Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelfde; en al hun achterdelen waren inwaarts.
[^1koningen-7-26-64]: Kanttekening 64: twee duizend: Versta, dat men daarin gewoonlijk zoveel water deed; maar tot boven toe vol zijnde hield zij drie duizend bath, 2 Kron. 4:5 . 2 Kronieken 4:5 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem, bevattende vele bathen; zij hield drie duizend.
[^1koningen-7-26-65]: Kanttekening 65: Een grote maat van de Hebreën van natte waren, houdende zoveel als een efa in droge waren, Ez. 45:11 . Een efa nu hield tien gomer, Ex. 16:36 , en Lev. 5:11 . Een gomer hield drie en veertig gemene eierschalen; zes van deze schalen houden de maat van een log. Zie Lev. 14:10 . Twee en zeventig log maakt omtrent een bath. Ezechiël 45:11 : Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer. Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 14:10 : En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^1koningen-7-27-66]: Kanttekening 66: Of, onderzetstelen, voeten, ondersteunselen, of pedestallen, die vierhoeking stonden, op welke boven een wasvat vast ingezet was, veel waters houdende, waarin de offeranden afgewassen werden; tot welke einde zij ook wielen hadden, waarmee zij van de ene plaats in de andere vervoerd werden.
[^1koningen-7-28-67]: Kanttekening 67: lijsten, en de lijsten: Hebreeuws, בֵּ֥ין, besluitingen. Versta, ruimten tussen twee kransen besloten, in welke de figuren van beesten en cherubim tot versiering gemaakt waren. Zie vers 29 en onder, vers 36 . 1 Koningen 7:29 : En op de lijsten, die tussen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet boven heen; en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk. 1 Koningen 7:36 : Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.
[^1koningen-7-28-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, trapjes. Deze waren uitstekende boorden, of randen, rondom elk gestoelte gemaakt, die trapsgewijze elkaar volgden, en de voorgemelde lijsten of ruimten van boven en onder besloten. De opperste waren in figuren en afbeeldingen als een dak; de onderste als haar grond en bodem.
[^1koningen-7-29-69]: Kanttekening 69: voet boven heen: Versta, een effen plaats of ruimte, dienende tot ondersteuning van het wasvat, dat daarop leunde.
[^1koningen-7-29-70]: Kanttekening 70: Dat is, bijgevoegde versierselen van doorvlochten en uitgetrokken werk, welke waren aan de hals van het wasvat, een halve el daaronder. Zie onder, vers 35 . 1 Koningen 7:35 : En op het hoofd van een stelling was een ronde hoogte van een halve el rondom; ook waren op het hoofd van de stelling haar handhaven, en haar lijsten uit denzelve.
[^1koningen-7-30-71]: Kanttekening 71: koperen platen: In welke de assen van de wielen staken, tot ondersteuning van de stellingen, die daarop lagen.
[^1koningen-7-30-72]: Kanttekening 72: Dat is, houvasten, als schouders die boven uit de holligheid aan de vier hoeken van de stelling uitkwamen; niet van buiten daaraan gemaakt, maar daaruit ontspringende, en daarmede gegoten zijnde, om het wasvat, dat daarop lag, vast te houden, opdat het in het vervoeren van de stelling niet zou waggelen. Vergelijk onder, vers 34 . 1 Koningen 7:34 : En er waren vier schouders op de vier hoeken van een stelling; haar schouders waren uit de stelling.
[^1koningen-7-30-73]: Kanttekening 73: Zie hiervan onder, vers 38 . 1 Koningen 7:38 : Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.
[^1koningen-7-31-74]: Kanttekening 74: mond daarvan: Versta, een eenparige en gelijke holligheid in de plaat, die boven over de stelling was, en die het wasvat, daarin tot een halve el toe ingelaten zijnde, even vulde.
[^1koningen-7-31-75]: Kanttekening 75: Dat is, de omloop van de mond, of van de holligheid, waarin het wasvat ingelaten werd.
[^1koningen-7-31-76]: Kanttekening 76: Gelijkvormig aan het werk, dat tot ondersteuning van enig ding gemaakt wordt, en op hetzelfde alleszins wel moet passen. Daarom, gelijk het wasvat rond was, zo moest ook deze holligheid van de mond rond wezen.
[^1koningen-7-31-77]: Kanttekening 77: van een el: Te weten, naar de maat van het wasvat, dat in het gestoelte ingelaten werd.
[^1koningen-7-31-78]: Kanttekening 78: op de mond: Dat is, op de plaat, of het deksel waarin de mond was, die het wasvat vatte.
[^1koningen-7-31-79]: Kanttekening 79: lijsten daarvan: Dat is, de uiterste omgangen of omlopen, die het opperste deksel van de stelling besloten.
[^1koningen-7-32-80]: Kanttekening 80: de assen van de raderen: Hebreeuws, אַרְבַּ֣עַת, handen.
[^1koningen-7-34-81]: Kanttekening 81: schouders op de vier hoeken: Sommigen menen dat deze schouders van de voorgemelde, boven, vers 30 , zouden onderscheiden zijn geweest, zodat die kwamen uit de holligheid, waarin het wasvat ingelaten wordt, maar dat deze van buiten de holligheid van het wasvat het middelste deel daarvan onderstutten. 1 Koningen 7:30 : En een stelling had vier koperen raderen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden schouders; onder het wasvat waren deze gegoten schouders ter zijde van ieders bijvoegselen.
[^1koningen-7-34-82]: Kanttekening 82: waren uit de stelling: Dat is, zij waren niet van buiten daaraan gehecht, maar een werk uit de stelling voortkomende. Zie boven, vers 30 . 1 Koningen 7:30 : En een stelling had vier koperen raderen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden schouders; onder het wasvat waren deze gegoten schouders ter zijde van ieders bijvoegselen.
[^1koningen-7-35-83]: Kanttekening 83: het hoofd van een stelling: Te weten, boven de stelling en de schouders derzelve.
[^1koningen-7-35-84]: Kanttekening 84: Hebreeuws, handen. Zo in vers 36 . Versta, het opperste van de schouders, waarmee, als met handen, het wasvat ondersteund werd. Of versta hierdoor, kleine pilaartjes, die boven uit de vier hoeken van de stelling doorgingen, hebbende vierkante lijsten, in welke sierlijke graveringen waren. 1 Koningen 7:36 : Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.
[^1koningen-7-36-85]: Kanttekening 85: op haar lijsten: Zie boven, vers 31 . 1 Koningen 7:31 : En de mond daarvan was van binnen de krans, en daarboven van een el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van een el en een halve el; en op de mond daarvan waren ook graveringen, en de lijsten daarvan waren vierkantig, niet rond.
[^1koningen-7-38-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 4:6 . 2 Kronieken 4:6 : En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te groeien; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden groeien.
[^1koningen-7-38-86]: Kanttekening 86: Staande op de koperen stellingen, die men vervoeren kon, beschreven in de voorgaande verzen vanaf vers 27 . Deze vaten werden gevuld met water, dat de priesters in hun dienst gebruiken moesten. Zie 2 Kron. 5:6 , en vergelijk Lev. 8:11 en de aantekeningen. 1 Koningen 7:27 : Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte. 2 Kronieken 5:6 : De koning Salomo nu, en de gehele vergadering van Israël, die bij hem vergaderd waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden. Leviticus 8:11 : En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.
[^1koningen-7-38-87]: Kanttekening 87: Te weten, waters. Zie van deze maat boven, vers 26 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^1koningen-7-39-88]: Kanttekening 88: het huis: TE weten, in het voorhof van de priesters, alwaar de offeranden bereid werden.
[^1koningen-7-39-89]: Kanttekening 89: de zee: Zie boven, vers 23 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^1koningen-7-39-90]: Kanttekening 90: Alwaar de ingang was van het huis.
[^1koningen-7-40-91]: Kanttekening 91: Meteen in vers 40 genoemd Hiram en elders ook Huram. Zie boven, vers 13 . Denzelfden naam had de koning van Tyrus. 1 Koningen 7:40 : Daartoe maakte Hiram de wasvaten, en de schoffelen, en de besprengbekkens; en Hiram voltooide al het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo maakte voor het huis van YHWH; 1 Koningen 7:13 : En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen.
[^1koningen-7-41-92]: Kanttekening 92: Versta hierdoor kronen, die het opperste deel van het kapiteel waren, van welke zie boven, vers 19 , 7:20 . 1 Koningen 7:19 : En de kapitelen, dewelke waren op het hoofd van de pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen. 1 Koningen 7:20 : De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de buik, dewelke was naast het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.
[^1koningen-7-42-93]: Kanttekening 93: de vierhonderd: Zie boven, vers 20 . 1 Koningen 7:20 : De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de buik, dewelke was naast het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.
[^1koningen-7-43-94]: Kanttekening 94: Zie van deze boven, vers 27 . 1 Koningen 7:27 : Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte.
[^1koningen-7-43-95]: Kanttekening 95: tien wasvaten: Zie boven, vers 38 . 1 Koningen 7:38 : Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.
[^1koningen-7-44-96]: Kanttekening 96: enige zee: Zie boven, vers 23 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^1koningen-7-44-97]: Kanttekening 97: twaalf runderen: Zie boven, vers 25 . 1 Koningen 7:25 : Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelfde; en al hun achterdelen waren inwaarts.
[^1koningen-7-45-98]: Kanttekening 98: potten ook: Om het vlees van enige offeranden, dat door de priesters en die de beesten ter offering brachten, gegeten werd, daarin te zieden. Enige potten waren ook om de as van de offeranden daarin te vergaderen en uit te dragen. Zie Ex. 27:3 . Exodus 27:3 : U zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult u van koper maken.
[^1koningen-7-46-99]: Kanttekening 99: dichte aarde: Dat is, kleiige, vette en taaie aarde. Zo 2 Kron. 4:17 . 2 Kronieken 4:17 : In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredatha.
[^1koningen-7-46-100]: Kanttekening 100: Gelegen in de stam van Gad over de Jordaan. Zie Gen. 33:17 . Genesis 33:17 : Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam dier plaats Sukkoth.
[^1koningen-7-46-101]: Kanttekening 101: Zie Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^1koningen-7-47-102]: Kanttekening 102: zeer grote menigte: Hebreeuws, מְאֹ֣ד, van de menigte zeer zeer.
[^1koningen-7-48-103]: Kanttekening 103: gouden altaar: Dat is, overtrokken met goud, Ex. 30:3 , maar anders gemaakt van cederenhout, boven, 1 Kon. 6:20 , dat sittimhout genoemd wordt, Ex. 30:1 . Exodus 30:3 : En u zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en de wanden daarvan rondom, als ook zijn hoornen; en u zult het een gouden krans rondom maken. 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar. Exodus 30:1 : U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken.
[^1koningen-7-48-k]: Verwijzing k: Ex. 30:1 . Exodus 30:1 : U zult ook een reukaltaar van de reukwerks maken; van sittimhout zult u het maken.
[^1koningen-7-48-l]: Verwijzing l: Ex. 25:23 . Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
[^1koningen-7-48-104]: Kanttekening 104: Versta, tafelen in het getal van velen. Want in de tempel van Salomo zijn er tien geweest, 2 Kron. 4:8 . Zij waren van goud, daarmede van buiten overtogen zijnde, maar van binnen waren zij van hout. Vergelijk Ex. 25:23 , 25:24 . 2 Kronieken 4:8 : Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens. Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn. Exodus 25:24 : En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.
[^1koningen-7-48-105]: Kanttekening 105: toonbroden waren: Hebreeuws, זָהָֽב, broden van de aangezichten; zo genoemd niet omdat zij aangezichten hadden, maar omdat zij voor het aangezicht van de Heer, dat is voor het heilige van de heiligen lagen. Zie Ex. 25:30 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.
[^1koningen-7-49-106]: Kanttekening 106: aan de rechterhand: Dat is, aan de noord- en zuidzijde van het heilige.
[^1koningen-7-49-107]: Kanttekening 107: de aanspraakplaats: Zie boven, 1 Kon. 6:5 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^1koningen-7-49-108]: Kanttekening 108: gesloten goud: Zie boven, 1 Kon. 6:20 . Van zodanig goud waren deze kandelaars gemaakt, zijnde daarmede niet slechts overtrokken, maar daaruit geheel bestaande, gelijk de kandelaar van Mozes, in welke met zijn toebehoren een talent gouds gegaan is, Ex. 25:31 , 25:39 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar. Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1koningen-7-49-109]: Kanttekening 109: Zie van deze drie Ex. 25:31 , 25:37 , 25:38 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. Exodus 25:37 : U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden. Exodus 25:38 : Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.
[^1koningen-7-50-110]: Kanttekening 110: Of, vorkjes, of snijmessen. Anders, muzikale instrumenten.
[^1koningen-7-50-111]: Kanttekening 111: Dewelke waren honderd in getal, 2 Kron. 4:8 . 2 Kronieken 4:8 : Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.
[^1koningen-7-50-112]: Kanttekening 112: Anders, lepels.
[^1koningen-7-50-113]: Kanttekening 113: gesloten goud: Zie boven, 1 Kon. 6:20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^1koningen-7-51-m]: Verwijzing m: 2 Sam. 8:7 ; idem v. 11 . 2 Samuël 8:7 : En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem. 2 Samuël 8:11 : Welke de koning David ook YHWH heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had;
[^1koningen-7-51-114]: Kanttekening 114: de geheiligde dingen: Dat is, die de Heer tot een heilig gebruik van David geëigend waren.
[^1koningen-7-51-n]: Verwijzing n: 2 Kron. 5:1 . 2 Kronieken 5:1 : Zo werd al het werk volbracht, dat Salomo aan het huis van YHWH maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de vaten legde hij onder de schatten van het huis van God.

### 1 Koningen 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/8.json)

*Salomo verzamelt de voornaamsten van de Israëlieten om de tempel in te wijden, vers 1 enz. De ark van het verbond met het heilige gereedschap wordt daarin gebracht, 4. De HEERE geeft een teken van zijn tegenwoordigheid, 10. Salomo zegent de gemeente en dankt God, 14 en 54. hij doet een mooi gebed tot God, 22. hij offert met de gemeente, 62. zij houden het Loofhuttenfeest, 65.*

**1** [^1koningen-8-1-a] Toen verzamelde Salomo[^1koningen-8-1-1] de oudsten van Israël, en al de[^1koningen-8-1-2] hoofden van de stammen, de oversten[^1koningen-8-1-3] van de vaders, onder de Israëlieten,[^1koningen-8-1-4] tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van[^1koningen-8-1-5] YHWH op te brengen[^1koningen-8-1-b] uit[^1koningen-8-1-6] de stad van David, die is Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v1)

**2** En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand[^1koningen-8-2-7] Ethanim op[^1koningen-8-2-8] het feest; die is[^1koningen-8-2-9] de zevende maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v2)

**3** En al de oudsten van Israël kwamen; en de priesters namen de[^1koningen-8-3-10] ark op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v3)

**4** En zij brachten de ark van YHWH[^1koningen-8-4-11] en de tent van de samenkomst omhoog en ook al de[^1koningen-8-4-12] heilige voorwerpen, die in de tent waren; en[^1koningen-8-4-13] de priesters en de Levieten brachten die omhoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v4)

**5** De koning Salomo nu en de hele gemeenschap van Israël, die bij hem verzameld waren, waren[^1koningen-8-5-14] met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v5)

**6** Zo brachten de priesters de ark van het verbond van YHWH tot haar plaats, tot de aanspraakplaats[^1koningen-8-6-15] van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder de vleugels van[^1koningen-8-6-16] de cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v6)

**7** Want de cherubim spreidden beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar[^1koningen-8-7-17] handbomen van boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v7)

**8** Daarna[^1koningen-8-8-18] schoven zij de handbomen verder uit, dat de[^1koningen-8-8-19] hoofden van de handbomen gezien werden[^1koningen-8-8-20] uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar[^1koningen-8-8-21] buiten niet gezien werden; en zij zijn daar[^1koningen-8-8-22] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v8)

**9** [^1koningen-8-9-23] Er was niets in de ark, dan[^1koningen-8-9-24] alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had,[^1koningen-8-9-c] als YHWH een[^1koningen-8-9-25] verbond maakte met de Israëlieten, toen zij uit Egypteland vertrokken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v9)

**10** En het gebeurde, als de priesters uit het[^1koningen-8-10-26] heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v10)

**11** [^1koningen-8-11-d] En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de[^1koningen-8-11-27] heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v11)

**12** Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.[^1koningen-8-12-e][^1koningen-8-12-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v12)

**13** Ik heb[^1koningen-8-13-29] immers een huis gebouwd, U ter[^1koningen-8-13-30] woonstede, een[^1koningen-8-13-31] vaste plaats tot Uw[^1koningen-8-13-32] eeuwige woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v13)

**14** Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en[^1koningen-8-14-33] zegende de hele gemeente van Israël; en de hele gemeente van Israël stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v14)

**15** En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die[^1koningen-8-15-34] met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v15)

**16** [^1koningen-8-16-f] Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd[^1koningen-8-16-35] heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen,[^1koningen-8-16-36] dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v16)

**17** [^1koningen-8-17-37][^1koningen-8-17-g] Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van YHWH, de God van Israël, te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v17)

**18** Maar YHWH zei tot David, mijn vader: Omdat het in uw hart geweest is om voor Mijn Naam een huis te bouwen, hebt u welgedaan, dat het in uw hart geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v18)

**19** Evenwel u zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die[^1koningen-8-19-38] uit uw lichaam voortkomen zal, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v19)

**20** Zo heeft YHWH bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, zoals YHWH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van YHWH, de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v20)

**21** En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin[^1koningen-8-21-39] het verbond van YHWH is, dat Hij met onze vaders maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v21)

**22** [^1koningen-8-22-h] En Salomo[^1koningen-8-22-40] stond voor het altaar van YHWH, tegenover de hele gemeente van Israël, en[^1koningen-8-22-41] breidde zijn handen uit naar de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v22)

**23** En hij zei: YHWH, God van Israël, er is geen God, zoals U, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de goedertierenheid aan Uw knechten, die[^1koningen-8-23-42] voor Uw aangezicht met hun[^1koningen-8-23-43] hele hart wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v23)

**24** Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand[^1koningen-8-24-44] vervuld, zoals het te deze dage is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v24)

**25** En nu YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende:[^1koningen-8-25-45][^1koningen-8-25-i] Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israël zitte; alleen zo uw[^1koningen-8-25-46] zonen hun weg bewaren, om te[^1koningen-8-25-47] wandelen voor Mijn aangezicht, zoals u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v25)

**26** Nu dan, o God van Israël, laat toch Uw woord waar worden, dat U gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v26)

**27** [^1koningen-8-27-48][^1koningen-8-27-k] Maar werkelijk,[^1koningen-8-27-49] zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja,[^1koningen-8-27-50] de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v27)

**28** Wend U dan nog tot het gebed[^1koningen-8-28-51] van Uw knecht, en tot zijn smeking, o YHWH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht vandaag voor Uw aangezicht bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v28)

**29** Dat Uw[^1koningen-8-29-52] ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U[^1koningen-8-29-l] gezegd hebt:[^1koningen-8-29-53] Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal[^1koningen-8-29-54] in deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v29)

**30** Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk[^1koningen-8-30-55] Israël, die in deze plaats zullen bidden; en U, hoor in de plaats van Uw woning, in de hemel, ja, hoor, en vergeef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v30)

**31** Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en[^1koningen-8-31-56] hij hem een[^1koningen-8-31-57] eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelf te vervloeken; en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v31)

**32** Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten,[^1koningen-8-32-58] veroordelende de ongerechtige,[^1koningen-8-32-59] door zijn weg op zijn hoofd te geven, en[^1koningen-8-32-60] rechtvaardigende de gerechtige, door hem naar zijn gerechtigheid te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v32)

**33** Wanneer Uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht van de vijand, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en[^1koningen-8-33-61] Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v33)

**34** Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun vaders gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v34)

**35** Als de hemel zal[^1koningen-8-35-62] gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd[^1koningen-8-35-63] zult hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v35)

**36** Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de[^1koningen-8-36-64] goede weg waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v36)

**37** Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal,[^1koningen-8-37-65] als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plaag,[^1koningen-8-37-66] of enige ziekte wezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v37)

**38** Alle gebed, alle smeking, die[^1koningen-8-38-67] van enig mens, van al Uw volk Israël, gebeuren zal; als zij erkennen, een ieder[^1koningen-8-38-68] de plaag van zijn hart, en een ieder zijn handen[^1koningen-8-38-69] in dit huis uitbreiden zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v38)

**39** Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef ieder naar[^1koningen-8-39-70] al zijn wegen, zoals U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van[^1koningen-8-39-71] alle kinderen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v39)

**40** Opdat[^1koningen-8-40-72] zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat U onze vaders gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v40)

**41** Zelfs ook voor wat betreft de[^1koningen-8-41-73] vreemde, die van Uw volk Israël niet zal zijn, maar uit ver land[^1koningen-8-41-74] omwille van Uw Naam komen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v41)

**42** (Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke[^1koningen-8-42-75] hand, en van Uw[^1koningen-8-42-76] uitgestrekte arm) als hij komen en bidden zal in dit huis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v42)

**43** Hoor U in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, zoals Uw volk Israël, en om te weten, dat[^1koningen-8-43-77] Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v43)

**44** Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijand uittrekken[^1koningen-8-44-78] zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg[^1koningen-8-44-79] van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik voor Uw Naam gebouwd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v44)

**45** Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en[^1koningen-8-45-80] voer hun recht uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v45)

**46** Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U[^1koningen-8-46-m] (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen als gevangene wegvoeren in het land van de vijand, dat verre of nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v46)

**47** En zij in het land, waar zij als gevangene weggevoerd zijn, weer aan[^1koningen-8-47-81] hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van degenen, die ze als gevangene weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v47)

**48** En zij zich tot U bekeren, met hun[^1koningen-8-48-82] hele hart, en met hun hele ziel, in het land van hun vijanden, die hen als gevangene weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen[^1koningen-8-48-83] naar de weg van hun land (dat U hun vaders gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik voor Uw Naam gebouwd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v48)

**49** Hoor dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smeking en[^1koningen-8-49-84] voer hun recht uit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v49)

**50** En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en[^1koningen-8-50-85] geef hun barmhartigheid voor het aangezicht van degenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v50)

**51** Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden van de[^1koningen-8-51-86] ijzeren ovens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v51)

**52** Opdat Uw[^1koningen-8-52-87] ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israël, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v52)

**53** Want U hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken van de aarde;[^1koningen-8-53-n] zoals U gesproken hebt[^1koningen-8-53-88] door de dienst van Mozes, Uw knecht, als U onze vaders uit Egypte uitvoerde, Adonai YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v53)

**54** Het gebeurde nu, als Salomo voltooid had dit hele gebed, en deze smeking tot YHWH te bidden, dat hij van voor het altaar van[^1koningen-8-54-89] YHWH opstond, van het knielen op zijn knieën, met zijn handen[^1koningen-8-54-90] uitgebreid naar de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v54)

**55** Zo stond hij, en[^1koningen-8-55-91] zegende de hele gemeente van Israël, zeggende met[^1koningen-8-55-92] luide stem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v55)

**56** Geloofd zij YHWH, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft![^1koningen-8-56-93][^1koningen-8-56-o] Niet één enig woord is er gevallen van[^1koningen-8-56-94] al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door[^1koningen-8-56-95] de dienst van Mozes, Zijn knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v56)

**57** YHWH, onze God,[^1koningen-8-57-96] zij met ons, zoals Hij geweest is met onze vaders; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v57)

**58** Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden[^1koningen-8-58-97] Zijn geboden, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, die Hij onze vaders geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v58)

**59** En dat deze mijn woorden, waarmee ik voor YHWH gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor YHWH, onze God, dag en nacht; opdat Hij het recht van[^1koningen-8-59-98] Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk[^1koningen-8-59-99] Israël, elk dagelijks op zijn dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v59)

**60** Opdat alle volken van de aarde weten,[^1koningen-8-60-p] dat YHWH die God is, niemand meer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v60)

**61** En uw hart[^1koningen-8-61-100] volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn voorschriften, en Zijn geboden te houden,[^1koningen-8-61-101] zoals te deze dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v61)

**62** En de koning, en geheel Israël met hem, offerden slachtoffers[^1koningen-8-62-102] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v62)

**63** En[^1koningen-8-63-q] Salomo offerde als dankoffer, dat hij aan YHWH offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Zo hebben zij het huis van YHWH ingewijd, de koning en al de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v63)

**64** Op diezelfde dag[^1koningen-8-64-103] heiligde de koning het middelste[^1koningen-8-64-104] van de voorhof, dat[^1koningen-8-64-105] voor het huis van YHWH was, omdat hij daar het brandoffer en het voedseloffer bereid had, en ook het vet van de dankoffers; want het koperen altaar, dat[^1koningen-8-64-106] voor het aangezicht van YHWH was, was[^1koningen-8-64-r] te klein, om de brandoffers, en de voedseloffers, en het vet van de dankoffers te bevatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v64)

**65** Terzelfder tijd ook hield Salomo[^1koningen-8-65-107] het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van[^1koningen-8-65-108] Hamath tot de[^1koningen-8-65-109] rivier van Egypte, voor het aangezicht van YHWH, onze God, zeven dagen en[^1koningen-8-65-110] zeven dagen, zijnde veertien dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v65)

**66** Op de[^1koningen-8-66-111] achtste dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blij en[^1koningen-8-66-112] goedsmoeds over al het goede, dat YHWH aan[^1koningen-8-66-113] David, Zijn knecht, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/8.html#v66)

[^1koningen-8-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 5:2 . 2 Kronieken 5:2 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen onder de kinderen van Israël, te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^1koningen-8-1-1]: Kanttekening 1: de oudsten van Israël: Zie Lev. 4:15 . Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^1koningen-8-1-2]: Kanttekening 2: hoofden van de stammen: Zie Num. 1:4 , 1:16 . Numeri 1:4 : En met u zullen zijn van elke stam een man, die een hoofdman is over het huis van zijn vaderen. Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.
[^1koningen-8-1-3]: Kanttekening 3: van de vaderen: Iedere stam van de Israëlieten bestond uit zekere huisgezinnen of geslachten, welk elk bijzonder hun opperste vaderen hadden. Naast deze waren in elke stam hoofdlieden over honderd, over duizend, enz., welker voornaamsten en principalen hier moeten verstaan worden. Vergelijk Ex. 18:21 ; Num. 3:24 , 3:30 , 3:35 ; 1 Kron. 4:38 . Exodus 18:21 : Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen. Numeri 3:24 : De overste nu van het vaderlijke huis van de Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael. Numeri 3:30 : De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël. Numeri 3:35 : De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, noordwaarts. 1 Kronieken 4:38 : Deze kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen van hun vaderen braken uit in menigte.
[^1koningen-8-1-4]: Kanttekening 4: tot de koning: Dat is, tot hem, naar de manier van spreken van de Hebreën. Zie boven, 1 Kon. 2:19 . 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
[^1koningen-8-1-5]: Kanttekening 5: op te brengen: Te weten, in de tempel; tot denwelken, omdat hij op de berg Moria gebouwd was, men met trappen opklimmen moest.
[^1koningen-8-1-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 5:9 ; 2 Sam. 6:12 ; idem 6:17 . 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 2 Samuël 6:12 : Toen boodschapte men de koning David, zeggende: De YHWH heeft het huis van Obed-edom, en al wat hij heeft, gezegend om van de ark van God wil; zo ging David heen en haalde de ark van God uit het huis van Obed-edom opwaarts in de stad van David, met vreugde. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor de aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1koningen-8-1-6]: Kanttekening 6: de stad van David: Die David gewonnen, betimmerd en bewoond had. Zie boven, 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^1koningen-8-2-7]: Kanttekening 7: Deze maand komt meest overeen met onze September. Zij wordt Ethanim genoemd, dat is, van de sterken, of van de sterkten; omdat, \[gelijk enige menen\] in deze de vruchten van het land ingezameld werden, die als de kracht van de aarde zijn, van God verordend om het leven van de mens te onderhouden en te versterken.
[^1koningen-8-2-8]: Kanttekening 8: het feest: Versta, het feest van de inwijding, gaande vóór het loofhuttenfeest. Zie onder, vers 65 , en van het feest van de loofhutten Lev. 23:24 ; Deut. 16:13 ; 2 Kron. 5:3 . 1 Koningen 8:65 : Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen. Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping. Deuteronomium 16:13 : Het feest van de loofhutten zult u u zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. 2 Kronieken 5:3 : En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning op het feest, dat was in de zevende maand.
[^1koningen-8-2-9]: Kanttekening 9: de zevende maand: Te weten, naar de rekening van de kerkelijke maanden van God verordend, Ex. 12:2 . Anders, vóór de uittocht van de Israëlieten uit Egypte was deze maand de eerste, te weten van het burgerlijk jaar. Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn.
[^1koningen-8-3-10]: Kanttekening 10: ark op: Die te deze tijde te Jeruzalem was, 2 Kron. 1:4 . 2 Kronieken 1:4 : (Maar de ark van God had David van Kirjath-jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)
[^1koningen-8-4-11]: Kanttekening 11: en de tent: Die op deze tijd met het koperen altaar van Bezaleël, in de woestijn gemaakt, te Gibeon was, 2 Kron. 1:3 , 1:5 . 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. 2 Kronieken 1:5 : Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente bezochten het.
[^1koningen-8-4-12]: Kanttekening 12: heilige vaten: Hebreeuws, כְּלֵ֥י, vaten van de heiligheid; dat is, die tot een heilig gebruik verordend waren. Zie Lev. 16:4 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^1koningen-8-4-13]: Kanttekening 13: de priesters en de Levieten: Te weten, met dit onderscheid, dat de priesters de ark en de heilige vaten droegen, maar de Levieten de tent van de samenkomst met haar toebehoren. Vergelijk de aantekeningen Num. 4:15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^1koningen-8-5-14]: Kanttekening 14: met hem voor de ark: Namelijk, met de koning Salomo. Anders \[gingen\] met hem voor de ark. Versta, dat de offeranden, hier vermeld, op de weg, door denwelken de ark gedragen werd, hier en daar zouden geofferd zijn. Vergelijk 2 Sam. 6:13 . 2 Samuël 6:13 : En het geschiedde, als zij, die de ark van YHWH droegen, zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde.
[^1koningen-8-6-15]: Kanttekening 15: van het huis: Dat is, van de tempel.
[^1koningen-8-6-16]: Kanttekening 16: Die Salomo had laten maken, en die veel groter waren dan de cherubim, die Mozes in de woestijn had laten maken. Zie Ex. 25:20 , boven, 1 Kon. 6:27 . Exodus 25:20 : En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. 1 Koningen 6:27 : En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zodat de vleugel van de ene raakte aan deze wand, en de vleugel van de andere cherub raakte aan de andere wand; en hun vleugelen naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel.
[^1koningen-8-7-17]: Kanttekening 17: Waarmee de ark gedragen moest worden, Ex. 25:14 . Exodus 25:14 : En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn, dat men de ark daarmede drage.
[^1koningen-8-8-18]: Kanttekening 18: schoven zij: Hebreeuws, בַּדִּים֒, verlengden ze; te weten, door die verder en langer uit te trekken. Want geheel uit te nemen, was van God verboden, Ex. 25:15 . Zie Num. 4:6 . Exodus 25:15 : De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden. Numeri 4:6 : En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.
[^1koningen-8-8-19]: Kanttekening 19: hoofden van de handbomen: Dat is, de einden.
[^1koningen-8-8-20]: Kanttekening 20: uit het heiligdom: Dat is, van degenen, die in het deel van de tempel, dat meer uitwaarts was, \[genoemd het heilige \] waren; 2 Kron. 5:9 staat dat ze gezien werden uit de ark. Dat zo niet te nemen is, alsof men de ark gezien had; maar de zin is dat de uiterste einden van de handbomen, die uit de ark voortkwamen, zich in het heiligdom vertoonden, te weten, niet bloot maar bedekt met het voorhangsel. 2 Kronieken 5:9 : Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op deze dag.
[^1koningen-8-8-21]: Kanttekening 21: buiten niet gezien werden: Namelijk, het heilige.
[^1koningen-8-8-22]: Kanttekening 22: tot op deze dag: Te weten, als dit boek geschreven werd.
[^1koningen-8-9-23]: Kanttekening 23: Er was niets in de ark: Zie Deut. 10:5 . Deuteronomium 10:5 : En ik keerde mij, en ging af van de berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en daar zijn zij, gelijk als YHWH mij geboden heeft.
[^1koningen-8-9-24]: Kanttekening 24: alleen de twee stenen tafelen: De woorden van de apostel, door welke hij schijnt te zeggen, Hebr., 9:4 , dat in de ark ook geweest is de gouden kruik met manna en de staf van Aäron, die gebloeid had, moet men aldus verstaan, dat ze in dezelfde plaats van de tabernakel, waar de ark was, ja bij deze geweest zijn, Ex. 16:34 ; Num. 17:10 . Gelijk het woord in dikwijls voor bij genomen wordt, gelijk Joz. 5:13 , en Joz. 10:10 , enz., ja zelfs hier in vers 9 in Horeb, voor, bij Horeb. Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond. Exodus 16:34 : Gelijk als YHWH aan Mozes geboden had, zo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring. Numeri 17:10 : Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven. Jozua 5:13 : Verder geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Bent U van ons, of van onze vijanden? Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. 1 Koningen 8:9 : Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.
[^1koningen-8-9-c]: Verwijzing c: Ex. 34:27 . Exodus 34:27 : Verder zei YHWH tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt.
[^1koningen-8-9-25]: Kanttekening 25: een verbond : Gelijke manier van spreken, in welke dit woord verzwegen wordt, vindt men 1 Sam. 20:16 , en 1 Sam. 22:8 ; 2 Kron. 5:10 . 1 Samuël 20:16 : Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat YHWH eise van de hand van de vijanden Davids! 1 Samuël 22:8 : Dat u u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met de zoon van Isaï; en niemand is onder u, die het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is. 2 Kronieken 5:10 : Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.
[^1koningen-8-10-26]: Kanttekening 26: heilige uitgingen: Dat is, het voorste deel van de tempel, Ex. 26:33 , en Ex. 28:43 . Exodus 26:33 : En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Exodus 28:43 : Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent van de samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.
[^1koningen-8-11-d]: Verwijzing d: Ex. 40:34 ; idem v. 35 ; 2 Kron. 7:2 . Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Exodus 40:35 : Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van YHWH de tabernakel vervulde. 2 Kronieken 7:2 : En de priesters konden niet ingaan in het huis van YHWH; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld.
[^1koningen-8-11-27]: Kanttekening 27: heerlijkheid van YHWH: Dat is, de wolk, in welke God de Israëlieten verscheen. Vergelijk Ex. 16:10 , en Ex. 24:16 , en Ex. 40:34 , 40:35 ; Num. 16:19 ; 2 Kron. 5:13 , 5:14 , en 2 Kron. 7:1 , 7:2 , 7:3 . Exodus 16:10 : En het geschiedde, als Aäron tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van YHWH verscheen in de wolk. Exodus 24:16 : En de heerlijkheid van YHWH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk. Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Exodus 40:35 : Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van YHWH de tabernakel vervulde. Numeri 16:19 : En Korach deed de gehele vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid van YHWH aan deze gehele vergadering. 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 5:14 : En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis. 2 Kronieken 7:2 : En de priesters konden niet ingaan in het huis van YHWH; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. 2 Kronieken 7:3 : En als al de kinderen van Israël dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid van YHWH over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op de vloer, en aanbaden en loofden YHWH, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid.
[^1koningen-8-12-e]: Verwijzing e: Ex. 20:21 ; Lev. 16:2 ; Deut. 4:11 ; Deut. 5:22 ; 2 Kron. 6:1 . Exodus 20:21 : En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. Leviticus 16:2 : De YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). Deuteronomium 5:22 : Deze woorden sprak YHWH tot uw gehele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij. 2 Kronieken 6:1 : Toen zei Salomo: De YHWH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.
[^1koningen-8-12-28]: Kanttekening 28: heeft gezegd: Dat is, Hij heeft verklaard dat Hij door een zodanig zichtbaar teken, als de wolk of de donkerheid was, zijn aanwezigheid wilde openbaren. Zie Lev. 16:2 ; dat Hij ook dikwijls gedaan heeft. Zie de aantekeningen op vers 11 ; idem Ex. 13:22 , en Ex. 14:19 , en Ex. 19:16 , en Ex. 20:21 ; Num. 9:15 . Leviticus 16:2 : YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. 1 Koningen 8:11 : En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. Exodus 13:22 : Hij nam de wolkkolom overdag, noch de vuurkolom 's nachts niet weg van het aangezicht van het volk. Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Exodus 20:21 : En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. Numeri 9:15 : En op de dag van het oprichten van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen.
[^1koningen-8-13-29]: Kanttekening 29: immers een huis gebouwd: Hebreeuws, בֵּ֥ית, bouwende gebouwd; dat is, ik heb immers, of gewisselijk of ganselijk gebouwd, of ik heb volbouwd.
[^1koningen-8-13-30]: Kanttekening 30: Te weten, waarin U wonen zoudt bij uw volk, door uw woord en de zichtbare tekenen van uw genade. Zo 2 Kron. 6:2 . 2 Kronieken 6:2 : En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^1koningen-8-13-31]: Kanttekening 31: vaste plaats: Of, bereide plaats.
[^1koningen-8-13-32]: Kanttekening 32: eeuwige woning: Versta deze eeuwigheid van de tijd van de wet, en zie Gen. 13:15 . Daartoe is hierbij te voegen de conditie van gehoorzaamheid, die de Israëlieten God schuldig waren, opdat dit woord zou vast blijven. Zie boven, 1 Kon. 6:12 , 6:13 , en onder 1 Kon. 9:4 ; Ps. 89:29 , 89:30 , 89:31 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. 1 Koningen 6:12 : Wat dit huis betreft, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in die; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb; 1 Koningen 6:13 : En Ik zal in het midden van de kinderen van Israël wonen; en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten. 1 Koningen 9:4 : En zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid van het hart, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult; Psalmen 89:29 : Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. Psalmen 89:30 : En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemelen. Psalmen 89:31 : Als zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
[^1koningen-8-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, wenste de gemeente van de Heer toe alle welvaren naar ziel en lichaam. Zo onder, vers 55 . Vergelijk Num. 6:23 ; Ps. 118:26 . Anderen verstaan dit zo, dat de koning met de gehele gemeente God gezegend, dat is, gedankt en geloofd heeft; het woord God tot dit einde in de tekst inlatende. 1 Koningen 8:55 : Zo stond hij, en zegende de gehele gemeente van Israël, zeggende met luide stem: Numeri 6:23 : Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de kinderen van Israël zegenen, zeggende tot hen: Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.
[^1koningen-8-15-34]: Kanttekening 34: met Zijn mond: Dat is, door de profeet Nathan, 2 Sam. 7:6 ; 1 Kron. 17:4 . De profeten zijn als de mond van God, omdat zijn woord in hun mond is; Ex. 4:12 ; 1 Kon. 17:24 ; Jes. 51:16 ; Jer. 5:14 . 2 Samuël 7:6 : Want Ik heb in geen huis gewoond, van die dag af, dat Ik de kinderen van Israël uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. 1 Kronieken 17:4 : Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Zo zegt YHWH: U zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen. Exodus 4:12 : En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult. 1 Koningen 17:24 : Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man van God bent, en dat het woord van YHWH in uw mond waarheid is. Jesaja 51:16 : En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: U bent Mijn volk. Jeremia 5:14 : Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^1koningen-8-16-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 7:6 ; 2 Kron. 6:5 . 2 Samuël 7:6 : Want Ik heb in geen huis gewoond, van die dag af, dat Ik de kinderen van Israël uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. 2 Kronieken 6:5 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël.
[^1koningen-8-16-35]: Kanttekening 35: heb Ik: Dat is, Ik heb mijn verkiezing niet geopenbaard, noch in het werk gesteld. Zo is het woord verkiezing genomen voor de uitvoering van de verkiezing, Deut. 12:11 ; 2 Kron. 6:5 ; Zach. 2:12 , want voor God zijn al zijne werken van eeuwigheid aan bekend; Hand. 15:18 . Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en alle keur van uw geloften, die u YHWH beloven zult. 2 Kronieken 6:5 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël. Zacharia 2:12 : Dan zal YHWH Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. Handelingen 15:18 : Voor God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
[^1koningen-8-16-36]: Kanttekening 36: dat Mijn Naam: Dat is, dat mijn leer daar luidbaar zij, de godsdienst van mij ingesteld, bediend worde, het volk, dat naar mijn naam genoemd wordt, bijeenkome, mijn Geest ook daar krachtiglijk werke. Vergelijk Deut. 12:11 , onder vers 29 , en 1 Kon. 14:21 ; 2 Kon. 21:4 ; 2 Kron. 6:6 ; Ps. 132:13 , 132:14 . Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en alle keur van uw geloften, die u YHWH beloven zult. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 14:21 : Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische. 2 Koningen 21:4 : En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten. 2 Kronieken 6:6 : Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. Psalmen 132:13 : Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
[^1koningen-8-17-37]: Kanttekening 37: Het was ook: Dat is, hij had voorgenomen. Zie gelijke manier van spreken, 1 Sam. 14:7 ; 2 Sam. 7:3 ; 1 Kon. 10:2 ; 1 Kron. 17:2 , en 1 Kron. 22:7 , en vergelijk boven de aantekeningen op 1 Kon. 5:5 . 1 Samuël 14:7 : Toen zei zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart. 2 Samuël 7:3 : En Nathan zei tot de koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want YHWH is met u. 1 Koningen 10:2 : En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. 1 Kronieken 17:2 : Toen zei Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u. 1 Kronieken 22:7 : En David zei tot Salomo: Mijn zoon, wat mij betreft, het was in mijn hart de Naam van YHWH, mijns Gods, een huis te bouwen; 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^1koningen-8-17-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 7:2 ; 1 Kron. 17:1 ; 2 Kron. 6:7 . 2 Samuël 7:2 : Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen. 1 Kronieken 17:1 : Het geschiedde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, de profeet, zei: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark van het verbond van YHWH onder gordijnen. 2 Kronieken 6:7 : Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen de Naam van YHWH, van de God van Israël.
[^1koningen-8-19-38]: Kanttekening 38: uit uw lendenen: Zie Gen. 35:11 . Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^1koningen-8-21-39]: Kanttekening 39: het verbond: Dat is, de tafelen van het verbond, of van het getuigenis; versta de wetten van het verbond, naar dewelke het verbond is gemaakt geweest, die in twee stenen tafelen geschreven waren. Vergelijk Deut. 31:26 . Deuteronomium 31:26 : Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van YHWH, uws Gods, dat het daar zij ten getuige tegen u.
[^1koningen-8-22-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 6:12 . 2 Kronieken 6:12 : En hij stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit;
[^1koningen-8-22-40]: Kanttekening 40: Te weten, op het koperen en verheven gestoelte, dat was in het voorhof van het volk, recht tegenover het brandofferaltaar, dat hij uit zijn stoel zien kon. Zie hiervan 2 Kon. 11:14 , en 2 Kon. 23:3 , en 2 Kron. 6:13 . 2 Koningen 11:14 : En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! 2 Koningen 23:3 : De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond. 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).
[^1koningen-8-22-41]: Kanttekening 41: Tot een bewijs, dat hij zijn hart tot God, die hij aanriep, opgeheven had, en van hem alleen alles goeds verwachtte. Van welke ceremonie, bij de ouden in het bidden gebruikt, zie ook Ezra 9:5 ; Job 11:13 ; Ps. 44:21 , en Ps. 63:5 ; 1 Tim. 2:8 . Ezra 9:5 : En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot YHWH, mijn God; Job 11:13 : Als u uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit. Psalmen 44:21 : Zo wij de Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid, Psalmen 63:5 : Zo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. 1 Timotheüs 2:8 : Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.
[^1koningen-8-23-42]: Kanttekening 42: voor Uw aangezicht: Zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^1koningen-8-23-43]: Kanttekening 43: gehele hart wandelen: Zie boven, 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-8-24-44]: Kanttekening 44: Dat is, beginnen te vervullen.
[^1koningen-8-25-45]: Kanttekening 45: Geen man: Anders, geen man zal u van voor mijn aangezicht ontbreken. De zin is dat er altijd iemand zou zijn in het geslacht Davids, die hem in het rijk opvolgen zou. Welke belofte ten volle vervuld is in Christus, wiens koninkrijk is zonder einde, Luk. 1:33 . Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^1koningen-8-25-i]: Verwijzing i: 2 Sam. 7:12 ; idem v. 16 ; 1 Kon. 2:4 ; Ps. 132:12 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël. Psalmen 132:12 : Als uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
[^1koningen-8-25-46]: Kanttekening 46: hun weg bewaren: Zie boven, 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-8-25-47]: Kanttekening 47: Zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^1koningen-8-27-48]: Kanttekening 48: Maar waarlijk: Het is alsof hij zei: Hoewel dit huis niet bekwaam is om U, die hemel en aarde vervult, te bevatten, laat het nochtans U welgevallen, daarin te wonen en de gebeden te verhoren.
[^1koningen-8-27-k]: Verwijzing k: 2 Kron. 2:6 ; Jes. 66:1 ; Jer. 23:24 ; Hand. 7:49 . 2 Kronieken 2:6 : Maar wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, omdat de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, tenzij om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken? Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Jeremia 23:24 : Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt YHWH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt YHWH. Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijner ruste?
[^1koningen-8-27-49]: Kanttekening 49: zou God: Hij wil niet loochenen dat God op de aarde is, maar hij wil zeggen dat Hij daar niet besloten is, ten aanzien van zijn wezen, hoewel Hij in de tempel als een zichtbaar teken van zijn aanwezigheid zich openbaarde, ten aanzien van zijn genade.
[^1koningen-8-27-50]: Kanttekening 50: de hemel van de hemelen: Zo Ps. 148:4 . Versta, de opperste hemel, die de allerruimste is, van Paulus genaamd de derde hemel, 2 Kor. 12:2 ; en zie de manier van spreken Lev. 2:3 , en in de aantekeningen. Psalmen 148:4 : Looft Hem, u hemelen van de hemelen! en u wateren, die boven de hemelen zijt! 2 Korinthiërs 12:2 : Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^1koningen-8-28-51]: Kanttekening 51: van Uw knecht: Dat is, tot mijn gebed.
[^1koningen-8-29-52]: Kanttekening 52: Menselijkerwijze van God gesproken, wiens ogen gezegd worden open te zijn over de zijnen, als Hij zich over hen ontfermt, hen verhoort en hun goeddoet. Vergelijk onder, vers 52 , en Ps. 33:18 , en Ps. 34:16 ; Zach. 12:4 . 1 Koningen 8:52 : Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israël, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U. Psalmen 33:18 : Ziet, het oog van YHWH is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. Zacharia 12:4 : Te die dage, spreekt YHWH, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden van de volken zal Ik met blindheid slaan.
[^1koningen-8-29-l]: Verwijzing l: Deut. 12:11 . Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uw hand, en alle keur uw geloften, die u YHWH beloven zult.
[^1koningen-8-29-53]: Kanttekening 53: Mijn Naam: Zie boven, vers 16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^1koningen-8-29-54]: Kanttekening 54: in deze plaats: Anders, naar deze plaats; te weten, zich wendende naar dit huis, en ziende op de beloften van uw aanwezigheid; zie Dan. 6:11 . Daniël 6:11 : Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had.
[^1koningen-8-30-55]: Kanttekening 55: die in deze plaats: Anders, dewelke zij, enz.
[^1koningen-8-31-56]: Kanttekening 56: hij hem: Te weten, de naaste, tegen denwelken gezondigd is.
[^1koningen-8-31-57]: Kanttekening 57: eed van de vloek: Hebreeuws, אָלָ֖ה, eigenlijk, vloek, of vervloeking. Versta, een eed van de rechter opgelegd, die in gewichtige zaken geschiedde, met zijns zelfs vervloeking zo men valselijk zwoer, en dat zeer plechtig voor het altaar, om de zweerder te meer tot aandacht en vrees te verwekken. Vergelijk Ex. 22:8 ; Num. 5:15 , 5:16 , 5:17 , 5:18 , enz. Exodus 22:8 : Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand aan zijns naasten bezittingen gelegd heeft. Numeri 5:15 : Dan zal die man zijn huisvrouw tot de priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, omdat het een spijsoffer van de ijveringen is, een spijsoffer van de gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt. Numeri 5:16 : En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht van YHWH. Numeri 5:17 : En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, dat op de vloer van de tabernakel is, zal de priester nemen, en in het water doen. Numeri 5:18 : Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer van de gedachtenis op haar handen leggen, dat het spijsoffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt.
[^1koningen-8-32-58]: Kanttekening 58: Zie van dit woord Deut. 25:1 . Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen.
[^1koningen-8-32-59]: Kanttekening 59: gevende zijn weg: Dat is, mits zijn zonden door de welverdiende straffen te plagen. Zie gelijke manier van spreken, 2 Kron. 6:23 ; Ez. 9:10 , en vergelijk onder, vers 39 . 2 Kronieken 6:23 : Hoor U dan uit de hemel, en doe, en richt Uw knechten, vergeldende de goddeloze, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de rechtvaardige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Ezechiël 9:10 : Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven. 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef iedereen naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^1koningen-8-32-60]: Kanttekening 60: rechtvaardigende de gerechtige: Dat is, vrij achtende en rechtvaardig sprekende. Zie van dit woord Gen. 44:16 ; Deut. 25:1 . Genesis 44:16 : Toen zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is. Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen.
[^1koningen-8-33-61]: Kanttekening 61: Uw Naam belijden: Dat is, zichzelven de schuld van de straf en U de eer van de gerechtigheid toeschrijven zullen. Zo onder, vers 35 . Zie Joz. 7:19 . 1 Koningen 8:35 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; Jozua 7:19 : Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
[^1koningen-8-35-62]: Kanttekening 62: gesloten zijn: Zie Deut. 11:17 . Dat anders geheten wordt de hemel als ijzer of als koper maken, Lev. 26:19 ; Deut. 28:23 . Deuteronomium 11:17 : Dat de toorn van YHWH tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluite, dat er geen regen zij, en de aarde zijn gewas niet geve; en u haastig omkomt van het goede land, dat u YHWH geeft. Leviticus 26:19 : Want Ik zal de hovaardigheid van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. Deuteronomium 28:23 : En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
[^1koningen-8-35-63]: Kanttekening 63: U hen: Anders, omdat U tegen hen getuigd zult hebben; te weten, door uw profeten of door de straf van de dorrigheid, zo 2 Kron. 6:26 . 2 Kronieken 6:26 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben;
[^1koningen-8-36-64]: Kanttekening 64: goeden weg: Zo mee genaamd 1 Sam. 12:23 . Anders, de weg van de Heer, Ps. 27:11 ; van de waarheid, Ps. 119:30 ; van het verstand, Spreuk. 9:6 ; van de heiligheid, Jes. 36:8 ; van de gerechtigheid, 2 Petr. 2:21 ; van het leven, Spreuk. 6:23 , enz. 1 Samuël 12:23 : Wat ook mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen YHWH zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar ik zal u de goede en rechte weg leren. Psalmen 27:11 : YHWH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil. Psalmen 119:30 : Ik heb gekozen de weg van de waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. Spreuken 9:6 : Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in de weg van het verstand. Jesaja 36:8 : Nu dan, wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 2 Petrus 2:21 : Want het ware hun beter, dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, die gekend hebbende, weer afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was. Spreuken 6:23 : Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven;
[^1koningen-8-37-65]: Kanttekening 65: in het land: Dat is, in zijn eigen land en steden. Het woord poorten wordt hier voor steden genomen. Zie Gen. 22:17 . Het land nu van zijn steden betekent de steden zijns lands. Zo 2 Kron. 6:28 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. 2 Kronieken 6:28 : Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige ziekte wezen zal;
[^1koningen-8-37-66]: Kanttekening 66: of enige ziekte: Dit woord is in de oorspronkelijke tekst uitgedrukt, 2 Kron. 6:28 . 2 Kronieken 6:28 : Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige ziekte wezen zal;
[^1koningen-8-38-67]: Kanttekening 67: van enig mens: Dat is, van elk een in zijn bijzonder, of van de vergadering van het volk in het algemeen.
[^1koningen-8-38-68]: Kanttekening 68: de plage zijns harten: Dat is, die hun ter harte gaat, en hen inwendiglijk zo smart, dat zij tot het gebed door het vertrouwen op God, met ware bekering van het hart gedrongen worden.
[^1koningen-8-38-69]: Kanttekening 69: in dit huis: Of, naar dit huis. Zie onder, vers 44 . 1 Koningen 8:44 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^1koningen-8-39-70]: Kanttekening 70: al zijn wegen: Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^1koningen-8-39-71]: Kanttekening 71: alle kinderen van de mensen: Dat is, alle mensen. Zo Num. 23:19 ; Job 16:21 ; Ps. 8:5 ; Pred. 3:21 . Numeri 23:19 : God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mens voor zijn vriend. Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de zoon van de mens, dat U hem bezoekt? Prediker 3:21 : Wie merkt, dat de adem van de kinderen van de mensen opvaart naar boven, en de adem van de beesten nederwaarts vaart in de aarde?
[^1koningen-8-40-72]: Kanttekening 72: zij U vrezen: Dat is, wandelen in uw wegen, gelijk verklaard wordt 2 Kron. 6:31 ; want de vrees voor de Heer verwekt de mens om het kwade te laten en het goede te doen; Spreuk. 1:7 , en Spreuk. 3:13 , en Spreuk. 16:6 . 2 Kronieken 6:31 : Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaderen gegeven hebt. Spreuken 1:7 : De vrees van YHWH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. Spreuken 3:13 : Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! Spreuken 16:6 : Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vrees voor YHWH wijkt men af van het kwade.
[^1koningen-8-41-73]: Kanttekening 73: Versta, degenen, die van hun afgoderij tot de ware God zouden bekeerd zijn.
[^1koningen-8-41-74]: Kanttekening 74: Uws Naams: Dat is, om de roem en lof, die U hebt, zo van de schepping, onderhouding en regering van alle dingen in het algemeen, als van de bezorging, bewaring en verlossing van uw kerk in het bijzonder. Zie vers 42 , en 2 Kron. 6:32 . 1 Koningen 8:42 : (Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis; 2 Kronieken 6:32 : Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit ver land, om Uws grote Naams, en van Uw sterke hand, en Uws uitgestrekten arms wil, komen zal; als zij komen, en bidden zullen in dit huis;
[^1koningen-8-42-75]: Kanttekening 75: Dat is, kracht, vermogen, zo Deut. 3:24 ; Ps. 136:12 . Zie Num. 11:23 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Psalmen 136:12 : Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Numeri 11:23 : Maar YHWH zei tot Mozes: Zou dan de hand van YHWH verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.
[^1koningen-8-42-76]: Kanttekening 76: uitgestrekten arm: Zo Ps. 136:12 ; Jer. 32:17 . Psalmen 136:12 : Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Jeremia 32:17 : Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk.
[^1koningen-8-43-77]: Kanttekening 77: Uw Naam: Dat is, dat zijn naam heeft van U. Vergelijk boven de aantekeningen op vers 16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^1koningen-8-44-78]: Kanttekening 78: zal door de weg: Dat is, in een rechtvaardigen en wettelijken oorlog, die van U zal geboden zijn.
[^1koningen-8-44-79]: Kanttekening 79: naar de weg: Dat is, zich wendende in het bidden naar de plaats, tot een bewijs dat zij die God alleen voor de ware God bekenden en aanriepen, die in de tempel te Jeruzalem naar zijn woord gediend werd. Zo onder, vers 48 , en zie hiervan een exempel in Dan. 6:11 . 1 Koningen 8:48 : En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart, en met hun gehele ziel, in het land van hun vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar de weg van hun land (dat U hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Daniël 6:11 : Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had.
[^1koningen-8-45-80]: Kanttekening 80: voer hun recht uit: Of, handhaaf hun recht. Hebreeuws, מִשְׁפָּטָֽ, doe hun gericht, of recht. God nu doet zijn volk gericht of recht wanneer Hij gelijk een rechter het voorstaat, en zijn vijanden rechtvaardiglijk straft. Zo onder, vers 49 ; 2 Kron. 6:35 , 6:39 ; Ps. 9:5 , en Ps. 140:13 . 1 Koningen 8:49 : Hoor dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit; 2 Kronieken 6:35 : Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit. 2 Kronieken 6:39 : Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben. Psalmen 9:5 : Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; U hebt gezeten op de troon, o Rechter, van de gerechtigheid. Psalmen 140:13 : Ik weet, dat YHWH de rechtzaak van de ellendige, en het recht van de nooddruftigen zal uitvoeren.
[^1koningen-8-46-m]: Verwijzing m: 2 Kron. 6:36 ; Spreuk. 20:9 ; Pred. 7:20 ; 1 Joh. 1:8 ; idem v. 10 . 2 Kronieken 6:36 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is; Spreuken 20:9 : Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Prediker 7:20 : Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. 1 Johannes 1:8 : Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. 1 Johannes 1:10 : Als wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.
[^1koningen-8-47-81]: Kanttekening 81: hun hart: Dat is, uit een recht gevoel en berouw van hun zonden, een ongeveinsd voornemen hebben, om met een vast betrouwen op uw genade het kwaad te laten en het goede te doen. Zo 2 Kron. 6:37 . 2 Kronieken 6:37 : En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weer aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hun gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan, en goddeloos gehandeld;
[^1koningen-8-48-82]: Kanttekening 82: gehele hart: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-8-48-83]: Kanttekening 83: naar de weg: Zie boven, vers 44 . 1 Koningen 8:44 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^1koningen-8-49-84]: Kanttekening 84: voer hun recht uit: Hebreeuws, מִשְׁפָּטָֽ, doe hun gericht. Als vers 45 . 1 Koningen 8:45 : Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
[^1koningen-8-50-85]: Kanttekening 85: geef hun: Hebreeuws, נְתַתָּ֧, stel hen, of geef hen ter barmhartigheden; dat is, om ontfermd te worden, of om ontferming te verkrijgen. Zie een bijna gelijke manier van spreken Gen. 43:14 . De zin is dat God de gevangen Israëlieten zou geven genade en medelijden te vinden in de ogen van hun vijanden, in de plaats van wrede mishandeling en verdrukking. Zie enige vervullingen hiervan Neh. 2:2 , enz.; Esth. 10:2 , 10:3 ; Dan. 1:9 , 1:10 , enz. Genesis 43:14 : En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw andere broer en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd! Nehemia 2:2 : Zo zei de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo u toch niet ziek bent? Dit is niet dan treurigheid van het hart. Toen vreesde ik geheel zeer. Esther 10:2 : Al de werken nu van zijn macht en van zijn geweld, en de verklaring van de grootheid van Mordechai, denwelken de koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Medië en Perzië? Esther 10:3 : Want de Jood Mordechai was de tweede bij de koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broers, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor de welstand van zijn gehele zaad. Daniël 1:9 : En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van de overste van de kamerlingen. Daniël 1:10 : Want de overste van de kamerlingen zei tot Daniël: Ik vreze mijn heer, de koning, die ulieder voedsel, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan van de jongelingen, die in gelijkheid met u zijn? Zo zoudt u mijn hoofd bij de koning schuldig maken.
[^1koningen-8-51-86]: Kanttekening 86: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een plaats, of een vat, waarin allerlei metaal door het vuur gesmolten wordt; waarbij Egypte vergeleken wordt, omdat zij daar vele verdrukkingen en zware beproevingen uitgestaan hadden. Zie Deut. 4:20 , en vergelijk Jes. 48:10 . Deuteronomium 4:20 : Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is. Jesaja 48:10 : Ziet, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende.
[^1koningen-8-52-87]: Kanttekening 87: ogen open: Zie boven, vers 29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^1koningen-8-53-n]: Verwijzing n: Ex. 19:5 ; Deut. 4:20 ; Deut. 7:6 ; Deut. 9:26 ; idem 9:29 ; Deut. 14:2 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 4:20 : Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is. Deuteronomium 7:6 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 9:26 : En ik bad tot YHWH, en zei: Heer, YHWH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd. Deuteronomium 9:29 : Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat U door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd! Deuteronomium 14:2 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een volk van de eigendoms te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn.
[^1koningen-8-53-88]: Kanttekening 88: door de dienst: Hebreeuws, עַבְדֶּ֗, door de hand. Zo ook vers 56 . 1 Koningen 8:56 : Geloofd zij YHWH, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn knecht.
[^1koningen-8-54-89]: Kanttekening 89: het knielen: De ceremonie van de kniebuiging hebben de heiligen in het bidden gebruikt tot een teken van ootmoedigheid van de harten, met welke wij voor God verschijnen moeten. Zie 2 Kron. 6:13 ; Dan. 6:11 ; Luk. 22:41 . 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel). Daniël 6:11 : Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had. Lukas 22:41 : En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,
[^1koningen-8-54-90]: Kanttekening 90: Zie boven, vers 22 . 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel;
[^1koningen-8-55-91]: Kanttekening 91: Zie boven, vers 14 . 1 Koningen 8:14 : Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de gehele gemeente van Israël; en de gehele gemeente van Israël stond.
[^1koningen-8-55-92]: Kanttekening 92: luide stem: Hebreeuws, אמֹֽר, groter stem.
[^1koningen-8-56-93]: Kanttekening 93: Niet een enig woord is er gevallen: Dat is, Hij heeft al zijn beloften vervuld en geen daarvan gebroken. Zo ook Joz. 21:45 , en Joz. 23:14 ; 2 Kon. 10:10 . Jozua 21:45 : Er viel niet een woord van al de goede woorden, die YHWH gesproken had tot het huis van Israël; het kwam allemaal. Jozua 23:14 : En ziet, ik ga heden in de weg van de gehele aarde; en u weet in uw gehele hart en in uw gehele ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke YHWH, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van die niet een enig woord gevallen. 2 Koningen 10:10 : Weet nu, dat niets van het woord van YHWH, dat YHWH tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want YHWH heeft gedaan, wat Hij door de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft.
[^1koningen-8-56-o]: Verwijzing o: Joz. 21:45 . Jozua 21:45 : Er viel niet een woord van al de goede woorden, die YHWH gesproken had tot het huis van Israël; het kwam allemaal.
[^1koningen-8-56-94]: Kanttekening 94: al Zijn goede woorden: Hebreeuws, דְּבָר֣, van al zijn goed woord.
[^1koningen-8-56-95]: Kanttekening 95: door de dienst: Hebreeuws, יַ֖ד, door de hand. Zie Ex. 4:13 . Exodus 4:13 : Maar hij zei: Och, Heer! zend toch door de hand van degene, die U zoudt zenden.
[^1koningen-8-57-96]: Kanttekening 96: zij met ons: Zie Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^1koningen-8-58-97]: Kanttekening 97: Zijn geboden: Zie het onderscheid van deze drie woorden, boven, 1 Kon. 2:3 . 1 Koningen 2:3 : En neem waar de wacht van YHWH, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u u wenden zult;
[^1koningen-8-59-98]: Kanttekening 98: knecht uitvoere: Hij verstaat hiermede zichzelven, gelijk boven, vers 28 , 8:29 , 8:30 , 8:52 . 1 Koningen 8:28 : Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o YHWH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 8:30 : Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en U, hoor in de plaats van Uw woning, in de hemel, ja, hoor, en vergeef. 1 Koningen 8:52 : Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israël, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.
[^1koningen-8-59-99]: Kanttekening 99: Hebreeuws, het woord, of het ding van de dag op zijn dag; dat is, ten alle dage, naardat dagelijks enige nood mag voorvallen. Gelijke manier van spreken is, Ex. 5:13 ; Lev. 23:37 . Exodus 5:13 : En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was. Leviticus 23:37 : Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om YHWH vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;
[^1koningen-8-60-p]: Verwijzing p: Deut. 4:35 ; idem v. 39 . Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
[^1koningen-8-61-100]: Kanttekening 100: volkomen zij: Versta, de volkomenheid van dit leven, bestaande in al de leden van de godvruchtigheid, en niet in derzelver vollen wasdom, welke is de volkomenheid van het andere leven. Zo onder, 1 Kon. 11:4 , en 1 Kon. 15:3 , 15:14 ; 2 Kon. 20:3 ; 1 Kron. 28:9 , en 1 Kron. 29:9 , 29:19 ; 2 Kron. 15:17 , en 2 Kron. 19:9 . Vergelijk Filip. 3:12,15. 1 Koningen 11:4 : Want het geschiedde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met YHWH, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David. 1 Koningen 15:3 : En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met YHWH, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David. 1 Koningen 15:14 : De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met YHWH, al zijn dagen. 2 Koningen 20:3 : Och, YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende geheel zeer. 1 Kronieken 28:9 : En u, mijn zoon Salomo, ken de God uws vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. 1 Kronieken 29:9 : En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart YHWH vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap. 1 Kronieken 29:19 : En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, dat ik bereid heb. 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 19:9 : En hij gebood hun, zeggende: Doet zo in de vrees voor YHWH, met getrouwheid en met een volkomen hart.
[^1koningen-8-61-101]: Kanttekening 101: gelijk te deze dage: Versta, voortaan altijd, gelijk U doet ten huidigen dage.
[^1koningen-8-62-102]: Kanttekening 102: voor het aangezicht: Voor de tempel. Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^1koningen-8-63-q]: Verwijzing q: 2 Kron. 7:5 . 2 Kronieken 7:5 : En de koning Salomo offerde slachtofferen van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Zo hebben de koning en het gehele volk het huis van God ingewijd.
[^1koningen-8-64-103]: Kanttekening 103: Zie Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^1koningen-8-64-104]: Kanttekening 104: van de voorhof: Versta dit van het voorhof van de priesters, welks middelste deel hij door de Geest van God geleid zijnde in dit extraordinaire werk gebruikt heeft om daar offeranden te offeren, en tot dat einde altaren op te richten, omdat het brandofferaltaar de offeranden, vanwege haar menigte, alle niet kon dragen.
[^1koningen-8-64-105]: Kanttekening 105: voor het huis: Dat is, dicht voor aan het voorste deel van de tempel, genoemd het heilige.
[^1koningen-8-64-106]: Kanttekening 106: voor het aangezicht: Zie boven, vers 62 . 1 Koningen 8:62 : En de koning, en geheel Israël met hem, offerden slachtofferen voor het aangezicht van YHWH.
[^1koningen-8-64-r]: Verwijzing r: 2 Kron. 7:7 . 2 Kronieken 7:7 : En Salomo heiligde het middelste van de voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar de brandofferen en het vette van de dankofferen bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet vatten.
[^1koningen-8-65-107]: Kanttekening 107: het feest: Versta, het feest van de loofhutten, dat zeven dagen moest gehouden worden. Zie hiervan Lev. 23:34 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor YHWH zijn.
[^1koningen-8-65-108]: Kanttekening 108: Zie hiervan Num. 13:21 . Dit was de uiterste landpale van Kanaän tegen het noorden. Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^1koningen-8-65-109]: Kanttekening 109: rivier van Egypte: Deze wordt Sichor genoemd, Joz. 13:3 , en was de uiterste landpale tegen het zuiden. Zie Gen. 15:18 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^1koningen-8-65-110]: Kanttekening 110: zeven dagen: Versta, zeven dagen tot de inwijding van het altaar en van de tempel; en dan nog eens zeven dagen tot onderhouding van het feest van de loofhutten, 2 Kron. 7:9 . 2 Kronieken 7:9 : En ten achtsten dage hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding van het altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen.
[^1koningen-8-66-111]: Kanttekening 111: achtsten dag: Versta, dat hij het volk verlof gegeven heeft op de achtste dag, welke was de twee en twintigste van de zevende maand; maar omdat die dag ook moest gevierd worden, zijn zij vertrokken de volgende dag, zijnde de drie en twintigste. Zie 2 Kron. 7:10 , en de aantekening. 2 Kronieken 7:10 : Maar op de drie en twintigste dag van de zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blij en goedsmoeds over het goede, dat YHWH aan David en Salomo, en Zijn volk Israël gedaan had.
[^1koningen-8-66-112]: Kanttekening 112: Hebreeuws, goed van harten.
[^1koningen-8-66-113]: Kanttekening 113: aan David: Dat is, het huis van David en zijn nakomelingen in het koninkrijk.

### 1 Koningen 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/9.json)

*God verschijnt Salomo voor de tweede keer, vers 1 enz. Salomo schenkt koning Hiram enkele steden voor zijn diensten, 10. Een verhaal van de gebouwen en versterkingen die Salomo gebouwd heeft, 15. van het onderscheid van zijn onderdanen, 20. van zijn jaarlijkse offers, 25. van zijn scheepsvloot naar Ofir, 26.*

**1** Het gebeurde nu,[^1koningen-9-1-a] als Salomo voltooid had te bouwen het huis van YHWH en het huis van de[^1koningen-9-1-b] koning, en[^1koningen-9-1-1] al de begeerte van Salomo, die[^1koningen-9-1-2] hem gelust had te maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v1)

**2** Dat YHWH[^1koningen-9-2-3] voor de tweede keer aan Salomo verscheen,[^1koningen-9-2-c] zoals Hij hem in Gibeon verschenen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v2)

**3** En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis[^1koningen-9-3-4] geheiligd, dat u gebouwd hebt[^1koningen-9-3-d],[^1koningen-9-3-5] opdat Ik Mijn Naam daar tot[^1koningen-9-3-6] in eeuwigheid[^1koningen-9-3-7] zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v3)

**4** En zo u[^1koningen-9-4-8] voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, met[^1koningen-9-4-9] volkomenheid van het hart, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechten houden zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v4)

**5** Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk over Israël bevestigen in eeuwigheid;[^1koningen-9-5-e] zoals Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende:[^1koningen-9-5-10][^1koningen-9-5-f] Geen man zal u afgesneden worden van de troon van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v5)

**6** [^1koningen-9-6-g] Maar zo u[^1koningen-9-6-11] zich geheel afkeren zult, u en uw kinderen,[^1koningen-9-6-12] van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn voorschriften, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u daarvoor neerbuigen zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v6)

**7** Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat[^1koningen-9-7-h] Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik[^1koningen-9-7-13] van Mijn aangezicht wegwerpen;[^1koningen-9-7-i] en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v7)

**8** [^1koningen-9-8-k] En wat dit huis betreft,[^1koningen-9-8-14][^1koningen-9-8-15] dat verheven zal geweest zijn, al wie daar zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en[^1koningen-9-8-16] fluiten; men zal zeggen:[^1koningen-9-8-l] Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v8)

**9** En men zal zeggen: Omdat zij YHWH, hun God,[^1koningen-9-9-17] verlaten hebben, Die hun vaders uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich daarvoor neergebogen, en hen gediend; daarom heeft YHWH al dit kwaad over hen gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v9)

**10** [^1koningen-9-10-m] En het gebeurde na verloop van twintig jaren, waarin Salomo die twee huizen gebouwd had,[^1koningen-9-10-18] het huis van YHWH en het huis van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v10)

**11** (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat toen de koning Salomo aan Hiram[^1koningen-9-11-19] twintig steden gaf in het land van[^1koningen-9-11-20] Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v11)

**12** En Hiram trok uit van Tyrus, om de steden te bekijken, die Salomo hem gegeven had, maar[^1koningen-9-12-21] zij waren niet recht in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v12)

**13** Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broer, die u mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land[^1koningen-9-13-22] Kabul, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v13)

**14** En Hiram had de koning gezonden honderd en[^1koningen-9-14-23] twintig talenten goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v14)

**15** Dit is de reden waarom[^1koningen-9-15-24] koning Salomo herendienst oplegde: om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en[^1koningen-9-15-25] Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook[^1koningen-9-15-26] Hazor, en[^1koningen-9-15-27] Megiddo, en[^1koningen-9-15-28] Gezer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v15)

**16** Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v16)

**17** Zo bouwde Salomo Gezer, en het[^1koningen-9-17-29] lage Beth-horon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v17)

**18** [^1koningen-9-18-n] En[^1koningen-9-18-30] Baälath, en[^1koningen-9-18-31] Tamor in de woestijn, in[^1koningen-9-18-32] dat land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v18)

**19** En al de[^1koningen-9-19-33] voorraadsteden, die Salomo had, en[^1koningen-9-19-34] de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen,[^1koningen-9-19-35] in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het hele land van zijn heerschappij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v19)

**20** Voor wat betreft al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de Israëlieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v20)

**21** Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de Israëlieten niet hadden kunnen[^1koningen-9-21-36] verbannen, die heeft Salomo tot slavenarbeid verplicht tot op deze dag.[^1koningen-9-21-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v21)

**22** Maar van de Israëlieten maakte[^1koningen-9-22-o] Salomo geen slaaf; maar zij waren soldaten, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn bevelhebbers, en de oversten van zijn wagens, en van zijn ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v22)

**23** Deze waren de oversten van de bestelden, die over het werk van Salomo waren,[^1koningen-9-23-38] vijfhonderd en[^1koningen-9-23-39] vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v23)

**24** Maar[^1koningen-9-24-p] de dochter van Farao trok van de[^1koningen-9-24-40] stad van David op tot haar huis, dat[^1koningen-9-24-41] hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij[^1koningen-9-24-42] Millo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v24)

**25** En Salomo offerde[^1koningen-9-25-43] drie keer in het jaar brandoffers en dankoffers, op het altaar, dat hij voor YHWH gebouwd had, en rookte op dat, wat voor[^1koningen-9-25-44] het aangezicht van YHWH was, als hij het huis volmaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v25)

**26** De koning Salomo maakte ook schepen te[^1koningen-9-26-45] Ezeon-geber, dat bij[^1koningen-9-26-46] Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v26)

**27** En Hiram zond met die schepen zijn knechten,[^1koningen-9-27-47] scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v27)

**28** En zij kwamen te[^1koningen-9-28-48] Ofir, en haalden van daar aan[^1koningen-9-28-49] goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/9.html#v28)

[^1koningen-9-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 7:11 . 2 Kronieken 7:11 : Zo volbracht Salomo het huis van YHWH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van YHWH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.
[^1koningen-9-1-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 7:11 . 2 Kronieken 7:11 : Zo volbracht Salomo het huis van YHWH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van YHWH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.
[^1koningen-9-1-1]: Kanttekening 1: al de begeerten: Dat is, al zijn begeerte.
[^1koningen-9-1-2]: Kanttekening 2: hem gelust had: Dat is, al wat Salomo in het hart gekomen was om te maken, gelijk verklaard wordt 2 Kron. 7:11 . 2 Kronieken 7:11 : Zo volbracht Salomo het huis van YHWH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van YHWH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.
[^1koningen-9-2-3]: Kanttekening 3: ten anderen male: Te weten, na de bouwing en inwijding van de tempel, maar niet na de bouwing van het koninklijke huis, welke dertien jaren daarna volbracht is. Enige verstaan dat deze verschijning geschied is nadat beide huizen voltrokken waren.
[^1koningen-9-2-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 3:5 . 1 Koningen 3:5 : Te Gibeon verscheen YHWH aan Salomo in een droom van de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal.
[^1koningen-9-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, tot een heilig gebruik afgezonderd; zo Gen. 2:3 . Genesis 2:3 : En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op die gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken.
[^1koningen-9-3-d]: Verwijzing d: Deut. 12:11 ; 1 Kon. 8:29 . Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uw hand, en alle keur uw geloften, die u YHWH beloven zult. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^1koningen-9-3-5]: Kanttekening 5: opdat Ik Mijn Naam: Zie boven, 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^1koningen-9-3-6]: Kanttekening 6: in eeuwigheid zette: Zie boven, 1 Kon. 8:13 . 1 Koningen 8:13 : Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^1koningen-9-3-7]: Kanttekening 7: Mijn ogen en Mijn hart: Versta door de ogen van de Heer zijn voorzienigheid in het bewaren van de tempel en in het voorstaan van de godsdienst, die daarin plaats moest hebben, welverstaande naar de conditie die hierbij gevoegd wordt; en versta door zijn hart, zijn genade en liefde tegen degenen, die hem in dit huis oprecht dienen zouden.
[^1koningen-9-4-8]: Kanttekening 8: voor Mijn aangezicht: Zie Gen. 17:1 , en boven, 1 Kon. 8:23 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 1 Koningen 8:23 : En hij zei: YHWH, God van Israël, er is geen God, gelijk U, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun gehele hart wandelen;
[^1koningen-9-4-9]: Kanttekening 9: volkomenheid van het hart: Dat is, ongeveinsdheid, onvalsheid, eenvoudigheid. Zie Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^1koningen-9-5-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 7:12 ; idem v. 16 ; 1 Kon. 6:12 ; 1 Kron. 22:10 ; Ps. 132:12 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 1 Koningen 6:12 : Wat dit betreft huis, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelfde; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb; 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. Psalmen 132:12 : Als uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
[^1koningen-9-5-10]: Kanttekening 10: Geen man: Zie boven, 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-9-5-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-9-6-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 7:14 ; Ps. 89:30 ; idem v. 31 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. Psalmen 89:30 : En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemelen. Psalmen 89:31 : Als zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
[^1koningen-9-6-11]: Kanttekening 11: te enen male: Hebreeuws, תְּשֻׁב֜וּ, afkerende afkeren zult.
[^1koningen-9-6-12]: Kanttekening 12: van Mij: Hebreeuws, אַחֲרַ֔, van achter mij; namelijk, te komen, of te volgen, dat is, van Mij, naar mijn woord te horen, te geloven, te vrezen en te dienen. Zo 1 Sam. 12:20 ; 2 Kon. 18:6 . Vergelijk 2 Sam. 2:21 . 1 Samuël 12:20 : Toen zei Samuël tot het volk: Vreest niet, u hebt al dit kwaad gedaan; maar wijkt niet van achter YHWH af, maar dient YHWH met uw gehele hart. 2 Koningen 18:6 : Want hij kleefde YHWH aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die YHWH aan Mozes geboden had. 2 Samuël 2:21 : En Abner zei tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u één van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.
[^1koningen-9-7-h]: Verwijzing h: Jer. 7:15 . Jeremia 7:15 : En Ik zal u van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broers, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.
[^1koningen-9-7-13]: Kanttekening 13: van Mijn aangezicht: Dat is, uit mijn ogen en uit mijn hart. Zie boven, vers 3 . 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage.
[^1koningen-9-7-i]: Verwijzing i: Deut. 28:37 . Deuteronomium 28:37 : En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal.
[^1koningen-9-8-k]: Verwijzing k: 2 Kron. 7:21 . 2 Kronieken 7:21 : En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land en aan dit huis zo gedaan?
[^1koningen-9-8-14]: Kanttekening 14: Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 7:21 . 2 Kronieken 7:21 : En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land en aan dit huis zo gedaan?
[^1koningen-9-8-15]: Kanttekening 15: Te weten, door de verkondiging van mijn leer en mijn werken.
[^1koningen-9-8-16]: Kanttekening 16: Als over degenen, die men bespottelijk wil smaden. Zie ook zulke manier van spreken Jer. 19:8 , en Jer. 49:17 , en Jer. 50:13 . Somtijds wordt bij dit woord ook gevoegd het schudden van het hoofd, het kloppen en bewegen van de handen, welke alle uiterlijke tekenen en gebaren zijn van smadelijke bespotting. Zie Klaagl. 2:15 ; Zef. 2:15 . Jeremia 19:8 : En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. Jeremia 49:17 : Zo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen. Jeremia 50:13 : Vanwege de toorn van YHWH zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen. Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Zefanja 2:15 : Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
[^1koningen-9-8-l]: Verwijzing l: Deut. 29:24 ; Jer. 22:8 . Deuteronomium 29:24 : En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land zo gedaan? Wat is de ontsteking van deze grote toorn? Jeremia 22:8 : Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft YHWH zo gedaan deze grote stad?
[^1koningen-9-9-17]: Kanttekening 17: verlaten hebben: Te weten, door een trouweloze snoodheid, over welke zich de heidenen zelf schamen, die hun gewaande goden niet veranderen willen; Jer. 2:10 , 2:11 . Jeremia 2:10 : Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij? Jeremia 2:11 : Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^1koningen-9-10-m]: Verwijzing m: 2 Kron. 8:1 . 2 Kronieken 8:1 : Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo het huis van YHWH en zijn huis gebouwd had,
[^1koningen-9-10-18]: Kanttekening 18: het huis van YHWH: Te weten, het huis van de Heern in zeven jaren, boven, 1 Kon. 6:38 ; en de andere huizen in dertien jaren, boven, 1 Kon. 7:1 . 1 Koningen 6:38 : En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; zo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. 1 Koningen 7:1 : Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn gehele huis.
[^1koningen-9-11-19]: Kanttekening 19: twintig steden: Dewelke waren gelegen in de noordpale van het land Kanaän, omtrent de Syriërs en Sidoniërs, en grenzende aan de stam van Aser, maar \[zo enige menen\] daaronder niet behorende; omdat anders Salomo die niet had mogen weggeven. Anderen houden dat hij hem het gebruik alleen, en niet de eigendom derzelve gegeven heeft.
[^1koningen-9-11-20]: Kanttekening 20: Dat westwaarts aan het landschap van Tyrus paalde. Want Galilea is een land, hebbende tegen het oosten de Jordaan, tegen het zuiden het land van Samaria, tegen het noorden het gebergte Libanon, tegen het westen Fenicië, waarin Tyrus gelegen is. Galilea wordt verdeeld in opper- en onder-Galilea. Van het opper-Gallilea, toegenaamd het Galilea van de heidenen, wordt hier gesproken en Matt. 4:15 . Mattheüs 4:15 : Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken;
[^1koningen-9-12-21]: Kanttekening 21: waren niet recht: Dat is, zij behaagden hem niet. Zo Richt. 14:3 ; 1 Kron. 13:4 ; uit welke oorzaak Hiram ze de koning Salomo wedergegeven heeft, gelijk men afnemen kan uit 2 Kron. 8:2 , want daar moet het woord geven voor wedergeven verstaan worden. Richteren 14:3 : Maar zijn vader zei tot hem, en ook zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters van uw broers, en onder al mijn volk, dat u heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen. 1 Kronieken 13:4 : Toen zei de gehele gemeente, dat men zo doen zou; want die zaak was recht in de ogen van het gehele volk. 2 Kronieken 8:2 : Dat Salomo de steden, welke Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen van Israël daar deed wonen.
[^1koningen-9-13-22]: Kanttekening 22: Te weten, omdat het hem mishaagde; want dit woord in Fenicië, waaronder Tyrus behoorde, betekende dat, gelijk enige melden. Anderen vertalen dit woord slijkig, zandig, of moerassig.
[^1koningen-9-14-23]: Kanttekening 23: twintig talenten gouds: Versta dit van gemene talenten; en zie van de waarde daarvan Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1koningen-9-15-24]: Kanttekening 24: Zie hiervan boven, 1 Kon. 5:13 . De zin is: Omdat Salomo zulk een voorraad van geld en ander gereedschap tot de bouw van de tempel had, zo heeft hij zeker uitschot van mannen opgenomen, die in dit werk zouden bezig zijn, om het met allen vlijt te bevorderen, totdat het volmaakt zou worden. 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man.
[^1koningen-9-15-25]: Kanttekening 25: Men meent dat dit enig groot bolwerk is geweest, omtrent het paleis van de koning, waar het volk, eerst inkomende, ontvangen werd; dienende tot een vertrek of wachthuis voor de koninklijke wacht. Zie hiervan 2 Sam. 5:9 ; 1 Kon. 11:27 . 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 1 Koningen 11:27 : Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk van de stad van zijn vader David toe.
[^1koningen-9-15-26]: Kanttekening 26: Een stad, gelegen in de stam van Nafthali, aan de Jordaan. Zie Joz. 11:10 , en Joz. 19:36 . Jozua 11:10 : En Jozua keerde weer ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. Jozua 19:36 : En Adama, en Rama, en Hazor,
[^1koningen-9-15-27]: Kanttekening 27: Gelegen in de halven stam van Manasse op de zijde van de Jordaan. Zie Joz. 12:21 , en Joz. 17:11 ; Richt. 1:27 . Jozua 12:21 : De koning van Taänach, een; de koning van Megiddo, een; Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land.
[^1koningen-9-15-28]: Kanttekening 28: Gelegen in de stam van Efraïm. Zie Joz. 10:33 . Jozua 10:33 : Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.
[^1koningen-9-17-29]: Kanttekening 29: lage Beth-horon: Gelegen in de stam van Benjamin. Voeg hierbij, uit 2 Kron. 8:5 , het opper Beth-horon, gelegen in de stam van Efraïm; Joz. 21:22 . 2 Kronieken 8:5 : Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen; Jozua 21:22 : En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden: vier steden.
[^1koningen-9-18-n]: Verwijzing n: 2 Kron. 8:6 . 2 Kronieken 8:6 : En ook Baälath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in de Libanon, en in het gehele land zijn heerschappij.
[^1koningen-9-18-30]: Kanttekening 30: Gelegen in de stam van Dan; Joz. 19:44 . Jozua 19:44 : En Elteke, en Gibbethon, en Baälath,
[^1koningen-9-18-31]: Kanttekening 31: Of, Tadmor. Sommigen houden deze plaats voor een stad, gelegen in de woestijn van Juda, niet ver van Engedi; anderen voor de stad Palmyra, gelegen in de woestijn van Syrië.
[^1koningen-9-18-32]: Kanttekening 32: dat land: Dat is, in het land van Israël.
[^1koningen-9-19-33]: Kanttekening 33: In welke allen voorraad, tuig en gereedschap ten oorlog, of ook van lijftocht weggelegd wordt; anders genoemd ammunitie- en proviandhuizen. Vergelijk Ex. 1:11 . Exodus 1:11 : En zij zetten oversten van de schattingen over het, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses.
[^1koningen-9-19-34]: Kanttekening 34: de wagensteden: Alwaar de oorlogswagens, die men toen in de krijg gebruikte, bewaard werden.
[^1koningen-9-19-35]: Kanttekening 35: in Jeruzalem: Zie boven, 1 Kon. 7:2 , en 2 Kron. 8:6 . 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren. 2 Kronieken 8:6 : En ook Baälath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^1koningen-9-21-36]: Kanttekening 36: Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^1koningen-9-21-37]: Kanttekening 37: op slaafsen uitschot: Dat is, hij schatte hem als lijfeigenen. Zij woonden onder de Israëlieten, en worden genaamd de slaven, of knechten van Salomo, Ezra 2:55 ; Neh. 7:57 , omdat Salomo de ordinantie wat deze slaven betreft gemaakt had. Deze hebben zich eerst moeten begeven tot de ware religie, anders zou Salomo hun deze weldaad niet hebben mogen doen, Deut. 7:2 . Van het woord uitschot, zie ook boven, 1 Kon. 5:13 . Ezra 2:55 : De kinderen van de knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; Nehemia 7:57 : De kinderen van de knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man.
[^1koningen-9-22-o]: Verwijzing o: Lev. 25:39 . Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
[^1koningen-9-23-38]: Kanttekening 38: 2 Kron. 8:10 staat van twee honderd vijftig, maar versta dat deze in alles zijn geweest vijfhonderd, gelijk hier staat, maar dat zij, bij beurte het opzicht nemende, telkens waren twee honderd vijftig. 2 Kronieken 8:10 : Uit deze dan waren oversten van de bestelden, die de koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden.
[^1koningen-9-23-39]: Kanttekening 39: Die bij beurten bedienden het ambt van tien mannen, om de anderen tot het werk aan te drijven. Zie 1 Kon. 5:16 , en de aantekening. 1 Koningen 5:16 : Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed.
[^1koningen-9-24-p]: Verwijzing p: 2 Kron. 8:11 . 2 Kronieken 8:11 : Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad van David, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zei: Mijn vrouw zal in het huis van David, de koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark van YHWH gekomen is.
[^1koningen-9-24-40]: Kanttekening 40: stad van David: Zie boven, 1 Kon. 8:1 . 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^1koningen-9-24-41]: Kanttekening 41: hij voor haar: Namelijk, Salomo.
[^1koningen-9-24-42]: Kanttekening 42: Zie boven, vers 15 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer.
[^1koningen-9-25-43]: Kanttekening 43: driemaal in het jaar: Te weten, op het paasch-, pinkster- en loofhuttenfeest; 2 Kron. 8:13 . 2 Kronieken 8:13 : Zelfs naar de eis van elke dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden, drie malen in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten.
[^1koningen-9-25-44]: Kanttekening 44: het aangezicht van YHWH: Dat is, in het heilige, recht voor het allerheiligste, waarin de ark was een teken van Gods aanwezigheid.
[^1koningen-9-26-45]: Kanttekening 45: Dit is de twee en dertigste legerplaats van de Israëlieten geweest, Num. 33:35 . Zij was een stad met een haven, liggende aan de Schelfzee of Rode zee. Numeri 33:35 : En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-geber.
[^1koningen-9-26-46]: Kanttekening 46: Eloth is: Anders, Elath genaamd, 2 Kon. 14:22 , een stad, gelegen in het land Edom aan de oever van de Schelfzee. Zie Deut. 2:8 . Deze stad heeft Azaria, anders Uzzia genaamd, de koning van Juda, gewonnen en aan Juda wedergebracht, en haar herbouwd, 2 Kon. 14:22 , maar onder Achaz, de koning van Juda, heeft haar Rezin, de koning van Syrië, de Joden weer afgenomen, 2 Kon. 16:6 . 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was. Deuteronomium 2:8 : Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen de weg van de woestijn van Moab. 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was. 2 Koningen 16:6 : In die tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weer aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op deze dag.
[^1koningen-9-27-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, mannen van de schepen; dat is, die zich met de scheepvaart bezighouden.
[^1koningen-9-28-48]: Kanttekening 48: Men houdt dit voor een eiland in Oost-Indië, en wordt van Jozefus, Lib. 8, Antiq. cap. 2, Aurea Chersonesus genaamd, dat wij nu Malakka noemen. Sommigen willen dat dit Peru is geweest in West-Indië.
[^1koningen-9-28-49]: Kanttekening 49: vierhonderd en twintig: Vergelijk dit met 2 Kron. 8:18 , met de aantekeningen. 2 Kronieken 8:18 : En Huram zond hem, door de hand van zijn knechten, schepen, en ook knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij brachten tot de koning Salomo.

### 1 Koningen 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/10.json)

*De koningin van Scheba komt naar Jeruzalem, vers 1 enz. zij verwondert zich over Salomo's wijsheid en heerlijkheid, 3. dankt God, 9. geeft Salomo geschenken, 10. Salomo's rijkdom, 11. beukelaars en schilden, 16. ivoren troon, 18. voorwerpen, 21. geschenken die hij ontvangt, 24. wagens en paarden, 26. zilver, cederhout en de handel in paarden en waren, 27.*

**1** En toen de koningin van[^1koningen-10-1-1] Scheba het gerucht van Salomo hoorde,[^1koningen-10-1-2] aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met[^1koningen-10-1-3] raadselen te verzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v1)

**2** En[^1koningen-10-2-a] zij kwam te Jeruzalem, met een zeer[^1koningen-10-2-4] zwaar leger, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel goud, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem[^1koningen-10-2-5] al wat in haar hart was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v2)

**3** En Salomo verklaarde haar[^1koningen-10-3-6] al haar woorden; geen ding was er[^1koningen-10-3-7] verborgen voor de koning, dat hij haar niet verklaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v3)

**4** Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v4)

**5** En het voedsel van zijn tafel, en[^1koningen-10-5-8] het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en[^1koningen-10-5-9] zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van[^1koningen-10-5-10] YHWH, zo was in haar geen geest meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v5)

**6** En zij zei tot de koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw[^1koningen-10-6-11] zaken en van uw wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v6)

**7** Ik heb die woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd;[^1koningen-10-7-12] u hebt met wijsheid en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v7)

**8** Welgelukzalig zijn uw[^1koningen-10-8-13] mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die steeds[^1koningen-10-8-14] voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v8)

**9** Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH in eeuwigheid van Israël houdt, daarom heeft Hij u tot koning gesteld,[^1koningen-10-9-15] om recht en gerechtigheid te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v9)

**10** En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v10)

**11** Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel[^1koningen-10-11-16] almuggimhout en kostelijk gesteente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v11)

**12** [^1koningen-10-12-b] En de koning maakte van dit almuggimhout[^1koningen-10-12-17] steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers.[^1koningen-10-12-18] Het almuggimhout was zo[^1koningen-10-12-19] niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v12)

**13** En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf[^1koningen-10-13-20] naar het vermogen van[^1koningen-10-13-21] de koning Salomo; zo keerde zij en trok in haar land, zij en haar knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v13)

**14** Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo[^1koningen-10-14-22] op één jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig[^1koningen-10-14-23] talenten goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v14)

**15** Behalve dat van de[^1koningen-10-15-24] marskramers was, en van de handel van[^1koningen-10-15-25] de kruideniers, en van alle[^1koningen-10-15-26] koningen van Arabië, en van de landvoogden van dat land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v15)

**16** Ook[^1koningen-10-16-c] maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels[^1koningen-10-16-27] goud liet hij[^1koningen-10-16-28] opwegen tot elk groot schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v16)

**17** Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie[^1koningen-10-17-29] pond goud liet hij opwegen tot elk schild;[^1koningen-10-17-d] en de koning legde[^1koningen-10-17-30] ze in het huis van het woud van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v17)

**18** Ook[^1koningen-10-18-e] maakte de koning een grote[^1koningen-10-18-31] ivoren troon, en hij overtrok die met[^1koningen-10-18-32] dicht goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v18)

**19** Deze troon had zes trappen, en het hoofd van de troon was van achteren[^1koningen-10-19-33] rond, en[^1koningen-10-19-34] aan beide zijden waren[^1koningen-10-19-35] leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v19)

**20** En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, zoiets is in geen enkel koninkrijk gemaakt geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v20)

**21** Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van Libanon waren van[^1koningen-10-21-36] gesloten goud; geen zilver was er aan;[^1koningen-10-21-37] want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v21)

**22** Want de koning had in zee schepen van[^1koningen-10-22-38] Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaar, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en[^1koningen-10-22-39] apen, en[^1koningen-10-22-40] pauwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v22)

**23** Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde,[^1koningen-10-23-f] in rijkdom en in wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v23)

**24** En de[^1koningen-10-24-41] hele aarde zocht het aangezicht van Salomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v24)

**25** En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen,[^1koningen-10-25-42] elk ding van jaar tot jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v25)

**26** [^1koningen-10-26-g] Daartoe verzamelde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en[^1koningen-10-26-43] bij de koning in Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v26)

**27** En[^1koningen-10-27-h] de koning[^1koningen-10-27-44] maakte het zilver in Jeruzalem te zijn[^1koningen-10-27-45] als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde[^1koningen-10-27-46] vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v27)

**28** En het[^1koningen-10-28-i] uitbrengen van[^1koningen-10-28-47] de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het[^1koningen-10-28-48] linnen garen,[^1koningen-10-28-k] de[^1koningen-10-28-49] kooplieden van de koning namen het[^1koningen-10-28-50] linnen garen voor[^1koningen-10-28-51] de prijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v28)

**29** En[^1koningen-10-29-52] een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkels[^1koningen-10-29-53] zilver, en een paard voor honderd en vijftig; en[^1koningen-10-29-54] zo voerden ze die uit door[^1koningen-10-29-55] hun hand voor alle koningen van[^1koningen-10-29-56] de Hethieten, en voor de koningen van[^1koningen-10-29-57] Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/10.html#v29)

[^1koningen-10-1-1]: Kanttekening 1: Een landschap, gelegen zuidwaarts van Kanaän, Matt. 12:42 , en Luk. 11:31 , hebbende zijn naam van Scheba, de zoon van Cus. Zie Gen. 10:7 . Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Lukas 11:31 : De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier. Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^1koningen-10-1-2]: Kanttekening 2: Of, om, van de naam, enz. Hiermede wordt aangewezen de oorzaak van de grote vermaardheid van Salomo, welke was niet alleen zijn hoge wijsheid, waarmee hij alle mensen overtrof, boven, 1 Kon. 4:30 , 4:31 , maar in het bijzonder de wonderbare wijze, zo hij die metterhaast door een ingestorte gave van de verlichting, zonder zijn arbeid en de onderwijzing van de mensen, van YHWH verkregen had. 1 Koningen 4:30 : En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren; 1 Koningen 4:31 : Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.
[^1koningen-10-1-3]: Kanttekening 3: Het Hebreeuwse woord betekent duistere redenen, in welke wat gevraagd of voorgesteld wordt, dat een verborgen verstand heeft. Zo Num. 12:8 ; Richt. 14:12 , en het wordt Matt. 13:35 , uit Ps. 78:2 , overgezet verborgen dingen. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld. Psalmen 78:2 : Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
[^1koningen-10-2-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 9:1 ; Matt. 12:42 ; Lukas 11:31 . 2 Kronieken 9:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar legermacht, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Lukas 11:31 : De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.
[^1koningen-10-2-4]: Kanttekening 4: zeer zware legermacht: Dat is, met een zeer groot gevolg van statelijken trein. Zie Gen. 50:9 . Genesis 50:9 : En met hem togen op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zware legermacht.
[^1koningen-10-2-5]: Kanttekening 5: al wat in haar hart was: Dat is, al wat zij in haar hart voorgenomen had met hem te spreken. Zie boven, 1 Kon. 8:17 . 1 Koningen 8:17 : Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van YHWH, de God van Israël, te bouwen.
[^1koningen-10-3-6]: Kanttekening 6: al haar woorden: Dat is, de duistere vragen en diepzinnige raadselen, die zij de koning voorstelde.
[^1koningen-10-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, zo duister, scherpzinnig, of ingewikkeld, waarin zijn wijsheid tekort zou gekomen hebben, om het uit te leggen.
[^1koningen-10-5-8]: Kanttekening 8: het zitten zijn knechten: Versta, de welgeschikte en heerlijke orde, naar welke zijn vorsten en raadsheren aan de tafel zaten; en de hofdienaren stonden om de tafel te dienen. Anderen verstaan dit van het zitten in de raad, of in het gericht bij de koning.
[^1koningen-10-5-9]: Kanttekening 9: zijn opgang: Versta dit van de kunstige galerijen, waardoor de koning van zijn huis in het huis van de Heer opging, of ook van het statelijk gevolg, dat hem hierin vergezelschapte. Anderen vertalen dit: En zijn offerande, die hij in het huis van de Heer offerde.
[^1koningen-10-5-10]: Kanttekening 10: zo was: Te weten, door de verslagenheid, die haar de overgrote verwondering toebracht.
[^1koningen-10-6-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, woorden.
[^1koningen-10-7-12]: Kanttekening 12: u hebt met wijsheid, en goed: Hebreeuws, ט֔וֹב, wijsheid, en goed hebt u toegedaan tot het gerucht dat ik gehoord heb. Versta door de wijsheid de gave van het verstand, waarmee de koning versierd was, en door het goed zijn deugden en treffelijke werken, waarmee hij zijn onderzaten weldeed.
[^1koningen-10-8-13]: Kanttekening 13: Te weten, die bij u wonen.
[^1koningen-10-8-14]: Kanttekening 14: gedurig voor uw aangezicht staan: Dat is, die u gewoonlijk dienen. Zie Deut. 1:38 . Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven.
[^1koningen-10-9-15]: Kanttekening 15: om recht: Deze manier van spreken de overheden toegeschreven zijnde, betekent zoveel als in het gericht de kwaden te veroordelen en te straffen, en de goeden vrij te spreken en te beschermen, of van de voorvallende zaken kennis te nemen, en recht oordelen, en daarnaar dat recht is uit te voeren door het straffen van de kwaden en het beschermen van de goeden; 2 Sam. 8:15 . 2 Samuël 8:15 : Zo regeerde David over geheel Israël, en David deed aan zijn gehele volk recht en gerechtigheid.
[^1koningen-10-11-16]: Kanttekening 16: Wat het Hebreeuwse woord voor een hout betekent is onzeker. Het wordt 2 Kron. 2:8 , en 2 Kron. 9:10 algummimhout genaamd. Enige houden dat het thyinenhout geweest is, van dat gesproken wordt Openb. 18:12 . Anderen nemen het voor Braziliënhout. Zoveel is zeker, dat het zeer kostelijk hout was, en zodanig, dat toen ter tijd in dat land onbekend was. Zie vers 12 , en 2 Kron. 9:11 . 2 Kronieken 2:8 : Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn. 2 Kronieken 9:10 : Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente. Openbaring 18:12 : Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van parels, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen; 1 Koningen 10:12 : En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag. 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^1koningen-10-12-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 9:11 . 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^1koningen-10-12-17]: Kanttekening 17: Versta hiermede baliën, onderzettingen, of handleuningen aan de galerijen, door welke men ging van het huis van de koning tot in de tempel. Vergelijk boven, 1 Kon. 9:5 ; 1 Kron. 26:16 , 26:18 ; 2 Kron. 9:11 . 1 Koningen 9:5 : Zo zal Ik de troon uws koninkrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van de troon van Israël. 1 Kronieken 26:16 : Suppim en Hosa tegen het westen, met de poort Schallechet, bij de opgaanden hogen weg, wacht tegenover wacht. 1 Kronieken 26:18 : Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij de hogen weg, twee bij Parbar. 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^1koningen-10-12-18]: Kanttekening 18: Te weten, zo kostelijk, of in zulk een overvloed.
[^1koningen-10-12-19]: Kanttekening 19: niet gekomen: Te weten, voor deze tijd in het land van Juda, 2 Kron. 9:11 . 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^1koningen-10-13-20]: Kanttekening 20: naar het vermogen: Hebreeuws, נָֽתַן, naar de hand van de, enz., dat is, vanzelf, naar zijn koninklijke macht en mildheid.
[^1koningen-10-13-21]: Kanttekening 21: koning Salomo: Dat is, naar zijn vermogen. Vergelijk boven, 1 Kon. 8:1 , en 1 Kon. 9:1 . 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion. 1 Koningen 9:1 : Het geschiedde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis van YHWH en het huis van de koning, en al de begeerte van Salomo, die hem gelust had te maken;
[^1koningen-10-14-22]: Kanttekening 22: op een jaar: Dat is, op elk jaar. Zie Num. 28:13 . Numeri 28:13 : En tot elk tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, YHWH.
[^1koningen-10-14-23]: Kanttekening 23: talenten gouds: Zie de waarde van een talent gouds, Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1koningen-10-15-24]: Kanttekening 24: Of, kraamlieden. Hebreeuws, van de mannen die bespieden, doorzoeken, doorsnuffelen. Versta zulke, die van grote kooplieden in verscheidene landen uitgezonden worden, om hun waren ten duurste te verkopen, en andere tot de minsten prijs in te kopen, en dan die aan hun meesters over te zenden, of toe te brengen. Anderen verstaan dit van de tollenaars of pachters, die zeer nauw plegen toe te zien om de kooplieden te betrappen, die van hun goederen iets zouden mogen versteken en verborgen houden.
[^1koningen-10-15-25]: Kanttekening 25: Of, drogisten.
[^1koningen-10-15-26]: Kanttekening 26: koningen van Arabië: Versta, degenen, die nabij gelegen waren, zowel oostwaarts als zuidwaarts.
[^1koningen-10-16-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 14:26 . 1 Koningen 14:26 : En hij nam de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
[^1koningen-10-16-27]: Kanttekening 27: sikkelen : Versta, gemene sikkels, van welker waarde zie Gen. 24:22 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.
[^1koningen-10-16-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, deed hij opklimmen, of opgaan.
[^1koningen-10-17-29]: Kanttekening 29: pond gouds: Hebreeuws, שְׁלֹ֤שֶׁת, Manim; een mina of pond; deed gewoonlijk honderd gemene sikkels; dienvolgens was elk schild waard drie honderd sikkelen gouds. Zie 2 Kron. 9:16 . 2 Kronieken 9:16 : Ook driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van de Libanon.
[^1koningen-10-17-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 7:2 . 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^1koningen-10-17-30]: Kanttekening 30: in het huis: Zie hiervan boven, 1 Kon. 7:2 . 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^1koningen-10-18-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 9:17 . 2 Kronieken 9:17 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog dezelfde met louter goud.
[^1koningen-10-18-31]: Kanttekening 31: elpenbenen troon: Hebreeuws, שֵׁ֖ן, een troon van de tand; te weten, van de olifanten, waarvan het ivoor of elpenbeen komt, waarvan men tot versiering vele dingen gemaakt heeft, gelijk te zien is hier en onder, 1 Kon. 22:39 ; Ps. 45:9 ; Amos 3:15 , en Amos 6:4 . 1 Koningen 22:39 : Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het elpenbenen huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? Psalmen 45:9 : Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden. Amos 3:15 : En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de elpenbenen huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt YHWH. Amos 6:4 : Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal.
[^1koningen-10-18-32]: Kanttekening 32: dicht goud: Dat is, dat wel gezuiverd en gelouterd en daarom een zeer dicht en vast is.
[^1koningen-10-19-33]: Kanttekening 33: Dat is, boogsgewijze, of naar het fatsoen van een boog.
[^1koningen-10-19-34]: Kanttekening 34: aan beide zijden: Hebreeuws, שָּׁ֑בֶת, van hier, en van daar, of, van ginds en van weer. Zo in vers 20 . 1 Koningen 10:20 : En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, zoiets is in geen koninkrijken gemaakt geweest.
[^1koningen-10-19-35]: Kanttekening 35: leuningen tot de zitplaats toe: Hebreeuws, שְׁנַ֣יִם, handen.
[^1koningen-10-21-36]: Kanttekening 36: gesloten goud: Zie boven, 1 Kon. 6:20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^1koningen-10-21-37]: Kanttekening 37: Te weten, het zilver. Een overtollige manier van spreken. Vergelijk onder, vers 27 , en de aantekeningen daarop. 1 Koningen 10:27 : En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
[^1koningen-10-22-38]: Kanttekening 38: Sommigen verstaan door dit woord de grote zee, genaamd Oceanus, en door de schepen van Tarsis, de schepen die in die zee voeren. Anderen nemen Tarsis voor Cilicië, welks hoofdstad, genaamd Tarsus, een zeer vermaarde haven had, in welke men gelegenheid vond om te varen naar Afrika, Indië en andere vergelegen landen. Vergelijk Gen. 10:4 . Anderen menen dat Tarsis is Afrika, en dat door de schepen van Tarsis te verstaan is een vloot, toegemaakt om te varen naar de Afrikaanse zee. Genesis 10:4 : En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^1koningen-10-22-39]: Kanttekening 39: Of, meerkatten.
[^1koningen-10-22-40]: Kanttekening 40: Of, papegaaien.
[^1koningen-10-23-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 3:12 ; idem v. 13 . 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.
[^1koningen-10-24-41]: Kanttekening 41: gehele aarde: Versta, niet alle mensen van de gehele wereld, maar de voornaamsten, als de prinsen, heren, vorsten, enz. van alle omliggende landen. Zie 2 Kron. 9:23 . 2 Kronieken 9:23 : En alle koningen van de aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.
[^1koningen-10-25-42]: Kanttekening 42: elk ding: Hebreeuws, דְּבַר, de zaak van het jaar in het jaar; dat is, elk geschenk jaarlijks.
[^1koningen-10-26-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 4:26 ; 2 Kron. 1:14 ; 2 Kron. 9:25 . 1 Koningen 4:26 : Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren. 2 Kronieken 1:14 : En Salomo vergaderde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. 2 Kronieken 9:25 : Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
[^1koningen-10-26-43]: Kanttekening 43: bij de koning: Dat is, bij hem. Vergelijk boven, vers 13 . 1 Koningen 10:13 : En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van de koning Salomo; zo keerde zij en toog in haar land, zij en haar knechten.
[^1koningen-10-27-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 1:15 ; 2 Kron. 9:27 . 2 Kronieken 1:15 : En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte. 2 Kronieken 9:27 : Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
[^1koningen-10-27-44]: Kanttekening 44: maakte het zilver: Hebreeuws, כֶּ֛סֶף, gaf.
[^1koningen-10-27-45]: Kanttekening 45: als stenen: Een overtollige manier van spreken, zeer grote overvloed te kennen gevende. Zie Gen. 13:16 , en boven, vers 21 . Zo 2 Kron. 9:27 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. 1 Koningen 10:21 : Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis van het woud van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht. 2 Kronieken 9:27 : Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
[^1koningen-10-27-46]: Kanttekening 46: Of, als de sycomoren; dat is, vijgmoerbeziënbomen.
[^1koningen-10-28-i]: Verwijzing i: 2 Kron. 9:28 . 2 Kronieken 9:28 : En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.
[^1koningen-10-28-47]: Kanttekening 47: Egypte was zeer rijk aan schone paarden, fijn vlas en linnen, byssus genaamd, welke van de naburige landen zeer getrokken werden, maar mochten niet dan met betaling van de gezetten tol uitgelaten worden. Farao nu heeft aan Salomo, die zijn dochter getrouwd had, het recht van de tol overgezet, die hem door zijn kooplieden of pachters heeft vergaderd, en daarvan groot profijt ontvangen.
[^1koningen-10-28-48]: Kanttekening 48: linnen garen: Zie Gen. 41:42 . Genesis 41:42 : En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
[^1koningen-10-28-k]: Verwijzing k: 2 Kron. 1:16 . 2 Kronieken 1:16 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs.
[^1koningen-10-28-49]: Kanttekening 49: Versta, de tollenaars, of pachters van de tollen.
[^1koningen-10-28-50]: Kanttekening 50: linnen garen voor: En ook de paarden.
[^1koningen-10-28-51]: Kanttekening 51: de prijs: Dat is, voor een zekeren gezetten prijs.
[^1koningen-10-29-52]: Kanttekening 52: een wagen: Versta dit van een wagen, die met linnengaren of garenwerk geladen was, en ook van de geladen paarden, ja van de paarden zelf. Een wagen nu gaf viermaal zoveel als een paard, omdat men gewoon was vier paarden voor een wagen te spannen. De tol dan van een geladen wagen zes honderd sikkels zijnde, was de tol van een geladen paard honderd en vijftig sikkelen.
[^1koningen-10-29-53]: Kanttekening 53: Zie van de waarde van de sikkel Gen. 20:16 , en Gen. 23:15 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^1koningen-10-29-54]: Kanttekening 54: zo voerden ze: Dat is, de goederen uit Egypte komende, belastte Salomo niet alleen als zij in zijn land kwamen, maar ook als zij gevoerd werden in de landen van de Hethieten en Syriërs, van welke Salomo door dit middel ook schatting heeft ontvangen, omdat de paarden en goederen door zijn land of gebied passeren moesten. Anderen verstaan dit zo, dat de koningen van de Hethieten en Syriërs ook tol getrokken hebben van de waren, die in hun landen gebracht werden.
[^1koningen-10-29-55]: Kanttekening 55: hun hand: Namelijk, van de kooplieden en pachters in vers 28 gemeld. 1 Koningen 10:28 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs.
[^1koningen-10-29-56]: Kanttekening 56: Oostwaarts van Palestina wonende.
[^1koningen-10-29-57]: Kanttekening 57: Benoorden van Palestina.

### 1 Koningen 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/11.json)

*Salomo's vrouwen en bijvrouwen, vers 1 enz. die hem tot afgoderij verleiden, 4. waarover God vertoornd wordt en hem dreigt, 9. Salomo's tegenstanders zijn Hadad, een Edomiet, gevlucht naar Egypte, 14. Rezon, die in Damascus regeerde, 23. en Jerobeam, de Efrathiet, 26. aan wie de profeet Ahia het koninkrijk van Israël toezegt, 29. Salomo staat Jerobeam naar het leven, en sterft, 40.*

**1** En[^1koningen-11-1-1] de koning Salomo had[^1koningen-11-1-a] veel[^1koningen-11-1-2] buitenlandse vrouwen lief, en dat[^1koningen-11-1-3] naast de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v1)

**2** Van die volken, waarvan YHWH[^1koningen-11-2-4] gezegd had tot de Israëlieten:[^1koningen-11-2-b] U zult tot hen[^1koningen-11-2-5] niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zeker uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v2)

**3** En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd[^1koningen-11-3-6] bijvrouwen en zijn vrouwen[^1koningen-11-3-7] neigden zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v3)

**4** Want het gebeurde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet[^1koningen-11-4-8] volkomen was met YHWH, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v4)

**5** Want Salomo[^1koningen-11-5-9] wandelde[^1koningen-11-5-10][^1koningen-11-5-c] Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom,[^1koningen-11-5-11][^1koningen-11-5-12] de gruwel van de Ammonieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v5)

**6** Zo deed Salomo,[^1koningen-11-6-13] dat kwaad was in de ogen van YHWH; en[^1koningen-11-6-14] volhardde niet YHWH te volgen, zoals zijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v6)

**7** [^1koningen-11-7-d] Toen bouwde Salomo een[^1koningen-11-7-15] hoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de[^1koningen-11-7-16] Moabieten,[^1koningen-11-7-17] op de[^1koningen-11-7-18] berg, die voor Jeruzalem is, en voor[^1koningen-11-7-19] Molech, de afschuwelijke afgod van de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v7)

**8** En zo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v8)

**9** Daarom vertoornde Zich YHWH tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had[^1koningen-11-9-20] van YHWH, de God van Israël,[^1koningen-11-9-e] Die hem[^1koningen-11-9-21] tweemaal verschenen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v9)

**10** [^1koningen-11-10-f] En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; maar hij hield niet, wat YHWH geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v10)

**11** Daarom[^1koningen-11-11-22] zei YHWH tot Salomo: Omdat dit bij u gebeurd is, dat u niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn voorschriften, die Ik u geboden heb[^1koningen-11-11-g];[^1koningen-11-11-23] Ik zal zeker dit koninkrijk van u scheuren, en het[^1koningen-11-11-24] uw knecht geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v11)

**12** In uw dagen toch zal Ik dat niet doen,[^1koningen-11-12-25] omwille van uw vader David, van de hand van uw[^1koningen-11-12-26] zoon zal Ik het scheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v12)

**13** Maar Ik zal het hele koninkrijk niet afscheuren; één stam zal Ik uw zoon geven, omwille van Mijn knecht David, en omwille van[^1koningen-11-13-27] Jeruzalem, dat Ik gekozen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v13)

**14** Zo verwekte YHWH Salomo een tegenstander, Hadad, de Edomiet; hij was van het zaad van de koning in Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v14)

**15** Want[^1koningen-11-15-h] het was gebeurd, als David[^1koningen-11-15-28] in Edom was, toen Joab, de oorlogsoverste, optoog, om de[^1koningen-11-15-29] verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v15)

**16** Want Joab bleef daar zes maanden, met het hele Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v16)

**17** Maar Hadad was ontvlucht, hij en enige Edomietische mannen uit de knechten van zijn vader met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een kleine jongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v17)

**18** En zij maakten zich op van[^1koningen-11-18-30] Midian, en kwamen tot[^1koningen-11-18-31] Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, de koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem[^1koningen-11-18-32] voeding toezeide, en hem een land gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v18)

**19** En Hadad[^1koningen-11-19-33] vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zus van zijn huisvrouw, de zus van Tachpenes, de[^1koningen-11-19-34] koningin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v19)

**20** En de zus van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubath, die Tachpenes[^1koningen-11-20-35] grootbracht[^1koningen-11-20-36] in het huis van Farao; zodat Genubath in het huis van Farao was, onder de zonen van Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v20)

**21** Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaders ontslapen, en dat Joab, de oorlogsoverste, dood was, zei Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v21)

**22** Maar Farao zei: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, u in uw land zoekt te trekken? En hij zei: Niets, maar[^1koningen-11-22-37] laat mij evenwel gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v22)

**23** [^1koningen-11-23-i] Ook verwekte God hem een tegenstander, Rezon, de zoon van Eljada, die[^1koningen-11-23-38] gevlucht was van zijn heer Hadad-ezer, de koning van[^1koningen-11-23-39] Zoba, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v23)

**24** Tegen wie hij ook[^1koningen-11-24-40] mannen[^1koningen-11-24-41] verzameld had, en werd overste van een bende,[^1koningen-11-24-k] als David[^1koningen-11-24-42] die doodde; en getrokken zijnde naar[^1koningen-11-24-43] Damascus, woonden zij daar, en regeerden in Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v24)

**25** En[^1koningen-11-25-44] hij was Israëls tegenstander[^1koningen-11-25-45] al de dagen van Salomo, en dat naast het kwaad, dat[^1koningen-11-25-46] Hadad deed; want[^1koningen-11-25-47] hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v25)

**26** Daartoe[^1koningen-11-26-l] Jerobeam, de zoon van[^1koningen-11-26-48] Nebat, een Efrathiet van[^1koningen-11-26-49] Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw),[^1koningen-11-26-50] hief ook de hand op tegen de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v26)

**27** Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde[^1koningen-11-27-51] Millo, en sloot[^1koningen-11-27-52] de breuk van de stad van zijn vader David toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v27)

**28** [^1koningen-11-28-53] En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo deze[^1koningen-11-28-54] jongeling zag, dat hij[^1koningen-11-28-55] arbeidzaam was, zo stelde hij hem[^1koningen-11-28-56] over al de last van het huis van Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v28)

**29** Het gebeurde nu in die tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet[^1koningen-11-29-57] Ahia, de Siloniet, hem op de weg[^1koningen-11-29-58] vond, en hij[^1koningen-11-29-59] zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v29)

**30** Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v30)

**31** En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.[^1koningen-11-31-m] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v31)

**32** Maar[^1koningen-11-32-60] één stam zal hij hebben, omwille van[^1koningen-11-32-61] Mijn knecht David, en omwille van Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v32)

**33** Omdat zij Mij verlaten, en zich[^1koningen-11-33-62] neergebogen hebben voor Astoreth,[^1koningen-11-33-63] de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet[^1koningen-11-33-64] gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen[^1koningen-11-33-65] wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn voorschriften en Mijn rechten; zoals zijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v33)

**34** Maar[^1koningen-11-34-66] niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen van zijn leven, omwille van Mijn knecht David, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn voorschriften gehouden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v34)

**35** Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koninkrijk nemen; en[^1koningen-11-35-67] Ik zal u daarvan tien stammen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v35)

**36** En zijn zoon[^1koningen-11-36-68] zal Ik één stam geven;[^1koningen-11-36-n] opdat Mijn knecht David[^1koningen-11-36-69] altijd een[^1koningen-11-36-70] lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om[^1koningen-11-36-71] Mijn Naam daar te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v36)

**37** Zo zal Ik u nemen, en u zult regeren[^1koningen-11-37-72] over al wat uw ziel zal begeren; en u zult koning zijn[^1koningen-11-37-73] over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v37)

**38** En het zal gebeuren, zo u horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn voorschriften en Mijn geboden, zoals Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik[^1koningen-11-38-74] met u zal zijn, en[^1koningen-11-38-75] u een bestendig huis bouwen, zoals Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v38)

**39** En Ik zal daarom het zaad van David verootmoedigen; toch[^1koningen-11-39-76] niet altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v39)

**40** Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v40)

**41** Het[^1koningen-11-41-o] overige nu[^1koningen-11-41-77] van de geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven[^1koningen-11-41-78] in het boek van de geschiedenissen van Salomo? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v41)

**42** [^1koningen-11-42-79] De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over het hele Israël regeerde,[^1koningen-11-42-p] was veertig jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v42)

**43** Daarna ontsliep Salomo met zijn vaders, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en[^1koningen-11-43-80] Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/11.html#v43)

[^1koningen-11-1-1]: Kanttekening 1: de koning Salomo: Te weten, naar sommiger gevoelen, nadat hij vijf of zes en twintig jaren geregeerd had. Men rekent deze jaren aldus: Drie jaren vóór de bouwing van de tempel, zeven jaren in die bouwing besteed; dertien jaren in de bouwing van zijn huis en andere gestichten; eindelijk nog twee of drie jaren in welke de koningin van Scheba hem bezocht heeft.
[^1koningen-11-1-a]: Verwijzing a: Deut. 17:17 . Deuteronomium 17:17 : Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.
[^1koningen-11-1-2]: Kanttekening 2: Of, uitlandse.
[^1koningen-11-1-3]: Kanttekening 3: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen onder, vers 25 , en 2 Kron. 11:18 . 1 Koningen 11:25 : En hij was Israëls tegenstander al de dagen van Salomo, en dat naast het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië. 2 Kronieken 11:18 : En Rehabeam nam zich, naast Mahalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, ter vrouwe Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï,
[^1koningen-11-2-4]: Kanttekening 4: gezegd had: Zie Ex. 34:16 , en Deut. 7:3 , 7:4 . Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Deuteronomium 7:4 : Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn van YHWH zou tegen u ontsteken, en u haast verdelgen.
[^1koningen-11-2-b]: Verwijzing b: Ex. 34:16 ; Deut. 7:3 . Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^1koningen-11-2-5]: Kanttekening 5: niet ingaan: Dat is, door huwelijken u met hen verenigen. Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^1koningen-11-3-6]: Kanttekening 6: Die van lageren staat waren dan de huisvrouwen, en in minder waarde gehouden. Zie Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, welker naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^1koningen-11-3-7]: Kanttekening 7: neigden zijn hart: Te weten, om van de waren God af te wijken en de afgoden aan te hangen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
[^1koningen-11-4-8]: Kanttekening 8: Zie boven, 1 Kon. 8:61 . 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage.
[^1koningen-11-5-9]: Kanttekening 9: Achter de afgoden te gaan, of te wandelen, is, hen aan te hangen en na te volgen, in het geheel of ten dele, zelfs ook met toelating en bevordering; op welke laatste manier Salomo, om zijne vrouwen te behagen, zich aan deze zonde schuldig gemaakt heeft. Vergelijk onder, 1 Kon. 18:18 , en 1 Kon. 21:25 , 21:26 ; Jer. 2:23 . 1 Koningen 18:18 : Toen zei hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar u en uws vaders huis, daarmede, dat u de geboden van YHWH verlaten hebt en de Baäls nagevolgd bent. 1 Koningen 21:25 : Maar er was niemand geweest gelijk Achab, die zichzelven verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen van YHWH, omdat Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste. 1 Koningen 21:26 : En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. Jeremia 2:23 : Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!
[^1koningen-11-5-10]: Kanttekening 10: Dit is de naam van een afgod, of afgodin van de Sidoniërs. Zie breder daarvan Richt. 2:13 . Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^1koningen-11-5-c]: Verwijzing c: Richt. 2:13 ; 2 Kon. 23:13 . Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth. 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^1koningen-11-5-11]: Kanttekening 11: Een afgod, die ook Molech genaamd wordt, onder, vers 7 . Zie van deze Lev. 18:21 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^1koningen-11-5-12]: Kanttekening 12: het verfoeisel: Dat is, dat zeer verfoeilijk en gruwelijk voor God en te verfoeien is van alle godvrezenden; zo onder, vers 7 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons.
[^1koningen-11-6-13]: Kanttekening 13: dat kwaad was: Versta, bijzonderlijk de afgoderij en de valsen godsdienst. Vergelijk hiermede Gen. 38:7 . Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH.
[^1koningen-11-6-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, en vervulde niet achter de Heer. Zie Num. 14:24 . Numeri 14:24 : Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in dat hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.
[^1koningen-11-7-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 23:13 . 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^1koningen-11-7-15]: Kanttekening 15: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-11-7-16]: Kanttekening 16: De naam van een afgod van de Moabieten en Ammonieten, van denwelken zie ook Num. 21:29 ; Richt. 11:24 ; Jer. 48:7 . Deze met de twee afgoden, gemeld vers 5 , heeft de vrome koning Josia weggenomen; 2 Kon. 23:13 . Numeri 21:29 : Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. Richteren 11:24 : Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. Jeremia 48:7 : Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. 1 Koningen 11:5 : Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten. 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^1koningen-11-7-17]: Kanttekening 17: van de Moabieten: Die daarom het volk van Chemos genaamd worden; Num. 21:29 . Numeri 21:29 : Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten.
[^1koningen-11-7-18]: Kanttekening 18: Namelijk, de Olijfberg. Van denwelken zie 2 Sam. 15:30 , en wordt genaamd, 2 Kon. 23:13 , de berg Maschith, dat is, van de verdervers, omdat de Joden zich daar door afgoderij verdierven. 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende. 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^1koningen-11-7-19]: Kanttekening 19: Ook Milcom genaamd, boven, vers 5 . 1 Koningen 11:5 : Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten.
[^1koningen-11-9-20]: Kanttekening 20: van YHWH: Dat is, van hem. Vergelijk boven, 1 Kon. 8:1 , en zie de aantekeningen. 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^1koningen-11-9-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 3:5 ; 1 Kon. 9:2 . 1 Koningen 3:5 : Te Gibeon verscheen YHWH aan Salomo in een droom van de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. 1 Koningen 9:2 : Dat YHWH ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.
[^1koningen-11-9-21]: Kanttekening 21: tweemaal verschenen was: Te weten, de eerste maal te Gibeon, boven 1 Kon. 3:5 , en de tweede maal te Jeruzalem na de inwijding van de tempel, 1 Kon. 9:2 . 1 Koningen 3:5 : Te Gibeon verscheen YHWH aan Salomo in een droom van de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. 1 Koningen 9:2 : Dat YHWH ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.
[^1koningen-11-10-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 6:12 . 1 Koningen 6:12 : Wat dit betreft huis, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelfde; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb;
[^1koningen-11-11-22]: Kanttekening 22: zei YHWH: Of, Hij zelf, of door enige profeet, die Nathan kon zijn, zo hij nog leefde; of Ahia de Siloniet, van welke gewag wordt gemaakt onder, vers 30 . 1 Koningen 11:30 : Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken.
[^1koningen-11-11-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 12:15 . 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^1koningen-11-11-23]: Kanttekening 23: Ik zal gewisselijk: Hebreeuws, קָרֹ֨עַ, scheurende scheuren; dat is, Ik zal zekerlijk een groot deel van het koninkrijk met geweld van u afrukken. Zie deze manier van spreken onder, vers 12 , 11:13 , 11:31 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren. 1 Koningen 11:13 : Maar Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, dat Ik gekozen heb. 1 Koningen 11:31 : En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
[^1koningen-11-11-24]: Kanttekening 24: uw knecht geven: Dat is, een van uw dienaren, namelijk Jerobeam; van wie, zie onder, vers 26 , 11:27 , 11:28 , enz. 1 Koningen 11:26 : Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen de koning. 1 Koningen 11:27 : Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk van de stad van zijn vader David toe. 1 Koningen 11:28 : En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo deze jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al de last van het huis van Jozef.
[^1koningen-11-12-25]: Kanttekening 25: om uws vaders Davids wil: Dat is, om de belofte, die Ik uw vader gedaan heb, 2 Sam. 7:13 ; 1 Kron. 28:5 , 28:6 , in welke belofte de Messias mee beloofd wordt, vanwege wie eigenlijk God de zijnen goeddoet. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 28:5 : En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël. 1 Kronieken 28:6 : En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.
[^1koningen-11-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk, van Rehabeam, zo ook vers 35 . Zie de vervulling van dit dreigement, onder, 1 Kon. 12 , en 1 Sam. 15:28 ; de verklaring hebben wij onder, vers 35 . 1 Koningen 11:35 : Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 1 Samuël 15:28 : Toen zei Samuël tot hem: YHWH heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u. 1 Koningen 11:35 : Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
[^1koningen-11-13-27]: Kanttekening 27: Jeruzalems wil: Dat is, om de belofte, die ik aan de stad Jeruzalem gegeven heb, 2 Kron. 6:6 . 2 Kronieken 6:6 : Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^1koningen-11-15-h]: Verwijzing h: 2 Sam. 8:14 ; 1 Kron. 18:12 ; idem v. 13 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 1 Kronieken 18:12 : Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 1 Kronieken 18:13 : En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en YHWH behoedde David overal, waar hij heenging.
[^1koningen-11-15-28]: Kanttekening 28: in Edom was: Daar oorlog voerende. Zie 2 Sam. 8:14 ; 1 Kron. 18:12 , 18:13 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 1 Kronieken 18:12 : Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 1 Kronieken 18:13 : En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en YHWH behoedde David overal, waar hij heenging.
[^1koningen-11-15-29]: Kanttekening 29: Te weten, Israëlieten, die in de strijd, welke David tegen de Edomieten gehad had, omgekomen waren, of met welke David, na zijn victorie over de Edomieten, hun land bezet had, om het onder zijn gehoorzaamheid te behouden, maar die na zijn vertrek van de inwoners waren verslagen geweest.
[^1koningen-11-18-30]: Kanttekening 30: Zie Gen. 25:2 . Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^1koningen-11-18-31]: Kanttekening 31: Zie Gen. 14:6 . Genesis 14:6 : En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is.
[^1koningen-11-18-32]: Kanttekening 32: voeding toezeide: Hebreeuws, אֶ֖רֶץ, brood; dat is, kost, voedsel, kleding. Zie Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^1koningen-11-19-33]: Kanttekening 33: vond grote genade: Hebreeuws, חֵ֛ן, vond zeer genade; wat het zij, genade in iemands ogen te vinden, zie Gen. 18:3 . Genesis 18:3 : En hij zei: Heer! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.
[^1koningen-11-19-34]: Kanttekening 34: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de oppervrouw van het huisgezin, alsof men zei, de herin; daarom, als van het huis of gezin van de koning verstaan zijn huisvrouw, of moeder, de koningin, gelijk hier en onder, 1 Kon. 15:13 ; 2 Kon. 10:13 ; Jer. 13:18 , en Jer. 29:2 . 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijke afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron. 2 Koningen 10:13 : Vond Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda, en hij zei: Wie bent u? En zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten. Jeremia 13:18 : Zeg tot de koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw gehele hoofdsieraad, de kroon van uw heerlijkheid, is nedergedaald. Jeremia 29:2 : (Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, en ook de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);
[^1koningen-11-20-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, speende.
[^1koningen-11-20-36]: Kanttekening 36: in het huis van Farao: Hebreeuws, בֵּ֣ית, in het midden van Farao's huis.
[^1koningen-11-22-37]: Kanttekening 37: laat mij evenwel gaan: Hebreeuws, תְּשַׁלְּחֵֽ, latende gaan laat mij gaan.
[^1koningen-11-23-i]: Verwijzing i: 2 Sam. 8:3 ; 2 Sam. 10:18 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^1koningen-11-23-38]: Kanttekening 38: Te weten, als hij merkte dat David tegen Hadad-Ezer de overhand had in de strijd, waarvan te zien is 2 Sam. 8:3 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^1koningen-11-23-39]: Kanttekening 39: De naam van een landschap van Syrië, gelegen tussen Damascus en de Eufraat. Zie daarvan 1 Sam. 14:47 , en 2 Kron. 8:3 ; Ps. 60:2 . 1 Samuël 14:47 : Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 2 Kronieken 8:3 : Daarna toog Salomo naar Hamath-zoba, en hij overweldigde het. Psalmen 60:2 : Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
[^1koningen-11-24-40]: Kanttekening 40: Versta, krijgslieden, die de koning van Zoba gediend hadden, en nu onder het beleid van Rezon, die van zijn heer afgevallen was, zich lieten gebruiken om zijn land en het land daaromtrent gelegen af te lopen en te plunderen.
[^1koningen-11-24-41]: Kanttekening 41: vergaderd had: Namelijk, zijn heer Hadad-Ezer.
[^1koningen-11-24-k]: Verwijzing k: 2 Sam. 8:3 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^1koningen-11-24-42]: Kanttekening 42: die doodde: Namelijk, Syriërs van Zoba.
[^1koningen-11-24-43]: Kanttekening 43: Zie van deze stad Gen. 14:15 . Deze stad heeft Rezon overweldigd, en daaruit het garnizoen \[van David daarin gelegd, om die onder zich te houden, 2 Sam. 8:6 \], uitgedreven, en zo het regiment daarvan ingenomen. Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen van de nacht, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^1koningen-11-25-44]: Kanttekening 44: hij was: Namelijk, Rezon.
[^1koningen-11-25-45]: Kanttekening 45: al de dagen van Salomo: Te weten, als Salomo van de Heer afgeweken en tot afgoderij vervallen was. Zie 1 Kon. 5:4 . 1 Koningen 5:4 : Maar nu heeft YHWH, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenstander, en geen bejegening van kwaad.
[^1koningen-11-25-46]: Kanttekening 46: Versta, Hadad, van welke gesproken is boven, vers 14 . 1 Koningen 11:14 : Zo verwekte YHWH Salomo een tegenstander, Hadad, de Edomiet; hij was van het zaad van de koning in Edom.
[^1koningen-11-25-47]: Kanttekening 47: hij had: Namelijk, Rezon.
[^1koningen-11-26-l]: Verwijzing l: 2 Kron. 13:6 . 2 Kronieken 13:6 : Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.
[^1koningen-11-26-48]: Kanttekening 48: een Efrathiet: Dat is, een Efraïmiet, of, die van de stam van Efraïm was; zo Richt. 12:5 . Richteren 12:5 : Want de Gileadieten namen de Efraïmieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Bent u een Efraïmiet? wanneer hij zei: Nee;
[^1koningen-11-26-49]: Kanttekening 49: De naam van de stad van zijn geboorte, gelegen in de stam Efraïms. Zie Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van de vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^1koningen-11-26-50]: Kanttekening 50: hief ook de hand op: Dat is, viel af van de koning, of maakte moeite en oproer tegen de koning; zo in vers 27 , en 2 Sam. 20:21 , en vergelijk onder, vers 40 . 1 Koningen 11:27 : Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk van de stad van zijn vader David toe. 2 Samuël 20:21 : De zaak is niet zo; maar een man van het gebergte van Efraïm, wiens naam is Seba, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, tegen David; lever hem alleen, zo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zei de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over de muur geworpen worden. 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
[^1koningen-11-27-51]: Kanttekening 51: Zie boven, 1 Kon. 9:15 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer.
[^1koningen-11-27-52]: Kanttekening 52: de breuk: Te weten, die David gemaakt had als hij de Jebusieten daar uit verdreef, en de burg Zion won. Zie 2 Sam. 5:6 , 5:7 . 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen. 2 Samuël 5:7 : Maar David nam de burg Sion in; die is de stad van David.
[^1koningen-11-28-53]: Kanttekening 53: En de man Jerobeam: Te weten, in het werk van bouwing van grote gestichten en sterkten, waarover hem Salomo als opziener gesteld had. Want hier worden twee gelegenheden verhaald, door welke hij zijn koning ontrouw geworden is, inplaats van dankbaar te zijn. De eerste, dat hij tot het voorzegde ambt verheven was; de andere, dat hij daarna nog tot een hogere staat gekomen is, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^1koningen-11-28-54]: Kanttekening 54: jongeling zag: Dit woord wordt ook van mannen gebruikt, en voornamelijk als zij iemands dienaren zijn. Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^1koningen-11-28-55]: Kanttekening 55: arbeidzaam was: Dat is, naarstig, zeer toeziende, en bezig in het verzorgen en uitvoeren van het werk waarover hij van de koning gesteld was. Hebreeuws, עֹשֵׂ֤ה, doende werk.
[^1koningen-11-28-56]: Kanttekening 56: over al de last: Versta, de stammen van Efraïm en Manasse.
[^1koningen-11-29-57]: Kanttekening 57: Hij is te onderscheiden van anderen van deze naam, als van Ahia de priester, 1 Sam. 14:3 , van Ahia de Leviet, die over de schatten van het huis van de Heer was, 1 Kron. 26:20 , van Ahia de schrijver van Salomo, 1 Kon. 4:3 , enz. 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was. 1 Kronieken 26:20 : Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen. 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^1koningen-11-29-58]: Kanttekening 58: Dat is, ontmoette.
[^1koningen-11-29-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, zich met een nieuw kleed bedekt had.
[^1koningen-11-31-m]: Verwijzing m: 1 Sam. 15:28 . 1 Samuël 15:28 : Toen zei Samuël tot hem: De YHWH heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u.
[^1koningen-11-32-60]: Kanttekening 60: een stam: Versta, de stam van Juda; hoewel daarin de stam van Simeon enigszins vermengd was, en ook een deel van de stam van Benjamin. Nu in de tien stammen worden Efraïm en Manasse voor twee stammen gerekend, maar de stam van Levi, hebbende geen bijzonder land en zijnde onder de andere stammen verstrooid, komt niet in rekening.
[^1koningen-11-32-61]: Kanttekening 61: Mijns knechts: Zie boven, vers 12 , 11:13 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren. 1 Koningen 11:13 : Maar Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, dat Ik gekozen heb.
[^1koningen-11-33-62]: Kanttekening 62: Te weten, om aan te bidden.
[^1koningen-11-33-63]: Kanttekening 63: Of, godin.
[^1koningen-11-33-64]: Kanttekening 64: gewandeld hebben in Mijn wegen: In de weg van de Heer te wandelen is te leven naar het voorschrift van zijn woord, gelijk de navolgende woorden verklaren. Zie 2 Kon. 21:22 ; Ps. 119:2 , en Ps. 128:1 . 2 Koningen 21:22 : Zo verliet hij YHWH, de God van zijn vaderen, en hij wandelde niet in de weg van YHWH. Psalmen 119:2 : Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser hart zoeken; Psalmen 128:1 : Een lied Hammaäloth. Welgelukzalig is een ieder, die YHWH vreest, die in Zijn wegen wandelt.
[^1koningen-11-33-65]: Kanttekening 65: wat recht is in Mijn ogen: Wat recht is in de ogen van de Heer verklaren de volgende woorden, namelijk, wat naar zijn heilig woord en ordinantie, niet naar menselijke instellingen geschiedt; zo onder, 1 Kon. 15:5 , 15:11 , en 1 Kon. 22:43 . 1 Koningen 15:5 : Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen van YHWH, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria, de Hethiet. 1 Koningen 15:11 : En Asa deed wat recht was in de ogen van YHWH, gelijk zijn vader David. 1 Koningen 22:43 : En hij wandelde in al de weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen van YHWH.
[^1koningen-11-34-66]: Kanttekening 66: niets van dit koninkrijk: Hebreeuws, אֶקַּ֥ח, en dit gehele koninkrijk zal Ik uit zijn hand niet nemen; dat is, niets daarvan. Deze manier van spreken, betekenende niet een particuliere of bijzondere, maar een generale of algemene afzegging en loochening, vindt men zeer dikwijls in de Heilige Schrift, gelijk Gen. 23:6 ; Joz. 11:14 ; Ps. 143:2 ; Matt. 24:22 ; Rom. 3:20 . Zie ook Gen. 39:23 . Genesis 23:6 : Hoor ons, mijn heer! u bent een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat u uw dode niet zoudt begraven. Jozua 11:14 : En al de roof van deze steden, en het vee, roofden de kinderen van Israël voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had. Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Mattheüs 24:22 : En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar vanwege de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Genesis 39:23 : De overste van het gevangenhuis zag geheel op geen ding, dat in zijn hand was, omdat YHWH met hem was; en wat hij deed, dat deed YHWH wel gedijen.
[^1koningen-11-35-67]: Kanttekening 67: Ik zal: Hebreeuws, עֲשֶׂ֥רֶת, en Ik zal dat geven, \[te weten\] tien stammen.
[^1koningen-11-36-68]: Kanttekening 68: zal Ik een stam geven: Zie boven, vers 32 . 1 Koningen 11:32 : Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël.
[^1koningen-11-36-n]: Verwijzing n: 1 Kon. 15:4 ; Ps. 132:17 . 1 Koningen 15:4 : Maar vanwege David, gaf YHWH, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^1koningen-11-36-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, alle dagen. Versta, in de stam van Juda, tot op de toekomst van de Messias. Want van David af tot de Babylonische gevangenis is de koninklijke regering in Juda gebleven; daarna de vorstelijke macht en het Sanhedrin, tot op Christus, wiens koninkrijk eeuwig is.
[^1koningen-11-36-70]: Kanttekening 70: Of, kaars, of licht; dat is, navolgens in het koninkrijk, zijnde voorbeelden van de Heer Christus. Zo wordt dit woord ook genomen 2 Sam. 21:17 . Zie mee onder, 1 Kon. 15:4 ; 2 Kron. 21:7 ; Ps. 132:17 . 2 Samuël 21:17 : Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg de Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: U zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat u de lamp van Israël niet uitblust. 1 Koningen 15:4 : Maar vanwege David, gaf YHWH, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem. 2 Kronieken 21:7 : Maar YHWH wilde het huis van David niet verderven, vanwege het verbond, dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij gezegd had, hem en zijn zonen te alle dage een lamp te zullen geven. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^1koningen-11-36-71]: Kanttekening 71: Mijn Naam: Zie boven, 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^1koningen-11-37-72]: Kanttekening 72: over al wat uw ziel zal begeren: Dat is, als een souverein vorst over een groot, machtig en welgezegend land; gelijk deze dingen gemeenlijk van koningen begeerd worden.
[^1koningen-11-37-73]: Kanttekening 73: over Israël: Dat is, over het merendeel van het volk.
[^1koningen-11-38-74]: Kanttekening 74: met u zal zijn: Zie Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^1koningen-11-38-75]: Kanttekening 75: u een bestendig huis bouwen: Dat is, uw koninkrijk zo bevestigen, dat het bij uw nakomelingen blijven zal. Vergelijk 1 Sam. 2:35 ; 2 Sam. 7:16 . 1 Samuël 2:35 : En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht van Mijn Gezalfde wandelen. 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.
[^1koningen-11-39-76]: Kanttekening 76: niet altijd: Hebreeuws, יָּמִֽים, niet ten alle dage. Want de Messias, die uit het zaad van David naar het vlees voortkomen zou en in het koninkrijk op het geestelijke manier opvolgen, zou niet alleen over al de stammen van Israël, maar ook over de gehele wereld heerschappij hebben.
[^1koningen-11-41-o]: Verwijzing o: 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^1koningen-11-41-77]: Kanttekening 77: van de geschiedenissen van Salomo: Hebreeuws, עָשָׂ֖ה, van de woorden.
[^1koningen-11-41-78]: Kanttekening 78: in het boek: Hiermede moet men niet verstaan de twee boeken van de Kronieken, die lang daarna, zo men houdt, van Ezra eerst geschreven zijn, maar een ander boek, in dat de handelingen en geschiedenissen van Salomo in het lange verhaald waren, dat niet meer voorhanden is.
[^1koningen-11-42-79]: Kanttekening 79: De tijd nu: Hebreeuws, מָלַ֨ךְ, de dagen.
[^1koningen-11-42-p]: Verwijzing p: 2 Kron. 9:30 . 2 Kronieken 9:30 : En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren.
[^1koningen-11-43-80]: Kanttekening 80: Genoemd, Matt. 1:7 , Roboam. Mattheüs 1:7 : En Salomon verwekte Roboam, en Roboam verwekte Abia, en Abia verwekte Asa;

### 1 Koningen 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/12.json)

*De Israëlieten verzoeken van Rehabeam verlichting van de opgelegde lasten, vers 1 enz. daarover beraadt hij zich eerst met de ouden, 5. daarna met de jongen, wier raad hij volgt, 8. waardoor tien stammen van hem afvallen, 16. Hij probeert hen weer aan zich te binden, maar tevergeefs, 18. Ja, God verbiedt hem dat, 22. Jerobeam, koning van Israël, beveiligt zijn rijk door de bouw van enkele versterkingen, 25. en door het instellen van een nieuwe godsdienst, 26.*

**1** En Rehabeam[^1koningen-12-1-a] trok naar[^1koningen-12-1-1] Sichem, want het hele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v1)

**2** Het gebeurde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde,[^1koningen-12-2-b] daar hij nog in Egypte was[^1koningen-12-2-2] (want hij was van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht; en Jerobeam[^1koningen-12-2-3] woonde in Egypte), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v2)

**3** Dat zij heen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de hele gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v3)

**4** [^1koningen-12-4-c] Uw vader heeft ons[^1koningen-12-4-4] juk[^1koningen-12-4-5] hard gemaakt; u dan nu,[^1koningen-12-4-6] maak de harde dienst van uw[^1koningen-12-4-7] vader, en zijn zwaar juk, dat hij[^1koningen-12-4-8] ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen[^1koningen-12-4-9] u dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v4)

**5** En hij zei tot hen: Ga heen tot aan de derde dag, komt dan weer tot mij. En het volk ging heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v5)

**6** En de koning Rehabeam hield raad met de[^1koningen-12-6-10] oudsten, die[^1koningen-12-6-11] gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v6)

**7** En zij spraken tot hem, zeggende: Als u vandaag knecht[^1koningen-12-7-12] van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen[^1koningen-12-7-13] goede woorden spreken zult, zo zullen zij altijd uw knechten zijn.[^1koningen-12-7-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v7)

**8** Maar hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de[^1koningen-12-8-15] jongemannen, die met hem[^1koningen-12-8-16] opgegroeid waren,[^1koningen-12-8-17] die voor zijn aangezicht stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v8)

**9** En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, dat tot mij gesproken heeft, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v9)

**10** En de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken:[^1koningen-12-10-18] Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan het middel van mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v10)

**11** Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met[^1koningen-12-11-19] schorpioenen straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v11)

**12** Zo kwam Jerobeam en het hele volk tot Rehabeam op de derde dag, zoals de koning gesproken had, zeggende: Kom weer tot mij op de derde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v12)

**13** En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet[^1koningen-12-13-20] de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v13)

**14** En hij sprak tot hen naar de raad van de jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen.[^1koningen-12-14-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v14)

**15** Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze[^1koningen-12-15-22] omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de[^1koningen-12-15-23] dienst van Ahia, de Siloniet,[^1koningen-12-15-d] gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v15)

**16** Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende:[^1koningen-12-16-24][^1koningen-12-16-e] Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij aan de zoon van Isaï; naar[^1koningen-12-16-25] uw tenten, o Israël![^1koningen-12-16-26] Voorzie nu uw huis, o[^1koningen-12-16-27] David! Zo ging Israël naar zijn tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v16)

**17** Maar voor wat betreft[^1koningen-12-17-28] de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v17)

**18** Toen zond de koning Rehabeam[^1koningen-12-18-29][^1koningen-12-18-f] Adoram, die over de belasting was; en het hele Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam[^1koningen-12-18-30] verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v18)

**19** [^1koningen-12-19-g] Zo[^1koningen-12-19-31] vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v19)

**20** En het gebeurde, als geheel Israël hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij heen zonden, en hem in de[^1koningen-12-20-32] vergadering riepen, en hem over geheel Israël koning[^1koningen-12-20-33] maakten; niemand volgde het huis van David, dan de stam[^1koningen-12-20-34] van Juda alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v20)

**21** Toen[^1koningen-12-21-h] nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, verzamelde hij het hele huis van Juda en de[^1koningen-12-21-35] stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend beste manschappen,[^1koningen-12-21-36] geoefend ten oorlog, om tegen het[^1koningen-12-21-37] huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan[^1koningen-12-21-38] Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v21)

**22** [^1koningen-12-22-i] Maar het woord van God kwam tot[^1koningen-12-22-39] Semaja, de man van God, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v22)

**23** Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het hele huis van Juda en Benjamin, en het overige van het volk,[^1koningen-12-23-40] zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v23)

**24** Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de Israëlieten; een ieder kere weer tot zijn huis, want[^1koningen-12-24-41] deze zaak is van Mij gebeurd. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v24)

**25** Jerobeam nu bouwde[^1koningen-12-25-42] Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en trok van daar uit, en bouwde[^1koningen-12-25-43][^1koningen-12-25-k] Penuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v25)

**26** En Jerobeam[^1koningen-12-26-44] zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v26)

**27** Zo dit volk opgaan zal om offergaven te doen in het huis van YHWH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v27)

**28** Daarom hield de koning een raad, en[^1koningen-12-28-l] maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u[^1koningen-12-28-45] te veel om op te gaan naar Jeruzalem;[^1koningen-12-28-m] zie[^1koningen-12-28-46] uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v28)

**29** En hij zette het ene te[^1koningen-12-29-47] Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v29)

**30** En deze zaak[^1koningen-12-30-48] werd tot zonde; want het volk ging heen[^1koningen-12-30-49] voor het ene, tot Dan toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v30)

**31** Hij maakte ook een[^1koningen-12-31-50] huis van de[^1koningen-12-31-n] hoogten; en maakte priesters van de[^1koningen-12-31-51] geringsten van het volk, die niet waren uit de[^1koningen-12-31-52] zonen van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v31)

**32** En Jerobeam maakte[^1koningen-12-32-53] een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest, dat in Juda was, en[^1koningen-12-32-54] offerde op het altaar; zo deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v32)

**33** En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, van[^1koningen-12-33-55] de maand, die hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij de Israëlieten een feest, en[^1koningen-12-33-56] offerde op dat altaar,[^1koningen-12-33-57] rokende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/12.html#v33)

[^1koningen-12-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 10:1 . 2 Kronieken 10:1 : En Rehabeam toog naar Sichem; want het gehele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
[^1koningen-12-1-1]: Kanttekening 1: De naam van een stad gelegen in Efraïm, van welke zie breder Gen. 12:6 . In deze stad, als in het midden van het land, was de vergadering belegd, in welke men van de huldiging van de nieuwe koning en van de zaken van het rijk handelen zou. Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^1koningen-12-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 11:40 . 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
[^1koningen-12-2-2]: Kanttekening 2: want hij was van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht: Zie boven, 1 Kon. 11:40 . 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
[^1koningen-12-2-3]: Kanttekening 3: woonde in Egypte: Te weten, wachtende bekwame gelegenheid om tot het koninkrijk, hem van God door de profeet Ahia toegezegd, boven, 1 Kon. 11:31 , te geraken. 1 Koningen 11:31 : En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
[^1koningen-12-4-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 10:4 . 2 Kronieken 10:4 : Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak u uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
[^1koningen-12-4-4]: Kanttekening 4: Dat is, de dienstbaarheid en de last van de schatting, die hun Salomo opgelegd had. Zie boven, 1 Kon. 4:7 , en 1 Kon. 5:13 ; zo is het woord juk gebruikt in het volgende; idem Gen. 27:40 , en Lev. 26:13 . 1 Koningen 4:7 : En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen. 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man. Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. Leviticus 26:13 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
[^1koningen-12-4-5]: Kanttekening 5: hard gemaakt: Hoewel Salomo de goederen zijns volks belast had met schattingen, tot onderhouding van zijn staat en hofgezin, boven, 1 Kon. 4:7 , 4:22 , nochtans hadden zij geen oorzaak om dus te klagen, omdat zij onder zijn regering, durende veertig jaren lang, 2 Kron. 9:30 , naast de ware religie, grote vrede en rijkdom genoten hadden, boven 1 Kon. 4:24 , 4:25 , en 1 Kon. 10:27 . 1 Koningen 4:7 : En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen. 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 2 Kronieken 9:30 : En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren. 1 Koningen 4:24 : Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom. 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo. 1 Koningen 10:27 : En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
[^1koningen-12-4-6]: Kanttekening 6: maak … lichter: Of, minder van de harden dienst uws vaders, enz.
[^1koningen-12-4-7]: Kanttekening 7: vaders harden dienst: Dat is, die uw vader ons opgelegd heeft. Zo, de last van de koning, Hos. 8:10 , dat is, die de koning oplegt. Hosea 8:10 : Omdat zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten.
[^1koningen-12-4-8]: Kanttekening 8: ons opgelegd heeft: Hebreeuws, נָתַ֥ן, op ons gegeven heeft; zo vers 9 . 1 Koningen 12:9 : En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.
[^1koningen-12-4-9]: Kanttekening 9: u dienen: Dat is, uw onderzaten zijn, en u voor onze koning aannemen, erkennen en u gehoorzamen. Dat heet onder, vers 7 , knechten zijn. 1 Koningen 12:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn.
[^1koningen-12-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, met de raadsheren van het rijk. Zie Gen. 50:7 . Genesis 50:7 : En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land van Egypte;
[^1koningen-12-6-11]: Kanttekening 11: gestaan hadden: Dat is, die hem met raad gediend hadden. Vergelijk onder, vers 8 , en zie Deut. 1:38 , en boven, 1 Kon. 1:2 . 1 Koningen 12:8 : Maar hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden. Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven. 1 Koningen 1:2 : Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.
[^1koningen-12-7-12]: Kanttekening 12: knecht van dit volk wezen zult: Dat is, hen involgen zult, hun toestaande wat zij met beleefdheid aan u verzoeken. Vergelijk hiermede 2 Kron. 10:7 . 2 Kronieken 10:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u dit volk goedertieren en tegenover hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn.
[^1koningen-12-7-13]: Kanttekening 13: goede woorden: Dat is, aangename, vriendelijke en troostrijke redenen. Zie boven, 1 Kon. 1:42 . 1 Koningen 1:42 : Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent een kloek man, en zult het goede boodschappen.
[^1koningen-12-7-14]: Kanttekening 14: knechten zijn: Zie boven, vers 4 . 1 Koningen 12:4 : Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; u dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.
[^1koningen-12-8-15]: Kanttekening 15: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 44:20 . Genesis 44:20 : Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinsten, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.
[^1koningen-12-8-16]: Kanttekening 16: opgewassen waren: Of, opgevoed waren.
[^1koningen-12-8-17]: Kanttekening 17: die voor zijn aangezicht stonden: Dat is, die in zijn dienst waren, gelijk boven, vers 6 . 1 Koningen 12:6 : En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal?
[^1koningen-12-10-18]: Kanttekening 18: Mijn kleinste vinger : Of, mijn kleinste \[lid\] enz. Een algemeen spreekwoord, waardoor te kennen gegeven wordt dat hij meerder geweld zou gebruiken om zijn volk te verdrukken, dan zijn vader gedaan had.
[^1koningen-12-11-19]: Kanttekening 19: schorpioenen kastijden: Dat is, met geselen, welke scherpe haken aanhebben om te steken en te doorwonden, gelijk de scorpioenen doen. Anderen verstaan geselen van egelentier of andere doornen gemaakt, waarbij de dienstbaarheid vergeleken wordt, waarmee de koning geraden wordt zijn volk te dreigen.
[^1koningen-12-13-20]: Kanttekening 20: de raad van de oudsten: Zie boven, vers 7 . 1 Koningen 12:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn.
[^1koningen-12-14-21]: Kanttekening 21: raad van de jongelingen: Zie boven, vers 10 , 12:11 . 1 Koningen 12:10 : En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan de lenden van mijn vader. 1 Koningen 12:11 : Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
[^1koningen-12-15-22]: Kanttekening 22: Of, omgang, omkering; idem, oorzaak. De zin is hier dat deze geschiedenis, of handel, waardoor de staat van het land dus omkeerde en omgewend werd, geschiedde naar het beleid van de voorzienigheid Gods, opdat Hij zijn straf, die Hij Salomo om zijn afwijking bedreigd had, uitvoeren zou, zonder nochtans dat God van het doen van de mensen enige besmetting heeft gekregen. Vergelijk onder, vers 24 ; idem Gen. 45:5 , 45:7 , 45:8 , en Gen. 50:20 ; Ex. 9:16 ; 2 Sam. 12:12 ; 2 Kron. 25:20 . 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH. Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven. Genesis 45:7 : Maar God heeft mij voor uw aangezicht heen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. Genesis 45:8 : Nu dan, u hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn gehele huis, en regeerder in het gehele land van Egypte. Genesis 50:20 : Gijlieden wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden. Exodus 9:16 : Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde. 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. 2 Kronieken 25:20 : Maar Amazia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, omdat zij de goden van de Edomieten gezocht hadden.
[^1koningen-12-15-23]: Kanttekening 23: dienst van Ahia: Hebreeuws, יַד֙, hand. Zie Lev. 8:36 . Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^1koningen-12-15-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 11:11 ; idem v. 31 . 1 Koningen 11:11 : Daarom zei YHWH tot Salomo: Omdat dit bij u geschied is, dat u niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven. 1 Koningen 11:31 : En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
[^1koningen-12-16-24]: Kanttekening 24: Wat deel hebben wij aan David: Vergelijk 2 Sam. 20:1 . De zin is dat zij met het koninkrijk van David niet wilden te doen hebben, omdat zij, naar hun gevoelen, geen voordeel te verwachten hadden. Zij spreken vragenderwijze, om te sterker te loochenen. Zie Gen. 18:17 . 2 Samuël 20:1 : Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, een ieder naar zijn tenten, o Israël! Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^1koningen-12-16-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 20:1 . 2 Samuël 20:1 : Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, een iedereen naar zijn tenten, o Israël!
[^1koningen-12-16-25]: Kanttekening 25: uw tenten: Dat is, een iedere kere weer naar zijn huis en naar de zijnen.
[^1koningen-12-16-26]: Kanttekening 26: Voorzie nu uw huis: Dat is, dat hij zorg voor zichzelven drage, en niet voor ons, maar ons met vrede late.
[^1koningen-12-16-27]: Kanttekening 27: Zij verstaan de nakomelingen Davids en die hem toegedaan waren; maar hebben hem genaamd, uit verachting, de zoon van Isaï.
[^1koningen-12-17-28]: Kanttekening 28: de kinderen van Israël: Versta bij deze de stam van Simeon, die voor een deel onder de stam van Juda vermengd was, de Levieten en een deel van de stam van Benjamin, die noordwaarts aan de stam van Juda gelegen was. Zie boven, 1 Kon. 11:32 , en vergelijk onder, vers 23 . 1 Koningen 11:32 : Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël. 1 Koningen 12:23 : Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het gehele huis van Juda en Benjamin, en overige van het volk, zeggende:
[^1koningen-12-18-29]: Kanttekening 29: Deze is die ook \[naar eniger gevoelen\] Adoniram genoemd werd, boven, 1 Kon. 4:6 , en 1 Kon. 5:14 , van wie daar gezegd wordt dat hij over de schatting van de koning was, gelijk ook hier van deze; welk ambt degenen, die het bedienen, placht bij het volk hatelijk te maken; zodat het onvoorzichtigheid was, zulk een te zenden om de Israëlieten tot vrede te brengen. 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend van de maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.
[^1koningen-12-18-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 4:6 ; 1 Kon. 5:14 . 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend van de maands bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.
[^1koningen-12-18-30]: Kanttekening 30: verkloekte zich: Te weten, zich haastende om het gevaar te ontkomen.
[^1koningen-12-19-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 17:21 . 2 Koningen 17:21 : Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter YHWH, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
[^1koningen-12-19-31]: Kanttekening 31: vielen de Israëlieten: Anders, zo waren de Israëlieten opstandig, of, rebel, of, trouweloos tegen het huis van David. Zo wordt het oorspronkelijke woord in gelijke zaak gebruikt, 2 Kon. 1:1 , en 2 Kon. 3:7 , en 2 Kon. 8:22 . 2 Koningen 1:1 : En Moab viel van Israël af, na Achabs dood. 2 Koningen 3:7 : En hij ging heen, en zond tot Josafat, de koning van Juda, zeggende: De koning van de Moabieten is van mij afgevallen, zult u met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij zei: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^1koningen-12-20-32]: Kanttekening 32: vergadering riepen: Te weten, die de oversten van de stammen van Israël geleid hadden om te beraadslagen wat hun in deze verdeling van de stammen en gelegenheid huns lands te doen stond. Vergelijk boven de aantekeningen vers 1 . 1 Koningen 12:1 : En Rehabeam toog naar Sichem, want het gehele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
[^1koningen-12-20-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, niemand was achter het huis van David.
[^1koningen-12-20-34]: Kanttekening 34: Juda alleen: Zie boven, vers 17 . 1 Koningen 12:17 : Maar aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.
[^1koningen-12-21-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 11:1 . 2 Kronieken 11:1 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam bracht.
[^1koningen-12-21-35]: Kanttekening 35: stam van Benjamin: Dat is, een deel van die stam, want Bethel en andere steden waren met Jerobeam.
[^1koningen-12-21-36]: Kanttekening 36: geoefend ten oorlog: Hebreeuws, עֹשֵׂ֣ה, doende krijg, of oorlog; dat is, bekwaam om ten oorlog gebruikt te worden, of welbedreven in het stuk van de oorlog, of hanterende de oorlog. Zo 2 Kron. 11:1 , en 2 Kron. 26:13 . 2 Kronieken 11:1 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam bracht. 2 Kronieken 26:13 : En onder hun hand was een leger van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om de koning tegen de vijand te helpen.
[^1koningen-12-21-37]: Kanttekening 37: huis van Israël: Dat is, de tien stammen, die van Rehabeam en het huis van Juda afgeweken waren; boven, vers 16 , en 2 Kron. 10:16 . 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 2 Kronieken 10:16 : Toen het gehele volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk de koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het gehele Israël naar zijn tenten.
[^1koningen-12-21-38]: Kanttekening 38: Dat is, aan zichzelven. Zie boven, 1 Kon. 2:19 . 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
[^1koningen-12-22-i]: Verwijzing i: 2 Kron. 11:2 . 2 Kronieken 11:2 : Maar het woord van YHWH geschiedde tot Semaja, de man van God, zeggende:
[^1koningen-12-22-39]: Kanttekening 39: Zie van deze profeet ook 2 Kron. 12:5 , 12:15 , en is te onderscheiden van twee valse profeten van deze naam; de ene was de zoon van Delaja, Neh. 6:10 , de andere toegenaamd de Nehelamiet; Jer. 29:31 . 2 Kronieken 12:5 : Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zei tot hen: Zo zegt YHWH: U hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 2 Kronieken 12:15 : De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, de profeet, en Iddo, de ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen? Nehemia 6:10 : Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zei hij: Laat ons samenkomen in het huis van God, in het midden van de tempel, en laat ons de deuren van de tempel toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden. Jeremia 29:31 : Zend heen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt YHWH van Semaja, de Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt;
[^1koningen-12-23-40]: Kanttekening 40: Te weten, Israëls, dat in Juda en Benjamin was; 2 Kron. 11:3 . 2 Kronieken 11:3 : Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het gehele Israël in Juda en Benjamin, zeggende:
[^1koningen-12-24-41]: Kanttekening 41: deze zaak: Zie boven, vers 15 . 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^1koningen-12-25-42]: Kanttekening 42: Dat is, hij sterkte haar, en maakte haar vast. Zie van deze stad boven, vers 1 . 1 Koningen 12:1 : En Rehabeam toog naar Sichem, want het gehele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
[^1koningen-12-25-43]: Kanttekening 43: Een stad, gelegen over de Jordaan in de stam van Gad. Zie Gen. 32:30 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
[^1koningen-12-25-k]: Verwijzing k: Gen. 32:30 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
[^1koningen-12-26-44]: Kanttekening 44: zei in zijn hart: Dat is, dacht en oordeelde, zo Ps. 14:1 , en Ps. 36:2 . In zijn hart zeggen is ook bij zichzelven voornemen en besluiten, Ps. 74:8 . Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Psalmen 36:2 : De overtreding van de goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vrees voor God voor zijn ogen. Psalmen 74:8 : Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
[^1koningen-12-28-l]: Verwijzing l: 2 Kon. 17:16 . 2 Koningen 17:16 : Ja, zij verlieten al de geboden van YHWH, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle legermacht van de hemel, en dienden Baäl.
[^1koningen-12-28-45]: Kanttekening 45: te veel: Dat is, het zou u te moeilijk en te kostelijk vallen. Anders, het zij u genoeg, dat u tot nog toe naar Jeruzalem getrokken bent, om daar uw offeranden te brengen. Het is voortaan niet nodig, vindende de gelegenheid daartoe in uw eigen land. Vergelijk deze manier van spreken met Num. 16:2 , 16:3 . Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. Numeri 16:3 : En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze gehele vergadering, zij allen, zijn heilig, en YHWH is in het midden van hen; waarom dan verheft u u over de gemeente van YHWH?
[^1koningen-12-28-m]: Verwijzing m: Ex. 32:8 . Exodus 32:8 : En zij zijn haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelfde gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
[^1koningen-12-28-46]: Kanttekening 46: uw goden: Hij wist wel dat deze gouden kalveren geen goden waren, en dat de Israëlieten dat ook wel verstaan zouden; maar hij wilde dat zij de waren God door deze beelden zouden eren en dienen, tegen het uitgedrukte gebod van de Heer; Ex. 20:4 , 20:5 ; Deut. 4:14 , 4:15 , 4:16 , 4:17 , enz. Zie dergelijke misdaad, Ex. 32:4 . Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Deuteronomium 4:14 : Ook gebood mij YHWH ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat u die deedt in dat land, naar dat u doortrekt, om dat te erven. Deuteronomium 4:15 : Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak; Deuteronomium 4:16 : Opdat u u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw, Deuteronomium 4:17 : De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelden vogel, die door de hemel vliegt; Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
[^1koningen-12-29-47]: Kanttekening 47: Dat is, aan beide de uiterste palen zijns koninkrijks; want Beth-El was in de zuidpale gelegen, en Dan in de noordpale.
[^1koningen-12-30-48]: Kanttekening 48: werd tot zonde: Te weten, van de afgoderij, die met uitneming zonde genoemd wordt, omdat zij regelrecht gekant worden tegen de majesteit van God. Hierom wordt dikwijls van Jerobeam gezegd dat hij Israël zondigen deed; 1 Kon. 16:19 , enz. Zie ook 2 Kon. 21:16 . 1 Koningen 16:19 : Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH, wandelende in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. 2 Koningen 21:16 : Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^1koningen-12-30-49]: Kanttekening 49: voor het ene: Te weten, om dat aan te bidden en offerande te doen. En het schijnt hieruit dat het ene kalf eerst te Dan, en het andere daarna te Beth-El is opgericht geweest. Zo het blijkt uit vers 32 . 1 Koningen 12:32 : En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftienden dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had.
[^1koningen-12-31-50]: Kanttekening 50: huis van de hoogten: Dat is, een tempel op een verheven plaats, alwaar altaren opgericht waren, om afgoderij daarop te bedrijven.
[^1koningen-12-31-n]: Verwijzing n: 2 Kron. 11:15 ; Num. 3:10 ; 1 Kon. 13:33 ; 2 Kon. 17:32 . 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. Numeri 3:10 : Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. 1 Koningen 13:33 : Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priester van de hoogten. 2 Koningen 17:32 : Ook vreesden zij YHWH, en maakten zich van hun geringsten priesters van de hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen van de hoogten.
[^1koningen-12-31-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, uit de einden, of uiterste delen van het volk, dat is van de slechtsten en verachtsten van het volk, en niet van de aanzienlijken. Of versta dit van beide soorten van het volk; te weten, de hoge en de lage. Vergelijk deze manier van spreken met Gen. 47:2 , en zie de aantekeningen daarop. Genesis 47:2 : En hij nam een deel van zijn broers, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht.
[^1koningen-12-31-52]: Kanttekening 52: zonen van Levi: Uit welke, en namelijk uit het geslacht Aärons, de priesters naar Gods instelling gekozen moesten worden.
[^1koningen-12-32-53]: Kanttekening 53: een feest in de achtste maand: Namelijk een loofhuttenfeest, om wat dat in Juda zo genoemd werd, na te bootsen; maar heeft dit feest verordend in de achtste maand, dat is, in October; daar nochtans het loofhuttenfeest naar Gods ordinantie gehouden moest worden in de zevende maand, dat is, in September, gelijk het in Juda gehouden werd; Lev. 23:34 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn.
[^1koningen-12-32-54]: Kanttekening 54: offerde op het altaar: Namelijk, hij zelf, vergelijk 1 Kon. 13:1 , 13:4 , dat hem ongeoorloofd was, omdat dit het ambt was aan de priesters alleen van God opgelegd, Ex. 30:7 , enz., en 2 Kron. 26:18 . 1 Koningen 13:1 : En ziet, een man van God kwam uit Juda, door het woord van YHWH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken. 1 Koningen 13:4 : Het geschiedde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon. Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij die aansteken. 2 Kronieken 26:18 : En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, YHWH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van YHWH God.
[^1koningen-12-33-55]: Kanttekening 55: uit zijn hart: Dat is, naar zijn eigen goeddunken, aannemende de autoriteit om zulk een godsdienst in te stellen, gelijk het hem beliefde, tegen het uitgedrukte bevel van de Heer; Num. 15:39 . Numeri 15:39 : En hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van YHWH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende;
[^1koningen-12-33-56]: Kanttekening 56: offerde op dat altaar: Namelijk, Jerobeam. Vergelijk het eerste van 1 Kon. 13 . Anders, en klom op dit altaar om te roken.
[^1koningen-12-33-57]: Kanttekening 57: Dat is, wat hij offerde was reukwerk; of, hij offerde en rookte tezamen.

### 1 Koningen 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/13.json)

*Een profeet van Juda profeteert tegen het altaar te Bethel, vers 1 enz. de profetie wordt door wonderen bevestigd, 3. de profeet, uitgenodigd door Jerobeam om met hem te eten, weigert en vertrekt, 7. een oude profeet verleidt hem zodat hij terugkeert, 11. hij wordt daarover door God via de oude profeet bestraft, 20. en gedood door een leeuw, 23. de oude profeet begraaft hem als hij dat verneemt, 25. en bevestigt zijn profetie, 31. Jerobeams hardnekkigheid, 33.*

**1** En ziet,[^1koningen-13-1-1] een man van God kwam uit Juda,[^1koningen-13-1-2] door het woord van YHWH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar,[^1koningen-13-1-3] om te roken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v1)

**2** En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia;[^1koningen-13-2-6] die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.[^1koningen-13-2-4][^1koningen-13-2-a][^1koningen-13-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v2)

**3** En hij[^1koningen-13-3-7] gaf op diezelfde dag een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan YHWH gesproken heeft; zie, het altaar[^1koningen-13-3-8] zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v3)

**4** Het gebeurde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn[^1koningen-13-4-9] hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen[^1koningen-13-4-10] hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v4)

**5** En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man van God gegeven had, door het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v5)

**6** Toen[^1koningen-13-6-11] antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uw God, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd zoals te voren.[^1koningen-13-6-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v6)

**7** En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en[^1koningen-13-7-12] sterk u, en ik zal u een geschenk geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v7)

**8** Maar de man van God zei tot de koning:[^1koningen-13-8-c] Al[^1koningen-13-8-13] gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in[^1koningen-13-8-14] deze plaats geen[^1koningen-13-8-15] brood eten, noch water drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v8)

**9** Want[^1koningen-13-9-16] zo heeft mij YHWH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen[^1koningen-13-9-17] brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v9)

**10** En hij ging door een andere weg, en keerde niet weer door de weg waarlangs hij te Beth-el gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v10)

**11** Een[^1koningen-13-11-18] oud profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man van God op die dag in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot de koning gesproken had; deze vertelden[^1koningen-13-11-19] zij ook hun vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v11)

**12** En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij gegaan? En zijn zonen hadden de weg[^1koningen-13-12-20] gezien, die de man van God was gegaan, die uit Juda gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v12)

**13** Toen zei hij tot zijn zonen: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem de ezel, en hij reed daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v13)

**14** En hij trok de man van God na, en vond hem zittende onder een[^1koningen-13-14-21] eik; en hij zei tot hem: Bent u de man van God, die uit Juda gekomen bent? En hij zei: Ik ben het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v14)

**15** Toen zei hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v15)

**16** Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in[^1koningen-13-16-22] deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v16)

**17** Want[^1koningen-13-17-23] een woord is tot mij gebeurd door het woord van YHWH: U zult daar noch brood eten, noch water drinken; u zult niet terugkeren, gaande door de weg, waarlangs u gegaan bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v17)

**18** En hij zei tot hem:[^1koningen-13-18-d] Ik ben ook een profeet, zoals[^1koningen-13-18-24] u, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord van YHWH, zeggende: Breng hem weer met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Maar hij loog hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v18)

**19** En[^1koningen-13-19-25] hij keerde met hem terug, en at brood in zijn huis, en dronk water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v19)

**20** En het gebeurde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord van YHWH[^1koningen-13-20-26] kwam tot de[^1koningen-13-20-27] profeet, die[^1koningen-13-20-28] hem[^1koningen-13-20-29] had doen terugkeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v20)

**21** En hij[^1koningen-13-21-30] riep tot de man van God, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt YHWH: Omdat u tegen de mond van YHWH opstandig bent geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u YHWH, uw God, geboden had,[^1koningen-13-21-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v21)

**22** Maar bent teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken;[^1koningen-13-22-32] zo zal uw dood lichaam in het graf van uw vader niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v22)

**23** En het gebeurde, nadat[^1koningen-13-23-33] hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij[^1koningen-13-23-34] hem de ezel zadelde, te weten voor de profeet, die hij had doen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v23)

**24** Zo trok hij heen,[^1koningen-13-24-e] en een leeuw[^1koningen-13-24-35] vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel[^1koningen-13-24-36] stond daarbij; ook[^1koningen-13-24-37] stond de leeuw bij het dode lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v24)

**25** En ziet, er gingen mensen voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op de weg, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v25)

**26** Als de profeet, die hem van de weg had doen terugkeren, dit hoorde, zo zei hij: Het is de man van God, die tegen de mond van YHWH opstandig is geweest; daarom heeft YHWH hem de leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord van YHWH, dat Hij tot hem[^1koningen-13-26-39] gesproken had.[^1koningen-13-26-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v26)

**27** Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v27)

**28** Toen trok hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op de weg, en de ezel, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en de ezel[^1koningen-13-28-40] niet gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v28)

**29** Toen nam de profeet het dode lichaam van de man van God op, en legde dat op de ezel, en voerde het terug; zo kwam de oude profeet in de stad om[^1koningen-13-29-41] rouw te bedrijven en hem te begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v29)

**30** En hij legde zijn dood lichaam[^1koningen-13-30-42] in zijn graf; en[^1koningen-13-30-43] zij bedreven rouw over hem:[^1koningen-13-30-44] Ach, mijn broeder! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v30)

**31** Het gebeurde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man van God begraven is,[^1koningen-13-31-45] en legt mijn beenderen bij zijn beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v31)

**32** Want de zaak zal[^1koningen-13-32-46] zeker gebeuren,[^1koningen-13-32-f] die hij door het woord van YHWH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen[^1koningen-13-32-47] van de hoogten, die in de steden[^1koningen-13-32-48] van Samaria zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v32)

**33** Na[^1koningen-13-33-49] deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn boze weg;[^1koningen-13-33-g] maar maakte[^1koningen-13-33-50] opnieuw priesters van[^1koningen-13-33-51] de hoogten van de geringsten van[^1koningen-13-33-52] het volk; wie wilde,[^1koningen-13-33-53] diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v33)

**34** En[^1koningen-13-34-54] hij werd in deze zaak[^1koningen-13-34-55] het huis van[^1koningen-13-34-56] Jerobeam tot zonde, om het te doen afsnijden en te vernietigen van de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/13.html#v34)

[^1koningen-13-1-1]: Kanttekening 1: een man van God: Zie van deze benaming Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^1koningen-13-1-2]: Kanttekening 2: door het woord van YHWH: Dat is, door het bevel van de Heer, zo in vers 2 ; of met het woord van de Heer; dat is, met zekeren last, die hij de koning Jerobeam aandienen moest. 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
[^1koningen-13-1-3]: Kanttekening 3: om te roken: Vergelijk boven, 1 Kon. 12:32 , 12:33 , en de aantekeningen daarop; idem onder, vers 4 . 1 Koningen 12:32 : En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had. 1 Koningen 12:33 : En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, van de maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij voor de kinderen van Israël een feest, en offerde op dat altaar, rokende. 1 Koningen 13:4 : Het geschiedde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon.
[^1koningen-13-2-6]: Kanttekening 6: die zal op u offeren: Waardoor het altaar verontreinigd en de priesters, die daarop offerden, gestraft zouden worden. Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 23:15 , enz. 2 Koningen 23:15 : Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
[^1koningen-13-2-4]: Kanttekening 4: Hij spreekt het altaar toe, omdat de koning tot deze en dergelijke vermaningen geen gehoor gaf. Ondertussen de gehele uiterlijke afgodendienst wordt gedreigd door het woord altaar, dat somtijds voor de hele uitwendige godsdienst genomen wordt, gelijk Jes. 19:19 ; 1 Kor. 9:13 . Jesaja 19:19 : Te die dage zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. 1 Korinthiërs 9:13 : Weet u niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?
[^1koningen-13-2-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 23:15 ; idem v. 16 ; idem v. 17 . 2 Koningen 23:15 : Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos. 2 Koningen 23:16 : En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van YHWH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. 2 Koningen 23:17 : Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de mensen van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man van God, die uit Juda kwam, en deze dingen, die u tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
[^1koningen-13-2-5]: Kanttekening 5: geboren worden: Te weten, omtrent drie honderd en dertig jaren na deze.
[^1koningen-13-3-7]: Kanttekening 7: gaf ten zelfden: Dat is, hij verklaarde dat er dadelijk een wonder gebeuren zou, tot bevestiging van wat hij voorzeide. Zo onder, vers 5 , en zo spreekt ook Mozes, Deut. 13:1 . 1 Koningen 13:5 : En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man van God gegeven had, door het woord van YHWH. Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;
[^1koningen-13-3-8]: Kanttekening 8: vaneen gescheurd: Te weten, vanzelf, zonder dat enig mens zijn hand daartoe brengen zal.
[^1koningen-13-4-9]: Kanttekening 9: hand van op: Waarmee hij over en omtrent het altaar met offeren en roken bezig was.
[^1koningen-13-4-10]: Kanttekening 10: hem uitgestrekt had: Hij meent de man van God, die het altaar gedreigd had.
[^1koningen-13-6-11]: Kanttekening 11: Antwoorden heet hier, een rede of aanspraak beginnen. Zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^1koningen-13-6-b]: Verwijzing b: Ex. 8:8 ; Ex. 9:28 ; Ex. 10:17 ; Num. 21:7 ; Hand. 8:24 . Exodus 8:8 : En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bidt vuriglijk tot YHWH, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij YHWH offeren. Exodus 9:28 : Bidt vuriglijk tot YHWH (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten, en u zult niet langer blijven. Exodus 10:17 : En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot YHWH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme. Numeri 21:7 : Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen YHWH en tegen u gesproken hebben; bid YHWH, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. Handelingen 8:24 : Maar Simon, antwoordende, zei: Bidt u voor mij tot de Heer, opdat niets over mij kome van wat u gezegd hebt.
[^1koningen-13-7-12]: Kanttekening 12: sterk u : Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk ondersteunen, dat hier zoveel is als het lichaam door nuttiging van voedsel en drank nieuwe sterkte toebrengen. Vergelijk Gen. 18:5 ; Richt. 19:5 , 19:8 , en Ps. 104:15 . Genesis 18:5 : En ik zal een bete broods langen, dat U Uw hart sterkt; daarna zult U voortgaan, daarom omdat U tot Uw knecht overgekomen bent. En zij zeiden: Doe zo als u gesproken hebt. Richteren 19:5 : Op de vierde dag nu geschiedde het, dat zij 's morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zei de vader van de jonge dochter tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een bete broods, en daarna zult u wegtrekken. Richteren 19:8 : Als hij op de vijfde dag 's morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen. Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mens verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mens sterkt.
[^1koningen-13-8-c]: Verwijzing c: Num. 22:18 . Numeri 22:18 : Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel van YHWH mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.
[^1koningen-13-8-13]: Kanttekening 13: gaf u: Gelijke manier van spreken gebruikt Bileam, Num. 22:13 , maar niet met een oprecht hart. Numeri 22:13 : Toen stond Bileam 's morgens op, en zei tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land; want YHWH weigert mij toe te laten met u te gaan.
[^1koningen-13-8-14]: Kanttekening 14: deze plaats: Dat is, hier te Beth-El; zo onder, 1 Kon. 12:16 . 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.
[^1koningen-13-8-15]: Kanttekening 15: Dat is geen voedsel noch drank nuttigen; zo onder, vers 9 , 13:16 , 13:17 , enz. Vergelijk 1 Sam. 30:11 ; 2 Kon. 6:22 , 6:23 . 1 Koningen 13:9 : Want zo heeft mij YHWH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent. 1 Koningen 13:16 : Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats. 1 Koningen 13:17 : Want een woord is tot mij geschied door het woord van YHWH: U zult daar noch brood eten, noch water drinken; u zult niet terugkeren, gaande door de weg, door denwelken u gegaan bent. 1 Samuël 30:11 : En zij vonden een Egyptischen man op het veld, en zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood, en hij at, en zij gaven hem water te drinken. 2 Koningen 6:22 : Maar hij zei: U zult hen niet slaan; zoudt u ook slaan, die u met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. 2 Koningen 6:23 : En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden van de Syriërs niet meer in het land van Israël.
[^1koningen-13-9-16]: Kanttekening 16: zo heeft: Hebreeuws, צִוָּ֣ה, zo heeft Hij mij geboden door het woord van YHWH; dat is, zo heeft Hij, te weten de Heer, mij geboden door zijn woord. Zie gelijke manier van spreken Gen. 1:27 , en Gen. 5:1 , en de aantekeningen. Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Genesis 5:1 : Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
[^1koningen-13-9-17]: Kanttekening 17: U zult geen: Namelijk, te Beth-El. Vergelijk het vers 7 . Want dit verbod, gelijk het persoonlijk was, zo was het ook te verstaan ten aanzien van de plaats, tot welke hij gezonden was, en zonder twijfel van de tijd van deze uitzending. 1 Koningen 13:7 : En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
[^1koningen-13-11-18]: Kanttekening 18: oud profeet: In dagen, en misschien ook in ambt, maar hierin niet altijd vroom en getrouw, want hoewel hij de gave van de profetie en enige vrees voor God gehad heeft, en een liefhebber van de ware profeten schijnt geweest te zijn, gelijk af te nemen is uit wat hierna verhaald wordt, vers 20 , 13:21 , 13:22 , 13:26 , 13:27 , 13:29 , 13:30 , 13:31 , 13:32 , nochtans wordt hij hier bevonden in leugentaal en valsheid, vers 18 , waardoor hij de vrome profeet bedrogen en in het lijden gebracht heeft, vers 24 . 1 Koningen 13:20 : En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord van YHWH geschiedde tot de profeet, die hem had doen terugkeren; 1 Koningen 13:21 : En hij riep tot de man van God, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt YHWH: Omdat u tegen de mond van YHWH opstandig bent geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u YHWH, uw God, geboden had, 1 Koningen 13:22 : Maar zijt teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen. 1 Koningen 13:26 : Als de profeet, die hem van de weg had doen terugkeren, dit hoorde, zo zei hij: Het is de man van God, die tegen de mond van YHWH opstandig is geweest; daarom heeft YHWH hem de leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord van YHWH, dat Hij tot hem gesproken had. 1 Koningen 13:27 : Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij de ezel. En zij zadelden hem. 1 Koningen 13:29 : Toen nam de profeet het dode lichaam van de man van God op, en legde dat op de ezel, en voerde het terug; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven. 1 Koningen 13:30 : En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklage: Ach, mijn broer! 1 Koningen 13:31 : Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man van God begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen. 1 Koningen 13:32 : Want de zaak zal gewisselijk gebeuren, die hij door het woord van YHWH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria zijn. 1 Koningen 13:18 : En hij zei tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk u, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord van YHWH, zeggende: Breng hem weer met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Maar hij loog hem. 1 Koningen 13:24 : Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.
[^1koningen-13-11-19]: Kanttekening 19: zij ook hun vader: Namelijk, de voorgemelde zoon met zijn broers, die zijn verhaal met hun toestemming bevestigden.
[^1koningen-13-12-20]: Kanttekening 20: Dat is, zij hadden gelet, of vernomen wat weg hij ingegaan was, vertrekkende van Beth-El, en gaven hun vader dat te kennen.
[^1koningen-13-14-21]: Kanttekening 21: Hier schijnt de profeet gerust te hebben uit vermoeidheid, met honger verenigd.
[^1koningen-13-16-22]: Kanttekening 22: deze plaats: Te weten, Beth-El, gelijk boven, vers 8 . 1 Koningen 13:8 : Maar de man van God zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
[^1koningen-13-17-23]: Kanttekening 23: een woord is: Dat is, een bevel en last is mij gegeven, door de aanspraak van de Heer.
[^1koningen-13-18-d]: Verwijzing d: Galat. 1:8 . Galaten 1:8 : Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^1koningen-13-18-24]: Kanttekening 24: gelijk u: Deze oude profeet zondigt hier driezins: I. omdat hij God tegen zichzelven stelt; II. omdat hij de profeet van Juda niet toelaat het bevel, hem van de Heer gegeven, te volbrengen; III. omdat hij een valse openbaring of aanspraak voortbrengt.
[^1koningen-13-19-25]: Kanttekening 25: hij keerde: Hier zondigt ook deze profeet, verlatende het ware woord van God, waarvan hij zeker was, en aannemende het valse, waarvan hij niet zeker kon wezen.
[^1koningen-13-20-26]: Kanttekening 26: geschiedde tot: Te weten, inwendiglijk door openbaring aan zijn gemoed.
[^1koningen-13-20-27]: Kanttekening 27: Versta, de oude profeet, die te Beth-El woonde. En men kan hieruit afnemen, dat God deze ook als een profeet gebruikte.
[^1koningen-13-20-28]: Kanttekening 28: Te weten, de profeet van Juda.
[^1koningen-13-20-29]: Kanttekening 29: had doen terugkeren: Namelijk, van de plaats, waar hij hem op de weg gevonden had, tot de stad Beth-El.
[^1koningen-13-21-30]: Kanttekening 30: Dat is, hij sprak hem toe, met een luide, klare en zeer verzekerde stem.
[^1koningen-13-21-31]: Kanttekening 31: de mond: Dat is, het gebod van YHWH, hier tevoren uitgedrukt vers 9 , 13:17 , en in het volgende, vers 22 opnieuw vernieuwd. 1 Koningen 13:9 : Want zo heeft mij YHWH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent. 1 Koningen 13:17 : Want een woord is tot mij geschied door het woord van YHWH: U zult daar noch brood eten, noch water drinken; u zult niet terugkeren, gaande door de weg, door denwelken u gegaan bent. 1 Koningen 13:22 : Maar zijt teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.
[^1koningen-13-22-32]: Kanttekening 32: zo zal: Dat voor een straf geoordeeld wordt, niet omdat de plaats van de begrafenis de afgestorvene iets goeds of kwaads doen kan, maar omdat degenen, die tot de gewone plaats van hun begrafenis niet geraken kunnen, gemeenlijk meer ongemak hebben voordat zij sterven, en min burgerlijk eer als zij begraven worden, en sommigen enig openbaar kwaad gedaan hebben in hun leven. Zie onder, 1 Kon. 14:13 ; Jes. 14:19 , 14:20 ; Jer. 22:19 , en Jer. 26:23 . 1 Koningen 14:13 : En geheel Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor YHWH, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is. Jesaja 14:19 : Maar u bent verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed van de gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. Jesaja 14:20 : U zult bij dezelfde niet gevoegd worden in de begrafenis; want u hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad van de boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden. Jeremia 22:19 : Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem. Jeremia 26:23 : Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot de koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen van het volk.
[^1koningen-13-23-33]: Kanttekening 33: hij brood gegeten: Namelijk, de man van God, die van Juda gekomen was.
[^1koningen-13-23-34]: Kanttekening 34: hij hem de ezel: Namelijk, de oude profeet van Bethel; dat hij gedaan heeft, of door zijn zonen, of door zichzelven, om door deze gedienstigheid, \[gelijk sommigen menen\] te bewijzen het leed, dat hij had van het kwaad, dat hij de profeet van Juda gedaan had, wensende in zijn vriendschap nog te mogen blijven.
[^1koningen-13-24-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 20:36 . 1 Koningen 20:36 : En hij zei tot hem: Omdat u de stem van YHWH niet gehoorzaam bent geweest, zie, als u van mij weggegaan bent, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.
[^1koningen-13-24-35]: Kanttekening 35: vond hem: Dat is, ontmoette hem.
[^1koningen-13-24-36]: Kanttekening 36: stond daarbij: Als door de hand van de goddelijke voorzienigheid daar gehouden, om het dode lichaam ter begrafenis te dragen.
[^1koningen-13-24-37]: Kanttekening 37: stond de leeuw: Niet als een roofdier om dat te verslinden, maar als een wacht om dat ter begrafenis te bewaren.
[^1koningen-13-26-39]: Kanttekening 39: gesproken had: Te weten, door mij. Zie boven, vers 22 . 1 Koningen 13:22 : Maar zijt teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.
[^1koningen-13-26-38]: Kanttekening 38: de mond: Zie boven, vers 21 . 1 Koningen 13:21 : En hij riep tot de man van God, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt YHWH: Omdat u tegen de mond van YHWH opstandig bent geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u YHWH, uw God, geboden had,
[^1koningen-13-28-40]: Kanttekening 40: niet gebroken: Dat is, niet verscheurd noch enige leed gedaan, om hem te verslinden.
[^1koningen-13-29-41]: Kanttekening 41: Zie van het gebruik, waardoor men de doden heeft beklaagd, Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^1koningen-13-30-42]: Kanttekening 42: in zijn graf: Te weten, in zijn eigen graf, dat hij daar in het land van Israël had. En hiermede werd vervuld de voorzegging Gods, vermeld boven, vers 22 , want het lichaam van de dode profeet is niet gekomen in zijn vaderen graf, maar in het graf eens vreemden, namelijk van deze oude profeet van Bethel. 1 Koningen 13:22 : Maar zijt teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.
[^1koningen-13-30-43]: Kanttekening 43: zij maakten: Namelijk, niet alleen de oude profeet, maar ook zijn huisgezin, ja ook \[zo enige menen\] velen van de stad.
[^1koningen-13-30-44]: Kanttekening 44: Ach, mijn broer: Sommiger gevoelen is dat dit de eerste woorden zijn geweest van een lijklied, dat over hem gezongen werd.
[^1koningen-13-31-45]: Kanttekening 45: Sommigen menen dat hij dit expresselijk belast heeft, opdat zijn beenderen na zijn dood niet zouden geraken onder de beenderen, van welke gesproken is boven, vers 2 . 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
[^1koningen-13-32-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, geschiedende gebeuren, of zijnde zijn.
[^1koningen-13-32-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 23:16 . 2 Koningen 23:16 : En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van YHWH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
[^1koningen-13-32-47]: Kanttekening 47: Wat de hoogten voor plaatsen geweest zijn, zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-13-32-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, Schomeron; het is een landschap, alhier zo genoemd bij voorkoming, omdat het naderhand eerst deze naam kreeg van de koninklijke stad Schomeron \[anders genaamd Samaria \], daarin gelegen, en van een berg van denzelfden naam, waarop de koning Omri die stad gebouwd heeft. Anderen verstaan dit van de berg zelf, die door zijn wijdte, ruimte en grootte veel kleine stedekens op zich zou gehad hebben. Vergelijk onder, vers 16 , de aantekeningen vers 24 . 1 Koningen 13:16 : Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats. 1 Koningen 13:24 : Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.
[^1koningen-13-33-49]: Kanttekening 49: deze geschiedenis: Te weten, na de wonderwerken, die God gedaan had aan zijn hand, die haastig dorde en weer gezond geworden was; aan het altaar, dat vanzelf, zonder toedoen van de mensen, spleet en scheurde, aan de profeet van Juda, die naar de goddelijke voorzegging in zijn vaderen graf niet gekomen was.
[^1koningen-13-33-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 12:31 ; idem v. 32 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 1 Koningen 12:32 : En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftienden dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had.
[^1koningen-13-33-50]: Kanttekening 50: Zie boven, 1 Kon. 12:31 , 12:32 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 1 Koningen 12:32 : En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had.
[^1koningen-13-33-51]: Kanttekening 51: van de geringsten: Zie boven, 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^1koningen-13-33-52]: Kanttekening 52: wie wilde: Anders, wie hij wilde, enz.
[^1koningen-13-33-53]: Kanttekening 53: diens hand: Dat is, die maakte hij priester. Zie Ex. 28:41 , en Lev. 7:37 . Exodus 28:41 : En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^1koningen-13-34-54]: Kanttekening 54: hij werd: Namelijk, Jerobeam. Anders, en dit werd, enz.
[^1koningen-13-34-55]: Kanttekening 55: het huis: Dat is, zijn huis. Zie boven, 1 Kon. 2:19 . 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
[^1koningen-13-34-56]: Kanttekening 56: tot zonde: Dat is, hij is met dit zijn doen oorzaak geweest, dat zijn nakomelingen tot gruwel en afgoderij vervallen zijn, en dat over hen gekomen is Gods straf, waardoor zij ten enenmale uitgeroeid zijn geweest, gelijk in de volgende hoofdstukken beschreven wordt.

### 1 Koningen 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/14.json)

*Jerobeam zendt zijn vrouw naar de profeet Ahia om te vragen hoe het zou aflopen met zijn zoon die ziek was, vers 1 enz. die hem zijn ondergang voorzegt, vanwege zijn afgoderij, 7. evenals de dood van zijn kind, 12. en het verderf van Israël, 15. zijn zoon sterft, en hij ook, en zijn zoon Nadab regeert, 17. Rehabeam en Juda zondigen tegen de Heere, 21. zij worden gestraft door Sisak, de koning van Egypte, 25. Na de dood van Rehabeam regeert zijn zoon Abiam, 29.*

**1** In[^1koningen-14-1-1] die tijd was Abia, de zoon van Jerobeam, ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v1)

**2** En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en[^1koningen-14-2-2] verstel u, dat men niet merkte, dat u Jerobeams huisvrouw bent, en ga heen naar[^1koningen-14-2-3] Silo, zie, daar is de profeet Ahia,[^1koningen-14-2-a] die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v2)

**3** En[^1koningen-14-3-4] neem in uw hand tien broden, en[^1koningen-14-3-5] koeken, en een[^1koningen-14-3-6] kruik honing, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven,[^1koningen-14-3-7] wat deze jongen gebeuren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v3)

**4** En Jerobeams huisvrouw deed zo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen[^1koningen-14-4-8] stonden stijf vanwege zijn ouderdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v4)

**5** Maar YHWH zei tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt,[^1koningen-14-5-9] om een zaak van u te vragen, inzake haar zoon, want hij is[^1koningen-14-5-10] ziek; zo en zo zult u tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich[^1koningen-14-5-11] vreemd aanstellen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v5)

**6** En het gebeurde, als Ahia het geruis van haar voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zei: Kom in, u huisvrouw van[^1koningen-14-6-12] Jerobeam! Waarom stelt u zich dus vreemd aan? Want ik ben tot u[^1koningen-14-6-13] gezonden met een[^1koningen-14-6-14] harde boodschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v6)

**7** Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een[^1koningen-14-7-15] voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;[^1koningen-14-7-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v7)

**8** En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en u niet geweest bent, zoals Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij[^1koningen-14-8-16] met zijn hele hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v8)

**9** Maar kwaad gedaan hebt, doende meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan bent, en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij[^1koningen-14-9-17] achter uw rug geworpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v9)

**10** Daarom,[^1koningen-14-10-c] zie, Ik zal[^1koningen-14-10-18] kwaad over het[^1koningen-14-10-19] huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene[^1koningen-14-10-20][^1koningen-14-10-21][^1koningen-14-10-d] en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, zoals de mest weggedaan wordt, totdat het geheel vergaan zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v10)

**11** [^1koningen-14-11-22] Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v11)

**12** U dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad[^1koningen-14-12-23] zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v12)

**13** En[^1koningen-14-13-24] geheel Israël zal hem[^1koningen-14-13-25] beklagen, en hem begraven;[^1koningen-14-13-26] want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem[^1koningen-14-13-27] wat goeds voor YHWH, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v13)

**14** Maar[^1koningen-14-14-e] YHWH zal Zich[^1koningen-14-14-28] een koning verwekken over Israël, die het huis van[^1koningen-14-14-29] Jerobeam op diezelfde dag uitroeien zal;[^1koningen-14-14-30] maar wat zal het[^1koningen-14-14-31] ook nu zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v14)

**15** YHWH[^1koningen-14-15-f] zal ook Israël slaan, zoals een riet in het water[^1koningen-14-15-32] omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaders gegeven heeft, en zal hen verstrooien aan de overzijde van[^1koningen-14-15-33] de rivier; daarom dat zij hun[^1koningen-14-15-34] bossen gemaakt hebben, YHWH tot toorn verwekkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v15)

**16** En Hij zal Israël[^1koningen-14-16-35] overgeven, om Jerobeams zonden wil, die[^1koningen-14-16-36] gezondigd heeft, en die Israël[^1koningen-14-16-37] heeft doen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v16)

**17** Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te[^1koningen-14-17-38] Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam,[^1koningen-14-17-39] zo stierf de jongeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v17)

**18** En zij begroeven hem, en geheel Israël beklaagde hem; naar het woord van YHWH,[^1koningen-14-18-40] dat Hij gesproken had door de[^1koningen-14-18-41] dienst van Zijn knecht Ahia, de profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v18)

**19** Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gevochten, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven[^1koningen-14-19-42] in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v19)

**20** De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaders, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v20)

**21** [^1koningen-14-21-g] Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam[^1koningen-14-21-43] oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van[^1koningen-14-21-44] Israël, om Zijn Naam daar te zetten;[^1koningen-14-21-45] en de naam van zijn moeder was Naäma, de[^1koningen-14-21-46] Ammonietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v21)

**22** En Juda[^1koningen-14-22-47] deed, wat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij verwekten Hem tot[^1koningen-14-22-48] ijver, meer dan al hun vaders gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v22)

**23** Want[^1koningen-14-23-49] ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en[^1koningen-14-23-50] bossen, op alle[^1koningen-14-23-51] hoge heuvel, en onder alle groene boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v23)

**24** Er waren ook[^1koningen-14-24-52] schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelijke dingen van[^1koningen-14-24-53] de heidenen, die YHWH van het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v24)

**25** Het gebeurde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam,[^1koningen-14-25-54][^1koningen-14-25-h] dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v25)

**26** En hij nam de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning[^1koningen-14-26-55] weg, ja, hij nam alles weg;[^1koningen-14-26-i] hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v26)

**27** En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van[^1koningen-14-27-56] de lijfwachten, die de deur van het huis van de koning bewaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v27)

**28** En het gebeurde, zo wanneer de koning in het huis van YHWH ging, dat de lijfwachten[^1koningen-14-28-57] die droegen, en die terugbrachten in de wachtkamer van de[^1koningen-14-28-58] lijfwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v28)

**29** Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven[^1koningen-14-29-59] in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v29)

**30** En er was[^1koningen-14-30-60] strijd tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al[^1koningen-14-30-61] hun dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v30)

**31** En Rehabeam ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in[^1koningen-14-31-62] de stad van David;[^1koningen-14-31-63] en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische; en zijn zoon[^1koningen-14-31-64] Abiam regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/14.html#v31)

[^1koningen-14-1-1]: Kanttekening 1: dierzelfder tijd: Te weten, als Jerobeam voortging in de weg van zijn gruwelijke afgoderij, waarvan in het einde van 1 Kon. 13 gemeld wordt.
[^1koningen-14-2-2]: Kanttekening 2: verstel u: Hebreeuws, יֵֽדְע֔וּ, verander uzelve; te weten, in uw kleren, sieraad, gang, woorden, gelaat en gebaren.
[^1koningen-14-2-3]: Kanttekening 3: Een stad, gelegen in de stam van Efraïm, waar de tent van de samenkomst en de ark van God langen tijd geweest zijn, en de profeet Ahia geboren was en woonde. Zie Joz. 18:1 ; Richt. 21:21 ; 1 Sam. 1:3 ; boven, 1 Kon. 11:29 . Jozua 18:1 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. Richteren 21:21 : En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zo komt u voort uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochters van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren voor YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 1 Koningen 11:29 : Het geschiedde nu in die tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op de weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;
[^1koningen-14-2-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 11:31 . 1 Koningen 11:31 : En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
[^1koningen-14-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, tot een geschenk voor de profeet, welk gebruik dan bij velen was, niet om de dienst van de profeten te belonen, maar hun personen te vereren. Zie Richt. 13:17 ; 1 Sam. 9:7 , 9:8 ; 2 Kon. 5:15 , en 2 Kon. 8:8 . Richteren 13:17 : En Manoach zei tot de Engel van YHWH: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen. 1 Samuël 9:7 : Toen zei Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch die man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gaven, om de man van God te brengen; wat hebben wij? 1 Samuël 9:8 : En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze. 2 Koningen 5:15 : Toen keerde hij weer tot de man van God, hij en zijn gehele legermacht, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de gehele aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht. 2 Koningen 8:8 : Toen zei de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem YHWH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen?
[^1koningen-14-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, stipkoeken; in welke enige stipjes, tekens, of merken ter versiering ingeprent waren. Anders, kranselingen, of beschuit.
[^1koningen-14-3-6]: Kanttekening 6: kruik honig: Of, fles.
[^1koningen-14-3-7]: Kanttekening 7: wat deze jongen: Dat is, of hij van deze ziekte bekomen of sterven zal.
[^1koningen-14-4-8]: Kanttekening 8: stonden stijf: Hebreeuws, קָ֥מוּ, stonden door, of van zijn grijsheid; dat is, uit oorzaak van zijn grote ouderdom, \[die gemeenlijk met grauwe haar, vergezelschapt is\] was zijn gezicht dik en stijf, en vervolgens donker geworden.
[^1koningen-14-5-9]: Kanttekening 9: om een zaak: Te weten, hoe het met de ziekte van haar zoon vergaan zal.
[^1koningen-14-5-10]: Kanttekening 10: zo en zo: Hebreeuws, חֹלֶ֣ה, na dit en na dit zult u tot haar spreken. Versta hierdoor, wat de profeet is belast geweest te verkondigen en hierna verhaald wordt, vers 7 , enz. 1 Koningen 14:7 : Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;
[^1koningen-14-5-11]: Kanttekening 11: aanstellen zal: Zie boven, vers 2 . 1 Koningen 14:2 : En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat u Jerobeams huisvrouw bent, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
[^1koningen-14-6-12]: Kanttekening 12: Of, waartoe dit, dat u u vreemd aanstelt?
[^1koningen-14-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk, van de Heer.
[^1koningen-14-6-14]: Kanttekening 14: Dewelke, na het verhaal van de weldaden Gods aan Jerobeam bewezen, hem voorstelde zijn gruwelijke zonden, met een voorzegging van de rechtvaardige en vreeslijke straffen Gods, die daarop zouden volgen. Of, om wat hards.
[^1koningen-14-7-15]: Kanttekening 15: Vergelijk boven, 1 Kon. 1:35 ; onder, 1 Kon. 16:2 , en 2 Kon. 20:5 ; 2 Kron. 6:5 , waar het Hebreeuwse woord ook zo overgezet wordt. 1 Koningen 1:35 : Dan zult u achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israël en over Juda. 1 Koningen 16:2 : Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden; 2 Koningen 20:5 : Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger Mijns volks: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van YHWH; 2 Kronieken 6:5 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël.
[^1koningen-14-7-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 12:15 . 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^1koningen-14-8-16]: Kanttekening 16: met zijn gehele hart: Zie boven, 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^1koningen-14-9-17]: Kanttekening 17: Dat is, smadelijk veracht en trouweloos verlaten. Zo spreekt de Heer ook Neh. 9:26 ; Ez. 23:35 . Nehemia 9:26 : Maar zij zijn opstandig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen terugkeren tot U; zo hebben zij grote lasteren gedaan. Ezechiël 23:35 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt u ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.
[^1koningen-14-10-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-14-10-18]: Kanttekening 18: Dat is, ongeluk, straf, wraak. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^1koningen-14-10-19]: Kanttekening 19: huis van: Dat is, geslacht. Zo in het volgende; idem 2 Sam. 3:10 , en 2 Sam. 9:3 , en onder, 1 Kon. 16:3 . 2 Samuël 3:10 : Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende de stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe. 2 Samuël 9:3 : En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. 1 Koningen 16:3 : Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^1koningen-14-10-20]: Kanttekening 20: wat mannelijk is: Versta hierdoor, een gehele en uiterste verstoring, waarin niemand gespaard wordt, zelfs ook niet een hond; zo 1 Sam. 25:22 , 25:34 , en onder, 1 Kon. 16:11 , en 1 Kon. 21:21 , en 2 Kon. 9:8 . 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is! 1 Samuël 25:34 : Want voorzeker, het is zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, tenzij u u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen was, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht! 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden. 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 2 Koningen 9:8 : En het gehele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^1koningen-14-10-21]: Kanttekening 21: de beslotene: Zie de verklaring van deze manier van spreken Deut. 32:36 . Deuteronomium 32:36 : Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^1koningen-14-10-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 25:22 ; idem v. 34 ; 1 Kon. 16:11 ; 1 Kon. 21:21 ; 2 Kon. 9:8 . 1 Samuël 25:22 : Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is! 1 Samuël 25:34 : Want voorzeker, het is zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, tenzij u u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen was, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht! 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden. 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 2 Koningen 9:8 : En het gehele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^1koningen-14-11-22]: Kanttekening 22: Die van Jerobeam: Een manier van spreken, betekenende een ongelukkigen dood, met de verliezing van het graf. Zie dezelfde ook onder, 1 Kon. 16:4 , en 1 Kon. 21:24 . 1 Koningen 16:4 : Die van Baësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten. 1 Koningen 21:24 : Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten.
[^1koningen-14-12-23]: Kanttekening 23: zullen gekomen zijn: Te weten, tot op de dorpel van uw huis; gelijk af te nemen is uit de vervulling onder, vers 17 . 1 Koningen 14:17 : Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
[^1koningen-14-13-24]: Kanttekening 24: geheel Israël: Namelijk, de goeden in Israël, om de goede hoop, die zij van de jongeling gekregen hadden, de kwaden om de vader te behagen.
[^1koningen-14-13-25]: Kanttekening 25: Van het klagen van de vromen over de doden, zie Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^1koningen-14-13-26]: Kanttekening 26: want deze alleen: De begrafenis is een weldaad Gods, omdat zij voor de afgestorvenen is de laatste burgerlijke eer van dit leven, en voor de levenden een geestelijke vermaning van het toekomende, door de vernieuwing van de hoop van de opstanding uit de doden. Zie Gen. 23:4 . Genesis 23:4 : Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.
[^1koningen-14-13-27]: Kanttekening 27: wat goeds: Dat is, enige beginselen van de vrees voor God en ware vromigheid, niet door de natuur, maar door Gods Geest in hem gewrocht, Joh. 1:13 , en Joh. 3:6 . Johannes 1:13 : Welke niet uit de bloede, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. Johannes 3:6 : Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest.
[^1koningen-14-14-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 15:28 ; idem v. 29 . 1 Koningen 15:28 : En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-14-14-28]: Kanttekening 28: een koning: Namelijk, Baësa; van wie zie onder, 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^1koningen-14-14-29]: Kanttekening 29: ten zelfden: Te weten, als hij het koninkrijk innemen zal.
[^1koningen-14-14-30]: Kanttekening 30: maar wat: Dat is, wat zal er nu verder gebeuren; anders, waar wat? Te weten, zeg ik, dat God in het toekomende enen verwekken zou? Hij heeft ook nu; dat is, Hij heeft zich alreeds een verwekt, opdat Hij beginne deze bedreigde straf uit te voeren.
[^1koningen-14-14-31]: Kanttekening 31: ook nu zijn: Dat is, wat zal er nu verder gebeuren; anders, waar wat? Te weten, zeg ik, dat God in het toekomende enen verwekken zou? Hij heeft ook nu; dat is, Hij heeft zich alreeds een verwekt, opdat Hij beginne deze bedreigde straf uit te voeren.
[^1koningen-14-15-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 17:18 . 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
[^1koningen-14-15-32]: Kanttekening 32: omgedreven wordt: Te weten, herwaarts en daarheen, door allerlei winden, zo zou ook Israël door onenigheden van binnen en door oorlogen van buiten ontsteld en beroerd worden.
[^1koningen-14-15-33]: Kanttekening 33: Namelijk Eufraat. Zie Gen. 31:21 . Hij voorzegt de vervoering van de Israëlieten in Assyrië, Mesopotamië en Medië; van welke vervulling, omtrent twee honderd en veertig jaren hierna geschied, wij kunnen lezen 2 Kon. 17:6 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^1koningen-14-15-34]: Kanttekening 34: Zie van deze Ex. 34:13 ; Deut. 7:5 . Onder één soort van afgoderij verstaat God alle andere, ja alle valse godsdiensten. Anders, bosgoden, bosbeelden; zo vers 23 . Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. 1 Koningen 14:23 : Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op alle hoge heuvel, en onder alle groene boom.
[^1koningen-14-16-35]: Kanttekening 35: Te weten, in de handen van zijn vijanden.
[^1koningen-14-16-36]: Kanttekening 36: gezondigd heeft: Of, waarmee hij zondigde, en waarmee hij Israël deed zondigen; of, die hij zondigde, en die hij Israël deed zondigen. Versta, de zonde van de afgoderij, van welke zie boven, 1 Kon. 12:28 , 12:29 , enz., en 1 Kon. 13:33 , 13:34 . 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29 : En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. 1 Koningen 13:33 : Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten. 1 Koningen 13:34 : En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om het te doen afsnijden en te verdelgen van de aardbodem.
[^1koningen-14-16-37]: Kanttekening 37: heeft doen zondigen: Te weten, met een gruwelijken afgodendienst op te richten, zijn onderzaten te bevelen, en door zijn exempel hardnekkiglijk na te volgen.
[^1koningen-14-17-38]: Kanttekening 38: Een stad, gelegen in de stam van Manasse, waar het hof was van de koningen van Israël, voordat zij in Samaria woonden. Zij was zeer schoon en aangenaam, zodat de bruid van Christus daarbij vergeleken wordt, Hoogl. 6:4 . Zie van dezelfde Joz. 12:24 , en onder 1 Kon. 16:8 . Hooglied 6:4 : U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. Jozua 12:24 : De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig. 1 Koningen 16:8 : In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.
[^1koningen-14-17-39]: Kanttekening 39: zo stierf: Gelijk van de profeet Ahia voorzegd was, boven, vers 12 . 1 Koningen 14:12 : U dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.
[^1koningen-14-18-40]: Kanttekening 40: dat Hij: Boven, vers 13 . 1 Koningen 14:13 : En geheel Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor YHWH, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is.
[^1koningen-14-18-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, door de hand. Zie Lev. 8:36 . Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^1koningen-14-19-42]: Kanttekening 42: in het boek: Hebreeuws, דִּבְרֵ֥י, het boek van de woorden, of, geschiedenissen van de dagen van de koningen van Israël; zo onder, vers 29 , van de koningen van Juda. Men zal door deze niet verstaan de twee boeken van de kronieken, of, Paralipomenon, die wij in de Schrift van het Oude Testament hebben, en die men meent van Ezra, die langen tijd daarna geleefd heeft, eerst beschreven te zijn, ook niet alles hebben, wat gezegd wordt in die eerste kronieken van de koningen van Israël of van Juda nagelaten te zijn; maar men zal verstaan zekere schriften, inhoudende de historiën van de regering van de koningen, van beide koninkrijken, die, zonder nadeel van de zaligmakende leer, niet voorhanden zijn, en uit welke sommigen menen, dat de kronieken, ons in de Heilige Schrift nagelaten, van Ezra, door de ingeving van de Heilige Geest, samengesteld zijn. Vergelijk boven de aantekeningen op 1 Kon. 11:41 . 1 Koningen 14:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 1 Koningen 11:41 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek van de geschiedenissen van Salomo?
[^1koningen-14-21-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 12:13 . 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijn moeder was Naäma, een Ammonietische.
[^1koningen-14-21-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, een zoon van een en veertig jaar.
[^1koningen-14-21-44]: Kanttekening 44: om Zijn Naam: Zie boven, 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^1koningen-14-21-45]: Kanttekening 45: en de naam van zijn moeder: Zo onder, vers 31 . 1 Koningen 14:31 : En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats.
[^1koningen-14-21-46]: Kanttekening 46: Onder andere heidense vrouwen, die Salomo van de Heer afleidden, worden ook genaamd de Ammonietische, boven, 1 Kon. 11:1 , 11:2 , enz., van welke deze zonder twijfel wel één van de voornaamste geweest is, die niet alleen haar man, maar ook haar zoon Rehabeam tot de afgoderij vervoerd heeft, nadat hij drie jaren de Heer gediend had, 2 Kron. 11:17 . 1 Koningen 11:1 : En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat naast de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische; 1 Koningen 11:2 : Van die volken, waarvan YHWH gezegd had tot de kinderen van Israël: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde. 2 Kronieken 11:17 : Zo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in de weg van David, en Salomo.
[^1koningen-14-22-47]: Kanttekening 47: deed wat kwaad was: Te weten, nadat Rehabeam drie jaren geregeerd had. Zie 2 Kron. 11:17 , en 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 11:17 : Zo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in de weg van David, en Salomo. 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^1koningen-14-22-48]: Kanttekening 48: Zie Deut. 4:24 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^1koningen-14-23-49]: Kanttekening 49: Dat is, niet alleen de verblinde heidenen en de afvallige Israëlieten, maar ook deze Joden zelf, bij welke God het licht van de waarheid en de zuiverheid van de godsdienst behouden had.
[^1koningen-14-23-50]: Kanttekening 50: Zie Deut. 12:3 . Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^1koningen-14-23-51]: Kanttekening 51: Zie Deut. 12:2 . Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groene boom.
[^1koningen-14-24-52]: Kanttekening 52: Zie Deut. 23:17 . Deuteronomium 23:17 : Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.
[^1koningen-14-24-53]: Kanttekening 53: al de gruwelen: Zie enige soorten van deze gruwelen beschreven, Deut. 18:9 , 18:10 , 18:11 , 18:12 ; 2 Kron. 33:2 , 33:3 , 33:4 , enz.; Rom. 1:25 , 1:26 , enz. Deuteronomium 18:9 : Wanneer u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u niet leren te doen naar de gruwelen van dezelfde volken. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Deuteronomium 18:12 : Want al wie dat doet, is voor YHWH een gruwel; en vanwege deze gruwelen verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting. 2 Kronieken 33:2 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. 2 Kronieken 33:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte de Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al de legermacht van de hemel, en diende ze; 2 Kronieken 33:4 : En bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid. Romeinen 1:25 : Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid, amen. Romeinen 1:26 : Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
[^1koningen-14-25-54]: Kanttekening 54: Zie van deze ook boven, 1 Kon. 11:40 , en 2 Kron. 12:2 . 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf. 2 Kronieken 12:2 : Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen YHWH),
[^1koningen-14-25-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 12:2 . 2 Kronieken 12:2 : Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen YHWH),
[^1koningen-14-26-55]: Kanttekening 55: ja, hij nam: Te weten, alle goud en zilver, en dat van enige bijzondere waarde was, waarachter hij geraken kon, en dat voor zijn ogen niet verborgen was. Vergelijk onder, 1 Kon. 15:18 . 1 Koningen 15:18 : Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning, en gaf ze in de hand van zijn knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende:
[^1koningen-14-26-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 10:16 ; idem v. 17 ; 2 Kron. 9:15 . 1 Koningen 10:16 : Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. 1 Koningen 10:17 : Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon. 2 Kronieken 9:15 : Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas.
[^1koningen-14-27-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, lopers. Versta, pages, lakeien of lijfwachten, die grote heren plegen omtrent zich te hebben, zijnde in huis of daar buiten, 1 Sam. 22:17 ; 2 Kon. 11:19 , zo genoemd omdat zij op de weg voor en omtrent hun heren liepen; 2 Sam. 15:1 ; 1 Kon. 1:5 . 1 Samuël 22:17 : En de koning zei tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters van YHWH, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Maar de knechten van de koning wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters van YHWH aan te vallen. 2 Koningen 11:19 : En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van YHWH, en kwamen door de weg van de poort van de trawanten tot het huis van de koning, en hij zat op de troon van de koningen. 2 Samuël 15:1 : En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht heen. 1 Koningen 1:5 : Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.
[^1koningen-14-28-57]: Kanttekening 57: dezelfde droegen: Te weten, schilden. Deze droegen de trawanten, als zij de koning naar het huis van de Heer geleidden.
[^1koningen-14-28-58]: Kanttekening 58: Versta, een bescheiden plaats, waar de trawanten zich gewoonlijk bijeenhielden.
[^1koningen-14-29-59]: Kanttekening 59: in het boek: Zie boven, vers 19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
[^1koningen-14-30-60]: Kanttekening 60: Versta die van defensieven oorlog, welke Rehabeam gevoerd heeft om zijn eigen rijk te beschermen, en niet van offensieven om het rijk Israëls in te nemen. Want dit was hem verboden geweest door de profeet Semaja, boven, 1 Kon. 12:24 . 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH.
[^1koningen-14-30-61]: Kanttekening 61: hun dagen: Dit bijvoegsel is in gelijke zaak van de Heilige Geest uitgedrukt, onder, 1 Kon. 15:16 , 15:32 . 1 Koningen 15:16 : En er was krijg tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen. 1 Koningen 15:32 : En er was oorlog tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
[^1koningen-14-31-62]: Kanttekening 62: stad van David: Zie boven, 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^1koningen-14-31-63]: Kanttekening 63: en de naam: Zo boven, vers 21 . 1 Koningen 14:21 : Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische.
[^1koningen-14-31-64]: Kanttekening 64: Anders genaamd Abia, 2 Kron. 12:16 , en 2 Kron. 13:1 . 2 Kronieken 12:16 : En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 13:1 : In het achttiende jaar van de koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.

### 1 Koningen 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/15.json)

*Abiam regeert en volgt de zonden van zijn vader, vers 1 enz. Toch houdt God zijn belofte, 4. Abiam sterft, 7. Asa regeert in zijn plaats en hervormt de godsdienst en de zeden, 9. hij wordt bestreden door Baësa, 16. geholpen door Benhadad, 20. hij sterft en laat in zijn plaats zijn zoon Josafat na, 23. Nadab regeert over Israël, 25. Baësa doodt hem, roeit het huis van zijn vader uit, en regeert in zijn plaats, 27.*

**1** In[^1koningen-15-1-a] het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd[^1koningen-15-1-1] Abiam koning over Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v1)

**2** [^1koningen-15-2-b] Hij regeerde[^1koningen-15-2-2] drie jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^1koningen-15-2-3] Maächa, een dochter[^1koningen-15-2-4] van Abisalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v2)

**3** En hij wandelde in al de zonden van zijn vader, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet[^1koningen-15-3-5] volkomen met YHWH, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v3)

**4** Maar[^1koningen-15-4-6] omwille van David, gaf YHWH, zijn God, hem[^1koningen-15-4-c] een[^1koningen-15-4-7] lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en[^1koningen-15-4-8] bevestigende Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v4)

**5** Omdat David gedaan had[^1koningen-15-5-9] wat recht was in de ogen van YHWH, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen van zijn leven,[^1koningen-15-5-10] dan alleen[^1koningen-15-5-d] in de zaak van Uria, de Hethiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v5)

**6** En er was strijd geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen[^1koningen-15-6-11] van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v6)

**7** Het overige nu van de geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven[^1koningen-15-7-12] in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Er was ook strijd tussen Abiam en tussen Jerobeam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v7)

**8** En Abiam[^1koningen-15-8-13] ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de[^1koningen-15-8-14] stad van David; en[^1koningen-15-8-e] Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v8)

**9** In het[^1koningen-15-9-15] twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v9)

**10** En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn[^1koningen-15-10-16] moeder was Maächa, een dochter[^1koningen-15-10-17] van Abisalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v10)

**11** En Asa deed wat[^1koningen-15-11-18] recht was in de ogen van YHWH, zoals zijn[^1koningen-15-11-19] vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v11)

**12** Want hij nam weg[^1koningen-15-12-f] de[^1koningen-15-12-20] schandjongens uit het land, en deed weg al de afgoden,[^1koningen-15-12-21] die zijn[^1koningen-15-12-22] vader gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v12)

**13** [^1koningen-15-13-g] Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij[^1koningen-15-13-23] geen koningin was, omdat zij een[^1koningen-15-13-24] afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijke afgod, en[^1koningen-15-13-25] verbrandde hem aan de[^1koningen-15-13-26] beek Kidron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v13)

**14** De[^1koningen-15-14-27] hoogten werden wel niet weggenomen; toch was het hart van Asa[^1koningen-15-14-28] volkomen met YHWH, al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v14)

**15** En hij bracht in het huis van YHWH de[^1koningen-15-15-h] geheiligde dingen van zijn vader, en[^1koningen-15-15-29] zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v15)

**16** En er was strijd tussen Asa en tussen Baësa, de koning van[^1koningen-15-16-30] Israël, al hun dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v16)

**17** Want[^1koningen-15-17-i] Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde[^1koningen-15-17-31] Rama;[^1koningen-15-17-32] opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v17)

**18** Toen nam Asa al het zilver en goud, dat[^1koningen-15-18-33] overgebleven was in de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning, en gaf ze in de hand[^1koningen-15-18-34] van zijn knechten; en de koning Asa zond[^1koningen-15-18-k] ze tot Benhadad, de zoon van[^1koningen-15-18-35] Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van Syrië, die in[^1koningen-15-18-36] Damascus woonde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v18)

**19** Er[^1koningen-15-19-37] is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baësa, de koning van Israël, dat hij[^1koningen-15-19-38] aftrekke van tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v19)

**20** En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg[^1koningen-15-20-39] Ijon, en[^1koningen-15-20-40] Dan, en[^1koningen-15-20-41] Abel Beth-Maächa, en het hele Cinneroth, met[^1koningen-15-20-42] het hele land Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v20)

**21** En het gebeurde, als Baësa dat hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te[^1koningen-15-21-43] Thirza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v21)

**22** Toen[^1koningen-15-22-44] liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was[^1koningen-15-22-45] vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmee[^1koningen-15-22-46] Geba-benjamins, en[^1koningen-15-22-47] Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v22)

**23** Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Maar[^1koningen-15-23-48] in de tijd van zijn ouderdom werd hij[^1koningen-15-23-49] ziek aan zijn[^1koningen-15-23-50] voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v23)

**24** En[^1koningen-15-24-l] Asa ontsliep met zijn vaders, en werd begraven met zijn vaders, in[^1koningen-15-24-51] de stad van zijn vader David; en[^1koningen-15-24-m] zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v24)

**25** Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde[^1koningen-15-25-52] twee jaren over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v25)

**26** En hij deed[^1koningen-15-26-53] wat kwaad was in de ogen van YHWH, en[^1koningen-15-26-54] wandelde in de weg van zijn vader, en in[^1koningen-15-26-55] zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v26)

**27** En Baësa, de zoon van[^1koningen-15-27-56] Ahia, van het[^1koningen-15-27-57] huis van[^1koningen-15-27-58] Issaschar, smeedde een samenzwering tegen hem, en Baësa sloeg hem te[^1koningen-15-27-59] Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v27)

**28** En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v28)

**29** Het gebeurde nu, als hij regeerde, dat hij het hele[^1koningen-15-29-60] huis van Jerobeam sloeg;[^1koningen-15-29-61] hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, voordat hij hem vernietigd had, naar het woord van YHWH, dat Hij[^1koningen-15-29-62][^1koningen-15-29-63][^1koningen-15-29-n] gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v29)

**30** Om de zonden van[^1koningen-15-30-64] Jerobeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij YHWH, de God van Israël, getergd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v30)

**31** Het overige nu van de geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven[^1koningen-15-31-65] in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v31)

**32** En er was oorlog tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v32)

**33** In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza,[^1koningen-15-33-66] en regeerde vier en twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v33)

**34** En hij deed wat kwaad was[^1koningen-15-34-67] in de ogen van YHWH,[^1koningen-15-34-68] en wandelde in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/15.html#v34)

[^1koningen-15-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 13:1 . 2 Kronieken 13:1 : In het achttiende jaar van de koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.
[^1koningen-15-1-1]: Kanttekening 1: Anders, Abia; 2 Kron. 12:16 , en 2 Kron. 13:1 , enz. 2 Kronieken 12:16 : En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 13:1 : In het achttiende jaar van de koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.
[^1koningen-15-2-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 13:2 . 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^1koningen-15-2-2]: Kanttekening 2: drie jaren: Beginnende van het achttiende jaar van het koninkrijk van Jerobeam, vers 1 , en eindigende met het twintigste. Zie onder, vers 9 . 1 Koningen 15:1 : In het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. 1 Koningen 15:9 : In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda.
[^1koningen-15-2-3]: Kanttekening 3: Ook geheten Michaja; 2 Kron. 13:2 . 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^1koningen-15-2-4]: Kanttekening 4: Deze wordt ook Absalom genoemd, 2 Kron. 11:21 . Enige houden hem geweest te zijn de zoon van David; vele anderen, een ander van denzelfden naam, die van Gibeä was, anders ook genoemd Uriël, 2 Kron. 13:2 . Zie daar de aantekeningen. 2 Kronieken 11:21 : En Rehabeam had Maächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij verwekte acht en twintig zonen en zestig dochters. 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^1koningen-15-3-5]: Kanttekening 5: Zie boven, 1 Kon. 8:61 . 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage.
[^1koningen-15-4-6]: Kanttekening 6: vanwege David: Zie boven, 1 Kon. 11:12 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.
[^1koningen-15-4-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^1koningen-15-4-7]: Kanttekening 7: Zie boven, 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^1koningen-15-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, in zijn voorgaanden staat van de politie en van de religie, behoudende nog daarin de koninklijke majesteit, met de overblijfselen van de rechte leer en de zuivere godsdienst.
[^1koningen-15-5-9]: Kanttekening 9: wat recht: Zo onder, vers 11 . Zie boven, 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 15:11 : En Asa deed wat recht was in de ogen van YHWH, gelijk zijn vader David. 1 Koningen 11:33 : Omdat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^1koningen-15-5-10]: Kanttekening 10: dan alleen: Versta deze uitneming, ten aanzien van zeer grove zonden, die gebeuren met een zeker voorweten van wat God verboden heeft, zonder voorgaande onbedachtheid, vergetenheid, of misgrijping van het oordeel.
[^1koningen-15-5-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 11:4 ; idem 11:15 ; 2 Sam. 12:9 . 2 Samuël 11:4 : Toen zond David boden heen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weer naar haar huis. 2 Samuël 11:15 : En hij schreef in die brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover de sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve. 2 Samuël 12:9 : Waarom hebt u dan het woord van YHWH veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt u u ter vrouwe genomen; en hem hebt u met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.
[^1koningen-15-6-11]: Kanttekening 11: zijns levens: Namelijk, van Rehabeam. Van deze oorlog is ook gewag gemaakt boven, 1 Kon. 14:30 . Hetzelfde wordt hier nu weer vernieuwd, om aan te wijzen dat zijn zoon Abiam in denzelfden oorlog volduurd heeft; gelijk te zien is in vers 7 en 2 Kron. 13:2 , 13:3 . 1 Koningen 14:30 : En er was krijg tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al hun dagen. 1 Koningen 15:7 : Het overige nu van de geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abiam en tussen Jerobeam. 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam. 2 Kronieken 13:3 : En Abia bond de strijd aan met een legermacht van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.
[^1koningen-15-7-12]: Kanttekening 12: in het boek: Zie boven, 1 Kon. 14:19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
[^1koningen-15-8-13]: Kanttekening 13: Zie boven, 1 Kon. 1:21 ; Deut. 31:16 . 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb.
[^1koningen-15-8-14]: Kanttekening 14: stad van David: Zie boven, 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^1koningen-15-8-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 14:1 . 2 Kronieken 14:1 : Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.
[^1koningen-15-9-15]: Kanttekening 15: Te weten, omtrent het einde van dit jaar.
[^1koningen-15-10-16]: Kanttekening 16: Versta, grootmoeder, zo onder, vers 13 , want zij was de moeder van zijn vader Abiam, boven, vers 2 ; zo worden bij de Hebreën vaders en moeders genaamd, niet alleen de naaste ouders uit welke men eigenlijk geboren is, maar ook die hoger in de rechte linie opgerekend worden. Zie de volgende verzen, enz. 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijke afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron. 1 Koningen 15:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom.
[^1koningen-15-10-17]: Kanttekening 17: Zie boven, vers 2 . 1 Koningen 15:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom.
[^1koningen-15-11-18]: Kanttekening 18: recht was: Zie boven, 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Omdat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^1koningen-15-11-19]: Kanttekening 19: vader David: Zijn grootvaders Rehabeams grootvader.
[^1koningen-15-12-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 22:47 . 1 Koningen 22:47 : Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.
[^1koningen-15-12-20]: Kanttekening 20: Zie Deut. 23:17 . Deuteronomium 23:17 : Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.
[^1koningen-15-12-21]: Kanttekening 21: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-15-12-22]: Kanttekening 22: Namelijk, zijn vader Abiam, zijn grootvader Rehabeam, en zijn oudgrootvader Salomo.
[^1koningen-15-13-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 15:16 . 2 Kronieken 15:16 : Aangaande ook Maächa, de moeder van de koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^1koningen-15-13-23]: Kanttekening 23: koningin ware: Zie van dit woord boven, 1 Kon. 11:19 . Hebreeuws, גְּבִירָ֔ה, van heerin \[namelijk\] te zijn. De zin is, dat hij haar van het gebied, dat zij als weduwe van de koning Rehabeam en als moeder van zijn vader Abiam aangenomen had, afgezet heeft. Anders, heeft hij ook geweerd van de koningin; dat is, van de huisvrouw, opdat zij niet zou verdorven worden. 1 Koningen 11:19 : En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zus van zijn huisvrouw, de zus van Tachpenes, de koningin.
[^1koningen-15-13-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord betekent beving van de leden en vrees van de harten. Zo wordt deze afgod genoemd, omdat hij door de gruwzaamheid zijns gelaats en schandelijke afgoderij de mensen zowel naar ziel als lijf verschrikte, en zij hem met beiderlei schrik dienden. Enige houden hem voor de afgod bij de heidenen genaamd Priapus, anderen voor Pan. Zie hiervan ook 2 Kron. 15:16 . 2 Kronieken 15:16 : Aangaande ook Maächa, de moeder van de koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^1koningen-15-13-25]: Kanttekening 25: Te weten, nadat hij hem in stukken gebroken en vermorzeld had; 2 Kron. 15:16 . 2 Kronieken 15:16 : Aangaande ook Maächa, de moeder van de koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^1koningen-15-13-26]: Kanttekening 26: Zie boven, 1 Kon. 2:37 . 1 Koningen 2:37 : Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat u de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
[^1koningen-15-14-27]: Kanttekening 27: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-15-14-28]: Kanttekening 28: Zie boven, 1 Kon. 8:61 . En versta deze volkomenheid en oprechtheid van de koning eigenlijk ten aanzien van zijn genegenheid, betrachting en ijver in en voor de zuivere godsdienst, hoewel hij in zijn volgend leven verscheidene gebreken gehad heeft. 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage.
[^1koningen-15-15-h]: Verwijzing h: Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^1koningen-15-15-29]: Kanttekening 29: zijn : Dit woord zijne wordt hier ingevoegd uit 2 Kron. 15:18 . 2 Kronieken 15:18 : En hij bracht in het huis van God de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en vaten.
[^1koningen-15-16-30]: Kanttekening 30: al hun dagen: Welverstaande, uitgenomen de eerste jaren, die zij tezamen geregeerd hebben. Want Juda is de eerste tien jaren onder de regering van Asa in stilheid geweest, 2 Kron. 14:1 ; en Baësa begon te regeren over Israël in het derde jaar van de koning Asa, onder vers 28 . Of, men moet zeggen, dat in de eerste jaren van deze koningen van wederzijden wel uitvallen zijn geschied, maar geen volkomen oorlog. Vergelijk de aantekeningen 2 Kron. 14:1 . 2 Kronieken 14:1 : Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil. 1 Koningen 15:28 : En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 14:1 : Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.
[^1koningen-15-17-i]: Verwijzing i: 2 Kron. 16:1 . 2 Kronieken 16:1 : In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
[^1koningen-15-17-31]: Kanttekening 31: Een stad, gelegen in de stam Benjamins, omtrent de grenzen van het koninkrijk Israëls, en op de weg naar Jeruzalem. Zie van deze stad breder Richt. 4:5 . Richteren 4:5 : En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen van Israël gingen op tot haar ten gerichte.
[^1koningen-15-17-32]: Kanttekening 32: opdat hij: Hebreeuws, רָמָ֑ה, om niet toe te laten de uitgaande en de komende tot Asa, enz. Versta van Benjamin, Efraïm, Manasse en andere nabijgelegen stammen, uit welke, als velen zagen dat Asa de zuivere godsdienst behartigde, zijn tot hem overgekomen, om de Heer te Jeruzalem naar zijn woord te dienen, 2 Kron. 15:9 ; om dit te beletten heeft de koning Baësa zijn stad Rama laten sterk maken. Vergelijk hierbij boven, 1 Kon. 12:26 , 12:27 , enz. 2 Kronieken 15:9 : En hij vergaderde het gehele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat YHWH, zijn God, met hem was. 1 Koningen 12:26 : En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren. 1 Koningen 12:27 : Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis van YHWH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren.
[^1koningen-15-18-33]: Kanttekening 33: overgebleven was: Te weten, van de tijden Rehabeams. Zie boven, 1 Kon. 14:26 , en vergelijk hiermede de aantekeningen daarop. 1 Koningen 14:26 : En hij nam de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
[^1koningen-15-18-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^1koningen-15-18-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 20:1 ; 2 Kron. 16:2 . 1 Koningen 20:1 : En Benhadad, de koning van Syrië, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar. 2 Kronieken 16:2 : Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis van YHWH en van het huis van de koning, en zond tot Benhadad, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende:
[^1koningen-15-18-35]: Kanttekening 35: Sommigen menen deze geweest te zijn dezelfde, die boven, 1 Kon. 11:23 , genaamd wordt Rezon. 1 Koningen 11:23 : Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, de zoon van Eljada, die gevlucht was van zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zoba,
[^1koningen-15-18-36]: Kanttekening 36: Damascus woonde: Zie Gen. 14:15 . Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus.
[^1koningen-15-19-37]: Kanttekening 37: is een verbond: Hoewel Rezon een vijand geweest was van Israël, zolang Salomo leefde, boven, 1 Kon. 11:25 , nochtans schijnt uit deze woorden dat hij na de verdeling van het rijk met beide de koningen in vrede en verbintenis gestaan heeft. 1 Koningen 11:25 : En hij was Israëls tegenstander al de dagen van Salomo, en dat naast het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië.
[^1koningen-15-19-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, optrekke.
[^1koningen-15-20-39]: Kanttekening 39: Een stad, naar eniger gevoelen, in de stam van Aser gelegen, anderen stellen haar in de stam van Naftali. Zie van dezelfde ook 2 Kon. 15:29 , en 2 Kron. 16:4 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Kronieken 16:4 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-maim, en alle schatsteden van Nafthali.
[^1koningen-15-20-40]: Kanttekening 40: Zie Gen. 14:14 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.
[^1koningen-15-20-41]: Kanttekening 41: Abel Beth-Maächa: Anders genaamd, Abel-Maïm, 2 Kron. 16:4 , gelegen, zo sommigen menen, in Manasse, of, zo enige kaarten uitwijzen, in Nafthali. Zie van deze stad ook 2 Sam. 20:15 ; 2 Kron. 16:4 . 2 Kronieken 16:4 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-maim, en alle schatsteden van Nafthali. 2 Samuël 20:15 : En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen. 2 Kronieken 16:4 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-maim, en alle schatsteden van Nafthali.
[^1koningen-15-20-42]: Kanttekening 42: het gehele land Nafthali: Een landschap, gelegen in Nafthali omtrent de zee Gennesareth. Zie Joz. 11:2 . Jozua 11:2 : En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-dor, aan de zee waren;
[^1koningen-15-21-43]: Kanttekening 43: Zie van deze stad boven, 1 Kon. 14:17 . 1 Koningen 14:17 : Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
[^1koningen-15-22-44]: Kanttekening 44: liet de koning: Hebreeuws, הִשְׁמִ֤יעַ, deed geheel Juda horen.
[^1koningen-15-22-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, onnozel, onschuldig, zuiver; dat is, niemand mocht enige ontschuldiging voortbrengen om te mogen achterblijven; welverstaande, geen bedaagde manschap, die in dit werk gebruikt kon worden, niet verhinderd zijnde door ziekte, ouderdom, uitlandigheid, of openbare ambten, waarover de gecommitteerden van de koning oordelen moesten.
[^1koningen-15-22-46]: Kanttekening 46: Een stad in de stam van Benjamin, aan de grenzen van Efraïm op een heuvel gelegen, Joz. 18:24 , de Levieten toegeëigend, Joz. 21:17 , is ten tijde van de koning Josia de noordpale geweest van het koninkrijk Juda, 2 Kon. 23:8 . Jozua 18:24 : Chefar-Haämmonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen. Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden; 2 Koningen 23:8 : En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten van de poorten af, ook die aan de deur van de poort van Jozua, de overste van de stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
[^1koningen-15-22-47]: Kanttekening 47: Zie van deze stad Richt. 11:11 . Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa.
[^1koningen-15-23-48]: Kanttekening 48: in de tijd: Te weten, in de laatste drie jaren van zijn regering; gelijk dit af te nemen is uit 2 Kron. 16:12 , 16:13 . 2 Kronieken 16:12 : Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, ziek aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn ziekte; daartoe ook zocht hij YHWH niet in zijn ziekte, maar de dokters. 2 Kronieken 16:13 : Zo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar van zijn regering.
[^1koningen-15-23-49]: Kanttekening 49: In welke ziekte hij de medicijnen meer dan God gezocht heeft; 2 Kron. 16:12 . 2 Kronieken 16:12 : Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, ziek aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn ziekte; daartoe ook zocht hij YHWH niet in zijn ziekte, maar de dokters.
[^1koningen-15-23-50]: Kanttekening 50: zijn voeten: Dewelke men houdt de jicht geweest te zijn.
[^1koningen-15-24-l]: Verwijzing l: 2 Kron. 16:13 . 2 Kronieken 16:13 : Zo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar zijn regering.
[^1koningen-15-24-51]: Kanttekening 51: stad van zijn vader: Zie boven, 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^1koningen-15-24-m]: Verwijzing m: 2 Kron. 17:1 . 2 Kronieken 17:1 : En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israël.
[^1koningen-15-25-52]: Kanttekening 52: twee jaren: Versta niet ten volle; gelijk af te nemen is uit vers 28 , 15:33 . 1 Koningen 15:28 : En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 1 Koningen 15:33 : In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
[^1koningen-15-26-53]: Kanttekening 53: wat kwaad was: Zie boven, 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^1koningen-15-26-54]: Kanttekening 54: In zijn voorouderen weg te wandelen, is hen na te volgen, òf in het goede, dat is, in hun geloof en goede werken, 1 Sam. 8:3 ; 2 Kon. 22:2 ; 2 Kron. 17:3 ; òf in het kwade, dat is, in hun ongeloof en zonden, gelijk hier en onder, vers 34 , en 1 Kon. 16:19 , en 1 Kon. 22:53 . 1 Samuël 8:3 : Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht. 2 Koningen 22:2 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH; en hij wandelde in al de weg van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand noch ter linkerhand. 2 Kronieken 17:3 : En YHWH was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baäls niet. 1 Koningen 15:34 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. 1 Koningen 16:19 : Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH, wandelende in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. 1 Koningen 22:53 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; want hij wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
[^1koningen-15-26-55]: Kanttekening 55: zijn zonde: Versta, de zonde van de afgoderij. Zie boven, 1 Kon. 14:16 . 1 Koningen 14:16 : En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
[^1koningen-15-27-56]: Kanttekening 56: Een ander dan Ahia, de profeet van Silo, boven, 1 Kon. 11:29 , en dan Ahia, de schrijver van Salomo, boven, 1 Kon. 4:2 , en dan Ahia de priester, 1 Sam. 14:3 , enz. 1 Koningen 11:29 : Het geschiedde nu in die tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op de weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; 1 Koningen 4:2 : En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman. 1 Samuël 14:3 : En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van YHWH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was.
[^1koningen-15-27-57]: Kanttekening 57: huis van Issaschar: Dat is, van de stam van Issaschar; zo wordt gezegd het huis Efraïms, Richt. 10:9 ; het huis van Juda, Hos. 1:7 ; het huis van Levi, Ps. 135:20 , enz. Richteren 10:9 : Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om te krijgen, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd. Hosea 1:7 : Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door YHWH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. Psalmen 135:20 : U huis van Levi! looft YHWH; u die YHWH vreest! looft YHWH.
[^1koningen-15-27-58]: Kanttekening 58: maakte een verbintenis: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk binden, aanbinden. Daarom als het van de gemoederen van de mensen gebruikt wordt, zo is het wel somtijds genomen in het goede, voor ene verbintenis van de liefde, gelijk Gen. 44:30 , maar zeer dikwijls voor een verbintenis van de vijandschap, waardoor geheime samenspanningen tegen personen of staten gemaakt worden, gelijk hier en 1 Sam. 22:8 , en onder, 1 Kon. 16:9 , 16:20 , en 2 Kon. 10:9 , en 2 Kon. 12:20 ; Neh. 4:8 ; Amos 7:10 . Genesis 44:30 : Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (omdat zijn ziel aan de ziel van deze gebonden is), 1 Samuël 22:8 : Dat u u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met de zoon van Isaï; en niemand is onder u, die het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is. 1 Koningen 16:9 : En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de wagens, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza; 1 Koningen 16:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 2 Koningen 10:9 : En het geschiedde 's morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zei: U bent rechtvaardig. Ziet, ik heb een verbintenis gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle deze geslagen? 2 Koningen 12:20 : En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; Nehemia 4:8 : En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken. Amos 7:10 : Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, de koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis van Israël; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.
[^1koningen-15-27-59]: Kanttekening 59: Een stad, gelegen in de stam van Dan, Joz. 19:44 , die de Levieten tot woning geëigend was, Joz. 21:23 , maar van de Filistijnen overheerd en bewoond, en daarom van Nadab alsnu belegerd, maar niet gewonnen; en is de belegering naderhand van de Israëlieten hervat geworden. Zie onder, 1 Kon. 16:17 . Jozua 19:44 : En Elteke, en Gibbethon, en Baälath, Jozua 21:23 : En van de stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden; 1 Koningen 16:17 : En Omri toog op, en geheel Israël met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
[^1koningen-15-29-60]: Kanttekening 60: huis van Jerobeam: Dat is, geslacht. Zie boven, 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^1koningen-15-29-61]: Kanttekening 61: liet niets: Hebreeuws, הִשְׁאִ֧יר, hij liet niet over allen adem van Jerobeam; dat is, geen mens liet hij van de huize Jerobeams overblijven. Zo is het woord adem voor mens genomen, Deut. 20:16 ; Joz. 10:40 , en Joz. 11:14 . Deuteronomium 20:16 : Maar van de steden van deze volken, die u YHWH, uw God, ten erve geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft. Jozua 10:40 : Zo sloeg Jozua het gehele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als YHWH, de God van Israël, geboden had. Jozua 11:14 : En al de roof van deze steden, en het vee, roofden de kinderen van Israël voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.
[^1koningen-15-29-62]: Kanttekening 62: hem verdelgd had: Namelijk Jerobeam, of, totdat hij het verdelgde; te weten, huis, dat is, geslacht Jerobeams.
[^1koningen-15-29-63]: Kanttekening 63: het woord van YHWH: Dit is niet te duiden op het voornemen van Baësa, alsof hij in het verdelgen van Jerobeams huis gezien zou hebben op de voorzegging van de Heer en de zonden Jerobeams; maar de zin is dat God door de wrede tirannie van Baësa het woord van zijn voorzegging vervuld en de zonden Jerobeams gestraft heeft. Zo onder, 1 Kon. 16:12 . 1 Koningen 16:12 : Zo verdelgde Zimri het gehele huis van Baësa, naar het woord van YHWH, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu;
[^1koningen-15-29-n]: Verwijzing n: 1 Kon. 14:10 ; idem v. 14 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 14:14 : Maar YHWH zal Zich een koning verwekken over Israël, die het huis van Jerobeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?
[^1koningen-15-30-64]: Kanttekening 64: die zondigde: Zo boven, 1 Kon. 14:16 , zie de aantekeningen. 1 Koningen 14:16 : En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
[^1koningen-15-31-65]: Kanttekening 65: in het boek: Zie boven, 1 Kon. 14:19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
[^1koningen-15-33-66]: Kanttekening 66: en regeerde : Dit is hier ingevoegd uit de volle manier van spreken, die wij hebben 2 Sam. 2:10 , idem boven, vers 8 , 15:10 , 15:25 ; onder, 1 Kon. 16:11 , enz., en hier betekent het woord regeren hoelang de regering van een koning geduurd heeft. Wanneer het van het begin van de regering gebruikt werd, zo zetten wij het over, koning worden. 2 Samuël 2:10 : Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleen die van het huis van Juda volgden David na. 1 Koningen 15:8 : En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 15:10 : En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom. 1 Koningen 15:25 : Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël. 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
[^1koningen-15-34-67]: Kanttekening 67: in de ogen: Zie boven, 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^1koningen-15-34-68]: Kanttekening 68: en wandelde: Zie boven, vers 26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.

### 1 Koningen 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/16.json)

*De profeet Jehu profeteert tegen Baësa, vers 1 enz. zijn zoon Ela volgt hem op, 8. die Zimri doodt, en koning wordt, 9. door Omri belegerd, verbrandt Zimri zichzelf, 15. Omri, die de overhand heeft over Tibni, wordt koning, 21. hij bouwt Samaria, 24. volgt de zonden van Jerobeam, 25. en sterft, 28. zijn zoon Achab komt in zijn plaats, 29. die nog goddelozer is dan zijn voorgangers, 30. Hiël bouwt Jericho, 34.*

**1** Toen kwam het woord van YHWH tot[^1koningen-16-1-1] Jehu, de zoon[^1koningen-16-1-2] van Hanani, tegen Baësa, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v1)

**2** Daarom,[^1koningen-16-2-a] dat Ik u[^1koningen-16-2-3] uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u[^1koningen-16-2-4] gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt[^1koningen-16-2-5] doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v2)

**3** Zie,[^1koningen-16-3-6] zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn[^1koningen-16-3-7] huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken,[^1koningen-16-3-b] zoals het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v3)

**4** [^1koningen-16-4-8] Die[^1koningen-16-4-c] van Baësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v4)

**5** Het overige nu van de geschiedenissen van Baësa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v5)

**6** En Baësa ontsliep met zijn vaders, en werd begraven te[^1koningen-16-6-9] Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v6)

**7** [^1koningen-16-7-10] Zo kwam ook het woord van YHWH, door[^1koningen-16-7-11] de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had[^1koningen-16-7-12] in de ogen van YHWH, Hem tot toorn verwekkende door[^1koningen-16-7-13] het werk van zijn handen, omdat hij was zoals het huis van[^1koningen-16-7-d] Jerobeam, en omdat hij[^1koningen-16-7-14] het verslagen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v7)

**8** In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza,[^1koningen-16-8-15] en regeerde twee jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v8)

**9** En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de wagens, smeedde een samenzwering tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de[^1koningen-16-9-16] hofmeester te Thirza; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v9)

**10** Zo kwam[^1koningen-16-10-e] Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in[^1koningen-16-10-17] het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij[^1koningen-16-10-18] werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v10)

**11** En het gebeurde, als hij regeerde, als hij op zijn[^1koningen-16-11-19] troon zat, dat hij het hele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over[^1koningen-16-11-20] die mannelijk was, noch zijn[^1koningen-16-11-21] bloedverwanten, noch[^1koningen-16-11-22] zijn vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v11)

**12** Zo vernietigde Zimri het hele huis van Baësa,[^1koningen-16-12-f] naar het woord van YHWH, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v12)

**13** Om al de[^1koningen-16-13-23] zonden van Baësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende YHWH, de God van Israël, door hun[^1koningen-16-13-24] zinloosheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v13)

**14** Het overige nu van de geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven[^1koningen-16-14-25] in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v14)

**15** In het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen[^1koningen-16-15-26] Gibbethon, dat van de Filistijnen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v15)

**16** Het volk nu, dat zich[^1koningen-16-16-27] gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft[^1koningen-16-16-28] een samenzwering gemaakt, ja, heeft ook de koning verslagen; daarom maakte het hele Israël op diezelfde dag[^1koningen-16-16-29] Omri, de oorlogsoverste, koning over Israël, in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v16)

**17** En Omri trok op, en geheel Israël met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v17)

**18** En het gebeurde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis van de koning, en verbrandde[^1koningen-16-18-30] boven zich het huis van de koning met vuur, en stierf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v18)

**19** Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was[^1koningen-16-19-31] in de ogen van YHWH,[^1koningen-16-19-32] wandelende in de weg van Jerobeam, en in[^1koningen-16-19-33] zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v19)

**20** Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn[^1koningen-16-20-34] samenzwering, die hij[^1koningen-16-20-35] gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het[^1koningen-16-20-36] boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v20)

**21** Toen werd het volk van Israël[^1koningen-16-21-37] verdeeld in twee helften; de helft van het[^1koningen-16-21-38] volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v21)

**22** Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, de zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v22)

**23** In het een en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël,[^1koningen-16-23-39] en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v23)

**24** En hij kocht de berg[^1koningen-16-24-40] Samaria van Semer, voor twee[^1koningen-16-24-41] talenten zilver, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van[^1koningen-16-24-42] Semer, de heer van de[^1koningen-16-24-43] berg, Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v24)

**25** En Omri deed wat kwaad was in de ogen van YHWH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v25)

**26** En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israël had doen zondigen, en verwekte YHWH, de God van Israël, tot toorn, door hun[^1koningen-16-26-44] zinloosheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v26)

**27** Het overige nu van de geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij[^1koningen-16-27-45] gepleegd heeft,[^1koningen-16-27-46] zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v27)

**28** En Omri ontsliep met zijn vaders, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v28)

**29** En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee[^1koningen-16-29-47] en twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v29)

**30** En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, meer dan allen, die voor hem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v30)

**31** En het gebeurde[^1koningen-16-31-48] (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij ook Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, tot vrouw nam, en heenging, en diende Baäl,[^1koningen-16-31-49] en boog zich voor hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v31)

**32** En hij richtte voor Baäl een altaar op, in[^1koningen-16-32-50] het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v32)

**33** Ook maakte Achab een[^1koningen-16-33-51] bos, zodat Achab[^1koningen-16-33-52] nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v33)

**34** In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho;[^1koningen-16-34-53] op Abiram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongste zoon, heeft hij haar poorten gesteld;[^1koningen-16-34-g] naar het woord van YHWH, dat Hij door[^1koningen-16-34-54] de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/16.html#v34)

[^1koningen-16-1-1]: Kanttekening 1: Van deze profeet leest men ook 2 Kron. 19:2 , en 2 Kron. 20:34 , en is te onderscheiden van Jehu, die koning van Israël geweest is, onder, 1 Kon. 19:16 , en van anderen, die deze naam mee gehad hebben, 1 Kron. 2:38 , en 1 Kron. 12:3 . 2 Kronieken 19:2 : En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zoudt u de goddeloze helpen, en die YHWH haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht van YHWH grote toornigheid. 2 Kronieken 20:34 : Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, de zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek van de koningen van Israël. 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats. 1 Kronieken 2:38 : En Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria, 1 Kronieken 12:3 : Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semaa, de Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
[^1koningen-16-1-2]: Kanttekening 2: Die mee te onderscheiden is van anderen, die denzelfden naam gehad hebben, 1 Kron. 25:4 ; Ezra 10:20 . 1 Kronieken 25:4 : Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth. Ezra 10:20 : En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja.
[^1koningen-16-2-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 14:7 . 1 Koningen 14:7 : Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;
[^1koningen-16-2-3]: Kanttekening 3: uit het stof: Dat is, uit een zeer lagen en geringen staat. Vergelijk 1 Sam. 2:8 ; Ps. 113:7 . Het woordje stof is dikwijls genomen voor laagheid, verachting, onvermogen, verdriet, nietigheid, Job 16:15 ; Ps. 7:6 , en Ps. 119:25 ; Jes. 26:5 ; Klaagl. 3:16 . 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van de aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Job 16:15 : Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. Psalmen 7:6 : Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela. Psalmen 119:25 : Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. Jesaja 26:5 : Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. Klaagliederen 3:16 : Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
[^1koningen-16-2-4]: Kanttekening 4: gewandeld hebt: Zie boven, 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^1koningen-16-2-5]: Kanttekening 5: doen zondigen: Zie boven, 1 Kon. 14:16 . 1 Koningen 14:16 : En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
[^1koningen-16-3-6]: Kanttekening 6: zo zal Ik: Anders, zo zal Ik doen branden achter Baësa en achter zijn huis.
[^1koningen-16-3-7]: Kanttekening 7: huis wegdoen: Dat is, geslacht; zo in het volgende. Zie boven, 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^1koningen-16-3-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-16-4-8]: Kanttekening 8: Die van Baësa: Zie boven, 1 Kon. 14:11 . 1 Koningen 14:11 : Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken.
[^1koningen-16-4-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 14:11 ; 1 Kon. 15:29 ; 1 Kon. 16:12 . 1 Koningen 14:11 : Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken. 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet; 1 Koningen 16:12 : Zo verdelgde Zimri het gehele huis van Baësa, naar het woord van YHWH, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu;
[^1koningen-16-6-9]: Kanttekening 9: Zie van deze stad boven, 1 Kon. 14:17 . 1 Koningen 14:17 : Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
[^1koningen-16-7-10]: Kanttekening 10: Zo geschiedde: De zin is: Gelijk tevoren het woord van de Heer geschied was door de profeet Ahia tegen Jerobeam, boven, 1 Kon. 14:7 dat ook zo hetzelfde geschied is door de profeet Jehu tegen Baësa en dat beide voorzeggingen elk op haar tijd vervuld zijn. 1 Koningen 14:7 : Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;
[^1koningen-16-7-11]: Kanttekening 11: de dienst: Hebreeuws, נָּבִ֗יא, door de hand; zo onder, vers 1 . Zie Lev. 8:36 . 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende: Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^1koningen-16-7-12]: Kanttekening 12: in de ogen: Zo onder, vers 19 , 16:25 , 16:30 . Zie Gen. 38:7 , en boven, 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 16:19 : Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH, wandelende in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. 1 Koningen 16:25 : En Omri deed wat kwaad was in de ogen van YHWH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren. 1 Koningen 16:30 : En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, meer dan allen, die voor hem geweest waren. Genesis 38:7 : Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde hem YHWH. 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^1koningen-16-7-13]: Kanttekening 13: het werk: Dat meest tweeërlei was: I. afgoderij, in welke hij Jerobeam was gelijk geweest; II. moorddadigheid en tirannie tegen diens huis bedreven, gelijk de volgende woorden van vers 7 uitwijzen. Vergelijk Hos. 1:4 . 1 Koningen 16:7 : Zo geschiedde ook het woord van YHWH, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen van YHWH, Hem tot toorn verwekkende door het werk van zijn handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij het verslagen had. Hosea 1:4 : En YHWH zei tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.
[^1koningen-16-7-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-16-7-14]: Kanttekening 14: Te weten, het huis van Jerobeam.
[^1koningen-16-8-15]: Kanttekening 15: twee jaren: Versta, niet ten volle twee jaren; maar, tot in het tweede jaar. Want in het zes en twintigste jaar van de koning Aza is hij koning geworden, gelijk in vers 8 gezegd is, en in het zeven en twintigste is hij omgebracht, onder, vers 10 . Het is de gewoonte van de Heilige Schrift, een effen getal te gebruiken voor een oneffen, en een volkomen voor een onvolkomen. Zie Gen. 15:13 ; idem boven, 1 Kon. 7:15 , en 1 Kon. 15:25 , 15:33 , en vers 10 , enz. 1 Koningen 16:8 : In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren. 1 Koningen 16:10 : Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats. Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de anderen pilaar. 1 Koningen 15:25 : Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël. 1 Koningen 15:33 : In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren. 1 Koningen 16:10 : Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
[^1koningen-16-9-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, die over het huis was; te weten, van de koning. Versta daardoor, het gehele hofgezin. Die nu daarover gesteld is, wordt bij ons hofmeester genoemd. Vergelijk boven, 1 Kon. 4:6 , en de aantekeningen daarop. 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^1koningen-16-10-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 9:31 . 2 Koningen 9:31 : Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zei zij: Is het wel, o Zimri, moordenaar van zijn heer?
[^1koningen-16-10-17]: Kanttekening 17: zeven en twintigste jaar: Zie boven, vers 8 . 1 Koningen 16:8 : In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.
[^1koningen-16-10-18]: Kanttekening 18: werd koning: Te weten, de tijd van zeven dagen. Zie onder, vers 15 . 1 Koningen 16:15 : In het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat van de Filistijnen is.
[^1koningen-16-11-19]: Kanttekening 19: troon zat: Op deze te zitten, is als koning te regeren; welk woord hier ook tot verklaring voorgaat, gelijk boven, 1 Kon. 1:13 . Zie verder daar de aantekeningen. 1 Koningen 1:13 : Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?
[^1koningen-16-11-20]: Kanttekening 20: die mannelijk was: Zo boven, 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^1koningen-16-11-21]: Kanttekening 21: zijn bloedverwanten: Hebreeuws, גֹאֲלָ֖י, zijn lossers; wie het toekwam de wraak van de doodslag wettelijk te verzorgen, welke waren de naasten van de bloede; Num. 35:12 . Numeri 35:12 : En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.
[^1koningen-16-11-22]: Kanttekening 22: zijn vrienden: Dat is, zijn goede beminden en bekenden, ofschoon zij door familie hem niet bestonden.
[^1koningen-16-12-f]: Verwijzing f: boven, v. 1 ; idem v. 2 . 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende: 1 Koningen 16:2 : Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
[^1koningen-16-13-23]: Kanttekening 23: zonden van Baësa: Op welke God gezien heeft, die aldus zijn gerechtige wraak uitvoerde, en niet Zimri, die alleen zijn ongerechtigen moedwil volgde, boven, vers 7 . Vergelijk ook boven de aantekeningen op 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 16:7 : Zo geschiedde ook het woord van YHWH, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen van YHWH, Hem tot toorn verwekkende door het werk van zijn handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij het verslagen had. 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-16-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, afgoden, die geheel niets zijn in de wereld; 1 Kor. 8:4 , en 1 Kor. 10:19 . Zie Lev. 19:4 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Korinthiërs 10:19 : Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^1koningen-16-14-25]: Kanttekening 25: in het boek: Zie boven, 1 Kon. 14:19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
[^1koningen-16-15-26]: Kanttekening 26: Zie boven, 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^1koningen-16-16-27]: Kanttekening 27: gelegerd had: Namelijk voor Gibbethon.
[^1koningen-16-16-28]: Kanttekening 28: een verbintenis: Zie boven, 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^1koningen-16-16-29]: Kanttekening 29: De vader van Achab, met welke hij in het stuk van valsen godsdienst, ijdele bijgelovigheden en kwade werken gevoegd wordt, Micha 6:16 , en wordt in deze verklaard erger geweest te zijn dan al de koningen, die vóór hem geweest waren, onder, vers 25 . Micha 6:16 : Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid Mijns volks dragen. 1 Koningen 16:25 : En Omri deed wat kwaad was in de ogen van YHWH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren.
[^1koningen-16-18-30]: Kanttekening 30: boven zich: Dat is, het huis waarin hij was, verbrandde hij met zichzelven. Een gelijke manier van spreken is Richt. 12:1 . Richteren 12:1 : Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom bent u doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.
[^1koningen-16-19-31]: Kanttekening 31: in de ogen: Zie boven, 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^1koningen-16-19-32]: Kanttekening 32: Dat is, volgende de zonden van Jerobeam. Zie boven, 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^1koningen-16-19-33]: Kanttekening 33: zijn zonde: Zie boven, 1 Kon. 14:16 . 1 Koningen 14:16 : En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
[^1koningen-16-20-34]: Kanttekening 34: Zie boven, 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^1koningen-16-20-35]: Kanttekening 35: gemaakt heeft: Hebreeuws, כְּתוּבִ֗ים, verbonden heeft.
[^1koningen-16-20-36]: Kanttekening 36: boek van de kronieken: Hieruit blijkt dat dit boek niet te verstaan is van de twee boeken van de kronieken, die in de Bijbel achter de twee boeken van de koningen volgen; gelijk aangetekend is boven, 1 Kon. 14:19 ; omdat in deze kronieken niet geschreven is wat hier en onder, vers 27 , verhaald wordt. 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 1 Koningen 16:27 : Het overige nu van de geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
[^1koningen-16-21-37]: Kanttekening 37: in twee helften: Hebreeuws, חֵ֑צִי, in de helft.
[^1koningen-16-21-38]: Kanttekening 38: volgde Tibni: Hebreeuws, אַחֲרֵ֨י, was achter Tibni; zo in het volgende. Zie boven, 1 Kon. 1:7 . 1 Koningen 1:7 : En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia.
[^1koningen-16-23-39]: Kanttekening 39: twaalf jaren: Zijnde daaronder begrepen de vier jaren, die hij met Tibni geregeerd had, beginnende van het zeven en twintigste jaar van het koninkrijk van Asa.
[^1koningen-16-24-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, Schomeron. Is een berg, gelegen in de stam van Efraïm, omtrent de palen van de stam van Manasse; van welke de stad Samaria, daarop gebouwd, en het gehele omliggende landschap zijn naam gekregen heeft. Vergelijk boven, de aantekeningen 1 Kon. 13:32 . 1 Koningen 13:32 : Want de zaak zal gewisselijk gebeuren, die hij door het woord van YHWH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria zijn.
[^1koningen-16-24-41]: Kanttekening 41: talenten zilvers: Zie van het gewicht eens talents, Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1koningen-16-24-42]: Kanttekening 42: Onderscheiden van de anderen, die deze naam gehad hebben, 1 Kron. 6:46 , en 1 Kron. 7:34 . 1 Kronieken 6:46 : De zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 1 Kronieken 7:34 : En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
[^1koningen-16-24-43]: Kanttekening 43: Een stad, gebouwd op het voorgemelde gebergte; in welke de koningen van Israël, nadat zij Thirza verlaten hadden, hun hof en woning gehad hebben, meer dan twee honderd jaren eer Salmanasser deze stad ingenomen, het rijk Israëls uitgeroeid en de tien stammen gevankelijk in Assyrië vervoerd heeft, 2 Kon. 17:5 , enz. 2 Koningen 17:5 : Want de koning van Assyrië toog op in het gehele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.
[^1koningen-16-26-44]: Kanttekening 44: Zie boven, vers 13 . 1 Koningen 16:13 : Om al de zonden van Baësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende YHWH, de God van Israël, door hun ijdelheden.
[^1koningen-16-27-45]: Kanttekening 45: gepleegd heeft: Hebreeuws, כְּתוּבִ֗ים, gedaan heeft. Anders, waardoor hij het gedaan heeft.
[^1koningen-16-27-46]: Kanttekening 46: zijn die niet: Zie boven, vers 20 . 1 Koningen 16:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
[^1koningen-16-29-47]: Kanttekening 47: Te weten, niet volkomen; want het eerste jaar heeft hij gemeen gehad met zijn vader, het laatste met zijn zoon. Zie boven, vers 8 . 1 Koningen 16:8 : In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.
[^1koningen-16-31-48]: Kanttekening 48: was het een lichte zaak: Dat is, was het een kleine en geringe zonde, dat hij de afgoderij en gruwelen van Jerobeam navolgde? versta, neen het, in geen geval; maar het was \[wil de Heilige Geest zeggen\] een afgrijslijke afwijking van de waren God. Want deze manier van vragen brengt zeer sterke loochening mee. Zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^1koningen-16-31-49]: Kanttekening 49: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^1koningen-16-32-50]: Kanttekening 50: huis van Baäl: Dat is, in de tempel; zo 1 Sam. 5:2 , en 1 Sam. 31:9 , 31:10 ; boven, 1 Kon. 12:31 ; 2 Kon. 10:21 . 1 Samuël 5:2 : En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san. 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 2 Koningen 10:21 : Ook zond Jehu in het gehele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.
[^1koningen-16-33-51]: Kanttekening 51: Te weten, ter ere van de afgod Baäl. Zie Deut. 7:5 . Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
[^1koningen-16-33-52]: Kanttekening 52: nog meer deed: Hebreeuws, עֲשׂ֗וֹת, toedeed, of, toevoegde te doen. Zie Gen. 8:10 . Genesis 8:10 : En hij wachtte nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif opnieuw uit de ark.
[^1koningen-16-34-53]: Kanttekening 53: op Abiram: De zin is, dat hij de bouwing begonnen heeft met het verlies van zijn eerstgeboren zoon, en voltooid met het verlies van zijn jongsten, waarmee vervuld werd de vervloeking van Jozua over de vijfhonderd jaren tegen de herbouwer van deze stad uitgesproken; Joz. 6:26 . Jozua 6:26 : En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van YHWH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!
[^1koningen-16-34-g]: Verwijzing g: Joz. 6:26 . Jozua 6:26 : En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van YHWH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!
[^1koningen-16-34-54]: Kanttekening 54: de dienst van Jozua: Hebreeuws, יַ֖ד, door de hand. Vergelijk Lev. 8:36 , en de aantekeningen. Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.

### 1 Koningen 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/17.json)

*Elia voorzegt Achab grote droogte, vers 1 enz. wordt door God gezonden naar de beek Krith, 2. daar wordt hij door de raven gevoed, 5. wordt gezonden naar Zarfath, naar een weduwe, 8. die hem voedt met meel en olie, waaraan niets ontbreekt, 11. Elia wekt de zoon van zijn gastvrouw op, 17. die Elia erkent als een profeet, 24.*

**1** En Elia, de Thisbiet, van de inwoners[^1koningen-17-1-1] van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft,[^1koningen-17-1-2] voor Wiens aangezicht ik[^1koningen-17-1-3][^1koningen-17-1-a] sta, als[^1koningen-17-1-4] deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij[^1koningen-17-1-5] dan naar mijn woord! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v1)

**2** Daarna kwam het woord van YHWH tot hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v2)

**3** Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek[^1koningen-17-3-6] Krith, die voor aan de Jordaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v3)

**4** En het zal gebeuren, dat u uit de beek drinken zult; en Ik heb de[^1koningen-17-4-7] raven[^1koningen-17-4-8] geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v4)

**5** Hij ging dan heen, en deed naar het woord van YHWH; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v5)

**6** En de raven brachten hem 's morgens brood en vlees, evenzo brood en vlees 's avonds; en hij dronk uit de beek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v6)

**7** En het gebeurde[^1koningen-17-7-9] na verloop van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v7)

**8** Toen kwam het woord van YHWH tot[^1koningen-17-8-10] hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v8)

**9** Maak u op, ga heen[^1koningen-17-9-b] naar[^1koningen-17-9-11] Zarfath, dat bij Sidon is, en woon daar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw[^1koningen-17-9-12] geboden, dat zij u onderhoude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v9)

**10** Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort van de stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout sprokkelende; en hij riep tot haar, en zei:[^1koningen-17-10-13] Haal mij toch een beetje water in deze kruik, dat ik drinke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v10)

**11** Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een stuk brood in uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v11)

**12** Maar zij zei: Zo waarachtig als YHWH, uw God, leeft, als ik een[^1koningen-17-12-14] koek heb, dan alleen een hand vol meel in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie, ik heb[^1koningen-17-12-15] een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten,[^1koningen-17-12-16] en sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v12)

**13** En Elia zei tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij allereerst een kleine koek daarvan, en breng mij die hier uit; maar voor u en uw zoon zult u daarna wat maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v13)

**14** Want zo zegt YHWH, de God van Israël: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie van de fles zal niet ontbreken, tot op de dag, dat YHWH regen op de aardbodem geven zal.[^1koningen-17-14-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v14)

**15** En zij ging heen,[^1koningen-17-15-18] en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar[^1koningen-17-15-19] huis,[^1koningen-17-15-20] vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v15)

**16** Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de[^1koningen-17-16-21] dienst van Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v16)

**17** En het gebeurde na deze dingen, dat de zoon van deze vrouw, de waardin van het huis, ziek werd; en zijn ziekte werd zeer[^1koningen-17-17-22] sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v17)

**18** En zij zei tot Elia:[^1koningen-17-18-23] Wat heb ik met u te doen,[^1koningen-17-18-24] u man van God? Bent u bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid[^1koningen-17-18-26] in herinnering te brengen, en om mijn zoon te doden?[^1koningen-17-18-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v18)

**19** En hij zei tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neer op zijn bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v19)

**20** En hij riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God,[^1koningen-17-20-27] hebt U dan[^1koningen-17-20-28] ook deze weduwe, bij wie ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat U haar zoon gedood hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v20)

**21** En hij[^1koningen-17-21-29] mat zich drie keer uit over dat kind, en riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in[^1koningen-17-21-30] hem[^1koningen-17-21-31] terugkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v21)

**22** En YHWH verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weer[^1koningen-17-22-32] in hem, dat het weer levend werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v22)

**23** En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zei: Zie, uw zoon leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v23)

**24** Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man van God bent, en dat het woord van YHWH in uw mond waarheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/17.html#v24)

[^1koningen-17-1-1]: Kanttekening 1: Een land, gelegen over de Jordaan. Zie Gen. 31:21 . Sommigen verstaan een deel van datzelfde land, dat oostwaarts gelegen was, dat de Rubenieten, Gadieten en de halve stam van Manasse ten tijde van Saul de Hagarenen afgenomen, en daarna met nieuwe inwoners uit hun eigen volk bezet hadden, 1 Kron. 5:20 , 5:21 , 5:22 , die van deze nieuwe inwoning de naam van Tisbieten zouden gekregen hebben; want Toschab betekent bij de Hebreën een inwoner. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. 1 Kronieken 5:20 : Maar zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in de krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden. 1 Kronieken 5:21 : En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen van de mensen. 1 Kronieken 5:22 : Want er vielen vele verwonden, omdat de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.
[^1koningen-17-1-2]: Kanttekening 2: voor Wiens: Dit is, welke ik dien. Zie Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^1koningen-17-1-3]: Kanttekening 3: Dit is een manier van zweren van welke zie Gen. 14:23 , en onder, vers 12 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 1 Koningen 17:12 : Maar zij zei: Zo waarachtig als YHWH, uw God, leeft, als ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.
[^1koningen-17-1-a]: Verwijzing a: Jak. 5:17 . Jakobus 5:17 : Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.
[^1koningen-17-1-4]: Kanttekening 4: deze jaren: Versta, de aanstaande jaren, in getal drie en zes maanden, Luk. 4:25 , en Jak. 5:17 . Lukas 4:25 : Maar Ik zeg u in de waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. Jakobus 5:17 : Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.
[^1koningen-17-1-5]: Kanttekening 5: dan naar mijn woord: Dat is, dan als ik het verkondigen zal, daartoe last en bevel van de Heer ontvangen hebbende; of als ik door mijn gebed de dauw en de regen van de Heer verkrijgen zal.
[^1koningen-17-3-6]: Kanttekening 6: Die uit het gebergte Efraïms haar oorsprong nemende, in de Jordaan valt.
[^1koningen-17-4-7]: Kanttekening 7: Dat God de dienst van deze beesten gebruikt heeft om de profeet te spijzigen, maakt zijn wonderwerk te meer wonderlijk, omdat deze vogel zo gulzig en voor zichzelven is, dat hij zijn eigen jongen verlaat, die van honger zouden sterven, als ze God niet wonderlijk spijzigde, Job 39:3 ; Ps. 147:9 . Job 39:3 : Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^1koningen-17-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, bij Mij voorgenomen door mijn voorzienige regering, die zo te gebruiken, dat zij u voedsel zullen toebrengen. Gebieden heet hier voornemen, waarop het uitvoeren is volgende. Zo vers 9 ; Ps. 78:23 ; Jes. 5:6 ; Amos 9:3 , 9:4 . 1 Koningen 17:9 : Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon daar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. Psalmen 78:23 : Daar Hij de wolken van boven gebood, en de deuren van de hemel opende; Jesaja 5:6 : En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Amos 9:4 : En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
[^1koningen-17-7-9]: Kanttekening 9: ten einde: Hebreeuws, יָמִ֖ים, van het einde van de dagen; dat is, na het einde van vele dagen. Zo Gen. 4:3 ; Num. 9:22 . Zie de aantekeningen daar. Deze vele dagen nu schijnen zes maanden geweest te zijn, en dat uit vergelijking van 1 Kon. 16:1 van het volgende 1 Kon. 18 . Zodat Elia zes maanden geweest zou zijn bij de beek Krith, en drie jaren bij de weduwe van Sarepta. Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land YHWH offer bracht. Numeri 9:22 : Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op de tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen van Israël, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende:
[^1koningen-17-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk, tot de profeet Elia.
[^1koningen-17-9-b]: Verwijzing b: Lukas 4:25 ; idem v. 26 . Lukas 4:25 : Maar Ik zeg u in van de waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. Lukas 4:26 : En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was.
[^1koningen-17-9-11]: Kanttekening 11: Anders genaamd Sarepta, Luk. 4:26 , een stad, gelegen in de stam van Aser, tussen Tyrus en Sidon, van welke ook te zien is Obad. v. 20 . Lukas 4:26 : En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was. Obadja 1:20 : En de gevankelijk weggevoerden van deze legermacht van de kinderen van Israël, wat van de Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, wat in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.
[^1koningen-17-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, voorgenomen te verwekken en te gebruiken om u van voedsel te verzorgen. Vergelijk boven, de aantekeningen vers 4 . 1 Koningen 17:4 : En het zal gebeuren, dat u uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
[^1koningen-17-10-13]: Kanttekening 13: Haal mij toch: Hebreeuws, נָ֨א, neem mij, enz.; dat is, haal wat water, om mij daarna dat te geven. Zie Gen. 12:15 . Zo in het volgende vers 11 : neem mij een bete, enz.; dat is, haal het, of breng het om mij te geven. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. 1 Koningen 17:11 : Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.
[^1koningen-17-12-14]: Kanttekening 14: koek heb: Het woord betekent eigenlijk een brood, of koek, die onder, of op de kolen, en niet in de oven gebakken is. Zie Gen. 18:6 . De zin is dat zij in haar huis geen gebakken brood ten beste had, zelfs niet een koekje op de heten haard met kolen gebakken. Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^1koningen-17-12-15]: Kanttekening 15: een paar houten: Dat is, weinige houtjes, en gelijk wij zeggen: een of twee.
[^1koningen-17-12-16]: Kanttekening 16: en sterven: Alsof zij zei: Wanneer dit zal opgegeten zijn, wij hebben niets meer ten beste, zodat wij niet anders hebben te verwachten dan van honger te zullen moeten sterven.
[^1koningen-17-14-17]: Kanttekening 17: Het meel: Hebreeuws, כַּ֤ד, de kruik van het meel, enz., en de fles van de olie, enz. De zin is dat dit zekerlijk zou gebeuren, zo de vrouw Gods belofte geloofde en deed wat haar hier bevolen werd.
[^1koningen-17-15-18]: Kanttekening 18: en deed: De gehoorzaamheid van dit werk kwam uit de vaste toestemming van haar geloof, waardoor zij de voorzegde beloftenis aannam.
[^1koningen-17-15-19]: Kanttekening 19: Dat is, huisgezin. Zie Gen. 7:1 . Genesis 7:1 : Daarna zei YHWH tot Noach: Ga u, en uw gehele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
[^1koningen-17-15-20]: Kanttekening 20: Enige menen de tijd van drie jaren. Vergelijk de aantekeningen boven, vers 7 , en onder, 1 Kon. 18:1 . 1 Koningen 17:7 : En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest. 1 Koningen 18:1 : En het gebeurde na vele dagen, dat het woord van YHWH geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem.
[^1koningen-17-16-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, hand.
[^1koningen-17-17-22]: Kanttekening 22: totdat geen adem: Dat is, dat hij zijn geest gegeven had en waarlijk gestorven was; want het Hebreeuwse woord nesama wordt dikwijls genomen voor de ziel of geest van de mensen, die van het lichaam onderscheiden is, en door de dood daar uitscheidt, gelijk Gen. 2:7 ; Job 27:3 , enz. Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. Job 27:3 : Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
[^1koningen-17-18-23]: Kanttekening 23: Wat heb ik: Hebreeuws, מַה, wat is mij en u? Zie van deze manier van spreken 2 Sam. 16:10 . Zij wil zeggen: Ik heb u graag geherbergd, verwachtende door middel van u de zegening van de Heer; maar nu door het overlijden mijns zoons word ik gewaar Gods straf, die over mij komt, omdat u misschien enige gebreken in mij gezien hebbende, God tegen mij gebeden hebt. Zou het zo zijn, tot mijn ongeluk zou ik u geherbergd hebben. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^1koningen-17-18-24]: Kanttekening 24: u man van God: Zie boven, 1 Kon. 13:1 . 1 Koningen 13:1 : En ziet, een man van God kwam uit Juda, door het woord van YHWH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken.
[^1koningen-17-18-26]: Kanttekening 26: in gedachtenis: Te weten, bij de Heer, en hem zo tot toorn tegen mij te verwekken?
[^1koningen-17-18-25]: Kanttekening 25: Bent u: Anders, u bent bij mij ingekomen, enz., maar vragender wijze worden deze woorden meest overgezet.
[^1koningen-17-20-27]: Kanttekening 27: hebt U: Hij spreekt aldus, niet om God te berispen dat Hij deze vrouw tehuis zocht, maar om te klagen dat hij hieruit vreesde de lastering van Gods naam en de verachting van zijn dienst, omdat hij dit huis de zegen Gods toegezegd had.
[^1koningen-17-20-28]: Kanttekening 28: ook deze weduwe: Te weten, zowel als vele anderen, die door honger en dorst vergaan.
[^1koningen-17-21-29]: Kanttekening 29: mat zich: Dat is, hij strekt zich uit. Zie gelijke exempelen 2 Kon. 4:34 ; Hand. 20:10 . 2 Koningen 4:34 : En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op zijn mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm. Handelingen 20:10 : Maar Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zei hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.
[^1koningen-17-21-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, in zijn midden, of innerste, binnenste; zo in vers 22 . Anders, in zijn lijf. 1 Koningen 17:22 : En YHWH verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd.
[^1koningen-17-21-31]: Kanttekening 31: Een schoon bewijs, tonende dat de ziel van de mensen is een onderscheiden wezen van het lichaam, door de dood daaruit scheidende en door de opstanding daarin wederkerende. Zie Gen. 35:18 . Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
[^1koningen-17-22-32]: Kanttekening 32: in hem: Hebreeuws, קִרְבּ֖, in zijn binnenste.

### 1 Koningen 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/18.json)

*Elia wordt gezonden naar Achab, vers 1 enz. ontmoet Obadja, 7. draagt hem op de koning van zijn komst op de hoogte te stellen, 8. spreekt Achab aan, 17. daarna de gemeente en de profeten van Baäl, 21. dezen staan beschaamd, 26. De HEERE maakt zich bekend met een teken aan het offer van Elia, 30. De profeten van Baäl worden gedood, 40. De regen wordt door Elia's gebed verkregen, 41.*

**1** En het gebeurde[^1koningen-18-1-1] na vele dagen, dat het woord van YHWH kwam tot Elia,[^1koningen-18-1-2] in het derde jaar, zeggende: Ga heen,[^1koningen-18-1-3] vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v1)

**2** En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk[^1koningen-18-2-4] in Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v2)

**3** En Achab had[^1koningen-18-3-5] Obadja,[^1koningen-18-3-6] de hofmeester, geroepen; en Obadja was YHWH zeer vrezende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v3)

**4** Want het gebeurde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg[^1koningen-18-4-7] ze bij vijftig man in een grot, en onderhield[^1koningen-18-4-8] hen met brood en water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v4)

**5** En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij[^1koningen-18-5-9] gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en[^1koningen-18-5-10] niets uitroeien van de beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v5)

**6** En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op één weg, en Obadja ging ook bijzonder op één weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v6)

**7** Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was[^1koningen-18-7-11] hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo[^1koningen-18-7-12] viel hij op zijn aangezicht, en zei: Bent u mijn heer Elia? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v7)

**8** Hij zei: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v8)

**9** Maar hij zei:[^1koningen-18-9-13] Wat heb ik gezondigd, dat u uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v9)

**10** Zo waarachtig als YHWH, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te[^1koningen-18-10-14] zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij[^1koningen-18-10-15] dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v10)

**11** En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v11)

**12** En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de[^1koningen-18-12-16] Geest van YHWH[^1koningen-18-12-17] u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om[^1koningen-18-12-18] dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij[^1koningen-18-12-19] mij doden; ik, uw[^1koningen-18-12-20] knecht, nu vrees YHWH van mijn jeugd af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v12)

**13** Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten van YHWH doodde? Dat ik van de profeten van YHWH honderd man heb verborgen,[^1koningen-18-13-21] elk vijftig man in een grot, en die met brood en water onderhouden heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v13)

**14** En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v14)

**15** En Elia zei:[^1koningen-18-15-22] Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft,[^1koningen-18-15-23] voor Wiens aangezicht ik sta,[^1koningen-18-15-24] ik zal voorzeker mij vandaag aan hem vertonen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v15)

**16** Toen ging Obadja Achab tegemoet, en[^1koningen-18-16-25] zei het hem aan; en Achab[^1koningen-18-16-26] ging Elia tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v16)

**17** En het gebeurde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei:[^1koningen-18-17-a] Bent u die[^1koningen-18-17-27] beroerder van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v17)

**18** Toen zei hij: Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar u en het huis van uw vader, daarmee, dat u de geboden van YHWH verlaten hebt en de[^1koningen-18-18-28] Baäls nagevolgd bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v18)

**19** [^1koningen-18-19-29] Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het hele Israël op de berg[^1koningen-18-19-30] Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten[^1koningen-18-19-31] van het bos, die[^1koningen-18-19-32] van de tafel van Izebel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v19)

**20** Zo zond Achab onder alle Israëlieten, en verzamelde de profeten op de berg Karmel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v20)

**21** Toen naderde Elia tot het hele volk, en zei: Hoe lang hinkt u[^1koningen-18-21-33] op twee gedachten? Zo God YHWH is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.[^1koningen-18-21-b][^1koningen-18-21-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v21)

**22** Toen zei Elia tot het volk: Ik ben[^1koningen-18-22-35] alleen een profeet van YHWH overgebleven, en de profeten van Baäl zijn[^1koningen-18-22-36] vierhonderd en vijftig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v22)

**23** Dat men ons dan twee stieren geve, en dat zij voor zich de ene stier kiezen, en die in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere stier bereiden, en op het hout[^1koningen-18-23-37] leggen, en geen vuur daaraan leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v23)

**24** Roep u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van YHWH aanroepen; en de God, Die[^1koningen-18-24-38] door vuur antwoorden zal, Die zal[^1koningen-18-24-39] God zijn. En het hele volk antwoordde en zei:[^1koningen-18-24-40] Dat woord is goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v24)

**25** En Elia zei tot de profeten van Baäl: Kies u voor u de ene stier, en bereidt u hem eerst, want u bent velen; en roept de naam van uw god aan, en legt geen vuur daaraan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v25)

**26** En zij namen de stier,[^1koningen-18-26-41] die hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen de naam van Baäl aan, van de morgen tot op de middag, zeggende: O Baäl, antwoord ons! Maar er was geen stem en geen antwoorder. En[^1koningen-18-26-42] zij sprongen[^1koningen-18-26-43] tegen het altaar, dat men gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v26)

**27** En het gebeurde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roep met luide stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of[^1koningen-18-27-44] omdat hij[^1koningen-18-27-45] wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij[^1koningen-18-27-46] en zal wakker worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v27)

**28** En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelf met messen en met priemen, naar[^1koningen-18-28-47] hun[^1koningen-18-28-48] wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v28)

**29** Het gebeurde nu, als de middag voorbij was, dat[^1koningen-18-29-49] zij profeteerden totdat men het[^1koningen-18-29-50] voedseloffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v29)

**30** Toen zei Elia tot het hele volk: Nader tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij herstelde het[^1koningen-18-30-51] altaar van YHWH, dat verbroken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v30)

**31** En[^1koningen-18-31-52] Elia nam[^1koningen-18-31-c] twaalf stenen, naar het getal van de stammen van de kinderen van Jakob, tot wie het woord van YHWH gebeurd was, zeggende:[^1koningen-18-31-d] Israël zal uw naam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v31)

**32** En[^1koningen-18-32-53] hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam[^1koningen-18-32-54] van YHWH; daarna maakte hij een[^1koningen-18-32-55] groeve rondom het altaar, naar de wijdte[^1koningen-18-32-56] van twee[^1koningen-18-32-57] maten zaads. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v32)

**33** En hij stelde het hout op, en deelde de stier in stukken, en legde hem op het hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v33)

**34** En hij zei: Vul vier[^1koningen-18-34-58] kruiken[^1koningen-18-34-59] met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zei: Doet het voor de tweede keer. En zij deden het voor de tweede keer. Verder zei hij: Doet het voor de derde keer. En zij deden het voor de derde keer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v34)

**35** Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de[^1koningen-18-35-60] groeve met water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v35)

**36** Het gebeurde nu,[^1koningen-18-36-61] als men het voedseloffer offerde, dat de profeet Elia[^1koningen-18-36-62] naderde, en zei: YHWH,[^1koningen-18-36-e] God[^1koningen-18-36-63] van Abraham, Izak en Israël, dat het vandaag bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik[^1koningen-18-36-64] al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v36)

**37** [^1koningen-18-37-65] Antwoord mij, YHWH, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat U, o YHWH, die God bent, en dat U hun hart[^1koningen-18-37-66] achteruit omgewend hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v37)

**38** [^1koningen-18-38-67] Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v38)

**39** Als nu het hele volk dat zag,[^1koningen-18-39-68] zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: YHWH is[^1koningen-18-39-69] God, YHWH is God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v39)

**40** En Elia zei tot hen: Grijp de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek[^1koningen-18-40-70] Kison, en[^1koningen-18-40-71] slachtte hen daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v40)

**41** Daarna zei Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is[^1koningen-18-41-72] een geruis van een overvloedige regen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v41)

**42** Zo trok Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel,[^1koningen-18-42-73] en breidde zich uit vooruit ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v42)

**43** En hij zei tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit[^1koningen-18-43-74] naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zei: Er is niets. Toen zei hij: Ga weer heen, zevenmaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v43)

**44** En het gebeurde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet[^1koningen-18-44-75] ophoude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v44)

**45** En het gebeurde[^1koningen-18-45-76] ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er[^1koningen-18-45-77] kwam een grote regen; en Achab reed weg, en trok naar[^1koningen-18-45-78] Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v45)

**46** En[^1koningen-18-46-79] de hand van YHWH was over Elia, en hij[^1koningen-18-46-80] gordde zijn middel, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot[^1koningen-18-46-81] daar men te Jizreël komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/18.html#v46)

[^1koningen-18-1-1]: Kanttekening 1: vele dagen: Te weten, drie jaren en zes maanden; Luk. 4:25 , en Jak. 5:17 . Lukas 4:25 : Maar Ik zeg u in de waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land. Jakobus 5:17 : Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.
[^1koningen-18-1-2]: Kanttekening 2: in het derde jaar: Te weten, nadat hij bij de weduwe in Sarepta was geherbergd geweest. Zie 1 Kon. 17:7 . 1 Koningen 17:7 : En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
[^1koningen-18-1-3]: Kanttekening 3: vertoon u aan Achab: Om hem van mijnentwege de regen te beloven en te gebieden, dat hij de priesters van Baäl op de berg Karmel doe vergaderen. Zie onder, vers 19 en de volgende. 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^1koningen-18-2-4]: Kanttekening 4: in Samaria: Versta dit niet alleen van de stad Samaria, maar van het gehele koninkrijk Israëls.
[^1koningen-18-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, Obadjahu; die te onderscheiden is van anderen, die deze naam gehad hebben, 1 Kron. 27:19 , en 2 Kron. 34:12 , en van de profeet Obadja, Obad.:1 , tenware hij dezelfde geweest was, gelijk enige gemeend hebben. 1 Kronieken 27:19 : Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriël; 2 Kronieken 34:12 : En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over hen waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek. Obadja 1:1 : Het gezicht van Obadja. Zo zegt de Heer YHWH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.
[^1koningen-18-3-6]: Kanttekening 6: de hofmeester: Hebreeuws, בָּ֑יִת, die over zijn huis was; dat is, zijn hofmeester. Zie boven, 1 Kon. 4:6 , en 1 Kon. 16:9 . 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting. 1 Koningen 16:9 : En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de wagens, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza;
[^1koningen-18-4-7]: Kanttekening 7: bij vijftig man in een spelonk: Hebreeuws, אִישׁ֙, vijftig man in een spelonk; te weten, en vijftig in een andere, dat is, bij, met, of elke vijftig samen.
[^1koningen-18-4-8]: Kanttekening 8: brood en water: Dat is, met voedsel en drank. Zie boven, 1 Kon. 13:8 . 1 Koningen 13:8 : Maar de man van God zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.
[^1koningen-18-5-9]: Kanttekening 9: Het Hebreeuwse woord betekent allerlei kruid, dat de beesten tot voeder dient, groeiende in onbebouwde plaatsen, en dat met de zeisen afgemaaid en onder het hooi gerekend wordt. Vergelijk Job 8:12 , en Job 40:10 ; Ps. 104:14 , en Ps. 129:6 , en Ps. 147:8 . Job 8:12 : Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras. Job 40:10 : Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund. Psalmen 104:14 : Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. Psalmen 129:6 : Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort, voordat men het uittrekt; Psalmen 147:8 : Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
[^1koningen-18-5-10]: Kanttekening 10: niets uitroeien: Te weten, mits die door onachtzaamheid van voeder onverzorgd te laten.
[^1koningen-18-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, in zijn ontmoeting.
[^1koningen-18-7-12]: Kanttekening 12: viel hij op zijn aangezicht: Te weten, om hem burgerlijke eer te bewijzen, naar de manier van het land. Zie Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^1koningen-18-9-13]: Kanttekening 13: Wat heb ik gezondigd: Hij wil zeggen dat Elia, hem bevelende wat in vers 8 vermeld is, hem niets goeds scheen te gunnen, alsof hij zich ergens in misdaan had; want hij kon dat bevel niet wel volbrengen, zonder zijn leven in groot gevaar bij Achab te stellen. De reden hiervan verhaalt hij onder, vers 12 . 1 Koningen 18:8 : Hij zei: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. 1 Koningen 18:12 : En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest van YHWH u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees YHWH van mijn jonkheid af.
[^1koningen-18-10-14]: Kanttekening 14: Voeg hierbij de straf, die in het eedzweren van de Hebreën verzwegen wordt, als: God doe mij dit of dat, enz. Zie Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1koningen-18-10-15]: Kanttekening 15: dat koninkrijk: Achab had niet alleen in zijn land mannen uitgezonden, om Elia te zoeken, maar ook verzocht aan enige naburige koninkrijken en volken, die met hem in vriendschap stonden, hetzelfde onder hun gebied te willen doen; welke toen zij daarna zeiden, dat zij hem niet hadden kunnen vinden, begeerde hij dat zij de waarheid van hun zeggen met een eed bevestigen zouden.
[^1koningen-18-12-16]: Kanttekening 16: Geest van YHWH: Versta dit van de Heilige Geest, die dit doen kon door zijn goddelijke kracht, of door middelen, naar zijn welgevallen.
[^1koningen-18-12-17]: Kanttekening 17: Dat dit gebeuren kon en somtijds geschied is, kan men afnemen uit 2 Kon. 2:16 ; Hand. 8:39 . 2 Koningen 2:16 : En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest van YHWH hem opgenomen, en op één van de bergen, of in één van de dalen hem geworpen heeft. Maar hij zei: Zendt niet. Handelingen 8:39 : En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest van de Heer Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.
[^1koningen-18-12-18]: Kanttekening 18: dat : Te weten, dat u hier tegenwoordig bent, en bereid om met hem te spreken.
[^1koningen-18-12-19]: Kanttekening 19: mij doden: Te weten, als een die hem door leugentaal zou bedrogen en bespot hebben.
[^1koningen-18-12-20]: Kanttekening 20: ik, uw knecht: Dat is, ik die tot uw dienst genegen en bereid ben; zo in vers 13 . Vergelijk boven, 1 Kon. 1:51 . 1 Koningen 18:13 : Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten van YHWH doodde? Dat ik van de profeten van YHWH honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? 1 Koningen 1:51 : En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal!
[^1koningen-18-13-21]: Kanttekening 21: elk vijftig man: Hebreeuws, חֲמִשִּׁ֨ים, een vijftig een vijftig man; dat is, in een spelonk vijftig, en in een andere vijftig; of elke vijftig in een spelonk. Zie Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^1koningen-18-15-22]: Kanttekening 22: YHWH van de legermachten: Versta, door de legermachten, alle schepselen, hemelse en aardse, zichtbare en onzichtbare, redelijke en redeloze, levende en levenloze. De redenen om welke zij heiren genoemd worden, zie Gen. 2:1 . De opperste Heer van deze allen is God; niet alleen, omdat Hij hen allen geschapen heeft en nog onderhoudt, zodat zij eigenlijk hem alleen toebehoren, maar ook omdat Hij hen zo regeert, dat zij hem steeds in het uitvoeren van zijn heiligen wil in grote menigte ten dienste staan; en werd deze naam aan God dikwijls toegeschreven gelijk 1 Sam. 1:3 , en 1 Sam. 4:4 ; 2 Sam. 5:10 ; Ps. 24:10 ; Jes. 1:9 , enz. Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 2 Samuël 5:10 : David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want YHWH, de God van de legermachten, was met hem. Psalmen 24:10 : Wie is Hij, deze Koning van de ere? De YHWH van de legermachten, Die is de Koning van de ere. Sela. Jesaja 1:9 : Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
[^1koningen-18-15-23]: Kanttekening 23: voor Wiens aangezicht: Zo boven, 1 Kon. 17:1 . Zie Deut. 10:8 . 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^1koningen-18-15-24]: Kanttekening 24: ik zal voorzeker: Dat is, zo waar is het dat ik heden voor Achab zal verschijnen, als het waarachtig is dat de Heer leeft.
[^1koningen-18-16-25]: Kanttekening 25: zei het hem aan: Te weten, dat Elia kwam en begeerde voor hem te verschijnen.
[^1koningen-18-16-26]: Kanttekening 26: ging Elia tegemoet: Niet om hem met vriendelijke eerbieding, maar met smadige scheldwoorden te onthalen, en te beschuldigen over de langdurige droogte.
[^1koningen-18-17-a]: Verwijzing a: Amos 7:10 . Amos 7:10 : Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, de koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis van Israël; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.
[^1koningen-18-17-27]: Kanttekening 27: beroerder van Israël: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk beroerte, moeite, en onrust verenigd met kommer, en ontstelling van het hart door woorden en werken aanrichten . Vergel. Gen. 34:30 , Joz. 7:25 , Richt. 11:35 , Spreuk. 15:27 . Hierover wordt Elia door Achab beschuldigd, niet alleen omdat hij de afgoderij geheel tegen was, maar ook omdat hij hem meende te zijn de oorzaak van de droogte, en van de honger waarmee het land nu lang was geplaagd geweest. Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? De YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. Richteren 11:35 : En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij ganselijk nedergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot YHWH, en ik zal niet kunnen teruggaan. Spreuken 15:27 : Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.
[^1koningen-18-18-28]: Kanttekening 28: Zie boven, 1 Kon. 16:31 . 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.
[^1koningen-18-19-29]: Kanttekening 29: Nu dan: Te weten, opdat u van deze droogte verlost wordt. Want in dat bevel is de belofte begrepen, dat God het land van die verlossen zou, als hij dit nakwam.
[^1koningen-18-19-30]: Kanttekening 30: berg Karmel: Gelegen in de stam van Issaschar bij de Middellandse zee, Joz. 19:26 ; Jer. 46:18 . Deze berg was zeer hoog, Amos 9:3 , wel bewassen met bomen, wijngaarden en welriekende kruiden; in somma, zeer vruchtbaar, Jes. 35:2 ; op deze berg heeft zich ook de profeet Elisa onthouden, 2 Kon. 4:25 , en is te onderscheiden van de berg Karmel, gelegen in de stam van Juda, in de woestijn Maon, waar Nabal woonde; 1 Sam. 25:2 . Jozua 19:26 : En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-libnath; Jeremia 46:18 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen! Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Jesaja 35:2 : Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid van YHWH, het sieraad onzes Gods. 2 Koningen 4:25 : Zo toog zij heen, en kwam tot de man van God, tot de berg Karmel. En het geschiedde, als de man van God haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zei: Zie, daar is de Sunamietische. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^1koningen-18-19-31]: Kanttekening 31: van het bos: Te weten, het afgodische bos, waarvan te zien is boven, 1 Kon. 16:33 . Van zulke bossen, zie Ex. 34:13 ; Deut. 7:5 , met de aantekeningen. Anders, bosgod, of, boomgod. 1 Koningen 16:33 : Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren. Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
[^1koningen-18-19-32]: Kanttekening 32: van de tafel: Of, aan de tafel.
[^1koningen-18-21-33]: Kanttekening 33: hinkt u op twee gedachten: Anders, springende op twee takken; want het Hebreeuwse woord betekent ook een tak, gelijk Jes. 17:6 , maar voor gedachten wordt het genomen Job 4:13 , en Job 20:2 . Hij beschuldigt hen van twee dingen: I. Dat zij God en Baäl tezamen wilden dienen; II. Dat zij niet besloten, wie van beiden alleen zij zouden aanhangen, omdat zij wel behoorden geweten te hebben, dat er maar één God is. Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. Job 4:13 : Onder de gedachten van de gezichten van de nacht, als diepe slaap valt op de mensen; Job 20:2 : Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over dat is mijn verhaasten in mij.
[^1koningen-18-21-b]: Verwijzing b: Joz. 24:15 . Jozua 24:15 : Maar zo het kwaad is in uw ogen YHWH te dienen, kiest u heden, wie u dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in welker land u woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen YHWH dienen!
[^1koningen-18-21-34]: Kanttekening 34: Zo YHWH God is: Dat is, die enige en ware God, wie men alleen de godsdienstige eer schuldig is.
[^1koningen-18-22-35]: Kanttekening 35: alleen een profeet van YHWH overgebleven: Te weten, die de waarheid van de leer en de zuiverheid van de godsdienst in Israël openlijk verdedige en voorsta, zijnde de andere profeten of gestorven, of vermoord, of verjaagd en in spelonken schuilende.
[^1koningen-18-22-36]: Kanttekening 36: vierhonderd en vijftig mannen: Men houdt dat onder deze niet begrepen zijn enige van de vierhonderd profeten van de afgodische boschaadje, die Elia mee tot deze verzameling had laten roepen, boven, vers 19 , maar dat Izebel die zou achtergehouden hebben, en geboden niet te verschijnen, dat wordt afgenomen uit wat verhaald wordt onder, 1 Kon. 22:6 . Zie daar de aantekeningen. 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Koningen 22:6 : Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^1koningen-18-23-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, eigenlijk, geven.
[^1koningen-18-24-38]: Kanttekening 38: door vuur antwoorden zal: Versta, met het zenden van het vuur van de hemel, om door hetzelfde de offerande aan te steken en te verteren, tot een bewijs wie de ware God, welke de rechte leer en zuivere godsdienst was.
[^1koningen-18-24-39]: Kanttekening 39: Die zal God zijn: Gelijk boven, vers 21 . 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.
[^1koningen-18-24-40]: Kanttekening 40: Dat woord: Of, die zaak.
[^1koningen-18-26-41]: Kanttekening 41: die hij hun: Dat is, die Elia recht tevoren hun toegelaten had te kiezen. Zie boven, vers 23 . 1 Koningen 18:23 : Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich de enen var kiezen, en dezelfde in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de anderen var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.
[^1koningen-18-26-42]: Kanttekening 42: zij sprongen: Versta dit van het altaar, dat Elia gemaakt had, dat zij uit enkele kwaadheid met hun bespringen zochten om te stoten, hen gelatende door de ijver van een profetischen geest hiertoe gedreven te zijn. Zie onder, vers 29 , 18:30 . 1 Koningen 18:29 : Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking. 1 Koningen 18:30 : Toen zei Elia tot het gehele volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar van YHWH, dat verbroken was.
[^1koningen-18-26-43]: Kanttekening 43: Of, op, over.
[^1koningen-18-27-44]: Kanttekening 44: omdat hij in gepeins is: Dat is, omdat hij wat heeft te denken, en met zijn zinnen te overleggen; of omdat hij met iemand heeft te spreken. Want het Hebreeuwse woord betekent zowel met de mond spreken als met het hart iets bedenken.
[^1koningen-18-27-45]: Kanttekening 45: wat te doen heeft: Anders, vervolg heeft; te weten, waardoor hij wordt aangezocht van anderen of hij zelf anderen zoekt en najaagt als mensen of beesten.
[^1koningen-18-27-46]: Kanttekening 46: zal wakker worden: Te weten, als u luide genoeg roept.
[^1koningen-18-28-47]: Kanttekening 47: naar hun wijze: Met welke zij de ijdele heidenen navolgen, Deut. 14:1 , gelijk degenen, die zichzelven uit schijnheiligheid geselen, dat zij hun eigen bloed storten, navolgers van beiden zijn. Deuteronomium 14:1 : Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
[^1koningen-18-28-48]: Kanttekening 48: totdat zij bloed over zich uitstortten: Anders, totdat zij met bloed overgoten waren.
[^1koningen-18-29-49]: Kanttekening 49: Dat is, met hun uitwendig gelaat en gebaren zich zo aanstellen, alsof zij door de geest van de profetie in vertrekking van de zinnen geweest waren. Zie 1 Sam. 18:10 . 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde van de anderen daags, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.
[^1koningen-18-29-50]: Kanttekening 50: spijsoffer zou offeren: Dat binnen Jeruzalem geschiedde in het laatste kwartier van de dag, of, gelijk de Schriftuur spreekt, tussen twee avonden. Zie Ex. 29:41 ; Hand. 3:1 . Zo werd ook dagelijks een spijsoffer geofferd 's morgens; Ex. 29:39 ; 2 Kon. 3:20 . Exodus 29:41 : Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmede doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer daarvan, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer YHWH. Handelingen 3:1 : Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar de tempel, omtrent het uur van het gebed, zijnde de negende ure; Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. 2 Koningen 3:20 : En het geschiedde 's morgens, als men het spijsoffer offert, dat er, ziet, water door de weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.
[^1koningen-18-30-51]: Kanttekening 51: altaar van YHWH: Dat hij tevoren gemaakt, en de profeten Baäls met hun springen verbroken hadden. Zie boven, vs. 26.
[^1koningen-18-31-52]: Kanttekening 52: En Elia nam twaalf stenen: Hij wilde tonen met deze daad dat de twaalf stammen, niettegenstaande hun scheuring in de politie, evenwel behoorden tezamen verenigd te zijn in de godsdienst, om de Heer gelijkelijk met vermijding van alle afgoderij en ijdele superstitie naar zijn woord de schuldigen dienst en eer te bewijzen.
[^1koningen-18-31-c]: Verwijzing c: Joz. 4:5 ; idem v. 20 . Jozua 4:5 : En Jozua zei tot hen: Gaat over voor de ark van YHWH, uws Gods, midden in de Jordaan; en heft u een ieder een steen op zijn schouder, naar het getal van de stammen van de kinderen van Israël; Jozua 4:20 : En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.
[^1koningen-18-31-d]: Verwijzing d: Gen. 32:28 ; 2 Kon. 17:34 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 2 Koningen 17:34 : Tot op deze dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen YHWH niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat YHWH geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf.
[^1koningen-18-32-53]: Kanttekening 53: hij bouwde: Dit is een extraordinair werk geweest, komende van een speciaal en bijzonder bevel Gods, en daarom uit te nemen van de algemenen regel; Lev. 17:3 ; Deut. 12:13 , 12:14 . Leviticus 17:3 : Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; Deuteronomium 12:13 : Wacht u, dat u uw brandofferen niet offert in alle plaats, die u zien zult. Deuteronomium 12:14 : Maar in de plaats, die YHWH in een van uw stammen zal verkiezen, daar zult u uw brandofferen offeren, en daar zult u doen al wat ik u gebiede.
[^1koningen-18-32-54]: Kanttekening 54: in de Naam van YHWH: Dat is, uit last en bevel van God en tot zijn eer. Zie onder, vers 36 . 1 Koningen 18:36 : Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: YHWH, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.
[^1koningen-18-32-55]: Kanttekening 55: Of, een waterloop.
[^1koningen-18-32-56]: Kanttekening 56: naar de wijdte: Hebreeuws, זֶ֔רַע, naar het huis van twee maten zaads; dat is, naar de wijdte. Sommigen verstaan dat de groef zo wijd was als een zak, waar men twee maten zaads in deed; of twee maten zaads in konden gaan. Anderen verstaan dit van de wijdte niet van de groef, maar van de ruimte, die tussen de groef en het altaar is, begrijpende zoveel plaats als met twee maten zaads kan bezaaid worden.
[^1koningen-18-32-57]: Kanttekening 57: Zie van deze maat Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^1koningen-18-34-58]: Kanttekening 58: Of, emmers.
[^1koningen-18-34-59]: Kanttekening 59: De profeet heeft dit water willen gebruiken, en dat in grote overvloed, om alle kwaad nadenken te benemen, en het wonderwerk, dat gebeuren zou, te beter openbaar te maken.
[^1koningen-18-35-60]: Kanttekening 60: Van welke boven, vers 32 gesproken is. 1 Koningen 18:32 : En hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam van YHWH; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.
[^1koningen-18-36-61]: Kanttekening 61: als men het spijsoffer offerde: Zie boven, vers 29 . 1 Koningen 18:29 : Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.
[^1koningen-18-36-62]: Kanttekening 62: Te weten, tot het altaar.
[^1koningen-18-36-e]: Verwijzing e: Ex. 3:6 ; Matt. 22:32 ; Mark. 12:26 ; Lukas 20:37 ; Hand. 7:32 . Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Mattheüs 22:32 : Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden. Marcus 12:26 : Maar aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? Lukas 20:37 : En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij de Heer noemt de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. Handelingen 7:32 : Zeggende: Ik ben de God uw vaderen, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
[^1koningen-18-36-63]: Kanttekening 63: van Abraham, Izak en Israël: Deze naam van God moest de Israëlieten indachtig maken dat zij en de Joden niet alleen dezelfde vleselijke afkomst hadden, die hen tot enigheid moest vermanen; maar ook in de gemeenschap van de heilige leer en godsdienst, door middel van deze vaderen van God ontvangen, behoorden te volharden. Vergelijk de aantekeningen op Gen. 26:24 . Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.
[^1koningen-18-36-64]: Kanttekening 64: al deze dingen: Versta, niet alleen van wat alreeds voor hem gedaan was, maar ook nog gedaan zou worden.
[^1koningen-18-37-65]: Kanttekening 65: Antwoord mij: Dat is, verhoor mij, en openbaar door een zichtbaar teken, dat U mij verhoord hebt, doende vuur uit de hemel vallen om mijn offerande te verteren, gelijk ik het volk naar uw bevel dit teken gegeven heb, boven, vers 24 . 1 Koningen 18:24 : Roept u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van YHWH aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed.
[^1koningen-18-37-66]: Kanttekening 66: achterwaarts omgewend: Van de afgoderij, waarin zij verzopen liggen. Want één van de bedoelingen zijns gebeds was, opdat degenen, die uit het volk bekeerd zouden worden, aan God de eer van hun bekering zouden toeschrijven.
[^1koningen-18-38-67]: Kanttekening 67: Toen viel: Zie gelijke exempelen Lev. 9:24 ; Richt. 6:21 ; 2 Kron. 7:1 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Richteren 6:21 : En de Engel van YHWH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van YHWH bekwam uit zijn ogen. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis.
[^1koningen-18-39-68]: Kanttekening 68: zo vielen zij op hun aangezichten: Tot een teken dat zij de Heer voor de waren God kenden en aanriepen. Zie Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^1koningen-18-39-69]: Kanttekening 69: Zie boven, vers 24 . 1 Koningen 18:24 : Roept u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van YHWH aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het gehele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed.
[^1koningen-18-40-70]: Kanttekening 70: beek Kison: Zie van deze beek Richt. 4:7 . Richteren 4:7 : En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, de krijgsoverste van Jabin, met zijn wagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven?
[^1koningen-18-40-71]: Kanttekening 71: slachtte hen: Of, keelde hen; dat is, hij doodde hen met het zwaard, onder, 1 Kon. 19:1 . Dit is ook begrepen geweest in het bevel Gods, waarvan Elia gewag maakt, boven, vers 36 ; want hij heeft hierin niets gedaan door eigen beweging, maar door de aanspraak Gods en het beleid zijns Geestes; zodat dit werk geheel particulier is, en niet door navolging moet misbruikt worden. Zie een gelijke daad in Samuël, 1 Sam. 15:33 . 1 Koningen 19:1 : En Achab zei Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard. 1 Koningen 18:36 : Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: YHWH, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. 1 Samuël 15:33 : Maar Samuël zei: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, zo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht van YHWH te Gilgal.
[^1koningen-18-41-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws, een stem van geruis, of van overvloed van de regen.
[^1koningen-18-42-73]: Kanttekening 73: en breidde zich uit: Met deze gestalte zijns lichaams, zijn gebed vuriglijk tot God doende, en biddende om regen; hoewel hij uit de belofte van God wel wist dat er regen komen zou.
[^1koningen-18-43-74]: Kanttekening 74: naar de zee: Hebreeuws, יָ֔ם, de weg van de zee.
[^1koningen-18-44-75]: Kanttekening 75: niet ophoude: Of, niet besluite; dat is, zo verrasse en belette, dat u niet kunt tehuis geraken.
[^1koningen-18-45-76]: Kanttekening 76: Hebreeuws, tot hier en tot hier; dat is, ondertussen, en terwijl Achab zich gereed maakte om naar huis te rijden. Of, dat is, hier en daar, of overal werd de hemel zwart.
[^1koningen-18-45-77]: Kanttekening 77: Hebreeuws, was , of, werd .
[^1koningen-18-45-78]: Kanttekening 78: Een stad, gelegen in de palen van de stammen van Manasse en Issaschar, Joz. 19:18 , en te onderscheiden van een andere stad van deze naam, gelegen in de stam van Juda; Joz. 15:56 . Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem, Jozua 15:56 : En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah,
[^1koningen-18-46-79]: Kanttekening 79: hand van YHWH: Dat is, de Heer gaf hem een extraordinaire kracht, dat hij met lopen de ingespannen wagen van Achab kon voorkomen, zodat hij vóór hem te Jizreël kwam.
[^1koningen-18-46-80]: Kanttekening 80: gordde zijn lenden: Te weten, om te vaardiger te gaan, omdat zij lange kleren droegen; zo 2 Kon. 4:29 , en 2 Kon. 9:1 . 2 Koningen 4:29 : En hij zei tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen. 2 Koningen 9:1 : Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead.
[^1koningen-18-46-81]: Kanttekening 81: tot daar men: Hebreeuws, בֹּאֲ, totdat u, enz.

### 1 Koningen 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/19.json)

*Elia vlucht voor Izebel, vers 1 enz. wordt door een engel gevoed en gedrenkt, 5. en komt na veertig dagen en veertig nachten vasten bij de berg Horeb, 8. waar hij, zijn nood bij de Heere klagend, door een bijzondere openbaring van Hem versterkt wordt, 9. hij krijgt van God bevel om Hazaël en Jehu tot koningen, en Elisa tot profeet te zalven, 15. waaraan God ook vertroosting toevoegt, 17. Elisa wordt geroepen, 19.*

**1** En Achab zei Izebel aan al wat Elia gedaan had, en[^1koningen-19-1-1] allen, die hij gedood had, te[^1koningen-19-1-2] weten al de profeten, met het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v1)

**2** Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen:[^1koningen-19-2-3] Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen om deze tijd uw[^1koningen-19-2-4] ziel stellen, als de ziel van één van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v2)

**3** Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, vanwege zijn[^1koningen-19-3-5] leven, en kwam te[^1koningen-19-3-6] Ber-seba,[^1koningen-19-3-7] dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v3)

**4** Maar hij zelf ging heen in de woestijn één dagreis, en kwam, en zat onder een[^1koningen-19-4-8] jeneverboom; en bad, dat[^1koningen-19-4-9] zijn ziel stierve, en zei:[^1koningen-19-4-10] Het is[^1koningen-19-4-11] genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet[^1koningen-19-4-12] beter dan mijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v4)

**5** En hij legde zich neer, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zei tot hem: Sta op, eet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v5)

**6** En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een[^1koningen-19-6-13] koek op de kolen gebakken, en een fles met water; zo at hij, en dronk,[^1koningen-19-6-14] en legde zich opnieuw neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v6)

**7** En de engel van YHWH kwam voor de tweede keer, en roerde hem aan, en zei: Sta op, eet, want[^1koningen-19-7-15] de weg zou te veel voor u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v7)

**8** Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door[^1koningen-19-8-16] de kracht van dat voedsel,[^1koningen-19-8-a] veertig dagen en veertig nachten, tot aan[^1koningen-19-8-17] de berg van God, Horeb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v8)

**9** En hij kwam daar in een grot, en overnachtte daar; en ziet, het woord van YHWH kwam tot hem, en zei tot hem:[^1koningen-19-9-18] Wat maakt u hier, Elia? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v9)

**10** En hij zei: Ik heb[^1koningen-19-10-19] zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw[^1koningen-19-10-21] altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood;[^1koningen-19-10-b] en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn[^1koningen-19-10-22] ziel, om die weg te nemen.[^1koningen-19-10-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v10)

**11** En[^1koningen-19-11-23] Hij zei: Ga uit, en sta op deze berg, voor het aangezicht van YHWH. En zie, YHWH ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor YHWH heen; maar YHWH was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving; YHWH was ook in de aardbeving niet;[^1koningen-19-11-24][^1koningen-19-11-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v11)

**12** En na de aardbeving een vuur; YHWH was ook in het vuur niet; en na het vuur[^1koningen-19-12-26] het suizen van een zachte stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v12)

**13** En het gebeurde, als Elia dat hoorde,[^1koningen-19-13-27] dat hij zijn aangezicht bewond met zijn[^1koningen-19-13-28] mantel, en uitging, en stond in de ingang van de grot. En ziet, een stem kwam tot hem, die zei:[^1koningen-19-13-29] Wat maakt u hier, Elia? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v13)

**14** En hij zei:[^1koningen-19-14-30] Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v14)

**15** En YHWH zei tot hem: Ga, keer weer op uw weg, naar de woestijn van[^1koningen-19-15-31] Damascus; en ga daar in, en[^1koningen-19-15-32] zalf Hazaël tot koning over Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v15)

**16** Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi,[^1koningen-19-16-33] zalven tot koning over Israël; en[^1koningen-19-16-34] Elisa, de zoon van[^1koningen-19-16-35] Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet[^1koningen-19-16-36] zalven in uw plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v16)

**17** En[^1koningen-19-17-c] het zal gebeuren, dat Jehu hem, die van het zwaard[^1koningen-19-17-37] van Hazaël ontkomt,[^1koningen-19-17-38] doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, die zal Elisa[^1koningen-19-17-39] doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v17)

**18** [^1koningen-19-18-d] Ook[^1koningen-19-18-40] heb Ik in Israël doen overblijven[^1koningen-19-18-41] zeven duizend, knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en elke mond, die hem[^1koningen-19-18-42] niet gekust heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v18)

**19** Zo ging hij van daar, en vond Elisa, de zoon van Safat; die ploegde met twaalf juk[^1koningen-19-19-43] runderen voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en[^1koningen-19-19-44] wierp zijn mantel op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v19)

**20** En hij[^1koningen-19-20-45] verliet de runderen, en liep Elia na, en zei:[^1koningen-19-20-46] Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u[^1koningen-19-20-47] navolgen. En hij zei tot hem: Ga, keer weer;[^1koningen-19-20-48] want wat heb ik u gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v20)

**21** Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en[^1koningen-19-21-49] slachtte het, en met[^1koningen-19-21-50] het gereedschap van de runderen kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/19.html#v21)

[^1koningen-19-1-1]: Kanttekening 1: Versta, de hele handel, die hij met de profeten Baäls gehouden had, om te bewijzen dat de Heer alleen de ware God was, en om die profeten in zijn naam met de dood te straffen.
[^1koningen-19-1-2]: Kanttekening 2: al de profeten: Dat is, de vier honderd en vijftig mannen, die profeten Baäls genoemd worden, boven, 1 Kon. 18:19 , 18:22 , en niet de vier honderd profeten van het afgodische woud. Zie de aantekeningen boven, 1 Kon. 18 ;22, en vergelijk onder, 1 Kon. 22:6 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Koningen 18:22 : Toen zei Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet van YHWH overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen. 1 Koningen 22:6 : Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^1koningen-19-2-3]: Kanttekening 3: Zo doen mij : Zie van deze manier van zweren, Ruth 1:17 . Ruth 1:17 : Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij YHWH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
[^1koningen-19-2-4]: Kanttekening 4: ziel stellen: Dat is, leven; en zo in het volgende. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^1koningen-19-3-5]: Kanttekening 5: levens wil: Hebreeuws, שֶׁ֖בַע, ziel. Anders, naar zijn ziel dat is, naar zijn goeddunken.
[^1koningen-19-3-6]: Kanttekening 6: Zie van deze stad, Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^1koningen-19-3-7]: Kanttekening 7: dat in Juda is: Hebreeuws, נַעֲר֖, die van de Juda is; dat is, die onder de stam van Juda gelegen is, eigenlijk tot Simeon behorende.
[^1koningen-19-4-8]: Kanttekening 8: Anders, bremstruik. Zie van deze struik ook Job 30:4 ; Ps. 120:4 . Job 30:4 : Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker voedsel was de wortel van de jeneveren. Psalmen 120:4 : Scherpe pijlen van een machtige, en ook gloeiende jeneverkolen.
[^1koningen-19-4-9]: Kanttekening 9: zijn ziel: Dat is, zijn persoon, of hij zelf; zo Num. 23:10 ; Richt. 16:30 . Vergelijk de aantekeningen Gen. 12:5 . Anders, bad voor zichzelven, of bij zichzelven, of in zijn gemoed, dat hij stierf. Numeri 23:10 : Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve de dood van de oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne! Richteren 16:30 : En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^1koningen-19-4-10]: Kanttekening 10: Het is genoeg: Te weten, geleefd en geleden. Hebreeuws, עַתָּ֤ה, veel; welk woord zo genomen wordt, Deut. 2:3 , en Deut. 3:26 . Deuteronomium 2:3 : Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden; Deuteronomium 3:26 : Maar YHWH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar YHWH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.
[^1koningen-19-4-11]: Kanttekening 11: neem nu, YHWH, mijn ziel: Dat is, laat mij niet langer leven, scheidende mijn ziel van dit lichaam, opdat zij bij U woont; zo Jona 4:3 . Vergelijk de aantekeningen Gen. 35:18 . Jona 4:3 : Nu dan, YHWH! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven. Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
[^1koningen-19-4-12]: Kanttekening 12: Versta, om langer te leven dan zij geleefd hebben.
[^1koningen-19-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, een koek van de kolen; dat is, een koek op de kolen gebakken, of gebraden. Zie Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^1koningen-19-6-14]: Kanttekening 14: en legde: Hebreeuws, en hij keerde opnieuw, en legde zich neder; dat is, hij legde zich opnieuw neder. Zie Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^1koningen-19-7-15]: Kanttekening 15: de weg: Of, de reis zou voor u te groot zijn; te weten, om door uw eigen kracht af te doen.
[^1koningen-19-8-16]: Kanttekening 16: de kracht: Versta, die God in dat voedsel gegeven had, om Elia door middel derzelve op die lange en moeilijke reis met nodige sterkte te voorzien.
[^1koningen-19-8-a]: Verwijzing a: Ex. 34:28 ; Matt. 4:2 . Exodus 34:28 : En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden. Mattheüs 4:2 : En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
[^1koningen-19-8-17]: Kanttekening 17: de berg van God: Zie Num. 10:33 . Numeri 10:33 : Zo togen zij drie dagreizen van de berg van YHWH; en de ark van het verbond van YHWH reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
[^1koningen-19-9-18]: Kanttekening 18: Wat maakt u hier: Hebreeuws, פֹ֖ה, Wat is u hier, Elia?
[^1koningen-19-10-19]: Kanttekening 19: zeer geijverd: Hebreeuws, יהוָ֣ה, ijverende heb ik geijverd. Versta door deze ijver een heilige beweging van het hart, welke iemand heeft als hij merkt dat de naam van de Heer, leer, geboden en godsdienst verworpen en vervolgd, en daarentegen de afgoderij en goddeloosheid gevolgd en voorgestaan worden. Zie gelijke exempelen Num. 25:11 ; 2 Kon. 10:16 ; Ps. 69:10 ; Joh. 2:17 . Numeri 25:11 : Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen van Israël afgewend, omdat hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat Ik de kinderen van Israël in Mijn ijver niet vernield heb. 2 Koningen 10:16 : En hij zei: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor YHWH. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen. Psalmen 69:10 : Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Johannes 2:17 : En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.
[^1koningen-19-10-21]: Kanttekening 21: Versta door deze de uiterlijke ceremoniële godsdienst van God door Mozes ingesteld. Of men kan verstaan zodanige altaren, die extra-ordinairlijk van enige profeten door Gods ingeven zijn gebouwd.
[^1koningen-19-10-b]: Verwijzing b: Rom. 11:3 . Romeinen 11:3 : Heer! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.
[^1koningen-19-10-22]: Kanttekening 22: Dat is, leven. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^1koningen-19-10-20]: Kanttekening 20: de God: Zie boven, 1 Kon. 18:15 ; zo onder, vers 14 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! 1 Koningen 19:14 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
[^1koningen-19-11-23]: Kanttekening 23: Hij zei: Namelijk, de Heer.
[^1koningen-19-11-24]: Kanttekening 24: YHWH: De Heer is aldus Elia verschenen, om hem te verzekeren van zijn aanwezigheid, te onderwijzen van zijn goddelijke eigenschappen, en te versterken in zijn dienst, opdat hij overwonnen hebbende de vrees van de mensen in zijn roeping standvastiglijk zou voortgaan.
[^1koningen-19-11-25]: Kanttekening 25: YHWH was in de wind niet: De Heer is wel overal, maar niet op allerlei manier. Hij is in de wind, in de aardbeving en in het vuur niet geweest ten aanzien van zijn goddelijke aanspraak, maar alleen ten aanzien van de openbaring van enige goddelijke eigenschappen.
[^1koningen-19-12-26]: Kanttekening 26: het suizen: Te weten, waarin het geruis niet was, als van een sterken wind, of geweldige aardbeving, of aangestoken vuur.
[^1koningen-19-13-27]: Kanttekening 27: dat hij zijn aangezicht: Te weten, uit eerbied en vrees. Zie Ex. 3:6 , en vergelijk de aantekeningen Gen. 16:13 . Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet?
[^1koningen-19-13-28]: Kanttekening 28: Of, overkleed. Zie Jona 3:6 . Jona 3:6 : Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.
[^1koningen-19-13-29]: Kanttekening 29: Wat maakt u hier: Hebreeuws, פֹ֖ה, wat is u hier, enz.
[^1koningen-19-14-30]: Kanttekening 30: Ik heb zeer: Hebreeuws, קִנֵּ֜אתִי, ik heb ijverende geijverd; zo boven, vers 10 . 1 Koningen 19:10 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
[^1koningen-19-15-31]: Kanttekening 31: Zie van deze stad Gen. 14:15 . Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus.
[^1koningen-19-15-32]: Kanttekening 32: zalf Hazaël: Hoe en wanneer dit geschied is vindt men niet. Wel heeft Elisa hem het koninkrijk voorzegd. Zie 2 Kon. 8:12 , enz. 2 Koningen 8:12 : Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden.
[^1koningen-19-16-33]: Kanttekening 33: zalven ten koning: Dit heeft Elisa in het werk gesteld door één uit de discipelen van de profeten, 2 Kon. 9:1 , 9:2 , enz. 2 Koningen 9:1 : Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead. 2 Koningen 9:2 : Als u daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden van zijn broers, en breng hem in een binnenste kamer.
[^1koningen-19-16-34]: Kanttekening 34: In het Nieuwe Testament genoemd Eliza.
[^1koningen-19-16-35]: Kanttekening 35: Zie van deze stad Richt. 7:22 . Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de een tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^1koningen-19-16-36]: Kanttekening 36: in uw plaats: Dat is, om de voorgemelde dingen en andere, in mijn naam, als een profeet uit te voeren.
[^1koningen-19-17-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 9:14 ; idem v. 15 . 2 Koningen 9:14 : Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en geheel Israël, uit oorzake van Hazaël, de koning van Syrië; 2 Koningen 9:15 : Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
[^1koningen-19-17-37]: Kanttekening 37: Te weten, in de oorlog tegen de koning Joram, 2 Kon. 8:12 , 8:13 , 8:28 , en 2 Kon. 10:32 , en 2 Kon. 13:3 . 2 Koningen 8:12 : Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. 2 Koningen 8:13 : En Hazaël zei: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elisa zei: YHWH heeft mij getoond, dat u koning zijn zult over Syrië. 2 Koningen 8:28 : En hij toog met Joram, de zoon van Achab, naar de strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram. 2 Koningen 10:32 : In die dagen begon YHWH Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël: 2 Koningen 13:3 : Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die dagen.
[^1koningen-19-17-38]: Kanttekening 38: doden zal: Zie hiervan 2 Kon. 9:14 , enz. 2 Koningen 9:14 : Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en geheel Israël, uit oorzake van Hazaël, de koning van Syrië;
[^1koningen-19-17-39]: Kanttekening 39: Te weten, door profetieën, dreigementen, vervloekingen, enz. Zie een exempel 2 Kon. 2:24 . 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen twee en veertig kinderen.
[^1koningen-19-18-d]: Verwijzing d: Rom. 11:4 . Romeinen 11:4 : Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
[^1koningen-19-18-40]: Kanttekening 40: heb Ik: Anders, Ik zal doen, enz.
[^1koningen-19-18-41]: Kanttekening 41: zeven duizend: Dat is, zeer vele. Zie Lev. 26:8 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^1koningen-19-18-42]: Kanttekening 42: niet gekust heeft: Dat is, geen eerbied noch onderdanigheid bewezen heeft, waarvan het kussen een uitwendig teken was. Zie Gen. 41:40 . Dat nog heden de afgodendienaars hun beelden en versierd heiligdom bewijzen. Zie van de ongeoorloofde religieuze kussing, Job 31:27 , en Hos. 13:2 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. Job 31:27 : En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft; Hosea 13:2 : En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.
[^1koningen-19-19-43]: Kanttekening 43: runderen : Dit woord is hier ingevoegd uit vers 21 . 1 Koningen 19:21 : Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen zood hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.
[^1koningen-19-19-44]: Kanttekening 44: Dit was een uiterlijk teken, dat God hem gekozen had tot het ambt van de profeten, die zulk een mantel droegen. Zie 2 Kon. 1:8 ; Zach. 13:4 . 2 Koningen 1:8 : En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Zacharia 13:4 : En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, een ieder vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen.
[^1koningen-19-20-45]: Kanttekening 45: Vergelijk Matt. 4:20 , 4:22 . Mattheüs 4:20 : Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. Mattheüs 4:22 : Zij dan, meteen verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.
[^1koningen-19-20-46]: Kanttekening 46: Dat ik toch: Dat is, laat mij toe, dat ik eerlijk mijn afscheid van hen neme. Zie Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^1koningen-19-20-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, gaan achter u.
[^1koningen-19-20-48]: Kanttekening 48: want wat heb ik u gedaan: Dat is, bedenk wat ik nu straks aan u gedaan heb. Want het is niet tevergeefs geschied, dat ik mijn mantel op u geworpen heb, en dat God u de genegenheid ingestort heeft om zijn roeping te volgen. Vergelijk Matt. 8:22 ; Luk. 9:62 . Mattheüs 8:22 : Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven. Lukas 9:62 : En Jezus zei tot hem: Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar wat achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk van God.
[^1koningen-19-21-49]: Kanttekening 49: slachtte het: Hiermede gaf hij te verstaan dat hij zijn voorgaande beroep van het land te bouwen verliet, nemende met deze maaltijd tegelijk zijn afscheid van zijn vrienden en familie.
[^1koningen-19-21-50]: Kanttekening 50: het gereedschap: Versta, het hout van de ploeg, het juk, de eg, de schoppen en ander werktuig, waarmee hij zijn akkerwerk gedaan had, van welke hij vuur gemaakt heeft, om daarmede het vlees te koken.

### 1 Koningen 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/20.json)

*Benhadad belegert Samaria, en zijn eerste verlangen wordt hem ingewilligd, vers 1 enz. het tweede wordt hem afgewezen, 5. daarom maakt hij zich gereed om de stad te bestormen, 10. Achab biedt tegenweer op raad en belofte van een profeet, en behaalt twee keer de overwinning, 13. Benhadad moet zich verbergen, 30. Achab sluit vrede met hem, 33. Een profeet, die zich eerst laat slaan, 35. bestraft Achab, 39.*

**1** En Benhadad, de koning van[^1koningen-20-1-1] Syrië, verzamelde al zijn macht; en[^1koningen-20-1-2] twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij trok op, en belegerde Samaria en streed tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v1)

**2** En hij zond boden tot Achab, de koning van Israël, in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v2)

**3** En hij zei hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen,[^1koningen-20-3-3] die zijn van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v3)

**4** En de koning van Israël antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben[^1koningen-20-4-4] uwe, en al wat ik heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v4)

**5** Daarna kwamen de boden weer, en zeiden: Zo spreekt Benhadad, zeggende:[^1koningen-20-5-5] Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult u mij geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v5)

**6** Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en[^1koningen-20-6-6] de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal gebeuren, dat zij[^1koningen-20-6-7] al het begeerlijke van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v6)

**7** Toen riep de koning van Israël alle[^1koningen-20-7-8] oudsten van het land, en zei: Merk toch en ziet, dat deze[^1koningen-20-7-9] het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem[^1koningen-20-7-10] niet geweigerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v7)

**8** Maar al de oudsten, en het hele volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v8)

**9** Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: Zeg mijn heer de koning: Alles,[^1koningen-20-9-11] waarom u in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten[^1koningen-20-9-12] hem bescheid weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v9)

**10** En Benhadad zond tot hem en zei:[^1koningen-20-10-13] De goden doen mij zo, en doen zo daartoe,[^1koningen-20-10-14] als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk,[^1koningen-20-10-15] dat mijn voetstappen volgt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v10)

**11** Maar de koning van Israël antwoordde en zei: Spreek[^1koningen-20-11-16] tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v11)

**12** En het gebeurde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zei tot zijn knechten:[^1koningen-20-12-17] Leg aan! En zij legden aan tegen de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v12)

**13** En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze vandaag in uw hand geven,[^1koningen-20-13-18] opdat u weet, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v13)

**14** En Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt YHWH: Door de jongens van de oversten van de gewesten. En hij zei: Wie zal de strijd[^1koningen-20-14-20] aanbinden? En hij zei: U.[^1koningen-20-14-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v14)

**15** Toen telde hij de jongens van de oversten van de gewesten, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de Israëlieten, zeven duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v15)

**16** En zij trokken uit op de middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v16)

**17** En de jongens van de oversten van de gewesten trokken eerst uit.[^1koningen-20-17-21] Maar Benhadad zond enige uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v17)

**18** En hij zei: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v18)

**19** Zo trokken deze jongens van de oversten van de gewesten uit de stad, en het leger,[^1koningen-20-19-22] dat hen navolgde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v19)

**20** En[^1koningen-20-20-23] een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vluchtten, en Israël jaagde hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v20)

**21** En de koning van Israël trok uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de Syriërs sloeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v21)

**22** Toen trad[^1koningen-20-22-24] die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u[^1koningen-20-22-25] doen zult; want[^1koningen-20-22-26] met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v22)

**23** [^1koningen-20-23-27] Want de knechten van de koning van Syrië hadden tot[^1koningen-20-23-28] hem gezegd: Hun goden zijn[^1koningen-20-23-29] berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden,[^1koningen-20-23-30] zo wij niet sterker zijn dan zij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v23)

**24** Daarom doe deze zaak: Doe de[^1koningen-20-24-31] koningen weg, elk[^1koningen-20-24-32] uit zijn plaats, en stel[^1koningen-20-24-33] landvoogden in hun plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v24)

**25** En u, tel u een leger, als dat leger, dat[^1koningen-20-25-34] van[^1koningen-20-25-35] u gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagens, als die wagens; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden,[^1koningen-20-25-36] zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v25)

**26** Het gebeurde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij trok op naar[^1koningen-20-26-37] Afek, ten strijde tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v26)

**27** De Israëlieten werden ook gemonsterd, en waren[^1koningen-20-27-38] verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de Israëlieten sloegen hun kamp op tegenover hen, als[^1koningen-20-27-39] twee blote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v27)

**28** En[^1koningen-20-28-40] de man van God trad toe, en sprak tot de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Omdat de Syriërs gezegd hebben: YHWH is een God van de bergen, en Hij is niet een God van de laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven,[^1koningen-20-28-41] opdat u weet, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v28)

**29** En deze waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het gebeurde nu op de zevende dag, dat de strijd aanging; en de Israëlieten sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op één dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v29)

**30** En de overgeblevenen vluchtten naar[^1koningen-20-30-42] Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad[^1koningen-20-30-43] van kamer in kamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v30)

**31** Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis van Israël[^1koningen-20-31-44] goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken[^1koningen-20-31-45] om ons middel leggen, en[^1koningen-20-31-46] koorden om onze hoofden, en uitgaan tot de koning van Israël; mogelijk zal[^1koningen-20-31-47] hij uw ziel in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v31)

**32** Toen gordden zij zakken om hun middel, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn[^1koningen-20-32-48] broeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v32)

**33** De mannen nu namen ijverig waar,[^1koningen-20-33-49] en vatten het haastig,[^1koningen-20-33-50] of het van hem was, en zeiden: Uw broer Benhadad leeft. En hij zei: Kom,[^1koningen-20-33-51] brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op de wagen klimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v33)

**34** En[^1koningen-20-34-52] hij zei tot hem:[^1koningen-20-34-53] De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u[^1koningen-20-34-54] straten in Damascus, zoals mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v34)

**35** Toen zei een man uit de[^1koningen-20-35-55] zonen van de profeten tot zijn naaste,[^1koningen-20-35-56] door het woord van YHWH:[^1koningen-20-35-57] Sla mij toch. En de man[^1koningen-20-35-58] weigerde hem te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v35)

**36** En hij zei tot hem: Omdat u de stem van YHWH niet gehoorzaam bent geweest, zie, als u van mij weggegaan bent, zo zal u een leeuw[^1koningen-20-36-59] slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v36)

**37** Daarna vond hij een andere man, en zei: Sla mij toch. En die man sloeg hem,[^1koningen-20-37-60] slaande en wondende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v37)

**38** Toen ging de profeet heen, en stond voor de koning op de weg; en hij[^1koningen-20-38-61] verstelde zich met[^1koningen-20-38-62] as[^1koningen-20-38-63] boven zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v38)

**39** En het gebeurde, als de koning voorbijging, dat hij tot de koning[^1koningen-20-39-64] riep, en zei: Uw knecht was uitgegaan in het midden van de strijd; en zie, een[^1koningen-20-39-65] man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zei: Bewaar deze man, als hij[^1koningen-20-39-66] enigszins gemist wordt, zo zal uw[^1koningen-20-39-67] ziel in de plaats van zijn ziel zijn, of u zult een[^1koningen-20-39-68] talent zilver opwegen.[^1koningen-20-39-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v39)

**40** Het gebeurde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat[^1koningen-20-40-70] hij er niet was. Toen zei de koning van Israël tot hem: Zo is uw[^1koningen-20-40-71] oordeel; u hebt zelf het geveld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v40)

**41** Toen haastte hij zich, en[^1koningen-20-41-72] deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij één van de profeten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v41)

**42** En hij zei tot hem: Zo zegt YHWH: Omdat u de man, die Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan,[^1koningen-20-42-a] zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.[^1koningen-20-42-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v42)

**43** En de koning van Israël trok heen,[^1koningen-20-43-74] somber gestemd en boos, naar zijn huis, en kwam te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/20.html#v43)

[^1koningen-20-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, Aram; dat is, Syrië, en zo in het volgende. Zie Gen. 10:22 , en Gen. 22:21 . Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Genesis 22:21 : Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram,
[^1koningen-20-1-2]: Kanttekening 2: twee en dertig koningen: Zonder twijfel niet zo grote koningen, als wel Benhadad was. Vergelijk de aantekeningen Gen. 14:1 . Genesis 14:1 : En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van Elam, en van Tideal, de koning van de volken;
[^1koningen-20-3-3]: Kanttekening 3: die zijn mijn: Dat is, behoren mij toe in eigendom, en zult ze daarom mij ten eerste toezenden, zo u vrede van mij begeert en wilt dat ik aflate uwe stad te belegeren. Dat dit zijn mening geweest is, nemen enige af, onder, uit vers 5 , 20:6 . Hoewel Achab de woorden van Benhadad alleen schijnt uitgelegd te hebben van de souvereiniteit en opperheid, die hij over hem, zijn vrouwen, zijn kinderen en zijn goed door deze belegering scheen te zoeken; gelijk te zien is vers 4 , 20:7 , 20:9 . 1 Koningen 20:5 : Daarna kwamen de boden weer, en zeiden: Zo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult u mij geven; 1 Koningen 20:6 : Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal gebeuren, dat zij al het begeerlijke van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen. 1 Koningen 20:4 : En de koning van Israël antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb. 1 Koningen 20:7 : Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land, en zei: Merkt toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd. 1 Koningen 20:9 : Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijn heer de koning: Alles, waarom u in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weer.
[^1koningen-20-4-4]: Kanttekening 4: Dat is, uw vazal of leenman, die u als mijn souverein en leenheer erken.
[^1koningen-20-5-5]: Kanttekening 5: Ik heb wel: Alsof hij zei: Het is gewis zo, gelijk ik ontboden heb en u mee hebt moeten bekennen, dat het uwe mij toebehoort, maar met deze verstande, dat u dat mij met de eerste zonder uitstel dadelijk zoudt toeschikken; dat nadien u niet gedaan hebt, zo zal ik morgen omtrent deze tijd, enz.
[^1koningen-20-6-6]: Kanttekening 6: uw knechten: Sommigen menen dat hij hiermede zijn eerste eis verzwaart, merkende de kleinhartigheid van Achab uit zijn antwoord, vermeld boven, vers 4 , want hij begeert nu niet alleen Achabs, maar ook de goederen van zijn knechten. 1 Koningen 20:4 : En de koning van Israël antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.
[^1koningen-20-6-7]: Kanttekening 7: het begeerlijke: Dat is, al wat u graag ziet, met begeerte van dat te mogen behouden.
[^1koningen-20-7-8]: Kanttekening 8: Zie Lev. 4:15 . Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^1koningen-20-7-9]: Kanttekening 9: het kwade: Dat is, mijn en mijns koninkrijks verderf; niet zijnde tevreden met redelijke conditiën, die ik hem aangeboden heb.
[^1koningen-20-7-10]: Kanttekening 10: niet geweigerd: Te weten, mits de mijnen en mijn goed hem als souverein en beschermheer te onderwerpen; hoewel niet eigendom over te geven.
[^1koningen-20-9-11]: Kanttekening 11: waarom u: Dat Achab verstond van de souvereiniteit of opperheid in het burgerlijk gebied, en niet van het eigendom en het gebruik. Zie boven, de aantekeningen vers 3 . 1 Koningen 20:3 : En hij zei hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn van mij.
[^1koningen-20-9-12]: Kanttekening 12: hem bescheid: Namelijk, de koning Benhadad.
[^1koningen-20-10-13]: Kanttekening 13: De goden: Zie boven, 1 Kon. 19:2 . 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
[^1koningen-20-10-14]: Kanttekening 14: De zin is, dat hij zoveel volk in zijn leger had, dat in Samaria geen stof genoeg was, zo elk van de zijnen een handvol daarvan wilde nemen.
[^1koningen-20-10-15]: Kanttekening 15: dat mijn voetstappen: Hebreeuws, רַגְלָֽ, dat aan mijn voeten is. Zie Ex. 11:8 , en Richt. 4:10 , met de aantekening. Exodus 11:8 : Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn. Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.
[^1koningen-20-11-16]: Kanttekening 16: Die zich aangordt: Dat is, die zich wapent ten strijde voordat hij de overwinning heeft, houde zich niet gelijk dengene, die zich ontwapent als hij overwinning heeft. Het is een spreekwoord van gelijken zin als wanneer zij zeggen: Men moet geen triomflied zingen vóór de victorie.
[^1koningen-20-12-17]: Kanttekening 17: Legt aan: Te weten, uw geweer en alle krijgsgereedschap, om u in orde te zetten, de stad te bestormen en met geweld in te nemen.
[^1koningen-20-13-18]: Kanttekening 18: opdat u weet: Zo onder, vers 28 . Dit is het einde van alle weldaden Gods, dat Hij recht bekend, ernstiglijk gedankt en trouwelijk gediend worde. 1 Koningen 20:28 : En de man van God trad toe, en sprak tot de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Omdat de Syriërs gezegd hebben: YHWH is een God van de bergen, en Hij is niet een God van de laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik YHWH ben.
[^1koningen-20-14-20]: Kanttekening 20: Dat is, zoals enige overzetten, in orde stellen, of, gelijk anderen, wie zal de strijd beginnen; te weten, wij Israëlieten; of zullen wij de Syriërs verwachten, dat zij ons aanvallen? Dezelfde manier van spreken is ook 2 Kron. 13:3 . 2 Kronieken 13:3 : En Abia bond de strijd aan met een legermacht van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.
[^1koningen-20-14-19]: Kanttekening 19: Door de jongens: Versta door deze de dienaren en pages van de oversten van de provinciën en stammen, of de jonge edelieden, zonen van de heren van het land, die bij de koning woonden en in de wapenen geoefend werden.
[^1koningen-20-17-21]: Kanttekening 21: Maar Benhadad: De zin is, dat hij, verstaan hebbende van zijn wacht dat enige mannen zich omtrent de stad vertoonden, gezonden heeft om te vernemen, wat zij voor mensen waren. Het rapport was dat zij waren mannen, uit de stad getogen.
[^1koningen-20-19-22]: Kanttekening 22: dat hen navolgde: Hebreeuws, אַחֲרֵי, dat achter hen was.
[^1koningen-20-20-23]: Kanttekening 23: een ieder: Te weten, van de Israëlieten, van welke ieder één van de Syriërs versloeg, die aankwamen om de Israëlieten levend te grijpen.
[^1koningen-20-22-24]: Kanttekening 24: die profeet: Van denwelken gesproken is boven, vers 13 . 1 Koningen 20:13 : En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik YHWH ben.
[^1koningen-20-22-25]: Kanttekening 25: doen zult: Te weten, niet alleen met menselijke middelen te gebruiken, maar voornamelijk de goddelijke hulp te verkrijgen door ware bekering.
[^1koningen-20-22-26]: Kanttekening 26: met de wederkomst van het jaar: Dat is, met de aankomst van de zomer, als de legers, om de bekwaamheid van de leeftocht en voeder te genieten, plegen te velde te komen. Zo onder, vers 26 . Vergelijk 2 Sam. 11:1 ; 1 Kron. 20:1 ; 2 Kron. 36:10 . 1 Koningen 20:26 : Het geschiedde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël. 2 Samuël 11:1 : En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem. 1 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van het jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze. 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^1koningen-20-23-27]: Kanttekening 27: Want de knechten: Dit was de profeet bekend geworden, òf door enig gerucht, dat tot hem gekomen was, òf door de openbaring van God, van welke een schoon exempel te zien is 2 Kon. 6:8 . 2 Koningen 6:8 : En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.
[^1koningen-20-23-28]: Kanttekening 28: hem gezegd: Namelijk, tot hun koning.
[^1koningen-20-23-29]: Kanttekening 29: Dat is, op bergen \[zo zij hielden\] wonende, die hun volk daar alleen kunnen helpen, en niet op het effen veld.
[^1koningen-20-23-30]: Kanttekening 30: zo wij niet: Voeg hierbij de verzwegen vloek of straf; als, vergaan moeten wij, of eerloos worden; of, of wij, enz. Te weten, laat zien, of wat geldt het! Anders, zullen wij niet sterker zijn? zo onder, vers 25 . Zie Gen. 14:23 . 1 Koningen 20:25 : En u, tel u een legermacht, als die legermacht, die van de uwen gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagens, als die wagens; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed zo. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^1koningen-20-24-31]: Kanttekening 31: koningen weg: Te weten, welker hulp hij tevoren gebruikt had, boven, vers 1 , 20:16 . 1 Koningen 20:1 : En Benhadad, de koning van Syrië, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar. 1 Koningen 20:16 : En zij togen uit op de middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.
[^1koningen-20-24-32]: Kanttekening 32: uit zijn plaats: Dat is, uit het gebied, dat zij in uw heirleger gehad hebben.
[^1koningen-20-24-33]: Kanttekening 33: Dat is, heren en vorsten van uw eigen land, die u beter kent en die u getrouwer zullen wezen.
[^1koningen-20-25-34]: Kanttekening 34: van de uwen: Hebreeuws, נֹּפֵ֨ל, van, of uit u; dat is, die, in uw dienst zijnde, van de Israëlieten hier tevoren zijn verslagen. Zie boven, vers 20 , 20:21 . 1 Koningen 20:20 : En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vloden, en Israël jaagde hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren. 1 Koningen 20:21 : En de koning van Israël toog uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de Syriërs sloeg.
[^1koningen-20-25-35]: Kanttekening 35: gevallen is: Dat is, in de strijd omgekomen. Zie Gen. 14:10 . Genesis 14:10 : Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^1koningen-20-25-36]: Kanttekening 36: zo wij niet: Zie boven, vers 23 . 1 Koningen 20:23 : Want de knechten van de koning van Syrië hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij!
[^1koningen-20-26-37]: Kanttekening 37: Een stad, gelegen in de stam van Aser, die de Syriërs in deze krijgstocht schijnen, uit vers 30 , in hun geweld gekregen te hebben. Zie van dezelfde Joz. 13:4 , en Joz. 19:30 ; Richt. 1:31 . 1 Koningen 20:30 : En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer. Jozua 13:4 : Van het zuiden, het gehele land van de Kanaänieten, en Meara, die van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de landpale van de Amorieten. Jozua 19:30 : En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen. Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
[^1koningen-20-27-38]: Kanttekening 38: Anders, waren in vollen getale gevonden.
[^1koningen-20-27-39]: Kanttekening 39: twee blote: Hierbij wordt de legermacht van de Israëlieten, die in tweeën gedeeld was, vergeleken; om te kennen te geven, niet alleen dat zij weinig in getal, maar ook zwak in krijgsrusting en wapenen, ten aanzien van de Syriërs waren.
[^1koningen-20-28-40]: Kanttekening 40: de man van God: Te weten, de profeet, van denwelken gesproken is vers 13 , 20:22 , of een andere. 1 Koningen 20:13 : En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik YHWH ben. 1 Koningen 20:22 : Toen trad die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u doen zult; want met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken.
[^1koningen-20-28-41]: Kanttekening 41: opdat u: Zie boven, vers 13 . 1 Koningen 20:13 : En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt YHWH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik YHWH ben.
[^1koningen-20-30-42]: Kanttekening 42: Zie boven, vers 26 . Het schijnt hieruit, dat de Syriërs deze stad ingenomen hadden. 1 Koningen 20:26 : Het geschiedde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël.
[^1koningen-20-30-43]: Kanttekening 43: van kamer: Zo onder, 1 Kon. 22:25 . De zin is, dat Benhadad, zeer verslagen zijnde door zijn grote nederlagen en vrezende voor zijn persoon, van de ene kamer in de andere gevlucht is, niet wetende waar hij zich bergen zou. Anders, tot ener kamer, binnenkamer. Versta, een geheim vertrek, of verborgen plaats, die in enige kamer tot verzekering gemaakt is. 1 Koningen 22:25 : En Micha zei: Zie, u zult het zien, op dienzelfden dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.
[^1koningen-20-31-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, koningen van de goedertierenheid, of, weldadigheid.
[^1koningen-20-31-45]: Kanttekening 45: om onze lenden: Zij wilden met dit teken te kennen geven dat zij de dood verdiend hadden, en riepen om genade, als met groot leedwezen en deemoedigheid van het hart. Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^1koningen-20-31-46]: Kanttekening 46: Dewelke ook heden de misdadigers aan de hals somtijds hebben moeten, tot een teken dat zij de dood waard zijn.
[^1koningen-20-31-47]: Kanttekening 47: uw ziel: Dat is, persoon; zo in het volgende. Zie boven, 1 Kon. 19:4 . 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
[^1koningen-20-32-48]: Kanttekening 48: Dat is, die ik als een broer vriendschap te bewijzen bereid ben.
[^1koningen-20-33-49]: Kanttekening 49: en vatten het haastig: Hebreeuws, יֹּֽאמְרוּ֙, en zij haastten en vatten het; te weten, dat de koning van Israël hun koning Benhadad zijn broer genoemd had, houdende dat voor een teken van zijn goede genegenheid tot Benhadad. Anders, raapten het op, sneden het af; te weten, van Achabs woorden.
[^1koningen-20-33-50]: Kanttekening 50: of het van hem ware: Dat is, of het woord broer uit een oprecht hart gekomen was, en of hij de broederschap meende, dan of zijn zeggen alleen een bedriegelijke veinzing van de mond geweest was.
[^1koningen-20-33-51]: Kanttekening 51: brengt hem: Hebreeuws, יֵּצֵ֤א, neemt hem; dat is, neemt en brengt hem. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^1koningen-20-34-52]: Kanttekening 52: hij zei: Namelijk, Benhadad.
[^1koningen-20-34-53]: Kanttekening 53: De steden: Zie van deze boven, 1 Kon. 15:20 . 1 Koningen 15:20 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maächa, en het gehele Cinneroth, met het gehele land Nafthali.
[^1koningen-20-34-54]: Kanttekening 54: straten in Damascus: Versta, markten, uit welk Achab enige schatting zou trekken; of richtplaatsen, in welke het opperste oordeel hem zou toekomen; of enige aankomsten en grenzen van het land, die in zijn geweld zouden wezen.
[^1koningen-20-35-55]: Kanttekening 55: Welke waren jonge mensen, onderricht door de profeten in de ware leer, bestuurd tot de zuivere godsdienst, en vermaand tot de oprechtheid van het leven. Zij hadden hun collegiën, in welke de profeten waren als hunne kinderen; gelijk zij ook zo genoemd worden vers 35 , 1 Sam. 10:12 ; 2 Kon. 2:3 , 2:5 , en Jes. 8:18 . Vergelijk Richt. 17:10 . 1 Koningen 20:35 : Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan. 1 Samuël 10:12 : Toen antwoordde een man van daar, en zei: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten? 2 Koningen 2:3 : Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. 2 Koningen 2:5 : Toen traden de zonen van de profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. Jesaja 8:18 : Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de legermachten, Die op de berg Sion woont. Richteren 17:10 : Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet met hem.
[^1koningen-20-35-56]: Kanttekening 56: door het woord: Dat is, door Gods bevel, dat hij deze zijn naaste te kennen gaf.
[^1koningen-20-35-57]: Kanttekening 57: Sla mij toch: Het woor slaan betekent hier niet doden, gelijk in vers 36 , maar smijten, als met vuisten, stokken, touwen, enz., zonder dat de dood daarna volgt, gelijk Ex. 21:15 , 21:18 ; Spreuk. 23:13 , en onder, vers 37 . 1 Koningen 20:36 : En hij zei tot hem: Omdat u de stem van YHWH niet gehoorzaam bent geweest, zie, als u van mij weggegaan bent, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg. Exodus 21:15 : Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden. Exodus 21:18 : En wanneer mannen twisten, en de één slaat de ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde; Spreuken 23:13 : Weer de tucht van de jongen niet; als u hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. 1 Koningen 20:37 : Daarna vond hij een anderen man, en zei: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende.
[^1koningen-20-35-58]: Kanttekening 58: weigerde hem: Waarin hij kwalijk deed, omdat hij verstaan had dat dat van God bevolen was.
[^1koningen-20-36-59]: Kanttekening 59: Dat is, doden. Zo Gen. 32:11 ; Lev. 24:21 , en boven, vers 20 , enz. Zie Gen. 8:21 . Genesis 32:11 : Ruk mij toch uit mijns broers hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen! Leviticus 24:21 : Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden. 1 Koningen 20:20 : En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vloden, en Israël jaagde hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^1koningen-20-37-60]: Kanttekening 60: slaande en wondende: Dat is, sloeg hem lang en veel, zodat hij hem kwetste.
[^1koningen-20-38-61]: Kanttekening 61: Het Hebreeuwse woord betekent zich veranderen om niet bekend te worden; dat deze profeet gedaan heeft met as op zijn aangezicht te strooien, of \[gelijk anderen overzetten\] met een deksel op zijn ogen te doen. Onder, 1 Kon. 22:30 , betekent het, zich veranderen en vermommen door verandering van kleren. Vergelijk boven, 1 Kon. 14:2 . 1 Koningen 22:30 : En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd. 1 Koningen 14:2 : En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat u Jerobeams huisvrouw bent, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
[^1koningen-20-38-62]: Kanttekening 62: Anders, sluier, of deksel.
[^1koningen-20-38-63]: Kanttekening 63: boven zijn ogen: Dat is, op het hoofd, en verder in het aangezicht.
[^1koningen-20-39-64]: Kanttekening 64: Als hebbende enige zaak hem aan te dienen.
[^1koningen-20-39-65]: Kanttekening 65: man was afgeweken: Versta, een gevangene om die te bewaren dat hij niet ontliep.
[^1koningen-20-39-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, missende gemist wordt.
[^1koningen-20-39-67]: Kanttekening 67: ziel in de plaats: Dat is, uw leven voor zijn leven; dat is, u zult voor hem sterven. Zo onder, vers 42 ; idem Ex. 21:23 . 1 Koningen 20:42 : En hij zei tot hem: Zo zegt YHWH: Omdat u de man, die Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk. Exodus 21:23 : Maar als er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u geven ziel voor ziel,
[^1koningen-20-39-68]: Kanttekening 68: talent zilvers: Zie van deze waarde, boven, 1 Kon. 16:24 . 1 Koningen 16:24 : En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
[^1koningen-20-39-69]: Kanttekening 69: Dat is, betalen.
[^1koningen-20-40-70]: Kanttekening 70: hij er niet was: Te weten, de gevangen man.
[^1koningen-20-40-71]: Kanttekening 71: Dat is, zodanig is uw eigen oordeel. Versta, het oordeel van de verwijzing, waardoor iemand schuldig en strafwaardig verklaard wordt. Zo is ook het woord oordelen genomen, Luk. 19:22 ; Joh. 12:48 ; 1 Kor. 6:2 . De zin is: U brengt uw eigen vonnis mee, omdat u aangenomen hebt de man te bewaren, met de conditie van u verhaald. Lukas 19:22 : Maar hij zei tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, u boze dienaar! U wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. Johannes 12:48 : Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage. 1 Korinthiërs 6:2 : Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtzaken?
[^1koningen-20-41-72]: Kanttekening 72: deed de as af: Zie boven, vers 38 , en de aantekeningen daarop. 1 Koningen 20:38 : Toen ging de profeet heen, en stond voor de koning op de weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen.
[^1koningen-20-42-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 22:37 ; idem v. 38 . 1 Koningen 22:37 : Zo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven de koning te Samaria. 1 Koningen 22:38 : Als men nu de wagen in de vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren wiesen, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had.
[^1koningen-20-42-73]: Kanttekening 73: de man: Namelijk, Benhadad. Hebreeuws, יַ֛עַן, de man mijner verbanning; dat is, die ik wilde gedood en geheel uitgeroeid hebben. Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^1koningen-20-43-74]: Kanttekening 74: Of, afkerig, verdrietig, ongezind, korzel.

### 1 Koningen 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/21.json)

*Achab verlangt de wijngaard van Naboth te kopen, vers 1 enz. wat Naboth hem weigert, 3. Izebel belooft Achab die te leveren, 7. zorgt dat Naboth gestenigd wordt, 8. Achab neemt de wijngaard in bezit, 15. Hierop wordt aan hem en de zijnen door Elia hun ondergang voorzegd, 17. die, omdat Achab een uiterlijk teken van leedwezen geeft, 27. wordt uitgesteld, 29.*

**1** Het gebeurde nu na deze dingen, dat Naboth, een Jizreëliet, een wijngaard had, die te[^1koningen-21-1-1] Jizreël was, bij het paleis van Achab, de koning van Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v1)

**2** Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een[^1koningen-21-2-2] kruidhof, omdat hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo[^1koningen-21-2-3] het goed in uw ogen is, zal ik u in geld de waarde daarvan geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v2)

**3** Maar Naboth zei tot Achab:[^1koningen-21-3-4] Dat late YHWH verre van mij zijn, dat ik u de erfenis van mijn vaders geven zou! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v3)

**4** Toen kwam Achab in zijn huis,[^1koningen-21-4-5] geïrriteerd en boos over het woord, dat Naboth, de Jizreëliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erfenis van mijn vaders niet geven. En hij legde zich neer op zijn bed, en[^1koningen-21-4-6] keerde zijn aangezicht om, en at geen[^1koningen-21-4-7] brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v4)

**5** Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat u geen brood eet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v5)

**6** En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, de Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v6)

**7** Toen zei Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zou u nu het koninkrijk over Israël[^1koningen-21-7-8] regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij[^1koningen-21-7-9] vrolijk; ik zal u de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v7)

**8** Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot[^1koningen-21-8-10] de oudsten en tot de[^1koningen-21-8-11] edelen, die in[^1koningen-21-8-12] zijn stad waren,[^1koningen-21-8-13] wonende met Naboth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v8)

**9** En zij schreef in die brieven, zeggende:[^1koningen-21-9-14] Roep een vasten uit, en zet Naboth[^1koningen-21-9-15] in de hoogste plaats van het volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v9)

**10** En zet tegenover hem twee mannen,[^1koningen-21-10-16] zonen van Belial, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning vaarwel gezegd; en[^1koningen-21-10-18] voert hem uit, en[^1koningen-21-10-19] stenigt hem, dat hij sterve.[^1koningen-21-10-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v10)

**11** En de mannen[^1koningen-21-11-20] van zijn stad,[^1koningen-21-11-21] die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel tot hen[^1koningen-21-11-22] gezonden had; zoals geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v11)

**12** Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth[^1koningen-21-12-23] in de hoogste plaats van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v12)

**13** Toen kwamen de twee mannen,[^1koningen-21-13-24] zonen van Belial, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.[^1koningen-21-13-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v13)

**14** Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v14)

**15** Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zei: Sta op, bezit de wijngaard van Naboth, de[^1koningen-21-15-26] Jizreëliet, erfelijk, die hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v15)

**16** En het gebeurde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, af te gaan, om die erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v16)

**17** Maar het woord van YHWH kwam tot Elia, de[^1koningen-21-17-27] Thisbiet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v17)

**18** Maak u op, ga heen af, Achab, de koning van Israël, tegemoet,[^1koningen-21-18-28] die in Samaria is; zie hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgegaan is, om die erfelijk te bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v18)

**19** En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: In[^1koningen-21-19-30] plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe![^1koningen-21-19-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v19)

**20** En Achab zei tot Elia:[^1koningen-21-20-31] Hebt u mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelf[^1koningen-21-20-32] verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v20)

**21** [^1koningen-21-21-a] Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien[^1koningen-21-21-33] wat mannelijk is, en ook[^1koningen-21-21-34] de beslotene en verlatene in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v21)

**22** En Ik zal uw huis maken[^1koningen-21-22-b] zoals het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en[^1koningen-21-22-c] zoals het huis van Baësa, de zoon van Ahia; om de terging, waarmee u Mij getergd hebt, en dat u Israël hebt doen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v22)

**23** Verder ook over Izebel sprak YHWH, zeggende:[^1koningen-21-23-35] De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v23)

**24** [^1koningen-21-24-36] Die van Achab sterft in de[^1koningen-21-24-d] stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v24)

**25** Maar[^1koningen-21-25-e] er was niemand geweest zoals Achab, die[^1koningen-21-25-37] zichzelf verkocht had, om[^1koningen-21-25-38] te doen dat kwaad is in de ogen van YHWH, omdat Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v25)

**26** En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de[^1koningen-21-26-39] afgoden; naar alles, wat de[^1koningen-21-26-40] Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v26)

**27** Het gebeurde nu, als Achab deze woorden hoorde,[^1koningen-21-27-41] dat hij zijn[^1koningen-21-27-42] kleren scheurde, en een zak om zijn[^1koningen-21-27-43] vlees legde, en vastte; hij[^1koningen-21-27-44] lag ook neer in de zak, en ging[^1koningen-21-27-45] langzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v27)

**28** En het woord van YHWH kwam tot Elia, de Thisbiet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v28)

**29** Hebt u gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich vernedert voor Mijn aangezicht,[^1koningen-21-29-46] zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen;[^1koningen-21-29-47] in de dagen van zijn zoon zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/21.html#v29)

[^1koningen-21-1-1]: Kanttekening 1: Jizreël was: Zie van deze stad boven, 1 Kon. 18:45 . 1 Koningen 18:45 : En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël.
[^1koningen-21-2-2]: Kanttekening 2: Of, groenselhof. Hebreeuws, een hof van de groente, of, van het groensel. Het Hebreeuwse woord betekent allerlei groen kruid, voornamelijk dat gezaaid en tot voedsel gebruikt wordt. Vergelijk Deut. 11:10 . Deuteronomium 11:10 : Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof.
[^1koningen-21-2-3]: Kanttekening 3: goed in uw ogen is: Zie van deze manier van spreken Gen. 19:8 ; voor dezelfde is onder, vers 6 , zo het u behaagt. Genesis 19:8 : Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. 1 Koningen 21:6 : En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, de Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.
[^1koningen-21-3-4]: Kanttekening 4: Dat late YHWH verre van mij zijn: Hebreeuws, יהוָ֔ה, dat zij mij verre vanwege, of om de Heer. De reden van deze weigering was, omdat God in zijn wet verboden had de erfgoederen van de stammen en huisgezinnen in eigendom te vervreemden; Lev. 25:23 ; Num. 36:7 , enz. Leviticus 25:23 : Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent. Numeri 36:7 : Zo zal de erfenis van de kinderen van Israël niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen van Israël zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van de stam van zijn vaderen.
[^1koningen-21-4-5]: Kanttekening 5: Zo onder, vers 5 . Zie boven, 1 Kon. 20:43 . 1 Koningen 21:5 : Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat u geen brood eet? 1 Koningen 20:43 : En de koning van Israël toog heen, gemelijk en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria.
[^1koningen-21-4-6]: Kanttekening 6: keerde zijn aangezicht: Te weten, naar de wand, van de mensen af, niet willende iemand spraak leveren, of met iemand te doen hebben.
[^1koningen-21-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, geen voedsel. Zie Gen. 3:19 ; zo in het volgende. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^1koningen-21-7-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, doen; dat is, regeren, bedienen, handhaven. De zin is dat hij niet waard zou zijn koning over Israël te wezen, als hij zoveel verstand of courage niet had, waarmee men een Naboth bedwingen en hem zijn wijnberg afhandig kon maken.
[^1koningen-21-7-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, zij goed; dat is, vrolijk. Zie goed, voor vrolijk, Richt. 16:25 , en Richt. 18:20 ; 1 Sam. 25:8 , 25:36 . Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren. Richteren 18:20 : Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. 1 Samuël 25:8 : Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, wat uw hand vinden zal. 1 Samuël 25:36 : Toen nu Abigaïl tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning; en het hart van Nabal was vrolijk op dezelfde, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.
[^1koningen-21-8-10]: Kanttekening 10: de oudsten: Dat is, magistraat, raad en overste van de stad. Zo Deut. 21:2 ; Richt. 8:14 ; Ruth 4:2 . Deuteronomium 21:2 : Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom de verslagene zijn. Richteren 8:14 : Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. Ruth 4:2 : En hij nam tien mannen van de oudsten van de stad, en zei: Zet u hier; en zij zetten zich.
[^1koningen-21-8-11]: Kanttekening 11: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk witte, door welke men verstaan moet de edele, voornaamste en aanzienlijkste mensen, omdat die gemeenlijk met witte kleren gekleed gingen. Zie de aantekeningen Gen. 41:42 ; idem Esth. 8:15 , en onder, vers 11 . Genesis 41:42 : En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; Esther 8:15 : En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk. 1 Koningen 21:11 : En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.
[^1koningen-21-8-12]: Kanttekening 12: zijn stad waren: Zo onder, vers 11 . Versta Jizreël, welke Naboths stad genoemd wordt \[gelijk ook hij zelf een Jizreëliet, boven, vers 1 , 21:7 \], omdat hij daarin woonde, of misschien ook daarin geboren was. Zie dezelfde manier van spreken, Gen. 23:10 , en Gen. 24:10 , en de aantekeningen daarop. 1 Koningen 21:11 : En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had. 1 Koningen 21:1 : Het geschiedde nu na deze dingen, zo Naboth, een Jizreëliet, een wijngaard had, die te Jizreël was, bij het paleis van Achab, de koning van Samaria. 1 Koningen 21:7 : Toen zei Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt u nu het koninkrijk over Israël regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, geven. Genesis 23:10 : Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van zijns heren kamelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^1koningen-21-8-13]: Kanttekening 13: wonende met Naboth: Dat is, die zijn medeburgers waren.
[^1koningen-21-9-14]: Kanttekening 14: Dit beveelt zij, opdat men kennis zou nemen van het leven en de wandel van Naboth. Want de vastendagen werden onderhouden om, onder andere redenen, ook onderzoek te doen naar enige grove zonden, die openbaar geworden waren, en die naar behoren te straffen, ten einde zo de toorn van God van de gehele gemeente afgekeerd mocht worden.
[^1koningen-21-9-15]: Kanttekening 15: in de hoogste plaats: Hebreeuws, רֹ֥אשׁ, in het hoofd van het volk, zo onder, vers 12 . Versta hierdoor, een verheven plaats van de vergadering, in welke de beschuldigden gesteld werden, opdat zij te beter van het volk zouden gezien en gehoord worden. Of, versta, een verheven en waardig gestoelte, waarin de voornaamsten van de stad \[onder welke men meent, dat Naboth een geweest is\] plachten te zitten, en dat Naboth daar, in zijn gewoonlijke plaats te zitten, toegelaten werd, om hem alle nadenken te benemen van het kwaad, dat tegen hem gestookt werd. 1 Koningen 21:12 : Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats van het volk.
[^1koningen-21-10-16]: Kanttekening 16: zonen Belials: Versta door deze ondeugende mensen, die, het juk van de goddelijke vreze en van de menselijke eerbaarheid afgeworpen hebbende, slechts genegen zijn om zonder enige consciëntie kwaad te doen. Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^1koningen-21-10-18]: Kanttekening 18: voert hem uit: Te weten, buiten de stad. Want hier in voortijden was het een gebruik, dat de misdadigers buiten de steden en plaatsen van de gemene woningen gestraft werden, als onwaardig zijnde onder het gewoonlijke gezelschap van de mensen hun geest te geven. Zie Lev. 24:14 , 24:23 ; Joz. 7:24 , en Mark. 15:20 . Leviticus 24:14 : Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen. Leviticus 24:23 : En Mozes zei tot de kinderen van Israël, dat zij de vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen van Israël deden, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Jozua 7:24 : Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Marcus 15:20 : En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen kleren aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.
[^1koningen-21-10-19]: Kanttekening 19: stenigt hem: Naar uitwijzen van de wet, die daarvan gegeven was door Mozes, Lev. 24:15 , 24:16 , enz. Leviticus 24:15 : En tot de kinderen van Israël zult u spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen. Leviticus 24:16 : En wie de Naam van YHWH gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem zekerlijk stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.
[^1koningen-21-10-17]: Kanttekening 17: Zegenen heet hier vloeken. Want dit is zo afgrijslijk gehouden geweest, dat men het kwalijk durfde noemen, zodat in de plaats daarvan het tegendeel bedekter wijze gezegd wordt. Zo onder, vers 13 , en Job 1:5 , 1:11 , en Job 2:9 . 1 Koningen 21:13 : Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf. Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? Job 2:9 : Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf.
[^1koningen-21-11-20]: Kanttekening 20: zijn stad: Zie boven, vers 8 . 1 Koningen 21:8 : Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
[^1koningen-21-11-21]: Kanttekening 21: die oudsten: Zie boven, vers 8 . 1 Koningen 21:8 : Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
[^1koningen-21-11-22]: Kanttekening 22: gezonden had: Dat is, door brieven ontboden had.
[^1koningen-21-12-23]: Kanttekening 23: in de hoogste: Zie boven, vers 9 . 1 Koningen 21:9 : En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats van het volk;
[^1koningen-21-13-24]: Kanttekening 24: zonen Belials: Zie boven, vers 10 . 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
[^1koningen-21-13-25]: Kanttekening 25: Zie boven, vers 10 . 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
[^1koningen-21-15-26]: Kanttekening 26: Het schijnt hieruit dat de goederen van Naboth ten profijte van de koning zijn geconfisceerd geweest, zijnde Naboths zonen mee gedood, 2 Kon. 9:26 , en dat onder een vals deksel van religie, even alsof zij hierin hadden willen volgen het exempel van de goddelijke straffen, in vorige tijden zo uitgevoerd over Dathan en Abiram, Num. 16:32 , en Achan, Joz. 7:24 , 7:25 , dat ook hun kinderen niet gespaard werden. En zo zouden deze rechters verkeerd gevolgd hebben de exempelen van de extraordinaire wraak Gods, die wel enigszins ons verborgen, maar nochtans rechtvaardig is, en niet de ordinaire wet voor de mensen gesteld, welke verbiedt de kinderen om de misdaad van hun ouderen te straffen; Deut. 24:16 . 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH. Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. Jozua 7:24 : Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? YHWH zal u beroeren op deze dag! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. Deuteronomium 24:16 : De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.
[^1koningen-21-17-27]: Kanttekening 27: Zie boven, 1 Kon. 17:1 . 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
[^1koningen-21-18-28]: Kanttekening 28: die in Samaria is: Versta, waar Achab woonde, en waar hij op die tijd, als God deze woorden met Elia sprak, ook persoonlijk was, maar staande op zijn vertrek naar Naboths wijngaard, waar hem Elia zou vinden, ten welke aanzien in de volgende woorden gezegd wordt dat Achab in de wijngaard was; omdat hij daar zou zijn als Elia te Jizreël aankomen zou.
[^1koningen-21-19-30]: Kanttekening 30: In plaats dat: Dat is, voor dat de honden, of gelijk als de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden ook uw bloed likken; zo in het Hebreeuwse woord genomen Zef. 2:10 . Anderen verstaan dit van dezelfde plaats niet in het bijzonder van het veld buiten Jizreël, maar in het algemeen van het land van Israël. Want Jizreël, waar buiten Naboths bloed gestort is, was in de stam van Issaschar gelegen, en Samaria \[alwaar de honden Achabs bloed gelikt hebben, onder, 1 Kon. 22:38 \] in de stam van Efraïm. Of, zo men het neemt van denzelfden akker, zo zie de vervulling in Achabs zoon, 2 Kon. 9:26 . Zefanja 2:10 : Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van YHWH van de legermachten. 1 Koningen 22:38 : Als men nu de wagen in de vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren wiesen, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had. 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH.
[^1koningen-21-19-29]: Kanttekening 29: Hebt u doodgeslagen: Dit te vragen wordt Elia gelast, niet om Achabs zonde als een onbekende daad te onderzoeken, maar om Achab daarover te bestraffen en hem Gods rechtvaardige wraak voor te houden; omdat hij niet alleen Naboth gedood, maar ook de erfenis van diens erfgenamen tot zich genomen had, tegen Gods wet.
[^1koningen-21-20-31]: Kanttekening 31: Hebt u mij: Dit is zoveel alsof hij zei: Bent u zo stout dat u onder mijn ogen durft komen? en behoorde u niet uit mijn gezicht te blijven, omdat u wel merken kunt dat ik u haat, omdat u nimmermeer ophoudt mij met uw dreigementen vijandelijk te bejegenen?
[^1koningen-21-20-32]: Kanttekening 32: verkocht hebt: Dat is, overgegeven tot de slavernij van de zonde. Want gelijk degenen, die zich als een lijfeigene aan iemand verkoopt, zijn wil en gebied in alles begeert te volgen; zo wordt die gezegd zich te verkopen om kwaad te doen, die zich aan de zonde, om haar in alles te gehoorzamen, overgeeft. Deze manier van spreken is ook 2 Kon. 17:17 ; Jes. 50:1 . 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Jesaja 50:1 : Zo zegt YHWH: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wie Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.
[^1koningen-21-21-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 9:7 ; idem v. 8 ; idem v. 9 . 2 Koningen 9:7 : En u zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van YHWH, wreke van de hand van Izebel. 2 Koningen 9:8 : En het gehele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël. 2 Koningen 9:9 : Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Ahia.
[^1koningen-21-21-33]: Kanttekening 33: wat mannelijk is: Zie boven, 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^1koningen-21-21-34]: Kanttekening 34: de beslotene: Zie Deut. 32:36 . Deuteronomium 32:36 : Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^1koningen-21-22-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^1koningen-21-22-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 16:3 ; idem v. 11 . 1 Koningen 16:3 : Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
[^1koningen-21-23-35]: Kanttekening 35: De honden: Zie de vervulling 2 Kon. 9:33 , 9:34 , enz. 2 Koningen 9:33 : En hij zei: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan de wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar. 2 Koningen 9:34 : Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zei hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is de dochter van een koning.
[^1koningen-21-24-36]: Kanttekening 36: Die van Achab: Zie boven, 1 Kon. 14:11 . 1 Koningen 14:11 : Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken.
[^1koningen-21-24-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 9:35 ; idem v. 36 ; idem v. 37 . 2 Koningen 9:35 : En zij gingen heen om haar te begraven; maar zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen haar handen. 2 Koningen 9:36 : Toen kwamen zij weer, en gaven het hem te kennen, en hij zei: Dit is het woord van YHWH, dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn knecht Elia, de Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten. 2 Koningen 9:37 : En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.
[^1koningen-21-25-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 16:33 . 1 Koningen 16:33 : Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren.
[^1koningen-21-25-37]: Kanttekening 37: Zie boven, vers 20 . 1 Koningen 21:20 : En Achab zei tot Elia: Hebt u mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen van YHWH.
[^1koningen-21-25-38]: Kanttekening 38: te doen: Zie boven, 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^1koningen-21-26-39]: Kanttekening 39: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-21-26-40]: Kanttekening 40: Versta onder een soort van de Kanaänieten, al de anderen mee. Zie Gen. 15:16 , en Gen. 48:22 . Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb.
[^1koningen-21-27-41]: Kanttekening 41: dat hij zijn: Een exempel van slechts uiterlijk en tijdelijk berouw; dat niet voortkwam uit een hart, dat door het geloof gezuiverd en recht bekeerd was; gelijk te zien is onder, 1 Kon. 22:8 . 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo!
[^1koningen-21-27-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^1koningen-21-27-43]: Kanttekening 43: vlees legde: Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^1koningen-21-27-44]: Kanttekening 44: lag ook neder: Te weten, om te slapen.
[^1koningen-21-27-45]: Kanttekening 45: Of, zachtkens, tragelijk, lamachtig.
[^1koningen-21-29-46]: Kanttekening 46: zo zal Ik: Een exempel van Gods goedheid, waardoor Hij de welverdiende straf uitstelt om een geveinsde vernedering.
[^1koningen-21-29-47]: Kanttekening 47: in de dagen: Zie de vervulling hiervan, 2 Kon. 9:23 . 2 Koningen 9:23 : Toen keerde Joram zijn hand, en vluchtte, en zei tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!

### 1 Koningen 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1koningen/22.json)

*Achab wil oorlog voeren tegen de Syriërs, vers 1 enz. wordt door Josafat geraden dat men God eerst via zijn profeten om raad zou vragen, 5. Achabs profeten raden daartoe, 6. vooral Zedekia, 11. Micha, een profeet van de Heere, raadt het af, 13. wordt daarover door Zedekia geslagen, 24. en door Achab in de gevangenis gezet, 26. Achab trekt ten strijde, wordt geschoten en sterft, 29. de honden likken zijn bloed, 38. Josafats regering over Juda, 41. Ahazia, de zoon van Achab, regeert in de plaats van zijn vader, 52.*

**1** En[^1koningen-22-1-1] zij zaten[^1koningen-22-1-2] drie jaar stil, dat er geen strijd was tussen Syrië en tussen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v1)

**2** Maar het gebeurde in het derde jaar, als[^1koningen-22-2-a] Josafat, de koning van Juda, tot[^1koningen-22-2-3] de koning van Israël afgekomen was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v2)

**3** Dat de koning van Israël tot zijn[^1koningen-22-3-4] knechten zei: Weet u, dat[^1koningen-22-3-5] Ramoth in Gilead[^1koningen-22-3-6] onze is? En wij[^1koningen-22-3-7] zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v3)

**4** Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van[^1koningen-22-4-8] Israël: Zo zal ik zijn zoals u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v4)

**5** Verder zei Josafat tot de koning van[^1koningen-22-5-9] Israël: Vraag toch als heden naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v5)

**6** Toen verzamelde de koning van[^1koningen-22-6-10] Israël de profeten, ongeveer vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v6)

**7** Maar Josafat zei: Is hier niet[^1koningen-22-7-11] nog een profeet van YHWH, dat wij het van hem vragen mochten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v7)

**8** Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog één man, om door hem[^1koningen-22-8-12] YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij[^1koningen-22-8-13] niets goeds profeteert, maar kwaad:[^1koningen-22-8-14] Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning[^1koningen-22-8-15] zegge niet zo! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v8)

**9** Toen riep de koning van Israël een[^1koningen-22-9-16] kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v9)

**10** [^1koningen-22-10-b] De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met[^1koningen-22-10-17] hun kleren, op het plein, aan de[^1koningen-22-10-18] deur van de poort van Samaria; en al[^1koningen-22-10-19] de profeten profeteerden in hun aanwezigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v10)

**11** En[^1koningen-22-11-20] Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich[^1koningen-22-11-21] ijzeren horens gemaakt; en hij zei: Zo zegt YHWH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben.[^1koningen-22-11-22][^1koningen-22-11-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v11)

**12** En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en[^1koningen-22-12-24] u zult voorspoedig zijn; want YHWH zal hen in de hand van de koning geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v12)

**13** De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden van de profeten zijn[^1koningen-22-13-25] uit één mond goed tot de koning; dat toch uw woord zij, zoals het woord van één uit hen, en spreek[^1koningen-22-13-26] het goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v13)

**14** Maar Micha zei: Zo waarachtig als YHWH leeft, wat YHWH tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v14)

**15** Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem:[^1koningen-22-15-27] Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v15)

**16** En de koning zei tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid,[^1koningen-22-16-28] in de Naam van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v16)

**17** En hij zei:[^1koningen-22-17-29] Ik zag het hele Israël verstrooid op de bergen, zoals schapen, die geen herder hebben; en YHWH zei: Deze hebben geen heer; ieder kere weer naar zijn huis in vrede.[^1koningen-22-17-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v17)

**18** Toen zei de koning van Israël tot Josafat:[^1koningen-22-18-31] Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v18)

**19** Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH:[^1koningen-22-19-c] Ik[^1koningen-22-19-33] zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al het[^1koningen-22-19-35] hemelse leger staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.[^1koningen-22-19-32][^1koningen-22-19-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v19)

**20** En YHWH zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead?[^1koningen-22-20-36] De een nu zei zo, en de andere zei zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v20)

**21** Toen ging[^1koningen-22-21-37] een geest uit, en stond voor het aangezicht van YHWH, en zei: Ik zal hem overreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v21)

**22** En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een[^1koningen-22-22-38] leugengeest zijn in de mond[^1koningen-22-22-39] van al zijn profeten. En Hij zei:[^1koningen-22-22-40] U zult overreden, en zult er ook in slagen; ga uit en[^1koningen-22-22-41] doe zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v22)

**23** Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en YHWH heeft[^1koningen-22-23-42] kwaad over u gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v23)

**24** Toen trad[^1koningen-22-24-43] Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en[^1koningen-22-24-44] sloeg Micha op de kaak; en hij zei: Door wat[^1koningen-22-24-45] weg is de geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v24)

**25** En Micha zei: Zie, u zult het[^1koningen-22-25-46] zien, op die dag, als u zult gaan[^1koningen-22-25-47] van kamer in kamer, om u te[^1koningen-22-25-48] verbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v25)

**26** De koning van Israël nu[^1koningen-22-26-49] zei: Neem Micha, en breng hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v26)

**27** En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in de gevangenis, en spijst hem met brood[^1koningen-22-27-51] van de bedruktheid, en[^1koningen-22-27-52] met water van de bedruktheid, totdat ik[^1koningen-22-27-53] met vrede[^1koningen-22-27-54] wederkom.[^1koningen-22-27-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v27)

**28** En Micha zei: Als u[^1koningen-22-28-55] enigszins met vrede wederkomt, zo heeft YHWH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoor, u volken altegaar![^1koningen-22-28-56][^1koningen-22-28-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v28)

**29** Zo trok de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v29)

**30** En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik[^1koningen-22-30-58] mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek[^1koningen-22-30-59] uw kleren aan. Zo vermomde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v30)

**31** De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, van wie hij er twee en dertig had, zeggende: U zult noch[^1koningen-22-31-61] kleinen noch groten bestrijden, maar de koning van Israël alleen.[^1koningen-22-31-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v31)

**32** Het gebeurde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Zeker, die is de koning van Israël, en[^1koningen-22-32-62] zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat[^1koningen-22-32-63] riep uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v32)

**33** En het gebeurde, als de oversten van de wagens zagen, dat hij de koning van Israël niet was, dat zij[^1koningen-22-33-64] zich van achter hem afkeerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v33)

**34** Toen[^1koningen-22-34-65] spande een man de boog in zijn[^1koningen-22-34-66] eenvoud, en[^1koningen-22-34-67] schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei[^1koningen-22-34-68] hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer[^1koningen-22-34-69] verwond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v34)

**35** En de strijd nam op dezelfde dag toe, en de[^1koningen-22-35-70] koning werd[^1koningen-22-35-71] met de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf 's avonds, en het bloed van de wonde vloeide in de[^1koningen-22-35-72] bak van de wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v35)

**36** En er ging[^1koningen-22-36-73] een uitroeping door het leger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v36)

**37** Zo stierf de koning, en[^1koningen-22-37-74] werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven de koning te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v37)

**38** Als men nu de wagen in de vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed,[^1koningen-22-38-75] waar de hoeren zich wasten,[^1koningen-22-38-76] naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v38)

**39** Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het[^1koningen-22-39-77] ivoren huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven[^1koningen-22-39-78] in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v39)

**40** Zo ontsliep Achab met zijn vaders; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v40)

**41** [^1koningen-22-41-d] Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v41)

**42** Josafat was[^1koningen-22-42-79] vijf en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde[^1koningen-22-42-80] vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v42)

**43** En hij[^1koningen-22-43-81] wandelde in al de weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v43)

**44** Evenwel werden[^1koningen-22-44-82] de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v44)

**45** En Josafat maakte vrede[^1koningen-22-45-83] met de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v45)

**46** Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven[^1koningen-22-46-84] in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v46)

**47** Ook deed hij uit het land weg de overige[^1koningen-22-47-85] schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v47)

**48** [^1koningen-22-48-86] Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder[^1koningen-22-48-87] van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v48)

**49** En[^1koningen-22-49-88] Josafat maakte schepen van[^1koningen-22-49-89] Tharsis, om naar[^1koningen-22-49-90] Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te[^1koningen-22-49-91] Ezeon-geber. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v49)

**50** Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat[^1koningen-22-50-92] wilde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v50)

**51** En Josafat ontsliep met zijn vaders, en werd bij zijn vaders begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v51)

**52** Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde[^1koningen-22-52-93] twee jaren over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v52)

**53** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; want hij[^1koningen-22-53-94] wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v53)

**54** En hij diende[^1koningen-22-54-95] Baäl, en boog zich voor hem, en vertoornde YHWH, de God van Israël, naar alles, wat zijn vader gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1koningen/22.html#v54)

[^1koningen-22-1-1]: Kanttekening 1: zij zaten: Namelijk, de Syriërs en de Israëlieten, tussen welke tevoren oorlog was geweest. Zie boven, 1 Kon. 20 .
[^1koningen-22-1-2]: Kanttekening 2: drie jaren: Deze jaren zijn te rekenen van de tweede nederlaag, die de Syriërs in de oorlog tegen de Israëlieten gekregen hadden, waarvan te zien is boven, 1 Kon. 20:29 , enz. 1 Koningen 20:29 : En deze waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op de zevende dag, dat de strijd aanging; en de kinderen van Israël sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op een dag.
[^1koningen-22-2-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 18:1 ; idem v. 2 . 2 Kronieken 18:1 : Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab. 2 Kronieken 18:2 : En ten einde van enige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.
[^1koningen-22-2-3]: Kanttekening 3: de koning van Israël: Namelijk, Achab, met welke hij niet alleen in vrede stond, onder, vers 45 , maar ook in zwagerschap getreden was, door het huwelijk van zijn zoon Joram met Athalia, de dochter van Achab, 2 Kon. 8:18 , en 2 Kron. 18:1 . 1 Koningen 22:45 : En Josafat maakte vrede met de koning van Israël. 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. 2 Kronieken 18:1 : Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.
[^1koningen-22-3-4]: Kanttekening 4: knechten zei: Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^1koningen-22-3-5]: Kanttekening 5: Zie van deze stad Deut. 4:43 , en boven, 1 Kon. 4:13 . Deuteronomium 4:43 : Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. 1 Koningen 4:13 : De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
[^1koningen-22-3-6]: Kanttekening 6: onze is: Want deze stad behoorde tot het land van de Israëlieten, zijnde gelegen in de stam van Gad, en Benhadad, wiens vader haar de Israëlieten afgenomen had, had ze beloofd hun weer te geven; boven, 1 Kon. 20:34 . 1 Koningen 20:34 : En hij zei tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damascus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.
[^1koningen-22-3-7]: Kanttekening 7: zijn stil: Hebreeuws, אֲנַ֣חְנוּ, zwijgen; maar het Hebreeuwse woord betekent nalating, niet alleen van spreken, maar ook van iets te doen, gelijk Ex. 14:14 ; Richt. 18:9 ; Jes. 64:12 . Exodus 14:14 : YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn. Richteren 18:9 : En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt u dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen; Jesaja 64:12 : YHWH! zoudt U U over deze dingen inhouden, zoudt U stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?
[^1koningen-22-4-8]: Kanttekening 8: Zo zal ik zijn: Hebreeuws, כָּמ֧וֹ, gelijk mij, gelijk u, gelijk mijn volk, gelijk uw volk, gelijk mijn paarden, gelijk uw paarden; zo 2 Kon. 3:7 , en 2 Kron. 18:3 . Dat is, ik zal met u in deze strijd trekken, en zo getrouw zijn dat u mag steunen op mijn persoon als op de uwe, op mijn volk als op het uwe, enz. 2 Koningen 3:7 : En hij ging heen, en zond tot Josafat, de koning van Juda, zeggende: De koning van de Moabieten is van mij afgevallen, zult u met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij zei: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 2 Kronieken 18:3 : Want Achab, de koning van Israël, zei tot Josafat, de koning van Juda: Zult u met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk u bent, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze krijg.
[^1koningen-22-5-9]: Kanttekening 9: Vraag toch: Dat is, verneem door enige profeet van de Heer of het ook zijn wil is dat wij deze oorlog aannemen, en of Hij ons daarin voorspoed en victorie geven zal.
[^1koningen-22-6-10]: Kanttekening 10: de profeten: Het schijnt dat deze zouden mogen geweest zijn de vierhonderd profeten van het afgodische woud, van dat gesproken is boven, 1 Kon. 18:19 , en niet verschenen voor Elia, op de berg Karmel, met de vier honderd en vijftig profeten Baäls. Zie in 1 Kon. 18:22 de aantekeningen. 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Koningen 18:22 : Toen zei Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet van YHWH overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen.
[^1koningen-22-7-11]: Kanttekening 11: nog een profeet: Versta, boven deze vierhonderd profeten, van welke de koning Josafat begon een kwaad nadenken te krijgen. Of, boven veel anderen profeten, die tevoren in Israël geweest waren.
[^1koningen-22-8-12]: Kanttekening 12: YHWH: Merk dat deze afgodendienaars nog willen schijnen de ware God recht te kennen en te zoeken, om hem te gehoorzamen.
[^1koningen-22-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, dat mij aangenaam is. Zie boven, 1 Kon. 1:42 . 1 Koningen 1:42 : Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent een kloek man, en zult het goede boodschappen.
[^1koningen-22-8-14]: Kanttekening 14: Die te onderscheiden is van de profeet Micha, toegenaamd de Morasthiet, omdat hij in de stad Morasa geboren was, Micha 1:1 , die geleefd heeft ten tijde van de koningen van Juda, Jotham, Achaz en Hizkia. Micha 1:1 : Het woord van YHWH, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
[^1koningen-22-8-15]: Kanttekening 15: zegge niet zo: Dat is, haat de persoon niet vanwege het woord, en versmaad het woord niet vanwege de persoon.
[^1koningen-22-9-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen een hoveling, hofjonker, hofofficier. Zie Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^1koningen-22-10-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 18:9 . 2 Kronieken 18:9 : De koning van Israël nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, en zij zaten op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid.
[^1koningen-22-10-17]: Kanttekening 17: hun kleren: Te weten, met bijzondere koninklijke kleren, in welke zij hun majesteit, staat en heerlijkheid vertoonden. Anders, \[hun\] wapenen aanhebbende.
[^1koningen-22-10-18]: Kanttekening 18: Versta, een effen, onbetimmerde en ledige plaats. Zie Gen. 50:10 . Zulke meent men voor aan de poorten van de steden in vorige tijden geweest te zijn voor marktplaatsen, of ruimten, om daar een menigte van krijgslieden in slagorde te stellen, zo wanneer men de inval van enige vijanden vreesde. Genesis 50:10 : Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan de andere zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.
[^1koningen-22-10-19]: Kanttekening 19: de profeten: Namelijk, van welke gesproken is boven, vers 6 ; zo ook onder, vers 12 . 1 Koningen 22:6 : Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. 1 Koningen 22:12 : En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want YHWH zal hen in de hand van de koning geven.
[^1koningen-22-11-20]: Kanttekening 20: Één van de voorgemelde profeten, die te onderscheiden is van een anderen valsen profeet van deze naam, de zoon van Maäseja, Jer. 29:21 . Jeremia 29:21 : Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die u in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
[^1koningen-22-11-21]: Kanttekening 21: ijzeren horens: Om daarmede, als met een teken, zijn profetie voor te stellen, en daarna met het woord te verklaren, gelijk vele profeten gewoon waren te doen.
[^1koningen-22-11-22]: Kanttekening 22: Hij wendt de naam YHWH van de enige en waarachtige God, en niet de namen van zijn afgoden voor; gelijk ook onder, vers 12 , 22:24 . Niet alleen om aldus zijn voorzegging voor de koning Josafat te aangenamer te maken, maar ook om voor een ieder te betuigen dat hun gehele religie en profetering kwanswijs daarheen gericht was, om de God van die naam eer en dienst te bewijzen. Vergelijk Ex. 32:4 , 32:5 ; Richt. 17:3 ; 1 Kon. 12:28 . 1 Koningen 22:12 : En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want YHWH zal hen in de hand van de koning geven. 1 Koningen 22:24 : Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zei: Door wat weg is de geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. Exodus 32:5 : Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor het; en Aäron riep uit, en zei: Morgen zal YHWH een feest zijn! Richteren 17:3 : Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld YHWH ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^1koningen-22-11-23]: Kanttekening 23: Met deze …: De zin is dat hij hen lichtelijk zou overwinnen en vernielen. Want gelijk de gehoornde beesten de andere, die zonder hoornen zijn, licht beschadigen en verdrukken, zo zou het hem niet zwaar zijn de Syriërs als zwakker dan hij was, tenonder te brengen.
[^1koningen-22-12-24]: Kanttekening 24: u zult voorspoedig zijn: Hebreeuws, הַצְלַ֔ח, zijt voorspoedig; dat is, u zult voorspoedig zijn, zo onder, vers 15 . Vergelijk Ps. 37:3 , en Spreuk. 3:25 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. Psalmen 37:3 : Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. Spreuken 3:25 : Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen, als zij komt.
[^1koningen-22-13-25]: Kanttekening 25: uit een mond: Hebreeuws, פֶּֽה, één mond, of met één mond.
[^1koningen-22-13-26]: Kanttekening 26: het goede: Dat is, de overwinning over de Syriërs en de verovering van Ramoth in Gilead. Vergelijk boven, vers 8 , en de aantekeningen en onder, vers 18 . 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo! 1 Koningen 22:18 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaads profeteren?
[^1koningen-22-15-27]: Kanttekening 27: Trek op: De profeet zegt dit niet met ernst, maar bespottende het antwoord en de voorzegging van de valse profeten, welker woorden hij daarom ook gebruikt, gelijk die verhaald staan boven, vers 12 \[want de Heer had die hem geopenbaard\]. Waarom Achab uit zijn manier van spreken, wezen en gebaren merkende dat hij het niet meende wat hij zei, beveelt hem een ernsthaftig antwoord te geven, in vers 16 . Het is dan een bevel of raad, spottenderwijze gegeven. Vergelijk Richt. 10:14 ; Pred. 11:9 ; Ez. 20:39 ; Amos 4:4 , 4:5 ; Matt. 23:32 . 1 Koningen 22:12 : En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want YHWH zal hen in de hand van de koning geven. 1 Koningen 22:16 : En de koning zei tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in de Naam van YHWH? Richteren 10:14 : Gaat heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, ter tijd van uw benauwdheid. Prediker 11:9 : Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen van uw jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen van uw ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. Ezechiël 20:39 : En u, o huis van Israël, zo zegt de Heer YHWH: Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw drekgoden. Amos 4:4 : Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van het overtreden veel, en brengt uw offers 's morgens, uw tienden om de drie dagen! Amos 4:5 : En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want zo hebt u het graag, u kinderen van Israël! spreekt de Heer YHWH. Mattheüs 23:32 : U dan ook, vervult de mate van uw vaderen!
[^1koningen-22-16-28]: Kanttekening 28: in de Naam van YHWH: Dat is, door het bevel en de ingeving van de Heer. Zie 2 Kon. 2:24 . 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen twee en veertig kinderen.
[^1koningen-22-17-29]: Kanttekening 29: Ik zag het gehele Israël: Te weten, in een profetisch gezicht, dat aan mijn geest geschied is. Zie van deze gezichten Gen. 15:1 . In dit gezicht zijn hem drie dingen geopenbaard: I. Dat de Israëlieten geen victorie zouden bevechten, maar voor de Syriërs vluchten; II. Dat Achab zou omkomen en sterven; III. Dat het volk ditmaal niet in de strijd zou omkomen, maar naar huis terugkeren. Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^1koningen-22-17-30]: Kanttekening 30: Deze hebben geen heer: Anders, deze zullen geen heer hebben.
[^1koningen-22-18-31]: Kanttekening 31: Heb ik tot u niet gezegd: Zie boven, vers 9 . 1 Koningen 22:9 : Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla.
[^1koningen-22-19-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 18:18 ; Job 1:6 ; Job 2:1 . 2 Kronieken 18:18 : Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse legermacht, staande aan Zijn rechterhand en Zijn linkerhand. Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Job 2:1 : Opnieuw was er een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor YHWH te stellen.
[^1koningen-22-19-33]: Kanttekening 33: zag YHWH: Te weten, niet in zijn wezen, maar in de tekenen van zijn openbaring, welke de profeten zijn vertoond geweest, somtijds lichamelijk aan de ogen van het lichaam, somtijds alleen geestelijk aan het verstand. Zie Gen. 32:30 , en Num. 12:8 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?
[^1koningen-22-19-35]: Kanttekening 35: hemelse legermacht: Versta, de engelen, of hemelse geesten. Zie Gen. 2:1 , en boven, 1 Kon. 18:15 , en vergelijk Ps. 103:21 , en Ps. 148:2 ; Jes. 45:12 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht. 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Psalmen 103:21 : Looft YHWH, al Zijn legermachten! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet! Psalmen 148:2 : Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn legermachten! Jesaja 45:12 : Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun legermacht bevel gegeven.
[^1koningen-22-19-32]: Kanttekening 32: Namelijk de profeet Micha.
[^1koningen-22-19-34]: Kanttekening 34: God wordt ons aldus voorgesteld bij gelijkenis van een aards monarch, die met vele dienaren omsingeld zijnde, gezeten is om te richten. Het doel is om ons te onderwijzen van de heerlijkheid van zijn majesteit, van de wijsheid van zijn oordelen, en van de almogendheid van zijn werken.
[^1koningen-22-20-36]: Kanttekening 36: De een nu zei: Hebreeuws, כֹ֔ה, deze zei in, of, met zo, en deze zei in, of, met zo; dat is, de één zei op deze manier, en de andere zei op die manier.
[^1koningen-22-21-37]: Kanttekening 37: een geest uit: Deze is één van de boze geesten geweest, die God naar zijn oneindelijke wijsheid, zonder met hun doen besmet te worden, weet te gebruiken, niet alleen om zijn kinderen te beproeven, Job 1:12 , en Job 2:6 , en te verootmoedigen, 2 Kor. 12:7 , maar ook om de goddelozen te straffen en te verderven, gelijk te zien is vers 21 en 1 Sam. 16:14 ; 2 Thess. 2:9 , 2:10 , 2:11 . Job 1:12 : En YHWH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van YHWH. Job 2:6 : En YHWH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar verschoon zijn leven. 2 Korinthiërs 12:7 : En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel van de satan, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. 1 Koningen 22:21 : Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht van YHWH, en zei: Ik zal hem overreden. 1 Samuël 16:14 : En de Geest van YHWH week van Saul; en een boze geest van YHWH verschrikte hem. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; 2 Thessalonicensen 2:10 : En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^1koningen-22-22-38]: Kanttekening 38: leugengeest zijn: Hebreeuws, נְבִיאָ֑י, een geest van de valsheid, of van de leugen; zo in vers 23 , dat is, die onwaarheid en leugentaal uit zich voortbrengt en anderen wijsmaakt. Vergelijk Joh. 8:44 ; Openb. 12:9 . 1 Koningen 22:23 : Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en YHWH heeft kwaad over u gesproken. Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^1koningen-22-22-39]: Kanttekening 39: zijn profeten: Namelijk, van Achab, welverstaande dergenen, die hem in zijn afgoderij toegedaan zijn.
[^1koningen-22-22-40]: Kanttekening 40: U zult overreden: Dat is, uw leugen zal macht hebben om de valse profeten, en door deze Achab te bedriegen. Vergelijk 2 Thess. 2:11 . 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^1koningen-22-22-41]: Kanttekening 41: doe zo: God wordt gezegd het kwade de redelijke schepselen te bevelen, als Hij hen gebruikt om zijn heilig voornemen daardoor uit te voeren. Dat Hij doet, niet door hun enige zonde in te geven, of met het woord te belasten, maar door hun eigen boosheid niet alleen niet te beletten, maar ook buiten hun weten en wil naar zijn oneindelijke wijsheid te besturen tot een heilig einde, overeenkomende met zijn goedheid aan degenen, die behouden worden, en rechtvaardigheid tegen degenen, die verloren gaan. Vergelijk 2 Sam. 16:10 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^1koningen-22-23-42]: Kanttekening 42: kwaad over u: Versta, het kwaad van de straf. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^1koningen-22-24-43]: Kanttekening 43: Zie boven, vers 11 . 1 Koningen 22:11 : En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zei: Zo zegt YHWH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben.
[^1koningen-22-24-44]: Kanttekening 44: sloeg Micha: Tot een bewijs van grote vijandschap en verachting. Zie Job 16:10 ; Ps. 3:8 ; Jer. 20:2 ; Mark. 14:65 ; Hand. 23:2 ; 2 Kor. 12:7 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken. Jeremia 20:2 : Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Marcus 14:65 : En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren gaven Hem kinnebakslagen. Handelingen 23:2 : Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan. 2 Korinthiërs 12:7 : En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel van de satan, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.
[^1koningen-22-24-45]: Kanttekening 45: weg : Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 18:23 . 2 Kronieken 18:23 : Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zei: Door wat weg is de Geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken?
[^1koningen-22-25-46]: Kanttekening 46: Dat is, bevinden en gewaar worden dat de Geest van God niet door u, maar door mij gesproken heeft. Zien, voor bevinden, Gen. 26:28 ; Matt. 2:16 ; Rom. 7:23 . Genesis 26:28 : En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat YHWH met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: Mattheüs 2:16 : Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enige afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al zijn gebied waren, van twee jaren oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. Romeinen 7:23 : Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet van de zonde, die in mijn leden is.
[^1koningen-22-25-47]: Kanttekening 47: van : Zie boven, 1 Kon. 20:30 . 1 Koningen 20:30 : En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.
[^1koningen-22-25-48]: Kanttekening 48: Te weten, vrezende gevangen en gestraft te worden, omdat u door uw valse profetie de dood van de koning zult veroorzaakt hebben.
[^1koningen-22-26-49]: Kanttekening 49: Namelijk, tot een van zijn dienaren.
[^1koningen-22-27-51]: Kanttekening 51: van de bedruktheid: Dit is, dat men de bedrukten en gevangenen placht te geven; of dat met grote spaarzaamheid, niet tot vermaking, maar alleen tot nodige onderhouding van het lichaam gegeven, en in kommer, verdriet en benauwdheid van de geest genuttigd wordt. Hierom wordt ook brood en drank van de tranen, van de smarte en van de benauwdheid voor de staat zelven van de ellende en verdrukking genomen; Ps. 80:6 , en Ps. 127:2 ; Jes. 30:20 . Psalmen 80:6 : U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling. Psalmen 127:2 : Het is te vergeefs, dat u vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood van de smarten; het is zo, dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft. Jesaja 30:20 : De Heer zal u wel brood van de benauwdheid, en wateren van de verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;
[^1koningen-22-27-52]: Kanttekening 52: met water: Voeg daarbij, drenk hem.
[^1koningen-22-27-53]: Kanttekening 53: met vrede: Dat is, met overwinning van de vijanden, met verovering van de stad en met welstand mijns persoons.
[^1koningen-22-27-54]: Kanttekening 54: weer kom: Dit woord \[weer, red.\] is hier ingevoegd uit vers 28 , en uit 2 Kron. 18:26 . 1 Koningen 22:28 : En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft YHWH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoort, u volken altegaar! 2 Kronieken 18:26 : En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in het gevangenhuis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom.
[^1koningen-22-27-50]: Kanttekening 50: in het gevangenhuis: Hebreeuws, בֵּ֣ית, het huis van de bedwinging, of besluiting. Zo 2 Kon. 17:4 , en 2 Kon. 25:27 ; Jes. 42:7 ; Jer. 37:15 . 2 Koningen 17:4 : Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. 2 Koningen 25:27 : Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigsten van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Jeremia 37:15 : En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.
[^1koningen-22-28-55]: Kanttekening 55: enigszins … wederkomt: Hebreeuws, wederkomende wederkomt.
[^1koningen-22-28-56]: Kanttekening 56: Vergelijk Num. 16:29 . Numeri 16:29 : Als deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar de bezoeking van alle mensen, zo heeft mij YHWH niet gezonden.
[^1koningen-22-28-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, hoort u volken, zij allen. Zo Micha 1:2 , enz. Of, hoort volken al deze dingen. Hij neemt hen allen tot getuigen, zowel van zijn profetie, als van wat hij nu laatst de koning Achab geantwoord had. Micha 1:2 : Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook derzelver volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel van Zijn heiligheid.
[^1koningen-22-30-58]: Kanttekening 58: mij versteld heb: Dat is, mijn kleren veranderd, om niet te tonen wie ik ben, opdat ik niet bekend worde. Zie boven, 1 Kon. 20:38 , want hij vreesde de dood, die hem van Micha voorzegd was, hoewel hij wilde schijnen zijn woorden te verachten. 1 Koningen 20:38 : Toen ging de profeet heen, en stond voor de koning op de weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen.
[^1koningen-22-30-59]: Kanttekening 59: uw kleren: Zie boven, vers 10 . 1 Koningen 22:10 : De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid.
[^1koningen-22-31-61]: Kanttekening 61: Dat is, noch de slechtste, noch de voornaamste onder de krijgslieden. Zo worden door de woorden van grote en kleine in de Heilige Schriftuur verstaan allerlei soorten van mensen, oude en jonge, hoge en lage, rijke en arme, enz., Gen. 19:11 ; Esth. 1:5 ; Jer. 16:6 . Genesis 19:11 : En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden. Esther 1:5 : Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al het volk, dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van de hof van het koninklijk paleis. Jeremia 16:6 : Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^1koningen-22-31-60]: Kanttekening 60: hij twee en dertig had: Namelijk, de oversten.
[^1koningen-22-32-62]: Kanttekening 62: zij keerden: Te weten, zich zo van elkaar delende en uitspreidende dat zij de koning Josafat omsingelden. Zie 2 Kron. 18:31 . 2 Kronieken 18:31 : Het geschiedde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en YHWH hielp hem, en God wendde hen van hem af.
[^1koningen-22-32-63]: Kanttekening 63: riep uit: Te weten, tot de Heer, biddende om zijn tegenwoordige hulp, welke hij ook verkreeg. Zie 2 Kron. 18:31 . 2 Kronieken 18:31 : Het geschiedde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en YHWH hielp hem, en God wendde hen van hem af.
[^1koningen-22-33-64]: Kanttekening 64: van achter hem: Dat is, van hem te vervolgen.
[^1koningen-22-34-65]: Kanttekening 65: spande … de boog: Hebreeuws, trok met de boog.
[^1koningen-22-34-66]: Kanttekening 66: Dat is, zonder enig voornemen of gedachten te hebben van de koning Achab met zijn schot te treffen. Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen 2 Sam. 15:11 ; 2 Kron. 18:33 . 2 Samuël 15:11 : En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, maar gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak. 2 Kronieken 18:33 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot de voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.
[^1koningen-22-34-67]: Kanttekening 67: schoot de koning: Hebreeuws, מֶ֣לֶךְ, sloeg. Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^1koningen-22-34-68]: Kanttekening 68: hij tot zijn voerman: Namelijk, de koning Achab.
[^1koningen-22-34-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, ziek gemaakt, of, verzwakt.
[^1koningen-22-35-70]: Kanttekening 70: Namelijk, Israëls; 2 Kron. 18:34 . 2 Kronieken 18:34 : En de strijd nam op die dag toe, en de koning van Israël deed zich met de wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot de avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.
[^1koningen-22-35-71]: Kanttekening 71: met de wagen: Of, in de wagen; te weten om zijn leger, dat tot de vlucht scheen genegen te zijn, door zijn aanwezigheid bijeen te houden en de nederlaag daarvan zo te verhinderen. Vergelijk 2 Kron. 18:34 . 2 Kronieken 18:34 : En de strijd nam op die dag toe, en de koning van Israël deed zich met de wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot de avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.
[^1koningen-22-35-72]: Kanttekening 72: bak van de wagen: Hebreeuws, רָֽכֶב, in de schoot van de wagen.
[^1koningen-22-36-73]: Kanttekening 73: een uitroeping: Of, \[de stem\] ener uitroeping, of, \[de man\] eens uitroepens; dat is, een man die uitriep, welke de heraut pleegt genaamd te worden.
[^1koningen-22-37-74]: Kanttekening 74: werd naar Samaria: Hebreeuws, יִּקְבְּר֥וּ, kwam; te weten, dood op zijn wagen gebracht zijnde.
[^1koningen-22-38-75]: Kanttekening 75: waar de hoeren wiesen: Anders, als men de wapenen wies, of, en zij wiesen de wapenen.
[^1koningen-22-38-76]: Kanttekening 76: naar het woord: Zie boven, 1 Kon. 21:19 . 1 Koningen 21:19 : En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe!
[^1koningen-22-39-77]: Kanttekening 77: elpenbenen huis: Hebreeuws, בָּנָ֔ה, het huis van de tand; dat is, van de olifantentanden. Zie boven, 1 Kon. 10:18 . 1 Koningen 10:18 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog hem met dicht goud.
[^1koningen-22-39-78]: Kanttekening 78: in het boek: Zie boven, 1 Kon. 14:19 ; idem vergelijk de aantekeningen 1 Kon. 16:20 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 1 Koningen 16:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
[^1koningen-22-41-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 20:31 . 2 Kronieken 20:31 : Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Azuba, een dochter van Silhi.
[^1koningen-22-42-79]: Kanttekening 79: vijf en dertig: Hebreeuws, שְׁלֹשִׁ֨ים, een zoon van vijf en dertig jaar.
[^1koningen-22-42-80]: Kanttekening 80: vijf en twintig: Zijnde hierin begrepen de jaren, in welke zijn zoon Joram enige regering van het koninkrijk gehad heeft, beginnende in het zeventiende jaar van zijns vaders regering, als de vader in de oorlog tegen de Syriërs zich met Achab vervoegde. Want de koningen in gevaar trekkende, plachten de staat van het land, met de verklaring van hun opvolger of navolger te verzekeren. Vergelijk 2 Kon. 1:17 , en 2 Kon. 8:16 , en de aantekeningen. 2 Koningen 1:17 : Zo stierf hij, naar het woord van YHWH, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon. 2 Koningen 8:16 : In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren.
[^1koningen-22-43-81]: Kanttekening 81: Zie boven, 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^1koningen-22-44-82]: Kanttekening 82: de hoogten: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^1koningen-22-45-83]: Kanttekening 83: met de koning van Israël: Namelijk, met Achab en zijn zoon, boven, vers 4 , en 2 Kon. 3:7 , waarover hij van de profeet Jehu gestraft wordt, 2 Kron. 19:2 . 1 Koningen 22:4 : Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 2 Koningen 3:7 : En hij ging heen, en zond tot Josafat, de koning van Juda, zeggende: De koning van de Moabieten is van mij afgevallen, zult u met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij zei: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 2 Kronieken 19:2 : En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zoudt u de goddeloze helpen, en die YHWH haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht van YHWH grote toornigheid.
[^1koningen-22-46-84]: Kanttekening 84: in het boek: Zie boven, 1 Kon. 14:29 . 1 Koningen 14:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
[^1koningen-22-47-85]: Kanttekening 85: Vergelijk boven, 1 Kon. 15:12 , en de aantekeningen daarop. 1 Koningen 15:12 : Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
[^1koningen-22-48-86]: Kanttekening 86: Toen was: Dat zo geweest was van de tijden Davids af. Vergelijk 2 Sam. 8:14 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^1koningen-22-48-87]: Kanttekening 87: Of, bestelde. Versta, een die van de koning van Juda ingesteld was om in zijn naam te regeren.
[^1koningen-22-49-88]: Kanttekening 88: maakte schepen: Of, had tien schepen.
[^1koningen-22-49-89]: Kanttekening 89: Zie boven, 1 Kon. 10:22 . Anders, schepen \[om te gaan naar\] Tarsis. Zie 2 Kron. 20:36 , 20:37 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. 2 Kronieken 20:36 : En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-geber. 2 Kronieken 20:37 : Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat u u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft YHWH uw werken verscheurd. Zo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.
[^1koningen-22-49-90]: Kanttekening 90: Zie boven, 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^1koningen-22-49-91]: Kanttekening 91: Zie boven, 1 Kon. 9:26 . 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.
[^1koningen-22-50-92]: Kanttekening 92: wilde niet: Te weten, nadat hij van de profeet was bestraft en schade geleden had. Zie 2 Kron. 20:35 , 20:36 , 20:37 . 2 Kronieken 20:35 : Maar na deze vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, de koning van Israël; die handelde goddeloos in zijn doen. 2 Kronieken 20:36 : En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-geber. 2 Kronieken 20:37 : Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat u u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft YHWH uw werken verscheurd. Zo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.
[^1koningen-22-52-93]: Kanttekening 93: twee jaren: Maar niet ten volle. Want het eerste jaar had hij gemeen met zijn vader Achab, en het tweede met zijn broer Joram.
[^1koningen-22-53-94]: Kanttekening 94: Zie boven, 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^1koningen-22-54-95]: Kanttekening 95: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.

## 2 Koningen

### 2 Koningen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/1.json)

*Moab valt van Israël af, vers 1, enz. Ahazia tracht uit de afgod Baäl-Zebub te vernemen de afloop van zijn ziekte, 2. maar Elia voorzegt zijn dood, 3. dat wordt Ahazia aangezegd, 5. Deze zendt twee hoofdmannen, de een na de ander, elk met vijftig mannen, om Elia tot hem te brengen, die door vuur uit de hemel verslonden worden, 9. met de derde gaat Elia tot de koning, 13. en voorzegt hem zijn dood, 16. hij sterft, en Joram regeert in zijn plaats, 17.*

**1** En[^2koningen-1-1-1] Moab[^2koningen-1-1-2] viel van Israël af,[^2koningen-1-1-a] na Achabs dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v1)

**2** En Ahazia[^2koningen-1-2-3] viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Ga heen, vraagt[^2koningen-1-2-4] Baäl-zebub, de god van[^2koningen-1-2-5] Ekron, of ik van deze ziekte[^2koningen-1-2-6] genezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v2)

**3** Maar de Engel van YHWH sprak tot Elia, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat[^2koningen-1-3-7] er geen God in Israël is, dat u heengaat, om Baäl-zebub, de god van Ekron,[^2koningen-1-3-8] te vragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v3)

**4** Daarom nu zegt YHWH zo: U zult niet afkomen van dat bed, waarop u geklommen bent, maar u zult de dood sterven. En Elia ging weg.[^2koningen-1-4-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v4)

**5** Zo kwamen de boden weer tot[^2koningen-1-5-10] hem; en hij zei tot hen:[^2koningen-1-5-11] Wat is dit, dat u wederkomt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v5)

**6** En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Ga heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt YHWH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven.[^2koningen-1-6-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v6)

**7** En hij sprak tot hen: Hoe was[^2koningen-1-7-13] de gestalte van de man, die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v7)

**8** En zij zeiden tot hem: Hij was een[^2koningen-1-8-14] man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn middel. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v8)

**9** En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met[^2koningen-1-9-15] zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte van een berg), zo sprak hij tot hem: U, man van God! de koning zegt: Kom af.[^2koningen-1-9-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v9)

**10** Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen:[^2koningen-1-10-17] Als ik dan een man van God ben, zo[^2koningen-1-10-b] dale[^2koningen-1-10-18] vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v10)

**11** En[^2koningen-1-11-19] hij zond opnieuw tot hem een andere hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. Deze[^2koningen-1-11-20] antwoordde en sprak tot hem: U, man van God! zo zegt de koning: Kom haastig af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v11)

**12** En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man van God, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v12)

**13** En[^2koningen-1-13-21] opnieuw zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en[^2koningen-1-13-22] boog zich op zijn knieën, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: U, man van God, laat toch mijn[^2koningen-1-13-23] ziel en de ziel[^2koningen-1-13-24] van uw knechten, van deze vijftigen,[^2koningen-1-13-25] dierbaar zijn in uw ogen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v13)

**14** Zie, het vuur is van de hemel gedaald, en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v14)

**15** Toen[^2koningen-1-15-26] sprak de Engel van YHWH tot Elia: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v15)

**16** En hij sprak tot hem: Zo zegt YHWH: Daarom, dat u boden gezonden hebt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen[^2koningen-1-16-27] (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop u geklommen bent, zult u niet afkomen, maar u zult[^2koningen-1-16-28] de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v16)

**17** Zo stierf hij, naar het woord van YHWH, dat Elia gesproken had; en[^2koningen-1-17-29] Joram werd koning in zijn plaats, in het[^2koningen-1-17-30] tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v17)

**18** Het overige nu van de zaken van Ahazia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in[^2koningen-1-18-31] het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/1.html#v18)

[^2koningen-1-1-1]: Kanttekening 1: Die David onder het geweld van de Israëlieten door macht van wapenen gebracht had, 2 Sam. 8:2 . Zie van deze afval breder onder, 2 Kon. 3:4 , 3:5 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Koningen 3:4 : Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. 2 Koningen 3:5 : Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning van de Moabieten van de koning van Israël afviel.
[^2koningen-1-1-2]: Kanttekening 2: viel van Israël af: Anders, overtrad tegen Israël. Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 12:19 . 1 Koningen 12:19 : Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag.
[^2koningen-1-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 3:5 . 2 Koningen 3:5 : Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning van de Moabieten van de koning van Israël afviel.
[^2koningen-1-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, wandelende op het dak van zijn huis, waarin een tralievenster was om de opperkamer licht te geven.
[^2koningen-1-2-4]: Kanttekening 4: De naam van een afgod, betekenende een heer, of meester van de vliegen. Zo is hij genoemd geweest \[gelijk men meent\] omdat hij aangeroepen werd tot verdrijving van zekere schadelijke vliegen, waarmee de inwoners van Palestina geplaagd waren; of omdat in zijn tempel altijd veel vliegen waren, zittende op de offeranden van de beesten, die hem ter ere in grote menigte geslacht werden; of ook, omdat deze afgod de gedaante ener vlieg \[gelijk enige schrijven\] gehad heeft. Deze naam hebben de Joden de overste van de duivelen gegeven, Matt. 12:24 ; Mark. 3:22 , zo uit haat en verfoeiing van de afgod, als tot verkleining en versmading van de macht van de duivel. Mattheüs 12:24 : Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit.
[^2koningen-1-2-5]: Kanttekening 5: Zie van deze stad, Joz. 15:45 , en Joz. 19:43 ; Richt. 1:18 . Jozua 15:45 : Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen. Jozua 19:43 : En Elon, en Timnatha, en Ekron, Richteren 1:18 : Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
[^2koningen-1-2-6]: Kanttekening 6: genezen zal: Hebreeuws, חֳלִ֥י, leven zal; zo Num. 21:8 , 21:9 . Numeri 21:8 : En YHWH zei tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal gebeuren, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. Numeri 21:9 : En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.
[^2koningen-1-3-7]: Kanttekening 7: geen God: Te weten, die zo wijs zou mogen zijn dat Hij toekomende dingen zou weten; zo goed dat Hij die de zijnen zou willen openbaren; zo machtig dat Hij hen in hun nood zou kunnen helpen. Versta dit naar het dwaas gevoelen en ongelovig hart van de koning Ahazia. Zo in het volgende. Of, is het niet daarom, dat u dit gedaan hebt, omdat u dwaselijk meent dat er geen God, enz.
[^2koningen-1-3-8]: Kanttekening 8: te vragen: Te weten, of hij van zijn ziekte opstaan zou; gelijk in vers 2 . 2 Koningen 1:2 : En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte genezen zal.
[^2koningen-1-4-9]: Kanttekening 9: de dood sterven: Hebreeuws, תָּמ֑וּת, stervende sterven. Zo onder, vers 6 , 1:16 . 2 Koningen 1:6 : En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Gaat heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt YHWH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven. 2 Koningen 1:16 : En hij sprak tot hem: Zo zegt YHWH: Daarom, dat u boden gezonden hebt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop u geklommen bent, zult u niet afkomen, maar u zult de dood sterven.
[^2koningen-1-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk, de koning Ahazia.
[^2koningen-1-5-11]: Kanttekening 11: Wat is dit: Hij vraagt dit, omdat hij uit de haastigheid van hun wederkomst kon oordelen dat zij te Ekron bij de afgod niet geweest waren.
[^2koningen-1-6-12]: Kanttekening 12: Is het: Zie boven, vers 3 . 2 Koningen 1:3 : Maar de Engel van YHWH sprak tot Elia, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u heengaat, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen?
[^2koningen-1-7-13]: Kanttekening 13: de gestalte: Hebreeuws, אִ֔ישׁ, het oordeel. Welk woord hier van velen genomen wordt voor de hoedanigheid en gestalte van de kleren; van anderen, voor de vorm of gedaante van het lichaam. Uit het antwoord van de boden in vers 8 schijnt het dat de vraag te verstaan is van de gestalte en het fatsoen van de kleding. Hetzelfde woord is Ex. 26:30 gebruikt van de gestalte, vorm en fatsoen van de tabernakel; waarvoor het woord voorbeeld gesteld wordt, Ex. 25:40 . Dat Hand. 7:44 en Hebr. 8:5 , met het Griekse woord typus uitgedrukt wordt. 2 Koningen 1:8 : En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Exodus 26:30 : Dan zult u de tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op de berg getoond is. Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Handelingen 7:44 : De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had; Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^2koningen-1-8-14]: Kanttekening 14: een man met een harig kleed : Hebreeuws, אֵז֥וֹר, een man heer van het haar; dat is, een man, die veel van haar aanhad. Zie van zulk een manier van spreken Gen. 14:13 , en versta dit van het opperste kleed van de profeet van haar gemaakt. Dat men houdt geweest te zijn de mantel, waarvan gesproken is 1 Kon. 19:19 . Zie de aantekening, en vergelijk Zach. 13:4 ; Matt. 3:4 . Anderen duiden dit op de langheid van het haar en de baard van de profeet. Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren. 1 Koningen 19:19 : Zo ging hij van daar, en vond Elisa, de zoon van Safat; die ploegde met twaalf juk runderen voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem. Zacharia 13:4 : En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, iedereen vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen. Mattheüs 3:4 : En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
[^2koningen-1-9-15]: Kanttekening 15: zijn vijftigen: Die onder het gebied van de hoofdman stonden. Deze alleen waren niet gezonden om de profeet met eerbieding te geleiden, maar met vijandschap te dwingen en gevangen te nemen, als hij zou weigeren met hem te trekken.
[^2koningen-1-9-16]: Kanttekening 16: man van God: Zie Richt. 13:6 . Zo heeft hij Elia genaamd, niet uit eerbieding, maar uit trotse wijze, bereid zijnde om tegen hem geweld te gebruiken. Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^2koningen-1-10-17]: Kanttekening 17: Als ik: Het is zoveel alsof hij zei: Met een trotse tong noemt u mij een man van God; maar ik bid God dat Hij dadelijk bewijze met het teken, dat ik nu begeer, dat ik zodanig in waarheid ben.
[^2koningen-1-10-b]: Verwijzing b: Lukas 9:54 . Lukas 9:54 : Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heer, wilt U, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel nederdale, en deze verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft?
[^2koningen-1-10-18]: Kanttekening 18: Te weten, dat God extraordinairlijk door zijn wonderbare kracht uit de lucht gezonden heeft. Vergelijk Num. 11:1 , en zie de aantekening. Numeri 11:1 : En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van het leger.
[^2koningen-1-11-19]: Kanttekening 19: hij zond opnieuw: Namelijk, de koning. Hebreeuws, יִּשְׁלַ֥ח, hij keerde weer en zond; dat is, hij zond opnieuw. Zo vers 13 . Zie Num. 11:4 . 2 Koningen 1:13 : En opnieuw zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en boog zich op zijn knieën, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: U, man van God, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen, dierbaar zijn in uw ogen! Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^2koningen-1-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, hij ving aan uit te spreken dat hij vanwege de koning de profeet Elia had aan te zeggen. Zie 1 Kon. 13:6 . 1 Koningen 13:6 : Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uws Gods, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk te voren.
[^2koningen-1-13-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, hij keerde weer en zond. Zie boven, vers 11 . 2 Koningen 1:11 : En hij zond opnieuw tot hem een anderen hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. Deze antwoordde en sprak tot hem: U, man van God! zo zegt de koning: Kom haastig af.
[^2koningen-1-13-22]: Kanttekening 22: boog zich: Hebreeuws, בִּרְכָּ֣י, kromde zich op zijn knieën.
[^2koningen-1-13-23]: Kanttekening 23: ziel en de ziel: Dat is, leven, en zo in het volgende. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^2koningen-1-13-24]: Kanttekening 24: van uw knechten: Dat is, die u toegedaan zijn, om u te erkennen en eer te bewijzen als onze heer.
[^2koningen-1-13-25]: Kanttekening 25: dierbaar zijn: Dat is, verschoon ons leven, dat het ons niet ontnomen worde, gelijk de twee voorgaande vijftigen.
[^2koningen-1-15-26]: Kanttekening 26: Te weten, door inwendige aanspraak en ingeving, of door verschijning, die wel de profeet zichtbaar was maar niet de hoofdman. Zo werd de engel van de Heere wel gezien van de ezelin van Bileam, maar in het begin niet van Bileam zelf; Num. 22:25 , 22:31 . Numeri 22:25 : Toen de ezelin de Engel van YHWH zag, zo klemde zij zichzelf aan de wand, en klemde Bileams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan. Numeri 22:31 : Toen ontdekte YHWH de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van YHWH zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.
[^2koningen-1-16-27]: Kanttekening 27: is het: Zie boven, vers 3 . 2 Koningen 1:3 : Maar de Engel van YHWH sprak tot Elia, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u heengaat, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen?
[^2koningen-1-16-28]: Kanttekening 28: de dood sterven: Hebreeuws, תָּמֽוּת, stervende sterven.
[^2koningen-1-17-29]: Kanttekening 29: Te weten, zijn broer, de zoon van Achab; onder, 2 Kon. 3:1 . 2 Koningen 3:1 : Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.
[^2koningen-1-17-30]: Kanttekening 30: tweede jaar van Joram: Te weten, nadat hij als stadhouder zijns vaders begonnen had te regeren; dat was in het zeventiende jaar van het koninkrijk zijns vaders. Zie 1 Kon. 22:42 . 1 Koningen 22:42 : Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.
[^2koningen-1-18-31]: Kanttekening 31: het boek: Zie 1 Kon. 14:19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

### 2 Koningen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/2.json)

*Elia deelt de Jordaan, vers 1, enz. Hij vergunt Elisa zijn bede onder zekere voorwaarde, en vaart ten hemel in een vurige wagen, 9. Elisa deelt ook de Jordaan, 13. wordt erkend als een profeet door de kinderen van de profeten, 15. dezen zoeken Elia, maar tevergeefs, 16. Elisa maakt de wateren te Jericho gezond, 19. Hij vervloekt enige kinderen die hem spottend nariepen, en zij worden door twee beren verscheurd, 23.*

**1** Het gebeurde nu, als YHWH Elia met een onweer ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van[^2koningen-2-1-1] Gilgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v1)

**2** En Elia zei tot Elisa:[^2koningen-2-2-2] Blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar[^2koningen-2-2-3] Beth-el gezonden. Maar Elisa zei:[^2koningen-2-2-4] Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft,[^2koningen-2-2-5] ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v2)

**3** Toen gingen de[^2koningen-2-3-6] zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem:[^2koningen-2-3-7] Weet u, dat YHWH vandaag uw heer van[^2koningen-2-3-9] uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil.[^2koningen-2-3-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v3)

**4** En Elia zei tot hem: Elisa, blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar[^2koningen-2-4-10] Jericho gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo kwamen zij te Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v4)

**5** Toen traden de zonen van de profeten,[^2koningen-2-5-11] die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH vandaag uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v5)

**6** En Elia zei tot hem: Blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v6)

**7** En vijftig mannen van de zonen van de profeten gingen heen, en[^2koningen-2-7-12] stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v7)

**8** Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v8)

**9** Het gebeurde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zei tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, voordat ik van bij u weggenomen word. En Elisa zei: Dat toch[^2koningen-2-9-13] twee delen van uw geest op mij zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v9)

**10** En hij zei: U hebt een[^2koningen-2-10-14] harde zaak begeerd;[^2koningen-2-10-15] als u mij[^2koningen-2-10-16] zult zien, als ik van bij u weggenomen word, het zal u zo gebeuren; maar zo niet, het zal niet gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v10)

**11** En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige[^2koningen-2-11-17] wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v11)

**12** En Elisa zag het, en hij riep:[^2koningen-2-12-18][^2koningen-2-12-a] Mijn vader, mijn vader,[^2koningen-2-12-19] wagen van Israël en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren[^2koningen-2-12-20] en scheurde ze in twee[^2koningen-2-12-21] stukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v12)

**13** Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weer, en stond aan de oever van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v13)

**14** En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zei: Waar is YHWH, de God van Elia? Ja, Dezelfde? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld, en Elisa ging er door.[^2koningen-2-14-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v14)

**15** Als nu de kinderen van de profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en[^2koningen-2-15-23] bogen zich voor hem neer ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v15)

**16** En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij[^2koningen-2-16-24] uw knechten vijftig[^2koningen-2-16-25] dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest van YHWH hem opgenomen,[^2koningen-2-16-26] en op één van de bergen, of in één van de dalen hem geworpen heeft. Maar hij zei: Zend niet.[^2koningen-2-16-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v16)

**17** Maar zij hielden bij hem aan[^2koningen-2-17-28] tot schamens toe; en hij zei: Zend. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v17)

**18** Toen kwamen zij weer tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zei tot hen: Heb ik tot u niet gezegd: Ga niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v18)

**19** En de mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning van deze stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land[^2koningen-2-19-29] onvruchtbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v19)

**20** En hij zei:[^2koningen-2-20-30] Breng mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v20)

**21** Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zei: Zo zegt YHWH: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen[^2koningen-2-21-31] dood noch[^2koningen-2-21-32] onvruchtbaarheid meer van worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v21)

**22** Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v22)

**23** En hij ging van daar op naar Beth-el. Als hij nu de weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad;[^2koningen-2-23-33] die bespotten hem, en zeiden tot hem:[^2koningen-2-23-34] Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v23)

**24** En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en[^2koningen-2-24-35] vloekte[^2koningen-2-24-36] hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden daarvan twee en veertig kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v24)

**25** En hij ging van daar naar de berg[^2koningen-2-25-37] Karmel; en van daar keerde hij weer naar Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/2.html#v25)

[^2koningen-2-1-1]: Kanttekening 1: Zie van deze plaats Deut. 11:30 ; Joz. 4:19 , en Joz. 5:9 . Deuteronomium 11:30 : Zijn zij niet aan de andere zijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More? Jozua 4:19 : Het volk nu was de tienden van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. Jozua 5:9 : Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag.
[^2koningen-2-2-2]: Kanttekening 2: Blijf toch hier: Dit beveelt hij om Elisa te beproeven, of om de wijze van zijn opneming uit een heilige nederigheid te verbergen, zijnde hem niet geopenbaard dat Elisa daarbij moest wezen.
[^2koningen-2-2-3]: Kanttekening 3: Zie van deze stad, Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^2koningen-2-2-4]: Kanttekening 4: Zo waarachtig: Dat is, zo waar het is, dat de Heer leeft en dat u leeft, zo waar is het ook, dat ik van u niet zal scheiden. Dit is hier eigenlijk geen eed, ten aanzien van het tweede lid, maar een verzekering van wat men zegt door vergelijking daarvan met iets anders, dat buiten twijfel is. Zo in het volgende, en 1 Sam. 1:26 , en 1 Sam. 25:26 , en onder, 2 Kon. 4:30 , enz. 1 Samuël 1:26 : En zij zei: Och, mijn heer! zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om YHWH te bidden. 1 Samuël 25:26 : En nu, mijn heer! zo waarachtig als YHWH leeft, en uw ziel leeft, het is YHWH, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken! 2 Koningen 4:30 : Maar de moeder van de jongen zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.
[^2koningen-2-2-5]: Kanttekening 5: ik zal u niet verlaten: Hebreeuws, אֶעֶזְבֶ֑, zo ik u verlaten zal! zo 2 Kon. 1:4 , 1:6 . 2 Koningen 1:4 : Daarom nu zegt YHWH zo: U zult niet afkomen van dat bed, waarop u geklommen bent, maar u zult de dood sterven. En Elia ging weg. 2 Koningen 1:6 : En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Gaat heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt YHWH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven.
[^2koningen-2-3-6]: Kanttekening 6: Zie 1 Kon. 20:35 . 1 Koningen 20:35 : Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
[^2koningen-2-3-7]: Kanttekening 7: Weet u: Zij en Elisa hebben dit geweten zonder twijfel door Gods openbaring en de geest van de profetie.
[^2koningen-2-3-9]: Kanttekening 9: uw hoofd: Hebreeuws, אֲדֹנֶ֖י, van op, of, over uw hoofd; dat is, van u. Zo 2 Kon. 1:5 . Zij spreken aldus, ziende op de wijze van het zitten in de hogescholen, waar de meester, of leraar, in een verheven plaats zittende, de hoofden van zijn discipelen aan zijn voeten heeft gehad, zodat hij van hen scheidende, als wegging van hun hoofden. Vergelijk Deut. 33:3 ; onder, 2 Kon. 4:38 ; Hand. 22:3 . 2 Koningen 1:5 : Zo kwamen de boden weer tot hem; en hij zei tot hen: Wat is dit, dat u wederkomt? Deuteronomium 33:3 : Immers bemint Hij de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden. 2 Koningen 4:38 : Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en kook moes voor de zonen van de profeten. Handelingen 22:3 : Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent;
[^2koningen-2-3-8]: Kanttekening 8: uw heer: Namelijk, Elia, wiens discipel en dienaar Elisa was.
[^2koningen-2-4-10]: Kanttekening 10: Een stad, gelegen in de stam van Benjamin, niet ver van de Jordaan. Zij werd toegenaamd de Palmstad; Deut. 34:3 , zie de aantekening. Deuteronomium 34:3 : En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.
[^2koningen-2-5-11]: Kanttekening 11: die te Jericho: Hieruit blijkt dat de profeten in veel steden hun scholen gehad hebben, in welke jonge profeten en leraars tot bekering van het afvallige Israël opgekweekt werden.
[^2koningen-2-7-12]: Kanttekening 12: Te weten, om waar te nemen wat de profeet Elia wedervaren zou.
[^2koningen-2-9-13]: Kanttekening 13: twee delen: Hebreeuws, פִּֽי, de mond van twee, in, of van uw geest op, of tot mij; dat is, het deel van twee; dat is twee delen. Het woord mond is voor het deel van enige zaak genomen, Deut. 21:17 ; Zach. 13:8 . De zin is, alsof hij zei: Omdat u, o mijn vader, veel kinderen, dat is jonge profeten, nalaat, die allen een deel van uw gaven zullen behoeven, zo is mijn bede dat ik twee delen heb; dat is, dat mijn deel nog eens zo groot zij als het hunne, zijnde gelijk uw eerstgeboren en voornaamste discipel, die in uw plaats opvolgen moet. Anderen nemen de dubbele portie ten aanzien en in vergelijking van Elia, zodat Elisa zou begeerd hebben nog eens zoveel van de profetische gaven als Elia daarvan had. Ook kan men de begeerte van Elisa eenvoudig aldus verstaan, dat hij begeerd heeft de tweeërlei profetische gaven, in welke Elia onder andere profeten zeer heeft uitgestoken, welke waren: I. het voorzeggen van toekomende dingen; II. het doen van grote wonderwerken. Of hij verstaat het deel van de profetie, dat Elia had gehad, dat tweevoudig, dat is zeer groot was geweest, ten aanzien van veel andere profeten. Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. Zacharia 13:8 : En het zal gebeuren in het gehele land, spreekt YHWH, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en de geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.
[^2koningen-2-10-14]: Kanttekening 14: harde zaak: Hebreeuws, תִּרְאֶ֨ה, u hebt het hard gemaakt met bidden. Hard wordt hier genoemd dat de mensen niet geven kunnen, maar God alleen geeft, en dat zeer zelden.
[^2koningen-2-10-15]: Kanttekening 15: Dit wordt hem als een teken voorgesteld van wat God, rakende zijne begeerte, doen zou, opdat hij hier intussen, naar de vervulling van het teken met vurige gebeden verlangen zou, en dat ontvangen hebbende, van nieuws in het beroep van zijn profetisch ambt gesterkt mocht worden.
[^2koningen-2-10-16]: Kanttekening 16: zult zien: Hebreeuws, לֻקָּ֤ח, zult zien van bij u weggenomen worden.
[^2koningen-2-11-17]: Kanttekening 17: Geregeerd en bestuurd van de heilige engelen. Vergelijk onder, 2 Kon. 6:17 . 2 Koningen 6:17 : En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa.
[^2koningen-2-12-18]: Kanttekening 18: Mijn vader: Zo noemt hij zijn meester uit liefde en eerbied, gelijk ter andere zijde de discipelen zonen van hun meesters genoemd worden. Zie 1 Kon. 20:35 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 20:35 : Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
[^2koningen-2-12-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 13:14 . 2 Koningen 13:14 : Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren!
[^2koningen-2-12-19]: Kanttekening 19: wagen Israëls: Dat is, de macht en de sterkte Israëls, welke ten oorlog meest in wagens en ruiters was gelegen. De zin is, dat Elia's leer, gebeden en werken meerdere kracht tot bescherming van het land was dan in het geweld van de oorlog. Vergelijk onder, 2 Kon. 13:14 . 2 Koningen 13:14 : Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren!
[^2koningen-2-12-20]: Kanttekening 20: en scheurde ze: Tot een teken van treurigheid, die hij maakte over de wegneming van zijn meester. Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2koningen-2-12-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, scheuringen.
[^2koningen-2-14-22]: Kanttekening 22: Te weten, die in een gelijke daad door Elia zijn kracht in het verdelen van de wateren recht tevoren bewezen had. Zie boven, vers 8 . 2 Koningen 2:8 : Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.
[^2koningen-2-15-23]: Kanttekening 23: Hem burgerlijke eer bewijzende, als een profeet, gekomen in Elia's plaats en rijk met zijn profetische gaven voorzien. Zie Gen. 18:2 . Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^2koningen-2-16-24]: Kanttekening 24: uw knechten: Dat is, bij ons, die bereid zijn u te dienen.
[^2koningen-2-16-25]: Kanttekening 25: Of, sterke. Hebreeuws, mannen, zonen van de dapperheid, sterkte, of kloekheid. Versta zulken, die bekwaam waren om deze reis en dit werk aan te nemen.
[^2koningen-2-16-26]: Kanttekening 26: Zij meenden dat hij hun niet voor altijd, maar alleen voor zekere dagen ontnomen was. Vergelijk de aantekening op 1 Kon. 18:12 . 1 Koningen 18:12 : En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest van YHWH u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees YHWH van mijn jonkheid af.
[^2koningen-2-16-27]: Kanttekening 27: Zendt niet: Want hij wist voorzeker dat hij naar lijf en ziel tot God in de hemel opgenomen was.
[^2koningen-2-17-28]: Kanttekening 28: tot schamens toe: Dit kan bekwamelijk verstaan worden van Elisa, omdat hij zolang moest gebeden worden, hoewel men het ook zou kunnen verstaan van de zonen van de profeten, omdat zij zolang en veel moesten bidden.
[^2koningen-2-19-29]: Kanttekening 29: Dat is, het land laat de vruchten van de aarde niet tot haar vollen wasdom en rijpheid komen; ja ook is het leven van de mensen en van de beesten, en ook huns lijfs dracht en vrucht, schadelijk, waardoor het land van inwoners beroofd wordt. Waarop het Hebreeuwse woord ziet, betekenende beroven van kinderen, mensen, of wat de mens lief is.
[^2koningen-2-20-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, neemt mij; dat is, neemt en brengt mij. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^2koningen-2-21-31]: Kanttekening 31: Aan mensen en beesten.
[^2koningen-2-21-32]: Kanttekening 32: Te weten, niet alleen aan mensen en beesten, maar ook aan het land en het gewas van de aarde. Zie boven, vers 19 . 2 Koningen 2:19 : En de mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning van deze stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.
[^2koningen-2-23-33]: Kanttekening 33: die bespotten hem: Uit verachting niet alleen zijns persoons, omdat hij kaal was, maar ook zijns ambts, omdat hij een profeet van de Heere was en dienvolgens een gedurig bestraffer van de afgoderij, die deze jongens van de jeugd af ingedronken hadden, en die daar binnen Behtel zo afgrijslijk gepleegd werd, dat de profeten deze stad Bethaven, dat is een huis van de ijdelheid en goddeloosheid genoemd hebben, Hos. 4:15 ; Amos 5:5 . Hosea 4:15 : Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Amos 5:5 : Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.
[^2koningen-2-23-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, kaal; dat is, die kaal is.
[^2koningen-2-24-35]: Kanttekening 35: vloekte hen: Niet uit haat van hun personen, maar van de afgoderij, die zij zozeer beminden, dat zij de ware God en zijn trouwe dienaren, van de tijd dat zij enig verstand gehad hadden, geleerd en gewend waren vijandelijk te haten.
[^2koningen-2-24-36]: Kanttekening 36: in de Naam van YHWH: Dat is, door bevel en ingeving van de Heere; of met aanroeping zijns naams. In de naam van de Heere iets doen, is dat te doen: I. door bevel, last en drijving Gods, Deut. 18:19 ; 2 Kron. 33:18 ; Joh. 5:43 ; II. met het vertrouwen op Gods hulp en de aanroeping zijns naams, Ps. 44:6 , en Ps. 63:5 ; III. om Godswil, of ter oorzaak van hem, Matt. 18:5 ; ter ere Gods, Kol. 3:17. Deuteronomium 18:19 : En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken. 2 Kronieken 33:18 : Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de Naam van YHWH, de God van Israël, ziet, die zijn in de geschiedenissen van de koningen van Israël; Johannes 5:43 : Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen. Psalmen 44:6 : Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. Psalmen 63:5 : Zo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. Mattheüs 18:5 : En zo wie zodanig een kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
[^2koningen-2-25-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Kon. 18:19 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.

### 2 Koningen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/3.json)

*Joram regeert en volgt de zonde van Jerobeam, vers 1, enz. trekt ten strijde tegen de Moabieten, met Josafat en met de koning van Edom, 4. als zij gebrek aan water krijgen, wordt God om raad gevraagd door de profeet Elisa, 10. God belooft water en overwinning over de vijanden, 16. en volbrengt Zijn belofte, 20.*

**1** Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het[^2koningen-3-1-1] achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v1)

**2** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, maar niet zoals zijn vader en zoals zijn moeder;[^2koningen-3-2-a] want hij deed[^2koningen-3-2-2] dat opgerichte beeld van Baäl weg, dat zijn vader gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v2)

**3** Evenwel hing hij[^2koningen-3-3-3] de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v3)

**4** Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een[^2koningen-3-4-4] veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v4)

**5** Maar het gebeurde, als Achab gestorven was,[^2koningen-3-5-b] dat de koning van de Moabieten[^2koningen-3-5-5] van de koning van Israël afviel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v5)

**6** Zo trok de koning Joram in die tijd uit Samaria, en monsterde geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v6)

**7** En hij ging heen, en zond tot Josafat, de koning van Juda, zeggende: De koning van de Moabieten is van[^2koningen-3-7-6] mij afgevallen, zult u met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij zei: Ik zal opkomen;[^2koningen-3-7-c] zo[^2koningen-3-7-7] zal ik zijn, zoals u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v7)

**8** En[^2koningen-3-8-8] hij zei: Door welke weg zullen wij optrekken? Hij dan zei: Door de weg van de woestijn van Edom.[^2koningen-3-8-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v8)

**9** Zo trok de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de[^2koningen-3-9-10] koning van Edom; en als zij zeven dagreizen rondgetrokken waren, zo had het leger en het vee,[^2koningen-3-9-11] dat hen navolgde, geen water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v9)

**10** Toen zei de koning van Israël: Ach, dat YHWH deze drie koningen geroepen heeft, om die in de hand van de Moabieten te geven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v10)

**11** En Josafat zei:[^2koningen-3-11-d] Is hier geen profeet van YHWH, dat wij door hem YHWH mochten vragen? Toen antwoordde één van de knechten van de koning van Israël, en zei: Hier is Elisa, de zoon van[^2koningen-3-11-12] Safat, die water op Elia's handen goot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v11)

**12** En Josafat zei: Het woord van YHWH is bij hem. Zo trokken[^2koningen-3-12-14] tot hem af de koning van Israël, en Josafat, en de koning van Edom.[^2koningen-3-12-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v12)

**13** Maar Elisa zei tot de koning van[^2koningen-3-13-15] Israël: Wat heb ik met u te doen?[^2koningen-3-13-e] Ga heen tot de[^2koningen-3-13-16] profeten van uw vader, en tot de profeten van uw moeder. Maar de koning van Israël zei tot hem:[^2koningen-3-13-17] Nee, want YHWH heeft deze drie koningen geroepen, om die in de hand van de Moabieten te geven.[^2koningen-3-13-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v13)

**14** En Elisa zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft,[^2koningen-3-14-19] voor[^2koningen-3-14-f] Wiens aangezicht ik sta,[^2koningen-3-14-20] zo ik niet het aangezicht van Josafat, de[^2koningen-3-14-21] koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v14)

**15** Nu dan,[^2koningen-3-15-22] brengt mij een[^2koningen-3-15-23] speelman. En het gebeurde, als de speelman op de snaren speelde, dat[^2koningen-3-15-24] de hand van YHWH op hem[^2koningen-3-15-25] kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v15)

**16** En hij zei: Zo zegt YHWH: Maak in dit dal vele[^2koningen-3-16-26] grachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v16)

**17** Want zo zegt YHWH: U zult geen wind zien, en u zult geen regen zien; toch zal dit dal met water vervuld worden, zodat u zult drinken, u en[^2koningen-3-17-27] uw vee, en uw beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v17)

**18** Daartoe is dat[^2koningen-3-18-28] slecht in de ogen van YHWH, Hij zal ook de Moabieten in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v18)

**19** [^2koningen-3-19-29] En u zult alle versterkte steden, en alle uitgelezen steden slaan, en zult alle[^2koningen-3-19-30] goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken lands zult u[^2koningen-3-19-31] met stenen[^2koningen-3-19-32] verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v19)

**20** En het gebeurde 's morgens,[^2koningen-3-20-33] als men het voedseloffer offert, dat er, ziet, water door de weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v20)

**21** Toen nu al de Moabieten hoorden, dat koningen opgetrokken waren, om tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af, die[^2koningen-3-21-34] de gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan[^2koningen-3-21-35] de grens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v21)

**22** En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover[^2koningen-3-22-36] rood, zoals bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v22)

**23** En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen[^2koningen-3-23-37] hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven, en hebben de één de ander verslagen; nu dan aan de buit, u Moabieten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v23)

**24** Maar als zij aan het leger van Israël kwamen, maakten zich de Israëlieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vluchtten van hun aangezicht; ja,[^2koningen-3-24-38] zij kwamen[^2koningen-3-24-39] in het land, slaande ook de Moabieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v24)

**25** De steden nu braken zij af, en ieder wierp zijn steen op alle goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede bomen, totdat zij in[^2koningen-3-25-40] Kir-hareseth[^2koningen-3-25-41] alleen de stenen daarvan lieten overblijven; en de[^2koningen-3-25-42] slingeraars omsingelden en sloegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v25)

**26** Maar als de koning van de Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het[^2koningen-3-26-43] zwaard uittrokken, om door te breken[^2koningen-3-26-44] tegen de koning van Edom; maar zij konden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v26)

**27** Toen nam[^2koningen-3-27-45] hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem als brandoffer op de muur.[^2koningen-3-27-46] Daaruit werd een zeer grote toorn in Israël; daarom trokken zij van hem af, en keerden weer in hun land.[^2koningen-3-27-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/3.html#v27)

[^2koningen-3-1-1]: Kanttekening 1: Dat het tweede jaar was van Ahazia's regering. Vergelijk hiermede boven, 2 Kon. 1:17 , en de aantekening. 2 Koningen 1:17 : Zo stierf hij, naar het woord van YHWH, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon.
[^2koningen-3-2-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 16:32 . 1 Koningen 16:32 : En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had.
[^2koningen-3-2-2]: Kanttekening 2: dat opgerichte: Versta, het opgerichte beeld van de afgod van de Sidoniërs, door Achab te Samaria opgericht. Zie 1 Kon. 16:32 . 1 Koningen 16:32 : En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had.
[^2koningen-3-3-3]: Kanttekening 3: de zonden: Want hij diende de gouden kalven, die Jerobeam had laten maken; 1 Kon. 12:28 , 12:29 , enz. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29 : En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
[^2koningen-3-4-4]: Kanttekening 4: Dat is, hij had grote handel en rijkdom in vee en beesten, waarvan hij schatting moest geven, van die tijd af dat David hem onder zijn geweld gebracht had, 2 Sam. 8:12 ; nu, na de scheiding van de tien stammen van het huis Juda, hebben de koningen van Israël dit gebied over de Moabieten aan zich getrokken, gelijk de koningen van Juda ter andere zijde het gebied over de Edomieten behouden hebben, die onder Joram, de zoon van Josafat, zijn afvallig geworden, onder, 2 Kon. 8:20 , gelijk de Moabieten van Israël onder Joram, de zoon van Achab, in vers 5 en boven, 2 Kon. 1:1 . 2 Samuël 8:12 : Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 2 Koningen 8:20 : In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich. 2 Koningen 3:5 : Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning van de Moabieten van de koning van Israël afviel. 2 Koningen 1:1 : En Moab viel van Israël af, na Achabs dood.
[^2koningen-3-5-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 1:1 . 2 Koningen 1:1 : En Moab viel van Israël af, na Achabs dood.
[^2koningen-3-5-5]: Kanttekening 5: van de koning: Hebreeuws, מֶֽלֶךְ, tegen de koning van Israël overtrad; zo in het volgende. Deze afval was geschied onder de regering van zijn broer Ahazia, na de dood zijns vaders Achab; boven, 2 Kon. 1:1 . 2 Koningen 1:1 : En Moab viel van Israël af, na Achabs dood.
[^2koningen-3-7-6]: Kanttekening 6: mij afgevallen: Die ik ben de wettelijk opvolger in het koninkrijk van mijn vader, en daarom zulk een afval mij moest aantrekken, hoewel hij hier tevoren geschied is. Zie boven, 2 Kon. 1:1 . 2 Koningen 1:1 : En Moab viel van Israël af, na Achabs dood.
[^2koningen-3-7-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 22:4 . 1 Koningen 22:4 : Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.
[^2koningen-3-7-7]: Kanttekening 7: zal ik zijn: Vergelijk 1 Kon. 22 ;4, en zie de aantekening.
[^2koningen-3-8-8]: Kanttekening 8: hij zei: Namelijk, Josafat, die dit vroeg, omdat hij de koning van Edom wilde meenemen. Men kan het ook verstaan van Joram, als zich willende beraden met Josafat.
[^2koningen-3-8-9]: Kanttekening 9: Door de weg: Te weten, om de Moabieten van achteren te bespringen.
[^2koningen-3-9-10]: Kanttekening 10: koning van Edom: Die in deze tijd nog de stadhouder was van de koning van Juda, 1 Kon. 22:48 . Vergelijk hiermede de aantekening boven, vers 4 . Hij wordt hier een koning genoemd, omdat hij de plaats van een koning bewaarde; gelijk dit woord elders ook voor een gouverneur of regeerder genomen wordt. Zie Richt. 17:6 . 1 Koningen 22:48 : Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning. 2 Koningen 3:4 : Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. Richteren 17:6 : In diezelve dagen was er geen koning in Israël; iedereen deed, wat recht was in zijn ogen.
[^2koningen-3-9-11]: Kanttekening 11: dat hen navolgde: Hebreeuws, רַגְלֵי, dat in, of aan hun voeten was. Zie Richt. 4:10 . Richteren 4:10 : Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.
[^2koningen-3-11-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 22:7 . 1 Koningen 22:7 : Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van YHWH, dat wij het van hem vragen mochten?
[^2koningen-3-11-12]: Kanttekening 12: die water: Dat is, die Elia diende. Want dit is één van de diensten, die de knechten of dienaren hun heren plegen te doen.
[^2koningen-3-12-14]: Kanttekening 14: tot hem: Namelijk, tot Elisa, denwelken men meent door Gods drijving het leger gevolgd en niet ver vandaar buiten het leger geweest te zijn.
[^2koningen-3-12-13]: Kanttekening 13: Het woord van YHWH: Hij wil zeggen dat hij een trouw profeet van de ware God was, en vervolgens vanwege de Heer hun goeden raad zou kunnen geven.
[^2koningen-3-13-15]: Kanttekening 15: Wat heb ik: Hebreeuws, מַה, wat mij en u is? zo 2 Sam. 16:10 ; Mark. 1:24 ; Luk. 4:34 ; Joh. 2:4 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? Marcus 1:24 : Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener, bent U gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige Gods. Lukas 4:34 : Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener? Bent U gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige Gods. Johannes 2:4 : Jezus zei tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.
[^2koningen-3-13-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 18:19 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^2koningen-3-13-16]: Kanttekening 16: profeten uws vaders: Versta, tot de overige profeten Baäls, van het afgodische woud, en de kalveren Jerobeams. Van zodanigen zie 1 Kon. 18:19 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^2koningen-3-13-17]: Kanttekening 17: Dat is, roer die dingen niet aan, of rep daar niet van.
[^2koningen-3-13-18]: Kanttekening 18: want YHWH: Hij wil zeggen dat de reden, om welke zij zijn raad verzochten, zeer gewichtig was, zijnde door de tegenwoordige nood niet alleen zijn leven, maar ook van de twee andere koningen in het uiterste gevaar gebracht.
[^2koningen-3-14-19]: Kanttekening 19: voor Wiens: Dat is, die ik dien. Zie Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^2koningen-3-14-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 17:1 . 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
[^2koningen-3-14-20]: Kanttekening 20: zo ik niet: Dat is, zo ik zijn persoon om zijn godzaligheid en vromigheid wil, met toegenegenheid en eerbieding niet aanzag, enz. Zie Gen. 32:20 . Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.
[^2koningen-3-14-21]: Kanttekening 21: ik zou u niet: Hebreeuws, אַבִּ֥יט, zo ik u zou aanschouwen, of, zo ik u zou aanzien!
[^2koningen-3-15-22]: Kanttekening 22: brengt mij: Hebreeuws, קְחוּ, neemt mij; zo boven, 2 Kon. 2:20 . 2 Koningen 2:20 : En hij zei: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.
[^2koningen-3-15-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een, die op muzikale instrumenten speelt, als harp, cither, luit, enz. Zodanig spel schijnt de profeet begeerd te hebben, om zijn hart eensdeels te stillen over de ongezindheid, die hij tegen de koning Joram had, anderdeels door lofzangen en gebeden, die men speelde, tot God op te heffen, en zo zich te bereiden om wat hem God openbaren zou in een welbereid hart te ontvangen. Vergelijk 1 Sam. 10:5 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar de bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.
[^2koningen-3-15-24]: Kanttekening 24: de hand van YHWH: Versta door deze de kracht van profeteren, om deze koningen raad te geven en te voorzeggen wat er gebeuren zou. Zulke krachten hadden de profeten niet ten allen tijde, maar als het de Heer beliefde die hun te verlenen. Zie onder, 2 Kon. 4:27 ; Ez. 1:3 . Hoewel zij met vasten, zingen, bidden en lezen van de Heilige Schrift zich bereiden moesten, om die te ontvangen; Dan. 2:17 , 2:18 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. Ezechiël 1:3 : Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem. Daniël 2:17 : Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen; Daniël 2:18 : Opdat zij van de God van de hemel barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.
[^2koningen-3-15-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, was, of, werd.
[^2koningen-3-16-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, grachten, grachten; dat is, vele grachten, hier en daar. Zie van deze verdubbeling eens woords Gen. 14:10 . Genesis 14:10 : Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^2koningen-3-17-27]: Kanttekening 27: uw vee: Zie Gen. 36:6 . Genesis 36:6 : Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob.
[^2koningen-3-18-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, licht; dat is, boven de weldaad die u begeerd hebt, te weten overvloed van water, zal u de Heer nog geven dat u niet begeerd hebt; victorie over uw vijanden.
[^2koningen-3-19-29]: Kanttekening 29: En u: Dat is niet alleen een bevel van wat zij doen moesten, maar ook een belofte van wat zij daarmede uitrichten zouden tot hun profijt en afbreuk van de vijanden.
[^2koningen-3-19-30]: Kanttekening 30: goede bomen: Dat is, een speciaal bevel, uitgenomen van de gemene regel, Deut. 20:19 , of, deze regel is te verstaan alleen van de langdurige belegering van enige stad en niet van de haastige verwoesting van een land. Deuteronomium 20:19 : Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is het voedsel van de mens), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.
[^2koningen-3-19-31]: Kanttekening 31: met stenen: Dat is, door stenen daarop te werpen onvruchtbaar en onbruikbaar maken, zodat het door deze verwoesting daarmede zal zijn als met een mens, die van allen beschadigd en verlaten zijnde, treurt en kwijnt.
[^2koningen-3-19-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, doen treuren, of weedoen.
[^2koningen-3-20-33]: Kanttekening 33: als men: Zie 1 Kon. 18:29 . 1 Koningen 18:29 : Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.
[^2koningen-3-21-34]: Kanttekening 34: de gordel: Te weten, een krijgsgordel met het geweer, en dat voor hun eerste reis. Dat is, die nu eerst bekwaam bevonden werden om de wapenen te gebruiken en in de krijg te trekken.
[^2koningen-3-21-35]: Kanttekening 35: de landpale: Versta, van hun land, te weten om hun vijanden daaruit te houden.
[^2koningen-3-22-36]: Kanttekening 36: Deze roodheid was veroorzaakt door de stralen van de zon, die nu eerst begon zich aan de aardbodem te vertonen.
[^2koningen-3-23-37]: Kanttekening 37: hebben voorzeker: Hebreeuws, נֶֽחֶרְבוּ֙, verdervende zich verdorven; dat is, zekerlijk of ganselijk verdorven, verdaan, of vernield. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verwoesten, waarvan het woord zwaard bij de Hebreën zijn benaming heeft, omdat het verwoesting maakt. De zin dan is dat zij zich door onderlinge moorderij verdaan en zo het leger verwoest hebben.
[^2koningen-3-24-38]: Kanttekening 38: zij kwamen: Namelijk, de Israëlieten, die hun victorie vervolgende, de Moabieten tot in hun land verjaagd en daar ook verslagen en gedempt hebben.
[^2koningen-3-24-39]: Kanttekening 39: in het land : Hebreeuws, הַכּ֖וֹת, in hun. Versta, het land van de Moabieten, waaruit deze meenden de Israëlieten uit te keren, boven, vers 21 . Anders worden deze woorden aldus vertaald: En zij sloegen hen in hun \[land\], slaande ook \[het land\] van de Moabieten. De zin is enerlei. 2 Koningen 3:21 : Toen nu al de Moabieten hoorden, dat koningen opgetogen waren, om tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af, die de gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale.
[^2koningen-3-25-40]: Kanttekening 40: Één van de voornaamste en sterkste steden van de Moabieten, hebbende een stenen muur, waarvan zij schijnt haar naam gekregen te hebben. Zie daarvan ook Jes. 16:7 . Jesaja 16:7 : Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.
[^2koningen-3-25-41]: Kanttekening 41: de stenen: Versta, de stenen muur van de genoemde stad, denwelken de Israëlieten onverbroken gelaten hebbende, nadat zij alle andere steden afgebroken en het platteland afgelopen en verwoest hadden.
[^2koningen-3-25-42]: Kanttekening 42: Dat is, met hun slingers en ander krijgsgereedschap bedreven zij zoveel geweld, dat de burgers hun stadsmuren niet beschermen konden en vele van hen verslagen werden.
[^2koningen-3-26-43]: Kanttekening 43: Zie de betekenis van deze manier van spreken, Richt. 8:10 . Richteren 8:10 : Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het gehele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
[^2koningen-3-26-44]: Kanttekening 44: Of, tot, of door het leger van de koning.
[^2koningen-3-27-45]: Kanttekening 45: Namelijk, de koning van de Moabieten, die om de hulp zijns afgods Chamos in deze nood te verkrijgen, zijn eerstgeboren zoon op de stadsmuur, in het aanzien van de belegeraars ten brandoffer heeft geofferd. Want door zodanige offerande meenden de afgodendienaars hun afgoden de allermeeste dienst en eer te bewijzen, zich zinloos wijsmakende dat zij hierin Abrahams navolgers waren. Anderen menen dat hij geofferd heeft niet zijn zoon, maar de zoon van de koning van Edom, die hij \[gelijk zij zeggen\] zou gevangen hebben in de uitval, als hij met zevenhonderd mannen poogde door het leger van de koning van Edom door te breken; in vers 26 . Tot bewijs van dit gevoelen wordt voorgebracht Amos 2:1 . Zie exempelen dergenen, die hun kinderen aan de afgoden geofferd hebben, Ps. 106:37 ; Ez. 20:31 , dat God op lijfstraf verboden had, Lev. 20:2 . 2 Koningen 3:26 : Maar als de koning van de Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittrokken, om door te breken tegen de koning van Edom; maar zij konden niet. Amos 2:1 : Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrand heeft. Psalmen 106:37 : Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters aan de duivelen geofferd. Ezechiël 20:31 : Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde! Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad aan de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.
[^2koningen-3-27-46]: Kanttekening 46: Te weten, omdat zij door deze harde belegering en onverzoenlijken oorlog de koning van de Moabieten tot deze desperate en wrede daad gebracht hadden.
[^2koningen-3-27-47]: Kanttekening 47: Anders, tegen; verstaande deze toorn specialijk van de koning van Edom en zijn leger, om de gruwelijke moord zijns zoons.

### 2 Koningen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/4.json)

*Elisa vermenigvuldigt door een wonder de olie van een arme weduwe, vers 1, enz. Hij wordt door de Sunamitische geherbergd, 8. hij belooft haar een zoon, 12. die zij krijgt, 17. de zoon sterft, 18. die Elisa weer levend maakt, 29. hij ontneemt de kolokwinten hun giftigheid, 38. en spijst honderd mannen met twintig gerstebroden en groene aren, 42.*

**1** Een vrouw nu uit de vrouwen van de[^2koningen-4-1-1] zonen van de profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en u weet, dat uw knecht YHWH was vrezende; nu is de[^2koningen-4-1-2] schuldheer gekomen,[^2koningen-4-1-a] om mijn beide kinderen voor zich[^2koningen-4-1-3] tot knechten te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v1)

**2** En Elisa zei tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat u in het huis hebt. En zij zei: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een[^2koningen-4-2-4] kruik met olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v2)

**3** Toen zei hij: Ga, eis voor u kruiken van buiten, van al uw buren lege kruiken; maak er niet[^2koningen-4-3-5] weinig te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v3)

**4** Kom dan in, en[^2koningen-4-4-6] sluit de deur[^2koningen-4-4-7] voor u en voor uw zonen toe; daarna[^2koningen-4-4-8] giet in al die kruiken, en zet weg, dat vol is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v4)

**5** Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de kruiken toe, en zij goot in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v5)

**6** En het gebeurde, als die kruiken vol waren, dat zij tot haar zoon zei: Breng mij nog een kruik aan; maar hij zei tot haar: Er is geen kruik meer. En de olie[^2koningen-4-6-9] stond stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v6)

**7** Toen kwam zij, en gaf[^2koningen-4-7-10] het de man van God te kennen; en hij zei: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; u dan met uw zonen, leef bij het[^2koningen-4-7-11] overige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v7)

**8** Het gebeurde ook op een dag, als Elisa naar[^2koningen-4-8-12] Sunem doortrok, dat daar een[^2koningen-4-8-13] grote vrouw was, die hem aanhield om[^2koningen-4-8-14] brood te eten. Verder gebeurde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v8)

**9** En zij zei tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man van God heilig is, die bij ons altijd doortrekt.[^2koningen-4-9-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v9)

**10** Laat ons toch een kleine[^2koningen-4-10-16] opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het gebeuren, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v10)

**11** En het gebeurde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v11)

**12** Toen zei hij tot zijn[^2koningen-4-12-17] jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor[^2koningen-4-12-18] zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v12)

**13** (Want hij had[^2koningen-4-13-19] hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, u bent zorgvuldig voor ons geweest, met al[^2koningen-4-13-20] deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de oorlogsoverste? En zij had gezegd:[^2koningen-4-13-21] Ik woon in het midden van mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v13)

**14** Toen had[^2koningen-4-14-22] hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v14)

**15** Daarom had[^2koningen-4-15-23] hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij[^2koningen-4-15-24] in de deur.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v15)

**16** En hij zei: Op deze vastgestelde tijd, ongeveer deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet.[^2koningen-4-16-b][^2koningen-4-16-25][^2koningen-4-16-26][^2koningen-4-16-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v16)

**17** En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op die vastgestelde tijd, ongeveer de tijd van het leven, die Elisa tot haar gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v17)

**18** Toen nu het kind groot werd, gebeurde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v18)

**19** En het zei tot zijn vader:[^2koningen-4-19-28] Mijn hoofd, mijn hoofd![^2koningen-4-19-29] Hij dan zei tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v19)

**20** En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan de middag toe; toen stierf hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v20)

**21** En zij ging[^2koningen-4-21-30] op, en legde hem op het bed van de man van God; daarna sloot zij[^2koningen-4-21-31] voor hem[^2koningen-4-21-32] toe, en ging uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v21)

**22** En zij riep om haar man,[^2koningen-4-22-33] en zei: Zend mij toch één van de jongens, en één van de ezelinnen, dat ik tot de man van God lope, en wederkome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v22)

**23** En hij zei: Waarom gaat u vandaag tot hem? Het is[^2koningen-4-23-34] geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zei:[^2koningen-4-23-35] Het zal wel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v23)

**24** Toen zadelde zij de ezelin, en zei tot haar jongen: Drijf, en ga voort;[^2koningen-4-24-36] houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v24)

**25** Zo trok zij heen, en kwam tot de man van God, tot de berg[^2koningen-4-25-37] Karmel. En het gebeurde, als de man van God haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zei: Zie, daar is de Sunamietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v25)

**26** Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar:[^2koningen-4-26-38] Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zei: Het is wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v26)

**27** Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam,[^2koningen-4-27-39] vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar[^2koningen-4-27-40] af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel[^2koningen-4-27-41] is in haar bitter bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v27)

**28** En zij zei:[^2koningen-4-28-42] Heb ik een zoon van mijn heer begeerd?[^2koningen-4-28-c] Zei ik niet:[^2koningen-4-28-43] Bedrieg mij niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v28)

**29** En hij zei tot Gehazi:[^2koningen-4-29-44] Gord uw middel, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo[^2koningen-4-29-d] u iemand vindt,[^2koningen-4-29-45] groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en[^2koningen-4-29-46] leg mijn staf op het aangezicht van de jongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v29)

**30** Maar de moeder van de jongen zei:[^2koningen-4-30-47] Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft,[^2koningen-4-30-48] ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v30)

**31** Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde de staf op het aangezicht van de jongen; maar er was[^2koningen-4-31-49] geen stem, noch opmerking.[^2koningen-4-31-50] Zo keerde hij weer hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet[^2koningen-4-31-51] ontwaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v31)

**32** En toen Elisa in het[^2koningen-4-32-52] huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op[^2koningen-4-32-53] zijn bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v32)

**33** Zo[^2koningen-4-33-54] ging hij in, en[^2koningen-4-33-e] sloot de deur voor[^2koningen-4-33-55] hen beiden toe, en bad tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v33)

**34** En hij[^2koningen-4-34-56] klom op, en[^2koningen-4-34-57] legde zich neer op het kind, en leggende zijn mond op zijn mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v34)

**35** Daarna kwam hij weer, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens daarheen,[^2koningen-4-35-58] en klom weer op, en breidde zich over hem uit;[^2koningen-4-35-f] en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v35)

**36** En hij riep Gehazi, en zei: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zei: Neem uw zoon op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v36)

**37** Zo kwam zij,[^2koningen-4-37-59] en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v37)

**38** Als nu Elisa weer te[^2koningen-4-38-60] Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten[^2koningen-4-38-61] zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen:[^2koningen-4-38-62] Zet de grote pot aan, en kook moes voor de zonen van de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v38)

**39** Toen ging er één uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een[^2koningen-4-39-63] wilde wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol[^2koningen-4-39-64] wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in de moespot; want zij kenden[^2koningen-4-39-65] ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v39)

**40** Daarna[^2koningen-4-40-66] schepten zij voor de[^2koningen-4-40-67] mannen op om te eten; en het gebeurde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man van God, de[^2koningen-4-40-68] dood is in de pot! En zij konden[^2koningen-4-40-69] het niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v40)

**41** Maar hij zei:[^2koningen-4-41-70] Breng dan meel; en hij wierp[^2koningen-4-41-g] het in de pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er[^2koningen-4-41-71] niets kwaads in de pot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v41)

**42** En er kwam een man van[^2koningen-4-42-72] Baäl-salisa, en bracht de man van God broden van de eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar[^2koningen-4-42-73] hulzen; en hij zei: Geef aan[^2koningen-4-42-74] het volk, dat zij eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v42)

**43** Maar zijn dienaar zei:[^2koningen-4-43-75][^2koningen-4-43-h] Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten; want zo zegt YHWH: Men zal eten en overhouden.[^2koningen-4-43-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v43)

**44** Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/4.html#v44)

[^2koningen-4-1-1]: Kanttekening 1: zonen van de profeten: Zie 1 Kon. 20:35 . 1 Koningen 20:35 : Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
[^2koningen-4-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, die ik schuldig ben van geleend geld, of gekocht goed, of anders.
[^2koningen-4-1-a]: Verwijzing a: Lev. 25:39 . Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
[^2koningen-4-1-3]: Kanttekening 3: tot knechten: Dat is, tot lijfeigenen, te weten, opdat hij die als zulke, òf zelf gebruike, òf aan anderen verkope voor wat ik hem schuldig ben en niet kan betalen. Zie van deze soort van de dienstbaarheid de wet van God, Lev. 25:39 . Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
[^2koningen-4-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, die vol olie was, of immers waar enige olie nog in was.
[^2koningen-4-3-5]: Kanttekening 5: Zowel uit uw eigen huis als van anderen geleend, en tezamen bijeengebracht.
[^2koningen-4-4-6]: Kanttekening 6: Te weten, opdat niemand u hinderlijk zij, noch in het werk, dat ik u beveel, noch in de aandacht, die u daarover tot YHWH hebben moet.
[^2koningen-4-4-7]: Kanttekening 7: voor u: Of, over, of, naast u.
[^2koningen-4-4-8]: Kanttekening 8: giet in: Te weten, olie uit uw kruik.
[^2koningen-4-6-9]: Kanttekening 9: stond stil: Dat is, werd niet meer vermenigvuldigd, omdat de kruik, waaruit zij gegoten had, niet meer olie uitgaf.
[^2koningen-4-7-10]: Kanttekening 10: de man van God: Namelijk, Elisa. Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^2koningen-4-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, van de olie, of van het geld, dat u van de olie boven uw schuld gemaakt zult hebben.
[^2koningen-4-8-12]: Kanttekening 12: Zie 1 Kon. 1:3 . 1 Koningen 1:3 : Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle gebied van Israël; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot de koning.
[^2koningen-4-8-13]: Kanttekening 13: grote vrouw: Van afkomst, van naam en van middelen. Zie Gen. 24:35 en de aantekening. Idem, vergelijk 1 Sam. 25:2 . Genesis 24:35 : En YHWH heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kamelen, en ezelen. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^2koningen-4-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, zijn maal bij haar te houden. Zie Gen. 31:54 , zo in het volgende. Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^2koningen-4-9-15]: Kanttekening 15: heilig is: Zie Lev. 19:2 . Leviticus 19:2 : Spreek tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben heilig!
[^2koningen-4-10-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, opperkamer van de wand; dat is, een kamertje, dat met een wand afgeschut was. Het Hebreeuwse woord is gebruikt van stenen muren, boven, 2 Kon. 3:25 , en van houten wanden, Lev. 1:15 , waar van de wand van het altaar gesproken wordt, die van hout gemaakt was, Ex. 27:1 . Anders, van, of met wanden. 2 Koningen 3:25 : De steden nu braken zij af, en iedereen wierp zijn steen op alle goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede bomen, totdat zij in Kir-hareseth alleen de stenen daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen hen. Leviticus 1:15 : En de priester zal die tot het altaar brengen, en het hoofd daarvan met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden. Exodus 27:1 : U zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte.
[^2koningen-4-12-17]: Kanttekening 17: Of, knecht, of dienaar. Het Hebreeuwse woord wordt niet alleen van jongelingen gezegd, maar ook van volwassen mannen. Zie Gen. 22:5 hoedanig een Gehazi schijnt geweest te zijn, uit wat verhaald wordt onder, 2 Kon. 5:27 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren. 2 Koningen 5:27 : Daarom zal u de melaatsheid van Naäman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw.
[^2koningen-4-12-18]: Kanttekening 18: zijn aangezicht: Dat is, voor Elisa.
[^2koningen-4-13-19]: Kanttekening 19: hem gezegd: Namelijk, zijn dienaar Gehazi.
[^2koningen-4-13-20]: Kanttekening 20: Het woord betekent zodanige zorg, die met vrees en bevinding verenigd is, waardoor men bezorgd is iets noodzakelijks na te laten, of naar behoren niet te verrichten. Vergelijk Luk. 10:40 , 10:41 . Lukas 10:40 : Maar Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zei zij: Heer, trekt U U dat niet aan, dat mijn zus mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe. Lukas 10:41 : En Jezus, antwoordende, zei tot haar: Martha, Martha, u bekommert en ontrust u over vele dingen;
[^2koningen-4-13-21]: Kanttekening 21: Ik woon: Dat is, ik heb vrede en vriendschap met het volk, waaronder ik woon, zodat ik met niemand iets uitstaande heb, uit welke oorzaak ik de koning of zijn krijgsoverste zou behoeven lastig te vallen.
[^2koningen-4-14-22]: Kanttekening 22: hij gezegd: Namelijk Elisa tot zijn dienaar Gehazi, als hij zijn heer Elisa het antwoord van de vrouw aangediend had.
[^2koningen-4-15-23]: Kanttekening 23: hij gezegd: Namelijk Elisa tot zijn dienaar Gehazi.
[^2koningen-4-15-24]: Kanttekening 24: in de deur: Te weten, van het kamertje van de profeet. Vergelijk dit met vers 12 waarop het gepast moet worden, na het verhaal van de tussenrede, begrepen in vers 13 , 4:14 , 4:15 . 2 Koningen 4:12 : Toen zei hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. 2 Koningen 4:13 : (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, u bent zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks. 2 Koningen 4:14 : Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud. 2 Koningen 4:15 : Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.)
[^2koningen-4-16-b]: Verwijzing b: Gen. 18:10 ; idem v. 14 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben!
[^2koningen-4-16-25]: Kanttekening 25: Op deze: Dat is, op deze tijd van het jaar; zo in vers 17 . Zie deze zelfde woorden Gen. 18:14 . 2 Koningen 4:17 : En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op die vastgestelde tijd, omtrent de tijd van het leven, die Elisa tot haar gesproken had. Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben!
[^2koningen-4-16-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 18:10 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was.
[^2koningen-4-16-27]: Kanttekening 27: Dat is, geef mij niet de belofte van enig goed, waarvan de vervulling niet zou volgen.
[^2koningen-4-19-28]: Kanttekening 28: Mijn hoofd: Zo geeft het kind te kennen de pijn, die het in zijn hoofd gevoelde.
[^2koningen-4-19-29]: Kanttekening 29: Hij dan zei: Te weten, de vader.
[^2koningen-4-21-30]: Kanttekening 30: op, en legde hem: Te weten, naar de opperkamer, die zij voor Elisa had laten maken. Zie boven, vers 10 . 2 Koningen 4:10 : Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het gebeuren, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.
[^2koningen-4-21-31]: Kanttekening 31: voor hem: Zie boven, vers 4 . 2 Koningen 4:4 : Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.
[^2koningen-4-21-32]: Kanttekening 32: Te weten, de deur.
[^2koningen-4-22-33]: Kanttekening 33: en zei: Dat is, liet hem aanzeggen.
[^2koningen-4-23-34]: Kanttekening 34: geen nieuwe maan: Dit zegt hij, omdat de vromen, die nog in Israël overgebleven waren, de nieuwe maanden, sabbaten en andere vierdagen besteedden in godsdienstige werken, en tot dat einde de profeten van de Heere verzochten, die vergadering hielden tot bewaring van de rechte leer en de zuivere godsdienst.
[^2koningen-4-23-35]: Kanttekening 35: Het zal wel zijn: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, vrede. Zie Gen. 37:14 . Zij wil zeggen dat alle dingen wel zouden wezen, omdat zij tot een goed einde deze reis deed; ondertussen verzwijgt zij voor haar man de dood haars zoons, zowel om hem niet plotseling te bedroeven, alsook opdat haar reis niet zou belet worden. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^2koningen-4-24-36]: Kanttekening 36: houd mij niet op: Dat is, wil om mijns gemaks wil de reis niet verachteren of vertragen.
[^2koningen-4-25-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Kon. 18:19 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^2koningen-4-26-38]: Kanttekening 38: Is het wel met u: Hebreeuws, שָׁל֥וֹם, hebt u vrede? heeft uw man vrede? enz. Zie Gen. 29:6 . Genesis 29:6 : Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
[^2koningen-4-27-39]: Kanttekening 39: vatte zij: Dit deed zij niet alleen uit ootmoedige eerbieding, maar ook uit ijverige genegenheid om wat van Elisa te verzoeken, begerende dat hij zich niet verroeren zou uit zijn plaats, voordat hij haar gehoord zou hebben. Vergelijk Matt. 28:9 . Mattheüs 28:9 : En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.
[^2koningen-4-27-40]: Kanttekening 40: af te stoten: Te weten, opdat zij zijn heer niet moeilijk zou vallen. Vergelijk Mark. 10:13 . Marcus 10:13 : En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
[^2koningen-4-27-41]: Kanttekening 41: is in haar: Hebreeuws, מָֽרָה, is haar bitter; dat is, met enig verdriet, dat haar zeer ter harte gaat, bevangen. Bitterheid wordt voor droefenis en kwelling van het hart genomen; Gen. 26:35 ; Ruth 1:20 ; 1 Sam. 1:10 , en 1 Sam. 22:2 ; Job 3:20 , en Job 7:11 , en Job 9:18 ; Spreuk. 14:10 . Genesis 26:35 : En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid van de geest. Ruth 1:20 : Maar zij zei tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 1 Samuël 1:10 : Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot YHWH, en zij weende zeer. 1 Samuël 22:2 : En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen. Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Job 7:11 : Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel. Job 9:18 : Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. Spreuken 14:10 : Het hart kent zijn eigen bitter verdriet; en een vreemde zal zich met zijn blijdschap niet vermengen.
[^2koningen-4-28-42]: Kanttekening 42: Heb ik een zoon: Zij wil zeggen dat zij die van Elisa niet begeerd had maar dat hij vanzelf haar die beloofd had, en daarom nu met zijn gebeden behoorde te maken dat zij hem wederkrijgen mocht.
[^2koningen-4-28-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 4:16 . 2 Koningen 4:16 : En hij zei: Op deze vastgestelde tijd, omtrent deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet.
[^2koningen-4-28-43]: Kanttekening 43: Bedrieg mij niet: Anders, zeg mij geen geluk toe.
[^2koningen-4-29-44]: Kanttekening 44: Gord uw lenden: Te weten, om de reis, die hem hier belast wordt, te vaardiger af te doen, waartoe de langheid van de kleren, die de mannen droegen, hinderlijk was. Vergelijk 1 Kon. 18:46 ; 2 Kon. 9:1 ; Jer. 1:17 . 1 Koningen 18:46 : En de hand van YHWH was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot daar men te Jizreël komt. 2 Koningen 9:1 : Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead. Jeremia 1:17 : U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
[^2koningen-4-29-d]: Verwijzing d: Lukas 10:4 . Lukas 10:4 : Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op de weg.
[^2koningen-4-29-45]: Kanttekening 45: groet hem niet: Hebreeuws, תְבָרְכֶ֔, zegen hem niet. Zie Gen. 31:55 . Het is een manier van spreken, te kennen gevende dat hij zijn reis moest bespoedigen en daarin geen voorvallende verachtering aannemen, maar van zich afweren. Vergelijk Luk. 10:4 . Genesis 31:55 : En Laban stond 's morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats. Lukas 10:4 : Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op de weg.
[^2koningen-4-29-46]: Kanttekening 46: leg mijn staf: Tot een teken van het wonderwerk, dat God doen zal. Zo heeft God gewrocht door de staf van Mozes, Ex. 14:16 ; door de mantel van Elisa, 2kon. 2:8; door de zweetdoeken en gordel van Paulus, Hand. 19:12 . Dat kwam alleen van de kracht van God, waarvan deze dingen maar middelen en tekenen waren, als het God beliefde daardoor te werken. Exodus 14:16 : En u, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelfde, dat de kinderen van Israël door het midden van de zee gaan op het droge. Handelingen 19:12 : Zodat ook van zijn lijf op de zieken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.
[^2koningen-4-30-47]: Kanttekening 47: Zo waarachtig: Zie boven, 2 Kon. 2:2 . 2 Koningen 2:2 : En Elia zei tot Elisa: Blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el.
[^2koningen-4-30-48]: Kanttekening 48: ik zal u niet: Hebreeuws, אֶעֶזְבֶ֑, zo ik u verlate!
[^2koningen-4-31-49]: Kanttekening 49: Dat is, geen teken van het leven. De reden was, omdat Elisa zijn gebed tot God nog niet gedaan had, waarzonder de oplegging van de staf vruchteloos was. Nu had hij zijn gebed niet gedaan, omdat hij door het ernstig aanhouden van de moeder vanzins geworden was, zelf tot het kind te gaan en daar zijn gebed tot de Heer uit te storten, dat hij anders in zijn eigen huis gedaan zou hebben.
[^2koningen-4-31-50]: Kanttekening 50: Dat is, gehoor, of toeluistering.
[^2koningen-4-31-51]: Kanttekening 51: Te weten, van de slaap van de dood. Vergelijk Jes. 26:19 ; Dan. 12:2 . Jesaja 26:19 : Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
[^2koningen-4-32-52]: Kanttekening 52: huis kwam: Te weten, van de Sunamietische vrouw.
[^2koningen-4-32-53]: Kanttekening 53: zijn bed: Te weten, van de man van God, boven, vers 21 , welk bed was op de kamer, die de Sunamietische voor de profeet in haar huis had laten maken, boven, vers 10 . 2 Koningen 4:21 : En zij ging op, en legde hem op het bed van de man van God; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit. 2 Koningen 4:10 : Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het gebeuren, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.
[^2koningen-4-33-54]: Kanttekening 54: ging hij in: Versta, in de kamer, waarin hij somtijds was geherbergd geweest en waar het dode lichaam op het bed lag.
[^2koningen-4-33-e]: Verwijzing e: Matt. 6:6 . Mattheüs 6:6 : Maar u, wanneer u bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
[^2koningen-4-33-55]: Kanttekening 55: hen beiden toe: Namelijk, voor hem en voor het kind.
[^2koningen-4-34-56]: Kanttekening 56: klom op: Te weten, op het bed, waar het dode kind op lag, zo in vers 35 . 2 Koningen 4:35 : Daarna kwam hij weer, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens daarheen, en klom weer op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.
[^2koningen-4-34-57]: Kanttekening 57: legde zich: Zie gelijk exempelen 1 Kon. 17:21 ; Hand. 20:10 . 1 Koningen 17:21 : En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. Handelingen 20:10 : Maar Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zei hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.
[^2koningen-4-35-58]: Kanttekening 58: en klom weer op: De mirakelen worden volmaakt tweezins: I. straks en op staanden voet, als 1 Kon. 18:37 , 18:38 ; Joh. 11:43 , 11:44 , en onder, vers 41 , enz.; II. somtijds allengskens, gelijk hier, 1 Kon. 18:44 , 18:45 ; Mark. 8:24 , 8:25 . 1 Koningen 18:37 : Antwoord mij, YHWH, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat U, o YHWH, die God bent, en dat U hun hart achterwaarts omgewend hebt. 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. Johannes 11:43 : En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit! Johannes 11:44 : En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zei tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan. 2 Koningen 4:41 : Maar hij zei: Brengt dan meel; en hij wierp het in de pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in de pot. 1 Koningen 18:44 : En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. 1 Koningen 18:45 : En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël. Marcus 8:24 : En hij, opziende, zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen. Marcus 8:25 : Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.
[^2koningen-4-35-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 17:21 ; 2 Kon. 8:1 ; Hand. 20:10 . 1 Koningen 17:21 : En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. 2 Koningen 8:1 : Elisa nu had gesproken tot die vrouw, welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. Handelingen 20:10 : Maar Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zei hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.
[^2koningen-4-37-59]: Kanttekening 59: en viel: Om hem met burgerlijke eerbieding te bedanken voor de weldaad, die God door zijn dienst aan haar bewezen had.
[^2koningen-4-38-60]: Kanttekening 60: Zie boven, 2 Kon. 2:1 . 2 Koningen 2:1 : Het geschiedde nu, als YHWH Elia met een onweer ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.
[^2koningen-4-38-61]: Kanttekening 61: Te weten, als discipelen voor zijn voeten, om van hem als van hun meester en leraar onderwezen te worden. Zie boven, 2 Kon. 2:3 . 2 Koningen 2:3 : Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil.
[^2koningen-4-38-62]: Kanttekening 62: Zet de grote pot aan: Of, schik, of maak de grote pot toe.
[^2koningen-4-39-63]: Kanttekening 63: wilden wijnstok: Hebreeuws, פַּקֻּעֹ֥ת, wijnstok van het veld; dat is, die in het veld, of in het wild wast; zo meteen, kolokwinten van het veld; dat is, wilde kolokwinten; gewoonlijk genoemd kouwoerden over zee, of kwintappels.
[^2koningen-4-39-64]: Kanttekening 64: wilde kolokwinten: Welks ranken men schrijft de ranken van de wijnstok niet ongelijk te zijn. Het kan wezen dat zij bij deze wilde wijnstok opgelopen en met de ranken daarvan en bladeren vermengd zijn geweest, gelijk de wilde kouwoerden plegen te doen; of dat de namen van wilden wijnstok en wilde kolokwinten vermits de gelijkheid van de bladeren en ranken verwisseld zijn.
[^2koningen-4-39-65]: Kanttekening 65: kenden ze niet: Namelijk, dat zijne vrucht zo bitter en schadelijk was.
[^2koningen-4-40-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, goten zij uit; dat is, schepten op en goten in, te weten, in de vaten waaruit zij eten zouden.
[^2koningen-4-40-67]: Kanttekening 67: Namelijk, de zonen van de profeten.
[^2koningen-4-40-68]: Kanttekening 68: Dat is, een voedsel, waaraan men de dood zou kunnen eten. Vergelijk Ex. 10:17 . Exodus 10:17 : En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot YHWH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme.
[^2koningen-4-40-69]: Kanttekening 69: Te weten, om de grote bitterheid wil.
[^2koningen-4-41-70]: Kanttekening 70: Brengt dan meel: Hebreeuws, קֶ֔מַח, neemt; dat is, neemt en brengt. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^2koningen-4-41-g]: Verwijzing g: Ex. 15:25 . Exodus 15:25 : Hij dan riep tot YHWH; en YHWH wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Daar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en daar verzocht Hij hetzelfde,
[^2koningen-4-41-71]: Kanttekening 71: niets kwaads: Hebreeuws, רָ֖ע, geen kwaad ding. Dit had het meel niet weggenomen, maar de kracht van God, waarvan het meel alleen een teken en middel was.
[^2koningen-4-42-72]: Kanttekening 72: Een landschap in Benjamin. Zie 1 Sam. 9:4 . 1 Samuël 9:4 : Hij dan ging door het gebergte van Efraïm, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, maar zij vonden ze niet.
[^2koningen-4-42-73]: Kanttekening 73: Of, in hun huisjes; versta, dat zij in hun kaf nog staken, niet uitgedorst zijnde. Anders, in zijn kleed.
[^2koningen-4-42-74]: Kanttekening 74: het volk: Dat is, de zonen van de profeten.
[^2koningen-4-43-75]: Kanttekening 75: Wat zou ik: Hebreeuws, אֶתֵּ֣ן, voor hun aangezicht zetten. Hij acht de broden weinig, vergelijkende de veelheid van het volk, die honderd in getal waren, bij de kleinheid van de broden, van welke een man \[zo men houdt\] gemakkelijk twintig dragen kon. Vergelijk Joh. 6:9 . Johannes 6:9 : Hier is een jongen, die vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?
[^2koningen-4-43-h]: Verwijzing h: Joh. 6:9 . Johannes 6:9 : Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?
[^2koningen-4-43-i]: Verwijzing i: Joh. 6:11 . Johannes 6:11 : En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden.

### 2 Koningen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/5.json)

*Naäman komt tot Elisa om van zijn melaatsheid genezen te worden, vers 1, enz. Gelast zijnde zich in de Jordaan te wassen, neemt hij dat eerst smadelijk op, 10. daarna doet hij het, 14. hij wordt genezen, 14. neemt afscheid van Elisa, die zijn geschenken weigert aan te nemen, en laat hem gaan in vrede, 15. Zijn knecht Gehazi neemt geschenken van hem aan, 20. waarover hij met Naämans melaatsheid gestraft wordt, 25.*

**1** Naäman nu, de oorlogsoverste van de koning van Syrië, was een[^2koningen-5-1-1] groot man voor het aangezicht van zijn[^2koningen-5-1-2] heer,[^2koningen-5-1-3] en van hoog aanzien; want door hem had YHWH de Syriërs verlossing[^2koningen-5-1-4] gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v1)

**2** [^2koningen-5-2-5] En er waren[^2koningen-5-2-6] benden uit Syrië getrokken, en hadden een klein meisje uit het land van Israël als gevangene gebracht, die[^2koningen-5-2-7] in de dienst van de huisvrouw van Naäman was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v2)

**3** Deze zei tot haar vrouw: Och, of mijn heer was voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid[^2koningen-5-3-8] ontledigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v3)

**4** Toen ging[^2koningen-5-4-9] hij[^2koningen-5-4-10] in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft het meisje gesproken, dat uit het land van Israël is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v4)

**5** Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en[^2koningen-5-5-11] nam[^2koningen-5-5-12] in zijn hand[^2koningen-5-5-13] tien talenten zilver, en zes duizend[^2koningen-5-5-14] sikkels goud, en tien[^2koningen-5-5-15] wisselklederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v5)

**6** En hij bracht de brief tot de koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat u hem[^2koningen-5-6-16] ontledigt van zijn melaatsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v6)

**7** En het gebeurde, als de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde, en zei:[^2koningen-5-7-a] Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want werkelijk, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij[^2koningen-5-7-17] zoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v7)

**8** Maar het gebeurde, als Elisa, de man van God, gehoord had, dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, dat hij tot de koning zond, om te zeggen:[^2koningen-5-8-18] Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v8)

**9** Zo kwam Naäman met zijn paarden en met[^2koningen-5-9-19] zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v9)

**10** Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u[^2koningen-5-10-20] zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u[^2koningen-5-10-21] terugkomen, en[^2koningen-5-10-22] u zult rein zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v10)

**11** Maar Naäman werd zeer boos, en trok weg, en zei: Zie,[^2koningen-5-11-23] ik zei bij mij zelf: Hij[^2koningen-5-11-24] zal zeker uitkomen, en staan, en de Naam van YHWH, Zijn God, aanroepen, en zijn hand over de plaats[^2koningen-5-11-25] strijken, en[^2koningen-5-11-26] de melaatse ontledigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v11)

**12** Zijn niet[^2koningen-5-12-27] Abana[^2koningen-5-12-28] en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van[^2koningen-5-12-29] Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en trok weg met woede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v12)

**13** Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden:[^2koningen-5-13-30] Mijn vader, zo die profeet tot u een[^2koningen-5-13-31] grote zaak gesproken had, zou u ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, aangezien hij tot u gezegd heeft: Was u, en u zult rein zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v13)

**14** Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man van God;[^2koningen-5-14-b] en zijn vlees kwam weer, zoals het vlees van een kleine jongen; en hij werd rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v14)

**15** Toen keerde hij weer tot de man van God, hij en[^2koningen-5-15-32] zijn hele leger, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de hele aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een[^2koningen-5-15-33] zegen van uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v15)

**16** Maar hij zei: Zo waarachtig als YHWH leeft,[^2koningen-5-16-34] voor Wiens aangezicht ik sta,[^2koningen-5-16-35] als ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, maar hij weigerde het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v16)

**17** En Naäman zei:[^2koningen-5-17-36] Zo niet; laat toch[^2koningen-5-17-37] uw knecht[^2koningen-5-17-38] gegeven worden een last aarde[^2koningen-5-17-39] van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v17)

**18** In deze zaak vergeve YHWH uw knecht: wanneer[^2koningen-5-18-40] mijn heer in het huis[^2koningen-5-18-41] van Rimmon zal gaan, om zich daar neer te[^2koningen-5-18-42] buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van[^2koningen-5-18-43] Rimmon neerbuigen zal; als ik mij zo neerbuigen zal in het huis van Rimmon, YHWH[^2koningen-5-18-44] vergeve toch uw knecht in deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v18)

**19** En hij zei tot hem:[^2koningen-5-19-45] Ga in vrede. En hij ging van hem een[^2koningen-5-19-46] kleine streek lands. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v19)

**20** Gehazi nu, de jongen van Elisa, de man van God,[^2koningen-5-20-47] zei: Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft, wat hij gebracht had; maar zo waarachtig als YHWH leeft, ik zal hem nalopen, en zal wat van hem nemen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v20)

**21** Zo volgde Gehazi Naäman achterna. En toen Naäman zag, dat hij hem naliep,[^2koningen-5-21-48] viel hij van de wagen af, hem tegemoet, en hij zei:[^2koningen-5-21-49] Is het wel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v21)

**22** En hij zei: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongemannen uit de zonen van de profeten, van het gebergte van Efraïm gekomen; geef hun toch een talent zilver en twee wisselklederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v22)

**23** En Naäman zei: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilver in twee beurzen, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v23)

**24** Als hij nu[^2koningen-5-24-50] op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en[^2koningen-5-24-51] bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij trokken heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v24)

**25** Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zei tot hem: Vanwaar, Gehazi? En hij zei: Uw knecht is noch herwaarts noch daarheen gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v25)

**26** Maar hij zei tot hem:[^2koningen-5-26-52] Ging niet mijn hart mee, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om kleren te nemen,[^2koningen-5-26-53] en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienaressen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v26)

**27** Daarom zal u[^2koningen-5-27-54] de melaatsheid van Naäman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats,[^2koningen-5-27-55] wit als de sneeuw.[^2koningen-5-27-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/5.html#v27)

[^2koningen-5-1-1]: Kanttekening 1: groot man: Dat is, van groot vermogen, uit oorzaak van zijn goede deugden en grote daden. Vergelijk Ex. 11:3 . Exodus 11:3 : En YHWH gaf het volk genade in de ogen van de Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Farao's knechten, en voor de ogen van het volk.)
[^2koningen-5-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk, van de koning van Syrië. Zo onder, vers 4 , 5:18 . 2 Koningen 5:4 : Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is. 2 Koningen 5:18 : In deze zaak vergeve YHWH uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij zo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, YHWH vergeve toch uw knecht in deze zaak.
[^2koningen-5-1-3]: Kanttekening 3: en van hoog aanzien: Hebreeuws, פָנִ֔ים, verheven van aangezicht; dat is, zeer groot geacht en gezien bij allen. Anders, aangenaam; naar een manier van spreken, van welke zie Gen. 32:30 . Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
[^2koningen-5-1-4]: Kanttekening 4: Te weten, in krijgsnoden en algemene gevaren van het land, door zijn wijzen raad en mannelijke daden.
[^2koningen-5-2-5]: Kanttekening 5: En er waren: Of, de Syriërs waren uitgetogen bij benden.
[^2koningen-5-2-6]: Kanttekening 6: Het Hebreeuwse woord betekent hopen en vergaderingen van krijgslieden, die in het land tot roven en plunderen uitvallen. Zo 1 Sam. 30:8 , onder, 2 Kon. 13:21 , en 2 Kon. 24:2 . 1 Samuël 30:8 : Toen vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zei tot hem: Jaag na, want u zult gewisselijk achterhalen, en u zult gewisselijk verlossen. 2 Koningen 13:21 : En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij de man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten. 2 Koningen 24:2 : En YHWH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knechten, de profeten.
[^2koningen-5-2-7]: Kanttekening 7: in de dienst: Hebreeuws, פְנֵ֖י, voor het aangezicht van de huisvrouw van Naäman dat is, die Naämans huisvrouw diende. Zo, voor iemands aangezicht staan, is hem dienen. Zie Deut. 1:38 ; 1 Kon. 1:2 . Anders, die voor het aangezicht van de huisvrouw van Naäman was; dat is, in haar aanwezigheid. Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven. 1 Koningen 1:2 : Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.
[^2koningen-5-3-8]: Kanttekening 8: Sommigen menen dat dit ziet op de afzondering van de melaatsen en hunne vergadering tot het volk, wanneer zij genezen waren. Zie Num. 12:14 . Zo onder, vers 6 , 5:7 , 5:11 . Hebreeuws, verzamelen. Welke manier van spreken, iemand van zijn melaatsheid verzamelen, zoveel is als de melaatsheid van iemand verzamelen; dat is, wegnemen; omdat wat, dat men verzamelt, weggenomen wordt van de plaats, vanwaar men het verzamelt. Zie Ps. 26:9 . Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! 2 Koningen 5:6 : En hij bracht de brief tot de koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat u hem ontledigt van zijn melaatsheid. 2 Koningen 5:7 : En het geschiedde, als de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde, en zei: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want werkelijk, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt. 2 Koningen 5:11 : Maar Naäman werd zeer toornig, en toog weg, en zei: Zie, ik zei bij mij zelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en de Naam van YHWH, Zijn God, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en de melaatse ontledigen. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^2koningen-5-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk, Naäman de Syriër, als men hem de woorden van de Israëlietische dochter aangezegd had.
[^2koningen-5-4-10]: Kanttekening 10: Te weten, tot de koning, zijn heer.
[^2koningen-5-5-11]: Kanttekening 11: Te weten, tot een vrijwillig geschenk om de profeet daarmede te vereren. Zie 1 Kon. 14:3 . 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal.
[^2koningen-5-5-12]: Kanttekening 12: in zijn hand: Dat is, met hem. Vergelijk 1 Sam. 9:8 ; 2 Sam. 8:10 ; 1 Kon. 14:3 ; onder, 2 Kon. 8:8 . 1 Samuël 9:8 : En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal. 2 Koningen 8:8 : Toen zei de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem YHWH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen?
[^2koningen-5-5-13]: Kanttekening 13: tien talenten: Zie van een talent Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2koningen-5-5-14]: Kanttekening 14: sikkelen gouds: Zie van de waarde eens gemenen gouden sikkels Gen. 24:22 ; Num. 7:14 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds. Numeri 7:14 : Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;
[^2koningen-5-5-15]: Kanttekening 15: Zie Gen. 45:22 . Genesis 45:22 : Hij gaf hun allen, ieder een, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.
[^2koningen-5-6-16]: Kanttekening 16: Te weten, door middel van uw profeet Elisa, gelijk men kan oordelen dit zijn mening geweest te zijn, uit wat boven, vers 4 , verhaald is; maar de koning van Israël heeft dit zo verstaan, alsof hij in eigen persoon door de brief belast geweest was, de vorst Naäman van zijn melaatsheid te genezen, gelijk blijkt uit vers 7 . 2 Koningen 5:4 : Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is. 2 Koningen 5:7 : En het geschiedde, als de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde, en zei: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want werkelijk, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt.
[^2koningen-5-7-a]: Verwijzing a: Deut. 32:39 ; 1 Sam. 2:6 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:6 : De YHWH doodt en maakt levend; Hij doet ter dodenrijk nederdalen, en Hij doet weer opkomen.
[^2koningen-5-7-17]: Kanttekening 17: Te weten, om mij oorlog aan te doen als ik deze Naäman niet genees, want hij weet wel dat dit in mijn vermogen niet is.
[^2koningen-5-8-18]: Kanttekening 18: Waarom hebt u: Hij wil zeggen dat hij om deze oorzaak zijn kleren niet behoorde gescheurd, maar wel de Heer door hem raad gevraagd te hebben. Vergelijk boven, 2 Kon. 1:6 , 1:16 . 2 Koningen 1:6 : En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Gaat heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt YHWH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven. 2 Koningen 1:16 : En hij sprak tot hem: Zo zegt YHWH: Daarom, dat u boden gezonden hebt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop u geklommen bent, zult u niet afkomen, maar u zult de dood sterven.
[^2koningen-5-9-19]: Kanttekening 19: zijn wagen: Of, zijn wagens. Want het getal van één wordt met dit woord in zulk een zaak dikwijls voor het getal van velen genomen, gelijk Gen. 50:9 ; 1 Kon. 1:5 , en 1 Kon. 10:26 ; Jes. 37:24 . Genesis 50:9 : En met hem togen op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zware legermacht. 1 Koningen 1:5 : Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. Jesaja 37:24 : Door middel van uw dienaren hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogte van de bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.
[^2koningen-5-10-20]: Kanttekening 20: Noch de Jordaan noch de zevenvoudige wassing hadden het vermogen om de melaatsheid te genezen, maar alleen de kracht van God, die daardoor wilde werken.
[^2koningen-5-10-21]: Kanttekening 21: Te weten, dat door de melaatsheid u afgenomen en afgeteerd is.
[^2koningen-5-10-22]: Kanttekening 22: u zult rein zijn: Hebreeuws, טְהָֽר, word rein; dat is, u zult zekerlijk rein worden. Zo vers 13 . 2 Koningen 5:13 : Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt u ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, aangezien hij tot u gezegd heeft: Was u, en u zult rein zijn?
[^2koningen-5-11-23]: Kanttekening 23: ik zei: Anders, ik zei: Tot mij zal hij zekerlijk uitkomen, enz.
[^2koningen-5-11-24]: Kanttekening 24: zal zekerlijk: Hebreeuws, יָצ֗וֹא, uitkomende uitkomen.
[^2koningen-5-11-25]: Kanttekening 25: plaats strijken: Hebreeuws, אָסַ֥ף, bewegen.
[^2koningen-5-11-26]: Kanttekening 26: de melaatse: Dat is, mij van mijn melaatsheid genezen. Anders, het melaatse; dat is, de melaatsheid wegnemen. Zie boven, vers 3 . 2 Koningen 5:3 : Deze zei tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.
[^2koningen-5-12-27]: Kanttekening 27: Anders genaamd Amana, en bij de historieschrijvers Adonis.
[^2koningen-5-12-28]: Kanttekening 28: In de historiën genaamd Orontes.
[^2koningen-5-12-29]: Kanttekening 29: zou ik: Hij meende dat de kracht van het water hem zou kunnen genezen, daar het maar een teken en middel was van de beloofde genezing.
[^2koningen-5-13-30]: Kanttekening 30: Mijn vader: Dit is een benaming van eerbied, liefde en vreze, die de onderzaten plegen hun oversten te geven, wanneer deze zich als vaders met de daad vertonen. Vergelijk de aantekening Gen. 41:43 . Genesis 41:43 : En hij deed hem rijden op de tweede wagen, die hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Zo stelde hij hem over geheel Egypteland.
[^2koningen-5-13-31]: Kanttekening 31: grote zaak: Dat is, u wat zwaars geboden had.
[^2koningen-5-14-b]: Verwijzing b: Lukas 4:27 . Lukas 4:27 : En er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër.
[^2koningen-5-15-32]: Kanttekening 32: zijn gehele legermacht: Hebreeuws, zijn gehele leger. Versta hierdoor al degenen, die hij met zich in deze reis genomen had, en die in menigte als een heirleger waren.
[^2koningen-5-15-33]: Kanttekening 33: Dat is, geschenk. Zie Gen. 33:11 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^2koningen-5-16-34]: Kanttekening 34: voor Wiens: Dat is, denwelken ik dien. Zie Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^2koningen-5-16-35]: Kanttekening 35: Versta daarop, de Heer straffe mij. Want in het eedzweren hebben de Hebreën gemeenlijk de straf verzwegen. Zie Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^2koningen-5-17-36]: Kanttekening 36: Zo niet: Dat is, als u mijne giften niet wilt ontvangen, gun mij slechts één andere bede, die ik u nu ga voorstellen. Zie een gelijke manier van spreken 2 Sam. 13:26 . 2 Samuël 13:26 : Toen zei Absalom: Zo niet, laat toch mijn broer Amnon met ons gaan. Maar de koning zei tot hem: Waarom zou hij met u gaan?
[^2koningen-5-17-37]: Kanttekening 37: uw knecht: Dat is, mij die u dienst schuldig ben.
[^2koningen-5-17-38]: Kanttekening 38: Hij verzoekt van de profeet twee dingen: I. van het land aarde met zich in Syrië te voeren, om daarvan een altaar te maken, waarop hij de Heer offerande doen zou; II. dat het hem vergeven zou worden, als hij in het huis van de afgod Rimmon zijn heer ten dienste wezen zou. Waarmee hij wel toont een goed voornemen om de ware God te dienen, maar niet naar wetenschap, menende dat de ene aarde heiliger was dan de andere, en dat men God ergens elders offeranden mocht doen dan in Jeruzalem, en biddende om vergiffenis van wat hij doen zou met kwetsing van zijn eigen consciëntie en ergernis van anderen.
[^2koningen-5-17-39]: Kanttekening 39: van een juk muildieren: Dat is, zoveel als twee muilen tevens dragen kunnen.
[^2koningen-5-18-40]: Kanttekening 40: mijn heer: Te weten, de koning van Syrië zo boven, vers 1 , 5:4 . 2 Koningen 5:1 : Naäman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had YHWH de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats. 2 Koningen 5:4 : Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is.
[^2koningen-5-18-41]: Kanttekening 41: De naam van een afgod, die de Syriërs dienden.
[^2koningen-5-18-42]: Kanttekening 42: Te weten, met aanbidding.
[^2koningen-5-18-43]: Kanttekening 43: Niet om de afgod te aanbidden, of enige godsdienstige eer te bewijzen, maar om zijn koning te dienen, die op zijn hand leunde, wanneer hij zich voor zijn afgod nederboog; waarom ook Naäman genoodzaakt werd zich te buigen.
[^2koningen-5-18-44]: Kanttekening 44: vergeve toch: Zo verstond hij dan wel dat de nederbuiging voor de afgoden, ofschoon die ter ere niets gedaan wordt, zonder zonde niet kan gebeuren.
[^2koningen-5-19-45]: Kanttekening 45: Ga in vrede: De profeet, zonder hiermede te antwoorden op zijn verzoek of hem hetzelfde toe te staan, wenst hem alleen de zegen van de Heer. vers 18 kan ook aldus bekwamelijk naar Hebreeuwsen tekst worden overgezet: In deze zaak vergeve YHWH uw knecht; wanneer mijn heer in het huis Rimmons is ingegaan om zich daar neder te buigen, en hij zich op mijn hand geleund heeft, en ik mij in het huis Rimmons heb nedergebogen; als ik mij \[zo\] heb nedergebogen in het huis Rimmons, YHWH vergeve toch uw knecht in deze zaak; sprekende zo niet van het toekomende, maar van het vroegere, waarvan hij vergiffenis begeert. Zie een gelijk antwoord 1 Sam. 1:17 . 2 Koningen 5:18 : In deze zaak vergeve YHWH uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij zo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, YHWH vergeve toch uw knecht in deze zaak. 1 Samuël 1:17 : Toen antwoordde Eli en zei: Ga heen in vrede, en de God van Israël zal uw bede geven, die u van Hem gebeden hebt.
[^2koningen-5-19-46]: Kanttekening 46: kleine streek lands: Zie Gen. 35:16 . Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.
[^2koningen-5-20-47]: Kanttekening 47: Te weten, bij zichzelven, gelijk boven, vers 11 , en Gen. 20:11 . 2 Koningen 5:11 : Maar Naäman werd zeer toornig, en toog weg, en zei: Zie, ik zei bij mij zelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en de Naam van YHWH, Zijn God, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en de melaatse ontledigen. Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^2koningen-5-21-48]: Kanttekening 48: viel hij: Dat is, trad metterhaast daarvan. Vergelijk Gen. 24:64 ; idem Joh. 15:18 , en Richt. 1:14 . Genesis 24:64 : Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van de kameel af. Johannes 15:18 : Als u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Richteren 1:14 : En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen zei Kaleb tot haar: Wat is u?
[^2koningen-5-21-49]: Kanttekening 49: Is het wel: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, is het vrede? Zie boven, 2 Kon. 4:26 , en zo in het volgende. 2 Koningen 4:26 : Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zei: Het is wel.
[^2koningen-5-24-50]: Kanttekening 50: op de hoogte: Een hoogte of heuvel, gelegen niet ver van Samaria, waar Elisa nu woonde.
[^2koningen-5-24-51]: Kanttekening 51: bestelde ze: Of, legde ze weg, of gaf ze te bewaren.
[^2koningen-5-26-52]: Kanttekening 52: Ging niet: Hij wil zeggen: Heeft mij de Heer in de geest niet te kennen gegeven en in een gezicht vertoond waar u bent gegaan, wat u gesproken en gedaan en ontvangen hebt, als of ik zelf in persoon daarbij geweest was en alles met mijne ogen gezien had?
[^2koningen-5-26-53]: Kanttekening 53: en olijfbomen: Dat is, met welk zilver u voorgenomen hebt deze dingen te kopen.
[^2koningen-5-27-54]: Kanttekening 54: de melaatsheid: Dat is, de melaatsheid, die Naäman gehad heeft, zal op u en uw kinderen komen, tot een exempel van de rechtvaardige straf Gods over gierigheid, simonie en leugentaal.
[^2koningen-5-27-55]: Kanttekening 55: als de sneeuw: Dat is, van melaatsheid zo wit als sneeuw. Zie Num. 12:10 . Numeri 12:10 : En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.
[^2koningen-5-27-k]: Verwijzing k: Num. 12:10 ; 2 Kron. 26:19 ; idem v. 20 . Numeri 12:10 : En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. 2 Kronieken 26:19 : Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar. 2 Kronieken 26:20 : Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met van de haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat YHWH hem geplaagd had.

### 2 Koningen 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/6.json)

*Elisa doet het ijzer drijven, vers 1, enz. Hij ontdekt de lagen van de koning van Syrië, 8. die hem tracht te vangen binnen Dothan, 11. maar hij wordt bewaard door de engelen, 17. de Syriërs worden met blindheid geslagen, binnen Samaria gebracht en vandaar in vrede weggelaten, 18. Samaria wordt belegerd en komt tot zulk een hongersnood dat twee vrouwen het kind van de een opeten, 19. De koning tracht Elisa te vermoorden, 31.*

**1** En de kinderen van de profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij[^2koningen-6-1-1] wonen voor uw aangezicht, is voor ons te nauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v1)

**2** Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een[^2koningen-6-2-2] timmerhout[^2koningen-6-2-3] halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zei: Ga heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v2)

**3** En er zei één: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zei: Ik zal gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v3)

**4** Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v4)

**5** En het gebeurde, als één het timmerhout velde, dat het[^2koningen-6-5-4] ijzer in het water viel; en hij riep, en zei: Ach, mijn heer, want het was geleend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v5)

**6** En de man van God zei: Waar is het gevallen? En toen[^2koningen-6-6-5] hij hem de plaats gewezen had, sneed[^2koningen-6-6-6] hij een hout af, en wierp het daarheen,[^2koningen-6-6-7] en deed het ijzer boven zwemmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v6)

**7** En hij zei: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v7)

**8** En de koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in[^2koningen-6-8-8] de plaats van zulk een. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v8)

**9** Maar de man van God zond heen tot de koning van Israël, zeggende: Pas op dat u door die plaats niet trekt, want de Syriërs[^2koningen-6-9-9] zijn daarheen afgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v9)

**10** Daarom[^2koningen-6-10-10] zond de koning van Israël heen aan die plaats, waarvan hem de man van God gezegd en hem gewaarschuwd had, en[^2koningen-6-10-11] wachtte zich daar,[^2koningen-6-10-12] niet eenmaal, noch tweemaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v10)

**11** Toen werd het hart van de koning van Syrië[^2koningen-6-11-13] onstuimig over deze handel; en hij riep zijn knechten, en zei tot hen: Zult u mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor de koning van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v11)

**12** En één van zijn knechten zei:[^2koningen-6-12-14] Nee, mijn heer koning! Maar Elisa, de profeet, die in Israël is, geeft de koning van Israël te kennen de woorden, die u in uw binnenste slaapkamer spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v12)

**13** En hij zei: Ga heen, en ziet, waar hij is, dat ik zend en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te[^2koningen-6-13-15] Dothan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v13)

**14** Toen zond hij daarheen paarden, en wagens, en een[^2koningen-6-14-16] zwaar leger; die in de nacht kwamen, en omsingelden de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v14)

**15** En de dienaar van de man van God stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een leger omringde de stad met paarden en wagens. Toen zei zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen.[^2koningen-6-15-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v15)

**16** En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v16)

**17** En Elisa bad, en zei: YHWH,[^2koningen-6-17-18] open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol[^2koningen-6-17-19] vurige paarden en wagens rondom Elisa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v17)

**18** Als[^2koningen-6-18-20] zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot YHWH, en zei: Sla toch dit volk met[^2koningen-6-18-21] verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa.[^2koningen-6-18-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v18)

**19** Toen zei Elisa tot hen:[^2koningen-6-19-22] Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volg mij na, en ik zal u leiden tot de man, die u zoekt; en hij leidde hen naar Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v19)

**20** En het gebeurde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa zei: YHWH, open de ogen van deze, dat zij zien! En YHWH opende hun ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v20)

**21** En de koning van Israël zei tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen[^2koningen-6-21-23] slaan, mijn vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v21)

**22** Maar hij zei: U zult hen niet slaan;[^2koningen-6-22-24] zou u ook slaan, die u met uw zwaard en met uw boog gevangen had? Zet hun[^2koningen-6-22-25] brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v22)

**23** En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun[^2koningen-6-23-26] heer. Zo kwamen de benden van de Syriërs niet meer in het land van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v23)

**24** En het gebeurde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn hele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v24)

**25** En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig[^2koningen-6-25-27] zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een[^2koningen-6-25-28] kab[^2koningen-6-25-29] duivenmest voor vijf zilverlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v25)

**26** En het gebeurde, als de koning op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v26)

**27** En hij zei: YHWH helpt u niet; waarvan zou ik u helpen?[^2koningen-6-27-31] Van de dorsvloer of van de wijnpers?[^2koningen-6-27-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v27)

**28** Verder zei de koning tot haar: Wat is u? En zij zei: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem vandaag eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v28)

**29** Zo[^2koningen-6-29-b] hebben wij mijn zoon gekookt, en hebben hem gegeten; maar als ik op de andere dag tot haar zei: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v29)

**30** En het gebeurde, als de koning de woorden van deze vrouw gehoord had, dat hij zijn kleren[^2koningen-6-30-32] scheurde, zo hij op de muur voortging; en[^2koningen-6-30-33] het volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v30)

**31** En hij zei:[^2koningen-6-31-34][^2koningen-6-31-c] Zo doe mij God, en doe zo daartoe,[^2koningen-6-31-35] als het hoofd van Elisa de zoon van Safat, vandaag op hem zal blijven staan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v31)

**32** (Elisa nu zat in zijn huis, en de[^2koningen-6-32-36] oudsten zaten bij[^2koningen-6-32-37] hem.) En hij zond[^2koningen-6-32-38] een man van voor zijn aangezicht; maar voordat de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt u[^2koningen-6-32-39] gezien, hoe die zoon[^2koningen-6-32-40] van de moordenaar gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Zie toe, als die bode komt, sluit de deur toe,[^2koningen-6-32-41] en dringt hem uit met de deur;[^2koningen-6-32-42] is niet het[^2koningen-6-32-43] geruis van de voeten van zijn heer achter hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v32)

**33** Als hij nog met[^2koningen-6-33-44] hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en[^2koningen-6-33-45] hij zei: Zie, dat[^2koningen-6-33-46] kwaad is van YHWH; wat[^2koningen-6-33-47] zou ik verder op YHWH wachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/6.html#v33)

[^2koningen-6-1-1]: Kanttekening 1: Of, zitten; te weten, als leerjongens, om van u als onze leermeester onderwezen te worden. Zie boven, 2 Kon. 2:3 , en 2 Kon. 4:38 , en hier in vers 2 . 2 Koningen 2:3 : Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat YHWH heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. 2 Koningen 4:38 : Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en kook moes voor de zonen van de profeten. 2 Koningen 6:2 : Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zei: Gaat heen.
[^2koningen-6-2-2]: Kanttekening 2: Versta, om daarvan balken of iets anders te maken.
[^2koningen-6-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, nemen; dat is, nemen en brengen; dat is halen. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^2koningen-6-5-4]: Kanttekening 4: Versta, de bijl, die van ijzer gemaakt was. Of, het ijzer van de bijl, dat van de steel in het water viel.
[^2koningen-6-6-5]: Kanttekening 5: Te weten, zijn discipel, die dat ijzer ontvallen was.
[^2koningen-6-6-6]: Kanttekening 6: Namelijk, Elisa.
[^2koningen-6-6-7]: Kanttekening 7: en deed het ijzer boven zwemmen: Anders, toen zwom het ijzer.
[^2koningen-6-8-8]: Kanttekening 8: de plaats: Hier zijn twee woorden: Peloni, Almoni, die de Hebreën gebruiken als zij zekeren persoon of iemands plaats betekenen, die zij met name niet noemen of willen uitdrukken, en van ons met de letter N in gelijke gevallen plegen aangewezen te worden. Zie Ruth 4:1 ; 1 Sam. 21:2 . Ruth 4:1 : En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. 1 Samuël 21:2 : En David zei tot de priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zei tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; de jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen gegeven.
[^2koningen-6-9-9]: Kanttekening 9: zijn daarheen: Of, zijn daar loerende, of, afgekomen om lagen te leggen, en te loeren op het volk, dat zou mogen uitkomen.
[^2koningen-6-10-10]: Kanttekening 10: Te weten, om te vernemen of het zo was, gelijk de profeet hem gewaarschuwd had, en dat zo bevindende, op zijn hoede en voorbaat te wezen.
[^2koningen-6-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, hij was daar op zijn hoede om alle schade af te keren.
[^2koningen-6-10-12]: Kanttekening 12: niet eenmaal: Dat is, dikwijls, tot verscheidene malen.
[^2koningen-6-11-13]: Kanttekening 13: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de onstuimigheid van de zee, als zij door winden en stormen beroerd wordt. Bij deze wordt alhier vergeleken de ongezindheid en ontsteltenis, die in het hart van de koning van Syrië geweest is.
[^2koningen-6-12-14]: Kanttekening 14: De zin is, dat het zo niet was, gelijk de koning vermoedde.
[^2koningen-6-13-15]: Kanttekening 15: Een stad, gelegen in de stam van Manasse, niet ver van Sichem en Samaria. Zie Gen. 37:17 . Genesis 37:17 : Zo zei die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broers na, en vond hen te Dothan.
[^2koningen-6-14-16]: Kanttekening 16: zwaar legermacht: Dat is, menigen in getal en groot van macht. Vergelijk 1 Kon. 3:9 , en 1 Kon. 10:2 , en zie Gen. 50:9 . 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 1 Koningen 10:2 : En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. Genesis 50:9 : En met hem togen op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zware legermacht.
[^2koningen-6-15-17]: Kanttekening 17: stond zeer vroeg op: Hebreeuws, יֵּצֵ֕א, maakte zich vroeg op om op te staan.
[^2koningen-6-17-18]: Kanttekening 18: open toch zijn ogen: Dat is, geef hem met zijn lichamelijke ogen te aanschouwen de uiterlijke gedaanten, waarin uw hemelse heirkrachten verschenen zijn, om met de geestelijke te begrijpen uw grote macht en de tegenwoordige hulp, die U voor ons bereid hebt.
[^2koningen-6-17-19]: Kanttekening 19: vurige paarden en wagens: Hebreeuws, סְבִיבֹ֥ת, paarden en wagens van het vuur. Versta hierdoor een grote menigte van engelen, die van God tot bescherming van de profeet gezonden waren. Vergelijk boven, 2 Kon. 2:11 . 2 Koningen 2:11 : En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel.
[^2koningen-6-18-20]: Kanttekening 20: Namelijk, de Syriërs.
[^2koningen-6-18-21]: Kanttekening 21: Versta zodanige blindheid niet, waardoor zij geheel niet zagen, maar waardoor zij niet recht konden onderscheiden, noch kennen wat zij zagen. Vergelijk Gen. 19:11 , en zie de aantekening. Genesis 19:11 : En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden.
[^2koningen-6-18-a]: Verwijzing a: Gen. 19:11 . Genesis 19:11 : En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden.
[^2koningen-6-19-22]: Kanttekening 22: Dit is de weg niet: Versta dit ten aanzien van de uitkomst van de zaken. Want op deze weg en in deze stad Dothan hebben zij de profeet niet gevonden, maar door de weg, in welke hij hen leidde, en in de stad Samaria, toen hij hen daarin gebracht had, en zij van hun blindheid genezen waren.
[^2koningen-6-21-23]: Kanttekening 23: mijn vader: Vergelijk boven, 2 Kon. 2:12 . 2 Koningen 2:12 : En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.
[^2koningen-6-22-24]: Kanttekening 24: zoudt u: De zin is, aangezien het niet betaamt dat men allen, die in de oorlog gevangen zijn, doden zal, dat het de koning Joram, nog veel minder betaamde deze te doden, die hij in de oorlog niet gevangen had.
[^2koningen-6-22-25]: Kanttekening 25: brood en water: Dat is, voedsel en drank. Vergelijk Ezra 10:6 . Ezra 10:6 : En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding van de weggevoerden.
[^2koningen-6-23-26]: Kanttekening 26: Zo kwamen de benden van de Syriërs niet: De zin is, dat de Syriërs in die tijd niet meer met benden van rovende en plunderende krijgslieden in het land van Israël uitvielen, maar wel openbaren oorlog daartegen voerden; gelijk blijkt uit vers 24 . 2 Koningen 6:24 : En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn gehele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde.
[^2koningen-6-25-27]: Kanttekening 27: Dat is, twintig rijksdaalders. Zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^2koningen-6-25-28]: Kanttekening 28: Een korenmaat, houdende zoveel als in vier en twintig gewone hoeneierschalen kon gaan. Het vierde deel derzelve van natte waren werd genoemd log; van welke maat zie Lev. 14:10 . Leviticus 14:10 : En op de achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.
[^2koningen-6-25-29]: Kanttekening 29: Sommigen verstaan hierdoor de granen, die de duiven in haar krop uit het veld vergaderd hadden; anderen het ingewand derzelve; enige ook enkel duivenmest, welke de Samaritanen in deze belegering zouden gebruikt hebben voor hout om daarmede vuur te stoken, hebbende daarvan veel voorraad in de stad om anders het land en de hoven daarmede te mesten; mogelijk hebben zij het ook gegeten. Josefus meent dat deze mest de belegerden inplaats van zout is geweest; in het negende boek van de Joodse oudheden, hoofdstuk 2.
[^2koningen-6-27-31]: Kanttekening 31: Van de dorsvloer: Dat is, met u koren te leveren uit de dorsvloer, of u te voorzien van wijn en olie uit de pers?
[^2koningen-6-27-30]: Kanttekening 30: YHWH: Dat is, omdat de Heer, die alleen alle mensen helpen kan, u niet helpt, zo weet ik niet hoe of waarmee ik u zou kunnen helpen. Anders, de Heer helpe u niet; als de woorden van een goddeloos en toornig mens. Vergelijk vers 31 . Het kan ook aldus vertaald worden: Niet. De Heer helpe u; dat is, spreekt zo niet, enz. 2 Koningen 6:31 : En hij zei: Zo doe mij God, en doe zo daartoe, als het hoofd van Elisa de zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan!
[^2koningen-6-29-b]: Verwijzing b: Deut. 28:53 . Deuteronomium 28:53 : En u zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uw zonen en uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen
[^2koningen-6-30-32]: Kanttekening 32: Tot een teken kwanswijs van droefenis, die hij uit het verhaal van de vrouw gekregen had, maar de rechte oorzaak was zijn bittere en felle toornigheid, waarmee zijn gemoed tegen de profeet Elisa ontstoken was. Zie het volgende.
[^2koningen-6-30-33]: Kanttekening 33: het volk: De zin is dat het volk, als de koning zijn opperkleed gescheurd had, gemerkt heeft dat hij aan zijn naakte lijf een zak of ruwig kleed aanhad, en dat mogelijk om boete te doen en zich zo met God te verzoenen, blijvende nochtans een huichelaar en zonder bekering. Vergelijk 1 Kon. 21:27 ; Jes. 58:5 . 1 Koningen 21:27 : Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in de zak, en ging langzaam. Jesaja 58:5 : Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt u dat een vasten heten, en een dag YHWH aangenaam?
[^2koningen-6-31-34]: Kanttekening 34: Zo doe mij God: Zie van deze manier van zweren 1 Kon. 19:2 . 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een van hen.
[^2koningen-6-31-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 19:2 . 1 Koningen 19:2 : Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hun.
[^2koningen-6-31-35]: Kanttekening 35: Hij was vergramd op Elisa, omdat hij de vijand van de stad niet afkeerde, gelijk hij tevoren gedaan had, boven, vers 18 , of omdat hij de honger niet wegnam, naar het exempel van Elia, 1 Kon. 17:1 , en 1 Kon. 18:42 . Het schijnt ook onder uit vers 33 , dat de profeet hem de goddelijke hulp toegezegd had, welke nog niet verschenen zijnde, hij mocht denken van hem bedrogen te zijn. 2 Koningen 6:18 : Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot YHWH, en zei: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa. 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 1 Koningen 18:42 : Zo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. 2 Koningen 6:33 : Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij zei: Zie, dat kwaad is van YHWH; wat zou ik verder op YHWH wachten?
[^2koningen-6-32-36]: Kanttekening 36: Men houdt deze geweest te zijn, òf enige van de voornaamsten van het volk, die bij Elisa gekomen waren om bij hem troost te halen, òf enige profeten of zonen van de profeten en godvrezenden onder het volk, die de voorgangers waren van de gelovigen in Israël, nog overgebleven. Zij worden de oudsten genoemd, niet omdat zij allen oud van jaren geweest zijn, maar alle oud in gaven van het verstand, in waardigheid huns werks en in vromigheid van het leven, hoewel enige jong van jaren.
[^2koningen-6-32-37]: Kanttekening 37: In deze zwaren en benauwden tijd bezig zijnde met leren, vermanen, troosten en bidden voor Gods volk en het gemenebest.
[^2koningen-6-32-38]: Kanttekening 38: een man: Wie deze geweest is, zie onder, 2 Kon. 7:2 . 2 Koningen 7:2 : Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo YHWH vensteren in de hemel maakte, zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.
[^2koningen-6-32-39]: Kanttekening 39: Te weten, in een profetisch gezicht, dat de Heer mij nu vertoond heeft. Van een gelijk gezicht, zie boven, 2 Kon. 5:26 . 2 Koningen 5:26 : Maar hij zei tot hem: Ging niet mijn hart mee, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om kleren te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?
[^2koningen-6-32-40]: Kanttekening 40: van de moordenaars: Namelijk van Achab, door wiens toedoen de bewilliging Naboth en de profeten van de Heer vermoord waren, 1 Kon. 18:4 , en 1 Kon. 21:9 . 1 Koningen 18:4 : Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. 1 Koningen 21:9 : En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats van het volk;
[^2koningen-6-32-41]: Kanttekening 41: en dringt hem: Dat is, houdt hem, namelijk de bode, met kracht buiten het huis, opdat hij niet inkome en mij verhindere het woord te spreken, dat YHWH mij bevolen heeft te spreken.
[^2koningen-6-32-42]: Kanttekening 42: is niet: Dat is, volgt hem de koning Joram, die hem gezonden heeft, niet straks op de hielen? Hij wil zeggen, zekerlijk ja. Zie Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^2koningen-6-32-43]: Kanttekening 43: Zie dergelijke manier van spreken 1 Kon. 14:6 . 1 Koningen 14:6 : En het geschiedde, als Ahia het geruis van haar voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zei: Kom in, u huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt u u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.
[^2koningen-6-33-44]: Kanttekening 44: hen sprak: Te weten, met de oudsten.
[^2koningen-6-33-45]: Kanttekening 45: hij zei: Te weten, de bode, in de naam en uit last van de koning. Anderen menen dat de koning zelf dit zou gesproken hebben, zijnde vóór de bode tot het huis van de profeet gekomen, omdat hij zich gehaast zou hebben om de bode voor te komen en de dood van de profeet, waarvan hij berouw had, te verhinderen.
[^2koningen-6-33-46]: Kanttekening 46: Versta, de kindermoord, veroorzaakt door de honger.
[^2koningen-6-33-47]: Kanttekening 47: zou ik: Woorden van een goddeloos en ongelovig mens, die de beloften van de goddelijke hulp, verkondigd door de profeet Elisa, smadelijk verwerpt.

### 2 Koningen 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/7.json)

*Elisa voorzegt de Samaritanen grote overvloed, en de dood van een hoofdman die hem niet geloofde, vers 1, enz. Vier melaatsen bezoeken het leger, waar zij niemand vinden, 3. de Syriërs zijn door God verjaagd, 6. de melaatsen brengen dit bericht in de stad, 8. de waarheid daarvan wordt onderzocht, 12. nu de zaak blijkt, wordt de profetie van Elisa vervuld, 16.*

**1** Toen[^2koningen-7-1-1] zei Elisa: Hoort het woord van YHWH; zo zegt YHWH: Morgen ongeveer deze tijd zal een[^2koningen-7-1-2] maat meelbloem verkocht worden voor een[^2koningen-7-1-3] sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v1)

**2** Maar een[^2koningen-7-2-4] hoofdman, op wiens hand de koning[^2koningen-7-2-5] leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo YHWH vensters in de hemel maakte,[^2koningen-7-2-7] zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.[^2koningen-7-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v2)

**3** Er waren nu vier melaatse mannen[^2koningen-7-3-a] voor de[^2koningen-7-3-8] deur van de poort; die zeiden, de één tot de ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v3)

**4** Als wij[^2koningen-7-4-9] zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en als wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger van de Syriërs vallen; als zij ons laten leven, wij zullen leven; en als zij ons doden, wij zullen maar sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v4)

**5** En zij stonden op in[^2koningen-7-5-10] de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het[^2koningen-7-5-11] uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v5)

**6** Want YHWH had het leger van de Syriërs doen horen een[^2koningen-7-6-b][^2koningen-7-6-12] geluid van wagens, en een geluid van paarden, het geluid van een grote legermacht; zodat zij zeiden[^2koningen-7-6-13] de één tot de ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen[^2koningen-7-6-14] van de Hethieten, en de koningen van de Egyptenaren, om tegen ons te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v6)

**7** Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in[^2koningen-7-7-15] de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezels, het leger zoals[^2koningen-7-7-16] het was; en waren gevlucht vanwege hun[^2koningen-7-7-17] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v7)

**8** Als nu deze melaatsen aan het uiterste van het leger kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en kleren, en gingen heen, en verborgen het; daarna keerden zij weer, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen heen, en verborgen het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v8)

**9** Toen zeiden zij,[^2koningen-7-9-18] de één tot de ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Als wij talmen tot de lichte morgen, zo zal ons[^2koningen-7-9-19] de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis van de koning boodschappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v9)

**10** Zo kwamen zij, en riepen tot[^2koningen-7-10-20] de poortwachter van de stad, en boodschapten[^2koningen-7-10-21] hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger van de Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch de stem van een mens; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, zoals zij waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v10)

**11** En[^2koningen-7-11-22] hij riep[^2koningen-7-11-23] de poortwachters; en zij deden de boodschap binnen in het huis van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v11)

**12** En de koning stond op in de nacht, en zei tot zijn[^2koningen-7-12-24] knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriërs ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v12)

**13** Toen antwoordde één van zijn knechten, en zei: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die[^2koningen-7-13-25] hierbinnen overgebleven zijn (zie,[^2koningen-7-13-26] zij zijn als de hele menigte van de Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de hele menigte van de Israëlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v13)

**14** Zij namen dan twee[^2koningen-7-14-27] wagenpaarden. En de koning zond het leger van de Syriërs achterna, zeggende: Ga heen, en ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v14)

**15** En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de hele weg was vol van kleren en[^2koningen-7-15-28] gereedschap, die de Syriërs in hun[^2koningen-7-15-29] verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weer, en boodschapten het de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v15)

**16** Toen ging het volk uit, en beroofde het leger van de Syriërs; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v16)

**17** De koning nu had de hoofdman,[^2koningen-7-17-30] op wiens hand hij leunde, over[^2koningen-7-17-31] die poort gesteld; en het[^2koningen-7-17-32] volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, zoals de man van God gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v17)

**18** Want het was gebeurd, zoals de man van God gesproken had tot de koning, zeggende:[^2koningen-7-18-33] Morgen ongeveer deze tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v18)

**19** En die hoofdman had de man van God geantwoord en gezegd: Zie, zo YHWH vensters in de hemel maakte,[^2koningen-7-19-35] zou het ook naar dit woord gebeuren kunnen? En[^2koningen-7-19-36] hij had gezegd: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.[^2koningen-7-19-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v19)

**20** Even zo gebeurde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/7.html#v20)

[^2koningen-7-1-1]: Kanttekening 1: zei Elisa: Te weten, tot de oudsten, die bij hem verzameld waren, tot de bode, die van de koning gezonden was, en tot de koning zelf, die straks na zijn bode volgde. Zie 2 Kon. 6:32 , 6:33 en onder, vers 17 , 7:18 . 2 Koningen 6:32 : (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar voordat de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt u gezien, hoe die zoon van de moordenaars gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis van de voeten van zijn heer achter hem? 2 Koningen 6:33 : Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij zei: Zie, dat kwaad is van YHWH; wat zou ik verder op YHWH wachten? 2 Koningen 7:17 : De koning nu had de hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk de man van God gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was. 2 Koningen 7:18 : Want het was geschied, gelijk de man van God gesproken had tot de koning, zeggende: Morgen omtrent deze tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria.
[^2koningen-7-1-2]: Kanttekening 2: maat meelbloem: Bij de Hebreën genaamd seah. Zie van deze maat Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^2koningen-7-1-3]: Kanttekening 3: De gemene zilveren sikkel, waarvan hier gesproken wordt, deed ruim of een weinig meer dan het vierde deel eens rijksdaalders. Zie Gen. 23:15 . Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^2koningen-7-2-4]: Kanttekening 4: Deze meent men geweest te zijn de man, die van de koning uitgezonden was om de profeet het hoofd af te slaan; boven, 2 Kon. 6:32 . 2 Koningen 6:32 : (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar voordat de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt u gezien, hoe die zoon van de moordenaars gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis van de voeten van zijn heer achter hem?
[^2koningen-7-2-5]: Kanttekening 5: Naar de gewoonte van de koningen en grote prinsen. Zie boven, 2 Kon. 5:18 . 2 Koningen 5:18 : In deze zaak vergeve YHWH uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij zo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, YHWH vergeve toch uw knecht in deze zaak.
[^2koningen-7-2-7]: Kanttekening 7: zou die zaak: Hij loochent aldus sterkelijk dat het mogelijk was. Zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^2koningen-7-2-6]: Kanttekening 6: Te weten, om daardoor meel of koren met grote overvloed als een regen uit te storten. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 7:11 . Genesis 7:11 : In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend.
[^2koningen-7-3-a]: Verwijzing a: Lev. 13:46 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^2koningen-7-3-8]: Kanttekening 8: deur van de poort: De melaatsen moesten in het leger en in de steden niet wonen, maar daarbuiten, afgezonderd van het gezelschap van de mensen, Lev. 13:46 . Deze nu waren genaderd, tot aan de poort van de stad gevlucht zijnde om het leger van de Syriërs, dat voor dezelfde lag. Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^2koningen-7-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, denken, of voornemen bij onszelven in de stad te gaan. Zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^2koningen-7-5-10]: Kanttekening 10: Het Hebreeuwse woord betekent de tijd van de morgen, of van de avond, als het is tussen licht en donker. Hier wordt het voor de avondschemering genomen, gelijk af te nemen is uit vers 9 , evenals de Syriërs weggevloden waren, vers 7 . Zo Spreuk. 7:9 . Voor de morgenschemering is het genomen Ps. 119:147 . Zie ook 1 Sam. 30:17 . 2 Koningen 7:9 : Toen zeiden zij, de één tot de ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Als wij vertoeven tot de lichte morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis van de koning boodschappen. 2 Koningen 7:7 : Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevlucht om huns levens wil. Spreuken 7:9 : In de schemering, in de avond van de dag, in de zwarte nacht en de donkerheid; Psalmen 119:147 : Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. 1 Samuël 30:17 : En David sloeg hen van de schemering tot aan de avond van hunlieder anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kamelen reden en vloden.
[^2koningen-7-5-11]: Kanttekening 11: Versta het voorste einde van het leger, dat naast de plaats, waar de melaatsen aankwamen, gelegen was. Zo onder, vers 8 . 2 Koningen 7:8 : Als nu deze melaatsen aan het uiterste van het leger kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en kleren, en gingen heen, en verborgen het; daarna keerden zij weer, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen heen, en verborgen het.
[^2koningen-7-6-b]: Verwijzing b: Jes. 13:4 . Jesaja 13:4 : Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk eens grote volks; een stem van gedruis van de koninkrijken, van de verzamelde heidenen; YHWH van de legermachten monstert het leger.
[^2koningen-7-6-12]: Kanttekening 12: geluid van wagens: Dat was, òf in hun oren, alleen, òf ook in de lucht van God door zijn heilige engelen gemaakt.
[^2koningen-7-6-13]: Kanttekening 13: de één tot de ander: Hebreeuws, שָֽׂכַר, de man tot zijn broer.
[^2koningen-7-6-14]: Kanttekening 14: van de Hethieten: Door deze worden verstaan niet de Hethieten, afkomstig van Heth, Gen. 10:15 , die lang vóór deze uitgeroeid waren, maar \[gelijk sommigen menen\] de koningen van de eilanden Cyprus, Creta, enz. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^2koningen-7-7-15]: Kanttekening 15: Te weten, recht, voordat de melaatsen aan het leger gekomen waren. Zie boven, vers 5 . 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.
[^2koningen-7-7-16]: Kanttekening 16: als het was: Te weten, toen zij nog daarin waren voor hun vlucht, die hun zo onvoorziens en met zulke verschrikking overkomen is, dat zij, nergens naar omziende, alles gelaten hebben zo het was, om slechts hun leven daarvan te brengen. Vergelijk vers 5 met onder, vers 10 . 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand. 2 Koningen 7:10 : Zo kwamen zij, en riepen tot de poortwachter van de stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger van de Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren.
[^2koningen-7-7-17]: Kanttekening 17: levens wil: Hebreeuws, נַפְשָֽׁ, ziel. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^2koningen-7-9-18]: Kanttekening 18: de één tot de ander: Hebreeuws, רֵעֵ֜, de man tot zijn naaste, of metgezel. Vergelijk boven, de aantekening vers 6 . 2 Koningen 7:6 : Want YHWH had de legermacht van de Syriërs doen horen een geluid van wagens, en een geluid van paarden, het geluid van een grote heirkracht; zodat zij zeiden de één tot de ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen van de Hethieten, en de koningen van de Egyptenaren, om tegen ons te komen.
[^2koningen-7-9-19]: Kanttekening 19: de ongerechtigheid: Dat is, de straf van de zonde. Want de zonde wordt ons gezegd te vinden, niet alleen als wij in dezelfde bevonden en achterhaald, maar ook daarom gestraft worden. Zie Num. 32:23 , en de aantekening daarop. Numeri 32:23 : Als u daarentegen zo niet zult doen, ziet, zo hebt u tegen YHWH gezondigd; maar u zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!
[^2koningen-7-10-20]: Kanttekening 20: de poortwachter: Anders, tot de portiers.
[^2koningen-7-10-21]: Kanttekening 21: Namelijk, de portier en dengenen, die met hem aan de poort de wacht hielden.
[^2koningen-7-11-22]: Kanttekening 22: hij riep: Te weten de stadsportier, die de voorwacht had.
[^2koningen-7-11-23]: Kanttekening 23: de poortwachters: Te weten zijn metgezellen, die met hem de wacht aan de poort hielden; of de portiers van het huis van de koning. Anders, de portiers riepen uit.
[^2koningen-7-12-24]: Kanttekening 24: Dat is, raadsheren en voornaamste officieren. Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech van de morgen vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^2koningen-7-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, in deze stad.
[^2koningen-7-13-26]: Kanttekening 26: zij zijn: Hij wil zeggen dat deze paarden niet meer te achten waren dan de belegerde Israëlieten, die toch moeten sterven, gelijk de anderen, die al gestorven zijn, zo er geen ontzet komt.
[^2koningen-7-14-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, twee wagens van paarden; dat is, twee paarden van wagens. Versta, die men aan de wagen placht te spannen. Anders, twee ruiters te paard; te weten, denwelken de koning bevolen had het leger van de Syriërs te bezichtigen en te vernemen hoe het daarmede gelegen was.
[^2koningen-7-15-28]: Kanttekening 28: Of, vaten.
[^2koningen-7-15-29]: Kanttekening 29: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een verhaasting, die met vrees voor het aanstaande gevaar verenigd is. Vergelijk 2 Sam. 4:4 ; Ps. 48:6 . 2 Samuël 4:4 : En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth. Psalmen 48:6 : Gelijk zij het zagen, zo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.
[^2koningen-7-17-30]: Kanttekening 30: op wiens hand: Zie boven, vers 2 . 2 Koningen 7:2 : Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo YHWH vensteren in de hemel maakte, zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.
[^2koningen-7-17-31]: Kanttekening 31: die poort: Door welke men ging naar het leger van de Syriërs.
[^2koningen-7-17-32]: Kanttekening 32: Te weten, dat met grote menigte en in haast ten dele uit de stad zocht te wezen, zeer begerig naar het voedsel en de buit, die in het leger en daar buiten met overvloed te bekomen waren, ten dele inkwam, geladen met voedsel, drank, kleren, wapens, enz., en medebrengende veel beesten.
[^2koningen-7-18-33]: Kanttekening 33: Zie boven, vers 1 . 2 Koningen 7:1 : Toen zei Elisa: Hoort het woord van YHWH; zo zegt YHWH: Morgen omtrent deze tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria.
[^2koningen-7-19-35]: Kanttekening 35: zou het ook: Of, zou ook zulk een zaak gebeuren kunnen?
[^2koningen-7-19-36]: Kanttekening 36: hij had gezegd: Namelijk, de profeet Elisa.
[^2koningen-7-19-34]: Kanttekening 34: Zie boven, vers 2 . 2 Koningen 7:2 : Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo YHWH vensteren in de hemel maakte, zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.

### 2 Koningen 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/8.json)

*De Sunamitische vrouw, die om zekere duurte het land op raad van Elisa verlaten had, keert terug, vers 1, enz. en krijgt al haar goed terug, op last van de koning, 4. Elisa voorzegt de dood van Benhadad, 7. en de regering van Hazaël over Syrië, 12. Joram wordt koning na Josafat, 16. verlaat de HEERE, 18. daarom vallen de Edomieten van hem af, en die van Libna, 20. hij sterft, en Ahazia wordt koning in zijn plaats, 24. hij houdt vriendschap met Joram, de koning van Israël, 28.*

**1** Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw[^2koningen-8-1-1] huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.[^2koningen-8-1-a][^2koningen-8-1-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v1)

**2** En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van de man van God; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land van de Filistijnen, zeven jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v2)

**3** En het gebeurde met het einde van de zeven jaren, dat de vrouw uit het land van de Filistijnen terugkeerde; en zij ging uit, dat zij tot de koning[^2koningen-8-3-3] riep, om haar huis en om haar akker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v3)

**4** De koning nu sprak tot[^2koningen-8-4-4] Gehazi, de jongen van de man van God, zeggende: Vertel mij toch al[^2koningen-8-4-5] de grote dingen, die Elisa gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v4)

**5** En het gebeurde, als hij de koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, tot de koning, om haar huis en om haar akker. Toen zei Gehazi: Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa heeft levend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v5)

**6** En de koning[^2koningen-8-6-6] ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een[^2koningen-8-6-7] kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten van de akker, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v6)

**7** Daarna kwam Elisa in[^2koningen-8-7-8] Damascus, als Benhadad, de koning van Syrië, ziek was; en men boodschapte hem, zeggende: De man van God is herwaarts gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v7)

**8** Toen zei de koning tot Hazaël:[^2koningen-8-8-9] Neem een geschenk[^2koningen-8-8-10] in uw hand,[^2koningen-8-8-b] en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem YHWH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen?[^2koningen-8-8-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v8)

**9** Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten,[^2koningen-8-9-12] alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei:[^2koningen-8-9-13] Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v9)

**10** En Elisa zei tot hem: Ga,[^2koningen-8-10-14] zeg, u zult geheel niet genezen; want YHWH heeft mij getoond, dat hij[^2koningen-8-10-15] de dood sterven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v10)

**11** En[^2koningen-8-11-16] hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast[^2koningen-8-11-17] tot schamens toe; en de man van God[^2koningen-8-11-18] huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v11)

**12** Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei:[^2koningen-8-12-c] omdat ik weet, wat kwaad u de Israëlieten doen zult; u zult hun vestingen in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v12)

**13** En Hazaël zei: Maar wat is uw knecht, die[^2koningen-8-13-19] een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elisa zei: YHWH heeft mij getoond, dat u koning zijn zult over Syrië.[^2koningen-8-13-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v13)

**14** Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn[^2koningen-8-14-21] heer, die tot hem zei: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zei: Hij heeft tot mij gezegd:[^2koningen-8-14-22] U zult zeker genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v14)

**15** En het gebeurde op de andere dag, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over[^2koningen-8-15-23] zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Hazaël werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v15)

**16** [^2koningen-8-16-d] In het[^2koningen-8-16-24] vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van[^2koningen-8-16-25] Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v16)

**17** Hij was twee en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v17)

**18** En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want de[^2koningen-8-18-26] dochter van Achab was hem tot vrouw geworden; en[^2koningen-8-18-27] hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v18)

**19** Maar YHWH wilde Juda niet verderven,[^2koningen-8-19-28] omwille van David, Zijn knecht;[^2koningen-8-19-e] zoals Hij hem gezegd had, dat Hij hem[^2koningen-8-19-29] altijd voor zijn zonen een[^2koningen-8-19-30] lamp zou geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v19)

**20** [^2koningen-8-20-f] In zijn dagen[^2koningen-8-20-31] vielen de Edomieten van onder[^2koningen-8-20-32] het gebied van Juda af, en maakten een[^2koningen-8-20-33] koning over zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v20)

**21** Daarom trok Joram over naar[^2koningen-8-21-34] Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v21)

**22** De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af,[^2koningen-8-22-35] tot op deze dag; toen viel[^2koningen-8-22-36] Libna af in deze tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v22)

**23** Het overige nu van de geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven[^2koningen-8-23-37] in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v23)

**24** En[^2koningen-8-24-g] Joram[^2koningen-8-24-38] ontsliep met zijn vaders, en werd[^2koningen-8-24-39] begraven bij zijn vaders, in de stad van David; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v24)

**25** In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël,[^2koningen-8-25-h] begon Ahazia, de zoon van Jeroham,[^2koningen-8-25-40] de koning van Juda, te regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v25)

**26** Twee en twintig jaren was Ahazia[^2koningen-8-26-41] oud, als hij koning werd,[^2koningen-8-26-i] en regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de[^2koningen-8-26-42] dochter van Omri, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v26)

**27** En hij[^2koningen-8-27-43] wandelde in de weg van het huis van Achab, en deed[^2koningen-8-27-44] dat kwaad was in de ogen van YHWH, zoals het huis van Achab; want hij was een[^2koningen-8-27-45] schoonzoon van het huis van Achab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v27)

**28** En hij trok met Joram, de zoon van Achab, naar de strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs[^2koningen-8-28-46] sloegen Joram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v28)

**29** Toen[^2koningen-8-29-k] keerde Joram, de koning, terug, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en[^2koningen-8-29-l] Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bekijken, want hij was ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/8.html#v29)

[^2koningen-8-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, huis. Zie Gen. 7:1 . Genesis 7:1 : Daarna zei YHWH tot Noach: Ga u, en uw gehele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
[^2koningen-8-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 4:34 . 2 Koningen 4:34 : En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op daarvan mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm.
[^2koningen-8-1-2]: Kanttekening 2: heeft een honger: Dat is, heeft naar zijn gerechtigheid een duren tijd over het land gezonden, als zijn dienaar en scherprechter om zijne straffen uit te voeren. Zie mee Ps. 105:16 . Zo wordt ook God gezegd andere plagen te roepen, even alsof zij levende en redelijke schepselen waren, bekwaam om te verstaan en gewillig om te gehoorzamen; Jer. 25:29 ; Hagg. 1:11 . Psalmen 105:16 : Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf van het brood. Jeremia 25:29 : Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Haggai 1:11 : Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid van de handen.
[^2koningen-8-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, ernstiglijk en met aanhouding verzocht, om haar huis en land, dat enige in haar afwezen bezeten hadden weer te krijgen. Vergelijk vers 6 . 2 Koningen 8:6 : En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten van de akker, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.
[^2koningen-8-4-4]: Kanttekening 4: Het schijnt dat dit geschied is vóór de historie van Naäman de Syriër en de melaatsheid van Gehazi, waarvan men zien kan boven, 2 Kon. 5 , omdat niemand lichtelijk sprak met de melaatsen, die van het gezelschap van de mensen door Gods wet afgezonderd waren, Lev. 13:46 . Anderen menen dat deze wet de samenwoning alleen verbood, en niet de aanspraak, die de Israëlieten zowel, boven, 2 Kon. 7:10 , als de heidenen, boven, 2 Kon. 5:4 , 5:5 , toegelaten hebben. Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. 2 Koningen 7:10 : Zo kwamen zij, en riepen tot de poortwachter van de stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger van de Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren. 2 Koningen 5:4 : Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israël is. 2 Koningen 5:5 : Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.
[^2koningen-8-4-5]: Kanttekening 5: de grote dingen: Dat is, mirakelen en wonderwerken, die deze afgodische koning niet uit waar geloof, maar uit ijdele nieuwsgierigheid zocht te horen.
[^2koningen-8-6-6]: Kanttekening 6: Te weten, of haar zoon door Elisa van de dood opgewekt was geweest.
[^2koningen-8-6-7]: Kanttekening 7: Zie Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^2koningen-8-7-8]: Kanttekening 8: Zie Gen. 14:15 . Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen van de nacht, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus.
[^2koningen-8-8-9]: Kanttekening 9: Neem een geschenk: Zie 1 Kon. 14:3 . 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal.
[^2koningen-8-8-10]: Kanttekening 10: in uw hand: Dat is, met u. Zie boven, 2 Kon. 5:5 . Zo in vers 9 . 2 Koningen 5:5 : Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen. 2 Koningen 8:9 : Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen?
[^2koningen-8-8-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 14:2 ; idem v. 3 ; 2 Kon. 1:2 . 1 Koningen 14:2 : En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat u Jerobeams huisvrouw bent, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk. 1 Koningen 14:3 : En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal. 2 Koningen 1:2 : En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte genezen zal.
[^2koningen-8-8-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, leven. Zo Num. 21:8 , en Joz. 5:8 , en onder, vers 9 , 8:10 , 8:14 ; Joh. 4:50 . Numeri 21:8 : En YHWH zei tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal gebeuren, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. Jozua 5:8 : En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren. 2 Koningen 8:9 : Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen? 2 Koningen 8:10 : En Elisa zei tot hem: Ga, zeg, u zult ganselijk niet genezen; want YHWH heeft mij getoond, dat hij de dood sterven zal. 2 Koningen 8:14 : Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zei: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zei: Hij heeft tot mij gezegd: U zult zekerlijk genezen. Johannes 4:50 : Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zei, en ging heen.
[^2koningen-8-9-12]: Kanttekening 12: alle goed: Dat is, allerlei.
[^2koningen-8-9-13]: Kanttekening 13: Uw zoon Benhadad: Dat is, die u eert als zijn vader. Zo heeft de koning Joram deze profeet zijn vader genoemd, boven, 2 Kon. 6:21 . 2 Koningen 6:21 : En de koning van Israël zei tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader?
[^2koningen-8-10-14]: Kanttekening 14: u zult: Hebreeuws, אֱמָר, u zult levende niet leven. Anders aldus: Zeg hem, u zult levende leven. Verstaande dit spottenderwijze gesproken. Vergelijk 1 Kon. 22:15 . De woorden worden ook vertaald aldus: U zoudt kunnen zekerlijk genezen. En de zin is dan dat de ziekte van Benhadad wel uit haar natuur niet was ter dood, zo dat hij daarvan zou hebben kunnen opstaan, maar dat hij evenwel sterven zou door een andere manier, voordat de ziekte een einde zou nemen. Zie onder, vers 15 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. 2 Koningen 8:15 : En het geschiedde van de anderen daags, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Hazaël werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-8-10-15]: Kanttekening 15: de dood: Hebreeuws, מ֥וֹת, stervende sterven.
[^2koningen-8-11-16]: Kanttekening 16: hij hield: Te weten, de profeet, die zijn ogen op Hazaël geslagen hebbende, dezelfde zolang op hem hield, totdat hij zich schaamde langer op hem te zien of totdat Hazaël beschaamd werd zolang bezien te worden. Anderen verstaan dit aldus, dat de profeet zijn aangezicht niet op Hazaël maar op iets anders vastgehouden heeft, zijnde in de aanmerking van de wreedheid, die Hazaël tegen Israël bedrijven zou, totdat hem, ofschoon hij zich poogde in te houden, daarover de tranen ontgaan zijn. Naar de andere overzetting nemen het sommigen van Hazaël, dat hij zijn aangezicht op de profeet gesteld zou hebben, verwonderd zijnde waarom hij hem strijdende dingen scheen te belasten, om die zijn heer Benhadad aan te dienen.
[^2koningen-8-11-17]: Kanttekening 17: tot schamens toe: Zie van deze manier van spreken ook Richt. 3:25 , en boven, 2 Kon. 2:17 . Anders, langen tijd, of tot vertraging. Richteren 3:25 : Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren van de opperzaal niet. Toen namen zij de sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood. 2 Koningen 2:17 : Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zei: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden.
[^2koningen-8-11-18]: Kanttekening 18: Uit oorzaak van het kwaad, dat hij door Gods openbaring voorzag de kinderen van Israël door middel van Hazaël te zullen overkomen. Vergelijk Jer. 14:17 , en Luk. 19:41 . Jeremia 14:17 : Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is. Lukas 19:41 : En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,
[^2koningen-8-12-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 10:32 ; 2 Kon. 12:17 ; 2 Kon. 13:7 . 2 Koningen 10:32 : In die dagen begon YHWH Israël af te korte, want Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël: 2 Koningen 12:17 : Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken. 2 Koningen 13:7 : Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagens, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
[^2koningen-8-13-19]: Kanttekening 19: een hond is: Dat is, geheel onwaardig, veracht en onvermogend. Vergelijk 1 Sam. 24:15 ; 2 Sam. 3:8 , en 2 Sam. 9:8 ; Job 30:1 . Anders, wat is uw knecht? een hond? Dat is, zo wreed, fel, moorddadig en onbarmhartig als een hond. Zo worden de wreden en bloeddorstigen bij honden vergeleken; Ps. 22:17 , 22:21 , en Ps. 59:7 . 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo! 2 Samuël 3:8 : Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat u heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid van een vrouw? 2 Samuël 9:8 : Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen. Psalmen 22:17 : Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond. Psalmen 59:7 : Tegen de avond keren zij weer, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
[^2koningen-8-13-20]: Kanttekening 20: YHWH: Vergelijk 1 Kon. 19:15 . 1 Koningen 19:15 : En YHWH zei tot hem: Ga, keer weer op uwe weg, naar de woestijn van Damascus; en ga daar in, en zalf Hazaël ten koning over Syrië.
[^2koningen-8-14-21]: Kanttekening 21: De koning van Syrië.
[^2koningen-8-14-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, levend zijnde zult u leven; dat is, zekerlijk genezen. Hij verhaalt het tegendeel van wat Elisa hem gezegd had, volgens de overzetting van vers 10 . 2 Koningen 8:10 : En Elisa zei tot hem: Ga, zeg, u zult ganselijk niet genezen; want YHWH heeft mij getoond, dat hij de dood sterven zal.
[^2koningen-8-15-23]: Kanttekening 23: zijn aangezicht: Namelijk van de koning Benhadad. Dit heeft Hazaël gedaan met voorbedachten rade, om hem de dood aan te brengen.
[^2koningen-8-16-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 21:4 ; idem v. 5 . 2 Kronieken 21:4 : Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook ook enige van de vorsten van Israël. 2 Kronieken 21:5 : Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.
[^2koningen-8-16-24]: Kanttekening 24: vijfde jaar: Dat was het twee en twintigste jaar van het koninkrijk van Josafat. Vergelijk boven, 2 Kon. 3:1 . 2 Koningen 3:1 : Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.
[^2koningen-8-16-25]: Kanttekening 25: toen Josafat: Want nog in het leven zijnde en het recht van de koninklijke stoel behoudende, had hij zijn zoon stadhouder gemaakt en met hem enige jaren geregeerd. Vergelijk hiermede de aantekening 1 Kon. 22:42 , en boven, 2 Kon. 1:17 . 1 Koningen 22:42 : Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 2 Koningen 1:17 : Zo stierf hij, naar het woord van YHWH, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon.
[^2koningen-8-18-26]: Kanttekening 26: Genaamd Athalia, onder, vers 26 , alwaar zij wordt gezegd de dochter van Omri, omdat deze Achabs vader was, en dus haar grootvader. 2 Koningen 8:26 : Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël.
[^2koningen-8-18-27]: Kanttekening 27: hij deed: Zie 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^2koningen-8-19-28]: Kanttekening 28: om Davids: Zie 1 Kon. 11:12 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.
[^2koningen-8-19-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 7:13 ; 1 Kon. 11:36 ; 1 Kon. 15:4 ; Ps. 132:17 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen. 1 Koningen 15:4 : Maar vanwege David, gaf YHWH, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^2koningen-8-19-29]: Kanttekening 29: te alle tijde: Hebreeuws, נִ֛יר, alle dagen. Zie 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^2koningen-8-19-30]: Kanttekening 30: lamp zou geven: Zie 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^2koningen-8-20-f]: Verwijzing f: Gen. 27:40 ; 2 Kron. 21:8 . Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. 2 Kronieken 21:8 : In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.
[^2koningen-8-20-31]: Kanttekening 31: Aldus werd vervuld de voorzegging van Izak, Gen. 27:40 . Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken.
[^2koningen-8-20-32]: Kanttekening 32: het gebied: Hebreeuws, יַד, hand; dat is, macht en gebied. Zo onder, vers 22 . Zie Gen. 16:6 . 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd. Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^2koningen-8-20-33]: Kanttekening 33: Want van de tijd van David af was er geen koning onder hen geweest, maar een konings stadhouder, ingezet door de koning van Juda. Zie 1 Kon. 22:48 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 22:48 : Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.
[^2koningen-8-21-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, Tsair. De naam van een stad of plaats in Idumea gelegen.
[^2koningen-8-22-35]: Kanttekening 35: tot op deze dag: Dat is, welke afval duurt tot op deze dag, in welke dit boek is geschreven geweest.
[^2koningen-8-22-36]: Kanttekening 36: Een stad, gelegen in de stam van Juda, Joz. 15:42 , en de priesters te bewonen gegeven, Joz. 21:13 ; de oorzaak van haar afval was, omdat Joram de Heer, de God van zijn vaderen, verlaten had, 2 Kron. 21:10 . Door deze afval werd Joram verhinderd zijn victorie tegen de Edomieten te vervolgen, waardoor zij in hun afval gebleven zijn. Jozua 15:42 : Libna, en Ether, en Asan, Jozua 21:13 : Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de moordenaars, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; 2 Kronieken 21:10 : Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op deze dag; toen ter zelfder tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had YHWH, de God van zijn vaderen, verlaten.
[^2koningen-8-23-37]: Kanttekening 37: in het boek: Zie 1 Kon. 14:29 . 1 Koningen 14:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
[^2koningen-8-24-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 21:19 . 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem andere branding, als de branding zijn vaderen.
[^2koningen-8-24-38]: Kanttekening 38: Zie Deut. 31:16 ; 1 Kon. 1:21 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb. 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.
[^2koningen-8-24-39]: Kanttekening 39: Maar niet in de graven van de koningen, maar in een gewoon graf, afgezonderd van de andere en zonder de gewoonlijke verering. Zie 2 Kron. 21:19 , 21:20 . 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem andere branding, als de branding van zijn vaderen. 2 Kronieken 21:20 : Hij was twee en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen.
[^2koningen-8-25-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 22:1 . 2 Kronieken 22:1 : En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eerste gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.
[^2koningen-8-25-40]: Kanttekening 40: te regeren: Hebreeuws, מֶ֥לֶךְ, regeerde.
[^2koningen-8-26-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, een zoon van twee en twintig jaar.
[^2koningen-8-26-i]: Verwijzing i: 2 Kron. 22:2 . 2 Kronieken 22:2 : Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Athalia, een dochter van Omri.
[^2koningen-8-26-42]: Kanttekening 42: dochter van Omri: Versta, zijns zoons dochter. Want deze Athalia was de dochter van Achab, boven, vers 18 , en Achab de zoon van Omri, 1 Kon. 16:28 , 16:29 . 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. 1 Koningen 16:28 : En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 16:29 : En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren.
[^2koningen-8-27-43]: Kanttekening 43: Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2koningen-8-27-44]: Kanttekening 44: dat kwaad was: Zie 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^2koningen-8-27-45]: Kanttekening 45: Te weten, door het huwelijk van Athalia, de dochter van Achab, met Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda.
[^2koningen-8-28-46]: Kanttekening 46: sloegen Joram: Dat is, wondden, of, kwetsten.
[^2koningen-8-29-k]: Verwijzing k: 2 Kon. 9:15 . 2 Koningen 9:15 : Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
[^2koningen-8-29-l]: Verwijzing l: 2 Kron. 22:6 ; idem v. 7 . 2 Kronieken 22:6 : En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek. 2 Kronieken 22:7 : De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, denwelken YHWH gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.

### 2 Koningen 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/9.json)

*Een profeet zalft, op last van Elisa, Jehu tot koning over Israël, vers 1, enz. die hij gelast het huis van Achab uit te roeien, 7. Jehu wordt door de krijgsoversten als koning erkend en uitgeroepen, 11. hij maakt een verbond tegen Joram, 14. trekt naar hem toe te Jizreël, 15. doorschiet hem, 24. doodt ook Ahazia, de koning van Juda, 27. en laat Izebel uit het venster werpen, 30. die door de honden gegeten wordt, 34.*

**1** Toen riep de profeet Elisa één van de[^2koningen-9-1-1] zonen van de profeten, en hij zei tot hem[^2koningen-9-1-a]:[^2koningen-9-1-2] Gord uw middel, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar[^2koningen-9-1-3] Ramoth in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v1)

**2** Als u daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu,[^2koningen-9-2-4] de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden van zijn[^2koningen-9-2-5] broers, en breng hem in een[^2koningen-9-2-6] binnenste kamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v2)

**3** En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt YHWH: Ik heb u tot koning[^2koningen-9-3-7] gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlucht, en wacht niet langer.[^2koningen-9-3-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v3)

**4** Zo ging de jongeling, die jongeling[^2koningen-9-4-8] van de profeet, naar Ramoth in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v4)

**5** En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het leger, en hij zei:[^2koningen-9-5-9] Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zei: Tot wie van ons allen? En hij zei: Tot u, o hoofdman! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v5)

**6** Toen stond[^2koningen-9-6-10] hij op, en ging[^2koningen-9-6-11] in huis;[^2koningen-9-6-12] hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zei tot hem: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van YHWH, over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v6)

**7** En u zult het[^2koningen-9-7-13] huis van Achab, uw[^2koningen-9-7-14] heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van YHWH, wreke[^2koningen-9-7-15] van de hand van Izebel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v7)

**8** En[^2koningen-9-8-c] het hele huis van Achab zal[^2koningen-9-8-16] omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene[^2koningen-9-8-17] en verlatene in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v8)

**9** Want Ik zal het huis van Achab maken als[^2koningen-9-9-d] het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als[^2koningen-9-9-e] het huis van Baësa, de zoon van Ahia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v9)

**10** [^2koningen-9-10-f] Ook zullen de honden Izebel eten op[^2koningen-9-10-18] het stuk[^2koningen-9-10-19] lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v10)

**11** En als Jehu uitging tot de knechten van zijn heer, zei men tot hem:[^2koningen-9-11-20] Is het al wel? Waarom is deze[^2koningen-9-11-21] krankzinnige tot u gekomen? En hij zei tot hen:[^2koningen-9-11-22] U kent de man en zijn spraak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v11)

**12** Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zei:[^2koningen-9-12-23] Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v12)

**13** Toen haastten zij zich, en ieder nam zijn kleed, en[^2koningen-9-13-24] legde het onder hem,[^2koningen-9-13-25] op de hoogste trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v13)

**14** Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi,[^2koningen-9-14-26] een samenzwering tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead[^2koningen-9-14-27] bewaard, hij en geheel Israël, wegens Hazaël, de koning van Syrië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v14)

**15** Maar[^2koningen-9-15-g] de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich[^2koningen-9-15-28] te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het uw[^2koningen-9-15-29] wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in[^2koningen-9-15-30] Jizreël te[^2koningen-9-15-31] gaan verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v15)

**16** Toen reed Jehu, en trok naar Jizreël; want Joram[^2koningen-9-16-32] lag daar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v16)

**17** De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie één hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hun tegemoet, en dat hij zegt: Is het vrede? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v17)

**18** En de ruiter te paard trok heen hem tegemoet, en zei: Zo zegt de koning:[^2koningen-9-18-33] Is het vrede? En Jehu zei:[^2koningen-9-18-34] Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v18)

**19** Toen zond hij een andere ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zei hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v19)

**20** En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weer; en het drijven is als het drijven van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij drijft[^2koningen-9-20-35] als een razende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v20)

**21** Toen zei Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo trok Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij trokken uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk[^2koningen-9-21-36] lands van Naboth, de Jizreëliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v21)

**22** Het gebeurde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zei: Wat vrede, zo lang als de[^2koningen-9-22-37] hoererijen van uw moeder Izebel, en haar[^2koningen-9-22-38] toverijen zo vele zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v22)

**23** Toen keerde Joram[^2koningen-9-23-39] zijn hand, en vluchtte, en zei tot Ahazia:[^2koningen-9-23-40] Het is bedrog, Ahazia! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v23)

**24** Maar Jehu[^2koningen-9-24-41] spande de boog met volle kracht, en[^2koningen-9-24-42] schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij[^2koningen-9-24-43] kromde zich in zijn wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v24)

**25** Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want[^2koningen-9-25-44] gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last oplegde, zeggende:[^2koningen-9-25-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v25)

**26** [^2koningen-9-26-h] Zo[^2koningen-9-26-46] Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed[^2koningen-9-26-47] van zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk[^2koningen-9-26-48][^2koningen-9-26-49] lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v26)

**27** Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg[^2koningen-9-27-50] van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei:[^2koningen-9-27-51] Sla hem ook op de wagen, aan de opgang[^2koningen-9-27-52] naar Gur, die bij[^2koningen-9-27-53] Jibleam is; en hij vluchtte naar[^2koningen-9-27-54] Megiddo, en stierf daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v27)

**28** En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaders in de[^2koningen-9-28-55] stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v28)

**29** In het[^2koningen-9-29-56] elfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v29)

**30** En Jehu kwam te Jizreël. Als Izebel dat hoorde, zo[^2koningen-9-30-57] verfde zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v30)

**31** Toen nu Jehu ter[^2koningen-9-31-58] poorte inkwam, zei zij: Is het wel,[^2koningen-9-31-59][^2koningen-9-31-i] o Zimri, moordenaar van zijn heer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v31)

**32** En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zei:[^2koningen-9-32-60] Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie[^2koningen-9-32-61] kamerlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v32)

**33** En[^2koningen-9-33-62] hij zei: Stoot ze van boven neer. En[^2koningen-9-33-63] zij stootten haar van boven neer, zodat van haar bloed aan de wand en aan de paarden gesprengd werd; en[^2koningen-9-33-64] hij vertrad haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v33)

**34** Als hij nu[^2koningen-9-34-65] ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zei hij: Zie nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want[^2koningen-9-34-k] zij is de dochter van een koning[^2koningen-9-34-66]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v34)

**35** En zij gingen heen om haar te begraven; maar zij vonden niet van haar, dan de schedel, en de voeten, en de palmen van haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v35)

**36** Toen kwamen zij weer, en gaven het hem te kennen, en hij zei: Dit is het woord van YHWH, dat Hij gesproken heeft door[^2koningen-9-36-67] de dienst van Zijn knecht Elia, de Thisbiet, zeggende[^2koningen-9-36-l]:[^2koningen-9-36-68] Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v36)

**37** En het dode lichaam van Izebel zal zijn zoals mest op[^2koningen-9-37-69] het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/9.html#v37)

[^2koningen-9-1-1]: Kanttekening 1: Zie 1 Kon. 20:35 . 1 Koningen 20:35 : Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
[^2koningen-9-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 19:16 . 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats.
[^2koningen-9-1-2]: Kanttekening 2: Gord uw lenden: Zie 1 Kon. 18:46 , en boven, 2 Kon. 4:29 . 1 Koningen 18:46 : En de hand van YHWH was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot daar men te Jizreël komt. 2 Koningen 4:29 : En hij zei tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen.
[^2koningen-9-1-3]: Kanttekening 3: Ramoth in Gilead: Zie Deut. 4:43 . Het blijkt uit dit verhaal dat de Israëlieten deze stad weer van de Syriërs aan hun zijde gekregen hadden. Zie onder, vers 14 , en de aantekeningen. Deuteronomium 4:43 : Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. 2 Koningen 9:14 : Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en geheel Israël, uit oorzake van Hazaël, de koning van Syrië;
[^2koningen-9-2-4]: Kanttekening 4: de zoon van Josafat: En is vervolgens te onderscheiden van een Jehu, die een profeet en de zoon van Hanani was. Zie 1 Kon. 16:1 . 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende:
[^2koningen-9-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, zijn metgezellen, de andere krijgsofficieren en kapiteinen. Zie onder, vers 5 . 2 Koningen 9:5 : En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van de legermacht, en hij zei: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zei: Tot wie van ons allen? En hij zei: Tot u, o hoofdman!
[^2koningen-9-2-6]: Kanttekening 6: binnenste kamer: Hebreeuws, חָֽדֶר, kamer in kamer.
[^2koningen-9-3-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 1:34 . 1 Koningen 1:34 : En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!
[^2koningen-9-3-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 22:7 . 2 Kronieken 22:7 : De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, denwelken YHWH gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.
[^2koningen-9-4-8]: Kanttekening 8: van de profeet: Anders, de jongeling, de profeet.
[^2koningen-9-5-9]: Kanttekening 9: Ik heb een woord: Dat is, ik heb u alleen in het geheime wat aan te zeggen. Daarom zal het u believen op te staan en mij in het bijzonder te horen.
[^2koningen-9-6-10]: Kanttekening 10: hij op: Namelijk, Jehu.
[^2koningen-9-6-11]: Kanttekening 11: in huis: In de binnenste kamer, gelijk boven, vers 2 . 2 Koningen 9:2 : Als u daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijn broers, en breng hem in een binnenste kamer.
[^2koningen-9-6-12]: Kanttekening 12: hij dan goot: Namelijk, de jongeling van de profeet.
[^2koningen-9-7-13]: Kanttekening 13: huis van Achab: Dat is, het geslacht. Zie 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^2koningen-9-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, ombrengen en uitroeien. Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^2koningen-9-7-15]: Kanttekening 15: van de hand: Dat is, dat door last en bevel van Izebel vergoten is.
[^2koningen-9-8-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 21:21 . 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^2koningen-9-8-16]: Kanttekening 16: wat mannelijk is: Zie 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^2koningen-9-8-17]: Kanttekening 17: de beslotene: Dat is, ik zal niemand laten overblijven. Zie Deut. 32:36 . Deuteronomium 32:36 : Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^2koningen-9-9-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 14:10 ; 1 Kon. 15:29 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^2koningen-9-9-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 16:3 ; idem v. 11 . 1 Koningen 16:3 : Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. 1 Koningen 16:11 : En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het gehele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
[^2koningen-9-10-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 21:23 . 1 Koningen 21:23 : Verder ook over Izebel sprak YHWH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël.
[^2koningen-9-10-18]: Kanttekening 18: het stuk: Hebreeuws, כְּלָבִ֛ים, deel, of bezitting. Zo onder, vers 21 , 9:25 , 9:26 , enz. Versta het stuk lands, of akkers, dat de vrome Naboth door de valse beschuldigingen en loze praktijken van Izebel ontweldigd was. Zie 1 Kon. 21:23 , en onder, vers 21 , 9:25 . 2 Koningen 9:21 : Toen zei Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, de Jizreëliet. 2 Koningen 9:25 : Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last oplegde, zeggende: 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH. 1 Koningen 21:23 : Verder ook over Izebel sprak YHWH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël. 2 Koningen 9:21 : Toen zei Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, de Jizreëliet. 2 Koningen 9:25 : Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last oplegde, zeggende:
[^2koningen-9-10-19]: Kanttekening 19: lands : Dit woord is hier ingevoegd uit vers 25 . 2 Koningen 9:25 : Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last oplegde, zeggende:
[^2koningen-9-11-20]: Kanttekening 20: Is het al wel: Hebreeuws, בָּֽא, Is het vrede? Zo onder, vers 17 . Zie Gen. 29:6 . 2 Koningen 9:17 : De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie één hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede? Genesis 29:6 : Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
[^2koningen-9-11-21]: Kanttekening 21: Zo worden de profeten en de dienaren van God genoemd van de wereldse en goddeloze mensen, omdat zij hun leer niet begrijpen en hun doen niet verdragen kunnen, Joh. 10:20 ; Hand. 26:24 . Mogelijk hebben zij de profeten deze naam gegeven, omdat zij enige extraordinaire gebaren of manieren van doen over zich hadden, als de Geest van de Heer met kracht over hen kwam. Zie 1 Sam. 18:10 . Johannes 10:20 : En velen van hen zeiden: Hij heeft de duivel, en is uitzinnig; wat hoort u Hem? Handelingen 26:24 : En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zei Festus met grote stem: U bent buiten zinnen, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij! 1 Samuël 18:10 : En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.
[^2koningen-9-11-22]: Kanttekening 22: U kent de man: Dat is, u kunt merken dat hij een profeet is, en omdat hij zulk een is, kunt u oordelen wat hij pleegt te spreken, te weten een ieder tot zijn schuldigen plicht te vermanen, gelijk hij aan mij gedaan heeft.
[^2koningen-9-12-23]: Kanttekening 23: Zo en zo: Hebreeuws, אָמַ֤ר, na dit en na dit.
[^2koningen-9-13-24]: Kanttekening 24: legde het: Te weten, tot een teken dat zij zich Jehu als hun heer en koning onderwierpen. Vergelijk Matt. 21:7 . Mattheüs 21:7 : Brachten de ezelin en het veulen, en leiden hun kleren erop, en zetten Hem daarop.
[^2koningen-9-13-25]: Kanttekening 25: op de hoogste: Hebreeuws, גֶּ֣רֶם, op de hoogte van de trappen. Versta \[naar het meeste gevoelen van de geleerden\], een hoge en verheven plaats, verspreid met de opperklederen van de kapiteinen, die inplaats van tapijten waren, op welke zij Jehu gezet hebben.
[^2koningen-9-14-26]: Kanttekening 26: een verbintenis: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^2koningen-9-14-27]: Kanttekening 27: Dat is, voorzien, verzekerd en gesterkt met krijgsvolk.
[^2koningen-9-15-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 8:29 . 2 Koningen 8:29 : Toen keerde Joram, de koning, terug, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek.
[^2koningen-9-15-28]: Kanttekening 28: te Jizreël: Zie hiervan boven, 2 Kon. 8:29 . 2 Koningen 8:29 : Toen keerde Joram, de koning, terug, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek.
[^2koningen-9-15-29]: Kanttekening 29: wil is: Hebreeuws, נַפְשְׁ, ziel. Zie Gen. 23:8 . Dat is, zo u het goedvindt, zo het u behaagt. Genesis 23:8 : En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, de zoon van Zohar,
[^2koningen-9-15-30]: Kanttekening 30: Waar de koning Joram was.
[^2koningen-9-15-31]: Kanttekening 31: gaan verkondigen: Te weten, dat ik koning geworden ben.
[^2koningen-9-16-32]: Kanttekening 32: lag daar: Te weten, ziek van de wonden, die hem de Syriërs geslagen hadden. Zie vers 15 . 2 Koningen 9:15 : Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
[^2koningen-9-18-33]: Kanttekening 33: Is het vrede: Dat is, gaat het wel? Is er geen zwarigheid of onraad? zo onder, vers 19 , 9:22 . Zie Gen. 29:6 . 2 Koningen 9:19 : Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zei hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. 2 Koningen 9:22 : Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zei: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn? Genesis 29:6 : Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
[^2koningen-9-18-34]: Kanttekening 34: Wat hebt u: Hebreeuws, מַה, wat is u en de vrede? Dat is, wat hebt u met de vrede te doen? Zo in vers 19 . Zie 2 Sam. 16:10 . 2 Koningen 9:19 : Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zei hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^2koningen-9-20-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, in onzinnigheid, of met onzinnigheid; dat is met zulke snelheid en onstuimigheid, alsof hij onzinnig was en de paarden zocht de hals af te rijden.
[^2koningen-9-21-36]: Kanttekening 36: lands : Zie boven, vers 10 . 2 Koningen 9:10 : Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte.
[^2koningen-9-22-37]: Kanttekening 37: Versta, geestelijke, welke is afgoderij. Zie Lev. 17:7 , en Lev. 20:5 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^2koningen-9-22-38]: Kanttekening 38: Versta, de bedriegelijke praktijken, door welke Izebel de mensen tot de afgoderij aanlokte en vervolgde. Vergelijk Nah. 3:4 . Nahum 3:4 : Vanwege de grote hoererijen van de zeer bevallige hoer, van de meesteres van de toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.
[^2koningen-9-23-39]: Kanttekening 39: zijn hand: Te weten, waarmee hij zichzelven omkeerde in de wagen, of zijn voerman de weet gaf, of ook zelf aan de strengen vatte, om de wagen af te wenden en de vlucht te nemen. Vergelijk 1 Kon. 22:34 . 1 Koningen 22:34 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.
[^2koningen-9-23-40]: Kanttekening 40: Het is bedrog: Dat is, Jehu is bedriegelijk en verraderlijk hier gekomen om mij te overvallen en te vermoorden.
[^2koningen-9-24-41]: Kanttekening 41: spande de boog: Hebreeuws, יָד֣, vulde zijn hand met de boog. Versta, dat hij al de kracht zijns arms bijbracht om de boog ten volle te spannen, uit te rekken en daarmede een geweldig schot te geven.
[^2koningen-9-24-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, sloeg.
[^2koningen-9-24-43]: Kanttekening 43: kromde zich: Dat is, zonk neder in zijn wagen.
[^2koningen-9-25-44]: Kanttekening 44: Het schijnt dat Achab, als hij na de dood van Naboth, ging om zijn wijnberg in te nemen, bij zich gehad heeft enige hovelingen en krijgsofficieren, en dat onder deze geweest zijn Jehu en Bidkar, en gehoord hebben de woorden, in vers 26 gesteld, van Elia tegen Achab uitgesproken. 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH.
[^2koningen-9-25-45]: Kanttekening 45: last oplegde: Dat is, dit profetisch dreigement, of deze voorzegde straf. Zo wordt het woord last veel bij de profeten genomen, omdat de straffen zwaar zijn, zowel in het horen als zij verkondigd worden, als in het gevoelen, wanneer zij de mens dadelijk treffen; Jes. 13:1 , en Jes. 15:1 ; Jer. 23:33 , 23:34 ; Nah. 1:1 ; Hab. 1:1 ; Zach. 9:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! Jeremia 23:33 : Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is de last van YHWH? Zo zult u tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik u verlaten zal, spreekt YHWH. Jeremia 23:34 : En aangaande de profeet, of de priester, of het volk, dat zeggen zal: De last van YHWH; dat Ik bezoeking zal doen over die man en over zijn huis. Nahum 1:1 : De last van Nineve. Het boek van het gezicht van Nahum, de Elkosiet. Habakuk 1:1 : De last, welke Habakuk, de profeet, gezien heeft. Zacharia 9:1 : De last van het woord van YHWH over het land Chadrach en Damascus, de rust daarvan; want YHWH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël.
[^2koningen-9-26-h]: Verwijzing h: 1 Kon. 21:19 . 1 Koningen 21:19 : En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe!
[^2koningen-9-26-46]: Kanttekening 46: Ik gisteravond: Dit zijn de woorden van de Heer met een eed tegen Achab uitgesproken.
[^2koningen-9-26-47]: Kanttekening 47: zijn zonen: Hieruit kan afgenomen worden, dat niet alleen Naboth is vermoord geweest, maar ook zijne kinderen, opdat Achab te geruster het goed van Naboth bezitten mocht.
[^2koningen-9-26-48]: Kanttekening 48: lands : Zie boven, vers 10 . 2 Koningen 9:10 : Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte.
[^2koningen-9-26-49]: Kanttekening 49: zegt YHWH: Dat is, Ik heb het zekerlijk gezien, en Ik zal het u zekerlijk op dit stuk land vergelden. Zie van deze manier van zweren, ook aan God toegeschreven, Num. 14:23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^2koningen-9-27-50]: Kanttekening 50: weg van het huis van de hof: Dat is, die met bomen beplant was, zodat men in het vluchten daar beter dan elders verborgen kon zijn, om zekerlijk weg te komen.
[^2koningen-9-27-51]: Kanttekening 51: Slaat hem ook: Dat is, brengt hem om, want hij was ook van het geslacht van Achab, te weten, van de zijde zijn moeder, die Achabs dochter was. Zie boven, 2 Kon. 8:18 . 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2koningen-9-27-52]: Kanttekening 52: Dit schijnt een plaats geweest te zijn op de weg naar Samaria, door welke Ahazia vluchtte, als Jehu bezig was met Joram om te brengen. Jehu nu ziende dat Ahazia hem ontgaan was, heeft zijn krijgslieden hem nagezonden. Deze, naar sommiger mening, zijn hem in deze plaats zo nabij gekomen, dat zij hem daar gekwetst hebben, maar niet dodelijk, zodat hij te Samaria ontkomen is, waar hij zich verstopt heeft, 2 Kron. 22:9 , totdat hij daar ook vervolgd zijnde om tot Jehu gebracht te worden, dodelijk gewond is geworden, maar ontkomen te Megiddo, waar hij gestorven is. 2 Kronieken 22:9 : Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstopt in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die YHWH met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.
[^2koningen-9-27-53]: Kanttekening 53: Jibleam is: Zie Joz. 17:11 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^2koningen-9-27-54]: Kanttekening 54: Zie 1 Kon. 9:15 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer.
[^2koningen-9-28-55]: Kanttekening 55: Zie 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^2koningen-9-29-56]: Kanttekening 56: elfde jaar: Dat is, in het einde van het elfde en begin van het twaalfde jaar. Zie boven, 2 Kon. 8:25 . 2 Koningen 8:25 : In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, de koning van Juda, te regeren.
[^2koningen-9-30-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, zette haar ogen in het blanketsel; dat is, heeft haar aangezicht met blanketsel bestreken. Het schijnt dat zij zich stoutelijk toegemaakt en opgepronkt heeft, om Jehu, als door een koninklijke majesteit, schrik en bedwelmheid aan te brengen.
[^2koningen-9-31-58]: Kanttekening 58: Te weten van het koninklijk paleis, waaruit Izebel keek.
[^2koningen-9-31-59]: Kanttekening 59: o Zimri: Zij noemt Jehu een anderen Zimri, die zijn heer Ela, de koning van Israël, vermoord had, 1 Kon. 16:9 , 16:10 , welke moord aan Zimri een gruwelijk einde door middel van Omri genomen had. Dit werpt nu Izebel Jehu voor, om hem te beschrikken, maar tevergeefs, omdat hem van God bevolen was te doen dat hij deed. Anders: Is het Zimri wel gegaan, die zijn heer doodsloeg? 1 Koningen 16:9 : En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de wagens, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza; 1 Koningen 16:10 : Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-9-31-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 16:18 . 1 Koningen 16:18 : En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis van de koning, en verbrandde boven zich het huis van de koning met vuur, en stierf;
[^2koningen-9-32-60]: Kanttekening 60: Wie is met mij: Dit sprak Jehu tot degenen, die bij Izebel waren, vragende of iemand van hen zijn zaak toegedaan was.
[^2koningen-9-32-61]: Kanttekening 61: Dat is, jonkers, edellieden, hofofficieren, die in het gezelschap van Izebel waren, waar zij uit het venster keek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gesnedenen, hoedanig de kamerlingen van de koninginnen en prinsessen in die tijden meest waren, en zulken mogen deze geweest zijn. Zie Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^2koningen-9-33-62]: Kanttekening 62: hij zei: Namelijk, Jehu.
[^2koningen-9-33-63]: Kanttekening 63: zij stieten haar: Te weten, de kamerlingen.
[^2koningen-9-33-64]: Kanttekening 64: hij vertrad haar: Namelijk, Jehu.
[^2koningen-9-34-65]: Kanttekening 65: ingekomen was: Te weten, in het paleis.
[^2koningen-9-34-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 16:31 . 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.
[^2koningen-9-34-66]: Kanttekening 66: konings dochter: Namelijk, van de koning van de Sidoniërs, genoemd Eth-Baäl; 1 Kon. 16:31 . 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.
[^2koningen-9-36-67]: Kanttekening 67: de dienst van Zijn knecht Elia: Hebreeuws, תִּשְׁבִּ֖י, door de hand.
[^2koningen-9-36-l]: Verwijzing l: 1 Kon. 21:23 . 1 Koningen 21:23 : Verder ook over Izebel sprak YHWH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël.
[^2koningen-9-36-68]: Kanttekening 68: Op het stuk lands : Zie boven, vers 10 , en van deze profetie, zie 1 Kon. 21:23 , waar, hoewel zoveel woorden niet staan, nochtans de zin van deze voorzegde vervulling te vinden is. 2 Koningen 9:10 : Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte. 1 Koningen 21:23 : Verder ook over Izebel sprak YHWH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël.
[^2koningen-9-37-69]: Kanttekening 69: het veld: Hebreeuws, שָּׂדֶ֖ה, op het aangezicht van het veld.

### 2 Koningen 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/10.json)

*Jehu doodt zeventig zonen van Achab, vers 1, enz. en de verwanten van koning Ahazia, 12. komt met Jonadab de Rechabiet te Samaria, 15. waar hij alle priesters en profeten van Achab doodt, zijn beelden en tempel afbreekt, 18. maar hij hangt de zonde van Jerobeam aan, 29. wordt verdrukt door Hazaël, de koning van Syrië, 32. sterft, zijn zoon Joahaz regeert, 35.*

**1** Achab nu had[^2koningen-10-1-1] zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, die hij zond naar Samaria, tot[^2koningen-10-1-2] de oversten van Jizreël, de[^2koningen-10-1-3] oudsten, en tot de[^2koningen-10-1-4] verzorgers van Achab, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v1)

**2** [^2koningen-10-2-5] Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, omdat de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagens en de paarden bij u zijn, en ook een[^2koningen-10-2-6] versterkte stad, en wapenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v2)

**3** Zo ziet naar de[^2koningen-10-3-7] beste en gerechtigste van de zonen[^2koningen-10-3-8] van uw[^2koningen-10-3-9] heer, zet die op de troon van zijn vader; en strijdt voor het huis van uw heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v3)

**4** Maar zij vreesden[^2koningen-10-4-10] heel erg, en zeiden: Zie,[^2koningen-10-4-11] twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v4)

**5** Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat u tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v5)

**6** Toen schreef hij voor de tweede keer tot hen een brief, zeggende: Zo u van mij bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van[^2koningen-10-6-12] de mannen, de zonen van uw heer, en komt tot mij morgen ongeveer deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu van de koning, zeventig mannen, waren bij de[^2koningen-10-6-13] grote stad, die hen[^2koningen-10-6-14] opvoedden.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v6)

**7** Het gebeurde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen van de koning namen, en zeventig mannen[^2koningen-10-7-15] sloegen; en zij legden hun hoofden in manden, die zij tot hem zonden naar Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v7)

**8** En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht. En hij zei: Leg ze in twee hopen, aan de deur[^2koningen-10-8-16] van de poort, tot morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v8)

**9** En het gebeurde 's morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zei: U bent rechtvaardig. Zie, ik heb een samenzwering gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen;[^2koningen-10-9-18] en wie heeft alle deze geslagen?[^2koningen-10-9-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v9)

**10** Weet nu,[^2koningen-10-10-19] dat niets van het woord van YHWH, dat YHWH tegen het huis van Achab gesproken heeft,[^2koningen-10-10-20] zal op de aarde vallen; want YHWH heeft gedaan,[^2koningen-10-10-a] wat Hij door[^2koningen-10-10-21] de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v10)

**11** Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreël, en al zijn[^2koningen-10-11-22] groten, en zijn[^2koningen-10-11-23] bekenden, en zijn priesters; totdat hij hem geen overigen liet overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v11)

**12** En hij maakte zich op, en trok heen en ging naar Samaria; en zijnde te[^2koningen-10-12-24] Beth-Heked van de herders, op de weg, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v12)

**13** [^2koningen-10-13-b] Vond Jehu[^2koningen-10-13-25] de broers van Ahazia, de koning van Juda, en hij zei: Wie bent u? En zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia, en zijn afgekomen,[^2koningen-10-13-26] om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten.[^2koningen-10-13-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v13)

**14** Toen zei hij: Grijp hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v14)

**15** En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon[^2koningen-10-15-28] van Rechab, hem tegemoet; die[^2koningen-10-15-29] hem[^2koningen-10-15-30] groette; en hij zei tot hem:[^2koningen-10-15-31] Is uw hart recht, zoals mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is;[^2koningen-10-15-32] geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v15)

**16** En hij zei: Ga met mij, en zie mijn[^2koningen-10-16-33] ijver aan voor YHWH. Zo deden[^2koningen-10-16-34] zij hem rijden op zijn wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v16)

**17** En toen hij te Samaria kwam,[^2koningen-10-17-c] sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem vernietigd had, naar het woord van YHWH, dat Hij[^2koningen-10-17-35] tot[^2koningen-10-17-36] Elia gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v17)

**18** En Jehu verzamelde al het volk, en zei tot hen: Achab heeft[^2koningen-10-18-37] Baäl een beetje gediend; Jehu zal hem[^2koningen-10-18-38] veel dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v18)

**19** Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesters tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb[^2koningen-10-19-39] een grote offergave aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Maar Jehu deed dat door list, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v19)

**20** Verder zei Jehu: Roep een dag van samenkomst voor Baäl af. En zij riepen die uit.[^2koningen-10-20-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v20)

**21** Ook zond Jehu in het hele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het[^2koningen-10-21-41] huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd[^2koningen-10-21-42] van het ene einde tot het andere einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v21)

**22** Toen zei hij tot degene, die over het[^2koningen-10-22-43] klederhuis was: Breng voor alle dienaren van[^2koningen-10-22-44] Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v22)

**23** En Jehu kwam met Jonadab, de zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zei tot de dienaren van Baäl: Onderzoek, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van[^2koningen-10-23-45] de dienaren van YHWH, maar van de dienaren van Baäl alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v23)

**24** Toen zij nu inkwamen, om slachtoffers en brandoffers te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zei: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt,[^2koningen-10-24-46] zijn ziel zal voor[^2koningen-10-24-47] diens ziel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v24)

**25** En het gebeurde, als[^2koningen-10-25-48] hij voltooid had het brandoffer te doen, dat Jehu zei tot de[^2koningen-10-25-49] lijfwachten en tot de officieren: Kom in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard; en de lijfwachten en officieren[^2koningen-10-25-50] wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het[^2koningen-10-25-51] huis van Baäl; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v25)

**26** En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v26)

**27** Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot[^2koningen-10-27-52] geheime gemakken, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v27)

**28** Zo vernietigde Jehu Baäl uit Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v28)

**29** Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af,[^2koningen-10-29-d] te weten, van de gouden kalveren,[^2koningen-10-29-53] die te Beth-El en die te Dan waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v29)

**30** YHWH dan zei tot Jehu: Daarom dat u welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was,[^2koningen-10-30-e] zullen u[^2koningen-10-30-55] zonen tot het vierde gelid op de troon van Israël zitten.[^2koningen-10-30-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v30)

**31** Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet van YHWH, van de God van Israël, met zijn hele hart; hij week niet van[^2koningen-10-31-56] de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v31)

**32** In die dagen begon YHWH Israël[^2koningen-10-32-57] af te korten, want[^2koningen-10-32-58] Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v32)

**33** Van de Jordaan[^2koningen-10-33-59] af, tegen de opgang van de zon, het hele land[^2koningen-10-33-60] van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van[^2koningen-10-33-61] de Manassieten;[^2koningen-10-33-62] van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en[^2koningen-10-33-63] Gilead, en Basan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v33)

**34** Het overige nu van de geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven[^2koningen-10-34-64] in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v34)

**35** En Jehu ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v35)

**36** En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/10.html#v36)

[^2koningen-10-1-1]: Kanttekening 1: Die hem zonder twijfel uit verscheidene vrouwen geboren waren; zijnde ook onder hen begrepen de zonen van zijn zoon Joram en van andere kinderen, van welke Achab grootvader was. Zie onder, vers 3 . 2 Koningen 10:3 : Zo ziet naar de beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet die op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren.
[^2koningen-10-1-2]: Kanttekening 2: Versta, enige voortreffelijke hovelingen, welke, ofschoon zij hun ordinaire woning te Jizreël hadden, waren nochtans van Joram naar Samaria gezonden, om acht te nemen op de koninklijke kinderen, terwijl hij in de oorlog tegen de Syriërs bezig was.
[^2koningen-10-1-3]: Kanttekening 3: Zo genoemd, òf vanwege hun ambt, omdat zij raadsheren waren, òf uit oorzaak van hun ouderdom, omdat zij niet bekwaam zijnde tot de oorlog, nochtans de gemeente met raad en de jeugd met autoriteit voorgaan.
[^2koningen-10-1-4]: Kanttekening 4: Die als voogden of leermeesters zorg droegen voor de opvoeding en onderwijzing van deze jonge heren.
[^2koningen-10-2-5]: Kanttekening 5: Zo wanneer: Zo begint ook de brief van de koning van Syrië aan de koning van Israël, boven, 2 Kon. 5:6 . 2 Koningen 5:6 : En hij bracht de brief tot de koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat u hem ontledigt van zijn melaatsheid.
[^2koningen-10-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk, Samaria.
[^2koningen-10-3-7]: Kanttekening 7: beste en gerechtigste: Hebreeuws, בְּנֵ֣י, die goed en recht is; dat is, die bekwaamst is om te regeren.
[^2koningen-10-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk, van Achab, of Joram.
[^2koningen-10-3-9]: Kanttekening 9: zet die op zijns vaders troon: Dit meent hij niet, maar hij wil de oversten van de Samaritanen beproeven, om te weten hoe zij gezind waren, en met wie zij het hielden. Iemand op de stoel zijns vaders zetten, is hem in de plaats zijns vaders koning te maken. Zie 1 Kon. 2:24 , en vergelijk onder, vers 5 . 1 Koningen 2:24 : En nu, zo waarachtig als YHWH leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal heden gedood worden! 2 Koningen 10:5 : Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat u tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen.
[^2koningen-10-4-10]: Kanttekening 10: geheel zeer: Hebreeuws, מְאֹ֔ד, zeer zeer.
[^2koningen-10-4-11]: Kanttekening 11: twee koningen: Namelijk, Joram de koning van Israël, en Ahazia de koning van Juda, boven, 2 Kon. 9:24 , 9:27 . 2 Koningen 9:24 : Maar Jehu spande de boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen. 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^2koningen-10-6-12]: Kanttekening 12: Men oordeelt uit het Hebreeuwse woord dat enige van deze zonen of nakomelingen van Achab tot redelijken ouderdom gekomen waren, welke, gelijk zij navolgers van Achabs boosheid konden zijn, ook deelachtig zijn geworden van zijn straffen, naar het rechtvaardig dreigement Gods; Ex. 20:5 ; Deut. 5:9 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^2koningen-10-6-13]: Kanttekening 13: grote stad: Dat is, de voornaamsten van staat en waardigheid. Vergelijk onder, 2 Kon. 25:9 , en zie de aantekeningen. 2 Koningen 25:9 : En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^2koningen-10-6-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, groot maakten.
[^2koningen-10-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, slachtten, keelden; zo vers 14 . 2 Koningen 10:14 : Toen zei hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over.
[^2koningen-10-8-16]: Kanttekening 16: Waar men gewoon was recht te doen. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^2koningen-10-9-18]: Kanttekening 18: en wie: Deze waren geslagen van de oudsten van Samaria uit last van Jehu; beide door besturing van de Heer, gelijk volgt.
[^2koningen-10-9-17]: Kanttekening 17: U bent rechtvaardig: Dat is, ik verklaar u onschuldig over de dood van deze zonen van Achab, denkt niet dat ik gekomen ben om u daarover te beschuldigen; maar zo u iemand de schuld daarvan zoudt willen opleggen, ziet op mij, die een verbond tegen mijn heer de koning Joram gemaakt, ja ook hem gedood heb; maar niet uit mijn eigen vermeten, maar naar het voornemen van de Heer en uitgedrukt bevel. Daarom, gelijk u onschuldig bent omdat u gevolgd hebt mijn last, zo ik mee omdat ik gevolgd heb Gods last.
[^2koningen-10-10-19]: Kanttekening 19: Hij betuigt hiermede openlijk, ofschoon zijn doen kwalijk zou mogen geduid worden, dat hij nochtans anders niet dan naar het woord van de Heer gedaan had. Zie boven, 2 Kon. 9:7 , 9:8 . 2 Koningen 9:7 : En u zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van YHWH, wreke van de hand van Izebel. 2 Koningen 9:8 : En het gehele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^2koningen-10-10-20]: Kanttekening 20: zal op de aarde vallen: Zie 1 Kon. 8:56 . 1 Koningen 8:56 : Geloofd zij YHWH, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn knecht.
[^2koningen-10-10-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 21:19 ; idem v. 21 ; idem v. 29 . 1 Koningen 21:19 : En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt YHWH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe! 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 1 Koningen 21:29 : Hebt u gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom omdat hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.
[^2koningen-10-10-21]: Kanttekening 21: door de dienst: Hebreeuws, דִּבֶּ֔ר, door de hand. Zie Lev. 8:36 . Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^2koningen-10-11-22]: Kanttekening 22: Zonder twijfel, die door Achab groot en vermogend geworden waren in staat, rijkdom en naam.
[^2koningen-10-11-23]: Kanttekening 23: Of, bloedverwanten; gelijk Ruth 2:1 . Ruth 2:1 : Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz.
[^2koningen-10-12-24]: Kanttekening 24: Beth-Heked van de herderen: Dat is, het huis van de binding van de herderen . Sommigen menen dat dit een dorp is geweest bij Samaria aan de weg gelegen, hebbende zijn naam van binden , omdat de herderen er hun schapen bonden om geschoren te worden.
[^2koningen-10-13-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 22:8 . 2 Kronieken 22:8 : Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.
[^2koningen-10-13-25]: Kanttekening 25: de broers van Ahazia: Versta, de zonen van zijn broers, 2 Kron. 22:8 . Zie Gen. 13:8 , waar het woord broers zo genomen wordt. 2 Kronieken 22:8 : Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde. Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers.
[^2koningen-10-13-26]: Kanttekening 26: om de zonen: Hebreeuws, שְׁל֥וֹם, tot de vrede van de zonen van de koning en van de zonen van de koningin; dat is, opdat wij hun vrede en welstand zouden toewensen. Dat wij noemen groeten.
[^2koningen-10-13-27]: Kanttekening 27: Namelijk, van Joram en van zijn huisvrouw. Het schijnt dat zij niet wisten dat Ahazia door Jehu omgebracht was.
[^2koningen-10-15-28]: Kanttekening 28: Van een vermaarden man uit het geslacht van de Kenieten, en afkomstig van Jethro, de schoonvader van Mozes, 1 Kron. 2:55 ; Jer. 35:6 . 1 Kronieken 2:55 : En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab. Jeremia 35:6 : Maar zij zeiden: Wij zullen geen wijn drinken; want Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geen wijn drinken, u, noch uw kinderen, tot in eeuwigheid.
[^2koningen-10-15-29]: Kanttekening 29: Namelijk, Jehu.
[^2koningen-10-15-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, zegende. Zie Gen. 31:55 . Genesis 31:55 : En Laban stond van de morgen vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats.
[^2koningen-10-15-31]: Kanttekening 31: Is uw hart recht: Dat is, bent u mij van harte toegedaan, gelijk ik u toegedaan ben met al mijn hart?
[^2koningen-10-15-32]: Kanttekening 32: Dit kan men nemen als woorden van Jonadab, of, als anderen, van Jehu.
[^2koningen-10-16-33]: Kanttekening 33: Wat ijver eigenlijk is, zie 1 Kon. 19:10 . 1 Koningen 19:10 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
[^2koningen-10-16-34]: Kanttekening 34: Te weten, zijn dienaren, trawanten, of lakeien.
[^2koningen-10-17-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 22:8 . 2 Kronieken 22:8 : Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.
[^2koningen-10-17-35]: Kanttekening 35: hem verdelgd had: Dat is, zijn huisgezin en geslacht.
[^2koningen-10-17-36]: Kanttekening 36: Zie 1 Kon. 21:21 . 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^2koningen-10-18-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Kon. 16:31 . 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.
[^2koningen-10-18-38]: Kanttekening 38: veel dienen: Zie de aantekeningen op vers 19 . 2 Koningen 10:19 : Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesters tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Maar Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.
[^2koningen-10-19-39]: Kanttekening 39: een grote offerande: Hij spreekt met leugen en dubbelzinnigheid welke middelen niet te prijzen zijn , menende Baäl al zijn priesters en profeten en dienaren te slachten of te doden, en zo zijn grote offerande te volbrengen.
[^2koningen-10-20-40]: Kanttekening 40: verbods dag : Dat is, een grote vierdag, op denwelke alle dienstelijke werken verboden waren. Zie Lev. 23:36 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^2koningen-10-21-41]: Kanttekening 41: huis van Baäl: Dat is, de tempel Baäls.
[^2koningen-10-21-42]: Kanttekening 42: van het ene einde tot het andere einde: Hebreeuws, פֶֽה, mond aan mond. Zo onder, 2 Kon. 21:16 . 2 Koningen 21:16 : Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2koningen-10-22-43]: Kanttekening 43: Of, klederkamer; versta, een kamer, in welke de kleren opgesloten waren, die de Baälpriesters in hun dienst gebruiken moesten. Anders, de klederkast, of, de kleren.
[^2koningen-10-22-44]: Kanttekening 44: breng de kleding uit: Omdat God in het Oude Testament zijn priesters een bijzondere kleding die in het Nieuwe Testament niet het priesterdom opgehouden heeft voorgeschreven had, zo heeft de duivel dat in zijn priesters willen nabootsen.
[^2koningen-10-23-45]: Kanttekening 45: dienaren van YHWH: Deze wilde hij bij dit werk niet hebben, kwansuis \[red.: schijnbaar, quasi\] met deze schijn, opdat ze het door hun aanwezigheid niet zouden ontheiligen, zijnde van een andere religie; maar in waarheid, opdat ze onder de dienaren Baäls niet zouden onwetens omgebracht worden.
[^2koningen-10-24-46]: Kanttekening 46: zijn ziel: Dat is, de ziel van degene, die een zal laten ontkomen, zonder hem te doden. Het woord ziel is hier voor het leven genomen. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^2koningen-10-24-47]: Kanttekening 47: diens ziel: Dat is, van degene die ontkomt. De zin is, als iemand van de bestelde mannen een liet ontlopen, dat hij zelf zou moeten sterven.
[^2koningen-10-25-48]: Kanttekening 48: als hij voltooid had: Te weten, de overste priester van de Baälieten. Of toen men voltooid had, enz.
[^2koningen-10-25-49]: Kanttekening 49: tot de trawanten: Dat is, tot die tachtig mannen, van welke in vers 24 gesproken is. 2 Koningen 10:24 : Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zei: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor diens ziel zijn.
[^2koningen-10-25-50]: Kanttekening 50: Versta, de dode lichamen van de omgebrachten, die buiten de stad weggeworpen werden.
[^2koningen-10-25-51]: Kanttekening 51: het huis van Baäl: Dit kan men verstaan van die stad, of van elke stad waar een huis van Baäl was. Zo in vers 26 . Zie vers 28 . 2 Koningen 10:26 : En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze. 2 Koningen 10:28 : Zo verdelgde Jehu Baäl uit Israël.
[^2koningen-10-27-52]: Kanttekening 52: geheime gemakken: Dat is, tot privaten of secreten, waar de mensen hun gevoeg maakten, dat zij gedaan hebben tot versmading en verachting van de afgod en de afgodendienst, die daarin gepleegd was geweest. Vergelijk Jes. 36:12 . In denzelfden zin worden de afgoden in de Heilige Schrift drekgoden genaamd. Zie Lev. 26:30 , en de aantekeningen daarop. Jesaja 36:12 : Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met u hun drek eten, en hun water drinken zullen? Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-10-29-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 12:28 . 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^2koningen-10-29-53]: Kanttekening 53: die te Beth-El en die te Dan waren: Te weten, in elke plaats één.
[^2koningen-10-30-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 15:12 . 2 Koningen 15:12 : Dit was het woord van YHWH, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op de troon van Israël zitten; en het is zo geschied.
[^2koningen-10-30-55]: Kanttekening 55: zonen tot het vierde gelid: Hebreeuws, יֵשְׁב֥וּ, zonen van de vierden; de vervulling hiervan, zie eerst in Joahaz, onder, vers 35 , en daarin in Joas, 2 Kon. 13:10 , ten derde in Jerobeam, 2 Kon. 14:23 , ten vierde in Zacharia, 2 Kon. 15:8 . 2 Koningen 10:35 : En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 13:10 : In het zeven en dertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren. 2 Koningen 14:23 : In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en regeerde een en veertig jaren. 2 Koningen 15:8 : In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden.
[^2koningen-10-30-54]: Kanttekening 54: Namelijk door iemand van de profeten; gelijk hij ook door een van hen de last ontvangen had, om deze goddelijke wraak uit te voeren; boven, 2 Kon. 9:7 . 2 Koningen 9:7 : En u zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van YHWH, wreke van de hand van Izebel.
[^2koningen-10-31-56]: Kanttekening 56: zonden van Jerobeam: Deze zonden worden uitgedrukt boven, vers 29 . 2 Koningen 10:29 : Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren.
[^2koningen-10-32-57]: Kanttekening 57: af te korten: Of, af te snijden; dat is, zijn gebied in te trekken en te verminderen. Zie vers 33 . En dit is geschied achtervolgens de profetie van Elisa; boven, 2 Kon. 8:12 . 2 Koningen 10:33 : Van de Jordaan af, tegen de opgang van de zon, het gehele land van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van de Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan. 2 Koningen 8:12 : Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden.
[^2koningen-10-32-58]: Kanttekening 58: De koning van Syrië.
[^2koningen-10-33-59]: Kanttekening 59: Versta, ten aanzien van de gelegenheid van het land van Kanaän.
[^2koningen-10-33-60]: Kanttekening 60: land van Gilead: Zie Gen. 31:21 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^2koningen-10-33-61]: Kanttekening 61: Een stad, gelegen over de Jordaan in de stam van Gad, van welke zie Num. 32:34 ; Joz. 12:2 . Numeri 32:34 : En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër, Jozua 12:2 : Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, welke aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons;
[^2koningen-10-33-62]: Kanttekening 62: de beek van Arnon: Zie Num. 21:14 ; Deut. 2:36 . Numeri 21:14 : (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van YHWH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, Deuteronomium 2:36 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
[^2koningen-10-33-63]: Kanttekening 63: Vergelijk dit met Deut. 3:12 , 3:13 , 3:14 , enz., en de aantekeningen daarop. Deuteronomium 3:12 : Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden daarvan, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelve werd genoemd het land van de reuzen. Deuteronomium 3:14 : Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gehele landstreek van Argob, tot aan de landpale van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag.
[^2koningen-10-34-64]: Kanttekening 64: boek van de kronieken van de koningen van Israël: Zie 1 Kon. 14:19 . 1 Koningen 14:19 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.

### 2 Koningen 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/11.json)

*Athalia doodt het hele koninklijke geslacht, vers 1, enz. uitgezonderd Joas, 2. die, zeven jaar oud zijnde, door het beleid van Jojada koning wordt van Juda, 4. Athalia, die het bewind aan zich getrokken had, wordt gedood, 13. Het verbond wordt vernieuwd tussen God, de koning en het volk, 15. de Baälsdienst uitgeroeid, 18. en de koning op zijn koninklijke troon gezet, 19.*

**1** Toen nu[^2koningen-11-1-1] Athalia,[^2koningen-11-1-a] de moeder van[^2koningen-11-1-2] Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht[^2koningen-11-1-3] het hele koninklijke nageslacht om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v1)

**2** Maar[^2koningen-11-2-4] Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam[^2koningen-11-2-5] Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden,[^2koningen-11-2-6] zettende hem en zijn voedster in[^2koningen-11-2-7] een slaapkamer; en[^2koningen-11-2-8] zij verborgen hem[^2koningen-11-2-9] voor Athalia, dat hij niet gedood werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v2)

**3** En hij was met haar verstopt in het huis van YHWH zes jaren; en Athalia regeerde over het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v3)

**4** In[^2koningen-11-4-b] het zevende jaar nu zond[^2koningen-11-4-10] Jojada, en nam de[^2koningen-11-4-11] oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de lijfwachten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van YHWH; en[^2koningen-11-4-12] hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van YHWH, en hij toonde hun de zoon van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v4)

**5** En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van[^2koningen-11-5-13] u, die op de sabbat[^2koningen-11-5-14] ingaan, zullen de wacht waarnemen van het[^2koningen-11-5-15] huis van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v5)

**6** En een derde deel zal zijn aan de poort[^2koningen-11-6-16] Sur; en een derde deel aan de poort[^2koningen-11-6-17] achter de lijfwachten; zo zult u waarnemen de taak van dit huis,[^2koningen-11-6-18] tegen inbreking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v6)

**7** En de twee[^2koningen-11-7-19] delen van u, allen, die op de sabbat[^2koningen-11-7-20] uitgaan, zullen de taak van het huis van YHWH waarnemen bij de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v7)

**8** En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die[^2koningen-11-8-21] tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v8)

**9** [^2koningen-11-9-c] De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op de sabbat ingingen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; en zij kwamen tot de priester Jojada. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v9)

**10** En de priester gaf aan de oversten van honderd de speren en de schilden,[^2koningen-11-10-22] die van de koning David geweest waren, die in het huis van YHWH geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v10)

**11** En de lijfwachten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de[^2koningen-11-11-23] rechterzijde van het huis, tot de[^2koningen-11-11-24] linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis[^2koningen-11-11-25] toe, bij de koning[^2koningen-11-11-26] rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v11)

**12** Daarna bracht[^2koningen-11-12-27] hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf[^2koningen-11-12-28] hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en[^2koningen-11-12-29] zalfden hem; daartoe klapten[^2koningen-11-12-30] zij met de handen, en zeiden: De koning leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v12)

**13** Toen Athalia hoorde de stem van de lijfwachten en van het volk, zo kwam zij tot het volk in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v13)

**14** En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de[^2koningen-11-14-31] pilaar,[^2koningen-11-14-32] naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen[^2koningen-11-14-33] verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v14)

**15** Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, en zei tot hen: Breng haar uit tot buiten[^2koningen-11-15-34] de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis van YHWH niet gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v15)

**16** En[^2koningen-11-16-35] zij legden de handen aan haar; en zij ging[^2koningen-11-16-36] de weg van de ingang van de paarden naar het huis van de koning, en zij werd daar gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v16)

**17** [^2koningen-11-17-d] En Jojada maakte[^2koningen-11-17-37] een verbond tussen YHWH en tussen de koning, en tussen het volk,[^2koningen-11-17-38] dat YHWH tot een volk zou zijn; en ook tussen de koning en tussen het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v17)

**18** Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij volkomen; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu[^2koningen-11-18-39] bestelde de ambten in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v18)

**19** En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de lijfwachten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van YHWH, en kwamen door de weg van[^2koningen-11-19-40] de poort van de lijfwachten tot het huis van de koning, en[^2koningen-11-19-41] hij zat op de troon van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v19)

**20** En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden bij het huis van de koning[^2koningen-11-20-42]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v20)

**21** Joas was[^2koningen-11-21-43] zeven jaar oud, toen hij koning werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/11.html#v21)

[^2koningen-11-1-1]: Kanttekening 1: Welke was Achabs dochter, de huisvrouw van Joram en moeder van Ahazia, Zie boven, 2 Kon. 9:27 . die Jehu gedood had, boven, 2 Kon. 8:18 , en 2 Kon. 9:27 . 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hofs; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar. 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hofs; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^2koningen-11-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 22:10 . 2 Kronieken 22:10 : Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.
[^2koningen-11-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven, 2 Kon. 9:27 . 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hofs; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^2koningen-11-1-3]: Kanttekening 3: al het koninklijke zaad: Hebreeuws, זֶ֥רַע, al het zaad van het koninkrijk , dat is alle prinsen van den bloede, op dewelke de successie van de kroon mocht komen. Versta dit van Athalia's voornemen, niet van de volle daad: want één is ontkomen, gelijk het volgende vers uitwijst.
[^2koningen-11-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, Jehoschebah. Anders, Jehoschabbath, 2 Kron. 22:11 , alwaar ook staat dat zij was de huisvrouw van de hogepriester Jojada, maar men meent dat zij uit een andere huisvrouw van Joram dan uit de afgodische Athalia geboren was. 2 Kronieken 22:11 : Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van de priester Jojada (want zij was de zus van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.
[^2koningen-11-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, Joasch; anders, Jehoasch, onder, 2 Kon. 12:2 . 2 Koningen 12:2 : En Joas deed dat recht was in de ogen van YHWH, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.
[^2koningen-11-2-6]: Kanttekening 6: zettende : Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 22:11 . 2 Kronieken 22:11 : Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van de priester Jojada (want zij was de zus van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.
[^2koningen-11-2-7]: Kanttekening 7: een slaapkamer: Hebreeuws, מִּטּ֑וֹת, een kamer van de bedden; dat is, in één van de kamers, die aan de tempel getimmerd waren, waarin de bedden van de priesters waren, waarop zij sliepen, als zij op hun beurt de godsdienst moesten waarnemen. Zie Jer. 35:2 . Jeremia 35:2 : Ga heen tot het huis van de Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van YHWH, in één van de kamers, en geef hun wijn te drinken.
[^2koningen-11-2-8]: Kanttekening 8: Te weten, Jojada en Joseba.
[^2koningen-11-2-9]: Kanttekening 9: voor Athalia: Hebreeuws, פְּנֵ֥י, voor het aangezicht van Athalia.
[^2koningen-11-4-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 23:1 . 2 Kronieken 23:1 : Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.
[^2koningen-11-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, Jehojadah, de zoon van Ahimaäz, de zoon van Zadok, hogepriester en onderscheiden van Jojada, de vader van Benaja, die leefde ten tijde van David, 2 Sam. 8:18 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
[^2koningen-11-4-11]: Kanttekening 11: oversten van honderd: Deze waren vijf in getal, en worden genoemd 2 Kron. 23:1 . Zij schijnen priesters geweest te zijn, gelijk men mag afnemen vers 5 , 11:7 , 11:9 . 2 Kronieken 23:1 : Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Koningen 11:5 : En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning; 2 Koningen 11:7 : En de twee delen van u, allen, die op de sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis van YHWH waarnemen bij de koning. 2 Koningen 11:9 : De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op de sabbat ingingen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; en zij kwamen tot de priester Jojada.
[^2koningen-11-4-12]: Kanttekening 12: hij maakte: Te weten, om Athalia te doden, Joas in het koninkrijk te stellen, de afgoderij te weren, en de zuivere godsdienst weer op te richten.
[^2koningen-11-5-13]: Kanttekening 13: Versta, priesters en Levieten; 2 Kron. 23:4 . 2 Kronieken 23:4 : Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters van de dorpelen zijn;
[^2koningen-11-5-14]: Kanttekening 14: Te weten, in de tempel. De priesters en de Levieten waren verdeeld in vier en twintig beurten, 1 Kron. 24 , naar welke verdeling zij bij beurte alle week in de tempel kwamen, om de godsdienst naar de gestelde orde te verzorgen; dat wordt genoemd ingaan, te weten, in de tempel, om de wacht waar te nemen. Anders, die in de week ingaan.
[^2koningen-11-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, aan de kamer in de tempel, waar de jonge koning werd verborgen gehouden.
[^2koningen-11-6-16]: Kanttekening 16: Dit was de poort tegen het oosten, en was de grootste poort van de tempel, daarom wordt zij ook genoemd de hoge poort, onder, 2 Kon. 15:35 ; ook de fondament-poort, 2 Kron. 23:5 ; idem de nieuwe poort, Jer. 26:10 , omdat zij van de koning Jotham is vernieuwd, 2 Kron. 27:3 . 2 Koningen 15:35 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; hij bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH. 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH. Jeremia 26:10 : Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van YHWH; en zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort van YHWH. 2 Kronieken 27:3 : Hij bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel.
[^2koningen-11-6-17]: Kanttekening 17: achter de trawanten: Deze poort was aan het zuiden, naar de voorhof van de priesters, die anders \[gelijk enige menen\] genaamd werd Sippim, dat is, de dorpelpoort; 2 Kron. 23:4 . 2 Kronieken 23:4 : Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters van de dorpelen zijn;
[^2koningen-11-6-18]: Kanttekening 18: tegen inbreking: Of, tegen afrukking, of wegneming; dat is, u zult de tempel zo bewaren, dat daaraan niet gebroken worde, en dat de koning met geweld daar niet uit genomen noch weggevoerd worde.
[^2koningen-11-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, handen.
[^2koningen-11-7-20]: Kanttekening 20: Versta, degenen, die uit de tempel naar huis zouden keren, hebbende voor die week hun dienst op hun beurt volbracht. Want op elke sabbat moesten nieuwe in hun plaats treden.
[^2koningen-11-8-21]: Kanttekening 21: tussen de ordeningen: Of, tussen de gelederen, die in orde gesteld zijn; dat is, in uw wacht, als u zult optrekken, of rondom de koning zijn, om hem te bewaren.
[^2koningen-11-9-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 23:8 . 2 Kronieken 23:8 : En de Levieten en geheel Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op de sabbat inkwamen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.
[^2koningen-11-10-22]: Kanttekening 22: die van de koning David: Dat is, die David van zijn vijanden had genomen, en mogelijk de Heer in de tabernakel tot een gedachtenis geheiligd had; gelijk het zwaard van Goliath, 1 Sam. 21:9 , en de schilden van de Syriërs, 2 Sam. 8:7 , die daarna schijnen van Salomo in de tempel gebracht te zijn, 1 Kon. 7:51 . 1 Samuël 21:9 : Toen zei de priester: Het zwaard van Goliath, de Filistijn, denwelken u sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter de efod; als u u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zei: Er is zijns gelijke niet; geef het mij. 2 Samuël 8:7 : En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem. 1 Koningen 7:51 : Zo werd al het werk volbracht, dat de koning Salomo aan het huis van YHWH maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de vaten legde hij onder de schatten van het huis van YHWH.
[^2koningen-11-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, de zuidzijde.
[^2koningen-11-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, de noordzijde.
[^2koningen-11-11-25]: Kanttekening 25: Te weten, van de brandoffers; welke was bij de oostpoort van de tempel.
[^2koningen-11-11-26]: Kanttekening 26: het huis: Dat is, de tempel, die van het altaar westwaarts stond.
[^2koningen-11-12-27]: Kanttekening 27: Namelijk, Jojada.
[^2koningen-11-12-28]: Kanttekening 28: Dat hij hem in de hand gaf, en was het wetboek, waarin God getuigt hoe hij zich in zijne regering moest gedragen. Zie Deut. 17:18 . Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is;
[^2koningen-11-12-29]: Kanttekening 29: zalfden hem: Die hun vader naar de gewoonlijke orde in het rijk opvolgden, werden naar sommiger mening, niet gezalfd, maar alleen, die na enige verandering in het regiment of buiten de ordinaire wet, of uit vrees van toekomende zwarigheid, koning werden, gelijk Saul, 1 Sam. 10:1 ; David, 1 Sam. 16:13 ; Salomo, 1 Kon. 1:34 ; Jehu, 2 Kon. 9:6 ; Joahaz, 2 Kon. 23:30 ; en hier Joas, die zijn vader opgevolgd is, nadat Athalia het rijk geweldiglijk en tirannelijk aan zich getrokken had. 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van YHWH werd vaardig over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 1 Koningen 1:34 : En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! 2 Koningen 9:6 : Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zei tot hem: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van YHWH, over Israël. 2 Koningen 23:30 : En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
[^2koningen-11-12-30]: Kanttekening 30: klapten zij met de handen: Tot een teken en bewijs van de vreugde. Zo wordt de klapping van de handen genomen, Ps. 98:8 ; Ez. 25:6 ; elders voor een teken van verdriet, Ez. 6:11 . Psalmen 98:8 : Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, Ezechiël 25:6 : Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël; Ezechiël 6:11 : Zo zegt de Heer YHWH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie vallen.
[^2koningen-11-14-31]: Kanttekening 31: Of, gestoelte; dat is, op het koninklijk gestoelte, dat Salomo van koper gemaakt had, en stond in het voorhof van het volk aan een pilaar. Zie onder, 2 Kon. 23:3 , en 2 Kron. 6:13 . 2 Koningen 23:3 : De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond. 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).
[^2koningen-11-14-32]: Kanttekening 32: naar de wijze: Dat is, naar de manier van doen; of, gelijk de koning gewoon was, aan die kolom te staan als hij in de tempel kwam om God te dienen, of het volk aan te spreken. Vergelijk onder, 2 Kon. 23:3 . 2 Koningen 23:3 : De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond.
[^2koningen-11-14-33]: Kanttekening 33: Een teken van spijt, verdriet en grote beroering van de geest. Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2koningen-11-15-34]: Kanttekening 34: de ordeningen: Zie boven, vers 8 . 2 Koningen 11:8 : En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.
[^2koningen-11-16-35]: Kanttekening 35: zij legden: Anders, zij bestelden aan haar zijdwacht, of, zij gaven, of, maakten haar plaats; te weten, om uit de tempel te gaan. Hebreeuws, zij zetten haar handen, of zijden, of ruimten, of plaatsen.
[^2koningen-11-16-36]: Kanttekening 36: de weg: Dat is, de weg van de stadspoort Davids, die zo genoemd was en noordwaarts stond; vanwaar men ging naar de poort van Efraïm. Zie onder, 2 Kon. 14:13 . Sommigen menen dat deze weg de naam heeft van de ingang van de paarden, omdat men daardoor bekwamelijk tot het huis van de koning te paard kon rijden. 2 Koningen 14:13 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2koningen-11-17-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 23:16 . 2 Kronieken 23:16 : En Jojada maakte een verbond tussen Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij YHWH tot een volk zouden zijn.
[^2koningen-11-17-37]: Kanttekening 37: een verbond: Te weten, eerst een kerkelijk verbond tussen God en de koning met het volk, aangaande de oprichting en handhaving van de zuivere en ware godsdienst; daarna ook een politiek verbond, aangaande het ambt van de koning tegen zijn volk, in zijn regering, en de schuldige plicht van het volk tegen de koning, in politieke gehoorzaamheid.
[^2koningen-11-17-38]: Kanttekening 38: YHWH tot een volk: Dat is, dat het de Heer alleen voor de ware God kennen en naar zijn woord dienen zou, verwerpende alle afgoderij en valsen godsdienst, welke verklaring bevestigd wordt met hun volgende daad, vers 18 . 2 Koningen 11:18 : Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis van YHWH.
[^2koningen-11-18-39]: Kanttekening 39: Of, herstelde; omdat de zuiverheid van de godsdienst door de verkeerdheid van de tijd zeer vervallen was. Zie breder en meer bijzonder hiervan 2 Kron. 23:18 , 23:19 . 2 Kronieken 23:18 : Jojada nu bestelde de ambten in het huis van YHWH, onder de hand van de Levietische priesters, die David in het huis van YHWH afgedeeld had, om de brandofferen van YHWH te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David. 2 Kronieken 23:19 : En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van YHWH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.
[^2koningen-11-19-40]: Kanttekening 40: poort van de trawanten: Genaamd anders de hoge poort, 2 Kron. 23:20 . Zie daar de aantekening. 2 Kronieken 23:20 : En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van YHWH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk.
[^2koningen-11-19-41]: Kanttekening 41: hij zat: Zie 1 Kon. 1:46 . 1 Koningen 1:46 : En ook zit Salomo op de troon van het koninkrijk.
[^2koningen-11-20-42]: Kanttekening 42: bij : Anders, in.
[^2koningen-11-21-43]: Kanttekening 43: zeven jaren: Men kan hieruit afnemen dat Joas maar een jaar oud was, als Athalia hem zocht te doden en hij in de tempel met zijn voedstervrouw verborgen werd, want is hij daar zes jaren bewaard geweest, boven, vers 3 . 2 Koningen 11:3 : En hij was met haar verstopt in het huis van YHWH zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

### 2 Koningen 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/12.json)

*Joas regeert vroom, zolang als Jojada leefde, vers 1, enz. hij stelt orde dat de tempel hersteld wordt, 4. hij keert Hazaël van Jeruzalem af, door hem de schatten van de tempel te geven, 17. hij wordt door zijn knechten gedood, en zijn zoon Amazia wordt koning in zijn plaats, 20.*

**1** In het[^2koningen-12-1-a] zevende jaar van[^2koningen-12-1-1] Jehu werd[^2koningen-12-1-2] Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2koningen-12-1-3] Zibja van[^2koningen-12-1-4] Ber-Seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v1)

**2** En Joas deed dat recht was in de ogen van YHWH, al zijn dagen,[^2koningen-12-2-5] waarin de priester Jojada hem onderwees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v2)

**3** Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v3)

**4** En Joas zei tot de priesters:[^2koningen-12-4-b] Al het geld[^2koningen-12-4-6] van de gewijde gaven, dat gebracht zal worden in het huis van YHWH, te weten het geld[^2koningen-12-4-7] van degene, die overgaat tot de[^2koningen-12-4-9][^2koningen-12-4-8] ingeschrevenen, het geld van een ieder[^2koningen-12-4-10] van de personen naar zijn schatting,[^2koningen-12-4-11] en al het geld, dat in ieders hart[^2koningen-12-4-12] komt, om dat te brengen in het huis van YHWH, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v4)

**5** Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de bouwvalligheden van het huis[^2koningen-12-5-13] herstellen, naar alles wat er[^2koningen-12-5-14] aan bouwvalligheden gevonden zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v5)

**6** Maar het gebeurde in het drie en twintigste jaar van de koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v6)

**7** Toen riep de koning Joas de priester Jojada en de andere priesters, en zei tot hen: Waarom betert u niet de breuken van het huis? Nu dan,[^2koningen-12-7-15] neemt geen geld van uw bekenden,[^2koningen-12-7-16] dat u het zou geven voor de breuken van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v7)

**8** En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v8)

**9** Maar de priester Jojada[^2koningen-12-9-17] nam een kist, en boorde een gat in haar[^2koningen-12-9-18] deksel, en zette die bij het altaar[^2koningen-12-9-19] ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de[^2koningen-12-9-20] dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v9)

**10** Het gebeurde nu, als zij zagen, dat veel geld in de kist was, dat de schrijver van de[^2koningen-12-10-21] koning met de hogepriester opkwam, en[^2koningen-12-10-22] zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v10)

**11** En zij gaven het geld wel gewogen in handen van[^2koningen-12-11-23] de verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis van YHWH; en zij besteedden het uit aan de[^2koningen-12-11-24] timmerlieden en aan de bouwers, die het huis van YHWH vermaakten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v11)

**12** En aan de[^2koningen-12-12-25] metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en[^2koningen-12-12-26] gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis van YHWH te verbeteren, en voor al wat[^2koningen-12-12-27] uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v12)

**13** Echter[^2koningen-12-13-28] werden niet gemaakt voor het huis van YHWH[^2koningen-12-13-29] zilveren schalen, messen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden voorwerp, of zilveren voorwerp, van het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v13)

**14** Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmee het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v14)

**15** Daartoe[^2koningen-12-15-30] eisten zij geen rekening van de mannen, wie zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden[^2koningen-12-15-31] trouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v15)

**16** Het geld van schuldoffer, en het geld van zondoffers werd in het huis van YHWH niet gebracht; het was voor de priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v16)

**17** [^2koningen-12-17-32][^2koningen-12-17-c] Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en voerde strijd tegen[^2koningen-12-17-33] Gath, en nam haar in;[^2koningen-12-17-d] daarna[^2koningen-12-17-34] stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v17)

**18** [^2koningen-12-18-e] Maar Joas, de koning van Juda, nam al de gewijde gaven, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaders, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn[^2koningen-12-18-35] gewijde gaven, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis van YHWH, en van het huis van de koning, en zond het tot Hazaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v18)

**19** Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v19)

**20** [^2koningen-12-20-f] En zijn knechten stonden op, en maakten een samenzwering, en sloegen Joas,[^2koningen-12-20-36] in het huis van Millo, dat afgaat naar[^2koningen-12-20-37] Silla; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v20)

**21** Want[^2koningen-12-21-38] Jozacar, de zoon van[^2koningen-12-21-39] Simeath, en[^2koningen-12-21-40] Jozabad, de zoon van[^2koningen-12-21-41] Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaders in[^2koningen-12-21-42] de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/12.html#v21)

[^2koningen-12-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 24:1 . 2 Kronieken 24:1 : Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Zibja, van Ber-seba.
[^2koningen-12-1-1]: Kanttekening 1: De koning van Israël; van welke zie boven, 2 Kon. 9:10 . 2 Koningen 9:10 : Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte.
[^2koningen-12-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, Jehoasch.
[^2koningen-12-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, Tsibia.
[^2koningen-12-1-4]: Kanttekening 4: Zie van deze stad Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^2koningen-12-2-5]: Kanttekening 5: in dewelke: Maar na de dood van Jojada de hogepriester, wiens goede leer hij heeft vergeten, is tot valsen godsdienst vervallen, en daarom ook gestraft geweest. Zie 2 Kron. 24:17 , 24:18 . 2 Kronieken 24:17 : Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor de koning; toen hoorde de koning naar hen. 2 Kronieken 24:18 : Zo verlieten zij het huis van YHWH, van de God van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
[^2koningen-12-4-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 22:3 . 2 Koningen 22:3 : Het geschiedde nu in het achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van YHWH, zeggende:
[^2koningen-12-4-6]: Kanttekening 6: van de geheiligde dingen: Hebreeuws, בָּמ֖וֹת, heiligheden; dat is, die aan de Heer geheiligd en tot zijn dienst toegeëigend waren; en nu tot de bouw en de vermaking van de tempel moesten aangelegd worden. Van deze worden hier zekere soorten vermeld, naar uitwijzen van de volgende woorden.
[^2koningen-12-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, van de voorbijgaanden of van de overgaanden; te weten, onder, of tot de getelden; dat is, die gerekend werd onder degenen, die geschat moesten worden. Deze nu waren al degenen, die twintig jaren en daarboven oud waren, die, wanneer de telling geschiedde, moesten elk een halven sikkel voor hun hoofd geven, Ex. 30:13 . Dit was de eerste soort van de geheiligde dingen. Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH.
[^2koningen-12-4-9]: Kanttekening 9: het geld: Hebreeuws, בָּמ֖וֹת, van de man geld van de zielen van zijn schatting; dat is, het geld, waarmee de priester een persoon, die zijn gelofte aan de Heer gedaan had, geschat heeft, opdat hij zich zou lossen en vrijmaken. Zie de wet hiervan Lev. 27:2 . Dit was de tweede soort van de geheiligde dingen. Leviticus 27:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen van YHWH zijn.
[^2koningen-12-4-8]: Kanttekening 8: Dit woord is hier ingevoegd uit Ex. 30:13 . Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH.
[^2koningen-12-4-10]: Kanttekening 10: van de personen: Hebreeuws, עָ֛ם, zielen. Dit woord is hier voor personen of mensen genomen. Zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^2koningen-12-4-11]: Kanttekening 11: al het geld: De derde soort van de geheiligde dingen was, die iemand geheel vrijwilliglijk aan de Heer offerde, zonder daartoe door enige wet genoodzaakt te zijn, maar wel opgewekt zijnde door vermaning, 2 Kron. 24:5 , 24:6 . Vergelijk Ex. 35:5 . 2 Kronieken 24:5 : Zo vergaderde hij de priesters en de Levieten, en zei tot hen: Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het gehele Israël, om het huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar; en u, haast tot deze zaak; maar de Levieten haastten niet. 2 Kronieken 24:6 : En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt u geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, de knecht van YHWH, en van de gemeente van Israël, voor de tent van het getuigenis? Exodus 35:5 : Neemt van wat u hebt, een hefoffer voor YHWH; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer van YHWH: goud, en zilver, en koper;
[^2koningen-12-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, opkomt, of klimt.
[^2koningen-12-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, versterken. En zo in het volgende.
[^2koningen-12-5-14]: Kanttekening 14: voor breuk: Versta, dat gescheurd, gespleten, gereten, of vervallen was door de ouderdom van het gebouw; of geschonden en verwoest door de goddeloze Athalia. Zie 2 Kron. 24:7 . 2 Kronieken 24:7 : Want als Athalia goddeloos handelde, hadden haar zonen het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van YHWH besteed aan de Baäls.
[^2koningen-12-7-15]: Kanttekening 15: neemt geen geld: Gelijk u tevoren gedaan hebt. Zie vers 4 , 12:5 . 2 Koningen 12:4 : En Joas zei tot de priesters: Al het geld van de geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis van YHWH, te weten het geld van degene, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder van de personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis van YHWH, 2 Koningen 12:5 : Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.
[^2koningen-12-7-16]: Kanttekening 16: dat u: Gelijk u tevoren wel beloofd, maar niet gedaan hebt.
[^2koningen-12-9-17]: Kanttekening 17: nam een kist: Met toestemming ja door bevel van de koning; 2 Kron. 24:8 . 2 Kronieken 24:8 : En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis van YHWH.
[^2koningen-12-9-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, in haar deur.
[^2koningen-12-9-19]: Kanttekening 19: ter rechterhand: Versta, aan de post, of ter zijde van de deur, waar men inging in het voorhof van de priesters, alwaar het brandofferaltaar stond, aan het einde van het grote voorhof; want zover mocht geheel Israël komen, gelijk de Levieten daar aan de dorpel van deze deur de wacht hielden, Num. 18:4 . Zulk een offerkist was ook nog in de tempel ten tijde van Jezus Christus. Zie Mark. 12:41 ; Luk. 21:1 . Numeri 18:4 : Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent van de samenkomst waarnemen, in allen dienst van de tent; en een vreemde zal tot u niet naderen. Marcus 12:41 : En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. Lukas 21:1 : En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
[^2koningen-12-9-20]: Kanttekening 20: Te weten, van de poort van het voorhof van de priesters; en dat naar het voorschrift van de Heer; Num. 18:4 . Numeri 18:4 : Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent van de samenkomst waarnemen, in allen dienst van de tent; en een vreemde zal tot u niet naderen.
[^2koningen-12-10-21]: Kanttekening 21: Dat is, griffier, of secretaris. Zo onder, 2 Kon. 19:2 , en 2 Kon. 22:3 ; idem 2 Sam. 8:17 . 2 Koningen 19:2 : Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz; 2 Koningen 22:3 : Het geschiedde nu in het achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van YHWH, zeggende: 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
[^2koningen-12-10-22]: Kanttekening 22: zij bonden het: Te weten, in buidels, of zakken.
[^2koningen-12-11-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, doeners van dat werk. Zo onder, 2 Kon. 22:5 . Dat is, die als opzieners over dit werk van de tempel gesteld waren. 2 Koningen 22:5 : En dat zij dat geven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis van YHWH; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis van YHWH is, om de breuken van het huis te beteren;
[^2koningen-12-11-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, werknemers van het hout.
[^2koningen-12-12-25]: Kanttekening 25: Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen degenen, die stenen muren en houten wanden en heiningen maken. Zo onder, 2 Kon. 22:6 ; Jes. 58:12 ; Ez. 22:30 . Hier is het voor metselaars genomen. 2 Koningen 22:6 : Aan de timmerlieden en de bouwers, en de metselaars, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om het huis te beteren. Jesaja 58:12 : En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult u oprichten; en u zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weer opmaakt, om te bewonen. Ezechiël 22:30 : Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.
[^2koningen-12-12-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, stenen van de uithouwing, of, snijding; dat is, die uit de aarde gehouwen worden, en daarna ook door houwing of snijding tot zeker gebruik moeten gefatsoeneerd worden.
[^2koningen-12-12-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, dat uitging; dat is, dat uitgelegd werd van geld, of anders uitbesteed, tot behoefte van de vermaking van de tempel.
[^2koningen-12-13-28]: Kanttekening 28: Dat is, zij bevorderden zozeer de bouw van de tempel dat zij de vaten, tot de godsdienst behorende, niet maakten voordat het bouwwerk volbracht was; maar daarna hebben zij ook van het overschot van het geld allerlei vaten gemaakt. Zie 2 Kron. 24:14 . 2 Kronieken 24:14 : Als zij nu voltooid hadden, brachten zij voor de koning en Jojada het overige van het geld, waarvan hij vaten maakte voor het huis van YHWH, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden geduriglijk brandofferen in het huis van YHWH al de dagen van Jojada.
[^2koningen-12-13-29]: Kanttekening 29: zilveren schalen: Zie van deze vaten 1 Kon. 7:50 . 1 Koningen 7:50 : En ook de schalen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; daartoe de herren van de deuren van het binnenste huis, van het heilige van de heiligen, en van de deuren van het huis van de tempel, van goud.
[^2koningen-12-15-30]: Kanttekening 30: Of, deden de mannen geen rekening doen; of rekenden niet met de mannen.
[^2koningen-12-15-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, in waarheid, of trouw; dat is, op geloof. De zin is: Gelijk het geld hun vromigheid toevertrouwd was, zo hebben zij ook hetzelfde trouwelijk aangelegd en besteed.
[^2koningen-12-17-32]: Kanttekening 32: Toen trok Hazaël: Namelijk, nadat Jojada nu gestorven was en Joas zijn wegen verdorven had, 2 Kron. 24:22 , 24:23 . 2 Kronieken 24:22 : Zo gedacht de koning Joas niet van de weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zei: YHWH zal het zien en zoeken! 2 Kronieken 24:23 : Daarom geschiedde het met de omgang van het jaar, dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten van het volk; en zij zonden al hun roof tot de koning van Damascus.
[^2koningen-12-17-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 13:25 . 2 Koningen 13:25 : Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weer.
[^2koningen-12-17-33]: Kanttekening 33: Zie 1 Kon. 2:39 . 1 Koningen 2:39 : Maar het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
[^2koningen-12-17-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 8:12 ; 2 Kron. 24:23 . 2 Koningen 8:12 : Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. 2 Kronieken 24:23 : Daarom geschiedde het met de omgang van de jaar, dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten van het volk; en zij zonden al hun roof tot de koning van Damascus.
[^2koningen-12-17-34]: Kanttekening 34: stelde Hazaël: Zijn aangezicht ergens naar stellen, is iets ernstiglijk voornemen en aangrijpen. Zie 2 Kron. 20:3 ; Jer. 42:15 ; Ez. 21:2 ; Dan. 9:3 ; Luk. 9:51 . 2 Kronieken 20:3 : Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om YHWH te zoeken; en hij riep een vasten uit in geheel Juda. Jeremia 42:15 : Nu dan, daarom hoort het woord van YHWH, u overblijfsel van Juda! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Als u ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; Ezechiël 21:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël; Daniël 9:3 : En ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heer, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as. Lukas 9:51 : En het geschiedde, als de dagen van Zijn opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.
[^2koningen-12-18-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 18:15 . 2 Koningen 18:15 : Zo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning.
[^2koningen-12-18-35]: Kanttekening 35: geheiligde dingen: Hebreeuws, מֶ֣לֶךְ, heiligheden. Als boven, vers 4 . Zie Lev. 5:15 . 2 Koningen 12:4 : En Joas zei tot de priesters: Al het geld van de geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis van YHWH, te weten het geld van degene, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder van de personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis van YHWH, Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer aan YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^2koningen-12-20-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 14:5 . 2 Koningen 14:5 : Het geschiedde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten sloeg, die de koning, zijn vader, geslagen hadden,
[^2koningen-12-20-36]: Kanttekening 36: in het huis van Millo: Anders, Bethmillo. Zie Richt. 9:6 . Richteren 9:6 : Toen vergaderden zich alle burgeren van Sichem, en het gehele huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech ten koning, bij de hogen eik, die bij Sichem is.
[^2koningen-12-20-37]: Kanttekening 37: De naam ener plaats. Uit de eigenschap van het woord menen sommigen dat dit is een zekere gehoogde weg geweest, die Salomo zou gemaakt hebben om van de stad van David in de tempel te gaan, 2 Kron. 9:11 . Anderen menen dat Silla is geweest de naam van een stad, niet ver van het huis van Millo gelegen. 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^2koningen-12-21-38]: Kanttekening 38: Anders genaamd Zabad, 2 Kron. 24:26 . 2 Kronieken 24:26 : Deze nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
[^2koningen-12-21-39]: Kanttekening 39: De naam van een Ammonietische vrouw, 2 Kron. 24:26 . 2 Kronieken 24:26 : Deze nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
[^2koningen-12-21-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, Jehozabad.
[^2koningen-12-21-41]: Kanttekening 41: Anders, van Simrith. Deze was een Moabietische vrouw, 2 Kron. 24:26 . 2 Kronieken 24:26 : Deze nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
[^2koningen-12-21-42]: Kanttekening 42: stad van David: Maar niet in het graf van de koningen van Juda, 2 Kron. 24:25 . 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.

### 2 Koningen 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/13.json)

*Joahaz, de koning van Israël, volgt de zonde van Jerobeam, vers 1, enz. wordt verdrukt door Hazaël, 3. geholpen door zijn gebed, 4. sterft, en zijn zoon Joas regeert, die zijn vader gelijk is in afgoderij, 9. hij sterft; Elisa wordt ziek, profeteert tegen de Syriërs, sterft, 14. De Moabieten vallen in het land, 20. Een dode man, geworpen zijnde in het graf van Elisa, wordt levend, 21. Joas nam de steden weer in die de Syriërs zijn vader afgenomen hadden, 22.*

**1** In het drie en twintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd[^2koningen-13-1-1] Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria,[^2koningen-13-1-2][^2koningen-13-1-3] en regeerde zeventien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v1)

**2** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; want hij wandelde[^2koningen-13-2-4] na de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij[^2koningen-13-2-5] week daarvan niet af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v2)

**3** Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij[^2koningen-13-3-6] gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van[^2koningen-13-3-7] Hazaël, al die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v3)

**4** Maar Joahaz bad het aangezicht van YHWH ernstig aan; en YHWH verhoorde hem; want[^2koningen-13-4-8] Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v4)

**5** (Zo gaf YHWH Israël een[^2koningen-13-5-9] verlosser, dat zij van onder[^2koningen-13-5-10] de hand van de Syriërs uitkwamen; en de Israëlieten woonden[^2koningen-13-5-11] in hun tenten,[^2koningen-13-5-12] als te voren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v5)

**6** Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël zondigen deed;[^2koningen-13-6-13] maar hij wandelde[^2koningen-13-6-14] daarin; en[^2koningen-13-6-15] het bos bleef ook staan te Samaria.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v6)

**7** Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagens, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende[^2koningen-13-7-16] gemaakt als stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v7)

**8** Het overige nu van de geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v8)

**9** En Joahaz ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v9)

**10** In[^2koningen-13-10-17] het zeven en dertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v10)

**11** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet af van al[^2koningen-13-11-18] de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde[^2koningen-13-11-19] daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v11)

**12** Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmee hij gestreden heeft tegen Amazia, de koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v12)

**13** En Joas ontsliep met zijn vaders, en Jerobeam[^2koningen-13-13-20] zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v13)

**14** Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, waarvan hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd:[^2koningen-13-14-21][^2koningen-13-14-a] Mijn vader, mijn vader,[^2koningen-13-14-22] wagen van Israël en zijn ruiteren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v14)

**15** En Elisa zei tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v15)

**16** En hij zei tot de koning van[^2koningen-13-16-23] Israël: Leg uw hand aan de boog, en hij legde zijn hand daaraan; en[^2koningen-13-16-24] Elisa legde zijn handen op de handen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v16)

**17** En hij zei: Doe het venster open[^2koningen-13-17-25] tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zei Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zei:[^2koningen-13-17-26] Het is een pijl van de verlossing van YHWH, en een pijl van de verlossing tegen de Syriërs; want u zult de Syriërs slaan[^2koningen-13-17-b] in[^2koningen-13-17-27] Afek, tot hun vernietiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v17)

**18** Daarna zei hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zei hij tot de koning van[^2koningen-13-18-28] Israël: Sla tegen de aarde. En hij sloeg drie keer; daarna stond hij stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v18)

**19** Toen werd de man van God zeer boos op hem, en zei: U zou vijf maal of zesmaal geslagen hebben; dan zou u de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; maar nu zult u de Syriërs drie keer slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v19)

**20** Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem.[^2koningen-13-20-29] De benden nu van de Moabieten kwamen in het land met het ingaan van het jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v20)

**21** En het gebeurde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij de man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v21)

**22** Hazaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël,[^2koningen-13-22-30] al de dagen van Joahaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v22)

**23** Maar YHWH was hun genadig, en ontfermde Zich over hen, en wendde Zich tot hen,[^2koningen-13-23-31] omwille van Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v23)

**24** En Hazaël, de koning van Syrië, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v24)

**25** Joas nu, de zoon van Joahaz,[^2koningen-13-25-32] nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met strijd genomen had; Joas sloeg hem drie keer, en bracht de steden aan[^2koningen-13-25-33] Israël weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/13.html#v25)

[^2koningen-13-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, Jehoachaz.
[^2koningen-13-1-2]: Kanttekening 2: en regeerde : Dit woord is hier ingevoegd, gelijk ook onder, vers 10 , uit 2 Kon. 3:1 , en 2 Kon. 8:17 , 26, en 2 Kon. 12:1 . Zie ook 1 Kon. 15:33 . 2 Koningen 13:10 : In het zeven en dertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren. 2 Koningen 3:1 : Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren. 2 Koningen 8:17 : Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 2 Koningen 12:1 : In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja van Ber-Seba. 1 Koningen 15:33 : In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
[^2koningen-13-1-3]: Kanttekening 3: zeventien jaren: Waarvan de laatste twee hem met zijn zoon gemeen zijn. Zie onder, vers 10 , 13:22 . 2 Koningen 13:10 : In het zeven en dertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren. 2 Koningen 13:22 : Hazaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Joahaz.
[^2koningen-13-2-4]: Kanttekening 4: na de zonden: Versta, voornamelijk de afgoderij van hem ingesteld, die de Israëlieten, naast zijn bevel en exempel, met de gouden kalven bedreven. Zie 1 Kon. 12:26 , enz., en boven, 2 Kon. 10:29 . Zo onder, vers 6 , 13:11 . 1 Koningen 12:26 : En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren. 2 Koningen 10:29 : Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren. 2 Koningen 13:6 : Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.) 2 Koningen 13:11 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin.
[^2koningen-13-2-5]: Kanttekening 5: daarvan niet af: Of, van geen derzelve; te weten, zonden.
[^2koningen-13-3-6]: Kanttekening 6: gaf hen: Te weten, de Israëlieten, die God zo overgaf in het geweld van de Syriërs, dat zij van dezelfde verslagen en verdrukt werden, met verlies van een deel huns lands.
[^2koningen-13-3-7]: Kanttekening 7: al die dagen: Te weten, van Joahaz, de koning van Israël; namelijk, zolang als hij alleen regeerde. Zo ook onder, vers 22 . 2 Koningen 13:22 : Hazaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Joahaz.
[^2koningen-13-4-8]: Kanttekening 8: Hij zag: Dit is menselijkerwijze van God gesproken, en betekent zijn vaderlijke zorg en weldadigheid over degenen, die verdrukt zijn en met bekering van het hart hun toevlucht tot hem nemen. Zie Gen. 31:42 . Genesis 31:42 : Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, u zoudt mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.
[^2koningen-13-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk, Joas, de zoon van Joahaz. Zie onder, vers 25 . 2 Koningen 13:25 : Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weer.
[^2koningen-13-5-10]: Kanttekening 10: de hand: Dat is, gebied. Zie Gen. 16:6 ; Num. 31:49 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. Numeri 31:49 : En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som van de krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man.
[^2koningen-13-5-11]: Kanttekening 11: in hun tenten: Dat is, in hun huizen en woningen. De Heilige Schriftuur houdt deze manier van spreken, ziende op de wijze van doen van de patriarchen en van de Israëlieten in de woestijn, waar zij in tenten woonden. Zie Deut. 16:7 . Deuteronomium 16:7 : Dan zult u het koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u u 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten.
[^2koningen-13-5-12]: Kanttekening 12: als te voren: Hebreeuws, שִׁלְשֽׁוֹם, gelijk gisteren en eergisteren.
[^2koningen-13-6-13]: Kanttekening 13: hij wandelde: Namelijk, Joahaz.
[^2koningen-13-6-14]: Kanttekening 14: Of, in elk een derzelve, te weten, zonden. Vergelijk boven, vers 2 . 2 Koningen 13:2 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.
[^2koningen-13-6-15]: Kanttekening 15: het bos: Versta, het afgodische bos, dat Achab had laten planten, 1 Kon. 16:33 . Van de afgodische bossen, zie Deut. 7:5 . 1 Koningen 16:33 : Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
[^2koningen-13-7-16]: Kanttekening 16: als stof: Dat is, had hen door vele nederlagen verdrukt en als onder de voeten getreden, gelijk de ossen in die landen, dorsende met hun voeten, de aren vertraden.
[^2koningen-13-10-17]: Kanttekening 17: het zeven en dertigste jaar: Dat was omtrent het vijftiende jaar van de regering van Joahaz. Vergelijk boven, de aantekening vers 1 . 2 Koningen 13:1 : In het drie en twintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
[^2koningen-13-11-18]: Kanttekening 18: de zonden: Zie boven, vers 2 . 2 Koningen 13:2 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.
[^2koningen-13-11-19]: Kanttekening 19: Of, in elk derzelve.
[^2koningen-13-13-20]: Kanttekening 20: zat op zijn troon: Dat is, werd koning. Zie 1 Kon. 1:13 . 1 Koningen 1:13 : Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?
[^2koningen-13-14-21]: Kanttekening 21: Mijn vader, mijn vader: Zo noemt hij hem uit liefde en eerbied.
[^2koningen-13-14-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 2:12 . 2 Koningen 2:12 : En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.
[^2koningen-13-14-22]: Kanttekening 22: wagen Israëls: Zie boven, de aantekening op 2 Kon. 2:12 . 2 Koningen 2:12 : En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.
[^2koningen-13-16-23]: Kanttekening 23: Leg uw hand: Hebreeuws, קֶּ֔שֶׁת, doe uw hand rijden op de boog. Dit was voor de koning Joas tot een teken, dat hij oorlog zou moeten aannemen.
[^2koningen-13-16-24]: Kanttekening 24: Te weten, om de koning te beduiden, dat God met hem strijden zou, en dat ons doen van God moet komen, zou het goed zijn, en van hem gezegend zijn, zou het wel gelukken.
[^2koningen-13-17-25]: Kanttekening 25: tegen het oosten: Dat was naar Syrië.
[^2koningen-13-17-26]: Kanttekening 26: Het is een pijl: Dat is, deze pijl is een teken om u te verzekeren, dat God u zal victorie over uw vijanden geven en uw volk van hun geweld bevrijden.
[^2koningen-13-17-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 20:30 . 1 Koningen 20:30 : En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.
[^2koningen-13-17-27]: Kanttekening 27: Zie van deze stad, 1 Sam. 4:1 , en 1 Sam. 29:1 , en 1 Kon. 20:26 . Anderen nemen dit woord niet voor een eigen naam, maar zetten het over: sterkelijk, geweldiglijk. 1 Samuël 4:1 : En het woord van Samuël geschiedde aan geheel Israël. En Israël toog uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek. 1 Samuël 29:1 : De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreël is. 1 Koningen 20:26 : Het geschiedde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israël.
[^2koningen-13-18-28]: Kanttekening 28: Sla tegen de aarde: God heeft Joas hiermede betekend dat hij ook zijn schuldigen plicht daartoe brengen zou. Dat hij nu maar driemaal sloeg, gaf enige nalatigheid en fout te kennen, die hij in het uitvoeren van deze straf over de Syriërs begaan zou; zodat hij hen ook maar driemaal heeft geslagen. Zie onder, vers 25 . 2 Koningen 13:25 : Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weer.
[^2koningen-13-20-29]: Kanttekening 29: Dat is, enige rotten, of hopen van rovende en stropende krijgslieden. Zie boven, 2 Kon. 5:2 . 2 Koningen 5:2 : En er waren benden uit Syrië getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israël gevankelijk gebracht, die in de dienst van de huisvrouw van Naäman was.
[^2koningen-13-22-30]: Kanttekening 30: al de dagen: Dat is, zolang hij regeerde; wel verstaan alleen, en voordat hij zijn zoon Joas tot de regering mee toegelaten had. Want van die tijd af begon God door Joas zijn volk te verlossen.
[^2koningen-13-23-31]: Kanttekening 31: vanwege Zijn verbond: Waarin God beloofd had, niet alleen hun, maar ook huns zaads God te willen zijn, Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^2koningen-13-25-32]: Kanttekening 32: nam de steden weer in: Hebreeuws, עָרִים֙, keerde weer, en nam in. Zie Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^2koningen-13-25-33]: Kanttekening 33: Te weten, aan het koninkrijk Israëls. De volle manier van spreken is onder, 2 Kon. 14:28 . 2 Koningen 14:28 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damascus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

### 2 Koningen 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/14.json)

*Amazia is in het begin van zijn regering vroom, vers 1, enz. hij straft de moordenaars van zijn vader, 5. overwint de Edomieten, 7. biedt de koning van Israël de oorlog aan, 8. wordt door hem verslagen, 12. door zijn eigen volk verjaagd, gedood, begraven, 19. Zijn zoon Azaria regeert, 21. Jerobeam is koning over Israël, 23. zijn daden, 25. hij sterft, en zijn zoon Zacharia regeert na hem, 29.*

**1** In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, werd[^2koningen-14-1-1] Amazia koning, de zoon van Joas, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v1)

**2** [^2koningen-14-2-2][^2koningen-14-2-a] Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en regeerde[^2koningen-14-2-3] negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2koningen-14-2-4] Joaddan van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v2)

**3** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, toch[^2koningen-14-3-5] niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader[^2koningen-14-3-6] Joas gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v3)

**4** [^2koningen-14-4-7] Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v4)

**5** Het gebeurde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten[^2koningen-14-5-8] sloeg,[^2koningen-14-5-9] die de koning, zijn vader, geslagen hadden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v5)

**6** Maar de kinderen van de moordenaars doodde hij niet;[^2koningen-14-6-10] zoals geschreven is in het wetboek van Mozes, waar YHWH geboden heeft, zeggende:[^2koningen-14-6-11][^2koningen-14-6-b] De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v6)

**7** Hij sloeg de Edomieten in het[^2koningen-14-7-12] Zoutdal tien duizend, en nam[^2koningen-14-7-13] Sela in met strijd, en noemde haar naam[^2koningen-14-7-14] Jokteel,[^2koningen-14-7-15] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v7)

**8** Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël,[^2koningen-14-8-16] zeggende: Kom, laat ons elkaars aangezicht zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v8)

**9** Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende:[^2koningen-14-9-17] De distel, die op de[^2koningen-14-9-18] Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon tot vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v9)

**10** U hebt de Edomieten[^2koningen-14-10-19] dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zou u zich in[^2koningen-14-10-20] het kwade mengen, dat u vallen zou, u en Juda met u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v10)

**11** Maar Amazia hoorde niet; daarom[^2koningen-14-11-21] trok Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda,[^2koningen-14-11-22] elkaars aangezicht zagen te[^2koningen-14-11-23] Beth-semes, dat in Juda is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v11)

**12** En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël, en zij vluchtten, ieder in zijn[^2koningen-14-12-24] tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v12)

**13** En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van[^2koningen-14-13-25] de poort van Efraïm tot aan[^2koningen-14-13-26] de Hoekpoort, vierhonderd[^2koningen-14-13-27] ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v13)

**14** En hij nam al het goud, en het zilver, en al de voorwerpen, die gevonden werden in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning, en ook[^2koningen-14-14-28] gijzelaars; en hij keerde weer naar Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v14)

**15** Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, de koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v15)

**16** En Joas ontsliep met zijn vaders, en werd te Samaria begraven bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v16)

**17** Amazia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, vijftien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v17)

**18** Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v18)

**19** En[^2koningen-14-19-c] zij[^2koningen-14-19-29] maakten een samenzwering tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot[^2koningen-14-19-30] Lachis, en doodden hem daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v19)

**20** En zij brachten hem[^2koningen-14-20-31] op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaders, in de stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v20)

**21** [^2koningen-14-21-d] En[^2koningen-14-21-32] het hele volk van Juda nam[^2koningen-14-21-33] Azaria (die nu zestien jaar oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v21)

**22** Die bouwde[^2koningen-14-22-34] Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat[^2koningen-14-22-35] de koning met zijn vaders ontslapen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v22)

**23** In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en[^2koningen-14-23-36] regeerde een en veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v23)

**24** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v24)

**25** Hij[^2koningen-14-25-37] bracht ook weer de grens van Israël van de ingang[^2koningen-14-25-38] van Hamath, tot aan[^2koningen-14-25-39] de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, van de God van Israël, dat Hij gesproken had door[^2koningen-14-25-40] de dienst van Zijn knecht[^2koningen-14-25-41][^2koningen-14-25-e] Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van[^2koningen-14-25-42] Gath-hefer was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v25)

**26** Want YHWH zag, dat de ellende van Israël[^2koningen-14-26-43] zeer bitter was, en dat er[^2koningen-14-26-44] geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v26)

**27** En YHWH had niet gesproken,[^2koningen-14-27-45] dat Hij de naam van Israël van onder de hemel vernietigen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v27)

**28** Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij oorlog gevoerd heeft, en hoe hij[^2koningen-14-28-46] Damascus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël teruggebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v28)

**29** En Jerobeam ontsliep met zijn vaders, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/14.html#v29)

[^2koningen-14-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, Amatsiahu.
[^2koningen-14-2-2]: Kanttekening 2: Vijf en twintig jaren: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֨ים, een zoon van twintig en vijf jaar.
[^2koningen-14-2-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 25:1 . 2 Kronieken 25:1 : Amazia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Joaddan, van Jeruzalem.
[^2koningen-14-2-3]: Kanttekening 3: negen en twintig jaren: In dit getal zijn begrepen twaalf jaren, in welke hij balling is geweest te Lachis, zijnde van zijn eigen onderzaten verdreven, onder, vers 19 . 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^2koningen-14-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, Jehohaddan.
[^2koningen-14-3-5]: Kanttekening 5: niet als zijn vader David: Dat is, niet met een oprecht hart; 2 Kron. 25:2 . 2 Kronieken 25:2 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, maar niet met een volkomen hart.
[^2koningen-14-3-6]: Kanttekening 6: Joas gedaan had: Want gelijk Joas in de eerste jaren van zijn regering, zolang de priester Jojada leefde, zich wel gedragen had, hebbende de zuiveren godsdienst, die vervallen was, opgericht en gehandhaafd, maar daarna door de raad van de vorsten tot afgoderij geweken was, boven, 2 Kon. 12:3 ; 2 Kron. 24:17 , 24:18 , zo heeft Amazia zich in het eerst wel gedragen, maar is daarna tot afgoderij vervallen; 2 Kron. 25:7 , enz., en vers 14 , enz. 2 Koningen 12:3 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 2 Kronieken 24:17 : Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor de koning; toen hoorde de koning naar hen. 2 Kronieken 24:18 : Zo verlieten zij het huis van YHWH, van de God van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld. 2 Kronieken 25:7 : Maar er kwam een man van God tot hem, zeggende: O, koning! laat de legermacht van Israël met u niet gaan; want YHWH is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm. 2 Koningen 14:14 : En hij nam al het goud, en het zilver, en al de vaten, die gevonden werden in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars; en hij keerde weer naar Samaria.
[^2koningen-14-4-7]: Kanttekening 7: Vergelijk 1 Kon. 3:2 , en de aantekening; idem boven, 2 Kon. 12:3 . 1 Koningen 3:2 : Alleen offerde het volk op de hoogten, want geen huis was de Naam van YHWH gebouwd, tot die dagen toe. 2 Koningen 12:3 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
[^2koningen-14-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, met de dood strafte. Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^2koningen-14-5-9]: Kanttekening 9: die de koning: Zie boven, 2 Kon. 12:20 , 12:21 . 2 Koningen 12:20 : En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; 2 Koningen 12:21 : Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-14-6-10]: Kanttekening 10: gelijk geschreven is: Zie Deut. 24:16 . Deuteronomium 24:16 : De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.
[^2koningen-14-6-11]: Kanttekening 11: De vaders: Zie Deut. 24:16 . Deuteronomium 24:16 : De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.
[^2koningen-14-6-b]: Verwijzing b: Deut. 24:16 ; Ez. 18:20 . Deuteronomium 24:16 : De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. Ezechiël 18:20 : De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn.
[^2koningen-14-7-12]: Kanttekening 12: Dat was in Idumea. Zie breder van hetzelfde 2 Sam. 8:13 , en Ps. 60:2 . 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. Psalmen 60:2 : Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
[^2koningen-14-7-13]: Kanttekening 13: Sela in: Dat is, rotssteen. De hoofdstad van het steenachtig Arabië; welke op een steenrots gelegen zijnde, van die en van het land haar naam had. Vergelijk 2 Kron. 25:12 . 2 Kronieken 25:12 : Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte van de steenrots, en stieten hen van de spits van de steenrots af, dat zij allen barstten.
[^2koningen-14-7-14]: Kanttekening 14: Deze naam kan overgezet worden de gehoorzaamheid Gods; dat is, de gehoorzaamheid aan God bewezen. Amazia schijnt deze stad zo genaamd te hebben, omdat hij al de verovering derzelve gehouden heeft voor een loon van de gehoorzaamheid, die hij God bewees als hij de Israëlieten op het gebod van de profeet heeft afgedankt, die hij voor honderd talenten had aangenomen, enz. Zie 2 Kron. 25:8 , 25:9 . 2 Kronieken 25:8 : Maar zo u gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor de vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen. 2 Kronieken 25:9 : En Amazia zei tot de man van God: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man van God zei: YHWH heeft meer dan dit, om u te geven.
[^2koningen-14-7-15]: Kanttekening 15: tot op deze dag: Dat is, tot op deze tijd, in welke dit boek geschreven is, blijft deze naam.
[^2koningen-14-8-16]: Kanttekening 16: laat ons: Dat is, laat ons tegen elkaar strijden. Zo onder, vers 11 ; idem 2 Kon. 23:29 ; 2 Kron. 25:17 , 25:21 . Het schijnt dat hij de dood van zijn vrienden door deze aangenomen krijg heeft willen wreken, waarvan te zien is boven, 2 Kon. 9:27 , en 2 Kon. 10:14 , of immers de moedwilligheid en roverij van de afgedankte Israëlieten, in zijn land geschied; zie daarvan 2 Kron. 25:13 . 2 Koningen 14:11 : Maar Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te Beth-semes, dat in Juda is. 2 Koningen 23:29 : In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 2 Kronieken 25:17 : En Amazia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien. 2 Kronieken 25:21 : Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amazia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten te Beth-semes, dat in Juda is. 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar. 2 Koningen 10:14 : Toen zei hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over. 2 Kronieken 25:13 : Maar de mannen van de benden, die Amazia had doen terugkeren, dat zij met hem in de strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-horon toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel roofs.
[^2koningen-14-9-17]: Kanttekening 17: De distel: De koning van Israël vergelijkt alhier de koning van Juda bij een distel of doornstruik, en zichzelven bij een cederboom, zijn krijgslieden bij het wild gedierte van de Libanon, en de schade, die de koning van Juda te verwachten had, bij de vertreding van de distel. Het is zoveel alsof hij zei: Als u, die in macht van volk en heerlijkheid van het koninkrijk bij mij niet meer bent te vergelijken, dan een verachte distel bij een verheven cederboom, tot mij om vrede en vriendschap gezonden had, het zou u niet gelukt hebben; hoeveel minder zal u deze vijandige vermetelheid wel bekomen? daarom als u wijs bent, doe afstand, u wachtende voor schade.
[^2koningen-14-9-18]: Kanttekening 18: Libanon is: Zie 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^2koningen-14-10-19]: Kanttekening 19: dapper geslagen: Hebreeuws, הִכִּ֨יתָ֙, slaande geslagen. Zie boven, vers 7 . 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag.
[^2koningen-14-10-20]: Kanttekening 20: het kwade: Te weten, van de oorlog. Of, waarom zoudt u u mengen, of, inlaten \[in de strijd\] met schade?
[^2koningen-14-11-21]: Kanttekening 21: toog Joas: Omdat hij de inval van Amazia niet wilde verwachten in zijn eigen land, maar liever hem bejegenen in het zijne.
[^2koningen-14-11-22]: Kanttekening 22: Dat is, streden tegen elkaar. Zie boven, vers 8 . 2 Koningen 14:8 : Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2koningen-14-11-23]: Kanttekening 23: Een stad, gelegen aan de landpale van de stam van Juda, Joz. 15:10 , de Levieten toegeëigend, Joz. 21:16 , ingenomen van de Filistijnen onder Achaz, 2 Kron. 28:18 , en te onderscheiden van een ander Beth-Semes, gelegen in de stam van Nafthali, Richt. 1:33 . Jozua 15:10 : Daarna zal deze landpale zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan. Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. 2 Kronieken 28:18 : Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar. Richteren 1:33 : Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig.
[^2koningen-14-12-24]: Kanttekening 24: Dat is, in hun woningen. Zie boven, 2 Kon. 13:5 . 2 Koningen 13:5 : (Zo gaf YHWH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de kinderen van Israël woonden in hun tenten, als te voren.
[^2koningen-14-13-25]: Kanttekening 25: poort van Efraïm: Zo genaamd, omdat men door dezelfde ging naar het land Efraïms.
[^2koningen-14-13-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, de poort van de hoek. Anders genaamd de poort van de hoeken, Zach. 14:10 ; idem, de uitziende; dat is, als een hoek uitstekende poort. Zie 2 Kron. 25:23 , en de aantekening. Zij was zo genoemd omdat zij stond aan een hoek van de stad. Zacharia 14:10 : Dit gehele land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van de toren van Hananeel, tot aan de wijnbakken van de koning toe. 2 Kronieken 25:23 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2koningen-14-13-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 6:15 . Genesis 6:15 : En aldus is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.
[^2koningen-14-14-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, zonen van de borgtochten, of verpandingen. Versta, personen van zonderlinge afkomst en waarde, die de koning Joas uit Juda meenam, tot verzekering van toekomenden vrede.
[^2koningen-14-19-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 25:27 . 2 Kronieken 25:27 : Van de tijd nu af, dat Amazia afgeweken was van achter YHWH, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; maar hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^2koningen-14-19-29]: Kanttekening 29: Te weten, in het vierde jaar na de dood van Joas, of van de regering zijns zoons Jerobeam.
[^2koningen-14-19-30]: Kanttekening 30: Een stad, gelegen in de westpale van de stam van Juda. Zie van deze Joz. 10:31 , en Joz. 15:39 . Jozua 10:31 : Toen toog Jozua voort, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar. Jozua 15:39 : Lachis, en Bozkath, en Eglon,
[^2koningen-14-20-31]: Kanttekening 31: op paarden: Dat is, op een wagen of koets, die van paarden getrokken of gedragen werd. Vergelijk boven, 2 Kon. 9:28 . 2 Koningen 9:28 : En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad van David.
[^2koningen-14-21-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 26:1 . 2 Kronieken 26:1 : Toen nam het gehele volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
[^2koningen-14-21-32]: Kanttekening 32: het gehele volk: Te weten, als Amazia vluchtte naar Lachis; en hieruit komt dat de elf volgende jaren van de regering niet alleen Amazia, maar ook zijn zoon Azaria toegeschreven worden.
[^2koningen-14-21-33]: Kanttekening 33: Anders genaamd Uzzia, onder, 2 Kon. 15:13 , 15:30 ; 2 Kron. 26 . Onder denzelfden koning begon Jesaja te profeteren, Jes. 1:1 . 2 Koningen 15:13 : Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. Jesaja 1:1 : Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
[^2koningen-14-22-34]: Kanttekening 34: Zie van deze stad ook Deut. 2:8 . Azaria nu wordt gezegd die gebouwd te hebben, niet ten aanzien van de eerste grondlegging van deze stad, maar van de herbouwing derzelve, omdat zij vervallen was. Deuteronomium 2:8 : Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen de weg van de woestijn van Moab.
[^2koningen-14-22-35]: Kanttekening 35: de koning: Namelijk, Amazia zijn vader.
[^2koningen-14-23-36]: Kanttekening 36: en regeerde : Zie van deze ingevoegde woorden, boven, 2 Kon. 13:1 . 2 Koningen 13:1 : In het drie en twintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
[^2koningen-14-25-37]: Kanttekening 37: bracht ook weer: Te weten, onder het gebied van de koningen van Israël. Zie boven, 2 Kon. 13:25 . 2 Koningen 13:25 : Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weer.
[^2koningen-14-25-38]: Kanttekening 38: Zie hiervan Num. 13:21 , en Num. 34:8 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. Numeri 34:8 : Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze landpale zullen zijn naar Zedad.
[^2koningen-14-25-39]: Kanttekening 39: de zee: Zie ook van deze zee Deut. 3:17 . Deuteronomium 3:17 : Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.
[^2koningen-14-25-40]: Kanttekening 40: de dienst: Hebreeuws, עַבְדּ֞, door de hand.
[^2koningen-14-25-41]: Kanttekening 41: Deze is dezelfde, die van de Heer naar Ninevé gezonden werd, en wiens profetie wij bij de andere profeten in de Bijbel hebben.
[^2koningen-14-25-e]: Verwijzing e: Jona 1:1 ; Matt. 12:39 ; idem v. 40 . Jona 1:1 : En het woord van YHWH geschiedde tot Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: Mattheüs 12:39 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. Mattheüs 12:40 : Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^2koningen-14-25-42]: Kanttekening 42: Gath-hefer was: Een stad, gelegen in de stam van Zebulon; Joh. 19:13 . Johannes 19:13 : Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op de rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuws, גַּ֥ת, Gabbatha.
[^2koningen-14-26-43]: Kanttekening 43: bitter was: Of, opstandig; dat is, zeer hard en zwaar, welke opstandigheid sommigen ook duiden op Israël, als die zeer opstandig geweest was, en daarom gestraft.
[^2koningen-14-26-44]: Kanttekening 44: Zie van deze manier van spreken Deut. 32:36 ; idem 1 Kon. 14:10 ; en 1 Kon. 21:21 . Deuteronomium 32:36 : Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is. 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël.
[^2koningen-14-27-45]: Kanttekening 45: dat Hij de naam: De Heer heeft wel kort daarna door de profeet Hosea laten voorzeggen de ondergang van het huis van Israël en de eindelijke verstoting van dit volk, gelijk men zien mag Hos. 1:5 , 1:6 , 1:9 ; en heeft dat ook dadelijk uitgevoerd, 2 Kon. 17:18 . Maar Hij heeft dat nog op deze tijd niet willen doen, maar door zijn grondeloze barmhartigheid Israël nog verschoond, vanwege het verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had. Zie ook 2 Kon. 13:23 . Hosea 1:5 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. Hosea 1:6 : En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. Hosea 1:9 : En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. 2 Koningen 13:23 : Maar YHWH was hun genadig, en ontfermde Zich over hen, en wendde Zich tot hen, vanwege Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.
[^2koningen-14-28-46]: Kanttekening 46: Damascus en Hamath: Deze twee steden zijn door David en Salomo gewonnen, 2 Sam. 8:6 ; en 2 Kron. 8:3 , en daarom behoorden zij aan de koningen van Juda, als zij nog koningen waren over geheel Israël. Maar als die daarna verloren en door de Syriërs hem afgenomen waren, 1 Kon. 11:24 , zo heeft deze Jerobeam ze in zijn tijd weer gewonnen, niet voor de koningen van Juda, maar voor de koningen van Israël. 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog. 2 Kronieken 8:3 : Daarna toog Salomo naar Hamath-zoba, en hij overweldigde het. 1 Koningen 11:24 : Tegen welke hij ook mannen vergaderd had, en werd overste ener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damascus, woonden zij daar, en regeerden in Damascus.

### 2 Koningen 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/15.json)

*Azaria hangt de HEERE aan, vers 1, enz. wordt met melaatsheid gestraft en sterft, 5. Zacharia wordt koning over Israël, 8. door Sallum gedood, 10. die regeert en door Menahem gedood wordt, 13. Menahems regering, 16. Hij wordt door Pul in zijn rijk bekrachtigd, 19. sterft, en Pekahia wordt koning in zijn plaats, 23. wordt gedood door Pekah, die in zijn plaats komt, 25. In wiens tijd een deel van de Israëlieten door Tiglath-Pileser naar Assyrië gevoerd wordt, 29. Hosea doodt Pekah en komt in zijn plaats, 30. Jotham regeert over Juda, 32. na hem regeert Achaz, 38.*

**1** In het zeven en[^2koningen-15-1-1] twintigste jaar van Jerobeam, de koning van[^2koningen-15-1-2] Israël, werd[^2koningen-15-1-a] koning[^2koningen-15-1-3] Azaria, de zoon van Amazia, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v1)

**2** Hij was[^2koningen-15-2-b] zestien jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2koningen-15-2-c] Jecholia van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v2)

**3** En[^2koningen-15-3-4] hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v3)

**4** Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v4)

**5** En YHWH plaagde de koning,[^2koningen-15-5-5] dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een[^2koningen-15-5-6] afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over[^2koningen-15-5-7] het huis,[^2koningen-15-5-8] richtende het volk van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v5)

**6** Het overige nu van de geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v6)

**7** En Azaria ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem[^2koningen-15-7-9] bij zijn vaders, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v7)

**8** In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v8)

**9** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, zoals zijn vaders gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v9)

**10** En[^2koningen-15-10-10] Sallum, de zoon van Jabes, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem[^2koningen-15-10-11] voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v10)

**11** Het overige nu van de geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v11)

**12** Dit was het woord van YHWH,[^2koningen-15-12-d] dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende:[^2koningen-15-12-12] U zullen zonen van het vierde gelid op de troon van Israël zitten; en het is zo gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v12)

**13** Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar[^2koningen-15-13-13] van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde[^2koningen-15-13-14] een volle maand te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v13)

**14** Want Menahem, de zoon van Gadi, trok op van[^2koningen-15-14-15] Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v14)

**15** Het overige nu van de geschiedenissen van Sallum, en zijn samenzwering, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v15)

**16** Toen sloeg Menahem[^2koningen-15-16-16] Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar gebied van Thirza af; omdat men niet voor hem[^2koningen-15-16-17] had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar zwangere vrouwen hieuw hij in stukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v16)

**17** In het negen en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël,[^2koningen-15-17-18] en regeerde tien jaren te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v17)

**18** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v18)

**19** [^2koningen-15-19-e] Toen[^2koningen-15-19-19] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul[^2koningen-15-19-20] duizend talenten zilver,[^2koningen-15-19-21] opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v19)

**20** Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven,[^2koningen-15-20-22] voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v20)

**21** Het overige nu van de geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v21)

**22** Daarna ontsliep Menahem met zijn vaders; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v22)

**23** In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v23)

**24** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v24)

**25** En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis van de koning, met[^2koningen-15-25-23] Argob en met[^2koningen-15-25-24] Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen van de Gileadieten; zo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v25)

**26** Het overige nu van de geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v26)

**27** In het twee en vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v27)

**28** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v28)

**29** In de dagen Pekah, de koning van Israël,[^2koningen-15-29-25] kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en[^2koningen-15-29-f] nam[^2koningen-15-29-26] Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en[^2koningen-15-29-27] Janoah, en[^2koningen-15-29-28] Kedes, en[^2koningen-15-29-29] Hazor, en[^2koningen-15-29-30] Gilead, en[^2koningen-15-29-31] Galilea, het hele land van Nafthali; en hij[^2koningen-15-29-32] voerde hen weg naar Assyrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v29)

**30** En Hosea, de zoon van Ela, maakte een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats;[^2koningen-15-30-33] in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v30)

**31** Het overige nu van de geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v31)

**32** In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van[^2koningen-15-32-g] Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v32)

**33** [^2koningen-15-33-34][^2koningen-15-33-h] Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v33)

**34** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v34)

**35** [^2koningen-15-35-35] Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de[^2koningen-15-35-36] hoge poort aan het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v35)

**36** Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v36)

**37** [^2koningen-15-37-37] In die dagen begon YHWH in Juda[^2koningen-15-37-i] te zenden[^2koningen-15-37-38] Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v37)

**38** En Jotham ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/15.html#v38)

[^2koningen-15-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk, van de tweede van die naam, de zoon van Joas, boven, 2 Kon. 14:23 . 2 Koningen 14:23 : In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en regeerde een en veertig jaren.
[^2koningen-15-1-2]: Kanttekening 2: werd koning: Te weten, om met volle macht als koning alleen te regeren. Anders was hij ook tevoren ettelijke jaren in enige regering geweest, of tenminste als koning gehouden. Zie boven, 2 Kon. 14:21 . 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia.
[^2koningen-15-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 14:21 ; 2 Kron. 26:3 . 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. 2 Kronieken 26:3 : Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
[^2koningen-15-1-3]: Kanttekening 3: Anders genaamd Uzzia, onder, vers 13 , 15:30 ; 2 Kron. 26:1 . 2 Koningen 15:13 : Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Kronieken 26:1 : Toen nam het gehele volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.
[^2koningen-15-2-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 26:1 ; idem v. 3 . 2 Kronieken 26:1 : Toen nam het gehele volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. 2 Kronieken 26:3 : Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
[^2koningen-15-2-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 26:3 . 2 Kronieken 26:3 : Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem.
[^2koningen-15-3-4]: Kanttekening 4: hij deed: Te weten, zolang als de profeet Zacharia leefde; 2 Kron. 26:5 . 2 Kronieken 26:5 : Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten van God; in de dagen nu, dat hij YHWH zocht, maakte hem God voorspoedig.
[^2koningen-15-5-5]: Kanttekening 5: plaagde de koning: De oorzaak hiervan was, omdat hij door grote vermetelheid zich aantrok het ambt van de priesters, gaande in de tempel om te roken, 2 Kron. 26:16 . 2 Kronieken 26:16 : Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar.
[^2koningen-15-5-6]: Kanttekening 6: afgezonderd huis: Hebreeuws, חָפְשִׁ֑ית, een huis van de vrijheid; dat is, in een huis dat vrij, of afgezonderd was van andere huizen en alleen stond, naar het voorschrift van de wet, die God van de melaatsen gegeven had; Lev. 13:46 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^2koningen-15-5-7]: Kanttekening 7: het huis: Te weten, van de koning; dat is, hij was als hofmeester, en had het opperste bevel over het gehele huis en hof van de koning.
[^2koningen-15-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, regerende het gehele land, en opzicht hebbende over de bediening van het recht en de onderhouding van alle goede wetten. Vergelijk 2 Kron. 26:21 . 2 Kronieken 26:21 : Zo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis van YHWH afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de koning, richtende het volk van het land.
[^2koningen-15-7-9]: Kanttekening 9: bij zijn vaderen: Dat is, wel in de akker, of het stuk velds, verordend tot de begraving van de koningen, maar wat bezijden af van hunne graven, om zijn melaatsheid wil, 2 Kron. 26:23 . 2 Kronieken 26:23 : En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-15-10-10]: Kanttekening 10: Een van de oversten.
[^2koningen-15-10-11]: Kanttekening 11: voor het volk: Dat is, in het openbaar; waaruit schijnt dat de daad van Sallum het volk niet mishaagde en dat Zacharia in de haat van de gemeente was.
[^2koningen-15-12-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 10:30 . 2 Koningen 10:30 : De YHWH dan zei tot Jehu: Daarom dat u welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op de troon van Israël zitten.
[^2koningen-15-12-12]: Kanttekening 12: U zullen zonen: Zie boven, 2 Kon. 10:30 , en de aantekening daarop. 2 Koningen 10:30 : De YHWH dan zei tot Jehu: Daarom dat u welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op de troon van Israël zitten.
[^2koningen-15-13-13]: Kanttekening 13: Matt. 1:9 , genaamd Ozias. Anders, boven, 2 Kon. 14:21 , en in vers 1 , 15:6 , 15:7 , 15:8 , Azaria. Mattheüs 1:9 : En Ozias verwekte Joatham, en Joatham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Ezekias; 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. 2 Koningen 15:1 : In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, de koning van Juda. 2 Koningen 15:6 : Het overige nu van de geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 2 Koningen 15:7 : En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:8 : In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden.
[^2koningen-15-13-14]: Kanttekening 14: een volle maand: Hebreeuws, יָמִ֖ים, een maand van de dagen; dat is, ene maand tijds, een volle en gehele maand, hebbende al haar dagen. Zo Gen. 29:14 . Zie de aantekening. Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
[^2koningen-15-14-15]: Kanttekening 15: Zie 1 Kon. 14:17 . 1 Koningen 14:17 : Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
[^2koningen-15-16-16]: Kanttekening 16: Zie van deze stad 1 Kon. 4:24 . 1 Koningen 4:24 : Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom.
[^2koningen-15-16-17]: Kanttekening 17: Te weten, de poorten van de stad, als hij op de reis was om Sallum te overvallen.
[^2koningen-15-17-18]: Kanttekening 18: en regeerde : Van dit ingevoegde, zie boven, 2 Kon. 13:1 . Zo onder, vers 23 , 15:27 . 2 Koningen 13:1 : In het drie en twintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren. 2 Koningen 15:23 : In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria. 2 Koningen 15:27 : In het twee en vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria.
[^2koningen-15-19-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 5:26 . 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^2koningen-15-19-19]: Kanttekening 19: Genoemd in de historiën, naar sommiger mening, Phulbelochus.
[^2koningen-15-19-20]: Kanttekening 20: duizend talenten: Zie van het gewicht eens talents Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2koningen-15-19-21]: Kanttekening 21: opdat zijn hand: Dat is, om met deze som de vrede van de Assyriërs te kopen en zich in zijn koninkrijk te verzekeren.
[^2koningen-15-20-22]: Kanttekening 22: voor elk man: Dat is, om aan elke Assyrischen soldaat \[zo enige menen\] zoveel te tellen. Zie van het gewicht van de zilveren sikkel, Gen. 23:15 . Anderen vertalen, van elk man; verstaande dit niet van de Assyriërs, die het geld ontvingen, maar van de geweldigen van de Israëlieten, die het betalen moesten. Genesis 23:15 : Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^2koningen-15-25-23]: Kanttekening 23: Die hem vergezelschapten, om zijn verraad te helpen uitvoeren; daartoe dienden ook de Gileadieten hier vermeld.
[^2koningen-15-25-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord betekent die leeuw, gelijk het ook van sommigen zo overgezet wordt, menende dat een zeker persoon zo is toegenaamd geweest.
[^2koningen-15-29-25]: Kanttekening 25: Ook genaamd Tillgat-Pilneser, 2 Kron. 28:20 , in de wereldse historiën Phulaser, de zoon van Phulbelochus; van denwelken, zie boven, vers 19 . 2 Kronieken 28:20 : En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 2 Koningen 15:19 : Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
[^2koningen-15-29-f]: Verwijzing f: Jes. 8:23 . Jesaja 8:23 : Maar het land, dat benauwd was, zal niet geheel verduisterd worden; gelijk als Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, zo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar de weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea van de heidenen.
[^2koningen-15-29-26]: Kanttekening 26: Zie van deze stad en de naastvolgende 1 Kon. 15:20 . 1 Koningen 15:20 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maächa, en het gehele Cinneroth, met het gehele land Nafthali.
[^2koningen-15-29-27]: Kanttekening 27: Een stad, gelegen in de oostpale van de stam van Efraïm bij de Jordaan. Zie van deze Joz. 16:6 . Jozua 16:6 : En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Thaänath-Silo, en gaat door dezelfde van het oosten naar Janoah;
[^2koningen-15-29-28]: Kanttekening 28: Zie van deze stad Richt. 4:6 . Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^2koningen-15-29-29]: Kanttekening 29: Eertijds een vermaarde koninklijke hoofdstad, Joz. 11:10 , daarna aan de stam van Nafthali ten erfdeel gevallen, Joz. 19:36 . Jozua 11:10 : En Jozua keerde weer ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. Jozua 19:36 : En Adama, en Rama, en Hazor,
[^2koningen-15-29-30]: Kanttekening 30: Zie Gen. 31:21 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^2koningen-15-29-31]: Kanttekening 31: Zie 1 Kon. 9:11 . 1 Koningen 9:11 : (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea.
[^2koningen-15-29-32]: Kanttekening 32: voerde hen: Namelijk, de inwoners van de voorgenoemde landen en steden.
[^2koningen-15-30-33]: Kanttekening 33: in het twintigste jaar: Dat is, na twintig jaren van het begin van de regering van Jotham; dat is geweest het vierde jaar van de regering van Achaz, omdat Jotham maar zestien jaren regeerde, onder, vers 33 . Anderen menen dat Jotham enige jaren tevoren met zijn vader, uit oorzaak van zijn melaatsheid, gemeen zijn geweest, die hem hier bij de zestien jaren van zijn regering zouden toegevoegd zijn. 2 Koningen 15:33 : Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
[^2koningen-15-32-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 27:1 . 2 Kronieken 27:1 : Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.
[^2koningen-15-33-34]: Kanttekening 34: Vijf en twintig jaren: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֨ים, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2koningen-15-33-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 27:1 . 2 Kronieken 27:1 : Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.
[^2koningen-15-35-35]: Kanttekening 35: Vergelijk 2 Kron. 27:2 , en de aantekening. 2 Kronieken 27:2 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in de tempel van YHWH niet ging; en het volk verdierf zich nog.
[^2koningen-15-35-36]: Kanttekening 36: hoge poort: Anders genaamd de poort Sur, en de poort van het fondament. Zie boven, 2 Kon. 11:6 , en 2 Kron. 23:5 , en de aantekening daarop. 2 Koningen 11:6 : En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult u waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking. 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH.
[^2koningen-15-37-37]: Kanttekening 37: In die dagen: Omtrent het einde van de regering van Jotham.
[^2koningen-15-37-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 16:5 ; Jes. 7:1 . 2 Koningen 16:5 : Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. Jesaja 7:1 : Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.
[^2koningen-15-37-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, Retsin.

### 2 Koningen 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/16.json)

*Achaz is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1, enz. bestreden zijnde door Rezin en Pekah, huurt hij tegen hen Tiglath-Pileser, 5. Hij reist naar Damascus en laat te Jeruzalem een altaar maken naar het model van het altaar dat hij te Damascus zag, 10. waarop hij offert, de zuivere godsdienst bedervend, 12. hij sterft, en Hizkia regeert, 20.*

**1** [^2koningen-16-1-1] In het[^2koningen-16-1-a] zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v1)

**2** Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van YHWH van zijn God, als zijn vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v2)

**3** Want hij wandelde in de weg van de koningen van[^2koningen-16-3-b] Israël; ja, hij deed ook zijn zoon[^2koningen-16-3-2] door het vuur gaan, naar de gruweldaden van de heidenen, die YHWH voor de Israëlieten verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v3)

**4** Hij offerde ook en rookte op de[^2koningen-16-4-3] hoogten en op de[^2koningen-16-4-4] heuvelen, ook onder alle groen geboomte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v4)

**5** [^2koningen-16-5-c] Toen trok Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz,[^2koningen-16-5-5] maar zij konden hem niet verslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v5)

**6** In die tijd bracht Rezin, de koning van Syrië,[^2koningen-16-6-6] Elath weer aan Syrië, en wierp de Joden uit[^2koningen-16-6-7] Elath; en de[^2koningen-16-6-8] Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v6)

**7** Achaz nu zond boden tot[^2koningen-16-7-9] Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende:[^2koningen-16-7-10] Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v7)

**8** En[^2koningen-16-8-d] Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning gevonden werd, en hij zond de koning van Assyrië een geschenk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v8)

**9** Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, en nam haar in, en[^2koningen-16-9-11] voerde hen als gevangene[^2koningen-16-9-12] naar Kir, en hij doodde Rezin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v9)

**10** Toen trok de koning Achaz Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië,[^2koningen-16-10-13] tegemoet, naar Damascus; en gezien hebbende[^2koningen-16-10-14] een altaar, dat in Damascus was, zo zond de koning Achaz aan de priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, met zijn volledige vormgeving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v10)

**11** En Uria, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damascus ontboden had; zo deed de priester Uria, tegen dat de koning Achaz van Damascus kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v11)

**12** Als nu de koning van Damascus gekomen was, zag de koning het altaar en de koning naderde tot het altaar, en[^2koningen-16-12-15] offerde daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v12)

**13** En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn voedseloffer, en goot zijn drankoffer en sprengde het bloed[^2koningen-16-13-16] van zijn dankoffers op[^2koningen-16-13-17] dat altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v13)

**14** Maar het[^2koningen-16-14-18] koperen altaar, dat[^2koningen-16-14-19] voor het aangezicht van YHWH was, dat bracht hij[^2koningen-16-14-20] van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van YHWH, en hij zette het aan de zijde van zijn[^2koningen-16-14-21] altaar naar het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v14)

**15** En de koning Achaz gebood Uria, de priester, zeggende: Steek op het[^2koningen-16-15-22] grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en het brandoffer van de koning, en zijn voedseloffer, en het brandoffer van al het volk van het land, en hun voedseloffer, en hun drankoffers; en spreng daarop al het bloed van het brandoffer, en al het bloed van het slachtoffer; maar het koperen altaar zal mij zijn,[^2koningen-16-15-23] om te onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v15)

**16** En Uria, de priester,[^2koningen-16-16-24] deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v16)

**17** En de koning Achaz sneed[^2koningen-16-17-e] de[^2koningen-16-17-25] lijsten van[^2koningen-16-17-26] de stellingen af, en nam die van boven het[^2koningen-16-17-27] wasvat weg, en deed de[^2koningen-16-17-28] zee af van de[^2koningen-16-17-29] koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v17)

**18** Daartoe het[^2koningen-16-18-30] deksel van de sabbat, dat zij in het huis gebouwd hadden, en de[^2koningen-16-18-31] buitenste[^2koningen-16-18-32] ingang van de koning nam hij[^2koningen-16-18-33] weg van het huis van YHWH, vanwege de koning van Assyrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v18)

**19** Het overige nu van de geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v19)

**20** En Achaz ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders,[^2koningen-16-20-34] in de stad van David; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/16.html#v20)

[^2koningen-16-1-1]: Kanttekening 1: het zeventiende jaar: Hebreeuws, שְׁבַֽע, in het jaar van het zeventiende jaar. Zie Gen. 5:5 , en de aantekening daarop. Genesis 5:5 : Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.
[^2koningen-16-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 28:1 . 2 Kronieken 28:1 : Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van YHWH, gelijk zijn vader David;
[^2koningen-16-3-b]: Verwijzing b: Lev. 18:21 ; Lev. 20:2 ; idem 20:3 ; 2 Kon. 17:31 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Leviticus 20:2 : U zult ook tot de kinderen van Israël zeggen: Een ieder uit de kinderen van Israël, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad de Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. Leviticus 20:3 : En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou. 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
[^2koningen-16-3-2]: Kanttekening 2: door het vuur gaan: Wat dit is, zie Lev. 18:21 , en vergelijk 2 Kron. 28:3 , en zie daar de aantekening. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! 2 Kronieken 28:3 : Dezelfde rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^2koningen-16-4-3]: Kanttekening 3: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-16-4-4]: Kanttekening 4: Zie van dit afgodisch gebruik Deut. 12:2 , en vergelijk onder, 2 Kon. 17:10 ; 2 Kron. 28:4 ; Jer. 2:20 ; Hos. 4:13 . Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom. 2 Koningen 17:10 : En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte. 2 Kronieken 28:4 : Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, en ook onder alle groen geboomte. Jeremia 2:20 : Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende. Hosea 4:13 : Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel.
[^2koningen-16-5-c]: Verwijzing c: Jes. 7:1 . Jesaja 7:1 : Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.
[^2koningen-16-5-5]: Kanttekening 5: maar zij vermochten niet: Zij zijn verhinderd geweest door God, die niet alleen lang tevoren beloofd had Jeruzalem te beschermen, 1 Kon. 11:36 ; 2 Kron. 17:16 , maar ook in deze tegenwoordigen tijd; Jes. 7:4 , enz. 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen. 2 Kronieken 17:16 : Naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan YHWH overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden. Jesaja 7:4 : En zeg tot hem: Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en van de zoon van Remalia;
[^2koningen-16-6-6]: Kanttekening 6: Deze stad had Azaria, de grootvader van Achaz, tevoren gewonnen en onder het gebied van het koninkrijk Juda gebracht, 2 Kon. 14:22 . Zie van dezelfde 1 Kon. 9:26 . 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was. 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.
[^2koningen-16-6-7]: Kanttekening 7: uit Elath: Dat is, uit het gehele landsressort van Elath.
[^2koningen-16-6-8]: Kanttekening 8: Anders, Edomieten.
[^2koningen-16-7-9]: Kanttekening 9: Zie boven, 2 Kon. 15:29 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^2koningen-16-7-10]: Kanttekening 10: Ik ben uw knecht: Anders, laat mij uw knecht en zoon zijn; dat is, laat mij uw onderzaat wezen, dat ik mij onder uw bescherming mag verlaten; in welk geval ik u beloof vrees, als een knecht, en gehoorzaamheid, als een zoon.
[^2koningen-16-8-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 28:21 . 2 Kronieken 28:21 : Want Achaz nam een deel van het huis van YHWH, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.
[^2koningen-16-9-11]: Kanttekening 11: voerde hen: Te weten, Damascus; dat is, de inwoners van de stad Damascus voerde hij, enz.
[^2koningen-16-9-12]: Kanttekening 12: Versta hier, een landschap in Medië, waarheen deze Syriërs zijn vervoerd geweest, gelijk Amos voorzegd had, Amos 1:5 . En onderscheid dit Kir van een ander, dat genaamd wordt het Kir van de Moabieten; Jes. 15:1 . Amos 1:5 : En Ik zal de grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeat-aven, en die, die de scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt YHWH. Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid!
[^2koningen-16-10-13]: Kanttekening 13: Te weten, om hem te danken voor de bewezen hulp, geluk te wensen over zijn verkregen victorie en te verzoeken voor het toekomende zijn goede toegenegenheid, en namelijk zijn bijstand tegen de Filistijnen, om weer te veroveren wat zij hem afgenomen hadden. Zie 2 Kron. 28:18 . 2 Kronieken 28:18 : Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^2koningen-16-10-14]: Kanttekening 14: een altaar: Waarop de Syriërs in Damascus aan hun afgoden offeranden offerden.
[^2koningen-16-12-15]: Kanttekening 15: offerde daarop: Hij is niet tevreden met zijn koninklijke majesteit, maar trekt zich ook aan het priesterlijk ambt, niet vrezende de straf, die zijn grootvader Uzzia dieshalve overkomen was; 2 Kron. 26:19 . 2 Kronieken 26:19 : Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar.
[^2koningen-16-13-16]: Kanttekening 16: zijn dankofferen: Hebreeuws, מִּזְבֵּֽחַ, die zijne waren, of, die hij had.
[^2koningen-16-13-17]: Kanttekening 17: dat altaar: Dat hij naar het fatsoen van het Syrische altaar had laten maken, boven, vers 10 . 2 Koningen 16:10 : Toen toog de koning Achaz Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, tegemoet, naar Damascus; en gezien hebbende een altaar, dat in Damascus was, zo zond de koning Achaz aan de priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn gehele maaksel.
[^2koningen-16-14-18]: Kanttekening 18: koperen altaar: Versta, het brandofferaltaar, dat Salomo had laten maken, 2 Kron. 4:1 . 2 Kronieken 4:1 : Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte.
[^2koningen-16-14-19]: Kanttekening 19: voor het aangezicht: Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^2koningen-16-14-20]: Kanttekening 20: van het voorste: Dat is, van de plaats van het voorhof, dat voor aan de tempel was, waar dat altaar, naar de wet van de Heer, staan moest.
[^2koningen-16-14-21]: Kanttekening 21: Dat is, aan de rechterzijde, zo men in de tempel kwam; daarheen verschoof hij het altaar van de Heer, als onwaardig zijnde om zijn vorige plaats te behouden, opdat het zijne, dat naar de Syrischen vorm gemaakt was, allernaast de tempel staan zou.
[^2koningen-16-15-22]: Kanttekening 22: grote altaar: Versta, het nieuwe altaar, naar het Syrisch patroon gemaakt, dat hij groot noemt, omdat zijn vorm meerder was dan die van het koperen altaar, of, omdat het naar zijn gevoelen, waardiger was dan dat.
[^2koningen-16-15-23]: Kanttekening 23: om te onderzoeken: Men kan de woorden ook aldus overzetten: aangaande het koperen altaar, het zal bij mij zijn, of, staan, \[dat\] te bezoeken; dat is, naar dat het mij belieft, zal ik het gebruiken om daarop te offeren. Of, ik zal \[daarop\] te onderzoeken, of, te letten hebben.
[^2koningen-16-16-24]: Kanttekening 24: deed naar alles: Als een goddeloos en afgodisch huichelaar.
[^2koningen-16-17-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 7:23 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^2koningen-16-17-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, besluitingen, of omsluitingen; versta, de omlopen van de stellingen, in welke de vaten, die daarop stonden, ingepast en besloten waren. Zie van deze 1 Kon. 7:28 . 1 Koningen 7:28 : En dit was het werk van de stelling; zij hadden lijsten, en de lijsten waren tussen kransen.
[^2koningen-16-17-26]: Kanttekening 26: stellingen af: Wat deze stellingen geweest zijn, zie 1 Kon. 7:27 . 1 Koningen 7:27 : Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte.
[^2koningen-16-17-27]: Kanttekening 27: wasvat weg: Zie hiervan 1 Kon. 7:38 . 1 Koningen 7:38 : Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.
[^2koningen-16-17-28]: Kanttekening 28: Zie van deze 1 Kon. 7:23 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^2koningen-16-17-29]: Kanttekening 29: koperen runderen: Zie 1 Kon. 7:25 . 1 Koningen 7:25 : Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelfde; en al hun achterdelen waren inwaarts.
[^2koningen-16-18-30]: Kanttekening 30: deksel van de sabbats: Dit schijnt een hut of logies geweest te zijn, in welke de priesters, als zij hun wekelijkse beurt in de waarneming van de godsdienst, afgedaan hadden, zich op de sabbat gehouden hebben, totdat zij weer naar huis keerden. Anderen houden dit deksel van de sabbat een vertrekplaats geweest te zijn voor de wachters, die op de sabbat en de gehele week de wacht voor de tempel moesten houden. Deze nu te weren, was zoveel als de tempel toe te sluiten, dat Achaz gedaan heeft, 2 Kron. 28:24 . Enige verstaan dit van een deksel, waarmee het voorhof van het volk bedekt was tegen regen en wind. Daar zijn er ook die menen dat het een plaats geweest is, waar de koning op hoge dagen gezeten, of zijn aalmoezen gedaan heeft. 2 Kronieken 28:24 : En Achaz verzamelde de vaten van het huis van God, en hieuw de vaten van het huis van God in stukken, en sloot de deuren van het huis van YHWH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.
[^2koningen-16-18-31]: Kanttekening 31: Door welke de koning van de burg Zion naar de tempel ging. Zie 1 Kon. 10:5 , en de aantekening; idem de aantekening vers 12 . 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer. 2 Koningen 16:12 : Als nu de koning van Damascus gekomen was, zag de koning het altaar en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop.
[^2koningen-16-18-32]: Kanttekening 32: nam hij weg: Hebreeuws, הֵסֵ֖ב, wendde hij af.
[^2koningen-16-18-33]: Kanttekening 33: vanwege de koning: Dat is, eensdeels om de koning van Assyrië te behagen, tonende aldus dat hij zijn religie verliet en de heidense aannam; anderdeels uit vrees dat de koning van Assyrië door deze ingang te eniger tijd de burg Zion en het koninklijke huis zou mogen innemen.
[^2koningen-16-20-34]: Kanttekening 34: in de stad van David: Maar niet in de graven van de koningen. Zie 2 Kron. 28:27 , en vergelijk 2 Kron. 24:25 . 2 Kronieken 28:27 : En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven van de koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.

### 2 Koningen 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/17.json)

*Hosea wordt koning van Israël, vers 1, enz. wordt aan de koning van Assyrië onderworpen, daarna door hem belegerd, gevangen en met het hele volk naar Assyrië gevoerd, 3. dit alles om hun zonden, 7. De vreemde volken, waarmee hun land bezet werd, worden door de leeuwen geplaagd, 24. daarom wordt hun een Israëlitische priester toegezonden, 27. waaruit een vermenging van godsdienst volgt, 29.*

**1** In het[^2koningen-17-1-1] twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria,[^2koningen-17-1-2] en regeerde negen jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v1)

**2** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; evenwel[^2koningen-17-2-3] niet, als de koningen van Israël, die voor hem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v2)

**3** Tegen hem trok op[^2koningen-17-3-4] Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem[^2koningen-17-3-5] een geschenk gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v3)

**4** Maar de koning van Assyrië[^2koningen-17-4-6] ontdekte dat Hosea samenzwoer: hij had tot[^2koningen-17-4-7] So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; daarom nam de koning van Assyrië hem gevangen en zette hem vast in de gevangenis.[^2koningen-17-4-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v4)

**5** Want[^2koningen-17-5-a] de koning van Assyrië trok op in het hele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v5)

**6** In[^2koningen-17-6-b] het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in[^2koningen-17-6-9] Halah, en in[^2koningen-17-6-10] Habor, aan de[^2koningen-17-6-11] rivier Gozan, en in de steden van[^2koningen-17-6-12] de Meden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v6)

**7** Want het was gebeurd, dat de Israëlieten gezondigd hadden tegen YHWH, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, de koning van Egypte; en hadden[^2koningen-17-7-13] andere goden gevreesd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v7)

**8** En[^2koningen-17-8-c] hadden gewandeld in de voorschriften van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten verdreven had, en van de koningen van[^2koningen-17-8-14] Israël, die ze gemaakt hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v8)

**9** En de Israëlieten hadden de zaken, die niet recht zijn,[^2koningen-17-9-15] tegen YHWH, hun God,[^2koningen-17-9-16] bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden,[^2koningen-17-9-17] van de wachttoren af tot de versterkte steden toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v9)

**10** En zij hadden zich[^2koningen-17-10-18] staande beelden opgericht en[^2koningen-17-10-19] bossen,[^2koningen-17-10-20] op elke hoge heuvel en onder alle groen geboomte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v10)

**11** En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, zoals de heidenen, die YHWH van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om YHWH tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v11)

**12** En zij hadden de[^2koningen-17-12-21] afgoden gediend, waarvan YHWH tot hen gezegd[^2koningen-17-12-d] had: U zult deze zaak niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v12)

**13** Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de[^2koningen-17-13-22] dienst van alle profeten,[^2koningen-17-13-23] van alle zieners, betuigd had,[^2koningen-17-13-e] zeggende: Bekeer u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn voorschriften, naar al de wet, die Ik uw vaders geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v13)

**14** Zo hoorden zij niet, maar zij[^2koningen-17-14-24][^2koningen-17-14-f] verhardden hun nek, zoals de nek van hun vaders geweest was, die[^2koningen-17-14-25] aan YHWH, hun God, niet geloofd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v14)

**15** Daartoe verwierpen zij Zijn voorschriften, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaders gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de[^2koningen-17-15-26] zinloosheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van wie YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen zoals die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v15)

**16** Ja, zij verlieten al de geboden van YHWH, van hun God,[^2koningen-17-16-g] en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor[^2koningen-17-16-27] alle leger van de hemel, en dienden Baäl.[^2koningen-17-16-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v16)

**17** Ook[^2koningen-17-17-h] deden zij hun zonen en hun dochters[^2koningen-17-17-29] door het vuur gaan, en[^2koningen-17-17-30] gebruikten waarzeggerijen, en[^2koningen-17-17-31] gaven op vogelgeschrei acht, en[^2koningen-17-17-32] verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v17)

**18** Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat[^2koningen-17-18-i] Hij hen wegdeed van[^2koningen-17-18-33] Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve[^2koningen-17-18-34] de stam van Juda alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v18)

**19** Zelfs hield[^2koningen-17-19-35] Juda de geboden van YHWH, van hun God, niet; maar[^2koningen-17-19-k] zij wandelden in de voorschriften van[^2koningen-17-19-36] Israël, die zij gemaakt hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v19)

**20** Zo verwierp YHWH het hele zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand[^2koningen-17-20-37] van de rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v20)

**21** Want[^2koningen-17-21-38] Hij[^2koningen-17-21-l] scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter YHWH, en hij deed[^2koningen-17-21-39] ze een grote zonde zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v21)

**22** Zo wandelden de Israëlieten in alle zonden van[^2koningen-17-22-40] Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v22)

**23** Totdat YHWH Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door[^2koningen-17-23-41] de dienst van al Zijn knechten, de profeten; zo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië,[^2koningen-17-23-42] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v23)

**24** De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van[^2koningen-17-24-43] Chuta, en van[^2koningen-17-24-44] Avva, en van[^2koningen-17-24-45] Hamath, en[^2koningen-17-24-46] Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de Israëlieten; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v24)

**25** En het gebeurde in het begin van hun woning daar, dat zij YHWH[^2koningen-17-25-47] niet vreesden; zo zond YHWH leeuwen onder hen, die enige van hen doodden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v25)

**26** Daarom[^2koningen-17-26-48] spraken zij tot de koning van Assyrië, zeggende: De volken, die u vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze van de God van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, omdat zij niet weten de wijze van de God van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v26)

**27** Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende: Breng één van de priesters daarheen, die u van daar weggevoerd hebt,[^2koningen-17-27-50] dat zij henentrekken, en wonen daar; en dat hij hun lere de wijze van de God van het land.[^2koningen-17-27-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v27)

**28** Zo kwam één uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-el; en hij leerde hun, hoe zij YHWH[^2koningen-17-28-51] vrezen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v28)

**29** Maar[^2koningen-17-29-52] elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v29)

**30** Want de mensen van Babel maakten[^2koningen-17-30-53] Sukkoth Benoth, en de mensen van Chut maakten Nergal, en de mensen van Hamath maakten Asima, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v30)

**31** En de Avieten maakten[^2koningen-17-31-54] Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten[^2koningen-17-31-55] verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v31)

**32** Ook vreesden zij YHWH, en maakten zich van hun geringsten priesters van de hoogten,[^2koningen-17-32-56][^2koningen-17-32-m] die voor hen dienst deden in de huizen van de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v32)

**33** [^2koningen-17-33-n] Zij vreesden YHWH, en[^2koningen-17-33-57] dienden ook hun goden, naar de wijze[^2koningen-17-33-58] van de volken, van wie zij die weggevoerd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v33)

**34** Tot op deze dag toe doen[^2koningen-17-34-59] die naar de eerste wijzen; zij vrezen YHWH niet, en zij doen niet naar hun voorschriften, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat YHWH geboden heeft aan de kinderen van[^2koningen-17-34-60] Jakob,[^2koningen-17-34-o] die Hij de naam Israël gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v34)

**35** Toch had YHWH een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende:[^2koningen-17-35-p] U zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen neerbuigen, noch hen dienen, noch hun offergave doen.[^2koningen-17-35-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v35)

**36** Maar YHWH, Die u uit Egypteland met grote kracht en met[^2koningen-17-36-62] een uitgestrekte arm opgevoerd heeft, Die zult u vrezen, en voor Hem zult u zich buigen, en Hem zult u offergave doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v36)

**37** En de[^2koningen-17-37-63] voorschriften, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult u waarnemen te doen te allen dag; en u zult andere goden niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v37)

**38** En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult u niet vergeten; en u zult andere goden niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v38)

**39** Maar YHWH, uw God, zult u vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v39)

**40** Maar zij hoorden niet, maar zij deden naar hun[^2koningen-17-40-64] eerste wijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v40)

**41** Maar[^2koningen-17-41-65] deze volken[^2koningen-17-41-66] vreesden YHWH, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kleinkinderen, zoals hun vaders gedaan hebben, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/17.html#v41)

[^2koningen-17-1-1]: Kanttekening 1: twaalfde jaar: Hij had het koninkrijk Israëls in het vierde jaar van Achaz, dat is acht jaren tevoren, wel ingenomen, boven, 2 Kon. 15:30 , maar zo het land vol twisten en beroerten om de kroon was, schijnt noch hij, noch iemand de acht jaren een bevestigd koning geweest te zijn; of, als hij nog voor koning gehouden is geweest, zo was hij onder het tribuut van de koning van Assyrië, ja ook \[zo enige menen\] als zijn gevangene; zodat de voorgemelde acht jaren hier niet komen in rekening van zijn koninkrijk; anders heeft hij zeventien jaren geregeerd. Vergelijk boven, 2 Kon. 15:30 ; onder, 2 Kon. 18:9 . Anderen menen dat hij de eerste acht jaren onafhankelijk als souverein heeft geregeerd, en de andere negen als schatplichtige, en dat de Heilige Schriftuur van deze laatste alleen hier gewag maakt. 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Koningen 18:9 : Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.
[^2koningen-17-1-2]: Kanttekening 2: en regeerde : Van deze ingevoegde woorden zie 1 Kon. 15:33 . 1 Koningen 15:33 : In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
[^2koningen-17-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, niet met zulke grote afgoderij; want de vorigen hadden meest niet alleen de gouden kalven, maar ook Baäl en andere gruwelen van de heidenen gediend. Sommigen verstaan ook dat hij zijn volk heeft laten gaan naar Jeruzalem om daar te offeren, dat tevoren verboden was; 1 Kon. 12:27 . 1 Koningen 12:27 : Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis van YHWH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren.
[^2koningen-17-3-4]: Kanttekening 4: Anders ook genaamd in sommige historiën Nabonassar. Hoewel anderen menen dat zij onderscheiden zijn.
[^2koningen-17-3-5]: Kanttekening 5: een geschenk gaf: Dat is, jaarlijks tribuut of schatting.
[^2koningen-17-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk, omtrent het vijfde of zesde jaar van deze regering van Hosea. Vergelijk onder, 2 Kon. 18:9 . 2 Koningen 18:9 : Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.
[^2koningen-17-4-7]: Kanttekening 7: Anders in de historiën genoemd Sabachos, die zijn voorganger Asychis verdreven hebbende, vele jaren over Egypte geregeerd heeft. Diens hulp heeft Hosea verzocht tegen de Assyriërs.
[^2koningen-17-4-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, het huis van de besluiting, of, van het bedwang. Dit is geschied in het negende jaar van de regering van de koning Hosea, vermeld in vers 1 . 2 Koningen 17:1 : In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.
[^2koningen-17-5-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 18:9 . 2 Koningen 18:9 : Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.
[^2koningen-17-6-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 18:10 ; Jes. 8:4 . 2 Koningen 18:10 : En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. Jesaja 8:4 : Want voordat dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men de rijkdom van Damascus, en de buit van Samaria dragen voor het aangezicht van de koning van Assur.
[^2koningen-17-6-9]: Kanttekening 9: Enige houden het voor Calacine van Assyrië, gelegen boven Adiabene. Zie hiervan ook onder, 2 Kon. 18:11 ; 1 Kron. 5:26 . 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^2koningen-17-6-10]: Kanttekening 10: Dat men meent te zijn een bergachtig land van Assyrië, palende aan Medië. Zie onder, 2 Kon. 18:11 . 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^2koningen-17-6-11]: Kanttekening 11: rivier Gozan: Een rivier in Mesopotamië, onder, 2 Kon. 18:11 ; 1 Kron. 5:26 . Anders, Nehar-Gozan, een landschap \[naar sommiger gevoelen\] in Medië. 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^2koningen-17-6-12]: Kanttekening 12: Zie Gen. 10:2 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^2koningen-17-7-13]: Kanttekening 13: andere goden: Zie Gen. 35:2 . Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^2koningen-17-8-c]: Verwijzing c: Lev. 18:3 . Leviticus 18:3 : U zult niet doen naar de werken van de Egyptischen lands, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
[^2koningen-17-8-14]: Kanttekening 14: die ze gemaakt hadden: Versta, de inzettingen, die de koningen van Israël gemaakt hadden. Zo onder, vers 19 ; of van de koningen van Israël, die zij, te weten de kinderen van Israël, opgeworpen hadden. 2 Koningen 17:19 : Zelfs hield Juda de geboden van YHWH, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israël, die zij gemaakt hadden.
[^2koningen-17-9-15]: Kanttekening 15: tegen YHWH: Anders, met YHWH; dat is, met de naam of dekmantel van de dienst van de Heer.
[^2koningen-17-9-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, eigenlijk, bedekt; dat is, zij hebben hun afgoderij verschoond en bekleed met de naam en schijn van godsdienstigheid, heiligheid en goede mening, willende God dienen, niet naar zijn woord, maar naar hun goeddunken tegen het uitgedrukte bevel Gods; Num. 15:39 . Numeri 15:39 : En hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van YHWH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende;
[^2koningen-17-9-17]: Kanttekening 17: van de wachttoren af: Dat is, overal, door het gehele land, zowel in kleine en onbewoonde plaatsen en in het veld, als in grote en volkrijke plaatsen en in steden. De wachttorens waren hier en daar in het land, om het volk voor de vijanden te waarschuwen, of om het vee en de vruchten te bewaren.
[^2koningen-17-10-18]: Kanttekening 18: staande beelden: Zie Lev. 26:1 . Leviticus 26:1 : U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God!
[^2koningen-17-10-19]: Kanttekening 19: Zie Ex. 34:13 , en Deut. 7:5 , met de aantekeningen. Anders, bosgoden, bosbeelden. Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.
[^2koningen-17-10-20]: Kanttekening 20: op allen hogen heuvel: Zie Deut. 12:2 . Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom.
[^2koningen-17-12-21]: Kanttekening 21: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-17-12-d]: Verwijzing d: Ex. 20:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 ; Deut. 5:7 ; idem v. 8 ; idem v. 9 . Exodus 20:3 : U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:7 : U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Deuteronomium 5:8 : U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; Deuteronomium 5:9 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^2koningen-17-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, door de hand.
[^2koningen-17-13-23]: Kanttekening 23: Te weten, die God zijn wil verklaard had op allerlei manieren, die God in die tijden gebruikte om de mensen te onderwijzen, als door aanspraken, gezichten, of dromen. Zie Num. 12:6 . Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^2koningen-17-13-e]: Verwijzing e: Jer. 18:11 ; Jer. 25:5 ; Jer. 35:15 . Jeremia 18:11 : Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. Jeremia 25:5 : Zeggende: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en van de boosheid uw handelingen, en woont in het land, dat YHWH u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw; Jeremia 35:15 : En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult u in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar u hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord.
[^2koningen-17-14-24]: Kanttekening 24: Dat is, zij waren ten uiterste toe ongehoorzaam en opstandig, niet willende zich naar de vermaningen van de Heer neigen. Zie Ex. 32:9 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^2koningen-17-14-f]: Verwijzing f: Deut. 31:27 ; Mal. 3:7 . Deuteronomium 31:27 : Want ik ken uw opstandigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met u leve, bent u opstandig geweest tegen YHWH; hoe veel te meer na mijn dood! Maleachi 3:7 : van Uw vaderen dag af, bent u afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weer tot Mij, en Ik zal tot u terugkeren, zegt YHWH van de legermachten; maar u zegt: Waarin zullen wij terugkeren?
[^2koningen-17-14-25]: Kanttekening 25: aan YHWH: Dat is, zijn dreigementen niet geloofd hadden.
[^2koningen-17-15-26]: Kanttekening 26: ijdelheid na: De afgoderij werd ijdelheid genaamd, zowel omdat de afgoden een nietig ding zijn, als omdat het vertrouwen, daarop gesteld, tevergeefs is, ja ook omdat de afgodendienaars van het rechte verstand en oordeel beroofd zijn.
[^2koningen-17-16-g]: Verwijzing g: Ex. 32:8 ; 1 Kon. 12:28 . Exodus 32:8 : En zij zijn haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelfde gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^2koningen-17-16-27]: Kanttekening 27: alle legermacht van de hemel: Zie Deut. 4:19 . Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, de gehele legermacht van de hemel; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; dewelke YHWH, uw God, aan alle volken onder de ganse hemel heeft uitgedeeld.
[^2koningen-17-16-28]: Kanttekening 28: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2koningen-17-17-h]: Verwijzing h: Lev. 20:3 ; idem v. 4 ; Deut. 18:10 ; 2 Kon. 16:3 . Leviticus 20:3 : En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou. Leviticus 20:4 : En als het volk van het land hun ogen enigszins verbergen zal van die man, als hij van zijn zaad de Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode; Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had.
[^2koningen-17-17-29]: Kanttekening 29: door het vuur gaan: Zie Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^2koningen-17-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, waarzeiden, waarzeggingen.
[^2koningen-17-17-31]: Kanttekening 31: Zie Lev. 19:26 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
[^2koningen-17-17-32]: Kanttekening 32: verkochten zich: Zie de zin van deze manier van spreken 1 Kon. 21:20 . 1 Koningen 21:20 : En Achab zei tot Elia: Hebt u mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen van YHWH.
[^2koningen-17-18-i]: Verwijzing i: Hosea 1:6 . Hosea 1:6 : En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.
[^2koningen-17-18-33]: Kanttekening 33: Zijn aangezicht: Dat is, uit het land Kanaän, dat Hij hem tot een woning geheiligd had, hebbende daarin zijn kerk, in welker midden Hij woonde, en in deze de uiterlijke tekenen van zijn aanwezigheid vertoonde. Zo onder, vers 20 , 17:23 , en 2 Kon. 23:27 , en 2 Kon. 24:3 . 2 Koningen 17:20 : Zo verwierp YHWH het gehele zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand van de rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. 2 Koningen 17:23 : Totdat YHWH Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten; zo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op deze dag. 2 Koningen 23:27 : En YHWH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen. 2 Koningen 24:3 : Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel van YHWH tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;
[^2koningen-17-18-34]: Kanttekening 34: de stam van Juda: Zijnde hieronder begrepen de Levieten, die in de stam van Juda woonden, en de Simeonieten, die daaronder gemengd waren, met een deel van Benjamin. Zie 1 Kon. 11:32 . 1 Koningen 11:32 : Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël.
[^2koningen-17-19-35]: Kanttekening 35: Dit heeft de zonde van de Israëlieten vermeerderd, dat zij door hun kwaad exempel ook die van Juda deden zondigen en tot afgoderij verwekten. Zie Hos. 4:15 . Hosea 4:15 : Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^2koningen-17-19-k]: Verwijzing k: Lev. 18:3 . Leviticus 18:3 : U zult niet doen naar de werken van de Egyptischen lands, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.
[^2koningen-17-19-36]: Kanttekening 36: die zij gemaakt hadden: Te weten, de Israëlieten.
[^2koningen-17-20-37]: Kanttekening 37: gehele zaad: Te weten, de tien stammen, die Israël genaamd worden tot een onderscheid van Juda, gelijk af te nemen is uit vers 21 . 2 Koningen 17:21 : Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter YHWH, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
[^2koningen-17-21-38]: Kanttekening 38: Hij scheurde: Namelijk, de Heer, 1 Kon. 12:24 . Of, Israël scheurde zich van het huis van David af. 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH.
[^2koningen-17-21-l]: Verwijzing l: 1 Kon. 12:16 ; idem v. 17 ; idem v. 26 . 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 1 Koningen 12:17 : Maar aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 1 Koningen 12:26 : En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren.
[^2koningen-17-21-39]: Kanttekening 39: een grote zonde: Zie 1 Kon. 12:30 . 1 Koningen 12:30 : En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
[^2koningen-17-22-40]: Kanttekening 40: die hij gedaan had: Zie 1 Kon. 14:16 . 1 Koningen 14:16 : En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
[^2koningen-17-23-41]: Kanttekening 41: de dienst: Hebreeuws, דִּבֶּ֔ר, door de hand.
[^2koningen-17-23-42]: Kanttekening 42: tot op deze dag: Dat is, welke vervoering maakt dat zij tot heden, als dit geschreven is, uitlandig zijn en in ballingschap blijven.
[^2koningen-17-24-43]: Kanttekening 43: Een landschap \[zo men meent\] van woest Arabië, bewoond van de Citaniërs, die aan Syrië grenzen; of van Perzië, hebbende de naam van de rivier Cuta.
[^2koningen-17-24-44]: Kanttekening 44: Zie Deut. 2:23 , ook Ivva genoemd, onder, 2 Kon. 18:34 . Deuteronomium 2:23 : Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond. 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^2koningen-17-24-45]: Kanttekening 45: Zie Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^2koningen-17-24-46]: Kanttekening 46: Het land van de stad Sefora, gelegen in Mesopotamië aan de Eufraat.
[^2koningen-17-25-47]: Kanttekening 47: niet vreesden: Dat is, zij dienden hem niet naar de wettelijke wijze door Mozes voorgeschreven.
[^2koningen-17-26-48]: Kanttekening 48: spraken zij: Namelijk, de nieuwe inwoners door gezanten, die zij tot de koning afvaardigden om hem deze zwarigheid bekend te maken.
[^2koningen-17-27-50]: Kanttekening 50: dat zij henentrekken: Namelijk, de priester met zijn gevolg, dienaren en huisgezin; of met degenen, die hem geleidden.
[^2koningen-17-27-49]: Kanttekening 49: van de priesters: Dewelke waren, niet de Levietische priesters, maar die de koningen van Israël uit de geringsten van het volk gemaakt hadden, 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^2koningen-17-28-51]: Kanttekening 51: vrezen zouden: Dat is, dienen; hoewel zonder twijfel meer in de afgodische wijze van de voorgaande koningen van Israël dan naar de wet van God, door Mozes gegeven. Zo onder, vers 32 , 17:33 , 17:41 . 2 Koningen 17:32 : Ook vreesden zij YHWH, en maakten zich van hun geringsten priesters van de hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen van de hoogten. 2 Koningen 17:33 : Zij vreesden YHWH, en dienden ook hun goden, naar de wijze van de volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. 2 Koningen 17:41 : Maar deze volken vreesden YHWH, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kleinkinderen, gelijk als hun vaders gedaan hebben, tot op deze dag.
[^2koningen-17-29-52]: Kanttekening 52: elk volk: Hebreeuws, עֹשִׂ֔ים, volk, volk; zo in het volgende van vers 29 . Zie Gen. 7:2 . 2 Koningen 17:29 : Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^2koningen-17-30-53]: Kanttekening 53: Sukkoth Benoth: Deze naam, met de volgende in vers 30 , 17:31 , worden meestendeel gehouden voor namen van afgoden, die de Samaritanen dienden; maar hiervan is verscheiden gevoelen onder de geleerden. 2 Koningen 17:30 : Want de mensen van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de mensen van Chut maakten Nergal, en de mensen van Hamath maakten Asima, 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur.
[^2koningen-17-31-54]: Kanttekening 54: Nibhaz en Tartak: Anders, Nibhan.
[^2koningen-17-31-55]: Kanttekening 55: Zie Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^2koningen-17-32-56]: Kanttekening 56: van hun geringsten: Hebreeuws, קְצוֹתָ, van hun einden, of van hun uiterste delen. Zie 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^2koningen-17-32-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^2koningen-17-33-n]: Verwijzing n: Zefan. 1:5 . Zefanja 1:5 : En die zich nederbuigen op de daken voor het legermacht van de hemel, en die zich nederbuigende zweren bij YHWH, en zweren bij Malcham;
[^2koningen-17-33-57]: Kanttekening 57: Te weten, elk zijn afgod, naar de wijze zijns lands, waaruit ieder daar van de Assyriërs gebracht was.
[^2koningen-17-33-58]: Kanttekening 58: van dewelke zij: Hebreeuws, הִגְל֥וּ, van waar.
[^2koningen-17-34-59]: Kanttekening 59: die naar de eerste wijzen: Versta, de Israëlieten, van welke zie, boven, vers 23 ; want hier wordt een tegenstelling gemaakt tussen de hardnekkigheid van de Israëlieten, die in Assyrië weggevoerd waren, omdat zij hun oude afgoderij niet wilden verlaten; en de veranderlijkheid van de Assyriërs om de Heer naar de afgodische manier van de Israëlieten te dienen, hoewel zij dat nooit tevoren gedaan hadden. 2 Koningen 17:23 : Totdat YHWH Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten; zo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op deze dag.
[^2koningen-17-34-60]: Kanttekening 60: die Hij: Dit wordt hierbij gevoegd om de Israëlieten te verwijten dat zij vergeten hadden de zeer grote weldaden, die God hun vader Jakob en meteen hun bewezen had, omtrent die tijd, als Hij hem de naam Israël gegeven had, dat hen behoorde bewogen te hebben om die God alleen zuiverlijk te dienen en trouwelijk aan te hangen.
[^2koningen-17-34-o]: Verwijzing o: Gen. 32:28 ; Gen. 35:10 ; 1 Kon. 18:31 . Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. Genesis 35:10 : En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël. 1 Koningen 18:31 : En Elia nam twaalf stenen, naar het getal van de stammen van de kinderen van Jakob, tot welke het woord van YHWH geschied was, zeggende: Israël zal uw naam zijn.
[^2koningen-17-35-p]: Verwijzing p: Richt. 6:10 . Richteren 6:10 : En Ik zei tot u: Ik ben YHWH, uw God; vreest de goden van de Amorieten niet, in welker land u woont; maar u bent Mijner stem niet gehoorzaam geweest.
[^2koningen-17-35-61]: Kanttekening 61: een verbond: Zie Gen. 17:7 ; Ex. 19:5 , enz., en Ex. 24:7 , enz. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Exodus 24:7 : En hij nam het boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.
[^2koningen-17-36-62]: Kanttekening 62: een uitgestrekten arm: Zie Ex. 6:5 . Exodus 6:5 : Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
[^2koningen-17-37-63]: Kanttekening 63: Versta door deze vier woorden: I. de wet van de ceremonie; II. de burgerlijke rechten; III. de ware leer; IV. de wet van de zeden. Zie Gen. 26:5 . Genesis 26:5 : Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
[^2koningen-17-40-64]: Kanttekening 64: eerste wijze: Die van Jerobeam en andere afgodische koningen ingesteld was.
[^2koningen-17-41-65]: Kanttekening 65: deze volken: Namelijk, de heidenen, die uit Assyrië in Samaria en het land van de Israëlieten waren komen wonen.
[^2koningen-17-41-66]: Kanttekening 66: vreesden YHWH: Te weten, naar de afgodische wijze van de Israëlieten. Zie boven, vers 28 . 2 Koningen 17:28 : Zo kwam één uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-el; en hij leerde hun, hoe zij YHWH vrezen zouden.

### 2 Koningen 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/18.json)

*Hizkia wordt koning over Juda, vers 1, enz. is zeer godvrezend, en vreest de koning van Assyrië niet, en overwint de Filistijnen, 3. Salmanasser wint Samaria, en Israël wordt gevankelijk naar Assyrië gevoerd, 9. Sanherib valt in het land van Juda, en Hizkia betaalt hem schatting, 13. evenwel eist hij Jeruzalem op, 17. Rabsake hitst het volk op en lastert God, 19. wat de koning aangezegd wordt, 37.*

**1** Het gebeurde nu in het[^2koningen-18-1-1] derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël,[^2koningen-18-1-2][^2koningen-18-1-a] dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v1)

**2** [^2koningen-18-2-3] Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was[^2koningen-18-2-4] Abi, een dochter van[^2koningen-18-2-5] Zacharia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v2)

**3** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v3)

**4** Hij[^2koningen-18-4-b] nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de[^2koningen-18-4-6] koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde[^2koningen-18-4-7] haar Nehustan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v4)

**5** Hij betrouwde op YHWH, de God van Israël, zodat na hem[^2koningen-18-5-8] zijn gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die voor hem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v5)

**6** Want hij kleefde YHWH aan; hij week niet[^2koningen-18-6-9] van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die YHWH aan Mozes geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v6)

**7** Zo[^2koningen-18-7-10] was YHWH met hem; overal, waar hij heen uittrok, handelde hij moedig; daartoe[^2koningen-18-7-11] viel hij af van de koning van Assyrië, dat hij hem[^2koningen-18-7-12] niet diende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v7)

**8** Hij[^2koningen-18-8-c] sloeg de[^2koningen-18-8-13] Filistijnen tot Gaza toe, en haar gebied,[^2koningen-18-8-14] van de wachttoren af tot de versterkte steden toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v8)

**9** Het[^2koningen-18-9-d] gebeurde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het[^2koningen-18-9-15] zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v9)

**10** En zij namen haar in[^2koningen-18-10-e] na verloop van[^2koningen-18-10-16] drie jaar, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v10)

**11** En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in[^2koningen-18-11-17] Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v11)

**12** Daarom dat zij de stem van YHWH, van hun God, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht van YHWH, geboden had, dat hadden zij[^2koningen-18-12-18] niet gehoord, noch gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v12)

**13** Maar[^2koningen-18-13-f] in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda, en nam[^2koningen-18-13-19] ze in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v13)

**14** Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar[^2koningen-18-14-20] Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilver, en dertig talenten goud op.[^2koningen-18-14-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v14)

**15** Zo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v15)

**16** In die tijd[^2koningen-18-16-22] sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van YHWH, en van de posten, die Hizkia, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf[^2koningen-18-16-23] dat aan de koning van Assyrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v16)

**17** Evenwel[^2koningen-18-17-24] zond de koning van Assyrië Tartan, en[^2koningen-18-17-25] Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar leger naar Jeruzalem; en zij trokken op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optrokken en gekomen waren, bleven zij staan bij de[^2koningen-18-17-26] watergang van[^2koningen-18-17-27] de bovenste vijver, die is bij de[^2koningen-18-17-28] hoge weg van[^2koningen-18-17-29] het veld van de bleker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v17)

**18** En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit[^2koningen-18-18-30] Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de[^2koningen-18-18-31] schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de[^2koningen-18-18-32] kanselier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v18)

**19** En Rabsake zei tot hen: Zeg nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v19)

**20** U zegt (maar het is[^2koningen-18-20-33] een woord van de lippen): Er is raad en macht tot de oorlog; op wie vertrouwt u nu, dat u tegen mij rebelleert? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v20)

**21** Zie nu, vertrouwt u zich op[^2koningen-18-21-34] die gebroken rietstaf, op Egypte, waarop zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, voor al degenen, die op hem vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v21)

**22** Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op YHWH, onze God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor[^2koningen-18-22-35] dit altaar zult u zich buigen te Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v22)

**23** Nu dan,[^2koningen-18-23-36] wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v23)

**24** Hoe zou u dan het aangezicht van één enige vorst van de geringste knechten van mijn heer[^2koningen-18-24-37] afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v24)

**25** Nu, ben ik zonder YHWH opgetrokken tegen deze plaats, om die te verderven? YHWH[^2koningen-18-25-38] heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v25)

**26** Toen zei Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij[^2koningen-18-26-39] verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v26)

**27** Maar Rabsake zei tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten,[^2koningen-18-27-40] dat zij met u hun mest eten, en hun water drinken zullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v27)

**28** Zo stond Rabsake, en riep met[^2koningen-18-28-41] luide stem in het Joods; en hij sprak en zei: Hoort het woord van de grote koning, van de koning van Assyrië! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v28)

**29** Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v29)

**30** Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op YHWH, zeggende: YHWH zal ons[^2koningen-18-30-42] zeker redden, en deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v30)

**31** Hoor naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handel met mij door een[^2koningen-18-31-43] geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water van zijn bornput; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v31)

**32** Totdat ik kom, en u haal in een land, als uw land, een land[^2koningen-18-32-44] van koren en van nieuwe wijn, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honing; zo zult u leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkia,[^2koningen-18-32-45] want hij hitst u op, zeggende: YHWH zal ons redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v32)

**33** Hebben de goden van[^2koningen-18-33-46] de volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van de koning van Assyrië? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v33)

**34** Waar zijn de goden van[^2koningen-18-34-47] Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim,[^2koningen-18-34-48] Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v34)

**35** Welke zijn ze onder alle goden van de landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat YHWH Jeruzalem uit mijn hand redden zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v35)

**36** Maar het volk zweeg stil en antwoordde hem niet één woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v36)

**37** Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de[^2koningen-18-37-49] hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met[^2koningen-18-37-50] gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/18.html#v37)

[^2koningen-18-1-1]: Kanttekening 1: derde jaar: Te weten, van de laatste negen jaren, waarvan gesproken is boven, 2 Kon. 17:1 . 2 Koningen 17:1 : In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.
[^2koningen-18-1-2]: Kanttekening 2: Genoemd, Ezikias, Matt. 1:9 . Mattheüs 1:9 : En Ozias verwekte Joatham, en Joatham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Ezekias;
[^2koningen-18-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 28:27 ; 2 Kron. 29:1 . 2 Kronieken 28:27 : En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven van de koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 29:1 : Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
[^2koningen-18-2-3]: Kanttekening 3: Vijf en twintig: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֨ים, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2koningen-18-2-4]: Kanttekening 4: Zij wordt ook genoemd Abia, 2 Kron. 29:1 . 2 Kronieken 29:1 : Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
[^2koningen-18-2-5]: Kanttekening 5: Sommigen houden deze voor de koning van Israël, waarvan te zien is boven, 2 Kon. 14:29 . 2 Koningen 14:29 : En Jerobeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-18-4-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 31:1 . 2 Kronieken 31:1 : Als zij nu dit alles voltooid hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit geheel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen van Israël weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.
[^2koningen-18-4-6]: Kanttekening 6: koperen slang: Zie van deze Num. 2:8 , 2:9 , enz. Numeri 2:8 : Zijn legermacht nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd. Numeri 2:9 : Al de getelden van het leger van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.
[^2koningen-18-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, koperwerk, of een stuk koper, of iets dat van koper is. Zo heeft de koning de koperen slang genoemd, om te tonen dat er niets goddelijks in haar was, en vervolgens geen reden om haar door offeranden en aanbiddingen goddelijke eer te bewijzen. Anders, men noemde ze, enz., dat is, het volk had haar, als hun afgod, die naam gegeven.
[^2koningen-18-5-8]: Kanttekening 8: zijns gelijke: Te weten, in het reformeren en herstellen van de zuivere godsdienst; welverstaande meteen in de aanvang van zijn regering. Anders is dit te verstaan met uitneming van David en Josia; van David, aan wie hij gelijk gemaakt wordt, en niet overtreffelijker, boven, vers 3 ; van Josia, aan wie deze lof ook gegeven wordt, dat voor en na hem geen koning zijns gelijks is geweest, onder, 2 Kon. 23:25 . 2 Koningen 18:3 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. 2 Koningen 23:25 : En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot YHWH, met zijn gehele hart, en met zijn gehele ziel, en met zijn gehele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.
[^2koningen-18-6-9]: Kanttekening 9: van Hem: Hebreeuws, אַֽחֲרָ֑י, van achter hem. Zie 1 Kon. 9:6 . 1 Koningen 9:6 : Maar zo u u te enen male afkeren zult, u en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor dezelfde nederbuigen zult;
[^2koningen-18-7-10]: Kanttekening 10: was YHWH: Zie Gen. 21:22 , en Gen. 26:24 ; Num. 14:9 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet!
[^2koningen-18-7-11]: Kanttekening 11: viel hij af: Dit wordt gezegd ten aanzien van zijn vader Achaz, die zich aan de koning van Assyrië onderworpen had, als een leenman en schatplichtige. Zie boven, 2 Kon. 16:7 . 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^2koningen-18-7-12]: Kanttekening 12: niet diende: Dat is, geen tribuut noch schatting gaf.
[^2koningen-18-8-c]: Verwijzing c: Jes. 14:30 . Jesaja 14:30 : En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.
[^2koningen-18-8-13]: Kanttekening 13: Die zijn vader vele steden en land afgenomen hadden. Zie 2 Kron. 28:18 . 2 Kronieken 28:18 : Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^2koningen-18-8-14]: Kanttekening 14: van de wachttoren af: Dat is, overal en in verscheidene plaatsen. Zie boven, 2 Kon. 17:9 . 2 Koningen 17:9 : En de kinderen van Israël hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen YHWH, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de vaste steden toe.
[^2koningen-18-9-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 17:3 . 2 Koningen 17:3 : Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
[^2koningen-18-9-15]: Kanttekening 15: zevende jaar: Gerekend van het begin van de negen jaren, vermeld boven, 2 Kon. 17:1 . 2 Koningen 17:1 : In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.
[^2koningen-18-10-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 17:6 . 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^2koningen-18-10-16]: Kanttekening 16: drie jaren: Te weten, van de belegering.
[^2koningen-18-11-17]: Kanttekening 17: Zie van deze landen boven, 2 Kon. 17:6 . 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^2koningen-18-12-18]: Kanttekening 18: niet gehoord: Dat is, niet willen horen.
[^2koningen-18-13-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 32:1 ; Jes. 36:1 . 2 Kronieken 32:1 : Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging, kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht ze tot zich af te scheuren. Jesaja 36:1 : En het geschiedde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^2koningen-18-13-19]: Kanttekening 19: Te weten, enige derzelve.
[^2koningen-18-14-20]: Kanttekening 20: Welke stad hij toen belegerde en bestreed.
[^2koningen-18-14-21]: Kanttekening 21: talenten zilvers: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2koningen-18-16-22]: Kanttekening 22: sneed Hizkia het goud : De zin is dat hij de gouden platen heeft afgetrokken, met welke hij tevoren de deuren en posten van de tempel overtogen had, als hij de tempel, die zijn vader toegesloten had, weer opende; 2 Kron. 29:3 . 2 Kronieken 29:3 : Dezelfde deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van YHWH open, en beterde ze.
[^2koningen-18-16-23]: Kanttekening 23: dat aan de koning van Assyrië: Hebreeuws, מֶ֥לֶךְ, die; te weten, deuren en posten; dat is, het goud, waarmee die waren overtogen geweest.
[^2koningen-18-17-24]: Kanttekening 24: Zijn woord niet houdende als hij het geld ontvangen had.
[^2koningen-18-17-25]: Kanttekening 25: Het woord betekent de overste hoveling, of kamerling, gelijk het van enige overgezet wordt.
[^2koningen-18-17-26]: Kanttekening 26: Hiermede verstaan velen een waterloop buiten Jeruzalem, in welke uit een vijver, die daarbij was, water af gelaten werd, waarin de vollers hun lakentuig wiesen. Vergelijk Jes. 7:3 . Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller;
[^2koningen-18-17-27]: Kanttekening 27: oppersten vijvers: Zo toegenaamd tot onderscheiding van de vijver, gezegd de onderste; Jes. 22:9 . Jesaja 22:9 : En u zult bezien de reten van de stad van David, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van de onderste vijver vergaderen.
[^2koningen-18-17-28]: Kanttekening 28: hogen weg: Versta, een hogen en gebaanden weg, die, naar eniger gevoelen, met stenen geplaveid was.
[^2koningen-18-17-29]: Kanttekening 29: veld van de voller: Waar de vollers hun wollengoed uitspreidden.
[^2koningen-18-18-30]: Kanttekening 30: Zie van deze vrome en godvruchtige hofmeester, Jes. 22:20 , enz. Van zulk ambt, zie 1 Kon. 4:6 . Hebreeuws, die over het huis was. Jesaja 22:20 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen zal. 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^2koningen-18-18-31]: Kanttekening 31: Anders, griffier, of secretaris; te weten, van de koning. Zie 1 Kon. 4:3 . 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^2koningen-18-18-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, memoriemaker. Zo ook vers 37 ; idem 1 Kon. 4:3 . Zie de aantekening. 2 Koningen 18:37 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^2koningen-18-20-33]: Kanttekening 33: een woord van de lippen: Dat is, ijdel, vergeefs, vruchteloos, geheel nietig, waar niet van worden noch komen zal; of versta een woord, dat slechts in de mond is, en niet uit het hart komt; dat is, dat niet gemeend wordt noch bevestigd zal worden. Anders, u spreekt; maar het zijn niet dan woorden; raad en macht \[zijn vereist\] tot de oorlog. Anders, u zegt maar een woord van de lippen, maar \[daar moet\] raad en kracht ten oorlog zijn; spottende zo met de gebeden en vertroostingen, die Hizkia gebruikte.
[^2koningen-18-21-34]: Kanttekening 34: die gebroken rietstaf: Of, gekrookten. Versta door deze gelijkenis, een hulp, die zwak, trouweloos en ongestadig is. Zo Jes. 36:6 ; Ez. 29:6 , 29:7 . Jesaja 36:6 : Zie, u vertrouwt op die gebroken rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen. Ezechiël 29:6 : En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik YHWH ben, omdat zij het huis van Israël een rietstaf geweest zijn. Ezechiël 29:7 : Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt u gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt u verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.
[^2koningen-18-22-35]: Kanttekening 35: dit altaar: Te weten, deze enige; gelijk er staat 2 Kron. 32:12 . Dat is, voor geen anderen. 2 Kronieken 32:12 : Heeft niet dezelfde Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult u u nederbuigen, en daarop roken?
[^2koningen-18-23-36]: Kanttekening 36: wed toch met mijn heer: Of, stel toch mijn heer, enz. borg.
[^2koningen-18-24-37]: Kanttekening 37: Dat is, wederstaan en verdrijven.
[^2koningen-18-25-38]: Kanttekening 38: heeft tot mij gezegd: Dit spreekt hij valselijk door vermetelheid, om Gods volk verschrikt en verbaasd te maken. Hoewel het anders door Gods verborgen voorzienigheid geschied is, dat hem nochtans onbekend was. Zie onder, 2 Kon. 19:25 ; Jes. 10:5 , 10:6 , 10:7 . 2 Koningen 19:25 : Hebt u niet gehoord, dat Ik dat lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat u zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen. Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Jesaja 10:6 : Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk van de straten. Jesaja 10:7 : Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.
[^2koningen-18-26-39]: Kanttekening 39: verstaan het wel : Hebreeuws, שֹׁמְעִ֖ים, want wij zijn horende; dat is, wij verstaan en kennen die taal wel. Zie Gen. 11:7 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore.
[^2koningen-18-27-40]: Kanttekening 40: dat zij met u: Dat is, dat zij gewaarschuwd zouden worden, dat door een strenge belegering hun gruwelijke ellenden zullen overkomen, ja zelfs dat zij gedwongen zullen worden hun eigen mest te eten, enz., om hun honger en dorst te verzadigen, zo zij zich niet willen overgeven.
[^2koningen-18-28-41]: Kanttekening 41: luide stem: Hebreeuws, קוֹל, grote stem.
[^2koningen-18-30-42]: Kanttekening 42: zekerlijk redden: Hebreeuws, יַצִּילֵ֖, reddende redden.
[^2koningen-18-31-43]: Kanttekening 43: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk zegening, maar het wordt ook voor een geschenk genomen. Zie Gen. 33:11 , met de aantekening. De zin is dat hij de Joden aanbiedt de vredehandeling, opdat zij zijn geweld en harde belegering met het gevolg van die niet zouden hebben te verwachten. Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^2koningen-18-32-44]: Kanttekening 44: van koren: Versta door deze dingen alle tijdelijke goederen, waarmee God een land zegent. Zie Ex. 3:9 ; Deut. 32:13 , 32:14 ; Job 20:17 , en ook de aantekening. Exodus 3:9 : En nu, zie, het geschrei van de kinderen van Israël is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmee de Egyptenaars hen verdrukken. Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Job 20:17 : De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.
[^2koningen-18-32-45]: Kanttekening 45: want hij hitst u op: Anders, als hij u verleidt, of ophitst, of overreedt.
[^2koningen-18-33-46]: Kanttekening 46: enigszins gered: Hebreeuws, אַרְצ֑, reddende gered.
[^2koningen-18-34-47]: Kanttekening 47: Zie van deze twee steden ook samengevoegd Jer. 49:23 . Wij hebben hier de namen van de steden en landen, die de koning van Assyrië ingenomen had. Zie boven, 2 Kon. 17:24 , en Jes. 37:13 . Jeremia 49:23 : Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten. 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. Jesaja 37:13 : Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
[^2koningen-18-34-48]: Kanttekening 48: Hena en Ivva: Dit houden sommigen voor eigennamen van landen. \[Vergelijk boven, 2 Kon. 17:31 \]. Anderen zetten het aldus over: Hij heeft hen weggedreven en omgekeerd. Jes. 36:19 worden deze woorden uitgelaten. 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. Jesaja 36:19 : Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered?
[^2koningen-18-37-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, die over het huis was. Zie van deze boven, vers 18 , zo onder, 2 Kon. 19:2 . 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 2 Koningen 19:2 : Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz;
[^2koningen-18-37-50]: Kanttekening 50: gescheurde kleren: Zie Gen. 37:29 . Hebreeuws, קְרוּעֵ֣י, gescheurde van de kleren. Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.

### 2 Koningen 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/19.json)

*Hizkia laat de profeet Jesaja de lasteringen van Rabsake aanzeggen, vers 1, enz. Jesaja belooft van de HEERE verlossing, 6. Sanherib wordt gedwongen op te trekken tegen de Moren, 8. zendt weer boden aan Hizkia met godslasterlijke brieven, 10. Hizkia bidt de HEERE om hulp, 14. die Jesaja hem andermaal toezegt, 20. In diezelfde nacht wordt het Assyrische leger door de engel van God verslagen, en Sanherib, te Ninevé gekomen zijnde, wordt door zijn zonen vermoord, 35.*

**1** En[^2koningen-19-1-a] het gebeurde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo[^2koningen-19-1-1] scheurde hij zijn kleren, en[^2koningen-19-1-2] bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v1)

**2** Daarna zond hij Eljakim,[^2koningen-19-2-3] de hofmeester, en Sebna,[^2koningen-19-2-4] de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot[^2koningen-19-2-5] Jesaja, de profeet,[^2koningen-19-2-b] de zoon van Amoz; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v2)

**3** En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag[^2koningen-19-3-6] van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de[^2koningen-19-3-7] kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v3)

**4** [^2koningen-19-4-8] Misschien zal YHWH, uw God, horen al de woorden van Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen,[^2koningen-19-4-9] en te schelden, met woorden, die YHWH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel,[^2koningen-19-4-10] dat gevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v4)

**5** En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v5)

**6** En Jesaja zei tot hen: Zo zult u tot uw heer zeggen: Zo zegt YHWH: Vrees niet voor de woorden, die u gehoord hebt, waarmee Mij de[^2koningen-19-6-11] dienaren van de koning van Assyrië gelasterd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v6)

**7** Zie, Ik zal een[^2koningen-19-7-12] geest in hem geven, dat hij een[^2koningen-19-7-13] gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v7)

**8** Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen[^2koningen-19-8-14] Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v8)

**9** Als[^2koningen-19-9-15] hij nu hoorde van Tirhaka, de[^2koningen-19-9-16] koning van Cusch, zeggen: Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden,[^2koningen-19-9-17] zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v9)

**10** Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Wie u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v10)

**11** Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die[^2koningen-19-11-18] verbannende; en[^2koningen-19-11-19] zou u gered worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v11)

**12** Hebben de goden van de volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelfde gered, als[^2koningen-19-12-20] Gozan, en[^2koningen-19-12-21] Haran, en[^2koningen-19-12-22] Rezef, en de kinderen[^2koningen-19-12-23] van Eden, die in[^2koningen-19-12-24] Telasser waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v12)

**13** Waar is de koning van Hamath, en de koning van[^2koningen-19-13-25] Arpad, en de koning van de stad[^2koningen-19-13-26] Sefarvaim, Hena en Ivva? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v13)

**14** Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het[^2koningen-19-14-27] huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit[^2koningen-19-14-28] voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v14)

**15** En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen[^2koningen-19-15-29] de cherubim[^2koningen-19-15-30] woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v15)

**16** O, YHWH! neig Uw oor en hoor, doe, YHWH! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die[^2koningen-19-16-31] deze gezonden heeft, om de levende God te honen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v16)

**17** Werkelijk, YHWH, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v17)

**18** En hebben hun goden in het vuur[^2koningen-19-18-32] geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v18)

**19** Nu dan, YHWH, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U, YHWH, alleen God bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v19)

**20** Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt YHWH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v20)

**21** Dit is het[^2koningen-19-21-33] woord, dat YHWH over hem gesproken heeft:[^2koningen-19-21-34] De jonkvrouw, de[^2koningen-19-21-35] dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van[^2koningen-19-21-36] Jeruzalem schudt het hoofd achter u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v21)

**22** Wie hebt u gehoond en gelasterd? en tegen Wie hebt u de stem verheven,[^2koningen-19-22-37] en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de[^2koningen-19-22-38] Heilige van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v22)

**23** [^2koningen-19-23-39] Door middel[^2koningen-19-23-40] van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden[^2koningen-19-23-41] van de Libanon; en ik zal zijn[^2koningen-19-23-42] hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in[^2koningen-19-23-43] zijn uiterste herberg, in het woud van zijn[^2koningen-19-23-44] schone veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v23)

**24** [^2koningen-19-24-45] Ik heb gegraven en heb gedronken[^2koningen-19-24-46] vreemde wateren;[^2koningen-19-24-47] en ik heb met mijn voetzolen alle[^2koningen-19-24-48] rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v24)

**25** [^2koningen-19-25-49] Hebt u niet gehoord, dat Ik dat lang te voren gedaan heb en dat[^2koningen-19-25-50] van oude dagen af gevormd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat u zou zijn, om de versterkte steden te verstoren tot woeste hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v25)

**26** [^2koningen-19-26-51] Daarom waren haar inwoners[^2koningen-19-26-52] handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld, en de[^2koningen-19-26-53] groene grasscheutjes, het hooi van de daken, en het brandkoren, voordat het overeind staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v26)

**27** Maar Ik weet uw[^2koningen-19-27-54] zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v27)

**28** Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is,[^2koningen-19-28-55] zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en[^2koningen-19-28-56] Mijn gebit[^2koningen-19-28-57] in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, waardoor u gekomen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v28)

**29** [^2koningen-19-29-58] En dat zij u een teken, dat men in dit jaar[^2koningen-19-29-59] eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar,[^2koningen-19-29-60] wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v29)

**30** Want het[^2koningen-19-30-61] ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda,[^2koningen-19-30-62] zal opnieuw[^2koningen-19-30-63] naar beneden wortelen, en zal omhoog[^2koningen-19-30-64] vrucht dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v30)

**31** Want van Jeruzalem zal het[^2koningen-19-31-65] overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion;[^2koningen-19-31-66] de ijver van YHWH van de legermachten zal dit doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v31)

**32** Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v32)

**33** Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v33)

**34** Want[^2koningen-19-34-c] Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen,[^2koningen-19-34-67] om Mijnentwil, en[^2koningen-19-34-68] omwille van David, Mijn knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v34)

**35** Het[^2koningen-19-35-d] gebeurde dan in die nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het[^2koningen-19-35-69] leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen[^2koningen-19-35-70] zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet,[^2koningen-19-35-71] die allen waren dode lichamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v35)

**36** Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te[^2koningen-19-36-72] Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v36)

**37** Het gebeurde nu, als hij in het huis van[^2koningen-19-37-73] Nisroch, zijn god, zich[^2koningen-19-37-74] neerboog,[^2koningen-19-37-e] dat Adramelech en Sarezer, zijn[^2koningen-19-37-75] zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van[^2koningen-19-37-76] Ararat; en[^2koningen-19-37-77] Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/19.html#v37)

[^2koningen-19-1-a]: Verwijzing a: Jes. 37:1 . Jesaja 37:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH.
[^2koningen-19-1-1]: Kanttekening 1: scheurde hij: Om daarmede het verdriet zijns harten te betuigen. Zo boven, 2 Kon. 18:37 . 2 Koningen 18:37 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.
[^2koningen-19-1-2]: Kanttekening 2: bedekte zich: Zie van deze ceremonie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^2koningen-19-2-3]: Kanttekening 3: de hofmeester: Hebreeuws, בַּ֜יִת, die over het huis was. Zie boven, 2 Kon. 18:18 . 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
[^2koningen-19-2-4]: Kanttekening 4: de schrijver: Zie boven, 2 Kon. 12:10 . 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd.
[^2koningen-19-2-5]: Kanttekening 5: Wiens profetisch boek onder de boeken van de grote profeten het eerste is.
[^2koningen-19-2-b]: Verwijzing b: Jes. 1:1 . Jesaja 1:1 : Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
[^2koningen-19-3-6]: Kanttekening 6: van de benauwdheid: Te weten, die ons overkomen is van de vijanden, die mij en mijn volk schelden en dreigen en de levende God lasteren.
[^2koningen-19-3-7]: Kanttekening 7: Het is een gelijkenis, waarin de koning zich vergelijkt bij een barende vrouw, zijn volk bij de vrucht, en de tegenwoordige nood bij de benauwdheid en het gevaar, waarin een vrouw met haar vrucht is, die geen kracht heeft om deze, als zij in de geboorte staat \[vergelijk Hos. 13:13 \] ter wereld te brengen. Hij wil zeggen dat zij in het uiterste gevaar waren en zonder vermogen om zich daaruit te helpen. Hosea 13:13 : Smarten van een barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.
[^2koningen-19-4-8]: Kanttekening 8: Misschien zal YHWH: Dat is, in achting nemen; dit is hier geen woord van twijfeling, maar van goede hoop. Vergelijk Num. 23:3 ; Joz. 14:12 , enz. Numeri 23:3 : Toen zei Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal YHWH mij tegemoet komen; en wat Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte. Jozua 14:12 : En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft.
[^2koningen-19-4-9]: Kanttekening 9: en te schelden: Anders, en zal straffen de woorden, die YHWH uw God gehoord heeft.
[^2koningen-19-4-10]: Kanttekening 10: dat gevonden wordt: Dat is, dat tegenwoordig en voorhanden en in wezen is. Versta door dit overblijfsel de stam van Juda, die de rechte godsdienst behouden had en nog uit zijn land niet verdreven was.
[^2koningen-19-6-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, jongelingen; dat is, dienaren, of officieren, in getal drie, hier tevoren genaamd boven, 2 Kon. 18:17 . Van het Hebreeuwse woord, zie Gen. 22:5 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^2koningen-19-7-12]: Kanttekening 12: geest in hem geven: Dat is, wil, voornemen, ijver, genegenheid, beweging. Zo wordt het woord geest genomen in het goede, 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1:1 ; Hagg. 1:14 ; en in het kwade, Richt. 8:3 ; Job 15:13 ; Spreuk. 16:32 , en Spreuk. 25:28 . Anderen nemen het woord geest voor geblaas, wind, gedruis. 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Haggai 1:14 : En YHWH verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van het gehele overblijfsel van het volk; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van YHWH van de legermachten, hun God. Richteren 8:3 : God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. Job 15:13 : Dat u uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan. Spreuken 16:32 : De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt. Spreuken 25:28 : Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
[^2koningen-19-7-13]: Kanttekening 13: gerucht horen zal: Namelijk, van Tirgaka, de koning van Cusch, die uitkomen zou om hem te bestrijden. Zie onder, vers 9 . 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
[^2koningen-19-8-14]: Kanttekening 14: Een stad in de stam van Juda, van welke zie Joz. 10:29 , en Joz. 15:42 , en Joz. 21:13 . Jozua 10:29 : Toen toog Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna. Jozua 15:42 : Libna, en Ether, en Asan, Jozua 21:13 : Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de moordenaars, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;
[^2koningen-19-9-15]: Kanttekening 15: hij nu hoorde: Namelijk, de koning van Assyrië.
[^2koningen-19-9-16]: Kanttekening 16: koning van Cusch: Dat is, van de Arabieren, of van de Moren. Zie Num. 12:1 . Numeri 12:1 : Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake van de vrouw, van de Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.
[^2koningen-19-9-17]: Kanttekening 17: zond hij: Hebreeuws, מַלְאָכִ֔ים, hij keerde weer en zond; dat is, hij zond opnieuw. Zie Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^2koningen-19-11-18]: Kanttekening 18: Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^2koningen-19-11-19]: Kanttekening 19: zoudt u gered worden: Dat is, u zult ganselijk niet gered worden. Het is een manier van vragen, die zeer sterkelijk loochent. Zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^2koningen-19-12-20]: Kanttekening 20: Zie boven, 2 Kon. 17:6 , en de aantekening. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^2koningen-19-12-21]: Kanttekening 21: Een stad in Mesopotamië. Zie Gen. 11:31 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^2koningen-19-12-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, Retsef, gelegen in Mesopotamië.
[^2koningen-19-12-23]: Kanttekening 23: Dit was een landschap, gelegen in Chaldea of Babylonië. Zie daarvan Gen. 2:8 ; Ez. 27:23 . Genesis 2:8 : Ook had YHWH God een hof geplant in Eden (עֵ֫דֶן), tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had. Ezechiël 27:23 : Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u.
[^2koningen-19-12-24]: Kanttekening 24: Telasser waren: De naam, naar eniger gevoelen, ener sterkte, gelegen in het midden van de Eufraat. Anderen nemen het voor een landschap.
[^2koningen-19-13-25]: Kanttekening 25: Zie boven, 2 Kon. 18:34 . 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^2koningen-19-13-26]: Kanttekening 26: Hena en Ivva: Zie boven, 2 Kon. 18:34 . 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^2koningen-19-14-27]: Kanttekening 27: huis van YHWH: Dat is, de tempel.
[^2koningen-19-14-28]: Kanttekening 28: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, in het voorhof, tegenover de ark van het verbond, welke was in het heilige van de heiligen, tot een teken van Gods tegenwoordige bijwoning. Zie Lev. 1:3 , en Lev. 9:24 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.
[^2koningen-19-15-29]: Kanttekening 29: de cherubim: Versta, de twee cherubim, die aan beide de einden van het verzoendeksel van de ark stonden, Ex. 25:18 , enz. Deze benaming Godes is ook 1 Sam. 4:4 . Zie Num. 7:89 , met de aantekening. Exodus 25:18 : U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van de verzoendeksels. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem.
[^2koningen-19-15-30]: Kanttekening 30: Of, zit.
[^2koningen-19-16-31]: Kanttekening 31: deze gezonden heeft: Namelijk, Rabsake. Zie boven, 2 Kon. 18:17 , enz. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^2koningen-19-18-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, gegeven.
[^2koningen-19-21-33]: Kanttekening 33: Versta, de zaak, die de Heer de profeet Jesaja geopenbaard had, rakende de koning van Assyrië.
[^2koningen-19-21-34]: Kanttekening 34: De jonkvrouw: Versta, de staat of het koninkrijk van het Joodse volk, of de stad Jeruzalem, welke men oordeelt aldus genaamd te zijn, omdat zij nog van niemand ten enenmaal overweldigd en ingenomen was geweest.
[^2koningen-19-21-35]: Kanttekening 35: dochter van Sion: Gelijk het woord dochters, na de naam van een stad gesteld zijnde, betekent de dorpen en kleine steden daaronder sorterende, Num. 21:15 ; Richt. 1:27 ; zo het woord dochter voor de naam van een stad of van een land gesteld zijnde, betekent de inwoners daarvan, gelijk 1 Kon. 19:21 ; Ps. 45:13 , en Ps. 137:8 ; Jes. 23:12 , en Jes. 47:1 . Numeri 21:15 : En de afloop van de beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leunt aan de landpale van Moab.) Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. 1 Koningen 19:21 : Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen zood hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem. Psalmen 45:13 : En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Psalmen 137:8 : O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons misdaan hebt. Jesaja 23:12 : En Hij heeft gezegd: U zult niet meer vrolijk huppelen, o u verdrukte maagd, u dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult u daar geen rust hebben. Jesaja 47:1 : Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.
[^2koningen-19-21-36]: Kanttekening 36: schudt het hoofd: Het hoofd schudden achter, of over iemand, is, hem verachten en bespotten; Job 16:4 ; Ps. 22:8 , en Ps. 44:15 ; Jes. 37:22 ; Jer. 18:16 ; Klaagl. 2:15 . Job 16:4 : Zou ik ook, als u, spreken, als uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden? Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Psalmen 44:15 : U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. Jesaja 37:22 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Jeremia 18:16 : Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde?
[^2koningen-19-22-37]: Kanttekening 37: en uw ogen: Anders, ja u hebt uw ogen omhoog opgeheven tegen de Heilige van Israël.
[^2koningen-19-22-38]: Kanttekening 38: Heilige van Israël: God is zo genaamd, niet alleen omdat Hij heilig is, ja de heiligheid zelve, maar ook omdat Hij zich een volk afzondert, dat Hij door het bloed en de Geest van Christus heiligt. Zie deze benaming ook Jes. 5:24 ; Jer. 51:5 , enz. Jesaja 5:24 : Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, zo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van YHWH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden. Jeremia 51:5 : Want Israël of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijn God, van YHWH van de legermachten (hoewel hunlieder land vol van schuld is), van de Heilige van Israël.
[^2koningen-19-23-39]: Kanttekening 39: Door middel: Hebreeuws, יַ֣ד, door de hand.
[^2koningen-19-23-40]: Kanttekening 40: uw boden: Namelijk, Tartan, Rabsaris en Rabsake; boven, 2 Kon. 18:17 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^2koningen-19-23-41]: Kanttekening 41: Zie van dit gebergte 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^2koningen-19-23-42]: Kanttekening 42: zijn hoge cederbomen: Hebreeuws, קוֹמַ֤ת, de hoogte van zijn cederbomen, en de keur van zijn dennebomen. Sommigen verstaan hiermede de schone en sterke steden van Juda, die de koning van Assyrië ingenomen had; boven, 2 Kon. 18:13 . 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^2koningen-19-23-43]: Kanttekening 43: zijn uiterste herberg: Hebreeuws, מְל֣וֹן, de herberg van zijn einde, of uiterste. Versta, al de plaatsen van Judea, in wat uiterste einden of hoeken van het land dezelfde zouden mogen gelegen zijn. De zin is dat de koning van Assyrië voorgenomen had geen plaats vrij te laten, maar het gehele land af te lopen, in te nemen en te verwoesten.
[^2koningen-19-23-44]: Kanttekening 44: schonen velds: Anders, Karmels. De naam van een aangenaam en vruchtbaar gebergte, gelegen in de stam van Issaschar, waarvan zie 1 Kon. 18:19 ; het woord schijnt hier genomen te worden voor een schone, lieflijke en vruchtbare plaats. Zo Jes. 10:18 ; Jer. 2:7 , en Jer. 4:26 , enz. 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. Jesaja 10:18 : Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. Jeremia 2:7 : En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelfde en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel. Jeremia 4:26 : Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH, vanwege de hitte van Zijn toorn.
[^2koningen-19-24-45]: Kanttekening 45: Ik heb gegraven: Dat is, hoewel ik met mijn leger door dorre en waterloze landen gekomen ben, en dat men mij gezocht heeft alle water te benemen, opdat ik genoodzaakt zou zijn dit land te ruimen, 2 Kron. 32:3 , 32:4 , nochtans heb ik, door mijn wijsheid en macht, water genoeg bekomen, zelfs in plaatsen, waar het tevoren niet was. 2 Kronieken 32:3 : Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem. 2 Kronieken 32:4 : Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, en ook de beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel waters vinden?
[^2koningen-19-24-46]: Kanttekening 46: vreemde wateren: Dat is, nieuwe en nooit tevoren gevonden of bekende wateren.
[^2koningen-19-24-47]: Kanttekening 47: en ik heb met mijn voetzolen: Hij wil zeggen dat hij niet alleen zijn legermacht kon verzorgen van water, maar ook zijn vijanden, die hij belegerde, daarvan beroven, en dat door de grote menigte van krijgslieden, die hem volgden.
[^2koningen-19-24-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, rivieren, of beken van de belegering.
[^2koningen-19-25-49]: Kanttekening 49: Hebt u niet gehoord: Tot hiertoe zijn verhaald de woorden van de koning van Assyrië. Nu volgen hier weer de woorden van God, waarmee Hij de koning toespreekt. Hij wil zeggen, U hebt u niet te beroemen op uw victoriën, want zij zijn mijn werk, tot straf van de volken, door de verwoesting van hun steden en landen.
[^2koningen-19-25-50]: Kanttekening 50: van oude dagen af: Hebreeuws, קֶ֖דֶם, van dagen van de oudheid.
[^2koningen-19-26-51]: Kanttekening 51: De zin is: Gelijk de overwinning van God komt, zo ook de vrees en verslagenheid en de zwakheid, waardoor men overwonnen wordt.
[^2koningen-19-26-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, kort van hand; dat is, van kleine kracht, van ziek vermogen. Zo Jes. 37:27 . Jesaja 37:27 : Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld en de groene grasscheutjes, als het hooi van de daken, en het brandkoren, voordat het overeind staat.
[^2koningen-19-26-53]: Kanttekening 53: groene grasscheutjes: Hebreeuws, דֶּ֔שֶׁא, de groente van het grasje, of kruidje. Anders, het moeskruid van de kruidjes; dat is, het kleine moeskruidje.
[^2koningen-19-27-54]: Kanttekening 54: Dat is, als uw voornemen, raad, aanslagen en bedrijf. Vergelijk hiermede de aantekening Deut. 31:2 . Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^2koningen-19-28-55]: Kanttekening 55: zo zal Ik: Dit is een gelijkenis, genomen van degenen, die met wrede beesten omgaan; om daarmede te verklaren de kracht van God, die Hij gebruikt om de razende tirannen te bedwingen.
[^2koningen-19-28-56]: Kanttekening 56: Mijn gebit: Een andere gelijkenis genomen van degenen, die een wild paard te regeren hebben.
[^2koningen-19-28-57]: Kanttekening 57: in uw lippen: Dat is, in uw mond.
[^2koningen-19-29-58]: Kanttekening 58: En dat zij u een teken: Dit wordt gesproken tot de koning Hizkia, om hem en zijn volk te verzekeren, dat zij van het geweld van de koning van Assyrië verlost zouden worden.
[^2koningen-19-29-59]: Kanttekening 59: wat van zelf gewassen is: Het Hebreeuwse woord betekent wat na de oogst van de uitgevallen zaden vanzelf wast zonder de arbeid van de mensen.
[^2koningen-19-29-60]: Kanttekening 60: wat daarvan weer uitspruit: Het teken was, dat zij niet alleen in het eerste jaar, als het land van de Assyriërs afgelopen was, maar ook in het volgende daarna genoeg leeftocht, vanzelf opgewassen, in het veld vinden zouden. Zie verder Jes. 37:30 . Jesaja 37:30 : En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
[^2koningen-19-30-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, de ontkoming; dat is, die ontkomen zullen zijn. Zo in vers 31 . 2 Koningen 19:31 : Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van YHWH van de legermachten zal dit doen.
[^2koningen-19-30-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws, zal wortel toedoen.
[^2koningen-19-30-63]: Kanttekening 63: nederwaarts wortelen, …: Een gelijkenis, genomen van de planten, met welke betekend wordt dat die van Juda geheel grote voorspoed en welstand zouden hebben.
[^2koningen-19-30-64]: Kanttekening 64: vrucht dragen: Hebreeuws, מָֽעְלָ, vrucht maken. Het Hebreeuwse woord peri betekent hier niet alleen de vruchten, maar ook de struiken, die de vruchten dragen. Zo Lev. 23:40 . Zie de aantekening. Leviticus 23:40 : En op de eerste dag zult u u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.
[^2koningen-19-31-65]: Kanttekening 65: overblijfsel uitgaan: Te weten, dat aan de handen van de vijanden ontkomen zal, zijnde bewaard en verzekerd geweest in de stad Jeruzalem, die in het veld van de Assyriërs niet vallen zal.
[^2koningen-19-31-66]: Kanttekening 66: de ijver: Dat is, de brandende liefde van God voor zijn volk en zijn heftige toorn tegen de vijanden zullen deze verlossing teweegbrengen. Vergelijk Jes. 9:6 . Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal dat doen.
[^2koningen-19-34-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 20:6 . 2 Koningen 20:6 : En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om Mijnentwil, en om Mijns knechts Davids wil.
[^2koningen-19-34-67]: Kanttekening 67: om Mijnentwil: Dat is, opdat mijn naam bekend, geprezen, geëerd en gevreesd worde. Vergelijk Spreuk. 16:4 ; Jes. 48:9 , 48:11 ; Ez. 36:21 , 36:22 , 36:23 . Spreuken 16:4 : YHWH heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad. Jesaja 48:9 : Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe. Jesaja 48:11 : Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven. Ezechiël 36:21 : Maar Ik verschoonde hen om Mijn heilige Naam, die het huis van Israël ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren. Ezechiël 36:22 : Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Ik doe het niet om uwentwil, u huis van Israël! maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen u gekomen bent. Ezechiël 36:23 : Want Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die u in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, spreekt de Heer YHWH, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn.
[^2koningen-19-34-68]: Kanttekening 68: om Davids: Zie 1 Kon. 11:12 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.
[^2koningen-19-35-d]: Verwijzing d: Jes. 37:36 . Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^2koningen-19-35-69]: Kanttekening 69: leger van Assyrië: Versta, Sanheribs leger, dat voor Libna lag, \[of naar sommiger gevoelen, in optocht was naar Jeruzalem\], boven, vers 8 , waar Rabsake weer tot hem kwam, zonder Jeruzalem te belegeren, gelijk God beloofd had, vers 32 . Vergelijk Jes. 37:33 , 37:36 . 2 Koningen 19:8 : Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 2 Koningen 19:32 : Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. Jesaja 37:33 : Daarom, zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^2koningen-19-35-70]: Kanttekening 70: Namelijk, de koning van Assyrië en zijn raadsheren.
[^2koningen-19-35-71]: Kanttekening 71: die allen waren dode lichamen: Te weten, die van de engel geslagen waren.
[^2koningen-19-36-72]: Kanttekening 72: Zie Gen. 10:11 , 10:12 . Genesis 10:11 : Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. Genesis 10:12 : En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.
[^2koningen-19-37-73]: Kanttekening 73: De naam van de afgod van de Ninevieten.
[^2koningen-19-37-74]: Kanttekening 74: Te weten, om hem aan te bidden en godsdienstiglijk te eren.
[^2koningen-19-37-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 32:21 ; Jes. 37:38 . 2 Kronieken 32:21 : En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren. Jesaja 37:38 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-19-37-75]: Kanttekening 75: hem met het zwaard: Gelijk voorzegd was, boven, vers 7 . 2 Koningen 19:7 : Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^2koningen-19-37-76]: Kanttekening 76: Zie Gen. 8:4 . Genesis 8:4 : En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, op de bergen van Ararat.
[^2koningen-19-37-77]: Kanttekening 77: Hij regeerde \[zoals enige schrijven\] tien jaren in Ninevé. Na deze is de monarchie van de Assyriërs op de Babyloniërs gekomen.

### 2 Koningen 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/20.json)

*Hizkia, ziek zijnde, wordt door God via Jesaja met de dood bedreigd, vers 1, enz. maar nadat hij de HEERE gebeden heeft, verkrijgt hij nog vijftien jaren levens, 2. Daarvan wordt hij verzekerd door een wonder, 8. Berodach-Baladan bezoekt Hizkia door gezanten, aan wie hij al zijn schatten toont, 12. Daarop voorzegt Jesaja hem de Babylonische gevangenschap, 14. hij sterft, en Manasse wordt koning, 20.*

**1** In[^2koningen-20-1-1] die dagen[^2koningen-20-1-a] werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want[^2koningen-20-1-3] u zult sterven, en niet leven.[^2koningen-20-1-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v1)

**2** Toen[^2koningen-20-2-4] keerde hij zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v2)

**3** Och, YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht[^2koningen-20-3-5] in waarheid en met een[^2koningen-20-3-6] volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia[^2koningen-20-3-7] huilde heel erg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v3)

**4** Het gebeurde nu, als Jesaja uit het[^2koningen-20-4-8] middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van YHWH tot hem kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v4)

**5** Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger van Mijn volk: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v5)

**6** En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen[^2koningen-20-6-9] toedoen, en[^2koningen-20-6-10] zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen[^2koningen-20-6-11] om Mijnentwil, en[^2koningen-20-6-12] omwille van Mijn knecht David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v6)

**7** Daarna zei Jesaja: Neem een klomp vijgen; en zij namen ze, en legden ze op de zweer, en hij werd[^2koningen-20-7-13] genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v7)

**8** Hizkia nu[^2koningen-20-8-14] had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat YHWH mij gezond maken zal, en dat ik de derde dag in het huis van YHWH zal opgaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v8)

**9** En Jesaja zei: Dit zal u een teken van YHWH zijn, dat YHWH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:[^2koningen-20-9-15] Zal de[^2koningen-20-9-16] schaduw tien[^2koningen-20-9-17] graden[^2koningen-20-9-18] vooruit gaan, of tien graden[^2koningen-20-9-19] achteruit keren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v9)

**10** Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduw licht, tien graden naar beneden te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achteruit kere.[^2koningen-20-10-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v10)

**11** En Jesaja, de profeet, riep YHWH aan; en Hij deed de schaduw tien graden achteruit keren in de graden, die zij naar beneden gegaan was, in de[^2koningen-20-11-21] graden van Achaz' zonnewijzer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v11)

**12** In die tijd[^2koningen-20-12-22] zond Berodach[^2koningen-20-12-23] Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v12)

**13** En Hizkia[^2koningen-20-13-24] hoorde naar[^2koningen-20-13-25] hen, en hij toonde hun zijn hele[^2koningen-20-13-26] schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn[^2koningen-20-13-27] wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn hele heerschappij, dat hij hun niet toonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v13)

**14** Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit ver land gekomen, uit Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v14)

**15** En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v15)

**16** Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor[^2koningen-20-16-28] het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v16)

**17** Zie, de dagen komen,[^2koningen-20-17-29] dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v17)

**18** Daartoe[^2koningen-20-18-30] zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat[^2koningen-20-18-31] zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v18)

**19** Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van YHWH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Zou[^2koningen-20-19-32] het niet, aangezien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v19)

**20** Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de[^2koningen-20-20-33] vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de[^2koningen-20-20-34] stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v20)

**21** En Hizkia ontsliep met zijn vaders; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/20.html#v21)

[^2koningen-20-1-1]: Kanttekening 1: die dagen: Te weten, nadat de legermacht van de Assyriërs verslagen en Judea daarvan verlost was, dat men houdt geweest te zijn in het veertiende jaar van Hizkia's regering.
[^2koningen-20-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 32:24 ; Jes. 38:1 . 2 Kronieken 32:24 : In die dagen werd Jehizkia ziek tot stervens toe, en hij bad tot YHWH, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken. Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^2koningen-20-1-3]: Kanttekening 3: u zult sterven: Hebreeuws, מֵ֥ת, u bent dood, of stervende; dat is, u zult haast sterven. Zie Gen. 20:3 . Versta deze dreiging, met een verzwegen conditie; zo hij zich niet vernederde en God bad om genade. Vergelijk Jona 3:4 , 3:10 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Jona 3:4 : En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zei: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd. Jona 3:10 : En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.
[^2koningen-20-1-2]: Kanttekening 2: Geef bevel: Dat is, stel orde rakende uw uitersten wil, over wat u begeert, dat van uwentwege na uw dood gedaan zal worden. Dat is zoveel als: maak uw testament. Zo 2 Sam. 17:23 ; Jes. 38:1 . 2 Samuël 17:23 : Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^2koningen-20-2-4]: Kanttekening 4: keerde hij: Te weten, opdat hij zijn ogen afgekeerd hebbende van de mensen, zijn gemoed te beter keren zou tot God, om ernstiglijk te bidden.
[^2koningen-20-3-5]: Kanttekening 5: in waarheid: Of, in trouwe, trouwelijkheid.
[^2koningen-20-3-6]: Kanttekening 6: volkomen hart: Zie 1 Kon. 8:61 . 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage.
[^2koningen-20-3-7]: Kanttekening 7: weende geheel zeer: Hebreeuws, גָדֽוֹל, weende een groot geween, of met een groot geween. Hij weende niet zozeer uit vrees van de dood, als omdat hij bekommerd was over Gods volk, de zuivere godsdienst en de staat van het rijk.
[^2koningen-20-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, van het huis van de koning, welk voorhof het andere voorhof genaamd wordt, 1 Kon. 7:8 . Anders, uit de middelstad; dat is, uit het middelste deel van de stad, dat was tussen de burg en het uiterste deel van de stad. Men meent dat de stad Jeruzalem drie delen heeft gehad: I. de stad van David op de berg Zion, waar de koninklijke burg was; II. het middelste deel van de stad; III. het resterende en uiterste deel derzelve. Vergelijk onder, 2 Kon. 22:14 ; 2 Kron. 34:22 ; Zef. 1:10 . 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk. 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar. 2 Kronieken 34:22 : Toen ging Hilkia heen, en die van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken dat tot haar. Zefanja 1:10 : En er zal op die dag, spreekt YHWH, een stem van het gekrijt zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.
[^2koningen-20-6-9]: Kanttekening 9: Versta dit ten aanzien van de natuur van de ziekte, die met de dood vermengd was, en niet ten aanzien van het voornemen Gods, die besloten had door zijn almogende kracht de ziekte te genezen en de koning nog vijftien jaren in het leven te behouden.
[^2koningen-20-6-10]: Kanttekening 10: zal u: Te weten, door de Assyriërs van het hervatten van de oorlog te verhinderen.
[^2koningen-20-6-11]: Kanttekening 11: om Mijnentwil: Zie boven, 2 Kon. 19:34 . 2 Koningen 19:34 : Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.
[^2koningen-20-6-12]: Kanttekening 12: om Mijns knechts: Zie 1 Kon. 11:12 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.
[^2koningen-20-7-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, leefde. Zo boven, 2 Kon. 8:8 . Dat is, hij werd gezond, te weten, niet zozeer door de natuurlijke kracht van de vijgen \[die daartoe wel een dienstig middel zijn\] als wel voornamelijk door de bijzondere en overnatuurlijke kracht en zegen van de Almogende. 2 Koningen 8:8 : Toen zei de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem YHWH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen?
[^2koningen-20-8-14]: Kanttekening 14: had gezegd: Niet uit ongeloof, gelijk de schriftgeleerden en farizeën een teken begeerden, Matt. 12:38 , maar uit een oprechte genegenheid om zijn geloof te versterken, omdat deze belofte van het leven regelrecht scheen te strijden tegen het voorgegaan dreigement van de dood. Vergelijk Richt. 6:17 . Mattheüs 12:38 : Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Richteren 6:17 : En hij zei tot Hem: Als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat U het bent, Die met mij spreekt.
[^2koningen-20-9-15]: Kanttekening 15: Zal de: Of, de schaduw is tien graden voortgegaan, zal zij tien graden terugkeren?
[^2koningen-20-9-16]: Kanttekening 16: Te weten, die door het schijnen van de zon van de wijzer over het uurwerk gemaakt werd.
[^2koningen-20-9-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, opklimmingen, trappen. Versta, de tekenen of streken, of liniën in het uurwerk, door welke de uren onderscheiden en van de wijzer afgetekend waren. Dit is een groot wonderwerk Gods geweest. Aangaande de graden of liniën, of ze halve of gehele uren betekenen, en dergelijke omstandigheden meer, daarvan is verscheiden gevoelen.
[^2koningen-20-9-18]: Kanttekening 18: voorwaarts gaan: Dat is, haastiglijk en als in één ogenblik op een extraordinaire wijze, naar het westen.
[^2koningen-20-9-19]: Kanttekening 19: achterwaarts keren: Dat is, naar het oosten.
[^2koningen-20-10-20]: Kanttekening 20: Als met de ordinaire loop van de zon meer overeenkomende, hoewel ook mirakuleus.
[^2koningen-20-11-21]: Kanttekening 21: graden van Achaz: Dat is, in de zonnewijzer, die zijn vader Achaz had laten maken.
[^2koningen-20-12-22]: Kanttekening 22: zond Berodach: Te weten, om Hizkia geluk te bieden over zijn verkregen gezondheid en om te vernemen naar het mirakel, dat in de zon geschied, \[ Jes. 38:8 \], en in Chaldea mee aangemerkt was; 2 Kron. 32:31 . Jesaja 38:8 : Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was. 2 Kronieken 32:31 : Maar het is zo, als de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
[^2koningen-20-12-23]: Kanttekening 23: De koning van Babylonië, ook genoemd Merodach, Jes. 39:1 , en in de wereldse historiën. Jesaja 39:1 : Te die tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was.
[^2koningen-20-13-24]: Kanttekening 24: Te weten, met blijdschap. Zie Jes. 39:2 . Jesaja 39:2 : En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn gehele wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn gehele heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde.
[^2koningen-20-13-25]: Kanttekening 25: Versta, de boden, of heren, die de voorgemelde brieven met het geschenk gebracht hadden. Deze heeft Hizkia vlijtiglijk toegeluisterd over wat zij hem aandienden of vraagden.
[^2koningen-20-13-26]: Kanttekening 26: Of, specerijhuis. Versta, een huis, waarin allerlei lieflijke reukwerken en kostelijke goederen opgesloten waren.
[^2koningen-20-13-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, een huis van de vaten, of, instrumenten. Versta, wapenen, of zilveren en gouden juwelen, en allerlei kostelijk getuig van kleinodiën.
[^2koningen-20-16-28]: Kanttekening 28: het woord van YHWH: Te weten, dat de Heer op zijn tijd uitvoeren zal, omdat u u verhovaardigd hebt met het trotsig vertonen van uw schatten en rijkdommen.
[^2koningen-20-17-29]: Kanttekening 29: dat al wat in uw huis is: Zie de vervulling hiervan onder, 2 Kon. 24:13 , en 2 Kon. 25:13 ; Jer. 52:17 . 2 Koningen 24:13 : En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van YHWH gemaakt had, gelijk als YHWH gesproken had. 2 Koningen 25:13 : Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. Jeremia 52:17 : Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel.
[^2koningen-20-18-30]: Kanttekening 30: zullen zij van uw zonen: Zie de vervulling hiervan de hoofdstukken 2 Kon. 24 en 2 Kon. 25 .
[^2koningen-20-18-31]: Kanttekening 31: hovelingen zijn: Dat is, hofdienaars. Zie Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^2koningen-20-19-32]: Kanttekening 32: Zou het niet: Te weten, goed zijn? Of, is het niet \[zo?\] Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 10:1 . Goed is hier genoemd, dat tezamen rechtvaardig en genadig is; rechtvaardig, omdat hij en het land straffen verdiend hadden; genadig, omdat God aan hem en zijn volk, hoewel onwaardig, nog weldadig was. 1 Samuël 10:1 : Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat YHWH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?
[^2koningen-20-20-33]: Kanttekening 33: Zie van deze vijver boven, 2 Kon. 18:17 ; Neh. 3:16 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. Nehemia 3:16 : Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan de gemaakte vijver, en tot aan het huis van de helden.
[^2koningen-20-20-34]: Kanttekening 34: gebracht heeft: Te weten, om het de vijand te benemen. Zie 2 Kron. 32:3 , 32:4 , 32:30 . 2 Kronieken 32:3 : Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem. 2 Kronieken 32:4 : Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, en ook de beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel waters vinden? 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.

### 2 Koningen 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/21.json)

*Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1, enz. Hierom worden zeer zware straffen gedreigd, 10. Manasse vergiet ook veel onschuldig bloed, en sterft, 16. zijn zoon Amon komt in zijn plaats en volgt de voetstappen van zijn vader, 19. hij wordt omgebracht door zijn knechten, 23. zijn zoon Josia wordt koning, 26.*

**1** [^2koningen-21-1-a] Manasse[^2koningen-21-1-1] was twaalf jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde[^2koningen-21-1-2] vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2koningen-21-1-3] Hefzi-bah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v1)

**2** En hij deed dat[^2koningen-21-2-4] kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v2)

**3** Want hij[^2koningen-21-3-5] bouwde de[^2koningen-21-3-6] hoogten weer op,[^2koningen-21-3-b] die Hizkia, zijn vader, vernietigd had; en hij richtte[^2koningen-21-3-7] Baäl altaren op, en maakte een[^2koningen-21-3-8] bos,[^2koningen-21-3-c] zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor het[^2koningen-21-3-9] leger van de hemel, en diende ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v3)

**4** En hij[^2koningen-21-4-d] bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd[^2koningen-21-4-e] had: Te Jeruzalem zal Ik[^2koningen-21-4-10] Mijn Naam zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v4)

**5** Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in[^2koningen-21-5-11] beide de voorhoven van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v5)

**6** Ja, hij deed zijn zoon[^2koningen-21-6-12] door het vuur gaan, en pleegde[^2koningen-21-6-13] bezwering en gaf op vogelgeschrei acht; en hij[^2koningen-21-6-14] stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om[^2koningen-21-6-15] Hem tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v6)

**7** Hij stelde ook[^2koningen-21-7-16] een gesneden beeld van het[^2koningen-21-7-17] bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan YHWH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo:[^2koningen-21-7-f] In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit[^2koningen-21-7-18] alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik[^2koningen-21-7-19] Mijn Naam zetten[^2koningen-21-7-20] in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v7)

**8** En Ik zal niet voortvaren de voet van[^2koningen-21-8-21] Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaders gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de[^2koningen-21-8-22] hele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v8)

**9** Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat[^2koningen-21-9-23] zij erger deden dan de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v9)

**10** Toen sprak YHWH[^2koningen-21-10-24] door de dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v10)

**11** Omdat[^2koningen-21-11-g] Manasse, de koning van Juda, deze gruwelijke dingen gedaan heeft, erger doende dan al wat de[^2koningen-21-11-25] Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn[^2koningen-21-11-26] afgoden heeft doen zondigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v11)

**12** Daarom, zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen,[^2koningen-21-12-27] dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v12)

**13** En Ik zal over Jeruzalem het[^2koningen-21-13-28] meetsnoer van Samaria trekken, en ook het[^2koningen-21-13-29] paslood van het huis van Achab; en[^2koningen-21-13-30] Ik zal Jeruzalem uitwissen, zoals men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om[^2koningen-21-13-31] op zijn holligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v13)

**14** En Ik zal het[^2koningen-21-14-32] overblijfsel van Mijn erfdeel verlaten, en zal ze in de hand van hun vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v14)

**15** Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van die dag, dat hun vaders van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v15)

**16** Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig[^2koningen-21-16-33] bloed, totdat hij Jeruzalem[^2koningen-21-16-34] van het ene einde tot het andere vervuld had; afgezien van zijn[^2koningen-21-16-35] zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v16)

**17** Het overige van de geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn[^2koningen-21-17-36] zonde, die hij gezondigd heeft,[^2koningen-21-17-37] zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v17)

**18** En[^2koningen-21-18-h] Manasse ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de hof van zijn huis, in de hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v18)

**19** Amon was[^2koningen-21-19-38] twee en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van[^2koningen-21-19-39] Jotba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v19)

**20** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; zoals zijn vader Manasse gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v20)

**21** Want hij wandelde in[^2koningen-21-21-40] al de weg, die zijn vader gewandeld had, en hij diende de afgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v21)

**22** Zo verliet hij YHWH, de God van zijn vaders, en hij[^2koningen-21-22-41] wandelde niet in de weg van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v22)

**23** En de knechten van Amon smeedden een samenzwering tegen hem, en zij doodden de koning in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v23)

**24** Maar het volk van het land versloeg allen, die tegen de koning Amon een samenzwering gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v24)

**25** Het overige nu van de geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v25)

**26** En men begroef hem in zijn graf, in de hof van Uzza; en[^2koningen-21-26-i] zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/21.html#v26)

[^2koningen-21-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 33:1 . 2 Kronieken 33:1 : Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.
[^2koningen-21-1-1]: Kanttekening 1: was twaalf jaren oud: Hebreeuws, עֶשְׂרֵ֤ה, een zoon van twaalf jaar.
[^2koningen-21-1-2]: Kanttekening 2: vijf en vijftig jaren: Begrijp hierin de tijd, in denwelken hij te Babel is gevangen geweest; 2 Kron. 33:11 . 2 Kronieken 33:11 : Daarom bracht YHWH over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^2koningen-21-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, Chephts-Ba.
[^2koningen-21-2-4]: Kanttekening 4: kwaad was: Zie 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^2koningen-21-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, hij keerde weer en bouwde; dat is, hij bouwde weer. Zie Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^2koningen-21-3-6]: Kanttekening 6: hoogten weer op: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-21-3-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 18:4 . 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.
[^2koningen-21-3-7]: Kanttekening 7: Baäl altaren op: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2koningen-21-3-8]: Kanttekening 8: Zie van de afgodische bossen Deut. 7:5 , welke te maken God uitdrukkelijk verboden had; Deut. 16:21 . Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. Deuteronomium 16:21 : U zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar van YHWH, uws Gods, dat u u maken zult.
[^2koningen-21-3-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 16:31 ; idem v. 32 ; idem v. 33 . 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem. 1 Koningen 16:32 : En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. 1 Koningen 16:33 : Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren.
[^2koningen-21-3-9]: Kanttekening 9: de legermacht van de hemel: Versta, de zon en de maan, met de andere planeten en sterren. Zie Deut. 4:19 , en de aantekening. Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, de gehele legermacht van de hemel; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; dewelke YHWH, uw God, aan alle volken onder de ganse hemel heeft uitgedeeld.
[^2koningen-21-4-d]: Verwijzing d: Jer. 32:34 . Jeremia 32:34 : Maar zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.
[^2koningen-21-4-e]: Verwijzing e: Deut. 12:5 ; idem v. 11 ; 2 Sam. 7:13 ; 1 Kon. 8:29 ; 1 Kon. 9:3 ; 2 Kron. 7:12 ; Ps. 132:13 ; idem v. 14 ; Jer. 32:34 . Deuteronomium 12:5 : Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uw hand, en alle keur uw geloften, die u YHWH beloven zult. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage. 2 Kronieken 7:12 : En YHWH verscheen Salomo van de nacht, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats gekozen tot een offerhuis. Psalmen 132:13 : Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Jeremia 32:34 : Maar zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.
[^2koningen-21-4-10]: Kanttekening 10: Mijn Naam zetten: Versta, de naam van de Heer alleen, en niet mee van de afgoden. Zie de zin van deze woorden 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^2koningen-21-5-11]: Kanttekening 11: Waarvan het eerste of binnenste was van de priesters, staande naast de tempel; het andere van het volk buiten aan het eerste. Zie van beide 1 Kon. 6:3 , 6:36 . 1 Koningen 6:3 : En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis. 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^2koningen-21-6-12]: Kanttekening 12: door het vuur gaan: Te weten, in het dal van de zoon van Hinnom, 2 Kron. 33:6 , de afgod Molech ter ere. Zie Lev. 18:21 . 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^2koningen-21-6-13]: Kanttekening 13: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord, als ook van het volgende, dat wij overzetten, op vogelgeschrei acht geven, Lev. 19:26 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
[^2koningen-21-6-14]: Kanttekening 14: stelde waarzeggers en duivelskunstenaren: Hebreeuws, יִדְּעֹנִ֑ים, maakte. Zie van dit woord waarzeggers en het volgende, Lev. 19:31 . Deze wordt Manasse gezegd gemaakt te hebben, omdat hij hen openbaarlijk heeft verordineerd en voorgesteld, opdat zij alle mensen met hun duivelarij ten dienste zouden staan. Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^2koningen-21-6-15]: Kanttekening 15: Hem : Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 33:6 . 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^2koningen-21-7-16]: Kanttekening 16: een gesneden beeld: Of, het gesneden beeld, met aanwijzing van een zeker beeld van het afgodische bos.
[^2koningen-21-7-17]: Kanttekening 17: dat hij gemaakt had: Zie boven, vers 3 . 2 Koningen 21:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze.
[^2koningen-21-7-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 7:10 ; 1 Kon. 8:16 ; idem 8:29 ; 1 Kon. 9:3 ; onder, 2 Kon. 23:27 . 2 Samuël 7:10 : En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woon, en niet meer heen en weer gedreven worde; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst. 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage. 2 Koningen 23:27 : En YHWH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
[^2koningen-21-7-18]: Kanttekening 18: alle stammen: Dat is, uit alle plaatsen en steden, die van de stammen bewoond worden.
[^2koningen-21-7-19]: Kanttekening 19: Mijn Naam: Zie boven, vers 4 . 2 Koningen 21:4 : En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.
[^2koningen-21-7-20]: Kanttekening 20: in eeuwigheid: Dat is, gedurende de tijd van de wet. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2koningen-21-8-21]: Kanttekening 21: te bewegen: Of, gelijk staat 2 Kron. 33:8 , te doen wijken, of, weg te nemen; dat is, de Israëlieten te doen verhuizen; dwalen en sukkelen uit dit land, gelijk de tien stammen wedervaren was; boven, 2 Kon. 18:11 . 2 Kronieken 33:8 : En Ik zal de voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleen zo zij waarnemen te doen, al wat Ik hun geboden heb, naar de gehele wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes. 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^2koningen-21-8-22]: Kanttekening 22: gehele wet: Versta, de wet van de zeden, van de ceremoniën en van de burgerlijke rechten. Zie de aantekening 2 Kron. 33:8 . 2 Kronieken 33:8 : En Ik zal de voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleen zo zij waarnemen te doen, al wat Ik hun geboden heb, naar de gehele wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.
[^2koningen-21-9-23]: Kanttekening 23: erger deden: Te weten, omdat zij het licht van de ware kennis van God en het voorschrift van de zuivere godsdienst, dat de heidenen niet hadden, geheel trouweloos verwierpen, en in de gruwel van de afgoderij de heidenen teboven gingen, die zoveel vreemde afgoden niet dienden, zich meest met hun eigene tevreden houdende. Anders, erger doende, dat ook kan verstaan worden van de koning Manasse, gelijk onder, vers 11 . 2 Koningen 21:11 : Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;
[^2koningen-21-10-24]: Kanttekening 24: door de dienst: Hebreeuws, בְּ, door de hand.
[^2koningen-21-11-g]: Verwijzing g: Jer. 15:4 . Jeremia 15:4 : En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft.
[^2koningen-21-11-25]: Kanttekening 25: Amorieten gedaan hebben: Onder de naam van dit ééne volk worden meermalen al de ongelovige en heidense volken van het land van Kanaän begrepen. Zie Gen. 15:16 . Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen.
[^2koningen-21-11-26]: Kanttekening 26: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-21-12-27]: Kanttekening 27: dat een ieder: Versta, zulk een kwaad, dat zo grote verwondering, vrees en verschrikking in het hart van alle mensen maken zal, dat hun zinnen zullen ontzet en bedwelmd worden, gelijk het gehoor van de mens door een geweldig gedeun en stijf geklank, recht voor de oren gemaakt, pleegt verdoofd te worden. Zie dezelfde gelijkenis 1 Sam. 3:11 ; Jer. 19:3 . 1 Samuël 3:11 : En YHWH zei tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken. Jeremia 19:3 : En zeg: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, waarvan een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;
[^2koningen-21-13-28]: Kanttekening 28: meetsnoer van Samaria: Versta, de maat, of regel; dat is de hoedanigheid en gelijkheid van de straf. De zin is, zulke straf, als Ik over de tien stammen en hun hoofdstad Samaria gezonden heb, zal Ik ook zenden over Juda en Jeruzalem, dat het land overheerd, de stad ingenomen en de inwoners gevankelijk zullen weggevoerd worden. Het is een gelijkenis, genomen van de timmerlieden en metselaars, die naar zekere maat hun werken zo afbreken als maken. Vergelijk Jes. 34:11 ; Amos 7:7 , 7:8 ; Zach. 1:16 . Jesaja 34:11 : Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid. Amos 7:7 : Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heer stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. Amos 7:8 : En YHWH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei YHWH: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. Zacharia 1:16 : Daarom zegt YHWH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt YHWH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.
[^2koningen-21-13-29]: Kanttekening 29: De voorgaande gelijkenis wordt behouden om te verklaren dat Jeruzalem gelijke straf overkomen zou, als het huis Achabs overkomen was.
[^2koningen-21-13-30]: Kanttekening 30: Ik zal: De zin is, gelijk men de schotels, die tot een rein gebruik geheiligd worden, van alle vuiligheid uitwist of schuurt, en daarna omkeert opdat geen onreinigheid daarin valle; zo zal Jeruzalem van de boze inwoners door wegvoering gezuiverd en hun regering zo omgekeerd worden, dat het opperste onder liggen zal.
[^2koningen-21-13-31]: Kanttekening 31: op zijn holligheid: Of, randen. Hebreeuws, פָּנֶֽי, op zijn aangezicht.
[^2koningen-21-14-32]: Kanttekening 32: Versta, de stam van Juda, of de Joden die alleen met degenen, die zich aan deze hielden, uit de Israëlieten overig waren, de naam van Gods volk voerende. Dit noemt God zijn erfdeel, omdat het Hem zo lief was als iemand zijn erfdeel is.
[^2koningen-21-16-33]: Kanttekening 33: Te weten, dergenen, die zijne gruwelen niet wilden navolgen.
[^2koningen-21-16-34]: Kanttekening 34: van het ene einde: Hebreeuws, מִלֵּ֥א, mond aan mond. Zie boven, 2 Kon. 10:21 . 2 Koningen 10:21 : Ook zond Jehu in het gehele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.
[^2koningen-21-16-35]: Kanttekening 35: Versta, de afgoderij, welke met zonderlinge uitneming zonde genoemd wordt, omdat zij regelrecht gaat tegen de majesteit van God, van Hem ten hoogste gehaat en verboden wordt en niet wordt ongestraft gelaten. Zie 1 Kon. 11:6 , en 1 Kon. 12:30 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David. 1 Koningen 12:30 : En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
[^2koningen-21-17-36]: Kanttekening 36: Versta, in het bijzonder zijn afgoderij tegen God en zijn tirannie tegen de mensen.
[^2koningen-21-17-37]: Kanttekening 37: zijn die niet geschreven: Begrijp hieronder ook zijn gevangenis, berouw en bekering, en zijn daden daarop gevolgd; waarvan men ook zien kan 2 Kron. 33:11 , 33:12 , enz. 2 Kronieken 33:11 : Daarom bracht YHWH over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. 2 Kronieken 33:12 : En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van YHWH, zijns Gods, ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaderen,
[^2koningen-21-18-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 33:20 . 2 Kronieken 33:20 : En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
[^2koningen-21-19-38]: Kanttekening 38: twee en twintig: Hebreeuws, שְׁתַּ֤יִם, een zoon van twee en twintig jaar.
[^2koningen-21-19-39]: Kanttekening 39: Sommigen menen dat dit Jotbath zou mogen geweest zijn, waar de Israëlieten een legerplaats gehad hebben, toen zij uit Egypte naar het beloofde land door de woestijn reisden; Num. 33:33 ; Deut. 10:7 . Numeri 33:33 : En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha. Deuteronomium 10:7 : Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)
[^2koningen-21-21-40]: Kanttekening 40: al de weg: Te weten, de kwade weg van de afgoderij, ongelovigheid en velerlei snode werken. Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2koningen-21-22-41]: Kanttekening 41: hij wandelde niet: Zie 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^2koningen-21-26-i]: Verwijzing i: Matt. 1:10 . Mattheüs 1:10 : En Ezekias verwekte Manasse, en Manasse verwekte Amon, en Amon verwekte Josias;

### 2 Koningen 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/22.json)

*Josia's vrome regering, vers 1, enz. hij draagt zorg dat de tempel hersteld wordt, 3. het wetboek wordt door Hilkia in de tempel gevonden en door Safan aan de koning overhandigd, 8. de koning, vernomen hebbende wat God daarin de afvalligen dreigt, laat door de profetes Hulda de HEERE om raad vragen, 11. de profetes geeft antwoord, 15.*

**1** Josia[^2koningen-22-1-a] was acht jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jedida, een dochter van Adaja, van[^2koningen-22-1-1] Bozkath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v1)

**2** En hij deed[^2koningen-22-2-2] dat recht was in de ogen van YHWH; en hij[^2koningen-22-2-3] wandelde in al de weg van zijn vader David, en week[^2koningen-22-2-4] niet af ter rechterhand noch ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v2)

**3** Het gebeurde nu in het[^2koningen-22-3-5] achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de[^2koningen-22-3-6] schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v3)

**4** Ga op tot Hilkia, de[^2koningen-22-4-7] hogepriester, opdat hij[^2koningen-22-4-8] het geld opsomme, dat in het huis van YHWH gebracht is, dat de[^2koningen-22-4-9] wachters van[^2koningen-22-4-10] de dorpel van het volk verzameld hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v4)

**5** En dat zij dat geven in de hand van[^2koningen-22-5-11] de verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis van YHWH; opdat zij het geven aan[^2koningen-22-5-12] degenen, die het werk doen,[^2koningen-22-5-13] dat in het huis van YHWH is, om de breuken van het huis te beteren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v5)

**6** Aan de timmerlieden en de bouwers, en de[^2koningen-22-6-14] metselaars, en om hout en[^2koningen-22-6-15] gehouwen stenen te kopen, om het huis te beteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v6)

**7** Maar er werd met hen[^2koningen-22-7-16] geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden[^2koningen-22-7-17] trouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v7)

**8** Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het[^2koningen-22-8-18] wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v8)

**9** Daarna kwam Safan, de schrijver, tot de koning, en bracht de koning bescheid weer, en hij zei:[^2koningen-22-9-19] Uw knechten hebben het geld, dat in het[^2koningen-22-9-20] huis gevonden was,[^2koningen-22-9-21] samengebracht, en hebben het gegeven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v9)

**10** Ook gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een[^2koningen-22-10-22] boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v10)

**11** Het gebeurde nu, als de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij[^2koningen-22-11-23] zijn kleren scheurde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v11)

**12** En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en[^2koningen-22-12-24] Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja,[^2koningen-22-12-25] de knecht van de koning, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v12)

**13** Ga heen, vraagt YHWH voor mij, en voor het volk, en voor het hele Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de woede van YHWH is groot, die tegen ons aangestoken is, omdat onze vaders niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek, om te doen naar al wat[^2koningen-22-13-26] voor ons geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v13)

**14** Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van[^2koningen-22-14-27] Tikva, de zoon van Harhas, de[^2koningen-22-14-28] klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem,[^2koningen-22-14-29] in het tweede deel), en zij spraken tot haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v14)

**15** En zij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zeg tot de man, die u tot mij gezonden heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v15)

**16** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal[^2koningen-22-16-30] kwaad over deze plaats brengen, en over haar inwoners, namelijk al de woorden van het boek, dat de koning van Juda gelezen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v16)

**17** Daarom dat zij Mij verlaten, en[^2koningen-22-17-31] andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al[^2koningen-22-17-32] het werk van hun handen, zo zal Mijn woede aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v17)

**18** Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om YHWH te vragen, zo zult u tot hem zeggen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Voor wat betreft de woorden, die u gehoord hebt;[^2koningen-22-18-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v18)

**19** Omdat uw hart week geworden is, en u zich voor het aangezicht van YHWH vernederd hebt, als u hoorde, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en haar inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v19)

**20** Daarom zie, Ik zal u[^2koningen-22-20-34] verzamelen tot uw vaders, en u zult met[^2koningen-22-20-35] vrede in uw[^2koningen-22-20-36] graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En[^2koningen-22-20-37] zij brachten de koning het antwoord weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/22.html#v20)

[^2koningen-22-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 34:1 . 2 Kronieken 34:1 : Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
[^2koningen-22-1-1]: Kanttekening 1: De naam van een stad, gelegen in de stam van Juda; Joz. 15:39 . Jozua 15:39 : Lachis, en Bozkath, en Eglon,
[^2koningen-22-2-2]: Kanttekening 2: dat recht was: Zie 1 Kon. 11:32 . 1 Koningen 11:32 : Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël.
[^2koningen-22-2-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2koningen-22-2-4]: Kanttekening 4: week niet af: Zie Deut. 5:32 . Deuteronomium 5:32 : Neemt dan waar, dat u doet, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.
[^2koningen-22-3-5]: Kanttekening 5: achttiende jaar: Te weten, van zijn koninkrijk, niet van zijn ouderdom, 2 Kron. 34:8 . Aangaande zijn ouderdom, hij was nu zes en twintig jaren oud. Wat hij nu in de voorgaande jaren zijns levens koning zijnde gedaan heeft, zie 2 Kron. 34:3 , 34:4 , enz. 2 Kronieken 34:8 : In het achttiende jaar nu van zijn regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Maaseja, de overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier, om het huis van YHWH, zijns Gods, te verbeteren. 2 Kronieken 34:3 : Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij de God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. 2 Kronieken 34:4 : En men brak voor zijn aangezicht af de altaren van de Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven deze waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
[^2koningen-22-3-6]: Kanttekening 6: schrijver Safan: Dat is, de secretaris van de koning, of griffier. Zie boven, 2 Kon. 12:10 . 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd.
[^2koningen-22-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, de grote priester. Zo ook onder, vers 8 . 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^2koningen-22-4-8]: Kanttekening 8: het geld opsomme: Hebreeuws, יַתֵּ֣ם, voleinde het geld. Anders, de som van het geld, of, de collecte van het geld opneme, of, ten volle aanwende. De zin is dat hij de volle som van het geld, dat vergaderd was, van de collecteurs opnemen zou en aanleggen tot de vermaking en herbouwing van de tempel. Vergelijk 2 Kon. 12:5 , 12:9 , 12:10 , 12:11 . 2 Koningen 12:5 : Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden. 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd. 2 Koningen 12:11 : En zij gaven het geld wel gewogen in handen van de verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis van YHWH; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwers, die het huis van YHWH vermaakten;
[^2koningen-22-4-9]: Kanttekening 9: Deze waren Levieten. Zie boven, 2 Kon. 12:9 , 12:10 ; 2 Kron. 8:14 , en 2 Kron. 34:9 . 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd. 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze zijns vaders Davids, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God. 2 Kronieken 34:9 : En zij kwamen tot Hilkia, de hogepriester, en zij gaven het geld, dat in het huis van God gebracht was, dat de Levieten, die de dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het gehele overblijfsel van Israël, en uit geheel Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;
[^2koningen-22-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk, van het huis van de Heer, of de tempel. Anders, van de vaten.
[^2koningen-22-5-11]: Kanttekening 11: Deze waren Levieten, gelijk te zien is 2 Kron. 34:12 . 2 Kronieken 34:12 : En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over deze waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.
[^2koningen-22-5-12]: Kanttekening 12: In het Hebreeuws, is wel hetzelfde woord, dat recht tevoren in vers 5 is overgezet verzorgers, die opzicht hadden op het gehele werk van de reparatie maar het betekent hier degenen, die het werk zelf maakten, gelijk dit blijkt uit vers 6 , alwaar deze werklieden met onderscheid uitgedrukt worden. 2 Koningen 22:5 : En dat zij dat geven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis van YHWH; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis van YHWH is, om de breuken van het huis te beteren; 2 Koningen 22:6 : Aan de timmerlieden en de bouwers, en de metselaars, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om het huis te beteren.
[^2koningen-22-5-13]: Kanttekening 13: dat in het huis van YHWH is: Anders, die in het huis van de Heer zijn.
[^2koningen-22-6-14]: Kanttekening 14: Zie boven, 2 Kon. 12:12 . 2 Koningen 12:12 : En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis van YHWH te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.
[^2koningen-22-6-15]: Kanttekening 15: gehouwen stenen te kopen: Dat is, die uit de bergen gehouwen waren, en weer van de steenhouwers gehouwen en tot het bouwwerk moesten bekwaam gemaakt worden. Vergelijk 2 Kron. 34:11 . 2 Kronieken 34:11 : Want zij gaven het de werkmeesters en de bouwers, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden.
[^2koningen-22-7-16]: Kanttekening 16: geen rekening gehouden: Te weten, van de besteding en uitgave van het geld.
[^2koningen-22-7-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, in waarheid, of trouw. Zo boven, 2 Kon. 12:15 . Zie de aantekening. 2 Koningen 12:15 : Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, aan wie zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.
[^2koningen-22-8-18]: Kanttekening 18: Versta, het originele wetboek, dat Mozes zelf geschreven had, en dat aan de zijde van de ark gelegd was. Zie Deut. 31:24 , 31:26 . Deuteronomium 31:24 : En het geschiedde, als Mozes voltooid had de woorden van deze wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren; Deuteronomium 31:26 : Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van YHWH, uws Gods, dat het daar zij ten getuige tegen u.
[^2koningen-22-9-19]: Kanttekening 19: Uw knechten: Namelijk, Hilkia en ik.
[^2koningen-22-9-20]: Kanttekening 20: huis gevonden was: Namelijk, van de Heer; dat is, in de tempel.
[^2koningen-22-9-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, gegoten.
[^2koningen-22-10-22]: Kanttekening 22: boek gegeven: Het wetboek, waarvan boven, vers 8 , en onder, vers 11 , vermeld wordt. 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. 2 Koningen 22:11 : Het geschiedde nu, als de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.
[^2koningen-22-11-23]: Kanttekening 23: zijn kleren scheurde: Tot een bewijs en getuigenis, zo van zijn droefenis over de zonden van het gehele land, begaan tegen de wet van God, als van de vrees voor de straffen, die in het wetboek gedreigd waren. Zie van de verscheuring van de kleren in droevige gevallen, de aantekening Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^2koningen-22-12-24]: Kanttekening 24: Anders, Abdon genoemd; 2 Kron. 34:20 . 2 Kronieken 34:20 : En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende:
[^2koningen-22-12-25]: Kanttekening 25: de knecht van de koning: Dat is, die hem voor alle anderen, in voorname of bijzondere zaken ten dienste stond en als bij de hand was. Zo Matt. 8:9 . Mattheüs 8:9 : Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot deze: Ga! en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.
[^2koningen-22-13-26]: Kanttekening 26: voor ons geschreven is: Dat is, tot ons onderwijs en vermaning.
[^2koningen-22-14-27]: Kanttekening 27: Anders, Thokath de zoon van Hasra; 2 Kron. 34:22 . 2 Kronieken 34:22 : Toen ging Hilkia heen, en die van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken dat tot haar.
[^2koningen-22-14-28]: Kanttekening 28: Versta, van de heilige kleren, die in de dienst van de Heer gebruikt werden.
[^2koningen-22-14-29]: Kanttekening 29: in het tweede deel: Te weten, van de stad. Zie boven, 2 Kon. 20:4 . Sommigen verstaan deze plaats van een college of huis van de lering, waarin de profeten en hun discipelen vergaderden om van Gods woord te spreken. 2 Koningen 20:4 : Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van YHWH tot hem geschiedde, zeggende:
[^2koningen-22-16-30]: Kanttekening 30: Te weten, kwaad van de straf. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^2koningen-22-17-31]: Kanttekening 31: andere goden gerookt hebben: Zie Gen. 35:2 . Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^2koningen-22-17-32]: Kanttekening 32: het werk: Versta, de afgoden en beelden, die zo uit verachting genaamd worden. Deut. 31:29 ; Ps. 115:4 , en Ps. 135:15 ; Jes. 2:8 ; Jer. 1:16 ; Micha 5:12 . Deuteronomium 31:29 : Want ik weet, dat u het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken. Psalmen 115:4 : Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de handen van de mens; Psalmen 135:15 : De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden. Jesaja 2:8 : Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neder, voor wat hun vingeren gemaakt hebben. Jeremia 1:16 : En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en aan andere goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken van hun handen. Micha 5:12 : En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat u u niet meer zult nederbuigen voor het werk van uw handen.
[^2koningen-22-18-33]: Kanttekening 33: de woorden: Te weten, die hij uit het wetboek van de schrijver Safan had horen lezen, boven, vers 10 , inhoudende zeer zware dreigementen, die God tegen de overtreders van zijn wet en verbrekers zijns verbonds daarin uitgesproken heeft. 2 Koningen 22:10 : Ook gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht van de koning.
[^2koningen-22-20-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 25:8 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^2koningen-22-20-35]: Kanttekening 35: Versta dit ten aanzien van de algemene plagen, die van de Chaldeën over het gehele koninkrijk komen zouden, die Josia niet beleefd heeft.
[^2koningen-22-20-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, graven. Zo 2 Kron. 16:14 , en 2 Kron. 35:24 . Dat is, in een van uw graven. Zo wordt in het onzekere gelaten, welk van zijn graven dit graf was. Vergelijk Richt. 12:7 . 2 Kronieken 16:14 : En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een zeer grote branding. 2 Kronieken 35:24 : En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^2koningen-22-20-37]: Kanttekening 37: zij brachten: Te weten, de mannen van Josia uitgezonden, en genaamd boven, vers 14 . 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.

### 2 Koningen 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/23.json)

*Josia laat het wetboek voorlezen en vernieuwt het verbond met de HEERE, vers 1, enz. reinigt de tempel en roeit alle afgoderij uit, 4. breekt het altaar te Bethel en verbrandt daarop mensenbeenderen, 15. hij houdt het Paasfeest, 21. Verhaal van nog andere bewijzen van zijn godsvrucht, 24. hoewel Gods toorn tegen het land niet ophield, 26. hij trekt ten strijde tegen Farao Necho, wordt gewond en sterft, 29. zijn zoon Joahaz wordt koning, 31. die Farao Necho afzet en in zijn plaats Eljakim tot koning maakt, die hij Jojakim noemt, 33. zijn regering, 35.*

**1** Toen[^2koningen-23-1-1][^2koningen-23-1-a] zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die[^2koningen-23-1-2] oudsten van Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v1)

**2** En de koning ging op in het huis van YHWH, en met hem[^2koningen-23-2-3] alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en[^2koningen-23-2-4] de profeten, en al het volk, van de minste tot de meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het[^2koningen-23-2-b] verbond, dat in het huis van YHWH gevonden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v2)

**3** De koning nu stond aan de[^2koningen-23-3-5] pilaar, en maakte een verbond[^2koningen-23-3-6] voor het aangezicht van YHWH, om[^2koningen-23-3-7] YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften[^2koningen-23-3-8] met heel zijn hart en met heel zijn ziel te houden,[^2koningen-23-3-9] bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het hele volk[^2koningen-23-3-10] stond in dit verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v3)

**4** En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van[^2koningen-23-4-11] de tweede ordening, en de[^2koningen-23-4-12] dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het leger van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden[^2koningen-23-4-13] van Kidron, en liet het stof daarvan naar[^2koningen-23-4-14] Beth-el dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v4)

**5** Daartoe schafte hij de[^2koningen-23-5-15] Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het leger van de hemel rookten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v5)

**6** Hij bracht ook het[^2koningen-23-6-16] beeld van het bos uit het huis van YHWH weg, buiten Jeruzalem, tot[^2koningen-23-6-17] de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij[^2koningen-23-6-18] wierp het stof daarvan op de graven van[^2koningen-23-6-19] de kinderen van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v6)

**7** Daartoe brak hij de huizen van[^2koningen-23-7-20] de schandjongens af, die aan[^2koningen-23-7-21] het huis van YHWH waren, alwaar de vrouwen[^2koningen-23-7-22] huisjes voor het beeld van het bos weefden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v7)

**8** En hij bracht al de[^2koningen-23-8-23] priesters uit de steden van Juda, en[^2koningen-23-8-24] verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van[^2koningen-23-8-25] Geba af tot[^2koningen-23-8-26] Ber-seba toe; en hij brak de hoogten[^2koningen-23-8-27] van de poorten af, ook die aan de deur[^2koningen-23-8-28] van de poort van Jozua, de overste van de stad, was, die aan iemands[^2koningen-23-8-29] linkerhand was, in de stadspoort gaande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v8)

**9** Maar de[^2koningen-23-9-30] priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van YHWH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v9)

**10** Hij[^2koningen-23-10-31] verontreinigde ook[^2koningen-23-10-32] Thofeth, dat in het dal van de kinderen[^2koningen-23-10-33] van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de[^2koningen-23-10-34] Molech door het vuur deed gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v10)

**11** En hij schafte de[^2koningen-23-11-35] paarden af, die de koningen van Juda voor de[^2koningen-23-11-36] zon gesteld hadden, van de ingang van het huis van YHWH, tot de[^2koningen-23-11-37] kamer van Nathan-melech, de hoveling, die in[^2koningen-23-11-38] Parvarim was; en de wagens van[^2koningen-23-11-39] de zon verbrandde hij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v11)

**12** Verder de altaren die op het[^2koningen-23-12-40] dak van de opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en ook de altaren,[^2koningen-23-12-a] die Manasse in de twee voorhoven van het huis van YHWH gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar,[^2koningen-23-12-41] en wierp het stof daarvan in de beek Kidron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v12)

**13** De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, die waren ter rechterhand van de[^2koningen-23-13-42] berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, de gruwel van de[^2koningen-23-13-43] Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van de Moabieten, en voor Milchom, de[^2koningen-23-13-44] gruwel van de[^2koningen-23-13-45] kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v13)

**14** Ook brak hij de[^2koningen-23-14-b] opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met[^2koningen-23-14-46] mensenbeenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v14)

**15** Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de[^2koningen-23-15-c] hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, gemaakt had; samen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v15)

**16** En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op[^2koningen-23-16-47] dat altaar, en verontreinigde dat;[^2koningen-23-16-d] naar het woord van YHWH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden[^2koningen-23-16-48] uitriep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v16)

**17** Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de mensen van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man van God, die uit Juda kwam, en deze dingen, die u tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v17)

**18** En hij zei: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo[^2koningen-23-18-49] bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van[^2koningen-23-18-50] de profeet, die uit[^2koningen-23-18-51] Samaria gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v18)

**19** Daartoe nam Josia ook weg al de huizen van de[^2koningen-23-19-e] hoogten, die in[^2koningen-23-19-52] de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om YHWH tot toorn te verwekken; en hij deed daarmee naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v19)

**20** En hij[^2koningen-23-20-53] slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen daarop. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v20)

**21** En de koning gebood het hele volk, zeggende:[^2koningen-23-21-f] Houd YHWH, uw God, pascha,[^2koningen-23-21-g] zoals in dit[^2koningen-23-21-54] boek van het verbond geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v21)

**22** [^2koningen-23-22-55] Want zoals dit pascha was er geen gehouden,[^2koningen-23-22-56] van de dagen van de richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v22)

**23** Maar in het achttiende jaar van de koning Josia, werd dit pascha voor YHWH te Jeruzalem gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v23)

**24** En ook deed Josia[^2koningen-23-24-h] weg de[^2koningen-23-24-57] waarzeggers, en de dodenbezweerders, en de[^2koningen-23-24-58] terafim, en de[^2koningen-23-24-59] afgoden, en alle gruwelijke dingen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van YHWH gevonden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v24)

**25** En voor hem was geen koning zijn[^2koningen-23-25-60] gelijke, die zich tot YHWH, met zijn[^2koningen-23-25-61] hele hart, en met zijn hele ziel, en met zijn hele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijn gelijke niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v25)

**26** Toch[^2koningen-23-26-62] keerde zich YHWH van de brand van Zijn grote toorn niet af, waarmee Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen,[^2koningen-23-26-63] waarmee Manasse Hem getergd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v26)

**27** En YHWH zei: Ik zal Juda ook[^2koningen-23-27-64] van Mijn aangezicht wegdoen[^2koningen-23-27-i],[^2koningen-23-27-65] zoals Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.[^2koningen-23-27-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v27)

**28** Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v28)

**29** In[^2koningen-23-29-67] zijn dagen trok Farao[^2koningen-23-29-68] Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië,[^2koningen-23-29-69] naar de rivier Frath; en de koning Josia[^2koningen-23-29-70] trok hem tegemoet, en hij[^2koningen-23-29-71] doodde hem te[^2koningen-23-29-72] Megiddo, als hij[^2koningen-23-29-73] hem gezien had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v29)

**30** En zijn knechten voerden hem[^2koningen-23-30-74] dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf;[^2koningen-23-30-k] en het volk van het land nam[^2koningen-23-30-75] Joahaz, de zoon van Josia, en[^2koningen-23-30-76] zalfden hem, en maakten hem koning in de plaats van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v30)

**31** Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van[^2koningen-23-31-77] Jeremia, van Libna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v31)

**32** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat[^2koningen-23-32-78] zijn vaders gedaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v32)

**33** Maar Farao Necho[^2koningen-23-33-79] liet hem binden te[^2koningen-23-33-80] Ribla in het land van Hamath,[^2koningen-23-33-81] opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd[^2koningen-23-33-82] talenten zilver en een talent goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v33)

**34** Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en[^2koningen-23-34-83] veranderde zijn naam in[^2koningen-23-34-l] Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf[^2koningen-23-34-84] daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v34)

**35** En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; maar hij[^2koningen-23-35-85] schatte het land, om dat geld naar het[^2koningen-23-35-86] bevel van Farao te geven; een ieder[^2koningen-23-35-87] naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk van het land, om aan Farao Necho te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v35)

**36** Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij[^2koningen-23-36-88] koning werd, en regeerde[^2koningen-23-36-89] elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v36)

**37** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn[^2koningen-23-37-90] vaders gedaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/23.html#v37)

[^2koningen-23-1-1]: Kanttekening 1: zond de koning heen: Te weten, boden; welke hij last gaf de oudsten bijeen te roepen.
[^2koningen-23-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 34:29 . 2 Kronieken 34:29 : Toen zond de koning heen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.
[^2koningen-23-1-2]: Kanttekening 2: Versta degenen, die in de regering en in het leerambt boven anderen gesteld waren. Zie Ex. 3:16 ; Lev. 4:15 . Exodus 3:16 : Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^2koningen-23-2-3]: Kanttekening 3: alle man van Juda: Versta, de voornaamsten.
[^2koningen-23-2-4]: Kanttekening 4: Sommigen verstaan door deze: Jeremia, Zefanja en Uria; die in deze tijd geleefd hebben. Anderen de discipelen van de profeten, of de schriftgeleerden en ervarenen in de wet van de Heer.
[^2koningen-23-2-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 22:8 . 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^2koningen-23-3-5]: Kanttekening 5: Zie boven, 2 Kon. 11:14 . 2 Koningen 11:14 : En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad!
[^2koningen-23-3-6]: Kanttekening 6: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, in het voorhof van het volk, dat voor het voorhof van de priesters, voor aan de tempel van de Heer was, waarin de ark van het verbond was, boven welke zich de Heer openbaarde. Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^2koningen-23-3-7]: Kanttekening 7: YHWH na te wandelen: Dat is, in de wegen van de Heer te wandelen. Wat dit is, zie 1 Kon. 11:33 , en de woorden hier volgende. 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^2koningen-23-3-8]: Kanttekening 8: met ganser hart: Zie Deut. 6:5 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen.
[^2koningen-23-3-9]: Kanttekening 9: Zie Deut. 27:26 . Deuteronomium 27:26 : Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^2koningen-23-3-10]: Kanttekening 10: stond in dit verbond: Dat is, hield zich daaraan, en was daarmede tevreden. Zo is ons verboden te staan in een kwade zaak, Pred. 8:3 . Dat is, zich daaraan te houden en dezelfde toe te staan. Prediker 8:3 : Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
[^2koningen-23-4-11]: Kanttekening 11: tweede ordening: Deze priesters zijn onder de overpriester de voornaamste geweest.
[^2koningen-23-4-12]: Kanttekening 12: Te weten, van de tempel van de Heer. Zo boven, 2 Kon. 22:4 . Zie de aantekening. 2 Koningen 22:4 : Ga op tot Hilkia, de hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis van YHWH gebracht is, dat de wachters van de dorpel van het volk verzameld hebben;
[^2koningen-23-4-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Kon. 2:37 . 1 Koningen 2:37 : Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat u de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
[^2koningen-23-4-14]: Kanttekening 14: Één van de steden, waar Jerobeam een gouden kalf had opgericht, 1 Kon. 12:29 , en daardoor een poel van afgoderij; uit welke oorzaak zij Bethaven, dat is, een huis van de boosheid, genoemd wordt, Hos. 4:15 , en Hos. 10:5 , en hier van Josia smadelijk onteerd wordt met de as van de verbrande afgodische vaten daar uit te werpen. 1 Koningen 12:29 : En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. Hosea 4:15 : Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 10:5 : De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal over hetzelfde treuren, en ook zijn Chemarim (die zich over hetzelfde verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelfde is weggevaren.
[^2koningen-23-5-15]: Kanttekening 15: Een soort van de afgodische priesters van Baäl; van welke zie ook Hos. 10:5 , en Zef. 1:4 . De naam chemarim komt van een woord, betekenende warm zijn, branden; idem, zwart worden; ook tezamen getrokken, gerimpeld en ingerold, dat door de brand veroorzaakt wordt; vanwaar ook is bij de Chaldeën de betekenis van insluiten. Hieruit is het gevoelen van de geleerden van deze benaming verscheiden. Velen menen dat deze Baäls-papen zo geheten werden, omdat hun orde was zwarte kleding te dragen; enige omdat zij zwart en berookt uitzagen, vermits zij altijd met roken en offeren bezig waren; anderen, omdat zij zich in hun afgodendienst gelieten zeer vurig en brandend van ijver te wezen. Sommigen omdat zij zich uit een schijn van de heiligheid opsloten, om zich van de wereld af te zonderen en alleen te leven, enz. Hosea 10:5 : De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal over hetzelfde treuren, en ook zijn Chemarim (die zich over hetzelfde verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelfde is weggevaren. Zefanja 1:4 : En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en de naam van de Chemarim met de priesters;
[^2koningen-23-6-16]: Kanttekening 16: beeld van het bos: Dat van de koning Manasse in de tempel gesteld was, boven, 2 Kon. 21:7 . 2 Koningen 21:7 : Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan YHWH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid.
[^2koningen-23-6-17]: Kanttekening 17: de beek Kidron: Anders, tot het dal Kidron. Zo onder hier in vers 6 . 2 Koningen 23:6 : Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis van YHWH weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven van de kinderen van het volk.
[^2koningen-23-6-18]: Kanttekening 18: wierp het stof: Te weten, tot verfoeiing aller gestorven afgodisten, en voorbeeldige waarschuwing van de levenden.
[^2koningen-23-6-19]: Kanttekening 19: kinderen van het volk: Dat is, van de inwoners van het land, die afgodendienaars geweest waren. Vergelijk 2 Kron. 34:4 , of van de gemene mensen. 2 Kronieken 34:4 : En men brak voor zijn aangezicht af de altaren van de Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelfde waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.
[^2koningen-23-7-20]: Kanttekening 20: Zie Deut. 23:17 . Deuteronomium 23:17 : Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.
[^2koningen-23-7-21]: Kanttekening 21: het huis van YHWH waren: Versta, in het voorhof van het volk, waar de afgodendienaars \[zo men meent\] hun woonplaatsjes hadden.
[^2koningen-23-7-22]: Kanttekening 22: huisjes voor het: Versta, kapelletjes, of kabinetten en kasten, gemaakt van geweven, of genaaid en gestikt werk, waarin de afgodenbeeldjes stonden. Anderen verstaan zulke tenten, waarin de afgodendienaars hun schandelijke vuiligheden ter ere van hun afgoden tezamen bedreven.
[^2koningen-23-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk, de afgodische.
[^2koningen-23-8-24]: Kanttekening 24: Te weten, mits die onbekwaam en onwaardig tot hun afgodendienst te maken.
[^2koningen-23-8-25]: Kanttekening 25: Een stad in Benjamin, de noordpale van het koninkrijk van Juda. Zie 1 Kon. 15:22 . 1 Koningen 15:22 : Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa.
[^2koningen-23-8-26]: Kanttekening 26: Gelegen in Juda, en de zuidpale van het gehele land Kanaän. Zie Gen. 21:31 . Genesis 21:31 : Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
[^2koningen-23-8-27]: Kanttekening 27: van de poorten: Dat is, die aan de poorten waren.
[^2koningen-23-8-28]: Kanttekening 28: van Jozua: Dat is, hij heeft zowel van de geweldigen en oversten, als van de armen en geringen afgoderij verhinderd.
[^2koningen-23-8-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, de linkerhand van een man; namelijk van degene, die ter stadspoort inkwam.
[^2koningen-23-9-30]: Kanttekening 30: offerden niet: Of, kwamen niet op tot het altaar, enz. De zin is dat deze priesters, omdat zij aan de afgoden geofferd hadden, met hun nakomelingen verstoken waren van het priesterambt, als onwaardig daarvan zijnde, Ez. 44:13 , hoewel zij nochtans, omdat zij zich bekeerden, hun onderhoud hadden van de ongedesemde koeken, die de priesters alleen mochten eten, Lev. 2:4 , 2:10 , zijnde daarin aan de gebrekkelijke nakomelingen Aärons gelijk gemaakt; Lev. 21:17 , 21:22 . Ezechiël 44:13 : En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben. Leviticus 2:4 : En als u offeren zult een offerande van spijsoffer, een gebak van de oven; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken. Leviticus 2:10 : En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Leviticus 21:17 : Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om het voedsel zijns Gods te offeren. Leviticus 21:22 : Het voedsel zijns Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;
[^2koningen-23-10-31]: Kanttekening 31: Te weten, met daar mest, drek, dode en verrotte lichamen en alle vuiligheid te doen werpen.
[^2koningen-23-10-32]: Kanttekening 32: Een plaats bij de stad van Jeruzalem, in een schone en vermakelijke landouw gelegen, zo genaamd van het woord Toph, trommel; waar de afgodendienaars hun kinderen aan de afgod Molech offerden, doende hen door het vuur gaan, of ook geheel verbranden; tot welk einde zij gelegd werden in de armen van een gloeiend beeld, dat van binnen hol en vol vuur was. Zo nu de kinderen door de pijn van de brand groot getier maakten, zo heeft men een groot geluid met trommels gemaakt, opdat het geschrei derzelve van de ouders of vrienden niet zou gehoord worden. Vergelijk Lev. 18:21 ; Jer. 7:31 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^2koningen-23-10-33]: Kanttekening 33: De naam van een man, wiens kinderen deze plaats eertijds toebehoord had, zodat zij daarvan heet het Ge-Bene Hinnom, Joz. 15:8 , dat is, het dal van de kinderen van Hinnom, of, Gehinnom, dat is, het dal van Hinnom, Neh. 11:30 . Van de zeer gruwelijke pijn van het vuur, die de kinderen van de afgodendienaars daar geleden hebben, is het dodenrijk genoemd Gehenna, Matt. 5:22 , welke is een onuitblusselijk vuur, Mark. 9:43 . Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. Nehemia 11:30 : Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom. Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broer toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broer zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Marcus 9:43 : En als uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in het dodenrijk, in het onuitblusselijk vuur;
[^2koningen-23-10-34]: Kanttekening 34: Onder, 2 Kon. 13 , genaamd Milkom. Zie Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^2koningen-23-11-35]: Kanttekening 35: Sommigen verstaan dit van levende paarden, die ter ere van de zon gehouden en gebruikt werden; want zekere mannen \[zo enige menen\] waren bestemd om 's morgens de opgaande zon met deze paarden van het huis van de Heer tot het huis van Nathan Melech in het gemoet te rijden, en die te groeten, te aanbidden en godsdienstiglijk te vereren. Anderen verstaan niet dan de beeltenissen van deze paarden en wagens.
[^2koningen-23-11-36]: Kanttekening 36: gesteld hadden: Of, gegeven hadden.
[^2koningen-23-11-37]: Kanttekening 37: Dat is, tot het huis.
[^2koningen-23-11-38]: Kanttekening 38: Of, in de voorsteden; te weten, van de stad van David, niet ver van de tempel gelegen. Het Hebreeuwse woord Parvarim nemen sommigen voor de naam ener plaats bij de tempel; maar wat het voor een plaats geweest is, is onbekend.
[^2koningen-23-11-39]: Kanttekening 39: zon verbrandde: Dat is, ter ere van de zon, naar de wijze van de heidenen gemaakt.
[^2koningen-23-12-40]: Kanttekening 40: dak van de opperzaal: Zijnde daar gemaakt ter ere van de legermacht van de hemel. Zie Jer. 19:13 ; Zef. 1:5 . Jeremia 19:13 : En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op welker daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Zefanja 1:5 : En die zich nederbuigen op de daken voor de legermacht van de hemel, en die zich nederbuigende zweren bij YHWH, en zweren bij Malcham;
[^2koningen-23-12-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 21:5 . 2 Koningen 21:5 : Daartoe bouwde hij altaren voor al het legermacht van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van YHWH.
[^2koningen-23-12-41]: Kanttekening 41: en wierp het stof: Dat geschiedde, eensdeels tot openbare versmading van deze afgodische overblijfselen, en anderdeels tot volkomen uitroeiing daarvan, opdat van dezelfde niets zou overgelaten worden.
[^2koningen-23-13-42]: Kanttekening 42: Anders, van de verderver. Versta, de Olijfberg, gelegen bij Jeruzalem, hier genaamd de berg van Mashith; dat is, van de verdervende, of van de verderver, omdat de Joden zich daar door afgoderij verdierven. Anders heet hij de berg Mischah, dat is, van de zalving, omdat daarop vele olijven wiessen, van welke de zalfolie gemaakt werd; zodat tussen beide de namen kleine ongelijkheid is in de letters, maar groot in de betekenis. Zie 1 Kon. 11:7 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons.
[^2koningen-23-13-43]: Kanttekening 43: Deze naam met de twee volgende, Kamos en Milkom, zijn namen van afgodische beelden. Zie van Astoreth Richt. 2:13 . Richteren 2:13 : Want zij verlieten YHWH, en dienden de Baäl en Astharoth.
[^2koningen-23-13-44]: Kanttekening 44: Zie 1 Kon. 11:7 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons.
[^2koningen-23-13-45]: Kanttekening 45: Zie Lev. 18:21 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^2koningen-23-14-b]: Verwijzing b: Ex. 23:24 ; Ex. 34:13 ; Num. 33:52 ; Deut. 7:5 ; idem 7:25 ; Deut. 12:3 . Exodus 23:24 : U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen. Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Deuteronomium 7:5 : Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. Deuteronomium 7:25 : De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is YHWH, uw God, een gruwel. Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^2koningen-23-14-46]: Kanttekening 46: Die hij uit de graven van de afgodendienaars liet halen, om daarmede de afgodische plaatsen te verontreinigen en afschuwelijk te maken. Vergelijk onder, vers 16 , 23:20 ; idem, Ez. 6:5 . 2 Koningen 23:16 : En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van YHWH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. 2 Koningen 23:20 : En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelfde. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem. Ezechiël 6:5 : En Ik zal de dode lichamen van de kinderen van Israël voor het aangezicht van hun drekgoden leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien.
[^2koningen-23-15-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 12:32 ; idem v. 33 . 1 Koningen 12:32 : En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftienden dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had. 1 Koningen 12:33 : En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftienden dag van de achtste maand, van de maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij de kinderen van Israël een feest, en offerde op dat altaar, rokende.
[^2koningen-23-16-47]: Kanttekening 47: dat altaar: Te weten, die te Bethel van Jerobeam opgericht was, vers 15 . 2 Koningen 23:15 : Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
[^2koningen-23-16-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 13:2 . 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
[^2koningen-23-16-48]: Kanttekening 48: Dat is, voorzeide; te weten meer dan drie honderd jaren tevoren. Zie 1 Kon. 13:2 , en vergelijk daarmede wat hier staat en onder, vers 20 . 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden. 2 Koningen 23:20 : En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelfde. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
[^2koningen-23-18-49]: Kanttekening 49: bevrijdden zij: Dat zij namelijk niet verbrand werden op het altaar te Bethel, met de andere beenderen.
[^2koningen-23-18-50]: Kanttekening 50: Die begeerd had dat men hem bij de profeet van Juda begraven zou; 1 Kon. 13:31 . 1 Koningen 13:31 : Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man van God begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.
[^2koningen-23-18-51]: Kanttekening 51: Versta, niet de stad, maar het land van Samaria, waarin de stad Bethel gelegen was en deze profeet woonde, toen hij naar de profeet van Juda kwam, 1 Kon. 13:11 ; zo is ook de naam Samaria voor het land genomen in vers 19 . 1 Koningen 13:11 : Een oud profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man van God op die dag in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot de koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader. 2 Koningen 23:19 : Daartoe nam Josia ook weg al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om YHWH tot toorn te verwekken; en hij deed daarmee naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had.
[^2koningen-23-19-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 34:6 . 2 Kronieken 34:6 : Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,
[^2koningen-23-19-52]: Kanttekening 52: Namelijk, die onder het gebied van het koninkrijk Juda gebracht waren.
[^2koningen-23-20-53]: Kanttekening 53: Anders, offerde; dat is, hij doodde hen op de altaren; tot een bewijs dat hij niet alleen de afgoderij ten allerhoogste haatte, maar zelfs de plaatsen, waar zij gepleegd werd; die verontreinigende met daarop mensenbloed te vergieten en hun beenderen te verbranden. Versta dit van de priesters, die, naar Jerobeams instelling, uit het volk gemaakt waren, en in hun afgoderij verhard bleven. Zie 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^2koningen-23-21-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 35:1 . 2 Kronieken 35:1 : Daarna hield Josia het pascha YHWH te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op de veertienden van de eerste maand.
[^2koningen-23-21-g]: Verwijzing g: Ex. 12:3 ; Deut. 16:2 . Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tienden van deze maand neme een iedereen een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Deuteronomium 16:2 : Dan zult u YHWH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^2koningen-23-21-54]: Kanttekening 54: boek van het verbond: Versta, het wetboek; waarvan zie, boven, 2 Kon. 22:8 , enz. en hier vers 2 , enz. 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. 2 Koningen 23:2 : En de koning ging op in het huis van YHWH, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van de minste tot de meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van YHWH gevonden was.
[^2koningen-23-22-55]: Kanttekening 55: Want gelijk: Anders, zekerlijk. Hier wordt reden gegeven, bewijzende dat het gebod van de koning zeer wel is achtervolgd geweest.
[^2koningen-23-22-56]: Kanttekening 56: van de dagen van de richteren af: Welverstaande, die daarin niet gerekend zijn. Want 2 Kron. 35:18 staat, van de dagen Samuëls, die de laatste van de richters is geweest. De zin is dat van de aanvang van de koningen, die op de richters gevolgd zijn, geen pasen met zo grote toebereiding, vergadering, reinigheid, aandacht en devotie, als dit gehouden is geweest. 2 Kronieken 35:18 : Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, de profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en geheel Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.
[^2koningen-23-24-h]: Verwijzing h: Lev. 19:31 ; Lev. 20:27 ; Deut. 18:11 ; Jes. 8:19 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:27 : Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^2koningen-23-24-57]: Kanttekening 57: Zie van deze en de duivelskunstenaars, Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!
[^2koningen-23-24-58]: Kanttekening 58: Zie Gen. 31:19 . Genesis 31:19 : Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^2koningen-23-24-59]: Kanttekening 59: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2koningen-23-25-60]: Kanttekening 60: Versta dit eigenlijk ten aanzien van de vurigheid zijns ijvers in het weren van alle gruwelen, die in zijn tijd zeer de overhand genomen hadden, en van de onnozelheid zijns levens, door de naarstige betrachting van de wet van de Heer, gelijk de volgende woorden van vers 25 medebrengen. Vergelijk boven, vers 18 , de aantekingen vers 5 . 2 Koningen 23:25 : En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot YHWH, met zijn gehele hart, en met zijn gehele ziel, en met zijn gehele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op. 2 Koningen 23:18 : En hij zei: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van de profeet, die uit Samaria gekomen was. 2 Koningen 23:5 : Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al de legermacht van de hemel rookten.
[^2koningen-23-25-61]: Kanttekening 61: gehele hart: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2koningen-23-26-62]: Kanttekening 62: keerde zich … niet af: Niet omdat de koning zijn God niet behaagde, maar omdat het volk zijn koning niet volgde, noch in de ongeveinsde aanneming van zijn zuiveren godsdienst, noch in de oprechte bekering van het leven, gelijk dat zeer haast naar de dood van de koning gebleken is.
[^2koningen-23-26-63]: Kanttekening 63: waarmee Manasse Hem getergd had: Te weten, omdat Juda dezelfde de koning Manasse nadeed, hem volgende in zijn gruwelen, maar niet in zijn bekering.
[^2koningen-23-27-64]: Kanttekening 64: van Mijn aangezicht wegdoen: Zie boven, 2 Kon. 17:18 . 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
[^2koningen-23-27-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 17:18 ; idem 17:20 ; 2 Kon. 24:3 . 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. 2 Koningen 17:20 : Zo verwierp YHWH het gehele zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand van de rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. 2 Koningen 24:3 : Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel van YHWH tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;
[^2koningen-23-27-65]: Kanttekening 65: gelijk als Ik: Te weten, door wegvoering uit zijn land, hoewel die niet voor altijd zou zijn, als van de Israëlieten. Zie boven, 2 Kon. 17:18 , 17:20 , en 2 Kon. 18:11 , en 2 Kon. 21:13 , met de aantekening. 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. 2 Koningen 17:20 : Zo verwierp YHWH het gehele zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand van de rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 2 Koningen 21:13 : En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid.
[^2koningen-23-27-66]: Kanttekening 66: Mijn Naam zal daar wezen: Zie 1 Kon. 8:29 , en 1 Kon. 9:3 ; idem boven, 2 Kon. 21:4 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage. 2 Koningen 21:4 : En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.
[^2koningen-23-29-67]: Kanttekening 67: zijn dagen: Te weten, gelijk Josia het vermaken van het huis van de Heer voltooid had. Zie 2 Kron. 35:20 . 2 Kronieken 35:20 : Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.
[^2koningen-23-29-68]: Kanttekening 68: Zie van denzelfden ook onder, vers 33 ; Jer. 46:2 . 2 Koningen 23:33 : Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. Jeremia 46:2 : Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^2koningen-23-29-69]: Kanttekening 69: naar de rivier Frath: Naar de stad Karchemis, gelegen aan de Eufraat, die de koning van Assyrië de Syriërs afgenomen had; waarover hij de roem draagt, Jes. 10:9 . Jesaja 10:9 : Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus?
[^2koningen-23-29-70]: Kanttekening 70: toog hem tegemoet: Te weten om hem af te keren en te verhinderen, dat hij met zijn leger door zijn land niet zou trekken, vrezende schade voor zijn eigen koninkrijk, of willende daarmede de koning van Assyrië vriendschap doen.
[^2koningen-23-29-71]: Kanttekening 71: doodde hem: Dat is, de schutters van de koning Necho wondden hem dodelijk; zodat hij, naar Jeruzalem gevoerd zijnde, stierf op de weg, of binnen Jeruzalem, hebbende bij Megiddo de doodwond gekregen; 2 Kron. 35:23 , 35:24 . 2 Kronieken 35:23 : En de schutters schoten de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. 2 Kronieken 35:24 : En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
[^2koningen-23-29-72]: Kanttekening 72: Een stad, in de stam van Manasse gelegen. Zie 1 Kon. 9:15 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer.
[^2koningen-23-29-73]: Kanttekening 73: hem gezien had: Dat is, als Josia gekomen was om hem onder de ogen te zien en tegen hem streed. Zie boven, 2 Kon. 14:8 , en de aantekening. 2 Koningen 14:8 : Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2koningen-23-30-74]: Kanttekening 74: Dat is, dodelijk gewond en als voor dood gehouden. Zo zeggen wij: Hij is een dood man, van dengene die sterft of haast sterven moet. Zo is bijna het woord dood genomen Gen. 20:3 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^2koningen-23-30-k]: Verwijzing k: 2 Kron. 36:1 . 2 Kronieken 36:1 : Toen nam het volk van het land Joahaz, de zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.
[^2koningen-23-30-75]: Kanttekening 75: Anders ook genoemd \[zo enige oordelen\] Johanan, 1 Kron. 3:15 , en Sallum, Jer. 22:11 . 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. Jeremia 22:11 : Want zo zegt YHWH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.
[^2koningen-23-30-76]: Kanttekening 76: zalfden hem: Zo naar sommiger gevoelen, openlijk verklarende dat zij hem in deze gemene nood metterhaast tot koning begeerden, om door hem tegen de koning Necho beschermd te worden, en het land met het rijk te behouden.
[^2koningen-23-31-77]: Kanttekening 77: Die te onderscheiden is van Jeremia de profeet; want de profeet was van Anatoth in Benjamin, Jer. 1:1 , maar deze van Libna in Juda. Jeremia 1:1 : De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^2koningen-23-32-78]: Kanttekening 78: zijn vaderen: Namelijk, zijn grootvader Amon en zijn oudgrootvaders Manasse, Achaz, enz.
[^2koningen-23-33-79]: Kanttekening 79: liet hem binden: Dat is, legde hem in gevangenis. Dit geschiedde terwijl hij bezig was met de oorlog tegen de stad Karchemis; waarvan zie 2 Kron. 35:20 ; Jer. 46:2 . 2 Kronieken 35:20 : Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. Jeremia 46:2 : Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^2koningen-23-33-80]: Kanttekening 80: te Ribla: Een stad, gelegen in Syrië, van sommigen voor Apamia gehouden, van anderen voor Antiochië.
[^2koningen-23-33-81]: Kanttekening 81: opdat hij: Anders, als hij regeerde te Jeruzalem.
[^2koningen-23-33-82]: Kanttekening 82: talenten zilvers: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2koningen-23-34-83]: Kanttekening 83: Hebreeuws, wendde, of keerde om. Hij wilde daarmede bewijzen dat hij macht en gebied over hem had. Zie gelijke exempelen onder, 2 Kon. 24:17 ; Dan. 1:7 . 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, daarvan oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. Daniël 1:7 : En de overste van de kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
[^2koningen-23-34-l]: Verwijzing l: Matt. 1:11 . Mattheüs 1:11 : En Josias verwekte Jechonias, en zijn broers, omtrent de Babylonische overvoering.
[^2koningen-23-34-84]: Kanttekening 84: Te weten, gelijk Jeremia voorzegd had, 2 Kon. 22:12 , waar hij vers 11 Sallum, naar veler gevoelen, genoemd wordt. 2 Koningen 22:12 : En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: 2 Koningen 23:11 : En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van de ingang van het huis van YHWH, tot de kamer van Nathan-melech, de hoveling, die in Parvarim was; en de wagens van de zon verbrandde hij met vuur.
[^2koningen-23-35-85]: Kanttekening 85: schatte het land: Dat is, Jojakim schatte of waardeerde de middelen van alle ingezetenen van het land, en deed hen daarnaar hun aandeel opbrengen.
[^2koningen-23-35-86]: Kanttekening 86: bevel van Farao: Hebreeuws, פִּ֣י, mond.
[^2koningen-23-35-87]: Kanttekening 87: naar zijn schatting: Dat is, naar dat hij van de koning geschat was.
[^2koningen-23-36-88]: Kanttekening 88: koning werd: Te weten, alleen en volmachtig, na de dood van zijn broer Joahaz, die, gevangen zijnde, nog voor koning gehouden werd, hoewel hij, namelijk Jojakim, het koninkrijk bediende. Anderen menen dat Jojakim vijf en twintig jaren oud was, als zijn broer Joahaz afgezet en gevankelijk naar Egypte weggevoerd werd, en volgens dat hij de oudste van de zonen van Josia was; verklarende de plaats 1 Kron. 3:15 van de eerstgeboorte, niet van de natuurlijke voortteling, maar van de koninklijke regering, en dat Joahaz daarom in zijn huldiging gezalfd zou zijn geweest, om zijn verkiezing te beter te verzekeren tegen de wederspreking van zijn oudsten broer Jojakim, gelijk Salomo om zulk een oorzaak gezalfd werd, 1 Kon. 1:34 , 1:39 . 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 1 Koningen 1:34 : En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! 1 Koningen 1:39 : En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve!
[^2koningen-23-36-89]: Kanttekening 89: elf jaren: Welverstaande, zo men zijn regering berekent van die tijd af, dat hij de plaats zijns broers bewaard heeft; dat was meteen nadat zijn broer in Egypte gevankelijk gevoerd was.
[^2koningen-23-37-90]: Kanttekening 90: Zie boven, vers 32 . 2 Koningen 23:32 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.

### 2 Koningen 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/24.json)

*Jojakim wordt de knecht van koning Nebukadnezar, maar valt van hem af, vers 1, enz. Zijn land wordt door de vijanden afgelopen, 2. Hij sterft, en zijn zoon Jojachin komt in zijn plaats, 6. de koning van Egypte wordt veel land afgenomen door de koning van Babel, 7. Jojachins regering, 8. Jeruzalem wordt door de Chaldeeën belegerd en beroofd, 10. Jojachin met vele Joden gevankelijk weggevoerd naar Babel, 14. Mattanja, anders genaamd Zedekia, wordt koning en valt van de koning van Babel af, 17.*

**1** In[^2koningen-24-1-1][^2koningen-24-1-a] zijn dagen trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd[^2koningen-24-1-2] zijn knecht drie jaar; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v1)

**2** En YHWH zond tegen hem de[^2koningen-24-2-3] benden van[^2koningen-24-2-4] de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven,[^2koningen-24-2-b] naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door[^2koningen-24-2-5] de dienst van Zijn knechten,[^2koningen-24-2-6] de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v2)

**3** Zeker gebeurde dit naar het[^2koningen-24-3-7] bevel van YHWH tegen Juda, dat Hij[^2koningen-24-3-8] hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de[^2koningen-24-3-9] zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v3)

**4** Als ook om het onschuldig bloed, dat hij[^2koningen-24-4-10] vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde YHWH niet vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v4)

**5** Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v5)

**6** En Jojakim[^2koningen-24-6-11] ontsliep met zijn vaders; en zijn zoon[^2koningen-24-6-12] Jojachin werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v6)

**7** [^2koningen-24-7-13] De koning nu van Egypte trok voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had,[^2koningen-24-7-14] van de rivier van Egypte af tot aan de rivier[^2koningen-24-7-15] Frath, ingenomen al wat van de koning van Egypte was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v7)

**8** Jojachin was[^2koningen-24-8-16] achttien jaar oud, toen hij[^2koningen-24-8-17] koning werd, en regeerde[^2koningen-24-8-18] drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v8)

**9** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v9)

**10** In[^2koningen-24-10-19][^2koningen-24-10-c] die tijd trokken de knechten van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad[^2koningen-24-10-20] werd belegerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v10)

**11** Zelfs kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v11)

**12** Toen[^2koningen-24-12-21] ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel[^2koningen-24-12-22] nam hem gevangen in het achtste jaar[^2koningen-24-12-23] van zijn regering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v12)

**13** [^2koningen-24-13-d] En[^2koningen-24-13-24] hij bracht[^2koningen-24-13-25] van daar uit al de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning; en hij[^2koningen-24-13-26] hieuw[^2koningen-24-13-27] alle gouden voorwerpen af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van YHWH gemaakt had,[^2koningen-24-13-28] zoals YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v13)

**14** En hij voerde[^2koningen-24-14-29] geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle[^2koningen-24-14-30] strijdbare helden,[^2koningen-24-14-31] tien duizend gevangenen, en alle timmerlieden en[^2koningen-24-14-32] smeden; niemand werd overgelaten, dan het[^2koningen-24-14-33] arme volk van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v14)

**15** [^2koningen-24-15-e] Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij als gevangene van Jeruzalem naar Babel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v15)

**16** En[^2koningen-24-16-f] alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die[^2koningen-24-16-34] ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel als gevangene naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v16)

**17** En de[^2koningen-24-17-g] koning van Babel maakte Mattanja,[^2koningen-24-17-35] zijn oom, koning in plaats van hem, en[^2koningen-24-17-36] veranderde zijn naam in[^2koningen-24-17-37] Zedekia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v17)

**18** Zedekia was een en twintig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2koningen-24-18-38] Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v18)

**19** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat[^2koningen-24-19-39] Jojakim gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v19)

**20** Want het gebeurde,[^2koningen-24-20-40] om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen[^2koningen-24-20-41] van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/24.html#v20)

[^2koningen-24-1-1]: Kanttekening 1: zijn dagen: Te weten, in het vierde jaar van zijn regering, dat was het eerste jaar van de regering van Nebukadnezar, Jer. 25:1 . Jeremia 25:1 : Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel);
[^2koningen-24-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 36:6 . 2 Kronieken 36:6 : Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
[^2koningen-24-1-2]: Kanttekening 2: zijn knecht: Dat is, hem dienstbaar, zijn gebied onderworpen, schatplichtig, gehouden hem schatting te betalen. Zo 2 Sam. 8:2 , 8:6 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2koningen-24-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, hopen van krijgslieden. Zie boven, 2 Kon. 5:2 . Deze waren in de dienst van de koning van Babel, makende tezamen zijn leger. 2 Koningen 5:2 : En er waren benden uit Syrië getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israël gevankelijk gebracht, die in de dienst van de huisvrouw van Naäman was.
[^2koningen-24-2-4]: Kanttekening 4: Een volk, bewonende het land van Chaldea, waarvan de hoofdstad is Babel. Vergelijk Ez. 23:15 . Ezechiël 23:15 : Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis van de kinderen van Babel, van Chaldea, het land van hun geboorte;
[^2koningen-24-2-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 20:17 ; 2 Kon. 23:27 . 2 Koningen 20:17 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. 2 Koningen 23:27 : En YHWH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
[^2koningen-24-2-5]: Kanttekening 5: de dienst van Zijn knechten: Hebreeuws, עֲבָדָ֥י, door de hand.
[^2koningen-24-2-6]: Kanttekening 6: de profeten: Te weten, niet alleen in het algemeen door Mozes, Lev. 26:17 ; Deut. 28:25 , 28:36 , 28:68 , enz. maar ook in het bijzonder door de profetes Hulda, boven, 2 Kon. 22:16 , en de profeet Jeremia, Jer. 25:9 . Leviticus 26:17 : Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en u zult vluchten, als u iemand vervolgt. Deuteronomium 28:25 : YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Deuteronomium 28:36 : YHWH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaderen; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen. Deuteronomium 28:68 : En YHWH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult die niet meer zien; en daar zult u u aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn. 2 Koningen 22:16 : Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over haar inwoners, namelijk al de woorden van het boek, dat de koning van Juda gelezen heeft. Jeremia 25:9 : Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^2koningen-24-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, mond.
[^2koningen-24-3-8]: Kanttekening 8: van Zijn aangezicht: Vergelijk boven, 2 Kon. 17:18 . 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.
[^2koningen-24-3-9]: Kanttekening 9: zonden van Manasse: Zie van deze boven, 2 Kon. 21 , onder welke de afgoderij wel de voornaamste geweest is, die het volk zo nagevolgd heeft, dat het van die, noch door de bekering van Manasse, noch door het goed exempel van Josia, en de goede reformatie bij hem gedaan, niet heeft afgelaten. Waarom ook gezegd wordt dat hij Juda zondigen deed, boven, 2 Kon. 21:16 . 2 Koningen 21:16 : Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2koningen-24-4-10]: Kanttekening 10: vergoten had: Zie boven, 2 Kon. 21:16 , en de aantekening. 2 Koningen 21:16 : Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2koningen-24-6-11]: Kanttekening 11: Te weten, in Babel, of op de weg, zo hij gebonden naar Babel gevoerd werd, 2 Kron. 36:6 , en zonder begrafenis te krijgen; gelijk door Jeremia voorzegd was; Jer. 22:18 , 22:19 . 2 Kronieken 36:6 : Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel. Jeremia 22:18 : Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! Jeremia 22:19 : Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^2koningen-24-6-12]: Kanttekening 12: Ook genaamd Jechonia, 1 Kron. 3:16 , en uit verachting Chonia; Jer. 22:24 . 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. Jeremia 22:24 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
[^2koningen-24-7-13]: Kanttekening 13: De koning nu: Dit verhaal is om aan te wijzen dat de koning van Juda uit Egypte geen hulp tegen de koning van Babel had te verwachten. Wel is waar, dat hij ten tijde van Zedekia poogde wat te doen, maar tevergeefs, zijnde door de Chaldeën gestuit; Jer. 37:6 , 37:7 . Jeremia 37:6 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot de profeet Jeremia, zeggende: Jeremia 37:7 : Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, die u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte;
[^2koningen-24-7-14]: Kanttekening 14: rivier van Egypte: Genaamd Sichor. Zie Joz. 13:3 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
[^2koningen-24-7-15]: Kanttekening 15: Anders, Eufraat. Zie Gen. 2:14 . Genesis 2:14 : En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^2koningen-24-8-16]: Kanttekening 16: achttien jaren oud: Hebreeuws, עֶשְׂרֵ֤ה, een zoon van achttien jaar.
[^2koningen-24-8-17]: Kanttekening 17: koning werd: Te weten, alleen \[gelijk enige geleerden oordelen\] en volmachtig koning na de dood zijns vaders. Anders, acht jaren oud zijnde, had de vader hem koning gemaakt, om in zoveel beroerten het koninkrijk in zijn huis te verzekeren, en was zo tien jaren lang, dat is, totdat zijn vader stierf, koning geweest, uit welke oorzaak gezegd wordt dat hij acht jaren oud was toen hij koning werd; 2 Kron. 36:9 . 2 Kronieken 36:9 : Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2koningen-24-8-18]: Kanttekening 18: drie maanden: En tien dagen, 2 Kron. 36:9 . Zo wordt dikwijls een even getal gesteld voor een oneven. Zie Gen. 15:13 , en 1 Kon. 16:8 , met de aantekening. 2 Kronieken 36:9 : Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 1 Koningen 16:8 : In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.
[^2koningen-24-10-19]: Kanttekening 19: dier tijd: Te weten, met de wederkomst van het jaar, 2 Kron. 36:10 . Dat is, met de aankomst van de zomer. Zie 1 Kon. 20:22 . 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. 1 Koningen 20:22 : Toen trad die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u doen zult; want met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken.
[^2koningen-24-10-c]: Verwijzing c: Dan. 1:1 . Daniël 1:1 : In het derde jaar van het koninkrijk van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.
[^2koningen-24-10-20]: Kanttekening 20: werd belegerd: Hebreeuws, מָּצֽוֹר, kwam in belegering; dat is, kwam belegerd te worden. Zo onder, 2 Kon. 25:2 . 2 Koningen 25:2 : Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia.
[^2koningen-24-12-21]: Kanttekening 21: ging Jojachin: Men meent dat hij dit gedaan heeft door de raad van de profeet Jeremia, opdat de tempel en het volk niet geheel uitgeroeid zouden worden.
[^2koningen-24-12-22]: Kanttekening 22: nam hem gevangen : Te weten, om hem gevangen te houden. Zie onder, 2 Kon. 25:27 . 2 Koningen 25:27 : Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
[^2koningen-24-12-23]: Kanttekening 23: zijn regering: Namelijk, van de koning Nebukadnezar, en niet van Jojachin. Want Jojachin regeerde in volle macht maar drie maanden en tien dagen. Zie boven, vers 8 . Vergelijk ook onder, 2 Kon. 25:8 . 2 Koningen 24:8 : Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 2 Koningen 25:8 : Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem.
[^2koningen-24-13-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 20:17 ; Jes. 39:6 . 2 Koningen 20:17 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. Jesaja 39:6 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH.
[^2koningen-24-13-24]: Kanttekening 24: hij bracht: Namelijk, Nebukadnezar.
[^2koningen-24-13-25]: Kanttekening 25: van daar uit: Van Jeruzalem.
[^2koningen-24-13-26]: Kanttekening 26: Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk afsnijden, of afkorten; maar wordt ook verder genomen voor wegnemen. De zin is dat hij die vaten heeft weggenomen en de tempel daarvan beroofd. Dat hij enige geheel gelaten heeft, blijkt uit Dan. 5:2 , 5:3 . Daniël 5:2 : Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelfde dronken. Daniël 5:3 : Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.
[^2koningen-24-13-27]: Kanttekening 27: alle gouden vaten af: Dat is, allerlei, bijna alle, een goed deel; gelijk af te nemen is onder, 2 Kon. 25:15 . 2 Koningen 25:15 : En de overste van de trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was.
[^2koningen-24-13-28]: Kanttekening 28: gelijk als: Zie boven, 2 Kon. 20:17 , en Jer. 20:5 . 2 Koningen 20:17 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. Jeremia 20:5 : Ook zal Ik geven al het vermogen van deze stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.
[^2koningen-24-14-29]: Kanttekening 29: geheel Jeruzalem weg: Dat is, het merendeel van de inwoners en van de voornaamsten. Vergelijk Matt. 3:5 . Mattheüs 3:5 : Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;
[^2koningen-24-14-30]: Kanttekening 30: strijdbare helden: Zo Richt. 6:12 , en boven, 2 Kon. 5:1 . De Hebreeuwse woorden kan men ook verstaan van degenen, die machtig zijn van middelen, gelijk Ruth 2:1 . Richteren 6:12 : Toen verscheen hem de Engel van YHWH, en zei tot hem: YHWH is met u, u, strijdbare held! 2 Koningen 5:1 : Naäman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had YHWH de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats. Ruth 2:1 : Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz.
[^2koningen-24-14-31]: Kanttekening 31: tien duizend gevangen: Dat is, de gehele som van de gevangenen, die hierna, vers 16 , onderscheidenlijk wordt aangetekend. 2 Koningen 24:16 : En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.
[^2koningen-24-14-32]: Kanttekening 32: Of, slotenmakers. Zie verder Jer. 24:1 . Jeremia 24:1 : YHWH deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor de tempel van YHWH; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
[^2koningen-24-14-33]: Kanttekening 33: arme volk van het land: Hebreeuws, אָֽרֶץ, de dunheid van het volk van het land. Zo onder, 2 Kon. 25:12 ; Jer. 40:7 , en Jer. 52:16 . Dat is, van het schamele, geringe, slechte en uitgeteerde volkje van het land. 2 Koningen 25:12 : Maar van de armsten van het land liet de overste van de trawanten enige overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. Jeremia 40:7 : Toen nu alle oversten van de heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd; Jeremia 52:16 : Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de overste van de trawanten, enige over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.
[^2koningen-24-15-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 36:10 ; Esth. 2:6 . 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van de jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. Esther 2:6 : Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechonia, de koning van Juda, denwelken Nebukadnezar, de koning van Babel, had weggevoerd.
[^2koningen-24-16-f]: Verwijzing f: Jer. 52:28 . Jeremia 52:28 : Dit is het volk, dat Nebukadrezar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden;
[^2koningen-24-16-34]: Kanttekening 34: ten oorlog: Hebreeuws, עֹשֵׂ֣י, de oorlog deden; dat is, die de krijg volgden. Zie 1 Kon. 12:21 . 1 Koningen 12:21 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gehele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht.
[^2koningen-24-17-g]: Verwijzing g: Jer. 37:1 ; Jer. 52:1 . Jeremia 37:1 : En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, welke Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda. Jeremia 52:1 : Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.
[^2koningen-24-17-35]: Kanttekening 35: daarvan oom: Zijn vaders broer.
[^2koningen-24-17-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, wendde, of keerde om. Zo boven, 2 Kon. 23:34 , en 2 Kron. 36:4 . 2 Koningen 23:34 : Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. 2 Kronieken 36:4 : En de koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
[^2koningen-24-17-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, Tsidkiahu.
[^2koningen-24-18-38]: Kanttekening 38: Gelijk boven, 2 Kon. 23:31 . Anders, Hamital, de moeder van Joahaz; zodat Zedekia en Joahaz broers zijn geweest van volle bed, dat is, van één vader en één moeder. 2 Koningen 23:31 : Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna.
[^2koningen-24-19-39]: Kanttekening 39: Deze was Zedekia's broer, alleen van halven bed, namelijk, van één vader, en niet van één moeder. Zie 2 Kon. 23:36 . 2 Koningen 23:36 : Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.
[^2koningen-24-20-40]: Kanttekening 40: om de toorn: De Heer, willende de zonden van het Joodse volk straffen, heeft Zedekia de geest van de ware bekering niet gegeven, maar heeft hem daartoe laten vervallen, dat hij door kwade raad en zijn eigen moedwil meinedig is geworden en van de koning Nebukadnezar afvallig.
[^2koningen-24-20-41]: Kanttekening 41: van Zijn aangezicht: Vergelijk boven, 2 Kon. 17:18 . 2 Koningen 17:18 : Daarom vertoornde zich YHWH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.

### 2 Koningen 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2koningen/25.json)

*Jeruzalem wordt belegerd, vers 1, enz. Zedekia gevangen, blind gemaakt en naar Babel gevoerd, 5. Nebuzaradan verbrandt Jeruzalem en de tempel, en breekt de stadsmuren af, 8. Hij voert veel volk weg, 11. evenzo vele schatten, 14. Voert enige voornaamsten naar Ribla, waar zij gedood worden, 18. Gedalja wordt overste van Juda, 22. omgebracht, 25. de Joden vluchten naar Egypte, 26. De koning Jojachin wordt door Evil-Merodach verlost en verheven, 27.*

**1** En[^2koningen-25-1-a] het gebeurde in het negende jaar[^2koningen-25-1-1] van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn hele leger, en sloeg zijn kamp op tegen haar; en zij bouwden tegen haar[^2koningen-25-1-2] schansen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v1)

**2** Zo[^2koningen-25-2-3] kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v2)

**3** Op de negende van[^2koningen-25-3-4] de vierde[^2koningen-25-3-b] maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v3)

**4** Toen werd de stad[^2koningen-25-4-5] doorgebroken, en al de soldaten[^2koningen-25-4-6] vluchtten in de nacht door de weg van[^2koningen-25-4-7] de poort, tussen de twee muren, die aan de hof van de koning[^2koningen-25-4-8] waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v4)

**5** Maar het leger van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van[^2koningen-25-5-9] Jericho, en al zijn leger werd van bij hem verstrooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v5)

**6** Zij dan grepen de koning, en voerden hem omhoog tot de koning van Babel, naar[^2koningen-25-6-10] Ribla; en zij spraken een[^2koningen-25-6-11] oordeel tegen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v6)

**7** En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en[^2koningen-25-7-12] men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v7)

**8** Daarna in[^2koningen-25-8-13] de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de[^2koningen-25-8-14] overste van de lijfwachten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v8)

**9** En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle[^2koningen-25-9-15] huizen van de groten verbrandde hij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v9)

**10** En het hele leger van de Chaldeeën, dat met de overste van de lijfwachten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v10)

**11** Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v11)

**12** Maar van[^2koningen-25-12-16] de armsten van het land liet de overste van de lijfwachten enige overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v12)

**13** Verder braken de Chaldeeën[^2koningen-25-13-c] de[^2koningen-25-13-17] koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de[^2koningen-25-13-18] stellingen, en de[^2koningen-25-13-19] koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v13)

**14** Zij namen ook[^2koningen-25-14-20] de potten, en de scheppen, en de messen, en de rookschalen, en al de koperen voorwerpen, daar men de dienst mee deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v14)

**15** En de overste van de lijfwachten nam weg de[^2koningen-25-15-21] wierookvaten en de sprengbekkens, wat[^2koningen-25-15-22] geheel goud en wat geheel zilver was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v15)

**16** De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis van YHWH gemaakt had; het koper van al deze voorwerpen[^2koningen-25-16-23] was zonder gewicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v16)

**17** [^2koningen-25-17-d] De hoogte van[^2koningen-25-17-24] een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappels op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en gelijk aan deze had de andere pilaar, met het net. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v17)

**18** Ook nam de overste van de[^2koningen-25-18-25] lijfwachten Seraja, de[^2koningen-25-18-26] hoofdpriester, en[^2koningen-25-18-27] Zefanja, de[^2koningen-25-18-28] tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v18)

**19** En uit de stad nam hij een hoveling, die over de soldaten gesteld was, en[^2koningen-25-19-29] vijf mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning[^2koningen-25-19-30] zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de opperschrijver van het leger, die het volk van het[^2koningen-25-19-31] land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in de stad gevonden werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v19)

**20** Als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, deze genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel, naar Ribla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v20)

**21** En de koning van Babel[^2koningen-25-21-32] sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath.[^2koningen-25-21-33] Zo werd Juda uit zijn land als gevangene weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v21)

**22** [^2koningen-25-22-e] Maar voor wat betreft het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij[^2koningen-25-22-34] Gedalia, de zoon[^2koningen-25-22-35] van Ahikam, de zoon[^2koningen-25-22-36] van Safan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v22)

**23** [^2koningen-25-23-f] Toen nu al de oversten van de legers, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar[^2koningen-25-23-37] Mizpa; namelijk,[^2koningen-25-23-38] Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, zij en hun mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v23)

**24** En Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zei tot hen: Vrees niet van te zijn knechten van de Chaldeeën, blijft in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u wel gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v24)

**25** Maar het gebeurde in[^2koningen-25-25-39] de zevende maand, dat Ismaël, de zoon[^2koningen-25-25-40] van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem;[^2koningen-25-25-g] en[^2koningen-25-25-41] zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; en ook de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v25)

**26** Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot de meeste, en de oversten van de legers, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v26)

**27** Het gebeurde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat[^2koningen-25-27-42] Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin,[^2koningen-25-27-43] de koning van Juda, uit de gevangenis, verhief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v27)

**28** En hij sprak[^2koningen-25-28-44] vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v28)

**29** En hij veranderde[^2koningen-25-29-45] de kleren van zijn gevangenis, en hij at voortdurend brood voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v29)

**30** En wat [^2koningen-25-30-46] zijn levensonderhoud betreft, kreeg hij voortdurend een door de koning vastgesteld dagelijks deel, alle dagen van zijn leven.[^2koningen-25-30-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2koningen/25.html#v30)

[^2koningen-25-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 36:17 ; Jer. 32:2 ; Jer. 39:1 ; Jer. 52:4 . 2 Kronieken 36:17 : Want Hij deed tegen hen opkomen de koning van de Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand. Jeremia 32:2 : (Het legermacht nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is. Jeremia 39:1 : In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn legermacht, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. Jeremia 52:4 : En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^2koningen-25-1-1]: Kanttekening 1: zijn regering: Namelijk, van Zedekia.
[^2koningen-25-1-2]: Kanttekening 2: sterkten rondom: Het Hebreeuwse woord \[zoals velen menen\] betekent een krijgsgebouw in vorm van een toren, of hoge stelling van hout gemaakt, dat buiten de stad tegenover de muren opgericht werd, om vandaar pijlen en stenen tegen de muren en in de stad te schieten. Hetzelfde woord wordt gevonden, Jer. 52:4 ; Ez. 4:2 , en Ez. 17:17 , enz. Jeremia 52:4 : En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Ezechiël 4:2 : En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. Ezechiël 17:17 : Ook zal Farao, door een grote legermacht en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
[^2koningen-25-2-3]: Kanttekening 3: kwam de stad: Zo boven, 2 Kon. 24:10 . 2 Koningen 24:10 : In die tijd togen de knechten van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.
[^2koningen-25-3-4]: Kanttekening 4: vierde : Dit woord is hier ingevoegd uit Jer. 39:2 , en Jer. 52:6 . Jeremia 39:2 : In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad doorgebroken. Jeremia 52:6 : In de vierde maand, op de negende van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had;
[^2koningen-25-3-b]: Verwijzing b: Jer. 52:6 . Jeremia 52:6 : In de vierde maand, op de negenden van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had;
[^2koningen-25-4-5]: Kanttekening 5: Te weten, van de Chaldeën, die de stad belegerden en nu de middelpoort ingenomen hadden; Jer. 39:2 , 39:3 . Jeremia 39:2 : In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad doorgebroken. Jeremia 39:3 : En alle vorsten van de koning van Babel togen heen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-sarezer Samgar-nebu, Sarsechim Rab-saris, Nergal-sarezer Rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.
[^2koningen-25-4-6]: Kanttekening 6: vloden : Dit woord is hier ook ingevoegd, tot aanvulling van de zin, uit Jer. 39:4 . Zie deze geheime vlucht afgebeeld Ez. 12:6 . Jeremia 39:4 : En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door de weg van de hof van de koning, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door de weg van het vlakke veld. Ezechiël 12:6 : Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven.
[^2koningen-25-4-7]: Kanttekening 7: Versta, een geheime poort of uitgang, die tussen twee muren van de stad gemaakt was.
[^2koningen-25-4-8]: Kanttekening 8: Of, was, te weten, poort, of weg.
[^2koningen-25-5-9]: Kanttekening 9: Zie 2 Kon. 2:4 . 2 Koningen 2:4 : En Elia zei tot hem: Elisa, blijf toch hier, want YHWH heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als YHWH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo kwamen zij te Jericho.
[^2koningen-25-6-10]: Kanttekening 10: Zie boven, 2 Kon. 23:33 . In deze stad heeft Nebukadnezar zijn hof willen houden, totdat hij Jeruzalem veroverd zou hebben, voornamelijk omdat de belegering lang duurde. 2 Koningen 23:33 : Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
[^2koningen-25-6-11]: Kanttekening 11: oordeel tegen hem: Want zij beschuldigden hem van ontrouw en valsheid, omdat hij zijn belofte en eed gebroken had; en van ondankbaarheid tegen de koning Nebukadnezar, die hem koning gemaakt had, boven, 2 Kon. 24:17 , 24:20 . Anders, zij spraken een oordeel met hem; te weten, met de koning van Babel over de koning van Juda. 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, daarvan oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. 2 Koningen 24:20 : Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel.
[^2koningen-25-7-12]: Kanttekening 12: men verblindde: Zie Jer. 39:7 . Jeremia 39:7 : En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.
[^2koningen-25-8-13]: Kanttekening 13: vijfde maand: Komende overeen ten dele met onze Juli, ten dele met Augustus. Zie Num. 33:38 . Numeri 33:38 : Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^2koningen-25-8-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 37:36 . Hebreeuws, de meester van de trawanten. Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^2koningen-25-9-15]: Kanttekening 15: huizen van de groten: Anders, grote huizen. Versta, de huizen van de rijken en machtigen, die van grote middelen of staat geweest waren. Deze moesten voornamelijk lijden. Waaruit het schijnt dat enige kleine huizen van schamele en slechte mensen zijn verschoond geweest. Groten worden voor rijken genomen, Gen. 24:35 , en Gen. 26:13 ; 1 Sam. 25:2 ; idem voor mensen van staat, 2 Kon. 10:6 ; Jona 3:7 , van beiden kan het woord hier genomen worden, als ook Lev. 19:15 . Genesis 24:35 : En YHWH heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kamelen, en ezelen. Genesis 26:13 : En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijn schapen te Karmel. 2 Koningen 10:6 : Toen schreef hij ten tweede male tot hen een brief, zeggende: Zo u van mij bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu van de koning, zeventig mannen, waren bij de groten van de stad, die hen opvoedden.) Jona 3:7 : En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel van de koning en zijn groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringe niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^2koningen-25-12-16]: Kanttekening 16: armsten van het land: Hebreeuws, אָ֔רֶץ, van de dunheid van het land; zie boven, 2 Kon. 24:14 . 2 Koningen 24:14 : En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land.
[^2koningen-25-13-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 20:17 ; Jer. 20:5 ; Jer. 27:19 . 2 Koningen 20:17 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. Jeremia 20:5 : Ook zal Ik geven al het vermogen van deze stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hun vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel. Jeremia 27:19 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige van de vaten, die in deze stad zijn overgebleven.
[^2koningen-25-13-17]: Kanttekening 17: koperen pilaren: Zie van deze 1 Kon. 7:15 . 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de ene pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de andere pilaar.
[^2koningen-25-13-18]: Kanttekening 18: Dat is, de voeten, gestoelten, of pedestallen, op welke de wasvaten of ketels stonden, die Salomo in het voorhof van de priesters gesteld had. Zie 1 Kon. 7:27 . 1 Koningen 7:27 : Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte.
[^2koningen-25-13-19]: Kanttekening 19: koperen zee: Zie 1 Kon. 7:23 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^2koningen-25-14-20]: Kanttekening 20: de potten: Van al dit gereedschap van de tempel is ook te zien 1 Kon. 7:45 , enz. 1 Koningen 7:45 : De potten ook, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en al deze vaten, die Hiram voor de koning Salomo tot het huis van YHWH maakte, alle van gepolijst koper.
[^2koningen-25-15-21]: Kanttekening 21: Of, koolpannen. Zie Lev. 10:1 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had.
[^2koningen-25-15-22]: Kanttekening 22: geheel goud: Hebreeuws, כָּ֑סֶף, goud goud, en zilver zilver; dat is, louter en massief goud, of zilver; of geheel van goud en zilver, en bloot verguld, of verzilverd. Anders, die \[te weten, sprengbekkens\] geheel goud en die geheel zilver waren.
[^2koningen-25-16-23]: Kanttekening 23: was zonder gewicht: Dat is, van het koper was zoveel, dat men het niet kon of wilde wegen.
[^2koningen-25-17-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 7:15 ; 2 Kron. 3:15 ; Jer. 52:21 . 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de anderen pilaar. 2 Kronieken 3:15 : Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen. Jeremia 52:21 : Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingeren, en hij was hol.
[^2koningen-25-17-24]: Kanttekening 24: pilaar was achttien ellen: Zie van deze dingen alle 1 Kon. 7:15 , 7:16 , 7:17 , enz. 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de ene pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de andere pilaar. 1 Koningen 7:16 : Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel. 1 Koningen 7:17 : De netten waren van nettenwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel.
[^2koningen-25-18-25]: Kanttekening 25: Deze is geweest de zoon van Azaria, die de zoon was van Hilkia, 2 Kron. 6:13 , 6:14 , die het wetboek in de tempel vond, boven, 2 Kon. 22:8 . Seraja's zoon was Ezra, wiens boek wij onder de boeken van het Oude Testament hebben, Ezra 7:1 . 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van het voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel). 2 Kronieken 6:14 : En hij zei: YHWH, God van Israël, er is geen God gelijk U, in de hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun gehele hart wandelen; 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. Ezra 7:1 : Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia,
[^2koningen-25-18-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, de priester het hoofd, of die het hoofd was; dat is, de eerste, of de voornaamste en opperste, te weten, van de priesters. Zo 2 Kron. 26:20 , en 2 Kron. 31:10 ; Ezra 7:5 . 2 Kronieken 26:20 : Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat YHWH hem geplaagd had. 2 Kronieken 31:10 : En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zei: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis van YHWH te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want YHWH heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is. Ezra 7:5 : De zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hoofdpriester.
[^2koningen-25-18-27]: Kanttekening 27: De zoon van Maäseja, Jer. 21:1 , een ander dan Zefanja de profeet, die was de zoon van Chusi, Zef. 1:1 . Jeremia 21:1 : Het woord, dat van YHWH geschied is tot Jeremia, als koning Zedekia tot hem zond Pashur, de zoon van Malchia, en Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, zeggende: Zefanja 1:1 : Het woord van YHWH, dat geschied is tot Zefanja, de zoon van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.
[^2koningen-25-18-28]: Kanttekening 28: tweede priester: Zie Num. 3:32 , en 1 Kon. 4:4 . Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. 1 Koningen 4:4 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de legermacht; en Zadok en Abjathar waren priesters.
[^2koningen-25-19-29]: Kanttekening 29: vijf mannen: Die de voornaamste en vermaardste waren van de zeven, van welke Jeremia spreekt, Jer. 52:25 . Jeremia 52:25 : En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de overste schrijver van het heir, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in het midden van de stad gevonden werden.
[^2koningen-25-19-30]: Kanttekening 30: die het aangezicht van de koning zagen: Dat is, die ordinairlijk in de aanwezigheid van de koning en hem bij de hand waren om hem ten dienste te staan; zo Esth. 1:14 . Esther 1:14 : De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten van de Perzen en van de Meden, die het aangezicht van de koning zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),
[^2koningen-25-19-31]: Kanttekening 31: ten oorlog opschreef: Of, tot de oorlog aannam, of monsterde, of oefende in de wapenen. Zie van deze ook Jer. 52:25 . Jeremia 52:25 : En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de overste schrijver van het heir, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in het midden van de stad gevonden werden.
[^2koningen-25-21-32]: Kanttekening 32: sloeg hen: Sommigen menen dat deze waren degenen, die zich tegen de profeet Jeremia gesteld hadden, roepende: De tempel van de Heer, de tempel van de Heer, Jer. 7:4 . Van het woord slaan, zie Gen. 8:21 . Jeremia 7:4 : Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn deze! Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^2koningen-25-21-33]: Kanttekening 33: Zo werd Juda: Dit is de vervulling van de profetie, waarvan te zien is boven, 2 Kon. 23:27 ; Jer. 25:9 , enz. 2 Koningen 23:27 : En YHWH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen. Jeremia 25:9 : Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^2koningen-25-22-e]: Verwijzing e: Jer. 40:5 ; idem v. 9 . Jeremia 40:5 : En omdat hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. Jeremia 40:9 : En Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vreest niet van de Chaldeeën te dienen; blijft in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u welgaan.
[^2koningen-25-22-34]: Kanttekening 34: Een vroom en oprecht man, de profeet Jeremia zeer toegedaan, en zijn raad in alles volgende. Zie van dezelfde ook Jer. 40:5 , en is te onderscheiden van een anderen Gedalia, die de grootvader was van de profeet Zefanja, Zef. 1:1 . Jeremia 40:5 : En omdat hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. Zefanja 1:1 : Het woord van YHWH, dat geschied is tot Zefanja, de zoon van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.
[^2koningen-25-22-35]: Kanttekening 35: Mede een vriend en voorstander van de profeet Jeremia. Zie Jer. 26:24 . Jeremia 26:24 : Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand van het volk, om hem te doden.
[^2koningen-25-22-36]: Kanttekening 36: Die schrijver was van de koning Josia, 2 Kon. 22:3 . 2 Koningen 22:3 : Het geschiedde nu in het achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van YHWH, zeggende:
[^2koningen-25-23-f]: Verwijzing f: Jer. 40:7 . Jeremia 40:7 : Toen nu alle oversten van de heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd;
[^2koningen-25-23-37]: Kanttekening 37: Zie van deze stad Richt. 11:11 . Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa.
[^2koningen-25-23-38]: Kanttekening 38: Zie van deze mannen ook Jer. 40:7 , 40:8 . Sommigen oordelen dat deze de krijgsoversten en kapiteinen geweest zijn, die met hun volk bij de koning Zedekia waren, toen hij bij Jericho gevangen werd, en daar van hem verstrooid werden, boven, vers 5 . Jeremia 40:7 : Toen nu alle oversten van de heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd; Jeremia 40:8 : Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon eens Maachathiets, zij en hun mannen. 2 Koningen 25:5 : Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid.
[^2koningen-25-25-39]: Kanttekening 39: zevende maand: Zie Jer. 41:1 . Jeremia 41:1 : Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijken zade, en de oversten van de koning, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten daar brood te zamen, te Mizpa.
[^2koningen-25-25-40]: Kanttekening 40: van koninklijk zaad: Hebreeuws, מְּלוּכָ֗ה, van het zaad van het koninkrijk; dat is van het geslacht van David en Salomo. Men noemt die bij ons en in Frankrijk, prinsen van de bloede.
[^2koningen-25-25-g]: Verwijzing g: Jer. 41:2 . Jeremia 41:2 : En Ismaël, de zoon van Nethanja, maakte zich op, en ook de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard; zo doodde hij hem, die de koning van Babel over het land gesteld had.
[^2koningen-25-25-41]: Kanttekening 41: sloegen Gedalia: Of, omdat zij Gedalia deze zijn hoogheid benijdden; òf omdat zij de koning van Babel haatten; òf om beide oorzaken.
[^2koningen-25-27-42]: Kanttekening 42: De zoon van Nebukadnezar, die zijn vader in de monarchie gevolgd is, en heeft geregeerd omtrent acht en twintig jaren. Sommigen menen dat hij enige kennis gehad heeft van de ware God, en daarom van de ongelovigen is genaamd geweest Evilmerodach, dat is, de zotte Merodach.
[^2koningen-25-27-43]: Kanttekening 43: uit het gevangenhuis: Hebreeuws, בֵּ֥ית, uit het huis van het bedwang, of besluiting; dat is zonder twijfel geschied, eensdeels uit medelijden met zijn ouderdom en zeer langdurige gevangenis, anderdeels uit aanmerking dat hij zich gewillig in de handen van Nebukadnezar had overgegeven. Zie boven, 2 Kon. 24:12 . 2 Koningen 24:12 : Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering.
[^2koningen-25-28-44]: Kanttekening 44: vriendelijk met hem: Hebreeuws, טֹב֑וֹת, hij sprak goede dingen. Zie 1 Kon. 12:7 , en Jer. 12:6 . 1 Koningen 12:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn. Jeremia 12:6 : Want ook uw broers en uws vaders huis, ook diezelve handelen trouweloos tegen u; ook diezelve roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
[^2koningen-25-29-45]: Kanttekening 45: de kleren: Te weten, die hij placht te gebruiken in de gevangenis. Vergelijk hiermede Gen. 41:14 , en de aantekening daarop. Genesis 41:14 : Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao.
[^2koningen-25-30-46]: Kanttekening 46: zijn tering: Te weten, van de tering en onderhouding van Jojachins huisgezin. Want van de tering en lijfkost, Jojachins persoon aangaande, is in vers 29 gesproken. Anders, want zijn tering was een gedurige tering, hem van de koning gegeven. 2 Koningen 25:29 : En hij veranderde de kleren van zijn gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.
[^2koningen-25-30-47]: Kanttekening 47: elk dagelijks: Dat is, zoveel als voor elke dag verordineerd was. Zie gelijke manier van spreken Ex. 5:13 ; Lev. 23:37 ; 1 Kon. 8:59 . Exodus 5:13 : En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was. Leviticus 23:37 : Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om YHWH vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren; 1 Koningen 8:59 : En dat deze mijn woorden, waarmee ik voor YHWH gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor YHWH, onze God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israël, elk dagelijks op zijn dag.

## 1 Kronieken

### 1 Kronieken 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/1.json)

*In dit hoofdstuk worden verhaald de nakomelingen van Adam tot aan Noach, vers 1 enz. Daarna de nakomelingen van Noach: van Jafeth, 4. van Cham, 8. en van Sem, tot aan Abraham, 17. Ook de nakomelingen van Abraham: eerst die van Ismaël afkomstig zijn, 28. Daarna die van Ketura geboren zijn, 32. Daarna van Izak en van zijn zoon Ezau, 34. samen met de koningen die in het land Edom geregeerd hebben, 43. en de vorsten in Edom, 51.*

**1** [^1kronieken-1-1-a] Adam,[^1kronieken-1-1-1] Seth, Enos, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v1)

**2** Kenan, Mahalal-el, Jered, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v2)

**3** Henoch, Methusalah, Lamech, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v3)

**4** Noach,[^1kronieken-1-4-2] Sem, Cham en Jafeth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v4)

**5** De[^1kronieken-1-5-b] kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v5)

**6** En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en[^1kronieken-1-6-3] Difath, en Thogarma. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v6)

**7** En de kinderen van Javan waren Elisa en[^1kronieken-1-7-4] Tharsisa, de Chittieten en[^1kronieken-1-7-5] Dodanieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v7)

**8** De kinderen[^1kronieken-1-8-c] van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaän. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v8)

**9** En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v9)

**10** Cusch nu verwekte Nimrod;[^1kronieken-1-10-6] die begon geweldig te zijn op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v10)

**11** En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v11)

**12** En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van[^1kronieken-1-12-d] wie de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v12)

**13** Kanaän nu verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v13)

**14** En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v14)

**15** En de Heviet, en de Arkiet, en de Siniet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v15)

**16** En de Arvadiet, en de Zemariet, en de Hamathiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v16)

**17** De[^1kronieken-1-17-e] kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en[^1kronieken-1-17-7] Uz, en Hul, en Gether, en Mesech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v17)

**18** Arfachsad nu verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v18)

**19** Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam van de een was Peleg, omdat in zijn dagen[^1kronieken-1-19-8] de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v19)

**20** En Joktan verwekte Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v20)

**21** En Hadoram, en Uzal, en Dikla, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v21)

**22** En Ebal, en Abimaël, en Scheba, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v22)

**23** En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle deze waren zonen van Joktan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v23)

**24** [^1kronieken-1-24-9][^1kronieken-1-24-f] Sem, Arfachsad, Selah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v24)

**25** Heber, Peleg, Rehu, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v25)

**26** Serug, Nahor, Terah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v26)

**27** [^1kronieken-1-27-10] Abram; die is Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v27)

**28** [^1kronieken-1-28-g] De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v28)

**29** Dit zijn hun afstammelingen:[^1kronieken-1-29-h] de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v29)

**30** Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v30)

**31** Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v31)

**32** De[^1kronieken-1-32-i] kinderen nu van Ketura, Abrahams bijvrouw: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v32)

**33** De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v33)

**34** Abraham nu verwekte Izak. De[^1kronieken-1-34-k] zonen van Izak waren Ezau en Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v34)

**35** En[^1kronieken-1-35-l] de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v35)

**36** De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar,[^1kronieken-1-36-11] Zefi, en Gaetham, Kenaz, en[^1kronieken-1-36-12] Timna, en Amalek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v36)

**37** De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v37)

**38** [^1kronieken-1-38-13] De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v38)

**39** De kinderen van Lotan nu waren Hori en[^1kronieken-1-39-14] Homam; en de zus van Lotan was Timna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v39)

**40** De kinderen van Sobal waren[^1kronieken-1-40-15] Aljan, en Manahath, en Ebal,[^1kronieken-1-40-16] Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v40)

**41** De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren[^1kronieken-1-41-17] Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v41)

**42** De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan,[^1kronieken-1-42-18] en Jaäkan. De kinderen[^1kronieken-1-42-19] van Disan waren Uz en Aran. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v42)

**43** Dit nu zijn de[^1kronieken-1-43-20] koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, voordat er een koning regeerde over de Israëlieten: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v43)

**44** En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van[^1kronieken-1-44-21] Bozra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v44)

**45** En Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Themanieten, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v45)

**46** En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v46)

**47** En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v47)

**48** En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v48)

**49** En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v49)

**50** Als Baäl-hanan stierf, zo regeerde[^1kronieken-1-50-22] Hadad in zijn plaats, en de naam van zijn stad was[^1kronieken-1-50-23] Pahi, en de naam van zijn huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van[^1kronieken-1-50-24] Matred,[^1kronieken-1-50-25] dochter van Mee-sahab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v50)

**51** Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst[^1kronieken-1-51-26] Alja, de vorst Jetheth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v51)

**52** De vorst Aholi-bama, de vorst Ela, de vorst Pinon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v52)

**53** De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v53)

**54** De vorst Magdiel, de vorst Iram. Deze waren de vorsten van Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/1.html#v54)

[^1kronieken-1-1-a]: Verwijzing a: Gen. 5:3 ; idem v. 4 . Genesis 5:3 : En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. Genesis 5:4 : En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^1kronieken-1-1-1]: Kanttekening 1: Kortheidshalve worden in deze eerste vier verzen alleen gesteld de blote namen van dertien oudvaders die vóór de zondvloed geleefd hebben. En men moet de woorden van deze verzen aldus nemen en verstaan, van Adam is geboren Seth, van Seth is Enos geboren, enz.
[^1kronieken-1-4-2]: Kanttekening 2: Sem, Cham en Jafeth: Uit en door deze drie zonen van Noach is de wereld als vernieuwd en met mensen beplant. Zie de aantekening Gen. 10:1 . Genesis 10:1 : Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na de vloed.
[^1kronieken-1-5-b]: Verwijzing b: Gen. 10:2 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^1kronieken-1-6-3]: Kanttekening 3: Gen. 10:3 staat Rifat: de R en de D worden op meer plaatsen de één voor de ander gesteld, vanwege de gelijkheid derzelve. Zie 2 Kron. 1:7 . Genesis 10:3 : En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 2 Kronieken 1:7 : In dienzelfden nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.
[^1kronieken-1-7-4]: Kanttekening 4: Zie de aantekening Gen. 10:4 . Genesis 10:4 : En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^1kronieken-1-7-5]: Kanttekening 5: Zo staat er ook Gen. 10:4 , maar hier lezen sommigen Rodanim. Genesis 10:4 : En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^1kronieken-1-8-c]: Verwijzing c: Gen. 10:6 . Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^1kronieken-1-10-6]: Kanttekening 6: die begon geweldig te zijn: Hij is de eerste na de zondvloed geweest, die met geweld steden en landen onder zijn gehoorzaamheid gebracht heeft. Zie van Nimrod breder Gen. 10:9 . Genesis 10:9 : Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH.
[^1kronieken-1-12-d]: Verwijzing d: Gen. 10:14 . Genesis 10:14 : En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.
[^1kronieken-1-17-e]: Verwijzing e: Gen. 10:22 . Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^1kronieken-1-17-7]: Kanttekening 7: Uz, Hul, Gether en Mesech \[ Gen. 10:23 , genoemd Mas\] zijn Arams zonen geweest, en Sem was hun grootvader. Zie Gen. 10:23 . Daarom stellen enige hier van deze \[te weten, Arams\] zonen waren Uz; en onthoud dit eens vooral, dat de Hebreën een en denzelfden persoon, alsook een en dezelfde plaats, dikwijls verscheiden namen geven, gelijk in de naamregisters van dit boek en elders meer dikwijls wordt bevonden. Genesis 10:23 : En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. Genesis 10:23 : En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.
[^1kronieken-1-19-8]: Kanttekening 8: de aarde: Versta dat de inwoners van de aarde zijn verdeeld en van elkaar gescheiden geworden, als God hunne spraken verward heeft in het bouwen van de toren te Babel, Gen. 11:9 , 11:16 . Peleg wordt vertaald, een verdeling. Genesis 11:9 : Daarom noemde men haar naam Babel; want daar verwarde YHWH de spraak van de gehele aarde, en van daar verstrooide hen YHWH over de gehele aarde. Genesis 11:16 : En Heber leefde vier en dertig jaren, en verwekte Peleg.
[^1kronieken-1-24-9]: Kanttekening 9: Versta, na deze naam, alsook na de volgende het woord verwekte, aldus, Sem verwekte Arfachsad, Arfachsad verwekte Selah, enzovoorts.
[^1kronieken-1-24-f]: Verwijzing f: Gen. 11:10 ; Lukas 3:34 . Genesis 11:10 : Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed. Lukas 3:34 : De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor,
[^1kronieken-1-27-10]: Kanttekening 10: Waarom de naam Abram is veranderd in Abraham, zie Gen. 17:5 , en vervolgens, want daar wordt dit geslachtsregister verhaald. Genesis 17:5 : En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken.
[^1kronieken-1-28-g]: Verwijzing g: Gen. 16:15 ; Gen. 21:2 . Genesis 16:15 : En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam van zijn zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^1kronieken-1-29-h]: Verwijzing h: Gen. 25:13 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^1kronieken-1-32-i]: Verwijzing i: Gen. 25:2 . Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^1kronieken-1-34-k]: Verwijzing k: Gen. 25:21 ; idem v. 24 . Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. Genesis 25:24 : Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
[^1kronieken-1-35-l]: Verwijzing l: Gen. 36:10 ; . Genesis 36:10 : Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.
[^1kronieken-1-36-11]: Kanttekening 11: Zefo, Gen. 36:11 . Genesis 36:11 : En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
[^1kronieken-1-36-12]: Kanttekening 12: Dit schijnt hier te zijn een van Elifaz' kinderen. Gen. 36:12 wordt ook Elifaz' bijwijf, die hem Amalek gebaard heeft, Timna genoemd. Genesis 36:12 : En Timna was een bijwijf van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.
[^1kronieken-1-38-13]: Kanttekening 13: De kinderen van Seïr: Zie Gen. 36:20 . Genesis 36:20 : Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,
[^1kronieken-1-39-14]: Kanttekening 14: Hemam, Gen. 36:22 . Genesis 36:22 : En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zus was Timna.
[^1kronieken-1-40-15]: Kanttekening 15: Aluan, Gen. 36:23 . Genesis 36:23 : En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
[^1kronieken-1-40-16]: Kanttekening 16: Sefi en Onam: Anders, Sefa, Gen. 36:23 . Genesis 36:23 : En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.
[^1kronieken-1-41-17]: Kanttekening 17: Anders, Hemdan, Gen. 36:26 . Genesis 36:26 : En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.
[^1kronieken-1-42-18]: Kanttekening 18: Anders, Acan, Gen. 36:27 . Genesis 36:27 : Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.
[^1kronieken-1-42-19]: Kanttekening 19: Of, Disons.
[^1kronieken-1-43-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 36:31 , 36:32 , enz. Genesis 36:31 : En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen van Israël. Genesis 36:32 : Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba.
[^1kronieken-1-44-21]: Kanttekening 21: Zie van deze stad de aantekening Gen. 36:33 . Genesis 36:33 : En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats.
[^1kronieken-1-50-22]: Kanttekening 22: Hadar, Gen. 36:39 . Zie boven, 2 Kron. 1:6 . Genesis 36:39 : En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam van zijn stad was Pahu; en de naam van zijn huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab. 2 Kronieken 1:6 : En Salomo offerde daar, voor het aangezicht van YHWH, op het koperen altaar, dat aan de tent van de samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandofferen.
[^1kronieken-1-50-23]: Kanttekening 23: Anders, Pahu, Gen. 36:39 . Genesis 36:39 : En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam van zijn stad was Pahu; en de naam van zijn huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab.
[^1kronieken-1-50-24]: Kanttekening 24: Matred is een mansnaam.
[^1kronieken-1-50-25]: Kanttekening 25: dochter van Mee-Sahab: Anders, nicht. Zij was een zoons- of dochtersdochter van Mezahab. Dikwijls worden kleinkinderen, dat is nichten en neven, in de Heilige Schrift genoemd zonen en dochters, gelijk Ex. 2:20 , 2:21 . Exodus 2:20 : En hij zei tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet u de man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete. Exodus 2:21 : En Mozes bewilligde bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;
[^1kronieken-1-51-26]: Kanttekening 26: Ook Alua genoemd, Gen. 36:40 . Genesis 36:40 : En dit zijn de namen van de vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth,

### 1 Kronieken 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/2.json)

*De nakomelingen van Jakob, vers 1 enz. en van Juda uit Thamar, 4. van Isaï, 13. van Kaleb, de zoon van Hezron, 18. van Hezron uit de dochter van Machir, 21. van Jerahmeël, 25. van Sesan, 34. Een andere tak van Kalebs nakomelingen, 42. De nakomelingen van Kaleb, de zoon van Hur, 50.*

**1** Deze[^1kronieken-2-1-a] zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v1)

**2** Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v2)

**3** De[^1kronieken-2-3-1][^1kronieken-2-3-b] kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van YHWH; daarom doodde Hij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v3)

**4** [^1kronieken-2-4-c] Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v4)

**5** De[^1kronieken-2-5-d] kinderen van Perez waren Hezron en Hamul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v5)

**6** En de kinderen van Zerah waren[^1kronieken-2-6-2] Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol,[^1kronieken-2-6-3] en Dara. Deze allen zijn vijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v6)

**7** En de kinderen van Charmi waren[^1kronieken-2-7-4] Achar,[^1kronieken-2-7-5][^1kronieken-2-7-e] de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v7)

**8** [^1kronieken-2-8-6] De kinderen van Ethan nu waren Azaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v8)

**9** En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en[^1kronieken-2-9-7] Ram, en[^1kronieken-2-9-8] Chelubai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v9)

**10** Ram[^1kronieken-2-10-f] nu verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de[^1kronieken-2-10-g] vorst van de kinderen van Juda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v10)

**11** En Nahesson verwekte[^1kronieken-2-11-9] Salma, en Salma verwekte Boaz, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v11)

**12** En Boaz verwekte Obed, en Obed verwekte Isaï, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v12)

**13** En Isaï verwekte[^1kronieken-2-13-10] Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en[^1kronieken-2-13-11] Simea, de derde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v13)

**14** Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v14)

**15** Ozem, de zesde, David,[^1kronieken-2-15-12] de zevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v15)

**16** En hun zussen waren Zeruja en[^1kronieken-2-16-13] Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren[^1kronieken-2-16-14] Abisai, en Joab, en Asa-El; drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v16)

**17** En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was[^1kronieken-2-17-15] Jether, een Ismaëliet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v17)

**18** [^1kronieken-2-18-16] Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En[^1kronieken-2-18-17] de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v18)

**19** Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v19)

**20** En[^1kronieken-2-20-h] Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v20)

**21** Daarna[^1kronieken-2-21-18] ging Hezron in tot de dochter[^1kronieken-2-21-19] van Machir,[^1kronieken-2-21-20] de vader van Gilead, en hij nam[^1kronieken-2-21-21] ze, toen hij zestig jaar oud was; en zij baarde hem Segub. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v21)

**22** Segub nu verwekte[^1kronieken-2-22-22] Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v22)

**23** En hij nam Gesur en Aram, met de plaatsen van Jaïr, daarvan, met[^1kronieken-2-23-23] Kenath en haar[^1kronieken-2-23-24] bijbehorende plaatsen, zestig steden.[^1kronieken-2-23-25] Deze allen zijn[^1kronieken-2-23-26] zonen van Machir, de vader van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v23)

**24** En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons[^1kronieken-2-24-27] huisvrouw,[^1kronieken-2-24-28] hem ook gebaard Asschur, de vader van[^1kronieken-2-24-29] Thekoa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v24)

**25** De kinderen van Jerahmeël nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem[^1kronieken-2-25-30] en Ahia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v25)

**26** Jerahmeël had nog een andere vrouw, van wie de naam Atara was; zij was de moeder van Onam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v26)

**27** En de kinderen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v27)

**28** En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v28)

**29** De naam nu van de huisvrouw van Abisur was Abihaïl: die baarde hem Achban en Molid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v29)

**30** En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v30)

**31** En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de[^1kronieken-2-31-31] kinderen van Sesan,[^1kronieken-2-31-32] Achlai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v31)

**32** En de kinderen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v32)

**33** De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v33)

**34** En Sesan had geen zonen, maar[^1kronieken-2-34-33] dochters. En Sesan had een Egyptische knecht, van wie de naam Jarha was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v34)

**35** Sesan nu gaf zijn[^1kronieken-2-35-34] dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v35)

**36** Attai nu verwekte Nathan, en Nathan verwekte[^1kronieken-2-36-35] Zabad, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v36)

**37** En Zabad verwekte Eflal, en Eflal verwekte Obed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v37)

**38** En Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v38)

**39** En Azaria verwekte Helez, en Helez verwekte Elasa, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v39)

**40** En Elasa verwekte Sismai, en Sismai verwekte Sallum, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v40)

**41** En Sallum verwekte Jekamja, en Jekamja verwekte Elisama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v41)

**42** De[^1kronieken-2-42-36] kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de[^1kronieken-2-42-37] vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v42)

**43** De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v43)

**44** Sema nu verwekte Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem verwekte Sammai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v44)

**45** De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van[^1kronieken-2-45-38] Beth-Zur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v45)

**46** En Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran verwekte Gazez. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v46)

**47** [^1kronieken-2-47-39] De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v47)

**48** [^1kronieken-2-48-40] Uit de bijvrouw Maächa verwekte Kaleb: Seber en Tirhana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v48)

**49** En de huisvrouw van[^1kronieken-2-49-41] Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibeä; en de dochter van Kaleb was[^1kronieken-2-49-42] Achsa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v49)

**50** Dit waren de kinderen[^1kronieken-2-50-43] van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal,[^1kronieken-2-50-44] de vader van Kirjath-jearim; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v50)

**51** Salma, de[^1kronieken-2-51-45] vader van de[^1kronieken-2-51-46] Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v51)

**52** De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe[^1kronieken-2-52-47] en Hazihammenuchoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v52)

**53** En de geslachten van Kirjath-jearim waren de[^1kronieken-2-53-48] Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van deze zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v53)

**54** [^1kronieken-2-54-49] De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten,[^1kronieken-2-54-50] Atroth, Beth-Joab, en de helft van de Manathieten, en de Zorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v54)

**55** En de huisgezinnen[^1kronieken-2-55-51] van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de[^1kronieken-2-55-52] Kenieten, die gekomen zijn van[^1kronieken-2-55-53] Hammath, de vader van het huis van[^1kronieken-2-55-54] Rechab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/2.html#v55)

[^1kronieken-2-1-a]: Verwijzing a: Gen. 29:32 ; Gen. 30:5 ; Gen. 35:18 ; idem 35:22 ; Gen. 46:8 . Genesis 29:32 : En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat YHWH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. Genesis 30:5 : En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. Genesis 35:22 : En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijn vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. Genesis 46:8 : En dit zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.
[^1kronieken-2-3-1]: Kanttekening 1: kinderen van Juda: Ofschoon Juda de oudste onder de kinderen van Jakob niet is geweest, nochtans begint de schrijver van dit boek de beschrijving van het geslachtsregister van de kinderen van Jakob van Juda af, zo ten aanzien van de koninklijke waardigheid, die zijn nakomelingen wordt beloofd, Gen. 49:8 , alsook daarom, omdat Christus uit de stam van Juda zou geboren worden. Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich uw vaders zonen nederbuigen.
[^1kronieken-2-3-b]: Verwijzing b: Gen. 38:3 ; Gen. 46:12 ; Num. 26:19 . Genesis 38:3 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er. Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. Numeri 26:19 : De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän.
[^1kronieken-2-4-c]: Verwijzing c: Gen. 38:28 ; idem v. 29 ; Matt. 1:3 . Genesis 38:28 : En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelfde, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. Genesis 38:29 : Maar het geschiedde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram;
[^1kronieken-2-5-d]: Verwijzing d: Gen. 46:12 . Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^1kronieken-2-6-2]: Kanttekening 2: Joz. 7:1 wordt hij Zabdi genoemd, en was de vader van Charmi, van denwelken vers 7 gesproken wordt. Jozua 7:1 : Maar de kinderen van Israël overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van YHWH tegen de kinderen van Israël. 1 Kronieken 2:7 : En de kinderen van Charmi waren Achar, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.
[^1kronieken-2-6-3]: Kanttekening 3: Hij wordt Darda genoemd, 1 Kon. 4:31 . 1 Koningen 4:31 : Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.
[^1kronieken-2-7-4]: Kanttekening 4: Joz. 7:1 wordt hij Achan genoemd, maar hier Achar, dat is, beroerder, of verstoorder, zie Joz. 7:25 . Jozua 7:1 : Maar de kinderen van Israël overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van YHWH tegen de kinderen van Israël. Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.
[^1kronieken-2-7-5]: Kanttekening 5: Of, verstoorder .
[^1kronieken-2-7-e]: Verwijzing e: Joz. 7:25 . Jozua 7:25 : En Jozua zei: Hoe hebt u ons beroerd? De YHWH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.
[^1kronieken-2-8-6]: Kanttekening 6: De kinderen: Hier staat kinderen, of zonen in het getal van velen, daar nochtans maar één genoemd wordt, zo ook Gen. 46:23 . Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim.
[^1kronieken-2-9-7]: Kanttekening 7: Hij wordt Aram genoemd, Matt. 1:3 ; Luk. 3:33 . Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram; Lukas 3:33 : De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda,
[^1kronieken-2-9-8]: Kanttekening 8: Anders, Kaleb, vers 18 , 2:42 . 1 Kronieken 2:18 : Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon. 1 Kronieken 2:42 : De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron.
[^1kronieken-2-10-f]: Verwijzing f: Ruth 4:19 ; Matt. 1:3 ; idem v. 4 . Ruth 4:19 : En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab; Mattheüs 1:3 : En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram; Mattheüs 1:4 : En Aram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahasson, en Nahasson verwekte Salmon;
[^1kronieken-2-10-g]: Verwijzing g: Num. 1:7 ; Num. 2:3 . Numeri 1:7 : Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn.
[^1kronieken-2-11-9]: Kanttekening 9: Ruth 4:21 , en Matt. 1:4 , wordt hij Salmon genoemd. Ruth 4:21 : En Salmon verwekte Boaz, en Boaz verwekte Obed; Mattheüs 1:4 : En Aram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahasson, en Nahasson verwekte Salmon;
[^1kronieken-2-13-10]: Kanttekening 10: Anders, Elihu, 1 Kron. 27:18 . 1 Kronieken 27:18 : Over Juda was Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michaël;
[^1kronieken-2-13-11]: Kanttekening 11: Ook Samma, 1 Sam. 16:9 , genoemd. 1 Samuël 16:9 : Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen.
[^1kronieken-2-15-12]: Kanttekening 12: 1 Sam. 16:10 , 16:11 , en 1 Sam. 17:12 , worden acht zonen van Isaï geteld. Het kan zijn, dat één zonder kinderen na te laten gestorven mag zijn, of dat hij hier is uitgelaten om nadere redenen, ons onbekend. 1 Samuël 16:10 : Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar Samuël zei tot Isaï: YHWH heeft deze niet gekozen. 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. 1 Samuël 17:12 : David nu was de zoon van de Efrathische man van Bethlehem-juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.
[^1kronieken-2-16-13]: Kanttekening 13: Abigal, 2 Sam. 17:25 . 2 Samuël 17:25 : En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over de legermacht. Amasa nu was de zoon van een man, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
[^1kronieken-2-16-14]: Kanttekening 14: Of, Abisai.
[^1kronieken-2-17-15]: Kanttekening 15: Anders, Jethro, hij wordt hier een Ismaëliet genoemd, omdat hij van het geslacht Ismaëls was, maar 2 Sam. 17:25 , wordt hij een Israëliet genoemd, omdat hij de Israëlietische religie had aangenomen. 2 Samuël 17:25 : En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over de legermacht. Amasa nu was de zoon van een man, wiens naam was Jethra, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
[^1kronieken-2-18-16]: Kanttekening 16: Hij is die Kaleb niet, die Mozes heeft uitgezonden om het land Kanaän te verspieden, Num. 13:6 , want die was de zoon van Jefunne, van welke hierna 1 Kron. 4:15 zal gesproken worden; maar in vers 18 wordt gesproken van Kaleb, de zoon van Hezron, en hij wordt vers 9 genoemd Chelubai. Numeri 13:6 : Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne. 1 Kronieken 4:15 : De kinderen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz. 1 Kronieken 2:18 : Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon. 1 Kronieken 2:9 : En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai.
[^1kronieken-2-18-17]: Kanttekening 17: zonen van deze: Te weten, die hij bij Jerioth gewonnen heeft; want de kinderen, die hij bij Azuba gewonnen heeft, worden hierna vers 42 verhaald. 1 Kronieken 2:42 : De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron.
[^1kronieken-2-20-h]: Verwijzing h: Ex. 31:2 . Exodus 31:2 : Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda.
[^1kronieken-2-21-18]: Kanttekening 18: ging Hezron in: Dat is, hij besliep haar, of hij bekende haar, gelijk de Heilige Schrift spreekt, Gen. 4:1 , en Gen. 6:4 . Genesis 4:1 : En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^1kronieken-2-21-19]: Kanttekening 19: Hij is geweest een zoon van Manasse.
[^1kronieken-2-21-20]: Kanttekening 20: Dat is, naar sommiger gevoelen, zoveel als hoofd, overste, regent. Zo in verscheidene volgende plaatsen. Anderen verstaan hier door Gilead de eigenlijke zoon van Machir. Zie Num. 26:29 , 26:30 , zo onder, 1 Kron. 7:14 . Numeri 26:29 : De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten. Numeri 26:30 : Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten. 1 Kronieken 7:14 : De kinderen van Manasse waren Asriël, welke de vrouw van Gilead baarde; maar zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead.
[^1kronieken-2-21-21]: Kanttekening 21: toen hij zestig jaren oud was: Hebreeuws, תֵּ֥לֶד, toen hij een zoon was van zestig jaar.
[^1kronieken-2-22-22]: Kanttekening 22: Die een zoon van Manasse genoemd wordt, Num. 32:41 , omdat zijn grootmoeder van de stam van Manasse was, te weten een dochter van Machir, vers 21 . Maar Machir was een zoon van Manasse; Num. 26:29 . Numeri 32:41 : Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr. 1 Kronieken 2:21 : Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub. Numeri 26:29 : De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten.
[^1kronieken-2-23-23]: Kanttekening 23: Een Nobach heeft deze stad ingenomen, Num. 32:42 . Dit is eertijds een machtige stad geweest, gelijk daaraan blijkt, dat zij zestig steden onder haar gebied gehad heeft. Numeri 32:42 : En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.
[^1kronieken-2-23-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, dochters, gelijk elders dikwijls.
[^1kronieken-2-23-25]: Kanttekening 25: Te weten, de zonen van Hezron, die straks genoemd zijn, te weten, Segub, Jaïr, alsook Nobach, die genoemd wordt Num. 32:42 . Numeri 32:42 : En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.
[^1kronieken-2-23-26]: Kanttekening 26: Zij waren zonen van Machir van hun moeders zijde, want hun moeder was een dochter van Machir, maar van huns vaders zijde waren zij van de stam van Juda.
[^1kronieken-2-24-27]: Kanttekening 27: Anders, als Kaleb Efrata had , of getrouwd of genomen had.
[^1kronieken-2-24-28]: Kanttekening 28: Dit schijnt een plaats geweest te zijn door Kaleb genoemd naar hem en zijn huisvrouw.
[^1kronieken-2-24-29]: Kanttekening 29: Dat is, van welke de inwoners van Thekoa gesproten zijn. Zie van de stad Thekoa 2 Sam. 14:2 , in de aantekening. Het schijnt dat deze Asschur geboren is na de dood van zijn vader Hezron. 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
[^1kronieken-2-25-30]: Kanttekening 30: Anders, uit, of van Ahia, houdende dat deze was moeder van de straks genoemde kinderen. Zie het volgende.
[^1kronieken-2-31-31]: Kanttekening 31: Hier en elders meer wordt het woord kinderen in het getal van velen gesteld, daar nochtans maar één zoon of dochter gemeend wordt, gelijk boven, vers 8 , en onder, vers 34 . Zo wordt ook Gen. 21:7 , en Gen. 46:23 kinderen of zonen, in het getal van velen gesteld voor een kind of zoon. 1 Kronieken 2:8 : De kinderen van Ethan nu waren Azaria. 1 Kronieken 2:34 : En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim.
[^1kronieken-2-31-32]: Kanttekening 32: Dit was een dochter, gelijk uit vers 34 , 2:35 is af te nemen. 1 Kronieken 2:34 : En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. 1 Kronieken 2:35 : Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
[^1kronieken-2-34-33]: Kanttekening 33: Dat is, een dochter, Achlai genoemd, vers 31 . 1 Kronieken 2:31 : En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
[^1kronieken-2-35-34]: Kanttekening 34: Genoemd Achlai, vers 31 . 1 Kronieken 2:31 : En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
[^1kronieken-2-36-35]: Kanttekening 35: 1 Kron. 11:41 , wordt opnieuw zijn gedacht. 1 Kronieken 11:41 : Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
[^1kronieken-2-42-36]: Kanttekening 36: kinderen van Kaleb: Te weten, die hij bij Hazuba gewonnen heeft; want die hij bij Jerioth gewonnen heeft, zijn verhaald vers 18 , en die hij bij Efrath gewonnen heeft, worden verhaald vers 19 , 2:20 . 1 Kronieken 2:18 : Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon. 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 1 Kronieken 2:20 : En Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël.
[^1kronieken-2-42-37]: Kanttekening 37: vader van Zif: Dat is, van welke de inwoners van Zif hun oorsprong genomen hebben; welke stad gelegen was in de stam van Juda, Joz. 15:55 . Zie de aantekening op 1 Sam. 23:19 . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is?
[^1kronieken-2-45-38]: Kanttekening 38: Dat is, van de Bethzurieten, of van de inwoners van Bethzur, een stad gelegen in de stam van Juda; Joz. 15:58 . Jozua 15:58 : Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
[^1kronieken-2-47-39]: Kanttekening 39: De kinderen van Jochdai: Anders, en de kinderen \[van Moza\] waren Jochdai, welks kinderen zijn Regem.
[^1kronieken-2-48-40]: Kanttekening 40: Uit het bijwijf Maächa: Anders, Maächa, Kalebs bijwijf, baarde Seber, enz.
[^1kronieken-2-49-41]: Kanttekening 41: vader van Madmanna: Madmanna, Machbena en Gibeä zijn namen van steden in de stam van Juda, zodat men door vader in vers 49 moet verstaan de eerste inwoner en voorplanter van deze steden, van welke de inwoners dier steden voortgekomen zijn, gelijk vers 42 , 2:45 , 2:51 , 2:52 . 1 Kronieken 2:49 : En de huisvrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibeä; en de dochter van Kaleb was Achsa. 1 Kronieken 2:42 : De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron. 1 Kronieken 2:45 : De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur. 1 Kronieken 2:51 : Salma, de vader van de Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader. 1 Kronieken 2:52 : De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
[^1kronieken-2-49-42]: Kanttekening 42: Deze was de oudste dochter van de eerste Kaleb.
[^1kronieken-2-50-43]: Kanttekening 43: Deze Kaleb is de tweede van die naam, een zoon van Hur, die Kaleb, de eerste van die naam, had gewonnen bij zijn bijwijf Efrath, vers 19 . Zodat deze Kaleb, van welke in vers 50 gesproken wordt, was een zoonszoon van de eerste Kaleb. 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 1 Kronieken 2:50 : Dit waren de kinderen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;
[^1kronieken-2-50-44]: Kanttekening 44: de vader van Kirjath-Jearim: Dat is, van de Israëlieten, die in Kiriath-Jearim gewoond hebben.
[^1kronieken-2-51-45]: Kanttekening 45: vader van de Bethlehemieten: Versta dit zo, dat deze Salma maar ten dele vader van de inwoners van Bethlehem geweest is; want Boas de Bethlehemiet was van een anderen Salma, die de zoon van Nahesson was. Zie vers 11 . 1 Kronieken 2:11 : En Nahesson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz,
[^1kronieken-2-51-46]: Kanttekening 46: Onder, 1 Kron. 4:4 , wordt hij Penuël genoemd. 1 Kronieken 4:4 : En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem.
[^1kronieken-2-52-47]: Kanttekening 47: Anders, de helft van Menuchoth; dat is van diegenen, die de helft van het land Menuchoth bewoonden. Dat Menuchot een zeker landschap geweest is, nemen enige af uit 1 Kron. 8:6 , waar het genoemd wordt Manahath. Het was gelegen aan de grenzen van Juda, Benjamin en Dan. 1 Kronieken 8:6 : Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren familiehoofden van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;
[^1kronieken-2-53-48]: Kanttekening 48: Deze en de navolgende schijnen geslachten of huizen geweest te zijn in de stad Kiriath-Jearim, die van Sobal zijn voortgekomen.
[^1kronieken-2-54-49]: Kanttekening 49: De kinderen van Salma: Dat is, de nakomelingen.
[^1kronieken-2-54-50]: Kanttekening 50: Zie Joz. 16:2 , 16:5 , 16:7 . Jozua 16:2 : En het komt van Beth-el uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale van de Archiets, tot Ataroth toe; Jozua 16:5 : De landpale nu van de kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-addar tot aan het bovenste Beth-horon. Jozua 16:7 : En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.
[^1kronieken-2-55-51]: Kanttekening 51: van de schrijvers: Deze schrijvers waren afkomstig van Jethro, de schoonvader van Mozes, en zij woonden als vreemdelingen onder het volk van God. En opdat zij ook enige dienst het volk van God deden, zo waren zij gesteld tot schrijvers, dat is, als publieke notarissen, die contracten en dergelijke acten stelden en daarvan boek hielden. Zij worden hier verhaald, omdat zij onder de stam van Juda woonden. Zie Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^1kronieken-2-55-52]: Kanttekening 52: Dat is, de nakomelingen van Jethro, Richt. 1:16 . Richteren 1:16 : De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
[^1kronieken-2-55-53]: Kanttekening 53: Deze Hamath schijnt geweest te zijn één van de voornaamsten onder de Kenieten, en een vader van de Rechabieten, die hun woning in de stam van Juda genomen hadden. Zie Jer. 35:2 . En worden zo deze Kenieten onderscheiden van de Kenieten, die van Theber afkomstig waren en hadden hun woning genomen bij Kedes in de stam van Nafthali of van Manasse. Zie Richt. 4:11 . Jeremia 35:2 : Ga heen tot het huis van de Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van YHWH, in één van de kamers, en geef hun wijn te drinken. Richteren 4:11 : Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in Zaanaim, die bij Kedes is.
[^1kronieken-2-55-54]: Kanttekening 54: Van Rechab of de Rechabieten, zie Jer. 35:2 . Jeremia 35:2 : Ga heen tot het huis van de Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van YHWH, in één van de kamers, en geef hun wijn te drinken.

### 1 Kronieken 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/3.json)

*De zonen van David, vers 1 enz. De koningen van Juda van Salomo tot aan Zedekia, 10. De nakomelingen van Jechonia, ook wel Jojachin genoemd, 17.*

**1** Deze nu waren de kinderen van David, die[^1kronieken-3-1-a] hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de[^1kronieken-3-1-1] Jizreëlietische; de tweede[^1kronieken-3-1-2] Daniël, van Abigaïl, de[^1kronieken-3-1-3] Karmelietische; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v1)

**2** De derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v2)

**3** De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn[^1kronieken-3-3-4] huisvrouw Egla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v3)

**4** Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v4)

**5** [^1kronieken-3-5-b] Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren:[^1kronieken-3-5-5] Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van[^1kronieken-3-5-6] Bath-sua, de dochter[^1kronieken-3-5-7] van Ammiël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v5)

**6** Daartoe Jibchar, en[^1kronieken-3-6-8] Elisama, en Elifelet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v6)

**7** En Nogah, en Nefeg, en Jafia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v7)

**8** En Elisama, en[^1kronieken-3-8-9] Eljada, en Elifelet, negen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v8)

**9** Deze allen zijn zonen van David, afgezien van de kinderen van de bijvrouwen, en[^1kronieken-3-9-10] Thamar hun zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v9)

**10** [^1kronieken-3-10-11] Salomo's zoon nu was[^1kronieken-3-10-c] Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v10)

**11** Zijn zoon was[^1kronieken-3-11-d] Joram; zijn zoon was[^1kronieken-3-11-12] Ahazia; zijn zoon was Joas; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v11)

**12** Zijn zoon was[^1kronieken-3-12-13][^1kronieken-3-12-e] Amazia; zijn zoon was[^1kronieken-3-12-14] Azaria; zijn zoon was Jotham; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v12)

**13** [^1kronieken-3-13-f] Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was[^1kronieken-3-13-15] Hizkia; zijn zoon was Manasse; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v13)

**14** [^1kronieken-3-14-g] Zijn zoon was Amon; zijn zoon was[^1kronieken-3-14-16] Josia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v14)

**15** De[^1kronieken-3-15-h] zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene[^1kronieken-3-15-17] Johanan, de tweede[^1kronieken-3-15-18] Jojakim, de derde[^1kronieken-3-15-19] Zedekia, de vierde Sallum. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v15)

**16** De kinderen van Jojakim nu waren:[^1kronieken-3-16-20][^1kronieken-3-16-i] Jechonia zijn zoon,[^1kronieken-3-16-21] Zedekia zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v16)

**17** En de[^1kronieken-3-17-k] kinderen van Jechonia waren[^1kronieken-3-17-22] Assir; zijn zoon was Sealthiël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v17)

**18** [^1kronieken-3-18-23] Van deze zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v18)

**19** De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simeï; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hun zus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v19)

**20** En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed;[^1kronieken-3-20-24] vijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v20)

**21** De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v21)

**22** De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat;[^1kronieken-3-22-25] zes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v22)

**23** En de kinderen van Nearja waren Eljoënai, en Hizkia, en Azrikam; drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v23)

**24** En de kinderen van Eljoënai waren[^1kronieken-3-24-26] Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/3.html#v24)

[^1kronieken-3-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 3:2 . 2 Samuël 3:2 : En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische;
[^1kronieken-3-1-1]: Kanttekening 1: Jizreël was een stad in de stam van Juda; Joz. 15:56 . Jozua 15:56 : En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah,
[^1kronieken-3-1-2]: Kanttekening 2: Hij wordt Chiliab genoemd 2 Sam. 3:3 . 2 Samuël 3:3 : En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;
[^1kronieken-3-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, die geboortig waren van Karmel, een stad in Juda gelegen, Joz. 15:55 , en 1 Sam. 27:3 . Jozua 15:55 : Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 1 Samuël 27:3 : En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een ieder met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.
[^1kronieken-3-3-4]: Kanttekening 4: huisvrouw Egla: Het woord huisvrouw, of het wel alleen hier staat, zo past het nochtans ook op de vrouwen in de naast voorgaande verzen genoemd.
[^1kronieken-3-5-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 5:14 . 2 Samuël 5:14 : En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.
[^1kronieken-3-5-5]: Kanttekening 5: Anders, Schammua genoemd, 2 Sam. 5:14 . 2 Samuël 5:14 : En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.
[^1kronieken-3-5-6]: Kanttekening 6: Deze wordt ook Bathseba genoemd, een dochter van Eliham, 2 Sam. 11:3 . 2 Samuël 11:3 : En David zond heen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, de Hethiet?
[^1kronieken-3-5-7]: Kanttekening 7: Anders, van Eliham; 2 Sam. 11:3 . 2 Samuël 11:3 : En David zond heen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, de Hethiet?
[^1kronieken-3-6-8]: Kanttekening 8: Anders, Elisua; 2 Sam. 5:15 . 2 Samuël 5:15 : En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
[^1kronieken-3-8-9]: Kanttekening 9: Hij wordt Beëliada genoemd, 1 Kron. 14:7 . 1 Kronieken 14:7 : En Elisama, en Beëljada, en Elifelet.
[^1kronieken-3-9-10]: Kanttekening 10: Dit was de zus van Absalom; 2 Sam. 13:1 . 2 Samuël 13:1 : En het geschiedde daarna, zo Absalom, Davids zoon, een schone zus had, van wie de naam was Thamar, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg.
[^1kronieken-3-10-11]: Kanttekening 11: Salomo's zoon: Hier worden voortaan de koningen van Juda gesteld, die van Salomo gekomen zijn, tot op Jechonia.
[^1kronieken-3-10-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 11:43 ; 1 Kon. 14:31 ; 1 Kon. 15:8 ; idem 15:24 . 1 Koningen 11:43 : Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 1 Koningen 14:31 : En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David; en de naam zijn moeder was Naäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 15:8 : En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 15:24 : En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.
[^1kronieken-3-11-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 8:16 ; 2 Kon. 8:25 ; 2 Kon. 11:2 . 2 Koningen 8:16 : In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren. 2 Koningen 8:25 : In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, de koning van Juda, te regeren. 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de koning zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.
[^1kronieken-3-11-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, Achazjahu.
[^1kronieken-3-12-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Amatsiahu.
[^1kronieken-3-12-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 12:21 ; 2 Kon. 14:21 ; 2 Kon. 15:7 . 2 Koningen 12:21 : Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. 2 Koningen 15:7 : En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
[^1kronieken-3-12-14]: Kanttekening 14: Anders, Uzzija; 2 Kon. 15:30 , 15:34 . 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Koningen 15:34 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
[^1kronieken-3-13-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 15:38 ; 2 Kon. 16:20 ; 2 Kon. 20:21 ; 2 Kon. 21:18 . 2 Koningen 15:38 : En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 16:20 : En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van David; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 20:21 : En Hizkia ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 21:18 : En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de hof van zijn huis, in de hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
[^1kronieken-3-13-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, Chizkiahu.
[^1kronieken-3-14-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 22:1 . 2 Koningen 22:1 : Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jedida, een dochter van Adaja, van Bozkath.
[^1kronieken-3-14-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, Josijahu.
[^1kronieken-3-15-h]: Verwijzing h: 2 Kon. 23:30 ; idem v. 34 . 2 Koningen 23:30 : En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijn vaders plaats. 2 Koningen 23:34 : Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar.
[^1kronieken-3-15-17]: Kanttekening 17: Hij wordt Joahaz genoemd, 2 Kon. 23:30 ; ook Salium, Jer. 22:11 . 2 Koningen 23:30 : En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijn vaders plaats. Jeremia 22:11 : Want zo zegt YHWH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.
[^1kronieken-3-15-18]: Kanttekening 18: Hij wordt ook Eljakim genoemd, 2 Kon. 23:34 . 2 Koningen 23:34 : Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar.
[^1kronieken-3-15-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, Tsidkijahu. Hij wordt Mathania genoemd, 2 Kon. 24:17 . 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^1kronieken-3-16-20]: Kanttekening 20: Hij wordt ook Jojachin genoemd, 2 Kon. 24:6 , en door kleinachting Chonia; Jer. 22:24 , 22:28 . 2 Koningen 24:6 : En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. Jeremia 22:24 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. Jeremia 22:28 : Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
[^1kronieken-3-16-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 24:6 ; idem v. 17 . 2 Koningen 24:6 : En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^1kronieken-3-16-21]: Kanttekening 21: Deze zou, naar sommiger gevoelen, dezelfde Zedekia zijn, die in vers 15 genoemd is de zoon van Josia en oom van Jechonia, 2 Kon. 24:17 ; maar hier genoemd een zoon van Jechonia, omdat hij hem in het koninkrijk gevolgd is, gelijk de kinderen hun vader in de erfgoederen volgen. Zo zou ook Sealthiël een zoon van Jechonia genoemd worden, omdat hij hem in de vorstelijke regering als naaste erfgenaam, gevolgd is. En Jechonia zou te Babel zonder kinderen gestorven zijn, uit Jer. 22:30 ; en Sealthiël eigenlijk een zoon geweest zijn van Neri, van de nakomelingen van Nathan, de zoon van David, de broer van Salomo, Luk. 3:27 , 3:31 . Anderen zeggen dat deze Zedekia vers 16 een ander is dan vers 15 staat. Ten eerste, omdat in geen geslachtsregister aan een zoon twee vaders uitdrukkelijk worden toegeschreven; ten tweede, omdat de oom niet kan wezen de zoon van zijn neef, en dat \[naar hun gevoelen\] nog geen exempel in enig geslachtsregister is bevonden, waar het woord zoon \[hoewel het anders verscheidenlijk gebruikt wordt\] een navolger in de regering zou betekenen. Want Sealthiël, vers 17 , de zoon van Jechonia eigenlijk genoemd wordt, omdat hij van hem gegenereerd is, Matt. 1:12 , en verscheiden is van een anderen Sealthiël, Luk. 3 , die gegenereerd is van Neri, Luk. 3:27 , zodat dezelfde namen geen zeker teken zijn van dezelfde personen, gelijk te zien is Luk. 3:24 , vergelijk met Luk. 3:29 , en 1 Kron. 6:7 , 6:9 , vergelijk met vers 11 , 3:12 . Gelijk ook Jer. 22 aan Jechonia zaad wordt toegeschreven, Jer. 22:28 , 22:30 , waartegen het Hebreeuwse woord Ariri \[daar gebruikt\] niet strijdt, dat betekent ontbloot, somwijlen ten aanzien van kinderen, somwijlen ten aanzien van land en goed, dat is, uitgeworpen, dat met Jer. 22:28 overeenkomt. Van deze beide gevoelens zal de verstandige lezer mogen oordelen. 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, Lukas 3:31 : De zoon van Meleas, de zoon van Mainan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David, 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 1 Kronieken 3:17 : En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel; Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, Lukas 3:24 : De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, Lukas 3:29 : De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi, 1 Kronieken 6:7 : En Merajoth verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; 1 Kronieken 6:9 : En Ahimaäz verwekte Azarja, en Azarja verwekte Johanan; 1 Kronieken 3:11 : Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas; 1 Kronieken 3:12 : Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham; Jeremia 22:28 : Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen? Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. Jeremia 22:28 : Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
[^1kronieken-3-17-k]: Verwijzing k: Matt. 1:11 ; idem v. 12 . Mattheüs 1:11 : En Josias verwekte Jechonias, en zijn broers, omtrent de Babylonische overvoering. Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel;
[^1kronieken-3-17-22]: Kanttekening 22: Anders, van de gevangene; hij is gevankelijk naar Babylon gevoerd; 2 Kon. 24:15 . 2 Koningen 24:15 : Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;
[^1kronieken-3-18-23]: Kanttekening 23: Van deze zonen : Te weten, Sealthiëls.
[^1kronieken-3-20-24]: Kanttekening 24: Hij wil niet zeggen dat deze vijf zijn geweest Zerubbabels zonen, zij zijn Mesullams zonen geweest, en Zerubbabel is hun bestevader geweest.
[^1kronieken-3-22-25]: Kanttekening 25: Onder deze zes moet Semaja zelf mee gerekend worden; Semaja was, eigenlijk te spreken, de zoon van Sechanja, de anderen waren zijn neven.
[^1kronieken-3-24-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, Hodojevahu. Behalve de bovenverhaalde eigennamen, die bij de Hebreën in hu uitgaan, zijn er nog vele in de Bijbelse historiën, welke allemaal aan te tekenen, te lang en de lezer verdrietig vallen zou.

### 1 Kronieken 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/4.json)

*De zonen en nakomelingen van Juda, van Kaleb de zoon van Hur, vers 1 enz. van Assur, 5. van Jabez, en van zijn gebed, 9. De nakomelingen van Selah, 21. De nakomelingen, steden en dorpen van Simeon, 24. Ook hoe zij Gedor en de weidelanden daaromheen innamen, 39. en de overgebleven Amalekieten versloegen en het gebergte Seïr innamen, 42.*

**1** De[^1kronieken-4-1-a] kinderen van Juda waren[^1kronieken-4-1-1] Perez, Hezron en[^1kronieken-4-1-2] Charmi, en[^1kronieken-4-1-3] Hur, en Sobal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v1)

**2** En[^1kronieken-4-2-4] Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jahath, en Jahath verwekte Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen van[^1kronieken-4-2-5] de Zorathieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v2)

**3** En deze zijn van de vader[^1kronieken-4-3-6] Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam van hun zus was Hazelelponi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v3)

**4** En[^1kronieken-4-4-7] Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van[^1kronieken-4-4-8] Husah. Dit zijn de kinderen van[^1kronieken-4-4-9] Hur, de eerstgeborene van[^1kronieken-4-4-10] Efratha, de vader van Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v4)

**5** [^1kronieken-4-5-11] Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naära. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v5)

**6** En Naära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haähastari. Dit zijn de kinderen van Naära. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v6)

**7** En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v7)

**8** En Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de[^1kronieken-4-8-12] huisgezinnen van Aharlel, de zoon van Harum. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v8)

**9** [^1kronieken-4-9-13] Jabez nu was heerlijker dan zijn broers; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want[^1kronieken-4-9-14] ik heb hem met smarten gebaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v9)

**10** [^1kronieken-4-10-15] Want Jabez riep de God van Israël aan, zeggende: Als U mij rijk zegenen, en mijn gebied vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade zo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.[^1kronieken-4-10-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v10)

**11** En Chelub, de broer van[^1kronieken-4-11-17] Suha, verwekte Mechir; hij is de vader van Eston. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v11)

**12** Eston nu verwekte Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna,[^1kronieken-4-12-18] de vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v12)

**13** En de[^1kronieken-4-13-b] kinderen[^1kronieken-4-13-19] van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath.[^1kronieken-4-13-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v13)

**14** En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de[^1kronieken-4-14-21] vader van het dal van[^1kronieken-4-14-22] de werkmeesters; want[^1kronieken-4-14-23] zij[^1kronieken-4-14-24] waren werkmeesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v14)

**15** De[^1kronieken-4-15-25] kinderen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te[^1kronieken-4-15-26] weten Kenaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v15)

**16** En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v16)

**17** En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en[^1kronieken-4-17-27] zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, de vader van Esthemoa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v17)

**18** En zijn[^1kronieken-4-18-28] Joodse huisvrouw baarde Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah; en[^1kronieken-4-18-29] die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v18)

**19** En de kinderen van de[^1kronieken-4-19-30] huisvrouw Hodija, de zus van Naham, waren Abi-kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maächathiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v19)

**20** En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en[^1kronieken-4-20-31] Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-zoheth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v20)

**21** [^1kronieken-4-21-c] De kinderen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis van[^1kronieken-4-21-32] de linnenwerkers in het huis Asbea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v21)

**22** Daartoe Jokim, en de mannen van[^1kronieken-4-22-33] Chozeba, en Joas, en Saraf[^1kronieken-4-22-34] (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem;[^1kronieken-4-22-35] maar deze dingen zijn oud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v22)

**23** Deze waren pottenbakkers, wonend bij plantages en[^1kronieken-4-23-36] tuinen; zij zijn daar gebleven[^1kronieken-4-23-37] bij de koning[^1kronieken-4-23-38] in zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v23)

**24** De kinderen van Simeon waren[^1kronieken-4-24-39] Nemuël en Jamin,[^1kronieken-4-24-40] Jarib,[^1kronieken-4-24-41] Zerah, Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v24)

**25** Sallum was zijn zoon;[^1kronieken-4-25-42] Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v25)

**26** De kinderen van Misma waren deze: Hammuël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v26)

**27** Simeï nu had zestien zonen en zes dochters; maar zijn broers hadden niet veel kinderen; en hun hele huisgezin werd[^1kronieken-4-27-43] zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v27)

**28** En[^1kronieken-4-28-44] zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-sual, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v28)

**29** En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v29)

**30** En te Bethuël, en te Horma, en te Ziklag, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v30)

**31** En te Beth-markaboth, en te Hazar-susim, en te Beth-biri, en te Saäraim. Dit waren hun steden,[^1kronieken-4-31-45] totdat David koning werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v31)

**32** En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf[^1kronieken-4-32-46] steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v32)

**33** En al haar dorpen, die in de omloop van deze steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v33)

**34** Maar Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v34)

**35** En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v35)

**36** En Eljoënai, en Jaäkoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiël, en Jesimeël, en Benaja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v36)

**37** En Ziza, de zoon van Sifeï, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v37)

**38** [^1kronieken-4-38-47] Deze[^1kronieken-4-38-48] kwamen tot namen, waren vorsten in hun huisgezinnen, en de[^1kronieken-4-38-49] huisgezinnen van hun vaders braken uit in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v38)

**39** En zij gingen tot aan de ingang van[^1kronieken-4-39-50] Gedor tot het oosten[^1kronieken-4-39-51] van het dal, om weide te zoeken voor hun schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v39)

**40** En zij vonden vette en goede weide, en een land,[^1kronieken-4-40-52] wijd van begrip, en stil, en gerust; want[^1kronieken-4-40-53] die van Cham woonden daar te voren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v40)

**41** Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda, en zij sloegen[^1kronieken-4-41-54] de tenten en woningen van degenen, die daar gevonden werden; en zij[^1kronieken-4-41-55] verbanden[^1kronieken-4-41-56] hen, tot op deze dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v41)

**42** Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Uzziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v42)

**43** En zij sloegen[^1kronieken-4-43-57] de overigen van de ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden daar tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/4.html#v43)

[^1kronieken-4-1-a]: Verwijzing a: Gen. 38:29 ; Gen. 46:12 ; 1 Kron. 2:4 . Genesis 38:29 : Maar het geschiedde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. 1 Kronieken 2:4 : Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
[^1kronieken-4-1-1]: Kanttekening 1: Perez is, eigenlijk te spreken, de zoon van Juda geweest, maar die na hem hier genoemd zijn, zijn uit Perez gesproten.
[^1kronieken-4-1-2]: Kanttekening 2: Hij wordt Chelubai genoemd, 1 Kron. 2:9 , en ook Kaleb, 1 Kron. 2:18 . 1 Kronieken 2:9 : En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai. 1 Kronieken 2:18 : Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
[^1kronieken-4-1-3]: Kanttekening 3: Hur is Sobals grootvader geweest, boven, 1 Kron. 2:50 , zodat Kaleb, de zoon van Hur, hier wordt uitgelaten. 1 Kronieken 2:50 : Dit waren de kinderen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim;
[^1kronieken-4-2-4]: Kanttekening 4: Hij wordt Haroë genaamd, een zoon Sobals, 1 Kron. 2:52 . 1 Kronieken 2:52 : De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
[^1kronieken-4-2-5]: Kanttekening 5: Deze hebben gewoond te Zora, gelegen in de stam van Juda; Joz. 15:33 . Jozua 15:33 : In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
[^1kronieken-4-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, die te Etam gewoond heeft. Zie 2 Kron. 11:6 . 2 Kronieken 11:6 : Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,
[^1kronieken-4-4-7]: Kanttekening 7: 1 Kron. 2:51 wordt hij Haref genoemd. 1 Kronieken 2:51 : Salma, de vader van de Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
[^1kronieken-4-4-8]: Kanttekening 8: Hij wordt vers 11 , door een verzetting van de letters, Suha genoemd. 1 Kronieken 4:11 : En Chelub, de broer van Suha, verwekte Mechir; hij is de vader van Eston.
[^1kronieken-4-4-9]: Kanttekening 9: Is te weten, dat deze Hur maar ten dele vader van de Bethlemieten geweest is, want dit wordt ook aan Salma toegeschreven, 1 Kron. 2:51 , 2:54 . Zie de aantekening daar. 1 Kronieken 2:51 : Salma, de vader van de Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader. 1 Kronieken 2:54 : De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft van de Manathieten, en de Zorieten.
[^1kronieken-4-4-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kron. 2:19 . 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
[^1kronieken-4-5-11]: Kanttekening 11: Hij is geboren na de dood van Hezron, zijn vader. Zie 1 Kron. 2:24 . 1 Kronieken 2:24 : En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa.
[^1kronieken-4-8-12]: Kanttekening 12: En Koz: Versta hierbij: En Koz, \[uit vers 8 \] die een zoon van Hela was. Of men kan het begin van vers 8 aldus overzetten, en Koz, \[die\] verwekte Anub. Zie gelijke verzetting 1 Kron. 2:47 , en hieronder, vers 14 . 1 Kronieken 4:8 : En Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, de zoon van Harum. 1 Kronieken 4:8 : En Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, de zoon van Harum. 1 Kronieken 2:47 : De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf. 1 Kronieken 4:14 : En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal van de werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
[^1kronieken-4-9-13]: Kanttekening 13: Hij is één van de voornaamsten, van welke de geslachten Aharhels gekomen zijn, waar vers 8 van staat. 1 Kronieken 4:8 : En Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, de zoon van Harum.
[^1kronieken-4-9-14]: Kanttekening 14: ik heb hem met smarten gebaard: Jabez, omgekeerd uit Jazeb, wordt vertaald, een smartenmaker.
[^1kronieken-4-10-15]: Kanttekening 15: Want Jabez: Dit wordt hier bijgevoegd om te kennen te geven waarom Jabez heerlijker en treffelijker was geworden dan zijn broers, namelijk, omdat hij door het gebed tot God de zegen Gods overvloediger over zijn huis gekregen had.
[^1kronieken-4-10-16]: Kanttekening 16: rijk zegenen: Hebreeuws, בָּרֵ֨ךְ, zegenende mij zegent. Dit is een afgekorte en onvolmaakte manier van spreken, waarin de belofte verzwegen wordt, die deze man aan God gedaan heeft, zo hij de zegening verwierf, waar hij God om bad; gelijk de Hebreën in het eedzweren de straf verzwijgen, die zij zichzelven toewensen zo zij valselijk zweren; zo verzwijgen zij somtijds de beloften in hun wensen. Gen. 28:20 , 28:21 , 28:22 staat het in zijn geheel. Genesis 28:20 : En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken; Genesis 28:21 : En ik in het huis van mijn vader in vrede zal teruggekeerd zijn; zo zal YHWH mij tot een God zijn! Genesis 28:22 : En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
[^1kronieken-4-11-17]: Kanttekening 17: vers 4 Husa. 1 Kronieken 4:4 : En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem.
[^1kronieken-4-12-18]: Kanttekening 18: de vader van: Anders, de vader van de stad Nahas.
[^1kronieken-4-13-b]: Verwijzing b: Joz. 15:17 . Jozua 15:17 : Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
[^1kronieken-4-13-19]: Kanttekening 19: Hij was de vader van Jefunne, wiens zoon was Kaleb, die daarom ook een Keniziet genoemd wordt; Num. 32:12 . Numeri 32:12 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard YHWH na te volgen.
[^1kronieken-4-13-20]: Kanttekening 20: Versta hierbij: Hathath, en Meonothai \[uit vers 14 \], welke naam in het Hebreeuws, niet staat, maar hij moet er noodzakelijk bij verstaan worden. 1 Kronieken 4:14 : En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal van de werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
[^1kronieken-4-14-21]: Kanttekening 21: vader van het dal: Dat is, overste dergenen, die in het dal van de werkmeesters woonden. Zie boven, 1 Kron. 2:21 ; dit dal is gelegen aan het gebied van Juda en Benjamin, zodat het tweeherig was, Neh. 11:35 . 1 Kronieken 2:21 : Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub. Nehemia 11:35 : Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters.
[^1kronieken-4-14-22]: Kanttekening 22: Of, van de smeden. Enige zetten het over ambachtslieden, of handwerklieden, gelijk Neh. 11:35 . Nehemia 11:35 : Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters.
[^1kronieken-4-14-23]: Kanttekening 23: Te weten, de nakomelingen van Joab.
[^1kronieken-4-14-24]: Kanttekening 24: waren werkmeesters: De zin van deze woorden is: Daarom is dit dal genoemd geworden het dal van de timmerlieden, omdat diegenen, die dat bewoonden, timmerlieden waren.
[^1kronieken-4-15-25]: Kanttekening 25: kinderen van Kaleb: Zie Num. 32:12 . Numeri 32:12 : Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard YHWH na te volgen.
[^1kronieken-4-15-26]: Kanttekening 26: Anders, Ukenaz.
[^1kronieken-4-17-27]: Kanttekening 27: zij baarde: Te weten, Bitja, Farao's dochter, Mereds vrouw. Zie vers 18 . 1 Kronieken 4:18 : En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.
[^1kronieken-4-18-28]: Kanttekening 28: Joodse huisvrouw: Deze wordt aldus onderscheiden van Mereds andere huisvrouw, namelijk, van Bitja, die vreemd was, zijnde een dochter van Farao uit Egypte. Enige menen dat dit, te weten, Jehudijah, dat is Joodse of jodin, haar eigen naam geweest is; of immers Hodijah, gelijk zij vers 19 genoemd wordt, dat ook een Jodin betekent. Anderen menen dat Hodijah een derde vrouw van Mereb is geweest, en dat hij zo drieërlei kinderen heeft gehad. 1 Kronieken 4:19 : En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zus van Naham, waren Abi-kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maächathiet.
[^1kronieken-4-18-29]: Kanttekening 29: die zijn: Te weten, die vers 17 genoemd staan. 1 Kronieken 4:17 : En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, de vader van Esthemoa.
[^1kronieken-4-19-30]: Kanttekening 30: huisvrouw Hodija: Anders, de Joodse.
[^1kronieken-4-20-31]: Kanttekening 31: Anders, Tulon.
[^1kronieken-4-21-c]: Verwijzing c: Gen. 38:5 . Genesis 38:5 : En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; maar hij was te Chezib, toen zij hem baarde.
[^1kronieken-4-21-32]: Kanttekening 32: Dat is, dergenen, die daar arbeiden in kostelijk fijn lijnwaad, dat men van fijn Egyptisch vlas maakte. Dit vlas was zo fijn als zijde, en daarom vertalen enige hier, handwerkers in zijde, of zijdewerkers.
[^1kronieken-4-22-33]: Kanttekening 33: Deze stad wordt Chezib genoemd, Gen. 38:5 . Zie de aantekening daar. Genesis 38:5 : En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; maar hij was te Chezib, toen zij hem baarde.
[^1kronieken-4-22-34]: Kanttekening 34: die over de Moabieten: Dat is, die in de plaats van de koning over de Moabieten geheerst hebben.
[^1kronieken-4-22-35]: Kanttekening 35: maar deze dingen: Alsof hij zei: Het is onnodig veel van deze dingen te zeggen of te schrijven, want ofschoon wel velen van deze in hun tijd treffelijke mannen geweest zijn, zo zijn hun nakomelingen zulke slechte en kleinhartige personen geweest, dat zij liever pottenbakkers, hoveniers, enz. geworden zijn, dan dat zij, in hun land wederkerende, hun vaderlijke vrijheid zouden behouden hebben, gelijk vers 23 verhaald wordt. 1 Kronieken 4:23 : Deze waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij de koning in zijn werk.
[^1kronieken-4-23-36]: Kanttekening 36: Of, heggen, heiningen.
[^1kronieken-4-23-37]: Kanttekening 37: bij de koning: Sommigen verstaan hier de koning van de Moabieten, uit vers 22 ; anderen de koning van Babylonië, in dit verstand, dat de nakomelingen van Sela liever in Babylonië zijn gebleven dienende, dan dat zij tehuis komende hun vrijheid zouden genoten hebben; en daaruit besluiten die, dat dit boek van Ezra geschreven is na de Babylonische gevangenis. Anderen verstaan hier door het woord koning, de koning van Juda, welke de nakomelingen van Selah die dienst zouden gedaan hebben, dat zij de hoven van de koningen van Juda en hun tuinbouw hebben waargenomen en verzorgd. 1 Kronieken 4:22 : Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; maar deze dingen zijn oud.
[^1kronieken-4-23-38]: Kanttekening 38: in zijn werk: Te weten, in het beplanten van zijn hoven.
[^1kronieken-4-24-39]: Kanttekening 39: Nemuël en Jamin: Anders, Jemuël.
[^1kronieken-4-24-40]: Kanttekening 40: Anders, Jakin.
[^1kronieken-4-24-41]: Kanttekening 41: Anders, Tsohar. Zie van deze drie Gen. 46:10 . Genesis 46:10 : En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.
[^1kronieken-4-25-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 25:13 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^1kronieken-4-27-43]: Kanttekening 43: zo zeer: Hebreeuws, מִשְׁפַּחְתָּ֔, niet vermenigvuldigd tot de kinderen van Juda toe.
[^1kronieken-4-28-44]: Kanttekening 44: zij woonden: Zie Joz. 19:2 , waar deze steden ook genoemd staan, alhoewel in de namen derzelver wat verandering valt. Jozua 19:2 : En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
[^1kronieken-4-31-45]: Kanttekening 45: totdat David: Anders, zolang als David regeerde. Versta dit zo, te weten, zolang als David en zijn nakomelingen regeerden, en het koninkrijk Juda nog stond, namelijk tot de Babylonische wegvoering; maar als dat is verstoord geworden, zo zijn ook de nakomelingen van Simeon \[die in de stam van Juda woonden\] uit hun woningen verstoord en verdreven.
[^1kronieken-4-32-46]: Kanttekening 46: Te weten, onbemuurde. Anders kan men het voorgaande dus nemen: En naast haar dorpen waren Etham en, enz. vijf steden.
[^1kronieken-4-38-47]: Kanttekening 47: Te weten, die vanaf vers 34 af tot vers 38 genoemd staan. 1 Kronieken 4:34 : Maar Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia, 1 Kronieken 4:38 : Deze kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen van hun vaderen braken uit in menigte.
[^1kronieken-4-38-48]: Kanttekening 48: kwamen tot namen: Dat is, zij zijn vermaarde mannen geworden.
[^1kronieken-4-38-49]: Kanttekening 49: huisgezinnen van hun vaderen: Dat is, zij werden grotelijks vermenigvuldigd.
[^1kronieken-4-39-50]: Kanttekening 50: Anders, Gedera, of, Giderothaïm; Joz. 15:36 . Jozua 15:36 : En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
[^1kronieken-4-39-51]: Kanttekening 51: van het dal: Versta hier, dat dal, dat van Efes Dammin reikte tot Ekron toe; gelijk af te nemen is uit 1 Sam. 17:1 , 17:52 . 1 Samuël 17:1 : En de Filistijnen verzamelden hun legermacht ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim. 1 Samuël 17:52 : Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden van de Filistijnen vielen op de weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.
[^1kronieken-4-40-52]: Kanttekening 52: wijd van begrip: Hebreeuws, שֹׁקֶ֖טֶת, wijd van handen.
[^1kronieken-4-40-53]: Kanttekening 53: die van Cham: Dit woord hier bij gezet, om te tonen dat de Israëlieten recht en reden hadden deze steden in te nemen en de oude inwoners daaruit te drijven, te weten, omdat de nakomelingen van de vervloekte Cham die hadden ingenomen. Zie van Cham Gen. 9:25 . Genesis 9:25 : En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^1kronieken-4-41-54]: Kanttekening 54: Te weten, de tenten van de Chamieten, en versta hier de inwoners van de tenten en van de woningen.
[^1kronieken-4-41-55]: Kanttekening 55: verbanden hen: Dat is, zij roeiden hen uit, als wat van God verbannen is.
[^1kronieken-4-41-56]: Kanttekening 56: tot op deze dag: Te weten, in welke dit beschreven is; versta, tot de tijden van Ezra, die dit boek beschreven heeft, omtrent welke tijd het rijk van David en zijn nakomelingen een einde genomen heeft. Zie de aantekening boven, vers 31 . 1 Kronieken 4:31 : En te Beth-markaboth, en te Hazar-susim, en te Beth-biri, en te Saäraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
[^1kronieken-4-43-57]: Kanttekening 57: de overigen: Te weten, die, die overgebleven en ontslopen waren, toen hen Saul uitroeide, 1 Sam. 14:48 . En die daarna ook Davids handen ontkomen waren, 2 Sam. 8:12 . 1 Samuël 14:48 : En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand van degene, die hem beroofde. 2 Samuël 8:12 : Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba.

### 1 Kronieken 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/5.json)

*De zonen en nakomelingen van Ruben, tot aan de Babylonische gevangenschap, vers 1 enz. Hun oorlogen tegen de Hagarenen, 10. De woningen en de voornaamste mannen van de stam Gad, 11. Het getal van de Rubenieten, Gadieten en de halve stam Manasse, die ten strijde trokken, 18. Hun oorlogen tegen de Hagarenen, 19. Hun overwinning over hen, 20. Woonplaatsen van de halve stam Manasse, 23. hun voortreffelijkste mannen, 24. Die drie stammen worden gevankelijk naar Assyrië weggevoerd vanwege hun zonden, 25.*

**1** De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij het bed van zijn vader[^1kronieken-5-1-1] ontheiligd had, werd zijn[^1kronieken-5-1-2] eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v1)

**2** Want[^1kronieken-5-2-3] Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was[^1kronieken-5-2-4] uit hem; maar[^1kronieken-5-2-5] de eerstgeboorte was van Jozef.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v2)

**3** De kinderen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn[^1kronieken-5-3-a] Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v3)

**4** De kinderen van Joël: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v4)

**5** Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baäl; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v5)

**6** Zijn zoon Beera, die[^1kronieken-5-6-6] Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, als gevangene wegvoerde;[^1kronieken-5-6-7] hij was de vorst van de Rubenieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v6)

**7** Voor wat betreft[^1kronieken-5-7-8] zijn broers in hun huisgezinnen, als zij naar hun afstamming in de geslachtsregisters[^1kronieken-5-7-9] gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v7)

**8** En Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van[^1kronieken-5-8-10] Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo, en Baäl-Meon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v8)

**9** En hij woonde tegen het oosten, tot[^1kronieken-5-9-11] de ingang van de woestijn, van de rivier Frath af; want[^1kronieken-5-9-12] hun vee was veel geworden in het land van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v9)

**10** En in de dagen van[^1kronieken-5-10-13] Saul voerden zij strijd tegen de[^1kronieken-5-10-14] Hagarenen,[^1kronieken-5-10-15] die vielen door hun hand; en[^1kronieken-5-10-16] zij woonden in hun tenten tegen de hele oostzijde van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v10)

**11** De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in[^1kronieken-5-11-b] het land van Basan, tot Salcha toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v11)

**12** Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat[^1kronieken-5-12-17] bleven in Basan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v12)

**13** Hun broers nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v13)

**14** [^1kronieken-5-14-18] Deze zijn de kinderen van Abihaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroah, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jahdo, de zoon van Buz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v14)

**15** Ahi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was het hoofd van het huis van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v15)

**16** En zij woonden in Gilead, in Basan, en[^1kronieken-5-16-19] in haar bijbehorende plaatsen, en in al de voorsteden van[^1kronieken-5-16-20] Saron, tot aan hun uitgangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v16)

**17** Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen[^1kronieken-5-17-21] van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen[^1kronieken-5-17-22] van Jerobeam, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v17)

**18** Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van de halve stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en de[^1kronieken-5-18-23] boog spannende, en ervaren in de oorlog, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v18)

**19** En zij voerden strijd tegen de Hagarenen, en[^1kronieken-5-19-24] tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v19)

**20** Maar zij[^1kronieken-5-20-25] werden geholpen[^1kronieken-5-20-26] tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in de oorlog, zo liet Hij Zich van hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v20)

**21** En zij voerden hun vee als gevangene weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezels, en honderd duizend zielen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v21)

**22** Want er vielen vele[^1kronieken-5-22-27] verwonden, omdat de strijd[^1kronieken-5-22-28] van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij[^1kronieken-5-22-29] als gevangene weggevoerd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v22)

**23** De kinderen nu van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir,[^1kronieken-5-23-30] en de berg Hermon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v23)

**24** Deze nu waren de hoofden van hun vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliël, en Azriël, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden van de huizen van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v24)

**25** Maar zij hebben tegen de God van hun vaders overtreden, en de goden van de volken van het[^1kronieken-5-25-31] land nagehoereerd, die God voor hun aangezichten had vernietigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v25)

**26** [^1kronieken-5-26-32] Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen als gevangene weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en[^1kronieken-5-26-33] hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan,[^1kronieken-5-26-34] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/5.html#v26)

[^1kronieken-5-1-1]: Kanttekening 1: ontheiligd had: Te weten, beslapende Bilha zijn vaders bijwijf, Gen. 35:22 . Zie Gen. 49:4 . Genesis 35:22 : En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijn vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. Genesis 49:4 : Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt uw vaders leger beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
[^1kronieken-5-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, het recht, dat de eerstgeborene had boven zijn broers, genietende dubbele portie of deel in het erfgoed, Deut. 21:17 . Dit werd Jozef en zijn zonen gegeven, want in de uitdeling van het land Kanaän zijn Efraïm en Manasse naast de andere stammen in het lot gesteld, om hun deel te hebben. Zie van Jozef Gen. 48:22 , en van zijn zonen, Gen. 48:5 . Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
[^1kronieken-5-2-3]: Kanttekening 3: Van de heerlijkheid en treffelijkheid van Juda, zie Gen. 49:8 , enz. Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich uw vaders zonen nederbuigen.
[^1kronieken-5-2-4]: Kanttekening 4: uit hem: Anders, hij werd tot een voorganger voor, of, boven hem; te weten, boven Jozef. Of, aangaande de voorganger was hij meer dan hij; te weten, dan Jozef. Eerst zijn de koningen, daarna de vorsten of regenten van het land, uit de stam van Juda, uit de huize Davids geweest, tot de tijden van Herodes, als de Silo gekomen is; Gen. 49:10 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^1kronieken-5-2-5]: Kanttekening 5: de eerstgeboorte: Te weten, zoveel de dubbele portie van de goederen aanging, gelijk vers 1 gezegd is. Zie Gen. 48:5 , en Gen. 49:22 , enz. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijn vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon. Genesis 49:22 : Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk van de takken loopt over de muur.
[^1kronieken-5-3-a]: Verwijzing a: Gen. 46:9 ; Ex. 6:13 ; Num. 26:5 . Genesis 46:9 : En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. Numeri 26:5 : Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten;
[^1kronieken-5-6-6]: Kanttekening 6: Hij wordt ook Tiglath-Pileser genoemd 2 Kon. 15:29 , en 2 Kon. 16:7 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^1kronieken-5-6-7]: Kanttekening 7: hij was de vorst: Te weten, Joël, die de zoon Hanoch, de eerstgeborene van Ruben, schijnt geweest te zijn, en daarom vorst van de Rubenieten.
[^1kronieken-5-7-8]: Kanttekening 8: zijn broers: Te weten, Hanochs broers, die vers 3 uitgedrukt werden. 1 Kronieken 5:3 : De kinderen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
[^1kronieken-5-7-9]: Kanttekening 9: Zie onder, vers 17 . 1 Kronieken 5:17 : Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël.
[^1kronieken-5-8-10]: Kanttekening 10: die woonde: Versta dit van Bela, of van zijn geslacht, of in het algemeen van Ruben en zijn nakomelingen. Zie Joz. 13:15 , 13:16 , waar Rubens erfdeel ook beschreven wordt. Jozua 13:15 : Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, Jozua 13:16 : Dat hun landpale was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe;
[^1kronieken-5-9-11]: Kanttekening 11: de ingang: Dat is, van de rivier Eufraat tot aan de Jordaan.
[^1kronieken-5-9-12]: Kanttekening 12: hun vee: Te weten, van de broers van Joël, waarvan vers 7 gesproken is. 1 Kronieken 5:7 : Aangaande zijn broers in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja,
[^1kronieken-5-10-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, maakten, of, deden.
[^1kronieken-5-10-14]: Kanttekening 14: Deze zijn Ismaëlieten geweest, en worden Hagarenen genoemd omdat zij van Hagar de dienstmaagd van Abraham, Ismaëls moeder, afkomstig waren.
[^1kronieken-5-10-15]: Kanttekening 15: die vielen: Te weten, de Hagarenen.
[^1kronieken-5-10-16]: Kanttekening 16: zij woonden: Te weten, de Israëlieten.
[^1kronieken-5-11-b]: Verwijzing b: Joz. 13:24 . Jozua 13:24 : En aan de stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,
[^1kronieken-5-12-17]: Kanttekening 17: bleven : Te weten, om hun eigen gebied te beschermen, terwijl hun broers de krijg voerden.
[^1kronieken-5-14-18]: Kanttekening 18: Deze zijn de kinderen van Abihail: Te weten, die, van welke straks gesproken is, vers 13 . 1 Kronieken 5:13 : Hun broers nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
[^1kronieken-5-16-19]: Kanttekening 19: in haar onderhorige: Dat is, in de kleine steden, dorpen en vlekken, behorende onder de grote steden. Hebreeuws, בְנֹתֶ֑י, dochters.
[^1kronieken-5-16-20]: Kanttekening 20: Waar goede weide was. Dit Saron was in Gilead gelegen. Zie van een ander Saron in Efraïm, Hoogl. 2:1 . Hooglied 2:1 : Ik ben een Roos van Saron, een Lelie van de dalen.
[^1kronieken-5-17-21]: Kanttekening 21: Toen hij het koninkrijk als stadhouder van zijn vader bediende, omdat zijn vader van melaatsheid geslagen was; 2 Kon. 15:5 . 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.
[^1kronieken-5-17-22]: Kanttekening 22: Versta hier, Jerobeam, de tweede van die naam, de zoon van Joas, 2 Kon. 13:13 , en 2 Kon. 14:23 ; want Jerobeam, de zoon van Nebat, was al lang dood. 2 Koningen 13:13 : En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël. 2 Koningen 14:23 : In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en regeerde een en veertig jaren.
[^1kronieken-5-18-23]: Kanttekening 23: boog spannende: Zie de aantekening onder, 1 Kron. 8:40 . 1 Kronieken 8:40 : En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, de boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al deze waren van de kinderen van Benjamin.
[^1kronieken-5-19-24]: Kanttekening 24: Jethur, en Nafis, en Nodab: Zie van deze Gen. 25:15 , waar te zien is dat zij Ismaëlieten geweest zijn. Genesis 25:15 : Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.
[^1kronieken-5-20-25]: Kanttekening 25: werden geholpen: Te weten, van God, vers 22 . 1 Kronieken 5:22 : Want er vielen vele verwonden, omdat de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.
[^1kronieken-5-20-26]: Kanttekening 26: tegen hen: Te weten, tegen de Hagarenen.
[^1kronieken-5-22-27]: Kanttekening 27: Dat is, die dodelijk verwond zijnde, van de kwetsuur stierven.
[^1kronieken-5-22-28]: Kanttekening 28: van God was: Dat is, God streed voor hen tegen hun vijanden.
[^1kronieken-5-22-29]: Kanttekening 29: Te weten, naar Assyrië. Zie 2 Kon. 17:6 , en 2 Kon. 15:29 . 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^1kronieken-5-23-30]: Kanttekening 30: en de berg Hermon: Zie Deut. 3:9 . Deuteronomium 3:9 : (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
[^1kronieken-5-25-31]: Kanttekening 31: Te weten, met menigerlei schrikkelijke afgoderij, gelijk verhaald wordt 2 Kon. 17:7 , enz. 2 Koningen 17:7 : Want het was geschied, dat de kinderen van Israël gezondigd hadden tegen YHWH, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, de koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;
[^1kronieken-5-26-32]: Kanttekening 32: Zo verwekte: Zie 2 Kon. 15:19 . 2 Koningen 15:19 : Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
[^1kronieken-5-26-33]: Kanttekening 33: hij bracht hen te Halah: Versta dit van de eerste wegvoering, waarvan 2 Kon. 15:29 ; maar 2 Kon. 17:6 wordt verhaald de laatste wegvoering door Salmanasser. 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^1kronieken-5-26-34]: Kanttekening 34: tot op deze dag: Dat is, daar zijn zij tot op deze dag. Versta, dat deze wegvoering duurde tot op die dag, of dat zij daar woonden tot op die dag, in welke dit geschreven is.

### 1 Kronieken 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/6.json)

*De zonen van Levi, vers 1 enz. de nakomelingen van de hogepriesters van Aäron tot de wegvoering naar Babylon, 3. De nakomelingen van Gerson, Merari en Kahath, 16. De zangers, naar de ordening van David, 31. De bedieningen van Aäron en zijn nakomelingen tot aan Ahimaäz, 49. De woningen van de nakomelingen van Aäron, 54. De steden van de Kahathieten, 66. en van de Gersonieten, 71. en van de Merarieten, 77.*

**1** [^1kronieken-6-1-a] De kinderen van Levi waren[^1kronieken-6-1-1] Gerson, Kahath en Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v1)

**2** De kinderen van Kahath nu waren Amram,[^1kronieken-6-2-2] Jizhar, en Hebron, en Uzziël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v2)

**3** En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren[^1kronieken-6-3-3] Nadab en Abihu,[^1kronieken-6-3-4] Eleazar en Ithamar.[^1kronieken-6-3-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v3)

**4** En Eleazar verwekte Pinehas, Pinehas verwekte Abisua; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v4)

**5** En Abisua verwekte Bukki, en Bukki verwekte Uzzi; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v5)

**6** En Uzzi verwekte Zerahja, en Zerahja verwekte Merajoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v6)

**7** En Merajoth verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v7)

**8** En Ahitub verwekte[^1kronieken-6-8-b] Zadok, en Zadok verwekte Ahimaäz; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v8)

**9** En Ahimaäz verwekte Azarja, en Azarja verwekte Johanan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v9)

**10** En Johanan verwekte[^1kronieken-6-10-6] Azarja.[^1kronieken-6-10-7] Hij is het, die het priesterambt bediende[^1kronieken-6-10-8] in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had.[^1kronieken-6-10-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v10)

**11** En Azarja verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v11)

**12** En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Sallum;[^1kronieken-6-12-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v12)

**13** En Sallum verwekte Hilkia, en Hilkia verwekte Azarja;[^1kronieken-6-13-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v13)

**14** En Azarja verwekte Seraja, en Seraja verwekte Jozadak;[^1kronieken-6-14-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v14)

**15** En Jozadak ging mee, als YHWH Juda en Jeruzalem als gevangene wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.[^1kronieken-6-15-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v15)

**16** Zo zijn dan de kinderen van Levi:[^1kronieken-6-16-c] Gerson, Kahath en Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v16)

**17** En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en Simeï.[^1kronieken-6-17-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v17)

**18** En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v18)

**19** De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen van de Levieten, naar hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v19)

**20** Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon[^1kronieken-6-20-15] Zimma;[^1kronieken-6-20-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v20)

**21** Zijn zoon Joah; zijn[^1kronieken-6-21-17] zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn[^1kronieken-6-21-18] zoon[^1kronieken-6-21-19] Jeathrai.[^1kronieken-6-21-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v21)

**22** De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;[^1kronieken-6-22-d][^1kronieken-6-22-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v22)

**23** Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v23)

**24** Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriël; zijn[^1kronieken-6-24-22] zoon Uzzia, en[^1kronieken-6-24-23] zijn zoon Saul.[^1kronieken-6-24-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v24)

**25** De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.[^1kronieken-6-25-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v25)

**26** Elkana; diens zoon was Elkana;[^1kronieken-6-26-26] zijn zoon was Zofai; en[^1kronieken-6-26-27] zijn zoon was Nahath;[^1kronieken-6-26-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v26)

**27** Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.[^1kronieken-6-27-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v27)

**28** De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was[^1kronieken-6-28-30] Vasni, daarna Abia.[^1kronieken-6-28-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v28)

**29** De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simeï; zijn zoon Uzza; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v29)

**30** Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v30)

**31** Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van YHWH, nadat de ark tot[^1kronieken-6-31-32] rust gekomen was.[^1kronieken-6-31-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v31)

**32** En zij dienden voor de tabernakel van de tent van de samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis van YHWH te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.[^1kronieken-6-32-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v32)

**33** Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen;[^1kronieken-6-33-35] van de zonen van de Kahathieten, Heman[^1kronieken-6-33-36] de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,[^1kronieken-6-33-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v33)

**34** De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v34)

**35** De zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v35)

**36** De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v36)

**37** De zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah,[^1kronieken-6-37-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v37)

**38** De zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v38)

**39** En zijn broer Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon[^1kronieken-6-39-39] van Berechja, de zoon van Simea,[^1kronieken-6-39-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v39)

**40** De zoon van Michaël, de zoon van Baeseja, de zoon van Malchija, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v40)

**41** De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v41)

**42** De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v42)

**43** De zoon van Jahath, de zoon van Gerson, de zoon van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v43)

**44** Hun broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk[^1kronieken-6-44-41] Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,[^1kronieken-6-44-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v44)

**45** De zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v45)

**46** De zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v46)

**47** De zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v47)

**48** Hun broers nu,[^1kronieken-6-48-43] de Levieten, waren[^1kronieken-6-48-44] gegeven tot allerlei dienst van de tabernakel van het huis van God.[^1kronieken-6-48-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v48)

**49** [^1kronieken-6-49-e] Aäron nu en zijn zonen rookten op het altaar van het brandoffer, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al[^1kronieken-6-49-46] het werk van het heilige van de heiligen, en om over[^1kronieken-6-49-47] Israël verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht van God, geboden had.[^1kronieken-6-49-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v49)

**50** Dit nu zijn de kinderen van Aäron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;[^1kronieken-6-50-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v50)

**51** Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v51)

**52** Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v52)

**53** Zadok zijn zoon; Ahimaäz zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v53)

**54** En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun gebied, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin van de Kahathieten, want dat[^1kronieken-6-54-50] lot[^1kronieken-6-54-51] was voor hen.[^1kronieken-6-54-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v54)

**55** En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en[^1kronieken-6-55-53] haar voorsteden daaromheen.[^1kronieken-6-55-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v55)

**56** Maar het veld van de stad, en haar dorpen,[^1kronieken-6-56-f] gaven zij Kaleb, de zoon van Jefunne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v56)

**57** En de kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en[^1kronieken-6-57-55] Esthemoa, en haar voorsteden,[^1kronieken-6-57-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v57)

**58** En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,[^1kronieken-6-58-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v58)

**59** En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.[^1kronieken-6-59-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v59)

**60** Van de stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren[^1kronieken-6-60-59] dertien steden.[^1kronieken-6-60-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v60)

**61** Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van de stam, uit de halve stam van half Manasse, bij het lot, tien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v61)

**62** En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de stam van Manasse in Basan, dertien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v62)

**63** De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v63)

**64** Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden en haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v64)

**65** En zij gaven ze bij het lot, van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, en van de stam van de kinderen van Benjamin, deze steden, die zij bij namen noemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v65)

**66** Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen van de kinderen van Kahath, vielen steden van hun gebied ten deel, van de stam van Efraïm.[^1kronieken-6-66-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v66)

**67** Want zij gaven[^1kronieken-6-67-62] hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden,[^1kronieken-6-67-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v67)

**68** En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden,[^1kronieken-6-68-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v68)

**69** En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.[^1kronieken-6-69-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v69)

**70** En uit de halve stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en[^1kronieken-6-70-66] Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath hadden deze steden:[^1kronieken-6-70-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v70)

**71** De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van de halve stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden.[^1kronieken-6-71-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v71)

**72** En van de stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,[^1kronieken-6-72-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v72)

**73** En Ramoth en haar voorsteden, en[^1kronieken-6-73-70] Anem en haar voorsteden.[^1kronieken-6-73-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v73)

**74** En van de stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden,[^1kronieken-6-74-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v74)

**75** En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.[^1kronieken-6-75-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v75)

**76** En van de stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en[^1kronieken-6-76-74] Kirjathaim en haar voorsteden.[^1kronieken-6-76-75] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v76)

**77** De overige kinderen van Merari hadden van de stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;[^1kronieken-6-77-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v77)

**78** En aan de overzijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van de stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v78)

**79** En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v79)

**80** En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v80)

**81** En Hesbon en haar voorsteden, en Jaëzer en haar voorsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/6.html#v81)

[^1kronieken-6-1-a]: Verwijzing a: Gen. 46:11 ; Ex. 6:15 ; Num. 26:57 ; 1 Kron. 23:6 . Genesis 46:11 : En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. Exodus 6:15 : Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. Numeri 26:57 : Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 1 Kronieken 23:6 : En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
[^1kronieken-6-1-1]: Kanttekening 1: Hij wordt vers 16 en elders Gersom genoemd. 1 Kronieken 6:16 : Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
[^1kronieken-6-2-2]: Kanttekening 2: Onder, vers 22 , wordt hij Amminadab genoemd. 1 Kronieken 6:22 : De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
[^1kronieken-6-3-3]: Kanttekening 3: Deze twee werden door de Heer gedood, omdat zij vreemd vuur in hun reukpannen gebruikten; Lev. 10:1 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had.
[^1kronieken-6-3-4]: Kanttekening 4: Deze twee werden door de Heer gedood, omdat zij vreemd vuur in hun reukpannen gebruikten; Lev. 10:1 . Leviticus 10:1 : En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH, dat hij hen niet geboden had.
[^1kronieken-6-3-5]: Kanttekening 5: Eleazar is zijn vader Aäron in het hogepriesterambt gevolgd.
[^1kronieken-6-8-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 8:17 ; 2 Sam. 15:27 . 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. 2 Samuël 15:27 : Verder zei de koning tot de priester Zadok: Zijt u niet een ziener? Keer weer in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u.
[^1kronieken-6-10-6]: Kanttekening 6: Enige menen dat hij is dezelfde man, die 2 Kron. 11:4 genoemd wordt de hogepriester Jojada. Zie van de grote ijver van deze man, 2 Kon. 11:17 . 2 Kronieken 11:4 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden van YHWH, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken. 2 Koningen 11:17 : En Jojada maakte een verbond tussen YHWH en tussen de koning, en tussen het volk, dat het voor YHWH tot een volk zou zijn; en ook tussen de koning en tussen het volk.
[^1kronieken-6-10-7]: Kanttekening 7: Deze houden sommigen dezelfde geweest te zijn, die zich de koning Uzia tegenstelde; 2 Kron. 26:17 . 2 Kronieken 26:17 : Maar Azaria, de priester, ging hem na, en met hem priesters van YHWH, tachtig kloeke mannen.
[^1kronieken-6-10-8]: Kanttekening 8: Hij is het: Dit verstaan enige van Johanan, anderen van Azaria, tot zijn eer, omdat hij zich tegen de koning Uzia stelde.
[^1kronieken-6-10-9]: Kanttekening 9: in het huis: Te weten, in het huis van YHWH; dat is, in de tempel.
[^1kronieken-6-12-10]: Kanttekening 10: Anders genoemd Mesullam; 1 Kron. 9:11 . 1 Kronieken 9:11 : En Azarja, de zoon van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, overste van het huis van God;
[^1kronieken-6-13-11]: Kanttekening 11: Zie 2 Kon. 22:4 . 2 Koningen 22:4 : Ga op tot Hilkia, de hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis van YHWH gebracht is, dat de wachters van de dorpel van het volk verzameld hebben;
[^1kronieken-6-14-12]: Kanttekening 12: Seraja was hogepriester toen Nebukadnezar Jeruzalem innam, vanwaar hij gevankelijk weggevoerd is naar Ribla, waar Nebukadnezar hem deed doden, 2 Kon. 25:18 , 25:21 ; Jer. 52:24 , 52:27 . Ezra de schriftgeleerde \[die men meent dat deze boeken geschreven heeft\] was zijn zoon. Zie Ezra 7:1 . 2 Koningen 25:18 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. 2 Koningen 25:21 : En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd. Jeremia 52:24 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. Jeremia 52:27 : En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd. Ezra 7:1 : Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia,
[^1kronieken-6-15-13]: Kanttekening 13: Dat is, de inwoners van Juda en Jeruzalem.
[^1kronieken-6-16-c]: Verwijzing c: Ex. 6:16 ; idem v. 17 . Exodus 6:16 : De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
[^1kronieken-6-17-14]: Kanttekening 14: zijn de namen: Zie Ex. 6:16 . Exodus 6:16 : De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen.
[^1kronieken-6-20-15]: Kanttekening 15: Van Gerson: Anders, aangaande Gersom.
[^1kronieken-6-20-16]: Kanttekening 16: Hij is geweest zoonszoon van Jahath, want Simeï was vader van Zamma, vers 42 . 1 Kronieken 6:42 : De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,
[^1kronieken-6-21-17]: Kanttekening 17: Hij wordt Ethan genoemd, vers 42 . 1 Kronieken 6:42 : De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,
[^1kronieken-6-21-18]: Kanttekening 18: vers 41 wordt hij Adaja genoemd. 1 Kronieken 6:41 : De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,
[^1kronieken-6-21-19]: Kanttekening 19: Hij wordt onder, vers 41 , Ethni genoemd. 1 Kronieken 6:41 : De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja,
[^1kronieken-6-21-20]: Kanttekening 20: Dat is, neef; hij was eigenlijk te spreken de zoon van Simeï; onder, vers 42 . 1 Kronieken 6:42 : De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï,
[^1kronieken-6-22-d]: Verwijzing d: Ex. 6:23 . Exodus 6:23 : En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten.
[^1kronieken-6-22-21]: Kanttekening 21: Dit was die Korach, die met Dathan en Abiram tegen Mozes rebelleerde.
[^1kronieken-6-24-22]: Kanttekening 22: Onder, vers 36 , wordt hij Zefanja genoemd, of Zofonja. 1 Kronieken 6:36 : De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,
[^1kronieken-6-24-23]: Kanttekening 23: Anders, Azaria, vers 36 . 1 Kronieken 6:36 : De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,
[^1kronieken-6-24-24]: Kanttekening 24: Anders, Joël; onder, vers 36 . 1 Kronieken 6:36 : De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja,
[^1kronieken-6-25-25]: Kanttekening 25: Te weten, van de zoon van Saul.
[^1kronieken-6-26-26]: Kanttekening 26: Versta hierop: Die zoon van Amasai was.
[^1kronieken-6-26-27]: Kanttekening 27: Anders, Zuf, vers 35 , en 1 Sam. 1:1 . 1 Kronieken 6:35 : De zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^1kronieken-6-26-28]: Kanttekening 28: Toah, vers 34 , en Tochu, 1 Sam. 1:1 . 1 Kronieken 6:34 : De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 1 Samuël 1:1 : Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
[^1kronieken-6-27-29]: Kanttekening 29: vers 34 , Eliël. 1 Kronieken 6:34 : De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah,
[^1kronieken-6-28-30]: Kanttekening 30: Versta hierbij: Zijn zoon was Samuël; waarvan in vers 28 . 1 Kronieken 6:28 : De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia.
[^1kronieken-6-28-31]: Kanttekening 31: Joël genoemd, vers 33 , en 1 Sam. 8:2 . 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 1 Samuël 8:2 : De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joël, en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters te Ber-seba.
[^1kronieken-6-31-32]: Kanttekening 32: tot het ambt: Hebreeuws, בֶן, aan de hand van de zang van het huis van YHWH.
[^1kronieken-6-31-33]: Kanttekening 33: nadat de ark: Hebreeuws, בֶּן, na de rust van de ark; dat is, nadat de ark van het verbond in Davids huis gebracht was, 2 Sam. 6:17 , want tevoren werd zij van de ene plaats in de andere gebracht. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1kronieken-6-32-34]: Kanttekening 34: naar hun wijze: Dat is, naar de order, die hun verordineerd was.
[^1kronieken-6-33-35]: Kanttekening 35: Deze nu zijn ze: Te weten, Heman, Asaf en Jeduthun, die als opperzangmeesters gesteld waren over de andere zangers, die in vier en twintig orden of beurten door David zijn onderscheiden; 1 Kron. 25:9 , enz. 1 Kronieken 25:9 : Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broers, en zijn zonen, waren twaalf.
[^1kronieken-6-33-36]: Kanttekening 36: van de zonen van de Kahathieten: Dat is, van de nakomelingen.
[^1kronieken-6-33-37]: Kanttekening 37: de zanger: Dat is, opperzangmeester.
[^1kronieken-6-37-38]: Kanttekening 38: Hij wordt, Ex. 6:23 , Abiasaf genoemd. Exodus 6:23 : En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten.
[^1kronieken-6-39-39]: Kanttekening 39: Asaf stond: Versta dit zo, dat deze Asaf geweest is de broer, dat is, de bloedverwant van Heman, waarvan vers 33 gesproken wordt, en wiens voorouders tot hiertoe verhaald zijn. Deze Heman nu stond met de zijnen, als hij zijn ambt bediende, in het midden. Asaf stond aan de rechterhand van Heman in de bediening van zijn ambt, gelijk de nakomelingen van Merari tot zijn linkerhand stonden, vers 44 . 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 1 Kronieken 6:44 : Hunne broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
[^1kronieken-6-39-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, Berechijahu.
[^1kronieken-6-44-41]: Kanttekening 41: broers nu: Dat is, neven.
[^1kronieken-6-44-42]: Kanttekening 42: Hij wordt Jeduthun genoemd, 1 Kron. 9:16 , en 1 Kron. 25:6 , en 2 Kron. 35:15 ; Ps. 62:1 , en Ps. 77:1 . 1 Kronieken 9:16 : En Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen van de Netofathieten. 1 Kronieken 25:6 : Deze waren allemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis van YHWH, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis van God, aan de handen van de koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman. 2 Kronieken 35:15 : En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning, en ook de poortwachters aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broers, de Levieten, voor hen bereidden. Psalmen 62:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, over Jeduthun. Psalmen 77:1 : Een psalm van Asaf, voor de opperzangmeester, over Jeduthun.
[^1kronieken-6-48-43]: Kanttekening 43: Dat is, neven, verwanten, gelijk boven, vers 44 , enz. 1 Kronieken 6:44 : Hunne broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
[^1kronieken-6-48-44]: Kanttekening 44: de Levieten: Te weten, de overige Levieten, die geen zangers waren.
[^1kronieken-6-48-45]: Kanttekening 45: Dat is, besteld of verordineerd.
[^1kronieken-6-49-e]: Verwijzing e: Ex. 30:7 ; idem v. 8 ; idem v. 10 ; Num. 4:16 ; Num. 7:10 ; Num. 18:1 . Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken. Exodus 30:8 : En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht van YHWH, bij uw geslachten. Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Numeri 4:16 : Het opzicht nu van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zal zijn over de olie van de luchters, en het reukwerk van de welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht van de gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap. Numeri 7:10 : En de oversten offerden ter inwijding van het altaar, op de dag als hetzelfde gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar. Numeri 18:1 : Zo zei YHWH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis uw vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.
[^1kronieken-6-49-46]: Kanttekening 46: zijn zonen: En ook degenen, die van de huize Aärons hun in het priesterambt gevolgd zijn. En daarom worden in de volgende verzen gesteld de hogepriesters van Aäron af tot op Zadok, die ten tijde van David en Salomo hogepriester werd; 1 Kron. 29:22 . 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken op dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem voor YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1kronieken-6-49-47]: Kanttekening 47: het werk: Dat is, dat in het heilige van de heiligen moest gedaan worden, dat was het binnenste van de tabernakel, waar niemand mocht ingaan dan alleen de hogepriester. Hier stond de ark van het verbond.
[^1kronieken-6-49-48]: Kanttekening 48: Dat is, het volk van Israël. Zie Lev. 16 .
[^1kronieken-6-50-49]: Kanttekening 49: Pinehas zijn zoon: Te weten, Eleazars, die naast voorgaat, en versta dit ook zo van de volgende, tot op de tijden Davids toe.
[^1kronieken-6-54-50]: Kanttekening 50: hun woningen: Zie Joz. 21:13 . Daar worden de steden genoemd, die hun tot woningen gegeven zijn, hoewel de namen wat veranderd zijn, gelijk zulks door langheid van tijden meermalen gebeurt. Jozua 21:13 : Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de doodslager, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-54-51]: Kanttekening 51: dat lot: Dat is, de woning, bij het lot hun toegevallen, was daar. Anders, die loten; te weten, die in de volgende verzen beschreven worden.
[^1kronieken-6-54-52]: Kanttekening 52: was voor hen: Hebreeuws, מִגְרָשֶֽׁי, was hun.
[^1kronieken-6-55-53]: Kanttekening 53: zij gaven: Te weten, de kinderen van Israël. Anders, men gaf hun.
[^1kronieken-6-55-54]: Kanttekening 54: haar voorsteden: Versta hierbij, met de akkers en weiden daar rondom naast gelegen, om zichzelven en hun beesten te voeden. En zo in het volgende.
[^1kronieken-6-56-f]: Verwijzing f: Joz. 21:12 . Jozua 21:12 : Maar het veld van de stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, tot zijn bezitting.
[^1kronieken-6-57-55]: Kanttekening 55: Anders genoemd Kiriath-Arba, Joz. 21:11 . Jozua 21:11 : Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.
[^1kronieken-6-57-56]: Kanttekening 56: Anders, Estemo, Joz. 15:50 . Jozua 15:50 : En Anab, en Estemo, en Anim,
[^1kronieken-6-58-57]: Kanttekening 57: Anders, Holon, Joz. 21:15 . Jozua 21:15 : En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-59-58]: Kanttekening 58: Anders, Ain, Joz. 21:16 . Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen.
[^1kronieken-6-60-59]: Kanttekening 59: Anders, Almon, Joz. 21:18 . Jozua 21:18 : Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden.
[^1kronieken-6-60-60]: Kanttekening 60: dertien steden: Hier worden er maar elf genoemd, daar ontbreken er twee, namelijk, Jutta en Gibeon, die Joz. 21:16 , 21:17 genoemd staan. Jozua 21:16 : En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-66-61]: Kanttekening 61: hun landpale: Die tot hun landpale behoorden.
[^1kronieken-6-67-62]: Kanttekening 62: zij gaven: Te weten, de Efraïmieten.
[^1kronieken-6-67-63]: Kanttekening 63: Te weten, de overige huisgezinnen van de kinderen van Kehath.
[^1kronieken-6-68-64]: Kanttekening 64: Enige menen dat zij Joh. 21:22 , Kibzaïm genoemd wordt. Johannes 21:22 : Jezus zei tot hem: Als Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Volg u Mij.
[^1kronieken-6-69-65]: Kanttekening 65: Ajalon behoorde tot de stam van Dan. Boven de twee steden, in vers 69 genoemd, gaf men hun nog twee steden van de stam van Dan, te weten, Elteke en Gibeton, Joz. 21:23 . 1 Kronieken 6:69 : En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden. Jozua 21:23 : En van de stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-70-66]: Kanttekening 66: Enige menen dat dit dezelfde stad is, die Joz. 21:25 genoemd wordt Taënach. Jozua 21:25 : En van de halve stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
[^1kronieken-6-70-67]: Kanttekening 67: Anders, Gath-Rimmon, Joz. 21:25 , en Ibleam, Joz. 17:11 . Jozua 21:25 : En van de halve stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden. Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^1kronieken-6-71-68]: Kanttekening 68: Anders Beëstera, Joz. 21:27 . Jozua 21:27 : En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de Levieten, van de halve stam van Manasse, de vrijstad van de doodslager, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden.
[^1kronieken-6-72-69]: Kanttekening 69: Anders, Kisjon; Joz. 21:28 . Jozua 21:28 : En van de stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-73-70]: Kanttekening 70: Anders, Remeth, Joz. 19:21 , en Jarmuth, Joz. 21:29 . Jozua 19:21 : En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-pazzez. Jozua 21:29 : Jarmuth en haar voorsteden, En-Gannim en haar voorsteden: vier steden.
[^1kronieken-6-73-71]: Kanttekening 71: Enige menen dat dit dezelfde stad is, die En-Gannim genoemd wordt; Joz. 21:29 . Jozua 21:29 : Jarmuth en haar voorsteden, En-Gannim en haar voorsteden: vier steden.
[^1kronieken-6-74-72]: Kanttekening 72: Anders, Miseal; Joz. 21:30 . Jozua 21:30 : En van de stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden;
[^1kronieken-6-75-73]: Kanttekening 73: Anders, Helkath; Joz. 21:31 . Jozua 21:31 : En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden.
[^1kronieken-6-76-74]: Kanttekening 74: Anders, Hammoth-Dor; Joz. 21:32 . Jozua 21:32 : En van de stam van Nafthali, de vrijstad van de doodslager, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
[^1kronieken-6-76-75]: Kanttekening 75: Anders, Kartan; Joz. 21:32 , zo enige menen. Jozua 21:32 : En van de stam van Nafthali, de vrijstad van de doodslager, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
[^1kronieken-6-77-76]: Kanttekening 76: En nog twee andere steden van de stam Zebulons, gelijk te zien is Joz. 21:34 , 21:35 . Jozua 21:34 : Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van de stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden; Jozua 21:35 : Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden.

### 1 Kronieken 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/7.json)

*Geslachtsregister van Issaschar, vers 1 enz. van Benjamin, 6. van Naftali, 13. van Manasse, 14. van Efraïm, 20. van Aser, 30.*

**1** De kinderen[^1kronieken-7-1-a] van Issaschar waren Thola en Pua,[^1kronieken-7-1-1] Jasib en Simron; vier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v1)

**2** De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriël, en Jachmai, en Jibsam, en Samuël; hoofden van de huizen van hun vaders, van Thola, strijdbare helden in hun generaties; hun getal was[^1kronieken-7-2-2] in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v2)

**3** En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisia; deze vijf waren al samen hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v3)

**4** En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen van de legers zes en dertig duizend; want zij[^1kronieken-7-4-3] hadden vele vrouwen en kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v4)

**5** En hun broers, in alle huisgezinnen van Issaschar, strijdbare helden, waren zeven en tachtig duizend, zij allen in geslachtsregisters gesteld zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v5)

**6** [^1kronieken-7-6-b] De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v6)

**7** En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziël, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen van de vaders, strijdbare helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v7)

**8** De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v8)

**9** Deze nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden van de huizen van hun vaders, strijdbare helden, waren twintig duizend en tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v9)

**10** De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenaäna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v10)

**11** Alle deze waren kinderen van Jediael, tot familiehoofden[^1kronieken-7-11-4], strijdbare helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het leger ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v11)

**12** Daartoe[^1kronieken-7-12-5] Suppim en Huppim[^1kronieken-7-12-6] waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.[^1kronieken-7-12-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v12)

**13** De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van[^1kronieken-7-13-8] Bilha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v13)

**14** De[^1kronieken-7-14-9] kinderen van Manasse waren Asriël, die de vrouw van Gilead baarde; maar zijn bijvrouw, de Syrische, baarde[^1kronieken-7-14-10] Machir, de vader van Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v14)

**15** Machir nu nam tot een vrouw de zus van Huppim en Suppim, en haar naam was Maächa; en de naam van de tweede was Zelafead. Zelafead nu had[^1kronieken-7-15-11] dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v15)

**16** En Maächa, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naam van zijn broer was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v16)

**17** De[^1kronieken-7-17-12] kinderen van Ulam nu waren[^1kronieken-7-17-13] Bedan; deze zijn de kinderen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v17)

**18** Wat betreft nu[^1kronieken-7-18-14] zijn zus Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahela.[^1kronieken-7-18-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v18)

**19** De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v19)

**20** En de[^1kronieken-7-20-c] kinderen van Efraïm waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v20)

**21** En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de[^1kronieken-7-21-16] mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden[^1kronieken-7-21-17] hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v21)

**22** [^1kronieken-7-22-18] Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn[^1kronieken-7-22-19] broers kwamen om hem te troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v22)

**23** Daarna[^1kronieken-7-23-20] ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam[^1kronieken-7-23-21] Beria, omdat[^1kronieken-7-23-22] zij in ellende was in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v23)

**24** [^1kronieken-7-24-23] Zijn dochter nu was Seëra, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seëra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v24)

**25** En Refah was[^1kronieken-7-25-24] zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was[^1kronieken-7-25-25] Telah; en zijn zoon Tahan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v25)

**26** [^1kronieken-7-26-26] Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v26)

**27** [^1kronieken-7-27-27] Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v27)

**28** En[^1kronieken-7-28-28][^1kronieken-7-28-d] hun bezitting en hun woning was Beth-el, en haar[^1kronieken-7-28-29] bijbehorende plaatsen; en tegen het oosten[^1kronieken-7-28-30] Naäran, en tegen het westen Gezer en haar bijbehorende plaatsen; en Sichem en haar bijbehorende plaatsen, tot[^1kronieken-7-28-31] Gaza toe, en haar bijbehorende plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v28)

**29** En aan de[^1kronieken-7-29-32] zijden van de kinderen van Manasse was Beth-sean en haar bijbehorende plaatsen, Thaänach en haar bijbehorende plaatsen, Megiddo en haar bijbehorende plaatsen, Dor en haar bijbehorende plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, de zoon van Israël, gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v29)

**30** [^1kronieken-7-30-e] De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hun zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v30)

**31** De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiël; hij is de vader van Birzavith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v31)

**32** En Heber verwekte Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hun zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v32)

**33** De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v33)

**34** En de zonen[^1kronieken-7-34-33] van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.[^1kronieken-7-34-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v34)

**35** En de kinderen van zijn broer Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v35)

**36** De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v36)

**37** Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v37)

**38** De kinderen[^1kronieken-7-38-35] van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.[^1kronieken-7-38-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v38)

**39** En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniël, en Rizja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v39)

**40** Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden van de vaderlijke[^1kronieken-7-40-37] huizen, uitgelezen strijdbare helden, hoofden van de vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten strijde in de oorlog; hun getal was zes en twintig duizend mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/7.html#v40)

[^1kronieken-7-1-a]: Verwijzing a: Gen. 46:13 ; Num. 26:23 . Genesis 46:13 : En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron. Numeri 26:23 : De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puva het geslacht van de Punieten;
[^1kronieken-7-1-1]: Kanttekening 1: Hij wordt Job genoemd, Gen. 46:13 . Genesis 46:13 : En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
[^1kronieken-7-2-2]: Kanttekening 2: in de dagen van David: Te weten, als David het volk door Joab deed tellen, 2 Sam. 24:1 . Anderen verstaan dit van de ordening, die ten tijde van David over het gehele leger van de Israëlieten gemaakt is geweest, 1 Kron. 27:1 . 2 Samuël 24:1 : En de toorn van YHWH voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda. 1 Kronieken 27:1 : Dit nu zijn de kinderen van Israël naar hun getal, de familiehoofden, en de oversten van de duizenden en van de honderden, met hun ambtlieden, de koning dienende in alle zaken van de verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden van het jaar; elke verdeling was vier en twintig duizend.
[^1kronieken-7-4-3]: Kanttekening 3: hadden vele vrouwen en kinderen: Hebreeuws, בָנִֽים, zij vermenigvuldigden de vrouwen en de kinderen.
[^1kronieken-7-6-b]: Verwijzing b: Gen. 46:21 ; Num. 26:38 ; 1 Kron. 8:1 . Genesis 46:21 : En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. Numeri 26:38 : De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten; 1 Kronieken 8:1 : Benjamin nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde,
[^1kronieken-7-11-4]: Kanttekening 4: van de vaderen: Dat is, van de vaderlijke geslachten.
[^1kronieken-7-12-5]: Kanttekening 5: Zij worden Muppim en Huppim genoemd, Gen. 46:21 . Ook Sefufam en Hufam, Num. 26:39 . Genesis 46:21 : En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. Numeri 26:39 : Van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten.
[^1kronieken-7-12-6]: Kanttekening 6: Anders, kinderen van de stad; \[dat is die in de stad woonden\] maar Husim in een ander land, dat zo te verstaan is dat de twee eerste in een stad geboren zijn, maar de twee anderen ergens in een ander land. Hebreeuws, kinderen Ahers, of een zoon eens anderen \[persoons, te weten Dan, Gen. 46:23 , of lands\]. Hoe hij bij de kinderen Benjamins hier komt geteld te worden, is onzeker. Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim.
[^1kronieken-7-12-7]: Kanttekening 7: Eigenlijk, neven, want Bilha was de moeder van Nafthali, die zij Jakob gebaard heeft, Gen. 30:7 , 30:8 . Genesis 30:7 : En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd opnieuw bevrucht, en baarde Jakob de tweede zoon. Genesis 30:8 : Toen zei Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zus geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
[^1kronieken-7-13-8]: Kanttekening 8: Rachels maagd, Gen. 30:3 , 30:4 . Genesis 30:3 : En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. Genesis 30:4 : Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.
[^1kronieken-7-14-9]: Kanttekening 9: kinderen van Manasse: Dat is, de nakomelingen van Manasse, want Asriël was eigenlijk de zoon van Gilead, de zoon van Manasse; Num. 26:29 , 26:30 . Numeri 26:29 : De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten. Numeri 26:30 : Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten.
[^1kronieken-7-14-10]: Kanttekening 10: Machir was de eerstgeboren zoon van Manasse, Joz. 17:1 . Aangaande het woord vader, zie boven, 1 Kron. 2:21 . Jozua 17:1 : De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan. 1 Kronieken 2:21 : Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
[^1kronieken-7-15-11]: Kanttekening 11: Te weten, dochters alleen, geen zonen, Num. 27:1 . Numeri 27:1 : Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
[^1kronieken-7-17-12]: Kanttekening 12: kinderen van Ulam: Hier staat kinderen, maar daar wordt maar één kind genoemd, zo ook boven, 1 Kron. 2:31 , 2:34 . 1 Kronieken 2:31 : En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai. 1 Kronieken 2:34 : En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.
[^1kronieken-7-17-13]: Kanttekening 13: Zie de aantekening 1 Sam. 12:11 . 1 Samuël 12:11 : En YHWH zond Jerubbaäl, en Bedan, en Jeftha, en Samuël, en Hij rukte u uit de hand van uw vijanden rondom, zo dat u zeker woonde.
[^1kronieken-7-18-14]: Kanttekening 14: zijn zus Molecheth: Te weten, van Gilead.
[^1kronieken-7-18-15]: Kanttekening 15: Versta hierbij, ook Semida, uit vers 19 . Zie Num. 26:32 . 1 Kronieken 7:19 : De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam. Numeri 26:32 : En van Semida het geslacht van de Semidaieten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten.
[^1kronieken-7-20-c]: Verwijzing c: Num. 26:35 . Numeri 26:35 : Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten.
[^1kronieken-7-21-16]: Kanttekening 16: mannen van Gath: Deze waren Filistijnen, en wat hier geschreven staat, is geschied als de kinderen van Israël nog in Egypte woonden, want Efraïm, die in die tijd nog leefde, \[gelijk te zien is vers 22 \] is in Egypte gestorven. Zie Hand. 7:15 , 7:16 . 1 Kronieken 7:22 : Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broers kwamen om hem te troosten. Handelingen 7:15 : En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. Handelingen 7:16 : En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
[^1kronieken-7-21-17]: Kanttekening 17: omdat zij: Anders, als zij, te weten, de Gethieten.
[^1kronieken-7-22-18]: Kanttekening 18: Te weten, omdat zijn kinderen gedood waren.
[^1kronieken-7-22-19]: Kanttekening 19: Dat is, zijn bloedvrienden, of familie, want Efraïm had maar één broer, te weten Manasse.
[^1kronieken-7-23-20]: Kanttekening 20: hij in tot zijn huisvrouw: Te weten, opdat hij opnieuw kinderen mocht krijgen in de plaats van de gedoden.
[^1kronieken-7-23-21]: Kanttekening 21: Of, Bria, dat is, in het kwaad, of in het ongeluk, of in jammer.
[^1kronieken-7-23-22]: Kanttekening 22: zij in ellende was: Te weten, omdat de Filistijnen van Gath hun zonen hadden doodgeslagen.
[^1kronieken-7-24-23]: Kanttekening 23: Zijn dochter: Te weten, Beria's dochter.
[^1kronieken-7-25-24]: Kanttekening 24: zijn zoon: Te weten, Beria's zoon.
[^1kronieken-7-25-25]: Kanttekening 25: zijn zoon: Te weten, Refahs zoon.
[^1kronieken-7-26-26]: Kanttekening 26: Hij was de overste of vorst van de stam Efraïms, als de Israëlieten in de woestijn door Mozes gemonsterd werden, in het begin van het tweede jaar nadat zij uit Egypte getogen waren. Zie Num. 1:1 , 1:10 . Numeri 1:1 : Verder sprak YHWH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende: Numeri 1:10 : Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliël, de zoon van Pedazur.
[^1kronieken-7-27-27]: Kanttekening 27: Zijn zoon was Non: Anders, Nun, Num. 13:16 . Numeri 13:16 : Dit zijn de namen van de mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.
[^1kronieken-7-28-28]: Kanttekening 28: hun bezitting: Te weten, van de Efraïmieten.
[^1kronieken-7-28-d]: Verwijzing d: Joz. 16:1 . Jozua 16:1 : Daarna kwam het lot van de kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;
[^1kronieken-7-28-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, dochters; en zo in het volgende.
[^1kronieken-7-28-30]: Kanttekening 30: Anders, Naära, Joz. 16:7 . Jozua 16:7 : En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.
[^1kronieken-7-28-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, Hazzah.
[^1kronieken-7-29-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, handen. Hij wil zeggen dat Beth-Sean, enz. aan het gebied van de kinderen van Manasse lag. Zie Joz. 17:11 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
[^1kronieken-7-30-e]: Verwijzing e: Gen. 46:17 ; Num. 26:44 . Genesis 46:17 : En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zus; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël. Numeri 26:44 : De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaieten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriieten.
[^1kronieken-7-34-33]: Kanttekening 33: Hij wordt Somer genoemd, vers 32 . 1 Kronieken 7:32 : En Heber verwekte Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zus.
[^1kronieken-7-34-34]: Kanttekening 34: en Aram: Versta hier, en Aram, en Helem, uit het volgende vers.
[^1kronieken-7-38-35]: Kanttekening 35: Hij wordt vers 36 Itran genoemd. 1 Kronieken 7:36 : De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
[^1kronieken-7-38-36]: Kanttekening 36: en Ara: Versta hier, en Ara, en Ulta, uit het volgende vers.
[^1kronieken-7-40-37]: Kanttekening 37: uitgelezene kloeke helden: Anders, pure kloeke mannen.

### 1 Kronieken 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/8.json)

*Geslachtsregister van de stam Benjamin, vers 1 enz. en in het bijzonder de voorouders van Saul, die uit deze stam was, en zijn nakomelingen, 33.*

**1** Benjamin[^1kronieken-8-1-1] nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v1)

**2** Naho, de vierde, en Rafa, de vijfde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v2)

**3** Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v3)

**4** En Abisua, en Naäman, en Ahoah, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v4)

**5** En Gera, en Sefufan, en Huram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v5)

**6** Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren familiehoofden van[^1kronieken-8-6-2] de inwoners te[^1kronieken-8-6-3] Geba, en[^1kronieken-8-6-4] hij voerde hen over naar Manahath; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v6)

**7** En Naäman, en Ahia, en Gera; deze voerde[^1kronieken-8-7-5] hij weg; en hij verwekte Uzza en Ahihud.[^1kronieken-8-7-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v7)

**8** En[^1kronieken-8-8-7] Saharaim verwekte kinderen in het land van Moab[^1kronieken-8-8-8] (nadat[^1kronieken-8-8-9] hij hen weggezonden had) uit Husim en Baära, zijn vrouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v8)

**9** En uit[^1kronieken-8-9-10] Hodes, zijn huisvrouw, verwekte hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en Malcham, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v9)

**10** En Jeüz, en Sochja, en Mirma; deze zijn zijn zonen, familiehoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v10)

**11** En uit Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v11)

**12** De kinderen van Elpaäl nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft[^1kronieken-8-12-11] Ono gebouwd, en Lod en haar[^1kronieken-8-12-12] bijbehorende plaatsen;[^1kronieken-8-12-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v12)

**13** En Beria, en Sema; deze waren familiehoofden van de[^1kronieken-8-13-14] inwoners te Ajalon; deze hebben[^1kronieken-8-13-15] de inwoners van Gath verdreven.[^1kronieken-8-13-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v13)

**14** En Ahjo, Sasak en Jeremoth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v14)

**15** En Zebadja, en Arad, en Eder, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v15)

**16** En Michaël, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v16)

**17** En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v17)

**18** En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaäl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v18)

**19** En Jakim, en Zichri, en Zabdi, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v19)

**20** En Eljoënai, en Zillethai, en Eliël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v20)

**21** En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simeï.[^1kronieken-8-21-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v21)

**22** En Jispan, en Eber, en Eliël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v22)

**23** En Abdon, en Zichri, en Hanan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v23)

**24** En Hananja, en Elam, en Antothija, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v24)

**25** En Jifdeja, en Pnuël waren zonen van Sasak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v25)

**26** En Samserai, en Seharja, en Athalja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v26)

**27** En Jaäresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v27)

**28** Deze waren de[^1kronieken-8-28-18] familiehoofden, hoofden naar hun geslachten; deze woonden te Jeruzalem.[^1kronieken-8-28-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v28)

**29** En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam van zijn huisvrouw was Maächa.[^1kronieken-8-29-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v29)

**30** En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Nadab, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v30)

**31** En Gedor, en Ahio, en Zecher. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v31)

**32** En Mikloth verwekte Simea; en deze woonden ook tegenover hun broers te Jeruzalem, met hun broers.[^1kronieken-8-32-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v32)

**33** Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab,[^1kronieken-8-33-22] en[^1kronieken-8-33-23] Esbaäl.[^1kronieken-8-33-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v33)

**34** En Jonathans zoon was Merib-baäl, en[^1kronieken-8-34-a] Merib-baäl verwekte Micha.[^1kronieken-8-34-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v34)

**35** De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaärea, en Achaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v35)

**36** En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu verwekte Moza; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v36)

**37** En Moza verwekte Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v37)

**38** Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al deze waren zonen van Azel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v38)

**39** En de zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v39)

**40** En de zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, de boog spannende, en[^1kronieken-8-40-26] zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al deze waren van de kinderen van Benjamin.[^1kronieken-8-40-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/8.html#v40)

[^1kronieken-8-1-1]: Kanttekening 1: nu verwekte Bela: Gen. 46:21 ; Num. 26:38 en boven, 1 Kron. 7:6 wordt dit geslachtsregister ook verhaald, maar daar is groot onderscheid in verscheidene namen, hetzij dat verscheidenen van hen twee namen hebben gehad, gelijk in de voorgaande hoofdstukken van dit boek, en elders meer, is aangewezen; hetzij dat hier enige nakomelingen beschreven worden, die in de boven verhaalde plaatsen niet staan. Genesis 46:21 : En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. Numeri 26:38 : De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten; 1 Kronieken 7:6 : De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
[^1kronieken-8-6-2]: Kanttekening 2: Dat is, van de vaderlijke huizen.
[^1kronieken-8-6-3]: Kanttekening 3: Anders, Gibeä-Sauls, 1 Sam. 11:4 . 1 Samuël 11:4 : Als de boden te Gibeä-sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en weende.
[^1kronieken-8-6-4]: Kanttekening 4: hij voerde: Versta, dat hij alleen sommigen van deze, of alleen deze, die hier genoemd worden, heeft weggevoerd, omdat hun zoveel is geworden, dat zij niet allen te Geba konden wonen. Wanneer en door wie dit geschied is, lezen wij nergens in de Heilige Schrift.
[^1kronieken-8-7-5]: Kanttekening 5: Te weten, Ehud.
[^1kronieken-8-7-6]: Kanttekening 6: en Ahihud: Versta hier, en Ahihud, en Saharaim, uit het volgende vers.
[^1kronieken-8-8-7]: Kanttekening 7: Deze historie wordt nergens meer in de Heilige Schrift verhaald, dan hier alleen; daarom is dit verhaal hier wat duister.
[^1kronieken-8-8-8]: Kanttekening 8: Te weten, Ehud.
[^1kronieken-8-8-9]: Kanttekening 9: Te weten, de nakomelingen van Naäman, en Ahija, en Tera, die vers 7 genoemd staan. 1 Kronieken 8:7 : En Naäman, en Ahia, en Gera; deze voerde hij weg; en hij verwekte Uzza en Ahihud.
[^1kronieken-8-9-10]: Kanttekening 10: vers 8 wordt zij Baära genoemd. 1 Kronieken 8:8 : En Saharaim verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij die weggezonden had) uit Husim en Baära, zijn vrouwen;
[^1kronieken-8-12-11]: Kanttekening 11: Neh. 11:35 worden deze steden ook aan de stam van Benjamin toegeschreven. Nehemia 11:35 : Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters.
[^1kronieken-8-12-12]: Kanttekening 12: Neh. 11:35 worden deze steden ook aan de stam van Benjamin toegeschreven. Nehemia 11:35 : Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters.
[^1kronieken-8-12-13]: Kanttekening 13: onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְנֹתֶֽי, dochters.
[^1kronieken-8-13-14]: Kanttekening 14: van de vaderen: Dat is, van de vaderlijke huizen, gelijk vers 6 , en elders meer. 1 Kronieken 8:6 : Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren familiehoofden van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;
[^1kronieken-8-13-15]: Kanttekening 15: te Ajalon: Versta dit van het land omtrent Ajalon gelegen, want de stad Ajalon behoorde tot de stam van Dan, Joz. 19:42 ; tenzij men zeggen wil, dat na de Babylonische gevangenis \[gelijk Ezra dit geschreven heeft\] de Benjaminieten hun woning zo uitgebreid hebben, dat zij ook in de steden van Dan gewoond hebben. Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
[^1kronieken-8-13-16]: Kanttekening 16: de inwoners van Gath: Dat is, die in het land van de Filistijnen bij Gath woonden.
[^1kronieken-8-21-17]: Kanttekening 17: Hij wordt vers 13 Sema genoemd. 1 Kronieken 8:13 : En Beria, en Sema; deze waren familiehoofden van de inwoners te Ajalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven.
[^1kronieken-8-28-18]: Kanttekening 18: Te weten, van welke gesproken is van vers 14 tot vers 28 . 1 Kronieken 8:14 : En Ahjo, Sasak en Jeremoth, 1 Kronieken 8:28 : Deze waren de familiehoofden, hoofden naar hun geslachten; deze woonden te Jeruzalem.
[^1kronieken-8-28-19]: Kanttekening 19: Dat is, hoofden van de vaderlijke huizen of geslachten, gelijk vers 6 en elders meer. 1 Kronieken 8:6 : Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren familiehoofden van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath;
[^1kronieken-8-29-20]: Kanttekening 20: de vader: Dat is, de eerste inwoner van de stad Gibeon onder de Israëlieten. Gibeon wordt Jeiël genoemd, 1 Kron. 9:35 . 1 Kronieken 9:35 : Maar te Gibeon hadden gewoond Jeiël, de vader van Gibeon; de naam van zijn zus nu was Maächa.
[^1kronieken-8-32-21]: Kanttekening 21: deze woonden: Te weten, enige hoofden van deze geslachten woonden te Jeruzalem met andere Benjaminieten, tegenover die Benjaminieten, die in de landpale van Gibeon woonden.
[^1kronieken-8-33-22]: Kanttekening 22: Anders, Abiël, 1 Sam. 9:1 . 1 Samuël 9:1 : Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held.
[^1kronieken-8-33-23]: Kanttekening 23: Anders, Ischvi, 1 Sam. 14:49 . 1 Samuël 14:49 : De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen van zijn twee dochters waren deze: de naam van de eerstgeborene was Merab, en de naam van de kleinste Michal.
[^1kronieken-8-33-24]: Kanttekening 24: Anders, Isboseth, 2 Sam. 2:8 . 2 Samuël 2:8 : Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, die Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
[^1kronieken-8-34-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 9:12 . 2 Samuël 9:12 : Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.
[^1kronieken-8-34-25]: Kanttekening 25: Anders, Mefiboseth, 2 Sam. 9:6 , 9:10 . Hieruit blijkt dat de naam Baäl en Boseth verwisseld worden. Baäl betekent heer of meester, en is een bekende naam van afgoden. Boscheth betekent schaamte, schande. Vergelijk Jer. 3:24 . 2 Samuël 9:6 : Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw knecht. 2 Samuël 9:10 : Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon van uw heer brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon van uw heer, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. Jeremia 3:24 : Want de schaamte heeft de arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters.
[^1kronieken-8-40-26]: Kanttekening 26: de boog: Hebreeuws, חַ֜יִל, de boog tredende; dat is, die de boog konden spannen en wel daarmede schieten. De stalen bogen moet men met kracht en alle geweld spannen. Daarom treden de schutters met de voeten op die, en trekken de pees opwaarts met kracht. Daarom noemen wij die de voetboog, tot onderscheiding van de handboog. Zij worden in van de koningen boven archiërs genoemd, die daarmede omgaan.
[^1kronieken-8-40-27]: Kanttekening 27: zij hadden vele zonen, en zoons zonen: Hebreeuws, בָנִ֔ים, zij vermenigvuldigden zonen en zoonszonen.

### 1 Kronieken 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/9.json)

*Hier worden verhaald de voornaamsten uit de stam Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse, die na de Babylonische wegvoering teruggekeerd zijn en in Jeruzalem zijn komen wonen, vers 1 enz. evenals de priesters en Levieten, en hoe zij hun ambt bedienden in de tempel te Jeruzalem, 10. Daarbij wordt dan tenslotte het geslacht van Saul verhaald, 35.*

**1** En geheel Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, vanwege hun overtredingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v1)

**2** De[^1kronieken-9-2-1] eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren[^1kronieken-9-2-2] de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de[^1kronieken-9-2-3] tempelknechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v2)

**3** Maar te Jeruzalem[^1kronieken-9-3-4] woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en[^1kronieken-9-3-5] van de kinderen van Efraïm en Manasse; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v3)

**4** Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van[^1kronieken-9-4-6] de kinderen van Perez, de zoon van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v4)

**5** En[^1kronieken-9-5-7] van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v5)

**6** En van de kinderen van Zerah was Jeüel, en van[^1kronieken-9-6-8] hun broers waren zeshonderd en negentig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v6)

**7** En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavia, de zoon van Hassenua; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v7)

**8** En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnija; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v8)

**9** En hun broers naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren familiehoofden in de huizen van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v9)

**10** Van de priesters nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v10)

**11** En[^1kronieken-9-11-9] Azarja, de zoon[^1kronieken-9-11-10] van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub,[^1kronieken-9-11-11] overste[^1kronieken-9-11-12] van het huis van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v11)

**12** En Adaja, de zoon van[^1kronieken-9-12-13] Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v12)

**13** Daartoe hun broers, hoofden in de huizen van hun vaders, duizend zevenhonderd en zestig, strijdbare helden aan het werk van de dienst van het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v13)

**14** Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v14)

**15** En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v15)

**16** En Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, woonachtig in de[^1kronieken-9-16-14] dorpen van de Netofathieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v16)

**17** De[^1kronieken-9-17-15] poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun[^1kronieken-9-17-16] broers; Sallum was het hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v17)

**18** Ook tot nog toe, aan de[^1kronieken-9-18-17] poort van de koning naar het oosten, waren[^1kronieken-9-18-18] deze de[^1kronieken-9-18-19] poortwachters onder de legers van de kinderen van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v18)

**19** En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, en zijn[^1kronieken-9-19-20] broers van het huis van zijn vader, de Korahieten, waren over het werk van de dienst, wachters van de dorpelen van de tabernakel; zoals[^1kronieken-9-19-21] hun vaders in[^1kronieken-9-19-22] het leger van YHWH geweest waren bewaarders van de[^1kronieken-9-19-23] ingang; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v19)

**20** Als Pinehas, de zoon van Eleazar, te voren voorganger bij hen was, met wie[^1kronieken-9-20-24] YHWH was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v20)

**21** [^1kronieken-9-21-25] Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter aan de deur van de tent van de samenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v21)

**22** Allen, die uitgekozen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen.[^1kronieken-9-22-26] David en[^1kronieken-9-22-27] Samuël,[^1kronieken-9-22-28] de ziener, hadden hen in hun[^1kronieken-9-22-29] ambt bevestigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v22)

**23** Zij dan en hun zonen waren aan de poorten[^1kronieken-9-23-30] van het huis van YHWH, in het huis van de[^1kronieken-9-23-31] tent, aan de wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v23)

**24** Die poortwachters waren[^1kronieken-9-24-32] aan de vier winden, tegen het oosten, tegen[^1kronieken-9-24-33] het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v24)

**25** En hun[^1kronieken-9-25-34] broers waren op hun dorpen,[^1kronieken-9-25-35] inkomende op de zevende dag van tijd tot tijd,[^1kronieken-9-25-36] om met hen te dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v25)

**26** Want[^1kronieken-9-26-37] in dat ambt waren vier overste poortwachters, die Levieten waren; en zij[^1kronieken-9-26-38] waren over de kamers en over de schatten van het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v26)

**27** En[^1kronieken-9-27-39] zij bleven over nacht rondom het huis van God; want op hen was de wacht, en zij waren over de[^1kronieken-9-27-40] opening,[^1kronieken-9-27-41] en dat elke morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v27)

**28** En enige van hen waren over de voorwerpen[^1kronieken-9-28-42] van de dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v28)

**29** Want daaruit zijn er besteld over de voorwerpen, en over al de heilige voorwerpen, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v29)

**30** En uit de zonen van de priesters waren[^1kronieken-9-30-43] de bereiders van[^1kronieken-9-30-44] het reukwerk van de specerijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v30)

**31** En Mattithja uit de Levieten, die was de eerstgeborene[^1kronieken-9-31-45] van Sallum, de Korahiet, was in het ambt over het werk,[^1kronieken-9-31-46] dat in pannen gekookt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v31)

**32** En uit de kinderen van de Kahathieten, uit hun broers, waren enige over[^1kronieken-9-32-47] de broden van de toerichting, om[^1kronieken-9-32-48] die alle sabbatten te bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v32)

**33** [^1kronieken-9-33-49]Uit deze zijn ook de zangers, familiehoofden[^1kronieken-9-33-50] onder de Levieten in de[^1kronieken-9-33-51] kamers,[^1kronieken-9-33-52] dienstvrij;[^1kronieken-9-33-53] want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v33)

**34** Dit zijn de familiehoofden onder de Levieten, hoofden in hun generaties; deze woonden te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v34)

**35** Maar te Gibeon[^1kronieken-9-35-54] hadden gewoond Jeiël, de vader van[^1kronieken-9-35-55] Gibeon; de naam van zijn zus nu was Maächa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v35)

**36** En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en[^1kronieken-9-36-56] Ner, en Nadab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v36)

**37** En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v37)

**38** Mikloth nu verwekte Simeam; deze[^1kronieken-9-38-57] woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broers, met hun broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v38)

**39** En Ner verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaäl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v39)

**40** En Jonathans zoon van Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v40)

**41** De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea.[^1kronieken-9-41-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v41)

**42** En[^1kronieken-9-42-59] Achaz verwekte Jaera, en Jaera verwekte Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri verwekte Moza; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v42)

**43** En Moza verwekte Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v43)

**44** Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan; deze zijn Azels zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/9.html#v44)

[^1kronieken-9-2-1]: Kanttekening 1: De eerste inwoners: Van hier af begint het register dergenen, die na de Babylonische gevangenis weer in hun land gekomen zijn.
[^1kronieken-9-2-2]: Kanttekening 2: Te weten, het gemene volk onder de Israëlieten.
[^1kronieken-9-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, overgegevenen. Deze waren Gibeonieten, die zich vrijwillig aan de Israëlieten hadden overgegeven, tot eeuwige dienstbaarheid, Joz. 9:21 . Zie ook Ezra 8:20 ; Neh. 11:3 . Jozua 9:21 : Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de gehele vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben. Ezra 8:20 : En van tempelknechten, die David en de vorsten ten dienste van de Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig tempelknechten, die allen bij namen genoemd werden. Nehemia 11:3 : En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een ieder op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo).
[^1kronieken-9-3-4]: Kanttekening 4: woonden van de kinderen van Juda: Te weten, nadat zij uit de Babylonische gevangenis waren teruggekeerd, met bewilliging van de koning Cyrus.
[^1kronieken-9-3-5]: Kanttekening 5: van de kinderen van Efraïm en Manasse: Dat is, van de tien stammen, die zich van Juda afgescheiden hadden. Gelijk ook velen van deze stam zich bij Juda gevoegd, om de zuivere godsdienst te mogen oefenen. Zie 2 Kron. 34:6 , 34:32 . 2 Kronieken 34:6 : Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom, 2 Kronieken 34:32 : En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun vaderen.
[^1kronieken-9-4-6]: Kanttekening 6: van de kinderen van Perez: Neh. 11:4 worden deze en velen van de navolgenden ook gesteld, maar sommigen met andere namen. Nehemia 11:4 : Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, van de kinderen van Perez;
[^1kronieken-9-5-7]: Kanttekening 7: van de Silonieten: Hebreeuws, שִּׁ֣ילוֹנִ֔י, van Siloni; dat is, uit het geslacht van de Silonieten.
[^1kronieken-9-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, bloedverwanten, zo ook onder, vers 9 , 9:25 , en elders. 1 Kronieken 9:9 : En hun broers naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren familiehoofden in de huizen van hun vaderen. 1 Kronieken 9:25 : En hun broers waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
[^1kronieken-9-11-9]: Kanttekening 9: Anders, Seraja, Neh. 11:11 , waar deze priesters en Levieten opnieuw worden verhaald, met verandering van sommiger namen. Nehemia 11:11 : Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, was voorganger van Gods huis;
[^1kronieken-9-11-10]: Kanttekening 10: Zie van deze 2 Kon. 22:8 . Hij is het, die het wetboek gevonden heeft. 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^1kronieken-9-11-11]: Kanttekening 11: Hij was de eerste onder de priesters na de hogepriester.
[^1kronieken-9-11-12]: Kanttekening 12: van het huis van God: Dat is, in de tempel, gelijk vers 13 . 1 Kronieken 9:13 : Daartoe hun broers, hoofden in de huizen van hun vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van de dienst van het huis van God.
[^1kronieken-9-12-13]: Kanttekening 13: de zoon: Dat is, van de bloedverwant, of neef, gelijk te zien is Neh. 11:12 . Nehemia 11:12 : En hun broers, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia;
[^1kronieken-9-16-14]: Kanttekening 14: dorpen van de Netofathieten: Deze dorpen waren in de stam van Juda gelegen, gelijk af te nemen is uit 1 Kron. 2:54 . 1 Kronieken 2:54 : De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft van de Manathieten, en de Zorieten.
[^1kronieken-9-17-15]: Kanttekening 15: Hun ambt was de tempel dagelijks open en toe te doen, en wel toe te zien dat daar niemand inkwam van hen, die naar orde van de wet daar buitengesloten waren.
[^1kronieken-9-17-16]: Kanttekening 16: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-9-18-17]: Kanttekening 17: poort van de koning: Dit was een poort van de tempel, door welke de koning in de tempel ging, 2 Kon. 16:18 . 2 Koningen 16:18 : Daartoe het deksel van de sabbat, dat zij in het huis gebouwd hadden, en de buitenste ingang van de koning nam hij weg van het huis van YHWH, vanwege de koning van Assyrië.
[^1kronieken-9-18-18]: Kanttekening 18: Te weten, die vers 17 genoemd staan. 1 Kronieken 9:17 : De poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broers; Sallum was het hoofd.
[^1kronieken-9-18-19]: Kanttekening 19: Dat is, zij waren de voornaamsten, die hun beurt hielden onder de Levietische portiers. Zie onder, vers 22 , enz. 1 Kronieken 9:22 : Allen, die uitgelezen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.
[^1kronieken-9-19-20]: Kanttekening 20: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-9-19-21]: Kanttekening 21: Te weten, de Kehathieten, Num. 4:4 . Numeri 4:4 : Dit zal de dienst zijn van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden.
[^1kronieken-9-19-22]: Kanttekening 22: Dat is, in de woestijn, waar God de Levieten als een heirleger gevoerd heeft, en zelfs rondom de ark legerde.
[^1kronieken-9-19-23]: Kanttekening 23: Te weten, tot het heilige van de allerheiligste in de tent van YHWH.
[^1kronieken-9-20-24]: Kanttekening 24: Zie Num. 25:11 , enz. Numeri 25:11 : Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen van Israël afgewend, omdat hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat Ik de kinderen van Israël in Mijn ijver niet vernield heb.
[^1kronieken-9-21-25]: Kanttekening 25: Versta dit zo, dat deze Zacharia was overste van de wachters, want daar zijn veel wachters geweest, vers 19 , 9:22 . 1 Kronieken 9:19 : En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, en zijn broers van het huis van zijn vader, de Korahieten, waren over het werk van de dienst, wachters van de dorpelen van de tabernakel; gelijk hun vaders in het leger van YHWH geweest waren bewaarders van de ingang; 1 Kronieken 9:22 : Allen, die uitgelezen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.
[^1kronieken-9-22-26]: Kanttekening 26: Zie hiervan onder, 1 Kron. 16 , 1 Kron. 23 , 1 Kron. 26 .
[^1kronieken-9-22-27]: Kanttekening 27: Wanneer Samuël dit heeft gedaan, zegt de Heilige Schrift nergens. Enige menen dat het geschied is als de ark uit het land van de Filistijnen gebracht was, 1 Sam. 7 .
[^1kronieken-9-22-28]: Kanttekening 28: Dat is, profeet. Zie de aantekening 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^1kronieken-9-22-29]: Kanttekening 29: in hun ambt bevestigd: Hebreeuws, אֱמוּנָתָֽ, eigenlijk: In hun waarheid, getrouwheid; zo ook onder, vers 26 . Dat is, in het ambt, dat hun toevertrouwd was; en het wordt zo genoemd omdat in de bediening van zulk een ambt trouw en geloof vereist wordt, 1 Kor. 4:2 . 1 Kronieken 9:26 : Want in dat ambt waren vier overste poortwachters, die Levieten waren; en zij waren over de kamers en over de schatten van het huis van God. 1 Korinthiërs 4:2 : En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.
[^1kronieken-9-23-30]: Kanttekening 30: huis van YHWH: Sommigen onderscheiden hier het huis van YHWH van het huis van de tent; zo, dat bij het huis van YHWH te verstaan is de tent, die David bij zijn huis gespannen had, waar de ark van het verbond stond; en bij het huis van de tent te verstaan is de tabernakel te Gibeon, 2 Kron. 1:3 , 1:5 , en 1 Kon. 3:2 , enz. 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. 2 Kronieken 1:5 : Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente bezochten het. 1 Koningen 3:2 : Alleen offerde het volk op de hoogten, want geen huis was voor de Naam van YHWH gebouwd, tot die dagen toe.
[^1kronieken-9-23-31]: Kanttekening 31: Te weten, een ieder op zijn beurt, alle zeven dagen elkaar aflossende. Zie vers 25 . 1 Kronieken 9:25 : En hun broers waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
[^1kronieken-9-24-32]: Kanttekening 32: aan de vier winden: Dat is, aan de vier hoeken van de wereld.
[^1kronieken-9-24-33]: Kanttekening 33: tegen het westen: Hebreeuws, מִזְרָ֥ח, tegen de zee; die aan het land Kanaän tegen het westen ligt.
[^1kronieken-9-25-34]: Kanttekening 34: Dat is, familie, bloedverwanten.
[^1kronieken-9-25-35]: Kanttekening 35: Te weten, binnen Jeruzalem, om de godsdienst waar te nemen in de tempel, als de één afging, zo kwam de ander aan, altijd van zeven dagen tot zeven dagen.
[^1kronieken-9-25-36]: Kanttekening 36: met hen: Te weten, de oversten, van wie in vers 17 en 21 gesproken is. Deze oversten bleven altijd te Jeruzalem, wonende in de tempel.
[^1kronieken-9-26-37]: Kanttekening 37: Zie vers 22 . 1 Kronieken 9:22 : Allen, die uitgelezen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.
[^1kronieken-9-26-38]: Kanttekening 38: waren over de kamers en over de schatten: Zie de ordening en verdeling, die David hierover gemaakt heeft, 1 Kron. 26:1 . 1 Kronieken 26:1 : Aangaande de verdelingen van de poortwachters: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf.
[^1kronieken-9-27-39]: Kanttekening 39: zij bleven: Dat is, zij hadden hun nachtrust in de kamers, die rondom de tempel gebouwd waren. Zie 1 Kon. 6:5 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^1kronieken-9-27-40]: Kanttekening 40: Te weten, van de tempel.
[^1kronieken-9-27-41]: Kanttekening 41: en dat elke morgen: Hebreeuws, בֹּֽקֶר, en tot morgen, morgen; dat is, telken morgen.
[^1kronieken-9-28-42]: Kanttekening 42: van de dienst: Te weten, van de heilige dienst.
[^1kronieken-9-30-43]: Kanttekening 43: de bereiders: Dat is, die het reukwerk bereiden, waren kinderen van de priesters, met gemene Levieten.
[^1kronieken-9-30-44]: Kanttekening 44: het reukwerk: Hoe deze specerijen toebereid werden en wat daar al in gedaan werd, zie Ex. 30:34 . Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.
[^1kronieken-9-31-45]: Kanttekening 45: Zie boven, vers 17 , 9:19 . 1 Kronieken 9:17 : De poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broers; Sallum was het hoofd. 1 Kronieken 9:19 : En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, en zijn broers van het huis van zijn vader, de Korahieten, waren over het werk van de dienst, wachters van de dorpelen van de tabernakel; gelijk hun vaders in het leger van YHWH geweest waren bewaarders van de ingang;
[^1kronieken-9-31-46]: Kanttekening 46: dat in pannen: Hebreeuws, מַעֲשֵׂ֥ה, het werk van de pannen. Zie Lev. 2:5 , en Lev. 24:5 . Leviticus 2:5 : En als uw offerande spijsoffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^1kronieken-9-32-47]: Kanttekening 47: de broden: Hebreeuws, לֶ֣חֶם, over het brood van de ordening; verstaande de toonbroden, welke twaalf waren; Ex. 35:13 . Zodat hier het getal van één gesteld is voor het getal van vele. Exodus 35:13 : De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;
[^1kronieken-9-32-48]: Kanttekening 48: alle sabbatten: Hebreeuws, שַׁבַּ֥ת, op sabbaten, op sabbaten. Zie Ex. 25:30 ; Lev. 24:5 , enz. Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^1kronieken-9-33-49]: Kanttekening 49: deze zijn ook: Te weten, Levieten.
[^1kronieken-9-33-50]: Kanttekening 50: van de vaderen: Dat is, van de vaderlijke huizen.
[^1kronieken-9-33-51]: Kanttekening 51: Versta hier, de kamers van de priesters, die aan de tempel waren.
[^1kronieken-9-33-52]: Kanttekening 52: Te weten, van andere diensten.
[^1kronieken-9-33-53]: Kanttekening 53: want dag en nacht: Hij wil zeggen, omdat zij met zingen en met gezangen te stellen altijd moesten bezig zijn, naar de orde van David gemaakt, 1 Kron. 25:1 , zo waren zij ook vrij van alle andere lasten. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst.
[^1kronieken-9-35-54]: Kanttekening 54: hadden gewoond: Te weten, ten tijde van Saul. En zo komt de schrijver van dit boek hier opnieuw tot het verhaal van de afkomst en het geslacht van Saul en zijn nakomelingen, waarvan hij boven, 1 Kron. 8:29 , begonnen is te spreken. 1 Kronieken 8:29 : En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam van zijn huisvrouw was Maächa.
[^1kronieken-9-35-55]: Kanttekening 55: zijn zus: Boven, 1 Kron. 8:29 , staat zijn huisvrouw. Dat men kan nemen in zulken zin, als Abraham zei, Gen. 20:2 , 20:5 , 20:12 , dat Sara zijn zus was. 1 Kronieken 8:29 : En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam van zijn huisvrouw was Maächa. Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. Genesis 20:5 : Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan. Genesis 20:12 : En ook is zij waarlijk mijn zus; zij is de dochter van mijn vader, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
[^1kronieken-9-36-56]: Kanttekening 56: Niet de vader van Abner, maar een anderen Ner, want deze is niet geweest de vader van Kis, maar zijn broer; 1 Sam. 14:50 , 14:51 . 1 Samuël 14:50 : En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. 1 Samuël 14:51 : En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël.
[^1kronieken-9-38-57]: Kanttekening 57: woonden ook te Jeruzalem: Zie boven, 1 Kron. 8:32 , 8:33 , 8:34 . 1 Kronieken 8:32 : En Mikloth verwekte Simea; en deze woonden ook tegenover hun broers te Jeruzalem, met hun broers. 1 Kronieken 8:33 : Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaäl. 1 Kronieken 8:34 : En Jonathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl verwekte Micha.
[^1kronieken-9-41-58]: Kanttekening 58: Versta hierbij, en Achaz, uit vers 42 . Zie 1 Kron. 8:35 . 1 Kronieken 9:42 : En Achaz verwekte Jaera, en Jaera verwekte Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri verwekte Moza; 1 Kronieken 8:35 : De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaärea, en Achaz.
[^1kronieken-9-42-59]: Kanttekening 59: Deze Achaz is ook een zoon van Micha geweest.

### 1 Kronieken 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/10.json)

*De Filistijnen verslaan het leger van de Israëlieten, vers 1 enz. Sauls drie zonen worden verslagen, 2. Saul verlangt van zijn wapendrager dat hij hem doorsteekt; als die dat weigert, doorsteekt Saul zichzelf, 4. De wapendrager doorsteekt ook zichzelf, 5. Het hele huis van Saul komt om, 6. De Israëlieten verlaten hun steden uit vrees voor de Filistijnen, die deze innemen, 7. Zij vinden Saul en zijn zonen dood liggen op het gebergte Gilboa, 8. Zij houwen zijn hoofd af en zenden dat met zijn wapens overal rond in hun land, 9. Daarna stellen zij die op in het huis van hun goden, en zijn schedel hechten zij in het huis van Dagon, 10. Die van Jabes in Gilead nemen de lichamen van Saul en zijn zonen, begraven hun beenderen daar, en vasten zeven dagen, 11. waarom God Saul aldus heeft laten omkomen, 13.*

**1** [^1kronieken-10-1-1] En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen, en zij vielen verslagen op het[^1kronieken-10-1-2] gebergte Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v1)

**2** En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v2)

**3** En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en[^1kronieken-10-3-3] hij vreesde zeer voor de schutters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v3)

**4** Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en[^1kronieken-10-4-4] met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v4)

**5** Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v5)

**6** Zo stierf Saul en zijn drie zonen; ook[^1kronieken-10-6-5] zijn hele huis is tegelijk gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v6)

**7** Als al de mannen van Israël, die in het dal waren, zagen, dat zij gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v7)

**8** Het gebeurde nu op de andere dag, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v8)

**9** En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v9)

**10** [^1kronieken-10-10-a] En zij leiden zijn wapenen in het huis van hun god; en[^1kronieken-10-10-6] zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v10)

**11** Als geheel[^1kronieken-10-11-7] Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v11)

**12** Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en[^1kronieken-10-12-8] zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en[^1kronieken-10-12-9] zij vastten[^1kronieken-10-12-10] zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v12)

**13** Zo stierf Saul,[^1kronieken-10-13-11] in zijn overtreding, waarmee hij overtreden had[^1kronieken-10-13-12] tegen YHWH, tegen het woord van YHWH dat hij niet gehouden had; en ook omdat[^1kronieken-10-13-b] hij[^1kronieken-10-13-13] de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v13)

**14** En YHWH niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, de zoon van Isaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/10.html#v14)

[^1kronieken-10-1-1]: Kanttekening 1: Zie de verklaring van 1 Kron. 10 , 1 Sam. 31 , dat bijna van woord tot woord met 1 Kron. 10 overeenkomt.
[^1kronieken-10-1-2]: Kanttekening 2: Zie de aantekening, 1 Sam. 28:4 . 1 Samuël 28:4 : En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde geheel Israël, en zij legerden zich op Gilboa.
[^1kronieken-10-3-3]: Kanttekening 3: en hij vreesde zeer: Zie de aantekening 1 Sam. 31:3 . 1 Samuël 31:3 : En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met de boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.
[^1kronieken-10-4-4]: Kanttekening 4: Te weten, als ik levend in hun handen kwam te vervallen.
[^1kronieken-10-6-5]: Kanttekening 5: zijn gehele huis: Versta, allen die bij hem waren; want Isboseth is niet verslagen, gelijk uit 2 Sam. 2 af te nemen is. Zie ook 1 Sam. 31:6 . Ook zo is Mefiboseth de zoon van Jonathan, overgebleven, van wiens nakomelingen zie boven, 1 Kron. 8:34 , en 1 Kron. 9:40 . 1 Samuël 31:6 : Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk. 1 Kronieken 8:34 : En Jonathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl verwekte Micha. 1 Kronieken 9:40 : En Jonathans zoon van Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha.
[^1kronieken-10-10-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 31:10 . 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san.
[^1kronieken-10-10-6]: Kanttekening 6: Maar het dode lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-Sean, 1 Sam. 31:10 . 1 Samuël 31:10 : En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san.
[^1kronieken-10-11-7]: Kanttekening 7: Zie de aantekening Richt. 21:8 . Richteren 21:8 : En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot YHWH te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente.
[^1kronieken-10-12-8]: Kanttekening 8: Te weten, nadat zij eerst de lichamen verbrand hadden, 1 Sam. 31:12 . 1 Samuël 31:12 : Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar.
[^1kronieken-10-12-9]: Kanttekening 9: Aldus betonende hun droefenis.
[^1kronieken-10-12-10]: Kanttekening 10: zeven dagen: Versta dit zo niet, alsof zij zeven dagen en nachten aaneen gevast hadden, maar zeven na elkaar komende dagen, telkens tot de avond toe.
[^1kronieken-10-13-11]: Kanttekening 11: in zijn overtreding: Anders, om zijn misdaad wil. Vergelijk Num. 27:3 . Numeri 27:3 : Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen YHWH vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen.
[^1kronieken-10-13-12]: Kanttekening 12: Als namelijk God Saul duidelijk geboden had de Amalekieten geheel uit te roeien en te verbannen, 1 Sam. 15:18 . Hier wordt de vervulling van het dreigement, daar gedaan, beschreven. 1 Samuël 15:18 : En YHWH heeft u op de weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat u dezelfde te niet doet.
[^1kronieken-10-13-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 28:8 . 1 Samuël 28:8 : En Saul verstelde zich, en trok andere kleren aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen van de nacht tot de vrouw, en hij zei: Voorzeg mij toch door de waarzeggenden geest, en doe mij opkomen, die ik tot u zeggen zal.
[^1kronieken-10-13-13]: Kanttekening 13: Zie de aantekening Lev. 19:31 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God!

### 1 Kronieken 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/11.json)

*Alle Israëlieten verzamelen zich te Hebron, vers 1 enz. en zalven David tot koning over hen, 3. Daarna trekken zij samen naar Jeruzalem, 4. David overwint die stad, 5. door Joab, 6. David gaat op de burcht te Jeruzalem wonen, 7. Die stad wordt vernieuwd, 8. David wordt dagelijks groter, 9. Verder worden verhaald de helden en voornaamste oversten van David en hun kloeke daden, 10. Zoals Jasobam, 11. Eleazar, 12. Davids verlangen om water te mogen drinken uit de welput onder de poort van Bethlehem, 17. dat die drie helden hem halen, maar hij wilde het niet drinken, 18. Abisai is de derde onder die helden, 20. Benaja verslaat twee leeuwen, 22. en een grote Egyptische man, 23. Helden onder het krijgsvolk, 26.*

**1** [^1kronieken-11-1-a] Toen verzamelde zich geheel Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie,[^1kronieken-11-1-2] wij zijn uw gebeente en uw vlees.[^1kronieken-11-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v1)

**2** Zelfs ook[^1kronieken-11-2-3] te voren, toen Saul nog koning was,[^1kronieken-11-2-b] hebt u Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft YHWH, uw God, tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël[^1kronieken-11-2-4] weiden, en u zult voorganger zijn van Mijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v2)

**3** Ook kwamen alle oudsten in Israël tot de koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël,[^1kronieken-11-3-c] naar het woord van YHWH,[^1kronieken-11-3-5] door de dienst van Samuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v3)

**4** En David trok heen, en[^1kronieken-11-4-6] geheel Israël, naar Jeruzalem, die is Jebus;[^1kronieken-11-4-d] want daar waren de Jebusieten, de inwoners van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v4)

**5** En de inwoners van Jebus zeiden tot David: U zult hier niet inkomen. David dan nog won[^1kronieken-11-5-7] de burg Sion, die is de stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v5)

**6** Want David zei: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot[^1kronieken-11-6-8] een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, die het eerst; daarom werd hij tot een hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v6)

**7** David nu woonde op de burg; daarom heet men die de stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v7)

**8** En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab[^1kronieken-11-8-9] vernieuwde het overige van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v8)

**9** En David[^1kronieken-11-9-10] ging steeds voort, en werd groot, want YHWH van de legermachten was met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v9)

**10** Deze[^1kronieken-11-10-e] nu waren de hoofden van de helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben[^1kronieken-11-10-11] in zijn koninkrijk bij geheel Israël,[^1kronieken-11-10-12] om hem koning te maken,[^1kronieken-11-10-f] naar het woord van YHWH over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v10)

**11** [^1kronieken-11-11-13] Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had:[^1kronieken-11-11-14] Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn speer tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v11)

**12** En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was[^1kronieken-11-12-15] onder die drie helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v12)

**13** Hij was met David te[^1kronieken-11-13-16] Pas-Dammim,[^1kronieken-11-13-g] als de Filistijnen daar ten strijde verzameld waren, en het stuk van de akker vol gerst was, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v13)

**14** En[^1kronieken-11-14-17] zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en YHWH verloste hen door een grote verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v14)

**15** En[^1kronieken-11-15-h] drie uit de dertig hoofden trokken af naar de rotssteen tot David in de grot van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v15)

**16** En David was toen in de vesting en de bezetting van de Filistijnen was toen te Bethlehem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v16)

**17** En David kreeg lust, en zei:[^1kronieken-11-17-18] Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v17)

**18** Toen braken die drie door het leger van de Filistijnen, en[^1kronieken-11-18-19] putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Maar David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit[^1kronieken-11-18-20] voor YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v18)

**19** En hij zei:[^1kronieken-11-19-21] Dat late mijn God verre van mij zijn, van dat te doen![^1kronieken-11-19-22] Zou ik het bloed van deze mannen drinken?[^1kronieken-11-19-23] Met gevaar van hun leven, ja,[^1kronieken-11-19-24] met gevaar van hun leven hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v19)

**20** Abisai nu, de broer van Joab, was ook het hoofd van[^1kronieken-11-20-25] drie; en hij, verheffende zijn speer tegen driehonderd, versloeg hen; zo[^1kronieken-11-20-26] had hij een naam onder die drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v20)

**21** Uit die drie was hij geëerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste;[^1kronieken-11-21-27] maar hij kwam tot aan de eerste drie niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v21)

**22** Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man van[^1kronieken-11-22-28] Kabzeël, was groot van daden;[^1kronieken-11-22-29] hij versloeg twee sterke[^1kronieken-11-22-30] leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw[^1kronieken-11-22-31] in het midden van de[^1kronieken-11-22-32] kuil, in de sneeuwtijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v22)

**23** Hij versloeg ook een Egyptische man,[^1kronieken-11-23-33] een man van grote lengte, van[^1kronieken-11-23-34] vijf ellen; en die Egyptenaar had een speer in de hand, als[^1kronieken-11-23-35] een weversboom; maar hij ging tot hem af met[^1kronieken-11-23-36] een staf, en rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar, en[^1kronieken-11-23-37] hij doodde hem met zijn eigen speer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v23)

**24** Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had[^1kronieken-11-24-38] hij een naam onder[^1kronieken-11-24-39] die drie helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v24)

**25** Zie, hij was de heerlijkste van[^1kronieken-11-25-40] die dertig; toch kwam hij tot aan[^1kronieken-11-25-41] de drie niet. En David stelde hem over[^1kronieken-11-25-42] zijn lijfwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v25)

**26** [^1kronieken-11-26-i] De helden nu van de legers waren: Asahel, de broer van[^1kronieken-11-26-43] Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v26)

**27** Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v27)

**28** Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoïet; Abiëzer, de Anathothiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v28)

**29** Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v29)

**30** Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baäna, de Netofathiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v30)

**31** Ithai, de zoon van Ribai, van Gibeä van de kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v31)

**32** Hurai,[^1kronieken-11-32-44] van de beken van Gaäs; Abiël; de Arbathiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v32)

**33** Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saälboniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v33)

**34** Van de kinderen van Hasem, de Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v34)

**35** Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v35)

**36** Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v36)

**37** Hezro, de Karmeliet; Naäri, de zoon van Ezbai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v37)

**38** Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v38)

**39** Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v39)

**40** Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v40)

**41** Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v41)

**42** Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd van de[^1kronieken-11-42-45] Rubenieten; toch waren er dertig boven hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v42)

**43** Hanan, de zoon van Maächa, en Josafat, de Mithniet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v43)

**44** Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiël, de zoon van Hotham, de Aroëriet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v44)

**45** Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broer, de Tiziet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v45)

**46** Eliël, Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaäm; en Jithma, de Moabiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v46)

**47** Eliël en Obed, en Jaäziël van Mezobaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/11.html#v47)

[^1kronieken-11-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 5:1 . 2 Samuël 5:1 : Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
[^1kronieken-11-1-2]: Kanttekening 2: wij zijn uw gebeente en uw vlees: Dat is, uw familie en bloedverwanten. Zie de aantekening Gen. 29:14 . Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
[^1kronieken-11-1-1]: Kanttekening 1: geheel Israël: Niet dat alle en elk persoon van het gehele Israël is vergaderd geweest, maar naast een grote menigte van de gemeente, ook de oudsten van het volk en de hoofden van de stammen, vers 3 . Zie onder, 1 Kron. 12:23 . Zodat dit als een vergadering van Staten geweest is, na de dood van Isboseth. 1 Kronieken 11:3 : Ook kwamen alle oudsten in Israël tot de koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David ten koning over Israël, naar het woord van YHWH, door de dienst van Samuël. 1 Kronieken 12:23 : En dit zijn de getallen van de hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar de mond van YHWH:
[^1kronieken-11-2-3]: Kanttekening 3: ook te voren: Hebreeuws, שִׁלְשׁ֗וֹם, ook gisteren, ook eergisteren, ook toen Saul nog koning was, enz.
[^1kronieken-11-2-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 19:8 . 1 Samuël 19:8 : En er werd opnieuw krijg; en David toog uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een grote slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.
[^1kronieken-11-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, gelijk een herder zijn schapen weidt. Zie Ps. 78:71 . De koningen worden dikwijls herders van het volk genoemd. Psalmen 78:71 : Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.
[^1kronieken-11-3-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 16 .
[^1kronieken-11-3-5]: Kanttekening 5: door de dienst: Hebreeuws, בְּ, door de hand.
[^1kronieken-11-4-6]: Kanttekening 6: geheel Israël: Dat is, enige van het krijgsvolk uit alle stammen van Israël. Zie onder, 1 Kron. 12:23 . 1 Kronieken 12:23 : En dit zijn de getallen van de hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar de mond van YHWH:
[^1kronieken-11-4-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 5:6 . 2 Samuël 5:6 : En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.
[^1kronieken-11-5-7]: Kanttekening 7: Te weten, de burg die op de berg Zion lag.
[^1kronieken-11-6-8]: Kanttekening 8: een hoofd: Een hoofd is hier te zeggen, een generaal over al het krijgsvolk.
[^1kronieken-11-8-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, hij maakte levend; dat is, hij vernieuwde, of hij heelde, repareerde of verbeterde het vervallene. Anders, liet leven.
[^1kronieken-11-9-10]: Kanttekening 10: ging geduriglijk voort: Hebreeuws, הָל֣וֹךְ, ging gaande, groot wordende.
[^1kronieken-11-10-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 23:8 . 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.
[^1kronieken-11-10-11]: Kanttekening 11: in zijn koninkrijk: Dat is, in de handel, wat betreft het koninkrijk. Daarin hebben zich die mannen bij al de Israëlieten dapperlijk en kloekelijk gedragen, in het bijzonder in het innemen van Jebus.
[^1kronieken-11-10-12]: Kanttekening 12: om hem koning te maken: Dat is, dat hij, die tevoren door Samuël tot koning gezalfd was, na de dood van Saul in het koninkrijk gesteld en bevestigd mocht worden. Daartoe hebben hem deze helden geholpen tegen zijn vijanden.
[^1kronieken-11-10-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 16:1 ; idem v. 12 . 1 Samuël 16:1 : Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.
[^1kronieken-11-11-13]: Kanttekening 13: Deze nu: Uit deze heeft David gekozen de oversten, die ordinairlijk bij hem in het leger waren.
[^1kronieken-11-11-14]: Kanttekening 14: Vergelijk dit met 2 Sam. 23:8 . 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.
[^1kronieken-11-12-15]: Kanttekening 15: onder die drie helden: Versta Jasobam, die de eerste was, Eleazar de tweede en Samma de derde, die hier wordt voorbijgegaan, maar hij wordt uitgedrukt, 2 Sam. 23:11 . Deze drie zijn het, die het water uit de bornput te Bethlehem voor David haalden. 2 Samuël 23:11 : Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en daar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte;
[^1kronieken-11-13-16]: Kanttekening 16: Anders, Dammin, 1 Sam. 17:1 . 1 Samuël 17:1 : En de Filistijnen verzamelden hun legermacht ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
[^1kronieken-11-13-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 5:17 ; 2 Sam. 23:11 . 2 Samuël 5:17 : Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar de burg. 2 Samuël 23:11 : Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en daar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte;
[^1kronieken-11-14-17]: Kanttekening 17: Te weten, die voorgemelde helden. Zie 2 Sam. 23:11 . 2 Samuël 23:11 : Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en daar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte;
[^1kronieken-11-15-h]: Verwijzing h: 2 Sam. 23:13 . 2 Samuël 23:13 : Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in de oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaim.
[^1kronieken-11-17-18]: Kanttekening 18: Wie zal: Dat is, ik wens dat er iemand ware, die mij te drinken gaf uit die bornput, enz.
[^1kronieken-11-18-19]: Kanttekening 19: Anders, schepten.
[^1kronieken-11-18-20]: Kanttekening 20: Dat is, God ter ere.
[^1kronieken-11-19-21]: Kanttekening 21: Dat late mijn God: Hebreeuws, אֱלֹהַ֜, dat zij mij van mijn God verre.
[^1kronieken-11-19-22]: Kanttekening 22: Zou ik: Zie 2 Sam. 23:17 . 2 Samuël 23:17 : En zei: Het zij verre van mij, o YHWH, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed van de mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.
[^1kronieken-11-19-23]: Kanttekening 23: Met gevaar: Hebreeuws, נַפְשׁוֹתָ, met, of, op hun zielen; dat is, met gevaar van hun leven.
[^1kronieken-11-19-24]: Kanttekening 24: met gevaar huns levens: David herhaalt zijn vorige woorden, uit grote verwondering. Zie gelijke manier van spreken Gen. 49:4 . Genesis 49:4 : Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt uw vaders leger beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!
[^1kronieken-11-20-25]: Kanttekening 25: Te weten, van welke straks zal gesproken worden, van Abisai, in vers 20 van Benaja, vers 22 , en van Asahel, vers 26 , naar sommiger mening. 1 Kronieken 11:20 : Abisai nu, de broer van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; zo had hij een naam onder die drie. 1 Kronieken 11:22 : Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeël, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden van de kuil, in de sneeuwtijd. 1 Kronieken 11:26 : De helden nu van de heiren waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
[^1kronieken-11-20-26]: Kanttekening 26: had hij een naam: Anders, maar hij had geen naam onder die drie. De verscheidenheid van de uitlegging ontstaat uit de verscheidenheid van het schrijven en lezen van de Hebreeuwse tekst.
[^1kronieken-11-21-27]: Kanttekening 27: De mening is, dat hij in sterkte en in kloeke daden bij de voorgaande andere drie, van welke vers 15 gesproken is, niet was te vergelijken. 1 Kronieken 11:15 : En drie uit de dertig hoofden togen af naar de rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.
[^1kronieken-11-22-28]: Kanttekening 28: Dit was een stad in de stam van Juda gelegen; Joz. 15:21 . Jozua 15:21 : De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeël, en Eder, en Jagur,
[^1kronieken-11-22-29]: Kanttekening 29: hij versloeg: Zie 2 Sam. 23:20 . 2 Samuël 23:20 : Verder Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kabzeël; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in de sneeuwtijd.
[^1kronieken-11-22-30]: Kanttekening 30: Enigen verstaan hier door leeuwen sterke mannen als leeuwen.
[^1kronieken-11-22-31]: Kanttekening 31: in het midden: Dat is, in een put of gracht.
[^1kronieken-11-22-32]: Kanttekening 32: in de sneeuwtijd: Hebreeuws, שָּֽׁלֶג, in de dag van de sneeuw, of op een sneeuwdag.
[^1kronieken-11-23-33]: Kanttekening 33: een man van grote lengte: Hebreeuws, מִּצְרִ֜י, een man van de mate; dat is, een man van grote maat en lengte. Zie 2 Sam. 23:21 . 2 Samuël 23:21 : Daartoe sloeg hij een Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand van de Egyptenaar was een spies, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de spies uit de hand van de Egyptenaar, en doodde hem met zijn eigen spies.
[^1kronieken-11-23-34]: Kanttekening 34: vijf ellen: Goliath was zes ellen en een span lang, 1 Sam. 17:4 . 1 Samuël 17:4 : Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.
[^1kronieken-11-23-35]: Kanttekening 35: een weversboom: Dat is, zo dik als een weversboom. Zo dik was ook Goliaths spies.
[^1kronieken-11-23-36]: Kanttekening 36: een staf: Een stok en slinger waren ook Davids wapen, toen hij met Goliath ging strijden.
[^1kronieken-11-23-37]: Kanttekening 37: hij doodde hem: Dit had David ook gedaan, 1 Sam. 17:51 . 1 Samuël 17:51 : Daarom liep David, en stond op de Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.
[^1kronieken-11-24-38]: Kanttekening 38: hij een naam: Dat is, hij was vermaard; te weten, vanwege zijn sterkte en kracht.
[^1kronieken-11-24-39]: Kanttekening 39: die drie helden: Deze drie helden zijn geweest in de tweede ordening, en waren: Abisai, Benaja en Asahel.
[^1kronieken-11-25-40]: Kanttekening 40: die dertig: Zie 2 Sam. 23:24 , daar worden deze dertig en anderen meer genoemd. 2 Samuël 23:24 : Asahel, Joabs broer, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
[^1kronieken-11-25-41]: Kanttekening 41: de drie: Te weten, van welke vers 18 gesproken is. 1 Kronieken 11:18 : Toen braken die drie door het leger van de Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Maar David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor YHWH;
[^1kronieken-11-25-42]: Kanttekening 42: zijn trawanten: Hebreeuws, מִשְׁמַעְתּֽ, over zijn gehoorzaamheid; dat is over zijn gehoorzamen; verstaande daarbij zijn trawanten of lijfwacht, die altijd bij en omtrent de koning waren om zijn bevelen te gehoorzamen.
[^1kronieken-11-26-i]: Verwijzing i: 2 Sam. 23:24 . 2 Samuël 23:24 : Asahel, Joabs broer, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
[^1kronieken-11-26-43]: Kanttekening 43: Anders, Elchanan, de zoon van zijn oom, van Bethlehem.
[^1kronieken-11-32-44]: Kanttekening 44: van de beken: Anders, uit één van de valleien, of, laagten; dat is, uit een derzelve.
[^1kronieken-11-42-45]: Kanttekening 45: Dat is, de dertig helden, van welke tevoren gesproken is, waren in kracht en in daden treffelijker dan Hadina en degenen, die hierna genoemd worden.

### 1 Kronieken 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/12.json)

*Hier worden nog enkele helden van David genoemd die tot hem gekomen zijn toen hij nog door Saul vervolgd werd, vers 1 enz. Eerst uit het geslacht van Saul zelf, 2. daarna uit de stam Gad, 14. ook uit de stammen Benjamin en Juda, 16. en van Manasse, 19. Tenslotte worden verhaald de oversten van de krijgslieden die tot David te Hebron gekomen zijn om hem koning te maken, samen met het getal uit elke stam, 23. Heel Israël is het eens om David koning over hen te maken, 38. Zij maken het goed met elkaar, drie dagen lang, 39.*

**1** Deze nu zijn het, die tot David kwamen naar[^1kronieken-12-1-1] Ziklag,[^1kronieken-12-1-2] toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, de zoon van Kis; zij waren ook onder[^1kronieken-12-1-3] de helden, die tot die strijd hielpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v1)

**2** Gewapend met bogen,[^1kronieken-12-2-4] rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit de boog; zij waren[^1kronieken-12-2-5] van de broers van Saul, uit Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v2)

**3** Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semaa, de Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v3)

**4** En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v4)

**5** Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v5)

**6** Elkana, en Jissia, en Azareël, en Joëzer, en Jasobam, de Korahieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v6)

**7** En Joëla en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v7)

**8** [^1kronieken-12-8-6] Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in[^1kronieken-12-8-7] die vesting naar de woestijn, strijdbare helden, soldaten ten oorlog,[^1kronieken-12-8-8] toegerust met groot schild en schild; en hun gezichten[^1kronieken-12-8-9] waren gezichten van de leeuwen; en zij waren[^1kronieken-12-8-10] als de reeën op de bergen in snelheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v8)

**9** Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v9)

**10** Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v10)

**11** Attai de zesde; Eliël de zevende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v11)

**12** Johanan de achtste; Elzabad de negende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v12)

**13** Jormeja de tiende; Machbannai de elfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v13)

**14** Deze waren van de kinderen van Gad, hoofden van het leger; één van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v14)

**15** Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen[^1kronieken-12-15-11] zij vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al[^1kronieken-12-15-12] de inwoners van de laagten, tegen het oosten en tegen het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v15)

**16** Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v16)

**17** En David ging[^1kronieken-12-17-13] uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u[^1kronieken-12-17-14] ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart één met u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren,[^1kronieken-12-17-15] daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God van onze vaders zie het, en straffe het! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v17)

**18** En de Geest[^1kronieken-12-18-16] trok Amasai aan, de overste van de bevelhebbers, en hij zei: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, u, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden van de benden.[^1kronieken-12-18-17][^1kronieken-12-18-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v18)

**19** Er[^1kronieken-12-19-a] vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden,[^1kronieken-12-19-19] alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten van de Filistijnen verlieten hem[^1kronieken-12-19-20] met raad, zeggende:[^1kronieken-12-19-21] Met gevaar van onze hoofden[^1kronieken-12-19-22] zou hij tot Saul, zijn heer, vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v19)

**20** Toen hij[^1kronieken-12-20-23] naar[^1kronieken-12-20-24] Ziklag trok, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden van de duizenden, die in Manasse waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v20)

**21** En deze hielpen David mee tegen[^1kronieken-12-21-25] die benden; want alle deze waren strijdbare helden; en zij waren oversten[^1kronieken-12-21-26] in het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v21)

**22** Want er kwamen er in die tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als[^1kronieken-12-22-27] een leger van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v22)

**23** En dit zijn de getallen van de hoofden van degenen, die toegerust waren ten strijde, die tot David te Hebron kwamen, om[^1kronieken-12-23-28] het koninkrijk van Saul tot hem te wenden,[^1kronieken-12-23-29] naar de mond van YHWH: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v23)

**24** Van de kinderen van Juda, die grote schilden en speren droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten strijde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v24)

**25** Van de kinderen van Simeon, strijdbare helden ten strijde, zeven duizend en honderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v25)

**26** Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v26)

**27** En Jehojada[^1kronieken-12-27-30] was overste van de Aäronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v27)

**28** En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit het huis van zijn vader[^1kronieken-12-28-31] waren twee en twintig oversten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v28)

**29** En van de kinderen van[^1kronieken-12-29-32] Benjamin, de broers van Saul, drie[^1kronieken-12-29-33] duizend; want tot nog toe waren er velen van hen,[^1kronieken-12-29-34] die het met het huis van Saul hielden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v29)

**30** En van de kinderen van Efraïm, twintig duizend en achthonderd, strijdbare helden,[^1kronieken-12-30-35] mannen van naam in het huis van hun vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v30)

**31** En[^1kronieken-12-31-36] van de halve stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v31)

**32** En van de kinderen van Issaschar, die[^1kronieken-12-32-37] ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broers pasten op hun[^1kronieken-12-32-38] woord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v32)

**33** Uit Zebulon, uitgaande in het leger, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend;[^1kronieken-12-33-39] en om een slagorde te houden met een[^1kronieken-12-33-40] onwankelbaar hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v33)

**34** En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met groot schild en speer, zeven en dertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v34)

**35** En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v35)

**36** En uit Aser, uitgaande in het leger, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v36)

**37** En van de overzijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v37)

**38** Al deze soldaten, die zich in slagorde konden houden,[^1kronieken-12-38-41] kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over geheel Israël. En ook was al het overige van Israël een hart, om David tot koning te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v38)

**39** En zij waren[^1kronieken-12-39-42] daar bij David drie dagen lang,[^1kronieken-12-39-43] etende en drinkende;[^1kronieken-12-39-44] want[^1kronieken-12-39-45] hun broers hadden voor hen wat toebereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v39)

**40** En ook de[^1kronieken-12-40-46] naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezels, en op kamelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en[^1kronieken-12-40-47] klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/12.html#v40)

[^1kronieken-12-1-1]: Kanttekening 1: Zie van deze stad de aantekening 1 Sam. 27:6 . 1 Samuël 27:6 : Toen gaf Achis op die dag Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
[^1kronieken-12-1-2]: Kanttekening 2: toen hij nog besloten was: Te weten, toen hij uit vrees voor Saul zich moest verbergen in holen, spelonken en rotsstenen en op de bergen. Anders, \[uitgesloten;\] te weten, uit de publieke bijeenkomsten van het volk van God, ja uit het gehele land van de Israëlieten, vanwege Sauls tirannie.
[^1kronieken-12-1-3]: Kanttekening 3: de helden: Te weten, die in 1 Kron. 11 genoemd staan.
[^1kronieken-12-2-4]: Kanttekening 4: rechts en links: Dat is, zij waren zo behendig in het werpen met hun linker- als met hun rechterhand. Zie dergelijke Richt. 20:16 . Richteren 20:16 : Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste.
[^1kronieken-12-2-5]: Kanttekening 5: van de broers: Dat is, van zijn familie, of bloedverwanten. Dit hebben die mannen gedaan, bezijden stellende de familie, en ziende op de rechtvaardige zaak Davids in het ongelijk, dat Saul hem aandeed. Aldus heeft zelfs Jonathan, de zoon van Saul, de zaak van David voorgestaan, hoewel hij bij zijn vader gebleven is.
[^1kronieken-12-8-6]: Kanttekening 6: Ook scheidden: Hij wil zeggen, zij zonderden zich af van de andere Israëlieten, die Saul nog aanhingen, en zij vervoegden zich bij David.
[^1kronieken-12-8-7]: Kanttekening 7: die vesting: Sommigen verstaan dit van de burg te Ziklag; anderen van de spelonk Adullam: anderen van Engedi.
[^1kronieken-12-8-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, ordinerende.
[^1kronieken-12-8-9]: Kanttekening 9: waren aangezichten van de leeuwen: Te weten, verschrikkelijk aan te zien, alsof zij leeuwen waren.
[^1kronieken-12-8-10]: Kanttekening 10: als de reeën: Deze lof wordt ook Asahel, de broer van Joab, gegeven; 2 Sam. 2:18 . 2 Samuël 2:18 : Nu waren daar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als één van de reeën, die in het veld zijn.
[^1kronieken-12-15-11]: Kanttekening 11: dezelfde vol was: Zie Joz. 3:15 . Jozua 3:15 : En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst aan al haar oevers);
[^1kronieken-12-15-12]: Kanttekening 12: van de laagten: Welverstaande, die bij de Jordaan waren.
[^1kronieken-12-17-13]: Kanttekening 13: hun tegemoet: Hebreeuws, יָּבֹ֗אוּ, voor hun aangezicht.
[^1kronieken-12-17-14]: Kanttekening 14: ten vrede: Dat is, vredeshalve.
[^1kronieken-12-17-15]: Kanttekening 15: daar toch: Dat is, daar ik toch niet schuldig ben van iemand geweld, of moedwillig kwaad of onrecht gedaan te hebben.
[^1kronieken-12-18-16]: Kanttekening 16: toog Amasai aan: Dat is, de Geest van YHWH, namelijk, de geest van de kloekmoedigheid en vrijmoedigheid kwam over Amasai, dat hij daarmede als met een kleed versierd werd, zo dat hij een extraordinaire vrijmoedigheid had om David aldus aan te spreken. Zie deze manier van spreken Richt. 6:34 , en elders. Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.
[^1kronieken-12-18-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, het hoofd.
[^1kronieken-12-18-18]: Kanttekening 18: van de hoofdlieden: Anders, van dertig.
[^1kronieken-12-19-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 29:1 . 1 Samuël 29:1 : De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israëlieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreël is.
[^1kronieken-12-19-19]: Kanttekening 19: Versta, dat David met zijn mannen de Filistijnen niet heeft geholpen in deze strijd tegen Saul en de Israëlieten.
[^1kronieken-12-19-20]: Kanttekening 20: met raad: Dat is, nadat zij, met elkaar hierover raad gehouden hebbende, niet raadzaam gevonden hadden dat David bij hen in het leger blijven zou.
[^1kronieken-12-19-21]: Kanttekening 21: Met gevaar van : Hebreeuws, אֱלֹהֶ֑י, met onze hoofden zou het tot Saul zijn heer vallen. Zie dergelijke manier van spreken boven, 1 Kron. 11:19 . 1 Kronieken 11:19 : En hij zei: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
[^1kronieken-12-19-22]: Kanttekening 22: zou hij tot Saul: Anders, zal hij tot Saul zijn heer vallen; te weten, als hem toegelaten werd met ons ten strijde te trekken.
[^1kronieken-12-20-23]: Kanttekening 23: Te weten, nadat hij van de koning van de Filistijnen was afgedankt; 1 Sam. 29:10 , 29:11 . 1 Samuël 29:10 : Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten van uw heer, die met u gekomen zijn; en als u u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het u licht geworden is, zo gaat heen. 1 Samuël 29:11 : Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijn mannen, dat zij 's morgens weggingen, om weer te keren in het land van de Filistijnen; de Filistijnen daarentegen togen op naar Jizreël.
[^1kronieken-12-20-24]: Kanttekening 24: Deze stad had de koning van de Filistijnen David gegeven; 1 Sam. 27:6 . 1 Samuël 27:6 : Toen gaf Achis op die dag Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag.
[^1kronieken-12-21-25]: Kanttekening 25: Versta hier, de hopen, of rotten dier Amalekieten, die Ziklag hadden ingenomen en verbrand, terwijl David vandaar getrokken was; 1 Sam. 30:1 . 1 Samuël 30:1 : Het geschiedde nu, als David en zijn mannen de derde dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelfde met vuur verbrand hadden;
[^1kronieken-12-21-26]: Kanttekening 26: in de legermacht: Te weten, in de legermacht Davids.
[^1kronieken-12-22-27]: Kanttekening 27: een leger Gods: Dat is, een zeer groot en treffelijk leger. Zo staat er Ps. 36:7 bergen Gods, en Ps. 80:11 cederen Gods; dat is, hoge. En Nineve een stad van God; dat is, een zeer grote stad. Zie de aantekening Gen. 13:10 . Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten. Psalmen 80:11 : De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^1kronieken-12-23-28]: Kanttekening 28: het koninkrijk: Zie boven op het einde van 1 Kron. 10 , en in het begin van 1 Kron. 11 .
[^1kronieken-12-23-29]: Kanttekening 29: naar de mond: Dat is, gelijk de Heer bevolen had, toen Hij David tot koning deed zalven door Samuël, 1 Sam. 16 .
[^1kronieken-12-27-30]: Kanttekening 30: was overste: Versta dit zo, dat hij de overste van de priesters was, onder de hogepriester Abjathar. Zie 1 Sam. 23:9 , of overste van de priesters, die hier gezegd worden tot David gekomen te zijn. 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts.
[^1kronieken-12-28-31]: Kanttekening 31: huis waren: Dat is, geslacht.
[^1kronieken-12-29-32]: Kanttekening 32: de broers van Saul: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-12-29-33]: Kanttekening 33: want tot nog toe: Dat is de reden, waarom dat er maar drie duizend Benjaminieten tot David gekomen waren.
[^1kronieken-12-29-34]: Kanttekening 34: die het met het huis: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֥ים, die de wacht van het huis Sauls wachtten. De Benjaminieten hielden lang de zijde van Saul, omdat hij uit hun stam gesproten was. Zie 2 Sam. 2 .
[^1kronieken-12-30-35]: Kanttekening 35: mannen van naam: Zie de aantekening Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^1kronieken-12-31-36]: Kanttekening 36: van de halve stam: Te weten, die op deze zijde van de Jordaan in het land Kanaän woonden, want de andere helft, die op gene zijde van de Jordaan woonde, is met de Rubenieten en Gadieten tot David gekomen, vers 37 . 1 Kronieken 12:37 : En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.
[^1kronieken-12-32-37]: Kanttekening 37: ervaren waren: Dat is, verstandige en ervaren mannen, die goeden raad konden geven, op welke tijd men allerbest wat zou mogen of kunnen doen of laten, hetzij in de krijg en politie, gelijk Esth. 1:13 , of ook in de landbouwerij. Esther 1:13 : Toen zei de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want zo moest de zaak van de koning gebeuren, in de aanwezigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;
[^1kronieken-12-32-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, mond.
[^1kronieken-12-33-39]: Kanttekening 39: een slagorde: Versta hierbij, zij waren bekwaam, of ervaren; of kwamen, gelijk vers 38 . 1 Kronieken 12:38 : Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over geheel Israël. En ook was al het overige van Israël een hart, om David tot koning te maken.
[^1kronieken-12-33-40]: Kanttekening 40: onwankelbaar hart: Hebreeuws, פִּי, met niet hart en hart; dat is, niet meer met een gedeeld of dubbel hart, maar oprecht en bestendig.
[^1kronieken-12-38-41]: Kanttekening 41: kwamen met een volkomen hart: Dat is, nadat zij tevoren zich wel bedacht hadden, kwamen zij met een oprecht eenvoudig hart.
[^1kronieken-12-39-42]: Kanttekening 42: daar bij David: Te weten, te Hebron.
[^1kronieken-12-39-43]: Kanttekening 43: etende en drinkende: Dat is, goede sier makende.
[^1kronieken-12-39-44]: Kanttekening 44: Hij wil zeggen dat de Hebronieten zich voorzien hadden met voedsel en drank, om hun broers te trakteren.
[^1kronieken-12-39-45]: Kanttekening 45: hun broers: Te weten, de Israëlieten, die te Hebron woonden.
[^1kronieken-12-40-46]: Kanttekening 46: naasten aan hen: Dat is, die daarbij of daaromtrent, rondom heen woonden.
[^1kronieken-12-40-47]: Kanttekening 47: klein vee: Dat is, schapen en geiten.

### 1 Kronieken 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/13.json)

*David houdt raad met de oversten van het volk, vers 1 enz. over een algemene vergadering, 2. en het halen van de ark van Kirjath-Jearim naar Sion, 3. dit behaagt de hele gemeente goed, 4. Tot dit doel trekt David zelf op met de hele gemeente, 6. zij zetten de ark op een nieuwe wagen, 7. David en het hele volk bedrijven grote vreugde met gezang en muziekinstrumenten, 8. Uza steekt zijn hand uit om de ark vast te houden, 9. Daarom slaat God hem, zodat hij sterft, 10. David noemt de plaats waar dit gebeurt Perez-Uza, 11. en hij is bevreesd de ark naar zich toe te laten brengen, 12. Maar laat haar in het huis van Obed-Edom brengen, 14.*

**1** En[^1kronieken-13-1-1] David hield raad met de oversten van de duizenden en van de honderden, en met alle vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v1)

**2** En David zei tot de hele gemeente van[^1kronieken-13-2-2] Israël: Als het u goeddunkt, en van YHWH, onze God, te zijn, laat[^1kronieken-13-2-3] ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden,[^1kronieken-13-2-4] met haar voorsteden, opdat zij tot ons verzameld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v2)

**3** En laat ons de ark van onze God tot ons wederhalen, want[^1kronieken-13-3-5] wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v3)

**4** Toen zei de hele gemeente, dat men zo doen zou; want[^1kronieken-13-4-6] die zaak was recht in de ogen van het hele volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v4)

**5** [^1kronieken-13-5-a] David dan verzamelde geheel Israël van het Egyptische[^1kronieken-13-5-7] Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om[^1kronieken-13-5-8] de ark van God te brengen[^1kronieken-13-5-9] van Kirjath-jearim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v5)

**6** Toen trok David op met het hele Israël naar[^1kronieken-13-6-10] Baäla, dat is, Kirjath-jearim, dat in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark van God, van YHWH, Die tussen de[^1kronieken-13-6-11] cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v6)

**7** En[^1kronieken-13-7-12] zij voerden de ark van God op een nieuwe wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden de wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v7)

**8** En David en geheel Israël speelden voor het aangezicht[^1kronieken-13-8-13] van God met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v8)

**9** Toen zij aan de dorsvloer van[^1kronieken-13-9-14] Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen[^1kronieken-13-9-15] struikelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v9)

**10** Toen[^1kronieken-13-10-16] ontstak de toorn van YHWH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v10)

**11** En David[^1kronieken-13-11-17] ontstak, dat YHWH een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde[^1kronieken-13-11-18] hij die plaats[^1kronieken-13-11-19] Perez-uza,[^1kronieken-13-11-20] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v11)

**12** En David vreesde YHWH op die dag, zeggende: Hoe zal ik de ark van God tot mij brengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v12)

**13** Daarom[^1kronieken-13-13-b] liet David de ark niet tot zich brengen in de stad van David, maar deed ze afwijken in het huis[^1kronieken-13-13-21] van Obed-edom, de Gethiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v13)

**14** Zo bleef de ark van God bij het huisgezin van Obed-edom, in zijn huis, drie maanden; en YHWH zegende het huis van Obed-edom, en alles, wat hij had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/13.html#v14)

[^1kronieken-13-1-1]: Kanttekening 1: En David hield raad: Te weten, nadat hij Jeruzalem had ingenomen en meester geworden was van de burg Zion, op welke hij de ark van YHWH wilde laten brengen.
[^1kronieken-13-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, zo het aan, of bij u goed \[is\].
[^1kronieken-13-2-3]: Kanttekening 3: ons ons uitbreiden: Hebreeuws, אֱלֹהֵ֗י, laat ons uitbarsten, of uitbreken, en laat ons zenden; dat is, wijd en zijd aan alle plaatsen in Israël uitzenden. Het is een verbloemde manier van spreken, genomen van de overvloeiende wateren.
[^1kronieken-13-2-4]: Kanttekening 4: met haar voorsteden: Hebreeuws, עָרֵ֣י, haar voorsteden.
[^1kronieken-13-3-5]: Kanttekening 5: wij hebben: Dat is, wij hebben niet veel daarop gepast, noch grote achting op dezelfde gegeven; want omdat de ark te Kiriath-Jearim was, en de tabernakel met het altaar, waar men de offeranden op offerde, te Gibeon stond, zo maakten velen onder de Israëlieten geen groot werk van de ark, maar zij deden hun godsdienst in de tabernakel, die zonder ark was.
[^1kronieken-13-4-6]: Kanttekening 6: die zaak: Dat is, deze voorstelling van de koning beviel het gehele volk wel, en het vond zulks al goed.
[^1kronieken-13-5-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 6:1 . 2 Samuël 6:1 : Daarna verzamelde David opnieuw alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend.
[^1kronieken-13-5-7]: Kanttekening 7: Sichor af: Zie van deze rivier Joz. 13:3 , 13:5 . Dit was de uiterste grens van het land Kanaän tegen het zuiden, gelijk Hamath de uiterste grens was tegen het noorden. Zodat hier de gehele lengte van het land Kanaäns te kennen wordt gegeven. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Jozua 13:5 : Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath.
[^1kronieken-13-5-8]: Kanttekening 8: de ark van God: Deze historie wordt eerst beschreven 2 Sam. 6:2 , enz. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^1kronieken-13-5-9]: Kanttekening 9: Daar was zij gebracht toen zij uit het land van de Filistijnen kwam, 1 Sam. 6:21 , en 1 Sam. 7:1 . 1 Samuël 6:21 : Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van YHWH wedergebracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde.
[^1kronieken-13-6-10]: Kanttekening 10: Baäla en Kiriath-Jearim was een en dezelfde stad, Joz. 15:9 , 15:60 . Jozua 15:9 : Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte van de berg tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baäla; deze is Kirjath-Jearim. Jozua 15:60 : Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.
[^1kronieken-13-6-11]: Kanttekening 11: Zie de aantekening 1 Sam. 4:4 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.
[^1kronieken-13-7-12]: Kanttekening 12: zij voerden: Dit was tegen het uitgedrukte bevel Gods, Num. 4:15 , waar de Heer beveelt dat de priesters de ark op hun schouders dragen zullen. Zie onder, 1 Kron. 15:2 , 15:13 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst. 1 Kronieken 15:2 : Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die heeft YHWH gekozen, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 15:13 : Want omdat u ten eerste dit niet deedt, heeft YHWH, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.
[^1kronieken-13-8-13]: Kanttekening 13: Die zijn aanwezigheid boven de ark openbaarde. Zo vers 10 . Zie 2 Sam. 6:2 . 1 Kronieken 13:10 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^1kronieken-13-9-14]: Kanttekening 14: Anders, Nachon, 2 Sam. 6:6 . 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden.
[^1kronieken-13-9-15]: Kanttekening 15: Zie 2 Sam. 6:6 . 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden.
[^1kronieken-13-10-16]: Kanttekening 16: Niemand mocht de ark met de hand aanroeren, dan alleen de priesters, Num. 4:15 , van welk geslacht Uza niet was, hoewel hij een Leviet was. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^1kronieken-13-11-17]: Kanttekening 17: Zie 2 Sam. 6:8 . 2 Samuël 6:8 : En David ontstak, omdat YHWH een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelfde plaats Perez-uza, tot op deze dag.
[^1kronieken-13-11-18]: Kanttekening 18: hij diezelve plaats: Te weten, David, gelijk 2 Sam. 5:20 . 2 Samuël 5:20 : Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam derzelve plaats, Baäl-perazim.
[^1kronieken-13-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, scheur, of reet van Uzoe.
[^1kronieken-13-11-20]: Kanttekening 20: tot op deze dag: De reden zou aldus vol zijn: Welke zo heet tot op deze dag.
[^1kronieken-13-13-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 6:10 . 2 Samuël 6:10 : David dan wilde de ark van YHWH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, de Gethiet.
[^1kronieken-13-13-21]: Kanttekening 21: Deze Obed-Edom is een Leviet geweest.

### 1 Kronieken 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/14.json)

*Koning Hiram zendt boden naar David, met timmerlieden en cederhout, vers 1. David neemt toe in macht, 2. hij neemt meer vrouwen en krijgt veel kinderen, 3. hun namen, 4. De Filistijnen trekken op ten strijde tegen David, en David tegen hen, 8. David vraagt God wat hij doen zal; die beveelt hem op te trekken, met belofte van overwinning, 10. David verslaat hen en noemt die plaats Baäl-Perazim, 11. David laat hun afgoden verbranden, 12. De Filistijnen hervatten de strijd, 13. David vraagt opnieuw de Heere, die hem zegt wat hij doen zou, 14. en hem tegelijk zijn hulp toezegt, 15. David verslaat de Filistijnen voor de tweede keer, 16. waardoor hij een grote naam krijgt en overal gevreesd wordt, 17.*

**1** Toen[^1kronieken-14-1-a] zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v1)

**2** En David merkte, dat hem YHWH tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, omwille van Zijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v2)

**3** En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David verwekte meer zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v3)

**4** Dit[^1kronieken-14-4-b] nu zijn de namen[^1kronieken-14-4-1] van de kinderen, die hij te Jeruzalem had:[^1kronieken-14-4-2] Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v4)

**5** En Jibchar, en Elisua, en Elpelet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v5)

**6** En Nogah, en Nefeg, en Jafia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v6)

**7** En Elisama, en[^1kronieken-14-7-3] Beëljada, en Elifelet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v7)

**8** Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het hele Israël,[^1kronieken-14-8-4] zo trokken al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde[^1kronieken-14-8-5] zo trok hij uit tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v8)

**9** Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit[^1kronieken-14-9-6] in de laagte van Refaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v9)

**10** Toen[^1kronieken-14-10-7] vroeg David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En YHWH zei tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v10)

**11** Toen[^1kronieken-14-11-8] zij nu optogen naar[^1kronieken-14-11-9] Baäl-perazim, zo sloeg hen David daar; en David zei:[^1kronieken-14-11-10] God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemden zij de naam van die plaats Baäl-perazim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v11)

**12** En daar lieten zij hun[^1kronieken-14-12-11] goden; en David[^1kronieken-14-12-12] gebood, en zij werden met vuur verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v12)

**13** Maar de Filistijnen voeren nog voort, en zij verspreidden zich[^1kronieken-14-13-13] in dat dal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v13)

**14** En David vraagde God nog eens; en God zei tot hem: U zult niet optrekken achter hen heen;[^1kronieken-14-14-14] maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeziënbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v14)

**15** En het zal gebeuren, als u hoort[^1kronieken-14-15-15] het geruis van een gang in[^1kronieken-14-15-16] de toppen van de moerbeziënbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger van de Filistijnen te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v15)

**16** David nu deed, zoals hem God geboden had; en zij sloegen het leger van de Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v16)

**17** Zo ging Davids naam uit in al die landen; en[^1kronieken-14-17-17] YHWH[^1kronieken-14-17-18] gaf Zijn verschrikking over al die heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/14.html#v17)

[^1kronieken-14-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 5:11 . 2 Samuël 5:11 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.
[^1kronieken-14-4-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 3:5 . 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël;
[^1kronieken-14-4-1]: Kanttekening 1: Anders, dergenen, die hem geboren zijn te Jeruzalem.
[^1kronieken-14-4-2]: Kanttekening 2: Boven, 1 Kron. 3 , is enige verandering in deze namen.
[^1kronieken-14-7-3]: Kanttekening 3: El-jada; 2 Sam. 5:16 . 2 Samuël 5:16 : En Elischama, en Eljada, en Elifeleth.
[^1kronieken-14-8-4]: Kanttekening 4: zo togen: Te weten, met heirkracht, om hem de krijg aan te doen.
[^1kronieken-14-8-5]: Kanttekening 5: zo toog: Dat is, hij en wachtte niet, dat zij hem de oorlog in zijn eigen land zouden komen aandoen, maar last van God gekregen hebbende, trok ze zelf tegemoet. Vergelijk 2 Sam. 5:17 , 5:19 . 2 Samuël 5:17 : Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar de burg. 2 Samuël 5:19 : Zo vraagde David YHWH, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U ze in mijn hand geven? En YHWH zei tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.
[^1kronieken-14-9-6]: Kanttekening 6: laagte van Refaim: Zie Joz. 15:8 ; 2 Sam. 5:18 ; zij lag in de stam van Juda. Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. 2 Samuël 5:18 : En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.
[^1kronieken-14-10-7]: Kanttekening 7: Te weten, door de hogepriester Abjathar, die de lijfrok aandeed, enz. Zie 1 Sam. 23:9 , en 1 Sam. 30:7 . 1 Samuël 23:9 : Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts. 1 Samuël 30:7 : En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David.
[^1kronieken-14-11-8]: Kanttekening 8: Te weten, de Israëlieten.
[^1kronieken-14-11-9]: Kanttekening 9: Dat is, scheurplaatsen , of, retenpleinen , of, de Heer van de scheuringen , of, van de reten .
[^1kronieken-14-11-10]: Kanttekening 10: Zie 2 Sam. 5:20 . 2 Samuël 5:20 : Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam derzelve plaats, Baäl-perazim.
[^1kronieken-14-12-11]: Kanttekening 11: 2 Sam. 5:21 worden zij afgoden genoemd. 2 Samuël 5:21 : En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^1kronieken-14-12-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, zei.
[^1kronieken-14-13-13]: Kanttekening 13: Versta, het dal Refaim, waar zij vijandelijk in gevallen waren, vers 9 . 1 Kronieken 14:9 : Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaim.
[^1kronieken-14-14-14]: Kanttekening 14: omsingel hen: Of, trek om van hen af. Vergelijk 2 Sam. 5:23 . 2 Samuël 5:23 : En David vraagde YHWH, Dewelke zei: U zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat u aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen;
[^1kronieken-14-15-15]: Kanttekening 15: Dat is, een geruis alsof iemand op de toppen van de bomen wandelde. Zie 2 Sam. 5:24 . Sommigen verstaan dit van het gezang van de engelen, die voor de Israëlieten strijden zouden. 2 Samuël 5:24 : En het geschiede, als u hoort het geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen, dan rep u; want alsdan is YHWH voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger van de Filistijnen te slaan.
[^1kronieken-14-15-16]: Kanttekening 16: in de toppen: Hebreeuws, בְּכָאִ֔ים, in de hoofden.
[^1kronieken-14-17-17]: Kanttekening 17: Dat is, God maakte dat veel heidense natiën een schrik en vrees van David hadden.
[^1kronieken-14-17-18]: Kanttekening 18: Anders, bracht.

### 1 Kronieken 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/15.json)

*David bereidt voor de ark van God een plaats, vers 1. En hij beveelt dat de Levieten de ark van God dragen zullen, 2. Heel Israël komt te Jeruzalem om de ark daar op te halen, 3. Namen van de Levieten die tot dit doel daar kwamen, 4. David beveelt hun oversten wat en hoe zij doen zullen, 11. Zij gehoorzamen David, 14. Dit is gebeurd met grote viering van muziek, 16. Michal, de dochter van Saul, veracht koning David als zij hem voor de ark ziet springen en spelen, 29.*

**1** En David maakte zich huizen[^1kronieken-15-1-1] in zijn stad; en hij bereidde van de ark van God een plaats, en[^1kronieken-15-1-2] spande een tent voor haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v1)

**2** Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die[^1kronieken-15-2-a] heeft YHWH gekozen, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v2)

**3** Ook verzamelde David geheel Israël te Jeruzalem, om de ark van YHWH op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v3)

**4** En David[^1kronieken-15-4-b] verzamelde[^1kronieken-15-4-3] de kinderen van Aäron en de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v4)

**5** Van de kinderen van Kehath was Uriël overste, en van[^1kronieken-15-5-4] zijn broers waren honderd en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v5)

**6** Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broers waren tweehonderd en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v6)

**7** Van de kinderen van Gersom was Joël overste, en van zijn broers waren honderd en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v7)

**8** Uit de kinderen[^1kronieken-15-8-5] van Elizafan was overste Semaja, en van[^1kronieken-15-8-6] zijn broers waren tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v8)

**9** Uit de kinderen[^1kronieken-15-9-7] van Hebron was Eliël overste, en zijn broers waren tachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v9)

**10** Uit de kinderen[^1kronieken-15-10-8] van Uzziël was Amminadab overste, en zijn broers waren honderd en twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v10)

**11** En David riep de priesters Zadok en[^1kronieken-15-11-9] Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v11)

**12** En hij zei tot hen: U bent familiehoofden onder de Levieten;[^1kronieken-15-12-10] heilig u, u en uw broers, dat u de ark van YHWH, van de God van Israël,[^1kronieken-15-12-11] opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v12)

**13** Want omdat u ten[^1kronieken-15-13-12] eerste[^1kronieken-15-13-13] dit niet deedt,[^1kronieken-15-13-14] heeft YHWH, onze God, onder ons een straf gegeven, omdat wij Hem niet gezocht hebben[^1kronieken-15-13-15] naar het recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v13)

**14** Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark van YHWH, van de God van Israël, op te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v14)

**15** En[^1kronieken-15-15-16] de kinderen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen, die op hen waren,[^1kronieken-15-15-c] zoals Mozes geboden had naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v15)

**16** En David zei tot de oversten van de Levieten, dat zij hun broers, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v16)

**17** Zo stelden dan de Levieten[^1kronieken-15-17-d] Heman, de zoon van Joël, en uit zijn broers Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broers,[^1kronieken-15-17-17] Ethan, de zoon van Kusaja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v17)

**18** En met hen hun broers[^1kronieken-15-18-18] van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaäziel, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maäseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, de poortwachters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v18)

**19** De zangers nu, Heman, Asaf en[^1kronieken-15-19-19] Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v19)

**20** En Zecharja, en[^1kronieken-15-20-20] Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, en Eliab, en Maäseja, en Benaja, met luiten[^1kronieken-15-20-21] op Alamoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v20)

**21** En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen[^1kronieken-15-21-22] op de Scheminith, om de toon te versterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v21)

**22** En Chenanja, de overste van de Levieten, was over het[^1kronieken-15-22-23] opheffen; hij[^1kronieken-15-22-24] onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v22)

**23** En Berechja en Elkana waren[^1kronieken-15-23-25] poortwachters van de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v23)

**24** En Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-Edom en Jehia waren poortwachters van de ark. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v24)

**25** Het gebeurde nu, dat David en de oudsten van Israël, en de oversten van de duizenden, heengingen, om de ark van het verbond van YHWH op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v25)

**26** Zo gebeurde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van YHWH droegen, dat zij zeven stieren en zeven rammen offerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v26)

**27** David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen[^1kronieken-15-27-26] van de zangers; ook had David[^1kronieken-15-27-27] een lijfrok aan van linnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v27)

**28** Zo bracht geheel Israël de ark van het verbond van YHWH op, met gejuich, en met geluid van de bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v28)

**29** [^1kronieken-15-29-e] Het gebeurde nu, toen de ark van het verbond van YHWH tot aan de stad van David gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en de koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/15.html#v29)

[^1kronieken-15-1-1]: Kanttekening 1: Dit was het bovenste deel van de stad Jeruzalem, dat David van de Jebusieten met geweld gewonnen had. Zij werd de stad van David genoemd, omdat David daar zijn woonplaats genomen had. Hebreeuws, En hij maakte zich huizen in Davids stad.
[^1kronieken-15-1-2]: Kanttekening 2: spande een tent: Zie 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1kronieken-15-2-a]: Verwijzing a: Num. 4:15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^1kronieken-15-4-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 6:1 ; idem v. 2 . 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 1 Kronieken 6:2 : De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël.
[^1kronieken-15-4-3]: Kanttekening 3: Dat is, de nakomelingen.
[^1kronieken-15-5-4]: Kanttekening 4: Dat is, bloedverwanten; en zo doorgaans in de volgende hoofdstukken.
[^1kronieken-15-8-5]: Kanttekening 5: Hij was de zoon van Uzziël, de zoon van Kehath; Ex. 6:21 . Exodus 6:21 : En de zonen van Uzziël: Misael, en Elzafan, en Sithri.
[^1kronieken-15-8-6]: Kanttekening 6: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-15-9-7]: Kanttekening 7: Hij was een zoon van Kehath; Ex. 6:17 . Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
[^1kronieken-15-10-8]: Kanttekening 8: Hij was ook een zoon van Kehath, Ex. 6:17 , maar dit zijn andere nakomelingen van Uzziël geweest dan vers 8 genoemd staan, maar zij hebben ook Uzziël hun grootvader genoemd. Exodus 6:17 : En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. 1 Kronieken 15:8 : Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broers waren tweehonderd.
[^1kronieken-15-11-9]: Kanttekening 9: Of, Ebjathar; hij was hogepriester, en Zadok was de tweede na hem, achtervolgens de orde van God gesteld; Num. 3:32 . Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen.
[^1kronieken-15-12-10]: Kanttekening 10: heiligt u: Dat is, bereidt u tot dit heilig werk met uiterlijke ceremoniële reiniging, maar in het bijzonder met reinigheid van het hart. Zie Ex. 19:10 , 19:15 . Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, Exodus 19:15 : En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw.
[^1kronieken-15-12-11]: Kanttekening 11: plaatse, : Zie boven, vers 1 . 1 Kronieken 15:1 : En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde voor de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar.
[^1kronieken-15-13-12]: Kanttekening 12: ten eerste: Te weten, toen ik de ark in mijn huis wilde laten brengen; 1 Kron. 13:10 . 1 Kronieken 13:10 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God.
[^1kronieken-15-13-13]: Kanttekening 13: niet deedt, : Versta hierbij, maar hebt de ark op een wagen gezet, boven, 1 Kron. 13:7 . 1 Kronieken 13:7 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden de wagen.
[^1kronieken-15-13-14]: Kanttekening 14: Versta dit, van de dood van Uza, boven, 1 Kron. 13:10 ; 2 Sam. 6:6 . 1 Kronieken 13:10 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God. 2 Samuël 6:6 : Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden.
[^1kronieken-15-13-15]: Kanttekening 15: naar het recht: Of, naar de wijze; dat is, gelijk het recht en behoorlijk is; Num. 4:15 . Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^1kronieken-15-15-16]: Kanttekening 16: Te weten, die van het geslacht van Kehath waren. Zie Num. 4:4 . Numeri 4:4 : Dit zal de dienst zijn van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden.
[^1kronieken-15-15-c]: Verwijzing c: Ex. 25:14 ; Num. 4:15 ; Num. 7:9 . Exodus 25:14 : En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn, dat men de ark daarmede drage. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst. Numeri 7:9 : Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen.
[^1kronieken-15-17-d]: Verwijzing d: boven, 1 Kron. 6:33 ; idem v. 39 ; idem v. 44 . 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 1 Kronieken 6:39 : En zijn broer Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea, 1 Kronieken 6:44 : Hunne broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
[^1kronieken-15-17-17]: Kanttekening 17: Anders genoemd Jeduthun.
[^1kronieken-15-18-18]: Kanttekening 18: van de tweede orde: Deze waren een trap lager dan de voorgaande drie eerste.
[^1kronieken-15-19-19]: Kanttekening 19: Anders, jeduthum; zijn vader wordt Kisi genoemd 1 Kron. 6:44 . 1 Kronieken 6:44 : Hunne broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
[^1kronieken-15-20-20]: Kanttekening 20: Jaäziël, vers 18 ; Ben, vermeld vers 18 , wordt hier uitgelaten. Sommigen menen dat hier Azazia is, waarvan vers 21 ; anderen dat het een gedeelte is van de naam Zacharia. 1 Kronieken 15:18 : En met hen hun broers van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaäziel, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maäseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, de poortwachters. 1 Kronieken 15:18 : En met hen hun broers van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaäziel, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maäseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, de poortwachters. 1 Kronieken 15:21 : En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om de toon te versterken.
[^1kronieken-15-20-21]: Kanttekening 21: Dat is, met een maagdelijke of vrouwelijke stem, welke de muzikanten de superius of bovenzang noemen; of de altus en contratenor, welke met een vrouwelijke stem gezongen moeten worden. Anders, met fijne, of klare stemmen. Anders, op het virginaal. Versta dit, naar het gevoelen van sommigen. En zo in het volgende.
[^1kronieken-15-21-22]: Kanttekening 22: Zo noemt hij de bassus of tenor, die wel een octaaf of acht noten verschilt van de superius of contratenor. Zie Ps. 6:1 , met de aantekening. Psalmen 6:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
[^1kronieken-15-22-23]: Kanttekening 23: Te weten, van de stemmen, of van de zang, gelijk vers 27 . Dat is, hij was zangmeester, die orde stelde op de tonen en stemmen, en wanneer de zangers zouden opheffen, of beginnen te zingen; zie vers 27 . Anderen verstaan dat hij de voornaamste geweest is in het opheffen van de ark, dat is, het beleid daarvan gehad heeft. 1 Kronieken 15:27 : David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen van de zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen. 1 Kronieken 15:27 : David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen van de zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.
[^1kronieken-15-22-24]: Kanttekening 24: Anders, hij was overste in, enz.
[^1kronieken-15-23-25]: Kanttekening 25: Deze gingen, zo men meent, naast voor de ark heen, en droegen zorg dat niemand daartoe lopen of die genaken zou, gelijk men de deur wacht of bewaart. vers 24 worden er nog twee portiers genoemd, die tot hetzelfde einde naast achter de ark van het verbond volgden. 1 Kronieken 15:24 : En Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-Edom en Jehia waren poortwachters van de ark.
[^1kronieken-15-27-26]: Kanttekening 26: van de zangers: Anders, van de zang. Of aldus, met de zangers.
[^1kronieken-15-27-27]: Kanttekening 27: een lijfrok aan: Waarmee hij zijn koninklijke waardigheid en grootheid als bedekte voor de grote waardigheid en majesteit van God, zich houdende als de andere dienaren in de dienst van God. Hebreeuws, אֵפ֥וֹד, en op David was een efod.
[^1kronieken-15-29-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 6:16 . 2 Samuël 6:16 : En het geschiedde, als de ark van YHWH in de stad van David kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht van YHWH, verachtte zij hem in haar hart.

### 1 Kronieken 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/16.json)

*David en het volk offeren brandoffer en dankoffer als zij de ark brengen in de tent die David daartoe verordend had, vers 1 enz. en hij zegent het volk, 2. en geeft ieder brood, vlees en wijn, 3. en hij stelt Levieten aan ten dienste van de ark, en om de God van Israël te loven, 4. Wie de hoofden waren over hen die met muziekinstrumenten God loofden, 5. daar wordt een psalm beschreven die David aan Asaf en zijn broers gegeven heeft, om de Heere daarmee te loven en te prijzen, 7. nadat deze gezongen is, zegt het hele volk: Amen, terwijl het de Heere looft, 36. David stelt zangers aan, 37. poortwachters, 38. priesters om brandoffers te offeren, ten dienste van de ark, 39. als dit gedaan is, trekt ieder naar huis, 43.*

**1** Toen[^1kronieken-16-1-a] zij de[^1kronieken-16-1-1] ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en[^1kronieken-16-1-2] zij offerden brandoffers en dankoffers[^1kronieken-16-1-3] voor het aangezicht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v1)

**2** Als David het brandoffer en de dankoffers geëindigd had te offeren, zo[^1kronieken-16-2-4] zegende hij het volk in de Naam van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v2)

**3** En[^1kronieken-16-3-b] hij deelde ieder in Israël, van de man tot de vrouw, ieder een rond brood, en[^1kronieken-16-3-5] een schoon stuk vlees, en een fles wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v3)

**4** En hij stelde voor de ark van YHWH sommigen uit de Levieten tot dienaren, en dat, om YHWH, de God van Israël, te vermelden, en te loven, en te prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v4)

**5** Asaf was het hoofd, en Zecharja[^1kronieken-16-5-6] de tweede na hem; Jeiël, en Semiramoth, en Jehiël, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeiël, met instrumenten van de luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v5)

**6** Maar Benaja en Jahaziël, de priesters,[^1kronieken-16-6-7] steeds met trompetten voor de ark van het verbond van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v6)

**7** Op die dag gaf David[^1kronieken-16-7-8] ten eerste deze psalm, om YHWH te loven,[^1kronieken-16-7-9] door de dienst van Asaf, en zijn[^1kronieken-16-7-10] broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v7)

**8** [^1kronieken-16-8-11] Loof YHWH,[^1kronieken-16-8-12] roep Zijn Naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v8)

**9** Zing Hem, psalmzing Hem, spreek aandachtig van al Zijn wonderwerken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v9)

**10** [^1kronieken-16-10-13] Roem u in de Naam van Zijn heiligheid; dat zich het hart van degenen, die YHWH zoeken, verblijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v10)

**11** Vraag naar YHWH en Zijn[^1kronieken-16-11-14] sterkte, zoek[^1kronieken-16-11-15] Zijn aangezicht steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v11)

**12** Gedenk van Zijn wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en de[^1kronieken-16-12-16] oordelen van Zijn mond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v12)

**13** U, zaad van Israël, Zijn dienaar, u, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v13)

**14** Hij is YHWH, onze God;[^1kronieken-16-14-17] Zijn oordelen zijn over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v14)

**15** [^1kronieken-16-15-c] Gedenk tot in de eeuwigheid van Zijn verbond, van het woord, dat[^1kronieken-16-15-18] Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v15)

**16** [^1kronieken-16-16-d] Van het verbond, dat Hij[^1kronieken-16-16-19] met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v16)

**17** Die[^1kronieken-16-17-e] Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v17)

**18** Zeggende: Ik zal u het land Kanaän geven,[^1kronieken-16-18-20] een snoer van uw erfdeel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v18)

**19** Als u[^1kronieken-16-19-21] weinig mensen in getal was; ja,[^1kronieken-16-19-22] weinigen en vreemdelingen daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v19)

**20** En[^1kronieken-16-20-23] zij wandelden[^1kronieken-16-20-24] van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v20)

**21** Hij[^1kronieken-16-21-f] liet niemand toe hen te[^1kronieken-16-21-25] onderdrukken; ook[^1kronieken-16-21-26] bestrafte Hij[^1kronieken-16-21-27] koningen om hunnentwil, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v21)

**22** Raak[^1kronieken-16-22-28] Mijn[^1kronieken-16-22-29] gezalfde niet aan, en doe Mijn profeten geen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v22)

**23** [^1kronieken-16-23-30] Zing YHWH,[^1kronieken-16-23-31] u, hele aarde, boodschap[^1kronieken-16-23-32] Zijn heil van dag tot dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v23)

**24** Vertel Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v24)

**25** Want YHWH is groot, en zeer te prijzen, en[^1kronieken-16-25-33] Hij is vreselijk boven alle goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v25)

**26** Want al de goden van de volken zijn[^1kronieken-16-26-34] afgoden; maar YHWH heeft de hemelen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v26)

**27** [^1kronieken-16-27-35] Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht,[^1kronieken-16-27-36] sterkte en vrolijkheid zijn[^1kronieken-16-27-37] in Zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v27)

**28** [^1kronieken-16-28-38] Geef YHWH, u, geslachten van de volken,[^1kronieken-16-28-39] geef YHWH eer en sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v28)

**29** Geef YHWH de eer[^1kronieken-16-29-40] van Zijn Naam,[^1kronieken-16-29-41] breng offer, en kom voor Zijn[^1kronieken-16-29-42] aangezicht; aanbid YHWH[^1kronieken-16-29-43] in de heerlijkheid van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v29)

**30** Schrik voor Zijn aangezicht,[^1kronieken-16-30-44] u, hele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v30)

**31** Dat[^1kronieken-16-31-45] de hemelen zich verblijden, en[^1kronieken-16-31-46] de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen[^1kronieken-16-31-47] zegge: YHWH regeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v31)

**32** Dat de zee[^1kronieken-16-32-48] bruise met haar[^1kronieken-16-32-49] volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v32)

**33** Dan zullen de bomen van het woud juichen voor het aangezicht van YHWH, omdat Hij komt, om de[^1kronieken-16-33-50] aarde te richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v33)

**34** [^1kronieken-16-34-g]Loof YHWH, want[^1kronieken-16-34-51] Hij is goed,[^1kronieken-16-34-h] want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v34)

**35** En zeg: Verlos ons, o God van ons heil, en[^1kronieken-16-35-52] verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heilige Naam loven, en[^1kronieken-16-35-53] dat wij ons van Uw lof roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v35)

**36** Geloofd zij YHWH, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En[^1kronieken-16-36-54] al het volk zei: Amen![^1kronieken-16-36-55] en het loofde YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v36)

**37** Zo liet[^1kronieken-16-37-56] hij daar, voor de ark van het verbond van YHWH, Asaf en[^1kronieken-16-37-57] zijn broers, om steeds te dienen voor de ark,[^1kronieken-16-37-58] naardat op elke dag besteld was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v37)

**38** Obed-edom nu, met[^1kronieken-16-38-59] hun[^1kronieken-16-38-60] broers, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-edom, de zoon[^1kronieken-16-38-61] van Jeduthun, en Hosa, tot poortwachters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v38)

**39** En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, die[^1kronieken-16-39-62] te Gibeon is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v39)

**40** Om YHWH de brandoffers steeds te offeren op het brandofferaltaar, 's morgens en 's avonds; en dat naar alles, wat er geschreven staat in de wet van YHWH, die Hij Israël geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v40)

**41** En met hen Heman en Jeduthun, en de overige[^1kronieken-16-41-63] uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om YHWH te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v41)

**42** [^1kronieken-16-42-64] Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten van de muziek Gods;[^1kronieken-16-42-65] maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v42)

**43** Zo trok het hele volk heen, ieder in zijn huis; en David keerde zich,[^1kronieken-16-43-66] om zijn huis te gaan zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/16.html#v43)

[^1kronieken-16-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 6:17 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor de aangezicht van YHWH, en dankofferen.
[^1kronieken-16-1-1]: Kanttekening 1: ark van God: Dat is, de ark van het verbond, ter ere Gods gemaakt.
[^1kronieken-16-1-2]: Kanttekening 2: Versta dit, van extraordinaire en bijzondere offeranden, die David en het volk van Israël in deze tijd gedaan hebben.
[^1kronieken-16-1-3]: Kanttekening 3: voor het aangezicht van God: Zie boven, 1 Kron. 13:8 . 1 Kronieken 13:8 : En David en geheel Israël speelden voor het aangezicht van God met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.
[^1kronieken-16-2-4]: Kanttekening 4: zegende hij: Dat is, hij liet het volk opnieuw naar huis gaan, God de Heer voor hen biddende.
[^1kronieken-16-3-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 6:19 . 2 Samuël 6:19 : En hij deelde uit aan het gehele volk, aan de gehele menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iedereen een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, een iedereen naar zijn huis.
[^1kronieken-16-3-5]: Kanttekening 5: een schoon stuk vlees : Te weten, een stuk rundvlees bij het vuur gebraden, gelijk het Hebreeuwse woord van enige wordt uitgelegd. Zie 2 Sam. 6:19 . 2 Samuël 6:19 : En hij deelde uit aan het gehele volk, aan de gehele menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan iedereen een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, iedereen naar zijn huis.
[^1kronieken-16-5-6]: Kanttekening 6: de tweede na hem: Hebreeuws, שְׁמִֽירָמ֡וֹת, zijn tweede.
[^1kronieken-16-6-7]: Kanttekening 7: Dat is, alle dagen op zekere uren.
[^1kronieken-16-7-8]: Kanttekening 8: ten eerste: Hebreeuws, נָתַ֤ן, in de hoofde; dat is, in de beginne, of eerste maal. En dit is zo te verstaan dat David deze psalm eerst de Levieten heeft gegeven, om God daarmede te loven in de openlijke godsdienst; daarna heeft David nog meer psalmen gedicht en de Levieten gegeven, om te zingen. Zie 2 Sam. 23:1 . 2 Samuël 23:1 : Verder zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt:
[^1kronieken-16-7-9]: Kanttekening 9: door de dienst: Hebreeuws, בְּ, door de hand.
[^1kronieken-16-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, verwanten.
[^1kronieken-16-8-11]: Kanttekening 11: Looft YHWH: vers 8 en de veertien naastvolgende zijn een deel van Ps. 105 , vergelijk zij met elkaar. 1 Kronieken 16:8 : Looft YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
[^1kronieken-16-8-12]: Kanttekening 12: roept Zijn Naam aan: Anders, predikt.
[^1kronieken-16-10-13]: Kanttekening 13: Roemt u: Alsof hij zei: Gedenkt dat dit een zonderlinge genade van God is, dat het u gegeven is de Heer te zoeken, daarin mag u u wel verheugen.
[^1kronieken-16-11-14]: Kanttekening 14: Dat is, naar de sterke en almachtige God. Zie 2 Kron. 6:41 . 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^1kronieken-16-11-15]: Kanttekening 15: Zijn aangezicht: Te weten, van YHWH, die zijn aanwezigheid boven de ark openbaarde, tussen de cherubim. Zie Joz. 4:13 , enz. Jozua 4:13 : Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht van YHWH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.
[^1kronieken-16-12-16]: Kanttekening 16: Dat is, aan de straffen en plagen, die Hij Mozes bevolen heeft uit te spreken tegen Farao en de Egyptenaars, welke beschreven staan Ex. 7 , Ex. 8 , Ex. 9 , Ex. 10 , Ex. 11 , Ex. 12 .
[^1kronieken-16-14-17]: Kanttekening 17: Zijn oordelen: Dat is, hoewel Hij een regeerder is over de gehele wereld, is nochtans Israël zijn eigendom uit genade. Of, zijn gerichten; dat is, zijn straffen, die Hij over de vijanden van zijn volk heeft laten komen, zijn bekend en ruchtbaar geworden over de gehele wereld.
[^1kronieken-16-15-c]: Verwijzing c: Gen. 17:9 . Genesis 17:9 : Verder zei God tot Abraham: U nu zult Mijn verbond houden, u, en uw zaad na u, in hun geslachten.
[^1kronieken-16-15-18]: Kanttekening 18: Zie Ps. 105:8 . Psalmen 105:8 : Hij gedenkt van Zijn verbond tot in eeuwigheid, van het woord, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;
[^1kronieken-16-16-d]: Verwijzing d: Gen. 26:3 . Genesis 26:3 : Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb.
[^1kronieken-16-16-19]: Kanttekening 19: met Abraham: Zie Gen. 15:18 in de verklaring. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^1kronieken-16-17-e]: Verwijzing e: Gen. 28:13 ; Gen. 35:11 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^1kronieken-16-18-20]: Kanttekening 20: een snoer: Dat is, het land met het snoer afgemeten en verdeeld. Zie van deze manier van spreken, Deut. 32:9 . Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve.
[^1kronieken-16-19-21]: Kanttekening 21: weinige mensen: Hebreeuws, מְתֵ֣י, mensen of mensen van het getal; dat is, mensen die men lichtelijk kon tellen, omdat zij weinig waren. Zie Gen. 34:30 : Deut. 4:27 , en Deut. 33:6 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Deuteronomium 4:27 : En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. Deuteronomium 33:6 : Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn mensen van getal zijn!
[^1kronieken-16-19-22]: Kanttekening 22: weinigen en vreemdelingen: Te weten, ten aanzien van het groot getal van de Kanaänieten.
[^1kronieken-16-20-23]: Kanttekening 23: zij wandelden: Te weten, uw vader Abram, Izak en Jakob, gelijk daarvan te lezen is in het boek Genesis vanaf Gen. 11 tot Gen. 50 .
[^1kronieken-16-20-24]: Kanttekening 24: van volk tot volk: Dat is, van het ene volk tot het andere.
[^1kronieken-16-21-f]: Verwijzing f: Gen. 12:20 ; Ex. 7 ; Ex. 8:9 ; idem 8:10 ; idem 8:11 . Genesis 12:20 : En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had. Exodus 8:9 : Maar Mozes zei tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven? Exodus 8:10 : Hij dan zei: Tegen morgen. En hij zei: Het zij naar uw woord, opdat u weet, dat er niemand is, gelijk YHWH, onze God. Exodus 8:11 : Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.
[^1kronieken-16-21-25]: Kanttekening 25: Of, onrecht doen.
[^1kronieken-16-21-26]: Kanttekening 26: bestrafte Hij: Of, schold Hij, berispte Hij.
[^1kronieken-16-21-27]: Kanttekening 27: Te weten, de koning van Egypte, Gen. 12:17 , en de koning te Gerar, Gen. 20:3 . Genesis 12:17 : Maar YHWH plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^1kronieken-16-22-28]: Kanttekening 28: Welverstaande niet ten kwade, dat is, kwetst mijne gezalfden niet.
[^1kronieken-16-22-29]: Kanttekening 29: Dat is, mijn profeten, gelijk straks volgt. Want de profeten waren begaafd met de zalving van de Heilige Geest; gelijk God ook belast heeft Elisa uiterlijk te zalven. En hier worden vooreerst verstaan Abraham, Izak en Jakob, die profeten mogen genoemd worden, omdat zich de Heer hun heeft geopenbaard en aangesproken, opdat zij ook anderen van de wil van God zouden onderrichten. Gen. 20:7 wordt Abraham een profeet genoemd; van Izak, zie Gen. 27:4 , 27:28 , 27:29 , 27:39 , 27:40 , en van Jakob, Gen. 49 . Wat de zalving van de Heilige Geest betreft, dan kan ook van alle uitverkorenen en gelovigen verstaan worden, die de zalving van de Heilige Geest ontvangen hebben, 1 Joh. 2:27 . Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is! Genesis 27:4 : En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterve. Genesis 27:28 : Zo geve u dan God van de dauw van de hemel, en de vettigheid van de aarde, en menigte van tarwe en most. Genesis 27:29 : Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broers, en de zonen van uw moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend! Genesis 27:39 : Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn. Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. 1 Johannes 2:27 : En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^1kronieken-16-23-30]: Kanttekening 30: vers 23 en de tien naastvolgende staan in Ps. 96 . 1 Kronieken 16:23 : Zingt YHWH, u, gehele aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
[^1kronieken-16-23-31]: Kanttekening 31: u, gehele aarde: Dat is, u inwoners van het gehele land, of u Israëlieten altegaar.
[^1kronieken-16-23-32]: Kanttekening 32: Zijn heil: Te weten, dat Hij ons doet en bewijst.
[^1kronieken-16-25-33]: Kanttekening 33: Hij is vreselijk: Dat is, Hij is meer te vrezen en te ontzien dan de goden van de heidenen. De mening is, men moet hem vrezen en voor hem schrikken, en niet voor de afgoden; want hier worden deze dingen zo niet tegen elkaar in vergelijking gesteld, alsof men de ware God zou vrezen moeten, en de afgoden ook; alleen dat men de ware God meer zou vrezen dan de afgoden. Maar door een absolute tegenstelling, aldus, dat men voor God moet schrikken en beven, en niet voor de afgoden, die helpen noch schaden kunnen. Zie dergelijke tegenstelling Luk. 18:14 , waar de mening is dat de tollenaar gerechtvaardigd in zijn huis gegaan is, en niet de Farizeër. Lukas 18:14 : Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
[^1kronieken-16-26-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, Elilim; dat is, ijdelheden, nietigheden. De apostel Paulus zegt, 1 Kor. 8:4 : Wij weten dat de afgod niets is. Zie Lev. 19:4 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^1kronieken-16-27-35]: Kanttekening 35: Anders, glorie, of sieraad.
[^1kronieken-16-27-36]: Kanttekening 36: Dat is, Hij is een oorzaak van sterkte en van vrolijkheid, of vreugde van de geest, dengene in wie Hij woont door zijn Geest.
[^1kronieken-16-27-37]: Kanttekening 37: in Zijn plaats: Dat is, bij hem, te weten, in de hemel, of in zijn heiligdom waar Hij zich openbaart. Zie Ps. 96:6 . Psalmen 96:6 : Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.
[^1kronieken-16-28-38]: Kanttekening 38: Geeft YHWH: Dat is, kent en prijst de eer en macht van YHWH.
[^1kronieken-16-28-39]: Kanttekening 39: geeft YHWH eer en sterkte: Dat is, erkent zijn eer en sterkte, hem gevende de eer, die hem toekomt.
[^1kronieken-16-29-40]: Kanttekening 40: de eer van Zijn Naam: Dat is, de eer, die u hem schuldig bent.
[^1kronieken-16-29-41]: Kanttekening 41: brengt offer: Of, brengt hiertoe het spijsoffer, of een gave. Door een deel van de godsdienst verstaat hij de hele godsdienst.
[^1kronieken-16-29-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^1kronieken-16-29-43]: Kanttekening 43: in de heerlijkheid: Dat is, in het heerlijke heiligdom.
[^1kronieken-16-30-44]: Kanttekening 44: u, gehele aarde: Dat is, al u inwoners van de aarde.
[^1kronieken-16-31-45]: Kanttekening 45: de hemelen: Dat is, de engelen in de hemel.
[^1kronieken-16-31-46]: Kanttekening 46: de aarde: Dat is, de inwoners van de aarde.
[^1kronieken-16-31-47]: Kanttekening 47: YHWH regeert: Dat is, Hij betoont en doet met de daad blijken dat Hij een koning is, die het al regeert.
[^1kronieken-16-32-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, dondere; dat is, geluid geve, gelijk de donder doet, dat is, ruise, tiere, bruise.
[^1kronieken-16-32-49]: Kanttekening 49: Dat is, al wat daarin is, te weten, vissen en monsters die daarin zijn.
[^1kronieken-16-33-50]: Kanttekening 50: aarde te richten: Dat is, de mensen op de aarde.
[^1kronieken-16-34-g]: Verwijzing g: Ps. 107:1 ; Ps. 118:1 ; Ps. 136:1 . Psalmen 107:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 118:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid;
[^1kronieken-16-34-51]: Kanttekening 51: Hij is goed: Anders, want het is goed.
[^1kronieken-16-34-h]: Verwijzing h: Ps. 136:1 . Psalmen 136:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid;
[^1kronieken-16-35-52]: Kanttekening 52: verzamel ons: Dat is, nu we met elkaar verenigd zijn, houd ons tezamen bij elkaar, dat wij niet opnieuw van elkaar scheuren, gelijk wij vóór deze zijn gescheurd en verdeeld geweest. Zie hiervan boven, 1 Kron. 12:29 . Maar dit kan men verder verstaan van alle toekomende zwarigheid en nood van de kerk van God. 1 Kronieken 12:29 : En van de kinderen van Benjamin, de broers van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;
[^1kronieken-16-35-53]: Kanttekening 53: dat wij ons Uws lofs roemen: Te weten, daarvan en daarover, dat wij oorzaak en vrijheid hebben om U te loven.
[^1kronieken-16-36-54]: Kanttekening 54: al het volk: Dat is, al het volk gaf te kennen dat zij zulk een lof toestemden en prezen, en dat wat er gezongen werd, ook huns harten wens was. Zie Deut. 27:15 . Deuteronomium 27:15 : Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
[^1kronieken-16-36-55]: Kanttekening 55: en het loofde YHWH: Anders, ook lovende YHWH.
[^1kronieken-16-37-56]: Kanttekening 56: De koning David.
[^1kronieken-16-37-57]: Kanttekening 57: zijn broers: Dit is bloedverwanten, nakomelingen.
[^1kronieken-16-37-58]: Kanttekening 58: Of, naar de eis van elke dag. Hebreeuws, naar het woord of de zaak van de dag in zijn dag.
[^1kronieken-16-38-59]: Kanttekening 59: Te weten, van hem en Hosa, waarvan in het vervolg.
[^1kronieken-16-38-60]: Kanttekening 60: Dat is, bloedverwanten, nakomelingen.
[^1kronieken-16-38-61]: Kanttekening 61: Anders, Jeduthun.
[^1kronieken-16-39-62]: Kanttekening 62: te Gibeon is: Hier was de tabernakel gevoerd en opgericht, nadat Saul de priesters te Nob gedood had, 1 Sam. 22:19 . Zie ook 1 Kron. 21:29 ; 2 Kron. 1:3 . 1 Samuël 22:19 : Hij sloeg ook Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte van het zwaard. 1 Kronieken 21:29 : Want de tabernakel van YHWH, die Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar van het brandoffer, was in die tijd op de hoogte te Gibeon. 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had.
[^1kronieken-16-41-63]: Kanttekening 63: Te weten, tot het zangersambt.
[^1kronieken-16-42-64]: Kanttekening 64: Met hen dan: Anders, en met hen, \[te weten\] Heman en Jeduthun, waren trompetten.
[^1kronieken-16-42-65]: Kanttekening 65: met instrumenten: Of, met muzikale instrumenten Gods; dat is, waarmee men God loofde, heilige gezangen daarop zingende en spelende.
[^1kronieken-16-43-66]: Kanttekening 66: om zijn huis te gaan zegenen: Dat is, om God de Heer voor de welstand daarvan te bidden, gelijk boven, vers 2 . 1 Kronieken 16:2 : Als David het brandoffer en de dankofferen geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van YHWH.

### 1 Kronieken 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/17.json)

*Zie de inhoud van dit hoofdstuk in 2 Samuël 7.*

**1** [^1kronieken-17-1-1] Het gebeurde nu,[^1kronieken-17-1-2] als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, de profeet, zei: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark van het verbond van YHWH onder gordijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v1)

**2** Toen zei Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v2)

**3** Maar het gebeurde in dezelfde nacht, dat het woord van God tot Nathan kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v3)

**4** Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Zo zegt YHWH: U zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v4)

**5** Want Ik heb in geen huis gewoond van die dag af, dat Ik Israël heb[^1kronieken-17-5-3] opgevoerd tot deze dag toe; maar[^1kronieken-17-5-4] Ik ben[^1kronieken-17-5-5] gegaan[^1kronieken-17-5-6] van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v5)

**6** [^1kronieken-17-6-7]Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israël, heb Ik wel een woord gesproken tot één van de richters van Israël, die Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij geen cederen huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v6)

**7** Nu dan, zo zult u zeggen tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik[^1kronieken-17-7-a] heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat u een voorganger over Mijn volk Israël zou zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v7)

**8** En Ik ben met u geweest overal, waar u heengegaan bent, en Ik heb al uw vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en Ik heb u een naam gemaakt, zoals de naam is van de groten, die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v8)

**9** En Ik heb voor Mijn volk Israël een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woon, en[^1kronieken-17-9-8] niet meer heen en weer gedreven wordt; en de[^1kronieken-17-9-9] kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, zoals in het eerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v9)

**10** En van die dagen af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël; en heb al uw vijanden[^1kronieken-17-10-10] vernederd; ook heb Ik u te kennen gegeven,[^1kronieken-17-10-11] dat u[^1kronieken-17-10-12] YHWH een huis bouwen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v10)

**11** En het zal gebeuren, als[^1kronieken-17-11-13] uw dagen zullen vervuld zijn,[^1kronieken-17-11-14] dat u heengaat tot uw vaders, zo[^1kronieken-17-11-15] zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw zonen zijn zal, en Ik zal[^1kronieken-17-11-16] zijn koninkrijk bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v11)

**12** [^1kronieken-17-12-17]Die zal[^1kronieken-17-12-b] Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen[^1kronieken-17-12-18] tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v12)

**13** [^1kronieken-17-13-c]Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, zoals Ik die weggenomen heb van die,[^1kronieken-17-13-19] die voor u geweest is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v13)

**14** Maar[^1kronieken-17-14-d] Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en[^1kronieken-17-14-20] in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v14)

**15** [^1kronieken-17-15-21] Naar al deze woorden, en naar dit hele visioen, zo sprak Nathan tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v15)

**16** Toen kwam de koning David in, en[^1kronieken-17-16-22] bleef[^1kronieken-17-16-23] voor het aangezicht van YHWH, en hij zei:[^1kronieken-17-16-24] Wie ben ik, YHWH God, en wat is mijn huis, dat U mij[^1kronieken-17-16-25] tot hiertoe gebracht hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v16)

**17** En dit is klein in Uw ogen geweest, o God! daarom hebt U van het huis van Uw knecht[^1kronieken-17-17-26] tot van verre heen gesproken, en[^1kronieken-17-17-27] U hebt mij[^1kronieken-17-17-28] naar menselijke wijze voorzien met deze[^1kronieken-17-17-29] verhoging, o YHWH God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v17)

**18** [^1kronieken-17-18-30] Wat zal David meer bij U daartoe voegen, vanwege de eer[^1kronieken-17-18-31] aan Uw knecht? Maar U kent Uw knecht wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v18)

**19** YHWH,[^1kronieken-17-19-32] omwille van uw knecht, en[^1kronieken-17-19-33] naar Uw hart, hebt U al deze grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v19)

**20** [^1kronieken-17-20-e] YHWH, er is niemand zoals U, en er is geen God behalve U,[^1kronieken-17-20-34] naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v20)

**21** [^1kronieken-17-21-f] En wie is als Uw volk Israël, één enig volk op de aarde,[^1kronieken-17-21-35] dat God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat U Zich een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht van Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v21)

**22** En U hebt Uw volk Israël U tot volk gemaakt tot in de eeuwigheid; en U, YHWH, bent hun tot een God geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v22)

**23** Nu dan, YHWH, het woord, dat U over Uw knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, zoals U gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v23)

**24** Ja,[^1kronieken-17-24-36] het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: YHWH van de legermachten, de God van Israël, is Israëls God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v24)

**25** Want U, mijn God,[^1kronieken-17-25-37] hebt voor het oor van Uw knecht geopenbaard, dat U hem een huis bouwen zou; daarom heeft Uw knecht[^1kronieken-17-25-38] in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht[^1kronieken-17-25-39] te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v25)

**26** Nu dan, YHWH, U bent die God; en U hebt dit goede over Uw knecht gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v26)

**27** Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want U, YHWH, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/17.html#v27)

[^1kronieken-17-1-1]: Kanttekening 1: Deze historie wordt ook beschreven 2 Sam. 7 , bijna met dezelfde woorden; zie daar breder verklaring van de duistere plaatsen.
[^1kronieken-17-1-2]: Kanttekening 2: als David: Dat is, toen hij tot rust en vrede gekomen was.
[^1kronieken-17-5-3]: Kanttekening 3: 2 Sam. 7:6 staat hierbij, uit Egypte. 2 Samuël 7:6 : Want Ik heb in geen huis gewoond, van die dag af, dat Ik de kinderen van Israël uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel.
[^1kronieken-17-5-4]: Kanttekening 4: Ik ben: Dit wordt gezegd ten aanzien dat de tabernakel in geen vaste plaats is gebleven, zowel toen Israël in de woestijn was, als toen het in het land Kanaän is geweest.
[^1kronieken-17-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, geweest.
[^1kronieken-17-5-6]: Kanttekening 6: van tent tot tent: Hebreeuws, אֹ֥הֶל, uit de tent in de tent.
[^1kronieken-17-6-7]: Kanttekening 7: Dat is, waarheen de ark van het verbond gebracht werd, boven welke Ik mijne aanwezigheid betoon.
[^1kronieken-17-7-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 16:11 ; Ps. 78:70 . 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. Psalmen 78:70 : En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
[^1kronieken-17-9-8]: Kanttekening 8: niet meer: Dat is, het zal van de ene plaats tot de andere niet vervoerd worden.
[^1kronieken-17-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, de boze mensen, die geheel ter ongerechtigheid overgegeven zijn.
[^1kronieken-17-10-10]: Kanttekening 10: Dat is, gedempt, tenonder gebracht.
[^1kronieken-17-10-11]: Kanttekening 11: dat u: Dat is, dat Hij u nakomelingen geven zou, die uw koninkrijk zouden beërven. Zie onder, vers 25 , 17:27 . 1 Kronieken 17:25 : Want U, mijn God, hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, dat U hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht te bidden. 1 Kronieken 17:27 : Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis Uws knechts, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want U, YHWH, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid.
[^1kronieken-17-10-12]: Kanttekening 12: YHWH: Dat is, Ik, want de Heer spreekt hier.
[^1kronieken-17-11-13]: Kanttekening 13: uw dagen: Te weten, de dagen van uw leven.
[^1kronieken-17-11-14]: Kanttekening 14: dat u heengaat: Dat is, dat u sterven zult.
[^1kronieken-17-11-15]: Kanttekening 15: zal Ik: Vergelijk 2 Sam. 7:12 met de aantekening. 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
[^1kronieken-17-11-16]: Kanttekening 16: zijn koninkrijk: Versta hier, niet alleen Salomo en andere nakomelingen van David, maar ook Christus zelf; want Salomo's rijk heeft niet altijd geduurd, maar het rijk van Christus duurt in eeuwigheid. Vergelijk Luk. 1:32 , 1:33 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^1kronieken-17-12-17]: Kanttekening 17: Salomo heeft een huis van hout en steen getimmerd, maar Christus een geestelijk huis, dat is zijn kerk.
[^1kronieken-17-12-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 5:5 ; 1 Kon. 6:12 . 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 1 Koningen 6:12 : Wat dit betreft huis, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelfde; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb;
[^1kronieken-17-12-18]: Kanttekening 18: tot in eeuwigheid: Dat past alleen op Christus, niet op Salomo.
[^1kronieken-17-13-c]: Verwijzing c: Ps. 89:27 ; idem v. 29 ; Hebr., 1:5 ; idem v. 6 . Psalmen 89:27 : Hij zal Mij noemen: U bent mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils! Psalmen 89:29 : Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? Hebreeën 1:6 : En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden.
[^1kronieken-17-13-19]: Kanttekening 19: die voor u: Hierbij verstaat hij Saul, die vanwege zijn ongehoorzaamheid van het koninkrijk afgestoten is.
[^1kronieken-17-14-d]: Verwijzing d: Lukas 1:33 . Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^1kronieken-17-14-20]: Kanttekening 20: in Mijn Koninkrijk: Dat is, in mijn kerk.
[^1kronieken-17-15-21]: Kanttekening 21: Naar al deze: Dat is, naar al deze woorden door gezichten geopenbaard en bevolen.
[^1kronieken-17-16-22]: Kanttekening 22: Te weten, zolang totdat hij zijn gebed geëindigd had, dat hier volgt.
[^1kronieken-17-16-23]: Kanttekening 23: voor het aangezicht: Versta dit zo, dat David voor de ark van het verbond gezeten heeft, die een teken was van de aanwezigheid van YHWH.
[^1kronieken-17-16-24]: Kanttekening 24: Wie ben ik: Zie Gen. 32:10 . Genesis 32:10 : Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!
[^1kronieken-17-16-25]: Kanttekening 25: tot hiertoe: Te weten, tot de koninklijke waardigheid.
[^1kronieken-17-17-26]: Kanttekening 26: tot van verre: Dat is, van zaken, die nog ver zijn, en die eerst lang na mijn tijd zouden gebeuren.
[^1kronieken-17-17-27]: Kanttekening 27: U hebt mij: Zie 2 Sam. 7:19 . Of aldus: U hebt mij aangezien naar de wijze eens mensen van hogen staat, \[te weten, daar ik maar een schaapsherder was\]. 2 Samuël 7:19 : Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heer YHWH, maar U hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet van de mensen, Heer YHWH!
[^1kronieken-17-17-28]: Kanttekening 28: naar menselijke wijze: Te weten, mij door Nathan zeer goedertierenlijk aansprekende. Hebreeuws, אָדָ֛ם, naar de wijze \[of orde\] eens mensen.
[^1kronieken-17-17-29]: Kanttekening 29: Of, voortreffelijkheid, of uitnemendheid.
[^1kronieken-17-18-30]: Kanttekening 30: Wat zal David: Alsof hij zei: Mij ontbreken woorden om uw weldaden naar behoren te roemen.
[^1kronieken-17-18-31]: Kanttekening 31: aan U knecht: Te weten, bewezen.
[^1kronieken-17-19-32]: Kanttekening 32: vanwege Uw knecht: Door de knecht van YHWH verstaan hier sommigen Jezus Christus de Zaligmaker, de vaderen beloofd, gelijk Jes. 49:6 , en elders. Jesaja 49:6 : Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde.
[^1kronieken-17-19-33]: Kanttekening 33: naar Uw hart: Dat is, naar uw goedgunstigheid.
[^1kronieken-17-20-e]: Verwijzing e: Deut. 3:24 ; Deut. 4:35 ; Deut. 6:4 ; 1 Kon. 8:23 ; idem v. 60 ; Ps. 86:8 ; Jes. 37:16 ; idem v. 20 ; Dan. 3:29 ; Hosea 13:4 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Deuteronomium 6:4 : Hoor, Israël! YHWH, onze God, is een enig YHWH! 1 Koningen 8:23 : En hij zei: YHWH, God van Israël, er is geen God, gelijk U, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun gehele hart wandelen; 1 Koningen 8:60 : Opdat alle volken van de aarde weten, dat YHWH die God is, niemand meer; Psalmen 86:8 : Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken. Jesaja 37:16 : O YHWH van de legermachten, U, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U Zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde; U hebt de hemel en de aarde gemaakt! Jesaja 37:20 : Nu dan, YHWH, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U alleen YHWH bent. Daniël 3:29 : Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan. Hosea 13:4 : Ik ben toch YHWH, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt u geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.
[^1kronieken-17-20-34]: Kanttekening 34: naar alles: Dat blijkt en bewezen wordt met al de wonderwerken en daden, die U van de aanbeginne van de wereld hebt gedaan, in het bijzonder aan onze vaderen, gelijk wij van hen gehoord hebben.
[^1kronieken-17-21-f]: Verwijzing f: Deut. 4:7 ; Deut. 33:29 ; Ps. 147:20 . Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild uw hulp, en Die een Zwaard is uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! Psalmen 147:20 : Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
[^1kronieken-17-21-35]: Kanttekening 35: dat God: Israël heeft God niet gezocht, maar God heeft Israël gezocht en zich tot een volk gekozen, om zich toe te eigenen en te heiligen. Dit is ook te verstaan van het geestelijke Israël, dat is de uitverkoren kinderen van God; want niemand komt tot Christus, de fontein van het leven, tenzij dat de Vader hem trekke.
[^1kronieken-17-24-36]: Kanttekening 36: het worde waar: Te weten, dat U tot uw knecht gesproken hebt.
[^1kronieken-17-25-37]: Kanttekening 37: hebt voor het oor: Te weten, door de profeet Nathan, hem te kennen gevende wat U in uw raad over hem besloten hebt.
[^1kronieken-17-25-38]: Kanttekening 38: in zijn hart : Dit is hier ingevoegd uit 2 Sam. 7:27 . 2 Samuël 7:27 : Want U, YHWH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden.
[^1kronieken-17-25-39]: Kanttekening 39: te bidden: Wat David op dit moment gebeden heeft, wordt breder beschreven 2 Sam. 7 .

### 1 Kronieken 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/18.json)

*In dit hoofdstuk wordt precies hetzelfde behandeld als in 2 Samuël 8 staat.*

**1** [^1kronieken-18-1-1] Het gebeurde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar bijbehorende plaatsen, uit de hand van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v1)

**2** Hij sloeg ook de Moabieten, zo dat de Moabieten Davids knechten werden,[^1kronieken-18-2-2] en brachten geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v2)

**3** David sloeg ook[^1kronieken-18-3-3] Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen[^1kronieken-18-3-4] hij heentoog, om[^1kronieken-18-3-5] zijn hand te stellen aan de rivier Frath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v3)

**4** En David nam hem duizend wagens af, en zeven[^1kronieken-18-4-6] duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar[^1kronieken-18-4-7] hij behield honderd wagens daarvan over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v4)

**5** En de Syriërs van[^1kronieken-18-5-8] Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v5)

**6** En David legde[^1kronieken-18-6-9] bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids[^1kronieken-18-6-10] knechten werden, en brachten geschenken. En YHWH[^1kronieken-18-6-11] behoedde David overal, waar hij heenging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v6)

**7** En David nam de gouden schilden,[^1kronieken-18-7-12] die bij Hadar-ezers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v7)

**8** Ook nam David zeer veel koper uit[^1kronieken-18-8-13] Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen[^1kronieken-18-8-14] zee, en de pilaren, en de koperen voorwerpen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v8)

**9** Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de hele legermacht van Hadar-ezer, de koning van Zoba, geslagen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v9)

**10** Zo zond hij zijn zoon[^1kronieken-18-10-15] Hadoram tot de koning David,[^1kronieken-18-10-16] om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had[^1kronieken-18-10-17] (want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou), en[^1kronieken-18-10-18] alle gouden, en zilveren, en koperen voorwerpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v10)

**11** [^1kronieken-18-11-19] Deze heiligde de koning David ook YHWH, met het zilver en het goud, dat hij medegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v11)

**12** Ook sloeg[^1kronieken-18-12-20] Abisai, de zoon[^1kronieken-18-12-21] van Zeruja,[^1kronieken-18-12-22] de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v12)

**13** En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en YHWH behoedde David overal, waar hij heenging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v13)

**14** Zo regeerde David over geheel Israël, en hij deed zijn hele volk[^1kronieken-18-14-23] recht en gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v14)

**15** Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het leger; en Josafat, de zoon van Ahilud, was[^1kronieken-18-15-24] kanselier; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v15)

**16** En Zadok, de zoon van Ahitub, en[^1kronieken-18-16-25] Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en[^1kronieken-18-16-26] Sausa schrijver; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v16)

**17** En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren[^1kronieken-18-17-27] de eerste aan de hand van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/18.html#v17)

[^1kronieken-18-1-1]: Kanttekening 1: Het geschiedde nu: Wat tot breder verklaring van 1 Kron. 18 dient, zult u vinden 2 Sam. 8 .
[^1kronieken-18-2-2]: Kanttekening 2: brengende geschenken: Te weten, jaarlijks, tot een teken van onderdanigheid.
[^1kronieken-18-3-3]: Kanttekening 3: Anders, Hadad-Ezer, 2 Sam. 8:3 , 8:5 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. 2 Samuël 8:5 : En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^1kronieken-18-3-4]: Kanttekening 4: hij heentoog: Enige verstaan hier David; anderen Hadarezer.
[^1kronieken-18-3-5]: Kanttekening 5: zijn hand: Dat is, zijn leger. Vergelijk 2 Sam. 8:3 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^1kronieken-18-4-6]: Kanttekening 6: duizend ruiters: Zie de verklaring of vergelijking van deze woorden met wat 2 Sam. 8:4 staat, in de verklaring daar. 2 Samuël 8:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over.
[^1kronieken-18-4-7]: Kanttekening 7: hij behield: Te weten, David.
[^1kronieken-18-5-8]: Kanttekening 8: Anders, Darmaskus , of, Damascos . Zo vers 6 . 1 Kronieken 18:6 : En David legde bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En YHWH behoedde David overal, waar hij heenging.
[^1kronieken-18-6-9]: Kanttekening 9: bezetting : Dit wordt hierbij gevoegd uit 2 Sam. 8:6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^1kronieken-18-6-10]: Kanttekening 10: knechten werden: Versta, dat zij schatplichtig gemaakt zijn.
[^1kronieken-18-6-11]: Kanttekening 11: behoedde David: Of, gaf heil, overwinning aan David.
[^1kronieken-18-7-12]: Kanttekening 12: die bij: Hebreeuws, זָּהָ֔ב, die op, of aan Hadar-Ezers knechten waren.
[^1kronieken-18-8-13]: Kanttekening 13: Tibchath, en uit Chun: Deze steden worden Betach en Berothai genoemd 2 Sam. 8:8 . 2 Samuël 8:8 : Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer.
[^1kronieken-18-8-14]: Kanttekening 14: de koperen zee,: Versta hier door de zee een heel groot vat van metaal of koper gegoten, een zee genoemd, vanwege de veelheid van het water, dat daarin ging.
[^1kronieken-18-10-15]: Kanttekening 15: Hij wordt Joram genoemd, 2 Sam. 8:10 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^1kronieken-18-10-16]: Kanttekening 16: om hem: Dat is, om hem te bezoeken en geluk te wensen vanwege de victorie, die hij bevochten had.
[^1kronieken-18-10-17]: Kanttekening 17: want Hadar-Ezer: Hebreeuws, הָיָ֣ה, want Hadar-Ezer was een man van de oorlog tegen Thoü.
[^1kronieken-18-10-18]: Kanttekening 18: alle gouden: Dat is, allerlei.
[^1kronieken-18-11-19]: Kanttekening 19: Deze heiligde: Hij wil zeggen dat David al de geschenken, die Thoü hem zond, zowel voor God geheiligd heeft, als wat hij uit de overwinning over zijn vijanden verkregen had.
[^1kronieken-18-12-20]: Kanttekening 20: Hij was de broer van Joab, en wordt gemeenlijk Abisai genoemd. Dit feit, dat hier verhaald wordt, dat wordt 2 Sam. 8:13 David zelven toegeschreven, zo wat de oversten in de krijg doen, de koningen gemeenlijk toegeschreven wordt. 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend.
[^1kronieken-18-12-21]: Kanttekening 21: Zij was Davids zus, gelijk te zien is boven, 1 Kron. 2:16 . 1 Kronieken 2:16 : En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie.
[^1kronieken-18-12-22]: Kanttekening 22: 2 Sam. 8:13 worden de Syriërs genoemd, niet de Edomieten. Deze twee volken spanden samen, en het leger van de ene is zowel verslagen geworden als dat van de andere. Zie verder Ps. 60:2 . 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. Psalmen 60:2 : Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.
[^1kronieken-18-14-23]: Kanttekening 23: Zie deze manier van spreken Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^1kronieken-18-15-24]: Kanttekening 24: Zie de aantekeningen 2 Sam. 18:16 , en 1 Kon. 4:3 . 2 Samuël 18:16 : Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug. 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^1kronieken-18-16-25]: Kanttekening 25: Hij wordt Abimelech genoemd, 2 Sam. 8:17 . 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
[^1kronieken-18-16-26]: Kanttekening 26: Sausa schrijver: Hij wordt Seraja genoemd, 2 Sam. 8:17 . Of het kan wezen dat Seraja, gestorven zijnde, deze Sausa in zijn plaats schrijver of griffier geworden is. 2 Samuël 8:17 : En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
[^1kronieken-18-17-27]: Kanttekening 27: de eerste: Dat is, zij waren de voornaamste bevelhebbers, of officieren, die de koning gebruikte in de voornaamste zaken van de regering, opdat hij hen zo zou geschikt maken en bereiden tot het handelen van de zaken van het koninkrijk, en in manier van staat. Zie 2 Sam. 8:18 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

### 1 Kronieken 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/19.json)

*Zie de inhoud in 2 Samuël hoofdstuk 10.*

**1** [^1kronieken-19-1-1] En het gebeurde na deze, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v1)

**2** Toen zei David: Ik zal goedertierenheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas; want zijn vader heeft goedertierenheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land van de kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v2)

**3** Zo zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot Hanun: Eer David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te doorzoeken,[^1kronieken-19-3-2] en om om te keren, en om het land te bespioneren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v3)

**4** Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij[^1kronieken-19-4-3] schoor hen, en sneed hun kleren half af tot aan[^1kronieken-19-4-4] de heupen, en liet hen heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v4)

**5** [^1kronieken-19-5-5] Zij nu gingen heen, en men boodschapte David van deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen[^1kronieken-19-5-6] waren zeer beschaamd. De koning dan zei: Blijf te Jericho, totdat uw baard weer gegroeid is; kom dan opnieuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v5)

**6** Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich in kwade reuk gebracht hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilver, om zich wagens en ruiters te huren uit[^1kronieken-19-6-7] Mesopotamië, en uit Syrië-Maächa, en uit Zoba; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v6)

**7** Zodat zij zich huurden twee[^1kronieken-19-7-8] en dertig duizend wagens; en de koning van Maächa en zijn volk kwamen en sloegen hun kamp op voor Medeba; ook verzamelden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v7)

**8** Toen het David hoorde, zo zond hij Joab en het hele leger met de helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v8)

**9** Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort[^1kronieken-19-9-9] van de stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v9)

**10** Toen Joab zag, dat de spits van de slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enige uit alle uitgelezenen in Israël, en hij stelde hen in orde tegen de Syriërs aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v10)

**11** En het overige van het volk gaf hij in de hand van zijn[^1kronieken-19-11-10] broer Abisai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v11)

**12** En hij[^1kronieken-19-12-11] zei: Als mij de Syriërs te sterk worden, zo zult u mij[^1kronieken-19-12-12] komen verlossen; en als de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v12)

**13** Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; YHWH nu doe, wat goed is in Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v13)

**14** Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht van de Syriërs; en[^1kronieken-19-14-13] zij vluchtten voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v14)

**15** Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vluchtten, zo vluchtten zij ook voor het aangezicht van Abisai, zijn broer, en zij kwamen[^1kronieken-19-15-14] in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v15)

**16** Als de Syriërs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israël geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan de overzijde[^1kronieken-19-16-15] van de rivier woonden; en[^1kronieken-19-16-16] Sofach, de oorlogsoverste[^1kronieken-19-16-17] van Hadar-ezer, trok voor hun aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v16)

**17** Toen het David werd aangezegd, zo verzamelde hij geheel Israël, en hij trok over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zo streden zij met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v17)

**18** Maar de Syriërs vluchtten voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs[^1kronieken-19-18-18] zeven duizend wagens, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, de oorlogsoverste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v18)

**19** Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van Israël, zo maakten zij vrede met David, en[^1kronieken-19-19-19] dienden hem; en de Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/19.html#v19)

[^1kronieken-19-1-1]: Kanttekening 1: het geschiedde: Wat in 1 Kron. 19 geschreven staat, is eerst verhaald 2 Sam. 10 . Zie de verdere verklaring van de duistere plaatsen daar.
[^1kronieken-19-3-2]: Kanttekening 2: en om om te keren: Dat is, om het land te verderven en te verwoesten, nadat zij het zullen doorwandeld en verspied hebben.
[^1kronieken-19-4-3]: Kanttekening 3: beschoor hen: Dat is, hij liet hen scheren, te weten, hun baard half af, of aan de ene zijde; de gezanten Davids zo beschimpende. Zie 2 Sam. 10:4 . 2 Samuël 10:4 : Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.
[^1kronieken-19-4-4]: Kanttekening 4: de heupen: Anders, de billen.
[^1kronieken-19-5-5]: Kanttekening 5: Zij nu gingen heen: Anders, en men ging en boodschapte David door mannen, enz.
[^1kronieken-19-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, hun was grote schande en smaadheid aangedaan.
[^1kronieken-19-6-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, Aram, of Syrië van de twee rivieren. Zie de aantekening Gen. 24:10 . Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en toog heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^1kronieken-19-7-8]: Kanttekening 8: twee en dertig duizend: Dit kan men verstaan van zoveel krijgsvolk, die op de wagens streden.
[^1kronieken-19-9-9]: Kanttekening 9: van de stad: Te weten, voor Medeba, van welke stad vers 7 gesproken wordt. Maar anderen menen dat zij zich voor hun stad Rabba gelegerd hebben, welke de hoofdstad van de Ammonieten was, van wier belegering en inneming onder, 1 Kron. 20 , gesproken wordt. 1 Kronieken 19:7 : Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagens; en de koning van Maächa en zijn volk kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde.
[^1kronieken-19-11-10]: Kanttekening 10: Anders, Abisai; 2 Sam. 10:10 . 2 Samuël 10:10 : En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.
[^1kronieken-19-12-11]: Kanttekening 11: Te weten, tot Absai.
[^1kronieken-19-12-12]: Kanttekening 12: komen verlossen: Hebreeuws, תְשׁוּעָ֑ה, tot verlossing zijn.
[^1kronieken-19-14-13]: Kanttekening 13: zij vloden: Te weten, de Syriërs.
[^1kronieken-19-15-14]: Kanttekening 14: in de stad: Te weten, in de stad Medeba, welke de Ammonieten toenmaals inhadden.
[^1kronieken-19-16-15]: Kanttekening 15: van de rivier: Versta hier de rivier Eufraat.
[^1kronieken-19-16-16]: Kanttekening 16: Hij wordt Sobach genoemd, 2 Sam. 10:16 . 2 Samuël 10:16 : En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die op gene zijde van de rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.
[^1kronieken-19-16-17]: Kanttekening 17: Zie boven, 1 Kron. 18:5 . 1 Kronieken 18:5 : En de Syriërs van Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^1kronieken-19-18-18]: Kanttekening 18: zeven duizend wagens: Zie de aantekening 2 Sam. 10:18 . 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^1kronieken-19-19-19]: Kanttekening 19: dienden hem: Dat is, zij werden hem onderdanig, en zij gaven hem tribuut.

### 1 Kronieken 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/20.json)

*Zie de inhoud van dit hoofdstuk in 2 Samuël 11:1, en hoofdstuk 12:26, en hoofdstuk 21.*

**1** [^1kronieken-20-1-1] Het gebeurde nu ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, ten tijde als de koningen[^1kronieken-20-1-2] uittrokken, zo voerde Joab de legermacht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde[^1kronieken-20-1-3] Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en[^1kronieken-20-1-4] verwoestte ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v1)

**2** [^1kronieken-20-2-5] En David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet,[^1kronieken-20-2-6] en hij voerde zeer veel roof uit de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v2)

**3** Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en[^1kronieken-20-3-a] hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens,[^1kronieken-20-3-7] en met bijlen; en zo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David opnieuw met al het volk naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v3)

**4** En het gebeurde daarna, als de oorlog met de Filistijnen te[^1kronieken-20-4-8] Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet,[^1kronieken-20-4-9] Sippai, die van de kinderen[^1kronieken-20-4-10] van Rafa was; en[^1kronieken-20-4-11] zij werden ten onder gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v4)

**5** Daarna was er nog een strijd tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon[^1kronieken-20-5-12] van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v5)

**6** Daarna was er nog een strijd te Gath; en daar was[^1kronieken-20-6-13] een zeer lang man, en[^1kronieken-20-6-14] zijn vingers waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v6)

**7** En[^1kronieken-20-7-15] hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon[^1kronieken-20-7-16] van Simea, de broer van David, versloeg hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v7)

**8** Deze waren van Rafa geboren te Gath; en[^1kronieken-20-8-17] zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/20.html#v8)

[^1kronieken-20-1-1]: Kanttekening 1: Zie de nadere verklaring van verscheidene duistere plaatsen van 1 Kron. 20 , 2 Sam. 11:1 , enz., en 2 Sam. 12:26 , enz. 2 Samuël 11:1 : En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem. 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in.
[^1kronieken-20-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, te veld, met hun heirlegers.
[^1kronieken-20-1-3]: Kanttekening 3: De hoofdstad van de Ammonieten. Zie 2 Sam. 12:26 , 12:29 . 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in. 2 Samuël 12:29 : Toen verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in.
[^1kronieken-20-1-4]: Kanttekening 4: verwoestte ze: Dat is, hij vernielde de stad en wierp haar te gronde.
[^1kronieken-20-2-5]: Kanttekening 5: En David: Zie 2 Sam. 12:27 , enz. 2 Samuël 12:27 : Toen zond Joab boden tot David, en zei: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.
[^1kronieken-20-2-6]: Kanttekening 6: en hij voerde: Hebreeuws, שְׁלַ֥ל, en de roof van de stad voerde hij uit, geheel veel, of die zeer veel was.
[^1kronieken-20-3-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 12:31 . 2 Samuël 12:31 : Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem.
[^1kronieken-20-3-7]: Kanttekening 7: en met bijlen: Anders, ja met zagen.
[^1kronieken-20-4-8]: Kanttekening 8: Zie 2 Sam. 5:25 , en 2 Sam. 21:18 . 2 Samuël 5:25 : En David deed zo, gelijk als YHWH hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat u komt te Gezer. 2 Samuël 21:18 : En het geschiedde daarna, dat er opnieuw een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.
[^1kronieken-20-4-9]: Kanttekening 9: Hij wordt Saf genoemd, 2 Sam. 21:18 . 2 Samuël 21:18 : En het geschiedde daarna, dat er opnieuw een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.
[^1kronieken-20-4-10]: Kanttekening 10: Rafa was: Zie Deut. 2:11 . Deuteronomium 2:11 : Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.
[^1kronieken-20-4-11]: Kanttekening 11: zij werden: Te weten, de Filistijnen.
[^1kronieken-20-5-12]: Kanttekening 12: Hij wordt Jaäre Oregim genoemd, 2 Sam. 21:19 . 2 Samuël 21:19 : Verder was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-oregim, sloeg Beth-halachmi, dewelke was met Goliath, de Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom.
[^1kronieken-20-6-13]: Kanttekening 13: een zeer lang man: Hebreeuws, אֶצְבְּעֹתָ֤י, een man van mate; dat is, waar veel aan te meten was, dat is, een zeer groot of lang man, gelijk Num. 13:31 ; 2 Sam. 21:20 . Numeri 13:31 : Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 2 Samuël 21:20 : Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren.
[^1kronieken-20-6-14]: Kanttekening 14: zijn vingeren: Dat is, hij had aan iedere hand zes vingers en aan iederen voet zes tenen, makende tezamen vier en twintig, zo vingers als tenen.
[^1kronieken-20-7-15]: Kanttekening 15: hij hoonde Israël: Zie 1 Sam. 17:10 . 1 Samuël 17:10 : Verder zei de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!
[^1kronieken-20-7-16]: Kanttekening 16: Anders, Samma, 1 Sam. 16:9 . 1 Samuël 16:9 : Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft YHWH ook niet gekozen.
[^1kronieken-20-8-17]: Kanttekening 17: zij vielen: Zie 2 Sam. 21:22 . 2 Samuël 21:22 : Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten.

### 1 Kronieken 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/21.json)

*In dit hoofdstuk wordt herhaald wat geschreven staat in 2 Samuël hoofdstuk 24.*

**1** [^1kronieken-21-1-1] Toen stond de satan op tegen Israël, en[^1kronieken-21-1-2] hij porde David aan, dat hij Israël telde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v1)

**2** En David zei tot Joab en tot de oversten van het volk: Ga heen, tel Israël[^1kronieken-21-2-3] van Ber-seba tot Dan toe, en breng hen tot mij, dat ik hun getal wete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v2)

**3** Toen zei Joab: YHWH doe tot Zijn volk, zoals zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt[^1kronieken-21-3-4] mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v3)

**4** Maar het woord van de koning nam de overhand tegen Joab; daarom trok Joab uit, en[^1kronieken-21-4-5] hij doorwandelde geheel Israël; daarna kwam hij weer te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v4)

**5** En Joab gaf David het aantal van het getelde volk; en[^1kronieken-21-5-6] geheel Israël was[^1kronieken-21-5-7] elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v5)

**6** Maar Levi en Benjamin telde hij[^1kronieken-21-6-8] daaronder niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v6)

**7** En[^1kronieken-21-7-9] deze zaak was kwaad in de ogen van God; daarom[^1kronieken-21-7-10] sloeg Hij Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v7)

**8** Toen zei David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb;[^1kronieken-21-8-11] maar neem toch nu de misdaad[^1kronieken-21-8-12] van Uw knecht weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v8)

**9** YHWH nu sprak tot Gad, de[^1kronieken-21-9-13] ziener van David, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v9)

**10** Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Zo zegt YHWH: Drie dingen leg Ik u voor; kies u één uit die, dat Ik u doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v10)

**11** En Gad kwam tot David, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Neem u uit: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v11)

**12** Of drie jaar honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenstander, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen[^1kronieken-21-12-14] het zwaard van YHWH, dat is, de pest in het land, en een[^1kronieken-21-12-15] verdervende engel van YHWH in al het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Die zal wedergeven, Die mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v12)

**13** Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange;[^1kronieken-21-13-16] laat mij toch in de hand van YHWH vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand van de mensen niet vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v13)

**14** YHWH dan gaf pest in Israël; en er vielen van Israël zeventig duizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v14)

**15** En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag YHWH, en[^1kronieken-21-15-17] het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zei tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel van YHWH nu stond bij de dorsvloer van[^1kronieken-21-15-18] Ornan, de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v15)

**16** Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van YHWH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt[^1kronieken-21-16-19] met zakken, op hun aangezichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v16)

**17** En David zei tot God: Ben ik het niet, die[^1kronieken-21-17-20] gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en[^1kronieken-21-17-21] zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen,[^1kronieken-21-17-22] wat hebben die gedaan? O YHWH, mijn God,[^1kronieken-21-17-23] dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis van mijn vader zij, maar niet tegen Uw volk ter plaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v17)

**18** Toen zei de engel van YHWH tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om YHWH een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v18)

**19** Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in de Naam van YHWH gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v19)

**20** Toen zich Ornan wendde, zo zag hij de engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verborgen zich; en Ornan dorste tarwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v20)

**21** En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit de dorsvloer, en boog zich neer voor David, met het aangezicht ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v21)

**22** En David zei tot Ornan:[^1kronieken-21-22-24] Geef mij de plaats van de dorsvloer, dat ik daarop YHWH een altaar bouwe; geef ze[^1kronieken-21-22-25] mij voor het volle geld, opdat deze plaag opgehouden wordt van over het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v22)

**23** Toen zei Ornan tot David:[^1kronieken-21-23-26] Neem ze maar heen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef[^1kronieken-21-23-27] deze runderen tot brandoffers, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot voedseloffer; ik geef het al. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v23)

**24** En de koning David zei tot Ornan:[^1kronieken-21-24-28] Nee,[^1kronieken-21-24-29] maar ik zal het zeker kopen voor het volle geld; want ik zal[^1kronieken-21-24-30] voor YHWH niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v24)

**25** En David gaf aan Ornan voor die plaats[^1kronieken-21-25-31] zeshonderd gouden sikkels van gewicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v25)

**26** Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandoffers en dankoffers. Als hij YHWH aanriep,[^1kronieken-21-26-32] zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v26)

**27** En YHWH zei tot de engel, dat hij zijn zwaard weer in zijn schede steken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v27)

**28** In die tijd, toen David zag, dat YHWH hem geantwoord had op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, zo offerde hij daar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v28)

**29** Want de tabernakel van YHWH, die Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar van het brandoffer, was in die tijd op de hoogte[^1kronieken-21-29-33] te Gibeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v29)

**30** David nu kon niet voor[^1kronieken-21-30-34] dat altaar heengaan, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van de engel van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/21.html#v30)

[^1kronieken-21-1-1]: Kanttekening 1: stond de satan op: Zie de verdere aantekening over dit hoofdstuk 2 Sam. 24 .
[^1kronieken-21-1-2]: Kanttekening 2: hij porde David aan: Anders, verwekte, bewoog, hitste op.
[^1kronieken-21-2-3]: Kanttekening 3: van Ber-Seba: Te weten, van het zuiden tot het noorden, van het ene einde van het koninkrijk tot het andere. Zo ook Richt. 20:1 , en elders meer. Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^1kronieken-21-3-4]: Kanttekening 4: mijn heer dit: Dat is, u heer koning.
[^1kronieken-21-4-5]: Kanttekening 5: hij doorwandelde: Joab heeft op deze reis doorgebracht negen maanden en twintig dagen, gelijk te lezen is 2 Sam. 24:8 . 2 Samuël 24:8 : Zo togen zij om door het gehele land; en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.
[^1kronieken-21-5-6]: Kanttekening 6: geheel Israël was: Zie 2 Sam. 24:9 . 2 Samuël 24:9 : En Joab gaf de som van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.
[^1kronieken-21-5-7]: Kanttekening 7: elfhonderd duizend man: Hebreeuws, אֲלָפִים֩, duizend duizenden, en honderd duizend.
[^1kronieken-21-6-8]: Kanttekening 8: onder dezelfde niet: Hebreeuws, נִתְעַ֥ב, in het midden derzelven niet.
[^1kronieken-21-7-9]: Kanttekening 9: deze zaak: Te weten, dat David het volk had doen tellen.
[^1kronieken-21-7-10]: Kanttekening 10: Te weten, met de pestilentie.
[^1kronieken-21-8-11]: Kanttekening 11: maar neem toch nu: Zie 2 Sam. 12:13 . 2 Samuël 12:13 : Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: De YHWH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven.
[^1kronieken-21-8-12]: Kanttekening 12: Uws knechts weg: Dat is, mijne.
[^1kronieken-21-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, profeet en leraar, die bij David was waar hij heenging. Van het woord ziener, zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^1kronieken-21-12-14]: Kanttekening 14: het zwaard van YHWH: De engel van YHWH heeft de Israëlieten met de pestilentie als met een zwaard geslagen en gedood. Zie onder, vers 16 , 21:27 . 1 Kronieken 21:16 : Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van YHWH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten. 1 Kronieken 21:27 : En YHWH zei tot de engel, dat hij zijn zwaard weer in zijn schede steken zou.
[^1kronieken-21-12-15]: Kanttekening 15: Dat is, die met de pestilentie velen van de inwoners van het land doden zal.
[^1kronieken-21-13-16]: Kanttekening 16: laat mij toch: Dat is: Ik kies de pest en niet de krijg. Laat mij alleen in de hand van YHWH vallen.
[^1kronieken-21-15-17]: Kanttekening 17: het berouwde Hem: Dat is, Hij hield op van met de pest te verderven; menselijkerwijze van God gesproken. Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^1kronieken-21-15-18]: Kanttekening 18: Anders, Arauna en Arania, 2 Sam. 24:16 , 24:18 , waar ook aangewezen is waarom hij een Jebusiet genoemd werd. 2 Samuël 24:16 : Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde YHWH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van YHWH nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 2 Samuël 24:18 : En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zei tot hem: Ga op, richt YHWH een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
[^1kronieken-21-16-19]: Kanttekening 19: met zakken: Dat is, met rouwklederen. Zie de aantekening Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^1kronieken-21-17-20]: Kanttekening 20: gezegd heb: Dat is, bevolen heb.
[^1kronieken-21-17-21]: Kanttekening 21: zeer kwalijk: Hebreeuws, הָרֵ֣עַ, kwalijk doende, kwalijk gedaan heb.
[^1kronieken-21-17-22]: Kanttekening 22: wat hebben die gedaan: Het is wel waar dat de onderzaten niet misdaan hadden met het tellen van het volk, maar evenwel zijn zij van God rechtvaardiglijk gestraft vanwege andere zonden.
[^1kronieken-21-17-23]: Kanttekening 23: dat toch Uw hand: David wil zeggen: Dood met de pest mij en het huis van mijn vader, dat is, mijn vrienden en bloedverwanten.
[^1kronieken-21-22-24]: Kanttekening 24: Geef mij: Dat is, verkoop mij; gelijk straks volgt.
[^1kronieken-21-22-25]: Kanttekening 25: voor het volle: Gelijk Gen. 23:9 . Genesis 23:9 : Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij die mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.
[^1kronieken-21-23-26]: Kanttekening 26: Neem ze maar: Hebreeuws, קַֽח, neem ze u, of, voor u.
[^1kronieken-21-23-27]: Kanttekening 27: deze runderen: Te weten, met welke ik bezig ben te dorsen; want men placht in die tijden de ossen het koren te doen uittreden.
[^1kronieken-21-24-28]: Kanttekening 28: Alsof David zei: Ik wil in geen geval om niet aannemen wat u mij presenteert.
[^1kronieken-21-24-29]: Kanttekening 29: maar ik zal: Hebreeuws, קָנֹ֥ה, kopende zal ik kopen.
[^1kronieken-21-24-30]: Kanttekening 30: voor YHWH: Dat is, om de Heer te geven.
[^1kronieken-21-25-31]: Kanttekening 31: zeshonderd gouden sikkelen: Als dit gemene sikkels geweest zijn, zo weegt elke sikkel twee drachmen of Franse kronen. Zodat David voor die plaats gegeven heeft duizend twee honderd Franse kronen. Voor de ossen en het andere gereedschap gaf hij vijftig zilveren sikkels. Zie verder de aantekening Gen. 24:22 , en 2 Sam. 24:24 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, van wie gewicht was tien sikkelen gouds. 2 Samuël 24:24 : Maar de koning zei tot Arauna: Nee, maar ik zal het zekerlijk van u kopen voor de prijs; want ik zal YHWH, mijn God, niet offeren brandofferen om niet. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen.
[^1kronieken-21-26-32]: Kanttekening 32: zo antwoordde Hij: Dat is, God liet vuur van de hemel vallen op het brandoffer, daarmede betuigende dat Hij Davids gebed verhoord had. Vergelijk hiermede wat Lev. 9:24 ; 1 Kon. 18:38 , en 2 Kron. 7:1 staat. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis.
[^1kronieken-21-29-33]: Kanttekening 33: te Gibeon: Zie boven, 1 Kron. 16:39 ; 2 Kron. 1:3 . 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is; 2 Kronieken 1:3 : En zij gingen heen, Salomo en de gehele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had.
[^1kronieken-21-30-34]: Kanttekening 34: Te weten, brandofferaltaar; of tabernakel die te Gibeon was.

### 1 Kronieken 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/22.json)

*David verzorgt voorraad voor de bouw van de tempel, vers 2 enz. hij vermaant Salomo dat hij, de Heere vrezend, ijverig zou zijn in het opbouwen daarvan, 6. En hij gebiedt de vorsten dat zij Salomo hierin trouw de hand zouden bieden, 17.*

**1** En David zei:[^1kronieken-22-1-1] Hier zal het huis van God van YHWH zijn, en hier zal het altaar van het brandoffer voor Israël zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v1)

**2** En David zei, dat men verzamelen zou de[^1kronieken-22-2-2] vreemdelingen, die in het land van Israël waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen,[^1kronieken-22-2-3] die men behouwen zou, om het huis van God te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v2)

**3** En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren van de poorten, en tot de samenvoegingen; ook koper in menigte,[^1kronieken-22-3-4] zonder gewicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v3)

**4** En cederhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederhout in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v4)

**5** Want David zei: Mijn zoon Salomo is[^1kronieken-22-5-5] een jongeling en zwak; en het huis, dat men YHWH bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken,[^1kronieken-22-5-6] tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Zo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v5)

**6** Toen riep hij zijn zoon Salomo, en gebood hem YHWH, de God van Israël, een huis te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v6)

**7** En David zei tot Salomo: Mijn zoon, wat mij betreft,[^1kronieken-22-7-7] het was in mijn hart de Naam van YHWH, van mijn God, een huis te bouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v7)

**8** Maar het woord van YHWH[^1kronieken-22-8-8] kwam tot mij, zeggende:[^1kronieken-22-8-9] U hebt bloed in menigte vergoten, want u hebt grote krijgen gevoerd; u zult Mijn Naam geen huis bouwen,[^1kronieken-22-8-a] omdat u veel bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v8)

**9** Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal[^1kronieken-22-9-10] Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v9)

**10** [^1kronieken-22-10-b] Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon van zijn rijk over Israël bevestigen[^1kronieken-22-10-11] tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v10)

**11** Nu, mijn zoon,[^1kronieken-22-11-12] YHWH zal met u zijn, en u zult voorspoedig zijn, en zult het huis van YHWH, van uw God, bouwen, zoals Hij van u gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v11)

**12** Alleen YHWH geve u[^1kronieken-22-12-13] kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v12)

**13** Dan zult u voorspoedig zijn, als u waarnemen zult te doen de voorschriften en de rechten, die YHWH aan Mozes geboden heeft over Israël.[^1kronieken-22-13-c] Wees sterk en heb goede moed, vrees niet, en wees niet verslagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v13)

**14** Zie daar, ik heb[^1kronieken-22-14-14] in mijn verdrukking voor het huis van YHWH bereid honderd duizend[^1kronieken-22-14-15] talenten goud, en duizend maal duizend talenten zilver; en van het koper en van het ijzer is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe u er nog meer bij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v14)

**15** Ook zijn er bij u in menigte,[^1kronieken-22-15-16] die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze mensen in allerlei werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v15)

**16** Van het goud, van het zilver, en van het koper, en van het ijzer is geen getal; maak u op, en doe het, en[^1kronieken-22-16-17] YHWH zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v16)

**17** Ook gebood David aan alle vorsten van Israël, dat zij zijn zoon Salomo helpen zouden, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v17)

**18** Is niet YHWH, uw God, met u, en heeft u rust gegeven rondom heen? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden[^1kronieken-22-18-18] voor het aangezicht van YHWH, en voor het aangezicht van Zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v18)

**19** Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken YHWH, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom van God van YHWH; dat men de ark van het verbond van YHWH en de heilige voorwerpen Gods in dit huis brenge, dat voor de Naam van YHWH zal gebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/22.html#v19)

[^1kronieken-22-1-1]: Kanttekening 1: Hier zal het huis: Anders, hier is het huis; te weten, waar de dorsvloer van Ornan de Jebusiet was. Alsof David zei: Nu zie ik dat God deze plaats heeft uitverkoren, dat Hij daar wil wonen, en dat wij Hem daar ordinairlijk dienen zullen, nu Hij mij door het vuur uit de hemel geantwoord heeft; boven, 1 Kron. 21:26 . Zie Deut. 12:5 , 12:6 , 12:7 . 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. Deuteronomium 12:5 : Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; Deuteronomium 12:6 : En daarheen zult u brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer uw hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uw runderen en uw schapen. Deuteronomium 12:7 : En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft.
[^1kronieken-22-2-2]: Kanttekening 2: Dit waren mensen, die onder het volk van Israël woonden en als huurlingen dienden. Zie 2 Kron. 2:17 , en 2 Kron. 8:7 . 2 Kronieken 2:17 : En Salomo telde al de vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling, met dewelke zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd. 2 Kronieken 8:7 : Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren;
[^1kronieken-22-2-3]: Kanttekening 3: welke men: Hebreeuws, אַבְנֵ֣י, stenen van de behouwing; dat is, die geschikt zijn om behouwen en gesneden te worden.
[^1kronieken-22-3-4]: Kanttekening 4: zonder gewicht: Dat is, zoveel dat men het niet wegen of berekenen kon. Zo vers 4 . 1 Kronieken 22:4 : En cederenhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederenhout in menigte.
[^1kronieken-22-5-5]: Kanttekening 5: een jongeling: Dat is, nog een jong man; hij had in die tijd een huisvrouw, gelijk men berekenen kan uit de ouderdom van Rehabeam, 2 Kron. 12:13 . 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijn moeder was Naäma, een Ammonietische.
[^1kronieken-22-5-6]: Kanttekening 6: tot een Naam: Dat is, dat hij vanwege zijn sieraad en kostelijkheid in de gehele wereld zal beroemd en befaamd wezen.
[^1kronieken-22-7-7]: Kanttekening 7: het was in mijn hart: Dat is, ik had voorgenomen.
[^1kronieken-22-8-8]: Kanttekening 8: Te weten, door de profeet Nathan; 2 Sam. 7:17 . 2 Samuël 7:17 : Naar al deze woorden, en naar dit gehele gezicht, zo sprak Nathan tot David.
[^1kronieken-22-8-9]: Kanttekening 9: U hebt bloed: Dit zullen wij zo niet verstaan, alsof rechtmatige krijgen van God verboden waren; maar omdat de tempel zou zijn een voorbeeld van de kerk, van welke Christus het hoofd is, die een vredevorst is en de vrede tussen God en ons gemaakt heeft. Daarom is ook zijn rijk, dat een rijk van de vrede is, door Salomo afgebeeld geworden, die in vrede geregeerd heeft.
[^1kronieken-22-8-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 28:3 . 1 Kronieken 28:3 : Maar God heeft tot mij gezegd: U zult Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een krijgsman, en u hebt veel bloed vergoten.
[^1kronieken-22-9-10]: Kanttekening 10: Salomo zijn: Dat is, vredig, of vreedzaam.
[^1kronieken-22-10-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 7:13 ; 1 Kon. 5:5 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^1kronieken-22-10-11]: Kanttekening 11: tot in eeuwigheid: Deze belofte van een eeuwig koninkrijk is eigenlijk vervuld in Christus Jezus, Luk. 1:33 , waarvan Salomo's vergankelijk koninkrijk een voorbeeld geweest is. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^1kronieken-22-11-12]: Kanttekening 12: YHWH: Anders, de Heer zij met u, enz.
[^1kronieken-22-12-13]: Kanttekening 13: Of, verstand en vernuft.
[^1kronieken-22-13-c]: Verwijzing c: Deut. 31:7 ; idem v. 8 ; Joz. 1:7 . Deuteronomium 31:7 : En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van geheel Israël: Wees sterk en heb goede moed, want u zult met dit volk ingaan in het land dat YHWH hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en u zult het hun doen erven. Deuteronomium 31:8 : De YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. Jozua 1:7 : Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de gehele wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt alom, waar u zult gaan;
[^1kronieken-22-14-14]: Kanttekening 14: in mijn verdrukking: Dat is, gedurende de moeiten en zwarigheden van de krijgen en oorlogen, die ik gevoerd heb.
[^1kronieken-22-14-15]: Kanttekening 15: talenten gouds: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1kronieken-22-15-16]: Kanttekening 16: die het werk: Hebreeuws, חֹצְבִ֕ים, doeners van het werk.
[^1kronieken-22-16-17]: Kanttekening 17: YHWH: Anders, de Heer zij met u.
[^1kronieken-22-18-18]: Kanttekening 18: voor het aangezicht van YHWH: Dat is, ten dienste Gods en tot gebruik van het volk van Israël.

### 1 Kronieken 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/23.json)

*David heeft kort voor zijn dood zijn zoon Salomo tot koning verklaard, vers 1 enz. En hij heeft de Levieten, van dertig jaar en ouder, laten tellen, die 38.000 man sterk bleken te zijn, 3. Zij worden verdeeld over verschillende ambten, naar hun families, 4 enz.*

**1** Toen nu David oud was en verzadigd van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v1)

**2** En[^1kronieken-23-2-1] hij verzamelde al de vorsten van Israël, ook de priesters en de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v2)

**3** En de Levieten werden geteld,[^1kronieken-23-3-2] van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was,[^1kronieken-23-3-3] naar hun[^1kronieken-23-3-4] hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v3)

**4** Uit deze waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis van YHWH aan te drijven; en zes duizend[^1kronieken-23-4-5] voormannen en rechters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v4)

**5** En vier duizend poortwachters, en[^1kronieken-23-5-6] vier duizend[^1kronieken-23-5-7] lofzangers van YHWH, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei[^1kronieken-23-5-8] David, om lof te zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v5)

**6** En[^1kronieken-23-6-9] David verdeelde hen in[^1kronieken-23-6-10] verdelingen, naar de kinderen van Levi,[^1kronieken-23-6-11] Gerson, Kehath en Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v6)

**7** Uit de Gersonieten waren[^1kronieken-23-7-12] Ladan en[^1kronieken-23-7-13] Simeï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v7)

**8** [^1kronieken-23-8-14] De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël, het[^1kronieken-23-8-15] hoofd, en Zetham, en Joël; drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v8)

**9** De kinderen[^1kronieken-23-9-16] van Simeï waren Selomith, en Haziël, en Haran, drie; deze waren de familiehoofden[^1kronieken-23-9-17] van Ladan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v9)

**10** De kinderen[^1kronieken-23-10-18] van Simeï nu waren Jahath,[^1kronieken-23-10-19] Zina, en Jeus, en Beria; deze waren de kinderen van Simeï; vier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v10)

**11** En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden[^1kronieken-23-11-20] niet vele kinderen; daarom[^1kronieken-23-11-21] waren zij in het vaderlijke huis maar van één telling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v11)

**12** De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; vier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v12)

**13** [^1kronieken-23-13-a] De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes.[^1kronieken-23-13-b] Aäron nu werd afgezonderd,[^1kronieken-23-13-22] dat hij heiligde[^1kronieken-23-13-23] de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht van YHWH, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid[^1kronieken-23-13-24] te zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v13)

**14** Voor wat betreft Mozes, de man van God,[^1kronieken-23-14-25] zijn kinderen werden genoemd onder de stam van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v14)

**15** [^1kronieken-23-15-c] De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliëzer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v15)

**16** Van de kinderen van Gersom was Sebuël het hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v16)

**17** [^1kronieken-23-17-26] De kinderen van Eliëzer nu waren deze: Rehabja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v17)

**18** Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v18)

**19** Voor wat betreft de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v19)

**20** Voor wat betreft de kinderen van Uzziël: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v20)

**21** De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v21)

**22** En Eleazar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar[^1kronieken-23-22-27] broers,[^1kronieken-23-22-28] namen ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v22)

**23** De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v23)

**24** Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis van hun vaders, de familiehoofden, naar hun gerekenden in het getal van de namen naar hun hoofden, doende het werk van de dienst van het huis[^1kronieken-23-24-29] van YHWH van twintig jaar oud en daarboven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v24)

**25** Want David[^1kronieken-23-25-30] had gezegd: YHWH, de God van Israël, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v25)

**26** En ook[^1kronieken-23-26-31] voor wat betreft de Levieten,[^1kronieken-23-26-32] dat zij de tabernakel, noch enig van zijn gereedschap, tot zijn dienst behorende, niet meer zouden dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v26)

**27** Want naar de laatste[^1kronieken-23-27-33] woorden van[^1kronieken-23-27-34] David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaar oud en daarboven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v27)

**28** Omdat hun standplaats was[^1kronieken-23-28-35] aan de hand[^1kronieken-23-28-36] van de zonen van Aäron in de dienst van het huis van YHWH, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging[^1kronieken-23-28-37] van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v28)

**29** Te weten[^1kronieken-23-29-38] tot het brood van de toerichting, en tot[^1kronieken-23-29-39] de meelbloem als voedseloffer, en tot ongezuurde platte koeken, en[^1kronieken-23-29-40] tot de pannen, en tot[^1kronieken-23-29-41] het gerooste, en[^1kronieken-23-29-42] tot alle mate en[^1kronieken-23-29-43] afmeting; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v29)

**30** En om[^1kronieken-23-30-44] elke morgen te staan, om YHWH te loven en te prijzen; en evenzo 's avonds; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v30)

**31** En tot al het offeren van de brandoffers van YHWH, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde[^1kronieken-23-31-45] hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, steeds, voor het aangezicht van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v31)

**32** En dat zij de taak van de tent van de samenkomst zouden waarnemen, en de taak van het heiligdom, en de taak van de zonen van[^1kronieken-23-32-46] Aäron, hun broers, in de dienst van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/23.html#v32)

[^1kronieken-23-2-1]: Kanttekening 1: hij vergaderde: Te weten, voordat hij Salomo koning verklaarde, gelijk af te nemen is onder, uit 1 Kron. 28 , 1 Kron. 29 .
[^1kronieken-23-3-2]: Kanttekening 2: van dertig jaren af: Hebreeuws, שָׁנָ֖ה, van de zoon van dertig jaar; dat is, van zulken die dertig jaren oud waren. Zie hiervan een wet Num. 3:15 , en Num. 4:23 , en Num. 8:24 . Numeri 3:15 : Tel de zonen van Levi naar het huis hun vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen. Numeri 4:23 : U zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om de strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent van de samenkomst. Numeri 8:24 : Dit is het, wat de Levieten betreft: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om de strijd te strijden, in de dienst van de tent van de samenkomst.
[^1kronieken-23-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, naar het getal hun hoofden.
[^1kronieken-23-3-4]: Kanttekening 4: Of, koppen. Hebreeuws, hersenbekkens. Zo ook onder, vers 24 . 1 Kronieken 23:24 : Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hun vaderen, de familiehoofden, naar hun gerekenden in het getal van de namen naar hun hoofden, doende het werk van de dienst van het huis van YHWH van twintig jaren oud en daarboven.
[^1kronieken-23-4-5]: Kanttekening 5: ambtlieden en rechters: Zie onder, 1 Kron. 26:29 ; Deut. 16:18 . 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters. Deuteronomium 16:18 : Rechters en ambtlieden zult u u stellen in al uw poorten, die YHWH, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid.
[^1kronieken-23-5-6]: Kanttekening 6: vier duizend: Hieronder zijn begrepen de voorzangers, of zangmeesters, die in getal waren twee honderd acht en tachtig, onder, 1 Kron. 25:1 , 25:7 , enz. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 1 Kronieken 25:7 : En hun getal met hun broers, die geleerd waren in het gezang van YHWH, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig.
[^1kronieken-23-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, lovende de Heer.
[^1kronieken-23-5-8]: Kanttekening 8: om lof te zingen: Hebreeuws, הַלֵּֽל, om te loven.
[^1kronieken-23-6-9]: Kanttekening 9: David verdeelde hen: Als een profeet, 2 Kron. 8:14 , en uit Gods bevel door Gad en Nathan; 2 Kron. 29:25 . 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze van zijn vader David, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God. 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand Zijn profeten.
[^1kronieken-23-6-10]: Kanttekening 10: Of, hopen, klassen.
[^1kronieken-23-6-11]: Kanttekening 11: Zie Gen. 46:11 ; Ex. 6:15 ; Num. 26:57 ; 1 Kron. 6:1 . Genesis 46:11 : En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. Exodus 6:15 : Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. Numeri 26:57 : Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 1 Kronieken 6:1 : De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
[^1kronieken-23-7-12]: Kanttekening 12: Anders Libni genoemd; Num. 3:18 ; 1 Kron. 6:17 . Numeri 3:18 : En dit zijn de namen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï. 1 Kronieken 6:17 : En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en Simeï.
[^1kronieken-23-7-13]: Kanttekening 13: Zie van deze vers 10 . 1 Kronieken 23:10 : De kinderen van Simeï nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; deze waren de kinderen van Simeï; vier.
[^1kronieken-23-8-14]: Kanttekening 14: De kinderen: Dat is, de nakomelingen, die ten tijde Davids geleefd hebben en hoofden huns geslachts geweest zijn. Aldus wordt ook het woord kinderen genomen, vers 9 . 1 Kronieken 23:9 : De kinderen van Simeï waren Selomith, en Haziël, en Haran, drie; deze waren de familiehoofden van Ladan.
[^1kronieken-23-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, de voornaamste. En zo voortaan.
[^1kronieken-23-9-16]: Kanttekening 16: Deze Simeï is de zoon van Gerson niet geweest, maar de zoon van Ladan. Van de nakomelingen van Simeï, de zoon van Gerson, wordt gesproken vers 10 . 1 Kronieken 23:10 : De kinderen van Simeï nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; deze waren de kinderen van Simeï; vier.
[^1kronieken-23-9-17]: Kanttekening 17: van de vaderen: Dat is, van de vaderlijke geslachten.
[^1kronieken-23-10-18]: Kanttekening 18: Van de broer van Ladan, boven, vers 7 . 1 Kronieken 23:7 : Uit de Gersonieten waren Ladan en Simeï.
[^1kronieken-23-10-19]: Kanttekening 19: Anders, Ziza, vers 11 . 1 Kronieken 23:11 : En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
[^1kronieken-23-11-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, en vermenigvuldigden de kinderen niet.
[^1kronieken-23-11-21]: Kanttekening 21: waren zij in het vaderlijke huis: Dat is, zij werden voor een vaders huis gerekend, te weten in het huis van hun vader Simeï.
[^1kronieken-23-13-a]: Verwijzing a: Ex. 6:19 . Exodus 6:19 : En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
[^1kronieken-23-13-b]: Verwijzing b: Ex. 28:1 ; Hebr., 5:4 . Exodus 28:1 : Daarna zult u uw broer Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen van Israël, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. Hebreeën 5:4 : En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, zoals als Aäron.
[^1kronieken-23-13-22]: Kanttekening 22: dat hij heiligde: Te weten, om de heilige dingen heiliglijk te mogen behandelen en bedienen, waartoe die van God geheiligd en verordineerd waren; onder deze heilige dingen kan men verstaan de beide altaren, de tafel, de gouden kandelaar, de ark van het verbond, enz.; wanneer iemand anders dan de priesters deze dingen aanroerde, zo wordt gezegd dat die dingen veronreinigd of ontheiligd werden.
[^1kronieken-23-13-23]: Kanttekening 23: de allerheiligste: Hebreeuws, הַקְדִּישׁ, de heiligheid van de heiligheden.
[^1kronieken-23-13-24]: Kanttekening 24: te zegenen: Zie de vorm van zegening, Num. 6:24 . Numeri 6:24 : De YHWH zegene u, en behoede u!
[^1kronieken-23-14-25]: Kanttekening 25: zijn kinderen: Hij wil zeggen dat de zonen van Mozes in de bediening van de geestelijke zaken de andere Levieten of Kehathieten gelijk zijn gebleven, die van het priesterlijke huis van Aäron niets waren; alhoewel hun vader een politiek regent was. Zie verder onder, 1 Kron. 26:29 . 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters.
[^1kronieken-23-15-c]: Verwijzing c: Ex. 2:22 ; Ex. 18:3 . Exodus 2:22 : Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. Exodus 18:3 : Met haar twee zonen, van wie enes naam was Gersom (want hij zei: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);
[^1kronieken-23-17-26]: Kanttekening 26: De kinderen: Hier staat kinderen voor kind, gelijk Gen. 46:23 , en 1 Kron. 2:8 , 2:31 . En hij wordt het hoofd genaamd, dat is de eerste, alhoewel daar geen tweede wordt uitgedrukt, omdat hij de eerstegeborene zijn vader was. Zo staat er Matt. 1:25 , dat Jezus de eerstgeboren zoon van Maria was, waaruit in geen geval bewezen kan worden dat de heilige maagd Maria daarna meer zonen of kinderen gehad heeft. Genesis 46:23 : En de zonen van Dan: Chusim. 1 Kronieken 2:8 : De kinderen van Ethan nu waren Azaria. 1 Kronieken 2:31 : En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai. Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
[^1kronieken-23-22-27]: Kanttekening 27: Dat is, neven; te weten, huns vaders broers zonen.
[^1kronieken-23-22-28]: Kanttekening 28: namen ze: Te weten, ten huwelijk.
[^1kronieken-23-24-29]: Kanttekening 29: van twintig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָ֖ה, van de zoon twintig jaar.
[^1kronieken-23-25-30]: Kanttekening 30: had gezegd: Of, zei; te weten, nadat hij de ark van het verbond tot zich genomen en op de berg Zions had laten brengen.
[^1kronieken-23-26-31]: Kanttekening 31: Te weten, had David gezegd.
[^1kronieken-23-26-32]: Kanttekening 32: dat zij de tabernakel: Deze last was hun opgelegd, Num. 4 , maar niet langer dan de tabernakel van de ene plaats tot de andere moest verzet en verdragen worden. Hier geeft dan David reden, waarom hij de Levieten anderen last heeft opgelegd in of omtrent de tempel dan zij hadden omtrent de tabernakel, die somtijds verplaatst werd; dat niet geschiedde nadat God een zekere plaats gekozen had, waar Hij voortaan gestadig wilde gediend wezen. En omdat de Levieten nu omtrent de tempel zwaarderen last en dienst zouden hebben, dan toen de tabernakel er nog was, zo heeft men tot die bediening meer personen moeten gebruiken, en daarom tot deze dienst laten komen, die twintig jaren oud waren en daarboven, vers 24 . 1 Kronieken 23:24 : Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hun vaderen, de familiehoofden, naar hun gerekenden in het getal van de namen naar hun hoofden, doende het werk van de dienst van het huis van YHWH van twintig jaren oud en daarboven.
[^1kronieken-23-27-33]: Kanttekening 33: woorden van David: Dat is, bevel, ordinantie, die hij gemaakt heeft door ingeving van de Heilige Geest, of naar het aanzeggen van de profeten.
[^1kronieken-23-27-34]: Kanttekening 34: werden de kinderen … geteld: Hebreeuws, waren deze het getal van de, enz.
[^1kronieken-23-28-35]: Kanttekening 35: aan de hand: Zie Num. 3:6 , 3:9 , en Num. 18:2 , 18:3 . Numeri 3:6 : Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 3:9 : U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen van Israël. Numeri 18:2 : En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam uw vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis. Numeri 18:3 : En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht van de gehele tent; maar tot het gereedschap van het heiligdom en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als u.
[^1kronieken-23-28-36]: Kanttekening 36: van de zonen van Aäron: Dat is, van de priesters. Zo ook vers 32 . 1 Kronieken 23:32 : En dat zij de wacht van de tent van de samenkomst zouden waarnemen, en de wacht van het heiligdom, en de wacht van de zonen van Aäron, hun broers, in de dienst van het huis van YHWH.
[^1kronieken-23-28-37]: Kanttekening 37: alle heilige dingen: Hebreeuws, מַֽעֲשֵׂ֔ה, aller heiligheid.
[^1kronieken-23-29-38]: Kanttekening 38: tot het brood van de toerichting: Dat ordelijk in twee rijen gelegd werd op de tafel voor de voorhang van het allerheiligste.
[^1kronieken-23-29-39]: Kanttekening 39: de meelbloem ten spijsoffer: Zie Lev. 2:1 . Leviticus 2:1 : Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.
[^1kronieken-23-29-40]: Kanttekening 40: tot de pannen: Dat is, tot het gebakkene in de pannen.
[^1kronieken-23-29-41]: Kanttekening 41: het gerooste: Anders, gebradene, gefruite, gefrikasseerde.
[^1kronieken-23-29-42]: Kanttekening 42: tot alle mate: Versta dit zo, dat de Levieten daarop moesten achtgeven, dat het spijsoffer zijn rechte en behoorlijke maat had van meelbloem, olie en wijn.
[^1kronieken-23-29-43]: Kanttekening 43: Dat is, zij moesten ook de plaatsen in de tempel recht afmeten, in welke dit of dat deel van de godsdienst verricht zou worden, of waar iets gebeuren of niet gebeuren mocht.
[^1kronieken-23-30-44]: Kanttekening 44: elke morgen: Hebreeuws, בֹּ֣קֶר, in morgen, in morgen.
[^1kronieken-23-31-45]: Kanttekening 45: Ja zij moesten ook achtgeven op de dagelijkse avond- en morgenoffers, ook op die, welke voor particuliere personen door de priesters geofferd werden.
[^1kronieken-23-32-46]: Kanttekening 46: hun broers: Dat is, hun bloedverwanten.

### 1 Kronieken 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/24.json)

*David deelt de priesters in 24 groepen of klassen, voor de bediening van hun ambten, vers 1. En hij geeft hun dienaren uit de Levieten, uit de stam van de Kahathieten en Merarieten, 20.*

**1** [^1kronieken-24-1-a] Voor wat betreft de kinderen van Aäron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v1)

**2** Maar[^1kronieken-24-2-b] Nadab stierf, en Abihu,[^1kronieken-24-2-1] voor het aangezicht van hun vader, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v2)

**3** David nu verdeelde hen, en[^1kronieken-24-3-2] Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van[^1kronieken-24-3-3] Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.[^1kronieken-24-3-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v3)

**4** En van de kinderen van Eleazar werden[^1kronieken-24-4-5] meer gevonden tot hoofden van de mannen, dan van[^1kronieken-24-4-6] de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden van de vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht.[^1kronieken-24-4-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v4)

**5** En zij deelden hen door loten af, deze met anderen; want de oversten van het heiligdom en[^1kronieken-24-5-8] de oversten Gods waren uit de[^1kronieken-24-5-9] kinderen van Eleazar en van de kinderen van Ithamar.[^1kronieken-24-5-10][^1kronieken-24-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v5)

**6** En Semaja, de zoon van Nethaneël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht van de koning, en van de vorsten, en van de priester Zadok, en van Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; één vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en evenzo werd genomen voor Ithamar.[^1kronieken-24-6-12][^1kronieken-24-6-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v6)

**7** Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,[^1kronieken-24-7-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v7)

**8** Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v8)

**9** Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v9)

**10** Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,[^1kronieken-24-10-15][^1kronieken-24-10-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v10)

**11** Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v11)

**12** Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v12)

**13** Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v13)

**14** Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v14)

**15** Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes,[^1kronieken-24-15-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v15)

**16** Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v16)

**17** Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v17)

**18** Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maäzja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v18)

**19** Het ambt van deze in hun dienst was te gaan in het huis van YHWH, naar hun ordening door de hand van Aäron, van hun vader; zoals[^1kronieken-24-19-18] hem YHWH, de God van Israël, geboden had.[^1kronieken-24-19-19][^1kronieken-24-19-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v19)

**20** Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja.[^1kronieken-24-20-21][^1kronieken-24-20-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v20)

**21** Voor wat betreft Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v21)

**22** Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v22)

**23** En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jekameam de vierde.[^1kronieken-24-23-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v23)

**24** Van de kinderen van Uzziël was Micha; van de kinderen van Micha was Samir; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v24)

**25** De broer van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v25)

**26** De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.[^1kronieken-24-26-24][^1kronieken-24-26-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v26)

**27** De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v27)

**28** Van Maheli was Eleazar; en die had geen kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v28)

**29** Voor wat betreft Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v29)

**30** En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth. Deze zijn de kinderen van de Levieten, naar hun vaderlijke huizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v30)

**31** En zij wierpen ook loten, naast hun broers, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten;[^1kronieken-24-31-26] het hoofd van de vaders tegen zijn kleinste broer.[^1kronieken-24-31-27][^1kronieken-24-31-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/24.html#v31)

[^1kronieken-24-1-a]: Verwijzing a: Lev. 10 .
[^1kronieken-24-2-b]: Verwijzing b: Lev. 10:2 ; Num. 3:4 ; Num. 26:61 . Leviticus 10:2 : Toen ging een vuur uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van YHWH. Numeri 3:4 : Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van YHWH, als zij vreemd vuur voor het aangezicht van YHWH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron. Numeri 26:61 : Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van YHWH.
[^1kronieken-24-2-1]: Kanttekening 1: voor het aangezicht huns vaders: Dat is, in de aanwezigheid huns vaders; of bij het leven huns vaders. Zie Gen. 11:28 . Genesis 11:28 : En Haran stierf voor het aangezicht zijn vader Terah, in het land zijn geboorte, in Ur van de Chaldeeën.
[^1kronieken-24-3-2]: Kanttekening 2: Vergelijk hiermede onder, vers 6 , 24:31 , waar gezegd wordt dat zij opgeschreven en dat de loten geworpen zijn voor het aangezicht van David, en Zadok, en Ahimelech, enz. 1 Kronieken 24:6 : En Semaja, de zoon van Nethaneël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht van de koning, en van de vorsten, en van de priester Zadok, en van Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; een vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en evenzo werd genomen voor Ithamar. 1 Kronieken 24:31 : En zij wierpen ook loten, naast hun broers, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het hoofd van de vaderen tegen zijn kleinsten broer.
[^1kronieken-24-3-3]: Kanttekening 3: Vergelijk hiermede onder, vers 6 , 24:31 , waar gezegd wordt dat zij opgeschreven en dat de loten geworpen zijn voor het aangezicht van David, en Zadok, en Ahimelech, enz. 1 Kronieken 24:6 : En Semaja, de zoon van Nethaneël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht van de koning, en van de vorsten, en van de priester Zadok, en van Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; een vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en evenzo werd genomen voor Ithamar. 1 Kronieken 24:31 : En zij wierpen ook loten, naast hun broers, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het hoofd van de vaderen tegen zijn kleinsten broer.
[^1kronieken-24-3-4]: Kanttekening 4: naar hun ambt: Of, naar hun opzicht, of orde.
[^1kronieken-24-4-5]: Kanttekening 5: van de kinderen: Dat is, van de nakomelingen. En zo in het volgende.
[^1kronieken-24-4-6]: Kanttekening 6: meer gevonden: Te weten, nog eens zoveel, gelijk straks volgt.
[^1kronieken-24-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, die genoemd zijn vers 3 . 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.
[^1kronieken-24-5-8]: Kanttekening 8: Te weten, die genoemd zijn vers 3 . 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst.
[^1kronieken-24-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, wat de orden of het onderscheid onder hen aanging, dat bevallen zij aan God, die het lot regeert.
[^1kronieken-24-5-10]: Kanttekening 10: de oversten Gods: Dat is, die van God gesteld waren over allen, die in het heiligdom dienden.
[^1kronieken-24-5-11]: Kanttekening 11: de kinderen: Dat is nakomelingen.
[^1kronieken-24-6-12]: Kanttekening 12: Te weten, door het lot.
[^1kronieken-24-6-13]: Kanttekening 13: en evenzo werd genomen voor Ithamar: Hebreeuws, אִיתָמָֽר, en genomen, genomen voor Ithamar . Hetwelke sommigen zo verstaan, dat voor Ithamar dubbel genomen zij, anderen, dat hetgene te voren voor hem genomen was, voor hem nu genomen bleef.
[^1kronieken-24-7-14]: Kanttekening 14: ging uit: Men trok het lot uit emmers, of uit enig ander vat.
[^1kronieken-24-10-15]: Kanttekening 15: Of, Koz.
[^1kronieken-24-10-16]: Kanttekening 16: Van deze Abia -dagordening of beurt en van diens nakomelingen was Zacharias, de vader van Johannes de Doper, Luk. 1:5 . Lukas 1:5 : In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet.
[^1kronieken-24-15-17]: Kanttekening 17: Anders, Pitses.
[^1kronieken-24-19-18]: Kanttekening 18: te gaan in het huis van YHWH: Te weten, op de sabbat, en zij bleven daar de gehele week door, tot aan de andere sabbat, en dat ging zo met beurten onder hen om. Zie 2 Kon. 11:5 , en 1 Kron. 9:25 . 2 Koningen 11:5 : En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning; 1 Kronieken 9:25 : En hun broers waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
[^1kronieken-24-19-19]: Kanttekening 19: door de hand van Aäron: Dat is, zoals hetzelfde recht door Aäron was onderhouden, volgens de ordinantie Gods, gelijk volgt. Anders, onder de hand van Aäron, dat is, onder het beleid Aärons. Verstaande van één van de nakomelingen Aärons, die het ambt van de hogepriester bediende, en Aäron daarin gevolgd was.
[^1kronieken-24-19-20]: Kanttekening 20: Te weten, Aäron.
[^1kronieken-24-20-21]: Kanttekening 21: Van de overige: Boven, 1 Kron. 23 zijn de Gersonieten beschreven; nu worden hier beschreven de Kahathieten en Merarieten, die de twee andere geslachten van de Levieten waren.
[^1kronieken-24-20-22]: Kanttekening 22: Hij wordt 1 Kron. 23:16 Sebuël genoemd; hij is geweest Mozes' zoonszoon, en zo van de nakomelingen van Amram. 1 Kronieken 23:16 : Van de kinderen van Gersom was Sebuël het hoofd.
[^1kronieken-24-23-23]: Kanttekening 23: En van de kinderen: Dit vers wordt hier zo aangevuld uit 1 Kron. 23:19 , en 1 Kron. 26:31 . 1 Kronieken 23:19 : Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde. 1 Kronieken 26:31 : Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijn geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar van het koninkrijk van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaëzer in Gilead.
[^1kronieken-24-26-24]: Kanttekening 24: kinderen van Merari: Van hier voort stelt hij de overige zonen van de Levieten van het huis Merari.
[^1kronieken-24-26-25]: Kanttekening 25: Anders, en de zoon van Jaäzia zijn te weten van Merari zoons.
[^1kronieken-24-31-26]: Kanttekening 26: En zij wierpen: De zin van deze woorden is, dat er zoveel hopen en beurten van deze Levieten waren, als er beurten van de priesters waren, opdat elke beurt van de priesters hun eigen hoop of beurt van de Levieten had, om hen te dienen in het uitvoeren huns priesterambts. En zo er vier en twintig beurten van de priesters waren, zo zijn er ook vier en twintig beurten van deze Levieten geweest waarvan de meesten hier, en de rest in vers 8 , 24:9 , 24:10 verhaald worden. 1 Kronieken 24:8 : Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim, 1 Kronieken 24:9 : Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin, 1 Kronieken 24:10 : Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
[^1kronieken-24-31-27]: Kanttekening 27: Of, tegenover, gelijkvormig.
[^1kronieken-24-31-28]: Kanttekening 28: het hoofd van de vaderen: Dat is, de kleinste broer even zowel als de oversten onder de vaderen. Anders, Aboth het hoofd, houdende dit voor een eigennaam.

### 1 Kronieken 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/25.json)

*Ordening van de zangers uit de kinderen van Asaf, Heman en Jeduthun, vers 1 enz. in vierentwintig groepen ingedeeld, 31.*

**1** En David, en ook[^1kronieken-25-1-1] de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en[^1kronieken-25-1-2] die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v1)

**2** Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en[^1kronieken-25-2-3] Asarela, kinderen van[^1kronieken-25-2-4] Asaf; aan de hand van Asaf, die[^1kronieken-25-2-5] aan de handen van de koning[^1kronieken-25-2-6] profeteerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v2)

**3** Voor wat betreft Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en[^1kronieken-25-3-7] Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja,[^1kronieken-25-3-8] zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met YHWH te danken en te loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v3)

**4** Voor wat betreft Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja,[^1kronieken-25-4-9] Uzziël,[^1kronieken-25-4-10] Sebuël, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v4)

**5** Deze allen waren kinderen van[^1kronieken-25-5-11] Heman, de ziener van de[^1kronieken-25-5-12] koning, in de woorden van God,[^1kronieken-25-5-13] om de hoorn te verheffen; want God had Heman[^1kronieken-25-5-14] veertien zonen gegeven, en drie dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v5)

**6** Deze waren allemaal aan de handen van hun vader gesteld tot het gezang van het huis van YHWH, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis van God, aan[^1kronieken-25-6-15] de handen van de koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v6)

**7** En hun getal met hun broers, die geleerd waren in het gezang van YHWH, allen[^1kronieken-25-7-16] meesters, was[^1kronieken-25-7-17] tweehonderd acht en tachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v7)

**8** En[^1kronieken-25-8-18] zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkaar,[^1kronieken-25-8-19] zo de kleinen, als de groten, de meester met de leerling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v8)

**9** Het eerste lot nu ging uit voor[^1kronieken-25-9-20] Asaf, namelijk voor[^1kronieken-25-9-21] Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broers, en zijn zonen, waren twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v9)

**10** Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v10)

**11** Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v11)

**12** Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v12)

**13** Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v13)

**14** Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v14)

**15** Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v15)

**16** Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v16)

**17** Het tiende voor Simeï; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v17)

**18** Het elfde voor Azareël; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v18)

**19** Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v19)

**20** Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v20)

**21** Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v21)

**22** Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v22)

**23** Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v23)

**24** Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v24)

**25** Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v25)

**26** Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broers; twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v26)

**27** Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broers; twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v27)

**28** Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v28)

**29** Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v29)

**30** Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v30)

**31** Het vier en twintigste voor Romamthi-ezer; zijn zonen en zijn broers, twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/25.html#v31)

[^1kronieken-25-1-1]: Kanttekening 1: de oversten: Dat is, de overste van de Levieten, want in de wet werden de Levieten in hun menigten en geestelijke bedieningen ook een legermacht genoemd, Num. 4:23 , maar versta zulk een legermacht, dat de godsdienst en de geestelijke zaken moest bezorgen; daarom hadden zij hun leger in de woestijn bij de tabernakel, Num. 3 . De oversten nu, of de hoofden van deze geestelijke legermacht waren de priesters, en onder de gemene Levieten de hoofden van de vaderlijke huizen van Gerson, Kehath en Merari, met van wie raad, en ten overstaan van welke David, als mee een profeet zijnde, deze kerkelijke orde gemaakt heeft. Numeri 4:23 : U zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om de strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent van de samenkomst.
[^1kronieken-25-1-2]: Kanttekening 2: die onder hen geteld werden: Hebreeuws, מִסְפָּרָ֔, En hun getal was mannen van het werk tot hun dienst, \[mannen van het werk\] dat is, mannen die bekwaam waren tot het werk.
[^1kronieken-25-2-3]: Kanttekening 3: Hij wordt Jesarela genoemd; onder, vers 14 . 1 Kronieken 25:14 : Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
[^1kronieken-25-2-4]: Kanttekening 4: aan de hand van Asaf: Dat is, naar het beleid, instructie, ordinantie, enz.
[^1kronieken-25-2-5]: Kanttekening 5: aan de handen van de koning: De koning maakte en dichtte de psalmen en geestelijke liederen, die de zangers zongen, die hierin als een profeet gehandeld heeft. Zie boven, 1 Kron. 23:6 . 1 Kronieken 23:6 : En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
[^1kronieken-25-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, God loofden met het zingen van psalmen en geestelijke gezangen, door David en andere profeten gemaakt, die ook op muzikale instrumenten spelende. Aldus wordt het woord profeteren ook genomen, vers 3 , enz., 1 Sam. 19:20 en elders meer. 1 Kronieken 25:3 : Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met YHWH te danken en te loven. 1 Samuël 19:20 : Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuël staande, over hen gesteld; en de Geest van God was over Sauls boden, en die profeteerden ook.
[^1kronieken-25-3-7]: Kanttekening 7: Hij wordt Jizri genoemd, vers 11 . 1 Kronieken 25:11 : Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
[^1kronieken-25-3-8]: Kanttekening 8: Versta hierbij, ook Semeï, uit vers 17 . Hij moet er noodzakelijk bij zijn, anders zouden er hier maar vijf genoemd worden. 1 Kronieken 25:17 : Het tiende voor Simeï; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
[^1kronieken-25-4-9]: Kanttekening 9: Hij wordt Azareël genoemd, vers 18 . 1 Kronieken 25:18 : Het elfde voor Azareël; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
[^1kronieken-25-4-10]: Kanttekening 10: Subaël, vers 20 . 1 Kronieken 25:20 : Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broers, twaalf.
[^1kronieken-25-5-11]: Kanttekening 11: de ziener: Dat is, van de profeet. Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^1kronieken-25-5-12]: Kanttekening 12: in de woorden: Of, in de zaken Gods.
[^1kronieken-25-5-13]: Kanttekening 13: om de hoorn: Dat is, naar sommiger gevoelen, om te zingen de psalmen, welke bevatten de beloften van God, aangaande het koninkrijk Davids en Jezus Christus, wiens macht en heerlijkheid door de hoorn betekend worden.
[^1kronieken-25-5-14]: Kanttekening 14: veertien zonen: De namen van deze staan vers 4 . 1 Kronieken 25:4 : Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.
[^1kronieken-25-6-15]: Kanttekening 15: aan de handen: Zie boven, vers 2 . 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde.
[^1kronieken-25-7-16]: Kanttekening 16: allen meesters: Hebreeuws, מֵּבִ֔ין, verstandigen, of, verstand gevende; dat is, leraars, die anderen \[namelijk hun leerjongens\] leerden de psalmen zingen en verstaan.
[^1kronieken-25-7-17]: Kanttekening 17: tweehonderd acht en tachtig: Deze twee honderd acht en tachtig, gevoegd zijnde bij hunne discipelen, vermeld, boven, 1 Kron. 23:5 , maken samen vier duizend. 1 Kronieken 23:5 : En vier duizend poortwachters, en vier duizend lofzangers van YHWH, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei David, om lof te zingen.
[^1kronieken-25-8-18]: Kanttekening 18: zij wierpen: Te weten, opdat zij weten zouden wat orde zij in het bedienen van hun ambt houden zouden.
[^1kronieken-25-8-19]: Kanttekening 19: zo de kleinen: Hebreeuws, גָּד֔וֹל, zo de kleine, gelijk de grote, gelijk de leraar, zo die geleerd wordt. De zin is dat het lot geworpen is tussen de vier en twintig zangmeesters, die hierna genoemd worden, en hadden elk hun discipelen onder zich. In het loten werd niet gezien op de grootheid of kleinheid van de één of de andere zangmeester, maar men heeft de één door de ander geloot. Enige menen dat dit te verstaan is van de kleinheid of grootheid van de stammen.
[^1kronieken-25-9-20]: Kanttekening 20: Dat is, Asafs geslacht.
[^1kronieken-25-9-21]: Kanttekening 21: Deze Jozef was voor het huis Asafs. En hoewel het getal dergenen, die onder Jozef waren, hier niet wordt uitgedrukt, zo is het gelooflijk, omdat van alle anderen gezegd wordt, dat zij met hun zonen en broers, dat is, bloedverwanten, twaalf waren, dat hetzelfde ook van Jozef te verstaan is.

### 1 Kronieken 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/26.json)

*Orde en indeling van de deurwachters van de tempel, vers 1 enz. En van de schatmeesters over de schatten van de tempel, 20. Evenals van de Levitische ambtsdragers en rechters, 29.*

**1** [^1kronieken-26-1-1] Voor wat betreft de verdelingen van[^1kronieken-26-1-2] de poortwachters: van de Korahieten was[^1kronieken-26-1-3] Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen[^1kronieken-26-1-4] van Asaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v1)

**2** Meselemja nu had kinderen; Zecharja was[^1kronieken-26-2-5] de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v2)

**3** Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljeöenai de zevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v3)

**4** Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneël de vijfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v4)

**5** Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had[^1kronieken-26-5-6] hem gezegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v5)

**6** Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis van hun vader; want zij waren[^1kronieken-26-6-7] strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v6)

**7** De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en[^1kronieken-26-7-8] Obed, en Elzabad, zijn broers,[^1kronieken-26-7-9] kloeke mensen; Elihu, en Semachja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v7)

**8** Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broers, kloeke mannen in kracht tot de dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v8)

**9** Meselemja nu had kinderen en broers, kloeke mensen, achttien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v9)

**10** En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, toch[^1kronieken-26-10-10] stelde hem zijn vader tot een hoofd). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v10)

**11** Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broers van Hosa waren dertien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v11)

**12** [^1kronieken-26-12-11] Uit deze waren de verdelingen van de poortwachters onder de hoofden van de mannen, tot de wachten[^1kronieken-26-12-12] tegen hun broers, om te dienen in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v12)

**13** En zij wierpen de loten,[^1kronieken-26-13-13] zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen,[^1kronieken-26-13-14] tot elke poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v13)

**14** Het lot nu[^1kronieken-26-14-15] tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v14)

**15** [^1kronieken-26-15-16] Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen[^1kronieken-26-15-17] het huis van de schatkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v15)

**16** Suppim en[^1kronieken-26-16-18] Hosa tegen het westen,[^1kronieken-26-16-19] met de poort Schallechet, bij de opgaande hoge weg,[^1kronieken-26-16-20] wacht tegenover wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v16)

**17** Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden overdag vier; tegen het zuiden overdag vier; maar bij de schatkameren twee en twee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v17)

**18** Aan[^1kronieken-26-18-21] Parbar tegen het westen waren er vier bij de hoge weg, twee bij Parbar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v18)

**19** Dit zijn de verdelingen van de poortwachters van de kinderen van de Korahieten, en van de kinderen van Merari. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v19)

**20** Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis[^1kronieken-26-20-22] van God, en[^1kronieken-26-20-23] over de schatten van de geheiligde dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v20)

**21** Van de kinderen[^1kronieken-26-21-24] van Ladan, kinderen van de Gersoniet[^1kronieken-26-21-25] Ladan; van Ladan, de Gersoniet, waren familiehoofden Jehiëli. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v21)

**22** De kinderen van Jehiëli waren Zetham en Joël, zijn broer; deze waren over de schatten van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v22)

**23** Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzziëlieten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v23)

**24** En Sebuël,[^1kronieken-26-24-26] de zoon van Gersom, de zoon van[^1kronieken-26-24-27] Mozes, was overste over de schatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v24)

**25** Maar zijn[^1kronieken-26-25-28] broers[^1kronieken-26-25-29] van Eliëzer waren deze: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v25)

**26** Deze Selomith en zijn[^1kronieken-26-26-30] broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David[^1kronieken-26-26-31] geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v26)

**27** [^1kronieken-26-27-32] Van de oorlogen en van de buit hadden zij het geheiligd, om het huis van YHWH[^1kronieken-26-27-33] te onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v27)

**28** Ook alles, wat Samuël,[^1kronieken-26-28-34] de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v28)

**29** Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen[^1kronieken-26-29-35] tot het buitenwerk in Israël, tot voormannen en tot rechters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v29)

**30** Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broers, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israël op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk van YHWH, en tot de dienst van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v30)

**31** Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten van zijn geslachten onder de vaders;[^1kronieken-26-31-36] in het veertigste jaar van het koninkrijk van David zijn er gezocht en onder hen gevonden strijdbare helden in[^1kronieken-26-31-37] Jaëzer in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v31)

**32** En[^1kronieken-26-32-38] zijn[^1kronieken-26-32-39] broers waren[^1kronieken-26-32-40] kloeke mensen, twee duizend en zevenhonderd familiehoofden; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van de Manassieten, tot alle zaken Gods[^1kronieken-26-32-41] en de zaken van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/26.html#v32)

[^1kronieken-26-1-1]: Kanttekening 1: de verdelingen: Hier staat aan te merken dat er drie geslachten tot het portiersambt besteld waren: 1. het geslacht van Meselemja; 2. het geslacht van Obed-Edom, vers 4 ; 3. het geslacht van Hosa, vers 10 . 1 Kronieken 26:4 : Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneël de vijfde. 1 Kronieken 26:10 : En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, nochtans stelde hem zijn vader tot een hoofd).
[^1kronieken-26-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, van de tempel.
[^1kronieken-26-1-3]: Kanttekening 3: vers 14 Selemja. 1 Kronieken 26:14 : Het lot nu tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden;
[^1kronieken-26-1-4]: Kanttekening 4: Dit is een andere Asaf geweest dan die vermaarde voorzanger, van wie in 1 Kron. 25 gesproken is.
[^1kronieken-26-2-5]: Kanttekening 5: de eerstgeborene: Voor eerstgeborene staat boven dikwijls het hoofd; zie 1 Kron. 23:8 , 23:9 , 23:11 , 23:18 , 23:19 , enz. 1 Kronieken 23:8 : De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël, het hoofd, en Zetham, en Joël; drie. 1 Kronieken 23:9 : De kinderen van Simeï waren Selomith, en Haziël, en Haran, drie; deze waren de familiehoofden van Ladan. 1 Kronieken 23:11 : En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling. 1 Kronieken 23:18 : Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd. 1 Kronieken 23:19 : Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
[^1kronieken-26-5-6]: Kanttekening 6: hem gezegend: Te weten, Obed-Edom; wie God vele kinderen en kleinkinderen gegeven heeft. Zie onder, vers 8 . Deze manier van spreken wordt ook gebruikt Gen. 1:22 , 1:28 , en elders. 1 Kronieken 26:8 : Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broers, kloeke mannen in kracht tot de dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom. Genesis 1:22 : En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! Genesis 1:28 : En God zegende hen, en God zei tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
[^1kronieken-26-6-7]: Kanttekening 7: kloeke helden: Dat is, geweldige mensen, die kloek en dapper waren in de bediening van hun ambt, te weten, in het houden van hun wacht en in het weren van alle geweld en wanorde van de deuren van de tempel.
[^1kronieken-26-7-8]: Kanttekening 8: Enige maken van Obed en Elzabad maar één man. Anderen voegen het woord en hier tussen in. En dan zijn hier vier en twintig hoofden, gelijk in de andere beurten.
[^1kronieken-26-7-9]: Kanttekening 9: kloeke mensen: Hebreeuws, חָ֑יִל, kinderen, of zonen van de kloekheid.
[^1kronieken-26-10-10]: Kanttekening 10: stelde hem: De vader heeft deze zijn zoon het eerstgeboorterecht niet mogen geven, en de eerstgeborene, zonder merkelijke reden uitsluiten, die hier mag geweest zijn. Zie de wet Deut. 21:16 , 21:17 . Deuteronomium 21:16 : Zo zal het gebeuren, op de dag als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan de zoon van de beminde, voor het aangezicht van de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is. Deuteronomium 21:17 : Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijn.
[^1kronieken-26-12-11]: Kanttekening 11: Uit deze waren: De zin van deze woorden is dat deze portiers of deurwachters ook in vier en twintig beurten zijn gedeeld geweest, gelijk de andere Levieten, elk in hun bediening, en dat zij ook zo in hun wacht aan en afgingen op hun beurt, gelijk de anderen, op alle sabbaten veranderende.
[^1kronieken-26-12-12]: Kanttekening 12: tegen hun broers: Zie 1 Kron. 24:31 . 1 Kronieken 24:31 : En zij wierpen ook loten, naast hun broers, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het hoofd van de vaderen tegen zijn kleinsten broer.
[^1kronieken-26-13-13]: Kanttekening 13: zo de kleinen als de groten: Hebreeuws, בֵ֥ית, gelijk de kleine, zo de grote, gelijk 1 Kron. 25:8 . 1 Kronieken 25:8 : En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkaar, zo de kleinen, als de groten, de meester met de leerling.
[^1kronieken-26-13-14]: Kanttekening 14: tot elke poort: Versta, dat zij het lot wierpen of trokken naardat de poorten van de tempel of andere plaatsen gelegen waren, daar zij de wacht moesten houden; ook naar het getal van de personen, die op elke plaats de wacht moesten houden. Hebreeuws, שָֽׁעַר, tot poort en poort.
[^1kronieken-26-14-15]: Kanttekening 15: tegen het oosten: Dat is, de poort, die tegen het oosten lag, en zo vervolgens.
[^1kronieken-26-15-16]: Kanttekening 16: Hij wil zeggen dat enige van de kinderen van Obed-Edom de wacht hielden aan de zuidpoort van de tempel, en enige aan de schatkamers.
[^1kronieken-26-15-17]: Kanttekening 17: het huis van de schatkameren: Hebreeuws, בֵּ֥ית, het huis van de verzamelingen; dat is, waar verzameld en bewaard werden de gaven, die van het volk tot de bouw en de reparatie van de tempel gegeven werden, en ook de tienden, eerstelingen, enz. Zie 2 Kron. 25:24 . Maar enige menen dat dit geweest is een huis of gebouw bij of aan de tempel, waar de leraars van de wet, profeten en zangmeesters hun vergaderingen en samenkomsten hielden, om met elkaar te spreken van de wetten en geboden van YHWH. Anderen houden hier het Hebreeuwse woord Asuppim, als zijnde de naam ener zekere plaats. 2 Kronieken 25:24 : Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de vaten, die in het huis van God gevonden werden, bij Obed-edom, en de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars, en hij keerde weer naar Samaria.
[^1kronieken-26-16-18]: Kanttekening 18: Versta, het huis van Hosa, de zoon van Suppim, van het geslacht van Merari. Enige menen dat Suppim en Hosa broers geweest zijn, en dat zij in het lot tezamen onder één hoofd zijn gevoegd geweest.
[^1kronieken-26-16-19]: Kanttekening 19: met de poort Schallechet: De zin van deze woorden is dat Suppim en Hosa de wacht niet alleen aan de westpoort hadden \[die de achterste poort genaamd wordt, omdat zij stond achter de poort van het heiligdom, waar de ark van het verbond stond\], maar ook aan een andere poort, die daarbij stond, bij de opgaande gang of galerij, die Salomo gemaakt had, om uit de stad van David in de tempel te gaan. Zie van deze gang 1 Kon. 10:12 , en 2 Kron. 9:11 . 1 Koningen 10:12 : En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag. 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^1kronieken-26-16-20]: Kanttekening 20: wacht tegenover wacht: Dat is, zij waren zo bestemd dat als de één afging van de dienst in het huis van YHWH, zo trad de ander aan. Of, zij hielden wacht elk op zijn plaats tegen elkaar over; of, zij waren elkaar gelijk, elk in zijn wacht.
[^1kronieken-26-18-21]: Kanttekening 21: Parbar is een Chaldeeuws woord, en beduidt een uiterste deel, of een deel dat uitwaarts komt.
[^1kronieken-26-20-22]: Kanttekening 22: Anders, dat is, of te weten, gelijk de letter van genomen wordt Richt. 7:24 , en 1 Sam. 28:3 , enz. Richteren 7:24 : Ook zond Gideon boden in het gehele gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. 1 Samuël 28:3 : Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.
[^1kronieken-26-20-23]: Kanttekening 23: over de schatten: Hier staat aan te merken dat er verscheidene schatten in het huis van YHWH geweest zijn; want vooreerst werd daar verzameld wat tot onderhoud van de priesters en van de Levieten gegeven werd, als, daar waren de eerstelingen en de tienden, of de waarde derzelve; daarna, wat de Heer geheiligd werd, als vrijwillig offer, beloften, het losgeld voor de eerstgeborenen en dergelijke, waarvan de onkomsten genomen werden tot het dagelijkse offer, idem, tot de offeranden op de sabbaten, nieuwe maanden en jaarlijkse feestdagen, enz. Ten derde, zo werd er ook geld vergaderd tot de bouw van de tempel en de onderhouding daarvan. Zie onder, vers 26 , 26:27 , 26:28 . 1 Kronieken 26:26 : Deze Selomith en zijn broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger; 1 Kronieken 26:27 : Van de krijgen en van de buit hadden zij het geheiligd, om het huis van YHWH te onderhouden. 1 Kronieken 26:28 : Ook alles, wat Samuël, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broers.
[^1kronieken-26-21-24]: Kanttekening 24: Anders, Libni.
[^1kronieken-26-21-25]: Kanttekening 25: van Ladan, de Gersoniet: Boven, 1 Kron. 23:8 worden Zetham en Joël genoemd kinderen van Ladan, òf omdat het zijn kleinkinderen waren, òf dat zij waarlijk zijn kinderen en broers van Jehiëli zijn geweest, en dat hier Zetham en Joël kinderen van Jehiëli zijn genaamd geweest, naar de namen van hun oom. 1 Kronieken 23:8 : De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël, het hoofd, en Zetham, en Joël; drie.
[^1kronieken-26-24-26]: Kanttekening 26: de zoon van Gersom: Dat is, nakomeling. Zie boven, 1 Kron. 23:16 . 1 Kronieken 23:16 : Van de kinderen van Gersom was Sebuël het hoofd.
[^1kronieken-26-24-27]: Kanttekening 27: was overste: Wij zouden hem noemen oppersten rekenmeester; of president in de rekenkamer.
[^1kronieken-26-25-28]: Kanttekening 28: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-26-25-29]: Kanttekening 29: van Eliëzer: Dat is, die van Eliëzer gesproten waren. Eliëzer was de tweede zoon van Mozes, wiens nakomelingen hier tot wachters over de schatten gesteld werden.
[^1kronieken-26-26-30]: Kanttekening 30: Dat is, bloedverwanten.
[^1kronieken-26-26-31]: Kanttekening 31: geheiligd had: Dat is, in de tempel tot de godsdienst geschonken had.
[^1kronieken-26-27-32]: Kanttekening 32: Van de krijgen: Dat is, van de buit in de krijg verkregen.
[^1kronieken-26-27-33]: Kanttekening 33: te onderhouden: Te weten, nadat het huis gebouwd zijnde, mettertijd verbetering zou nodig hebben.
[^1kronieken-26-28-34]: Kanttekening 34: de ziener: Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^1kronieken-26-29-35]: Kanttekening 35: tot het buitenwerk: Dat is, over zulke zaken, die buiten Jeruzalem te doen waren, verstaande daardoor dat zij het ambt van de rechters en ambtlieden in het land mee bediend hebben. Want alhoewel de Levieten ordinaire kerkelijke dienaren waren en bleven, nochtans zijn sommigen onder hen ook wel mee in politieke zaken en diensten gebruikt, niet alleen in hun eigen steden, die hun van de stammen, naar Gods ordinantie waren gegeven, maar ook elders daartoe geroepen zijnde: \[gelijk afgenomen wordt uit deze plaats, vers 29 , 26:30 , 26:31 , 26:32 ,; idem boven, 1 Kron. 23:4 . Vergelijk 2 Kron. 19:11 \] omdat Levi mee één van de stammen van Israël was, en de rechten van de politie Israëls beschreven waren in het wetboek Gods, dat aan de Levieten specialijk was toebetrouwd. Zie 2 Kron. 17:8 , 17:9 , enz. Anderen menen dat het buitenwerk van deze Levieten is geweest, dat zij in het land rondom her hebben vergaderd en verzorgd, wat tot de bouw van de tempel en de godsdienst nodig was. Zie 2 Kron. 34:13 ; Neh. 11:16 . 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters. 1 Kronieken 26:30 : Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broers, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israël op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk van YHWH, en tot de dienst van de koning. 1 Kronieken 26:31 : Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijn geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar van het koninkrijk van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaëzer in Gilead. 1 Kronieken 26:32 : En zijn broers waren kloeke mensen, twee duizend en zevenhonderd familiehoofden; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van de Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken van de koning. 1 Kronieken 23:4 : Uit deze waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis van YHWH aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters; 2 Kronieken 19:11 : En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak van YHWH; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak van de koning; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en YHWH zal met de goede zijn. 2 Kronieken 17:8 : En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. 2 Kronieken 17:9 : En zij leerden in Juda, en het wetboek van YHWH was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. 2 Kronieken 34:13 : Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortwachters. Nehemia 11:16 : En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren over het buitenwerk van het huis van God.
[^1kronieken-26-31-36]: Kanttekening 36: in het veertigste jaar: Dit was het laatste jaar van de regering van David, in dat hij de bovenverhaalde orde gemaakt heeft, voordat hij Salomo tot koning in zijn plaats stelde, houdende deshalve een grote bijeenkomst van het volk; onder 1 Kron. 28 , 1 Kron. 29 .
[^1kronieken-26-31-37]: Kanttekening 37: Jaëzer in Gilead: Dit was een stad in het land Gilead, die de Merarieten tot woning gegeven was; Joz. 21:39 . Jozua 21:39 : Hesbon en haar voorsteden, Jaëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
[^1kronieken-26-32-38]: Kanttekening 38: Te weten, Jeria's broers.
[^1kronieken-26-32-39]: Kanttekening 39: Dat is, verwanten.
[^1kronieken-26-32-40]: Kanttekening 40: kloeke mensen: Zie boven, vers 7 . 1 Kronieken 26:7 : De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broers, kloeke mensen; Elihu, en Semachja.
[^1kronieken-26-32-41]: Kanttekening 41: en de zaken van de koning: Vergelijk vers 30 . 1 Kronieken 26:30 : Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broers, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israël op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk van YHWH, en tot de dienst van de koning.

### 1 Kronieken 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/27.json)

*Orde van de krijgslieden, vers 1 enz. Vorsten van de stammen, 16. Oppertoezichthouders over de goederen van David, 25. Zijn voornaamste raadsheren en vrienden, 32.*

**1** Dit nu zijn de Israëlieten naar hun getal, de familiehoofden, en de oversten van de duizenden en van de honderden, met hun voormannen, de koning dienende in alle zaken[^1kronieken-27-1-1] van de verdelingen, aangaande en afgaande[^1kronieken-27-1-2] van maand tot maand in al de maanden van het jaar; elke verdeling was vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v1)

**2** Over de eerste verdeling in de eerste maand was[^1kronieken-27-2-3] Jasobam, de zoon van Zabdiël; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v2)

**3** [^1kronieken-27-3-4] Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten van de legers in de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v3)

**4** En over de verdeling in de tweede maand was[^1kronieken-27-4-5] Dodai, de Ahohiet, en[^1kronieken-27-4-6] over zijn verdeling was Mikloth ook voorganger; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v4)

**5** De derde overste van het leger in de derde maand was Benaja, de zoon van[^1kronieken-27-5-7] Jojada, de opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v5)

**6** Deze Benaja was een held[^1kronieken-27-6-8] van de dertig, en over de dertig;[^1kronieken-27-6-9] en over zijn verdeling was Ammizabad, zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v6)

**7** [^1kronieken-27-7-10] De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en[^1kronieken-27-7-11] na hem Zebadja, zijn zoon; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v7)

**8** De vijfde, in de vijfde maand, was[^1kronieken-27-8-12] Samhuth, de Jizrahiet, de overste; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v8)

**9** De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v9)

**10** De zevende, in de zevende maand, was Helez,[^1kronieken-27-10-13] de Peloniet, uit de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v10)

**11** De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet,[^1kronieken-27-11-14] van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v11)

**12** De negende, in de negende maand, was Abiezer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v12)

**13** De tiende, in de tiende maand, was Maharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v13)

**14** De elfde, in de elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v14)

**15** De twaalfde, in de twaalfde maand, was[^1kronieken-27-15-15] Heldai, de Nethofathiet, van Othniël; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v15)

**16** Maar over de stammen van Israël waren deze: over de Rubenieten was Eliëzer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maächa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v16)

**17** Over de Levieten was Hasabja, de zoon van[^1kronieken-27-17-16] Kemuël; over de Aäronieten was Zadok; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v17)

**18** Over Juda was[^1kronieken-27-18-17] Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michaël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v18)

**19** Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v19)

**20** Over de[^1kronieken-27-20-18] kinderen van Efraïm was Hosea, de zoon van Azazja; over de halve stam van Manasse was Joël, de zoon van Pedaja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v20)

**21** Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v21)

**22** Over Dan was Azarel, de zoon van[^1kronieken-27-22-19] Jeroham. Deze waren de oversten van de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v22)

**23** Maar David nam het getal van die niet op,[^1kronieken-27-23-20] die twintig jaar oud en daar beneden waren;[^1kronieken-27-23-21] omdat YHWH gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v23)

**24** Joab, de zoon van Zeruja,[^1kronieken-27-24-22] had begonnen te tellen, maar[^1kronieken-27-24-23] hij voltooide het niet, omdat er deshalve[^1kronieken-27-24-24] een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is[^1kronieken-27-24-25] het getal niet opgebracht[^1kronieken-27-24-26] in de rekening van de kronieken van de koning David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v24)

**25** En over[^1kronieken-27-25-27] de schatten van de koning was Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in[^1kronieken-27-25-28] de torens, was Jonathan, de zoon van Uzzia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v25)

**26** En over die,[^1kronieken-27-26-29] die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v26)

**27** En[^1kronieken-27-27-30] over de wijngaarden was Simeï, de Ramathiet; maar over[^1kronieken-27-27-31] wat dat van de wijnstokken kwam tot de schatten van de wijn, was Zabdi, de Sifmiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v27)

**28** En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baäl-Hanan, de Gederiet; maar Joas was[^1kronieken-27-28-32] over de schatten van de olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v28)

**29** En over de runderen, die in[^1kronieken-27-29-33] Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v29)

**30** En over de kamelen was Obil, de Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v30)

**31** En over[^1kronieken-27-31-34] het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle deze waren oversten over de bezittingen, die de koning David had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v31)

**32** En[^1kronieken-27-32-35] Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook[^1kronieken-27-32-36] schrijver; Jehiël nu, de zoon van Hachmoni, was[^1kronieken-27-32-37] bij de zonen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v32)

**33** En Achitofel was raad van de koning; en Husai, de Archiet, was de vriend van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v33)

**34** En na Achitofel was Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was de krijgsoverste van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/27.html#v34)

[^1kronieken-27-1-1]: Kanttekening 1: van de verdelingen: Dat is, van de orden, in welke David het krijgsvolk verdeeld had.
[^1kronieken-27-1-2]: Kanttekening 2: van maand tot maand: Versta, dat naar de verdeling bij David gemaakt, de twaalf kolonellen met hun krijgsvolk een maand lang hun wachten en tochten doen moesten, veranderende hun beurten alle maanden. En wat er voor zaken of zwarigheden voorvielen, waar krijgsmacht toe nodig was, daartoe moesten deze vaardig wezen, van wie maand en beurt het was. Zodat deze waren als legiones, of benden van ordinantie, die ten dienste van de koning en van het land altijd moesten vaardig zijn.
[^1kronieken-27-2-3]: Kanttekening 3: Zie van deze overste 2 Sam. 23:8 , waar hij genoemd wordt Joschebbaschebeth. 2 Samuël 23:8 : Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.
[^1kronieken-27-3-4]: Kanttekening 4: Hij was uit de kinderen van Perez: Anders, hij was uit de kinderen van Peret \[en\] hij was de overste, over alle oversten van de heiren, enz.
[^1kronieken-27-4-5]: Kanttekening 5: Anders, Dodo, 2 Sam. 23:9 . 2 Samuël 23:9 : En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die daar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen.
[^1kronieken-27-4-6]: Kanttekening 6: over zijn verdeling: Anders, daarna werd Mikloth overste over zijn verdeling. Daarna, te weten als Dodai gestorven was. Maar anderen verstaan dit zo, dat Mikloth is geweest luitenant-kolonel van Dodai.
[^1kronieken-27-5-7]: Kanttekening 7: de opperambtman: Hebreeuws, כֹּהֵ֖ן, Cohen; dat betekent een persoon, die een aanzienlijk ambt bedient, in de kerk of politie.
[^1kronieken-27-6-8]: Kanttekening 8: van de dertig: Deze dertig helden werden met namen uitgedrukt, 2 Sam. 23 , 2 Sam. 24 , enz.; 1 Kron. 11:26 . 1 Kronieken 11:26 : De helden nu van de heiren waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;
[^1kronieken-27-6-9]: Kanttekening 9: en over zijn verdeling: Enige verstaan dit zo, dat deze Hammizabad is geweest overste luitenant van zijn vaders regiment, die ook overste was over de Krethi en Plethi, 2 Sam. 8:18 . 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
[^1kronieken-27-7-10]: Kanttekening 10: De vierde: Te weten, overste; en zo in het volgende.
[^1kronieken-27-7-11]: Kanttekening 11: na hem Zebadja: Te weten, na zijn dood, nadat hij van Abner verslagen was; 2 Sam. 2:23 . 2 Samuël 2:23 : Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^1kronieken-27-8-12]: Kanttekening 12: Samma genoemd, 2 Sam. 23:25 , en Sammoth, 1 Kron. 11:27 . 2 Samuël 23:25 : Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet; 1 Kronieken 11:27 : Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
[^1kronieken-27-10-13]: Kanttekening 13: de Peloniet: Anders, de Paltiet, 2 Sam. 23:26 . 2 Samuël 23:26 : Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet;
[^1kronieken-27-11-14]: Kanttekening 14: van de Zerahieten: Deze waren nakomelingen van Zerah, de zoon van Juda; Gen. 46:12 . Genesis 46:12 : En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^1kronieken-27-15-15]: Kanttekening 15: Anders, Helad genoemd, 1 Kron. 11:30 , en Heleb, 2 Sam. 23:29 . 1 Kronieken 11:30 : Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baäna, de Netofathiet; 2 Samuël 23:29 : Heleb, de zoon van Baëna, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibeä van de kinderen Benjamins;
[^1kronieken-27-17-16]: Kanttekening 16: over de Aäronieten: Hebreeuws, אַהֲרֹ֥ן, over Aäron; dat is, over het hogepriesterlijke huis, dat in Aärons geslacht moest blijven.
[^1kronieken-27-18-17]: Kanttekening 17: Eliab genoemd, 1 Sam. 16:6 . 1 Samuël 16:6 : En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor YHWH, Zijn gezalfde.
[^1kronieken-27-20-18]: Kanttekening 18: kinderen van Efraïm: Dat is, nakomelingen.
[^1kronieken-27-22-19]: Kanttekening 19: Deze waren: Te weten, die straks uitdrukkelijk genoemd zijn. Aser en Gad met hun kolonellen worden in dit register niet genoemd; waarom zij voorbijgegaan of verzwegen zijn, is onzeker.
[^1kronieken-27-23-20]: Kanttekening 20: die twintig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָ֖ה, van de zoon van twintig jaar.
[^1kronieken-27-23-21]: Kanttekening 21: omdat YHWH gezegd had: Versta dit zo, dat David deze niet heeft willen tellen, opdat het niet schijnen zou dat hij twijfelde aan de belofte van God Abraham gedaan, Gen. 22:17 , en Gen. 26:4 . Sommigen verstaan dit zo dat David het getal van het volk niet heeft willen opnemen, nadat hij van de Heer gekastijd en bestraft was geweest, omdat hij het volk door Joab deed tellen. Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde,
[^1kronieken-27-24-22]: Kanttekening 22: had begonnen te tellen: Te weten, al de Israëlieten, die boven de twintig jaren oud waren, 2 Sam. 24 .
[^1kronieken-27-24-23]: Kanttekening 23: hij voltooide het niet: Want hij telde Benjamin en Levi niet, omdat hij deze telling niet graag maar tegen zijn dank deed. Zie 1 Kron. 21:6 . 1 Kronieken 21:6 : Maar Levi en Benjamin telde hij onder dezelfde niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel.
[^1kronieken-27-24-24]: Kanttekening 24: een grote toorn: Versta, de brandende toorn van God, dat is, de hittige pestilentie; 2 Sam. 24:13 . 2 Samuël 24:13 : Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zei tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt u drie maanden vluchten voor het aangezicht van uw vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Die zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.
[^1kronieken-27-24-25]: Kanttekening 25: het getal: Te weten, het volle getal, want Joab heeft Levi en Benjamin niet geteld, 1 Kron. 21:6 . Anderen verstaan dit zo, dat David, leedwezen hebbende, niet gewild heeft dat men dit in de stadsboeken zou aantekenen; maar God heeft gewild dat het in de boeken van de Heilige Schriftuur zou aangetekend worden. 1 Kronieken 21:6 : Maar Levi en Benjamin telde hij onder dezelfde niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel.
[^1kronieken-27-24-26]: Kanttekening 26: in de rekening: Hebreeuws, דִּבְרֵֽי, in het getal.
[^1kronieken-27-25-27]: Kanttekening 27: de schatten van de koning: Versta, die schatten, die in het huis van de koning of binnen Jeruzalem waren; gelijk Jonathan was over de schatten en inkomsten van de koning, die buiten ontvangen en vergaderd werden.
[^1kronieken-27-25-28]: Kanttekening 28: de torens: Dat is, kastelen, sloten, vaste huizen.
[^1kronieken-27-26-29]: Kanttekening 29: die het akkerwerk: Versta hier die, welke de landbouwerij van de koning deden.
[^1kronieken-27-27-30]: Kanttekening 30: over de wijngaarden: Dat is, over de wijngaardeniers, die de wijngaarden van de koning moesten bouwen. En zo was het ambt van deze onderscheiden van het ambt van Zabdi.
[^1kronieken-27-27-31]: Kanttekening 31: wat dat van de wijnstokken kwam: Dat is, over de wijnkelders.
[^1kronieken-27-28-32]: Kanttekening 32: over de schatten van de olie: Dat is, over de olie, die tot voorraad in de kelders vergaderd werd.
[^1kronieken-27-29-33]: Kanttekening 33: Zie Hoogl. 2:1 . Hooglied 2:1 : Ik ben een Roos van Saron, een Lelie van de dalen.
[^1kronieken-27-31-34]: Kanttekening 34: het kleine vee: Als daar zijn rammen, schapen, bokken en geiten.
[^1kronieken-27-32-35]: Kanttekening 35: Sommigen menen dat deze Jonathan is geweest Davids neef, zoon van Samma, Davids broer, waarvan 2 Sam. 21:21 staat. En zo zou David zelf over hem oom geweest zijn. 2 Samuël 21:21 : En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broer, sloeg hem.
[^1kronieken-27-32-36]: Kanttekening 36: Of, secretaris.
[^1kronieken-27-32-37]: Kanttekening 37: bij de zonen van de koning: Te weten, om hen te leren, en in alle goede zeden, als tuchtmeester, te onderwijzen en te vormen.

### 1 Kronieken 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/28.json)

*Davids laatste bevel aan de vorsten, vers 1 enz. En aan Salomo, over het onderhouden van alle geboden van God, en met name over de opbouw van de tempel, 9. Hij geeft Salomo een voorbeeld van het hele gebouw, samen met alle voorwerpen die daarbij horen, 14. Korte herhaling van Davids vermaning aan Salomo, 20.*

**1** [^1kronieken-28-1-1] Toen verzamelde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten van de stammen, en[^1kronieken-28-1-2] de oversten van de verdelingen, de koning dienende, en de oversten van de duizenden, en de oversten van de honderden, en de oversten van alle bezittingen en vee van de koning en[^1kronieken-28-1-3] van zijn zonen, met[^1kronieken-28-1-4] de kamerlingen, en de helden, ja, elke kloeke held. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v1)

**2** En de koning David[^1kronieken-28-2-5] stond op zijn voeten, en hij zei: Hoor mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart[^1kronieken-28-2-6] een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de[^1kronieken-28-2-7] voetbank van de voeten van onze God, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v2)

**3** [^1kronieken-28-3-a] Maar God heeft tot mij gezegd: U zult Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een soldaat, en u hebt[^1kronieken-28-3-8] veel bloed vergoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v3)

**4** Nu heeft mij YHWH, de God van Israël, gekozen uit heel het huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israël wezen zou[^1kronieken-28-4-9] in eeuwigheid; want Hij heeft[^1kronieken-28-4-10] Juda tot een voorganger gekozen, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad,[^1kronieken-28-4-b] dat Hij mij tot koning maakte over geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v4)

**5** En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v5)

**6** En[^1kronieken-28-6-c] Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en[^1kronieken-28-6-d] Ik zal hem tot een Vader zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v6)

**7** En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot[^1kronieken-28-7-11] in eeuwigheid, als hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen,[^1kronieken-28-7-12] zoals te deze dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v7)

**8** Nu dan, voor de ogen van het hele Israël, de gemeente van YHWH, en voor de oren van onze God,[^1kronieken-28-8-13] houdt en zoekt al de geboden van YHWH, van uw God; opdat u dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v8)

**9** En u, mijn zoon Salomo, ken[^1kronieken-28-9-14] de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want[^1kronieken-28-9-e] YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat[^1kronieken-28-9-15] al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v9)

**10** Zie nu toe, want YHWH heeft u gekozen, dat u een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk,[^1kronieken-28-10-16] en doe het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v10)

**11** En David gaf zijn zoon Salomo een[^1kronieken-28-11-17] ontwerp van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis[^1kronieken-28-11-18] van het verzoendeksel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v11)

**12** En een ontwerp van alles, wat[^1kronieken-28-12-19] bij hem[^1kronieken-28-12-20] door de Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis van YHWH, en van alle kamers rondom;[^1kronieken-28-12-21] tot de schatten van het huis van God, en tot de schatten van de heilige dingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v12)

**13** En[^1kronieken-28-13-22] van de verdelingen van de priesters en van de Levieten, en van alle werk van de dienst van het huis van YHWH, en van alle voorwerpen van de dienst van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v13)

**14** [^1kronieken-28-14-23] Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle voorwerpen[^1kronieken-28-14-24] van elke dienst; ook zilver tot alle zilveren voorwerpen bij gewicht, tot al de voorwerpen van elke dienst;[^1kronieken-28-14-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v14)

**15** En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elke kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar.[^1kronieken-28-15-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v15)

**16** Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen van de[^1kronieken-28-16-27] toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen;[^1kronieken-28-16-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v16)

**17** En louter goud tot de vleeshaken, en tot de sprengbekkens, en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het[^1kronieken-28-17-29] gewicht tot elke beker, evenzo tot zilveren bekers, tot elke beker het gewicht;[^1kronieken-28-17-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v17)

**18** En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld van de wagen, te weten van de cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark van het verbond van YHWH overdekken.[^1kronieken-28-18-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v18)

**19** Dit alles heeft men[^1kronieken-28-19-32] mij, zei David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand van YHWH, te weten al de werken van dit voorbeeld.[^1kronieken-28-19-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v19)

**20** En David zei tot zijn zoon Salomo:[^1kronieken-28-20-f] Wees sterk, en heb goede moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want God YHWH, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, voordat u al het werk tot de dienst van het huis van YHWH zult volbracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v20)

**21** En zie, daar zijn de verdelingen van de priesters en van de Levieten, tot alle dienst van het huis van God; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot alle dienst, ook de vorsten, en het hele volk, bereid tot al uw bevelen.[^1kronieken-28-21-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/28.html#v21)

[^1kronieken-28-1-1]: Kanttekening 1: vergaderde David: Hier keert de schrijver van dit boek opnieuw tot de historie, die hij begonnen had boven, 1 Kron. 22 .
[^1kronieken-28-1-2]: Kanttekening 2: de oversten van de verdelingen: Van welke zie, ook boven, 1 Kron. 27:1 , enz. 1 Kronieken 27:1 : Dit nu zijn de kinderen van Israël naar hun getal, de familiehoofden, en de oversten van de duizenden en van de honderden, met hun ambtlieden, de koning dienende in alle zaken van de verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden van het jaar; elke verdeling was vier en twintig duizend.
[^1kronieken-28-1-3]: Kanttekening 3: zijn zonen: Anders, zijn zonen.
[^1kronieken-28-1-4]: Kanttekening 4: de kamerlingen: Zie de aantekening Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^1kronieken-28-2-5]: Kanttekening 5: stond op zijn voeten: Met dit opstaan gaf hij te kennen de eer, die hij het woord van God toedroeg, dat hij van God ontvangen had en aan de vergadering wilde voordragen. Vergelijk Richt. 3:20 . Richteren 3:20 : En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel.
[^1kronieken-28-2-6]: Kanttekening 6: een huis van de rust: Te weten, de tempel, in welke de ark zekerlijk mocht rusten, zonder voortaan van de ene plaats tot de andere te moeten verdragen worden, gelijk vóór deze dikwijls geschied was. Zie 2 Sam. 7:1 . 2 Samuël 7:1 : En het geschiedde, als de koning in zijn huis zat, en YHWH hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom,
[^1kronieken-28-2-7]: Kanttekening 7: voetbank van de voeten: Aldus wordt de ark van het verbond genoemd, ten aanzien dat de Heer daarop tussen de cherubim zat, 2 Sam. 6:2 , en antwoord gaf. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^1kronieken-28-3-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 7:5 ; 1 Kon. 5:3 ; 1 Kron. 22:8 . 2 Samuël 7:5 : Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt YHWH: Zoudt u Mij een huis bouwen tot Mijn woning? 1 Koningen 5:3 : U weet, dat mijn vader David de Naam van YHWH, zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat YHWH hen onder zijn voetzolen gaf. 1 Kronieken 22:8 : Maar het woord van YHWH geschiedde tot mij, zeggende: U hebt bloed in menigte vergoten, want u hebt grote krijgen gevoerd; u zult Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u veel bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.
[^1kronieken-28-3-8]: Kanttekening 8: veel bloed vergoten: Hebreeuws, שָׁפָֽכְתָּ, bloeden.
[^1kronieken-28-4-9]: Kanttekening 9: in eeuwigheid: Dat is, mijn levenlang, want dat is de eeuw van de mensen. Maar ten aanzien van onze Heer Jezus Christus, de zoon van David, is het een eeuwigblijvend koninkrijk, dat nimmermeer einden zal; Luk. 1:33 . Zie 2 Sam. 7:13 . Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid.
[^1kronieken-28-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, de stam van Juda. Zie Gen. 49:8 , en 1 Kron. 5:2 . Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich uw vaders zonen nederbuigen. 1 Kronieken 5:2 : Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.)
[^1kronieken-28-4-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 16:12 . 1 Samuël 16:12 : Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en YHWH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.
[^1kronieken-28-6-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 7:13 ; 2 Kron. 1:9 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 2 Kronieken 1:9 : Nu, YHWH God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want U hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof van de aarde;
[^1kronieken-28-6-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 7:14 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen.
[^1kronieken-28-7-11]: Kanttekening 11: in eeuwigheid: Zie vers 4 . 1 Kronieken 28:4 : Nu heeft mij YHWH, de God van Israël, gekozen uit het gehele huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger gekozen, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij ten koning maakte over geheel Israël.
[^1kronieken-28-7-12]: Kanttekening 12: gelijk te deze dage: Dat is, gelijk hij tot op deze dag onderwezen is, en totnogtoe, achtervolgens de goede onderwijzing, zich bevlijtigd heeft wel te doen, met het onderhouden van mijne geboden.
[^1kronieken-28-8-13]: Kanttekening 13: houdt en zoekt: Voor, zoek en onderhoud; dat is, benaarstig u te zoeken en te onderhouden.
[^1kronieken-28-9-14]: Kanttekening 14: de God van uw vader: Dat is, die God, die een welgevallen aan mij gehad heeft \[gelijk vers 4 \], en die ik getrouwelijk gediend heb. 1 Kronieken 28:4 : Nu heeft mij YHWH, de God van Israël, gekozen uit het gehele huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger gekozen, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij ten koning maakte over geheel Israël.
[^1kronieken-28-9-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 16:7 ; onder, 1 Kron. 29:17 ; Ps. 7:10 ; Jer. 11:20 ; Jer. 17:10 ; Jer. 20:12 ; Openb. 2:23 . 1 Samuël 16:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan. 1 Kronieken 29:17 : En ik weet, mijn God, dat U het hart proeft, en dat U een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich tegenover U vrijwillig gedragen heeft. Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! Jeremia 11:20 : Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 20:12 : U dan, o YHWH van de legermachten, Die de rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt. Openbaring 2:23 : En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken.
[^1kronieken-28-9-15]: Kanttekening 15: al het maaksel: Dat is, al wat de mensen denken of versieren.
[^1kronieken-28-10-16]: Kanttekening 16: en doe het: Dit is, volmaak het, breng het ten einde.
[^1kronieken-28-11-17]: Kanttekening 17: Vergelijk Ex. 25:40 . Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is.
[^1kronieken-28-11-18]: Kanttekening 18: van het verzoendeksel: Dit was het deksel, dat op de ark van het verbond lag, waarop de cherubim stonden, en was als de troon of zitstoel Gods. Maar door het verzoendeksel verstaat hij de ark van het verbond zelf, die in het allerheiligst van de tempel moest gesteld worden.
[^1kronieken-28-12-19]: Kanttekening 19: bij hem: Dat is, in zijn gemoed.
[^1kronieken-28-12-20]: Kanttekening 20: door de Geest was: Versta, door de Heilige Geest, die David heeft geopenbaard hoe al deze dingen moesten gemaakt zijn in de tempel, vers 19 , gelijk eertijds God Mozes ook geopenbaard heeft het voorbeeld van de tabernakel, en alles wat hij meer moest maken, en heeft hem zulks op de berg vertoond en verklaard. Zie Ex. 31:3 . 1 Kronieken 28:19 : Dit alles heeft men mij, zei David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand van YHWH, te weten al de werken van dit voorbeeld. Exodus 31:3 : En Ik heb hem vervuld met de Geest van God, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
[^1kronieken-28-12-21]: Kanttekening 21: tot de schatten van het huis van God: Te weten, om de schatten daarin te bewaren. Anders, van de schatten, verstaande een voorbeeld van de plaatsen, waarin de schatten van het huis zouden bewaard worden, of de schatten zelf.
[^1kronieken-28-13-22]: Kanttekening 22: van de verdelingen: Zie van deze verdelingen boven, 1 Kron. 24 , 1 Kron. 25 , en 1 Kron. 26 .
[^1kronieken-28-14-23]: Kanttekening 23: Het goud: De gouden vaten en het gereedschap werden gebruikt in de tempel ter plaatse, die het heilige genaamd werd; maar de zilveren vaten of gereedschap in het voorhof van de priesters. Anders, van goud naar het goudgewicht. Verstaande, dat hier vervolgd wordt het voorbeeld van alles.
[^1kronieken-28-14-24]: Kanttekening 24: van elke dienst: Hebreeuws, עֲבוֹדָ֑ה, de dienst, en de dienst; dat is, zowel de dienst, die men in het heilige deed, als die men in het voorhof deed.
[^1kronieken-28-14-25]: Kanttekening 25: van elke dienst: Hebreeuws, עֲבוֹדָ֑ה, de dienst, en de dienst; dat is, zowel de dienst, die men in het heilige deed, als die men in het voorhof deed.
[^1kronieken-28-15-26]: Kanttekening 26: van elke kandelaar: Hebreeuws, מְנוֹרָ֥ה, van de kandelaar, van de kandelaar. En zo hier onder.
[^1kronieken-28-16-27]: Kanttekening 27: tot de tafelen: Te weten, op welke de toonbroden in orde zijn gesteld geworden, naar het bevel Gods door Mozes gegeven.
[^1kronieken-28-16-28]: Kanttekening 28: tot elke tafel: Hebreeuws, שֻׁלְחָ֑ן, tot tafel en tafel.
[^1kronieken-28-17-29]: Kanttekening 29: de sprengbekkens: In welke men het bloed van de offeranden ontving, en waarmee men het altaar in de offeranden besprengde. Zie Ex. 24:6 . Exodus 24:6 : En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar.
[^1kronieken-28-17-30]: Kanttekening 30: tot elke beker: Hebreeuws, כְפוֹרֵ֥י, tot beker en beker.
[^1kronieken-28-18-31]: Kanttekening 31: van de wagen: Aldus noemt hij de cherubim, omdat de Heer met bijzonder tekenen zijn aanwezigheid wordt gezegd te zitten tussen de cherubim. Zie 1 Sam. 4:4 . En zij worden gezegd zijn wagen te zijn. Zie Ps. 18:11 ; Ez. 1:24 , 1:25 , 1:26 , en Ez. 10:13 , 10:16 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. Psalmen 18:11 : En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind. Ezechiël 1:24 : En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder. Ezechiël 1:25 : En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, dat boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden. Ezechiël 1:26 : En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde. Ezechiël 10:13 : Aangaande de raderen, elk derzelve werd voor mijn oren genoemd Galgal. Ezechiël 10:16 : En als de cherubs gingen, zo gingen die raderen naast dezelven; en als de cherubs hun vleugelen ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen.
[^1kronieken-28-19-32]: Kanttekening 32: heeft men mij: Of, heeft Hij \[te weten, de Heer\] te verstaan gegeven, enz.
[^1kronieken-28-19-33]: Kanttekening 33: bij geschrift: Zo heeft dan David hierin niet gehandeld uit volkomen koninklijke macht, ordinerende de godsdienst naar zijn eigen goeddunken; maar hij heeft dit gedaan als een profeet van God, 2 Kron. 8:14 , door de ingeving van de Heilige Geest, gelijk hier vers 12 , en ook door Gad en Nathan, 2 Kron. 29:25 . Aldus heeft ook God de Heer Mozes een voorbeeld of model aangewezen van alles wat hij maken zou; Ex. 25:40 , en Ex. 26:30 , Hebr., 8:5 . 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze van zijn vader David, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God. 1 Kronieken 28:12 : En een voorbeeld van alles, wat bij hem door de Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis van YHWH, en van alle kamers rondom; tot de schatten van het huis van God, en tot de schatten van de heilige dingen; 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand van Zijn profeten. Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Exodus 26:30 : Dan zult u de tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op de berg getoond is. Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^1kronieken-28-20-f]: Verwijzing f: Deut. 31:7 ; idem v. 8 ; Joz. 1:7 . Deuteronomium 31:7 : En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van geheel Israël: Wees sterk en heb goede moed, want u zult met dit volk ingaan in het land dat YHWH hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en u zult het hun doen erven. Deuteronomium 31:8 : De YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. Jozua 1:7 : Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de gehele wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt alom, waar u zult gaan;
[^1kronieken-28-21-34]: Kanttekening 34: Of, woorden, of werken.

### 1 Kronieken 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1kronieken/29.json)

*David verhaalt voor de hele gemeente de grote voorraad van allerlei materialen die hij gereed had voor de bouw van de tempel, vers 1 enz. En hij vermaant hen, zowel de vorsten als het volk, tot een vrijwillige gave daarvoor, 5. die zij mild geven, 6. Waarvoor David de Heere dankt, 10. En hij bidt de Heere voor het hele volk, 18. En voor de koning, 19. Dankzegging en offer van het volk, 20. Salomo wordt tot koning gezalfd, en Zadok tot hogepriester, 22. God maakt Salomo zeer voortreffelijk en groot, 25. Hoe lang David geregeerd heeft, 26, 27. Hij sterft, 28.*

**1** Verder zei de koning David[^1kronieken-29-1-1] tot de hele gemeente: God heeft mijn zoon Salomo[^1kronieken-29-1-2] alleen gekozen,[^1kronieken-29-1-3] een jongeling en zwak;[^1kronieken-29-1-4] dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v1)

**2** Ik heb nu uit al mijn kracht bereid tot het huis van mijn God, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardonixstenen en vervullende stenen,[^1kronieken-29-2-5] versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en marmerstenen in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v2)

**3** En daartoe,[^1kronieken-29-3-6] uit mijn welgevallen tot het huis van mijn God, geef[^1kronieken-29-3-7] ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis van mijn God daarenboven, naast al wat ik in het huis van het heiligdom bereid heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v3)

**4** Drie duizend[^1kronieken-29-4-8] talenten goud, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver,[^1kronieken-29-4-9] om de wanden van de huizen te overtrekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v4)

**5** Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren voorwerpen, en tot alle werk, door de hand van de werkmeesteren te maken. En[^1kronieken-29-5-10] wie is er gewillig, vandaag[^1kronieken-29-5-11] zijn hand YHWH te vullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v5)

**6** Toen gaven vrijwillig de oversten van de vaders, en de oversten van de stammen van Israël, en de oversten van de duizenden en van de honderden, en de oversten van het werk van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v6)

**7** En zij gaven,[^1kronieken-29-7-12] tot de dienst van het huis van God, vijf duizend talenten goud, en tien duizend[^1kronieken-29-7-13] drachmen, en tien duizend talenten zilver, en[^1kronieken-29-7-14] achttien duizend talenten kopers, en honderd duizend talenten ijzers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v7)

**8** En bij wie[^1kronieken-29-8-15] stenen gevonden werden, die gaven zij in de schat van het huis van YHWH, onder de hand[^1kronieken-29-8-16] van Jehiël, de Gersoniet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v8)

**9** En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart YHWH vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v9)

**10** Daarom loofde David YHWH voor de ogen van de hele gemeente; en David zei: Geloofd bent U, YHWH, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v10)

**11** [^1kronieken-29-11-a] Uw, o YHWH, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in de hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o YHWH, is het Koninkrijk, en U hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v11)

**12** En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en U heerst[^1kronieken-29-12-17] over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v12)

**13** Nu dan, onze God, wij danken U, en loven[^1kronieken-29-13-18] de Naam van Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v13)

**14** Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven[^1kronieken-29-14-19] als dit is? Want het is alles van U, en[^1kronieken-29-14-20] wij geven het U uit Uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v14)

**15** [^1kronieken-29-15-21] Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, zoals al onze vaders; onze dagen op aarde zijn[^1kronieken-29-15-b] als een schaduw, en er[^1kronieken-29-15-22] is geen verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v15)

**16** YHWH, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, de Naam van Uw heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles Uw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v16)

**17** En ik weet, mijn God, dat U[^1kronieken-29-17-c] het hart proeft, en dat U een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtheid van mijn hart al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich tegenover U vrijwillig gedragen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v17)

**18** O YHWH, U, God van onze vaders, Abraham, Izak en Israël, bewaar dit in de eeuwigheid in[^1kronieken-29-18-23] de zin van de gedachten van het hart van Uw volk, en richt hun hart tot U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v18)

**19** En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen,[^1kronieken-29-19-24] dat ik bereid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v19)

**20** Daarna zei David tot de hele gemeente: Loof nu YHWH, uw God! Toen loofde de hele gemeente YHWH, de God van hun vaders; en zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neer voor YHWH, en voor de koning.[^1kronieken-29-20-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v20)

**21** En zij offerden YHWH slachtoffers; ook offerden zij YHWH brandoffers, op de andere morgen van die dag, duizend stieren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankoffers; en slachtoffers in menigte, voor geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v21)

**22** En zij aten en dronken op diezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van[^1kronieken-29-22-26] David, voor de tweede keer koning, en zij zalfden hem[^1kronieken-29-22-27] YHWH tot voorganger, en Zadok[^1kronieken-29-22-28] tot priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v22)

**23** Zo zat Salomo[^1kronieken-29-23-29] op de troon van YHWH, als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig; en geheel Israël hoorde naar hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v23)

**24** En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van de koning David, gaven de hand,[^1kronieken-29-24-30] dat zij onder de koning Salomo zijn zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v24)

**25** En YHWH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem[^1kronieken-29-25-31] een koninklijke majesteit, zoals aan geen[^1kronieken-29-25-32] koning van Israël voor hem geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v25)

**26** Zo heeft dan David, de zoon van Isaï, geregeerd over geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v26)

**27** De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn[^1kronieken-29-27-d] veertig jaren; te[^1kronieken-29-27-e] Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v27)

**28** En hij stierf in goede[^1kronieken-29-28-33] ouderdom, verzadigd van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v28)

**29** De geschiedenissen nu van de koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven[^1kronieken-29-29-34] in de[^1kronieken-29-29-35] geschiedenissen van Samuël, de ziener, en in de geschiedenissen van de profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, de ziener; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v29)

**30** [^1kronieken-29-30-36] Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en[^1kronieken-29-30-37] de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israël, en over al de koninkrijken van de landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1kronieken/29.html#v30)

[^1kronieken-29-1-1]: Kanttekening 1: tot de gehele gemeente: Zie boven, 1 Kron. 28:1 . 1 Kronieken 28:1 : Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten van de stammen, en de oversten van de verdelingen, de koning dienende, en de oversten van de duizenden, en de oversten van de honderden, en de oversten van alle bezittingen en vee van de koning en zijn zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, allen kloeken held.
[^1kronieken-29-1-2]: Kanttekening 2: alleen gekozen: Hebreeuws, בָּֽחַר, een; te weten, uit al mijn zonen. Hierom heeft hem David nog tijdens zijn leven tot koning laten kronen, en de andere zonen van David hebben met handslag beloofd Salomo te gehoorzamen, vers 24 . 1 Kronieken 29:24 : En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van de koning David, gaven de hand, dat zij onder de koning Salomo zijn zouden.
[^1kronieken-29-1-3]: Kanttekening 3: een jongeling: Salomo had toen ter tijd een vrouw getrouwd, gelijk uit de ouderdom van zijn zoon Rehabeam is af te nemen, 2 Kron. 12:13 , want hij heeft veertig jaren geregeerd, 2 Kron. 9:30 , en zijn zoon Rehabeam was een en veertig jaren oud toen hij koning werd na Salomo's dood; waaruit dan blijkt dat Rehabeam een jaar oud was toen Salomo als koning gekroond is; maar David noemt hem hier, met reden, jong omdat hij toentertijd naar sommiger rekening, maar omtrent achttien of negentien jaren oud was en broers had, die ouder waren dan hij. 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische. 2 Kronieken 9:30 : En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren.
[^1kronieken-29-1-4]: Kanttekening 4: dit werk daarentegen: Te weten, de bouw van de tempel, welke Salomo moest uitvoeren.
[^1kronieken-29-2-5]: Kanttekening 5: Anders, stenen van het versiersel en borduursel. Of, tot versiersel en borduursel.
[^1kronieken-29-3-6]: Kanttekening 6: uit mijn welgevallen: Dat is, uit zonderlinge liefde tot het huis mijns Gods.
[^1kronieken-29-3-7]: Kanttekening 7: het bijzonder: Dat is, van mijn eigen juwelen en andere kostelijkheden, die ik gespaard en hiertoe bewaard heb.
[^1kronieken-29-4-8]: Kanttekening 8: talenten gouds: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^1kronieken-29-4-9]: Kanttekening 9: om de wanden: Te weten, het goud om de wanden van de tempel te overtrekken; en het zilver om de andere huizen en kamers, tot de tempel behorende, te overtrekken.
[^1kronieken-29-5-10]: Kanttekening 10: wie is er willig: Te weten, onder u.
[^1kronieken-29-5-11]: Kanttekening 11: zijn hand: Dat is, zijn dienst de Heer te heiligen en hem een vrijwillige offerande te doen. Zie Ex. 32:29 ; Lev. 8:33 . Exodus 32:29 : Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen YHWH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat Hij heden een zegen over u geve! Leviticus 8:33 : Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffer; want zeven dagen zal men uw handen vullen.
[^1kronieken-29-7-12]: Kanttekening 12: de dienst: Dat is, tot de timmering van de tempel.
[^1kronieken-29-7-13]: Kanttekening 13: Een drachma weegt zoveel als een Franse kroon.
[^1kronieken-29-7-14]: Kanttekening 14: achttien duizend: Hebreeuws, אֲלָפִ֖ים, tien duizend, en acht duizend talenten kopers.
[^1kronieken-29-8-15]: Kanttekening 15: Te weten, edele of kostelijke stenen.
[^1kronieken-29-8-16]: Kanttekening 16: Deze is geweest de generale bewaarder van al de schatten van het heiligdom, die wij zouden mogen noemen een ontvanger-generaal; maar Selomith was gesteld over de schatten, die gecollecteerd werden tot de bouw van de tempel; 1 Kron. 26:26 . 1 Kronieken 26:26 : Deze Selomith en zijn broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger;
[^1kronieken-29-11-a]: Verwijzing a: Matt. 6:13 ; 1 Tim. 1:17 ; Openb. 5:13 . Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen. 1 Timotheüs 1:17 : De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijken, de onzichtbare, de alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:13 : En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelfde is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
[^1kronieken-29-12-17]: Kanttekening 17: over alles: Of, over alle.
[^1kronieken-29-13-18]: Kanttekening 18: de Naam: Of, uw heerlijken naam.
[^1kronieken-29-14-19]: Kanttekening 19: als dit is: Dat is, al deze dingen.
[^1kronieken-29-14-20]: Kanttekening 20: wij geven het U: Dat is, gelijk wij dit eerst van U ontvangen hebben, zo geven wij het U weer.
[^1kronieken-29-15-21]: Kanttekening 21: Want wij zijn vreemdelingen: Dit is Davids argument. Omdat wij mensen hier op aarde maar vreemdelingen en pelgrims zijn, die voorzeker van hier moeten scheiden, Ps. 39:13 , en wij kunnen onze goederen na onze dood niet behouden; zo kunnen wij dezelfde niet beter aanleggen dan aan de dienst van God, die het in eeuwigheid uit genade belonen zal. Psalmen 39:13 : Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
[^1kronieken-29-15-b]: Verwijzing b: Ps. 90:9 ; Ps. 102:12 . Psalmen 90:9 : Want al onze dagen gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
[^1kronieken-29-15-22]: Kanttekening 22: is geen verwachting: Hij wil zeggen dat er niets vast, zeker, of gestadig is in dit leven; het is al ijdelheid en gelijk een schaduw; en niemand behoeft te vermoeden dat hij de dood zal ontlopen. Anders, die \[te weten, schaduw\] niet verzameld wordt.
[^1kronieken-29-17-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 28:9 . 1 Kronieken 28:9 : En u, mijn zoon Salomo, ken de God uw vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.
[^1kronieken-29-18-23]: Kanttekening 23: de zin: Of, de genegenheid. Hebreeuws, עוֹלָ֔ם, formeersel, maaksel.
[^1kronieken-29-19-24]: Kanttekening 24: dat ik: Dat is, waartoe ik allen voorraad bijeengebracht en gereed gemaakt heb. Ja, waartoe ik zelfs de plaats gekocht heb, 1 Kron. 21:25 , en 2 Kron. 3:1 , en een model of ontwerp daarvan gemaakt heb. 1 Kronieken 21:25 : En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht. 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^1kronieken-29-20-25]: Kanttekening 25: voor YHWH: Voor de Heer met godsdienstigen eerbied, voor de koning met burgerlijken eerbied.
[^1kronieken-29-22-26]: Kanttekening 26: ten andere male: Dit was een andere zalving dan die, waarvan men leest 1 Kon. 1:33 . Want de eerste geschiedde alleen in haast, daar die van Jeruzalem alleen bij waren, om het oproerig voornemen van Adonia te beletten; maar deze tweede zalving is ook bij het leven Davids \[gelijk blijkt uit het begin van vers 22 \] maar met meerdere plechtigheid geschied, in aanwezigheid van al de vorsten en oversten van het volk, ja ook van de andere zonen van David. 1 Koningen 1:33 : En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten van uw heer, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon. 1 Kronieken 29:22 : En zij aten en dronken dezelfde dag voor het aangezicht van YHWH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem YHWH tot voorganger, en Zadok tot priester.
[^1kronieken-29-22-27]: Kanttekening 27: YHWH tot voorganger: Dat is tot dienst van YHWH, tot handhaving van de beide tafelen van de wet.
[^1kronieken-29-22-28]: Kanttekening 28: tot priester: Versta, tot hogepriester; en Abjathar werd afgezet, omdat hij mee geweest was in het oproer van Adonia, 1 Kon. 1:7 . 1 Koningen 1:7 : En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia.
[^1kronieken-29-23-29]: Kanttekening 29: op de troon van YHWH: Dat is, de troon, welke hem de Heer gegeven had, en waarop hij als een stadhouder de plaats van YHWH bewaarde.
[^1kronieken-29-24-30]: Kanttekening 30: dat zij: Dat is, dat zij Salomo voor hun koning en overheer kenden en aannamen. Hebreeuws, יָ֔ד, gaven de hand onder de koning Salomo.
[^1kronieken-29-25-31]: Kanttekening 31: een koninklijke majesteit: Hebreeuws, הָיָ֧ה, een majesteit van het koninkrijk.
[^1kronieken-29-25-32]: Kanttekening 32: koning van Israël: Noch rechter, noch regent, onder de Israëlieten. Zie 1 Kon. 3:13 , en 2 Kron. 1:12 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 2 Kronieken 1:12 : De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.
[^1kronieken-29-27-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 2:11 . 1 Koningen 2:11 : De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.
[^1kronieken-29-27-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 5:5 . 2 Samuël 5:5 : Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda.
[^1kronieken-29-28-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, grijsheid, of grauwigheid, gelijk Gen. 25:8 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.
[^1kronieken-29-29-34]: Kanttekening 34: in de: Dit kan verstaan worden van de twee boeken door Samuël, waarvan de voornaamste delen van de profeten, die hier genoemd worden, beschreven zijn, te weten, door Samuël, Nathan en Gad, die hier zieners genoemd worden.
[^1kronieken-29-29-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, woorden, zaken (3x).
[^1kronieken-29-30-36]: Kanttekening 36: Met al zijn koninkrijk: Dat is, met de gehele regering van zijn koninkrijk.
[^1kronieken-29-30-37]: Kanttekening 37: Dat is met wat op zijn tijd hem, Israël en de omliggende koninkrijken is overkomen en gebeurd.

## 2 Kronieken

### 2 Kronieken 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/1.json)

*Nadat Salomo bevestigd is in zijn rijk, offert hij te Gibeon, vers 1 enz. Daar hij van God de keuze krijgt om iets van Hem te begeren, bidt hij om wijsheid, 7. Deze verkrijgt hij, met de belofte van rijkdom en eer, 11. Hij keert terug van Gibeon, 13. Zijn macht en grote middelen, 14.*

**1** En Salomo, de zoon van[^2kronieken-1-1-a] David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God,[^2kronieken-1-1-2] was met hem, en maakte hem[^2kronieken-1-1-3] ten hoogste groot.[^2kronieken-1-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v1)

**2** En Salomo sprak tot het hele Israël, tot de oversten van de duizenden en van de honderden, en tot de richteren, en tot[^2kronieken-1-2-4] alle oversten in geheel Israël, de[^2kronieken-1-2-5] familiehoofden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v2)

**3** En zij[^2kronieken-1-3-b] gingen heen, Salomo en de hele gemeente met hem,[^2kronieken-1-3-6] naar de hoogte, die te[^2kronieken-1-3-7] Gibeon was;[^2kronieken-1-3-c] want daar was[^2kronieken-1-3-8] de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van YHWH, in de woestijn gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v3)

**4** (Maar de ark van God[^2kronieken-1-4-d] had David van[^2kronieken-1-4-9] Kirjath-jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v4)

**5** Ook was het koperen altaar, dat[^2kronieken-1-5-e] Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had,[^2kronieken-1-5-10] daar voor de tabernakel van YHWH; Salomo nu en de gemeente[^2kronieken-1-5-11] bezochten hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v5)

**6** En Salomo offerde daar,[^2kronieken-1-6-12] voor het aangezicht van YHWH, op het koperen altaar, dat aan de tent van[^2kronieken-1-6-13] de samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v6)

**7** In die nacht[^2kronieken-1-7-14] verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v7)

**8** En Salomo zei tot God: U hebt aan mijn vader David grote goedertierenheid gedaan;[^2kronieken-1-8-f] en U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v8)

**9** Nu, YHWH God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David;[^2kronieken-1-9-g] want U hebt mij koning gemaakt over een volk, veelvuldig[^2kronieken-1-9-15] als het stof van de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v9)

**10** [^2kronieken-1-10-h] Geef mij nu[^2kronieken-1-10-16] wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit[^2kronieken-1-10-17] volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk[^2kronieken-1-10-18][^2kronieken-1-10-19] kunnen richten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v10)

**11** Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw[^2kronieken-1-11-20] hart geweest is, en u niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel van uw vijanden, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat u Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v11)

**12** De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven,[^2kronieken-1-12-21] dergelijke[^2kronieken-1-12-i] geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v12)

**13** Zo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent van de samenkomst; en hij regeerde over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v13)

**14** En Salomo[^2kronieken-1-14-k] verzamelde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in[^2kronieken-1-14-22] de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v14)

**15** [^2kronieken-1-15-23] En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v15)

**16** [^2kronieken-1-16-24] En[^2kronieken-1-16-l] het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v16)

**17** En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en zo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/1.html#v17)

[^2kronieken-1-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 2:46 . 1 Koningen 2:46 : En de koning gebood Benaja, de zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Zo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo.
[^2kronieken-1-1-2]: Kanttekening 2: was met hem: Zie Gen. 21:22 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^2kronieken-1-1-3]: Kanttekening 3: ten hoogste: Hebreeuws, מָֽעְלָ, opwaarts. Zo 1 Kron. 22:5 , en 1 Kron. 23:17 , en 1 Kron. 29:25 . De zin is dat Hij hem als omhoog verheven heeft door grootheid van staat, eer, vrede en rijkdom. 1 Kronieken 22:5 : Want David zei: Mijn zoon Salomo is een jongeling en teder; en het huis, dat men YHWH bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Zo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood. 1 Kronieken 23:17 : De kinderen van Eliëzer nu waren deze: Rehabja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. 1 Kronieken 29:25 : En YHWH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël voor hem geweest is.
[^2kronieken-1-1-1]: Kanttekening 1: werd versterkt: Dat is, nam een moed, aanmerkende zijn wettelijke verkiezing tot de kroon, de eenparige toestemming van het volk, de algemene vrede van het land, en wegneming van alle beletselen van dezelfde.
[^2kronieken-1-2-4]: Kanttekening 4: alle vorsten: Versta onder deze naam, die onder anderen uitsteken in adel, vermaardheid en hoge ambten.
[^2kronieken-1-2-5]: Kanttekening 5: Zie 1 Kon. 8:1 , waar zij genoemd worden de oversten van de vaderen. 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^2kronieken-1-3-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 3:4 . 1 Koningen 3:4 : En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar.
[^2kronieken-1-3-6]: Kanttekening 6: naar de hoogte: Genoemd een grote hoogte; 1 Kon. 3:4 . Zie de aantekening. 1 Koningen 3:4 : En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar.
[^2kronieken-1-3-7]: Kanttekening 7: Een stad in de stam van Benjamin. Zie 1 Kon. 3:4 . 1 Koningen 3:4 : En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar.
[^2kronieken-1-3-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 16:39 ; 1 Kron. 21:29 . 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is; 1 Kronieken 21:29 : Want de tabernakel van YHWH, die Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar van het brandoffer, was in die tijd op de hoogte te Gibeon.
[^2kronieken-1-3-8]: Kanttekening 8: de tent: Dat is, de heilige tabernakel van denwelken zie Ex. 26 ; idem Lev. 1:1 . Leviticus 1:1 : En YHWH riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent van de samenkomst, zeggende:
[^2kronieken-1-4-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 6:2 ; idem v. 17 ; 1 Kron. 16:1 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor de aangezicht van YHWH, en dankofferen. 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.
[^2kronieken-1-4-9]: Kanttekening 9: Een stad in de stam van Juda. Zie Joz. 9:17 ; Richt. 18:12 ; 1 Sam. 7:1 , het vaderland van de profeet Uria; Jer. 26:20 . Jozua 9:17 : Want toen de kinderen van Israël voorttogen, zo kwamen zij op de derde dag aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beëroth, en Kirjath-Jearim. Richteren 18:12 : En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. Jeremia 26:20 : Er was ook een man, die in de Naam van YHWH profeteerde, Uria, de zoon van Semaja, van Kirjath-jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jeremia.
[^2kronieken-1-5-e]: Verwijzing e: Ex. 38:1 . Exodus 38:1 : Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was zijn lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte.
[^2kronieken-1-5-10]: Kanttekening 10: Niet te Jeruzalem, waar de ark was, maar te Gibeon, waar de tabernakel stond.
[^2kronieken-1-5-11]: Kanttekening 11: Te weten, het koperen altaar, om daarop te offeren, naar Gods bevel; Lev. 17:3 , 17:4 . Anders, zochten hem, te weten, de Heer. Leviticus 17:3 : Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; Leviticus 17:4 : En dezelfde aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande aan YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
[^2kronieken-1-6-12]: Kanttekening 12: voor het aangezicht: Zie Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-1-6-13]: Kanttekening 13: aan de tent: Zo Lev. 1:5 . Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.
[^2kronieken-1-7-14]: Kanttekening 14: Te weten, in een droom, 1 Kon. 3:5 . Van de verschijning Gods, door middel van dromen, zie Gen. 20:3 , en Gen. 28:12 . 1 Koningen 3:5 : Te Gibeon verscheen YHWH aan Salomo in een droom van de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan het opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^2kronieken-1-8-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 28:5 . 1 Kronieken 28:5 : En uit al mijn zonen (want YHWH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van YHWH over Israël.
[^2kronieken-1-9-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 3:7 . 1 Koningen 3:7 : Nu dan, YHWH, mijn God! U hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan.
[^2kronieken-1-9-15]: Kanttekening 15: als het stof: Zie Gen. 13:16 . Genesis 13:16 : En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.
[^2kronieken-1-10-h]: Verwijzing h: 1 Kon. 3:9 ; idem v. 11 ; idem v. 12 . 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 1 Koningen 3:11 : En God zei tot hem: Daarom u deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uw gelijke voor u niet geweest is, en uw gelijke na u niet opstaan zal.
[^2kronieken-1-10-16]: Kanttekening 16: wijsheid en wetenschap: Zie van het onderscheid van deze twee gaven, 1 Kon. 3:13 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.
[^2kronieken-1-10-17]: Kanttekening 17: uitga en inga: Zie de verklaring van deze manier van spreken, Num. 27:17 ; Deut. 31:2 . Numeri 27:17 : Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van YHWH niet zij als schapen, die geen herder hebben. Deuteronomium 31:2 : En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^2kronieken-1-10-18]: Kanttekening 18: kunnen : Dit woord is hier ingevoegd uit 1 Kon. 3:9 . Hoewel het ook anders dikwijls in de zin is ingesloten, en, wie zou richten? zoveel is als: wie zou kunnen richten? 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten?
[^2kronieken-1-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, regeren; zo in vers 11 . Zie Richt. 2:16 . 2 Kronieken 1:11 : Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en u niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel van uw haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat u Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb; Richteren 2:16 : En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
[^2kronieken-1-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, de begeerte en het voornemen van uw hart.
[^2kronieken-1-12-21]: Kanttekening 21: Vergelijk hiermede 1 Kon. 3:12 en de aantekening daarop. Anders, dat de koningen, die voor u geweest zijn, zo niet is geschied, en na u zo niet gebeuren zal. 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uw gelijke voor u niet geweest is, en uw gelijke na u niet opstaan zal.
[^2kronieken-1-12-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 3:13 ; 1 Kron. 29:25 ; 2 Kron. 9:22 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 1 Kronieken 29:25 : En YHWH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël voor hem geweest is. 2 Kronieken 9:22 : Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid.
[^2kronieken-1-14-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 4:26 ; 1 Kon. 10:26 ; 2 Kron. 9:25 . 1 Koningen 4:26 : Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren. 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 2 Kronieken 9:25 : Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
[^2kronieken-1-14-22]: Kanttekening 22: Dat is, in welke de wagens geplaatst waren, en die goede weiden voor de paarden hadden.
[^2kronieken-1-15-23]: Kanttekening 23: En de koning: Zie 1 Kon. 10:27 ; 2 Kron. 9:27 . 1 Koningen 10:27 : En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. 2 Kronieken 9:27 : Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
[^2kronieken-1-16-24]: Kanttekening 24: En het uitbrengen: Zie de verklaring van vers 16 en vers 17 , 1 Kon. 10:28 , 10:29 . 2 Kronieken 1:16 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs. 2 Kronieken 1:17 : En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en zo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië. 1 Koningen 10:28 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs. 1 Koningen 10:29 : En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en zo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië.
[^2kronieken-1-16-l]: Verwijzing l: 1 Kon. 10:28 ; 2 Kron. 9:28 . 1 Koningen 10:28 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs. 2 Kronieken 9:28 : En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.

### 2 Kronieken 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/2.json)

*Salomo stelt werklieden aan om de tempel te bouwen, vers 1 enz. Hij verzoekt ook van Hiram, de koning van Tyrus, werklieden en hout, 3. met de belofte hen van voedsel te voorzien, 10. Huram is bereidwillig, en zendt een uitnemende bouwmeester, 11. Salomo telt en verdeelt zijn werklieden, 17.*

**1** Salomo nu[^2kronieken-2-1-1] dacht voor[^2kronieken-2-1-2] de Naam van YHWH een[^2kronieken-2-1-3] huis te bouwen, en een[^2kronieken-2-1-4] huis voor zijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v1)

**2** En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen,[^2kronieken-2-2-5] die houwen zouden in[^2kronieken-2-2-6] het[^2kronieken-2-2-a] gebergte; en ook drie duizend en[^2kronieken-2-2-7] zeshonderd[^2kronieken-2-2-8] opzichters daarover. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v2)

**3** En Salomo[^2kronieken-2-3-b] zond tot[^2kronieken-2-3-9] Huram, de koning van Tyrus, zeggende: Zoals u met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v3)

**4** Zie, ik zal een huis voor de Naam van YHWH, van mijn God, bouwen, om[^2kronieken-2-4-10] Hem te heiligen, om reukwerk van de geurende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van[^2kronieken-2-4-11] het voortdurende brood, en voor de[^2kronieken-2-4-c] brandoffers 's morgens en 's avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van YHWH, van onze God; dat[^2kronieken-2-4-12] voor eeuwig is in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v4)

**5** En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v5)

**6** Maar wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen,[^2kronieken-2-6-d] omdat de hemelen,[^2kronieken-2-6-13] ja, de hemel van de hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen,[^2kronieken-2-6-14] tenzij om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v6)

**7** Zo zend mij nu een[^2kronieken-2-7-15] wijze man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v7)

**8** Zend mij ook cederen, dennen, en[^2kronieken-2-8-16] algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v8)

**9** En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v9)

**10** En zie, ik zal uw knechten, de houwers, die het hout houwen, twintig duizend[^2kronieken-2-10-17] kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst[^2kronieken-2-10-18] geven; daartoe twintig duizend[^2kronieken-2-10-19] bath wijn, en twintig duizend bath olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v10)

**11** Huram nu, de koning van Tyrus,[^2kronieken-2-11-20] antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat YHWH Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v11)

**12** Verder zei Huram: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David een wijze zoon,[^2kronieken-2-12-21] kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor YHWH, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe![^2kronieken-2-12-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v12)

**13** Zo zend ik nu een wijze man, kloek van verstand,[^2kronieken-2-13-22] Huram Abi; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v13)

**14** De zoon van een[^2kronieken-2-14-23] vrouw uit de[^2kronieken-2-14-24] dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen[^2kronieken-2-14-25] vernuftigen vond,[^2kronieken-2-14-26] die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v14)

**15** Zo zend nu mijn heer zijn knechten de tarwe en de gerst, de olie en de wijn, die hij[^2kronieken-2-15-f] gezegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v15)

**16** En wij zullen hout houwen uit de Libanon, naar al uw behoefte, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar[^2kronieken-2-16-27] Jafo brengen; en u zult het laten ophalen naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v16)

**17** En[^2kronieken-2-17-g] Salomo telde al de[^2kronieken-2-17-28] vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling,[^2kronieken-2-17-h] waarmee zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v17)

**18** En hij maakte daaruit zeventig duizend[^2kronieken-2-18-29] lastdragers, en tachtig duizend houwers in het[^2kronieken-2-18-30] gebergte, en ook drie duizend en zeshonderd[^2kronieken-2-18-31] opzichters, om het volk te doen arbeiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/2.html#v18)

[^2kronieken-2-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, zei; te weten, bij zichzelven, schikte, nam voor, was bedacht, had besloten. Zie 1 Kon. 5:3 en de aantekening daarop. 1 Koningen 5:3 : U weet, dat mijn vader David voor de Naam van YHWH, van zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat YHWH hen onder zijn voetzolen gaf.
[^2kronieken-2-1-2]: Kanttekening 2: de Naam van YHWH: Dat is, de Heer. Zie 1 Kon. 5:3 ; idem Deut. 28:58 . 1 Koningen 5:3 : U weet, dat mijn vader David voor de Naam van YHWH, van zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat YHWH hen onder zijn voetzolen gaf. Deuteronomium 28:58 : Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijken en vreselijken Naam, YHWH, uw God;
[^2kronieken-2-1-3]: Kanttekening 3: huis te bouwen: Dat is, een tempel. Vergelijk Gen. 28:17 , 28:22 . Genesis 28:17 : En hij vreesde, en zei: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel! Genesis 28:22 : En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!
[^2kronieken-2-1-4]: Kanttekening 4: huis voor zijn koninkrijk: Dat is, een koninklijk paleis, waarin hij, en die hem in het rijk zouden navolgen, wonen zouden. Zo onder, vers 12 . 2 Kronieken 2:12 : Verder zei Huram: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David een wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor YHWH, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe!
[^2kronieken-2-2-5]: Kanttekening 5: die houwen: Zie 1 Kon. 5:15 . 1 Koningen 5:15 : Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte.
[^2kronieken-2-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk, Libanon. Zie 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^2kronieken-2-2-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 5:16 . 1 Koningen 5:16 : Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed.
[^2kronieken-2-2-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 5:16 . 1 Koningen 5:16 : Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed.
[^2kronieken-2-2-8]: Kanttekening 8: Of, bevelhebbers of aandrijvers. Deze waren als provoosten, die over die werklieden opzicht hadden om het werk voort te drijven. Zie vers 18 . 2 Kronieken 2:18 : En hij maakte uit dezelfde zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, en ook drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden.
[^2kronieken-2-3-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 5:2 . 1 Koningen 5:2 : Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende:
[^2kronieken-2-3-9]: Kanttekening 9: Zie van deze koning ook 1 Kon. 5:1 , waar hij Hiram genoemd wordt. 1 Koningen 5:1 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijn vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had.
[^2kronieken-2-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, hem ter ere en de mensen ter zaligheid wijde tot de openbare en plechtige werken van de heiligen godsdienst. Vergelijk Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^2kronieken-2-4-11]: Kanttekening 11: Versta, de twaalf toonbroden, genoemd een gedurig brood, Num. 4:7 , omdat zij altijd op de heilige tafel moesten liggen, zijnde tot zulk een einde daarop vernieuwd telken sabbatdag; Ex. 25:30 ; Lev. 24:8 . Numeri 4:7 : Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn. Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. Leviticus 24:8 : Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^2kronieken-2-4-c]: Verwijzing c: Num. 28:9 ; idem v. 10 ; idem v. 11 . Numeri 28:9 : Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer. Numeri 28:10 : Het is het brandoffer van de sabbat op elke sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer. Numeri 28:11 : En in de beginselen uw maanden zult u een brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
[^2kronieken-2-4-12]: Kanttekening 12: voor eeuwig: Hebreeuws, אֱלֹהִֽים, in eeuwigheid; dat is, gedurende de tijd van de wet. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-2-6-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 8:27 ; 2 Kron. 6:18 ; Job 11:7 ; idem v. 8 ; idem v. 9 ; Jes. 66:1 ; Jer. 23:24 ; Matt. 5:34 ; idem v. 35 ; Hand. 7:49 ; Hand. 17:24 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Kronieken 6:18 : Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb? Job 11:7 : Zult u de onderzoeking Gods vinden? Zult u tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? Job 11:8 : Zij is als de hoogten van de hemelen, wat kunt u doen? Dieper dan het dodenrijk, wat kunt u weten? Job 11:9 : Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee. Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Jeremia 23:24 : Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt YHWH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt YHWH. Mattheüs 5:34 : Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon van God; Mattheüs 5:35 : Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Konings; Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijner ruste? Handelingen 17:24 : De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
[^2kronieken-2-6-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Kon. 8:27 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
[^2kronieken-2-6-14]: Kanttekening 14: ten ware: De zin is, dat hij dat huis niet wilde bouwen opdat God naar zijn wezen, dat oneindig is, daarin besloten, maar naar zijn geopenbaarden wil gediend zou worden.
[^2kronieken-2-7-15]: Kanttekening 15: wijzen man: Kunstigen werkmeester, en zo in het volgende.
[^2kronieken-2-8-16]: Kanttekening 16: Zie van dit hout 1 Kon. 10:11 , waar het genaamd wordt almuggimhout. 1 Koningen 10:11 : Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.
[^2kronieken-2-10-17]: Kanttekening 17: Zie van deze maat 1 Kon. 4:22 , en vergelijk deze plaats met 1 Kon. 5:11 , en met de aantekening daarop. 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 1 Koningen 5:11 : En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot voedsel van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; zulks gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar.
[^2kronieken-2-10-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, ik heb gegeven; dat is, vastelijk verordend te geven.
[^2kronieken-2-10-19]: Kanttekening 19: bath wijn: Zie van deze maat 1 Kon. 7:26 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^2kronieken-2-11-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, zei.
[^2kronieken-2-12-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, wetende voorzichtigheid en verstand, zo in het volgende.
[^2kronieken-2-12-e]: Verwijzing e: Gen. 1 ; Gen. 2 ; Ex. 20:11 ; Ps. 33:6 ; Ps. 96:5 ; Ps. 102:26 ; Ps. 124:8 ; Ps. 136:5 ; idem 136:6 ; Hand. 4:24 ; Hand. 14:15 ; Openb. 10:6 . Exodus 20:11 : Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde dezelfde. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht. Psalmen 96:5 : Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar YHWH heeft de hemelen gemaakt. Psalmen 102:26 : U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; Psalmen 124:8 : Onze hulp is in de Naam van YHWH, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalmen 136:5 : Die, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:6 : Die, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Handelingen 4:24 : En als deze dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heer! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelfde zijn. Handelingen 14:15 : En zeggende: Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot de levenden God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat in dezelfde is; Openbaring 10:6 : En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;
[^2kronieken-2-13-22]: Kanttekening 22: Huram Abi: Anders, Huram mijn vader, of Huram van mijn vader, of die van mijn vader Huram geweest is, anders genoemd Huram Abiu, onder, 2 Kron. 4:16 . Dat is, Huram zijn vader, of van zijn vader. 2 Kronieken 4:16 : Ook de potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en al hun vaten maakte Huram Abi voor de koning Salomo, voor het huis van YHWH, van gepolijst koper.
[^2kronieken-2-14-23]: Kanttekening 23: Die weduwe was, 1 Kon. 7:14 . 1 Koningen 7:14 : Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk.
[^2kronieken-2-14-24]: Kanttekening 24: dochters van Dan: Dat is, één van de vrouwen, die uit de stam van Dan waren. Enige menen dat zij gezegd werd, 1 Kon. 7:14 , van de stam van Nafthali geweest te zijn; maar dat de koning Hiram haar hier rekent tot de stam van Dan, uit onwetendheid deze stam noemende voor de stam van Nafthali; gelijk somtijds in de Heilige Schriftuur enige worden ingevoerd te spreken, niet naar de waarheid, maar naar hun mening, welke woorden de Heilige Geest wel verhaalt, maar daarom niet toestemt; gelijk 1 Sam. 4:8 ; Mark. 6:1 ; Joh. 1:45 , enz. Zie nog andere verklaring van deze plaats, 1 Kon. 7:14 . 1 Koningen 7:14 : Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk. 1 Samuël 4:8 : Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn. Marcus 6:1 : En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. Johannes 1:45 : Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus. 1 Koningen 7:14 : Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk.
[^2kronieken-2-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, bedenking; dat is, allerlei kunstig werk, dat een vernuftig kunstenaar met rijpe zinnen zou mogen uitvinden.
[^2kronieken-2-14-26]: Kanttekening 26: die hem zal voorgesteld worden: Of, gelijk als, of naar dat hem zal voorgesteld worden.
[^2kronieken-2-15-f]: Verwijzing f: boven, v. 10 . 2 Kronieken 2:10 : En zie, ik zal uw knechten, de houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.
[^2kronieken-2-16-27]: Kanttekening 27: Anders genaamd, Joppe, Hand. 10:32 , een stad, gelegen in de pale van de stam van Dan, aan de Middellandse zee. Zie Joz. 19:46 ; Ezra 3:7 ; Jona 1:3 . Handelingen 10:32 : Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, de lederbereider, aan de zee, welke, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. Jozua 19:46 : En Me-jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo. Ezra 3:7 : Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook voedsel en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van de Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen. Jona 1:3 : Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelfde, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-2-17-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 5:15 . 1 Koningen 5:15 : Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte.
[^2kronieken-2-17-28]: Kanttekening 28: vreemde mannen: Deze vreemdelingen waren Kanaänieten, die nog in het land waren overgebleven, van wie de vaderen de Israëlieten niet hadden uitgeroeid, gelijk God nochtans hun zulks geboden had. Zie 2 Kron. 8:7 . 2 Kronieken 8:7 : Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren;
[^2kronieken-2-17-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 22:2 . 1 Kronieken 22:2 : En David zei, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land van Israël waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis van God te bouwen.
[^2kronieken-2-18-29]: Kanttekening 29: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, onder, 2 Kron. 34:13 ; Neh. 4:10 . 2 Kronieken 34:13 : Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortwachters. Nehemia 4:10 : Toen zei Juda: De kracht van de dragers is vervallen, en van het stof is veel, zodat wij aan de muur niet zullen kunnen bouwen.
[^2kronieken-2-18-30]: Kanttekening 30: Te weten, Libanons.
[^2kronieken-2-18-31]: Kanttekening 31: Zie boven, vers 2 . 2 Kronieken 2:2 : En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; en ook drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelfde.

### 2 Kronieken 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/3.json)

*De plaats waar en de tijd wanneer de tempel gebouwd is, vers 1 enz. De maat en het sieraad ervan, 3. De cherubs, 11. De voorhang en de pilaren, 14.*

**1** En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg[^2kronieken-3-1-1] Moria, die[^2kronieken-3-1-a] zijn vader David[^2kronieken-3-1-2] gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer[^2kronieken-3-1-3] van Ornan, de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v1)

**2** Hij[^2kronieken-3-2-b] begon nu te bouwen in[^2kronieken-3-2-4] de tweede maand, op de tweede dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v2)

**3** En deze zijn[^2kronieken-3-3-5] de grondleggingen van Salomo, om het huis van God te bouwen: de lengte in ellen, naar[^2kronieken-3-3-6] de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v3)

**4** [^2kronieken-3-4-7] En het voorhuis, dat[^2kronieken-3-4-8] vooraan was, was in[^2kronieken-3-4-9] de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en[^2kronieken-3-4-10] de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v4)

**5** Het[^2kronieken-3-5-11] grote huis nu[^2kronieken-3-5-12] overdekte hij met dennenhout; daarna overtrok hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en[^2kronieken-3-5-13] ketenwerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v5)

**6** Hij overtrok ook[^2kronieken-3-6-14] het huis met[^2kronieken-3-6-15] kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van[^2kronieken-3-6-16] Parvaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v6)

**7** Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v7)

**8** Verder maakte hij het huis van[^2kronieken-3-8-17] het heilige van de heiligen, waarvan de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen was[^2kronieken-3-8-18], en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtrok dat met goed goud, tot zeshonderd[^2kronieken-3-8-19] talenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v8)

**9** En het gewicht van de nagelen was tot vijftig[^2kronieken-3-9-20] sikkels goud; en hij overtrok de[^2kronieken-3-9-21] opperzalen met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v9)

**10** Ook maakte hij, in het huis van het heilige van de heiligen, twee[^2kronieken-3-10-22] cherubim van[^2kronieken-3-10-23] uittrekkend werk, en hij overtrok die met goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v10)

**11** Voor wat betreft de vleugels van de cherubim, hun lengte was twintig ellen;[^2kronieken-3-11-24] de vleugel van de ene was van vijf ellen, rakende aan de wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan de vleugel van de andere cherub. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v11)

**12** Ook was de vleugel van de andere cherub van vijf ellen, rakende aan de wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan de vleugel van de andere cherub. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v12)

**13** De vleugels van deze cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts.[^2kronieken-3-13-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v13)

**14** Hij maakte ook[^2kronieken-3-14-c] het[^2kronieken-3-14-26] voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v14)

**15** Nog maakte hij voor het huis[^2kronieken-3-15-d] twee pilaren, van[^2kronieken-3-15-27] vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op hun hoofd was, was van vijf ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v15)

**16** Ook maakte hij[^2kronieken-3-16-28] ketenen, als[^2kronieken-3-16-29] in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden van de pilaren; daartoe maakte hij[^2kronieken-3-16-30] honderd granaatappels, en zette ze tussen de ketenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v16)

**17** En hij richtte de pilaren op voor aan de tempel, één ter rechterhand, en één ter linkerhand; en hij noemde de naam van de[^2kronieken-3-17-31] rechter Jachin, en de naam van de linker Boaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/3.html#v17)

[^2kronieken-3-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de berg van het gezicht, op welke Abraham wat minder dan negen honderd jaren tevoren was bevolen geweest zijn zoon Izak te offeren. Van de reden en de oorsprong van deze benaming, zie Gen. 22:2 , 22:8 , 22:14 , en de aantekening daarop. Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. Genesis 22:8 : En Abraham zei: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen. Genesis 22:14 : En Abraham noemde de naam van die plaats: YHWH zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op de berg van YHWH zal het voorzien worden!
[^2kronieken-3-1-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 21:24 ; idem v. 26 . 1 Kronieken 21:24 : En de koning David zei tot Ornan: Nee, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor YHWH niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere. 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.
[^2kronieken-3-1-2]: Kanttekening 2: gewezen was: Namelijk, van de profeet Gad, 2 Sam. 24:18 ; 1 Kron. 21:18 , enz. Anders, waar \[YHWH\] zijn vader David verschenen was, te weten, door het vuur, dat uit de hemel gevallen was op het altaar en het offer, waarvan te zien is 1 Kron. 21:26 . 2 Samuël 24:18 : En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zei tot hem: Ga op, richt YHWH een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 1 Kronieken 21:18 : Toen zei de engel van YHWH tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om YHWH een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.
[^2kronieken-3-1-3]: Kanttekening 3: Van welke David deze plaats gekocht had om de tempel daarop te bouwen; 2 Sam. 24:24 ; 1 Kron. 21:24 , 21:25 . 2 Samuël 24:24 : Maar de koning zei tot Arauna: Nee, maar ik zal het zekerlijk van u kopen voor de prijs; want ik zal YHWH, mijn God, niet offeren brandofferen om niet. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen. 1 Kronieken 21:24 : En de koning David zei tot Ornan: Nee, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor YHWH niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere. 1 Kronieken 21:25 : En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht.
[^2kronieken-3-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 6:1 . 1 Koningen 6:1 : Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de kinderen van Israël uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis van YHWH bouwde.
[^2kronieken-3-2-4]: Kanttekening 4: tweede maand: Genaamd Zin. Zie van deze maand 1 Kon. 6:1 . 1 Koningen 6:1 : Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de kinderen van Israël uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis van YHWH bouwde.
[^2kronieken-3-3-5]: Kanttekening 5: de grondleggingen: Dat is, naar dewelke Salomo de grond van de tempel gelegd heeft.
[^2kronieken-3-3-6]: Kanttekening 6: eerste mate: Deze verstaan sommigen van de maat die in heilige gebouwen gebruikt wordt; anderen van de maat van de tempel, die David zijn zoon Salomo in geschrift nagelaten had; enige omdat de maten somtijds door langheid van de tijd veranderd worden, menen de eerste maat te zijn, die ten tijde van Mozes gebruikt was. Sommigen ook verstaan de eerste maat van de eerste delineatie of afmeting van de grond van de tempel, te weten, van zijn lengte en breedte, zonder de onderscheiding van de delen en aanbouwing dier voorhoven en kamers, die daarna eerst beschreven en gemaakt zijn. Hier wordt geen gewag gemaakt van de hoogte, omdat hier alleen van de grond gesproken wordt. Zie van de hoogte 1 Kon. 6:2 . 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.
[^2kronieken-3-4-7]: Kanttekening 7: En het voorhuis: Anders, en het voorhuis, dat voor aan de lengte was, was, enz.
[^2kronieken-3-4-8]: Kanttekening 8: vooraan was: Te weten, van het huis van YHWH. Zie 1 Kon. 6:3 . 1 Koningen 6:3 : En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis.
[^2kronieken-3-4-9]: Kanttekening 9: de lengte: Dat is, het was zo lang als de tempel breed was.
[^2kronieken-3-4-10]: Kanttekening 10: de hoogte: Van de breedte, die tien ellen was, zie 1 Kon. 6:2 . 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.
[^2kronieken-3-5-11]: Kanttekening 11: grote huis: Dat is, het voorste deel van de tempel, genaamd het heilige; dat hier groot gezegd wordt, ten aanzien van het heilige van de heiligen. Zie 1 Kon. 6:17 . 1 Koningen 6:17 : Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was.
[^2kronieken-3-5-12]: Kanttekening 12: overdekte hij: Te weten, de vloer daarvan; maar de wanden werden met cederhout beschoten, 1 Kon. 6:15 . 1 Koningen 6:15 : Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van de vloer van het huis tot aan het dak van de wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van het huis met dennen planken.
[^2kronieken-3-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, ketenen.
[^2kronieken-3-6-14]: Kanttekening 14: het huis: Te weten, het overige van de vloer van de tempel, dat met dennenhout nog niet overdekt was.
[^2kronieken-3-6-15]: Kanttekening 15: Als marmer, of enig ander gesteente, bekwaam om plaveisel te maken.
[^2kronieken-3-6-16]: Kanttekening 16: Van Havila, zo men meent, waar het goud zeer kostelijk was, Gen. 2:12 , dat David gekregen had van de roof van de koningen, die daaromtrent woonden, en weggelegd had tot de bouwing van de tempel, en ook genoemd wordt gesloten goud, 1 Kon. 6:20 ; zie daar de aantekening. Anderen verstaan dit goud van het goud uit Ofir, of Peru. Genesis 2:12 : En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix. 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^2kronieken-3-8-17]: Kanttekening 17: het heilige van de heiligen: Hebreeuws, אָרְכּ֞, heiligheid van de heiligheden; dat is, het allerheiligste van de tempel, dat was het achterste en innerste deel daarvan; waar de ark van het verbond en de cherubim stonden, anders genoemd de aanspraakplaats, omdat God daar sprak en antwoord gaf; 1 Kon. 6:5 , 6:19 , 6:20 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom. 1 Koningen 6:19 : En de aanspraakplaats bereidde hij inwaarts in het huis, om de ark van het verbond van YHWH daar te zetten. 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^2kronieken-3-8-18]: Kanttekening 18: huis, was: Te weten, van het grote huis, recht tevoren vermeld, vers 5 . 2 Kronieken 3:5 : Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.
[^2kronieken-3-8-19]: Kanttekening 19: Van het gewicht eens gouden talents, zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2kronieken-3-9-20]: Kanttekening 20: Van deze waarde zie Gen. 24:22 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds.
[^2kronieken-3-9-21]: Kanttekening 21: Deze stonden omhoog, op het voorhuis; van welke zie 1 Kron. 28:11 . 1 Kronieken 28:11 : En David gaf zijn zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis van het verzoendeksel;
[^2kronieken-3-10-22]: Kanttekening 22: Zie Gen. 3:24 , en 1 Kon. 6:23 . Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van het hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven. 1 Koningen 6:23 : In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen.
[^2kronieken-3-10-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, een werk van uittrekking, of uitheffing; dat is, naar sommiger mening, een werk, welks delen of stukken of leden men uit elkaar kon nemen, of uittrekken, dat om de grootheid en zwaarheid van het werk noodzakelijk was. Anders, één werk \[naar de gestalte\] van jongelingen, of van beeldenwerk.
[^2kronieken-3-11-24]: Kanttekening 24: van de ene vleugel: Zie de verklaring hiervan 1 Kon. 6:27 . 1 Koningen 6:27 : En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zodat de vleugel van de ene raakte aan deze wand, en de vleugel van de andere cherub raakte aan de andere wand; en hun vleugelen naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel.
[^2kronieken-3-13-25]: Kanttekening 25: Anders, inwaarts. Vergelijk Ex. 25:20 . Exodus 25:20 : En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.
[^2kronieken-3-14-c]: Verwijzing c: Matt. 27:51 . Mattheüs 27:51 : En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
[^2kronieken-3-14-26]: Kanttekening 26: Die het heilige van het allerheiligste onderscheidde. Zie hiervan Ex. 26:31 ; 1 Kon. 6:21 , en de aantekening daarop. Exodus 26:31 : Daarna zult u een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. 1 Koningen 6:21 : En Salomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang heen door met gouden ketenen, en overtoog die met goud.
[^2kronieken-3-15-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 7:15 ; Jer. 52:21 . 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de één pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de anderen pilaar. Jeremia 52:21 : Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingeren, en hij was hol.
[^2kronieken-3-15-27]: Kanttekening 27: vijf en dertig ellen: Zie 1 Kon. 7:15 . 1 Koningen 7:15 : Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de ene pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de andere pilaar.
[^2kronieken-3-16-28]: Kanttekening 28: Versta, gouden ketenen, of snoeren. Zie van datgene, waaraan de voorhang hing, 1 Kon. 6:21 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 6:21 : En Salomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang heen door met gouden ketenen, en overtoog die met goud.
[^2kronieken-3-16-29]: Kanttekening 29: Zie 1 Kon. 6:5 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^2kronieken-3-16-30]: Kanttekening 30: Te weten, in elke rij. En zo er twee rijen waren, zo wordt gezegd 1 Kon. 7:20 , dat er twee honderd granaatappelen waren. 1 Koningen 7:20 : De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de buik, dewelke was naast het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.
[^2kronieken-3-17-31]: Kanttekening 31: Zie de verklaring hiervan 1 Kon. 7:21 . 1 Koningen 7:21 : Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis van de tempel; en de rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en de linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz.

### 2 Kronieken 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/4.json)

*Beschrijving van het koperen altaar voor het brandoffer, vers 1 enz. Van de gegoten zee, 2. Van de wasvaten, 6. Van de kandelaars, 7. Van de tafels, 8. En de voorhoven, 9. Met een verhaal van alle voorwerpen die Hiram voor het gebruik van de tempel gemaakt heeft, die van koper waren, 11. of van goud, 19.*

**1** Hij maakte ook een[^2kronieken-4-1-1] koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v1)

**2** Daartoe maakte hij de[^2kronieken-4-2-2] gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar ene[^2kronieken-4-2-3] rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v2)

**3** Daaronder[^2kronieken-4-3-4] nu was de[^2kronieken-4-3-5] gelijkenis van runderen, rondom heen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen van deze runderen waren in haar[^2kronieken-4-3-6] gieting gegoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v3)

**4** Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven daarop; en al[^2kronieken-4-4-7] hun achterdelen waren inwaarts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v4)

**5** Haar dikte nu was een[^2kronieken-4-5-8] hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een[^2kronieken-4-5-9] leliebloem, bevattende vele bathen; zij hield drie duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v5)

**6** En hij maakte[^2kronieken-4-6-10] tien wasvaten, en stelde vijf ter[^2kronieken-4-6-11] rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te[^2kronieken-4-6-12] wassen;[^2kronieken-4-6-13] wat ten brandoffer behoort,[^2kronieken-4-6-14] staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v6)

**7** Hij maakte ook[^2kronieken-4-7-a] tien gouden kandelaren,[^2kronieken-4-7-15] naar hun wijze, en hij stelde ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v7)

**8** Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v8)

**9** Verder maakte hij het[^2kronieken-4-9-16] voorhof van de priesters, en het[^2kronieken-4-9-17] grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtrok hun deuren met koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v9)

**10** De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v10)

**11** Daartoe maakte[^2kronieken-4-11-18] Huram de potten, en de scheppen, en de sprengbekkens; zo voltooide Huram het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo aan het huis van God maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v11)

**12** De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapitelen, op het hoofd van de pilaren; en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op het hoofd van de pilaren waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v12)

**13** En de vierhonderd granaatappels tot de twee netten: twee rijen van granaatappels tot elk net, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die[^2kronieken-4-13-19] boven op de pilaren waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v13)

**14** Hij maakte ook de stellingen; en wasvaten maakte hij op de stellingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v14)

**15** [^2kronieken-4-15-20] Één zee, en de twaalf runderen daaronder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v15)

**16** Ook de potten, en de scheppen, en de vleeshaken, en al hun voorwerpen maakte Huram[^2kronieken-4-16-21] Abi voor de koning Salomo, voor het huis van YHWH, van gepolijst koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v16)

**17** [^2kronieken-4-17-22] In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredatha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v17)

**18** En Salomo maakte al deze voorwerpen, in grote menigte; want het gewicht van het koper werd niet onderzocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v18)

**19** [^2kronieken-4-19-b] Ook maakte Salomo alle voorwerpen, die voor het huis van God waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbroden zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v19)

**20** En de kandelaren met hun lampen, van[^2kronieken-4-20-23] gesloten goud, om die naar de[^2kronieken-4-20-24] wijze aan te steken, voor de aanspraakplaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v20)

**21** En de bloemen, en de lampen, en de snuiters, van goud; het was[^2kronieken-4-21-25] het volmaaktste goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v21)

**22** En ook de[^2kronieken-4-22-26] messen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; aangaande de ingang van het huis, zijn binnenste deuren, van het heilige van de heiligen, en de deuren van het huis van de tempel waren[^2kronieken-4-22-27] van goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/4.html#v22)

[^2kronieken-4-1-1]: Kanttekening 1: koperen altaar: Dit altaar is het altaar, van Mozes in de woestijn gemaakt, wel gelijk geweest in fatsoen, omdat het vierkant was, en in het overdeksel, dat van koper was, maar niet in de grootte, omdat deze veel meerder was; daartoe was dat bekwaam om vervoerd te mogen worden, maar dit was gemaakt om te blijven staan. Vergelijk Ex. 27:1 , 27:2 . Exodus 27:1 : U zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte. Exodus 27:2 : En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken.
[^2kronieken-4-2-2]: Kanttekening 2: gegoten zee: Zie van deze 1 Kon. 7:23 , waar ook is de verklaring van deze tekst. 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar ene rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.
[^2kronieken-4-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, lip.
[^2kronieken-4-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, zee; welverstaande onder haar rand, 1 Kon. 7:24 . 1 Koningen 7:24 : En onder haar rand waren knoppen, dezelfde rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gieting gegoten.
[^2kronieken-4-3-5]: Kanttekening 5: Versta dit van de kleine beeltenissen van de runderen, die onder de rand aan de buik van de zee waren, niet van de grote runderen waar de zee op stond, gelijk volgt. Vergelijk verder 1 Kon. 7:24 . 1 Koningen 7:24 : En onder haar rand waren knoppen, dezelfde rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gieting gegoten.
[^2kronieken-4-3-6]: Kanttekening 6: gieting gegoten: Dat is, die tezamen in een vorm met dit grote koperen vat gegoten waren, als het gegoten werd.
[^2kronieken-4-4-7]: Kanttekening 7: hun achterdelen: Zie 1 Kon. 7:25 . 1 Koningen 7:25 : Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelfde; en al hun achterdelen waren inwaarts.
[^2kronieken-4-5-8]: Kanttekening 8: hand breed: Dat is, vier vingers. Zo groot is een handbreed, bij de Latijnen genaamd Palmus minor, en te onderscheiden van een andere maat van deze naam, geheten Palmus major, driemaal zo breed, dat is, een span.
[^2kronieken-4-5-9]: Kanttekening 9: Vergelijk hiermede de aantekening 1 Kon. 7:26 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^2kronieken-4-6-10]: Kanttekening 10: tien wasvaten: Zie van deze 1 Kon. 7:38 , en de aantekening. 1 Koningen 7:38 : Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.
[^2kronieken-4-6-11]: Kanttekening 11: ter rechter hand : Namelijk, van het voorhof.
[^2kronieken-4-6-12]: Kanttekening 12: Te weten, het vlees van de offeranden.
[^2kronieken-4-6-13]: Kanttekening 13: wat ten brandoffer: Hebreeuws, מַעֲשֵׂ֥ה, het werk van het brandoffer.
[^2kronieken-4-6-14]: Kanttekening 14: Te weten, om te spoelen en af te wassen. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een zulke insteking, welke dient tot afwassing, waardoor de vuiligheid en het slijm afgedreven worden. Vergelijk Jes. 4:4 ; Ez. 40:38 . Jesaja 4:4 : Als de Heer zal afgewassen hebben de drek van de dochters van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door de Geest van het oordeel, en door de Geest van de uitbranding. Ezechiël 40:38 : Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar wies men het brandoffer.
[^2kronieken-4-7-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 7:48 ; idem v. 49 . 1 Koningen 7:48 : Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis van YHWH waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op dewelke de toonbroden waren; 1 Koningen 7:49 : En de kandelaren, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, voor de aanspraakplaats, van gesloten goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud;
[^2kronieken-4-7-15]: Kanttekening 15: naar hun wijze: Dat is, naar het voorschrift van God gegeven, Ex. 25:31 , of van David overgeleverd aan Salomo; 1 Kron. 28:15 . Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. 1 Kronieken 28:15 : En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elke kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar.
[^2kronieken-4-9-16]: Kanttekening 16: voorhof van de priesters: Zie hiervan 1 Kon. 6:36 . 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^2kronieken-4-9-17]: Kanttekening 17: grote voorhof: Versta, het uiterste voorhof, waarin het volk verzamelde tot de oefening van de godsdienst en om Gods hulp te verzoeken; dat, als het oprecht geschiedde naar het bevel van YHWH en ordinantie, zo werd men de hulp van God gewaar. En hiervan heeft de Hebreeuwse benaming haar oorsprong; alsof men zei: een hulp, of hulpplaats. Zie 1 Kon. 7:9 , 7:12 en de aantekening. 1 Koningen 7:9 : Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof. 1 Koningen 7:12 : En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis van YHWH, en met het voorhuis van dat huis.
[^2kronieken-4-11-18]: Kanttekening 18: De werkmeester, die de koning van Tyrus tot Salomo gezonden had, van welke zie 1 Kon. 7:13 , 7:14 , en boven, 2 Kron. 2:13 , 2:14 en onder, vers 16 . 1 Koningen 7:13 : En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen. 1 Koningen 7:14 : Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk. 2 Kronieken 2:13 : Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi; 2 Kronieken 2:14 : De zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David. 2 Kronieken 4:16 : Ook de potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en al hun vaten maakte Huram Abi voor de koning Salomo, voor het huis van YHWH, van gepolijst koper.
[^2kronieken-4-13-19]: Kanttekening 19: boven op de pilaren: Hebreeuws, פְּנֵ֥י, op het aangezicht.
[^2kronieken-4-15-20]: Kanttekening 20: Een zee: Versta, een zee, omdat er maar een was, waarin de priesters zich wiesen, en die te onderscheiden is van de wasvaten, waarin het vlees van de offeranden en wat daartoe behoorde, gewassen werd, boven, vers 6 . 2 Kronieken 4:6 : En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen.
[^2kronieken-4-16-21]: Kanttekening 21: Anders, zijn vader, of van zijn vader. Zie boven, 2 Kron. 2:13 . 2 Kronieken 2:13 : Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi;
[^2kronieken-4-17-22]: Kanttekening 22: In de vlakte: Zie de verklaring van vers 17 , 1 Kon. 7:36 . 2 Kronieken 4:17 : In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredatha. 1 Koningen 7:36 : Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.
[^2kronieken-4-19-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 7:48 . 1 Koningen 7:48 : Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis van YHWH waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op dewelke de toonbroden waren;
[^2kronieken-4-20-23]: Kanttekening 23: gesloten goud: Zie van dit goud, 1 Kon. 6:20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^2kronieken-4-20-24]: Kanttekening 24: Dat is, naar de wet van God gegeven; Ex. 25:31 , enz. en Ex. 37:17 , enz. Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. Exodus 37:17 : Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.
[^2kronieken-4-21-25]: Kanttekening 25: het volmaaktste goud: Hebreeuws, זָהָֽב, de volmaaktheden van het goud; dat is, het beste, fijnste en gelouterdste goud.
[^2kronieken-4-22-26]: Kanttekening 26: Zie 1 Kon. 7:50 . 1 Koningen 7:50 : En ook de schalen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; daartoe de herren van de deuren van het binnenste huis, van het heilige van de heiligen, en van de deuren van het huis van de tempel, van goud.
[^2kronieken-4-22-27]: Kanttekening 27: van goud: Dat is, met goud overtogen; want het binnenste van de deuren was van hout; 1 Kon. 6:31 , 6:32 , 6:35 . 1 Koningen 6:31 : En aan de ingang van de aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel van de wand. 1 Koningen 6:32 : De twee deuren ook waren van olieachtige bomen; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, dewelke hij met goud overtoog; ook trok hij goud over de cherubs en over de palmbomen. 1 Koningen 6:35 : En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, dewelke hij met goud overtoog, gericht naar het uitgesnedene.

### 2 Kronieken 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/5.json)

*Salomo laat al het geheiligde van zijn vader, vers 1 enz. en de ark van God met ander gereedschap in de tempel brengen, 2. Wat er in de ark geweest is, 10. God wordt door de Levieten lof en prijs gezongen, 11. Waarop de HEERE in een wolk verschijnt, die het huis vervult, 13.*

**1** Zo werd al het werk volbracht, dat Salomo aan het huis van YHWH maakte. Daarna bracht Salomo de[^2kronieken-5-1-1] geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de voorwerpen legde hij onder de schatten van het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v1)

**2** [^2kronieken-5-2-2] Toen verzamelde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaders onder de Israëlieten, te Jeruzalem, om de ark van[^2kronieken-5-2-3] het verbond van[^2kronieken-5-2-4] YHWH op te brengen uit de stad van David, die is Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v2)

**3** En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning op het feest, dat was in de[^2kronieken-5-3-5] zevende maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v3)

**4** En al de oudsten van Israël kwamen, en de[^2kronieken-5-4-6] Levieten namen de ark op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v4)

**5** En zij brachten de ark, en de tent van de samenkomst omhoog, en ook al de[^2kronieken-5-5-7] heilige voorwerpen, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten omhoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v5)

**6** De koning Salomo nu, en de hele vergadering van Israël, die bij hem verzameld waren voor de ark, offerden[^2kronieken-5-6-8] schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v6)

**7** Zo brachten de priesters de ark van het verbond van YHWH tot haar plaats, tot de[^2kronieken-5-7-9] aanspraakplaats van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder[^2kronieken-5-7-10] de vleugels van de cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v7)

**8** Want de cherubim spreidden de beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar[^2kronieken-5-8-11] handbomen van boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v8)

**9** Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de[^2kronieken-5-9-12] hoofden van de handbomen gezien werden[^2kronieken-5-9-13] uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar[^2kronieken-5-9-14] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v9)

**10** [^2kronieken-5-10-15] Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij[^2kronieken-5-10-16] Horeb daarin gedaan had als YHWH een verbond maakte met de Israëlieten, toen zij uit Egypte vertrokken waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v10)

**11** En het gebeurde, als de priesters uit het[^2kronieken-5-11-17] heilige uitgingen; (want al de priesters, die gevonden werden,[^2kronieken-5-11-18] hadden zich geheiligd, zonder de[^2kronieken-5-11-19] verdelingen te houden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v11)

**12** En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van[^2kronieken-5-12-20] Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hun zonen, en van hun broers, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten,[^2kronieken-5-12-21] en harpen, stonden tegen het oosten van het altaar, en met hen tot honderd en twintig priesters toe, trompettende met trompetten.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v12)

**13** Het gebeurde dan, als zij[^2kronieken-5-13-22] eenparig trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen,[^2kronieken-5-13-23] dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v13)

**14** En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de[^2kronieken-5-14-24] heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/5.html#v14)

[^2kronieken-5-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, heiligheden; dat is, die de Heer geheiligd waren. Zie 1 Kon. 7:51 . 1 Koningen 7:51 : Zo werd al het werk volbracht, dat de koning Salomo aan het huis van YHWH maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de vaten legde hij onder de schatten van het huis van YHWH.
[^2kronieken-5-2-2]: Kanttekening 2: Toen vergaderde: Vergelijk dit verhaal met 1 Kon. 8:1 , enz., en zie daar de aantekeningen, die tot deze plaats mee behoren. 1 Koningen 8:1 : Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaderen, onder de kinderen van Israël, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van YHWH op te brengen uit de stad van David, dewelke is Sion.
[^2kronieken-5-2-3]: Kanttekening 3: De reden van deze benaming, zie Num. 10:33 . Numeri 10:33 : Zo togen zij drie dagreizen van de berg van YHWH; en de ark van het verbond van YHWH reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
[^2kronieken-5-2-4]: Kanttekening 4: op te brengen: Te weten, in de tempel, in welke men met trappen moest opklimmen.
[^2kronieken-5-3-5]: Kanttekening 5: zevende maand: Genoemd 1 Kon. 8:2 Ethanim, meest overeenkomende met onze September. Zie daar de aantekening. 1 Koningen 8:2 : En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.
[^2kronieken-5-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk, de priesters uit het geslacht van Levi. Vergelijk 1 Kon. 8:3 , en onder, vers 5 , 5:7 ; idem zie Num. 4:15 . 1 Koningen 8:3 : En al de oudsten van Israël kwamen; en de priesters namen de ark op. 2 Kronieken 5:5 : En zij brachten de ark, en de tent van de samenkomst opwaarts, en ook al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten opwaarts. 2 Kronieken 5:7 : Zo brachten de priesters de ark van het verbond van YHWH tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder de vleugelen van de cherubim. Numeri 4:15 : Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst.
[^2kronieken-5-5-7]: Kanttekening 7: heilige vaten: Hebreeuws, כְּלֵ֥י, vaten van de heiligheid; dat is, heilige vaten, zo genoemd omdat zij tot een heilig gebruik verordend waren. Zie Lev. 16:4 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heiligen linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^2kronieken-5-6-8]: Kanttekening 8: schapen en runderen: Zie van de eigen betekenis van deze woorden Gen. 12:16 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^2kronieken-5-7-9]: Kanttekening 9: Dat is, het innerste deel van de tempel, meteen in het volgende genaamd het heilige van de heiligen. Waarom het de aanspraakplaats heet, is te zien 1 Kon. 6:5 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^2kronieken-5-7-10]: Kanttekening 10: de vleugelen: Zie de aantekening 1 Kon. 6:27 , en 1 Kon. 8:6 . 1 Koningen 6:27 : En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zodat de vleugel van de één raakte aan deze wand, en de vleugel van de anderen cherubs raakte aan de anderen wand; en hun vleugelen naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel. 1 Koningen 8:6 : Zo brachten de priesters de ark van het verbond van YHWH tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder de vleugelen van de cherubim.
[^2kronieken-5-8-11]: Kanttekening 11: Zie van deze Ex. 25:13 , 25:14 , 25:15 . Exodus 25:13 : En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud. Exodus 25:14 : En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn, dat men de ark daarmede drage. Exodus 25:15 : De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden.
[^2kronieken-5-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, de uiterste einden.
[^2kronieken-5-9-13]: Kanttekening 13: uit de ark: Te weten, zo de einden van de handbomen, welke daaruit voortgetrokken en uitgeschoven waren. Zie hiervan breder 1 Kon. 8:8 . 1 Koningen 8:8 : Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn daar tot op deze dag.
[^2kronieken-5-9-14]: Kanttekening 14: tot op deze dag: Dat is, tot de verbranding van de tempel, geschied door de Babyloniërs.
[^2kronieken-5-10-15]: Kanttekening 15: Er was: Zie de verklaring hiervan 1 Kon. 8:9 . 1 Koningen 8:9 : Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.
[^2kronieken-5-10-16]: Kanttekening 16: In de woestijn, in het leger van de Israëlieten, waar de ark met haar toebehoren is gemaakt geweest. Zie van deze berg ook Num. 10:33 . Numeri 10:33 : Zo togen zij drie dagreizen van de berg van YHWH; en de ark van het verbond van YHWH reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.
[^2kronieken-5-11-17]: Kanttekening 17: Zie 1 Kon. 8:10 . 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde.
[^2kronieken-5-11-18]: Kanttekening 18: hadden zich geheiligd: Dat is, hadden zich naar de ordinantie van de wet gereinigd en bereid tegen deze plechtige handeling van het inwijden van de tempel, dat geschied was door gebeden, vasten, wasschint van de kleren, onthouding van huwelijksgemeenschap. Vergelijk Gen. 35:2 , en zie de aantekening; idem Ex. 19:10 , en de aantekening. Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren; Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen,
[^2kronieken-5-11-19]: Kanttekening 19: Versta, de onderscheiding van de beurten, die de priesters in het bedienen huns ambts onderhouden moesten, achtervolgens de orde van David gesteld, 1 Kron. 24 . Deze konden zij nu niet volgen in dit extraordinaire werk, waaraan zij allen moesten bezig zijn.
[^2kronieken-5-12-20]: Kanttekening 20: Deze zijn opperzangmeesters geweest, en zeer wijze mensen uit de stam van Levi, hebbende onder hen veel andere zangers, en onder deze hun zonen, enz. Zie van dezelfde 1 Kron. 25:1 , 25:2 , enz. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde.
[^2kronieken-5-12-21]: Kanttekening 21: en harpen: Anders, cithers.
[^2kronieken-5-13-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, als een; te weten, mens.
[^2kronieken-5-13-23]: Kanttekening 23: dat Hij goed is: Men meent dat zij zongen en speelden op de muzikale instrumenten de 136 Psalm, in welke de verzen met deze woorden geëindigd worden. Het kan ook zijn dat zij nog enige andere psalmen gezongen en daarbij deze woorden gevoegd hebben, als Ps. 96 , en Ps. 105 , enz. Vergelijk 1 Kron. 16:7 , 16:8 , enz. 1 Kronieken 16:7 : Te dienzelven dage gaf David ten eerste deze psalm, om YHWH te loven, door de dienst van Asaf, en zijn broers. 1 Kronieken 16:8 : Looft YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
[^2kronieken-5-14-24]: Kanttekening 24: Zie Num. 14:10 . Numeri 14:10 : Toen zei de gehele vergadering, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van YHWH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de kinderen van Israël.

### 2 Kronieken 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/6.json)

*Salomo, die het teken van de goddelijke tegenwoordigheid in de tempel ziet, looft en dankt de HEERE dat Hij zijn belofte aan zijn vader David gedaan, vervuld had, 4. Doet een heerlijk gebed, waarin hij het rechte gebruik van de tempel toont, 12.*

**1** Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.[^2kronieken-6-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v1)

**2** En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw[^2kronieken-6-2-2] eeuwige woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v2)

**3** [^2kronieken-6-3-a] Daarna wendde de koning zijn aangezicht[^2kronieken-6-3-3] om, en[^2kronieken-6-3-4] zegende de hele gemeente van Israël; en de hele gemeente van[^2kronieken-6-3-5] Israël stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v3)

**4** En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen[^2kronieken-6-4-6] vervuld, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v4)

**5** Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad[^2kronieken-6-5-7] gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen,[^2kronieken-6-5-8] dat Mijn Naam daar zou wezen;[^2kronieken-6-5-9] en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v5)

**6** Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v6)

**7** [^2kronieken-6-7-b] Het[^2kronieken-6-7-10] was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen[^2kronieken-6-7-11] voor de Naam van YHWH, van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v7)

**8** Maar YHWH zei tot mijn vader David: Omdat dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, u hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v8)

**9** Evenwel, u zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die[^2kronieken-6-9-12] uit uw middel voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v9)

**10** Zo heeft YHWH Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, zoals YHWH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van YHWH, van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v10)

**11** En ik heb daar de ark gesteld, waarin[^2kronieken-6-11-13] het verbond van YHWH is, dat Hij maakte met de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v11)

**12** En hij stond voor het altaar van YHWH, tegenover de hele gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v12)

**13** (Want Salomo had een[^2kronieken-6-13-14] koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden[^2kronieken-6-13-15] van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en[^2kronieken-6-13-16] knielde op zijn knieën voor de hele gemeente van Israël, en[^2kronieken-6-13-17] breidde zijn handen uit naar de hemel). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v13)

**14** En hij zei: YHWH, God van Israël, er is[^2kronieken-6-14-c] geen God zoals U, in de hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de goedertierenheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht[^2kronieken-6-14-d] met hun hele hart wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v14)

**15** Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt,[^2kronieken-6-15-e] wat U tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, zoals het[^2kronieken-6-15-18] te deze dage is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v15)

**16** En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende:[^2kronieken-6-16-19][^2kronieken-6-16-f] Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw[^2kronieken-6-16-20] zonen hun weg bewaren, om te wandelen[^2kronieken-6-16-21] in Mijn wet, zoals u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v16)

**17** Nu dan, o YHWH, God van Israël! Laat Uw woord waar worden, dat U gesproken hebt tot Uw knecht, tot David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v17)

**18** Maar werkelijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen?[^2kronieken-6-18-g] Zie de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v18)

**19** Wend U dan nog[^2kronieken-6-19-22] tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o YHWH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v19)

**20** Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, waarvan U gezegd hebt, Uw[^2kronieken-6-20-23] Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v20)

**21** Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk[^2kronieken-6-21-24] Israël, die in deze plaats zullen bidden; en hoor U uit de plaats van Uw woning, uit de hemel, ja, hoor, en vergeef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v21)

**22** [^2kronieken-6-22-h] Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en die hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelf te vervloeken, en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v22)

**23** Hoor U dan uit de hemel, en[^2kronieken-6-23-25] doe, en richt Uw knechten, vergeldende de goddeloze, door zijn weg op zijn hoofd te geven, en rechtvaardigende de rechtvaardige, door hem[^2kronieken-6-23-26] naar zijn gerechtigheid te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v23)

**24** [^2kronieken-6-24-i] Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht van de vijand zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v24)

**25** Hoor U dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun en hun vaders gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v25)

**26** [^2kronieken-6-26-k] Als de[^2kronieken-6-26-27] hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd[^2kronieken-6-26-28] zult hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v26)

**27** Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonden van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de goede weg, waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v27)

**28** [^2kronieken-6-28-l] Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden[^2kronieken-6-28-29] in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plaag, of enige ziekte wezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v28)

**29** [^2kronieken-6-29-m] Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël gebeuren zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smarte, en een ieder zijn handen[^2kronieken-6-29-30] in dit huis uitbreiden zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v29)

**30** Hoor U dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en geef ieder naar al zijn wegen, zoals U zijn hart kent; want U alleen kent het hart[^2kronieken-6-30-31] van de kinderen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v30)

**31** Opdat zij U vrezen, om[^2kronieken-6-31-32] te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaders gegeven hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v31)

**32** [^2kronieken-6-32-n] Zelfs ook voor wat betreft de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit ver land, omwille van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en[^2kronieken-6-32-33] van Uw uitgestrekte arm, komen zal; als zij komen, en bidden zullen in dit huis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v32)

**33** Hoor U dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam[^2kronieken-6-33-34] kennen, zo om U te vrezen, zoals[^2kronieken-6-33-35] Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw[^2kronieken-6-33-36] Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v33)

**34** [^2kronieken-6-34-o] Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijanden uittrekken zal door de weg, die U hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v34)

**35** Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v35)

**36** Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U[^2kronieken-6-36-p] (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen als gevangene wegvoeren in een land, dat verre of nabij is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v36)

**37** En zij in het land, waar zij als gevangene weggevoerd zijn, weer aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hun gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan, en goddeloos gehandeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v37)

**38** En zij zich tot U bekeren, met hun hele hart en met hun hele ziel, in het land van hun gevangenis, waar[^2kronieken-6-38-37] zij hen als gevangene weggevoerd hebben, en bidden zullen[^2kronieken-6-38-38] naar de weg van hun land, dat U hun vaders gegeven hebt, en naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v38)

**39** Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk,[^2kronieken-6-39-39] wat zij tegen U gezondigd zullen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v39)

**40** Nu, mijn God, laat toch[^2kronieken-6-40-40] Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed[^2kronieken-6-40-41] van deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v40)

**41** En nu, YHWH God, maak U op[^2kronieken-6-41-42] tot Uw rust, U en de ark[^2kronieken-6-41-43] van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met[^2kronieken-6-41-44] heil bekleed worden, en laat Uw[^2kronieken-6-41-45] gunstgenoten[^2kronieken-6-41-46] over het goede blij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v41)

**42** O YHWH God! wend[^2kronieken-6-42-47][^2kronieken-6-42-48] het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk aan de[^2kronieken-6-42-49] goedertierenheden van David, Uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/6.html#v42)

[^2kronieken-6-1-1]: Kanttekening 1: YHWH heeft gezegd: Zie de verklaring hiervan en van de volgende verzen, 1 Kon. 8:12 , en de volgende. 1 Koningen 8:12 : Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
[^2kronieken-6-2-2]: Kanttekening 2: eeuwige woning: Dat is, zolang als de wet duren zou. Zie Gen. 13:15 . Hebreeuws, עוֹלָמִֽים, tot uw wonen \[in\] eeuwigheden. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-6-3-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 8:14 ; idem v. 15 . 1 Koningen 8:14 : Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de gehele gemeente van Israël; en de gehele gemeente van Israël stond. 1 Koningen 8:15 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:
[^2kronieken-6-3-3]: Kanttekening 3: Te weten, naar het volk.
[^2kronieken-6-3-4]: Kanttekening 4: Anders, loofde \[God\] met de gehele gemeente.
[^2kronieken-6-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, in het grote voorhof, om de aanspraak van de koning en gebed te horen. Zie onder, vers 13 en de aantekening. 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van het voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).
[^2kronieken-6-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, dadelijk volbracht, gelijk Hij gesproken en beloofd heeft zo onder, vers 15 . 2 Kronieken 6:15 : Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te deze dage is.
[^2kronieken-6-5-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2kronieken-6-5-8]: Kanttekening 8: dat Mijn Naam: Zie 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2kronieken-6-5-9]: Kanttekening 9: en geen man: De Heer heeft tevoren zijn volk wel vorsten, richters en leidsmannen toegeschikt, maar niet als David, bij wiens nakomelingen de opperheid van de regering, tot de toekomst van de Messias \[van wiens eeuwig koninkrijk hij een voorbeeld was\], blijven moest.
[^2kronieken-6-7-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 7:2 ; 1 Kon. 8:17 ; 1 Kron. 17:1 ; 1 Kron. 28:2 . 2 Samuël 7:2 : Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen. 1 Koningen 8:17 : Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis de Naam van YHWH, de God van Israël, te bouwen. 1 Kronieken 17:1 : Het geschiedde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, de profeet, zei: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark van het verbond van YHWH onder gordijnen. 1 Kronieken 28:2 : En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.
[^2kronieken-6-7-10]: Kanttekening 10: was ook: Dat is, hij had goedgevonden en voorgenomen. Zo in het volgende; idem, 1 Sam. 14:7 ; 2 Sam. 7:3 ; 1 Kron. 17:2 . Hebreeuws, עִם, het was ook met het hart. 1 Samuël 14:7 : Toen zei zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart. 2 Samuël 7:3 : En Nathan zei tot de koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want YHWH is met u. 1 Kronieken 17:2 : Toen zei Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u.
[^2kronieken-6-7-11]: Kanttekening 11: de Naam van YHWH: Dat is, YHWH zelf; zo in het volgende. Zie 1 Kon. 5:3 . 1 Koningen 5:3 : U weet, dat mijn vader David voor de Naam van YHWH, van zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat YHWH hen onder zijn voetzolen gaf.
[^2kronieken-6-9-12]: Kanttekening 12: uit uw lenden: Dat is, uit uw vlees en bloed geboren zal worden. Zie Gen. 35:11 . Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^2kronieken-6-11-13]: Kanttekening 13: het verbond: Versta, de twee stenen tafelen, in welke de tien geboden geschreven waren, als zijnde de wetten van het verbond, dat God met de Israëlieten gemaakt had. Zie 1 Kon. 8:21 . 1 Koningen 8:21 : En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond van YHWH is, dat Hij met onze vaderen maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde.
[^2kronieken-6-13-14]: Kanttekening 14: Versta, een zodanig gestoelte, gelijk het hier beschreven is van fijne stof, en grootte, en de plaats waar het stond, hiertoe verordend, opdat de koning daaruit God bidden en het volk aanspreken zou. Zie hiervan ook 2 Kon. 11:14 . 2 Koningen 11:14 : En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad!
[^2kronieken-6-13-15]: Kanttekening 15: van het voorhof: Dat is, van het voorhof van het volk, genaamd anders het grote voorhof; 1 Kon. 7:9 , 7:12 . Zie ook boven, 2 Kron. 4:9 . 1 Koningen 7:9 : Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof. 1 Koningen 7:12 : En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis van YHWH, en met het voorhuis van dat huis. 2 Kronieken 4:9 : Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.
[^2kronieken-6-13-16]: Kanttekening 16: Deze ceremonie is in het bidden gebruikt geweest als een teken van de ootmoed onzes harten, waarin wij overtuigd zijn dat wij voor de goddelijke majesteit niet bestaan kunnen; Ps. 130:3 . Zie van dezelfde ceremonie Ezra 9:5 ; Luk. 22:41 ; Hand. 20:36 ; Ef. 3:14 . Psalmen 130:3 : Zo U, YHWH! de ongerechtigheden gadeslaat; YHWH! wie zal bestaan? Ezra 9:5 : En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot YHWH, mijn God; Lukas 22:41 : En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad, Handelingen 20:36 : En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden. Efeziërs 3:14 : Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heer Jezus Christus,
[^2kronieken-6-13-17]: Kanttekening 17: Zie van deze ceremonie, die de ouden in het bidden gebruikt hebben, 1 Kon. 8:22 . 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel;
[^2kronieken-6-14-c]: Verwijzing c: Ex. 15:11 ; Deut. 4:39 ; Deut. 7:9 . Exodus 15:11 : O YHWH! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! Deuteronomium 7:9 : U zult dan weten, dat YHWH, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
[^2kronieken-6-14-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2kronieken-6-15-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 22:9 . 1 Kronieken 22:9 : Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen.
[^2kronieken-6-15-18]: Kanttekening 18: te deze dage is: Hebreeuws, יּ֥וֹם, na deze dag; dat is, gelijk het ten huidigen dage blijkt, of gelijk deze dag betuigt.
[^2kronieken-6-16-19]: Kanttekening 19: Geen man: Zie 1kon. 8:25.
[^2kronieken-6-16-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 7:12 ; idem v. 16 ; Ps. 132:12 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. Psalmen 132:12 : Als uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
[^2kronieken-6-16-20]: Kanttekening 20: hun weg: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2kronieken-6-16-21]: Kanttekening 21: in Mijn wet: Dat is, om te geloven en te leven met alle oprechtheid, naar het geopenbaarde woord van God. Zo ps. 26:3, en Ps. 119:1 . Vergelijk 1 Kon. 8:25 , waar dit geheten wordt voor het aangezicht van YHWH wandelen. Zie de aantekening daar. Psalmen 119:1 : Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van YHWH gaan. 1 Koningen 8:25 : En nu YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israël zitte; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
[^2kronieken-6-18-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 8:27 ; 2 Kron. 2:6 ; Jes. 66:1 ; Hand. 7:49 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Kronieken 2:6 : Maar wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, omdat de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, tenzij om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken? Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijner ruste?
[^2kronieken-6-19-22]: Kanttekening 22: tot het gebed: Dat is, tot mijn gebed, die uw knecht ben; zo in het volgende.
[^2kronieken-6-20-23]: Kanttekening 23: Dat is, te maken dat daar zijn woord geleerd, zijn naam aangeroepen, zijn godsdienst uitgericht en zijn volk tot de heilige oefeningen vergaderd worden, en waar zijn Geest ook krachtig is. Vergelijk de aantekening 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2kronieken-6-21-24]: Kanttekening 24: die in deze: Anders, welke zij, enz.
[^2kronieken-6-22-h]: Verwijzing h: 1 Kon. 8:31 . 1 Koningen 8:31 : Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal;
[^2kronieken-6-23-25]: Kanttekening 25: Te weten, naardat uw gerechtigheid ten aanzien van zijn eed en de zaak vereist. Zie 1 Kon. 8:31 , en in dat hoofdstuk de verklaring van enige dingen hier volgende. 1 Koningen 8:31 : Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal;
[^2kronieken-6-23-26]: Kanttekening 26: naar zijn gerechtigheid: Versta, naar de gerechtigheid van zijn zaak, die hij met de mensen heeft uitstaande, en niet naar de gerechtigheid van zijn persoon, die niemand zo heeft dat hij voor God zou bestaan kunnen, Ps. 130:3 , en Ps. 143:2 . Psalmen 130:3 : Zo U, YHWH! de ongerechtigheden gadeslaat; YHWH! wie zal bestaan? Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^2kronieken-6-24-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 8:33 . 1 Koningen 8:33 : Wanneer Uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht van de vijand, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;
[^2kronieken-6-26-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 8:35 . 1 Koningen 8:35 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben;
[^2kronieken-6-26-27]: Kanttekening 27: Versta, de onderste hemel, dat is de lucht, waarin de wolken zijn, van welke de regen voortkomt. Vergelijk Gen. 2:6 , en 1 Kon. 18:45 . Genesis 2:6 : Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de ganse aardbodem. 1 Koningen 18:45 : En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël.
[^2kronieken-6-26-28]: Kanttekening 28: als U: Anders, omdat u tegen hen getuigd zult hebben. Zie 1 Kon. 8:35 . 1 Koningen 8:35 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben;
[^2kronieken-6-28-l]: Verwijzing l: 2 Kron. 20:9 . 2 Kronieken 20:9 : Als over ons enig kwaad komt, het zwaard van het oordeel, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.
[^2kronieken-6-28-29]: Kanttekening 29: in het land: Zie 1 Kon. 8:37 . 1 Koningen 8:37 : Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige ziekte wezen zal;
[^2kronieken-6-29-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 8:38 . 1 Koningen 8:38 : Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israël, gebeuren zal; als zij erkennen, een ieder de plage zijn hart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;
[^2kronieken-6-29-30]: Kanttekening 30: in dit huis: Of, naar dit huis. Zie 1 Kon. 8:44 , en onder, vers 34 , 6:38 . 1 Koningen 8:44 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; 2 Kronieken 6:34 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijanden uittrekken zal door de weg, die U hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; 2 Kronieken 6:38 : En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart en met hun gehele ziel, in het land van hun gevangenis, waar zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar de weg huns lands, dat U hun vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^2kronieken-6-30-31]: Kanttekening 31: van de kinderen: Versta dit, in het algemeen van alle mensen; want het woord alle wordt hier bijgevoegd; 1 Kon. 8:39 . 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef een ieder naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^2kronieken-6-31-32]: Kanttekening 32: te wandelen: Zie 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^2kronieken-6-32-n]: Verwijzing n: 1 Kon. 8:41 . 1 Koningen 8:41 : Zelfs ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israël niet zal zijn, maar uit ver land vanwege Uw Naam komen zal;
[^2kronieken-6-32-33]: Kanttekening 33: Uws uitgestrekten arms wil: Zie Ex. 6:5 ; 1 Kon. 8:42 . Exodus 6:5 : Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; 1 Koningen 8:42 : (Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;
[^2kronieken-6-33-34]: Kanttekening 34: Merk hier, dat uit de ware kennis van God de rechte vrees voor God voortkomt; gelijk uit de vrees voor God is de wandeling in zijn heilige wegen; boven, vers 31 . 2 Kronieken 6:31 : Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaderen gegeven hebt.
[^2kronieken-6-33-35]: Kanttekening 35: Uw volk Israël: Te weten, uw naam bekent en U vreest.
[^2kronieken-6-33-36]: Kanttekening 36: Naam genoemd wordt: Zie 1 Kon. 8:43 . 1 Koningen 8:43 : Hoor U in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb.
[^2kronieken-6-34-o]: Verwijzing o: 1 Kon. 8:44 . 1 Koningen 8:44 : Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^2kronieken-6-36-p]: Verwijzing p: 1 Kon. 8:46 ; Spreuk. 20:9 ; Pred. 7:20 ; Jak. 3:2 ; 1 Joh. 1:8 . 1 Koningen 8:46 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in van de vijand land, dat verre of nabij is. Spreuken 20:9 : Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Prediker 7:20 : Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. Jakobus 3:2 : Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. 1 Johannes 1:8 : Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.
[^2kronieken-6-38-37]: Kanttekening 37: zij hen: Te weten, hun vijanden; 1 Kon. 8:48 . 1 Koningen 8:48 : En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart, en met hun gehele ziel, in het land van hun vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar de weg van hun land (dat U hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^2kronieken-6-38-38]: Kanttekening 38: naar de weg: Namelijk, tot U, o Heer; 1 Kon. 8:48 . 1 Koningen 8:48 : En zij zich tot U bekeren, met hun gehele hart, en met hun gehele ziel, in het land van hun vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar de weg van hun land (dat U hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^2kronieken-6-39-39]: Kanttekening 39: wat zij tegen: Anders, wat het tegen U gezondigd heeft.
[^2kronieken-6-40-40]: Kanttekening 40: Uw ogen: Menselijker wijze van God gesproken, om te tonen dat God achtgeeft op de ellende en de gebeden van de zijnen; Ps. 34:16 . Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
[^2kronieken-6-40-41]: Kanttekening 41: van deze plaats: Dat is, dat op deze plaats of in deze tempel gedaan zal worden, òf dergenen, die het in deze plaats doen zullen. Zo onder, 2 Kron. 7:15 . 2 Kronieken 7:15 : Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed van deze plaats.
[^2kronieken-6-41-42]: Kanttekening 42: tot Uw rust: Dat is, tot de plaats, in welke U voorgenomen hebt te rusten en stil te blijven, en niet meer vervoerd te worden met de tabernakel, van de ene plaats in de andere, gelijk geschied was in de woestijn, als de Israëlieten hun legerplaatsen veranderden. Dit is menselijkerwijze van God gesproken, ten aanzien van de ark, boven welke God zich openbaarde. Zie 2 Sam. 7:6 ; Ps. 132:8 . 2 Samuël 7:6 : Want Ik heb in geen huis gewoond, van die dag af, dat Ik de kinderen van Israël uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. Psalmen 132:8 : Sta op, YHWH! tot Uw rust, U en de ark van Uw sterkte!
[^2kronieken-6-41-43]: Kanttekening 43: Van Uw kracht: Zo Ps. 132:8 . Dat is, bij welke U uw antwoord gewoonlijk geeft van uw genade en hulp, die U krachtiglijk aan uw volk bewijst. Psalmen 132:8 : Sta op, YHWH! tot Uw rust, U en de ark van Uw sterkte!
[^2kronieken-6-41-44]: Kanttekening 44: Dat is, met uw gunst, zegen en weldadigheid bewaard en versierd zijn, als met een kleding; zo Ps. 132:16 . Het tegendeel is, bekleed te worden met schande; in dezelfde plaats, vers 18 . Psalmen 132:16 : En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen. 2 Kronieken 6:18 : Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?
[^2kronieken-6-41-45]: Kanttekening 45: Of, godvruchtigen. Het Hebreeuwse woord is aan God toegeschreven en aan de mensen; aan God toegeschreven zijnde, betekent het de goedgunstige, goedertierene, of weldadige, gelijk Ps. 145:17 ; Jer. 3:12 . De vromen mensen wordt het toegeëigend, omdat zij goeddoen, of omdat hun wordt goedgedaan van God. Naar de eerste zin kan men het overzetten heiligen, goedertierenen, weldadigen, godvruchtigen, naar de tweede, gunstgenoten, gelijk hier. Psalmen 145:17 : Tsade. YHWH is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken. Jeremia 3:12 : Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.
[^2kronieken-6-41-46]: Kanttekening 46: over het goede: Te weten, dat U hun bewijst.
[^2kronieken-6-42-47]: Kanttekening 47: Dat is, sla niet af, of weiger niet mijn gebed. Vergelijk 1 Kon. 2:20 . 1 Koningen 2:20 : Toen zei zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
[^2kronieken-6-42-48]: Kanttekening 48: het aangezicht: Dat is, mijn aangezicht, die U tot een koning gezalfd hebt.
[^2kronieken-6-42-49]: Kanttekening 49: Dat is, aan David bewezen, en ten aanzien van zijn nakomelingen beloofd.

### 2 Kronieken 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/7.json)

*Het vuur valt uit de hemel, verteert de offers, en de heerlijkheid van de HEERE vervult de tempel, vers 1 enz. Beschrijving van de plechtigheden waarmee Salomo de tempel inwijdde, 4. Het Loofhuttenfeest wordt gehouden, 8. De HEERE verschijnt aan Salomo, 12. belooft hem zijn gunst, op voorwaarde van gehoorzaamheid, 17. Anders dreigt Hij met zware straffen, 19.*

**1** Als nu Salomo voltooid had te bidden,[^2kronieken-7-1-1] zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtoffers;[^2kronieken-7-1-a] en de[^2kronieken-7-1-2] heerlijkheid van YHWH vervulde het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v1)

**2** En de priesters konden niet ingaan in het huis van YHWH; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v2)

**3** En als al de Israëlieten dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid van YHWH over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op de vloer, en aanbaden en loofden YHWH,[^2kronieken-7-3-3] dat Hij goedig is, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v3)

**4** De koning nu en al het volk offerden slachtoffers voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v4)

**5** En de koning Salomo offerde[^2kronieken-7-5-4] slachtoffers van runderen, twee en twintig duizend, en van[^2kronieken-7-5-5] schapen, honderd en twintig duizend. Zo hebben de koning en het hele volk het huis van God ingewijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v5)

**6** Ook stonden de priesters in[^2kronieken-7-6-6] hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten[^2kronieken-7-6-7] van YHWH, die de koning David gemaakt had, om YHWH te loven, dat Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid,[^2kronieken-7-6-8] als David door[^2kronieken-7-6-9] hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en geheel Israël[^2kronieken-7-6-10] stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v6)

**7** En[^2kronieken-7-7-11] Salomo heiligde het middelste van de voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar de brandoffers en het vette van de dankoffers bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het voedseloffer, en het[^2kronieken-7-7-12] vette niet vatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v7)

**8** Salomo hield ook in die tijd het[^2kronieken-7-8-13] feest zeven dagen, en geheel Israël met hem, een zeer grote gemeente,[^2kronieken-7-8-14] van de ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v8)

**9** En op de[^2kronieken-7-9-15] achtste dag hielden zij een[^2kronieken-7-9-16] verbodsdag;[^2kronieken-7-9-b] want zij hielden de[^2kronieken-7-9-17] inwijding van het[^2kronieken-7-9-18] altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v9)

**10** Maar op de drie[^2kronieken-7-10-19] en twintigste dag van de zevende[^2kronieken-7-10-c] maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blij en[^2kronieken-7-10-20] goedsmoeds over het goede, dat YHWH aan David en Salomo, en Zijn volk Israël gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v10)

**11** [^2kronieken-7-11-d] Zo volbracht Salomo het huis van YHWH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van YHWH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v11)

**12** En YHWH verscheen Salomo[^2kronieken-7-12-22] in de nacht, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats gekozen tot een offerhuis.[^2kronieken-7-12-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v12)

**13** Zo Ik de hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan[^2kronieken-7-13-23] gebiede,[^2kronieken-7-13-24] het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v13)

**14** En Mijn volk,[^2kronieken-7-14-25] over wie Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en[^2kronieken-7-14-26] zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land[^2kronieken-7-14-27] genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v14)

**15** Nu zullen[^2kronieken-7-15-e] Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed[^2kronieken-7-15-28] van deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v15)

**16** Want[^2kronieken-7-16-29] Ik heb nu dit huis gekozen en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar altijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v16)

**17** En wat u betreft, zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechten houden zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v17)

**18** Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk bevestigen, zoals Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heerse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v18)

**19** Maar zo u zich afkeren zult, en Mijn voorschriften en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v19)

**20** Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v20)

**21** En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land en aan dit huis zo gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v21)

**22** En men zal zeggen: Omdat zij YHWH, de God van hun vaders, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich daarvoor neergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/7.html#v22)

[^2kronieken-7-1-1]: Kanttekening 1: zo daalde het vuur: Tot een openbaar bewijs dat God Salomo's gebed verhoord had. Zie gelijke exemplaren van het vallen van het vuur uit de hemel, Lev. 9:24 ; Richt. 6:21 ; 1 Kon. 18:38 ; 1 Kron. 21:26 . Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. Richteren 6:21 : En de Engel van YHWH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van YHWH bekwam uit zijn ogen. 1 Koningen 18:38 : Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.
[^2kronieken-7-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 8:10 ; idem v. 11 ; 2 Kron. 5:13 ; idem v. 14 . 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. 1 Koningen 8:11 : En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 5:14 : En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld.
[^2kronieken-7-1-2]: Kanttekening 2: heerlijkheid van YHWH: Versta dit van de wolk, die een teken was van de bijzondere aanwezigheid Gods. Zie Num. 14:10 , en boven, 2 Kron. 5:13 , 5:14 . Numeri 14:10 : Toen zei de gehele vergadering, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van YHWH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de kinderen van Israël. 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 5:14 : En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van God vervuld.
[^2kronieken-7-3-3]: Kanttekening 3: dat Hij goedig is: Zie boven, 2 Kron. 5:13 , en vergelijk vers 6 . 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 7:6 : Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten van YHWH, die de koning David gemaakt had, om YHWH te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en geheel Israël stond.
[^2kronieken-7-5-4]: Kanttekening 4: slachtofferen van runderen: Namelijk, ten dankoffer, gelijk verklaard wordt 1 Kon. 8:63 ; van welke offer zie Lev. 3:1 . 1 Koningen 8:63 : En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij YHWH offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Zo hebben zij het huis van YHWH ingewijd, de koning en al de kinderen van Israël. Leviticus 3:1 : En als zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-7-5-5]: Kanttekening 5: Het Hebreeuwse woord betekent ook geiten, hoewel het meest van schapen gebruikt wordt. Zie Gen. 12:16 , en Lev. 1:2 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen. Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^2kronieken-7-6-6]: Kanttekening 6: hun wachten: Te weten, naar de verdeling van hun beurten, die zij tevoren in de inwijding van de tempel niet hadden kunnen onderhouden; boven, 2 Kron. 5:11 . 2 Kronieken 5:11 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen; (want al de priesters, die gevonden werden, hadden zich geheiligd, zonder de verdelingen te houden;
[^2kronieken-7-6-7]: Kanttekening 7: van YHWH: Dat is, die ter ere Gods gemaakt waren, om hem daarmede naar de wijze, die onder de wet van God verordend en in gebruik was, te loven en te danken.
[^2kronieken-7-6-8]: Kanttekening 8: als David: Anders, door de lofzangen Davids in hun hand. Of, als David \[hem\] prees door hen; te weten, de muzikale instrumenten.
[^2kronieken-7-6-9]: Kanttekening 9: hun dienst: Hebreeuws, יָדָ֑, hun hand.
[^2kronieken-7-6-10]: Kanttekening 10: Te weten, in het grote, of uiterste voorhof, genaamd het voorhof van het volk, afgezonderd van het innerste voorhof, waarin de priesters stonden.
[^2kronieken-7-7-11]: Kanttekening 11: Salomo heiligde: Zie de verklaring van vers 7 in de aantekening van 1 Kon. 8:64 . 2 Kronieken 7:7 : En Salomo heiligde het middelste van het voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar de brandofferen en het vette van de dankofferen bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet vatten. 1 Koningen 8:64 : Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste van het voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, en ook het vet van de dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet van de dankofferen te vatten.
[^2kronieken-7-7-12]: Kanttekening 12: het vette: Versta, van de dankoffers. Zie 1 Kon. 8:64 . 1 Koningen 8:64 : Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste van het voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, en ook het vet van de dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet van de dankofferen te vatten.
[^2kronieken-7-8-13]: Kanttekening 13: feest zeven dagen: Te weten, van de looftenten. Zie 1 Kon. 8:65 . 1 Koningen 8:65 : Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.
[^2kronieken-7-8-14]: Kanttekening 14: van de ingang af: Dat is, van de noordpale tot de zuidpale van het land van Kanaän. Vergelijk Gen. 15:18 , en Joz. 13:3 , 13:4 , 13:5 . Van de stad Hamath, zie Num. 13:21 , en van de rivier van Egypte, genaamd Sichor, Joz. 13:3 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Jozua 13:4 : Van het zuiden, het gehele land van de Kanaänieten, en Meara, die van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de landpale van de Amorieten. Jozua 13:5 : Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
[^2kronieken-7-9-15]: Kanttekening 15: achtsten dage: Te weten, van het feest, dat zeven dagen geduurd had.
[^2kronieken-7-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, een vierdag, op welke alle dagelijks werk verboden was. Zie Lev. 23:36 . Deze dag wordt genoemd de grote dag van het feest, Joh. 7:37 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^2kronieken-7-9-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 8:65 . 1 Koningen 8:65 : Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.
[^2kronieken-7-9-17]: Kanttekening 17: Zie de betekenis van dit woord Num. 7:10 . Numeri 7:10 : En de oversten offerden ter inwijding van het altaar, op de dag als hetzelfde gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.
[^2kronieken-7-9-18]: Kanttekening 18: zeven dagen: Die de dagen van het feest voorafgegaan waren.
[^2kronieken-7-10-19]: Kanttekening 19: dag van de zevende maand: De dag na de verbodsdag. Want dit feest begon met de vijftiende dag van de zevende maand, en eindigde met de twee en twintigste derzelfde maand, Lev. 23:34 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn.
[^2kronieken-7-10-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 8:66 . 1 Koningen 8:66 : Op de achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blij en goedsmoeds over al het goede, dat YHWH aan David, Zijn knecht, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had.
[^2kronieken-7-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, goed van hart.
[^2kronieken-7-11-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 9:1 . 1 Koningen 9:1 : Het geschiedde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis van YHWH en het huis van de koning, en al de begeerte van Salomo, die hem gelust had te maken;
[^2kronieken-7-12-22]: Kanttekening 22: van de nacht: Te weten, in de droom. Vergelijk 1 Kon. 3:5 , en 1 Kon. 9:2 . Zie van zulk een goddelijke verschijning Gen. 20:2 , en Gen. 28:12 , en ook de aantekening. 1 Koningen 3:5 : Te Gibeon verscheen YHWH aan Salomo in een droom van de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. 1 Koningen 9:2 : Dat YHWH ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was. Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan het opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^2kronieken-7-12-21]: Kanttekening 21: Te weten, meteen na de voltimmering en inwijding van de tempel, en na het gebed, dat Salomo dan uitgesproken heeft; waarop dan gevolgd is de bouwing van het koninklijke huis. Zie 1 Kon. 9:2 . 1 Koningen 9:2 : Dat YHWH ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.
[^2kronieken-7-13-23]: Kanttekening 23: God wordt gezegd de onredelijke dieren te gebieden omdat Hij dezelfde verordent, voortbrengt en gebruikt, om de mensen, of te straffen, als hier, Amos 9:3 , of te helpen en goed te doen, als 1 Kon. 17:4 . Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. 1 Koningen 17:4 : En het zal gebeuren, dat u uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
[^2kronieken-7-13-24]: Kanttekening 24: het land te verteren: Dat is, zijn gewas en vruchten.
[^2kronieken-7-14-25]: Kanttekening 25: over wie: Dat is, die van Mij hun naam hebben, of naar Mij genaamd worden; want de vromen worden Gods kinderen, het erfdeel van YHWH en zijn eigendom genaamd. Dezelfde manier van spreken is Deut. 28:10 ; Amos 9:12 . Deuteronomium 28:10 : En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van YHWH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. Amos 9:12 : Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet.
[^2kronieken-7-14-26]: Kanttekening 26: Mijn aangezicht: Het aangezicht van YHWH te zoeken, is hem te leren kennen, zo Hij zich geopenbaard heeft in zijn Woord, zijn werken en tekenen van zijn genade, onder welke in het Oude Testament ook geweest is de ark van het verbond. Zie Ps. 24:6 , en Ps. 27:8 . Psalmen 24:6 : Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. Psalmen 27:8 : Mijn hart zegt tot U: U zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o YHWH!
[^2kronieken-7-14-27]: Kanttekening 27: Dat is, vrij maken van alle ongedierte, van onvruchtbaarheid, van pest, enz.
[^2kronieken-7-15-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 6:40 . 2 Kronieken 6:40 : Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed van deze plaats.
[^2kronieken-7-15-28]: Kanttekening 28: van deze plaats: Zie boven, 2 Kron. 6:40 . 2 Kronieken 6:40 : Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed van deze plaats.
[^2kronieken-7-16-29]: Kanttekening 29: Ik heb nu: Zie de aantekening, dienende tot verklaring hiervan, en het volgende, 1 Kon. 9:3 , enz. 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage.

### 2 Kronieken 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/8.json)

*Salomo bouwt steden en vestingen, vers 1 enz. maakt de heidenen die nog in het land overgebleven waren, dienstbaar, 7. De eervolle ambten geeft hij alleen aan de Israëlieten, 9. Zijn vrouw, de dochter van Farao, komt in haar woning, 11. zijn vaste en gewone offers, 12. zijn zorg voor de godsdienst, 14. zijn vloot naar Ofir, 17.*

**1** Het[^2kronieken-8-1-a] gebeurde nu na verloop[^2kronieken-8-1-1] van twintig jaren, waarin Salomo het huis van YHWH en zijn huis gebouwd had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v1)

**2** Dat Salomo de steden, die Huram[^2kronieken-8-2-2] hem[^2kronieken-8-2-3] gegeven had, bouwde, en de Israëlieten daar deed wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v2)

**3** Daarna trok Salomo naar[^2kronieken-8-3-4][^2kronieken-8-3-5] Hamath-zoba, en hij overweldigde het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v3)

**4** Hij bouwde ook[^2kronieken-8-4-6] Thadmor in de woestijn, en al de[^2kronieken-8-4-7] voorraadsteden, die hij bouwde in[^2kronieken-8-4-8] Hamath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v4)

**5** Ook bouwde hij het[^2kronieken-8-5-9] hoge Beth-horon en het lage Beth-horon, versterkte steden met muren, deuren en grendels; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v5)

**6** En ook[^2kronieken-8-6-10] Baälath, en al de voorraadsteden, die Salomo had, en alle wagensteden,[^2kronieken-8-6-11] en de steden van de[^2kronieken-8-6-b] ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem,[^2kronieken-8-6-12] en in de Libanon, en in het hele land van zijn heerschappij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v6)

**7** Voor wat betreft al het volk, dat overgebleven was van[^2kronieken-8-7-13] de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v7)

**8** Uit[^2kronieken-8-8-14] hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de Israëlieten niet verdaan hadden, die verplichtte Salomo tot slavenarbeid tot op deze dag.[^2kronieken-8-8-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v8)

**9** Maar uit de Israëlieten,[^2kronieken-8-9-c] die Salomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren soldaten, en oversten van zijn bevelhebbers, en oversten van zijn wagens en van zijn ruiteren;) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v9)

**10** Uit deze dan waren oversten van[^2kronieken-8-10-16] de bestelden, die de koning Salomo had,[^2kronieken-8-10-17] tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v10)

**11** [^2kronieken-8-11-d] Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad van David, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zei: Mijn vrouw zal in het huis van David, de koning van Israël, niet wonen, omdat de[^2kronieken-8-11-18] plaatsen heilig zijn, waartoe de ark van YHWH gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v11)

**12** Toen offerde Salomo YHWH brandoffers op het altaar van YHWH, dat hij voor[^2kronieken-8-12-19] het voorhuis gebouwd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v12)

**13** Zelfs[^2kronieken-8-13-20] naar de eis van elke dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden,[^2kronieken-8-13-e] drie keer in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het wekenfeest, en op het feest van de loofhutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v13)

**14** Hij stelde ook, naar de wijze[^2kronieken-8-14-21] van zijn vader David, de[^2kronieken-8-14-22] verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de[^2kronieken-8-14-f] poortwachters in hun verdelingen,[^2kronieken-8-14-23] aan elke poort; want zo was het gebod van David, de[^2kronieken-8-14-24] man van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v14)

**15** En[^2kronieken-8-15-25] men week niet van[^2kronieken-8-15-26] het gebod van de koning[^2kronieken-8-15-27] aan de priesters en de Levieten, aangaande[^2kronieken-8-15-28] alle zaken, en aangaande[^2kronieken-8-15-29] de schatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v15)

**16** Zo werd al het werk van Salomo[^2kronieken-8-16-30] bereid tot de dag van de grondlegging van het huis van YHWH, en tot het volbrengen daarvan, dat het huis van YHWH volmaakt werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v16)

**17** Toen trok Salomo naar[^2kronieken-8-17-31] Ezeon-geber, en naar[^2kronieken-8-17-32] Eloth, aan[^2kronieken-8-17-33] de oever van[^2kronieken-8-17-34] de zee,[^2kronieken-8-17-35] in het land Edom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v17)

**18** En Huram zond hem, door de hand van zijn knechten,[^2kronieken-8-18-36] schepen, en ook knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar[^2kronieken-8-18-37] Ofir, en zij haalden van daar[^2kronieken-8-18-38] vierhonderd en vijftig[^2kronieken-8-18-39] talenten goud, die zij brachten tot de koning Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/8.html#v18)

[^2kronieken-8-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 9:10 . 1 Koningen 9:10 : En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis van YHWH en het huis van de koning;
[^2kronieken-8-1-1]: Kanttekening 1: van twintig jaren: Van welke hij zeven overgebracht had in het bouwen van het huis van YHWH, en dertien in het maken van zijn paleis.
[^2kronieken-8-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, Salomo.
[^2kronieken-8-2-3]: Kanttekening 3: gegeven had: Dat is, wedergegeven. Want Salomo had deze steden de koning Huram geschonken tot een erkentenis van de diensten, die hij van hem ontvangen had; maar Huram daarin geen behagen hebbende, heeft ze Salomo wedergegeven, die daarna derzelve herbouwd heeft, en van de Israëlieten heeft laten bewonen. Zie 1 Kon. 9:11 , 9:12 , 9:13 . 1 Koningen 9:11 : (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea. 1 Koningen 9:12 : En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Salomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen. 1 Koningen 9:13 : Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broer, die u mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op deze dag.
[^2kronieken-8-3-4]: Kanttekening 4: Zie Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^2kronieken-8-3-5]: Kanttekening 5: Een landschap, zich strekkende van Batanea tot de Eufraat. Zie daarvan 1 Sam. 14:47 ; 2 Sam. 8:3 . 1 Samuël 14:47 : Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^2kronieken-8-4-6]: Kanttekening 6: Zie 1 Kon. 9:18 , waar de naam is Tamor. 1 Koningen 9:18 : En Baälath, en Tamor in de woestijn, in dat land;
[^2kronieken-8-4-7]: Kanttekening 7: Of, ammunitiesteden; zo onder, vers 6 . Zie 1 Kon. 9:19 . 2 Kronieken 8:6 : En ook Baälath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij. 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^2kronieken-8-4-8]: Kanttekening 8: Het land van Hamath; 1 Kron. 18:3 . 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath.
[^2kronieken-8-5-9]: Kanttekening 9: hoge Beth-Horon: Zie 1 Kon. 9:17 . 1 Koningen 9:17 : Zo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.
[^2kronieken-8-6-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kon. 9:18 . 1 Koningen 9:18 : En Baälath, en Tamor in de woestijn, in dat land;
[^2kronieken-8-6-11]: Kanttekening 11: Zie 1 Kon. 9:19 . 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^2kronieken-8-6-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 9:1 . 1 Koningen 9:1 : Het geschiedde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis van YHWH en het huis van de koning, en al de begeerte van Salomo, die hem gelust had te maken;
[^2kronieken-8-6-12]: Kanttekening 12: en in de Libanon: Zie 1 Kon. 7:2 . 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^2kronieken-8-7-13]: Kanttekening 13: Zie van deze volken Gen. 10:15 , 10:16 , enz. en Gen. 15:19 , 15:20 , 15:21 . Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 10:16 : En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, Genesis 15:19 : De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet, Genesis 15:20 : En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten, Genesis 15:21 : En de Amoriet, en de Kanaäniet, en de Girgaziet, en de Jebusiet.
[^2kronieken-8-8-14]: Kanttekening 14: hun kinderen: Te weten, van de voorgemelde volken.
[^2kronieken-8-8-15]: Kanttekening 15: Versta, slaafse uitschot, 1 Kon. 9:21 , en zie de aantekening. De zin is, dat zij de koning in zijn werken als lijfeigenen moesten dienen. Zie ook 1 Kon. 5:13 , 5:14 . Anders, deed Salomo komen op tribuut; dat is, dwong hen schatting te betalen. 1 Koningen 9:21 : Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen van Israël niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op deze dag. 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend van de maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.
[^2kronieken-8-9-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 9:22 . 1 Koningen 9:22 : Maar van de kinderen van Israël maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hoofdlieden, en de oversten zijn wagens, en zijn ruiteren.
[^2kronieken-8-10-16]: Kanttekening 16: Versta, degenen, die over de werklieden gesteld waren, om over hun doen en arbeiden opzicht te nemen. Het Hebreeuwse woord is ook van andere oversten gebruikt. Zie 1 Kon. 4:5 . Anders, bezettingen, of garnizoenen. 1 Koningen 4:5 : En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, de vriend van de koning.
[^2kronieken-8-10-17]: Kanttekening 17: tweehonderd en vijftig: Zie 1 Kon. 9:23 . 1 Koningen 9:23 : Deze waren de oversten van de bestelden, die over het werk van Salomo waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was.
[^2kronieken-8-11-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 3:1 ; 1 Kon. 7:8 ; 1 Kon. 9:24 . 1 Koningen 3:1 : En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis van YHWH, en de muur van Jeruzalem rondom. 1 Koningen 7:8 : En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk. 1 Koningen 9:24 : Maar de dochter van Farao toog van de stad van David op tot haar huis, dat hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.
[^2kronieken-8-11-18]: Kanttekening 18: heilig zijn: Dat is, tot een rein, bijzonder en heilig gebruik moeten dienen, en niet tot de ordinaire bewoning van de mensen die ze lichtelijk met hunne zowel morele als ceremoniele besmettingen zouden hebben kunnen ontheiligen.
[^2kronieken-8-12-19]: Kanttekening 19: het voorhuis: Dat was tussen de tempel en het voorhof van de priesters, dat is, voor aan de tempel. Zie 1 Kon. 6:3 . 1 Koningen 6:3 : En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis.
[^2kronieken-8-13-20]: Kanttekening 20: naar de eis: Dat is, in de offeranden, die naar de wet op zekere dagen gedaan moesten worden, elke dag derzelve onderhoudende. Hebreeuws, י֣וֹם, in het woord, of, de zaak, van de dag op de dag, of, op zijn dag; gelijk in vers 14 . Vergelijk Ex. 5:13 ; 1 Kon. 10:25 . De zin is dat hij de vastgestelde dagen, in welke zekere offeranden geofferd moesten worden, naarstiglijk waargenomen en onderhouden heeft. 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze van zijn vader David, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God. Exodus 5:13 : En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was. 1 Koningen 10:25 : En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.
[^2kronieken-8-13-e]: Verwijzing e: Ex. 23:14 ; idem v. 15 ; Deut. 16:16 . Exodus 23:14 : Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uw Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^2kronieken-8-14-21]: Kanttekening 21: zijn vader Davids: Dat is, die David door de ingeving van de Heilige Geest ingesteld had, 1 Kron. 28:19 , en ook door het beleid van de profeten, onder, 2 Kron. 29:25 . 1 Kronieken 28:19 : Dit alles heeft men mij, zei David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand van YHWH, te weten al de werken van dit voorbeeld. 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand van Zijn profeten.
[^2kronieken-8-14-22]: Kanttekening 22: verdelingen van de priesters over hun dienst: Dat is, onderscheidene hopen en beurten. Zie van deze 1 Kron. 24 , 1 Kron. 25 , 1 Kron. 26 . Zij waren van de priesters en Levieten. De priesters waren overpriesters, of gemene priesters. De Levieten dienden de priesters, of waren zangers, of deurwaarders, of schatbewaarders, of verzorgers van enige ordinaire of extraordinaire zaken.
[^2kronieken-8-14-f]: Verwijzing f: 1 Kron. 9:17 . 1 Kronieken 9:17 : De poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broers; Sallum was het hoofd.
[^2kronieken-8-14-23]: Kanttekening 23: aan elke poort: Hebreeuws, שָׁ֑עַר, aan de poort, en poort; dat is, aan elke poort. Zie Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^2kronieken-8-14-24]: Kanttekening 24: de man van God: Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^2kronieken-8-15-25]: Kanttekening 25: men week niet: Of, daar werd niet geweken. Hebreeuws, סָרוּ֩, zij weken niet. Zie Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^2kronieken-8-15-26]: Kanttekening 26: van de koning: Namelijk, Salomo's, die de ordinantie van God, door zijn vader David en andere profeten gegeven, juist wilde onderhouden hebben.
[^2kronieken-8-15-27]: Kanttekening 27: aan de priesters: Dat is, dat aan de priesters en Levieten gegeven en opgelegd was.
[^2kronieken-8-15-28]: Kanttekening 28: alle zaken: Rakende meest de personen en ambten van de godsdienst.
[^2kronieken-8-15-29]: Kanttekening 29: de schatten: Te weten, van de tempel.
[^2kronieken-8-16-30]: Kanttekening 30: tot de dag: Anders, van de dag van de grondlegging, enz., tot het volbrengen, enz.
[^2kronieken-8-17-31]: Kanttekening 31: Een haven, gelegen aan de Schelfzee, of Rode zee. Zie 1 Kon. 9:26 . 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.
[^2kronieken-8-17-32]: Kanttekening 32: Ook genaamd Elach, Deut. 2:8 , en 2 Kon. 14:22 . Zie daar de aantekeningen. Deuteronomium 2:8 : Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen de weg van de woestijn van Moab. 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
[^2kronieken-8-17-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, lip.
[^2kronieken-8-17-34]: Kanttekening 34: Namelijk, van de Schelfzee, of Rode zee, welverstaande aan derzelver inham, van de landbeschrijvers genaamd Sinus Elaniticus, of Arabicus.
[^2kronieken-8-17-35]: Kanttekening 35: in het land: Dat is, omtrent de palen van het land van Edom, omdat de koning van de Edomieten tot hiertoe zijn heerschappij heeft uitgestrekt.
[^2kronieken-8-18-36]: Kanttekening 36: Hierdoor kan men verstaan de materialen, bereid tot schepen. Omdat men van Tyrus in de Rode zee met schepen niet kan komen dan door een zeer lange reis. Vergelijk 1 Kon. 9:26 , 9:27 . Anderen verstaan dat hij wel schepen gezonden heeft met knechten naar Joppe, maar geen schepen om naar de Rode zee en naar Ofir te gaan. 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom. 1 Koningen 9:27 : En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo.
[^2kronieken-8-18-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^2kronieken-8-18-38]: Kanttekening 38: vierhonderd en vijftig: Zijnde hieronder begrepen dertig talenten, die de uitreeding van de schepen gekost had. Anders was de zuivere winst maar vier honderd twintig talenten; 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^2kronieken-8-18-39]: Kanttekening 39: talenten gouds: Zie van het gewicht van deze Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.

### 2 Kronieken 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/9.json)

*De koningin van Scheba bezoekt Salomo, om zijn wijsheid te horen, vers 1 enz. waarover zij zich zeer verwondert, 3. en zij vereert hem met geschenken, 9. ontvangt ook geschenken van Salomo, en keert terug naar huis, 12. Salomo's goud en inkomen, 13. Zijn rondassen en schilden, 15. de ivoren troon, 17. de gouden vaten, 20. hoe hij door de naburige koningen vereerd wordt, 23. Zijn macht en rijkdom, 25. zijn regering en dood, 30.*

**1** [^2kronieken-9-1-a] En[^2kronieken-9-1-1] toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar leger, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v1)

**2** En Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v2)

**3** Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v3)

**4** En het voedsel van zijn tafel, en het[^2kronieken-9-4-2] zitten van zijn knechten, en het[^2kronieken-9-4-3] staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis van[^2kronieken-9-4-4] YHWH, zo was in haar geen geest meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v4)

**5** En zij zei tot de koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw[^2kronieken-9-5-5] zaken en van uw wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v5)

**6** En ik heb hun woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet aangezegd;[^2kronieken-9-6-6] u hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v6)

**7** Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v7)

**8** Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op[^2kronieken-9-8-7] Zijn[^2kronieken-9-8-8] troon, voor YHWH, uw God, tot een koning te zetten; omdat uw God van Israël houdt, om het tot in eeuwigheid[^2kronieken-9-8-9] op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v8)

**9** En zij gaf de koning honderd en twintig[^2kronieken-9-9-10] talenten goud, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was[^2kronieken-9-9-11] zoals deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, geen geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v9)

**10** Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit[^2kronieken-9-10-12] Ofir, brachten[^2kronieken-9-10-13] algummimhout en edelgesteente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v10)

**11** [^2kronieken-9-11-b] En de koning maakte van dat algummimhout[^2kronieken-9-11-14] hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers;[^2kronieken-9-11-15] zoiets was ook te voren in het land van Juda niet geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v11)

**12** En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde,[^2kronieken-9-12-16] behalve wat zij tot de koning gebracht had; zo keerde zij, en trok naar haar land, zij en haar knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v12)

**13** Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op één jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v13)

**14** Behalve dat zij van de[^2kronieken-9-14-17] marskramers en de kooplieden inbrachten; ook[^2kronieken-9-14-18] brachten alle koningen van Arabië, en de vorsten van dat land, goud en zilver aan Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v14)

**15** Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels[^2kronieken-9-15-19] van geslagen goud liet hij opwegen tot elk groot schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v15)

**16** Ook driehonderd schilden van geslagen goud;[^2kronieken-9-16-20] driehonderd sikkels goud liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in[^2kronieken-9-16-21] het huis van het woud van de Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v16)

**17** Nog maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met[^2kronieken-9-17-22] louter goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v17)

**18** En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan de troon vast zijnde, en[^2kronieken-9-18-23] leuningen[^2kronieken-9-18-24] aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v18)

**19** En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; zoiets is in geen koninkrijk gemaakt geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v19)

**20** Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van de Libanon waren van[^2kronieken-9-20-25] gesloten goud; het[^2kronieken-9-20-26] zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v20)

**21** Want de schepen van de koning voeren naar Tharsis, met de knechten van[^2kronieken-9-21-27] Huram; eens in drie jaar kwamen de schepen van[^2kronieken-9-21-28] Tharsis in, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v21)

**22** Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v22)

**23** En[^2kronieken-9-23-29] alle koningen van de aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v23)

**24** En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen,[^2kronieken-9-24-30] van elk van jaar tot jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v24)

**25** Ook had[^2kronieken-9-25-c] Salomo[^2kronieken-9-25-31] vier duizend paardenstallen, en[^2kronieken-9-25-32] wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in[^2kronieken-9-25-33] de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v25)

**26** En hij heerste over alle koningen, van[^2kronieken-9-26-34] de[^2kronieken-9-26-35] rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v26)

**27** [^2kronieken-9-27-d] Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v27)

**28** En zij brachten voor Salomo[^2kronieken-9-28-36] paarden uit Egypte, en uit al die landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v28)

**29** Het overige nu van[^2kronieken-9-29-37] de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de[^2kronieken-9-29-38] woorden[^2kronieken-9-29-39] van Nathan, de profeet, en in de profetie van[^2kronieken-9-29-40] Ahia, de Siloniet, en[^2kronieken-9-29-41] in de visioenen van[^2kronieken-9-29-42] Jedi, de[^2kronieken-9-29-43] ziener,[^2kronieken-9-29-44] aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?[^2kronieken-9-29-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v29)

**30** En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v30)

**31** En Salomo ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de[^2kronieken-9-31-45] stad van zijn vader David; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/9.html#v31)

[^2kronieken-9-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 10:1 ; Matt. 12:42 ; Lukas 11:31 . 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Lukas 11:31 : De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.
[^2kronieken-9-1-1]: Kanttekening 1: toen de koningin: Zie de bredere verklaring van dit hoofdstuk op 1 Kon. 10 , alwaar deze historie eerst beschreven is.
[^2kronieken-9-4-2]: Kanttekening 2: Zie 1 Kon. 10:5 . 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^2kronieken-9-4-3]: Kanttekening 3: Versta, de welgeschikte, waarde en vaardige dienst, die hem zittende aan de tafel van zijn hofdienaren gedaan werd. Het kan ook verstaan worden van zijn dienaren in het algemeen, die omtrent hem stonden, of bij de hand waren, bereid om op zijn bevelen te wachten.
[^2kronieken-9-4-4]: Kanttekening 4: zo was in haar geen geest meer: Zie 1 Kon. 10:5 . 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^2kronieken-9-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, van uwe woorden.
[^2kronieken-9-6-6]: Kanttekening 6: u hebt overtroffen: Hebreeuws, שְּׁמוּעָ֖ה, u hebt toegedaan tot, of boven het gerucht, enz.
[^2kronieken-9-8-7]: Kanttekening 7: Zijn troon: 1 Kon. 10:9 staat, op de troon van Israël. Zij verstaat dat de Israëlieten Gods bijzonder volk en de koningen stadhouders van God waren, vervolgens dat hij God in zijn regering voor zijn overste moest kennen en in zijn naam zijn volk rechtdoen. 1 Koningen 10:9 : Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
[^2kronieken-9-8-8]: Kanttekening 8: YHWH: Dat is, om hem in zulken koninklijken staat zo te dienen dat zijn naam daardoor groot gemaakt werd.
[^2kronieken-9-8-9]: Kanttekening 9: op te richten: Of, te bevestigen, of staande gehouden.
[^2kronieken-9-9-10]: Kanttekening 10: talenten gouds: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2kronieken-9-9-11]: Kanttekening 11: gelijk deze specerij: Te weten in zulke menigte. Vergelijk 1 Kon. 10:10 . 1 Koningen 10:10 : En zij gaf de koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.
[^2kronieken-9-10-12]: Kanttekening 12: Zie 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^2kronieken-9-10-13]: Kanttekening 13: Ook genaamd almuggimhout, 1 Kon. 10:11 . Zie daar de aantekening. 1 Koningen 10:11 : Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.
[^2kronieken-9-11-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 10:12 . 1 Koningen 10:12 : En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag.
[^2kronieken-9-11-14]: Kanttekening 14: hoge gangen: Hebbende aan beide zijden handleuningen en ondersteunsels, waarom zij ook steunsels genaamd zijn, 1 Kon. 10:12 ; door deze gangen ging men van het huis van de koning tot het huis van YHWH. Zie 1 Kon. 10:12 . 1 Koningen 10:12 : En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag. 1 Koningen 10:12 : En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van YHWH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag.
[^2kronieken-9-11-15]: Kanttekening 15: Te weten, algummimhout.
[^2kronieken-9-12-16]: Kanttekening 16: behalve wat: Dat is, zonder wat hij haar gaf voor wat zij hem geschonken had.
[^2kronieken-9-14-17]: Kanttekening 17: Zie van deze 1 Kon. 10:15 . 1 Koningen 10:15 : Behalve dat van de kramers was, en van de handel van de kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land.
[^2kronieken-9-14-18]: Kanttekening 18: Te weten, om hun jaarlijkse schatting te betalen.
[^2kronieken-9-15-19]: Kanttekening 19: sikkelen : Van de gemene gouden sikkel, zie Gen. 24:22 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds.
[^2kronieken-9-16-20]: Kanttekening 20: driehonderd sikkelen : Of drie ponden, of minen gouds, gelijk er staat 1 Kon. 10:17 , doende elk pond honderd sikkelen. Zie daar de aantekening. 1 Koningen 10:17 : Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon.
[^2kronieken-9-16-21]: Kanttekening 21: het huis van het woud: Zie van dit huis 1 Kon. 7:2 , enz., en de aantekening. 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^2kronieken-9-17-22]: Kanttekening 22: louter goud: Ja met het allergelouterdste. Zie 1 Kon. 10:18 , waar het dicht goud genaamd wordt. 1 Koningen 10:18 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog dezelfde met dicht goud.
[^2kronieken-9-18-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, handen.
[^2kronieken-9-18-24]: Kanttekening 24: aan beide zijden: Hebreeuws, שָּׁ֑בֶת, van hier, van van daar, of, van ginds, en van weer; zo in vers 19 . 2 Kronieken 9:19 : En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; evenzo is in geen koninkrijk gemaakt geweest.
[^2kronieken-9-20-25]: Kanttekening 25: gesloten goud: Zie 1 Kon. 6:20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^2kronieken-9-20-26]: Kanttekening 26: Deze woorden met de volgende van vers 20 worden ook aldus vertaald: Geen zilver was er aan; \[want\] het was in de dagen van Salomo \[niet\] voor enig ding geacht. 2 Kronieken 9:20 : Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis van het woud van de Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht.
[^2kronieken-9-21-27]: Kanttekening 27: eens in drie jaren: Het oorspronkelijke woord, dat anders betekent ene, wordt dus voor eens, of eenmaal ook genomen; Ex. 30:10 ; Joz. 6:3 ; 2 Kon. 4:35 , en 2 Kon. 6:10 ; Job 33:14 , en Job 39:38 . Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden voor YHWH! Jozua 6:3 : U dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; zo zult u doen zes dagen lang. 2 Koningen 4:35 : Daarna kwam hij weer, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens daarheen, en klom weer op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. 2 Koningen 6:10 : Daarom zond de koning van Israël heen aan die plaats, waarvan hem de man van God gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich daar, niet eenmaal, noch tweemaal. Job 33:14 : Maar God spreekt eens of tweemaal; maar men let niet daarop. Job 39:38 : Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.
[^2kronieken-9-21-28]: Kanttekening 28: Tharsis in: Zie 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^2kronieken-9-23-29]: Kanttekening 29: alle koningen: Te weten, tot welke het gerucht van Salomo's wijsheid en rijkdom gekomen was.
[^2kronieken-9-24-30]: Kanttekening 30: elk van jaar tot jaar: Hebreeuws, שָׁנָֽה, de zaak van het jaar in het jaar; dat is, elk geschenk jaarlijks; zo 1 Kon. 10:25 . 1 Koningen 10:25 : En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.
[^2kronieken-9-25-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 4:26 ; 1 Kon. 10:26 ; 2 Kron. 1:14 . 1 Koningen 4:26 : Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren. 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 2 Kronieken 1:14 : En Salomo vergaderde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
[^2kronieken-9-25-31]: Kanttekening 31: vier duizend paardenstallen: Hoe dit te vergelijken is met 1 Kon. 4:26 , waar het getal is van veertig duizend, zie daar de aantekening. 1 Koningen 4:26 : Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren.
[^2kronieken-9-25-32]: Kanttekening 32: Versta niet van deze wagens, dat zij mee vier duizend zouden geweest zijn; maar het getal derzelve is hier verzwegen, en wordt uitgedrukt 1 Kon. 10:26 . 1 Koningen 10:26 : Daartoe vergaderde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
[^2kronieken-9-25-33]: Kanttekening 33: Zie 1 Kon. 9:19 . 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land zijn heerschappij.
[^2kronieken-9-26-34]: Kanttekening 34: Namelijk, Eufraat, die door uitnemendheid, de rivier genoemd wordt. Zie Gen. 31:21 . Hier is de vervulling van de beloften aan Abraham gedaan, Gen. 15:18 . Zie ook 1 Kon. 4:21 , en de aantekening. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: 1 Koningen 4:21 : En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.
[^2kronieken-9-26-35]: Kanttekening 35: tot aan het land van de Filistijnen: Merk hier het gebied van Palestina; de rivier Eufraat was zijn pale oosten noordwaarts, het land van de Filistijnen westwaarts, en Egypte zuidwaarts. Vergelijk Gen. 15:18 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^2kronieken-9-27-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 1:15 . 2 Kronieken 1:15 : En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte.
[^2kronieken-9-28-36]: Kanttekening 36: paarden uit Egypte: Van de tol van de paarden en andere waren uit Egypte komende, die Salomo trok, zie 1 Kon. 10:28 , en de aantekening, en boven, 2 Kron. 1:16 . 1 Koningen 10:28 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs. 2 Kronieken 1:16 : En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs.
[^2kronieken-9-29-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, woorden.
[^2kronieken-9-29-38]: Kanttekening 38: Dat is, boeken of schriften. Deze nu hielden in de geschiedenissen van Salomo en Jerobeam, en zijn niet overgebleven, maar zonder nadeel van Gods kerk, zijnde de kanonieke Schrift, zo zij ons van God nagelaten is, geheel volkomen om ons volmaaktelijk te onderwijzen van al wat ons nodig is te geloven en te doen ter zaligheid.
[^2kronieken-9-29-39]: Kanttekening 39: Zie van deze profeet 2 Sam. 7:2 . 2 Samuël 7:2 : Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen.
[^2kronieken-9-29-40]: Kanttekening 40: Zie van deze ook 1 Kon. 11:29 . 1 Koningen 11:29 : Het geschiedde nu in die tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op de weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;
[^2kronieken-9-29-41]: Kanttekening 41: in de gezichten: Van de profetische gezichten, zie Gen. 15:1 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^2kronieken-9-29-42]: Kanttekening 42: Zie van deze onder, 2 Kron. 12:15 , waar hij Iddo genaamd wordt, en 2 Kron. 15:1 , waar hij heet Oded. 2 Kronieken 12:15 : De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, de profeet, en Iddo, de ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen? 2 Kronieken 15:1 : Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded.
[^2kronieken-9-29-43]: Kanttekening 43: Versta, een profeet, aan wie God verborgen dingen door gezichten openbaart. Zie Num. 12:6 , en Num. 24:4 ; 1 Sam. 9:9 . Numeri 12:6 : En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Numeri 24:4 : De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het gezicht van de Almachtige ziet; die verrukt wordt, en aan wie de ogen ontdekt worden! 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^2kronieken-9-29-44]: Kanttekening 44: Anders, van, of tegen.
[^2kronieken-9-29-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 11:41 . 1 Koningen 11:41 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek van de geschiedenissen van Salomo?
[^2kronieken-9-31-45]: Kanttekening 45: stad zijn vader Davids: Zie 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.

### 2 Kronieken 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/10.json)

*Rehabeam trekt naar Sichem, om door het volk dat aldaar verzameld was, tot koning gemaakt te worden, vers 1 enz. Het volk vraagt door Jerobeam om verlichting van de zware lasten, 2. Rehabeam, die niet de raad van de ouden, maar van de jonge heren volgt, geeft het volk een hard antwoord, 6. Daarom vallen tien stammen van hem af, 16. en stenigen zijn opzichter Hadoram, maar hij vlucht naar Jeruzalem, 18.*

**1** [^2kronieken-10-1-a] En[^2kronieken-10-1-1] Rehabeam trok naar[^2kronieken-10-1-2] Sichem; want het hele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v1)

**2** Het gebeurde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dat hoorde[^2kronieken-10-2-b] (hij nu was in Egypte, alwaar hij[^2kronieken-10-2-3] van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht was), dat Jerobeam uit Egypte[^2kronieken-10-2-4] terugkeerde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v2)

**3** Want zij[^2kronieken-10-3-5] zonden heen, en lieten hem roepen; zo kwam Jerobeam met het hele Israël, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v3)

**4** Uw vader heeft ons juk[^2kronieken-10-4-6] hard gemaakt, nu dan,[^2kronieken-10-4-7] maak u de harde dienst van uw vader, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v4)

**5** En hij zei tot hen: Kom over drie dagen weer tot mij. En het volk ging heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v5)

**6** En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v6)

**7** En zij spraken tot hem, zeggende: Als u dit volk[^2kronieken-10-7-8] goedertieren en tegenover hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij[^2kronieken-10-7-9] altijd uw knechten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v7)

**8** Maar hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met[^2kronieken-10-8-10] de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v8)

**9** En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v9)

**10** En de jongemannen die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken:[^2kronieken-10-10-11] Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan het middel van mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v10)

**11** Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen;[^2kronieken-10-11-12] mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal[^2kronieken-10-11-13] u met[^2kronieken-10-11-14] schorpioenen straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v11)

**12** Zo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning gesproken had, zeggende: Kom weer tot mij op de derde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v12)

**13** En de koning antwoordde[^2kronieken-10-13-15] hun hard; want de koning Rehabeam verliet[^2kronieken-10-13-16] de raad van de oudsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v13)

**14** En hij sprak tot hen naar de raad van de jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v14)

**15** Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze[^2kronieken-10-15-17] omwending was van God, opdat YHWH Zijn woord bevestigde, dat Hij[^2kronieken-10-15-c] door de[^2kronieken-10-15-18] dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v15)

**16** Toen het[^2kronieken-10-16-19] hele volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo[^2kronieken-10-16-20] antwoordde het volk de koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij aan de zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het hele Israël naar zijn tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v16)

**17** Maar voor wat betreft de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v17)

**18** Toen[^2kronieken-10-18-21] zond de koning Rehabeam[^2kronieken-10-18-22] Hadoram, die over de[^2kronieken-10-18-23] belasting was; en de Israëlieten stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v18)

**19** Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af,[^2kronieken-10-19-24] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/10.html#v19)

[^2kronieken-10-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 12:1 . 1 Koningen 12:1 : En Rehabeam toog naar Sichem, want het gehele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.
[^2kronieken-10-1-1]: Kanttekening 1: De bredere verklaring van dit hoofdstuk is te vinden 1 Kon. 12 , waar deze historie eerst beschreven is.
[^2kronieken-10-1-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 12:6 . Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
[^2kronieken-10-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 11:40 . 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
[^2kronieken-10-2-3]: Kanttekening 3: van het aangezicht: Uit vrees van Salomo, die hem zocht te doden, misschien vernomen hebbende de profetie van Ahia; 1 Kon. 11:40 . 1 Koningen 11:40 : Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.
[^2kronieken-10-2-4]: Kanttekening 4: Welverstaande niet meteen, als hij hoorde dat Salomo overleden was, maar als hij van de Israëlieten ontboden was. Zie 1 Kon. 12:2 , 12:3 , en hier het volgende vers. 1 Koningen 12:2 : Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht; en Jerobeam woonde in Egypte), 1 Koningen 12:3 : Dat zij heen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de gehele gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:
[^2kronieken-10-3-5]: Kanttekening 5: zonden heen: Te weten, boden.
[^2kronieken-10-4-6]: Kanttekening 6: hard gemaakt: Versta dit van de burgerlijke lasten. Want zij moesten Salomo zijn onderhoud opbrengen, die zeer kostelijk hof hield. Zie 1 Kon. 4:7 , enz. en voornamelijk, 1 Kon. 4:22 , 4:23 . 1 Koningen 4:7 : En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen. 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 1 Koningen 4:23 : Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeën, en buffelen en gemeste vogels.
[^2kronieken-10-4-7]: Kanttekening 7: maak u: Hebreeuws, הָקֵל֩, verlicht, of licht van uw vaders harde dienst en van zijn zwaar juk. Zo onder, vers 9 . Men kan dit aldus overzetten: minder van de harde dienst van uw vader; en zo in het volgende. 2 Kronieken 10:9 : En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?
[^2kronieken-10-7-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, voor goed, of ten goede; dat is, genegen tot goedertierenheid, vriendschap en weldadigheid. Vergelijk Neh. 5:19 ; Ps. 86:17 . Nehemia 5:19 : Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. Psalmen 86:17 : Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als U, YHWH! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.
[^2kronieken-10-7-9]: Kanttekening 9: te alle dage: Dat is, zolang als u leeft.
[^2kronieken-10-8-10]: Kanttekening 10: de jongelingen: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 44:20 . Deze jonge heren moeten redelijk bedaagd geweest zijn, omdat Rehabeam, met wie zij opgewassen waren, een en veertig jaren oud was toen hij aan de regering kwam; 1 Kon. 14:21 , en onder 2 Kron. 12:13 . Genesis 44:20 : Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinste, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. 1 Koningen 14:21 : Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische. 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische.
[^2kronieken-10-10-11]: Kanttekening 11: Mijn kleinste vinger : Zie de verklaring 1 Kon. 12:10 . 1 Koningen 12:10 : En de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan de lenden van mijn vader.
[^2kronieken-10-11-12]: Kanttekening 12: mijn vader heeft u met geselen gekastijd: Zie 1 Kon. 12:11 . 1 Koningen 12:11 : Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
[^2kronieken-10-11-13]: Kanttekening 13: zal u : Deze woorden zijn hier, en in vers 14 ingevoegd uit 1 Kon. 12:11 , 12:14 . Zie ook daar op vers 11 de verklaring derzelver. 1 Koningen 12:11 : Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden. 1 Koningen 12:14 : En hij sprak tot hen naar de raad van de jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
[^2kronieken-10-11-14]: Kanttekening 14: met schorpioenen kastijden : Dat is, met geselen, die scherpe en kromme haken hebben, om het vlees ijselijk te verscheuren, gelijk de scorpioenen met hun kromme en scherpe staarten dodelijke wonden geven.
[^2kronieken-10-13-15]: Kanttekening 15: Dat is, het volk, dat met Jerobeam tot de koning gekomen was; 1 Kon. 12:13 . 1 Koningen 12:13 : En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden.
[^2kronieken-10-13-16]: Kanttekening 16: de raad van de oudsten: Namelijk, die zij hem geraden hadden; gelijk staat 1 Kon. 12:13 , en zie de raad, boven, vers 7 . 1 Koningen 12:13 : En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden. 2 Kronieken 10:7 : En zij spraken tot hem, zeggende: Als u dit volk goedertieren en tegenover hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te alle dage uw knechten zijn.
[^2kronieken-10-15-17]: Kanttekening 17: Het Hebreeuwse woord nesibhah, dat wij hier hebben, is, naar sommiger gevoelen, vast van enerlei betekenis met sibbah, dat 1 Kon. 12:15 staat; gelijk zij ook zijn van enerlei oorsprong. Zij betekenen beide omwending, omgang, omkering; idem, oorzaak. Versta dan door deze omwending het werk, dat alhier geschiedde, waardoor de Israëlieten zich omgekeerd hebben van het huis Davids, voorzover de oorzaak daarvan geweest is in Gods rechtvaardig oordeel, straffende de zonden van de mensen. Zie hiervan breder de verklaring 1 Kon. 12:15 . 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^2kronieken-10-15-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 11:31 . 1 Koningen 11:31 : En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.
[^2kronieken-10-15-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, de hand.
[^2kronieken-10-16-19]: Kanttekening 19: gehele volk Israël: Welverstaande, uitgenomen de stam Juda, en de Israëlieten die daaronder sorteerden; van dewelke gesproken wordt in het volgende vers.
[^2kronieken-10-16-20]: Kanttekening 20: Het Hebreeuwse woord is ook voor antwoorden genomen, zonder het woord dabar bij zich te hebben, Job 13:22 , en Job 33:32 , maar het wordt er bij gevonden 1 Kon. 12:16 . Job 13:22 : Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. Job 33:32 : Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten.
[^2kronieken-10-18-21]: Kanttekening 21: Te weten, om de verstoorde Israëlieten tevreden te stellen en tot de gehoorzaamheid van het huis van David weer te brengen.
[^2kronieken-10-18-22]: Kanttekening 22: Ook genaamd Adoram, 1 Kon. 12:18 ; idem \[naar eniger gevoelen\] Adoniram, 1 Kon. 4:6 . 1 Koningen 12:18 : Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het gehele Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^2kronieken-10-18-23]: Kanttekening 23: Versta, de persoonlijke schatting, waarvan zie 1 Kon. 5:13 , 5:14 . 1 Koningen 5:13 : En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit geheel Israël; en het uitschot was dertig duizend man. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend van de maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.
[^2kronieken-10-19-24]: Kanttekening 24: tot op deze dag: Dat is, welke afvallige en ontrouwe mishandeling nog duurt tot op deze dag, te weten, als dit geschreven werd.

### 2 Kronieken 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/11.json)

*Rehabeam tracht de Israëlieten oorlog aan te doen, vers 1 enz. maar het wordt hem door God verboden door de profeet Semaja, 2. Hij bouwt vestingen, die hij voorziet van allerlei voorraad, 5. ontvangt en herbergt de priesters en Levieten, die Israël verlaten vanwege de afgoderij van Jerobeam, 13. neemt vele vrouwen en bijvrouwen, bij wie hij vele kinderen krijgt, 18. die hij tot bestuurders van zijn sterke steden maakt, 23.*

**1** [^2kronieken-11-1-1][^2kronieken-11-1-a] Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, verzamelde hij het[^2kronieken-11-1-2] huis van Juda en[^2kronieken-11-1-3] Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend uitgelezenen,[^2kronieken-11-1-4] geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam bracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v1)

**2** Maar het woord van YHWH kwam tot Semaja,[^2kronieken-11-2-5] de man van God, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v2)

**3** Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het hele Israël[^2kronieken-11-3-6] in Juda en Benjamin, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen[^2kronieken-11-4-7] uw broers; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is[^2kronieken-11-4-8] van Mij gebeurd. En zij hoorden de woorden van YHWH, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken.[^2kronieken-11-4-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v4)

**5** Rehabeam nu woonde te[^2kronieken-11-5-9] Jeruzalem; en hij[^2kronieken-11-5-10] bouwde steden tot vestingen in[^2kronieken-11-5-11] Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v5)

**6** Hij bouwde nu[^2kronieken-11-6-12] Bethlehem, en[^2kronieken-11-6-13] Etham, en[^2kronieken-11-6-14] Thekoa, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v6)

**7** En Beth-Zur, en Socho, en Adullam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v7)

**8** En[^2kronieken-11-8-15] Gath, en[^2kronieken-11-8-16] Maresa, en Zif, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v8)

**9** En Adoraim, en Lachis, en Azeka, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v9)

**10** En[^2kronieken-11-10-17] Zora, en[^2kronieken-11-10-18] Ajalon, en[^2kronieken-11-10-19] Hebron; die in Juda en in Benjamin de versterkte steden waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v10)

**11** En hij sterkte deze vestingen, en legde[^2kronieken-11-11-20] oversten daarin, en schatten van voedsel, en olie, en wijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v11)

**12** En in[^2kronieken-11-12-21] elke stad[^2kronieken-11-12-22] grote schilden en speren, en sterkte ze geheel zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v12)

**13** Daartoe de priesters en de Levieten,[^2kronieken-11-13-23] die in het hele Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v13)

**14** Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want[^2kronieken-11-14-c] Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het[^2kronieken-11-14-24] priesterdom van YHWH te mogen bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v14)

**15** En hij[^2kronieken-11-15-d] had zich priesters gesteld voor de[^2kronieken-11-15-25] hoogte, en voor de[^2kronieken-11-15-26] demonen, en voor de[^2kronieken-11-15-27] kalveren, die hij gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v15)

**16** Na[^2kronieken-11-16-28] die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te[^2kronieken-11-16-29] zoeken, dat zij YHWH, de God van hun vaders, offergave deden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v16)

**17** Zo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaar; want[^2kronieken-11-17-30] drie jaar[^2kronieken-11-17-31] wandelden zij in de weg van David, en[^2kronieken-11-17-32] Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v17)

**18** En Rehabeam nam[^2kronieken-11-18-33] naast Mahalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, ook Abihaïl, de dochter[^2kronieken-11-18-34] van Eliab, de zoon van Isaï, tot vrouw, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v18)

**19** Die hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v19)

**20** En na haar nam hij[^2kronieken-11-20-35][^2kronieken-11-20-e] Maächa, de dochter[^2kronieken-11-20-36] van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v20)

**21** En Rehabeam had Maächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn[^2kronieken-11-21-37] bijvrouwen; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijvrouwen; en hij verwekte acht en twintig zonen en zestig dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v21)

**22** En Rehabeam stelde Abia, de zoon van Maächa,[^2kronieken-11-22-38] tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broers; want het was om hem koning te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v22)

**23** En[^2kronieken-11-23-39] hij handelde verstandig, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle versterkte steden verspreidde,[^2kronieken-11-23-40] die hij voedsel gaf in overvloed; en hij[^2kronieken-11-23-41] begeerde de veelheid van vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/11.html#v23)

[^2kronieken-11-1-1]: Kanttekening 1: Toen nu: Zie de bredere verklaring van 1 Kron. 11 , 1 Kon. 12:21 , enz. 1 Koningen 12:21 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gehele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht.
[^2kronieken-11-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 12:21 . 1 Koningen 12:21 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gehele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht.
[^2kronieken-11-1-2]: Kanttekening 2: huis van Juda: Dat is, de stam van Juda. Zie 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^2kronieken-11-1-3]: Kanttekening 3: Versta, het deel van deze stam, dat de stam van Juda volgde.
[^2kronieken-11-1-4]: Kanttekening 4: Of, bedreven in de oorlog. Hebreeuws, doende krijg, of oorlog.
[^2kronieken-11-2-5]: Kanttekening 5: de man van God: Dat is, profeet; zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^2kronieken-11-3-6]: Kanttekening 6: in Juda en Benjamin: Dat is, die in Juda en Benjamin woonden en Rehabeams onderzaten waren, genaamd 1 Kon. 12:23 het overige van het volk. 1 Koningen 12:23 : Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het gehele huis van Juda en Benjamin, en overige van het volk, zeggende:
[^2kronieken-11-4-7]: Kanttekening 7: uw broers: Namelijk, de kinderen van Israël; welke verklaring uitgedrukt is 1 Kon. 12:24 . Broederen worden genaamd, die van één natie en volk zijn, Ex. 2:11 ; Lev. 10:6 ; Deut. 15:12 ; Rom. 9:3 . 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH. Exodus 2:11 : En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broers, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broers sloeg. Leviticus 10:6 : En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: U zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw kleren verscheuren, opdat u niet sterft, en grote toorn over de gehele vergadering kome; maar uw broers, het gehele huis van Israël, zullen deze brand, die YHWH aan gestoken heeft, bewenen. Deuteronomium 15:12 : Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. Romeinen 9:3 : Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broers, die mijn familie zijn naar het vlees;
[^2kronieken-11-4-8]: Kanttekening 8: van Mij geschied: Zie 1 Kon. 12:15 . 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^2kronieken-11-4-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 12:24 . 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH.
[^2kronieken-11-5-9]: Kanttekening 9: De hoofdstad van zijn koninkrijk.
[^2kronieken-11-5-10]: Kanttekening 10: bouwde steden: Versta dit meest van de versterking van deze steden, die tevoren gebouwd waren; zo onder, 2 Kron. 14:6 , en 2 Kron. 16:1 , 16:5 . 2 Kronieken 14:6 : Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat YHWH hem rust gaf. 2 Kronieken 16:1 : In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda. 2 Kronieken 16:5 : En het geschiedde, als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.
[^2kronieken-11-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, in dat deel van het land, dat nog met hem hield en onder zijn gebied stond, als voornamelijk de stam van Juda; daaronder dat ook kwam een deel van Simeon en van Benjamin.
[^2kronieken-11-6-12]: Kanttekening 12: Gelegen in de stam van Juda, en daarom genaamd Bethlehem-Juda, Joz. 19:15 ; zie Gen. 35:19 , waar dit Bethlehem in Juda ook genaamd wordt Efrata. Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem.
[^2kronieken-11-6-13]: Kanttekening 13: Een stad in Simeon, omtrent de westpale van de stam van Juda, 1 Kron. 4:31 , 4:32 . 1 Kronieken 4:31 : En te Beth-markaboth, en te Hazar-susim, en te Beth-biri, en te Saäraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd. 1 Kronieken 4:32 : En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
[^2kronieken-11-6-14]: Kanttekening 14: Deze stad en de drie volgende zijn in Juda gelegen. Zie van deze vier Joz. 12:15 , en Joz. 15:35 , 15:58 ; 2 Sam. 14:2 ; 1 Kron. 2:24 , 2:25 . Jozua 12:15 : De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een; Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, Jozua 15:58 : Halhul, Beth-Zur, en Gedor, 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; 1 Kronieken 2:24 : En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa. 1 Kronieken 2:25 : De kinderen van Jerahmeël nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
[^2kronieken-11-8-15]: Kanttekening 15: Zie van deze stad 1 Kon. 2:39 . 1 Koningen 2:39 : Maar het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
[^2kronieken-11-8-16]: Kanttekening 16: Deze stad en de vier volgende waren in Juda gelegen. Zie van dezelfde Joz. 10:10 , en Joz. 15:24 ; 2 Kon. 14:19 ; 1 Kron. 2:42 , en 1 Kron. 4:21 ; Jer. 34:7 . Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. Jozua 15:24 : Zif, en Telem, en Bealoth, 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar. 1 Kronieken 2:42 : De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron. 1 Kronieken 4:21 : De kinderen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis van de linnenwerkers in het huis Asbea. Jeremia 34:7 : Als de legermacht van de koning van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.
[^2kronieken-11-10-17]: Kanttekening 17: Men leest van een Zora in de stam van Juda, Joz. 15:33 , en van een ander in Dan, Joz. 19:41 . Jozua 15:33 : In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, Jozua 19:41 : En de landpale van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes,
[^2kronieken-11-10-18]: Kanttekening 18: Daar waren ook meer steden van deze naam; maar versta hier een Ajalon in Benjamin; en onder het rijk van Juda sorterende. Vergelijk Joz. 19:42 ; 1 Kron. 8:13 . Jozua 19:42 : En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, 1 Kronieken 8:13 : En Beria, en Sema; deze waren familiehoofden van de inwoners te Ajalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven.
[^2kronieken-11-10-19]: Kanttekening 19: Zie Gen. 23:2 . Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^2kronieken-11-11-20]: Kanttekening 20: Versta, gouverneurs en bevelhebbers, welke hij de bewaring van die steden en van het land, daaronder en daaromtrent gelegen, tegen allen vijandelijken inval heeft bevolen. Hiertoe heeft zijn zonen gekozen. Zie onder, vers 23 . 2 Kronieken 11:23 : En hij handelde verstandig, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij voedsel gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.
[^2kronieken-11-12-21]: Kanttekening 21: elke stad: Hebreeuws, עִיר֙, alle stad en stad. Zie Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^2kronieken-11-12-22]: Kanttekening 22: Versta, allerlei wapentuig, zowel tot beschadiging van zijn vijand, als tot zijn eigen bescherming dienende.
[^2kronieken-11-13-23]: Kanttekening 23: die in het gehele Israël waren: Dat is, die door het gehele gebied en koninkrijk Jerobeams met hun woningen verspreid waren.
[^2kronieken-11-14-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 13:9 . 2 Kronieken 13:9 : Hebt u niet de priesters van YHWH, de zonen van Aäron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesters gemaakt, gelijk de volken van de landen? Een iedereen, die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die geen goden zijn.
[^2kronieken-11-14-24]: Kanttekening 24: Vergelijk 1 Kon. 12:27 , enz. 1 Koningen 12:27 : Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis van YHWH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren.
[^2kronieken-11-15-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 12:31 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi.
[^2kronieken-11-15-25]: Kanttekening 25: Te weten, die hij de afgoden ter ere en ten dienste had laten oprichten, 1 Kon. 12:31 ; van de hoogten, zie Lev. 26:30 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-11-15-26]: Kanttekening 26: Zie Lev. 17:7 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^2kronieken-11-15-27]: Kanttekening 27: Zie 1 Kon. 12:28 , 12:29 , en de aantekening. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29 : En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
[^2kronieken-11-16-28]: Kanttekening 28: Namelijk Levieten; van wie in vers 14 gesproken is. 2 Kronieken 11:14 : Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom van YHWH te mogen bedienen.
[^2kronieken-11-16-29]: Kanttekening 29: Dat is, recht te leren kennen, zuiverlijk te dienen, vuriglijk aan te roepen, trouwelijk te gehoorzamen, en in al deze gestadiglijk te volharden, om hierna in eeuwigheid met Hem te leven. Zo onder, 2 Kron. 15:2 , 15:12 , 15:15 ; Ps. 69:33 ; Jer. 50:4 ; Amos 5:4 . 2 Kronieken 15:2 : En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! YHWH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten. 2 Kronieken 15:12 : En zij traden in een verbond, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, zoeken zouden met hun gehele hart en met hun gehele ziel. 2 Kronieken 15:15 : En geheel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden met hun gehele hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en YHWH gaf hun rust rondom heen. Psalmen 69:33 : De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, ulieder hart zal leven. Jeremia 50:4 : In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken. Amos 5:4 : Want zo zegt YHWH tot het huis van Israël: Zoekt Mij, en leeft.
[^2kronieken-11-17-30]: Kanttekening 30: drie jaren: Daarna verlieten zij de Heer. Zie onder, 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-11-17-31]: Kanttekening 31: Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2kronieken-11-17-32]: Kanttekening 32: Salomo wordt alhier de lof van de godvruchtigheid toegeschreven, ten aanzien van de eerste jaren zijn regering, of ook ten aanzien van het einde, omdat men houdt dat hij zich vóór zijn dood van zijn zonden en ijdelheden bekeerd heeft, en tot bewijs daarvan het boek, genaamd Ecclesiastes, of de Prediker, in zijn ouderdom schijnt geschreven te hebben. Overweeg in het bijzonder 2 Kron. 36:22 , 36:23 . 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 2 Kronieken 36:23 : Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? YHWH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.
[^2kronieken-11-18-33]: Kanttekening 33: Van dit woord zie 1 Kon. 11:1 . 1 Koningen 11:1 : En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat naast de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;
[^2kronieken-11-18-34]: Kanttekening 34: Ook genaamd Elihu; 1 Kron. 27:18 . 1 Kronieken 27:18 : Over Juda was Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michaël;
[^2kronieken-11-20-35]: Kanttekening 35: Ook genaamd Michaja; onder, 2 Kron. 13:2 . 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^2kronieken-11-20-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 15:2 . 1 Koningen 15:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom.
[^2kronieken-11-20-36]: Kanttekening 36: Versta, niet de zoon van de koning David, want die was zonder kinderen na te laten gestorven, maar een van Gibeä, anders Uriël genaamd; onder, 2 Kron. 13:2 . 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^2kronieken-11-21-37]: Kanttekening 37: Zie Gen. 22:24 . Genesis 22:24 : En zijn bijwijf, van wie de naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^2kronieken-11-22-38]: Kanttekening 38: tot een hoofd: Waarin hij zondigde tegen de wet, Deut. 21:15 , 21:16 . Als Abia de eerstgeborene niet was, gelijk hij uit vers 19 niet schijnt geweest te zijn; ten ware, dat hij om dit te doen een speciaal bevel door enige profeet van God gehad had, waarvan niet geschreven staat. Deuteronomium 21:15 : Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; Deuteronomium 21:16 : Zo zal het gebeuren, op de dag als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan de zoon van de beminde, voor het aangezicht van de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is. 2 Kronieken 11:19 : Dewelke hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham.
[^2kronieken-11-23-39]: Kanttekening 39: hij handelde verstandig: Hebreeuws, יִּפְרֹ֨ץ, hij verstond en verspreidde, enz.; te weten, vrezende voor verderen afval.
[^2kronieken-11-23-40]: Kanttekening 40: Te weten, zijn zoon, om het volk niet te belasten.
[^2kronieken-11-23-41]: Kanttekening 41: begeerde de veelheid van vrouwen: Versta, dat hij vele vrouwen van derzelver ouders voor zijn zonen heeft verzocht, of dat hij voor zichzelven tot veelheid van de vrouwen genegen was.

### 2 Kronieken 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/12.json)

*Omdat Rehabeam de wet van de HEERE verlaat, wordt hij beoorloogd door Sisak, de koning van Egypte, vers 1 enz. en doordat hij zich met zijn vorsten verootmoedigt, wordt hij in zijn koninkrijk behouden, 5. maar beroofd van de schatten van de tempel en van zijn koninklijk huis, 9. Hij laat koperen schilden maken in de plaats van de gouden, die Sisak geroofd had, 10. Om welke reden God Juda en Jeruzalem nog enigszins gespaard heeft, 12. Rehabeams regering en dood, 13. Abia, zijn zoon, wordt koning, 16.*

**1** [^2kronieken-12-1-a] Het gebeurde nu,[^2kronieken-12-1-1] als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij[^2kronieken-12-1-2] de wet van YHWH verliet, en[^2kronieken-12-1-3] geheel Israël met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v1)

**2** Daarom gebeurde het, in[^2kronieken-12-2-b] het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat[^2kronieken-12-2-4] Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij[^2kronieken-12-2-5] hadden overtreden tegen YHWH), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v2)

**3** Met duizend en tweehonderd wagens, en met zestig duizend ruiteren; en van het volk was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte,[^2kronieken-12-3-6] Libyers,[^2kronieken-12-3-7] Suchieten en[^2kronieken-12-3-8] Moren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v3)

**4** En hij nam de[^2kronieken-12-4-9] versterkte steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v4)

**5** Toen kwam[^2kronieken-12-5-10] Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren,[^2kronieken-12-5-11] uit oorzaak van Sisak, en hij zei tot hen: Zo zegt YHWH: U hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v5)

**6** Toen[^2kronieken-12-6-12] verootmoedigden zich de oversten[^2kronieken-12-6-13] van Israël en de koning, en zij zeiden: YHWH is rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v6)

**7** Als nu YHWH zag, dat zij zich verootmoedigden, kwam het woord van YHWH tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun[^2kronieken-12-7-14] in kort[^2kronieken-12-7-15] ontkoming geven, dat Mijn woede over Jeruzalem door de hand van Sisak[^2kronieken-12-7-16] niet zal uitgegoten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v7)

**8** Maar zij zullen[^2kronieken-12-8-17] hem tot knechten zijn,[^2kronieken-12-8-18] opdat zij onderkennen Mijn dienst, en de dienst van[^2kronieken-12-8-19] de koninkrijken van de landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v8)

**9** Zo trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de[^2kronieken-12-9-20] schatten van het huis van YHWH en de schatten van het huis van de koning[^2kronieken-12-9-21] weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo[^2kronieken-12-9-c] gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v9)

**10** En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de[^2kronieken-12-10-22] oversten van de lijfwachten, die de deur van het huis van de koning bewaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v10)

**11** En het gebeurde, zo wanneer de koning in het huis van YHWH ging, dat de lijfwachten kwamen, en[^2kronieken-12-11-23] die droegen, en die wederbrachten in de[^2kronieken-12-11-24] wachtkamer van de lijfwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v11)

**12** En als[^2kronieken-12-12-25] hij zich verootmoedigde, keerde de toorn van YHWH van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog[^2kronieken-12-12-26] goede dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v12)

**13** Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde;[^2kronieken-12-13-d] want Rehabeam was een en veertig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van[^2kronieken-12-13-e] Israël gekozen had, om[^2kronieken-12-13-27] Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v13)

**14** En hij deed dat kwaad was, omdat hij[^2kronieken-12-14-28] zijn hart niet richtte, om YHWH[^2kronieken-12-14-29] te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v14)

**15** De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in[^2kronieken-12-15-30] de woorden van[^2kronieken-12-15-31] Semaja, de profeet, en[^2kronieken-12-15-32] Iddo, de ziener,[^2kronieken-12-15-33] verhalende de geslachtsregisters;[^2kronieken-12-15-34] daartoe de oorlogen van Rehabeam en Jerobeam[^2kronieken-12-15-35] in al hun dagen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v15)

**16** En Rehabeam ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de stad van David; en zijn zoon[^2kronieken-12-16-36] Abia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/12.html#v16)

[^2kronieken-12-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 14:22 . 1 Koningen 14:22 : En Juda deed, wat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.
[^2kronieken-12-1-1]: Kanttekening 1: als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had: Te weten, na drie jaren, in welke hij David en Salomo nagewandeld had. Zie boven, 2 Kron. 11:17 . 2 Kronieken 11:17 : Zo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in de weg van David, en Salomo.
[^2kronieken-12-1-2]: Kanttekening 2: de wet van YHWH verliet: Dat is, verviel van de ware leer, de zuivere godsdienst en oprechte wandel, van de wet van God voorgeschreven. Vergelijk Deut. 32:15 ; 1 Kon. 18:18 ; boven, 2 Kron. 7:19 , en onder, 2 Kron. 13:11 ; Job 6:14 ; Spreuk. 2:13 ; Jes. 1:4 ; Jer. 2:13 , enz. Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil. 1 Koningen 18:18 : Toen zei hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar u en uw vaders huis, daarmede, dat u de geboden van YHWH verlaten hebt en de Baäls nagevolgd bent. 2 Kronieken 7:19 : Maar zo u u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult; 2 Kronieken 13:11 : En zij steken aan voor YHWH brandofferen, op elke morgen en op elke avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, naast de toerichting van het brood op de reine tafel, en de gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elke avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht van YHWH, onzes Gods; maar u hebt Hem verlaten. Job 6:14 : Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid gebeuren; of hij zou de vrees voor de Almachtige verlaten. Spreuken 2:13 : Van degenen, die de paden van de oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen van de duisternis; Jesaja 1:4 : Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. Jeremia 2:13 : Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^2kronieken-12-1-3]: Kanttekening 3: geheel Israël: Dat is, Juda, en de Israëlieten die onder Juda vielen, zie 1 Kon. 12:17 . Want de andere stammen waren te voren door Jerobeam tot afwijking gebracht. Versta evenwel deze afval zo dat God zijn uitverkoren overblijfsel heeft gehad, bestaande uit de profeten, als Ahia, Semaja, Iddo, en enige priesters, Levieten en van de gemeente, die de profeten gehoor gevende zich van de besmettingen van de afgoderij zuiver gehouden hebben. Zie onder, vers 12 . 1 Koningen 12:17 : Maar aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 2 Kronieken 12:12 : En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn van YHWH van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen.
[^2kronieken-12-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 14:25 . 1 Koningen 14:25 : Het geschiedde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.
[^2kronieken-12-2-4]: Kanttekening 4: Zie 1 Kon. 14:25 . 1 Koningen 14:25 : Het geschiedde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.
[^2kronieken-12-2-5]: Kanttekening 5: hadden overtreden: Zie van hun gruwelijke zonden tegen de eerste en de tweede tafel bedreven, 1 Kon. 14:23 , 14:24 . 1 Koningen 14:23 : Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom. 1 Koningen 14:24 : Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen van de heidenen, die YHWH van het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^2kronieken-12-3-6]: Kanttekening 6: Een volk in Afrika, palende aan Egypte. Zie hiervan ook Dan. 11:43 , Nah. 3:9 . Daniël 11:43 : En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen. Nahum 3:9 : Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.
[^2kronieken-12-3-7]: Kanttekening 7: Anders genoemd Troglodieten, ook een volk in Afrika.
[^2kronieken-12-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, Kuschim; de Kusieten, dat is, de Moren en Arabieren. Zie Gen. 10:6 . Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^2kronieken-12-4-9]: Kanttekening 9: Vergelijk boven, 2 Kron. 11:5 . 2 Kronieken 11:5 : Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.
[^2kronieken-12-5-10]: Kanttekening 10: Zie van deze profeet ook 1 Kon. 12:22 en de aantekening. 1 Koningen 12:22 : Maar het woord van God geschiedde tot Semaja, de man van God, zeggende:
[^2kronieken-12-5-11]: Kanttekening 11: uit oorzaak: Of, vanwege. Hebreeuws, פְּנֵ֣י, van het aangezicht. Anders, uit vrees.
[^2kronieken-12-6-12]: Kanttekening 12: Te weten, bekennende met het hart en belijdende met de mond de goddeloosheid en ongerechtigheid van hun zonden en de rechtvaardigheid van Gods straf.
[^2kronieken-12-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, van de Israëlieten, die onder het gebied van Rehabeam stonden.
[^2kronieken-12-7-14]: Kanttekening 14: in kort: Of, na weinig, te weten, tijds, zo Job 32:22 ; Ps. 2:12 , en Ps. 81:15 ; of, een kleine verlossing, of, wat weinigs ter verlossing. Job 32:22 : Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen. Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 81:15 : In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.
[^2kronieken-12-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, verlossing.
[^2kronieken-12-7-16]: Kanttekening 16: niet zal uitgegoten worden: Dat is, mijn toorn zal zover niet gaan, dat Jeruzalem zou uitgeroeid en het volk gevankelijk weggevoerd worden; gelijk eindelijk geschied is door Nebukadnezer, de koning van Babel, 2 Kon. 25 , en onder, 2 Kron. 36 ; Jer. 52 . Anders, zal niet druipen; dat is, niet lang duren.
[^2kronieken-12-8-17]: Kanttekening 17: hem tot knechten zijn: Dat is, zij zullen hem de stad moeten overgeven, rantsoen betalen, laten wegnemen wat hij hebben wil, en zulke conditiën van de vrede ontvangen, als het hem believen zal te geven.
[^2kronieken-12-8-18]: Kanttekening 18: opdat zij onderkennen: Te weten, hoe gelukzalig de staat is dergenen, die Mij dienen en gehoorzamen naar mijn woord; en daarentegen hoe zwaar en rampzalig het is, de afgodische, en tirannische koningen van de aarde, naar hun gierigen en hoogmoedigen lust te dienen.
[^2kronieken-12-8-19]: Kanttekening 19: Of, aardse koninkrijken.
[^2kronieken-12-9-20]: Kanttekening 20: Te weten, hem \[zo het schijnt\] van de koning en het volk te nemen toegelaten als het rantsoen van de stad, om niet met geweld van wapenen overvallen en geplunderd te worden.
[^2kronieken-12-9-21]: Kanttekening 21: hij nam alles weg: Zie 1 Kon. 14:26 . 1 Koningen 14:26 : En hij nam de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.
[^2kronieken-12-9-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 10:16 ; 2 Kron. 9:15 . 1 Koningen 10:16 : Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas. 2 Kronieken 9:15 : Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas.
[^2kronieken-12-10-22]: Kanttekening 22: van de trawanten: Zie 1 Kon. 14:27 . 1 Koningen 14:27 : En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de trawanten, die de deur van het huis van de koning bewaarden.
[^2kronieken-12-11-23]: Kanttekening 23: Te weten, schilden.
[^2kronieken-12-11-24]: Kanttekening 24: Zie 1 Kon. 14:28 . 1 Koningen 14:28 : En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis van YHWH ging, dat de trawanten die droegen, en die wederbrachten in de wachtkamer van de trawanten.
[^2kronieken-12-12-25]: Kanttekening 25: hij zich verootmoedigde: Namelijk, de koning, met bewijs van leedschap en bekering.
[^2kronieken-12-12-26]: Kanttekening 26: goede dingen: Als eerstelijk de wet van Mozes; II. het woord van de profeten; III. de besnijdenis; IV. nog wat van de zuiveren godsdienst; V. enige ware gelovigen en godvruchtigen, die hun weg niet bedorven hadden; om welke dingen alle God de stad nog verschoonde; gelijk Hij met Sodom zou gedaan hebben, zo zelfs maar tien rechtvaardigen daarin waren geweest, Gen. 18:32 . Vergelijk hiermede boven, de aantekening vers 1 . Genesis 18:32 : Nog zei hij: Dat toch de Heer niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven vanwege de tienen. 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-12-13-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 14:21 . 1 Koningen 14:21 : Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijn moeder was Naäma, de Ammonietische.
[^2kronieken-12-13-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 6:6 . 2 Kronieken 6:6 : Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2kronieken-12-13-27]: Kanttekening 27: Zijn Naam: Zie 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^2kronieken-12-14-28]: Kanttekening 28: zijn hart niet richtte: Hoewel de mens dit niet kan doen door de kracht van zijn natuur, maar alleen door de genade van de wedergeboorte, Jer. 31:18 ; Matt. 7:18 ; Joh. 15:5 , zo is hij nochtans verbonden dat te doen, en strafbaar als hij het niet doet, omdat de schuld bij hem is dat hij het niet doet en niet kan doen. Jeremia 31:18 : Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent YHWH, mijn God! Mattheüs 7:18 : Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Johannes 15:5 : Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen.
[^2kronieken-12-14-29]: Kanttekening 29: YHWH te zoeken: Zie boven, 2 Kron. 11:16 . 2 Kronieken 11:16 : Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, offerande deden.
[^2kronieken-12-15-30]: Kanttekening 30: Anders, in de boeken, of in het boek. Zie boven, 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-12-15-31]: Kanttekening 31: Zie 1 Kon. 12:22 . 1 Koningen 12:22 : Maar het woord van God geschiedde tot Semaja, de man van God, zeggende:
[^2kronieken-12-15-32]: Kanttekening 32: Zie boven, 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-12-15-33]: Kanttekening 33: Anders, in het verhaal van de geslachtsregisters; of, in de geslachtsregisters; dat is, in het boek, beschrijvende de geslachten van de koningen, genaamd de historie van de profeet Iddo, onder, 2 Kron. 13:22 . 2 Kronieken 13:22 : Het overige nu van de geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van de profeet Iddo.
[^2kronieken-12-15-34]: Kanttekening 34: Dat is, zijn ook in dezelfde woorden niet beschreven de krijgen, enz.
[^2kronieken-12-15-35]: Kanttekening 35: in al hun dagen: Dat is, die hun levenlang geduurd hebben. Of, en de krijgen Rehabeams en Jerobeams waren al \[hun\] dagen; dat is, zolang als zij leefden.
[^2kronieken-12-16-36]: Kanttekening 36: Anders genaamd Abiam, 1 Kon. 14:31 , en 1 Kon. 15:1 , enz. 1 Koningen 14:31 : En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 15:1 : In het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.

### 2 Kronieken 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/13.json)

*Abia voert oorlog tegen Jerobeam, de koning van Israël, vers 1 enz. verklaart de rechtvaardigheid van zijn zaak, 4. en doordat hij op God vertrouwt, behaalt hij de overwinning, 13. De vrouwen en kinderen van Abia, 21.*

**1** In[^2kronieken-13-1-a] het achttiende jaar van de koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v1)

**2** Hij regeerde drie jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was[^2kronieken-13-2-1] Michaja, de dochter[^2kronieken-13-2-2] van Uriël, van[^2kronieken-13-2-3] Gibeä; en er was strijd tussen Abia en tussen Jerobeam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v2)

**3** En Abia[^2kronieken-13-3-4] bond de strijd aan met een leger van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v3)

**4** En Abia[^2kronieken-13-4-5] maakte zich op van boven de berg[^2kronieken-13-4-6] Zemaraim, die is in het gebergte van Efraïm; en hij zei: Hoor mij toe, Jerobeam, en geheel Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v4)

**5** Staat het u niet toe te weten, dat YHWH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in[^2kronieken-13-5-7] eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een[^2kronieken-13-5-8] zoutverbond? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v5)

**6** [^2kronieken-13-6-b] Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v6)

**7** Daartoe hebben zich[^2kronieken-13-7-9] ijdele mannen,[^2kronieken-13-7-10] kinderen Belials, tot hem verzameld, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, als Rehabeam[^2kronieken-13-7-11] jong was en zwak van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v7)

**8** En nu,[^2kronieken-13-8-12] u denkt u te versterken tegen het[^2kronieken-13-8-13] koninkrijk van YHWH, dat in de hand is van de zonen van David; u bent wel een grote menigte, maar u[^2kronieken-13-8-14] hebt gouden kalveren bij u,[^2kronieken-13-8-c] die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v8)

**9** Hebt[^2kronieken-13-9-d] u niet de priesters van YHWH, de zonen van Aäron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesters gemaakt, zoals de volken van de landen? Een ieder die komt[^2kronieken-13-9-15] om zijn hand te vullen[^2kronieken-13-9-16] met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester van degenen, die geen goden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v9)

**10** Maar wat ons betreft, YHWH is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die YHWH dienen, zijn de zonen van Aäron, en de Levieten zijn[^2kronieken-13-10-17] in het werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v10)

**11** [^2kronieken-13-11-e] En[^2kronieken-13-11-18] zij steken aan voor YHWH brandoffers,[^2kronieken-13-11-19] op elke morgen en op elke avond, ook reukwerk van[^2kronieken-13-11-20] geurende specerijen, naast de toerichting van[^2kronieken-13-11-21] het brood op de[^2kronieken-13-11-22] reine tafel, en de gouden[^2kronieken-13-11-23] kandelaar en zijn lampen, om die op elke avond[^2kronieken-13-11-24] te doen branden; want wij[^2kronieken-13-11-25] nemen waar de wacht van YHWH, van onze God; maar u hebt[^2kronieken-13-11-26] Hem verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v11)

**12** Daarom ziet, God is met ons[^2kronieken-13-12-27] aan de spitse, en Zijn priesters met[^2kronieken-13-12-28] de trompetten van het geklank, om tegen u alarmgeklank te maken; o Israëlieten, strijdt niet tegen YHWH, de[^2kronieken-13-12-29] God van uw vaders, want u zult geen voorspoed hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v12)

**13** Maar Jerobeam deed[^2kronieken-13-13-30] een achterlage omwenden, om van achter[^2kronieken-13-13-31] hen te komen; zo waren[^2kronieken-13-13-32] zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter[^2kronieken-13-13-33] hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v13)

**14** Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij de strijd voor en achter; en zij riepen tot YHWH, en de priesters[^2kronieken-13-14-34] trompetten met de trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v14)

**15** En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het gebeurde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het hele Israël[^2kronieken-13-15-35] sloeg voor Abia en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v15)

**16** En de Israëlieten vluchtten voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v16)

**17** Abia dan, en zijn volk, sloeg[^2kronieken-13-17-36] hen met een grote slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v17)

**18** Zo werden de Israëlieten[^2kronieken-13-18-37] vernederd in die tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, omdat zij op YHWH, de God van hun vaders, gesteund hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v18)

**19** En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden,[^2kronieken-13-19-38] Beth-el met[^2kronieken-13-19-39] haar bijbehorende plaatsen, en Jesana met haar bijbehorende plaatsen, en[^2kronieken-13-19-40] Efron met haar bijbehorende plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v19)

**20** En Jerobeam behield[^2kronieken-13-20-41] geen kracht meer in de dagen van Abia; maar YHWH[^2kronieken-13-20-42] sloeg hem, dat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v20)

**21** Zo versterkte zich Abia; en hij nam zich[^2kronieken-13-21-43] veertien vrouwen, en verwekte twee en twintig zonen en zestien dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v21)

**22** Het overige nu van de geschiedenissen van Abia, zo zijn[^2kronieken-13-22-44] wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van de profeet[^2kronieken-13-22-45] Iddo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/13.html#v22)

[^2kronieken-13-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 15:1 . 1 Koningen 15:1 : In het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.
[^2kronieken-13-2-1]: Kanttekening 1: Boven, 2 Kron. 11:20 genoemd Maächa. 2 Kronieken 11:20 : En na haar nam hij Maächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.
[^2kronieken-13-2-2]: Kanttekening 2: Deze was ook Absalom genaamd, boven, 2 Kron. 11:20 ; zie daar de aantekening; en onderscheid deze Uriël van een anderen van denzelfden naam, die een Leviet was; 1 Kron. 15:11 . 2 Kronieken 11:20 : En na haar nam hij Maächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith. 1 Kronieken 15:11 : En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab.
[^2kronieken-13-2-3]: Kanttekening 3: Verscheidene steden hebben deze naam gehad, en dat van de hoogte van de plaats, waarop zij gebouwd waren, want Gibeä, Hebreeuws, Gibbah, betekent een heuvel ; maar hier menen enige dat gesproken wordt van Gibeä in Benjamin; van dat zie Richt. 20:4 , 20:5 , 20:10 , 20:20 . Richteren 20:4 : Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zei: Ik kwam met mijn bijwijf te Gibeä, dewelke Benjamins is, om te overnachten. Richteren 20:5 : En de burgers van Gibeä maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden, dat zij gestorven is. Richteren 20:10 : En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. Richteren 20:20 : En de mannen van Israël togen uit ten strijde tegen Benjamin; verder schikten de mannen van Israël de strijd tegen hen bij Gibeä.
[^2kronieken-13-3-4]: Kanttekening 4: bond de strijd aan: Zie van de betekenis van dit woord 1 Kon. 20:14 . 1 Koningen 20:14 : En Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt YHWH: Door de jongens van de oversten van de landschappen. En hij zei: Wie zal de strijd aanbinden? En hij zei: U.
[^2kronieken-13-4-5]: Kanttekening 5: maakte zich op: De zin schijnt deze: dat hij, boven op de berg zijnde, wat lager afgekomen is, om van Jerobeam en zijn volk beter gehoord en verstaan te mogen worden.
[^2kronieken-13-4-6]: Kanttekening 6: Men meent dat hij gelegen is geweest aan de zuidpale van Efraïm, waar het grenst aan Benjamin; en zijn naam heeft van een stad van deze naam, tenware dat de stad van de berg haar naam mocht hebben. Zie Joz. 18:22 . Jozua 18:22 : En Beth-Araba, en Zemaraim, en Beth-El,
[^2kronieken-13-5-7]: Kanttekening 7: Zie 2 Sam. 7:13 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-13-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, een eeuwig en onvergankelijk verbond, dat niet verderft; gelijk wat met zout besprengd en doorwreven is, niet lichtelijk vergaat. Zie Num. 18:19 , en de aantekening. Numeri 18:19 : Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u.
[^2kronieken-13-6-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 11:26 . 1 Koningen 11:26 : Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen de koning.
[^2kronieken-13-7-9]: Kanttekening 9: ijdele mannen: Zie Richt. 9:4 . Richteren 9:4 : En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.
[^2kronieken-13-7-10]: Kanttekening 10: kinderen Belials: Dat is, heilloze boeven, ongeschikte en ongebonden deugnieten, die niet alleen geen mens deugd doen, maar ook onder geen wetten staan willen. Zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^2kronieken-13-7-11]: Kanttekening 11: jong was: Te weten, van moed, hart en courage, gelijk de volgende woorden verklaren. De zin is dat hij geen krijgsman of ervaren man was. Vergelijk Pred. 10:16 ; anders, van ouderdoms halve was hij een en veertig jaren oud als hij tot de regering kwam, boven, 2 Kron. 12:13 . Prediker 10:16 : Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in de morgenstond eten! 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische.
[^2kronieken-13-8-12]: Kanttekening 12: u denkt: Hebreeuws, אֹֽמְרִ֗ים, u bent zeggende; te weten, bij uzelven. Zie Gen. 20:11 ; 1 Kon. 5:5 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden. 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^2kronieken-13-8-13]: Kanttekening 13: koninkrijk van YHWH: Versta, het koninkrijk van Juda, waarvan de Heer de auteur en beschermer was.
[^2kronieken-13-8-14]: Kanttekening 14: hebt gouden kalveren bij u: Het zou mogen schijnen uit deze woorden dat zij de gouden kalveren met zich in het leger gebracht hadden, gelijk eertijds de ark van het verbond in het leger werd gebracht, 1 Sam. 4:3 , 4:4 , 4:5 , enz. 1 Samuël 4:3 : Als het volk opnieuw in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons YHWH heden geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van YHWH, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 1 Samuël 4:5 : En het geschiedde, als de ark van het verbond van YHWH in het leger kwam, zo juichte geheel Israël met een groot gejuich, zo dat de aarde dreunde.
[^2kronieken-13-8-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 12:28 . 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^2kronieken-13-9-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 12:31 ; 2 Kron. 11:14 ; idem v. 15 . 1 Koningen 12:31 : Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 2 Kronieken 11:14 : Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom van YHWH te mogen bedienen. 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.
[^2kronieken-13-9-15]: Kanttekening 15: om zijn hand te vullen: Dat is, om zichzelven in het priesterambt in te stellen en in te wijden. Zie Lev. 7:37 . Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^2kronieken-13-9-16]: Kanttekening 16: met een jong rund: Hebreeuws, בָּקָר֙, met een zoon van het rund; dat is, op een wijze, die van u verzonnen is en niet van God ingesteld.
[^2kronieken-13-10-17]: Kanttekening 17: in het werk: Te weten, in dat werk, dat hun in de wet van God voorgeschreven is.
[^2kronieken-13-11-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 2:4 . 2 Kronieken 2:4 : Zie, ik zal een huis voor de Naam van YHWH, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van de welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van de gedurigen broods, en voor de brandofferen van de morgen en van de avond, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van YHWH, onzes Gods; dat voor eeuwig is in Israël.
[^2kronieken-13-11-18]: Kanttekening 18: Te weten, de priesters.
[^2kronieken-13-11-19]: Kanttekening 19: op elke morgen en op elke avond: Hebreeuws, קְטֹֽרֶת, in morgen in morgen, in avond in avond; zo in het volgende; dat is, op elke morgen en op elke avond. Zie deze manier van spreken Gen. 7:2 , en in de aantekening. Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^2kronieken-13-11-20]: Kanttekening 20: welriekende specerijen: Zie hiervan Ex. 30:34 , enz. Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.
[^2kronieken-13-11-21]: Kanttekening 21: Versta, de toonbroden; van welke zie Lev. 24:5 , enz. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^2kronieken-13-11-22]: Kanttekening 22: reine tafel: Zie van deze tafel Ex. 25:23 , enz. Zij wordt rein genoemd, omdat zij met louter goud overtrokken was, Ex. 25:24 . Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn. Exodus 25:24 : En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.
[^2kronieken-13-11-23]: Kanttekening 23: Zie van deze Ex. 25:31 , enz. Exodus 25:31 : U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^2kronieken-13-11-24]: Kanttekening 24: te doen branden: Achtervolgens de wet; Lev. 24:2 , 24:3 , enz. Leviticus 24:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor de luchter, om de lampen gedurig aan te steken. Leviticus 24:3 : Aäron zal die voor het aangezicht van YHWH gedurig toerichten, van de avond tot de morgen, buiten de voorhang van het getuigenis, in de tent van de samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten.
[^2kronieken-13-11-25]: Kanttekening 25: nemen waar de wacht van YHWH: Zie Lev. 8:35 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.
[^2kronieken-13-11-26]: Kanttekening 26: Hem verlaten: Zie boven, 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-13-12-27]: Kanttekening 27: aan de spitse: Hebreeuws, אֱלֹהִ֧ים, in, of aan het hoofd; dat is, vooraan in de slagordening; zie Deut. 20:9 ; Micha 2:13 . Anders, ten hoofde; dat is, voor kapitein en voorvechter. Deuteronomium 20:9 : En het zal gebeuren, als die ambtlieden geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten van de heiren aan de spits van het volk bestellen. Micha 2:13 : De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en daardoor uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht heengaan; en YHWH in hun spits.
[^2kronieken-13-12-28]: Kanttekening 28: Zie van het gebruik van deze trompetten in de oorlog, Num. 10:9 . Numeri 10:9 : En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van YHWH, uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden.
[^2kronieken-13-12-29]: Kanttekening 29: de God van uw vaderen: Zie Gen. 26:24 ; zo onder, vers 18 . Genesis 26:24 : En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. 2 Kronieken 13:18 : Zo werden de kinderen van Israël vernederd in die tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, omdat zij op YHWH, de God van hun vaderen, gesteund hadden.
[^2kronieken-13-13-30]: Kanttekening 30: Bestaande uit een deel van zijn krijgsvolk, dat zich in het veld in het geheim verstopt had, om die van Juda onvoorzien van achteren te overvallen.
[^2kronieken-13-13-31]: Kanttekening 31: Namelijk, die van Juda.
[^2kronieken-13-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk, het leger van de Israëlieten.
[^2kronieken-13-13-33]: Kanttekening 33: Namelijk, die van Juda.
[^2kronieken-13-14-34]: Kanttekening 34: trompetten met de trompetten: Te weten, om die van Juda goedsmoeds te maken en tot mannelijke courage op te wekken.
[^2kronieken-13-15-35]: Kanttekening 35: sloeg voor Abia: Dat is, de nederlaag gaf. Zo 1 Sam. 4:3 ; onder, 2 Kron. 14:12 . Of, plaagde hen met schrik, verbaasdheid, verwarring, of anders. 1 Samuël 4:3 : Als het volk opnieuw in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons YHWH heden geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van YHWH, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden. 2 Kronieken 14:12 : En YHWH plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.
[^2kronieken-13-17-36]: Kanttekening 36: met een grote slag: Dat is, met een grote nederlaag van hen. Zo Joz. 10:10 ; 1 Kon. 20:21 . Deze manier van spreken wordt ook gebruikt van andere zware plagen, waardoor God buiten nood van oorlog vele mensen tevens ombrengt, gelijk Num. 11:33 ; 1 Sam. 6:19 . Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. 1 Koningen 20:21 : En de koning van Israël toog uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de Syriërs sloeg. Numeri 11:33 : Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. 1 Samuël 6:19 : En de Heer sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij in de ark van YHWH gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat YHWH een grote slag onder het volk geslagen had.
[^2kronieken-13-18-37]: Kanttekening 37: Dat is, nedergedrukt en tenonder gebracht. Zo Richt. 8:28 ; Ps. 106:42 , enz. Richteren 8:28 : Zo werden de Midianieten te ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. Psalmen 106:42 : En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.
[^2kronieken-13-19-38]: Kanttekening 38: haar onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְּנוֹתֶ֔י, dochters. Zo Num. 21:25 , 21:32 , en in het volgende. Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen. Numeri 21:32 : Daarna zond Mozes om Jaëzer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
[^2kronieken-13-19-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, dochters. Zo Num. 21:25 , 21:32 , en in het volgende. Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen. Numeri 21:32 : Daarna zond Mozes om Jaëzer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.
[^2kronieken-13-19-40]: Kanttekening 40: Gelegen in de stam van Benjamin, ook genaamd Ofra, Joz. 18:23 . Jozua 18:23 : En Haävvim, en Para, en Ofra,
[^2kronieken-13-20-41]: Kanttekening 41: geen kracht: Te weten, om tegen Abia te krijgen.
[^2kronieken-13-20-42]: Kanttekening 42: sloeg hem: Het schijnt dat Jerobeam na deze nederlaag een langdurige ziekte gehad heeft, van welke hij eindelijk zou gestorven zijn in het tweede jaar van de regering van de koning Asa. Anderen verstaan dit van Abia, die maar drie jaren geregeerd heeft, boven, vers 2 ; zodat hij niet lang na deze victorie geleefd heeft, onder, 2 Kron. 14:1 . 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam. 2 Kronieken 14:1 : Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.
[^2kronieken-13-21-43]: Kanttekening 43: veertien vrouwen: Te weten, sommige als hij koning was, en enige tevoren, als zijn vader nog leefde.
[^2kronieken-13-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, zijn daden en werken.
[^2kronieken-13-22-45]: Kanttekening 45: Zie 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?

### 2 Kronieken 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/14.json)

*Na de dood van Abia wordt zijn zoon Asa koning, vers 1 enz. die de afgoderij uitroeit en de zuivere godsdienst herstelt, 2. Doordat hij vrede heeft, maakt hij zijn steden sterk en voorziet zich van krijgsvolk, 6. In oorlogsnood tegen Zerah, de Moor, roept hij tot God, en verslaat een geweldig leger, met vele steden, 9.*

**1** Zo ontsliep Abia met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van David, en[^2kronieken-14-1-a] zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land[^2kronieken-14-1-1] tien jaren stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v1)

**2** En Asa deed[^2kronieken-14-2-2] dat goed en dat recht was in de ogen van YHWH, van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v2)

**3** Want[^2kronieken-14-3-b] hij nam de altaren van[^2kronieken-14-3-3] de vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v3)

**4** En hij[^2kronieken-14-4-4] zei tot Juda, dat zij YHWH, de God van hun vaders, zoeken, en dat[^2kronieken-14-4-5] zij de wet en het gebod doen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v4)

**5** Hij nam ook weg uit alle steden van Juda[^2kronieken-14-5-6] de hoogten en de[^2kronieken-14-5-7] zonnebeelden; en het koninkrijk was[^2kronieken-14-5-8] voor hem stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v5)

**6** Daartoe bouwde hij[^2kronieken-14-6-9] versterkte steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat YHWH hem rust gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v6)

**7** Want hij zei tot Juda: Laat ons[^2kronieken-14-7-10] deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendels,[^2kronieken-14-7-11] terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben YHWH, onze God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom heen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v7)

**8** Asa nu had een leger van driehonderd duizend uit Juda, groot schild en speer dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en de[^2kronieken-14-8-12] boog spannende; al deze waren[^2kronieken-14-8-13] strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v8)

**9** [^2kronieken-14-9-c] En Zerah, de[^2kronieken-14-9-14] Moor, kwam tegen hen uit, met een leger van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot[^2kronieken-14-9-15] Maresa toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v9)

**10** Toen trok Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal[^2kronieken-14-10-16] Zefatha bij Maresa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v10)

**11** En Asa riep tot YHWH, zijn God, en zei: YHWH,[^2kronieken-14-11-17] het is niets bij U, te helpen[^2kronieken-14-11-18][^2kronieken-14-11-d] hetzij de machtige, hetzij de krachteloze; help ons, o YHWH, onze God! Want wij steunen op U, en[^2kronieken-14-11-19] in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o YHWH! U bent onze God; laat de sterfelijke mens[^2kronieken-14-11-20] tegen U niets[^2kronieken-14-11-21] uitrichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v11)

**12** En YHWH plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v12)

**13** Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot[^2kronieken-14-13-22] Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen[^2kronieken-14-13-23] hervatting was; want zij waren verbroken voor YHWH en voor Zijn leger; en[^2kronieken-14-13-24] zij droegen zeer veel buit daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v13)

**14** En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want[^2kronieken-14-14-25] de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel buit daarin was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v14)

**15** En zij sloegen ook de[^2kronieken-14-15-26] tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kamelen; en kwamen weer te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/14.html#v15)

[^2kronieken-14-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 15:8 . 1 Koningen 15:8 : En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
[^2kronieken-14-1-1]: Kanttekening 1: tien jaren stil: Versta dit van de eerste jaren van de regering van deze koning, in welke hij van de heidense volken met vrede gelaten is geweest, hoewel tussen hem en Baësa, de koning van Israël, vijandschap was, die wel van wederzijden uitvallen mocht veroorzaken, maar niet in een geregelden oorlog uitgebroken is. Zie onder, vers 6 , en vergelijk de aantekening 1 Kon. 15:16 . 2 Kronieken 14:6 : Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat YHWH hem rust gaf. 1 Koningen 15:16 : En er was krijg tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
[^2kronieken-14-2-2]: Kanttekening 2: dat goed: Zie 1 Kon. 11:33 . Maar versta deze lof alhier meest van de oprichting van de vervallen godsdienst; zo onder, 2 Kron. 25:2 , en 2 Kron. 26:4 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. 2 Kronieken 25:2 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, maar niet met een volkomen hart. 2 Kronieken 26:4 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.
[^2kronieken-14-3-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 15:13 . 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^2kronieken-14-3-3]: Kanttekening 3: Te weten, òf volken, die de afgoden dienden, welke die van Juda navolgden; òf goden, die zij naar de wijze van de heidenen dienden, en die drekgoden genaamd worden; 1 Kon. 15:12 . 1 Koningen 15:12 : Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
[^2kronieken-14-4-4]: Kanttekening 4: zei tot Juda: Dat is, hij liet aanzeggen en gebieden aan al de onderzaten van zijn koninkrijk.
[^2kronieken-14-4-5]: Kanttekening 5: de wet: Dat is dat zij wat in de wet geboden was, onderhouden en in het werk stellen zouden. Vergelijk Joz. 22:5 , en onder, 2 Kron. 31:21 . Jozua 22:5 : Alleen neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht van YHWH, geboden heeft, dat u YHWH, uw God, liefhebt, en dat u wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat u Hem dient met uw gehele hart en met uw gehele ziel. 2 Kronieken 31:21 : En in alle werk, dat hij begon in de dienst van het huis van God, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn gehele hart, en had voorspoed.
[^2kronieken-14-5-6]: Kanttekening 6: de hoogten: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-14-5-7]: Kanttekening 7: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-14-5-8]: Kanttekening 8: voor hem stil: Hebreeuws, הֵנִ֥יחַ, voor zijn aangezicht; dat is, onder zijn beleid, of, tot zijn eigen best en welvaren; of, als hij dus regeerde; want hij had de zuivere godsdienst \[die de stoel van de koningen verzekert\] in zijn land hersteld en vernieuwd.
[^2kronieken-14-6-9]: Kanttekening 9: vaste steden: Hebreeuws, עָרִ֣ים, steden van de vesting, of vastheid. De zin is dat hij enige open steden besloten heeft en zwak gesterkt. Vergelijk boven, 2 Kron. 11:5 . 2 Kronieken 11:5 : Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.
[^2kronieken-14-7-10]: Kanttekening 10: deze steden bouwen: Het woord deze geeft te verstaan dat de steden van welke hier gesproken wordt, nog waren, en dat vervolgens de bouwing derzelve te verstaan is van haar versterking, gelijk ook de volgende woorden medebrengen.
[^2kronieken-14-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, terwijl wij het land nog met vrede bezitten en gebruiken mogen. Vergelijk Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^2kronieken-14-8-12]: Kanttekening 12: boog spannende: Hebreeuws, יָּבֹ֖א, de boog tredende; te weten met de voet; welk wapen wij nog heden de voetboog noemen. Zie 1 Kron. 5:18 , en 1 Kron. 8:40 . 1 Kronieken 5:18 : Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van de halve stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en de boog spannende, en ervaren in de krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in de legermacht. 1 Kronieken 8:40 : En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, de boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al deze waren van de kinderen van Benjamin.
[^2kronieken-14-8-13]: Kanttekening 13: kloeke helden: Dat is, strijdbare en dappere krijgslieden. Het schijnt dat Asa deze heirkracht vergaderd en toegerust heeft, als hij vernomen had dat de koning van de Moren hem overvallen wilde.
[^2kronieken-14-9-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 16:8 . 2 Kronieken 16:8 : Waren niet de Moren en de Libyers een groot legermacht met zeer veel wagens en ruiteren? Toen u nochtans op YHWH steunde, heeft Hij hen in uw hand gegeven.
[^2kronieken-14-9-14]: Kanttekening 14: Of, Arabier. Hebreeuws, Chuschi. Zie Num. 12:1 . Numeri 12:1 : Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake van de vrouw, van de Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.
[^2kronieken-14-9-15]: Kanttekening 15: Maresa toe: Een stad, gelegen in de stam van Juda. Zie boven, 2 Kron. 11:8 . 2 Kronieken 11:8 : En Gath, en Maresa, en Zif,
[^2kronieken-14-10-16]: Kanttekening 16: Anders, naar Zefat toe. Zie Richt. 1:17 . Richteren 1:17 : Juda dan toog met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma.
[^2kronieken-14-11-17]: Kanttekening 17: het is niets bij U: Of, het verschilt bij U niet te helpen de machtige, of dengene, die zonder kracht is; of, het is niets bij U, de krachtloze te helpen, komende tussen dengene, die machtig is; dat is, U tegen hem stellende. Of aldus: is het niet bij U te helpen, enz.
[^2kronieken-14-11-18]: Kanttekening 18: hetzij de machtige: Hebreeuws, כּוּשִׁ֔ים, tussen de machtige, dengene, die geen kracht heeft.
[^2kronieken-14-11-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 14:6 . 1 Samuël 14:6 : Jonathan nu zei tot de jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting van deze onbesnedenen overgaan; misschien zal YHWH voor ons werken; want bij YHWH is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen.
[^2kronieken-14-11-19]: Kanttekening 19: in Uw Naam: Dat is, naar uw wil, onder uw beleid in het vertrouwen op uw hulp, tot uw eer. Zie 2 Kon. 2:24 . 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden daarvan twee en veertig kinderen.
[^2kronieken-14-11-20]: Kanttekening 20: tegen U: Dat is, tegen uw volk. Het kwaad, Gods volk aangedaan, is Hem aangedaan, Zach. 2:8 ; Hand. 9:5 . Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Handelingen 9:5 : En hij zei: Wie bent U, Heer? En de Heer zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
[^2kronieken-14-11-21]: Kanttekening 21: Of, overhand hebben.
[^2kronieken-14-13-22]: Kanttekening 22: Gerar toe: Zie van deze stad, Gen. 20:1 . Genesis 20:1 : En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
[^2kronieken-14-13-23]: Kanttekening 23: hervatting was: Hebreeuws, יָּבֹ֨זּוּ֙, geen levendmaking, of levendheid, dat is, geen kracht om zichzelven weer op te helpen en bijeen te vergaderen, dat zij de slag zouden hebben mogen hervatten. Zo wordt gezegd: En Joab maakte het overige van de stad levend, 1 Kron. 11:8 , zie de aantekening daar. 1 Kronieken 11:8 : En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad.
[^2kronieken-14-13-24]: Kanttekening 24: zij droegen: Namelijk, die van Juda.
[^2kronieken-14-14-25]: Kanttekening 25: de verschrikking: Dat is, een zeer grote verschrikking van God toegezonden. Vergelijk Gen. 35:5 , en zie de aantekening daarop. Zo onder, 2 Kron. 17:10 , en 2 Kron. 20:29 . Genesis 35:5 : En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden. 2 Kronieken 17:10 : En een verschrikking van YHWH werd over alle koninkrijken van de landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat. 2 Kronieken 20:29 : En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat YHWH tegen de vijanden van Israël gestreden had.
[^2kronieken-14-15-26]: Kanttekening 26: tenten van het vee: Dat is, de inwoners van de tenten. Versta, de Arabieren, die in tenten woonden aan de palen van de Edomieten en Filistijnen, waarheen de Moren, geslagen zijnde, mogen gevlucht zijn; of men kan het verstaan van de Arabieren zelf; 1 Kron. 4:41 . 1 Kronieken 4:41 : Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op deze dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

### 2 Kronieken 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/15.json)

*De profeet Azaria vermaant Asa en het volk verder te gaan in de begonnen hervorming van de godsdienst, vers 1 enz. welke vermaning zij gehoorzaam zijn, 8. en zij vernieuwen het verbond met de HEERE, 12. Asa zet Maächa, zijn moeder, af van haar staat, vanwege haar afgoderij, 16. brengt de geheiligde dingen weer in de tempel, 18. het land heeft rust, 19.*

**1** [^2kronieken-15-1-1] Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon[^2kronieken-15-1-2] van Oded. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v1)

**2** En hij ging[^2kronieken-15-2-3] uit,[^2kronieken-15-2-4] Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoor mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! YHWH is met u, terwijl u[^2kronieken-15-2-6] met Hem bent; en[^2kronieken-15-2-a] zo u Hem[^2kronieken-15-2-7] zoekt, Hij zal[^2kronieken-15-2-8] van u gevonden worden;[^2kronieken-15-2-b] maar zo u Hem[^2kronieken-15-2-9] verlaat, Hij[^2kronieken-15-2-10] zal u verlaten.[^2kronieken-15-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v2)

**3** [^2kronieken-15-3-11][^2kronieken-15-3-c] Israël nu is vele dagen geweest zonder de[^2kronieken-15-3-12] ware God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v3)

**4** [^2kronieken-15-4-d] Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot YHWH, de God van Israël, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v4)

**5** En in die tijden[^2kronieken-15-5-13] was er geen vrede voor degene,[^2kronieken-15-5-14] die uitging, en degene, die inkwam; maar vele[^2kronieken-15-5-15] onlusten waren over al de inwoners van[^2kronieken-15-5-16] die landen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v5)

**6** [^2kronieken-15-6-17] Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had[^2kronieken-15-6-18] hen met alle angst verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v6)

**7** Daarom[^2kronieken-15-7-19] wees u sterk, en laat[^2kronieken-15-7-20] uw handen niet verslappen; want er is[^2kronieken-15-7-21] loon naar uw werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v7)

**8** Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de[^2kronieken-15-8-22] profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de[^2kronieken-15-8-23] gruwelijke dingen uit het hele land van Juda en Benjamin, en uit de[^2kronieken-15-8-24] steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het[^2kronieken-15-8-25] altaar van YHWH, dat voor het[^2kronieken-15-8-26] voorhuis van YHWH was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v8)

**9** En hij verzamelde[^2kronieken-15-9-27] het hele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël[^2kronieken-15-9-28] vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat YHWH, zijn God, met hem was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v9)

**10** En zij verzamelden zich te Jeruzalem, in[^2kronieken-15-10-29] de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v10)

**11** En zij offerden YHWH op diezelfde dag van de roof, die[^2kronieken-15-11-30] zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v11)

**12** En[^2kronieken-15-12-31] zij[^2kronieken-15-12-e] traden in een verbond, dat zij YHWH, de God van hun vaders, zoeken zouden[^2kronieken-15-12-32] met hun hele hart en met hun hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v12)

**13** En al wie YHWH, de God van Israël, niet zou zoeken,[^2kronieken-15-13-f] zou gedood worden, van de kleine tot de grote, en van de man tot de vrouw toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v13)

**14** En zij zwoeren YHWH met[^2kronieken-15-14-33] luide stem en met[^2kronieken-15-14-34] gejuich, evenzo met trompetten en met bazuinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v14)

**15** En geheel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden[^2kronieken-15-15-35] met hun hele hart gezworen, en met hun hele wil Hem gezocht; en[^2kronieken-15-15-36] Hij werd van hen gevonden, en YHWH gaf hun rust rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v15)

**16** Voor wat betreft Maächa, de[^2kronieken-15-16-37] moeder van de koning Asa,[^2kronieken-15-16-38] hij zette haar af, dat zij geen[^2kronieken-15-16-g] koningin was, omdat zij een[^2kronieken-15-16-39] afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek[^2kronieken-15-16-40] Kidron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v16)

**17** [^2kronieken-15-17-41] De hoogten werden wel niet weggenomen uit[^2kronieken-15-17-42] Israël, het hart van Asa toch was[^2kronieken-15-17-43] volkomen al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v17)

**18** En hij bracht in het huis van God[^2kronieken-15-18-44] de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v18)

**19** En er was[^2kronieken-15-19-45] geen oorlog tot in het vijf en[^2kronieken-15-19-46] dertigste jaar van het koninkrijk van Asa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/15.html#v19)

[^2kronieken-15-1-1]: Kanttekening 1: Toen kwam: In het Hebreeuws, עֲזַרְיָ֨הוּ֙, staan de woorden aldus: En Azaria de zoon van Oded, de Geest van God was op hem.
[^2kronieken-15-1-2]: Kanttekening 2: Een profeet, hier tevoren, naar het algemeen gevoelen, genaamd Jedi, boven, 2 Kron. 9:29 , en Iddo, boven, 2 Kron. 12:15 , en is te onderscheiden van een anderen profeet genaamd Oded, die ten tijde van de koning Hizkia geleefd heeft, onder, 2 Kron. 28:9 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat? 2 Kronieken 12:15 : De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, de profeet, en Iddo, de ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen? 2 Kronieken 28:9 : Daar nu was een profeet van YHWH, wiens naam was Oded; die ging uit, de legermacht tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Ziet, door de grimmigheid van YHWH, van de God van uw vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan de hemel raakt.
[^2kronieken-15-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, uit Jeruzalem.
[^2kronieken-15-2-4]: Kanttekening 4: Asa tegen: Hebreeuws, יֹּ֣אמֶר, voor het aangezicht van Asa; dat is, Asa tegen, of tegemoet; zo 1 Kron. 12:17 , en onder, 2 Kron. 28:9 . Hij ging de koning tegemoet, toen hij terugkeerde naar Jeruzalem van de slag van de Moren. 1 Kronieken 12:17 : En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het! 2 Kronieken 28:9 : Daar nu was een profeet van YHWH, wiens naam was Oded; die ging uit, de legermacht tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Ziet, door de grimmigheid van YHWH, van de God van uw vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan de hemel raakt.
[^2kronieken-15-2-6]: Kanttekening 6: met Hem zijt: Dat is, zijn zuiveren godsdienst voorstaat en de afgoderij uitroeit.
[^2kronieken-15-2-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 28:9 ; 2 Kron. 33:12 ; Matt. 7:7 . 1 Kronieken 28:9 : En u, mijn zoon Salomo, ken de God uw vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. 2 Kronieken 33:12 : En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van YHWH, zijn God, ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God zijn vaderen, Mattheüs 7:7 : Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
[^2kronieken-15-2-7]: Kanttekening 7: Zie boven, 2 Kron. 11:16 . 2 Kronieken 11:16 : Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God hun vaderen, offerande deden.
[^2kronieken-15-2-8]: Kanttekening 8: van u gevonden: Hebreeuws, יִמָּצֵ֣א, u, of, voor u gevonden worden. Zo onder, vers 4 , 15:15 . Dat is, u dadelijk bijwezen met zijn genade, troost en hulp. Zo Deut. 4:29 ; Spreuk. 8:17 ; Jes. 55:6 ; Jer. 29:13 , 29:14 . 2 Kronieken 15:4 : Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot YHWH, de God van Israël, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden. 2 Kronieken 15:15 : En geheel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden met hun gehele hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en YHWH gaf hun rust rondom heen. Deuteronomium 4:29 : Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Spreuken 8:17 : Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Jesaja 55:6 : Zoekt YHWH, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. Jeremia 29:13 : En u zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met uw gehele hart. Jeremia 29:14 : En Ik zal van u gevonden worden, spreekt YHWH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt YHWH; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.
[^2kronieken-15-2-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 24:20 . 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
[^2kronieken-15-2-9]: Kanttekening 9: Zie boven, 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-15-2-10]: Kanttekening 10: zal u verlaten: Dat is, dadelijk u zijn genade, troost en hulp onttrekken. Zo onder, 2 Kron. 24:20 ; Ps. 71:9 , 71:11 . 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. Psalmen 71:9 : Verwerp mij niet in de tijd van de ouderdom; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. Psalmen 71:11 : Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.
[^2kronieken-15-2-5]: Kanttekening 5: is met u: Dat is, Hij helpt u en geeft u victorie tegen uw vijanden. Zie boven, 2 Kron. 14:12 , 14:13 , 14:14 , en vergelijk Deut. 20:1 ; Joz. 1:5 ; Ps. 118:6 ; Jer. 20:11 , enz. Men kan dit ook in de toekomende tijd vertalen: De Heer zal met u zijn, enz. Of in de verledene: De Heer is met u geweest. 2 Kronieken 14:12 : En YHWH plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden. 2 Kronieken 14:13 : Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor YHWH en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan. 2 Kronieken 14:14 : En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs daarin was. Deuteronomium 20:1 : Wanneer u zult uittrekken tot de strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagens, een volk, meerder dan u, zo zult u voor hen niet vrezen; want YHWH, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd. Jozua 1:5 : Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen van uw leven; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? Jeremia 20:11 : Maar YHWH is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.
[^2kronieken-15-3-11]: Kanttekening 11: Sommigen nemen dit van de twaalf stammen in het algemeen, ten tijde van de richters, enz. Anderen duiden het op de tien stammen en hun staat en gelegenheid, waarin zij geweest zijn van die tijd af, dat zij van de huize Davids afgeweken waren. Zie 1 Kon. 12:28 , 12:29 , 12:30 , enz. 1 Koningen 12:28 : Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29 : En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. 1 Koningen 12:30 : En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.
[^2kronieken-15-3-c]: Verwijzing c: Hosea 3:4 . Hosea 3:4 : Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
[^2kronieken-15-3-12]: Kanttekening 12: waren God: Hebreeuws, אֱמֶ֗ת, de God van de waarheid; dat is, zonder openbaren reinen godsdienst.
[^2kronieken-15-4-d]: Verwijzing d: Deut. 4:29 . Deuteronomium 4:29 : Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel.
[^2kronieken-15-5-13]: Kanttekening 13: was er geen: Dat is, het ging niet wel in Israël.
[^2kronieken-15-5-14]: Kanttekening 14: die uitging: Versta, degenen, die in Israël wonende, van de ene plaats in de andere moesten trekken, en die van buiten inkwamen om daar voor een tijd te verkeren en te handelen.
[^2kronieken-15-5-15]: Kanttekening 15: Zie het boek van de Richteren, en verder 1 Kon. 14:10 , 14:11 , en 1 Kon. 15:27 , 15:29 , en 1 Kon. 16 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 14:11 : Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken. 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden. 1 Koningen 15:29 : Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet;
[^2kronieken-15-5-16]: Kanttekening 16: die landen: Te weten, die onder Israël waren.
[^2kronieken-15-6-17]: Kanttekening 17: Dat volk: Dat is, dat zij door verscheiden vijanden zijn verdrukt geweest ten tijde van de richters en door inlandse onenigheden de één de ander versmeten, verbraken en verdierven, nadat zij van Juda waren afgezonderd. Anderen nemen 2 Kron. 15:3-6 als een profetie van het toekomende, vergelijk met Hos. 3:4 , 3:5 , enz. Hosea 3:4 : Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^2kronieken-15-6-18]: Kanttekening 18: met allen angst: Te weten, de Israëlieten; zie 1 Kon. 16:21 . 1 Koningen 16:21 : Toen werd het volk van Israël verdeeld in twee helften; de helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
[^2kronieken-15-7-19]: Kanttekening 19: weest u sterk: Dat is, gaat kloekmoediglijk voort in het herstellen en reformeren van de rechte en zuivere godsdienst, u spiegelende aan de voorverhaalde exempelen.
[^2kronieken-15-7-20]: Kanttekening 20: uw handen: Zie de verklaring van deze manier van spreken 2 Sam. 4:1 . 2 Samuël 4:1 : Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^2kronieken-15-7-21]: Kanttekening 21: Te weten, niet uit waarde van hun werk, dat zij God schuldig waren, maar uit de genade en gunst van God, die de goede werken van de zijnen beloofd heeft, om Christus' wil, loon te geven.
[^2kronieken-15-8-22]: Kanttekening 22: Boven, vers 1 , wordt deze profetie toegeschreven aan Azaria, de zoon van Oded; daarom, deze profeet moet òf twee namen gehad hebben, òf zijn profetie is niet alleen de zijne geweest, maar ook van zijn vader, die sommigen menen dat in die tijd nog geleefd heeft. 2 Kronieken 15:1 : Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded.
[^2kronieken-15-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, de gruwelen van de beelden, die nog ergens in het openbaar of in geheime plaatsen en huizen overgebleven waren. Zie van enige van deze gruwelen 1 Kon. 11:7 , en 2 Kon. 23:13 . 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. 2 Koningen 23:13 : De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
[^2kronieken-15-8-24]: Kanttekening 24: Zie boven, 2 Kron. 13:19 . 2 Kronieken 13:19 : En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.
[^2kronieken-15-8-25]: Kanttekening 25: En ook, gelijk men meent, het voorhof van de priesters, waarin het altaar stond; welk voorhof daarom het nieuwe voorhof genoemd wordt onder, 2 Kron. 20:5 . 2 Kronieken 20:5 : En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van YHWH, voor het nieuwe voorhof.
[^2kronieken-15-8-26]: Kanttekening 26: Zie 1 Kon. 6:3 ; idem, boven, 2 Kron. 3:4 , en onder, 2 Kron. 29:7 . 1 Koningen 6:3 : En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis. 2 Kronieken 3:4 : En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
[^2kronieken-15-9-27]: Kanttekening 27: het gehele: Dat is, al degenen, die tot deze twee stammen behoorden.
[^2kronieken-15-9-28]: Kanttekening 28: Te weten, van de koningen van Israël, met wie zij uit haat tegen hun afgoderij geen gemeenschap wilden hebben.
[^2kronieken-15-10-29]: Kanttekening 29: derde maand: Genaamd Sivan, Esth. 8:9 , meest overeenkomende met onze Mei. In deze maand viel het pinksterfeest, waarvan het bevel Gods te zien is Ex. 23:16 , en Ex. 34:22 ; Deut. 16:9 . Esther 8:9 : Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op de drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten van de landschappen, die van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak. Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Exodus 34:22 : Het feest van de weken zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is. Deuteronomium 16:9 : Zeven weken zult u u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen.
[^2kronieken-15-11-30]: Kanttekening 30: Te weten, uit de slag van de Moren. Zie boven, 2 Kron. 14:13 , 14:14 , 14:15 . 2 Kronieken 14:13 : Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor YHWH en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan. 2 Kronieken 14:14 : En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs daarin was. 2 Kronieken 14:15 : En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kamelen; en kwamen weer te Jeruzalem.
[^2kronieken-15-12-31]: Kanttekening 31: Deze manier van spreken schijnt te wijzen op het gebruik, dat men eertijds in het maken van verbonden gehad heeft. Daar werden enige beesten geslacht, en deze daarna in stukken gedeeld, door welke de bondgenoten midden door traden, enz. Zie hiervan breder Gen. 15:17 . Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.
[^2kronieken-15-12-e]: Verwijzing e: Joz. 24:15 ; Neh. 10:29 . Jozua 24:15 : Maar zo het kwaad is in uw ogen YHWH te dienen, kiest u heden, wie u dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in van wie land u woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen YHWH dienen! Nehemia 10:29 : Die hielden zich aan hun broers, hun voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van YHWH, onze YHWH, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;
[^2kronieken-15-12-32]: Kanttekening 32: met hun gehele hart: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2kronieken-15-13-f]: Verwijzing f: Deut. 13:9 . Deuteronomium 13:9 : Maar u zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van de gansen volks.
[^2kronieken-15-14-33]: Kanttekening 33: luide stem: Hebreeuws, ק֥וֹל, groter.
[^2kronieken-15-14-34]: Kanttekening 34: Dat is, vreugdegeluid; zo 1 Sam. 4:6 ; 2 Sam. 6:15 ; Ezra 3:11 . 1 Samuël 4:6 : Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger van de Hebreën? Toen vernamen zij, dat de ark van YHWH in het leger gekomen was. 2 Samuël 6:15 : Zo brachten David en het gehele huis van Israël de ark van YHWH op, met gejuich en met geluid van de bazuinen. Ezra 3:11 : En zij zongen bij beurten, met YHWH te loven en te danken, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich, als men YHWH loofde over de grondlegging van het huis van YHWH.
[^2kronieken-15-15-35]: Kanttekening 35: met hun gehele hart: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2kronieken-15-15-36]: Kanttekening 36: Hij werd: Zie boven, vers 2 . 2 Kronieken 15:2 : En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! YHWH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
[^2kronieken-15-16-37]: Kanttekening 37: Versta, zijn grootmoeder, zijn vader Abia's moeder, weduwe van Rehabeam, 1 Kon. 15:2 , en boven, 2 Kron. 13:2 , waar zij Michaja genoemd wordt. 1 Koningen 15:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom. 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.
[^2kronieken-15-16-38]: Kanttekening 38: hij zette: Namelijk, Asa.
[^2kronieken-15-16-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 15:13 . 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^2kronieken-15-16-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, Miflezeth. Zie van deze afgod 1 Kon. 15:13 . 1 Koningen 15:13 : Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
[^2kronieken-15-16-40]: Kanttekening 40: Zie 1 Kon. 2:37 . 1 Koningen 2:37 : Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat u de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
[^2kronieken-15-17-41]: Kanttekening 41: De hoogten: De hoogten waren ten meesten dele uit Juda wel weggedaan, boven, 2 Kron. 14:5 , maar niet uit Israël, dat is, uit het land van Israël, dat onder de koning Asa was. 2 Kronieken 14:5 : Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.
[^2kronieken-15-17-42]: Kanttekening 42: Versta, de landschappen, steden en mensen, die van het koninkrijk Israëls onder Juda waren; van welke zie boven, 2 Kron. 13:19 , en vers 8 , 15:9 , en vergelijk onder, 2 Kron. 17:2 , en 2 Kron. 19:4 , en 2 Kron. 21:2 , 21:4 . 2 Kronieken 13:19 : En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen. 2 Kronieken 15:8 : Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was. 2 Kronieken 15:9 : En hij vergaderde het gehele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat YHWH, zijn God, met hem was. 2 Kronieken 17:2 : En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had. 2 Kronieken 19:4 : Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog opnieuw uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen terugkeren tot YHWH, de God van hun vaderen. 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël. 2 Kronieken 21:4 : Als Joram tot het koninkrijk van zijn vader opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook enige van de vorsten van Israël.
[^2kronieken-15-17-43]: Kanttekening 43: Hoe deze volkomenheid te verstaan is, zie 1 Kon. 15:14 . 1 Koningen 15:14 : De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met YHWH, al zijn dagen.
[^2kronieken-15-18-44]: Kanttekening 44: de geheiligde: Zie Lev. 5:15 . Leviticus 5:15 : Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer.
[^2kronieken-15-19-45]: Kanttekening 45: geen oorlog: Te weten, tussen Asa en het koninkrijk Israëls.
[^2kronieken-15-19-46]: Kanttekening 46: van het koninkrijk: Dat is, van het koninkrijk van Juda, zo het verdeeld was van het koninkrijk Israëls, waarvan Asa nu koning was; want hier worden niet uitgedrukt de jaren, in welke Asa geregeerd heeft, maar in welke het koninkrijk van Juda geduurd heeft, nadat de tien stammen daarvan afgeweken waren. De jaren worden aldus gerekend: Rehabeam heeft geregeerd zeventien jaren, boven, 2 Kron. 12:13 ; zijn zoon Abia drie jaren, boven, 2 Kron. 13:2 ; hier bijgevoegd vijftien jaren van Asa's regering, boven, vers 10 , maken tezamen vijf en dertig jaren. 2 Kronieken 12:13 : Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die YHWH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische. 2 Kronieken 13:2 : Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam. 2 Kronieken 15:10 : En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.

### 2 Kronieken 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/16.json)

*Asa verzoekt hulp aan de koning van Syrië tegen Baësa, de koning van Israël, vers 1 enz. en verkrijgt die, 4. waarover hij door de profeet Hanani bestraft wordt, 7. die hij daarom in de gevangenis werpt, 10. Doordat hij ziek geworden is, steunt hij meer op de geneesheren dan op de HEERE, 12. sterft ten slotte, en wordt met grote kostbaarheid begraven, 13.*

**1** [^2kronieken-16-1-a] In het zes en dertigste jaar[^2kronieken-16-1-1] van het koninkrijk van Asa, trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en[^2kronieken-16-1-2] bouwde[^2kronieken-16-1-3] Rama, opdat hij[^2kronieken-16-1-4] niemand toeliet[^2kronieken-16-1-5] uit te gaan en[^2kronieken-16-1-6] in te komen tot Asa, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v1)

**2** Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis van YHWH en van het huis van de koning, en zond tot Benhadad, de koning van Syrië, die in[^2kronieken-16-2-7] Damascus woonde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v2)

**3** [^2kronieken-16-3-8] Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen,[^2kronieken-16-3-9] maak uw verbond te niet met Baësa, de koning van Israël, dat hij van tegen mij[^2kronieken-16-3-10] aftrekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v3)

**4** En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen[^2kronieken-16-4-11] Ijon, en Dan, en Abel-maim, en alle[^2kronieken-16-4-12] voorraadsteden van Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v4)

**5** En het gebeurde, als Baësa dat hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v5)

**6** Toen nam de koning Asa[^2kronieken-16-6-13] geheel Juda, en zij droegen weg de stenen[^2kronieken-16-6-14] van Rama, en het hout daarvan, waarmee Baësa gebouwd had; en[^2kronieken-16-6-15] hij bouwde daarmee[^2kronieken-16-6-16] Geba en[^2kronieken-16-6-17] Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v6)

**7** En in deze tijd kwam de[^2kronieken-16-7-18] ziener[^2kronieken-16-7-19] Hanani tot Asa, de koning van Juda, en hij zei tot hem: Omdat u gesteund hebt op de koning van Syrië, en niet gesteund hebt op YHWH, uw God, daarom is het leger van de koning van Syrië[^2kronieken-16-7-20] uit uw hand ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v7)

**8** Waren niet de Moren en de Libyers[^2kronieken-16-8-21] een groot leger[^2kronieken-16-8-22] met zeer veel wagens en ruiteren? Toen u toch op YHWH steunde, heeft Hij hen in uw hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v8)

**9** Want voor wat betreft YHWH, Zijn ogen doorlopen de hele[^2kronieken-16-9-23][^2kronieken-16-9-b] aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie het hart volkomen is tot Hem[^2kronieken-16-9-24]; u hebt hierin dwaas gedaan; want van nu af zullen oorlogen[^2kronieken-16-9-25] tegen u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v9)

**10** Maar Asa werd boos tegen de ziener, en leidde hem in[^2kronieken-16-10-26] de gevangenis; want hij was hierover tegen hem[^2kronieken-16-10-27] ontsteld; daartoe[^2kronieken-16-10-28] onderdrukte Asa enige uit het volk in die tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v10)

**11** En ziet, de geschiedenissen van Asa, de[^2kronieken-16-11-29] eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v11)

**12** Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, ziek aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn ziekte; daartoe ook[^2kronieken-16-12-30] zocht hij YHWH niet in zijn ziekte, maar de[^2kronieken-16-12-31] dokters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v12)

**13** Zo ontsliep Asa met zijn vaders; en hij stierf in het een en veertigste jaar van zijn regering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v13)

**14** En zij begroeven hem in zijn[^2kronieken-16-14-32] graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en legden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij[^2kronieken-16-14-33] brandden over hem een heel groot vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/16.html#v14)

[^2kronieken-16-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 15:17 . 1 Koningen 15:17 : Want Baësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
[^2kronieken-16-1-1]: Kanttekening 1: van het koninkrijk: Zie boven, 2 Kron. 15:19 . 2 Kronieken 15:19 : En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.
[^2kronieken-16-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, sterkte, zo boven, 2 Kron. 11:5 , en 2 Kron. 14:6 , en onder, vers 5 . 2 Kronieken 11:5 : Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda. 2 Kronieken 14:6 : Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat YHWH hem rust gaf. 2 Kronieken 16:5 : En het geschiedde, als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.
[^2kronieken-16-1-3]: Kanttekening 3: Een stad, gelegen op een hoogte in de stam Benjamin, niet ver van Silo; Joz. 18:25 . Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth,
[^2kronieken-16-1-4]: Kanttekening 4: niemand toeliet: Te weten, van de tien stammen, waarover hij koning was; want omdat velen zagen dat de oprechte godsdienst onder Asa opgericht was en dat de Heer met hem was, zijn er velen tot Asa naar Juda overgelopen. Velen kwamen ook naar Jeruzalem om op de feesten en anders God te dienen. Dit heeft Baësa hiermede willen beletten. Zie boven, 2 Kron. 15:9 . Hebreeuws, רָמָ֑ה, om niet toe te laten de uitganger en inganger. 2 Kronieken 15:9 : En hij vergaderde het gehele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat YHWH, zijn God, met hem was.
[^2kronieken-16-1-5]: Kanttekening 5: uit te gaan: Te weten, uit zijn koninkrijk naar Juda.
[^2kronieken-16-1-6]: Kanttekening 6: in te komen: Te weten, van Juda in zijn land.
[^2kronieken-16-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, Darmesek.
[^2kronieken-16-3-8]: Kanttekening 8: Er is een verbond: Anders, daar zij een verbond, enz., als tussen, enz.
[^2kronieken-16-3-9]: Kanttekening 9: maak uw verbond: Dat is, breek de vrede, die u met hem hebt, en doe hem oorlog aan, opdat hij mij met vrede late.
[^2kronieken-16-3-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, optrekke.
[^2kronieken-16-4-11]: Kanttekening 11: Zie van deze stad en de volgende, 1 Kon. 15:20 . 1 Koningen 15:20 : En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maächa, en het gehele Cinneroth, met het gehele land Nafthali.
[^2kronieken-16-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, ammunitiesteden, zie 1 Kon. 9:19 . Hebreeuws, schathuizen van de steden. 1 Koningen 9:19 : En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het gehele land van zijn heerschappij.
[^2kronieken-16-6-13]: Kanttekening 13: geheel Juda: Dat is, die tot de stam van Juda behoorden. Zie 1 Kon. 15:22 . 1 Koningen 15:22 : Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa.
[^2kronieken-16-6-14]: Kanttekening 14: van Rama: Dat is, met welke de koning van Israël Rama sterken wilde. Zo in het volgende, het hout daarvan.
[^2kronieken-16-6-15]: Kanttekening 15: hij bouwde: Namelijk, de koning Asa; 1 Kon. 15:22 . 1 Koningen 15:22 : Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa.
[^2kronieken-16-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk, Geba Benjamins, 1 Kon. 15:22 ; zie daar de aantekening. 1 Koningen 15:22 : Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa.
[^2kronieken-16-6-17]: Kanttekening 17: Zie Richt. 11:11 . Richteren 11:11 : Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van YHWH te Mizpa.
[^2kronieken-16-7-18]: Kanttekening 18: Zie van deze naam boven, 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-16-7-19]: Kanttekening 19: Deze was de vader van de profeet Jehu, onder, 2 Kron. 19:2 . 2 Kronieken 19:2 : En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zoudt u de goddeloze helpen, en die YHWH haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht van YHWH grote toornigheid.
[^2kronieken-16-7-20]: Kanttekening 20: uit uw hand: Want anders zoudt u beiden, zowel de koning van Syrië als van Israël, overwonnen hebben, gelijk u de Moren gedaan hebt. Anders, ontgaan, onttrokken. Waarvan de zin zou zijn: U hebt verloren moeite en kosten gedaan, met de Syriërs tot uw hulp te roepen. Want ofschoon zij nu met hun inval de koning Baësa verhinderd hebben, in zijn fortificatie voort te gaan, nochtans, als zij zullen vertrokken zijn, zullen zij u niet helpen in de oorlog, die Baësa tegen u hervatten zal. Zie het einde van vers 9 . 2 Kronieken 16:9 : Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie het hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.
[^2kronieken-16-8-21]: Kanttekening 21: een groot leger: Hebreeuws, tot een leger, tot, of in menigte.
[^2kronieken-16-8-22]: Kanttekening 22: met zeer veel: Zie boven, 2 Kron. 14:9 . 2 Kronieken 14:9 : En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een legermacht van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe.
[^2kronieken-16-9-23]: Kanttekening 23: Versta, zijn voorzienigheid, waardoor Hij ziet en weet wat in alle landen geschiedt, niet alleen in het algemeen, maar ook in het bijzonder, achtnemende op een iegelijks doen. Zie gelijke spreuk Zach. 4:10 . Zacharia 4:10 : Want wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen van YHWH, die het gehele land doortrekken.
[^2kronieken-16-9-b]: Verwijzing b: Job 34:21 ; Spreuk. 5:21 ; Spreuk. 15:3 ; Jer. 16:17 ; Jer. 32:19 . Job 34:21 : Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Spreuken 5:21 : Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Spreuken 15:3 : De ogen van YHWH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. Jeremia 16:17 : Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.
[^2kronieken-16-9-24]: Kanttekening 24: Hoedanig de volmaaktheid van de vromen in dit leven is, zie 1 Kon. 8:61 . Hiermede nu schijnt gezegd te zijn dat Asa's hart niet oprecht noch volkomen tot de Heer was, tegen wat wij lezen 1 Kon. 15:14 , en boven, 2 Kron. 15:17 . Maar zie de vergelijking 1 Kon. 15:14 . 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage. 1 Koningen 15:14 : De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met YHWH, al zijn dagen. 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 1 Koningen 15:14 : De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met YHWH, al zijn dagen.
[^2kronieken-16-9-25]: Kanttekening 25: tegen u zijn: Te weten, van de koning Baësa. Zie 1 Kon. 15:16 . 1 Koningen 15:16 : En er was krijg tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
[^2kronieken-16-10-26]: Kanttekening 26: het gevangenhuis: Hebreeuws, זַ֥עַף, in het huis van het omkeren, of uitroeien; dat is, in de kerker, waar men die insloot, die uitgeroeid of gedood zouden worden. Hij achtte dat de profeet zijn koninklijke majesteit tekortgedaan en daarom de hals verbeurd had. Sommigen vertalen uit het stokhuis, waar men de gevangenen in de stok of boeien sloot. Hetzelfde woord staat ook Jer. 20:2 , en Jer. 29:26 . Jeremia 20:2 : Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Jeremia 29:26 : YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzieners zoudt zijn in het huis van YHWH over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok.
[^2kronieken-16-10-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, in ontsteltenis; te weten, door toornigheid. Zie van de eigen betekenis van dit woord, Gen. 40:6 . Genesis 40:6 : En Jozef kwam 's morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.
[^2kronieken-16-10-28]: Kanttekening 28: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk, iets of iemand in stukken stoten, te gronde werpen, vertrappen, verdrukken.
[^2kronieken-16-11-29]: Kanttekening 29: De eerste zijn goed geweest en prijswaardig; de laatste hadden grote gebreken en waren daarom berispelijk. In het voorstaan van de zuiveren godsdienst was hij wel trouw en gestadig, maar zijn vertrouwen was klein op God, en zijn strafheid tegen enige onder het volk groot.
[^2kronieken-16-12-30]: Kanttekening 30: zocht hij: Dat is, hij vraagde de Heer niet om raad door enige profeet; hij vernederde zich niet door bekentenis van zijn zonden, hij steunde op de Heer niet en riep Hem niet aan naar behoren; maar hij verliet zich slechts op de dokters en menselijke hulp.
[^2kronieken-16-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, in, of van de dokters.
[^2kronieken-16-14-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, graven. Vergelijk 2 Kon. 22:20 , en zie de aantekening. 2 Koningen 22:20 : Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer.
[^2kronieken-16-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, zij vereerden hem in zijn begrafenis met het branden van kostelijke en welriekende specerijen. Vergelijk onder, 2 Kron. 21:19 ; Jer. 34:5 . 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding van zijn vaderen. Jeremia 34:5 : U zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH.

### 2 Kronieken 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/17.json)

*Josafat, die in de plaats van zijn vader Asa komt, versterkt zijn koninkrijk, vers 1 enz. en omdat hij godvrezend was, wordt hij door God gezegend, 3. roeit de afgoderij uit, 6. laat overal zijn volk uit het wetboek onderwijzen, 7. wordt gevreesd en geëerd door de omliggende volken, 10. de namen van zijn krijgsoversten en het aantal van zijn krijgsvolk, 14.*

**1** [^2kronieken-17-1-a] En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij[^2kronieken-17-1-1] sterkte zich tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v1)

**2** En hij legde[^2kronieken-17-2-2] oorlogsvolk in alle versterkte steden van Juda, en legde[^2kronieken-17-2-3] bezettingen in het land van Juda, en[^2kronieken-17-2-b] in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v2)

**3** En YHWH was met Josafat; want hij wandelde in[^2kronieken-17-3-4] de vorige wegen van zijn vader David, en zocht[^2kronieken-17-3-5] de Baäls niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v3)

**4** Maar hij zocht de God van zijn vader, en wandelde in Zijn geboden, en niet[^2kronieken-17-4-6] naar het doen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v4)

**5** En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat[^2kronieken-17-5-7] geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v5)

**6** En zijn hart[^2kronieken-17-6-8] verhief zich in de wegen van YHWH; en hij nam verder de[^2kronieken-17-6-9] hoogten en de bossen uit Juda weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v6)

**7** In het derde jaar nu van zijn regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja,[^2kronieken-17-7-10] opdat men zou leren in de steden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v7)

**8** En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v8)

**9** En[^2kronieken-17-9-11] zij leerden in Juda, en het wetboek van YHWH was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v9)

**10** En een[^2kronieken-17-10-12] verschrikking van YHWH werd over alle koninkrijken van de landen, die rondom Juda waren, dat zij niet streden tegen Josafat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v10)

**11** En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken[^2kronieken-17-11-13] met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v11)

**12** Zo nam Josafat toe, en werd ten hoogste[^2kronieken-17-12-14] groot; daartoe bouwde hij in Juda[^2kronieken-17-12-15] burchten en voorraadsteden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v12)

**13** En hij had[^2kronieken-17-13-16] veel werk in de steden van Juda, en soldaten, strijdbare helden in Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v13)

**14** Dit nu is hun[^2kronieken-17-14-17] telling, naar de huizen van hun vaders. In Juda waren oversten van de duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v14)

**15** [^2kronieken-17-15-18] Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v15)

**16** Naast hem was Amasia, de zoon van Zichri,[^2kronieken-17-16-19] die zich vrijwillig aan YHWH overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend strijdbare helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v16)

**17** En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v17)

**18** En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, voor de oorlog toegerust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v18)

**19** Deze[^2kronieken-17-19-20] waren in de dienst van de koning; afgezien van degenen, die de koning in de versterkte steden door geheel Juda gezet had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/17.html#v19)

[^2kronieken-17-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 15:24 . 1 Koningen 15:24 : En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-17-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, hij voorzag zich van allerlei krijgstoerusting, om zijn macht te bewijzen tegen de tien stammen, die te wederstaan en hun geweld af te keren. Anders, hij sterkte zich over Israël; dat is, hij bevestigde zich in het koninkrijk, dat hij had over Juda, Benjamin en de vreemdelingen uit Israël en de steden van Efraïm, die zijn vader ingenomen had. Zie vers 2 . 2 Kronieken 17:2 : En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.
[^2kronieken-17-2-2]: Kanttekening 2: Of, heirkracht.
[^2kronieken-17-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, krijgsvolk, of garnizoen, onder het beleid van hun oversten, om het land tegen de inval van de vijand te verzekeren. Het Hebreeuwse woord is zo genomen 1 Sam. 13:3 ; 2 Sam. 8:6 . 1 Samuël 13:3 : Maar Jonathan sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te Geba was, dat de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het gehele land, zeggende: Laat het de Hebreën horen. 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2kronieken-17-2-b]: Verwijzing b: boven, 2 Kron. 15:8 . 2 Kronieken 15:8 : Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was.
[^2kronieken-17-3-4]: Kanttekening 4: vorige wegen: Dat is, in welke zijn voorvader David gewandeld had. Anders, eerste. Verstaande, voordat David overspel had begaan en Uria doen doden en het volk doen tellen, 2 Sam. 11:4 , 11:14 , en 1 Sam. 24:2 . 2 Samuël 11:4 : Toen zond David boden heen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weer naar haar huis. 2 Samuël 11:14 : 's Morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond die door de hand van Uria. 1 Samuël 24:2 : En het geschiedde, nadat Saul teruggekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi.
[^2kronieken-17-3-5]: Kanttekening 5: zocht de Baäls niet: Dat is, hij bewees hun geen godsdienstige eer om hulp daarvan te hebben, hield hen van geen waarde. Versta door de Baälim allerlei afgoden; en zie van dit woord Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2kronieken-17-4-6]: Kanttekening 6: naar het doen van Israël: Hebreeuws, מַעֲשֵׂ֥ה, naar het werk; dat is, naar de afgoderij van de afvallige Israëlieten, die de gouden kalven en andere afgoden dienden.
[^2kronieken-17-5-7]: Kanttekening 7: De koningenen prinsen werden vereerd met geschenken, òf van hun eigen onderzaten, tot een teken van gewillige onderdanigheid, waardoor zij zich aan hun gebied en regering onderwierpen, gelijk 1 Sam. 10:27 , en vers 5 ; òf van vreemde volken, tot eerbieding en onderhouding van vriendschap en vrede, gelijk 1 Kon. 10:25 , en boven, 2 Kron. 9:24 . 1 Samuël 10:27 : Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof. 2 Kronieken 17:5 : En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 1 Koningen 10:25 : En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar. 2 Kronieken 9:24 : En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar.
[^2kronieken-17-6-8]: Kanttekening 8: verhief zich: Te weten, niet door waan van deugden, rijkdom en eer, maar door en tot een kloek voornemen om de afgoderij uit te roeien, de zuivere godsdienst te herstellen, alle goede orde naar de wet van YHWH in te voeren en zich tegen de beletselen, die hem bejegenden, vast te maken. Sommigen nemen het zo, dat hij het hield voor zijn hoogste eer in de wegen van YHWH te wandelen.
[^2kronieken-17-6-9]: Kanttekening 9: Die nog van Asa's tijd overgebleven, of in het einde van zijn leven geplant waren van de Joden, die zo tot de afgoderij genegen waren dat zij ook, niettegenstaande Josafats ijver, niet geheel zijn uitgeroeid; onder, 2 Kron. 20:33 . 2 Kronieken 20:33 : Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot de God van zijn vaderen.
[^2kronieken-17-7-10]: Kanttekening 10: opdat men: De zin is dat zij van koningswege het Joodse volk overal zouden vermanen en bevelen, de wet van YHWH uit de mond van de priesters en Levieten aan te horen en zich daarnaar te voegen, en alle verhindering met publieke autoriteit te beletten.
[^2kronieken-17-9-11]: Kanttekening 11: zij leerden: Te weten, de priesters en Levieten.
[^2kronieken-17-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, een zeer grote verschrikking. Zie boven, 2 Kron. 14:14 ; idem vergelijk Gen. 13:10 . 2 Kronieken 14:14 : En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs daarin was. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^2kronieken-17-11-13]: Kanttekening 13: met het opgelegde: Hebreeuws, עַרְבִיאִ֗ים, en, of, met het zilver van de last; dat is, met het vastgestelde geld, dat hun opgelegd was jaarlijks als een tribuut of belasting de koningen van Juda te betalen.
[^2kronieken-17-12-14]: Kanttekening 14: Te weten: I. in rijkdom, boven, vers 5 , en onder, 2 Kron. 18:1 ; II. in macht van krijgslieden, onder, vers 14 , 17:15 , enz.; III. in eer en vermaardheid, boven, vers 5 ,10, en onder, 2 Kron. 18:1 . Hebreeuws, hij was, of, werd, gaande, en groot wordende. 2 Kronieken 17:5 : En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 2 Kronieken 18:1 : Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab. 2 Kronieken 17:14 : Dit nu is hun telling, naar de huizen hun vaderen. In Juda waren oversten van de duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden. 2 Kronieken 17:15 : Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend; 2 Kronieken 17:5 : En YHWH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 2 Kronieken 18:1 : Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.
[^2kronieken-17-12-15]: Kanttekening 15: burchten en schatsteden: Of, kastelen, sloten. Anders, paleizen.
[^2kronieken-17-13-16]: Kanttekening 16: veel werks: Versta dit werk, niet alleen van gereedschap, middelen en voorraad, die hij tot de oorlog en andere zaken gereed had \[gelijk sommigen het Hebreeuwse woord hier nemen\], maar ook van de arbeid, het bedrijf en gewoel, dat hij overal daarin had, om alles wel te verzorgen, te beschikken, te maken en in het werk te stellen.
[^2kronieken-17-14-17]: Kanttekening 17: Anders, getal, of, overste, bevelhebber, of, bevelhebberschap.
[^2kronieken-17-15-18]: Kanttekening 18: Naast hem: Hebreeuws, יָד֖, aan zijn hand; en zo in het volgende.
[^2kronieken-17-16-19]: Kanttekening 19: die zich vrijwillig: Te weten, om de oorlog van YHWH te voeren tegen de vijanden van het land.
[^2kronieken-17-19-20]: Kanttekening 20: Of, dienden de koning. Anderen, wachtten op de koning. Versta, dat zij altijd gereed waren om voor hem in de oorlog gebruikt te worden, zo wanneer zij daartoe van hem gelast zouden worden.

### 2 Kronieken 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/18.json)

*Josafat, die met Achab door huwelijk verzwagerd is, stemt ermee in met hem oorlog te voeren tegen Ramoth in Gilead, vers 1 enz. maar verzoekt dat daarover het woord van de HEERE gehoord zou worden, 4. De profeten van Achab raden ertoe, 5. Micha, een profeet van de HEERE, wordt daarover ook ontboden, 6. de profeten van Achab blijven bij hun mening, 10. Micha daarentegen ontraadt die oorlog, 12. wordt daarom geslagen door Zedekia, 23. en in de gevangenis geworpen door Achab, 25. Josafat wordt door God geholpen, 28. Achab wordt neergeschoten, 33.*

**1** Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij[^2kronieken-18-1-1] verzwagerde zich aan Achab. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v1)

**2** En[^2kronieken-18-2-a] na verloop van[^2kronieken-18-2-2] enige jaren trok hij af tot Achab naar Samaria; en Achab[^2kronieken-18-2-3] slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar[^2kronieken-18-2-4] Ramoth in[^2kronieken-18-2-5] Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v2)

**3** Want Achab, de koning van Israël, zei tot Josafat, de koning van Juda: Zult u met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tot hem:[^2kronieken-18-3-6][^2kronieken-18-3-b] Zo zal ik zijn, zoals u bent, en zoals uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v3)

**4** Verder zei Josafat tot de koning van[^2kronieken-18-4-c] Israël: Vraag toch als heden naar het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v4)

**5** Toen verzamelde de koning van Israël de[^2kronieken-18-5-7] profeten, vierhonderd mannen, en hij zei tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God[^2kronieken-18-5-8] zal hen in de hand van de koning geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v5)

**6** Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van YHWH, dat wij van hem vragen mochten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v6)

**7** Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog één man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij[^2kronieken-18-7-9] niets goeds, maar[^2kronieken-18-7-10] altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v7)

**8** Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v8)

**9** De koning van Israël nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met[^2kronieken-18-9-11] hun kleren, en zij zaten op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden[^2kronieken-18-9-12] in hun aanwezigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v9)

**10** En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zei: Zo zegt YHWH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben.[^2kronieken-18-10-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v10)

**11** En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en[^2kronieken-18-11-14] u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal hen in de hand van de koning geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v11)

**12** De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn, uit één mond,[^2kronieken-18-12-15] goed tot de koning; dat nu toch uw woord zij, zoals van één uit hen, en spreek het goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v12)

**13** Maar Micha zei: Zo waarachtig als YHWH leeft, wat mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v13)

**14** Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zei:[^2kronieken-18-14-16] Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want[^2kronieken-18-14-17] zij zullen in uw hand[^2kronieken-18-14-18] gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v14)

**15** En de koning zei tot hem:[^2kronieken-18-15-19] Tot hoevele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan de waarheid, in de Naam van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v15)

**16** En hij zei:[^2kronieken-18-16-20] Ik zag het hele Israël verstrooid op de bergen, zoals schapen, die geen herder hebben; en YHWH zei: Deze hebben geen heer; ieder kere weer naar zijn huis in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v16)

**17** Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds,[^2kronieken-18-17-21] maar kwaad profeteren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v17)

**18** Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse leger, staande aan Zijn rechterhand en Zijn linkerhand.[^2kronieken-18-18-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v18)

**19** En YHWH zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead?[^2kronieken-18-19-23] Daarna zei Hij: Deze zegt zo, en die zegt zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v19)

**20** Toen kwam een[^2kronieken-18-20-24][^2kronieken-18-20-d] geest voort, en stond voor het aangezicht van YHWH, en zei: Ik zal hem overreden. En YHWH zei tot hem: Waarmee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v20)

**21** En Hij zei: Ik zal uitgaan, en een[^2kronieken-18-21-25] leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult er ook in slagen; ga uit, en[^2kronieken-18-21-26] doe zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v21)

**22** Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond[^2kronieken-18-22-27] van deze uw profeten gegeven, en YHWH heeft kwaad over u gesproken.[^2kronieken-18-22-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v22)

**23** Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en[^2kronieken-18-23-f] sloeg Micha op de kaak, en hij zei: Door wat weg is de Geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v23)

**24** En Micha zei: Zie, u zult het zien op die dag, als u zult gaan[^2kronieken-18-24-28] van kamer in kamer, om u te versteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v24)

**25** De koning van Israël nu zei: Neem Micha, en brengt hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v25)

**26** En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in de gevangenis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid,[^2kronieken-18-26-29] totdat ik met vrede wederkom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v26)

**27** En Micha zei: Als u[^2kronieken-18-27-30] enigszins met vrede wederkomt, zo heeft YHWH door mij niet gesproken. Verder zei hij: Hoor, u volken altegaar![^2kronieken-18-27-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v27)

**28** Zo trok de koning van Israël, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v28)

**29** En de koning van Israël zei tot Josafat:[^2kronieken-18-29-32] Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v29)

**30** De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten[^2kronieken-18-30-33] van de wagens, die hij had, zeggende: U zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen de koning van Israël alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v30)

**31** Het gebeurde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij trokken rondom hem, om te strijden; maar Josafat[^2kronieken-18-31-34] riep, en YHWH hielp hem, en God wendde hen van hem af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v31)

**32** Want het gebeurde, als de oversten van de wagens zagen, dat het de koning van Israël niet was, dat zij van achter hem afkeerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v32)

**33** Toen spande een man de boog in zijn[^2kronieken-18-33-35] eenvoud, en[^2kronieken-18-33-36] schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei[^2kronieken-18-33-37] hij tot de voerman:[^2kronieken-18-33-38] Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v33)

**34** En de strijd nam op die dag toe, en de koning van Israël deed zich met de wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot de avond toe; en hij stierf[^2kronieken-18-34-39] ter tijd, als de zon onderging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/18.html#v34)

[^2kronieken-18-1-1]: Kanttekening 1: Hebbende zijn zoon Joram laten trouwen met Athalia, de dochter van Achab en Izebel, 2 Kon. 8:18 . 2 Koningen 8:18 : En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2kronieken-18-2-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 22:2 . 1 Koningen 22:2 : Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot de koning van Israël afgekomen was,
[^2kronieken-18-2-2]: Kanttekening 2: Zo wordt het woord dagen, alleen gesteld zijnde, voor enige dagen, genomen, Gen. 4:3 . Zie de aantekening daar. Men houdt dat dit geschied is omtrent het zeventiende jaar van de regering van Josafat, zo is af te nemen uit 1 Kon. 22:52 . Genesis 4:3 : En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land aan YHWH offer bracht. 1 Koningen 22:52 : Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.
[^2kronieken-18-2-3]: Kanttekening 3: slachtte schapen en runderen: Dat is, vereerde hem met een grote maaltijd. Zie Gen. 31:54 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^2kronieken-18-2-4]: Kanttekening 4: Een stad van de stam van Gad, de Levieten gegeven, 1 Kron. 6:80 ; zie daarvan ook 1 Kon. 4:13 , enz. 1 Kronieken 6:80 : En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden, 1 Koningen 4:13 : De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
[^2kronieken-18-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, gelegen in het land van Gilead, van dat zie Gen. 31:21 , waarom deze stad ook genoemd wordt Ramoth in Gilead, Deut. 4:43 ; 1 Kron. 6:80 , tot een onderscheid van een ander Ramoth, gelegen in Issaschar; 1 Kron. 6:73 . Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijn was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Deuteronomium 4:43 : Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. 1 Kronieken 6:80 : En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden, 1 Kronieken 6:73 : En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
[^2kronieken-18-3-6]: Kanttekening 6: Zo zal ik zijn: Zie de verklaring hiervan 1 Kon. 22:4 , in welk hoofdstuk deze historie bijna van woord tot woord verhaald wordt; daarom is daar ook de meeste verklaring van dit hoofdstuk te vinden. 1 Koningen 22:4 : Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.
[^2kronieken-18-3-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 22:4 . 1 Koningen 22:4 : Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.
[^2kronieken-18-4-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 23:2 ; 2 Sam. 2:1 . 1 Samuël 23:2 : En David vraagde YHWH, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En YHWH zei tot David: Ga heen, en u zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. 2 Samuël 2:1 : En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron.
[^2kronieken-18-5-7]: Kanttekening 7: Zij worden de profeten Achabs genoemd, onder, vers 21 , die gesteld worden tegen de profeten van YHWH, welke Josafat zocht te horen in vers 6 . 2 Kronieken 18:21 : En Hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe zo. 2 Kronieken 18:6 : Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van YHWH, dat wij van hem vragen mochten?
[^2kronieken-18-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk, de Syriërs, gelijk onder, vers 14 , of de stad, of beide. 2 Kronieken 18:14 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trekt op, en u zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uw hand gegeven worden.
[^2kronieken-18-7-9]: Kanttekening 9: niets goeds: Zo 1 Kon. 22:8 . Hebreeuws, יָמָ֣י, niet ten goede, maar ten kwade. Welk evenveel is alsof hij zei: Hij profeteert mij niets, dat mij tot eer, vermaak, of profijt strekken mocht, maar al wat dient tot mijn schande, ongenoegen en schade. Zo oordeelt deze afgodendienaar van al wat de profeet hem tot nalating van zijn valsen godsdienst en zondig leven voorgedragen had. 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo!
[^2kronieken-18-7-10]: Kanttekening 10: altijd kwaad: Hebreeuws, רָעָ֔ה, al zijn dagen; dat is, zo lang en dikwijls als hij in zijn leven mij iets geprofeteerd heeft.
[^2kronieken-18-9-11]: Kanttekening 11: hun kleren: Te weten, die boven hun gewoonlijke uitstaken, en vertoonden hun koninklijke majesteit. Zie 1 Kon. 22:10 . 1 Koningen 22:10 : De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid.
[^2kronieken-18-9-12]: Kanttekening 12: in hun aanwezigheid: Hebreeuws, פְנֵי, voor hun aangezichten.
[^2kronieken-18-10-13]: Kanttekening 13: Met deze: Het is zoveel alsof hij zei: Met deze hoornen verklaar en betuig ik u, dat u de Syriërs zo gemakkelijk zult stoten, slaan en verdrijven, als de gehoornde beesten zulks aan de ongehoornden doen kunnen. Hij wil de ware profeten nabootsen, die bij hun woorden enige tekenen gewoon waren te voegen, gelijk te zien is 1 Kon. 11:30 ; 2 Kon. 13:15 , 13:16 , enz. 1 Koningen 11:30 : Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. 2 Koningen 13:15 : En Elisa zei tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen. 2 Koningen 13:16 : En hij zei tot de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog, en hij legde zijn hand daaraan; en Elisa legde zijn handen op de handen van de koning.
[^2kronieken-18-11-14]: Kanttekening 14: u zult: Zie 1 Kon. 22:12 . 1 Koningen 22:12 : En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want YHWH zal hen in de hand van de koning geven.
[^2kronieken-18-12-15]: Kanttekening 15: goed tot de koning: Zie 1 Kon. 1:42 , en boven, vers 7 . 1 Koningen 1:42 : Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent een kloek man, en zult het goede boodschappen. 2 Kronieken 18:7 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo.
[^2kronieken-18-14-16]: Kanttekening 16: Trekt op: Zie 1 Kon. 22:15 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^2kronieken-18-14-17]: Kanttekening 17: Namelijk, de Syriërs.
[^2kronieken-18-14-18]: Kanttekening 18: gegeven worden: Te weten, van de Heer; 1 Kon. 22:15 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^2kronieken-18-15-19]: Kanttekening 19: Tot hoevele: Dit zijn woorden van een grimmig mens, die zo door haastigen toorn uitvaart, dat hij valsheid spreekt. Want hij had Micha niet bezworen, maar alleen blotelijk gevraagd wat hij in de oorlog, die hij tegen de Syriërs voorgenomen had, doen of laten zou, vers 14 . 2 Kronieken 18:14 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trekt op, en u zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uw hand gegeven worden.
[^2kronieken-18-16-20]: Kanttekening 20: Ik zag het gehele: Zie 1 Kon. 22:17 . 1 Koningen 22:17 : En hij zei: Ik zag het gehele Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en YHWH zei: Deze hebben geen heer; iedereen kere weer naar zijn huis in vrede.
[^2kronieken-18-17-21]: Kanttekening 21: maar kwaad: Hebreeuws, רָֽע, ten kwade. 1 Kon. 22:18 staat alleen het woord kwaad. Zie boven, vers 7 . 1 Koningen 22:18 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaads profeteren? 2 Kronieken 18:7 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo.
[^2kronieken-18-18-22]: Kanttekening 22: Namelijk Micha.
[^2kronieken-18-19-23]: Kanttekening 23: Daarna zei Hij: Te weten, de Heer. Wiens woorden ok zijn, die in vers 19 voorgaan. Anders, en hij zei, te weten, Micha; zulks dat de volgende woorden van vers 19 aldus zouden moeten overgezet worden: De een zei aldus en de ander zei zo. 2 Kronieken 18:19 : En YHWH zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei Hij: Deze zegt aldus, en die zegt zo. 2 Kronieken 18:19 : En YHWH zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei Hij: Deze zegt aldus, en die zegt zo.
[^2kronieken-18-20-24]: Kanttekening 24: geest voort: Versta, een boze geest, die in vers 21 zichzelven een leugengeest noemt; gelijk hij ook geheten wordt een leugenaar, en vader van de leugen; Joh. 8:44 . 2 Kronieken 18:21 : En Hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult ook vermogen; ga uit, en doe zo. Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uw vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
[^2kronieken-18-20-d]: Verwijzing d: Job 1:6 . Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
[^2kronieken-18-21-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, een geest van de valsheid, of, van de leugen; dat is, die de mens valsheid en leugen ingeeft. Zo wordt genaamd de geest van de hoererij, die de mens tot het geestelijke hoerdom, dat is tot afgoderij verleidt, Hos. 4:12 ; de geest van de onreinheid, die tot geestelijke onreinheid verwekt, Zach. 13:2 ; de geest van de dwaling, die dwaling voortbrengt, 1 Joh. 4:6 . Hosea 4:12 : Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren. Zacharia 13:2 : En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen van de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en de onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen. 1 Johannes 4:6 : Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij de geest van de waarheid, en de geest van de dwaling.
[^2kronieken-18-21-26]: Kanttekening 26: doe zo: Zie 1 Kon. 22:22 . 1 Koningen 22:22 : En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe zo.
[^2kronieken-18-22-27]: Kanttekening 27: van deze uw profeten: Versta, aller; welk woord uitgedrukt is 1 Kon. 22:23 . 1 Koningen 22:23 : Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en YHWH heeft kwaad over u gesproken.
[^2kronieken-18-22-c]: Verwijzing c: Job 12:16 ; idem v. 20 ; Jes. 19:14 ; Ez. 14:9 . Job 12:16 : Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijn is de dwalende, en die doet dwalen. Job 12:20 : Hij beneemt de getrouwen de spraak, en van de ouden oordeel neemt Hij weg. Jesaja 19:14 : De YHWH heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. Ezechiël 14:9 : Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
[^2kronieken-18-23-f]: Verwijzing f: Jer. 20:2 ; Mark. 14:65 ; Hand. 23:2 . Jeremia 20:2 : Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Marcus 14:65 : En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren gaven Hem kinnebakslagen. Handelingen 23:2 : Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan.
[^2kronieken-18-24-28]: Kanttekening 28: van kamer in kamer: Vergelijk 1 Kon. 20:30 , en de aantekening. 1 Koningen 20:30 : En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.
[^2kronieken-18-26-29]: Kanttekening 29: totdat ik met vrede wederkom: Hebreeuws, שָׁלֽוֹם, tot mijn wederkomen in vrede.
[^2kronieken-18-27-30]: Kanttekening 30: enigszins … wederkomt: Hebreeuws, wederkomende wederkomt.
[^2kronieken-18-27-31]: Kanttekening 31: Hij spreekt zonder twijfel de omstanders toe, die daar uit vele stammen bijeen waren, om hen tot getuigen te nemen van wat hij daar straks gesproken had.
[^2kronieken-18-29-32]: Kanttekening 32: Als ik mij versteld heb: Anders, ik zal mij verstellen en in de strijd komen; of als hij zich verstelde en verkleedde, en in de strijd wilde komen. Zie de verklaring van deze woorden 1 Kon. 22:30 . 1 Koningen 22:30 : En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd.
[^2kronieken-18-30-33]: Kanttekening 33: van de wagens, die hij had: Te weten, in getal twee en dertig; 1 Kon. 22:31 . 1 Koningen 22:31 : De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, van welke hij twee en dertig had, zeggende: U zult noch kleinen noch grote bestrijden, maar de koning van Israël alleen.
[^2kronieken-18-31-34]: Kanttekening 34: Te weten, tot de Heer om hulp, gelijk uit de volgende woorden af te nemen is.
[^2kronieken-18-33-35]: Kanttekening 35: Zie 1 Kon. 22:34 . 1 Koningen 22:34 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.
[^2kronieken-18-33-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, sloeg; zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^2kronieken-18-33-37]: Kanttekening 37: Namelijk, de koning Achab.
[^2kronieken-18-33-38]: Kanttekening 38: Keer uw hand: Vergelijk 2 Kon. 9:23 . 2 Koningen 9:23 : Toen keerde Joram zijn hand, en vluchtte, en zei tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!
[^2kronieken-18-34-39]: Kanttekening 39: ter tijd, als de zon onderging: Zo staat 1 Kon. 22:25 , dat hij 's avonds gestorven is. 1 Koningen 22:25 : En Micha zei: Zie, u zult het zien, op dienzelfden dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.

### 2 Kronieken 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/19.json)

*Josafat wordt door de profeet Jehu berispt, vers 1 enz. Hij blijft te Jeruzalem, en stelt daarna overal in zijn land rechters aan, die hij vermaant tot trouwe bediening van hun ambt, 4. Eveneens in Jeruzalem kerkelijke en burgerlijke rechters, 8.*

**1** En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weer naar zijn huis te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v1)

**2** En[^2kronieken-19-2-1] Jehu, de zoon van[^2kronieken-19-2-2] Hanani, de[^2kronieken-19-2-3] ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zou u[^2kronieken-19-2-4] de goddeloze helpen, en die YHWH haten, liefhebben? Nu is daarom over u[^2kronieken-19-2-5] van het aangezicht van YHWH grote boosheid.[^2kronieken-19-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v2)

**3** Evenwel goede dingen zijn[^2kronieken-19-3-7] bij u gevonden;[^2kronieken-19-3-a] want u hebt de bossen uit het land[^2kronieken-19-3-8] weggedaan, en uw hart[^2kronieken-19-3-9] gericht om God te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v3)

**4** Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij[^2kronieken-19-4-10] trok opnieuw uit door het volk,[^2kronieken-19-4-11] van Ber-seba af tot het gebergte van Efraïm toe, en[^2kronieken-19-4-12] deed hen terugkeren tot YHWH, de God van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v4)

**5** En hij stelde richters in het land, in alle versterkte steden van Juda,[^2kronieken-19-5-13] van stad tot stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v5)

**6** En hij zei tot de richters: Zie wat u doet, want[^2kronieken-19-6-14] u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor YHWH; en Hij is bij u[^2kronieken-19-6-15] in de zaak van het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v6)

**7** Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neem[^2kronieken-19-7-16] waar, en doet het;[^2kronieken-19-7-b] want bij YHWH, onze God, is geen onrecht,[^2kronieken-19-7-c] noch[^2kronieken-19-7-17] aanneming van personen, noch ontvanging van[^2kronieken-19-7-18] geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v7)

**8** Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de familiehoofden[^2kronieken-19-8-19] van Israël, over[^2kronieken-19-8-20] het gericht van YHWH, en over rechtsgeschillen, als[^2kronieken-19-8-21] zij weer te Jeruzalem gekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v8)

**9** En hij gebood hun, zeggende: Doe zo in de vrees voor YHWH, met getrouwheid en met[^2kronieken-19-9-22] een volkomen hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v9)

**10** En in alle geschil, dat van uw broers, die in hun steden wonen, tot u zal komen,[^2kronieken-19-10-23] tussen bloed en bloed,[^2kronieken-19-10-24] tussen wet en gebod, en voorschriften en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan YHWH, en een grote boosheid[^2kronieken-19-10-25] over u en over uw broers zij; doe zo, en u zult niet schuldig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v10)

**11** En ziet,[^2kronieken-19-11-26] Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak van YHWH; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak van de koning; ook zijn[^2kronieken-19-11-27] de voormannen, de Levieten,[^2kronieken-19-11-28] voor uw aangezicht; wees sterk en doet het, en YHWH zal met[^2kronieken-19-11-29] de goede zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/19.html#v11)

[^2kronieken-19-2-1]: Kanttekening 1: Zie van deze profeet 1 Kon. 16:1 . 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende:
[^2kronieken-19-2-2]: Kanttekening 2: Zie van deze ook boven, 2 Kron. 16:7 . 2 Kronieken 16:7 : En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, de koning van Juda, en hij zei tot hem: Omdat u gesteund hebt op de koning van Syrië, en niet gesteund hebt op YHWH, uw God, daarom is de legermacht van de koning van Syrië uit uw hand ontkomen.
[^2kronieken-19-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, profeet. Zie 1 Sam. 9:9 , en boven, 2 Kron. 9:29 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-19-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk, Achab, die hij geholpen had tegen de Syriërs, boven, 2 Kron. 18:3 , enz. 2 Kronieken 18:3 : Want Achab, de koning van Israël, zei tot Josafat, de koning van Juda: Zult u met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk u bent, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze krijg.
[^2kronieken-19-2-5]: Kanttekening 5: van het aangezicht van YHWH: Hebreeuws, פְנֵ֖י, van voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-19-2-6]: Kanttekening 6: Die Josafat enigszins gevoeld had, boven, 2 Kron. 18:31 en naderhand nog gevoeld heeft, onder, 2 Kron. 20:1 . 2 Kronieken 18:31 : Het geschiedde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en YHWH hielp hem, en God wendde hen van hem af. 2 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
[^2kronieken-19-3-7]: Kanttekening 7: bij u gevonden: Te weten, niet die uit zijn natuur, maar uit de genade van de wedergeboorte waren, want God onderhoudt en beloont uit genade zijn eigen gaven; zo Neh. 9:8 ; Luk. 12:43 ; Hand. 13:22 . Nehemia 9:8 : En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat U zoudt geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het zijn zade zoudt geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U rechtvaardig bent. Lukas 12:43 : Zalig is de dienaar, welke zijn heer, als hij komt, zal vinden, zo doende. Handelingen 13:22 : En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.
[^2kronieken-19-3-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 17:4 ; idem v. 6 . 2 Kronieken 17:4 : Maar hij zocht de God zijn vader, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israël. 2 Kronieken 17:6 : En zijn hart verhief zich in de wegen van YHWH; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.
[^2kronieken-19-3-8]: Kanttekening 8: Het Hebreeuwse woord betekent ook aansteken, verbranden; Ex. 35:3 ; Lev. 6:12 ; boven, 2 Kron. 4:20 . Voor wegdoen is het genomen 2 Sam. 4:11 ; 1 Kon. 21:21 ; 2 Kon. 23:24 . Exodus 35:3 : U zult geen vuur aansteken in enige uw woningen op de sabbatdag. Leviticus 6:12 : Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankofferen daarop aansteken. 2 Kronieken 4:20 : En de kandelaren met hun lampen, van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, voor de aanspraakplaats; 2 Samuël 4:11 : Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet eisen, en u van de aarde wegdoen? 1 Koningen 21:21 : Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 2 Koningen 23:24 : En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van YHWH gevonden had.
[^2kronieken-19-3-9]: Kanttekening 9: Te weten, door de kracht van de genade van God, die hem tot dit werk voorgekomen was, hem daartoe gevende verstand, wil en vermogen, Ef. 2:10 ; Filipp. 2:13 . Vergelijk boven de aantekening, 2 Kron. 12:14 . Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. Filippensen 2:13 : Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen. 2 Kronieken 12:14 : En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om YHWH te zoeken.
[^2kronieken-19-4-10]: Kanttekening 10: toog opnieuw uit: Hebreeuws, יֵּצֵ֣א, hij kwam weer en ging uit. Anders, bekeerd zijnde, te weten, door de vermaning van de profeet toog hij uit.
[^2kronieken-19-4-11]: Kanttekening 11: van Ber-Seba af: Dat is, van het Zuideinde zijn koninkrijk, dat was de stad Berseba, tot het noordeinde, dat was het gebergte Efraïms.
[^2kronieken-19-4-12]: Kanttekening 12: deed hen terugkeren: Te weten, van de afgoderij, valse godsdiensten en goddeloosheid van het leven.
[^2kronieken-19-5-13]: Kanttekening 13: van stad tot stad: Hebreeuws, עִֽיר, voor stad en stad; dat is, in elke stad.
[^2kronieken-19-6-14]: Kanttekening 14: u houdt het gericht niet: Dat is, u bedient dit rechterschap niet eigenlijk in de naam en uit last van een mens, maar in de naam en uit last van God, welke het gericht toebehoort, en die u daarin gesteld heeft om zijn plaats te bewaren.
[^2kronieken-19-6-15]: Kanttekening 15: in de zaak van het gericht: Dat is, in de rechtshandelingen, geschillen en processen, die u zullen mogen voorkomen. Zie Ps. 82:1 . Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden;
[^2kronieken-19-7-16]: Kanttekening 16: neemt waar: Te weten, uw ambt, ten einde dat u het behoorlijk uitvoert.
[^2kronieken-19-7-b]: Verwijzing b: Deut. 32:4 ; Rom. 9:14 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Romeinen 9:14 : Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.
[^2kronieken-19-7-c]: Verwijzing c: Deut. 10:17 ; Job 34:19 ; Hand. 10:34 ; Rom. 2:11 ; Galat. 2:6 ; Efez. 6:9 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Galaten 2:6 : En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^2kronieken-19-7-17]: Kanttekening 17: aanneming van personen: Hebreeuws, פָנִ֖ים, opnemingen van het aangezicht. Zie Lev. 19:15 , en Deut. 1:17 , met de aantekening. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
[^2kronieken-19-7-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, geschenk; dat is, enig geschenk of geschenken.
[^2kronieken-19-8-19]: Kanttekening 19: van de vaderen van Israël: Dat is, van de vaderlijke huisgezinnen, die onder het gebied van Josafat stonden.
[^2kronieken-19-8-20]: Kanttekening 20: het gericht van YHWH: Versta, door het gericht van YHWH en van de echtgeschillen, kerkelijke en politieke zaken, en vergelijk hiermede vers 11 . 2 Kronieken 19:11 : En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak van YHWH; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak van de koning; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en YHWH zal met de goede zijn.
[^2kronieken-19-8-21]: Kanttekening 21: zij weer te Jeruzalem gekomen waren: Hebreeuws, יָּשֻׁ֖בוּ, eigenlijk, en zij kwamen weer, of, waren wedergekomen te Jeruzalem; dat is, als zij wedergekomen waren, namelijk Josafat en die met hem door het gehele land getrokken waren, om overal in kerkelijke en burgerlijke zaken de goddelijke ordinantiën in te voeren. Anderen vertalen dit aldus: Over de gerichtszaken of rechtshandelingen, als die wederkwamen te Jeruzalem; te weten, als die daar bij vorm van appel gebracht waren; met dit verstand, dat deze rechters te Jeruzalem gesteld werden om de geschillen af te handelen, als die van de partijen door appèl te Jeruzalem kwamen; of als de onderrechters in enige donkere zaak te Jeruzalem verschenen om daar raad te vragen, en verklaring te hebben over wat zij niet verstonden.
[^2kronieken-19-9-22]: Kanttekening 22: een volkomen hart: Dat is, met een oprecht, onvervalst en onstraffelijk gemoed. Vergelijk 1 Kon. 8:61 . 1 Koningen 8:61 : En ulieder hart volkomen zij met YHWH, onze God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te deze dage.
[^2kronieken-19-10-23]: Kanttekening 23: tussen bloed en bloed: Dat is, aangaande het onderscheid en oordeel over enige doodslag of kwetsuur. Zie Deut. 17:8 . Deuteronomium 17:8 : Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u u opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal;
[^2kronieken-19-10-24]: Kanttekening 24: tussen wet en gebod: Dat is, rakende het oordeel over de onderhouding of overtreding van de wetten en geboden en wat daaraan kleeft. Zie van het onderscheid van deze vier woorden Gen. 26:5 ; idem Deut. 5:31 , en 1 Kon. 2:3 . Genesis 26:5 : Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven. 1 Koningen 2:3 : En neem waar de wacht van YHWH, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u u wenden zult;
[^2kronieken-19-10-25]: Kanttekening 25: Dat is, straf van de Heer. Vergelijk onder, 2 Kron. 28:13 , en de aantekening. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^2kronieken-19-11-26]: Kanttekening 26: Amarja, de hoofdpriester: Hieruit verstaat men dat te Jeruzalem twee onderscheidene opperste rechterstoelen geweest zijn; de ene die over geestelijke zaken, en de andere die over politieke geschillen oordelen moest; tot welke men van alle andere gerichten uit het gehele land appelleren mocht. Vergelijk Deut. 17:18 , enz.; idem Ex. 18:26 ; Deut. 1:15 . Deuteronomium 17:18 : Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is; Exodus 18:26 : Dat zij het volk te alle tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten. Deuteronomium 1:15 : Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.
[^2kronieken-19-11-27]: Kanttekening 27: de ambtlieden: Zie 1 Kron. 26:29 , en het volgende met de aantekening. 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters.
[^2kronieken-19-11-28]: Kanttekening 28: voor uw aangezicht: Dat is, tot uw best, bereid om u te dienen. Zie gelijke manier van spreken Gen. 13:9 . Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^2kronieken-19-11-29]: Kanttekening 29: met de goede zijn: Te weten, mensen, of personen, die het goede voorhebben en pogen voor te staan; of met de goede zaken.

### 2 Kronieken 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/20.json)

*Josafat roept in oorlogsnood een vasten uit, vers 1 enz. doet zelf een gebed tot God, 5. hij wordt getroost door de profeet Jahaziël, door de toezegging van Gods hulp, 14. die hij op wonderbaarlijke wijze verkrijgt, 20. behaalt grote buit, en komt met dankzegging tot God terug naar Jeruzalem, 25. zijn regering, 31. zijn vloot mislukt, 34.*

**1** Het gebeurde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen[^2kronieken-20-1-1][^2kronieken-20-1-2] anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v1)

**2** Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van de overzijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te[^2kronieken-20-2-4] Hazezon-Thamar, dat is Engedi.[^2kronieken-20-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v2)

**3** Josafat nu vreesde, en[^2kronieken-20-3-5] stelde zijn aangezicht, om[^2kronieken-20-3-6] YHWH te zoeken; en hij[^2kronieken-20-3-7] riep een vasten uit in geheel Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v3)

**4** En Juda werd verzameld, om de hulp van YHWH[^2kronieken-20-4-8] te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om YHWH te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v4)

**5** En Josafat[^2kronieken-20-5-9] stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van YHWH, voor het[^2kronieken-20-5-10] nieuwe voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v5)

**6** En hij zei: O, YHWH, God van onze vaders, bent U niet de God in de hemel? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en[^2kronieken-20-6-a] in Uw hand is kracht en sterkte,[^2kronieken-20-6-11] zodat niemand zich tegen U stellen kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v6)

**7** Hebt U niet, onze God, de inwoners van dit land van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan[^2kronieken-20-7-12] het zaad van Abraham, Uw[^2kronieken-20-7-13] liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v7)

**8** Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een[^2kronieken-20-8-14] heiligdom gebouwd[^2kronieken-20-8-15] voor Uw Naam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v8)

**9** [^2kronieken-20-9-b] Als over ons enig kwaad komt, het[^2kronieken-20-9-16] zwaard van het oordeel, of pest, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat[^2kronieken-20-9-17] Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v9)

**10** En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en[^2kronieken-20-10-18] die van het gebergte Seïr, door wie U Israël niet toeliet[^2kronieken-20-10-19] te trekken, als zij uit Egypteland trokken, maar zij weken van hen, en vernietigden hen niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v10)

**11** Zie dan, zij[^2kronieken-20-11-20] vergelden het ons, komende om ons uit Uw erfenis, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v11)

**12** O, onze God, zult U geen[^2kronieken-20-12-21] recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar[^2kronieken-20-12-22] onze ogen zijn op U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v12)

**13** En geheel Juda stond[^2kronieken-20-13-23] voor het aangezicht van YHWH, ook hun kinderen, hun vrouwen en hun zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v13)

**14** Toen[^2kronieken-20-14-24] kwam[^2kronieken-20-14-25] de Geest van YHWH in het midden van de gemeente, op[^2kronieken-20-14-26] Jahaziël, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jehiël, de zoon van Matthanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v14)

**15** En hij zei: Merk op, geheel Juda, en u, inwoners van Jeruzalem, en u, koning Josafat! Zo zegt YHWH tot u: Vrees u niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want[^2kronieken-20-15-27] de strijd is niet uwe, maar Gods.[^2kronieken-20-15-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v15)

**16** Trek morgen[^2kronieken-20-16-28] tot hen af; zie, zij komen op bij de opgang van[^2kronieken-20-16-29] Ziz; en u zult hen vinden in het[^2kronieken-20-16-30] einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v16)

**17** U zult in deze strijd niet te strijden hebben; stel uzelf, staat en ziet het heil[^2kronieken-20-17-31] van YHWH met u, o Juda en Jeruzalem! Vrees niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want YHWH[^2kronieken-20-17-32] zal met u wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v17)

**18** Toen[^2kronieken-20-18-33] neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor het aangezicht van YHWH, aanbiddende YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v18)

**19** En de Levieten uit de kinderen van[^2kronieken-20-19-34] de Kahathieten, en uit de kinderen van de Korahieten, stonden op, om YHWH, de God van Israël, met[^2kronieken-20-19-35] luide stem[^2kronieken-20-19-36] ten hoogste te prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v19)

**20** En zij maakten zich 's morgens vroeg op, en trokken uit naar de[^2kronieken-20-20-37] woestijn van Thekoa; en als zij uittrokken, stond Josafat en zei: Hoor mij, o Juda, en u, inwoners van Jeruzalem! Geloof in YHWH, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof aan[^2kronieken-20-20-38] Zijn profeten, en u zult voorspoedig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v20)

**21** [^2kronieken-20-21-39] Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde voor YHWH zangers, die de[^2kronieken-20-21-40] heilige Majesteit prijzen zouden,[^2kronieken-20-21-41] voor de toegerusten uitgaande en zeggende:[^2kronieken-20-21-42] Loof YHWH, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v21)

**22** Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang,[^2kronieken-20-22-d] stelde YHWH[^2kronieken-20-22-43] achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en[^2kronieken-20-22-44] zij werden geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v22)

**23** Want de kinderen Ammons en Moab[^2kronieken-20-23-45] stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te vernietigen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij[^2kronieken-20-23-46] de één de ander ten verderve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v23)

**24** Als nu Juda tot de[^2kronieken-20-24-47] wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en[^2kronieken-20-24-48] niemand was ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v24)

**25** Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel bezittingen[^2kronieken-20-25-49] en dode lichamen, als[^2kronieken-20-25-50] kostelijk gereedschap, en namen voor zich[^2kronieken-20-25-51] weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden de buit drie dagen, want daarvan was veel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v25)

**26** En op de vierde dag verzamelden zij zich in het dal[^2kronieken-20-26-52] van Beracha, want daar loofden zij YHWH; daarom noemden zij de naam van die plaats het dal van Beracha,[^2kronieken-20-26-53] tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v26)

**27** Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weer, en Josafat in[^2kronieken-20-27-54] de voorspitse van hen, om opnieuw met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want YHWH had hen verblijd over hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v27)

**28** En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten,[^2kronieken-20-28-55] tot het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v28)

**29** En er werd een[^2kronieken-20-29-56] verschrikking Gods over alle koninkrijken van die landen, als zij hoorden, dat YHWH tegen de vijanden van Israël gestreden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v29)

**30** Zo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v30)

**31** Zo regeerde Josafat over Juda;[^2kronieken-20-31-57] hij was[^2kronieken-20-31-e] vijf en dertig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, een dochter van Silhi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v31)

**32** En hij[^2kronieken-20-32-58] wandelde in de weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v32)

**33** Evenwel werden de hoogten[^2kronieken-20-33-59] niet weggenomen; want het volk had nog[^2kronieken-20-33-60] zijn hart niet geschikt tot de God van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v33)

**34** Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van[^2kronieken-20-34-61] Jehu, de zoon van[^2kronieken-20-34-62] Hanani,[^2kronieken-20-34-63] die men hem optekenen deed in het[^2kronieken-20-34-64] boek van de koningen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v34)

**35** Maar na deze vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, de koning van Israël; die handelde goddeloos in zijn doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v35)

**36** En hij vergezelschapte zich met hem,[^2kronieken-20-36-f] om schepen te maken, om naar[^2kronieken-20-36-65] Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te[^2kronieken-20-36-66] Ezeon-geber. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v36)

**37** Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat u zich met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft YHWH uw werken verscheurd. Zo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/20.html#v37)

[^2kronieken-20-1-1]: Kanttekening 1: anderen : Namelijk, de Syriërs, vers 2 , en de Edomieten, die op het gebergte Seïr woonden, vers 10 . 2 Kronieken 20:2 : Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi. 2 Kronieken 20:10 : En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seïr, door wie U Israël niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;
[^2kronieken-20-1-2]: Kanttekening 2: Of, buiten af van de Ammonieten. Anders, over, of bezijden. Anders, want met hen, namelijk de Moabieten, waren van de Ammonieten; te weten enige. Anderen verstaan dat Ammonim vers 1 en 2 Kron. 26:8 een bijzonder volk is, onderscheiden van de kinderen Ammons. 2 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde. 2 Kronieken 26:8 : En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.
[^2kronieken-20-2-4]: Kanttekening 4: Zie Gen. 14:7 . Genesis 14:7 : Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.
[^2kronieken-20-2-3]: Kanttekening 3: van de zee: Versta, de Zoutzee of Dode zee, welke was de oostpale van het Joodse land, Joz. 15:5 . Zie van deze zee Gen. 14:3 . Jozua 15:5 : De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong van de zee, van het uiterste van de Jordaan. Genesis 14:3 : Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^2kronieken-20-3-5]: Kanttekening 5: stelde zijn aangezicht: Dat is, had een vast voornemen in zijn hart. Gelijk men het aangezicht van het lichaam wendt naar de plaats waar men wezen wil, zo keert men en zet men de gedachten van de geest op het werk, dat men doen wil. Zie 2 Kon. 12:17 . 2 Koningen 12:17 : Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.
[^2kronieken-20-3-6]: Kanttekening 6: YHWH: Anders, van de Heer \[hulp\] te zoeken. De Heer te zoeken, is hier zoveel als Hem vuriglijk aan te roepen. Zo Ps. 34:5 , en Ps. 78:34 , enz. Elders wordt deze manier van spreken meer in het algemeen genomen. Zie boven, 2 Kron. 11:16 . Psalmen 34:5 : Daleth. Ik heb YHWH gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered. Psalmen 78:34 : Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weer, en zochten God vroeg; 2 Kronieken 11:16 : Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, offerande deden.
[^2kronieken-20-3-7]: Kanttekening 7: Te weten, opdat een ieder te bekwamer zou zijn om God te bidden voor de welstand van het land en de afkering van de vijanden, en om een openbaar getuigenis te geven van ootmoed en berouw over hun voorgaande zonden, en van een oprecht voornemen om in het toekomende zich te beteren. Vergelijk Richt. 20:26 ; 1 Sam. 7:6 , en 1 Sam. 31:13 ; 2 Sam. 1:12 ; 1 Kon. 21:9 en de aantekening, Neh. 9:1 ; Esth. 4:16 ; Joël 2:15 . Richteren 20:26 : Toen togen alle kinderen van Israël en al het volk op, en kwamen in het huis van God, en weenden, en bleven daar voor het aangezicht van YHWH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van YHWH. 1 Samuël 7:6 : En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht van YHWH; en zij vastten op die dag, en zeiden daar: Wij hebben tegen YHWH gezondigd. Zo richtte Samuël de kinderen van Israël te Mizpa. 1 Samuël 31:13 : En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen. 2 Samuël 1:12 : En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van YHWH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren. 1 Koningen 21:9 : En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats van het volk; Nehemia 9:1 : Verder op de vier en twintigste dag van deze maand verzamelden zich de kinderen van Israël met vasten en met zakken, en aarde was op hen. Esther 4:16 : Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook zo vasten, en zo zal ik tot de koning ingaan, dat niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om. Joël 2:15 : Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.
[^2kronieken-20-4-8]: Kanttekening 8: Of, antwoord.
[^2kronieken-20-5-9]: Kanttekening 9: Te weten, in het uiterste en grote voorhof, genaamd het voorhof van het volk, in het koninklijk gestoelte; van dat zie boven, 2 Kron. 6:13 . 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van het voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).
[^2kronieken-20-5-10]: Kanttekening 10: nieuwe voorhof: Versta, het innerste voorhof, dat was van de priesters, hier genaamd het nieuwe, zo men meent omdat Asa het had laten vernieuwen, als hij het brandofferaltaar vernieuwde; boven, 2 Kron. 15:8 . 2 Kronieken 15:8 : Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was.
[^2kronieken-20-6-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 29:12 ; Matt. 6:13 . 1 Kronieken 29:12 : En rijkdom en voordat zijn voor Uw aangezicht, en U heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen.
[^2kronieken-20-6-11]: Kanttekening 11: zodat niemand: Of, zodat niemand met, of bij, of tegen U is, om zich te stellen; dat is, dat niemand met U in macht te vergelijken is, die zich tegen U zou kunnen stellen.
[^2kronieken-20-7-12]: Kanttekening 12: zaad van Abraham: Dat is, de nakomelingen; zie Gen. 9:9 . Genesis 9:9 : Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;
[^2kronieken-20-7-13]: Kanttekening 13: tot in eeuwigheid: Dat is, tot de toekomst van de Messias en de vervulling van de wet; zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-20-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, een tempel. Zo wordt de tempel genaamd, Ps. 74:7 ; Ez. 45:4 ; idem de tabernakel van Mozes, Ex. 25:8 ; Lev. 20:3 . Psalmen 74:7 : Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd. Ezechiël 45:4 : Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesters, die het heiligdom bedienen, die naderen om YHWH te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom. Exodus 25:8 : En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. Leviticus 20:3 : En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou.
[^2kronieken-20-8-15]: Kanttekening 15: voor Uw Naam: Dat is, voor U; zie 1 Kon. 5:3 ; zo in het volgende. 1 Koningen 5:3 : U weet, dat mijn vader David voor de Naam van YHWH, zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat YHWH hen onder zijn voetzolen gaf.
[^2kronieken-20-9-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 8:33 ; idem v. 34 ; idem v. 35 ; boven, 2 Kron. 6:28 ; boven, 2 Kron. 7:13 . 1 Koningen 8:33 : Wanneer Uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht van de vijand, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen; 1 Koningen 8:34 : Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun vaderen gegeven hebt. 1 Koningen 8:35 : Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; 2 Kronieken 6:28 : Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land zijn poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige ziekte wezen zal; 2 Kronieken 7:13 : Zo Ik de hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend;
[^2kronieken-20-9-16]: Kanttekening 16: zwaard van het oordeel: Versta, de oorlog, waarmee God pleegt zijn rechtvaardige oordelen en straffen over de mensen uit te voeren. Zwaard, voor oorlog, zie Lev. 26:6 , en, oordeel, voor straf, of wraak, Ex. 7:4 ; Jer. 48:47 ; Ez. 14:21 ; 1 Petr. 4:17 , enz.; daarom wordt dit zwaard van de oorlog ook een wrekend zwaard genoemd, Lev. 26:25 . Leviticus 26:6 : Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. Exodus 7:4 : Farao nu zal naar u niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen van Israël, uit Egypteland, door grote gerichten. Jeremia 48:47 : Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel. Ezechiël 14:21 : Want zo zegt de Heer YHWH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien! 1 Petrus 4:17 : Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? Leviticus 26:25 : Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden.
[^2kronieken-20-9-17]: Kanttekening 17: Uw Naam: Dat is, U, o Heer, door de tekenen uw aanwezigheid en de werkingen uw genade.
[^2kronieken-20-10-18]: Kanttekening 18: die van het gebergte Seïr: Hebreeuws, נָתַ֤תָּה, de berg, of, het gebergte Seïrs; dat is, de inwoners van dat gebergte, welke waren de Edomieten; Deut. 2:5 . Deuteronomium 2:5 : Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven.
[^2kronieken-20-10-19]: Kanttekening 19: te trekken: Te weten, als vijanden, om het volk te beschadigen, of het land in te nemen; maar als vrienden hadden zij wel mogen trekken, als de Edomieten hun dat niet geweigerd hadden; Num. 20:17 , 20:20 , 20:21 ; Deut. 2:4 , 2:8 , 2:18 . Numeri 20:17 : Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw gebied zullen getrokken zijn. Numeri 20:20 : Maar hij zei: U zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand. Numeri 20:21 : Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. Deuteronomium 2:4 : En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan de landpale van uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten. Deuteronomium 2:8 : Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen de weg van de woestijn van Moab. Deuteronomium 2:18 : U zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;
[^2kronieken-20-11-20]: Kanttekening 20: Te weten, het goed, dat wij hun gedaan hebben met het kwaad, dat zij, ons nu aandoen willen. Het Hebreeuwse woord is hier voor kwade vergelding genomen; zo 2 Kron. 32:25 ; Ps. 7:5 , enz.; elders ook voor goede, Richt. 9:16 ; 2 Sam. 19:36 ; voor beide, 1 Sam. 24:18 ; Spreuk. 31:12 . 2 Kronieken 32:25 : Maar Jehizkia deed gene vergelding, naar de weldaad aan hem geschied, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toornigheid. Psalmen 7:5 : Als ik kwaad vergolden heb die, die vrede met mij had; (ja, ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) Richteren 9:16 : Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de verdienste zijn handen gedaan hebt. 2 Samuël 19:36 : Uw knecht zal maar een weinig met de koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen? 1 Samuël 24:18 : En hij zei tot David: U bent rechtvaardiger dan ik; want u hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden. Spreuken 31:12 : Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
[^2kronieken-20-12-21]: Kanttekening 21: geen recht: Dat is, zult U hen niet straffen? Zo richten voor straffen, 1 Sam. 3:13 ; Ps. 51:6 ; Ez. 24:14 . Vergelijk Gen. 15:14 . Aldus vragende, bidt hij dat God straffe. 1 Samuël 3:13 : Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, vanwege de ongerechtigheid, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien. Psalmen 51:6 : Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Ezechiël 24:14 : Ik, YHWH, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet sparen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heer YHWH. Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^2kronieken-20-12-22]: Kanttekening 22: onze ogen: Dat is, wij vertrouwen op U en verwachten uwe hulp. Zo Ps. 25:15 , en Ps. 123:2 , en Ps. 141:8 , en vergelijk 1 Kon. 1:20 . Psalmen 25:15 : Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op YHWH, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. Psalmen 123:2 : Zie, gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand haar vrouw; zo zijn onze ogen op YHWH, onze God, totdat Hij ons genadig zij. Psalmen 141:8 : Maar op U zijn mijn ogen, YHWH, Heer! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet. 1 Koningen 1:20 : Maar u, mijn heer koning, de ogen van het gehele Israël zijn op u, dat u hun zoudt te kennen geven, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal.
[^2kronieken-20-13-23]: Kanttekening 23: voor het aangezicht: Te weten, in het grote voorhof, voor aan het voorhof van de priesters, en de tempel. Vergelijk Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-20-14-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, werd op Jehaziël. Zo Richt. 11:29 , en zie de aantekening. Richteren 11:29 : Toen kwam de Geest van YHWH op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.
[^2kronieken-20-14-25]: Kanttekening 25: de Geest van YHWH: Versta dit van de Geest van de profetie. Zo Num. 24:2 ; onder, 2 Kron. 24:20 . Numeri 24:2 : Als Bileam zijn ogen ophief, en Israël zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem. 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
[^2kronieken-20-14-26]: Kanttekening 26: Die te onderscheiden is van anderen van deze naam; 1 Kron. 12:4 , en 1 Kron. 16:6 , en 1 Kron. 23:19 . 1 Kronieken 12:4 : En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet; 1 Kronieken 16:6 : Maar Benaja en Jahaziël, de priesters, steeds met trompetten voor de ark van het verbond van God. 1 Kronieken 23:19 : Aangaande de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde.
[^2kronieken-20-15-27]: Kanttekening 27: de strijd: Dat is, u zult niet strijden tegen deze hoop, maar God, die zij bestrijden als zij tegen u opkomen. Zie onder, vers 17 . 2 Kronieken 20:17 : U zult in deze strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil van YHWH met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want YHWH zal met u wezen.
[^2kronieken-20-15-c]: Verwijzing c: Ex. 14:13 . Exodus 14:13 : Maar Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil van YHWH, dat Hij heden aan u doen zal, want de Egyptenaars, die u heden gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid.
[^2kronieken-20-16-28]: Kanttekening 28: tot hen af: Dit wordt zo gezegd ten aanzien van de gelegenheid van de stad Jeruzalem, die in een hoge plaats gelegen was. Zie Gen. 46:4 . Genesis 46:4 : Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
[^2kronieken-20-16-29]: Kanttekening 29: De naam ener plaats, hebbende de woestijn Engedi oostwaarts, en de woestijn Jeruel, van welke in het einde van vers 16 gesproken wordt, westwaarts. 2 Kronieken 20:16 : Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij de opgang van Ziz; en u zult hen vinden in het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël.
[^2kronieken-20-16-30]: Kanttekening 30: van het dal: Anders, beek.
[^2kronieken-20-17-31]: Kanttekening 31: van YHWH: Dat is, dat de Heer u toezenden zal.
[^2kronieken-20-17-32]: Kanttekening 32: zal met u wezen: Zie Num. 14:9 . Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet!
[^2kronieken-20-18-33]: Kanttekening 33: Te weten, verklarende zo dat hij de belofte van God geloofde en Hem daarvoor dankte.
[^2kronieken-20-19-34]: Kanttekening 34: Afkomstig van Kahath door Korach. Zij waren wel voortgekomen van Kahatht, 1 Kron. 6:22 , maar niet van het priesterlijke huis, maar waren zangers in de tempel. 1 Kronieken 6:22 : De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
[^2kronieken-20-19-35]: Kanttekening 35: luide stem: Hebreeuws, ק֥וֹל, grote.
[^2kronieken-20-19-36]: Kanttekening 36: ten hoogste: Zo is het Hebreeuwse woord genomen, 1 Kron. 14:2 , en 1 Kron. 23:17 , en 1 Kron. 29:25 , en 2 Kron. 1:1 . Anders, naar boven, of in de hoogte. 1 Kronieken 14:2 : En David merkte, dat hem YHWH tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, vanwege Zijn volk Israël. 1 Kronieken 23:17 : De kinderen van Eliëzer nu waren deze: Rehabja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. 1 Kronieken 29:25 : En YHWH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël voor hem geweest is. 2 Kronieken 1:1 : En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.
[^2kronieken-20-20-37]: Kanttekening 37: woestijn van Thekoa: Zuidoostwaarts gelegen van Jeruzalem, in de stam van Juda.
[^2kronieken-20-20-38]: Kanttekening 38: Zijn profeten: Dat is, aan de beloften van God, door de profeten in het algemeen verkondigd en in het bijzonder door de profeet Jahaziël; zie Ex. 14:31 . Exodus 14:31 : Ook zag Israël de grote hand, die YHWH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde YHWH, en geloofde in YHWH, en aan Mozes, Zijn knecht.
[^2kronieken-20-21-39]: Kanttekening 39: Hij nu: Namelijk, Josafat.
[^2kronieken-20-21-40]: Kanttekening 40: heilige Majesteit: Hebreeuws, צֵאת֙, de majesteit, of de heerlijkheid van de heiligheid; dat is, de heilige en heerlijke God, de heilige goddelijke majesteit. Het is een omschrijving van de allerhoogste God.
[^2kronieken-20-21-41]: Kanttekening 41: voor de toegerusten: Dat is, voor aan het krijgsvolk, dat met zijn wapenen in orde uittrok.
[^2kronieken-20-21-42]: Kanttekening 42: Looft YHWH: Dit is het begin van Ps. 136 , die zij mogelijk geheel uitgezonden hebben.
[^2kronieken-20-22-d]: Verwijzing d: Richt. 7:22 ; 1 Sam. 14:20 . Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de anderen, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath. 1 Samuël 14:20 : Saul nu, en al het volk, dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde; en ziet, het zwaard van de één was tegen de anderen, er was een zeer groot gedruis.
[^2kronieken-20-22-43]: Kanttekening 43: Het Hebreeuwse woord betekent enig verstopt volk, in het geheim loerende om de vijanden te overvallen. Versta hier dat God een geest van de verwarring onder hen gezonden heeft, zodat zij, de één de ander voor vijand houdende, elkaar lagen gelegd en vernield hebben, gelijk volgt. Sommigen verstaan hier de heilige engelen, van wie dienst God gebruikt voor zijn volk tegen zijn vijanden; 2 Kon. 6:17 , en 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 6:17 : En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^2kronieken-20-22-44]: Kanttekening 44: zij werden geslagen: Te weten, in dier voege als in de voorgaande aantekening is gezegd. Waarmee de profetie van Jehaziël vervuld werd; boven, vers 15 , 20:17 . Anders, zij versloegen zich; dat is, elkaar. 2 Kronieken 20:15 : En hij zei: Merkt op, geheel Juda, en u, inwoners van Jeruzalem, en u, koning Josafat! Zo zegt YHWH tot u: Vreest u niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods. 2 Kronieken 20:17 : U zult in deze strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil van YHWH met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want YHWH zal met u wezen.
[^2kronieken-20-23-45]: Kanttekening 45: stonden op: Zie een exempel van gelijke verwarring Richt. 7:22 . Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de anderen, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^2kronieken-20-23-46]: Kanttekening 46: de één de ander: Hebreeuws, רֵעֵ֖, de man zijn naaste, of zijn metgezel.
[^2kronieken-20-24-47]: Kanttekening 47: Staande op de hoogte van Ziz. Van welke plaats, zie boven, vers 16 . Anders, Mizpa. 2 Kronieken 20:16 : Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij de opgang van Ziz; en u zult hen vinden in het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël.
[^2kronieken-20-24-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, daar was geen ontkoming geweest; dat is, niemand was ontkomen.
[^2kronieken-20-25-49]: Kanttekening 49: en dode lichamen: Anders, en kleren.
[^2kronieken-20-25-50]: Kanttekening 50: kostelijk gereedschap: Hebreeuws, יְנַצְּל֥וּ, vaten, of gereedschap van de begeerten; dat is dingen die om hun kostelijkheid en schoonheid zeer begeerd worden.
[^2kronieken-20-25-51]: Kanttekening 51: totdat zij: Hebreeuws, יִּֽהְי֞וּ, tot geen draging, of opneming toe.
[^2kronieken-20-26-52]: Kanttekening 52: van Beracha: Dat is, van de zegening, of van de lof. Dit dal is gelegen geweest tussen de woestijn Jeruel en de woestijn van Thekoa, in de stam van Juda.
[^2kronieken-20-26-53]: Kanttekening 53: tot op deze dag: Dat is, de naam duurt nog tot op de tijd, als dit boek geschreven werd.
[^2kronieken-20-27-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, in hun hoofd; dat is, vooraan van de gehele legermacht.
[^2kronieken-20-28-55]: Kanttekening 55: tot het huis van YHWH: Te weten, in het grote voorhof; om daarmede God te danken voor verkregen victorie.
[^2kronieken-20-29-56]: Kanttekening 56: Dat is, die van God toegezonden en zeer groot was. Zie boven, 2 Kron. 14:14 , en Gen. 35:5 . 2 Kronieken 14:14 : En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van YHWH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs daarin was. Genesis 35:5 : En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
[^2kronieken-20-31-57]: Kanttekening 57: hij was vijf en dertig jaren oud: Hebreeuws, שְׁלֹשִׁים֩, een zoon van vijf en dertig jaar.
[^2kronieken-20-31-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 22:42 . 1 Koningen 22:42 : Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.
[^2kronieken-20-32-58]: Kanttekening 58: Dat is, hij volgde de voetstappen van zijn vader, in het voorstaan van de zuivere godsdienst en in de regering van het koninkrijk. Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2kronieken-20-33-59]: Kanttekening 59: niet weggenomen: Te weten, niet ganselijk noch alom. Evenwel, een groot deel derzelve had hij weggenomen, boven, 2 Kron. 17:6 . 2 Kronieken 17:6 : En zijn hart verhief zich in de wegen van YHWH; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.
[^2kronieken-20-33-60]: Kanttekening 60: zijn hart: Zie boven, 2 Kron. 12:14 , en 2 Kron. 19:3 . 2 Kronieken 12:14 : En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om YHWH te zoeken. 2 Kronieken 19:3 : Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want u hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.
[^2kronieken-20-34-61]: Kanttekening 61: Zie van deze profeet 1 Kon. 16:1 . 1 Koningen 16:1 : Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende:
[^2kronieken-20-34-62]: Kanttekening 62: Zie ook van deze, boven, 2 Kron. 16:7 . 2 Kronieken 16:7 : En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, de koning van Juda, en hij zei tot hem: Omdat u gesteund hebt op de koning van Syrië, en niet gesteund hebt op YHWH, uw God, daarom is de legermacht van de koning van Syrië uit uw hand ontkomen.
[^2kronieken-20-34-63]: Kanttekening 63: die men hem: Hebreeuws, הֹֽעֲלָ֔ה, gemaakt is te doen opgaan op het boek, enz.
[^2kronieken-20-34-64]: Kanttekening 64: boek van de koningen van Israël: Dat inhield de historiën, daden en geschiedenissen van de koningen van Israël.
[^2kronieken-20-36-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 22:49 . 1 Koningen 22:49 : En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber.
[^2kronieken-20-36-65]: Kanttekening 65: Zie 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^2kronieken-20-36-66]: Kanttekening 66: Zie van deze stad en haven, 1 Kon. 9:26 . 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.

### 2 Kronieken 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/21.json)

*Josafat sterft, en zijn zoon Joram regeert, vers 1 enz. die zijn broers vermoordt, 2. zijn goddeloze regering, 5. De Edomieten en Libna vallen van hem af, 8. en overeenkomstig een geschrift van Elia, 12. wordt hij door de Filistijnen en Arabieren gekweld, die zijn huis plunderen, en zijn zonen en vrouwen wegnemen, 16. Daarbij wordt hij met een ongeneeslijke ziekte geplaagd, waaraan hij sterft, 18. en hij wordt begraven zonder de gewone eer, 19.*

**1** [^2kronieken-21-1-a] Daarna[^2kronieken-21-1-1] ontsliep Josafat met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in[^2kronieken-21-1-2] de stad van David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v1)

**2** En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning[^2kronieken-21-2-3] van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v2)

**3** En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van[^2kronieken-21-3-4] kostbaarheden, met versterkte steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de[^2kronieken-21-3-5] eerstgeborene was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v3)

**4** Als Joram tot het koninkrijk van zijn vader opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook enige van de vorsten[^2kronieken-21-4-6] van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v4)

**5** [^2kronieken-21-5-7][^2kronieken-21-5-b] Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde[^2kronieken-21-5-8] acht jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v5)

**6** En hij[^2kronieken-21-6-9] wandelde in de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want hij had[^2kronieken-21-6-10] de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed[^2kronieken-21-6-11] dat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v6)

**7** Maar YHWH wilde het[^2kronieken-21-7-12] huis van David niet verderven, omwille van het verbond[^2kronieken-21-7-c], dat Hij met David gemaakt had; en zoals Hij[^2kronieken-21-7-d] gezegd had, hem en zijn zonen[^2kronieken-21-7-13] altijd een[^2kronieken-21-7-14] lamp te zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v7)

**8** [^2kronieken-21-8-e] In zijn dagen[^2kronieken-21-8-15] vielen de Edomieten af van onder[^2kronieken-21-8-16] het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v8)

**9** Daarom trok Joram[^2kronieken-21-9-17] voort met zijn oversten, en al de wagens met hem;[^2kronieken-21-9-18] en hij maakte zich in de nacht op,[^2kronieken-21-9-f] en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten van de wagens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v9)

**10** [^2kronieken-21-10-g] Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda,[^2kronieken-21-10-19] tot op deze dag; toen in die tijd[^2kronieken-21-10-20] viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had YHWH, de God van zijn vaders,[^2kronieken-21-10-21] verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v10)

**11** Ook maakte hij[^2kronieken-21-11-22] hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem[^2kronieken-21-11-23] ontucht plegen, ja, hij dreef Juda daartoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v11)

**12** Zo kwam[^2kronieken-21-12-24] een schrift tot hem van de profeet Elia, zeggende: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Omdat u[^2kronieken-21-12-25] in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, de koning van Juda, niet gewandeld hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v12)

**13** Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen ontucht plegen,[^2kronieken-21-13-26] achtervolgens het ontucht plegen van het huis van Achab; en ook uw broers, uit het huis van uw vader, gedood hebt, die beter waren dan u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v13)

**14** [^2kronieken-21-14-27] Zie, YHWH zal[^2kronieken-21-14-28] u plagen met een grote plaag aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v14)

**15** U zult ook in[^2kronieken-21-15-29] grote ziekten zijn, door de ziekte van uw ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de ziekte,[^2kronieken-21-15-30] jaar op jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v15)

**16** Zo verwekte YHWH tegen Joram de[^2kronieken-21-16-31] geest van de Filistijnen en van[^2kronieken-21-16-32] de Arabieren, die aan[^2kronieken-21-16-33] de zijde van de Moren zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v16)

**17** Die trokken op in Juda, en[^2kronieken-21-17-34] braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werden, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan[^2kronieken-21-17-35] Joahaz, de kleinste van zijn zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v17)

**18** En na dit alles plaagde hem YHWH in zijn binnenste met[^2kronieken-21-18-36] een ziekte, daar geen genezen aan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v18)

**19** Dit gebeurde[^2kronieken-21-19-37] van jaar tot jaar, zodat, wanneer[^2kronieken-21-19-38] de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem[^2kronieken-21-19-39] geen vuur, als het vuur van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v19)

**20** Hij was twee en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en[^2kronieken-21-20-40] hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/21.html#v20)

[^2kronieken-21-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 22:51 ; 2 Kon. 8:16 . 1 Koningen 22:51 : En Josafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 8:16 : In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren.
[^2kronieken-21-1-1]: Kanttekening 1: ontsliep Josafat: Dat is, stierf. Breder verklaring van deze manier van spreken, zie Deut. 31:16 , en 1 Kon. 1:21 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden daarvan; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hem gemaakt heb. 1 Koningen 1:21 : Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.
[^2kronieken-21-1-2]: Kanttekening 2: stad van David: Zie 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^2kronieken-21-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, van de twee stammen van Israël, Juda en Benjamin, en van de steden, die van het koninkrijk Israëls onder Juda sorteerden, van welke zie boven, 2 Kron. 13:19 , en 2 Kron. 15:9 , en 2 Kron. 19:4 ; zo worden Josafats heren genaamd vorsten van Israël, onder, vers 4 ; zie ook boven, 2 Kron. 15:17 , en onder, 2 Kron. 23:2 . 2 Kronieken 13:19 : En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen. 2 Kronieken 15:9 : En hij vergaderde het gehele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat YHWH, zijn God, met hem was. 2 Kronieken 19:4 : Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog opnieuw uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen terugkeren tot YHWH, de God van hun vaderen. 2 Kronieken 21:4 : Als Joram tot het koninkrijk van zijn vader opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook enige van de vorsten van Israël. 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 23:2 : Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem.
[^2kronieken-21-3-4]: Kanttekening 4: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 24:53 . Genesis 24:53 : En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder kostelijkheden.
[^2kronieken-21-3-5]: Kanttekening 5: Want tot het recht van de eerstgeboorte behoorde ook de heerschappij over zijn broers. Zie Gen. 25:31 . En hieruit is af te nemen dat Josafat in het verkiezen van zijn opvolger meer gezien heeft op de wet van God, Deut. 21:15 , dan op de bekwaamheid van de persoon, die goddeloos was door zijn goddeloze huisvrouw, onder, vers 9 , en niet zo goed als zijn broers, vers 13 . Genesis 25:31 : Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte. Deuteronomium 21:15 : Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; 2 Kronieken 21:9 : Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagens met hem; en hij maakte zich 's nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten van de wagens. 2 Kronieken 21:13 : Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broers, van uw vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan u;
[^2kronieken-21-4-6]: Kanttekening 6: Zie boven, vers 2 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-21-5-7]: Kanttekening 7: Twee en dertig jaar: Hebreeuws, שְׁלֹשִׁ֥ים, een zoon van twee en dertig jaar.
[^2kronieken-21-5-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 8:17 . 2 Koningen 8:17 : Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.
[^2kronieken-21-5-8]: Kanttekening 8: acht jaren: Te weten, daarin gerekend zijnde de jaren, dat hij met zijn vader geregeerd heeft. Want hij heeft een tijdlang de plaats van zijn vader bewaard. Zie 1 Kon. 22:42 , en 2 Kon. 8:16 . 1 Koningen 22:42 : Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 2 Koningen 8:16 : In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren.
[^2kronieken-21-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, hij volgde hen na in hun afgoderij en goddeloosheid. Zo 2 Kon. 16:3 , en onder, 2 Kron. 28:2 , enz. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Kronieken 28:2 : Maar hij wandelde in de wegen van de koningen van Israël; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baäls.
[^2kronieken-21-6-10]: Kanttekening 10: de dochter van Achab: Genaamd Athalia, onder, 2 Kron. 22:2 , van wie afgodische goddeloosheid, boosheid en tirannie, zie in hetzelfde 2 Kron. 22:3 , 22:10 , en 2 Kron. 24:7 . 2 Kronieken 22:2 : Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, een dochter van Omri. 2 Kronieken 22:3 : Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddeloos te handelen. 2 Kronieken 22:10 : Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om. 2 Kronieken 24:7 : Want als Athalia goddeloos handelde, hadden haar zonen het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van YHWH besteed aan de Baäls.
[^2kronieken-21-6-11]: Kanttekening 11: dat kwaad was: Versta, voornamelijk afgoderij en tirannie. Zie 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^2kronieken-21-7-12]: Kanttekening 12: huis van David: Dat is, het geslacht en de nakomelingen van David. Zie 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^2kronieken-21-7-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 7:12 ; 1 Kon. 11:36 ; Ps. 132:11 ; idem v. 17 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uw buiks zal Ik op uw troon zetten. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^2kronieken-21-7-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^2kronieken-21-7-13]: Kanttekening 13: te alle dage: Zie 2 Sam. 7:13 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-21-7-14]: Kanttekening 14: Zie 1 Kon. 11:36 . 1 Koningen 11:36 : En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen.
[^2kronieken-21-8-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 8:20 . 2 Koningen 8:20 : In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
[^2kronieken-21-8-15]: Kanttekening 15: En zo werd vervuld de profetie van Izak; Gen. 27:40 . Genesis 27:40 : En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken.
[^2kronieken-21-8-16]: Kanttekening 16: het gebied: Hebreeuws, יַד, hand; dat is, gebied, geweld; waaronder David hen gebracht had; 2 Sam. 8:14 . 2 Samuël 8:14 : En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^2kronieken-21-9-17]: Kanttekening 17: voort met zijn oversten: Te weten, naar Seïr, een plaats in Idumea gelegen; 2 Kon. 8:21 . 2 Koningen 8:21 : Daarom toog Joram over naar Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich 's nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten.
[^2kronieken-21-9-18]: Kanttekening 18: en hij maakte zich: Hebreeuws, קָ֣ם, hij was zich opmakende, of hij was opstaande.
[^2kronieken-21-9-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 8:21 . 2 Koningen 8:21 : Daarom toog Joram over naar Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich van de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten.
[^2kronieken-21-10-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 8:22 . 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^2kronieken-21-10-19]: Kanttekening 19: tot op deze dag: Dat is, welke afval duurt tot op deze dag. Versta, de tijd van de Babylonische wegvoering. Zo 1 Kron. 4:41 . 1 Kronieken 4:41 : Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op deze dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.
[^2kronieken-21-10-20]: Kanttekening 20: viel Libna af: Zie 2 Kon. 8:22 . 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^2kronieken-21-10-21]: Kanttekening 21: Te weten, door gruwelijke afgoderij, die hij niet alleen zelf pleegde, maar waartoe hij ook zijn onderzaten openbaarlijk en met geweld dwong. Zie vers 11 . 2 Kronieken 21:11 : Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.
[^2kronieken-21-11-22]: Kanttekening 22: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-21-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, afgoderij bedrijven, welke is de geestelijke hoererij; zo onder, vers 13 . Zie Lev. 17:7 , en Lev. 20:5 . 2 Kronieken 21:13 : Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broers, van uw vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan u; Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5 : Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^2kronieken-21-12-24]: Kanttekening 24: een schrift: Versta, een geschrift, geschreven van de profeet Elia als Josafat nog leefde, vóór wiens dood Elia al in de hemel opgenomen was, gelijk af te nemen is uit 2 Kon. 3:11 . Hierin had Elia geprofeteerd van de staat van het rijk van Juda onder Joram, gelijk de man van God, die te Bethel kwam, langen tijd tevoren van de koning Josia geprofeteerd heeft, 1 Kon. 13:2 , en Jesaja van Cyrus, Jes. 44 , Jes. 45 , en Daniël van de morarchiën en koninkrijken van de aarde, Dan. 2 , Dan. 7 , enz. Tenware men meende dat dit een andere Elia is geweest dan de Thisbiet. 2 Koningen 3:11 : En Josafat zei: Is hier geen profeet van YHWH, dat wij door hem YHWH mochten vragen? Toen antwoordde één van de knechten van de koning van Israël, en zei: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot. 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
[^2kronieken-21-12-25]: Kanttekening 25: in de wegen van uw vader Josafat: Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2kronieken-21-13-26]: Kanttekening 26: Of, gelijk het huis Achabs \[Israël\] heeft doen hoereren.
[^2kronieken-21-14-27]: Kanttekening 27: Zie de vervulling van dit dreigemen, onder, vers 16 , enz. 2 Kronieken 21:16 : Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn.
[^2kronieken-21-14-28]: Kanttekening 28: zal u plagen: Deze manier van spreken wordt vol en zonder invoegsel gevonden onder, vers 19 . Anders, de Heer zal uw volk en uw kinderen, enz., met een grote plaag plagen. 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijn vaderen.
[^2kronieken-21-15-29]: Kanttekening 29: grote ziekten zijn: Of, vele.
[^2kronieken-21-15-30]: Kanttekening 30: jaar op jaar: Hebreeuws, יָמִֽים, dagen op dagen; dat is, jaar op jaar, te weten, twee jaren. Want deze waren de vastgestelde tijd van deze ziekte, onder, vers 19 . Het woord dagen is somtijds voor een vol jaar genomen, hebbende al zijn dagen. Zo onder, vers 19 . Zie Lev. 25:29 . Anderen verstaan dit zo, dat deze ziekte hem dagelijks overvallen zou. 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijn vaderen. 2 Kronieken 21:19 : Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijn vaderen. Leviticus 25:29 : Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.
[^2kronieken-21-16-31]: Kanttekening 31: Dat is, zin, wil, voornemen, moed. Zie 2 Kon. 19:7 . 2 Koningen 19:7 : Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^2kronieken-21-16-32]: Kanttekening 32: Versta, de inwoners van het steenachtig en rijk Arabië.
[^2kronieken-21-16-33]: Kanttekening 33: aan de zijde: Hebreeuws, יַ֥ד, aan de hand. Het woord hand betekent somtijds de zijde ergens van, gelijk Job 1:14 . Job 1:14 : Dat een bode tot Job kwam, en zei: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
[^2kronieken-21-17-34]: Kanttekening 34: braken daarin: Te weten, door geweld van wapenen alles doorlopende en doordringende tot Jeruzalem toe; ja ook de stad innemende en die plunderende, gelijk uit het volgende blijkt.
[^2kronieken-21-17-35]: Kanttekening 35: Ook genoemd Ahazia, onder, 2 Kron. 22:1 , en Azarai, onder, 2 Kron. 22:6 . 2 Kronieken 22:1 : En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eerste gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. 2 Kronieken 22:6 : En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek.
[^2kronieken-21-18-36]: Kanttekening 36: een ziekte: Te weten, welke Elia hem gedreigd had, boven, vers 15 . 2 Kronieken 21:15 : U zult ook in grote ziekten zijn, door de ziekte uw ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de ziekte, jaar op jaar.
[^2kronieken-21-19-37]: Kanttekening 37: van jaar tot jaar: Dat is, van het eerste jaar tot het tweede.
[^2kronieken-21-19-38]: Kanttekening 38: de tijd: Welken Elia in dat schrift gesteld had.
[^2kronieken-21-19-39]: Kanttekening 39: gene branding: Te weten, van welriekende, of kostelijke specerijen. Zie boven, 2 Kron. 16:14 . 2 Kronieken 16:14 : En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een geheel grote branding.
[^2kronieken-21-20-40]: Kanttekening 40: hij ging heen: Te weten, de weg van de gehele aarde, gelijk staat Joz. 23:14 ; 1 Kon. 2:2 . Dat is, hij stierf. Of, hij ging heen zonder begeerd te zijn; dat is, hij leefde ongeëerd, of in onlust en smart. Jozua 23:14 : En ziet, ik ga heden in de weg van de gehele aarde; en u weet in uw gehele hart en in uw gehele ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke YHWH, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van dezelfde niet een enig woord gevallen. 1 Koningen 2:2 : Ik ga heen in de weg van de gehele aarde, zo wees sterk, en wees een man.

### 2 Kronieken 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/22.json)

*Ahazia wordt koning in de plaats van zijn vader, vers 1 enz. volgt de zonden van het huis van Achab, 3. bezoekt Joram, de koning van Israël, die ziek was, 6. wordt bij deze gelegenheid omgebracht door Jehu, 8. Athalia, nadat zij al het koninklijke zaad van het huis Juda gedood heeft, behalve Joas, die zijn tante Josabath verborgen had, eigent zich de regering toe, 10.*

**1** [^2kronieken-22-1-a] En de inwoners van Jeruzalem maakten[^2kronieken-22-1-1] Ahazia, zijn[^2kronieken-22-1-2] kleinste zoon, koning in zijn plaats; want[^2kronieken-22-1-3] een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de[^2kronieken-22-1-4] eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v1)

**2** [^2kronieken-22-2-5] Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde[^2kronieken-22-2-6] één jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, een[^2kronieken-22-2-7] dochter van Omri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v2)

**3** Hij wandelde[^2kronieken-22-3-8] ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddeloos te handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v3)

**4** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, zoals het[^2kronieken-22-4-9] huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na de dood van zijn vader, hem ten[^2kronieken-22-4-10] verderve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v4)

**5** Hij wandelde[^2kronieken-22-5-11] ook in hun raad,[^2kronieken-22-5-b] en trok heen met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, tot de strijd tegen Hazaël, de koning van Syrië, bij[^2kronieken-22-5-12] Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v5)

**6** En hij keerde weer om zich te laten genezen te[^2kronieken-22-6-13] Jizreël; want[^2kronieken-22-6-14] hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en[^2kronieken-22-6-15] Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bekijken, want hij was ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v6)

**7** De[^2kronieken-22-7-16] vertreding nu van Ahazia was[^2kronieken-22-7-17] van God,[^2kronieken-22-7-18] dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, trok hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, die YHWH gezalfd[^2kronieken-22-7-19] had, om het huis van Achab uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v7)

**8** Zo gebeurde het, als Jehu[^2kronieken-22-8-20] het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de[^2kronieken-22-8-21] zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond,[^2kronieken-22-8-c] en die doodde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v8)

**9** [^2kronieken-22-9-d] Daarna[^2kronieken-22-9-22] zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstopt in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en[^2kronieken-22-9-23] begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die YHWH[^2kronieken-22-9-24] met zijn hele hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand,[^2kronieken-22-9-25] die kracht behield tot het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v9)

**10** [^2kronieken-22-10-26] Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al[^2kronieken-22-10-27] het koninklijke zaad van het huis van Juda om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v10)

**11** Maar[^2kronieken-22-11-28] Jozabath, de dochter[^2kronieken-22-11-29] van de koning, nam[^2kronieken-22-11-30] Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn[^2kronieken-22-11-31] voedster in een[^2kronieken-22-11-32] slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van[^2kronieken-22-11-33] de priester Jojada (want zij was de zus van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v11)

**12** En hij was bij[^2kronieken-22-12-34] hen verstopt in het huis van God zes jaren; en Athalia regeerde over[^2kronieken-22-12-35] het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/22.html#v12)

[^2kronieken-22-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 8:24 ; idem v. 25 . 2 Koningen 8:24 : En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van David; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 8:25 : In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, de koning van Juda, te regeren.
[^2kronieken-22-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, 2 Kron. 21:17 . 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen.
[^2kronieken-22-1-2]: Kanttekening 2: kleinsten zoon: Dat is, de jongste van jaren. Vergelijk Gen. 19:31 . Genesis 19:31 : Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de gehele aarde.
[^2kronieken-22-1-3]: Kanttekening 3: een bende: Zie hiervan boven, 2 Kron. 21:16 , 21:17 . 2 Kronieken 21:16 : Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen.
[^2kronieken-22-1-4]: Kanttekening 4: eerste gedood: Dat is, de oudste zonen van Joram. Boven, 2 Kron. 21:17 , wordt alleen gezegd dat deze krijgslieden de zonen van Joram weggevoerd hadden; maar hier wordt nu bijgevoegd dat zij hen ook gedood hebben. 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste zijn zonen.
[^2kronieken-22-2-5]: Kanttekening 5: Twee en veertig jaar: Hebreeuws, אַרְבָּעִ֨ים, een zoon van twee en veertig jaar.
[^2kronieken-22-2-6]: Kanttekening 6: een jaar: Te weten, alleen. Gelijk sommigen afnemen uit 2 Kon. 8:26 . Verstaande dat hij ook lang tevoren voor koning is erkend geweest, terwijl zijn vader tot de regering ongeschikt was. Maar hoe deze beide plaatsen eigenlijk zijn te vergelijken, is zeer duister. 2 Koningen 8:26 : Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël.
[^2kronieken-22-2-7]: Kanttekening 7: dochter van Omri: Zo wordt zij ook genoemd; 2 Kon. 8:26 . Versta, de dochter van Omri's zoon, namelijk Achab; zie de aantekening op 2 Kon. 8:26 . De kleinkinderen worden zonen en dochters genaamd van hun grootvaders. Zie Gen. 36:2 , ja ook van al hun voorouders in de rechte linie opwaarts gerekend; gelijk te zien is Matt. 1:1 ; Luk. 13:16 . 2 Koningen 8:26 : Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël. 2 Koningen 8:26 : Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël. Genesis 36:2 : Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet; Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Lukas 13:16 : En deze, die een dochter van Abraham is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat?
[^2kronieken-22-3-8]: Kanttekening 8: ook in de wegen: Te weten, gelijk zijn vader Joram, boven, 2 Kron. 21:6 . 2 Kronieken 21:6 : En hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2kronieken-22-4-9]: Kanttekening 9: huis van Achab: Te weten, die van het huis Achabs waren.
[^2kronieken-22-4-10]: Kanttekening 10: Zo is het Hebreeuwse woord genomen Ex. 12:13 ; Ez. 25:15 ; Dan. 10:8 . Exodus 12:13 : En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. Ezechiël 25:15 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap; Daniël 10:8 : Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.
[^2kronieken-22-5-11]: Kanttekening 11: ook in hun raad: Dat is, hij hoorde niet alleen hun afgodischen raad, maar hij deed ook daarnaar.
[^2kronieken-22-5-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 8:28 . 2 Koningen 8:28 : En hij toog met Joram, de zoon van Achab, naar de strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram.
[^2kronieken-22-5-12]: Kanttekening 12: Ook genaamd Rama, in vers 6 , en 2 Kon. 8:29 . Zie ook van deze stad 1 Kon. 4:13 . 2 Kronieken 22:6 : En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek. 2 Koningen 8:29 : Toen keerde Joram, de koning, opnieuw, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek. 1 Koningen 4:13 : De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
[^2kronieken-22-6-13]: Kanttekening 13: Een stad in de stam van Issaschar; van welke zie Joz. 19:18 , en 1 Kon. 4:12 , enz. Jozua 19:18 : En hun landpale was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem, 1 Koningen 4:12 : Baäna, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het gehele Beth-sean, dat is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.
[^2kronieken-22-6-14]: Kanttekening 14: hij had wonden: Of, daar waren slagers geweest, die hem bij Rama geslagen hadden, enz. Versta door deze de Syriërs; 2 Kon. 9:15 . 2 Koningen 9:15 : Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
[^2kronieken-22-6-15]: Kanttekening 15: Anders genaamd Ahazia, boven, vers 1 , 22:2 ; idem Joahaz, boven, 2 Kron. 21:17 . 2 Kronieken 22:1 : En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eerste gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. 2 Kronieken 22:2 : Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, een dochter van Omri. 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen.
[^2kronieken-22-7-16]: Kanttekening 16: Of, vertrapping; dat is, de ombrenging van Ahazia, waardoor hij tenondergebracht en gelijk vertrapt was; van welke zie onder, vers 9 . 2 Kronieken 22:9 : Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstopt in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die YHWH met zijn gehele hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.
[^2kronieken-22-7-17]: Kanttekening 17: van God: Te weten, als van een rechtvaardig rechter, die de zonden van de mensen, door hun eigen, vrijwillig en onbedwongen bedrijf, pleegt te straffen. Vergelijk hiermede 1 Kon. 12:15 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^2kronieken-22-7-18]: Kanttekening 18: dat hij tot Joram kwam: Dat is, welke vertreding, of ombrenging geschied is doordien Ahazia tot Joram gekomen en niet tehuis gebleven was.
[^2kronieken-22-7-19]: Kanttekening 19: gezalfd had: Te weten, door het bevel, dat Hij de profeet Elia gegeven had, 1 Kon. 19:16 , en Elia door Elisa uitgevoerd heeft; 2 Kon. 9:6 . 1 Koningen 19:16 : Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats. 2 Koningen 9:6 : Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zei tot hem: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van YHWH, over Israël.
[^2kronieken-22-8-20]: Kanttekening 20: oordeel uitvoerde: Dat is, straf, die God Jehu over het huis Achabs uit te voeren belast had. Zo boven, 2 Kron. 20:9 , zie de aantekening. 2 Kronieken 20:9 : Als over ons enig kwaad komt, het zwaard van het oordeel, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.
[^2kronieken-22-8-21]: Kanttekening 21: zonen van de broers: Zij worden 2 Kon. 10:13 de broers van Ahazia genoemd; zie daar de aantekening. 2 Koningen 10:13 : Vond Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda, en hij zei: Wie bent u? En zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten.
[^2kronieken-22-8-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 10:14 . 2 Koningen 10:14 : Toen zei hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over.
[^2kronieken-22-9-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 9:27 . 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van het hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^2kronieken-22-9-22]: Kanttekening 22: zocht hij Ahazia: Zie de verklaring van vers 9 , 2 Kon. 9:27 . 2 Kronieken 22:9 : Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstopt in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die YHWH met zijn gehele hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk. 2 Koningen 9:27 : Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van het hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^2kronieken-22-9-23]: Kanttekening 23: begroeven hem: Dat is, zij lieten toe dat men hem naar Jeruzalem zou voeren, om daar begraven te worden.
[^2kronieken-22-9-24]: Kanttekening 24: met zijn gehele hart: Vergelijk boven, 2 Kron. 15:12 . 2 Kronieken 15:12 : En zij traden in een verbond, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, zoeken zouden met hun gehele hart en met hun gehele ziel.
[^2kronieken-22-9-25]: Kanttekening 25: die kracht: Misschien omdat zij te jong waren, wie het koninkrijk van opvolging wege toekwam, of omdat de macht van Athalia te groot was.
[^2kronieken-22-10-26]: Kanttekening 26: Toen Athalia: Zie de verklaring hiervan en van de volgende verzen, 2 Kon. 11:1 , 11:2 , 11:3 . 2 Koningen 11:1 : Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. 2 Koningen 11:3 : En hij was met haar verstopt in het huis van YHWH zes jaren; en Athalia regeerde over het land.
[^2kronieken-22-10-27]: Kanttekening 27: het koninklijke zaad: Hebreeuws, זֶ֥רַע, het zaad van het koninkrijk.
[^2kronieken-22-11-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, Jehoschabath; anders ook genaamd Jehoscheba; 2 Kon. 11:2 . 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.
[^2kronieken-22-11-29]: Kanttekening 29: van de koning: Namelijk, van Joram, de zoon van Josafat, en dienovereenkomstig de zus van Ahazia; 2 Kon. 11:2 . 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.
[^2kronieken-22-11-30]: Kanttekening 30: Anders, Jehoasch; 2 Kon. 12:2 . 2 Koningen 12:2 : En Joas deed dat recht was in de ogen van YHWH, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.
[^2kronieken-22-11-31]: Kanttekening 31: Die hem gezoogd had, of nog zoogde; want hij was maar één jaar oud. Vergelijk onder, de aantekening 2 Kron. 23:1 . 2 Kronieken 23:1 : Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.
[^2kronieken-22-11-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, een kamer van de bedden. Zie de aantekening 2 Kon. 11:2 . 2 Koningen 11:2 : Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.
[^2kronieken-22-11-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, Jehojada. Zie van deze 2 Kon. 11:4 . 2 Koningen 11:4 : In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van YHWH; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van YHWH, en hij toonde hun de zoon van de koning.
[^2kronieken-22-12-34]: Kanttekening 34: hen verstopt: Versta, dat Joas met zijn voedster bij de hogepriester en zijn vrouw, in één van de kamers, die aan de tempel stonden, in het geheim is bewaard en opgevoed geweest.
[^2kronieken-22-12-35]: Kanttekening 35: het land: Namelijk, van Juda.

### 2 Kronieken 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/23.json)

*Joas, zeven jaar oud zijnde, wordt door de beschikking van Jojada koning, vers 1 enz. Athalia wordt gedood, 12. Het verbond tussen de HEERE en de koning met zijn volk wordt vernieuwd, 16. de afgoderij geweerd, 17. de kerkelijke orde hersteld, 18. en de koning met vreugde in zijn huis gebracht, 20.*

**1** [^2kronieken-23-1-1] Maar in het[^2kronieken-23-1-2] zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v1)

**2** Die trokken om in Juda, en verzamelden[^2kronieken-23-2-3] de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden[^2kronieken-23-2-4] van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v2)

**3** En die hele gemeente maakte een verbond in het huis van God, met de koning; en[^2kronieken-23-3-5] hij zei tot hen: Zie, de zoon van de koning zal koning zijn,[^2kronieken-23-3-a] zoals YHWH van de zonen van David gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v3)

**4** [^2kronieken-23-4-b] Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters[^2kronieken-23-4-6] van de dorpelen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v4)

**5** En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de[^2kronieken-23-5-7] Fundamentpoort; en[^2kronieken-23-5-8] al het volk zal in[^2kronieken-23-5-9] de voorhoven zijn van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v5)

**6** Maar dat niemand kome in[^2kronieken-23-6-10] het huis van YHWH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn[^2kronieken-23-6-11] heilig; maar al het volk zal[^2kronieken-23-6-12] de wacht van YHWH waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v6)

**7** De[^2kronieken-23-7-13] Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die[^2kronieken-23-7-14] tot het huis inkomt, zal gedood worden; maar wees u bij de koning,[^2kronieken-23-7-15] als hij inkomt en[^2kronieken-23-7-16] uitgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v7)

**8** En de Levieten en geheel Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en[^2kronieken-23-8-17] zij namen een ieder[^2kronieken-23-8-18] zijn mannen, die op de sabbat inkwamen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de[^2kronieken-23-8-19] verdelingen geen verlof gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v8)

**9** Verder gaf de priester Jojada aan de oversten van de honderden de speren, en de grote schilden, en de schilden,[^2kronieken-23-9-20] die van de koning David geweest waren, die in het huis van God waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v9)

**10** En hij[^2kronieken-23-10-21] stelde al het volk, en een ieder met zijn[^2kronieken-23-10-22] geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij de[^2kronieken-23-10-23] koning[^2kronieken-23-10-24] rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v10)

**11** Toen brachten zij de zoon van de koning[^2kronieken-23-11-25] voor, en zetten hem de[^2kronieken-23-11-26] kroon op, en gaven[^2kronieken-23-11-27] hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden:[^2kronieken-23-11-28] De koning leve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v11)

**12** Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v12)

**13** En zij zag toe; en ziet, de koning stond[^2kronieken-23-13-29] bij zijn pilaar, aan[^2kronieken-23-13-30] de ingang; en de[^2kronieken-23-13-31] oversten en[^2kronieken-23-13-32] de trompetten waren bij de koning; en al het volk van het land was blij, en[^2kronieken-23-13-33] blies met de trompetten; en de zangers[^2kronieken-23-13-34] waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat[^2kronieken-23-13-35] men lofzingen zou; toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v13)

**14** Maar de priester Jojada bracht de oversten van de honderden, die over het leger gesteld waren, uit, en zei tot hen: Breng ze uit tot buiten[^2kronieken-23-14-36] de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: U zult ze in het huis van YHWH niet doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v14)

**15** En[^2kronieken-23-15-37] zij legden de handen aan haar, en zij ging[^2kronieken-23-15-38] naar de ingang van de Paardenpoort, naar het huis van de koning; en zij doodden ze daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v15)

**16** En Jojada maakte een verbond tussen[^2kronieken-23-16-39] Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij YHWH tot een volk zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v16)

**17** [^2kronieken-23-17-c] Daarna ging al het volk in het huis van Baäl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, de priester van[^2kronieken-23-17-d] Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v17)

**18** Jojada nu bestelde de ambten in het huis van YHWH, onder de hand van de Levietische priesters,[^2kronieken-23-18-e] die David in het huis van YHWH afgedeeld had, om de brandoffers van YHWH te offeren, zoals in de[^2kronieken-23-18-f] wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang,[^2kronieken-23-18-40] naar de instelling van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v18)

**19** En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van YHWH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v19)

**20** En hij nam de oversten van de honderden, en de[^2kronieken-23-20-41] machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van YHWH af, en zij kwamen door het midden[^2kronieken-23-20-42] van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v20)

**21** En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/23.html#v21)

[^2kronieken-23-1-1]: Kanttekening 1: Maar in het: Zie deze historie ook met enige verklaring 2 Kon. 11:4 , enz. alwaar zij eerst beschreven is. 2 Koningen 11:4 : In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van YHWH; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van YHWH, en hij toonde hun de zoon van de koning.
[^2kronieken-23-1-2]: Kanttekening 2: zevende jaar: Te weten, nadat Joas, de zoon van de koning, van Josabath zijn moei was verstopt geweest, opdat hij van zijn grootmoeder Athalia niet vermoord zou worden. Want hij was zes jaren verborgen in de tempel, boven, 2 Kron. 22:12 , het jaar daarna is dit geschied, waarin Joas ook zeven jaren oud was; onder, 2 Kron. 24:1 . 2 Kronieken 22:12 : En hij was bij hen verstopt in het huis van God zes jaren; en Athalia regeerde over het land. 2 Kronieken 24:1 : Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja, van Ber-seba.
[^2kronieken-23-2-3]: Kanttekening 3: de Levieten: Merk dat tweeërlei personen vergaderd werden: I. de Levieten, die in de dienst van de kerk waren; II. de familiehoofden, dat is, de hoofden van de vaderlijke huisgezinnen. Versta, de voornaamsten en oudsten van de gemeente.
[^2kronieken-23-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, van Juda en Benjamin, en ook van de steden van Israël daaronder sorterende. Vergelijk vers 2 met boven, 2 Kron. 15:17 , en 2 Kron. 21:2 , en de aantekening. 2 Kronieken 23:2 : Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem. 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-23-3-5]: Kanttekening 5: hij zei tot hen: Namelijk, de overpriester Jojada.
[^2kronieken-23-3-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 7:13 ; 2 Kron. 21:7 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 2 Kronieken 21:7 : Maar YHWH wilde het huis van David niet verderven, vanwege het verbond, dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij gezegd had, hem en zijn zonen te alle dage een lamp te zullen geven.
[^2kronieken-23-4-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 11:5 . 2 Koningen 11:5 : En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning;
[^2kronieken-23-4-6]: Kanttekening 6: van de dorpelen zijn: Anders, Sippim. Houdende het voor de naam van een poort. Zie 2 Kon. 11:6 . 2 Koningen 11:6 : En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult u waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking.
[^2kronieken-23-5-7]: Kanttekening 7: De voornaamste poort van de tempel, staande tegen het oosten, en genaamd de poort van het Fundament, omdat zij de onderste was, staande op de grondvesting van de tempel, aan het grootste en onderste voorhof. Zij wordt ook geheten de poort Sur, 2 Kon. 11:6 , en de Hoge poort, 2 Kon. 15:35 ; idem, de Schone poort, Hand. 3:2 . 2 Koningen 11:6 : En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult u waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking. 2 Koningen 15:35 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH. Handelingen 3:2 : En een zeker man, die kreupel was van zijn moeders lijf, werd gedragen, welke zij dagelijks zetten aan de deur van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in de tempel gingen;
[^2kronieken-23-5-8]: Kanttekening 8: al het volk: Versta, de andere Levieten, die alsdan de ordinaire wacht niet hadden, en ook het gemene volk.
[^2kronieken-23-5-9]: Kanttekening 9: voorhoven zijn: Dat is, in het uiterste en grote voorhof, genaamd het voorhof van het volk, omdat de gemeente daarin vergaderde; en wordt hier gesteld in het getal van velen om de verscheidene delen, die het had. Zo wordt ook de tempel heiligdommen genoemd, omdat hij bestond uit verscheidene delen; Lev. 26:31 . Leviticus 26:31 : En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
[^2kronieken-23-6-10]: Kanttekening 10: het huis van YHWH: Versta, het voorste deel van het huis van YHWH, genaamd het heilige; 1 Kon. 8:10 . 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde.
[^2kronieken-23-6-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, heiligheid; dat is, tot een heiligen dienst afgezonderd. Zo Num. 16:5 , en Ezra 8:28 . Numeri 16:5 : En hij sprak tot Korach, en tot zijn gehele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. Ezra 8:28 : En ik zei tot hen: U bent heilig voor YHWH, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, voor YHWH, de God van uw vaderen.
[^2kronieken-23-6-12]: Kanttekening 12: de wacht: Te weten, om degenen, die met geweld zouden willen inbreken, met geweld uit te houden. Of zal de wacht van YHWH waarnemen; dat is, het bevel van YHWH, blijvende in het voorhof zonder in het heilige te komen.
[^2kronieken-23-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk, die, welke op de sabbat uitgingen; dat is, die hun werkdienst geëindigd hadden; 2 Kon. 11:7 . 2 Koningen 11:7 : En de twee delen van u, allen, die op de sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis van YHWH waarnemen bij de koning.
[^2kronieken-23-7-14]: Kanttekening 14: tot het huis inkomt: Dat is, in de tempel, tussen de ordeningen en gelederen van de gestelde wacht; 2 Kon. 11:8 . 2 Koningen 11:8 : En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.
[^2kronieken-23-7-15]: Kanttekening 15: als hij inkomt: Te weten, in de tempel, onder, vers 11 . 2 Kronieken 23:11 : Toen brachten zij de zoon van de koning voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!
[^2kronieken-23-7-16]: Kanttekening 16: Te weten, uit de tempel, onder, vers 20 . 2 Kronieken 23:20 : En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van YHWH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk.
[^2kronieken-23-8-17]: Kanttekening 17: zij namen: Namelijk, de oversten van de honderden, van welke zie, boven, vers 1 , en vergelijk 2 Kon. 11:9 . 2 Kronieken 23:1 : Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Koningen 11:9 : De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op de sabbat ingingen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; en zij kwamen tot de priester Jojada.
[^2kronieken-23-8-18]: Kanttekening 18: zijn mannen: Te weten, die hun uit de Levieten van de overpriester Jojada toebesteld waren.
[^2kronieken-23-8-19]: Kanttekening 19: Zie van deze verdelingen 1 Kron. 23 , 1 Kron. 24 , 1 Kron. 25 , 1 Kron. 26 ; uit deze mocht niemand scheiden, dan zijn afscheid en verlof hebbende; dat Jojada nu de afgaanden niet heeft gegeven, opdat er dubbel wacht zou zijn om deze zaak uit te voeren.
[^2kronieken-23-9-20]: Kanttekening 20: die van de koning: Zie 2 Kon. 11:10 . 2 Koningen 11:10 : En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van YHWH geweest waren.
[^2kronieken-23-10-21]: Kanttekening 21: Te weten, opdat niemand in het voorhof van de priesters of in het heilige met geweld inbreken zou. Vergelijk hiermede boven het einde van vers 6 . 2 Kronieken 23:6 : Maar dat niemand kome in het huis van YHWH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht van YHWH waarnemen.
[^2kronieken-23-10-22]: Kanttekening 22: Het woord in het oorspronkelijke betekent eigenlijk zulk geweer, dat men uit de hand naar iemand werpt om hem daarmede te beschadigen.
[^2kronieken-23-10-23]: Kanttekening 23: Versta, het brandofferaltaar, dat in het voorhof van de priesters stond.
[^2kronieken-23-10-24]: Kanttekening 24: huis, bij de koning: Het heilige.
[^2kronieken-23-11-25]: Kanttekening 25: Te weten, uit zijn kamer, waarin hij nu zes jaren was verstopt geweest, boven, 2 Kron. 22:11 . 2 Kronieken 22:11 : Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van de priester Jojada (want zij was de zus van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.
[^2kronieken-23-11-26]: Kanttekening 26: kroon op: Een hoofdsieraad van de koningen; 2 Sam. 1:10 ; Ps. 89:40 , en Ps. 132:18 . 2 Samuël 1:10 : Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht. Psalmen 89:40 : U hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. Psalmen 132:18 : Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
[^2kronieken-23-11-27]: Kanttekening 27: Zie 2 Kon. 11:12 . 2 Koningen 11:12 : Daarna bracht hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!
[^2kronieken-23-11-28]: Kanttekening 28: De koning leve: Vergelijk 1 Sam. 10:24 ; 1 Kon. 1:39 . 1 Samuël 10:24 : Toen zei Samuël tot het gehele volk: Ziet u, die YHWH gekozen heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het gehele volk. Toen juichte het gehele volk, en zij zeiden: de koning leve! 1 Koningen 1:39 : En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve!
[^2kronieken-23-13-29]: Kanttekening 29: bij zijn pilaar: Alwaar het koninklijk gestoelte was; van dat zie ook 2 Kon. 11:14 , en boven, 2 Kron. 6:13 . 2 Koningen 11:14 : En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! 2 Kronieken 6:13 : (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van het voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).
[^2kronieken-23-13-30]: Kanttekening 30: Te weten, van het binnenste voorhof, genoemd het voorhof van de priesters, boven, 2 Kron. 4:9 ; idem het nieuwe voorhof, boven, 2 Kron. 20:5 . Zie van hetzelfve breder 1 Kon. 6:36 . 2 Kronieken 4:9 : Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper. 2 Kronieken 20:5 : En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van YHWH, voor het nieuwe voorhof. 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^2kronieken-23-13-31]: Kanttekening 31: Namelijk, van het Joodse volk.
[^2kronieken-23-13-32]: Kanttekening 32: de trompetten: Dat is, de trompetters.
[^2kronieken-23-13-33]: Kanttekening 33: Te weten, door de priesters, wie dat werk eigenlijk toekwam, gelijk dit blijkt uit de wet, Num. 10:8 , en uit de exempelen; 1 Kron. 15:24 , en boven, 2 Kron. 5:12 , en 2 Kron. 7:6 . Numeri 10:8 : En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten. 1 Kronieken 15:24 : En Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-Edom en Jehia waren poortwachters van de ark. 2 Kronieken 5:12 : En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hun zonen, en van hun broers, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten, en harpen, stonden tegen het oosten van het altaar, en met hen tot honderd en twintig priesters toe, trompettende met trompetten.) 2 Kronieken 7:6 : Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten van YHWH, die de koning David gemaakt had, om YHWH te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en geheel Israël stond.
[^2kronieken-23-13-34]: Kanttekening 34: waren er: Of, \[waren blij\] welk woord voorgaat en nu weer opnieuw kan ingepast worden.
[^2kronieken-23-13-35]: Kanttekening 35: lofzingen zou: Namelijk, de Heer.
[^2kronieken-23-14-36]: Kanttekening 36: de ordeningen: Zie 2 Kon. 11:8 . 2 Koningen 11:8 : En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.
[^2kronieken-23-15-37]: Kanttekening 37: zij legden: Anders, zij maakten haar plaats. Of, zij bestelden aan haar zijdwacht. Of, zij gaven haar plaats; te weten, om uit de tempel te gaan.
[^2kronieken-23-15-38]: Kanttekening 38: naar de ingang: Zie 2 Kon. 11:16 . 2 Koningen 11:16 : En zij leiden de handen aan haar; en zij ging de weg van de ingang van de paarden naar het huis van de koning, en zij werd daar gedood.
[^2kronieken-23-16-39]: Kanttekening 39: Namelijk, de Heer; gelijk dit af te nemen is uit 2 Kon. 11:17 , en hier uit het einde van vers 16 . Anders, tussen zich, of zichzelven, enz., verstaande dat Jojada, het volk en de koning tezamen zich verbonden hebben, dat zij de Heer tot een volk zouden zijn. Zie dergelijk Joz. 24:25 . 2 Koningen 11:17 : En Jojada maakte een verbond tussen YHWH en tussen de koning, en tussen het volk, dat het YHWH tot een volk zou zijn; en ook tussen de koning en tussen het volk. 2 Kronieken 23:16 : En Jojada maakte een verbond tussen Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij YHWH tot een volk zouden zijn. Jozua 24:25 : Zo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.
[^2kronieken-23-17-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 11:18 . 2 Koningen 11:18 : Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis van YHWH.
[^2kronieken-23-17-d]: Verwijzing d: Deut. 13:9 . Deuteronomium 13:9 : Maar u zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van de gansen volks.
[^2kronieken-23-18-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 23 ; 1 Kron. 24 ; 1 Kron. 25 ; 1 Kron. 26 .
[^2kronieken-23-18-f]: Verwijzing f: Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-23-18-40]: Kanttekening 40: naar de instelling: Hebreeuws, יְדֵ֥י, naar de handen Davids; dat is, gelijk David door de ingeving van Gods Geest ingesteld en aan de gemeente van God overgegeven en nagelaten had. Zo onder, 2 Kron. 29:27 , en Ezra 3:10 . 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. Ezra 3:10 : Als nu de bouwers de grond van de tempel van YHWH leiden, zo stelden zij de priesters, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om YHWH te loven, naar de instelling van David, de koning van Israël.
[^2kronieken-23-20-41]: Kanttekening 41: Of, heerlijke, aanzienlijke, voortreffelijke.
[^2kronieken-23-20-42]: Kanttekening 42: van de hoge poort: Sommigen verstaan hierdoor, de eerste en voornaamste poort van het koninklijke huis, aan welke de trawanten van de koning de wacht hielden, en die daarom de poort van de trawanten genoemd wordt; 2 Kon. 11:19 . In deze zin moet deze poort onderscheiden worden van de poort van de tempel, waarvan boven, vers 5 . Zie de aantekening daar. 2 Koningen 11:19 : En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van YHWH, en kwamen door de weg van de poort van de trawanten tot het huis van de koning, en hij zat op de troon van de koningen. 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH.

### 2 Kronieken 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/24.json)

*Joas is vroom, zolang Jojada leeft, vers 1 enz. trouwt twee vrouwen, 3. laat de tempel repareren, 4. Jojada sterft, 15. wordt zeer eervol begraven, 16. Joas wordt een afgodendienaar, 17. laat Zacharia, de zoon van Jojada, doden omdat hij de afgoderij bestrafte, 20. hij wordt door de Syriërs beroofd en verslagen, 23. en door zijn knechten vermoord, 25. Zijn zoon Amazia wordt koning, 27.*

**1** [^2kronieken-24-1-a] Joas was[^2kronieken-24-1-1] zeven jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja, van Ber-seba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v1)

**2** En Joas deed dat recht was in de ogen van[^2kronieken-24-2-2] YHWH, al de dagen van de priester Jojada. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v2)

**3** En Jojada[^2kronieken-24-3-3] nam voor hem twee vrouwen; en hij verwekte zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v3)

**4** Het gebeurde nu na deze,[^2kronieken-24-4-4] dat het in het hart van Joas was, het huis van YHWH te[^2kronieken-24-4-5] vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v4)

**5** Zo verzamelde hij de priesters en de Levieten, en zei tot hen: Trek uit tot de steden van Juda, en verzamelt geld van het hele[^2kronieken-24-5-6] Israël, om het huis van uw God te[^2kronieken-24-5-7] beteren[^2kronieken-24-5-8] van jaar tot jaar; en u, haast[^2kronieken-24-5-9] tot deze zaak; maar de Levieten haastten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v5)

**6** En de koning riep Jojada,[^2kronieken-24-6-10] het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt u geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit[^2kronieken-24-6-11] Jeruzalem inbrengen zouden de schatting[^2kronieken-24-6-12] van[^2kronieken-24-6-b] Mozes, de knecht van YHWH, en van de gemeente van Israël, voor de[^2kronieken-24-6-13] tent van het getuigenis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v6)

**7** Want[^2kronieken-24-7-14] als Athalia goddeloos handelde, hadden haar[^2kronieken-24-7-15] zonen het huis van God opengebroken, ja, zelfs[^2kronieken-24-7-16] alle[^2kronieken-24-7-17] geheiligde dingen van het huis van YHWH besteed aan de[^2kronieken-24-7-18] Baäls. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v7)

**8** En de koning[^2kronieken-24-8-19] gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten[^2kronieken-24-8-20] aan de poort van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v8)

**9** En[^2kronieken-24-9-21] men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men voor YHWH inbrengen zou de schatting van Mozes, de[^2kronieken-24-9-22] knecht van God,[^2kronieken-24-9-23] over Israël in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v9)

**10** Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in, en wierpen in de kist, totdat[^2kronieken-24-10-24] men voltooid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v10)

**11** Het gebeurde nu ter tijd, als[^2kronieken-24-11-25] hij de kist, naar het bevel van de koning, door de hand van de[^2kronieken-24-11-26] Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver van de koning kwam, en[^2kronieken-24-11-27] de bestelde van de hoofdpriester, en de kist leeg maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan[^2kronieken-24-11-28] haar plaats; zo deden[^2kronieken-24-11-29] zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v11)

**12** Dat de koning en Jojada gaven aan degenen, die het werk van de dienst van het huis van YHWH[^2kronieken-24-12-30] verzorgden; en zij huurden[^2kronieken-24-12-31] houwers en[^2kronieken-24-12-32] timmerlieden, om het huis van YHWH te vernieuwen, en ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis van YHWH te beteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v12)

**13** Zo deden de verzorgers van het werk, dat de[^2kronieken-24-13-33] betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn[^2kronieken-24-13-34] gestalte, en maakten het vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v13)

**14** Als zij nu[^2kronieken-24-14-35] voltooid hadden, brachten[^2kronieken-24-14-36] zij voor de koning en Jojada het overige van[^2kronieken-24-14-37] het geld, waarvan hij voorwerpen maakte voor het huis van YHWH, voorwerpen om te dienen en[^2kronieken-24-14-38] te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren voorwerpen;[^2kronieken-24-14-39] en zij offerden steeds brandoffers in het huis van YHWH[^2kronieken-24-14-40] al de dagen van Jojada. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v14)

**15** En Jojada werd oud en[^2kronieken-24-15-41] verzadigd van dagen, en stierf; hij[^2kronieken-24-15-42] was honderd en dertig jaar oud, toen hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v15)

**16** En zij begroeven hem in de stad van David, bij de koningen; want hij had[^2kronieken-24-16-43] goed gedaan in[^2kronieken-24-16-44] Israël, zowel[^2kronieken-24-16-45] aan God als[^2kronieken-24-16-46] zijn huize. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v16)

**17** Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en[^2kronieken-24-17-47] bogen zich neer voor de koning; toen[^2kronieken-24-17-48] hoorde de koning naar hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v17)

**18** Zo verlieten zij het huis van YHWH, van de God van hun vaders, en dienden de bossen en de[^2kronieken-24-18-49] afgoden; toen was een grote[^2kronieken-24-18-50] boosheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v18)

**19** Maar Hij zond profeten onder hen, om hen tot YHWH te doen terugkeren; die[^2kronieken-24-19-51] betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v19)

**20** En de Geest van God trok Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die[^2kronieken-24-20-53] boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH?[^2kronieken-24-20-c] Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.[^2kronieken-24-20-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v20)

**21** En zij maakten een samenzwering tegen hem, en[^2kronieken-24-21-d] stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in het[^2kronieken-24-21-54] voorhof van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v21)

**22** Zo gedacht de koning Joas niet aan[^2kronieken-24-22-55] de goedertierenheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; die, als hij stierf, zei: YHWH zal het zien en[^2kronieken-24-22-56] zoeken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v22)

**23** Daarom gebeurde het met de wisseling van het jaar, dat de legermacht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten van het volk; en zij zonden al hun roof tot de koning van[^2kronieken-24-23-57] Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v23)

**24** Hoewel de legermacht van Syrië met weinig mannen kwam, evenwel gaf YHWH in hun hand een legermacht van grote menigte, omdat zij YHWH, de God van hun vaders,[^2kronieken-24-24-58] verlaten hadden; zo voerden[^2kronieken-24-24-59] zij de[^2kronieken-24-24-60] oordelen uit tegen Joas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v24)

**25** En toen zij van hem weggetrokken waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het[^2kronieken-24-25-61] bloed[^2kronieken-24-25-62] van de zonen van de priester Jojada,[^2kronieken-24-25-63] een samenzwering tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v25)

**26** [^2kronieken-24-26-e] Deze nu zijn, die een samenzwering tegen hem maakten:[^2kronieken-24-26-64] Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van[^2kronieken-24-26-65] Simrith, de Moabietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v26)

**27** Voor wat betreft zijn[^2kronieken-24-27-66] zonen, en de grootheid[^2kronieken-24-27-67] van de last, hem opgelegd, en[^2kronieken-24-27-68] het gebouw van het huis van God, ziet, zij zijn geschreven in[^2kronieken-24-27-69] de historie van het boek van de koningen; en zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/24.html#v27)

[^2kronieken-24-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 12:1 . 2 Koningen 12:1 : In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Zibja van Ber-Seba.
[^2kronieken-24-1-1]: Kanttekening 1: zeven jaren oud: Hebreeuws, שָׁנִים֙, een zoon van zeven jaren. Zie boven, 2 Kron. 23:1 . 2 Kronieken 23:1 : Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.
[^2kronieken-24-2-2]: Kanttekening 2: al de dagen: Dat is, zolang Jojada leefde, die niet ophield hem in de wegen van YHWH te onderwijzen; 2 Kon. 12:2 . 2 Koningen 12:2 : En Joas deed dat recht was in de ogen van YHWH, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.
[^2kronieken-24-3-3]: Kanttekening 3: nam voor hem: Dat is, hij verkoos voor hem twee vrouwen, die hij behoorlijk verzocht en hem in de echte staat bijvoegde.
[^2kronieken-24-4-4]: Kanttekening 4: dat het in het hart: Dat is, dat Joas van zin was, of voorgenomen had. Zo 1 Kon. 8:17 , 8:18 . Zie de aantekening. 1 Koningen 8:17 : Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van YHWH, de God van Israël, te bouwen. 1 Koningen 8:18 : Maar YHWH zei tot David, mijn vader: Omdat dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, u hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.
[^2kronieken-24-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, te vermaken, of te beteren, dat daarin verbroken, of vervallen, of gespleten, gescheurd en gereten was.
[^2kronieken-24-5-6]: Kanttekening 6: Versta, de Israëlieten, die onder het gebied van Juda stonden. Zie boven, 2 Kron. 15:17 , en 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-24-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, sterken; dat is vernieuwen, gelijk vers 4 . Zo 2 Kon. 12:5 , 12:6 , en onder, vers 12 . 2 Kronieken 24:4 : Het geschiedde nu na deze, dat het in het hart van Joas was, het huis van YHWH te vernieuwen. 2 Koningen 12:5 : Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden. 2 Koningen 12:6 : Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van de koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden. 2 Kronieken 24:12 : Dat de koning en Jojada gaven aan degenen, die het werk van de dienst van het huis van YHWH verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis van YHWH te vernieuwen, en ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis van YHWH te beteren.
[^2kronieken-24-5-8]: Kanttekening 8: van jaar tot jaar: Omdat het in één jaar niet kon vermaakt worden; of dat de reparatie alle jaar moest gebeuren.
[^2kronieken-24-5-9]: Kanttekening 9: tot deze zaak: Hebreeuws, דָּבָ֑ר, tot dit woord.
[^2kronieken-24-6-10]: Kanttekening 10: het hoofd: Te weten, van de priesters, dat is de overpriester. Het woord priester wordt onder, vers 11 daarbij gevoegd. Zie ook Neh. 12:7 . 2 Kronieken 24:11 : Het geschiedde nu ter tijd, als hij de kist, naar het bevel van de koning, door de hand van de Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver van de koning kwam, en de bestelde van de hoofdpriester, en de kist leeg maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan haar plaats; zo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte; Nehemia 12:7 : Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters, en hun broers, in de dagen van Jesua.
[^2kronieken-24-6-11]: Kanttekening 11: geen onderzoek: Of, niet afgevorderd.
[^2kronieken-24-6-12]: Kanttekening 12: Of, heffing, collecte, belasting. Versta, een zulke, gelijk Mozes beval, tot de making van de tabernakel in de woestijn, Ex. 30:12 , 30:13 , en Ex. 38:24 , 38:25 , welke niet jaarlijks geschiedde, maar naar eis van de nood. Vergelijk de aantekening Ex. 30:12 . Anderen menen dat deze collecte ordinair zou geweest zijn, en jaarlijks geschied tot onderhouding van de godsdienst en zijn toebehoren. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel aan YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor YHWH. Exodus 38:24 : Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het gehele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom. Exodus 38:25 : Het zilver nu van de getelden van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel aan YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult.
[^2kronieken-24-6-b]: Verwijzing b: Ex. 30:11 ; idem v. 12 ; idem v. 13 . Exodus 30:11 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iedereen de verzoening zijn ziel YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult. Exodus 30:13 : Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH.
[^2kronieken-24-6-13]: Kanttekening 13: tent van het getuigenis: Zie Num. 1:50 . Numeri 1:50 : Maar u, stel de Levieten over de tabernakel van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren.
[^2kronieken-24-7-14]: Kanttekening 14: als Athalia: Anders, de zonen van Athalia, die goddeloze vrouwen hadden, enz. Hebreeuws, מִּרְשַׁ֔עַת, want Athalia goddeloos handelende, hadden haar zonen, enz.
[^2kronieken-24-7-15]: Kanttekening 15: Namelijk, Ahazia met enige van zijn naaste bloedverwanten. Zie boven, 2 Kron. 21:16 , 21:17 . Want haar andere zonen waren in het leven van Joram gevankelijk weggevoerd geweest. Anders zou het veelvoudig getal hier gebruikt zijn voor het enkelvoudige, gelijk Gen. 21:7 , tenware men zei dat Athalia's zonen vóór hun gevangenneming dit gedaan hadden. 2 Kronieken 21:16 : Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen. Genesis 21:7 : Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
[^2kronieken-24-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, allerlei, of meestendeel.
[^2kronieken-24-7-17]: Kanttekening 17: geheiligde dingen: Zie Lev. 16:4 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^2kronieken-24-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, afgoden. Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2kronieken-24-8-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, zei; dat is hier, hij beval, te weten met de raad van de overpriester Jojada; gelijk dit af te nemen is uit 2 Kon. 12:9 . 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd.
[^2kronieken-24-8-20]: Kanttekening 20: aan de poort: Te weten, van het voorhof van het volk, ter rechterhand, zo men inging in de tempel van YHWH; zie 2 Kon. 12:9 , en de aantekening daarop. 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd.
[^2kronieken-24-9-21]: Kanttekening 21: men deed: Hebreeuws, יִּתְּנוּ, en zij gaven, of men gaf een stem in Juda; dat is, men liet uitroepen. Stem, voor uitroeping. Zie Ex. 36:6 , en de aantekening; idem Ezra 1:1 . Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^2kronieken-24-9-22]: Kanttekening 22: Zie boven, vers 6 . 2 Kronieken 24:6 : En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt u geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, de knecht van YHWH, en van de gemeente van Israël, voor de tent van het getuigenis?
[^2kronieken-24-9-23]: Kanttekening 23: over Israël: Dat is, Israël van God bevolen en opgelegd door Mozes.
[^2kronieken-24-10-24]: Kanttekening 24: voltooid had: Te weten, het huis van YHWH te vermaken. Zie vers 14 . Anders, tot vol wordens toe. 2 Kronieken 24:14 : Als zij nu voltooid hadden, brachten zij voor de koning en Jojada het overige van het geld, waarvan hij vaten maakte voor het huis van YHWH, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden geduriglijk brandofferen in het huis van YHWH al de dagen van Jojada.
[^2kronieken-24-11-25]: Kanttekening 25: hij de kist: Namelijk, de overpriester Jojada.
[^2kronieken-24-11-26]: Kanttekening 26: Te weten, uit de plaats waar zij gestaan had in één van de kamers, die aan de tempel stonden, om daar het geld uit te nemen, in buidels te binden en te tellen. Vergelijk 2 Kon. 12:10 , en de aantekening. 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd.
[^2kronieken-24-11-27]: Kanttekening 27: de bestelde: Dat is, die van de overpriester tot dit werk gelast waren. In deze plaats wordt de overpriester zelf gemeld, 2 Kon. 12:10 , want men wordt gezegd te doen wat men door een ander doet. Zie Gen. 40:22 . 2 Koningen 12:10 : Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van YHWH gevonden werd. Genesis 40:22 : Maar de overste van de bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.
[^2kronieken-24-11-28]: Kanttekening 28: haar plaats: Zie van deze boven, vers 8 . 2 Kronieken 24:8 : En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis van YHWH.
[^2kronieken-24-11-29]: Kanttekening 29: van dag tot dag: Of, dag op dag; dat is, zo wanneer de kist vol was.
[^2kronieken-24-12-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, deed; dat is, verzorgde. En versta daardoor de voornaamste opzieners over het werk, om door hen aan de werklieden gegeven te worden. Want er is meer dan een opziener geweest; zie 2 Kon. 12:11 . 2 Koningen 12:11 : En zij gaven het geld wel gewogen in handen van de verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis van YHWH; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwers, die het huis van YHWH vermaakten;
[^2kronieken-24-12-31]: Kanttekening 31: Het Hebreeuwse woord betekent zowel steenhouwers als houtbouwers. Zie 1 Kon. 5:15 . 1 Koningen 5:15 : Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte.
[^2kronieken-24-12-32]: Kanttekening 32: Het woord, dat in het oorspronkelijke staat, is wel velerlei handwerkers toegeschreven, gelijk te zien is Ex. 35:35 , en Ex. 38:23 ; 1 Kron. 22:15 ; Jes. 45:16 , enz., en hier in het volgende van vers 12 , maar dat het hier van timmerlieden te verstaan is, kan hier uit de voorgaande en volgende woorden wel afgenomen worden. Exodus 35:35 : Hij heeft hen vervuld met wijsheid van het hart, om te maken alle werk eens werkmeesters, en van de allervernuftigste handwerker, en van de borduurder en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en van de wever; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid. Exodus 38:23 : En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen. 1 Kronieken 22:15 : Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze mensen in allerlei werk. Jesaja 45:16 : Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken. 2 Kronieken 24:12 : Dat de koning en Jojada gaven aan degenen, die het werk van de dienst van het huis van YHWH verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis van YHWH te vernieuwen, en ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis van YHWH te beteren.
[^2kronieken-24-13-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, gezondheid. De zin is dat het werk van het gebouw door de naarstige zorg van de opzieners tot een goeden stand en vorm geraakte. Het Hebreeuwse woord is zo ook genomen 1 Kon. 18:30 ; Neh. 4:7 . 1 Koningen 18:30 : Toen zei Elia tot het gehele volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar van YHWH, dat verbroken was. Nehemia 4:7 : En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;
[^2kronieken-24-13-34]: Kanttekening 34: Het Hebreeuwse woord betekent hier een welgeschikten vorm, of rechtmatig maaksel, hebbende zijn proportie, gestalte en maat naar behoren.
[^2kronieken-24-14-35]: Kanttekening 35: voltooid hadden: Te weten, de herbouwing en verbetering van de tempel.
[^2kronieken-24-14-36]: Kanttekening 36: Te weten, de verzorgers en opzieners van het werk, wie dit geld recht te besteden van de koning en Jojada toevertrouwd was, boven, vers 12 . 2 Kronieken 24:12 : Dat de koning en Jojada gaven aan degenen, die het werk van de dienst van het huis van YHWH verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis van YHWH te vernieuwen, en ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis van YHWH te beteren.
[^2kronieken-24-14-37]: Kanttekening 37: Te weten, de koning.
[^2kronieken-24-14-38]: Kanttekening 38: te offeren: Anders, mortieren .
[^2kronieken-24-14-39]: Kanttekening 39: en zij offerden geduriglijk: Nadat de tempel hersteld was, is daarin ook de zuivere godsdienst naar de wet van Mozes hersteld en onderhouden geweest.
[^2kronieken-24-14-40]: Kanttekening 40: al de dagen van Jojada: Dat is, zolang hij leefde, zo boven, vers 2 . 2 Kronieken 24:2 : En Joas deed dat recht was in de ogen van YHWH, al de dagen van de priester Jojada.
[^2kronieken-24-15-41]: Kanttekening 41: zat van dagen: Zie Gen. 25:8 , en de aantekening; idem Gen. 35:29 ; 1 Kron. 23:1 , en 1 Kron. 29:28 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Genesis 35:29 : En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. 1 Kronieken 23:1 : Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israël. 1 Kronieken 29:28 : En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.
[^2kronieken-24-15-42]: Kanttekening 42: was honderd en dertig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָ֖ה, een zoon van honderd en dertig jaar.
[^2kronieken-24-16-43]: Kanttekening 43: goed gedaan: Te weten, de jonge koning bewaard voor de moorddadige Athalia, wel opgevoed en onderwezen, op de koninklijke stoel gesteld, de goddeloze Athalia gedood, de tempel gerepareerd en de zuivere godsdienst hersteld.
[^2kronieken-24-16-44]: Kanttekening 44: Dat is, in het land van Juda en dat daartoe behoorde, dat een deel was van Israël, deze naam in het algemeen genomen zijnde. Zie boven, 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-24-16-45]: Kanttekening 45: aan God: Door zijn godsdienst te herstellen; boven, 2 Kron. 23:18 , en hier, vers 14 . 2 Kronieken 23:18 : Jojada nu bestelde de ambten in het huis van YHWH, onder de hand van de Levietische priesters, die David in het huis van YHWH afgedeeld had, om de brandofferen van YHWH te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David. 2 Kronieken 24:14 : Als zij nu voltooid hadden, brachten zij voor de koning en Jojada het overige van het geld, waarvan hij vaten maakte voor het huis van YHWH, vaten om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren vaten; en zij offerden geduriglijk brandofferen in het huis van YHWH al de dagen van Jojada.
[^2kronieken-24-16-46]: Kanttekening 46: zijn huize: Versta, zijn tempel, die door de raad en het beleid van Jojada gerepareerd was.
[^2kronieken-24-17-47]: Kanttekening 47: bogen zich: Te weten, verzoekende van hem, dat zij de afgoderij weer in het land mochten invoeren; gelijk af te nemen is uit vers 18 . 2 Kronieken 24:18 : Zo verlieten zij het huis van YHWH, van de God van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
[^2kronieken-24-17-48]: Kanttekening 48: hoorde de koning: Dat is, hij heeft hun verzoek ingewilligd.
[^2kronieken-24-18-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, smarten. Zie 1 Sam. 31:9 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk.
[^2kronieken-24-18-50]: Kanttekening 50: Namelijk, Gods. Zie onder, 2 Kron. 28:13 . 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^2kronieken-24-19-51]: Kanttekening 51: Dat is, riepen hemel en aarde tegen hen tot getuigen.
[^2kronieken-24-20-53]: Kanttekening 53: die boven: Dat is, in een plaats, die hoger was dan de plaats waarin het volk vergaderd was; uit welke Zacharia gesproken heeft opdat hij te beter zou mogen gehoord worden.
[^2kronieken-24-20-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 15:2 . 2 Kronieken 15:2 : En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! De YHWH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
[^2kronieken-24-20-52]: Kanttekening 52: toog Zacharia aan: Of, bekleedde; dat is, de Geest van YHWH is over hem gekomen en heeft hem als een kleed aangedaan. Zie Richt. 6:34 . Richteren 6:34 : Toen toog de Geest van YHWH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.
[^2kronieken-24-21-d]: Verwijzing d: Matt. 23:35 . Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^2kronieken-24-21-54]: Kanttekening 54: Te weten, van het volk, zo enige menen. Anderen verstaan dit van het voorhof van de priesters, zodat deze moord tussen het altaar en het portaal van de tempel zou geschied zijn; te weten, als voor het aangezicht van YHWH. Het gevoelen van velen is dat de Heer Jezus Christus op deze historie ziet, Matt. 23:35 , en dat daar Jojada werd genaamd Barachia. Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^2kronieken-24-22-55]: Kanttekening 55: Van welke zie boven, 2 Kron. 23 .
[^2kronieken-24-22-56]: Kanttekening 56: Namelijk, mijn bloed van de handen van deze moordenaars en van de hand van degene die de moord gebiedt; dat is, God zal straf en wraak hierover doen. Zie Gen. 9:5 , en Gen. 42:22 , en de aantekening. Anders, de Heer ziet het en zal het zoeken. Of, zie het en zoeke het. Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand eens iegelijken zijn broer zal Ik de ziel van de mens eisen. Genesis 42:22 : En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!
[^2kronieken-24-23-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, Darmesek. Versta, de hoofdstad van Syrië. Zie Gen. 14:15 . Genesis 14:15 : En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus.
[^2kronieken-24-24-58]: Kanttekening 58: verlaten hadden: Vergelijk boven, de aantekening 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-24-24-59]: Kanttekening 59: Namelijk, de Syriërs.
[^2kronieken-24-24-60]: Kanttekening 60: Dat is, de straffen Gods, die hij verdiend had met de zuivere godsdienst te verlaten en Zacharia te vermoorden. Want uit vers 25 schijnt het ook dat de Syriërs hem gewond hadden. 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.
[^2kronieken-24-25-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, bloeden; dat is, om de moord begaan aan Zacharia. Zie 1 Kon. 2:33 . 1 Koningen 2:33 : Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-24-25-62]: Kanttekening 62: van de zonen: Dat is, van de zoon van Zacharia, namelijk van Jojada de priester; een veelvoudig getal voor het enkelvoudig. Zie boven, vers 7 , en de aantekening. Tenware men zei dat Jojada meer zonen gehad had, die gedood waren; of immers Zacharia, omdat de kinderen met hun vaders somtijds schijnen uitgeroeid geweest te zijn. Vergelijk 2 Kon. 9:26 , en onder, 2 Kron. 25:4 . 2 Kronieken 24:7 : Want als Athalia goddeloos handelde, hadden haar zonen het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van YHWH besteed aan de Baäls. 2 Koningen 9:26 : Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt YHWH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt YHWH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van YHWH. 2 Kronieken 25:4 : Maar hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.
[^2kronieken-24-25-63]: Kanttekening 63: Zie de aantekening 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^2kronieken-24-26-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 12:21 . 2 Koningen 12:21 : Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-24-26-64]: Kanttekening 64: Ook genoemd Jozachar; 2 Kon. 12:21 . 2 Koningen 12:21 : Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-24-26-65]: Kanttekening 65: Anders genoemd Somer; 2 Kon. 12:21 . 2 Koningen 12:21 : Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-24-27-66]: Kanttekening 66: Die hij gehad, of ook nagelaten heeft.
[^2kronieken-24-27-67]: Kanttekening 67: van de last: Dat is van de schatting, waar hij mee belast was om de plundering en het beroven van Jeruzalem van Hazaël af te kopen; 2 Kon. 12:18 . Anderen verstaan dit van de collecten, of schattingen, die hij het volk oplegde tot bouw en reparatie van de tempel. 2 Koningen 12:18 : Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis van YHWH, en van het huis van de koning, en zond het tot Hazaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.
[^2kronieken-24-27-68]: Kanttekening 68: het gebouw: Hebreeuws, בֵּ֣ית, de grond, of grondvesting; dat is, de bouwing aan het huis van God.
[^2kronieken-24-27-69]: Kanttekening 69: Het Hebreeuwse woord midras heeft de naam van zoeken, omdat daarin de acten de daden van de koningen zeer naarstiglijk opgezocht, bijeenvergaderd en opgetekend waren. Zo boven, 2 Kron. 13:22 . 2 Kronieken 13:22 : Het overige nu van de geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van de profeet Iddo.

### 2 Kronieken 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/25.json)

*Amazia regeert in het begin goed, vers 1 enz. wreekt de dood van zijn vader, 3. hij rust zich ten strijde tegen Edom, niet alleen met zijn eigen volk, maar ook met gehuurde Israëlieten, 5. deze gehuurden zendt hij weg, op raad van een profeet, 7. met de zijnen overwint hij de Edomieten, 11. lijdt schade van de weggezonden Israëlieten, 13. vervalt tot afgoderij, 14. daagt vermetel de koning van Israël tot de strijd uit, 17. wordt door hem verslagen, 22. verdreven en vermoord door zijn eigen volk, 27.*

**1** [^2kronieken-25-1-a] Amazia, vijf en[^2kronieken-25-1-1] twintig jaar oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Joaddan, van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v1)

**2** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, maar[^2kronieken-25-2-2] niet met een volkomen hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v2)

**3** Het gebeurde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij[^2kronieken-25-3-3] zijn knechten, die de koning, zijn vader,[^2kronieken-25-3-4] geslagen hadden, doodde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v3)

**4** Maar hun kinderen[^2kronieken-25-4-5] doodde hij niet, maar hij deed, zoals in de wet,[^2kronieken-25-4-b] in het boek van Mozes, geschreven is, waar YHWH geboden heeft, zeggende:[^2kronieken-25-4-6] De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v4)

**5** En Amazia verzamelde Juda, en stelde hen,[^2kronieken-25-5-7] naar de huizen van de vaders, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door geheel Juda en Benjamin; en hij monsterde[^2kronieken-25-5-8] hen, van twintig jaar oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten strijde, handelende[^2kronieken-25-5-9] speer en groot schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v5)

**6** Daartoe huurde hij[^2kronieken-25-6-10] uit Israël honderd duizend strijdbare helden, voor honderd[^2kronieken-25-6-11] talenten zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v6)

**7** Maar er kwam een[^2kronieken-25-7-12] man van God tot hem, zeggende: O, koning! laat het leger van Israël met u niet gaan; want YHWH is niet met Israël, met alle[^2kronieken-25-7-14] kinderen van Efraïm.[^2kronieken-25-7-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v7)

**8** Maar zo u gaat,[^2kronieken-25-8-15] doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor de vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v8)

**9** En Amazia zei tot de man van God: Maar wat zal men doen met de[^2kronieken-25-9-16] honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man van God zei: YHWH heeft meer dan dit, om u te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v9)

**10** Toen scheidde Amazia die af, te weten de benden, die uit[^2kronieken-25-10-17] Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weer tot hun plaats in hitte van de toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v10)

**11** Amazia nu sterkte zich, en leidde[^2kronieken-25-11-18] zijn volk uit, en trok in het[^2kronieken-25-11-19] Zoutdal, en sloeg van[^2kronieken-25-11-20] de kinderen van Seïr tien duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v11)

**12** Daartoe vingen de kinderen van Juda[^2kronieken-25-12-21] tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte van[^2kronieken-25-12-22] de steenrots, en stootten hen van de spits van de steenrots af, dat zij allen barstten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v12)

**13** Maar de[^2kronieken-25-13-23] mannen van de benden, die Amazia had doen terugkeren, dat zij met hem in de strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de[^2kronieken-25-13-24] steden van[^2kronieken-25-13-25] Juda, van Samaria af tot[^2kronieken-25-13-26] Beth-horon toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v13)

**14** Het gebeurde nu, nadat Amazia van het slaan van de Edomieten gekomen was, en dat hij de[^2kronieken-25-14-27] goden van de kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich daarvoor neer boog en die rookte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v14)

**15** Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Amazia; en Hij zond tot hem een profeet, die zei tot hem:[^2kronieken-25-15-28] Waarom hebt u de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v15)

**16** En het gebeurde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zei: Heeft men u tot raadgever van de koning gesteld?[^2kronieken-25-16-29] Houd u op; waarom zouden[^2kronieken-25-16-30] zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zei: Ik merk, dat God[^2kronieken-25-16-31] besloten heeft u te verderven, omdat u dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v16)

**17** [^2kronieken-25-17-c] En Amazia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij[^2kronieken-25-17-32] zond tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons[^2kronieken-25-17-33] elkaars aangezicht zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v17)

**18** Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, om te zeggen:[^2kronieken-25-18-34] De[^2kronieken-25-18-d] distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon tot vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v18)

**19** U zegt: Zie, u hebt de Edomieten[^2kronieken-25-19-35] geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zou u zich in het kwaad mengen, dat u vallen zou; u en Juda met u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v19)

**20** Maar Amazia hoorde niet, want[^2kronieken-25-20-36] het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, omdat zij de goden van de Edomieten gezocht hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v20)

**21** Zo trok Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amazia, de koning van Juda,[^2kronieken-25-21-37] zagen elkaars gezichten te Beth-semes, dat in[^2kronieken-25-21-38] Juda is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v21)

**22** En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël; en zij vluchtten ieder in zijn tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v22)

**23** En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon[^2kronieken-25-23-39] van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en[^2kronieken-25-23-e] hij brak aan de muur van Jeruzalem, van[^2kronieken-25-23-40] de poort van Efraïm tot aan[^2kronieken-25-23-41] de Hoekpoort, vierhonderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v23)

**24** Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de voorwerpen, die in het huis van God gevonden werden,[^2kronieken-25-24-42] bij Obed-edom, en de schatten van het huis van de koning, en ook[^2kronieken-25-24-43] gijzelaars, en hij keerde weer naar Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v24)

**25** Amazia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, vijftien jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v25)

**26** [^2kronieken-25-26-f] Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v26)

**27** Van de tijd nu af, dat Amazia afgeweken was[^2kronieken-25-27-44] van achter YHWH, zo maakten[^2kronieken-25-27-45] zij in Jeruzalem een samenzwering tegen hem; maar hij vluchtte naar[^2kronieken-25-27-46] Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v27)

**28** En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaders[^2kronieken-25-28-47] in de stad van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/25.html#v28)

[^2kronieken-25-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 14:1 . 2 Koningen 14:1 : In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, werd Amazia koning, de zoon van Joas, de koning van Juda.
[^2kronieken-25-1-1]: Kanttekening 1: oud zijnde: Hebreeuws, שָׁנָה֙, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2kronieken-25-2-2]: Kanttekening 2: niet met een volkomen: Hij had wel de zuivere godsdienst, die ten tijde van zijn vader na de dood van Jojada vervallen was, weer opgericht, maar hij is daarna een afgodendienaar geworden en een verwerper van profetische vermaning, en ook een lichtvaardig, vermetel en ongelukkig oorloger.
[^2kronieken-25-3-3]: Kanttekening 3: zijn knechten: Van welke zie, boven, 2 Kron. 24:26 . 2 Kronieken 24:26 : Deze nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.
[^2kronieken-25-3-4]: Kanttekening 4: geslagen hadden: Dat is, omgebracht hadden; boven, 2 Kron. 24:25 . Van het woord slaan, zie Gen. 8:21 . 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^2kronieken-25-4-5]: Kanttekening 5: doodde hij niet: Dat somtijds wel schijnt geschied te zijn. Zie boven de aantekening 2 Kron. 24:25 . 2 Kronieken 24:25 : En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen.
[^2kronieken-25-4-b]: Verwijzing b: Deut. 24:16 ; 2 Kon. 14:6 ; Jer. 31:30 ; Ez. 18:20 . Deuteronomium 24:16 : De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. 2 Koningen 14:6 : Maar de kinderen van het doodlager doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden. Jeremia 31:30 : Maar een iedereen zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. Ezechiël 18:20 : De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn.
[^2kronieken-25-4-6]: Kanttekening 6: De vaders zullen niet: Deze wet gaat eigenlijk de magistraten en overheden aan.
[^2kronieken-25-5-7]: Kanttekening 7: de huizen: Dat is, de huisgezinnen van de voornaamsten. Vergelijk Ex. 6:13 . Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis van hun vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
[^2kronieken-25-5-8]: Kanttekening 8: van twintig jaren oud: Hebreeuws, יִּמְצָאֵ֗, van de zoon van twintig jaar.
[^2kronieken-25-5-9]: Kanttekening 9: spies en rondas: Zie boven, 2 Kron. 11:12 . 2 Kronieken 11:12 : En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze geheel zeer; zo was Juda, en Benjamin zijn.
[^2kronieken-25-6-10]: Kanttekening 10: uit Israël: Dat is, uit de tien stammen.
[^2kronieken-25-6-11]: Kanttekening 11: talenten zilvers: Van deze waarde, zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^2kronieken-25-7-12]: Kanttekening 12: man van God: Dat is, een profeet. Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^2kronieken-25-7-14]: Kanttekening 14: kinderen van Efraïm: Versta door deze Israël, gelijk voorgaat; dat is, de tien stammen, welke zo genaamd worden, omdat Efraïm wel de voornaamste van die stammen was, en Jerobeam hun eerste koning uit de stam van Efraïm afkomstig; zo Efraïm voor Israël, Jes. 17:3 , en Jes. 28:1 , enz. Jesaja 17:3 : En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel van de Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid van de kinderen van Israël, spreekt YHWH van de legermachten. Jesaja 28:1 : Wee de hovaardige kroon van de dronkenen van Efraïm, van wie heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd van de zeer vette vallei, van de geslagenen van de wijn.
[^2kronieken-25-7-13]: Kanttekening 13: is niet met Israël: Te weten, omdat zij van de Heer tot de afgoden geweken waren.
[^2kronieken-25-8-15]: Kanttekening 15: doe het: Hij spreekt spottenderwijze, zo te verstaan gevende, als hij de aangenomen Israëlieten gebruikte, dat het hem niet wel vergaan zou. Zulke geboden spottenderwijze gegeven, dienen om de mensen te berispen en te dreigen. Zie 1 Kon. 22:15 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^2kronieken-25-9-16]: Kanttekening 16: honderd talenten: Waarvan gemeld is, boven, vers 6 , voor welke hij honderdduizend krijgslieden uit Israël in zijn dienst aangenomen had. 2 Kronieken 25:6 : Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.
[^2kronieken-25-10-17]: Kanttekening 17: Dat is, uit Israël, of de tien stammen, gelijk boven, vers 7 . 2 Kronieken 25:7 : Maar er kwam een man van God tot hem, zeggende: O, koning! laat de legermacht van Israël met u niet gaan; want YHWH is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.
[^2kronieken-25-11-18]: Kanttekening 18: zijn volk uit: Te weten, dat hij uit zijn eigen onderzaten aangenomen had.
[^2kronieken-25-11-19]: Kanttekening 19: Zie 2 Sam. 8:13 , en 2 Kon. 14:7 . 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag.
[^2kronieken-25-11-20]: Kanttekening 20: kinderen van Seïr: Van de Edomieten, 2 Kon. 14:7 , die in het landschap Seïr woonden; Gen. 36:8 ; Deut. 2:4 . 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag. Genesis 36:8 : Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom. Deuteronomium 2:4 : En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan de landpale van uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten.
[^2kronieken-25-12-21]: Kanttekening 21: tien duizend levend: Gelijk zij tien duizend doodgeslagen hadden; in vers 11 . 2 Kronieken 25:11 : Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend.
[^2kronieken-25-12-22]: Kanttekening 22: Te weten, waarop de stad Selah gelegen was; van welke zie, 2 Kon. 14:7 . 2 Koningen 14:7 : Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag.
[^2kronieken-25-13-23]: Kanttekening 23: mannen van de benden: Hebreeuws, גְּד֗וּד, de zonen van de bende; dat is, de honderdduizend Israëlieten, die Amazia aangenomen had, om die in de krijg tegen de Edomieten te gebruiken, boven, vers 6 . 2 Kronieken 25:6 : Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.
[^2kronieken-25-13-24]: Kanttekening 24: Welke waren de grenssteden van het koninkrijk van Juda, langs in de breedte daarvan palende aan het koninkrijk Israëls.
[^2kronieken-25-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, behorende tot het koninkrijk van Juda.
[^2kronieken-25-13-26]: Kanttekening 26: Beth-Horon toe: Zie van tweeërlei Beth-Horon, het lage, en het opper, 1 Kon. 9:17 ; hier schijnt van het lage gesproken te zijn; dat in de stam van Benjamin gelegen was. 1 Koningen 9:17 : Zo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.
[^2kronieken-25-14-27]: Kanttekening 27: goden van de kinderen: Versta, de beelden van de afgoden van de Edomieten.
[^2kronieken-25-15-28]: Kanttekening 28: Waarom hebt u: Deze vraag berispt de koning en dreigt hem dat hij niet meer door deze afgoden geholpen zou worden dan de Edomieten daardoor waren geholpen geweest.
[^2kronieken-25-16-29]: Kanttekening 29: Houd u op: Hebreeuws, מָּה, houd op voor u; dat is, tot uw best, of dat voor u het beste wezen zal; zie Gen. 12:1 . Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uw vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^2kronieken-25-16-30]: Kanttekening 30: zij u slaan: Versta, zijn trawanten, die daar tegenwoordig waren. Hij dreigt de profeet, als hij niet ophield hem te berispen, dat hij zijn trawanten last zou geven hem dood te slaan, of immers aan zijn lichaam leed te doen.
[^2kronieken-25-16-31]: Kanttekening 31: besloten heeft: Hebreeuws, אֱלֹהִים֙, beraadslaagd, raad genomen, of in zijn raad besloten.
[^2kronieken-25-17-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 14:8 . 2 Koningen 14:8 : Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2kronieken-25-17-32]: Kanttekening 32: zond tot Joas: Te weten, boden, of gezanten; 2 Kon. 14:8 . 2 Koningen 14:8 : Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2kronieken-25-17-33]: Kanttekening 33: Dat is, tegen elkaar uittrekken te velde, om tezamen te vechten en elkaar met gewapende hand te bejegenen, en zo onder de ogen te zien. Zie 2 Kon. 14:8 . 2 Koningen 14:8 : Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2kronieken-25-18-34]: Kanttekening 34: De distel: Zie de verklaring van deze gelijkenis 2 Kon. 14:9 . 2 Koningen 14:9 : Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.
[^2kronieken-25-18-d]: Verwijzing d: Richt. 9:8 . Richteren 9:8 : De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Wees u koning over ons.
[^2kronieken-25-19-35]: Kanttekening 35: Ja, slaande geslagen; gelijk er staat 2 Kon. 14:10 , dat is, dapper en geweldiglijk geslagen. 2 Koningen 14:10 : U hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zoudt u u in het kwade mengen, dat u vallen zoudt, u en Juda met u?
[^2kronieken-25-20-36]: Kanttekening 36: het was van God: Zie 1 Kon. 12:15 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^2kronieken-25-21-37]: Kanttekening 37: zagen elkanders: Zie boven, vers 17 . 2 Kronieken 25:17 : En Amazia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
[^2kronieken-25-21-38]: Kanttekening 38: Juda is: En is daarom te onderscheiden van een ander van deze naam, gelegen in Nafthali; Joz. 19:38 ; Richt. 1:33 . Jozua 19:38 : En Jiron, en Migdal-el, Horem en Beth-anath, en Beth-semes; negentien steden en haar dorpen. Richteren 1:33 : Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig.
[^2kronieken-25-23-39]: Kanttekening 39: Anders genoemd Ahazia en Azaria. Zie boven, 2 Kron. 21:17 , en 2 Kron. 22:1 , 22:6 , met de aantekening. 2 Kronieken 21:17 : Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen. 2 Kronieken 22:1 : En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eerste gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. 2 Kronieken 22:6 : En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was ziek.
[^2kronieken-25-23-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 32:5 . 2 Kronieken 32:5 : Zo versterkte hij zich, en bouwde de heel muur op, die gebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte.
[^2kronieken-25-23-40]: Kanttekening 40: poort van Efraïm: Zie 2 Kron. 14:13 . 2 Kronieken 14:13 : Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor YHWH en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.
[^2kronieken-25-23-41]: Kanttekening 41: de Hoekpoort: Hebreeuws, מֵא֖וֹת, die uitziende was, of tot de uitziende poort. Zo wordt zij genaamd, omdat zij uitstak aan een hoek van de stad; waarom zij ook de hoekpoort genaamd werd, vers 23 en 2 Kon. 14:13 . 2 Kronieken 25:23 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen. 2 Koningen 14:13 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2kronieken-25-24-42]: Kanttekening 42: bij Obed-edom: Dat is, bij de nakomelingen van Obed-Edom, die deurwachters en schatbewaarders in het huis van God waren; 1 Kron. 26:15 . 1 Kronieken 26:15 : Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis van de schatkameren.
[^2kronieken-25-24-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, zonen van de borgtochten, of van de verpandingen. Zie 2 Kon. 14:14 . 2 Koningen 14:14 : En hij nam al het goud, en het zilver, en al de vaten, die gevonden werden in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars; en hij keerde weer naar Samaria.
[^2kronieken-25-26-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 14:18 . 2 Koningen 14:18 : Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
[^2kronieken-25-27-44]: Kanttekening 44: van achter YHWH: Dat is, van de Heer te volgen.
[^2kronieken-25-27-45]: Kanttekening 45: maakten zij: Zie 1 Kon. 15:27 . 1 Koningen 15:27 : En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden.
[^2kronieken-25-27-46]: Kanttekening 46: Zie van deze stad 2 Kon. 14:19 . 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^2kronieken-25-28-47]: Kanttekening 47: in de stad: Dat is, in Jeruzalem; welke stad, hoewel zij ten dele lag in de palen Benjamins, ten dele in Juda, zo werd zij nochtans voornamelijk een stad van Juda genoemd, omdat zij de hoofdstad was, waar de koningen van Juda hun hof hielden; zie 2 Kon. 14:20 . 2 Koningen 14:20 : En zij brachten hem op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaderen, in de stad van David.

### 2 Kronieken 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/26.json)

*Uzzia komt in de plaats van zijn vader Amazia, vers 1 enz. regeert goed in de dagen van Zacharia, 4. behaalt grote overwinningen op zijn vijanden, 6. Voorziet de stad Jeruzalem en zijn huis, 9. versterkt zijn rijk met krijgsvolk, wapenen en kunstige oorlogswerktuigen, 11. hij vergrijpt zich door zelf voor de HEERE te willen offeren, 16. waarover hij met melaatsheid gestraft wordt, 19. hij sterft, en zijn zoon Jotham regeert, 23.*

**1** [^2kronieken-26-1-1][^2kronieken-26-1-a] Toen nam het hele volk van Juda[^2kronieken-26-1-2] Uzzia (die nu[^2kronieken-26-1-3] zestien jaar oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v1)

**2** [^2kronieken-26-2-b] Die bouwde[^2kronieken-26-2-4] Eloth, en bracht ze weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaders ontslapen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v2)

**3** [^2kronieken-26-3-c] Zestien jaar was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v3)

**4** En hij[^2kronieken-26-4-5] deed dat recht was in de ogen van[^2kronieken-26-4-6] YHWH, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v4)

**5** Want[^2kronieken-26-5-7] hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia,[^2kronieken-26-5-8] die verstandig was[^2kronieken-26-5-9] in de visioenen Gods; in de dagen nu, dat hij YHWH zocht, maakte hem God voorspoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v5)

**6** Want hij trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en brak de muur van[^2kronieken-26-6-10] Gath, en de muur van[^2kronieken-26-6-11] Jabne, en de muur van[^2kronieken-26-6-12] Asdod; daartoe bouwde hij steden[^2kronieken-26-6-13] in Asdod, en onder de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v6)

**7** En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te[^2kronieken-26-7-14] Gur-baal woonden, en tegen de[^2kronieken-26-7-15] Meunieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v7)

**8** En de[^2kronieken-26-8-16] Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en[^2kronieken-26-8-17] zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij sterkte zich[^2kronieken-26-8-18] ten hoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v8)

**9** Daartoe bouwde Uzzia[^2kronieken-26-9-19] torens te Jeruzalem, aan de[^2kronieken-26-9-20] Hoekpoort en aan de[^2kronieken-26-9-21] Dalpoort, en aan[^2kronieken-26-9-22] de hoeken; en hij sterkte ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v9)

**10** Hij bouwde ook torens in[^2kronieken-26-10-23] de woestijn, en hieuw vele[^2kronieken-26-10-24] putten uit, omdat hij veel vee had, zowel in de laagten als in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op[^2kronieken-26-10-25] de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van de landbouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v10)

**11** Verder had Uzzia een[^2kronieken-26-11-26] legermacht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten strijde bij benden, naar het getal van hun monstering,[^2kronieken-26-11-27] door de hand van Jeiël, de schrijver, en Mahaseja, de ambtman; onder[^2kronieken-26-11-28] de hand van Hananja, één van de vorsten van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v11)

**12** Het hele getal van[^2kronieken-26-12-29] de familiehoofden, van de strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v12)

**13** En onder hun hand was een leger van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht[^2kronieken-26-13-30] zich ten oorlog oefenden, om de koning tegen de vijand te helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v13)

**14** En Uzzia bereidde voor hen, voor het hele leger, schilden, en speren, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de[^2kronieken-26-14-31] slingerstenen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v14)

**15** Hij maakte ook te Jeruzalem[^2kronieken-26-15-32] kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten;[^2kronieken-26-15-33] zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd[^2kronieken-26-15-34] wonderlijk geholpen, totdat hij[^2kronieken-26-15-35] sterk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v15)

**16** Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging[^2kronieken-26-16-36] in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v16)

**17** Maar Azaria, de[^2kronieken-26-17-37] priester, ging hem na, en met hem priesters van YHWH, tachtig kloeke mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v17)

**18** En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem:[^2kronieken-26-18-38] Het komt u niet toe, Uzzia, voor YHWH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het[^2kronieken-26-18-39] heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn[^2kronieken-26-18-40] van YHWH God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v18)

**19** [^2kronieken-26-19-41] Toen werd Uzzia[^2kronieken-26-19-42] boos, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu boos werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters[^2kronieken-26-19-43] in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v19)

**20** Toen zag de[^2kronieken-26-20-44] hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij verdreven hem haastig vandaar, ja hij zelf[^2kronieken-26-20-45] werd ook gedreven uit te gaan, omdat YHWH hem geplaagd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v20)

**21** [^2kronieken-26-21-d] Zo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag van zijn dood; en melaats zijnde, woonde[^2kronieken-26-21-46] hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis van YHWH[^2kronieken-26-21-47] afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de[^2kronieken-26-21-48] koning, richtende het volk van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v21)

**22** Het overige nu van de geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v22)

**23** En Uzzia ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem bij zijn vaders,[^2kronieken-26-23-49] in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/26.html#v23)

[^2kronieken-26-1-1]: Kanttekening 1: nam het gehele volk: Te weten, als zijn vader Amazia vluchtte naar Lachis. Zie 2 Kon. 14:21 . 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia.
[^2kronieken-26-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 14:21 . 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia.
[^2kronieken-26-1-2]: Kanttekening 2: Ook genaamd Azaria; 2 Kon. 14:21 . 2 Koningen 14:21 : En het gehele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia.
[^2kronieken-26-1-3]: Kanttekening 3: zestien jaren oud: Hebreeuws, בֶּן, een zoon van zestien jaar, en zo in het volgende.
[^2kronieken-26-2-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 14:22 . 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
[^2kronieken-26-2-4]: Kanttekening 4: Ook genaamd Elath; 2 Kon. 14:22 . Zie van deze stad 1 Kon. 9:26 . 2 Koningen 14:22 : Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was. 1 Koningen 9:26 : De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom.
[^2kronieken-26-3-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 15:2 . 2 Koningen 15:2 : Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jecholia van Jeruzalem.
[^2kronieken-26-4-5]: Kanttekening 5: deed dat: Dat is, hij heeft de zuivere godsdienst, die onder de laatste regering van Amazia vervallen was, opgericht en gehandhaafd.
[^2kronieken-26-4-6]: Kanttekening 6: naar alles: In de regering van zijn rijk heeft hij niet alleen de eerste voetstappen van zijn vader gevolgd, maar is ook in het laatst zijn vader enigszins gelijk geworden. Want gelijk zijn vader Amazia, nadat hij de Edomieten overwonnen had, tot afgoderij vervallen was, boven, 2 Kron. 25:14 , zo is Uzzia, nadat hij machtig en voorspoedig geworden was, tot deze vermetelheid vervallen, dat hij zich het priesterambt heeft willen aantrekken; onder, vers 16 . 2 Kronieken 25:14 : Het geschiedde nu, nadat Amazia van het slaan van de Edomieten gekomen was, en dat hij de goden van de kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich voor die neder boog en die rookte. 2 Kronieken 26:16 : Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar.
[^2kronieken-26-5-7]: Kanttekening 7: hij begaf zich: Hebreeuws, דְרֹ֣שׁ, hij was om God te zoeken. Wat het is, God te zoeken, zie boven, 2 Kron. 11:16 ; versta, dat hij bezig was met God te zoeken. 2 Kronieken 11:16 : Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, offerande deden.
[^2kronieken-26-5-8]: Kanttekening 8: die verstandig was: Anders, die \[hem\] verstandig maakte; dat is, die hem leerde en onderwees; want het Hebreeuwse woord betekent niet alleen verstand hebben en verstandig zijn, maar ook somtijds door goed onderwijs en lering iemand verstandig maken.
[^2kronieken-26-5-9]: Kanttekening 9: in de gezichten van God: Anders, in de vrezen Gods. Versta, door de gezichten de gehele leer van wat men geloven en doen moest ter zaligheid, geopenbaard door Mozes en de andere profeten, en door hen dagelijks het volk ingescherpt, verklaard en toegeëigend.
[^2kronieken-26-6-10]: Kanttekening 10: Zie van deze stad 1 Kon. 2:39 . 1 Koningen 2:39 : Maar het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath.
[^2kronieken-26-6-11]: Kanttekening 11: Een stad van de Filistijnen aan de Middellandse zee.
[^2kronieken-26-6-12]: Kanttekening 12: Ook een stad in het land van de Filistijnen, waarvan zie Joz. 11:22 , en Joz. 15:46 ; 1 Sam. 5:1 . Jozua 11:22 : Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de kinderen van Israël; alleen bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod. Jozua 15:46 : Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen; 1 Samuël 5:1 : De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod.
[^2kronieken-26-6-13]: Kanttekening 13: in Asdod: Versta, het land, sorterende onder de stad Asdod.
[^2kronieken-26-7-14]: Kanttekening 14: Een plaats, zuidwaarts gelegen van Judea, gelijk de Filistijnen westwaarts daarvan waren, en de Ammonieten oostwaarts.
[^2kronieken-26-7-15]: Kanttekening 15: De naam van een zeker landschap en volk.
[^2kronieken-26-8-16]: Kanttekening 16: Zie boven, 2 Kron. 20:1 . 2 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
[^2kronieken-26-8-17]: Kanttekening 17: zijn naam: Dat is, hij werd zeer beroemd en vermaard. Vergelijk 1 Kron. 14:17 , en onder, vers 15 ; Ez. 16:14 . 1 Kronieken 14:17 : Zo ging Davids naam uit in al die landen; en YHWH gaf Zijn verschrikking over al die heidenen. 2 Kronieken 26:15 : Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was. Ezechiël 16:14 : Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heer YHWH.
[^2kronieken-26-8-18]: Kanttekening 18: ten hoogste: Het woord in het oorspronkelijke is ook zo genomen 1 Kron. 14:2 , en 1 Kron. 23:17 , en 1 Kron. 29:25 ; 2 Kron. 1:1 . 1 Kronieken 14:2 : En David merkte, dat hem YHWH tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, vanwege Zijn volk Israël. 1 Kronieken 23:17 : De kinderen van Eliëzer nu waren deze: Rehabja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. 1 Kronieken 29:25 : En YHWH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël voor hem geweest is. 2 Kronieken 1:1 : En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want YHWH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.
[^2kronieken-26-9-19]: Kanttekening 19: Te weten, aan de muren, die Joas de koning van Israël, ten tijde van Amazia gebroken had; boven, 2 Kron. 25:23 . 2 Kronieken 25:23 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2kronieken-26-9-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, de poort van de hoek; zie 2 Kon. 14:13 . 2 Koningen 14:13 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2kronieken-26-9-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, de poort van het dal. Zie van deze Neh. 2:12 , en Neh. 3:13 . Nehemia 2:12 : Daarna maakte ik mij 's nachts op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed. Nehemia 3:13 : De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe duizend ellen aan de muur, tot aan de Mistpoort.
[^2kronieken-26-9-22]: Kanttekening 22: Of, wendingen, of keringen; te weten, van de muur. Anderen behouden het woord Mikzoa, als de eigennaam eens torens of sterkte, staande in het hoogste van de stad van David; zie hiervan ook Neh. 3:19 , 3:24 . Nehemia 3:19 : Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover de opgang naar het wapenhuis, aan de hoek. Nehemia 3:24 : Na hem verbeterde Binnuï, de zoon van Henadad, een andere maat; van het huis van Azaria tot aan de hoek en tot aan de punt;
[^2kronieken-26-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk, van Arabië, om de invallen vandaar te beletten, die ten tijde van Joram geschied waren; boven, 2 Kron. 21:16 . 2 Kronieken 21:16 : Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn.
[^2kronieken-26-10-24]: Kanttekening 24: putten uit: In welke men het water vergaderde en bewaarde, ten gebruike van de mensen en van het vee.
[^2kronieken-26-10-25]: Kanttekening 25: de vruchtbare velden: Anders, Karmel; dat is, in de landouw, of het landschap van de stad Karmel, gelegen aan de woestijn Maon, in de stam van Juda, zeer vruchtbaar en overvloedig van schone vruchten en wijngaarden. Elders is Karmel een gebergte, gelegen in de stam van Issaschar, zeer wel beplant, bezaaid en vruchtbaar. Zie 1 Kon. 18:19 , vanwaar het komt dat de vruchtbare akkers een Karmel genoemd worden. Zie 2 Kon. 19:23 . 1 Koningen 18:19 : Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld.
[^2kronieken-26-11-26]: Kanttekening 26: Versta, enige ordinaire benden van krijgsvolk, die de koning tegen allen nood gereed had. Vergelijk 1 Kron. 27 , en boven, 2 Kron. 17:14 . 2 Kronieken 17:14 : Dit nu is hun telling, naar de huizen van hun vaderen. In Juda waren oversten van de duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.
[^2kronieken-26-11-27]: Kanttekening 27: door de hand van Jeiël: Dat is, welke monstering gedaan was door middel van Jeïël, enz.
[^2kronieken-26-11-28]: Kanttekening 28: de hand van Hananja: Dat is, het beleid. Zo vers 13 . 2 Kronieken 26:13 : En onder hun hand was een leger van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om de koning tegen de vijand te helpen.
[^2kronieken-26-12-29]: Kanttekening 29: familiehoofden: Zo boven, 2 Kron. 23:2 . 2 Kronieken 23:2 : Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem.
[^2kronieken-26-13-30]: Kanttekening 30: zich ten oorlog: Hebreeuws, מִלְחָמָ֖ה, doende oorlog; dat is, die de oorlog hanteerden, daartoe bekwaam waren en zich gebruiken lieten. Zie 1 Kon. 12:21 . 1 Koningen 12:21 : Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gehele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht.
[^2kronieken-26-14-31]: Kanttekening 31: slingerstenen toe: Dat is, stenen, die zij met de slinger naar de vijand moesten werpen. Met zulk slingerwerk heeft David de reus Goliath zo in het voorhoofd getroffen, dat hij hem neervelde; 1 Sam. 17:49 . Vergelijk Job 41:19 . 1 Samuël 17:49 : En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof de Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde. Job 41:19 : De pijl zal hem niet doen vluchten, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
[^2kronieken-26-15-32]: Kanttekening 32: kunstige werken: Hebreeuws, מַחֲשֶׁ֣בֶת, bedenkingen door de bedenking van de bedenker; dat is, kunstige en wel uitgevonden werken, door de vernuftige bedenking, of de vond van een kundig of nuttig werkmeester en ingenieur bedacht.
[^2kronieken-26-15-33]: Kanttekening 33: zo ging zijn naam: Zie boven, vers 8 . 2 Kronieken 26:8 : En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.
[^2kronieken-26-15-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, hij maakte het wonderlijk met, of om geholpen te worden; te weten, van God, die een schild is allen, die op hem betrouwen, Ps. 18:31 . Psalmen 18:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
[^2kronieken-26-15-35]: Kanttekening 35: sterk was: Of, gesterkt; te weten, in zijn rijk.
[^2kronieken-26-16-36]: Kanttekening 36: in de tempel: Versta, in het heilige, waar het reukaltaar stond en waar niemand mocht inkomen, veel min reukwerk offeren, dan de priesters alleen. Deze plaats is onder, vers 18 , genoemd het heiligdom. 2 Kronieken 26:18 : En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, YHWH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van YHWH God.
[^2kronieken-26-17-37]: Kanttekening 37: Versta, hogepriester. Zie 1 Kron. 6:10 , en onder, vers 20 . 1 Kronieken 6:10 : En Johanan verwekte Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had. 2 Kronieken 26:20 : Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat YHWH hem geplaagd had.
[^2kronieken-26-18-38]: Kanttekening 38: Het komt u niet toe: Vergelijk Ex. 30:7 , enz. Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken.
[^2kronieken-26-18-39]: Kanttekening 39: Zie boven, vers 16 , waar dit heiligdom de tempel genaamd wordt. Vergelijk 1 Kon. 8:10 , en de aantekening. 2 Kronieken 26:16 : Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar. 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde.
[^2kronieken-26-18-40]: Kanttekening 40: van YHWH God: Te weten, omdat Hij het niet voor goed zal aanzien, maar zekerlijk straffen.
[^2kronieken-26-19-41]: Kanttekening 41: Toen werd Uzzia: Enige menen dat alstoen de aardbeving geschied is, van welke te zien is Amos 1:1 ; Zach. 14:5 , als een openbaar bewijs van de toorn van God tegen deze koning. Amos 1:1 : De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving. Zacharia 14:5 : Dan zult u vluchten door de vallei Mijner bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, gelijk als u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal YHWH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o YHWH!
[^2kronieken-26-19-42]: Kanttekening 42: Van het Hebreeuwse woord, zie Gen. 40:6 . Genesis 40:6 : En Jozef kwam 's morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.
[^2kronieken-26-19-43]: Kanttekening 43: in het huis van YHWH: Te weten, van de Heer, die van boven, of van bij dit altaar iets tegen het aangezicht van de koning schijnt uitgeschoten te hebben, dat deze melaatsheid heeft veroorzaakt.
[^2kronieken-26-20-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, de priester het hoofd; te weten, van de priesters, dat is, de overpriester.
[^2kronieken-26-20-45]: Kanttekening 45: werd ook gedreven: Vergelijk Esth. 6:12 . Esther 6:12 : Daarna keerde Mordechai opnieuw tot de poort van de koning; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.
[^2kronieken-26-21-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 15:5 . 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.
[^2kronieken-26-21-46]: Kanttekening 46: in een afgezonderd huis: Lev. 13:46 ; Num. 5:2 , en Num. 12:14 . Zie verder 2 Kon. 15:5 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.
[^2kronieken-26-21-47]: Kanttekening 47: Dat is, hij werd verklaard onrein te zijn en alleen te moeten wonen, en niet in het voorhof van het volk tot de algemene vergadering te mogen verschijnen; en dat naar de wet; Lev. 13:46 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^2kronieken-26-21-48]: Kanttekening 48: Dat is, regerende en recht doende. Zie 2 Kon. 15:5 . 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.
[^2kronieken-26-23-49]: Kanttekening 49: in het veld van de begrafenis: Dat is, op welk veld de graven van de koningen waren; hoewel zij zijn lichaam, vanwege de melaatsheid, niet in, of onder die graven, maar verscheiden en in een afgezonderde plaats begraven hebben.

### 2 Kronieken 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/27.json)

*Jotham regeert goed, vers 1 enz. laat velerlei gebouwen maken, 3. hij maakt de Ammonieten hem schatplichtig, 5. hij volhardt in het goede, 6. sterft, en zijn zoon Achaz wordt koning, 9.*

**1** [^2kronieken-27-1-a] Jotham was[^2kronieken-27-1-1] vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v1)

**2** En hij[^2kronieken-27-2-2] deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij[^2kronieken-27-2-3] in de tempel van YHWH niet ging; en het volk[^2kronieken-27-2-4] verdierf zich nog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v2)

**3** Die[^2kronieken-27-3-5] bouwde[^2kronieken-27-3-6] de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur[^2kronieken-27-3-7] van Ofel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v3)

**4** Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij[^2kronieken-27-4-8] burchten en torens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v4)

**5** Hij streed ook tegen de koning van de kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in dat jaar hem gaven honderd[^2kronieken-27-5-9] talenten zilver, en tien duizend[^2kronieken-27-5-10] kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons opnieuw, ook in het tweede en in het derde jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v5)

**6** Zo versterkte zich Jotham; want hij[^2kronieken-27-6-11] richtte zijn[^2kronieken-27-6-12] wegen voor het aangezicht van YHWH, van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v6)

**7** Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al zijn[^2kronieken-27-7-13] krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v7)

**8** Hij[^2kronieken-27-8-14] was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v8)

**9** En Jotham ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in[^2kronieken-27-9-15] de stad van David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/27.html#v9)

[^2kronieken-27-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 15:33 . 2 Koningen 15:33 : Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
[^2kronieken-27-1-1]: Kanttekening 1: vijf en twintig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָה֙, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2kronieken-27-2-2]: Kanttekening 2: deed dat recht was: Te weten, in het voorstaan van de zuivere godsdienst. Vergelijk boven, 2 Kron. 26:4 , en zie de aantekening. 2 Kronieken 26:4 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.
[^2kronieken-27-2-3]: Kanttekening 3: in de tempel van YHWH: Te weten, \[naar sommiger gevoelen\] om zich daar naast andere gelovigen in de heilige godsdienst te oefenen; dat aldus kan verstaan worden, dat hij het niet liet uit verachting, maar uit enige menselijke zwakheid, omdat zijn vader daar melaats geworden was. Sommigen verstaan dat dit hier tot zijn lof gesproken wordt, dat hij niet in de tempel van YHWH ging om te roken, gelijk zijn vader gedaan had. Zie boven, 2 Kron. 26:16 . 2 Kronieken 26:16 : Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar.
[^2kronieken-27-2-4]: Kanttekening 4: verdierf zich nog: Te weten, door afgoderij, mits te offeren en te roken op de hoogte, gelijk verklaard wordt 2 Kon. 15:35 . 2 Koningen 15:35 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; die bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH.
[^2kronieken-27-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, vernieuwde, vermaakte, sterkte, beterde. Vergelijk boven, 2 Kron. 11:5 , en de aantekening. 2 Kronieken 11:5 : Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.
[^2kronieken-27-3-6]: Kanttekening 6: de hoge poorten: Zie 2 Kon. 15:35 . 2 Koningen 15:35 : Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; die bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH.
[^2kronieken-27-3-7]: Kanttekening 7: van Ofel: Versta, een deel van de muren van Jeruzalem, zo genoemd omdat het op een heuvel of hoogte stond. Zie onder, 2 Kron. 33:14 , en Neh. 3:26 , en Neh. 11:21 . 2 Kronieken 33:14 : En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda. Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren. Nehemia 11:21 : En de tempelknechten woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de tempelknechten.
[^2kronieken-27-4-8]: Kanttekening 8: burchten en torens: Vergelijk boven, 2 Kron. 17:12 . 2 Kronieken 17:12 : Zo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.
[^2kronieken-27-5-9]: Kanttekening 9: talenten zilvers: Zie 1 Kon. 16:24 . 1 Koningen 16:24 : En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
[^2kronieken-27-5-10]: Kanttekening 10: kor tarwe: Zie van deze maat Lev. 27:16 , waar zij een homer genoemd wordt; 1 Kon. 4:22 , waar zij een kor geheten wordt, gelijk hier. Leviticus 27:16 : Als ook iemand van de akker van zijn bezitting YHWH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers. 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;
[^2kronieken-27-6-11]: Kanttekening 11: Zie boven, 2 Kron. 19:3 . 2 Kronieken 19:3 : Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want u hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.
[^2kronieken-27-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, aanslagen, voornemen, woorden, daden, manieren van leven. Zie Gen. 6:12 , en 1 Kon. 2:4 , zo hier in vers 7 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël. 2 Kronieken 27:7 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda.
[^2kronieken-27-7-13]: Kanttekening 13: Te weten, die de koning van Syrië en de koning van Israël tegen hem gevoerd hebben.
[^2kronieken-27-8-14]: Kanttekening 14: was vijf en twintig jaren oud: Hebreeuws, שָׁנָ֖ה, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2kronieken-27-9-15]: Kanttekening 15: stad van David: Zie 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.

### 2 Kronieken 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/28.json)

*Achaz is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1 enz. hij wordt verslagen door de Syriërs en door de Israëlieten, 5. De Israëlieten voeren vele Joden gevangen met zich weg, 8. die zij op raad van de profeet Oded weer in hun gebied terugbrengen, 9. Achaz verzoekt hulp aan de Assyriër, 16. wordt bestreden door de Edomieten en Filistijnen, 17. wordt niet geholpen door de koning van Assyrië, 20. gaat voort in zijn goddeloosheid, 22. hij sterft, en zijn zoon Hizkia regeert, 27.*

**1** [^2kronieken-28-1-a] Achaz was[^2kronieken-28-1-1] twintig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en[^2kronieken-28-1-2] hij deed niet dat recht was in de ogen van YHWH, zoals zijn vader David; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v1)

**2** Maar hij[^2kronieken-28-2-3] wandelde in de wegen van de koningen van Israël; daartoe maakte hij ook gegoten beelden[^2kronieken-28-2-4] voor de Baäls. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v2)

**3** Die rookte ook in het[^2kronieken-28-3-5] dal van de zoon van Hinnom; en[^2kronieken-28-3-b] hij[^2kronieken-28-3-6] brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v3)

**4** Ook offerde hij en rookte op de[^2kronieken-28-4-7] hoogten[^2kronieken-28-4-8] en op de heuvelen, en ook onder alle groen geboomte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v4)

**5** Daarom[^2kronieken-28-5-c] gaf hem YHWH, zijn God, in de hand[^2kronieken-28-5-10][^2kronieken-28-5-9] van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem als gevangene wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in[^2kronieken-28-5-11] Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van[^2kronieken-28-5-12] de koning van Israël, die hem[^2kronieken-28-5-13] sloeg met een grote slag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v5)

**6** Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op één dag, allen[^2kronieken-28-6-14] strijdbare mannen,[^2kronieken-28-6-15] omdat zij YHWH, de God van hun vaders, verlaten hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v6)

**7** En Zichri, een geweldig man van Efraïm, sloeg Maaseja, de zoon van[^2kronieken-28-7-16] de koning, dood, en Azrikam,[^2kronieken-28-7-17] de huisoverste, en ook Elkana, de tweede na de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v7)

**8** En de Israëlieten voerden van hun[^2kronieken-28-8-18] broers als gevangene weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochters, en plunderden ook veel buit van hen; en zij brachten de roof te Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v8)

**9** Daar nu was een profeet van YHWH, van wie de naam Oded was; die ging uit, het leger tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Zie, door de woede van YHWH, van de God van uw vaders, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in boosheid[^2kronieken-28-9-21],[^2kronieken-28-9-20] die tot aan de hemel raakt.[^2kronieken-28-9-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v9)

**10** Daartoe[^2kronieken-28-10-22] denkt u nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen;[^2kronieken-28-10-23] bent u het niet alleen? Bij u zijn[^2kronieken-28-10-24] schulden tegen YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v10)

**11** Nu dan, hoort mij, en brengt[^2kronieken-28-11-25] de gevangenen weer, die u van uw broers als gevangene weggevoerd hebt; want de hitte van de toorn van YHWH is over u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v11)

**12** Toen maakten zich[^2kronieken-28-12-26] mannen op van de hoofden van de kinderen van Efraïm, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het leger kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v12)

**13** En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen[^2kronieken-28-13-27] hier niet inbrengen, tot een schuld over ons[^2kronieken-28-13-28] tegen YHWH;[^2kronieken-28-13-29] denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van[^2kronieken-28-13-30] de toorn over Israël is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v13)

**14** Toen lieten de[^2kronieken-28-14-31] toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht van de oversten en van de hele gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v14)

**15** De mannen nu,[^2kronieken-28-15-32] die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en[^2kronieken-28-15-33] zalfden hen, en voerden ze op ezels, allen die[^2kronieken-28-15-34] zwak waren, en brachten hen te Jericho,[^2kronieken-28-15-35] de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v15)

**16** [^2kronieken-28-16-36] Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot[^2kronieken-28-16-37] de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v16)

**17** Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen als gevangene weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v17)

**18** Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen[^2kronieken-28-18-38] Beth-semes, en[^2kronieken-28-18-39] Ajalon, en[^2kronieken-28-18-40] Gederoth, en[^2kronieken-28-18-41] Socho en haar[^2kronieken-28-18-42] bijbehorende plaatsen, en[^2kronieken-28-18-43] Timna en haar bijbehorende plaatsen, en Gimzo en haar bijbehorende plaatsen; en zij woonden daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v18)

**19** Want YHWH vernederde Juda, omwille van Achaz, de koning van Israël; want hij had Juda[^2kronieken-28-19-44] afgetrokken, dat[^2kronieken-28-19-45] het geheel zeer overtrad tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v19)

**20** En[^2kronieken-28-20-46] Tiglath-pilneser,[^2kronieken-28-20-47] de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij[^2kronieken-28-20-48] benauwde hem, en sterkte hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v20)

**21** Want Achaz[^2kronieken-28-21-49] nam een deel van het huis van YHWH, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van Assyrië gaf; maar[^2kronieken-28-21-50] hij hielp hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v21)

**22** Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij van het overtreden tegen YHWH nog meer;[^2kronieken-28-22-51] dit was de koning Achaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v22)

**23** Want hij offerde aan de goden van[^2kronieken-28-23-52] Damascus,[^2kronieken-28-23-53] die hem geslagen hadden, en zei: Omdat[^2kronieken-28-23-d] de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem[^2kronieken-28-23-54] tot zijn val, en ook aan geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v23)

**24** En Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van God, en hieuw de voorwerpen van het huis van God in stukken,[^2kronieken-28-24-55] en sloot de deuren[^2kronieken-28-24-56] van het huis van YHWH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v24)

**25** Ook maakte hij[^2kronieken-28-25-57] in elke stad van Juda hoogten, om[^2kronieken-28-25-58] andere goden te roken; zo verwekte hij YHWH, de God van zijn vaders, tot toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v25)

**26** Het overige nu van de geschiedenissen, en al[^2kronieken-28-26-59] zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v26)

**27** En Achaz ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in[^2kronieken-28-27-60] de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven van de[^2kronieken-28-27-61] koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/28.html#v27)

[^2kronieken-28-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 16:2 . 2 Koningen 16:2 : Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van YHWH zijn God, als zijn vader David.
[^2kronieken-28-1-1]: Kanttekening 1: twintig jaren: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֤ים, een zoon van twintig jaar.
[^2kronieken-28-1-2]: Kanttekening 2: hij deed niet: Vergelijk de aantekening 1 Kon. 11:6 . 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^2kronieken-28-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, 2 Kron. 21:6 . 2 Kronieken 21:6 : En hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^2kronieken-28-2-4]: Kanttekening 4: voor de Baäls: Dat is, ter ere van de afgoden, die zij Baälim noemden, omdat zij dezelfde voor hun heren hielden; zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2kronieken-28-3-5]: Kanttekening 5: Zie 2 Kon. 23:10 . 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^2kronieken-28-3-b]: Verwijzing b: Deut. 18:10 ; 2 Kon. 21:6 ; Jer. 7:31 ; Jer. 19:5 . Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jeremia 19:5 : Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen?
[^2kronieken-28-3-6]: Kanttekening 6: 2 Kon. 16:3 staat dat hij zijn zoon door het vuur deed gaan. Deze koning Achaz heeft enige van zijn zonen laten verbranden, gelijk hier gezegd wordt, het kan zijn dat hij maar een door het vuur heeft laten gaan, gelijk geschreven staat 2 Kon. 16:3 ; zie van deze heidense gruwel Lev. 18:21 . Vergelijk onder de aantekening 2 Kron. 33:6 . 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^2kronieken-28-4-7]: Kanttekening 7: Zie Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-28-4-8]: Kanttekening 8: en op de heuvelen: Zie Deut. 12:2 . Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder elke groene boom.
[^2kronieken-28-5-c]: Verwijzing c: Jes. 7:1 . Jesaja 7:1 : Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.
[^2kronieken-28-5-10]: Kanttekening 10: konings van Syrië: Genaamd Rezin; 2 Kon. 16:5 . 2 Koningen 16:5 : Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.
[^2kronieken-28-5-9]: Kanttekening 9: zijn God: Te weten, naar het verbond van de genade, dat God met Abraham en zijn nakomelingen gemaakt had, of, ook naar de geveinsde belijdenis, die Achaz deed, zich gelatende YHWH, de God van zijn vaderen, mee voor zijn God te houden, gelijk gemeenlijk de afgodendienaars op beide zijden hinken; 1 Kon. 18:21 . 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.
[^2kronieken-28-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Darmesek. Zo boven, 2 Kron. 16:2 . 2 Kronieken 16:2 : Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis van YHWH en van het huis van de koning, en zond tot Benhadad, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende:
[^2kronieken-28-5-12]: Kanttekening 12: konings van Israël: Genaamd Pekah, in vers 6 , en 2 Kon. 16:5 . 2 Kronieken 28:6 : Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God van hun vaderen, verlaten hadden. 2 Koningen 16:5 : Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.
[^2kronieken-28-5-13]: Kanttekening 13: Vergelijk boven, 2 Kron. 13:17 . 2 Kronieken 13:17 : Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met een grote slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.
[^2kronieken-28-6-14]: Kanttekening 14: strijdbare mannen: Hebreeuws, בְּנֵי, zonen van de strijd, heirs, of sterkte. Van de betekenissen van het Hebreeuwse woord Haïl, mag men zien Gen. 47:6 . Genesis 47:6 : Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb.
[^2kronieken-28-6-15]: Kanttekening 15: omdat zij: Vergelijk de aantekening 1 Kon. 9:9 . 1 Koningen 9:9 : En men zal zeggen: Omdat zij YHWH, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor die nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft YHWH al dit kwaad over hen gebracht.
[^2kronieken-28-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk, Achaz.
[^2kronieken-28-7-17]: Kanttekening 17: de huisoverste: Of, de voorganger van het huis, die als een groot hofmeester het opperste bevel over het hofgezin van de koning had; zo de overste over de schatten, voor opperrekenmeester; 1 Kron. 26:24 . 1 Kronieken 26:24 : En Sebuël, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was overste over de schatten.
[^2kronieken-28-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, van de Joden, die met de Israëlieten van één vader Jakob afkomstig waren. Zie boven, 2 Kron. 11:4 . Zo onder, vers 11 , 28:15 . 2 Kronieken 11:4 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden van YHWH, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken. 2 Kronieken 28:11 : Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weer, die u van uw broers gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van de toorn van YHWH is over u. 2 Kronieken 28:15 : De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria.
[^2kronieken-28-9-21]: Kanttekening 21: tot aan de hemel raakt: Een manier van spreken, betekenende zonderlinge vergroting, van datgene waarvan gesproken wordt, en medebrengende een dreigement en wraak Gods uit de hemel. Vergelijk Gen. 11:4 , en Ezra 9:6 . Genesis 11:4 : En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gehele aarde verstrooid worden! Ezra 9:6 : En ik zei: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel.
[^2kronieken-28-9-20]: Kanttekening 20: die : Of, dat; dat is, welke daad.
[^2kronieken-28-9-19]: Kanttekening 19: Een profeet, te onderscheiden van een anderen van deze naam, die ten tijde van de koning Asa leefde; boven, 2 Kron. 15:1 . 2 Kronieken 15:1 : Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded.
[^2kronieken-28-10-22]: Kanttekening 22: denkt u: Hebreeuws, אֹמְרִ֔ים, zegt, of zijt zeggende. Zie Gen. 20:11 , en 1 Kon. 5:5 ; zo onder, vers 13 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden. 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^2kronieken-28-10-23]: Kanttekening 23: bent u het niet: Te weten, die uwe broers tot slaven zoekt te maken? of, bent u niet buitendien enkel vol schulden?
[^2kronieken-28-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, enkele zonden. Het is zoveel alsof hij zei: Zoveel u betreft, die de roede zijt van Gods straf tegen de Joden, die hem vertoornd hebben, bent u beter dan zij? Wat zijn er anders bij u, dan enkel zonden en overtredingen, waarmee u doorgaans totnutoe God getergd hebt, dat u anders niet dan zijn straffen hebt te verwachten? Anders, zijn dan niet bij u, ja u aangaande schulden? enz.
[^2kronieken-28-11-25]: Kanttekening 25: de gevangenen weer: Hebreeuws, שִּׁבְיָ֔ה, gevangenis. Zie Num. 31:12 ; zo onder, vers 13 , 28:14 , 28:15 , 28:17 . Numeri 31:12 : Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is? 2 Kronieken 28:14 : Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht van de oversten en van de gehele gemeente. 2 Kronieken 28:15 : De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria. 2 Kronieken 28:17 : Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.
[^2kronieken-28-12-26]: Kanttekening 26: mannen op: Versta, de oversten van Samaria; oversten, of vorsten worden zij genaamd onder, vers 14 . 2 Kronieken 28:14 : Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht van de oversten en van de gehele gemeente.
[^2kronieken-28-13-27]: Kanttekening 27: hier niet inbrengen: Te weten, in Samaria.
[^2kronieken-28-13-28]: Kanttekening 28: tegen YHWH: Hebreeuws, schuld van YHWH; dat is, tegen de Heer, gelijk vers 10 . 2 Kronieken 28:10 : Daartoe denkt u nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; bent u het niet alleen? Bij u zijn schulden tegen YHWH, uw God.
[^2kronieken-28-13-29]: Kanttekening 29: denkt u toe: Hebreeuws, אֹמְרִ֔ים, u bent zeggende; dat is, in uw hart voornemende. Zie boven, vers 10 . Het is zoveel alsof zij zeiden: Dat u voorhebt, is een nieuwe zonde, waarmee u onze voorgaande zonden verzwaren zoudt, daar wij toch daarvan al maar te veel hebben. 2 Kronieken 28:10 : Daartoe denkt u nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; bent u het niet alleen? Bij u zijn schulden tegen YHWH, uw God.
[^2kronieken-28-13-30]: Kanttekening 30: Namelijk, van YHWH, waarmee Hij tegen onze zonden vertoornd is. Het woord toorn wordt zonder bijvoeging van het woord van God dikwijls verstaan van Gods toorn, omdat Hij vanwege zijn grootheid eigenlijk de toorn mag geheten worden. Zo Num. 1:53 , en Num. 18:5 ; Joz. 22:20 ; 1 Kron. 27:24 ; boven, 2 Kron. 24:18 . Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen. Numeri 18:5 : Gijlieden nu zult waarnemen de wacht van het heiligdom, en de wacht van het altaar; opdat er geen toorn meer zij over de kinderen van Israël. Jozua 22:20 : Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een toorn over de gehele vergadering van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid. 1 Kronieken 27:24 : Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening van de kronieken van de koning David. 2 Kronieken 24:18 : Zo verlieten zij het huis van YHWH, van de God van hun vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.
[^2kronieken-28-14-31]: Kanttekening 31: Dat is, de gewapenden, of krijgslieden.
[^2kronieken-28-15-32]: Kanttekening 32: die met namen: Te weten, boven, vers 12 . Versta, die met namen daartoe gelast waren, dat zij de gevangenen zouden geleiden en met nooddruft verzorgen. 2 Kronieken 28:12 : Toen maakten zich mannen op van de hoofden van de kinderen van Efraïm, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit de legermacht kwamen.
[^2kronieken-28-15-33]: Kanttekening 33: zalfden hen: Te weten, om deze gevangenen, naar het gebruik van die oosterse landen, te verkwikken en te vermaken. Zie Ruth 3:3 . Ruth 3:3 : Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.
[^2kronieken-28-15-34]: Kanttekening 34: zwak waren: Hebreeuws, יְבִיא֛וּ, alle struikelenden; dat is, die door ouderdom, of jonkheid, of ziekte, of kwetsuur, of vermoeidheid, niet wel ter been waren, dat zij de menigte niet konden te voet bijhouden.
[^2kronieken-28-15-35]: Kanttekening 35: de Palmstad: Zie Deut. 34:3 . Deuteronomium 34:3 : En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.
[^2kronieken-28-16-36]: Kanttekening 36: Ter zelfder tijd: Te weten, als Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de koning van Israël, hem de oorlog aandeden. Zie boven, vers 5 , en 2 Kon. 16:5 , 16:7 . 2 Kronieken 28:5 : Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag. 2 Koningen 16:5 : Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^2kronieken-28-16-37]: Kanttekening 37: de koningen: Dat is, tot de vermaarde en grote koning van Assyrië, genaamd Tiglath-Pileser, 2 Kon. 16:7 , of het getal van velen staat voor het getal van een. Zie Gen. 19:29 . 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
[^2kronieken-28-18-38]: Kanttekening 38: Zie 2 Kon. 14:11 . 2 Koningen 14:11 : Maar Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te Beth-semes, dat in Juda is.
[^2kronieken-28-18-39]: Kanttekening 39: Zie boven, 2 Kron. 11:10 . 2 Kronieken 11:10 : En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
[^2kronieken-28-18-40]: Kanttekening 40: Een stad in de stam van Juda; Joz. 15:41 . Jozua 15:41 : En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
[^2kronieken-28-18-41]: Kanttekening 41: Zie boven, 2 Kron. 11:6 , 11:7 . 2 Kronieken 11:6 : Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa, 2 Kronieken 11:7 : En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,
[^2kronieken-28-18-42]: Kanttekening 42: onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְנוֹתֶ֨י, dochters; dat is, plaatsen daaronder sorterende. Zie Num. 21:25 . Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.
[^2kronieken-28-18-43]: Kanttekening 43: Een stad, gelegen in Juda; Joz. 15:10 . Jozua 15:10 : Daarna zal deze landpale zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.
[^2kronieken-28-19-44]: Kanttekening 44: Te weten, van de ware God tot de afgoden, van de zuivere godsdienst tot de valse en bijgelovige afgodendiensten. Gelijk betekenis heeft het Hebreeuwse woord Ex. 5:4 . Anderen, want hij ontblootte Juda; te weten, van de hulp en bescherming van YHWH, doende het zondigen. Exodus 5:4 : Toen zei de koning van Egypte tot hen: U, Mozes en Aäron! waarom trekt u het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.
[^2kronieken-28-19-45]: Kanttekening 45: geheel zeer overtrad: Hebreeuws, מָע֥וֹל, overtreding, overtrad.
[^2kronieken-28-20-46]: Kanttekening 46: Ook genaamd Tiglath-Pileser; 2 Kon. 15:29 , enz. Zie daar de aantekening. 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^2kronieken-28-20-47]: Kanttekening 47: de koning van Assyrië: Wiens hulp Achaz verzocht had, boven, vers 16 . 2 Kronieken 28:16 : Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden.
[^2kronieken-28-20-48]: Kanttekening 48: benauwde hem: Of, hij deed hem benauwdheid aan; veroorzakende dat hij met een grote som gelds dit gehuurde scheermes \[zoals hem Jesaja noemt, Jes. 7:20 \] moest op zijn zijde kopen; en het Achaz zeer moeilijk viel zulk een som gelds op te brengen. Jesaja 7:20 : Op die dag zal de Heer door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen.
[^2kronieken-28-21-49]: Kanttekening 49: nam een deel: Dat is, nam het zilver en goud weg, dat in de tempel was, en in de schatten van het koninklijk huis, enz. en schonk het de koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 16:8 . 2 Koningen 16:8 : En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning gevonden werd, en hij zond de koning van Assyrië een geschenk.
[^2kronieken-28-21-50]: Kanttekening 50: hij hielp hem niet: Hebreeuws, עֶזְרָ֖ה, hij was hem niet tot hulp; namelijk de koning Achaz.
[^2kronieken-28-22-51]: Kanttekening 51: dit was de koning Achaz: Dat is, zulk een was de koning Achaz, te weten, altijd dezelfde man, dat hij zich niet beterde, maar zelfs dat hij het hoe langer hoe erger maakte, hoezeer ook YHWH hem strafte en plaagde.
[^2kronieken-28-23-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, Darmesek.
[^2kronieken-28-23-53]: Kanttekening 53: die hem geslagen hadden: Sommigen brengen deze woorden, die hem geslagen hadden, op het volk van de stad Damascus; maar anderen tot de goden van Damascus, zo dat Achaz' mening zou zijn dat het de goden van Damascus waren, die hem geslagen hadden.
[^2kronieken-28-23-d]: Verwijzing d: Richt. 16:23 ; Habak. 1:11 . Richteren 16:23 : Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven. Habakuk 1:11 : Dan zal hij de geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
[^2kronieken-28-23-54]: Kanttekening 54: tot zijn val: Hebreeuws, הַכְשִׁיל֖, om hem te doen vallen.
[^2kronieken-28-24-55]: Kanttekening 55: en sloot de deuren: Vergelijk onder, 2 Kron. 29:3 . 2 Kronieken 29:3 : Die deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van YHWH open, en beterde ze.
[^2kronieken-28-24-56]: Kanttekening 56: van het huis van YHWH toe: Namelijk van het woonhuis en van het heilige, onder, 2 Kron. 29:7 , waarmee deze goddeloze koning de gehele godsdienst heeft doen ophouden. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
[^2kronieken-28-25-57]: Kanttekening 57: in elke stad: Hebreeuws, עִ֤יר, in alle stad en stad.
[^2kronieken-28-25-58]: Kanttekening 58: anderen goden: Versta, anderen dan de ware God, die zich aan zijn volk geopenbaard had, en daarom ook vreemde goden genaamd worden. Zie Gen. 35:2 , en de aantekening daarop. Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^2kronieken-28-26-59]: Kanttekening 59: zijn wegen: Zie boven, 2 Kron. 27:6 . 2 Kronieken 27:6 : Zo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht van YHWH, zijn God.
[^2kronieken-28-27-60]: Kanttekening 60: Dat is, in de stad van David, welke was een deel van de stad Jeruzalem; zie 2 Kon. 16:20 . 2 Koningen 16:20 : En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van David; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-28-27-61]: Kanttekening 61: van Israël: Dat is, Juda. Zie boven, 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.

### 2 Kronieken 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/29.json)

*Hizkia, een godvrezend koning, neemt zich voor de godsdienst te herstellen, vers 1 enz. verzamelt daartoe de priesters en Levieten, 4. tot wie hij met dit doel een voortreffelijke vermaning doet, 5. die zij opvolgen, 12. wat zij de koning te kennen geven, 18. die, om God te danken, vele offers offert, met lofzangen, 20. De gemeente voegt haar offers daaraan toe, 31. om deze te offeren, worden de priesters geholpen door de Levieten, die naarstiger waren geweest om zich te heiligen dan de priesters, 34.*

**1** [^2kronieken-29-1-1][^2kronieken-29-1-a] Jehizkia werd koning,[^2kronieken-29-1-2] vijf en twintig jaar oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v1)

**2** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v2)

**3** Die deed in het eerste jaar van zijn regering,[^2kronieken-29-3-3] in de eerste maand,[^2kronieken-29-3-b] de[^2kronieken-29-3-4] deuren van het huis van YHWH open, en[^2kronieken-29-3-5] beterde ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v3)

**4** En hij bracht de priesters en de Levieten in, en hij verzamelde ze in[^2kronieken-29-4-6] de Ooststraat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v4)

**5** En hij zei tot hen: Hoor mij, o Levieten;[^2kronieken-29-5-7] heilig nu uzelf, en[^2kronieken-29-5-8] heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaders, en brengt de[^2kronieken-29-5-9] onreinheid uit van het[^2kronieken-29-5-10] heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v5)

**6** Want[^2kronieken-29-6-11] onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen van YHWH, van onze God, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van de tabernakel van YHWH omgewend, en[^2kronieken-29-6-12] hebben de nek[^2kronieken-29-6-13] toegekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v6)

**7** Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in[^2kronieken-29-7-14] het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v7)

**8** Daarom is een grote toorn van YHWH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter[^2kronieken-29-8-15] beroering, ter verwoesting en[^2kronieken-29-8-16] ter aanfluiting, zoals u ziet met uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v8)

**9** Want ziet, onze vaders[^2kronieken-29-9-c] zijn[^2kronieken-29-9-17] door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochters, en onze vrouwen[^2kronieken-29-9-18] zijn daarom in gevangenis geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v9)

**10** Nu[^2kronieken-29-10-19] is het in mijn hart een verbond te maken met YHWH, de God van Israël, opdat de hitte van Zijn toorn van ons afkere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v10)

**11** [^2kronieken-29-11-20] Mijn[^2kronieken-29-11-21] zonen, weest[^2kronieken-29-11-22] nu niet traag;[^2kronieken-29-11-d] want YHWH heeft u gekozen, dat u[^2kronieken-29-11-23] voor Zijn aangezicht staan zou, om Hem te dienen; en opdat u Hem dienaren en wierokers zou wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v11)

**12** Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de kinderen van de Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v12)

**13** En[^2kronieken-29-13-24] van de kinderen[^2kronieken-29-13-25] van Elizafan, Simri en Jeiël; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v13)

**14** En van de kinderen van Heman, Jehiël en Simeï; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v14)

**15** En zij verzamelden hun broers, en[^2kronieken-29-15-26] heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de[^2kronieken-29-15-27] koning, door de woorden van YHWH, om het huis van YHWH te reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v15)

**16** Maar de[^2kronieken-29-16-28] priesters gingen binnen in het huis van YHWH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het[^2kronieken-29-16-29] voorhof van het huis van YHWH al de onreinheid, die zij in[^2kronieken-29-16-30] de tempel van YHWH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de[^2kronieken-29-16-31] beek Kidron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v16)

**17** Zij begonnen nu[^2kronieken-29-17-32] te heiligen op de[^2kronieken-29-17-33] eerste van[^2kronieken-29-17-34] de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van YHWH, en heiligden het huis van YHWH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v17)

**18** Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het hele huis van YHWH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en[^2kronieken-29-18-35] de tafel van de toerichting met al haar gereedschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v18)

**19** Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij[^2kronieken-29-19-36] bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v19)

**20** Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde[^2kronieken-29-20-37] de oversten van de stad, en hij ging op in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v20)

**21** En zij brachten[^2kronieken-29-21-38] zeven stieren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken als[^2kronieken-29-21-e] zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Aäron, de priesters, dat zij die op het altaar van YHWH zouden offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v21)

**22** Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en[^2kronieken-29-22-f] sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; ook slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v22)

**23** Daarna brachten zij de bokken bij, als zondoffer, voor het aangezicht van de koning en van de gemeente, en zij[^2kronieken-29-23-39] legden hun[^2kronieken-29-23-g] handen daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v23)

**24** En de priesters slachtten ze, en[^2kronieken-29-24-40] ontzondigden met hun bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het hele[^2kronieken-29-24-41] Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël[^2kronieken-29-24-42] bevolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v24)

**25** En[^2kronieken-29-25-h] hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen,[^2kronieken-29-25-i] naar het gebod van David, en van Gad,[^2kronieken-29-25-43] de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand van Zijn profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v25)

**26** De Levieten nu stonden met de[^2kronieken-29-26-44] instrumenten[^2kronieken-29-26-45] van David, en de priesters met de trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v26)

**27** En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met[^2kronieken-29-27-46] de trompetten en[^2kronieken-29-27-47] met de instrumenten van David, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v27)

**28** De hele gemeente nu[^2kronieken-29-28-48] boog zich neer, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voltooid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v28)

**29** Als men nu geëindigd had te[^2kronieken-29-29-49] offeren, bukten de koning en allen, die bij hem[^2kronieken-29-29-50] gevonden waren, en bogen zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v29)

**30** Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij YHWH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v30)

**31** En Jehizkia[^2kronieken-29-31-51] antwoordde en zei: Nu hebt u[^2kronieken-29-31-52] uw handen voor YHWH gevuld, treedt toe, en brengt[^2kronieken-29-31-53] slachtoffers en[^2kronieken-29-31-54] lofoffers tot het huis van YHWH; en de gemeente bracht slachtoffers en lofoffers en alle vrijwilligen van harte[^2kronieken-29-31-55] brandoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v31)

**32** En het getal van de brandoffers, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle voor YHWH als brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v32)

**33** [^2kronieken-29-33-56] Nog waren van de geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend[^2kronieken-29-33-57] schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v33)

**34** Maar van de priesters waren[^2kronieken-29-34-58] er te weinig, en zij konden al de brandoffers de huid niet aftrekken; daarom[^2kronieken-29-34-59] hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters[^2kronieken-29-34-60] zich geheiligd hadden; want de Levieten waren[^2kronieken-29-34-61] rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v34)

**35** En ook waren de brandoffers in menigte, met het vet van[^2kronieken-29-35-62] de dankoffers, en met de[^2kronieken-29-35-63] drankoffers,[^2kronieken-29-35-64] voor de brandoffers; zo werd de dienst van het huis van YHWH besteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v35)

**36** Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over[^2kronieken-29-36-65] wat God het volk voorbereid had; want deze zaak gebeurde[^2kronieken-29-36-66] haastig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/29.html#v36)

[^2kronieken-29-1-1]: Kanttekening 1: Anders, Hizkia; onder, vers 18 , 29:27 . 2 Kronieken 29:18 : Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het gehele huis van YHWH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel van de toerichting met al haar gereedschap. 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël.
[^2kronieken-29-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 18:1 . 2 Koningen 18:1 : Het geschiedde nu in het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.
[^2kronieken-29-1-2]: Kanttekening 2: vijf en twintig jaren: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֤ים, een zoon van vijf en twintig jaar.
[^2kronieken-29-3-3]: Kanttekening 3: in de eerste maand: Ja op de eerste dag van deze eerste maand, gelijk te zien is onder, vers 17 . 2 Kronieken 29:17 : Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van YHWH, en heiligden het huis van YHWH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde.
[^2kronieken-29-3-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 28:24 . 2 Kronieken 28:24 : En Achaz verzamelde de vaten van het huis van God, en hieuw de vaten van het huis van God in stukken, en sloot de deuren van het huis van YHWH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.
[^2kronieken-29-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, die zijn vader Achaz toegesloten had, opdat men de Heer in zijn tempel niet dienen zou. Zie boven, 2 Kron. 28:24 , en onder, vers 7 , en vergelijk 2 Kon. 16:15 , enz. 2 Kronieken 28:24 : En Achaz verzamelde de vaten van het huis van God, en hieuw de vaten van het huis van God in stukken, en sloot de deuren van het huis van YHWH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd. 2 Koningen 16:15 : En de koning Achaz gebood Uria, de priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en het brandoffer van de koning, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk van het land, en hun spijsoffer, en hun drankofferen; en spreng daarop al het bloed van het brandoffer, en al het bloed van de slachtoffers; maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken.
[^2kronieken-29-3-5]: Kanttekening 5: beterde ze: Te weten, de deuren. Anders, versterkte hen; namelijk, de priesters, te weten in hun ambt.
[^2kronieken-29-4-6]: Kanttekening 6: Versta, het plein, dat was aan het oosteinde van de tempel, voor aan de poort van het voorhof van het volk, welke poort de voornaamste was.
[^2kronieken-29-5-7]: Kanttekening 7: heiligt nu uzelven: Dat is, reinig u van alle besmettingen, welke zijn tegen de wet van de zeden en van de ceremoniën, en dat naar het bevel en voorschrift, dat u de Heer in zijn wet gegeven heeft. Vergelijk Gen. 35:2 ; idem Ex. 19:10 , en de aantekening. Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren; Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen,
[^2kronieken-29-5-8]: Kanttekening 8: heiligt het huis: Dat is, reinigt. Zo onder, vers 17 , 29:19 . 2 Kronieken 29:17 : Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van YHWH, en heiligden het huis van YHWH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde. 2 Kronieken 29:19 : Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar van YHWH.
[^2kronieken-29-5-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, afzondering. Zo wordt de onreinheid genaamd, omdat zij moet afgezonderd en weggedaan worden. Ook wordt de tijd van de onreinheid ener kraamvrouw geheten een tijd van de afzondering, omdat zij gedurende die tijd moest afgezonderd zijn van het gezelschap van de mensen. Zie Lev. 12:2 . Versta hier, door de onreinheid, al wat de tempel door de afgodendienaren en de afgodendienst verontreinigd had. Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn.
[^2kronieken-29-5-10]: Kanttekening 10: Versta, het heilige; dat is, het voorste deel van de tempel, onder, vers 16 , of ook het voorhof van de priesters, dat mee een heiligdom genaamd wordt. Zie onder, vers 7 , en de aantekening. 2 Kronieken 29:16 : Maar de priesters gingen binnen in het huis van YHWH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis van YHWH al de onreinigheid, die zij in de tempel van YHWH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
[^2kronieken-29-6-11]: Kanttekening 11: onze vaders: Namelijk, mijn vader Achaz en uw vaderen, die zijn afgoderij nagevolgd hebben.
[^2kronieken-29-6-12]: Kanttekening 12: hebben de nek: Dat is, zij hebben de rug getoond, weigerende de Heer gehoor te geven en naar zijn wet te dienen.
[^2kronieken-29-6-13]: Kanttekening 13: Of, geboden. Hebreeuws, gegeven.
[^2kronieken-29-7-14]: Kanttekening 14: Versta, het voorhof van de priesters, waarin het brandofferaltaar stond, 1 Kon. 8:64 , en dat een heilige plaats genoemd wordt, Lev. 6:16 , en Lev. 10:13 , en Lev. 14:13 , en het heiligdom, gelijk vers 7 en Num. 28:7 , en onder, 2 Kron. 35:5 , omdat het voor God geheiligd was. 1 Koningen 8:64 : Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste van het voorhof, dat voor het huis van YHWH was, omdat hij daar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, en ook het vet van de dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet van de dankofferen te vatten. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 10:13 : Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuurofferen van YHWH is; want zo is mij geboden. Leviticus 14:13 : Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor de priester; het is een heiligheid van de heiligheden. 2 Kronieken 29:7 : Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd. Numeri 28:7 : En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank YHWH offeren. 2 Kronieken 35:5 : En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten;
[^2kronieken-29-8-15]: Kanttekening 15: Of, verstrooiing; zie Deut. 28:25 . Deuteronomium 28:25 : YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.
[^2kronieken-29-8-16]: Kanttekening 16: ter aanfluiting: Zie 1 Kon. 9:8 . 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie daar zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis?
[^2kronieken-29-9-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 28:6 . 2 Kronieken 28:6 : Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God hun vaderen, verlaten hadden.
[^2kronieken-29-9-17]: Kanttekening 17: door het zwaard gevallen: Dat is, door oorlog omgekomen; zie Lev. 26:7 . Leviticus 26:7 : En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^2kronieken-29-9-18]: Kanttekening 18: zijn daarom: Zie boven, 2 Kron. 28:5 , 28:8 . 2 Kronieken 28:5 : Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag. 2 Kronieken 28:8 : En de kinderen van Israël voerden van hun broers gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochters, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten de roof te Samaria.
[^2kronieken-29-10-19]: Kanttekening 19: is het in mijn hart: Dat is, ik ben van zin en heb voorgenomen. Zie 1 Kon. 8:17 . 1 Koningen 8:17 : Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van YHWH, de God van Israël, te bouwen.
[^2kronieken-29-11-20]: Kanttekening 20: Mijn zonen: Hij noemt de priesters en Levieten zonen, niet om zijn grote ouderdom, want hij was maar tot de vijf en twintig jaren gekomen, boven, vers 1 , maar omdat hij hen als zijn zonen beminde. 2 Kronieken 29:1 : Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
[^2kronieken-29-11-21]: Kanttekening 21: Of, houdt u niet stil, nalatig gerust. Anders, dwaalt nu niet; te weten, dat u u niet zoudt kwijten in het ambt, waartoe God u gekozen en geroepen heeft.
[^2kronieken-29-11-22]: Kanttekening 22: Te weten, gelijk tevoren, als u de rechte en zuivere godsdienst nagelaten hebt.
[^2kronieken-29-11-d]: Verwijzing d: Ex. 28:1 ; Num. 3:6 ; Num. 8:14 ; Num. 18:2 . Exodus 28:1 : Daarna zult u uw broer Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen van Israël, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. Numeri 3:6 : Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 8:14 : En u zult de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël uitscheiden, opdat de Levieten van Mij zijn. Numeri 18:2 : En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam uw vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis.
[^2kronieken-29-11-23]: Kanttekening 23: voor Zijn aangezicht staan: Zie Deut. 10:8 . Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^2kronieken-29-13-24]: Kanttekening 24: Deze was ten tijde van Mozes een overste geweest in het geslacht van de Kahathieten; Num. 3:30 . Numeri 3:30 : De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël.
[^2kronieken-29-13-25]: Kanttekening 25: Zie van Asaf, Heman en Jeduthun, en van hun kinderen, 1 Kron. 25:1 , 25:2 , enz., en onder, 2 Kron. 35:15 , en de aantekening. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde. 2 Kronieken 35:15 : En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning, en ook de poortwachters aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broers, de Levieten, voor hen bereidden.
[^2kronieken-29-15-26]: Kanttekening 26: heiligden zich: Zie boven, vers 5 . 2 Kronieken 29:5 : En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.
[^2kronieken-29-15-27]: Kanttekening 27: door de woorden: Dat is, welk gebod de koning gegeven had, geroerd zijnde door de woorden van de wet van YHWH, die zulks medebrachten, waarmee hij zijn doen bevestigde.
[^2kronieken-29-16-28]: Kanttekening 28: Want deze alleen was het geoorloofd te gaan in het heilige, en niet de Levieten.
[^2kronieken-29-16-29]: Kanttekening 29: Versta, het voorhof van de priesters, waar het brandofferaltaar stond.
[^2kronieken-29-16-30]: Kanttekening 30: tempel van YHWH: Dat is, in het heilige, en ook, naar eniger gevoelen, in het allerheiligste.
[^2kronieken-29-16-31]: Kanttekening 31: Zie 1 Kon. 2:37 . 1 Koningen 2:37 : Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat u de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.
[^2kronieken-29-17-32]: Kanttekening 32: Dat is, het huis van YHWH te reinigen.
[^2kronieken-29-17-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, een. Zie Gen. 1:5 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
[^2kronieken-29-17-34]: Kanttekening 34: eerste maand: Versta, de eerste maand van het eerste jaar van de regering van de koning Hizkia, gelijk boven, vers 3 . Anderen verstaan dit van de eerste maand van het jaar genaamd Nisan. 2 Kronieken 29:3 : Die deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van YHWH open, en beterde ze.
[^2kronieken-29-18-35]: Kanttekening 35: tafel van de toerichting: Versta, de heilige met goud overtrokken tafel, staande in het heilige, waarop de toonbroden telken sabbatdag moesten gereedgemaakt, dat is in orde voorgesteld en gelegd zijn, Ex. 25:30 ; Lev. 24:5 , 24:6 , enz., welk werk wordt genaamd de toerichting van het gedurige brood; boven, 2 Kron. 2:4 . Exodus 25:30 : En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn. Leviticus 24:6 : En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van YHWH. 2 Kronieken 2:4 : Zie, ik zal een huis voor de Naam van YHWH, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van de welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van het gedurige brood, en voor de brandofferen van de morgen en van de avond, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van YHWH, onzes Gods; dat voor eeuwig is in Israël.
[^2kronieken-29-19-36]: Kanttekening 36: bereid en geheiligd: Te weten, tot zijn wettelijk gebruik, waartoe zij verordend waren.
[^2kronieken-29-20-37]: Kanttekening 37: de oversten van de stad: Versta, de magistraat, raad en officieren van de stad, die ook de oudsten van de stad genaamd worden. Zie 1 Kon. 21:8 , en de aantekening. 1 Koningen 21:8 : Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.
[^2kronieken-29-21-38]: Kanttekening 38: zeven varren: Hier worden genoemd alle soorten van reine viervoetige dieren, die tot de offeranden geschikt waren, en die geofferd werden: I. voor het koninkrijk, dat is, voor de koning, zijn raadsheren en officieren; II. voor het heiligdom, dat is, voor de zonde en onreinheden, die in de tempel door afgoderij, valse godsdienst, geweld en anders begaan waren; III. voor Juda, dat is, voor de zonden van de gehele gemeente.
[^2kronieken-29-21-e]: Verwijzing e: Lev. 4:14 . Leviticus 4:14 : En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en die voor de tent van de samenkomst brengen;
[^2kronieken-29-22-f]: Verwijzing f: Lev. 8:14 ; idem v. 15 ; Hebr., 9:21 . Leviticus 8:14 : Toen deed hij de var van het zondoffer bijeenkomen; en Aäron en zijn zonen leiden hun handen op het hoofd van de var van het zondoffer; Leviticus 8:15 : En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om voor hetzelfde verzoening te doen. Hebreeën 9:21 : En hij besprengde evenzo ook de tabernakel, en al de vaten van de dienst met het bloed.
[^2kronieken-29-23-39]: Kanttekening 39: Namelijk de koning en de gemeente, of, degenen, die uit de naam van de gemeente daar verschenen. Zij verklaarden nu met deze ceremonie, dat ze hun zonden bekenden, en God baden om vergiffenis, uit kracht van de offerande, die eenmaal door de Messias gebeuren zou, en door deze afgebeeld was. Zie Lev. 1:4 , 4:15 , 4:24 en 8:18 ; idem de aant. bij Lev. 1:4 . Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 4:24 : En hij zal zijn hand op het hoofd van de bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van YHWH; het is een zondoffer. Leviticus 8:18 : Daarna deed hij de ram van het brandoffer bijbrengen; en Aäron en zijn zonen leiden hun handen op het hoofd van de ram. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.
[^2kronieken-29-23-g]: Verwijzing g: Lev. 4:15 . Leviticus 4:15 : En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-29-24-40]: Kanttekening 40: Te weten, het koninkrijk, het heiligdom en de gemeente, als boven, vers 21 ; dat is, geheel Israël, bestaande uit de koning, zijn hofgezin en zijn officieren; uit de kerkelijke personen, en uit alle andere inwoners van het land en burgers van de steden. 2 Kronieken 29:21 : En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken ten zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Aäron, de priesters, dat zij die op het altaar van YHWH zouden offeren.
[^2kronieken-29-24-41]: Kanttekening 41: gehele Israël: Zie boven, 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-29-24-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, gezegd. Zo onder, vers 27 ; Job 9:7 . 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. Job 9:7 : Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
[^2kronieken-29-25-h]: Verwijzing h: 1 Kron. 16:4 ; 1 Kron. 25:6 . 1 Kronieken 16:4 : En hij stelde voor de ark van YHWH sommigen uit de Levieten tot dienaren, en dat, om YHWH, de God van Israël, te vermelden, en te loven, en te prijzen. 1 Kronieken 25:6 : Deze waren allemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis van YHWH, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis van God, aan de handen van de koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman.
[^2kronieken-29-25-i]: Verwijzing i: 1 Kron. 6:31 ; 1 Kron. 23:5 ; 1 Kron. 25:1 ; 2 Kron. 8:14 . 1 Kronieken 6:31 : Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van de zang in het huis van YHWH, nadat de ark tot rust gekomen was. 1 Kronieken 23:5 : En vier duizend poortwachters, en vier duizend lofzangers van YHWH, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei David, om lof te zingen. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze zijn vader Davids, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God.
[^2kronieken-29-25-43]: Kanttekening 43: ziener van de koning: Dat is, van de profeet. Zie 1 Sam. 9:9 , en boven, 2 Kron. 9:29 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-29-26-44]: Kanttekening 44: Versta, muziekinstrumenten.
[^2kronieken-29-26-45]: Kanttekening 45: van David: Dat is, gelijk David, door de Geest van YHWH geleerd en geleid zijnde, had voorgeschreven en laten maken.
[^2kronieken-29-27-46]: Kanttekening 46: Achtervolgens het bevel van YHWH, waarvan wij lezen Num. 10:10 . Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben YHWH, uw God!
[^2kronieken-29-27-47]: Kanttekening 47: met de instrumenten van David: Hebreeuws, מֶֽלֶךְ, door de handen van de instrumenten Davids. Anders, naar de handen; dat is, naar de instelling, die David door Gods bevel verordend had. Zie boven, 2 Kron. 23:12 , en hier, vers 25 . 2 Kronieken 23:12 : Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis van YHWH. 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand van Zijn profeten.
[^2kronieken-29-28-48]: Kanttekening 48: boog zich neder: Te weten, tot een teken van eerbieding, smeking en dankzegging tot God. Vergelijk boven, 2 Kron. 20:18 , en hier vers 29 , 29:30 . 2 Kronieken 20:18 : Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht van YHWH, aanbiddende YHWH. 2 Kronieken 29:29 : Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neder. 2 Kronieken 29:30 : Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij YHWH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.
[^2kronieken-29-29-49]: Kanttekening 49: Te weten, het brandoffer, gemeld in vers 27 , 29:28 . 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. 2 Kronieken 29:28 : De gehele gemeente nu boog zich neder, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voltooid was.
[^2kronieken-29-29-50]: Kanttekening 50: gevonden waren: Of, voorhanden waren, gelijk Gen. 19:15 . Genesis 19:15 : En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt.
[^2kronieken-29-31-51]: Kanttekening 51: Dat is, begon, of ving aan opnieuw te spreken. Zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^2kronieken-29-31-52]: Kanttekening 52: uw handen YHWH gevuld: Dat is, uw dienst geheiligd. Zie van deze manier van spreken Lev. 7:37 , op het woord vuloffers. Leviticus 7:37 : Dit is de wet van het brandoffer, van het spijsoffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;
[^2kronieken-29-31-53]: Kanttekening 53: Versta, allerlei offer van geslachte beesten; Ex. 12:27 ; Lev. 3:6 ; Deut. 32:38 . Exodus 12:27 : Zo zult u zeggen: Dit is YHWH een paasoffer, Die voor de huizen van de kinderen van Israël voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. Leviticus 3:6 : En als zijn offerande van klein vee is, YHWH tot een dankoffer, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren. Deuteronomium 32:38 : Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.
[^2kronieken-29-31-54]: Kanttekening 54: Door welke men Gods weldaden bekende en Hem daarover loofde en dankte. Hoedanige waren enige geloften, vrijwillige offers en spijsoffers. Zie van deze lofoffers Lev. 7:12 . Leviticus 7:12 : Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn.
[^2kronieken-29-31-55]: Kanttekening 55: Zie van deze Gen. 8:20 . Genesis 8:20 : En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.
[^2kronieken-29-33-56]: Kanttekening 56: Nog waren: Dat is, boven de voorgaande beesten aan de Heer toegeheiligd, zijn deze nog daarbij te voegen.
[^2kronieken-29-33-57]: Kanttekening 57: Of, klein vee; dat is, schapen en geiten. Zie Gen. 12:16 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^2kronieken-29-34-58]: Kanttekening 58: te weinig: Te weten, om al die offeranden te bereiden, dat is, te slachten, de huid af te trekken, in stukken te delen. Dat eigenlijk was het werk van de priesters, Lev. 1:5 , 1:6 , hoewel daarin gebruikt mocht worden de dienst van de Levieten, die de priesters tot hulp bijgevoegd waren. Leviticus 1:5 : Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. Leviticus 1:6 : Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.
[^2kronieken-29-34-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, sterkten.
[^2kronieken-29-34-60]: Kanttekening 60: geheiligd hadden: Zie boven, vers 5 . 2 Kronieken 29:5 : En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.
[^2kronieken-29-34-61]: Kanttekening 61: rechter van hart: Zie Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^2kronieken-29-35-62]: Kanttekening 62: Zie Lev. 3:1 . Leviticus 3:1 : En als zijn offerande een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-29-35-63]: Kanttekening 63: Zie Gen. 35:14 ; Lev. 23:13 . Genesis 35:14 : En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover. Leviticus 23:13 : En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, YHWH tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.
[^2kronieken-29-35-64]: Kanttekening 64: voor de brandofferen: Anders, van het brandoffer, of tot of met de brandoffers; dat is, welke drankoffers bij de brandoffers gevoegd werden en daartoe behoorden. Vergelijk Num. 28:7 . Numeri 28:7 : En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank YHWH offeren.
[^2kronieken-29-36-65]: Kanttekening 65: wat God het volk voorbereid had: Versta, de goede genegenheid, die God in het hart van het volk gegeven had, waardoor het geheel gewillig en genegen was tot het werk van deze reformatie, zodat het zeer spoediglijk, naar wens, ja buiten alle verwachting voortging. Anders, omdat God het volk voorbereid had.
[^2kronieken-29-36-66]: Kanttekening 66: Te weten, met het eerste begin van Hizkia's regering, en zonder enige tegenstand van het volk; ja met zijn grote genegenheid daartoe, zijnde nochtans kort tevoren onder de regering van Achaz geheel zeer tot de afgoderij vervallen en van de zuivere godsdienst afgekeerd.

### 2 Kronieken 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/30.json)

*Hizkia vermaant heel Israël om naar Jeruzalem te komen en het Pascha van de HEERE te houden, vers 1 enz. de vermaning wordt door velen bespot, door anderen aangenomen, die naar Jeruzalem komen, 10. waar zij de afgoderij verstoren, 14. en het Paasfeest houden, 15. Hizkia bidt God voor hen die zich tevoren niet naar behoren gereinigd hadden, 17. het feest wordt verlengd, 23. De priesters en Levieten zegenen het volk, 27.*

**1** Daarna[^2kronieken-30-1-1] zond Jehizkia tot het[^2kronieken-30-1-2] hele Israël en Juda, en schreef ook brieven tot[^2kronieken-30-1-3] Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis van YHWH te Jeruzalem, om voor YHWH, de God van Israël,[^2kronieken-30-1-4] pascha te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v1)

**2** Want de koning had raad gehouden met zijn[^2kronieken-30-2-5] oversten en de[^2kronieken-30-2-6] hele gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden,[^2kronieken-30-2-7] in[^2kronieken-30-2-a] de tweede maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v2)

**3** Want zij hadden het niet kunnen houden[^2kronieken-30-3-8] in die tijd,[^2kronieken-30-3-9] omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v3)

**4** En deze zaak was recht in de ogen van de koning, en in de ogen van de hele gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v4)

**5** Zo[^2kronieken-30-5-10] stelden zij dat, dat men[^2kronieken-30-5-11] een stem door geheel Israël,[^2kronieken-30-5-12] van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha voor YHWH, de God van Israël, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden,[^2kronieken-30-5-13] zoals het geschreven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v5)

**6** De[^2kronieken-30-6-14] lopers dan gingen heen met de brieven van de hand van de koning en van zijn vorsten, door geheel Israël en Juda, en naar het gebod van de koning, zeggende: U, Israëlieten, bekeert u tot YHWH, de God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij[^2kronieken-30-6-15] Zich keren tot de[^2kronieken-30-6-16] ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de hand[^2kronieken-30-6-17] van de koningen van Assyrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v6)

**7** En weest niet als uw vaders en als uw broers, die tegen YHWH, de God van hun vaders, overtreden hebben; waarom Hij[^2kronieken-30-7-18] hen tot verwoesting overgegeven heeft, zoals u ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v7)

**8** Verhard nu uw nek niet, zoals uw vaders; geef YHWH de hand, en[^2kronieken-30-8-19] komt[^2kronieken-30-8-20] tot[^2kronieken-30-8-21] Zijn heiligdom, dat Hij[^2kronieken-30-8-22] geheiligd heeft tot in[^2kronieken-30-8-23] eeuwigheid, en dient YHWH, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v8)

**9** Want als u zich bekeert tot YHWH, zullen[^2kronieken-30-9-24] uw broers en uw kinderen barmhartigheid[^2kronieken-30-9-25] vinden voor het aangezicht van degenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen terugkomen;[^2kronieken-30-9-b] want YHWH, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo u zich tot Hem bekeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v9)

**10** Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar[^2kronieken-30-10-26] zij belachten hen, en bespotten hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v10)

**11** Evenwel verootmoedigden[^2kronieken-30-11-27] zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v11)

**12** Ook was[^2kronieken-30-12-28] de hand van God in Juda, hun dezelfde[^2kronieken-30-12-29] hart gevende, dat zij het gebod van de koning en van de vorsten deden, naar[^2kronieken-30-12-30] het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v12)

**13** En te Jeruzalem verzamelde zich veel volk, om het feest van de ongezuurde broden te houden, in[^2kronieken-30-13-31] de tweede maand, een[^2kronieken-30-13-32] zeer grote gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v13)

**14** En zij maakten zich op, en namen de[^2kronieken-30-14-33] altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle[^2kronieken-30-14-34] rooktuig weg, dat zij in de beek Kidron wierpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v14)

**15** Toen slachtten zij het[^2kronieken-30-15-35] pascha, op de veertiende van de tweede maand; en[^2kronieken-30-15-36] de priesters en de Levieten waren[^2kronieken-30-15-37] beschaamd geworden, en hadden zich[^2kronieken-30-15-38] geheiligd, en hadden brandoffers gebracht in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v15)

**16** En zij stonden[^2kronieken-30-16-39] in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, de man van God; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand van de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v16)

**17** Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden;[^2kronieken-30-17-40] daarom waren de Levieten over de slachting[^2kronieken-30-17-41] van de paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die voor YHWH te heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v17)

**18** Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha,[^2kronieken-30-18-42] niet zoals geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: YHWH, die goed is,[^2kronieken-30-18-43] make verzoening voor die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v18)

**19** Die zijn hele[^2kronieken-30-19-44] hart gericht heeft, om God YHWH, de God van zijn vaders, te zoeken, hoewel niet naar de[^2kronieken-30-19-45] reinigheid van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v19)

**20** En YHWH verhoorde Jehizkia, en[^2kronieken-30-20-46] heelde het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v20)

**21** Zo hielden de Israëlieten, die te Jeruzalem[^2kronieken-30-21-47] gevonden werden, het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesters prezen YHWH,[^2kronieken-30-21-48] dag op dag,[^2kronieken-30-21-49] met sterk luidende instrumenten van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v21)

**22** En Jehizkia sprak[^2kronieken-30-22-50] naar het hart van alle[^2kronieken-30-22-51] Levieten, die verstand hadden in de goede kennis van YHWH; en[^2kronieken-30-22-52] zij aten de offergaven van de vastgestelde hoogtijd zeven dagen, offerende dankoffers, en lovende YHWH, de God van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v22)

**23** Als nu de hele gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v23)

**24** [^2kronieken-30-24-c] Want Jehizkia, de koning van Juda,[^2kronieken-30-24-53] gaf de gemeente duizend stieren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend stieren en tien duizend schapen; de priesters nu[^2kronieken-30-24-54] hadden zich in menigte geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v24)

**25** En de hele gemeente van Juda verblijdde zich, en ook de priesters en de Levieten, en de hele gemeente van degenen, die uit[^2kronieken-30-25-55] Israël gekomen waren; ook[^2kronieken-30-25-56] de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v25)

**26** Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want[^2kronieken-30-26-57] van de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was zoiets in Jeruzalem niet geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v26)

**27** Toen stonden de[^2kronieken-30-27-58] Levietische priesters op, en[^2kronieken-30-27-59] zegenden het volk; en hun stem[^2kronieken-30-27-60] werd gehoord; want hun gebed kwam[^2kronieken-30-27-61] tot Zijn heilige woning in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/30.html#v27)

[^2kronieken-30-1-1]: Kanttekening 1: zond Jehizkia: Te weten, boden of gezanten.
[^2kronieken-30-1-2]: Kanttekening 2: gehele Israël en Juda: Te weten, dat onder zijn gebied stond. Zie boven, 2 Kron. 15:17 , en 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 15:17 : De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-30-1-3]: Kanttekening 3: Efraïm en Manasse: En de anderen van de tien stammen, onder, vers 5 , die nog in het land overgebleven waren, en van hem meer door vriendschap genodigd, dan, gelijk de anderen door autoriteit tot dit feest te verschijnen gelast werden. 2 Kronieken 30:5 : Zo stelden zij zulks, dat men een stem door geheel Israël, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha voor YHWH, de God van Israël, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was.
[^2kronieken-30-1-4]: Kanttekening 4: pascha te houden: Zie Lev. 23:5 . Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH.
[^2kronieken-30-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, raadsheren.
[^2kronieken-30-2-6]: Kanttekening 6: gehele gemeente te Jeruzalem: Dat is, die de gehele gemeente representeerden als de gecommitteerden van de priesters en de vaders van de huisgezinnen, die te Jeruzalem woonden. Zie boven, 2 Kron. 19:8 . 2 Kronieken 19:8 : Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de familiehoofden van Israël, over het gericht van YHWH, en over rechtsgeschillen, als zij weer te Jeruzalem gekomen waren.
[^2kronieken-30-2-7]: Kanttekening 7: in de tweede maand: De ordinaire tijd van het paasfeest was de veertiende dag van de eerste maand; Ex. 12:6 ; Num. 9:5 ; maar als er wettelijke verhindering voorviel, waardoor men het pasen niet kon houden op die dag, zo moest men het houden een maand daarna dat is, op de veertiende van de tweede maand, Num. 9:11 . Omdat nu de priesters en Levieten in de eerste maand waren bezig geweest met de reiniging van de tempel, die zij niet volbrachten dan op de zestiende dag derzelve maand, boven, 2 Kron. 29:17 , zo hadden zij de ordinaire tijd niet kunnen onderhouden, en hebben daarom de extra-ordinaire gekozen, die een maand daarna verscheen. Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Numeri 9:5 : En zij hielden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo deden de kinderen van Israël. Numeri 9:11 : In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten. 2 Kronieken 29:17 : Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van YHWH, en heiligden het huis van YHWH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde.
[^2kronieken-30-2-a]: Verwijzing a: Num. 9:10 . Numeri 9:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog YHWH het pascha houden.
[^2kronieken-30-3-8]: Kanttekening 8: in die tijd: Te weten, als zij bezig waren met de tempel te reinigen; welke tijd de ordinaire tijd was om het pasen te houden.
[^2kronieken-30-3-9]: Kanttekening 9: omdat de priesters: Twee oorzaken worden hier nog bij gesteld, om welke het pasen op de ordinaire tijd niet had kunnen gehouden zijn: I. omdat de priesters zelf in de tijd van de reiniging van de tempel niet allen geheiligd, of de geheiligde niet ten volle geheiligd waren; II. omdat het volk alstoen van alle plaatsen, boven, vers 1 vermeld, nog niet verzameld was. 2 Kronieken 30:1 : Daarna zond Jehizkia tot het gehele Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis van YHWH te Jeruzalem, om YHWH, de God van Israël, pascha te houden.
[^2kronieken-30-5-10]: Kanttekening 10: Of, besloten zij. Hebreeuws, deden het woord, of de zaak slaan.
[^2kronieken-30-5-11]: Kanttekening 11: Te weten, van de uitroeping, of proclamatie. Zo Ex. 36:6 . In de plaats van het woord stem wordt uitroeping gesteld, 1 Kon. 22:36 . Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. 1 Koningen 22:36 : En er ging een uitroeping door het heirleger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land!
[^2kronieken-30-5-12]: Kanttekening 12: van Ber-Seba tot Dan: Dat is, van het zuideinde van het land Kanaän tot het noordeinde. Zie Richt. 20:1 ; 1 Kon. 4:25 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa. 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
[^2kronieken-30-5-13]: Kanttekening 13: gelijk het: Of, voorgeschreven was, dat is, gelijk de Heer dat in zijn wet verordend en bevolen had; zo onder, vers 18 . 2 Kronieken 30:18 : Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: YHWH, die goed is, make verzoening voor die.
[^2kronieken-30-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, de posten, of boden; zo onder, vers 10 . 2 Kronieken 30:10 : Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen, en bespotten hen.
[^2kronieken-30-6-15]: Kanttekening 15: Zich keren: God zo wordt gezegd zich te keren tot de mensen, als Hij hun genadig is, tot hen komende met zijn weldaden, van welke Hij scheen gescheiden te zijn door zijn straffen; Ps. 90:13 ; Zach. 1:3 . Psalmen 90:13 : Keer weer, YHWH! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. Zacharia 1:3 : Daarom zeg tot hen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Keert weer tot Mij, spreekt YHWH van de legermachten, zo zal Ik weer tot u keren, zegt YHWH van de legermachten.
[^2kronieken-30-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, ontkoming. Zo 2 Kon. 19:30 , 19:31 ; zie de aantekening. 2 Koningen 19:30 : Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen. 2 Koningen 19:31 : Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van YHWH van de legermachten zal dit doen.
[^2kronieken-30-6-17]: Kanttekening 17: van de koningen: Namelijk, van Phul; 2 Kon. 15:19 ; 1 Kron. 5:26 , en Tiglath-Pileser; 2 Koningen 15:19 : Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^2kronieken-30-7-18]: Kanttekening 18: tot verwoesting: Vergelijk boven, 2 Kron. 29:8 . 2 Kronieken 29:8 : Daarom is een grote toorn van YHWH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als u ziet met uw ogen.
[^2kronieken-30-8-19]: Kanttekening 19: Zie van deze manier van spreken Ex. 32:9 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^2kronieken-30-8-20]: Kanttekening 20: geeft YHWH: Dat is, weest hem gehoorzaam en getrouw; bij gelijkenis gesproken, gelijk handgeving bij de mensen zo gebruikt wordt. Zo 1 Kron. 29:24 ; Ezra 10:19 ; Jer. 50:15 . Sommigen nemen het in deze zin: Geeft YHWH de hand; dat is, geeft Hem de eer van zijn macht. 1 Kronieken 29:24 : En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van de koning David, gaven de hand, dat zij onder de koning Salomo zijn zouden. Ezra 10:19 : En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld. Jeremia 50:15 : Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is de wraak van YHWH, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft!
[^2kronieken-30-8-21]: Kanttekening 21: Zijn heiligdom: Dat is, tot zijn tempel, waar zij moesten verschijnen in het voorhof van het volk.
[^2kronieken-30-8-22]: Kanttekening 22: Zie Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^2kronieken-30-8-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-30-9-24]: Kanttekening 24: uw broers: Zie boven op het einde van vers 6 . 2 Kronieken 30:6 : De lopers dan gingen heen met de brieven van de hand van de koning en zijn vorsten, door geheel Israël en Juda, en naar het gebod van de koning, zeggende: U, kinderen van Israël, bekeert u tot YHWH, de God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië.
[^2kronieken-30-9-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, ter barmhartigheid zijn.
[^2kronieken-30-9-b]: Verwijzing b: Ex. 34:6 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
[^2kronieken-30-10-26]: Kanttekening 26: zij belachten hen: Namelijk, de Israëlieten.
[^2kronieken-30-11-27]: Kanttekening 27: van Aser: Dat is, van de stammen van Aser en Manasse, enz.
[^2kronieken-30-12-28]: Kanttekening 28: de hand van God: Dat is, de krachtige werking Gods. De zin is dat God door zijn Geest in hun harten krachtiglijk gewrocht heeft een goede genegenheid om dit godvruchtig bevel van de koning te gehoorzamen.
[^2kronieken-30-12-29]: Kanttekening 29: hart gevende: Dat is, genegenheid, wil, voornemen. Vergelijk 1 Kron. 12:17 ; Jer. 32:39 ; Hand. 4:32 . 1 Kronieken 12:17 : En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het! Jeremia 32:39 : En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
[^2kronieken-30-12-30]: Kanttekening 30: het woord: Te weten, waardoor geboden was dat men het paasfeest onderhouden zou; Ex. 12:6 ; Lev. 23:5 ; Num. 9:5 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH. Numeri 9:5 : En zij hielden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat YHWH Mozes geboden had, zo deden de kinderen van Israël.
[^2kronieken-30-13-31]: Kanttekening 31: tweede maand: Zie boven, vers 2 . 2 Kronieken 30:2 : Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de gehele gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.
[^2kronieken-30-13-32]: Kanttekening 32: zeer grote: Hebreeuws, רֹ֥ב, in, of tot menigte zeer.
[^2kronieken-30-14-33]: Kanttekening 33: Versta, de afgodische altaren, die Achaz, tegen het woord van God, hier en daar op de straten te Jeruzalem opgericht had, om daarop de afgoden beesten te offeren; 2 Kron. 28:24 . 2 Kronieken 28:24 : En Achaz verzamelde de vaten van het huis van God, en hieuw de vaten van het huis van God in stukken, en sloot de deuren van het huis van YHWH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.
[^2kronieken-30-14-34]: Kanttekening 34: Als rookvaten, pannen, schalen. Anders, rookaltaren; of rookplaatsen.
[^2kronieken-30-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, het paaslam. Zie Ex. 12:21 . Exodus 12:21 : Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.
[^2kronieken-30-15-36]: Kanttekening 36: de priesters: Namelijk, die zich tevoren niet gereinigd hadden. Zie boven, 2 Kron. 29:34 , en vers 3 . 2 Kronieken 29:34 : Maar van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters. 2 Kronieken 30:3 : Want zij hadden het niet kunnen houden in die tijd, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.
[^2kronieken-30-15-37]: Kanttekening 37: Te weten, over hun onachtzaamheid, ziende dat de ijver niet alleen van hun metgezellen, maar ook van de gemeente meerder in deze zaak was dan de hunne.
[^2kronieken-30-15-38]: Kanttekening 38: Zie boven, 2 Kron. 29:5 . 2 Kronieken 29:5 : En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.
[^2kronieken-30-16-39]: Kanttekening 39: in hun stand: Dat is, in hun behoorlijke plaatsen, die hun van God verordend waren. Vergelijk onder, 2 Kron. 35:10 . 2 Kronieken 35:10 : Zo werd de dienst toebereid; en de priesters stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod van de koning.
[^2kronieken-30-17-40]: Kanttekening 40: De zin is, zo elk vader van het huisgezin zijn paaslam in zijn huis moest slachten, Ex. 12:3 , en dat velen daartoe zich niet geheiligd hadden, dat de Levieten dit werk in hun plaats hebben moeten doen. Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme een ieder een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis.
[^2kronieken-30-17-41]: Kanttekening 41: van de paaslammeren: Hebreeuws, פְּסָחִ֗ים, Pesachim; dat is, van de voorbijgangen, of van de overschreden. Versta, de lammeren, die tot gedachtenis van het voorbijgaan, of overschrijden van de engel geslacht werden; Ex. 12:13 . Exodus 12:13 : En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.
[^2kronieken-30-18-42]: Kanttekening 42: niet gelijk: Zie boven, vers 5 . 2 Kronieken 30:5 : Zo stelden zij zulks, dat men een stem door geheel Israël, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha voor YHWH, de God van Israël, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was.
[^2kronieken-30-18-43]: Kanttekening 43: Hij bidt dat de Heer hun hunne onreinheid vergeve, en dat Hij de geestelijke heiligmaking, door zijn Geest in hen werke. Anders, verzoene in eeuwigheid allen die zijn hart, enz.
[^2kronieken-30-19-44]: Kanttekening 44: gericht heeft: Zie boven, 2 Kron. 19:3 . 2 Kronieken 19:3 : Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want u hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.
[^2kronieken-30-19-45]: Kanttekening 45: Versta, de ceremoniëele, welke hier onderscheiden wordt van de morele, bestaande in een vast voornemen van het hart om God te zoeken.
[^2kronieken-30-20-46]: Kanttekening 46: heelde het volk: Dat is, Hij vergaf het zijn zonden, en heiligde door zijn Geest, en strafte niet om zijn ceremoniëele onreinheid. Anderen verstaan dit van de genezing ener lichamelijke ziekte, die God het volk zou toegezonden hebben omdat het zich niet gereinigd had. Vergelijk 1 Kor. 11:30 . 1 Korinthiërs 11:30 : Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen.
[^2kronieken-30-21-47]: Kanttekening 47: gevonden werden: Dat is, voorhanden en tot dit feest gekomen waren.
[^2kronieken-30-21-48]: Kanttekening 48: dag op dag: Dat is, zolang als het feest duurde. Zo onder, 2 Kron. 31:1 . 2 Kronieken 31:1 : Als zij nu dit alles voltooid hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit geheel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen van Israël weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.
[^2kronieken-30-21-49]: Kanttekening 49: met sterk: Hebreeuws, כְלֵי, met instrumenten van de sterkte; dat is, die een groot geluid gaven, hoedanig is het geklank van de trompetten. Anders, \[lovende\] met instrumenten de kracht van YHWH.
[^2kronieken-30-22-50]: Kanttekening 50: naar het hart: Dat is, dat hun aangenaam en lief om te horen was. Zie Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^2kronieken-30-22-51]: Kanttekening 51: die verstand: Dat is, van de zaken, die tot de dienst van YHWH behoorden. Anders, die de goede kennis van YHWH onderwezen, of die op de goede kennis van YHWH acht gaven.
[^2kronieken-30-22-52]: Kanttekening 52: zij aten: Te weten, die het paasfeest hielden. Hebreeuws, מּוֹעֵד֙, zij aten de gezette hoogtijd; dat is, de offeranden, die op de feestdag gegeten moesten worden. Zo 2 Kron. 18:31 , zijn wijnstok en zijn vijgeboom eten, is de vrucht daarvan eten. 2 Kronieken 18:31 : Het geschiedde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en YHWH hielp hem, en God wendde hen van hem af.
[^2kronieken-30-24-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 35:7 . 2 Kronieken 35:7 : En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de koning bezittingen.
[^2kronieken-30-24-53]: Kanttekening 53: gaf de gemeente: Hebreeuws, קָּהָ֜ל, hief op voor de gemeente; zo in het volgende; dat is, gaf, of schonk aan de gemeente om geofferd te worden; zo Num. 31:28 ; 2 Kron. 35:7 , 35:8 ,. De zin is dat deze beesten van de koning en zijn vorsten aan de gemeente geschonken worden, tot dankoffers voor dezelfde, waarvan zij dan ook hun deel hadden, om dat met vrolijkheid voor de Heer te eten. Numeri 31:28 : Daarna zult u een schatting voor YHWH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen. 2 Kronieken 35:7 : En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de bezittingen van de koning. 2 Kronieken 35:8 : Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.
[^2kronieken-30-24-54]: Kanttekening 54: hadden zich: Te weten, omdat zij mochten bekwaam zijn om de voorgemelde beesten aan de Heer te offeren.
[^2kronieken-30-25-55]: Kanttekening 55: Uit de tien stammen. Zie boven, vers 11 , 30:18 . 2 Kronieken 30:11 : Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem. 2 Kronieken 30:18 : Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: YHWH, die goed is, make verzoening voor die.
[^2kronieken-30-25-56]: Kanttekening 56: de vreemdelingen: Die van afkomst geen Israëlieten noch Joden waren, maar evenwel tot de ware God bekeerd en besneden waren, en zo het volk van God ingelijfd. Anders hadden zij van het pascha niet mogen eten; Ex. 12:48 . Exodus 12:48 : Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
[^2kronieken-30-26-57]: Kanttekening 57: van de dagen: Welverstaande, die uitgesloten zijnde, dat is, van de tijd van Rehabeam af, in welke Israël zich van Juda afgescheurd en geen zulk paasfeest daarmede gehouden had.
[^2kronieken-30-27-58]: Kanttekening 58: Dat is, afkomstig van Levi.
[^2kronieken-30-27-59]: Kanttekening 59: Naar uitwijzen van de last aan de priesters gegeven; Num. 6:23 . Numeri 6:23 : Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de kinderen van Israël zegenen, zeggende tot hen:
[^2kronieken-30-27-60]: Kanttekening 60: werd gehoord: Te weten, van God, en dat volgens zijn beloften; Num. 6:27 . Numeri 6:27 : Zo zullen zij Mijn Naam op de kinderen van Israël leggen; en Ik zal hen zegenen.
[^2kronieken-30-27-61]: Kanttekening 61: tot Zijn heilige woning: Hebreeuws, שָּׁמָֽיִם, tot de woning van zijn heiligheid; te weten, van YHWH, dat is, tot zijn heilige woning.

### 2 Kronieken 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/31.json)

*Hizkia laat alle afgodische werken afbreken, vers 1 enz. stelt de priesters en Levieten in hun ambt, 2. en eveneens orde voor hun onderhoud, 4. laat kamers maken om hun inkomen daarin te verzamelen, en stelt uit de Levieten personen aan tot ontvangers en schatbewaarders, 11. Hizkia blijft godvrezend en gezegend, 20.*

**1** Als zij nu[^2kronieken-31-1-1] dit alles voltooid hadden, trokken alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en[^2kronieken-31-1-a] braken de[^2kronieken-31-1-2] opgerichte beelden, en hieuwen[^2kronieken-31-1-3] de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit geheel Juda en Benjamin, ook[^2kronieken-31-1-4] in Efraïm en Manasse,[^2kronieken-31-1-5] totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de Israëlieten weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v1)

**2** En Hizkia bestelde de[^2kronieken-31-2-6] verdelingen van de priesters en van de Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesters en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankoffers, om te dienen, en om te loven, en om te[^2kronieken-31-2-7] prijzen in[^2kronieken-31-2-8] de poort van de legers van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v2)

**3** [^2kronieken-31-3-9] Ook het deel van de koning van zijn bezittingen tot de[^2kronieken-31-3-10] brandoffers, tot de brandoffers 's morgens en 's avonds, en de brandoffers[^2kronieken-31-3-11] van de sabbatten, en van[^2kronieken-31-3-12] de nieuwe maanden, en van[^2kronieken-31-3-13] de vastgestelde[^2kronieken-31-3-b] hoogtijden; zoals geschreven is in de wet van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v3)

**4** En hij zei tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij[^2kronieken-31-4-14] het deel van de priesters en Levieten geven zouden, opdat zij[^2kronieken-31-4-15] versterkt mochten worden[^2kronieken-31-4-16] in de wet van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v4)

**5** [^2kronieken-31-5-17] Toen nu dat woord uitbrak,[^2kronieken-31-5-18] brachten de Israëlieten vele[^2kronieken-31-5-19] eerstelingen van koren, nieuwe wijn, en olie, en[^2kronieken-31-5-20] honing, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij[^2kronieken-31-5-21] de tienden van alles in met menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v5)

**6** En de kinderen van Israël en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van de runderen en van de schapen, en tienden van de heilige dingen, die aan YHWH, hun God, geheiligd waren, en maakten[^2kronieken-31-6-22] vele hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v6)

**7** In[^2kronieken-31-7-23] de derde maand begonnen zij de[^2kronieken-31-7-24] grond van die hopen te leggen, en in de[^2kronieken-31-7-25] zevende maand voltooiden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v7)

**8** Toen nu Jehizkia en de vorsten kwamen en die hopen[^2kronieken-31-8-26] zagen, zegenden zij YHWH[^2kronieken-31-8-27] en Zijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v8)

**9** En Jehizkia ondervraagde de priesters en de Levieten aangaande die hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v9)

**10** En Azaria, de[^2kronieken-31-10-28] hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zei: Van dat[^2kronieken-31-10-29] men dit hefoffer begonnen heeft tot het huis van YHWH te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want YHWH heeft Zijn[^2kronieken-31-10-30] volk[^2kronieken-31-10-31] gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v10)

**11** Toen zei Jehizkia, dat men kamers aan het huis van YHWH[^2kronieken-31-11-32] bereiden zou; en zij bereidden ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v11)

**12** Daarin brachten zij die hefoffer, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonanja, de Leviet,[^2kronieken-31-12-33] overste, en Simeï, zijn broer, de tweede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v12)

**13** Maar Jehiël, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzichters, onder de hand van Chonanja en Simeï, zijn broer; door het bevel van de koning Jehizkia en van Azaria, de[^2kronieken-31-13-34] overste van het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v13)

**14** En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter[^2kronieken-31-14-35] tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer van YHWH en het[^2kronieken-31-14-36] allerheiligste uit te[^2kronieken-31-14-37] delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v14)

**15** En[^2kronieken-31-15-38] aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja,[^2kronieken-31-15-c] in de steden van de priesters, met getrouwigheid, om aan hun broers in[^2kronieken-31-15-39] de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v15)

**16** [^2kronieken-31-16-40](Naast die gesteld waren in het geslachtsregister van de mannen, drie jaar oud en daarboven)[^2kronieken-31-16-41] allen, die in het huis van YHWH gingen,[^2kronieken-31-16-42] tot het dagelijkse werk op elke dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v16)

**17** En met[^2kronieken-31-17-43] die gesteld waren in het geslachtsregister van de priesters naar het huis van hun vaders, ook de Levieten[^2kronieken-31-17-d] van twintig jaar oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v17)

**18** Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters,[^2kronieken-31-18-44] door de hele gemeente; want zij hadden zich[^2kronieken-31-18-45] in hun ambt[^2kronieken-31-18-46] in heiligheid geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v18)

**19** Ook waren onder de kinderen van Aäron, de priesters, op de velden van de voorsteden van hun steden,[^2kronieken-31-19-47] in elke stad, mannen, die met namen[^2kronieken-31-19-48] uitgedrukt waren, om aan alle mannen onder de priesters en[^2kronieken-31-19-49] aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v19)

**20** En zo deed Jehizkia in geheel Juda; en hij deed dat goed, en recht, en[^2kronieken-31-20-50] waarachtig was, voor het aangezicht van YHWH, van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v20)

**21** En in alle werk, dat hij begon in de dienst van het huis van God, en[^2kronieken-31-21-51] in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn hele hart, en had voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/31.html#v21)

[^2kronieken-31-1-1]: Kanttekening 1: dit alles: Te weten, wat de onderhouding van het hoge paasfeest aanging, in 2 Kron. 20 beschreven.
[^2kronieken-31-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 18:4 . 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.
[^2kronieken-31-1-2]: Kanttekening 2: opgerichte beelden: Zie Lev. 26:1 . Leviticus 26:1 : U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God!
[^2kronieken-31-1-3]: Kanttekening 3: de bossen af: Zie van de bossen en hoogten ter ere en ten dienste van de afgoden gemaakt, Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-31-1-4]: Kanttekening 4: in Efraïm: Te weten, in de steden, welke die van Juda het koninkrijk Israëls afgenomen hadden. Zie boven, 2 Kron. 13:19 , en 2 Kron. 15:8 . 2 Kronieken 13:19 : En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen. 2 Kronieken 15:8 : Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was.
[^2kronieken-31-1-5]: Kanttekening 5: totdat zij: Anders, totdat zij voltooid hadden.
[^2kronieken-31-2-6]: Kanttekening 6: Zie boven, 2 Kron. 8:14 . 2 Kronieken 8:14 : Hij stelde ook, naar de wijze van zijn vader David, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God.
[^2kronieken-31-2-7]: Kanttekening 7: Te weten, de Heer.
[^2kronieken-31-2-8]: Kanttekening 8: de poort: Te weten, van de tempel, alwaar de priesters en de Levieten in hun orden en verdelingen elk zijn dienst moesten waarnemen, als in een leger. Vergelijk hiermede de aantekening Num. 4:3 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen.
[^2kronieken-31-3-9]: Kanttekening 9: Ook het deel: Te weten, bestelde Hizkia. Alsof hij zei: De koning heeft zo de diensten en ambten van de tempel geschikt en in orde gesteld, ten einde een ieder zijn last wel zou waarnemen, dat hij zichzelven ook in deze niet onbelast heeft gelaten, ordinerende dat de offeranden hier in de tekst vermeld, uit zijn eigen inkomen genomen zouden worden. Waaruit het schijnt dat zij tevoren bekostigd en gevonden werden uit de schatten van de tempel; van welke zie 1 Kron. 26:20 . 1 Kronieken 26:20 : Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen.
[^2kronieken-31-3-10]: Kanttekening 10: Zie van deze Ex. 29:38 , 29:39 , enz., en Num. 28:3 , 28:4 , enz. Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, per dag, geduriglijk. Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Numeri 28:3 : En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren per dag, tot een gedurig brandoffer. Numeri 28:4 : Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.
[^2kronieken-31-3-11]: Kanttekening 11: van de sabbatten: Zie Num. 28:9 , 28:10 . Numeri 28:9 : Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer. Numeri 28:10 : Het is het brandoffer van de sabbat op elke sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.
[^2kronieken-31-3-12]: Kanttekening 12: nieuwe maanden: Zie Num. 28:11 , 28:12 , enz. Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Numeri 28:12 : En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd tot de ene var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot de ene ram;
[^2kronieken-31-3-13]: Kanttekening 13: vastgestelde hoogtijden: Zie Lev. 23 .
[^2kronieken-31-3-b]: Verwijzing b: Num. 28 ; Num. 29 .
[^2kronieken-31-4-14]: Kanttekening 14: het deel van de priesters: Te weten, die hun naar Gods ordinantie tot hun onderhoud toekwam; Num. 18:8 , enz. Numeri 18:8 : Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.
[^2kronieken-31-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, tijd en moed zouden hebben om hun dienst wel waar te nemen, zonder daarvan afgetrokken te worden om anders hun voedsel te winnen.
[^2kronieken-31-4-16]: Kanttekening 16: in de wet: Dat is, in het onderzoeken, overleggen en verklaren van de wet van YHWH; en ook in het bedienen van de godsdienst in de wet bevolen.
[^2kronieken-31-5-17]: Kanttekening 17: Toen nu: Dat is, toen nu dat bevel van de koning bekend werd.
[^2kronieken-31-5-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, vermenigvuldigen.
[^2kronieken-31-5-19]: Kanttekening 19: Zie van deze de wetten en ordinantiën Gods Ex. 23:19 , en Ex. 34:26 ; Lev. 2:14 , enz.; Num. 15:17 , 15:18 , 15:19 , enz.; Deut. 26:1 , 26:2 , enz. Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van YHWH, uw God, brengen. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder. Exodus 34:26 : De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van YHWH, uw God, brengen. U zult het bokje in de melk van zijn moeder niet koken. Leviticus 2:14 : En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. Numeri 15:17 : Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende: Numeri 15:18 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als u zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal, Numeri 15:19 : Zo zal het gebeuren, als u van het brood van het land zult eten, dan zult u YHWH een hefoffer offeren. Deuteronomium 26:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; Deuteronomium 26:2 : Zo zult u nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u YHWH, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die YHWH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen;
[^2kronieken-31-5-20]: Kanttekening 20: Anders, dadels. Het Hebreeuwse woord betekent honig; maar wordt hier van de Hebreën voor dadels, of vruchten van bomen, die zoete vruchten droegen, genomen, welke vanwege haar zoetigheid aan de honig gelijk zijn. Want God had nergens in zijn wet bevolen de eerstelingen van honig te geven, maar van boomvruchten van de aarde en van beesten.
[^2kronieken-31-5-21]: Kanttekening 21: de tienden: Zie van deze Lev. 27:30 . Leviticus 27:30 : Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van YHWH; zij zijn YHWH heilig.
[^2kronieken-31-6-22]: Kanttekening 22: vele hopen: Hebreeuws, עֲרֵמֽוֹת, hopen, hopen. Zie Gen. 14:10 . Genesis 14:10 : Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^2kronieken-31-7-23]: Kanttekening 23: derde maand: Te weten, van het heilige, of kerkelijke jaar. Zie boven, 2 Kron. 15:10 , en Ex. 12:2 . In deze maand begon de oogst in Kanaän. 2 Kronieken 15:10 : En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn.
[^2kronieken-31-7-24]: Kanttekening 24: Dit is, het eerste begin van die hopen te maken.
[^2kronieken-31-7-25]: Kanttekening 25: zevende maand: Zie van deze maand Lev. 23:24 . Zij kwam zeer overeen met onze September, als de vruchten van dat land in de schuren gevoerd waren. Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^2kronieken-31-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, loofden en dankten de Heer, omdat Hij het volk in het hart gegeven had, zo vrijwilliglijk zijn gaven op te brengen. Zie Gen. 14:20 , en de aantekening. Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^2kronieken-31-8-27]: Kanttekening 27: en Zijn volk: De mensen te zegenen is hun alles goeds en welvaart toe te wensen. Vergelijk Gen. 31:55 , en de aantekening. Genesis 31:55 : En Laban stond 's morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats.
[^2kronieken-31-10-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, de priester het hoofd, of, die het hoofd was. Zo 2 Kon. 25:18 . Boven, 2 Kron. 24:6 , wordt hij alleen het hoofd genaamd, namelijk van de priesters. 2 Koningen 25:18 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. 2 Kronieken 24:6 : En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt u geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, de knecht van YHWH, en van de gemeente van Israël, voor de tent van het getuigenis?
[^2kronieken-31-10-29]: Kanttekening 29: deze heffing: Dat is, deze gaven en offeranden. Want het woord heffing wordt hier in het algemeen genomen. Zie Num. 5:9 . Numeri 5:9 : Evenzo zal alle heffing van alle geheiligde dingen van de kinderen van Israël, welke zij tot de priester brengen, de zijne zijn.
[^2kronieken-31-10-30]: Kanttekening 30: Dat is, goed gedaan. Zie Gen. 12:2 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^2kronieken-31-10-31]: Kanttekening 31: zodat deze: Of, zodat het over geblevene is deze veelheid; te weten, die nog voorhanden is en die u ziet.
[^2kronieken-31-11-32]: Kanttekening 32: bereiden zou: Dat is, gereed maken. Zie van deze kamers 1 Kon. 6:5 , en de aantekening. 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^2kronieken-31-12-33]: Kanttekening 33: Dat is, de voornaamste thesaurier die over deze schatten van de tempel gesteld was. Naast hem was Simeï zijn broer, als een ondercommies, onder deze de andere ontvangers, die in vers 13 genoemd worden. Zie de ordinantie hiervan 1 Kron. 26:20 , 26:21 . 2 Kronieken 31:13 : Maar Jehiël, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder de hand van Chonanja en Simeï, zijn broer; door het bevel van de koning Jehizkia en van Azaria, de overste van het huis van God. 1 Kronieken 26:20 : Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen. 1 Kronieken 26:21 : Van de kinderen van Ladan, kinderen van de Gersoniet Ladan; van Ladan, de Gersoniet, waren familiehoofden Jehiëli.
[^2kronieken-31-13-34]: Kanttekening 34: Of, voorganger; dat is, de overpriester, boven, vers 10 . 2 Kronieken 31:10 : En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zei: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis van YHWH te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want YHWH heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.
[^2kronieken-31-14-35]: Kanttekening 35: tegen het oosten: Dat is, aan de oostpoort van de tempel. Zie van deze boven, 2 Kron. 23:5 . 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH.
[^2kronieken-31-14-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, de heiligheden van de heiligheden. Versta, het overige van het vrijwillige spijsoffer, Lev. 2:3 , 2:10 , en de zondoffers, Lev. 6:17 , 6:25 , de schuldoffers, Lev. 7:1 , de toonbroden, Lev. 24:9 . Zie ook Num. 18:9 . Leviticus 2:3 : Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Leviticus 2:10 : En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Leviticus 6:17 : Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid van de heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer. Leviticus 6:25 : Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van YHWH geslacht worden; het is een heiligheid van de heiligheden. Leviticus 7:1 : Dit is nu de wet van het schuldoffer; het is een heiligheid van de heiligheden. Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting. Numeri 18:9 : Dit zult u hebben van de heiligheid van de heiligheden, uit het vuur: al hun offeranden, met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid van de heiligheden zijn.
[^2kronieken-31-14-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, te geven.
[^2kronieken-31-15-38]: Kanttekening 38: aan zijn hand: Versta, zijn bijgevoegde medehelpers, die onder zijn opzicht, zorg en beleid waren.
[^2kronieken-31-15-c]: Verwijzing c: Joz. 21:9 . Jozua 21:9 : Verder gaven zij van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, deze steden (עֵ֫דֶן), die men bij name noemde;
[^2kronieken-31-15-39]: Kanttekening 39: Naar de wet; Deut. 18:8 . Deuteronomium 18:8 : Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.
[^2kronieken-31-16-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, naast hun rekenen, of hun rekening van de geslachten; dat is, en ook degenen, die in hun geslachtsregisters geschreven waren van al wat mannelijk was. De zin is dat zij niet alleen de priesters, die de dienst in de tempel deden, hun deel gegeven hebben, maar ook hun zonen.
[^2kronieken-31-16-41]: Kanttekening 41: Dat is, die in de dienst van de tempel gebruikt konden worden, en vervolgens van de kerkelijke goederen hun onderhoud moesten hebben.
[^2kronieken-31-16-42]: Kanttekening 42: tot het dagelijkse: Hebreeuws, דְבַר, om de zaken van de dag op zijn dag, dat is, om daar te doen wat op elke dag gedaan moest wezen. Zie gelijke manier van spreken Ex. 5:13 . Anders, hun dagelijkse portie voor hun dienst. Exodus 5:13 : En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.
[^2kronieken-31-17-43]: Kanttekening 43: die gesteld: Dat is, die in het geslachtsregister van de priesters geschreven stonden; aan welke niet alleen hun onderhoud gegeven werd, maar ook aan de Levieten.
[^2kronieken-31-17-d]: Verwijzing d: 1 Kron. 23:27 . 1 Kronieken 23:27 : Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven;
[^2kronieken-31-18-44]: Kanttekening 44: door de gehele: Versta, de vergadering van de priesters en van de Levieten, die in de tempel de godsdienst moesten verzorgen; zodat niet alleen zij voor hun personen onderhouden werden, maar er werd ook zorggedragen voor hun vrouwen en kinderen.
[^2kronieken-31-18-45]: Kanttekening 45: in hun ambt: Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kron. 9:22 . Anders, in, of naar hun getrouwheid, of, op derzelver trouw; dat is, zich verlatende op de getrouwheid van de uitdelers \[van welke gesproken is vers 15 \], dat hun het tijdelijke onderhoud van dezelven zou verzorgd worden. 1 Kronieken 9:22 : Allen, die uitgelezen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd. 2 Kronieken 31:15 : En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden van de priesters, met getrouwigheid, om aan hun broers in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:
[^2kronieken-31-18-46]: Kanttekening 46: Dat is, zeer naarstiglijk en vlijtiglijk geheiligd. Anders, tot de heilige dingen geheiligd.
[^2kronieken-31-19-47]: Kanttekening 47: in elke stad: Hebreeuws, עִ֔יר, in alle stad en stad.
[^2kronieken-31-19-48]: Kanttekening 48: Gelijk boven, vers 15 . 2 Kronieken 31:15 : En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden van de priesters, met getrouwigheid, om aan hun broers in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:
[^2kronieken-31-19-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, alle telling, of rekening bij geslachten.
[^2kronieken-31-20-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, waarheid, of trouw.
[^2kronieken-31-21-51]: Kanttekening 51: in de wet: Zie boven, 2 Kron. 14:4 . 2 Kronieken 14:4 : En hij zei tot Juda, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.

### 2 Kronieken 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/32.json)

*Doordat Sanherib, de koning van Assyrië, Juda binnenvalt, versterkt Hizkia de stad Jeruzalem, vers 1 enz. troost en vermaant het volk, 7. Sanherib tart Hizkia en lastert God, 9. Hizkia en de profeet Jesaja roepen de HEERE aan, 20. De Assyriërs worden door een engel verslagen, 21. Hizkia wordt ziek, 24. en doordat hij genezen is, vertoornt hij God, maar met daaropvolgend berouw, 25. hij blijft gezegend, 27. vergrijpt zich door te onderhandelen met de gezanten van Babel, 31. hij sterft, en zijn zoon Manasse wordt koning, 33.*

**1** Na[^2kronieken-32-1-1] deze geschiedenissen en de[^2kronieken-32-1-2] bevestiging daarvan,[^2kronieken-32-1-a] kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en trok in Juda, en sloeg zijn kamp op tegen de versterkte steden, en[^2kronieken-32-1-3] dacht[^2kronieken-32-1-4] ze tot zich af te scheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v1)

**2** Jehizkia nu ziende, dat Sanherib kwam, en[^2kronieken-32-2-5] zijn aangezicht was tot de oorlog tegen Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v2)

**3** Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v3)

**4** Want veel volk werd verzameld, dat al de fonteinen stopte, en ook de[^2kronieken-32-4-6] beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de[^2kronieken-32-4-7] koningen van Assyrië komen, en veel water vinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v4)

**5** Zo[^2kronieken-32-5-8] versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die[^2kronieken-32-5-9] gebroken was, die hij optrok tot aan de[^2kronieken-32-5-10] torens, met[^2kronieken-32-5-11] een andere muur daarbuiten, en hij versterkte[^2kronieken-32-5-12] Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v5)

**6** En hij stelde oorlogsoversten over het volk, en hij verzamelde hen tot zich in de straat[^2kronieken-32-6-13] van de stadspoort, en sprak[^2kronieken-32-6-14] naar hun hart, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v6)

**7** Weest sterk, en hebt een goede moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht van de koning van Assyrië, noch voor het aangezicht van de hele menigte, die met hem is;[^2kronieken-32-7-b] want met ons is er meer, dan met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v7)

**8** Met hem is[^2kronieken-32-8-c] een[^2kronieken-32-8-15] vleselijke arm, maar met ons is YHWH, onze God, om ons te helpen, en om onze[^2kronieken-32-8-16] krijgen te krijgen. En het volk[^2kronieken-32-8-17] steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v8)

**9** [^2kronieken-32-9-d] Na deze zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn[^2kronieken-32-9-18] knechten naar Jeruzalem, (maar hij zelf was voor Lachis, en[^2kronieken-32-9-19] al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkia, de koning van Juda, en tot het hele Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v9)

**10** Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarom vertrouwt u, dat u te Jeruzalem[^2kronieken-32-10-20] blijft in[^2kronieken-32-10-21] de vesting? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v10)

**11** [^2kronieken-32-11-e]Ruit u Jehizkia niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: YHWH, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië[^2kronieken-32-11-22] redden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v11)

**12** [^2kronieken-32-12-f]Heeft niet dezelfde Jehizkia[^2kronieken-32-12-23] Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor[^2kronieken-32-12-24] het enige altaar zult u zich nederbuigen, en daarop roken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v12)

**13** Weet u niet, wat ik gedaan heb, en mijn[^2kronieken-32-13-25] vaders aan[^2kronieken-32-13-26] alle volken van de landen? Hebben de goden van de natiën van die landen hun land[^2kronieken-32-13-27] enigszins kunnen redden uit mijn hand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v13)

**14** Wie is er onder alle goden van die natiën, die mijn vaders[^2kronieken-32-14-28] verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v14)

**15** Nu dan,[^2kronieken-32-15-g] dat Jehizkia u niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en uit de hand van mijn vaders kunnen redden;[^2kronieken-32-15-29] hoeveel te min zal[^2kronieken-32-15-30] uw God u uit mijn hand kunnen redden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v15)

**16** [^2kronieken-32-16-h] Daartoe spraken zijn knechten[^2kronieken-32-16-31] nog meer tegen God, YHWH, en tegen Zijn knecht Jehizkia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v16)

**17** [^2kronieken-32-17-i] Ook schreef hij[^2kronieken-32-17-32] brieven,[^2kronieken-32-17-k] om YHWH de God van Israël, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Zoals de goden van de natiën van de landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, zo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijn hand niet redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v17)

**18** En zij riepen met luide stem,[^2kronieken-32-18-l] in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op de muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v18)

**19** En zij spraken[^2kronieken-32-19-33] van de[^2kronieken-32-19-34] God van Jeruzalem, als van de goden van de volkeren van de aarde, een werk van mensenhanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v19)

**20** Maar[^2kronieken-32-20-m] de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz,[^2kronieken-32-20-35] baden[^2kronieken-32-20-36] daartegen, en zij riepen naar de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v20)

**21** [^2kronieken-32-21-n] En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten[^2kronieken-32-21-37] in het leger van de koning van Assyrië vernietigde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd;[^2kronieken-32-21-o] en als hij in het huis[^2kronieken-32-21-38] van zijn[^2kronieken-32-21-39] god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard,[^2kronieken-32-21-40] die uit zijn lijf voortgekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v21)

**22** Zo verloste YHWH Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit[^2kronieken-32-22-41] de hand van allen; en Hij[^2kronieken-32-22-42] geleidde hen rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v22)

**23** En velen brachten geschenken tot YHWH te Jeruzalem, en kostbaarheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle[^2kronieken-32-23-43] heidenen verheven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v23)

**24** [^2kronieken-32-24-p] In die dagen[^2kronieken-32-24-44] werd Jehizkia ziek tot stervens toe, en hij[^2kronieken-32-24-45] bad tot YHWH, Die[^2kronieken-32-24-46] sprak tot hem, en Hij gaf hem een[^2kronieken-32-24-47] wonderteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v24)

**25** Maar[^2kronieken-32-25-48] Jehizkia deed geen vergelding, naar de weldaad aan hem gebeurd, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote[^2kronieken-32-25-49] boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v25)

**26** [^2kronieken-32-26-q] Maar Jehizkia[^2kronieken-32-26-50] verootmoedigde zich om de verheffing van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote boosheid van YHWH over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v26)

**27** Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle[^2kronieken-32-27-51] begeerlijk gereedschap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v27)

**28** Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en nieuwe wijn, en olie; en stallen[^2kronieken-32-28-52] voor allerlei beesten, en[^2kronieken-32-28-53] kooien voor de kudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v28)

**29** Daartoe had hij zich steden gemaakt, en ook bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v29)

**30** Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren[^2kronieken-32-30-54] van[^2kronieken-32-30-55] Gihon, en[^2kronieken-32-30-56] leidde ze recht af beneden naar het westen[^2kronieken-32-30-57] van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v30)

**31** Maar het is zo, als de gezanten van[^2kronieken-32-31-58] de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar[^2kronieken-32-31-59] dat wonderteken, dat in het land gebeurd was,[^2kronieken-32-31-60] bij hem waren, verliet hem God, om hem[^2kronieken-32-31-61] te verzoeken, om[^2kronieken-32-31-62] te weten al wat in zijn hart was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v31)

**32** Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn[^2kronieken-32-32-63] goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in[^2kronieken-32-32-64] het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek van de koningen van Juda en Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v32)

**33** En[^2kronieken-32-33-r] Jehizkia ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in het[^2kronieken-32-33-65] hoogste van de graven van de zonen van David; daartoe deden geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/32.html#v33)

[^2kronieken-32-1-1]: Kanttekening 1: deze geschiedenissen: Van welke zie ook 2 Kon. 18:13 , en Jes. 36:1 . 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Jesaja 36:1 : En het geschiedde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^2kronieken-32-1-2]: Kanttekening 2: Of, waarheid, trouw, vastheid, verzekering; dat is, nadat de godsdienst, volgens Gods woord, trouwelijk bevestigd en verzekerd was.
[^2kronieken-32-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 18:13 ; Jes. 36:1 . 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Jesaja 36:1 : En het geschiedde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^2kronieken-32-1-3]: Kanttekening 3: dacht ze: Hebreeuws, בְּצֻר֔וֹת, zei; dat is dacht, en had een voornemen, die tot hem, enz.; zie 1 Kon. 5:5 . 1 Koningen 5:5 : En zie, ik denk voor de Naam van YHWH, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als YHWH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^2kronieken-32-1-4]: Kanttekening 4: tot zich: Dat is, de koning Hizkia af te nemen, en onder zijn eigen gebied te brengen.
[^2kronieken-32-2-5]: Kanttekening 5: zijn aangezicht: Dat is, hij had een vast voornemen om Jeruzalem te bekrijgen. Vergelijk 2 Kon. 12:17 , en zie de aantekening daarop. 2 Koningen 12:17 : Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.
[^2kronieken-32-4-6]: Kanttekening 6: Onder, vers 30 , genaamd Gihon. Zie ook van dezelfde 1 Kon. 1:33, en de aantekening. 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.
[^2kronieken-32-4-7]: Kanttekening 7: Versta, Sanherib, de koning van Assyrië, met de vorsten, die bij hem waren, van welke, zie onder, vers 21 , waarvan misschien ook enige koningen waren, staande onder het gebied van Sanherib. 2 Kronieken 32:21 : En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis van zijn god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.
[^2kronieken-32-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, hij greep moed, ziende de ontrouwheid van de koning van Assyrië; wiens vriendschap hij recht tevoren met een som gelds tevergeefs afgekocht had; 2 Kon. 18:14 , enz. 2 Koningen 18:14 : Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.
[^2kronieken-32-5-9]: Kanttekening 9: gebroken was: Namelijk, van Joas, de koning van Israël, als hij Amazia, de koning van Juda, geslagen en Jeruzalem ingenomen had. Zie boven, 2 Kron. 25:23 . 2 Kronieken 25:23 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2kronieken-32-5-10]: Kanttekening 10: Die schijnen geweest te zijn op de hoekpoort en de poort van Efraïm; van welke zie ook boven, 2 Kron. 25:23 . 2 Kronieken 25:23 : En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^2kronieken-32-5-11]: Kanttekening 11: een anderen: Zie van deze onder, 2 Kron. 33:14 . 2 Kronieken 33:14 : En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.
[^2kronieken-32-5-12]: Kanttekening 12: Zie 1 Kon. 9:15 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer.
[^2kronieken-32-6-13]: Kanttekening 13: van de stadspoort: Dat is, die bij de stadspoort was.
[^2kronieken-32-6-14]: Kanttekening 14: naar hun hart: Hebreeuws, לְבָבָ֖, op hun hart; dat is, vriendelijk en troostelijk, en dat hun aangenaam was om te horen. Zie Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^2kronieken-32-7-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 6:16 . 2 Koningen 6:16 : En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.
[^2kronieken-32-8-c]: Verwijzing c: Jer. 17:5 ; 1 Joh. 4:4 . Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! 1 Johannes 4:4 : Kinderen, u bent uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.
[^2kronieken-32-8-15]: Kanttekening 15: vleselijke arm: Hebreeuws, בָּשָׂ֔ר, arm van het vlees; dat is, een vleselijke en zwakke macht, waarop men zich niet kan verlaten. Zie Jer. 17:5 ; zo arm voor sterkte, Ps. 10:15 , en Ps. 44:4 ; Jer. 48:25 ; Ez. 30:22 , en vlees voor wat zwak, broos en sterflijk is; Ps. 78:39 ; Jes. 31:3 . Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! Psalmen 10:15 : Breek de arm van de goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat U haar niet vindt. Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt. Jeremia 48:25 : Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt YHWH. Ezechiël 30:22 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Ik wil aan Farao, de koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, zowel de sterken als de verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen. Psalmen 78:39 : En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die heengaat en niet terugkeert. Jesaja 31:3 : Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en YHWH zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.
[^2kronieken-32-8-16]: Kanttekening 16: krijgen te krijgen: Dat is, oorlogen te voeren; zo 1 Sam. 8:20 . 1 Samuël 8:20 : En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.
[^2kronieken-32-8-17]: Kanttekening 17: Dat is, hield zich tevreden, zijnde getroost en zich verlatende op de macht en hulp van YHWH, van welke de koning hen in zijn voorgaande woorden verzekerd had.
[^2kronieken-32-9-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 18:17 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de oppersten vijvers, welke is bij de hogen weg van het veld van de voller.
[^2kronieken-32-9-18]: Kanttekening 18: Versta, heren, oversten, of officieren, die onder zijn gebied stonden. Zie Gen. 20:8 . Genesis 20:8 : Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
[^2kronieken-32-9-19]: Kanttekening 19: al zijn heerschappij: Dat is, macht. Versta, al de vorsten en prinsen, vergezelschapt met hun volk, die onder het gebied van de koning van Assyrië stonden.
[^2kronieken-32-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, zittende zijt. Zitten voor blijven; Gen. 49:24 ; Joz. 1:14 ; 2 Sam. 2:13 , enz. Genesis 49:24 : Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls; Jozua 1:14 : Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar u zult gewapend trekken, voor het aangezicht van uw broers, alle strijdbare helden, en zult hen helpen; 2 Samuël 2:13 : Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de overzijde van de vijver.
[^2kronieken-32-10-21]: Kanttekening 21: Of, sterkte. Anders, belegering.
[^2kronieken-32-11-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 18:30 . 2 Koningen 18:30 : Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op YHWH, zeggende: De YHWH zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.
[^2kronieken-32-11-22]: Kanttekening 22: Of, uitrukken, verlossen.
[^2kronieken-32-12-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 18:22 . 2 Koningen 18:22 : Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op YHWH, onze God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u u buigen te Jeruzalem?
[^2kronieken-32-12-23]: Kanttekening 23: Zijn hoogten: Hij meent van de Heer en ware God, even alsof de beelden van de afgoden niet konden afgebroken worden, dan met omkering en uitroeiing van de rechte godsdienst.
[^2kronieken-32-12-24]: Kanttekening 24: het enige altaar: Te weten, die van de ware God is, en niet voor de altaren van de afgoden. Vergelijk 2 Kon. 18:22 , en de aantekening. 2 Koningen 18:22 : Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op YHWH, onze God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u u buigen te Jeruzalem?
[^2kronieken-32-13-25]: Kanttekening 25: Versta, zijn voorgangers in de Assyrische monarchie, gelijk Salmanasser, die men schrijft zijn vader geweest te zijn; idem Tiglath-Pilezer, Phul Beloches, enz.; zo in vers 14 , 32:15 . 2 Kronieken 32:14 : Wie is er onder alle goden derzelver natiën, dewelke mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden? 2 Kronieken 32:15 : Nu dan, dat Jehizkia u niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en mijner vaderen hand kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?
[^2kronieken-32-13-26]: Kanttekening 26: volken van de landen: Zie van enige van deze volken 2 Kon. 18:34 , en 2 Kon. 19:12 , 19:13 . 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered? 2 Koningen 19:12 : Hebben de goden van de volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelfde gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? 2 Koningen 19:13 : Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
[^2kronieken-32-13-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, kunnende kunnen; dat is, op enigerlei manier, of door enige middelen kunnen redden.
[^2kronieken-32-14-28]: Kanttekening 28: Zie van dit woord Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^2kronieken-32-15-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 18:30 . 2 Koningen 18:30 : Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op YHWH, zeggende: De YHWH zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.
[^2kronieken-32-15-29]: Kanttekening 29: hoeveel te min: Hebreeuws, אַ֚ף, hoeveel te meer zullen uwe goden u niet uit mijn hand kunnen redden.
[^2kronieken-32-15-30]: Kanttekening 30: uw God: Anders, uw goden.
[^2kronieken-32-16-h]: Verwijzing h: 2 Kon. 19:10 . 2 Koningen 19:10 : Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welke u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden.
[^2kronieken-32-16-31]: Kanttekening 31: nog meer: Want zij waren tweemaal van hem gezonden, om de Heer te lasteren en Hizkia te beschimpen: I. als hij met zijn leger lag voor Lachis, 2 Kon. 18:17 ; II. als hij voor Libna lag en zich bereidde om de koning van de Moren tegemoet te gaan; 2 Kon. 19:8 , 19:9 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 19:8 : Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
[^2kronieken-32-17-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 19:14 . 2 Koningen 19:14 : Als nu Hizkia de brieven uit van de boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-32-17-32]: Kanttekening 32: Welke hij in de tweede zending zijn gezanten medegegeven heeft. Zie 2 Kon. 19:14 . 2 Koningen 19:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-32-17-k]: Verwijzing k: 2 Kon. 19:16 . 2 Koningen 19:16 : O, YHWH! neig Uw oor en hoor, doe, YHWH! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die deze gezonden heeft, om de levenden God te honen.
[^2kronieken-32-18-l]: Verwijzing l: 2 Kon. 18:26 ; idem v. 28 . 2 Koningen 18:26 : Toen zei Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. 2 Koningen 18:28 : Zo stond Rabsake, en riep met luide stem in het Joods; en hij sprak en zei: Hoort het woord van de grote konings, van de koning van Assyrië!
[^2kronieken-32-19-33]: Kanttekening 33: Anders, tegen; zo in het volgende.
[^2kronieken-32-19-34]: Kanttekening 34: God van Jeruzalem: Dat is, de ware God, die de Israëlieten uit zonderlinge genade tot zijn volk en eigendom uit de volken van de aarde gekozen en aangenomen had, en beloofd daaronder te wonen, maar bepaald te Jeruzalem in de tempel, waar de ark was, een teken van zijn aanwezigheid.
[^2kronieken-32-20-m]: Verwijzing m: 2 Kon. 19:15 . 2 Koningen 19:15 : En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt.
[^2kronieken-32-20-35]: Kanttekening 35: Zie het gebed van Hizkia beschreven, 2 Kon. 19:15 , 19:16 . 2 Koningen 19:15 : En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 2 Koningen 19:16 : O, YHWH! neig Uw oor en hoor, doe, YHWH! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die deze gezonden heeft, om de levende God te honen.
[^2kronieken-32-20-36]: Kanttekening 36: Anders, daarom.
[^2kronieken-32-21-n]: Verwijzing n: 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^2kronieken-32-21-37]: Kanttekening 37: in het leger: Zie 2 Kon. 19:35 ; Jes. 37:36 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^2kronieken-32-21-o]: Verwijzing o: 2 Kon. 19:37 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-32-21-38]: Kanttekening 38: Genaamd Nisroch; 2 Kon. 19:37 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-32-21-39]: Kanttekening 39: ingegaan was: Te weten, om aan te bidden. Zie de voorgemelde plaats.
[^2kronieken-32-21-40]: Kanttekening 40: die uit zijn lijf: Hebreeuws, הִפִּילֻ֥, de uitgekomenen, of de voortkomingen van zijn ingewanden of \[enige\] uit de voortgekomenen van zijn ingewanden. Versta, twee van zijn zonen, genaamd Adramelech en Sareser; 2 Kon. 19:37 . Vergelijk de manier van spreken met anderen, die gelijken zin hebben, Gen. 35:11 , en Gen. 46:26 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen. Genesis 46:26 : Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
[^2kronieken-32-22-41]: Kanttekening 41: hand van allen: Dat is, van alle vorsten, krijgsoversten en krijgslieden, die met Sanherib gekomen waren.
[^2kronieken-32-22-42]: Kanttekening 42: Te weten, gelijk een herder zijn schapen; hen regerende, onderhoudende en beschermende van alle zijden.
[^2kronieken-32-23-43]: Kanttekening 43: verheven werd: Anders, zich verhief. Zie vers 25 . 2 Kronieken 32:25 : Maar Jehizkia deed gene vergelding, naar de weldaad aan hem geschied, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toornigheid.
[^2kronieken-32-24-p]: Verwijzing p: 2 Kon. 20:1 ; Jes. 38:1 . 2 Koningen 20:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven. Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^2kronieken-32-24-44]: Kanttekening 44: Zie hiervan breder, met de verklaring hier behorende; 2 Kon. 20:1 , enz.; idem Jes. 38:1 . 2 Koningen 20:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven. Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^2kronieken-32-24-45]: Kanttekening 45: bad tot YHWH: Zie zijn gebed 2 Kon. 20:3 . 2 Koningen 20:3 : Och, YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende geheel zeer.
[^2kronieken-32-24-46]: Kanttekening 46: sprak tot hem: Door de profeet Jesaja.
[^2kronieken-32-24-47]: Kanttekening 47: Zie hiervan 2 Kon. 20:9 . 2 Koningen 20:9 : En Jesaja zei: Dit zal u een teken van YHWH zijn, dat YHWH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts keren?
[^2kronieken-32-25-48]: Kanttekening 48: deed gene vergelding: Dat is, hij gedroeg zich niet tegen de Heer gelijk het betaamde, die hem zoveel weldaden had gedaan, opdat hij zich in alle ootmoedigheid gedragen zou onder zijn hand, niet opdat hij zich door hoogmoed opsteken zou, gelijk hij deed met al zijn schatten de gezanten van Babel te vertonen.
[^2kronieken-32-25-49]: Kanttekening 49: Te weten, van YHWH; versta, de inneming van de stad Jeruzalem en de Babylonische gevangenis, die God, naar zijn rechtvaardige toorn, over de Joden heeft laten komen, 2 Kon. 20:17 , 20:18 . 2 Koningen 20:17 : Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. 2 Koningen 20:18 : Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel.
[^2kronieken-32-26-q]: Verwijzing q: 2 Kon. 20:19 . 2 Koningen 20:19 : Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van YHWH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Zou het niet, aangezien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?
[^2kronieken-32-26-50]: Kanttekening 50: Zie deze verootmoediging 2 Kon. 20:19 . 2 Koningen 20:19 : Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van YHWH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Zou het niet, aangezien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?
[^2kronieken-32-27-51]: Kanttekening 51: begeerlijk gereedschap: Hebreeuws, חֶמְדָּֽה, gereedschap, of vaten van de begeerlijkheid, of kostelijke vaten of gereedschap, want het kostelijke pleegt zeer met lust begeerd te worden. Zo onder, 2 Kron. 36:10 , 36:19 . 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. 2 Kronieken 36:19 : En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
[^2kronieken-32-28-52]: Kanttekening 52: voor allerlei beesten: Hebreeuws, בְּהֵמָ֣ה, voor beesten en beesten.
[^2kronieken-32-28-53]: Kanttekening 53: kooien voor de kudden: Gelijk de stallen waren voor de grote beesten, zo de kooien voor het kleine vee. Anders, en stallen voor de kudden; te weten, van de schapen en geiten; of, en kudden in de stallen.
[^2kronieken-32-30-54]: Kanttekening 54: Of, watergang, waterloop, fonteinader van het water van Gihon.
[^2kronieken-32-30-55]: Kanttekening 55: Zie 1 Kon. 1:33 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 1:33 : En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten van uw heer, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon.
[^2kronieken-32-30-56]: Kanttekening 56: Te weten, die wateren.
[^2kronieken-32-30-57]: Kanttekening 57: van de stad van David: Zie 1 Kon. 2:10 . 1 Koningen 2:10 : En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van David.
[^2kronieken-32-31-58]: Kanttekening 58: vorsten van Babel: Versta, de raadsheren van de koning van Babel, die met zijn goedvinden deze gezanten afgezonden hebben; om welke oorzaak gezegd wordt dat zij hun gezanten waren, die 2 Kon. 20:12 de gezanten van de koning worden geheten. De zending geschiedt door de koning en zijn raadsheren. Zie Jes. 37:14 . 2 Koningen 20:12 : In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was. Jesaja 37:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH.
[^2kronieken-32-31-59]: Kanttekening 59: dat wonderteken: Dat namelijk aan de zon geschied was, om Hizkia's wil; 2 Kon. 20:10 , 20:11 . 2 Koningen 20:10 : Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduwe licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere. 2 Koningen 20:11 : En Jesaja, de profeet, riep YHWH aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer.
[^2kronieken-32-31-60]: Kanttekening 60: verliet hem God: Versta, een zulke verlating, waardoor God de zijnen niet voor altijd verlaat noch ten enenmale, maar alleen hun voor een zekeren tijd enige hulp en versterking onthoudt, niet om hen te doen vergaan, maar te beproeven, te vernederen en op te wekken tot hun schuldigen plicht, en andere mensen door hun exempel te onderwijzen.
[^2kronieken-32-31-61]: Kanttekening 61: te verzoeken: Van de verzoeking Gods, zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^2kronieken-32-31-62]: Kanttekening 62: te weten: Dat is, opdat God aan Hizkia en de gehele kerk bekendmaakte. Want God heeft met de voorgemelde verlating hem voor een wijle beproefd, opdat hij zichzelven zou kennen, en uit het gevoel van zijn zwakheid en onvermogen oorzaak hebben om zich te vernederen; en dat in hem alle gelovigen hun zwakheid ziende, in vrees en beving hun zaligheid zouden werken. Vergelijk Deut. 8:2 , en Gen. 22:12 met de aantekening. Deuteronomium 8:2 : En u zult gedenken aan al de weg, die u YHWH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zoudt houden, of niet. Genesis 22:12 : Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.
[^2kronieken-32-32-63]: Kanttekening 63: Te weten, dat hij het volk van God bewezen heeft, met alle afgoderij weg te nemen, de zuivere godsdienst voor te staan, enz. Vergelijk onder, 2 Kron. 35:26 . 2 Kronieken 35:26 : Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet van YHWH;
[^2kronieken-32-32-64]: Kanttekening 64: Dat is, profetie. Versta, het boek van zijn profetie; en zie daarin van het 36e hoofdstuk tot het 40e .
[^2kronieken-32-33-r]: Verwijzing r: 2 Kon. 20:21 . 2 Koningen 20:21 : En Hizkia ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-32-33-65]: Kanttekening 65: Versta, een plaats, die wat meer verheven was, en daarom de waardigste onder de andere.

### 2 Kronieken 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/33.json)

*Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1 enz. daarom dreigt en straft God hem, zodat hij gevankelijk naar Babel weggevoerd wordt, 10. Daar bekeert hij zich, zodat hij weer in zijn rijk hersteld wordt, 12. wat hij daarna gedaan heeft, 14. hij sterft, 20. zijn zoon Amon is een goddeloos koning na hem, 21. wordt door zijn knechten vermoord, 24. Josia, zijn zoon, komt in zijn plaats, 26.*

**1** [^2kronieken-33-1-1] Manasse was[^2kronieken-33-1-2] twaalf jaar oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v1)

**2** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar[^2kronieken-33-2-3] de gruwelijke dingen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v2)

**3** Want[^2kronieken-33-3-4] hij bouwde de hoogten weer op,[^2kronieken-33-3-a] die zijn vader Jehizkia[^2kronieken-33-3-5] afgebroken had, en[^2kronieken-33-3-6] richtte voor de[^2kronieken-33-3-7] Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neer voor al het[^2kronieken-33-3-8] leger van de hemel, en diende ze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v3)

**4** [^2kronieken-33-4-b] En bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: [^2kronieken-33-4-c] Te Jeruzalem zal[^2kronieken-33-4-9] Mijn Naam zijn tot in[^2kronieken-33-4-10] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v4)

**5** Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in[^2kronieken-33-5-11] beide de voorhoven van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v5)

**6** En hij deed[^2kronieken-33-6-12] zijn zonen[^2kronieken-33-6-d] door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde bezwering, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren;[^2kronieken-33-6-13] en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v6)

**7** [^2kronieken-33-7-14] Hij stelde ook de[^2kronieken-33-7-15] gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God gezegd had[^2kronieken-33-7-16] tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v7)

**8** En Ik zal de voet van Israël niet meer[^2kronieken-33-8-17] doen wijken van het land, dat Ik uw vaders besteld heb; alleen zo zij waarnemen te doen, al wat Ik hun geboden heb, naar de hele[^2kronieken-33-8-18] wet, en voorschriften, en rechten,[^2kronieken-33-8-19] door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v8)

**9** Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij[^2kronieken-33-9-20] erger deden dan de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v9)

**10** YHWH[^2kronieken-33-10-21] sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v10)

**11** Daarom[^2kronieken-33-11-e] bracht YHWH over hen de oorlogsoversten, die de koning van Assyrië had, die Manasse gevangen namen onder[^2kronieken-33-11-22] de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v11)

**12** En als[^2kronieken-33-12-23] hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van YHWH, van zijn God, ernstig aan,[^2kronieken-33-12-24] en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaders, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v12)

**13** En bad[^2kronieken-33-13-25] Hem; en[^2kronieken-33-13-26] Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weer te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen[^2kronieken-33-13-27] erkende Manasse, dat God YHWH is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v13)

**14** En na deze[^2kronieken-33-14-28] bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van[^2kronieken-33-14-29] Gihon in het dal, en tot de ingang van de[^2kronieken-33-14-30] Vispoort, en omsingelde[^2kronieken-33-14-31] Ofel, en verhief[^2kronieken-33-14-32] die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle versterkte steden in Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v14)

**15** En hij nam de[^2kronieken-33-15-33] vreemde goden en[^2kronieken-33-15-34] die gelijkenis uit het huis van YHWH weg, en ook al de altaren, die hij gebouwd had op de[^2kronieken-33-15-35] berg van het huis van YHWH, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v15)

**16** En[^2kronieken-33-16-36] hij richtte het altaar van YHWH toe, en offerde daarop dankoffers en lofoffers, en zei tot Juda, dat zij YHWH, de God van Israël, dienen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v16)

**17** Maar het volk offerde nog op de hoogten,[^2kronieken-33-17-37] hoewel aan YHWH, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v17)

**18** Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van[^2kronieken-33-18-38] de zieners, die tot hem gesproken hebben[^2kronieken-33-18-39] in de Naam van YHWH, de God van Israël, ziet, die zijn in[^2kronieken-33-18-40] de geschiedenissen van de koningen van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v18)

**19** En[^2kronieken-33-19-41] zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, voordat hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden[^2kronieken-33-19-42] van de zieners. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v19)

**20** En Manasse ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem[^2kronieken-33-20-43] in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v20)

**21** [^2kronieken-33-21-f] Amon was[^2kronieken-33-21-44] twee en twintig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v21)

**22** En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, zoals zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al de gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v22)

**23** Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht van YHWH, zoals Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon[^2kronieken-33-23-45] vermenigvuldigde de schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v23)

**24** En zijn knechten maakten een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v24)

**25** Maar het volk van het[^2kronieken-33-25-46] land sloeg hen allen, die de samenzwering tegen de koning Amon gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/33.html#v25)

[^2kronieken-33-1-1]: Kanttekening 1: Manasse was: Zie bredere verklaring, tot 2 Kron. 33 behorende, 2 Kon. 21:1 , 21:2 , enz. alwaar deze historie eerst beschreven is. 2 Koningen 21:1 : Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hefzi-bah. 2 Koningen 21:2 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^2kronieken-33-1-2]: Kanttekening 2: twaalf jaren oud: Hebreeuws, עֶשְׂרֵ֛ה, een zoon van twaalf jaar.
[^2kronieken-33-2-3]: Kanttekening 3: de gruwelen: Zie van deze Deut. 18:9 , 18:10 , enz. Deuteronomium 18:9 : Wanneer u komt in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u niet leren te doen naar de gruwelen van die volken. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.
[^2kronieken-33-3-4]: Kanttekening 4: hij bouwde: Hebreeuws, יִּ֨בֶן֙, hij keerde weer en bouwde; dat is, hij bouwde weer. Zie Num. 11:4 . Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^2kronieken-33-3-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 18:4 ; 2 Kron. 31:1 ; 2 Kron. 32:12 . 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan. 2 Kronieken 31:1 : Als zij nu dit alles voltooid hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit geheel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen van Israël weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden. 2 Kronieken 32:12 : Heeft niet dezelfde Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult u u nederbuigen, en daarop roken?
[^2kronieken-33-3-5]: Kanttekening 5: afgebroken had: En dat naar Gods uitgedrukt bevel; Ex. 34:13 ; Num. 33:53 ; Deut. 12:3 . Exodus 34:13 : Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. Numeri 33:53 : En u zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om het erfelijk te bezitten. Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^2kronieken-33-3-6]: Kanttekening 6: Hij wordt 2 Kon. 21:3 in afgoderij bij Achab vergeleken; van wiens gruwelijke afgoderij, zie 1 Kon. 16:31 , 16:32 , 16:33 . 2 Koningen 21:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze. 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem. 1 Koningen 16:32 : En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. 1 Koningen 16:33 : Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om YHWH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren.
[^2kronieken-33-3-7]: Kanttekening 7: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2kronieken-33-3-8]: Kanttekening 8: legermacht van de hemel: Zie Deut. 4:19 , en 2 Kon. 21:3 , zo onder, vers 5 . Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, de gehele legermacht van de hemel; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; dewelke YHWH, uw God, aan alle volken onder de ganse hemel heeft uitgedeeld. 2 Koningen 21:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze. 2 Kronieken 33:5 : Daartoe bouwde hij altaren voor al de legermacht van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van YHWH.
[^2kronieken-33-4-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 21:4 . 2 Koningen 21:4 : En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.
[^2kronieken-33-4-c]: Verwijzing c: Deut. 12:5 ; idem v. 11 ; 2 Sam. 7:13 ; 1 Kon. 8:29 ; 1 Kon. 9:3 ; 2 Kron. 7:16 ; Ps. 132:13 ; idem v. 14 ; Jer. 32:34 . Deuteronomium 12:5 : Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; Deuteronomium 12:11 : Dan zal er een plaats zijn, die YHWH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uw hand, en alle keur uw geloften, die u YHWH beloven zult. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 1 Koningen 9:3 : En YHWH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te alle dage. 2 Kronieken 7:16 : Want Ik heb nu dit huis gekozen en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te alle dage zijn. Psalmen 132:13 : Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Jeremia 32:34 : Maar zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen.
[^2kronieken-33-4-9]: Kanttekening 9: Mijn Naam: Zie 1 Kon. 8:16 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.
[^2kronieken-33-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, gedurende de tijd van de wet. Zie Gen. 13:15 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-33-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk, in het voorhof van de priesters en het voorhof van het volk. Zie van deze 1 Kon. 6:36 , en 1 Kon. 7:9 . 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken. 1 Koningen 7:9 : Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof.
[^2kronieken-33-6-12]: Kanttekening 12: zijn zonen: 2 Kon. 21:6 staat maar van een zoon, die hij door het vuur deed gaan. Dat zal men verstaan van een bijzonderlijk, of deze plaats van een zijn zonen; gelijk het veelvoudig getal voor het enkele aldus meermalen genomen wordt. Zie Gen. 19:29 . 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
[^2kronieken-33-6-d]: Verwijzing d: Lev. 18:21 ; Deut. 18:10 ; 2 Kon. 16:3 ; 2 Kron. 28:3 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uw Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Kronieken 28:3 : Dezelfde rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^2kronieken-33-6-13]: Kanttekening 13: en hij deed: Hebreeuws, הֶעֱבִ֨יר, hij vermenigvuldigde kwaad te doen; zo Ex. 36:5 ; het volk vermenigvuldigt te brengen; dat is, brengt zeer veel; 1 Sam. 1:12 ; vermenigvuldigde te bidden; dat is, bad zeer veel; 2 Kron. 36:14 ; vermenigvuldigde met overtreding te overtreden; dat is, maakte van de overtreding zeer veel; Jes. 55:7 ; hij vermenigvuldigt te vergeven; dat is, vergeeft veel en dikwijls; Amos 4:4 ; vermenigvuldigt te overtreden; dat is, maakt van de overtreding veel. Exodus 36:5 : En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste van het werk, dat YHWH te maken geboden heeft. 1 Samuël 1:12 : Het geschiedde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht van YHWH, zo gaf Eli acht op haar mond. 2 Kronieken 36:14 : Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem. Jesaja 55:7 : De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot YHWH, zo zal Hij Zich Zijn ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Amos 4:4 : Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van de overtreding veel, en brengt uw offers van de morgen, uw tienden om de drie dagen!
[^2kronieken-33-7-14]: Kanttekening 14: Hij stelde ook: Tegen Gods bevel; Ex. 20:4 ; Lev. 26:1 ; Deut. 5:8 , en Deut. 16:22 , enz. Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Leviticus 26:1 : U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 5:8 : U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; Deuteronomium 16:22 : Ook zult u u geen opgericht beeld stellen, dat YHWH, uw God, haat.
[^2kronieken-33-7-15]: Kanttekening 15: gesneden beeld: Dit beeld wordt 2 Kon. 21:7 genaamd het beeld van het bos, of bosgod, omdat het gestaan had in een afgodisch bos, dat Manasse de afgoden ter ere gemaakt had. Zie boven, vers 3 . 2 Koningen 21:7 : Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan YHWH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid. 2 Kronieken 33:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte de Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al de legermacht van de hemel, en diende ze;
[^2kronieken-33-7-16]: Kanttekening 16: tot David: Zie boven, vers 4 . 2 Kronieken 33:4 : En bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-33-8-17]: Kanttekening 17: doen wijken: Dat is, uit hun land doen ruimen en wegvoeren gelijk de tien stammen door Salmanasser, de koning van Assyrië, geschied was; 2 Kron. 18:11 . Vergelijk 2 Kon. 21:8 . 2 Kronieken 18:11 : En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal hen in de hand van de koning geven. 2 Koningen 21:8 : En Ik zal niet voortvaren de voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de gehele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.
[^2kronieken-33-8-18]: Kanttekening 18: Versta door het woord wet, de wet van de zeden; door de inzettingen de wet van de ceremoniën; door de rechten, de burgerlijke rechten; dat is, al wat God geboden had, gelijk er staat 2 Kon. 21:8 . Vergelijk de aantekening Gen. 26:5 ; Deut. 5:31 ; 1 Kon. 2:3 . 2 Koningen 21:8 : En Ik zal niet voortvaren de voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de gehele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft. Genesis 26:5 : Daarom Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten. Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven. 1 Koningen 2:3 : En neem waar de wacht van YHWH, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u u wenden zult;
[^2kronieken-33-8-19]: Kanttekening 19: door de hand: Dat is, die Ik door de dienst van Mozes gegeven en geboden heb. Vergelijk 2 Kon. 21:8 . 2 Koningen 21:8 : En Ik zal niet voortvaren de voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de gehele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.
[^2kronieken-33-9-20]: Kanttekening 20: Zie 2 Kon. 21:9 . 2 Koningen 21:9 : Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël verdelgd had.
[^2kronieken-33-10-21]: Kanttekening 21: Te weten, door zijn knechten de profeten; 2 Kon. 21:10 . 2 Koningen 21:10 : Toen sprak YHWH door de dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende:
[^2kronieken-33-11-e]: Verwijzing e: Deut. 28:36 ; Job 36:8 . Deuteronomium 28:36 : De YHWH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaderen; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen. Job 36:8 : En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende;
[^2kronieken-33-11-22]: Kanttekening 22: de doornen: Waarin hij zich verstopt had, als hij op het veld door deze rovers is verrast geworden. Vergelijk 1sam. 13:6.
[^2kronieken-33-12-23]: Kanttekening 23: hij hem benauwde: Namelijk, de heer, of de koning van Assyrië. Anders, als hij in benauwdheid was.
[^2kronieken-33-12-24]: Kanttekening 24: en vernederde: Te weten, met bewijs van berouw over zijn voorgaand leven en belofte van betering in het toekomende.
[^2kronieken-33-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk, de Heer.
[^2kronieken-33-13-26]: Kanttekening 26: Hij liet Zich: Zie gelijke manier van spreken Gen. 25:21 . Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
[^2kronieken-33-13-27]: Kanttekening 27: erkende Manasse: Dat is, werd gewaar, en bevond metterdaad, en werd overtuigd in zijn consciëntie dat de Heer alleen de ware God was en niet de afgoden. Zo is het Hebreeuwse woord genomen Gen. 3:7 , en boven, 2 Kron. 32:31 . Genesis 3:7 : Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. 2 Kronieken 32:31 : Maar het is zo, als de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
[^2kronieken-33-14-28]: Kanttekening 28: bouwde hij: Dat is, volbouwde de muur, die Hizkia begonnen had, boven, 2 Kron. 32:5 , of beterde en vermaakte de muur, die misschien enige schade geleden had. 2 Kronieken 32:5 : Zo versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die gebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte.
[^2kronieken-33-14-29]: Kanttekening 29: Zie 1 Kon. 1:33 , en boven, 2 Kron. 32:4 , 32:30 . 1 Koningen 1:33 : En de koning zei tot hen: Neemt met u de knechten uw heren, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon. 2 Kronieken 32:4 : Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, en ook de beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel waters vinden? 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.
[^2kronieken-33-14-30]: Kanttekening 30: Zie Neh. 3:3 . Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^2kronieken-33-14-31]: Kanttekening 31: Zie boven, 2 Kron. 27:3 . 2 Kronieken 27:3 : Deze bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel.
[^2kronieken-33-14-32]: Kanttekening 32: die zeer: Te weten, muur.
[^2kronieken-33-15-33]: Kanttekening 33: vreemde goden: Zie Gen. 35:2 . Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^2kronieken-33-15-34]: Kanttekening 34: die gelijkenis: Van welke gesproken is boven, vers 7 ; zie de aantekening daarop. 2 Kronieken 33:7 : Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.
[^2kronieken-33-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, de berg waarop het huis van YHWH stond, genaamd Moria; zie boven, 2 Kron. 3:1 . 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^2kronieken-33-16-36]: Kanttekening 36: hij richtte: Of, herbouwde het altaar; te weten, opdat hij bekwaam mocht zijn om daarop te offeren.
[^2kronieken-33-17-37]: Kanttekening 37: Vergelijk 1 Kon. 3:2 , 3:3 . 1 Koningen 3:2 : Alleen offerde het volk op de hoogten, want geen huis was voor de Naam van YHWH gebouwd, tot die dagen toe. 1 Koningen 3:3 : En Salomo had YHWH lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleen offerde hij en rookte op de hoogten.
[^2kronieken-33-18-38]: Kanttekening 38: Dat is, van de profeten; zie boven, 2 Kron. 9:29 . 2 Kronieken 9:29 : Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^2kronieken-33-18-39]: Kanttekening 39: in de Naam: Dat is, door de last van YHWH en bevel; zo Deut. 18:19 , 18:20 , en 2 Kon. 2:24 . Zie in deze laatste plaats de aantekening. Deuteronomium 18:19 : En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken. Deuteronomium 18:20 : Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven. 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen twee en veertig kinderen.
[^2kronieken-33-18-40]: Kanttekening 40: Dat is, in de memorie van de geschiedenissen van de koningen van Israël.
[^2kronieken-33-19-41]: Kanttekening 41: zijn gebed: Dat sommigen menen te zijn dat in de Apocriefe boeken gelezen wordt.
[^2kronieken-33-19-42]: Kanttekening 42: van de zieners: Dat is, van de profeten, gelijk boven, vers 18 , zodat hier Hosai zou zijn voor Hosim. De profeten hebben dan meest de historiën en memoriën van de dingen, die geschiedden, gesteld en uitgegeven, opdat zij van de gemeente tot vermaningen en waarschuwingen mochten dienen. Anders, in de geschiedenissen van Hosai, houdende dit woord de naam geweest te zijn van een profeet, van wie men nergens leest. 2 Kronieken 33:18 : Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de Naam van YHWH, de God van Israël, ziet, die zijn in de geschiedenissen van de koningen van Israël;
[^2kronieken-33-20-43]: Kanttekening 43: in zijn huis: Dat is, in de hof van zijn huis; 2 Kon. 21:18 . 2 Koningen 21:18 : En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de hof van zijn huis, in de hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
[^2kronieken-33-21-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 21:19 . 2 Koningen 21:19 : Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba.
[^2kronieken-33-21-44]: Kanttekening 44: twee en twintig: Hebreeuws, שְׁתַּ֛יִם, een zoon van twee en twintig jaar.
[^2kronieken-33-23-45]: Kanttekening 45: Of, vermeerderde. Vergelijk boven, vers 6 , en in de aantekening een bijna gelijke manier van spreken. 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^2kronieken-33-25-46]: Kanttekening 46: sloeg hen allen: Dat is, doodde hen. Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mens; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.

### 2 Kronieken 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/34.json)

*Josia is godvrezend, vers 1 enz. roeit alle afgoderij uit, 4. repareert de tempel, 8. De hogepriester Hilkia vindt het wetboek in de tempel, 14. De koning laat daarover de HEERE raadplegen door de profetes Hulda, 20. die profeteert dat het koninkrijk Juda zou ten ondergaan, 23. maar niet tijdens het leven van Josia, 26. die daarover de gemeente laat verzamelen en het wetboek voorlezen, en het verbond met God vernieuwt, 29.*

**1** [^2kronieken-34-1-1] Josia was[^2kronieken-34-1-2] acht jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v1)

**2** En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, en[^2kronieken-34-2-3] wandelde in de wegen van zijn vader David, en week[^2kronieken-34-2-4] niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v2)

**3** Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog[^2kronieken-34-3-5] een jongeling was, begon hij de God van zijn vader David te[^2kronieken-34-3-6] zoeken; en in het[^2kronieken-34-3-7] twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem[^2kronieken-34-3-a] van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v3)

**4** En men brak[^2kronieken-34-4-8] voor zijn aangezicht af de altaren[^2kronieken-34-4-9] van de Baäls; en de[^2kronieken-34-4-10] zonnebeelden, die omhoog daarboven[^2kronieken-34-4-11] waren, hieuw hij af; de[^2kronieken-34-4-12] bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en[^2kronieken-34-4-13] strooide hij op de graven van degenen, die hun geofferd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v4)

**5** En[^2kronieken-34-5-14] de beenderen van de priesters verbrandde hij op[^2kronieken-34-5-15] hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v5)

**6** Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe,[^2kronieken-34-6-16] in haar woeste plaatsen rondom, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v6)

**7** Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden[^2kronieken-34-7-17] stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het hele land van Israël; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v7)

**8** In[^2kronieken-34-8-b] het achttiende jaar nu van zijn regering, als hij het land en het[^2kronieken-34-8-18] huis[^2kronieken-34-8-19] gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Maaseja, de[^2kronieken-34-8-20] overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier,[^2kronieken-34-8-21] om het huis van YHWH, van zijn God, te verbeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v8)

**9** En zij kwamen[^2kronieken-34-9-22] tot Hilkia, de[^2kronieken-34-9-23] hogepriester, en[^2kronieken-34-9-24] zij gaven het geld, dat in het huis van God gebracht was, dat de Levieten, die de[^2kronieken-34-9-25] dorpel bewaarden, verzameld hadden uit de hand[^2kronieken-34-9-26] van Manasse en Efraïm, en uit[^2kronieken-34-9-27] het hele overblijfsel van Israël, en uit geheel Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen[^2kronieken-34-9-28] waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v9)

**10** [^2kronieken-34-10-29] Zij nu gaven het in de hand[^2kronieken-34-10-30] van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van YHWH, en deze gaven dat aan degenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis van YHWH, om het huis te[^2kronieken-34-10-31] vermaken en te verbeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v10)

**11** [^2kronieken-34-11-c] Want zij gaven het de werkmeesters en de bouwers, om[^2kronieken-34-11-32] gehouwen stenen te kopen, en hout tot de[^2kronieken-34-11-33] samenvoegingen, en om de[^2kronieken-34-11-34] huizen te zolderen, die[^2kronieken-34-11-35] de koningen van Juda verdorven hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v11)

**12** En die mannen handelden[^2kronieken-34-12-36] trouw in dit werk; en de[^2kronieken-34-12-37] bestelden daarover waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven;[^2kronieken-34-12-38] en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v12)

**13** Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in[^2kronieken-34-13-39] enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en[^2kronieken-34-13-40] voormannen, en poortwachters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v13)

**14** En als zij het geld uitnamen, dat in het huis van YHWH gebracht was, vond de priester Hilkia[^2kronieken-34-14-41] het wetboek van YHWH, gegeven door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v14)

**15** En Hilkia[^2kronieken-34-15-42] antwoordde en zei tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis van YHWH. En Hilkia gaf Safan dat boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v15)

**16** En Safan droeg dat boek tot de koning; daarbij bracht hij nog de koning[^2kronieken-34-16-43] bescheid weer, zeggende:[^2kronieken-34-16-44] Al wat in de hand van uw knechten gegeven is, dat doen zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v16)

**17** En zij hebben het geld samengestort,[^2kronieken-34-17-45] dat in het huis van YHWH gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de bestelden, en in de hand van degenen, die het werk[^2kronieken-34-17-46] maakten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v17)

**18** Verder gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v18)

**19** Het gebeurde nu, als de koning de woorden van de wet hoorde, dat[^2kronieken-34-19-47] hij zijn kleren scheurde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v19)

**20** En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en[^2kronieken-34-20-48] Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v20)

**21** Ga heen, vraagt YHWH voor mij, en voor[^2kronieken-34-21-49] het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de woede van YHWH is groot, die over ons[^2kronieken-34-21-50] uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord van YHWH, om te doen naar al wat in dat boek geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v21)

**22** Toen ging Hilkia heen, en die[^2kronieken-34-22-51] van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon[^2kronieken-34-22-52] van Tokhath, de zoon van Hasra, de[^2kronieken-34-22-53] klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het[^2kronieken-34-22-54] tweede deel; en zij spraken[^2kronieken-34-22-55] dat tot haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v22)

**23** En zij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zeg de man, die u tot mij gezonden heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v23)

**24** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal[^2kronieken-34-24-56] kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek,[^2kronieken-34-24-57] dat men voor het aangezicht van de koning van Juda gelezen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v24)

**25** Omdat zij[^2kronieken-34-25-58] Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle[^2kronieken-34-25-59] werken van hun handen; zo zal Mijn woede uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v25)

**26** Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om YHWH te vragen, tot hem zult u zo zeggen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Voor wat betreft de woorden,[^2kronieken-34-26-60] die u hebt gehoord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v26)

**27** Omdat uw hart[^2kronieken-34-27-61] week geworden is, en u zich voor het aangezicht van God vernederd hebt, als u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw kleren gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v27)

**28** Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaders, en u zult[^2kronieken-34-28-62] met vrede in uw[^2kronieken-34-28-63] graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten de koning dit antwoord weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v28)

**29** [^2kronieken-34-29-d] Toen zond de koning heen, en verzamelde alle[^2kronieken-34-29-64] oudsten van Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v29)

**30** En de koning ging op in het huis van YHWH, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en ook de priesters en de Levieten, en al het volk, van de grote tot de kleine toe; en[^2kronieken-34-30-65] men las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van YHWH gevonden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v30)

**31** En de koning stond in zijn[^2kronieken-34-31-66] standplaats, en[^2kronieken-34-31-e] maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn[^2kronieken-34-31-67] getuigenissen, en Zijn voorschriften,[^2kronieken-34-31-68] met zijn hele hart en met zijn hele ziel, te onderhouden, doende de woorden van het verbond, die in dat boek geschreven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v31)

**32** En hij[^2kronieken-34-32-69] deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem[^2kronieken-34-32-70] deden naar het verbond van God, de God van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v32)

**33** Josia dan deed alle[^2kronieken-34-33-71] gruwelijke dingen weg uit alle landen, die van de Israëlieten waren, en[^2kronieken-34-33-72] maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen; te dienen YHWH, hun God;[^2kronieken-34-33-73] al zijn dagen[^2kronieken-34-33-74] weken zij niet af[^2kronieken-34-33-75] van YHWH, de God van hun vaders, na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/34.html#v33)

[^2kronieken-34-1-1]: Kanttekening 1: Josia was: Zie bredere verklaring van 2 Kron. 34 , 2 Kon. 22 , en 2 Kon. 23 , waar deze historie eerst beschreven is.
[^2kronieken-34-1-2]: Kanttekening 2: acht jaren oud: Hebreeuws, שָׁנִ֖ים, een zoon van acht jaren. Zie Gen. 5:32 . Genesis 5:32 : En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth.
[^2kronieken-34-2-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Kon. 15:26 . 1 Koningen 15:26 : En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^2kronieken-34-2-4]: Kanttekening 4: week niet af: Dat is, verliet de rechte weg niet op enigerlei manier. Zie Deut. 5:32 . Deuteronomium 5:32 : Neemt dan waar, dat u doet, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.
[^2kronieken-34-3-5]: Kanttekening 5: een jongeling was: Te weten, van zestien jaren oud.
[^2kronieken-34-3-6]: Kanttekening 6: Zie boven, 2 Kron. 15:2 . 2 Kronieken 15:2 : En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! De YHWH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
[^2kronieken-34-3-7]: Kanttekening 7: twaalfde jaar: Te weten, zijn regering toen hij twintig jaren oud was.
[^2kronieken-34-3-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 13:2 . 1 Koningen 13:2 : En hij riep tegen het altaar, door het woord van YHWH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt YHWH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
[^2kronieken-34-4-8]: Kanttekening 8: voor zijn aangezicht: Dat is, door zijn bevel, in zijn aanwezigheid daar hij het aanzag.
[^2kronieken-34-4-9]: Kanttekening 9: Zie Richt. 2:11 . Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^2kronieken-34-4-10]: Kanttekening 10: Zie van deze Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^2kronieken-34-4-11]: Kanttekening 11: daarboven waren: Te weten, altaren, over welke zij omhoog waren gesteld.
[^2kronieken-34-4-12]: Kanttekening 12: bossen ook: Dat is, beelden van het bos; zo vers 7 . 2 Kronieken 34:7 : Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het gehele land van Israël; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
[^2kronieken-34-4-13]: Kanttekening 13: Zie 2 Kron. 23:6 . 2 Kronieken 23:6 : Maar dat niemand kome in het huis van YHWH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht van YHWH waarnemen.
[^2kronieken-34-5-14]: Kanttekening 14: de beenderen: Vergelijk dit met 2 Kon. 23:20 , en de aantekening daarop. 2 Koningen 23:20 : En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op die. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
[^2kronieken-34-5-15]: Kanttekening 15: hun altaren: Te weten, van de beelden, en dat tot meerdere verfoeiing en verontreiniging van hun altaren, zijnde die dingen voor onrein geacht, welke van dode lichamen of beenderen aangeroerd waren. Vergelijk 2 Kon. 23:20 . 2 Koningen 23:20 : En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op die. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
[^2kronieken-34-6-16]: Kanttekening 16: in haar woeste: Dat is, in het land van Israël, dat verwoest was door de vervoering van de tien stammen in Assyrië. Anders, met hun bijlen, of houwmessen of hamers, of spaden, of scheppen; te weten, waarmee zij de afgodische bossen, beelden, altaren, huizen, hoogten, enz., uitroeiden en afwierpen. Het Hebreeuwse woord, dat hier gevonden wordt, is Ez. 26:9 gebruikt voor instrumenten, waarmee iets afgeworpen, verdelgd en uitgeroeid wordt. Ezechiël 26:9 : En hij zal muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn zwaarden afbreken.
[^2kronieken-34-7-17]: Kanttekening 17: stampte hij: Dat is, hij stiet ze zo, alsof zij in een mortier of door enig molenwerk waren verbrijzeld geweest. Vergelijk Deut. 9:21 . Deuteronomium 9:21 : Maar uw zonde, het kalf, dat u hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet.
[^2kronieken-34-8-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 22:3 . 2 Koningen 22:3 : Het geschiedde nu in het achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van YHWH, zeggende:
[^2kronieken-34-8-18]: Kanttekening 18: Te weten, Gods, dat is, de tempel.
[^2kronieken-34-8-19]: Kanttekening 19: Te weten, van de vuiligheden en smetten van de afgoderij.
[^2kronieken-34-8-20]: Kanttekening 20: Vergelijk 1 Kon. 22:26 , en 2 Kon. 23:8 . 1 Koningen 22:26 : De koning van Israël nu zei: Neem Micha, en breng hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning; 2 Koningen 23:8 : En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten van de poorten af, ook die aan de deur van de poort van Jozua, de overste van de stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
[^2kronieken-34-8-21]: Kanttekening 21: om het huis … te verbeteren: Versta, dat hij deze gezonden heeft tot de hogepriester Hilkia, opdat hij de collecten zou opnemen, en leveren, en die laten besteden tot de reparatie en vermaking van de tempel; 2 Kon. 22:4 . Zie een gelijk voorbeeld in Joas, boven 2 Kron. 24:4 , etc. 2 Koningen 22:4 : Ga op tot Hilkia, de hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis van YHWH gebracht is, dat de wachters van de dorpel van het volk verzameld hebben; 2 Kronieken 24:4 : Het geschiedde nu na deze, dat het in het hart van Joas was, het huis van YHWH te vernieuwen.
[^2kronieken-34-9-22]: Kanttekening 22: tot Hilkia: Te weten, om het bevel van de koning hem aan te dienen, rakende de voorgemelde vermaking van de tempel en het opbrengen van het geld, daartoe dienende.
[^2kronieken-34-9-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, de grote priester.
[^2kronieken-34-9-24]: Kanttekening 24: zij gaven: Namelijk, Hilkia en zijn metgezellen. Zij gaven het in de hand van de verzorgers of bestelden over de werklieden, onder, vers 17 . 2 Kronieken 34:17 : En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis van YHWH gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de bestelden, en in de hand dergenen, die het werk maakten.
[^2kronieken-34-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk, van de tempel. Anders, de vaten.
[^2kronieken-34-9-26]: Kanttekening 26: Dat is, van de Manassieten en Efraïmieten.
[^2kronieken-34-9-27]: Kanttekening 27: het gehele: Te weten, dat onder het gebied van de koning van Juda stond, of hem toegedaan was. Zie boven, 2 Kron. 21:2 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^2kronieken-34-9-28]: Kanttekening 28: Namelijk, de Levieten, die het geld vergaderd hadden.
[^2kronieken-34-10-29]: Kanttekening 29: Zij nu gaven: Namelijk, Hilkia en zijn medehelpers, gelijk in de aantekening van het begin van vers 9 . Vergelijk ook het einde van vers 16 , 34:17 . 2 Kronieken 34:9 : En zij kwamen tot Hilkia, de hogepriester, en zij gaven het geld, dat in het huis van God gebracht was, dat de Levieten, die de dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het gehele overblijfsel van Israël, en uit geheel Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren; 2 Kronieken 34:16 : En Safan droeg dat boek tot de koning; daarbenevens bracht hij nog de koning bescheid weer, zeggende: Al wat in de hand uw knechten gegeven is, dat doen zij; 2 Kronieken 34:17 : En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis van YHWH gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de bestelden, en in de hand dergenen, die het werk maakten.
[^2kronieken-34-10-30]: Kanttekening 30: van de verzorgers: Versta, schaffers, voogden, voortdrijvers, die zorg droegen dat het werk wel gedaan werd, onderscheiden van degenen, die met hun hand het werk zelf deden. Zie 2 Kon. 22:5 . 2 Koningen 22:5 : En dat zij dat geven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis van YHWH; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis van YHWH is, om de breuken van het huis te beteren;
[^2kronieken-34-10-31]: Kanttekening 31: Anders, te onderzoeken, of te bezichtigen; te weten, om te vernemen waar het enige betering of vermaking van doen had.
[^2kronieken-34-11-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 22:6 . 2 Koningen 22:6 : Aan de timmerlieden en de bouwers, en de metselaars, en om hout en gehouwene stenen te kopen, om het huis te beteren.
[^2kronieken-34-11-32]: Kanttekening 32: gehouwen stenen: Zie 2 Kon. 22:6 . 2 Koningen 22:6 : Aan de timmerlieden en de bouwers, en de metselaars, en om hout en gehouwene stenen te kopen, om het huis te beteren.
[^2kronieken-34-11-33]: Kanttekening 33: Versta, de balken, door welke de wanden of de muren aan elkaar samengevoegd en gehecht worden.
[^2kronieken-34-11-34]: Kanttekening 34: Versta, de kamers, die aan de tempel waren voor de priesters en Levieten.
[^2kronieken-34-11-35]: Kanttekening 35: de koningen: Te weten, de afgodische koningen, als Achaz, Manasse en Amon.
[^2kronieken-34-12-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, in waarheid, of trouw. Zo 2 Kon. 12:15 , en 2 Kon. 22:7 . 2 Koningen 12:15 : Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wie zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk. 2 Koningen 22:7 : Maar er werd met hen geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk.
[^2kronieken-34-12-37]: Kanttekening 37: Te weten, de verzorgers, van welke gesproken is vers 10 . 2 Kronieken 34:10 : Zij nu gaven het in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van YHWH, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis van YHWH, om het huis te vermaken en te verbeteren.
[^2kronieken-34-12-38]: Kanttekening 38: en die Levieten: Of, en ook een ieder van de Levieten, die verstandig was op muzikale instrumenten.
[^2kronieken-34-13-39]: Kanttekening 39: enig werk: Hebreeuws, עֲבוֹדָ֖ה, in dienst en dienst; dat is, in welke dienst of werk. Zie Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^2kronieken-34-13-40]: Kanttekening 40: Genaamd boven, vers 10 , verzorgers. Zie daar de aantekening. 2 Kronieken 34:10 : Zij nu gaven het in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van YHWH, en deze gaven dat dengenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis van YHWH, om het huis te vermaken en te verbeteren.
[^2kronieken-34-14-41]: Kanttekening 41: het wetboek: Te weten, het originele wetboek door Mozes zelven geschreven en nagelaten. Zie 2 Kon. 22:8 . 2 Koningen 22:8 : Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^2kronieken-34-15-42]: Kanttekening 42: Dat is, ving aan te spreken. Zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^2kronieken-34-16-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, woord; dat is, bescheid, rapport, antwoord van wat de koning gelast had, boven, vers 8 . 2 Kronieken 34:8 : In het achttiende jaar nu zijn regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Maaseja, de overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier, om het huis van YHWH, zijn God, te verbeteren.
[^2kronieken-34-16-44]: Kanttekening 44: Al wat in de hand: Dat is, al wat de Levieten belast en aan hun zorg overgegeven is.
[^2kronieken-34-17-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, gegoten, of gesmolten. Zie 2 Kon. 22:9 . 2 Koningen 22:9 : Daarna kwam Safan, de schrijver, tot de koning, en bracht de koning bescheid weer, en hij zei: Uw knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was, samengebracht, en hebben het gegeven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van YHWH.
[^2kronieken-34-17-46]: Kanttekening 46: Of, deden; dat is, de arbeidslieden of werklieden.
[^2kronieken-34-19-47]: Kanttekening 47: hij zijn kleren: Zie de aantekening 2 Kon. 22:11 . 2 Koningen 22:11 : Het geschiedde nu, als de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.
[^2kronieken-34-20-48]: Kanttekening 48: Die ook Achbor benaamd wordt; 2 Kon. 22:12 . 2 Koningen 22:12 : En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende:
[^2kronieken-34-21-49]: Kanttekening 49: het overgeblevene: Te weten, die door de vijanden niet waren vermoord of gevankelijk weggevoerd.
[^2kronieken-34-21-50]: Kanttekening 50: uitgegoten is: En dat met hevigen brand en aansteking; want 2 Kon. 22:13 staat voor uitgegoten het woord aangestoken. 2 Koningen 22:13 : Gaat heen, vraagt YHWH voor mij, en voor het volk, en voor het gehele Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de grimmigheid van YHWH is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek, om te doen naar al wat voor ons geschreven is.
[^2kronieken-34-22-51]: Kanttekening 51: van de koning: Te weten, dienaren, van wie de namen, zie boven, vers 20 . 2 Kronieken 34:20 : En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende:
[^2kronieken-34-22-52]: Kanttekening 52: Ook genaamd Tikva, de zoon van Harhas; 2 Kon. 22:14 . 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.
[^2kronieken-34-22-53]: Kanttekening 53: Versta dit van de kleren van het heiligdom, die deze Sallum in bewaring gegeven waren.
[^2kronieken-34-22-54]: Kanttekening 54: tweede deel: Te weten, van de stad. Zie 2 Kon. 20:4 . Anderen verstaan deze plaats van een vergadering van de profeten. Zie de aantekening 2 Kon. 22:14 . 2 Koningen 20:4 : Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van YHWH tot hem geschiedde, zeggende: 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.
[^2kronieken-34-22-55]: Kanttekening 55: zulks tot haar: Hebreeuws, זֹֽאת, naar zulks; dat is, naar wat de koning hun geboden had.
[^2kronieken-34-24-56]: Kanttekening 56: Versta, de inval van de Babyloniërs in het land van Juda, de belegering van de stad Jeruzalem, de hongersnood, de vermoording van de inwoners, de verstoring van de tempel, de gevangenis en wegvoering van het volk naar Babel, en eindelijk de ondergang van de stad en het verderf van het hele land.
[^2kronieken-34-24-57]: Kanttekening 57: dat men voor: Hebreeuws, סֵּ֔פֶר, dat zij voor het aangezicht van de koning, enz. gelezen hebben. Zie Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^2kronieken-34-25-58]: Kanttekening 58: Mij verlaten: Zie boven, 2 Kron. 12:1 . 2 Kronieken 12:1 : Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem.
[^2kronieken-34-25-59]: Kanttekening 59: Dat is, afgoden en beelden. Zie 2 Kon. 22:17 . 2 Koningen 22:17 : Daarom zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk van hun handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.
[^2kronieken-34-26-60]: Kanttekening 60: die u hebt gehoord: Te weten, uit het lezen van het wetboek, inhoudende zeer zware dreigementen, uitgesproken tegen de overtreders van de wet. Zie 2 Kon. 22:18 . 2 Koningen 22:18 : Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om YHWH te vragen, zo zult u tot hem zeggen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Aangaande de woorden, die u gehoord hebt;
[^2kronieken-34-27-61]: Kanttekening 61: week geworden: Het Hebreeuwse woord, van het hart van de mens gezegd zijnde, betekent meest een zwakheid, slapheid en vervalling daarvan, welke uit vrees komt; gelijk af te nemen is uit Deut. 20:3 , 20:8 ; 2 Kon. 22:19 ; 2 Kron. 13:7 ; Jes. 7:4 ; Jer. 51:46 . Deuteronomium 20:3 : En tot hen zeggen: Hoort, Israël! u bent heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht. Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart. 2 Koningen 22:19 : Omdat uw hart week geworden is, en u u voor het aangezicht van YHWH vernederd hebt, als u hoorde, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt YHWH. 2 Kronieken 13:7 : Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken. Jesaja 7:4 : En zeg tot hem: Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en van de zoon van Remalia; Jeremia 51:46 : En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en u vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.
[^2kronieken-34-28-62]: Kanttekening 62: met vrede: Dat is, zo, dat het kwaad, dat over deze stad en dit land komen zal, niet bij uw leven gebeuren zal, maar wel bij het leven van uw kinderen. Zie hiervan breder 2 Kon. 22:20 . Daarenboven is hij ook binnen Jeruzalem in zijn graf met alle ceremoniën vredelijk begraven. Vergelijk Jer. 34:5 . 2 Koningen 22:20 : Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer. Jeremia 34:5 : U zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH.
[^2kronieken-34-28-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws, in uwe graven; dat is, in een uw graven. Zie Gen. 19:29 , en vergelijk onder, 2 Kron. 35:24 . Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had. 2 Kronieken 35:24 : En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.
[^2kronieken-34-29-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 23:1 . 2 Koningen 23:1 : Toen zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem.
[^2kronieken-34-29-64]: Kanttekening 64: Zie 2 Kon. 23:1 . 2 Koningen 23:1 : Toen zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem.
[^2kronieken-34-30-65]: Kanttekening 65: men las: Of, hij las; namelijk, de koning, maar versta dat hij iemand heeft doen lezen, gelijk iemand van de priesters of Levieten.
[^2kronieken-34-31-66]: Kanttekening 66: Dat is, aan de pilaar, waar de koning zijn stoel had; 2 Kon. 23:3 . Zie van deze plaats breder in 2 Kon. 11:14 . 2 Koningen 23:3 : De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond. 2 Koningen 11:14 : En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad!
[^2kronieken-34-31-e]: Verwijzing e: Joz. 24:25 . Jozua 24:25 : Zo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.
[^2kronieken-34-31-67]: Kanttekening 67: Zie 1 Kon. 2:3 . 1 Koningen 2:3 : En neem waar de wacht van YHWH, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u u wenden zult;
[^2kronieken-34-31-68]: Kanttekening 68: met zijn gehele hart: Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^2kronieken-34-32-69]: Kanttekening 69: deed allen: Te weten, opdat zij zo overeind staande met plechtigen eed beloven zouden, dat zij de zuivere godsdienst, welke hij nu opgericht had, zouden onderhouden. Of, hij deed staan; dat is, hij bevestigde hen in het gemaakte verbond. Anders, hij bevestigde \[het\] te weten, \[verbond\] met allen, enz.
[^2kronieken-34-32-70]: Kanttekening 70: Te weten, ten aanzien van de uiterlijke godsdienst.
[^2kronieken-34-33-71]: Kanttekening 71: Dat is, alle afgoden, beelden, hoogten, altaren en afgodisch tuig.
[^2kronieken-34-33-72]: Kanttekening 72: maakte allen: Het Hebreeuwse woord brengt mee dat hij hen enigszins noodzaakte tot de zuivere godsdienst, gelijk men een knecht dwingt tot zijn werk. De zin is dat hij hen door zijn autoriteit en koninklijke macht, heeft in orde gehouden, verbiedende de afgoderij, en bevelende dat men God niet zou dienen dan naar zijn woord.
[^2kronieken-34-33-73]: Kanttekening 73: al zijn dagen: Vergelijk Joz. 24:31 ; Richt. 2:7 . Jozua 24:31 : Israël nu diende YHWH al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk van YHWH wisten, dat Hij aan Israël gedaan had. Richteren 2:7 : En het volk diende YHWH, al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk van YHWH, dat Hij aan Israël gedaan had.
[^2kronieken-34-33-74]: Kanttekening 74: weken zij: Te weten, van de uiterlijke zuivere godsdienst. Niettemin, dat het hart van het merendeel van dit volk niet oprecht is geweest, blijkt zowel uit de menigvuldige bestraffingen van de profeten, welke in die tijd geleefd hebben, als uit de zware oordelen en plagen Gods, die na de dood van Josia over de Joden gekomen zijn.
[^2kronieken-34-33-75]: Kanttekening 75: van YHWH: Hebreeuws, van achter de Heer. Zie 1 Kon. 9:6 . 1 Koningen 9:6 : Maar zo u u te enen male afkeren zult, u en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;

### 2 Kronieken 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/35.json)

*Josia, die de godsdienst op orde stelt, houdt het Paasfeest met grote plechtigheid, vers 1 enz. begint een onnodige strijd tegen Farao Necho, 20. waarin hij dodelijk gewond wordt, en sterft, 23. hij wordt zeer beklaagd, 24. het besluit van zijn geschiedenis, 26.*

**1** Daarna[^2kronieken-35-1-a] hield Josia[^2kronieken-35-1-1] het pascha voor YHWH te Jeruzalem; en zij slachtten het[^2kronieken-35-1-2] pascha[^2kronieken-35-1-3] op de veertiende van[^2kronieken-35-1-4] de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v1)

**2** En hij stelde de priesters op hun wachten; en hij[^2kronieken-35-2-5] sterkte hen tot de dienst van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v2)

**3** En hij zei tot de Levieten, die geheel Israël onderwezen, die voor YHWH[^2kronieken-35-3-6] heilig waren:[^2kronieken-35-3-7] Zet de[^2kronieken-35-3-8] heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u hebt[^2kronieken-35-3-9] geen last op de schouders; dient nu YHWH, uw God, en Zijn volk Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v3)

**4** En bereidt u naar de huizen van uw vaders, naar uw verdelingen,[^2kronieken-35-4-b] naar het voorschrift van David, de koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v4)

**5** En staat[^2kronieken-35-5-10] in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers,[^2kronieken-35-5-11] het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v5)

**6** En slacht[^2kronieken-35-6-12] het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broers, doende naar het woord van YHWH, door de hand van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v6)

**7** [^2kronieken-35-7-c] En Josia[^2kronieken-35-7-13] gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en[^2kronieken-35-7-14] jonge geitenbokken, die alle tot paasoffers,[^2kronieken-35-7-15] naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van[^2kronieken-35-7-16] runderen drie duizend; dit was van de bezittingen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v7)

**8** Ook gaven zijn[^2kronieken-35-8-17] vorsten tot[^2kronieken-35-8-18] een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters, en voor de Levieten;[^2kronieken-35-8-19] Hilkia, en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot paasoffers, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v8)

**9** Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn broers, en ook Hasabja, en Jeiël, en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot paasoffers, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.[^2kronieken-35-9-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v9)

**10** Zo werd de dienst toebereid; en de priesters stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v10)

**11** Daarna slachtte men het pascha, en de priesters[^2kronieken-35-11-21] sprengden[^2kronieken-35-11-22] het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v11)

**12** En[^2kronieken-35-12-23] zij namen het[^2kronieken-35-12-24] brandoffer daar af, opdat zij[^2kronieken-35-12-25] die naar de verdelingen van[^2kronieken-35-12-26] de vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om aan YHWH te offeren, zoals geschreven is in het boek van Mozes; en[^2kronieken-35-12-27] zo met de runderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v12)

**13** [^2kronieken-35-13-d] En zij[^2kronieken-35-13-28] kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar[^2kronieken-35-13-29] de andere heilige dingen[^2kronieken-35-13-30] kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en[^2kronieken-35-13-31] zij deelden het haastig onder al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v13)

**14** Daarna[^2kronieken-35-14-32] bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van[^2kronieken-35-14-33] Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandoffers en van het vet;[^2kronieken-35-14-34] daarom bereidden de Levieten voor zichzelf, en voor de priesters, de zonen van Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v14)

**15** En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod[^2kronieken-35-15-35] van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de[^2kronieken-35-15-36] koning, en ook de poortwachters[^2kronieken-35-15-37] aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broers, de Levieten, voor hen bereidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v15)

**16** Zo werd de hele dienst van YHWH op deze dag beschikt, om pascha te houden, en[^2kronieken-35-16-38] brandoffers op het altaar van YHWH te offeren, naar het gebod van de koning Josia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v16)

**17** En de Israëlieten, die er gevonden werden, hielden het pascha in die tijd, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v17)

**18** [^2kronieken-35-18-39] Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, de profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, zoals dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en geheel Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v18)

**19** In het[^2kronieken-35-19-e] achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v19)

**20** Na dit alles, toen Josia[^2kronieken-35-20-40] het huis toebereid had,[^2kronieken-35-20-f] trok[^2kronieken-35-20-41] Necho, de koning van Egypte, op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia trok uit hem tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v20)

**21** Toen zond[^2kronieken-35-21-42] hij boden tot hem, zeggende:[^2kronieken-35-21-43] Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? Wat u betreft, ik ben vandaag tegen u niet, maar tegen[^2kronieken-35-21-44] een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af[^2kronieken-35-21-45] van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v21)

**22** Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar[^2kronieken-35-22-46] hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God; maar hij kwam om te strijden in het[^2kronieken-35-22-47] dal Megiddo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v22)

**23** En de schutters schoten de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voer mij weg, want ik ben zeer[^2kronieken-35-23-48] gewond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v23)

**24** En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de[^2kronieken-35-24-49] graven van zijn vaders; en geheel Juda en Jeruzalem[^2kronieken-35-24-50] bedreven rouw over Josia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v24)

**25** En Jeremia maakte[^2kronieken-35-25-51] een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia,[^2kronieken-35-25-52] tot op deze dag; want zij gaven[^2kronieken-35-25-53] ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven[^2kronieken-35-25-54] in[^2kronieken-35-25-55] de klaagliederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v25)

**26** Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn[^2kronieken-35-26-56] goeddadigheden,[^2kronieken-35-26-57] naar dat geschreven is in de wet van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v26)

**27** Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/35.html#v27)

[^2kronieken-35-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 23:21 . 2 Koningen 23:21 : En de koning gebood het gehele volk, zeggende: Houdt YHWH, uw God, pascha, gelijk in dit boek van het verbond geschreven is.
[^2kronieken-35-1-1]: Kanttekening 1: het pascha: Zie van dit feest Ex. 12:3 , en Ex. 34:18 ; Lev. 23:5 ; Num. 9:2 , en Num. 28:16 . Exodus 12:3 : Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme iedereen een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 34:18 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH. Numeri 9:2 : Dat de kinderen van Israël het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha voor YHWH.
[^2kronieken-35-1-2]: Kanttekening 2: het pascha: Dat is, het lam, dat op het feest moest geslacht worden. Zie Num. 9:11 . Numeri 9:11 : In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten.
[^2kronieken-35-1-3]: Kanttekening 3: op de veertiende: Naar de ordinantie van de wet; Ex. 12:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
[^2kronieken-35-1-4]: Kanttekening 4: eerste maand: Te weten, van het heilige of kerkelijke jaar, welke maand was genaamd Nisan, of Abib. Zie Ex. 12:2 , en Num. 9:1 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Numeri 9:1 : En YHWH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:
[^2kronieken-35-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, vermaande hen tot hun schuldigen plicht en gaf hun goede moed.
[^2kronieken-35-3-6]: Kanttekening 6: Zie boven, 2 Kron. 23:6 . 2 Kronieken 23:6 : Maar dat niemand kome in het huis van YHWH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht van YHWH waarnemen.
[^2kronieken-35-3-7]: Kanttekening 7: Zet de: Hieruit is af te nemen dat de ark op deze tijd in de tempel niet is geweest, of tenminste niet in het heilige van de heiligen, waar zij behoorde; zijnde daaruit door enige afgodische koning tevoren weggenomen.
[^2kronieken-35-3-8]: Kanttekening 8: heilige ark: Hebreeuws, בַּיִת, de ark van de heiligheid. Zie Lev. 16:4 . Leviticus 16:4 : Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^2kronieken-35-3-9]: Kanttekening 9: geen last: Te weten, om die ark gewoonlijk te dragen, gelijk hun voorouders tevoren in de woestijn en zolang als de tabernakel stond, gedaan hadden, Num. 7:9 . De zin is: Omdat zij van die eerste doorgaande last en het toebehoren daarvan ontslagen waren, zo moesten zij op de andere delen van hun ambt te meer achtgeven. Zie 1 Kron. 23:27 , 23:28 , enz. Numeri 7:9 : Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen. 1 Kronieken 23:27 : Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven; 1 Kronieken 23:28 : Omdat hun standplaats was aan de hand van de zonen van Aäron in de dienst van het huis van YHWH, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis van God;
[^2kronieken-35-4-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 23 ; 1 Kron. 24 ; 1 Kron. 25 ; 1 Kron. 26 .
[^2kronieken-35-5-10]: Kanttekening 10: in het heiligdom: Anders, in de heilige plaats; dat is, bij de tempel aan het voorhof van de priesters, om daar de paaslammeren dergenen, die niet zijn van de stam van Levi, te ontvangen en die te slachten, omdat de priesters anders genoeg te doen hadden met de offeranden en besprenging van het bloed, enz. Zie van deze plaats Lev. 6:16 , en Num. 28:7 , waar zij ook het heiligdom genaamd wordt. Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Numeri 28:7 : En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank YHWH offeren.
[^2kronieken-35-5-11]: Kanttekening 11: het volk: Hebreeuws, בְּנֵ֣י, de zonen, of kinderen van het volk; dat is, het volk. Versta, die van de stam van Levi niet waren, maar behoorden tot de andere stammen en tot het werk van de godsdienst niet geheiligd waren.
[^2kronieken-35-6-12]: Kanttekening 12: het pascha: Dat is, de paaslammeren. Zie van deze manier van spreken Num. 9:11 , zo onder, vers 11 . Numeri 9:11 : In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten. 2 Kronieken 35:11 : Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.
[^2kronieken-35-7-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 30:24 . 2 Kronieken 30:24 : Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd.
[^2kronieken-35-7-13]: Kanttekening 13: gaf voor het volk: Of, hief, of gaf een heffing; dat is, een offer of geschenk. Het woord heffen wordt voor offeren of schenken genomen, gelijk boven, 2 Kron. 30:24 ; zie de aantekening; gelijk het woord heffing voor offer. Zie Num. 5:9 , en boven, 2 Kron. 30:24 , met de aantekening, idem hier in het volgende. 2 Kronieken 30:24 : Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd. Numeri 5:9 : Evenzo zal alle heffing van alle geheiligde dingen van de kinderen van Israël, welke zij tot de priester brengen, de zijne zijn. 2 Kronieken 30:24 : Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd.
[^2kronieken-35-7-14]: Kanttekening 14: jonge geitenbokken: Hebreeuws, בְנֵֽי, zonen van de geiten. Zie Lev. 1:14 . Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^2kronieken-35-7-15]: Kanttekening 15: naar al wat: Dat is, tegenwoordig, of voorhanden was onder het klein vee van de koning, dat geschikt was om op dit feest geslacht te worden, naar de wet, Ex. 12:5 . Anders, naar al degenen, die daar gevonden werden; dat is, naar dat genoeg was voor het volk, dat te Jeruzalem tot het paasfeest gekomen was. Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen.
[^2kronieken-35-7-16]: Kanttekening 16: Deze dienden tot brandoffers en dankoffers, die men op dit feest ook offeren moest. Zie Num. 28:19 . Numeri 28:19 : Maar u zult een vuuroffer ten brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.
[^2kronieken-35-8-17]: Kanttekening 17: Vergelijk boven, 2 Kron. 30:24 , waar te zien is wat zij gegeven hebben. 2 Kronieken 30:24 : Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd.
[^2kronieken-35-8-18]: Kanttekening 18: Zie Lev. 7:16 . Leviticus 7:16 : En zo het slachtoffer van zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook de volgende dag gegeten worden.
[^2kronieken-35-8-19]: Kanttekening 19: Dat is, de overpriester en de twee priesters van de tweede ordening, die medehelpers van de overpriester waren, maar onder hem stonden. Zie Num. 3:32 , en 2 Kon. 23:4 . Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
[^2kronieken-35-9-20]: Kanttekening 20: klein vee : Met dit invoegsel wordt hier de zin aangevuld uit vers 6 .; hetzelfde wordt gedaan in vers 9 . 2 Kronieken 35:6 : En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broers, doende naar het woord van YHWH, door de hand van Mozes. 2 Kronieken 35:9 : Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn broers, en ook Hasabja, en Jeiël, en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.
[^2kronieken-35-11-21]: Kanttekening 21: Te weten, op het altaar. Zie boven, 2 Kron. 29:22 . 2 Kronieken 29:22 : Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; ook slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.
[^2kronieken-35-11-22]: Kanttekening 22: uit hun handen: Dat is, dat zij uit de hand van de slachters namen; want het woord sprengen bevat hier in zich ook de betekenis van het woord nemen. Zie Gen. 12:15 , en boven, 2 Kron. 30:16 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. 2 Kronieken 30:16 : En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, de man van God; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand van de Levieten.
[^2kronieken-35-12-23]: Kanttekening 23: zij namen: Te weten, van de lammeren of geitenbokken, die zij geslacht en de huis afgetrokken hadden.
[^2kronieken-35-12-24]: Kanttekening 24: Dat is, het deel, dat ten brandoffer de Heer geofferd moest worden; als het vette, \[zie vers 14 \] de staart, de nieren, het net, welke alle met vuur verbrand moesten worden; Lev. 3:9 , 3:10 , 3:11 . Sommigen verstaan dat zij enige lammeren hebben afgezonderd, om die het volk te geven, naar de vaderlijke huizen, om die te laten offeren. 2 Kronieken 35:14 : Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandofferen en van het vet; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesters, de zonen van Aäron. Leviticus 3:9 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer YHWH offeren; zijn vet, de hele staart, die hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 3:10 : Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH.
[^2kronieken-35-12-25]: Kanttekening 25: Te weten, paaschoffers, lammeren of geiten.
[^2kronieken-35-12-26]: Kanttekening 26: het volk: Hebreeuws, בְנֵ֣י, de zonen, of kinderen van het volk, gelijk boven, vers 5 , 35:7 , en onder, vers 13 . 2 Kronieken 35:5 : En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten; 2 Kronieken 35:7 : En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de bezittingen van de koning. 2 Kronieken 35:13 : En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastig onder al het volk.
[^2kronieken-35-12-27]: Kanttekening 27: zo met de runderen: Te weten, deden zij.
[^2kronieken-35-13-d]: Verwijzing d: Ex. 12:8 ; idem v. 9 . Exodus 12:8 : En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. Exodus 12:9 : U zult daarvan niet rauw eten, ook in geen geval in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.
[^2kronieken-35-13-28]: Kanttekening 28: Dat is, zij brandden het aan het vuur, gelijk blijkt uit de tegenstelling, die straks daarbij gevoegd werd, van wat dat in potten, enz. gekookt werd. Want God had geboden dat men het paaslam braden zou, Ex. 12:8 , 12:9 . Het Hebreeuwse woord wordt ook voor braden genomen Deut. 16:7 . Exodus 12:8 : En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. Exodus 12:9 : U zult daarvan niet rauw eten, ook in geen geval in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand. Deuteronomium 16:7 : Dan zult u het koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u u 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten.
[^2kronieken-35-13-29]: Kanttekening 29: de andere heilige dingen: Versta, de stukken en delen van het dankoffer, welke dengenen, die ze geofferd hadden, toekwamen.
[^2kronieken-35-13-30]: Kanttekening 30: Dat is, zoden.
[^2kronieken-35-13-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, zij deden het lopen tot al de kinderen van het volk; dat is, zij deelden een ieder onder het volk, met zonderlinge haast en vaardigheid, zijn deel van de offerande uit.
[^2kronieken-35-14-32]: Kanttekening 32: Te weten, de paaslammeren, die hun en de priesters toekwamen.
[^2kronieken-35-14-33]: Kanttekening 33: waren tot: Te weten, bezig.
[^2kronieken-35-14-34]: Kanttekening 34: De zin is, omdat de priesters met de brandoffers, van welke boven, vers 12 gesproken is, zoveel te doen hadden, dat zij de paaslammeren, die hun toekwamen, niet voor zich ter voedsel konden bereiden, dat de Levieten zulks voor hen gedaan hebben. 2 Kronieken 35:12 : En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen van de vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om YHWH te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en zo met de runderen.
[^2kronieken-35-15-35]: Kanttekening 35: naar het gebod: Zie van deze orde, die David naar het bevel Gods ingesteld had, maar die de mannen in de tekst nagenoemd, vernieuwd en hun zonen ingescherpt hadden, 1 Kron. 25 , en 1 Kron. 26 .
[^2kronieken-35-15-36]: Kanttekening 36: de ziener: Dat is, van de profeet. Zie 1 Sam. 9:9 , en de aantekening. 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^2kronieken-35-15-37]: Kanttekening 37: aan elke poort: Hebreeuws, סוּר֙, aan poort en poort.
[^2kronieken-35-16-38]: Kanttekening 38: Zie boven, vers 12 . 2 Kronieken 35:12 : En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen van de vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om YHWH te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en zo met de runderen.
[^2kronieken-35-18-39]: Kanttekening 39: Daar was ook: Zie de verklaring hiervan 2 Kon. 23:22 . 2 Koningen 23:22 : Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen van de richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda.
[^2kronieken-35-19-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 23:23 . 2 Koningen 23:23 : Maar in het achttiende jaar van de koning Josia, werd dit pascha YHWH te Jeruzalem gehouden.
[^2kronieken-35-20-40]: Kanttekening 40: het huis toebereid had: Te weten, Gods; dat is, de tempel, en vervolgens de ganse godsdienst.
[^2kronieken-35-20-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 23:29 . 2 Koningen 23:29 : In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.
[^2kronieken-35-20-41]: Kanttekening 41: Zie hiervan en van Karchemis 2 Kon. 23:29 . 2 Koningen 23:29 : In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.
[^2kronieken-35-21-42]: Kanttekening 42: hij : Te weten, Necho, de koning van Egypte.
[^2kronieken-35-21-43]: Kanttekening 43: Wat heb ik: Hebreeuws, מַה, wat is mij, en u? VergelijK 2 Sam. 16:10 , en de aantekening. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^2kronieken-35-21-44]: Kanttekening 44: een huis: Hebreeuws, יּוֹם֙, een huis van mijn oorlog, of krijg; dat is, dat mij de oorlog aandoet, en waar ik oorlog tegen heb; hij verstaat de Assyriërs, die Karchemis ingenomen hadden, waarover hun koning zich beroemt; Jes. 10:9 . Zie 2 Kon. 23:29 . Vergelijk ook 2 Sam. 8:10 , de 23e aantekening. Jesaja 10:9 : Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus? 2 Koningen 23:29 : In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^2kronieken-35-21-45]: Kanttekening 45: van God: Dat is, van tegen hem te komen en zijn voornemen, dat Hij door mij begeert uit te voeren, te willen verhinderen.
[^2kronieken-35-22-46]: Kanttekening 46: hij verstelde zich: Dat is, hij verkleedde zich opdat men hem niet kennen zou, gelijk Achab eertijds gedaan had; 1 Kon. 22:30 . 1 Koningen 22:30 : En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd.
[^2kronieken-35-22-47]: Kanttekening 47: dal Megiddo: Zie 1 Kon. 9:15 ; Zach. 12:11 . 1 Koningen 9:15 : Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. Zacharia 12:11 : Te die dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon.
[^2kronieken-35-23-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, ziek geworden; dat is, zo verwond dat ik daarvan geheel ziek en flauw geworden ben. Zie dezelfde manier van spreken 1 Kon. 22:34 . 1 Koningen 22:34 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.
[^2kronieken-35-24-49]: Kanttekening 49: graven zijn vaderen: Dat is, in een derzelve. Zie Gen. 19:29 . Of, onder de graven zijn vaderen. Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
[^2kronieken-35-24-50]: Kanttekening 50: Vergelijk Gen. 23:2 , en de aantekening. Genesis 23:2 : En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.
[^2kronieken-35-25-51]: Kanttekening 51: een klaaglied: Dat beschreven is geweest; opdat de mensen, dat lezende, zich gewennen zouden de ellendige en zeer droevige staat van dat koninkrijk te overleggen en de oorzaak daarvan te beklagen, zich te beteren en God om genade te bidden.
[^2kronieken-35-25-52]: Kanttekening 52: tot op deze dag: Dat is, welke duren tot op deze dag, in welke dit geschreven is.
[^2kronieken-35-25-53]: Kanttekening 53: tot een inzetting: Te weten, opdat zij jaarlijks zouden gezongen worden.
[^2kronieken-35-25-54]: Kanttekening 54: Zie van dit klagen ook Zach. 12:11 . Zacharia 12:11 : Te die dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon.
[^2kronieken-35-25-55]: Kanttekening 55: Sommigen verstaan hiervan de Klaagliederen van Jeremia , in dewelke niet alleen de finale verwoesting van Jeruzalem wordt beklaagd maar ook al het verdriet en ellendigheden die over de stad en over het land gekomen zijn; waarvan het begin was de dood van deze godvruchtige koning. Klaagliederen 1:1 : Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
[^2kronieken-35-26-56]: Kanttekening 56: Versta, de werken zijn godvruchtigheid in het uitroeien van alle afgoderij en reformeren van de godsdienst en het onderhouden van Gods ordinantiën. Het Hebreeuwse woord is ook genomen boven, 2 Kron. 32:32 ; Neh. 13:14 . 2 Kronieken 32:32 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek van de koningen van Juda en Israël. Nehemia 13:14 : Gedenk mijner, mijn God, in deze; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan Zijn wachten gedaan heb.
[^2kronieken-35-26-57]: Kanttekening 57: naar dat geschreven is: Dat is, welke overeenkomen met wat in de wet van YHWH geschreven is.

### 2 Kronieken 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2kronieken/36.json)

*Joahaz wordt koning in de plaats van zijn vader, vers 1, 2. wordt afgezet door de koning van Egypte, en daarheen weggevoerd, 3. die in zijn plaats zijn broer Eljakim aanstelt, en hem Jojakim noemt, 4. deze is goddeloos, en wordt door Nebukadnezar gevankelijk naar Babel gevoerd, 5. Zijn zoon Jojachin volgt hem op in zijn rijk, goddeloosheid en gevangenschap, 9. Zedekia, die hem opvolgt, is hem gelijk, 11. Vanwege diens en het volks zonden wordt Jeruzalem door de Chaldeeën verwoest, en de Joden gevankelijk weggevoerd naar Babel, 14. waar zij blijven tot de regering van Cyrus, die hun verlossing en vrijheid geeft, 22.*

**1** [^2kronieken-36-1-a] Toen nam het volk van het[^2kronieken-36-1-1] land Joahaz, de zoon van Josia, en[^2kronieken-36-1-2] zij maakten hem koning, in de plaats van zijn vader, te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v1)

**2** [^2kronieken-36-2-3] Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v2)

**3** Want de koning van Egypte[^2kronieken-36-3-4] zette hem af te Jeruzalem;[^2kronieken-36-3-5] en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v3)

**4** En de koning van Egypte maakte[^2kronieken-36-4-6] zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en[^2kronieken-36-4-7] veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem[^2kronieken-36-4-8] in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v4)

**5** [^2kronieken-36-5-9] Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v5)

**6** [^2kronieken-36-6-b] Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen,[^2kronieken-36-6-10] om hem te voeren naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v6)

**7** Nebukadnezar bracht ook van de voorwerpen van het huis van YHWH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v7)

**8** Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelijke dingen, die hij deed, en[^2kronieken-36-8-11] wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda; en[^2kronieken-36-8-12] Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v8)

**9** [^2kronieken-36-9-13][^2kronieken-36-9-c] Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v9)

**10** [^2kronieken-36-10-d] En met de wederkomst[^2kronieken-36-10-14] van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met[^2kronieken-36-10-15] de kostelijke voorwerpen van het huis van YHWH; en[^2kronieken-36-10-e] hij maakte[^2kronieken-36-10-16] zijn broer[^2kronieken-36-10-17] Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v10)

**11** [^2kronieken-36-11-18] Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v11)

**12** [^2kronieken-36-12-f] En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, van zijn God; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van[^2kronieken-36-12-19] de profeet Jeremia, sprekende uit de mond van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v12)

**13** Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die[^2kronieken-36-13-20] hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en[^2kronieken-36-13-21] verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot YHWH, de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v13)

**14** Ook[^2kronieken-36-14-22] maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelijke dingen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij[^2kronieken-36-14-23] geheiligd had te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v14)

**15** En YHWH, de God van hun vaders, zond tot hen, door de hand van Zijn[^2kronieken-36-15-24] boden,[^2kronieken-36-15-25] vroeg op zijnde, om die te zenden; want[^2kronieken-36-15-26] Hij spaarde Zijn volk en Zijn woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v15)

**16** Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf[^2kronieken-36-16-27] tegen Zijn profeten; totdat de woede van YHWH tegen Zijn volk opging, dat er geen[^2kronieken-36-16-28] helen aan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v16)

**17** Want Hij deed tegen hen opkomen[^2kronieken-36-17-29] de koning van[^2kronieken-36-17-30] de Chaldeeën, die hun jongemannen met het zwaard in het huis van hun[^2kronieken-36-17-31] heiligdom doodde, en[^2kronieken-36-17-32] hij spaarde de[^2kronieken-36-17-33] jongemannen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden;[^2kronieken-36-17-34] Hij gaf hen allen in[^2kronieken-36-17-35] zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v17)

**18** En alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, en de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van de koning en van zijn vorsten, dit alles voerde[^2kronieken-36-18-36] hij naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v18)

**19** En[^2kronieken-36-19-37] zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke[^2kronieken-36-19-38][^2kronieken-36-19-39] voorwerpen daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v19)

**20** En[^2kronieken-36-20-40] wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en[^2kronieken-36-20-41] zijn zonen tot knechten,[^2kronieken-36-20-42] tot het regeren van het koninkrijk van Perzië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v20)

**21** Opdat het woord van YHWH vervuld werd,[^2kronieken-36-21-43] door de mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten[^2kronieken-36-21-44] een welgevallen had; het rustte[^2kronieken-36-21-45] al de dagen van de[^2kronieken-36-21-g] verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v21)

**22** [^2kronieken-36-22-46] Maar in het[^2kronieken-36-22-47] eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht werd het[^2kronieken-36-22-h] woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de[^2kronieken-36-22-48] geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een[^2kronieken-36-22-49] stem liet doorgaan door zijn hele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v22)

**23** Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij[^2kronieken-36-23-50] bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? YHWH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2kronieken/36.html#v23)

[^2kronieken-36-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 23:30 . 2 Koningen 23:30 : En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijn vaders plaats.
[^2kronieken-36-1-1]: Kanttekening 1: Ook genoemd, naar eniger gevoelen, Johanan 1 Kron. 3:15 , en Sallum, Jer. 22:11 , en Joahaz, vers 1 en in vers 2 . 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. Jeremia 22:11 : Want zo zegt YHWH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen. 2 Kronieken 36:1 : Toen nam het volk van het land Joahaz, de zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijn vaders plaats, te Jeruzalem. 2 Kronieken 36:2 : Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.
[^2kronieken-36-1-2]: Kanttekening 2: Tot welk einde zij hem ook zalfden, 2 Kon. 23:30 . Van de reden hiervan, zie daar in de aantekening. Zie ook 2 Kon. 11:12 . 2 Koningen 23:30 : En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijn vaders plaats. 2 Koningen 11:12 : Daarna bracht hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!
[^2kronieken-36-2-3]: Kanttekening 3: Drie en twintig jaren: Hebreeuws, שָׁל֧וֹשׁ, een zoon van drie en twintig jaar.
[^2kronieken-36-3-4]: Kanttekening 4: zette hem af: En voerde hem gevankelijk weg naar Ribla. Zie 2 Kon. 23:33 , en de aantekening daarop. 2 Koningen 23:33 : Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
[^2kronieken-36-3-5]: Kanttekening 5: en hij legde: Zie van deze schatting ook 2 Kon. 23:33 . 2 Koningen 23:33 : Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
[^2kronieken-36-4-6]: Kanttekening 6: zijn broer: De broer van Joahaz, gelijk straks in vers 4 volgt. 2 Kronieken 36:4 : En de koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
[^2kronieken-36-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, hij wendde, of keerde om. Hij toonde daarmede de macht en het gebied, dat hij over hem verklaarde te hebben. Zie 2 Kon. 23:34 . 2 Koningen 23:34 : Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar.
[^2kronieken-36-4-8]: Kanttekening 8: in Egypte: En is ook daar gestorven, 2 Kon. 23:34 , gelijk van Jeremia was voorzegd geweest, Jer. 22:12 ; waar hij, naar sommiger gevoelen, Sallum geheten wordt. 2 Koningen 23:34 : Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. Jeremia 22:12 : Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.
[^2kronieken-36-5-9]: Kanttekening 9: Vijf en twintig: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֨ים, een zoon van vijf en twintig jaar. Zie de verklaring van Kron. 36:5, 2 Kon. 23:36 . 2 Koningen 23:36 : Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.
[^2kronieken-36-6-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 24:1 . 2 Koningen 24:1 : In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.
[^2kronieken-36-6-10]: Kanttekening 10: om hem te voeren: Maar naar sommiger gevoelen zou hij te Babel niet gekomen zijn, maar onderweg gestorven, volgens de profetie van Jeremia; Jer. 22:18 , 22:19 . Jeremia 22:18 : Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! Jeremia 22:19 : Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^2kronieken-36-8-11]: Kanttekening 11: wat aan hem: Versta, zijn andere gruwelijke, zo openbare als geheime zonden; of versta, zijn afval en rebellie tegen de koning Nebukadnezar, die hij in het geheim voorgenomen had, en om welker wil Nebukadnezar zijn krijgsvolk tegen hem gezonden had; 2 Kon. 24:1 , 24:2 . 2 Koningen 24:1 : In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. 2 Koningen 24:2 : En YHWH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knechten, de profeten.
[^2kronieken-36-8-12]: Kanttekening 12: Anders genaamd, Jechonia, 1 Kron. 3:16 , en uit verachting Conia Jer. 22:24 . 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. Jeremia 22:24 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
[^2kronieken-36-9-13]: Kanttekening 13: Acht jaren: Hebreeuws, בֶּן, een zoon van acht jaren. Er staat 2 Kon. 24:8 , dat hij achttien jaar oud was, toen hij koning werd. Dat te verstaan is van de tijd, in welke hij alleen en met volle macht geregeerd heeft. Maar wat hier staat is te verstaan van de tijd, in welke hij met en onder zijn vader in de regering geweest is. Zie van deze vergelijking ook 2 Kon. 24:8 . 2 Koningen 24:8 : Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 2 Koningen 24:8 : Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
[^2kronieken-36-9-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 24:8 . 2 Koningen 24:8 : Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
[^2kronieken-36-10-d]: Verwijzing d: Dan. 1:1 ; idem v. 2 . Daniël 1:1 : In het derde jaar van het koninkrijk van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar. Daniël 1:2 : En YHWH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de vaten van het huis van God; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijn god; en de vaten bracht hij in het schathuis zijn god.
[^2kronieken-36-10-14]: Kanttekening 14: van het jaar: Niet zijn regering, want hij heeft geen jaar geregeerd, dan alleen drie wintermaanden, en tien dagen; maar van het lopende jaar, dat nu om was, als de lente begon met de gelijkheid van de dagen en nachten. Vergelijk 2 Sam. 11:1 , en de aantekening. 2 Samuël 11:1 : En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.
[^2kronieken-36-10-15]: Kanttekening 15: de kostelijke: Hebreeuws, חֶמְדַּ֣ת, vaten van de begeerlijkheid. Want de kostelijke dingen worden zeer begeerd; zo onder, vers 19 , en boven, 2 Kron. 32:27 . 2 Kronieken 36:19 : En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve. 2 Kronieken 32:27 : Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;
[^2kronieken-36-10-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 24:17 ; Jer. 37:1 . 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. Jeremia 37:1 : En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, welke Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.
[^2kronieken-36-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, zijn bloedverwant, te weten, zijn oom, zijn vaders broer, zoon van Josia; 2 Kon. 24:17 ; 1 Kron. 3:15 ; Jer. 1:3 . Vergelijk Gen. 13:8 , en de aantekening. 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. 1 Kronieken 3:15 : De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. Jeremia 1:3 : Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand. Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers.
[^2kronieken-36-10-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, Tsidkia, ook genaamd Mathanja; 2 Kon. 24:17 . 2 Koningen 24:17 : En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^2kronieken-36-11-18]: Kanttekening 18: Een en twintig: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֧ים, een zoon van een en twintig jaar.
[^2kronieken-36-12-f]: Verwijzing f: Jer. 52:2 ; idem v. 3 . Jeremia 52:2 : En hij deed, dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat Jojakim gedaan had. Jeremia 52:3 : Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel.
[^2kronieken-36-12-19]: Kanttekening 19: uit de mond: Dat is, uit het bevel, dat hij van God ontvangen had; Jer. 1:7 , enz. Jeremia 1:7 : Maar YHWH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
[^2kronieken-36-13-20]: Kanttekening 20: hem beëdigd: Dat is, een eed van de opgelegde en beloofde trouw hem afgenomen.
[^2kronieken-36-13-21]: Kanttekening 21: verstokte zijn hart: Zie van dit woord Deut. 2:30 . Deuteronomium 2:30 : Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelfde niet laten doortrekken; want YHWH, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te deze dage.
[^2kronieken-36-14-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, vermenigvuldigden overtreding te overtreden; of, door overtreding te overtreden; dat is hier, geheel zeer te overtreden. Zo dienst dienen, is met grote zorg en arbeid dienen, Gen. 30:26 . Zo ook lust lusten, of met lust belust, of bevangen te zijn, is zeer belust te zijn, Num. 11:4 ; idem, ijver ijveren, of met ijver ijveren, is zeer ijveren, Num. 25:11 , met begeerte begeren, zeer begeren; Luk. 22:15 , enz. Genesis 30:26 : Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want u weet mijn dienst, die ik u gediend heb. Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 25:11 : Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen van Israël afgewend, omdat hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat Ik de kinderen van Israël in Mijn ijver niet vernield heb. Lukas 22:15 : En Hij zei tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, voordat Ik lijde;
[^2kronieken-36-14-23]: Kanttekening 23: geheiligd had: Dat is, bescheiden en verordend had, opdat daarin het teken van zijn heilige aanwezigheid en de oefening van zijn heiligen godsdienst plaats zou hebben. Vergelijk Lev. 8:10 , en de aantekening. Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^2kronieken-36-15-24]: Kanttekening 24: Dat is, zijn profeten, die in de tijd van de historie van dit boek geleefd hebben, van welke de voornaamste waren: Ahia de Siloniet, Semaja, Iddo, anders, Oded, Azaria, Jehu, Elia, Micha, Elisa, Jona, Hosea, Amos, Jesaja, Micha de Morastiet, Joël, Nahum, Habakuk, Jeremia, de profetes Hulda, Zefanja, Abdias, Ezechiël.
[^2kronieken-36-15-25]: Kanttekening 25: vroeg op: Hebreeuws, שָׁל֑וֹחַ, vroeg opstaande en zendende; dat is, met grote zorgvuldigheid, naarstigheid en aanhouding zendende, ja met het allereerste, zo haast als zij begonnen tot afgoderij te vervallen.
[^2kronieken-36-15-26]: Kanttekening 26: Hij verschoonde: Dat is, Hij wilde zijn straf niet verhaasten, zijnde lankmoedig en traag tot toorn, en daarom zijn profeten doorgaans tot hen zendende, opdat zij zich bekeren en zo de gedreigde straf ontgaan mochten.
[^2kronieken-36-16-27]: Kanttekening 27: tegen Zijn profeten: Dat is, zo dat zij zich tegen de profeten stelden en die vervolgden; of, tegen de profeten; dat is, tegen de vermaning en waarschuwing van de profeten. Anders, zij hielden zich verleid door de profeten; dat is, zij maakten zichzelven wijs en gaven voor dat de profeten met bedrog en valsheid omgingen; of, zij wilden verleid worden door zijn profeten; dat is, zij wilden niet dat de profeten hen dreigen of straffen zouden, maar dat zij hun alles goeds toezeggen zouden, gelijk hierover de profeten dikwijls klagen; of, zij sprongen met de profeten om; dat is, zij beschimpten hen, en bespotten hen, en lieten hen lopen, en vraagden naar hun zeggen niet, dat zij daarop zouden acht genomen hebben.
[^2kronieken-36-16-28]: Kanttekening 28: helen aan was: Dat is, geen helpen, en dat, omdat het volk zich ter ener zijde niet beterde, en ter andere zijde Gods rechtvaardigheid vereiste dat hun onbekeerlijkheid gestraft zou worden. Het is een gelijkenis, genomen van de zieke lichamen, die niet geneeslijk zijn. Vergelijk boven, 2 Kron. 21:18 . 2 Kronieken 21:18 : En na dit alles plaagde hem YHWH in zijn ingewand met een ziekte, daar geen genezen aan was.
[^2kronieken-36-17-29]: Kanttekening 29: de koning: Namelijk, Nebukadnezar.
[^2kronieken-36-17-30]: Kanttekening 30: Zie 2 Kon. 24:2 . 2 Koningen 24:2 : En YHWH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst Zijn knechten, de profeten.
[^2kronieken-36-17-31]: Kanttekening 31: Versta, de tempel, die zij ontreinigd hadden, boven, vers 14 . 2 Kronieken 36:14 : Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
[^2kronieken-36-17-32]: Kanttekening 32: hij verschoonde: Te weten, de koning van Babel, of ook wel, de Heer verschoonde niet, gelijk Hij gedreigd had in zijn wet. Zie een samenvatting hiervan Deut. 32:22 , 32:23 , 32:24 . Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. Deuteronomium 32:23 : Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten. Deuteronomium 32:24 : Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen van het stof.
[^2kronieken-36-17-33]: Kanttekening 33: In het Hebreeuws, staan deze woorden in het enkelvoudig getal, jongeling, maagd, enz.
[^2kronieken-36-17-34]: Kanttekening 34: Hij gaf: Namelijk, God de Heer.
[^2kronieken-36-17-35]: Kanttekening 35: zijn hand: Namelijk, van de koning van Babel.
[^2kronieken-36-18-36]: Kanttekening 36: hij naar Babel: Namelijk, de koning Nebukadnezar.
[^2kronieken-36-19-37]: Kanttekening 37: zij verbrandden: Namelijk, de Chaldeën.
[^2kronieken-36-19-38]: Kanttekening 38: daarvan verbrandden: Te weten, van de stad Jeruzalem.
[^2kronieken-36-19-39]: Kanttekening 39: Of kostelijk gereedschap. Hebreeuws, vaten van de begeerte; gelijk boven, vers 10 . 2 Kronieken 36:10 : En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^2kronieken-36-20-40]: Kanttekening 40: wie overgebleven: Hebreeuws, שְּׁאֵרִ֥ית, het overgeblevene, of overblijfsel van het zwaard; dat is, die in de oorlog door het geweer niet omgekomen waren.
[^2kronieken-36-20-41]: Kanttekening 41: zijn zonen: Namelijk, Nebukadnezars zonen; versta, zijn zoon Evilmerodach, en diens nakomeling Belsazar; Jer. 27:7 . Jeremia 27:7 : En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijn zoons zoon dienen, totdat ook de tijd van zijn eigen land kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen.
[^2kronieken-36-20-42]: Kanttekening 42: tot het regeren: Dat is, totdat Cyrus Babel ingenomen en zo de monarchie van de Chaldeën tot de Perzen gebracht had; dat geschied is, naar sommiger rekening, omtrent het jaar van de schepping 3434.
[^2kronieken-36-21-43]: Kanttekening 43: door de mond: Zie 2 Kron. 25:11 , enz. in zijn profetie. 2 Kronieken 25:11 : Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend.
[^2kronieken-36-21-44]: Kanttekening 44: een welgevallen had: Zie Lev. 26:34 , 26:35 , en de aantekening. Leviticus 26:34 : Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. Leviticus 26:35 : Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde.
[^2kronieken-36-21-45]: Kanttekening 45: al de dagen: Dat is, de gehele tijd, die de Joden in Babel gevangen werden gehouden, namelijk zeventig jaren, gelijk Jeremia voorzegd had; Jer. 25:11 , 25:12 , en Jer. 29:10 . Jeremia 25:11 : En dit gehele land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren. Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^2kronieken-36-21-g]: Verwijzing g: Jer. 25:12 ; Jer. 29:10 . Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^2kronieken-36-22-46]: Kanttekening 46: Dit vers en het navolgende, worden vast van woord tot woord herhaald in het begin van het boek Ezra; waaruit sommigen besluiten dat het Ezra is geweest, die, door ingeving van de Heilige Geest, deze twee boeken van de Kronieken zou geschreven hebben.
[^2kronieken-36-22-47]: Kanttekening 47: eerste jaar: Te weten, van zijn monarchie. Zie Ezra 1:1 . Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^2kronieken-36-22-h]: Verwijzing h: Ezra 1:1 ; Jer. 25:12 ; Jer. 29:10 . Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^2kronieken-36-22-48]: Kanttekening 48: geest van Kores: Zie 2 Kon. 19:7 . 2 Koningen 19:7 : Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^2kronieken-36-22-49]: Kanttekening 49: Dat is, uitroeping; zo Ex. 36:6 ; Ezra 1:1 . Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^2kronieken-36-23-50]: Kanttekening 50: Zie Ezra 1:2 . Ezra 1:2 : Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is.

## Ezra

### Ezra 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/1.json)

*Kores (ook Cyrus genoemd), koning van Perzië, laat door Gods ingeven vrijheid afkondigen voor de Joden, om uit de Babylonische gevangenschap weer naar hun land te trekken en Gods tempel te bouwen, vers 1 enz. met bevel aan zijn onderdanen dat zij hen in alles zullen bevorderen en een vrijwillige gave geven tot de bouw van de tempel, 4. Hierop maken velen van het volk zich gereed voor de reis, en de onderdanen doen overeenkomstig het bevel van de koning, 5. Kores laat hun bovendien de heilige vaten van de tempel uitreiken, die Nebukadnezar had weggevoerd, 7.*

**1** [^ezra-1-1-a] In[^ezra-1-1-1] het eerste jaar nu van[^ezra-1-1-2] Kores, koning van Perzië, opdat volbracht werd het[^ezra-1-1-b] woord van YHWH, uit de mond van[^ezra-1-1-3] Jeremia,[^ezra-1-1-4] verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een[^ezra-1-1-5] stem liet doorgaan door zijn hele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v1)

**2** Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij[^ezra-1-2-6] bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in[^ezra-1-2-7] Juda is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v2)

**3** [^ezra-1-3-8] Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van YHWH, van de God van Israël; Hij is de God, Die te[^ezra-1-3-9] Jeruzalem woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v3)

**4** En al wie[^ezra-1-4-10] achterblijven zou[^ezra-1-4-11] in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen van zijn plaats[^ezra-1-4-12] bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met bezittingen, en met beesten; naast een vrijwillige gave, voor het huis van God, Die te Jeruzalem woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v4)

**5** Toen maakten zich op de familiehoofden van[^ezra-1-5-13] Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, naast een ieder wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis van YHWH, die te Jeruzalem woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v5)

**6** Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hun handen met zilveren voorwerpen, met goud, met bezittingen, en met beesten, en met[^ezra-1-6-14] kostbaarheden; naast[^ezra-1-6-15] alles, wat vrijwillig gegeven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v6)

**7** Ook bracht de koning Kores uit, de voorwerpen van het huis van YHWH, die[^ezra-1-7-c] Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis van zijn god. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v7)

**8** En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die[^ezra-1-8-16] ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde.[^ezra-1-8-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v8)

**9** En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v9)

**10** Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien[^ezra-1-10-17] andere zilveren bekers; andere voorwerpen,[^ezra-1-10-18] duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v10)

**11** Alle voorwerpen van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op,[^ezra-1-11-19] met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/1.html#v11)

[^ezra-1-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 36:22 . 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^ezra-1-1-1]: Kanttekening 1: eerste jaar: Hebreeuws, אַחַ֗ת, in het ene jaar; dat is in het eerste, te weten, zijn regering te Babel, of van de monarchie, want hij had al tevoren in Perzië over de twintig jaren geregeerd.
[^ezra-1-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, Coresch. Anders gemeenlijk genoemd Cyrus. Zie ook van deze Jes. 44:28 , en Jes. 45:1 , 45:13 . Jesaja 44:28 : Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond. Jesaja 45:1 : Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: Jesaja 45:13 : Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt YHWH van de legermachten.
[^ezra-1-1-b]: Verwijzing b: Jer. 25:12 ; Jer. 29:10 . Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^ezra-1-1-3]: Kanttekening 3: Zie Jer. 25:12 , en Jer. 29:10 ; waar God uitdrukkelijk belooft zijn volk uit de gevangenis van Babel te verlossen, als die zeventig jaren zou hebben geduurd, die nu juist verlopen waren, naar sommiger rekening, in het jaar van de schepping van de wereld omtrent 3434, want de gevangenis was, naar hun gevoelen, begonnen in het jaar 3364. Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^ezra-1-1-4]: Kanttekening 4: Of, wekte op, maakte wakker.
[^ezra-1-1-5]: Kanttekening 5: Gelijk Ex. 36:6 . Zie daar, en 2 Kron. 36:22 , en Neh. 8:16 , enz. Exodus 36:6 : Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Nehemia 8:16 : En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^ezra-1-2-6]: Kanttekening 6: Of, heeft mij opgelegd; te weten door het woord van zijn profeten, \[dat mij is bekend gemaakt\] en door verwekking mijns geestes. Zie vers 1 , en Jes. 44:28 , en Jes. 45:1 , 45:13 . Anders, heeft van mij bevolen. Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Jesaja 44:28 : Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond. Jesaja 45:1 : Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: Jesaja 45:13 : Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt YHWH van de legermachten.
[^ezra-1-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, het land van Juda.
[^ezra-1-3-8]: Kanttekening 8: Wie is: Dat is, is er iemand onder u wonende, die van Gods volk is, zijnde een Jood, of Israëliet. Vergelijk Deut. 20:5 . Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
[^ezra-1-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, die deze plaats gekozen heeft om daar op een bijzondere wijze tegenwoordig te zijn, zijn naam te openbaren, en naar zijn voorschrift gediend te zijn. Vergelijk onder, Ezra 6:12 , en Ezra 7:15 . Anderen aldus: \[Hij is de God\] dat \[te weten, huis\] te Jeruzalem is; zo vers 4 , 1:5 . Ezra 6:12 : De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde. Ezra 7:15 : En om heen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning te Jeruzalem is; Ezra 1:4 : En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen zijn plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met bezittingen, en met beesten; naast een vrijwillige gave, voor het huis van God, Die te Jeruzalem woont. Ezra 1:5 : Toen maakten zich op de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, naast een iedereen, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis van YHWH, die te Jeruzalem woont.
[^ezra-1-4-10]: Kanttekening 10: Door gebrek van middelen, of anders.
[^ezra-1-4-11]: Kanttekening 11: in enige plaatsen: Hebreeuws, נִּשְׁאָ֗ר, uit, van.
[^ezra-1-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, opheffen, oplichten .
[^ezra-1-5-13]: Kanttekening 13: Juda en Benjamin: Hieronder worden begrepen die van andere stammen mee opgetogen zijn; 1 Kron. 9:2 , 9:3 , enz. 1 Kronieken 9:2 : De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelknechten. 1 Kronieken 9:3 : Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
[^ezra-1-6-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 24:53 . Genesis 24:53 : En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder kostelijkheden.
[^ezra-1-6-15]: Kanttekening 15: Vergelijk vers 4 . Ezra 1:4 : En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen zijn plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met bezittingen, en met beesten; naast een vrijwillige gave, voor het huis van God, Die te Jeruzalem woont.
[^ezra-1-7-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 24:13 ; 2 Kron. 36:7 . 2 Koningen 24:13 : En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van YHWH gemaakt had, gelijk als YHWH gesproken had. 2 Kronieken 36:7 : Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis van YHWH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
[^ezra-1-8-16]: Kanttekening 16: Deze wordt gehouden voor Zerubbabel, die in Chaldea zo vernoemd is. Zie onder, Ezra 3:2 , en Ezra 5:2 , 5:14 , 5:16 . Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. Ezra 5:2 : Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten van God, die hen ondersteunden. Ezra 5:14 : Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelfde gebracht in de tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, die hij tot een landvoogd had gesteld. Ezra 5:16 : Toen kwam dezelfde Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, maar niet volbracht.
[^ezra-1-8-d]: Verwijzing d: Ezra 5:14 . Ezra 5:14 : Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelfde gebracht in de tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, die hij tot een landvoogd had gesteld.
[^ezra-1-10-17]: Kanttekening 17: andere zilveren bekers: Of, daaraan; te weten, volgende. Of, van de tweede soort, of dubbele, dat is, overdekte.
[^ezra-1-10-18]: Kanttekening 18: Dat is \[zo het sommigen verklaren\], zij werden geteld en geleverd bij het duizend, of, bij duizenden, als zijnde kleiner en van mindere waardij. Vergelijk Ps. 50:10 . Sommigen verstaan het van andere grote vaten, die duizend zouden geweest zijn en, gevoegd bij andere kleine vaten, die niet genoemd worden, het navolgende getal zouden uitmaken. Psalmen 50:10 : Want al het gedierte van het woud is Mijn, de beesten op duizend bergen.
[^ezra-1-11-19]: Kanttekening 19: met degenen: Hebreeuws, הֶעֱלָ֣ה, met het opgevoerd worden van de gevangenis; dat is, dergenen, die uit het Joodse land gevankelijk waren weggevoerd.

### Ezra 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/2.json)

*Register van de gevangen Joden, die met de vorst Zerubbabel en andere hoofden naar Jeruzalem zijn opgetrokken, vers 1 enz. De vrijwillige gaven van de Joodse vorsten (toen zij te Jeruzalem gekomen waren) tot de bouw van de tempel, 68.*

**1** Dit zijn de[^ezra-2-1-1] kinderen van dat gewest, die optogen uit de gevangenis,[^ezra-2-1-2] van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn teruggekeerd, ieder naar zijn stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v1)

**2** Zij kwamen met[^ezra-2-2-3] Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van[^ezra-2-2-4] het volk van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v2)

**3** De[^ezra-2-3-5] kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v3)

**4** De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v4)

**5** De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v5)

**6** De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van[^ezra-2-6-6] Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v6)

**7** De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v7)

**8** De kinderen van Zatthu, negenhonderd vijf en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v8)

**9** De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v9)

**10** De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v10)

**11** De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v11)

**12** De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v12)

**13** De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v13)

**14** De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v14)

**15** De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v15)

**16** De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v16)

**17** De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v17)

**18** De kinderen van Jora, honderd en twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v18)

**19** De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v19)

**20** De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v20)

**21** De kinderen van[^ezra-2-21-7] Bethlehem, honderd drie en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v21)

**22** De mannen van Netofa, zes en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v22)

**23** De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v23)

**24** De kinderen van Azmaveth, twee en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v24)

**25** De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v25)

**26** De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v26)

**27** De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v27)

**28** De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v28)

**29** De kinderen van[^ezra-2-29-8] Nebo, twee en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v29)

**30** De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v30)

**31** De kinderen van[^ezra-2-31-9] de andere Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v31)

**32** De kinderen van Harim, driehonderd en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v32)

**33** De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v33)

**34** De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v34)

**35** De kinderen van Senaä, drie duizend zeshonderd en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v35)

**36** De priesters.[^ezra-2-36-10] De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v36)

**37** De kinderen[^ezra-2-37-11] van Immer, duizend twee en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v37)

**38** De kinderen[^ezra-2-38-12] van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v38)

**39** De kinderen[^ezra-2-39-13] van Harim, duizend en zeventien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v39)

**40** De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v40)

**41** De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v41)

**42** De kinderen van de poortwachters. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v42)

**43** De[^ezra-2-43-14] tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v43)

**44** De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v44)

**45** De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v45)

**46** De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v46)

**47** De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v47)

**48** De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v48)

**49** De kinderen van Uza, de zonen van Paseah, de kinderen van Bezai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v49)

**50** De kinderen van Asna, de kinderen van de Mehunim, de kinderen van de Nefusim; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v50)

**51** De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v51)

**52** De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v52)

**53** De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v53)

**54** De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v54)

**55** De kinderen van[^ezra-2-55-15] de knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v55)

**56** De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v56)

**57** De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v57)

**58** Al de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v58)

**59** Deze trokken ook op van[^ezra-2-59-16] Tel-Melah, Tel-Harsa,[^ezra-2-59-17] Cherub, Addan en Immer; maar zij konden van hun vaders huis en hun[^ezra-2-59-18] zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v59)

**60** De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v60)

**61** En van de kinderen van de priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v61)

**62** Deze zochten hun[^ezra-2-62-19] register,[^ezra-2-62-20] onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar[^ezra-2-62-21] zij werden niet gevonden; daarom werden zij[^ezra-2-62-22] als onreinen van het priesterdom geweerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v62)

**63** En[^ezra-2-63-23] Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de[^ezra-2-63-24] heiligste dingen niet zouden eten, voordat er een[^ezra-2-63-25] priester stond met urim en met thummim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v63)

**64** Deze hele gemeente[^ezra-2-64-26] samen was[^ezra-2-64-27] twee en veertig duizend driehonderd en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v64)

**65** Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd[^ezra-2-65-28] zangers en zangeressen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v65)

**66** Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v66)

**67** Hun kamelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezels, zes duizend zevenhonderd en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v67)

**68** En sommigen van de familiehoofden, als zij kwamen[^ezra-2-68-29] in het huis van YHWH, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwillig in het huis van God, om dat te zetten op zijn vaste plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v68)

**69** Zij gaven naar hun vermogen tot[^ezra-2-69-30] de schat van het werk, aan goud, een en zestig duizend[^ezra-2-69-31] drachmen, en aan zilver, vijf duizend[^ezra-2-69-32] ponden, en honderd priesterrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v69)

**70** En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de[^ezra-2-70-33] zangers als de poortwachters, en de[^ezra-2-70-34] tempelknechten woonden in hun steden, en geheel Israël in zijn steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/2.html#v70)

[^ezra-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, die in Babylonië of Chaldea als gevangenen een langen tijd gewoond hadden, daar andere Israëlieten in verscheidene landen verstrooid waren. Anders, kinderen van de provincie, òf, van het landschap, dat is, geboren in het Joodse land, òf die van daar afkomstig waren; zo deze manier van spreken beide kan betekenen; inwoning of geboorte. Vergelijk Neh. 7:6 . Nehemia 7:6 : Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, iedereen tot zijn stad;
[^ezra-2-1-2]: Kanttekening 2: van de weggevoerden: Hebreeuws, הֶגְלָ֛ה, van de wegvoering, of ballingschap, verhuizing.
[^ezra-2-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Ezra 1:8 . Deze wordt Soro-babel genoemd, Matt. 1:13 . Jesua \[anders Jozua \] was priester. Zie onder, Ezra 3:2 , 3:9 ; Hagg. 1:1 . Deze waren hoofden en leidslieden van het volk, met de andere oversten hierbij genoemd. Vergelijk dit register \[dat sommigen menen in Babylonië gesteld te zijn\] met het andere. Neh. 7:6 , 7:7 , enz., dat gesteld, of immers overzien, schijnt te wezen in Juda, enige tijd na de aankomst; er is enige verscheidenheid van namen en getal, omdat enige opgetekenden mogen achtergebleven of onderweg gestorven zijn, en andere naderhand aangekomen en bijgevoegd, gelijk in zulke optochten pleegt te gebeuren. Ook worden sommige namen verscheidenlijk in beide plaatsen gesteld, gelijk de lezer uit de vergelijking zal vernemen. Ezra 1:8 : En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde. Mattheüs 1:13 : En Zorobabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor; Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. Ezra 3:9 : Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broers, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis van God, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broers, de Levieten. Haggai 1:1 : In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: Nehemia 7:6 : Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iedereen tot zijn stad; Nehemia 7:7 : Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raämja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël.
[^ezra-2-2-4]: Kanttekening 4: volks van Israël: Van het gemene volk, die onder het beleid van de voorgenoemde hoofden optogen.
[^ezra-2-3-5]: Kanttekening 5: kinderen van Paros: Dat is, nakomelingen, en zo in het volgende.
[^ezra-2-6-6]: Kanttekening 6: Anders, \[en\] Joabs.
[^ezra-2-21-7]: Kanttekening 7: Dat is, inwoners of geboortig van Bethlehem; zo in sommige volgende verzen, mannen, of mensen van deze of gene plaats; idem vers 25 , enz., kinderen van deze en die plaatsen. Vergelijk boven, vers 1 . Ezra 2:25 : De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig. Ezra 2:1 : Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn teruggekeerd, een iedereen naar zijn stad;
[^ezra-2-29-8]: Kanttekening 8: Anders doorgaans in de Schriftuur genoemd Nob, een stad van de priesters, gelegen in Benjamin; zie 1 Sam. 21:1 ; Neh. 11:32 . Een andere van die naam was er in de stam van Ruben, Num. 32:37 , 32:38 ; waarom deze genoemd wordt de andere Nebo; Neh. 7:33 . 1 Samuël 21:1 : Toen kwam David te Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u alleen, en geen man met u? Nehemia 11:32 : Anathoth, Nob, Ananja, Numeri 32:37 : En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim, Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. Nehemia 7:33 : De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
[^ezra-2-31-9]: Kanttekening 9: anderen Elam: Van een anderen dan die boven, vers 7 , vermeld is. Ezra 2:7 : De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
[^ezra-2-36-10]: Kanttekening 10: De kinderen van Jedaja: Zie 1 Kron. 24:7 . 1 Kronieken 24:7 : Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,
[^ezra-2-37-11]: Kanttekening 11: Zie 1 Kron. 24:14 . 1 Kronieken 24:14 : Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
[^ezra-2-38-12]: Kanttekening 12: Die de voornaamste was onder de nakomelingen van Malkia. Zie 1 Kron. 9:12 , en 1 Kron. 24:9 . 1 Kronieken 9:12 : En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer. 1 Kronieken 24:9 : Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin,
[^ezra-2-39-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Kron. 24:8 . Het is aanmerkelijk dat hier van de vier en twintig ordeningen, in Davids tijd ingesteld, niet meer dan vier worden verhaald, waarbij sommigen de vijfde voegen, het huis van Jejua, Josadaks zoon. Van enige herstelling van de ordeningen, zie Neh. 12 . 1 Kronieken 24:8 : Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,
[^ezra-2-43-14]: Kanttekening 14: Dat is, gegevenen. Versta, de Gibeonieten, die, hun leven door list behouden hebbende, Israël en de huize Gods tot knechtelijke diensten zijn overgegeven; zie Joz. 9:21 , 9:23 . Jozua 9:21 : Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de gehele vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben. Jozua 9:23 : Nu dan, vervloekt bent u! en onder u zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.
[^ezra-2-55-15]: Kanttekening 15: knechten van Salomo: Die van de heidense volken overgebleven zijnde, door de koning Salomo dienstbaar zijn gemaakt; zie 1 Kon. 9:20 , 9:21 . 1 Koningen 9:20 : Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen van Israël; 1 Koningen 9:21 : Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen van Israël niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op deze dag.
[^ezra-2-59-16]: Kanttekening 16: Deze twee Thelmelah en Thelharsa, worden gehouden voor namen van plaatsen, waar zij gewoond hadden, in Babylonië en Mesopotamië.
[^ezra-2-59-17]: Kanttekening 17: Versta, met hun huisgezinnen. Sommigen menen dat deze drie volgende namen zijn van personen, die met hun huisgezinnen zijn opgetogen. Anderen houden het mee voor namen van plaatsen, en dat de personen in vers 60 verhaald worden. Ezra 2:60 : De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.
[^ezra-2-59-18]: Kanttekening 18: zaad niet bewijzen: Dat is, hun geslacht, afkomst.
[^ezra-2-62-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, geschrift. Versta, de geslachtsregisters, die God in die tijd heeft willen bewaard hebben, opdat men mocht weten uit welke familie de Messias zou voortkomen, en opdat het priesterdom tot op de komst van Christus bij Aärons linie mocht blijven.
[^ezra-2-62-20]: Kanttekening 20: onder degenen: Of, willende hun geslacht bewijzen.
[^ezra-2-62-21]: Kanttekening 21: zij werden niet gevonden: Te weten, hun namen, of personen, of voorouders.
[^ezra-2-62-22]: Kanttekening 22: als onreinen: Hebreeuws, כְּהֻנָּֽה, zij werden verontreinigd van het priesterdom; dat is, zij werden ongeschikt en niet gerechtigd verklaard tot het priesterdom, en vervolgens daarvan geweerd.
[^ezra-2-63-23]: Kanttekening 23: Dit houden sommigen voor een Perzischen naam van zeker ambt of dienst, als gezant, commissaris, stadhouder, of gouverneur van de koning, te weten, Sesbazar; zie boven, Ezra 1:8 . Zo wordt Nehemia ook genaamd; Neh. 8:10 , en Neh. 10:1 . Ezra 1:8 : En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde. Nehemia 8:10 : En Nehemia (dezelfde is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is YHWH, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden van de wet hoorden. Nehemia 10:1 : Tot de verzegelingen nu waren: Nehemia Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia,
[^ezra-2-63-24]: Kanttekening 24: heiligste dingen: Hebreeuws, יֹאכְל֖וּ, heiligheid van de heiligheden. Versta, wat de priester ten deel viel van de offeranden.
[^ezra-2-63-25]: Kanttekening 25: Versta, de hogepriester, bekleed met urim en thummim, om de Heer in zware en duistere zaken raad te vragen. Zie Num. 27:21 . Numeri 27:21 : En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering.
[^ezra-2-64-26]: Kanttekening 26: te zamen: Hebreeuws, אֶחָ֑ד, als een.
[^ezra-2-64-27]: Kanttekening 27: Daaronder mee gerekend degenen, die niet konden bewijzen of zij uit Israël waren. Hebreeuws, vier millioenen, twee duizend, enz.
[^ezra-2-65-28]: Kanttekening 28: zangers en zangeressen: Die zij meegenomen hadden om God voor zijn weldaad te danken en zich in de heilige muziek te oefenen, die in de gevangenis was nagelaten.
[^ezra-2-68-29]: Kanttekening 29: ten huize: Dat is, ter plaatse waar het huis van YHWH geweest was en weer gebouwd zou worden.
[^ezra-2-69-30]: Kanttekening 30: schat van het werk: Om in de schatkamer van het heiligdom bewaard te worden voor het bouwen van de tempel. Zie 1 Kron. 26:20 , 26:26 . 1 Kronieken 26:20 : Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen. 1 Kronieken 26:26 : Deze Selomith en zijn broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger;
[^ezra-2-69-31]: Kanttekening 31: Een drachma was \[naar het gevoelen van de geleerden\] het gewicht van een vierendeel van een sikkel, of van een Franse kroon. Zie 1 Kron. 29:7 . Zo bedroeg deze som een en zestig duizend Franse kronen. Hebreeuws, zes millioenen en duizend. 1 Kronieken 29:7 : En zij gaven, tot de dienst van het huis van God, vijf duizend talenten gouds, en tien duizend drachmen, en tien duizend talenten zilvers, en achttien duizend talenten kopers, en honderd duizend talenten ijzers.
[^ezra-2-69-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, manim; dat is, mijnen. Zie 1 Kon. 10:17 ; 2 Kron. 9:16 ; Neh. 7:71 , 7:72 . Van Ezechiëls mina, zie Ez. 45:12 . 1 Koningen 10:17 : Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon. 2 Kronieken 9:16 : Ook driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van de Libanon. Nehemia 7:71 : En anderen van de familiehoofden gaven tot de schat van het werk, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden. Nehemia 7:72 : En wat de overigen van het volk gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^ezra-2-70-33]: Kanttekening 33: Van de Levieten, te weten, de zangers, enz., en ook anderen van de gemeente, als de knechten van Salomo, enz. Zie Neh. 10:28 , en Neh. 11:3 ; 2 Kron. 23:5 . Nehemia 10:28 : En het overige van het volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelknechten, en al wie zich van de volken van de landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie wetenschap en verstand had; Nehemia 11:3 : En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een iedereen op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo). 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH.
[^ezra-2-70-34]: Kanttekening 34: Zie van deze boven, vers 43 . Ezra 2:43 : De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;

### Ezra 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/3.json)

*De priester Jesua en de vorst Zerubbabel bouwen het altaar van de HEERE en offeren daarop de eerste offers, vers 1 enz. zij houden ook het Loofhuttenfeest, 4. zij stellen alles in orde wat tot de verdere godsdienst en de bouw nodig was, 5. De grondslag van de tempel wordt gelegd, met grote vreugde en dankzegging tot God, 8. doch ook met groot geween van velen die de vorige tempel gezien hadden, 12.*

**1** Toen nu de[^ezra-3-1-1] zevende maand[^ezra-3-1-2] aankwam, en de Israëlieten in de steden waren, verzamelde zich het[^ezra-3-1-3] volk, als één enig man, te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v1)

**2** En[^ezra-3-2-4] Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn[^ezra-3-2-5] broers, de priesters en Zerubbabel, de[^ezra-3-2-6] zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandoffers te offeren, zoals[^ezra-3-2-a] geschreven is in de wet van Mozes,[^ezra-3-2-7] de man van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v2)

**3** En zij vestigden het altaar op zijn stelling,[^ezra-3-3-8] maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken van de landen;[^ezra-3-3-9] en zij offerden daarop brandoffers voor YHWH, brandoffers 's[^ezra-3-3-10][^ezra-3-3-b] morgens en 's avonds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v3)

**4** En zij hielden het feest van de loofhutten, zoals geschreven is; en zij offerden brandoffers dag bij dag in getal, naar het[^ezra-3-4-11][^ezra-3-4-c] recht,[^ezra-3-4-12] van elk dagelijks op zijn dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v4)

**5** Daarna ook het[^ezra-3-5-13] voortdurende brandoffer, en van[^ezra-3-5-d] de nieuwe maanden, en van alle vastgestelde hoogtijden van YHWH, die[^ezra-3-5-14] geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offergave aan YHWH vrijwillig offerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v5)

**6** Van de eerste dag af van de zevende maand begonnen zij YHWH brandoffers te offeren; maar de grond van de tempel van YHWH was niet gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v6)

**7** Zo gaven zij geld aan de[^ezra-3-7-15] houwers en werkmeesters, ook[^ezra-3-7-16] voedsel en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederhout van de[^ezra-3-7-17] Libanon te brengen aan de zee naar[^ezra-3-7-18] Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v7)

**8** In het tweede jaar nu van hun aankomst in het huis van God te Jeruzalem, in de[^ezra-3-8-19] tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hun broers, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten,[^ezra-3-8-20] van twintig jaar oud en daarboven, om de wacht te houden over het werk van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v8)

**9** Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broers, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van[^ezra-3-9-21] Juda, als één man, om de wacht te houden over degenen, die het werk deden aan het huis van God, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broers, de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v9)

**10** Als nu de bouwers de grond van de tempel van YHWH legden, zo stelden zij de priesters,[^ezra-3-10-22] aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om YHWH te loven, naar de[^ezra-3-10-23] instelling van David, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v10)

**11** En zij zongen bij beurten, met YHWH te loven en te danken, dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich, als men YHWH loofde over de grondlegging van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v11)

**12** Maar velen van de priesters, en de Levieten, en familiehoofden, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit[^ezra-3-12-24] huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, huilden met luide stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v12)

**13** Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich van de vreugde, van de stem van het geween van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/3.html#v13)

[^ezra-3-1-1]: Kanttekening 1: zevende maand: Genoemd Thisri, passende eensdeels op onze September, eensdeels op October. In deze maand werd het loofhuttenfeest gehouden; Lev. 23:24 ; Num. 29:12 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping. Numeri 29:12 : Ook op de vijftiende dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u voor YHWH een feest vieren.
[^ezra-3-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, aanraakte.
[^ezra-3-1-3]: Kanttekening 3: als een enig man: Zie Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^ezra-3-2-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Ezra 2:2 . Ezra 2:2 : Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël.
[^ezra-3-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, verwanten, bloedvrienden, en zo in het volgende.
[^ezra-3-2-6]: Kanttekening 6: zoon van Sealthiël: Dat is, kindskind; want hij was een zoon van Pedaja, die Sealthiëls zoon was; 1 Kron. 3:17 , 3:18 , 3:19 . Hij wordt Matt. 1:12 Salathiël genoemd. 1 Kronieken 3:17 : En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; 1 Kronieken 3:18 : Van deze zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 1 Kronieken 3:19 : De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simeï; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hunlieder zus; Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel;
[^ezra-3-2-a]: Verwijzing a: Deut. 12:5 ; idem v. 6 . Deuteronomium 12:5 : Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; Deuteronomium 12:6 : En daarheen zult u brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer uw hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uw runderen en uw schapen.
[^ezra-3-2-7]: Kanttekening 7: man van God: Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^ezra-3-3-8]: Kanttekening 8: maar met verschrikking: Dat is, zij lieten de godsdienst niet na, hoewel bevreest zijnde, enz. Anders, want vrees was op hen van, enz.; dat is, zij zochten door de oefening van de waren godsdienst zich te verzekeren tegen hun vijanden.
[^ezra-3-3-9]: Kanttekening 9: Versta, de omliggende omstreken, waarin hun vijanden woonden. Zie onder, Ezra 4:7 , 4:8 , 4:9 , 4:10 , enz. Ezra 4:7 : En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift van de brief was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd. Ezra 4:8 : Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan de koning Arthahsasta, op deze manier: Ezra 4:9 : Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten, Ezra 4:10 : En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van de rivier, enzovoorts.
[^ezra-3-3-10]: Kanttekening 10: Zie Num. 28:3 , 28:4 , enz. met de aantekening. Numeri 28:3 : En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren overdag, tot een gedurig brandoffer. Numeri 28:4 : Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.
[^ezra-3-3-b]: Verwijzing b: Num. 28:3 . Numeri 28:3 : En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van de dag, tot een gedurig brandoffer.
[^ezra-3-4-11]: Kanttekening 11: Zie Num. 29:12 , enz. Numeri 29:12 : Ook op de vijftienden dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u YHWH een feest vieren.
[^ezra-3-4-c]: Verwijzing c: Lev. 23:34 ; Num. 29:12 . Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn. Numeri 29:12 : Ook op de vijftienden dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u YHWH een feest vieren.
[^ezra-3-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, het woord, of, de zaak eens dags op zijn dag.
[^ezra-3-5-13]: Kanttekening 13: Zie Num. 28:6 . Numeri 28:6 : Het is het gedurig brandoffer, dat op de berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer YHWH.
[^ezra-3-5-d]: Verwijzing d: Num. 28:11 ; Neh. 10:33 . Numeri 28:11 : En in de beginselen uw maanden zult u een brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Nehemia 10:33 : Tot het brood van de toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, van de sabbatten, van de nieuwe maanden, tot de vastgestelde hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis onzes Gods.
[^ezra-3-5-14]: Kanttekening 14: geheiligd waren: Zie Lev. 8:10 . Leviticus 8:10 : Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.
[^ezra-3-7-15]: Kanttekening 15: houwers en werkmeesters: Houthouwers en steenhouwers, die hout uit de bossen en stenen uit de rotsen zouden houwen. Het Hebreeuwse woord begrijpt beiden, en beiden waren tot het bouwen van de tempel nodig.
[^ezra-3-7-16]: Kanttekening 16: voedsel en drank: Naar het exempel van Salomo; 1 Kon. 5:6 , 5:9 , 5:11 . 1 Koningen 5:6 : Zo gebied nu, dat men mij cederen uit de Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon uw knechten zal ik u geven, naar al wat u zeggen zult; want u weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniërs. 1 Koningen 5:9 : Mijn knechten zullen het afbrengen van de Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die u aan mij ontbieden zult, en zal het daar los maken, en u zult het wegnemen; u zult ook mijn wil doen, dat u mijn huis voedsel geeft. 1 Koningen 5:11 : En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot voedsel van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; zulks gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar.
[^ezra-3-7-17]: Kanttekening 17: Zie 1 Kon. 4:33 . 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^ezra-3-7-18]: Kanttekening 18: Anders genaamd Joppe; Hand. 9:36 . Zie 2 Kron. 2:16 . Handelingen 9:36 : En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, dat overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. 2 Kronieken 2:16 : En wij zullen hout houwen uit de Libanon, naar al uw nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en u zult het laten ophalen naar Jeruzalem.
[^ezra-3-8-19]: Kanttekening 19: tweede maand: Genoemd Jiar, passende eensdeels op April, anderdeels op Mei.
[^ezra-3-8-20]: Kanttekening 20: van twintig jaren: Hebreeuws, עֶשְׂרִ֤ים, een zoon van twintig jaar.
[^ezra-3-9-21]: Kanttekening 21: Boven, Ezra 2:40 genoemd Hodavja, en Neh. 7:43 Hodeva. Ezra 2:40 : De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. Nehemia 7:43 : De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiël, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
[^ezra-3-10-22]: Kanttekening 22: aangekleed zijnde: Te weten, met de priesterlijke kleren.
[^ezra-3-10-23]: Kanttekening 23: instelling van David: Hebreeuws, מֶֽלֶךְ, naar de handen; dat is \[gelijk sommigen verstaan\], met psalmen, die David gemaakt en daartoe verordineerd had. Zie 2 Kron. 5:13 , en 2 Kron. 29:27 , en vergelijk 1 Kron. 16:7 , enz. 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. 1 Kronieken 16:7 : Te dienzelven dage gaf David ten eerste deze psalm, om YHWH te loven, door de dienst van Asaf, en zijn broers.
[^ezra-3-12-24]: Kanttekening 24: huis in zijn grondlegging: Sommigen aldus: die het eerste huis op zijn grondvesting gezien hadden, dit huis \[nu\] voor hun ogen zijnde, enz. De zin is dat zij, de grondlegging van deze tempel met hun ogen nu aanschouwende en die met de grond van de eerste tempel vergelijkende, daaruit lichtelijk konden afnemen hoeveel het gebouw van het voorgaande zou verschillen. Zie Hagg. 2:3.

### Ezra 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/4.json)

*De tegenstanders van Gods volk begeren listig de tempel mee te bouwen en gemeenschappelijke godsdienst te hebben, vers 1 enz. Toen hun dit geweigerd werd, brengen zij door geld en valse schriftelijke aanklachten aan het hof zoveel teweeg, dat het bouwen van de tempel, de stad en de muren verboden en verhinderd wordt, tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, 4, enz.*

**1** Toen nu de[^ezra-4-1-1] tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen van[^ezra-4-1-2] de gevangenis YHWH, de God van Israël, de tempel bouwden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v1)

**2** Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de familiehoofden, en zeiden tot hen:[^ezra-4-2-3] Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, zoals u; ook hebben wij[^ezra-4-2-4] Hem geofferd sinds de dagen[^ezra-4-2-5][^ezra-4-2-a] van Esar-haddon, de koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v2)

**3** Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het[^ezra-4-3-6] past niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij[^ezra-4-3-7] alleen zullen YHWH, de God van Israël, bouwen,[^ezra-4-3-b] zoals de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v3)

**4** Evenwel[^ezra-4-4-8] maakte het[^ezra-4-4-9] volk van het land de handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v4)

**5** En zij huurden tegen hen raadslieden, om[^ezra-4-5-10] hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk[^ezra-4-5-11] van Darius, de koning van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v5)

**6** En onder het koninkrijk van[^ezra-4-6-12] Ahasveros, in het begin van zijn koninkrijk, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v6)

**7** En in de dagen van[^ezra-4-7-13] Arthahsasta schreef[^ezra-4-7-14] Bislam, Mithredath, Tabeël, en de[^ezra-4-7-15] overigen van[^ezra-4-7-16] zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de tekst van de brief was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch[^ezra-4-7-17] uitgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v7)

**8** Rehum, de[^ezra-4-8-18] kanselier, en Simsai, de[^ezra-4-8-19] schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan de koning Arthahsasta,[^ezra-4-8-20] op deze manier: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v8)

**9** [^ezra-4-9-21] Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de[^ezra-4-9-22] Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v9)

**10** En de overige volkeren, die de grote en beroemde[^ezra-4-10-23] Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de[^ezra-4-10-24] stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van[^ezra-4-10-25] de rivier,[^ezra-4-10-26] enzovoorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v10)

**11** Dit is een afschrift van de brief, die zij aan hem, aan de koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de[^ezra-4-11-27] mannen aan deze zijde van de rivier, enzovoorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v11)

**12** De koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltooien, en de fundamenten[^ezra-4-12-28] samenvoegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v12)

**13** Zo zij nu de koning bekend, als die stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij de[^ezra-4-13-29] belasting,[^ezra-4-13-30] vanouds gevestigde accijns, en[^ezra-4-13-31] tol niet zullen geven, en[^ezra-4-13-32] u zult aan de[^ezra-4-13-33] inkomsten van de koningen schade aanbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v13)

**14** Nu, omdat wij[^ezra-4-14-34] salaris uit het paleis trekken, en het ons niet past de oneer van de koning te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit[^ezra-4-14-35] de koning bekend gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v14)

**15** Opdat men zoeke in het boek van[^ezra-4-15-36] de kronieken van uw vaders, zo zult u vinden in het boek van de kronieken, en[^ezra-4-15-37] weten, dat die stad een rebelle stad geweest is, en de koningen en gewesten schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval[^ezra-4-15-38] gesticht hebben,[^ezra-4-15-39] van oude tijden af; daarom is die stad verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v15)

**16** Wij maken dan de koning bekend, dat, zo die stad zal worden opgebouwd, en haar muren[^ezra-4-16-40] voltrokken, u daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde van de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v16)

**17** De koning zond antwoord aan Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun[^ezra-4-17-41] gezelschappen, die te Samaria woonden; en ook aan de overigen van deze zijde van de rivier[^ezra-4-17-42] zo: Vrede, enzovoorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v17)

**18** De brief, die u aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v18)

**19** En als van mij bevel[^ezra-4-19-43] gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zich[^ezra-4-19-44] van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v19)

**20** Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan de overzijde van de rivier; en hun is belasting, vanouds gevestigde accijns en tol gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v20)

**21** Geef dan nu bevel, om[^ezra-4-21-45] die mannen te beletten, dat die stad niet opgebouwd worde, voordat van mij bevel zal worden gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v21)

**22** Wees gewaarschuwd, van fout in deze te begaan; waarom zou het verderf tot schade van de koningen aanwassen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v22)

**23** Toen, van dat het afschrift van de brief van de koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, de schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, trokken zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met[^ezra-4-23-46] geweld en macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v23)

**24** Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar[^ezra-4-24-47] van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/4.html#v24)

[^ezra-4-1-1]: Kanttekening 1: Zie van deze vers 7 , 4:8 , 4:9 . Ezra 4:7 : En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift van de brief was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd. Ezra 4:8 : Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan de koning Arthahsasta, op deze manier: Ezra 4:9 : Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
[^ezra-4-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, vervaring, of, vervoering, wegvoering, ballingschap; dat is, die weggevoerd en gevangen geweest waren in Babel; telkens in het volgende.
[^ezra-4-2-3]: Kanttekening 3: Laat ons: Veinzende vriendschap en gemeenschap van de religie maar zoekende onder die dekmantel het goede werk te beletten, of hun afgoderij in de tempel in te voeren, of met de reinen godsdienst te vermengen. Zie 2 Kon. 17:29 , 17:30 , 17:31 , 17:32 , 17:33 , 17:34 . Daarom is dit huichelachtig verzoek hun afgeslagen. 2 Koningen 17:29 : Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. 2 Koningen 17:30 : Want de mensen van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de mensen van Chut maakten Nergal, en de mensen van Hamath maakten Asima, 2 Koningen 17:31 : En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. 2 Koningen 17:32 : Ook vreesden zij YHWH, en maakten zich van hun geringsten priesters van de hoogten, dewelke voor hen dienst deden in de huizen van de hoogten. 2 Koningen 17:33 : Zij vreesden YHWH, en dienden ook hun goden, naar de wijze van de volken, van dewelke zij die weggevoerd hadden. 2 Koningen 17:34 : Tot op deze dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen YHWH niet, en zij doen niet naar hun inzettingen, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat YHWH geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf.
[^ezra-4-2-4]: Kanttekening 4: Hem geofferd: Anders, wij hebben niet geofferd.
[^ezra-4-2-5]: Kanttekening 5: Die Sanheribs zoon was, en na hem geregeerd had; 2 Kon. 19:37 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^ezra-4-2-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 17:29 . 2 Koningen 17:29 : Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren.
[^ezra-4-3-6]: Kanttekening 6: betaamt niet: Hebreeuws, בְנ֥וֹת, u en ons niet; of, u en wij hebben niet; te weten, met elkaar te doen in deze zaak.
[^ezra-4-3-7]: Kanttekening 7: Aldus kan het Hebreeuwse woord Jachad \[dat dikwijls tezamen, tegelijk, met elkaar, bijeen, ineen betekent\] hier bekwamelijk genomen worden, gelijk Jachis ook een enige, eenlijken, eenzamen betekent. Zie van gelijke Job 34:29 ; Hos. 11:7 ; idem Ps. 33:15 . Anders, wij \[die hier\] tezamen \[zijn,\] zullen, enz. Of, wij \[alleen\] zullen tezamen, enz. Job 34:29 : Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen? Hosea 11:7 : Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem. Psalmen 33:15 : Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
[^ezra-4-3-b]: Verwijzing b: Ezra 1:1 ; idem v. 2 ; idem v. 3 . Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:2 : Zo zegt Kores, koning van Perzië: De YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. Ezra 1:3 : Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van YHWH, van de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont.
[^ezra-4-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, braken de lust en ijver van Gods volk, en maakten hen flauw en trager in het bouwen.
[^ezra-4-4-9]: Kanttekening 9: volk van het land: Gelijk boven, Ezra 3:3 . Ezra 3:3 : En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken van de landen; en zij offerden daarop brandofferen voor YHWH, brandofferen 's morgens en 's avonds.
[^ezra-4-5-10]: Kanttekening 10: hun raad te vernietigen: Te weten, het goede voornemen van de Joden.
[^ezra-4-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Darjavesch; zie onder, vers 24 . Ezra 4:24 : Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
[^ezra-4-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, Achaschverosch, anders genoemd Assuerus. Wie deze geweest is, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen verstaan Cambyses, de zoon van Cyrus, anderen de vermaarden Xerxes.
[^ezra-4-7-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Artach-Schaschtha, anders genoemd Artaxerxes, die sommigen menen geweest te zijn Artaxerxes Longimanus; dat is Langhand.
[^ezra-4-7-14]: Kanttekening 14: Anders, in vrede; dat is, in tijd van vrede, stilzwijgende, als de Joden daarop niet dachten. Of, vredelijk; dat is, met toewensing van vrede aan de koning.
[^ezra-4-7-15]: Kanttekening 15: Chaldeeuws, het overige, en zo in het volgende, dat is, de ander, de rest.
[^ezra-4-7-16]: Kanttekening 16: zijn gezelschap: Versta, de andere leden van de Raad, die de koningen van Perzië in deze omstreken, over de rivier Eufraat gelegen, gesteld hadden.
[^ezra-4-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, geschreven niet alleen met Syrische letters, maar ook met Syrische woorden, zoals enige dat verklaren. Syrisch, dat is, Chaldeeuws, welke spraak de Joden in Babylonië mee geleerd hebben.
[^ezra-4-8-18]: Kanttekening 18: Chaldeeuws, heer, of, meester van de raad; dat is, president van de Raad, of kanselier.
[^ezra-4-8-19]: Kanttekening 19: Of, secretaris.
[^ezra-4-8-20]: Kanttekening 20: op deze manier: Of, aldus, als volgt, gelijk wij zullen zeggen, enz.
[^ezra-4-9-21]: Kanttekening 21: Te weten, is dit geschreven.
[^ezra-4-9-22]: Kanttekening 22: Dit zijn alle namen van verscheidene heidense volken, die de koning van Assyrië overgezonden had, om in de plaats van de tien stammen van Israël te gaan wonen, uit welke alle een Raad van de koning tot zijn dienst in deze streken was opgericht.
[^ezra-4-10-23]: Kanttekening 23: Boven, vers 2 , genoemd Esarhaddon. Ezra 4:2 : Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de familiehoofden, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk u; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, de koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.
[^ezra-4-10-24]: Kanttekening 24: stad van Samaria: Anders, steden van de Samaritanen.
[^ezra-4-10-25]: Kanttekening 25: Eufraat.
[^ezra-4-10-26]: Kanttekening 26: enzovoorts: Of, op \[dienzelven\] tijd. Chaldeeuws, Cheheneth. Dit schijnt te wezen de datum van de brief, voor of bovenaan gesteld zijnde, gelijk hedendaags nog velen gewoon zijn te doen; zo onder, vers 11 , 4:17 , in het antwoord van de koning, en Ezra 7:12 . Uit welke plaatsen afgenomen wordt, dat Cheheneth geen naam is van een zeker volk, gelijk sommigen menen. Ezra 4:11 : Dit is een afschrift van de brief, die zij aan hem, aan de koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde van de rivier, enzovoorts. Ezra 4:17 : De koning zond antwoord aan Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; en ook aan de overigen van deze zijde van de rivier aldus: Vrede, enzovoorts. Ezra 7:12 : Arthahsasta koning van de koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, volkomen vrede enzovoorts.
[^ezra-4-11-27]: Kanttekening 27: Chaldeeuws, de man, of de mens; dat is, een ieder.
[^ezra-4-12-28]: Kanttekening 28: Chaldeeuws eigenlijk, aan elkaar naaien, of lappen.
[^ezra-4-13-29]: Kanttekening 29: Het Chaldeeuwse woord betekent eigenlijk maat enzovoorts belasting, tribuut, schatting, of schat; die een ieder naar de mate van zijn goederen de koning moest geven; Neh. 5:4 . Zie ook onder, vers 20 , en Ezra 7:24 . Nehemia 5:4 : Evenzo waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot de belasting van de koning, op onze akkers en onze wijngaarden. Ezra 4:20 : Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan de overzijde van de rivier; en hun is belasting, vanouds gevestigde accijns en tol gegeven. Ezra 7:24 : Ook laten wij u weten, aangaande alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempelknechten en dienaren van het huis van deze God, dat men de belasting, vanouds gevestigde accijns en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
[^ezra-4-13-30]: Kanttekening 30: vanouds gevestigde accijns: Accijns, die men vanouds gewoon was op allerlei koophandel te stellen. Anders, hoofdschatting.
[^ezra-4-13-31]: Kanttekening 31: Op de havens en in het passeren van de heirwegen, rivieren, enz. Sommigen maken van deze drie soorten maar twee, en zetten het aldus over: Zij zullen de ouden schot en tol niet geven.
[^ezra-4-13-32]: Kanttekening 32: u zult: Zo u \[koning\] hun voornemen niet belet. Anders, zij zal; te weten, Jeruzalem.
[^ezra-4-13-33]: Kanttekening 33: inkomsten van de koningen: Of, de schatkamer.
[^ezra-4-14-34]: Kanttekening 34: Chaldeeuws, het zout van het paleis hebben gezouten, of met het zout, enz.; dat is omdat wij in het paleis van de koning zijn opgevoed en onze traktementen vandaar hebben, of met soldij bezoldigd worden. Zo worden salaris \[dat van zout komt\], idem sold, maand zouts en meer andere manieren van spreken hedendaags gebruikt, omdat het zout nodig is tot het onderhoud van de mens; gelijk het woord brood ook voor het onderhoud van de mens in het algemeen genomen wordt.
[^ezra-4-14-35]: Kanttekening 35: oneer te zien: Chaldeeuws eigenlijk, naaktheid, blootheid, ontbloting; dat sommigen verstaan van de beroving van zijn middelen, uit vers 13 . Ezra 4:13 : Zo zij nu de koning bekend, als die stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij de belasting, vanouds gevestigde accijns, en tol niet zullen geven, en u zult aan de inkomsten van de koningen schade aanbrengen.
[^ezra-4-15-36]: Kanttekening 36: kronieken van uw vaderen: Chaldeeuws, van de gedachtenissen.
[^ezra-4-15-37]: Kanttekening 37: Dat is, bevinden.
[^ezra-4-15-38]: Kanttekening 38: gesticht hebben: Chaldeeuws, gemaakt. Zo vers 19 . Ezra 4:19 : En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.
[^ezra-4-15-39]: Kanttekening 39: van oude tijden af: Chaldeeuws, van de dagen van de eeuwigheid. Zo vers 19 . Ezra 4:19 : En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.
[^ezra-4-16-40]: Kanttekening 40: u daardoor: Dat is, zij zullen u alles, wat u aan deze zijde van de Eufraat bezit, ontwenden en afvallig maken.
[^ezra-4-17-41]: Kanttekening 41: Dat is, collegiën, of metgezellen.
[^ezra-4-17-42]: Kanttekening 42: Chaldeeuws, Schelam en Chebet. Vergelijk boven, vers 10 . Anderen nemen beide voor namen van de plaatsen, waar Rehum en Simsai woonden. Ezra 4:10 : En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van de rivier, enzovoorts.
[^ezra-4-19-43]: Kanttekening 43: gegeven was: Chaldeeuws, gesteld. En telkens in het volgende.
[^ezra-4-19-44]: Kanttekening 44: van oude tijden: Gelijk boven, vers 15 . Ezra 4:15 : Opdat men zoeke in het boek van de kronieken uw vaderen, zo zult u vinden in het boek van de kronieken, en weten, dat die stad een rebelle stad geweest is, en de koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is die stad verwoest.
[^ezra-4-21-45]: Kanttekening 45: diezelve mannen: De Joden.
[^ezra-4-23-46]: Kanttekening 46: arm en geweld: Dat is, niet gewapende hand.
[^ezra-4-24-47]: Kanttekening 47: Door deze verstaan enige Darius, de zoon van Hystaspis, die na Cambyses heeft geregeerd. Anderen menen, het is Darius Nothus geweest, die geregeerd heeft na Artaxerxes Longimanus en vóór Artaxerxes Mnemon. De aandachtige lezer zal van deze zelf kunnen oordelen.

### Ezra 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/5.json)

*Zerubbabel en Jesua, gesterkt zijnde door de profeten Haggaï en Zacharia, beginnen weer de tempel te bouwen, vers 1, 2. waarvan de koninklijke landvoogd rekenschap van hen eist, die zij geven, en die hij aan koning Darius overschrijft, met het verzoek dat de koning naar de waarheid daarvan onderzoek gelieve te laten doen en zijn goedvinden zou toezenden, 3, enz.*

**1** [^ezra-5-1-a] Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de[^ezra-5-1-1] zoon van Iddo, profeteerden[^ezra-5-1-2] tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de[^ezra-5-1-3] naam van God van Israël profeteerden[^ezra-5-1-4] zij tot hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v1)

**2** Toen maakten zich op[^ezra-5-2-5] Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten van God, die hen[^ezra-5-2-6] ondersteunden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v2)

**3** In die tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en[^ezra-5-3-7] Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden zo tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltooien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v3)

**4** Toen zeiden wij[^ezra-5-4-8] zo tot hen, en welke de[^ezra-5-4-9] namen waren van de mannen, die dit gebouw bouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v4)

**5** Maar het[^ezra-5-5-10] oog van hun God was over de oudsten van de Joden, dat zij hun niet beletten, voordat de zaak aan Darius kwam, en zij dan daarover een brief wederbrachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v5)

**6** Afschrift van de brief, die Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaïeten, die aan deze zijde van de rivier waren, aan de koning Darius zond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v6)

**7** Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was zo geschreven: De koning Darius zij alle vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v7)

**8** De koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het gewest Juda, naar het huis van de grote God, dat gebouwd wordt met[^ezra-5-8-11] grote stenen, en het[^ezra-5-8-12] hout wordt geleid in de wanden; en dat werk wordt haastig gedaan, en gaat voorspoedig door hun handen voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v8)

**9** Toen hebben wij dezelfde oudsten gevraagd, en zo tot hen gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltooien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v9)

**10** Verder hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen van de mannen, die hoofden onder hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v10)

**11** En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van de God van de hemel en van de aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor deze is gebouwd geweest; want een groot[^ezra-5-11-13] koning van Israël had het gebouwd en voltrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v11)

**12** Maar[^ezra-5-12-b] nadat onze vaders de God van de hemel hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, de Chaldeer; die dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v12)

**13** [^ezra-5-13-c] Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis van God te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v13)

**14** Ja, de voorwerpen van Gods huis, die van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelfde gebracht in de tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn[^ezra-5-14-d] gegeven aan een, wiens naam was[^ezra-5-14-14] Sesbazar, die[^ezra-5-14-15] hij tot een landvoogd had gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v14)

**15** En hij zei tot hem: Neem deze voorwerpen, ga ze afvoeren in de tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis van God gebouwd worden op zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v15)

**16** Toen kwam dezelfde Sesbazar;[^ezra-5-16-16] hij legde de fundamenten van het huis van God,[^ezra-5-16-17] Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, maar niet volbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v16)

**17** Zo het dan nu[^ezra-5-17-18] de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de[^ezra-5-17-19] koning daar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van de koning Kores gegeven zij, om dit huis van God te Jeruzalem te bouwen; en[^ezra-5-17-20] dat men ons het goeddunken van de koning hierover toezende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/5.html#v17)

[^ezra-5-1-a]: Verwijzing a: Hagg. 1:1 ; Zach. 1:1 . Haggai 1:1 : In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: Zacharia 1:1 : In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende:
[^ezra-5-1-1]: Kanttekening 1: zoon van Iddo: Dat is, zoonszoon; want hij was een zoon van Barechja, die een zoon was van Iddo; Zach. 1:1 . Zacharia 1:1 : In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende:
[^ezra-5-1-2]: Kanttekening 2: In het tweede jaar van de koning Darius. Zie Hagg. 1:1 ; Zach. 1:1 . Haggai 1:1 : In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: Zacharia 1:1 : In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende:
[^ezra-5-1-3]: Kanttekening 3: in de naam: Dat is, door bevel.
[^ezra-5-1-4]: Kanttekening 4: profeteerden zij : Bevelende hun het bouwen van de tempel te hervatten.
[^ezra-5-2-5]: Kanttekening 5: Die de gevangenen uit Babel hadden opgevoerd. Zie boven, Ezra 2:2 , en Ezra 3:2 , en Ezra 4:2 , 4:3 . Ezra 2:2 : Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël. Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. Ezra 4:2 : Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de familiehoofden, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk u; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, de koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. Ezra 4:3 : Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen YHWH, de God van Israël, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.
[^ezra-5-2-6]: Kanttekening 6: De ijverigen door het woord van YHWH sterkende en de tragen bestraffende. Zie Hagg. 1:2 ; Zach. 1:16 , enz. Haggai 1:2 : Zo spreekt YHWH van de legermachten zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat van YHWH huis gebouwd worde. Zacharia 1:16 : Daarom zegt YHWH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt YHWH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.
[^ezra-5-3-7]: Kanttekening 7: Chaldeeuws, Schethar-Boznai.
[^ezra-5-4-8]: Kanttekening 8: aldus tot hen: Gelijk onder, vers 11 , enz. verhaald wordt. Ezra 5:11 : En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van de God van de hemel en van de aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor deze is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken.
[^ezra-5-4-9]: Kanttekening 9: namen waren van de mannen: Omdat zij dit mee gevraagd hadden, onder, vers 10 . Anderen nemen deze woorden aldus: \[verder zeiden zij\] welke zijn de namen van de mannen, die dit gebouw bouwen? Ezra 5:10 : Verder hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen van de mannen, die hoofden onder hen zijn.
[^ezra-5-5-10]: Kanttekening 10: oog huns Gods: Dat is, God waakte en droeg zorg voor hen.
[^ezra-5-8-11]: Kanttekening 11: grote stenen: Chaldeeuws, steen van de wenteling, of rolling; dat is, die men niet kon dragen, maar met instrumenten moest wentelen. Anders, marmersteen.
[^ezra-5-8-12]: Kanttekening 12: hout wordt gelegd: Zij willen zeggen dat het werk reeds zover is gebracht, dat de balken tot zolderingen gelegd werden.
[^ezra-5-11-13]: Kanttekening 13: koning van Israël: Salomo.
[^ezra-5-12-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 36:16 ; idem v. 17 . 2 Kronieken 36:16 : Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid van YHWH tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was. 2 Kronieken 36:17 : Want Hij deed tegen hen opkomen de koning van de Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
[^ezra-5-13-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1 . 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^ezra-5-14-d]: Verwijzing d: Ezra 1:8 . Ezra 1:8 : En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde.
[^ezra-5-14-14]: Kanttekening 14: Zie boven, Ezra 1:8 . Ezra 1:8 : En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde.
[^ezra-5-14-15]: Kanttekening 15: Cores, of Cyrus.
[^ezra-5-16-16]: Kanttekening 16: hij legde de fondamenten: Chaldeeuws, hij gaf.
[^ezra-5-16-17]: Kanttekening 17: Die te Jeruzalem woont : Of, dat te Jeruzalem is.
[^ezra-5-17-18]: Kanttekening 18: de koning goeddunkt: Chaldeeuws, bij de koning goed \[is\]; dat is, zo het de koning goedvindt, of zo het hem aangenaam is.
[^ezra-5-17-19]: Kanttekening 19: Dat is, in de kanselarij van de koning, waar alle gedenkwaardige schriften heengelegd en bewaard werden. Zo onder, Ezra 6:1 . Ezra 6:1 : Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.
[^ezra-5-17-20]: Kanttekening 20: dat men van de koning: Of, dat de koning zijn believen hiervan tot ons zendt. Chaldeeuws, dat hij het believen van de koning; \[dat is, dat de koning zijn believen\] hiervan tot ons zendt.

### Ezra 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/6.json)

*Koning Darius laat zoeken naar het bevel van koning Kores, vers 1. en toen dit gevonden was, zendt de koning een zeer krachtig bevel aan zijn landvoogd en de gehele landraad, dat zij niet alleen de Joden niet zullen verhinderen, maar hun op alle manieren behulpzaam zijn, zowel bij de bouw van de tempel als bij de benodigdheden voor de godsdienst, vers 2 enz. De landvoogd voert dit bevel uit, en zo wordt de tempel voltooid en ingewijd, 13. Voorts wordt ook het Paasfeest met vreugde gehouden, 19.*

**1** [^ezra-6-1-1] Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de[^ezra-6-1-2] kanselarij, waar de[^ezra-6-1-3] schatten waren weggelegd, in[^ezra-6-1-4] Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v1)

**2** En te[^ezra-6-2-5] Achmetha, in de burcht, die in het gewest Medië is, werd een[^ezra-6-2-6] rol gevonden; en daarin was zo geschreven:[^ezra-6-2-7] GEDACHTENIS; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v2)

**3** In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis van God te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden,[^ezra-6-3-8] ter plaatse, waar zij offergaven offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig[^ezra-6-3-10][^ezra-6-3-9] ellen, en zijn breedte van zestig ellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v3)

**4** Met drie rijen van[^ezra-6-4-11] grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis van de koning gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v4)

**5** Daartoe zal men ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar de tempel, die te Jeruzalem[^ezra-6-5-12] is, aan[^ezra-6-5-13] zijn plaats, en[^ezra-6-5-14] men zal ze afvoeren in het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v5)

**6** Nu, u Thathnai, landvoogd aan de overzijde van[^ezra-6-6-15] de rivier, u Sthar-Boznai, met[^ezra-6-6-16] uw gezelschap, u Afarsechaïeten, die aan de overzijde van de rivier bent,[^ezra-6-6-17] wees verre van daar! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v6)

**7** [^ezra-6-7-18] Laat hen aan de arbeid van dit huis van God; dat de landvoogd van de Joden en de oudsten van de Joden dit huis van God bouwen aan zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v7)

**8** Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de belasting aan de overzijde van de rivier, de onkosten deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men hen niet belette.[^ezra-6-8-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v8)

**9** En wat[^ezra-6-9-20] nodig is, als[^ezra-6-9-21] jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandoffers aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v9)

**10** Opdat zij offergaven van[^ezra-6-10-22] liefelijke reuk aan de God van de hemel offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v10)

**11** Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al degene, die dit[^ezra-6-11-23] woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden[^ezra-6-11-24] opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een[^ezra-6-11-25] mesthoop gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v11)

**12** De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoedig gedaan worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v12)

**13** Toen deden Thathnai, de landvoogd aan de overzijde van de rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig zo, naar[^ezra-6-13-26] wat de koning Darius gezonden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v13)

**14** En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van[^ezra-6-14-27] Kores, en[^ezra-6-14-28] Darius, en[^ezra-6-14-29] Arthahsasta, koning van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v14)

**15** En dit huis werd volbracht op de derde dag van de[^ezra-6-15-30] maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van de koning Darius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v15)

**16** En de Israëlieten, de priesters en Levieten, en de overige kinderen van de gevangenis deden de[^ezra-6-16-31] inwijding van dit huis van God met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v16)

**17** En zij offerden, ter inwijding van dit huis van God, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, als zondoffer voor geheel Israël, naar het getal van de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v17)

**18** En zij stelden de priesters in hun[^ezra-6-18-32] onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot de dienst van God, Die te Jeruzalem is,[^ezra-6-18-33][^ezra-6-18-a] naar het voorschrift van het boek van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v18)

**19** Ook hielden de kinderen van de gevangenis het[^ezra-6-19-b] pascha, op de veertienden van[^ezra-6-19-34] de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v19)

**20** Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als één enig man; zij waren allen rein; en[^ezra-6-20-35] zij slachtten het pascha voor alle kinderen van de gevangenis, en voor hun broers, de priesters, en voor zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v20)

**21** Zo[^ezra-6-21-36] aten de Israëlieten, die uit de gevangenis wedergekomen waren, en ook[^ezra-6-21-37] al wie zich van de onreinheid van de heidenen van het land tot hen afgezonderd had, om YHWH, de God van Israël, te[^ezra-6-21-38] zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v21)

**22** En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want YHWH had hen verblijd, en het hart van de koning van[^ezra-6-22-39] Assur tot hen gewend, om hun[^ezra-6-22-40] handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/6.html#v22)

[^ezra-6-1-1]: Kanttekening 1: gaf de koning: Nadat men de last van de koning Cyrus opgezocht en gevonden had, gaf Darius bevel om de tempel op te bouwen. De woorden van dit bevel volgen vers 6 . Ezra 6:6 : Nu, u Thathnai, landvoogd aan de overzijde van de rivier, u Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, u Afarsechaïeten, die aan de overzijde van de rivier zijt, weest verre van daar!
[^ezra-6-1-2]: Kanttekening 2: Chaldeeuws, in het huis van de boeken.
[^ezra-6-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Ezra 5:17 . Ezra 5:17 : Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de koning daar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van de koning Kores gegeven zij, om dit huis van God te Jeruzalem te bouwen; en dat men het believen van de koning hiervan tot ons zendt.
[^ezra-6-1-4]: Kanttekening 4: Versta, niet de stad Babel, maar het landschap, of gebied van Babylonië in het brede genomen, en Medië daaronder medegerekend.
[^ezra-6-2-5]: Kanttekening 5: Dit houden sommigen voor Ecbatana, waar de koningen van Medië 's zomers hun hof hielden, waarvan zij menen dat deze plaats de naam van Achmetha gekregen heeft, gelijk hun hof 's winters gehouden werd te Seleucia, aan de rivier Tigris. Anders, in een koffer, of kast.
[^ezra-6-2-6]: Kanttekening 6: rol gevonden: Alsof men zei: samengerold, deel van een boek, volumen in het Latijn; omdat de boeken oudtijds op lange rollen van basten van de bomen werden geschreven, en samen gewonden. Ps. 40:8 ; Jer. 36:2 , en Ez. 2:9 , vindt men een rol van het boek; en Ez. 2:10 ; Openb. 5:1 , een boek van binnen en buiten beschreven; dat men houdt een rol geweest te zijn. Zo hebben de Joden nog hedendaags in hun synagogen het wetboek van Mozes geschreven op een lange grote rol van perkament. Psalmen 40:8 : Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Jeremia 36:2 : Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag. Ezechiël 2:9 : Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks. Ezechiël 2:10 : En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee. Openbaring 5:1 : En ik zag in de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.
[^ezra-6-2-7]: Kanttekening 7: Dit schijnt het opschrift geweest te zijn van de volgende memorie, of gedenkcedel.
[^ezra-6-3-8]: Kanttekening 8: ter plaatse: Of, tot een plaats, enz.
[^ezra-6-3-10]: Kanttekening 10: zestig ellen: Dit wordt door sommigen verstaan van consent of toelating, dat men de tempel zo hoog zou mogen optrekken, daar Salomo's tempel maar dertig ellen hoog was, 1 Kon. 6:2 ; nu blijkt uit Hagg. 2:3 , dat dit gebouw bij Salomo's tempel niet was te vergelijken. Zie ook boven, Ezra 3:12 . 1 Koningen 6:2 : En dat huis, dat de koning Salomo YHWH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte. Haggai 2:3 : Spreek nu tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en tot het overblijfsel van het volk, zeggende: Ezra 3:12 : Maar velen van de priesters, en de Levieten, en familiehoofden, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luide stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
[^ezra-6-3-9]: Kanttekening 9: zwaar zijn: Chaldeeuws eigenlijk, dragende, dat is, zo zwaar en sterk, dat zij het gebouw kunnen dragen.
[^ezra-6-4-11]: Kanttekening 11: grote steen: Gelijk boven, Ezra 5:8 , zie daar. Ezra 5:8 : De koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, in het huis van de grote God, dat gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt geleid in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
[^ezra-6-5-12]: Kanttekening 12: is, aan: Of, zal wezen.
[^ezra-6-5-13]: Kanttekening 13: zijn plaats: Te weten, van de tempel, of elk aan zijn plaats; verstaande dit van de vaten.
[^ezra-6-5-14]: Kanttekening 14: men zal ze afvoeren: Anders, u zult ze afvoeren, of, voert ze af.
[^ezra-6-6-15]: Kanttekening 15: Eufraat.
[^ezra-6-6-16]: Kanttekening 16: ulieder gezelschap: Chaldeeuws, en hunlieder gezelschap.
[^ezra-6-6-17]: Kanttekening 17: weest verre van daar: Dat is, wacht u, dat u niet enigszins nadert, om dit werk te beletten.
[^ezra-6-7-18]: Kanttekening 18: Laat hen aan de arbeid: Dat is, laat hen onverhinderd voortgaan in de arbeid, of in het werk.
[^ezra-6-8-19]: Kanttekening 19: Chaldeeuws, doe ophouden.
[^ezra-6-9-20]: Kanttekening 20: nodig is: Of, wat zij nodig hebben.
[^ezra-6-9-21]: Kanttekening 21: jonge runderen: Chaldeeuws, zonen, of kinderen van de ossen.
[^ezra-6-10-22]: Kanttekening 22: liefelijken reuk: Zie Gen. 8:21 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^ezra-6-11-23]: Kanttekening 23: woord zal veranderen: Dat is, dit mijn bevel overtreden, of enigszins daartegen doen. Zo in vers 12 ; idem Dan. 3:28 , en Dan. 6:9 , 6:16 . Ezra 6:12 : De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde. Daniël 3:28 : Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God. Daniël 6:9 : Nu, o koning! u zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet van de Meden en van de Perzen, die niet mag wederroepen worden. Daniël 6:16 : Toen kwamen die mannen met hopen tot de koning, en zij zeiden tot de koning: Weet, o koning! dat van de Meden en van de Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.
[^ezra-6-11-24]: Kanttekening 24: Chaldeeuws, uitgedelgd.
[^ezra-6-11-25]: Kanttekening 25: Zo Dan. 2:5 , en Dan. 3:29 . Daniël 2:5 : De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden. Daniël 3:29 : Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan.
[^ezra-6-13-26]: Kanttekening 26: Naar het bevel, dat de koning had overgezonden.
[^ezra-6-14-27]: Kanttekening 27: Zie boven, Ezra 1:1 , en Ezra 5:13 , en in vers 3 , enz. Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 5:13 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis van God te bouwen. Ezra 6:3 : In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis van God te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;
[^ezra-6-14-28]: Kanttekening 28: Zie boven, Ezra 4:24 . Ezra 4:24 : Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
[^ezra-6-14-29]: Kanttekening 29: Die door Darius de zoon van Hystaspis verstaan, houden deze voor Artaxerxes Longimanus, dat is, Langhand; maar die Darius houden voor Darius Nothus, verstaan door deze Artaxerxes Mnemon, dat is, de Gedachtige, die een langen tijd met zijn vader heeft geregeerd en daarna nog een langen tijd alleen, zulks dat enige hem twee en zestig jaren in alles toeschrijven.
[^ezra-6-15-30]: Kanttekening 30: Passende voor het merendeel op Februari, voor een deel ook op Maart.
[^ezra-6-16-31]: Kanttekening 31: Vergelijk Ex. 40 ; Num. 7:10 ; 1 Kon. 8:63 ; Neh. 12:27 . Numeri 7:10 : En de oversten offerden ter inwijding van het altaar, op de dag als het gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar. 1 Koningen 8:63 : En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij YHWH offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Zo hebben zij het huis van YHWH ingewijd, de koning en al de kinderen van Israël. Nehemia 12:27 : In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen.
[^ezra-6-18-32]: Kanttekening 32: Een ieder in zijn orde, beurt en op zijn dienst.
[^ezra-6-18-33]: Kanttekening 33: naar het voorschrift: Zie Num. 3:6 , 3:7 , enz; idem Num. 3:32 , en Num. 8:9 , enz. Versta hierbij, dat zij vernieuwd hebben de ordening door David gemaakt; 1 Kron. 24:3 , 24:4 , 24:5 , enz. Numeri 3:6 : Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen; Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. Numeri 8:9 : En u zult de Levieten voor de tent van de samenkomst doen naderen; en u zult de gehele vergadering van de kinderen van Israël doen verzamelen. 1 Kronieken 24:3 : David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst. 1 Kronieken 24:4 : En van de kinderen van Eleazar werden meer gevonden tot hoofden van de mannen, dan van de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden van de vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht. 1 Kronieken 24:5 : En zij deelden hen door loten af, deze met genen; want de oversten van het heiligdom en de oversten Gods waren uit de kinderen van Eleazar en van de kinderen van Ithamar.
[^ezra-6-18-a]: Verwijzing a: Num. 3:6 ; idem 3:32 ; Num. 8:11 ; 1 Kron. 24:1 . Numeri 3:6 : Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 3:32 : De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. Numeri 8:11 : En Aäron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht van YHWH, vanwege de kinderen van Israël; opdat zij zijn, om de dienst van YHWH te bedienen. 1 Kronieken 24:1 : Aangaande nu de kinderen van Aäron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar.
[^ezra-6-19-b]: Verwijzing b: Ex. 12:1 ; Lev. 23:5 ; Num. 28:16 ; Deut. 16:2 . Exodus 12:1 : De YHWH nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende: Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Numeri 28:16 : En in de eerste maand, op de veertienden dag van de maand, is het pascha YHWH. Deuteronomium 16:2 : Dan zult u YHWH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die YHWH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^ezra-6-19-34]: Kanttekening 34: eerste maand: Genoemd Abib. Zie Ex. 12:2 , 12:6 , en Ex. 13:4 , 13:5 . Exodus 12:2 : Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertienden dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib. Exodus 13:5 : En het zal gebeuren, als u YHWH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult u deze dienst houden in deze maand.
[^ezra-6-20-35]: Kanttekening 35: zij slachtten: Vergelijk 2 Kron. 29:24 , 29:25 , en 2 Kron. 30:17 , en 2 Kron. 35:3 , 35:6 . 2 Kronieken 29:24 : En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gehele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen. 2 Kronieken 29:25 : En hij stelde de Levieten in het huis van YHWH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van YHWH, door de hand Zijn profeten. 2 Kronieken 30:17 : Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting van de paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die YHWH te heiligen. 2 Kronieken 35:3 : En hij zei tot de Levieten, die geheel Israël onderwezen, die YHWH heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u hebt geen last op de schouders; dient nu YHWH, uw God, en Zijn volk Israël; 2 Kronieken 35:6 : En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broers, doende naar het woord van YHWH, door de hand van Mozes.
[^ezra-6-21-36]: Kanttekening 36: aten de kinderen van Israël: Te weten, het pascha.
[^ezra-6-21-37]: Kanttekening 37: al wie zich: Volgens de wet; Ex. 12:48 , en Num. 9:14 . Exodus 12:48 : Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en YHWH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. Numeri 9:14 : En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha YHWH ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, zo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor u zijn, beiden de vreemdeling en de inboorling van het land.
[^ezra-6-21-38]: Kanttekening 38: Dat is hier, van harte te dienen en in zijn wegen te wandelen.
[^ezra-6-22-39]: Kanttekening 39: Hij was eigenlijk koning van Perzië, maar nu waren Assyrië en Chaldea \[die Israël tevoren geplaagd hadden\] onder zijn gebied. Misschien heeft hij ook op deze tijd zijn hof in Assyrië gehouden. Want sommigen schrijven dat Darius, de regering met zijn zoon gedeeld hebbende, Assyrië mee voor zich gehouden heeft.
[^ezra-6-22-40]: Kanttekening 40: handen te sterken: Dat is, om hen moedig en lustig te maken tot dit werk. Vergelijk boven, Ezra 1:6 . Ezra 1:6 : Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met bezittingen, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.

### Ezra 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/7.json)

*De priester en schriftgeleerde Ezra (van wie het geslachtsregister hier verhaald wordt) trekt in het zevende jaar van koning Arthahsasta (ook Artaxerxes) met velen van het volk uit Babel naar Jeruzalem, vers 1 enz. Afschrift van de gunstige en krachtige opdracht die de koning hem meegaf, 11. waarvoor Ezra God hartelijk dankt, 27.*

**1** Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van[^ezra-7-1-1] Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra,[^ezra-7-1-2] de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v1)

**2** De zoon van Sallum, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitub, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v2)

**3** De zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajoth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v3)

**4** De zoon van Zerahja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v4)

**5** De zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron,[^ezra-7-5-3] de hoofdpriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v5)

**6** Deze Ezra trok op uit Babel; en hij was een bekwaam[^ezra-7-6-4] schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem,[^ezra-7-6-5] naar de hand van YHWH, van zijn God, over hem, al zijn verzoek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v6)

**7** Ook sommigen van de Israëlieten, en van de priesters en de[^ezra-7-7-6] Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en de[^ezra-7-7-7] tempelknechten, trokken op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van de koning Arthahsasta. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v7)

**8** En hij kwam te Jeruzalem in de[^ezra-7-8-8] vijfde maand; dat was het zevende jaar van deze koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v8)

**9** Want op de eerste van[^ezra-7-9-9] de eerste maand was het[^ezra-7-9-10] begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem,[^ezra-7-9-11] naar de goede hand van zijn God over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v9)

**10** Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet van YHWH te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de[^ezra-7-10-12] voorschriften en de rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v10)

**11** Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden van YHWH, en Zijn voorschriften over Israël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v11)

**12** Arthahsasta koning van de koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel,[^ezra-7-12-13] volkomen vrede[^ezra-7-12-14] enzovoorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v12)

**13** Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v13)

**14** Omdat u van voor de koning en zijn[^ezra-7-14-15] zeven raadsheren gezonden bent,[^ezra-7-14-16] om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet van uw God,[^ezra-7-14-17] die in uw hand is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v14)

**15** En om heen te brengen het[^ezra-7-15-a] zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning te Jeruzalem is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v15)

**16** En ook al het zilver en goud, dat u[^ezra-7-16-18] vinden zult in het hele gewest van Babel, met de vrijwillige gave van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven, in het huis van hun God, dat te Jeruzalem is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v16)

**17** [^ezra-7-17-19] Opdat u spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun voedseloffers, en hun drankoffers, en die offert op het altaar van het huis van uw God, dat te Jeruzalem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v17)

**18** Daartoe, wat u en uw broers goed dunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult u doen naar het welgevallen van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v18)

**19** En geef de voorwerpen, die u gegeven zijn tot de dienst van het huis van uw God, weer voor de God van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v19)

**20** Het overige nu, dat nodig zal zijn voor het huis van uw God, dat u voorvallen zal uit te geven, zult u geven uit het schathuis van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v20)

**21** En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan de overzijde van de rivier bent, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, van u zal begeren, spoedig gedaan worde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v21)

**22** Tot honderd[^ezra-7-22-20] talenten zilver toe, en tot honderd[^ezra-7-22-21] kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout[^ezra-7-22-22] zonder voorschrift. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v22)

**23** Al wat naar het bevel van de God van de hemel is, dat het vlijtig gedaan worde, voor het huis van de God van de hemel; want waartoe zou er[^ezra-7-23-23] grote toorn zijn over het koninkrijk van de koning en van zijn kinderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v23)

**24** Ook laten wij u weten, aangaande alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempelknechten en dienaren van het huis van deze God, dat[^ezra-7-24-24] men de belasting, vanouds gevestigde accijns en tol hun niet zal vermogen op te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v24)

**25** En u, Ezra, naar de wijsheid[^ezra-7-25-25] van uw God, die in uw hand is, stel[^ezra-7-25-26] regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan de overzijde van de rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult u die bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v25)

**26** En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet zal doen, over die laat spoedig recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot[^ezra-7-26-27] uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v26)

**27** [^ezra-7-27-28] Geloofd zij YHWH, de God van onze vaders, Die zoiets in het hart van de koning gegeven heeft, om te versieren het huis van YHWH, dat te Jeruzalem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v27)

**28** En heeft tot mij[^ezra-7-28-29] goedertierenheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en van zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij[^ezra-7-28-30] gesterkt,[^ezra-7-28-31] naar de hand van YHWH, van mijn God, over mij, en de hoofden uit Israël verzameld, om met mij op te trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/7.html#v28)

[^ezra-7-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Ezra 6:14 . Ezra 6:14 : En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië.
[^ezra-7-1-2]: Kanttekening 2: de zoon van Seraja: Vergelijk 1 Kron. 6:4 , enz., waar de voorouders van Ezra in meerder getal verhaald worden, enige kortheidshalve hier uitgelaten zijnde. 1 Kronieken 6:4 : En Eleazar verwekte Pinehas, Pinehas verwekte Abisua;
[^ezra-7-5-3]: Kanttekening 3: Zie 2 Kon. 25:18 . 2 Koningen 25:18 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders.
[^ezra-7-6-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, schrijver; waardoor verstaan wordt een, die in de Heilige Schrift zeer geoefend en een leraar of meester is, of geacht wordt. Hetzelfde woord wordt ook dikwijls in het Nieuwe Testament gebruikt; zie onder, vers 11 , 7:21 ; Jer. 8:8 . Vergelijk Ps. 45:2 . Ezra 7:11 : Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden van YHWH, en Zijn inzettingen over Israël: Ezra 7:21 : En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan de overzijde van de rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde; Jeremia 8:8 : Hoe zegt u dan: Wij zijn wijs en de wet van YHWH is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen van de schriftgeleerden. Psalmen 45:2 : Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
[^ezra-7-6-5]: Kanttekening 5: naar de hand: Dat is, omdat de Heer met hem was en zijn voornemen zegende, besturende de zaken door zijn goddelijke voorzienigheid, naar zijn wens. Vergelijk vers 9 . Ezra 7:9 : Want op de eerste van de eerste maand was het begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand van zijn God over hem.
[^ezra-7-7-6]: Kanttekening 6: Dit wordt hier vooraf in het algemeen gezegd, maar hoe de Levieten onderweg bij Ezra gekomen en mee opgetogen zijn, zie daarvan onder, Ezra 8:15 , enz. Ezra 8:15 : En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons daar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesters, en vond daar geen van de kinderen van Levi.
[^ezra-7-7-7]: Kanttekening 7: Zie boven, Ezra 2:43 . Ezra 2:43 : De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
[^ezra-7-8-8]: Kanttekening 8: vijfde maand: Genoemd Ab, passende voor een deel op Juli, voor een deel op Augustus.
[^ezra-7-9-9]: Kanttekening 9: eerste maand: Genoemd Abib, of, Nisan.
[^ezra-7-9-10]: Kanttekening 10: het begin van de optocht: Hebreeuws, de grondlegging, of fondatie. Sommigen nemen het voor de raadslag, of berading.
[^ezra-7-9-11]: Kanttekening 11: naar de goede hand: Vergelijk boven, vers 6 met de aantekening daar, en onder, vers 28 . Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Ezra 7:28 : En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand van YHWH, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.
[^ezra-7-10-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, inzetting en recht.
[^ezra-7-12-13]: Kanttekening 13: Anders, de volkomen \[schriftgeleerde\].
[^ezra-7-12-14]: Kanttekening 14: enzovoorts: Zie boven, Ezra 4:10 . Ezra 4:10 : En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van de rivier, enzovoorts.
[^ezra-7-14-15]: Kanttekening 15: zeven raadsheren: Vergelijk Esth. 1:14 . Esther 1:14 : De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten van de Perzen en van de Meden, die het aangezicht van de koning zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),
[^ezra-7-14-16]: Kanttekening 16: om onderzoek: Om u te informeren of de wet van God wel wordt onderhouden, of niet, en alles, dat vervallen is, naar de wet weer op te richten en te verbeteren.
[^ezra-7-14-17]: Kanttekening 17: die in uw hand is: Dat is, die u steeds bij u hebt, of meeneemt, waar u mee omgaat, en die u vaardiglijk weet te gebruiken. Zo onder, vers 25 . Ezra 7:25 : En u, Ezra, naar de wijsheid van uw God, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan de overzijde van de rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult u die bekend maken.
[^ezra-7-15-a]: Verwijzing a: Ezra 8:25 . Ezra 8:25 : En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en geheel Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden;
[^ezra-7-16-18]: Kanttekening 18: vinden zult: Dat is, bekomen, of verkrijgen kunt.
[^ezra-7-17-19]: Kanttekening 19: Opdat u: Of, daarom koop, enz.
[^ezra-7-22-20]: Kanttekening 20: talenten zilvers: Van een talent, zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^ezra-7-22-21]: Kanttekening 21: kor tarwe: Van deze maten kor en bath, zie 1 Kon. 4:22 , en 1 Kon. 7:26 . 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^ezra-7-22-22]: Kanttekening 22: zonder voorschrift: Dat is, zonder daarvan maat voor te schrijven, of, zoveel men nodig zal hebben.
[^ezra-7-23-23]: Kanttekening 23: grote toorn: Hij wil zeggen dat hij Gods toorn en straf op zich, zijn rijk en kinderen zekerlijk zou laden, als hij anders deed.
[^ezra-7-24-24]: Kanttekening 24: de belasting: Zie boven, Ezra 4:13 . Ezra 4:13 : Zo zij nu de koning bekend, als die stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij de belasting, vanouds gevestigde accijns, en tol niet zullen geven, en u zult aan de inkomsten van de koningen schade aanbrengen.
[^ezra-7-25-25]: Kanttekening 25: uw Gods: Dat is, die uw God u gegeven, of in u gewrocht heeft; of versta, de wet van God in welke Gods wijsheid is geopenbaard, gelijk boven vers 14 . Ezra 7:14 : Omdat u van voor de koning en zijn zeven raadsheren gezonden bent, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet van uw God, die in uw hand is;
[^ezra-7-25-26]: Kanttekening 26: regeerders en richters: Anders, richters en onderzoekers van zaken.
[^ezra-7-26-27]: Kanttekening 27: Chaldeeuws, uitworteling; omdat eens mensen vaderland of geboorteplaats is als een akker, waarin hij geplant en geworteld is, en de verdrijving daaruit is als een uitworteling.
[^ezra-7-27-28]: Kanttekening 28: Geloofd zij YHWH: Dit zijn nu de woorden van Ezra. Hebreeuws, gezegend.
[^ezra-7-28-29]: Kanttekening 29: Of, goedertierenheid, goedgunstigheid.
[^ezra-7-28-30]: Kanttekening 30: Dat is, ik heb een moed gegrepen.
[^ezra-7-28-31]: Kanttekening 31: naar de hand: Vergelijk boven, vers 6 . Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek.

### Ezra 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/8.json)

*Register van hen die met Ezra zijn opgetrokken, vers 1 enz. Ezra, het volk onderweg bij Ahava overziende en geen Levieten vindende, zendt naar Kasifja en verkrijgt vandaar enige bekwame Levieten en tempelknechten, 15. Hij roept een vasten uit, dat men God bidt om een voorspoedige reis, 21. Hij geeft de oversten van de priesters en Levieten alle schatten die zij moesten bewaren en aan het huis van de HEERE moesten afleveren, 24. Hij breekt op en komt voorspoedig te Jeruzalem, 31. De schatten worden getrouw afgeleverd waar het behoorde, en de bevelen van de koning worden aan zijn stadhouders en landvoogden gegeven en door hen opgevolgd, 33.*

**1** Dit nu zijn de familiehoofden, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van de koning Arthahsasta. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v1)

**2** Van de[^ezra-8-2-1] kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v2)

**3** Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan mannen, honderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v3)

**4** Van de kinderen van Pahath-moab, Eljehoenai, de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v4)

**5** Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziël; en met hem driehonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v5)

**6** En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v6)

**7** En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v7)

**8** En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v8)

**9** En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiël; en met hem tweehonderd en achttien mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v9)

**10** En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v10)

**11** En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v11)

**12** En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v12)

**13** En van de[^ezra-8-13-2] laatste kinderen van Adonikam, van wie de namen deze waren: Elifelet, Jehiël, en Semaja; en met hen zestig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v13)

**14** En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v14)

**15** En ik verzamelde hen aan de rivier, gaande[^ezra-8-15-3] naar[^ezra-8-15-4] Ahava, en wij legerden ons daar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesters, en vond daar geen van de[^ezra-8-15-5] kinderen van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v15)

**16** Zo zond ik[^ezra-8-16-6] tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de[^ezra-8-16-7] leraars; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v16)

**17** En ik gaf hun bevel aan Iddo, het[^ezra-8-17-8] hoofd in de plaats[^ezra-8-17-9] Chasifja; en ik[^ezra-8-17-10] legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo,[^ezra-8-17-11] zijn broer, en de[^ezra-8-17-12] tempelknechten, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaren voor het huis van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v17)

**18** En zij brachten ons,[^ezra-8-18-13] naar de goede hand van onze God over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van[^ezra-8-18-14] Israël; namelijk Serebja, met zijn zonen en broers, achttien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v18)

**19** En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broers, en hun zonen, twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v19)

**20** En van tempelknechten, die[^ezra-8-20-15] David en de vorsten ten dienste van de Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig tempelknechten, die allen bij namen genoemd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v20)

**21** Toen riep ik daar een vasten uit aan de rivier[^ezra-8-21-16] Ahava, opdat wij ons[^ezra-8-21-17] verootmoedigden voor het aangezicht van onze God, om van Hem te verzoeken[^ezra-8-21-18] een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderen, en voor al onze bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v21)

**22** Want ik schaamde mij van de koning een leger en ruiters te begeren, om ons te helpen van de vijand, op de weg; omdat wij tot de koning hadden gesproken, zeggende: De hand van onze God is[^ezra-8-22-19] ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn[^ezra-8-22-20] sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v22)

**23** Zo vastten wij; en verzochten dat van onze God; en Hij[^ezra-8-23-21] liet zich van ons verbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v23)

**24** Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten van de priesters: Serebja, Hasabja, en tien van hun broers met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v24)

**25** En ik woog hun toe het[^ezra-8-25-a] zilver, en het goud, en de voorwerpen, zijnde de offering van het huis van onze God die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en geheel Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v25)

**26** Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig[^ezra-8-26-22] talenten zilver, en honderd zilveren voorwerpen[^ezra-8-26-23] in talenten; aan goud, honderd talenten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v26)

**27** En twintig gouden bekers, tot duizend[^ezra-8-27-24] drachmen; en twee voorwerpen van blinkend[^ezra-8-27-25] goed koper, begeerlijk als goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v27)

**28** En ik zei tot hen: U bent heilig YHWH, en deze voorwerpen zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, YHWH, de God van uw vaders.[^ezra-8-28-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v28)

**29** Waak en bewaart het, totdat u het[^ezra-8-29-27] opweegt, in aanwezigheid van de oversten van de priesters en Levieten, en van de vorsten van de vaders van Israël, te Jeruzalem, in[^ezra-8-29-28] de kamers van het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v29)

**30** Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht van het zilver en van het goud, en van de voorwerpen, om te brengen te Jeruzalem, in het huis van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v30)

**31** Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfden van[^ezra-8-31-29] de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de[^ezra-8-31-30] hand van onze God was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons hinderlagen legde op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v31)

**32** En wij kwamen te Jeruzalem; en wij[^ezra-8-32-31] bleven daar drie dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v32)

**33** Op de vierde dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de voorwerpen, in het huis van onze God, aan de hand van Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en met hem Eleazar, de zoon van Pinehas; en met hem Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnui, de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v33)

**34** Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het hele gewicht werd in die tijd opgeschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v34)

**35** [^ezra-8-35-32] En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden de God van Israël brandoffers; twaalf stieren voor geheel Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken als zondoffer; alles als brandoffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v35)

**36** Daarna gaven zij de[^ezra-8-36-33] wetten van de koning aan de stadhouders van de koning en landvoogden aan deze zijde van[^ezra-8-36-34] de rivier; en zij[^ezra-8-36-35] bevorderden het volk en het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/8.html#v36)

[^ezra-8-2-1]: Kanttekening 1: Of, zonen, dat is, nakomelingen, en zo in het volgende.
[^ezra-8-13-2]: Kanttekening 2: laatste kinderen: Dat is, laatstgeborenen, gelijk sommigen verstaan; of dit wordt gezegd ten aanzien van de anderen, die eerst met Zerubbabel opgetogen zijn.
[^ezra-8-15-3]: Kanttekening 3: Anders, aan, of, in.
[^ezra-8-15-4]: Kanttekening 4: Hierdoor verstaan sommigen Adiabena, of, Adiavena, een landschap van Assyrië, zo naar hun gevoelen, genoemd van de voornaamste rivier Adiava. Anderen verstaan door de rivier de Eufraat en door Ahava een andere rivier, die in de Eufraat loopt, of die, de Eufraat voorbij lopende, ontvangt; zie onder, vers 21 , 8:31 . Ezra 8:21 : Toen riep ik daar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderen, en voor al onze bezittingen. Ezra 8:31 : Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfde van de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons lagen legde op de weg.
[^ezra-8-15-5]: Kanttekening 5: kinderen van Levi: Versta, Levieten. Want van de priesterlijke linie die ook uit de stam van Levi waren zijn er enige geweest; zie boven, vers 2 , en verder boven, Ezra 7:7 , met de aantekening. Ezra 8:2 : Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus. Ezra 7:7 : Ook sommigen van de kinderen van Israël, en van de priesters en de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en de tempelknechten, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van de koning Arthahsasta.
[^ezra-8-16-6]: Kanttekening 6: zond ik tot: Te weten, om tot mij te komen en bevel te ontvangen aan Iddo, gelijk volgt.
[^ezra-8-16-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, eigenlijk, verstandig makende, verstand gevende; dat is, onderwijzende lerende; of, verstandigen, omdat het Hebreeuwse woord op beide wijzen gebruikt wordt. Zo Dan. 11:33 , en Dan. 12:3 . Daniël 11:33 : En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen. Daniël 12:3 : De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig.
[^ezra-8-17-8]: Kanttekening 8: Deze schijnt geweest te zijn de opperste leermeester van de Levieten, die daar waren.
[^ezra-8-17-9]: Kanttekening 9: Dit wordt gehouden voor het land van de Kaspiërs , waar het grote meer was, genoemd Mare Caspium of Hyrcanum , tussen de Kaspische en Hyrcanische bergen; vanwaar \[hoewel het ver vandaar was\] zij nochtans, door Gods zegen, hulp van het bevel van de koning en de gewoonlijk overal bestelde Perzische postpaarden, spoediglijk zijn overgekomen.
[^ezra-8-17-10]: Kanttekening 10: legde de woorden: Gelijk 2 Sam. 14:3 , enz. 2 Samuël 14:3 : En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond.
[^ezra-8-17-11]: Kanttekening 11: zijn broer: Hebreeuws, אָחִ֤י, Achiu; dat sommigen nemen voor een eigennaam.
[^ezra-8-17-12]: Kanttekening 12: Zie boven, Ezra 2:43 . Anders, gestelden. Hebreeuws, gegevenen. Ezra 2:43 : De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
[^ezra-8-18-13]: Kanttekening 13: naar de goede: Gelijk boven, Ezra 7:9 , en onder, vers 31 . Ezra 7:9 : Want op de eerste van de eerste maand was het begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand van zijn God over hem. Ezra 8:31 : Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfde van de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons lagen legde op de weg.
[^ezra-8-18-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, en.
[^ezra-8-20-15]: Kanttekening 15: Toen hij de ordeningen van de Levieten bestelde, 1 Kron. 25 , 1 Kron. 26 . Zie ook Joz. 9:21 , en 1 Kron. 9:2 . Jozua 9:21 : Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de gehele vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben. 1 Kronieken 9:2 : De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelknechten.
[^ezra-8-21-16]: Kanttekening 16: Anders, van Ahava. Zo onder, vers 31 . Ezra 8:31 : Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfde van de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons lagen legde op de weg.
[^ezra-8-21-17]: Kanttekening 17: Vergelijk Lev. 16:29 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^ezra-8-21-18]: Kanttekening 18: een rechte weg: Dat hij ons wilde geleiden, beschermen, en voorspoedig te Jeruzalem brengen.
[^ezra-8-22-19]: Kanttekening 19: ten goede: Om hen te beschermen.
[^ezra-8-22-20]: Kanttekening 20: Om die met zijn almachtige en straffende hand te bedwingen, of te verdelgen.
[^ezra-8-23-21]: Kanttekening 21: Hij liet zich van ons verbidden: Of, Hij werd ons verbeden. Zie Gen. 25:21 . Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
[^ezra-8-25-a]: Verwijzing a: Ezra 7:14 ; idem v. 15 . Ezra 7:14 : Omdat u van voor de koning en zijn zeven raadsheren gezonden bent, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet uw Gods, die in uw hand is; Ezra 7:15 : En om heen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning te Jeruzalem is;
[^ezra-8-26-22]: Kanttekening 22: talenten zilvers: Zie Ex. 25:39 . Exodus 25:39 : Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.
[^ezra-8-26-23]: Kanttekening 23: Of, aan talenten. Dat men zo kan verstaan, dat elk stuk een talent gewogen heeft.
[^ezra-8-27-24]: Kanttekening 24: Zie boven, Ezra 2:69 . Ezra 2:69 : Zij gaven naar hun vermogen tot de schat van het werk, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.
[^ezra-8-27-25]: Kanttekening 25: blinkend goed koper: Sommigen; zeer blinkende.
[^ezra-8-28-26]: Kanttekening 26: heilig YHWH: Hebreeuws, een heiligheid.
[^ezra-8-29-27]: Kanttekening 27: in aanwezigheid: Hebreeuws, פְנֵי֩, voor het aangezicht.
[^ezra-8-29-28]: Kanttekening 28: de kamers: Zie 1 Kon. 6:5 , Neh. 10:39 ; 12:44 ; 13:4 , 13:5 , 13:9 . 1 Koningen 6:6 : De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis. Nehemia 10:39 : Want de kinderen van Israël en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kamers brengen, omdat daar de vaten van het heiligdom zijn, en de priesters, die dienen, en de poortwachters, en de zangers; dat wij zo het huis onzes Gods niet zouden verlaten. Nehemia 12:44 : Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers van de steden te verzamelen de delen van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden. Nehemia 13:4 : Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voor deze nabestaande van Tobia geworden. Nehemia 13:5 : En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, de wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook het hefoffer van de priesters. Nehemia 13:9 : Verder gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en de wierook.
[^ezra-8-31-29]: Kanttekening 29: eerste maand: Zie boven, Ezra 7:9 . Ezra 7:9 : Want op de eerste van de eerste maand was het begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand van zijn God over hem.
[^ezra-8-31-30]: Kanttekening 30: hand onzes Gods: Gelijk vers 18 . Ezra 8:18 : En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van Israël; namelijk Serebja, met zijn zonen en broers, achttien;
[^ezra-8-32-31]: Kanttekening 31: bleven daar: Dat is, wij hielden ons zolang stil, en rustten ons uit.
[^ezra-8-35-32]: Kanttekening 32: de weggevoerden: Hebreeuws, שְּׁבִ֨י, de kinderen van de wegvoering, of gevangenis; gelijk boven dikwijls.
[^ezra-8-36-33]: Kanttekening 33: wetten van de koning: Dat is, bevelen, ordinantiën.
[^ezra-8-36-34]: Kanttekening 34: Eufraat.
[^ezra-8-36-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, zij hieven op, lichtten op, dat is, zij hielpen en waren hun bevorderlijk in alles, volgens het bevel van de koning. Zie boven, Ezra 1:4 . Ezra 1:4 : En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen van zijn plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met bezittingen, en met beesten; naast een vrijwillige gave, voor het huis van God, Die te Jeruzalem woont.

### Ezra 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/9.json)

*Ezra wordt bericht dat het volk zich zwaar in heidense huwelijken had vergrepen, vers 1. Daarom bedrijft hij grote rouw, en doet in het openbaar een zeer klagend en vurig gebed tot God, 3, enz.*

**1** Als nu deze dingen voltooid waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de[^ezra-9-1-1] volken van deze landen, naar hun gruwelijke dingen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v1)

**2** Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelf en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het[^ezra-9-2-2] heilig zaad met de volken van deze landen; ja, de hand van de vorsten en[^ezra-9-2-3] overheden is de[^ezra-9-2-4] eerste geweest in deze overtreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v2)

**3** Als ik nu deze zaak hoorde,[^ezra-9-3-5] scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik[^ezra-9-3-6] trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat verbaasd neer.[^ezra-9-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v3)

**4** Toen verzamelden zich tot mij allen,[^ezra-9-4-8] die voor de woorden van de God van Israël beefden, om de overtreding van[^ezra-9-4-9] de weggevoerden; maar ik bleef verbaasd zitten tot aan het[^ezra-9-4-10] avondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v4)

**5** En ongeveer het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot YHWH, mijn God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v5)

**6** En ik zei: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn[^ezra-9-6-a] vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden[^ezra-9-6-11] tot aan de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v6)

**7** Van de dagen van onze vaders af zijn wij in grote schuld tot op deze dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte van het aangezicht, zoals het is te deze dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v7)

**8** En nu is er, als een klein ogenblik, een genade gebeurd van YHWH, onze God, om ons een[^ezra-9-8-12] ontkoming over te laten, en ons een[^ezra-9-8-13] nagel te geven in Zijn[^ezra-9-8-14] heilige plaats, om onze[^ezra-9-8-15] ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig[^ezra-9-8-16] levens te geven in onze dienstbaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v8)

**9** Want wij zijn knechten; maar in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft goedertierenheid tot ons[^ezra-9-9-17] geneigd voor het aangezicht van de koningen van Perzië, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis van onze God te verhogen, en de[^ezra-9-9-18] woestigheden van hetzelfde op te richten, en om ons een[^ezra-9-9-19] tuin te geven in Juda en te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v9)

**10** En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na deze? Want wij hebben Uw geboden verlaten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v10)

**11** Die U geboden had door de dienst van Uw knechten, de profeten, zeggende:[^ezra-9-11-b] Het land, waar u inkomt, om dat te erven, is een[^ezra-9-11-21] vuil land, door de vuiligheid van de volken van de landen, om hun gruwelijke dingen, waarmee zij dat vervuld hebben,[^ezra-9-11-22] van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinheid.[^ezra-9-11-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v11)

**12** Zo zult u nu uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen, en zult hun[^ezra-9-12-23] vrede en hun[^ezra-9-12-24] best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat u sterk wordt, en het goede van het land eet, en uw kinderen doet erven tot in[^ezra-9-12-25] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v12)

**13** En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat U, o onze God! belet hebt, dat wij niet te[^ezra-9-13-26] onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v13)

**14** Zullen wij nu terugkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken van deze gruwelijke dingen? Zou U niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v14)

**15** O YHWH, God van Israël! U bent[^ezra-9-15-27] rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te deze dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan,[^ezra-9-15-28] om dat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/9.html#v15)

[^ezra-9-1-1]: Kanttekening 1: volken van deze landen: Die in de heidense gruwelen van de afgoderij bleven steken, aan welke God, Deut. 7:2 , 7:3 , enz. en elders, zijn volk uitdrukkelijk verboden had te huwelijken. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^ezra-9-2-2]: Kanttekening 2: heilig zaad: Dat is, heilig geslacht, dat Israël was vanwege het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad gemaakt had. Vergelijk Gen. 6:2 ; 1 Kor. 7:14 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 1 Korinthiërs 7:14 : Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
[^ezra-9-2-3]: Kanttekening 3: Of, regenten, magistraten, voorstanders.
[^ezra-9-2-4]: Kanttekening 4: eerste geweest: Hebbende zo anderen een kwaad exempel gegeven.
[^ezra-9-3-5]: Kanttekening 5: scheurde ik: Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^ezra-9-3-6]: Kanttekening 6: Niet uit vertwijfeling of superstitie \[verboden Lev. 19:27 \] maar uit overgrote droefenis en onststeldheid over deze gruwel. Leviticus 19:27 : U zult de hoeken van uw hoofd niet rond afscheren; ook zult u de hoeken van uw baard niet verderven.
[^ezra-9-3-7]: Kanttekening 7: Of, eenzaam.
[^ezra-9-4-8]: Kanttekening 8: die voor de woorden: Dat is, die de Heer en zijn woord van harte vreesden; vergelijk Jes. 66:2 , 66:5 . Jesaja 66:2 : Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt YHWH; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft. Jesaja 66:5 : Hoort het woord van YHWH, u, die voor Zijn woord beeft! Uw broers, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat YHWH heerlijk worde! Maar Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.
[^ezra-9-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, van de wegvoering; als boven, en elders dikwijls.
[^ezra-9-4-10]: Kanttekening 10: Zie Ex. 29:39 , 29:41 ; Num. 28:4 . Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Exodus 29:41 : Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmede doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer daarvan, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer voor YHWH. Numeri 28:4 : Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.
[^ezra-9-6-a]: Verwijzing a: Ps. 38:5 . Psalmen 38:5 : Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
[^ezra-9-6-11]: Kanttekening 11: tot aan de hemel: Vergelijk 2 Kron. 28:9 . 2 Kronieken 28:9 : Daar nu was een profeet van YHWH, wiens naam was Oded; die ging uit, de legermacht tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Ziet, door de grimmigheid van YHWH, van de God van uw vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan de hemel raakt.
[^ezra-9-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, enige die ontkomen zijn, zo vers 13 , 9:14 , 9:15 . Ezra 9:13 : En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat U, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is; Ezra 9:14 : Zullen wij nu terugkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken van deze gruwelen? Zoudt U niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij? Ezra 9:15 : O YHWH, God van Israël! U bent rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te deze dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.
[^ezra-9-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, enige vastheid van onze staat. Vergelijk Jes. 22:23 . Jesaja 22:23 : En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel van de eer voor het huis van zijn vader.
[^ezra-9-8-14]: Kanttekening 14: heilige plaats: Hebreeuws, יָתֵ֖ד, in de plaats van zijn heiligheid.
[^ezra-9-8-15]: Kanttekening 15: ogen te verlichten: Dat is, om ons te verkwikken. Vergelijk 1 Sam. 14:27 , 14:29 . 1 Samuël 14:27 : Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van de staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte die in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht. 1 Samuël 14:29 : Toen zei Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honig gesmaakt heb;
[^ezra-9-8-16]: Kanttekening 16: Dat is, herstelling, verkwikking, dat wij \[om zo te zeggen\] onze adem wat mogen halen, een weinig oponthoud.
[^ezra-9-9-17]: Kanttekening 17: Gelijk boven, Ezra 7:28 . Ezra 7:28 : En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand van YHWH, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.
[^ezra-9-9-18]: Kanttekening 18: Om het vervallen huis van God en de godsdienst te herstellen.
[^ezra-9-9-19]: Kanttekening 19: Of, muur, als om de wijngaarden van losse stenen pleegt opgehoopt te worden; hij wil zeggen: dat God hen enigszins begonnen had te verzekeren tegen de omliggende vijanden.
[^ezra-9-11-b]: Verwijzing b: Lev. 18:25 ; idem v. 27 ; Deut. 7:3 . Leviticus 18:25 : Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelfde zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt. Leviticus 18:27 : Want de mensen van deze lands, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^ezra-9-11-21]: Kanttekening 21: vuil land: Hebreeuws, אֶ֤רֶץ, een land van de afzondering; een gelijkenis van een vrouw, of iemand anders, die om enige onreinheid van het gezelschap van de mensen wordt afgezonderd; zie Lev. 12:2 ; Num. 19:9 , enz. Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn. Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging.
[^ezra-9-11-22]: Kanttekening 22: van het ene einde: Hebreeuws, פֶּ֥ה, van mond tot mond; dat is, overal, van het ene einde tot het andere, of zo, dat de ene onreinheid op de andere geduriglijk gevolgd is. Vergelijk 2 Kon. 10:21 , en 2 Kon. 21:16 . 2 Koningen 10:21 : Ook zond Jehu in het gehele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde. 2 Koningen 21:16 : Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^ezra-9-11-20]: Kanttekening 20: dienst van Uw knechten: Hebreeuws, עֲבָדֶ֣י, hand.
[^ezra-9-12-23]: Kanttekening 23: Dat is, hun welstand; zie Deut. 23:6 . Deuteronomium 23:6 : U zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.
[^ezra-9-12-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, goed.
[^ezra-9-12-25]: Kanttekening 25: Zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^ezra-9-13-26]: Kanttekening 26: te onder: Gelijk U ons hadt gedreigd Deut. 28:43 . Anders, U hebt \[U, of uw toorn, uw roede\] teruggehouden beneden onze ongerechtigheid; dat is, U hebt ons minder gestraft dan wij wel verdiend hadden met onze zonden. Deuteronomium 28:43 : De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en u zult laag, laag nederdalen.
[^ezra-9-15-27]: Kanttekening 27: Die zijn verbondsbeloften houdt, om de Messias' wil, die uw rechtvaardigheid voor de zonden van het volk zal voldoen, blijkende zulks daaruit, dat wij ontkomen zijn, hoewel beladen met een grote schuld, ten aanzien van welke wij voor U niet zouden kunnen bestaan, zo U met ons naar onze verdienste wilde handelen. Vergelijk Neh. 9:8 , enz. Nehemia 9:8 : En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat U zoudt geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het zijn zade zoudt geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U rechtvaardig bent.
[^ezra-9-15-28]: Kanttekening 28: om zulks: Anders, met zulks.

### Ezra 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezra/10.json)

*Het volk weent met Ezra, vers 1 enz. Sechanja troost Ezra en geeft hem een goede raad, 2. die hij opvolgt, door van de oversten van de priesters, Levieten en het gehele volk een eed te nemen dat zij naar Gods wet zouden handelen, 5. Al het volk wordt door een strenge afkondiging naar Jeruzalem verzameld, waar Ezra hen overtuigt en met goede orde alles naar Gods wet verricht, 7. De namen van de priesters en Levieten die ook uitlandse vrouwen genomen hadden en daarvan gescheiden zijn, 18.*

**1** Als Ezra zo bad, en als hij[^ezra-10-1-1] deze belijdenis deed, huilend en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israël een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk huilde met groot geween. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v1)

**2** Toen[^ezra-10-2-2] antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, één van de zonen van Elam, en zei tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onze God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken van het land bij ons doen wonen; maar wat dit betreft, er is[^ezra-10-2-4] nu hoop voor Israël.[^ezra-10-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v2)

**3** Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van YHWH, en van degenen, die[^ezra-10-3-5] beven voor het gebod van onze God; en laat er gedaan worden naar de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v3)

**4** Sta op, want deze zaak[^ezra-10-4-6] komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v4)

**5** Toen stond Ezra op, en deed de oversten van de priesters, de Levieten en geheel Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v5)

**6** En Ezra stond op van[^ezra-10-6-7] voor Gods huis, en[^ezra-10-6-8] ging in de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk[^ezra-10-6-9] geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding[^ezra-10-6-10] van de weggevoerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v6)

**7** En zij lieten een[^ezra-10-7-11] stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen van de gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v7)

**8** En al wie niet kwam in drie dagen, naar de raad van de vorsten en van de oudsten, al zijn bezittingen zou verbannen zijn; en hij zelf zou[^ezra-10-8-12] afgezonderd wezen van de gemeente van[^ezra-10-8-13] de weggevoerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v8)

**9** Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de[^ezra-10-9-14] negende maand op de twintigsten in de maand; en al het volk zat op de[^ezra-10-9-15] straat van Gods huis,[^ezra-10-9-16] sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v9)

**10** Toen stond Ezra, de priester, op en zei tot hen: U hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om[^ezra-10-10-17] Israëls schuld te vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v10)

**11** Nu dan,[^ezra-10-11-18] doet YHWH, uw vaders God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken van het land, en van de vreemde vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v11)

**12** En de hele gemeente antwoordde en zei met[^ezra-10-12-19] luide stem: Naar uw woorden, zo[^ezra-10-12-20] komt het ons toe te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v12)

**13** Maar van het volk is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten[^ezra-10-13-21] niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee; want[^ezra-10-13-22] velen van onze hebben overtreden in deze zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v13)

**14** Laat toch onze vorsten van de hele gemeente[^ezra-10-14-23] hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op vastgestelde tijden komen, en met hen de[^ezra-10-14-24] oudsten[^ezra-10-14-25] van elke stad en van die rechters; totdat wij van ons afwenden de hitte van de toorn van onze[^ezra-10-14-26] God, vanwege deze zaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v14)

**15** [^ezra-10-15-27] Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v15)

**16** En de kinderen van de gevangenis deden zo; en Ezra, de priester, met de mannen, de familiehoofden, naar het huis van hun vaders, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten op de eerste dag van[^ezra-10-16-28] de tiende maand, om deze zaak te onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v16)

**17** En zij voltooiden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op de eerste dag van[^ezra-10-17-29] de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v17)

**18** En er werden gevonden van de zonen van de priesters, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers, Maäseja, en Eliëzer, en Jarib, en Gedalja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v18)

**19** En zij[^ezra-10-19-30] gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde[^ezra-10-19-31] voor hun schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v19)

**20** En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v20)

**21** En van de kinderen van Harim: Maäseja, en Elia, en Semaja, en Jehiël, en Uzia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v21)

**22** En van de kinderen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v22)

**23** En van de Levieten: Jozabad, en Simeï, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliëzer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v23)

**24** En van de zangers: Eljasib; en van de poortwachters: Sallum, en Telem, en Uri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v24)

**25** En van[^ezra-10-25-32] Israël: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamin, en Eleazar, en Malchia, en Benaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v25)

**26** En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiël, en Abdi, en Jeremoth, en Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v26)

**27** En van de kinderen van Zatthu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v27)

**28** En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v28)

**29** En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v29)

**30** En van de kinderen van Pahath-moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, en Binnuï, en Manasse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v30)

**31** En van de kinderen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v31)

**32** Benjamin, Malluch, Semarja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v32)

**33** Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simeï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v33)

**34** Van de kinderen van Bani: Maädai, Amram, en Uël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v34)

**35** Benaja, Bedeja,[^ezra-10-35-33] Cheluhu, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v35)

**36** Vanja, Meremoth, Eljasib, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v36)

**37** Mattanja, Mathnai, en Jaäsai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v37)

**38** En Bani, en Binnuï, Simeï, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v38)

**39** En Selemja, en Nathan, en Adaja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v39)

**40** [^ezra-10-40-34] Machnadbai, Sasai, Saraï, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v40)

**41** Azareël, Selemja, Semarja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v41)

**42** Sallum, Amarja, Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v42)

**43** Van de kinderen van Nebo: Jeiël, Mattithja, Zabad, Zebina,[^ezra-10-43-35] Jaddai, en Joël, Benaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v43)

**44** Alle deze hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen,[^ezra-10-44-36] waarbij zij kinderen gekregen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezra/10.html#v44)

[^ezra-10-1-1]: Kanttekening 1: belijdenis deed: Van de zonden van het gehele volk in het algemeen, en de grove zonde van de huwelijken met de afgodische heidenen in het bijzonder.
[^ezra-10-2-2]: Kanttekening 2: antwoordde Sechanja: Dat is, hij nam het woord, begon te spreken. Zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^ezra-10-2-4]: Kanttekening 4: hope voor Israël: Te weten, deze: dat men, door ware bekering, Gods straf zoeke te ontgaan; waarvan in het volgende.
[^ezra-10-2-3]: Kanttekening 3: doen wonen: Dat is, getrouwd, of tot echtelijke gemeenschap en bijwoning aangenomen; zo vers 10 , 10:14 , 10:17 , 10:18 ; Neh. 13:23 , 13:27 . Ezra 10:10 : Toen stond Ezra, de priester, op en zei tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen. Ezra 10:14 : Laat toch onze vorsten van de gehele gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op vastgestelde tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hitte van de toorn onzes Gods, om van deze zaken wil. Ezra 10:17 : En zij voltooiden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op de eerste dag van de eerste maand. Ezra 10:18 : En er werden gevonden van de zonen van de priesters, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers, Maäseja, en Eliëzer, en Jarib, en Gedalja. Nehemia 13:23 : Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Nehemia 13:27 : Zouden wij dan naar u horen, dat u al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onze God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?
[^ezra-10-3-5]: Kanttekening 5: Gelijk boven, Ezra 9:4 . Ezra 9:4 : Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van de God van Israël beefden, om de overtreding van de weggevoerden; maar ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.
[^ezra-10-4-6]: Kanttekening 6: komt u toe: Of, ligt op u; dat is, het betaamt u, het is uw ambt, uw plicht, als priester zijnde en last hebbende van de koning van Perzië.
[^ezra-10-6-7]: Kanttekening 7: voor Gods huis: Uit de plaats van het voorhof van het volk.
[^ezra-10-6-8]: Kanttekening 8: ging in de kamer van Johanan: Om daar een gewissen voet en orde van executie te beramen, die in het volgende verhaald wordt.
[^ezra-10-6-9]: Kanttekening 9: at hij geen brood, en dronk geen water: Dat is, hij nuttigde geen voedsel of drank.
[^ezra-10-6-10]: Kanttekening 10: van de weggevoerden: Zie boven, Ezra 9:4 , zo in het volgende. Ezra 9:4 : Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van de God van Israël beefden, om de overtreding van de weggevoerden; maar ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.
[^ezra-10-7-11]: Kanttekening 11: stem doorgaan: Dat is, gebod publiceren, uitroepingen doen, gelijk boven, Ezra 1:1 . Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^ezra-10-8-12]: Kanttekening 12: afgezonderd wezen: Dat is, gehouden voor geëxcommuniceerd, afgesneden, of gebannen uit de gemeente.
[^ezra-10-8-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, wegvoering.
[^ezra-10-9-14]: Kanttekening 14: negende maand: Genoemd Chisleu, passende voor een deel op November, voor een deel op December.
[^ezra-10-9-15]: Kanttekening 15: straat van Gods huis: Zie Neh. 2:8 . Waaruit sommigen afnemen dat hier verstaan wordt de plaats van het voorhof van de tempel, die in die tijd nog open en onbemuurd geweest is. Nehemia 2:8 : Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.
[^ezra-10-9-16]: Kanttekening 16: Uit consciëntie van hun misdaad en vrees van Gods straf.
[^ezra-10-10-17]: Kanttekening 17: Israëls schuld te vermeerderen: Hebreeuws, אַשְׁמַ֥ת, tot Israëls schuld toe te doen .
[^ezra-10-11-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, geeft.
[^ezra-10-12-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, groter.
[^ezra-10-12-20]: Kanttekening 20: komt het ons toe: Vergelijk boven, vers 4 . Ezra 10:4 : Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.
[^ezra-10-13-21]: Kanttekening 21: niet staan kan: Hebreeuws, מְּלָאכָ֗ה, geen kracht is om te staan.
[^ezra-10-13-22]: Kanttekening 22: velen onzer hebben overtreden: Hebreeuws, פְשֹׁ֖עַ, wij hebben vermenigvuldigd te overtreden.
[^ezra-10-14-23]: Kanttekening 23: hierover : Dit is aldus aangevuld uit vers 15 . Ezra 10:15 : Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen.
[^ezra-10-14-24]: Kanttekening 24: Als hebbende speciale kennis van de inwoners van hun plaatsen, en kunnende van alle gelegenheid de grote raad te Jeruzalem berichten.
[^ezra-10-14-25]: Kanttekening 25: van elke stad: Hebreeuws, שֹׁפְטֶ֑י, van stad en stad.
[^ezra-10-14-26]: Kanttekening 26: om van deze zaken wil: Anders, gedurende deze zaak; of, totdat de zaak zij afgedaan; idem; deze zaak aangaande.
[^ezra-10-15-27]: Kanttekening 27: Alleen Jonathan, …: Het schijnt dat deze alleen onder de priesters onschuldig geweest zijn aan deze misdaad. Vergelijk het volgende.
[^ezra-10-16-28]: Kanttekening 28: tiende maand: Genoemd Thebet, passende voor een deel op December, voor een deel op Januari.
[^ezra-10-17-29]: Kanttekening 29: eerste maand: Abib, of Nisan; passende voor een deel op Maart, voor een deel op April.
[^ezra-10-19-30]: Kanttekening 30: gaven hun hand: Dat is, zij beloofden bij handtasting. Vergelijk 2 Kon. 10:15 . 2 Koningen 10:15 : En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zei tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen.
[^ezra-10-19-31]: Kanttekening 31: voor hun schuld: Zie Lev. 4:3 , enz., waar de priesters zowel als de gemene man bevolen wordt, naast de schuldbekentenis, hun offerande te brengen. Leviticus 4:3 : Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^ezra-10-25-32]: Kanttekening 32: En van Israël: Tot hier zijn verhaald de schuldigen in de kerkelijke stand, die tot de tempeldienst gehoorden; volgen nu die daarbuiten waren onder het volk.
[^ezra-10-35-33]: Kanttekening 33: Of, Cheluhi.
[^ezra-10-40-34]: Kanttekening 34: Of, Mabnadbai.
[^ezra-10-43-35]: Kanttekening 35: Of, Jaddau.
[^ezra-10-44-36]: Kanttekening 36: waarbij zij kinderen: Hebreeuws, יָּשִׂ֖ימוּ, en zij hadden zonen, of, kinderen gesteld. Hij wil zeggen dat zij de heidense vrouwen verlaten hebben, zowel die kinderen hadden, als die gene hadden, gelijk boven, vers 3 gezegd is. Anders, en daaronder waren vrouwen, die kinderen voortgebracht hadden. Ezra 10:3 : Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van YHWH, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.

## Nehemia

### Nehemia 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/1.json)

*Nehemia (de schenker van de koning, vers 11) ontvangt te Susan bericht van de droevige toestand van zijn volk, alsook van de muren en poorten van Jeruzalem, vers 1, enz. Hij bedrijft daarover grote rouw, vast, bidt en smeekt tot God om genade, en in het bijzonder dat Hij zijn voornemen bij de koning wil zegenen, 4.*

**1** De[^nehemia-1-1-1] geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het gebeurde in de maand[^nehemia-1-1-2] Chisleu, in het[^nehemia-1-1-3] twintigste jaar, als ik te[^nehemia-1-1-4] Susan in het paleis was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v1)

**2** Zo kwam Hanani, één van mijn[^nehemia-1-2-5] broers, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vroeg hen naar de Joden,[^nehemia-1-2-6] die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v2)

**3** En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis daar in het[^nehemia-1-3-7] gewest zijn overgebleven, zijn in grote[^nehemia-1-3-8] ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v3)

**4** En het gebeurde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neer, en huilde, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v4)

**5** En ik zei: Och, YHWH, God van de hemel, U, grote en vreselijke God![^nehemia-1-5-b] Die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.[^nehemia-1-5-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v5)

**6** Laat toch Uw[^nehemia-1-6-9] oor opmerkende, en Uw[^nehemia-1-6-10] ogen open zijn, om te horen naar het gebed van Uw knecht, dat ik[^nehemia-1-6-11] vandaag voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de Israëlieten, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en het huis van mijn vader, wij hebben gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v6)

**7** Wij hebben[^nehemia-1-7-12] het geheel tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de[^nehemia-1-7-13] geboden, noch de voorschriften, noch de rechten, die U Uw knecht Mozes geboden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v7)

**8** Gedenk toch aan het woord, dat U Uw knecht Mozes[^nehemia-1-8-14] geboden hebt, zeggende: U zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.[^nehemia-1-8-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v8)

**9** En u zult zich tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik gekozen heb, om Mijn Naam daar te doen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v9)

**10** Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v10)

**11** Och, YHWH, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed van Uw knecht, en op het gebed van Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht vandaag wel gelukken, en[^nehemia-1-11-15] geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze[^nehemia-1-11-16] man. Ik nu was de schenker van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/1.html#v11)

[^nehemia-1-1-1]: Kanttekening 1: Of, woorden.
[^nehemia-1-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ezra 10:9 . Naar het heilig of kerkelijk jaar van de Joden, was het de negende maand; maar naar de rekening van de Chaldeën, die het jaar in September begonnen, was het de derde maand. Ezra 10:9 : Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op de twintigste in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.
[^nehemia-1-1-3]: Kanttekening 3: twintigste jaar: Van de koning Arthasasta, gelijk onder, Neh. 2:1 ; zie daar. Nehemia 2:1 : Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.
[^nehemia-1-1-4]: Kanttekening 4: De hoofdstad van Susiana, gebouwd \[zo enigen schrijven\] door Darius Histaspis.
[^nehemia-1-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, bloedverwanten, of landslieden, Joden.
[^nehemia-1-2-6]: Kanttekening 6: die ontkomen waren: Hebreeuws, נִשְׁאֲר֥וּ, de ontkoming.
[^nehemia-1-3-7]: Kanttekening 7: Of, provincie, zoals het land Kanaän genoemd wordt, omdat het nu was onder het gebied van de Perzische monarchie.
[^nehemia-1-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, in groot kwaad; dat is, ellende en treurigheid.
[^nehemia-1-5-b]: Verwijzing b: Ex. 20:6 ; Ex. 34:7 ; Num. 14:18 ; Deut. 5:10 ; Ps. 86:15 ; Ps. 103:8 ; Ps. 145:8 . Exodus 20:6 : En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Numeri 14:18 : De YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Deuteronomium 5:10 : En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Psalmen 86:15 : Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 145:8 : Cheth. Genadig en barmhartig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
[^nehemia-1-5-a]: Verwijzing a: Dan. 9:4 . Daniël 9:4 : Ik bad dan tot YHWH, mijn God, en deed belijdenis, en zei: Och Heer! U grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt die, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
[^nehemia-1-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, verhoor toch; menselijker wijze van God gesproken.
[^nehemia-1-6-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kon. 8:29 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^nehemia-1-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, op dit moment.
[^nehemia-1-7-12]: Kanttekening 12: ganselijk … verdorven: Hebreeuws, wij hebben met verderving, of verdervende verdorven; dat is, wij hebben geheel verdorvenlijk tegen U gehandeld en ons in alle manieren aan U schuldig gemaakt, door onze zonden.
[^nehemia-1-7-13]: Kanttekening 13: Zie van deze drie volgende woorden Deut. 5:31 . Deuteronomium 5:31 : Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.
[^nehemia-1-8-14]: Kanttekening 14: geboden hebt: Zie Deut. 30:2 , 30:3 , 30:4 met de aantekening. Deuteronomium 30:2 : En u zult u bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, u en uw kinderen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
[^nehemia-1-8-c]: Verwijzing c: Deut. 4:25 ; idem 4:26 ; idem 4:27 ; Deut. 30:2 ; idem 30:3 ; idem 30:4 . Deuteronomium 4:25 : Wanneer u nu kinderen en kleinkinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat u gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen van YHWH, uw Gods, om Hem tot toorn te verwekken; Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden. Deuteronomium 4:27 : En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. Deuteronomium 30:2 : En u zult u bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, u en uw kinderen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uw ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
[^nehemia-1-11-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, geef hem ter barmhartigheden, of ontfermingen, dat is, werk nu in het hart van de koning, dat hij zich mijns en mijns volks ontferme, en mijn verzoek gunstiglijk toesta; zie Jer. 42:12 . Jeremia 42:12 : En Ik zal u barmhartigheid geven, dat hij zich over u erbarme, en u weer in uw land brenge.
[^nehemia-1-11-16]: Kanttekening 16: Namelijk, van de koning Arthasasta, gelijk de volgende woorden en het begin van Neh. 2 uitwijzen.

### Nehemia 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/2.json)

*Nehemia verzoekt, bij goede gelegenheid, en verkrijgt van koning Arthahsasta, dat hij hem naar Jeruzalem zendt, met opdracht om alles te herstellen, en met brieven aan zijn houtvester en landvoogden, vers 1, enz. Nehemia komt bij de landvoogden, en te Jeruzalem; wat de vijanden van Gods volk verdriet, 9. Hij bezichtigt 's nachts de gebroken muren en verbrande poorten van Jeruzalem, 12. Hij maakt de opdracht van de koning bekend aan de voornaamsten van het volk, en maakt hen bereid tot bouwen, tot spot en spijt van de vijanden, 17.*

**1** Toen gebeurde het in de maand[^nehemia-2-1-1] Nisan, in het twintigste jaar van de koning[^nehemia-2-1-2] Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat[^nehemia-2-1-3] ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit[^nehemia-2-1-4] treurig geweest[^nehemia-2-1-5] voor zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v1)

**2** Zo zei de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo u toch niet ziek bent? Dit is niet dan treurigheid van het hart. Toen[^nehemia-2-2-6] vreesde ik geheel zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v2)

**3** En ik zei tot de koning:[^nehemia-2-3-7] De koning leve in[^nehemia-2-3-8] eeuwigheid![^nehemia-2-3-9] Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de[^nehemia-2-3-10] stad, de[^nehemia-2-3-11] plaats van de begrafenissen van mijn vaders, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v3)

**4** En de koning zei tot mij:[^nehemia-2-4-12] Wat verzoekt u nu? Toen[^nehemia-2-4-13] bad ik tot God van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v4)

**5** En ik zei tot de koning:[^nehemia-2-5-14] Zo het de koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht[^nehemia-2-5-15] aangenaam is,[^nehemia-2-5-16] dat u mij zendt naar Juda, naar de stad van de begrafenissen van mijn vaders, dat ik ze bouwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v5)

**6** Toen zei de koning tot mij,[^nehemia-2-6-17] daar de[^nehemia-2-6-18] koningin naast hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult u terugkomen? En het[^nehemia-2-6-19] behaagde de koning, dat hij mij zond, als ik hem zekere[^nehemia-2-6-20] tijd gesteld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v6)

**7** Verder zei ik tot de koning: Zo het de koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan de overzijde van de rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;[^nehemia-2-7-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v7)

**8** Ook een brief aan Asaf, de[^nehemia-2-8-22] bewaarder van de lusthof, die de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het[^nehemia-2-8-23] huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze[^nehemia-2-8-24] mij, naar de goede hand van mijn God over mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v8)

**9** Toen kwam ik tot de landvoogden aan de overzijde van de rivier, en gaf hun de brieven van de koning. En de koning had oversten van het leger en ruiters met mij gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v9)

**10** Toen nu Sanballat, de[^nehemia-2-10-25] Horoniet, en Tobia, de Ammonietische[^nehemia-2-10-26] knecht dat hoorden,[^nehemia-2-10-27] mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v10)

**11** En ik kwam te Jeruzalem,[^nehemia-2-11-28] en was daar drie dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v11)

**12** Daarna maakte ik mij in de nacht op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v12)

**13** En ik trok uit bij nacht door de[^nehemia-2-13-29] Dalpoort, en voorbij de[^nehemia-2-13-30] Drakenfontein, en naar de[^nehemia-2-13-31] Mistpoort, en ik[^nehemia-2-13-32] brak aan de muren van Jeruzalem, die verscheurd waren, en[^nehemia-2-13-33] haar poorten met vuur verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v13)

**14** En ik ging voort naar de[^nehemia-2-14-34] Fonteinpoort, en naar de vijver van de[^nehemia-2-14-35] koning; maar daar was[^nehemia-2-14-36] geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v14)

**15** Toen ging ik op, in de[^nehemia-2-15-37] nacht, door de[^nehemia-2-15-38] beek, en ik[^nehemia-2-15-39] brak aan de muur; en ik keerde weer, en kwam in door de Dalpoort; zo keerde ik opnieuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v15)

**16** En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de[^nehemia-2-16-40] edelen, en overheden, en de[^nehemia-2-16-41] anderen,[^nehemia-2-16-42] die het werk deden, niets te kennen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v16)

**17** Toen zei ik tot hen: U ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur verbrand zijn; kom, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen; opdat wij niet meer een versmaadheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v17)

**18** En ik gaf hun te kennen[^nehemia-2-18-43] de hand van mijn God, Die goed over mij geweest was, als ook de woorden van de koning, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij[^nehemia-2-18-44] sterkten hun handen ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v18)

**19** Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat u doet? Wilt u tegen de koning rebelleren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v19)

**20** Toen gaf ik hun tot antwoord, en zei tot hen: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar[^nehemia-2-20-45] u hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch herinnering in Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/2.html#v20)

[^nehemia-2-1-1]: Kanttekening 1: Anders genoemd Abib; Ex. 13:4 . Exodus 13:4 : Heden gaat u uit, in de maand Abib.
[^nehemia-2-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ezra 6:14 . Ezra 6:14 : En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië.
[^nehemia-2-1-3]: Kanttekening 3: ik de wijn: Tot wie de beurt nu weer gekomen was om de koning van de opgedragen wijn te schenken. Hiermede wordt te kennen gegeven de oorzaak, waarom Nehemia dus lang getoefd heeft.
[^nehemia-2-1-4]: Kanttekening 4: treurig geweest: Hebreeuws, רַ֖ע, kwaad; dat is hier, droevig, treurig van gelaat, en zo in het volgende; zie Gen. 40:7 . Genesis 40:7 : Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis van zijn heer, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?
[^nehemia-2-1-5]: Kanttekening 5: voor zijn aangezicht: Als ik voor de koning placht te verschijnen; maar nu \[wil hij zeggen\] was het anders met mij gesteld.
[^nehemia-2-2-6]: Kanttekening 6: vreesde ik: Uit ontzag voor de koning, want men moest voor de Perzische koningen met geen tekenen van rouw en droefenis verschijnen, Esth. 4:2 ; en mee uit bekommernis over de uitkomst van deze zaak, die zeer gewichtig was. Esther 4:2 : En hij kwam tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning inkomen, bekleed met een zak.
[^nehemia-2-3-7]: Kanttekening 7: De koning leve: Manier van gelukwensen in die landen gebruikelijk. Zie Dan. 2:4 , en Dan. 3:9 , en Dan. 5:10 , en Dan. 6:22 . Daniël 2:4 : Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. Daniël 3:9 : Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning! leef in eeuwigheid! Daniël 5:10 : Om deze woorden van de koning en zijn geweldigen, ging de koningin in het huis van de maaltijd. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden. Daniël 6:22 : Toen sprak Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid!
[^nehemia-2-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, lang.
[^nehemia-2-3-9]: Kanttekening 9: Hoe zou mijn: Hebreeuws, יֵרְע֣וּ, waarom.
[^nehemia-2-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk, Jeruzalem, die hij aldus beschrijft om zijn droefenis te excuseren, en de koning te meer te bewegen.
[^nehemia-2-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, huis; dat somtijds voor plaats genomen wordt. Zie Ex. 25:27 ; 2 Sam. 15:17 ; Spreuk. 8:2 met de aantekening. Exodus 25:27 : Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen. 2 Samuël 15:17 : Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats. Spreuken 8:2 : Op de spits van de hoge plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
[^nehemia-2-4-12]: Kanttekening 12: Wat verzoekt u: Hebreeuws, מַה, waarover bent u nu verzoekende.
[^nehemia-2-4-13]: Kanttekening 13: bad ik: Te weten, bij mijzelf, in mijn hart.
[^nehemia-2-5-14]: Kanttekening 14: Zo het de koning: Hebreeuws, מֶּ֔לֶךְ, zo bij de koning goed \[is\], zo vers 7 ; zie Ezra 5:17 . Nehemia 2:7 : Verder zei ik tot de koning: Zo het de koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan de overzijde van de rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn; Ezra 5:17 : Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de koning daar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van de koning Kores gegeven zij, om dit huis van God te Jeruzalem te bouwen; en dat men het believen van de koning hiervan tot ons zende.
[^nehemia-2-5-15]: Kanttekening 15: aangenaam is: Hebreeuws, פָנֶ֑י, goed.
[^nehemia-2-5-16]: Kanttekening 16: dat u: Versta hierop, zo verzoek ik.
[^nehemia-2-6-17]: Kanttekening 17: Anders, en de koningin, die naast hem zat.
[^nehemia-2-6-18]: Kanttekening 18: Anders, vrouw, bedgenoot.
[^nehemia-2-6-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, was goed voor het aangezicht van de koning.
[^nehemia-2-6-20]: Kanttekening 20: Te weten, van twaalf jaren; zie onder Neh. 5:14 , en Neh. 13:6 . Nehemia 5:14 : Ook van die dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van de koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broers, het brood van de landvoogd niet gegeten. Nehemia 13:6 : Maar in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot de koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weer verlof van de koning.
[^nehemia-2-7-21]: Kanttekening 21: Eufraat, en zo in het volgende.
[^nehemia-2-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, de houtvester of bosbewaarder. Zie 1 Kon. 5:6 , Lusthof. Hebreeuws, Pardesch; dat is, paradijs, waardoor sommigen verstaan de streek van het gebergte Libanon tot Anti-Libanon toe, zo genoemd vanwege de zonderlinge lustigheid van deze plaats, zodat er ook een stadje geweest is, genoemd het Paradijs. 1 Koningen 5:6 : Zo gebied nu, dat men mij cederen uit de Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven, naar al wat u zeggen zult; want u weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniërs.
[^nehemia-2-8-23]: Kanttekening 23: huis is: Versta, het huis van God, dat is, de tempel, welks voorhof \[hier, gelijk enige menen, het paleis genoemd\] tot deze tijd toe open heeft gelegen. Vergelijk Ezra 10:9 ; 1 Kron. 29:1 . Ezra 10:9 : Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op de twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen. 1 Kronieken 29:1 : Verder zei de koning David tot de gehele gemeente: God heeft mijn zoon Salomo alleen gekozen, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, YHWH.
[^nehemia-2-8-24]: Kanttekening 24: naar de goede hand: Gelijk Ezra 7:6 , 7:9 , 7:28 , enz. Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Ezra 7:9 : Want op de eerste van de eerste maand was het begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand van zijn God over hem. Ezra 7:28 : En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand van YHWH, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.
[^nehemia-2-10-25]: Kanttekening 25: Zo genoemd van Horonaim, één van de voornaamste steden van de Moabieten, gelijk te zien is Jes. 15:5 ; Jer. 48:3 , 48:5 , 48:34 . Jesaja 15:5 : Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. Jeremia 48:3 : Er is een stem van het gekrijt van Horonaim; verstoring en een grote breuk! Jeremia 48:5 : Want in de opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in de afgang van Horonaim hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord. Jeremia 48:34 : Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.
[^nehemia-2-10-26]: Kanttekening 26: Dat is, van de Perzische koning, vazal, officier, of stadhouder. Deze beiden waren vijanden van de Israëlieten. Zie 2 Sam. 8:2 , en 2 Sam. 12:31 , en hadden hun residentie te deze tijde binnen Samaria, gelijk afgenomen wordt uit Neh. 4:2 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Samuël 12:31 : Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem. Nehemia 4:2 : En sprak in de aanwezigheid van zijn broers en van het leger van Samaria, en zei: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voltooien? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?
[^nehemia-2-10-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, het was \[of maar\] hun kwaad, \[met, of, ja\] een groot kwaad; dat is, het mishaagde hen met groot mishagen.
[^nehemia-2-11-28]: Kanttekening 28: en was daar: Vergelijk Ezra 8:32 . Ezra 8:32 : En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven daar drie dagen.
[^nehemia-2-13-29]: Kanttekening 29: Dat is, waar deze poort tevoren geweest was en naderhand weer opgebouwd is; zie Neh. 3:13 , zo van de volgende. Nehemia 3:13 : De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe duizend ellen aan de muur, tot aan de Mistpoort.
[^nehemia-2-13-30]: Kanttekening 30: Of, Slangenfontein. Hierdoor wordt door sommigen verstaan de fontein van het water Siloa, als gaande zeer stillekens en zachtjes, gelijk of een slang kroop. Zie Jes. 8:6 , en onder, Neh. 3:15 . Jesaja 8:6 : Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia; Nehemia 3:15 : En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.
[^nehemia-2-13-31]: Kanttekening 31: Waar men de vuiligheden uitbracht naar de beek Kidron, zo enige menen.
[^nehemia-2-13-32]: Kanttekening 32: Om eigenlijk te weten wat er aan schortte, en wat er aan te doen was. Anders, ik lette op de muren, enz., hoe ze gescheurd waren, enz., zo ook vers 15 . Nehemia 2:15 : Toen ging ik op, in de nacht, door de beek, en ik brak aan de muur; en ik keerde weer, en kwam in door de Dalpoort; zo keerde ik opnieuw.
[^nehemia-2-13-33]: Kanttekening 33: haar poorten: Te weten, van Jeruzalem.
[^nehemia-2-14-34]: Kanttekening 34: Waar men ging naar de fontein van het water Siloa, gelijk enige afnemen uit Neh. 3:15 . Nehemia 3:15 : En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.
[^nehemia-2-14-35]: Kanttekening 35: Zie onder, Neh. 3:15 , 3:16 ; 2 Kon. 18:17 , en 2 Kon. 20:20 . Nehemia 3:15 : En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad. Nehemia 3:16 : Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan de gemaakte vijver, en tot aan het huis van de helden. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar leger naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 20:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
[^nehemia-2-14-36]: Kanttekening 36: geen plaats: Vanwege de steenhopen van de vervallen en gebroken muur, zodat hij te voet moest gaan.
[^nehemia-2-15-37]: Kanttekening 37: door de: Anders, bij.
[^nehemia-2-15-38]: Kanttekening 38: Kidron; zie daarvan 2 Sam. 15:23 , of Gihon, zo anderen menen. Zie daarvan 2 Kron. 32:30 , en 2 Kron. 33:14 . 2 Samuël 15:23 : En het gehele land weende met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn. 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. 2 Kronieken 33:14 : En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.
[^nehemia-2-15-39]: Kanttekening 39: brak aan de muur: Zie vers 13 . Nehemia 2:13 : En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.
[^nehemia-2-16-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, de witten; dat is, die witte sierlijke kleren droegen, gelijk grote heren in de hoven van de koningen; zie Esth. 8:15 . Zo onder, Neh. 5:7 , en Neh. 6:17 , en Neh. 7:5 , en Neh. 13:17 . Esther 8:15 : En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk. Nehemia 5:7 : En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zei tot hen: Gijlieden vordert een last, ieder van zijn broer. Verder belegde ik een grote vergadering tegen hen. Nehemia 6:17 : Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen. Nehemia 7:5 : Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus: Nehemia 13:17 : Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zei tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat u doet, en ontheiligt de sabbatdag?
[^nehemia-2-16-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, het overige.
[^nehemia-2-16-42]: Kanttekening 42: die het werk deden: Stadsbouwmeester, of wie het opzicht daarvan bevolen was, die het bewind daarvan hadden.
[^nehemia-2-18-43]: Kanttekening 43: de hand mijns Gods: Vergelijk boven, vers 8 . Nehemia 2:8 : Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.
[^nehemia-2-18-44]: Kanttekening 44: Dat is, zij grepen moed om dit goed en prijzenswaardig werk onbeschroomd bij de hand te nemen.
[^nehemia-2-20-45]: Kanttekening 45: Als ongelovigen en afgodendienaars vanouds af, hebt u geheel geen gemeenschap met Gods kerk, maar zijt vreemd van haar, ja haar vijanden, zodat wij ons aan u niet hebben te keren.

### Nehemia 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/3.json)

*Door welke personen, en in welke volgorde, de muren en poorten van Jeruzalem gebouwd zijn.*

**1** [^nehemia-3-1-1] En[^nehemia-3-1-2] Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn[^nehemia-3-1-3] broers, de priesters, en zij bouwden de[^nehemia-3-1-4] Schaapspoort; zij[^nehemia-3-1-5] heiligden ze, en[^nehemia-3-1-6] richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan de toren[^nehemia-3-1-7] Mea, tot aan de toren[^nehemia-3-1-8] Hananeël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v1)

**2** En aan zijn[^nehemia-3-2-9] hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v2)

**3** De Vispoort nu bouwden de kinderen van[^nehemia-3-3-10] Senaä; zij zolderden die, en[^nehemia-3-3-11] richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v3)

**4** En aan hun hand[^nehemia-3-4-12] verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon[^nehemia-3-4-13] van Koz; en aan[^nehemia-3-4-14] hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baëna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v4)

**5** Verder aan hun hand verbeterden de[^nehemia-3-5-15] Thekoieten; maar hun voortreffelijken[^nehemia-3-5-16] brachten hun hals niet tot[^nehemia-3-5-17] de[^nehemia-3-5-18] dienst van hun Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v5)

**6** En de Oude poort verbeterden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v6)

**7** En aan hun hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van[^nehemia-3-7-19] Gibeon en van Mizpa; tot aan de[^nehemia-3-7-20] stoel van de landvoogd aan deze zijde[^nehemia-3-7-21] van de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v7)

**8** Aan zijn hand verbeterde Uzziël, de zoon van Harhoja, één van de goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon[^nehemia-3-8-22] van één van de apothekers; en zij[^nehemia-3-8-23] lieten Jeruzalem tot aan de brede muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v8)

**9** En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste van[^nehemia-3-9-24] het halve deel van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v9)

**10** Verder aan hun hand verbeterde Jedaja, de zoon van Harumaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v10)

**11** [^nehemia-3-11-25] De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-moab; daartoe de[^nehemia-3-11-26] Bakoventoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v11)

**12** En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van[^nehemia-3-12-27] Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v12)

**13** De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels; daartoe duizend ellen aan de muur, tot aan de[^nehemia-3-13-28] Mistpoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v13)

**14** De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het[^nehemia-3-14-29] deel Beth-cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v14)

**15** En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendels; daartoe de muur van de vijver[^nehemia-3-15-30] Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de[^nehemia-3-15-31] trappen, die afgaan van Davids stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v15)

**16** Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan de[^nehemia-3-16-32] gemaakte vijver, en tot aan het huis van[^nehemia-3-16-33] de helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v16)

**17** Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand verbeterde Hasabja, de overste van het[^nehemia-3-17-34] halve deel van Kehila, in zijn deel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v17)

**18** Na hem herstelden hun broers, Bavai, de zoon van Henadad, de overste van het andere halve deel van Kehila. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v18)

**19** Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een[^nehemia-3-19-35] andere maat; tegenover de opgang naar het[^nehemia-3-19-36] wapenhuis, aan de hoek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v19)

**20** Na hem verbeterde zeer[^nehemia-3-20-37] vurig Baruch, de zoon van[^nehemia-3-20-38] Zabbai, een andere maat; van de hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v20)

**21** Na hem verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon[^nehemia-3-21-39] van Koz, een andere maat; van de huisdeur van Eljasib af, tot aan het einde van Eljasibs huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v21)

**22** En na hem verbeterden de priesters, wonende in de[^nehemia-3-22-40] vlakke velden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v22)

**23** [^nehemia-3-23-41] Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde Azaria, de zoon van Maaseja, de zoon van Hananja, bij zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v23)

**24** Na hem verbeterde Binnuï, de zoon van Henadad, een andere maat; van het huis van Azaria tot aan de hoek en tot aan[^nehemia-3-24-42] de punt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v24)

**25** Palal, de zoon van Uzai,[^nehemia-3-25-43] tegenover de hoek, en de hoge toren over, die uit het huis van de koning[^nehemia-3-25-44] uitsteekt, die bij de voorhof van[^nehemia-3-25-45] de gevangenis is; na hem Pedaja, de zoon van Paros; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v25)

**26** De[^nehemia-3-26-46] tempelknechten nu, die in[^nehemia-3-26-47] Ofel woonden,[^nehemia-3-26-48] tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v26)

**27** Daarna verbeterden de[^nehemia-3-27-49] Thekoieten een andere maat; tegenover de grote uitstekende toren, en tot aan de muur van Ofel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v27)

**28** [^nehemia-3-28-50] Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesters, ieder tegenover zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v28)

**29** Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de[^nehemia-3-29-51] Oostpoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v29)

**30** Na[^nehemia-3-30-52] hem verbeterden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de[^nehemia-3-30-53] zesde,[^nehemia-3-30-54] een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v30)

**31** Na hem verbeterde Malchia, de zoon van een goudsmid, tot aan het huis van de tempelknechten en van de kruideniers, tegenover de poort van[^nehemia-3-31-55] Mifkad, en tot de opperzaal van het punt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v31)

**32** En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/3.html#v32)

[^nehemia-3-1-1]: Kanttekening 1: Vergelijk deze beschrijving van Jeruzalems omgang en gelegenheid, met onder, Neh. 12:31 , enz. Nehemia 12:31 : Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op de muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op de muur, naar de Mistpoort toe.
[^nehemia-3-1-2]: Kanttekening 2: Kindskind van Jesua, onder, Neh. 12:10 . Nehemia 12:10 : Jesua nu verwekte Jojakim, en Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib verwekte Jojada,
[^nehemia-3-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, bloedverwanten, van Aärons linie.
[^nehemia-3-1-4]: Kanttekening 4: Of, Veepoort, tegen het voorste deel van de tempel, zo, naar sommiger gevoelen, genoemd omdat daar de veemarkt geweest is, tot gerief om offerbeesten bij de hand te hebben, als zijnde nabij de tempel gelegen. Hier was ook \[gelijk sommigen menen\] de vijver Bethesda, waarvan Joh. 5:2 ; zie ook onder, vers 32 , en Neh. 12:39 . Johannes 5:2 : En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, dat in het Hebreeuws, toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. Nehemia 3:32 : En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. Nehemia 12:39 : En van boven de poort van Efraïm, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en de toren Hananeël, en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort.
[^nehemia-3-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, deden gebeden, offeranden, enz., nadat de poort gemaakt was, voordat zij tot het algemene gebruik kwam. Vergelijk Deut. 20:5 . Of, heiligden; dat is, verordenden deze plaats tot zaken, die tot de dienst van de tempel behoorden, als offervee te kopen, en te wassen door het gerief van de bijliggende vijver, die God ook daarom kan hebben gezegend met het mirakel van de genezing, Joh. 5:4 ; idem, specerijen, reukwerk en kruideniers woonden hier; onder, vers 32 . Anders, heiligden; dat is, bereidden, rustten toe. Vergelijk Jer. 51:27 , enz. Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. Johannes 5:4 : Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. Nehemia 3:32 : En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. Jeremia 51:27 : Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!
[^nehemia-3-1-6]: Kanttekening 6: Zie vers 3 . Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^nehemia-3-1-7]: Kanttekening 7: Of, Honderd toren, staande tussen de Schaapspoort en de toren Hananeël; misschien zo genoemd, omdat deze toren honderd ellen van beiden afstond.
[^nehemia-3-1-8]: Kanttekening 8: Zie Jer. 31:38 . Jeremia 31:38 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze stad voor YHWH zal herbouwd worden, van de toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.
[^nehemia-3-2-9]: Kanttekening 9: hand bouwden: Of, zijde, dat is, naast hem; en zo in het volgende.
[^nehemia-3-3-10]: Kanttekening 10: Anders, Hassenaä.
[^nehemia-3-3-11]: Kanttekening 11: Of, zetten op. Wanneer de deuren in de stadspoorten eigenlijk opgezet en gehangen zijn, zie daarvan onder, Neh. 6:1 , en Neh. 7:1 , hoewel het gehele werk hier meteen verhaald wordt; tenware, dat de deuren op deze tijd wel gereed en opgezet zijnde, naderhand ten volle door de last van Nehemia geschikt en opgehangen mochten zijn. Nehemia 6:1 : Verder is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten; Nehemia 7:1 : Verder geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortwachters, en de zangers, en de Levieten werden besteld.
[^nehemia-3-4-12]: Kanttekening 12: Of, versterkte, herstelde, te weten, de vervallen muur; en zo in het volgende.
[^nehemia-3-4-13]: Kanttekening 13: Of, Hakkoz.
[^nehemia-3-4-14]: Kanttekening 14: hun hand: Dergenen die in vers 4 , en vers 3 genoemd zijn. Nehemia 3:4 : En aan hun hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baëna. Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^nehemia-3-5-15]: Kanttekening 15: Zie 2 Sam. 14:2 . 2 Samuël 14:2 : Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
[^nehemia-3-5-16]: Kanttekening 16: brachten hun hals niet: Dat is, de groten of aanzienlijken en machtigen van Thekoa wilden zich niet buigen noch begeven, om dit werk van hun God mee te helpen bevorderen. Deze onwilligheid en hoogmoed wordt tot hunne schande van de Heilige Geest bestraft.
[^nehemia-3-5-17]: Kanttekening 17: Of, tot het werk.
[^nehemia-3-5-18]: Kanttekening 18: van hun Heere: Anders, hun heren; verstaande daardoor de commissarissen, die gesteld waren om opzicht te nemen en orde op alles te stellen.
[^nehemia-3-7-19]: Kanttekening 19: Zie van Gibeon, Joz. 10 , en van Mizpa, Richt. 10:17 . Richteren 10:17 : En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^nehemia-3-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, het huis, waar de landvoogd of stadhouder van de koning in Judea zijn hof hield, en waar Nehemia nu misschien zelf intrekken zou. Vergelijk boven, Neh. 2:8 . Nehemia 2:8 : Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.
[^nehemia-3-7-21]: Kanttekening 21: van de rivier: Eufraat; in de Schriftuur Frath genoemd.
[^nehemia-3-8-22]: Kanttekening 22: van één van de apothekers: Hebreeuws, רַקָּחִ֑ים, een zoon van de apothekers: dat sommigen verstaan zoveel te zijn als apotheker.
[^nehemia-3-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, zij lieten het volgende deel van de muur zo het was, omdat het nog goed en sterk genoeg gebleven was. Anderen verstaan dat er een binnenmuur was, de bovenstad van de benedenstad afscheidende, die zij, als voor het eerst niet nodig, oversloegen, om het nodigste werk te bevorderen. Anders, zij richtten op. Vergelijk Ex. 23:5 . Exodus 23:5 : Wanneer u de ezel van uw hater onder zijn last ziet liggen, zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? U zult het in alle manier met hem verlaten.
[^nehemia-3-9-24]: Kanttekening 24: halven deels: Jeruzalem was in verscheidene delen of kwartieren afgedeeld; deze was overste van de helft van de stad. Sommigen menen dat er naast het voornaamste deel, vanwege de uitnemendheid Jeruzalems deel of kwartier genoemd, andere mindere kwartieren geweest zijn, als van Bethcherem, Mizpa, Bethzur en Kegila, hoewel er zijn, die het daarvoor houden dat deze kwartieren of omstreken, in het volgende vermeld, buiten Jeruzalem gelegen waren, gelijk van Bethcherem vermeld onder, vers 14 ; te zien is Jer. 6:1 . Anders, de helft van een deel. Nehemia 3:14 : De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen. Jeremia 6:1 : Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.
[^nehemia-3-11-25]: Kanttekening 25: De andere mate: Dat is, het volgende deel, liggende naast aan het deel van Hattus; of, \[gelijk anderen\] even zulk deel of maat van de muur, gelijk Hattus hersteld had.
[^nehemia-3-11-26]: Kanttekening 26: Zie onder, Neh. 12:38 . Nehemia 12:38 : Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik daarachter, met de helft van het volk, op de muur, van boven de Bakoventoren, tot aan de brede muur;
[^nehemia-3-12-27]: Kanttekening 27: Of, Hallohes.
[^nehemia-3-13-28]: Kanttekening 28: Zie boven, Neh. 2:13 . Nehemia 2:13 : En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.
[^nehemia-3-14-29]: Kanttekening 29: Zie van dit en enige andere kwartieren, in het volgende vermeld, de aantekening op vers 9 en vergelijk Jer. 6:1 . Jeremia 6:1 : Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.
[^nehemia-3-15-30]: Kanttekening 30: Dit wordt bij sommigen genomen voor Siloam, waarvan Joh. 9:7 . Vergelijk boven, Neh. 2:13 ; hier begint Nehemia te vertellen het verbouwen van wat tot het paleis en de tempel behoorde. Johannes 9:7 : En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende. Nehemia 2:13 : En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.
[^nehemia-3-15-31]: Kanttekening 31: Zie onder, Neh. 12:37 . Nehemia 12:37 : Verder naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door de opgang van de muur, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten.
[^nehemia-3-16-32]: Kanttekening 32: gemaakten vijver: Zie 2 Kon. 18:17 , en 2 Kon. 20:20 , zo, naar eniger gevoelen, genoemd, tot onderscheiding van de andere, vers 15 , die een natuurlijke vijver of poel geweest is. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar leger naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 20:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Nehemia 3:15 : En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.
[^nehemia-3-16-33]: Kanttekening 33: Waar de dapperste krijgslieden, die steeds omtrent de koning waren, hun logement plachten te hebben.
[^nehemia-3-17-34]: Kanttekening 34: in zijn deel: Of, voor, met zijn deel; dat is, voor, of met die inwoners van zijn kwartier.
[^nehemia-3-19-35]: Kanttekening 35: andere maat: Zie vers 11 . Nehemia 3:11 : De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-moab; daartoe de Bakoventoren.
[^nehemia-3-19-36]: Kanttekening 36: aan de hoek: Zie 2 Kron. 26:9 . 2 Kronieken 26:9 : Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.
[^nehemia-3-20-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, ontstak, sterkte; dat is, hij verbeterde of herstelde en verbouwde zijn deel met een zonderlingen ijver; zie Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^nehemia-3-20-38]: Kanttekening 38: Anders, Zakkai.
[^nehemia-3-21-39]: Kanttekening 39: Of, Hakkoz, gelijk boven.
[^nehemia-3-22-40]: Kanttekening 40: vlakke velden: Hebreeuws, כִּכָּֽר, mannen van het plein; dat is wonende in de vlakke velden, tussen Jeruzalem en Jericho gelegen. Zie 2 Sam. 2:29 , enz. 2 Samuël 2:29 : Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het gehele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.
[^nehemia-3-23-41]: Kanttekening 41: Anders, na hen. Hebreeuws, eigenlijk, na hem, dat sommigen verstaan hier genomen te zijn voor het getal van velen; en zo vers 27 , 3:29 . Nehemia 3:27 : Daarna verbeterden de Thekoieten een andere maat; tegenover de grote uitstekende toren, en tot aan de muur van Ofel. Nehemia 3:29 : Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort.
[^nehemia-3-24-42]: Kanttekening 42: de punt: Het uiterste van de hoek.
[^nehemia-3-25-43]: Kanttekening 43: Versta, verbeterde de muur tegenover de hoek.
[^nehemia-3-25-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, uitgaat; en zo vers 26 . Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren.
[^nehemia-3-25-45]: Kanttekening 45: gevangenis is: Zie onder, Neh. 12:39 , en Jer. 32:2 . Nehemia 12:39 : En van boven de poort van Efraïm, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en de toren Hananeël, en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. Jeremia 32:2 : (Het leger nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is.
[^nehemia-3-26-46]: Kanttekening 46: Zie Ezra 2:48 . Ezra 2:48 : De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam;
[^nehemia-3-26-47]: Kanttekening 47: Of, op de hoogte; zie 2 Kron. 27:3 , en 2 Kron. 33:14 . 2 Kronieken 27:3 : Die bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. 2 Kronieken 33:14 : En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.
[^nehemia-3-26-48]: Kanttekening 48: Hierop kan men verstaan, verbeterden.
[^nehemia-3-27-49]: Kanttekening 49: Zie vers 5 . Nehemia 3:5 : Verder aan hun hand verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot de dienst van hun Heere.
[^nehemia-3-28-50]: Kanttekening 50: Van boven: Of, van de Paardenpoort aan; zie 2 Kon. 11:16 . 2 Koningen 11:16 : En zij leiden de handen aan haar; en zij ging de weg van de ingang van de paarden naar het huis van de koning, en zij werd daar gedood.
[^nehemia-3-29-51]: Kanttekening 51: Vergelijk Jer. 19:2 . Jeremia 19:2 : En ga uit naar het dal van de zoon van Hinnom, dat voor de deur van de Zonnepoort is, en roep daar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal;
[^nehemia-3-30-52]: Kanttekening 52: hem verbeterden: Anders, naast mij, en zo in vers 31 , verstaande, dat Nehemia hier verhaalt wie aan zijn beide zijden gewerkt hebben, zonder uit te drukken wat hij gedaan heeft om anderen met zijn exempel voor te gaan; tonende zo zijn nederigheid. Zie onder, Neh. 4:16 , 4:23 , en Neh. 5:16 . Nehemia 3:31 : Na hem verbeterde Malchia, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis van de tempelknechten en van de kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt. Nehemia 4:16 : En het geschiedde van die dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het gehele huis van Juda. Nehemia 4:23 : Verder noch ik, noch mijn broers, noch mijn jongelingen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze kleren niet uit; ieder had zijn geweer en water. Nehemia 5:16 : Daartoe heb ik ook aan het werk aan deze muur verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn daar verzameld geweest tot het werk.
[^nehemia-3-30-53]: Kanttekening 53: Te weten, zoon van Zalaf, of, hij zelf de zesde.
[^nehemia-3-30-54]: Kanttekening 54: een andere maat: Zie vers 11 . Nehemia 3:11 : De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-moab; daartoe de Bakoventoren.
[^nehemia-3-31-55]: Kanttekening 55: Dat is, bevel, opzicht, monstering, of telling. Sommigen menen dat de grote Raad hier bijeenkwam om op de voorkomende zwarigheden te letten en bevelen uit te geven of te publiceren.

### Nehemia 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/4.json)

*Terwijl de vijanden met Gods volk spotten, bidt Nehemia tot God, en bevordert het werk, vers 1, enz. De vijanden, die de voorspoedige voortgang bemerken, verbinden zich samen om Jeruzalem te bestrijden en het werk te verstoren, eer zij het zouden weten, 7, enz., ook vers 11. Maar wanneer Nehemia hiervan op de hoogte gebracht is, stelt hij daartegen goede wacht, geeft het volk moed, en breekt zo de aanslag van de vijanden, 12. Hij keert terug tot de arbeid, en regelt zowel voor zijn dienaren als voor alle arbeiders dat zij met de ene hand werken, en met de andere het wapen vasthouden, en geeft verscheidene krijgsbevelen, 16.*

**1** Maar het gebeurde, als[^nehemia-4-1-1] Sanballat gehoord had, dat wij de muur bouwden, zo[^nehemia-4-1-2] ontstak hij, en werd[^nehemia-4-1-3] zeer boos; en hij bespotte de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v1)

**2** En sprak in de[^nehemia-4-2-4] aanwezigheid van zijn broers en van[^nehemia-4-2-5] het leger van Samaria, en zei: Wat doen deze zwakke Joden?[^nehemia-4-2-6] Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij[^nehemia-4-2-7] het in één dag voltooien? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen[^nehemia-4-2-8] levend maken, daar zij verbrand zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v2)

**3** En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zei: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou[^nehemia-4-3-9] hun stenen muur wel verscheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v3)

**4** Hoor, o onze God![^nehemia-4-4-10] dat wij[^nehemia-4-4-11] zeer veracht zijn, en keer[^nehemia-4-4-12] hun versmaadheid weer op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een[^nehemia-4-4-13] land van de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v4)

**5** En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgewist[^nehemia-4-5-14] van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande[^nehemia-4-5-15] tegenover de[^nehemia-4-5-16] bouwers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v5)

**6** Maar wij bouwden de muur, zodat de hele muur samengevoegd werd tot zijn[^nehemia-4-6-17] helft toe; want het hart van het volk was om te werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v6)

**7** En het gebeurde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de[^nehemia-4-7-18] Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de[^nehemia-4-7-19] verbetering aan de muren van[^nehemia-4-7-20] Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v7)

**8** En zij maakten allen samen een samenzwering, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een[^nehemia-4-8-21] verbijstering daarin te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v8)

**9** Maar wij baden tot onze God, en zetten wacht[^nehemia-4-9-22] tegen hen, dag en nacht,[^nehemia-4-9-23] aangaande hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v9)

**10** Toen zei Juda: De kracht van de dragers is[^nehemia-4-10-25] afgenomen, en er is veel puin, zodat wij aan de muur[^nehemia-4-10-27] niet zullen kunnen bouwen.[^nehemia-4-10-24][^nehemia-4-10-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v10)

**11** Nu hadden onze vijanden[^nehemia-4-11-28] gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, voordat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; zo zullen wij het werk doen ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v11)

**12** En het gebeurde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons[^nehemia-4-12-29] wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen,[^nehemia-4-12-30] waardoor u tot ons terugkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v12)

**13** Daarom zette ik[^nehemia-4-13-31] in de benedenste plaatsen achter de muur, en op de[^nehemia-4-13-32] hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun speren en hun bogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v13)

**14** En ik zag toe, en maakte mij op, en zei tot de[^nehemia-4-14-33] edelen, en tot de overheden, en tot het overige van het volk: Vrees niet voor hun aangezicht; denk aan die grote en vreselijke YHWH, en strijdt voor uw broers, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen.[^nehemia-4-14-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v14)

**15** Daarna gebeurde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weer tot de muur, ieder tot zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v15)

**16** En het gebeurde van die dag af, dat de helft van mijn[^nehemia-4-16-34] jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de speren, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren[^nehemia-4-16-35] achter het hele huis van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v16)

**17** Die aan de muur bouwden, en die de last droegen, en die oplaadden, waren[^nehemia-4-17-36] een ieder met zijn[^nehemia-4-17-37] ene hand doende aan het werk, en de andere hield het[^nehemia-4-17-38] geweer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v17)

**18** En de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan zijn middel gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v18)

**19** En ik zei tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige van het volk: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op de muur afgezonderd,[^nehemia-4-19-39] de één ver van de ander; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v19)

**20** Ter plaatse, waar u het geluid van de bazuin zult horen, daarheen zult u zich tot ons verzamelen;[^nehemia-4-20-b] onze God zal voor ons strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v20)

**21** Zo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de speren, van[^nehemia-4-21-40] het opgaan van de dageraad tot het voortkomen van de sterren toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v21)

**22** Ook zei ik in die tijd tot het volk: Ieder overnachte met zijn jongen[^nehemia-4-22-41] binnen Jeruzalem, opdat zij ons in de nacht ter wacht zijn, en overdag aan het werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v22)

**23** Verder noch ik, noch mijn broers, noch mijn jongemannen, noch de mannen van de wacht, die[^nehemia-4-23-42] achter mij waren, wij trokken onze kleren niet uit; ieder had zijn werpspies en water.[^nehemia-4-23-43][^nehemia-4-23-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/4.html#v23)

[^nehemia-4-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Neh. 2:10 . Nehemia 2:10 : Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen van Israël.
[^nehemia-4-1-2]: Kanttekening 2: ontstak hij: Hebreeuws, חֹמ֣וֹת, hem ontstak; te weten, de toorn, zo vers 7 . Nehemia 4:7 : En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;
[^nehemia-4-1-3]: Kanttekening 3: zeer toornig: Hebreeuws, פְּרֻצִ֖ים, veel, grotelijks.
[^nehemia-4-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, voor het aangezicht.
[^nehemia-4-2-5]: Kanttekening 5: Om het krijgsvolk tegen de Joden op te hitsen en gaande te maken.
[^nehemia-4-2-6]: Kanttekening 6: Zal men hen: Anders, zullen zij het oprichten, of opbouwen?
[^nehemia-4-2-7]: Kanttekening 7: in een dag: Of, in deze dag, alsof hij zei: Menen zij het op die dag te voltooien, op welke zij het hebben begonnen of besloten? Het zal hun mislukken.
[^nehemia-4-2-8]: Kanttekening 8: levend maken: Dat is, in vorigen stand herstellen.
[^nehemia-4-3-9]: Kanttekening 9: hun stenen muur: Hebreeuws, פְּנֵי, de muur van hun stenen.
[^nehemia-4-4-10]: Kanttekening 10: dat wij: Of, want zij zijn veracht.
[^nehemia-4-4-11]: Kanttekening 11: zeer veracht: Hebreeuws, כָּשַׁל֙, een verachting.
[^nehemia-4-4-12]: Kanttekening 12: hun versmaadheid: Dat zij ons aandoen.
[^nehemia-4-4-13]: Kanttekening 13: land van de gevangenis: Waarheen U hen zult mogen verstoten. Dit wenst Nehemia uit een heiligen ijver tot Gods eer, en tegen de bittere vijanden van God en van zijn volk.
[^nehemia-4-5-14]: Kanttekening 14: van voor: Dat is, zo, dat U daarop niet zoudt letten om die te straffen; gelijk Jer. 18:23 . Jeremia 18:23 : Maar U, YHWH! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen neergeveld worden voor Uw aangezicht; handel zo met hen, ten tijde Uws toorns.
[^nehemia-4-5-15]: Kanttekening 15: U getergd: Hebreeuws, הִשְׁבַּ֖תְנוּ, zij hebben getergd, of, tot toorn verwekt tegenover de bouwers. Anders, zij hebben de bouwers getergd, \[staande\] tegen \[hen\] over; te weten, als vijanden, die iemand als onder de ogen staan tergen.
[^nehemia-4-5-16]: Kanttekening 16: Die op uw bevel en door uw genade zijn bouwende.
[^nehemia-4-6-17]: Kanttekening 17: helft toe: Versta, de helft van de hoogte, de halve hoogte.
[^nehemia-4-7-18]: Kanttekening 18: Zie 2 Kron. 20:1 . 2 Kronieken 20:1 : Het geschiedde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.
[^nehemia-4-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, gezondheid, heling, genezing, pleistering, pleister. Zo 2 Kron. 24:13 . Vergelijk ook Jer. 8:22 . 2 Kronieken 24:13 : Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn gestalte, en maakten het vast. Jeremia 8:22 : Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter mijns volks niet gerezen?
[^nehemia-4-7-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, opklom, opkwam, opging; gelijk men van de gezondheid zou mogen zeggen dat zij opkomt, klimt, of opgaat, wanneer zij toeneemt en de mens meer en meer betert; idem, van een pleister, dat die op gedaan, of op gelegd wordt, en dat er een roof, of litteken op de wonde komt.
[^nehemia-4-8-21]: Kanttekening 21: daarin te maken: Of, hem, \[namelijk Nehemia\] te verbijsteren.
[^nehemia-4-9-22]: Kanttekening 22: tegen hen: Anders, over, of naast hen, te weten, over de werklieden.
[^nehemia-4-9-23]: Kanttekening 23: Te weten, vanwege de vijanden.
[^nehemia-4-10-25]: Kanttekening 25: Zodat zij niet bekwaam zullen zijn om te strijden.
[^nehemia-4-10-27]: Kanttekening 27: niet zullen: Als zullende moeten staan in de wapenen tegen de vijand. Zie vers 15 . Anders, bouwende aan de muren, zullen wij de overhand niet hebben; als niet kunnende beide naar behoren doen. Nehemia 4:15 : Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weer tot de muur, ieder tot zijn werk.
[^nehemia-4-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, de Joden, het volk van Juda.
[^nehemia-4-10-26]: Kanttekening 26: van het stof: Daar resteert nog veel te dragen, van zand, steengruis en aarde, van de gebroken en vervallen muur.
[^nehemia-4-11-28]: Kanttekening 28: Zij zullen: Dat is, wij zullen de aanslag zo beleiden, dat zij het niet wijs worden eer, enz.
[^nehemia-4-12-29]: Kanttekening 29: tienmaal zeiden: Dat is, veelmalen, dikwijls gewaarschuwd. Zie Gen. 31:7 . Genesis 31:7 : Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.
[^nehemia-4-12-30]: Kanttekening 30: Dat is, door welke men gewoon is heen en weer te gaan, dat is, door alle wegen en passen, waar men vandaar tot hier, en van hier tot daar kan komen.
[^nehemia-4-13-31]: Kanttekening 31: in de benedenste: Hebreeuws, סְּגָנִים֙, van de benedenste, of onderste delen van de plaats, van achter, enz.
[^nehemia-4-13-32]: Kanttekening 32: Of, uitstekende, spitse plaatsen van rotsstenen en rotsen, die zo vanwege de wittigheid, blankheid, of, gladdigheid mogen genoemd zijn.
[^nehemia-4-14-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, witten; zie boven, Neh. 2:16 . Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^nehemia-4-14-a]: Verwijzing a: Num. 14:9 ; Deut. 1:21 ; Deut. 20:3 . Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van deze lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet! Deuteronomium 1:21 : Ziet, YHWH, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als YHWH, uw vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet. Deuteronomium 20:3 : En tot hen zeggen: Hoort, Israël! u bent heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
[^nehemia-4-16-34]: Kanttekening 34: Dat is, knechten, hovelingen, officieren, en telkens in het volgende.
[^nehemia-4-16-35]: Kanttekening 35: achter het: Een ieder bij die van zijn huis, om met hun aanwezigheid en opzicht het volk moed te geven en het werk te bevorderen.
[^nehemia-4-17-36]: Kanttekening 36: een ieder: Van dragers en opladers.
[^nehemia-4-17-37]: Kanttekening 37: ene hand: Met dit hun doen zeer levendig afbeeldende de toestand van de strijdende kerk op aarde, die steeds als met de ene hand moet bouwen aan het werk van de Heere, met de andere gereed zijnde tot afwering van de geestelijke en lichamelijke vijanden.
[^nehemia-4-17-38]: Kanttekening 38: Versta, een werpgeweer, een werppijl, halve lans, enz.
[^nehemia-4-19-39]: Kanttekening 39: de één ver: Hebreeuws, de man van zijn broer.
[^nehemia-4-20-b]: Verwijzing b: Ex. 14:25 ; Deut. 1:30 ; Deut. 28:7 . Exodus 14:25 : En Hij stiet de raderen hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. Deuteronomium 1:30 : De YHWH, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte. Deuteronomium 28:7 : De YHWH zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten.
[^nehemia-4-21-40]: Kanttekening 40: het opgaan: Dat is, van de vroege morgen tot de late avond.
[^nehemia-4-22-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, in het midden van, enz.
[^nehemia-4-23-42]: Kanttekening 42: achter mij: Dat is, die mij volgden.
[^nehemia-4-23-43]: Kanttekening 43: Vanwege het gevaar.
[^nehemia-4-23-44]: Kanttekening 44: Voor de dorst, omdat het in die landen heet was; zie 1 Sam. 26:11 . Anders, een ieder \[ging met\] zijn geweer \[om\] water, of, een ieder trok zich uit ter bading. 1 Samuël 26:11 : YHWH late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan de gezalfde van YHWH! zo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan.

### Nehemia 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/5.json)

*Het volk klaagt over de last van woeker en pandgeving, vers 1, enz. Nehemia wordt daarover zeer verstoord, bestraft de aanzienlijken, overtuigt hen, en laat hen beloven en zweren dat zij daarvan zullen afzien, 6. Hij verhaalt zijn eigen voorbeeld, en hoe hij, ondanks zijn zware hofhouding, het recht van de landvoogd nooit opgeëist heeft, om de gemeente niet te bezwaren, 14.*

**1** Maar het geroep van het volk en van hun vrouwen was groot, tegen hun[^nehemia-5-1-1] broers, de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v1)

**2** Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochters, wij zijn velen;[^nehemia-5-2-2] daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v2)

**3** Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in deze[^nehemia-5-3-3] honger koren mogen opnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v3)

**4** Evenzo waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend[^nehemia-5-4-4] tot de belasting van de koning, op onze akkers en onze wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v4)

**5** Nu is toch ons[^nehemia-5-5-5] vlees als het vlees van onze broers, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters tot[^nehemia-5-5-6] dienaren; ja, er zijn enige van onze dochters onderworpen,[^nehemia-5-5-7] dat zij in de macht van onze handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v5)

**6** Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde,[^nehemia-5-6-8] ontstak ik zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v6)

**7** En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de[^nehemia-5-7-9] edelen, en met de overheden, en zei tot hen: U[^nehemia-5-7-10] vordert[^nehemia-5-7-11] een last, ieder van zijn broer. Verder[^nehemia-5-7-12] belegde ik een grote vergadering tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v7)

**8** En ik zei tot hen: Wij hebben onze broers, de Joden, die aan de heidenen[^nehemia-5-8-13] verkocht waren,[^nehemia-5-8-14] naar ons vermogen[^nehemia-5-8-15] wedergekocht; en zou u ook uw broers verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v8)

**9** Verder zei ik: De zaak is niet goed, die u doet; zou u niet wandelen in de vrees van onze God, om[^nehemia-5-9-16] de versmading van de heidenen, onze vijanden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v9)

**10** Ik, mijn broers, en mijn jongens,[^nehemia-5-10-17] vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch deze[^nehemia-5-10-18] last nalaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v10)

**11** Geef hun toch als heden weer hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het[^nehemia-5-11-19] honderdste deel van het geld, en van het koren, de nieuwe wijn en de olie,[^nehemia-5-11-20] die u hun hebt afgevorderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v11)

**12** Toen zeiden zij: Wij zullen het teruggeven, en van hen niets zoeken; wij zullen zo doen, als u zegt. En ik riep de[^nehemia-5-12-21] priesters, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v12)

**13** Ook[^nehemia-5-13-22] schudde ik mijn[^nehemia-5-13-23] boezem uit, en zei: Zo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn[^nehemia-5-13-24] arbeid, en hij zij zo uitgeschud en leeg. En de hele gemeente zei:[^nehemia-5-13-25] Amen! En zij prezen YHWH. En het volk deed naar dit woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v13)

**14** Ook van die dag af, dat[^nehemia-5-14-26] hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van de[^nehemia-5-14-27] koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broers, het[^nehemia-5-14-28] brood van de landvoogd niet gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v14)

**15** En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn,[^nehemia-5-15-29] daarna veertig zilveren[^nehemia-5-15-30] sikkels; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb zo niet gedaan, omwille van de vrees voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v15)

**16** Daartoe heb ik ook aan het werk aan deze[^nehemia-5-16-31] muur verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn daar[^nehemia-5-16-32] verzameld geweest tot het werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v16)

**17** Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons[^nehemia-5-17-33] kwamen, aan mijn tafel geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v17)

**18** En wat voor één dag bereid werd, was een os en zes[^nehemia-5-18-34] uitgelezen schapen; ook werden mij vogels bereid, en binnen tien dagen[^nehemia-5-18-35] van[^nehemia-5-18-36] alle wijn zeer veel; nog heb ik[^nehemia-5-18-37] bij deze het[^nehemia-5-18-38] brood van de landvoogd niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v18)

**19** [^nehemia-5-19-a] Denk aan mij, mijn God, ten goede,[^nehemia-5-19-39] alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/5.html#v19)

[^nehemia-5-1-1]: Kanttekening 1: Versta, voor het merendeel de rijken en machtigen, die met woekeren en panden de gemeente uitzogen en verdrukten, gelijk volgt.
[^nehemia-5-2-2]: Kanttekening 2: Anders, laat ons dan koren opnemen, enz.
[^nehemia-5-3-3]: Kanttekening 3: Deze duurte en nood van het volk kan eendeels daaruit gesproten zijn, dat zij, gedurende dit bouwen, hun huiszorg hebben moeten nalaten; anderdeels, omdat zij uit vrees van de vijand van buiten niet konden inhalen.
[^nehemia-5-4-4]: Kanttekening 4: tot de belasting van de koning: Om die te mogen betalen; zie daarvan Ezra 4:13 ; hiervan waren alleen de priesters, Levieten en andere bedienaars van de tempel vrij, Ezra 7:24 . Ezra 4:13 : Zo zij nu de koning bekend, als die stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij de belasting, vanouds gevestigde accijns, en tol niet zullen geven, en u zult aan de inkomsten van de koningen schade aanbrengen. Ezra 7:24 : Ook laten wij u weten, aangaande alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempelknechten en dienaren van het huis van deze God, dat men de belasting, vanouds gevestigde accijns en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
[^nehemia-5-5-5]: Kanttekening 5: vlees als het vlees: Dat is, wij gelden voor God zoveel als zij, want wij, zowel als zij, zijn Abrahams zaad en Gods bondgenoten.
[^nehemia-5-5-6]: Kanttekening 6: Versta daarbij, en dienstmaagden.
[^nehemia-5-5-7]: Kanttekening 7: dat zij in de macht: Anders, en het is in de macht onzer handen niet \[die te lossen\], want, enz.
[^nehemia-5-6-8]: Kanttekening 8: ontstak ik zeer: Hebreeuws, אֵֽלֶּה, mij ontstak zeer; te weten, de toorn.
[^nehemia-5-7-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, witten; zie boven, Neh. 2:16 . Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^nehemia-5-7-10]: Kanttekening 10: Of, legt op, perst af, overdringt. Anders, u leent, een ieder zijn broer, \[met\] last; en zo in het volgende.
[^nehemia-5-7-11]: Kanttekening 11: een last: Versta door deze last de woeker en de verzetting of verpanding van goederen en mensen.
[^nehemia-5-7-12]: Kanttekening 12: belegde ik: Hebreeuws, אֶתֵּ֥ן, eigenlijk, ik gaf; dat is, ik stelde een grote bijeenkomst aan.
[^nehemia-5-8-13]: Kanttekening 13: verkocht waren: Dit was, vermoedelijk, van de Babyloniërs gedaan.
[^nehemia-5-8-14]: Kanttekening 14: naar ons vermogen: Hebreeuws, דֵ֣י, naar de genoegzaamheid in, of bij, of, onder ons, dat is, zoveel, ons mogelijk was.
[^nehemia-5-8-15]: Kanttekening 15: Zie Lev. 25:47 , 25:48 , 25:49 . Leviticus 25:47 : En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broer, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben; Leviticus 25:48 : Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; één van zijn broers zal hem lossen; Leviticus 25:49 : Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn vlees van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.
[^nehemia-5-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, om de heidenen, die Gods en onze vijanden zijn, geen oorzaak te geven van Gods naam te lasteren, en ons smadelijk te verwijten dat wij aan elkaar doen wat wij in hun misprezen en gehaat hebben.
[^nehemia-5-10-17]: Kanttekening 17: Zie vers 7 . Nehemia wil zeggen dat hij de gemeente in alle manieren verschoonde en dat zij evenzo behoorden te doen. Nehemia 5:7 : En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zei tot hen: Gijlieden vordert een last, ieder van zijn broer. Verder belegde ik een grote vergadering tegen hen.
[^nehemia-5-10-18]: Kanttekening 18: last nalaten: Gelijk boven, vers 7 . Nehemia 5:7 : En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zei tot hen: Gijlieden vordert een last, ieder van zijn broer. Verder belegde ik een grote vergadering tegen hen.
[^nehemia-5-11-19]: Kanttekening 19: Dit hadden zij genomen van hun broers, tegen de wet; Ex. 22:25 ; Lev. 25:36 ; Deut. 23:19 . Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Leviticus 25:36 : U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve. Deuteronomium 23:19 : U zult aan uw broer niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van voedsel, met woeker van enig ding, waarmee men woekert.
[^nehemia-5-11-20]: Kanttekening 20: die u: Anders, die u hun geleend hebt.
[^nehemia-5-12-21]: Kanttekening 21: Om de eed hun af te nemen, of om getuigen daarvan te zijn, en door hun aanwezigheid de conscientiën te meer voor God te verplichten; zie 1 Kon. 8:31 , 8:32 ; Num. 5:19 . 1 Koningen 8:31 : Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal; 1 Koningen 8:32 : Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Numeri 5:19 : En de priester zal haar beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Als iemand bij u gelegen heeft, en als u, onder uw man zijnde, niet afgeweken bent tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, dat de vloek medebrengt!
[^nehemia-5-13-22]: Kanttekening 22: Ene ceremonie bij de eed en vervloeking in die tijd gebruikt.
[^nehemia-5-13-23]: Kanttekening 23: Anders, mijn arm; dat is, mijn mouw; of, ik schudde mijn mantel uit, mijn arm meteen uitstrekkende.
[^nehemia-5-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, uit zijn goed en bezittingen, die hij met zijn arbeid mag hebben verkregen.
[^nehemia-5-13-25]: Kanttekening 25: Zie Num. 5:22 . Numeri 5:22 : Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!
[^nehemia-5-14-26]: Kanttekening 26: De koning Arthasasta, of, God door de koning.
[^nehemia-5-14-27]: Kanttekening 27: Zie Ezra 6:14 . Ezra 6:14 : En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië.
[^nehemia-5-14-28]: Kanttekening 28: brood van de landvoogd: Dat is, het onderhoud, dat de koning de landvoogden heeft toegelegd, en ik zowel als mijn voorzaten had mogen genieten.
[^nehemia-5-15-29]: Kanttekening 29: Of, naast, behalve.
[^nehemia-5-15-30]: Kanttekening 30: Te weten, voor elke dag. Van sikkelen, zie Gen. 20:16 . Genesis 20:16 : En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^nehemia-5-16-31]: Kanttekening 31: Gelijk boven, Neh. 4 doorgaans.
[^nehemia-5-16-32]: Kanttekening 32: De ene helft om te arbeiden, de andere helft om wacht te houden in de wapenen. Zie boven, Neh. 4:16 . Nehemia 4:16 : En het geschiedde van die dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het gehele huis van Juda.
[^nehemia-5-17-33]: Kanttekening 33: Om de godsdienst bij te wonen, of nodige berichten over te brengen.
[^nehemia-5-18-34]: Kanttekening 34: Geiten daaronder begrepen.
[^nehemia-5-18-35]: Kanttekening 35: Versta, daarbij werd er provisie gedaan; of, men schonk om de tiende dag wijn, zonder maat, daar men anders die gewoonlijk bij zekere maat gaf.
[^nehemia-5-18-36]: Kanttekening 36: allen wijn: Dat is, allerlei.
[^nehemia-5-18-37]: Kanttekening 37: bij deze: Dat is, aldus doende, niettegenstaande ik zulke onkosten deed.
[^nehemia-5-18-38]: Kanttekening 38: Gelijk boven, vers 14 . Nehemia 5:14 : Ook van die dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van de koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broers, het brood van de landvoogd niet gegeten.
[^nehemia-5-19-a]: Verwijzing a: Neh. 13:22 . Nehemia 13:22 : Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in deze, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid van Uw goedertierenheid.
[^nehemia-5-19-39]: Kanttekening 39: Niet omdat ik daarmede iets verdiend heb, maar omdat U genadiglijk en zeer mildelijk beloofd hebt te belonen wat men goeds aan uw volk doet. Vergelijk Neh. 13:22 . Nehemia 13:22 : Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in deze, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid van Uw goedertierenheid.

### Nehemia 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/6.json)

*De vijanden, die horen dat het werk bijna voltooid was, nodigen Nehemia meermalen uit tot een bedrieglijk gesprek met hem buiten de stad, om hem zo in handen te krijgen, vers 1, enz. En wanneer hij dat wijselijk afslaat, proberen zij hem van het werk af te schrikken door verzonnen leugens en valse geruchten over zijn opstand tegen de koning, maar tevergeefs, 5. Ook wordt hij van binnenuit in verzoeking gebracht door gehuurde en valse profeten, maar hij blijft onversaagd, 10. Verraderlijke verstandhouding van sommige aanzienlijken met de vijand, 17.*

**1** Verder is het gebeurd, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van[^nehemia-6-1-1] onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren[^nehemia-6-1-2] niet opgezet in de poorten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v1)

**2** Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons samenkomen in de[^nehemia-6-2-3] dorpen, in het[^nehemia-6-2-4] dal Ono. Maar zij dachten mij[^nehemia-6-2-5] kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v2)

**3** En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot u afkomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v3)

**4** Zij zonden nu wel viermaal tot mij,[^nehemia-6-4-6] op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v4)

**5** Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, voor de vijfde keer, zijn jongen, met een open brief in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v5)

**6** Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en[^nehemia-6-6-7] Gasmu zegt: U en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt u de muur, en u zult hun tot koning zijn;[^nehemia-6-6-8] naar dat deze zaken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v6)

**7** Dat u ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende:[^nehemia-6-7-9] Hij is koning in Juda. Nu zal het van de koning gehoord worden,[^nehemia-6-7-10] naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons samen raadslaan.[^nehemia-6-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v7)

**8** Maar ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als u zegt, niets gebeurd; maar u versiert ze uit uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v8)

**9** Want zij allen[^nehemia-6-9-12] zochten ons vreesachtig te maken,[^nehemia-6-9-13] zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan,[^nehemia-6-9-14] sterk mijn handen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v9)

**10** [^nehemia-6-10-15] Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon[^nehemia-6-10-16] van Delaja, de zoon van Mehetabeel (hij nu was[^nehemia-6-10-17] besloten), zo zei hij: Laat ons samenkomen in het huis van God, in het midden van de tempel, en laat ons de deuren van de tempel toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.[^nehemia-6-10-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v10)

**11** Maar ik zei: Zou een man,[^nehemia-6-11-19] als ik, vluchten? En wie is er, zijnde als ik, die in de tempel zou gaan, dat hij[^nehemia-6-11-20] levend bleve? Ik zal er niet ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v11)

**12** Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie[^nehemia-6-12-21] tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v12)

**13** Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en zo doen, en[^nehemia-6-13-22] zondigen; opdat zij iets zouden hebben[^nehemia-6-13-23] tot een kwade naam, opdat zij mij zouden honen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v13)

**14** Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze[^nehemia-6-14-24] zijn werken; en ook aan de[^nehemia-6-14-25] profetes Noadja, en aan[^nehemia-6-14-26] de andere profeten, die mij[^nehemia-6-14-27] gezocht hebben vreesachtig te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v14)

**15** De muur nu werd volbracht, op de vijf en twintigste van[^nehemia-6-15-28] Elul,[^nehemia-6-15-29] in twee en vijftig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v15)

**16** En het gebeurde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij[^nehemia-6-16-30] vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onze God gedaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v16)

**17** Ook[^nehemia-6-17-31] schreven in die dagen[^nehemia-6-17-32] edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en[^nehemia-6-17-33] die van Tobia kwamen tot hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v17)

**18** Want velen in Juda hadden hem[^nehemia-6-18-34] gezworen, omdat hij was een[^nehemia-6-18-35] schoonzoon van Sechanja, de zoon van Arah; en zijn zoon Johanan had genomen de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v18)

**19** Ook[^nehemia-6-19-36] verhaalden zij zijn[^nehemia-6-19-37] goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem.[^nehemia-6-19-38] Tobia dan zond brieven, om mij[^nehemia-6-19-39] bang te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/6.html#v19)

[^nehemia-6-1-1]: Kanttekening 1: onze andere: Hebreeuws, יֶ֣תֶר, het overige onzer vijanden.
[^nehemia-6-1-2]: Kanttekening 2: niet opgezet: Vergelijk boven, Neh. 3:3 . Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^nehemia-6-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, in één van de dorpen; zie Richt. 12:7 . Anderen Cefirim, houdende het voor een eigennaam van een plaats; gelijk Cefira is, onder, Neh. 7:29 . Richteren 12:7 : Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead. Nehemia 7:29 : De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig;
[^nehemia-6-2-4]: Kanttekening 4: Gelegen in Benjamin, onder, Neh. 11:35 . Nehemia 11:35 : Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters.
[^nehemia-6-2-5]: Kanttekening 5: kwaad te doen: Dat is, om te brengen.
[^nehemia-6-4-6]: Kanttekening 6: op dezelfde wijze: Hebreeuws, פְּעָמִ֑ים, naar ditzelfde woord; en zo in vers 4 en het volgende meteen opnieuw. Nehemia 6:4 : Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze.
[^nehemia-6-6-7]: Kanttekening 7: Boven, vers 1 , genoemd Gesem, de Arabier. Nehemia 6:1 : Verder is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;
[^nehemia-6-6-8]: Kanttekening 8: naar dat deze zaken zijn: Dat is, naardat deze zaken zich laten inzien. Anders, volgens deze woorden, of naardat men hiervan spreekt. Hebreeuws, אֵֽלֶּה, naar deze woorden, of zaken, dingen.
[^nehemia-6-7-9]: Kanttekening 9: Hij is koning: Hebreeuws, מֶ֚לֶךְ, een koning in Juda; dat is, wij hebben nu een eigen koning onder ons.
[^nehemia-6-7-10]: Kanttekening 10: naar dat deze zaken zijn: Dat is, zoals deze zaken gepasseerd zijn. Anders, achtervolgens deze woorden.
[^nehemia-6-7-11]: Kanttekening 11: Hoe wij zullen voorkomen dat de koning van Perzië, dit horende, vertoornd wordt en een groot kwaad tegen u en ons allen voorneemt.
[^nehemia-6-9-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, maakten ons vreesachtig; te weten, zoveel in hen was, het was hun oogmerk in dit alles dat zij ons vrees zochten aan te jagen. Zo onder, vers 14 . Vergelijk Ps. 56:2 ; Jer. 2:3 . Nehemia 6:14 : Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. Psalmen 56:2 : Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de ganse dag dringt mij de bestrijder. Jeremia 2:3 : Israël was YHWH een heiligheid, de eerstelingen van Zijn inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt YHWH.
[^nehemia-6-9-13]: Kanttekening 13: Te weten, bij zichzelven, dat is denkende.
[^nehemia-6-9-14]: Kanttekening 14: sterk mijn handen: Dit wordt van velen genomen als een gebed van Nehemia tot God, tegen de aanslagen van zijn vijanden. Sommigen nemen het aldus: Maar nu, ik zal mijn handen sterken. Of, het is om mijn handen te sterken; dat is, ik zal niet dan te wakkerder en moediger daartegen zijn.
[^nehemia-6-10-15]: Kanttekening 15: Als ik nu: Het voorgaande hadden de vijanden van buiten gedaan. Hier verhaalt Nehemia wat hem van zijn valse broers is wedervaren van binnen.
[^nehemia-6-10-16]: Kanttekening 16: 1 Kron. 24:18 wordt vermeld van een Delaja, dat hij de voornaamste priester van de drie en twintigste beurt geweest is, van welke sommigen menen dat deze Semaja een nakomeling geweest is. 1 Kronieken 24:18 : Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maäzja.
[^nehemia-6-10-17]: Kanttekening 17: Veinzende dat hij zich in zijn kamer aan de tempel \[gelijk te vermoeden is, omdat de priesters daar hun kamers hadden\] in eenzaamheid hield, vanwege devotie of enige religieuze gelofte, om zo Nehemia onder schijn van heiligheid met zijn profetie \[alsof zij van God kwam\] te bekwamer te bedriegen, waarvan in het volgende. Vergelijk 1 Sam. 21:7 . 1 Samuël 21:7 : Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.
[^nehemia-6-10-18]: Kanttekening 18: in het midden: Dat is, in de tempel.
[^nehemia-6-11-19]: Kanttekening 19: als ik: Die een goede consciëntie heb, en ten volle verzekerd ben dat mijn beroep en werk van God is. Hieruit kon Nehemia ook afnemen dat zijn profetie niet van God was.
[^nehemia-6-11-20]: Kanttekening 20: levend bleve: Gelijk somtijds de misdadigers zich zoeken te behouden in het huis van God. Zie Ex. 21:14 ; 1 Kon. 1:51 , en 1 Kon. 2:28 . Ook waren de deuren in de poorten nog niet opgehangen, onder Neh. 7:1 , zulks dat er mogelijkheid van gevaar bij nacht voor Nehemia zijnde, deze Semaja veinst, alsof hij Nehemia uit goede genegenheid in de tempel wil bergen. Maar het was bedrog. Anders, en leven, of levend blijven, alsof hij zei: Ik zou toch de dood hebben te vrezen of te verwachten, zo ik tegen Gods bevel in de tempel ging. Exodus 21:14 : Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve. 1 Koningen 1:51 : En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal! 1 Koningen 2:28 : Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van YHWH, en vatte de hoornen van het altaar. Nehemia 7:1 : Verder geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortwachters, en de zangers, en de Levieten werden besteld.
[^nehemia-6-12-21]: Kanttekening 21: tegen mij: Niet tot mijn best, gelijk hij zich geliet, maar door ingeven mijner vijanden, om mij vreesachtig te maken en in schande te brengen; gelijk volgt.
[^nehemia-6-13-22]: Kanttekening 22: Tegen Gods wet en mijn beroep. Zie boven, vers 11 . Nehemia 6:11 : Maar ik zei: Zou een man, als ik, vluchten? En wie is er, zijnde als ik, die in de tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.
[^nehemia-6-13-23]: Kanttekening 23: tot een kwade naam: Dat is, om mij een kwade naam te maken; of een kwaad gerucht van mij te strooien. Vergelijk Pred. 7:1 . Prediker 7:1 : Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag van de dood, dan de dag, dat iemand geboren wordt.
[^nehemia-6-14-24]: Kanttekening 24: zijn werken: Anders, hunne. Hebreeuws, אֵ֑לֶּה, zijn; dat men kan duiden op een of elk van deze, of op Semaja, die zich van hen tot deze boze werken had laten huren.
[^nehemia-6-14-25]: Kanttekening 25: profetes Noadja: Die deze titel valselijk aannam.
[^nehemia-6-14-26]: Kanttekening 26: de andere profeten: Hebreeuws, הָי֖וּ, het overige van de profeten.
[^nehemia-6-14-27]: Kanttekening 27: gezocht hebben: Gelijk boven, vers 9 ; zie daar. Nehemia 6:9 : Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!
[^nehemia-6-15-28]: Kanttekening 28: De zesde maand van de Joden, passende eensdeels op onze Augustus, anderdeels op September.
[^nehemia-6-15-29]: Kanttekening 29: in twee en vijftig dagen: Nadat zij begonnen hadden te bouwen. Deze omstandigheid dient tot vergroting van Gods genade, in spijt van de vijanden zijn volk bewezen.
[^nehemia-6-16-30]: Kanttekening 30: Dat is, hun gelaat verviel van mismoedigheid, of zij dachten dat zij na deze geen macht meer zouden hebben om de Joden te bestrijden. Vergelijk Job 12:3 met de aantekening. Job 12:3 : Ik heb ook een hart even als u, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen?
[^nehemia-6-17-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, vermenigvuldigden hun brieven.
[^nehemia-6-17-32]: Kanttekening 32: edelen van Juda: Hebreeuws, חֹרֵ֤י, witte; zie boven, Neh. 2:16 . Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^nehemia-6-17-33]: Kanttekening 33: die van Tobia kwamen: Te weten, de brieven, die Tobia weer schreef.
[^nehemia-6-18-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, heren, of meesters van de eed; dat is, eedgenoten, met ede aan hem verplicht. Dit waren de vruchten van de verboden huwelijken, die hier verhaald worden.
[^nehemia-6-18-35]: Kanttekening 35: Anders, zwager.
[^nehemia-6-19-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, zij waren zeggende.
[^nehemia-6-19-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, goedheden.
[^nehemia-6-19-38]: Kanttekening 38: Tobia dan : Anders, dat Tobia brieven gezonden had, enz. nemende het voor de woorden, die Nehemia tot hen gesproken had.
[^nehemia-6-19-39]: Kanttekening 39: vreesachtig te maken: Gelijk vers 9 . Nehemia 6:9 : Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!

### Nehemia 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/7.json)

*Nehemia hangt de deuren van de stadspoorten op, stelt de dienaren van de tempel aan, en goede wacht bij de stadspoorten en door de hele stad, vers 1, enz. Door Gods ingeven bedenkt hij een middel om Jeruzalem van voldoende inwoners te voorzien en in goede orde te brengen, waartoe hij het goed vindt eerst al het volk te verzamelen, en het geslachtsregister te bezien van hen die met Zerubbabel uit de gevangenschap opgetrokken waren, dat hij vindt, en hier herhaalt, 4. Vrijwillige gaven van de oversten en het volk, 70.*

**1** Verder gebeurde het, als de muur gebouwd was, dat ik de[^nehemia-7-1-1] deuren oprichtte, en de poortwachters, en de zangers, en de Levieten werden[^nehemia-7-1-2] besteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v1)

**2** En ik gaf bevel aan mijn broer Hanani, en aan Hananja, de overste van de burg[^nehemia-7-2-3] te Jeruzalem, want hij was[^nehemia-7-2-4] als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v2)

**3** En ik zei tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, voordat de[^nehemia-7-3-5] zon heet wordt, en terwijl[^nehemia-7-3-6] zij daarbij staan, laat hen de deuren[^nehemia-7-3-7] sluiten, betast u ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn wacht, en ieder tegenover zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v3)

**4** De stad nu was wijd van[^nehemia-7-4-8] ruimte en groot; maar er was weinig[^nehemia-7-4-9] volk daarbinnen; en de huizen waren[^nehemia-7-4-10] niet gebouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v4)

**5** Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de[^nehemia-7-5-11] edelen, en de overheden, en het volk[^nehemia-7-5-12] verzamelde, om de[^nehemia-7-5-13] geslachten te rekenen; en ik vond het[^nehemia-7-5-14] geslachtsregister van degenen, die in[^nehemia-7-5-15] het eerst waren opgetrokken, en vond daarin geschreven zo: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v5)

**6** [^nehemia-7-6-16][^nehemia-7-6-a] Dit zijn de kinderen van dat gewest, die optrokken uit de gevangenis van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, ieder tot zijn stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v6)

**7** Die kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raämja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v7)

**8** De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v8)

**9** De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v9)

**10** De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v10)

**11** De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v11)

**12** De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v12)

**13** De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v13)

**14** De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v14)

**15** De kinderen van Binnuï, zeshonderd acht en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v15)

**16** De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v16)

**17** De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v17)

**18** De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v18)

**19** De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v19)

**20** De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v20)

**21** De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v21)

**22** De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v22)

**23** De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v23)

**24** De kinderen van Harif, honderd en twaalf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v24)

**25** De kinderen van Gibeon, vijf en negentig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v25)

**26** De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v26)

**27** De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v27)

**28** De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v28)

**29** De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v29)

**30** De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v30)

**31** De mannen van Michmas, honderd twee en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v31)

**32** De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v32)

**33** De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v33)

**34** De kinderen van de andere Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v34)

**35** De kinderen van Harim, driehonderd en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v35)

**36** De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v36)

**37** De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v37)

**38** De kinderen van Senaä, drie duizend, negenhonderd en dertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v38)

**39** De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v39)

**40** De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v40)

**41** De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v41)

**42** De kinderen van Harim, duizend en zeventien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v42)

**43** De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiël, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v43)

**44** De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v44)

**45** De poortwachters: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v45)

**46** De tempelknechten: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v46)

**47** De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v47)

**48** De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v48)

**49** De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v49)

**50** De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v50)

**51** De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v51)

**52** De kinderen van Bezai, de kinderen van Meünim, de kinderen van[^nehemia-7-52-17] Nefussim; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v52)

**53** De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v53)

**54** De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v54)

**55** De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v55)

**56** De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v56)

**57** De kinderen van de knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v57)

**58** De kinderen van Jaëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v58)

**59** De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v59)

**60** Al de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v60)

**61** Ook trokken deze op van Thel-Melah, Thel-Harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden het huis van hun vaders, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israël waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v61)

**62** De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v62)

**63** En van de priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v63)

**64** Deze zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v64)

**65** En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de[^nehemia-7-65-18] heiligste dingen niet zouden eten, voordat er een priester stond met urim en thummim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v65)

**66** Deze hele gemeente samen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v66)

**67** Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v67)

**68** Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v68)

**69** Kamelen, vierhonderd vijf en dertig; ezels, zes duizend, zevenhonderd en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v69)

**70** [^nehemia-7-70-19] Een deel nu van de familiehoofden gaven tot het werk.[^nehemia-7-70-20] Hattirsatha gaf tot de schat, aan goud,[^nehemia-7-70-21] duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v70)

**71** En anderen van de familiehoofden gaven tot de schat van het werk, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v71)

**72** En wat de overigen van het volk gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijn, en zeven en zestig priesterrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v72)

**73** En de priesters, en de Levieten, en de poortwachters, en de zangers, en sommigen van[^nehemia-7-73-22] het volk, en de tempelknechten, en geheel[^nehemia-7-73-23] Israël, woonden in hun steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/7.html#v73)

[^nehemia-7-1-1]: Kanttekening 1: In de stadspoorten. Vergelijk boven, Neh. 6:1 , en Neh. 3:3 . Nehemia 6:1 : Verder is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten; Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^nehemia-7-1-2]: Kanttekening 2: Om op hun diensten te passen.
[^nehemia-7-2-3]: Kanttekening 3: te Jeruzalem: Anders, over, of aangaande Jeruzalem, te weten, gaf hij hem bevel.
[^nehemia-7-2-4]: Kanttekening 4: als een man: Dat is hier, hij was inderdaad en waarheid een getrouw man. Zie van gelijke betekenis van dit woord, Gen. 22:12 , en de aantekening daar. Genesis 22:12 : Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.
[^nehemia-7-3-5]: Kanttekening 5: zon heet wordt: Dat is, dat het hoog dag is.
[^nehemia-7-3-6]: Kanttekening 6: zij daarbij staan: De portiers, of wie het openen en sluiten van de poorten bevolen is, of aldus: Wanneer zij, die daarbij staan, de poorten zullen hebben gesloten, betast u ze dan, om te zien of zij wel gesloten zijn, en dat om de veelheid van de vijanden van buiten en van binnen. Anders, terwijl zij nog op zijn; te weten, het volk.
[^nehemia-7-3-7]: Kanttekening 7: Te weten, aan de avond.
[^nehemia-7-4-8]: Kanttekening 8: Of, begrip, (omvang). Hebreeuws, handen; zie Gen. 34:21 ; Richt. 18:10 ; Jes. 22:18 , met de aantekening. Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. Richteren 18:10 : (Als u daarheen komt, zo zult u komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is. Jesaja 22:18 : Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen uw heerlijke wagens zijn, o u schandvlek van het huis van uw heer!
[^nehemia-7-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, in het midden van hen.
[^nehemia-7-4-10]: Kanttekening 10: niet gebouwd: Versta, niet overal, noch ten volle.
[^nehemia-7-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, de witten; zie boven, Neh. 2:16 . Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^nehemia-7-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, uit alle plaatsen tegen de eerste van de zevende maand deed opkomen, om te doen wat in de vijf volgende hoofdstukken, Neh. 8 , Neh. 9 , Neh. 10 , Neh. 11 , Neh. 12 , verhaald wordt.
[^nehemia-7-5-13]: Kanttekening 13: Om door dat middel te weten, welke geslachten vanouds tot Jeruzalem behoorden, opdat het getal van de inwoners mocht worden vermeerderd, en anderen, desnoods, daar bijgevoegd worden.
[^nehemia-7-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, het boek van de geslachtsrekening.
[^nehemia-7-5-15]: Kanttekening 15: eerst waren: Die met de vorst Zerubbabel uit de gevangenis waren opgetogen onder de koning Cores, of Cyrus.
[^nehemia-7-6-16]: Kanttekening 16: Dit zijn de kinderen: Zie van dit register, Ezra 2:2 , en de andere aantekening daar op dat gehele hoofdstuk. Ezra 2:2 : Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël.
[^nehemia-7-6-a]: Verwijzing a: Ezra 2:1 . Ezra 2:1 : Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn teruggekeerd, een iedereen naar zijn stad;
[^nehemia-7-52-17]: Kanttekening 17: Anders, Nefischesim.
[^nehemia-7-65-18]: Kanttekening 18: heiligste dingen: Hebreeuws, יֹאכְל֖וּ, heiligheid van de heiligheden.
[^nehemia-7-70-19]: Kanttekening 19: Een deel: Tot hiertoe is het register \[waarvan Ezra 2:2 \] wederhaald. Nu volgt wat onder Nehemia tot bevordering van de godsdienst, naar het goede exempel van Ezra, Ezra 2:68 , enz. gedaan is. Ezra 2:2 : Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël. Ezra 2:68 : En sommigen van de familiehoofden, als zij kwamen in het huis van YHWH, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk in het huis van God, om dat te zetten op zijn vaste plaats.
[^nehemia-7-70-20]: Kanttekening 20: Dat is, Nehemia zelf, gelijk onder, Neh. 8:10 , en Neh. 10:1 . Zie verder Ezra 2:63 . Nehemia 8:10 : En Nehemia (dezelfde is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is YHWH, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden van de wet hoorden. Nehemia 10:1 : Tot de verzegelingen nu waren: Nehemia Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia, Ezra 2:63 : En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.
[^nehemia-7-70-21]: Kanttekening 21: Van drachmen en minen, zie Ezra 2:69 . Ezra 2:69 : Zij gaven naar hun vermogen tot de schat van het werk, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.
[^nehemia-7-73-22]: Kanttekening 22: het volk: Zie Ezra 2:70 . Ezra 2:70 : En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortwachters, en de tempelknechten woonden in hun steden, en geheel Israël in zijn steden.
[^nehemia-7-73-23]: Kanttekening 23: Dat uit de Babylonische gevangenis was teruggekeerd.

### Nehemia 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/8.json)

*Verhaal van de godsdienstige orde en wijze die door Ezra en de Levieten in acht genomen is bij het voorlezen en verklaren, en door het volk bij het aanhoren van Gods woord, vers 1, enz. Wanneer het volk door de woorden van het wetboek verschrikt en bekommerd is, wordt het door Nehemia, Ezra en de Levieten getroost, en vermaand tot vreugde over Gods vroegere en tegenwoordige weldaden, 9. De oversten van het volk gaan vervolgens bij Ezra na wat de inhoud van Gods woord is, en wanneer zij de wet van het Loofhuttenfeest vinden, wordt dat met grote ijver en blijdschap gehouden, 13.*

**1** Als nu de[^nehemia-8-1-1] zevende maand aankwam, en de Israëlieten in hun steden waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v1)

**2** Zo[^nehemia-8-2-2] verzamelde zich al het volk als één[^nehemia-8-2-3] enig man op de straat voor de[^nehemia-8-2-4] Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek van de wet[^nehemia-8-2-5] van Mozes zou halen, die YHWH Israël geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v2)

**3** En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente,[^nehemia-8-3-6] zowel mannen als vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op de eerste dag van de zevende maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v3)

**4** En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op de middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de[^nehemia-8-4-7] oren van het hele volk waren naar het wetboek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v4)

**5** En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een[^nehemia-8-5-8] hoge houten stoel, die zij tot die zaak gemaakt hadden, en naast hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maäseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en[^nehemia-8-5-9] Hasbaddana, Zacharja en Mesullam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v5)

**6** En Ezra opende het boek voor de ogen van het hele volk, want hij was[^nehemia-8-6-10] boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v6)

**7** En Ezra[^nehemia-8-7-11] loofde YHWH, de grote God; en al het volk[^nehemia-8-7-12] antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en[^nehemia-8-7-13] aanbaden YHWH, met de aangezichten ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v7)

**8** Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de[^nehemia-8-8-14] Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk[^nehemia-8-8-15] stond op zijn standplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v8)

**9** En zij lazen in het boek, in de wet van God, duidelijk; en de zin[^nehemia-8-9-16] verklarende,[^nehemia-8-9-17] zo maakten zij, dat men het[^nehemia-8-9-18] verstond in het lezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v9)

**10** En Nehemia (deze is[^nehemia-8-10-19] Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is YHWH, uw God, heilig; bedrijft dan[^nehemia-8-10-20] geen rouw, en weent niet; want al het volk huilde,[^nehemia-8-10-21] als zij de woorden van de wet hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v10)

**11** Verder zei hij tot hen: Ga, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen aan degenen, voor welke niets bereid is, want deze dag is onze Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap van YHWH, die is[^nehemia-8-11-23] uw sterkte.[^nehemia-8-11-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v11)

**12** En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijg, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v12)

**13** Toen ging al het volk heen om te eten, en om te drinken, en om[^nehemia-8-13-24] delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v13)

**14** En op de andere dag verzamelden zich de familiehoofden van het hele volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, de schriftgeleerde, en dat,[^nehemia-8-14-25] om verstand te bekomen in de woorden van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v14)

**15** En zij vonden in de wet[^nehemia-8-15-a] geschreven, dat YHWH door de[^nehemia-8-15-26] hand van Mozes geboden had, dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v15)

**16** En dat zij het zouden[^nehemia-8-16-27] luidbaar maken, en een[^nehemia-8-16-28] stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Ga uit op het gebergte, en haalt[^nehemia-8-16-29] takken van olijfbomen, en takken van[^nehemia-8-16-30] andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van[^nehemia-8-16-31] andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v16)

**17** Zo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, ieder op zijn[^nehemia-8-17-32] dak, en in hun voorhoven, en in de[^nehemia-8-17-33] voorhoven van Gods huis, en op de straat van de Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v17)

**18** En de hele gemeente van degenen, die uit de gevangenis waren teruggekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de Israëlieten hadden[^nehemia-8-18-34] zo niet gedaan sinds de dagen[^nehemia-8-18-35] van Jesua, de zoon van Nun, tot op deze dag toe; en er was zeer grote blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v18)

**19** En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van de[^nehemia-8-19-36] eerste dag tot de laatste dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op de achtste dag de[^nehemia-8-19-37] verbodsdag, naar het recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/8.html#v19)

[^nehemia-8-1-1]: Kanttekening 1: zevende maand: Zie Ezra 3:1 . Ezra 3:1 : Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen van Israël in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
[^nehemia-8-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven, Neh. 7:5 . Nehemia 7:5 : Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
[^nehemia-8-2-3]: Kanttekening 3: enig man: Zie Richt. 20:1 . Richteren 20:1 : Toen togen alle kinderen van Israël uit, en de vergadering verzamelde zich, als een enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot YHWH te Mizpa.
[^nehemia-8-2-4]: Kanttekening 4: Zie boven, Neh. 3:26 . Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren.
[^nehemia-8-2-5]: Kanttekening 5: Van Mozes door Gods bevel beschreven, overgeleverd en weggelegd zijnde, om op zekeren tijd het gehele volk voorgelezen te worden. Zie Deut. 31:9 , enz., en Deut. 31:24 , enz. Deuteronomium 31:9 : En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van YHWH droegen, en aan alle oudsten van Israël. Deuteronomium 31:24 : En het geschiedde, als Mozes voltooid had de woorden van deze wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;
[^nehemia-8-3-6]: Kanttekening 6: zowel mannen als vrouwen: Hebreeuws, עַד, van de man aan tot de vrouw toe.
[^nehemia-8-4-7]: Kanttekening 7: oren van het ganse volk: Dat is, zij luisterden die ganse tijd over naarstiglijk toe, zonder verdrietig te worden.
[^nehemia-8-5-8]: Kanttekening 8: hogen houten stoel: Hebreeuws, סֵּ֨פֶר֙, op een toren van het hout; dat is, op een houten toren, zo wordt die predikstoel genoemd, omdat hij vanwege rondte en hoogte enig gelijkheid had met een toren.
[^nehemia-8-5-9]: Kanttekening 9: Of, Hasbedana.
[^nehemia-8-6-10]: Kanttekening 10: boven al het volk: Dat is, hij stond hoog, zodat zij hem allen konden zien.
[^nehemia-8-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, zegende.
[^nehemia-8-7-12]: Kanttekening 12: Amen, amen: Zie Num. 5:22 . Numeri 5:22 : Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!
[^nehemia-8-7-13]: Kanttekening 13: Of, bogen zich voor de Heer; gelijk onder, Neh. 9:3 . Nehemia 9:3 : Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek van YHWH, huns Gods, een vierendeel van de dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden YHWH, hun God.
[^nehemia-8-8-14]: Kanttekening 14: Hebbende ook hun stoelen of stellingen om de gemeente, in verscheidene partijen verdeeld zijnde, te onderwijzen; gelijk afgenomen wordt uit Neh. 9:4 . Nehemia 9:4 : Jesua nu, en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani, stonden op het hoge gestoelte van de Levieten, en riepen met luide stem tot YHWH, hun God;
[^nehemia-8-8-15]: Kanttekening 15: stond op zijn standplaats: Hebreeuws, מִּקְרָֽא, waren op hun staan; dat is, bleven al staan op hun plaatsen, toeluisterende.
[^nehemia-8-9-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, stellende, of leggende. Anders, het verstand daarop leggende. Verstaande zulks sommigen van de leraars, en sommigen van het volk.
[^nehemia-8-9-17]: Kanttekening 17: zo maakten zij: Anders, zo verstonden zij de lezing; dat is, wat gelezen werd.
[^nehemia-8-9-18]: Kanttekening 18: in het lezen: Anders, in, of door de Schriftuur. Omdat het Hebreeuwse woord ook de Heilige Schrift kan betekenen, omdat zij behoort gelezen te worden. Sommigen zetten het over: in de vergadering; gelijk het Hebreeuwse woord elders gebruikt wordt.
[^nehemia-8-10-19]: Kanttekening 19: Zie Ezra 2:63 . Ezra 2:63 : En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.
[^nehemia-8-10-20]: Kanttekening 20: Want de heilige feesten waren van God verordineerd tot een heilige blijdschap over Gods weldaden. Zie Num. 10:10 ; Deut. 16:11 . Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 16:11 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen.
[^nehemia-8-10-21]: Kanttekening 21: als zij de woorden van de wet: Verstaande uit de wet, hoe veelvoudiglijk zij die hadden overtreden en Gods rechtvaardigen toorn verwekt.
[^nehemia-8-11-23]: Kanttekening 23: uw sterkte: Dat is, de oorzaak, die u God geeft om blij te zijn over zijn voorgaande en tegenwoordige weldaden, moet uwe conscientiën troosten en u een goede moed geven.
[^nehemia-8-11-22]: Kanttekening 22: voor welke: Te weten, de armen, weduwen en wezen; volgens de wet, Deut. 16:11 , 16:14 ; zie ook Esth. 9:10 ; Openb. 11:10 . Deuteronomium 16:11 : En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die YHWH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen. Deuteronomium 16:14 : En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn. Esther 9:10 : De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand van de Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan de roof. Openbaring 11:10 : En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkaar geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
[^nehemia-8-13-24]: Kanttekening 24: Gelijk vers 11 . Nehemia 8:11 : Verder zei hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welke niets bereid is, want deze dag is onze YHWH heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap van YHWH, die is uw sterkte.
[^nehemia-8-14-25]: Kanttekening 25: om verstand te bekomen: Of, opdat hij hen onderrichtte, of onderwees; te weten, van hun schuldigen plicht naar Gods wet.
[^nehemia-8-15-a]: Verwijzing a: Ex. 23:16 ; Lev. 23:34 ; Num. 29:12 ; Deut. 16:13 ; idem v. 14 ; idem v. 15 . Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Leviticus 23:34 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Op de vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen YHWH zijn. Numeri 29:12 : Ook op de vijftienden dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u YHWH een feest vieren. Deuteronomium 16:13 : Het feest van de loofhutten zult u u zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. Deuteronomium 16:14 : En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn. Deuteronomium 16:15 : Zeven dagen zult u YHWH, uw God, feest houden, in de plaats, die YHWH verkiezen zal; want YHWH, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uw handen; daarom zult u immers vrolijk zijn.
[^nehemia-8-15-26]: Kanttekening 26: door de hand: Dat is door de dienst.
[^nehemia-8-16-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, doen horen. Zie van dit uitroepen of publiceren van de feesten, Gods bevel, Lev. 23:4 . Leviticus 23:4 : Deze zijn de vastgestelde hoogtijden van YHWH, de heilige samenroepingen, welke u uitroepen zult op hun gezetten tijd.
[^nehemia-8-16-28]: Kanttekening 28: Zie van deze manier van spreken Ezra 1:1 . Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^nehemia-8-16-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, bladen; dat is, takken met bladen, en zo in het volgende. Vergelijk Lev. 23:40 . Leviticus 23:40 : En op de eerste dag zult u u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van YHWH, uw God, zeven dagen vrolijk zijn.
[^nehemia-8-16-30]: Kanttekening 30: olieachtige bomen: Anders, pijnbomen.
[^nehemia-8-16-31]: Kanttekening 31: dichte bomen: Die vol takken en bladen zijn.
[^nehemia-8-17-32]: Kanttekening 32: Want de daken waren daar plat. Zie Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^nehemia-8-17-33]: Kanttekening 33: voorhoven van Gods huis: Zie 2 Kron. 33:5 . 2 Kronieken 33:5 : Daartoe bouwde hij altaren voor al de legermacht van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van YHWH.
[^nehemia-8-18-34]: Kanttekening 34: Met zulk een ijver en vreugde, gelijk vers 19 verklaart. Nehemia 8:19 : En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van de eerste dag tot de laatste dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op de achtste dag de verbodsdag, naar het recht.
[^nehemia-8-18-35]: Kanttekening 35: Deze is Jozua, die Israël in het beloofde land eerst had ingevoerd. Zie het boek Jozua.
[^nehemia-8-19-36]: Kanttekening 36: eerste dag: Houdende zo dagelijks heilige vergaderingen, dat anders op de eerste en laatste dag voornamelijk placht te gebeuren. Dit was een teken van hun bijzonderen ijver en vreugde over Gods bijzondere genade en weldadigheid. Zie Lev. 23:35 , 23:36 , en vergelijk Deut. 31:10 , 31:11 , 31:12 , 31:13 . Leviticus 23:35 : Op de eerste dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult u doen. Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen. Deuteronomium 31:10 : En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op de gezette tijd van het jaar van de vrijlating, op het feest van de loofhutten. Deuteronomium 31:11 : Als geheel Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van YHWH, uw God, in de plaats, die Hij zal gekozen hebben, zult u deze wet voor geheel Israël uitroepen, voor hun oren; Deuteronomium 31:12 : Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen YHWH, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet. Deuteronomium 31:13 : En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen YHWH, uw God, al de dagen, die u leeft op het land, waarheen u over de Jordaan bent heengaande, om dat te erven.
[^nehemia-8-19-37]: Kanttekening 37: Zie Lev. 23:36 . Leviticus 23:36 : Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.

### Nehemia 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/9.json)

*Gods volk houdt een plechtige vasten- en biddag, waarop de Levieten een vierde deel van de dag het volk voorlezen uit Gods wetboek, en een ander vierde deel van de dag hun zonden voor de HEERE belijden, vers 1, enz., met een zeer indrukwekkend en heilig gebed, waarin zij God roemen, zijn weldaden, aan Abraham en zijn nageslacht tot deze tijd toe bewezen, verhalen, en de veelvuldige ondankbaarheid van het volk belijden, en hun tegenwoordige kommervolle toestand God deemoedig voordragen, en voorts een verbond sluiten en opstellen, waarmee zij zich opnieuw tot gehoorzaamheid aan God verplichten, om alle welverdiende straffen in de toekomst af te wenden, 6, enz.*

**1** Verder op de vier en twintigste dag[^nehemia-9-1-1] van deze maand verzamelden zich de Israëlieten met vasten en met[^nehemia-9-1-2] zakken, en[^nehemia-9-1-3] aarde was op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v1)

**2** En het zaad van Israël scheidde zich af van alle[^nehemia-9-2-4] vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v2)

**3** Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo[^nehemia-9-3-5] lazen zij in het wetboek van YHWH, van hun God, een[^nehemia-9-3-6] vierde deel van de dag; en op een ander vierde deel deden zij belijdenis, en aanbaden YHWH, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v3)

**4** Jesua nu, en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani, stonden op[^nehemia-9-4-7] het hoge gestoelte van de Levieten, en riepen met[^nehemia-9-4-8] luide stem tot YHWH, hun God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v4)

**5** En de Levieten, Jesua, en Kadmiël, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Sta op,[^nehemia-9-5-9] looft YHWH, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en[^nehemia-9-5-10] men love de Naam[^nehemia-9-5-11] van Uw heerlijkheid, die verhoogd is boven allen[^nehemia-9-5-12] lof en prijs! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v5)

**6** U bent die YHWH alleen,[^nehemia-9-6-a] U hebt gemaakt de hemel, de[^nehemia-9-6-13] hemel van de hemelen, en[^nehemia-9-6-14] al hun leger, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en U maakt die allen[^nehemia-9-6-15] levend; en het[^nehemia-9-6-16] leger van de hemelen[^nehemia-9-6-17] aanbidt U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v6)

**7** U bent die YHWH, de God, Die Abram hebt gekozen, en hem[^nehemia-9-7-b] uit Ur van de Chaldeeën uitgevoerd; en U hebt zijn[^nehemia-9-7-c] naam gesteld Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v7)

**8** [^nehemia-9-8-d] En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt,[^nehemia-9-8-e] dat U zou geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het aan zijn zaad zou geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U[^nehemia-9-8-18] rechtvaardig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v8)

**9** [^nehemia-9-9-f] En U hebt aangezien de ellende van onze vaders in Egypte, en U hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v9)

**10** [^nehemia-9-10-g] En U hebt tekenen en wonderen[^nehemia-9-10-19] gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk van zijn land; want U wist, dat zij trots tegen hen handelden; en U hebt U een Naam gemaakt, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v10)

**11** [^nehemia-9-11-h] En U hebt de zee voor hun aangezicht gespleten, dat zij in het midden van de zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt U in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v11)

**12** [^nehemia-9-12-i] En U hebt ze overdag geleid met een wolkkolom, en in de nacht met een vuurkolom, om hen te lichten op de weg, waarin zij zouden wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v12)

**13** [^nehemia-9-13-k] En U bent neergedaald op de berg Sinaï, en hebt met hen gesproken uit de[^nehemia-9-13-20] hemel; en U hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en[^nehemia-9-13-21] getrouwe wetten, goede voorschriften en geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v13)

**14** En U hebt Uw heilige sabbat bekend gemaakt; en U hebt hun geboden, en voorschriften en een wet bevolen, door de[^nehemia-9-14-22] hand van Uw knecht Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v14)

**15** [^nehemia-9-15-l] En U hebt hun brood uit de[^nehemia-9-15-23] hemel gegeven voor hun honger, en hun[^nehemia-9-15-m] water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en U hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover[^nehemia-9-15-24] U Uw hand ophieft, dat U het hun zou geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v15)

**16** Maar zij en onze vaders hebben trots gehandeld, en zij hebben hun[^nehemia-9-16-25] nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v16)

**17** En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan had, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een[^nehemia-9-17-n] hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U,[^nehemia-9-17-o] een God van[^nehemia-9-17-26] vergevingen, genadig en barmhartig, geduldig, en groot van[^nehemia-9-17-27] goedertierenheid, hebt hen evenwel niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v17)

**18** [^nehemia-9-18-p] Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v18)

**19** Heb U hen toch door Uw[^nehemia-9-19-28] grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de[^nehemia-9-19-q] wolkkolom week niet van hen overdag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom in de nacht, om hen te lichten, en[^nehemia-9-19-29] dat, op de weg, waarin zij zouden wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v19)

**20** [^nehemia-9-20-r] En U hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen; en[^nehemia-9-20-s] Uw Manna hebt U niet geweerd van hun mond, en water hebt U hun gegeven voor hun dorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v20)

**21** [^nehemia-9-21-t] Zo hebt U hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun kleren zijn niet versleten, en hun voeten niet gezwollen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v21)

**22** Verder hebt U hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in[^nehemia-9-22-30] hoeken. Zo hebben zij erfelijk bezeten het land van[^nehemia-9-22-v] Sihon, te weten, het land van de koning van[^nehemia-9-22-31] Hesbon, en het land van Og, koning van Basan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v22)

**23** U hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren van de hemel; en U hebt hen gebracht in het land, waarvan U tot hun vaders had gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.[^nehemia-9-23-x] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v23)

**24** Zo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en U hebt de inwoners van het land, de Kanaänieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, en ook hun koningen en de volken van het land, om daarmee te doen naar hun welgevallen.[^nehemia-9-24-y] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v24)

**25** En zij hebben versterkte steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van[^nehemia-9-25-32] alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen[^nehemia-9-25-33] van voedsel, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn verzadigd en vet geworden, en[^nehemia-9-25-34] hebben in hartstocht geleefd, door Uw grote goedheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v25)

**26** Maar zij zijn opstandig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet[^nehemia-9-26-35] achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die[^nehemia-9-26-36] tegen hen betuigden, om hen te doen terugkeren tot U; zo hebben zij grote lasteren gedaan.[^nehemia-9-26-z] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v26)

**27** Daarom hebt U hen gegeven in de hand van hun benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in de tijd van hun benauwdheid tot U riepen, hebt U van de hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand van hun benauwers verlosten.[^nehemia-9-27-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v27)

**28** Maar als zij rust hadden, keerden zij weer om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet U hen in de hand van hun vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt U hen van de hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v28)

**29** En U hebt tegen hen betuigd, om hen te doen terugkeren tot Uw wet; maar zij hebben trots gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, daartegen hebben zij gezondigd, waardoor een mens, die ze doet, leven zal; en[^nehemia-9-29-37] zij hebben hun schouder teruggetrokken, en hun[^nehemia-9-29-38] nek verhard, en niet gehoord.[^nehemia-9-29-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v29)

**30** Maar U[^nehemia-9-30-39] verdroeg het[^nehemia-9-30-40] vele jaren over hen, en betuigde tegen hen door Uw Geest, door[^nehemia-9-30-41] de dienst van Uw profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt U hen gegeven in de hand van de volken van de landen.[^nehemia-9-30-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v30)

**31** Maar door Uw grote barmhartigheden hebt U hen niet vernield, noch hen verlaten; want U bent een genadig en barmhartig God.[^nehemia-9-31-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v31)

**32** Nu dan, o onze God, U grote, U machtige, en U vreselijke God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de[^nehemia-9-32-43] moeite, die ons[^nehemia-9-32-44] getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters; en onze profeten, en onze vaders, en Uw hele volk, van de dagen van de koningen van[^nehemia-9-32-45] Assur af tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v32)

**33** Maar U bent rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want U hebt[^nehemia-9-33-46] trouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld.[^nehemia-9-33-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v33)

**34** En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die U tegen hen betuigde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v34)

**35** Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw veelvuldig goed, dat U hun gaf, en in dat wijde en dat vette land, dat U voor hun[^nehemia-9-35-47] aangezicht gegeven had; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v35)

**36** Zie, wij zijn vandaag knechten; ja, het land, dat U onze vaders gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v36)

**37** En[^nehemia-9-37-48] het vermenigvuldigt zijn opbrengst voor de koningen, die U over ons gesteld hebt, vanwege onze zonden; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; zo zijn wij in grote benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v37)

**38** En[^nehemia-9-38-49] in dit alles[^nehemia-9-38-50] maken wij een[^nehemia-9-38-51] vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesters zullen[^nehemia-9-38-52] het verzegelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/9.html#v38)

[^nehemia-9-1-1]: Kanttekening 1: van deze maand: Te weten, van de zevende maand, gelijk boven, Neh. 8:1 , als het vreugdefeest van de loofhutten met de twee en twintigste derzelfde maand besloten was. Nehemia 8:1 : Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen van Israël in hun steden waren,
[^nehemia-9-1-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^nehemia-9-1-3]: Kanttekening 3: Tot een teken van hun nietigheid en onwaardigheid, en ook vernedering voor de Heer en berouw over hun zonden. Vergelijk 2 Sam. 1:2 . 2 Samuël 1:2 : Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^nehemia-9-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, uitlandse heidenen, die tot de heilige gemeenschap Israëls niet behoorden. Hebreeuws, kinderen van de vreemde. Vergelijk onder, Neh. 13:3 . Nehemia 13:3 : Zo geschiedde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israël afscheidden.
[^nehemia-9-3-5]: Kanttekening 5: lazen zij: Te weten, de Levieten. Vergelijk vers 7 , 9:8 . Nehemia 9:7 : U bent die YHWH, de God, Die Abram hebt gekozen, en hem uit Ur van de Chaldeeën uitgevoerd; en U hebt zijn naam gesteld Abraham. Nehemia 9:8 : En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat U zoudt geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het zijn zade zoudt geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U rechtvaardig bent.
[^nehemia-9-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, drie uren; want de dag was in twaalf uren afgedeeld, Joh. 11:9 . Het is te vermoeden dat zij drie uren na de middag zijn verzameld geweest. Anders, viermaal van de dag, en zo in het volgende. Johannes 11:9 : Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet;
[^nehemia-9-4-7]: Kanttekening 7: het hoge gestoelte: Hebreeuws, יִּזְעֲקוּ֙, hoogte, verheven plaats, hoge stoel; niet dat zij allen tezamen op één gestoelte of stellage bij elkaar hebben gestaan en geroepen \[dat een zeer ongerijmd en verward werk zou geweest zijn\] maar een ieder van hen op zijn stoel voor een bijzondere partij van de gemeente, om elkaar niet te beletten, en alle gedeelten van het volk wel te bedienen; vergelijk boven, Neh. 8:8 . Nehemia 8:8 : Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.
[^nehemia-9-4-8]: Kanttekening 8: luide stem: Hebreeuws, גָּד֔וֹל, groter.
[^nehemia-9-5-9]: Kanttekening 9: looft YHWH: Hebreeuws, בָּרֲכוּ֙, zegent.
[^nehemia-9-5-10]: Kanttekening 10: men love: Hebreeuws, עוֹלָ֑ם, dat zij zegenen.
[^nehemia-9-5-11]: Kanttekening 11: Van Uw heerlijkheid: Dat is, uw heerlijken naam. Vergelijk Hand. 7:2 ; 1 Kor. 2:8 . Handelingen 7:2 : En hij zei: U mannen broers en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran; 1 Korinthiërs 2:8 : Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben.
[^nehemia-9-5-12]: Kanttekening 12: lof en prijs: Hebreeuws, תְהִלָּֽה, zegening; dat is, die zo hoog en heerlijk is, dat men die niet genoeg kan loven en prijzen.
[^nehemia-9-6-a]: Verwijzing a: Gen. 1 ; Ps. 146:6 ; Hand. 14:15 ; Hand. 17:24 ; Openb. 14:7 . Psalmen 146:6 : Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelfde is; Die trouwe houdt in eeuwigheid. Handelingen 14:15 : En zeggende: Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot de levenden God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat in dezelfde is; Handelingen 17:24 : De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; Openbaring 14:7 : Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die de hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft.
[^nehemia-9-6-13]: Kanttekening 13: hemel van de hemelen: De derde of allerhoogste hemel. Zie 1 Kon. 8:27 ; 2 Kor. 12:2 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Korinthiërs 12:2 : Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel;
[^nehemia-9-6-14]: Kanttekening 14: al hun legermacht: Zie Gen. 2:1 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^nehemia-9-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, U onderhoudt hen in hun wezen, dat U hun gegeven hebt.
[^nehemia-9-6-16]: Kanttekening 16: legermacht van de hemelen: Zie Gen. 2:1 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^nehemia-9-6-17]: Kanttekening 17: aanbidt U: Dat is, eert, gehoorzaamt en dient U, elk naar zijn aard en naar uw heiligen wil.
[^nehemia-9-7-b]: Verwijzing b: Gen. 11:31 ; idem 11:32 ; Gen. 12:1 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoon zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar. Genesis 11:32 : En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. Genesis 12:1 : De YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uw vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^nehemia-9-7-c]: Verwijzing c: Gen. 17:5 . Genesis 17:5 : En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken.
[^nehemia-9-8-d]: Verwijzing d: Gen. 15:6 . Genesis 15:6 : En hij geloofde in YHWH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.
[^nehemia-9-8-e]: Verwijzing e: Gen. 12:7 ; Gen. 13:15 ; Gen. 15:18 ; Gen. 17:8 ; Gen. 26:4 . Genesis 12:7 : Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:8 : En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde,
[^nehemia-9-8-18]: Kanttekening 18: rechtvaardig zijt: Houdende uwe beloften aan uw volk, en de goddelozen rechtvaardiglijk straffende.
[^nehemia-9-9-f]: Verwijzing f: Ex. 3:7 ; Ex. 14:10 . Exodus 3:7 : En YHWH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. Exodus 14:10 : Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen van Israël hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH.
[^nehemia-9-10-g]: Verwijzing g: Ex. 7 ; Ex. 8 ; Ex. 9 ; Ex. 10 ; Ex. 11 ; Ex. 12 ; Ex. 14 .
[^nehemia-9-10-19]: Kanttekening 19: gedaan aan Farao: Hebreeuws, פַרְעֹ֤ה, gegeven, gesteld.
[^nehemia-9-11-h]: Verwijzing h: Ex. 14:22 . Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
[^nehemia-9-12-i]: Verwijzing i: Ex. 13:21 ; Ex. 14:19 ; Ex. 40:38 ; Ps. 105:39 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor het legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 40:38 : Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het gehele huis van Israël in al hun reizen. Psalmen 105:39 : Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten.
[^nehemia-9-13-k]: Verwijzing k: Ex. 19:20 ; Ex. 20:1 . Exodus 19:20 : Als YHWH nedergekomen was op de berg Sinaï, op de spits van de berg, zo riep YHWH Mozes op de spits van de berg; en Mozes klom op. Exodus 20:1 : Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
[^nehemia-9-13-20]: Kanttekening 20: Dat is, uit de lucht.
[^nehemia-9-13-21]: Kanttekening 21: getrouwe wetten: Hebreeuws, חֻקִּ֥ים, wetten van de getrouwheid, of waarheid.
[^nehemia-9-14-22]: Kanttekening 22: hand van Uw knecht Mozes: Dat is, dienst.
[^nehemia-9-15-l]: Verwijzing l: Ex. 16:14 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.
[^nehemia-9-15-23]: Kanttekening 23: Dat is, uit de lucht.
[^nehemia-9-15-m]: Verwijzing m: Ex. 17:6 ; Num. 20:9 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:9 : Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van YHWH, gelijk als Hij hem geboden had.
[^nehemia-9-15-24]: Kanttekening 24: Uw hand: Dat is, dat U gezworen hebt hun te zullen geven. Zie Gen. 14:22 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^nehemia-9-16-25]: Kanttekening 25: Zie Ex. 32:9 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^nehemia-9-17-n]: Verwijzing n: Num. 14:4 . Numeri 14:4 : En zij zeiden de één tot de ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en terugkeren naar Egypte!
[^nehemia-9-17-o]: Verwijzing o: Ex. 34:7 ; Num. 14:18 ; Ps. 86:5 . Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Numeri 14:18 : De YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Psalmen 86:5 : Want U, YHWH! bent goed, en graag vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, YHWH!
[^nehemia-9-17-26]: Kanttekening 26: Dat is, die vele en grote zonden vergeeft.
[^nehemia-9-17-27]: Kanttekening 27: Of, goedertierenheid, goedgunstigheid; zo vers 32 . Nehemia 9:32 : Nu dan, o onze God, U grote, U machtige, en U vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw gehele volk, van de dagen van de koningen van Assur af tot op deze dag.
[^nehemia-9-18-p]: Verwijzing p: Ex. 32:1 . Exodus 32:1 : Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van de berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.
[^nehemia-9-19-28]: Kanttekening 28: Of vele. Zo vers 27 , 9:31 . Nehemia 9:27 : Daarom hebt U hen gegeven in de hand van hun benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in de tijd van hun benauwdheid tot U riepen, hebt U van de hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand van hun benauwers verlosten. Nehemia 9:31 : Maar door Uw grote barmhartigheden hebt U hen niet vernield, noch hen verlaten; want U bent een genadig en barmhartig God.
[^nehemia-9-19-q]: Verwijzing q: Ex. 13:22 ; Ex. 40:38 . Exodus 13:22 : Hij nam de wolkkolom van de dag, noch de vuurkolom van de nacht niet weg van het aangezicht van het volk. Exodus 40:38 : Want de wolk van YHWH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het gehele huis van Israël in al hun reizen.
[^nehemia-9-19-29]: Kanttekening 29: dat, op de weg: Of, hen, en de weg, enz.
[^nehemia-9-20-r]: Verwijzing r: Num. 11:17 . Numeri 11:17 : Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt.
[^nehemia-9-20-s]: Verwijzing s: Joz. 5:12 . Jozua 5:12 : En het Manna hield op van de anderen daags, nadat zij van het land overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen van Israël hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst van het land Kanaän.
[^nehemia-9-21-t]: Verwijzing t: Deut. 2:7 ; Deut. 8:4 ; Deut. 29:5 . Deuteronomium 2:7 : Want YHWH, uw God, heeft u gezegend in al het werk uw hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is YHWH, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken. Deuteronomium 8:4 : Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren. Deuteronomium 29:5 : En Ik heb u veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw kleren zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.
[^nehemia-9-22-30]: Kanttekening 30: Of, omstreken. Sommigen verstaan dit van de kinderen van Israël, wie God de ingenomen landen uitgedeeld heeft, een ieder zijn erfdeel. Anderen verstaan het van de overwonnen vijanden, die God hier en daar in hoeken heeft verstoten, zodat zijn volk het land vrij ingenomen heeft, en in erfelijk bezit ervan gebleven is.
[^nehemia-9-22-v]: Verwijzing v: Num. 21:21 ; idem v. 33 . Numeri 21:21 : Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï.
[^nehemia-9-22-31]: Kanttekening 31: Versta, het land, dat de koning van de Moabieten eertijds bezeten had en door de koning Sihon hem ontnomen was. Zie Num. 21:26 , 21:27 . Numeri 21:26 : Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. Numeri 21:27 : Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!
[^nehemia-9-23-x]: Verwijzing x: Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^nehemia-9-24-y]: Verwijzing y: Joz. 1 ; Joz. 2 ; Joz. 3 .
[^nehemia-9-25-32]: Kanttekening 32: alle goed: Dat is, allerlei.
[^nehemia-9-25-33]: Kanttekening 33: van voedsel: Dat is, dragende eetbare vruchten.
[^nehemia-9-25-34]: Kanttekening 34: hebben in wellust: Of, hebben zich verlustigd over uw groot goed; dat is, grote en vele goederen, die U hun gaf.
[^nehemia-9-26-35]: Kanttekening 35: achter hun rug: Vergelijk Ps. 50:17 ; Ez. 23:35 , enz. Psalmen 50:17 : Omdat u de kastijding haat, en Mijn woorden achter u wegwerpt. Ezechiël 23:35 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt u ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.
[^nehemia-9-26-36]: Kanttekening 36: tegen hen: Of, onder hen; zo vers 29 , 9:30 , 9:34 . Nehemia 9:29 : En U hebt tegen hen betuigd, om hen te doen terugkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelfde hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord. Nehemia 9:30 : Maar U vertoogt het vele jaren over hen, en betuigde tegen hen door Uw Geest, door de dienst van Uw profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt U hen gegeven in de hand van de volken van de landen. Nehemia 9:34 : En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die U tegen hen betuigde.
[^nehemia-9-26-z]: Verwijzing z: 1 Kon. 18:4 ; 1 Kon. 19:10 ; 2 Kron. 24:20 . 1 Koningen 18:4 : Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. 1 Koningen 19:10 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
[^nehemia-9-27-a]: Verwijzing a: Richt. 2:14 . Richteren 2:14 : Zo ontstak van YHWH toorn tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hun vijanden.
[^nehemia-9-29-37]: Kanttekening 37: zij hebben hun schouder: Hebreeuws, סוֹרֶ֔רֶת, een afwijkenden schouder gegeven. Een gelijkenis, genomen van de beesten, die niet aan het juk of lastdragen willen.
[^nehemia-9-29-38]: Kanttekening 38: Zie Ex. 32:9 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^nehemia-9-29-b]: Verwijzing b: Lev. 18:5 ; Ez. 20:11 ; Rom. 10:5 ; Galat. 3:12 . Leviticus 18:5 : Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens dezelfde zal doen, die zal door dezelfde leven; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:11 : Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven. Romeinen 10:5 : Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven. Galaten 3:12 : Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven.
[^nehemia-9-30-39]: Kanttekening 39: U hadt geduld met hen en verschoonde hen, de straf uitstellende.
[^nehemia-9-30-40]: Kanttekening 40: vele jaren: Zolang als de koninkrijken van Juda en Israël geduurd hebben.
[^nehemia-9-30-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, hand .
[^nehemia-9-30-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 17:13 ; 2 Kron. 36:15 . 2 Koningen 17:13 : Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; 2 Kronieken 36:15 : En YHWH, de God hun vaderen, zond tot hen, door de hand Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
[^nehemia-9-31-42]: Kanttekening 42: hebt U: Hebreeuws, עֲשִׂיתָ֥, hebt U hun geen voleinding of vernieling gemaakt. Vergelijk Jer. 4:27 met de aantekening. Jeremia 4:27 : Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^nehemia-9-32-43]: Kanttekening 43: Dat is, alle straffen en ellenden, die ons zijn overkomen.
[^nehemia-9-32-44]: Kanttekening 44: getroffen heeft: Hebreeuws, מְ֠צָאַתְ, gevonden.
[^nehemia-9-32-45]: Kanttekening 45: Dat is, Assyrië.
[^nehemia-9-33-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, waarheid, of trouw gedaan.
[^nehemia-9-33-d]: Verwijzing d: Deut. 32:4 ; Dan. 9:14 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Daniël 9:14 : Daarom heeft YHWH over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want YHWH, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, omdat wij Zijn stem niet gehoorzaamden.
[^nehemia-9-35-47]: Kanttekening 47: Dat is, hun opengesteld en overgegeven hadt, om het in te nemen en te bezitten. Zo elders dikwijls.
[^nehemia-9-37-48]: Kanttekening 48: het vermenigvuldigt: Te weten, het land. Anders, zijn inkomst, of opkomst is groot, of menigvuldig; maar \[willen zij zeggen\] die is voor vreemde koningen en niet voor ons.
[^nehemia-9-38-49]: Kanttekening 49: in dit alles: Of, om dit alles; te weten, al dit kwaad, dat ons is overkomen en nog tegenwoordig drukt; of van dit alles, dat is om te betuigen, dat wij dit alles oprecht menen en ons verplichten tot ware bekering, om uw rechtvaardigen toorn af te wenden en uw zegen te ontvangen. Zie onder Neh. 10:29 . Nehemia 10:29 : Die hielden zich aan hun broers, hun voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van YHWH, onze Heer, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;
[^nehemia-9-38-50]: Kanttekening 50: Zie Gen. 15:17 , 15:18 . Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^nehemia-9-38-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, een vastheid.
[^nehemia-9-38-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, \[zijn, of zullen zijn\] tot, of over de zegeling, of het gezegelde; te weten, uit onzer aller naam. Anders, tot, of over de verzegeling \[waren\], enz. Verstaande dat de belijdenis met vers 37 nu verder verhaald wordt wat zij na de belijdenis gedaan hebben tot haar bekrachtiging. Daarom hechten zij vers 38 aan Neh. 10 , en zetten het aldus over: Van dit alles nu maakten wij een vast verbond en schreven het, enz. Nehemia 9:37 : En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor de koningen, die U over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; zo zijn wij in grote benauwdheid. Nehemia 9:38 : En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesters zullen het verzegelen.

### Nehemia 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/10.json)

*Namen van hen die dit verbond met God, voor zichzelf en namens de hele gemeente, verzegeld hebben, vers 1, enz. Verhaal van de algemene inhoud van dit verbond, met eed en vervloeking bekrachtigd, en van enige bepalingen in het bijzonder, 29.*

**1** Tot[^nehemia-10-1-1] de verzegelingen nu waren: Nehemia[^nehemia-10-1-2] Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v1)

**2** [^nehemia-10-2-3] Seraja, Azarja, Jeremia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v2)

**3** Pashur, Amarja, Malchia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v3)

**4** Hattus, Sebanja, Malluch, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v4)

**5** Harim, Meremoth, Obadja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v5)

**6** Daniël, Ginnethon, Baruch, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v6)

**7** Mesullam, Abia, Mijamin, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v7)

**8** Maäzia, Bilgai, Semaja. Dit waren de[^nehemia-10-8-4] priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v8)

**9** En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v9)

**10** En hun broers: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v10)

**11** Micha, Rehob, Hasabja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v11)

**12** Zakkur, Serebja, Sebanja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v12)

**13** Hodia, Bani, Beninu; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v13)

**14** De[^nehemia-10-14-5] hoofden van het volk: Parhos, Pahath-moab, Elam, Zatthu, Bani, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v14)

**15** Bunni, Azgad, Bebai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v15)

**16** Adonia, Bigvai, Adin, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v16)

**17** Ater, Hizkia, Azzur, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v17)

**18** Hodia, Hasum, Bezai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v18)

**19** Harif, Anathoth, Nebai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v19)

**20** Magpias, Mesullam, Hezir, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v20)

**21** Mesezabeel, Zadok, Jaddua, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v21)

**22** Pelatja, Hanan, Anaja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v22)

**23** Hosea, Hananja, Hassub, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v23)

**24** Hallohes, Pilha, Sobek, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v24)

**25** Rehum, Hasabna, Maaseja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v25)

**26** En Ahia, Hanan, Anan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v26)

**27** Malluch, Harim, Baäna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v27)

**28** En het overige van[^nehemia-10-28-6] het volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de[^nehemia-10-28-7] tempelknechten, en al wie zich van de volken van de landen had[^nehemia-10-28-8] afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie wetenschap en verstand had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v28)

**29** Die hielden zich aan hun broers, hun[^nehemia-10-29-9] voortreffelijken, en kwamen in[^nehemia-10-29-10] de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van YHWH, van onze Heere, en Zijn rechten en Zijn voorschriften; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v29)

**30** [^nehemia-10-30-a] En dat wij onze dochters niet zouden[^nehemia-10-30-11] geven aan de volken van het land, noch hun dochters nemen voor onze zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v30)

**31** [^nehemia-10-31-b] Ook als de volken van het land waren en[^nehemia-10-31-12] alle koren op de sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op de sabbat, of op een andere heilige dag van hen niet zouden nemen;[^nehemia-10-31-c] en dat wij het[^nehemia-10-31-13] zevende jaar zouden vrij laten, en ook[^nehemia-10-31-14] allerhande bezwaarnis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v31)

**32** Verder zetten wij ons[^nehemia-10-32-15] geboden op, ons opleggende een derde deel van een[^nehemia-10-32-16] sikkel in het jaar, tot de dienst van het huis van onze God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v32)

**33** Tot het[^nehemia-10-33-17] brood van de toerichting, en het voortdurende[^nehemia-10-33-18] voedseloffer, en tot het voortdurende brandoffer, van[^nehemia-10-33-d] de sabbatten, van de nieuwe maanden, tot de vastgestelde hoogtijden, en tot de[^nehemia-10-33-19] heilige dingen, en tot de zondoffers, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v33)

**34** Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou in het huis van onze God, naar het[^nehemia-10-34-20] huis van onze vaders, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar van YHWH, van onze God, zoals het in de wet geschreven is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v34)

**35** Dat wij ook de[^nehemia-10-35-e] eerstelingen van ons[^nehemia-10-35-21] land en de eerstelingen van alle vrucht van[^nehemia-10-35-22] al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen in het huis van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v35)

**36** En de[^nehemia-10-36-23] eerstgeborenen van onze zonen en van onze beesten,[^nehemia-10-36-f] zoals het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen van onze[^nehemia-10-36-24] runderen en van onze schapen zouden brengen in het huis van onze God, tot de priesters, die in het huis van onze God dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v36)

**37** [^nehemia-10-37-g] En dat wij de eerstelingen van ons deeg, en onze[^nehemia-10-37-25] hefoffers, en de vrucht aller bomen, nieuwe wijn en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis van onze God, en de[^nehemia-10-37-h] tienden van ons land tot de Levieten;[^nehemia-10-37-26] en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden van onze landbouwerij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v37)

**38** En dat er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden[^nehemia-10-38-27] ontvangen; en dat de Levieten de[^nehemia-10-38-i] tienden zouden opbrengen in het huis van onze God, in de kamers van het schathuis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v38)

**39** Want de Israëlieten en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, nieuwe wijn en olie in die kamers brengen,[^nehemia-10-39-28] omdat daar de voorwerpen van het heiligdom zijn, en de priesters, die dienen, en de poortwachters, en de zangers; dat wij zo het huis van onze God niet zouden verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/10.html#v39)

[^nehemia-10-1-1]: Kanttekening 1: Tot de verzegelingen: Hebreeuws, זֹ֕את, tot de verzegelden, of, verzegelingen. Versta, die het verbond, waarvan in het einde van Neh. 9 uit naam van de gehele gemeente, met hun zegelen bevestigd hebben.
[^nehemia-10-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ezra 2:63 . Ezra 2:63 : En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.
[^nehemia-10-2-3]: Kanttekening 3: Vergelijk dit register met wat volgt, onder, Neh. 12:1 , enz. Nehemia 12:1 : Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra,
[^nehemia-10-8-4]: Kanttekening 4: Nehemia \[boven, vers 1 vermeld,\] daarin niet begrepen zijnde die van de stam van Levi niet was, naar sommiger mening. Nehemia 10:1 : Tot de verzegelingen nu waren: Nehemia Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia,
[^nehemia-10-14-5]: Kanttekening 5: hoofden van het volk: Vergelijk boven, Neh. 7:8 , enz.; Ezra 2:3 , enz., en Ezra 8:3 , enz. Nehemia 7:8 : De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig; Ezra 2:3 : De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. Ezra 8:3 : Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan mannen, honderd en vijftig.
[^nehemia-10-28-6]: Kanttekening 6: Vergelijk 2 Kron. 23:5 , en Ezra 2:70 . 2 Kronieken 23:5 : En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van YHWH. Ezra 2:70 : En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortwachters, en de tempelknechten woonden in hun steden, en geheel Israël in zijn steden.
[^nehemia-10-28-7]: Kanttekening 7: Zie Ezra 2:43 . Ezra 2:43 : De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
[^nehemia-10-28-8]: Kanttekening 8: Gelijk boven, Neh. 9:2 . Nehemia 9:2 : En het zaad van Israël scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.
[^nehemia-10-29-9]: Kanttekening 9: Of, aanzienlijken, groten, die gesteld waren om dit verbond te zegelen uit naam van de gemeente; zie Ps. 8:2 . Psalmen 8:2 : O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
[^nehemia-10-29-10]: Kanttekening 10: Dat is, begaven zich mee in dit verbond, dat bevestigd werd met een eed en vervloeking van hun personen, als zij dit verbond zouden komen te overtreden. Zie Deut. 29:12 , 29:14 , 29:19 , en vergelijk Joz. 24:25 ; 2 Kon. 23:3 ; 2 Kron. 15:12 . Deuteronomium 29:12 : Om over te gaan in het verbond van YHWH, uw God, en in Zijn vloek, dat YHWH, uw God, heden met u maakt; Deuteronomium 29:14 : En niet met u alleen maak ik dit verbond en deze vloek; Deuteronomium 29:19 : En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. Jozua 24:25 : Zo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem. 2 Koningen 23:3 : De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond. 2 Kronieken 15:12 : En zij traden in een verbond, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, zoeken zouden met hun gehele hart en met hun gehele ziel.
[^nehemia-10-30-a]: Verwijzing a: Ex. 34:16 ; Deut. 7:3 . Exodus 34:16 : En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^nehemia-10-30-11]: Kanttekening 11: Te weten, ten huwelijk aan de heidenen.
[^nehemia-10-31-b]: Verwijzing b: Ex. 20:10 ; Ex. 34:21 ; Lev. 23:2 ; Deut. 5:12 ; idem v. 13 ; idem v. 14 . Exodus 20:10 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH uw Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Exodus 34:21 : Zes dagen zult u arbeiden, maar op de zevenden dag zult u rusten; in de ploegtijd en in de oogst zult u rusten. Leviticus 23:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: De vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn vastgestelde hoogtijden. Deuteronomium 5:12 : Onderhoudt de sabbatdag, dat u die heiligt; gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft. Deuteronomium 5:13 : Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen; Deuteronomium 5:14 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH, uw Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienaar, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als u.
[^nehemia-10-31-12]: Kanttekening 12: alle koren: Dat is, allerlei koren, als rogge, tarwe, gerst. Zie Gen. 42:1 . Genesis 42:1 : Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zei Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet u op elkaar?
[^nehemia-10-31-c]: Verwijzing c: Ex. 23:10 ; Lev. 25:2 ; Deut. 15:1 . Exodus 23:10 : U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen; Leviticus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat YHWH. Deuteronomium 15:1 : Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken.
[^nehemia-10-31-13]: Kanttekening 13: zevende jaar: Zijnde een vrijjaar, waarin God de akkerbouw en invordering van schulden bevolen had na te laten. Zie Ex. 23:10 , 23:11 ; Lev. 25:4 ; Deut. 15:1 , 15:2 , enz. Exodus 23:10 : U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen; Exodus 23:11 : Maar in het zevende zult u het rusten en stil liggen laten, dat de armen van uw volk mogen eten, en het overige daarvan de beesten van het veld eten mogen; zo zult u ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen. Leviticus 25:4 : Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Deuteronomium 15:1 : Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken. Deuteronomium 15:2 : Dit nu is de zaak van de vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet manen, omdat men YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen.
[^nehemia-10-31-14]: Kanttekening 14: allerhande bezwaarnis: Hebreeuws, בָנֵֽי, de last, of bezwaarnis aller hand; dat is allerlei schuld, die wij anders macht hadden in te vorderen; of de invordering, inmaning aller schuld. Zie Deut. 15:2 , en boven, Neh. 5:7 , 5:10 . Deuteronomium 15:2 : Dit nu is de zaak van de vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet manen, omdat men YHWH een vrijlating heeft uitgeroepen. Nehemia 5:7 : En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zei tot hen: Gijlieden vordert een last, een ieder van zijn broer. Verder belegde ik een grote vergadering tegen hen. Nehemia 5:10 : Ik, mijn broers, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch deze last nalaten.
[^nehemia-10-32-15]: Kanttekening 15: Of, ordinantiën, die in het volgende verhaald worden.
[^nehemia-10-32-16]: Kanttekening 16: Versta hier, sikkel van het heiligdom, doende dubbel zoveel als de gemene of burgerlijke sikkel, te weten omtrent een halven rijksdaalder. Dit was een vrijwillige contributie tot onderhoud van de godsdienst, vanwege de tegenwoordige nood opgesteld. Vergelijk 1 Kron. 26:26 , 26:27 , en 2 Kron. 31:3 . Van de bevolen ordinaire schatting, zie Ex. 30:12 . 1 Kronieken 26:26 : Deze Selomith en zijn broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger; 1 Kronieken 26:27 : Van de krijgen en van de buit hadden zij het geheiligd, om het huis van YHWH te onderhouden. 2 Kronieken 31:3 : Ook het deel van de koning van zijn bezittingen tot de brandofferen, tot de brandofferen van de morgen en van de avond, en de brandofferen van de sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van de vastgestelde hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet van YHWH. Exodus 30:12 : Als u de som van de kinderen van Israël opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een ieder de verzoening van zijn ziel YHWH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als u hen tellen zult.
[^nehemia-10-33-17]: Kanttekening 17: brood van de toerichting: Dat is, toonbrood; zie Lev. 24:6 , enz.; 2 Kron. 2:4 , en 2 Kron. 29:18 . Leviticus 24:6 : En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van YHWH. 2 Kronieken 2:4 : Zie, ik zal een huis voor de Naam van YHWH, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van de welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van het gedurige brood, en voor de brandofferen van de morgen en van de avond, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van YHWH, onzes Gods; dat voor eeuwig is in Israël. 2 Kronieken 29:18 : Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het gehele huis van YHWH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel van de toerichting met al haar gereedschap.
[^nehemia-10-33-18]: Kanttekening 18: Zie Ex. 29:40 ; Num. 28:5 . Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Numeri 28:5 : En een tiende deel van een efa meelbloem ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie.
[^nehemia-10-33-d]: Verwijzing d: Num. 28 ; Num. 29 .
[^nehemia-10-33-19]: Kanttekening 19: heilige dingen: Die geheiligd zouden worden tot dankoffers voor het volk.
[^nehemia-10-34-20]: Kanttekening 20: naar het huis onzer vaderen: Dat is, naar de geslachten en huisgezinnen, om te weten hoeveel hout een ieder zou hebben te leveren tot de brand van de offeranden.
[^nehemia-10-35-e]: Verwijzing e: Ex. 23:19 ; Lev. 19:23 . Exodus 23:19 : De eerstelingen van de eerste vruchten uw lands zult u in het huis van YHWH uw Gods brengen. U zult het bokje niet koken in de melk zijn moeder. Leviticus 19:23 : Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte ter voedsel geplant zult hebben, zo zult u de voorhuid daarvan, zijn vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.
[^nehemia-10-35-21]: Kanttekening 21: Dat is, van de landvruchten, als rogge, tarwe, gerst, enz.
[^nehemia-10-35-22]: Kanttekening 22: al het geboomte: Dat is, allerlei.
[^nehemia-10-36-23]: Kanttekening 23: Versta, zekeren prijs, waarmee zij de eerstgeborenen zonen en het onreine vee, als paarden, ezels, kamelen, enz. moesten aflossen. Zie Ex. 13:13 ; Lev. 27:11 , 27:12 , 27:13 , 27:26 , 27:27 . Exodus 13:13 : Maar al wat de baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een lam; wanneer u het nu niet lost, zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen zult u lossen. Leviticus 27:11 : En als het enig onrein beest is, waarvan men YHWH geen offerande offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten. Leviticus 27:12 : En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn. Leviticus 27:13 : Maar als hij het immers lossen zal, zo zal hij zijn vijfde deel boven uw schatting toedoen. Leviticus 27:26 : Maar het eerstgeborene, dat YHWH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van YHWH. Leviticus 27:27 : Maar is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en als het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting.
[^nehemia-10-36-f]: Verwijzing f: Ex. 13:2 ; Num. 3:13 ; Num. 8:17 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd.
[^nehemia-10-36-24]: Kanttekening 24: onzer runderen en onzer schapen: Runderen en schapen, dat is, van groot en klein vee.
[^nehemia-10-37-g]: Verwijzing g: Lev. 23:17 ; Num. 15:19 ; Num. 18:12 ; Deut. 18:4 . Leviticus 23:17 : Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen YHWH. Numeri 15:19 : Zo zal het gebeuren, als u van het brood van het land zult eten, dan zult u YHWH een hefoffer offeren. Numeri 18:12 : Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. Deuteronomium 18:4 : De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uw schapen zult u hem geven;
[^nehemia-10-37-25]: Kanttekening 25: Of, heffingen.
[^nehemia-10-37-h]: Verwijzing h: Num. 18:24 ; idem v. 25 . Numeri 18:24 : Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven. Numeri 18:25 : En YHWH sprak tot Mozes, zeggende:
[^nehemia-10-37-26]: Kanttekening 26: en dat dezelfde Levieten: Anders, opdat deze Levieten de tienden mochten geven, te weten, aan de hogepriester, waarvan in het volgende. Hebreeuws, כֹּ֣הֲנִ֔ים, de vertienende. Zie Gen. 28:22 ; Deut. 14:22 , en Deut. 26:12 . Genesis 28:22 : En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven! Deuteronomium 14:22 : U zult getrouwelijk vertienen al het inkomen van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt. Deuteronomium 26:12 : Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
[^nehemia-10-38-27]: Kanttekening 27: Of, geven; gelijk in vers 37 . Nehemia 10:37 : En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;
[^nehemia-10-38-i]: Verwijzing i: Num. 18:26 . Numeri 18:26 : U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden;
[^nehemia-10-39-28]: Kanttekening 28: omdat daar: Of, waar ook, enz.

### Nehemia 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/11.json)

*Register van hen die hun woonplaats volgens zekere ordening binnen Jeruzalem genomen hebben, vers 1, enz. De rest van het volk wordt verdeeld over de andere steden, dorpen en vlekken van Juda en Benjamin, 25.*

**1** Verder[^nehemia-11-1-1] woonden de oversten van het volk te Jeruzalem; maar het overige van het volk wierpen loten, om uit tien één uit te brengen, die in de[^nehemia-11-1-2] heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen[^nehemia-11-1-3] delen in de andere steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v1)

**2** En het volk[^nehemia-11-2-4] zegende al de mannen, die vrijwillig aanboden te Jeruzalem te wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v2)

**3** En dit zijn de hoofden van[^nehemia-11-3-5] het gewest, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, ieder op zijn bezitting, in hun steden,[^nehemia-11-3-6] Israël, de priesters, en de Levieten, en de[^nehemia-11-3-7] tempelknechten, en de kinderen van[^nehemia-11-3-8] de knechten van Salomo). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v3)

**4** Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, van de kinderen van Perez; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v4)

**5** En Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kol-hose, de zoon van Hazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van Siloni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v5)

**6** Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en[^nehemia-11-6-9] zestig dappere mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v6)

**7** En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joëd, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maaseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v7)

**8** En na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd acht en twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v8)

**9** En Joël, de zoon van Zichri, was opzichter over hen; en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v9)

**10** Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v10)

**11** Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, was[^nehemia-11-11-10] voorganger van Gods huis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v11)

**12** En hun broers, die het werk[^nehemia-11-12-11] in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v12)

**13** En zijn broers, familiehoofden, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareël, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemoth, de zoon van Immer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v13)

**14** En hun broers, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opzichter over hen was Zabdiël, de zoon van[^nehemia-11-14-12] Gedolim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v14)

**15** En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Buni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v15)

**16** En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren over het[^nehemia-11-16-13] buitenwerk van het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v16)

**17** En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was het hoofd,[^nehemia-11-17-14] die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broers; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v17)

**18** Al de Levieten in de[^nehemia-11-18-15] heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v18)

**19** En de poortwachters: Akkub, Talmon, met hun broers,[^nehemia-11-19-16] die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v19)

**20** Het overige nu van[^nehemia-11-20-17] Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn[^nehemia-11-20-18] erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v20)

**21** En de tempelknechten woonden in[^nehemia-11-21-19] Ofel; en Ziha en Gispa waren over de tempelknechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v21)

**22** En de opzichter van de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Matthanja, de zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers[^nehemia-11-22-20] tegenover het werk van Gods huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v22)

**23** Want er was een gebod van de koning van hen, te weten, een[^nehemia-11-23-21] zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v23)

**24** En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van Zerah, de zoon van Juda, was[^nehemia-11-24-22] aan de hand van de koning[^nehemia-11-24-23], in alle zaken tot het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v24)

**25** In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in[^nehemia-11-25-24] Kirjath-arba en haar[^nehemia-11-25-25] bijbehorende plaatsen, en in Dibon en haar bijbehorende plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v25)

**26** En te Jesua, en te Molada, en te Beth-pelet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v26)

**27** En te Hazar-sual, en in Ber-seba, en haar bijbehorende plaatsen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v27)

**28** En te Ziklag, en in Mechona en haar bijbehorende plaatsen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v28)

**29** En te En-rimmon, en te Zora, en te Jarmuth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v29)

**30** Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar bijbehorende plaatsen; en zij[^nehemia-11-30-26] sloegen hun kamp op van Ber-seba af tot aan het[^nehemia-11-30-27] dal Hinnom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v30)

**31** De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-el, en haar bijbehorende plaatsen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v31)

**32** Anathoth, Nob, Ananja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v32)

**33** Hazor, Rama, Gitthaim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v33)

**34** Hadid, Zeboim, Neballat, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v34)

**35** Lod, en Ono, in het dal van[^nehemia-11-35-28] de werkmeesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v35)

**36** Van de Levieten nu, woonden sommigen in de[^nehemia-11-36-29] verdelingen van Juda, en van Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/11.html#v36)

[^nehemia-11-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven, Neh. 7:4 , 7:5 . Nehemia 7:4 : De stad nu was wijd van ruimte en groot; maar van het volk was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd. Nehemia 7:5 : Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
[^nehemia-11-1-2]: Kanttekening 2: heilige stad: Hebreeuws, ירוּשָׁלִַ֨ם֙, stad van de heiligheid; zo onder, vers 18 . Nehemia 11:18 : Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.
[^nehemia-11-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, handen.
[^nehemia-11-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, roemde hen en wenste hun de zegen van YHWH, omdat zij vanzelf, zonder het lot te verwachten, aanboden te Jeruzalem te wonen; omdat deze stad als hun aller moeder en behoudenis was, en zonder kloeke en hartige inwoners tegen de list en het geweld van de vijanden niet kon bewaard worden, en die bewaard zijnde, hadden de andere plaatsen, waar de vijanden niet op zagen, geen nood.
[^nehemia-11-3-5]: Kanttekening 5: van het landschap: Of, van de provincie; versta Judea, zijnde in die tijd als een provincie onder het Perzische gebied.
[^nehemia-11-3-6]: Kanttekening 6: Hiervoor verstaan sommigen die van Juda, als 2 Kron. 21:2 . Anderen verstaan sommige van de tien stammen, die zich vanwege de religie bij Juda gevoegd hadden; zie 1 Kron. 9:3 . 2 Kronieken 21:2 : En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël. 1 Kronieken 9:3 : Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
[^nehemia-11-3-7]: Kanttekening 7: Zie Ezra 2:43 . Ezra 2:43 : De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;
[^nehemia-11-3-8]: Kanttekening 8: Zie Ezra 2:55 . Ezra 2:55 : De kinderen van de knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda;
[^nehemia-11-6-9]: Kanttekening 9: dappere mannen: Of, vermogenden, rijken. Hebreeuws, חָֽיִל, mannen van kloekheid, of vermogen.
[^nehemia-11-11-10]: Kanttekening 10: Of, leidsman, hertog; zie 1 Kron. 9:11 . 1 Kronieken 9:11 : En Azarja, de zoon van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, overste van het huis van God;
[^nehemia-11-12-11]: Kanttekening 11: in het huis deden: In het huis van God, dat is de tempel, verzorgende wat tot de godsdienst vereist werd.
[^nehemia-11-14-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, Haggedolim. Anders, van \[een\] van de groten.
[^nehemia-11-16-13]: Kanttekening 13: Versta, om te besturen wat buiten de tempel tot bevordering van de godsdienst nodig was, en het geld te eisen, dat de gemeente vrijwilliglijk aangenomen had te contribueren tot zulk einde, gelijk verhaald is boven, Neh. 10:32 , 10:33 . Vergelijk 1 Kron. 26:29 . Nehemia 10:32 : Verder zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot de dienst van het huis onzes Gods; Nehemia 10:33 : Tot het brood van de toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, van de sabbatten, van de nieuwe maanden, tot de vastgestelde hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis onzes Gods. 1 Kronieken 26:29 : Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters.
[^nehemia-11-17-14]: Kanttekening 14: die de dankzegging: Als zangmeester, voorzanger van de psalmen en lofzangen.
[^nehemia-11-18-15]: Kanttekening 15: heilige stad: Jeruzalem.
[^nehemia-11-19-16]: Kanttekening 16: die wacht hielden: Of de wachters.
[^nehemia-11-20-17]: Kanttekening 17: Zie vers 3 . Nehemia 11:3 : En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een ieder op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo).
[^nehemia-11-20-18]: Kanttekening 18: Zie onder, vers 36 . Nehemia 11:36 : Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van Juda, en van Benjamin.
[^nehemia-11-21-19]: Kanttekening 19: Gelijk boven, Neh. 3:26 . Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren.
[^nehemia-11-22-20]: Kanttekening 20: Dat is, deze moesten bij de hand en in de tempel tegenwoordig zijn, om te letten op de dagelijkse behoeften van de godsdienst, gelijk anderen op het buitenwerk letten; boven, vers 16 ; zie onder, Neh. 12:9 . Nehemia 11:16 : En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren over het buitenwerk van het huis van God. Nehemia 12:9 : En Bakbukja, en Unni, hun broers, waren tegen hen over in de wachten.
[^nehemia-11-23-21]: Kanttekening 21: zeker onderhoud: Hebreeuws, מְשֹׁרְרִ֖ים, vastheid, getrouwheid, zekerheid; \[gelijk boven, Neh. 9:38 \], dat is hier, zekere rente, of een gewis onderhoud uit het schathuis van de koning. Anders, een vaste rente voor de zangers. Dat zij zo verstaan, dat hun van de koning was toevertrouwd geld van zijn commissaris te ontvangen en uit te geven tot dagelijkse behoeften van de godsdienst. Zie Ezra 6:8 , 6:9 , en Ezra 7:20 , 7:21 , 7:22 . Nehemia 9:38 : En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesters zullen het verzegelen. Ezra 6:8 : Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de cijns aan de overzijde van de rivier, de onkosten aan deze mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette. Ezra 6:9 : En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; Ezra 7:20 : Het overige nu, dat nodig zal zijn voor het huis van uw God, dat u voorvallen zal uit te geven, zult u geven uit het schathuis van de koning. Ezra 7:21 : En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan de overzijde van de rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde; Ezra 7:22 : Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.
[^nehemia-11-24-22]: Kanttekening 22: aan de hand van de koning: Dat is, de commissaris van de koning, vergelijk 1 Kron. 18:17 . 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand van de koning.
[^nehemia-11-24-23]: Kanttekening 23: in alle zaken: Of, in allen woord tot het volk, of van het volk; dat is, in wat het volk vanwege de koning was voor te dragen, of het volk met de koning te doen had; idem, het inkomen van de koning te vorderen en volgens zijn last te doen besteden. Zie Ezra 6:8 . Ezra 6:8 : Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de cijns aan de overzijde van de rivier, de onkosten aan deze mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.
[^nehemia-11-25-24]: Kanttekening 24: Van deze en al de volgende plaatsen, zie Joz. 15:13 , 15:21 , enz., en Joz. 18:22 , enz., en Joz. 19:2 , enz. Jozua 15:13 : Maar Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van YHWH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron. Jozua 15:21 : De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeël, en Eder, en Jagur, Jozua 18:22 : En Beth-Araba, en Zemaraim, en Beth-El, Jozua 19:2 : En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada,
[^nehemia-11-25-25]: Kanttekening 25: onderhorige plaatsen: Hebreeuws, בְנֹתֶ֔י, dochters. Zo in het volgende, en elders dikwijls.
[^nehemia-11-30-26]: Kanttekening 26: legerden zich: Dat is, zij bewoonden die gehele landstreek, zich daar onthoudende zo zij best konden, de vervallen plaatsen allengskens opbouwende, enz.
[^nehemia-11-30-27]: Kanttekening 27: dal Hinnom: Zie Joz. 15:8 ; 2 Kon. 23:10 . Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^nehemia-11-35-28]: Kanttekening 28: Dat is, timmerlieden en smeden; zie 1 Kron. 4:14 . 1 Kronieken 4:14 : En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal van de werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
[^nehemia-11-36-29]: Kanttekening 29: De plaatsen, die de Levieten van die beide stammen volgens Gods ordinantie waren toegedeeld.

### Nehemia 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/12.json)

*Register van priesters en Levieten die met Zerubbabel uit de gevangenschap gekomen waren, vers 1, enz. Opvolging van de hogepriesters van Jesua tot op Jaddua, 10. Register van de overste priesters die in de plaats van de eerdergenoemde opgevolgd zijn, 12. Beschrijving van de overste Levieten, 22. Verhaal van de inwijding van de muren van Jeruzalem, 27. Aanstelling van schatmeesters over de goederen van de priesters en Levieten, 44.*

**1** Dit nu zijn de[^nehemia-12-1-1] priesters en de Levieten, die met[^nehemia-12-1-2] Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en[^nehemia-12-1-3] Jesua, optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v1)

**2** Amarja,[^nehemia-12-2-4] Malluch, Hattus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v2)

**3** Sechanja, Rehum, Meremoth, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v3)

**4** Iddo, Ginnethoi, Abia, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v4)

**5** Mijamin, Maädja, Bilga, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v5)

**6** Semaja, en Jojarib, Jedaja, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v6)

**7** Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters, en hun broers, in de dagen van Jesua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v7)

**8** En de Levieten waren: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda, Matthanja;[^nehemia-12-8-5] hij en zijn broers waren over de[^nehemia-12-8-6] dankzeggingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v8)

**9** En Bakbukja, en Unni, hun broers, waren[^nehemia-12-9-7] tegen hen over in de wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v9)

**10** Jesua nu verwekte Jojakim, en Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib verwekte Jojada, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v10)

**11** En Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan verwekte[^nehemia-12-11-8] Jaddua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v11)

**12** En in de dagen[^nehemia-12-12-9] van Jojakim waren priesters,[^nehemia-12-12-10] familiehoofden:[^nehemia-12-12-11] van Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v12)

**13** Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v13)

**14** Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v14)

**15** Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v15)

**16** Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v16)

**17** Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v17)

**18** Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v18)

**19** En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v19)

**20** Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v20)

**21** Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v21)

**22** Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de familiehoofden beschreven; en ook de priesters, tot het koninkrijk van[^nehemia-12-22-12] Darius, de Perziaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v22)

**23** De kinderen van Levi, de familiehoofden, werden beschreven in het boek van[^nehemia-12-23-a] de kronieken, tot de dagen[^nehemia-12-23-13] van Johanan,[^nehemia-12-23-14] de zoon van Eljasib, toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v23)

**24** De hoofden dan van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broers tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David,[^nehemia-12-24-15] de man[^nehemia-12-24-16] van God, wacht tegen wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v24)

**25** Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortwachters, de wacht waarnemende bij de[^nehemia-12-25-17] schatkamers van de poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v25)

**26** Deze waren in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra, de schriftgeleerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v26)

**27** In[^nehemia-12-27-18] de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun[^nehemia-12-27-19] plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v27)

**28** Zo werden de kinderen van de zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de[^nehemia-12-28-20] dorpen van[^nehemia-12-28-21] de Netofathieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v28)

**29** En uit het[^nehemia-12-29-22] huis van Gilgal, en uit de velden van[^nehemia-12-29-23] Geba en[^nehemia-12-29-24] Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen[^nehemia-12-29-25] gebouwd rondom Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v29)

**30** En de priesters en de Levieten[^nehemia-12-30-26] reinigden zichzelf; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en de muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v30)

**31** Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op de muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen,[^nehemia-12-31-27] een ter rechterhand op de muur, naar de[^nehemia-12-31-28] Mistpoort toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v31)

**32** En achter hen ging Hosaja, en de helft van de vorsten van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v32)

**33** En Azarja, Ezra, en Mesullam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v33)

**34** Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v34)

**35** En van de kinderen van de priesters met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Matthanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v35)

**36** En zijn broers, Semaja, en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van[^nehemia-12-36-29] David, de[^nehemia-12-36-30] man van God; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v36)

**37** Verder naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad,[^nehemia-12-37-31] door de opgang van de muur, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v37)

**38** Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik daarachter, met de helft van het volk, op de muur, van boven de Bakoventoren, tot aan de brede muur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v38)

**39** En van boven de poort van Efraïm, en[^nehemia-12-39-32] boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en de toren Hananeël, en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij[^nehemia-12-39-33] bleven staan in de Gevangenpoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v39)

**40** Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft van de overheden met mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v40)

**41** En de priesters, Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja, Hananja, met trompetten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v41)

**42** Verder Maäseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malchia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizrahja, de opzichter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v42)

**43** En zij offerden op diezelfde dag grote slachtoffers, en waren vrolijk; want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk; zodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v43)

**44** Ook werden op diezelfde dag mannen gesteld over de[^nehemia-12-44-34] kamers, tot de schatten, tot de hefoffers, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers[^nehemia-12-44-35] van de steden te verzamelen de delen[^nehemia-12-44-36] van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda[^nehemia-12-44-37] was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar[^nehemia-12-44-38] stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v44)

**45** En[^nehemia-12-45-39] de wacht van hun[^nehemia-12-45-40] God[^nehemia-12-45-41] waarnamen, en de wacht van de reiniging, ook de zangers, en de poortwachters, naar het[^nehemia-12-45-b] gebod van David en zijn zoon Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v45)

**46** Want in de dagen van David en[^nehemia-12-46-42] Asaf, van ouds, waren[^nehemia-12-46-43] er hoofden van de zangers, en van het lofgezang, en van de dankzeggingen tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v46)

**47** Daarom gaf geheel Israël, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de[^nehemia-12-47-44] delen van de zangers en van de poortwachters,[^nehemia-12-47-45] van elk dagelijks op zijn dag; en[^nehemia-12-47-46] zij[^nehemia-12-47-47] heiligden voor de Levieten, en de Levieten[^nehemia-12-47-48] heiligden voor de kinderen van Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/12.html#v47)

[^nehemia-12-1-1]: Kanttekening 1: Versta, de voornaamsten en oversten van de priesters en Levieten; gelijk uit vers 7 , 12:22 , 12:23 , 12:24 wordt afgenomen. Nehemia 12:7 : Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters, en hun broers, in de dagen van Jesua. Nehemia 12:22 : Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de familiehoofden beschreven; en ook de priesters, tot het koninkrijk van Darius, de Perziaan. Nehemia 12:23 : De kinderen van Levi, de familiehoofden, werden beschreven in het boek van de kronieken, tot de dagen van Johanan, de zoon van Eljasib, toe. Nehemia 12:24 : De hoofden dan van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broers tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, de man van God, wacht tegen wacht.
[^nehemia-12-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ezra 2:2 . Ezra 2:2 : Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël.
[^nehemia-12-1-3]: Kanttekening 3: Die hogepriester was.
[^nehemia-12-2-4]: Kanttekening 4: Deze en enige anderen worden anders genoemd onder, vers 14 , tot vers 21 , naar de wijze van de Hebreën. Nehemia 12:14 : Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; Nehemia 12:21 : Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneël.
[^nehemia-12-8-5]: Kanttekening 5: hij en zijn broers: Namelijk Matthanja; zie boven, Neh. 11:17 . Nehemia 11:17 : En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broers; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun.
[^nehemia-12-8-6]: Kanttekening 6: Dat is, zij waren zangmeesters, in het zingen van de dank- en lofpsalmen; gelijk boven, Neh. 11:17 . Nehemia 11:17 : En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broers; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun.
[^nehemia-12-9-7]: Kanttekening 7: tegen hen over: Dat is, bij en omtrent de zangers tegenwoordig, om hun dienst waar te nemen; zie boven, Neh. 11:22 , en van de beurten van de zangers, Davids ordinantie, 1 Kron. 25:9 , enz., maar nu ter tijd waren zij minder in getal. Zie Ezra 2:39 . Nehemia 11:22 : En de opziener van de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Matthanja, de zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis. 1 Kronieken 25:9 : Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broers, en zijn zonen, waren twaalf. Ezra 2:39 : De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
[^nehemia-12-11-8]: Kanttekening 8: Deze houdt men geweest te zijn de hogepriester Jaddus, van welke Josefus schrijft dat hij Alexander de Grote, komende om Jeruzalem vijandiglijk aan te tasten, in de kleding van de hogepriester buiten de stad tegemoet is gegaan en zijn gemoed verzacht heeft. Waaruit enigen afnemen dat Nehemia tot het einde van de Perzische monarchie geleefd heeft, en over zulks dit register van de opvolging van de hogepriesters tot die tijd heeft kunnen beschrijven, zijnde nog geen zestig jaar verlopen in de tijd van Artaxerxes Memor \[onder welke enigen menen dat Nehemia gediend heeft\] tot het einde van de Perzische en het begin van de Griekse monarchie. Anderen menen dat Nehemia \[die naar hun gevoelen geleefd heeft onder Artaxerxes Longimanus \] dood zijnde, dit register door een anderen man van God door ingeven van de Heilige Geest, hier ingevoegd heeft, om de opvolging van de hogepriesters in Gods kerk te bewaren.
[^nehemia-12-12-9]: Kanttekening 9: Die hogepriester was na zijn vader Jesua, vers 10 . Nehemia 12:10 : Jesua nu verwekte Jojakim, en Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib verwekte Jojada,
[^nehemia-12-12-10]: Kanttekening 10: familiehoofden: Dat is, de voornaamste onder de priesters; gelijk vers 1 is aangewezen. Nehemia 12:1 : Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra,
[^nehemia-12-12-11]: Kanttekening 11: van Seraja: Dat is, van Seraja was geboren of afkomstig, Meraja opvolgend in zijn plaats; waarom anderen dit overzetten, voor Seraja, dat is, in zijn plaats, en zo in het volgende.
[^nehemia-12-22-12]: Kanttekening 12: Van de laatste koning van de Perzen, genaamd Codomannus, die Alexander de Grote overwon; waarmee de Perzische monarchie een einde had, in het jaar van de schepping omtrent 3642; voor Christus' menswording 329, naar de rekening van sommige tijdrekenaars.
[^nehemia-12-23-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 9:10 . 1 Kronieken 9:10 : Van de priesters nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
[^nehemia-12-23-13]: Kanttekening 13: Boven, vers 11 , genoemd Jonathan, de vader van Jaddua. Nehemia 12:11 : En Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan verwekte Jaddua.
[^nehemia-12-23-14]: Kanttekening 14: zoon van Eljasib: Dat is, zoonszoon.
[^nehemia-12-24-15]: Kanttekening 15: de man van God: Zie Richt. 13:6 . Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^nehemia-12-24-16]: Kanttekening 16: wacht tegen wacht: Dat is, zij deden hun dienst bij beurten, de een om de ander, naar Davids ordinantie. Zie 1 Kron. 25 zo boven, vers 8 . Nehemia 12:8 : En de Levieten waren: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda, Matthanja; hij en zijn broers waren over de dankzeggingen.
[^nehemia-12-25-17]: Kanttekening 17: Zie onder, vers 44 , en Neh. 13:5 ; idem, 1 Kron. 26:17 . Hebreeuws, Asuppim. Nehemia 12:44 : Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers van de steden te verzamelen de delen van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden. Nehemia 13:5 : En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, de wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook het hefoffer van de priesters. 1 Kronieken 26:17 : Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden per dag vier; tegen het zuiden per dag vier; maar bij de schatkameren twee en twee.
[^nehemia-12-27-18]: Kanttekening 18: Welke geschiedde door gebeden, dankzeggingen, offeranden en uiterlijke tekenen van geestelijke vreugde voor de Heer, gelijk volgt. Vergelijk Ex. 40 , Num. 7 , Deut. 20:5 ; 1 Kon. 8:63 ; Ezra 6:17 , enz.; Joh. 10:22 . Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. 1 Koningen 8:63 : En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij YHWH offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Zo hebben zij het huis van YHWH ingewijd, de koning en al de kinderen van Israël. Ezra 6:17 : En zij offerden, ter inwijding van dit huis van God, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor geheel Israël, naar het getal van de stammen van Israël. Johannes 10:22 : En het was het feest van de vernieuwing van de tempel te Jeruzalem; en het was winter.
[^nehemia-12-27-19]: Kanttekening 19: Waarheen zij naast anderen weer getogen waren naar de grote vergadering, waarvan boven, Neh. 9 , Neh. 10 .
[^nehemia-12-28-20]: Kanttekening 20: Of, hoeven. Zo vers 29 . Nehemia 12:29 : En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.
[^nehemia-12-28-21]: Kanttekening 21: Of, van de Netofathieten.
[^nehemia-12-29-22]: Kanttekening 22: huis van Gilgal: Of, plaats. Hebreeuws, שְּׂד֥וֹת, Beth-gilgal; van Gilgal zie Deut. 11:30 ; Joz. 5:9 . Deuteronomium 11:30 : Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More? Jozua 5:9 : Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag.
[^nehemia-12-29-23]: Kanttekening 23: Zie Joz. 21:17 . Jozua 21:17 : En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
[^nehemia-12-29-24]: Kanttekening 24: Boven, Neh. 7:28 , is vermeld Beth-Azmaveth. Nehemia 7:28 : De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
[^nehemia-12-29-25]: Kanttekening 25: Omdat alles door de Babylonische oorlogen zeer verwoest was, en opdat zij bij de hand mochten zijn om hun dienst; zie boven, Neh. 11:20 , 11:30 . Nehemia 11:20 : Het overige nu van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, een ieder in zijn erfdeel. Nehemia 11:30 : Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
[^nehemia-12-30-26]: Kanttekening 26: Vergelijk Gen. 35:2 ; Ex. 19:10 , 19:15 ; Num. 19:2 ; 2 Kron. 29:5 , 29:15 , 29:16 , enz.; Ezra 6:20 , 6:21 . Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren; Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, Exodus 19:15 : En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw. Numeri 19:2 : Dit is de inzetting van de wet, die YHWH geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij tot u brengen een rode volkomen vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is. 2 Kronieken 29:5 : En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom. 2 Kronieken 29:15 : En zij verzamelden hun broers, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de koning, door de woorden van YHWH, om het huis van YHWH te reinigen. 2 Kronieken 29:16 : Maar de priesters gingen binnen in het huis van YHWH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis van YHWH al de onreinigheid, die zij in de tempel van YHWH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron. Ezra 6:20 : Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen van de gevangenis, en voor hun broers, de priesters, en voor zichzelven. Ezra 6:21 : Zo aten de kinderen van Israël, die uit de gevangenis wedergekomen waren, en ook al wie zich van de onreinigheid van de heidenen van het land tot hen afgezonderd had, om YHWH, de God van Israël, te zoeken.
[^nehemia-12-31-27]: Kanttekening 27: een ter rechterhand: Van de andere hoop van de dankzeggenden, zie vers 38 . Nehemia 12:38 : Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelfde, met de helft van het volk, op de muur, van boven de Bakoventoren, tot aan de brede muur;
[^nehemia-12-31-28]: Kanttekening 28: Vergelijk deze beschrijving van de muur met boven, Neh. 2:13 , 2:14 , 2:15 , en Neh. 3 , en zie de aantekening daar. Nehemia 2:13 : En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd. Nehemia 2:14 : En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar de vijver van de koning; maar daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan. Nehemia 2:15 : Toen ging ik op, 's nachts, door de beek, en ik brak aan de muur; en ik keerde weer, en kwam in door de Dalpoort; zo keerde ik opnieuw.
[^nehemia-12-36-29]: Kanttekening 29: Die van David gevonden, of bestemd en overgeleverd waren.
[^nehemia-12-36-30]: Kanttekening 30: man van God: Dat is, van de profeet, gelijk boven, vers 24 . Nehemia 12:24 : De hoofden dan van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broers tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, de man van God, wacht tegen wacht.
[^nehemia-12-37-31]: Kanttekening 31: tegen hen over: Aan de andere zijde van de stad, opdat beide hopen eindelijk elkaar mochten ontmoeten en tezamen naar de tempel gaan. Zie vers 40 . Nehemia 12:40 : Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft van de overheden met mij.
[^nehemia-12-39-32]: Kanttekening 32: Anders, naar, en zo in het volgende.
[^nehemia-12-39-33]: Kanttekening 33: bleven staan: Hebreeuws, עָ֣מְד֔וּ, stonden in, of bij de poort van de bewaring; dat is gevangenis; gelijk Jer. 32:2 . Jeremia 32:2 : (De legermacht nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is.
[^nehemia-12-44-34]: Kanttekening 34: Vergelijk onder, Neh. 13:5 , 13:12 , 13:13 , en boven, Neh. 10:37 , 10:38 . Nehemia 13:5 : En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, de wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook het hefoffer van de priesters. Nehemia 13:12 : Toen bracht geheel Juda de tienden van het koren, en van de most, en van de olie, in de schatten. Nehemia 13:13 : En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Matthanja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broers uit te delen. Nehemia 10:37 : En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij; Nehemia 10:38 : En dat er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kamers van het schathuis.
[^nehemia-12-44-35]: Kanttekening 35: van de steden: Dat is, die rondom de steden lagen.
[^nehemia-12-44-36]: Kanttekening 36: van de wet: Dat is, die in de wet verordineerd waren voor, enz. Tot de opbrenging waarvan zij zich opnieuw verbonden hadden, boven, Neh. 10:35 , enz. Nehemia 10:35 : Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen in het huis van YHWH;
[^nehemia-12-44-37]: Kanttekening 37: was vrolijk: Hebreeuws, שִׂמְחַ֣ת, \[daar was\] blijdschap, of vrolijkheid van Juda; of, de vrolijkheid van Juda \[was\] over, enz.
[^nehemia-12-44-38]: Kanttekening 38: Dat is, hun dienst vlijtiglijk en getrouwelijk waarnamen, en daarin zo zouden voortgaan, daar zij tevoren in het land verstrooid waren door gebrek aan onderhoud, dat men nu gewillig en met vreugde opbracht. Vergelijk onder, Neh. 13:10 . Nehemia 13:10 : Ook vernam ik, dat het deel van de Levieten hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het werk deden, gevlucht waren, een ieder naar zijn akker.
[^nehemia-12-45-39]: Kanttekening 39: Bezorgende dat de godsdienst in alles wel verricht mocht worden; zie Lev. 8:35 . Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.
[^nehemia-12-45-40]: Kanttekening 40: Gelijk boven, vers 30 . Nehemia 12:30 : En de priesters en de Levieten reinigden zichzelven; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en de muur.
[^nehemia-12-45-41]: Kanttekening 41: ook de zangers: Versta, dat die hun beurten vlijtiglijk waarnamen. Anders, en de zangers en de portiers wachtten, enz.
[^nehemia-12-45-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 25 .
[^nehemia-12-46-42]: Kanttekening 42: Hieronder mee begrepen Heman en Jeduthun; 1 Kron. 25:1 , enz. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst.
[^nehemia-12-46-43]: Kanttekening 43: hoofden van de zangers: Dat is, zangmeesters, voorzangers en opzieners, van de voornaamsten, die daarop letten, dat de dienst en alle beurten van de zangers wel werden waargenomen, enz.; zie boven, vers 42 , en Neh. 11:17 , en 1 Kron. 25:2 , 25:3 , 25:6 . Nehemia 12:42 : Verder Maäseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malchia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizrahja, de opziener. Nehemia 11:17 : En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broers; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun. 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde. 1 Kronieken 25:3 : Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met YHWH te danken en te loven. 1 Kronieken 25:6 : Deze waren allemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis van YHWH, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis van God, aan de handen van de koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman.
[^nehemia-12-47-44]: Kanttekening 44: delen van de zangers: Gelijk boven, vers 44 . Nehemia 12:44 : Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers van de steden te verzamelen de delen van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden.
[^nehemia-12-47-45]: Kanttekening 45: elk dagelijks: Hebreeuws, דְּבַר, het woord, of de zaak, van een dag op zijn dag.
[^nehemia-12-47-46]: Kanttekening 46: Te weten, het volk, of geheel Israël.
[^nehemia-12-47-47]: Kanttekening 47: heiligden voor de Levieten: Dat is, zij zonderden af en gaven de Levieten de tienden, enz., die daartoe geheiligd waren, en waardoor de gehele rest, die zij behielden, voor hun particulier gebruik geheiligd werd. Zie Num. 18:21 , 18:26 . Numeri 18:21 : En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Numeri 18:26 : U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden;
[^nehemia-12-47-48]: Kanttekening 48: heiligden voor de kinderen van Aäron: Dat is, zij zonderden af en gaven de hogepriester tienden van de tienden, die zij hadden ontvangen, naar de wet van God; Num. 18:26 , enz. Zie ook daar Num. 18:8 . Numeri 18:26 : U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden; Numeri 18:8 : Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.

### Nehemia 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nehemia/13.json)

*Bij het voorlezen van Gods wet wordt alle vermenging met de vreemde volken van Israël afgescheiden, vers 1, enz. Terwijl Nehemia weer naar de koning vertrokken was, waren verscheidene grove misbruiken in Gods kerk binnengeslopen, waarvan hij die, na zijn terugkomst, zuivert, door de kamers aan Gods huis te reinigen, die Eljasib verontreinigd had, 4; door de priesters en Levieten te herstellen in hun ambt en onderhoud, waarover hij schatmeesters aanstelt, 10, 30; door alle ontheiliging van de sabbat af te schaffen, 15; alsook alle huwelijken met de heidense volken gesloten, 23.*

**1** [^nehemia-13-1-1] Op die dag werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren van het volk; en daarin werd[^nehemia-13-1-a] geschreven gevonden, dat de[^nehemia-13-1-2] Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de[^nehemia-13-1-3] gemeente van God, tot in eeuwigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v1)

**2** Omdat zij de Israëlieten niet waren tegengekomen met[^nehemia-13-2-4] brood en met water,[^nehemia-13-2-b] ja, Bileam tegen[^nehemia-13-2-5] hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God de vloek omkeerde in een zegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v2)

**3** Zo gebeurde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle[^nehemia-13-3-6] vermengeling van Israël afscheidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v3)

**4** Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de[^nehemia-13-4-7] kamer van het huis van onze God, was te voren[^nehemia-13-4-8] nabestaande van Tobia geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v4)

**5** En hij had[^nehemia-13-5-9] hem een[^nehemia-13-5-10] grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren wegbrachten het voedseloffer, de wierook en de voorwerpen, en de tienden van koren, van nieuwe wijn en van olie,[^nehemia-13-5-11] die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook[^nehemia-13-5-12] het hefoffer van de priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v5)

**6** Maar in[^nehemia-13-6-13] dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het[^nehemia-13-6-14] twee en dertigste jaar van[^nehemia-13-6-15] Arthahsasta, koning van[^nehemia-13-6-16] Babel, kwam ik tot de koning; maar na[^nehemia-13-6-17] verloop van sommige dagen[^nehemia-13-6-18] verkreeg ik weer verlof van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v6)

**7** En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem een kamer in[^nehemia-13-7-19] de voorhoven van Gods huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v7)

**8** En het[^nehemia-13-8-20] mishaagde mij zeer; zo wierp ik[^nehemia-13-8-21] al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v8)

**9** Verder[^nehemia-13-9-22] gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de voorwerpen van Gods huis, met het voedseloffer en de wierook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v9)

**10** Ook vernam ik, dat het deel van de[^nehemia-13-10-23] Levieten hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het[^nehemia-13-10-24] werk deden, gevlucht waren, ieder naar zijn akker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v10)

**11** En ik[^nehemia-13-11-25] twistte met de overheden, en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Maar ik verzamelde hen, en herstelde[^nehemia-13-11-27] ze in hun stand.[^nehemia-13-11-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v11)

**12** Toen bracht geheel Juda de tienden van het koren, en van de nieuwe wijn, en van de olie, in de[^nehemia-13-12-28] schatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v12)

**13** En ik stelde tot schatmeesters[^nehemia-13-13-29] over de schatten, Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en[^nehemia-13-13-30] aan hun hand Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Matthanja; want zij werden[^nehemia-13-13-31] getrouw geacht, en[^nehemia-13-13-32] hun werd opgelegd aan hun broers uit te delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v13)

**14** [^nehemia-13-14-33] Denk aan mij, mijn God,[^nehemia-13-14-34] in deze; en wis mijn goedertierenheden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan[^nehemia-13-14-35] Zijn[^nehemia-13-14-36] wachten gedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v14)

**15** In dezelfde dagen zag ik in Juda, die[^nehemia-13-15-37] persen traden op de sabbat, en die graanschoven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en[^nehemia-13-15-38] allen last, die zij te Jeruzalem inbrachten op de sabbatdag; en ik[^nehemia-13-15-39] betuigde tegen[^nehemia-13-15-40] hen op de dag als zij eetwaren verkochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v15)

**16** Daar waren ook[^nehemia-13-16-41] Tyriërs[^nehemia-13-16-42] binnen, die vis aanbrachten, en[^nehemia-13-16-43] alle koopwaren, die zij op de sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v16)

**17** Zo twistte ik met de[^nehemia-13-17-44] edelen van Juda, en zei tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat u doet, en[^nehemia-13-17-c] ontheiligt de sabbatdag? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v17)

**18** Deden niet uw vaders zo, en onze God bracht al dit[^nehemia-13-18-45] kwaad over ons en over deze stad? En u[^nehemia-13-18-46] maakt de hittige[^nehemia-13-18-47] toorn nog meer over Israël, ontheiligende de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v18)

**19** Het gebeurde nu, als de poorten van Jeruzalem[^nehemia-13-19-48] schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik[^nehemia-13-19-49] bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v19)

**20** Toen overnachtten de marskramers, en de verkopers van[^nehemia-13-20-50] alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v20)

**21** Zo betuigde ik tegen hen, en zei tot hen: Waarom overnacht u tegenover de muur? Zo u het weer doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet op de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v21)

**22** Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de[^nehemia-13-22-51] poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Denk aan mij ook in deze, mijn God! en spaar mij naar de[^nehemia-13-22-52] veelheid van Uw[^nehemia-13-22-53] goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v22)

**23** Ook zag ik in die dagen Joden, die[^nehemia-13-23-54] Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden[^nehemia-13-23-55] doen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v23)

**24** En hun kinderen spraken[^nehemia-13-24-56] half Asdodisch, en zij[^nehemia-13-24-57] konden geen Joods spreken, maar naar de taal van ieder volk[^nehemia-13-24-58]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v24)

**25** Zo twistte ik met hen, en[^nehemia-13-25-59] vloekte hen, en[^nehemia-13-25-60] sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God:[^nehemia-13-25-61] Als u uw dochters hun zonen zult geven, en als u van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen![^nehemia-13-25-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v25)

**26** [^nehemia-13-26-d] Heeft niet Salomo, de koning van Israël, daarin gezondigd,[^nehemia-13-26-e] hoewel er onder vele heidenen geen koning was, zoals hij, en hij zijn God lief was, en God hem tot koning over geheel Israël gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v26)

**27** [^nehemia-13-27-63] Zouden wij dan naar u horen, dat u al dit grote kwaad zou doen, overtredende tegen onze God, doende vreemde vrouwen[^nehemia-13-27-64] bij u wonen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v27)

**28** Ook was er[^nehemia-13-28-65] één van de kinderen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, schoonzoon geworden van[^nehemia-13-28-66] Sanballat, de Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v28)

**29** [^nehemia-13-29-67] Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben[^nehemia-13-29-68] verontreinigd, ja, het[^nehemia-13-29-69] verbond van het priesterdom en van de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v29)

**30** Zo reinigde ik hen van[^nehemia-13-30-70] alle vreemden; en ik bestelde de[^nehemia-13-30-71] wachten van de priesters en van de Levieten, elk op zijn werk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v30)

**31** Ook tot het[^nehemia-13-31-72] offer van het hout, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen.[^nehemia-13-31-73] Denk aan mij, mijn God, ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nehemia/13.html#v31)

[^nehemia-13-1-1]: Kanttekening 1: die dage: Dit verstaan sommigen geschied te zijn, nadat Nehemia ten tweede male van de koning Artaxerxes weer te Jeruzalem gekomen was. Zie vers 4 , 13:6 . Nehemia 13:4 : Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voor deze nabestaande van Tobia geworden. Nehemia 13:6 : Maar in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot de koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weer verlof van de koning.
[^nehemia-13-1-a]: Verwijzing a: Deut. 23:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Deuteronomium 23:3 : Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen tot in eeuwigheid. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Deuteronomium 23:5 : Maar YHWH, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar YHWH, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat YHWH, uw God, u liefhad.
[^nehemia-13-1-2]: Kanttekening 2: Ammonieten en de Moabieten: Hebreeuws, עַמֹּנִ֧י, Ammoniet en Moabiet.
[^nehemia-13-1-3]: Kanttekening 3: gemeente van God: Zie Deut. 23:1 . Deuteronomium 23:1 : Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering van YHWH niet komen.
[^nehemia-13-2-4]: Kanttekening 4: brood en met water: Dat is, voedsel en drank.
[^nehemia-13-2-b]: Verwijzing b: Num. 22:5 ; Joz. 24:9 . Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijn volk, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. Jozua 24:9 : Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.
[^nehemia-13-2-5]: Kanttekening 5: hen gehuurd hadden: Versta, Israël; dat is het volk van Israël.
[^nehemia-13-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, allen die van vreemde afgodische, heidense volken waren, en niet van Israël. Vergelijk boven, Neh. 9:2 . Nehemia 9:2 : En het zaad van Israël scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.
[^nehemia-13-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, kamers; zie onder, vers 9 , en Ezra 8:29 . Nehemia 13:9 : Verder gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en de wierook. Ezra 8:29 : Waakt en bewaart het, totdat u het opweegt, in aanwezigheid van de oversten van de priesters en Levieten, en van de vorsten van de vaderen van Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis van YHWH.
[^nehemia-13-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, hij had zich met hem bevriend, of aan hem verzwagerd, niettegenstaande dat hij een bitter vijand van Gods volk was. Zie boven, Neh. 6:1 , 6:14 , 6:17 , 6:19 , en vergelijk onder, vers 28 . Nehemia 6:1 : Verder is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten; Nehemia 6:14 : Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. Nehemia 6:17 : Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen. Nehemia 6:19 : Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij vreesachtig te maken. Nehemia 13:28 : Ook was er één van de kinderen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, de Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg.
[^nehemia-13-5-9]: Kanttekening 9: Tobia.
[^nehemia-13-5-10]: Kanttekening 10: grote kamer: De wanden van enige kamers doorbrekende, had hij voor Tobia een grote ruime kamer daarvan gemaakt, om zijn huisraad daarin te stellen. Zie vers 8 . Nehemia 13:8 : En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer.
[^nehemia-13-5-11]: Kanttekening 11: die bevolen: Hebreeuws, תִּיר֣וֹשׁ, het bevel, of gebod van de Levieten, enz.; dat is, waarvan God bevolen had, dat men ze de Levieten, enz. geven zou, of het bevolen of verordineerd \[deel\] van de Levieten, enz. Zie Num. 18:24 . Numeri 18:24 : Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven.
[^nehemia-13-5-12]: Kanttekening 12: het hefoffer: Dat is, wat zij de priesters moesten geven, te weten, de tienden van de tienden van de Levieten, enz.; zie Num. 18:8 , 18:26 . Numeri 18:8 : Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting. Numeri 18:26 : U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden;
[^nehemia-13-6-13]: Kanttekening 13: dit alles: Nehemia wil zeggen dat alles in zijn afwezen binnen korte tijd weer vervallen was.
[^nehemia-13-6-14]: Kanttekening 14: twee en dertigste jaar: Als ik twaalf jaren met toestemming van de koning te Jeruzalem geweest was.
[^nehemia-13-6-15]: Kanttekening 15: Zie Ezra 6:14 . Ezra 6:14 : En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië.
[^nehemia-13-6-16]: Kanttekening 16: Dat nu was onder de Perzische monarchie.
[^nehemia-13-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, na enige tijd, of \[gelijk anderen\] na een vol jaar, dat door dagen somtijds wordt verstaan.
[^nehemia-13-6-18]: Kanttekening 18: verkreeg ik: Of, mij werd verlof verkregen. Het Hebreeuwse woord zou eigenlijk betekenen: Ik werd geëist, verzocht, of, ontboden. Het kan zijn dat Nehemia, zich ontziende om zelf weer verlof te begeren, hetzelfde door anderen heeft laten verzoeken, en dat de koning hem daarop ontboden en verlof gegeven heeft. Zonder twijfel hebben ook godvruchtige Joden Nehemia laten weten de vervallen staat van Gods volk en zijn overkomst ernstiglijk verzocht, enz.
[^nehemia-13-7-19]: Kanttekening 19: Gelijk boven, Neh. 8:17 . Nehemia 8:17 : Zo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, een ieder op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat van de Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort.
[^nehemia-13-8-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, het was mij zeer kwaad; dat is, \[gelijk de Schrift elders spreekt\] het was zeer kwaad in mijn ogen; dat is, het misviel mij zeer.
[^nehemia-13-8-21]: Kanttekening 21: al het huisraad: Hebreeuws, בֵית, alle vaten, of, alle gereedschap van het huis van Tobia.
[^nehemia-13-9-22]: Kanttekening 22: gaf ik bevel: Hebreeuws, יְטַהֲר֖וּ, ik zei; zie 2 Kron. 29:24 , 29:27 ; Job 9:7 ; Esth. 9:25 , en vergelijk Gen. 1:3 ; Jona 2:10 met de aantekening. Of, ik zei dat zij de kamers zouden reinigen. Zo onder, vers 19 . 2 Kronieken 29:24 : En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gehele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen. 2 Kronieken 29:27 : En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van YHWH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. Job 9:7 : Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; Esther 9:25 : Maar als zij voor de koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou terugkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. Jona 2:10 : YHWH nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge. Nehemia 13:19 : Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag.
[^nehemia-13-10-23]: Kanttekening 23: Dat is, het onderhoud, dat men hun naar Gods wet schuldig was te geven; en waartoe het volk zich met ede verplicht had, boven, Neh. 10:37 . Nehemia 10:37 : En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;
[^nehemia-13-10-24]: Kanttekening 24: werk deden: Te weten, van YHWH, dat is, de gewoonlijke godsdienst.
[^nehemia-13-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, ik bestrafte hen, bekeef hen scherpelijk; zo vers 17 , 13:25 . Nehemia 13:17 : Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zei tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat u doet, en ontheiligt de sabbatdag? Nehemia 13:25 : Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Als u uw dochters hun zonen zult geven, en als u van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen!
[^nehemia-13-11-27]: Kanttekening 27: in hun stand: Om de godsdienst, gelijk tevoren, weer waar te nemen.
[^nehemia-13-11-26]: Kanttekening 26: vergaderde hen: Uit de plaatsen, waar zij heen gevlucht en verstrooid waren.
[^nehemia-13-12-28]: Kanttekening 28: Dat is, schatkamers. Zie boven, vers 5 . Nehemia 13:5 : En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, de wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook het hefoffer van de priesters.
[^nehemia-13-13-29]: Kanttekening 29: over de schatten: Gelijk boven, Neh. 12:44 , en 1 Kron. 26:20 , enz.; 2 Kron. 31:12 , enz. Nehemia 12:44 : Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers van de steden te verzamelen de delen van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden. 1 Kronieken 26:20 : Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen. 2 Kronieken 31:12 : Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonanja, de Leviet, overste, en Simeï, zijn broer, de tweede.
[^nehemia-13-13-30]: Kanttekening 30: aan hun hand Hanan: Dat is, tot hun dienst of hulp.
[^nehemia-13-13-31]: Kanttekening 31: getrouw geacht: Vergelijk boven, Neh. 7:2 . Nehemia 7:2 : En ik gaf bevel aan mijn broer Hanani, en aan Hananja, de overste van de burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.
[^nehemia-13-13-32]: Kanttekening 32: hun werd opgelegd: Hebreeuws, נֶחְשָׁ֔בוּ, \[het was\] op hen; dat is, het was hun plicht, hun last.
[^nehemia-13-14-33]: Kanttekening 33: Gedenk mijner: Vergelijk Gen. 8:1 ; Hebr., 6:10 , en onder, vers 22 , 13:31 , en zie boven, Neh. 5:19 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Hebreeën 6:10 : Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. Nehemia 13:22 : Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in deze, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid van Uw goedertierenheid. Nehemia 13:31 : Ook tot het offer van het hout, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God, ten goede. Nehemia 5:19 : Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb.
[^nehemia-13-14-34]: Kanttekening 34: in deze: Of, wat dit betreft.
[^nehemia-13-14-35]: Kanttekening 35: Gelijk 2 Kron. 32:32 , en 2 Kron. 35:26 . 2 Kronieken 32:32 : Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek van de koningen van Juda en Israël. 2 Kronieken 35:26 : Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet van YHWH;
[^nehemia-13-14-36]: Kanttekening 36: Bezorgende dat de godsdienst in uw tempel van een ieder, volgens zijn ambt, wel mocht worden waargenomen; zie Num. 3:7 . Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen;
[^nehemia-13-15-37]: Kanttekening 37: Wijnpersen en oliepersen.
[^nehemia-13-15-38]: Kanttekening 38: allen last: Dat is, allerlei last.
[^nehemia-13-15-39]: Kanttekening 39: Verklarende bij de Heer dat ik het niet meer zou lijden.
[^nehemia-13-15-40]: Kanttekening 40: tegen hen : Gelijk onder, vers 21 . Nehemia 13:21 : Zo betuigde ik tegen hen, en zei tot hen: Waarom overnacht u tegenover de muur? Zo u het weer doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet op de sabbat.
[^nehemia-13-16-41]: Kanttekening 41: Geboortig uit de vermaarde stad Tyrus; zie Joz. 19:29 . Jozua 19:29 : En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
[^nehemia-13-16-42]: Kanttekening 42: Binnen Jeruzalem.
[^nehemia-13-16-43]: Kanttekening 43: alle koopwaren: Dat is, allerlei.
[^nehemia-13-17-44]: Kanttekening 44: edelen van Juda: Hebreeuws, אֹמְרָ֣, witte; zie boven, Neh. 2:16 . Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^nehemia-13-17-c]: Verwijzing c: Ex. 20:8 ; Lev. 19:30 . Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Leviticus 19:30 : U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben YHWH!
[^nehemia-13-18-45]: Kanttekening 45: Al deze plagen en straffen.
[^nehemia-13-18-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, doet hittige toorn toe.
[^nehemia-13-18-47]: Kanttekening 47: Van YHWH.
[^nehemia-13-19-48]: Kanttekening 48: schaduw gaven: Of, overschaduwd waren; dat is, tegen de avond, als de zon begon onder te gaan.
[^nehemia-13-19-49]: Kanttekening 49: bevel gaf: Hebreeuws, אֹֽמְרָ, zei; gelijk boven, vers 9 . Nehemia 13:9 : Verder gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en de wierook.
[^nehemia-13-20-50]: Kanttekening 50: Dat is, allerlei.
[^nehemia-13-22-51]: Kanttekening 51: Versta, van de tempel, passende op alles, wat tot de heiliging van de sabbat diende, zonder iets anders op de sabbat te doen, en in het bijzonder toeziende dat er geen onreinen mochten inkomen; zie Num. 3:7 ; 2 Kron. 23:19 . Numeri 3:7 : En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen; 2 Kronieken 23:19 : En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van YHWH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.
[^nehemia-13-22-52]: Kanttekening 52: Of, grootheid.
[^nehemia-13-22-53]: Kanttekening 53: Of, weldadigheid.
[^nehemia-13-23-54]: Kanttekening 54: Dat is, heidense vrouwen van allerlei vreemde volken. Asdod was een stad en streek van de Filistijnen. Zie 1 Sam. 5:1 , 5:2 , enz. 1 Samuël 5:1 : De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod. 1 Samuël 5:2 : En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon.
[^nehemia-13-23-55]: Kanttekening 55: doen wonen: Dat is, getrouwd. \[Zie Ezra 10:2 \] niettegenstaande de reformatie tevoren bij Ezra gedaan, Ezra 9 , en Ezra 10 , en hun eigen belofte \[boven, Neh. 10:30 \] met ede verzegeld. Zo vers 27 . Ezra 10:2 : Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, één van de zonen van Elam, en zei tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onze God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken van het land bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israël, wat dit betreft. Nehemia 10:30 : En dat wij onze dochters niet zouden geven aan de volken van het land, noch hun dochters nemen voor onze zonen. Nehemia 13:27 : Zouden wij dan naar u horen, dat u al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onze God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?
[^nehemia-13-24-56]: Kanttekening 56: half Asdodisch: Anders, de helft van hun kinderen, of een deel.
[^nehemia-13-24-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, zij onderkenden niet, of onderscheidden niet.
[^nehemia-13-24-58]: Kanttekening 58: eens iegelijken volks: Hebreeuws, עָֽם, van volk en volk; dat is, van het ene en het andere volk, elk zo hij van zijn moeder geleerd had, hebbende zo een verbasterde taal met een verbasterde religie.
[^nehemia-13-25-59]: Kanttekening 59: vloekte hen: Uit ijver en justitie verklarende dat zij als meinedige verbondbrekers de vloek op zich geladen hadden, en waard waren verbannen of van Gods volk afgesneden te worden.
[^nehemia-13-25-60]: Kanttekening 60: Tot een openbare straf en versmaadheid. Vergelijk Deut. 25:2 ; 2 Sam. 10:4 . Deuteronomium 25:2 : En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn aanwezigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. 2 Samuël 10:4 : Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.
[^nehemia-13-25-61]: Kanttekening 61: zweren bij God: Deze eed, die hij hun voorzegt, moesten zij op zich nemen, opdat zij, door deze middelen opgewekt zijnde, hierna in zulke gruwelen niet weer mochten vervallen.
[^nehemia-13-25-62]: Kanttekening 62: Een afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk, waarop men verstaan kan: Zo zult u vervloekt zijn, of zo straffe u God. Zie Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^nehemia-13-26-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 11:4 . 1 Koningen 11:4 : Want het geschiedde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met YHWH, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
[^nehemia-13-26-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 3:13 ; 2 Kron. 1:12 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 2 Kronieken 1:12 : De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.
[^nehemia-13-27-63]: Kanttekening 63: Zouden wij dan: Dat is, zouden wij dan u zulks toelaten, daar u veel meer de verleiding onderworpen bent dan die grote, wijze en van God beminde koning Salomo?
[^nehemia-13-27-64]: Kanttekening 64: bij u wonen: Zie vers 23 . Nehemia 13:23 : Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
[^nehemia-13-28-65]: Kanttekening 65: één van de kinderen: Josefus beschrijft dat dit geweest is Manasse, de broer van de hogepriester Jaddua, of Jaddus, van welke zie, boven, Neh. 12:11 . Nehemia 12:11 : En Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan verwekte Jaddua.
[^nehemia-13-28-66]: Kanttekening 66: Zie boven, Neh. 2:10 , en Neh. 4:1 , en Neh. 6:1 , enz. Nehemia 2:10 : Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen van Israël. Nehemia 4:1 : Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij de muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden. Nehemia 6:1 : Verder is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;
[^nehemia-13-29-67]: Kanttekening 67: Gedenk aan hen: Gelijk boven, Neh. 6:14 . Nehemia 6:14 : Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken.
[^nehemia-13-29-68]: Kanttekening 68: Begaande zulke gruwelen, gelijk boven verhaald is.
[^nehemia-13-29-69]: Kanttekening 69: Versta, het bijzonder en nader verbond, dat God met Aäron en zijn zaad, en ook de Levieten, aangaande hun heilige ambten gemaakt had.
[^nehemia-13-30-70]: Kanttekening 70: alle vreemden: Hebreeuws, נֵכָ֑ר, allen vreemde; in het enkelvoudig getal. Versta de heidense vrouwen en kinderen, met de aanklevende onreinheid van het heidendom.
[^nehemia-13-30-71]: Kanttekening 71: Gelijk boven, vers 14 . Nehemia 13:14 : Gedenk mijner, mijn God, in deze; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan Zijn wachten gedaan heb.
[^nehemia-13-31-72]: Kanttekening 72: offer van het hout: Zie boven, Neh. 10:34 . Nehemia 10:34 : Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar van YHWH, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is;
[^nehemia-13-31-73]: Kanttekening 73: Gedenk mijner: Vergelijk boven, Neh. 5:19 , en in vers 14 , 13:22 . Nehemia 5:19 : Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. Nehemia 13:14 : Gedenk mijner, mijn God, in deze; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan Zijn wachten gedaan heb. Nehemia 13:22 : Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in deze, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid van Uw goedertierenheid.

## Esther

### Esther 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/1.json)

*Koning Ahasveros geeft al zijn landvorsten een schitterend feestmaal, vers 1 enz. Ook het hele volk te Susan, 4. Koningin Vasthi houdt ook een maaltijd voor de vrouwen, 9. De koning beveelt koningin Vasthi voor hem, de vorsten, en al het volk te verschijnen, 10. wat zij weigert te doen, 12. Daarom verstoot hij haar, 13. opdat andere vrouwen zich daaraan zouden spiegelen, 17. Daaruit wordt een wet gemaakt, dat iedere man heer zou zijn in zijn huis, 22.*

**1** Het gebeurde nu in de dagen van[^esther-1-1-1] Ahasveros, (hij is die Ahasveros, die regeerde[^esther-1-1-2] van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig gewesten). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v1)

**2** In die dagen, als de koning Ahasveros op de troon van zijn koninkrijk zat, die[^esther-1-2-3] op de burg Susan was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v2)

**3** In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de[^esther-1-3-4] grootste heren en de oversten van de gewesten waren voor zijn aangezicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v3)

**4** Als hij vertoonde[^esther-1-4-5] de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk, en de kostbaarheid van het sieraad van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v4)

**5** Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd voor al het volk,[^esther-1-5-6] dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van het hof van het koninklijk paleis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v5)

**6** Er waren witte, groene en hemelsblauwe bekleding, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren;[^esther-1-6-7] de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van[^esther-1-6-8] porfiersteen, en van marmer, en albast, en[^esther-1-6-9] kostelijke stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v6)

**7** En men gaf te drinken in bekers van goud, en[^esther-1-7-10] de ene beker was anders dan de andere beker; en er was veel[^esther-1-7-11] koninklijke wijn,[^esther-1-7-12] naar het vermogen van de[^esther-1-7-13] koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v7)

**8** En het drinken gebeurde naar de wet, dat[^esther-1-8-14] niemand dwong; want zo had de koning[^esther-1-8-15] nadrukkelijk bevolen[^esther-1-8-16] aan alle groten van zijn huis, dat zij doen zouden naar de wil[^esther-1-8-17] van ieder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v8)

**9** De koningin Vasthi maakte ook[^esther-1-9-18] een maaltijd voor de vrouwen[^esther-1-9-19] in het koninklijk huis, dat de koning Ahasveros had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v9)

**10** Op[^esther-1-10-20] de zevende dag, toen het hart van de koning[^esther-1-10-21] vrolijk was van de wijn,[^esther-1-10-22] zei hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven[^esther-1-10-23] kamerlingen, dienende voor het aangezicht van de koning Ahasveros, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v10)

**11** [^esther-1-11-24] Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht van de[^esther-1-11-25] koning, met de koninklijke kroon, om[^esther-1-11-26] de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was[^esther-1-11-27] knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v11)

**12** Maar de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning, dat door[^esther-1-12-28] de dienst van de kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer toornig, en zijn woede ontstak in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v12)

**13** Toen zei de koning tot de wijzen, die[^esther-1-13-29] de tijden verstonden[^esther-1-13-30] (want zo moest de zaak van de koning[^esther-1-13-31] gebeuren, in de aanwezigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v13)

**14** De[^esther-1-14-32] naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan,[^esther-1-14-33] zeven vorsten van de Perzen en van de Meden,[^esther-1-14-34] die het aangezicht van de koning zagen, die[^esther-1-14-35] vooraan zaten in het koninkrijk), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v14)

**15** Wat[^esther-1-15-36] men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou,[^esther-1-15-37] omdat zij niet gedaan had[^esther-1-15-38] het woord van de koning Ahasveros, door de dienst van de kamerlingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v15)

**16** [^esther-1-16-39] Toen zei Memuchan voor het aangezicht van de koning en van de vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen[^esther-1-16-40] tegen de koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de gewesten van de koning Ahasveros zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v16)

**17** Want[^esther-1-17-41] deze daad van de koningin zal uitkomen tot alle vrouwen,[^esther-1-17-42] zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zei, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v17)

**18** Op deze zelfde dag zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook zo zeggen tot al de vorsten van de koning, als zij[^esther-1-18-43] deze daad van de koningin zullen horen, en[^esther-1-18-44] er zal verachting en toorn genoeg wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v18)

**19** [^esther-1-19-45] Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod[^esther-1-19-46] van hem[^esther-1-19-47] uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en[^esther-1-19-48] dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar[^esther-1-19-49] koninkrijk[^esther-1-19-50] aan haar naaste, die beter is dan zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v19)

**20** Als het bevel van de koning, dat hij doen zal in zijn hele koninkrijk,[^esther-1-20-51] (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen[^esther-1-20-52] eer geven, van de grootste tot de kleinste toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v20)

**21** [^esther-1-21-23_53_] Dit woord nu was goed in de ogen van de koning en van de vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v21)

**22** En[^esther-1-22-54] hij zond brieven aan al de gewesten van de[^esther-1-22-55] koning, aan ieder gewest naar zijn schrift, en[^esther-1-22-56] aan elk volk naar zijn taal, dat elk man heerser in zijn huis wezen zou, en[^esther-1-22-57] spreken naar de taal van zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/1.html#v22)

[^esther-1-1-1]: Kanttekening 1: Hij wordt in de Griekse geschiedschrijving (naar sommiger mening) Xerxes genoemd, de zoon van Darius Hystaspes, over wie gesproken wordt in Ezra 4:6.
[^esther-1-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: van Hodu tot aan Chus.
[^esther-1-2-3]: Kanttekening 3: Of: in het paleis. Of: in de hoofdstad Susan. Het lijkt erop dat de stad en de burcht, of het paleis, dezelfde naam hadden. Zie onder 3:15 en 4:6.
[^esther-1-3-4]: Kanttekening 4: Zie Dan. 1 op vers 3.
[^esther-1-4-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de rijkdom van zijn voortreffelijk koninkrijk.
[^esther-1-5-6]: Kanttekening 6: Dit zegt meer dan wanneer er stond: die te Susan woonden, want er waren er velen op dit feestmaal die niet in Susan woonden.
[^esther-1-6-7]: Kanttekening 7: Of: rustbedden. Namelijk die waarop men aan tafel lag en at, naar het gebruik van de Perzen en andere volken; zie onder hst. 7, de aantekening op vers 8.
[^esther-1-6-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: Bahat, dat is porfier of marmer, rood als purper; anders: rood marmer.
[^esther-1-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: Sochereth, dit is de naam van een kostbare steen, ons onbekend. Anderen nemen het voor gespikkeld marmer van verschillende kleuren.
[^esther-1-7-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: en de bekers waren van de bekers onderscheiden, verscheiden, of anders.
[^esther-1-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: wijn van het koninkrijk.
[^esther-1-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: zoals zulks een zo machtige koning betaamde.
[^esther-1-7-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: hand.
[^esther-1-8-14]: Kanttekening 14: Anders: niemand dwinge. De betekenis is dat men aan iedereen zoveel wijn zou inschenken als hij begeerde, maar dat de één de ander niet zou dwingen de bekers leeg te drinken, maar dat ieder zou drinken en anderen laten drinken, zoveel als het ieder behaagde.
[^esther-1-8-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: gegrond, gegrondvest.
[^esther-1-8-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: aan allen meester of overste van zijn huis.
[^esther-1-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: van de man en van de man. De betekenis is dat men aan iedereen zou inschenken en laten drinken, zoveel wijn als hij begeerde, en niet meer.
[^esther-1-9-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: een feestmaal van de vrouwen, namelijk voor die vrouwen van wie mannen bij de koning aten. Het was bij de Perzen niet gebruikelijk dat vrouwen bij gastmalen naast de mannen zaten en aten.
[^esther-1-9-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: in het huis van het koninkrijk.
[^esther-1-10-20]: Kanttekening 20: Dit was de laatste dag van dat voortreffelijke feestmaal.
[^esther-1-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: goed.
[^esther-1-10-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: hij beval, of hij gelastte.
[^esther-1-10-23]: Kanttekening 23: Of: hovelingen; en zo ook in het vervolg; zie Gen. 37 op vers 36.
[^esther-1-11-24]: Kanttekening 24: Om dit te bevelen werd de koning meer door dronkenschap bewogen dan door gegronde redenen.
[^esther-1-11-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: met de kroon van het koninkrijk.
[^esther-1-11-26]: Kanttekening 26: Namelijk die te Susan waren.
[^esther-1-11-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: goed.
[^esther-1-12-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: door de hand, dat wil zeggen door de dienst, zoals in Ex. 9:35. Zie de aantekening daar.
[^esther-1-13-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die in de geschiedenis van vroegere tijden en het behandelen van zaken goed bedreven waren. Vergelijk 1 Kron. 12:32.
[^esther-1-13-30]: Kanttekening 30: Hij wil zeggen dat de koningen in Perzië in gewichtige zaken niets deden dan met raad en goedvinden van de vorsten van het rijk.
[^esther-1-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: beraadslaagd worden.
[^esther-1-14-32]: Kanttekening 32: Of: namelijk de naastbijzijnden bij hem, Carsena enz. Men verstaat dat deze vorsten het dichtst bij de koning zaten; of dat zij de hoogst geachten bij de koning waren.
[^esther-1-14-33]: Kanttekening 33: Ezra 7:14 noemt hen de zeven raadsheren van de koning.
[^esther-1-14-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: die dagelijks bij en rondom de koning waren. Zie de aantekening 2 Kon. 25:19 en Ezra 7:14. Als de koning op iemand vertoornd was, mocht die zijn aangezicht niet aanschouwen, zoals blijkt uit 7:8.
[^esther-1-14-35]: Kanttekening 35: Of: bovenaan.
[^esther-1-15-36]: Kanttekening 36: Namelijk naar de wetten van de Perzen en de Meden.
[^esther-1-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: omdat zij geroepen zijnde niet gekomen was.
[^esther-1-15-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: mijn woord en bevel; hij spreekt van zichzelf in de derde persoon.
[^esther-1-16-39]: Kanttekening 39: Het lijkt erop dat Memuchan, nog aan tafel bij de koning, dit oordeel heeft geveld. Want de Perzen plachten vaak, dronken zijnde, met elkaar over gewichtige zaken te beraadslagen.
[^esther-1-16-40]: Kanttekening 40: Memuchan wil zeggen dat Vasthi tegen de koning gezondigd had met haar daad, en tegen de vorsten en het volk met een slecht voorbeeld.
[^esther-1-17-41]: Kanttekening 41: Of: dit woord, dat wil zeggen het antwoord van de koningin. Hij wil zeggen: het gerucht van deze daad of dit antwoord zal zich verspreiden en alle vrouwen ter ore komen. Zie vers 18.
[^esther-1-17-42]: Kanttekening 42: Memuchan wil zeggen: het zal aanleiding geven dat ook onze en andere vrouwen hun mannen zullen minachten.
[^esther-1-18-43]: Kanttekening 43: Zie vers 17.
[^esther-1-18-44]: Kanttekening 44: Hij wil zeggen: hieruit zal voortkomen dat vrouwen hun mannen zullen minachten, waarover de mannen op hen toornig zullen worden, en zo zal er voortdurend twist en onvrede zijn tussen man en vrouw.
[^esther-1-19-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: als het goed is bij de koning.
[^esther-1-19-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: op zijn naam. Hebreeuws: van zijn aanwezigheid, of van voor zijn aangezicht.
[^esther-1-19-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: gepubliceerd of openlijk verkondigd worde.
[^esther-1-19-48]: Kanttekening 48: Of: dat het niet herroepen worde; zo ook onder hst. 3 vers 3; of: dat het onherroepelijk zij.
[^esther-1-19-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: haar koninklijke waardigheid.
[^esther-1-19-50]: Kanttekening 50: Of: aan haar gezellin, dat wil zeggen aan een andere.
[^esther-1-20-51]: Kanttekening 51: Of: hoewel het groot is.
[^esther-1-20-52]: Kanttekening 52: Of: eer doen, dat wil zeggen in ere houden.
[^esther-1-21-23_53_]: Kanttekening 23\[53\]: Dat wil zeggen: dit advies of voorstel.
[^esther-1-22-54]: Kanttekening 54: Namelijk de koning. Of: er werden brieven gezonden aan, enz.
[^esther-1-22-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws: aan provincie en provincie. Dat wil zeggen: aan alle hoge ambtenaren van elk afzonderlijk land.
[^esther-1-22-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws: en aan volk tot volk.
[^esther-1-22-57]: Kanttekening 57: Verstaat hierbij: en niet de taal van zijn vrouw. Het is een teken van gezag dat men zijn eigen taal spreekt en niet gedwongen wordt zijn taal te veranderen ter wille van een ander. Zie Dan. 1:4. Of: dit nu sprak men in de taal van elk volk, zodat ieder het kon verstaan.

### Esther 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/2.json)

*Ahasveros denkt aan Vasthi, vers 1. Er worden veel mooie jonge vrouwen bijeenverzameld, 2. opdat de koning uit hen een koningin kiest in plaats van Vasthi, 4. Mordechai brengt Esther mee onder die jonge vrouwen, 8. Zij vindt gunst bij Hegai, de bewaarder van de jonge vrouwen, 9. Hegai geeft haar haar versieringen, 12. Zij wordt tot de koning gebracht, 16. Hij zet haar de kroon op het hoofd en maakt haar koningin, 17. En hij houdt ter ere van haar een groot bruiloftsfeest, 18. Twee kamerlingen proberen Ahasveros om te brengen, 21. Dit ontdekt Mordechai, 22. Het wordt in de Kroniek geschreven, 23.*

**1** Na deze geschiedenissen, toen[^esther-2-1-1] de woede van de koning Ahasveros gestild was,[^esther-2-1-2] gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v1)

**2** Toen zeiden[^esther-2-2-3] de jongemannen van de koning, die hem dienden: Men zoeke voor de koning meisjes, maagden,[^esther-2-2-4] knap qua uiterlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v2)

**3** En de koning bestelle opzichters in al de gewesten van zijn koninkrijk, dat zij[^esther-2-3-5] verzamelen alle meisjes, maagden, knap qua uiterlijk, tot de burg Susan, tot het huis[^esther-2-3-6] van de vrouwen, onder[^esther-2-3-7] de hand van[^esther-2-3-8] Hegai, de kamerling van de koning, bewaarder van de vrouwen; en men geve haar[^esther-2-3-9] haar versierselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v3)

**4** En het meisje, dat in het oog van de koning[^esther-2-4-10] schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen van de koning, en hij deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v4)

**5** Er was een Joods man op de burg Susan, van wie de naam Mordechai was, een zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis,[^esther-2-5-11] een man van Jemini; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v5)

**6** Die weggevoerd was van Jeruzalem[^esther-2-6-a] met de[^esther-2-6-12] weggevoerden, die weggevoerd waren met[^esther-2-6-13] Jechonia, de koning van Juda,[^esther-2-6-14] die Nebukadnezar, de koning[^esther-2-6-15] van Babel, had weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v6)

**7** En hij was het, die Hadassa opvoedde (deze is[^esther-2-7-16] Esther,[^esther-2-7-17] de dochter van zijn oom); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een meisje, mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mordechai ze zich tot een dochter aangenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v7)

**8** Het gebeurde nu, toen het woord van de koning en zijn wet bekend was, en toen[^esther-2-8-18] vele meisjes samenvergaderd werden op de burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in het huis van de koning, onder de hand van Hegai, de bewaarder van de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v8)

**9** En dat meisje was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij[^esther-2-9-19] met haar versierselen en[^esther-2-9-20] met haar delen haar te geven, en zeven[^esther-2-9-21] aanzienlijke meisjes[^esther-2-9-22] haar te geven uit het huis van de koning; en hij[^esther-2-9-23] verplaatste haar en haar meisjes naar het beste van het huis van de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v9)

**10** Esther had haar volk en haar familie niet te kennen gegeven; want Mordechai[^esther-2-10-24] had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v10)

**11** Mordechai nu wandelde[^esther-2-11-25] allen dag voor het voorhof van het huis van de vrouwen,[^esther-2-11-26] om te vernemen[^esther-2-11-27] naar de welstand van Esther, en[^esther-2-11-28] wat met haar gebeuren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v11)

**12** Als nu[^esther-2-12-29] de beurt[^esther-2-12-30] van elk meisje naderde, om tot de koning Ahasveros te komen,[^esther-2-12-31] nadat haar twaalf maanden lang naar de wet van de vrouwen gebeurd was; want[^esther-2-12-32] zo werden vervuld de dagen van haar versieringen, zes maanden met mirreolie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen van de vrouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v12)

**13** [^esther-2-13-33] Daarmee kwam dan het meisje tot de koning;[^esther-2-13-34] al wat zij zei, werd haar gegeven,[^esther-2-13-35] dat zij daarmee ging uit het huis van de vrouwen[^esther-2-13-36] tot het huis van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v13)

**14** 's Avonds ging zij daarin, en 's morgens ging zij weer naar[^esther-2-14-37] het tweede huis van de vrouwen, onder[^esther-2-14-38] de hand van Saasgaz, de kamerling van de koning, bewaarder van de bijvrouwen, zij kwam niet weer tot de koning, tenzij de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v14)

**15** Als de beurt van Esther, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, (die[^esther-2-15-39] hij zich ter dochter genomen had) naderde, dat zij tot de koning komen zou,[^esther-2-15-40] begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, de kamerling van de koning, de bewaarder van de vrouwen,[^esther-2-15-41] zei; en Esther verkreeg[^esther-2-15-42] genade in de ogen van allen, die haar zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v15)

**16** Zo werd Esther[^esther-2-16-43] genomen tot de koning Ahasveros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, die is de maand[^esther-2-16-44] Tebeth, in het zevende jaar van zijn rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v16)

**17** En de koning hield van Esther boven alle[^esther-2-17-45] vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette[^esther-2-17-46] de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v17)

**18** [^esther-2-18-47] Toen maakte de koning een grote maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten,[^esther-2-18-48] de maaltijd van Esther; en[^esther-2-18-49] hij gaf de gewesten rust, en[^esther-2-18-50] hij gaf geschenken[^esther-2-18-51] naar het vermogen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v18)

**19** Toen[^esther-2-19-52] voor de tweede keer maagden verzameld werden,[^esther-2-19-53] zo zat Mordechai in de poort van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v19)

**20** Esther nu had haar familie en haar volk niet te kennen gegeven, zoals Mordechai[^esther-2-20-54] haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mordechai, zoals[^esther-2-20-55] toen zij bij hem opgevoed werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v20)

**21** In die dagen, als Mordechai in de poort van de koning zat, werden[^esther-2-21-56] Bigthan en Theres, twee kamerlingen van de koning[^esther-2-21-57] van de dorpelwachters, zeer boos, en zij zochten de hand te slaan aan de koning Ahasveros. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v21)

**22** En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zei het de koning in Mordechai's naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v22)

**23** Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan[^esther-2-23-58] een galg gehangen; en het werd[^esther-2-23-59] in de kronieken geschreven[^esther-2-23-60] voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/2.html#v23)

[^esther-2-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk tegen koningin Vasthi.
[^esther-2-1-2]: Kanttekening 2: Hij werd er door zijn hovelingen aan herinnerd; wellicht berouwde het hem nu dat hij haar zo lichtvaardig had verstoten.
[^esther-2-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de vorsten die Vasthi veroordeeld hadden, hst. 1:16 enz. Dezen, bevreesd dat de koning spijt zou krijgen en Vasthi zou terugnemen, en dat zij zich dan aan hen zou wreken, kwamen dit voor en stelden de koning een middel voor om zijn wensen te bevredigen en Vasthi mettertijd te vergeten.
[^esther-2-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws: goed van aanzien.
[^esther-2-3-5]: Kanttekening 5: Verstaat hierbij: en brengen.
[^esther-2-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: van de jonkvrouwen. Zo ook direct hierna.
[^esther-2-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: zorg, bewaring, toezicht, zoals in vers 8.
[^esther-2-3-8]: Kanttekening 8: In vers 8: Hegai.
[^esther-2-3-9]: Kanttekening 9: Verstaat hieronder alles wat tot de opschik en verfraaiing van de jonkvrouwen behoort: zowel kleding als sieraden en juwelen, alsook parfum en welriekende zalven, olie of reukballen. Zie onder de verzen 13 en 14; zie ook over de opschik en het sieraad van de jonkvrouwen Jes. 3:18.
[^esther-2-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: goed zal zijn. Zo ook in vers 9.
[^esther-2-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: een Benjaminiet. Zie Richt. 3:15.
[^esther-2-6-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 24:14.
[^esther-2-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: wegvoering.
[^esther-2-6-13]: Kanttekening 13: Ook genaamd Jojachin, 2 Kon. 24:6, en bij wijze van minachting Konja, Jer. 22:24.
[^esther-2-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk Jechonia. Of: die, namelijk de weggevoerden.
[^esther-2-6-15]: Kanttekening 15: Anders: Nabuchodonosor.
[^esther-2-7-16]: Kanttekening 16: Zij werd Esther genoemd toen zij de vrouw van koning Ahasveros werd. Herodotus noemt de vrouw van Xerxes Amestris, wat sommigen op Esther willen toepassen.
[^esther-2-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk de dochter van zijn vaders broer, genaamd Abichail, vers 15. Zodat Mordechai en Esther neef en nicht waren.
[^esther-2-8-18]: Kanttekening 18: Josephus schrijft dat er vierhonderd jonkvrouwen bijeen werden gebracht.
[^esther-2-9-19]: Kanttekening 19: Zie boven vers 3.
[^esther-2-9-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: met alles wat haar toekwam om naar behoren getooid te worden.
[^esther-2-9-21]: Kanttekening 21: Of: uitgelezene, of bekwaam en waard om gegeven te worden.
[^esther-2-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk als hofdames.
[^esther-2-9-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: hij verplaatste haar naar het goede van het huis. Dat wil zeggen: hij gaf haar een betere en passender kamer dan hij haar eerst had gegeven.
[^esther-2-10-24]: Kanttekening 24: Namelijk omdat de Joden in die tijd in grote minachting stonden.
[^esther-2-11-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: op elke dag en dag.
[^esther-2-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: van de jonkvrouwen, en zo doorlopend in dit boek.
[^esther-2-11-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: naar de vrede.
[^esther-2-11-28]: Kanttekening 28: Of: wat haar zou overkomen, of: wat men haar zou doen.
[^esther-2-12-29]: Kanttekening 29: Of: de bepaalde tijd, de volgorde.
[^esther-2-12-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: van meisje en meisje.
[^esther-2-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: van, of na het einde te gebeuren, enz.
[^esther-2-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: zoveel tijd moesten zij hebben om zich te reinigen en te tooien.
[^esther-2-13-33]: Kanttekening 33: Namelijk zo opgetooid, verfraaid en geparfumeerd.
[^esther-2-13-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: alles wat zij begeerde, namelijk aan sieraden, kleding, tooi, parfum, enz.
[^esther-2-13-35]: Kanttekening 35: Of: dat het met haar ging.
[^esther-2-13-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: naar de slaapkamer van de koning.
[^esther-2-14-37]: Kanttekening 37: In dit tweede huis werden de bijvrouwen en de bijslaapsters, of die bij de koning hadden geslapen, bewaard. Maar in het eerste huis, waarvan in vers 3 gesproken wordt, waren alleen jonkvrouwen.
[^esther-2-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: zorg, toezicht.
[^esther-2-15-39]: Kanttekening 39: Namelijk Mordechai, boven vers 7.
[^esther-2-15-40]: Kanttekening 40: Hiermee blijkend dat zij zich overgaf en vertrouwde op Gods voorzienigheid.
[^esther-2-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: haar gaf, bepaalde. Dat wil zeggen: zij was tevreden met de tooi die Hegai haar gaf, hoe die ook was.
[^esther-2-15-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: hier: aanvalligheid. Zoals in Spr. 1:9 en elders.
[^esther-2-16-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: genomen en gebracht; in het Hebreeuws is het maar één woord dat soms nemen, soms brengen, soms beide tegelijk betekent, zoals hier en in Matt. 4:5. Vergelijk Gen. 12:15 met de aantekening.
[^esther-2-16-44]: Kanttekening 44: Deze maand valt ten dele in onze december, ten dele in januari. Dit was de vierde maand van het jaar naar de berekening van de Chaldeeën, die het jaar in september beginnen; maar het was de tiende maand naar de berekening van de Hebreeën, die het kerkelijk jaar beginnen in maart. Deze berekening van de Hebreeën wordt in dit boek gevolgd.
[^esther-2-17-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: jonkvrouwen, of vrouwspersonen.
[^esther-2-17-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws: de kroon van het koninkrijk.
[^esther-2-18-47]: Kanttekening 47: Zie Esther 1 op vers 3 enz.
[^esther-2-18-48]: Kanttekening 48: Het woord feestmaal betekent hier zoveel als bruiloft, of het koninklijke banket dat ter ere van Esther werd gegeven, toen de koning haar tot vrouw nam.
[^esther-2-18-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: hij maakte. Dat wil zeggen: hij verminderde de lasten en belastingen van zijn onderdanen.
[^esther-2-18-50]: Kanttekening 50: Zo aan de koningin als aan de groten, ja wellicht ook aan het volk.
[^esther-2-18-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws: naar de hand van de koning.
[^esther-2-19-52]: Kanttekening 52: Sommigen menen dat men voor de tweede maal jonkvrouwen had bijeengebracht, niet om de koning een vrouw te kiezen — waarvoor zij de eerste keer bijeengebracht waren — maar om uit hen bijvrouwen voor de koning te kiezen.
[^esther-2-19-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: hij liet zich doorgaans in het hof van de koning vinden, zoals hij gewoon was te doen en ook verplicht was te doen, alsmede (zo het lijkt) een hofdienaar zijnde die op de dienst van de koning paste.
[^esther-2-20-54]: Kanttekening 54: Bevreesd dat zij vanwege haar geslacht en afkomst in minachting zou komen.
[^esther-2-20-55]: Kanttekening 55: Of: toen zij een pleegkind bij hem was.
[^esther-2-21-56]: Kanttekening 56: Onder hst. 6 vers 2: Bigthana.
[^esther-2-21-57]: Kanttekening 57: Namelijk op de koning.
[^esther-2-23-58]: Kanttekening 58: Of: aan een boom, of aan een paal.
[^esther-2-23-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws: in het boek van de woorden van de dagen, dat wil zeggen in de kroniek, namelijk van de Perzen.
[^esther-2-23-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: in de aanwezigheid van de koning; of: in het boek van de kroniek dat dagelijks voor de koning lag, opdat hij daarin zou lezen; daarin werden de gedenkwaardigste zaken opgetekend die dagelijks voorvielen.

### Esther 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/3.json)

*Haman wordt zeer hoog verheven door de koning, vers 1. Alle hovelingen buigen zich voor hem neer, behalve Mordechai, 2. Hierover is Haman zeer vertoornd, 5. Hij zoekt niet alleen Mordechai, maar alle Joden uit te roeien, 6. En hij laat het lot hierover werpen, 7. Hij klaagt de Joden aan bij de koning, 8. En verzoekt dat alle Joden verdelgd mogen worden, 9. wat de koning hem toestaat, 10. Dit wordt geschreven aan alle vorsten in alle gewesten, 12. En er worden boden afgezonden met dit bevel, 13. De koning en Haman zitten en drinken, maar de stad Susan is verbaasd, 15.*

**1** Na deze geschiedenissen[^esther-3-1-1] maakte de koning Ahasveros Haman groot, de zoon van Hammedatha, de[^esther-3-1-2] Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel[^esther-3-1-3] boven al de vorsten, die bij hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v1)

**2** En[^esther-3-2-4] al de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren,[^esther-3-2-5] neigden en bogen zich neer voor Haman; want de koning had zo[^esther-3-2-6] van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v2)

**3** Toen zeiden de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, tot Mordechai:[^esther-3-3-7] Waarom overtreedt u het gebod van de koning? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v3)

**4** Het gebeurde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij[^esther-3-4-8] naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen,[^esther-3-4-9] of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want[^esther-3-4-10] hij had hun te kennen gegeven,[^esther-3-4-11] dat hij een Jood was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v4)

**5** Toen Haman zag, dat Mordechai niet knielde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met woede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v5)

**6** Maar[^esther-3-6-12] hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen[^esther-3-6-13] de hand zou slaan (want men had hem het[^esther-3-6-14] volk van Mordechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het hele koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v6)

**7** In de eerste maand (deze is de maand[^esther-3-7-15] Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp[^esther-3-7-16] men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht,[^esther-3-7-17] van dag tot dag, en van maand tot[^esther-3-7-18] maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand[^esther-3-7-19] Adar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v7)

**8** Want Haman[^esther-3-8-20] had tot de koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de gewesten van uw koninkrijk; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten van alle volken; ook[^esther-3-8-21] doen zij de wetten van de koning niet; daarom is het de koning niet raadzaam[^esther-3-8-22] hen te laten blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v8)

**9** Als het de koning goeddunkt, laat er geschreven worden,[^esther-3-9-23] dat men hen verdoe;[^esther-3-9-24] zo zal ik tien duizend talenten zilver opwegen in de handen van degenen,[^esther-3-9-25] die het werk doen, om in de schatten van de[^esther-3-9-26] koning te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v9)

**10** Toen trok de koning[^esther-3-10-27] zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v10)

**11** En de koning zei tot Haman: Dat[^esther-3-11-28] zilver zij u geschonken,[^esther-3-11-29] ook dat volk, om daarmee te doen, naar dat het goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v11)

**12** Toen werden de schrijvers van de koning geroepen,[^esther-3-12-30] in de eerste maand, op de dertiende dag daarvan, en er werd geschreven[^esther-3-12-31] naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, en aan de landvoogden,[^esther-3-12-32] die over elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest naar zijn schrift, en elk volk naar zijn taal; er werd geschreven in de naam van de koning Ahasveros, en het werd met de ring van de koning verzegeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v12)

**13** De brieven nu werden gezonden door de hand van de lopers tot al de gewesten van de koning, dat men zou vernietigen, doden en verdoen al de Joden, van de jonge tot de oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat[^esther-3-13-33] men hun buit zou roven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v13)

**14** De[^esther-3-14-34] inhoud van het schrift was, dat er een wet[^esther-3-14-35] zou gegeven worden[^esther-3-14-36] in alle gewesten, openbaar aan alle volken, dat[^esther-3-14-37] zij tegen deze dag[^esther-3-14-38] zouden gereed zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v14)

**15** De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde[^esther-3-15-39] door het woord van de koning, en de wet werd uitgegeven in de burg Susan. En de koning en Haman[^esther-3-15-40] zaten en dronken, maar[^esther-3-15-41] de stad Susan was[^esther-3-15-42] verward. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/3.html#v15)

[^esther-3-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: hij verhief hem boven alle andere vorsten en groten van zijn rijk.
[^esther-3-1-2]: Kanttekening 2: Sommigen menen dat Haman afstamde van Agag, de koning van de Amalekieten, over wie te lezen is in 1 Sam. 15:8. Zie ook Ex. 17:14 en Num. 24:7 en 2 Kon. 25:28.
[^esther-3-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: boven de zetels van alle vorsten.
[^esther-3-2-4]: Kanttekening 4: Verstaat hier: alle hovelingen, of die van de lijfwacht van de koning waren.
[^esther-3-2-5]: Kanttekening 5: Hem een onbetamelijke, ongeoorloofde Perzische eerbewijzing bewijzend, waarover Mordechai gewetensbezwaar had. Te meer, naar sommiger mening, omdat hem bekend was dat deze Haman een Amalekiet was.
[^esther-3-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: hem betreffende.
[^esther-3-3-7]: Kanttekening 7: Zie boven vers 2.
[^esther-3-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: hen niet gehoorzaamde, noch zich liet bewegen door hun aanspreken en vermanen.
[^esther-3-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: of hij standvastig zou blijven in zijn geloof, en of hij daarom voortaan zou weigeren voor Haman te buigen.
[^esther-3-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk toen zij hem vroegen waarom hij het gebod van de koning niet gehoorzaamde door voor Haman te buigen.
[^esther-3-4-11]: Kanttekening 11: Wie het niet was geoorloofd een mens aan te bidden, want God heeft verboden schepselen te aanbidden. Deut. 6:13 en 10:12,20 en 17:3; Matt. 4:10; Luk. 4:8.
[^esther-3-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: hij achtte het te gering en de moeite niet waard dat hij Mordechai alleen zou doden.
[^esther-3-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk om hem te doden. Zo ook boven 2 vers 21.
[^esther-3-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de landgenoten; of: van welk volk en natie Mordechai afkomstig was.
[^esther-3-7-15]: Kanttekening 15: Komend overeen ten dele met onze maart, ten dele met onze april.
[^esther-3-7-16]: Kanttekening 16: Pur, of Phur, is een Perzisch woord dat het lot betekent, zie onder 9:24.
[^esther-3-7-17]: Kanttekening 17: De betekenis van deze woorden is dat men volgens het heidense Perzische bijgeloof het lot wierp, om te weten op welke dag en maand het het meest geschikt zou zijn de Joden overal op één en dezelfde dag te verdelgen.
[^esther-3-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: in de twaalfde maand viel pas het lot, dat de dag aanwees waarop men de Joden zou ombrengen.
[^esther-3-7-19]: Kanttekening 19: Dit is een Syrisch of Chaldeeuws woord, zoals ook geschreven staat in 2 Makk. 15:37. En deze maand viel ten dele in onze februari, ten dele in maart.
[^esther-3-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk voordat hij het lot wierp. Want dit zou vergeefse moeite geweest zijn, als hij niet eerst toestemming van de koning had gehad om de Joden uit te roeien.
[^esther-3-8-21]: Kanttekening 21: Dit zegt hij omdat Mordechai de koning niet gehoorzaamde in het aanbidden van Haman. En wat Mordechai hem alleen had misdaan, legt Haman hier alle Joden ten laste, en beschuldigt hen alsof zij allen alle wetten van de koning verachtten.
[^esther-3-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk in het koninkrijk; of: in leven; maar zij dienen uitgeroeid te worden.
[^esther-3-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk alle Joden die in het gebied van de koning te vinden zijn.
[^esther-3-9-24]: Kanttekening 24: Deze grote schat belooft hij de koning te leveren, opdat hij hem te eerder beweegt toe te staan dat hij de Joden zou mogen ombrengen.
[^esther-3-9-25]: Kanttekening 25: Hij bedoelt de schatbewaarders van de koning, die opdracht zouden hebben dit geld te ontvangen.
[^esther-3-9-26]: Kanttekening 26: Of: schatkisten, of schatkamers.
[^esther-3-10-27]: Kanttekening 27: Namelijk zijn zegelring, zoals af te leiden is uit hst. 8:8. Dit deed de koning als teken van de macht die hij Haman gaf. Zie Gen. 41, de aantekening op vers 42, en hier onder vers 12.
[^esther-3-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk die tienduizend talenten die u hebt aangeboden in mijn schatkamer te leveren.
[^esther-3-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk de Joden die u wilt laten ombrengen.
[^esther-3-12-30]: Kanttekening 30: Genaamd Nisan, vers 7.
[^esther-3-12-31]: Kanttekening 31: Dit was dat men op zodanige dag als Haman het goeddacht, het gebod van de koning betreffende het ombrengen van alle Joden, ten uitvoer zou brengen.
[^esther-3-12-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: die over provincie en provincie, en volk en volk waren. Zo ook meerdere malen hierna.
[^esther-3-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: hun goederen, die hier de buit van de Joden worden genoemd; wat niet zo te verstaan is alsof zij die aan anderen hadden ontnomen of geroofd, maar omdat anderen (namelijk Haman met de zijnen) hen die wilden ontnemen en hen daarvan beroven.
[^esther-3-14-34]: Kanttekening 34: Of: kopie.
[^esther-3-14-35]: Kanttekening 35: Namelijk van de vorsten en landvoogden, elk in zijn gebied.
[^esther-3-14-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: in alle provincie en provincie.
[^esther-3-14-37]: Kanttekening 37: Namelijk op de dertiende dag van de twaalfde maand.
[^esther-3-14-38]: Kanttekening 38: Namelijk om de Joden te overvallen, te doden en te vernietigen, en hun goederen te plunderen, vers 13.
[^esther-3-15-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: door het plakkaat van de koning, dat over het ombrengen van de Joden eerst op de burcht Susan was aangeslagen.
[^esther-3-15-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws: zaten om te drinken, of drinkend.
[^esther-3-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: de inwoners van de stad Susan; maar in het bijzonder de Joden die daarin woonden, van wie bezit en leven er bij betrokken waren. Zie onder 8 op vers 15.
[^esther-3-15-42]: Kanttekening 42: Of: in verwarring, zoals men nu zegt.

### Esther 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/4.json)

*Mordechai treurt en huilt, met een rouwgewaad bekleed, vers 1. En zo komt hij voor de poort van de koning, 2. De Joden treuren en huilen overal waar dat wrede plakkaat werd aangeplakt, 3. Esther zendt Mordechai kleren, maar hij wil ze niet aannemen, 4. Zij laat door Hatach navragen waarom hij zo bedroefd is, 5. wat hij Hatach te kennen geeft, 7. met de kopie van het uitschrift, om die aan Esther te tonen, en haar te vermanen naar de koning te gaan en voor de Joden te pleiten, 8. waarin Esther wel grote bezwaren ziet, 11. maar Mordechai brengt zulke redenen bij, 13. dat zij hem belooft naar de koning te zullen gaan, nadat de Joden te Susan drie dagen zouden gevast en gebeden hebben, zoals zij en haar hofdames dat ook zouden doen, 16.*

**1** Als Mordechai[^esther-4-1-1] wist[^esther-4-1-2] al wat er gebeurd was, zo verscheurde Mordechai zijn kleren, en hij trok[^esther-4-1-3] een zak aan met as; en hij ging uit door het midden[^esther-4-1-4] van de stad, en hij riep met een groot en bitter geroep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v1)

**2** En hij kwam[^esther-4-2-5] tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning[^esther-4-2-6] inkomen, bekleed met een zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v2)

**3** En[^esther-4-3-7] in alle en een ieder gewest en plaats,[^esther-4-3-8] waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en luid weeklagen;[^esther-4-3-9] vele lagen in zakken en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v3)

**4** Toen kwamen Esthers[^esther-4-4-10] meisjes en haar kamerlingen, en zij gaven het haar[^esther-4-4-11] te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond kleren om Mordechai aan te doen,[^esther-4-4-12] en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v4)

**5** Toen riep Esther Hatach, één van de[^esther-4-5-13] kamerlingen van de[^esther-4-5-14] koning, die[^esther-4-5-15] hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mordechai, om te weten[^esther-4-5-16] wat dit, en waarom dit was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v5)

**6** Als Hatach uitging tot Mordechai, op de straat van de stad, die voor de poort van de koning was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v6)

**7** Zo gaf Mordechai hem te kennen[^esther-4-7-17] al wat hem overkomen was, en de[^esther-4-7-18] verklaring van het zilver, dat Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten van de[^esther-4-7-19] koning, voor de Joden, om hen om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v7)

**8** En hij gaf hem[^esther-4-8-20] het afschrift van de geschreven wet, die te Susan[^esther-4-8-21] gegeven was, om hen te vernietigen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en[^esther-4-8-22] haar gebood, dat zij tot de koning ging, om hem te smeken, en[^esther-4-8-23] van hem te verzoeken voor haar volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v8)

**9** Hatach nu kwam en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v9)

**10** Toen zei Esther tot Hatach, en[^esther-4-10-24] gaf hem bevel aan Mordechai: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v10)

**11** [^esther-4-11-25] Alle knechten van de koning, en[^esther-4-11-26] het volk, van de gewesten van de koning, weten wel[^esther-4-11-27] dat al wie tot de koning ingaat[^esther-4-11-28] in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw,[^esther-4-11-29] zijn[^esther-4-11-30] enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning de gouden scepter hem[^esther-4-11-31] toereike, opdat hij[^esther-4-11-32] levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot de koning in te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v11)

**12** En zij[^esther-4-12-33] gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v12)

**13** Zo zei Mordechai, dat men Esther opnieuw zeggen zou: Beeld u niet in,[^esther-4-13-35] in uw ziel, dat u zult ontkomen[^esther-4-13-36] in het huis van de koning, meer dan al de andere Joden.[^esther-4-13-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v13)

**14** Want als u[^esther-4-14-37] enigszins zwijgen zult[^esther-4-14-38] in deze tijd, zo zal aan de Joden[^esther-4-14-39] verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan;[^esther-4-14-40] maar u en het huis van uw vader zult omkomen; en wie weet, of u[^esther-4-14-41] niet om zulk een tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v14)

**15** Toen zei Esther, dat men Mordechai weer aanzeggen zou: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v15)

**16** Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en[^esther-4-16-42] vast voor mij, en eet of drinkt niet,[^esther-4-16-43] in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn meisjes zullen ook zo vasten, en zo zal ik tot de koning ingaan, dat niet[^esther-4-16-44] naar de wet is.[^esther-4-16-45] Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v16)

**17** Toen ging Mordechai heen en hij deed naar alles wat Esther hem geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/4.html#v17)

[^esther-4-1-1]: Kanttekening 1: Uit de aangeslagen plakkaten van de koning. Zie vers 8.
[^esther-4-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk betreffende het ombrengen van de Joden.
[^esther-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: een rouwkleed dat hij met as bestrooide. Zie Joz. 7:6.
[^esther-4-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk Susan.
[^esther-4-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: op de straat die voor de poort van het paleis van de koning was, zoals in vers 6.
[^esther-4-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws: in een kleed van het rouwgewaad.
[^esther-4-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: en in alle provincie en provincie.
[^esther-4-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: het plakkaat.
[^esther-4-3-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: rouwgewaad en as was velen ondergelegd of uitgespreid. Dat wil zeggen: velen die een rouwgewaad aanhadden, lagen in de as, zoals in Jona 3:6.
[^esther-4-4-10]: Kanttekening 10: Verstaat hier: hofdames.
[^esther-4-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk hoe Mordechai zich gedroeg, de verzen 1 en 2.
[^esther-4-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk opdat hij weer naar het hof zou kunnen komen en zij des te gemakkelijker met hem over alles zou kunnen spreken en zich beraden.
[^esther-4-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: gesnedene. Of: ontmande.
[^esther-4-5-14]: Kanttekening 14: Of: welke.
[^esther-4-5-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: voor haar aangezicht had gesteld, dat wil zeggen: die op haar dienst zou passen.
[^esther-4-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, Zij vraechde waarom hij dus bedroefd was, en een sak aangetrokken had?
[^esther-4-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk wat in hst. 3 beschreven staat.
[^esther-4-7-18]: Kanttekening 18: Zie boven 3:9.
[^esther-4-7-19]: Kanttekening 19: Of: tegen de Joden, dat wil zeggen: opdat het hem geoorloofd zou zijn de Joden te verdelgen, zoals hier volgt.
[^esther-4-8-20]: Kanttekening 20: Of: uittreksel, of kopie.
[^esther-4-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: gepubliceerd, aangeslagen, of aangeplakt was.
[^esther-4-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk in de naam van Mordechai, haar opvoeder, die in dat opzicht nog enig gezag over haar had, ook al was Esther nu koningin. Zie boven 2:20.
[^esther-4-8-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: van zijn aangezicht; dat wil zeggen: dat zij zelf in eigen persoon zulks deed, zonder iemand anders daartoe te gebruiken.
[^esther-4-10-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: zij gaf hem antwoord dat zij hem opdroeg aan Mordechai over te brengen.
[^esther-4-11-25]: Kanttekening 25: Dit zijn de eigen woorden die Hathach van Esther aan Mordechai zou zeggen.
[^esther-4-11-26]: Kanttekening 26: Alsof zij zeggen wilde: alle man weet het wel, zelfs die ver van het hof en deze stad wonen.
[^esther-4-11-27]: Kanttekening 27: Zie Herodotus in Thalia.
[^esther-4-11-28]: Kanttekening 28: Deze plaats was voor dat deel van het koninklijk paleis waar de koning zich ophield. Zie onder 5 vers 1.
[^esther-4-11-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: de onherroepelijke wet van de koning. Of zo: één enkel vonnis zij van diegene. Namelijk man of vrouw die zulks doet. Vergelijk Dan. 2:9.
[^esther-4-11-30]: Kanttekening 30: Zie onder 5 vers 2.
[^esther-4-11-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: uitstrekke.
[^esther-4-11-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: leve.
[^esther-4-12-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: men gaf.
[^esther-4-13-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: bij uzelf.
[^esther-4-13-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: omdat u in het huis van de koning bent.
[^esther-4-13-34]: Kanttekening 34: Mordochai: zo staat het hier, maar doorgaans Mordechai.
[^esther-4-14-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: zwijgend zult zwijgen.
[^esther-4-14-38]: Kanttekening 38: Namelijk nu de Joden in zo een bedroefde toestand zijn.
[^esther-4-14-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws: ademtocht. Vergelijk Ex. 8:15; 1 Sam. 16:23.
[^esther-4-14-40]: Kanttekening 40: Hij wil zeggen: als u in deze uiterste nood geen medeleven zult bewijzen en geen hulp doen aan uw landgenoten en bloedverwanten, zal de Heer deze uw kleinmoedigheid zeker straffen.
[^esther-4-14-41]: Kanttekening 41: Hij wil zeggen: vermoedelijk zoudt u tot deze koninklijke waardigheid niet zijn gekomen, tenzij God u had willen gebruiken om zijn volk op dit moment te verlossen.
[^esther-4-16-42]: Kanttekening 42: Zij wil zeggen: in uw vasten en bidden zult u mij bij God gedenken, opdat hij zijn zegen geve aan de voorbede die ik de koning zal doen.
[^esther-4-16-43]: Kanttekening 43: Dit vasten heeft maar geduurd twee nachten, een volle dag en twee delen van dagen. Want op de derde dag is Esther tot de koning gegaan, hst. 5:1. Zie een vergelijkbare spreekwijze Matt. 12:40, over het verblijf van Jona in de buik van de walvis en van Christus in het graf.
[^esther-4-16-44]: Kanttekening 44: Waarvan boven vers 11 gesproken wordt.
[^esther-4-16-45]: Kanttekening 45: Het is zoveel alsof Esther zegt: ik ben bereid mijn leven in levensgevaar te stellen voor mijn volk, en af te wachten wat God zal geven. Zo spreekt ook Jakob in Gen. 43:14. Zie de aantekening daar.

### Esther 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/5.json)

*Koningin Esther trekt een koninklijk gewaad aan en gaat naar de koning, vers 1. Die haar de gouden scepter toereikt, 2. En hij belooft haar te geven wat zij vraagt, 3. Zij nodigt de koning en Haman uit voor een maaltijd, 4. De koning komt met Haman bij Esther op die maaltijd, 5. en belooft opnieuw haar te geven wat zij vraagt, 6. Zij nodigt de koning en Haman voor de tweede keer uit, 7. Haman verblijdt zich hierover zeer, maar wordt uiterst vertoornd als hij ziet dat Mordechai hem niet eert, 9. Dit alles vertelt hij zijn vrouw en vrienden, 10. Die hem raden een galg van vijftig el hoog te laten maken, om Mordechai daaraan te hangen; welke raad hij volgt, 14.*

**1** Het gebeurde nu aan[^esther-5-1-1] de derde dag, dat Esther[^esther-5-1-2] een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van het huis van de koning, tegenover[^esther-5-1-3] het huis van de koning; de koning nu zat op zijn koninklijke troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v1)

**2** En het gebeurde, toen de koning de koningin Esther zag, staande[^esther-5-2-4] in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning de gouden scepter, die in zijn hand was,[^esther-5-2-5] Esther toereikte; en Esther naderde, en[^esther-5-2-6] roerde de[^esther-5-2-7] spits van de scepter aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v2)

**3** Toen zei de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden,[^esther-5-3-8] ook tot de helft van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v3)

**4** Esther nu zei: Als het de koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman vandaag tot de maaltijd, die ik[^esther-5-4-9] hem bereid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v4)

**5** Toen zei de koning: Doe Haman spoeden, dat hij[^esther-5-5-10] het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot de maaltijd, die Esther bereid had, gekomen was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v5)

**6** Zo zei de koning tot Esther[^esther-5-6-11] op de maaltijd van de wijn: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal gebeuren, ook tot de helft van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v6)

**7** Toen antwoordde Esther, en zei: Mijn bede en verzoek is: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v7)

**8** Als ik genade gevonden heb in de ogen van de koning, en als het de koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot de maaltijd, die ik hem bereiden zal;[^esther-5-8-12] zo zal ik morgen doen[^esther-5-8-13] naar het bevel van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v8)

**9** Toen ging Haman op diezelfde dag uit,[^esther-5-9-14] vrolijk en[^esther-5-9-15] goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort[^esther-5-9-16] van de koning, en dat hij niet opstond, noch[^esther-5-9-17] zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met woede op Mordechai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v9)

**10** Maar Haman[^esther-5-10-18] bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond heen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v10)

**11** En Haman vertelde hun de heerlijkheid van zijn rijkdom, en[^esther-5-11-19] de veelheid van zijn zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en[^esther-5-11-20] waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v11)

**12** Verder zei Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met de koning doen komen tot de maaltijd, die zij bereid heeft, dan mij; en[^esther-5-12-21] ik ben ook tegen morgen[^esther-5-12-22] van haar met de koning genodigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v12)

**13** Maar dit alles[^esther-5-13-23] baat mij niet, zolang ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v13)

**14** Toen zei zijn huisvrouw Zeres tot hem, en ook al zijn vrienden: Men make[^esther-5-14-24] een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan de koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met de koning tot die maaltijd.[^esther-5-14-25] Deze raad nu dacht Haman goed, en[^esther-5-14-26] hij deed de galg maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/5.html#v14)

[^esther-5-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk op de derde dag van het vasten, hst. 4:16.
[^esther-5-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: zij kleedde zich met het koninkrijk. Dat wil zeggen: met het gewaad van het koninkrijk, zoals het voluit staat onder 6:8. Zie daar met de aantekening.
[^esther-5-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: dat deel van het paleis waar de koning zich ophield.
[^esther-5-2-4]: Kanttekening 4: Verstaat hier de binnenzaal van het paleis, waar de koning zijn kamers had.
[^esther-5-2-5]: Kanttekening 5: Dit was een teken dat hij haar verlof gaf tot hem te naderen, en dat hij bereid was te horen wat zij van hem zou begeren.
[^esther-5-2-6]: Kanttekening 6: Als teken van gehoorzaamheid en eerbiediging.
[^esther-5-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: het hoofd.
[^esther-5-3-8]: Kanttekening 8: Zo ook in vers 6. De volledige uitdrukking zou zijn: al zou u de helft van het koninkrijk begeren, het zou u gegeven worden. Zie een dergelijke belofte van Herodes in Mark. 6:23.
[^esther-5-4-9]: Kanttekening 9: Of: voor hem, namelijk voor de koning.
[^esther-5-5-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: het woord.
[^esther-5-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: toen men de wijn had opgediend, of men vrolijk bij de wijn begon te worden. Men placht, zo sommigen schrijven, bij de Perzen dan pas wijn op tafel te brengen wanneer men het banket en het fruit opdroeg, want anders dronken zij water. Des konings drank was gekookt water uit de rivier Choaspe.
[^esther-5-8-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: ik zal morgen mijn bede de koning voorleggen en hem meedelen wat het is dat ik van hem begeer.
[^esther-5-8-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: naar het woord van de koning.
[^esther-5-9-14]: Kanttekening 14: Namelijk omdat hij de eer had dat hij alleen tot het banket van de koningin was uitgenodigd.
[^esther-5-9-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: goed aan het hart, of goed van hart.
[^esther-5-9-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: van het huis van de koning.
[^esther-5-9-17]: Kanttekening 17: Zie boven hst. 3 vers 2.
[^esther-5-10-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: hij bedwong zijn toorn, zodat hij zichzelf niet onmiddellijk en op staande voet aan Mordechai heeft gewroken.
[^esther-5-11-19]: Kanttekening 19: Hij had tien zonen, hst. 9:10. Van zijn dochters wordt nergens melding gemaakt. Of: grootheid.
[^esther-5-11-20]: Kanttekening 20: Zie boven 3:1.
[^esther-5-12-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: ik ben ook morgen haar geroepene, of genodigde.
[^esther-5-12-22]: Kanttekening 22: Of: tot haar.
[^esther-5-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: het kan mij niet echt vrolijk maken.
[^esther-5-14-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: een hout. En zo ook in het volgende.
[^esther-5-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: dit woord, d.w.z. dit voorstel.
[^esther-5-14-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: hij maakte het hout, d.w.z. hij liet het bereiden tot een galg.

### Esther 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/6.json)

*De koning kan niet slapen en laat het boek der Kronieken brengen, vers 1. Daarin vindt men het boze voornemen van Bigthana en Theres, door Mordechai ontdekt, 2. De koning vraagt welke eer Mordechai hiervoor is aangedaan; zijn dienaren zeggen: geen, 3. Haman is in de voorhof, 4. en wordt binnengeroepen, 5. En de koning vraagt hem wat men behoort te doen voor de man die de koning wil eren, 6. Hamans antwoord hierop, 7. De koning beveelt Haman dat hij Mordechai alle eer zou aandoen die hij had gezegd, 10. wat hij doet, 11. Daarna gaat hij treurend naar huis, 12. en vertelt heel zijn wedervaren aan zijn vrouw en vrienden, die hem zijn verdere val voorzeggen, 13. Hij wordt naar de maaltijd van Esther gebracht, 14.*

**1** In deze nacht[^esther-6-1-1] was de slaap van de koning geweken, en hij zei, dat[^esther-6-1-2] men het boek van de gedachtenissen,[^esther-6-1-3] de kronieken, brengen zou; en zij werden[^esther-6-1-4] in de aanwezigheid van de[^esther-6-1-5] koning gelezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v1)

**2** En men vond geschreven,[^esther-6-2-6] dat Mordechai had te kennen gegeven van[^esther-6-2-7] Bigthana en Theres, twee kamerlingen van de koning, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan de koning Ahasveros. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v2)

**3** Toen zei de koning: Wat eer en[^esther-6-3-8] verhoging is Mordechai[^esther-6-3-9] hierover gedaan? En de jongemannen van de koning, zijn dienaren, zeiden: Aan[^esther-6-3-10] hem is[^esther-6-3-11] niets gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v3)

**4** Toen zei de koning: Wie is[^esther-6-4-12] in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis van de koning, om de koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)[^esther-6-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v4)

**5** En de jongemannen van de koning zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zei de koning: Dat hij inkome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v5)

**6** Als Haman ingekomen was, zo zei de koning tot hem: Wat zal men met die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft? Toen zei Haman[^esther-6-6-14] in zijn hart: Tot wie heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen,[^esther-6-6-15] meer dan tot mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v6)

**7** Daarom zei Haman tot de koning: De man, tot wie de koning een welbehagen heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v7)

**8** Zal[^esther-6-8-16] men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de[^esther-6-8-17] koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v8)

**9** En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van één uit de vorsten van de koning, van de grootste heren, en men zal het die man aantrekken, tot wie de koning een welbehagen heeft; en men zal hem[^esther-6-9-18] op dat paard doen rijden door de straten van de stad, en men zal voor hem roepen: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v9)

**10** Toen zei de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, zoals u gesproken hebt, en doe zo aan Mordechai, de Jood, die aan de poort van de koning zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat u gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v10)

**11** En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten van de stad, en hij riep voor hem: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v11)

**12** Daarna keerde Mordechai opnieuw tot de poort van de koning; maar Haman[^esther-6-12-19] werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en[^esther-6-12-20] met bedekt hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v12)

**13** En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem overkomen was. Toen zeiden hem[^esther-6-13-21] zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw:[^esther-6-13-22] Als Mordechai, voor wie u hebt begonnen te vallen, van het zaad van de Joden is, zo zult u tegen hem niets uitrichten;[^esther-6-13-23] maar u zult zeker voor zijn aangezicht vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v13)

**14** Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen de kamerlingen van de koning nabij, en zij haastten Haman tot de maaltijd te brengen, die Esther bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/6.html#v14)

[^esther-6-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: de slaap van de koning was weggevlucht. Dat wil zeggen: de koning kon niet slapen. Dit is zo door Gods beschikking geschied.
[^esther-6-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: waarin de gedenkwaardige zaken van de koningen in Perzië en Medië waren opgeschreven en bewaard. Of: het gedenkboek.
[^esther-6-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: de woorden van de dagen.
[^esther-6-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws: voor het aangezicht van de koning.
[^esther-6-1-5]: Kanttekening 5: Deze koning wilde zijn tijd niet nutteloos doorbrengen, maar omdat hij niet slapen kon, liet hij zich iets nuttigs voorlezen.
[^esther-6-2-6]: Kanttekening 6: Zie boven hst. 2 vers 21.
[^esther-6-2-7]: Kanttekening 7: Genaamd Bigthan, boven hst. 2:21.
[^esther-6-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: grootheid.
[^esther-6-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk vanwege het ontdekken van de samenzweerders.
[^esther-6-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: hij heeft helemaal geen beloning of verering ontvangen voor het ontdekken en aanmelden van deze moordaanslag op de koning.
[^esther-6-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: geen woord, of zaak.
[^esther-6-4-12]: Kanttekening 12: Verstaat hier de buitenste voorhof, waar de dienaren van de koning waren en op zijn dienst pasten.
[^esther-6-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: om met de koning te spreken dat men, enz.
[^esther-6-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: bij zichzelf.
[^esther-6-6-15]: Kanttekening 15: Dit besloot hij uit de veelheid van weldaden die hij reeds van de koning had genoten.
[^esther-6-8-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: het gewaad van het koninkrijk.
[^esther-6-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: kroon van het koninkrijk.
[^esther-6-9-18]: Kanttekening 18: Dit is vroeger geweest één van de grootste eerbewijzingen die de koningen hun liefste en meest geëerde vrienden deden. Zie iets dergelijks in Gen. 41:43 en 1 Kon. 1:33.
[^esther-6-12-19]: Kanttekening 19: Of: dreef zichzelf voort, namelijk door hartzeer en verdriet. Vergelijk 2 Kron. 26:20.
[^esther-6-12-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: bedekt van hoofd. Een teken van verdriet. Zie 2 Sam. 15:30; Jer. 14:4.
[^esther-6-13-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: zijn raadsheren, van wie hij de raad gewoon was te gebruiken in gewichtige zaken. Anderen verstaan hier de tovenaars en waarzeggers, met wie Haman zich in deze zaak beraadde.
[^esther-6-13-22]: Kanttekening 22: Of: aangezien.
[^esther-6-13-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: u zult vallend vallen voor zijn aangezicht.

### Esther 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/7.json)

*De koning belooft Esther opnieuw haar alles te geven wat zij verlangt, vers 1 enz. Zij bidt om haar en haar volks leven, 3. en ontdekt Hamans boze voornemen, 4. Die Esther om zijn leven smeekt, als hij ziet dat de koning zeer op hem vertoornd is, 7. Zijn gezicht wordt bedekt, zodat hij de koning niet meer mocht zien, 8. Charbona zegt de koning dat Haman een galg van vijftig el hoog had laten maken om Mordechai daaraan te hangen; de koning gebiedt dat men Haman aan diezelfde galg zou hangen, 9. wat geschiedde, 10.*

**1** Toen de koning met Haman gekomen was,[^esther-7-1-1] om te drinken met de koningin Esther; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v1)

**2** Zo zei de koning tot Esther, ook[^esther-7-2-2][^esther-7-2-3] op de tweede dag, op de maaltijd van de wijn: Wat is uw bede, koningin Esther! en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal gebeuren, ook tot de helft van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v2)

**3** Toen antwoordde de koningin Esther, en zei: Als ik, o koning, genade in uw ogen gevonden heb, en als het de koning goeddunkt, men geve mij[^esther-7-3-4] mijn leven, omwille van mijn bede, en[^esther-7-3-5] mijn volk, omwille van mijn verzoek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v3)

**4** Want[^esther-7-4-6] wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons vernietige, dode en ombrenge.[^esther-7-4-7] Als wij nog tot knechten en tot dienaressen[^esther-7-4-8] waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, hoewel[^esther-7-4-9] de onderdrukker[^esther-7-4-10] de schade van de koning in geen geval zou kunnen vergoeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v4)

**5** Toen sprak de koning Ahasveros, en zei tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is die, die zijn[^esther-7-5-11] hart vervuld heeft, om zo te doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v5)

**6** En Esther zei: De man, de onderdrukker en vijand, is deze slechte Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezicht van de koning en van de koningin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v6)

**7** En de koning stond op in zijn woede van de maaltijd van de wijn,[^esther-7-7-12] en ging naar de hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande[^esther-7-7-13] zijn leven verzoek te doen; want[^esther-7-7-14] hij zag, dat het kwaad van de koning over hem[^esther-7-7-15] ten volle besloten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v7)

**8** Toen de koning wederkwam uit de hof van het paleis in het huis van de maaltijd van de wijn, zo was Haman[^esther-7-8-16] gevallen[^esther-7-8-17] op het bed, waarop Esther was. Toen zei de koning: Zou hij ook wel de koningin[^esther-7-8-18] verkrachten[^esther-7-8-19] bij[^esther-7-8-20] mij in het[^esther-7-8-21] huis? Het woord ging uit de mond van de koning, en zij[^esther-7-8-22] bedekten Hamans aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v8)

**9** En[^esther-7-9-a] Charbona, één van de kamerlingen, voor het aangezicht van de koning staande, zei: Ook zie, de galg, die Haman gemaakt heeft[^esther-7-9-23] voor Mordechai,[^esther-7-9-24] die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v9)

**10** Zo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de woede van de koning werd gestild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/7.html#v10)

[^esther-7-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: om feestmalen te houden en vrolijk te zijn, zoals in Gen. 43:34.
[^esther-7-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: op de dag van het tweede feestmaal, waarvan boven 5:8 melding wordt gemaakt.
[^esther-7-2-3]: Kanttekening 3: Zie boven 5:6. Zo ook in vers 7.
[^esther-7-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws: mijn ziel.
[^esther-7-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk de Joden, uit wie ik ben voortgekomen. Of: en mijn volk. Namelijk ziel, of leven.
[^esther-7-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk door Haman aan u, voor een grote som geld. Het lijkt erop dat Esther doelt op de presentatie van het geld die Haman had gedaan. Zie boven 3:9 en 4:7.
[^esther-7-4-7]: Kanttekening 7: Of: ach, waren wij slechts tot, enz.
[^esther-7-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk ten voordele van de koning.
[^esther-7-4-9]: Kanttekening 9: Of: de onderdrukking (d.w.z. het voordeel dat van de onderdrukking zou komen) niet te vergelijken zou zijn met de schade van de koning.
[^esther-7-4-10]: Kanttekening 10: Esther geeft hiermee te verstaan dat de koning groot voordeel genoot van de Joden, namelijk vanwege de belastingen die zij moesten betalen; en zij zegt dat de schade die de koning door het verdelgen van de Joden in al zijn koninkrijken zou lijden, zo groot zou zijn dat Haman met zijn tienduizend talenten zilver (boven 3:9) die niet zou kunnen vergoeden.
[^esther-7-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: die vast in zijn hart heeft voorgenomen zulks te doen. Hebreeuws: die zijn hart heeft vervuld. Zie een dergelijke spreekwijze in Hand. 5:3.
[^esther-7-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: in de tuin die aan, of bij het paleis was.
[^esther-7-7-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: zijn ziel, zoals in vers 3.
[^esther-7-7-14]: Kanttekening 14: Zie Spr. 16:14 en 20:2.
[^esther-7-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: volbracht was.
[^esther-7-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk om Esther te smeken en te bidden dat zij de koning voor hem zou willen bidden, zodat hij zijn leven mocht behouden.
[^esther-7-8-17]: Kanttekening 17: Verstaat hier zo een rustbed, of divan, als boven 1:6, gemaakt om aan tafel te liggen als men at. Zo heeft ook Christus en zijn discipelen aan tafel gelegen, niet gezeten, Matt. 26:20, want dit vroeger bij de Perzen, Romeinen en andere volken gebruikelijk was.
[^esther-7-8-18]: Kanttekening 18: Of: geweld aandoen, overweldigen.
[^esther-7-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: in mijn bijzijn en aanwezigheid.
[^esther-7-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk in dit huis van het feestmaal.
[^esther-7-8-21]: Kanttekening 21: Of: een woord. Dat wil zeggen: bevel.
[^esther-7-8-22]: Kanttekening 22: Wie bij de Perzen in de ongenade van de koning was gevallen, diens gezicht werd bedekt, als niet waard zijnde de koning aan te schouwen. Zie Job 9:24.
[^esther-7-9-a]: Verwijzing a: Esther 1:10.
[^esther-7-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk om hem daaraan te hangen. Dit heeft Charbona wellicht van iemand uit Hamans huisgezin vernomen, toen hij was gegaan om Haman naar het tweede banket te halen, en hij daarbij deze galg zag opgericht.
[^esther-7-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk door de samenzwering van de kamerlingen tegen de koning te ontdekken, waarmee hij de koning de grootste dienst bewees die men hem kon bewijzen, namelijk hem het leven reddend. Zie boven 2 vers 21 en 22.

### Esther 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/8.json)

*De koning geeft Esther het huis van Haman, vers 1 enz. Mordechai komt voor de koning, die hem de ring geeft die hij eerder aan Haman had gegeven, 2. Koningin Esther smeekt de koning opnieuw dat de boze aanslagen van Haman tegen de Joden nog verder tenietgedaan mogen worden, 3. Zij vindt genade bij de koning, 4. En zij draagt hem haar verzoek verder voor, 5. De koning staat haar alles toe wat zij verlangt, 7. En dit wordt aan de landvoogden in alle provincies geschreven, 9. Het wordt in des konings naam en met boden overal verzonden, 10. Samenvatting van het plakkaat, 11. Mordechais heerlijkheid en sieraad, 15. Bij de Joden is grote vreugde, en vele volken voegen zich bij de Joden, 17.*

**1** [^esther-8-1-1] Op dezelfde dag gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther[^esther-8-1-2] het huis van Haman, de vijand van de Joden; en Mordechai[^esther-8-1-3] kwam voor het aangezicht van de koning, want Esther[^esther-8-1-4] had te kennen gegeven,[^esther-8-1-5] wat hij voor haar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v1)

**2** En de koning trok zijn ring af,[^esther-8-2-6] die hij van Haman genomen had, en[^esther-8-2-7] gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v2)

**3** En Esther[^esther-8-3-8] sprak verder voor het aangezicht van de koning, en zij viel[^esther-8-3-9] voor zijn voeten, en zij huilde, en zij smeekte hem, dat hij[^esther-8-3-10] de boosheid van Haman, de Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v3)

**4** De koning nu[^esther-8-4-11] reikte de gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v4)

**5** En zij zei: Als het de koning goeddunkt, en als ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en[^esther-8-5-12] deze zaak[^esther-8-5-13] voor de koning recht is, en ik in zijn ogen[^esther-8-5-14] aangenaam ben,[^esther-8-5-15] dat er geschreven worde, dat de brieven[^esther-8-5-16] en de gedachte van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, herroepen worden, die hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de gewesten van de koning zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v5)

**6** Want[^esther-8-6-17] hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk[^esther-8-6-18] treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v6)

**7** Toen zei de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, de Jood: Zie,[^esther-8-7-19] het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan[^esther-8-7-20] de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden[^esther-8-7-21] geslagen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v7)

**8** [^esther-8-8-22] Schrijf u dan voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen,[^esther-8-8-23] in de naam van de koning, en verzegelt het[^esther-8-8-24] met de ring van de koning;[^esther-8-8-25] want het schrift, dat in de naam van de koning geschreven, en met de ring van de koning verzegeld is,[^esther-8-8-26] is niet te herroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v8)

**9** Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in die tijd, in de derde maand (zij is[^esther-8-9-27] de maand Sivan), op de drie en twintigste daarvan, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de[^esther-8-9-28] stadhouders, en landvoogden, en oversten van de gewesten, die[^esther-8-9-29] van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig gewesten,[^esther-8-9-30] een ieder gewest naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn taal; ook aan de Joden naar hun schrift[^esther-8-9-31] en naar hun taal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v9)

**10** En men schreef in de naam van de koning Ahasveros, en men verzegelde het met de ring van de koning; en men zond de brieven door de hand van[^esther-8-10-32] de lopers te paard, rijdende[^esther-8-10-33] op snelle kamelen,[^esther-8-10-34] op muildieren, van merriën geteeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v10)

**11** Dat de koning de Joden[^esther-8-11-35] toeliet, die[^esther-8-11-36] in elke stad waren, zich te verzamelen, en[^esther-8-11-37] voor hun leven te staan, om te vernietigen, om te doden en om om te brengen alle macht van het volk en van het gewest, die hen[^esther-8-11-38] benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en[^esther-8-11-39] hun buit te roven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v11)

**12** [^esther-8-12-40] Op één dag in al de gewesten van de koning Ahasveros, op de dertiende van de twaalfde maand; deze is[^esther-8-12-41] de maand Adar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v12)

**13** [^esther-8-13-42] De inhoud van dit geschrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle gewesten, openbaar aan alle volken; en dat de Joden[^esther-8-13-43] gereed zouden zijn tegen die dag, om zich te wreken aan hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v13)

**14** [^esther-8-14-44] De lopers, die op snelle kamelen reden en op muildieren, trokken snel uit, aangedreven zijnde door het woord van de koning. Deze wet nu[^esther-8-14-45] werd gegeven op de burg Susan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v14)

**15** En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk[^esther-8-15-46] kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en[^esther-8-15-47] de stad Susan juichte en was vrolijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v15)

**16** Bij de Joden was[^esther-8-16-48] licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v16)

**17** Ook[^esther-8-17-49] in alle en een ieder gewest, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en[^esther-8-17-50] vrolijke dagen; en velen[^esther-8-17-51] uit de volken van het[^esther-8-17-52] land werden Joden, want[^esther-8-17-53] de vrees voor de Joden was op hen gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/8.html#v17)

[^esther-8-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk toen Haman gehangen was.
[^esther-8-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk met zijn toebehoren.
[^esther-8-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: hij werd opgenomen in het getal van de vorsten die dagelijks bij de koning kwamen en zijn aangezicht mochten aanschouwen. Zie boven 1:14.
[^esther-8-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk de koning.
[^esther-8-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: hoe nauw zij elkaar bestonden. Zie hst. 2:7.
[^esther-8-2-6]: Kanttekening 6: Zie boven 3:10 en de aantekening op Gen. 41:42.
[^esther-8-2-7]: Kanttekening 7: Indachtig aan de trouw die Mordechai hem had bewezen. Zie boven 6:2.
[^esther-8-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk toen Haman gehangen was. Zie boven 7:9.
[^esther-8-3-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: voor het aangezicht van zijn voeten.
[^esther-8-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: het plakkaat over het uitroeien van de Joden, dat op raad en kwade ingeving van Haman was gepubliceerd.
[^esther-8-4-11]: Kanttekening 11: Daarmee zijn genade en gunst tegenover haar te kennen gevende. Zie boven 4:11 en 5:2. Het lijkt erop dat de koning Esther tegelijk te kennen gaf dat zij moest opstaan en zeggen wat haar begeerte was.
[^esther-8-5-12]: Kanttekening 12: Of: dit woord.
[^esther-8-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: voor het aangezicht van de koning.
[^esther-8-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws: goed.
[^esther-8-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk aan de vorsten en oversten.
[^esther-8-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: het boze voornemen van Haman. Zie vers 3.
[^esther-8-6-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: hoe zal ik kunnen en zien in het onheil, en zo direct daarna ook; alsof zij zegt: ik zal het van hartzeer niet kunnen aanzien.
[^esther-8-6-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: vinden.
[^esther-8-7-19]: Kanttekening 19: Zie boven vers 1 en vers 2.
[^esther-8-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk aan die galg die hij had laten oprichten om Mordechai daaraan te hangen.
[^esther-8-7-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: van plan was te slaan. De wil wordt voor de daad genomen.
[^esther-8-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk aan de oversten en vorsten van de provincies.
[^esther-8-8-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: in mijn naam.
[^esther-8-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: met mijn ring.
[^esther-8-8-25]: Kanttekening 25: Of: maar.
[^esther-8-8-26]: Kanttekening 26: Vergelijk Dan. 6:9, 13, 16.
[^esther-8-9-27]: Kanttekening 27: Deze maand komt ten dele overeen met onze mei, ten dele met juni.
[^esther-8-9-28]: Kanttekening 28: Zoals boven 3:12.
[^esther-8-9-29]: Kanttekening 29: Zie boven 1 vers 1.
[^esther-8-9-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: provincie en provincie.
[^esther-8-9-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: en volk en volk.
[^esther-8-10-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: van lopers op paarden.
[^esther-8-10-33]: Kanttekening 33: Of: op dromedarissen, een soort zeer snelle kamelen. Zie 1 Kon. 4:28.
[^esther-8-10-34]: Kanttekening 34: Of: namelijk de koninklijke postboden die van postboden geboren waren. Het lijkt erop dat het postambt van ouders op kinderen overging.
[^esther-8-11-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws: gaf, d.w.z. toestond, zoals Ps. 16:10.
[^esther-8-11-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: in alle stad en stad; zo ook in vers 17.
[^esther-8-11-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: hun leven te verdedigen en voor hun leven te strijden, zoals Ps. 94:16.
[^esther-8-11-38]: Kanttekening 38: Of: vijandig zouden aanvallen.
[^esther-8-11-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: hun goederen, die de Joden als buit werden gegeven. Zie boven 3:13.
[^esther-8-12-40]: Kanttekening 40: Namelijk op dezelfde dag waarop Haman had voorgenomen de Joden uit te roeien. Zie boven 3:13.
[^esther-8-12-41]: Kanttekening 41: Zie boven 3:7.
[^esther-8-13-42]: Kanttekening 42: Of: kopie.
[^esther-8-13-43]: Kanttekening 43: Of: uitgerust en gereed zouden zijn.
[^esther-8-14-44]: Kanttekening 44: Namelijk de koninklijke postboden, zie vers 10.
[^esther-8-14-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: aangeslagen, of gepubliceerd.
[^esther-8-15-46]: Kanttekening 46: Zoals de grote heren bij de Perzen gewoon waren te dragen.
[^esther-8-15-47]: Kanttekening 47: Verstaat hier in het bijzonder de Joden die te Susan waren; maar ook wel verscheidenen onder de Perzen en Meden, die geen welgevallen hadden in die gruwelijke bloedvergieting die Haman voor had.
[^esther-8-16-48]: Kanttekening 48: Zoals het licht van de zon de ogen van de mensen verlicht en hun hart verlicht, verheugt en verblijdt, zo verlichtte en verheugde dat plakkaat van de koning de harten van de Joden. Zie Job 18 op de verzen 5 en 6 en Ps. 27 op vers 1.
[^esther-8-17-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: in alle provincie en provincie, en in alle stad en stad.
[^esther-8-17-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws: goede.
[^esther-8-17-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: uit het gewone volk.
[^esther-8-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: zij namen de Joodse godsdienst aan, lieten zich besnijden, en voegden zich bij de Joden, zodat zij Jodengenoten werden.
[^esther-8-17-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: zij waren bang voor de Joden.

### Esther 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/9.json)

*Volgens het schrijven van de koning verzamelen de Joden zich tegen hun vijanden om hen te doden, vers 1 enz. De landvoogden helpen hen, uit vrees voor Mordechai, 3. Die groot was bij de koning, 4. De Joden verslaan velen van hun vijanden, 5. onder anderen ook de tien zonen van Haman, 7. De koning vraagt Esther wat zij nog meer verlangt, 12. Zij verlangt dat hetzelfde de volgende dag gedaan mag worden, en dat de zonen van Haman mogen worden opgehangen, 13. wat de koning beveelt te doen, 14. De Joden doden in Susan nog driehonderd man, 15. In de andere gewesten doden zij 75.000 van hun vijanden, maar slaan hun hand niet aan de buit, 16. De Joden houden feest en dagen van vreugde, 17. Die Mordechai bevestigt, 21. en verordent dat ze door de nakomelingen nauwkeurig onderhouden zouden worden, 22. wat de Joden aannemen te doen, 23. En die dagen worden de dagen Purim genoemd, 26. Dit alles wordt door Esther en Mordechai geschreven, 29. en aan allen bekendgemaakt, 30. En in een boek geschreven, 32.*

**1** In de twaalfde maand nu (die is de maand[^esther-9-1-1] Adar), op de dertiende dag daarvan,[^esther-9-1-2] toen het woord van de koning en[^esther-9-1-3] zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, op de dag als de vijanden van de Joden hoopten over hen te heersen,[^esther-9-1-4] zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelf over hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v1)

**2** Want de Joden verzamelden zich in hun steden, in al de gewesten van de koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die[^esther-9-2-5] hun verderf zochten; en niemand[^esther-9-2-6] bestond voor hen, want[^esther-9-2-7] hun schrik was op al die volken gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v2)

**3** En al de oversten van de gewesten, en de stadhouders, en landvoogden, en[^esther-9-3-8] die het werk van de koning deden,[^esther-9-3-9] verhieven de Joden; want[^esther-9-3-10] de vrees voor Mordechai was op hen gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v3)

**4** Want Mordechai was[^esther-9-4-11] groot in het huis van de koning, en zijn gerucht ging uit door alle gewesten; want die man, Mordechai,[^esther-9-4-12] werd doorgaans groter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v4)

**5** De Joden nu sloegen op al hun vijanden,[^esther-9-5-13] met de slag van het zwaard, en van de doding, en van de verderving; en zij deden met hun vijanden naar hun welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v5)

**6** En in de burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht[^esther-9-6-14] vijfhonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v6)

**7** En[^esther-9-7-15] Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v7)

**8** En Poratha, en Adalia, en Aridatha, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v8)

**9** En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v9)

**10** De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand van de[^esther-9-10-16] Joden, doodden zij;[^esther-9-10-17] maar zij sloegen hun handen niet aan de roof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v10)

**11** Op diezelfde dag kwam voor de koning het getal van de gedoden op de burg Susan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v11)

**12** En de koning zei tot de koningin Esther: Te Susan op de burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van[^esther-9-12-18] Haman; wat hebben zij in al de andere gewesten van de koning gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v12)

**13** Toen zei Esther: Denkt het de koning goed,[^esther-9-13-20] men late ook morgen de Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van vandaag; en men hange de tien zonen van[^esther-9-13-21] Haman aan de galg.[^esther-9-13-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v13)

**14** Toen zei de koning dat men zo doen zou; en[^esther-9-14-22] er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v14)

**15** En de Joden die te Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan de roof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v15)

**16** De overige Joden nu, die in de gewesten van de koning waren,[^esther-9-16-23] verzamelden zich, opdat zij stonden voor hun[^esther-9-16-24] leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun vijanden vijf[^esther-9-16-25] en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan de roof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v16)

**17** Dit gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar; en op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van de maaltijden en van de vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v17)

**18** En de Joden, die[^esther-9-18-26] te Susan waren, verzamelden[^esther-9-18-27] zich op de dertiende daarvan, en op de veertiende daarvan; en zij rustten op de vijftiende daarvan, en zij maakten die tot een dag van de maaltijden en van de vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v18)

**19** [^esther-9-19-28] Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, de veertiende dag van de maand Adar[^esther-9-19-29] ter vreugde en maaltijden, en een[^esther-9-19-30] vrolijke dag, en een dag van[^esther-9-19-31] de[^esther-9-19-32] zending van delen aan elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v19)

**20** En Mordechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de gewesten van de koning Ahasveros waren, die, die nabij, en die, die verre waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v20)

**21** Om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden de veertiende dag van de maand Adar, en de vijftiende dag daarvan, in[^esther-9-21-33] alle en in ieder jaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v21)

**22** [^esther-9-22-34] Naar de dagen, in die de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een[^esther-9-22-35] vrolijke dag; dat zij die dagen maken zouden tot dagen van de maaltijden, en van de vreugde, en van de zending van delen aan elkaar, en van de gaven aan de armen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v22)

**23** En de Joden namen aan te doen,[^esther-9-23-36] wat zij begonnen hadden, en[^esther-9-23-37] dat Mordechai aan hen geschreven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v23)

**24** Omdat Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de vijand van alle Joden, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is, het[^esther-9-24-38] lot had geworpen, om hen te verslaan, en om hen om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v24)

**25** Maar als[^esther-9-25-39] zij[^esther-9-25-40] voor de koning gekomen was, heeft[^esther-9-25-41] hij[^esther-9-25-a] door brieven[^esther-9-25-42] bevolen, dat[^esther-9-25-43] zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou terugkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v25)

**26** Daarom noemt[^esther-9-26-44] men die dagen Purim, van de naam[^esther-9-26-45] van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van[^esther-9-26-46] die brief, en wat zij zelf daarvan gezien hadden, en wat tot hen[^esther-9-26-47] overgekomen was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v26)

**27** Bevestigden de Joden, en namen op zich en[^esther-9-27-48] op hun zaad, en op allen, die zich tot hen[^esther-9-27-49] vervoegen zouden, dat men het niet zou overtreden, dat zij[^esther-9-27-50] deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift ervan, en naar de bestemde tijd ervan, in[^esther-9-27-51] alle en ieder jaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v27)

**28** Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in alle en elk geslacht, elk huisgezin, elk gewest en elke stad; en dat deze dagen van Purim niet zouden overtreden worden[^esther-9-28-52] onder de Joden, en dat de herinnering ervan geen einde nemen zou[^esther-9-28-53] bij hun zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v28)

**29** [^esther-9-29-54] Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abichaïl, en Mordechai, de Jood,[^esther-9-29-55] met alle macht, om[^esther-9-29-56] deze brief van Purim[^esther-9-29-57] voor de tweede keer te bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v29)

**30** En[^esther-9-30-58] hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig gewesten van het koninkrijk van Ahasveros,[^esther-9-30-59] met woorden van vrede en trouw; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v30)

**31** Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, zoals Mordechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en zoals zij het bevestigd hadden[^esther-9-31-60] voor zichzelf en voor[^esther-9-31-61] hun zaad; de[^esther-9-31-62] zaken van het vasten en hun geroep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v31)

**32** En het bevel van[^esther-9-32-63] Esther bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/9.html#v32)

[^esther-9-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven 3:7.
[^esther-9-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: toen de tijd aankwam dat men de Joden zou uitroeien.
[^esther-9-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: zijn plakkaat.
[^esther-9-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk door de rechtvaardige regering van God, die Hamans bloeddorstig voornemen te schande had gemaakt, en de vijanden van Gods volk had gedaan zoals zij anderen meenden te doen.
[^esther-9-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: hun onheil.
[^esther-9-2-6]: Kanttekening 6: Of: stond hen tegen. Hebreeuws: voor hun aangezicht.
[^esther-9-2-7]: Kanttekening 7: Verstaat hier een vrees en schrik waarmee de Joden door anderen werden gevreesd. Zo ook in vers 3.
[^esther-9-3-8]: Kanttekening 8: Zie boven 3 op vers 9.
[^esther-9-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: zij eerden hen en deden hun alle hulp.
[^esther-9-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: zij vreesden hem te vertoornen, nu zij zagen dat hij in zo groot aanzien bij de koning stond.
[^esther-9-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: in groot aanzien en gezag.
[^esther-9-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: hij werd elke dag groter. Zie deze spreekwijze in Gen. 26:13 met de aantekening. Hebreeuws: gaande en groot wordende.
[^esther-9-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: zij sloegen, doodden en brachten om met het zwaard, al hun vijanden.
[^esther-9-6-14]: Kanttekening 14: Sommigen menen dat deze vijfhonderd mannen vrienden en bondgenoten van Haman waren, waardoor de koning er des te minder moeite mee had, vermoed hebbend dat zij iets tegen hem konden ondernemen om de dood van Haman te wreken.
[^esther-9-7-15]: Kanttekening 15: Zie Ex. 17:14 en Deut. 25:17, waar geboden wordt Amalek uit te roeien.
[^esther-9-10-16]: Kanttekening 16: Niet alleen vanwege het boze voornemen van hun vader, maar ook vanwege het gebod van God, Ex. 17:14.
[^esther-9-10-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: zij namen de goederen van de verslagenen niet voor zich (ook al had de koning hun dit toegestaan). Waarom? Om de schatkamer van de koning niet tekort te doen; ook opdat zij zouden doen blijken dat zij hun vijanden niet hadden gedood uit vuile winzucht en eigen voordeel, maar alleen om hun leven en goederen te beschermen, en omdat de nood het vereiste, want anders kon het plakkaat van de koning niet worden tenietgedaan.
[^esther-9-12-18]: Kanttekening 18: Alsof hij zegt: aangezien het getal van de gedoden op de burcht Susan zo groot is, hoe groot moet dan het getal zijn van allen die in alle provincies van mijn rijk zijn gedood?
[^esther-9-13-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: laat hen morgen in de stad Susan doen wat heden op de burcht Susan is geschied. Anderen verstaan dit zo dat er te Susan nog enige waren die zich tegen de Joden stelden, die ook noodzakelijk moesten worden uitgeroeid.
[^esther-9-13-21]: Kanttekening 21: Hier is op te merken dat de zonen van Haman werden gehangen nadat zij gedood waren. Zie vers 10.
[^esther-9-13-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: is het goed bij de koning.
[^esther-9-14-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: er werd een bevel uitgevaardigd namens de koning, waardoor de Joden te Susan werd toegestaan hun vijanden de volgende dag ook te doden, zoals Esther in vers 13 had verzocht.
[^esther-9-16-23]: Kanttekening 23: Hij wil zeggen: zij vergaderden om hun leven te beschermen en in vrede te kunnen leven, zonder hun vijanden te vrezen.
[^esther-9-16-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: ziel. Of: en stonden voor hun leven, en hadden rust, enz.
[^esther-9-16-25]: Kanttekening 25: Zie boven vers 10.
[^esther-9-18-26]: Kanttekening 26: Namelijk in de stad Susan.
[^esther-9-18-27]: Kanttekening 27: Namelijk op de dertiende dag van de maand Adar.
[^esther-9-19-28]: Kanttekening 28: Namelijk vanwege de overwinning die zij op die dag op hun vijanden hadden behaald.
[^esther-9-19-29]: Kanttekening 29: Zie Deut. 16:11,14; Neh. 8:10,11.
[^esther-9-19-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: goede dag.
[^esther-9-19-31]: Kanttekening 31: Of: gerechten, namelijk tafelgerechten. Zie 1 Sam. 1:4,5; Neh. 8:11,13.
[^esther-9-19-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: de man aan zijn naaste.
[^esther-9-21-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: in alle jaar en jaar.
[^esther-9-22-34]: Kanttekening 34: Verstaat: hij bepaalde dat men die feestdagen elk jaar met zulke vreugde zou onderhouden als zij die dagen hadden onderhouden waarop zij rust en vrede hadden verkregen; en dat zij zulks zouden doen in die maand die voor hen was veranderd van smart in blijdschap.
[^esther-9-22-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws: goede dag.
[^esther-9-23-36]: Kanttekening 36: Namelijk dat zij elk jaar de veertiende dag van de maand Adar met vreugde zouden vieren en onderhouden.
[^esther-9-23-37]: Kanttekening 37: Namelijk dat zij ook de vijftiende dag van de maand Adar jaarlijks zouden onderhouden.
[^esther-9-24-38]: Kanttekening 38: Zie boven 3:7.
[^esther-9-25-39]: Kanttekening 39: Namelijk Esther.
[^esther-9-25-40]: Kanttekening 40: Verstaat hierbij alles wat Esther verder heeft gedaan toen zij tot de koning was gekomen.
[^esther-9-25-41]: Kanttekening 41: Namelijk de koning.
[^esther-9-25-a]: Verwijzing a: Esther hst. 8:8.
[^esther-9-25-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws: gezegd.
[^esther-9-25-43]: Kanttekening 43: Namelijk Hamans.
[^esther-9-26-44]: Kanttekening 44: Namelijk de veertiende en de vijftiende van de maand Adar.
[^esther-9-26-45]: Kanttekening 45: Waarvan boven 3:7 gesproken wordt.
[^esther-9-26-46]: Kanttekening 46: Waarover zie boven de verzen 20, 21.
[^esther-9-26-47]: Kanttekening 47: Namelijk door het gerucht, of door brieven.
[^esther-9-27-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: op hun nakomelingen.
[^esther-9-27-49]: Kanttekening 49: Namelijk uit de heidenen, die de Joodse godsdienst aannamen. Zie boven 8:17.
[^esther-9-27-50]: Kanttekening 50: Namelijk de veertiende en de vijftiende dag van de maand Adar, vers 21.
[^esther-9-27-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws: in alle jaar en jaar, zoals vers 21.
[^esther-9-28-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws: uit het midden. Of: vergaan uit het midden van de Joden.
[^esther-9-28-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: bij hun nakomelingen.
[^esther-9-29-54]: Kanttekening 54: Namelijk in het volgende jaar, zo men meent, dat was het dertiende jaar van het koninkrijk van Ahasveros.
[^esther-9-29-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: zij schreven deze brieven zo sterk, en met zulke ernstige woorden en bevelen als zij maar konden.
[^esther-9-29-56]: Kanttekening 56: Waarover gesproken wordt boven de verzen 20, 21 en 22.
[^esther-9-29-57]: Kanttekening 57: Eerst had Mordechai de dagen van Purim bevestigd in vers 20. Maar om het nauwkeurig onderhouden daarvan te bevorderen, heeft Esther (van wie het gezag groot was bij de Joden) het bevel tot het onderhouden van deze dagen opnieuw door haar brieven vernieuwd en bekrachtigd, opdat de herinnering aan hun verlossing toch niet in vergetelheid zou geraken.
[^esther-9-30-58]: Kanttekening 58: Namelijk Mordechai.
[^esther-9-30-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: hun vrede en trouw toewensend.
[^esther-9-31-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: op hun ziel.
[^esther-9-31-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: hun nakomelingen.
[^esther-9-31-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: de gedachtenis van hun nood, vasten, bidden en de gevolgde verlossing.
[^esther-9-32-63]: Kanttekening 63: Zoals boven vers 31.

### Esther 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/esther/10.json)

*Ahasveros legt een schatting op het land, vers 1 enz. Mordechais hoge staat en bemindheid bij de Joden, wier welzijn hij zoekt, 3.*

**1** Daarna legde de koning[^esther-10-1-1] Ahasveros[^esther-10-1-2] belasting[^esther-10-1-3] op het land, en de[^esther-10-1-4] eilanden van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/10.html#v1)

**2** [^esther-10-2-5] Al de werken nu van zijn macht en van zijn geweld, en de verklaring van de grootheid van Mordechai,[^esther-10-2-6] die de koning groot gemaakt heeft,[^esther-10-2-7] zijn die niet geschreven in het boek[^esther-10-2-8] van[^esther-10-2-9] de kronieken van de koningen van Medië en Perzië? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/10.html#v2)

**3** Want de Jood Mordechai[^esther-10-3-10] was de tweede bij de koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broers, zoekende[^esther-10-3-11] het beste voor zijn volk, en[^esther-10-3-12] sprekende voor[^esther-10-3-13] de welstand van zijn hele[^esther-10-3-14] nageslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/esther/10.html#v3)

[^esther-10-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: Achasres.
[^esther-10-1-2]: Kanttekening 2: Of: belasting.
[^esther-10-1-3]: Kanttekening 3: Verstaat hier de vaste hoge landen.
[^esther-10-1-4]: Kanttekening 4: Zie Ps. 72 op vers 10.
[^esther-10-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: al zijn kloeke daden.
[^esther-10-2-6]: Kanttekening 6: Of: waarmee hem de koning groot heeft gemaakt.
[^esther-10-2-7]: Kanttekening 7: Zie een vergelijkbare spreekwijze in 1 Kon. 11:41 en elders dikwijls.
[^esther-10-2-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: van de woorden van de dagen.
[^esther-10-2-9]: Kanttekening 9: Gewoonlijk staat Perzen voor Meden; hier is het omgekeerd.
[^esther-10-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: naast de koning had hij het hoogste gezag.
[^esther-10-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: het goede.
[^esther-10-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: die bij de koning altijd ten beste sprak voor de Joden.
[^esther-10-3-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: de vrede.
[^esther-10-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: volk, landgenoten, namelijk de Joden, van wie nog velen in Babylonië en elders in de vreemde waren, die met Zerubbabel naar hun land niet waren teruggekeerd, zoals te zien is in de boeken van Ezra en Nehemia.

## Job

### Job 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/1.json)

*Job is oprecht vroom, vers 1. Gezegend door God met kinderen, rijkdom en eer, 2. Hij wordt door het aandringen van de satan, 6. en de toelating van God, 12. tot zijn beproeving bezocht met het verlies van al zijn goed, 13. en zijn kinderen, 18. waarover hij tekenen geeft van droefheid, zich troost en God voor alles dankt, 20.*

**1** Er was een man in het land[^job-1-1-1] Uz, zijn naam was[^job-1-1-2] Job; en dezelfde man was[^job-1-1-3][^job-1-1-a] oprecht, en[^job-1-1-4] vroom, en[^job-1-1-5] godvrezende, en wijkende van[^job-1-1-6] het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v1)

**2** En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v2)

**3** Daartoe was zijn[^job-1-3-7] vee zeven duizend[^job-1-3-8] schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn[^job-1-3-9] dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al[^job-1-3-10] die van het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v3)

**4** En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op[^job-1-4-11] zijn dag; en zij[^job-1-4-12] zonden heen, en nodigden hun drie zussen, om met hen te eten en te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v4)

**5** Het gebeurde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job hen liet halen, en hen[^job-1-5-13] heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandoffers offerde naar hun aller getal; want Job[^job-1-5-14] zei: Misschien hebben mijn kinderen[^job-1-5-15] gezondigd, en God in hun hart[^job-1-5-16] gezegend. Zo deed Job al[^job-1-5-17] die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v5)

**6** Er was nu een dag, als de[^job-1-6-18] kinderen van God[^job-1-6-19] kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de[^job-1-6-20] satan ook in het midden van hen kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v6)

**7** Toen zei YHWH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde YHWH, en zei: Van[^job-1-7-21] om te trekken op de[^job-1-7-b] aarde, en van die te doorwandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v7)

**8** En YHWH zei tot de satan:[^job-1-8-22] Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job?[^job-1-8-23] Want niemand is op de aarde zoals hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v8)

**9** Toen antwoordde de satan YHWH, en zei: Is het om niet, dat Job God vreest? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v9)

**10** Hebt U niet[^job-1-10-24] een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk van zijn handen hebt U[^job-1-10-25] gezegend, en zijn vee is[^job-1-10-26] in menigte uitgebroken in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v10)

**11** Maar toch strek nu Uw hand uit, en[^job-1-11-27] tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw[^job-1-11-28] aangezicht zal[^job-1-11-29] zegenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v11)

**12** En YHWH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij[^job-1-12-31] in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van YHWH.[^job-1-12-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v12)

**13** Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochters aten, en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v13)

**14** Dat een bode tot Job kwam, en zei: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.[^job-1-14-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v14)

**15** Maar de[^job-1-15-34] Sabeërs[^job-1-15-35] deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.[^job-1-15-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v15)

**16** Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei:[^job-1-16-37] Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.[^job-1-16-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v16)

**17** Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.[^job-1-17-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v17)

**18** Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uw zonen en uw dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hun broer, de eerstgeborene;[^job-1-18-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v18)

**19** En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en[^job-1-19-41] stootte aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongemannen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.[^job-1-19-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v19)

**20** Toen stond Job op, en[^job-1-20-43] scheurde zijn[^job-1-20-44] mantel, en[^job-1-20-45] schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neer;[^job-1-20-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v20)

**21** En hij zei:[^job-1-21-c] Naakt ben ik uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal[^job-1-21-47] ik daarheen terugkeren. YHWH heeft gegeven, en[^job-1-21-48] YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd![^job-1-21-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v21)

**22** In dit alles zondigde[^job-1-22-50] Job niet, en[^job-1-22-51] schreef aan God niets ongepasts toe.[^job-1-22-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/1.html#v22)

[^job-1-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, עוּץ, Uts, of Huts. Versta, een landschap, zo genaamd door een man van dezelfde naam. Drie hebben deze naam gehad, van welke de Heilige Schrift vermeldt: I. De zoon van Aram, de zoon van Sem, Gen. 10:23 ; II. De eerstgeboren zoon van Nahor, de broer van Abraham, Gen. 22:21 ; III. één van de nakomelingen van Ezau, Gen. 36:28 . De eerste is geweest de vader van de inwoners van het land Thrachonitis, anders genaamd naar hem Ausitis, alsof men zei Usitis. Van dit land, dat een deel was van het land van de Israëlieten, houden enige uitleggers dat hier gesproken wordt. Maar anderen menen dat men hier verstaan moet een landschap in Syrië gelegen, hebbende zijn naam van de tweede Uz. Ook zijn er, die deze plaats nemen van een streek in Idumea, waar de derde Uz woonachtig was; zie Klaagl. 4:21 . Genesis 10:23 : En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. Genesis 22:21 : Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram, Genesis 36:28 : Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran. Klaagliederen 4:21 : Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, u dochter Edoms, die in het land Uz woont! maar de beker zal ook tot u komen, u zult dronken worden, en ontbloot worden.
[^job-1-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, אִיּוֹב, Ijob. Zie Ez. 14:14 , 14:20 ; Jak. 5:11 . Ezechiël 14:14 : Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden ervan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 14:20 : Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden ervan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. Jakobus 5:11 : Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; u hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en u hebt het einde van de Heer gezien, dat de Heer zeer barmhartig is en een Ontfermer.
[^job-1-1-3]: Kanttekening 3: Of, eenvoudig; dat is, ongeveinsd in het geloof en vertrouwen op God, en rechtuit in de liefde, tegen zijn naaste. Zie van dit woord Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^job-1-1-a]: Verwijzing a: Job 2:3 . Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
[^job-1-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, יָשָׁר, recht, of gerechtig; te weten, tegen zijn naaste. Het woord ziet hier meest op de geboden van de tweede tafel. Evenwel wordt het veel in het algemeen genomen, betekenende een, die nocht ter rechter- noch ter linkerhand wijkt van de rechte weg, maar daarin blijft, schuwende alle kromme wegen, die hem daarvan zouden mogen afwenden. Zo onder, Job 4:7 , en Job 8:6 , en Job 17:8 . Zie ook Ps. 7:11 . Job 4:7 : Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd? Job 8:6 : Zo u zuiver en recht bent, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning van uw gerechtigheid volmaken. Job 17:8 : De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken; Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^job-1-1-5]: Kanttekening 5: De ware vrees voor God is het begin van alle deugden, Spr. 8:13 , en Spr. 15:33 . Maar deze lof ziet hier meest op de godsdienstigheid en de geboden van de eerste tafel. Spreuken 8:13 : De vrees voor YHWH is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en de hoogmoed, en de kwade weg; Ik haat ook de mond van de verkeerdheden. Spreuken 15:33 : De vrees voor YHWH is de tucht van de wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
[^job-1-1-6]: Kanttekening 6: het kwaad: Te weten, de zonde, verboden in de eerste en tweede tafel van de tien geboden.
[^job-1-3-7]: Kanttekening 7: Zie van het Hebreeuwse woord mikneh, Gen. 4:20 . Genesis 4:20 : En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
[^job-1-3-8]: Kanttekening 8: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen schapen, maar ook geiten, dat is allerlei klein vee, voornamelijk als het tegen grote beesten gesteld wordt. Zie Gen. 12:16 , en Lev. 1:2 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen. Leviticus 1:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als een mens uit u YHWH een offerande zal offeren, u zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
[^job-1-3-9]: Kanttekening 9: Of, dienstwerk, landbouwerij.
[^job-1-3-10]: Kanttekening 10: die van het oosten: Of, mensen van het oosten. Hebreeuws, בְּנֵי, kinderen van oosten; dat is, die ten aanzien van Judea oostwaarts woonden. Vergelijk Gen. 29:1 ; Richt. 6:3 , en zie de aantekening. Genesis 29:1 : Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land van de kinderen van het Oosten. Richteren 6:3 : Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.
[^job-1-4-11]: Kanttekening 11: zijn dag: Te weten, zijn beurt om zijn maaltijd te geven; want hiervan ging zekere orde onder hen om. En misschien kwam de orde op elk, ten dage van zijn geboorte. Want Job noemt deze zijn dag; Job 3:1 . Job 3:1 : Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
[^job-1-4-12]: Kanttekening 12: zonden heen: Te weten, boden, die de zussen ter maaltijd zouden noden. Zo in vers 5 . Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen.
[^job-1-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, verzorgde en belastte dat zij zich heiligen zouden, opdat zij bekwaam zouden zijn tot het aanstaande offer. Zo Ex. 19:10 . Deze heiliging bestond wel voornamelijk in de verzaking van alle geestelijke onreinheid van de zonden, maar ook in de onderhouding van zekere lichamelijke ceremoniën, als tekenen van de inwendige heiligmaking, welke in die tijden onder de vromen plaats had. Vergelijk Gen. 35:2 \[waar is het woord reinigen \] en de aantekening daarop. Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren groeien, Genesis 35:2 : Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren;
[^job-1-5-14]: Kanttekening 14: Te weten, bij zichzelven, dat is, hij dacht; zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijn huisvrouw wil zullen doden.
[^job-1-5-15]: Kanttekening 15: Te weten, door onmatige vrolijkheid, lichtvaardig wezen, verkwisting van Gods gaven, vergeting van de armen en andere zonden van vleselijke onbedachtzaamheid.
[^job-1-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, niet gezegend, geheiligd, of geëerd, gelijk het betaamde, maar de geboden van de Heer in hun vreugde en overvloed klein geacht en als in de wind geslagen. Zo is het woord zegenen, dat anders betekent prijzen en loven, hier genomen voor het tegendeel, vloeken, misprijzen, versmaden. Want het betekent hier de zonden voor welke Job offerande deed. Zo wordt dit woord ook gebruikt onder, vers 11 , en Job 2:9 . Zie ook 1 Kon. 21:10 , en de aantekening daarop. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? Job 2:9 : Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf. 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
[^job-1-5-17]: Kanttekening 17: die dagen: Te weten, als zijn kinderen hun maaltijden hadden gehouden.
[^job-1-6-18]: Kanttekening 18: kinderen van God: Hebreeuws, בְּנֵי, zonen; dat is, de engelen van God, gelijk onder, Job 38:7 ; niet omdat zij van nature zonen of kinderen van God zijn, gelijk de Eniggeborene van de Vader, maar omdat zij deze waardigheid hebben uit de gave van de schepping, zijnde gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, om zijn aangezicht geduriglijk te aanschouwen, hem en zijn gemeente te dienen en eeuwig met hem te leven. Job 38:7 : Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten.
[^job-1-6-19]: Kanttekening 19: Dit wordt gezegd bij gelijkenis van wereldse prinsen, die om rekenschap te eisen van hun dienaren over wat zij hun belast hebben, deze voor zich ontbieden. Vergelijk 1kon. 22:19, en de aantekening.
[^job-1-6-20]: Kanttekening 20: Dat is, wederpartijder. Zie 1 Kron. 21:1 . Zo wordt de boze geest genoemd, omdat hij uit onverzoenlijke vijandschap de gelovigen haat, die verklagende voor God, Openb. 12:10 , en als een briesende leeuw rondom hen lopende, en zoekende wie hij zou mogen verslinden; 1 Petr. 5:8 . 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broers, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^job-1-7-21]: Kanttekening 21: om te trekken: Het werk van de duivel is alles te doorlopen en te doorsnuffelen, om degenen, die op hun hoede niet zijn, te grijpen, en die nog enigszins wacht houden te kwellen en te bespringen.
[^job-1-7-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 5:8 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^job-1-8-22]: Kanttekening 22: Hebt u ook : Hebreeuws, לִבְּ, hebt u uw hart gelegd, of gesteld; dat is, hebt u achtgegeven, of opmerking genomen? Dezelfde manier van spreken is te vinden 2 Sam. 18:3 , en onder, Job 2:3 , en Job 7:17 , en Job 23:6 . 2 Samuël 18:3 : Maar het volk zei: U zult niet uittrekken; want of wij te een male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar u bent nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat u ons uit de stad ter hulpe bent. Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. Job 7:17 : Wat is de mens, dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet? Job 23:6 : Zou Hij naar de grootheid van Zijn macht met mij twisten? Nee; maar Hij zou acht op mij slaan.
[^job-1-8-23]: Kanttekening 23: Want niemand: Of, dat niemand zijns gelijke is op de aarde, enz.
[^job-1-10-24]: Kanttekening 24: een betuining: Dat is, beschermt en bevrijdt U hem niet van alle kwaad door uw overaltegenwoordige voorzienigheid en almogende kracht?
[^job-1-10-25]: Kanttekening 25: Zie van dit woord zegenen Gen. 12:2 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
[^job-1-10-26]: Kanttekening 26: in menigte: Zie Gen. 30:30 . Het Hebreeuwse woord is ook elders gebruikt van zeer grote vermenigvuldiging, gelijk Gen. 28:14 , en Gen. 30:43 ; Ex. 1:12 . Genesis 30:30 : Want het weinige, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? Genesis 28:14 : En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Genesis 30:43 : En die man brak geheel zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienaren, en kamelen, en ezelen. Exodus 1:12 : Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen van Israël.
[^job-1-11-27]: Kanttekening 27: tast aan alles: Te weten, om dat te beschadigen en hem zo te plagen. Zie Gen. 26:11 . Genesis 26:11 : En Abimelech gebood het gehele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!
[^job-1-11-28]: Kanttekening 28: Dat is, stoutelijk zonder schroom en schaamte.
[^job-1-11-29]: Kanttekening 29: Zie boven, vers 5 . In het eedzweren van de Hebreën wordt gemeenlijk de straf, die men zich onderwerpt zo men valselijk zweert, verzwegen, gelijk hier. Zie Gen. 14:23 . Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^job-1-12-31]: Kanttekening 31: aan hem: Dat is, aan zijn persoon. Versta, zijn lichaam en ziel.
[^job-1-12-30]: Kanttekening 30: in uw hand: Dat is, in uw macht, onder uw geweld. Zie Gen. 16:6 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^job-1-14-32]: Kanttekening 32: aan hun zijden: Dat is, naast deze runderen. Hebreeuws, יְדֵי, aan hun handen. Zie het woord hand voor zijde gebruikt 2 Kron. 21:16 , enz. Anders, op hun plaatsen; dat is, waar zij plachten te weiden. Dit woord is somtijds voor plaatsen genomen gelijk Num. 2:17 ; Jer. 6:3 . 2 Kronieken 21:16 : Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. Numeri 2:17 : Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, een ieder aan zijn plaats, naar hun banieren. Jeremia 6:3 : Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden.
[^job-1-15-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, שְׁבָא, Scheba viel.
[^job-1-15-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, פִי, mond. Zo in het volgende.
[^job-1-15-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, שְׁבָא, Scheba; dat is de legermacht van de Sabeërs. Deze waren de nakomelingen van Scheba, de zoon van Joksan, de zoon van Abraham uit Ketura, Gen. 25:1 , 25:2 , 25:3 . Zij woonden in woest Arabië. Zie van hen Ez. 27:23 . Deze Scheba is te onderscheiden van een anderen van deze naam, welke was de zoon van Raema, de zoon van Cus, de zoon van Cham, de zoon van Noach, Gen. 10:7 , wiens nakomelingen het Morenland bewoonden. Zie de aantekening op Gen. 10:7 en op Gen. 10:28 . Genesis 25:1 : En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura. Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. Genesis 25:3 : En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. Ezechiël 27:23 : Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u. Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Genesis 10:28 : En Obal, en Abimaël, en Scheba,
[^job-1-16-37]: Kanttekening 37: Zie boven, vers 3 . Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
[^job-1-16-36]: Kanttekening 36: Het vuur Gods: Dit is, een groot, geweldig en verschrikkelijk vuur. Vergelijk de aantekening Gen. 13:10 , of dat God van de hemel gezonden heeft, zo zij meenden. Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^job-1-17-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, רָאשִׁים, hoofden; maar het Hebreeuwse woord betekent somtijds een schare of bende, of hoop volks, gelijk hier; Richt. 7:16 ; 1 Sam. 11:11 . Richteren 7:16 : En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een ieder een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. 1 Samuël 11:11 : Het geschiedde nu de volgende dag, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.
[^job-1-18-39]: Kanttekening 39: nog sprak: Het Hebreeuwse woord is aldus genomen Spr. 8:26 , en Jona 4:2 . Spreuken 8:26 : Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes van de wereld. Jona 4:2 : En hij bad tot YHWH, en zei: Och YHWH! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een genadig en barmhartig God bent, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
[^job-1-19-41]: Kanttekening 41: De zonen van Job. Zie Gen. 22:5 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren.
[^job-1-19-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, יִּגַּע, eigenlijk, raakte; dat is, trof.
[^job-1-20-43]: Kanttekening 43: Dit is een opperkleed geweest, dat de voornaamsten onder het volk droegen.
[^job-1-20-44]: Kanttekening 44: schoor zijn hoofd: Dat is, liet zijn hoofd scheren. Zo Gen. 41:14 ; 2 Sam. 14:26 , en zie Gen. 40:22 . Het scheren nu was een teken van droefenis en rouw; Lev. 21:5 ; Jer. 41:5 , en Jer. 48:37 ; Micha 1:16 . Anders heeft men zich ook laten scheren als men zijn lichaam reinigen wilde; dat, aangezien het tegen de tijd van vreugde placht te gebeuren, zo is het ook een teken geweest van verkwikking en blijdschap, Gen. 41:14 , en het nalaten daarvan een teken van ontsteltenis en verdriet; 2 Sam. 19:24 . Genesis 41:14 : Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao. 2 Samuël 14:26 : En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde het ten einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was, zo beschoor hij het), zo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar het gewicht van de koning. Genesis 40:22 : Maar de overste van de bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had. Leviticus 21:5 : Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. Jeremia 41:5 : Zo kwamen er mensen van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende de baard afgeschoren, en de kleren gescheurd, en zichzelven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hun hand, om in het huis van YHWH te brengen. Jeremia 48:37 : Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak. Micha 1:16 : Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd. Genesis 41:14 : Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao. 2 Samuël 19:24 : Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam.
[^job-1-20-45]: Kanttekening 45: boog zich neder: Het Hebreeuwse woord betekent zich nederbuigen, òf voor God om Hem godsdienstige eer te bewijzen; van welke betekenis, zie Gen. 24:26 , òf voor de mensen om hun burgerlijke eer aan te doen; van welke betekenis, zie Gen. 18:2 . De eerste heeft hier plaats, gelijk af te nemen is uit de volgende woorden, in welke hij God dankt voor al wat Hij hem toegezonden had. Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH; Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde.
[^job-1-20-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.
[^job-1-21-c]: Verwijzing c: Pred. 5:14 ; 1 Tim. 6:7 . Prediker 5:14 : Gelijk als hij voortgekomen is uit zijn moeders buik, zo zal hij naakt terugkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet meenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen. 1 Timotheüs 6:7 : Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.
[^job-1-21-47]: Kanttekening 47: YHWH heeft genomen: Hoe de kwade werken van de Satan en van de boze mensen, de goede God toegeschreven worden, zie Gen. 45:5 , en 1 Kon. 12:15 . Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven. 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^job-1-21-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, מְבֹרָֽךְ, gezegend. Zie Gen. 14:20 , en de aantekening. Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^job-1-21-46]: Kanttekening 46: Dit zei hij, zo het schijnt, wijzende op de aarde, naar welke hij zich neergebogen had.
[^job-1-22-50]: Kanttekening 50: schreef … toe: Of, eigende toe . Hebr., נָתַן, gaf .
[^job-1-22-51]: Kanttekening 51: Hebr. onsmakelijks . Dat is, ongerijmds, onredelijks, of onbetamelijks. T.w. hetwelke zou mogen strijden tegen Gods natuur, en eigenschappen, en tegen de eer van zijn naam.
[^job-1-22-49]: Kanttekening 49: Noch met woord, noch met daad.

### Job 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/2.json)

*De satan vraagt aan God of het hem toegestaan mag worden Job aan zijn eigen lichaam te plagen, vers 1 enz. Dat wordt hem onder een bepaalde voorwaarde toegestaan, 6. De satan slaat Job met boze zweren, 7. ook beschimpt zijn vrouw hem, die hij daarover berispt, 9. als drie van zijn vrienden bij hem gekomen zijn, bedroeven zij zich met hem, maar zwijgen een tijd lang stil, 11.*

**1** Opnieuw was er een dag, als de[^job-2-1-1] kinderen van God[^job-2-1-2] kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de[^job-2-1-3] satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor YHWH te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v1)

**2** Toen zei YHWH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde YHWH, en zei: Van[^job-2-2-4] om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v2)

**3** En YHWH zei tot de satan:[^job-2-3-5] Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde zoals hij, een man,[^job-2-3-6] oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem[^job-2-3-7] opgehitst hebt, om[^job-2-3-8] hem te[^job-2-3-9] verslinden[^job-2-3-10] zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v3)

**4** Toen antwoordde de satan YHWH, en zei: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn[^job-2-4-12] leven.[^job-2-4-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v4)

**5** Maar strek nu Uw hand uit, en[^job-2-5-13] tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal[^job-2-5-14] zegenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v5)

**6** En YHWH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw[^job-2-6-16] hand, maar[^job-2-6-17] spaar zijn leven.[^job-2-6-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v6)

**7** Toen ging de satan uit van het aangezicht van YHWH, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v7)

**8** En[^job-2-8-19] hij nam zich een[^job-2-8-20] potscherf, om zich daarmee te schrabben, en hij zat neer in het midden van de as.[^job-2-8-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v8)

**9** Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf.[^job-2-9-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v9)

**10** Maar hij zei tot haar: U spreekt als één van de zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.[^job-2-10-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v10)

**11** Als nu de drie[^job-2-11-24] vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit[^job-2-11-25] zijn plaats, Elifaz, de[^job-2-11-26] Themaniet, en Bildad, de[^job-2-11-27] Suhiet, en Zofar, de[^job-2-11-28] Naämathiet; en zij waren[^job-2-11-29] het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te troosten.[^job-2-11-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v11)

**12** En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en[^job-2-12-31] huilden; daartoe scheurden zij een ieder zijn[^job-2-12-32] mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel.[^job-2-12-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v12)

**13** Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/2.html#v13)

[^job-2-1-1]: Kanttekening 1: kinderen van God: Dat is, de heilige engelen van God; zie boven, Job 1:6 . Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
[^job-2-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven op de voorgemelde plaats.
[^job-2-1-3]: Kanttekening 3: Zie ook boven, Job 1:6 . Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
[^job-2-2-4]: Kanttekening 4: om te trekken: Zie boven, Job 1:7 . Job 1:7 : Toen zei YHWH tot de satan: Van waar komt u? En de satan antwoordde YHWH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
[^job-2-3-5]: Kanttekening 5: Hebt u ook : Zie boven, Job 1:8 . Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
[^job-2-3-6]: Kanttekening 6: oprecht en vroom: Zie de betekenis van al deze woorden, boven, Job 1:1 . Job 1:1 : Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
[^job-2-3-7]: Kanttekening 7: opgehitst hebt: Dit is menselijker wijze gesproken van God, die de beweging van de oorzaken, die buiten hem zijn, niet is onderworpen, want hem zijn al zijn werken van eeuwigheid af bekend, Hand. 15:18 , en Hij doet alle dingen naar de raad van zijn wil; Ef. 1:11 . Maar dit wordt zo gezegd om aan te wijzen I. dat de Satan altijd genegen is om de kinderen van God te beschadigen; II. dat God hem gebruikt om hen te beproeven. Handelingen 15:18 : voor God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. Efeziërs 1:11 : In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil;
[^job-2-3-8]: Kanttekening 8: Versta mee, zijn beesten en kinderen.
[^job-2-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, te verderven en als in te slokken, dat was in dit werk het doel van de Satan; gelijk het einde van Gods werk was zijn knecht te beproeven.
[^job-2-3-10]: Kanttekening 10: zonder oorzaak: Dit is, niet om zijn voorgaande zonden en boos leven. Want opdat wij dit verstaan zouden, zo geeft God van zijn vroomheid getuigenis in dit boek; Job 1:1 , 1:8 , en hier vers 3 . Evenwel is hij niet vrij geweest van de overblijfselen van de zonde, die in alle heiligen gevonden worden, ook naar zijn eigen bekentenis. Zie onder, Job 7:20 , 7:21 , en Job 9:2 , en Job 13:23 , 13:26 . Het Hebreeuwse woord חִנָּֽם, hinnam is in dezelfde zin, zo het hier overgezet is, genomen 1 Sam. 19:5 , en 1 Sam. 25:31 , en Ps. 35:7 , enz. Job 1:1 : Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. Job 7:20 : Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij? Job 7:21 : En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. Job 9:2 : Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Job 13:23 : Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend. Job 13:26 : Want U schrijft tegen mij bittere dingen; en U doet mij erven de misdaden van mijn jonkheid. 1 Samuël 19:5 : Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de Filistijn geslagen, en YHWH heeft een groot heil aan het gehele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zoudt u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende? 1 Samuël 25:31 : Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot van het hart, te weten, dat u bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zou verlost hebben; en als YHWH mijn heer weldoen zal, zo zult u uw dienstmaagd gedenken. Psalmen 35:7 : Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
[^job-2-4-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, נַפְשֽׁ, voor zijn ziel. Zie Gen. 19:17 , of voor zichzelven; dat is voor zijn eigen persoon en welvaren. Zie Gen. 12:5 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^job-2-4-11]: Kanttekening 11: Huid voor huid: Dat is, de mens is zijn eigen huid, of lichaam, waardiger dan de huis of het lichaam van een ander. Hierom, wil de Satan zeggen ofschoon Job zijn kinderen verloren heeft, zo gaat het hem evenwel niet ter harte zolang hij met zijn eigen huid of leven ontkomen mag.
[^job-2-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, beschadigt. Zie Gen. 26:11 . Genesis 26:11 : En Abimelech gebood het gehele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!
[^job-2-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, vloeken. Zie boven, Job 1:5 . In het eedzweren van de Hebreën wordt gemeenlijk de straf, die men zich onderwerpt zo men valselijk zweert, verzwegen, gelijk hier en Job 1:11 . Zie Gen. 14:23 . Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^job-2-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, bewaar, of wacht u van zijn leven.
[^job-2-6-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, נַפְשׁ, ziel; gelijk boven, vers 4 . De zin is dat hij hem niet zou doden. Job 2:4 : Toen antwoordde de satan YHWH, en zei: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
[^job-2-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, vermogen en geweld; zie Gen. 16:6 ; te weten, om hem te kwellen en te beschadigen. Vergelijk boven, Job 1:12 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. Job 1:12 : En YHWH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van YHWH.
[^job-2-8-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, חֶרֶשׂ, aarden vat. Omdat zijn vingers zonder twijfel mee verzworen waren, dat hij zich daarmee niet kon schrabben, zo heeft hij zich met een potscherf moeten behelpen, om daarmee zijn zweren te wrijven en de knagenden etter eruit weg te nemen. Waaruit te verstaan is, niet alleen de grootheid van Jobs gezweer; maar ook dat hij beroofd was van de hulp van de mensen, die zich schroomden voor de ijselijkheid van zijn kwaad; zie onder, Job 19:13 , 19:14 , 19:15 , enz. Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Job 19:14 : Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. Job 19:15 : Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
[^job-2-8-20]: Kanttekening 20: zat neder in het midden van de as: Dit was bij de ouden een teken van de droefenis, treurigheid, leedschap en vernedering van het hart; onder, Job 42:6 ; Jona 3:6 ; Matt. 11:21 ; Luk. 10:13 . Job 42:6 : Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. Jona 3:6 : Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. Mattheüs 11:21 : Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Lukas 10:13 : Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
[^job-2-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk, Job.
[^job-2-9-21]: Kanttekening 21: Zegen God, en sterf: Zie boven, Job 1:5 . Of, zegen God, al is het dat u sterft; dat is, omdat u zo genegen bent om God in alles te zegenen, dat is te loven en te danken, gelijk u nog onlangs tevoren gedaan hebt \[ Job 1:21 \], ga daarin voort en zie hoe Hij het u vergelden zal, namelijk, met een pijnlijken dood, die u niet ontgaan kunt. Zij bespot zijn vertrouwen op God. Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. Job 1:21 : En hij zei: Naakt ben ik uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd!
[^job-2-10-22]: Kanttekening 22: lippen niet: Dat is, met zijn woorden, of met zijn spreken, gelijk hij wel daarna niet geheel vrij van deze zonde is geweest. Het woord lip is aldus genomen onder, Job 11:2 , en Job 12:20 ; Spr. 7:21 , en Spr. 12:19 , en Spr. 24:28 , enz. Vergelijk Gen. 11:1 , en de aantekening. Job 11:2 : Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Job 12:20 : Hij beneemt de getrouwen de spraak, en van de ouden oordeel neemt Hij weg. Spreuken 7:21 : Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei van haar lippen. Spreuken 12:19 : Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik. Spreuken 24:28 : Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt u verleiden met uw lip? Genesis 11:1 : En de gehele aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
[^job-2-11-24]: Kanttekening 24: zijn plaats: Dat is, uit hun landschappen.
[^job-2-11-25]: Kanttekening 25: Zo genoemd, omdat hij was van de nakomelingen van Theman, de zoon van Elifaz, die de zoon was van Ezau, de zoon van Izak; Gen. 36:10 , 36:11 . Deze woonde in woest Arabië. Genesis 36:10 : Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw. Genesis 36:11 : En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
[^job-2-11-26]: Kanttekening 26: Een nakomeling van Suah, de zoon van Abraham uit Ketura; Gen. 25:1 , 25:2 . Deze woonde ook in woest Arabië. Genesis 25:1 : En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura. Genesis 25:2 : En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^job-2-11-27]: Kanttekening 27: Het is onzeker, of deze bijnaam zijn oorsprong heeft van enig voorvader, geslacht, of woonplaats. Sommigen menen dat hij zou voortgekomen zijn van Timna de zoon Esaus, van welke te zien is, Gen. 36:40 . Anderen menen dat hij geboren is in de stad Naëma, van die ziet Joz. 15:41 . Genesis 36:40 : En dit zijn de namen van de vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth, Jozua 15:41 : En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
[^job-2-11-28]: Kanttekening 28: eens geworden: Vergelijk Amos 3:3 . Anders, tezamen vergaderd, of bijeengekomen. Amos 3:3 : Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
[^job-2-11-29]: Kanttekening 29: hem te beklagen: Anders, medelijden te hebben, of bewogen te worden over hem, of met hem bedroefd te zijn. Zo onder, Job 42:11 . Job 42:11 : Ook kwamen tot hem al zijn broers, en al zijn zussen, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat YHWH over hem gebracht had; en zij gaven hem een ieder een stuk gelds, een ieder ook een gouden voorhoofdsiersel.
[^job-2-11-23]: Kanttekening 23: drie vrienden van Job: Men houdt dat deze drie vrienden van Job uit Arabië en Idumea geweest zijn, afkomstig van Abraham.
[^job-2-12-31]: Kanttekening 31: Zie boven, Job 1:20 . Job 1:20 : Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
[^job-2-12-32]: Kanttekening 32: naar de hemel: Dat is, de aarde en het stof opwaarts werpende, hebben hun hoofden daarmee bestrooid.
[^job-2-12-30]: Kanttekening 30: Hier en in vers 13 worden verhaald vijf tekenen van zeer groot verdriet, die deze vrienden van Job vertoonden, namelijk: I. hun geween; II. de verscheuring van hun kleed; III. de strooiing van het stof op hun hoofden; IV. het nederzitten op de aarde; V. hun stilzwijgen. Zie van gelijke treurige gebaren, Gen. 21:16 , en Gen. 37:34 ; Joz. 7:6 ; 2 Sam. 12:16 , 12:17 ; Esth. 4:1 , 4:2 ,; Jes. 47:1 ; Klaagl. 2:10 ; Ez. 27:30 . Job 2:13 : Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. Genesis 21:16 : En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zei: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende. Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Jozua 7:6 : Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van YHWH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 2 Samuël 12:16 : En David zocht God voor dat jongen; en David vastte een vasten, en ging in, en lag de nacht over op de aarde. 2 Samuël 12:17 : Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen. Esther 4:1 : Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn kleren, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden van de stad, en hij riep met een groot en bitter geroep. Esther 4:2 : En hij kwam tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning inkomen, bekleed met een zak. Jesaja 47:1 : Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. Klaagliederen 2:10 : Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen. Ezechiël 27:30 : En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as.

### Job 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/3.json)

*Job, geperst door de grootheid van zijn plagen en de smart die hij daarover had, vervloekt de dag van zijn geboorte, vers 1 enz. wenst dat hij na zijn geboorte meteen gestorven was, 11. geeft daarvan redenen, 13. beklaagt het leven van de ellendigen, 20. en past zulke klacht op hemzelf toe, 24.*

**1** Daarna opende Job zijn mond, en[^job-3-1-a] vervloekte[^job-3-1-1] zijn dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v1)

**2** Want Job[^job-3-2-2] antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v2)

**3** De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zei: Een jongetje is[^job-3-3-3] ontvangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v3)

**4** Die dag[^job-3-4-4] zij duisternis; dat God naar hem[^job-3-4-5] niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v4)

**5** Dat de duisternis en[^job-3-5-6] de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de[^job-3-5-7] zwarte dampen van de dag! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v5)

**6** Die nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich[^job-3-6-8] niet verheuge onder de dagen van het jaar; dat hij in het getal van[^job-3-6-9] de maanden niet kome! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v6)

**7** Zie, die nacht zij[^job-3-7-10] eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v7)

**8** Dat hem vervloeken de[^job-3-8-11] vervloekers van de dag, die bereid zijn hun[^job-3-8-12] rouw te verwekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v8)

**9** Dat de sterren[^job-3-9-13] van zijn schemertijd verduisterd worden; hij[^job-3-9-14] wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de[^job-3-9-15] oogleden van de dageraad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v9)

**10** Omdat[^job-3-10-16] hij niet toegesloten heeft de deuren van mijn buik[^job-3-10-17], noch[^job-3-10-18] verborgen de moeite van mijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v10)

**11** [^job-3-11-b] Waarom[^job-3-11-19] ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb de geest gegeven, als ik uit de buik voortkwam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v11)

**12** Waarom zijn mij de[^job-3-12-20] knieën voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik[^job-3-12-21] zuigen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v12)

**13** Want nu zou ik neerliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v13)

**14** [^job-3-14-22] Met de koningen en raadsheren van de aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v14)

**15** Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v15)

**16** [^job-3-16-23] Of als een[^job-3-16-24] verborgen misdracht, zou[^job-3-16-25] ik niet zijn; als de[^job-3-16-26] kinderen, die het licht niet gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v16)

**17** [^job-3-17-27] Daar houden de bozen op van[^job-3-17-28] beroering, en daar rusten de[^job-3-17-29] vermoeiden van kracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v17)

**18** Daar zijn de[^job-3-18-30] gebondenen samen in rust; zij horen de stem van[^job-3-18-31] de drijver niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v18)

**19** [^job-3-19-32] De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van[^job-3-19-33] zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v19)

**20** Waarom geeft[^job-3-20-34] Hij de ellendigen het[^job-3-20-35] licht, en het leven[^job-3-20-36] de bitter bedroefden van gemoed? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v20)

**21** Die verlangen naar de dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v21)

**22** Die blij zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v22)

**23** [^job-3-23-37] Aan de man, wiens weg[^job-3-23-38] verborgen is,[^job-3-23-c] en[^job-3-23-39] die God overdekt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v23)

**24** Want[^job-3-24-40] voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen[^job-3-24-41] worden uitgestort als water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v24)

**25** Want ik vreesde een[^job-3-25-42] vrees, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v25)

**26** Ik was niet gerust; en was niet[^job-3-26-43] stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/3.html#v26)

[^job-3-1-a]: Verwijzing a: Jer. 15:10 ; Jer. 20:14 . Jeremia 15:10 : Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel de gehele land! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen. Jeremia 20:14 : Vervloekt zij de dag, op welke ik geboren ben; de dag, op welke mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!
[^job-3-1-1]: Kanttekening 1: zijn dag: Te weten, de dag van zijn geboorte. Ten volle wordt deze dag genaamd de dag van de geboorte; Gen. 40:20 . Genesis 40:20 : En het geschiedde op de derde dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden van zijn knechten.
[^job-3-2-2]: Kanttekening 2: antwoordde en zei:: Dat is, begon, of ving aan te spreken. Zie Richt. 18:14 ; 1 Kon. 13:6 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. 1 Koningen 13:6 : Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uws Gods, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk te voren.
[^job-3-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, geboren; gelijk het Hebreeuwse woord zo genomen wordt 1 Kron. 4:17 ; ook kan de tijd van de ontvangenis niet zekerlijk bekend worden, veel min welke persoon ontvangen is, te weten, een knechtje of een meisje. Anderen zetten dit over: \[Toen God\] zei, of, beval, dat een mannetje ontvangen worde, of ontvangen zou worden. 1 Kronieken 4:17 : En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, de vader van Esthemoa.
[^job-3-4-4]: Kanttekening 4: zij duisternis: Dat is, hij verdonkere, dat het licht van de zon hem niet beschijne, of zij uit de natuur van de dingen weggenomen.
[^job-3-4-5]: Kanttekening 5: niet vrage: Of, hem niet zoeke, bezorge; te weten, om hem gelijk andere dagen het licht te vergunnen, of in het wezen van de dingen te laten. Welke zin de voorgaande en volgende woorden van vers 4 medebrengen. Vergelijk de manier van spreken met Deut. 11:12 , en zie de aantekeningen daarop. Job 3:4 : Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.
[^job-3-5-6]: Kanttekening 6: de schaduw van de dood: Versta, een zeer dikke en bijna tastelijke duisternis, wier ijslijkheid de mensen de dood zou kunnen aanbrengen; zo onder, Job 16:16 ; Ps. 23:4 , en Ps. 44:20 . Job 16:16 : Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood. Psalmen 23:4 : Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Psalmen 44:20 : Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van de draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
[^job-3-5-7]: Kanttekening 7: zwarte dampen: Of, de brandende hittigheden van de dag. Versta, de dikke en donkere nevelen, die, door de hitte van de zon uit de aarde en de wateren getrokken zijnde, in de lucht opstijgen, waardoor de dag mistig en het licht ervan droevig en duister gemaakt wordt; welke verklaring bevestigd wordt door wat in vers 5 voorgaat. Anderen: Dat zij hem verschrikken, gelijk de bittere, of de bitterheden van de dag. Dat is, dat de duisternis en de schaduw van de dood deze dag schrikkelijk maken, gelijk de mensen plegen te doen, die in gruwelijke plagen stekende, met hun gehuil en gekerm anderen een bittere vrees aanjagen; of versta de plagen, die de dag de mensen bitter maken. Job 3:5 : Dat de duisternis en de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dag!
[^job-3-6-8]: Kanttekening 8: niet verheuge: Anders, niet gevoegd, of verenigd worde.
[^job-3-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, יְרָחִים, manen. Want bij deze volken werden de maanden naar de loop van de maan gerekend. Hij wenste dat die nacht nooit geweest was, of ook nimmermeer wederkwam, maar uit het register van de nachten geschrapt was.
[^job-3-7-10]: Kanttekening 10: Dit is, dat geen mensen daarin tot vreugde bijeenkomen.
[^job-3-8-11]: Kanttekening 11: vervloekers van de dag: Dat is, die van de grootheid van het kwaad, dat zij lijden, overwonnen zijnde, de dag, op welke hun dat overkomen is, vervloeken; of op die dag zichzelven, of de dag van hun geboorte vervloeken; of die hun werk daarvan maakten, dat zij zich lieten gebruiken tot verwekking van rouw.
[^job-3-8-12]: Kanttekening 12: Het woord in het oorspronkelijke schijnt te komen uit de Syrische taal van het woord levijah, betekenende rouw, leed, verdriet. De rouw nu te verwekken is die met velerlei klacht, gekerm en gehuil te vernieuwen. Anderen behouden hier het woord leviathan, verstaande daardoor het zeegedierte, waarvan onder, Job 40:20 , en Job 41:1 , en door die bereid zijn hem te verwekken, de stormwinden, die de zee beroeren. Sommigen zette het over: hun gezelschap. Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken? Job 41:1 : Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?
[^job-3-9-13]: Kanttekening 13: zijn schemertijd: Dat is, de avondtijd, in welke de nacht nog enige schemering of klaarheid heeft, dat men wat van hem zien mag, voornamelijk door het licht van enige grote sterren, wier verduistering hier van Job gewenst wordt. Zie van het Hebreeuwse woord אוֹר, 2 Kon. 7:5 . Sommigen verstaan hier dan de morgenschemering of daging. 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.
[^job-3-9-14]: Kanttekening 14: hij wachte: Te weten, deze nacht. Anders, men wachte.
[^job-3-9-15]: Kanttekening 15: Zo worden genaamd de stralen van de zon, die in de morgenstond zich uitbreiden en openen voordat de zon opgestaan is; gelijk de oogleden zich opendoen voordat het oog dat ziet. Vergelijk onder, Job 41:9 . Job 41:9 : Elk een van zijn niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad.
[^job-3-10-16]: Kanttekening 16: Te weten, die nacht.
[^job-3-10-17]: Kanttekening 17: Dit verstaan sommigen van zijns moeders lichaam, gelijk boven, Job 1:21 , waar het woord moeders in de tekst uitgedrukt staat; gelijk ook onder, Job 31:18 ; in enige andere plaatsen wordt het verzwegen, gelijk Job 10:19 ; idem Ps. 58:4 , en Ps. 71:6 ; Jes. 48:8 ; Jer. 1:5 . Sommigen verstaan door de deur van de buik de lippen, uit vergelijking van onder, Job 32:18 , 32:19 , 32:20 , alsof hij zei: Dat ik niet verstikt ben. Anderen verstaan de navel, waardoor het kind zijn voedsel trekt in moeders lichaam. Job 1:21 : En hij zei: Naakt ben ik uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd! Job 31:18 : (Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijn moeders buik af heb ik haar geleid;) Job 10:19 : Ik zou zijn, alsof ik niet geweest was; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest. Psalmen 58:4 : De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan. Psalmen 71:6 : Op U heb ik gesteund van de buik aan; van mijn moeders ingewand aan bent U mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U. Jesaja 48:8 : Ook hebt u ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat u geheel trouweloos handelen zoudt, en dat u van de buik af een overtreder genaamd bent. Jeremia 1:5 : Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en voordat u uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u de volken tot een profeet gesteld. Job 32:18 : Want ik ben van de woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij. Job 32:19 : Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe leren zakken zou hij barsten. Job 32:20 : Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
[^job-3-10-18]: Kanttekening 18: Dat is, weggenomen. Vergelijk de manier van spreken met die, welke onder is, Job 33:17 . Job 33:17 : Opdat Hij de mens afwende van zijn werk, en van de man de hovaardij verberge;
[^job-3-11-b]: Verwijzing b: Job 10:18 . Job 10:18 : En waarom hebt U mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik de geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!
[^job-3-11-19]: Kanttekening 19: ben ik: Hij wenst van twee dingen één, te weten dat hij vóór de geboorte gestorven, of een misgeboorte geweest was, vers 10 , en vervolgens nooit levend ter wereld gekomen; of dat hij na zijn geboorte straks gestorven was, vers 11 . Job 3:10 : Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen. Job 3:11 : Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb de geest gegeven, als ik uit de buik voortkwam?
[^job-3-12-20]: Kanttekening 20: Te weten, van de vroedvrouw, die de nieuwe vrucht ontvangt. Hij gaat voort in het verhaal van de tweede wens, welke hij in vers 11 voorgesteld had. Job 3:11 : Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb de geest gegeven, als ik uit de buik voortkwam?
[^job-3-12-21]: Kanttekening 21: zuigen zou: Te weten, om in dit ellendige leven gevoed en onderhouden te worden.
[^job-3-14-22]: Kanttekening 22: Met de koningen: Hij wil zeggen: zo hij na zijn geboorte gestorven was, dat zijn staat nu enerlei zou geweest zijn met de voornaamsten van de aarde, die vóór deze tijd waren overleden, en hadden zich, toen zij leefden, een naam willen maken door grote werken, als woeste plaatsen te betimmeren en grote steden te bouwen; Gen. 10:10 , 10:11 , en Gen. 11:3 ; onder, Job 15:28 ; Jes. 23:13 . Genesis 10:10 : En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Genesis 10:11 : Uit ditzelfde land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. Genesis 11:3 : En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. Job 15:28 : En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden. Jesaja 23:13 : Ziet, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.
[^job-3-16-23]: Kanttekening 23: Of als een: Hij komt hier tot zijn eerste wens, waardoor hij gewenst had in zijn moeders lichaam, als een misgeboorte, gestorven te zijn, boven, vers 10 . Anders, of \[waarom\] ben ik niet geweest als een verborgen misval? Job 3:10 : Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
[^job-3-16-24]: Kanttekening 24: Te weten, in zijn moeders lichaam, waar zij sterft en daarom verborgen geheten wordt, omdat zij niet levend tevoorschijnt komt.
[^job-3-16-25]: Kanttekening 25: ik niet zijn: Dat is, niet geleef hebben op de aarde onder de mensen. Niet zijn, is dikwijls zoveel als niet leven. Zie Gen. 42:13 , onder, Job 7:8 ; Ps. 39:14 ; Jer. 31:15 ; Matt. 2:18 . De zin is, zo hij een wangeboorte ware geweest, hij zou nooit onder de mensen geweest zijn, of dit licht aanschouwd hebben, gelijk de vrucht, die dood ter wereld komt. Genesis 42:13 : En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf broers, zonen van een man, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onze vader; maar de één is niet meer. Job 7:8 : Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. Psalmen 39:14 : Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, voordat ik heenga, en ik niet meer zij. Jeremia 31:15 : Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Mattheüs 2:18 : Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!
[^job-3-16-26]: Kanttekening 26: Het Hebreeuwse woord אוֹ, betekent wel eigenlijk de kinderen, die geboren zijnde, wat beginnen te doen, Ps. 8:3 , maar wordt hier ook gebruikt van de dracht, die in moeders lichaam sterft, gelijk wij die ook kinderen noemen. Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, om Uw tegenpartijen wil, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^job-3-17-27]: Kanttekening 27: Dat is, in het graf, of in de dood.
[^job-3-17-28]: Kanttekening 28: Dat is, van de mensen te beroeren, te kwellen en te verschrikken.
[^job-3-17-29]: Kanttekening 29: vermoeiden van kracht: Dat is, die door de overlast dergenen, die hen beroerden of verdrukten, afgemat zijn in hun sterkte.
[^job-3-18-30]: Kanttekening 30: Dat is, de slaven, die, als zij in het leven waren, door geweld van banden en slagen tot het werk moesten gedwongen worden. Vergelijk Richt. 16:21 . Richteren 16:21 : Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.
[^job-3-18-31]: Kanttekening 31: Of, eischers; dat is, van de opzieners, die de slaven tot hun werk drijven, en hun daarvan rekening afeisen. Vergelijk Ex. 5:6 . Exodus 5:6 : Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en zijn ambtlieden, zeggende:
[^job-3-19-32]: Kanttekening 32: De kleine: Dat is, de arme en de rijke, de edele en de onedele.
[^job-3-19-33]: Kanttekening 33: zijn heer: Hebreeuws, zijn heren, gelijk elders.
[^job-3-20-34]: Kanttekening 34: Namelijk, God, want hoewel Job de Heer tegenspreekt, zo wil hij nochtans diens naam sparen, tonende zo dat de kracht van de wedergeboorte hem nog intoomde. Zo moet met het woord God de zin van de Heilige Schriftuur somtijds aangevuld worden. Zie Num. 23:20 , onder, Job 16:7 , en Job 20:4 ; Hab. 2:1 ; 1 Kor. 1:8 ; Hebr. 3:16 , enz. Numeri 23:20 : Zie, ik heb ontvangen te zegenen; omdat Hij zegent, zo zal ik het niet keren. Job 16:7 : Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; U hebt mijn gehele vergadering verwoest. Job 20:4 : Weet u dit? Van altijd af, van dat God de mens op de wereld gezet heeft, Habakuk 2:1 : Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. 1 Korinthiërs 1:8 : Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heer Jezus Christus. Hebreeën 3:16 : Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.
[^job-3-20-35]: Kanttekening 35: Te weten, van de dag of van de zon, of het licht; dat is, het leven, gelijk de volgende woorden verklaren. Vergelijk Ps. 56:14 . Psalmen 56:14 : Want U hebt mijn ziel gered van de dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht van de levenden?
[^job-3-20-36]: Kanttekening 36: de bitterlijk: Hebreeuws, נָֽפֶשׁ, de bitteren van ziel; dat is, zeer innerlijk en smartelijk bedroefden. Vergelijk 2 Kon. 4:27 , en zie de aantekening daarop. Hij verstaat degenen, die in dit leven veel ellende en verdriet zouden onderworpen zijn. 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^job-3-23-37]: Kanttekening 37: Aan de man: Versta hierop uit vers 20 : Waarom geeft Hij het licht? Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed?
[^job-3-23-38]: Kanttekening 38: verborgen is: Dat is, bezet met zo velerlei kwaad, dat hij geen uitkomst ziet om te kunnen uitworstelen.
[^job-3-23-c]: Verwijzing c: Job 19:8 . Job 19:8 : Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
[^job-3-23-39]: Kanttekening 39: die God: God wordt gezegd onze weg te overdekken als Hij ons niet enig middel toont om het ongeluk te ontgaan. Vergelijk onder, Job 19:8 ; Klaagl. 3:7 , 3:9 . Anders, om welke God omtuind heeft; te weten, met ellenden. Job 19:8 : Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. Klaagliederen 3:7 : Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. Klaagliederen 3:9 : Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
[^job-3-24-40]: Kanttekening 40: voor mijn brood: Dat is, voordat ik eet komt mij het zuchten over, zodat ik geen tijd vrij van verdriet heb.
[^job-3-24-41]: Kanttekening 41: Of, vloeien uit. Versta, het geschrei en het gehuil, dat deze bedroefde en angstige mensen plegen uit te werpen.
[^job-3-25-42]: Kanttekening 42: Dat is, een vreeslijke zaak.
[^job-3-26-43]: Kanttekening 43: Te weten, in mijn gemoed; zeer bezorgd en bekommerd zijnde om God te behagen en Hem niet te vertoornen, zulks dat ik gepoogd heb met grote naarstigheid mij en de mijnen in de vrees voor de Heer vast te houden. Zie boven, Job 1:1 , 1:5 , 1:8 , en Job 2:3 , 2:10 . Anderen stellen dit vragender wijze aldus: Was ik niet in vrede? had ik niet stilheid? enz., maar \[nu\] is de beroering gekomen. Job 1:1 : Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. Job 1:5 : Het geschiedde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. Job 2:10 : Maar hij zei tot haar: U spreekt als één van de zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

### Job 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/4.json)

*Elifaz berispt Job, om hem antwoord te geven, vanwege zijn ongeduld, vers 1 enz. stelt hem de gerechtigheid van God voor, om te tonen dat God hem vanwege zijn zonden strafte, 7. hij verhaalt hem een visioen, ofwel een verschijning van een engel, 12. samen met de aanspraak daarvan, menend die op de zaak van Job goed te kunnen toepassen, 17. Job wordt vermaand tot ootmoed en bekering, 18.*

**1** Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v1)

**2** Zo wij een woord[^job-4-2-1] opnemen tegen u, zult u[^job-4-2-2] verdrietig zijn? Toch[^job-4-2-3] wie zal zich van woorden kunnen onthouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v2)

**3** Zie, u hebt velen onderwezen, en u hebt[^job-4-3-4] slappe handen gesterkt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v3)

**4** Uw woorden hebben[^job-4-4-5] de struikelende opgericht, en de[^job-4-4-6] krommende knieën hebt u vastgesteld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v4)

**5** Maar nu komt het[^job-4-5-7] aan u, en u[^job-4-5-8] bent verdrietig; het raakt tot u, en u wordt beroerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v5)

**6** Was niet uw[^job-4-6-9] vrees voor God[^job-4-6-10] uw hoop, en de oprechtheid van uw wegen uw verwachting? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v6)

**7** Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten vernietigd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v7)

**8** Maar zoals ik gezien heb:[^job-4-8-11][^job-4-8-a] die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v8)

**9** [^job-4-9-b] Van de[^job-4-9-12] adem Gods vergaan zij, en van[^job-4-9-13] het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v9)

**10** [^job-4-10-14] De brulling van de leeuw, en de stem van de felle leeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v10)

**11** [^job-4-11-15] De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongen van een oude leeuw worden verstrooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v11)

**12** Verder is tot mij een[^job-4-12-16] woord[^job-4-12-17] in het geheim gebracht, en mijn oor heeft een[^job-4-12-18] klein beetje daarvan gevat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v12)

**13** Onder de[^job-4-13-19] gedachten[^job-4-13-20] van de visioenen in de nacht, als diepe slaap valt op de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v13)

**14** [^job-4-14-21] Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de[^job-4-14-22] veelheid van mijn beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v14)

**15** Toen[^job-4-15-23] ging voorbij mijn aangezicht een[^job-4-15-24] geest; hij deed het haar[^job-4-15-25] van mijn vlees te berge rijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v15)

**16** [^job-4-16-26] Hij stond, maar ik kende zijn gedaante niet; een beeld was voor mijn ogen;[^job-4-16-27] er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v16)

**17** Zou een[^job-4-17-28] mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan[^job-4-17-29] zijn Maker? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v17)

**18** Zie,[^job-4-18-c] op Zijn[^job-4-18-30] knechten zou Hij niet[^job-4-18-31] vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen[^job-4-18-32] klaarheid gesteld heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v18)

**19** Hoeveel te min[^job-4-19-33] op degenen, die[^job-4-19-34] lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij[^job-4-19-35] worden verbrijzeld[^job-4-19-36] voor de motten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v19)

**20** [^job-4-20-37] Van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld;[^job-4-20-38] zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v20)

**21** Verreist niet hun[^job-4-21-39] uitnemendheid[^job-4-21-40] met hen? Zij sterven, maar niet[^job-4-21-41] in wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/4.html#v21)

[^job-4-2-1]: Kanttekening 1: Het Hebreeuwse woord נִסָּה, nasah is voor opheffen genomen, Ps. 4:7 , gelijk manieren van spreken zijn Num. 23:7 , onder, Job 27:1 . Anders, zo wij een woord verzoeken tot u, of aan u; namelijk, te spreken. Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! Job 27:1 : En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei:
[^job-4-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, תִּלְאֶה, eigenlijk, moe, of vermoeid worden? dat is, kwalijk tevreden zijn? Dit vrezen zij, merkende in Job enige tekenen van ongeduld, van welke zij begonnen kwalijk te oordelen.
[^job-4-2-3]: Kanttekening 3: wie zal: Te weten, die achtgeven op de woorden, die u uit uw mond hebt laten gaan, en op de eer van de Allerhoogste, die wij voorstaan. Onder een schijn van goddelijken ijver strijkt Elifaz een verkeerd oordeel over zijn vriend, de vromen Job.
[^job-4-3-4]: Kanttekening 4: slappe handen: Versta, de mensen, die traag waren in het volbrengen van hun schuldigen plicht, voornamelijk wanneer hun een zwaar kruis en lijden bejegend was. Vergelijk Jes. 35:3 . De handen worden gezegd te verslappen als van de mensen moed en kracht vergaan. Zie 2 Sam. 4:1 . Jesaja 35:3 : Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. 2 Samuël 4:1 : Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^job-4-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, die door ongeloof, mistrouwen, ongeduld en murmurering op de weg van de godzaligheid gevallen waren, dat is gezondigd hadden. Zie van zulken geestelijken val, Spr. 25:26 ; 1 Kor. 10:12 ; Gal. 6:1 . Spreuken 25:26 : De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht van de goddeloze, is een beroerde fontein, en verdorven springader. 1 Korinthiërs 10:12 : Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. Galaten 6:1 : Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^job-4-4-6]: Kanttekening 6: krommende knieën: Die vanwege haar grote zwakheid door sterke vertroostingen moesten ondersteund worden om onder het kruis niet te bezwijken. Vergelijk Jes. 35:3 . Jesaja 35:3 : Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.
[^job-4-5-7]: Kanttekening 7: aan u: Te weten, het kwaad van de straf, waarin, als u anderen placht gesteld te zien, u hen onderwezen, gesterkt, vermaand en getroost hebt; daarom is het wonder dat u dit nu aan uzelven niet weet te doen.
[^job-4-5-8]: Kanttekening 8: zijt verdrietig: Of, bezwijkt; te weten, onder de last van het lijden.
[^job-4-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, uw godvruchtigheid en religie.
[^job-4-6-10]: Kanttekening 10: Te weten, waarop u steunde, dat is een oorzaak om loon voor uw godvruchtigheid te hopen en te genieten. De zin is: Hebt u niet gehoopt, als u God zoudt vrezen, dat Hij u altijd goeddoen zou? Maar dat is nu niet geschied. Bedenk dan dat uw vrees voor God niet oprecht is geweest, maar een geveinsde huichelarij. Het Hebreeuwse woord is ook voor hoop genomen, onder Job 8:14 , en Job 31:24 ; Ps. 78:7 ; Spr. 3:26 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 31:24 : Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen; Psalmen 78:7 : En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren; Spreuken 3:26 : Want YHWH zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
[^job-4-8-11]: Kanttekening 11: die ondeugd ploegen: Dat is, die goddeloos leven en anderen mensen kwaaddoen, zullen eindelijk om hun misdaden van God gestraft worden. Zie gelijke manier van spreken onder, Job 15:35 ; Ps. 7:15 ; Spr. 22:8 ; Jes. 59:4 ; Hos. 10:13 ; Gal. 6:7 , 6:8 . Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Psalmen 7:15 : Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. Spreuken 22:8 : Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede van zijn toorn zal een einde nemen. Jesaja 59:4 : Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. Hosea 10:13 : U hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht van de leugen gegeten; want u hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid van uw helden. Galaten 6:7 : Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Galaten 6:8 : Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien.
[^job-4-8-a]: Verwijzing a: Job 15:35 ; Ps. 7:15 ; Spr. 22:8 ; Jes. 59:4 ; Hosea 10:13 ; Galat. 6:7 ; idem v. 8 . Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Psalmen 7:15 : Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. Spreuken 22:8 : Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijn toorn zal een einde nemen. Jesaja 59:4 : Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. Hosea 10:13 : U hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht van de leugen gegeten; want u hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uw helden. Galaten 6:7 : Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Galaten 6:8 : Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien.
[^job-4-9-b]: Verwijzing b: Jes. 11:4 . Jesaja 11:4 : Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
[^job-4-9-12]: Kanttekening 12: adem Gods: Dit wordt van God bij gelijkenis gesproken, om zijn kracht en rechtvaardigheid te beter uit te drukken. De adem Gods betekent zijn kracht, die Hij gebruikt naar zijn wil, en zo licht kan uitvoeren als een mens zijn adem kan laten gaan. Vergelijk onder Job 33:4 , en Job 37:10 ; Jes. 30:33 . Job 33:4 : De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. Job 37:10 : Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden. Jesaja 30:33 : Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van YHWH zal hem aansteken als een zwavelstroom.
[^job-4-9-13]: Kanttekening 13: Versta, zijn toorn en toornigheid. Vergelijk onder, Job 15:30 , en de aantekening. Job 15:30 : Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
[^job-4-10-14]: Kanttekening 14: brulling van de leeuw: De zin is: Gelijk God de wrede en gruwzame dieren bedwingt en verdoet, dat Hij ook zo de boze tirannen en goddeloze mensen, die hier bij leeuwen vergeleken worden, weet in de toom te houden en te verdoen. Anders, van de brulling van de leeuw en de stem van de felle leeuw vergaan zij, en van de tanden, enz. worden zij gemaald; te weten, de goddelozen. De zin is, zo God hen niet verderft door zichzelven, òf door anderen, òf door enige levenloze schepselen, Hij verderft hen door de wilde dieren.
[^job-4-11-15]: Kanttekening 15: De oude leeuw vergaat: Dat is, gelijk de leeuwen, hoewel zij geweldig en moedig zijn, onder, Job 39:1 , nochtans eindelijk vergaan door het een of het andere middel, zo nemen ook de goddeloze tirannen door Gods rechtvaardig oordeel hun einde. Job 39:1 : Zult u voor de ouden leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen?
[^job-4-12-16]: Kanttekening 16: Dat is, een leer en openbaring van God, op deze handel wel passende.
[^job-4-12-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, יְגֻנָּב, gestolen, of steelsgewijze gekomen; dat is, in het geheim en in het verborgen toegebracht om van mij waargenomen en wel bewaard te worden.
[^job-4-12-18]: Kanttekening 18: Of, stukje.
[^job-4-13-19]: Kanttekening 19: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk takken; gelijk Jes. 17:6 en Jes. 27:11 , maar hier wordt het genomen bij gelijkenis voor gedachten, gelijk onder, Job 20:2 . Zie ook 1 Kon. 18:21 , en de aantekening daarop; want gelijk de takken van de stam van de boom voortkomen, zo ook komen de gedachten voort van de zin of het hart van de mensen. Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. Jesaja 27:11 : Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich daarover niet ontfermen, en Die het geformeerd heeft, zal het geen genade bewijzen. Job 20:2 : Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij. 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.
[^job-4-13-20]: Kanttekening 20: van de gezichten: Of, uit de gezichten; dat is, die uit de gezichten van de nacht voortkomen. Anders, naar de gezichten van de nacht. Versta door deze, die 's nachts de mensen in de slaap, of daarbuiten vertoond worden. Zie van de gezichten Gen. 15:1 , en Gen. 46:2 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2 : En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^job-4-14-21]: Kanttekening 21: Kwam mij: Welke pleegt te bejegenen dengenen, wie God, òf zelf, òf door zijn engelen verschijnt, om hem tot aandacht en eerbied te bereiden. Vergelijk Ex. 3:6 , en de aantekening. Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.
[^job-4-14-22]: Kanttekening 22: Dat is al mijn beenderen.
[^job-4-15-23]: Kanttekening 23: Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen onder Job 9:11 , 9:26 , en Job 11:10 . Job 9:11 : Zie, Hij zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. Job 9:26 : Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een adelaar naar het aas toevliegt. Job 11:10 : Als Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
[^job-4-15-24]: Kanttekening 24: Dat is, een goede engel van de Heer, om hem te verklaren wat volgt, vers 17 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
[^job-4-15-25]: Kanttekening 25: mijns vleses: Dat is, van mijn hoofd.
[^job-4-16-26]: Kanttekening 26: Hij stond: Te weten, de geest.
[^job-4-16-27]: Kanttekening 27: er was stilte: Vergelijk hiermee 1 Kon. 19:12 , 19:13 , en de aantekening daarop. 1 Koningen 19:12 : En na de aardbeving een vuur; YHWH was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte. 1 Koningen 19:13 : En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in de ingang van de spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zei: Wat maakt u hier, Elia?
[^job-4-17-28]: Kanttekening 28: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de mens, die vol zwakheid en boosheid en aan vele ellendigheden onderworpen is, na welke eindelijk de dood volgt.
[^job-4-17-29]: Kanttekening 29: zijn Maker: Dat is, God, die hem gemaakt en geschapen heeft. Zo Deut. 32:15 , onder, Job 35:10 ; Spr. 14:31 , en Spr. 22:2 ; Jes. 17:7 ; Hos. 8:14 . Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils. Job 35:10 : Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht? Spreuken 14:31 : Die de arme verdrukt, smaadt diens Maker; maar die zich over de nooddruftige ontfermt, eert Hem. Spreuken 22:2 : Rijken en armen ontmoeten elkaar; YHWH heeft hen allen gemaakt. Jesaja 17:7 : Te dien dage zal de mens zien naar Die, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op de Heilige van Israël zien. Hosea 8:14 : Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.
[^job-4-18-c]: Verwijzing c: Job 15:15 ; 2 Petr. 2:4 . Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemel zijn niet zuiver in Zijn ogen. 2 Petrus 2:4 : Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in het dodenrijk geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
[^job-4-18-30]: Kanttekening 30: Versta, de heilige engelen, die voor hem staan om zijn wil uit te voeren; Ps. 103:20 , 103:21 . Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Psalmen 103:21 : Looft YHWH, al Zijn legermachten! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet!
[^job-4-18-31]: Kanttekening 31: Dat is, Hij zou niet steunen op de kloekheid en de gaven, die in hen geschapen zijn, wanneer zij afgezonderd waren van de gedurige zorg en bewaring, waardoor Hij hen in hun staat onderhoudt. Gelijke manier van spreken is onder, Job 15:15 . Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
[^job-4-18-32]: Kanttekening 32: Waardoor verstaan wordt de volmaaktheid van de gaven en deugden, die God in de heilige engelen heeft geschapen. Want hoewel zij uitnemend zijn, zo zijn zij nochtans niet te vergelijken met de volmaaktheid van de Schepper, omdat zij zonder deze gedurige genade en kracht in zichzelven veranderlijk zijn. In welke zin Elifaz ook onder, Job 15:15 , zegt dat de hemel in de ogen van de Heer niet zuiver is; namelijk met zijn oneindige volmaaktheid vergeleken zijnde. Anders, en zijn engelen zou Hij dwaasheid opleggen; dat is, Hij zou hen voor dwaas houden als zij zich rechtvaardiger zouden houden dan God; gelijk Elifaz meende dat Job van zichzelven gezegd had. Of Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven, wanneer Hij van hen oordeelde naar hun natuur buiten zijn gave, waardoor Hij hen geduriglijk in hun staat onderhoudt; anders bevindt Hij dat zij wel tot zottigheid en onzinnigheid zouden kunnen vervallen; of, Hij zou hun dwaasheid kunnen toeschrijven in vergelijking van zijn oneindige wijsheid en majesteit. Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
[^job-4-19-33]: Kanttekening 33: op degenen: Te weten, vertrouwt Hij, namelijk, God. Anders, hoeveel te meer, \[verlegt Hij dwaasheid\] op degenen, enz.
[^job-4-19-34]: Kanttekening 34: lemen huizen: Hebreeuws, בָֽתֵּי, huizen van het leem. Versta door deze de lichamen van de mensen, die oorspronkelijk uit aarde en slijk gemaakt zijn; Gen. 2:7 ; 1 Kor. 15:47 . Zo worden ook de lichamen bij huizen en woningen vergeleken; 2 Kor. 5:1 . Sommigen verstaan het van de aardse woning van de mensen gesteld tegen de hemelse woningen van de engelen. Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. 1 Korinthiërs 15:47 : De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel. 2 Korinthiërs 5:1 : Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemel.
[^job-4-19-35]: Kanttekening 35: worden verbrijzeld: Hebreeuws, יְדַכְּאוּ, verbrijzelen; dat is, verbrijzeld worden. Zo onder, Job 7:3 , hebben mij besteld, voor zijn, of worden mij besteld; en Job 34:20 , nemen weg, voor wordt weggenomen; Spr. 6:30 , verachten, voor veracht wordt; Luk. 12:20 , zal eisen, voor zal geëist worden, enz. Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid. Job 34:20 : In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand. Spreuken 6:30 : Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, omdat hij honger heeft; Lukas 12:20 : Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, wiens zal het zijn?
[^job-4-19-36]: Kanttekening 36: voor de motten: Hebreeuws, פְנֵי, voor het aangezicht van een mot; dat is, zeer haastig, eerder en lichter dan een mot verteerd wordt, welke door een kleine aanwrijving verbroken wordt. De woorden voor het aangezicht betekenen hier niet de plaats, maar de tijd, gelijk Gen. 27:7 , en Gen. 29:26 , en Gen. 36:31 . Anderen verstaan daardoor van de motten. Genesis 27:7 : Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht van YHWH, voor mijn dood. Genesis 29:26 : En Laban zei: Men doet zo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene. Genesis 36:31 : En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen van Israël.
[^job-4-20-37]: Kanttekening 37: Van de morgen: Dat is, geduriglijk door, de ganse tijd huns levens worden zij door allerlei ellende en plagen verpletterd.
[^job-4-20-38]: Kanttekening 38: Dat is, zonder dat iemand zulks waarneme of enige remedie daartoe brenge. Hebreeuws, omdat niet is, die \[zijn hart tot zich\] stelt . Vergelijk Job 23:6 , en zie deze manier van spreken in haar geheel boven, Job 1:8 , en in de aantekening. Job 23:6 : Zou Hij naar de grootheid van Zijn macht met mij twisten? Nee; maar Hij zou acht op mij slaan. Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
[^job-4-21-39]: Kanttekening 39: Versta hierdoor al wat, waardoor de mensen hier onder elkaar plegen uit te steken en verheven te worden.
[^job-4-21-40]: Kanttekening 40: met hen: Of, die in hen is.
[^job-4-21-41]: Kanttekening 41: in wijsheid: Dat is, zonder de ware kennis en vrees voor God, die het begin, ja de hoofdzaak is van de ware wijsheid; Spr. 1:7 . Vergelijk Ps. 49:21 . Spreuken 1:7 : De vrees van YHWH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. Psalmen 49:21 : De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

### Job 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/5.json)

*Elifaz toont dat het niet alleen verloren moeite is zich tegen God te verzetten, vers 1. maar ook geheel schadelijk, 2. en vermaant Job zich te bekeren tot God, die alle mensen goed doet, 8. en vooral de boetvaardigen, 11. maar de huichelaars in het verderf stort, 12. waaruit Hij de vromen en armen verlost, 15. Job wordt vermaand tot geduld in zijn lijden, 17. omdat God de vromen daaruit verlost, 18. en overvloedig zegent, 24. hij besluit zijn betoog door dit aan Job te verzekeren en in te scherpen, 27.*

**1** Roep nu,[^job-5-1-1] zal er iemand zijn, die u[^job-5-1-2] antwoorde? En tot wie van[^job-5-1-3] de heiligen zult u zich keren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v1)

**2** Want de[^job-5-2-5] boosheid brengt de[^job-5-2-4] dwaze om, en de ijver doodt de[^job-5-2-6] slechte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v2)

**3** [^job-5-3-a] Ik heb gezien een dwaas[^job-5-3-7] wortelende; maar[^job-5-3-8] meteen vervloekte ik zijn woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v3)

**4** Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld[^job-5-4-9] in de poort, en er was geen verlosser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v4)

**5** [^job-5-5-10] Wiens oogst de hongerige verteerde, die hij ook tot[^job-5-5-11] uit de doornen gehaald had; de[^job-5-5-12] struikrover slokte hun vermogen in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v5)

**6** Want[^job-5-6-13] uit het stof komt het[^job-5-6-14] verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v6)

**7** Maar de mens wordt tot moeite geboren;[^job-5-7-15] zoals de[^job-5-7-16] spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v7)

**8** Maar[^job-5-8-17] ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v8)

**9** [^job-5-9-b] Die grote dingen doet,[^job-5-9-18] die men niet doorzoeken kan; wonderen,[^job-5-9-19] die men niet tellen kan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v9)

**10** Die de regen geeft[^job-5-10-20] op de aarde, en water zendt op de[^job-5-10-21] straten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v10)

**11** [^job-5-11-c] Om[^job-5-11-22] de vernederden te stellen in het hoge; dat de[^job-5-11-23] rouwdragenden door heil verheven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v11)

**12** [^job-5-12-d] Hij maakt te niet de gedachten van de sluwen; dat hun handen niet[^job-5-12-24] één ding uitrichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v12)

**13** [^job-5-13-e] Hij vangt de[^job-5-13-25] wijzen in hun sluwheid; dat de raad van[^job-5-13-26] de[^job-5-13-27] verdraaiden gestort wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v13)

**14** [^job-5-14-28][^job-5-14-f] Overdag ontmoeten zij de duisternis, en zoals[^job-5-14-29] in de nacht tasten zij in de middag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v14)

**15** Maar Hij verlost de[^job-5-15-30] behoeftige van[^job-5-15-31] het zwaard, van hun mond, en van de hand van de sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v15)

**16** [^job-5-16-g] Zo is voor de arme[^job-5-16-32] verwachting; en[^job-5-16-33] de boosheid stopt haar mond toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v16)

**17** [^job-5-17-h] Zie, gelukzalig is de[^job-5-17-34] mens, die God straft; daarom verwerp de vergelding van[^job-5-17-35] de Almachtige niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v17)

**18** [^job-5-18-i] Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v18)

**19** [^job-5-19-k] In[^job-5-19-36] zes benauwdheden[^job-5-19-37] zal Hij u verlossen, en[^job-5-19-38] in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v19)

**20** In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog[^job-5-20-39] van het geweld van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v20)

**21** [^job-5-21-40] Tegen de gesel van de tong zult u verborgen wezen, en u zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v21)

**22** Tegen de verwoesting en tegen de honger[^job-5-22-41] zult u lachen, en voor het gedierte van de aarde zult u niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v22)

**23** Want met de[^job-5-23-42] stenen van het[^job-5-23-43] veld zal uw verbond zijn,[^job-5-23-l] en het gedierte van het veld zal met u bevredigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v23)

**24** En u zult[^job-5-24-44] bevinden, dat uw[^job-5-24-45] tent in[^job-5-24-46] vrede is; en u zult uw woning[^job-5-24-47] verzorgen, en[^job-5-24-48] zult niet falen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v24)

**25** Ook zult u bevinden, dat uw zaad veelvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.[^job-5-25-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v25)

**26** U zult in ouderdom naar het graf komen, zoals de korenhoop te zijner[^job-5-26-50] tijd opgevoerd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v26)

**27** Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is zo; hoor het, en bemerk u het[^job-5-27-51] voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/5.html#v27)

[^job-5-1-1]: Kanttekening 1: zal er iemand zijn: Anders, of er iemand is, die u antwoordt.
[^job-5-1-2]: Kanttekening 2: Of, verhore? te weten, uit de heiligen, die hier op de aarde zijn, of uit de onheiligen en onvromen. De heiligen zullen u niet willen voorspreken; de anderen zullen niet kunnen. Tot wie dan zult u u keren als u God zo tegenspreekt? Hij wil zeggen: Niemand.
[^job-5-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, mensen, die nog in het leven zijn. Sommigen verstaan dit van de heilige engelen, gelijk onder, Job 15:15 , in deze zin, dat die zelf, hoewel zij hoog begaafd zijn, Jobs zaak niet zouden kunnen verdedigen; maar de omstandigheden van de tekst geven te verstaan dat hier van vrome mensen gesproken wordt, die tegen de dwazen gesteld worden; en Elifaz neemt voor zeker op dat die vromen de bescherming van zijn zaak niet zouden willen aannemen. Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.
[^job-5-2-5]: Kanttekening 5: toornigheid om: Te weten, van de Heer. Versta ook zo in het volgende de ijver, die de Heer heeft om de eer zijns naams voor te staan. Zo wordt het woord toorn, of toorn, alleen gesteld zonder bijvoeging van het woord God, 2 Kron. 28:13 . Zie de aantekening. Of men kan door de toorn en ijver verstaan de ongeduldigheid en roekeloze hitte van de dwazen in het lijden en onder de straf van God. Sommigen stellen voor het woord ijver, nijdigheid; te weten, van de onverstandigen en slechten. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^job-5-2-4]: Kanttekening 4: Zo worden meest genaamd degenen die met valse opiniën ingenomen zijnde, God naar behoren niet kennen of vrezen. Zo in vers 3 , idem Ps. 107:17 ; Spr. 1:7 , enz. Job 5:3 : Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning. Psalmen 107:17 : De zotten worden om de weg van hun overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd; Spreuken 1:7 : De vrees van YHWH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
[^job-5-2-6]: Kanttekening 6: Versta, dengene, die door zijn domheid lichtelijk gelooft, lichtelijk zich laat omzetten en van het goede verleiden. Sommigen maken tussen deze en de dwazen voormeld dit onderscheid, dat die tot het rechte einde van het leven niet tracht door de behoorlijke middelen, en dat deze het rechte einde niet begrijpt.
[^job-5-3-a]: Verwijzing a: Ps. 37:36 . Psalmen 37:36 : Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
[^job-5-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, voorspoedig, machtig en weelderig zijnde.
[^job-5-3-8]: Kanttekening 8: Te weten, als ik kort daarna zag dat zij uitgeroeid was. Vergelijk Ps. 37:35 , 37:36 , of meteen als ik ze gezien had, heb ik ze geoordeeld vervloekt te wezen. Psalmen 37:35 : Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Psalmen 37:36 : Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
[^job-5-4-9]: Kanttekening 9: in de poort: Dat is, in het rechthuis, want in de poorten van de steden werd gericht gehouden, ten aanzien en aanhore van het volk, dat uit- en inging. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^job-5-5-10]: Kanttekening 10: Wiens oogst: Te weten, van de goddelozen, die recht tevoren, vers 3 , de dwaze is genaamd geweest. Job 5:3 : Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning.
[^job-5-5-11]: Kanttekening 11: uit de doornen: Dat is, uit de akkers, niettegenstaande zij met doornen bezet en betuind waren.
[^job-5-5-12]: Kanttekening 12: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een, die lang en wild haar heeft, gelijk moordenaars en struikrovers plegen te hebben. Zo onder, Job 18:9 . Job 18:9 : De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.
[^job-5-6-13]: Kanttekening 13: uit het stof: De zin is dat men de oorzaken van de menselijke ellenden niet moet zoeken in het ijdel geval, òf het vliegende ongeluk, òf enkel in de ordinaire loop van de natuur, maar in de zonde van de mens, die God naar zijn rechtvaardig oordeel straft en tehuiszoekt.
[^job-5-6-14]: Kanttekening 14: Het Hebreeuwse woord betekent wel meest het kwaad van de schuld, dat is, van de ongerechtigheid, maar het wordt ook genomen voor het kwaad van de straf. Zie Ps. 90:10 , en Spr. 12:21 . Psalmen 90:10 : Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. Spreuken 12:21 : De rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
[^job-5-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, en. Zo wordt de Hebreeuwse vau dikwijls genomen, gelijk onder, Job 12:11 , en Job 14:12 , en Job 16:21 , en Job 34:3 ; Spr. 25:25 . Job 12:11 : Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich het voedsel smaakt? Job 14:12 : Zo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mens voor zijn vriend. Job 34:3 : Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte het voedsel smaakt. Spreuken 25:25 : Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
[^job-5-7-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, בְנֵי, de zonen van de vurige kolen. Zo wordt bij de Hebreën een pijl genoemd de zoon van de boog, onder, Job 41:19 ; idem, een zoon van de pijlkoker, Klaagl. 3:13 ; de tarwe, een zoon van de dorsvloer, Jes. 21:10 . De zin nu hier is, gelijk uit een brandende kool de spranken en vonken opvliegen, die dan schade verwekken, dat ook zo uit de aangeboren zonde voortkomen de dadelijke zonden, die dan vele ellenden, kwalen en plagen in de wereld veroorzaken. Of, gelijk het de spranken natuurlijk is opwaarts te vliegen, zo is het de zondige mens natuurlijk tot ellendigheid in deze wereld voort te komen. Job 41:19 : De pijl zal hem niet doen vluchten, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. Klaagliederen 3:13 : He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. Jesaja 21:10 : O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van YHWH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd.
[^job-5-8-17]: Kanttekening 17: ik zou: Elifaz raadt Job dat hij zich liever verzoene met God door bekentenis van zijn zonden en de aanroeping van de goddelijke genade, dan dat hij zo tot ongeduld zou uitvaren.
[^job-5-9-b]: Verwijzing b: Job 9:10 ; Ps. 72:18 ; Rom. 11:33 . Job 9:10 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. Psalmen 72:18 : Geloofd zij YHWH God, de God van Israël, Die alleen wonderen doet. Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdoms, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^job-5-9-18]: Kanttekening 18: die men niet doorzoeken kan: Hebreeuws, en daar is geen doorzoeking; te weten, van de grote dingen, die de Heer doet. Zo Job 9:10 . Job 9:10 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
[^job-5-9-19]: Kanttekening 19: die men niet tellen kan: Hebreeuws, totdat er geen getal is. Zo onder in de voor-aangewezen plaats.
[^job-5-10-20]: Kanttekening 20: op de aarde: Hebreeuws, פְּנֵי, op het aangezicht van de aarde. Zo in het volgende lid van vers 10 , en onder Job 18:17 . Job 5:10 : Die de regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten; Job 18:17 : Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.
[^job-5-10-21]: Kanttekening 21: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen straten, die buiten de huizen zijn, maar ook andere plaatsen, die buiten de steden zijn, als velden, akkers, weiden, herenstraten, tuinen, hoven, enz., gelijk dat af te nemen is uit Ps. 144:13 . Psalmen 144:13 : Dat onze winkelen vol zijnde, de ene voorraad na de andere uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.
[^job-5-11-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 2:7 ; Ps. 113:7 ; idem v. 8 . 1 Samuël 2:7 : YHWH maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Psalmen 113:8 : Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk.
[^job-5-11-22]: Kanttekening 22: de vernederden: Dat is, die verkleind zijn door armoede en allerlei ellende, komende voornamelijk uit gebrek van Gods zegen.
[^job-5-11-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, zwarte; dat is, welke in het zwart gekleed zijn, als degenen, die treuren of rouw dragen. Versta dan, bedroefden en treurigen.
[^job-5-12-d]: Verwijzing d: Neh. 4:15 ; Ps. 33:10 ; Jes. 8:10 . Nehemia 4:15 : Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weer tot de muur, een iedereen tot zijn werk. Psalmen 33:10 : YHWH vernietigt de raad van de heidenen; Hij breekt de gedachten van de volken. Jesaja 8:10 : Beraadslaagt een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, maar het zal niet bestaan; want God is met ons!
[^job-5-12-24]: Kanttekening 24: een ding uitrichten: Of, niet dat wezen heeft, niets wezenlijks, niets bestendigs, of deugdzaams, of niet dat iets bijzonders is, of \[hun\] voornemen niet uitrichten. Het Hebreeuwse woord betekent wezen, bestendigheid, iets dat waarlijk is, gelijk hier, en onder, Job 11:6 , en Job 30:22 ; idem wet, wijsheid, rede, deugd; omdat deze dingen bestendig, vast en duurzaam zijn, gelijk onder, Job 6:13 , en Job 12:16 ; Spr. 2:7 , en Spr. 3:21 , en Spr. 8:14 . Job 11:6 : En u bekend maakte de verborgenheden van de wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid. Job 30:22 : U heft mij op in de wind; U doet mij daarop rijden, en U versmelt mij het wezen. Job 6:13 : Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven? Job 12:16 : Bij Hem is kracht en wijsheid; Van Hem is de dwalende, en die doet dwalen. Spreuken 2:7 : Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprecht wandelen; Spreuken 3:21 : Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. Spreuken 8:14 : Raad en het wezen zijn van Mij; Ik ben het Verstand, Van Mij is de Sterkte.
[^job-5-13-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 3:19 . 1 Korinthiërs 3:19 : Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
[^job-5-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, die menen wijs te wezen, of die wijs zijn naar de wereld. Zo Jes. 44:25 ; Obad. v. 8 ; Matt. 11:25 . Jesaja 44:25 : Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast; Obadja 1:8 : Zal het niet op die dag zijn, spreekt YHWH, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard.
[^job-5-13-26]: Kanttekening 26: Of, tegenworstelenden. Versta, degenen, die met verkeerde zinnen woelen en worstelen om hun schalksheden in het werk te stellen. Zo verdraaid, voor verkeerd, Spr. 8:8 . Spreuken 8:8 : Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
[^job-5-13-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, נִמְהָֽרָה, verhaast; dat is, over hoop geworpen en verstoord.
[^job-5-14-28]: Kanttekening 28: Overdag: Versta hiermee dat zij in de allerklaarste zaken blind zijn en zonder beleid van een recht verstand, hoewel zij zich gelaten zeer wijs en scherpzinnig te wezen. Vergelijk Deut. 28:28 . Deuteronomium 28:28 : YHWH zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid van de harten;
[^job-5-14-f]: Verwijzing f: Deut. 28:29 . Deuteronomium 28:29 : Dat u op de middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
[^job-5-14-29]: Kanttekening 29: in de middag: Dat is, als het allerklaarst is. Vergelijk Deut. 28:29 ; onder, Job 11:17 ; Jes. 50:10 ; Jer. 15:8 . Zo wordt de middag genomen voor wat zeer klaar is; Ps. 37:6 . Deuteronomium 28:29 : Dat u op de middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn. Job 11:17 : Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; u zult uitvliegen, als de morgenstond zult u zijn. Jesaja 50:10 : Wie is er onder u, die YHWH vreest, die naar de stem Zijn Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam van YHWH, en steune op zijn God. Jeremia 15:8 : Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen. Psalmen 37:6 : En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag.
[^job-5-15-30]: Kanttekening 30: Dat is, de arme mens, die van de goddelozen verdrukt zijnde, de hulp van de Heer van doen heeft, en wordt in vers 16 arm genaamd, met een woord, in het oorspronkelijke betekenende, niet alleen schaarsheid van middelen, maar ook zwakheid van het lichaam; 2 Sam. 13:4 ; Ps. 41:2 . Job 5:16 : Zo is voor de arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe. 2 Samuël 13:4 : Die zei tot hem: Waarom bent u van morgen tot morgen zo mager, u koningszoon, zult u het mij niet te kennen geven? Toen zei Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zus van mijn broer Absalom, lief. Psalmen 41:2 : Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt tegenover een ellendige; YHWH zal hem bevrijden op de dag van het kwaad.
[^job-5-15-31]: Kanttekening 31: hun mond: Te weten, van de waanwijzen en listigen, van welke in vers 13 gesproken is, kwade lasteringen, dreigementen en wrede raadslagen. Job 5:13 : Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad van de verdraaiden gestort wordt.
[^job-5-16-g]: Verwijzing g: Ps. 107:42 . Psalmen 107:42 : De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
[^job-5-16-32]: Kanttekening 32: Dat is, goed, dat te verwachten is; zo onder, Job 8:13 , en Job 11:18 , en Job 17:15 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. Job 11:18 : En u zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en u zult graven, gerustelijk zult u slapen; Job 17:15 : Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?
[^job-5-16-33]: Kanttekening 33: de boosheid: Dat is, de bozen staan verstomd en bedwelmd, door de verwondering van Gods oordelen als voor het hoofd geslagen zijnde. Zie deze manier van spreken ook Ps. 107:42 . Psalmen 107:42 : De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
[^job-5-17-h]: Verwijzing h: Spr. 3:11 ; idem v. 12 ; Hebr. 12:5 ; Jak. 1:12 ; Openb. 3:19 . Spreuken 3:11 : Mijn zoon! verwerp de tucht van YHWH niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; Spreuken 3:12 : Want YHWH kastijdt dengene, die Hij liefheeft, ja, gelijk een vader de zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft. Hebreeën 12:5 : En u hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding van de Heer, en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt; Jakobus 1:12 : Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon van het leven ontvangen, welke de Heer beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben. Openbaring 3:19 : Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.
[^job-5-17-34]: Kanttekening 34: Van het Hebreeuws, e woord, zie boven, Job 4:17 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
[^job-5-17-35]: Kanttekening 35: Zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^job-5-18-i]: Verwijzing i: Deut. 32:39 ; 1 Sam. 2:6 ; Hosea 6:1 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:6 : YHWH doodt en maakt levend; Hij doet ter dodenrijk nederdalen, en Hij doet weer opkomen. Hosea 6:1 : Komt en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.
[^job-5-19-k]: Verwijzing k: Ps. 91:3 . Psalmen 91:3 : Want Hij zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pestilentie.
[^job-5-19-36]: Kanttekening 36: Een zeker getal van een onzeker. Zie Lev. 26:8 . De zin is dat God de zijnen in vele benauwdheden bijstand zal bewijzen; ja in zeer vele zijn hand zo laten blijken dat het kwaad, dat men vreesde, niet over hen zal komen. Zie gelijke manier van een groot en onzeker getal zekerlijk te stellen, Spr. 6:16 , en Spr. 24:16 , en Spr. 30:18 , 30:29 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. Spreuken 6:16 : Deze zes haat YHWH; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen. Spreuken 30:18 : Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: Spreuken 30:29 : Deze drie maken een goede tred; ja, vier zijn er, die een goede gang maken;
[^job-5-19-37]: Kanttekening 37: zal Hij: Te weten, zo u op hem door het geloof vertrouwt, hem door het gebed aanroept en door ware bekering uw leven naar zijn geboden aanstelt.
[^job-5-19-38]: Kanttekening 38: in de zevende: Anders, in zeven. Dat hier eerst het getal van zes, en daarvan van zeven gesteld wordt, dient eigenlijk tot uitbreiding en versiering van de taal. Vergelijk Spr. 6:16 , en Spr. 30:15 , 30:18 , 30:21 , 30:29 . Spreuken 6:16 : Deze zes haat YHWH; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: Spreuken 30:15 : De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg! Spreuken 30:18 : Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: Spreuken 30:21 : Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: Spreuken 30:29 : Deze drie maken een goede tred; ja, vier zijn er, die een goede gang maken;
[^job-5-20-39]: Kanttekening 39: van het geweld: Hebreeuws, ידֵי, van de handen van het zwaard; dat is, van het geweld van de oorlog, of van de wapenen; zo Ps. 63:11 ; idem, van de hand van het graf, Ps. 49:16 ; van de hand van de strik, Ps. 141:9 , nog van de hand van het graf, Hos. 13:14 ; zo van de hand van de leeuw en van de beer, 1 Sam. 17:37 ; van de hand van de hond, Ps. 22:21 , enz. Psalmen 63:11 : Men zal hen storten door het geweld van het zwaard; zij zullen de vossen ten deel worden. Psalmen 49:16 : Maar God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. Psalmen 141:9 : Bewaar mij voor het geweld van de strik, die zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers van de ongerechtigheid. Hosea 13:14 : Maar Ik zal hen van het geweld van het dodenrijk verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, 1 Samuël 17:37 : Verder zei David: YHWH, Die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tot David: Ga heen, en YHWH zij met u! Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond.
[^job-5-21-40]: Kanttekening 40: Tegen de gesel: Dat is, tegen de lasterwoorden, achterklappingen en leugentalen, waardoor de kwaadspekende mensen tegen de vromen overal uitbreken en woeden. Anders, in; dat is, als u gelasterd wordt, of van.
[^job-5-22-41]: Kanttekening 41: zult u lachen: Dat is, u zult hen belachen, verachten, en daarom niet bezwaard zijn. Lachen, voor verachten, gelijk onder, Job 39:10 , 39:25 ; Ps. 2:4 , en Ps. 37:13 ; Spr. 31:25 . Job 39:10 : Hij belacht het gewoel van de stad; het menigerlei getier van de drijvers hoort hij niet. Job 39:25 : Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw vanwege het zwaard. Psalmen 2:4 : Die in de hemel woont, zal lachen; YHWH zal hen bespotten. Psalmen 37:13 : YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Spreuken 31:25 : Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over de nakomende dag.
[^job-5-23-42]: Kanttekening 42: stenen van het veld: Te weten, opdat u u aan dezelfde niet stoot. De zin is dat hij van alle gevaren vrij zou zijn, voornamelijk gaande en reizende achterlands. Sommigen verstaan door de stenen, harde, wrede en moedwillige mensen, die God de Heer in de toom zou houden, opdat de vromen daarvan geen schade zouden lijden. Vergelijk Ps. 91:12 . Psalmen 91:12 : Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot.
[^job-5-23-43]: Kanttekening 43: zal uw verbond: Dat is, u zult geen schade daarvan lijden. Zie dezelfde manier van spreken Jes. 28:15 , waar de goddelozen zeggen dat zij met de dood en het dodenrijk een verbond gemaakt hadden, willende zo te verstaan geven dat zij daarvan niet zouden beschadigd worden. Zie ook Hos. 2:17 . Jesaja 28:15 : Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen. Hosea 2:17 : En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
[^job-5-23-l]: Verwijzing l: Hosea 2:17 . Hosea 2:17 : En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodems; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
[^job-5-24-44]: Kanttekening 44: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, Gen. 3:7 , en Gen. 8:11 ; Num. 14:34 , zo in vers 25 . Genesis 3:7 : Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. Genesis 8:11 : En de duif kwam tot hem tegen de avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking. Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.
[^job-5-24-45]: Kanttekening 45: Dat is, huis, of woning, gelijk het volgende woord uitwijst; zo onder, Job 8:22 , en Job 11:14 , enz. Zie ook 2 Kon. 13:5 . Job 8:22 : Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn. Job 11:14 : Als er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen. 2 Koningen 13:5 : (Zo gaf YHWH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de kinderen van Israël woonden in hun tenten, als te voren.
[^job-5-24-46]: Kanttekening 46: vrede is: Dat is, voorspoed en welstand. Zie Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^job-5-24-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, bezoeken; dat is voorzien, gadeslaan en acht daarop geven, volbrengende uw schuldigen plicht tegenover uw huisgezin. Zo wordt God gezegd te bezoeken zijn volk; Ruth 1:6 , als Hij het voedsel heeft gegeven; de mens, Ps. 8:5 , als Hij zorg voor hem draagt; zijn wijnstok, Ps. 80:15 , als Hij hem beschermt tegen de vijanden. Vergelijk Gen. 21:1 . Ruth 1:6 : Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat YHWH Zijn volk bezocht had, gevende hun brood. Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de zoon van de mens, dat U hem bezoekt? Psalmen 80:15 : O God van de legermachten! keer toch weer; aanschouw uit de hemel, en zie, en bezoek deze wijnstok, Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^job-5-24-48]: Kanttekening 48: zult niet falen: Dat is, doende uw schuldigen plicht. In het voorstaan en verzorgen van uw huis, zult u geen fout hebben, aangezien de Heer al uw doen wel zal laten gelukken. Het Hebreeuwse woord תֶחֱטָֽא, chata wordt ook voor falen, of missen genomen, Richt. 20:16 . Zie de aantekening daar. Richteren 20:16 : Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste.
[^job-5-25-49]: Kanttekening 49: uw spruiten: Dat is, kinderen, die uit u en de uwen zullen voortkomen. Zo onder, Job 21:8 , en Job 27:14 ; Jes. 22:24 , en Jes. 48:19 . Job 21:8 : Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen. Job 27:14 : Als zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. Jesaja 22:24 : En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, van de uitspruitelingen en van de afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten van de bekers af, zelfs tot al de vaten van de flessen. Jesaja 48:19 : Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als daarvan steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.
[^job-5-26-50]: Kanttekening 50: opgevoerd wordt: Hebreeuws, opgaat, opklimt. Deze gelijkenis wordt genomen van vruchten, welke in de tijd van de oogst uit de akker verzameld zijnde, tezamen in grote hopen opeengelegd en daarna ingevoerd worden; want gelijk deze niet dan vol rijp zijnde zo opeengestapeld worden, en op de dorsvloer gebracht, zo is het, dat de vromen in hun vollen ouderdom, wanneer die hun tot een zegen verstrekt, onverdrietelijk geraken tot hun graf, dat een aardhoop genaamd wordt; onder, Job 21:32 . Job 21:32 : Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in de aardhoop.
[^job-5-27-51]: Kanttekening 51: voor u: Dat is, tot uw best.

### Job 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/6.json)

*Job verklaart reden te hebben voor zijn grote ontsteltenis en klachten, vers 1 enz. Verder heeft hij geen behagen in de berisping van Elifaz, 6. wenst te sterven, 8. hoopt op geen lichamelijke gezondheid, 11. beschuldigt Elifaz van een verkeerd oordeel over de oprechtheid van zijn persoon, 13. van onbeleefdheid, 14. van trouweloosheid in het troosten van zijn vriend, 15. van onvriendelijkheid in het bestraffen van zijn woorden, 24. hij vraagt zijn vrienden met zulke bestraffingen op te houden en op zijn zaak beter acht te geven, 28.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v1)

**2** Och, of mijn[^job-6-2-1] verdriet[^job-6-2-2] recht gewogen werd, en men mijn[^job-6-2-3] ellende samen in een weegschaal[^job-6-2-4] ophief! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v2)

**3** Want[^job-6-3-5] het zou nu zwaarder zijn dan[^job-6-3-a] het zand van de zeeën;[^job-6-3-6] daarom worden mijn woorden opgezwolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v3)

**4** [^job-6-4-b] Want de[^job-6-4-7] pijlen van de Almachtige zijn in mij, waarvan het vurig venijn mijn geest uitdrinkt[^job-6-4-8];[^job-6-4-9] de verschrikkingen Gods[^job-6-4-10] rusten zich tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v4)

**5** [^job-6-5-11] Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v5)

**6** Wordt ook het[^job-6-6-12] onsmakelijke gegeten[^job-6-6-13] zonder zout? Is er smaak in het witte van[^job-6-6-14] de dooier? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v6)

**7** Mijn ziel weigert uw woorden aan te[^job-6-7-15] roeren; die zijn als mijn[^job-6-7-16] laffe voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v7)

**8** [^job-6-8-17] Och, of mijn begeerte kwame, en dat God[^job-6-8-18] mijn verwachting gave; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v8)

**9** En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn[^job-6-9-19] hand losliet, en[^job-6-9-20] een einde met mij maakte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v9)

**10** Dat zou nog mijn troost zijn, en zou[^job-6-10-21] mij opfrissen in de smart,[^job-6-10-22] zo Hij niet spaarde;[^job-6-10-23] want ik heb de redenen van[^job-6-10-24] de Heilige niet verborgen gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v10)

**11** Wat is mijn kracht,[^job-6-11-25] dat ik hopen zou? Of wat is mijn einde, dat ik mijn[^job-6-11-26] leven verlengen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v11)

**12** Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v12)

**13** Is dan mijn[^job-6-13-27] hulp niet in mij, en is de[^job-6-13-28] wijsheid uit mij verdreven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v13)

**14** Aan hem, die[^job-6-14-29] versmolten is,[^job-6-14-30] zou van zijn vriend goedertierenheid gebeuren; of hij zou de vrees voor de Almachtige verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v14)

**15** Mijn[^job-6-15-31] broers hebben trouweloos gehandeld[^job-6-15-32] als een beek; als de storting van de beken gaan zij door; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v15)

**16** Die[^job-6-16-33] verdonkerd zijn van het ijs, en waarin de sneeuw zich verbergt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v16)

**17** Ten tijde, als zij van hitte wegsmelten, worden zij[^job-6-17-34] uitgewist; als zij warm worden,[^job-6-17-35] verdwijnen zij uit haar plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v17)

**18** De gangen[^job-6-18-36] van haar weg wenden zich ter zijde af; zij[^job-6-18-37] lopen op in het woeste, en vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v18)

**19** De[^job-6-19-38] reizigers van[^job-6-19-39] Thema[^job-6-19-40] zien ze, de[^job-6-19-41] wandelaars van[^job-6-19-42] Scheba wachten op haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v19)

**20** Zij worden beschaamd, omdat[^job-6-20-43] elk[^job-6-20-44] vertrouwde; als zij[^job-6-20-45] daartoe komen, zo worden zij schaamrood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v20)

**21** Werkelijk,[^job-6-21-46] zo bent u mij nu niets geworden; u hebt gezien de[^job-6-21-47] ontzetting, en[^job-6-21-48] u hebt gevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v21)

**22** Heb ik gezegd:[^job-6-22-49] Breng mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v22)

**23** Of bevrijdt mij van de hand van de verdrukker, en verlost mij van de hand van de tirannen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v23)

**24** Leer mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v24)

**25** O, hoe krachtig zijn de[^job-6-25-50] rechte redenen! Maar[^job-6-25-51] wat bestraft het bestraffen, dat van u is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v25)

**26** [^job-6-26-52] Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen[^job-6-26-53] van de mismoedigen voor[^job-6-26-54] wind zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v26)

**27** Ook werpt u zich op een[^job-6-27-55] wees; en u[^job-6-27-56] graaft tegen uw vriend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v27)

**28** Maar nu, belieft het u,[^job-6-28-57] wendt u tot mij, en[^job-6-28-58] het zal voor uw aangezicht zijn, of ik liege. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v28)

**29** [^job-6-29-59] Keer toch weer, laat er geen[^job-6-29-60] onrecht wezen, ja, keert weer; nog zal mijn[^job-6-29-61] gerechtigheid daarin[^job-6-29-62] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v29)

**30** Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn[^job-6-30-63] gehemelte niet de[^job-6-30-64] ellenden te verstaan geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/6.html#v30)

[^job-6-2-1]: Kanttekening 1: Of, mijn ontsteltenis, beroering en ongeduld veroorzaakt door mijn lijden.
[^job-6-2-2]: Kanttekening 2: recht gewogen wierd: Of, nauw, scherpelijk. Hebreeuws, wegende gewogen worde; te weten, met iets dat zeer zwaar is, als het zand aan de oever van de zee, waarvan in vers 3 gesproken wordt. Job 6:3 : Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand van de zeeën; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
[^job-6-2-3]: Kanttekening 3: Of, pijn, torment, katijvigheid. Zo onder, vers 30 , en Job 30:13 ; Spr. 19:13 . Job 6:30 : Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven? Job 30:13 : Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen. Spreuken 19:13 : Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen van een vrouw als een gestadig druipen.
[^job-6-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, zij hieven op, of haalden op; dat is, dat men ophieve of ophaalde. Zie boven, Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^job-6-3-5]: Kanttekening 5: Te weten mijn jammer en lijden.
[^job-6-3-a]: Verwijzing a: Spr. 27:3 . Spreuken 27:3 : Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid van de dwazen is zwaarder dan die beide.
[^job-6-3-6]: Kanttekening 6: worden mijn woorden opgezwolgen: Dat is, door de grootheid mijns lijdens kan ik mijn woorden niet ten volle noch naar behoren voortbrengen, om mijn ellendigen staat uit te drukken.
[^job-6-4-b]: Verwijzing b: Ps. 38:2 ; idem v. 3 . Psalmen 38:2 : O YHWH! straf mij niet in Uw grote toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid. Psalmen 38:3 : Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
[^job-6-4-7]: Kanttekening 7: pijlen van de Almachtige: Versta, de kwalen en ellenden, die hem van God overkwamen en zeer geweldig waren. Die noemt hij pijlen, omdat zij hem haastig en buiten verwachting hadden getroffen, en scherp zijnde, zijn hart zeer diep hadden doorwond. Zie Deut. 32:23 ; Ps. 38:3 , en Ps. 45:6 , en Ps. 91:5 . Deuteronomium 32:23 : Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten. Psalmen 38:3 : Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald. Psalmen 45:6 : Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de Koning vijanden. Psalmen 91:5 : U zult niet vrezen voor de schrik van de nacht, voor de pijl, die overdag vliegt;
[^job-6-4-8]: Kanttekening 8: vurig venijn: Enige volken plachten hun pijlen met vergif te bestrijken, dat door het gehele lichaam, dat geschoten was, zich uitspruitende en indringende, zeer haastig al de krachten van het leven verteerde. Daarom zijn door deze vergiftige pijlen te verstaan zulke plagen, die een zeker en snel verderf aanbrengen.
[^job-6-4-9]: Kanttekening 9: de verschrikkingen Gods: Dat is, geweldige en gruwzame plagen, waarmee mij God verschrikt. Zo onder, Job 9:34 ; Ps. 88:17 . Zie Gen. 35:5 . Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; Psalmen 88:17 : Uw hittige toornvlagen gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. Genesis 35:5 : En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
[^job-6-4-10]: Kanttekening 10: rusten zich: Het Hebreeuwse woord יַֽעַרְכֽוּ, is zoveel als zich in krijgsordening tegen iemand stellen, in welke zin het ook genomen wordt, Jer. 50:9 . Het wordt van Petrus zeer wel uitgedrukt met het Griekse woord antitassesthia, 1 Petr. 5:5 . Jeremia 50:9 : Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal leeg terugkeren. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^job-6-5-11]: Kanttekening 11: Rochelt ook: De zin is, zo ik geen oorzaak had om te klagen, en uw woorden, o Elifaz, mij een goed voedsel van de vertroosting waren, ik zou niet meer mijn klachten laten horen, dan de woudezel zijn geschreeuw, en de os zijn loeien, als zij goed voeder voor zich hebben.
[^job-6-6-12]: Kanttekening 12: Job vergelijkt Elifaz' rede bij smakeloos voedsel en bij het wit van een ei; verklarende zo dat hij in zijn woorden geen smaak vond.
[^job-6-6-13]: Kanttekening 13: zonder zout: Of, dat zonder zout is.
[^job-6-6-14]: Kanttekening 14: witte van de dooier: Dat is, dat om de dojer is.
[^job-6-7-15]: Kanttekening 15: Te weten, als een voedsel om dat te nuttigen. Hij blijft in de voorgaande gelijkenis, verklarende dat hij geheel geen lust had tot hun woorden, om zich daarmee te vertroosten, maar dat hij daarvan een afkeer had als van een laf, onaangenaam en walgelijk voedsel. Anders, wat mijn ziel weigerde aan te roeren, dat is als mijn laf voedsel. De zin is, dat de zerigheid en de zweren, die hij door deze zijn bezoeking in anderen niet zou hebben willen aantasten, nu als zijn voedsel waren, maar een onaangenaam voedsel.
[^job-6-7-16]: Kanttekening 16: als mijn laffe voedsel: Hebreeuws, als de ziekten, ziekten; dat is, lafheden mijns broods.
[^job-6-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, יִתֵּן, wie zal geven? Een manier van wensen bij de Hebreën zeer gebruikelijk. Zie van dezelfde ook onder, Job 11:5 , en Job 13:5 , en Job 14:13 , en Job 19:23 , en Job 23:3 , enz.; idem Ex. 16:3 , Num. 11:29 , en de aantekening. Job 11:5 : Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende; Job 13:5 : Och, of u geheel stilzweegt! Dat zou u voor wijsheid wezen. Job 14:13 : Och, of U mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat U mij een bepaling stelde, en mijn gedachtig was! Job 19:23 : Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend! Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden. Numeri 11:29 : Maar Mozes zei tot hem: Bent u voor mij ijverende? Och, of al het volk van YHWH profeten waren, dat YHWH Zijn Geest over hen gave!
[^job-6-8-18]: Kanttekening 18: mijn verwachting: Dat is, dat ik verwacht, te weten, de dood; gelijk in vers 9 verklaard wordt. Vergelijk boven, de aantekening Job 5:6 . Job 6:9 : En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! Job 5:6 : Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;
[^job-6-9-19]: Kanttekening 19: Welke nu schijnt gebonden te wezen, omdat hij dezelfde niet gebruikt om mij te doden. Van de hand van God vergelijk dat onder is, Job 13:21 . Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^job-6-9-20]: Kanttekening 20: een einde: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, Jes. 10:12 ; Klaagl. 2:17 ; Zach. 4:9 . Of, mij afsnede, of afhieuwe. Jesaja 10:12 : Want het zal gebeuren, als YHWH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen. Klaagliederen 2:17 : Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd. Zacharia 4:9 : De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien; opdat u weet, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft.
[^job-6-10-21]: Kanttekening 21: mij verkwikken: Anders, terwijl, of hoewel ik brand van verdriet, en God niet spaart, of verschoont.
[^job-6-10-22]: Kanttekening 22: Hij niet spaarde: Dat is, als God met mij een einde maakte en mij uit deze ellendige wereld wegnam.
[^job-6-10-23]: Kanttekening 23: want ik heb: Dat is, want ik heb het woord van God en de heilige leer vrijmoedig beleden en met mijn gehele leven nagevolgd, zulks dat ik niet twijfelen zou van de lichamelijke dood over te gaan in het eeuwige leven.
[^job-6-10-24]: Kanttekening 24: Te weten, van God, wiens naam heilig, of die de Heilige is, Jes. 57:15 ; want Hij alleen is volkomen heilig, ja de heiligheid zelve. Zie Lev. 19:2 . Jesaja 57:15 : Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden. Leviticus 19:2 : Spreek tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben heilig!
[^job-6-11-25]: Kanttekening 25: dat ik hopen zou: Dat is, dat ik op enige uitkomst zou mogen hopen; alsof hij zei: Mijn kracht is te klein om deze droevige ellende lang te kunnen dragen en opnieuw tot gezondheid te geraken, en ofschoon ik dit nog hopen kon, nochtans is het einde mijns levens zo ver niet, dat ik zou kunnen begeren veel langer te leven. Daarom bid ik u, o God, dat U mij uit de wereld wegneemt en van deze ellende verlost.
[^job-6-11-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, נַפְשִֽׁ, ziel ; zie Gen. 19:17 . Of, begeerte ; zie Ps. 27:12 . De zin is: dat ik zou begeren mijn leven te verlengen. Vergel. onder, Job 7:1 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. Job 7:1 : Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloner?
[^job-6-13-27]: Kanttekening 27: Dat is, mijn verantwoording, waardoor ik mij zou mogen helpen en verdedigen tegen het verkeerd oordeel, dat tegen mij gestreken wordt.
[^job-6-13-28]: Kanttekening 28: Of, deugdzaamheid, onnozelheid, vroomheid. Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord, boven, Job 5:12 . Anders, is het niet zo, dat mijn hulp niet in mij is? en het wezen of de kracht uit mij verdreven? verstaande dat Job hier vervolgt de kracht van zijn ellende, nietigheid en krachteloosheid. Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.
[^job-6-14-29]: Kanttekening 29: versmolten is: Dat is, vergaan en uitgeteerd door tegenspoed en verdriet. De zin is, dat het recht van de vriendschap vereist dat men zijn vriend, die verarmd, verdrukt en vernederd is, hulp zal bewijzen, en dat hij, die dat nalaat, de vrees voor God heeft verlaten. Anders hangen deze woorden aan vers 13 aldus: Is niet mijn verdediging bij mij? enz. tegen \[hem\] wiens weldadigheid gesmolten is aan zijn vriend, en \[die\] de vrees voor de Almachtige heeft verlaten. Hij berispt Elifaz van onbeleefdheid, ontrouw en wreedheid tegen zijn vriend bewezen. Job 6:13 : Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
[^job-6-14-30]: Kanttekening 30: zou van zijn vriend: Dat is, behoorde. Anders, \[zou\] zijn vriend weldadigheid \[bewijzen\].
[^job-6-15-31]: Kanttekening 31: Namelijk, Elifaz, Bildad en Zofar.
[^job-6-15-32]: Kanttekening 32: als een beek: Hij neemt een gelijkenis van de beken, welke in de winter, als zij vol zijn en bevriezen, het water, dat zij van de regen en sneeuw hebben, schijnen bij zich te willen houden, om dat in de zomer uit te geven, als zij noodzakelijker zijn, en dan nochtans, door de grote hitte uitdrogende, de hoop van de mensen bedriegen. Bij deze wateren vergelijkt Job zijn drie vrienden, omdat hij aan hen, toen hij hen niet grotelijks van doen had, vriendschap gevonden heeft, en scheen dezelfde op andere tijden te mogen verwachten, maar daarna in de hitte van zijn tegenspoed weinig troost en hulp van hen heeft verkregen.
[^job-6-16-33]: Kanttekening 33: Of, bedekt; te weten, als met een rouwkleed overtrokken.
[^job-6-17-34]: Kanttekening 34: als zij warm: De zin is, als zij door de hitte en de droogte van de tijd ophouden te vloeien.
[^job-6-17-35]: Kanttekening 35: verdwijnen zij: Hebreeuws, worden uitgeblust.
[^job-6-18-36]: Kanttekening 36: haars wegs: Dat is, van haar waterloop, of kanaal.
[^job-6-18-37]: Kanttekening 37: Anders, zij klimmen op tot niet en vergaan; wordende tot dampen, en zo vernietigd.
[^job-6-19-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, אָרְחוֹת, paden. Versta door deze de scharen en hopen van de mensen, reizende op de gemene wegen en straatbanen. Vergelijk Gen. 37:25 ; Richt. 5:6 ; idem onder, Job 31:32 ; Jes. 21:13 . In de volle manier van spreken worden zij genaamd, die over weg gaan; Jes. 33:8 . Genesis 37:25 : Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Richteren 5:6 : In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen. Job 31:32 : De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar de weg; Jesaja 21:13 : De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! Jesaja 33:8 : De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens.
[^job-6-19-39]: Kanttekening 39: Zo wordt Arabië genoemd, omdat het bewoond was van de nakomelingen van Thema, de zoon van Ismaël, Gen. 25:15 , die te onderscheiden is van Theman, een zoon van Ezau, naar welke Elifaz vernoemd wordt, Job 2:11 . Genesis 25:15 : Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^job-6-19-40]: Kanttekening 40: zien ze: Te weten, die stromen en beken, meenden, daarin water tot lafenis en verversing te vinden, maar werden bedrogen. Zien is hier iets met grote begeerte verlangen, gelijk Ps. 34:6 , en Ps. 92:12 . Psalmen 34:6 : He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Psalmen 92:12 : En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.
[^job-6-19-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, אָרְחוֹת, de wegen, of gangen. Vergelijk de voorgaande aantekening op het woord reizigers.
[^job-6-19-42]: Kanttekening 42: Zie boven, Job 1:15 . Job 1:15 : Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^job-6-20-43]: Kanttekening 43: Te weten, van de voormelde reizigers en wandelaars.
[^job-6-20-44]: Kanttekening 44: Te weten, op die stromen en beken, menende daarin water te vinden.
[^job-6-20-45]: Kanttekening 45: Dat is, tot die beken.
[^job-6-21-46]: Kanttekening 46: zo bent u mij nu niets geworden: Dat is, gelijk die loze en uitgedroogde waterbeken de reizende en vermoeide mensen geen nut toebrengen, zo doet u mij ook niet. Het is de toepassing van de voorgestelde gelijkenis.
[^job-6-21-47]: Kanttekening 47: Te weten, die mij door dit lijden overkomen is.
[^job-6-21-48]: Kanttekening 48: u hebt gevreesd: Te weten, de oordelen van God tegen de goddelozen, valselijk gevoelende dat u daarvan een exempel aan mij zaagt. Of, u hebt gevreesd; te weten, dat ik u lastig zou zijn, gelijk in vers 22 . Job 6:22 : Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?
[^job-6-22-49]: Kanttekening 49: Brengt mij: Hij wil zeggen dat hij niet van zijn vrienden heeft begeerd, dat zij enige moeite of onkosten doen zouden om hem uit zijn lijden te helpen, hoewel de vrienden toestaat zich in zulk geval vanzelf naar hun vermogen te kwijten: overzulks dat zij te meer moesten genegen zijn om hem met enige vertroosting, die zonder kosten en grote moeite gebeuren kon, bij te staan; zodat, omdat zij niets deden, maar wel door de verkeerdheid huns oordeels het tegendeel, zij niet waren te ontschuldigen.
[^job-6-25-50]: Kanttekening 50: rechte redenen: Hebreeuws, אִמְרֵי, de woorden van de richtigheid, of rechtzinnigheid; dat is, die oprecht en waar zijn. Vergelijk onder, Job 33:3 ; Pred. 12:10 . Job 33:3 : Mijn redenen zullen de oprechtheid mijns harten, en de wetenschap van mijn lippen, wat zuiver is, uitspreken. Prediker 12:10 : De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden van de waarheid.
[^job-6-25-51]: Kanttekening 51: wat bestraft: Dat is, wat kracht heeft uw berisping om te berispen? Hij wil zeggen, gene.
[^job-6-26-52]: Kanttekening 52: Zult u: Dat is, zult u woorden opzoeken en verzinnen, opdat u mag bestraffen? Anders, zult u om te bestraffen op woorden achtgeven? Dat is, wilt u in het berispen van iemand, die zeer verdrukt en bedroefd is, zo nauw achtgeven op al zijn woorden, en zult u zijn redenen van verantwoording voor niets achten? Anders, denkt u woorden te bestraffen; en \[houdt u\] voor wind de redenen van de mismoedigen? Dat is, bent u vanzins blote woorden te achterhalen en te beknabbelen, en niet acht te geven op de zaak zelve, die ik tot mijn verantwoording voortbreng? Anders, denkt u dat de woorden bestraffing zijn?
[^job-6-26-53]: Kanttekening 53: van de mismoedigen: Dat is, wiens moed en hoop, zoveel dit leven betreft, door de zwaarheid van het lijden zeer neergestort is. Hij meent zichzelven.
[^job-6-26-54]: Kanttekening 54: wind zijn: Dat is, voor een nietige en onwaardige zaak. Voor zodanige dingen, en ook, die zeer ongestadig zijn en haast vergaande, is het woord wind genomen, onder, Job 7:7 , en Job 15:2 , en Job 16:3 ; Spr. 11:29 ; Pred. 5:15 ; Hos. 12:2 ; Ef. 4:14 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? Job 16:3 : Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat u zo antwoordt? Spreuken 11:29 : Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn van degene, die wijs van hart is. Prediker 5:15 : Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, zo heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in de wind gewerkt heeft? Hosea 12:2 : Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de gehele dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd. Efeziërs 4:14 : Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^job-6-27-55]: Kanttekening 55: Zo noemt Job zichzelven omdat hij van de hulp van alle mensen verlaten was. Van zulke wezen mag men enigszins verstaan wat de kerk van God klaagt, Klaagl. 5:3 . Klaagliederen 5:3 : Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
[^job-6-27-56]: Kanttekening 56: Te weten, een put, of kuil, waarin u hem vangt. De manier van spreken vindt men vol Ps. 57:7 ; Jer. 18:20 , enz. Job beklaagt zich dat zijn vrienden hem door listige redenen zochten te verstrikken en te bezwaren. Maar omdat het Hebreeuwse woord ook somtijds betekent maaltijd bereiden of houden, gelijk onder, Job 40:25 , en 2 Kon. 6:23 , zo wordt deze plaats van anderen overgezet: Gijlieden houdt maaltijd over uw vriend; dat is, u bent verblijd over zijn lijden. Graven zou hier ook kunnen genomen worden voor enig kwaad berokkenen of bedenken, gelijk Spr. 16:27 . Psalmen 57:7 : Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela. Jeremia 18:20 : Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden. Job 40:25 : Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? 2 Koningen 6:23 : En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden van de Syriërs niet meer in het land van Israël. Spreuken 16:27 : Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
[^job-6-28-57]: Kanttekening 57: wendt u tot mij: Dat is, geeft acht op mijn redenen, en wilt dezelfde naarstiglijk overwegen.
[^job-6-28-58]: Kanttekening 58: het zal: Dat is, het zal voor u openbaar zijn, en u zult daarvan getuigen en rechters mogen wezen. Anders, en \[beziet\] of ik voor u zal liegen.
[^job-6-29-59]: Kanttekening 59: Keert toch weer: Te weten, van uw onbillijke handeling tegen mij, en van de wrede twisting, waarmee u tegen mij uitvaart.
[^job-6-29-60]: Kanttekening 60: onrecht wezen: Te weten, bij u, mits zo kwalijk van mij te oordelen en tot mij onvriendelijk te spreken.
[^job-6-29-61]: Kanttekening 61: Te weten, als u afstand doet van zo verkeerd te oordelen en beter achtgeeft op de redenen van mijn verantwoording.
[^job-6-29-62]: Kanttekening 62: Dat is, blijken; te weten, als u afstand doet.
[^job-6-30-63]: Kanttekening 63: Of, raak; dat is mond. Zou die niet de verkeerden kunnen oordelen en verklaren? Anderen verstaan door het gehemelte de zin en het verstand van de mens, waardoor het waarachtige van het valse en het goede van het kwade onderscheiden wordt, gelijk door het gehemelte van de mond het zoete van het zure onderscheiden wordt.
[^job-6-30-64]: Kanttekening 64: Dat is, de kwalen, pijnen en kwellingen, die mij zijn overkomen; gelijk boven, vers 2 . Anders, verkeerdheden verstaan; dat is, zou mijn verstand niet kunnen oordelen wat verkeerd is of niet? Job 6:2 : Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!

### Job 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/7.json)

*Job gaat voort in zijn klachten en beschrijft zijn ellendige staat, niet alleen vanwege de moeilijke kortheid van dit leven in het algemeen, vers 1 enz. maar ook vanwege zijn verdriet, 3. zware ziekte, 5. en korte voorspoed in het bijzonder, 6. Hij keert zich tot God en bidt Hem om zijn zegen voor de tijd van zijn overige leven, dat kort zou zijn, 7. daarom klaagt hij over het geweld van zijn straf, 11. hoewel hij toch zo zwak, onwaardig en nietig was, 17. hij bidt om de vergeving van zijn zonden, 20.*

**1** Heeft niet de mens een[^job-7-1-1] strijd op de aarde, en zijn[^job-7-1-2] zijn dagen niet als de dagen van de dagloner? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v1)

**2** Zoals[^job-7-2-3] de dienaar[^job-7-2-4] hijgt naar de[^job-7-2-5] schaduw, en zoals de dagloner verwacht zijn[^job-7-2-6] werkloon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v2)

**3** Zo zijn mij[^job-7-3-7] maanden van[^job-7-3-8] de zinloosheid als erfenis[^job-7-3-9] geworden, en nachten van de[^job-7-3-10] moeite zijn mij voorbereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v3)

**4** Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en[^job-7-4-11] Hij de avond afgemeten hebben? En ik[^job-7-4-12] word verzadigd[^job-7-4-13] van woelingen tot aan de[^job-7-4-14] schemertijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v4)

**5** Mijn vlees is met het[^job-7-5-15] gewormte en met het[^job-7-5-16] gruis[^job-7-5-17] van het stof bekleed; mijn huid is[^job-7-5-18] gekliefd en[^job-7-5-19] verachtelijk geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v5)

**6** [^job-7-6-20] Mijn dagen zijn[^job-7-6-21] lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan[^job-7-6-22] zonder verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v6)

**7** [^job-7-7-23] Gedenk, dat mijn leven[^job-7-7-a] een[^job-7-7-24] wind is; mijn oog zal niet terugkomen,[^job-7-7-25] om het goede te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v7)

**8** Het oog van degene, die[^job-7-8-26] mij nu ziet, zal mij[^job-7-8-27] niet zien;[^job-7-8-28] uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal[^job-7-8-29] niet meer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v8)

**9** Een wolk vergaat en vaart heen; zo die in het[^job-7-9-30] graf daalt, zal niet[^job-7-9-31] weer opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v9)

**10** Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en[^job-7-10-32] zijn plaats zal hem niet meer kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v10)

**11** [^job-7-11-33] Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid van mijn geest; ik zal klagen[^job-7-11-34] in bitterheid van mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v11)

**12** Ben ik dan een zee, of[^job-7-12-35] walvis, dat U om mij[^job-7-12-36] wachten zet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v12)

**13** [^job-7-13-37] Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij troosten, mijn bed zal van mijn klacht wat wegnemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v13)

**14** Dan ontzet U mij met[^job-7-14-38] dromen, en door visioenen verschrikt U mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v14)

**15** Zodat mijn ziel de[^job-7-15-39] wurging kiest; de dood meer[^job-7-15-40] dan mijn beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v15)

**16** Ik[^job-7-16-41] versmaad ze, ik zal toch in de eeuwigheid niet leven; houd op[^job-7-16-42] van mij, want[^job-7-16-b] mijn dagen zijn[^job-7-16-43] zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v16)

**17** [^job-7-17-c] Wat is de mens,[^job-7-17-44] dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v17)

**18** En dat U hem[^job-7-18-45] bezoekt in elke[^job-7-18-46] morgenstond; dat U hem[^job-7-18-47] in elk ogenblik[^job-7-18-48] beproeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v18)

**19** Hoe lang[^job-7-19-49] keert U Zich niet af van mij, en laat niet van mij af, voordat ik[^job-7-19-50] mijn speeksel doorslik? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v19)

**20** Heb ik[^job-7-20-51] gezondigd, wat zal ik[^job-7-20-52] U doen, o[^job-7-20-53] Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een[^job-7-20-54] mikpunt gesteld, dat ik mijzelf[^job-7-20-55] tot een last zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v20)

**21** [^job-7-21-56] En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet[^job-7-21-57] weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en[^job-7-21-58] U zult[^job-7-21-59] mij vroeg zoeken, maar[^job-7-21-60] ik zal niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/7.html#v21)

[^job-7-1-1]: Kanttekening 1: Het Hebreeuwse woord, hier overgezet, wordt zeer dikwijls gebruikt voor een strijd, of kamp, of legermacht, die òf werelds is, Num. 1:3 , enz., òf kerkelijk, gelijk Num. 4:3 , enz., òf geestelijk, 2 Kor. 10:4 ; 1 Tim. 1:18 . Anders, gezetten tijd. Numeri 1:3 : Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun heiren, u en Aäron. Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 1 Timotheüs 1:18 : Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt;
[^job-7-1-2]: Kanttekening 2: zijn zijn dagen: Versta, de tijd zijns levens, welke hier bij de dagen eens dagloners vergeleken wordt, omdat hij zeker en gesteld is, kort, vol arbeid en moeite, nochtans achtervolgd van enige rust; want een dagloner, overdag gewrocht hebbende, rust 's nachts. Hieruit wil Job besluiten, aangezien de gesteldheid van het leven van de mens zodanig is, dat hij niet zo gruwelijk behoorde geplaagd te wezen, maar wel enige rust te hebben, voornamelijk als hij de Heer zijn God recht gevreesd en gediend had.
[^job-7-2-3]: Kanttekening 3: de dienaar: Te weten, die vermoeid is door de arbeid van de dag.
[^job-7-2-4]: Kanttekening 4: Of, haakt; dat is, ernstiglijk begeert en verlangt. Zo onder, Job 36:20 . Job 36:20 : Haak niet naar die nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.
[^job-7-2-5]: Kanttekening 5: Versta, de ondergang van de zon en de rust van de nacht. Vergelijk Ps. 102:12 , en Ps. 109:23 . Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 109:23 : Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.
[^job-7-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, zijn werk; dat is het loon zijns werks; vergelijk Lev. 19:13 ; Jer. 22:13 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^job-7-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, יַרְחֵי, Ik ben gemaakt te erven voor mij maanden van de ijdelheid. Hieruit blijkt dat Job enige maanden in dit verdriet geweest is. Vergelijk onder, Job 29:2 . Job 29:2 : Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
[^job-7-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, die zeer ijdel, moeilijk en verdrietig zijn geweest. Vergelijk onder, vers 16 , en Job 15:31 . Job 7:16 : Ik versmaad ze, ik zal toch in eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid. Job 15:31 : Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.
[^job-7-3-9]: Kanttekening 9: Hij wil zeggen dat zijn arbeid en lijden zwaarder is dan van de knecht en de dagloner, want deze met het einde van het werk en met de nacht rust krijgen, daar hem de kwalen zelfs ook in de nachten bijbleven.
[^job-7-3-10]: Kanttekening 10: zijn mij voorbereid: Hebreeuws, hebben mij voorbereid. Zie boven, Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^job-7-4-11]: Kanttekening 11: Hij de avond: Te weten, God. Of aldus: Wanneer zal de avond afgemeten zijn? dat is wanneer zal hij geëindigd worden? Door de avond is hier te verstaan de nacht, die zo wordt genoemd omdat hij van de avond begint; Gen. 1:5 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
[^job-7-4-12]: Kanttekening 12: word zat: Zat van enige kwaad te zijn, is daarvan overlast te zijn, dat men van de niet meer vermag. Zie onder, Job 10:15 , en Job 14:1 ; Ps. 88:4 , en Ps. 123:3 , 123:4 ; Spr. 1:31 , en Spr. 28:19 ; Klaagl. 3:15 ; Hab. 2:16 . Job 10:15 : Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende. Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Psalmen 88:4 : Want mijn ziel is van de tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. Psalmen 123:3 : Wees ons genadig, o YHWH! wees ons genadig, want wij zijn van de verachting veel te zat. Psalmen 123:4 : Onze ziel is veel te zat van de spot van de weelderigen, van de verachting van de hovaardigen. Spreuken 1:31 : Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. Spreuken 28:19 : Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden. Klaagliederen 3:15 : He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. Habakuk 2:16 : U zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt u ook, en ontbloot de voorhuid; de beker van de rechterhand van YHWH zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
[^job-7-4-13]: Kanttekening 13: van woelingen: Dat is, van mij om en om te keren in het bed.
[^job-7-4-14]: Kanttekening 14: Te weten, van de morgenstond; dat is, als het 's morgens vroeg tussen donker en licht is. Zo kan het Hebreeuwse woord ook genomen worden 1 Sam. 30:17 , en Ps. 119:147 . Van de avondschemering, zie 2 Kon. 7:5 , en de aantekening. 1 Samuël 30:17 : En David sloeg hen van de schemering tot aan de avond van hun anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kamelen reden en vloden. Psalmen 119:147 : Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.
[^job-7-5-15]: Kanttekening 15: Te weten, door de zweren, die aan mijn lichaam zijn, uit wier etter en bloed wormen voortkomen.
[^job-7-5-16]: Kanttekening 16: Versta, de roven, die van zijn zweren afgeschrapt werden. Anderen verstaan aardkluiten, die aan zijn lijf hingen, omdat hij op de aarde zat of lag.
[^job-7-5-17]: Kanttekening 17: van het stof bekleed: Dat is \[gelijk enigen verstaan\], van het lichaam; zo wordt het genoemd Pred. 12:7 , omdat het oorspronkelijk uit het stof van de aarde genomen is; Gen. 2:7 . Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft. Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^job-7-5-18]: Kanttekening 18: Te weten, door de zweren, die de huid van het lichaam schenden en openen.
[^job-7-5-19]: Kanttekening 19: Anders, gesmolten; dat is, vloeiende van etter en vuile vochtigheid.
[^job-7-6-20]: Kanttekening 20: Mijn dagen: Te weten, mijns levens.
[^job-7-6-21]: Kanttekening 21: Dat is, sneller; zo wordt licht voor snel genomen, onder, Job 9:25 ; Jes. 5:26 , en Jes. 18:2 ; Jer. 2:23 . Job 9:25 : En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. Jesaja 5:26 : Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen. Jesaja 18:2 : Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat heen, u snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven. Jeremia 2:23 : Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!
[^job-7-6-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, met niet hoop, of met het einde van de hoop; dat is, dat de hoop, van die opnieuw te krijgen, ophoudt en een einde neemt.
[^job-7-7-23]: Kanttekening 23: Job keert zijn aanspraakt tot God, van wie hij begeert, omdat ons leven in zichzelf zeer kort en ellendig is, dat Hij hem tenminste voor de tijd, die hem hier nog overig was, zijn tijdelijke zegen wilde vergunnen, gelijk welke hier maar genoten kon worden.
[^job-7-7-a]: Verwijzing a: Job 8:9 ; Job 14:1 ; idem 14:2 ; idem 14:3 ; Job 16:22 ; Ps. 90:5 ; idem 90:6 ; idem 90:9 ; Ps. 102:12 ; Ps. 103:15 ; Ps. 144:4 ; Jes. 40:6 ; Jak. 4:14 ; 1 Petr. 1:24 . Job 8:9 : Want wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde een schaduw zijn. Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Job 14:2 : Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. Job 14:3 : Nog doet U Uw ogen over zulk een open; en U betrekt mij in het gericht met U. Job 16:22 : Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad heengaan, waardoor ik niet zal terugkeren. Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort. Psalmen 90:9 : Want al onze dagen gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 103:15 : De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Jesaja 40:6 : Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. Jakobus 4:14 : U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^job-7-7-24]: Kanttekening 24: wind is: Dat is, zeer nietig, ongestadig en haast vergaande. Zie boven, Job 6:26 . Job 6:26 : Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen van de mismoedigen voor wind zijn?
[^job-7-7-25]: Kanttekening 25: het goede: Te weten, van dit vergankelijke leven. Het goede te zien, is het te genieten, of te krijgen. Zo onder, Job 9:25 ; Ps. 128:5 ; Pred. 5:17 . In dezelfde zin wordt men gezegd de rust te zien, Gen. 49:15 ; het licht te zien, onder, Job 33:28 ; het leven te zien, Joh. 3:36 ; goede dagen te zien, 1 Petr. 3:10 , enz. Job 9:25 : En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien. Psalmen 128:5 : YHWH zal u zegenen uit Sion, en u zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; Prediker 5:17 : Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal van de dagen zijns levens, dat God hem geeft; want dat is zijn deel. Genesis 49:15 : Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder belasting. Job 33:28 : Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. Johannes 3:36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. 1 Petrus 3:10 : Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
[^job-7-8-26]: Kanttekening 26: mij nu ziet: Te weten, hier op de aarde. Anders, het oog van het gezicht; dat is, die een scherp gezicht heeft.
[^job-7-8-27]: Kanttekening 27: niet zien: Te weten, als ik van hier door de dood zal gescheiden zijn.
[^job-7-8-28]: Kanttekening 28: uw ogen: Te weten, om mij wel te doen, maar evenwel zal ik hier beneden op de aarde niet zijn om uw goederen zo lichamelijk als geestelijk te genieten. Hiertoe waren de heiligen belust, eensdeels om God alhier nog te dienen en zijn naam groot te maken, anderdeels om zich door het gebruik van de tijdelijke weldaden van de liefde van God en de eeuwige goederen te verzekeren. Zie Ps. 6:6 , en Ps. 88:11 , 88:12 , 88:13 , en Ps. 122:1 , 122:2 , en Ps. 128:5 . Psalmen 6:6 : Want in de dood is Uw geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? Psalmen 88:11 : Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. Psalmen 88:12 : Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? Psalmen 88:13 : Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land van de vergetelheid? Psalmen 122:1 : Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis van YHWH gaan. Psalmen 122:2 : Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! Psalmen 128:5 : YHWH zal u zegenen uit Sion, en u zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
[^job-7-8-29]: Kanttekening 29: niet meer zijn: Te weten, in dit leven. Zie boven, Job 3:16 . Job 3:16 : Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben.
[^job-7-9-30]: Kanttekening 30: graf daalt: Zie de betekenis van het Hebreeuwse woord שְׁאוֹל, scheol, Gen. 37:35 , en in de aantekening daarop. Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^job-7-9-31]: Kanttekening 31: weer opkomen: Te weten, in deze vergankelijke wereld; want dat Job de opstanding uit de doden vastelijk gelooft heeft, blijk onder, Job 19:25 , 19:26 , 19:27 . Job 19:25 : Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Job 19:26 : En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^job-7-10-32]: Kanttekening 32: zijn plaats: Dat is, zijn vrienden, medeburgers en bekenden, die in zijn huis, stad en land woonachtig zijn. Aldus wordt de plaats genomen voor degenen, die daarin zijn. Zo onder, Job 8:18 , en Job 20:9 ; Ps. 37:10 . Evenzo worden de paden en wegen genomen voor degenen, die daarop wandelen en reizen; boven, Job 6:19 . Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien. Job 20:9 : Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen. Psalmen 37:10 : Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en u zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. Job 6:19 : De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.
[^job-7-11-33]: Kanttekening 33: Zo zal ik: De zin is, aangezien het leven van de mens in het algemeen vol ijdelheid en katijvigheid is, en ik mij in het bijzonder nog daarenboven in dit extraordinaire verdriet bevind, zijnde beroofd van alle tijdelijke welvaart en vertroosting, zo moet ik tenminste mijn treurig gemoed door de mond ontledigen.
[^job-7-11-34]: Kanttekening 34: in bitterheid: Dat is, in zeer grote droefenis van het hart. Zie 2 Kon. 4:27 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^job-7-12-35]: Kanttekening 35: Zie van diens kracht en geweld onder Job 41 .
[^job-7-12-36]: Kanttekening 36: wachten zet: Te weten, door dit grote lijden, dat mij van alle kanten omsingelt en mijn gemoed dag en nacht pijnigt; hij wil zeggen dat God daardoor scheen hem te willen intomen, opdat hij niemand kwaad deed, gelijk alsof hij een zee of zeemonster ware, die door de duinen, klippen en diepten binnen haar palen gehouden moet worden, opdat zij de mensen geen schade aandoen.
[^job-7-13-37]: Kanttekening 37: Wanneer ik zeg: Te weten, bij mijzelf; dat is, als ik denk; zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijn huisvrouw wil zullen doden.
[^job-7-14-38]: Kanttekening 38: Te weten, schrikkelijke, die God de melankolieken of zwaarmoedigen laat overkomen, of door de natuur van hun ziekte, die de verbeelding van de mens verderft, of ook door middel van de Satan, die zijn gelegenheid waarnemende, door de melankolieke humeuren, welke hij in de mens vindt, vreemde gezichten in hem veroorzaakt.
[^job-7-15-39]: Kanttekening 39: Versta, een geweldigen en haastigen dood; te weten, door deze gedurige kwelling.
[^job-7-15-40]: Kanttekening 40: dan mijn beenderen: Dat is, dan het leven van het lichaam. Hij wil zeggen dat hij liever had te sterven, dan zodanig verrotte, stinkende en van etter overvloeiende beenderen lang te hebben. Hij maakt gewag voornamelijk van zijn beenderen, omdat zijn kwaal tot het binnenste zijns lichaams toe ingedrongen was; beenderen voor de kracht, het leven en het binnenste van het lichaam; Spr. 14:30 , en Spr. 17:22 ; Jes. 38:13 . Spreuken 14:30 : Een gezond hart is het leven van het vlees; maar nijd is verrotting van de beenderen. Spreuken 17:22 : Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen. Jesaja 38:13 : Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^job-7-16-41]: Kanttekening 41: versmaad ze: Te weten, mijn beenderen.
[^job-7-16-42]: Kanttekening 42: van mij: Te weten, aldus te plagen en te beroeren.
[^job-7-16-b]: Verwijzing b: Ps. 62:10 ; Ps. 144:4 . Psalmen 62:10 : Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^job-7-16-43]: Kanttekening 43: Of, als een wind, gelijk boven, vers 7 . Ijdelheid wordt het leven van de mens genaamd, niet alleen omdat het kort is en haast verdwijnt, onder, Job 15:31 , maar ook omdat de mens daarin, als in wat vol moeite en verdriet is, het rechte goed, dat hem ten volle gelukzalig maakt, niet vindt. Vergelijk boven, vers 3 , en de aantekening. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Job 15:31 : Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen. Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid.
[^job-7-17-c]: Verwijzing c: Ps. 8:5 ; Ps. 144:3 ; Hebr. 2:6 . Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U zijn gedenkt, en de zoon van de mensen, dat U hem bezoekt? Psalmen 144:3 : O YHWH! wat is de mens, dat U hem kent, het kind van de mensen, dat U het acht? Hebreeën 2:6 : Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U zijn gedenkt, of van de mensen zoon, dat U hem bezoekt!
[^job-7-17-44]: Kanttekening 44: dat U hem: Dat is, dat U op hem, die zo broos en nietig is als ik nu ben, achtgeef, en hem waard houdt zo met hem gemoeid te wezen. Vergelijk de manier van spreken, boven, de aantekening Job 1:8 . Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.
[^job-7-18-45]: Kanttekening 45: Te weten, met kastijdingen en straffen. Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^job-7-18-46]: Kanttekening 46: Dit gedenkt hij voornamelijk om te tonen: I. dat God ons tehuis bezoekt met bijzondere zorg en naarstigheid; vergelijk Klaagl. 3:23 ; II. dat God ons niet spaart, zelfs als wij meest in de arbeid zijn; III. dat niet alleen het midden en einde, maar ook het begin onzes levens en onzer werken aan veel lijden onderworpen is; Ps. 88:16 , en Ps. 90:9 . Klaagliederen 3:23 : Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot. Psalmen 88:16 : Van de jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw angsten, ik ben twijfelmoedig. Psalmen 90:9 : Want al onze dagen gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door als een gedachte.
[^job-7-18-47]: Kanttekening 47: in elk ogenblik: Dat is, dikwijls, doorgaans, onvoorziens, haastig.
[^job-7-18-48]: Kanttekening 48: Hoe God de Heer de zijnen beproeft, zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^job-7-19-49]: Kanttekening 49: keert U: Te weten, dat U een einde maken zoudt van mij aldus te straffen.
[^job-7-19-50]: Kanttekening 50: mijn speeksel inzwelge: Het is een algemene manier van spreken, betekenende een zeer korte tijd, gelijk is zijn adem te halen, alsof hij zei: Houd tenminste een ogenblik op van mij te slaan, opdat ik ademhale. Vergelijk Job 9:18 . Job 9:18 : Hij laat mij niet toe op adem te komen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
[^job-7-20-51]: Kanttekening 51: Versta, enige zekere zonde hem onbekend, om welke dit lijden hem zou overkomen zijn.
[^job-7-20-52]: Kanttekening 52: U doen: Te weten, om met U verzoend en bevredigd te worden, teneinde ik uit dit lijden geraken mocht.
[^job-7-20-53]: Kanttekening 53: Dat is, die zeer nauw waarneemt wat de mensen doen, of die ook huns levens bewaarder zijt, daar U nu mijn leven schijnt te willen verderven.
[^job-7-20-54]: Kanttekening 54: tegenloop gesteld: Of, tegenmerk, of doel, of wit, waartegen U uw pijlen uitschiet. Vergelijk onder, Job 16:12 . Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat, waartegen iemand geweldiglijk aanloopt, om dat te schenden, te breken, of om te werpen. Job 16:12 : Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.
[^job-7-20-55]: Kanttekening 55: tot een last zij: Te weten, door al het lijden, dat U mij in en buiten mijn lichaam zo vreeslijk aandoet, dat het mij als een onverdragelijke last is.
[^job-7-21-56]: Kanttekening 56: En waarom: Hij wil zeggen: Als het voorgeven van mijn vrienden waarachtig is, dat ik om mijn zonden wil aldus geplaagd ben \[hoewel mijn consciëntie anders getuigt\], waarom vergeeft U mij die zonde niet, opdat ik niet langer aldus geplaagd worde? Want ik zal nu haast sterven, zodat U, mij alhier zoekende om mij nog wel te doen, mij niet zult vinden.
[^job-7-21-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, voorbijgaan, over, of doorgaan. Zie 2 Sam. 12:13 . 2 Samuël 12:13 : Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: YHWH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven.
[^job-7-21-58]: Kanttekening 58: U zult mij: Vergelijk boven, vers 8 , en zie de aantekening. Job 7:8 : Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
[^job-7-21-59]: Kanttekening 59: vroeg zoeken: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk in de morgenstond zoeken; maar omdat de dingen, die in de morgenstond gedaan worden, met groteren vlijt worden uitgericht, zo wordt het voor alle naarstige onderzoeking genomen; zie onder, Job 8:5 ; Ps. 63:2 ; Spr. 7:15 . Job 8:5 : Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Spreuken 7:15 : Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
[^job-7-21-60]: Kanttekening 60: zal niet zijn: Zie boven, Job 3:16 . Job 3:16 : Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben.

### Job 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/8.json)

*Bildad bestraft de woorden van Job, vers 1 enz. prijst Gods gerechtigheid, 3. beschuldigt Jobs kinderen, 4. maar hij belooft Job, als hij zich zou bekeren, Gods genade en zegen, 5. daarentegen bewijst hij met de ervaring van vroegere tijden de ondergang van de goddelozen, 8. hij troost Job, als hij oprecht is, met Gods beloften, 20.*

**1** Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v1)

**2** Hoe lang zult u deze dingen spreken, en de redenen van uw mond een[^job-8-2-1] geweldige wind zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v2)

**3** [^job-8-3-a] Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v3)

**4** Als uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem,[^job-8-4-2] Hij heeft hen ook in de hand van hun overtreding geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v4)

**5** [^job-8-5-b] Maar als[^job-8-5-3] u naar God[^job-8-5-4] vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v5)

**6** Zo u[^job-8-6-5] zuiver en recht bent, zeker zal Hij nu opwaken,[^job-8-6-6] om uwentwil, en Hij zal de woning[^job-8-6-7] van uw gerechtigheid[^job-8-6-8] volmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v6)

**7** Uw begin zal wel gering zijn; maar uw laatste[^job-8-7-9] zal zeer vermeerderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v7)

**8** [^job-8-8-c] Want vraag toch naar het vorige[^job-8-8-10] geslacht, en bereid u tot de onderzoeking[^job-8-8-11] van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v8)

**9** [^job-8-9-d] Want[^job-8-9-12] wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde[^job-8-9-e] een[^job-8-9-13] schaduw zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v9)

**10** Zullen[^job-8-10-14] die u niet[^job-8-10-15] leren, tot u spreken, en[^job-8-10-16] uit hun hart redenen voortbrengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v10)

**11** [^job-8-11-17] Verhef zich de bieze zonder slijk? Groeit het[^job-8-11-18] rietgras zonder water? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v11)

**12** [^job-8-12-f] Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, toch verdort het voor alle[^job-8-12-19] gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v12)

**13** [^job-8-13-20] Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en[^job-8-13-g] de verwachting van[^job-8-13-21] de huichelaar zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v13)

**14** Van wie zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop.[^job-8-14-22][^job-8-14-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v14)

**15** [^job-8-15-24] Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v15)

**16** [^job-8-16-25] Hij is sappig[^job-8-16-26] voor de zon, en zijn scheuten[^job-8-16-27] gaan over zijn hof uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v16)

**17** Zijn wortels worden bij de[^job-8-17-28] springader ingevlochten;[^job-8-17-29] hij ziet[^job-8-17-30] een stenige plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v17)

**18** Maar als[^job-8-18-31][^job-8-18-32] God hem verslindt uit[^job-8-18-33] zijn plaats, zo[^job-8-18-34] zal zij hem[^job-8-18-35] ontkennen, zeggende: Ik heb u niet gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v18)

**19** [^job-8-19-36] Zie, dat is de vreugde[^job-8-19-37] van zijn weg; en[^job-8-19-38] uit het stof zullen anderen voortspruiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v19)

**20** Zie,[^job-8-20-39] God zal de oprechte niet verwerpen;[^job-8-20-40] Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v20)

**21** Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met[^job-8-21-41] gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v21)

**22** [^job-8-22-42] Uw vijanden zullen[^job-8-22-43] met schaamte bekleed worden; en de[^job-8-22-44] tent van de goddelozen zal niet meer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/8.html#v22)

[^job-8-2-1]: Kanttekening 1: geweldige wind: Hier worden Jobs redenen bij een sterken wind vergeleken, omdat zij, uit heftige bewegingen voortkomende, tegen de behoorlijke zedigheid en de eer van God schenen aan te lopen.
[^job-8-3-a]: Verwijzing a: Deut. 32:4 ; 2 Kron. 19:7 ; Dan. 9:14 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Daniël 9:14 : Daarom heeft YHWH over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want YHWH, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, omdat wij Zijn stem niet gehoorzaamden.
[^job-8-4-2]: Kanttekening 2: Hij heeft hen ook: Hebreeuws, יְשַׁלְּחֵ, Hij heeft ze gezonden ; dat is, hij heeft hen laten vallen in het geweld van de zonden, om hun maat te vervullen, en van de straffen, om het verdiende loon daarvoor te ontvangen.
[^job-8-5-b]: Verwijzing b: Job 22:23 . Job 22:23 : Zo u u bekeert tot de Almachtige, u zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
[^job-8-5-3]: Kanttekening 3: Maar als u: Het is alsof hij zei: Uw kinderen zijn wel om hun zonden omgekomen, maar wat u betreft, als u de Heer van harte zoekt, en bidt om genade, en zuiver zijt van gruwelijke zonden, Hij zal u wel weer terechthelpen en in uw voorgaanden welstand herstellen.
[^job-8-5-4]: Kanttekening 4: Dat is, bijtijds en naarstiglijk, zie boven, Job 7:21 . Job 7:21 : En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
[^job-8-6-5]: Kanttekening 5: Dat is, niet besmet met grove verborgen zonden, waarover u geen berouw hebt.
[^job-8-6-6]: Kanttekening 6: om uwentwil: Hebreeuws, over u ; dat is, om uwentwil, tot uw besten, om u goed te doen.
[^job-8-6-7]: Kanttekening 7: woning van uw gerechtigheid: Dat is, in welke u gerechtigheid en deugdzaamheid pleegt.
[^job-8-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, wederoprichten en herstellen in zijn vorigen stand. Anders, bevredigen , of, voorspoedig maken.
[^job-8-7-9]: Kanttekening 9: zal zeer vermeerderd worden: Dat is, zal u van klein groot, van vernederd verhoogd, van arm rijk, van tegenspoed voorspoedig maken, u en de uwen meer en meer zegenende.
[^job-8-8-c]: Verwijzing c: Deut. 4:32 . Deuteronomium 4:32 : Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het een einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:
[^job-8-8-10]: Kanttekening 10: Versta, een menigte van mensen, die in een eeuw of sommige jaren tezamen leven; zie Gen. 6:9 ; Ps. 12:8 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^job-8-8-11]: Kanttekening 11: hun vaders: Te weten, die in de vorige geslachten geweest zijn en verkregen hadden, zo door de langheid huns levens en grote ervaring als door verscheidene openbaringen Gods, groot verstand en wijsheid.
[^job-8-9-d]: Verwijzing d: Gen. 47:9 ; 1 Kron. 29:15 ; Job 7:5 ; idem v. 6 ; idem v. 7 ; Ps. 39:13 ; Ps. 144:4 . Genesis 47:9 : En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren mijn vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven mijn vaders, in de dagen hun vreemdelingschappen. 1 Kronieken 29:15 : Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting. Job 7:5 : Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis van het stof bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden. Job 7:6 : Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Psalmen 39:13 : Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^job-8-9-12]: Kanttekening 12: wij zijn van gisteren: Die met die voorvaderen niet te vergelijken zijn, hebbende een korter leven, mindere ervarenheid, en niet zoveel openbaringen van God.
[^job-8-9-e]: Verwijzing e: Ps. 102:12 ; Ps. 144:4 . Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^job-8-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, zeer vergankelijk, ijdel en nietig. Vergelijk de aangewezen plaatsen.
[^job-8-10-14]: Kanttekening 14: Te weten, die voorvaderen, tot welke Job van Bildad gewezen was, boven, vers 8 . Deze manier van vragen heeft macht om zeer te verzekeren; zie Gen. 13:9 . Job 8:8 : Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking van hun vaders. Genesis 13:9 : Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^job-8-10-15]: Kanttekening 15: Te weten, van de voorzienigheid en oordelen van God, die wonderbaar zijn, en van de uitkomsten van de goeden, die goed, en van de kwaden, die kwaad zijn.
[^job-8-10-16]: Kanttekening 16: uit hun hart: Dat is, niet dat hun haastig uit de lippen valt, maar dat zij tevoren wel rijpelijk met het verstand bedacht en met de daad bevonden hebben.
[^job-8-11-17]: Kanttekening 17: De zin is, gelijk een bies niet kan opwassen zonder slijk, noch het wier zonder water, maar haastig verdroogt; zo kan de mens geen welstand hebben zonder godvruchtigheid.
[^job-8-11-18]: Kanttekening 18: Anders, sek, of slag, of meergras. Vergelijk Gen. 41:2 , en de aantekening daarop. Genesis 41:2 : En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.
[^job-8-12-f]: Verwijzing f: Ps. 129:6 ; Jer. 17:6 . Psalmen 129:6 : Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort, voordat men het uittrekt; Jeremia 17:6 : Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^job-8-12-19]: Kanttekening 19: Zie 1 Kon. 18:5 . 1 Koningen 18:5 : En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.
[^job-8-13-20]: Kanttekening 20: Zo zijn: Dat is, zo gaat het hun, of zodanig is het leven, de macht en de uitkomst dergenen, die God verachten; want hoewel zij voor een tijdlang groenen en bloeien, en hoog opgaan, en vast schijnen te wezen, zolang de tijdelijke voorspoed hen toelacht, nochtans, wanneer deze ontbreekt, vergaan zij zeer haastig, ja eer dan anderen; Ps. 37:2 , 37:35 . Psalmen 37:2 : Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. Psalmen 37:35 : Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.
[^job-8-13-g]: Verwijzing g: Job 11:20 ; Job 18:14 ; Ps. 112:10 ; Spr. 10:28 . Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel. Job 18:14 : Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot de koning van de verschrikkingen. Psalmen 112:10 : Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens van de goddelozen zal vergaan. Spreuken 10:28 : De hoop van de rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting van de goddelozen zal vergaan.
[^job-8-13-21]: Kanttekening 21: Versta, een mens, die in zijn hart goddeloos is voor God, maar zich voor vroom uitgeeft met woorden, gebaren en werken voor de mensen, om die te bedreigen. Zo onder, Job 13:16 , en Job. 15:34, en Job 17:8 ; Spr. 11:9 ; Jes. 9:16 , enz. Job 13:16 : Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. Job 17:8 : De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken; Spreuken 11:9 : De huichelaar verderft zijn naaste door de mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd. Jesaja 9:16 : Daarom zal zich de Heer niet verblijden over hun jongelingen, en hun wezen en hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^job-8-14-22]: Kanttekening 22: zijn hoop: Dat is, het goed dat hij hoopt; dat gezegd wordt een verdriet of walg van de huichelaar te zullen hebben, omdat het hem niet aankomen, maar van hem vluchten zal. Vergelijk Ps. 95:10 . Anders, wiens hoop zal afgesneden worden. Psalmen 95:10 : Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
[^job-8-14-23]: Kanttekening 23: een huis: Versta, het web van de spinnekop, dat zeer zwak en teer is en lichtelijk gebroken wordt. De zin is, gelijk de spinnekop zich niet met haar weg tegen enig geweld kan bewaren, zo kan de goddeloze zich tegen de straffen Gods met zijn tijdelijke middelen niet beschermen.
[^job-8-15-24]: Kanttekening 24: Te weten, de huichelaar en goddeloze.
[^job-8-16-25]: Kanttekening 25: Hij is sappig: Dat is, de goddeloze is te vergelijken bij een groenen en vochtigen boom, die wel geworteld is, maar als hij van de eigenaar afgehouwen en uitgeroeid is, zeer haastig vergaat; want zo vergaan ook de huichelaars, als zij van God uitgeroeid worden, hoewel zij van groot vermogen zijn, en door rijkdom hoog verheven.
[^job-8-16-26]: Kanttekening 26: voor de zon: Dat is, zo vochtig dat hij ook door de brandende hitte van de zon niet verdroogt.
[^job-8-16-27]: Kanttekening 27: gaan over zijn hof uit: Dat is, rekken uit en verheffen zich over de hof door zijn weelderigheid en overgroten wasdom; sommigen menen dat Bildad in vers 16 begint te spreken van de vromen of godvruchtigen, en zetten verder vers 18 aldus over: Zal iemand hem verslinden uit zijn plaats, zodat zij hem loochenen, enz. Job 8:16 : Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit. Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
[^job-8-17-28]: Kanttekening 28: Te weten, waar de wateren hun oorsprong nemen, hobbelen, wellen en zich omwentelen, en vervolgens daar geen vochtigheid ontbreekt. Het Hebreeuwse woord is voor een springader genomen, Hoogl. 4:12 , gelijk ook het woord gullat, dat van dezelfde oorsprong is; Joz. 15:19 . Anderen zetten het Hebreeuwse woord hier over een hoop; te weten van stenen, gelijk het ook genomen wordt Gen. 31:46 , en de zin is dan hier enerlei met de zin van de volgende woorden van vers 17 . Hooglied 4:12 : Mijn zus, o bruid! u bent een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. Jozua 15:19 : En zij zei: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen. Genesis 31:46 : En Jakob zei tot zijn broers: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten daar op die hoop. Job 8:17 : Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.
[^job-8-17-29]: Kanttekening 29: hij ziet: Dat is, hij breidt zijn wortelen zo ver en krachtig uit, dat hij ook aan de steenachtige grond gerakende, evenwel zijn kracht behoudt. Hij wil zeggen dat de huichelaar voor een tijd alle beletselen en tegenstoot overkomt, die zijn tijdelijke welstand schenen te zullen verhinderen.
[^job-8-17-30]: Kanttekening 30: een stenige plaats: Hebreeuws, בֵּית, het huis van de stenen. Zo is het woord huis bij de Hebreën voor een plaats, oord, ruimte of wijdte genomen, 2 Sam. 15:17 . Anders, hij ziet uit naar een steenachtige plaats; te weten, om een vaste woning daar te zetten. 2 Samuël 15:17 : Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.
[^job-8-18-31]: Kanttekening 31: God : Of, de verslinder, welke God is, die de goddelozen uitroeit.
[^job-8-18-32]: Kanttekening 32: Te weten, de goddeloze huichelaar, die bij een groenenden boom vergeleken wordt.
[^job-8-18-33]: Kanttekening 33: zijn plaats: Te weten, waar de stam van de boom was. Versta, de woning, de staat, de heerlijkheid en regering van de goddeloze. Vergelijk onder, Job 18:21 , en Job 27:21 , en de aantekening. Job 18:21 : Gewisselijk, zodanige zijn de woningen van de verkeerde, en dit is de plaats van degene die God niet kent. Job 27:21 : De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
[^job-8-18-34]: Kanttekening 34: zal zij: Te weten, de plaats, dat is de inwoners daarvan. Zie boven, Job 7:10 . Job 7:10 : Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
[^job-8-18-35]: Kanttekening 35: Dat is, hij zal zo uitgeroeid worden, dat men niet zal bekennen noch gedachtig wezen dat hij daar ooit geweest was.
[^job-8-19-36]: Kanttekening 36: Schimpender wijze past Bildad de voorgaande gelijkenis op de huichelaar en goddeloze, alsof hij zei dat hij wel een schonen luister heeft voor een tijd, maar dat hij ten laatste ellendiglijk verdwijnt en niet meer gekend wordt.
[^job-8-19-37]: Kanttekening 37: zijns wegs: Dat is, van zijn wezen, leven, staat en conditie. Vergelijk Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-8-19-38]: Kanttekening 38: uit het stof: Dat is, uit degenen, die vervallen en verarmd zijn. Of, uit anderen, waar men het niet van verwacht, kunnen anderen opstaan, die vroom zijn en in de plaats van de vorigen de zegen Gods genieten.
[^job-8-20-39]: Kanttekening 39: Bildad troost Job met Gods beloftenis; maar hier intussen dreigt hij hem ook, zo hij zich van de huichelarij of boosheid, die hij meende in hem te zijn, niet bekeerde; anders zou hem alle goed en vreugde overkomen.
[^job-8-20-40]: Kanttekening 40: Hij vat: Dat is, Hij helpt de bozen niet, dat Hij hen uit hun verdriet en lijden trekken zou.
[^job-8-21-41]: Kanttekening 41: Versta, vreugdegeluid; zie 2 Kron. 15:14 . 2 Kronieken 15:14 : En zij zwoeren YHWH met luide stem en met gejuich, evenzo met trompetten en met bazuinen.
[^job-8-22-42]: Kanttekening 42: Uw haters: Of, \[totdat\] uw haters met schaamte bekleed worden, en de hutten van de goddelozen niet meer zijn.
[^job-8-22-43]: Kanttekening 43: met schaamte: Dat is, geheel zeer beschaamd worden. Zie gelijke manier van spreken Ps. 35:26 , en Ps. 109:29 ; Ez. 7:27 , en Ez. 26:16 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 109:29 : Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. Ezechiël 7:27 : De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 26:16 : En alle vorsten van de zee zullen afdalen van hun tronen, en hun mantels van zich doen, en hun gestikte kleren uittrekken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitten, en telken ogenblik sidderen, en over u ontzet zijn;
[^job-8-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, huis en woning.

### Job 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/9.json)

*Job erkent de gerechtigheid van God, vers 1 enz. hij toont dat het niemand geoorloofd of voordelig is met God te twisten, 3. tot dit doel verhaalt hij enkele van de Goddelijke eigenschappen en werken, 4. hij erkent ook ongeschikt te zijn om voor God te bestaan, 14. hij klaagt dat de vromen met de onvromen gestraft worden, 22. dat de goddelozen hier het meeste goed overkomt, en niet de Godvruchtigen, 24. dat het gevoel van zijn lijden hem tot de uiterste verbijstering bracht, 27. hij is bereid om zijn onschuld voor God tegen zijn vrienden te verdedigen, 34.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v1)

**2** Werkelijk, ik weet, dat het[^job-9-2-1] zo is; want hoe zou[^job-9-2-a] de mens rechtvaardig zijn[^job-9-2-2] bij God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v2)

**3** Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten,[^job-9-3-3] niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v3)

**4** [^job-9-4-4] Hij is wijs[^job-9-4-5] van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v4)

**5** Die de bergen verzet, dat zij[^job-9-5-6] het niet bemerken, Die ze omkeert in Zijn toorn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v5)

**6** Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat[^job-9-6-7] haar pilaren[^job-9-6-8] schudden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v6)

**7** Die[^job-9-7-9] de zon gebiedt, en[^job-9-7-10] zij gaat niet op; en[^job-9-7-11] verzegelt de sterren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v7)

**8** Die alleen[^job-9-8-b] de hemelen uitbreidt, en treedt op de[^job-9-8-12] hoogten van de zee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v8)

**9** Die de[^job-9-9-13] Wagen maakt, de[^job-9-9-14] Orion, en het[^job-9-9-15] Zevengesternte, en de[^job-9-9-16] binnenkameren van het Zuiden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v9)

**10** [^job-9-10-17][^job-9-10-c] Die grote dingen doet,[^job-9-10-18] die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v10)

**11** Zie, Hij[^job-9-11-19] zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij[^job-9-11-20] zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v11)

**12** [^job-9-12-21] Zie, Hij zal[^job-9-12-22] roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v12)

**13** God zal[^job-9-13-23] Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de[^job-9-13-24] hoogmoedige helpers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v13)

**14** Hoeveel te min zal ik Hem[^job-9-14-25] antwoorden, en mijn woorden uitkiezen[^job-9-14-26] tegen Hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v14)

**15** Die ik, zo ik rechtvaardig was, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v15)

**16** Als ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal[^job-9-16-27] niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v16)

**17** Want Hij vermorzelt mij door een[^job-9-17-28] onweer, en vermenigvuldigt mijn[^job-9-17-29] wonden[^job-9-17-30] zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v17)

**18** Hij laat mij niet toe[^job-9-18-31] op adem te komen; maar Hij verzadigt mij met[^job-9-18-32] bitterheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v18)

**19** [^job-9-19-33] Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij[^job-9-19-34] dagvaarden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v19)

**20** [^job-9-20-35] Zo ik mij rechtvaardig,[^job-9-20-36] mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht,[^job-9-20-37] Hij zal mij toch verkeerd verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v20)

**21** Ben ik oprecht, zo acht[^job-9-21-38] ik toch mijn[^job-9-21-39] ziel niet; ik versmaad mijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v21)

**22** [^job-9-22-40] Dat is één ding, daarom zeg ik:[^job-9-22-d] De oprechte en de goddeloze verdoet Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v22)

**23** Als de gesel haastig[^job-9-23-41] doodt,[^job-9-23-42] bespot Hij de[^job-9-23-43] verzoeking van de onschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v23)

**24** De aarde wordt[^job-9-24-44] gegeven[^job-9-24-45] in de hand van de[^job-9-24-46] goddelozen; Hij overdekt het aangezicht van haar rechters; zo niet,[^job-9-24-47] wie is Hij[^job-9-24-48] dan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v24)

**25** [^job-9-25-49][^job-9-25-e] En mijn dagen zijn[^job-9-25-50] lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevlucht, zij hebben het goede[^job-9-25-51] niet gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v25)

**26** Zij zijn voorbijgevaren[^job-9-26-52] met[^job-9-26-53] jachtschepen; zoals een adelaar naar het aas toevliegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v26)

**27** Als mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn[^job-9-27-54] gebaar laten varen, en mij opfrissen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v27)

**28** Zo schroom ik voor al mijn[^job-9-28-55] smarten; ik weet, dat U mij niet onschuldig[^job-9-28-56] zult houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v28)

**29** Ik zal[^job-9-29-57] toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik[^job-9-29-58] zinloos arbeiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v29)

**30** [^job-9-30-f] Als ik mij was met sneeuwwater, en mijn handen zuivere[^job-9-30-59] met zeep; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v30)

**31** Dan zult U mij in[^job-9-31-60] de gracht induiken, en mijn[^job-9-31-61] kleren zullen van mij walgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v31)

**32** [^job-9-32-g] Want Hij is niet een man, als ik, die ik antwoorden zou, zo wij samen in het gericht kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v32)

**33** Er is geen[^job-9-33-62] scheidsman tussen ons,[^job-9-33-63] die zijn hand op ons beiden leggen mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v33)

**34** [^job-9-34-64][^job-9-34-h] Dat Hij van op mij Zijn[^job-9-34-65] roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v34)

**35** Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want[^job-9-35-66] zo ben ik niet[^job-9-35-67] bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/9.html#v35)

[^job-9-2-1]: Kanttekening 1: zo is: Te weten, gelijk u zegt, namelijk dat God rechtvaardig is, straffende de kwaden en de goeden voorstaande. Dit weet ik zo wel, dat ik nooit gedacht heb God van ongerechtigheid te beschuldigen.
[^job-9-2-a]: Verwijzing a: Ps. 143:2 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^job-9-2-2]: Kanttekening 2: bij God: Dat is, voor God. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, 1 Sam. 2:26 ; Ps. 130:4 . 1 Samuël 2:26 : En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam zowel bij YHWH als ook bij de mensen. Psalmen 130:4 : Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt.
[^job-9-3-3]: Kanttekening 3: niet een uit duizend: Dat is, duizendmaal zal de mens schuldig bevonden worden, dat is, zeer dikwijls, ja bijna oneindelijk. Een zeker getal voor een onzeker. Zie Lev. 26:8 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^job-9-4-4]: Kanttekening 4: Te weten, God. Zie boven, Job 3:20 . Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed?
[^job-9-4-5]: Kanttekening 5: van hart: Bij de Hebreën wordt het woord hart genomen voor de plaats van het verstand, en vervolgens ook voor het verstand en de wijsheid zelve; Ex. 28:3 ; onder, Job 11:12 , en Job 34:34 ; Spr. 2:10 , en Spr. 6:32 , en Spr. 19:8 ; Hos. 4:11 . Exodus 28:3 : U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. Job 11:12 : Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is. Job 34:34 : De mensen van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen: Spreuken 2:10 : Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn; Spreuken 6:32 : Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; Spreuken 19:8 : Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden. Hosea 4:11 : Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg.
[^job-9-5-6]: Kanttekening 6: niet gewaar worden: Dat is, onvoorziens en buiten alle verwachting, te weten, van de mensen, die daarop wonen. Vergelijk boven, Job 7:10 ; of aan de levenloze dingen wordt hier bij gelijkenis leven en gevoel toegeschreven. Zie onder, Job 28:14 . Job 7:10 : Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen. Job 28:14 : De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
[^job-9-6-7]: Kanttekening 7: haar pilaren: Dat is, hun onderste grondslagen en fondamenten.
[^job-9-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, gelijk van verschrikking hutsen. Vergelijk hiermee Job 26:11 . Job 26:11 : De pilaren van de hemel sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.
[^job-9-7-9]: Kanttekening 9: zon gebiedt: Hebreeuws, חֶרֶס, tot de zon zegt. Zeggen, of spreken, voor gebieden. Zie 2 Kron. 29:24 . 2 Kronieken 29:24 : En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met hun bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gehele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen.
[^job-9-7-10]: Kanttekening 10: zij gaat niet op: Te weten, gewoonlijk, zolang de nacht over de horizon van een land duren moet, of buitengewoon als het God belieft in de loop van de zon verandering te brengen; Joz. 10:12 , en 2 Kon. 20:11 . Jozua 10:12 : Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! 2 Koningen 20:11 : En Jesaja, de profeet, riep YHWH aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, die zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer.
[^job-9-7-11]: Kanttekening 11: verzegelt de sterren: Te weten, door het licht van de dag, dat de sterren verbergt, even gelijk door een zegel het ingeslotene verborgen wordt, dat men het niet zien kan. De zin is, dat God de dag maakt; gelijk in het eerste lid van vers 7 Hem toegeschreven wordt het maken van de nacht. Of men kan het verstaan van buitengewone en wonderbare verduistering of ophouding van het licht van de sterren. Zo wordt het woord zegelen genomen, Jes. 29:11 ; Dan. 9:24 , en Dan. 12:4 , 12:9 . Job 9:7 : Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; Jesaja 29:11 : Daarom is u alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Daniël 12:4 : En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. Daniël 12:9 : En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.
[^job-9-8-b]: Verwijzing b: Gen. 1:6 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^job-9-8-12]: Kanttekening 12: hoogten van de zee: Dat is, op de vloed en de hooglopende baren van de zee, die God stilt en effent, alsof Hij ze met zijn voet nederzette en gelijk maakte.
[^job-9-9-13]: Kanttekening 13: Een gesternte van de hemel, hedendaags ook zo genaamd, en anders geheten Arctos, of Ursa; sommigen verstaan het gesternte genoemd Arcturus. Zie hiervan ook onder, Job 38:32 . Job 38:32 : Kunt u de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en de Wagen met zijn kinderen leiden?
[^job-9-9-14]: Kanttekening 14: Een gesternte, zich vertonende in December tot de lente toe. Zie ook hiervan onder, Job 38:31, en Amos 5:8 . Amos 5:8 : Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam.
[^job-9-9-15]: Kanttekening 15: Ook een gesternte, of teken van de hemel, genaamd van de Latijnen Virgiliae, van de Grieken Pleiades, van de onzen het Zevengesternte, met de lente voortkomende; waarvan zie mee onder, Job 38:31 . Job 38:31 : Kunt u de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen van de Orion losmaken?
[^job-9-9-16]: Kanttekening 16: Of, vertrekken, of heimelijkheden. Versta hiermee de sterren, welke zijn omtrent de zuidpool, en omdat zij ten meeste van ons, die omtrent de noordpool wonen, niet gezien worden, de heimelijkheden, binnenkamers, of vertrekplaatsen genaamd worden.
[^job-9-10-17]: Kanttekening 17: Die grote dingen doet: Zie boven, Job 5:9 , en de aantekening daarop. Job 5:9 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
[^job-9-10-c]: Verwijzing c: Job 5:9 ; Ps. 72:18 ; Ps. 77:15 ; Ps. 86:10 ; Rom. 11:33 . Job 5:9 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; Psalmen 72:18 : Geloofd zij YHWH God, de God van Israël, Die alleen wonderen doet. Psalmen 77:15 : U bent die God, Die wonder doet; U hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken. Psalmen 86:10 : Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God. Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdoms, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^job-9-10-18]: Kanttekening 18: die men niet doorzoeken kan: Hebreeuws, tot geen onderzoek toe.
[^job-9-11-19]: Kanttekening 19: zal voor mij heengaan: Te weten, met getuigenissen van zijn wijsheid, mogendheid, goedheid en rechtvaardigheid, die Hij in zijn werken alleszins uitdrukt, en van ons laat aanschouwen, die nochtans ten volle van ons niet kunnen doorgrond worden; Rom. 11:33 . Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^job-9-11-20]: Kanttekening 20: zal voorbijgaan: Hebreeuws, veranderen; te weten, van plaats; menselijk van God gesproken, ten aanzien van zijn werken, die Hij doet in toorn of genade. Zie boven, Job 4:15 . Job 4:15 : Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.
[^job-9-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, Hij zal de mensen, om hun zonden wil, hun goed en leven, dat Hij hun gegeven had, ontnemen.
[^job-9-12-22]: Kanttekening 22: Vergelijk 2 Sam. 16:10 ; Jes. 45:9 ; Jer. 18:6 ; Rom. 9:20 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? Jesaja 45:9 : Wee die, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? Jeremia 18:6 : Zal Ik u niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis van Israël? spreekt YHWH; ziet, gelijk leem in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, o huis van Israël! Romeinen 9:20 : Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?
[^job-9-13-23]: Kanttekening 23: Zijn toorn niet afkeren: Dat is, zijn straf niet inhouden als Hij die voorgenomen heeft naar zijn rechtvaardig oordeel uit te voeren, hoezeer ook de goddelozen daartegen worstelen, zoekende die met geweld te ontgaan, of van anderen af te keren.
[^job-9-13-24]: Kanttekening 24: hovaardige helpers: Hebreeuws, de helpers van de hovaardigheid; dat is, die stoutelijk vermeten zichzelven of anderen te helpen.
[^job-9-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, antwoorden kunnen, te weten, als Hij mij in het gericht riep. Zo in vers 15 . Job 9:15 : Denwelken ik, zo ik rechtvaardig was, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
[^job-9-14-26]: Kanttekening 26: Het Hebreeuwse woord עִמּֽ, him wordt somtijds voor tegen genomen, gelijk Deut. 9:7 , onder, Job 10:17 ; Ps. 94:16 ; Spr. 30:31 . Deuteronomium 9:7 : Gedenk, vergeet niet, dat u YHWH, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwaamt aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen YHWH. Job 10:17 : U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij. Psalmen 94:16 : Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers van de ongerechtigheid? Spreuken 30:31 : Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
[^job-9-16-27]: Kanttekening 27: niet geloven: Te weten, niet geheel vastelijk. Want Job, tenonder geworpen zijnde door de zwaarheid zijns lijdens en verschrikt door de grootheid van de goddelijke majesteit, heeft zich voor een wijle niet kunnen inbeelden een haastige verlossing uit zijn ellende.
[^job-9-17-28]: Kanttekening 28: Te weten, van de straffen en bezoekingen, die over hem gevallen waren, welke hij bij een onweer vergelijkt, vanwege haar snelle, onverwachte, vreeslijke en geweldige overkomst. Vergelijk onder, Job 27:20 ; Ps. 83:16 ; Spr. 10:25 ; Ez. 13:11 , 13:13 , 13:14 ; Amos 1:14 . Job 27:20 : Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; 's nachts zal hem een wervelwind wegstelen. Psalmen 83:16 : Vervolg hen zo met Uw onweer, en verschrik hen met Uw draaiwind. Spreuken 10:25 : Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. Ezechiël 13:11 : Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. Ezechiël 13:13 : Daarom zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal hem door een grote stormwind in Mijn grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn grimmigheid, om die te verdoen. Ezechiël 13:14 : Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; zo zal de stad vallen, en u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Amos 1:14 : Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijd, met een onweer op de dag van de wervelwind.
[^job-9-17-29]: Kanttekening 29: Versta, de ellenden, die hij in zijn lichaam, goed en huisgezin door de bezoekingen van de Heer gekregen had.
[^job-9-17-30]: Kanttekening 30: zonder oorzaak: Dat is, waardoor ik zulke straf meer zou verdiend hebben dan andere mensen, of iets gruwelijks bedreven, dat een extraordinaire straf verdienen zou. Zie boven, Job 2:3 . Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
[^job-9-18-31]: Kanttekening 31: mijn adem te verhalen: Hebreeuws, רוּחִ, mijn geest weer te brengen; dat is, enig respijt of verlichting te hebben, maar Hij houdt doorgaans aan om mij met deze plagen op te vullen en gelijk te verstrikken. Vergelijk boven, Job 7:4 , geest voor adem. Zo onder, Job 19:17 . Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd. Job 19:17 : Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om de kinderen mijns buiks wil.
[^job-9-18-32]: Kanttekening 32: Dat is, droevige plagen. Vergelijk 2 Kon. 4:27 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^job-9-19-33]: Kanttekening 33: Zo het aan de kracht komt : Dat is, zo het geschil tussen God en mij door kracht moet geëffend en geëindigd worden.
[^job-9-19-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, doen vergaderen? dat is, wie zal maken dat wij bijeenkomen om samen te rechten, en dat eindelijk een vonnis tussen ons beiden gewezen worde?
[^job-9-20-35]: Kanttekening 35: Te weten, voor God. Anders, hoewel ik rechtvaardig ben.
[^job-9-20-36]: Kanttekening 36: mijn mond: Dat is, ik zal evenwel moeten bekennen dat ik een arm zondaar ben; of, uit wat mijn mond zal spreken, zal God evenwel mij nog van zonde kunnen overtuigen. Van het woord verdoemen, zie onder, Job 10:2 . Job 10:2 : Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover U met mij twist.
[^job-9-20-37]: Kanttekening 37: Hij zal mij toch verkeerd verklaren: Dat is, God of mijn mond zal mij bewijzen verkeerd te zijn; want Hij zal mij zo wijselijk ondervragen, dat Hij nog bij mijn ontschuldiging stof zal vinden om mij te veroordelen; en hoewel ik in dit geschil een goede zaak tegen mijn vrienden heb, nochtans weet ik dat ik voor God een zondig mens ben, en daarom ook verdoemelijk.
[^job-9-21-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, ken; dat is, acht, bezorg, gadesla. Vergelijk de aantekening Gen. 18:19 . Anders, ik zal mijn ziel, of mijzelf niet kennen, alsof ik bij mijzelf niets ware voor de vrees van de goddelijke majesteit. Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^job-9-21-39]: Kanttekening 39: Dat is, leven. Zie Gen. 19:17 . De verklaring volgt in het einde van vers 21 . Of, mijzelf niet. Zie 1 Kon. 19:4 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Job 9:21 : Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven. 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders.
[^job-9-22-40]: Kanttekening 40: Dat is één ding: Te weten, dat ik kwalijk verzwelgen kan; dat dit is, dat ik, vroom zijnde, nochtans mijn leven versmaden moet, uit oorzaak van het menigvuldige kwaad en verdriet, dat mij daarin overkomt.
[^job-9-22-d]: Verwijzing d: Pred. 9:2 ; idem v. 3 ; Mal. 3:14 . Prediker 9:2 : Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen; enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, als de onreine; zo die, die offert, als die, die niet offert; gelijk de goede, zo ook de zondaar, die, die zweert, gelijk die, die de eed vreest. Prediker 9:3 : Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart van de mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe. Maleachi 3:14 : U zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van YHWH van de legermachten?
[^job-9-23-41]: Kanttekening 41: Te weten, de goeden tezamen met de kwaden.
[^job-9-23-42]: Kanttekening 42: Te weten, naar de uiterlijke gedaante van dit leven, en niet naar de verborgen waarheid van de zaken; want naar de uitwendige gedaante schijnt hier geen onderscheid te wezen tussen goeden en kwaden, dat vele vromen, hier altijd zeer bekommerd heeft; Ps. 37:1 ,en Ps. 73:2 , enz.; Pred. 8:14 ; Jer. 12:1 ; Hab. 1:13 , 1:14 . Maar anders is het waarachtig wat wij lezen Ps. 73:17 , 73:18 ; Jer. 12:3 ; Mal. 3:16 , 3:17 ; 1 Kor. 11:32 ; Hebr. 12:10 , 12:11 . Psalmen 37:1 : Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. Psalmen 73:2 : Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden. Prediker 8:14 : Er is nog een ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, die het wedervaart naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen, die het wedervaart naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is. Jeremia 12:1 : U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? Habakuk 1:13 : U bent te rein van ogen, dan dat U het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt U niet aanschouwen; waarom zoudt U aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt U zwijgen, als de goddeloze die verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? Habakuk 1:14 : En waarom zoudt U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft? Psalmen 73:17 : Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. Psalmen 73:18 : Immers zet U hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen. Jeremia 12:3 : Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding. Maleachi 3:16 : Alsdan spreken, die YHWH vrezen, een ieder tot zijn naaste: YHWH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die YHWH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. Maleachi 3:17 : En zij zullen, zegt YHWH van de legermachten, op die dag, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen sparen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient. 1 Korinthiërs 11:32 : Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heer getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. Hebreeën 12:10 : Want genen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. Hebreeën 12:11 : En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid dengenen, die daardoor geoefend zijn.
[^job-9-23-43]: Kanttekening 43: Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^job-9-24-44]: Kanttekening 44: Te weten, door Gods regering.
[^job-9-24-45]: Kanttekening 45: in de hand van de goddeloze: Dat is, in het geweld van de bozen, daar het de mens dunkt dat de vromen veel meer behoorden de overhand en het opperste gebied te hebben in de wereld.
[^job-9-24-46]: Kanttekening 46: Hij overdekt: Versta, dat God de ogen van het verstand van de regeerders van de wereld verblindt, dat zij niet kunnen onderscheiden het goede van het kwade, om de boosheden te straffen en de deugden te vereren.
[^job-9-24-47]: Kanttekening 47: Te weten, die het doet. Anders, waar en wie is Hij? Hoe nu God gezegd wordt het kwade te doen, zie Gen. 45:5 , en 1 Kon. 12:15 . Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven. 1 Koningen 12:15 : Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^job-9-24-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, אֵפוֹא, Efo. Zie Hos. 13:10 . Hosea 13:10 : Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten?
[^job-9-25-49]: Kanttekening 49: En mijn dagen: Alsof hij zei: Heb ik enige voorspoed gehad, die is haast vergaan; maar de welstand van de goddelozen is langdurig; Ps. 73:4 . Psalmen 73:4 : Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
[^job-9-25-e]: Verwijzing e: Job 7:6 ; idem v. 7 . Job 7:6 : Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^job-9-25-50]: Kanttekening 50: Dat is, sneller. Zie boven, Job 7:6 . Job 7:6 : Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.
[^job-9-25-51]: Kanttekening 51: niet gezien: Dat is, niet genoten. Zie boven, Job 7:7 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^job-9-26-52]: Kanttekening 52: Dat is, gelijk; blijkende zulks uit het andere lid van vers 26 . Job 9:26 : Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een adelaar naar het aas toevliegt.
[^job-9-26-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, schepen van de begeerte; dat is, die zo snel voortzeilen, dat zij een begeerte en lust schijnen te hebben tot de plaats waar zij wezen moeten. Of, versta, schepen, die met begeerlijke, dat is kostelijke dingen geladen zijnde, hun weg kort zoeken te maken om hun waren buiten gevaar te brengen en geld daarvan te maken.
[^job-9-27-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, פָנַ, aangezicht; dat is mijn ongesteld wezen en droevig gelaat.
[^job-9-28-55]: Kanttekening 55: Te weten, dat zij mij verhinderen zullen naar mijn zeggen te doen.
[^job-9-28-56]: Kanttekening 56: onschuldig zult houden: Dat is, niet ongestraft laten. Zie 1 Kon. 2:9 . 1 Koningen 2:9 : Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
[^job-9-29-57]: Kanttekening 57: Of, schuldig, strafbaar; idem, goddeloos, of schuldig verklaard worden, omdat U altijd met recht behouden zult, hoezeer ik mij ook poog te verdedigen.
[^job-9-29-58]: Kanttekening 58: zinloos arbeiden: Dat is, waarom zal ik mij nu tevergeefs vermoeien? of, moeite tevergeefs doen, met mijn zaak voor te staan?
[^job-9-30-f]: Verwijzing f: Jer. 2:22 . Jeremia 2:22 : Want, al wiest u u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heer YHWH.
[^job-9-30-59]: Kanttekening 59: met zeep: Anders, in reinheid.
[^job-9-31-60]: Kanttekening 60: Te weten, die modderig, slijmerig en zeer drekkig is, en uit welke ik zeer onrein en stinkende zal voortkomen. Hij spreekt bij gelijkenis. De zin is dat zijn verantwoording, hoe schoon zij ook met redenen bekleed en versierd ware, niet zou helpen, als de Heer met hem in zijn gericht treden wilde.
[^job-9-31-61]: Kanttekening 61: kleren zullen van mij gruwen: Dat is, al wat mij naast is en toebehoort, zal een walg hebben van mijn onreinheid. Het is een overtollige manier van spreken.
[^job-9-32-g]: Verwijzing g: Pred. 6:10 ; Jer. 49:19 . Prediker 6:10 : Wat ook iemand zij, al is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechte met die, die sterker is dan hij. Jeremia 49:19 : Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^job-9-33-62]: Kanttekening 62: Of, rechter.
[^job-9-33-63]: Kanttekening 63: zijn hand op ons beiden leggen mocht: Te weten, zowel ook door zijn autoriteit orde te stellen en wetten voor te schrijven, die wij in het pleiten volgen zouden, als om ons geschil door zijn uitspraak te eindigen. Merk, dat de oplegging van de handen een teken van macht en gebied geweest is. Anders, die zijn hand aan ons beiden legge; dat is, het vonnis ter executie stelle.
[^job-9-34-64]: Kanttekening 64: Dat Hij: Alsof hij zei: Als ik van dit lijden ontslagen ware, en dat ik maar met mijns gelijke te doen had, die mij door zijn majesteit niet verschrikte, ik zou haast doen blijken dat deze plagen mij niet overgekomen zijn om enige grove zonden en boosheden, gelijk u meent.
[^job-9-34-h]: Verwijzing h: Job 13:20 ; Job 33:7 . Job 13:20 : Alleen doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. Job 33:7 : Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
[^job-9-34-65]: Kanttekening 65: Dat is, zijn straf en kastijding. Zo 2 Sam. 7:14 , onder, Job 21:9 , en Job 37:13 ; Ps. 89:33 ; Jes. 10:5 ; Klaagl. 3:1 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. Job 21:9 : Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet. Job 37:13 : Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt. Psalmen 89:33 : Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Klaagliederen 3:1 : Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijn toorn.
[^job-9-35-66]: Kanttekening 66: Te weten, gelijk ik ben afgemaald van mijn vrienden.
[^job-9-35-67]: Kanttekening 67: bij mij: Dat is, mijn eigen consciëntie, gevoel en bevinding. Anders, aldus ben ik niet bij mijzelf.

### Job 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/10.json)

*Job vernieuwt zijn klachten en keert zich tot God, vers 1 enz. Verhaalt enkele punten waarover hij zich beklaagt, 3. gebruikt redenen om zijn zware straffen af te bidden, 9. verklaart dat zijn plagen onvermijdelijk waren, 13. groot, 16. en velerlei, 17. hij wenst niet geboren te zijn, 18. maar nu wat verkwikt te worden voordat de dood hem overkomt, 20. die hij beschrijft, vers 22.*

**1** Mijn ziel is verdrietig[^job-10-1-1] over mijn leven; ik zal mijn klacht[^job-10-1-2] op mij laten; ik zal spreken in[^job-10-1-3] bitterheid van mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v1)

**2** Ik zal tot God zeggen:[^job-10-2-4] Verdoem mij niet; doe mij weten,[^job-10-2-5] waarover U met mij twist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v2)

**3** Is het U[^job-10-3-6] goed, dat U verdrukt, dat U verwerpt[^job-10-3-7] de arbeid van Uw handen, en over de raad van de[^job-10-3-8] goddelozen schijnsel geeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v3)

**4** Hebt U[^job-10-4-9] vleselijke ogen, ziet U, zoals een mens ziet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v4)

**5** [^job-10-5-10] Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen van een man? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v5)

**6** [^job-10-6-11] Dat U onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde[^job-10-6-12] verneemt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v6)

**7** [^job-10-7-13] Het is Uw wetenschap, dat ik[^job-10-7-14] niet goddeloos ben; toch is er niemand, die uit Uw hand[^job-10-7-15] verlosse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v7)

**8** Uw handen[^job-10-8-16] doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, samen[^job-10-8-17] rondom mij zijn zij, en U verslindt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v8)

**9** Gedenk toch, dat U mij[^job-10-9-a] als leem[^job-10-9-18] bereid hebt, en mij tot stof zult doen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v9)

**10** [^job-10-10-b] Hebt U mij niet[^job-10-10-19] als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v10)

**11** Met huid en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt U[^job-10-11-20] mij samengevlochten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v11)

**12** [^job-10-12-21] Naast het leven hebt U goedertierenheid aan mij gedaan, en Uw[^job-10-12-22] opzicht heeft[^job-10-12-23] mijn geest bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v12)

**13** Maar[^job-10-13-24] deze dingen hebt U verborgen in Uw hart; ik weet,[^job-10-13-25] dat dit bij U geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v13)

**14** Als ik zondig, zo zult U mij[^job-10-14-26] waarnemen, en van mijn misdaad zult U mij niet[^job-10-14-27] onschuldig houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v14)

**15** Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal[^job-10-15-28] mijn hoofd niet opheffen; ik ben[^job-10-15-29] verzadigd van schande, maar aanzie mijn ellende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v15)

**16** Want[^job-10-16-30] zij verheft zich;[^job-10-16-31] zoals[^job-10-16-c] een felle leeuw jaagt U mij;[^job-10-16-32] U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v16)

**17** U vernieuwt Uw[^job-10-17-33] getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij;[^job-10-17-34] verwisselingen, ja, een[^job-10-17-35] leger, zijn tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v17)

**18** [^job-10-18-d] En waarom hebt U mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik de[^job-10-18-36] geest gegeven had, en geen oog[^job-10-18-37] mij gezien had! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v18)

**19** Ik zou zijn, alsof ik niet geweest was; van[^job-10-19-38] moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v19)

**20** Zijn mijn dagen niet weinig?[^job-10-20-39] Houd op,[^job-10-20-40] zet van mij af, dat ik wat op adem kom; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v20)

**21** Voordat ik heenga (en niet[^job-10-21-41] wederkom)[^job-10-21-42] in een land van de duisternis en van[^job-10-21-43] de schaduw van de dood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v21)

**22** Een stikdonker land, als de duisternis zelf, de schaduw van de dood, en zonder[^job-10-22-44] ordeningen,[^job-10-22-45] en het geeft schijnsel als de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/10.html#v22)

[^job-10-1-1]: Kanttekening 1: over mijn leven: Versta, over de ellende mijns levens.
[^job-10-1-2]: Kanttekening 2: op mij laten: Dat is, ik zal die niet laten ophouden, maar wil de toom losgeven, dat ik mijn hart met treuren en kermen uitstort.
[^job-10-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven, Job 7:11 , en de aantekening daarop. Job 7:11 : Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid van mijn ziel.
[^job-10-2-4]: Kanttekening 4: Verdoem mij niet: Dit woord betekent iemand onrechtvaardig en strafbaar verklaren. Zie Deut. 25:1 ; zo 1 Kon. 8:32 ; Ps. 94:21 ; Spr. 17:15 ; Rom. 8:34 . Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. 1 Koningen 8:32 : Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Psalmen 94:21 : Zij rotten zich samen tegen de ziel van de rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. Spreuken 17:15 : Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn YHWH een gruwel, ja, die beiden. Romeinen 8:34 : Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt.
[^job-10-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, welke de reden is van de twist. Want ik heb U gevreesd en gediend met een goede consciëntie, en evenwel hebt U mij al deze ellende laten overkomen.
[^job-10-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, eerlijk, profijtelijk of vermakelijk.
[^job-10-3-7]: Kanttekening 7: de arbeid van Uw handen: Dat is, mij, uw schepsel, dat U gemaakt hebt. Het Hebreeuwse woord betekent een werk, dat zeer naarstiglijk voltrokken is, als tot vermoeidheid toe.
[^job-10-3-8]: Kanttekening 8: God wordt gezegd over iets of iemand te schijnen, of schijnsel te geven, als Hij zijn zegen geeft en weldadigheid bewijst. Zo onder, Job 29:3 . Vergelijk Num. 6:25 . Job 29:3 : Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
[^job-10-4-9]: Kanttekening 9: vleselijke ogen: Hebreeuws, עֵינֵי, ogen van het vlees; dat is, ogen van de mensen, die naar het uiterlijke plegen te oordelen en door driften gedreven worden, zonder wel acht te geven op de waarheid van de zaak en de eis van het recht.
[^job-10-5-10]: Kanttekening 10: Zijn Uw dagen: De zin is, hebt U tijd van doen, als een werelds rechter, om kennis van zaken te nemen, eer U uw oordeel kondt strijken?
[^job-10-6-11]: Kanttekening 11: Dat U: Te weten, door deze bittere smart, die ik lijd, en al de andere straffen, die U mij toegezonden hebt, welke mij allen gelijk pijnigingen zijn, waarmee U mij schijnt te pijnigen om mij de bekentenis van mijn misdaden uit te persen.
[^job-10-6-12]: Kanttekening 12: Even alsof alle dingen U niet ten volle bekend waren.
[^job-10-7-13]: Kanttekening 13: Het is: Dat is, U weet het, dat ik, enz. Vergelijk de manier van spreken met Hos. 10:10 , en zie de aantekening daar. Hosea 10:10 : Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.
[^job-10-7-14]: Kanttekening 14: niet goddeloos ben: Dat is, geen huichelaar of geheime booswicht, gelijk ik gescholden word.
[^job-10-7-15]: Kanttekening 15: Te weten, mij, die onschuldig ben van de lasteren, waarmee mijn vrienden mij bezwaren.
[^job-10-8-16]: Kanttekening 16: Uw handen: De zin is, dat de handen Gods, die Job gemaakt hadden, nu hem door deze gruwelijke straffen, niet alleen schenen te willen bedroeven, maar geheel te willen verderven. Anderen zetten het Hebreeuwse woord over, maken, formeren, bearbeiden, of fatsoeneren; waaruit dan de overzetting aldus staat: Uw handen hebben mij bearbeid en gemaakt; te weten, met grote kunst en naarstigheid.
[^job-10-8-17]: Kanttekening 17: Te weten, om mij smart aan te doen; of om mij, die U gemaakt hebt, te onderhouden en te regeren in dit leven; Ps. 139:3 ; Hand. 17:27 , 17:28 . Anders, tezamen om en om, al wat ik ben; te weten, heeft Hij mij gemaakt. Dit gehele vers wordt ook aldus overgezet: Uw handen hebben mij bearbeid en mij gemaakt; nochtans tezamen rondom heen verslindt U mij. Of, en mij gemaakt, tezamen om en om; en zult U mij verslinden? Psalmen 139:3 : U omringt mijn gaan en mijn liggen; en U bent al mijn wegen gewend. Handelingen 17:27 : Opdat zij de Heer zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een ieder van ons. Handelingen 17:28 : Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
[^job-10-9-a]: Verwijzing a: Gen. 2:7 ; Gen. 3:19 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^job-10-9-18]: Kanttekening 18: bereid hebt: Dat is, uit het zaad van mijn ouders voortgekomen van Adam, wiens lichaam uit de aarde was geschapen en gefatsoeneerd, gelijk een pottenbakker uit het leem een vat toemaakt, en dat U mij opnieuw in stof en aarde veranderen zult. De zin is: Gedenk, dat ik van een zwakke en tedere conditie ben, en handel daarom met mij zachtelijker.
[^job-10-10-b]: Verwijzing b: Ps. 139:15 ; idem v. 16 . Psalmen 139:15 : Mijn gebeente was voor U niet verborgen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen van de aarde. Psalmen 139:16 : Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
[^job-10-10-19]: Kanttekening 19: als melk: Dit is gesproken bij gelijkenis, om uit te drukken een zeer wonderbare werking van de Heer, waardoor de mens naar de orde van God in de natuur gesteld, in zijn moeders lichaam ontvangen wordt. Vergelijk Ps. 139:14 , 139:15 , 139:16 . Psalmen 139:14 : Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. Psalmen 139:15 : Mijn gebeente was voor U niet verborgen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen van de aarde. Psalmen 139:16 : Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
[^job-10-11-20]: Kanttekening 20: Te weten, gelijk de omtuiningen en heiningen met wissen en buigzame tenen tezamen gehecht worden. Anders, overdekt.
[^job-10-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, U hebt mij niet alleen het leven gegeven, maar ook daarin vele weldaden bewezen, rakende zowel de bewaring en onderhouding daarvan als de gedurige regering.
[^job-10-12-22]: Kanttekening 22: Of, bezoek; dat is, zorg en toezien.
[^job-10-12-23]: Kanttekening 23: mijn geest: Dat is, mijn ziel, waardoor ik leef.
[^job-10-13-24]: Kanttekening 24: deze dingen: Dat is, deze plagen en straffen. Alsof hij zei: U hebt tevoren wel vele weldaden bewezen, maar dit kwaad, dat mij nu overkomt, hebt U in Uzelven verborgen gehouden en mij niet geopenbaard.
[^job-10-13-25]: Kanttekening 25: dat dit: Dat is, dat U in Uzelven besloten hadt, mij deze straffen toe te zenden en dit grote verdriet aan te doen.
[^job-10-14-26]: Kanttekening 26: Te weten, om mij te straffen. Vergelijk onder, Job 14:16 , en Job 31:4 . Anders, zo ik gezondigd heb, zult U daarom over mij de wacht houden en mij van mijn misdaad niet onschuldig verklaren? Vergelijk boven, Job 7:12 . Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil. Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? Job 7:12 : Ben ik dan een zee, of walvis, dat U om mij wachten zet?
[^job-10-14-27]: Kanttekening 27: Of, zuiver.
[^job-10-15-28]: Kanttekening 28: mijn hoofd niet opheffen: Die worden gezegd hun hoofd op te heffen, welke goede moed gekregen hebbende, wat beter verwachten; Luk. 21:28 . Lukas 21:28 : Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
[^job-10-15-29]: Kanttekening 29: zat van schande: Dat is, vervuld en overstelpt van schande. Zie boven, Job 7:4 . Anders, wordt verzadigd met de schande, te weten, die ik nu lijd, en aanziet, enz. Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^job-10-16-30]: Kanttekening 30: Te weten, de ellende.
[^job-10-16-31]: Kanttekening 31: Het is een gelijkenis, genomen van de leeuwen, die het wild met groot geweld en gruwzaamheid najagen.
[^job-10-16-c]: Verwijzing c: Jes. 38:13 ; Klaagl. 3:10 . Jesaja 38:13 : Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben. Klaagliederen 3:10 : Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
[^job-10-16-32]: Kanttekening 32: U keert weer: Hij klaagt dat God niet alleen met een of twee vreeslijke plagen over hem gekomen was, maar dat Hij daarna teruggekeerd zijnde, met andere plagen zich in het straffen van zijn persoon zeer vreemd en zeldzaam vertoond had.
[^job-10-17-33]: Kanttekening 33: Dat is, straffen en plagen, die van uw toorn getuigenis geven.
[^job-10-17-34]: Kanttekening 34: Te weten, van de kwalen; dat is, verscheidene ellenden en katijvigheden, die al bij beurten op elkaar gehoopt en getast worden. Anders, uitdelgingen. Zo zou hij zijn plagen noemen, omdat zij hem uitroeiden.
[^job-10-17-35]: Kanttekening 35: Zo worden zijn ellenden genaamd, vanwege haar menigte, geweld en gruwzaamheid.
[^job-10-18-d]: Verwijzing d: Job 3:11 . Job 3:11 : Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb de geest gegeven, als ik uit de buik voortkwam?
[^job-10-18-36]: Kanttekening 36: Te weten, in mijn moeders lichaam, voordat ik ter wereld kwam.
[^job-10-18-37]: Kanttekening 37: mij gezien had: Te weten, levend.
[^job-10-19-38]: Kanttekening 38: moeders buik: Zie boven, Job 3:10 . Job 3:10 : Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
[^job-10-20-39]: Kanttekening 39: Houd op: Te weten, van mij dus te straffen.
[^job-10-20-40]: Kanttekening 40: zet van mij af: Dat is, houd op van mij te belegeren. Vergelijk Ps. 3:7 ; Jes. 22:7 . Psalmen 3:7 : Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij zetten. Jesaja 22:7 : En het zal gebeuren, dat uw uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan.
[^job-10-21-41]: Kanttekening 41: Te weten, in dit tijdelijke leven.
[^job-10-21-42]: Kanttekening 42: in een land: Dat is, in het graf, dat ook duisternis genaamd wordt, onder, Job 17:13 . Job 17:13 : Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
[^job-10-21-43]: Kanttekening 43: Dat is, dodelijke schaduw; versta, een zeer dikke en donkere schaduw, die met de dood verenigd is, gelijk er is de schaduw van het graf. Zo in vers 22 . Job 10:22 : Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe van de dood, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
[^job-10-22-44]: Kanttekening 44: Te weten, van dag en nacht, licht en duisternis, zomer en winter, lente en herfst, hitte en koude. De zin is, dat deze veranderingen van de lucht en van de tijd, die bij beurten elkaar achtervolgen, in de donkerheid van het graf niet gezien worden, zijnde daar anders niet dan enkel verwarring.
[^job-10-22-45]: Kanttekening 45: en het geeft: Dat is, het klaarste, dat in het graf is, is anders niet dan dikke, tastelijke en ijslijke donkerheid.

### Job 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/11.json)

*Zofar haalt Job hard over de hekel, vers 1 enz. Hij verklaart hoe wonderbaar de wijsheid en macht van God is, 5. Vermaant Job tot ware bekering, 13. en houdt hem Gods beloften voor, 15. maar als hij goddeloos is, dreigt hij hem met Gods straffen, 20.*

**1** Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v1)

**2** Zou[^job-11-2-1] de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou[^job-11-2-2] een praatzieke man[^job-11-2-3] recht hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v2)

**3** [^job-11-3-4] Zouden uw[^job-11-3-5] leugens de mensen doen zwijgen, en zou u spotten, en niemand u beschamen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v3)

**4** Want u hebt gezegd:[^job-11-4-6] Mijn leer is zuiver, en[^job-11-4-7] ik ben rein[^job-11-4-8] in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v4)

**5** Maar zeker,[^job-11-5-9] och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v5)

**6** En u bekend maakte de geheimen van de wijsheid, omdat[^job-11-6-10] zij dubbel zijn[^job-11-6-11] in wezen! Daarom weet, dat God voor u[^job-11-6-12] vergeet van uw[^job-11-6-13] ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v6)

**7** Zult u[^job-11-7-14] de onderzoeking Gods vinden? Zult u tot de volmaaktheid toe[^job-11-7-15] de Almachtige vinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v7)

**8** [^job-11-8-16] Zij is als de hoogten van de hemelen,[^job-11-8-17] wat kunt u doen? Dieper dan het[^job-11-8-18] dodenrijk, wat kunt u weten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v8)

**9** Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v9)

**10** Als[^job-11-10-19] Hij voorbijgaat, opdat Hij[^job-11-10-20] overlevere of[^job-11-10-21] vergadere, wie zal dan Hem afkeren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v10)

**11** [^job-11-11-a] Want Hij kent[^job-11-11-22] de ijdele mensen, en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet[^job-11-11-23] beschouwen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v11)

**12** [^job-11-12-24][^job-11-12-b] Dan zal een[^job-11-12-25] verstandeloos man[^job-11-12-26] kloekzinnig worden;[^job-11-12-27] hoewel de mens als het veulen van een woudezel geboren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v12)

**13** Als u uw[^job-11-13-28] hart bereid hebt, zo[^job-11-13-29] breid uw handen[^job-11-13-30] tot Hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v13)

**14** [^job-11-14-31] Als er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v14)

**15** Want dan zult u uw aangezicht opheffen[^job-11-15-32] uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v15)

**16** Want u zult de moeite vergeten, en haar[^job-11-16-34] gedenken als van de wateren, die voorbijgegaan zijn.[^job-11-16-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v16)

**17** [^job-11-17-35] Ja, uw tijd[^job-11-17-36] zal klaarder dan de middag oprijzen; u zult[^job-11-17-37] uitvliegen, als[^job-11-17-c] de morgenstond zult u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v17)

**18** En u zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en u zult[^job-11-18-38] graven,[^job-11-18-d] gerust zult u slapen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v18)

**19** [^job-11-19-e] En u zult neerliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht[^job-11-19-39] smeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v19)

**20** Maar[^job-11-20-f] de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn[^job-11-20-40] de uitblazing van de ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/11.html#v20)

[^job-11-2-1]: Kanttekening 1: veelheid van de woorden: Anders, die veel van woorden is, of een veelspreker.
[^job-11-2-2]: Kanttekening 2: klapachtig man: Hebreeuws, אִישׁ, man van de lippen; dat is, een klapper en zwetser. Zo wordt een man van de tong genaamd een man die tot kwaadspreken en lasteren genegen is, Ps. 140:12 . Daarentegen een man van de woorden wordt genaamd een, die welsprekend is; Ex. 4:10 . Psalmen 140:12 : Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man van het geweld, die zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is. Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.
[^job-11-2-3]: Kanttekening 3: recht hebben: Of, rechtvaardig zijn?
[^job-11-3-4]: Kanttekening 4: Anders, zouden op uw leugens de mensen zwijgen?
[^job-11-3-5]: Kanttekening 5: Het woord in het oorspronkelijke betekent verscheidene dingen, maar voor leugens wordt het genomen Jer. 48:30 . Jeremia 48:30 : Ik ken zijn toorn, spreekt YHWH, maar niet zo; zijn grendelen doen het zo niet.
[^job-11-4-6]: Kanttekening 6: Mijn leer is zuiver: Te weten, waardoor Job geleerd had dat God de goede zowel gestraft als de kwade, boven, Job 9:22 , hoewel Hij zulks rechtvaardiglijk doet, in hetzelfde hoofdstuk, Job 9:2 , 9:3 , maar niet altijd acht hebbende op de zonde gelijk wanneer Hij de goddelozen straft , boven, Job 10:7 . Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen het onderwijs, dat gegeven wordt, maar ook de wetenschap, die ontvangen wordt. Vergelijk Spr. 1:5 , en Spr. 4:2 , enz. Job 9:22 : Dat is een ding, daarom zeg ik: De oprechte en de goddeloze verdoet Hij. Job 9:2 : Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Job 9:3 : Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. Job 10:7 : Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. Spreuken 1:5 : Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen; Spreuken 4:2 : Omdat ik u goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
[^job-11-4-7]: Kanttekening 7: ik ben rein: Zie boven, Job 10:7 , waar Job wel zegt dat hij niet goddeloos was, maar niet, gelijk Zofar hem hier verwijt, dat hij zuiver was in de ogen van de Heer. Het eerste verstond Job van gruwelijke goddeloosheid, die zijn vrienden hem oplegden; en dit andere, dat Zofar hem hier ten laste legt, verstaat zich van een volkomen reinheid, die Job noch zichzelven, noch iemand toegeschreven heeft. Zie boven, Job 9:2 . Job 10:7 : Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. Job 9:2 : Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
[^job-11-4-8]: Kanttekening 8: in uw ogen: De ogen van God betekenen hier zijn oordeel; zo 1 Sam. 15:19 ; 1 Kon. 11:6 . 1 Samuël 15:19 : Waarom toch hebt u naar de stem van YHWH niet gehoord, maar zijt tot de roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen van YHWH? 1 Koningen 11:6 : Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van YHWH; en volhardde niet YHWH te volgen, gelijk zijn vader David.
[^job-11-5-9]: Kanttekening 9: och, of God sprak: Hebreeuws, אֱלוֹהַּ, wie zal geven dat God spreke? Zie boven, Job 6:8 . Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
[^job-11-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, nog eens zo groot in de daad en waarheid. De zin is, dat in Gods wijsheid nog veel meer reden was om Job harder te straffen, dan hij gestraft was, als Hij tegen hem het hoogste recht had willen gebruiken; vergelijk Ezra 9:15 . Anders, want van de wijsheid is nog eens zoveel. Ezra 9:15 : O YHWH, God van Israël! U bent rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te deze dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.
[^job-11-6-11]: Kanttekening 11: in wezen: Anders, bij de wet, die nog eens zoveel vereist dan u gedaan hebt. Zie van het Hebreeuwse woord touschijah, boven, Job 5:12 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.
[^job-11-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, afstaat, of vermindert. Of aldus: Dat God u vergeet dat is, geen weldadigheid bewijst vanwege uw ongerechtigheid, of dat God u afvordert, enz. Anders, van u min eist, dan uw ongerechtigheid verdient.
[^job-11-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, straf van uw ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^job-11-7-14]: Kanttekening 14: Onderzoeking wordt genaamd wat door onderzoeking verkregen wordt, als verstand, wijsheid en oordeel; want hoewel deze dingen door zulk middel in God niet zijn, nochtans menselijker wijze worden zij zo genoemd. Aan God nu en zijn Geest wordt onderzoeking toegeschreven, onder, Job 28:27 ; 1 Kor. 2:10 . Versta hier door deze de geheime, maar rechtvaardige oordelen van God, die Hij gebruikt in het straffen. Anders, zult u door onderzoeking God vinden? Job 28:27 : Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze. 1 Korinthiërs 2:10 : Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
[^job-11-7-15]: Kanttekening 15: de Almachtige vinden: Dat is, de verborgenheden van de wijsheid van de almachtige God, of zijn volmaaktheid.
[^job-11-8-16]: Kanttekening 16: Zij is als de hoogten van de hemel: Dat is, zij, te weten de wijsheid van God, waarvan vers 6 gesproken is (of de volmaaktheid Gods, waarvan enige menen vers 7 gesproken te zijn), is bij de allerhoogste hemel te vergelijken. Zie Ef. 3:18 . Efeziërs 3:18 : Opdat u ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij,
[^job-11-8-17]: Kanttekening 17: wat kunt u doen: Te weten, om die ten volle te onderzoeken en uit te vinden.
[^job-11-8-18]: Kanttekening 18: Vergelijk onder, Job 26:6 , en zie Gen. 37:35 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^job-11-10-19]: Kanttekening 19: Als Hij voorbijgaat: Dat is, zo Hij, te weten, God, zich vertoont in zijn werken. Zo boven, Job 9:11 . Zie de aantekening. Anders, zo Hij verandert; te weten, zijn werk. Job 9:11 : Zie, Hij zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
[^job-11-10-20]: Kanttekening 20: Of, besluite; te weten, in het geweld van de straf, die Hij rechtvaardiglijk tegen hem uitvoert.
[^job-11-10-21]: Kanttekening 21: Versta, tot de genieting van zijn weldaden, die Hij bewijst aan degenen, welke Hij genadiglijk aanneemt.
[^job-11-11-a]: Verwijzing a: Ps. 10:11 ; idem 10:14 ; Ps. 35:22 . Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 10:14 : U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees. Psalmen 35:22 : YHWH! U hebt het gezien, zwijg niet; YHWH! wees niet verre van mij.
[^job-11-11-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, שָׁוְא, mensen van de ijdelheid, of valsheid; dat is, die tot ijdelheid en valsheid genegen zijn. Versta, ijdele leer en onnutte werken, welke gevonden worden in degenen, die zonder het geloof, de vrees voor God en ware boetvaardigheid zijn. Zo Ps. 26:4 . In gelijken zin worden genaamd onder, Job 22:15 , mensen van de ongerechtigheid, en Job 34:8 , mannen van de goddeloosheid; Spr. 24:1 , mensen van de boosheid. Psalmen 26:4 : Ik zit niet bij ijdele mensen, en met bedekte mensen ga ik niet om. Job 22:15 : Hebt u het pad van de eeuw waargenomen, dat de ongerechtige mensen betreden hebben? Job 34:8 : En gaat over weg in gezelschap met de werkers van de ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze mensen. Spreuken 24:1 : Zijt niet nijdig over de boze mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
[^job-11-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, bedenken, verstaan, achtgeven en voornemen die naar zijn rechtvaardigheid te straffen. Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 3:21 . 1 Koningen 3:21 : En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in de morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.
[^job-11-12-24]: Kanttekening 24: Te weten, als God zijn straffen en oordelen uitvoert. Anders, maar de mens is ijdel en verstandeloos Hebreeuws, leeg. , en als het jong van een woudezel is de mens geboren.
[^job-11-12-b]: Verwijzing b: Job 5:8 ; Job 22:21 ; Pred. 3:18 . Job 5:8 : Maar ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten; Job 22:21 : Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. Prediker 3:18 : Ik zei in mijn hart van de gelegenheid van de mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
[^job-11-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, leeg.
[^job-11-12-26]: Kanttekening 26: Dat is, niet alleen genegen zijn om wijsheid te leren, maar zal ook die begrijpen en aannemen; want het hart wordt in de Heilige Schrift voor de zin en het verstand van de mensen genomen. Zie boven, Job 9:4 . Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
[^job-11-12-27]: Kanttekening 27: Dat is, al is het dat de mens van het begin zijns levens af zeer plomp en onverstandig is, gelijk het veulen van een wilden ezel, nochtans kan hij door de overlegging van Gods werken enige wijsheid vatten, welverstaande door de Geest van God verlicht en geleid zijnde.
[^job-11-13-28]: Kanttekening 28: bereid hebt: Te weten, door oprechte bekering. Zie 2 Kron. 12:14 . 2 Kronieken 12:14 : En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om YHWH te zoeken.
[^job-11-13-29]: Kanttekening 29: breid uw handen: Zie van deze ceremoniën in het bidden gebruikelijke, 1 Kon. 8:22 . 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel;
[^job-11-13-30]: Kanttekening 30: Namelijk, tot God.
[^job-11-14-31]: Kanttekening 31: Als er ondeugd in uw hand is: Dat is, zo u een voornemen hebt om uw naaste kwaad te doen, of alreeds dat gedaan hebt. In zulk een manier van spreken betekent het woord hand het voornemen of de daad van de mensen, of beide. Vergelijk 1 Sam. 26:18 ; 1 Kron. 12:17 ; Ps. 26:10 . 1 Samuël 26:18 : Hij zei verder: Waarom vervolgt mijn heer zijn knecht zo achterna, want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijn hand? 1 Kronieken 12:17 : En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaders zie het, en straffe het! Psalmen 26:10 : In wier handen schandelijk bedrijf is, en wier rechterhand vol geschenken is.
[^job-11-15-32]: Kanttekening 32: uit de gebreken: Dat is, uit de menigerlei ellenden, in welke u nu steekt, en de straffen, die u nu lijden moet.
[^job-11-16-34]: Kanttekening 34: Te weten, die zeer snel weggevloeid en voorbijgelopen zijn, op welke men niet meer denkt. Hij wil zeggen dat hij geheel geen gedachtenis van zijn ellende zou hebben.
[^job-11-16-33]: Kanttekening 33: haar : Dat is, van de voorgemelde moeite, of ellende.
[^job-11-17-35]: Kanttekening 35: Of, ouderdom; vergelijk Ps. 39:6 , en Ps. 89:48 . Psalmen 39:6 : Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela. Psalmen 89:48 : Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt U van alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
[^job-11-17-36]: Kanttekening 36: klaarder dan de middag: Dat is, klaarder dan het schijnsel van de middagzon. De middag betekent hier zeer grote klaarheid. Zie boven, Job 5:14 . De zin is: Wat u nog overig te leven hebt, zal van God grotelijks gezegend worden; want middag betekent somtijds in de Heilige Schriftuur grote voorspoed; Jes. 58:10 ; Amos 8:9 . Job 5:14 : Overdag ontmoeten zij de duisternis, en gelijk 's nachts tasten zij in de middag. Jesaja 58:10 : En zo u uw ziel opent voor de hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag. Amos 8:9 : En het zal op die dag gebeuren, spreekt de Heer YHWH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.
[^job-11-17-37]: Kanttekening 37: Dat is, uit kruis en lijden verlost worden, en u als het morgenlicht uitbreiden. Anders, bent u duister, zo zult u als de morgenstond zijn.
[^job-11-17-c]: Verwijzing c: Ps. 37:6 ; Ps. 112:4 . Psalmen 37:6 : En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag. Psalmen 112:4 : Zain. De oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
[^job-11-18-38]: Kanttekening 38: Te weten, om uw hut of huis te bouwen en te verzekeren. De zin is dat hij een zekere plaats van woning zou hebben, in welke hij stil en gerust zou wonen.
[^job-11-18-d]: Verwijzing d: Lev. 26:5 . Leviticus 26:5 : En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen.
[^job-11-19-e]: Verwijzing e: Lev. 26:6 ; Ps. 3:6 ; Ps. 4:9 ; Spr. 3:24 . Leviticus 26:6 : Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. Psalmen 3:6 : Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunde mij. Psalmen 4:9 : Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want U, o YHWH! alleen zult mij doen zeker wonen. Spreuken 3:24 : Zo u nederligt, zult u niet schrikken; maar u zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.
[^job-11-19-39]: Kanttekening 39: Dat is, de mensen zullen zich voor u vernederen, verzoekende met allen eerbied en ernst uw gunst, uit oorzaak van uw hoogheid, eer en vermogen. Het Hebreeuwse woord is ook in gelijken zin genomen, Ex. 32:11 ; 1 Sam. 13:12 ; 1 Kon. 13:6 ; Ps. 45:13 , en Ps. 119:58 ; Spr. 19:6 ; Zach. 7:2 . Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? 1 Samuël 13:12 : Zo zei ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht van YHWH niet ernstig aangebeden, zo dwong ik mijzelf, en heb brandoffer geofferd. 1 Koningen 13:6 : Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uws Gods, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk te voren. Psalmen 45:13 : En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Psalmen 119:58 : Ik heb Uw aangezicht ernstig gebeden van ganser hart, wees mij genadig naar Uw toezegging. Spreuken 19:6 : Velen smeken het aangezicht van de prins; en een ieder is een vriend van degene, die giften geeft. Zacharia 7:2 : Toen men naar het huis van God gezonden had Sarezer, en Regem-melech, en zijn mannen, om het aangezicht van YHWH te smeken;
[^job-11-20-f]: Verwijzing f: Job 8:13 ; idem 8:14 ; Job 18:14 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 18:14 : Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot de koning van de verschrikkingen.
[^job-11-20-40]: Kanttekening 40: de uitblazing van de ziel: Versta hiermee de dood, welke, als hij de goddelozen overkomt, hun alle hoop beneemt, niet alleen omdat zij hier al hun goed en heerlijkheid laten moeten, maar ook omdat het gevoel van Gods toorn hen verschrikt, waardoor zij beroofd worden van hun troost, ten aanzien van dit en het toekomende leven. Vergelijk Jer. 15:9 . Jeremia 15:9 : Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hun vijanden, spreekt YHWH.

### Job 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/12.json)

*Job berispt de trotsheid en onbeleefdheid van zijn vrienden, vers 1 enz. toont dat de goddelozen hier het meest welvaren, en al helemaal niet altijd gestraft worden, 6. vermaant zijn vrienden tot scherping van hun verstand en oordeel, 11. hij erkent de algemene leer van Gods wijsheid, voorzienigheid, macht en rechtvaardigheid, 13.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v1)

**2** Trouwens,[^job-12-2-1] omdat u het volk bent, zo zal de wijsheid met u sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v2)

**3** [^job-12-3-2] Ik heb ook een hart even als u,[^job-12-3-3] ik zwicht niet voor u; en[^job-12-3-4] bij wie zijn niet dergelijke dingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v3)

**4** [^job-12-4-a] Ik ben het, die zijn vriend een[^job-12-4-5] spot is,[^job-12-4-6] maar roepende tot God, Die hem verhoort;[^job-12-4-b] de rechtvaardige en oprechte[^job-12-4-7] is een spot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v4)

**5** Hij is een[^job-12-5-8] verachte fakkel, naar de mening van degene, die[^job-12-5-9] gerust is; hij is[^job-12-5-10] gereed[^job-12-5-11] met de voet te struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v5)

**6** De tenten van de verwoesters[^job-12-6-12][^job-12-6-c] hebben rust, en die God tergen, hebben[^job-12-6-13] verzekerdheden, om hetgene God[^job-12-6-14] met Zijn hand[^job-12-6-15] toebrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v6)

**7** En werkelijk,[^job-12-7-16] vraag toch de beesten, en[^job-12-7-17] elk van die[^job-12-7-18] zal het u[^job-12-7-19] leren; en het gevogelte van de hemel, dat zal het u te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v7)

**8** Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen van de zee vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v8)

**9** Wie weet niet uit[^job-12-9-20] alle deze, dat de hand van YHWH[^job-12-9-21] dit doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v9)

**10** In Wiens[^job-12-10-22] hand de[^job-12-10-23] ziel is van al wat leeft, en[^job-12-10-24] de geest van alle[^job-12-10-25] vlees[^job-12-10-26] van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v10)

**11** [^job-12-11-d] Zal niet het[^job-12-11-27] oor de woorden proeven, zoals het gehemelte voor zich het voedsel smaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v11)

**12** [^job-12-12-28] In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid van de dagen het verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v12)

**13** Bij[^job-12-13-29] Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v13)

**14** Zie, Hij[^job-12-14-30] breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.[^job-12-14-e][^job-12-14-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v14)

**15** Zie,[^job-12-15-32] Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook[^job-12-15-33] laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v15)

**16** Bij Hem is kracht en[^job-12-16-34] wijsheid;[^job-12-16-35] van Hem zijn de dwalende, en die doet dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v16)

**17** [^job-12-17-f] Hij voert[^job-12-17-36] de raadsheren[^job-12-17-37] beroofd weg,[^job-12-17-g] en[^job-12-17-38] de rechters berooft Hij van verstand, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v17)

**18** De[^job-12-18-39] band van de koningen maakt Hij los, en Hij[^job-12-18-40] bindt de gordel aan hun middel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v18)

**19** Hij voert de[^job-12-19-41] oversten beroofd weg, en de machtigen[^job-12-19-42] keert Hij om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v19)

**20** [^job-12-20-h] Hij beneemt[^job-12-20-43] de getrouwen de[^job-12-20-44] spraak, en het oordeel[^job-12-20-45] van de ouden neemt Hij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v20)

**21** [^job-12-21-i] Hij giet verachting over de[^job-12-21-46] prinsen uit, en Hij[^job-12-21-47] verslapt de riem van de geweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v21)

**22** Hij openbaart[^job-12-22-48] de diepten uit de duisternis, en[^job-12-22-49] de schaduw van de dood[^job-12-22-k] brengt Hij voort in het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v22)

**23** [^job-12-23-50][^job-12-23-l] Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft[^job-12-23-51] ze; Hij breidt de volken uit, en[^job-12-23-52] leidt ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v23)

**24** Hij neemt[^job-12-24-53] het hart[^job-12-24-54] van de hoofden van het volk van de aarde weg, en[^job-12-24-55] doet[^job-12-24-m] hen dwalen in het woeste,[^job-12-24-56] waar geen weg is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v24)

**25** Zij tasten in de[^job-12-25-57] duisternis, waar geen licht is; en Hij[^job-12-25-58] doet hen dwalen, als een dronkaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/12.html#v25)

[^job-12-2-1]: Kanttekening 1: omdat u het volk bent: Hij spreekt spottenderwijze, alsof hij zei: U bent de mensen, bij welke de wijsheid te vinden is; anderen, bij u vergeleken, zijn maar beesten, en ik bijzonderlijk, gelijk u zegt, ben maar als een jonge woudezel; boven, Job 11:12 . Anders, omdat u een volk bent; dat is, zijnde weinig mensen, houdt u u zo verstandig alsof u een geheel volk was. Job 11:12 : Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.
[^job-12-3-2]: Kanttekening 2: Ik heb ook een hart: Dat is, ik heb mee verstand om tussen de waarheid en de valsheid, tussen het goede en het kwade te onderscheiden. Hart voor verstand; zie boven, Job 9:4 . Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
[^job-12-3-3]: Kanttekening 3: ik zwicht niet voor u: Hebreeuws, ik val niet voor u, of meer dan u; te weten, van de trap van het verstand en van de wijsheid, dat is, aangaande het verstand; ik behoef mij voor u niet te schamen, zijnde daarin niet lager noch minder dan u bent. Vallen is bij de Hebreën somwijlen klein, onwaardig en veracht te zijn. Vergelijk Neh. 6:16 , en onder, Job 13:2 . Nehemia 6:16 : En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onze God gedaan was. Job 13:2 : Gelijk u het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
[^job-12-3-4]: Kanttekening 4: bij wie zijn niet dergelijke dingen: Dat is, wie weet die dingen niet, die u voortgebracht hebt van Gods rechtvaardige regering, waardoor Hij de goeden pleegt wel te doen en de kwaden te straffen? Daar is niets bijzonders in uw redenen, dat een ieder van de geringsten niet zou weten.
[^job-12-4-a]: Verwijzing a: Job 16:10 ; Job 17:2 ; Job 21:3 ; Job 30:1 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Job 17:2 : Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hun verbittering? Job 21:3 : Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijn kudde te stellen.
[^job-12-4-5]: Kanttekening 5: Of, gelach; dat is, die om zijn ellendigen staat beschimpt wordt, zelfs van degenen, die met hem vriendschapshalve medelijden moesten hebben en hem vertroosten.
[^job-12-4-6]: Kanttekening 6: Versta dit roepen van de vriend, die bespot wordt. Job wil zeggen: Ik ben nu wel van u veracht en bespot, maar evenwel ben ik niet zonder troost bij God, omdat Hij mij verhoort als ik Hem aanroep. Dit kan ook verstaan worden van de vriend, die zijn naaste bespot. De zin zou zijn, dat hij met zijn naaste niet alleen in zijn tegenspoed spot, maar ook zichzelven wijsmaakt in Gods gunst te staan en van Hem verhoord te zijn, omdat hij op zijn gemak in weelde en voorspoed leeft.
[^job-12-4-b]: Verwijzing b: Spr. 14:2 . Spreuken 14:2 : Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest YHWH; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
[^job-12-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, de bozen en verkeerden, die door voorspoed verheven en dartel zijn geworden.
[^job-12-5-8]: Kanttekening 8: verachte fakkel: Dat is, als een verachte fakkel, die bijna uit is en afgebrand, en die men pleegt weg te werpen als onnut zijnde om meer te lichten.
[^job-12-5-9]: Kanttekening 9: gerust is: Te weten, van alle vrees van het kwaad, gelijk Spr. 1:33 . Dat is, die op zijn gemak is en in voorspoed zit, zonder enige moeite of kwelling van iemand te lijden of te verwachten. Spreuken 1:33 : Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad.
[^job-12-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, die nabij de val schijnt te wezen, door het menigerlei kruis en verdriet, dat hem overkomen is. Job verstaat dit van zichzelven; vergelijk Ps. 35:15 , en Ps. 38:18 ; Jer. 20:10 . Psalmen 35:15 : Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Psalmen 38:18 : Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij. Jeremia 20:10 : Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^job-12-5-11]: Kanttekening 11: met de voet te struikelen: Hebreeuws, tot de struikeling van de voet, of, om te zijn onder de struikelenden met de voet.
[^job-12-6-12]: Kanttekening 12: hebben rust: Of, zijn voorspoedig. Dit gaat tegen wat de vrienden van Job geleerd en gedreven hadden van de tegenspoed en de straffen van de goddelozen. Zie boven, Job 4:8 , 4:9 , en Job 5:3 , en Job 8:13 , 8:14 , 8:15 , en Job 11:11 , 11:20 . Job 4:8 : Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelfde. Job 4:9 : Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. Job 5:3 : Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning. Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 8:15 : Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven. Job 11:11 : Want Hij kent de ijdele mensen, en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken? Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel.
[^job-12-6-c]: Verwijzing c: Job 21:7 ; Ps. 73:11 ; idem v. 12 ; Jer. 12:1 ; Habak. 1:3 ; idem v. 4 . Job 21:7 : Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? Psalmen 73:11 : Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? Psalmen 73:12 : Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. Jeremia 12:1 : U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? Habakuk 1:3 : Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op. Habakuk 1:4 : Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt de rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.
[^job-12-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, als vaste plaatsen en sterkten, waarop zij zich verlaten.
[^job-12-6-14]: Kanttekening 14: met Zijn hand: Versta, de hand van God. Anders, voor hem die God in zijn hand alles toebrengt.
[^job-12-6-15]: Kanttekening 15: Versta, allerlei tijdelijke zegeningen.
[^job-12-7-16]: Kanttekening 16: vraag toch de beesten: Dat is, aanmerk het gedierte, en verzin hoe het, door de voorzienigheid Gods, de goddelozen tot vele bekwame en profijtelijke gebruiken dienstelijk is, en de vromen dikwijls ondienstig en schadelijk; of, sla ook gade, hoe het klein gedierte van de grote, de tamme van de wilde, de domme van de listige verdrukt worden.
[^job-12-7-17]: Kanttekening 17: elk van die: Hebreeuws, het zal u leren ; dat is, elk daarvan zal u leren. Zie Gen. 47:3 . Genesis 47:3 : Toen zei Farao tot zijn broers: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.
[^job-12-7-18]: Kanttekening 18: zal het u: Te weten, dat het hier menigmalen de goede kwalijk en de kwade wel gaat.
[^job-12-7-19]: Kanttekening 19: Te weten, niet met rede en spraak, die zij niet hebben, maar met hun doen en wat hun wedervaart. Zo in het volgende.
[^job-12-9-20]: Kanttekening 20: Te weten, schepselen. Hij wil zeggen dat zij allen getuigen zijn dat God zijn weldaden en straffen vrijwilliglijk uitdeelt, zonder altijd op de hoedanigheid van de mensen acht te nemen.
[^job-12-9-21]: Kanttekening 21: dit doet: Te weten, dat de vromen meest velerlei ellende, en de bozen allerlei voorspoed overkomt.
[^job-12-10-22]: Kanttekening 22: Dat is, macht en gebied; zie Gen. 16:6 . Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^job-12-10-23]: Kanttekening 23: Dit woord betekent hier het leven, of de gevoelende ziel, die in alle dieren is.
[^job-12-10-24]: Kanttekening 24: Dit woord ziet op de mens, die een redelijke en onsterflijke ziel heeft, die een geest genaamd wordt; zie Num. 16:22 , en de aantekening. Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^job-12-10-25]: Kanttekening 25: Versta, het menselijke lichaam, waarin de redelijke ziel van de mensen woont. Zo Gen. 17:13 ; Lev. 19:28 ; Ez. 11:19 . Genesis 17:13 : De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Ezechiël 11:19 : En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;
[^job-12-10-26]: Kanttekening 26: van de mensen: Hebreeuws, אִֽישׁ, mans; welk woord dikwijls niet alleen het mannelijk, maar ook het vrouwelijk geslacht, dat is alle mensen, betekent. Zo Ex. 19:13 , en Ex. 21:16 , hier onder, Job 15:16 , en Job 34:11 , enz. Exodus 19:13 : Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen. Exodus 21:16 : Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden. Job 15:16 : Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water? Job 34:11 : Want naar het werk van de mensen vergeldt Hij hem, en naar de weg van een ieder doet Hij het hem vinden.
[^job-12-11-d]: Verwijzing d: Job 6:30 ; Job 34:3 . Job 6:30 : Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven? Job 34:3 : Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de voedsel smaakt.
[^job-12-11-27]: Kanttekening 27: het oor: Dat is, het verstand, door middel van de oren; de zin is: Begrijpt het verstand niet de redenen en gezegden of zij vals of waar, redelijk of onredelijk zijn? Job geeft zijn vrienden te verstaan, omdat zij hun uiterlijke zinnen wel wisten te gebruiken, dat zij ook wel hun verstand behoorden aan te leggen om zijn redenen, en uit die de wonderbare regering Gods te begrijpen. Onder, Job 34:3 , is dezelfde gelijkenis. Job 34:3 : Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte het voedsel smaakt.
[^job-12-12-28]: Kanttekening 28: In de stokouden: Alsof hij zei: Het is wel waar, dat de ouden uit oorzaak van de ervarenheid, die zij van vele dingen hebben, behoorden wij te zijn, maar niettemin merk ik dat men van God beter dan van de ouden onderwezen wordt. Anders, is in de stokouden de wijsheid? enz., waarmee Job zou schijnen te willen voorkomen wat hem boven, Job 8:8 , 8:9 , 8:10 , tegengeworpen was, zeggende: U, mijn vrienden, behoort wel vanwege uw ouderdom en ervarenheid de orde van Gods wijze regering te begrijpen, maar de rechte wijsheid is bij God, die u niet kunt vatten, en niet alleen deze, maar ook zijn sterkte, om krachtiglijk uit te voeren al wat Hij wijselijk besloten heeft. Job 8:8 : Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking van hun vaders. Job 8:9 : Want wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde een schaduw zijn. Job 8:10 : Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
[^job-12-13-29]: Kanttekening 29: Bij Hem: Namelijk, bij God. Van het onderscheid van het woord wijsheid en wetenschap, of verstand, zie 1 Kon. 3:12 . 1 Koningen 3:12 : Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.
[^job-12-14-30]: Kanttekening 30: breekt af: Te weten, huizen, paleizen, sterkten, steden, enz.
[^job-12-14-e]: Verwijzing e: Job 9:12 ; Job 11:10 ; Openb. 3:7 . Job 9:12 : Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? Job 11:10 : Als Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren? Openbaring 3:7 : En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:
[^job-12-14-31]: Kanttekening 31: Versta dit in het algemeen van gevangenissen, belegeringen en allerhande plagen, waarin men zo vast besloten ligt, dat men geen opening of uitkomst ziet om daaruit te geraken. Vergelijk Jes. 22:22 ; Openb. 3:7 . Jesaja 22:22 : En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. Openbaring 3:7 : En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:
[^job-12-15-32]: Kanttekening 32: Hij houdt de wateren op: Zie hiervan exempelen Gen. 8:2 ; 1 Kon. 17:1 , 17:7 . Genesis 8:2 : Ook werden de fonteinen van de afgrond, en de sluizen van de hemel gesloten, en de plasregen van de hemel werd opgehouden. 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 1 Koningen 17:7 : En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
[^job-12-15-33]: Kanttekening 33: laat Hij ze uit: Hiervan is een exempel te zien Gen. 7:11 . Genesis 7:11 : In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend.
[^job-12-16-34]: Kanttekening 34: Of, het wezen \[van de zaken\].
[^job-12-16-35]: Kanttekening 35: De zin is, dat zonder Gods voorzienigheid niemand kan dwalen, noch een ander in dwaling brengen; dat in het algemeen te verstaan is van de dwaling, niet alleen van het lichaam, maar ook van de geest; van de lichamelijke kunnen wij zien Ps. 107:4 , van de geestelijke Deut. 13:1 ; 1 Kon. 22:20 ; Ez. 14:9 ; 2 Thess. 2:11 , waar zij aan God toegeschreven worden; niet als een werker van de zonden, maar als een wijs en heilig regeerder en rechtvaardig Rechter daarvan. Psalmen 107:4 : Die in de woestijn dwaalden, in een weg van de wildernis, die geen stad tot een woning vonden; Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; 1 Koningen 22:20 : En YHWH zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zei aldus, en de andere zei zo. Ezechiël 14:9 : Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^job-12-17-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 15:31 ; 2 Sam. 17:14 ; idem 17:23 ; Jes. 19:12 ; Jes. 29:14 ; 1 Kor. 1:19 . 2 Samuël 15:31 : Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, YHWH! maak toch Achitofels raad tot zotheid. 2 Samuël 17:14 : Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het kwaad over Absalom bracht. 2 Samuël 17:23 : Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. Jesaja 19:12 : Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat YHWH van de legermachten beraadslaagd heeft tegen Egypte. Jesaja 29:14 : Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijn wijzen zal vergaan, en het verstand zijn verstandigen zal zich verbergen. 1 Korinthiërs 1:19 : Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken.
[^job-12-17-36]: Kanttekening 36: de raadsheren: Versta, elk van de goddeloze raadsheren; dat is, wie of hoe groot hij zou mogen zijn. Een gelijke manier van spreken is boven, vers 7 , en onder, vers 19 . Job 12:7 : En waarlijk, vraag toch de beesten, en elk van die zal het u leren; en het gevogelte van de hemel, dat zal het u te kennen geven. Job 12:19 : Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
[^job-12-17-37]: Kanttekening 37: beroofd weg: Te weten, van verstand, wijsheid en oordeel.
[^job-12-17-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 15:31 . 2 Samuël 15:31 : Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, YHWH! maak toch Achitofels raad tot zotheid.
[^job-12-17-38]: Kanttekening 38: de rechters maakt Hij uitzinnig: Zie hiervan exempelen 2 Sam. 17:14 , 17:23 ; Jes. 19:12 ; 1 Kor. 1:19 . 2 Samuël 17:14 : Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het kwaad over Absalom bracht. 2 Samuël 17:23 : Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. Jesaja 19:12 : Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat YHWH van de legermachten beraadslaagd heeft tegen Egypte. 1 Korinthiërs 1:19 : Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken.
[^job-12-18-39]: Kanttekening 39: band van de koningen: Versta, het juk van de tirannie, waarmee zij hun onderzaten tenonder houden en verdrukken. Deze maakt Hij los, dat is, te niet.
[^job-12-18-40]: Kanttekening 40: bindt de gordel: Dat is, Hij beneemt hun niet alleen hun macht, die zij misbruiken, maar als het hem belieft, stelt Hij hen weer in dezelfde; want de gordel betekent hier hun volle macht, sieraad en heerlijkheid, die zij hebben in hun regering. Vergelijk Jes. 11:5 ; Jer. 13:1 , 13:2 , enz. Anderen verstaan dat Hij de koningen als gevangenen en gebondenen wegvoert. Jesaja 11:5 : Want gerechtigheid zal de gordel Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijn lendenen zijn. Jeremia 13:1 : Zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en doe die aan uw lenden, maar breng hem niet in het water. Jeremia 13:2 : En ik kocht een gordel naar het woord van YHWH, en ik deed die aan mijn lenden.
[^job-12-19-41]: Kanttekening 41: Versta, elk van de goddeloze oversten, of vorsten. Zie boven, vers 17 , en van het Hebreeuwse woord, zie Gen. 41:45 . Job 12:17 : Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig, Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^job-12-19-42]: Kanttekening 42: keert Hij om: Dat is, al hun raadslagen, voornemens, middelen en bedrijf werpt Hij om en stoot ze te gronde.
[^job-12-20-h]: Verwijzing h: Job 32:9 ; Jes. 3:2 ; idem v. 3 . Job 32:9 : De grote zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. Jesaja 3:2 : De held en de krijgsman, de rechter en de profeet, en de waarzegger, en de oude; Jesaja 3:3 : De overste van vijftig, en de aanzienlijke, en de raadsman, en de wijze onder de werkmeesters, en die, die kloek ter tale is.
[^job-12-20-43]: Kanttekening 43: de getrouwen: Of, welsprekenden. Versta, degenen, die naast dat zij kloek van verstand zijn om goede en getrouwe raad te kunnen geven, ook gestadig zijn om daarbij te volharden, en welsprekend, om dezelfde anderen vastelijk aan te raden; onder deze zijn de getrouwe gezanten, van wie gesproken wordt Spr. 25:13 . Spreuken 25:13 : Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude van de sneeuw op de dag van de oogst; want hij verkwikt zijns heren ziel.
[^job-12-20-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, שָׂפָה, lip. Zie Gen. 11:1 , en boven, Job 2:10 . Genesis 11:1 : En de gehele aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. Job 2:10 : Maar hij zei tot haar: U spreekt als één van de zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
[^job-12-20-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, smaak; maar bij gelijkenis wordt het woord ook gebruikt voor het verstand van de mensen, rede en oordeel, waardoor hij het goede van het kwade, en het eerlijke van het oneerlijke onderscheidt. Zo Ps. 119:66 ; Spr. 11:22 , en smaken voor oordelen, Spr. 31:18 . Psalmen 119:66 : Leer mij een goede zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd. Spreuken 11:22 : Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit. Spreuken 31:18 : Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat van de nacht niet uit.
[^job-12-21-i]: Verwijzing i: Ps. 107:40 . Psalmen 107:40 : Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
[^job-12-21-46]: Kanttekening 46: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk die vanzelf en vrijwilliglijk milddadig zijn; Ex. 35:5 . Zo worden de prinsen, edelen en machtigen genaamd, omdat zij met goeddoen een naam willen krijgen en beroemd worden; vergelijk Ps. 83:12 ; Spr. 19:6 , en Luk. 22:25 . Exodus 35:5 : Neemt van wat u hebt, een hefoffer voor YHWH; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer van YHWH: goud, en zilver, en koper; Psalmen 83:12 : Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna; Spreuken 19:6 : Velen smeken het aangezicht van de prinsen; en een ieder is een vriend van degene, die giften geeft. Lukas 22:25 : En Hij zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.
[^job-12-21-47]: Kanttekening 47: verslapt de riem van de geweldigen: Dat is, Hij verzwakt de allersterksten; want een losse riem maakt de mens slapper van leden, maar stijf aangebonden zijnde, maakt hij hem vaster en wakkerder.
[^job-12-22-48]: Kanttekening 48: de diepten: Dat is, de allerverborgenste zaken. Deze worden ook elders diepten genaamd, gelijk Pred. 7:24 ; Dan. 2:22 ; 1 Kor. 2:10 . Prediker 7:24 : Wat verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden? Daniël 2:22 : Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. 1 Korinthiërs 2:10 : Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
[^job-12-22-49]: Kanttekening 49: van de dood schaduwe: Versta, het allerduisterste, dat niet scheen immermeer in het licht te zullen komen. Zo onder, Job 34:22 . Job 34:22 : Er is geen duisternis, en er is geen schaduw van de dood, dat daar de werkers van de ongerechtigheid zich verbergen mochten.
[^job-12-22-k]: Verwijzing k: Matt. 10:26 ; 1 Kor. 4:5 . Mattheüs 10:26 : Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. 1 Korinthiërs 4:5 : Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal een iedereen lof hebben van God.
[^job-12-23-50]: Kanttekening 50: Hij vermenigvuldigt de volken: Gelijk voor de zondvloed; Gen. 5 , Gen. 6 .
[^job-12-23-l]: Verwijzing l: Ps. 107:38 . Psalmen 107:38 : En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.
[^job-12-23-51]: Kanttekening 51: Hij breidt de volken uit: Gelijk na de zondvloed; Gen. 10 , Gen. 11 .
[^job-12-23-52]: Kanttekening 52: leidt ze: Dit verstaan sommigen ten goede, als een zegen, sommigen ten kwade, als een straf.
[^job-12-24-53]: Kanttekening 53: het hart: Dat is, het verstand en oordeel. Zo boven, vers 3 . Job 12:3 : Ik heb ook een hart even als u, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen?
[^job-12-24-54]: Kanttekening 54: van de hoofden van het volk: Te weten, van de regeerders en oversten van de volken of landen, die aldus dikwijls genaamd worden. Zie Ex. 6:13 ; Num. 1:16 ; Deut. 1:13 ; Richt. 11:8 , enz. Exodus 6:13 : Dit zijn de hoofden van ieder huis van hun vaders: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. Numeri 1:16 : Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaders; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël. Deuteronomium 1:13 : Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle. Richteren 11:8 : En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u wedergekomen, dat u met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en u zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead.
[^job-12-24-55]: Kanttekening 55: doet hen dwalen: Dat is, leidt hen met hun onderzaten door hun aanslagen in het verderf.
[^job-12-24-m]: Verwijzing m: Ps. 107:4 ; idem v. 40 . Psalmen 107:4 : Die in de woestijn dwaalden, in een weg van de wildernis, die geen stad tot een woning vonden; Psalmen 107:40 : Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
[^job-12-24-56]: Kanttekening 56: waar geen weg is: Zijnde zonder goed beleid en regering.
[^job-12-25-57]: Kanttekening 57: Versta, de duisternis van het verstand. De zin is, dat zij door Gods rechtvaardig oordeel geheel verblind en radeloos worden, zulks dat zij geen weg weten in te gaan om het verderf te ontkomen.
[^job-12-25-58]: Kanttekening 58: doet hen dwalen: Vergelijk Gen. 19:11 , en 2 Kon. 6:18 . Genesis 19:11 : En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden. 2 Koningen 6:18 : Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot YHWH, en zei: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa.

### Job 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/13.json)

*Job bevestigt wat hij verhaald had met zijn eigen ervaring, vers 1. beschuldigt zijn vrienden van hun overtredingen ten aanzien van dit geschil, 2. verlangt dat zij zwijgen, 13. verklaart zijn goede geweten en vertrouwen op God, 14. vraagt twee dingen van God, 20. stort voor Hem zijn klachten uit, 23.*

**1** Zie,[^job-13-1-1] dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en[^job-13-1-2] verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v1)

**2** Zoals u het weet, weet ik[^job-13-2-3] het ook; ik zwicht niet voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v2)

**3** Maar ik zal tot de Almachtige spreken,[^job-13-3-4] en ben belust mij te verdedigen voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v3)

**4** Want zeker, u bent[^job-13-4-5] leugenstoffeerders; u allen bent[^job-13-4-6][^job-13-4-a] nietige dokters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v4)

**5** [^job-13-5-7][^job-13-5-b] Och, of u[^job-13-5-8] geheel stilzweegt! Dat zou u voor[^job-13-5-9] wijsheid wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v5)

**6** Hoor toch mijn[^job-13-6-10] verdediging, en merkt op de[^job-13-6-11] twistingen van mijn lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v6)

**7** [^job-13-7-c] Zult u[^job-13-7-12] voor God[^job-13-7-13] onrecht spreken, en zult u voor Hem bedriegerij spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v7)

**8** Zult u Zijn[^job-13-8-14] aangezicht aannemen? Zult u[^job-13-8-15] voor God twisten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v8)

**9** [^job-13-9-16] Zal het goed zijn, als Hij[^job-13-9-17] u zal onderzoeken?[^job-13-9-18] Zult u met Hem spotten, zoals men met een mens spot? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v9)

**10** Hij zal u[^job-13-10-19] zeker bestraffen, zo[^job-13-10-20] u in[^job-13-10-21] het verborgene het aangezicht aanneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v10)

**11** Zal u niet[^job-13-11-22] Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn[^job-13-11-23] vrees over u vallen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v11)

**12** [^job-13-12-24] Uw gedachtenissen zijn[^job-13-12-25] als as, uw[^job-13-12-26] hoogten als hoogten van leem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v12)

**13** [^job-13-13-27] Houd stil van mij, opdat ik spreke, en[^job-13-13-28] er ga over mij, wat het zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v13)

**14** [^job-13-14-29] Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en[^job-13-14-30] mijn ziel in mijn hand stellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v14)

**15** [^job-13-15-31] Zie, zo Hij mij doodde,[^job-13-15-d] zou ik niet hopen?[^job-13-15-32] Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v15)

**16** Ook zal[^job-13-16-33] Hij mij tot zaligheid zijn; maar een[^job-13-16-34] huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v16)

**17** [^job-13-17-35] Hoor ijverig mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v17)

**18** Zie nu, ik heb[^job-13-18-36] het recht ordelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig[^job-13-18-37] zal verklaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v18)

**19** Wie is hij, die met mij twist?[^job-13-19-38] Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik[^job-13-19-39] de geest geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v19)

**20** Alleen[^job-13-20-e] doe twee[^job-13-20-40] dingen niet met mij;[^job-13-20-41] dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v20)

**21** Doe Uw[^job-13-21-42] hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v21)

**22** Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v22)

**23** [^job-13-23-43] Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v23)

**24** Waarom[^job-13-24-44] verbergt U Uw aangezicht, en[^job-13-24-45] houdt mij[^job-13-24-f] voor Uw vijand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v24)

**25** [^job-13-25-46] Zult U een gedreven blad verbrijzelen, en zult U een droge stoppel vervolgen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v25)

**26** Want[^job-13-26-47] U schrijft tegen mij bittere dingen; en U doet mij erven[^job-13-26-48] de misdaden[^job-13-26-g] van mijn jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v26)

**27** [^job-13-27-49] U[^job-13-27-h] legt ook mijn voeten in de stok, en[^job-13-27-50] neemt waar al mijn paden;[^job-13-27-51] U drukt U in[^job-13-27-52] de wortels van mijn voeten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v27)

**28** [^job-13-28-53] En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/13.html#v28)

[^job-13-1-1]: Kanttekening 1: dat : Te weten, dat ik van de wijze en machtige regering Gods nu verhaald, en hier tevoren geleerd heb, niet alleen uit de algemene ervarenheid, maar in het bijzonder uit de openbaring en onderwijzing van de Heer.
[^job-13-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, voor zich verstaan, naar de aard van de Hebreeuwse taal.
[^job-13-2-3]: Kanttekening 3: ik zwicht niet: Hebreeuws, ik val niet voor u. Zie boven, Job 12:3 , en de aantekening. Job 12:3 : Ik heb ook een hart even als u, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen?
[^job-13-3-4]: Kanttekening 4: en ben belust: Hiermee ziet hij op wat Zofar gezegd had, boven, Job 11:5 . Hij wil zeggen dat hij liever met God zou handelen dan met deze zijn vrienden. Want God, op Jobs consciëntie ziende, zou hem beter verstaan dan deze, die hem als een huichelaar achtende, het recht van God met kwade redenen verdedigden. Job 11:5 : Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
[^job-13-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, u verzint leugens \[gelijk Ps. 119:69 \], omdat u met leugens Gods recht wilt voorstaan, drijvende dat God de bozen alleen, en niet de vromen straft, en dat ik daarom boos moet zijn, omdat ik dus gestraft word, en dat Hij niet rechtvaardig zou zijn, als Hij mij, vroom zijnde, aldus strafte. Psalmen 119:69 : De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; maar ik bewaar Uw bevelen van ganser hart.
[^job-13-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, onbekwame troosters, die inplaats van mij te verkwikken met Gods beloften, die voor de vromen zijn, mij voorhouden de strenge oordelen van God en de rechtvaardige straffen, die tegen de goddelozen gaan.
[^job-13-4-a]: Verwijzing a: Job 16:2 . Job 16:2 : Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; u allen bent moeilijke vertroosters.
[^job-13-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, יִתֵּן, wie zal geven dat u, enz. Zie van deze manier van wensen, boven, Job 6:8 . Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
[^job-13-5-b]: Verwijzing b: Spr. 17:28 . Spreuken 17:28 : Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
[^job-13-5-8]: Kanttekening 8: geheel stilzweegt: Hebreeuws, zwijgende zweegt.
[^job-13-5-9]: Kanttekening 9: voor wijsheid wezen: Dat is, voor wijsheid gerekend worden; Spr. 17:28 . Spreuken 17:28 : Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
[^job-13-6-10]: Kanttekening 10: Het Hebreeuwse woord תוֹכַחְתִּ, betekent eigenlijk bestraffing, of berisping. Versta hier, de verdediging, die hij op hun voorgestelde redenen in te brengen had. Zo is het woord genomen onder, Job 23:4 . Job 23:4 : Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
[^job-13-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, de verhandeling van mijn tegenreden, waarmee ik mijn zaak tegen u wil verdedigen.
[^job-13-7-c]: Verwijzing c: Job 17:5 ; Job 32:21 ; Job 36:4 . Job 17:5 : Die met vleiing de vrienden wat aanzegt, ook zijn kinderen ogen zullen versmachten. Job 32:21 : Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot de mens geen bijnamen gebruike! Job 36:4 : Want werkelijk, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.
[^job-13-7-12]: Kanttekening 12: voor God: Dat is, ten gevalle van God, of tot zijn bescherming; zo in het volgende. Job beschuldigt hen, omdat zij de gerechtigheid van God wilden voorstaan, mits hem voor een goddelozen schijnheilige en huichelaar te scheiden. Want zij wilden niet verstaan, dat in dit leven de straffen Gods gewoonlijk zo wel vallen over de goeden als over de kwaden. Zie boven, Job 5:3 , enz., en Job 8:11 , enz., en Job 11:13 , 11:20 . Job 5:3 : Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning. Job 8:11 : Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water? Job 11:13 : Als u uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit. Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel.
[^job-13-7-13]: Kanttekening 13: onrecht spreken: Dat was, dat God ongerechtiglijk zou handelen, zo Hij de vromen strafte, even alsof God daartoe geen recht, noch vrijheid had.
[^job-13-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, zijn persoon aanzien om zijn hoogheid en mogendheid, zonder op de zaak zelve naar behoren wel te letten. Hij wil zeggen dat God zo niet behoorde verdedigd te worden. Zo onder, vers 10 . Zie Lev. 19:15 . Job 13:10 : Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo u in het verborgene het aangezicht aanneemt. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^job-13-8-15]: Kanttekening 15: voor God twisten: Te weten, op dezelfde manier, gelijk u doet. De zin is, dat zij niet behoefden voor God enige moeite te doen, om zijn gerechtigheid voor te spreken, omdat Hij zelf genoegzaam was om zich te verdedigen.
[^job-13-9-16]: Kanttekening 16: Zal het goed zijn: Dat is, zal het eerlijk en voordelig zijn voor u? Hij wil zeggen: Nee, maar veel meer verenigd met schande en schade. Het is een vraag, die sterkelijk loochent. Zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^job-13-9-17]: Kanttekening 17: u zal onderzoeken: Dat is, uw harten en verstanden, die in deze handel van hem niet recht gevoelen, naarstiglijk ondertasten; want u oordeelt dat Hij onrechtvaardig zou zijn, als Hij de vromen strafte.
[^job-13-9-18]: Kanttekening 18: Zult u met Hem spotten: Dat is, zult u Hem bedriegelijk en met leugens wijsmaken dat Hij rechtvaardig is, omdat Hij de goddelozen alleen \[gelijk u gevoelt\] straft, en dat ik goddeloos ben, omdat ik van Hem gestraft word?
[^job-13-10-19]: Kanttekening 19: gewisselijk bestraffen: Hebreeuws, bestraffende bestraffen; dat is, Hij zal u zekerlijk van huichelarij en geveinsde heiligheid overtuigen.
[^job-13-10-20]: Kanttekening 20: het aangezicht: Dat is, bedektelijk en lozelijk. Want uiterlijk houdt u u, dat u de gerechtigheid van God verdedigt, tegen mij, die nochtans mijn oprechtheid wel bewust ben, en die u niet onbekend behoort te wezen.
[^job-13-10-21]: Kanttekening 21: het aangezicht aanneemt: Zie boven, vers 8 . Job 13:8 : Zult u Zijn aangezicht aannemen? Zult u voor God twisten?
[^job-13-11-22]: Kanttekening 22: Dat is, de grootheid en voortreffelijkheid zijn majesteit.
[^job-13-11-23]: Kanttekening 23: Te weten, waarmee God de mensen bevreesd maakt, of de mensen God vrezen moeten.
[^job-13-12-24]: Kanttekening 24: Uw gedachtenissen: Dat is, al wat men u heerlijks bedenken mag, als uw staat, macht, naam, leven.
[^job-13-12-25]: Kanttekening 25: gelijk as: Hebreeuws, מִשְׁלֵי, gelijkenissen van as. De zin is: Wat in u groots en voortreffelijks zou mogen wezen, is in vergelijking met God niets dan as, die lichtelijk verwaait of vervliegt, en als eenhoop leem, die van kleine waarde is; hoe ontziet u dan God niet? En zou Hij uw onnutte, krachteloze en onbillijke voorspraak behoeven?
[^job-13-12-26]: Kanttekening 26: hoogten als hoogten: Anders, uw ruggen; dat is, lichamen, als de lichamen van leem; dat is, tezamen van een aarden en slijkerige stof; hoe zoudt u dan u voor God niet ontzetten?
[^job-13-13-27]: Kanttekening 27: Houdt stil: Anders, zwijgt \[en houdt op\] van mij; dat is, houdt uw mond toe en laat mij met vrede. Dezelfde manier van spreken is 1 Sam. 7:8 ; Ps. 28:1 ; Jer. 38:27 . 1 Samuël 7:8 : En de kinderen van Israël zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat u niet zoudt roepen tot YHWH, onze God, opdat Hij ons verlosse uit de hand van de Filistijnen. Psalmen 28:1 : Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen. Jeremia 38:27 : Als dan al de vorsten tot Jeremia kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord.
[^job-13-13-28]: Kanttekening 28: er ga over mij: Dat is, kome wat komen mag over mij; ik moet spreken; op mijn eigen gevaar wil ik doen wat ik doe; want ik hoop dat God tegen mij redelijker zal zijn dan u bent; ja ofschoon God mij nog zwaarder strafte, zo kan ik nochtans niet nalaten mij te verdedigen, om te bewijzen dat ik niet goddeloos ben. Zie een gelijke manier van spreken 2 Sam. 18:23 . 2 Samuël 18:23 : Wat het ook zij, zei hij, laat mij heenlopen; zo zei hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep de weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.
[^job-13-14-29]: Kanttekening 29: Hij wil zeggen: Zo God de goddelozen alleen straft, hoe komt het dan dat Hij mij straft, die niet goddeloos ben, ja zo straft, dat ik mijn huid en vlees, dat door de verzwering geheel geschonden en verbroken is, met mijn tanden bij stukken zou kunnen afrukken; of zo straft, dat ik gelijk de razende mensen mijn eigen ledematen door wanhoop en vertwijfeling zou kunnen beschadigen, en zo mijn ziel in het uiterste gevaar stellen; of, zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen? dat is, ik zou mijzelf als verscheuren en ellendiglijk sterven, als ik zou moeten zwijgen; vergelijk vers 13 , 13:19 . Job 13:13 : Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. Job 13:19 : Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik de geest geven.
[^job-13-14-30]: Kanttekening 30: mijn ziel: Dat is, duizend gevaren begeven. Zie deze manier van spreken Richt. 12:3 , en in de aantekening. Richteren 12:3 : Als ik nu zag, dat u niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en YHWH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?
[^job-13-15-31]: Kanttekening 31: Of, ziet, dat Hij mij doodde; te weten, God. De zin is: Het is zover vandaar, dat ik zou wanhopen, dat ik niet wil laten op God te vertrouwen, ofschoon Hij mij in dit verdriet uit het leven wegrukte. Anders, zo Hij mij doodt, ik zal op Hem hopen. De zin is enerlei.
[^job-13-15-d]: Verwijzing d: Ps. 23:4 ; Spr. 14:32 . Psalmen 23:4 : Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Spreuken 14:32 : De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
[^job-13-15-32]: Kanttekening 32: Dat is, hoewel ik weet dat God mijn toeverlaat altijd blijven zal in leven en in sterven, nochtans kan ik niet nalaten het recht mijn zaak tegen het gevoelen van deze vrienden te verweren.
[^job-13-16-33]: Kanttekening 33: Hij mij: Te weten, God.
[^job-13-16-34]: Kanttekening 34: Te weten, waarvoor u mij houdt, hoewel ten onrechte, gelijk God mijn hart kent en mij mijn consciëntie getuigt; vergelijk boven, Job 8:13 , en de aantekening. Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^job-13-17-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, horende hoort.
[^job-13-18-36]: Kanttekening 36: het recht: Te weten, mijn recht. Versta, het geschil en de rechtzaak, waarin hij verklaarde, dat hij zodanig niet was als hij wel van zijn vrienden afgemaald werd.
[^job-13-18-37]: Kanttekening 37: zal verklaard worden: Te weten, bij God in dit geschil, dat ik heb tegen mijn vrienden.
[^job-13-19-38]: Kanttekening 38: Wanneer ik nu zweeg: Dat is, als ik nu, als ik zo schandelijk afgeschilderd ben, niet mocht ijveren in het verdedigen van mijn onnozelheid, ik zou van droefenis en benauwdheid sterven.
[^job-13-19-39]: Kanttekening 39: de geest geven: Of allengskens afnemen, en eindelijk door de dood tenonder gaan.
[^job-13-20-e]: Verwijzing e: Job 9:34 ; Job 33:7 . Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; Job 33:7 : Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
[^job-13-20-40]: Kanttekening 40: Te weten, welke in vers 21 verhaald worden; waarvan het een is, dat Hij hem met de plaag, die hij nu had, niet geduriglijk drukken zou; het andere, dat Hij hem niet steeds verschrikken zou met zijn majesteit, als voor welke hij niet kon bestaan, om zijn recht te verhandelen. Deze twee dingen heeft hij ook tevoren verhaald, Job 9:34 . Zij worden ook vermeld van Elihu, onder, Job 33:7 . Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; Job 33:7 : Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
[^job-13-20-41]: Kanttekening 41: dan zal ik: Dat is, ik zal mij voor U niet versteken of zoek maken, maar zal mij vrijmoedig vertonen om mijn recht te verdedigen.
[^job-13-21-42]: Kanttekening 42: Dat is, straf, plaag. Zo Richt. 2:15 ; Ruth 1:13 ; 1 Sam. 5:6 , 5:7 , 5:11 ; Ps. 81:15 ; Klaagl. 2:8 , enz.; Hand. 13:11 . Richteren 2:15 : Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van YHWH tegen hen, ten kwade, gelijk als YHWH gesproken, en gelijk als YHWH gezworen had; en hun was zeer bang. Ruth 1:13 : Zoudt u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt u daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand van YHWH is tegen mij uitgegaan. 1 Samuël 5:6 : Maar de hand van YHWH was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar gebied. 1 Samuël 5:7 : Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat het zo toeging, zo zeiden zij: Dat de ark van God van Israël bij ons niet blijve; want Zijn hand is hard over ons, en over Dagon, onze god. 1 Samuël 5:11 : En zij zonden heen, en vergaderden al de vorsten van de Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark van God van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de gehele stad, en de hand van God was er zeer zwaar. Psalmen 81:15 : In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders. Klaagliederen 2:8 : Cheth. YHWH heeft gedacht te verderven de muur van de dochter van Sion; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft de voormuur en de muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt. Handelingen 13:11 : En nu zie, de hand van de Heer is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En ogenblikkelijk viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
[^job-13-23-43]: Kanttekening 43: Alsof hij zei: Ik weet wel dat ik een arm zondaar ben, maar hoe vele en hoedanig zijn mijn zonden, dat ik aldus moeizaam om dezelfde moet gestraft worden, omdat mijn vrienden oordelen dat naar de grootheid van de plagen de zonde ook groot moeten zijn.
[^job-13-24-44]: Kanttekening 44: God wordt gezegd zijn aangezicht van de vromen te verbergen, als Hij op hen in de nood geen acht schijnt te geven, hun gebeden niet te verhoren en alle hulp te weigeren. Zie Deut. 31:17 . Gelijke manier van spreken zijn Ps. 13:2 , en Ps. 69:18 , en Ps. 102:3 ; Jes. 54:8 ; Micha 3:4 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Psalmen 69:18 : En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. Psalmen 102:3 : Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage van mijn benauwdheid; op de dag als ik roep, verhoor mij haastig. Jesaja 54:8 : In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser. Micha 3:4 : Alsdan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
[^job-13-24-45]: Kanttekening 45: houdt mij: Dat is, handelt met mij zo strengelijk door al de plagen, die mij overkomen, dat U mij voor uw vijand schijnt te houden; daar ik nochtans uw kind en dienaar ben.
[^job-13-24-f]: Verwijzing f: Job 19:9 ; Job 9:11 ; Job 33:10 ; Klaagl. 2:5 . Job 19:9 : Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen. Job 9:11 : Zie, Hij zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. Job 33:10 : Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. Klaagliederen 2:5 : He. De Heer is geworden als een vijand; Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft daarvan vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.
[^job-13-25-46]: Kanttekening 46: Zult U: Dat is, zal uw hoge en almogende majesteit zodanig geweld in het straffen gebruiken omtrent mij, die maar bij een dor blad en drogen stoppel te vergelijken ben?
[^job-13-26-47]: Kanttekening 47: U schrijft: Dit wordt gezegd naar de wijze van de rechters, die hun vonnissen en besluiten over de misdadigers schriftelijk laten aantekenen. Daarom is schrijven hier zoveel als besluiten, ordineren en besluiten vast maken.
[^job-13-26-48]: Kanttekening 48: de misdaden: Dat is, de straffen, die ik van mijn jonkheid af door mijn misdaden verdiend heb. Zo is ongerechtigheid voor de straf van de ongerechtigheid genomen. Zie Lev. 5:1 . Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^job-13-26-g]: Verwijzing g: Ps. 25:7 . Psalmen 25:7 : Cheth. Gedenk niet van de zonden mijn jonkheid, noch mijn overtredingen; gedenk mijn naar Uw goedertierenheid, om Uw goedheid wil, o YHWH!
[^job-13-27-49]: Kanttekening 49: U legt: Dat is, gelijk men de misdadigers gevangen legt, zo ben ik door al mijn plagen zo besloten, omsingeld en vastgemaakt, dat ik niet weg kan en uit mijn verdriet geen uitkomst zie. Vergelijk onder, Job 36:8 en de aantekening. Job 36:8 : En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende;
[^job-13-27-h]: Verwijzing h: Job 33:11 . Job 33:11 : Hij legt mijn voeten in de stok; Hij neemt al mijn paden waar.
[^job-13-27-50]: Kanttekening 50: Dat is, ik ben niet alleen rondom besloten, maar U hebt mij nog met wachten bezet, opdat ik in geen geval ontkomen zou; vergelijk boven, Job 7:12 . Job 7:12 : Ben ik dan een zee, of walvis, dat U om mij wachten zet?
[^job-13-27-51]: Kanttekening 51: U drukt: Dat is, U hebt mij niet alleen met wachten bezet van verre, maar U komt mij zo nabij, dat uw voetstappen, dat is de getuigenissen van uw strenge oordelen, recht naast mijn voeten uitgedrukt staan; dat is, zo nabij als zij immers kunnen.
[^job-13-27-52]: Kanttekening 52: Dat is, het onderste van mijn voeten. Hij wil zeggen dat God hem niet nader kon benauwen dan Hij deed, hem als bij de voeten vast hebbende, dat hij uit zijn lijden niet één stap ontgaan kon.
[^job-13-28-53]: Kanttekening 53: En hij veroudert: Hij verstaat zichzelven, wijzende met de vinger op zijn eigen lichaam. De zin is dat God, onaangezien zijn verzwakking en uittering, evenwel niet ophield hem ten uiterste toe te benauwen. Anderen verstaan het van zijn lichaam, of van de mens in het algemeen, gelijk volgt, Job 14:1 . Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

### Job 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/14.json)

*Job, zoekend bij God enige verlichting van zijn plagen te vinden, beschrijft de algemene ellende van het menselijk leven, vers 1 enz. bidt om voor een tijd van zijn lijden ontslagen te worden, 13. beklaagt zich over Gods strengheid tegen de mens, die Hij gebruikt tegen zijn eigen persoon, 16. ook tegen anderen en hun nakomelingen, 21.*

**1** De mens, van een vrouw geboren,[^job-14-1-a] is[^job-14-1-1] kort van dagen, en verzadigd van[^job-14-1-2] onrust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v1)

**2** Hij komt voort als[^job-14-2-b] een bloem, en wordt afgesneden;[^job-14-2-c] ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v2)

**3** [^job-14-3-d] Nog doet U Uw ogen[^job-14-3-3] over zulk een open; en U[^job-14-3-4] betrekt mij in het gericht met U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v3)

**4** [^job-14-4-e] Wie zal een reine geven uit de onreine?[^job-14-4-5] Niet één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v4)

**5** [^job-14-5-f] Omdat[^job-14-5-6] zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U[^job-14-5-7] zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v5)

**6** [^job-14-6-g] Wend U[^job-14-6-8] van hem af, dat hij[^job-14-6-9] rust hebbe, totdat hij[^job-14-6-10] als een[^job-14-6-h] dagloner aan[^job-14-6-11] zijn dag een welgevallen hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v6)

**7** [^job-14-7-12] Want[^job-14-7-13] voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal[^job-14-7-14] veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v7)

**8** Als zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v8)

**9** [^job-14-9-15] Hij zal van de reuk van de wateren weer uitspruiten, en zal een tak maken, zoals[^job-14-9-16] een plant. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v9)

**10** Maar een man sterft,[^job-14-10-17] als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest,[^job-14-10-18] waar is hij dan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v10)

**11** [^job-14-11-19] De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v11)

**12** Zo[^job-14-12-20] ligt de mens neer, en[^job-14-12-21] staat niet op;[^job-14-12-22] totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v12)

**13** [^job-14-13-23] Och, of[^job-14-13-24] U mij[^job-14-13-25] in het graf wegborg, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat U mij[^job-14-13-26] een bepaling stelde, en aan mij[^job-14-13-27] gedachtig was! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v13)

**14** [^job-14-14-28] Als een man gestorven is, zal hij weer leven?[^job-14-14-29] Ik zou[^job-14-14-30] al de dagen van mijn strijd[^job-14-14-31][^job-14-14-32] hopen, totdat mijn[^job-14-14-33] verandering komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v14)

**15** Dat U zou[^job-14-15-34] roepen, en ik U zou[^job-14-15-35] antwoorden, dat U tot[^job-14-15-36] het werk van Uw handen zou[^job-14-15-37] begerig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v15)

**16** [^job-14-16-38][^job-14-16-i] Maar nu[^job-14-16-39] telt U mijn[^job-14-16-40] treden;[^job-14-16-41] U bewaart mij niet vanwege mijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v16)

**17** Mijn overtreding is in een bundeltje[^job-14-17-42] verzegeld, en[^job-14-17-43] U pakt mijn ongerechtigheid opeen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v17)

**18** En werkelijk, een berg[^job-14-18-44] vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v18)

**19** De wateren vermalen de stenen, het stof van de aarde overstelpt het[^job-14-19-45] gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; zo verderft U de verwachting van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v19)

**20** U overweldigt hem in eeuwigheid, en hij[^job-14-20-46] gaat heen; veranderende zijn[^job-14-20-47] gezicht, zo zendt U hem weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v20)

**21** Zijn kinderen[^job-14-21-48] komen tot eer, en[^job-14-21-49] hij weet het niet; of zij worden[^job-14-21-50] klein, en[^job-14-21-51] hij let niet op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v21)

**22** [^job-14-22-52] Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/14.html#v22)

[^job-14-1-a]: Verwijzing a: Ps. 90:5 ; idem 90:6 ; idem 90:9 ; Ps. 102:12 ; Ps. 103:15 ; Ps. 144:4 ; Jak. 4:14 . Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort. Psalmen 90:9 : Want al onze dagen gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 103:15 : De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Jakobus 4:14 : U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
[^job-14-1-1]: Kanttekening 1: kort van dagen: Dat is, heeft een kort leven. Zo is langheid van dagen een lang leven. Zie Spr. 3:2 , en de aantekening. Spreuken 3:2 : Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
[^job-14-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, beroering; dat is, vol van beroering, woeling, verdriet en kwelling, die hem doorgaans overkomen vanwege de ellenden van dit leven; vergelijk Pred. 2:23 . Zie gelijke manier van spreken boven, Job 7:4 , en de aantekening. Prediker 2:23 : Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs van de nacht rust zijn hart niet. Datzelfde is ook ijdelheid. Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^job-14-2-b]: Verwijzing b: Ps. 103:15 ; Jes. 40:6 ; 1 Petr. 1:24 . Psalmen 103:15 : De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. Jesaja 40:6 : Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^job-14-2-c]: Verwijzing c: Job 8:9 ; Ps. 90:6 ; idem 90:10 ; Ps. 102:12 ; Ps. 144:4 . Job 8:9 : Want wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde een schaduw zijn. Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort. Psalmen 90:10 : Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^job-14-3-d]: Verwijzing d: Job 7:17 ; idem 7:18 ; Job 10:20 . Job 7:17 : Wat is de mens, dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet? Job 7:18 : En dat U hem bezoekt in elke morgenstond; dat U hem in elke ogenblik beproeft? Job 10:20 : Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
[^job-14-3-3]: Kanttekening 3: over zulk een: Te weten, die zo ellendig is. Want de mens schijnt in zichzelven te onwaardig en te verachtelijk te zijn, dat God, in zulke hoge majesteit zijnde, zich zozeer met hem zou willen bemoeien, veelmin zodanig geweld tegen hem aanleggen, om hem met zijn straffen zodanig te overvallen.
[^job-14-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, brengt mij, of doet mij komen.
[^job-14-4-e]: Verwijzing e: Gen. 5:3 ; Ps. 51:5 ; Joh. 3:6 ; Rom. 5:12 ; Efez. 2:3 . Genesis 5:3 : En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. Psalmen 51:5 : Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Johannes 3:6 : Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Romeinen 5:12 : Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben. Efeziërs 2:3 : Onder die ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen;
[^job-14-4-5]: Kanttekening 5: Niet een: Dat is, niemand kan een mens bekomen, die zuiver en zonder zonde, naar de algemene loop van de natuur, uit een zondigen mens geboren is. Zo bekent hij dat hij mee onrein en zondig was, wensende dat God hem niet minder dan andere boetvaardige zondaren, genadig wilde wezen en hem niet meer dan anderen straffen.
[^job-14-5-f]: Verwijzing f: Job 7:1 . Job 7:1 : Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloners?
[^job-14-5-6]: Kanttekening 6: zijn dagen: Dat is, de tijd zijns levens. Zo Gen. 5:4 , 5:5 , en Gen. 11:32 , enz. Vergelijk boven, vers 1 , en de aantekening. In dezelfde zin worden straks zijn maanden genoemd. Zo noemt hij onder, Job 29:2 , de voorgaande tijd zijns levens, vorige maanden. Genesis 5:4 : En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Genesis 5:5 : Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf. Genesis 11:32 : En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Job 29:2 : Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
[^job-14-5-7]: Kanttekening 7: Te weten, van de voortgang en het einde zijns levens.
[^job-14-6-g]: Verwijzing g: Job 7:16 ; idem 7:19 ; Job 10:20 . Job 7:16 : Ik versmaad ze, ik zal toch in eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid. Job 7:19 : Hoe lang keert U U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge? Job 10:20 : Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
[^job-14-6-8]: Kanttekening 8: van hem af: Te weten, van hem dus te straffen.
[^job-14-6-9]: Kanttekening 9: rust hebbe: Of, ophoude; te weten, van treuren, om zijn grote smarten wil. Anders, totdat hij ophoudt; te weten, van leven, gelijk het Hebreeuwse woord zo genomen wordt, Deut. 15:11 . Deuteronomium 15:11 : Want de arme zal niet ophouden uit het midden van het land; daarom gebiede ik u, zeggende: U zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broer, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.
[^job-14-6-10]: Kanttekening 10: als een: Hij vergelijkt zich bij een arbeider, die voor een dag of zekeren bestemden tijd gehuurd is; omdat de mensen hier voor een tijd, die van God verordend is, gesteld zijn om de arbeid van hun beroeping met de dood af te doen.
[^job-14-6-h]: Verwijzing h: Job 7:1 ; idem v. 2 . Job 7:1 : Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloners? Job 7:2 : Gelijk de dienaar hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;
[^job-14-6-11]: Kanttekening 11: zijn dag: Te weten, de dag zijns stervens, gelijk onder, Job 15:32 . Dat is, totdat hij van dit leven zat zijnde, wensen zou te sterven en in de eeuwige rust te wezen; gelijk een huurling, die moe gewerkt is, met een zonderling welgevallen het loon van de arbeid en de rust van de nacht begeert. Anders, zijn dag afdoe; dat is, zijn leven eindige. Zo zou hij de tijd zijns levens noemen een dag, gelijk boven, vers 1 , 14:5 , dagen; en dat uit oorzaak van de kortheid van hetzelfde; in welke zin de mensen ook van de Grieken genaamd worden hemerioi; dat is, dagelijkse. Anders kan het woord dag hier ook genomen worden voor een dagwerk, of het werk van zekeren bestemden tijd; of van het einde van de dag, van de dagloner, wanneer hij komt tot rust van zijn arbeid, en zijn loon ontvangt. Job 15:32 : Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Job 14:5 : Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
[^job-14-7-12]: Kanttekening 12: De zin is dat een boom, afgehouwen zijnde, nog uitspruiten mag; maar dat een mens, door vele plagen neergeveld en gedood zijnde, niet weer tot het gebruik en de genieting van dit leven kan geraken; vervolgens dat het ten deze aanzien met de mens ellendiger dan met de bomen gesteld is. Dat hij verhaalt om God tot barmhartigheid te bewegen, opdat Hij hem in dit leven nog enige rust zou laten. Vergelijk dit met boven, Job 7:7 , 7:8 , enz. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Job 7:8 : Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
[^job-14-7-13]: Kanttekening 13: voor een boom: Of, een boom heeft verwachting; dat is, hoop, enz. Aan de bomen en andere planten worden gemoedsbewegingen, zinnen, verstand en spraak oneigenlijk en bij gelijkenis toegeschreven, gelijk ook aan de creaturen, die zelfs het groeiende leven in zich niet hebben, als afgrond, zee, stenen, aarde, enz., om de materie kracht, klaarheid en luister toe te brengen, en de lezer tot meerdere aandachtigheid op te scherpen. Zie Richt. 9:8 , en de aantekening. Idem, hier in vers 9 , alwaar aan de boom reuk toegeschreven wordt. Zie ook onder, Job 28:14 , 28:22 , en Job 31:38 . Richteren 9:8 : De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Wees u koning over ons. Job 14:9 : Hij zal van de reuk van de wateren weer uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant. Job 28:14 : De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. Job 28:22 : Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. Job 31:38 : Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
[^job-14-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, vernieuwen.
[^job-14-9-15]: Kanttekening 15: Hij zal: Te weten, door vochtigheid die hij uit de aarde zuigt, verkwikt en in de groei gekomen zijnde.
[^job-14-9-16]: Kanttekening 16: een plant: Dat is, niet min of meer, dan alsof hij de wortel van een jongen stam ware.
[^job-14-10-17]: Kanttekening 17: als hij verzwakt is: Anders, en wordt uitgeroeid, of gedempt. Of, maar als een man sterft, hij wordt uitgeroeid. Het Hebreeuwse woord wordt aldus genomen Ex. 17:13 . Exodus 17:13 : Zo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte van het zwaard.
[^job-14-10-18]: Kanttekening 18: waar is hij dan: Te weten, in dit aardse leven te vinden, alsof hij zei: Het is hier uit met hem, en daar is geen ommezien voor hem in dit leven. Zie boven, Job 7:8 , 7:9 . Job 7:8 : Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. Job 7:9 : Een wolk vergaat en vaart heen; zo die in het graf daalt, zal niet weer opkomen.
[^job-14-11-19]: Kanttekening 19: De wateren: De zin is: Gelijk de wateren, die van hun plaats in een andere afgelaten worden, niet terugkeren tot de voorgaande, zo de ziel van de mensen, als zij uit het lichaam gescheiden is, keert daarin niet opnieuw, te weten om hier op de aarde opnieuw te leven. Anders: Verlopen de wateren uit de zee; en droogt een rivier uit en verdort zij? vers 12 . Maar de mens ligt, enz. Job 14:12 : Zo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
[^job-14-12-20]: Kanttekening 20: ligt de mens: Dat is, sterft; want de dood wordt hier vergeleken bij het nederliggen om te slapen; zie hiervan Deut. 31:16 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaders; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb.
[^job-14-12-21]: Kanttekening 21: en staat niet op: Te weten, om in dit aardse en vergankelijke leven weer te komen.
[^job-14-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, totdat de hemelen met een sterk gedruis zullen voorbij gaan, 2 Petr. 3:10 , en de eerste hemel en de eerste aarde vergaan, Openb. 21:1 ; want de opstanding uit de doden zal dan eerst gebeuren. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 21:1 : En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
[^job-14-13-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, יִתֵּן, wie zal geven dat u, enz. Zie boven, Job 6:8 . Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
[^job-14-13-24]: Kanttekening 24: U mij: Hij spreekt God toe, veroorzaakt zijnde door het overgroot en diep gevoel zijns lijdens.
[^job-14-13-25]: Kanttekening 25: in het graf: Dat is, maakte dat ik voor een tijdlang dood en begraven ware, opdat hier intussen uw toorn, die nu geheel zeer tegen mij ontstoken is, voorbijgaan mocht, en daarna uit het graf weer opstaan, om hier tot uw eer en de onderwijzing van de mensen nog voor een tijd in rust te leven.
[^job-14-13-26]: Kanttekening 26: een bepaling: Dat is, een bestemden tijd, welke ik in het graf zou moeten blijven.
[^job-14-13-27]: Kanttekening 27: gedachtig was: Te weten, om door de opwekking mijns lichaams een nieuwe weldaad aan mij te bewijzen. Hoe God de gedachtenis toegeschreven wordt, zie Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^job-14-14-28]: Kanttekening 28: Als een man: Job voegt deze tegenstelling hier in, om te tonen dat hij zulke opwekking tot een aards en vergankelijk leven niet geloofde of verwachtte; want deze manier van ondervragen loochent sterkelijk. Zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^job-14-14-29]: Kanttekening 29: Ik zou: Te weten, als het zo ware dat een mens weer levend kon worden.
[^job-14-14-30]: Kanttekening 30: al de dagen: Versta, de ganse tijd in welke het God believen zal mij in dit leven op aarde aldus te bezoeken.
[^job-14-14-31]: Kanttekening 31: Zie van dit woord boven, Job 7:1 , en vergelijk boven, vers 5 , en de aantekening op het woord bepalingen. Job 7:1 : Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloner? Job 14:5 : Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
[^job-14-14-32]: Kanttekening 32: Te weten, zo U mij maar voor een zekeren tijd in het graf verbergde, om mij daarna weer daaruit te trekken tot een vreedzame genieting van dit aardse leven.
[^job-14-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, mijn wederopstanding tot een nieuw aards leven.
[^job-14-15-34]: Kanttekening 34: Te weten, om mij uit het graf, waarin ik tot de dag van mijn verandering zou gelegen hebben, weer op te wekken.
[^job-14-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, uw roepende stem gehoorzamen, mits uit het graf te komen.
[^job-14-15-36]: Kanttekening 36: het werk: Zo noemt hij zichzelven. Zie boven, Job 10:8 ; Ps. 119:73 . Job 10:8 : Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij. Psalmen 119:73 : Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
[^job-14-15-37]: Kanttekening 37: begerig zijn: Dat is, U zoudt dat genadiglijk ontvangen en daarom weldadigheid bewijzen.
[^job-14-16-38]: Kanttekening 38: Maar nu: Alsof hij zei: Ik wenste vergeefs voor een tijd in het graf te rusten, omdat U voorgenomen hebt mij om mijn zonden, die U zeer nauw waarneemt, zeer moeizaam in dit leven te straffen. Vergelijk onder, Job 33:11 . Job 33:11 : Hij legt mijn voeten in de stok; Hij neemt al mijn paden waar.
[^job-14-16-i]: Verwijzing i: Job 31:4 ; Job 34:21 ; Ps. 56:9 ; Ps. 139:2 ; idem 139:3 ; idem 139:4 ; Spr. 5:21 ; Jer. 32:19 . Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? Job 34:21 : Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Psalmen 56:9 : U hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register? Psalmen 139:2 : U weet mijn zitten en mijn opstaan; U verstaat van verre mijn gedachten. Psalmen 139:3 : U omringt mijn gaan en mijn liggen; en U bent al mijn wegen gewend. Psalmen 139:4 : Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heer! U weet het alles. Spreuken 5:21 : Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.
[^job-14-16-39]: Kanttekening 39: telt U: De treden, of de gangen van de mensen te tellen, heet niet alleen die te aanschouwen, maar ook waar te nemen en acht daarop te geven, om die, òf te bezorgen en te zegenen, Ps. 56:9 , òf te straffen, gelijk hier. Zie onder, Job 31:4 . Psalmen 56:9 : U hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register? Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
[^job-14-16-40]: Kanttekening 40: Dat is, al het voornemen, doen en laten mijns levens, hoe klein het ook zij. Zo onder, Job 31:4 , en Job 34:21 ; Spr. 16:9 ; Jer. 10:23 . Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? Job 34:21 : Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Spreuken 16:9 : Het hart van de mensen overdenkt zijn weg; maar YHWH stiert zijn gang. Jeremia 10:23 : Ik weet, o YHWH! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
[^job-14-16-41]: Kanttekening 41: U bewaart: Dat is, U draagt geen zorg voor mijn welstand, maar zoekt mij te verdrukken en te verdoen, tot zulk een einde al mijn zonden U voorstellende. Anders, houdt U niet wacht over mijn zonde? Dat is, hebt U niet grote achting op mijn zonde, om mij daarover te straffen? Of, U verschoont niet van mijn zonde.
[^job-14-17-42]: Kanttekening 42: Dat is, vast tezamen bijeengesloten en als met een zegel bewaard, opdat zij U uit de gedachtenis niet vergaan zou. Zegelen voor besluiten, opsluiten, toesluiten; Deut. 32:34 ; Job 37:7 . Deuteronomium 32:34 : Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten? Job 37:7 : Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de mensen van Zijn werk.
[^job-14-17-43]: Kanttekening 43: U pakt: Dat is, U vlecht en voegt bij mijn voorgaande misdaden ook de tegenwoordige, om mijn zaak nog te bezwaren en mij nog harder te straffen.
[^job-14-18-44]: Kanttekening 44: Dat gebeuren kan door aardbeving, wind, watervloed, of anders. De zin is: Gelijk een berg, nederstortende, teniet wordt, en een rots van haar plaats wijkt, en het water de stenen uitholt, en het stof van de aarde, dat vanzelf daaruit voortkomt, overstelpt, dat God doet; zo is het hem nog veel lichter de welstand van de mensen, die nog veel zwakker is dan de voorgemelde schepselen, om te keren en te vernietigen.
[^job-14-19-45]: Kanttekening 45: Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 19:29 ; Jes. 37:30 . 2 Koningen 19:29 : En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten. Jesaja 37:30 : En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.
[^job-14-20-46]: Kanttekening 46: gaat heen: Dat is, verscheidt van hier door de dood.
[^job-14-20-47]: Kanttekening 47: Dat is, het wezen van het lichaam, de kloekheid zijns geestes, de staat zijns levens, de heerlijkheid van zijn huis, de grootheid van zijn middelen, de vermaardheid zijns naams, enz.
[^job-14-21-48]: Kanttekening 48: Te weten, door grote voorspoed, overvloedigen rijkdom, hogen staat, enz.
[^job-14-21-49]: Kanttekening 49: hij weet het niet: Te weten, omdat hij uit de wereld gescheiden is, zulks dat het welvaren van zijn kinderen hem niet vermaakt.
[^job-14-21-50]: Kanttekening 50: Te weten, door tegenspoed, armoede, lage staat, enz.
[^job-14-21-51]: Kanttekening 51: let niet op hen: Of, hij verneemt niet naar hen, of hij slaat hen niet gade; dat is, dood zijnde, is hij over hen niet bekommerd. Vergelijk Pred. 9:5 . Prediker 9:5 : Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.
[^job-14-22-52]: Kanttekening 52: Maar zijn vlees: De zin is, dat de mens alleen de ellende van dit leven en het kwalijkvaren van zijn huisgezin gevoelt, terwijl hij hier nog op aarde is.

### Job 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/15.json)

*Elifaz beschuldigt Job van ijdelheid, vers 1 enz. van goddeloosheid, 4. van vermetelheid in zijn woorden, 7. tegen zijn vrienden, 9. ja tegen God zelf, 11. omdat hij zijn eigen gerechtigheid wilde verdedigen, 14. hij bewijst tegen Job, uit de ervaring en de getuigenissen van de wijze voorvaderen, 17. dat God de goddelozen straft, 20. om hun boosheid, 25. waarin zij vergaan, 29.*

**1** Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v1)

**2** Zal een[^job-15-2-1] wijs man[^job-15-2-2] holle wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn[^job-15-2-3] buik vullen met[^job-15-2-4] oostenwind? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v2)

**3** Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, waarmee hij geen voordeel doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v3)

**4** Ja, u vernietigt[^job-15-4-5] de vrees, en[^job-15-4-6] neemt[^job-15-4-7] het gebed voor het aangezicht van God weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v4)

**5** Want uw[^job-15-5-8] mond[^job-15-5-9] leert[^job-15-5-10] uw ongerechtigheid, en u hebt de tong van de sluwen gekozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v5)

**6** Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v6)

**7** Bent u[^job-15-7-11] de eerste een mens geboren? Of bent u voor[^job-15-7-12] de heuvelen[^job-15-7-13] voortgebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v7)

**8** [^job-15-8-a] Hebt u de verborgen raad van God[^job-15-8-14] gehoord, en hebt u de wijsheid[^job-15-8-15] naar u getrokken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v8)

**9** Wat weet u, dat wij niet weten? Wat verstaat u, dat bij ons niet is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v9)

**10** [^job-15-10-b] Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude,[^job-15-10-16] meerder van dagen dan uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v10)

**11** Zijn de[^job-15-11-17] vertroostingen Gods u te[^job-15-11-18] klein, en[^job-15-11-19] schuilt er enige zaak bij u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v11)

**12** Waarom[^job-15-12-20] rukt uw hart u weg, en[^job-15-12-21] waarom wenken uw ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v12)

**13** Dat u[^job-15-13-22] uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v13)

**14** [^job-15-14-c] Wat[^job-15-14-23] is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v14)

**15** [^job-15-15-d] Zie, op Zijn[^job-15-15-24][^job-15-15-25] heiligen zou Hij niet vertrouwen, en[^job-15-15-26][^job-15-15-e] de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v15)

**16** Hoeveel te meer is[^job-15-16-27] een man gruwelijk en stinkende, die[^job-15-16-28] het onrecht indrinkt als water? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v16)

**17** Ik zal u[^job-15-17-29] wijzen, hoor mij aan,[^job-15-17-30] en wat ik gezien heb, dat zal ik vertellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v17)

**18** Dat de wijzen verkondigd hebben, en men voor[^job-15-18-31] hun vaders niet verborgen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v18)

**19** Die alleen het land[^job-15-19-32] gegeven was, en[^job-15-19-33] door wier midden niemand vreemds doorging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v19)

**20** [^job-15-20-34] Te alle dage[^job-15-20-35] doet de goddeloze zichzelf smart aan; en[^job-15-20-36] weinig jaren in getal zijn voor de tiran[^job-15-20-37] weggelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v20)

**21** Het geluid[^job-15-21-38] van de verschrikkingen is in zijn oren;[^job-15-21-f] in[^job-15-21-39] de vrede zelf komt de verwoester hem over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v21)

**22** Hij gelooft niet uit de[^job-15-22-40] duisternis weer te keren,[^job-15-22-41] maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v22)

**23** [^job-15-23-42] Hij zwerft heen en weer om brood, waar het zijn mag; hij weet,[^job-15-23-43][^job-15-23-g] dat bij zijn hand gereed is[^job-15-23-44] de dag van de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v23)

**24** Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij[^job-15-24-45] overweldigt hem, zoals een koning, bereid ten[^job-15-24-46] strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v24)

**25** Want[^job-15-25-47] hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen de[^job-15-25-48] Almachtige stelt hij zich geweldig aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v25)

**26** Hij loopt tegen[^job-15-26-49] Hem aan met[^job-15-26-50] de hals, met[^job-15-26-51] zijn dikke, hoog verhevene schilden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v26)

**27** Omdat hij[^job-15-27-52] zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om[^job-15-27-53] de weekdarmen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v27)

**28** En heeft bewoond vernietigde[^job-15-28-54] steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v28)

**29** Hij zal niet[^job-15-29-55] rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden[^job-15-29-56] op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v29)

**30** Hij zal van de[^job-15-30-57] duisternis niet ontwijken, de[^job-15-30-58] vlam zal zijn scheut verdrogen;[^job-15-30-h] hij zal[^job-15-30-59] wijken door[^job-15-30-60] het geblaas van zijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v30)

**31** Hij betrouwe niet op[^job-15-31-61] zinloosheid, waardoor hij verleid wordt; want[^job-15-31-62] zinloosheid zal zijn[^job-15-31-63] vergelding wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v31)

**32** [^job-15-32-i] Als[^job-15-32-64] zijn dag nog niet is,[^job-15-32-65] zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v32)

**33** [^job-15-33-66] Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v33)

**34** Want de vergadering van[^job-15-34-67] de huichelaren wordt eenzaam, en[^job-15-34-68] het vuur verteert de[^job-15-34-69] tenten van de geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v34)

**35** [^job-15-35-70][^job-15-35-k] Zij ontvangen moeite, en baren[^job-15-35-71] zinloosheid, en hun[^job-15-35-72] buik richt bedrog aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/15.html#v35)

[^job-15-2-1]: Kanttekening 1: wijs man: Te weten, waarvoor u uzelven uitgeeft.
[^job-15-2-2]: Kanttekening 2: winderige wetenschap: Hebreeuws, wetenschap van de wind; dat is, die niet vast of zeker is, maar vergaande en verwaaiende. Vergelijk boven, Job 7:7 , en de aantekening. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^job-15-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, zijn binnenste, of verborgenste, te weten, zijn zin, hart en gemoed; zo onder, vers 35 , en Job 20:20 , en Job 32:19 ; Spr. 20:27 , en Spr. 22:18 , gelijk in de buik de darmen met ander ingewand gesloten en verborgen zijn, zo zijn in de ziel de gedachten, de wil en bewegingen. Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Job 20:20 : Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden. Job 32:19 : Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe leren zakken zou hij barsten. Spreuken 20:27 : De ziel van de mens is een lamp van YHWH, doorzoekende al de binnenkameren van de buik. Spreuken 22:18 : Want het is liefelijk, als u die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
[^job-15-2-4]: Kanttekening 4: Dat is met woorden en redenen, die niet alleen ijdel en licht zijn als de wind, maar ook schadelijk als in dat land de oostenwind. Zie Gen. 41:6 ; Ex. 10:13 , en de aantekeningen. Genesis 41:6 : En ziet, zeven dunne en van de oostenwind verzengde aren schoten na dezelfde uit. Exodus 10:13 : Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gansen nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.
[^job-15-4-5]: Kanttekening 5: Te weten, Gods, mits die door uw redenen uit de harten van de mensen te verdrijven, en in dezelfde te verzwakken de genegenheid om Hem in de nood aan te roepen. Hij schijnt te zien op wat Job gezegd had, boven, Job 9:22 . Job 9:22 : Dat is een ding, daarom zeg ik: De oprechte en de goddeloze verdoet Hij.
[^job-15-4-6]: Kanttekening 6: Of, vermindert, verhindert.
[^job-15-4-7]: Kanttekening 7: Of, aanspraak. Versta, gebed, dat met een nederig gemoed, in de nood tot God uitgesproken wordt, om voor Hem zijn klachten uit te storten en van Hem hulp te verzoeken.
[^job-15-5-8]: Kanttekening 8: Het woord mond, gelijk ook tong in vers 5 , en lippen in het volgende, betekenen de woorden en redenen, die door mond, tong en lippen uitgesproken worden. Zo onder, Job 16:5 ; Ps. 5:10 ; Spr. 2:6 , en Spr. 14:3 , en Spr. 15:2 , en Spr. 18:7 , en Spr. 21:6 , enz. Job 15:5 : Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en u hebt de tong van de arglistigen gekozen. Job 16:5 : Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging van mijn lippen zou zich inhouden. Psalmen 5:10 : Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. Spreuken 2:6 : Want YHWH geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. Spreuken 14:3 : In de mond van de dwaas is een roede van de hoogmoed; maar de lippen van de wijzen bewaren hen. Spreuken 15:2 : De tong van de wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond van de zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit. Spreuken 18:7 : De mond van de zot is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik van zijn ziel. Spreuken 21:6 : Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die de dood zoeken.
[^job-15-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, geeft getuigenis van de verkeerdheid uws harten, door welke u deze vreemde redenen drijft. Anders, uw ongerechtigheid leert uw mond; dat is, de boosheid uws harten doet u zulke redenen spreken.
[^job-15-5-10]: Kanttekening 10: Te weten, waardoor u in het spreken aangenomen hebt de manier van doen van de node schalken, die met een schijn, zowel van woorden als van redenen, een zaak weten te bewimpelen, verduisteren en om te keren.
[^job-15-7-11]: Kanttekening 11: de eerste: Dat is, de oudste van alle mensen, zulks dat u meer weten zoudt dan iemand, en dat een ieder voor u zou moeten wijken als voor de oudste, de wijste en aanzienlijkste.
[^job-15-7-12]: Kanttekening 12: Dat is van eeuwigheid geweest, of voordat de wereld geschapen was; vergelijk Ps. 90:2 ; Spr. 8:25 . Psalmen 90:2 : Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. Spreuken 8:25 : Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
[^job-15-7-13]: Kanttekening 13: Het Hebreeuwse woord is gebruikt van de ordinaire geboorte van de mensen, Ps. 51:7 , en van de wonderbare geboorte van de Eniggeborene van de Vader, die de wijsheid van God is; Spr. 8:24 , 8:25 . Psalmen 51:7 : Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Spreuken 8:24 : Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Spreuken 8:25 : Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
[^job-15-8-a]: Verwijzing a: Rom. 11:34 . Romeinen 11:34 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
[^job-15-8-14]: Kanttekening 14: Te weten, dat u alle hemelse en goddelijke verborgenheden zoudt weten, meer dan een ander. De raad van God horen, heet Jeremia in de raad van God staan; Jer. 23:22 . Jeremia 23:22 : Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid van hun handelingen.
[^job-15-8-15]: Kanttekening 15: naar u getrokken: Te weten, zo, dat u haar alleen bij u zoudt hebben, en niemand anders.
[^job-15-10-b]: Verwijzing b: Job 32:7 . Job 32:7 : Ik zei: Laat de dagen spreken, en de veelheid van de jaren wijsheid te kennen geven.
[^job-15-10-16]: Kanttekening 16: meerder van dagen: Dat is, bedaagder, of ouder van jaren. Hij ziet op wat Job gezegd heeft, boven, Job 12:12 . Job 12:12 : In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid van de dagen het verstand.
[^job-15-11-17]: Kanttekening 17: vertroostingen Gods: Te weten, die wij u voorgehouden hebben; maar die Job verachtte, onder, Job 16:2 . Job 16:2 : Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; u allen bent moeilijke vertroosters.
[^job-15-11-18]: Kanttekening 18: Dat is, te slecht en te onwaardig om uw persoon voorgesteld te worden.
[^job-15-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, is er enige meerdere wetenschap bij u, die wij niet vatten; of voordeel, om van de oudere vermaningen te mogen verwerpen? of ook enige snoodheid, achter welke wij niet kunnen geraken, waardoor u onze redenen zo onwaardiglijk veracht? Of, is er iets dat dezelfde, te weten, vertroostingen, bij u bedekt?
[^job-15-12-20]: Kanttekening 20: rukt uw hart u weg: Te weten, om God zo te tergen, uzelven te rechtvaardigen en ons te versmaden.
[^job-15-12-21]: Kanttekening 21: waarom wenken uw ogen: Tot teken van hoogmoed. Anders, waarop mikken uw ogen? Dat is, waarheen zien, wat zoeken zij? Wat hebt u voor, dat u met een zo verwaand opzet en opzicht ons bejegent? en schijnt onze redenen geheel te verachten?
[^job-15-13-22]: Kanttekening 22: uw geest: Dat is, uw gemoed door ongeduldigheid ontstelt en door toorn met kwade redenen laat uitvaren tegen God. Anders, dat uw geest mort tegen God, en zulke redenen uit uw mond voortbrengt.
[^job-15-14-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 8:46 ; 2 Kron. 6:36 ; Job 14:4 ; Ps. 14:3 ; Spr. 20:9 ; Pred. 7:20 ; 1 Joh. 1:8 ; idem v. 10 . 1 Koningen 8:46 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in van de vijand land, dat verre of nabij is. 2 Kronieken 6:36 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in een land, dat verre of nabij is; Job 14:4 : Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet een. Psalmen 14:3 : Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een. Spreuken 20:9 : Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Prediker 7:20 : Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. 1 Johannes 1:8 : Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. 1 Johannes 1:10 : Als wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.
[^job-15-14-23]: Kanttekening 23: is de mens: De zin is, dat hij geheel niets is en geen stof heeft om zich voor zuiver en rechtvaardig uit te geven. De vraag loochent sterkelijk; zie Gen. 18:17 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^job-15-15-d]: Verwijzing d: Job 4:18 . Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
[^job-15-15-24]: Kanttekening 24: Zijn heiligen: Dat is, de goede engelen, die boven, Job 1:6 worden genaamd Gods zonen. Idem Job 4:18 , zijn knechten, en Tim. 5:21, de uitverkoren engelen. Zij worden heiligen genaamd, omdat zij volkomenlijk Gods wil doen, Ps. 103:20 ; Matt. 6:10 , en dienvolgens Hem volkomenlijk liefhebben. Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft. Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Mattheüs 6:10 : Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel zo ook op de aarde.
[^job-15-15-25]: Kanttekening 25: zou Hij niet vertrouwen: Zie boven, Job 4:18 . Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
[^job-15-15-26]: Kanttekening 26: Dat is, de voorgemelde goede engelen, wier woonstede in de hemel is; waarom zij ook engelen van de hemel genaamd worden, Matt. 24:36 ; en worden gezegd daar het aangezicht van de hemelse Vader te aanschouwen; Matt. 18:10 . Mattheüs 24:36 : Maar van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen van de hemel, dan Mijn Vader alleen. Mattheüs 18:10 : Ziet toe, dat u niet één van deze kleine veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemel, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemel is.
[^job-15-15-e]: Verwijzing e: Job 4:18 ; Job 25:5 . Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft. Job 25:5 : Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
[^job-15-16-27]: Kanttekening 27: een man: Of, een mens. Zie boven, Job 12:10 , maar het schijnt dat Elifaz hier liever het woord man gebruikt heeft, om Job daarmee een neep te geven. Job 12:10 : In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mens.
[^job-15-16-28]: Kanttekening 28: het onrecht indrinkt als water: Dat is, met zulken lust en overmatigheid de boosheid doende, gelijk de mensen en beesten, dorstig zijnde, zeer begerig zijn om te drinken. Vergelijk onder, Job 34:7 ; Spr. 26:6 . Job 34:7 : Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water; Spreuken 26:6 : Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
[^job-15-17-29]: Kanttekening 29: Te weten, dat het waar is, wat ik gezegd heb, dat de goddelozen alleen van God uitgeroeid worden. Zie boven, Job 4:7 , 4:8 . Job 4:7 : Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd? Job 4:8 : Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelfde.
[^job-15-17-30]: Kanttekening 30: en wat ik gezien heb: Anders, want ik heb het gezien, daarom zal ik het vertellen.
[^job-15-18-31]: Kanttekening 31: hun vaders: Versta, de vaders van de wijzen. De zin is, dat de wijzen zulks van hand tot hand ontvangen, en van hun voorouders gehoord hadden.
[^job-15-19-32]: Kanttekening 32: gegeven was: Te weten, van de volken van het land, om dat te regeren door hun wijsheid en groot aanzien, want denzulken werd in de vorige tijden de regering van de landen toevertrouwd en overgegeven.
[^job-15-19-33]: Kanttekening 33: door wier midden niemand vreemds doorging: Dat is, door wier land geen vreemde volken vijandiglijk passeerden. De zin is, dat de wijzen zo wel geregeerd hebben, dat hun landen door geen buitenvolken zijn beroerd geweest. Of, geen vreemde; dat is, die enige andere of vreemde leer in hun land brachten, gelijk de wijze oudvaders leerden.
[^job-15-20-34]: Kanttekening 34: Te alle dage: Dat is, de gansen tijd zijns levens. Hier begint Elifaz te vertellen wat de oude en wijze mannen voor een lering nagelaten hadden, zeer overeenkomende met wat hij voorgedragen heeft, boven, Job 5:3 , enz. Job 5:3 : Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning.
[^job-15-20-35]: Kanttekening 35: doet de goddeloze: De zin is: Hoewel de bozen uiterlijk welvaren in deze wereld, dat zij nochtans ongelukkig zijn vanwege de inwendige onrust huns gemoeds.
[^job-15-20-36]: Kanttekening 36: weinige jaren in getal: Hebreeuws, שָׁנִים, een getal van de jaren; inplaats van jaren van het getal. Dat is, weinige, die licht kunnen geteld worden; gelijk Gen. 34:30 . Zie de aantekening. De boze heeft tweeërlei plagen; de één dat hij in zijn tijdelijk geluk nimmermeer gerust is; de andere, dat zijn voorspoed niet lang duurt. Anderen zetten het laatste van vers 20 aldus over: En het getal van de jaren, te weten, zijns levens, is voor de tiran verborgen. Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Job 15:20 : Te alle dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd.
[^job-15-20-37]: Kanttekening 37: Te weten, in Gods eeuwigen raad, die voor de mensen verborgen is.
[^job-15-21-38]: Kanttekening 38: Te weten, die hem zijn consciëntie zal aanjagen, hem voorstellende zijn boosheden en dreigende met Gods rechtvaardig oordeel. Vergelijk Lev. 26:36 , en Deut. 28:65 . Leviticus 26:36 : En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. Deuteronomium 28:65 : Daartoe zult u onder dezelfde volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want YHWH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel.
[^job-15-21-f]: Verwijzing f: 1 Thes. 5:3 . 1 Thessalonicensen 5:3 : Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten;
[^job-15-21-39]: Kanttekening 39: in de vrede: Dat is, in het midden van zijn welstand en rust. Zie van het woord vrede, Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^job-15-22-40]: Kanttekening 40: Dat is, lijden en tegenspoed. Zie Gen. 15:12 . Zo onder, in het volgende en vers 30 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Job 15:30 : Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
[^job-15-22-41]: Kanttekening 41: maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde: Dat is, hij gelooft dat hem lagen gelegd worden om hem een geweldigen dood aan te doen.
[^job-15-23-42]: Kanttekening 42: Hij zwerft heen en weer om brood: Dat is, hij is in gedurige onrust en woeling, om het voedsel en de verzorging van het lichaam; hier intussen overtuigt hem ook zijn gemoed dat zijn verderf nabij is.
[^job-15-23-43]: Kanttekening 43: dat bij zijn hand gereed is: Dat is, dat hem voorhanden is en staat te verwachten.
[^job-15-23-g]: Verwijzing g: Job 18:12 ; Ps. 109:10 . Job 18:12 : Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. Psalmen 109:10 : En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
[^job-15-23-44]: Kanttekening 44: de dag van de duisternis: Dat is, de tijd van het lijden. Vergelijk onder, Job 30:16 , en de aantekening daarop. Job 30:16 : Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen van de druk grijpen mij aan.
[^job-15-24-45]: Kanttekening 45: Te weten, de benauwdheid.
[^job-15-24-46]: Kanttekening 46: Men houdt dat het Hebreeuwse woord chidor, dat nergens meer dan hier gevonden wordt, zeer hetzelfde is als caddur, betekenende een bal, Jes. 22:18 , en dat chidor anders niet zou betekenen dat een legermacht, zo in orde gesteld dat het in rondigheid de vorm van een bal of ei had, gelijk zij dan in die tijden hun heiren plachten te ordineren. Jesaja 22:18 : Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen uw heerlijke wagens zijn, o u schandvlek van het huis uws heren!
[^job-15-25-47]: Kanttekening 47: hij strekt tegen God zijn hand uit: Dat is, door een trots opzet en moedwillig bedrijf stelt hij zich met al zijn macht tegen God, hem tergende door allerlei gruwelen, en de mensen, maar voornamelijk de vromen, door velerlei overlast verdrukkende, zonder God enigszins te ontzien; wiens oordelen hij meent door louter geweld van zich te zullen afkeren. Vergelijk Lev. 26:21 ; Num. 15:30 , en de aantekening. Leviticus 26:21 : En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen. Numeri 15:30 : Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;
[^job-15-25-48]: Kanttekening 48: Zie van deze naam van God Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^job-15-26-49]: Kanttekening 49: Namelijk, God.
[^job-15-26-50]: Kanttekening 50: met de hals: Te weten, opgeheven en uitgestrekt, gelijk de stouten, verwaanden en hoogmoedigen plegen te doen.
[^job-15-26-51]: Kanttekening 51: met zijn dikke, hoog verhevene schilden: Dat is, met zijn wapenen en geweld, en al zijn uiterlijke middelen. Hebreeuws, met de dikte en hoogten, of ruggen van zijn schilden.
[^job-15-27-52]: Kanttekening 52: Dat is, zijn lichaam door lekkernij, gulzigheid en allerlei overdaad opgemest heeft, niets anders dan de buik bezorgende. Vergelijk Ps. 17:10 , en Ps. 73:7 . Psalmen 17:10 : Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. Psalmen 73:7 : Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen van het hart te boven.
[^job-15-27-53]: Kanttekening 53: Het Hebreeuwse woord betekent de darmen, die bij de Latijnen ilia genaamd worden, en van ons overgezet worden weekdarmen; Lev. 3:4 . Zie daar de aantekening. Leviticus 3:4 : Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.
[^job-15-28-54]: Kanttekening 54: Te weten, die door zijn macht weer oprichtende en herbouwende, om zich een naam te maken en zijn geweld tentoon te stellen; zie boven, Job 3:14 . Job 3:14 : Met de koningen en raadsheren van de aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
[^job-15-29-55]: Kanttekening 55: rijk worden: Te weten, voor een lange tijd; want zijn goederen zullen hem niet beklijven, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^job-15-29-56]: Kanttekening 56: hun volmaaktheid: Dat is, de heerlijkheid, rijkdom en verheven staat van de bozen, waardoor zij schenen volmaakt te wezen.
[^job-15-30-57]: Kanttekening 57: Te weten, van de ellende en katijvigheden, als hij eenmaal in deze zal gekomen zijn; zie boven, vers 22 . Job 15:22 : Hij gelooft niet uit de duisternis weer te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.
[^job-15-30-58]: Kanttekening 58: Te weten, van de tegenheden en plagen. Zo Jes. 29:6 , en Jes. 43:2 ; Jer. 48:45 ; Klaagl. 2:3 . Jesaja 29:6 : U zult van YHWH van de legermachten bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam eens verterenden vuurs. Jesaja 43:2 : Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Jeremia 48:45 : Die voor de macht van de vijand vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van de kinderen van het gedruis verteerd. Klaagliederen 2:3 : Gimel. Hij heeft, in ontsteking van de toorn, de hele hoorn Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
[^job-15-30-h]: Verwijzing h: Job 4:9 . Job 4:9 : Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.
[^job-15-30-59]: Kanttekening 59: Dat is, vergaan en teniet worden. Of, hij zal moeten afhouden van hem, tegen welke hij zich gesteld had; zie boven, vers 25 . Job 15:25 : Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen de Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
[^job-15-30-60]: Kanttekening 60: geblaas zijns monds: Dat is, voor Gods toorn; zie boven, Job 4:9 , en de aantekening. Job 4:9 : Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.
[^job-15-31-61]: Kanttekening 61: op ijdelheid: Dat is, op alle dingen, die lichtelijk vergaan, als eer, staat, rijkdom, sterkte, steden, mensen, enz. Zo is het woord ijdelheid genomen, Ps. 62:10 , en Ps. 119:37 , en Ps. 144:4 ; Spr. 31:30 ; Rom. 8:20 . Psalmen 62:10 : Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid. Psalmen 119:37 : Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen. Psalmen 144:4 : De mens is de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Spreuken 31:30 : Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die YHWH vreest, die zal geprezen worden. Romeinen 8:20 : Want het schepsel is aan de ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar vanwege die, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft;
[^job-15-31-62]: Kanttekening 62: Dat is, verdriet, ondergang, verderf en nietigheid; want dit zal de beloning wezen van al de voorgaande ijdelheid, bestaande in eer, rijkdom, geweld, enz., dat zij hem niet zal kunnen verlossen uit de hand van God, ja ten verderve dienen zal. Zie van deze betekenis van het woord ijdelheid boven, Job 7:3 . Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid.
[^job-15-31-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws, verandering, verwisseling.
[^job-15-32-i]: Verwijzing i: Job 22:16 ; Ps. 55:24 . Job 22:16 : Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^job-15-32-64]: Kanttekening 64: zijn dag: Te weten, de dag zijns doods, gelijk 1 Sam. 26:10 ; Ps. 37:13 , tot welke hij natuurlijkerwijze had kunnen geraken. De zin is, dat de goddeloze als hij in het beste zijns levens is en in goede welstand naar het lichaam, haastig en door enig onverwacht ongeluk zal vergaan, of uitgeroeid worden. Vergelijk onder, Job 18:20 , en de aantekening. 1 Samuël 26:10 : Verder zei David: Zo waarachtig als YHWH leeft; maar YHWH zal hem slaan, of zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome. Psalmen 37:13 : YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Job 18:20 : Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.
[^job-15-32-65]: Kanttekening 65: Te weten, de voorverhaalde vergelding.
[^job-15-33-66]: Kanttekening 66: Men zal zijn onrijpe druiven afrukken: Anders, God zal zijn ontijdige druiven afrukken. Deze gelijkenissen leren dat de verwachting van de goddelozen, waarmee zij zich en anderen bedriegen, geheel teniet worden zal. Zie boven, Job 8:13 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^job-15-34-67]: Kanttekening 67: Zie boven, Job 8:13 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^job-15-34-68]: Kanttekening 68: Te weten, van de tegenheden, ellenden en plagen. Zo wordt het woord vuur gebruikt, Ps. 66:12 ; Jes. 9:18 , en Jes. 26:11 ; Ez. 30:8 , enz., gelijk het woord vlam, boven, vers 30 . Psalmen 66:12 : U hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. Jesaja 9:18 : Vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel van het vuur: de één zal de ander niet sparen. Jesaja 26:11 : YHWH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren. Ezechiël 30:8 : En zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden. Job 15:30 : Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
[^job-15-34-69]: Kanttekening 69: tenten van de geschenken: Dat is, waarin geschenken ontvangen zijn, en die door middel van onbehoorlijke geschenken opgebouwd zijn en onderhouden worden.
[^job-15-35-70]: Kanttekening 70: Zij ontvangen: Vergelijk boven, Job 4:8 . Job 4:8 : Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelfde.
[^job-15-35-k]: Verwijzing k: Ps. 7:15 ; Jes. 59:4 ; Hosea 10:13 . Psalmen 7:15 : Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. Jesaja 59:4 : Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. Hosea 10:13 : U hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht van de leugen gegeten; want u hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uw helden.
[^job-15-35-71]: Kanttekening 71: Of, ongerechtigheid, ondeugd, onrecht.
[^job-15-35-72]: Kanttekening 72: Dat is, hun hart. Zie boven, vers 2 . Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?

### Job 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/16.json)

*Job verwijt zijn vrienden dat zij onvriendelijke en ongeschikte troosters waren, vers 1 enz. hij klaagt opnieuw over zijn ellendige staat, 6. hoewel hij onschuldig was aan datgene waarmee zijn vrienden hem bezwaarden, 17. wat hij wenst voor God zelf te mogen verantwoorden, 21. ondanks dat zijn leven hier zeer kort was, 22.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v1)

**2** Ik[^job-16-2-1] heb vele dergelijke dingen[^job-16-2-2] gehoord;[^job-16-2-a] u allen bent[^job-16-2-3] moeilijke vertroosters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v2)

**3** Zal er een einde zijn aan de[^job-16-3-4] holle woorden? Of[^job-16-3-5] wat drijft u, dat u zo antwoordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v3)

**4** [^job-16-4-6] Zou ik ook, als u, spreken,[^job-16-4-7] als uw ziel was in de plaats van mijn ziel? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik[^job-16-4-8] over u met mijn hoofd schudden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v4)

**5** Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging van mijn lippen zou[^job-16-5-9] zich inhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v5)

**6** Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op,[^job-16-6-10] wat gaat er van mij weg? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v6)

**7** Zeker,[^job-16-7-11] Hij heeft mij nu[^job-16-7-12] vermoeid; U hebt[^job-16-7-13] mijn hele vergadering verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v7)

**8** Dat U mij rimpelachtig gemaakt hebt,[^job-16-8-14] is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op,[^job-16-8-15] zij getuigt[^job-16-8-16] in mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v8)

**9** [^job-16-9-17][^job-16-9-b] Zijn toorn[^job-16-9-18] verscheurt, en[^job-16-9-19] Hij haat mij;[^job-16-9-20] Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn tegenstander[^job-16-9-21][^job-16-9-c] scherpt zijn ogen tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v9)

**10** [^job-16-10-22] Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaad op[^job-16-10-23] mijn kaken; zij[^job-16-10-24] vervullen zich samen aan mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v10)

**11** God heeft mij de[^job-16-11-25] verkeerde[^job-16-11-26] overgegeven, en heeft mij[^job-16-11-27] afgewend in de handen van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v11)

**12** Ik had rust, maar Hij heeft mij[^job-16-12-28] verbroken, en bij[^job-16-12-29] mijn nek gegrepen, en mij verpletterd;[^job-16-12-d] en Hij heeft mij Zich[^job-16-12-30] tot een doelwit opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v12)

**13** Zijn[^job-16-13-31] schutters hebben mij omringd; Hij heeft[^job-16-13-32] mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v13)

**14** Hij heeft mij gebroken[^job-16-14-33] met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen[^job-16-14-34] als een geweldige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v14)

**15** Ik heb een[^job-16-15-35] zak over mijn huid genaaid;[^job-16-15-e] ik heb[^job-16-15-36] mijn hoorn in[^job-16-15-37] het stof gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v15)

**16** Mijn aangezicht is geheel[^job-16-16-38] bemodderd van huilen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood[^job-16-16-39]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v16)

**17** [^job-16-17-40] Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v17)

**18** [^job-16-18-41] O, aarde! bedek[^job-16-18-42][^job-16-18-43] mijn bloed niet; en[^job-16-18-44] voor mijn geroep zij geen plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v18)

**19** Ook nu, zie, in de hemel is[^job-16-19-45] mijn Getuige, en mijn Getuige in[^job-16-19-46] de hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v19)

**20** Mijn vrienden zijn mijn bespotters; maar mijn oog[^job-16-20-47] druipt tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v20)

**21** Och, mocht[^job-16-21-f] men rechten voor een man met God,[^job-16-21-48] zoals[^job-16-21-49] een kind van de mens voor zijn vriend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v21)

**22** Want[^job-16-22-50] weinig jaren in getal zullen er nog aankomen, en[^job-16-22-51] ik zal het pad heengaan, waardoor ik niet zal terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/16.html#v22)

[^job-16-2-1]: Kanttekening 1: vele dergelijke dingen: Te weten, als u mij voorgesteld hebt, van de ondergang en het verderf van de goddelozen.
[^job-16-2-2]: Kanttekening 2: Niet alleen van u en uw metgezellen, maar ook van anderen.
[^job-16-2-a]: Verwijzing a: Job 13:4 . Job 13:4 : Want gewisselijk, u bent leugenstoffeerders; u allen bent nietige dokters.
[^job-16-2-3]: Kanttekening 3: moeilijke vertroosters: Hebreeuws, עָמָל, vertroosters van de moeite, welke boven, Job 13:4 , worden genaamd nietige dokters. Zie daar de aantekening. Job 13:4 : Want gewisselijk, u bent leugenstoffeerders; u allen bent nietige dokters.
[^job-16-3-4]: Kanttekening 4: winderige woorden: Hebreeuws, אוֹ, woorden van de wind. Vergelijk boven, Job 15:2 , en zie de aantekening. Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
[^job-16-3-5]: Kanttekening 5: wat stijft u: Dat is, wat vaste redenen hebt u, welke u zo moedig, streng en stout maken, om mij met zulke antwoorden te bejegenen? Dat het Hebreeuws, דִבְרֵי, e woord, dat nergens dan hier in deze vervoeging gevonden wordt, de betekenis heeft van sterk, of krachtig zijn, gelijk te zien is 1 Kon. 2:8 ; boven, Job 6:25 , en Micha 2:10 . 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode! Job 6:25 : O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van u is? Micha 2:10 : Maakt u dan op, en gaat heen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.
[^job-16-4-6]: Kanttekening 6: Zou ik ook: Te weten, mij uitgevende voor een vertrooster. Anders, ik mocht ook als u spreken, als enz., ik mocht woorden tegen u, enz., en ik mocht over u, enz.
[^job-16-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, zo uw personen in de plaats van mijn persoon waren, lijdende hetzelfde lijden, waar ik nu in ben. Ziel voor persoon; zie Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^job-16-4-8]: Kanttekening 8: over u: Dat is, u verachten en bespotten, en dat bewijzen met het schudden van het hoofd. Zie 2 Kon. 19:21 . Hij wil zeggen dat hij zulks niet doen zou, want al deze vragen hebben kracht om te loochenen, gelijk het blijkt uit vers 5 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Job 16:5 : Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijn lippen zou zich inhouden.
[^job-16-5-9]: Kanttekening 9: zich inhouden: Of, ingehouden worden; te weten, van zoveel gesnaps en geraas te maken, gelijk u nu doet tegen mij. Anders, zou \[u\] of \[uw verdriet\] in, of wederhouden. Of, aldus: Het medelijden zou mijn lippen inhouden.
[^job-16-6-10]: Kanttekening 10: wat gaat er van mij weg: Dat is, wat zal er van mijn verdriet verminderd worden? Hij wil zeggen: Hetzij dat ik spreek of zwijg, het is evenveel; ik doe geen voordeel, want zo ik spreek, men misduidt mijn woorden, en ik word evenwel uit mijn lijden voor een goddeloos mens veroordeeld; zo ik zweeg, men zou menen dat ik mijzelf overtuigd vond.
[^job-16-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, God, die hem al dit lijden toegezonden had, en die hij meteen met de volgende woorden, door de grote beroering zijns gemoeds, in de tweede persoon toespreekt. Van de verzwijging van de naam van God, zie boven, Job 3:20 ; zo onder, vers 9 . Anders, maar nu heeft zij mij vermoeid; te weten de smart, van welke hij in vers 6 gesproken had. Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Job 16:6 : Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
[^job-16-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, moe gemaakt door dit zwaar en menigvuldig lijden.
[^job-16-7-13]: Kanttekening 13: mijn gehele vergadering: Versta, zijn huisgezin, vrouw, kinderen, vrienden, huisgenoten en dienstvolk, die de Heer alle op verscheidene manieren, òf hem ontnomen, òf van hem vervreemd had; zie boven, Job 1 , Job 2 , en Job 19:13 , 19:14 , 19:15 , enz. Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Job 19:14 : Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. Job 19:15 : Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
[^job-16-8-14]: Kanttekening 14: is tot een getuige: Te weten, van de grootheid van mijn benauwdheid en smart, waardoor mijn geest zo ontsteld is dat mijn lichaam allengskens verdwijnt en uitdroogt.
[^job-16-8-15]: Kanttekening 15: zij getuigt: Dat is, mijn gerimpeld, mager, dor en uitgeteerd lichaam spreekt tegen mij als een getuige, vallende op de zijde van mijn wederpartijders. Want deze oordelen van de vroomheid of onvroomheid van de mens uit zijn tijdelijke en uiterlijke stand, welk gevoelen toegestaan zijnde, was zijn ellendig lichaam een genoegzaam getuige van Gods toorn tegen hem.
[^job-16-8-16]: Kanttekening 16: in mijn aangezicht: Dat is, openlijk tegen mij. Vergelijk boven, Job 1:11 . Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
[^job-16-9-17]: Kanttekening 17: Zijn toorn: Versta, de toorn van God. Hij spreekt weer van God in de derde persoon.
[^job-16-9-b]: Verwijzing b: Job 10:16 ; idem v. 17 . Job 10:16 : Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt U mij; U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij. Job 10:17 : U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.
[^job-16-9-18]: Kanttekening 18: Het is een gelijkenis, genomen van de leeuwen, of andere verscheurende dieren, om des te beter uit te drukken hoe vreeslijk het is in de handen van de levende God te vallen, als Hij met ernst wil straffen; Hebr. 10:31 . Vergelijk Ps. 50:22 ; Klaagl. 3:10 , 3:11 ; Hos. 5:14 , en Hos. 6:1 . Hebreeën 10:31 : Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. Psalmen 50:22 : Verstaat dit toch, u godvergeters! opdat Ik niet verscheure en niemand redde. Klaagliederen 3:10 : Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. Klaagliederen 3:11 : Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. Hosea 5:14 : Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Hosea 6:1 : Komt en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.
[^job-16-9-19]: Kanttekening 19: Hij haat mij: Of, haat mij innerlijk. Zo Gen. 49:23 , en Gen. 50:15 . Genesis 49:23 : De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; Genesis 50:15 : Toen Jozefs broers zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.
[^job-16-9-20]: Kanttekening 20: Hij knerst: De knersing van de tanden, welke geschiedt door samenbijting en samenwringing daarvan, is een gebaar dergenen, die met zeer felle toorn bevangen zijn, gelijk Ps. 35:16 , en Ps. 37:12 , en Ps. 112:10 ; Klaagl. 2:16 ; of dergenen, die in zeer grote pijn, kwelling en smarten gesteld zijn; Matt. 8:12 ; Luk. 13:28 . Hier wordt zij aan God in de eerste zin bij gelijkenis toegeschreven, om des te beter het geweld en de vreeslijkheid van zijn toorn ons bekend te maken. Psalmen 35:16 : Onder de huichelende spotachtige tafelbroers knersten zij over mij met hun tanden. Psalmen 37:12 : Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden. Psalmen 112:10 : Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens van de goddelozen zal vergaan. Klaagliederen 2:16 : Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^job-16-9-21]: Kanttekening 21: scherpt zijn ogen: Dat is, stelt een vergramd en vreeslijk gezicht tegen mij, even alsof Hij met zijn ogen, gelijk met een vreeslijken bliksem, mij doorstralen wilde.
[^job-16-9-c]: Verwijzing c: Job 13:24 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^job-16-10-22]: Kanttekening 22: Zij gapen met hun mond: Hij meent de werktuigen, of instrumenten, die God gebruikte om hem door velerlei kastijdingen te beproeven; maar voornamelijk schijnt hij te zien op Elifaz en zijn metgezellen, die tegen hem de mond opengedaan hadden om hem schandelijk te veroordelen, als een, die verlaten was van God. Vergelijk Ps. 35:21 . Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
[^job-16-10-23]: Kanttekening 23: mijn kinnebakken: Dat is, doen mij spijtige verachting aan. Zie 1 Kon. 22:24 . 1 Koningen 22:24 : Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zei: Door wat weg is de geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken?
[^job-16-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, verzadigen hun toorn, of koelen hun moed. Zie een gelijke manier van spreken Ex. 15:9 en vergelijk de aantekening. Anders, zij hebben zich tezamen tegen mij met menigte vergaderd. Exodus 15:9 : De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
[^job-16-11-25]: Kanttekening 25: Het schijnt dat hij hiermee verstaat de Chaldeën en Sabeërs, van wie gesproken wordt boven, Job 1:15 , 1:17 . Job 1:15 : Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Job 1:17 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^job-16-11-26]: Kanttekening 26: Anders, besloten bij de verkeerden; te weten, als in een gevangenis, om van hen gekweld en geplaagd te worden.
[^job-16-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, gemaakt dat ik in hun handen gevallen ben.
[^job-16-12-28]: Kanttekening 28: Te weten, door vuur, door wind, door vijanden; boven, Job 1:15 , 1:16 , 1:17 , 1:19 . Job 1:15 : Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Job 1:16 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Job 1:17 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Job 1:19 : En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^job-16-12-29]: Kanttekening 29: mijn nek gegrepen: Gelijk wanneer een geweldige reus een klein en zwakachtig mens aantastende en bij de hals vattende, hem meteen tegen de aarde slingerde en verpletterde.
[^job-16-12-d]: Verwijzing d: Job 7:20 ; Klaagl. 3:12 . Job 7:20 : Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij? Klaagliederen 3:12 : Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld.
[^job-16-12-30]: Kanttekening 30: tot een doelwit: Te weten, waartegen Hij de pijlen van zijn toorn uitschiet. Vergelijk boven, Job 7:20 . Job 7:20 : Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij?
[^job-16-13-31]: Kanttekening 31: Sommigen menen dat hij door deze verstaat zijn huisvrouw, vrienden en anderen, die door verkeerde oordelen, spottingen en plagerijen zijn lijden vermeerderden. Anderen nemen dit van zijn zweren, die hem de huid en het vlees doorboorden. Het kan ook in het algemeen genomen worden van al zijn plagen.
[^job-16-13-32]: Kanttekening 32: mijn nieren doorspleten: Dit zijn overtollige manieren van spreken om de grootheid zijns lijdens, waarin hij stak, uit te drukken. De zin is, dat God niet alleen zijn lichaam van buiten met zweren en van binnen met grote smarten vervuld had, maar ook zijn geest met heftige beroering zo doorsneden had, dat hij al zijn aandoeningen of bewegingen, in grote kwelling van de zinnen en benauwdheid van het hart had uitgestort.
[^job-16-14-33]: Kanttekening 33: met breuk op breuk: Hebreeuws, פְּנֵי, met breuk op het aangezicht van de breuk. Hij wil zeggen dat hij van het begin zijns lijdens tot nu toe geen respijt gehad had om een weinig adem te halen, maar dat plagen op plagen tot nu toe zonder ophouden zich opeengehoopt hadden, en nu nog tegenwoordiglijk hem overvielen.
[^job-16-14-34]: Kanttekening 34: als een geweldige: Dat is, als een geweldig, vreeslijk en sterk gewapend krijgsman.
[^job-16-15-35]: Kanttekening 35: over mijn huid: Versta, de zak, die hij aan zijn huid getogen had, als hij al de droeve tijdingen gehoord had van het verlies van zijn beesten en van zijn kinderen. De zin is, dat die zak nu zo aan zijn huid, welke vol etter en verzwering was, vastkleefde, dat hij scheen daaraan genaaid te wezen.
[^job-16-15-e]: Verwijzing e: Job 30:19 . Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
[^job-16-15-36]: Kanttekening 36: mijn hoorn: Dat is, mijn eer, aanzien en vermogen is teniet geworden en veranderd in schande, verachting en armoede. Zo is het woord hoorn voor eer, macht, hoogheid, enz. genomen. Zie Deut. 33:17 , en het woord stof voor schande, verachting, zwarigheid, nietigheid, onvermogen, nederheid. Zie 1 Kon. 16:2 . Of men kan door de hoorn verstaan \[bij gelijkenis van de beesten\] het hoofd, dat zij in rouw met stof bestrooiden. Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! 1 Koningen 16:2 : Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
[^job-16-15-37]: Kanttekening 37: het stof gedaan: Dat is, vuil gemaakt.
[^job-16-16-38]: Kanttekening 38: Of, bezoedeld, besmeerd, bekrozen. Het Hebreeuwse woord betekent een vuiligheid, komende van vochtigheid, die omgeroerd is; Ps. 46:4 , en Ps. 75:9 . Psalmen 46:4 : Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door hun verheffing! Sela. Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
[^job-16-16-39]: Kanttekening 39: de schaduw van de dood: Dat is, zeer dikke duisternis, hoedanig de mensen overkomt nabij de dood zijnde. Zie de aantekening boven, Job 3:5 , en Job 10:21 . Job wil zeggen dat zijn gezicht zeer verdonkerd was door zijn groot verdriet en zijn veel wenen. Job 3:5 : Dat de duisternis en de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dag! Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood;
[^job-16-17-40]: Kanttekening 40: Daar toch: De zin is dat hij zijn naaste geen leed gedaan en God oprecht gediend had. Het gebed is het voornaamste deel van de godsdienst.
[^job-16-18-41]: Kanttekening 41: O, aarde: Hij neemt de aarde tot getuige van zijn onnozelheid en vroomheid, waarvan hij gesproken had, wensende, zo hij enig geweld en wrevel met bloedvergieten tegen zijn naasten bedreven had, gelijk zijn vrienden hem oplegden, dat God zulks openbaren en in het licht brengen wilde, makende dat de aarde zulk bloed ontdekte.
[^job-16-18-42]: Kanttekening 42: De aarde wordt gezegd het bloed te bedekken als onrecht, geweld en moord verborgen en ongestraft blijven; daarentegen niet te bedekken als zij geopenbaard en gestraft worden. Vergelijk Gen. 4:10 , 4:11 ; Jes. 26:21 ; Ez. 24:7 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Genesis 4:11 : En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broers bloed van uw hand te ontvangen. Jesaja 26:21 : Want ziet, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden. Ezechiël 24:7 : Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelfde met stof te bedekken.
[^job-16-18-43]: Kanttekening 43: mijn bloed niet: Dat is, dat ik ten onrechte zou mogen vergoten hebben.
[^job-16-18-44]: Kanttekening 44: voor mijn geroep: Dat is, ik wens dat mijn gebed van God niet verhoord worde, als ik zodanig ben, gelijk mijn vrienden mij beschrijven en afmalen.
[^job-16-19-45]: Kanttekening 45: mijn Getuige: Hij verstaat hiermee God, die van zijn consciëntie en onschuld ten volle getuigenis geven kon. Deze noemt hij ook meteen zijn medegetuige; want hij zegt hetzelfde tweemaal.
[^job-16-19-46]: Kanttekening 46: Dat is, in de allerhoogste plaatsen, of hoogste hemelen. Vergelijk onder, Job 25:2 , en Job 31:2 ; Ps. 148:1 ; Matt. 21:9 ; Luk. 2:14 . Job 25:2 : Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten. Job 31:2 : Want wat is het deel Gods van boven, of de erve van de Almachtige uit de hoogten? Psalmen 148:1 : Hallelujah! Looft YHWH uit de hemel; looft Hem in de hoogste plaatsen! Mattheüs 21:9 : En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen! Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
[^job-16-20-47]: Kanttekening 47: Dat is, wacht vuriglijk met tranen op God, dat Hij mijn rechtvaardige zaak eenmaal aan de dag brenge; waarom ik hem ook zonder ophouden aanroep. Vergelijk Ps. 69:4 . Psalmen 69:4 : Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
[^job-16-21-f]: Verwijzing f: Job 31:35 ; Pred. 6:10 ; Jes. 45:9 ; Rom. 9:20 . Job 31:35 : Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve. Prediker 6:10 : Wat ook iemand zij, al is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechte met die, die sterker is dan hij. Jesaja 45:9 : Wee die, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? Romeinen 9:20 : Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?
[^job-16-21-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, en. Zie boven, Job 5:7 . Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
[^job-16-21-49]: Kanttekening 49: een kind: Dat is, een mens. Zie 1 Kon. 8:39 . 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef iedereen naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^job-16-22-50]: Kanttekening 50: weinige jaren in getal: Hebreeuws, שְׁנוֹת, jaren van het getal; dat is, weinige jaren; te weten mijns levens. Zie Gen. 34:30 ; idem boven, Job 15:20 . Het is zoveel alsof hij zei: Wat wens ik met God te rechten? Het is tevergeefs; want ik moet haast sterven. Anders, want de aftelling van de jaren zal aankomen. Zo zou Job reden geven waarom hij gezind was met God in samenhandeling te treden, namelijk, omdat zijn leven hier haast ten einde zou zijn, en dat hij wel wilde dat dit geschil gedaan ware voordat hij stierf. Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Job 15:20 : Te alle dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd.
[^job-16-22-51]: Kanttekening 51: ik zal het pad heengaan: Anders aldus: het pad is daar; ik zal niet terugkeren; ik zal heen gaan.

### Job 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/17.json)

*Job keert terug tot zijn klagen over zijn ellendige leven, vers 1. en zijn onvriendelijke vrienden, 2. hij beroept zich van zijn vrienden op God, 3. hij toont wat met grote ellende en tegenslag pleegt verbonden te zijn, 6. vermaant zijn vrienden beter te oordelen en te spreken, 10. hij hoopt niet op te knappen van zijn ziekte, maar te sterven, 11.*

**1** Mijn[^job-17-1-1] geest is[^job-17-1-2] verdorven,[^job-17-1-3] mijn dagen worden uitgeblust, de graven[^job-17-1-4] zijn voor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v1)

**2** Zijn niet[^job-17-2-5] bespotters bij mij, en[^job-17-2-6] overnacht niet mijn oog in[^job-17-2-7] hun verbittering? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v2)

**3** [^job-17-3-8] Zet toch bij,[^job-17-3-9] stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat[^job-17-3-10] in mijn hand geklapt worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v3)

**4** Want[^job-17-4-11] hun hart hebt U van kloek verstand verborgen; daarom zult U hen niet[^job-17-4-12] verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v4)

**5** [^job-17-5-13] Die met vleiing de vrienden wat aanzegt, ook[^job-17-5-14] de ogen van zijn kinderen zullen versmachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v5)

**6** [^job-17-6-a] Maar[^job-17-6-15] Hij heeft mij[^job-17-6-16] tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een[^job-17-6-17] trommelslag ben voor ieders aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v6)

**7** Daarom is[^job-17-7-18] mijn oog[^job-17-7-19] door verdriet verdonkerd, en al mijn[^job-17-7-20] ledematen zijn als een schaduw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v7)

**8** De oprechten[^job-17-8-21] zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen de[^job-17-8-22] huichelaar[^job-17-8-23] opmaken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v8)

**9** En de rechtvaardige[^job-17-9-24] zal zijn weg vasthouden, en[^job-17-9-25] die rein van handen is,[^job-17-9-26] zal in sterkte toenemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v9)

**10** [^job-17-10-b] Maar toch[^job-17-10-27] u allen, keert weer, en[^job-17-10-28] komt nu; want ik vind onder u geen wijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v10)

**11** [^job-17-11-c] Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn[^job-17-11-29] mijn gedachten,[^job-17-11-30] de bezittingen van mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v11)

**12** De nacht verstellen[^job-17-12-31] zij in de dag;[^job-17-12-32] het licht[^job-17-12-33] is nabij de[^job-17-12-34] ondergang vanwege de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v12)

**13** [^job-17-13-35] Zo ik wacht,[^job-17-13-36] het graf zal mijn huis wezen;[^job-17-13-37] in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v13)

**14** [^job-17-14-38] Tot de groeve roep ik: U bent mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zus! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v14)

**15** [^job-17-15-39] Waar zou dan nu mijn[^job-17-15-40] verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v15)

**16** [^job-17-16-41] Zij zullen ondervaren met de[^job-17-16-42] handbomen van het graf,[^job-17-16-43] als er rust[^job-17-16-44] samen[^job-17-16-d] in het stof wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/17.html#v16)

[^job-17-1-1]: Kanttekening 1: Versta hier, door het woord geest de levenskrachten van de mens. Zie 1 Kon. 10:5 . 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^job-17-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, vergaan, verdaan en uitgeteerd. Anders, verzwakt, of wordt afgetrokken; te weten van het lichaam.
[^job-17-1-3]: Kanttekening 3: mijn dagen: Dat is, de dagen mijns levens zijn bijna ten einde gebracht. Hij vergelijkt zijn leven bij een licht, dat allengskens uitgaat.
[^job-17-1-4]: Kanttekening 4: zijn voor mij: Dat is, zij zijn gelijk als bereid voor mij, zodat er niets overig schijnt te wezen, dan dat ik sterf, zo geheel is mijn leven gesmolten en uitgeteerd. Vergelijk Ps. 88:4 , 88:5 , 88:6 . Psalmen 88:4 : Want mijn ziel is van de tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. Psalmen 88:5 : Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; Psalmen 88:6 : Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
[^job-17-2-5]: Kanttekening 5: Versta, niet eigenlijk van zijn lijden, maar van zijn woorden; vergelijk onder, Job 21:3 . Anders, bespottingen; te weten, waarmee ik overhaald word. Job 21:3 : Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
[^job-17-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, zijn mijn gedachten niet zo bekommerd met de redenen, waarmee zij mij verbitteren, dat ik daarover mijn ogen 's nachts openhoud en mijn slaap verlies? Hij geeft reden waarom de krachten zijns levens allengskens verdwenen.
[^job-17-2-7]: Kanttekening 7: Te weten, zijn vrienden, die hem bedroefden met hun verkeerd oordeel en bittere aanspraken.
[^job-17-3-8]: Kanttekening 8: Zet toch bij: Te weten, borgtocht of pand, Job keert zich tot God, wensende dat hij over het geschil, dat hij met zijn vrienden had, met God zou mogen pleiten, om zijn recht zo voor Hem te verdedigen. Vergelijk boven, Job 16:21 . Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mens voor zijn vriend.
[^job-17-3-9]: Kanttekening 9: stel mij: Te weten, die van uwentwege beloven zal, dat U in het recht met mij zult treden, en vasthouden aan wat billijk zal bevonden worden.
[^job-17-3-10]: Kanttekening 10: in mijn hand: Te weten, van de borg, tot verzekering van wat hij voor u beloven zal. Dit was een manier van doen, gebruikelijk onder degenen, die in hun samenhandelingen elkaar ter trouw wat beloven wilden. Zie Spr. 6:1 , en Spr. 11:15 , en Spr. 17:18 , en Spr. 22:26 . Spreuken 6:1 : Mijn zoon! zo u voor uw naaste borg geworden bent, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; Spreuken 11:15 : Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker. Spreuken 17:18 : Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste. Spreuken 22:26 : Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
[^job-17-4-11]: Kanttekening 11: hun hart: Anders: het verstand hebt u voor hun hart verborgen. Hij spreekt van zijn vrienden, die hem onverstandiglijk troostten. Het hart van het verstand te versteken, of te verbergen, is zoveel als te maken dat het hart van de mens de ware wijsheid niet begrijpt.
[^job-17-4-12]: Kanttekening 12: Te weten, om hun in dit geschil de overhand over mij te laten hebben, en nog veel min om mijn rechters te wezen, maar zult veel meer wederstaan en straffen.
[^job-17-5-13]: Kanttekening 13: Job schijnt hiermee voor te komen dat zijn vrienden hem hadden mogen tegenwerpen, aldus: Het schijnt dat u ons versmaadt, omdat wij u bestraffen; wilt u dan dat wij u pluimstrijken? Job antwoordt dat hij dat niet wil, omdat God een vijand is van de vleiers; of hij dreigt hier zijn vrienden, omdat zij het recht van God voorspraken, meer door aanzien van Gods persoon dan door een verstandig begrip van het recht van de zaak, boven, Job 13:7 , ja ook omdat zij hem schenen te vleien, als zij hem wilden vertroosten met tijdelijke zegen zo hij zich kwam te bekeren; zie boven, Job 5:20 , 5:21 , enz., en Job 8:5 , enz. en Job 11:15 , 11:16 , enz. Job 13:7 : Zult u voor God onrecht spreken, en zult u voor Hem bedriegerij spreken? Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. Job 5:21 : Tegen de gesel van de tong zult u verborgen wezen, en u zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt. Job 8:5 : Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Job 11:15 : Want dan zult u uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen. Job 11:16 : Want u zult de moeite vergeten, en haar gedenken als van de wateren, die voorbijgegaan zijn.
[^job-17-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, niet alleen hij, maar ook zijn nakomelingen die door een rechtvaardig oordeel van God verlaten en gestraft worden.
[^job-17-6-a]: Verwijzing a: Job 30:9 . Job 30:9 : Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
[^job-17-6-15]: Kanttekening 15: Hij heeft: Namelijk, God.
[^job-17-6-16]: Kanttekening 16: tot een spreekwoord: Dat is, een straatmare, die van mij overal loopt, uit oorzaak van het verdriet en de smaad waarin ik lig.
[^job-17-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, een algemeen tijdverdrijf en stof van schimp en spotterij.
[^job-17-7-18]: Kanttekening 18: mijn oog: Hij wil zeggen dat de krachten van zijn zinnen met de sterkte zijns lichaams en de gedaante van zijn aangezicht vergaan en verstorven waren. Vergelijk Ps. 6:8 . Psalmen 6:8 : Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders.
[^job-17-7-19]: Kanttekening 19: door verdriet: Dat is, door de heftige beroering en ontstelling mijns gemoeds.
[^job-17-7-20]: Kanttekening 20: Anders, gedichtselen.
[^job-17-8-21]: Kanttekening 21: hierover verbaasd zijn: Te weten, omdat ik, vroom zijnde, nochtans zo vreeslijk gestraft word van God en snodelijk bespot van de mensen.
[^job-17-8-22]: Kanttekening 22: Zie boven, Job 8:13 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^job-17-8-23]: Kanttekening 23: Te weten, om de huichelaar zijn kwaad gevoelen te wederstaan. Want hoewel de vromen zich ontstellen over de welstand van de goddelozen en de tegenspoed van de godvrezenden, nochtans laten zij niet de huichelaars te wederspreken, die daaruit valse besluiten maken om Gods voorzienigheid te loochenen en de godzaligheid te verachten.
[^job-17-9-24]: Kanttekening 24: zal zijn weg vasthouden: Dat is, van zijn vroomheid niet afwijken om de tegenspoed, die hem, of andere vromen, wedervaart. Aldus toont Job dat hij met zijn redenen de vrees voor God niet verminderde, of wegnam, gelijk Elifaz hem verweten had; boven, Job 15:4 . Job 15:4 : Ja, u vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg.
[^job-17-9-25]: Kanttekening 25: die rein van handen is: Dat is, die met de uiterlijke daad tegen de wet van God niet misdoet. Zie Gen. 20:5 . Hij maakt gewag van de uitwendige reinheid, als een bewijs en teken zijnde van de inwendige, waarvan zij niet mag afgescheiden wezen. Genesis 20:5 : Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid mijns harten en in reinheid van mijn handen, heb ik dit gedaan.
[^job-17-9-26]: Kanttekening 26: zal in sterkte toenemen: Hebreeuws, אֹֽמֶץ, zal sterkte toedoen; dat is, in kracht of sterkte toenemen, groeiende meer en meer in het geloof, in de hoop, en hierdoor gewapend zijnde tegen allerlei kruis, verdriet en verachting van de mensen.
[^job-17-10-b]: Verwijzing b: Job 6:29 . Job 6:29 : Keert toch weer, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weer; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.
[^job-17-10-27]: Kanttekening 27: u allen: Hebreeuws, zijlieden allen. Zo 1 Kon. 22:28 ; Micha 1:2 , enz. Het is een verandering van de personen. Hij spreekt zijn vrienden toe, welke hij vermaant dat zij zich bekeren zouden van hun verkeerd gevoelen en kwaadspreken. 1 Koningen 22:28 : En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft YHWH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoort, u volken altegaar! Micha 1:2 : Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook haar volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel van Zijn heiligheid.
[^job-17-10-28]: Kanttekening 28: komt nu: Te weten, om naar mijn woorden te luisteren, die u ware en vaste lering zullen voorhouden.
[^job-17-11-c]: Verwijzing c: Job 7:6 ; Job 9:25 . Job 7:6 : Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. Job 9:25 : En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
[^job-17-11-29]: Kanttekening 29: mijn gedachten: Te weten, die ik had van uit dit lijden weer te mogen opkomen en in mijn vorigen staat hersteld te worden.
[^job-17-11-30]: Kanttekening 30: de bezittingen mijns harten: Dat is, welke gedachten mijn hart bezat als iemand zijn erve, waarin hij zich vermaakt.
[^job-17-12-31]: Kanttekening 31: Versta, zijn vrienden, die maakten dat hij 's nachts niet kon rusten door het overleggen van hun redenen. Of versta, zijn voorgemelde gedachten van welke in vers 11 gesproken is. Vergelijk boven, Job 7:3 , 7:4 . Job 17:11 : Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten. Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid. Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^job-17-12-32]: Kanttekening 32: het licht: Versta, het licht van de dag, veroorzaakt door de opgang van de zon. Zo onder, Job 24:14 . Hierom wordt onder, Job 25:3 , en Job 31:26 , het woord licht voor de zon genomen. Zie daar de aantekening. Job 24:14 : Met het licht staat de moorder op, doodt de arme en de nooddruftige; en 's nachts is hij als een dief. Job 25:3 : Is er een getal van Zijn benden? En over wie staat Zijn licht niet op? Job 31:26 : Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
[^job-17-12-33]: Kanttekening 33: is nabij: Dat is, kort en haast vergaande.
[^job-17-12-34]: Kanttekening 34: Dat is, uit oorzaak van de ellende, die mij overkomen is. Zie Gen. 15:12 . De zin is, dat de dag met der haast hem verdween, zonder vermaak of gemak daarin te hebben, en dat door het groot lijden, dat hem van alle kanten benauwde. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-17-13-35]: Kanttekening 35: Zo ik wacht: Te weten, op de verandering, waardoor ik voor deze mijn ellendigen stand een zeer gelukzaligen hier beneden krijgen zou; gelijk u mij wijsmaken wilt. Hij ziet op wat zij hem beloofd hadden van de uiterlijken welstand, die hij in dit leven genieten zou. Zie boven, Job 8:5 , en Job 11:15 , 11:16 , 11:17 . Job 8:5 : Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Job 11:15 : Want dan zult u uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen. Job 11:16 : Want u zult de moeite vergeten, en haar gedenken als van de wateren, die voorbijgegaan zijn. Job 11:17 : Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; u zult uitvliegen, als de morgenstond zult u zijn.
[^job-17-13-36]: Kanttekening 36: het graf: Alsof hij zei: Hoe zou ik hier op aarde nog hopen, gelukkig te zullen wezen; ik verwacht toch hier anders niet dan de dood, en vervolgens het graf voor mijn woning, enz. Vergelijk boven, vers 1 . Job 17:1 : Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
[^job-17-13-37]: Kanttekening 37: in de duisternis: Dat is, in het graf; dat ook een land van de duisternis genaamd wordt, boven, Job 10:21 . Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood;
[^job-17-14-38]: Kanttekening 38: Tot de groeve: Dat is, ik zal in het graf en bij het gewormte in het kort wonen; gelijk de kinderen bij hun vader en moeder en andere familie plegen te wonen.
[^job-17-15-39]: Kanttekening 39: Alsof hij zei: Nergens. Zo in het volgende: wie zal mijn verwachting aanschouwen? Niemand; het zijn vergeefse woorden, waarmee u mij ophoudt.
[^job-17-15-40]: Kanttekening 40: verwachting wezen: Dat is, de gelukzaligheid, die ik hier, naar ulieder zeggen, zou te verwachten hebben.
[^job-17-16-41]: Kanttekening 41: Zij zullen: Te weten, de verwachting en het aanschouwen daarvan; of hij gebruikt het getal van vele om daaronder te begrijpen allerlei hoop en verwachting, die dit tegenwoordige leven betreft.
[^job-17-16-42]: Kanttekening 42: Dat is, met de baar, waarmee het dode lichaam ter aarde gedragen wordt. Anders, in het graf. Anders, tot de grendelen van het graf; dat is, in de macht en geweld van het graf.
[^job-17-16-43]: Kanttekening 43: als er rust: Of, aangezien \[mijn\] rust tezamen in het stof wezen zal; te weten, in het kort, of haastig; dat is, aangezien ik in het kort in het graf zal varen, en ik geen rust dan daar hebben zal.
[^job-17-16-44]: Kanttekening 44: te zamen: Te weten, met andere overleden mensen.
[^job-17-16-d]: Verwijzing d: Job 3:17 ; idem v. 18 ; idem v. 19 ; onder, Job 30:23 ; idem v. 24 . Job 3:17 : Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; Job 3:18 : Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem van de drijvers niet. Job 3:19 : De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer. Job 30:23 : Want ik weet, dat U mij ter dood brengen zult, en tot het huis van de samenkomst van alle levenden. Job 30:24 : Maar Hij zal tot de aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

### Job 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/18.json)

*Bildad berispt Job vanwege veel spreken, vers 1 enz. vanwege trotsheid, 3. vanwege toornigheid, 4. hij verhaalt de rechtvaardige oordelen van God die over de goddelozen komen, 5. tot verschrikking toe van de nakomelingen, 20. hij besluit zijn verhaal door dit te verzekeren, 21.*

**1** Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v1)

**2** [^job-18-2-1] Hoe lang is het, dat[^job-18-2-2] u[^job-18-2-3] een einde van woorden zult maken?[^job-18-2-4] Merk op, en daarna zullen wij spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v2)

**3** Waarom worden[^job-18-3-5] wij geacht[^job-18-3-6] als beesten, en zijn[^job-18-3-7] onrein[^job-18-3-8] in uw ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v3)

**4** [^job-18-4-a] O u, die[^job-18-4-9] zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde[^job-18-4-10] verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v4)

**5** [^job-18-5-11] Ja,[^job-18-5-12] het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en[^job-18-5-13] de vonk[^job-18-5-14] van zijn vuur zal niet glinsteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v5)

**6** [^job-18-6-15] Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn[^job-18-6-17] lamp zal over hem uitgeblust worden.[^job-18-6-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v6)

**7** [^job-18-7-18] De treden van zijn macht zullen benauwd worden, en[^job-18-7-19] zijn raad zal hem neerwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v7)

**8** Want[^job-18-8-20] met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in[^job-18-8-21] het wargaren wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v8)

**9** De strik[^job-18-9-22] zal hem bij de hiel vatten;[^job-18-9-b] de[^job-18-9-23] struikrover zal hem overweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v9)

**10** Zijn touw is in de aarde[^job-18-10-24] verborgen, en[^job-18-10-25] zijn val op het pad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v10)

**11** [^job-18-11-26][^job-18-11-c] De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem[^job-18-11-27] verstrooien op zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v11)

**12** Zijn[^job-18-12-28] macht[^job-18-12-d] zal[^job-18-12-29] hongerig wezen, en het verderf is bereid[^job-18-12-30] aan zijn zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v12)

**13** De[^job-18-13-31] eerstgeborene van de dood[^job-18-13-32] zal de grendels van zijn huid verteren, zijn grendels zal hij verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v13)

**14** [^job-18-14-e] Zijn[^job-18-14-33] vertrouwen zal uit zijn tent[^job-18-14-34] uitgerukt worden;[^job-18-14-35] dat zal hem doen treden tot[^job-18-14-36] de koning van de verschrikkingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v14)

**15** [^job-18-15-37] Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met[^job-18-15-39] zwavel overstrooid worden.[^job-18-15-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v15)

**16** [^job-18-16-40] Van onder zullen zijn wortels verdorren, en van boven zal zijn[^job-18-16-41] tak afgesneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v16)

**17** [^job-18-17-f] Zijn herinnering zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben[^job-18-17-42] op de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v17)

**18** [^job-18-18-43] Men zal hem stoten van het[^job-18-18-44] licht in[^job-18-18-45] de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v18)

**19** [^job-18-19-g] Hij zal geen zoon, noch[^job-18-19-46] neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v19)

**20** Over[^job-18-20-47] zijn dag zullen de[^job-18-20-48] nakomelingen verbaasd zijn, en[^job-18-20-49] de ouden[^job-18-20-50] met schrik bevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v20)

**21** Zeker, zo zijn de woningen van de verkeerden, en dit is[^job-18-21-51] de plaats van degene die God niet kent.[^job-18-21-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/18.html#v21)

[^job-18-2-1]: Kanttekening 1: Hoe lang is het: Dat is, hoelang zal het nog zijn, voordat u een einde de woorden einden stellen zult? uw redenen maakt?
[^job-18-2-2]: Kanttekening 2: Bildad, naar veler gevoelen, spreekt Job toe in het getal van velen, opdat hij onder zijn persoon mee begrijpt enige omstanders, die hem toegedaan waren en hem in zijn verantwoording voorstonden. Anderen menen dat hij Job en zijn metgezellen Elifaz en Zofar tezamen toespreekt, dezelfde allen van twee dingen berispende: I. dat zij het te lang met hun disputeren maakten; II. dat zij niet wel letten op elkanders redenen, voordat zij die beantwoordden. Sommigen menen dat hij het alleen op zijn twee vrienden heeft geladen, hen berispende dat zij te veel woorden gebruiken en Job niet grondiglijk genoeg weerlegden.
[^job-18-2-3]: Kanttekening 3: einde van woorden zult maken: Hebreeuws, מִלִּין, de woorden einden stellen zult?
[^job-18-2-4]: Kanttekening 4: Merkt op: Of, geeft acht; te weten op de gehele zaak. Zo wordt het Hebreeuwse woord מִלִּין, ook genomen Ezra 8:15 ; Neh. 13:7 ; Spr. 7:7 . Anders, maakt ons verstandig. Ezra 8:15 : En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons daar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesters, en vond daar geen van de kinderen van Levi. Nehemia 13:7 : En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis. Spreuken 7:7 : En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jongemannen een verstandelozen jongeling;
[^job-18-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, ik en mijn twee metgezellen.
[^job-18-3-6]: Kanttekening 6: als beesten: Dat is, als botten, plompen, onverstandigen. Hij schijnt te zien op wat Job gezegd had boven, Job 12:7 , en Job 17:4 , 17:10 . Job 12:7 : En waarlijk, vraag toch de beesten, en elk van die zal het u leren; en het gevogelte van de hemel, dat zal het u te kennen geven. Job 17:4 : Want hun hart hebt U van kloek verstand verborgen; daarom zult U hen niet verhogen. Job 17:10 : Maar toch u allen, keert weer, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
[^job-18-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, als overtuigd van onwetendheid en verkeerdheid. Hij schijnt te zien op wat Job gezegd had boven, Job 17:4 , 17:10 . Job 17:4 : Want hun hart hebt U van kloek verstand verborgen; daarom zult U hen niet verhogen. Job 17:10 : Maar toch u allen, keert weer, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
[^job-18-3-8]: Kanttekening 8: ulieder ogen: Dat is, in het oordeel van Job en die het met hem hielden: In iemands ogen te zijn, is in zijn oordeel gehouden te worden voor zulke, of zulke; zo onder, Job 19:15 , en Job 32:1 ; Spr. 3:7 ; Jes. 5:21 , enz.; vergelijk Lev. 13:5 , en de aantekening. Job 19:15 : Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. Job 32:1 : Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, omdat hij in zijn ogen rechtvaardig was. Spreuken 3:7 : Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Jesaja 5:21 : Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn! Leviticus 13:5 : Daarna zal de priester op de zevende dag hem bezien; als, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.
[^job-18-4-a]: Verwijzing a: Job 13:14 . Job 13:14 : Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
[^job-18-4-9]: Kanttekening 9: Hij spreekt van God in de derde persoon, die hij daarna in de tweede persoon toespreekt. Zie gelijke verandering van persoon, boven, Job 12:4 , en Job 16:7 , en Job 30:19 , 30:20 ; Obad.:3 . Hij wil zeggen, dat Job door ongeduldigheid zichzelven verzwakte, verdierf en vernielde. Job 12:4 : Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot. Job 16:7 : Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; U hebt mijn gehele vergadering verwoest. Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. Job 30:20 : Ik schrei tot U, maar U antwoordt mij niet; ik sta, maar U acht niet op mij. Obadja 1:3 : De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven van de steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?
[^job-18-4-10]: Kanttekening 10: verlaten worden: De zin is, dat God niet vanwege Job de orde zou veranderen, die Hij altijd in Zijn regering en oordeelen gehouden had, straffende de bozen, en zegenende de vromen, dat niet meer ophouden kon, dan dat de wereld verlaten, en de rotsen vervoerd zouden worden.
[^job-18-5-11]: Kanttekening 11: Alsof hij zei: Hoezeer dat u ons tegenspreekt, het is nochtans zo, dat de goddelozen gestraft worden; en vervolgens, omdat u gestraft wordt, zijnde van God uit uw gehele welvaren gruwelijk gesloten, dat zij goddeloos moet zijn.
[^job-18-5-12]: Kanttekening 12: het licht van de goddelozen: Versta, de voorspoed van dit leven, bestaande in eer, macht, rijkdom, gezondheid, weelde en vreugde, die velen hier op aarde hebben. Het woord licht is voor allerlei welstand en vreugde genomen. Zie Esth. 8:16 ; onder, Job 22:28 , en Job 30:26 , en Job 38:15 ; Ps. 97:11 ; Spr. 13:9 ; Jes. 59:9 , enz. Vergelijk hiermee boven de aantekening op Job 11:17 . Esther 8:16 : Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; Job 22:28 : Als u een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen. Job 30:26 : Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. Job 38:15 : En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken? Psalmen 97:11 : Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart. Spreuken 13:9 : Het licht van de rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. Jesaja 59:9 : Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden. Job 11:17 : Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; u zult uitvliegen, als de morgenstond zult u zijn.
[^job-18-5-13]: Kanttekening 13: de vonk: Dat is, het minste van zijn heil of voorspoed zal hij niet genieten. Het woord vuur betekent hier evenveel als het voorgaande woord licht, dat is, voorspoed en welstand. Vergelijk Gen. 15:17 . Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.
[^job-18-5-14]: Kanttekening 14: zijns vuurs: Te weten, van de goddelozen, of een ieder van hen.
[^job-18-6-15]: Kanttekening 15: Het licht: Zie op vers 5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-18-6-17]: Kanttekening 17: Versta, even hetzelfde, dat in vers 5 over het woord licht gezegd is. Zo Ps. 18:29 ; Spr. 13:9 , en Spr. 20:20 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. Psalmen 18:29 : Want U doet mijn lamp lichten; YHWH, mijn God, doet mijn duisternis opklaren. Spreuken 13:9 : Het licht van de rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. Spreuken 20:20 : Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
[^job-18-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, woning. Zo in het volgende. Zie 2 Kon. 13:5 . 2 Koningen 13:5 : (Zo gaf YHWH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de kinderen van Israël woonden in hun tenten, als te voren.
[^job-18-7-18]: Kanttekening 18: De treden van zijn macht: Dat is, de sterke voorgang van zijn vermogen en tijdelijke welstand zal ingetoomd en verzwakt worden, dat hij niet zo wijd en breed zal kunnen uitspringen om zijn geweld door veel stoutmoedig bedrijf uit te breiden.
[^job-18-7-19]: Kanttekening 19: zijn raad: Dat is, door zijn eigen onverstand, aanslagen en voornemens zal hij tenonder gaan.
[^job-18-8-20]: Kanttekening 20: met zijn voeten: Anders, door zijn voeten; dat is, door zijn eigen beleid zal hij geraken in het gevaar, dat hem door Gods rechtvaardig oordeel zal toebereid wezen.
[^job-18-8-21]: Kanttekening 21: het wargaren wandelen: Dat is, hij zal geduriglijk in duizend gevaren wezen.
[^job-18-9-22]: Kanttekening 22: zal hem bij de verzenen vatten: Anders, hij zal met de verzenen de strik vatten; dat is, door zijn eigen onvoorzichtigheid zal hij zelf zijn voet in de strik steken en verwarren.
[^job-18-9-b]: Verwijzing b: Job 5:5 . Job 5:5 : Wiens oogst de hongerige verteerde, die hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
[^job-18-9-23]: Kanttekening 23: de struikrover: Zie boven, Job 5:5 . Job 5:5 : Wiens oogst de hongerige verteerde, die hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
[^job-18-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, door Gods heimelijk en rechtvaardig oordeel bereid, om daarin gevangen te worden en te vergaan.
[^job-18-10-25]: Kanttekening 25: zijn val: Men meent, dat het woord betekent een instrument, dat op de weg gesteld werd, om daarmee vogels te vangen.
[^job-18-11-26]: Kanttekening 26: De beroeringen: Te weten, van de consciëntie en andere uitwendige, die God pleegt te gebruiken om de goddelozen te pijnigen.
[^job-18-11-c]: Verwijzing c: Job 15:21 ; Jer. 6:25 ; Jer. 46:5 ; Jer. 49:29 . Job 15:21 : Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren; in de vrede zelven komt de verwoester hem over. Jeremia 6:25 : Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op de weg; want van de vijand zwaard is er, schrik van rondom! Jeremia 46:5 : Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt YHWH. Jeremia 49:29 : Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom!
[^job-18-11-27]: Kanttekening 27: verstrooien op zijn voeten: Dat is, hem brengen op de benen, hem jagende herwaarts en daarheen door vele gedachten, die hem van binnen het hart doorsteken zullen. Zie Jes. 57:20 , 57:21 . Jesaja 57:20 : Maar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. Jesaja 57:21 : De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
[^job-18-12-28]: Kanttekening 28: Versta, alles waardoor hij enig aanzien en vermogen onder de mensen heeft.
[^job-18-12-d]: Verwijzing d: Job 15:23 . Job 15:23 : Hij zwerft heen en weer om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag van de duisternis.
[^job-18-12-29]: Kanttekening 29: hongerig wezen: Dat is, zeer zwak worden, verkranken en afgaan. Hongerigen worden genaamd die in enig gebrek, ellende, of onvermogen zijn. Vergelijk 1 Sam. 2:5 ; Ps. 107:9 , 107:36 ; Jes. 32:6 ; Luk. 1:53 . 1 Samuël 2:5 : Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. Psalmen 107:9 : Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld; Psalmen 107:36 : En Hij doet de hongerigen daar wonen, en zij stichten een stad tot een woning; Jesaja 32:6 : Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen YHWH, om de ziel van de hongerigen leeg te laten, en de dorstige drank te doen ontbreken. Lukas 1:53 : Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden.
[^job-18-12-30]: Kanttekening 30: aan zijn zijde: Dat is, omtrent en nabij hem.
[^job-18-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, een geweldige en schrikkelijke dood; want gelijk de eerstgeborene de overste was van zijn broers, en de meeste macht onder die had, zo wordt de eerstgeborene van de dood gezegd, die in geweld en vreeslijkheid andere doden tebovengaat. Zo worden van Jesaja genaamd de eerstegeborene van de armen die de armste waren, Jes. 14:30 , of de duivel, die de macht van de dood heeft; Hebr. 2:14 . Jesaja 14:30 : En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo daarvan deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^job-18-13-32]: Kanttekening 32: de grendelen: Versta, de benen, waarmee de huid vastgemaakt en het gehele lichaam ondersteund wordt. Anders, lidmaten, of de takken; dat is, de zenuwen en aderen, welke als takken door het gehele lichaam uitgespreid zijn. Het Hebreeuwse woord עוֹר, heeft verscheidene betekenissen.
[^job-18-14-e]: Verwijzing e: Job 8:13 ; idem 8:14 ; Job 11:20 ; Spr. 10:28 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel. Spreuken 10:28 : De hoop van de rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting van de goddelozen zal vergaan.
[^job-18-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, alles waarop hij zich verlaat. Zo wordt het woord vertrouwen genomen, boven, Job 8:14 ; onder, Job 31:24 ; Spr. 25:19 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 31:24 : Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen; Spreuken 25:19 : Het vertrouwen op een trouweloze, op de dag van de benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.
[^job-18-14-34]: Kanttekening 34: Vergelijk boven, Job 8:13 , 8:14 , 8:15 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 8:15 : Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
[^job-18-14-35]: Kanttekening 35: zulks zal hem doen treden: Of, u zult hem doen treden, enz. als een aanspraak tot God.
[^job-18-14-36]: Kanttekening 36: Zo wordt genaamd de dood, omdat hij de goddelozen ten hoogste verschrikt. Of, versta, de allermeeste en gruwelijkste verschrikking, gelijk in vers 13 door de eerstgeborene van de dood te verstaan is een zeer schrikkelijke dood. Ook kan men hierbij verstaan de duivel, wiens regering vrees en slavernij medebrengt; Hebr. 2:15 . Job 18:13 : De eerstgeborene van de dood zal de grendelen van zijn huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. Hebreeën 2:15 : En verlossen zou al degenen, die met vrees voor de dood, door al hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren.
[^job-18-15-37]: Kanttekening 37: Te weten, de verschrikking, of elk één van de verschrikkingen.
[^job-18-15-39]: Kanttekening 39: met zwavel overstrooid worden: Dit schijnt een dreigement te zijn van dorheid en onvruchtbaarheid van het land; Deut. 29:23 ; Jes. 34:9 . Het kan ook zien op de straf, die over Sodom en Gomorra gevallen was, Gen. 19:24 , en om Job te meer te bezwaren, schijnt hij te wijzen op wat zijn volk en schapen wedervaren was, verslonden zijnde met vuur uit de hemel; boven, Job 1:16 . Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Jesaja 34:9 : En hun beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden. Genesis 19:24 : Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Job 1:16 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^job-18-15-38]: Kanttekening 38: waar zij de zijne niet is: Hebreeuws, zonder de zijne te zijn , dat is, waar ze hem niet toebehoort, te weten, omdat ze niet gemaakt is met zijn eigene middelen, maar met het goed dat hij anderen ontnomen had.
[^job-18-16-40]: Kanttekening 40: Van onder: Dat is, hij zal ten enenmaal vergaan, gelijk een boom, wiens wortel verdort en wiens takken afgehouwen worden.
[^job-18-16-41]: Kanttekening 41: Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen, boven, Job 14:9 ; onder, Job 29:19 , en Jes. 27:10 . Job 14:9 : Hij zal van de reuk van de wateren weer uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant. Job 29:19 : Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak. Jesaja 27:10 : Want de vaste stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoten en verlaten worden, gelijk een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij nederliggen, en zullen haar takken verslinden.
[^job-18-17-f]: Verwijzing f: Ps. 109:13 ; Spr. 10:7 . Psalmen 109:13 : Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. Spreuken 10:7 : De gedachtenis van de rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam van de goddelozen zal verrotten.
[^job-18-17-42]: Kanttekening 42: op de straten: Hebreeuws, פְּנֵי, op het aangezicht van de straat; dat is, onder de mensen in het openbaar en in de algemene vergaderingen zal hij niet voor eerlijk en vroom vermaard worden.
[^job-18-18-43]: Kanttekening 43: Men zal hem stoten: Hebreeuws, zij zullen hem verdrijven; dat is, hij zal verdreven worden, of men zal hem verdrijven. Zie boven, Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^job-18-18-44]: Kanttekening 44: Te weten, van dit leven, of uit alle waardigheid, voorspoed, rijkdom en welstand. Zie boven, vers 5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-18-18-45]: Kanttekening 45: Te weten, van de dood en van het dodenrijk, gelijk de volgende woorden schijnen mee te brengen. Zie een gelijk exempel in de rijke vrek, Luk. 16:23 . Anders kan het woord duisternis hier genomen zijn voor tegenspoed en ellende. Zie Gen. 15:12 . Lukas 16:23 : En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in het dodenrijk zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-18-19-g]: Verwijzing g: Jes. 14:22 ; Jer. 22:30 . Jesaja 14:22 : Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de zoonszoon, spreekt YHWH. Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda.
[^job-18-19-46]: Kanttekening 46: Of, kindskind.
[^job-18-20-47]: Kanttekening 47: zijn dag: Dat is, de dag zijns ondergangs van God gesteld om zijn rechtvaardig oordeel tegen hem uit te voeren. Zo Ez. 21:25 ; en zo is door een menselijken dag te verstaan een menselijk oordeel, 1 Kor. 4:3 . Vergelijk boven, Job 15:32 , en de aantekening. Ezechiël 21:25 : En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; 1 Korinthiërs 4:3 : Maar mij is voor het minste, dat ik van u geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelf niet. Job 15:32 : Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.
[^job-18-20-48]: Kanttekening 48: Dat is, die na hem leven zullen.
[^job-18-20-49]: Kanttekening 49: de ouden: Of, voorgaande; dat is, die voor de nakomelingen geweest waren, en leefden niet alleen als hij nog in zijn weelde was, maar ook daarna, als hij een schrikkelijk einde nam.
[^job-18-20-50]: Kanttekening 50: met schrik: Het Hebreeuwse woord betekent zulk een schrik, waardoor een mens de haren te berge staan. Zo Ez. 27:35 , en Ez. 32:10 . De zin is uitgedrukt boven, Job 4:15 . Ezechiël 27:35 : Alle inwoners van de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht. Ezechiël 32:10 : En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals. Job 4:15 : Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.
[^job-18-21-51]: Kanttekening 51: de plaats: Dat is, staat en conditie. Vergelijk boven, de aantekening Job 8:18 . Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
[^job-18-21-52]: Kanttekening 52: die God niet kent: Dat is, naar God niet vraagt om van zijn wezen, wil en werken een rechte wetenschap te hebben, ten einde dat hij hem behage en diene. Vergelijk Ex. 5:2 ; Richt. 2:10 ; Ps. 78:6 ; 2 Thess. 1:8 . Exodus 5:2 : Maar Farao zei: Wie is YHWH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken YHWH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. Richteren 2:10 : En al datzelfde geslacht ook tot zijn vaders vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat YHWH niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had. Psalmen 78:6 : Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; 2 Thessalonicensen 1:8 : Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.

### Job 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/19.json)

*Job beschuldigt zijn vrienden dat zij onbeleefd en onbarmhartig tegen hem waren, vers 1 enz. en geen acht sloegen op zijn lijden, 6. waarin hij verlaten scheen te zijn, 7. hij beschrijft de grootheid en verscheidenheid van zijn lijden, 8. vermaant zijn vrienden tot medelijden met hem, 21. wenst dat zijn lijden en de woorden die hij daarin sprak, eeuwig gedacht zouden worden, 23. hij troost zich met zijn Verlosser en de opstanding van het vlees, 25. vermaant zijn vrienden tot hun schuldige plicht, 28.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v1)

**2** Hoe lang zult u mijn ziel bedroeven, en mij[^job-19-2-1] met woorden verbrijzelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v2)

**3** U hebt nu[^job-19-3-2] tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u[^job-19-3-3] verhardt u tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v3)

**4** Maar ook het zij werkelijk,[^job-19-4-4] dat ik gedwaald heb,[^job-19-4-5] mijn dwaling zal bij mij overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v4)

**5** Als u[^job-19-5-6] werkelijk u verheft tegen mij, en[^job-19-5-7] mijn smaad tegen mij drijft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v5)

**6** Weet nu,[^job-19-6-8] dat God mij heeft[^job-19-6-9] omgekeerd, en[^job-19-6-10] mij met Zijn net omsingeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v6)

**7** Zie, ik roep,[^job-19-7-11] geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen[^job-19-7-12] recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v7)

**8** [^job-19-8-13] Hij heeft mijn weg versperd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij[^job-19-8-14] duisternis gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v8)

**9** [^job-19-9-15] Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de[^job-19-9-16] kroon van mijn hoofd heeft Hij weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v9)

**10** Hij heeft mij rondom[^job-19-10-17] afgebroken, zodat ik[^job-19-10-18] heenga, en heeft mijn[^job-19-10-19] verwachting als een boom[^job-19-10-20] weggerukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v10)

**11** Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich[^job-19-11-21][^job-19-11-a] geacht als Zijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v11)

**12** [^job-19-12-22] Zijn benden zijn samen aangekomen, en hebben tegen mij haar[^job-19-12-23] weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v12)

**13** [^job-19-13-b] Mijn[^job-19-13-24] broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen,[^job-19-13-25] zeker, zij zijn van mij vervreemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v13)

**14** Mijn nabestaanden[^job-19-14-26] houden op, en mijn bekenden vergeten mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v14)

**15** Mijn[^job-19-15-27] huisgenoten en mijn dienaressen achten mij voor een vreemde; een buitenlander[^job-19-15-28] ben ik in hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v15)

**16** Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik[^job-19-16-29] smeekte met mijn mond tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v16)

**17** Mijn[^job-19-17-30] adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek[^job-19-17-31] omwille van de kinderen van mijn buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v17)

**18** [^job-19-18-c] Ook versmaden mij[^job-19-18-32] de jonge kinderen;[^job-19-18-33] sta ik op, zo spreken zij mij tegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v18)

**19** [^job-19-19-d] Alle[^job-19-19-34] mensen van mijn vertrouwelijke raad hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v19)

**20** [^job-19-20-e] Mijn[^job-19-20-35] gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees;[^job-19-20-36] en ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v20)

**21** Ontferm u over mij, ontfermt u over mij, o u, mijn vrienden! want de hand van God heeft mij[^job-19-21-37] aangeraakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v21)

**22** Waarom vervolgt u mij[^job-19-22-38] als God, en[^job-19-22-39] wordt niet verzadigd van mijn vlees? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v22)

**23** [^job-19-23-40] Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven werden. Och, of zij in een boek ook werden ingetekend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v23)

**24** Dat zij met een ijzeren griffel en[^job-19-24-41] lood voor eeuwig in een rots gehouwen werden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v24)

**25** [^job-19-25-42] Want ik weet: mijn[^job-19-25-43] Verlosser leeft, en[^job-19-25-44] Hij zal de laatste[^job-19-25-45] over het stof opstaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v25)

**26** En als[^job-19-26-46] zij[^job-19-26-47] na mijn huid[^job-19-26-48] dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees[^job-19-26-49] God aanschouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v26)

**27** Die ik[^job-19-27-50] voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet[^job-19-27-51] een vreemde;[^job-19-27-52] mijn nieren[^job-19-27-53] verlangen zeer in mijn[^job-19-27-54] schoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v27)

**28** Werkelijk,[^job-19-28-55] u zou zeggen: Waarom vervolgen wij hem?[^job-19-28-56] Aangezien de wortel van de zaak in mij gevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v28)

**29** Schroomt u[^job-19-29-57] vanwege het zwaard; want[^job-19-29-58] de woede is over de misdaden van[^job-19-29-59] het zwaard; opdat u weet, dat er[^job-19-29-60] een gericht zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/19.html#v29)

[^job-19-2-1]: Kanttekening 1: met woorden verbrijzelen: Dat is, met veel gezwets en gesnater mij balorig maken; of met ongegronde en vijandige aanspraken verdrukken?
[^job-19-3-2]: Kanttekening 2: Dat is, dikwijls; een zeker getal voor een onzeker. En zo wordt het getal van tien menigmalen gebruikt; zie Gen. 31:7 . Genesis 31:7 : Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.
[^job-19-3-3]: Kanttekening 3: verhardt u: Of, verstijft; dat is, zo onbeschaamdelijk en hardnekkiglijk tegen mij twist? Anders, zo vreemd tegen mij stelt?
[^job-19-4-4]: Kanttekening 4: dat ik gedwaald heb: Dat is, genomen dat ik door misverstand of zwakheid mij vergrepen had.
[^job-19-4-5]: Kanttekening 5: mijn dwaling: Dat is, mijn fout, zo ik ze heb, raakt mij, niet u; u hebt daarvoor niet te zorgen; laat mij met vrede, dat ik mij verzoene met God en wachte wat daarvan komen wil, zonder zo voort te varen met mij te versmaden en te lasteren.
[^job-19-5-6]: Kanttekening 6: u verheft: Of, groot maakt; dat is, u stoutelijk en trotselijk tegen mij met hoge woorden en bittere passiën aanstelt. Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen Ps. 35:26 ; Jer. 48:26 ; Klaagl. 1:9 ; Ez. 35:13 ; Zef. 2:8 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Jeremia 48:26 : Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn. Klaagliederen 1:9 : Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. YHWH, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot. Ezechiël 35:13 : Zo hebt u u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. Zefanja 2:8 : Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen zijn landpale.
[^job-19-5-7]: Kanttekening 7: mijn smaad: Dat is, poogt met heftige twisting te bewijzen wat mij schadelijk is, en met mijn smaadheid verenigd. Smaad, voor wat smadelijk maakt. Vergelijk onder, Job 20:3 , de aantekening over het woord beschamende. Job 20:3 : Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
[^job-19-6-8]: Kanttekening 8: dat God: Hij wil zeggen dat zij behoorden te bedenken, dat hij buitengewoon door de hand van God vernederd was, en daarom veel meer tot barmhartigheid bewogen te zijn en hem te vertroosten, dan zo smadelijk tegen hem uit te vallen en met verkeerde oordelen zijn lijden te bezwaren. Vergelijk Job 6:14 , 6:15 , 6:16 . Job 6:14 : Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid gebeuren; of hij zou de vrees voor de Almachtige verlaten. Job 6:15 : Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door; Job 6:16 : Die verdonkerd zijn van het ijs, en in die de sneeuw zich verbergt.
[^job-19-6-9]: Kanttekening 9: Of, gekromd; dat is, door velerlei lijden geheel terneder gedrukt en verdorven.
[^job-19-6-10]: Kanttekening 10: mij met Zijn net: Of, over mij; dat is, Hij heeft mij zo omsingeld met velerlei ellenden en plagen, dat ik niet ontgaan kan, even alsof ik rondom met strikken bezet ware, die men niet kan mijden. Zie van dezelfde gelijkenis boven, Job 18:8 , en onder, Job 22:10 ; Klaagl. 1:13 ; Ez. 12:13 , en Ez. 32:3 ; Hos. 7:12 . Job 18:8 : Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. Job 22:10 : Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastig beroerd. Klaagliederen 1:13 : Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt de hele dag. Ezechiël 12:13 : Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 32:3 : Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen. Hosea 7:12 : Wanneer zij zullen heengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogels van de hemel doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.
[^job-19-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, dat mij geweld geschiedt, omdat ik, vroom zijnde, dus geweldiglijk van God gestraft en smadelijk van mijn vrienden veroordeeld en bespot word, en daarover roepende tot God, niet wordt geholpen. Zie gelijke manier van spreken Jer. 20:8 ; Hab. 1:2 . Jeremia 20:8 : Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij het woord van YHWH de hele dag tot smaad en tot schimp is. Habakuk 1:2 : YHWH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en U verlost niet!
[^job-19-7-12]: Kanttekening 12: Te weten, voor alsnu, waardoor mijn zaak verdedigd en ik uit dit lijden zou mogen verlost worden. Zo worden de vromen somtijds in hun kruis als verlaten, omdat zij de tegenwoordige hulp van God niet gevoelende, onder het lijden schijnen te versmachten; Ps. 13:2 , en Ps. 88:15 ; Klaagl. 3:8 ; Hab. 1:2 . Dat ook de Heer Christus, het hoofd van de gelovigen, wedervaren is; Ps. 22:3 . Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Psalmen 88:15 : YHWH! waarom verstoot U mijn ziel, en verbergt Uw aangezicht voor mij? Klaagliederen 3:8 : Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. Habakuk 1:2 : YHWH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en U verlost niet! Psalmen 22:3 : Mijn God! Ik roep overdag, maar U antwoordt niet; en 's nachts, en ik heb geen stilte.
[^job-19-8-13]: Kanttekening 13: Hij heeft mijn weg toegemuurd: Vergelijk hiermee boven, Job 3:23 ; Klaagl. 3:7 , 3:9 . De zin is dat hij rondom zo met alle lijden bezet en omtuind was, dat hij geheel geen uitkomst kon bemerken. Vergelijk boven, vers 6 de laatste aantekening, en Hos. 2:5 . Job 3:23 : Aan de man, wiens weg verborgen is, en die God overdekt heeft? Klaagliederen 3:7 : Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. Klaagliederen 3:9 : Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. Job 19:6 : Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. Hosea 2:5 : Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
[^job-19-8-14]: Kanttekening 14: Vergelijk boven, Job 3:23 de aantekening. Job 3:23 : Aan de man, wiens weg verborgen is, en die God overdekt heeft?
[^job-19-9-15]: Kanttekening 15: Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken: Dat is, Hij heeft mij ontbloot en beroofd van al mijn staat, vermogen, waardigheid en aanzien. Het woord eer is aldus genomen Ps. 7:6 ; Jes. 16:14 , en Jes. 21:16 . Vergelijk Gen. 31:1 . Psalmen 7:6 : Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela. Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen. Jesaja 21:16 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan. Genesis 31:1 : Toen hoorde hij de woorden van de zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van wat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.
[^job-19-9-16]: Kanttekening 16: Versta door de kroon hier al wat hem tot heerlijkheid en sieraad gediend had. Zo is dit woord genomen onder, Job 31:36 ; Spr. 4:9 , en Spr. 12:4 , en Spr. 14:24 , en Spr. 16:31 , en Spr. 17:6 ; Klaagl. 5:16 ; Ez. 21:26 . Job 31:36 : Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon. Spreuken 4:9 : Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. Spreuken 12:4 : Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen. Spreuken 14:24 : De kroon van de wijzen is hun rijkdom; de dwaasheid van de zotten is dwaasheid. Spreuken 16:31 : De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op de weg van de gerechtigheid gevonden. Spreuken 17:6 : De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en het sieraad van de kinderen zijn hun vaders. Klaagliederen 5:16 : De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben! Ezechiël 21:26 : Zo zegt de Heer YHWH: Doe die hoed weg, en hef die kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die nederig is, en vernederen die, die hoog is.
[^job-19-10-17]: Kanttekening 17: Versta dit van het verlies van de goederen, dat hij aan alle zijden geleden had.
[^job-19-10-18]: Kanttekening 18: Dat is, verga en tenonder kome.
[^job-19-10-19]: Kanttekening 19: Versta hiermee de hoop van zijn tijdelijke welstand in dit leven; want aan de hoop van zijn eeuwig welvaren heeft hij zich altijd vastgehouden; gelijk te zien is boven, Job 13:15 , 13:16 , en onder vers 25 , 19:26 , 19:27 . Job 13:15 : Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. Job 13:16 : Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. Job 19:25 : Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Job 19:26 : En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^job-19-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, doen verreizen; dat is, uitgeroeid en vervoerd; want, gelijk voor een boom, die uitgeworteld is en zo gelaten wordt, geen hoop meer is van weer te zullen groeien en groenen, zo zegt Job, dat hij zo ontbloot was van alle tijdelijk welvaren, dat er geen hoop meer voor hem was om weer op te komen.
[^job-19-11-21]: Kanttekening 21: Zo oordeelt het vlees als God de zijnen beproeft en kastijdt. Zo boven, Job 13:24 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^job-19-11-a]: Verwijzing a: Job 13:24 ; Job 16:9 ; Job 33:10 ; Klaagl. 2:5 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Job 33:10 : Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. Klaagliederen 2:5 : He. De Heer is geworden als een vijand; Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft daarvan vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.
[^job-19-12-22]: Kanttekening 22: Zijn benden: Hij verstaat hierdoor de menigte van de kwalen en plagen, die hem overkomen waren, boven, Job 1, Job 2, ja zelfs zijn vrienden, die met hun verkeerd oordeel en kwaadspreken hem veel verdriet aandeden, boven, vers 2 , 19:3 . Job 19:2 : Hoe lang zult u mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? Job 19:3 : U hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u verhardt u tegen mij.
[^job-19-12-23]: Kanttekening 23: weg gebaand: Te weten, naar de wijze van doen van de heirlegers, welke een stad door belegering willende krijgen, rondom die alle ongangbare en onbruikelijke wegen effenen, en tot hun gebruik bekwaam maken, om des te meer de stad te beschadigen en te eer te veroveren. Hebreeuws eigenlijk, opgehoogd.
[^job-19-13-b]: Verwijzing b: Ps. 31:12 ; Ps. 38:12 ; Ps. 69:9 ; Ps. 88:9 . Psalmen 31:12 : Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vluchten van mij weg. Psalmen 38:12 : Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre. Psalmen 69:9 : Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. Psalmen 88:9 : Mijn bekenden hebt U verre van mij gedaan, U hebt mij hun tot een grote gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
[^job-19-13-24]: Kanttekening 24: Versta, zijn vleselijke familie, of ook de geestelijke, van welke hij, om de enigheid van het geloof, broederlijke vertroostingen verwacht zou hebben. Zie Gen. 13:8 . Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers.
[^job-19-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, zonder enige twijfel, gelijk het nu blijkende is. Anders, alleen vervreemden zij zich van mij; dat is, dat zij hem geen anderen dienst wisten te bewijzen in zulk een droevigen staat, dat hem te aanschouwen, als niet wetende hem te helpen.
[^job-19-14-26]: Kanttekening 26: houden op: Anders, ontbreken; te weten, van mij te bezoeken, te vertroosten en de onderlinge gedienstigheden te bewijzen, die men elkaar in zulk een nood schuldig is.
[^job-19-15-27]: Kanttekening 27: Mijn huisgenoten: Of, de inwoners van mijn huis, of die in mijn huis verkeren. Het Hebreeuwse woord schijnt algemeen te zijn, betekenende niet alleen degenen, die in het huis steeds wonen als huisgenoten, maar ook die daarin veel verkeren als goede bekenden.
[^job-19-15-28]: Kanttekening 28: ben ik: Dat is, zij houden en achten mij voor een, die hen niet betreft en met wie zij niet te doen hebben. Zie boven, Job 18:3 . Job 18:3 : Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
[^job-19-16-29]: Kanttekening 29: Te weten, om iets voor mij te doen. Hij gebood hem niet alleen als huisvader, maar bad hem ook als een van zijns gelijken.
[^job-19-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, רוּחִֽ, geest. Zo boven, Job 9:18 . De zin is, dat zijn huisvrouw zich van hem afkeerde als van een, die een stinkenden adem heeft; vervolgens dat zij van hem een afkeer, ja afschuw had, en hem alle schuldige diensten weigerde. Job 9:18 : Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
[^job-19-17-31]: Kanttekening 31: omwille van de kinderen van mijn buik: Dat is, om de trek en de genegenheid, die zij tot mij nog zou mogen hebben, vanwege de kinderen, die wij hier tevoren tezamen gekregen en opgebracht hebben.
[^job-19-18-c]: Verwijzing c: Job 30:1 . Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijn kudde te stellen.
[^job-19-18-32]: Kanttekening 32: de jonge kinderen: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen onder, Job 21:11 . Anders, de verkeerde, of ongerechtige; gelijk boven, Job 16:11 . Job 21:11 : Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen. Job 16:11 : God heeft mij de verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen van de goddelozen.
[^job-19-18-33]: Kanttekening 33: sta ik op: Te weten, om hen te stillen en van kwaadspreken te doen ophouden. Anders, om die door beleefdheid en schone woorden aan mij te verbinden.
[^job-19-19-d]: Verwijzing d: Ps. 41:10 ; Ps. 55:14 ; idem 55:15 . Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Psalmen 55:14 : Maar u bent het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! Psalmen 55:15 : Wij, die te zamen in zoetigheid in het geheim raadpleegden; wij wandelden in gezelschap in het huis van God.
[^job-19-19-34]: Kanttekening 34: mensen van mijn vertrouwelijke raad: Versta, de mannen, die hij zijn geheimen placht te vertrouwen, en zich daarmee te beraden.
[^job-19-20-e]: Verwijzing e: Job 30:30 ; Ps. 102:6 ; Klaagl. 4:8 . Job 30:30 : Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. Psalmen 102:6 : Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens. Klaagliederen 4:8 : Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.
[^job-19-20-35]: Kanttekening 35: Hij wil zeggen dat al de vochtigheid en kracht zijns levens zo verteerd en uitgedroogd was, dat hij niet veel meer had dan het vel en de benen, welke met het vel en het weinige vlees zou uitstaken, dat zij niet daarmee schenen te groeien, maar daaraan gehecht te zijn. Vergelijk Ps. 102:6 . Psalmen 102:6 : Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.
[^job-19-20-36]: Kanttekening 36: en ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden: Dat is, de Heer heeft mijn lichaam zo aangetast, dat daaraan niets overig is gebleven dan het vel, dat is aan de tanden, dat is het tandvlees, of de lippen, waarmee de tanden bedekt zijn. Hij wil zeggen dat hij niet dan een geraamte was van beenderen met vel bedekt, zodat hij bijna anders niets had dan de mond om te spreken.
[^job-19-21-37]: Kanttekening 37: Dat is, zeer beschadigd en geplaagd aan mijn lichaam, vrienden en middelen; zie Gen. 26:11 . Aldus wordt onze Zaligmaker genoemd de geraakte Gods, Jes. 53:4 . Dat is, die van God zeer geplaagd was. Genesis 26:11 : En Abimelech gebood het gehele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
[^job-19-22-38]: Kanttekening 38: als God: Dat is, gelijk God mij vervolgt, even alsof u hetzelfde recht over mij hadt.
[^job-19-22-39]: Kanttekening 39: en wordt niet verzadigd: Dat is, waarom is het u niet genoeg, dat mijn vlees door mijn lijden vergaan is, maar dat u nog mijn geest bezwaart met uw verkeerd oordeel en kwade lasteringen.
[^job-19-23-40]: Kanttekening 40: Och, of nu mijn: Hebreeuws, יִתֵּן, wie zal nu geven, dat mijn, enz. Zo in het volgende van vers 23 ; zie boven, Job 11:5 . Job 19:23 : Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend! Job 11:5 : Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
[^job-19-24-41]: Kanttekening 41: Te weten, dat gesmolten en gegoten zijnde in de snede door de griffel gemaakt in de rots, dezelfde snede klaarder zou aftekenen. Sommigen verstaan hier een loden plaat, waar het ook op gehouwen zou worden.
[^job-19-25-42]: Kanttekening 42: Want ik weet: Hij wil zeggen: Omdat ik tegenwoordig zo ellendig ben, en daarenboven verdacht gemaakt word, dat ik God niet vrees noch op hem hoop, boven, Job 18:21 , hoewel ik mij hier tevoren daarover verklaard heb, boven, Job 13:15 , 13:16 ; zo verklaar ik nu dat ik geloof dat de beloofde Messias mijn Zaligmaker is, die mij ten jongsten dage ten eeuwigen leven opwekken zal. Job 18:21 : Gewisselijk, zodanige zijn de woningen van de verkeerden, en dit is de plaats van degene die God niet kent. Job 13:15 : Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. Job 13:16 : Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.
[^job-19-25-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, goël. Versta, de beloofde Messias, onze Heer Jezus Christus. Vergelijk Gen. 48:16 ; Jes. 59:20 met de aantekening. Zie verder van het gebruik van dit woord Lev. 25:25 , enz.; Ruth 2:20 , en Ruth 3:9 , 3:12 , enz. Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaders, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! Jesaja 59:20 : En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt YHWH. Leviticus 25:25 : Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broers lossen. Ruth 2:20 : Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers. Ruth 3:9 : En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser. Ruth 3:12 : Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.
[^job-19-25-44]: Kanttekening 44: zal de laatste: Dat is, ten laatste, of ten laatsten dage . Of, de laatste; dat is, die de eindelijke en laatste rechter over allen zijn zal.
[^job-19-25-45]: Kanttekening 45: over het stof opstaan: Dat is, zich ten jongsten dage met grote heerlijkheid over al degenen, die in het stof of in de aarde liggen vertonen zal, om die op te wekken, te oordelen, en de zijnen, waarvan ik een ben, tot zich in de eeuwige zaligheid op te nemen. Sommigen nemen deze woorden aldus: En de laatste \[te weten, mens\] zal op het stof opstaan; dat is, alle mensen zullen opstaan tot de laatste toe. Sommigen verstaan dat Job hier spreekt van zijn eigen opstanding, en zetten het aldus over: En dit \[te weten, lichaam of vlees, gelijk in vers 26 \] zal ten laatste op het stof opstaan. Job 19:26 : En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
[^job-19-26-46]: Kanttekening 46: Te weten, de doorboorders, dat is, de wormen en maden, die mijn huid en gehele lichaam in de aarde doorboren zullen.
[^job-19-26-47]: Kanttekening 47: na mijn huid: Dat is, na de doorboring en verslinding van mijn huid.
[^job-19-26-48]: Kanttekening 48: dit doorknaagd: Versta, het overige zijns lichaams, waarop hij met zijn vinger gewezen heeft, alsof hij zei: Dit ellendig vlees en deze zwakke benen, die met de huid bedekt zijn. De zin is, dat de wormen niet alleen zijn huid, maar ook zijn vlees en benen, of het gehele lichaam doorknagen zouden, maar dat daarna in de verrijzenis hetzelfde hem weer geworden zou, om daarin zijn God te zien.
[^job-19-26-49]: Kanttekening 49: God aanschouwen: Namelijk de Heer Christus, God geopenbaard in het vlees, en zichtbaar in grote majesteit tot het oordeel verschijnende.
[^job-19-27-50]: Kanttekening 50: voor mij: Dat is, tot mijn best, of tot mijn eeuwige vreugde en zaligheid.
[^job-19-27-51]: Kanttekening 51: een vreemde: Te weten, mens, of oog; dat is, met geen ander lichaam of ogen zal ik Hem aanschouwen, dan met deze mijn eigene, gelijk ik ook met mijn eigen lichaam opstaan zal, en niet met een ander van nieuws geschapen; zie 1 Kor. 15:53 . 1 Korinthiërs 15:53 : Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
[^job-19-27-52]: Kanttekening 52: mijn nieren: De nieren worden in de Heilige Schrift zeer dikwijls voor het inwendigste, als voor de begeerten, aandoeningen, of bewegingen van de mensen genomen, gelijk vers 27 en Ps. 7:10 , en Ps. 26:2 ; Spr. 23:16 ; Jer. 12:2 , enz. Vergelijk onder, Job 38:36 . Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! Psalmen 26:2 : Proef mij, YHWH, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. Spreuken 23:16 : En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen. Jeremia 12:2 : U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren. Job 38:36 : Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft de zin het verstand gegeven?
[^job-19-27-53]: Kanttekening 53: verlangen zeer: Of, vergaan; te weten van verlangen, dat is, mijn begeerten en genegenheden zijn zo ontstoken tot de aanschouwing van mijn Heer en Zaligmaker, dat zij bijna versmachten, of bezwijken. Het Hebreeuwse woord wordt zo genomen 2 Sam. 13:39 ; Ps. 84:3 , en Ps. 119:81 , 119:82 , 119:123 , en Ps. 139:13 . 2 Samuël 13:39 : Toen verlangde de ziel van de koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was. Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Psalmen 119:81 : Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. Psalmen 119:82 : Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij vertroosten? Psalmen 119:123 : Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid. Psalmen 139:13 : Want U bezit mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt.
[^job-19-27-54]: Kanttekening 54: Versta, het binnenste van de mensen. Zo wordt dit genomen Pred. 7:9 . Prediker 7:9 : Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem van de dwazen.
[^job-19-28-55]: Kanttekening 55: u zoudt zeggen: Dat is, u behoorde te zeggen.
[^job-19-28-56]: Kanttekening 56: Aangezien de wortel van de zaak: Dat is, omdat de eerste stof en oorsprong van ons geschil is het lijden, dat mij God toegezonden heeft; waarover u, als vrienden, eer medelijden met mij moest hebben, dan mij dus smadelijk te overhalen. Of versta, door de wortel van de zaak de vaste grond van het geschil, vervattende de bondige redenen, die het dispuut behoorden te eindigen, en niet waren in de redenen van zijn vrienden, maar wel in de zijne te vinden. Men kan ook door deze wortel verstaan de schone belijdenis van het geloof, die Job gedaan had, en zijn vrienden behoorde te voldoen, om hem niet meer voor een huichelaar te houden.
[^job-19-29-57]: Kanttekening 57: vanwege het zwaard: Hebreeuws, פְּנֵי, van het aangezicht van het zwaard. Hij noemt één soort van de straffen, voor alle, welke van God over de onboetvaardigen gezonden worden.
[^job-19-29-58]: Kanttekening 58: Versta, de grimmigheid Gods, welke zich openbaart over de ongerechtigheden van de mensen; Rom. 1:18 . Zie 2 Kron. 28:13 . Anders, zulke grimmigheid, te weten, als de vrienden van Job tegen Job openbaarden is één van de misdaden van het zwaard, of brengt mee de straffen van het zwaard. Romeinen 1:18 : Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^job-19-29-59]: Kanttekening 59: Dat is, die het zwaard of enige andere straffen verdienen.
[^job-19-29-60]: Kanttekening 60: Te weten, bij God, die de zonden straft in dit leven, òf in het toekomende, òf in beide.

### Job 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/20.json)

*Zofar verklaart reden te hebben om Job te antwoorden, vers 1 enz. betoogt dat het geluk van de goddelozen snel vergaat, 4. dat God hen in alle dingen veelvuldig plaagt, 10. het besluit van dit betoog, 29.*

**1** Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v1)

**2** [^job-20-2-1] Daarom doen mijn[^job-20-2-2] gedachten mij[^job-20-2-3] antwoorden, en daarover is mijn verhaasten[^job-20-2-4] in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v2)

**3** Ik heb aangehoord een bestraffing,[^job-20-3-5] die mij schande aandoet; maar de[^job-20-3-6] geest zal[^job-20-3-7] uit mijn verstand voor mij antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v3)

**4** Weet u dit? Van altijd af, van dat[^job-20-4-8] God de mens op de wereld gezet heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v4)

**5** [^job-20-5-a] Dat het[^job-20-5-9] gejuich de goddelozen[^job-20-5-10] van nabij geweest is, en de vreugde van de huichelaar voor een ogenblik? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v5)

**6** Wanneer zijn hoogheid[^job-20-6-11] tot de hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v6)

**7** Zal hij, zoals[^job-20-7-12] zijn mest, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v7)

**8** Hij zal wegvlieden[^job-20-8-13] als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een[^job-20-8-14] visioen in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v8)

**9** Het oog, dat hem zag,[^job-20-9-15] zal het niet meer doen; en[^job-20-9-16] zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v9)

**10** Zijn kinderen zullen zoeken de armen[^job-20-10-17] te behagen; en zijn handen zullen[^job-20-10-18] zijn vermogen moeten weer uitkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v10)

**11** Zijn beenderen zullen vol[^job-20-11-19] van zijn verborgen zonden zijn; waarvan[^job-20-11-20] elk met hem op het stof neerliggen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v11)

**12** Als het[^job-20-12-21] kwaad in[^job-20-12-22] zijn mond[^job-20-12-23] zoet is, hij dat[^job-20-12-24] verbergt, onder zijn tong, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v12)

**13** Hij[^job-20-13-25] dat spaart, en het niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v13)

**14** Zijn[^job-20-14-26] voedsel zal in zijn binnenste veranderd worden; gal[^job-20-14-27] van de adderen zal[^job-20-14-28] het in het binnenste van hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v14)

**15** Hij heeft goed[^job-20-15-29] ingeslokt, maar[^job-20-15-30] zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v15)

**16** Het vergif van de adderen zal hij zuigen; de tong van de slang zal hem doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v16)

**17** [^job-20-17-31] De stromen, rivieren, beken[^job-20-17-32] van honing en boter zal hij niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v17)

**18** De[^job-20-18-33] arbeid zal hij[^job-20-18-34] wedergeven en niet[^job-20-18-35] inslokken;[^job-20-18-36] naar het vermogen van zijn verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v18)

**19** Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft,[^job-20-19-b] een huis geroofd heeft,[^job-20-19-37] dat hij niet opgebouwd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v19)

**20** [^job-20-20-38] Omdat hij geen rust[^job-20-20-39] in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn[^job-20-20-40] gewenst goed niet uitbehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v20)

**21** Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal[^job-20-21-41] hij niet wachten naar zijn goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v21)

**22** [^job-20-22-42] Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn;[^job-20-22-43] alle hand van de ellendigen zal over hem komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v22)

**23** Er[^job-20-23-44] zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem[^job-20-23-45] regenen[^job-20-23-46] op zijn voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v23)

**24** [^job-20-24-47] Hij zij gevlucht van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem[^job-20-24-48] doorschieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v24)

**25** Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en[^job-20-25-50] glinsterende uit[^job-20-25-51] zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.[^job-20-25-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v25)

**26** Alle[^job-20-26-52] duisternis zal verborgen zijn in[^job-20-26-53] zijn schuilplaatsen;[^job-20-26-54] een vuur, dat[^job-20-26-55] niet aangeblazen is, zal hem verteren;[^job-20-26-56] de overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v26)

**27** [^job-20-27-57] De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v27)

**28** De opbrengst van zijn huis zal[^job-20-28-58] weggevoerd worden;[^job-20-28-59] het zal al henenvloeien in de[^job-20-28-60] dag van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v28)

**29** Dit is het[^job-20-29-61] deel van de goddeloze mens van God, en de[^job-20-29-62] erfenis[^job-20-29-63] van zijn redenen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/20.html#v29)

[^job-20-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, om wat Job recht tevoren gesproken had, boven, Job 19:29 ; dreigende zijn vrienden met Gods straf, uit oorzaak van hun verkeerd oordeel en kwaadspreken. Job 19:29 : Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden van het zwaard; opdat u weet, dat er een gericht zij.
[^job-20-2-2]: Kanttekening 2: Zie van dit woord boven, Job 4:13 . Job 4:13 : Onder de gedachten van de gezichten van de nacht, als diepe slaap valt op de mensen;
[^job-20-2-3]: Kanttekening 3: Anders, terugkeren; te weten om Job te antwoorden; want dit had hij tevoren nog eens gedaan, boven, Job 11 .
[^job-20-2-4]: Kanttekening 4: in mij: Anders, om mijnentwil; te weten om mijn eer te verdedigen.
[^job-20-3-5]: Kanttekening 5: die mij schande aandoet: Hebreeuws, een bestraffing, of tucht van mijn schande; dat is, die met mijn schaamte en schande verenigd is, omdat Job ons daarin bestraft van onwetendheid en onbeleefdheid; zo mijn schande of, schaamte, voor wat mij schande aandoet of beschaamd maakt; 2 Sam. 13:13 ; boven Job 19:5 . 2 Samuël 13:13 : Want ik, waarhenen zou ik mijn schande brengen? En u, u zoudt zijn als één van de dwazen in Israël; zo spreek toch nu tot de koning, want hij zal mij van u niet onthouden. Job 19:5 : Als u waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
[^job-20-3-6]: Kanttekening 6: de geest: Versta, de Heilige Geest, van welke de rechte wetenschap en uitspraak voortkomt; Num. 11:29 ; 1 Kor. 12:11 . Of versta de ziel van de mensen, die niet alleen met redelijk verstand begaafd is door de schepping, maar ook met bovennatuurlijke wetenschap verlicht wordt door de wedergeboorte. Numeri 11:29 : Maar Mozes zei tot hem: Bent u voor mij ijverende? Och, of al het volk van YHWH profeten waren, dat YHWH Zijn Geest over hen gave! 1 Korinthiërs 12:11 : Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan iedereen in het bijzonder, zoals Hij wil.
[^job-20-3-7]: Kanttekening 7: uit mijn verstand: Dat is, uit welgestelde en gematigde zinnen, en niet uit toornig gemoed en kwade driften. Of, boven mijn verstand.
[^job-20-4-8]: Kanttekening 8: God : Vergelijk boven, Job 3:20 . Zo onder, vers 23 , waar het woord God ook ingevoegd is. Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Job 20:23 : Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem regenen op zijn voedsel.
[^job-20-5-a]: Verwijzing a: Ps. 37:35 ; idem v. 36 . Psalmen 37:35 : Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Psalmen 37:36 : Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
[^job-20-5-9]: Kanttekening 9: Of, het vreugdegeschrei; dat is, de blijdschap en vreugde, voortkomende uit de tijdelijke voorspoed.
[^job-20-5-10]: Kanttekening 10: van nabij: Dat is, onlangs begonnen. Zo worden de nieuwe goden genoemd goden van nabij gekomen, Deut. 32:17 ; dat is onlangs opgekomen. Vergelijk boven, Job 17:12 . Deuteronomium 32:17 : Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor die uw vaders niet geschrikt hebben. Job 17:12 : De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij de ondergang vanwege de duisternis.
[^job-20-6-11]: Kanttekening 11: tot de hemel toe opklomme: Dat is, zeer uitstak; zie Gen. 11:4 . Genesis 11:4 : En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gehele aarde verstrooid worden!
[^job-20-7-12]: Kanttekening 12: zijn drek: Vergelijk 1 Kon. 14:10 . 1 Koningen 14:10 : Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.
[^job-20-8-13]: Kanttekening 13: als een droom: Dat is, zeer haastig en schielijk; want gelijk de gedachtenis van de droom zelf zeer lichtelijk verdwijnt, zo vindt men ook gemeenlijk niet, wanneer men wakker wordt, wat men gedroomd heeft; Jes. 29:7 , 29:8 . Jesaja 29:7 : En gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen. Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen.
[^job-20-8-14]: Kanttekening 14: gezicht van de nacht: Te weten, dat de mens in zijn droom vertoond wordt.
[^job-20-9-15]: Kanttekening 15: zal het niet meer doen: Hebreeuws, zal niet toedoen; dat is, zal hem niet meer zien. Vergelijk Gen. 8:10 . Genesis 8:10 : En hij wachtte nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif opnieuw uit de ark.
[^job-20-9-16]: Kanttekening 16: zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen: Dat is, hij zal in zijn plaats niet meer gezien of gevonden worden. Zie boven, Job 7:10 . Job 7:10 : Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
[^job-20-10-17]: Kanttekening 17: te behagen: Te weten, omdat zij nog armer zouden worden dan de gemene armen, of omdat zij vrezen zouden door de armen, die van hun ouders geweld geleden hadden, voor het gericht betrokken te worden.
[^job-20-10-18]: Kanttekening 18: zijn vermogen: Dat is, zijn goed, dat hij met geweld de armen onttrokken heeft.
[^job-20-11-19]: Kanttekening 19: verborgen zonden : Vergelijk Ps. 90:8 , en de aantekening. Sommigen verstaan het van de zonden van de jeugd, verstaande de zonden in de tijd van zijn jonkheid begaan, en ook de plagen en de ziekten, die de zonden van de jonkheid plegen na te volgen als rechtvaardige oordelen van God. Psalmen 90:8 : U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze geheime zonden in het licht Uws aangezichts.
[^job-20-11-20]: Kanttekening 20: Te weten, van de beenderen, vol van de plagen van zijn zonden, welke hem alle tot de dood toe bijblijven zullen. Anders, elk; te weten, van de geheime zonden van zijn jonkheid. De zin komt op hetzelfde uit.
[^job-20-12-21]: Kanttekening 21: Te weten, van de zonde en boosheid. Zo Gen. 6:5 ; 1 Sam. 17:28 ; Ps. 28:4 , enz. Genesis 6:5 : En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was. 1 Samuël 17:28 : Als Eliab, zijn grootste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom bent u nu afgekomen, en onder wie hebt u de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want u bent afgekomen, opdat u de strijd zaagt. Psalmen 28:4 : Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar het werk van hun handen; doe hun vergelding tot hen terugkeren.
[^job-20-12-22]: Kanttekening 22: zijn mond: Dat is, in zijn oordeel en beweging. Zo is het woord mond in het tegendeel genomen, Ps. 119:103 . Psalmen 119:103 : Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
[^job-20-12-23]: Kanttekening 23: zoet is: Dat is, aangenaam en vermakelijk, als een lieflijk voedsel in de mond; want gelijk deze, wat in de mond gehouden zijnde, de mens somtijds wel voor een wijle vermaakt, maar daarna zeer bitter opkomt of in het lijf opnieuw veroorzaakt, zo zal de zonde voor een tijdlang de mens wel wat genoegen geven, maar de straf, die daarop volgt, is met grote smart verenigd. Vergelijk Spr. 5:3 , 5:4 . Spreuken 5:3 : Want de lippen van de vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. Spreuken 5:4 : Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
[^job-20-12-24]: Kanttekening 24: Te weten, om de smaak, dat is het vermaak van de zonde te langer te behouden. Vergelijk vers 13 . Job 20:13 : Hij dat spaart, en hetzelfde niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;
[^job-20-13-25]: Kanttekening 25: dat spaart: Te weten, dat kwaad van de zonde, dat hier, gelijk tevoren, bij een voedsel vergeleken wordt.
[^job-20-14-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, לַחְמ, zijn brood. Hij blijft in de voorgaande gelijkenis.
[^job-20-14-27]: Kanttekening 27: Waarvan het vergif zeer haastig doodt.
[^job-20-14-28]: Kanttekening 28: Dat is, in zijn hart of ziel. Zo 1 Kon. 3:28 ; Ps. 49:12 , en Ps. 51:12 , en Ps. 55:5 , en Ps. 62:5 , en Ps. 94:19 ; Jer. 9:8 , en Jer. 31:33 . 1 Koningen 3:28 : En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht van de koning; want zij zagen, dat de wijsheid van God in hem was, om recht te doen. Psalmen 49:12 : Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. Psalmen 51:12 : Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Psalmen 55:5 : Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen van de dood zijn op mij gevallen. Psalmen 62:5 : Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela. Psalmen 94:19 : Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. Jeremia 9:8 : Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij zijn lagen. Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^job-20-15-29]: Kanttekening 29: Dat is, met grote gretigheid, gierigheid en onverzadelijke begeerte vergaderd. Hij oordeelt dat Job zijn goed kwalijk gekregen had.
[^job-20-15-30]: Kanttekening 30: zal het uitspuwen: Dat is, zijn zonden, ongerechtigheden en geroofde middelen zullen hem zo bekomen als een, die zijn voedsel pijnlijk uitwalgt, of als het sterkste vergif, dat iemand ingedronken heeft.
[^job-20-17-31]: Kanttekening 31: De stromen: Versta hiermee een grote en rijke overvloed van allerlei goederen. Zo Ps. 46:5 ; Jes. 41:18 ; Joh. 7:38 . Psalmen 46:5 : De beekjes van de rivier zullen verblijden de stad van God, het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste. Jesaja 41:18 : Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien.
[^job-20-17-32]: Kanttekening 32: van honig: Door deze dingen en andere worden in de Heilige Schrift te kennen gegeven zeer uitnemende zegeningen, dit tijdelijk leven rakende. Zie Ex. 3:8 ; 2 Kon. 18:32 ; onder, Job 29:6 , en de aantekening. Exodus 3:8 : Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. 2 Koningen 18:32 : Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zo zult u leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: YHWH zal ons redden. Job 29:6 : Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
[^job-20-18-33]: Kanttekening 33: Dat is, anderer mensen goed, dat zij door hun arbeid gewonnen hadden. Zo Deut. 28:33 ; Job 39:14 ; Ps. 78:46 , en Ps. 109:11 . Deuteronomium 28:33 : De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn. Job 39:14 : Zult u op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult u uw arbeid op hem laten? Psalmen 78:46 : En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun arbeid de sprinkhaan. Psalmen 109:11 : Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
[^job-20-18-34]: Kanttekening 34: Te weten aan degenen, die hij onrecht gedaan en het hunne geroofd had, zijnde tot deze wedergeving door de overheid gedwongen.
[^job-20-18-35]: Kanttekening 35: Dat is, niet verdoen, noch genieten. Dit strijdt niet tegen het inslokken, waarvan gesproken is vers 15 , want dat is te verstaan van het onrechtvaardig verkrijgen en het bezitten voor een tijd; maar dit van het gedurig gebruik. Job 20:15 : Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.
[^job-20-18-36]: Kanttekening 36: naar het vermogen: Te weten, naar zijn vermogen; dat is, naardat hij rijk en machtig geweest is, zal hij arm en katijvig worden, dat genaamd wordt zijn verandering. Of, naar de mate, grootheid en veelheid van het goed, dat hij gestolen of geroofd heeft, zal zijn wedergeving moeten zijn, en deze wordt zijn verandering genaamd, omdat hij daardoor arm wordt die rijk was.
[^job-20-19-b]: Verwijzing b: Pred. 5:12 . Prediker 5:12 : Er is een kwaad, dat ziekte aanbrengt, dat ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
[^job-20-19-37]: Kanttekening 37: dat hij niet opgebouwd had: Anders, en hij heeft het niet gebouwd; dat is, hij heeft de huizen wel geroofd, maar heeft de armen geen huizen gebouwd.
[^job-20-20-38]: Kanttekening 38: Dat is, omdat hij een onverzadelijken buik gehad heeft. Zie vers 15 . Job 20:15 : Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.
[^job-20-20-39]: Kanttekening 39: in zijn buik: Dat is, in zijn hart of binnenste. Zie boven, Job 15:2 . Of, in zijn persoon, zijnde een deel voor het geheel genomen. Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
[^job-20-20-40]: Kanttekening 40: gewenst goed: Hebreeuws, wens, of begeerte; dat is, gewenste of begeerlijke dingen.
[^job-20-21-41]: Kanttekening 41: hij niet wachten: Te weten, omdat hij door zijn nood zo ten enenmale zal vallen dat hij geen uitkomst zien zal om iets beters te verwachten.
[^job-20-22-42]: Kanttekening 42: Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn: Dat is, als hij goed en rijkdom genoeg zal hebben om gelukkiglijk zijn leven door te brengen.
[^job-20-22-43]: Kanttekening 43: alle hand: Dat is, alle armen, die van hem beroofd zijn en beroofd gemaakt, zullen het hunne weer zoeken te krijgen.
[^job-20-23-44]: Kanttekening 44: zij wat : Dat is, genomen, dat er enige voorraad van het voedsel en drank zij om hem te verzadigen.
[^job-20-23-45]: Kanttekening 45: Te weten, zijn plagen en rechtvaardige straffen. Vergelijk Ps. 11:6 . Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
[^job-20-23-46]: Kanttekening 46: op zijn voedsel: Te weten, dat zij hem niet bekome. Anders, als hij eet. Vergelijk Num. 11:33 . Numeri 11:33 : Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag.
[^job-20-24-47]: Kanttekening 47: Hij zij gevlucht: Dat is, gesteld dat hij door de vlucht een gevaar ontkomen is, een ander zal hem treffen. Ditzelfde wordt met andere manier van spreken ook uitgedrukt Jes. 24:18 ; Jer. 48:44 , en Amos 5:19 . Jesaja 24:18 : En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vreze vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten van de aarde zullen beven. Jeremia 48:44 : Die van de vreze ontvliedt, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hun bezoeking brengen, spreekt YHWH. Amos 5:19 : Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^job-20-24-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, יִבְרַח, eigenlijk, doorgaan.
[^job-20-25-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, de glinster, blik, of glans, te weten, van het zwaard, dat is: de blinkende punt van het zwaard. Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Deut. 32:41 ; Ez. 21:10 , 21:15 ; Nah. 3:3 ; Hab. 3:11 . Deuteronomium 32:41 : Als Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen terugkeren, en Mijn hateren vergelden. Ezechiël 21:10 : Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt. Ezechiël 21:15 : Ik heb de punt van het zwaard gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten. Nahum 3:3 : De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid van de verslagenen zijn, en een zware menigte van de dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn van de lichamen, men zal over hun lichamen struikelen; Habakuk 3:11 : De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarheen, met glans Uw bliksemende spies.
[^job-20-25-51]: Kanttekening 51: zijn gal: Versta, het binnenste zijns lichaams; waarmee betekent wordt een dodelijke plaag, dat is, de ondergang van de boze.
[^job-20-25-49]: Kanttekening 49: Het woord zwaard is begrepen in het woord schalaph, uittrekken, dat meest van het zwaard gebruikt wordt. Zie Num. 22:23 , 22:31 ; Richt. 8:20 , en Richt. 9:54 , en Richt. 20:2 , 20:25 ; 1 Sam. 31:4 . Anders, Hij \[te weten, God\] zal uittrekken, enz. Zie boven, vers 4 , 20:23 ; onder, Job 21:17 ; Deut. 32:41 , 32:42 . Numeri 22:23 : De ezelin nu zag de Engel van YHWH staande in de weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bileam de ezelin, om haar naar de weg te doen wenden. Numeri 22:31 : Toen ontdekte YHWH de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van YHWH zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht. Richteren 8:20 : En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was. Richteren 9:54 : Toen riep hij haastig de jongen, die zijn wapenen droeg, en zei tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf. Richteren 20:2 : En uit de hoeken van het hele volk stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken. Richteren 20:25 : En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en velden van de kinderen van Israël nog achttien duizend man neder ter aarde; die allen trokken het zwaard uit. 1 Samuël 31:4 : Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. Job 20:4 : Weet u dit? Van altijd af, van dat God de mens op de wereld gezet heeft, Job 20:23 : Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem regenen op zijn voedsel. Job 21:17 : Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp van de goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn! Deuteronomium 32:41 : Als Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen terugkeren, en Mijn hateren vergelden. Deuteronomium 32:42 : Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van de gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn.
[^job-20-26-52]: Kanttekening 52: Dat is, tegenspoed en rampzaligheid, die hem God vanwege zijn boosheid laat overkomen; zie Gen. 15:12 . Sommigen verstaan dat zijn schuilplaatsen, waar hij zich in het donker meende te verbergen, licht zullen zijn. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-20-26-53]: Kanttekening 53: zijn schuilplaatsen: Versta, de schuilhoeken en geheime middelen, die de bozen pogen uit te vinden om Gods oordelen te ontgaan. De zin is, dat het zo verre is van daarin enige hulp te zullen vinden, dat daarin ook anders niets voor hen weggelegd is dan tegenspoed en ellende. Andere verstaan de opgesloten rijkdommen van de bozen, van welke hij niets goeds genieten maar allerlei verdriet krijgen zou. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 17:14 . Psalmen 17:14 : Met Uw hand van de mensen, o YHWH! van de mensen, die van de wereld zijn, van wie het deel in dit leven is, van wie U de buik vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderen achter.
[^job-20-26-54]: Kanttekening 54: een vuur: Versta, de toorn en de wraak Gods, welke bij een vuur vergeleken wordt. Zie Deut. 32:22 met de aantekening; idem Jes. 26:11 ; Jer. 15:14 ; Klaagl. 2:3 . Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. Jesaja 26:11 : YHWH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren. Jeremia 15:14 : En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden. Klaagliederen 2:3 : Gimel. Hij heeft, in ontsteking van de toorn, de hele hoorn Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
[^job-20-26-55]: Kanttekening 55: niet aangeblazen is: Dat is, niet aangestoken door enig mens, maar voortkomende van Gods rechtvaardig oordeel. Het schijnt dat hij ziet op wat staat boven, Job 1:16 . Men kan dit ook verstaan in het algemeen van de oordelen van God en het helse vuur. Vergelijk Jes. 30:33 . Job 1:16 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Jesaja 30:33 : Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van YHWH zal hem aansteken als een zwavelstroom.
[^job-20-26-56]: Kanttekening 56: de overigen in zijn tent: Versta, zijn huisgenoten en nakomelingen, die zijn boosheid navolgen.
[^job-20-27-57]: Kanttekening 57: De hemel: De zin is, dat alle schepselen, hemelse en aardse, geestelijke en lichamelijke, levende en levenloze, voor God ten dienst zullen staan, om zijn rechtvaardige oordelen tegen de goddelozen uit te voeren.
[^job-20-28-58]: Kanttekening 58: Dat is, wegraken, versmelten en vergaan.
[^job-20-28-59]: Kanttekening 59: het zal al henenvloeien: Hebreeuws, wegvloeiende, of uitgestort, in het getal van velen.
[^job-20-28-60]: Kanttekening 60: dag van Zijn toorn: Versta de dag van de toorn van God, dat is de gezette tijd, in welke God zijn toorn bewijzen zou door zijn rechtvaardige straffen uit te zenden. Vergelijk onder, Job 24:1 ; Spr. 6:34 en Spr. 11:4 ; Jes. 13:13 ; Klaagl. 2:21 ; Ez. 22:24 ; Zef. 1:15 ; Rom. 2:5 . Job 24:1 : Waarom zouden van de Almachtige de tijden niet verborgen zijn, omdat zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? Spreuken 6:34 : Want jaloërsheid is een grimmigheid van de man; en in de dag van de wraak zal hij niet sparen. Spreuken 11:4 : Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood. Jesaja 13:13 : Daarom zal Ik de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, en vanwege de dag van Zijn hittige toorn. Klaagliederen 2:21 : Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; U hebt ze in de dag Uws toorns gedood, U hebt ze geslacht en niet verschoond. Ezechiël 22:24 : Mensenkind, zeg tot haar; U bent een land, dat niet gereinigd is, dat zijn plasregen niet heeft gehad op de dag van de toorn. Zefanja 1:15 : Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angst, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid; Romeinen 2:5 : Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, vergadert u uzelven toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God.
[^job-20-29-61]: Kanttekening 61: Dat is het loon of de straf, de bozen van God naar zijn rechtvaardig oordeel toebescheiden. Zo onder Job 27:13 , en Job 31:2 ; Ps. 50:18 ; Jes. 17:14 en Jes. 57:6 . Job 27:13 : Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en de erve van de tirannen, die zij van de Almachtige ontvangen zullen. Job 31:2 : Want wat is het deel Gods van boven, of de erve van de Almachtige uit de hoogten? Psalmen 50:18 : Als u een dief ziet, zo loopt u met hem; en uw deel is met de overspelers. Jesaja 17:14 : Ten tijde van de avond, ziet, zo is er verschrikking, voordat het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. Jesaja 57:6 : Aan de gladde stenen van de beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort u dezelfde drankoffer uit, u offert hun spijsoffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten?
[^job-20-29-62]: Kanttekening 62: Versta hetzelfde dat recht tevoren een deel genaamd is. Zo onder, Job 27:13 en Job 31:2 . Job 27:13 : Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en de erve van de tirannen, die zij van de Almachtige ontvangen zullen. Job 31:2 : Want wat is het deel Gods van boven, of de erve van de Almachtige uit de hoogten?
[^job-20-29-63]: Kanttekening 63: zijn redenen van God: Dat is, van de lasterlijke redenen, die de goddelozen tegen God uitgieten. Anders, zijn uitspraak, van God; dat is van het rechtvaardig vonnis, dat God voorgenomen heeft tegen de goddelozen uit te voeren.

### Job 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/21.json)

*Job verzoekt gehoor van zijn vrienden, vers 1 enz. geeft de reden waarom zijn geest ontsteld is, 4. toont dat de goddelozen meestal gelukkig zijn in de wereld, 7. hoewel zij God lasteren, 14. hij verafschuwt hen, 16. toch worden zij hier zelden gestraft, 17. God is rechtvaardig, hoewel Hij ongelijk met de mensen handelt, 22. Job komt de kwade oordelen van zijn vrienden voor, die zij hadden over zijn kinderen, 27. bewijst dat de goddelozen hier meestal tot het einde van hun leven toe van alle straf vrij zijn, 29. hij verwerpt de vertroostingen van zijn vrienden, 34.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v1)

**2** [^job-21-2-1] Hoor aandachtig mijn rede, en laat[^job-21-2-2] dit zijn[^job-21-2-3] uw vertroostingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v2)

**3** Verdraag mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben,[^job-21-3-4] spot dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v3)

**4** Is (wat mij betreft) mijn klacht[^job-21-4-5] tot de mens? Maar[^job-21-4-6] of het zo was,[^job-21-4-7] waarom zou mijn geest niet[^job-21-4-8] verdrietig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v4)

**5** Zie mij aan, en wordt[^job-21-5-9] verbaasd, en[^job-21-5-10] legt de hand op de mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v5)

**6** Ja, wanneer ik[^job-21-6-11] daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een huivering gevat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v6)

**7** [^job-21-7-a] Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v7)

**8** Hun[^job-21-8-12] zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun[^job-21-8-13] spruiten zijn voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v8)

**9** Hun huizen hebben[^job-21-9-14] vrede zonder vrees, en de[^job-21-9-15] roede Gods is op hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v9)

**10** [^job-21-10-16] Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v10)

**11** Hun jonge kinderen zenden[^job-21-11-17] zij uit als een[^job-21-11-18] kudde, en hun kinderen[^job-21-11-19] huppelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v11)

**12** Zij[^job-21-12-20] heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid van de orgel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v12)

**13** In[^job-21-13-21] het goede[^job-21-13-22] verslijten zij hun dagen; en[^job-21-13-23] in een ogenblik dalen zij in het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v13)

**14** [^job-21-14-b] Toch[^job-21-14-24] zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis[^job-21-14-25] van Uw wegen hebben wij geen lust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v14)

**15** [^job-21-15-c] Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben,[^job-21-15-26] dat wij Hem aanlopen zouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v15)

**16** Maar[^job-21-16-27] zie, hun goed is niet in hun hand;[^job-21-16-d] de[^job-21-16-28] raad van de goddelozen is ver van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v16)

**17** [^job-21-17-29] Hoe dikwijls gebeurt het, dat[^job-21-17-30] de lamp van de goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat[^job-21-17-e] God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v17)

**18** Dat[^job-21-18-31] zij als stro worden voor de wind, en als kaf, dat de wervelwind wegsteelt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v18)

**19** Dat God Zijn[^job-21-19-32] geweld[^job-21-19-33] weglegt voor Zijn kinderen,[^job-21-19-34] hem[^job-21-19-35] vergeldt, dat hij het bemerkt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v19)

**20** Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en[^job-21-20-36] hij drinkt van de woede van de Almachtige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v20)

**21** Want[^job-21-21-37] wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben,[^job-21-21-38] als het getal van zijn maanden afgesneden is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v21)

**22** [^job-21-22-f] Zal men God[^job-21-22-39] wetenschap leren, daar Hij de[^job-21-22-40] hogen[^job-21-22-41] richt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v22)

**23** [^job-21-23-42] Deze sterft[^job-21-23-43] in de kracht van zijn volkomenheid, daar hij geheel stil en gerust was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v23)

**24** Zijn[^job-21-24-44] melkvaten waren vol melk, en het[^job-21-24-45] merg van zijn benen was bevochtigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v24)

**25** De ander daarentegen sterft[^job-21-25-46] met een bittere ziel, en hij heeft van het[^job-21-25-47] goede niet[^job-21-25-48] gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v25)

**26** Zij liggen[^job-21-26-49] samen neer in het stof,[^job-21-26-g] en het gewormte overdekt ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v26)

**27** [^job-21-27-50] Zie, ik weet uw gedachten, en de[^job-21-27-51] boze verdichtselen, waarmee u tegen mij geweld doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v27)

**28** Want u zult[^job-21-28-52] zeggen: Waar is[^job-21-28-53] het huis van de prins, en waar is de tent van de woningen van[^job-21-28-54] de goddelozen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v28)

**29** Hebt u niet[^job-21-29-55] gevraagd[^job-21-29-56] de voorbijgaanden op de weg, en kent u hun[^job-21-29-57] tekenen niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v29)

**30** [^job-21-30-h] Dat de boze[^job-21-30-58] onttrokken wordt op de dag van het verderf;[^job-21-30-59] dat zij op de dag van[^job-21-30-60] de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v30)

**31** Wie zal[^job-21-31-61] hem in het aangezicht[^job-21-31-62] zijn weg vertonen? Als hij[^job-21-31-63] wat doet,[^job-21-31-64] wie zal hem vergelden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v31)

**32** Eindelijk wordt hij naar[^job-21-32-65] de graven gebracht, en[^job-21-32-66] is steeds in de aardhoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v32)

**33** [^job-21-33-67] De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij[^job-21-33-68] trekt na zich alle mensen; en van degenen, die[^job-21-33-69] voor hem geweest zijn, is geen getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v33)

**34** Hoe vertroost[^job-21-34-70] u mij dan met zinloosheid, omdat in uw antwoorden[^job-21-34-71] overtreding overig is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/21.html#v34)

[^job-21-2-1]: Kanttekening 1: Hoort aandachtelijk: Hebreeuws, horende hoort.
[^job-21-2-2]: Kanttekening 2: dit zijn: Te weten, dat u stilzwijgt en mij met aandacht toehoort.
[^job-21-2-3]: Kanttekening 3: uw vertroostingen: Dat is, in de eerste plaats van de vertroostingen, die u mij in deze droeve staat behoorde te geven.
[^job-21-3-4]: Kanttekening 4: spot dan : Namelijk, u Zofar, die met uw verhaasting recht tevoren mijn rede afgebroken hebt; boven, Job 20:2 . Job houdt Zofars antwoord voor bespotting. Job 20:2 : Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
[^job-21-4-5]: Kanttekening 5: tot de mens: Hij wil zeggen: Nee, maar veel meer tot God, die alleen zijn consciëntie zag en zijn onschuld verdedigen kon. De mensen, gelijk zijn vrienden, deden hem anders niet dan kwellingen aan.
[^job-21-4-6]: Kanttekening 6: of het zo ware: Te weten, dat mijn klacht tot de mens ware.
[^job-21-4-7]: Kanttekening 7: Omdat de mensen tegen mij, die zo ellendig ben, zo onbeleefd zijn.
[^job-21-4-8]: Kanttekening 8: verdrietig zijn: Of, benauwd zijn. Hebreeuws, תִקְצַר, bekort zijn. Zo kortheid van de geest voor benauwdheid van de geest; Ex. 6:8 . Elders, verdrietig zijn. Zie Richt. 16:16 . Exodus 6:8 : En Mozes sprak zo tot de kinderen van Israël; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van de geest, en vanwege de harde dienstbaarheid. Richteren 16:16 : En het geschiedde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe;
[^job-21-5-9]: Kanttekening 9: Te weten, door de aanmerking van mijn grote ellende.
[^job-21-5-10]: Kanttekening 10: legt de hand op de mond: Te weten, tot een teken van stilzwijgendheid, komende uit verschrikking, die mijn lijden u behoort te veroorzaken. Zie van deze manier van spreken Richt. 18:19 ; idem onder, Job 29:9 , en Job 39:37 ; Spr. 30:32 . Richteren 18:19 : En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van een man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël? Job 29:9 : De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond. Job 39:37 : Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Spreuken 30:32 : Zo u dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo u kwaad bedacht hebt, de hand op de mond!
[^job-21-6-11]: Kanttekening 11: daaraan : Te weten, dat ik dus veel lijden moet, die vroom ben, en velen zo welvaren, die goddeloos zijn; gelijk in het volgende gezegd wordt.
[^job-21-7-a]: Verwijzing a: Ps. 17:10 ; Ps. 73:12 ; Jer. 12:1 ; Habak. 1:16 . Psalmen 17:10 : Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. Psalmen 73:12 : Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. Jeremia 12:1 : U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? Habakuk 1:16 : Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelfde is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig.
[^job-21-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, kinderen, nakomelingen. Zie Gen. 9:9 , en Jes. 21:15 , welke in het volgende worden genaamd spruiten. Genesis 9:9 : Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; Jesaja 21:15 : Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de zwarigheid van de krijg.
[^job-21-8-13]: Kanttekening 13: Zie boven, Job 5:25 . Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.
[^job-21-9-14]: Kanttekening 14: Hun huizen hebben vrede: Hebreeuws, בָּתֵּי, hun huizen vrede; dat is, hebben vrede, of zijn in vrede. Zie gelijke manier van spreken, 2 Sam. 17:3 , en de aantekening. Vrede voor voorspoed en welstand; zie Gen. 37:14 . 2 Samuël 17:3 : En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^job-21-9-15]: Kanttekening 15: roede Gods: Dat is, de straf en kastijding Gods; zie boven, Job 9:34 . Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
[^job-21-10-16]: Kanttekening 16: Zijn stier: Te weten, van de goddeloze. Het is een verandering van het getal; want van de goddelozen wordt het veelvoudig getal gebruikt in de drie voorgaande verzen, vers 7 , 21:8 , 21:9 , gelijk ook in de volgende, vers 11 , 21:12 , 21:13 , enz., maar hier wordt het eenvoudig getal genomen. Zo Ex. 34:15 , en boven, Job 14:12 , enz. Job 21:7 : Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? Job 21:8 : Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen. Job 21:9 : Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet. Job 21:11 : Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen. Job 21:12 : Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid van het orgel. Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf. Exodus 34:15 : Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, u van hun offerande etet. Job 14:12 : Zo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
[^job-21-11-17]: Kanttekening 17: Te weten, de goddelozen.
[^job-21-11-18]: Kanttekening 18: Te weten, van schapen of geiten. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 12:16 . De zin is, dat zij veel kinderen hebben, die zich overal in de lande met vermaking van de ouders uitbreiden. Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^job-21-11-19]: Kanttekening 19: Namelijk, van uitwendige weelde en inwendige vreugde; gelijk het jonge vee gewoon is te doen in vette weiden, die alleszins wel voorzien en bewaard zijn.
[^job-21-12-20]: Kanttekening 20: Te weten, de voeten, of de stem.
[^job-21-13-21]: Kanttekening 21: Te weten, van het tijdelijke leven, als staat, aanzien, rijkdom, gemak en de goede welstand. Zo onder, vers 25 ; Ps. 104:28 ; Spr. 11:10 ; Pred. 6:3 ; Jes. 1:19 , enz. Job 21:25 : De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten. Psalmen 104:28 : Geeft U ze hun, zij vergaderen ze; doet U Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. Spreuken 11:10 : Een stad springt op van vreugde over het welvaren van de rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich. Prediker 6:3 : Als een man honderd kinderen verwekte, en vele jaren leefde, zodat de dagen van zijn jaren veel waren, maar zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij. Jesaja 1:19 : Als u willig bent en hoort, zo zult u het goede van dit land eten;
[^job-21-13-22]: Kanttekening 22: Of, verouden.
[^job-21-13-23]: Kanttekening 23: in een ogenblik: Dat is, haastig, zonder in langdurige en pijnlijke smarten te kwijnen.
[^job-21-14-b]: Verwijzing b: Job 22:17 . Job 22:17 : Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?
[^job-21-14-24]: Kanttekening 24: zeggen zij: Te weten, niet zozeer met de mond, omdat zij zich daarvan schamen, als met het hart, dat vol is van verachting van de goddelijke naam. Vergelijk Ps. 14:1 , en Ps. 36:2 ; Mal. 3:14 , 3:15 . Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Psalmen 36:2 : De overtreding van de goddeloze spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vrees voor God voor zijn ogen. Maleachi 3:14 : U zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van YHWH van de legermachten? Maleachi 3:15 : En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij YHWH, en ontkomen.
[^job-21-14-25]: Kanttekening 25: Uw wegen: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^job-21-15-c]: Verwijzing c: Ex. 5:2 ; Mal. 3:14 . Exodus 5:2 : Maar Farao zei: Wie is YHWH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken YHWH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. Maleachi 3:14 : U zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van YHWH van de legermachten?
[^job-21-15-26]: Kanttekening 26: dat wij Hem: Te weten, om Hem aan te roepen, gelijk Jer. 7:16 . Jeremia 7:16 : U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.
[^job-21-16-27]: Kanttekening 27: hun goed is niet in hun hand: Dat is, hun welvaren is in hun macht niet, maar alleen in de genadige zegen van de Allerhoogste. Job spreekt hier in zijn persoon, en verfoeit de ijdelheid en de goddeloosheid van de ongelovige en onvrome mensen, verklarende geen gemeenschap daarmee te willen hebben.
[^job-21-16-d]: Verwijzing d: Job 22:18 . Job 22:18 : Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad van de goddelozen verre van mij.
[^job-21-16-28]: Kanttekening 28: Dat is, het gevoelen, voornemen en bedrijf; vergelijk Deut. 32:28 ; boven, Job 10:3 , en Job 18:7 ; Ps. 1:1 . Deuteronomium 32:28 : Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. Job 10:3 : Is het U goed, dat U verdrukt, dat U verwerpt de arbeid van Uw handen, en over de raad van de goddelozen schijnsel geeft? Job 18:7 : De treden van zijn macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen. Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^job-21-17-29]: Kanttekening 29: Hoe dikwijls geschiedt het: Hij wil zeggen: Niet zeer dikwijls; zo onder, vers 20 . Hij staat wel toe dat het somtijds gebeurt wat Zofar gedreven had, boven, Job 20:5 , en Bildad, boven, Job 18:5 , maar loochent zulks dikwijls te gebeuren, veelmin altijd. Zo in het volgende. Job 21:20 : Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid van de Almachtige! Job 20:5 : Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde van de huichelaar voor een ogenblik? Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-21-17-30]: Kanttekening 30: Dat is, zijn voorspoed en welvaren. Zie boven, Job 18:5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-21-17-e]: Verwijzing e: Job 20:29 ; Ps. 11:6 ; idem v. 7 . Job 20:29 : Dit is het deel van de goddelozen mensen van God, en de erve zijn redenen van God. Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Psalmen 11:7 : Want YHWH is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte.
[^job-21-18-31]: Kanttekening 31: gelijk stro: Vergelijk onder, Job 27:21 ; Ps. 1:4 , en Ps. 35:5 ; Jes. 17:13 , en Jes. 29:5 ; Hos. 13:3 . Job 27:21 : De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Psalmen 35:5 : Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel van YHWH drijve hen weg. Jesaja 17:13 : De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind. Jesaja 29:5 : En de menigte van uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren. Hosea 13:3 : Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd.
[^job-21-19-32]: Kanttekening 32: Versta, het geweld van de goddeloze, dat is de straf, die hij door geweld en moedwil, aan anderen bedreven, verdiend heeft.
[^job-21-19-33]: Kanttekening 33: Dat is, verstelt en ophoudt, om die op zijn kinderen, die de voetstappen van zijn goddeloosheid navolgen, daarna te brengen; Ex. 20:5 . Hij ziet op wat Zofar gezegd had, boven, Job 20:10 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Job 20:10 : Zijn kinderen zullen zoeken de armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weer uitkeren.
[^job-21-19-34]: Kanttekening 34: Dat is, de boze zelf in zijn eigen persoon.
[^job-21-19-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen de vergelding van de weldadigheid voor een goede daad, gelijk Ruth. 2:12; 1 Sam. 24:20 , onder, Job 41:2 , maar ook de vergelding van de straf voor een kwade daad, gelijk hier, en onder, vers 31 ; Richt. 1:7 ; 2 Sam. 3:39 ; Jer. 32:18 . 1 Samuël 24:20 : Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goede weg laten gaan? YHWH nu vergelde u het goede, voor deze dag, die u mij heden gemaakt hebt. Job 41:2 : Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de ganse hemel is, is het Mijne. Job 21:31 : Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden? Richteren 1:7 : Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar. 2 Samuël 3:39 : Maar ik ben heden teder, en gezalfd ten koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; YHWH zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid. Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten!
[^job-21-20-36]: Kanttekening 36: hij drinkt van de grimmigheid: Dat is, hij krijgt de straf van de toorn van God. De manier van spreken is daarvan genomen, omdat Gods wraak bij een drank vergeleken wordt. Zie Ps. 75:9 . Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
[^job-21-21-37]: Kanttekening 37: wat lust zou hij: Hij wil zeggen: Geen; omdat de mensen, dood zijnde, geen kennis hebben van wat hier beneden geschiedt. Vergelijk boven, Job 14:21 . Job bejegent hiermee degene, die op het voorgaande hadden mogen zeggen: Zo de bozen in hun eigen persoon in dit leven niet gestraft worden, tenminste worden immers hun kinderen na hun dood geplaagd; waarop Job antwoordt dat zulks de doden niet deert, die daarvan niet weten. Job 14:21 : Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.
[^job-21-21-38]: Kanttekening 38: als het getal van zijn maanden afgesneden is: Dat is, als de vastgestelde tijd zijns levens geëindigd is.
[^job-21-22-f]: Verwijzing f: Jes. 40:13 ; Rom. 11:34 ; 1 Kor. 2:16 . Jesaja 40:13 : Wie heeft de Geest van YHWH bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Romeinen 11:34 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? 1 Korinthiërs 2:16 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
[^job-21-22-39]: Kanttekening 39: wetenschap leren: Te weten, waardoor Hij behoefde te verstaan hoe Hij de wereld wijselijk en rechtvaardiglijk zou kunnen regeren. Job wil hiermee voorkomen degenen, die hadden mogen vragen hoe de gerechtigheid van God lijden kan, dat de goddelozen hier zo zachtkens behandeld worden. Hij antwoordt dat God niemands onderwijs behoeft, zijnde zijn wil de opperste regel van al wat recht en goed is, en daarom zijn regering zowel rechtvaardig als onbegrijpelijk. Vergelijk Gen. 18:25 ; boven, Job 8:3 , en Job 34:12 ; Rom. 3:5 , 3:6 , en Rom. 11:33 , 11:34 . Genesis 18:25 : Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Job 8:3 : Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? Job 34:12 : Ook waarlijk, God handelt niet goddeloos, en de Almachtige verkeert het recht niet. Romeinen 3:5 : Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.) Romeinen 3:6 : Dat zij verre, anders hoe zal God de wereld oordelen? Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Romeinen 11:34 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
[^job-21-22-40]: Kanttekening 40: Versta, de engelen en die in de wereld verheven zijn.
[^job-21-22-41]: Kanttekening 41: Dat is, regeert, of oordeelt.
[^job-21-23-42]: Kanttekening 42: Deze sterft: Hij verklaart hoe wonderbaarlijk God de mens regeert.
[^job-21-23-43]: Kanttekening 43: in de kracht van zijn volkomenheid: Dat is, in het beste en hoogste zijns tijdelijken voorspoeds.
[^job-21-24-44]: Kanttekening 44: Versta hierdoor allerlei overvloed van tijdelijke middelen.
[^job-21-24-45]: Kanttekening 45: merg van zijn benen: Versta, de gezondheid van het lichaam; gelijk door de dorrigheid van het gebeente de kwade gestalte van het lichaam, onder, Job 30:30 ; Ps. 102:4 . Job 30:30 : Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. Psalmen 102:4 : Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.
[^job-21-25-46]: Kanttekening 46: met een bittere ziel: Dat is, zijnde in groot verdriet van het hart. Vergelijk de aantekening 2 Kon. 4:27 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^job-21-25-47]: Kanttekening 47: Te weten, van dit tijdelijke leven, gelijk boven, vers 13 . Zie de aantekening. Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
[^job-21-25-48]: Kanttekening 48: Dat is, gebruikt, of genoten. Zo is eten dikwijls voor krijgen en genieten in de Heilige Schrift genomen, niet alleen in het goede, Spr. 13:2 ; Jes. 1:19 , en Jes. 55:1 , 55:2 , maar ook in het kwade; Spr. 1:31 . Spreuken 13:2 : Een ieder zal van de vrucht van de mond het goede eten; maar de ziel van de trouwelozen het geweld. Jesaja 1:19 : Als u willig bent en hoort, zo zult u het goede van dit land eten; Jesaja 55:1 : O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Jesaja 55:2 : Waarom weegt u geld uit voor wat geen brood is, en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Spreuken 1:31 : Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
[^job-21-26-49]: Kanttekening 49: te zamen: Dat is, de één moet zowel als de ander sterven en verrotten in de aarde. Vergelijk Pred. 9:2 , 9:3 . Prediker 9:2 : Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen; enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, als de onreine; zo die, die offert, als die, die niet offert; gelijk de goede, zo ook de zondaar, die, die zweert, gelijk die, die de eed vreest. Prediker 9:3 : Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart van de mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.
[^job-21-26-g]: Verwijzing g: Job 17:14 . Job 17:14 : Tot de groeve roep ik: U bent mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zus!
[^job-21-27-50]: Kanttekening 50: Job spreekt zijn vrienden toe, om de gedachten, die zij van zijn kinderen mochten hebben, voor te komen.
[^job-21-27-51]: Kanttekening 51: boze verdichtselen: Het Hebreeuwse woord betekent wel in het algemeen allerlei gedachte, gelijk boven, Job 17:11 , maar ook in het bijzonder een boze gedachte, gelijk hier en Spr. 12:2 , en Spr. 14:17 , en Spr. 24:8 ; Jes. 32:7 ; somtijds betekent het ook een kloek en voorzichtig bedenken, gelijk Spr. 1:4 , en Spr. 3:21 . Job 17:11 : Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten. Spreuken 12:2 : De goede zal een welgevallen trekken van YHWH; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen. Spreuken 14:17 : Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. Spreuken 24:8 : Die denkt om kwaad te doen, die zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen. Jesaja 32:7 : En eens gierigaards gehele gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt. Spreuken 1:4 : Om de slechten kloekzinnigheid te geven, de jongeling wetenschap en bedachtzaamheid. Spreuken 3:21 : Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
[^job-21-28-52]: Kanttekening 52: Te weten, in uw harten.
[^job-21-28-53]: Kanttekening 53: huis van de prins: Sommigen verstaan het huis van Jobs oudsten zoon, dat, omdat het geruïneerd was, zijnde door een onweer omgeworpen geweest, boven, Job 1:19 , zo schijnt het dat de vrienden van Job daaruit besluiten wilden, dat die zoon een goddeloos mens geweest was. Anderen verstaan het in het algemeen. Job 1:19 : En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^job-21-28-54]: Kanttekening 54: Hij spreekt in het veelvoudig getal, ziende op de andere kinderen van Job en op de huisgenoten van Jobs oudsten zoon, die mee daaronder vergaan zijn; of menende de woningen van andere goddelozen, die ooit geweest waren, onder welke zijn vrienden, Jobs zoon, als een die zij denzelven gelijk mochten oordelen, schenen bedektelijk te verstaan.
[^job-21-29-55]: Kanttekening 55: Te weten, hoe het gaat met de vromen en onvromen in deze wereld, alsof hij zei: Als u dat gedaan hadt, u zoudt de waarheid vernomen hebben van wat ik nu zeggen zal. Zie vers 30 . Job 21:30 : Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden.
[^job-21-29-56]: Kanttekening 56: Dat is, de reizende mensen, die gemeenlijk veel zien en horen, en daardoor veel ervarenheid en wetenschap van alles krijgen.
[^job-21-29-57]: Kanttekening 57: Versta, de omstandigheden van personen, tijden en plaatsen, dienende tot verzekering van wat zij verhalen.
[^job-21-30-h]: Verwijzing h: Spr. 16:4 . Spreuken 16:4 : YHWH heeft alles gewrocht om Zijn Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad.
[^job-21-30-58]: Kanttekening 58: onttrokken wordt: Te weten, opdat de algemene plagen over hem niet komen, maar dat hij daarvan meer dan anderen verschoond blijve.
[^job-21-30-59]: Kanttekening 59: dat zij : Te weten de bozen. Verandering van het getal. Zie vers 10 . De zin is in het voorgaande lid. Job 21:10 : Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
[^job-21-30-60]: Kanttekening 60: Versta de straffen, die door Gods toorn over de zonden van de mensen komen. Toorn, of gramschap, wordt dikwijls genomen voor de straf, die daaruit voortkomen. Zie Ex. 15:7 ; Num. 16:46 ; Ps. 78:49 , en Ps. 85:4 ; Klaagl. 4:11 , enz. Exodus 15:7 : En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. Numeri 16:46 : En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van YHWH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. Psalmen 78:49 : Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaads. Psalmen 85:4 : U hebt weggenomen al Uw toorn; U hebt U gewend van de hitte Uws toorns. Klaagliederen 4:11 : Caph. YHWH heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hitte van Zijn toorn uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, dat haar fondamenten verteerd heeft.
[^job-21-31-61]: Kanttekening 61: Te weten, de goddeloze.
[^job-21-31-62]: Kanttekening 62: Dat is, de manier, zo hij zijn leven aanstelt, om hem daarover te onderwijzen en te berispen. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-21-31-63]: Kanttekening 63: wat doet: Te weten, wat kwaads.
[^job-21-31-64]: Kanttekening 64: wie zal hem vergelden: Dat is, wie straft hem daarover? Want God laat hem hier ten meesten dele vrij gaan, en de mensen vrezen zijn geweld.
[^job-21-32-65]: Kanttekening 65: de graven: Versta, één van de graven. Zie 2 Kon. 22:20 ; of tot de plaats van de graven. De zin is dat hij nog een eerlijke begrafenis krijgt. Vergelijk Luk. 16:22 , 16:23 . 2 Koningen 22:20 : Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaders, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer. Lukas 16:22 : En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. Lukas 16:23 : En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in het dodenrijk zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.
[^job-21-32-66]: Kanttekening 66: is gedurig in de aardhoop: Dat is, hij blijft in het graf als in een gemakkelijke slaapplaats liggende.
[^job-21-33-67]: Kanttekening 67: De kluiten: De zin is, dat het graf hem een plaats is als naar zijn wens, zijnde daar met vrede zonder zorg, en zonder kennis van het kwaad, dat na zijn dood zijn kinderen zou mogen overkomen. De profeet spreekt van het dode lichaam als van een levenden persoon.
[^job-21-33-68]: Kanttekening 68: trekt na zich alle mensen: De zin is, dat hij hen al heeft na hem volgende; want een ieder is gesteld eenmaal te sterven. Hierom, ten aanzien van de lichamelijke dood, wedervaart de boze anders niet dan dat in het algemeen allen moet overkomen.
[^job-21-33-69]: Kanttekening 69: voor hem: Hebreeuws, פָנָי, voor zijn aangezicht; dat is, voordat hij stierf is het getal oneindig geweest dergenen, die gestorven waren.
[^job-21-34-70]: Kanttekening 70: Te weten, u mijn vrienden.
[^job-21-34-71]: Kanttekening 71: Dat is, omdat zij vals zijn en van geen waarde, en vol van vergrijping tegen God en tegen mij, uw naaste.

### Job 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/22.json)

*Elifaz verklaart dat God van de vroomheid van de mens geen voordeel heeft, vers 1 enz. en hem niet straft uit vrees voor hem, 4. beschuldigt Job van vele misdaden, waarom hij door God gestraft wordt, 5. zelfs ook van de verloochening van de Goddelijke voorzienigheid, 12. houdt hem voor dat God in alle tijden de goddelozen gestraft heeft, 15. vermaant hem tot bekering, 21. met belofte van Gods genadige zegen, 23.*

**1** Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v1)

**2** [^job-22-2-1] Zal ook een man voor God voordelig zijn?[^job-22-2-2] Maar voor zichzelf zal de verstandige voordelig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v2)

**3** [^job-22-3-3] Is het voor de Almachtige[^job-22-3-4] nut, dat u rechtvaardig bent; of winst, dat u[^job-22-3-5] uw wegen volmaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v3)

**4** [^job-22-4-6] Is het om uw vrees, dat Hij u bestraft, dat Hij met u[^job-22-4-7] in het gericht komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v4)

**5** Is niet uw boosheid[^job-22-5-8] groot, en van uw ongerechtigheden geen einde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v5)

**6** [^job-22-6-9] Want[^job-22-6-a] u hebt uw[^job-22-6-10] broers[^job-22-6-11] zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleren[^job-22-6-12] van de naakten hebt u uitgetogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v6)

**7** De vermoeide hebt u geen water te drinken gegeven, en van de hongerige hebt u het brood onthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v7)

**8** Maar was er een man[^job-22-8-13] van geweld, voor die was het land, en een[^job-22-8-14] aanzienlijk persoon woonde daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v8)

**9** De weduwen hebt u leeg weggezonden, en de[^job-22-9-15] armen van de wezen zijn verbrijzeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v9)

**10** Daarom zijn[^job-22-10-16] strikken rondom u, en plotselinge schrik bevangt u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v10)

**11** Of[^job-22-11-17] u ziet de duisternis niet, en[^job-22-11-18] de overvloed van het water bedekt u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v11)

**12** [^job-22-12-19] Is niet God[^job-22-12-20] in de hoogte van de hemelen? Zie toch[^job-22-12-21] het bovenste van de sterren aan,[^job-22-12-22] dat zij verheven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v12)

**13** Daarom[^job-22-13-23] zegt u: Wat weet er God van? Zal Hij door de[^job-22-13-24] donkerheid oordelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v13)

**14** De wolken zijn Hem een plek om te schuilen, dat Hij niet ziet; en Hij[^job-22-14-25] bewandelt de omgang van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v14)

**15** Hebt u[^job-22-15-26] het pad van de eeuw waargenomen, dat de ongerechtige mensen betreden hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v15)

**16** Die[^job-22-16-27] rimpelachtig gemaakt zijn, als het de[^job-22-16-28] tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v16)

**17** [^job-22-17-b] Die zeiden tot God:[^job-22-17-29] Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v17)

**18** Hij had immers hun huizen met goed gevuld;[^job-22-18-30][^job-22-18-c] daarom[^job-22-18-31] is de raad van de goddelozen verre van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v18)

**19** [^job-22-19-32][^job-22-19-d] De rechtvaardigen zagen het, en[^job-22-19-33] waren blij, en[^job-22-19-34] de onschuldige bespotte hen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v19)

**20** Omdat[^job-22-20-35] onze stand niet vernietigd is, maar het[^job-22-20-36] vuur hun[^job-22-20-37] overblijfsel verteerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v20)

**21** Gewen u toch[^job-22-21-38] aan Hem, en[^job-22-21-39] heb vrede;[^job-22-21-40] daardoor zal u[^job-22-21-41] het goede overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v21)

**22** Ontvang toch de[^job-22-22-42] wet uit[^job-22-22-43] Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v22)

**23** Zo u zich[^job-22-23-e] bekeert tot de Almachtige, u zult[^job-22-23-44] gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw[^job-22-23-45] tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v23)

**24** Dan zult u[^job-22-24-46] het goud op het stof leggen, en[^job-22-24-47] het goud van Ofir bij de[^job-22-24-48] rotssteen van de beken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v24)

**25** Ja, de Almachtige zal uw[^job-22-25-49] overvloedig goud zijn, en uw[^job-22-25-50] krachtig zilver zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v25)

**26** Want dan zult u zich over de Almachtige verheugen, en u zult[^job-22-26-51] tot God uw aangezicht opheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v26)

**27** U zult tot Hem ernstig bidden, en Hij zal u verhoren; en u[^job-22-27-52] zult uw geloften betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v27)

**28** Als u[^job-22-28-53] een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en[^job-22-28-54] op uw wegen zal het licht schijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v28)

**29** [^job-22-29-55] Als men iemand vernederen zal, en u[^job-22-29-56] zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal[^job-22-29-57] God de nederige van ogen[^job-22-29-f] behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v29)

**30** Ja, Hij zal die bevrijden,[^job-22-30-58] die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd[^job-22-30-59] door de zuiverheid van uw[^job-22-30-60] handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/22.html#v30)

[^job-22-2-1]: Kanttekening 1: Zal ook: Hij wil zeggen: Nee, Ps. 16:2 . Daarom hebt u niet zozeer te beroemen over uw vroomheid; want Hij heeft geen voordeel daarvan, hetzij u vroom zijnde lijdt, of goddeloos zijnde welvaart. Een wijs mens kan zichzelven deugd doen, maar niet aan God, die in zichzelven de volle genoegzaamheid is van alle goed; zie Gen. 17:1 , op de woorden God Almachtig, en vergelijk onder, Job 35:7 , 35:8 . Psalmen 16:2 : O mijn ziel! u hebt tot YHWH gezegd: U bent YHWH, mijn goedheid raakt niet tot U; Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Job 35:7 : Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand? Job 35:8 : Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk u bent, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
[^job-22-2-2]: Kanttekening 2: Maar voor: Anders, als hij, te weten de mens, nut is, zal Hij, te weten God, daardoor voorspoedig zijn, of welvaren?
[^job-22-3-3]: Kanttekening 3: Is het: Anders, is het de Almachtige welgevallig, of behagelijk, dat u u rechtvaardigt?
[^job-22-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, lust, of begeerte, vermaking. Dat hier zoveel is als voordeel \[omdat voordelige zaken begeerd worden\], gelijk blijkt uit het voorgaande en navolgende, waar het woord, eigenlijk betekenende begeerte, voor winst genomen wordt.
[^job-22-3-5]: Kanttekening 5: uw wegen: Dat is, uw leven vromelijk aanstelt. Het tegendeel is, zijn weg verderven, Gen. 6:12 , en zijn werken verderven; Zef. 3:7 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Zefanja 3:7 : Ik zei: Immers zult u Mij vrezen, u zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.
[^job-22-4-6]: Kanttekening 6: Is het: Dat is, omdat Hij u vreest, dat u Hem zoudt mogen beschadigen en leed doen; gelijk Jobs woorden boven, Job 7:12 , zo zouden mogen getrokken worden. Of, omdat u Hem vreest, dat is, door een religieuze godvruchtigheid voor ogen hebt. De vraag van Elifaz loochent sterkelijk, willende zeggen dat het daarom niet was, maar om wat verhaald wordt in vers 5 . Job 7:12 : Ben ik dan een zee, of walvis, dat U om mij wachten zet? Job 22:5 : Is niet uw boosheid groot, en uw ongerechtigheden geen einde?
[^job-22-4-7]: Kanttekening 7: in het gericht: Te weten, om u te veroordelen en te straffen. Zo Ps. 143:2 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^job-22-5-8]: Kanttekening 8: Of, vele; te weten, waarom u gestraft wordt. Uit de grootheid en veelheid zijn straffen besluit Elifaz kwalijk de grootheid en veelheid van Jobs misdaden.
[^job-22-6-9]: Kanttekening 9: Hij wil zeggen: Het moet zijn, dat u u met enige van deze misdaden, die ik nu ga verhalen, of met alle, bezoedeld hebt, omdat u zo vreeslijk van God gestraft wordt.
[^job-22-6-a]: Verwijzing a: Ex. 22:26 ; idem v. 27 ; Deut. 24:6 ; idem v. 10 . Exodus 22:26 : Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; Exodus 22:27 : Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig! Deuteronomium 24:6 : Men zal beide molenstenen, immers de bovensten molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand. Deuteronomium 24:10 : Wanneer u aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen;
[^job-22-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, bloedvrienden. Zie Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^job-22-6-11]: Kanttekening 11: zonder oorzaak: Dat is, ten onrechte; te weten, als het niet nodig was; of omdat u te pand genomen hebt, dat u niet moest te pand nemen; of, omdat u meer genomen hebt dan het geleende waard was, of omdat u betaald zijnde, het pand nog behouden hebt dat genomen hebbende, niet zozeer om u te verzekeren, als om het goed van uw naaste in uw macht te krijgen. Zie Ex. 22:26 , 22:27 ; Deut. 24:6 , 24:10 , enz. Exodus 22:26 : Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; Exodus 22:27 : Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig! Deuteronomium 24:6 : Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand. Deuteronomium 24:10 : Wanneer u aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen;
[^job-22-6-12]: Kanttekening 12: van de naakten: Dat is, die van armoede bijna naakt waren. Zo worden de armen genoemd, Jes. 58:7 , of die door het uitroven van hun goederen arm gemaakt werden. Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt?
[^job-22-8-13]: Kanttekening 13: van geweld: Hebreeuws, אִישׁ, een man van de arm; dat is, die geweld pleegde en de mensen verdrukte; voor die stelde u het land open. Vergelijk deze manier van spreken met de aantekening boven, Job 11:2 . Arm voor geweld; zo onder, Job 35:9 , en Job 38:15 . Job 11:2 : Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Job 35:9 : Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege de arm van de groten. Job 38:15 : En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
[^job-22-8-14]: Kanttekening 14: aanzienlijk persoon: Hebreeuws, פָנִים, aangenomen van aangezicht; dat is, die men om enige uiterlijke hoedanigheid vóór anderen stelde, die van geringer aanzien waren. Zie van dusdanige aanneming, of aanzien, Lev. 19:15 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^job-22-9-15]: Kanttekening 15: armen van de wezen: Versta, al de hulp en sterkte, die nog voor de wezen overig was; zie 2 Kron. 32:8 . 2 Kronieken 32:8 : Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is YHWH, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda.
[^job-22-10-16]: Kanttekening 16: Te weten, van de ellenden en tegenheden, die u omvangen en verwarren als een strik. Vergelijk boven, Job 18:8 , 18:9 , enz., en Job 19:6 met de aantekening. Job 18:8 : Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. Job 18:9 : De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. Job 19:6 : Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
[^job-22-11-17]: Kanttekening 17: Dat is, begrijpt niet, zo u wel behoorde, de ellende waarin u steekt en de oorzaken van die, te weten de zonden, waarvan in het voorgaande. Duisternis voor ellende. Zie Gen. 15:12 , voor zonden Jes. 5:20 ; Ef. 5:11 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Jesaja 5:20 : Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid! Efeziërs 5:11 : En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
[^job-22-11-18]: Kanttekening 18: van het water: Versta, dezelfde ellende; want de woorden water, vloed, stromen, enz. worden dikwijls voor allerlei tegenspoed genomen. Zie 2 Sam. 22:17 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^job-22-12-19]: Kanttekening 19: Is niet God: Nadat Elifaz de vrome Job in het voorgaande enige zonden tenlaste gelegd heeft, die hij tegen zijn naasten begaan zou hebben, bezwaart hij hem nu nog met wat hij regelrecht tegen God, in het loochenen van zijn eeuwige voorzienigheid, gezondigd zou hebben; naar welke zin de woorden van vers 12 Jobs woorden zouden zijn. Anders kunnen zij verstaan worden van de woorden van Elifaz, waarmee hij Job zou vermanen, dat God, die hoog gezeten is en laag ziet, wel waarnemen kan wie Hij het goede of kwade wil toezenden; dat wel recht gesproken is, maar op de persoon van Job kwalijk gepast. Job 22:12 : Is niet God in de hoogte van de hemel? Zie toch het opperste van de sterren aan, dat zij verheven zijn.
[^job-22-12-20]: Kanttekening 20: in de hoogte: Dat is, is God niet de allerhoogste, en heeft Hij niet zijn woning boven alle zichtbare schepselen, ja ook boven de sterren?
[^job-22-12-21]: Kanttekening 21: het opperste: Hebreeuws, רֹאשׁ, het hoofd.
[^job-22-12-22]: Kanttekening 22: dat zij: Te weten, om daaruit te verzinnen hoe hoog God is, die nog veel hoger is dan de sterren.
[^job-22-13-23]: Kanttekening 23: zegt u: Job had dit zo niet gezegd, maar Elifaz, verdraaiende Jobs redenen, heeft dit verkeerd daaruit getrokken.
[^job-22-13-24]: Kanttekening 24: Versta door deze wat tussen de hoogste woonstede Gods en deze aarde begrepen is, waaronder zijn de wolken en dikke nevelen, door welke, omdat de mensen niet zien kunnen, het verdorven verstand van de mensen oordeelt dat God ook daardoor niet zien kan wat hier in deze wereld omgaat. Dit ongerijmd oordeel heeft Elifaz en onrechte Job toegeschreven, gelijk ook wat volgt in vers 14 . Job 22:14 : De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt de omgang van de hemel.
[^job-22-14-25]: Kanttekening 25: Hij bewandelt: Dat is, Hij bemoeit zich in de regering van de wereld met de hemelse en algemene dingen, niet met de aardse en particuliere.
[^job-22-15-26]: Kanttekening 26: het pad: Dat is, de vorige gang, die de goddelozen vanouds af tot hun verderf ingegaan zijn. Zo is het woord eeuw, of eeuwigheid genomen. Jes. 57:11 ; Jer. 2:20 , en Jer. 28:8 . Jesaja 57:11 : Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en u vreest Mij niet? Jeremia 2:20 : Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom loopt u om, hoererende. Jeremia 28:8 : De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen veel landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd, van krijg, en van kwaad, en van pestilentie.
[^job-22-16-27]: Kanttekening 27: Anders, uitgeroeid, of afgesneden zijn. Hierdoor verstaan sommigen in het algemeen de plagen en oordelen van God over de goddelozen, die dikwijls vergeleken worden bij water, gelijk hier, en bij vuur, gelijk vers 20 . Sommigen nemen het in het bijzonder op de zondvloed. Job 22:20 : Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^job-22-16-28]: Kanttekening 28: Te weten, de volle tijd huns levens, tot welke zij naar de loop van de natuur en de staat van hun gezondheid hadden kunnen geraken, zo zij niet door een geweldigen dood van versmoring waren omgekomen. Vergelijk Ps. 55:24 . Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^job-22-17-b]: Verwijzing b: Job 21:14 . Job 21:14 : Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uw wegen hebben wij geen lust.
[^job-22-17-29]: Kanttekening 29: Wijk van ons: Dit zijn de woorden, die Job tevoren verhaald had van de goddelozen, die in rijkdom en weelde oud werden; boven, Job 21:14 . Deze keert nu Elifaz tot zijn rede, zeggende dat de doden door plagen in het algemeen, of de zondvloed in het bijzonder, omgekomen waren, omdat zij deze woorden gesproken hadden. Job 21:14 : Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust.
[^job-22-18-30]: Kanttekening 30: Deze woorden had Job ook gebruikt, boven, Job 21:16 , maar Elifaz schijnt ze te vernieuwen, met deze mening, dat ze hem beter betaamden dan Job, die hij voor goddeloos hield. Job 21:16 : Maar ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad van de goddelozen is ver van mij.
[^job-22-18-c]: Verwijzing c: Job 21:16 . Job 21:16 : Maar ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad van de goddelozen is ver van mij.
[^job-22-18-31]: Kanttekening 31: Of, zij .
[^job-22-19-32]: Kanttekening 32: De rechtvaardigen: Namelijk Noach, met de zijnen; want deze woorden behoren nog \[naar sommiger gevoelen\] tot de historie van de zondvloed.
[^job-22-19-d]: Verwijzing d: Ps. 107:42 . Psalmen 107:42 : De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
[^job-22-19-33]: Kanttekening 33: waren blij: Te weten, niet in de ondergang van de goddelozen, maar in het bewijs van Gods rechtvaardigheid tegen dezelve, en zijn barmhartigheid tegen henzelven.
[^job-22-19-34]: Kanttekening 34: de onschuldige: Namelijk Noach.
[^job-22-20-35]: Kanttekening 35: Dat is, het leven en welvaren dergenen die vroom waren en God vreesden, onder wie Elifaz zich mee rekent, omdat hij zich hield één van hun navolgers en metgezellen in de godvruchtigheid.
[^job-22-20-36]: Kanttekening 36: Versta, het vuur van de goddelijke toorn en wraak. Zo Deut. 32:22 ; Ps. 18:9 ; Jes. 26:11 , en Jes. 66:16 ; Ez. 22:31 , of de tegenheid, die uit Gods toorn komt, boven, Job 15:34 . Sommigen verstaan het voornamelijk van de uitroeiing van Sodom en Gomorra. Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. Psalmen 18:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. Jesaja 26:11 : YHWH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren. Jesaja 66:16 : Want met vuur, en met Zijn zwaard zal YHWH in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van YHWH zullen vermenigvuldigd zijn. Ezechiël 22:31 : Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heer YHWH. Job 15:34 : Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken.
[^job-22-20-37]: Kanttekening 37: Anders, hun uitnemendheid.
[^job-22-21-38]: Kanttekening 38: aan Hem: Namelijk, aan God, te weten, om Hem oprecht te vrezen en te dienen als uw Heer en Vader.
[^job-22-21-39]: Kanttekening 39: heb vrede: Te weten, door geduldigheid in het tegenwoordig lijden en hoop van toekomende verlossing. Het woord vrede betekent de inwendige en geestelijke gerustheid van het hart, gelijk Richt. 6:23 , en Richt. 19:20 ; Jes. 57:21 ; Kol. 3:15 . Of, u zult vrede hebben; dat is, welvaren en voorspoed hebben. Zie Gen. 37:14 . Richteren 6:23 : Maar YHWH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven. Richteren 19:20 : Toen zei de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen overnacht niet op de straat. Jesaja 57:21 : De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede. Kolossensen 3:15 : En de vrede van God heerse in uw harten, tot welke u ook geroepen bent in een lichaam; en weest dankbaar. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^job-22-21-40]: Kanttekening 40: Anders, daarin, of in die \[dingen\] is uw toekomst goed.
[^job-22-21-41]: Kanttekening 41: het goede: Vergelijk boven, Job 21:13 , en de aantekening. Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
[^job-22-22-42]: Kanttekening 42: Anders, lering.
[^job-22-22-43]: Kanttekening 43: Zijn mond: Namelijk, Gods. Versta door de mond van God, zijn woord, of zijn dienaren, die zijn woord verkondigen. Zie Jes. 11:4 ; 2 Thess. 2:8 . Jesaja 11:4 : Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst;
[^job-22-23-e]: Verwijzing e: Job 8:5 ; idem v. 6 . Job 8:5 : Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Job 8:6 : Zo u zuiver en recht bent, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uw gerechtigheid volmaken.
[^job-22-23-44]: Kanttekening 44: gebouwd worden: Dat is, hersteld worden in uw vorigen staat, of door zegen en voorspoed opkomen. Het woord bouwen wordt zo genomen, Ps. 28:5 ; Jer. 12:16 , en Jer. 31:4 ; Mal. 3:15 . Vergelijk Gen. 16:2 , en boven, Job 5:24 . Psalmen 28:5 : Omdat zij niet letten op de daden van YHWH, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. Jeremia 12:16 : En het zal gebeuren, als zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als YHWH leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden. Jeremia 31:4 : Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden. Maleachi 3:15 : En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij YHWH, en ontkomen. Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Job 5:24 : En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen.
[^job-22-23-45]: Kanttekening 45: Dat is, huizen en woningen. Zie 2 Kon. 13:5 . 2 Koningen 13:5 : (Zo gaf YHWH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de kinderen van Israël woonden in hun tenten, als te voren.
[^job-22-24-46]: Kanttekening 46: het goud: Dat is, zeer overvloedigen rijkdom vergaderen. Het goud op, of bij het stof te leggen, schijnt zoveel te zijn als goud gelijk stof op te hopen, of het goud door de geweldige overvloed, die men heeft, te achten als stof, dat men niet met vaste bewaring behoeft te verzekeren. Anders, men zal het goud op het stof leggen; dat is, God zal door zijn zegen u het goud lichtelijk laten voortkomen.
[^job-22-24-47]: Kanttekening 47: het goud van : Zie 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^job-22-24-48]: Kanttekening 48: Dat is, niet in hoge en vaste plaatsen, waar het zou mogen schijnen wel bewaard te zijn, maar in het lage aan de voet van een rotssteen, waartegen sterke stromen vloeien, die lichtelijk ontdekken en ook wegnemen kunnen wat daarbij ligt. De zin is, dat hij het goud in zulken overvloed zou hebben, dat hij het niet veel achten zou, en weinig bezorgd zijn om wel te bewaren.
[^job-22-25-49]: Kanttekening 49: overvloedig goud zijn: Het Hebreeuwse woord staat in het getal van velen, waarmee de overvloed te kennen gegeven wordt. Anders, uw bescherming.
[^job-22-25-50]: Kanttekening 50: krachtig zilver zijn: Hebreeuws, כֶסֶף, zilver van de krachten.
[^job-22-26-51]: Kanttekening 51: tot God: Dat is, Hem vrijmoedig aanbidden en alle goed van Hem verwachten.
[^job-22-27-52]: Kanttekening 52: zult uw: Dat is, omdat Hij weldadig zal zijn tegen u, vervullende uw begeerten, zo zult u ook Hem dankbaar zijn, u in zijn weldaden verheugende. Vergelijk Ps. 50:14 , en Ps. 61:9 . Psalmen 50:14 : Offert God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 61:9 : Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
[^job-22-28-53]: Kanttekening 53: bestendig zijn: Dat is, zij zal in het werk gesteld worden en u vast blijven. Zo Num. 30:4 ; Jes. 7:7 , en Jes. 8:10 . Numeri 30:4 : En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. Jesaja 7:7 : Zo zegt de Heer YHWH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren. Jesaja 8:10 : Beraadslaagt een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, maar het zal niet bestaan; want God is met ons!
[^job-22-28-54]: Kanttekening 54: op uw wegen: Dat is, uw handelingen, werken en daden zullen door de zegen van de Heer voorspoedig zijn.
[^job-22-29-55]: Kanttekening 55: Als men iemand : Dat is, als iemand vernederd zal worden, te weten door enige ellende en tegenspoed.
[^job-22-29-56]: Kanttekening 56: zeggen zult: Dat is, bidden zult met vurige gebeden tot God, dat hij weer uit zijn lijden verhoogd en verlost zou mogen worden.
[^job-22-29-57]: Kanttekening 57: de nederige: Hebreeuws, de nedergebogene, of geslagene van ogen. Zie hiertegen de hoge ogen, van welke zie Spr. 6:17 . Spreuken 6:17 : Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
[^job-22-29-f]: Verwijzing f: Spr. 29:23 . Spreuken 29:23 : De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
[^job-22-30-58]: Kanttekening 58: die niet onschuldig: Dat is, niet alleen de vromen, maar ook de onvromen en schuldigen zal God door uw gebed helpen; Gen. 18:32 . Anders, een onschuldige zal een eiland bevrijden; of, Hij zal het eiland van de onschuldige bevrijden. Genesis 18:32 : Nog zei hij: Dat toch de Heer niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven vanwege de tienen.
[^job-22-30-59]: Kanttekening 59: door de zuiverheid: Versta, de gebeden, die met opheffing van de handen gebeuren, komende uit een gelovig en oprecht hart; 1 Tim. 2:8 . 1 Timotheüs 2:8 : Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.
[^job-22-30-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws, כַּפֶּֽי, palmen.

### Job 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/23.json)

*Job klaagt dat hij van weerspannigheid beschuldigd wordt, vers 1 enz. wenst dat zijn zaak voor God gebracht zou mogen worden, 3. steunend op zijn goede geweten, 10. maar is verschrikt over Gods onveranderlijk besluit en hoge Majesteit, 13.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v1)

**2** [^job-23-2-1] Ook vandaag is mijn[^job-23-2-2] klacht[^job-23-2-3] opstandigheid;[^job-23-2-4] mijn plaag is[^job-23-2-5] zwaar boven mijn zuchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v2)

**3** [^job-23-3-6] Och, of ik wist, dat ik[^job-23-3-7] Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel[^job-23-3-8] komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v3)

**4** Ik zou[^job-23-4-9] het recht voor Zijn aangezicht[^job-23-4-10] ordelijk voorstellen, en mijn mond zou ik[^job-23-4-11] met verdedigingen vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v4)

**5** Ik zou de redenen weten,[^job-23-5-12] die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v5)

**6** Zou Hij naar[^job-23-6-13] de grootheid van Zijn macht met mij twisten? Nee; maar Hij zou[^job-23-6-14] acht op mij slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v6)

**7** [^job-23-7-15] Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid[^job-23-7-16] van mijn Rechter vrijmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v7)

**8** [^job-23-8-17] Zie, ga ik vooruit, zo is Hij er niet, of achteruit, zo verneem ik Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v8)

**9** [^job-23-9-18] Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v9)

**10** Maar Hij kent de[^job-23-10-19] weg, die bij mij is; Hij[^job-23-10-20] beproeve mij;[^job-23-10-21] als goud zal ik uitkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v10)

**11** [^job-23-11-22] Aan Zijn[^job-23-11-23] gang heeft mijn voet[^job-23-11-24] vastgehouden; Zijn[^job-23-11-25] weg[^job-23-11-a] heb ik bewaard, en ben niet afgeweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v11)

**12** Het gebod[^job-23-12-26] van Zijn lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen van Zijn mond heb ik meer dan mijn[^job-23-12-27] bescheiden deel[^job-23-12-28] weggelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v12)

**13** [^job-23-13-29] Maar is Hij tegen[^job-23-13-30] iemand, wie zal dan Hem afkeren?[^job-23-13-b] Wat[^job-23-13-31] Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v13)

**14** Want Hij zal volbrengen,[^job-23-14-32] dat over mij bescheiden is; en diergelijke[^job-23-14-33] dingen zijn er vele bij Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v14)

**15** Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd;[^job-23-15-34] beschouw het, en vrees voor Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v15)

**16** Want God heeft mijn hart[^job-23-16-35] week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v16)

**17** Omdat ik niet[^job-23-17-36] uitgewist ben[^job-23-17-37] voor de duisternis, en dat[^job-23-17-38] Hij[^job-23-17-39] van mijn aangezicht[^job-23-17-40] de donkerheid bedekt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/23.html#v17)

[^job-23-2-1]: Kanttekening 1: Ook heden: Te weten, na zoveel verdedigingen, die ik tot bewijs van mijn onschuld en oprechtheid voor deze gedaan heb. Of men kan deze woorden vraagsgewijze nemen: Zal ook heden mijn klacht opstandigheid zijn?
[^job-23-2-2]: Kanttekening 2: Te weten, die ik doe over mijn grote ellende.
[^job-23-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, zij wordt voor opstandigheid tegen God gehouden. Dit zegt Job, omdat zijn verantwoordingen daarvoor van zijn vrienden veroordeeld werden. Vergelijk boven, Job 4:5 , en Job 5:1 , en Job 8:2 , 8:3 , en Job 11:2 , 11:3 , en Job 15:4 , en Job 22:4 , 22:5 . Job 4:5 : Maar nu komt het aan u, en u bent verdrietig; het raakt tot u, en u wordt beroerd. Job 5:1 : Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wie van de heiligen zult u u keren? Job 8:2 : Hoe lang zult u deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn? Job 8:3 : Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? Job 11:2 : Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Job 11:3 : Zouden uw leugens de mensen doen zwijgen, en zoudt u spotten, en niemand u beschamen? Job 15:4 : Ja, u vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg. Job 22:4 : Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt? Job 22:5 : Is niet uw boosheid groot, en uw ongerechtigheden geen einde?
[^job-23-2-4]: Kanttekening 4: mijn plage: Hebreeuws, יָדִ, mijn hand; dat is, de hand van God, waarmee ik alsnu geplaagd en geslagen word; want de hand van God is voor Gods straf genomen, die ook Jobs hand en straf genaamd wordt, omdat hij ze dragen en lijden moest; zie boven, Job 13:21 , en de aantekening. Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^job-23-2-5]: Kanttekening 5: zwaar boven mijn zuchten: Dat is, zwaarder dan ik met mijn zuchten en klachten uitdrukken kan. Zo in het Hebreeuwse woord hal ook gebruikt Ps. 89:8 . Psalmen 89:8 : God is grotelijks geducht in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.
[^job-23-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, יִתֵּן, wie zal geven, ik heb geweten, en ik zal hem vinden. Zie van deze manier van wensen boven, Job 6:8 . Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
[^job-23-3-7]: Kanttekening 7: Te weten, God.
[^job-23-3-8]: Kanttekening 8: tot Zijn stoel komen: Te weten, niet van zijn strenge gerechtigheid, maar van zijn vriendelijke genade en vertrouwen, niet van enige volmaaktheid voor God, maar van onschuld voor de mensen.
[^job-23-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, mijn rechtzaak. Vergelijk Num. 27:5 , en 1 Kon. 8:45 . Numeri 27:5 : En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht van YHWH. 1 Koningen 8:45 : Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
[^job-23-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, ordelijk aandienen, beleiden en verweren.
[^job-23-4-11]: Kanttekening 11: met verdedigingen: Dat is, met redenen om mijn zaak te verdedigen; te weten, om te tonen en waar te maken dat ik geen huichelaar ben, waarvoor ik van deze mijn vrienden gehouden word. Zie van het Hebreeuwse woord boven, Job 13:6 . Job 13:6 : Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen van mijn lippen.
[^job-23-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk God.
[^job-23-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, naar de volheid zijns vermogens en de strengheid van zijn gerechtigheid.
[^job-23-6-14]: Kanttekening 14: De volle manier van spreken is boven, Job 1:8 ; zie de aantekening. De zin is dat God bereid zou zijn om Job te horen en kennis van de beschuldigingen, tegen hem gedaan, te nemen. Anders, Hij zou kracht in mij leggen; te weten om voor zijn majesteit te bestaan; verre vandaar dat Hij mij door die verdrukken zou, of ten hardste met mij handelen; Jes. 27:4 , 27:8 . Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Jesaja 27:4 : Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou? Jesaja 27:8 : Met mate hebt U met hem getwist, wanneer U hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag van de oostenwind.
[^job-23-7-15]: Kanttekening 15: Daar zou: Te weten, waar God zijn volle recht en absolute macht niet in het werk zou stellen. Hij spreekt ten aanzien van het geschil, dat hij met zijn vrienden uitstaande had.
[^job-23-7-16]: Kanttekening 16: van mijn Rechter vrijmaken: Te weten, vrij verklaard zijnde van denzelven over de beschuldigingen, waarmee mijn vrienden mij bezwaren.
[^job-23-8-17]: Kanttekening 17: Hij ziet op wat hij gezegd had boven, vers 3 . Och, of ik wist dat ik Hem vinden zou! Alsof hij zei: Ik kan dat niet weten; hoe zou ik dan met Hem handelen? Want Hij is onzichtbaar en onbegrijpelijk en een vrijwillig werkmeester, niet zijnde gehouden zich aan iemand te openbaren ten zijnen gevalle. Vergelijk boven, Job 9:11 . Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Job 9:11 : Zie, Hij zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
[^job-23-9-18]: Kanttekening 18: Als Hij: De zin is, dat de oordelen van God ons verstand teboven gaan, en waar men zich keert, dat men ze niet kan doorgronden.
[^job-23-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, mijn genegenheid, wil, bewegingen, voornemen, woorden, werken en gehele leven. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-23-10-20]: Kanttekening 20: Vergelijk boven, Job 7:18 , en de aantekening. Job 7:18 : En dat U hem bezoekt in elke morgenstond; dat U hem in elk ogenblik beproeft?
[^job-23-10-21]: Kanttekening 21: als goud: Dat is, ik zal rein en zuiver bevonden worden over wat mijn vrienden mij opleggen, even gelijk het goud zuiver uit het vuur komt, als het daarin gelouterd is geweest.
[^job-23-11-22]: Kanttekening 22: Hij geeft reden van wat hij gezegd had in vers 10 , en weerlegt de beschuldigingen van Elifaz; boven, Job 22:5 . Job 23:10 : Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. Job 22:5 : Is niet uw boosheid groot, en uw ongerechtigheden geen einde?
[^job-23-11-23]: Kanttekening 23: Zie op het volgende woord weg.
[^job-23-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, ik heb zijn weg , dat is zijn geboden, gestadiglijk gevolgd. Vergelijk boven, Job 17:9 . Job 17:9 : En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.
[^job-23-11-25]: Kanttekening 25: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^job-23-11-a]: Verwijzing a: Job 31:4 . Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
[^job-23-12-26]: Kanttekening 26: Zijn lippen: Dat is, door zijn lippen of mond uitgesproken; dat is, door zichzelven, of door zijn dienaren.
[^job-23-12-27]: Kanttekening 27: bescheiden deel: Versta, het dagelijks gezet en verordend onderhoud mijns lichaams; dat is, zoveel mij daartoe nodig, of van God bescheiden is. Zo Gen. 47:22 ; Spr. 30:8 , en Spr. 31:15 . Genesis 47:22 : Alleen het land van de priesters kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, dat hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet. Spreuken 30:8 : IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels; Spreuken 31:15 : Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis voedsel, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
[^job-23-12-28]: Kanttekening 28: Dat is, in goede bewaring van de memorie gehouden, en als een waardigen schat in het binnenste mijns harten opgesloten, om daaraan te gedenken in al mijn doen en laten. Zo Ps. 119:11 ; Spr. 2:1 , 2:7 , en Spr. 7:1 . Psalmen 119:11 : Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. Spreuken 2:1 : Mijn zoon! zo u mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt; Spreuken 2:7 : Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprecht wandelen; Spreuken 7:1 : Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
[^job-23-13-29]: Kanttekening 29: Alsof hij zei: Ofschoon ik een goede consciëntie heb, nochtans omdat het Hem belieft mij aldus te bezoeken, wie kan er tegen? wie zal daarover rekenschap van Hem eisen? Zie boven, Job 9:12 , en Job 11:10 ; Rom. 9:19 . Job 9:12 : Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? Job 11:10 : Als Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren? Romeinen 9:19 : U zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?
[^job-23-13-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, een. Of, gelijk sommigen, heeft Hij enig ding voor.
[^job-23-13-b]: Verwijzing b: Ps. 115:3 . Psalmen 115:3 : Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
[^job-23-13-31]: Kanttekening 31: Zijn ziel: Dat is, Hij zelf; te weten God. Zo Lev. 26:30 ; Jes. 1:14 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Jesaja 1:14 : Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moe geworden, die te dragen.
[^job-23-14-32]: Kanttekening 32: dat over mij bescheiden is: Hebreeuws, mijn besluit , of, het mij bescheiden deel , te weten van de straffen, die Hij voorgenomen heeft over mij te zenden.
[^job-23-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, verborgen en toch rechtvaardige oordelen.
[^job-23-15-34]: Kanttekening 34: aanmerk het: Dat is, als ik betracht deze zijn grote macht, oneindelijke wijsheid en vreeslijke strengheid.
[^job-23-16-35]: Kanttekening 35: week gemaakt: Dat is, blode, zwak, teder, en als gebroken door al mijn lijden en door de vrees, die mij de grootheid van zijn macht en majesteit indrukt. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 20:3 . Deuteronomium 20:3 : En tot hen zeggen: Hoort, Israël! u bent heden na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.
[^job-23-17-36]: Kanttekening 36: uitgedelgd ben: Dat is, niet weggenomen ben uit deze wereld door de dood.
[^job-23-17-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, van, of voor het aangezicht van de duisternis; dat is, voordat de duisternis over mij kwam; of vanwege; dat is, uit oorzaak van de duisternis. Versta door deze het lijden en de ellende, waarin hij stak. Zie Gen. 15:12 . Hij is verwonderd, dat hij door de grootheid zijns lijdens nog niet was gestorven. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-23-17-38]: Kanttekening 38: Namelijk God.
[^job-23-17-39]: Kanttekening 39: mijn aangezicht: Dat is, van mijn kennis en wetenschap; teneinde ik mijn verdriet niet meer zien noch gevoelen zou.
[^job-23-17-40]: Kanttekening 40: donkerheid bedekt heeft: Versta, de donkerheid van de dood, die de stervende overkomt. Deze wordt van iemands aangezicht bedekt zolang hij haar niet ziet, dat is, niet sterft, maar in het leven behouden wordt, waarvan Job een afschuw had, boven, Job 3:23 , en Job 6:8 , 6:9 . Anders, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid niet bedekt heeft; dat is, dat Hij van mij dit lijden niet weggenomen heeft, te weten door de dood, opdat ik hetzelve niet langer aanschouwen, noch lijden zou. Aldus is het woord niet uit het voorgaande lid van vers 17 hier weer ingevoegd; en het woord donkerheid in dezelfde zin als het voorgaande duisternis genomen. Job 3:23 : Aan de man, wiens weg verborgen is, en die God overdekt heeft? Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; Job 6:9 : En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! Job 23:17 : Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

### Job 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/24.json)

*Aangezien Elifaz had beweerd dat God te allen tijde alle goddelozen gestraft had, wordt hij door Job weerlegd met de algemene ervaring van de vromen, vers 1. Job verhaalt de boze werken van de goddelozen, 2. samen met hun gemakkelijke dood, 19. hoewel zij geweldenaars zijn, 21. maar dat God rechtvaardig is, die hun doen ziet en straft, 23. Dit alles wil hij staande houden, 25.*

**1** [^job-24-1-1] Waarom zouden van de Almachtige[^job-24-1-2] de tijden niet[^job-24-1-3] verborgen zijn, omdat zij,[^job-24-1-4] die Hem kennen,[^job-24-1-5] Zijn dagen niet zien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v1)

**2** [^job-24-2-6] Zij[^job-24-2-a] tasten[^job-24-2-7] het gebied aan; de kudden roven zij, en[^job-24-2-8] weiden ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v2)

**3** De ezel van de wezen drijven zij weg; de os van een weduwe[^job-24-3-9] nemen zij te pand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v3)

**4** Zij doen de armen[^job-24-4-10] wijken van de weg; samen[^job-24-4-b] versteken zich de ellendigen van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v4)

**5** Zie, zij zijn[^job-24-5-11] woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof;[^job-24-5-12] het vlakke veld is[^job-24-5-13] hem tot[^job-24-5-14] voedsel, en voor de[^job-24-5-15] jongeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v5)

**6** Op het veld[^job-24-6-16] maaien[^job-24-6-17] zij zijn voer, en de wijnberg van[^job-24-6-18] de goddelozen lezen zij af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v6)

**7** De[^job-24-7-19] naakten laten zij overnachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v7)

**8** Van de stroom[^job-24-8-20] van de bergen[^job-24-8-21] worden zij nat, en[^job-24-8-22] zonder toevlucht zijnde,[^job-24-8-23] omhelzen zij de steenrotsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v8)

**9** [^job-24-9-24] Zij rukken het weesje[^job-24-9-25] van de borst, en[^job-24-9-26] dat over de arme is, nemen zij te pand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v9)

**10** [^job-24-10-c] De[^job-24-10-27] naakte doen zij weggaan zonder kleed,[^job-24-10-28] en hongerig, die graanschoven dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v10)

**11** Tussen[^job-24-11-29] hun[^job-24-11-30] muren persen[^job-24-11-31] zij olie uit, treden de wijnpersen, en[^job-24-11-d] zijn dorstig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v11)

**12** Uit de stad[^job-24-12-32] zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; toch beschikt God niets[^job-24-12-33] ongepasts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v12)

**13** Zij zijn onder de wederstrevers van[^job-24-13-34] het licht; zij kennen[^job-24-13-35] Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v13)

**14** Met[^job-24-14-36] het licht staat de moordenaar op,[^job-24-14-e] doodt de arme en de behoeftige; en in de nacht is hij als een dief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v14)

**15** [^job-24-15-f]Ook neemt het oog van de overspeler de schemering waar,[^job-24-15-37] zeggende:[^job-24-15-38][^job-24-15-g] Geen oog zal mij zien; en hij[^job-24-15-39] legt een[^job-24-15-40] deksel op het aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v15)

**16** In de duisternis doorgraaft[^job-24-16-41] hij de huizen,[^job-24-16-42] die zij zich overdag[^job-24-16-43] afgetekend hadden;[^job-24-16-h] zij[^job-24-16-44] kennen het licht niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v16)

**17** Want de morgenstond is[^job-24-17-45] hun samen de schaduw van de dood; als men hen kent,[^job-24-17-46] zijn zij in de strikken van de[^job-24-17-47] schaduw van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v17)

**18** [^job-24-18-48] Hij is[^job-24-18-49] licht op het vlakke van de wateren;[^job-24-18-50] vervloekt is[^job-24-18-51] hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot[^job-24-18-52] de weg van de wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v18)

**19** [^job-24-19-53] De droogte en ook de hitte nemen de sneeuwwateren weg; zo het graf van degenen, die gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v19)

**20** De[^job-24-20-54] baarmoeder vergeet hem,[^job-24-20-55] het gewormte is hem zoet,[^job-24-20-56] aan hem wordt niet meer gedacht; en[^job-24-20-57] het onrecht wordt gebroken als een hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v20)

**21** De onvruchtbare, die niet baart,[^job-24-21-58] teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v21)

**22** Ook[^job-24-22-59] trekt hij[^job-24-22-60] de machtigen door zijn kracht;[^job-24-22-61] staat hij op, zo is[^job-24-22-62] men van het leven niet zeker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v22)

**23** [^job-24-23-63] Stel[^job-24-23-64] hem[^job-24-23-65] God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; toch zijn Zijn[^job-24-23-66] ogen op[^job-24-23-67] hun wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v23)

**24** [^job-24-24-68] Zij zijn een korte tijd verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden neergedrukt; zoals alle anderen[^job-24-24-69] worden zij besloten; en zoals[^job-24-24-70] de top van een aar worden[^job-24-24-71] zij afgesneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v24)

**25** Als het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?[^job-24-25-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/24.html#v25)

[^job-24-1-1]: Kanttekening 1: De zin is, zo God van het begin van de wereld af de bozen hier altijd heeft gestraft, gelijk Elifaz boven, Job 22:15 , 22:16 , gezegd heeft, dat zou openbaar gebleken zijn; maar het is niet gebleken, want het belieft God de tijden van zijn straffen te verbergen. Zo is dan het zeggen van Elifaz onvast. Job 22:15 : Hebt u het pad van de eeuw waargenomen, dat de ongerechtige mensen betreden hebben? Job 22:16 : Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
[^job-24-1-2]: Kanttekening 2: de tijden: Dat is, de straffen, die op zekere tijden, van God bestemd, over de bozen gezonden worden.
[^job-24-1-3]: Kanttekening 3: verborgen zijn: Te weten, voor de mensen. Zie Hand. 1:7 . Handelingen 1:7 : En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
[^job-24-1-4]: Kanttekening 4: die Hem kennen: Welke zijn de ware gelovigen en godvrezenden.
[^job-24-1-5]: Kanttekening 5: Zijn dagen: Te weten, in welke God hier de goddelozen straft. Zo wordt de dag van de Heer genomen voor de dag in welke Hij zijn oordelen uitvoert; Jes. 2:12 , en Jes. 13:6 ; Jer. 46:10 ; Joël 2:11 . Vergelijk boven, Job 20:28 ; Spr. 6:34 , en Spr. 11:4 , waar zij genoemd zijn dagen van Gods toorn, wraak en toorn. Sommigen nemen het in het algemeen van de dagen van de vergelding over goeden en kwaden. Jesaja 2:12 : Want de dag van YHWH van de legermachten zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; Jesaja 13:6 : Huilt u, want de dag van YHWH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige. Jeremia 46:10 : Maar deze dag is van YHWH, van YHWH van de legermachten, een dag van de wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heer, YHWH van de legermachten, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. Joël 2:11 : En YHWH verheft Zijn stem voor Zijn legermacht heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag van YHWH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen? Job 20:28 : De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in de dag van Zijn toorn. Spreuken 6:34 : Want jaloërsheid is een grimmigheid van de man; en in de dag van de wraak zal hij niet sparen. Spreuken 11:4 : Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood.
[^job-24-2-6]: Kanttekening 6: Zij tasten: Te weten, de goddelozen. Job geeft reden, waarom hij gezegd had dat de tijden van de straffen van de Almachtige verborgen zijn, die Hij tegen de bozen in de tijd, die Hem alleen bekend is, uitvoert.
[^job-24-2-a]: Verwijzing a: Deut. 19:14 ; Deut. 27:17 ; Spr. 22:28 ; Spr. 23:10 . Deuteronomium 19:14 : U zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u YHWH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. Deuteronomium 27:17 : Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. Spreuken 22:28 : Zet de oude palen niet terug, die uw vaders gemaakt hebben. Spreuken 23:10 : Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers van de wezen niet;
[^job-24-2-7]: Kanttekening 7: het gebied aan: Te weten, het gebied van hun naasten, die zij met geweld innemen om hun erven wijder uit te breiden. Zie Deut. 19:14 , en Deut. 27:17 ; Spr. 22:28 . Deuteronomium 19:14 : U zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u YHWH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. Deuteronomium 27:17 : Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. Spreuken 22:28 : Zet de oude palen niet terug, die uw vaders gemaakt hebben.
[^job-24-2-8]: Kanttekening 8: weiden ze: Te weten, openbaar in hun eigen land, of zelfs in het land, dat zij hun naasten ontnomen hebben, en dat zonder van iemand vrees te hebben of gestraft te worden.
[^job-24-3-9]: Kanttekening 9: Dat God verbiedt, Ex. 22:26 ; Deut. 24:9 , 24:10 , 24:12 , 24:13 , 24:17 . Exodus 22:26 : Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; Deuteronomium 24:9 : Gedenkt, wat YHWH, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op de weg, als u uit Egypte was uitgetogen. Deuteronomium 24:10 : Wanneer u aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen; Deuteronomium 24:12 : Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet nederliggen. Deuteronomium 24:13 : U zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods. Deuteronomium 24:17 : U zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en u zult het kleed van de weduwe niet te pand nemen.
[^job-24-4-10]: Kanttekening 10: Te weten, door hun hoogmoed, wrevel en het geweld, dat zij overal plegen en dat de ellendigen ontzien.
[^job-24-4-b]: Verwijzing b: Spr. 28:28 . Spreuken 28:28 : Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.
[^job-24-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, als woudezels, die onder het wild gedierte zeer wild, ontemmelijk en wreed zijn. Vergelijk Gen. 16:12 ; onder, Job 39:8 ; Jer. 2:24 ; Hos. 8:9 . Genesis 16:12 : En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broers. Job 39:8 : Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost? Jeremia 2:24 : Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden. Hosea 8:9 : Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben boelen om hoerenloon gehuurd.
[^job-24-5-12]: Kanttekening 12: het vlakke veld: Anders, wildernis.
[^job-24-5-13]: Kanttekening 13: Te weten, de boze en geweldige.
[^job-24-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, לֶחֶם, brood.
[^job-24-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, zijn kinderen, huisvolk en knechten, die hem in het roven ten dienste staan.
[^job-24-6-16]: Kanttekening 16: maaien zij: Te weten, zijn jongens of arbeidslieden.
[^job-24-6-17]: Kanttekening 17: zijn voeder: Te weten, van de goddelozen; dat is waarmee hij zich voedt.
[^job-24-6-18]: Kanttekening 18: Die hen onbeloont laat. Anders kan vers 6 aldus vertaald worden: Op het veld, te weten dat hun niet toekomt, maaien zij elk zijn voeder, of dezelfde, te weten, akkers, voeder; en, of ja de wijnberg van de goddelozen lezen zij af, te weten, die zij voor goddeloos houden, of die zodanig in de waarheid is, maar die zij niet meer dan de vromen sparen willen. Of hij noemt de wijnberg van de goddelozen, denwelken de goddelozen berooft, en zijn naaste ontweldigt. Anders aldus: En de goddeloze leest de wijnberg af; te weten van anderen. Job 24:6 : Op het veld maaien zij zijn voeder, en de wijnberg van de goddelozen lezen zij af.
[^job-24-7-19]: Kanttekening 19: Te weten, dagloner, of dagwerker, die zij loon schuldig zijn.
[^job-24-8-20]: Kanttekening 20: van de bergen: Dat is, die van de bergen afloopt.
[^job-24-8-21]: Kanttekening 21: worden zij: Te weten, de voorgemelde dagloners en arbeidslieden.
[^job-24-8-22]: Kanttekening 22: zonder toevlucht: Dat is, zonder vertrekplaats, waar zij in de tijd van de regen en onweders zich zouden mogen bergen.
[^job-24-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, om vrij te zijn van het ongemak van de lucht, van koude, wind en vochtigheid, kruipen zij in de spelonken, die hier en daar in de steenrotsen zijn.
[^job-24-9-24]: Kanttekening 24: Zij rukken: Te weten, de goddelozen.
[^job-24-9-25]: Kanttekening 25: van de borst: Te weten, om de moeder tot hun slaafs werk voort te jagen; of om het weesken tot een slaaf te maken, en daarna zelf te gebruiken of daarvoor te verkopen.
[^job-24-9-26]: Kanttekening 26: dat : Dat is, zijn kleding of zijn deksel.
[^job-24-10-c]: Verwijzing c: Lev. 19:13 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen.
[^job-24-10-27]: Kanttekening 27: Te weten, arbeider, of dagwerker, gelijk het blijkt uit het volgende. Vergelijk boven, vers 7 . Job 24:7 : De naakte laten zij overnachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.
[^job-24-10-28]: Kanttekening 28: en hongerig: Anders, en zij zijn hongerig \[die\] garven of schoven dragen; te weten, de schoven van de goddeloze tirannen.
[^job-24-11-29]: Kanttekening 29: Te weten, van de bozen.
[^job-24-11-30]: Kanttekening 30: Dat is, woonplaatsen.
[^job-24-11-31]: Kanttekening 31: Te weten, de arme en nooddruftige werklieden, van wie zie boven, vers 5 , 24:7 , 24:10 . Job 24:5 : Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot voedsel, en de jongeren. Job 24:7 : De naakte laten zij overnachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. Job 24:10 : De naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die garven dragen.
[^job-24-11-d]: Verwijzing d: Deut. 25:4 ; Jak. 5:4 . Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. Jakobus 5:4 : Ziet, het loon van de werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heer Sebaoth.
[^job-24-12-32]: Kanttekening 32: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het zuchten en kermen dergenen, die verdrukt zijn; zie Ex. 2:24 , en Ex. 6:4 ; Ez. 30:24 . Exodus 2:24 : En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. Exodus 6:4 : En ook heb Ik gehoord het gekerm van de kinderen van Israël, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Ezechiël 30:24 : En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.
[^job-24-12-33]: Kanttekening 33: Zie boven, Job 1:22 . De zin is: Hoewel God deze ongerechtigheden laat gebeuren, zo doet Hij nochtans niets onbetamelijks en dat aan enige berisping onderworpen is. Job 1:22 : In dit alles zondigde Job niet, en schreef God niets ongerijmds toe.
[^job-24-13-34]: Kanttekening 34: Zowel van wat aangeboren is, als van wat gekregen wordt uit Gods Woord en de aanschouwing van zijn werken.
[^job-24-13-35]: Kanttekening 35: Zijn wegen niet: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^job-24-14-36]: Kanttekening 36: het licht: Te weten, van de dag, zie boven, Job 17:12 , en de aantekening. Job 17:12 : De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij de ondergang vanwege de duisternis.
[^job-24-14-e]: Verwijzing e: Ps. 10:8 ; idem v. 9 . Psalmen 10:8 : Hij zit in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lage, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net.
[^job-24-15-f]: Verwijzing f: Spr. 7:8 ; idem v. 9 . Spreuken 7:8 : Voorbijgaande op de straat, naast haar hoek, en hij trad op de weg van haar huis. Spreuken 7:9 : In de schemering, in de avond van de dag, in de zwarten nacht en de donkerheid;
[^job-24-15-37]: Kanttekening 37: schemering waar: Versta, de avondschemering, van welke zie 2 Kon. 7:5 . 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.
[^job-24-15-38]: Kanttekening 38: Te weten, bij zichzelven; dat is, denkende in zijn hart; zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijn huisvrouw wil zullen doden.
[^job-24-15-g]: Verwijzing g: Ps. 10:11 . Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.
[^job-24-15-39]: Kanttekening 39: hij legt: Dat is, hij vermomt zijn aangezicht om niet gekend te worden.
[^job-24-15-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, סֵתֶר, eigenlijk, verberging.
[^job-24-16-41]: Kanttekening 41: Te weten, de moordenaar, van wie gesproken is, vers 14 . Job 24:14 : Met het licht staat de moorder op, doodt de arme en de nooddruftige; en 's nachts is hij als een dief.
[^job-24-16-42]: Kanttekening 42: Te weten, de moorder met zijn metgezellen.
[^job-24-16-43]: Kanttekening 43: Dat is, die zij, loerende op huns naasten goed, gemerkt hadden, om die 's nachts te doorbreken en te overweldigen.
[^job-24-16-h]: Verwijzing h: Job 38:15 ; Joh. 3:20 . Job 38:15 : En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken? Johannes 3:20 : Want een iedereen, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
[^job-24-16-44]: Kanttekening 44: kennen … niet: Niet kennen heet hier niet begeren, noch zoeken, maar haten en vluchten, om niet betrapt en ontdekt te worden. Vergelijk Jer. 8:7 ; Rom. 3:17 . Jeremia 8:7 : Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn vastgestelde tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen de tijd van hun aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht van YHWH niet. Romeinen 3:17 : En de weg van de vrede hebben zij niet gekend.
[^job-24-17-45]: Kanttekening 45: hun te zamen: Dat is, hun allen.
[^job-24-17-46]: Kanttekening 46: de schaduw van de dood: Versta, als de schaduw van de dood, welke zeer schrikkelijk en vreeslijk is, ja, als de dood zelf. Zo in het volgende. Vergelijk boven, Job 3:5 , en Job 10:21 . Job 3:5 : Dat de duisternis en de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dag! Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood;
[^job-24-17-47]: Kanttekening 47: Dat is, zulke schrikken, als uit de schaduw van de dood voortkomen.
[^job-24-18-48]: Kanttekening 48: Namelijk, de boze.
[^job-24-18-49]: Kanttekening 49: Dat is, wakker, rap, snel, te weten om zeewaarts in met schepen de vlucht te nemen zo hij in zijn diefstal betrapt is, of om daarin op roof te leven. Of, naar sommiger gevoelen, dat zij in het verrichten van hun dieverij zo snel en wakker zijn als de schepen te water.
[^job-24-18-50]: Kanttekening 50: De woningen, die de straatschenders te land hebben, zijn gemeenlijk onvruchtbare, woeste, wilde en ongebouwde plaatsen. Zodanig land wordt vervloekt geheten, Gen. 3:17 ; daarentegen een wel bearbeid en vruchtbaar land gezegend, Gen. 27:27 . Of, versta in het algemeen dat zij van God en alle mensen, met al wat zij hebben, vervloekt zijn. Genesis 3:17 : En tot Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij de aarde om uwentwil vervloekt; en met smart zult u daarvan eten al de dagen uws levens. Genesis 27:27 : En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk van zijn kleren, en zegende hem; en hij zei: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk van het veld, dat YHWH gezegend heeft.
[^job-24-18-51]: Kanttekening 51: hun deel: Versta, het deel van de bozen, van welke hij hier spreekt in het veelvoudig getal, daar hij nochtans van dezelven in het voorgaande en volgende van vers 18 maar het enkelvoudige gebruikt. Het is een verandering van het getal. Zo onder, vers 23 , en Job 32:8 . Vergelijk boven, Job 21:10 . Job 24:18 : Hij is licht op het vlakke van de wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot de weg van de wijngaarden. Job 24:23 : Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen. Job 32:8 : Zekerlijk de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige, maakt henlieden verstandig. Job 21:10 : Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
[^job-24-18-52]: Kanttekening 52: de weg: Versta, de algemene weg, die door het gebouwde en bewoonde land gaat en van velen betreden wordt.
[^job-24-19-53]: Kanttekening 53: De droogte: Dat is, gelijk de sneeuwwateren, die scherp en doordringend zijn, op een dorre aarde gevallen zijnde, door de hitte van de dag lichtelijk indrinken en verteerd worden; zo gaan veel zondaren zoetjes uit, wanneer hun sterfdag gekomen is, zonder lang onder veel smarten te kwijnen. Hij beschrijft aldus de uiterlijke gelukkigheid, die de goddelozen in hun sterven naar 's werelds aanzien hebben.
[^job-24-20-54]: Kanttekening 54: Dat is, zijn moeder, die hem, namelijk de goddeloze, in haar lijf gedragen en ter wereld gebracht heeft, zal zijns niet meer gedenken; zowel om de grote zonden, die hij in zijn leven heeft bedreven, alsook omdat hij daarom van de vromen ongeacht zal blijven.
[^job-24-20-55]: Kanttekening 55: het gewormte: Dat is, de dood, die de wormen in de lichamen voortbrengt, is hem gemakkelijk en als een zoete slaap, omdat hij de lichamen vóór het toekomende gericht geen smart aandoet. Vergelijk boven, Job 21:33 . Job 21:33 : De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
[^job-24-20-56]: Kanttekening 56: zijns wordt: Dat is, men laat hem waar hij is, zonder meer om hem te denken, zodat zijn lichaam in het graf naast andere met vrede gelaten wordt.
[^job-24-20-57]: Kanttekening 57: het onrecht: Dat is, de ongerechtige. Zo Ps. 107:42 ; idem Spr. 13:6 , zonde voor zondaar, Spr. 14:1 , dwaasheid voor dwaas. Zie ook onder, Job 35:13 . De zin is, dat degenen, die verkeerdheid en boosheid plegen, dikwijls gemakkelijk sterven, gelijk wanneer een dor hout haastig en lichtelijk in stukken gebroken wordt, zonder grote moeite of arbeid. Psalmen 107:42 : De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond. Spreuken 13:6 : De gerechtigheid bewaart de oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal de zondaar omkeren. Spreuken 14:1 : Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen. Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^job-24-21-58]: Kanttekening 58: In zulk een zin is het Hebreeuwse woord gevonden, Ps. 49:15 , en Ps. 80:14 ; Jer. 2:16 , en Jer. 6:3 , en Jer. 11:16 . Afteren is hier genomen voor kwellen, moeilijk vallen, beledigen, kwaaddoen, of vermorzelen; gelijk ook het woord van anderen vertaald wordt. Psalmen 49:15 : Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in die morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. Psalmen 80:14 : Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild van het veld heeft hem afgeweid. Jeremia 2:16 : Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid. Jeremia 6:3 : Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden. Jeremia 11:16 : YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om die aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.
[^job-24-22-59]: Kanttekening 59: trekt hij: Te weten, onder zijn geweld. Hij spreekt van de goddeloze gewelddrijver.
[^job-24-22-60]: Kanttekening 60: de machtigen: Dat is, die vermogen hebben, of door staat, of door rijkdom, of door vrienden, of door de sterkte van het lichaam. Vervolgens, de boze tast aan, niet alleen de geringen, armen, verlatenen en zwakken, maar ook die door enig aanzien macht hebben. Vergelijk boven, Job 9:24 . Job 9:24 : De aarde wordt gegeven in de hand van de goddelozen; Hij overdekt het aangezicht van haar rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
[^job-24-22-61]: Kanttekening 61: Dat is, van dat hij 's morgens opgestaan is gaat hij voort met zijn moedwil, dat men schade, ja de ondergang te vrezen heeft. Anders, verheft hij zich; te weten, om de machtigen te beschadigen.
[^job-24-22-62]: Kanttekening 62: is men: Hebreeuws, חַיִּֽין, gelooft men niet in het leven. Zie zulk een manier van spreken ook Deut. 28:66 , zie de aantekening daar. Deuteronomium 28:66 : En uw leven zal tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u zult van uw leven niet zeker zijn.
[^job-24-23-63]: Kanttekening 63: Anders, geeft Hem \[God\] dat ter gerustheid \[dient\], waarop hij steunt.
[^job-24-23-64]: Kanttekening 64: Te weten, de goddeloze.
[^job-24-23-65]: Kanttekening 65: in gerustigheid: Dat is, in welstand van dit leven.
[^job-24-23-66]: Kanttekening 66: Versta, Gods ogen.
[^job-24-23-67]: Kanttekening 67: hun wegen: Te weten, van de goddelozen, opdat Hij hen straffe in dit leven, of in het toekomende. Versta door deze wegen hun voornemen, woorden en daden.
[^job-24-24-68]: Kanttekening 68: Zij zijn: Job bekent wel dat de macht en heerlijkheid van de bozen niet lang duurt, omdat het leven van de mensen hier kort is, maar verklaart meteen dat hun dood uiterlijk niet verschilt van anderer mensen dood, ja meest zonder langdurige kwelling hun overkomt. Vergelijk Pred. 2:16 . Prediker 2:16 : Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien wat nu is, in de toekomende dagen allemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met de zot?
[^job-24-24-69]: Kanttekening 69: Te weten, in het graf.
[^job-24-24-70]: Kanttekening 70: de top: Hebreeuws, רֹאשׁ, het hoofd.
[^job-24-24-71]: Kanttekening 71: Dat is, zeer haast, lichtelijk, en als zonder arbeid, en daarom ook zonder grote smart van de goddeloze.
[^job-24-25-72]: Kanttekening 72: Dat is, zo men meent, dat mijn zeggen niet waarachtig is.

### Job 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/25.json)

*Bildad draagt Job Gods schrikkelijke Majesteit voor, vers 1 enz. opdat hij zich niet rechtvaardigt voor God, omdat hij als andere mensen onrein was, 4. en zelfs de hemelse lichten voor God hun schijnsel verliezen moeten, 5.*

**1** Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v1)

**2** [^job-25-2-1] Heerschappij en vrees zijn[^job-25-2-2] bij Hem, Hij[^job-25-2-3] maakt vrede in[^job-25-2-4] Zijn hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v2)

**3** Is er een getal van Zijn[^job-25-3-5] benden? En over wie staat Zijn[^job-25-3-6] licht niet op? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v3)

**4** Hoe zou dan een mens[^job-25-4-a] rechtvaardig zijn bij God, en[^job-25-4-b] hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v4)

**5** Zie,[^job-25-5-7] tot de maan toe,[^job-25-5-c] en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v5)

**6** [^job-25-6-d] Hoeveel te min de[^job-25-6-8] mens, die een made is, en van de mensen kind, die een[^job-25-6-e] worm is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/25.html#v6)

[^job-25-2-1]: Kanttekening 1: Heerschappij en vreze: Dat is, het opperste regiment, verenigd met een oneindige macht en onbegrijpelijke majesteit, die van allen te vrezen is.
[^job-25-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk, bij God, met welke nochtans u, o Job, hebben willen rechten, boven, Job 23:3 , 23:4 , daar het u beter betamen zou u onder zijn almogende hand met vreze en aanbidding te verootmoedigen. Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Job 23:4 : Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
[^job-25-2-3]: Kanttekening 3: Hij maakt: Of, Hij houdt. De zin is, dat God in gehoorzaamheid en goede orde onderhoudt al de hemelse schepselen, niet alleen de redelijke, als de engelen, maar ook de onredelijke, als zon, maan, sterren, enz., waaruit Bildad besluit dat het dwaasheid voor Job was, enige twist tegen zulk een Almogende aan te vangen, gemerkt dat Hij hem zowel als de voorgemelde schepselen in orde en bedwang zou weten te houden.
[^job-25-2-4]: Kanttekening 4: Zijn hoogten: Dat is, in de hemel, onder zijn engelen. Vergelijk boven, Job 16:19 . Job 16:19 : Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.
[^job-25-3-5]: Kanttekening 5: Versta, de engelen, en ook alle andere creaturen, die voor God als grote heirlegers ten dienst staan moeten wanneer Hij de bozen straffen wil, zulks dat niemand Hem wederstaan kan; zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^job-25-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, de zon, waardoor God niet alleen de mens, maar ook de gehele natuur goeddoet. Zo onder, Job 31:26 , en Job 37:21 . Of versta Gods almachtigheid en de overaltegenwoordige regering, waardoor Hij alle dingen in het algemeen en in het bijzonder onderhoudt en regeert, gelijk het licht van de zon over alle schepselen uitgebreid is, om omtrent die te werken; Matt. 5:45 ; Joh. 1:4 ; Hand. 17:28 ; Hebr. 1:3 . Job 31:26 : Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; Job 37:21 : En nu ziet men het licht niet als het helder is in de hemel, als de wind doorgaat, en die zuivert; Mattheüs 5:45 : Opdat u mag kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemel is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Johannes 1:4 : In Hetzelfde was het Leven, en het Leven was het Licht van de mensen. Handelingen 17:28 : Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht. Hebreeën 1:3 : Die, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^job-25-4-a]: Verwijzing a: Job 4:17 ; idem 4:18 ; idem 4:19 ; Job 15:14 ; idem 15:15 ; idem 15:16 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker? Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft. Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten. Job 15:14 : Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemel zijn niet zuiver in Zijn ogen. Job 15:16 : Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
[^job-25-4-b]: Verwijzing b: Job 15:14 . Job 15:14 : Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
[^job-25-5-7]: Kanttekening 7: tot de maan toe: Dat is, men heeft zijn bemerking van de opperste hemel nederwaarts, tot de omloop van de maan; en u zult nergens enige glans, klaarheid, zuiverheid of heerlijkheid vinden, die met de majesteit van God te vergelijken is. Van de maan maakt hij gewag, en niet van de zon, omdat hij die, als naast ons gezicht zijnde, tot een exempel heeft willen stellen, daaronder begrijpende al de andere hemelse lichten.
[^job-25-5-c]: Verwijzing c: Job 15:15 . Job 15:15 : Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemel zijn niet zuiver in Zijn ogen.
[^job-25-6-d]: Verwijzing d: Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^job-25-6-8]: Kanttekening 8: Deze naam, en de volgende, het kind van de mens, raken in het algemeen alle mensen, en daarom ook wat van hen hier gezegd wordt. Zie boven, Job 5:17 , en 1 Kon. 8:39 . Job 5:17 : Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding van de Almachtige niet. 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef een ieder naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^job-25-6-e]: Verwijzing e: Ps. 22:7 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

### Job 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/26.json)

*Job, die Bildad beschuldigd had omdat hij hem meer verschrikt dan getroost had, vers 1 enz. erkent en beschrijft de werken van de onbegrijpelijke Majesteit van God, waarover Bildad begonnen was te spreken, 5. en toont dat wij daar maar weinig van weten te verhalen, 14.*

**1** Maar Job antwoordde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v1)

**2** Hoe hebt[^job-26-2-1] u geholpen[^job-26-2-2] die,[^job-26-2-3] die zonder kracht is,[^job-26-2-4] en behouden de arm, die zonder sterkte is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v2)

**3** Hoe hebt u hem[^job-26-3-5] geraden,[^job-26-3-6] die geen wijsheid heeft, en[^job-26-3-7] de zaak, zo zij is,[^job-26-3-8] ten volle bekend gemaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v3)

**4** Aan wie hebt u[^job-26-4-9] die woorden verhaald? En[^job-26-4-10] wiens geest is van u uitgegaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v4)

**5** [^job-26-5-11] De[^job-26-5-12] doden zullen[^job-26-5-13] geboren worden[^job-26-5-14] van onder de wateren, en[^job-26-5-15] hun inwoners. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v5)

**6** Het[^job-26-6-16] dodenrijk is[^job-26-6-a] naakt[^job-26-6-17] voor Hem, en geen deksel is er voor het[^job-26-6-18] verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v6)

**7** [^job-26-7-19][^job-26-7-b] Hij breidt[^job-26-7-20] het noorden uit over[^job-26-7-21] het woeste; Hij hangt de aarde[^job-26-7-22] aan een niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v7)

**8** [^job-26-8-23] Hij bindt de wateren in Zijn wolken; toch[^job-26-8-24] scheurt de wolk[^job-26-8-25] daaronder niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v8)

**9** [^job-26-9-c] Hij houdt[^job-26-9-26] het vlakke[^job-26-9-27] van Zijn troon vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v9)

**10** [^job-26-10-d] Hij heeft een[^job-26-10-28] gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend,[^job-26-10-29][^job-26-10-e] tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v10)

**11** [^job-26-11-30] De pilaren van de hemel sidderen, en[^job-26-11-31] ontzetten zich voor Zijn bestraffing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v11)

**12** Door Zijn kracht[^job-26-12-32][^job-26-12-f] klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij[^job-26-12-33] haar verheffing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v12)

**13** [^job-26-13-g] Door Zijn Geest[^job-26-13-34] heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft[^job-26-13-35] de langwemelende slang geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v13)

**14** Zie,[^job-26-14-36] dit zijn[^job-26-14-37] maar uiterste einden van Zijn wegen; en wat een[^job-26-14-38] klein stukje van de zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan[^job-26-14-39] de donder van Zijn mogendheden verstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/26.html#v14)

[^job-26-2-1]: Kanttekening 1: Namelijk, u Bildad.
[^job-26-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, mij. Zo in het volgende.
[^job-26-2-3]: Kanttekening 3: zonder kracht: Te weten, niet alleen door de ongezondheid en smarten zijns lichaams, maar ook de verslagenheid zijns gemoeds.
[^job-26-2-4]: Kanttekening 4: en : Deze vragen loochenen sterkelijk. Hij wil zeggen dat Bildad hem niet geholpen noch behouden had; want inplaats van hem te vertroosten met Gods vriendelijke genade, had hij hem gezocht te verschrikken met Gods vreeslijke majesteit.
[^job-26-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, opdat hij wijzer zij in het verstand, voorzichtiger in spreken, geduldiger in lijden, gestadiger in hopen.
[^job-26-3-6]: Kanttekening 6: die geen wijsheid heeft: Hij spreekt spottenderwijze van zichzelven, omdat zijn vrienden hem voor een onverstandigen zwetser hielden; zie boven, Job 11:2 , 11:3 . Job 11:2 : Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Job 11:3 : Zouden uw leugens de mensen doen zwijgen, en zoudt u spotten, en niemand u beschamen?
[^job-26-3-7]: Kanttekening 7: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord boven, Job 5:12 . Job veracht en bespot hier wat van Bildad was voortgebracht, niet ten aanzien van de leer zelve, maar van de toeëigening daarvan. Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.
[^job-26-3-8]: Kanttekening 8: ten volle: Hebreeuws, רֹב, in menigte.
[^job-26-4-9]: Kanttekening 9: die woorden: Dat is, de voorgaande redenen gebruikt? Hij wil zeggen: Zijn mij die dingen niet zo wel bekend als u? Vergelijk boven, Job 12:3 , 12:4 , en Job 13:2 . Job 12:3 : Ik heb ook een hart even als u, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen? Job 12:4 : Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot. Job 13:2 : Gelijk u het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
[^job-26-4-10]: Kanttekening 10: wiens geest: Dat is, door wiens geest hebt u dit gesproken? Het is niet een extraordinaire ingeving van Gods Geest; want u hebt niet dan algemene dingen voortgebracht, die een ieder bekend zijn. Het is dan van de drijving van uw eigen geest, die door zijn onverstand kwade toeëigeningen en besluiten maakt. Zie onder, Job 32:8 . Job 32:8 : Zekerlijk de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
[^job-26-5-11]: Kanttekening 11: Nadat Job Bildads rede verworpen heeft, spreekt hij breder van de volmaakte eigenschappen en werken van God, waarvan Bildad gehandeld had, om te tonen dat de dingen, van hem verhaald, hem wel bekend waren, en vervolgens dat zijn verhaal onnodig en ontijdig was geweest en niet wel passende op hun geschil.
[^job-26-5-12]: Kanttekening 12: Versta, de gestorven mensen. Zo is het Hebreeuwse woord refaim dikwijls in de Heilige Schrift genomen. Zie Ps. 88:11 ; Spr. 2:18 , en Spr. 9:18 ; Jes. 14:9 , en Jes. 26:14 . Anderen verstaan de dode dingen, die in de aarde en wateren van God geformeerd worden, als goud, zilver, kostelijk gesteende, koper, staal, ijzer, enz. Sommigen verstaan de reuzen, gelijk het Hebreeuwse woord deze ook betekent; Deut. 2:20 , en Deut. 3:13 . Psalmen 88:11 : Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. Spreuken 2:18 : Want haar huis helt naar de dood, en haar paden naar de overledenen. Spreuken 9:18 : Maar hij weet niet, dat daar doden zijn; haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk. Jesaja 14:9 : Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan. Jesaja 26:14 : Dood zijnde zullen zij niet weer leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht, en hebt hen verdelgd, en U hebt al hun gedachtenis doen vergaan. Deuteronomium 2:20 : Dit werd ook voor een land van de reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten; Deuteronomium 3:13 : En het overige van Gilead, en ook het gehele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de gehele landstreek van Argob, door het gehele Bazan; datzelfde werd genoemd het land van de reuzen.
[^job-26-5-13]: Kanttekening 13: geboren worden: Dat is, wedergeboren, of weer levend worden door de opstanding, welke een wedergeboorte genaamd wordt; Matt. 19:28 . Het Hebreeuwse woord is voor geboren worden genomen; Ps. 51:7 ; Spr. 8:24 , 8:25 . Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Psalmen 51:7 : Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Spreuken 8:24 : Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Spreuken 8:25 : Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
[^job-26-5-14]: Kanttekening 14: van onder de wateren: Dat is, uit de aarde, die het onderste element is.
[^job-26-5-15]: Kanttekening 15: hun inwoners: Versta, van de wateren; dat is, de dode lichamen, die in de zee, en andere wateren liggen. Zie Openb. 20:13 waarom sommigen het woordje en hier nemen voor dat is . Openbaring 20:13 : En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.
[^job-26-6-16]: Kanttekening 16: Versta, alle diepe en verborgen plaatsen, ja ook het dodenrijk, welke het gezicht van de mensen niet geraken kan. Zo is het woord scheol genomen, Ps. 139:8 . Zie ook Gen. 37:35 . Psalmen 139:8 : Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar. Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^job-26-6-a]: Verwijzing a: Ps. 139:8 ; idem v. 11 ; Spr. 15:11 ; Hebr. 4:13 . Psalmen 139:8 : Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar. Psalmen 139:11 : Als ik zei: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. Spreuken 15:11 : Het dodenrijk en het verderf zijn voor YHWH; hoeveel te meer de harten van de mensen kinderen? Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^job-26-6-17]: Kanttekening 17: voor Hem: Dat is, voor God, die alles door zijn voorzienigheid doorziet en regeert.
[^job-26-6-18]: Kanttekening 18: Versta, de plaatsen, waarin alle dingen verdorven worden en verloren gaan, en daaronder de plaats van de verdoemden. Vergelijk Spr. 15:11 , en Spr. 27:20 . Spreuken 15:11 : Het dodenrijk en het verderf zijn voor YHWH; hoeveel te meer de harten van de kinderen van de mensen? Spreuken 27:20 : Het dodenrijk en het verderf worden niet verzadigd; zo worden de ogen van de mensen niet verzadigd.
[^job-26-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk, God.
[^job-26-7-b]: Verwijzing b: Ps. 104:2 . Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn.
[^job-26-7-20]: Kanttekening 20: het noorden: Dat is, de hemel; die hier zo van een deel genaamd wordt, omdat het land, waarin Job en zijn vrienden woonden, het noordelijke deel over zich gehad heeft, zijnde de hemel door de evenlijn in twee gelijke delen gedeeld, het noordelijke en het zuidelijke.
[^job-26-7-21]: Kanttekening 21: het woeste: Versta, de gehele ruimte, die tussen de hemel en de aarde is.
[^job-26-7-22]: Kanttekening 22: aan een niet: Zodat de aarde geen ondersteunsel heeft dan Gods overgrote macht. Zie Ps. 24:2 , en Ps. 104:5 , en Ps. 136:6 . Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. Psalmen 104:5 : Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen. Psalmen 136:6 : Die, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^job-26-8-23]: Kanttekening 23: Hij bindt de wateren in Zijn wolken: God maakt de wolken uit de dampen van de aarde opwaarts stijgende, en door zijn voorzienigheid in de lucht zo samenklonterende, dat zij schijnen in zakken gebonden te zijn. Vergelijk Gen. 2:6 , en 2 Sam. 22:12 , en de aantekening. Genesis 2:6 : Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de ganse aardbodem. 2 Samuël 22:12 : En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding van de wateren, wolken van de hemel.
[^job-26-8-24]: Kanttekening 24: Dat is, ontsluit of barst niet, vallende geheel op de aarde, niettegenstaande dat zij bestaat uit water, dat van nature nederwaarts loopt, maar druipt alleen hier en daar, als en naar het de Heer belieft.
[^job-26-8-25]: Kanttekening 25: Dat is, in het onderste deel van de wateren, die in de wolken als in een zak gesloten zijn.
[^job-26-9-c]: Verwijzing c: Job 9:8 ; Ps. 104:2 ; idem v. 3 . Job 9:8 : Die alleen de hemel uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Psalmen 104:3 : Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt.
[^job-26-9-26]: Kanttekening 26: het vlakke: Dat is, het middelste deel van de lucht. Dit maakt God vast, opdat het Hem diene als een werkplaats, waaruit Hij ons zijn goederen mededeelt en die Hij tot sieraad met wolken bestrooit.
[^job-26-9-27]: Kanttekening 27: Dat is, van de hemel, of van de lucht. Van welke drie hemelen wordt gewag gemaakt Gen. 2:1 in de aantekening. Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^job-26-10-d]: Verwijzing d: Job 38:8 ; Ps. 33:7 ; Ps. 104:9 ; Jer. 5:22 . Job 38:8 : Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? Psalmen 33:7 : Hij vergadert de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de afgronden schatkameren. Psalmen 104:9 : U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken. Jeremia 5:22 : Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die van de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
[^job-26-10-28]: Kanttekening 28: gezet perk: Een gestelde grens in het rond, waarover de wateren van de zee niet kunnen geraken om het droge te overstelpen en te bedekken. \[Zie ook de Schriftuurplaatsen genoemd bij noot e\].
[^job-26-10-29]: Kanttekening 29: tot aan de voleinding toe: Dat is, zolang als het licht en de duisternis op de aarde zullen wezen; of zolang als de wereld staan zal.
[^job-26-10-e]: Verwijzing e: Gen. 1:9 ; Job 38:8 ; Ps. 33:7 ; Ps. 104:9 ; Spr. 8:29 ; Jer. 5:22 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Job 38:8 : Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? Psalmen 33:7 : Hij vergadert de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de afgronden schatkameren. Psalmen 104:9 : U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken. Spreuken 8:29 : Toen Hij van de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde; Jeremia 5:22 : Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die van de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
[^job-26-11-30]: Kanttekening 30: pilaren van de hemel: Vergelijk 2 Sam. 22:8 ; Ps. 18:8 . Versta door de pilaren van de hemel de krachten daarvan, Luk. 21:26 , welke zijn de natuur, eigenschappen en werkingen van de hemel, die uit haar stel schijnen gebracht te zijn, niet alleen door ongewoonlijke bliksemen, donderslagen, winden, stormen, regens, enz., maar ook door vele tekenen in de zon, maan, sterren, kometen en vuren in de hemel, enz. 2 Samuël 22:8 : Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten van de hemel beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was. Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. Lukas 21:26 : En de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen, die de aarde zullen overkomen; want de krachten van de hemel zullen bewogen worden.
[^job-26-11-31]: Kanttekening 31: ontzetten zich: Hebreeuws, verwonderen zich.
[^job-26-12-32]: Kanttekening 32: klieft Hij de zee: Als Hij onweer en stormen laat komen over de zee, die de baren en golven zo verheffen dat de zee schijnt te splijten en vol kloven te zijn; Ps. 107:25 , 107:26 . Psalmen 107:25 : Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft. Psalmen 107:26 : Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
[^job-26-12-f]: Verwijzing f: Jes. 51:15 . Jesaja 51:15 : Want Ik ben YHWH, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^job-26-12-33]: Kanttekening 33: Dat is, haar onstuimige en hooglopende baren; Ps. 104:7 , en Ps. 107:29 . Hebreeuws, רָֽהַב, Rahab, dat enige in de tekst behouden, verstaande daarbij Egypte, zo genoemd om de hoogmoed en de hovaardigheid van de Egyptenaren; Ps. 89:11 ; Jes. 51:9 . Psalmen 104:7 : Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. Psalmen 107:29 : Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen. Psalmen 89:11 : U hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte. Jesaja 51:9 : Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt?
[^job-26-13-g]: Verwijzing g: Ps. 33:6 . Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemel gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht.
[^job-26-13-34]: Kanttekening 34: heeft Hij de hemel versierd: Anders, heeft de hemel schoonheid.
[^job-26-13-35]: Kanttekening 35: langwemelende slang: Door deze kan men verstaan zekere grote slang, hetzij in de zee of op het land. Zij wordt hier en Jes. 27:1 genaamd met een bijwoord, betekenende vluchtig, welvliedende, wegwemelende. Sommigen willen het verstaan van het teken van de hemel, de slang genoemd. Jesaja 27:1 : Op die dag zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden.
[^job-26-14-36]: Kanttekening 36: dit zijn: Deze dingen, die wij van Gods werken en eigenschappen verhaald hebben.
[^job-26-14-37]: Kanttekening 37: uiterste einden: Kleine uiterste deeltjes, en gelijk afsnijdselen van de zeer grote en wijd uitgebreide lering, die daar is van de gewone werkingen van zijn wonderlijke kracht en regering.
[^job-26-14-38]: Kanttekening 38: klein stukje: Dat is, hoe weinig is het dat wij weten en begrijpen van Gods werken, bij wat er van is.
[^job-26-14-39]: Kanttekening 39: Dat is, zijn zeer grote en schrikkelijke macht.

### Job 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/27.json)

*Job verdedigt zijn onschuld tegen zijn vrienden, vers 1 enz. bewijst dat hij geen goddeloze huichelaar was, 7. hij erkent en geeft toe dat de goddelozen hier ook soms door God gestraft worden, wat hij nooit geloochend had, 11 enz.*

**1** En Job[^job-27-1-1] ging voort zijn[^job-27-1-2] spreuk op te heffen, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v1)

**2** Zo waarachtig als God leeft,[^job-27-2-3] Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft[^job-27-2-4] aangedaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v2)

**3** Zo lang als mijn[^job-27-3-5] adem in mij zal zijn, en het[^job-27-3-6] geblaas Gods in mijn neus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v3)

**4** Als mijn lippen onrecht zullen spreken, en als mijn tong bedrog[^job-27-4-7] zal uitspreken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v4)

**5** [^job-27-5-8] Het zij verre van mij, dat ik u rechtvaardigen[^job-27-5-9] zou;[^job-27-5-10] totdat ik de geest zal gegeven hebben, zal ik[^job-27-5-11] mijn oprechtheid van mij niet wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v5)

**6** Aan mijn[^job-27-6-12] gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart[^job-27-6-13] zal die niet versmaden[^job-27-6-14] van mijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v6)

**7** Mijn vijand[^job-27-7-15] zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v7)

**8** [^job-27-8-a] Want wat is de verwachting van[^job-27-8-16] de huichelaar, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal[^job-27-8-17] uittrekken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v8)

**9** [^job-27-9-b] Zal God[^job-27-9-18] zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v9)

**10** Zal hij zich verheugen in de Almachtige? Zal hij God aanroepen altijd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v10)

**11** Ik zal u leren[^job-27-11-19] van de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verhelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v11)

**12** Zie, u zelf allen[^job-27-12-20] hebt het gezien; en waarom wordt u dus door[^job-27-12-21] zinloosheid[^job-27-12-22] verijdeld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v12)

**13** [^job-27-13-c] Dit[^job-27-13-23] is het deel van de goddeloze mens bij God, en de erfenis van de tirannen, die zij van de Almachtige ontvangen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v13)

**14** Als[^job-27-14-24] zijn kinderen vermenigvuldigen,[^job-27-14-d] het[^job-27-14-25] is ten zwaarde; en zijn[^job-27-14-26] spruiten zullen[^job-27-14-27] van brood niet verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v14)

**15** Zijn[^job-27-15-28] overgeblevenen zullen[^job-27-15-29] in de dood begraven worden, en[^job-27-15-e] zijn weduwen zullen[^job-27-15-30] niet huilen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v15)

**16** Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v16)

**17** Hij zal ze[^job-27-17-f] bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v17)

**18** [^job-27-18-31] Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een[^job-27-18-32] hoeder de hutte maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v18)

**19** [^job-27-19-g] Rijk ligt hij[^job-27-19-33] neer, en wordt niet[^job-27-19-34] weggenomen;[^job-27-19-35] doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v19)

**20** [^job-27-20-h] Verschrikkingen zullen hem[^job-27-20-36] als wateren aangrijpen;[^job-27-20-37] in de nacht zal hem[^job-27-20-38] een wervelwind wegstelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v20)

**21** De[^job-27-21-39] oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen[^job-27-21-40] uit zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v21)

**22** En God[^job-27-22-41] zal dit over[^job-27-22-42] hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij[^job-27-22-43] snel vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v22)

**23** [^job-27-23-44] Een ieder zal over hem met zijn[^job-27-23-45] handen klappen, en[^job-27-23-46] over hem fluiten uit[^job-27-23-47] zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/27.html#v23)

[^job-27-1-1]: Kanttekening 1: ging voort: Te weten, nadat hij een weinig gezwegen had, verwachtende antwoord van zijn vrienden.
[^job-27-1-2]: Kanttekening 2: Vergelijk Num. 23:7 , en 1 Kon. 4:32 , en de aantekening. Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! 1 Koningen 4:32 : En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.
[^job-27-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, die mijn goede zaak, die ik tegen mijn vrienden heb, schijnt opgeschort en uit de hand gelegd te hebben om geen kennis daarvan te nemen en die door zijn oordeel af te handelen.
[^job-27-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, zeer scherp verdriet aangebracht. Vergelijk Ruth 1:20 , en 2 Kon. 4:27 , en de aantekening. Ruth 1:20 : Maar zij zei tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^job-27-3-5]: Kanttekening 5: Versta, door de adem en het geblaas Gods in de neus van de mens, het leven van de mensen en de ziel, waardoor het lichaam leeft. Vergelijk Gen. 2:7 , en 1 Kon. 17:17 met de aantekening, en Jes. 2:22 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. 1 Koningen 17:17 : En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon van deze vrouw, van de waardin van het huis, ziek werd; en zijn ziekte werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was. Jesaja 2:22 : Laat u dan af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
[^job-27-3-6]: Kanttekening 6: geblaas Gods: Zie de voorgaande aantekening.
[^job-27-4-7]: Kanttekening 7: zal uitspreken: Voeg hierbij, dat mij God straffe, of wee mij, enz. Zie Gen. 14:23 . Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^job-27-5-8]: Kanttekening 8: Het zij verre: Anders, het zij mij een onrein ding, als ik u rechtvaardig, totdat ik de geest geve.
[^job-27-5-9]: Kanttekening 9: rechtvaardigen zou: Zie van de betekenis van dit woord Gen. 44:16 . Genesis 44:16 : Toen zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.
[^job-27-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, zolang als ik leven zal; dat naar de manier van spreken van de Heilige Schrift zoveel is als nimmermeer; zie Gen. 28:15 . Genesis 28:15 : En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb.
[^job-27-5-11]: Kanttekening 11: mijn oprechtheid: Dat is, niet nalaten tegen alle beschuldigingen te verdedigen.
[^job-27-6-12]: Kanttekening 12: Te weten, van mijn onstrafbaar leven voor de mensen en mijn goede consciëntie voor God, zoveel betreft de zonden, waarmee ik bezwaard word.
[^job-27-6-13]: Kanttekening 13: zal die : Dat is, in geen gevaar laten komen, en over haar verdediging zorgeloos zijn. Zo betekent het Hebreeuwse woord versmaden enige zaak door kleinachting in gevaar stellen en onbeschermd laten; Richt. 5:18 ; 2 Sam. 23:9 . Richteren 5:18 : Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, ook Nafthali, op de hoogten van het veld. 2 Samuël 23:9 : En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die daar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen.
[^job-27-6-14]: Kanttekening 14: van mijn dagen: Dat is, mijn leven lang. Of, vanwege mijn \[vorige\] dagen; dat is, uit oorzaak van mijn voorgaand leven, te weten, alsof ik een huichelaar of goddeloos mens geweest was.
[^job-27-7-15]: Kanttekening 15: zij als: Dat is, worde daarvoor gehouden; want het is goddeloosheid en verkeerdheid, de onschuldige te veroordelen; of: zo haat ik de goddeloosheid, dat ik mijn vijanden die toewens. Zie een gelijke manier van spreken 2 Sam. 18:32 . Of, zal zijn; dat is, zover vandaar is het, dat ik een booswicht ben, dat zij, die mij daarvoor ten onrechte houden, voor zulken bevonden zullen worden. Zie onder, Job 42:7 . 2 Samuël 18:32 : Toen zei de koning tot Cuschi: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. Job 42:7 : Het geschiedde nu, nadat YHWH die woorden tot Job gesproken had, dat YHWH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
[^job-27-8-a]: Verwijzing a: Matt. 16:26 ; Lukas 12:20 . Mattheüs 16:26 : Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijn ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? Lukas 12:20 : Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, wiens zal het zijn?
[^job-27-8-16]: Kanttekening 16: Versta, gene. Het is een vraag, die sterkelijk loochent. Vergelijk Gen. 18:17 . Job bewijst hiermee dat hij geen huichelaar was, omdat zijn verwachting geheel goed en in God gegrondvest was. Zie boven, Job 13:15 , 13:16 , en Job 19:25 , 19:26 , 19:27 . Genesis 18:17 : En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Job 13:15 : Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. Job 13:16 : Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. Job 19:25 : Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Job 19:26 : En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^job-27-8-17]: Kanttekening 17: Of, ontbinden; te weten, uit zijn lichaam door de dood. Een bewijs van de onsterfelijkheid van de ziel. Vergelijk Gen. 35:18 , en de aantekening, 1 Kon. 19:4 ; Jona 4:3 ; Luk. 12:20 . Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders. Jona 4:3 : Nu dan, YHWH! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven. Lukas 12:20 : Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, wiens zal het zijn?
[^job-27-9-b]: Verwijzing b: Job 35:12 ; Ps. 18:42 ; Ps. 109:7 ; Spr. 1:28 ; Spr. 28:9 ; Jes. 1:15 ; Jer. 14:12 ; Ez. 8:18 ; Micha 3:4 ; Joh. 9:31 ; Jak. 4:3 . Job 35:12 : Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de bozen. Psalmen 18:42 : Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot YHWH, maar Hij antwoordde hun niet. Psalmen 109:7 : Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. Spreuken 1:28 : Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Spreuken 28:9 : Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jeremia 14:12 : Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren. Ezechiël 8:18 : Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen. Micha 3:4 : Alsdan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. Johannes 9:31 : En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij. Jakobus 4:3 : U bidt, en u ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt, opdat u het in uw wellusten doorbrengen zoudt.
[^job-27-9-18]: Kanttekening 18: zijn geroep: Te weten, van de huichelaar en goddelozen, met welke ik geen gemeenschap heb, omdat Hij mij verhoort, ik mij in hem vermaak en hem aanroep. Zie boven, Job 6:10 , en Job 12:4 , en Job 13:16 , en Job 19:25 , 19:26 . Job 6:10 : Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in de weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen van de Heilige niet verborgen gehouden. Job 12:4 : Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot. Job 13:16 : Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. Job 19:25 : Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Job 19:26 : En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
[^job-27-11-19]: Kanttekening 19: van de hand van God: Dat is, wat betreft de hand van God. De Hebreeuws, e letter beth wordt ook voor van genomen Ex. 12:43 , 12:44 , 12:45 ; Ps. 87:3 . Versta hier door de hand van God zijn besluit en de uitvoering daarvan; zo Hand. 4:28 . Exodus 12:43 : Verder zei YHWH tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten. Exodus 12:44 : Maar alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat u hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. Exodus 12:45 : Geen uitlander noch huurling zal er van eten. Psalmen 87:3 : Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad van God! Sela. Handelingen 4:28 : Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou.
[^job-27-12-20]: Kanttekening 20: hebt het gezien: Dat is, door ervaring bevonden wat ik verhaald heb en nog verhalen zal van de regering, die God houdt omtrent de vromen en onvromen.
[^job-27-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, onverstandigheid, waardoor zij van het voorgemelde niet recht oordeelden noch spraken.
[^job-27-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, verdwaald en verdwaasd in uw bedenkingen en redenen.
[^job-27-13-c]: Verwijzing c: Job 20:29 . Job 20:29 : Dit is het deel van de goddelozen mensen van God, en de erve zijn redenen van God.
[^job-27-13-23]: Kanttekening 23: is het deel: Te weten, dat ik nu voordragen zal. Job stemt zijn vrienden toe dat de bozen hier bij wijle mee gestraft worden, gelijk hij ook dat niet geloochend had, hebbende alleen geleerd dat zij meest in voorspoed leven en van algemene plagen vrij gaan.
[^job-27-14-24]: Kanttekening 24: zijn kinderen: Te weten, van de boze.
[^job-27-14-d]: Verwijzing d: Deut. 28:41 ; Hosea 9:13 . Deuteronomium 28:41 : Zonen en dochters zult u winnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan. Hosea 9:13 : Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot de moordenaar.
[^job-27-14-25]: Kanttekening 25: ten zwaarde: Dat is, om ellendiglijk door de hand van de vijanden, of van de overheid, of anderen een geweldigen dood te sterven.
[^job-27-14-26]: Kanttekening 26: Dat is, kinderen en nakomelingen. Zie boven, Job 5:25 . Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.
[^job-27-14-27]: Kanttekening 27: van brood: Dat is, vergaan van honger. Van het tegendeel, dat allermeest geschiedt, zie Ps. 17:14 . Psalmen 17:14 : Met Uw hand van de mensen, o YHWH! van de mensen, die van de wereld zijn, van wie het deel in dit leven is, van wie U de buik vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderen achter.
[^job-27-15-28]: Kanttekening 28: Die van het zwaard en de honger overig zijn.
[^job-27-15-29]: Kanttekening 29: in de dood: Dat is, zij zullen zo in het graf geraken, dat hun gedachtenis mee zal begraven worden, als onwaardig en stinkende bij de mensen. Vergelijk Ps. 49:13 . Psalmen 49:13 : De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
[^job-27-15-e]: Verwijzing e: Ps. 78:64 . Psalmen 78:64 : Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.
[^job-27-15-30]: Kanttekening 30: niet wenen: Te weten, in hun begrafenis, en dat om de gedachtenis van hun grote boosheid; of, omdat zij niet statelijk begraven zouden worden.
[^job-27-17-f]: Verwijzing f: Spr. 28:8 ; Pred. 2:26 . Spreuken 28:8 : Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich van de armen ontfermt. Prediker 2:26 : Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve die, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling van de geest.
[^job-27-18-31]: Kanttekening 31: Hij bouwt: Hij vergelijkt de goddeloze bij een mot, die voor zich een zacht huisje maakt in kostelijk gewaad, waaruit zij haast verdreven wordt, om zo zijn onzekeren en licht vergaanden voorspoed aan te wijzen. Vergelijk boven, Job 8:14 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop.
[^job-27-18-32]: Kanttekening 32: Of, als eenhut, \[die\] de hoeder maakt. Een andere gelijkenis, die tenzelfden einde dient, genomen van een hoeder, die gesteld is om enig gewas of beesten te wachten, die wel een hut tot zijn gemak lichtelijk opmaakt, maar daarna haastig verlaten moet, omdat zijn werk ophoudt of de hut vervalt.
[^job-27-19-g]: Verwijzing g: Ps. 49:18 . Psalmen 49:18 : Want hij zal in zijn sterven niet met al meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
[^job-27-19-33]: Kanttekening 33: Te weten, om te slapen. Zo wordt het woord nederliggen genomen Gen. 19:4 ; zie de aantekening. Anders, de rijke zal nederliggen, dat is sterven, en niet vergaderd worden, te weten, tot zijn volken, dat is, niet begraven worden. Genesis 19:4 : Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af.
[^job-27-19-34]: Kanttekening 34: Te weten, door de dood, dat is, hij sterft nog niet. Zie Ps. 26:9 . Anders, als er niet weggenomen is; te weten, door de dieven of rovers. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^job-27-19-35]: Kanttekening 35: doet hij: Dat is, wordt hij 's nachts wakker, niet denkende op enige zwarigheid, zo komt hem in de haast en onvoorziens het verderf over, gelijk in het volgende verklaard wordt. Anders, als hij zijn ogen opent, zo is er niet; dat is, hij vindt zich in één nacht van al zijn goed beroofd.
[^job-27-20-h]: Verwijzing h: Job 15:21 ; Job 18:11 . Job 15:21 : Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren; in de vrede zelven komt de verwoester hem over. Job 18:11 : De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
[^job-27-20-36]: Kanttekening 36: als wateren: Te weten, die met geweld ergens inbrekende, alles met zich wegrukken. Tegenheden en ellenden worden bij wateren vergeleken. Zie 2 Sam. 22:17 , en boven, Job 22:11 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. Job 22:11 : Of u ziet de duisternis niet, en de overvloed van het water bedekt u.
[^job-27-20-37]: Kanttekening 37: van de nacht: Dat is, het ongeluk zal hem onvoorziens en met geweld overvallen. De schrikkelijke oordelen van God gebeuren dikwijls 's nachts; Ex. 12:29 , en Ex. 14:24 ; 2 Kon. 19:35 ; Jes. 15:1 ; Dan. 5:30 ; Matt. 25:6 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! Daniël 5:30 : In dienzelfden nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood. Mattheüs 25:6 : En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
[^job-27-20-38]: Kanttekening 38: een wervelwind: Zie van deze gelijkenis breder Job 9:17 , en Job 21:18 . Job 9:17 : Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. Job 21:18 : Dat zij gelijk stro worden voor de wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
[^job-27-21-39]: Kanttekening 39: Hij vergelijkt bij deze wind \[die in die landen zeer fel, geweldig en schadelijk was\] de toorn van God; zie Ex. 10:13 . Exodus 10:13 : Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die ganse nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.
[^job-27-21-40]: Kanttekening 40: uit zijn plaats: Dat is, uit zijn aanzien, huis, rijkdom, gemak en waardigheid. Vergelijk boven, Job 8:18 . Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
[^job-27-22-41]: Kanttekening 41: dit : Te weten, de voorgemelde en daaraan gelijke straffen.
[^job-27-22-42]: Kanttekening 42: hem werpen: Te weten, de goddeloze.
[^job-27-22-43]: Kanttekening 43: snel vluchten: Hebreeuws, vliedende vluchten; te weten, als hij zich zal gevoelen van God geplaagd te zijn.
[^job-27-23-44]: Kanttekening 44: Een ieder : Te weten, die hem in zijn ongeluk zal zien en verstoten uit zijn plaats.
[^job-27-23-45]: Kanttekening 45: handen klappen: Te weten, tot een teken dat men hem veracht en bespot. Zo Klaagl. 2:15 ; Ez. 25:6 ; Zef. 2:15 . Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Ezechiël 25:6 : Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël; Zefanja 2:15 : Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
[^job-27-23-46]: Kanttekening 46: over hem: Zie 1 Kon. 9:8 . 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis?
[^job-27-23-47]: Kanttekening 47: zijn plaats: Te weten, van degene die schuifelt, of van de goddeloze, waarover geschuifeld wordt.

### Job 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/28.json)

*Nadat Job de scherpzinnigheid van het menselijk verstand in de dingen van deze wereld getoond heeft, vers 1 enz. verklaart hij dat die niet te vergelijken is met de hoge wijsheid van God, die onschatbaar en nergens te vinden is, 12. dan bij God, die haar bezit en gebruikt, 23. hij voegt daaraan toe waarin de juiste wijsheid van de mens gelegen is, 28.*

**1** [^job-28-1-1] Zeker, er is voor het zilver een[^job-28-1-2] uitgang, en een plaats voor het goud,[^job-28-1-3] dat zij smelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v1)

**2** Het ijzer wordt uit[^job-28-2-4] stof genomen, en[^job-28-2-5] uit steen wordt koper gegoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v2)

**3** [^job-28-3-6] Het einde,[^job-28-3-7] dat God gesteld heeft voor de[^job-28-3-8] duisternis, en[^job-28-3-9] al het uiterste onderzoekt[^job-28-3-10] hij; het gesteente van[^job-28-3-11] de donkerheid en van de schaduw van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v3)

**4** [^job-28-4-12] Breek er een beek door, bij degene, die daar woont,[^job-28-4-13][^job-28-4-14] de wateren vergeten zijnde van de voet, worden van de mens uitgeput, en gaan weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v4)

**5** Uit de aarde komt[^job-28-5-15] het brood voort, en onder zich[^job-28-5-16] wordt zij veranderd, alsof zij vuur was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v5)

**6** [^job-28-6-17] Haar stenen[^job-28-6-18] zijn de plaats van de saffier, en[^job-28-6-19] zij heeft[^job-28-6-20] stofjes van goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v6)

**7** De[^job-28-7-21] roofvogel heeft het[^job-28-7-22] pad niet gekend, en het oog van de kraai[^job-28-7-23] heeft het niet gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v7)

**8** De[^job-28-8-24] jonge hoogmoedige dieren hebben[^job-28-8-25] het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v8)

**9** [^job-28-9-26] Hij legt zijn hand aan de[^job-28-9-27] keiachtige rots,[^job-28-9-28] hij keert de bergen van de wortel om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v9)

**10** In de[^job-28-10-29] rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al[^job-28-10-30] het kostelijke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v10)

**11** Hij bindt de[^job-28-11-31] rivieren toe, dat niet één[^job-28-11-32] traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v11)

**12** [^job-28-12-33] Maar de wijsheid, vanwaar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van het verstand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v12)

**13** De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het[^job-28-13-34] land van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v13)

**14** [^job-28-14-a]De[^job-28-14-35] afgrond zegt: Zij is in mij niet; en[^job-28-14-36] de zee zegt: Zij is niet bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v14)

**15** [^job-28-15-b] Het[^job-28-15-37] gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v15)

**16** Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van[^job-28-16-38] Ofir, tegen de kostelijke[^job-28-16-39] Schoham, en de[^job-28-16-40] Saffier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v16)

**17** Men kan het goud of het[^job-28-17-41] kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een[^job-28-17-42] kleinood van[^job-28-17-43] dicht goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v17)

**18** [^job-28-18-44] De Ramoth en[^job-28-18-45] Gabisch zal[^job-28-18-46] niet gedacht worden; want de trek van de wijsheid is meerder dan van[^job-28-18-47] de Robijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v18)

**19** Men kan de[^job-28-19-48] Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v19)

**20** [^job-28-20-c] Die wijsheid dan, vanwaar komt zij, en waar is de plaats van het verstand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v20)

**21** Want zij is verborgen voor de ogen van alle levenden, en[^job-28-21-49] voor het gevogelte van de hemel is zij verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v21)

**22** [^job-28-22-50][^job-28-22-d] Het verderf en de dood zeggen:[^job-28-22-51] Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v22)

**23** [^job-28-23-52] God verstaat haar[^job-28-23-53] weg, en Hij weet[^job-28-23-54] haar plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v23)

**24** Want Hij schouwt[^job-28-24-55] tot aan de einden van de aarde, Hij ziet onder al de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v24)

**25** [^job-28-25-56] Als Hij[^job-28-25-57] de wind het gewicht maakte, en[^job-28-25-e] de wateren opwoog in mate; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v25)

**26** Als Hij de regen een vastgestelde[^job-28-26-58] orde maakte, en[^job-28-26-59] een weg voor het weerlicht[^job-28-26-60] van de donderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v26)

**27** Toen[^job-28-27-61] zag Hij[^job-28-27-62] haar, en[^job-28-27-63] vertelde ze;[^job-28-27-64] Hij stelde ze op, en ook[^job-28-27-65] doorzocht Hij ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v27)

**28** Maar tot de mens heeft Hij gezegd: Zie,[^job-28-28-66][^job-28-28-f] de vrees voor YHWH is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/28.html#v28)

[^job-28-1-1]: Kanttekening 1: Job, vertoond hebbende dat God ook enige bozen in dit leven straft, hoewel niet allen, en merkende dat zijn vrienden dit niet verstaan konden, wil nu leren dat de oordelen van God voor ons onbegrijpelijk zijn en dat de mens wel vernuftig is om veel aardse dingen uit te vinden en te begrijpen, vers 1 , 28:2 , enz., maar niet om de redenen van de wonderbare regering Gods te doorgronden, onder, vers 12 , enz. Job 28:1 : Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. Job 28:2 : Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. Job 28:12 : Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van het verstand?
[^job-28-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, plaatsen in de aarde, waar het uitgegraven wordt. Om deze uit te vinden het zilver van aarde, steen en andere metalen te onderscheiden, heeft de mens wetenschap genoeg; en zo in het volgende.
[^job-28-1-3]: Kanttekening 3: dat zij smelten: Te weten, de kunstenaars, of waar het gesmolten wordt. Zie boven, Job 4:19 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, van wie grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^job-28-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, uit de aarde.
[^job-28-2-5]: Kanttekening 5: Welke sommigen cadmiam noemen, voegende daarbij de steen chalcitem, uit welke men meent dat het koper gemaakt wordt; Plin. natural. Histor. lib. 34, cap. 1 en 2. Anderen vertalen deze woorden: De steen wordt \[tot\] koper gegoten. Of, de steen giet het koper uit. Of, \[uit\] gegoten steen \[komt\] koper.
[^job-28-3-6]: Kanttekening 6: Het einde: Dat is, de uiterste grenzen van alle groeven, kuilen, holen en spelonken van de aarde.
[^job-28-3-7]: Kanttekening 7: dat God : Anderen voegen hier in het woord mens, en vertalen vers 3 aldus: \[De mens\] stelt een einde voor de duisternis en voor alle voleinding, die hij onderzoekt, als het gesteente van de donkerheid en de schaduw van de dood. Job 28:3 : Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente van de donkerheid en van de schaduw van de dood.
[^job-28-3-8]: Kanttekening 8: Versta de dingen, die in het allerdiepste en duisterste van de aarde verborgen liggen, als metalen, gesteenten, enz., gelijk blijkt uit de volgende woorden.
[^job-28-3-9]: Kanttekening 9: al het uiterste: Of, alle volmaaktheid; datis al wat dienstig is om enige werken daaruit of daarmee te maken.
[^job-28-3-10]: Kanttekening 10: Te weten, de mens.
[^job-28-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, dat in het donker is. Van de schaduw van de dood, zie boven, Job 3:5 . Job 3:5 : Dat de duisternis en de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dag!
[^job-28-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, zo het gebeurt dat het hof van de mijn, waar men enige metalen of gesteenten uitgraaft, vol water wordt, dat daarin zakt en inbreekt van enige naburige plaats, verlatende zo zijn oude groef en degenen, die daarbij woonden.
[^job-28-4-13]: Kanttekening 13: de wateren : Te weten, van de beek.
[^job-28-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, welke wateren de voet van de mens niet doorgaan kan vanwege de grote diepte. De zin is, hoewel de wateren, die uit de voorgemelden vloed in de mijn vallen, zo diep zijn dat zij van de voet van de mens vergeten zijn, dat is, niet kunnen doorgaan worden, nochtans worden zij door de kunst en de arbeid van de mens uitgeput dat zij wegraken. Of aldus: \[Daar de wateren\] van de voet vergeten waren; dat is, waar tevoren geen water was geweest, of enig van de voet gevoeld.
[^job-28-5-15]: Kanttekening 15: het brood voort: Dat is, het koren, waaruit het brood gebakken wordt.
[^job-28-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, heeft binnen in zich aderen en lagen van sulfer en vurige stof, die de mensen weten uit te vinden.
[^job-28-6-17]: Kanttekening 17: Haar stenen: Te weten, van de aarde.
[^job-28-6-18]: Kanttekening 18: zijn de plaats: Dat is, hebben bij zich saffierstenen, die de mijnwerkers uitgraven. Zie van dit gesteente ook onder, vers 16 ; idem Ex. 24:10 , en Ex. 28:18 ; Hoogl. 5:14 . Job 28:16 : Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen de kostelijke Schoham, en de Saffier. Exodus 24:10 : En zij zagen de God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid. Exodus 28:18 : En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant. Hooglied 5:14 : Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.
[^job-28-6-19]: Kanttekening 19: zij heeft: Te weten, die plaats.
[^job-28-6-20]: Kanttekening 20: Dat is, zandjes van goud, die onder de aarde gemengd zijn en daaruit, door het vernuft en werk van de mens, gezameld en gescheiden worden.
[^job-28-7-21]: Kanttekening 21: Versta, een soort van een vogel, die gierig tot roven zijnde, zeer nauw de verborgen plaatsen doorzoekt.
[^job-28-7-22]: Kanttekening 22: Te weten, om tot de voorgemelde plaatsen te geraken.
[^job-28-7-23]: Kanttekening 23: Van welke men schrijft, dat zij een zeer scherp gezicht heeft. Zie Lev. 11:14 . Leviticus 11:14 : En de gier, en de kraai, naar haar aard;
[^job-28-8-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, בְנֵי, de zonen van het, enz. Vergelijk onder, Job 41:25 . Job 41:25 : Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
[^job-28-8-25]: Kanttekening 25: het niet betreden: Dat is, het pad of de steeg, welke leidt naar de plaats van het goud en van de edelgesteenten. Versta hierbij: Hoewel geen dieren tot die plaats kunnen indringen, door enige uitnemendheid die in hen is, dat nochtans de mens zulks doen kan door zijn vernuft en arbeid.
[^job-28-9-26]: Kanttekening 26: Hij legt: Te weten, de mens.
[^job-28-9-27]: Kanttekening 27: Dat is, de allerhardste steenrotsen.
[^job-28-9-28]: Kanttekening 28: hij keert: Te weten, met die te verdelen, te effenen, uit te hollen, enz. om metalen en gesteenten daaruit te halen, of om vloeden, beken en fonteinen daaruit te trekken, of om het land tot de bouwing bekwaam te maken.
[^job-28-10-29]: Kanttekening 29: houwt hij: Splijt, of klieft hij rivieren; dat is, hij maakt groeven in de rotsen, om het water daarin te lokken, die dan tot rivieren en beken of andere gebruiken dienen zouden.
[^job-28-10-30]: Kanttekening 30: het kostelijke: Als goud, zilver en edelgesteenten, die, in de aarde verborgen liggende, door het graven van de mens ontdekt worden.
[^job-28-11-31]: Kanttekening 31: Te weten, die onder de aarde verborgen zijn.
[^job-28-11-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, van het geween, of getraan; dat is, dat er geen water daarvan kan opbreken en uitvloeien in de mijnen. Versta, dat de mens de rivieren toedamt en opdroogt, waardoor het kostelijke, dat daarin verborgen was, ontdekt wordt.
[^job-28-12-33]: Kanttekening 33: Maar de wijsheid: Alsof hij zei: De mens kan wel kostelijke dingen, die in de aarde verborgen zijn, door zijn wetenschap en arbeid uitvinden, maar die verborgen wijsheid, waardoor de redenen van Gods oordelen ten volle verstaan worden, kan hij niet bekomen.
[^job-28-13-34]: Kanttekening 34: van de levenden: Dat is, onder de mensen, die op de aarde leven. Vergelijk Ps. 27:13 , en Ps. 142:6 ; Jes. 38:11 , en Jes. 53:8 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Psalmen 142:6 : Tot U riep ik, o YHWH! ik zei: U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land van de levenden. Jesaja 38:11 : Ik zei: Ik zal YHWH niet meer zien, YHWH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners van de wereld. Jesaja 53:8 : Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
[^job-28-14-a]: Verwijzing a: Job 28:22 . Job 28:22 : Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
[^job-28-14-35]: Kanttekening 35: Versta, de diepte van de wateren, die onder de aarde, ja in het onderste daarvan zijn. Zie Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^job-28-14-36]: Kanttekening 36: de zee: Versta, het deel van de zee, dat boven op de aarde drijft. Vergelijk Gen. 1:10 . Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
[^job-28-15-b]: Verwijzing b: Spr. 3:14 ; Spr. 8:11 ; idem 8:19 ; Spr. 16:16 . Spreuken 3:14 : Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. Spreuken 8:11 : Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken. Spreuken 8:19 : Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. Spreuken 16:16 : Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitmuntender, verstand te bekomen, dan zilver!
[^job-28-15-37]: Kanttekening 37: gesloten goud: Zie 1 Kon. 6:20 . 1 Koningen 6:20 : En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.
[^job-28-16-38]: Kanttekening 38: Zie 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^job-28-16-39]: Kanttekening 39: Zie Gen. 2:12 . Velen houden deze steen voor de onyxsteen, of sardonix, wiens kleur is wit en rood ineengemengd, gelijk de nagelen van de mens. Genesis 2:12 : En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.
[^job-28-16-40]: Kanttekening 40: Een edelgesteente van hemelse kleur, blinkende met gouden stipjes.
[^job-28-17-41]: Kanttekening 41: Anders, zeer blinkende parel, of de diamant.
[^job-28-17-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, כְּלִי, vat. Zie Gen. 24:53 ; Num. 31:50 ; 1 Sam. 6:8 ; 2 Kon. 20:13 ; Esth. 1:7 . Genesis 24:53 : En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder kostelijkheden. Numeri 31:50 : Daarom hebben wij een offerande van YHWH gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht van YHWH. 1 Samuël 6:8 : Neemt dan de ark van YHWH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die u Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga. 2 Koningen 20:13 : En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gehele schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn gehele heerschappij, dat hij hun niet toonde. Esther 1:7 : En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ene vat was anders dan het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar van de koning vermogen.
[^job-28-17-43]: Kanttekening 43: dicht goud: Zie 1 Kon. 10:18 . 1 Koningen 10:18 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog dezelfde met dicht goud.
[^job-28-18-44]: Kanttekening 44: De Ramoth: Enige verstaan door dit woord koraal, anderen een edelgesteente, genaamd sandastros, of garamantites.
[^job-28-18-45]: Kanttekening 45: De naam \[naar eniger gevoelen\] van een parel, groeiende in de schelp van een vis, bij de Latijnen genaamd unio, omdat geen twee onderscheiden groeien. Anderen verstaan daardoor een zeker edelgesteente.
[^job-28-18-46]: Kanttekening 46: niet gedacht: Te weten, als men gewag maakt van de waarde van de wijsheid.
[^job-28-18-47]: Kanttekening 47: Het woord betekent een gesteente, dat rood van kleur geweest is, uit wat verhaald wordt Klaagl. 4:7 . Klaagliederen 4:7 : Zain. Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier.
[^job-28-19-48]: Kanttekening 48: Topaas van Morenland: Een edelgesteente van groene kleur. Zie van hetzelfde Ex. 28:17 en Ex. 39:10 . Exodus 28:17 : En u zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij. Exodus 39:10 : En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
[^job-28-20-c]: Verwijzing c: Job 28:12 . Job 28:12 : Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van de verstand?
[^job-28-21-49]: Kanttekening 49: voor het gevogelte: Hij noemt de vogels, omdat zij hoog vliegen en ver zien, en nochtans niet geraken kunnen tot de plaats, waar de wijsheid verborgen is; want de volmaakte wijsheid is alleen te vinden in God, die daarvan de redelijken creaturen zoveel mededeelt als het Hem belieft.
[^job-28-22-50]: Kanttekening 50: Het verderf: Hij verdeelt alle plaatsen in drieën: in de middelste, waarin de levende mensen zijn, in de hoogste, waarin de vogels vliegen, en in de onderste, waarin de doden zijn en al wat vergaan is. Vergelijk hiermee boven, de aantekening Job 26:6 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
[^job-28-22-d]: Verwijzing d: Job 28:14 . Job 28:14 : De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
[^job-28-22-51]: Kanttekening 51: Haar gerucht: Te weten, van de verborgen wijsheid. De zin is dat zij van deze geen kennis hebben, maar alleen een gerucht dat zij in wezen is. Vergelijk boven, vers 14 . Job 28:14 : De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
[^job-28-23-52]: Kanttekening 52: God verstaat: Dat is, niemand anders dan God.
[^job-28-23-53]: Kanttekening 53: Dat is, de wijze hoe men de wijsheid vinden kan, hoedanig zij is, en welke werkingen zij heeft, en welk beleid en einde daarin.
[^job-28-23-54]: Kanttekening 54: haar plaats: Te weten, waar zij te vinden is, namelijk alleen in Hemzelf; Matt. 11:27 . Mattheüs 11:27 : Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren.
[^job-28-24-55]: Kanttekening 55: tot aan de einden van de aarde: De zin is, dat Gods wijsheid oneindig en onbepaald is; 1 Kor. 2:10 ; Hebr. 4:13 . 1 Korinthiërs 2:10 : Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^job-28-25-56]: Kanttekening 56: Als Hij: Hij wil zeggen dat de wijsheid, die in God verborgen is, zich enigszins geopenbaard heeft door de schepping van de wereld.
[^job-28-25-57]: Kanttekening 57: de wind: De zin is dat God alle schepselen naar zijn wijsheid niet alleen het wezen heeft gegeven, maar dat Hij hen ook heeft gesteld in orde, gewicht en maat, en dezelfde ingestort hun eigenschappen en manieren van werkingen.
[^job-28-25-e]: Verwijzing e: Spr. 8:29 . Spreuken 8:29 : Toen Hij van de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde;
[^job-28-26-58]: Kanttekening 58: orde maakte: Te weten, hoe, waar, wanneer en waartoe Hij de regen, donder, bliksem, enz., zou laten vallen.
[^job-28-26-59]: Kanttekening 59: een weg: Vergelijk onder, Job 38:25 . Job 38:25 : Wie deelt voor de stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht van de donderen?
[^job-28-26-60]: Kanttekening 60: van de donderen: Hebreeuws, van de stemmen. Zo Ex. 9:23 ; 1 Sam. 7:10 ; onder, Job 37:4 , 37:5 ; Ps. 29:3 . Exodus 9:23 : Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland. 1 Samuël 7:10 : En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël. Job 37:4 : Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijn hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. Job 37:5 : God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^job-28-27-61]: Kanttekening 61: zag Hij: Vergelijk Gen. 1:31 . Genesis 1:31 : En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.
[^job-28-27-62]: Kanttekening 62: Te weten, de wijsheid, van welke hier gesproken wordt.
[^job-28-27-63]: Kanttekening 63: vertelde ze: Dat is, openbaarde haar, en gaf de mensen stof om die te vertellen en te verkondigen.
[^job-28-27-64]: Kanttekening 64: schikte ze: Dat is, Hij ordineerde haar tot het einde, waartoe Hij haar geopenbaard had.
[^job-28-27-65]: Kanttekening 65: doorzocht Hij ze: Dat is, Hij toonde dat Hij haar met de allervolmaakste doorzoeking en allerwijste bedenking de mensen voorgesteld had, opdat zij die met eerbied nazoeken en met ootmoed vereren zouden.
[^job-28-28-66]: Kanttekening 66: de vrees voor YHWH: Alsof Hij zei: De verborgen wijsheid, waardoor Ik de wereld en daarin de mensen regeer, is voor mij; maar de wijsheid, die Ik voor de mensen behouden heb, is dat zij mij vrezen naar het voorschrift van mijn geopenbaarden wil. Zie Deut. 29:29 . Deuteronomium 29:29 : De verborgen dingen zijn voor YHWH, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet.
[^job-28-28-f]: Verwijzing f: Ps. 111:10 ; Spr. 1:7 ; Spr. 9:10 . Psalmen 111:10 : Resch. De vrees voor YHWH is het begin van de wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in eeuwigheid. Spreuken 1:7 : De vrees van YHWH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. Spreuken 9:10 : De vrees voor YHWH is het begin van de wijsheid, en de wetenschap van de heiligen is verstand.

### Job 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/29.json)

*Job, die wenst in zijn eerste staat hersteld te worden, verklaart hoe gelukzalig die geweest is door de gunst en zegen van de Heere, vers 1 enz. en hoezeer hij daarin door allen geëerd en aangezien was, 7. vanwege zijn vroomheid en deugdzaamheid, 12. hij verhaalt ook hoe zijn hoop daarin was, 18. samen met zijn gestadige toename in rijkdom, 19. en in eer en aanzien, 20.*

**1** [^job-29-1-1] En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v1)

**2** [^job-29-2-2] Och, of ik was, zoals in de vorige maanden, zoals[^job-29-2-3] in de dagen, toen God mij bewaarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v2)

**3** Toen Hij[^job-29-3-4] Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en[^job-29-3-5] ik bij Zijn licht[^job-29-3-6] de duisternis doorwandelde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v3)

**4** Zoals ik was in de dagen van mijn[^job-29-4-7] jeugd, toen Gods[^job-29-4-8] geheim over mijn tent was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v4)

**5** Toen de Almachtige nog[^job-29-5-9] met mij was, en[^job-29-5-10] mijn jongens rondom mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v5)

**6** Toen ik mijn gangen[^job-29-6-11] waste in boter, en de rots bij mij[^job-29-6-12] oliebeken uitgoot; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v6)

**7** Toen ik uitging naar de[^job-29-7-13] poort door de stad, toen ik[^job-29-7-14] mijn stoel op de[^job-29-7-15] straat liet bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v7)

**8** De jongens zagen mij, en[^job-29-8-16] verborgen zich, en de stokouden[^job-29-8-17] rezen op en stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v8)

**9** De oversten[^job-29-9-18] hielden de woorden in, en[^job-29-9-19] legden de hand op hun mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v9)

**10** De stem van de vorsten verstak zich, en[^job-29-10-20] hun tong kleefde aan hun gehemelte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v10)

**11** Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde[^job-29-11-21] het van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v11)

**12** [^job-29-12-a] Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v12)

**13** [^job-29-13-22] De zegen van degene, die[^job-29-13-23] verloren ging, kwam op mij; en het hart van de weduwe deed ik[^job-29-13-24] vrolijk zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v13)

**14** [^job-29-14-25][^job-29-14-b] Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en[^job-29-14-26] zij bekleedde mij; mijn[^job-29-14-27] oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v14)

**15** [^job-29-15-28] De blinden was ik tot ogen, en de kreupelen was ik tot voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v15)

**16** Ik was de armen een vader; en het geschil, dat ik niet wist,[^job-29-16-29] dat onderzocht ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v16)

**17** En ik verbrak[^job-29-17-30] de baktanden van de verkeerden, en wierp de roof uit zijn tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v17)

**18** En ik zei: Ik zal in[^job-29-18-31] mijn nest[^job-29-18-32] de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen[^job-29-18-33] als het zand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v18)

**19** Mijn[^job-29-19-34] wortel was[^job-29-19-35] uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v19)

**20** Mijn[^job-29-20-36] heerlijkheid[^job-29-20-37] was nieuw bij mij, en[^job-29-20-38] mijn boog veranderde zich in mijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v20)

**21** Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v21)

**22** Na mijn woord[^job-29-22-39] spraken zij niet weer, en[^job-29-22-40] mijn rede drupte op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v22)

**23** Want zij wachtten naar mij, zoals[^job-29-23-41] naar de regen, en sperden hun mond open, als naar de[^job-29-23-42] spade regen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v23)

**24** [^job-29-24-43] Lachte ik hun toe, zij geloofden[^job-29-24-44] het niet; en[^job-29-24-45] het licht van mijn aangezicht deden zij niet neervallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v24)

**25** [^job-29-25-46] Verkoos ik hun weg, zo zat[^job-29-25-47] ik bovenaan, en woonde[^job-29-25-48] als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/29.html#v25)

[^job-29-1-1]: Kanttekening 1: Job ging voort: Zie boven, Job 27:1 . Job 27:1 : En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei:
[^job-29-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, יִתְּנֵ, wie zal mij geven te zijn, enz. Zie boven, Job 6:8 . Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
[^job-29-2-3]: Kanttekening 3: in de dagen: Dat is, in de vorigen tijd mijns levens. Vergelijk boven, Job 14:5 , en zie de aantekening. Job 14:5 : Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
[^job-29-3-4]: Kanttekening 4: Zijn lamp: Dat is, mij met zijn zegen bijbleef. Zo wordt dit woord dikwijls genomen; zie boven, Job 18:6 . Job 18:6 : Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
[^job-29-3-5]: Kanttekening 5: bij Zijn licht: Dat is, door zijn genade en zegen; want licht is hier evenveel als recht tevoren lamp; zie boven, Job 18:5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-29-3-6]: Kanttekening 6: de duisternis: Dat is, de ellende en de tegenspoed van deze levens doorkwam en overwon. Duisternis voor ellende en tegenheid; zie Gen. 15:12 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-29-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, mijn meeste kracht en gelukzaligheid. En versta deze, niet zozeer ten aanzien van zijn ouderdom als van de welstand zijns levens, die hem tevoren als een jeugd geweest was. Anders, in de dagen van mijn herfst; te weten, als ik overvloed en weelde gehad heb, gelijk men heeft in de herfst als de vruchten rijp zijn. Of in de dagen mijns winters; dat is, als ik rust en stilte gehad heb, gelijk de krijgslieden in de winter plegen te hebben als zij in een goede plaats logeren.
[^job-29-4-8]: Kanttekening 8: Versta, de eeuwige voorzienigheid Gods, waardoor Hij zorg voor Job droeg om hem te geleiden en te bewaren, en ook zijn vriendelijke bijwoning door de onderwijzing en vertroosting van zijn Heilige Geest.
[^job-29-5-9]: Kanttekening 9: met mij was: Zie Gen. 21:22 . Genesis 21:22 : Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^job-29-5-10]: Kanttekening 10: Dat is knechten, of zonen.
[^job-29-6-11]: Kanttekening 11: wies in boter: Het is een overtollige manier van spreken, betekenende grote overvloed van boter, niet ongelijk degenen, die wij hebben Gen. 49:11 , 49:12 , en die hier in de naaste woorden ligt. Genesis 49:11 : Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen zijn ezelin aan de edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed. Genesis 49:12 : Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk.
[^job-29-6-12]: Kanttekening 12: Vergelijk Deut. 32:13 , en Deut. 33:24 , en boven, Job 20:17 . Hebreeuws, צוּר, en de rots bij mij met beken van olie uitgegoten werd. Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 33:24 : En van Aser zei hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broers aangenaam, en dope zijn voet in olie. Job 20:17 : De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.
[^job-29-7-13]: Kanttekening 13: Versta, de plaats van het gericht, bij ons genaamd de vierschaar. Zie Gen. 22:17 , en boven, Job 5:4 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort zijn vijanden erfelijk bezitten. Job 5:4 : Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.
[^job-29-7-14]: Kanttekening 14: Rechterstoel, uit welke hij als een hoge overheid kennis nam van de geschillen van de onderzaten, en het recht uitte.
[^job-29-7-15]: Kanttekening 15: Die bij de stadspoort was, waar het volk vergaderde om te pleiten en de uitspraak van de rechter te verwachten.
[^job-29-8-16]: Kanttekening 16: Te weten, uit vrees of schaamte voor mij wijkende.
[^job-29-8-17]: Kanttekening 17: rezen op: Te weten, totdat ik nedergezeten was, in teken van eerbied. Vergelijk Lev. 19:32 ; 1 Kon. 2:19 . Leviticus 19:32 : Voor het grauwe haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de oude vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben YHWH! 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand.
[^job-29-9-18]: Kanttekening 18: hielden de woorden in: Dat is, lieten hun redenen varen, om mij te horen spreken of uit ontzag voor mijn aanwezigheid.
[^job-29-9-19]: Kanttekening 19: leiden de hand op hun mond: Dat is, zwegen stil. Zie Richt. 18:19 . Richteren 18:19 : En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van een man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël?
[^job-29-10-20]: Kanttekening 20: hun tong: Deze manier van spreken betekent stilzwijgendheid of onvermogendheid van spreken; zie dezelfde ook Ps. 137:6 ; Ez. 3:26 . Psalmen 137:6 : Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijn blijdschap! Ezechiël 3:26 : En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis.
[^job-29-11-21]: Kanttekening 21: van mij: Te weten, van mijn godvruchtigheid en vroomheid, die zich openbaarde in al mijn woorden en werken.
[^job-29-12-a]: Verwijzing a: Ps. 72:12 ; Spr. 21:13 . Psalmen 72:12 : Want hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft. Spreuken 21:13 : Die zijn oor stopt voor het geschrei van de armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
[^job-29-13-22]: Kanttekening 22: De zegen: Dat is, het goed dat mij toegewenst werd van degenen, die ik uit zware noden hielp.
[^job-29-13-23]: Kanttekening 23: Dat is, die in gevaar stond van verloren te moeten gaan, als ik hem met raad en daad niet geholpen had.
[^job-29-13-24]: Kanttekening 24: vrolijk zingen: Dat is, zich verblijden over de weldaad en de bijstand, die ik haar bewees in haar verdrukking.
[^job-29-14-25]: Kanttekening 25: Ik bekleedde mij: De zin is: Gelijk Job zich vastgehouden heeft aan de gerechtigheid als aan een kleed, dat men niet aflegt, dat ook zo de gerechtigheid hem diende tot een sieraad en aanzien bij de mensen. Vergelijk onder, Job 40:5 ; Ps. 132:9 ; Jes. 52:1 . Job 40:5 : Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! Psalmen 132:9 : Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen. Jesaja 52:1 : Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.
[^job-29-14-b]: Verwijzing b: Jes. 59:17 ; Efez. 6:14 ; 1 Thes. 5:8 . Jesaja 59:17 : Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. Efeziërs 6:14 : Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid; 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.
[^job-29-14-26]: Kanttekening 26: zij bekleedde mij: Te weten, de gerechtigheid.
[^job-29-14-27]: Kanttekening 27: oordeel was: Te weten, dat ik uitte tot bescherming van de verdrukten.
[^job-29-15-28]: Kanttekening 28: De blinden: Versta, dat hij de ellendigen geholpen had, niet alleen met woorden van onderwijs, waarschuwing, raad en troost, maar ook met werken en middelen.
[^job-29-16-29]: Kanttekening 29: dat onderzocht ik: Hij wil zeggen dat hij niet alleen recht gehandeld heeft wat tot hem, als tot de gewonen rechter aangebracht werd, maar ook dat hij naarstiglijk nagespeurd had wat hem niet aangebracht was, om de verdrukten bijtijds te helpen.
[^job-29-17-30]: Kanttekening 30: de baktanden: Dat is, het geweld van de onrechtvaardige mensen, die de armen en zwakken zochten te verdrukken. Zie gelijke manier van spreken Ps. 3:8 , en Ps. 57:5 , en Ps. 58:7 ; Spr. 30:14 ; Joël 1:6 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken. Psalmen 57:5 : Mijn ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, van wie tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard. Psalmen 58:7 : O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden van de jonge leeuwen, o YHWH! Spreuken 30:14 : Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren. Joël 1:6 : Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
[^job-29-18-31]: Kanttekening 31: mijn nest: Dat is, in mijn huis en onder de mijnen.
[^job-29-18-32]: Kanttekening 32: de geest geven: Dat is, allengskens en zachtjes uitgaan en als van enkel ouderdom sterven. Vergelijk de naastvolgende woorden. Het Hebreeuwse woord schijnt zo genomen te zijn, Gen. 25:8 , en Gen. 49:33 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Genesis 49:33 : Als Jakob voltooid had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf de geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.
[^job-29-18-33]: Kanttekening 33: als het zand: Dat is, in grote veelheid. Zie Gen. 41:49 . Genesis 41:49 : Zo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand van de zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.
[^job-29-19-34]: Kanttekening 34: Dat is, mijn vermogen en welvaren nam toe en vermeerderde, gelijk de wasdom van een boom, die uit de grond met water en uit de hemel met dauw wel bevochtigd wordt. Vergelijk boven, Job 18:16 , en Ps. 1:3 . Job 18:16 : Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^job-29-19-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, geopend.
[^job-29-20-36]: Kanttekening 36: Dat is de eer en achting, die ik onder de mensen had uit oorzaak van mijn grote welstand.
[^job-29-20-37]: Kanttekening 37: was nieuw: Dat is, bleef niet alleen gelijk tevoren, maar nam ook dagelijks toe.
[^job-29-20-38]: Kanttekening 38: mijn boog: Versta de macht en de middelen, die hij had om zijn staat te onderhouden en te beschermen tegen alle schadelijk geweld. Hij verklaart van die, dat zij veranderen door toeneming en vermeerdering. Boog voor macht en middelen, Gen. 49:24 ; 1 Sam. 2:4 , enz. Genesis 49:24 : Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls; 1 Samuël 2:4 : De boog van de sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.
[^job-29-22-39]: Kanttekening 39: spraken zij: Hebreeuws, verdubbelden zij niet. Zo 1 Sam. 26:8 ; 2 Sam. 20:10 . 1 Samuël 26:8 : Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweede male doen. 2 Samuël 20:10 : En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmee aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweede male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna.
[^job-29-22-40]: Kanttekening 40: mijn rede: Zie Deut. 32:2 . Deuteronomium 32:2 : Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
[^job-29-23-41]: Kanttekening 41: naar de regen: Vergelijk Ps. 72:6 . Psalmen 72:6 : Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.
[^job-29-23-42]: Kanttekening 42: spaden regen: Zie Deut. 11:14 . Deuteronomium 11:14 : Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
[^job-29-24-43]: Kanttekening 43: Lachte ik hun toe: Of, jokte ik met hen.
[^job-29-24-44]: Kanttekening 44: geloofden het niet: Te weten, dat ik jokte; dat is, zij hadden mij in zulk een aanzien en waarde, dat zij mijn woorden, in jok gesproken, opnamen als in rechte ernst van mij voortgebracht.
[^job-29-24-45]: Kanttekening 45: het licht: Dat is, mij blij gelaat bedroefden of beschaamden zij niet, uit oorzaak dat ik met mijn jokken hen zou mogen schijnen veracht te hebben.
[^job-29-25-46]: Kanttekening 46: Dat is, als ik vanzelf bij hen ging om hen te bezoeken en met goed onderwijs, raad of troost te vermaken en stichten.
[^job-29-25-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, רֹאשׁ, het hoofd; of, \[aan\] het hoofd.
[^job-29-25-48]: Kanttekening 48: als een koning: Hij wil zeggen dat hij niet alleen geducht was als een koning om zijn autoriteit, maar ook bemind en begeerd als een vertrooster van de bedroefden om zijn vriendelijkheid en weldadigheid.

### Job 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/30.json)

*Job stelt tegenover zijn vroegere welstand zijn tegenwoordige ellende, bestaande in grote verachting die de onwaardigste lieden hem aandeden, vers 1 enz. in wrede aanvechting waarmee hij in zijn geloof en hoop bestreden werd, 12. in verschrikkingen, 15. in angst, 16. in pijnen van het lichaam, 17. in uiterste smaad en vernedering, waarin hij niet verhoord werd, 19. in dodelijke verzwakking van zijn krachten, 22. ondanks zijn vroomheid, 25. in het geweld van zijn ziekte, 27. in droefheid en geklaag, 31.*

**1** Maar nu lachen over mij[^job-30-1-1] minderen dan ik van dagen, van wie de vaders ik versmaad zou hebben,[^job-30-1-2] om bij de honden van mijn kudde te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v1)

**2** Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten[^job-30-2-3] van hun handen?[^job-30-2-4] Zij was door ouderdom in hen vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v2)

**3** Die door[^job-30-3-5] gebrek en honger eenzaam waren, vluchtende naar[^job-30-3-6] dorre plaatsen,[^job-30-3-7] in het[^job-30-3-8] donkere, woeste en verwoeste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v3)

**4** Die[^job-30-4-9] ziltige kruiden plukten bij de struiken, en waarvan het voedsel de wortel van de jeneveren was[^job-30-4-10]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v4)

**5** Zij werden uit[^job-30-5-11] het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v5)

**6** Opdat zij wonen zouden in de kloven van de dalen, de holen van het stof en van de steenrotsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v6)

**7** [^job-30-7-12] Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen[^job-30-7-13] verzamelden zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v7)

**8** Zij waren kinderen van[^job-30-8-14] de dwazen, en kinderen[^job-30-8-15] van geen naam;[^job-30-8-16] zij waren geslagen uit het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v8)

**9** [^job-30-9-a] Maar nu ben ik[^job-30-9-17] hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v9)

**10** [^job-30-10-b] Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij,[^job-30-10-18] ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v10)

**11** Want[^job-30-11-19] Hij heeft mijn[^job-30-11-20] koord losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben[^job-30-11-21] zij de[^job-30-11-22] breidel[^job-30-11-23] voor mijn aangezicht afgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v11)

**12** [^job-30-12-24] Ter rechterhand staat de[^job-30-12-25] jeugd op,[^job-30-12-26] stoten mijn voeten uit, en[^job-30-12-27] banen tegen mij hun verderfelijke wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v12)

**13** [^job-30-13-28] Zij breken mijn pad af,[^job-30-13-29] zij bevorderen mijn ellende; zij hebben[^job-30-13-30] geen helper van doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v13)

**14** [^job-30-14-31] Zij komen aan, als door een wijde breuk;[^job-30-14-32] onder de verwoesting rollen zij zich aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v14)

**15** Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn[^job-30-15-33] edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v15)

**16** Daarom[^job-30-16-34] stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen[^job-30-16-35] van de druk grijpen mij aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v16)

**17** In de nacht doorboort[^job-30-17-36] Hij mijn beenderen[^job-30-17-37] in mij, en mijn polsaderen rusten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v17)

**18** Door[^job-30-18-38] de veelheid van de kracht is mijn kleed[^job-30-18-39] veranderd;[^job-30-18-40] Hij omgordt mij als de[^job-30-18-41] kraag van mijn rok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v18)

**19** Hij heeft mij in[^job-30-19-42] het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden[^job-30-19-43] als stof en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v19)

**20** Ik schrei tot[^job-30-20-44] U, maar U antwoordt mij niet; ik[^job-30-20-45][^job-30-20-46] sta, maar U acht niet op mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v20)

**21** U bent[^job-30-21-47] veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte van Uw hand[^job-30-21-48] wederstaat U mij hatelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v21)

**22** U[^job-30-22-49] heft mij op in de wind; U doet mij daarop rijden, en U versmelt mij[^job-30-22-50] het wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v22)

**23** Want ik weet,[^job-30-23-c] dat U mij ter dood brengen zult, en tot het[^job-30-23-51] huis van de[^job-30-23-52] samenkomst alle levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v23)

**24** Maar[^job-30-24-53] Hij zal[^job-30-24-54] tot de aardhoop de hand[^job-30-24-55] niet uitsteken; is er[^job-30-24-56] bij hen[^job-30-24-57] geschrei in zijn verdrukking? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v24)

**25** [^job-30-25-58][^job-30-25-d] Huilde ik niet[^job-30-25-59] over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet bedroefd over de arme? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v25)

**26** Toch toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het[^job-30-26-60] licht, zo kwam de[^job-30-26-61] donkerheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v26)

**27** Mijn binnenste[^job-30-27-62] kookt, en is niet stil; de dagen van de verdrukking zijn[^job-30-27-63] mij voorgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v27)

**28** Ik ga zwart daarheen,[^job-30-28-64] niet van de zon; opstaande[^job-30-28-65] schreeuw ik[^job-30-28-66] in de gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v28)

**29** [^job-30-29-67][^job-30-29-e] Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van[^job-30-29-68] de jonge struisvogels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v29)

**30** [^job-30-30-f] Mijn huid is[^job-30-30-69] zwart geworden over mij, en mijn[^job-30-30-70] gebeente is ontstoken van[^job-30-30-71] dorrigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v30)

**31** Hierom is[^job-30-31-72] mijn harp tot een klaagzang geworden, en mijn orgel tot een stem van de wenenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/30.html#v31)

[^job-30-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, jonger van jaren. Zo onder, Job 32:6 . Het woord dagen wordt ook nagelaten, dezelfde zin blijvende; Gen. 19:31 , en Gen. 48:14 ; Joz. 6:26 ; Richt. 6:15 . Zo grote voor oude; 1 Sam. 17:28 , en onder, Job 32:9 . Job 32:6 : Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei: Ik ben minder van dagen, maar u bent stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, u mijn gevoelen te vertonen. Genesis 19:31 : Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de gehele aarde. Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Jozua 6:26 : En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van YHWH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon! Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in van mijn vader huis. 1 Samuël 17:28 : Als Eliab, zijn grootste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom bent u nu afgekomen, en onder wie hebt u de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want u bent afgekomen, opdat u de strijd zaagt. Job 32:9 : De grote zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
[^job-30-1-2]: Kanttekening 2: om bij de honden: Dat is, om acht te nemen over de honden, die mijn schapen en geiten bewaarden.
[^job-30-2-3]: Kanttekening 3: hun handen: Dat is, huns lichaams.
[^job-30-2-4]: Kanttekening 4: Zij was: Te weten, de kracht. Anders, de ouderdom was aan hen verloren; dat is, de oude jaren waren in hen vruchteloos, zijnde zonder verstand en voorzichtigheid, die in de oude mensen vereist worden.
[^job-30-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, dat hun overkwam door hun onachtzaamheid en luiheid.
[^job-30-3-6]: Kanttekening 6: dorre plaatsen: In welke zij verdreven waren als onwaardigen van de mensen, of die zij zelf gekozen door schaamte en vrees, om uit van alle mensen ogen te wezen.
[^job-30-3-7]: Kanttekening 7: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de verleden nacht of avond, Gen. 19:34 , maar hier is het voor donkerheid of donkere plaatsen genomen, als dikke bossen, spelonken, woeste en ruige heiden, die ver van de woningen van de mensen afgezonderd zijn. Anders, eertijds woest, enz. Genesis 19:34 : En het geschiedde de volgende dag, dat de eerstgeborene zei tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
[^job-30-3-8]: Kanttekening 8: Deze twee woorden zijn samengevoegd om een grote woestheid daarmee uit te drukken. Zo onder, Job 38:27 ; Zef. 1:15 . Job 38:27 : Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien. Zefanja 1:15 : Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angst, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
[^job-30-4-9]: Kanttekening 9: ziltige kruiden: Dat is, die in zoutachtige aarde groeien. Anders, pappel of wilde kruiden.
[^job-30-4-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kon. 19:4 , en de aantekening. Hij wil zeggen dat zij gegeten hebben wat anders niet eetbaar was. Anders, de jeneverwortel was om \[hen\] te warmen. Vergelijk Jes. 47:14 , waar het Hebreeuwse woord zo gebruikt wordt. 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders. Jesaja 47:14 : Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht van de vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.
[^job-30-5-11]: Kanttekening 11: het midden: Te weten, van de steden of van de mensen; omdat men een mistrouwen en kwaad vermoeden van hen had. Anders, uit het gezelschap; te weten, van de mensen.
[^job-30-7-12]: Kanttekening 12: Zij schreeuwden: Te weten, uit het gevoelen van hun nood, ruchelende als woudezels, die hongerig zijn; in welke zin dit woord gebruikt wordt boven, Job 6:5 en een ander woord, dit zeer gelijk, boven, Job 24:12 . Job 6:5 : Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? Job 24:12 : Uit de stad zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.
[^job-30-7-13]: Kanttekening 13: Te weten, om daar te schuilen, of gezocht werden. Anders, verzengden, of wondden zich; te weten, aan de netels, die door haar brand de lichamen van deze mensen met hittige pukkels en puisten deden uitlopen.
[^job-30-8-14]: Kanttekening 14: Zie de betekenis van dit woord 1 Sam. 25:25 . Anders, zij waren dwaze mensen, ja mensen zonder naam. 1 Samuël 25:25 : Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan deze Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, zo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die u gezonden hebt.
[^job-30-8-15]: Kanttekening 15: van geen naam: Dat is, zonder eer en achting in de wereld. Het tegendeel zijn mannen van naam. Zie Gen. 6:4 , en de aantekening. Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^job-30-8-16]: Kanttekening 16: zij waren geslagen: Dat is, verdreven en uitgesmeten. Anders, verworpener, of, nedergedrukter dan de aarde; te weten, door de verachting van de mensen.
[^job-30-9-a]: Verwijzing a: Job 17:6 ; Ps. 69:13 ; Klaagl. 3:14 ; idem v. 63 . Job 17:6 : Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. Psalmen 69:13 : Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. Klaagliederen 3:14 : He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de gansen dag. Klaagliederen 3:63 : Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
[^job-30-9-17]: Kanttekening 17: hun een snarenspel: Dat is, waarvan zij zingen, spelen en klappen, blij zijnde over mijn ellende en daarmee de spot drijvende. Vergelijk boven, Job 17:2 , 17:5 , 17:6 ; Ps. 35:15 , en Ps. 69:13 ; Klaagl. 3:14 ; Ez. 33:32 . Job 17:2 : Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hun verbittering? Job 17:5 : Die met vleiing de vrienden wat aanzegt, ook zijn kinderen ogen zullen versmachten. Job 17:6 : Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. Psalmen 35:15 : Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Psalmen 69:13 : Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. Klaagliederen 3:14 : He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de gansen dag. Ezechiël 33:32 : En ziet, u bent hun als een lied van de minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.
[^job-30-10-b]: Verwijzing b: Job 19:19 . Job 19:19 : Alle mensen mijns geheime raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
[^job-30-10-18]: Kanttekening 18: ja, zij onthouden: Iemand te bespuwen is altijd een teken geweest van grote verachting. Vergelijk Num. 12:14 ; Deut. 25:9 ; Jes. 50:6 ; Matt. 26:67 . Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! Deuteronomium 25:9 : Zo zal zijns broers vrouw voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal die man gedaan worden, die zijns broers huis niet zal bouwen. Jesaja 50:6 : Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. Mattheüs 26:67 : Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.
[^job-30-11-19]: Kanttekening 19: Hij heeft: Namelijk God. Zie boven, Job 3:20 . Zo onder, vers 18 , 30:20 . Job 3:20 : Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed? Job 30:18 : Door de veelheid van de kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks. Job 30:20 : Ik schrei tot U, maar U antwoordt mij niet; ik sta, maar U acht niet op mij.
[^job-30-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, mijn aanzien en autoriteit, waarmee ik de mijnen bedwongen en als in de toom gehouden heb, heeft Hij mij geheel ontnomen.
[^job-30-11-21]: Kanttekening 21: zij de: Te weten, de bozen, die mij nu tegenvallen en de behoorlijke eer weigeren.
[^job-30-11-22]: Kanttekening 22: Door welke zij van mij in orde gehouden werden.
[^job-30-11-23]: Kanttekening 23: voor mijn aangezicht: Dat is, in mijn aanwezigheid. De zin is dat zij zich in het aanzien zelfs van Job ontbonden en onttrokken aan de plicht van de eerbieding en gehoorzaamheid, die zij hem schuldig waren.
[^job-30-12-24]: Kanttekening 24: Ter rechterhand: Dat is, daar hij de meeste sterkte had.
[^job-30-12-25]: Kanttekening 25: jeugd op: Het woord heeft zijn oorsprong van spruiten en bloeien, betekenende de eerste groenende jeugd. Hij ziet op degenen, die hem in zijn lijden met de allermeeste onverstandigheid, felheid en heftigheid overvielen.
[^job-30-12-26]: Kanttekening 26: Te weten, om mij te doen struikelen en te gronde te storten.
[^job-30-12-27]: Kanttekening 27: Dat is, zij hogen en maken de weg effen, die zij ingaan en betreden willen om mij te verderven. Hebreeuws, אָרְחוֹת, paden huns verderfs.
[^job-30-13-28]: Kanttekening 28: Zij breken: Dat is, de raad en de orde, die ik volgen moet, om mij in dit lijden wel te gedragen, beroeren zij zo met hun twistingen, dat ik niet weet wat ik voornemen, of spreken, of doen zal.
[^job-30-13-29]: Kanttekening 29: zij bevorderen: Dat is, zij vermeerderen haar, te weten met hun verkeerd oordeel, valse beschuldigingen en bittere lasteringen.
[^job-30-13-30]: Kanttekening 30: geen helper: Te weten, om hun kwaad voornemen tegen mij uit te voeren. Zij zijn daartoe mans genoeg van zichzelven.
[^job-30-14-31]: Kanttekening 31: Zij komen aan: Te weten, tegen mij. Het is een gelijkenis, genomen van de krijgslieden, die door de bres, die zij in de muur van een stad gemaakt hebben, met groot geweld en gedruis de inwoners pogen te overvallen.
[^job-30-14-32]: Kanttekening 32: Dat is, onder mijn benden hebben zij gewoeld en gewerkt, om die meerder te maken en met dezelfde mij te overstorten en te gronde te brengen.
[^job-30-15-33]: Kanttekening 33: edele ziel : Anders, vorstin, of milddadige, of vrijwillige, of voorname. Versta, de ziel, die de eer van de mens genoemd wordt, Gen. 49:6 , en de enige, Ps. 22:21 ; zie de aantekening. Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond.
[^job-30-16-34]: Kanttekening 34: stort zich: Dat is, mijn leven gaat uit, versmelt in tranen en wordt verteerd door droefenis. Zo Ps. 42:5 . Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
[^job-30-16-35]: Kanttekening 35: van de druk: Dat is, in welke mij druk en groot lijden overvallen; die elders ook genaamd worden dagen van de benauwdheid, 2 Kon. 19:3 , van de duisternis, boven, Job 15:23 , van de bezoeking en verwoesting, Jes. 10:3 , van de bestraffing, Hos. 5:9 . 2 Koningen 19:3 : En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren. Job 15:23 : Hij zwerft heen en weer om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag van de duisternis. Jesaja 10:3 : Maar wat zult u doen op de dag van de bezoeking, en van de verwoesting, die van verre komen zal? Tot wie zult u vluchten om hulp, en waar zult u uw heerlijkheid laten? Hosea 5:9 : Efraïm zal tot verwoesting worden, op de dag van de straf; onder de stammen van Israël heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is.
[^job-30-17-36]: Kanttekening 36: Hij mijn beenderen: Namelijk, God, gelijk boven, vers 11 , en in het volgende, te weten, omdat Hij hem ook 's nachts, als anderen rusten, geen rust liet genieten door het geweld zijn ziekte, dat indrong tot de sterkste en binnenste delen van het lichaam. Vergelijk boven, Job 7:3 , 7:14 , en Job 17:12 . Job 30:11 : Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij de breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid. Job 7:14 : Dan ontzet U mij met dromen, en door gezichten verschrikt U mij; Job 17:12 : De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij de ondergang vanwege de duisternis.
[^job-30-17-37]: Kanttekening 37: in mij: Hebreeuws, van boven mij; dat is, uit de hemel, vanwaar Hij zijn plagen op mij zendt.
[^job-30-18-38]: Kanttekening 38: de veelheid: Te weten, die God tegen mij aanlegt om mijn lichaam met ongezondheid te ontstellen en te mismaken.
[^job-30-18-39]: Kanttekening 39: Te weten, door de vlekken van etter en bloed, vloeiende uit mijn gezwellen en verzweringen.
[^job-30-18-40]: Kanttekening 40: Hij omgordt: Namelijk, God.
[^job-30-18-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, פִי, de mond. De zin is, gelijk het opperste en het hol van de rok, waardoor het hoofd gestoken wordt, zo omgordt de Heer mijn lichaam met smarten.
[^job-30-19-42]: Kanttekening 42: Dat is, in de uiterste versmaadheid. Het woord slijk is in gelijken zin genomen Ps. 40:3 , en Ps. 69:15 ; Micha 7:10 . Psalmen 40:3 : En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. Psalmen 69:15 : Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten van de wateren. Micha 7:10 : En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is YHWH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk van de straten.
[^job-30-19-43]: Kanttekening 43: als stof en as: Zie Gen. 18:27 , en de aantekening. Genesis 18:27 : En Abraham antwoordde en zei: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heer, hoewel ik stof en as ben!
[^job-30-20-44]: Kanttekening 44: Namelijk, o God.
[^job-30-20-45]: Kanttekening 45: Te weten, verwachtende uw hulp, of U biddende.
[^job-30-20-46]: Kanttekening 46: maar U acht: Anders, en U merkt op mij, te weten, zonder barmhartigheid, gelijk in vers 21 . Job 30:21 : U bent veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uw hand wederstaat U mij hatelijk.
[^job-30-21-47]: Kanttekening 47: Tegen uw natuur en gewoonte.
[^job-30-21-48]: Kanttekening 48: Vergelijk boven, Job 13:24 , en Job 16:9 ; Jer. 30:14 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Jeremia 30:14 : Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.
[^job-30-22-49]: Kanttekening 49: Dat is, slingert mij naar lijf en ziel, door uw toorn, gelijk stro en stoppel door een geweldigen wind opgeheven, verstrooid en overeen gerold worden.
[^job-30-22-50]: Kanttekening 50: het wezen: Dat is, mijn leven en krachten. Zie van het Hebreeuwse woord boven, Job 5:12 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.
[^job-30-23-c]: Verwijzing c: Hebr. 9:27 . Hebreeën 9:27 : En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
[^job-30-23-51]: Kanttekening 51: huis van de samenkomst: Dat is, tot het graf, of de plaats, die de doden lichamen tot de dag van de verrijzenis van God bestemd is. Anders, het huis van de bestemming; dat is, het bestemde huis.
[^job-30-23-52]: Kanttekening 52: van alle levenden: Te weten, mensen. Zo Ps. 143:2 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^job-30-24-53]: Kanttekening 53: Hij zal: Namelijk, God.
[^job-30-24-54]: Kanttekening 54: tot een aardhoop: Dat is, tot degenen, die in de aarde begraven liggen.
[^job-30-24-55]: Kanttekening 55: niet uitsteken: Te weten, om die daaronder liggen hier nog naar het lichaam te plagen. Hij wil zeggen dat het lijden van deze tijds eindigt met de lichamelijken dood, en dat hij dienvolgens met die ontslagen zou zijn van het tegenwoordig verdriet. Vergelijk boven, Job 7:21, en Job 14:21 . Job 14:21 : Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.
[^job-30-24-56]: Kanttekening 56: Te weten, bij de dode lichamen, die in de graven liggen.
[^job-30-24-57]: Kanttekening 57: zijn verdrukking: Dat is, waarmee God die verdrukt heeft, te weten als Hij door de dood de lichamen derzelven te gronde geworpen heeft. Is dan \[wil Job zeggen\] in de lichamen, die in het graf verbroken liggen, nog enige geschrei vanwege het lijden, dat zij daar nog zouden hebben? Hij verstaat: Nee; gelijk de ervaring leert.
[^job-30-25-58]: Kanttekening 58: Deze vraag verzekert sterkelijk dat hij zulks gedaan had. Of het is een soort van eedzweren, waarin de straf, die hij wenste, verzwegen wordt, als hij het gemelde niet gedaan had; maar omdat hij het gedaan had, verklaart hij aldus dat het te verwonderen was dat niemand met hem medelijden had.
[^job-30-25-d]: Verwijzing d: Ps. 35:13 ; idem v. 14 ; Rom. 12:15 . Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem. Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. Romeinen 12:15 : Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.
[^job-30-25-59]: Kanttekening 59: over hem: Hebreeuws, יוֹם, over de harde van dagen.
[^job-30-26-60]: Kanttekening 60: Dat is, voorspoed en welvaren; zie boven, Job 18:5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-30-26-61]: Kanttekening 61: Dat is, tegenspoed en kwalijk varen. Zie Gen. 15:12 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^job-30-27-62]: Kanttekening 62: Dat is, is door de grootheid mijns lijdens en mijn ziekte zo ontsteld en beroerd, gelijk of het water ware, dat over een groot vuur zeer ziedt en opwelt.
[^job-30-27-63]: Kanttekening 63: mij voorgekomen: Dat is, buiten mijn verwachting mij overkomen en als overvallen, hopende dat ik naar mijn vroomheid nog een deel van het goede leven hier te genieten had.
[^job-30-28-64]: Kanttekening 64: niet van de zon: Maar door de zwaarheid mijn ziekte en het geweld mijns lijdens, dat mij verteert en uitput.
[^job-30-28-65]: Kanttekening 65: schreeuw ik: Dat is, geef ik een klagelijk geluid, komende uit het gevoel van de smarten mijn ziekte.
[^job-30-28-66]: Kanttekening 66: in de gemeente: Dat is, in de bijeenkomst van eerlijke mensen, waar men zich wat pleegt in te houden vanwege de eerbaarheid.
[^job-30-29-67]: Kanttekening 67: Ik ben de draken: De zin is dat hij met deze beesten te vergelijken was, ten aanzien van het droevig geschrei, dat hij maakte; want deze beesten is een ijselijk gehuil toegeschreven; Micha 1:8 . De woorden broer en metgezel betekenen hier een, die met iets ten zekeren aanzien te vergelijken is. Zie Gen. 49:5 , en Spr. 18:9 , en de aantekening. Micha 1:8 : Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen maken als de draken, en treuren als de jonge struisen. Genesis 49:5 : Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! Spreuken 18:9 : Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broer van een doorbrenger.
[^job-30-29-e]: Verwijzing e: Ps. 102:7 . Psalmen 102:7 : Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen.
[^job-30-29-68]: Kanttekening 68: jonge struisen: Hebreeuws, בְנוֹת, dochters van de struisen. Zo Lev. 11:16 . Vergelijk Lev. 1:14 . Leviticus 11:16 : En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^job-30-30-f]: Verwijzing f: Ps. 119:83 ; Klaagl. 4:8 ; Klaagl. 5:10 . Psalmen 119:83 : Want ik ben geworden als een leren zak in de rook; maar Uw inzettingen heb ik niet vergeten. Klaagliederen 4:8 : Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout. Klaagliederen 5:10 : Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege de geweldigen storm van de honger.
[^job-30-30-69]: Kanttekening 69: zwart geworden: Zie boven, vers 28 . Job 30:28 : Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
[^job-30-30-70]: Kanttekening 70: Dat is, mijn lichaam en zijn inwendigste krachten.
[^job-30-30-71]: Kanttekening 71: Zie boven, Job 21:24 , het woord merg. Job 21:24 : Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijn benen was bevochtigd.
[^job-30-31-72]: Kanttekening 72: mijn harp: Dat is, mijn vreugde is veranderd in verdriet en weeklagen, door de zwaarheid mijn ellende.

### Job 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/31.json)

*Job bewijst zijn onschuld, ernstig zijn daden tonend: dat hij kuis was geweest ten aanzien van de maagden, vers 1 enz. rechtvaardig in overeenkomsten, 5. kuis tegenover andere vrouwen, 9. rechtvaardig tegenover zijn dienstvolk, 13. weldadig tegenover de armen, 16. onschuldig tegenover de wezen, 21. niet steunend op zijn rijkdom, 24. geen afgodendienaar, 26. zich niet verblijdend in het ongeluk van zijn vijand, 29. noch hem vervloekend, 30. gastvrij, 31. waarachtig en oprecht in het bekennen van zijn gebreken, 33. niemand onrecht doend, 34. wensend dat van zijn spreken en doen kennis genomen werd, 35. hij verhaalt ook zijn oprechte handelwijze, 38. begeert het slecht te vergaan als hij de waarheid niet spreekt, 40.*

**1** Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op[^job-31-1-1] een maagd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v1)

**2** Want wat is[^job-31-2-2] het deel Gods van boven, of de erfenis van de Almachtige[^job-31-2-3] uit de hoogten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v2)

**3** Is niet het verderf voor de verkeerde, ja,[^job-31-3-4] wat vreemds voor de werkers van de ongerechtigheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v3)

**4** [^job-31-4-a] Ziet[^job-31-4-5] Hij niet mijn[^job-31-4-6] wegen, en[^job-31-4-7] telt Hij niet al mijn treden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v4)

**5** Zo ik met[^job-31-5-8] zinloosheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v5)

**6** Hij wege mij op, in[^job-31-6-9] een rechte weegschaal, en God zal mijn[^job-31-6-10] oprechtheid weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v6)

**7** Zo mijn gang uit[^job-31-7-11] de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen[^job-31-7-12] nagevolgd is, en aan mijn handen[^job-31-7-13] iets aankleeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v7)

**8** [^job-31-8-14] Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn[^job-31-8-15] spruiten moeten uitgeworteld worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v8)

**9** [^job-31-9-b] Zo mijn hart verlokt is geweest[^job-31-9-16] tot een vrouw, of ik aan de deur van mijn naaste geloerd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v9)

**10** Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v10)

**11** Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad[^job-31-11-17] bij de rechters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v11)

**12** Want[^job-31-12-18] dat is een vuur, dat tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v12)

**13** Zo ik versmaad heb het recht van mijn knecht, of van mijn dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v13)

**14** (Want wat zou ik[^job-31-14-19] doen,[^job-31-14-c] als God[^job-31-14-20] opstond? En als Hij[^job-31-14-21] bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v14)

**15** [^job-31-15-d] Heeft Hij niet, Die mij in de buik maakte,[^job-31-15-22] hem ook gemaakt en[^job-31-15-23] Één ons in de baarmoeder bereid?) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v15)

**16** Zo ik de armen hun begeerte[^job-31-16-24] onthouden heb, of[^job-31-16-25] de ogen van de weduwe laten versmachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v16)

**17** En mijn brood alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v17)

**18** (Want van mijn jeugd af is[^job-31-18-26] hij bij mij[^job-31-18-27] opgetogen, als bij een vader, en[^job-31-18-28] van mijn moeders buik af heb ik[^job-31-18-29] haar[^job-31-18-30] geleid;) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v18)

**19** Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en[^job-31-19-31] dat de arme geen deksel had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v19)

**20** Zo[^job-31-20-32] zijn middel mij niet gezegend heeft, toen hij van de vellen van mijn lammeren verwarmd werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v20)

**21** Zo ik mijn hand tegen de wees[^job-31-21-33] bewogen heb, omdat ik in de[^job-31-21-34] poort mijn[^job-31-21-35] hulp zag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v21)

**22** Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn[^job-31-22-36] pijp af! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v22)

**23** Want het[^job-31-23-37] verderf Gods was bij mij een schrik, en ik[^job-31-23-38] vermocht niet[^job-31-23-39] vanwege Zijn hoogheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v23)

**24** Zo ik het goud[^job-31-24-e] tot mijn[^job-31-24-40] hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v24)

**25** [^job-31-25-f] Zo ik blij ben geweest, omdat mijn[^job-31-25-41] vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel[^job-31-25-42] verkregen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v25)

**26** [^job-31-26-g] Zo ik het[^job-31-26-43] licht[^job-31-26-44] aangezien heb,[^job-31-26-45] wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v26)

**27** En mijn hart[^job-31-27-46] verlokt is geweest[^job-31-27-47] in het verborgen,[^job-31-27-48] dat mijn hand mijn mond gekust heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v27)

**28** Dat was ook een[^job-31-28-49] misdaad bij de rechter; want ik zou de God[^job-31-28-50] van boven[^job-31-28-51] verzaakt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v28)

**29** [^job-31-29-h] Zo ik verblijd ben geweest in[^job-31-29-52] de verdrukking van mijn hater, en mij[^job-31-29-53] opgewekt heb, als het[^job-31-29-54] kwaad hem[^job-31-29-55] vond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v29)

**30** (Ook heb ik mijn[^job-31-30-56] gehemelte niet toegelaten te zondigen,[^job-31-30-i] mits door een vloek[^job-31-30-57] zijn ziel te begeren). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v30)

**31** Zo de mensen[^job-31-31-58] van mijn tent niet hebben[^job-31-31-59] gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v31)

**32** [^job-31-32-k] De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar[^job-31-32-60] de weg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v32)

**33** Zo ik,[^job-31-33-61] zoals Adam, mijn overtredingen bedekt heb,[^job-31-33-62] door eigenliefde mijn misdaad verbergende! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v33)

**34** Zeker, ik kon wel een grote menigte[^job-31-34-63] geweldig onderdrukt hebben; maar de[^job-31-34-64] verachtste van de[^job-31-34-65] huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben;[^job-31-34-66] zodat ik gezwegen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v34)

**35** [^job-31-35-67] Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn[^job-31-35-68] oogmerk is, dat de[^job-31-35-69] Almachtige mij[^job-31-35-70] antwoorde, en dat[^job-31-35-71] mijn tegenstander een[^job-31-35-72] boek schrijve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v35)

**36** [^job-31-36-73] Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden[^job-31-36-74] als een kroon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v36)

**37** Het getal[^job-31-37-75] van mijn treden zou ik[^job-31-37-76] hem aanwijzen;[^job-31-37-77] als een vorst zou ik tot hem naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v37)

**38** Zo mijn land tegen mij[^job-31-38-78] roept, en zijn[^job-31-38-79] voren samen huilen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v38)

**39** Zo ik zijn[^job-31-39-80] vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel van zijn[^job-31-39-81] akkerlieden[^job-31-39-82] heb doen hijgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v39)

**40** Dat[^job-31-40-83] voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid![^job-31-40-84] De woorden van Job hebben een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/31.html#v40)

[^job-31-1-1]: Kanttekening 1: een maagd: Te weten, om die onkuis te aanschouwen en ter onere te begeren. Vergelijk Matt. 5:28 ; 1 Joh. 2:16 . Mattheüs 5:28 : Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelfde te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan. 1 Johannes 2:16 : Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.
[^job-31-2-2]: Kanttekening 2: het deel Gods: Te weten, dat God geeft. Versta, de straf voor de onkuise verordend van God; vergelijk boven, Job 20:29 . Sommigen verstaan het van de beloning van de kuisheid, die hij zou verliezen door onkuise daden. Job 20:29 : Dit is het deel van de goddeloze mens van God, en de erve van zijn redenen van God.
[^job-31-2-3]: Kanttekening 3: uit de hoogten: Dat is, uit de hemel; zie boven, Job 16:19 . Job 16:19 : Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.
[^job-31-3-4]: Kanttekening 4: wat vreemds: Hebreeuws, vreemdigheid; dat is, wat zeldzaam, ongewoon en extraordinair is.
[^job-31-4-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 16:9 ; Job 34:21 ; Spr. 5:21 ; Spr. 15:3 ; Jer. 32:19 . 2 Kronieken 16:9 : Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. Job 34:21 : Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Spreuken 5:21 : Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Spreuken 15:3 : De ogen van YHWH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwade en de goede. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.
[^job-31-4-5]: Kanttekening 5: Hij niet: Te weten, God. Zo vers 6 . Job 31:6 : Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten.
[^job-31-4-6]: Kanttekening 6: Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-31-4-7]: Kanttekening 7: telt Hij: Dat is, neemt Hij niet waar al mijn doen en laten, om dat genadiglijk te belonen zo het goed is, of rechtvaardiglijk te straffen zo het kwaad is? Zie boven, Job 14:16 . Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil.
[^job-31-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, leugen en valsheid in samenhandelingen. Zo Ex. 23:1 ; Deut. 5:20 ; Jes. 5:18 . Exodus 23:1 : U zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn. Deuteronomium 5:20 : En u zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Jesaja 5:18 : Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden van de ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
[^job-31-6-9]: Kanttekening 9: een rechte weegschaal: Hebreeuws, צֶדֶק, in schalen van de gerechtigheid; dat is, men onderzoeke naar behoren mijn gemoed, voornemen, woorden en werken.
[^job-31-6-10]: Kanttekening 10: Te weten, dat ik geen huichelaar geweest ben, waarvoor ik van mijn vrienden aangezien word.
[^job-31-7-11]: Kanttekening 11: de weg: Dat is, van de regel en het voorschrift van het leven, dat ons van God voorgesteld is. Hij spreekt van moedwillige zonden, waarin men voortgaat.
[^job-31-7-12]: Kanttekening 12: nagevolgd is: Dat is, ongerechtiglijk begeerd heeft dat voor de ogen aangenaam was en een ander toebehoorde.
[^job-31-7-13]: Kanttekening 13: iets aankleeft: Te weten, van anderer mensen goed. Anders, een vlek of smet; dat is, enige kwade daad.
[^job-31-8-14]: Kanttekening 14: Zo moet ik zaaien: Hij wenst zichzelven de straf Gods toe, van welke te zien is Lev. 26:16 ; Deut. 28:30 , 28:33 , 28:38 , 28:39 , 28:40 . Leviticus 26:16 : Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken. Deuteronomium 28:33 : De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn. Deuteronomium 28:38 : U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. Deuteronomium 28:39 : Wijngaarden zult u planten, en bouwen, maar u zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten. Deuteronomium 28:40 : Olijfbomen zult u hebben in al uw gebied, maar u zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.
[^job-31-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, wat ik in de aarde geplant heb.
[^job-31-9-b]: Verwijzing b: Job 24:15 ; Spr. 7:25 . Job 24:15 : Ook neemt het oog van de overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. Spreuken 7:25 : Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
[^job-31-9-16]: Kanttekening 16: tot een vrouw: Te weten, om die ongehoorlijk te begeren en te gebruiken, daartoe de gelegenheden bespiedende.
[^job-31-11-17]: Kanttekening 17: bij de rechters: Dat is, die waard is door de rechters geoordeeld en gestraft te worden. Zo onder, vers 28 . Job 31:28 : Dat ware ook een misdaad bij de rechter; want ik zou de God van boven verzaakt hebben.
[^job-31-12-18]: Kanttekening 18: dat is een vuur: Dat is, veroorzakende een vuur; te weten van de goddelijke wraak. Zie boven, Job 22:20 . Want gelijk het vuur zeer haastig de stoppelen verteert, zo ook Gods toorn en rechtvaardige straf van de zondige mensen. Vergelijk Deut. 4:24 , en Nah. 1:6 . Job 22:20 : Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Nahum 1:6 : Wie zal voor Zijn toorn staan, en wie zal voor de hitte van Zijn toorn bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.
[^job-31-14-19]: Kanttekening 19: Te weten, om mij te verantwoorden voor God. Want de slaven hadden in voortijden geen vrijheid om tegen hun heren voor de wereldse rechter enige klacht aan te stellen.
[^job-31-14-c]: Verwijzing c: Ps. 44:22 . Psalmen 44:22 : Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden van de harten.
[^job-31-14-20]: Kanttekening 20: Te weten, om te oordelen tussen mij en hen; dat geschiedt door de straffen, die God de onrechtvaardigen en wreden in dit leven of in het toekomende toezendt.
[^job-31-14-21]: Kanttekening 21: Hij bezoeking deed: Dat is, straffe. Zie Gen. 21:1 ; Lev. 18:25 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Leviticus 18:25 : Zodat het land onrein is, en Ik over hetzelfde zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
[^job-31-15-d]: Verwijzing d: Job 34:19 ; Spr. 14:31 ; Spr. 17:5 . Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Spreuken 14:31 : Die de arme verdrukt, smaadt daarvan Maker; maar die zich van de nooddruftigen ontfermt, eert Hem. Spreuken 17:5 : Die de arme bespot, smaadt daarvan Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
[^job-31-15-22]: Kanttekening 22: hem ook gemaakt: Te weten, mijn knecht.
[^job-31-15-23]: Kanttekening 23: Een ons: Te weten, God. Anders, heeft Hij hem niet in de baarmoeder bereid op één manier? of in enerlei baarmoeder.
[^job-31-16-24]: Kanttekening 24: onthouden heb: Te weten, dat ik die naar mijn vermogen niet zou voldaan hebben. Hebreeuws, zo ik de armen van de begeerte geweerd heb.
[^job-31-16-25]: Kanttekening 25: de ogen: Men laat iemands ogen versmachten als men hem lang tevergeefs laat wachten naar iets goeds dat hij begeert; dat gezegd wordt bij gelijkenis, genomen van de ogen, waarvan de krachten als zij sterkelijk en zonder ophouden, maar tevergeefs, naar iets uitzien, vergaan en versmelten. Zo Ps. 69:4 , en Ps. 119:82 , 119:123 ; Klaagl. 4:17 . Psalmen 69:4 : Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Psalmen 119:82 : Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij vertroosten? Psalmen 119:123 : Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid. Klaagliederen 4:17 : Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.
[^job-31-18-26]: Kanttekening 26: hij bij mij: Te weten, van welke in vers 16 gesproken is. Vergelijk boven, Job 29:16 . Job 31:16 : Zo ik de armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen van de weduwe laten versmachten; Job 29:16 : Ik was de nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.
[^job-31-18-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, גְּדֵלַ, groot geworden.
[^job-31-18-28]: Kanttekening 28: van mijn moeders buik: Een overtollige manier van spreken, betekenende de eerste jonkheid, in welke God hem deze liefde tegenover de weduwen en wezen ingestort had.
[^job-31-18-29]: Kanttekening 29: Te weten, weduwe, van welke in vers 16 gesproken is. Job 31:16 : Zo ik de armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen van de weduwe laten versmachten;
[^job-31-18-30]: Kanttekening 30: Dat is, geholpen met troost, raad en daad.
[^job-31-19-31]: Kanttekening 31: dat de nooddruftige: Te weten, zonder van mij deksel en kleding te ontvangen.
[^job-31-20-32]: Kanttekening 32: zijn lenden: Versta, de lenden van de nooddruftige, die Job met zijn vellen gekleed en gedekt had. De zin is: Zo hij, wiens die lenden waren, Job niet gedankt, goeds toegewenst en lof gegeven had, uit oorzaak van het gemak, dat hij daarbij voelde. Zo is het woord zegenen genomen, Gen. 12:3 ; Deut. 24:13 ; 2 Sam. 8:10 ; Ps. 62:5 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Deuteronomium 24:13 : U zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, uw God. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Psalmen 62:5 : Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
[^job-31-21-33]: Kanttekening 33: bewogen heb: Te weten, om hem te slaan, of smijten, of dreigen, of enigszins met geweld te verdrukken. Vergelijk 1 Kon. 13:4 . 1 Koningen 13:4 : Het geschiedde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon.
[^job-31-21-34]: Kanttekening 34: Dat is, in de plaats van het gericht, of in de vierschaar, welke bij de ouden in de stadspoorten was. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^job-31-21-35]: Kanttekening 35: hulp zag: Te weten, mij bereid van de rechters, die mij het recht wijzen zouden, uit vrees van mijn macht en aanzien, of uit begeerte van mijn vriendschap.
[^job-31-22-36]: Kanttekening 36: pijp af: Hebreeuws, riet. Versta, het opperbeen van de arm, zich strekkende van de elleboog af tot de schouder.
[^job-31-23-37]: Kanttekening 37: verderf Gods: Dat is, dat God de verdrukkers van de armen toezendt.
[^job-31-23-38]: Kanttekening 38: Dat is, ik had geheel geen kracht, te weten om voor Hem te bestaan en zijn wrekende hand te verdragen.
[^job-31-23-39]: Kanttekening 39: Dat is, uit oorzaak van zijn schrikkelijke majesteit en overgrote macht.
[^job-31-24-e]: Verwijzing e: Mark. 10:24 ; 1 Tim. 6:17 . Marcus 10:24 : En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan! 1 Timotheüs 6:17 : Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdoms, maar op de levenden God, Die ons alle dingen rijk verleent, om te genieten;
[^job-31-24-40]: Kanttekening 40: mijn hoop: Zo is het Hebreeuwse woord genomen boven, Job 8:14 ; Spr. 3:26 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Spreuken 3:26 : Want YHWH zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
[^job-31-25-f]: Verwijzing f: Ps. 62:11 . Psalmen 62:11 : Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.
[^job-31-25-41]: Kanttekening 41: Dat is, rijkdom en middelen. Zo Gen. 34:29 ; Num. 31:9 ; Deut. 8:17 . Genesis 34:29 : En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij gevankelijk weg, en plunderden dezelven, en al wat binnenshuis was. Numeri 31:9 : Maar de kinderen van Israël namen de vrouwen van de Midianieten, en hun kinderen gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen. Deuteronomium 8:17 : En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen.
[^job-31-25-42]: Kanttekening 42: verkregen had: Hebreeuws, gevonden had. Zo Deut. 8:17 , 8:18 ; Jes. 10:10 , enz. Deuteronomium 8:17 : En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen. Deuteronomium 8:18 : Maar u zult gedenken YHWH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft, gelijk het te deze dage is. Jesaja 10:10 : Gelijk als mijn hand gevonden heeft de koninkrijken van de afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;
[^job-31-26-g]: Verwijzing g: Deut. 4:19 . Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, van de hemel gehele legermacht; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; die YHWH, uw God, aan alle volken onder de gansen hemel heeft uitgedeeld.
[^job-31-26-43]: Kanttekening 43: Dat is, de zon; want hier worden de grote lichten \[zo genaamd Gen. 1:16 ; Ps. 136:7 \] gemeld, de zon en de maan, over wier schoonheid en werkingen de heidenen zich zozeer verwonderd hebben, dat zij die goddelijke eer bewezen, Jer. 43:13 , ja ook de Israëlieten zelf, 2 Kon. 21:3 en 2 Kon. 23:4 , 23:5 , 23:11 ; Ez. 8:16 . Genesis 1:16 : God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren. Psalmen 136:7 : Die, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Jeremia 43:13 : En hij zal de opgerichte beelden van Beth-semes, dat in Egypteland is, verbreken; en hij zal de huizen van de goden van Egypte met vuur verbranden. 2 Koningen 21:3 : Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen. 2 Koningen 23:5 : Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al de legermacht van de hemel rookten. 2 Koningen 23:11 : En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van de ingang van het huis van YHWH, tot de kamer van Nathan-melech, de hoveling, die in Parvarim was; en de wagens van de zon verbrandde hij met vuur. Ezechiël 8:16 : En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis van YHWH; en ziet, aan de deur van de tempel van YHWH, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar de tempel van YHWH, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.
[^job-31-26-44]: Kanttekening 44: aangezien heb: Te weten, om dat goddelijke eer te bewijzen, gelijk de afgodendienaars doen.
[^job-31-26-45]: Kanttekening 45: wanneer het scheen: De afgodendienaars hebben de zon meest geëerd als zij opging en in haar glans was, en de maan als zij vol was; dat hier genoemd wordt haar heerlijke voortgang.
[^job-31-27-46]: Kanttekening 46: Te weten, om die godsdienstige eer aan te doen.
[^job-31-27-47]: Kanttekening 47: in het verborgen: Tegen de openbare belijdenis, die ik doe van de ware en levende God alleen in geest en waarheid te dienen. Zie Deut. 27:15 . Deuteronomium 27:15 : Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
[^job-31-27-48]: Kanttekening 48: dat mijn hand: Dat is, mijn hand aan mijn mond gebracht hebt, tot bewijs van eerbied en onderdanigheid. Zie van de afgodische kus, gedaan ter ere van de afgoden, 1 Kon. 19:18 ; zie ook Gen. 41:40 . 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^job-31-28-49]: Kanttekening 49: Zie boven, vers 11 . Job 31:11 : Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
[^job-31-28-50]: Kanttekening 50: van boven: Dat is, die boven in de hemel is en vandaar ons aanziet, regeert en goeddoet. Zo Deut. 4:39 ; 1 Kon. 8:23 . Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! 1 Koningen 8:23 : En hij zei: YHWH, God van Israël, er is geen God, gelijk U, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun gehele hart wandelen;
[^job-31-28-51]: Kanttekening 51: verzaakt hebben: Te weten, door de eer, die Hem alleen toekomt, de schepselen te geven; want zij kunnen beiden niet tezamen gediend worden. Zie Joz. 24:22 , 24:23 ; 1 Kon. 18:21 ; Matt. 4:10 , en Matt. 6:24 ; 2 Kor. 6:16 . Jozua 24:22 : Jozua nu zei tot het volk: U bent getuigen over uzelven, dat u u YHWH gekozen hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. Jozua 24:23 : En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot YHWH, de God van Israël. 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord. Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. Mattheüs 6:24 : Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon. 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^job-31-29-h]: Verwijzing h: Spr. 17:5 . Spreuken 17:5 : Die de arme bespot, smaadt daarvan Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
[^job-31-29-52]: Kanttekening 52: Dat is, schade, kwalijk varen, ondergang, verderf. Zo boven, Job 30:24 ; Spr. 24:22 . Job 30:24 : Maar Hij zal tot de aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking? Spreuken 24:22 : Want hun verderf zal haastig ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?
[^job-31-29-53]: Kanttekening 53: Te weten, tot blijdschap en vreugde.
[^job-31-29-54]: Kanttekening 54: Versta, het kwaad van de straf, dat is ellende en tegenspoed. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^job-31-29-55]: Kanttekening 55: Dat is, overkwam en trof. Zie Gen. 44:34 . Genesis 44:34 : Want hoe zou ik optrekken tot mijn vader, als de jongeling niet met mij was, opdat ik de jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou.
[^job-31-30-56]: Kanttekening 56: Dat is, mijn tong of mond.
[^job-31-30-i]: Verwijzing i: Matt. 5:44 ; Rom. 12:14 . Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Romeinen 12:14 : Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
[^job-31-30-57]: Kanttekening 57: zijn ziel: Dat is, met een vloek te wensen dat hij sterven zou. Anders, mits over zijn ziel een vloek te wensen.
[^job-31-31-58]: Kanttekening 58: van mijn tent: Dat is, van mijn woning; zie 2 Kon. 13:5 . Versta, zijn huisgenoten, knechten en dienstmaagden. 2 Koningen 13:5 : (Zo gaf YHWH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de kinderen van Israël woonden in hun tenten, als te voren.
[^job-31-31-59]: Kanttekening 59: hebben gezegd: Het schijnt hieruit dat Job niet alleen zeer herbergzaam is geweest, maar ook zijn gasten zo mildelijk heeft onthaald dat hij hen met zijn allerbeste en lekkerste vlees en voedsel heeft verzadigd; zodat zijn huisgenoten, wensende ook zo dagelijks getracteerd te worden, kwamen te zeggen: Och, of wij, enz. Anderen verstaan dat, om de grote herbergzaamheid van Job, zijn huisgenoten hebben gevreesd dat zij geen voedsel genoeg zouden behouden om zich te verzadigen. Anderen duiden het op zijn vijanden, die zij graag uit wraakgierigheid zouden verscheurd hebben, als Job daarin had bewilligd.
[^job-31-32-k]: Verwijzing k: Hebr. 13:2 ; 1 Petr. 4:9 . Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. 1 Petrus 4:9 : Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren.
[^job-31-32-60]: Kanttekening 60: de weg: Dat is, tegenover 's heren straat, om de voorbijgaande reizende mensen zo in mijn huis te ontvangen; of, voor de reizende man zie boven, Job 6:19 . Job 6:19 : De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.
[^job-31-33-61]: Kanttekening 61: gelijk Adam: Vergelijk Hos. 6:7 . Anders, gelijk een mens; dat is, gelijk de mensen plegen te doen. Hosea 6:7 : Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouweloos tegen Mij gehandeld.
[^job-31-33-62]: Kanttekening 62: door eigenliefde: Hebreeuws, in, of met mij te beminnen. Anders, in mijn schoot; dat is, bij mij in het verborgen, of in het geheime.
[^job-31-34-63]: Kanttekening 63: Te weten, door mijn macht en autoriteit, dat zij mijn gebreken niet zouden hebben durven openbaren: zulks dat ik niet behoefde te vrezen voor de blaam, die zij mij hadden mogen nageven.
[^job-31-34-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, de verachting; dat is, die allerminst in enige huisgezinnen gezien en geacht waren.
[^job-31-34-65]: Kanttekening 65: zou mij afgeschrikt hebben: Te weten, zo ik mij vergrepen hebbende, daarvan ware vermaand geweest.
[^job-31-34-66]: Kanttekening 66: zodat ik: Te weten, door zedigheid, schaamte en vrees. Anders, maar ik heb mij stil gehouden en ben ter deure niet uitgegaan.
[^job-31-35-67]: Kanttekening 67: De zin is: als men niet gelooft wat ik verhaald heb, dat men mijn zaak onderzoeke en recht oordele; maar och, of ik daartoe nu een rechter had, die, van alles kennis genomen hebbende, recht richtte. Vergelijk Job 9:32 , en Job 19:23 . Job 9:32 : Want Hij is niet een man, als ik, die ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. Job 19:23 : Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!
[^job-31-35-68]: Kanttekening 68: oogmerk is: Hebreeuws, trekken. Anders, mijn begeerte.
[^job-31-35-69]: Kanttekening 69: Die ik liefst tegen mijn vrienden voor een rechter heb.
[^job-31-35-70]: Kanttekening 70: Te weten, waarom Hij mij zo straft, omdat ik niet zodanig een ben als mijn vrienden mij afmalen. Vergelijk boven, Job 10:2 , en Job 13:22 , 13:23 . Job 10:2 : Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover U met mij twist. Job 13:22 : Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. Job 13:23 : Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.
[^job-31-35-71]: Kanttekening 71: mijn tegenpartij: Hebreeuws, אִישׁ, de man van mijn twist.
[^job-31-35-72]: Kanttekening 72: boek schrijve: Inhoudende de beschuldigingen, die tegen mij gedaan worden.
[^job-31-36-73]: Kanttekening 73: Zou ik het niet: Te weten, mij daarmee verblijdende en tentoonstellende, omdat ik, een goede consciëntie hebbende, wel weet dat het geen bewijs zou kunnen inhouden, om mij te overtuigen dat ik een huichelaar ben geweest.
[^job-31-36-74]: Kanttekening 74: een kroon: Hebreeuws, עֲטָרוֹת, als kronen; dat is, als een zonderling sieraad. Vergelijk Spr. 12:4 . Spreuken 12:4 : Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
[^job-31-37-75]: Kanttekening 75: van mijn treden: Dat is, van mijn woorden en werken.
[^job-31-37-76]: Kanttekening 76: hem aanwijzen: Versta, zijn beschuldiger. Deze zou Job al zijn doen en laten rechtuit openbaren, steunende zo op de goedheid van zijn zaak, dat de partij haar beschuldiging niet zou kunnen waar maken.
[^job-31-37-77]: Kanttekening 77: als een vorst: Dat is, met een kloekmoedig en onbeschroomd hart. Anders, als tot een vorst zou ik tot hem naderen; dat is, hoewel hij mijn vijand zou zijn, ik zou nochtans hem als een prins aanzien uit verheuging, om de zekerheid van het proces te zullen winnen.
[^job-31-38-78]: Kanttekening 78: Te weten, als om wraak, omdat ik het ongerechtelijk verkregen en bezeten zou hebben. Zie gelijke manier van spreken Gen. 4:10 , en Hab. 2:11 ; idem, zie boven, Job 8:18 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Habakuk 2:11 : Want de steen uit de muur roept, en de balk uit het hout antwoordt die. Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
[^job-31-38-79]: Kanttekening 79: Het Hebreeuwse woord אַדְמָתִ, betekent eigenlijk de verheven aarde of ruggen tussen twee voren. Zo onder, Job 39:13 ; Ps. 65:11 ; Hos. 10:4 . Job 39:13 : Zult u de eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? Psalmen 65:11 : U maakt zijn opgeploegde aarde dronken; U doet ze dalen in zijn voren; U maakt het week door de druppelen; U zegent zijn uitspruitsel. Hosea 10:4 : Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren van de velden.
[^job-31-39-80]: Kanttekening 80: Dat is, zijn vrucht. Zo Gen. 4:12 . Genesis 4:12 : Als u de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; u zult zwervende en dolende zijn op aarde.
[^job-31-39-81]: Kanttekening 81: Hebreeuws, meesters, of heren; dat is, bezitters, of gebruikers.
[^job-31-39-82]: Kanttekening 82: heb doen hijgen: Dat is, door bedrog, of geweld en tirannie heb verdrukt en overlast. Of, en de ziel doen uitblazen; dat is, ben ik oorzaak van hun dood geweest. Vergelijk boven, Job 11:20 . Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel.
[^job-31-40-83]: Kanttekening 83: voor tarwe: Te weten, met een voorbeeldige straf.
[^job-31-40-84]: Kanttekening 84: De woorden van Job: Te weten, die hij met zijn vrienden gesproken heeft.

### Job 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/32.json)

*Job en zijn drie vrienden houden op met spreken, vers 1. daarover is Elihu vertoornd, 2. hij begint te spreken met uitleg van de redenen die hem bewogen, 6. toont zijn ijver die hij daartoe had, 17. wensend zich daarin naar behoren te gedragen, 21.*

**1** Toen hielden de[^job-32-1-1] drie mannen op van Job te antwoorden, omdat hij[^job-32-1-2] in zijn ogen rechtvaardig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v1)

**2** Zo[^job-32-2-3] ontstak de toorn van Elihu, de zoon van Baracheël, de[^job-32-2-4] Buziet, van het geslacht[^job-32-2-5] van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn[^job-32-2-6] ziel[^job-32-2-7] meer rechtvaardigde dan God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v2)

**3** Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij,[^job-32-3-8] geen antwoord vindende, toch Job[^job-32-3-9] verdoemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v3)

**4** Maar Elihu had gewacht[^job-32-4-10] op Job[^job-32-4-11] in het spreken, omdat[^job-32-4-12] zij ouder van dagen waren dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v4)

**5** Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v5)

**6** Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei: Ik ben[^job-32-6-13] minder van dagen, maar u bent[^job-32-6-a] stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, u mijn gevoelen te vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v6)

**7** [^job-32-7-14]Ik zei: Laat[^job-32-7-15] de dagen spreken, en de veelheid van de jaren wijsheid te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v7)

**8** [^job-32-8-b] Zeker[^job-32-8-16] de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige,[^job-32-8-17] maakt hen verstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v8)

**9** [^job-32-9-c] De[^job-32-9-18] groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v9)

**10** Daarom zeg ik:[^job-32-10-19] Hoor naar mij;[^job-32-10-20] ik zal mijn gevoelen ook vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v10)

**11** Zie, ik heb gewacht[^job-32-11-21] op uw woorden; ik heb het oor gewend[^job-32-11-22] tot uw beschouwingen, totdat u[^job-32-11-23] redenen uitgezocht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v11)

**12** Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit u zijn redenen beantwoordde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v12)

**13** [^job-32-13-24]Opdat u niet zegt: Wij hebben[^job-32-13-25] de wijsheid gevonden; God heeft hem neergestoten,[^job-32-13-26] geen mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v13)

**14** Nu heeft[^job-32-14-27] hij tegen mij geen woorden gericht, en met[^job-32-14-28] uw woorden zal ik hem niet beantwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v14)

**15** [^job-32-15-29] Zij zijn ontzet, zij antwoorden[^job-32-15-30] niet meer; zij hebben de woorden van zich[^job-32-15-31] verzet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v15)

**16** Ik heb dan[^job-32-16-32] gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v16)

**17** Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen[^job-32-17-33] ook vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v17)

**18** Want ik ben van de woorden vol;[^job-32-18-34] de geest van mijn buik[^job-32-18-35] benauwt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v18)

**19** Zie,[^job-32-19-36] mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; zoals nieuwe[^job-32-19-37] leren zakken zou hij barsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v19)

**20** Ik zal spreken, opdat ik[^job-32-20-38] voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v20)

**21** Och, dat ik[^job-32-21-39] niemands aangezicht aanneme, en tot de mens[^job-32-21-40] geen bijnamen gebruike! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v21)

**22** Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort[^job-32-22-41] zou mijn[^job-32-22-42] Maker mij[^job-32-22-43] wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/32.html#v22)

[^job-32-1-1]: Kanttekening 1: drie mannen op: Namelijk, Elifaz, Bildad en Zofar.
[^job-32-1-2]: Kanttekening 2: in zijn ogen: Dat is, in zijn eigen oordeel; zie boven, Job 18:3 . Zo gevoelen de drie mannen van Job, te weten, dat hij zichzelven voor rechtvaardig hield; gelijk zij daarentegen ook geen stof vonden om te bewijzen dat Job onrechtvaardig, dat is een goddeloos mens en huichelaar was; want dat hij naast anderen mee een zondaar was, had hij vrijuit bekend; boven, Job 14:4 . Job 18:3 : Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen? Job 14:4 : Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet een.
[^job-32-2-3]: Kanttekening 3: ontstak de toorn: Namelijk tegen Job en zijn drie vrienden. Vergelijk de manier van spreken met Gen. 4:5 , en Gen. 39:19 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Genesis 39:19 : En het geschiedde, als zijn heer de woorden van zijn huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
[^job-32-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, één van de nakomelingen van Buz, de zoon van Nahor, de broer van Abraham. Zie Gen. 22:21 . Sommigen houden hem voor Bileam, waarvan zie Num. 22:5 . Genesis 22:21 : Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram, Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
[^job-32-2-5]: Kanttekening 5: Van deze naam is verscheiden gevoelen. Vele menen dat Ram een bekorting van de naam is voor Aram, de naam van een Syriër, van welke een huisgezin of geslacht van de Syriërs, uit welke Elihu was, toegenaamd is. Anderen verstaan hier Ram, de vader van Aminadab, 1 Kron. 2:9 , 2:10 , die ook Aram genaamd wordt, Matt. 1:4 . Sommigen ook Abram, Gen. 11:27 , die daarna Abraham genoemd werd; Gen. 17:5 . 1 Kronieken 2:9 : En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai. 1 Kronieken 2:10 : Ram nu verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de vorst van de kinderen van Juda; Mattheüs 1:4 : En Aram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahasson, en Nahasson verwekte Salmon; Genesis 11:27 : En deze zijn de geboorten van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot. Genesis 17:5 : En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken.
[^job-32-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, zichzelven. Zie 1 Kon. 19:4 . 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders.
[^job-32-2-7]: Kanttekening 7: meer rechtvaardigde dan God: Dat had Job niet uitdrukkelijk gezegd, maar Elihu besloot dit hieruit, omdat Job met God gelijk in proces wilde treden, en meer bezig was met zijn oprechtheid te verdedigen dan Gods wijsheid en gerechtigheid de eer te geven.
[^job-32-3-8]: Kanttekening 8: geen antwoord vindende: Te weten, om Job te weerleggen en te overtuigen.
[^job-32-3-9]: Kanttekening 9: Te weten, van huichelarij en goddeloosheid.
[^job-32-4-10]: Kanttekening 10: op Job: En zijn vrienden.
[^job-32-4-11]: Kanttekening 11: in het spreken: Hebreeuws, דְבָרִים, in de woorden; te weten om te vernemen of zij nog meer met elkaar spreken zouden, of wanneer zij hun woorden eindigen zouden. De vrienden hadden ze geëindigd, Job 26 , en Job de zijne met het einde van Job 31 . Anders, Elihu had met Job gewacht op \[hun\] woorden; te weten, van de drie vrienden.
[^job-32-4-12]: Kanttekening 12: omdat zij: Namelijk, Job en zijn drie vrienden.
[^job-32-6-13]: Kanttekening 13: minder van dagen: Dat is, jonger van jaren. Zie boven, Job 30:1 , en de aantekening. Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie de vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden van mijn kudde te stellen.
[^job-32-6-a]: Verwijzing a: Job 15:10 ; boven, v. 4 ; onder, v. 7 . Job 15:10 : Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. Job 32:4 : Maar Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. Job 32:7 : Ik zei: Laat de dagen spreken, en de veelheid van de jaren wijsheid te kennen geven.
[^job-32-7-14]: Kanttekening 14: Ik zei: Te weten, bij mijzelf; dat is, ik dacht. Zie Gen. 20:11 . Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijn huisvrouw wil zullen doden.
[^job-32-7-15]: Kanttekening 15: de dagen spreken: Dat is, die bedaagd zijn; zo in het volgende, veelheid van de jaren voor degenen, die veel jaren hebben.
[^job-32-8-b]: Verwijzing b: Job 12:13 ; Job 38:36 ; Spr. 2:6 ; Pred. 2:26 ; Dan. 1:17 ; Dan. 2:21 . Job 12:13 : Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. Job 38:36 : Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft de zin het verstand gegeven? Spreuken 2:6 : Want YHWH geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. Prediker 2:26 : Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve die, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling van de geest. Daniël 1:17 : Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen. Daniël 2:21 : Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
[^job-32-8-16]: Kanttekening 16: de geest: Versta, de Geest van God, gelijk uit de volgende woorden kan verstaan worden. De zin is, dat de wijsheid eigenlijk alleen is oorspronkelijk van God, niet van de oudheid van de jaren, die dikwijls feilt. Anders, zekelijk is de geest, dat is de redelijke en verstandige ziel, in de mens, maar de adem, enz.; dat is, de rechte wijsheid komt alleen van de verlichting Gods.
[^job-32-8-17]: Kanttekening 17: maakt henlieden: Te weten, de mensen. Het is een verandering van het getal; want hij had recht tevoren in vers 8 in het enkelvoudig getal gesproken. Zie boven, Job 24:18 . Job 32:8 : Zekerlijk de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige, maakt henlieden verstandig. Job 24:18 : Hij is licht op het vlakke van de wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot de weg van de wijngaarden.
[^job-32-9-c]: Verwijzing c: Job 12:12 . Job 12:12 : In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid van de dagen het verstand.
[^job-32-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, de oude van jaren; zie boven, Job 30:1 . De zin is, dat deze niet altijd wijs zijn, en niet eigenlijk noch voornamelijk door de oudheid. Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie de vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden van mijn kudde te stellen.
[^job-32-10-19]: Kanttekening 19: Hoor naar mij: Hij spreekt Job toe.
[^job-32-10-20]: Kanttekening 20: ik zal: Te weten, die jonger ben van jaren.
[^job-32-11-21]: Kanttekening 21: op ulieder woorden: Hij spreekt de drie vrienden van Job toe.
[^job-32-11-22]: Kanttekening 22: tot ulieder: Dat is, zo naarstiglijk en aandachtiglijk, dat ik geraakt ben tot in het begrip van al uw voorgestelde bedenkingen.
[^job-32-11-23]: Kanttekening 23: Te weten, waarmee u Job zoudt mogen overtuigen.
[^job-32-13-24]: Kanttekening 24: Opdat u: Sommigen vullen de zin van de woorden aan met: Ik zeg dit, opdat u niet zegt.
[^job-32-13-25]: Kanttekening 25: de wijsheid: Te weten, waarmee Job van ons overtuigd en beantwoord is. Deze wijsheid nu zou zijn dat God hem zijn lijden toegezonden had en niet een mens, en omdat God rechtvaardig is en niemand ongelijk doet, voornamelijk als Hij zo vreeslijk straft, dat Job een goddeloos mens moet zijn.
[^job-32-13-26]: Kanttekening 26: geen mens: Hebreeuws, אִֽישׁ, niet een man.
[^job-32-14-27]: Kanttekening 27: Namelijk Job.
[^job-32-14-28]: Kanttekening 28: ulieder woorden: Namelijk, u Elifaz, Bildad en Zofar.
[^job-32-15-29]: Kanttekening 29: Zij zijn ontzet: Te weten, de drie vrienden van Job. Het schijnt dat hij, dit zeggende, zich gekeerd heeft tot de omstanders en toehoorders.
[^job-32-15-30]: Kanttekening 30: niet meer: Te weten, op de redenen van Job.
[^job-32-15-31]: Kanttekening 31: Dat is, afgeweerd en anderen overgelaten.
[^job-32-16-32]: Kanttekening 32: Te weten, op de antwoorden van de drie vrienden van Job.
[^job-32-17-33]: Kanttekening 33: ook vertonen: Zo boven, vers 10 . Job 32:10 : Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
[^job-32-18-34]: Kanttekening 34: de geest: Versta, de ijver en goede genegenheid, die Elihu tot deze handel had. Zie 2 Kon. 19:7 . 2 Koningen 19:7 : Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^job-32-18-35]: Kanttekening 35: Dat is, van het innerste gemoed. Zie boven, Job 15:2 . Zo in vers 19 . Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? Job 32:19 : Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe leren zakken zou hij barsten.
[^job-32-19-36]: Kanttekening 36: mijn buik: Versta dat het binnenste zijns gemoeds niet zonder schade zou zijn, als hij verzweeg wat hij over deze handel bedacht had; gelijk de vaten scheuren en barsten, die, van nieuwen en sterken wijn vol zijnde, geen lucht hebben.
[^job-32-19-37]: Kanttekening 37: leren zakken: Het Hebreeuwse woord בִטְנִ, betekent hier leren zakken, waar men hier in voortijden de wijn in deed. Vergelijk Matt. 9:17 . Mattheüs 9:17 : Noch doet men nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zo barsten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide te zamen worden behouden.
[^job-32-20-38]: Kanttekening 38: voor mij: Dat is, verlichting krijge van de bedenking en bekommernis, komende uit mijn voorgaand aanhoren en stilzwijgen.
[^job-32-21-39]: Kanttekening 39: niemands aangezicht: Zie Lev. 19:15 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringe niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^job-32-21-40]: Kanttekening 40: geen bijnamen: Te weten, noch ten goede om hem te vereren met pluimstrijken, noch ten kwade om hem te versmaden met bittere vermaningen.
[^job-32-22-41]: Kanttekening 41: zou mijn: Te weten, als ik zulks deed.
[^job-32-22-42]: Kanttekening 42: Dat is, God, die mij gemaakt en geschapen heeft. Zie boven, Job 4:17 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
[^job-32-22-43]: Kanttekening 43: Dat is, doden en verderven.

### Job 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/33.json)

*Elihu vermaant Job tot luisteren, vers 1 enz. daartoe redenen gebruikend, 3. beschuldigt Job dat hij te zeer op zijn eigen gerechtigheid gestaan had, 8. toont dat God de mensen tot verstand en bekering bracht door dromen en gezichten, 14. door ziekten, 19. door de aanspraak van zijn dienaren, 23. vermaant Job hem te horen of ook te antwoorden, 31.*

**1** En zeker, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v1)

**2** Zie nu,[^job-33-2-1] ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt[^job-33-2-2] onder mijn gehemelte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v2)

**3** Mijn redenen zullen[^job-33-3-3] de oprechtheid van mijn hart, en[^job-33-3-4] de wetenschap van mijn lippen,[^job-33-3-5] wat zuiver is, uitspreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v3)

**4** [^job-33-4-6] De Geest van God heeft mij gemaakt, en de[^job-33-4-7] adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v4)

**5** Zo u kunt, antwoord mij;[^job-33-5-8] schik u voor mijn aangezicht, stel u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v5)

**6** [^job-33-6-a] Zie,[^job-33-6-9] ik ben van God, zoals u; uit het leem ben ik ook afgesneden.[^job-33-6-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v6)

**7** Zie,[^job-33-7-12] mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.[^job-33-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v7)

**8** Zeker,[^job-33-8-b] u hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem van de woorden gehoord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v8)

**9** Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.[^job-33-9-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v9)

**10** Zie,[^job-33-10-15] Hij vindt[^job-33-10-16] oorzaken tegen mij,[^job-33-10-c] Hij houdt mij voor Zijn vijand.[^job-33-10-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v10)

**11** [^job-33-11-18][^job-33-11-d] Hij legt mijn voeten in de[^job-33-11-e] stok; Hij neemt al mijn paden waar.[^job-33-11-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v11)

**12** Zie,[^job-33-12-20] hierin bent u niet rechtvaardig, antwoord ik u;[^job-33-12-21] want God is meerder dan een mens.[^job-33-12-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v12)

**13** Waarom hebt u tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.[^job-33-13-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v13)

**14** [^job-33-14-24] Maar God spreekt[^job-33-14-25] eens of tweemaal; maar men let niet daarop.[^job-33-14-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v14)

**15** In de droom, door het visioen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimering op het bed;[^job-33-15-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v15)

**16** Dan[^job-33-16-28] openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun vergelding;[^job-33-16-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v16)

**17** Opdat Hij de mens afwende[^job-33-17-30][^job-33-17-31] van zijn werk, en van de man[^job-33-17-32] de hoogmoed verberge;[^job-33-17-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v17)

**18** Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.[^job-33-18-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v18)

**19** [^job-33-19-35] Ook wordt hij gestraft met smart op zijn bed, en de sterke menigte van zijn beenderen;[^job-33-19-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v19)

**20** Zodat[^job-33-20-37] zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel het begeerlijke voedsel;[^job-33-20-e][^job-33-20-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v20)

**21** Dat zijn vlees verdwijnt[^job-33-21-39] uit het gezicht, en zijn beenderen,[^job-33-21-40] die niet gezien werden, uitsteken;[^job-33-21-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v21)

**22** En zijn[^job-33-22-42] ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.[^job-33-22-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v22)

**23** Is er dan bij Hem een[^job-33-23-44] Gezant, een Uitlegger, één[^job-33-23-45] uit duizend, om de mens zijn rechte plicht te verkondigen;[^job-33-23-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v23)

**24** [^job-33-24-47] Zo zal[^job-33-24-48] Hij hem[^job-33-24-49] genadig zijn, en[^job-33-24-50] zeggen:[^job-33-24-51] Verlos hem, dat hij in het verderf niet neerdale, Ik heb verzoening gevonden.[^job-33-24-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v24)

**25** Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen van zijn jeugd terugkeren.[^job-33-25-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v25)

**26** Hij zal tot God ernstig bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en[^job-33-26-54] zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal de mens zijn gerechtigheid wedergeven.[^job-33-26-f][^job-33-26-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v26)

**27** [^job-33-27-56] Hij zal de[^job-33-27-57] mensen[^job-33-27-58] aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, dat mij niet heeft gebaat;[^job-33-27-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v27)

**28** Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere[^job-33-28-60] in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.[^job-33-28-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v28)

**29** Zie, dit alles werkt God[^job-33-29-62] twee- of drie keer met een man;[^job-33-29-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v29)

**30** Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht wordt met het licht van de levenden.[^job-33-30-g][^job-33-30-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v30)

**31** Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v31)

**32** Zo[^job-33-32-65] er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.[^job-33-32-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v32)

**33** Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/33.html#v33)

[^job-33-2-1]: Kanttekening 1: ik heb mijn mond opengedaan: De mond opendoen is dikwijls met zeer grote ernst van gewichtige zaken spreken, of een statig verhaal aanvangen, gelijk hier en Richt. 11:35 ; Ps. 78:2 ; Spr. 24:7 , en Spr. 31:8 , 31:9 , 31:26 . Richteren 11:35 : En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij ganselijk nedergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot YHWH, en ik zal niet kunnen teruggaan. Psalmen 78:2 : Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her; Spreuken 24:7 : Alle wijsheid is voor de dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen. Spreuken 31:8 : Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden. Spreuken 31:9 : Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe de verdrukte en nooddruftige recht. Spreuken 31:26 : Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer van de goeddadigheid.
[^job-33-2-2]: Kanttekening 2: onder mijn gehemelte: Of, met mijn raak, of gehemelte; dat is in mijn mond. Het gehemelte helpt tot de spraak, boven, Job 29:10 ; daarom wordt hetzelfde ook de spraak toegeschreven. Zie boven, Job 31:30 ; Spr. 8:7 . Job 29:10 : De stem van de vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. Job 31:30 : (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren). Spreuken 8:7 : Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
[^job-33-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, het rechte, ware en onvervalste gevoelen mijns harten. Vergelijk boven, Job 6:25 , en de aantekening. Job 6:25 : O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van u is?
[^job-33-3-4]: Kanttekening 4: wetenschap van mijn lippen: Dat is, mijn lippen, die wetenschap of lering zullen en moeten voortbrengen; die ook lippen van de wetenschap genaamd worden; Spr. 14:7 . Spreuken 14:7 : Ga weg van de aanwezigheid eens zotten mans; want u zoudt bij hem geen lippen van de wetenschap merken.
[^job-33-3-5]: Kanttekening 5: wat zuiver is: Dat is, dat onvervalst is en komt uit een oprecht hart.
[^job-33-4-6]: Kanttekening 6: De Geest van God: Elihu geeft te verstaan dat hij een mens was en schepsel Gods gelijk anderen; vervolgens dat Job met hem vrij spreken mocht zonder schroom, als met zijns gelijke, zodat hij zich niet behoefde te ontschuldigen met de vreeslijke majesteit van God, tegen welke hij verklaard had niet te kunnen verstaan. Zie boven, Job 9:32 , en Job 13:21 , en Job 16:21 . Job 9:32 : Want Hij is niet een man, als ik, die ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mensen voor zijn vriend.
[^job-33-4-7]: Kanttekening 7: adem van de Almachtige: Hij schijnt te zien op de schepping van de eerste mens; Gen. 2:7 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^job-33-5-8]: Kanttekening 8: schik u: Of, schik, richt uw woorden; gelijk Job 32:14 . Job 32:14 : Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
[^job-33-6-a]: Verwijzing a: Job 9:35 ; Job 23:10 . Job 9:35 : Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij. Job 23:10 : Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
[^job-33-6-9]: Kanttekening 9: ik ben van God: Dat is, ik behoor God toe, zijnde van Hem geschapen, en totnutoe van Hem in het leven onderhouden. Anders, ik ben voor God naar uw woord, te weten om zijn zaak te verdedigen naar uw eigen begeerte.
[^job-33-6-10]: Kanttekening 10: uit het leem: Te weten, in de eerste voorvader Adam, zodat ik van stof en afkomst uws gelijke ben, en daarom van u niet te vrezen; zie Gen. 2:7 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^job-33-7-12]: Kanttekening 12: Zie boven, Job 13:21 , en de aantekening. Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^job-33-7-11]: Kanttekening 11: mijn verschrikking: Te weten, waarmee ik u zou mogen verschrikken.
[^job-33-8-b]: Verwijzing b: Job 10:7 ; Job 16:17 ; Job 23:10 ; idem 23:11 ; Job 27:5 . Job 10:7 : Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. Job 16:17 : Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. Job 23:10 : Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. Job 23:11 : Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken. Job 27:5 : Het zij verre van mij, dat ik u rechtvaardigen zou; totdat ik de geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtheid van mij niet wegdoen.
[^job-33-9-13]: Kanttekening 13: Ik ben rein: Dit zijn de redenen, die Elihu uit Jobs redenen had gemerkt, oordelende die strafbaar te wezen. Men kan dezelfde, of dergelijke vinden in de plaatsen hier recht tevoren op de kant aangetekend. Niettemin, Job heeft zijn zonden meermalen bekend, gelijk te zien is boven, Job 9:2 , en Job 14:4 ; maar sprekende van zijn onnozelheid, verstaat hij daarmee de gerechtigheid van zijn zaak tegen zijn vrienden, en niet de gerechtigheid zijns persoons voor God. Job 9:2 : Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Job 14:4 : Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet een.
[^job-33-10-15]: Kanttekening 15: oorzaken tegen mij: Dat is, stof om mij te bezwaren, dat is te beschuldigen en te straffen. Anders, afbrekingen; dat is, middelen om zich van mij of mij van hem te scheiden en alle vriendschap te breken, of om al mijn voornemens en pogen te vernietigen. Vergelijk Num. 14:34 . Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking.
[^job-33-10-16]: Kanttekening 16: houdt mij: Zie boven, Job 13:24 , en de aantekening; idem vergelijk boven, Job 16:9 , en Job 19:11 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Job 19:11 : Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
[^job-33-10-c]: Verwijzing c: Job 13:24 ; Job 16:9 ; Job 19:11 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Job 19:11 : Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
[^job-33-10-14]: Kanttekening 14: Te weten, God. Job had wel deze zelfde woorden niet gebruikt, maar die van gelijken zin waren, boven, Job 14:16 , 14:17 . Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil. Job 14:17 : Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en U pakt mijn ongerechtigheid opeen.
[^job-33-11-18]: Kanttekening 18: neemt al mijn paden: Vergelijk boven, Job 14:16 , en Job 31:4 , met de aantekening. Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil. Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
[^job-33-11-d]: Verwijzing d: Job 13:27 . Job 13:27 : U legt ook mijn voeten in de stok, en neemt waar al mijn paden; U drukt U in de wortelen mijn voeten,
[^job-33-11-e]: Verwijzing e: Job 14:16 . Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil.
[^job-33-11-17]: Kanttekening 17: legt mijn voeten: Zie boven, Job 13:27 , en de aantekening. Job 13:27 : U legt ook mijn voeten in de stok, en neemt waar al mijn paden; U drukt U in de wortelen van mijn voeten,
[^job-33-12-20]: Kanttekening 20: want God: Hieruit besluit Elihu dat Job met meerder en ootmoed en eerbied tegen God gehandeld moest hebben; vervolgens, omdat hij zich hierin vergrepen had, dat hij in deze dele onrechtvaardig was, hoewel hij hem anders voor vroom bekende.
[^job-33-12-21]: Kanttekening 21: Ten aanzien niet alleen van zijn wezen en macht, maar ook van zijn wijsheid en rechtvaardigheid, enz.
[^job-33-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, in wat ik nu van u verhaald heb.
[^job-33-13-22]: Kanttekening 22: Hij antwoordt niet: De zin is dat God van al zijn doen ons geen rekenschap geeft, noch ook gehouden is te geven. Of aldus: omdat Hij al zijn woorden niet gesproken heeft. Anders, want Hij verantwoordt geen van zijn daden, of werken; dat is, Hij is niet gehouden enige te antwoorden.
[^job-33-14-24]: Kanttekening 24: eens of tweemaal: Een zeker getal voor een onzeker. Zo onder, vers 29 . Zie Lev. 26:8 . Job 33:29 : Zie, dit alles werkt God twee- of driemaal met een man; Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^job-33-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, ziet.
[^job-33-14-23]: Kanttekening 23: Maar God: De zin is, hoewel God niet gehouden is van zijn doen ons rekenschap te geven, nochtans door zijn vriendelijke goedheid doet Hij het dikwijls, te weten als het Hem belieft, dat van velen niet waargenomen wordt. Vergelijk Gen. 6:3 ; Num. 14:42 ; 1 Kon. 22:28 ; 2 Kon. 17:13 ; Dan. 4:5 , 4:22 , 4:28 ; Matt. 27:19 . Genesis 6:3 : Toen zei YHWH: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Numeri 14:42 : Trekt niet op, want YHWH zal in het midden van u niet zijn; opdat u niet geslagen wordt, voor het aangezicht van uw vijanden. 1 Koningen 22:28 : En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft YHWH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoort, u volken altegaar! 2 Koningen 17:13 : Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaders geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Daniël 4:5 : Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij. Daniël 4:22 : Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van de aarde. Daniël 4:28 : Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar. Mattheüs 27:19 : En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil.
[^job-33-15-26]: Kanttekening 26: In de droom: Zie Gen. 20:3 , en Gen. 28:12 , en de aantekening. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 28:12 : En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan het opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder.
[^job-33-16-28]: Kanttekening 28: Dat is, Hij drukt in hun harten de zekerheid van zijn bestraffing; dat is, dat Hij zijn voornemen om hen te straffen zekerlijk uitvoeren zal. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 32:34 . Deuteronomium 32:34 : Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
[^job-33-16-27]: Kanttekening 27: Dat is, opent en verlicht het verstand en bekeert de wil van de mens door zijn inwendige aanspraak en vermaning. Zie van dezelfde manier van spreken Ruth 4:4 . Ruth 4:4 : En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten mijns volks; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.
[^job-33-17-30]: Kanttekening 30: Te weten, kwaad werk dat hij voorhad. Zie Gen. 20:3 , en Gen. 31:24 . Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 31:24 : Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Wacht u, dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.
[^job-33-17-31]: Kanttekening 31: Dat is, de grootsheid en vermetelheid van het hart, waardoor de mens tot een kwaad voornemen geraakt.
[^job-33-17-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, יְכַסֶּֽה, bedekke; dat is, wegneme. Vergelijk de manier van spreken met degene die boven is, Job 3:10 . Job 3:10 : Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
[^job-33-17-29]: Kanttekening 29: van : Het woordje van is hier in te voegen uit het volgende lid van dit vers.
[^job-33-18-33]: Kanttekening 33: Het Hebreeuwse woord betekent een geweer, dat met werpen gebruikt wordt. Versta hierdoor, allerlei kwaad van de ziel of van het lichaam, tijdelijk of eeuwig. Vergelijk onder, Job 36:12 . Job 36:12 : Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven de geest zonder kennis.
[^job-33-19-35]: Kanttekening 35: sterke menigte van zijn beenderen: Dat is, al zijn beenderen, die veel en sterk zijn; versta hierop, worden gestraft, uit het volgende. Anders, en de twist van zijn beenderen is geweldig; dat is, de smart van zijn beenderen, waardoor God gelijk met hem twist.
[^job-33-19-34]: Kanttekening 34: Ook wordt hij: De zin is dat God de mens vermaand heeft in voortijden, niet alleen door dromen en gezichten, maar ook, gelijk heden, door ziekten en ziekten, om op hun leven acht te nemen en God te vrezen.
[^job-33-20-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, het voedsel van de begeerte; dat is, die men begeert, of waartoe men belust is, als men gezond is. Zo vaten, of gereedschap van de begeerte, 2 Kron. 32:27 ; het land van de begeerte, Ps. 106:24 ; wijnstokken van de begeerte, Amos 5:11 . 2 Kronieken 32:27 : Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap; Psalmen 106:24 : Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet. Amos 5:11 : Daarom, omdat u de arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt u wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt gewenste wijngaarden geplant, maar u zult van die wijn niet drinken.
[^job-33-20-e]: Verwijzing e: Ps. 107:18 . Psalmen 107:18 : Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
[^job-33-20-36]: Kanttekening 36: Anders, zodat zijn leven hem het brood doet verfoeien.
[^job-33-21-39]: Kanttekening 39: niet gezien: Te weten, uit oorzaak van de voorgaande vettigheid van het lichaam.
[^job-33-21-40]: Kanttekening 40: Te weten, door de voorgemelde magerheid. Anders, verbroken, of vermorzeld.
[^job-33-21-38]: Kanttekening 38: uit het gezicht: Dat is, dat het niet meer gezien wordt vanwege zijn magerheid.
[^job-33-22-42]: Kanttekening 42: Dat is, die de mensen van het leven beroven.
[^job-33-22-41]: Kanttekening 41: Dat is, zijn leven, gelijk meteen in het volgende verklaard wordt; zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^job-33-23-44]: Kanttekening 44: uit duizend: Te weten van de vrome en trouwe leraars, die niet velen te vinden zijn; daarom worden zij gezegd een uit duizend te wezen.
[^job-33-23-45]: Kanttekening 45: rechte plicht: Dat is, wat hij behoort te doen en te laten, om God te behagen.
[^job-33-23-43]: Kanttekening 43: Dat is, een profeet of leraar van God gezonden, om de mensen, die in enige nood zijn, van zijn wil en hun schuldigen plicht te onderwijzen. Andere verstaan door deze gezant een heilige engel.
[^job-33-24-47]: Kanttekening 47: Namelijk, God.
[^job-33-24-48]: Kanttekening 48: genadig zijn: Te weten, hem vergevende zijn zonden, en hem weer gezond makende.
[^job-33-24-49]: Kanttekening 49: Te weten, tot de bode of gezant.
[^job-33-24-50]: Kanttekening 50: Verlos hem: Dat is, verkondig hem de verlossing; Joh. 20:23 ; 2 Kor. 5:19 , 5:20 . Johannes 20:23 : Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden. 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 2 Korinthiërs 5:20 : Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^job-33-24-51]: Kanttekening 51: verzoening gevonden: Te weten, de verzoening van de Messias.
[^job-33-24-46]: Kanttekening 46: Zo zal: Te weten, als de zieke mens de vermaning van de leraar met een gelovig en gehoorzaam hart zal aangenomen hebben.
[^job-33-25-52]: Kanttekening 52: frisser worden: Versta dit van de nieuwe gezondheid en sterkte van het lichaam, zijnde als een teken van de vernieuwing van de geest.
[^job-33-26-54]: Kanttekening 54: zijn gerechtigheid wedergeven: Te weten, mits hem door zijn Geest zekerheid te geven van zijn rechtvaardigmaking en de ware vernieuwing, die in hem door de zonde zeer afgenomen hadden.
[^job-33-26-f]: Verwijzing f: Ps. 50:15 ; Jes. 58:9 . Psalmen 50:15 : En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren. Jesaja 58:9 : Dan zult u roepen, en YHWH zal antwoorden; u zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo u uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken van de vingers, en het spreken van de ongerechtigheid;
[^job-33-26-53]: Kanttekening 53: zijn aangezicht met gejuich aanzien: De zin is dat God de mens op wie Hij tevoren om zijn zonden vergramd was, daarna, als hij bekeerd is, vriendelijk en met een bijzonder welbehagen zal aanschouwen. Men kan ook verstaan dat de mens het aangezicht van God met vreugde zal aanzien, dat is, zijn genade en vaderlijke gunst gevoelen. De zin is enerlei.
[^job-33-27-56]: Kanttekening 56: Die hij begeert te stichten met de belijdenis van zijn zonden en de verkondiging van de genade van God aan hem bewezen.
[^job-33-27-57]: Kanttekening 57: Dat is, hij zal zich bij dezelfde voegen en daarmee vergezelschappen.
[^job-33-27-58]: Kanttekening 58: Zijnde daarom met een zware ziekte gestraft geweest. Het Hebreeuwse woord is in deze betekenis genomen Esth. 3:8 , en Esth. 5:13 . Esther 3:8 : Want Haman had tot de koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten van alle volken; ook doen zij de wetten van de koning niet; daarom is het de koning niet oorbaar hen te laten blijven. Esther 5:13 : Maar dit alles baat mij niet, zo lange tijd als ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort van de koning.
[^job-33-27-55]: Kanttekening 55: Hij zal: Namelijk, die ziek door Gods weldaad gezond geworden zijnde. Anderen verstaan dit van God, omdat in vers 28 , dat hier aanhangt, voor mijn ziel, en mijn leven, sommigen lezen, zijn ziel, zijn leven, en zetten deze woorden aldus over: Hij, te weten God, ziet op de mensen, en \[zo daar iemand\] zegt: Ik heb gezondigd, enz., zo zal Hij zijn ziel verlossen, dat hij niet ga in het verderf, en zijn leven zal het licht zien. Job 33:28 : Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
[^job-33-28-60]: Kanttekening 60: het licht aanziet: Dat is, goede welstand geniet. Licht is hier zoveel als welstand. Zie boven, Job 18:5 , en zien is genieten. Zie boven, Job 7:7 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^job-33-28-59]: Kanttekening 59: in het verderf: Dat is, in het graf.
[^job-33-29-62]: Kanttekening 62: met een man: Dat is, met een mens.
[^job-33-29-61]: Kanttekening 61: twee- of driemaal: Dat is, dikwijls. Het is een zeker getal voor een onzeker.
[^job-33-30-g]: Verwijzing g: Ps. 56:14 . Psalmen 56:14 : Want U hebt mijn ziel gered van de dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht van de levenden?
[^job-33-30-63]: Kanttekening 63: verlicht worde: Dat is, dat hij niet alleen nog in het leven blijve, maar daarin zo welvare, dat hij aanzienlijk en geëerd onder de mensen worde.
[^job-33-32-65]: Kanttekening 65: Dat is, voor te spreken en te verdedigen, zover het mogelijk is, zulks dat ik dit werk niet uit enige twistgierigheid aanneem.
[^job-33-32-64]: Kanttekening 64: redenen zijn: Te weten, om uw zaak te verantwoorden en mij tegen te spreken.

### Job 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/34.json)

*Elihu, die verzoekt gehoord te worden, vers 1 enz. beschuldigt Job dat hij zich te rechtvaardig hield, 5. en de Godvruchtigheid nutteloos achtte, 9. hij toont dat de almachtige God niet onrechtvaardig kan zijn, 10. maar dat zijn gerechtigheid blijkt in al zijn werken, 19. vermaant Job dat hij zich vernedert voor de Heere, 31. bidt God dat Hij hem daartoe geschikt maakt, 36.*

**1** Verder[^job-34-1-1] antwoordde Elihu, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v1)

**2** Hoor, u wijzen, mijn woorden, en u verstandigen, neigt de oren naar mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v2)

**3** [^job-34-3-a] Want het oor[^job-34-3-2] proeft de woorden,[^job-34-3-3] zoals het gehemelte het voedsel smaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v3)

**4** Laat ons kiezen voor ons,[^job-34-4-4] wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v4)

**5** Want Job heeft gezegd:[^job-34-5-5] Ik ben rechtvaardig, en[^job-34-5-6][^job-34-5-b] God heeft mijn recht weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v5)

**6** [^job-34-6-7] Ik moet liegen in mijn recht;[^job-34-6-8][^job-34-6-c] mijn pijl is pijnlijk[^job-34-6-9] zonder overtreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v6)

**7** Wat man is[^job-34-7-10] er, zoals Job? Hij drinkt de bespotting[^job-34-7-11] in als water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v7)

**8** [^job-34-8-12] En gaat over weg in gezelschap met de werkers van de ongerechtigheid, en wandelt met[^job-34-8-13] goddeloze mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v8)

**9** Want[^job-34-9-14] hij heeft gezegd:[^job-34-9-15] Het baat een man niet,[^job-34-9-16] als hij welbehagen heeft aan God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v9)

**10** Daarom, u,[^job-34-10-17] mensen van verstand, hoort naar mij:[^job-34-10-18] Verre[^job-34-10-d] zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v10)

**11** [^job-34-11-e] Want naar het werk van de mens[^job-34-11-19] vergeldt Hij hem, en naar de weg[^job-34-11-20] van een ieder doet Hij[^job-34-11-21] het hem vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v11)

**12** Ook werkelijk, God handelt[^job-34-12-22] niet goddeloos, en de Almachtige verkeert het recht niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v12)

**13** [^job-34-13-23] Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de hele wereld geschikt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v13)

**14** [^job-34-14-f] Als Hij[^job-34-14-24] Zijn hart tegen[^job-34-14-25] hem zette,[^job-34-14-26] Zijn geest en Zijn adem zou Hij tot Zich verzamelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v14)

**15** [^job-34-15-27] Alle vlees zou tegelijk de geest geven, en de[^job-34-15-28] mens zou[^job-34-15-g] tot stof terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v15)

**16** Zo er dan verstand[^job-34-16-29] bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem van mijn woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v16)

**17** [^job-34-17-h] Zou Hij ook, Die het recht haat,[^job-34-17-30][^job-34-17-i] de gewonde verbinden, en zou u de[^job-34-17-31] zeer Rechtvaardige verdoemen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v17)

**18** [^job-34-18-32] Zou men tot een koning zeggen: U[^job-34-18-33] Belial; tot de prinsen: U goddelozen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v18)

**19** Hoe dan tot[^job-34-19-34] Die, Die[^job-34-19-35] het aangezicht van de vorsten[^job-34-19-k] niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen het werk van Zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v19)

**20** In een ogenblik[^job-34-20-36] sterven zij;[^job-34-20-37] zelfs om middernacht wordt[^job-34-20-38] een volk geschud, dat[^job-34-20-39] het[^job-34-20-40] doorga; en de machtige wordt weggenomen[^job-34-20-41] zonder hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v20)

**21** Want[^job-34-21-l] Zijn ogen zijn op ieders[^job-34-21-42] wegen, en Hij ziet al zijn treden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v21)

**22** [^job-34-22-m] Er[^job-34-22-43] is geen duisternis, en er is geen[^job-34-22-44] schaduw van de dood, dat daar de werkers van de ongerechtigheid zich verbergen mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v22)

**23** Zeker,[^job-34-23-45] Hij legt de mens niet[^job-34-23-46] te veel op,[^job-34-23-47] dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v23)

**24** Hij vermorzelt de geweldigen,[^job-34-24-48] dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v24)

**25** Daarom dat Hij hun werken kent,[^job-34-25-49] zo keert Hij hen in de nacht om, en zij worden verbrijzeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v25)

**26** Hij[^job-34-26-50] klopt hen samen[^job-34-26-51] als goddelozen, in[^job-34-26-52] een plaats, waar aanschouwers zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v26)

**27** Daarom dat zij van achter[^job-34-27-53] Hem afgeweken zijn,[^job-34-27-n] en geen[^job-34-27-54] van Zijn wegen verstaan hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v27)

**28** Opdat Hij[^job-34-28-55] op hem het geroep van de armen brenge, en het geroep van de ellendigen verhore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v28)

**29** [^job-34-29-56] Als Hij stilt, wie zal dan[^job-34-29-57] beroeren? Als Hij het aangezicht[^job-34-29-58] verbergt,[^job-34-29-59] wie zal[^job-34-29-60] Hem dan aanschouwen,[^job-34-29-61] zowel[^job-34-29-62] voor een volk, als voor een mens[^job-34-29-63] alleen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v29)

**30** [^job-34-30-64] Opdat de[^job-34-30-65] huichelachtige mens niet meer regere, en geen[^job-34-30-66] strikken van het volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v30)

**31** Zeker heeft[^job-34-31-67] hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het[^job-34-31-68] niet verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v31)

**32** Behalve[^job-34-32-69] wat ik[^job-34-32-70] zie, leer U mij; heb ik onrecht gewerkt, ik zal het[^job-34-32-71] niet meer doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v32)

**33** Zal het[^job-34-33-72] van u zijn, hoe[^job-34-33-73] Hij iets vergelden zal, omdat u[^job-34-33-74] Hem[^job-34-33-75] versmaadt? Zou u dan verkiezen, en niet ik?[^job-34-33-76] Wat weet u dan? Spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v33)

**34** [^job-34-34-77] De mensen van verstand zullen[^job-34-34-78] met mij zeggen, en een wijs man zal[^job-34-34-79] naar mij horen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v34)

**35** Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v35)

**36** [^job-34-36-80] Mijn Vader, laat Job[^job-34-36-81] beproefd worden[^job-34-36-82] tot het einde toe, vanwege[^job-34-36-83] zijn antwoorden onder de[^job-34-36-84] ongerechtige mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v36)

**37** Want tot zijn[^job-34-37-85] zonde zou hij nog[^job-34-37-86] overtreding bijvoegen; hij zou onder ons[^job-34-37-87] in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/34.html#v37)

[^job-34-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, ving een nieuwe rede aan. Zie Richt. 18:14 , of, ging voort in het antwoorden. Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^job-34-3-a]: Verwijzing a: Job 12:11 . Job 12:11 : Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de voedsel smaakt?
[^job-34-3-2]: Kanttekening 2: Dat is, het hoort ze en brengt ze tot het verstand, om daar geoordeeld te worden hoedanig dat zij zijn.
[^job-34-3-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, en. Zie boven, Job 5:7 . Het gehemelte wordt de smaak toegeschreven. Zo boven, Job 12:11 ; Spr. 24:13 . Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen. Job 12:11 : Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich het voedsel smaakt? Spreuken 24:13 : Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
[^job-34-4-4]: Kanttekening 4: wat recht is: Hebreeuws, מִשְׁפָּט, het oordeel, of recht; dat is, de waarheid en billijkheid, die wij in deze gehele handel zoeken moeten, verwerpende al wat vals en onrecht is. Zo is het Hebreeuwse woord dikwijls genomen. Zie Deut. 32:4 ; Job 32:9 ; Ps. 37:30 ; Spr. 2:8 ; Jes. 59:8 ; Micha 3:8 , enz. Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Job 32:9 : De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. Psalmen 37:30 : Pe. De mond van de rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht. Spreuken 2:8 : Opdat zij de paden van het recht houden; en Hij zal de weg van Zijn gunstgenoten bewaren. Jesaja 59:8 : De weg van de vrede kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent de vrede niet. Micha 3:8 : Maar waarlijk, ik ben vol krachts van de Geest van YHWH; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.
[^job-34-5-5]: Kanttekening 5: Ik ben rechtvaardig: Zie boven, Job 13:18 , en Job 23:10 , en Job 27:2 , 27:6 , en Job 31:1 , enz., waar Job niet wil zeggen dat hij geheel zonder zonde was; want het tegendeel bekent hij boven, Job 14:4 ; maar alleen dat hij geen goddeloos mens, of hypocriet was, gelijk zijn vrienden meenden, en dat hij niet alleen had de burgerlijke gerechtigheid, maar ook de goede consciëntie. Job 13:18 : Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden. Job 23:10 : Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. Job 27:2 : Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan! Job 27:6 : Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen. Job 31:1 : Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? Job 14:4 : Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet een.
[^job-34-5-6]: Kanttekening 6: Deze beschuldiging gedaan tegen Job wordt gesteld met zijn eigen woorden, gelijk wij dezelfde vinden boven, Job 27:2 . Maar Job heeft haar zo verstaan dat God geen kennis nam van zijn zaak; maar Elihu, dat God ongerechtiglijk tegen hem handelde. Evenwel had Elihu reden om Job te berispen, omdat hij zijn onnozelheid zozeer voorstond, dat hij de gerechtigheid van God scheen ongelijk te geven. Job 27:2 : Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan!
[^job-34-5-b]: Verwijzing b: Job 27:2 . Job 27:2 : Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan!
[^job-34-6-7]: Kanttekening 7: Ik moet: Dat is, als ik mijn onschuld verdedig, word ik gehouden te liegen. Dit verhaalt Elihu mee als van Job gesproken. Vergelijk boven, Job 19:7 . Anders, zou ik liegen in mijn recht? Job 19:7 : Ziet, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht.
[^job-34-6-8]: Kanttekening 8: mijn pijl: Te weten, de pijl mijns lijdens en van deze mijn bezoeking, waarmee mij God getroffen heeft. Zie boven, Job 6:4 . Vergelijk Deut. 32:33 . Job 6:4 : Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, van wie vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. Deuteronomium 32:33 : Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.
[^job-34-6-c]: Verwijzing c: Job 6:4 . Job 6:4 : Want de pijlen van de Almachtigen zijn in mij, van wie vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
[^job-34-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, zonder dat ik daartoe schuld heb.
[^job-34-7-10]: Kanttekening 10: gelijk Job: Te weten, die zo wijs en kloek wil zijn als Job, en nochtans zulke redenen voortbrengt, die de bespotting waard zijn, gelijk, naar het oordeel van Elihu, Job voortbracht.
[^job-34-7-11]: Kanttekening 11: in als water: Zie dezelfde gelijkenis boven, Job 15:16 , en de aantekening. Job 15:16 : Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
[^job-34-8-12]: Kanttekening 12: En gaat: Hij wil zeggen dat Job met zijn redenen zich de kwade en goddeloze mensen gelijk maakte en gemeenschap met hen had in het kwaad spreken.
[^job-34-8-13]: Kanttekening 13: goddeloze mensen: Hebreeuws, mensen van de goddeloosheid. Zie boven, Job 11:11 . Job 11:11 : Want Hij kent de ijdele mensen, en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?
[^job-34-9-14]: Kanttekening 14: Namelijk, Job.
[^job-34-9-15]: Kanttekening 15: het baat: Hoewel Job deze woorden in vorm zo niet had uitgesproken, nochtans wil Elihu uit zijn redenen besluiten, gelijk uit Job 9:22 , en Job 21:8 , en Job 30:26 , enz., maar de mening van Job was zodanig niet, als was het dat hij, door het geweld zijns lijdens gedrongen zijnde, somtijds al te heftiglijk en te onvoorzichtig zijn zaak dreef. Job 9:22 : Dat is een ding, daarom zeg ik: De oprechte en de goddeloze verdoet Hij. Job 21:8 : Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen. Job 30:26 : Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.
[^job-34-9-16]: Kanttekening 16: als hij welbehagen: Dat is, als zijn lust is God te dienen en te gehoorzamen. Anders, als hij een behagen heeft met God \[te wandelen\]. Dit woord is ingevoegd uit Gen. 5:22 . Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^job-34-10-17]: Kanttekening 17: mensen van verstand: Hebreeuws, לֵבָב, mensen van het hart; dat is, van het verstand. Zo onder, vers 34 . Zie boven, Job 9:4 . Job 34:34 : De mensen van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen: Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
[^job-34-10-18]: Kanttekening 18: Verre zij God van goddeloosheid: Hebreeuws, אֵל, het zij voor God verre van goddeloosheid, enz.
[^job-34-10-d]: Verwijzing d: Deut. 32:4 ; 2 Kron. 19:7 ; Job 8:3 ; Job 36:23 ; Ps. 92:16 ; Rom. 9:14 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 8:3 : Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? Job 36:23 : Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: U hebt onrecht gedaan? Psalmen 92:16 : Om te verkondigen, dat YHWH recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. Romeinen 9:14 : Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.
[^job-34-11-e]: Verwijzing e: Ps. 62:13 ; Spr. 24:12 ; Jer. 17:10 ; Jer. 32:19 ; Ez. 7:27 ; Ez. 33:20 ; Matt. 16:27 ; Rom. 2:6 ; 1 Kor. 3:8 ; 2 Kor. 5:10 ; Efez. 6:8 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 ; Openb. 22:12 . Psalmen 62:13 : En de goedertierenheid, o Heer! is Uw; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Spreuken 24:12 : Wanneer u zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uw ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal de mens vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Ezechiël 7:27 : De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechte zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 33:20 : Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël! Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; 1 Korinthiërs 3:8 : En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Efeziërs 6:8 : Wetende, dat zo wat goed een iedereen gedaan zal hebben, hij datzelfde van de Heer zal ontvangen, hetzij dienaar, hetzij vrije. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning; Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^job-34-11-19]: Kanttekening 19: Te weten, òf loon naar genade, zo het werk goed is, òf straf naar verdienste, zo het werk kwaad is.
[^job-34-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, naar zijn gedachten, pogingen, woorden en werken. Zo spreekt ook Ez. 7:27 , en Ez. 33:10 . Ezechiël 7:27 : De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 33:10 : Daarom, u mensenkind! zeg tot het huis van Israël: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Omdat onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelfde versmachten, hoe zouden wij dan leven?
[^job-34-11-21]: Kanttekening 21: hem vinden: Te weten, dat hem naar Gods oordeel wedervaren en overkomen moet vanwege zijn werken.
[^job-34-12-22]: Kanttekening 22: Anders, en verdoemt \[de onschuldige\] niet. Dergelijk invoegsel is ook Ex. 34:7 . Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid.
[^job-34-13-23]: Kanttekening 23: Wie heeft: Hebreeuws, op hem besteld, of bevolen; dat is, Hem last gegeven, te weten om die te onderhouden en te regeren. De zin is, dat niemand Hem daarover gesteld heeft, maar dat Hij alle macht van zich alleen heeft. Elihu bewijst dat God niemand onrecht doen kan, omdat Hij is de schepper, onderhouder en regeerder van alle dingen, die zo gerechtig en heilig is van natuur dat Hij niet kan kwaad doen, en zo hoog van heerlijkheid dat Hij niemand gehouden is rekenschap van zijn doen te geven.
[^job-34-14-f]: Verwijzing f: Ps. 104:29 ; Pred. 12:7 . Psalmen 104:29 : Verbergt U Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt U hun adem weg, zij sterven, en zij keren weer tot hun stof. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft.
[^job-34-14-24]: Kanttekening 24: Zijn hart: Dat is, ten nauwste acht op hem wilde nemen, om het hoogste recht tegen hem te gebruiken.
[^job-34-14-25]: Kanttekening 25: hem zette: Te weten, de mens. Zie boven, vers 11 . Job 34:11 : Want naar het werk van de mens vergeldt Hij hem, en naar de weg van een ieder doet Hij het hem vinden.
[^job-34-14-26]: Kanttekening 26: Zijn geest: Dat is, zijn ziel zou Hij van hem door de dood kunnen wegnemen, en zo in dit leven een einde met hem maken. Vergelijk Ps. 26:9 , en de aantekening. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^job-34-15-27]: Kanttekening 27: Alle vlees: Dat is, alle mensen. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-34-15-28]: Kanttekening 28: Versta, het lichaam van de mens. Vergelijk Gen. 3:19 ; Pred. 12:7 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft.
[^job-34-15-g]: Verwijzing g: Gen. 3:19 ; Pred. 12:7 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft.
[^job-34-16-29]: Kanttekening 29: bij u is: Te weten, bij u, o Job.
[^job-34-17-h]: Verwijzing h: Gen. 18:25 ; Job 8:3 ; Job 21:22 ; Rom. 3:5 . Genesis 18:25 : Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Job 8:3 : Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? Job 21:22 : Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt? Romeinen 3:5 : Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.)
[^job-34-17-30]: Kanttekening 30: de gewonde verbinden: Hij wil zeggen dat zulks niet kan gebeuren. De gewonde verbinden is dengene, die om zijn zonden gestraft is en zich bekeert, weer genadig zijn en goeddoen, dat niet geschiedt van hem, die het recht haat. Vergelijk boven, Job 5:18 . Anderen vertalen het Hebreeuwse woord יַחֲבוֹשׁ, chabasch, heersen, of regeren, en zo is het genomen van enige, Jes. 3:7 , want de oversten hebben de macht om de onderzaten te bedwingen en in banden te leggen. De zin is dat Hij, die de gehele wereld regeert, niet ongerechtig kan zijn. Job 5:18 : Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. Jesaja 3:7 : Zo zal hij in die dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste van het volk.
[^job-34-17-i]: Verwijzing i: Job 5:18 . Job 5:18 : Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
[^job-34-17-31]: Kanttekening 31: zeer Rechtvaardige: Hebreeuws, geweldig, krachtig; dat is, die allermeest en ten hoogste rechtvaardig is.
[^job-34-18-32]: Kanttekening 32: Zou men: Dat is, is het niet geoorloofd een koning of prins zo toe te spreken, hoeveel temin van God zo te spreken? Anders, zoudt u hem \[te weten God\] verdoemen, als Hij tot een koning zegt: U boet, enz. Het woord verdoemen wordt hier weer ingevoegd uit vers 17 . Job 34:17 : Zou Hij ook, Die het recht haat, de gewonde verbinden, en zoudt u de zeer Rechtvaardige verdoemen?
[^job-34-18-33]: Kanttekening 33: Zie van dit woord Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^job-34-19-34]: Kanttekening 34: Te weten, God.
[^job-34-19-35]: Kanttekening 35: het aangezicht: Zie van deze manier van spreken Lev. 19:15 . Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringe niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^job-34-19-k]: Verwijzing k: Deut. 10:17 ; 2 Kron. 19:7 ; Job 37:24 ; Hand. 10:34 ; Rom. 2:11 ; Galat. 2:6 ; Efez. 6:9 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 37:24 : Daarom vrezen Hem de mensen; Hij ziet geen wijzen van hart aan. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Galaten 2:6 : En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemel is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^job-34-20-36]: Kanttekening 36: sterven zij: Namelijk, rijken en armen, edelen en onedelen, sterken en zwakken, en dat als het God belieft door zijn macht, dat niemand wederstaan kan, en naar zijn gerechtigheid, die niemand vermag te wederspreken of te controleren.
[^job-34-20-37]: Kanttekening 37: ter middernacht: Dat is, onverwachts, en als zij zekerst menen te wezen. Zie Ex. 12:29 ; 2 Kon. 19:35 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^job-34-20-38]: Kanttekening 38: een volk geschud: Dat is, gehele volken worden door Gods kracht en ook rechtvaardiglijk uit hun land, welvaren en staat vervoerd en weggerukt.
[^job-34-20-39]: Kanttekening 39: Dat is, te gronde gaat.
[^job-34-20-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, zij nemen de sterken weg; te weten, de engelen of dienaren van God. Zie boven, Job 4:18 . Job 4:18 : Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.
[^job-34-20-41]: Kanttekening 41: zonder hand: Dat is, zonder menselijke hand, en dienvolgens door de kracht van God.
[^job-34-21-l]: Verwijzing l: 2 Kron. 16:9 ; Job 31:4 ; Ps. 34:16 ; Spr. 5:21 ; Spr. 15:3 ; Jer. 16:17 ; Jer. 32:19 . 2 Kronieken 16:9 : Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. Spreuken 5:21 : Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Spreuken 15:3 : De ogen van YHWH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwade en de goede. Jeremia 16:17 : Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.
[^job-34-21-42]: Kanttekening 42: Dat is, werken. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^job-34-22-m]: Verwijzing m: Ps. 139:12 ; Amos 9:2 ; idem v. 3 ; Hebr. 4:13 . Psalmen 139:12 : Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht. Amos 9:2 : Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^job-34-22-43]: Kanttekening 43: is geen duisternis: Vergelijk boven, Job 26:6 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
[^job-34-22-44]: Kanttekening 44: Zie boven, Job 12:22 . Job 12:22 : Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en de schaduwe van de dood brengt Hij voort in het licht.
[^job-34-23-45]: Kanttekening 45: Hij legt: Te weten, God.
[^job-34-23-46]: Kanttekening 46: te veel op: Dat is, te veel straf, gaande boven de verdiensten van zijn zonden.
[^job-34-23-47]: Kanttekening 47: dat hij tegen God: Dat is, dat de mens oorzaak zou mogen hebben om tegen God van ongelijk te klagen en Hem in het gericht te willen betrekken, gelijk Job gedaan had. Zie boven, Job 13:3 , en Job 16:21 , en Job 23:3 , 23:4 . Job 13:3 : Maar ik zal tot de Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mens voor zijn vriend. Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Job 23:4 : Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
[^job-34-24-48]: Kanttekening 48: dat men: Hebreeuws, zonder doorzoeking; dat is zonder dat men uitvinden en rekenen kan, hoevelen Hij van deze geweldigen vernietigt; of doorgronden de redenen van deze zijn oordelen. Vergelijk boven, Job 5:9 , en Job 9:10 , en onder, Job 36:26 . Job 5:9 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; Job 9:10 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. Job 36:26 : Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal van Zijn jaren.
[^job-34-25-49]: Kanttekening 49: zo keert Hij: Dat is, Hij verderft hen onvoorziens en als zij menen in hun rust te wezen. Zie boven, vers 20 . Anders, Hij verandert de nacht, waarmee zij hun zonden meenden te bedekken, in de dag, die hen tevoorschijn brengt. Of, zo keert Hij op hen de nacht; dat is, allerlei ellende, tegenheid en kwalijk varen. Job 34:20 : In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
[^job-34-26-50]: Kanttekening 50: Dat is, drukt hen tezamen, slaat hen, smijt hen; te weten, door zijn rechtvaardige straffen.
[^job-34-26-51]: Kanttekening 51: als goddelozen: Of, voor goddelozen. Hebreeuws, inplaats van goddelozen, gelijk ook zodanigen zijn.
[^job-34-26-52]: Kanttekening 52: een plaats: Hebreeuws, in de plaats van de zienden; dat is, in een openbare plaats, waar hun straf van velen kan gezien worden, opdat de aanschouwers door hun exempel geleerd mochten worden hun leven te verbeteren.
[^job-34-27-53]: Kanttekening 53: Hem afgeweken zijn: Te weten, God.
[^job-34-27-n]: Verwijzing n: Ps. 28:5 ; Jes. 5:12 . Psalmen 28:5 : Omdat zij niet letten op de daden van YHWH, noch op het werk Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. Jesaja 5:12 : En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en zij zien niet op het maaksel Zijn handen.
[^job-34-27-54]: Kanttekening 54: Zijn wegen: Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^job-34-28-55]: Kanttekening 55: op hem: Dat is, op elk van hen, de straf die zij verdiend hebben, door de arme zo te verdrukken, dat hij genoodzaakt is geweest tot God te roepen.
[^job-34-29-56]: Kanttekening 56: Als hij stilt: Hij toont Gods kracht, verenigd met zijn genade en gerechtigheid, omdat niemand beroerte kan maken, daar God naar zijn goedigheid stilte verleent, en omdat niemand hem helpen kan, tegen wie God vergramd is.
[^job-34-29-57]: Kanttekening 57: Dat is, onrust verwekken.
[^job-34-29-58]: Kanttekening 58: Te weten, van de mens; dat is, als Hij zijn genade, zegen en hulp van hem trekt. Zie Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^job-34-29-59]: Kanttekening 59: wie zal: Te weten, van degenen, op wie God zeer vergramd is; van wie in de voorgaande verzen gesproken is.
[^job-34-29-60]: Kanttekening 60: Hem dan: Te weten, God; dat is, zich voor God vertonen, te weten, door het gebed, om troost en bijstand te verzoeken. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 34:6 . Psalmen 34:6 : He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
[^job-34-29-61]: Kanttekening 61: Dat is, wat ik verhaal van God is waarachtig, niet alleen ten aanzien van een mens in het bijzonder, maar ook van gehele volken in het algemeen, die Hij kan òf rust verlenen, òf zijn aangezicht verbergen.
[^job-34-29-62]: Kanttekening 62: voor een volk: Het Hebreeuwse woord is in deze zin gebruikt Gen. 37:8 , onder, vers 36 , en Job 42:8 ; Ps. 32:6 . Genesis 37:8 : Toen zeiden zijn broers tot hem: Zult u dan ganselijk over ons regeren: zult u dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. Job 34:36 : Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijn antwoorden wil onder de ongerechtige mensen. Job 42:8 : Daarom neemt nu voor u zeven varren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. Psalmen 32:6 : Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
[^job-34-29-63]: Kanttekening 63: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen Ezra 4:3 ; Ps. 33:15 ; Hos. 11:7 . Ezra 4:3 : Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden van de vaders van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het YHWH, de God van Israël, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft. Psalmen 33:15 : Hij formeert het hart van hen allen; Hij let op al hun werken. Hosea 11:7 : Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.
[^job-34-30-64]: Kanttekening 64: Hij toont dat God zijn aangezicht verbergt, niet alleen voor gemene mensen, maar ook voor de grote heren en regeerders daarvan.
[^job-34-30-65]: Kanttekening 65: huichelachtige mens: Zie wat een huichelaar is, boven, Job 8:13 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^job-34-30-66]: Kanttekening 66: Dat is, geen overlast, tirannie en geweld, waarmee hij zijn onderzaten zou kwellen en verdrukken. Anders, vanwege, of uit oorzaak van de strikken van het volk, te weten, waarmee hij hetzelfde verdrukken zou.
[^job-34-31-67]: Kanttekening 67: hij tot God: Te weten, Job. Want tot deze keert zich Elihu, om hem te vermanen tot zijn schuldigen plicht over wat hij van God en tot God spreken moest, inplaats van tegen zijn oordelen klachtig te vallen, gelijk hij hem verweten had gedaan te hebben, boven, vers 5 . Job 34:5 : Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
[^job-34-31-68]: Kanttekening 68: niet verderven: Dat is, in deze mijn zaak en gehele leven zal ik niets doen, noch met woorden noch met werken, dan wat recht en behoorlijk is; of ik zal de \[zaak\], dat is, deze mijn handel met God niet verderven, te weten, met mijn onschuld al te zeer te verdedigen, gelijk ik gedaan heb; of ik zal uw wetten niet verderven, te weten door dezelfde te overtreden. Anders, heb ik weggenomen, ik zal geen pand nemen. Alsof hij zei: Heb ik pand genomen, ik zal het niet meer doen. Vergelijk boven, Job 22:6 . Job 22:6 : Want u hebt uw broers zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleren van de naakten hebt u uitgetogen.
[^job-34-32-69]: Kanttekening 69: ik zie: Te weten, aangaande mijn zonden.
[^job-34-32-70]: Kanttekening 70: leer U mij: Te weten, dat mij van mijn zonden nog onbekend is; dat is, maakt mij bekend mijn verborgen gebreken. Vergelijk Ps. 19:13 . Psalmen 19:13 : Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen.
[^job-34-32-71]: Kanttekening 71: niet meer doen: Te weten, mij te vergrijpen.
[^job-34-33-72]: Kanttekening 72: van u zijn: Dat is, zal het aan u staan, naar uw gevoelen en goeddunken gaan, hoe God het kwade met straffen vergelden zal, of het goede met weldaden? Zal Hij u raad moeten vragen, om te weten hoe Hij dat wel doen zal? Elihu spreekt Job toe.
[^job-34-33-73]: Kanttekening 73: Hij iets: Te weten, God.
[^job-34-33-74]: Kanttekening 74: Namelijk, God over zijn regering, waardoor Hij de goede en kwade werken vergeldt.
[^job-34-33-75]: Kanttekening 75: Zoudt u: Dit zijn de woorden van God, in wiens persoon Elihu die voortbrengt. De zin is: zoudt u dan, o Job, mij voorschrijven de wijze hoe Ik straffen en zegenen zal, en niet Ik?
[^job-34-33-76]: Kanttekening 76: Wat weet u dan: Hier spreekt Elihu in zijn eigen persoon tot Job, alsof hij zei: Wat hebt u hiertegen te zeggen: spreekt uit, antwoord. Maar sommigen stellen vers 33 aldus: Zal Hij vergelden wat van u is, omdat u \[de kastijding\] versmaadt? Wanneer u het verkoost, ik zou het evenwel niet doen, enz. Job 34:33 : Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, omdat u Hem versmaadt? Zoudt u dan verkiezen, en niet ik? Wat weet u dan? Spreek.
[^job-34-34-77]: Kanttekening 77: De mensen: Hebreeuws, לֵבָב, de mensen van het hart. Hart voor verstand; zo boven, vers 10 . Job 34:10 : Daarom, u, mensen van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
[^job-34-34-78]: Kanttekening 78: met mij zeggen: De Hebreeuwse letter lamed betekent somtijds met; gelijk Gen. 46:26 ; Ex. 34:12 ; Num. 18:11 . Genesis 46:26 : Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen. Exodus 34:12 : Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Numeri 18:11 : Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegofferen van de kinderen van Israël; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.
[^job-34-34-79]: Kanttekening 79: naar mij horen: Dat is, dit mij toestemmen, of hierin mij gelijk geven.
[^job-34-36-80]: Kanttekening 80: Mijn Vader: Te weten, die in de hemel zijt; dat is, o mijn God. Anders, mijn begeerte is dat Job beproefd worde.
[^job-34-36-81]: Kanttekening 81: beproefd worden: Te weten, door kruis en tegenspoed. Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^job-34-36-82]: Kanttekening 82: tot het einde toe: Dat is, tot de voleinding van het werk van zijn bezoeking, namelijk, als zijn godvruchtigheid ten volle blijken zal door een oprechte bekentenis van zijn zonden. Anders, tot de overwinning toe; dat is, totdat hij God als zijn overwinnaar de eer geve en ophoude zo kwalijk te spreken. Of aldus: zal Job beproefd worden tot het einde toe? alsof hij vreesde dat Job door al te langdurige beproeving zijn zonden zou vermenigvuldigen.
[^job-34-36-83]: Kanttekening 83: Dat is, redenen, die hij met antwoorden voortbrengt.
[^job-34-36-84]: Kanttekening 84: Hebreeuws, mensen van de ongerechtigheid; dat is, als zijnde één van de ongerechtige mensen, die Gods oordelen tegenspreken. Of, met de ongerechtige mensen; dat is, zijnde in zijn doen hun metgezel. Anders, voor de ongerechtigen; te weten, als hun voorspraak zijnde.
[^job-34-37-85]: Kanttekening 85: Dat is, de misdaad, die hij totnutoe gedaan heeft, door misverstand en dwaling.
[^job-34-37-86]: Kanttekening 86: Dat is, zijn zonden vermenigvuldigen.
[^job-34-37-87]: Kanttekening 87: in de handen klappen: Alsof hij ons met zijn disputen overwonnen had. Zie boven, Job 27:23 , en vergelijk 1 Kon. 9:8 . Sommigen verstaan het zo, dat hij hun tot dispuut geroepen had en borgtocht wilde aangaan. Vergelijk boven, Job 17:3 . Job 27:23 : Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats. 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Job 17:3 : Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.

### Job 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/35.json)

*Job wordt opnieuw berispt dat hij zich te rechtvaardig hield, vers 1 enz. en wordt gewezen op de grootheid van de Goddelijke Majesteit, 4. hem wordt ook geleerd waarom God sommige mensen in grote ellende laat blijven, 9. wordt vermaand op God te hopen, 14. die hem beneden zijn verdienste strafte, 15. en zich te vernederen, 16.*

**1** Elihu[^job-35-1-1] antwoordde verder, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v1)

**2** Houdt u dat[^job-35-2-2] voor recht, dat u gezegd hebt:[^job-35-2-3] Mijn gerechtigheid is meerder dan die van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v2)

**3** Want[^job-35-3-a] u[^job-35-3-4] hebt gezegd: Wat[^job-35-3-5] zou[^job-35-3-6] zij u baten? Wat meer voordeel zal ik[^job-35-3-7] daarmee doen, dan met mijn zonde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v3)

**4** Ik zal u[^job-35-4-8] antwoord geven, en[^job-35-4-9] uw vrienden met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v4)

**5** Bemerk de hemel en zie; en aanschouw de[^job-35-5-10] bovenste wolken, zij[^job-35-5-11] zijn hoger dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v5)

**6** Als u zondigt,[^job-35-6-12] wat bedrijft u tegen Hem? Als uw overtredingen veelvuldig zijn,[^job-35-6-13] wat doet u Hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v6)

**7** [^job-35-7-b] Als u rechtvaardig bent, wat geeft u[^job-35-7-14] Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v7)

**8** Uw goddeloosheid zou zijn[^job-35-8-15] tegen een man, zoals u bent, en uw gerechtigheid[^job-35-8-16] voor het kind van een mens[^job-35-8-17]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v8)

**9** [^job-35-9-18] Vanwege hun[^job-35-9-19] grootheid doen[^job-35-9-20] zij de onderdrukten roepen;[^job-35-9-21] zij schreeuwen vanwege[^job-35-9-22] de arm van[^job-35-9-23] de groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v9)

**10** [^job-35-10-24]Maar[^job-35-10-25] niemand zegt: Waar is God,[^job-35-10-26] mijn Maker,[^job-35-10-27] die de psalmen geeft in de nacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v10)

**11** [^job-35-11-28] Die ons geleerder maakt dan de beesten van de aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte van de hemel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v11)

**12** [^job-35-12-29] Daar[^job-35-12-30] roepen zij;[^job-35-12-c] maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de[^job-35-12-31] bozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v12)

**13** Zeker zal God de[^job-35-13-32] zinloosheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v13)

**14** [^job-35-14-33] Dat u ook gezegd hebt: U zult Hem niet aanschouwen;[^job-35-14-34] er is toch gericht voor Zijn aangezicht, wacht u dan op Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v14)

**15** [^job-35-15-d] Maar nu, omdat[^job-35-15-35] het niets is, dat[^job-35-15-36] Zijn toorn[^job-35-15-37] Job bezocht heeft, en Hij[^job-35-15-38] hem niet zeer in overvloed doorkend heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v15)

**16** Zo heeft Job[^job-35-16-39] in zinloosheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/35.html#v16)

[^job-35-1-1]: Kanttekening 1: antwoordde verder: Zie boven, Job 34:1 . Job 34:1 : Verder antwoordde Elihu, en zei:
[^job-35-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, voor een goede en billijke zaak, die in het gericht verdedigd kan worden. Zie boven, de aantekening Job 34:4 . Job 34:4 : Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
[^job-35-2-3]: Kanttekening 3: Mijn gerechtigheid: Dit had Job niet vormelijk zo gesproken, maar Elihu wil het uit zijn woorden besluiten, die hij daarom in vers 3 voortbrengt. Job 35:3 : Want u hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmee doen, dan met mijn zonde?
[^job-35-3-a]: Verwijzing a: Job 34:9 . Job 34:9 : Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.
[^job-35-3-4]: Kanttekening 4: hebt gezegd: Vergelijk Job 9:20 , en Job 10:15 . Job 9:20 : Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren. Job 10:15 : Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.
[^job-35-3-5]: Kanttekening 5: Te weten, uw gerechtigheid.
[^job-35-3-6]: Kanttekening 6: u baten: Namelijk, uw persoon, o Job.
[^job-35-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, met mijn gerechtigheid en vroomheid. Job had zulks geklaagd uit ongeduldigheid, omdat hij, vroom zijnde, schrikkelijk geplaagd en wredelijk veroordeeld werd.
[^job-35-4-8]: Kanttekening 8: u antwoord: Te weten, met welke ik u weerleggen zal.
[^job-35-4-9]: Kanttekening 9: uw vrienden: Te weten, die tegen u gehandeld, maar u ten volle, niet beantwoord hebben. Evenwel, Elifaz had bijna hetzelfde, dat hier nu van Elihu voortgebracht wordt vers 6 , 35:7 , tevoren gezegd, boven, Job 22:2 , 22:3 . Sommigen duiden het op degenen, die het met Job hielden. Vergelijk Job 18:2 . Job 35:6 : Als u zondigt, wat bedrijft u tegen Hem? Als uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet u Hem? Job 35:7 : Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand? Job 22:2 : Zal ook een man voor God voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn. Job 22:3 : Is het voor de Almachtige nuttigheid, dat u rechtvaardig bent; of winst, dat u uw wegen volmaakt? Job 18:2 : Hoe lang is het, dat u een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
[^job-35-5-10]: Kanttekening 10: bovenste wolken: Zie Deut. 33:26 . Deuteronomium 33:26 : Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op de hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.
[^job-35-5-11]: Kanttekening 11: zijn hoger: De zin is: Zijn de wolken hoger, hoeveel te meer God? Is God hoger, wat kunt u Hem helpen met uw vroomheid, of schaden met uw zonde?
[^job-35-6-12]: Kanttekening 12: wat bedrijft u: Te weten, waarmee u Hem, dat is God, zoudt mogen beschadigen.
[^job-35-6-13]: Kanttekening 13: wat doet u Hem: Te weten, wat kwaad, schande, of nadeel.
[^job-35-7-b]: Verwijzing b: Job 22:2 ; Ps. 16:2 ; Rom. 11:35 . Job 22:2 : Zal ook een man voor God voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn. Psalmen 16:2 : O mijn ziel! u hebt tot YHWH gezegd: U bent YHWH, mijn goedheid raakt niet tot U; Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
[^job-35-7-14]: Kanttekening 14: Versta, niet met al; dat is, Hij heeft geen voordeel of baat van uw gerechtigheid. Vergelijk Ps. 16:2 , en Ps. 50:10 , 50:11 , 50:12 . Psalmen 16:2 : O mijn ziel! u hebt tot YHWH gezegd: U bent YHWH, mijn goedheid raakt niet tot U; Psalmen 50:10 : Want al het gedierte van het woud is Mijn, de beesten op duizend bergen. Psalmen 50:11 : Ik ken al het gevogelte van de bergen, en het wild van het veld is bij Mij. Psalmen 50:12 : Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid.
[^job-35-8-15]: Kanttekening 15: tegen een man: Te weten, om hem te beschadigen.
[^job-35-8-16]: Kanttekening 16: Te weten, om hem voordelig te zijn en enige weldaad te bewijzen.
[^job-35-8-17]: Kanttekening 17: mensen kind: Zie 1 Kon. 8:39 . 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef een ieder naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^job-35-9-18]: Kanttekening 18: Elihu schijnt hier te zien op de woorden van Job, boven, Job 24:12 , welke hij ten onrechte zo zou duiden, alsof Job daarmee God van ongerechtigheid beschuldigd had. Want Job had God zijn eer gegeven, vers 12 , en de verdrukten de schuld opgelegd, vers 13 . Job 24:12 : Uit de stad zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds. Job 35:12 : Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de bozen. Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^job-35-9-19]: Kanttekening 19: Dat is, groot geweld.
[^job-35-9-20]: Kanttekening 20: zij de onderdrukten: Te weten, de goddelozen.
[^job-35-9-21]: Kanttekening 21: zij schreeuwen: Te weten, de verdrukten.
[^job-35-9-22]: Kanttekening 22: de arm: Dat is, het geweld en de overlast. Vergelijk en zie boven, Job 22:8 . Job 22:8 : Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
[^job-35-9-23]: Kanttekening 23: Dat is, van de machtigen en geweldigen.
[^job-35-10-24]: Kanttekening 24: Elihu geeft reden waarom de verdrukten in hun nood niet geholpen worden.
[^job-35-10-25]: Kanttekening 25: niemand zegt: Te weten, dergenen, die onderdrukt worden. Hebreeuws, maar hij zegt niet.
[^job-35-10-26]: Kanttekening 26: mijn Maker: Hebreeuws, mijn Makers, in het getal van velen. Vergelijk Gen. 20:13 ; idem, zie boven, Job 32:22 . Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer! Job 32:22 : Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.
[^job-35-10-27]: Kanttekening 27: die de psalmen geeft: Dat is, die in de nacht zelf, als men ligt om te rusten, de mensen door zijn weldaden oorzaak geeft van zingen. Vergelijk Ps. 42:9 . Psalmen 42:9 : Maar YHWH zal 's daags Zijn goedertierenheid gebieden, en 's nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens.
[^job-35-11-28]: Kanttekening 28: Die ons geleerder: Dat is, die ons met rede, verstand en wijsheid begaaft boven de onredelijke dieren, zodat wij Hem recht behoren te kennen en in de nood te zoeken.
[^job-35-12-29]: Kanttekening 29: Te weten, in hun nood, als zij verdrukt worden.
[^job-35-12-30]: Kanttekening 30: roepen zij: Te weten, tot God.
[^job-35-12-c]: Verwijzing c: Job 27:9 ; Spr. 1:28 ; Spr. 15:29 ; Jes. 1:15 ; Jer. 11:11 ; Joh. 9:31 . Job 27:9 : Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Spreuken 1:28 : Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Spreuken 15:29 : YHWH is ver van de goddelozen; maar het gebed van de rechtvaardigen zal Hij verhoren. Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jeremia 11:11 : Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit dat zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen. Johannes 9:31 : En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^job-35-12-31]: Kanttekening 31: Dat is, het trots geweld dergenen, van wie zij verdrukt worden. Hoewel hun roepen niet vergezelschapt was met godvruchtigheid, gelijk het volgende verklaart; zie ook boven, vers 9 , 35:10 . Job 35:9 : Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege de arm van de groten. Job 35:10 : Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht?
[^job-35-13-32]: Kanttekening 32: Dat is, de ijdele mensen, die leeg zijn van het rechte geloof en de ware godvruchtigheid. Zo snoodheden voor snode mensen, Ps. 12:9 ; bedrog voor bedriegers, Spr. 12:24 ; valsheid voor valschaard, Spr. 17:4 ; begeerte voor begerige, Spr. 21:26 . Zie ook boven, Job 24:20 , en de aantekening op het woord onrecht. Psalmen 12:9 : De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. Spreuken 12:24 : De hand van de vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder belasting wezen. Spreuken 17:4 : De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong. Spreuken 21:26 : De hele dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden. Job 24:20 : De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.
[^job-35-14-33]: Kanttekening 33: Dat u: Elihu keert zich tot Job, verhalende wat hij gezegd had boven, Job 23:8 , 23:9 . De zin is: Zo God de gebeden van de ijdele mensen niet verhoort, Hij zal ook niet aanzien degenen, die voorgeven dat zij God niet zien en Hem niet vinden kunnen, als zij in hun nood door het gebed tot Hem vluchten. Job 23:8 : Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet. Job 23:9 : Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.
[^job-35-14-34]: Kanttekening 34: er is nochtans gericht: Dat is, hoewel u meent dat u ongelijk geschiedt, daar is nochtans oordeel en gerechtigheid bij God, om met een ieder te handelen naar behoren. Hierom, werp u vertrouwen op de Heer, en wacht op een zalige uitkomst; Ps. 37:5 , 37:6 , 37:7 , en Ps. 55:23 . Psalmen 37:5 : Gimel. Wentel uw weg op YHWH, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; Psalmen 37:6 : En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag. Psalmen 37:7 : Daleth. Zwijg YHWH, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
[^job-35-15-d]: Verwijzing d: Job 11:6 . Job 11:6 : En u bekend maakte de verborgenheden van de wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
[^job-35-15-35]: Kanttekening 35: het niets is: Dat is, een zeer geringe straf, ten aanzien van wat Job verdiend had. Elihu dit sprekende, keert zich tot de omstanders.
[^job-35-15-36]: Kanttekening 36: Zijn toorn: Dat is, Gods toorn.
[^job-35-15-37]: Kanttekening 37: bezocht heeft: Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^job-35-15-38]: Kanttekening 38: hem : Te weten, God. Sommigen zetten vers 15 aldus: Maar omdat zijn toorn \[Job\] niet bezocht had, en hij in grote overvloed die niet gekend had, enz. Verstaande dit van Jobs voorgaanden voorspoedigen staat, en dat hij daarom uit ongewoonte van tegenspoed ongeduldig gesproken had. Job 35:15 : Maar nu, omdat het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;
[^job-35-16-39]: Kanttekening 39: in ijdelheid: Dat is, met onverstandigheid. Vergelijk boven, Job 27:12 . Job 27:12 : Ziet, u zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt u dus door ijdelheid verijdeld?

### Job 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/36.json)

*Elihu gaat voort om Gods gerechtigheid te bewijzen, vers 1 enz. dit doet hij door het verhaal van andere eigenschappen en werken van God, 5. en van het doel daarvan, 9. hij past dit verhaal toe op de zaak van Job, 16. die hij bestraft en bedreigt met Gods toorn, 17. vermaant tot bekering, 20. en tot het grootmaken van Gods werken, 24. waarvan hij er enkele voordraagt, 27.*

**1** Elihu ging nog voort, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v1)

**2** Wacht even op mij, en ik zal u aanwijzen, dat er[^job-36-2-1] nog redenen voor God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v2)

**3** Ik zal mijn gevoelen[^job-36-3-2] van verre ophalen, en mijn[^job-36-3-3] Schepper gerechtigheid[^job-36-3-4] toewijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v3)

**4** Want werkelijk, mijn woorden zullen geen valsheid zijn;[^job-36-4-5] een, die oprecht is van gevoelen, is bij u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v4)

**5** [^job-36-5-a] Zie,[^job-36-5-6] God is geweldig, toch[^job-36-5-7] versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht[^job-36-5-8] van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v5)

**6** Hij laat de goddeloze[^job-36-6-9] niet leven, en het recht van de[^job-36-6-10] ellendigen beschikt Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v6)

**7** [^job-36-7-b] Hij onttrekt Zijn ogen niet van de rechtvaardige, maar met de koningen[^job-36-7-11] zijn zij in de troon;[^job-36-7-c] daar zet Hij hen voor altijd, en zij worden verheven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v7)

**8** En zo zij, gebonden zijnde[^job-36-8-12] in boeien, vast gehouden worden met banden[^job-36-8-13] van de ellende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v8)

**9** Dan geeft Hij hun hun[^job-36-9-14] werk[^job-36-9-15] te kennen, en hun overtredingen,[^job-36-9-16] omdat zij de overhand genomen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v9)

**10** En Hij[^job-36-10-17] openbaart het voor hun oor ter tucht, en[^job-36-10-18] zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v10)

**11** Als zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in[^job-36-11-19] het goede, en hun jaren in[^job-36-11-20] liefelijkheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v11)

**12** Maar zo zij niet horen,[^job-36-12-21] zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven de geest[^job-36-12-22] zonder kennis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v12)

**13** En[^job-36-13-23] die met het hart huichelachtig zijn,[^job-36-13-24] leggen toorn op; zij[^job-36-13-25] roepen niet, als[^job-36-13-26] Hij hen gebonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v13)

**14** [^job-36-14-27][^job-36-14-d] Hun ziel zal in de jeugd sterven, en hun leven onder de[^job-36-14-28] schandjongens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v14)

**15** [^job-36-15-29] Hij zal de ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de[^job-36-15-30] onderdrukking zal Hij het voor hun oor openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v15)

**16** Zo zou Hij ook u afgekeerd hebben van de[^job-36-16-31] mond van de angst tot de[^job-36-16-32] ruimte, waaronder[^job-36-16-33] geen benauwing zou geweest zijn; en[^job-36-16-34][^job-36-16-e] het gerecht van uw tafel zou vol[^job-36-16-35] vettigheid geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v16)

**17** Maar u hebt het[^job-36-17-36] gericht van de goddelozen vervuld; het gericht en het recht[^job-36-17-37] houden u vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v17)

**18** Omdat er[^job-36-18-38] woede is, pas op dat Hij u misschien niet met[^job-36-18-39] een klop wegstote; zodat u een grote losprijs[^job-36-18-40] er niet zou afbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v18)

**19** Zou Hij uw rijkdom achten,[^job-36-19-41] dat u niet in benauwdheid zou zijn; of enige[^job-36-19-42] versterkingen van kracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v19)

**20** [^job-36-20-43] Haak niet naar[^job-36-20-44] die nacht, als de volken van hun plaats[^job-36-20-45] opgenomen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v20)

**21** Wees op uw hoede, wend u niet tot[^job-36-21-46] ongerechtigheid;[^job-36-21-47] omdat u ze in deze gekozen hebt, wegens de[^job-36-21-48] ellende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v21)

**22** Zie, God[^job-36-22-49] verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar,[^job-36-22-50] zoals Hij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v22)

**23** [^job-36-23-f]Wie heeft Hem[^job-36-23-51] gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd:[^job-36-23-g] U hebt onrecht gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v23)

**24** Gedenk, dat u Zijn werk[^job-36-24-52] groot maakt, dat de mensen[^job-36-24-53] aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v24)

**25** [^job-36-25-54] Alle mensen zien het aan; de mens schouwt[^job-36-25-55] het van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v25)

**26** Zie, God is[^job-36-26-56] groot, en[^job-36-26-57] wij begrijpen het niet;[^job-36-26-h] er is ook geen[^job-36-26-58] onderzoeking van het getal van Zijn jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v26)

**27** [^job-36-27-59] Want Hij trekt de druppelen[^job-36-27-60] van de wateren op, die de regen[^job-36-27-61] na zijn damp uitgieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v27)

**28** [^job-36-28-62] Die de wolken uitgieten, en over de mens overvloedig afdruipen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v28)

**29** Kan men ook verstaan de[^job-36-29-63] uitbreidingen van de wolken, en de krakingen[^job-36-29-64] van Zijn hutte? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v29)

**30** Zie,[^job-36-30-65] Hij breidt over[^job-36-30-66] hem Zijn[^job-36-30-67] licht uit, en de[^job-36-30-68] wortels van de zee bedekt Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v30)

**31** [^job-36-31-i] Want[^job-36-31-69] daardoor richt Hij de volken; Hij geeft voedsel ten overvloede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v31)

**32** Met[^job-36-32-70] handen bedekt[^job-36-32-71] Hij het[^job-36-32-72] licht, en[^job-36-32-73] doet daaraan verbod door[^job-36-32-74] degene, die tussen doorkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v32)

**33** [^job-36-33-75] Daarvan[^job-36-33-76] verkondigt[^job-36-33-77] Zijn geklater,[^job-36-33-78] en het vee; ook[^job-36-33-79] van de opgaande damp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/36.html#v33)

[^job-36-2-1]: Kanttekening 1: Of, woorden, inhoudende vaste redenen, om de gerechtigheid van God te verdedigen.
[^job-36-3-2]: Kanttekening 2: van verre: Dat is, van omhoog af, te weten, van de natuur, eigenschappen en werken van God.
[^job-36-3-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, werker, dat is, Schepper. Vergelijk boven, Job 4:17 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
[^job-36-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, אֶֽתֵּֽן, geven.
[^job-36-4-5]: Kanttekening 5: een, die oprecht is van gevoelen: Elihu verstaat hiermee zichzelven, sprekende in de derde persoon uit manierlijkheid, om geen achterdenken van hovaardigheid te verwekken.
[^job-36-5-a]: Verwijzing a: Job 9:4 ; Job 12:13 ; idem 12:16 ; Job 37:23 ; Job 38 . Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? Job 12:13 : Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. Job 12:16 : Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijn is de dwalende, en die doet dwalen. Job 37:23 : De Almachtige, Die kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; maar door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.
[^job-36-5-6]: Kanttekening 6: God is geweldig: Alsof hij zei: Hoewel God almachtig is, dat Hij doen kan al wat Hij wil, Gen. 17:1 , en Gen. 18:14 ; Ps. 115:3 , nochtans is Hij ook rechtvaardig, dat Hij niemand ten ongelijke straffen zal, (gelijk Jobs woorden schenen te luiden, boven, Job 19:7 , en Job 23:13 , en Job 30:21 ;) en dat omdat Hij machtig is, niet alleen in zijn daden, maar ook in zijn hart, gelijk volgt. Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Genesis 18:14 : Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben! Psalmen 115:3 : Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Job 19:7 : Ziet, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht. Job 23:13 : Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen. Job 30:21 : U bent veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte van Uw hand wederstaat U mij hatelijk.
[^job-36-5-7]: Kanttekening 7: versmaadt Hij niet: Te weten, zonder rechtvaardige oorzaak. Zie het volgende.
[^job-36-5-8]: Kanttekening 8: van het hart: Versta door het hart van God zijn wijsheid en wil, die ten hoogste volmaakt zijn.
[^job-36-6-9]: Kanttekening 9: niet leven: Te weten, niet eeuwig, maar eindelijk doodt Hij hem, òf hier, òf hierna. Anders, Hij bewaart het leven van de goddeloze niet.
[^job-36-6-10]: Kanttekening 10: beschikt Hij: Hebreeuws, geeft.
[^job-36-7-b]: Verwijzing b: Ps. 33:18 ; Ps. 34:16 . Psalmen 33:18 : Ziet, van YHWH oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
[^job-36-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, de rechtvaardigen. De zin is, dat zij eindelijk zeer hoog verheven worden; dat voornamelijk vervuld wordt in het toekomende leven. Vergelijk 1 Sam. 2:8 ; Ps. 113:7 . Anders, met de koningen is Hij \[te weten God\] bij de troon, opdat Hij hen daar zette, enz. 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van de aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt;
[^job-36-7-c]: Verwijzing c: Ps. 113:8 . Psalmen 113:8 : Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk.
[^job-36-8-12]: Kanttekening 12: in boeien: Zo worden genaamd de kastijdingen, die God de vromen toezendt, uit oorzaak van hun zonden, om hen tot leedwezen en betering te brengen. Zie boven, Job 13:27 ; onder, vers 13 , en Job 42:10 ; Ps. 107:10 . Job 13:27 : U legt ook mijn voeten in de stok, en neemt waar al mijn paden; U drukt U in de wortelen van mijn voeten, Job 36:13 : En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft. Job 42:10 : En YHWH wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en YHWH vermeerderde al wat Job gehad had tot dubbel zoveel. Psalmen 107:10 : Die in duisternis en de schaduw van de dood zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
[^job-36-8-13]: Kanttekening 13: van de ellende: Dat is, die hun ellende toebrengen.
[^job-36-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, hun kwaad leven, waardoor zij de straffen Gods over zich gebracht hebben, gelijk het volgende woord verklaart.
[^job-36-9-15]: Kanttekening 15: te kennen: Te weten, door die ellende en kastijding.
[^job-36-9-16]: Kanttekening 16: omdat zij: Dat is, omdat zij zeer groot en vele geworden zijn.
[^job-36-10-17]: Kanttekening 17: Dat is, Hij opent hun verstand, onderwijst en bekeert hen. Zo onder, vers 15 ; zie boven, Job 33:16 . Job 36:15 : Hij zal de ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hun oor openbaren. Job 33:16 : Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun kastijding;
[^job-36-10-18]: Kanttekening 18: Dat is, beveelt en vermaant; zo boven, Job 9:7 ; zie ook 2 Kron. 29:24 . Job 9:7 : Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; 2 Kronieken 29:24 : En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met hun bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gehele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen.
[^job-36-11-19]: Kanttekening 19: Vergelijk boven, de aantekening Job 21:25 . Job 21:25 : De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
[^job-36-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, in welvaren van de geest en van het lichaam. Zie Ps. 36:8 , 36:9 . Psalmen 36:8 : Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen. Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^job-36-12-21]: Kanttekening 21: zo gaan zij door het zwaard door: Zie boven, Job 33:18 . Job 33:18 : Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.
[^job-36-12-22]: Kanttekening 22: zonder kennis: Dat is, zonder geloof en boetvaardigheid.
[^job-36-13-23]: Kanttekening 23: Dat is, die onzuiver, onheilig en vals van geest zijn, en niet zijn die zij schijnen; Matt. 23:27 , 23:28 ; Luk. 16:15 . Mattheüs 23:27 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Mattheüs 23:28 : Zo ook schijnt u wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol geveinsdheid en ongerechtigheid. Lukas 16:15 : En Hij zei tot hen: U bent het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.
[^job-36-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, vergaderen een schat van Gods wraak, Rom. 2:5 . Het woord toorn alleen gesteld, betekent zeer dikwijls de toorn van God. Zie 2 Kron. 28:13 . Romeinen 2:5 : Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, vergadert u uzelven toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God. 2 Kronieken 28:13 : En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is?
[^job-36-13-25]: Kanttekening 25: roepen niet: Dat is, zij bidden God niet om zijn genade en hulp. Roepen voor ernstig en vurig bidden, Ex. 14:10 , 14:15 ; Neh. 9:9 ; Ps. 22:3 , enz. Exodus 14:10 : Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen van Israël hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH. Exodus 14:15 : Toen zei YHWH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de kinderen van Israël, dat zij voorttrekken. Nehemia 9:9 : En U hebt aangezien onzer vaders ellende in Egypte, en U hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; Psalmen 22:3 : Mijn God! Ik roep overdag, maar U antwoordt niet; en 's nachts, en ik heb geen stilte.
[^job-36-13-26]: Kanttekening 26: Hij hen gebonden heeft: Dat is, als hen God gestraft heeft. Vergelijk boven, de aantekening vers 8 . Job 36:8 : En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende;
[^job-36-14-27]: Kanttekening 27: Hun ziel zal in de jonkheid sterven: Dat is, hun leven zal in de eerste jaren eindigen.
[^job-36-14-d]: Verwijzing d: Job 22:16 . Job 22:16 : Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
[^job-36-14-28]: Kanttekening 28: Versta, onder een soort van gruwelijke zondaren alle anderen; zie van deze zondaren Deut. 23:17 , en de aantekening. Deuteronomium 23:17 : Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël.
[^job-36-15-29]: Kanttekening 29: Te weten, God.
[^job-36-15-30]: Kanttekening 30: zal Hij het: Dat is, Hij zal hen onderwijzen en vermanen tot hun schuldigen plicht, gelijk boven, vers 10 . Job 36:10 : En Hij openbaart het voor hun oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.
[^job-36-16-31]: Kanttekening 31: mond van de angst: Dat is, het geweld van de benauwdheid; want gelijk de wilde dieren met hun muil verslinden, zo verteert het geweld van de druk de mens.
[^job-36-16-32]: Kanttekening 32: Dat is, in een vrije en open plaats, waar hij onbenauwd en naar zijn wens zou geweest zijn. Zo Ps. 18:20 . Psalmen 18:20 : En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
[^job-36-16-33]: Kanttekening 33: geen benauwing: Dat is, geen zwarigheid, noch druk, die de mens benauwt.
[^job-36-16-34]: Kanttekening 34: het gerecht van uw tafel: Anders, uw tafel zou gerust geweest zijn, vol vettigheid.
[^job-36-16-e]: Verwijzing e: Ps. 23:5 . Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
[^job-36-16-35]: Kanttekening 35: Dat is, overvloed en lieflijk voedsel.
[^job-36-17-36]: Kanttekening 36: Dat is, de maat van uw zonde, met kwaad en onbedacht spreken; dat straf verdient. Vergelijk boven, Job 34:8 . Recht wordt hier genomen voor de rechtvaardige straf, en deze voor de zonde, die rechtvaardiglijk gestraft moet zijn. Job 34:8 : En gaat over weg in gezelschap met de werkers van de ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze mensen.
[^job-36-17-37]: Kanttekening 37: houden u vast: Te weten, dat u aan de straf schuldig bent. Anders, zouden het recht en het gericht \[dat\] ondersteunen? Dat is, voorstaan?
[^job-36-18-38]: Kanttekening 38: grimmigheid is: Namelijk, bij God, omdat Hij rechtvaardig is.
[^job-36-18-39]: Kanttekening 39: een klop: Dat is, met een zeer zware plaag, die u geheel tenonder brengt. Anders, met samenklapping \[van de handen\].
[^job-36-18-40]: Kanttekening 40: er niet: Te weten, van de rechtvaardige straf Gods.
[^job-36-19-41]: Kanttekening 41: dat u : Anders, niet het goud \[zelf\], noch enige versterkingen van kracht; te weten, zal Hij achten.
[^job-36-19-42]: Kanttekening 42: Versta, al wat men zou mogen toebrengen om zich te wapenen en sterken tegen Gods toorn, en de verdiende straffen te ontgaan.
[^job-36-20-43]: Kanttekening 43: Haak niet: Dat is, zijt niet begerig om zeer zorgvuldig te onderzoeken de oorzaak van Gods oordeel, waardoor Hij somtijds in één nacht gehele volken uitroeit, de goeden met de kwaden. Versta daarbij, dat Job ook niet curieuslijk moest onderzoeken waarom hij in een weinig tijds uit zijn welvaren geworpen was. Sommigen verstaan door de nacht de tijdelijke dood, en dat Job vermaand wordt daarnaar niet te verlangen, zo de goddelozen door dezelve doorgaan tot de eeuwige dood.
[^job-36-20-44]: Kanttekening 44: Van welke Elihu gesproken had, boven, Job 34:20 . Job 34:20 : In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
[^job-36-20-45]: Kanttekening 45: Dat is, uitgeroeid, verdelgd worden, omkomen, vergaan. Het Hebreeuwse woord is zo genomen Ps. 102:25 . Psalmen 102:25 : Ik zei: Mijn God! neem mij niet weg in het midden van mijn dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
[^job-36-21-46]: Kanttekening 46: Of, ijdelheid, waardoor u God over zijn oordelen beschuldigen zoudt.
[^job-36-21-47]: Kanttekening 47: Dat is, omdat u deze ongerechtigheid reeds aangenomen hebt, gelijk het schijnt uit deze uw handel en de redenen, die van u gekomen zijn.
[^job-36-21-48]: Kanttekening 48: Te weten, die u alsnu toegezonden is van God. Anders, gekozen hebt meer dan de ellende? dat is, meer dan de volharding, die u in uw ellende behoorde te hebben.
[^job-36-22-49]: Kanttekening 49: Te weten, de ellendigen; dat is, verlos hen uit hun nood. Verhogen voor verlossen, Ps. 9:14 , en Ps. 18:49 . Anders, God verhoogt zich; te weten, in de gehele regering van de wereld, vertonende alleszins daarin zijn wonderbare wijsheid, almogendheid en hoge oordelen. Psalmen 9:14 : Wees mij genadig, YHWH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de dood; Psalmen 18:49 : Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van het geweld.
[^job-36-22-50]: Kanttekening 50: gelijk Hij: Versta, niemand; en daarom kan Hem ook niemand leren hoe Hij de wereld regeren moet; dat u, o Job, schijnt te willen doen, als u tegen zijn regering klachtig valt.
[^job-36-23-f]: Verwijzing f: Job 34:13 . Job 34:13 : Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de gehele wereld geschikt?
[^job-36-23-51]: Kanttekening 51: Dat is, Hem voorgeschreven wat Hij doen moet, de wijze hoe Hij werken en regeren moet.
[^job-36-23-g]: Verwijzing g: Deut. 32:4 ; 2 Kron. 19:7 ; Job 8:3 ; Job 34:10 ; Rom. 9:14 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 8:3 : Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren? Job 34:10 : Daarom, u, mensen van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! Romeinen 9:14 : Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.
[^job-36-24-52]: Kanttekening 52: groot maakt: Te weten, met dat te prijzen, in plaats van iets daarin te berispen.
[^job-36-24-53]: Kanttekening 53: Te weten, met verwondering.
[^job-36-25-54]: Kanttekening 54: Alle mensen: Te weten, die enig verstand hebben en dat wel gebruiken.
[^job-36-25-55]: Kanttekening 55: van verre: Dat is, niet volkomenlijk, zulks dat hij het werk en de redenen daarvan maar ten dele begrijpen kan.
[^job-36-26-56]: Kanttekening 56: Te weten, in wezen, eigenschappen en werken; maar hier wordt voornamelijk van zijn werken gesproken.
[^job-36-26-57]: Kanttekening 57: wij begrijpen: Voornamelijk in dit leven, waar onze kennis maar stuksgewijs is; 1 Kor. 13:10 , 13:12 . Hebreeuws, wij weten het niet. 1 Korinthiërs 13:10 : Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^job-36-26-h]: Verwijzing h: Ps. 90:2 ; Ps. 92:9 ; Ps. 93:2 ; Ps. 102:13 ; Jes. 63:16 ; Klaagl. 5:19 ; Dan. 6:27 ; Hebr. 1:12 . Psalmen 90:2 : Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. Psalmen 92:9 : Maar U bent de Allerhoogste in eeuwigheid YHWH! Psalmen 93:2 : Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af. Psalmen 102:13 : Maar U, YHWH! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht. Jesaja 63:16 : U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. Klaagliederen 5:19 : U, o YHWH, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. Daniël 6:27 : Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. Hebreeën 1:12 : En als een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.
[^job-36-26-58]: Kanttekening 58: Te weten, waardoor zijn eeuwigheid en oneindelijkheid van ons zou kunnen uitgevonden en begrepen worden.
[^job-36-27-59]: Kanttekening 59: Want Hij: Door enige exempelen van Gods werken bewijst hij zijn grote wijsheid en kracht.
[^job-36-27-60]: Kanttekening 60: van de wateren op: Te weten, die hier beneden zijn en voornamelijk in de zee. Deze trekt God opwaarts, door de dampen daaruit rijzende, in de lucht, alwaar zij ineen klonteren en wolken worden; zie Gen. 2:6 . Genesis 2:6 : Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de ganse aardbodem.
[^job-36-27-61]: Kanttekening 61: na zijn damp: Dat is, na Gods damp; te weten, nadat God van die dampen, die Hij uit de wateren in de lucht opgetrokken had, wolken gemaakt heeft. Of, nadat de damp is, die God uit de wateren heeft opgetrokken om in wolken veranderd te worden.
[^job-36-28-62]: Kanttekening 62: Te weten, regen.
[^job-36-29-63]: Kanttekening 63: Dat is, hoe ver en wijd, en over welke plaatsen zij zich uitspannen, als zij de regen uitstorten.
[^job-36-29-64]: Kanttekening 64: Zijn hutte: Te weten, van de hut Gods. Versta daarmee de wolken, die Gods hut worden genaamd, Ps. 18:12 , omdat Hij daarin schijnt te wonen als Hij daardoor werkt met deuningen en ruischingen, dat is, door winden en donder. De wolken worden ook om gelijke oorzaak God wagen geheten; Ps. 104:3 . Psalmen 18:12 : Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel. Psalmen 104:3 : Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt.
[^job-36-30-65]: Kanttekening 65: Hij breidt: Namelijk God.
[^job-36-30-66]: Kanttekening 66: hem Zijn: Te weten, de mens. Anders, over die; te weten, wolk.
[^job-36-30-67]: Kanttekening 67: licht uit: Versta het weerlicht, dat God doet voortbreken en schieten uit de wolken. Zo onder, Job 37:3 , 37:15 . Sommigen zetten het woord licht hier over, regen. Zo onder, Job 37:11 . Job 37:3 : Dat zendt Hij rechtuit onder de ganse hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde. Job 37:15 : Weet u, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht van Zijn wolk laat schijnen? Job 37:11 : Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk van Zijn licht.
[^job-36-30-68]: Kanttekening 68: Dat is, de gronden van de zee, tot welke God het weerlicht doet doorschijnen, dat zij daarmee schijnen bedekt te wezen.
[^job-36-31-i]: Verwijzing i: Job 37:13 . Job 37:13 : Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.
[^job-36-31-69]: Kanttekening 69: Dat is, door de wolken, de regen, donder, bliksem en andere zaken, die in de lucht gebeuren, voert Hij straffen uit en bewijst ook weldaden.
[^job-36-32-70]: Kanttekening 70: Versta, de wolken, die bij vlakke en open handen vergeleken worden, omdat zij eerst in een klaren hemel opkomende, zowat somtijds de gelijkenis hebben van een uitgebreide hand. Vergelijk 1 Kon. 18:44 . 1 Koningen 18:44 : En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.
[^job-36-32-71]: Kanttekening 71: Namelijk, God.
[^job-36-32-72]: Kanttekening 72: Te weten, van de zon. Vergelijk boven, Job 17:12 . Anderen verstaan, het weerlicht. Job 17:12 : De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij de ondergang vanwege de duisternis.
[^job-36-32-73]: Kanttekening 73: doet aan: Dat is, verbiedt het licht van de zon niet te schijnen; dat is, God ordineert en maakt dat de zon voor een tijd haar licht niet geve. Het Hebreeuwse woord אוֹר, is in de constructie of samenstelling, die hier is genomen voor verbieden, dat is gebieden, dat enige zaak niet geschiede; Gen. 2:16 , en Gen. 28:6 ; Jes. 5:6 . Genesis 2:16 : En YHWH God gebood de mens, zeggende: Van allen boom van deze hof zult u vrij eten; Genesis 28:6 : Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän; Jesaja 5:6 : En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.
[^job-36-32-74]: Kanttekening 74: Versta de wolk, die, tussen het lichaam van de zon en ons gezicht komende, ons het schijnsel van de zon beneemt. Anderen vertalen vers 32 aldus: Hij verbergt de vlam \[te weten, van de bliksem\], in de palmen van zijn handen, en gebiedt die wat haar moet bejegenen, te weten, om te slaan en te beschadigen. Job 36:32 : Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
[^job-36-33-75]: Kanttekening 75: Te weten, van de regen, waarvan gesproken is boven, vers 27 , en waarvan ook hier voornamelijk gehandeld wordt. Job 36:27 : Want Hij trekt de druppelen van de wateren op, die de regen na zijn damp uitgieten;
[^job-36-33-76]: Kanttekening 76: Dat is, geeft een voorteken.
[^job-36-33-77]: Kanttekening 77: Zijn geklater: Dat is, Gods donder, die Hij dikwijls laat horen als er een grote regen voorhanden is.
[^job-36-33-78]: Kanttekening 78: het vee: Als waarin enige voortekenen gevonden worden van het aanstaande weer.
[^job-36-33-79]: Kanttekening 79: van de opgaande damp. : Te weten, doet het vee verkondiging, of geeft voortekenen.

### Job 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/37.json)

*Elihu spreekt nog over andere grote werken van God, zoals van de donder, bliksem, sneeuw, regen, wind, vorst en wolken, vers 1 enz. Door deze en andere dingen vermaant hij Job de hoge en schrikkelijke Majesteit van God te eren, en de onwetendheid, het onvermogen en de ijdelheid van de mensen te belijden, 14.*

**1** Ook beeft[^job-37-1-1] hierover mijn hart, en[^job-37-1-2] springt op uit zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v1)

**2** [^job-37-2-3] Hoor met aandacht[^job-37-2-a] de beweging[^job-37-2-4] van Zijn stem, en het[^job-37-2-5] geluid,[^job-37-2-6] dat uit Zijn mond uitgaat! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v2)

**3** [^job-37-3-7] Dat zendt[^job-37-3-8] Hij rechtuit onder de hele hemel, en[^job-37-3-9] Zijn licht over de[^job-37-3-10] einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v3)

**4** [^job-37-4-11] Daarna brult Hij met[^job-37-4-12] de stem; Hij dondert met de stem van Zijn hoogheid, en vertrekt[^job-37-4-13] die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v4)

**5** God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk;[^job-37-5-b] Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v5)

**6** [^job-37-6-c]Want Hij[^job-37-6-14] zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en[^job-37-6-15] tot de plasregen van de regen; dan is er de[^job-37-6-16] plasregen van Zijn sterke regenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v6)

**7** [^job-37-7-17][^job-37-7-18] Dan zegelt Hij de hand[^job-37-7-19] van ieder mens toe, opdat Hij[^job-37-7-20] kenne al de mensen van Zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v7)

**8** [^job-37-8-21] En het gedierte gaat in[^job-37-8-22] de[^job-37-8-23] loerplaatsen, en blijft in zijn holen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v8)

**9** Uit de[^job-37-9-24] binnenkamer komt de wervelwind, en van de[^job-37-9-25] verstrooiende winden de koude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v9)

**10** [^job-37-10-d] Door[^job-37-10-26] zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de[^job-37-10-27] brede wateren verstijfd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v10)

**11** Ook vermoeit Hij de dikke wolken[^job-37-11-28] door klaarheid; Hij[^job-37-11-29] verstrooit de wolk van Zijn licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v11)

**12** [^job-37-12-30] Die keert zich dan naar Zijn[^job-37-12-31] wijze raad[^job-37-12-32] door ommegangen,[^job-37-12-33] dat zij doen al wat Hij[^job-37-12-34] ze gebiedt,[^job-37-12-35] op het vlakke van de wereld, op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v12)

**13** Hetzij dat Hij[^job-37-13-36] die tot[^job-37-13-e] een[^job-37-13-37] roede, of tot[^job-37-13-38] Zijn land, of tot[^job-37-13-39] goedertierenheid[^job-37-13-40] beschikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v13)

**14** Neem dit, o Job, ter ore; sta, en beschouw de wonderen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v14)

**15** Weet u, wanneer God daarover[^job-37-15-41] [^job-37-15-42] orde stelt, en het[^job-37-15-43] licht van Zijn wolk laat schijnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v15)

**16** Hebt u wetenschap van de[^job-37-16-44] opwegingen van de dikke wolken; de wonderen[^job-37-16-45] van Degene, Die volmaakt is in wetenschappen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v16)

**17** [^job-37-17-46] Hoe uw kleren warm worden, als[^job-37-17-47] Hij de aarde[^job-37-17-48] stil maakt[^job-37-17-49] uit het zuiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v17)

**18** [^job-37-18-f] Hebt u[^job-37-18-50] met Hem de hemelen uitgespannen, die[^job-37-18-51] vast zijn,[^job-37-18-52] als een gegoten spiegel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v18)

**19** Onderricht ons, wat wij[^job-37-19-53] Hem zeggen zullen; want wij zullen niets[^job-37-19-54] ordelijk voorstellen kunnen vanwege[^job-37-19-55] de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v19)

**20** Zal[^job-37-20-56] het Hem verteld worden, als ik[^job-37-20-57] zo zou spreken?[^job-37-20-58] Denk iemand[^job-37-20-59] dat, zeker, hij zal[^job-37-20-60] verslonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v20)

**21** En nu ziet men het[^job-37-21-61] licht niet als het helder is in de hemel, als de wind doorgaat, en[^job-37-21-62] die zuivert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v21)

**22** Als van het[^job-37-22-63] noorden[^job-37-22-64] het goud[^job-37-22-65] komt; maar bij God is een[^job-37-22-66] vreselijke majesteit! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v22)

**23** De Almachtige, Die kunnen wij niet uitvinden; Hij is[^job-37-23-g] groot van kracht;[^job-37-23-67] maar door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v23)

**24** Daarom vrezen Hem de mensen;[^job-37-24-68] Hij ziet geen[^job-37-24-69] wijzen van hart aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/37.html#v24)

[^job-37-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, over de werken van God, die ik nu verhalen zal.
[^job-37-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, wordt verzet, of versteld.
[^job-37-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, horende hoort.
[^job-37-2-a]: Verwijzing a: Ps. 29:3 . Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^job-37-2-4]: Kanttekening 4: Zijn stem: Te weten, Gods. Versta, de donder. Zo onder, vers 4 , 37:5 ; Ps. 29:3 . Job 37:4 : Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem van Zijn hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. Job 37:5 : God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^job-37-2-5]: Kanttekening 5: Anders, gerommel, of gedreun. Hebreeuws, spraak.
[^job-37-2-6]: Kanttekening 6: dat : Dat is, dat door zijn bevel geschiedt. Vergelijk Deut. 8:3 , en de aantekening. Deuteronomium 8:3 : En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaders gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat.
[^job-37-3-7]: Kanttekening 7: Dat zendt: Te weten, het geluid van de donder.
[^job-37-3-8]: Kanttekening 8: Hij rechtuit: Te weten, God.
[^job-37-3-9]: Kanttekening 9: Zijn licht: Dat is, Gods bliksem en weerlicht. Zo boven, Job 36:30 . Job 36:30 : Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen van de zee bedekt Hij.
[^job-37-3-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, vleugelen. Zo onder, Job 38:13 ; Jes. 11:12 . Job 38:13 : Opdat hij de einden van de aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden? Jesaja 11:12 : En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden van de aarde.
[^job-37-4-11]: Kanttekening 11: Te weten, na het zenden van het licht, vermeld in vers 3 . Job 37:3 : Dat zendt Hij rechtuit onder de ganse hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde.
[^job-37-4-12]: Kanttekening 12: de stem: Dat is, met de donder. Elihu wil niet zeggen dat het geklater van de donder natuurlijk geschiedt na de bliksem, maar hij ziet op wat de mensen eerst gewaar worden, want het licht van de bliksem valt eer in het gezicht dan het geluid van de donder in de oren.
[^job-37-4-13]: Kanttekening 13: die dingen niet: Te weten, regen, hagel, wind en ander onweer, dat met de donder pleegt verenigd te zijn. Of, men kan invoegen het woord, die \[ bliksemen \].
[^job-37-5-b]: Verwijzing b: Job 5:9 ; Job 9:10 ; Job 36:26 . Job 5:9 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; Job 9:10 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. Job 36:26 : Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijn jaren.
[^job-37-6-c]: Verwijzing c: Ps. 147:16 . Psalmen 147:16 : Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as.
[^job-37-6-14]: Kanttekening 14: Gods zeggen is zijn doen. Zie Gen. 1:3 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^job-37-6-15]: Kanttekening 15: de plasregens: Te weten, gebiedt God dat hij op de aarde vallen zou.
[^job-37-6-16]: Kanttekening 16: plasregen van Zijn sterke regenen: Hebreeuws, עֻזּֽ, de plasregens van de regens van Zijn sterkte.
[^job-37-7-17]: Kanttekening 17: Dan : Te weten, als het zeer sneeuwt of regent.
[^job-37-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, sluit de handen toe, dat zij op het veld niet werken kunnen door het onweer. Hebreeuws, in, of op de hand.
[^job-37-7-19]: Kanttekening 19: van ieder mens: Dat is, van alle landbouwers.
[^job-37-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, opdat de landbouwer door de gelegenheid van de stilstand van het werk, uit een ieder van zijn werklieden tehuis op zijn gemak vernemen zou, hoe het met hun gehele werk te veld gesteld is. Anders, tot kennis van alle mensen, die Hij gemaakt heeft.
[^job-37-8-21]: Kanttekening 21: En het gedierte: Te weten, als het onweer is; gelijk in vers 7 . Job 37:7 : Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de mensen van Zijn werk.
[^job-37-8-22]: Kanttekening 22: Het Hebreeuwse woord betekent zulke plaatsen, waarin de beesten niet alleen schuilen voor het onweer, maar ook loeren op hun aas; vergelijk onder, Job 39:2 . Job 39:2 : Als zij neerbuigen in de holen, en in de kuil zitten, ter loering?
[^job-37-8-23]: Kanttekening 23: en blijft: Hebreeuws, woont in zijn woningen.
[^job-37-9-24]: Kanttekening 24: Vergelijk boven, Job 9:9 , en de aantekening. Sommigen verstaan de dikke wolken of andere verborgen schatkamers, waar de winden uit voortkomen. Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
[^job-37-9-25]: Kanttekening 25: Die uit het noorden komen.
[^job-37-10-d]: Verwijzing d: Job 38:29 ; idem v. 30 ; Ps. 147:17 ; idem v. 18 . Job 38:29 : Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart de rijm van de hemel? Job 38:30 : Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke van de afgrond wordt omvat. Psalmen 147:17 : Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude? Psalmen 147:18 : Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien heen.
[^job-37-10-26]: Kanttekening 26: zijn : Versta de wind, die ook zo genaamd wordt 2 Sam. 22:16 ; Ps. 18:16 . Hebreeuws, door het geblaas Gods geeft Hij de vorst. 2 Samuël 22:16 : En de diepe kolken van de zee werden gezien, de gronden van de wereld werden ontdekt, door het schelden van YHWH, van het geblaas van de wind van Zijn neus. Psalmen 18:16 : En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus.
[^job-37-10-27]: Kanttekening 27: brede wateren: Hebreeuws, מַיִם, de breedte van de wateren in klontering, of pranging, of praming, of stijvigheid en vastheid is; dat is vast ineengedrongen en geklonterd door de koude.
[^job-37-11-28]: Kanttekening 28: door klaarheid: Namelijk, mits die door het schijnsel van de zon te verdunnen, te verdelen en te verstrooien. Anders, door bevochtiging \[van de aarde\]; dat is, als Hij de wolken zeer ontsluit om water uit te gieten; waardoor de wolken bij gelijkenis van degenen, die veel werk doen, worden gezegd vermoeid te worden.
[^job-37-11-29]: Kanttekening 29: de wolk: Dat is, waardoor Hij licht en klaarheid voortbrengt, als zij verstrooid is. Of, versta, de wolk van zijn weerlicht, of bliksems, waardoor God het weerlicht of de bliksem doet voortschieten. Anders, Hij verstrooit de wolken zijns regens. Vergelijk boven, Job 36:30 , met de aantekening. Job 36:30 : Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen van de zee bedekt Hij.
[^job-37-12-30]: Kanttekening 30: Die keert: Te weten, de wolk, van welke in vers 11 gesproken is. Job 37:11 : Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk van Zijn licht.
[^job-37-12-31]: Kanttekening 31: wijzen raad: Het Hebreeuwse woord betekent meest vlijtige kloekheid en beraadzaamheid in het regeren; gelijk de stuurlieden ter zee met bijzondere behendigheid hun schip weten te sturen en ter gewenste plaats te brengen. Zo hier, Spr. 1:5 , en Spr. 11:14 , en Spr. 20:18 , en Spr. 24:6 . Elders wordt het in het kwade genomen voor de listige en schalkse raadslagen van de boze; gelijk Spr. 12:5 . Spreuken 1:5 : Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen; Spreuken 11:14 : Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid van de raadslieden. Spreuken 20:18 : Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen. Spreuken 24:6 : Want door wijze raadslagen zult u voor u de krijg voeren, en in de veelheid van de raadgevers is de overwinning. Spreuken 12:5 : De gedachten van de rechtvaardigen zijn recht; de raadslagen van de goddelozen zijn bedrog.
[^job-37-12-32]: Kanttekening 32: door ommegangen: Te weten, waardoor de wolk van het ene oord van de lucht in het andere gedreven wordt, geleid zijnde door Gods voorzienigheid, naar de orde, die Hij in de natuur gesteld heeft.
[^job-37-12-33]: Kanttekening 33: dat zij doen: Te weten, niet alleen de wolk, maar ook al de andere voorverhaalde schepselen, als de winden, de sneeuw, de regen, enz.
[^job-37-12-34]: Kanttekening 34: Dat is, al wat Hij daardoor doet. Zie boven, Job 36:32 . Job 36:32 : Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.
[^job-37-12-35]: Kanttekening 35: op het vlakke: Hebreeuws, פְּנֵי, op het aangezicht van de aarde. Vergelijk Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^job-37-13-36]: Kanttekening 36: die tot: Te weten, de wolk.
[^job-37-13-e]: Verwijzing e: Ex. 9:18 ; idem v. 23 ; 1 Sam. 12:18 ; idem v. 19 ; Ezra 10:9 ; Job 36:31 . Exodus 9:18 : Zie, Ik zal morgen omtrent deze tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, evenzo in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gegrond is, tot nu toe. Exodus 9:23 : Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland. 1 Samuël 12:18 : Toen Samuël YHWH aanriep, zo gaf YHWH donder en regen op die dag; daarom vreesde al het volk zeer YHWH en Samuël. 1 Samuël 12:19 : En al het volk zei tot Samuël: Bid voor uw knechten YHWH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. Ezra 10:9 : Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op de twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen. Job 36:31 : Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft voedsel ten overvloede.
[^job-37-13-37]: Kanttekening 37: Dat is, kastijding en straf voor de mensen; zie boven, Job 9:34 . Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
[^job-37-13-38]: Kanttekening 38: Zijn land: Dat is, om het land met al de andere schepselen, die daarin zijn, naar zijn goed welbehagen te bezoeken. Zij worden Gods genaamd, omdat zij Hem toebehoren, zijnde van Hem geschapen.
[^job-37-13-39]: Kanttekening 39: Te weten, om die tegen de mensen te bewijzen.
[^job-37-13-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, doet vinden.
[^job-37-15-41]: Kanttekening 41: Te weten, wolken. Anders, wonderen.
[^job-37-15-42]: Kanttekening 42: orde stelt: Te weten, om door dezelve te werken; of, op die \[zijn hart\] stelt; dat is, achtgeeft, met een voornemen, om door dezelve zijn weldaden te bewijzen, of oordelen uit te voeren.
[^job-37-15-43]: Kanttekening 43: Dat is, de bliksem en het weerlicht, zo boven, vers 3 , en Job 36:30 . Hij wil zeggen, omdat Job zodanige natuurlijke dingen ten volle niet kon begrijpen, dat hij nog veel minder de grond van Gods oordelen kon uitvinden. Job 37:3 : Dat zendt Hij rechtuit onder de ganse hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde. Job 36:30 : Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen van de zee bedekt Hij.
[^job-37-16-44]: Kanttekening 44: Dat is, van de manier, op welke de wolken in de lucht worden opgehangen als in een gelijke weegschaal, dat zij niet ten enenmale nedervallen op de aarde.
[^job-37-16-45]: Kanttekening 45: Dat is, Gods, wiens wijsheid volkomen is in het beschikken, en kracht in het uitvoeren van al zijn werken; vergelijk 1 Sam. 2:3 . 1 Samuël 2:3 : Maakt het niet te veel, dat u hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want YHWH is een God van de wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
[^job-37-17-46]: Kanttekening 46: Hoe uw kleren: Alsof hij zei: Kunt u ook dit geringe stuk ten volle wel begrijpen, hoe de kleding aan uw lijf warm wordt door de verwarmde lucht. Weliswaar dat Job dit wel enigszins verstaan kon; maar Elihu spreekt van een volmaakte doorgronding van alle omstandigheden, om ten volle te weten hoe, waarom, wanneer, waar, over wie de Heer zulks wil doen.
[^job-37-17-47]: Kanttekening 47: Hij de aarde: Te weten, God.
[^job-37-17-48]: Kanttekening 48: stil maakt: Dat is, vrijmaakt van de winden, die koude veroorzaken.
[^job-37-17-49]: Kanttekening 49: uit het zuiden: Dat is, door de zon uit het zuiden schijnende.
[^job-37-18-f]: Verwijzing f: Gen. 1:6 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^job-37-18-50]: Kanttekening 50: met Hem: Te weten, met God, alsof u zijn metgezel in het scheppen van de wereld geweest was.
[^job-37-18-51]: Kanttekening 51: vast zijn: Te weten, hoewel ze van een zeer dunne zelfstandigheid zijn.
[^job-37-18-52]: Kanttekening 52: als een gegoten spiegel: Namelijk, vanwege haar klaarheid en doorluchtigheid. Elihu wil zeggen, aangezien Job dat grote werk van de schepping niet gemaakt had, noch ook zou kunnen maken, dat hij zich billijk onder die Almogende behoorde te vernederen, voornamelijk omdat men uit de volmaaktheid van zijn macht moet oordelen van de volmaaktheid van zijn rechtvaardigheid.
[^job-37-19-53]: Kanttekening 53: Hem zeggen zullen: Te weten, God, zo wij in twist en tegenspreking met Hem komen zouden, gelijk u dan wilt, om uw recht tegen Hem te verdedigen. Zie boven, Job 13:3 , en Job 23:3 , 23:4 , enz., en Job 31:35 . Job 13:3 : Maar ik zal tot de Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Job 23:4 : Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen. Job 31:35 : Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
[^job-37-19-54]: Kanttekening 54: Te weten, waartoe noch stof van redenen, noch bekwaamheid van woorden, noch kunst van stellen vindende.
[^job-37-19-55]: Kanttekening 55: de duisternis: Te weten, van ons verstand, dat niet ten volle Gods werken kan doorgronden, veelmin in samenspreking bestaan tegen zijn wijsheid.
[^job-37-20-56]: Kanttekening 56: Te weten, voor God; dat is, zal iemand voor God durven verhalen en voorstellen, wat ik zou mogen voorgenomen hebben kwalijk van God te spreken?
[^job-37-20-57]: Kanttekening 57: zo : Te weten, gelijk u, o Job, van God en zijn regering gesproken hebt.
[^job-37-20-58]: Kanttekening 58: Denkt iemand: Hebreeuws, zegt; te weten in zijn hart; dat is, denkt iemand. Zie Gen. 20:11 ; of zegt hij; te weten, met de mond. Genesis 20:11 : En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijn huisvrouw wil zullen doden.
[^job-37-20-59]: Kanttekening 59: dat : Te weten, dat hij zulke woorden voor God zou durven voordragen.
[^job-37-20-60]: Kanttekening 60: verslonden worden: Namelijk, van de majesteit van God.
[^job-37-21-61]: Kanttekening 61: Dat is, de zon, als zij in haar vollen glans is en de lucht doorstralende. Zie boven, Job 25:3 . De zin is, omdat wij de zon, als zij ten allerklaarste schijnt, met onze ogen niet kunnen aanschouwen, hoeveel minder kunnen wij de oneindelijke majesteit van God verdragen en zijn verborgen oordelen met ons verstand begrijpen? Job 25:3 : Is er een getal van Zijn benden? En over wie staat Zijn licht niet op?
[^job-37-21-62]: Kanttekening 62: Te weten, hemel.
[^job-37-22-63]: Kanttekening 63: Te weten, als de hemel door de noordenwind gezuiverd en klaar gemaakt is; vergelijk boven, vers 9 . Job 37:9 : Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.
[^job-37-22-64]: Kanttekening 64: het goud: Versta, schoon en klaar weer met zonneschijn, dat met het goud wordt vergeleken, om haar klaarheid en zuiverheid. Vergelijk Zach. 4:12 met de aantekening. Zacharia 4:12 : En andermaal antwoordende, zo zei ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes van de olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?
[^job-37-22-65]: Kanttekening 65: Dat is, zich uitspreidt in de lucht.
[^job-37-22-66]: Kanttekening 66: vreselijke majesteit: Te weten, van wie de glans oneindig meerder is dan van de zon. Anders, bij de vreeslijke God is majesteit.
[^job-37-23-g]: Verwijzing g: Job 9:4 ; Job 12:13 ; idem 12:16 ; Job 36:5 ; Ps. 99:4 . Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? Job 12:13 : Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. Job 12:16 : Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijn is de dwalende, en die doet dwalen. Job 36:5 : Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht van de harten. Psalmen 99:4 : En de sterkte van de Koning, die het recht lief heeft. U hebt billijkheden bevestigd, U hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
[^job-37-23-67]: Kanttekening 67: Dat is, hoewel Hij almogend is, nochtans zal Hij zijn grote kracht niet gebruiken, om naar het hoogste recht hier met de mens te handelen. Anders, Hij is groot van kracht en van oordeel, en van grote gerechtigheid, Hij verdrukt niet.
[^job-37-24-68]: Kanttekening 68: Hij ziet: De zin is, dat God, om barmhartigheid en weldadigheid tegen de mensen te bewijzen, wordt bewogen, niet door iets dat Hij in de mens ziet, al ware hij één van de allerwijste, maar alleen door zijn liefde, die Hij ons toedraagt in de Messias, en dat tot verheerlijking zijns heiligen naams.
[^job-37-24-69]: Kanttekening 69: Dat is, die een kloek en wijs verstand hebben. Zo Ex. 28:3 , en Ex. 31:6 , en Ex. 35:25 ; vergelijk ook boven, Job 9:4 , en de aantekening. Anders, Hij ziet geen wijzen van hart; of, zal Hij niet alle wijzen van hart aanzien? dat is, achtnemen op degenen, die recht wijs zijn? Exodus 28:3 : U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. Exodus 31:6 : En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van iedereen, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb. Exodus 35:25 : En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen. Job 9:4 : Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

### Job 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/38.json)

*God verschijnt aan Job, en terwijl Hij zijn onwetende vermetelheid bestraft, beveelt Hij hem op zijn vragen te antwoorden, vers 1 enz. Hij toont hoe groot zijn Majesteit is, door de werken van de schepping, onderhouding en regering van alle dingen, waarvan er vele genoemd worden om hem tot ootmoed en ware belijdenis van zijn gebreken te brengen, 4 enz.*

**1** Daarna antwoordde YHWH Job uit[^job-38-1-1] een onweer, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v1)

**2** [^job-38-2-a] Wie is hij, die[^job-38-2-2] de raad[^job-38-2-3] verduistert met woorden zonder wetenschap? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v2)

**3** [^job-38-3-4] Gord nu, als een man, uw middel, zo zal Ik u vragen, en[^job-38-3-5] onderricht Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v3)

**4** Waar was u,[^job-38-4-b] toen Ik de aarde[^job-38-4-6] grondde? Geef het te kennen,[^job-38-4-7] als u kloek van verstand bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v4)

**5** Wie heeft[^job-38-5-8] haar[^job-38-5-9] maten gezet,[^job-38-5-10] want u weet het; of wie heeft over haar een[^job-38-5-11] richtsnoer getrokken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v5)

**6** Waarop zijn haar grondvesten neergezonken, of wie heeft haar[^job-38-6-12] hoeksteen[^job-38-6-13] gelegd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v6)

**7** Toen de[^job-38-7-14] morgensterren samen vrolijk zongen, en al[^job-38-7-15] de kinderen van God juichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v7)

**8** Of[^job-38-8-16][^job-38-8-c] wie heeft de zee met deuren[^job-38-8-17] toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de[^job-38-8-18] baarmoeder voortkwam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v8)

**9** [^job-38-9-19] Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v9)

**10** Toen Ik[^job-38-10-20] voor haar met Mijn besluit[^job-38-10-21] de aarde doorbrak, en zette[^job-38-10-22] grendel en deuren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v10)

**11** En[^job-38-11-23] zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal[^job-38-11-24] hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven.[^job-38-11-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v11)

**12** Hebt u[^job-38-12-26] van uw dagen de morgenstond[^job-38-12-27] geboden? Hebt u de dageraad[^job-38-12-28] zijn plaats gewezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v12)

**13** Opdat[^job-38-13-29] hij de[^job-38-13-30] einden van de aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar[^job-38-13-31] uitgeschud zouden worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v13)

**14** Dat zij veranderd zou worden als[^job-38-14-32] zegelleem, en[^job-38-14-33] zij gesteld worden als een kleed? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v14)

**15** En dat van de goddelozen hun[^job-38-15-34] licht geweerd worde, en de[^job-38-15-35] hoge arm worde[^job-38-15-36] gebroken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v15)

**16** Bent u gekomen tot aan de[^job-38-16-37] oorsprongen van de zee, en hebt u[^job-38-16-38] in het onderste[^job-38-16-39] van de afgrond gewandeld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v16)

**17** Zijn u de[^job-38-17-40] poorten van de dood ontdekt, en hebt u gezien de poorten van de schaduw van de dood? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v17)

**18** Bent u met uw verstand gekomen[^job-38-18-41] tot aan de breedte van de aarde?[^job-38-18-42] Geef het te kennen, als u dit[^job-38-18-43] alles weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v18)

**19** Waar is de weg,[^job-38-19-44][^job-38-19-45] daar het licht woont? En de[^job-38-19-46] duisternis, waar is haar plaats? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v19)

**20** Dat u[^job-38-20-47] dat[^job-38-20-48] brengen zou tot zijn[^job-38-20-49] grens, en dat u[^job-38-20-50] merken zou de[^job-38-20-51] paden[^job-38-20-52] van zijn huis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v20)

**21** [^job-38-21-53] U weet het, want u was toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v21)

**22** Bent u gekomen tot de[^job-38-22-54] schatkameren van de sneeuw, en hebt u de schatkameren van de hagel gezien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v22)

**23** Die Ik ophoude tot[^job-38-23-55] de tijd van de benauwdheid, tot de dag van de strijd en van de oorlog! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v23)

**24** Waar is de[^job-38-24-56] weg, daar het[^job-38-24-57] licht verdeeld wordt, en de[^job-38-24-58] oostenwind zich verstrooit op de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v24)

**25** Wie deelt voor de[^job-38-25-59] stortregen een[^job-38-25-60] waterloop uit, en[^job-38-25-61] een weg[^job-38-25-62] voor het weerlicht van de donderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v25)

**26** Om te regenen op het land,[^job-38-26-63] waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v26)

**27** [^job-38-27-d] Om[^job-38-27-64] het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v27)

**28** [^job-38-28-65] Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen van de dauw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v28)

**29** Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart de[^job-38-29-66] rijm van de hemel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v29)

**30** Als met een steen[^job-38-30-67] verbergen zich de wateren, en het[^job-38-30-68] vlakke van de[^job-38-30-69] afgrond wordt omvat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v30)

**31** Kunt u de liefelijkheden[^job-38-31-e] van het Zevengesternte[^job-38-31-70] binden, of de[^job-38-31-71] strengen van de Orion losmaken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v31)

**32** Kunt u de[^job-38-32-72] Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en[^job-38-32-73] de Wagen met[^job-38-32-74] zijn kinderen leiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v32)

**33** [^job-38-33-f] Weet u[^job-38-33-75] de bepalingen[^job-38-33-76] van de[^job-38-33-77] hemel, of kunt u daarvan heerschappij op de aarde bestellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v33)

**34** Kunt u uw stem tot de wolken[^job-38-34-78] opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v34)

**35** Kunt u de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen:[^job-38-35-79] Zie, hier zijn wij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v35)

**36** [^job-38-36-g] Wie heeft de wijsheid in[^job-38-36-80] het binnenste gezet? Of wie heeft de[^job-38-36-81] zin het verstand gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v36)

**37** Wie kan[^job-38-37-82] de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de[^job-38-37-83] flessen van de[^job-38-37-84] hemel neerleggen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v37)

**38** Als het[^job-38-38-85] stof doorgoten is[^job-38-38-86] tot vastheid, en de kluiten samenkleven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/38.html#v38)

[^job-38-1-1]: Kanttekening 1: een onweer: Door dat God Job zijn aanwezigheid te kennen gaf, hem aandachtig maakte en vernederde voor zijn majesteit. Zie gelijke voorbeelden Ex. 19:16 , 19:18 , 19:22 , enz.; Deut. 4:11 ; 1 Kon. 19:11 , 19:12 ; Ez. 1:4 ; Nah. 1:3 . Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Exodus 19:22 : Daartoe zullen ook de priesters, die tot YHWH naderen, zich heiligen, dat YHWH niet tegen hen uitbreke. Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). 1 Koningen 19:11 : En Hij zei: Ga uit, en sta op deze berg, voor het aangezicht van YHWH. En ziet, YHWH ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor YHWH heen; maar YHWH was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving; YHWH was ook in de aardbeving niet; 1 Koningen 19:12 : En na de aardbeving een vuur; YHWH was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte. Ezechiël 1:4 : Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Nahum 1:3 : YHWH is lankmoedig, maar van grote kracht, en Hij houdt de schuldige in geen geval onschuldig. Van YHWH weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijn voeten.
[^job-38-2-a]: Verwijzing a: Job 42:3 . Job 42:3 : Wie is hij, zegt U, die de raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
[^job-38-2-2]: Kanttekening 2: de raad: Versta, Gods besluiten en oordelen. Zo Ps. 33:11 ; Spr. 19:21 ; Jes. 28:29 ; Hand. 2:23 . Psalmen 33:11 : Maar de raad van YHWH bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijn harten van geslacht tot geslacht. Spreuken 19:21 : In het hart van de man zijn veel gedachten; maar de raad van YHWH, die zal bestaan. Jesaja 28:29 : Zulks komt ook voort van YHWH van de legermachten; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad. Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
[^job-38-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, mits dezelfde van enige gebreken ten onrechte en dwaselijk te beschuldigen.
[^job-38-3-4]: Kanttekening 4: Gord nu: Dat is, maak u gereed om met mij in samenspreking te treden, gelijk u begeerd hebt. Het is een manier van spreken, genomen van degenen, die, lange kleren dragende, dezelfde opschorten als zij zich gereed maken tot enig werk. Vergelijk de aantekening 1 Kon. 18:46 . 1 Koningen 18:46 : En de hand van YHWH was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot daar men te Jizreël komt.
[^job-38-3-5]: Kanttekening 5: onderricht Mij: God spreekt Job spottenderwijze toe, om hem te vernederen door de overlegging van de menselijke nietigheid, vergeleken met de goddelijke majesteit, waarmee hij geschenen had in twisting te willen treden. Zie 1 Kon. 22:15 . 1 Koningen 22:15 : Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven.
[^job-38-4-b]: Verwijzing b: Spr. 8:29 . Spreuken 8:29 : Toen Hij van de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde;
[^job-38-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, maakte en haar grond legde. Zie boven, Job 26:7 , en de aantekening. Hij wil zeggen, nergens. Dit en het volgende zijn manieren van spreken, genomen bij gelijkenis van het bouwen van enige timmering. Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
[^job-38-4-7]: Kanttekening 7: als u: Hebreeuws, בִינָֽה, als u verstand weet, dat is, kloek en verstand, zeer ervaren en verstandig zijt. Vergelijk 1 Kron. 12:32 ; 2 Kron. 2:12 ; Jes. 29:24 . 1 Kronieken 12:32 : En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broers pasten op hun woord; 2 Kronieken 2:12 : Verder zei Huram: Geloofd zij YHWH, de God van Israël, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David een wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor YHWH, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe! Jesaja 29:24 : En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen.
[^job-38-5-8]: Kanttekening 8: Te weten, de maten van de aarde.
[^job-38-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, omloop, of breedte en diepte.
[^job-38-5-10]: Kanttekening 10: want u weet het: God spreekt hem weer spottenderwijze toe, gelijk boven, vers 3 . Anders, als u het weet. Job 38:3 : Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
[^job-38-5-11]: Kanttekening 11: Te weten, opdat zij haar rechte verhouding, gestalte en schoonheid zou hebben. Vergelijk Ps. 19:5 . Psalmen 19:5 : Hun richtsnoer gaat uit over de gehele aarde, en hun redenen aan het einde van de wereld; Hij heeft in dezelfde een tent gesteld voor de zon.
[^job-38-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, de steen haars hoeks; dat is, die het werk samenhecht en vastmaakt. Vergelijk Ps. 118:22 ; Matt. 21:42 . Psalmen 118:22 : De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
[^job-38-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, אוֹ, geworpen.
[^job-38-7-14]: Kanttekening 14: Sommigen verstaan door deze de allerklaarste sterren; vergelijk Ps. 148:3 . Anderen nemen uit het volgende af, dat hiermee moeten verstaan worden de heilige engelen. Van de sterren eigenlijk genomen, zie onder vers 31 , 38:32 . Psalmen 148:3 : Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle u lichtende sterren! Job 38:31 : Kunt u de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen van de Orions losmaken? Job 38:32 : Kunt u de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en de Wagen met zijn kinderen leiden?
[^job-38-7-15]: Kanttekening 15: de kinderen: Dat is, de heilige engelen; zie boven, Job 1:6 , en Job 2:1 . Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Job 2:1 : Opnieuw was er een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor YHWH te stellen.
[^job-38-8-16]: Kanttekening 16: wie : Dit woord is hier ingevoegd uit vers 5 . Job 38:5 : Wie heeft haar maten gezet, want u weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
[^job-38-8-c]: Verwijzing c: Gen. 1:9 ; Job 26:10 ; Ps. 33:7 ; Ps. 104:9 ; Spr. 8:29 ; Jer. 5:22 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Job 26:10 : Hij heeft een gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. Psalmen 33:7 : Hij vergadert de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de afgronden schatkameren. Psalmen 104:9 : U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken. Spreuken 8:29 : Toen Hij van de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde; Jeremia 5:22 : Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die van de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
[^job-38-8-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, bedekt; dat is, ingehouden, of afgetuind; opdat zij niet buiten haar gestelde palen zou uitvloeien.
[^job-38-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, uit de ordinantie en het bevel Gods in één ogenblik, gelijk een kind ter wereld uit zijns moeders lichaam voortkomt. Anderen verstaan door het lijf van de moeder de afgrond, waarmee de aarde in het eerst bedekt was; Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^job-38-9-19]: Kanttekening 19: Toen Ik: God, om zijn grote macht te tonen, vergelijkt de zee bij een jong kind, dat moet gekleed en nog ingewonden worden. De kleren nu van de zee zijn de wolken, die haar bedekken, de windeldoek zijn alle donkerheden, dampen, nevelen en schaduwen.
[^job-38-10-20]: Kanttekening 20: voor haar: Dat is, voor de zee; te weten, om die in het land te laten invloeien.
[^job-38-10-21]: Kanttekening 21: de aarde : Dat is, holligheden daarin maakte, door welke een deel van haar water daarin vloeien zou; waaruit dan vele rivieren en binnenwateren ontstaan zijn. Anders, toen Ik over haar mijn ordinantie besloot; te weten, welke in het volgende verhaald wordt. Of, aldus: Zou Ik dan mijn besluit over haar breken? Ik heb grendel en deuren gezet, en gezegd, enz.
[^job-38-10-22]: Kanttekening 22: Versta, de duinen en oevers van de zee, die het water inhouden, dat het niet verder over de aardbodem uitvallen kan; Jer. 5:22 . Jeremia 5:22 : Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die van de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
[^job-38-11-23]: Kanttekening 23: Van Gods zeggen, zie Gen. 1:3 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^job-38-11-24]: Kanttekening 24: hij zich: Te weten, de grendel, waarvan in vers 10 , dat is, zand, klippen, oever van de zee. Job 38:10 : Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
[^job-38-11-25]: Kanttekening 25: Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen Ps. 89:10 ; Jes. 48:18 ; Zach. 10:11 . Psalmen 89:10 : U heerst over de opgeblazenheid van de zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt U ze. Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee. Zacharia 10:11 : En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten van de rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de schepter van Egypte zal wegwijken.
[^job-38-12-26]: Kanttekening 26: van uw dagen: Dat is, van het begin uws levens af. Vergelijk boven, Job 27:6 . Job 27:6 : Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.
[^job-38-12-27]: Kanttekening 27: Te weten, dat hij voortkomen zou door het oprijzen van de zon, naar de orde, die men nu in de natuur kan aanschouwen.
[^job-38-12-28]: Kanttekening 28: zijn plaats: Dat is, het oord van de hemel, waar hij op elke dag van het jaar voortkomt, nadat de zon op- en ondergaat.
[^job-38-13-29]: Kanttekening 29: Te weten, de dageraad.
[^job-38-13-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, vleugelen. Zo boven, Job 37:3 . Zie de aantekening. Versta, de uiterste delen en hoeken van de aarde, tot welke het schijnsel van de zon zich uitbreidt. Job 37:3 : Dat zendt Hij rechtuit onder de gansen hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde.
[^job-38-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, uitgeroeid, als stof dat men uitschudt, Neh. 5:13 , of, als iets anders, dat uit zijn plaats uitgeschud wordt; Ex. 14:27 . Of, uitgeschud worden; te weten, omdat zij het licht van de dag schuwen, bedrijvende hun boosheden meest in de nacht, en die daarmee bedekkende, boven, Job 24:13 , 24:14 ; Joh. 3:20 ; idem, omdat zij bij klaren dag van de overheid plegen met de dood gestraft en zo uit de wereld weggeruimd te worden. Nehemia 5:13 : Ook schudde ik mijn boezem uit, en zei: Zo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij zo uitgeschud en leeg. En de gehele gemeente zei: Amen! En zij prezen YHWH. En het volk deed naar dit woord. Exodus 14:27 : Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en YHWH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee. Job 24:13 : Zij zijn onder de wederstrevers van het licht; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. Job 24:14 : Met het licht staat de moorder op, doodt de arme en de nooddruftige; en van de nacht is hij als een dief. Johannes 3:20 : Want een iedereen, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
[^job-38-14-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, חֹמֶר, het leem van het zegel; dat is, waar het zegel ingedrukt wordt. De zin is, gelijk het leem van zichzelven geen bijzonderen vorm of gedaante heeft, maar wel als een zegel daarin gedrukt is; zo is de aarde des nachts zonder gedaante en vorm door de duisternis, maar des daags door het licht van de zon verandert zij, tonende verscheidene gestaltes van de dingen, die daarop zijn.
[^job-38-14-33]: Kanttekening 33: zij gesteld: Te weten, de schepselen, die op de aarde zijn en dezelfde als een kleed bedekken en versieren. Anders, en zij gesteld worden als met een kleed \[bedekt\]; verstaande dit van de goddelozen, van welke in vers 13 gesproken is, die voor het gericht gesteld worden, waar hun hun proces gemaakt wordt. De misdadigers plachten hier vroeger met een kleed overdekt te worden; Esth. 7:8 . Anders, gesteld worden; dat is, verhinderd in hun boosheid voort te varen, alsof hun handen en voeten in een kleed gewonden waren. Job 38:13 : Opdat hij de einden van de aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden? Esther 7:8 : Toen de koning wederkwam uit de hof van het paleis in het huis van de maaltijd van de wijn, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zei de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit van de koning mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.
[^job-38-15-34]: Kanttekening 34: Dat is, welvaren, rijkdom, eer; zie boven, Job 18:5 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
[^job-38-15-35]: Kanttekening 35: hoge arm: Dat is, hun geweld, hoogmoed en tirannie, waardoor zij in staat verheven zijn en grote overlast bedrijven. Zo een man van de arm, voor degenen, die geweld pleegt, boven, Job 22:8 ; zie daar de aantekening. Job 22:8 : Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
[^job-38-15-36]: Kanttekening 36: Dat is, vermorzeld, vernietigd. Zo Ps. 10:15 ; Ez. 30:22 . Psalmen 10:15 : Breek de arm van de goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat U haar niet vindt. Ezechiël 30:22 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Ik wil aan Farao, de koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, zowel de sterken als de verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.
[^job-38-16-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, tranen, of traningen. Versta, de allerdiepste gronden, springaders en opwellingen, uit welke de meeste en sterkste vloeden voortbreken.
[^job-38-16-38]: Kanttekening 38: in het onderste: Hebreeuws, in de onderzoeking, dat is, in de plaats van de zee, die de allerdiepste is, en wel met het dieplood doorzocht, maar niet gevonden kan worden.
[^job-38-16-39]: Kanttekening 39: van de afgrond: Vergelijk Gen. 1:2 , en boven, Job 28:14 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren. Job 28:14 : De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
[^job-38-17-40]: Kanttekening 40: poorten van de dood: Versta, de onderste plaatsen van de aarde, en de gangen daarheen leidende, welke zo genaamd worden, omdat de doden onder de aarde schuilen. Hetzelfde is te verstaan door de poorten van de schaduw van de dood. Vergelijk boven, Job 3:5 , en Job 10:21 . Job 3:5 : Dat de duisternis en van de dood schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dags! Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood;
[^job-38-18-41]: Kanttekening 41: Te weten, om te begrijpen en te bemerken wat in de wijde wereld omgaat aan alle oorden en plaatsen; of ook, waarom de wereld niet breder of enger is.
[^job-38-18-42]: Kanttekening 42: Vergelijk boven, vers 4 . Job 38:4 : Waar was u, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, als u kloek van verstand bent.
[^job-38-18-43]: Kanttekening 43: alles weet: Te weten, dat Ik tot nu toe u gevraagd en voorgesteld heb.
[^job-38-19-44]: Kanttekening 44: daar : Dat is, om te komen tot de plaats, waar het licht woont; te weten, om dat licht en de duisternis orde en bepaling te stellen, en hetzelfde daarin te onderhouden en te regeren. Want versta dit, en het volgende, niet alleen van de kennis, die de mens van deze dingen heeft, maar van de ordinantie en het beleid en de regering, die God alleen daarover heeft.
[^job-38-19-45]: Kanttekening 45: het licht: Versta, de zon. Zo boven, Job 25:3 . Zie de aantekening. Job 25:3 : Is er een getal Zijn benden? En over wie staat Zijn licht niet op?
[^job-38-19-46]: Kanttekening 46: Te weten, die veroorzaakt wordt door het afwezen en de ondergang van de zon.
[^job-38-20-47]: Kanttekening 47: Te weten, licht, of ook de duisternis, van welke in vers 19 gesproken is. Job 38:19 : Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
[^job-38-20-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, nemen zoudt; dat is, nemen en brengen, of nemende brengen. Zie Gen. 12:15 . Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^job-38-20-49]: Kanttekening 49: Waarmee de loop van de zon bepaald is, te weten, in een natuurlijken dag, bestaande uit vier en twintig uren, of in een jaar door beide de solstitia, wanneer in de winter de kortste en in de zomer de langste dag is.
[^job-38-20-50]: Kanttekening 50: Versta een bemerking, die met de bestiering en regering van het licht verenigd is.
[^job-38-20-51]: Kanttekening 51: Versta de weg, die de zon doorloopt om een natuurlijken dag en het jaar te maken.
[^job-38-20-52]: Kanttekening 52: zijns huizes: Versta, de plaats waar zij op- en ondergaat, alsmede waar zij het jaar begint en eindigt.
[^job-38-21-53]: Kanttekening 53: U weet het: Dit is van God spottenderwijze tot Job gesproken. Zo boven, vers 3 , 38:5 ; zie de aantekening. Anders, wist u dat u toen geboren zoudt worden? en uw dagen vele zouden zijn in getal? Job 38:3 : Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. Job 38:5 : Wie heeft haar maten gezet, want u weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
[^job-38-22-54]: Kanttekening 54: schatkameren van de sneeuw: God spreekt bij gelijkenis, om zijn grote macht te tonen, waardoor Hij, als het Hem belieft, grote overvloed van sneeuw en hagel kan voortbrengen, alsof Hij grote schatkamers gereed had, waarin Hij de sneeuw en de hagel, tegen dat Hij die gebruiken wilde, weggesloten had.
[^job-38-23-55]: Kanttekening 55: de tijd: Te weten, om daarmee mijn rechtvaardige oordelen uit te voeren. Zie exempelen hiervan Ex. 9:18 ; Joz. 10:11 ; 1 Sam. 7:10 . Exodus 9:18 : Zie, Ik zal morgen omtrent deze tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, evenzo in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gegrond is, tot nu toe. Jozua 10:11 : Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden. 1 Samuël 7:10 : En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.
[^job-38-24-56]: Kanttekening 56: Versta door de weg alle redenen, middelen, toevallen, wijzen, werkingen en eindelijke oorzaken van wat in de lucht geschiedt, en dat niet alleen in het algemeen, maar voornamelijk in het bijzonder.
[^job-38-24-57]: Kanttekening 57: Dat is, dat bliksem, weerlicht, verschieting van aangestoken dampen, enz. in de lucht beginnen, ophouden, verschillen in plaatsen, stonden, hoedanigheden, uitkomsten, enz.
[^job-38-24-58]: Kanttekening 58: Versta onder één soort van wind al de andere; want hoe zij zo verscheidenlijk nu en dan komen te waaien, is niemand ten volle bekend dan God. Van de oostenwind in het bijzonder, zie Gen. 41:6 , en Ex. 10:13 . Vergelijk Joh. 3:8 . Genesis 41:6 : En ziet, zeven dunne en van de oostenwind verzengde aren schoten na dezelfde uit. Exodus 10:13 : Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gansen nacht; het geschiedde van de morgen, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. Johannes 3:8 : De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid; maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; zo is een iedereen, die uit de Geest geboren is.
[^job-38-25-59]: Kanttekening 59: Of, de plasregen. Hebreeuws, overvloeiing.
[^job-38-25-60]: Kanttekening 60: Te weten, waardoor de wateren, uit de lucht vallende, hun loop hebben op de aarde, om het een of het ander land te bevochtigen.
[^job-38-25-61]: Kanttekening 61: een weg: Vergelijk boven, Job 28:26 . Job 28:26 : Als Hij de regen een vastgestelde orde maakte, en een weg voor het weerlicht van de donderen;
[^job-38-25-62]: Kanttekening 62: voor het weerlicht: Anders, voor de ruisende vlaag. Hebreeuws, weerlicht, of vlaag van de stemmen.
[^job-38-26-63]: Kanttekening 63: niemand is: Te weten, om het land door arbeid van werklieden te bevochtigen.
[^job-38-27-d]: Verwijzing d: Ps. 107:35 . Psalmen 107:35 : Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
[^job-38-27-64]: Kanttekening 64: het woeste: Dat is, dat zeer woest is, zijnde dor en onvruchtbaar in zichzelven, en daartoe door oorlog en roverij onbewoond en verlaten van de mensen. Vergelijk boven, Job 30:3 , en de aantekening. Job 30:3 : Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.
[^job-38-28-65]: Kanttekening 65: Heeft de regen: Hij wil zeggen: Nee hij; maar ik alleen breng hem voort. Zo in het volgende.
[^job-38-29-66]: Kanttekening 66: rijm van de hemel: Het Hebreeuwse woord בֶּטֶן, is ook in deze betekenis genomen Ex. 16:14 ; Ps. 147:16 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. Psalmen 147:16 : Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as.
[^job-38-30-67]: Kanttekening 67: Te weten, door de vorst, welke maakt dat er geen water meer schijnt te wezen, maar enkel steen, waaronder het onbevroren water schuilende is.
[^job-38-30-68]: Kanttekening 68: Dat is, het opperste, of bovenste van de zee, of van de diepe wateren.
[^job-38-30-69]: Kanttekening 69: Dat is, door de vorst omgrepen en vastgehouden alsof het gevangen ware, omdat het door de koude gestremd zijnde, niet wegvloeien kan.
[^job-38-31-e]: Verwijzing e: Job 9:9 ; Amos 5:8 . Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; Amos 5:8 : Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam.
[^job-38-31-70]: Kanttekening 70: Binden is hier verhinderen, of vasthouden, dat het Zevengesternte niet rijze en medebrenge de zoetigheid van de lente. Zie van dit gesternte boven, Job 9:9 . Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
[^job-38-31-71]: Kanttekening 71: strengen van de Orion: Versta, door deze strengen de trekkende krachten, waardoor Orion in November medebrengt wolken, regen, onweer, koude. Deze op te lossen is hun werking te verhinderen en te doen ophouden.
[^job-38-32-72]: Kanttekening 72: Wat dit voor een gesternte of teken is, daarvan is zeer verscheiden gevoelen. Enige verstaan de gesternte, die omtrent de zuidpool zijn, boven, Job 9:9 , Binnenkamers genaamd; maar hier Mazzaroth van Nazar, scheiden, omdat zij zeer ver zijn van Europa en de plaats waar Job woonde. Sommigen daarentegen nemen deze Mazzaroth voor noordelijke sterren, bewogen zijnde door de gelijkenis van het woord Mezarim, boven, Job 37:9 , dat betekent verstrooiende, te weten winden, die uit het noorden komen. Anderen menen dat zij zijn de Mazzaloth, dat is, de planeten, of de twaalf tekenen Zodiaci, waarvan te zien is 2 Kon. 23:5 ; ook zijn er die ze houden voor het hemelse teken, genaamd de Kronen. Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; Job 37:9 : Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude. 2 Koningen 23:5 : Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het legermacht van de hemel rookten.
[^job-38-32-73]: Kanttekening 73: de Wagen: Zie van dit gesternte boven, Job 9:9 . Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
[^job-38-32-74]: Kanttekening 74: zijn kinderen: Versta, enige mindere sterren, die rondom de Wagen staan, als de kinderen rondom hun moeder.
[^job-38-33-f]: Verwijzing f: Jer. 31:35 . Jeremia 31:35 : Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam:
[^job-38-33-75]: Kanttekening 75: de bepalingen: Dat is, de orde, die God in de hemelse lichten en tekenen en omlopen houdt, om daardoor uit te voeren wat Hem behaagt.
[^job-38-33-76]: Kanttekening 76: of kunt u: Dat is, kunt u de loop en de werkingen van de hemel daar op de aarde regeren?
[^job-38-33-77]: Kanttekening 77: Of, regering.
[^job-38-34-78]: Kanttekening 78: Te weten, om haar te bevelen hoeveel water zij uitgieten zullen, en wanneer en waar.
[^job-38-35-79]: Kanttekening 79: Te weten, bereid, om uw bevelen uit te voeren. Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^job-38-36-g]: Verwijzing g: Job 32:8 ; Pred. 2:26 ; Dan. 1:17 . Job 32:8 : Zekerlijk de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtigen, maakt henlieden verstandig. Prediker 2:26 : Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve die, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling van de geest. Daniël 1:17 : Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.
[^job-38-36-80]: Kanttekening 80: Het Hebreeuwse woord אוֹ, is genomen voor de nieren. Door de nieren nu wordt verstaan het inwendigste en innerste van de geest van de mens. Vergelijk boven, Job 19:27 . Het Hebreeuwse woord is ook Ps. 51:8 ; zie daar de aantekening. Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Psalmen 51:8 : Zie, U hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
[^job-38-36-81]: Kanttekening 81: de zin: Anders, het hart.
[^job-38-37-82]: Kanttekening 82: de wolken: Dat is, haar bewegingen, krachten, werken en gehele natuur ten volle verklaren. Voor tellen is het Hebreeuwse woord genomen Ps. 22:18 . Anders, wie kan de hemel als een saffier maken; dat is, geheel klaar en helder. Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^job-38-37-83]: Kanttekening 83: Versta, de wolken, omdat in dezelfde, als in flessen, het water bewaard wordt, dat zij door een regen uitgieten, als het de Heer belieft.
[^job-38-37-84]: Kanttekening 84: Dat is, doen ophouden, dat zij geen water meer uitgieten; dat is, wie kan de regen doen ophouden dan God alleen? Het is een gelijkenis, genomen van de vaten, waaruit men enige vochtigheid giet, die men opheft als men daaruit gieten wil, maar nederzet als men ophoudt te gieten. Anders, doen slapen.
[^job-38-38-85]: Kanttekening 85: doorgoten is: Dat is, de aarde, die door langdurige droogte in stof veranderd is.
[^job-38-38-86]: Kanttekening 86: tot vastheid: Dat is, door overvloedigen regen zo bevochtigd is geweest, dat het stof weer samenloopt en in kluiten verandert, die aan elkaar hangen.

### Job 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/39.json)

*God gaat voort in het verhalen van zijn werken en maakt melding van wat Hij doet ten aanzien van de leeuwen, vers 1 enz. de raven, 3. de steengeiten, 4. de woudezel, 8. de eenhoorn, 12. de pauw, ooievaar en struisvogel, 16. het paard, 22. de sperwer, 29. de arend, 30. God bestraft Job vanwege zijn vermetelheid, 34. Job erkent zijn schuld, 36.*

**1** Zult u voor de[^job-39-1-1] oude leeuw roof jagen,[^job-39-1-a] of de[^job-39-1-2] graagheid van de jonge leeuwen[^job-39-1-3] vervullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v1)

**2** Als zij neerbuigen in de holen, en[^job-39-2-4] in de kuil[^job-39-2-5] zitten, ter loering? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v2)

**3** Wie bereidt[^job-39-3-b] de raaf haar[^job-39-3-6] voedsel, als haar[^job-39-3-7] jongen[^job-39-3-8] tot God schreeuwen, als[^job-39-3-9] zij dwalen, omdat er geen eten is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v3)

**4** [^job-39-4-10] Weet u de tijd van het baren van[^job-39-4-11] de[^job-39-4-c] steengeiten? Hebt u waargenomen[^job-39-4-12] de arbeid van de hinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v4)

**5** [^job-39-5-13] Zult u de maanden tellen, die[^job-39-5-14] zij vervullen, en weet u de tijd van haar baren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v5)

**6** (Als zij zich[^job-39-6-15] krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar[^job-39-6-16] smarten uitwerpen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v6)

**7** Haar[^job-39-7-17] jongen[^job-39-7-18] worden kloek, worden groot[^job-39-7-19] door het koren; zij gaan uit, en keren niet weer daartoe[^job-39-7-20]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v7)

**8** [^job-39-8-21] Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v8)

**9** [^job-39-9-d] Die Ik[^job-39-9-22] de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het[^job-39-9-23] ziltige tot zijn woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v9)

**10** [^job-39-10-24] Hij belacht het gewoel van de stad; het[^job-39-10-25] menigerlei getier van de drijver hoort hij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v10)

**11** [^job-39-11-26] Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei[^job-39-11-27] groensel na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v11)

**12** [^job-39-12-28] Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij overnachten aan uw kribbe? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v12)

**13** Zult u de eenhoorn met zijn[^job-39-13-29] touw aan de[^job-39-13-30] voren binden? Zal hij[^job-39-13-31] de laagten achter u eggen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v13)

**14** Zult u[^job-39-14-32] op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult u[^job-39-14-33] uw arbeid[^job-39-14-34] op hem laten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v14)

**15** Zult u hem geloven, dat hij uw zaad zal[^job-39-15-35] teruggeven, en verzamelen tot uw dorsvloer? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v15)

**16** Zijn[^job-39-16-36] van u de verheugelijke vleugels van de pauwen?[^job-39-16-37] Of de veren van[^job-39-16-38] de ooievaar, en van[^job-39-16-39] de struisvogel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v16)

**17** Dat[^job-39-17-40] zij haar eieren in de aarde laat, en in het[^job-39-17-41] stof die[^job-39-17-42] verwarmt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v17)

**18** En vergeet, dat de voet[^job-39-18-43] die drukken kan, en de dieren van het veld die vertrappen kunnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v18)

**19** Zij verhardt zich tegen[^job-39-19-44] haar jongen, alsof zij de hare niet waren;[^job-39-19-45] haar arbeid is te vergeefs,[^job-39-19-46] omdat zij zonder vrees is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v19)

**20** Want God[^job-39-20-47] heeft haar van wijsheid beroofd, en heeft haar van het verstand niet medegedeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v20)

**21** [^job-39-21-48] Als het tijd is,[^job-39-21-49] verheft zij zich in de[^job-39-21-50] hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v21)

**22** Zult u het paard sterkte geven? Kunt u zijn hals met[^job-39-22-51] donder bekleden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v22)

**23** Zult u het beroeren[^job-39-23-52] als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is[^job-39-23-53] een verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v23)

**24** Het graaft in[^job-39-24-54] de grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, de[^job-39-24-55] geharnaste tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v24)

**25** Het belacht de[^job-39-25-56] vrees, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw[^job-39-25-57] vanwege het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v25)

**26** Tegen hem ratelt de[^job-39-26-58] pijlkoker,[^job-39-26-59] het vlammig ijzer van de speer en van de lans. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v26)

**27** Met schudding en beroering[^job-39-27-60] slokt het de aarde op, en[^job-39-27-61] gelooft niet, dat het is het geluid van de bazuin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v27)

**28** [^job-39-28-62] In het volle geklank van de bazuin, zegt het:[^job-39-28-63] Heah! en ruikt de oorlog van verre, de[^job-39-28-64] donder van de vorsten en het gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v28)

**29** [^job-39-29-65] Vliegt de sperwer door uw[^job-39-29-66] verstand, en breidt hij zijn vleugels uit[^job-39-29-67] naar het zuiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v29)

**30** Is het[^job-39-30-68] naar uw bevel, dat de adelaar zich omhoog verheft,[^job-39-30-e] en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v30)

**31** Hij woont en overnacht in de steenrots, op de[^job-39-31-69] scherpte van de steenrots en van de vaste plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v31)

**32** Van daar speurt hij het voedsel op; zijn ogen[^job-39-32-70] zien[^job-39-32-71] van verre af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v32)

**33** Ook zuipen zijn jongen[^job-39-33-72] bloed; en[^job-39-33-73][^job-39-33-f] waar verslagenen zijn, daar is hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v33)

**34** En[^job-39-34-74] YHWH antwoordde Job, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v34)

**35** Is het twisten met de Almachtige[^job-39-35-75] onderrichten? Wie God[^job-39-35-76] bestraft, die antwoorde daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v35)

**36** Toen antwoordde Job YHWH, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v36)

**37** Zie,[^job-39-37-77] ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?[^job-39-37-g] Ik[^job-39-37-78] leg mijn hand op mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v37)

**38** [^job-39-38-79] Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of[^job-39-38-80] tweemaal, maar zal niet voortvaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/39.html#v38)

[^job-39-1-1]: Kanttekening 1: ouden leeuw: Te weten, die niet veel kracht meer heeft om zijn aas te bekomen. De zin is dat hem hetzelfde door de voorzienigheid Gods toegeschikt wordt, niet door de zorg en de arbeid van de mensen, Ps. 104:21 , want anders zou hij moeten vergaan; boven, Job 4:11 . Psalmen 104:21 : De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken. Job 4:11 : De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
[^job-39-1-a]: Verwijzing a: Ps. 104:21 . Psalmen 104:21 : De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken.
[^job-39-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, het leven. Versta de gierige lust en trek, die de jonge leeuwen naar het aas hebben. Het Hebreeuwse woord chajah is in dit boek somtijds van enerlei betekenis met het woord nephesch, ziel, gelijk te zien is boven, Job 33:18 , 33:20 , 33:22 . Nu nephesch is somtijds zoveel als lust en begeerte tot iets, gelijk Ps. 27:12 , en Ps. 107:9 ; Spr. 23:2 ; Jes. 56:11 . Anders, de jonge leeuwen het voedsel, of leeftocht ten volle beschikken? Job 33:18 : Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. Job 33:20 : Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke voedsel; Job 33:22 : En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. Psalmen 107:9 : Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld; Spreuken 23:2 : En zet een mes aan uw keel, als u een gulzig mens bent; Jesaja 56:11 : En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde.
[^job-39-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, als zij van de oude vergeten of verlaten worden. Vergelijk Ps. 47:9 . Psalmen 47:9 : God regeert over de heidenen; God zit op de troon Zijn heiligheid.
[^job-39-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, hut, of tent; dat is, schuilhol, kuil, of schuilplaats.
[^job-39-2-5]: Kanttekening 5: ter loering: Dat is, om enig gedierte te bespieden, dat zij vangen en verslinden mochten. Anders, in de loerplaats, te weten, waaruit zij loeren; zo boven, Job 37:8 . Job 37:8 : En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.
[^job-39-3-b]: Verwijzing b: Ps. 147:9 ; Matt. 6:26 . Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen. Mattheüs 6:26 : Aanziet de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelfde; gaat u dezelfde niet zeer veel te boven?
[^job-39-3-6]: Kanttekening 6: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het voedsel, dat met jagen gekregen wordt. Zie Gen. 27:3 , en de aantekening. Genesis 27:3 : Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;
[^job-39-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, geborenen.
[^job-39-3-8]: Kanttekening 8: tot God: Dat is, als zij in hun nest schreeuwen om aas; dat een geroep tot God genaamd wordt, omdat God voor het voedsel van de jonge raven zorg draagt. Men schrijft dat zij in het eerst, omdat zij wit paddenhaar hebben, van de ouden verlaten worden, totdat zij zwart zijn, en hier intussen wonderbaarlijk van God gespijsd worden met zekere wormpjes, die in het nest uit hun drek groeien. Vergelijk Ps. 147:9 . Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^job-39-3-9]: Kanttekening 9: Te weten, omtrent het nest van de moeder verlaten zijnde.
[^job-39-4-10]: Kanttekening 10: Weet u: Versta hierdoor het gehele beleid en werk van de geboorten, voorttelingen en opkwekingen van de wilde beesten; dat alleen de voorzienigheid Gods moet toegeschreven worden, en niet de zorg van de mens.
[^job-39-4-11]: Kanttekening 11: Zie 1 Sam. 24:3 . 1 Samuël 24:3 : Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen van de steenbokken.
[^job-39-4-c]: Verwijzing c: Ps. 29:9 . Psalmen 29:9 : De stem van YHWH doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iedereen eer.
[^job-39-4-12]: Kanttekening 12: de arbeid: Dat is, de tijd, wanneer zij in de nood van baren zijn, om die, als zij in gevaar en smart zijn, te helpen.
[^job-39-5-13]: Kanttekening 13: Zult u: Dat is, kunt u verzinnen het ogenblik van hun ontvangen? Deze vragen loochenen alle sterkelijk.
[^job-39-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, afdoen en volbrengen; te weten, met het dragen van hun jongen.
[^job-39-6-15]: Kanttekening 15: Te weten, om te beter te baren.
[^job-39-6-16]: Kanttekening 16: Versta, de geboortepijnen, die in deze dieren groot zijn, en van welke zij alleen geholpen worden door de goddelijke voorzienigheid. Zie Ps. 29:9 . Psalmen 29:9 : De stem van YHWH doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iedereen eer.
[^job-39-7-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, zonen; zie Lev. 1:14 . Leviticus 1:14 : En als zijn offerande voor YHWH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.
[^job-39-7-18]: Kanttekening 18: worden kloek: Dat is, worden weer gezond, fris en sterk, ofschoon zij eerst geworpen zijnde, door de zwaarheid van de geboorte slap en teer waren.
[^job-39-7-19]: Kanttekening 19: door het koren: Het woord bar in het oorspronkelijke betekent in het Hebreeuws koren, of tarwe, waarvan deze beesten hun voedsel nemen; maar het betekent in het Syrisch akker, of veld, gelijk ook het Chaldeeuwse woord bara zulks betekent; Dan. 2:38 en Dan. 4:12 . Waarom enige hetzelfde zo overzetten. Daniël 2:38 : En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelfde; u bent dat gouden hoofd. Daniël 4:12 : Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
[^job-39-7-20]: Kanttekening 20: Te weten, de moeders die hen geworpen hebben.
[^job-39-8-21]: Kanttekening 21: Wie heeft de woudezel: De zin is, dat de ontembare en onbedwingelijke natuur van de wilde ezels alleen van Gods regering en voorzienigheid komt, waarvan de redenen, zodat de mens niet kan begrijpen, hij nog veel minder andere diepe en ondoorgrondelijke werken van God vatten kan.
[^job-39-9-d]: Verwijzing d: Job 24:5 ; Jer. 2:24 . Job 24:5 : Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot voedsel, en de jongeren. Jeremia 2:24 : Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
[^job-39-9-22]: Kanttekening 22: de wildernis: Anders, het vlakke veld. Maar versta zulk vlak veld, dat wel wild en woest ligt, maar nochtans enig voeder voor de beesten heeft, gemengd uit velerlei groente en ruigte, dat de wilde beesten wel smakend is.
[^job-39-9-23]: Kanttekening 23: Dat is, het dorre, onvruchtbare en onbebouwde land. Zie Richt. 9:45 , en Ps. 107:34 . Richteren 9:45 : Verder streed Abimelech tegen de stad dienzelven gansen dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout. Psalmen 107:34 : Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
[^job-39-10-24]: Kanttekening 24: Hij belacht het gewoel van de stad: Dat is, hij acht de menigte en het bedrijf van de mensen niet, omdat hij de woestijn liever heeft, of omdat hij ook niet vreest het geweld, dat vele mensen zouden mogen aanleggen om hem te bedwingen. Dit is menselijkerwijze van de beesten gesproken, gelijk onder, vers 21 , 39:25 , 39:28 , en Job 40:22 , 40:23 , en Job 41:18 , 41:20 . Job 39:21 : Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. Job 39:25 : Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw vanwege het zwaard. Job 39:28 : In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de krijg van verre, de donder van de vorsten en het gejuich. Job 40:22 : Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken? Job 40:23 : Zal hij een verbond met u maken? Zult u hem aannemen tot een eeuwigen slaaf? Job 41:18 : Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. Job 41:20 : De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling van de lans.
[^job-39-10-25]: Kanttekening 25: menigerlei getier: Dat is, het geroep, dat pleegt gemaakt te worden van degenen, die enige arbeid of dienst van mensen of beesten gedaan willen hebben.
[^job-39-11-26]: Kanttekening 26: Dat hij uitspeurt: Hebreeuws, de uitspeuring, of het uitgespeurde van de bergen; dat is wat hij steeds zoekt op de bergen, als gras en andere groenigheid, is zijn voedsel.
[^job-39-11-27]: Kanttekening 27: groensel na: Dat is, groen kruid, dat in het wild wast.
[^job-39-12-28]: Kanttekening 28: Zal de eenhoorn: Versta, ganselijk niet, en dat vanwege zijn moedige en onbedwingelijke kracht. Zie Num. 23:22 . Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.
[^job-39-13-29]: Kanttekening 29: Te weten, waarmee hij gebonden zou worden om het ploegwerk te doen.
[^job-39-13-30]: Kanttekening 30: voren binden: Dat is, aan het verheven land, dat in de akkers tussen twee voren is. Zie boven, Job 31:38 . Maar versta hier het ploegwerk, waardoor de voren gemaakt worden, om welke oorzaak de overzetting gesteld kan worden aldus: Met zijn touw binden ter ploeging; dat is om te ploegen. Job 31:38 : Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
[^job-39-13-31]: Kanttekening 31: de laagten: Of, diepten, valleien, gronden. Sommigen verstaan hierdoor opnieuw de voren.
[^job-39-14-32]: Kanttekening 32: op hem vertrouwen: Dat is, u verzekeren dat hij uw werk in het veld zou mogen doen, gelijk de tamme beesten wel doen, die van de mensen in het akkerwerk gebruikt worden.
[^job-39-14-33]: Kanttekening 33: uw arbeid: Dat is, uw vruchten, die u door uw arbeid gewonnen hebt. Vergelijk boven, Job 20:18 . Job 20:18 : De arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijn verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.
[^job-39-14-34]: Kanttekening 34: op hem laten: Te weten, om te dragen, of te voeren naar de schuur. Zie vers 15 . Job 39:15 : Zult u hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
[^job-39-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, maken dat u de gewenste vruchten genieten zult? dat zou moeten gebeuren met ploegen en eggen, of met de vruchten in de schuur te brengen.
[^job-39-16-36]: Kanttekening 36: de verheugelijke: Te weten, waarmee de pauwen zich verheugen en verheffen, of ook de mensen zich vermaken.
[^job-39-16-37]: Kanttekening 37: Of de vederen: Anders, of de vleugel en het geveder van de ooievaar. Anders, of de vleugel van de struis en \[zijn\] geveder, of pluimen.
[^job-39-16-38]: Kanttekening 38: Zie Lev. 11:19 . Leviticus 11:19 : En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
[^job-39-16-39]: Kanttekening 39: Het Hebreeuwse woord notsah betekent wel een pluim, maar uit de volgende woorden van Job 39 wordt van de overzetters afgenomen dat hier te verstaan is de struis, dat is, een vogel, die met vele pluimen voorzien is. Het volgende kan op de pauw en op de ooievaar niet passen.
[^job-39-17-40]: Kanttekening 40: zij haar eieren: Te weten, de struis.
[^job-39-17-41]: Kanttekening 41: Dat is, in het zand.
[^job-39-17-42]: Kanttekening 42: Te weten, latende de zon daarover schijnen, opdat door haar warmte de eieren zouden uitgebroed worden. Want men schrijft dat deze vogel onaardig en zonder natuurlijken trek is tegen zijn eieren, die verlatende en de warmte van de zon aanbevelende, zonder daarop te zitten.
[^job-39-18-43]: Kanttekening 43: die drukken kan: Hebreeuws, dat; dat is, elk één van die, te weten, eieren. Zo in het andere lid van vers 18 . Job 39:18 : En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren van het veld die vertrappen kunnen?
[^job-39-19-44]: Kanttekening 44: haar jongen: Of, haar eieren, uit welke zij jongen krijgt. Zij handelt daarmee hardelijk tegen het natuurlijke van andere vogels, om de redenen in vers 17 , 39:18 vermeld. Job 39:17 : Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. Job 39:18 : En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren van het veld die vertrappen kunnen?
[^job-39-19-45]: Kanttekening 45: haar arbeid: Te weten, die zij heeft met haar eieren te leggen, zo God voor dezelfde niet zorgde.
[^job-39-19-46]: Kanttekening 46: omdat : Te weten, van haar eieren te verliezen en daaruit geen jongen te krijgen.
[^job-39-20-47]: Kanttekening 47: heeft haar: Hebreeuws, heeft haar de wijsheid doen vergeten; dat is, de wijsheid niet gegeven, of daarvan ontbloot. Versta door deze, de natuurlijke beweging en trek, die anderen beesten van God ingestort is, waardoor zij hun jongen wel weten te bewaren, te verzorgen en buiten gevaar te brengen.
[^job-39-21-48]: Kanttekening 48: Als het tijd is: Te weten, als zij van de jagers vervolgd wordt.
[^job-39-21-49]: Kanttekening 49: Te weten, wat boven de aarde, om haar loop te versnellen, en zo de pijlen en schichten te ontvluchten; want om de grootte en zwaarheid haars lichaams kan zij zich niet zeer hoog van de aarde oplichten.
[^job-39-21-50]: Kanttekening 50: zij belacht: Dat is, zij veracht ze, omdat zij ze door haar erge en aardige snelheid kan ontkomen. Dit is menselijker wijze van beesten gesproken; zie boven, vers 10 . Job 39:10 : Hij belacht het gewoel van de stad; het menigerlei getier van de drijvers hoort hij niet.
[^job-39-22-51]: Kanttekening 51: donder bekleden: Versta hierbij, het briesen van het paard, verenigd met geruis en onstuimigheid. Vergelijk Jer. 8:6 . Jeremia 8:6 : Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in de strijd.
[^job-39-23-52]: Kanttekening 52: als een sprinkhaan: Dat is, gelijk de mensen de sprinkhanen plegen te verschrikken en verjagen.
[^job-39-23-53]: Kanttekening 53: een verschrikking: Dat is, een oorzaak om verschrikt te worden.
[^job-39-24-54]: Kanttekening 54: Het Hebreeuwse woord betekent wel gemeenlijk een dal, maar het wordt ook voor allerlei diepte en laagte genomen, gelijk boven, vers 13 , voor de laagte van het land, of van de voren, Spr. 9:18 , voor de diepte van het graf; en hier voor een kuil, die van een moedig paard in de aarde gemaakt wordt. Job 39:13 : Zult u de eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? Spreuken 9:18 : Maar hij weet niet, dat daar doden zijn; haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk.
[^job-39-24-55]: Kanttekening 55: Of, gewapenden. Hebreeuws, wapen, of wapening.
[^job-39-25-56]: Kanttekening 56: Dat is, de dingen, die de mensen vrees plegen aan te jagen, als allerlei wapenen en krijgsgereedschap. Vrees voor dat te vrezen is; zo Spr. 1:26 , en Spr. 10:24 ; Jes. 66:4 . Spreuken 1:26 : Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Spreuken 10:24 : De vrees voor de goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte van de rechtvaardigen zal God geven. Jesaja 66:4 : Ik zal ook verkiezen het loon hun handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen wat waartoe Ik geen lust had.
[^job-39-25-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, van het aangezicht van het zwaard.
[^job-39-26-58]: Kanttekening 58: de pijlkoker: Te weten, van de gewapende ruiter, die daarop zit.
[^job-39-26-59]: Kanttekening 59: het vlammig: Hebreeuws, vlam; maar dit woord is ook bij gelijkenis genomen voor het blinkende en glinsterende ijzer van een spies, lans en zwaard. Zie Gen. 3:24 : 1 Sam. 17:7 ; Nah. 3:3 . Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hofs van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven. 1 Samuël 17:7 : En de schacht zijn spies was als een weversboom, en het lemmer zijn spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. Nahum 3:3 : De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid van de verslagenen zijn, en een zware menigte van de dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn van de lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;
[^job-39-27-60]: Kanttekening 60: slokt het: Dat is, loopt daarover met zulke snelheid en vaardigheid, dat het schijnt deze in te slikken, omdat hij, die daarop zit, het land meteen uit het gezicht verliest, alsof het van een paard opgeslokt en ingezwolgen ware. Anders, slorpt in, te weten, het stof dat het met zijn voeten maakt, of holt uit.
[^job-39-27-61]: Kanttekening 61: gelooft niet: De zin is dat de moedige paarden in de strijd zo over en weer lopen met zulke haastigheid en moed, en zo branden om aan het gevecht en gewoel te komen, dat zij niet merken, zelfs op de slag van de trompetten. Of, zij zijn zo vrolijk, wanneer zij het geluid van de trompetten horen, dat zij, om zo te spreken, hetzelfde kwalijk kunnen geloven. Anders, houdt zich niet vast als het geluid van de bazuin gaat. Hebreeuws, de stem van de bazuin.
[^job-39-28-62]: Kanttekening 62: In het volle geklank van de bazuin: Hebreeuws, in de genoegzaamheid van de bazuinen; dat is, als de bazuin of de trompet ten allerklaarste slaat. Of, onder de bazuin.
[^job-39-28-63]: Kanttekening 63: Dit is een woord, betekenende het geluid van vreugde, en ook somtijds van grote moedigheid, waarmee men zijn vijand trotseert. Vergelijk Ps. 35:21 , 35:25 , en Ps. 40:16 ; Ez. 36:2 . Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Psalmen 35:25 : Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! Psalmen 40:16 : Laat hen verwoest worden tot loon hun beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha! Ezechiël 36:2 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!
[^job-39-28-64]: Kanttekening 64: van de vorsten: Versta het geroep en gebaar van de oversten, waarmee zij elkaar in de strijd, om schrik te maken, bejegenen en aanvallen.
[^job-39-29-65]: Kanttekening 65: Vliegt de sperwer: Anders, verpluimt de sperwer; dat is, verandert hij van vederen? Anders, gebruikt de sperwer vederen? dat is, vliegt hij?
[^job-39-29-66]: Kanttekening 66: Dat is, voorzienigheid, zorg en bestuur.
[^job-39-29-67]: Kanttekening 67: naar het zuiden: Om de koude van de winter te ontvluchten, en door de warmte van de zon \[zo enige menen\] te verpluimen.
[^job-39-30-68]: Kanttekening 68: uw bevel: Hebreeuws, uw mond; dat is, bevel, gebod. Zie Gen. 41:40 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^job-39-30-e]: Verwijzing e: Jer. 49:16 ; Obad. v. 4 . Jeremia 49:16 : Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH. Obadja 1:4 : Al verhieft u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^job-39-31-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, op de tand. Zo noemen de Hebreën de uitstekende hoogten van de steenrotsen, die niet beklimbaar zijn. Zie 1 Sam. 14:4 . 1 Samuël 14:4 : Er was nu tussen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot van de Filistijnen bezetting, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan de overzijde; en de naam van de één was Bozes, en de naam van de andere Sene.
[^job-39-32-70]: Kanttekening 70: Van de natuuronderzoekers wordt de adelaar onder het gedierte een zeer scherp en sterk gezicht toegeschreven, waardoor hij van verre en wijduit zijn aas kan bespeuren.
[^job-39-32-71]: Kanttekening 71: van verre af: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen van verre, maar ook tot in vergelegen plaatsen.
[^job-39-33-72]: Kanttekening 72: Te weten, uit de dode lichamen van de mensen en van de beesten, die de ouden voor hen bejagen, en bij stukken, of geheel, naardat zij die dragen kunnen, in het nest brengen.
[^job-39-33-73]: Kanttekening 73: waar verslagenen zijn: De Heer Christus, in de plaatsen recht tevoren aan de kant getekend, ziet op deze woorden om te tonen dat de kinderen van God door de verlichting en roering zijns Geestes, tot Hem, die door zijn dood het waarachtig en enig voedsel van hun zielen geworden is, van alle plaatsen vergaderen, gelijk de adelaars door hun klaar gezicht en scherpen reuk tot de dode lichamen om hun voedsel toevliegen.
[^job-39-33-f]: Verwijzing f: Matt. 24:28 ; Lukas 17:37 . Mattheüs 24:28 : Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars vergaderd worden. Lukas 17:37 : En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heer? En Hij zei tot hen: Waar het lichaam is, daar zullen de adelaars vergaderd worden.
[^job-39-34-74]: Kanttekening 74: YHWH: Te weten, nadat Hij, wat gezwegen hebbende, Job tijd gegeven had om daar intussen te spreken, en zich te verantwoorden; maar omdat hij zweeg, is God voortgevaren. Zo is het woord antwoorden hier genomen voor het spreken van opnieuw aanvangen, of in de voorgaande rede voortgaan; zie Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^job-39-35-75]: Kanttekening 75: Dat is, wijsheid leren en overtuigen dat hij ongelijk heeft.
[^job-39-35-76]: Kanttekening 76: Dat is, die zijn oordelen wil tegenspreken en berispen.
[^job-39-37-77]: Kanttekening 77: ik ben: Vergelijk Gen. 32:10 , en de aantekening. Genesis 32:10 : Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!
[^job-39-37-g]: Verwijzing g: Ps. 39:10 . Psalmen 39:10 : Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan.
[^job-39-37-78]: Kanttekening 78: leg mijn hand: Dat is, ik zwijg stil. Zie boven, Job 21:5 . Job 21:5 : Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond.
[^job-39-38-79]: Kanttekening 79: Hebreeuws, een; te weten, maal. Zie 2 Kron. 9:21 . 2 Kronieken 9:21 : Want van de koning schepen voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaren kwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^job-39-38-80]: Kanttekening 80: Een zeker getal voor een onzeker. Anders aldus: Eenmaal heb ik gesproken, en zal niet antwoorden, maar de tweede maal zal ik niet voortvaren.

### Job 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/40.json)

*Job wordt opnieuw door de Heere bestraft, omdat hij de gerechtigheid en de macht van God nog niet ten volle erkend had, vers 1 enz. de macht van God wordt beschreven door tegenstelling met de zwakheid van Job, 4. door enkele bevelen die God hem spottend voorstelt, opdat hij zijn macht in het nakomen daarvan zou tonen, 5. door de beschrijving van de Behemoth, 10. en van de Leviathan, die God beide geschapen heeft, 20.*

**1** En YHWH antwoordde Job uit[^job-40-1-1] een onweer, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v1)

**2** [^job-40-2-2] Gord nu als een man uw middel; Ik zal u vragen, en[^job-40-2-3] onderricht Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v2)

**3** Zult u[^job-40-3-4] ook[^job-40-3-a] Mijn[^job-40-3-5] oordeel te niet maken? Zult u Mij[^job-40-3-6] verdoemen, opdat u rechtvaardig bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v3)

**4** Hebt u een[^job-40-4-7] arm zoals God? En kunt u, zoals Hij, met de stem donderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v4)

**5** [^job-40-5-8] Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v5)

**6** Strooi de[^job-40-6-9] uitbarstingen van uw toorn uit, en[^job-40-6-10] zie allen hoogmoedige, en verneder hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v6)

**7** Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen[^job-40-7-11] in hun plaats! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v7)

**8** Verberg[^job-40-8-12] hen samen in[^job-40-8-13] het stof;[^job-40-8-14] verbind hun aangezichten in het verborgen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v8)

**9** Dan zal Ik ook u loven,[^job-40-9-15] omdat uw[^job-40-9-16] rechterhand u zal verlost hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v9)

**10** Zie nu[^job-40-10-17] Behemoth, die Ik gemaakt heb[^job-40-10-18] naast u;[^job-40-10-19] hij eet hooi, zoals een rund. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v10)

**11** Zie toch, zijn kracht is in zijn middel, en zijn macht in[^job-40-11-20] de navel van zijn buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v11)

**12** Als het hem lust,[^job-40-12-21] zijn staart is als een ceder; de zenuwen van zijn schaamte zijn[^job-40-12-22] doorvlochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v12)

**13** Zijn beenderen zijn[^job-40-13-23] als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v13)

**14** Hij is[^job-40-14-24] een hoofdstuk van de wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft[^job-40-14-25] hem zijn zwaard aangehecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v14)

**15** [^job-40-15-26] Omdat de bergen hem voer voortbrengen, daarom spelen al de dieren van het[^job-40-15-27] veld daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v15)

**16** Onder[^job-40-16-28] schaduwachtige bomen ligt hij neer,[^job-40-16-29] in een schuilplaats van het riet en van het slijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v16)

**17** De schaduwachtige bomen bedekken hem,[^job-40-17-30] elk met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v17)

**18** Zie, hij[^job-40-18-31] doet de rivier geweld aan, en[^job-40-18-32] verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de[^job-40-18-33] Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v18)

**19** Zou men hem[^job-40-19-34] voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken de neus doorboren kunnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v19)

**20** Zult u de[^job-40-20-35] Leviathan met de angel[^job-40-20-36] trekken, of[^job-40-20-37] zijn tong met een koord, dat u laat neerzinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v20)

**21** Zult u hem een[^job-40-21-38] bieze in de neus leggen, of met een[^job-40-21-39] doorn zijn kaak doorboren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v21)

**22** Zal hij aan u[^job-40-22-40] veel smekingen maken? Zal hij[^job-40-22-41] zachtjes tot u spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v22)

**23** Zal hij een verbond met u maken? Zult u hem aannemen tot[^job-40-23-42] een eeuwige slaaf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v23)

**24** Zult u met hem spelen zoals met een[^job-40-24-43] vogeltje, of zult u hem binden[^job-40-24-44] voor uw meisjes? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v24)

**25** Zullen de[^job-40-25-45] metgezellen over hem een[^job-40-25-46] maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de[^job-40-25-47] kooplieden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v25)

**26** Zult u zijn huis met haken[^job-40-26-48] vullen, of met een vissershaak[^job-40-26-49] zijn hoofd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v26)

**27** Leg uw hand[^job-40-27-50] op hem, gedenk[^job-40-27-51] aan de[^job-40-27-52] strijd, doe het niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v27)

**28** Zie,[^job-40-28-53] zijn hoop zal[^job-40-28-54] falen; zal[^job-40-28-55] hij ook voor zijn[^job-40-28-56] gezicht[^job-40-28-57] neergeslagen worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/40.html#v28)

[^job-40-1-1]: Kanttekening 1: een onweer: Zie boven, Job 38:1 . Job 38:1 : Daarna antwoordde YHWH Job uit een onweer, en zei:
[^job-40-2-2]: Kanttekening 2: Gord nu: Zie boven, Job 38:3 . Job 38:3 : Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
[^job-40-2-3]: Kanttekening 3: onderricht Mij: Zie op de voorgemelde plaats.
[^job-40-3-4]: Kanttekening 4: ook Mijn: Dat is niet alleen uw oprechtheid verdedigen, maar ook mijn gerechtigheid tekort spreken.
[^job-40-3-a]: Verwijzing a: Ps. 51:6 ; Rom. 3:4 . Psalmen 51:6 : Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Romeinen 3:4 : Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^job-40-3-5]: Kanttekening 5: Versta, het recht dat God had in het straffen van Job.
[^job-40-3-6]: Kanttekening 6: Zie van dit woord Deut. 25:1 . Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen.
[^job-40-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, macht en sterkte, gelijk God. Zo Ex. 15:16 ; Deut. 33:27 ; Ps. 79:11 , en Ps. 89:14 , en Ps. 136:12 . Exodus 15:16 : Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, YHWH! heen doorkome; totdat dit volk heen doorkome, dat U verworven hebt. Deuteronomium 33:27 : De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg! Psalmen 79:11 : Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid Uws arms. Psalmen 89:14 : U hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog. Psalmen 136:12 : Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^job-40-5-8]: Kanttekening 8: Te weten, gelijk Ik daarmee versierd en bekleed ben. Zie Ps. 93:1 , en Ps. 96:6 , en Ps. 104:1 ; Jes. 51:9 . God wordt gezegd hiermee aangetogen en bekleed te zijn, omdat zij zich in al zijn oordelen en werken vertonen, dat Job vermaand werd na te komen, zo hij lust had met God te richten. Vergelijk boven, Job 29:14 , en de aantekening. Psalmen 93:1 : YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. Psalmen 96:6 : Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom. Psalmen 104:1 : Loof YHWH, mijn ziel! O YHWH, mijn God! U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid. Jesaja 51:9 : Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Job 29:14 : Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
[^job-40-6-9]: Kanttekening 9: Versta, zeer heftige en uitvarende toorn, die voor God menselijkerwijze hier toegeschreven wordt, alsook boven, Job 21:30 ; Ps. 78:49 . De zin is dat Job de macht niet had om zijn vijanden en tegenstanders te dempen en tenonder te brengen, gelijk wel God had, en dat hij daarom zich niet tegen God moest gesteld hebben, willende tegen hem als tegen zijn partij zijn zaak verdedigen. Zie boven, Job 13:22 , en Job 16:21 , en Job 23:3 , 23:4 , 23:5 , enz. Job 21:30 : Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden. Psalmen 78:49 : Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaads. Job 13:22 : Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. Job 16:21 : Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind van de mensen voor zijn vriend. Job 23:3 : Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; Job 23:4 : Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen. Job 23:5 : Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
[^job-40-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, veracht hem en aanschouw hem met een gram en dreigend oog; zo in vers 7 , en onder, Job 41:25 . Job 40:7 : Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats! Job 41:25 : Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
[^job-40-7-11]: Kanttekening 11: in hun plaats: Te weten, daar zij verheven en prachtig zijn, hebbende daar al hun staat, vermogen en geweld.
[^job-40-8-12]: Kanttekening 12: te zamen: Te weten, de goddelozen.
[^job-40-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, in het graf, waar zij in stof veranderd worden; dat is, dood hen. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 22:16 . Psalmen 22:16 : Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof van de dood.
[^job-40-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, maak dat men hen niet meer in de wereld ziet, want de aangezichten van de doden pleegt men met doeken te verbinden en te dekken. Vergelijk Spr. 10:16 , en de aantekening; idem Joh. 11:44 , en Joh. 20:7 . Spreuken 10:16 : Het werk van de rechtvaardigen is ten leven; de inkomst van de goddelozen is ter zonde. Johannes 11:44 : En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zei tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan. Johannes 20:7 : En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.
[^job-40-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, dat u genoegzaam voor uzelven bent, gelijk Ik ben, om u in het gericht tegen mij te vergelijken.
[^job-40-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, uw kracht en sterkte; zo Ps. 89:43 ; Jes. 41:13 . Psalmen 89:43 : U hebt de rechterhand van zijn wederpartijders verhoogd; U hebt al zijn vijanden verblijd. Jesaja 41:13 : Want Ik, YHWH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
[^job-40-10-17]: Kanttekening 17: Dit woord wordt van velen overgezet olifant. Anderen menen dat het een algemene naam is, begrijpende alle aardse beesten, zowel tamme als wilde, die zeer groot van lichaam zijn, onder welke de olifant één van de voornaamste is. Het woord staat in het getal van velen om de grootheid van dit beest uit te drukken; zo wijsheden, voor de opperste en hoogste wijsheid; Spr. 1:20 . Spreuken 1:20 : De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten.
[^job-40-10-18]: Kanttekening 18: naast u: Dat is, zowel als u; of met u; dat is, op dezelfde dag van de schepping als Ik de eerste twee mensen, en in hen u, oorspronkelijk gemaakt heb. Anders, opdat hij met u op de aarde wonen zou.
[^job-40-10-19]: Kanttekening 19: hij eet hooi: Dat een bewijs en teken is van Gods voorzienigheid en macht, waardoor de allergrootste en sterkste beesten worden getemd en de mensen onderworpen.
[^job-40-11-20]: Kanttekening 20: De zin is, dat hij niet alleen in de lenden, dat is in de opperste delen zijns lichaams, maar ook in de onderdelen \[die het zwakst plegen te zijn\], als in de buik en de navel, enz., zeer sterk is.
[^job-40-12-21]: Kanttekening 21: zijn staart: Anders, hij roert, of richt zijn staart op, enz.; te weten, zo recht opgeheven en zo onbewegelijk als een ceder.
[^job-40-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, door elkaar, ingewikkeld en doortrokken.
[^job-40-13-23]: Kanttekening 23: vast koper: Hebreeuws, sterkten van het koper, of van het staal.
[^job-40-14-24]: Kanttekening 24: een hoofdstuk: Dat is, het voornaamste stuk van de werken van God onder de viervoetige dieren, ten aanzien van zijn grootte en sterkte.
[^job-40-14-25]: Kanttekening 25: zijn zwaard: Die het woord behemoth voor de olifant nemen, verstaan door zijn zwaard zijn snuit, of uitstekende tanden, waarmee hij zich als met een hand behelpt en grote kracht bedrijft. Anders, kan zijn zwaard tot hem voegen; te weten, om hem te doden; dat is, kan hem doden.
[^job-40-15-26]: Kanttekening 26: Dat is, omdat hij niet leeft bij de roof, maar bij het gewas, dat op de bergen voortkomt, zo is het dat andere dieren hem niet vrezen, maar in zijn aanwezigheid zonder schroom en zorg zijn. Anders, als de bergen, enz. zo spelen, enz.
[^job-40-15-27]: Kanttekening 27: Dat is, in de plaats waar hij weidt.
[^job-40-16-28]: Kanttekening 28: Dat is, die schaduw van zich geven. Zo in vers 17 . Job 40:17 : De schaduwachtige bomen bedekken hem, elk met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.
[^job-40-16-29]: Kanttekening 29: in een schuilplaats: Te weten, waar hij verkoeling en verversing zoekt tegen de grote en felle hitte van de zon.
[^job-40-17-30]: Kanttekening 30: Of, tot \[zijn\] schaduw; dat is, opdat zij hem schaduw zouden maken.
[^job-40-18-31]: Kanttekening 31: Te weten, als hij in de rivier ingaat om te drinken, belet hij de loop van de rivier. Of, hij zwelgt de rivier met geweld in. Waarvan de zin is dat hij zoveel water inzuigt, dat hij de rivier schijnt te zullen inzwelgen. Dit zijn poëtische en overtollige manieren van spreken.
[^job-40-18-32]: Kanttekening 32: Te weten, in het drinken niet vrezende de waterstroom, noch dat enig mens of beest hem zou kunnen verjagen en verhinderen, gelijk men schrijft dat andere gedierten uit de rivier Nijl met grote zorg drinken, vrezende van de krokodil verslonden te worden. Anders, \[dat\] zij, te weten de rivier, zich niet kan haasten, te weten om in haar loop voort te vloeien.
[^job-40-18-33]: Kanttekening 33: Zie van deze rivier Gen. 13:10 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^job-40-19-34]: Kanttekening 34: voor zijn ogen: Dat is, dat hij het ziet, met geweld en niet met behendigheid.
[^job-40-20-35]: Kanttekening 35: Versta, een zeer groot en schrikkelijk zeegedierte, dat leviathan genoemd wordt, naar sommiger gevoelen van het Hebreeuwse woord lavah, dat betekent bijdoen, bijvoegen, omdat zijn lijf met vele schubben bedekt is, die zeer vast samengevoegd zijn. Sommigen verstaan een zeedraak. Vergelijk Jes. 27:1 . Jesaja 27:1 : Op die dag zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden.
[^job-40-20-36]: Kanttekening 36: Te weten, om hem te vangen, gelijk men andere vissen vangt. Hij wil zeggen: Nee u, want hij is veel te groot en te sterk om zo gevangen te worden.
[^job-40-20-37]: Kanttekening 37: zijn tong: Te weten, trekken, nadat u hem met de angel of haak gevat hebt. Anders, zult u zijn tong met een koord nedertrekken?
[^job-40-21-38]: Kanttekening 38: in de neus: Versta, een ijzeren angel, hebbende de vorm van een gekromde bies. De zin is dat een mens met een zodanig instrument de leviathan, als hij hem gevangen had, niet zou kunnen vasthouden en bedwingen, gelijk men wel doet met andere beesten.
[^job-40-21-39]: Kanttekening 39: Of, haak uit doornen, of naar de vorm van de doornen gemaakt.
[^job-40-22-40]: Kanttekening 40: veel smekingen: Te weten, om uit uw handen verlost te worden, nadat u hem gevangen hebt, en zijns zelfs weer te worden. Het is van de beesten menselijkerwijze gesproken. Vergelijk boven, Job 39:21 . Job 39:21 : Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
[^job-40-22-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, zachte, of gladde dingen, of redenen, voortkomende van degenen, die met ootmoedig bidden pogen iets te verkrijgen.
[^job-40-23-42]: Kanttekening 42: tot een eeuwigen slaaf: Hebreeuws, tot een slaaf, of knecht van de eeuwigheid; dat is tot een slaaf, die u eeuwig dient en onderworpen is.
[^job-40-24-43]: Kanttekening 43: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 7:14 , en Lev. 14:4 . Genesis 7:14 : Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel. Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^job-40-24-44]: Kanttekening 44: voor uw jonge dochters: Te weten, opdat zij daarmee zich vermaken en tijdverdrijf hebben zouden.
[^job-40-25-45]: Kanttekening 45: Versta, de vissers, die tezamen in een verdrag en compagnie zijn, en zulk een vis zouden mogen gevangen hebben.
[^job-40-25-46]: Kanttekening 46: een maaltijd bereiden: Te weten, uit blijdschap van een zodanige vangst, of uit hoop daarvan.
[^job-40-25-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, de Kanaänieten. Zo waren de kooplieden genaamd, omdat de oude inwoners van het land Kanaän veel met koophandel omgingen, zijnde daartoe aan de Middellandse Zee zeer wel gelegen. Het woord is zo ook genomen Spr. 31:24 ; Jes. 23:8 ; Hos. 12:8 . Spreuken 31:24 : Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert de koopman gordelen. Jesaja 23:8 : Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, van wie kooplieden vorsten zijn, van wie handelaars de heerlijkste in het land zijn? Hosea 12:8 : In de hand van de koopman is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;
[^job-40-26-48]: Kanttekening 48: Dat is, om en om vatten en geheel doorsteken, om hem te vangen en vast te houden.
[^job-40-26-49]: Kanttekening 49: Te weten, waar de vissen mee geslagen, vastgehouden en gevangen worden.
[^job-40-27-50]: Kanttekening 50: op hem: Te weten, om hem te strelen en troetelen, en zo met vriendschap aan u te krijgen. Anders, leg u uw hand op hem, om hem geweldiglijk aan te tasten en zo te vangen.
[^job-40-27-51]: Kanttekening 51: van de strijd: Te weten, die u zoudt moeten uitstaan, als u hem enigszins aantastte om hem te vangen.
[^job-40-27-52]: Kanttekening 52: doe het niet meer: Dat is, poog niet meer aan hem te komen, uit vrees van schade te lijden. Anders, ik wil niet meer van de strijd gedenken.
[^job-40-28-53]: Kanttekening 53: zijn hoop: Te weten, van degene die hem vangen wil, en daartoe de hand aan hem legt. Anders, de hoop van hem; te weten, te vangen.
[^job-40-28-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, leugenachtig worden; dat is, geheel nietig en tevergeefs, omdat hij hem niet vangen zal.
[^job-40-28-55]: Kanttekening 55: hij ook: Te weten, de leviathan. Anders, zal hij \[te weten, die hem zoekt te vangen\] ook \[niet\] voor zijn gezicht, of als hij gezien wordt, nedergeslagen, of nedergeworpen worden?
[^job-40-28-56]: Kanttekening 56: Dat is, van degene, die hem zoekt te vangen.
[^job-40-28-57]: Kanttekening 57: Te weten, door vrees van dengene, die hem vangen wil.

### Job 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/41.json)

*God wijst het einde aan van de beschrijving van de Leviathan, vers 1. verklaart dat Hij aan niemand gebonden is, maar Heere van alles, 2. gaat voort in de beschrijving van de Leviathan, tot bewijs van zijn Goddelijke kracht, en om te tonen dat wij, omdat deze onbegrijpelijk is, zijn werken niet moeten tegenspreken of berispen, 3 enz.*

**1** Niemand is[^job-41-1-1] zo vermetel, dat hij[^job-41-1-2] hem opwekken zou;[^job-41-1-3] wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v1)

**2** [^job-41-2-a] Wie heeft[^job-41-2-4] Mij voorgekomen,[^job-41-2-5] dat Ik hem zou vergelden?[^job-41-2-b] Wat onder de hele hemel is, is het Mijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v2)

**3** Ik zal[^job-41-3-6] zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal van zijn sterkte, noch de[^job-41-3-7] aantrekkingskracht[^job-41-3-8] van zijn gestalte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v3)

**4** Wie zou[^job-41-4-9] het bovenste van zijn kleed ontdekken? Wie zou met zijn[^job-41-4-10] dubbele breidel[^job-41-4-11] hem aankomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v4)

**5** Wie zou de[^job-41-5-12] deuren van zijn[^job-41-5-13] aangezicht opendoen? Rondom zijn tanden is[^job-41-5-14] verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v5)

**6** [^job-41-6-15] Zeer uitnemend zijn zijn sterke[^job-41-6-16] schilden, elk[^job-41-6-17] gesloten als met een nauwdrukkend zegel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v6)

**7** Het[^job-41-7-18] een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v7)

**8** Zij kleven[^job-41-8-19] aan elkaar, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v8)

**9** Elk van zijn[^job-41-9-20] niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn[^job-41-9-21] als de oogleden van de dageraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v9)

**10** [^job-41-10-22] Uit zijn mond gaan fakkelen,[^job-41-10-23] vurige vonken raken er uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v10)

**11** Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een kokende pot en[^job-41-11-24] ruime ketel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v11)

**12** Zijn[^job-41-12-25] adem zou[^job-41-12-26] kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v12)

**13** In zijn hals[^job-41-13-27] herbergt de sterkte;[^job-41-13-28] voor hem springt zelfs het verdriet van vreugde op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v13)

**14** [^job-41-14-29] De stukken van zijn vlees kleven samen;[^job-41-14-30] elk is vast in hem, het wordt niet bewogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v14)

**15** Zijn hart is vast als een steen; ja, vast als een deel van de onderste[^job-41-15-31] molensteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v15)

**16** Van[^job-41-16-32] zijn verheffen schromen de sterken; omwille van zijn doorbrekingen[^job-41-16-33][^job-41-16-34] ontzondigen zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v16)

**17** Raakt hem iemand met het zwaard,[^job-41-17-35] dat zal[^job-41-17-36] niet bestaan, speer, schicht[^job-41-17-37] noch pantsier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v17)

**18** [^job-41-18-38] Hij acht het[^job-41-18-39] ijzer voor stro, en het staal voor[^job-41-18-40] verrot hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v18)

**19** De[^job-41-19-41] pijl zal hem niet doen vluchten, de[^job-41-19-42] slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v19)

**20** De[^job-41-20-43] werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling van de lans. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v20)

**21** Onder hem zijn[^job-41-21-44] scherpe scherven; hij spreidt zich op het[^job-41-21-45] puntachtige,[^job-41-21-46] als op slijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v21)

**22** Hij doet de[^job-41-22-47] diepte[^job-41-22-48] koken zoals een pot; hij stelt de zee als een[^job-41-22-49] apothekerskokerij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v22)

**23** Achter zich[^job-41-23-50] verlicht hij het pad; men zou de afgrond[^job-41-23-51] voor grijzigheid houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v23)

**24** [^job-41-24-52] Op de aarde is[^job-41-24-53] niets[^job-41-24-54] met hem te[^job-41-24-55] vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v24)

**25** Hij[^job-41-25-56] aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning[^job-41-25-57] over alle jonge hoogmoedige dieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/41.html#v25)

[^job-41-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, wreed, fel, gruwzaam.
[^job-41-1-2]: Kanttekening 2: De leviathan. Zie van die boven, Job 40:20 . Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken?
[^job-41-1-3]: Kanttekening 3: wie is dan hij: Zo de mensen het gezicht van zulk een beest niet verdragen kunnen, hoe zullen zij Mijn majesteit verdragen om tegen Mij te twisten.
[^job-41-2-a]: Verwijzing a: Rom. 11:35 . Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
[^job-41-2-4]: Kanttekening 4: Mij voorgekomen: Te weten, met iets voor Mij te doen, of enige weldaad aan Mij te bewijzen.
[^job-41-2-5]: Kanttekening 5: Ik hem zou vergelden: Dat is, dat Ik gehouden zou zijn enige erkentenis te doen van de ontvangen weldaad.
[^job-41-2-b]: Verwijzing b: Ex. 19:5 ; Deut. 10:14 ; Ps. 24:1 ; Ps. 50:12 ; 1 Kor. 10:26 ; idem v. 28 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, uws Gods, is de hemel, en de hemel van de hemel, de aarde, en al wat daarin is. Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 50:12 : Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid. 1 Korinthiërs 10:26 : Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan. 1 Korinthiërs 10:28 : Maar zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om van degene wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en vanwege de gewetens. Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan.
[^job-41-3-6]: Kanttekening 6: zijn leden: Te weten, van de leviathan. De Heer gaat voort in de beschrijving daarvan.
[^job-41-3-7]: Kanttekening 7: Of, aangenaamdheid, of fraaiheid.
[^job-41-3-8]: Kanttekening 8: zijn gestalte: Of, proportie, dispositie, maaksel; te weten, waarin al de leden, door grote wijsheid, zeer kunstiglijk en aardiglijk samengevoegd zijn.
[^job-41-4-9]: Kanttekening 9: het opperste: Hebreeuws, het aangezicht zijns kleeds. Velen verstaan hierdoor de zee, met welke hij bedekt is. En de zin zou zijn, dat geen mens hem uit de zee, waarmee hij als met een deksel bekleed is, op het land kan uittrekken, om daarmee te doen wat hij wilde. Anderen verstaan door het opperste kleed de huid of schubben, welke geen mens hem zou kunnen of durven aftrekken.
[^job-41-4-10]: Kanttekening 10: dubbelen breidel: Dat is, met een zeer sterken breidel.
[^job-41-4-11]: Kanttekening 11: hem : Te weten, om hem die in de muil te leggen, en hem zo te breidelen. vers 5 brengt deze zin mee. Job 41:5 : Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.
[^job-41-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, zijn muil, of bakhuis.
[^job-41-5-13]: Kanttekening 13: Te weten, om de breidel daarin te leggen en hem aan te doen.
[^job-41-5-14]: Kanttekening 14: Te weten, die hij de mens aanjaagt, als hij bij hem zou komen.
[^job-41-6-15]: Kanttekening 15: Zeer uitnemend: Hebreeuws, een verheffing, of uitnemendheid, of hovaardij, zijn de sterkten van de schilden.
[^job-41-6-16]: Kanttekening 16: Versta, de schubben van deze beesten, die in zich hebben het fatsoen en gebruik van de schilden. Dit schijnt niet te passen op onze walvis, die een dikke en platte huid heeft zonder schubben.
[^job-41-6-17]: Kanttekening 17: De zin is, dat zijn schubben zeer dicht aan elkaar gehecht en samengevoegd zijn. Zie boven, Job 40:20 , over het woord leviathan. Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken?
[^job-41-7-18]: Kanttekening 18: een is zo : Te weten, schild, of schubben van de leviathan.
[^job-41-8-19]: Kanttekening 19: aan elkaar: Hebreeuws, de man aan zijn broer; dat is, de één aan de ander.
[^job-41-9-20]: Kanttekening 20: niezingen doet een licht schijnen: Hebreeuws, zijn niezingen doen een licht schijnen; dat is, elk, enz. Versta daarmee het snuiven van de leviathan, als hij het water opwaarts bruist en daarmee een glans en schijnsel maakt over de zee.
[^job-41-9-21]: Kanttekening 21: als de oogleden van de dageraad: Dat is, als de stralen van de dageraad, waarbij de ogen van de leviathan vergeleken worden om hun grootheid, roodheid en klaarheid. Vergelijk boven, Job 3:9 . Job 3:9 : Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden van de dageraad!
[^job-41-10-22]: Kanttekening 22: Uit zijn mond gaan fakkelen: Dat is, zo groot en overvloedig is de rook, komende uit zijn snuiven en blazen, alsof er fakkelen in zijn balg brandden, en vurige vonken daaruit barstten. Dit en het volgende schijnen overtollige manieren van spreken te zijn, om te tonen de grootheid van het bruisen en snuiven van dit beest, en de kracht van de werking, daaruit volgende.
[^job-41-10-23]: Kanttekening 23: vurige vonken: Hebreeuws, vonken, of sprankelen van het vuur. Zo een fakkel van het vuur, Gen. 15:17 , voor vurige fakkel. Kolen van het vuur, Lev. 16:12 ; idem, wagen van het vuur en paarden van het vuur; 2 Kon. 2:11 , enz. Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Leviticus 16:12 : Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht van YHWH, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de voorhang dragen. 2 Koningen 2:11 : En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel.
[^job-41-11-24]: Kanttekening 24: Of, waterpoel, staand water, te weten, dat dampen opgeeft.
[^job-41-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, ziel. Zo Dan. 10:17 . Daniël 10:17 : En hoe kan de knecht van deze mijn Heer spreken met die mijn Heer? Want wat mij betreft, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.
[^job-41-12-26]: Kanttekening 26: Het Hebreeuwse woord betekent somtijds aangestoken en vurige kolen, gelijk Spr. 6:28 ; Jes. 44:19 ; somtijds dode, of dove kolen, gelijk hier; idem, 2 Sam. 22:9 ; Ps. 18:9 . Spreuken 6:28 : Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? Jesaja 44:19 : En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik nederknielen voor wat van een boom gekomen is? 2 Samuël 22:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. Psalmen 18:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
[^job-41-13-27]: Kanttekening 27: Dat is, heeft daar gelijk haar vaste plaats en woning. De zin is, dat hij in dat deel zijns lichaams zeer grote sterkte heeft.
[^job-41-13-28]: Kanttekening 28: voor hem springt: Een poëtische manier van spreken, te kennen gevende dat in de leviathan geheel geen verdriet, zorg, vrees, noch bekommernis is; maar enkel moedigheid, moed en onbezorgde sterkte. Anders, u zoudt voor hem opspringen van verdriet; dat is schrik en vrees.
[^job-41-14-29]: Kanttekening 29: De stukken: Versta, dat de stukken van het vlees, dat in andere vissen, en voornamelijk grote, slap, onvast en afhangende zijn, in dit zeegedierte vast zijn en dicht aaneen klevende.
[^job-41-14-30]: Kanttekening 30: Te weten, van de voorgenoemde vleesstukken.
[^job-41-15-31]: Kanttekening 31: molensteen : In de molens waren twee molenstenen, de opperste en de onderste. En omdat de onderste van de allersterkste en hardste stenen gemaakt was, zo wordt daarbij vergeleken het hart van dit dier, om daarmee zijn kracht en sterkte enigszins bij gelijkenis aan te wijzen.
[^job-41-16-32]: Kanttekening 32: zijn verheffen: Te weten, waardoor hij zich uitsteekt en vertoont buiten het water.
[^job-41-16-33]: Kanttekening 33: zijn doorbrekingen: Waardoor hij woelt, wentelt en zwemt door de zee, de baren voor zich brekende en onstuimig makende.
[^job-41-16-34]: Kanttekening 34: Dat is, de allersterkste worden zo met vrees en schrik bevangen, dat zij zich zoeken te verzoenen met God, niet anders dan alsof hun de dood voor de ogen kwam. Vergelijk Ps. 107:23 , enz., en Ps. 28 , enz.; Jona 1:5 . Psalmen 107:23 : Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren; Jona 1:5 : Toen vreesden de zeelieden, en riepen iedereen tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen.
[^job-41-17-35]: Kanttekening 35: Te weten, het zwaard.
[^job-41-17-36]: Kanttekening 36: niet bestaan: Dat is, niet uitrichten; maar het zal door de hardheid van de huid van de leviathan eer gekromd of gebroken worden, dan hem wonden.
[^job-41-17-37]: Kanttekening 37: noch pantsier: Te weten, zullen bestaan.
[^job-41-18-38]: Kanttekening 38: Hij acht: Menselijkerwijze van de beesten gesproken. Zie boven, Job 39:21 , en onder, vers 20 . Job 39:21 : Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. Job 41:20 : De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling van de lans.
[^job-41-18-39]: Kanttekening 39: Versta, de ijzeren wapenen, en zo in het volgende.
[^job-41-18-40]: Kanttekening 40: verrot hout: Hebreeuws, hout van de verrotting.
[^job-41-19-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, de zoon van de boog, dat is, die door middel van de boog geschoten wordt; zo wordt een pijl ook genaamd een zoon van de pijlkoker, Klaagl. 3:13 , omdat hij daaruit genomen wordt. Zie boven, Job 5:7 . Klaagliederen 3:13 : He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
[^job-41-19-42]: Kanttekening 42: Vergelijk 2 Kron. 26:14 , en de aantekening. 2 Kronieken 26:14 : En Uzzia bereidde voor hen, voor de gehele legermacht, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.
[^job-41-20-43]: Kanttekening 43: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk \[zo enige menen\] een krijgsgereedschap, waarmee zeer geweldiglijk stenen uitgeworpen worden. Vanouds genoemd blij.
[^job-41-21-44]: Kanttekening 44: scherpe scherven: Hebreeuws, scherpten van de scherf, of van de scherven. Versta, de steenklippen, die onder in de zee hier en daar uitsteken, op welke de leviathan zich somtijds nederlegt, en die voor hem anders niets zijn dan gelijk een scherf, dat hem uit oorzaak van zijn harde huid geen schade doet.
[^job-41-21-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, het uitgesnedene. Versta, de klippen, die zo staan met scherpe toppen, alsof zij door enige kunst van de mensen gehouwen waren.
[^job-41-21-46]: Kanttekening 46: op slijk: De zin is dat dit beest op het puntachtige liggende, niet meer letsel daarvan heeft, dan alsof hij op enkel modder en slijk lag.
[^job-41-22-47]: Kanttekening 47: Dat is, de zee. Zo Ps. 107:24 ; Jona 2:3 ; idem, zo is in vers 23 het woord afgrond voor de zee genomen. Psalmen 107:24 : Die zien de werken van YHWH, en Zijn wonderwerken in de diepte. Jona 2:3 : Want U hadt mij geworpen in de diepte, in het hart van de zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij heen. Job 41:23 : Achter zich verlicht hij het pad; men zou de afgrond voor grijzigheid houden.
[^job-41-22-48]: Kanttekening 48: Dat is, opwellen, bruisen en schuimen, door zijn woelen en omwentelen in de grond van de zee.
[^job-41-22-49]: Kanttekening 49: Het woord in het oorspronkelijke betekent eigenlijk een vermenging van drogerijen, kruiden en andere dingen, die in de zalven, conserven, parfumerieën, confituren en sausen ondereen vermengd worden. Hier wordt het genomen voor de omroering, die de leviathan maakt in de grond van de zee, door de grootheid en het geweld zijns lichaams.
[^job-41-23-50]: Kanttekening 50: Te weten, omdat hij door zijn geweldig en onstuimig woelen het water vol schuim maakt; dat dan door de wittigheid ook klaarheid veroorzaakt.
[^job-41-23-51]: Kanttekening 51: voor grijzigheid: Dat is, dat men zou mogen oordelen de zee als grijs haar te wezen, vanwege de wittigheid van het schuim.
[^job-41-24-52]: Kanttekening 52: Op de aarde: Hebreeuws, op het stof. Zo wordt de aarde het stof van de wereld genoemd; Spr. 8:26 . Spreuken 8:26 : Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes van de wereld.
[^job-41-24-53]: Kanttekening 53: Te weten, onder de dieren.
[^job-41-24-54]: Kanttekening 54: met hem: Te weten, met de leviathan. Zie vers 25 . Job 41:25 : Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
[^job-41-24-55]: Kanttekening 55: Versta, ten aanzien van zijn ijslijke grootte en sterkte.
[^job-41-25-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, ziet; dat is, veracht, ziet stoutelijk, zonder vrees aan. Zo boven, Job 40:6 . Zie de aantekening. Job 40:6 : Strooi de uitbarstingen van uw toorn uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
[^job-41-25-57]: Kanttekening 57: over alle jonge hoogmoedige dieren: Hebreeuws, zonen van het hoogmoedig gedierte. Versta, de grootste, stoutste, hoogmoedigste en sterkste wilde dieren; vergelijk boven, Job 28:8 . Job 28:8 : De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

### Job 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/job/42.json)

*Job erkent zijn schuld, vers 1 enz. en bewijst zijn berouw in stof en as, 6. God bestraft de drie vrienden van Job, 7. beveelt hun dat zij voor zichzelf offers brengen en dat Job voor hen bidt, 8. als dit gedaan is, worden zij met God verzoend, 9. Job wordt verlost uit zijn lijden en nog eens zo zeer gezegend als tevoren, 10, 12. wordt bezocht en getroost door zijn broers, zussen en goede bekenden, 11. wordt gezegend niet alleen in bezittingen, 12. maar ook in kinderen, 13. de lengte van zijn leven, 16. zijn dood, 17.*

**1** Toen antwoordde Job YHWH, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v1)

**2** Ik weet, dat U alles kunt, en dat geen[^job-42-2-1] van Uw gedachten kan[^job-42-2-2] afgesneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v2)

**3** [^job-42-3-a] Wie is hij,[^job-42-3-3] zegt U, die[^job-42-3-4] de raad[^job-42-3-5] verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond,[^job-42-3-b] dingen, die[^job-42-3-6] voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v3)

**4** Hoor toch, en ik zal[^job-42-4-7] spreken;[^job-42-4-8] ik zal U vragen, en onderricht U mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v4)

**5** [^job-42-5-9] Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu[^job-42-5-10] ziet U mijn oog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v5)

**6** Daarom[^job-42-6-11] verfoei ik mij, en ik heb berouw[^job-42-6-12] in stof en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v6)

**7** Het gebeurde nu, nadat YHWH die woorden tot Job gesproken had, dat YHWH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw[^job-42-7-13] twee vrienden, want u hebt niet recht[^job-42-7-14] van Mij gesproken,[^job-42-7-15] zoals Mijn knecht Job. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v7)

**8** Daarom neemt nu voor u zeven stieren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en[^job-42-8-16] offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden;[^job-42-8-17] want zeker,[^job-42-8-18] Ik zal zijn aangezicht[^job-42-8-19] aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken,[^job-42-8-20] zoals Mijn knecht Job. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v8)

**9** Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden, zoals YHWH tot hen gesproken had; en YHWH[^job-42-9-21] nam het aangezicht van Job aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v9)

**10** En YHWH wendde[^job-42-10-22] de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor[^job-42-10-23] zijn vrienden; en YHWH vermeerderde al wat Job gehad had[^job-42-10-24] tot dubbel zoveel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v10)

**11** Ook kwamen tot hem al zijn[^job-42-11-25] broers, en al zijn zussen, en allen,[^job-42-11-26] die hem te voren gekend hadden, en[^job-42-11-27] aten brood met hem in zijn huis, en[^job-42-11-28] beklaagden hem, en troostten hem over al het[^job-42-11-29] kwaad, dat YHWH over hem gebracht had; en zij gaven hem ieder een[^job-42-11-30] geldstuk, ieder ook een[^job-42-11-31] gouden voorhoofdsiersel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v11)

**12** En YHWH zegende Jobs[^job-42-12-32] laatste meer dan zijn[^job-42-12-33] eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v12)

**13** Daartoe had hij zeven zonen en drie dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v13)

**14** En hij noemde de naam van de[^job-42-14-34] eerste Jemima, en de naam van de[^job-42-14-35] tweede Kezia, en de naam van de[^job-42-14-36] derde Keren-happuch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v14)

**15** En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het hele land, als de dochters van Job; en haar vader[^job-42-15-37] gaf haar erfdeel onder haar broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v15)

**16** En Job leefde[^job-42-16-38] na deze honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen van zijn kinderen, tot in vier geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v16)

**17** En Job stierf, oud en van de dagen[^job-42-17-39] verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/job/42.html#v17)

[^job-42-2-1]: Kanttekening 1: van Uw gedachten: Dat is, van al wat U naar uw eeuwige en oneindige wijsheid voorgenomen en besloten hebt. Zie van het Hebreeuwse woord boven, Job 21:27 . Job 21:27 : Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmee u tegen mij geweld doet.
[^job-42-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, verhinderd, achtergehouden en afgekeerd worden, dat het niet zou worden uitgevoerd. Vergelijk Gen. 11:6 , en de aantekening. Genesis 11:6 : En YHWH zei: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?
[^job-42-3-a]: Verwijzing a: Job 38:2 . Job 38:2 : Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
[^job-42-3-3]: Kanttekening 3: zegt U, : Dit had God gesproken, Job 38:2 , waarmee Job zich nu beschuldigd en overtuigd vindt. Job 38:2 : Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
[^job-42-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk, van God.
[^job-42-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, verduisterd, gelijk boven, Job 38:2 . Zie de aantekening daar. Job 38:2 : Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
[^job-42-3-b]: Verwijzing b: Ps. 40:6 ; Ps. 131:1 ; Ps. 139:6 . Psalmen 40:6 : U, o YHWH, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen. Psalmen 131:1 : Een lied Hammaäloth, van David. O YHWH! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Psalmen 139:6 : De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
[^job-42-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, wonderen boven mij; dat is, die meerdere waren dan ik begrijpen kon. Zo Ps. 131:1 . Zie gelijke manier van spreken Deut. 17:8 , en Deut. 30:11 , en vergelijk de aantekening. Psalmen 131:1 : Een lied Hammaäloth, van David. O YHWH! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Deuteronomium 17:8 : Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u u opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; Deuteronomium 30:11 : Want ditzelfde gebod, dat ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre.
[^job-42-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, bidden, om van U onderwezen te worden in wat mij te hoog gaat. Spreken voor bidden. Vergelijk 1 Sam. 1:13 . 1 Samuël 1:13 : Want Hanna sprak in haar hart; alleen roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.
[^job-42-4-8]: Kanttekening 8: ik zal U vragen: Job ziet op wat God tot hem gesproken had, boven, Job 38:3 , en Job 40:2 . Hij wil zeggen dat God van hem niet kon, noch behoefde onderricht te zijn over zijn diepe oordelen en machtige werken, maar dat hij wel van God begeerde en verwachtte door zijn Geest onderwezen te worden. Job 38:3 : Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. Job 40:2 : Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
[^job-42-5-9]: Kanttekening 9: Met het gehoor: Dat is, de kennis, die ik van uw majesteit tevoren gehad heb, door middel van het gehoor, dat is door de verhalen en onderwijzingen, is weinig ten aanzien van de verlichting, die ik nu door uw zichtbare verschijning en tegenwoordige aanspraak van uw goddelijke wijsheid, macht, oordelen en werken ontvangen heb.
[^job-42-5-10]: Kanttekening 10: Te weten, niet in uw goddelijk wezen, maar in het teken van uw openbaring; waarvan zie boven, Job 38:1 , en Job 40:1 . Vergelijk Gen. 32:30 ; Num. 12:8 , en Num. 14:14 ; 1 Kon. 22:19 , en zie de aantekening. Job 38:1 : Daarna antwoordde YHWH Job uit een onweer, en zei: Job 40:1 : En YHWH antwoordde Job uit een onweer, en zei: Genesis 32:30 : En Jakob noemde de naam dier plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. Numeri 12:8 : Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van YHWH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat overdag, en in een vuurkolom 's nachts. 1 Koningen 22:19 : Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al de hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
[^job-42-6-11]: Kanttekening 11: Over wat ik tevoren door ongeduldigheid en het gevoel van mijn zwaar lijden onvoorzichtelijk voortgebracht heb.
[^job-42-6-12]: Kanttekening 12: in stof en as: Zie boven, Job 2:8 , en vergelijk 2 Sam. 12:16 . Job 2:8 : En hij nam zich een potscherf, om zich daarmee te schrabben, en hij zat neder in het midden van de as. 2 Samuël 12:16 : En David zocht God voor dat jongetje; en David vastte een vasten, en ging in, en lag de nacht over op de aarde.
[^job-42-7-13]: Kanttekening 13: twee vrienden: Namelijk, Bildad de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; zie boven, Job 2:11 . Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^job-42-7-14]: Kanttekening 14: Het Hebreeuwse woord אֵלֶּה, el is ook voor van genomen, Gen. 20:2 ; 2 Kon. 19:32 , en onder, vers 8 ; Ps. 59:18 . Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. 2 Koningen 19:32 : Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. Job 42:8 : Daarom neemt nu voor u zeven varren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. Psalmen 59:18 : Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God van mijn goedertierenheid.
[^job-42-7-15]: Kanttekening 15: gelijk Mijn knecht Job: Job wordt niet geheel ontschuldigd, maar zijn vergrijping wordt minder gemaakt dan van zijn vrienden. Want deze hebben meest gezondigd door een onverstandig oordeel van Gods straffen en zegeningen, en ook door onmin en wreedheid tegen Job, hem als een huichelaar veroordelende en leugens tegen hem verdichtende, in plaats van hem te vertroosten; maar Job heeft meest misdaan door menselijke zwakheid en ongeduldigheid, zijnde daartoe gekomen door de verkeerde oordelen en schampere aanspraken van zijn vrienden.
[^job-42-8-16]: Kanttekening 16: offert brandoffer: Te weten, door de hand van Job.
[^job-42-8-17]: Kanttekening 17: want zekerlijk: De Hebreeuws, עִמָּ, e woorden chi im zijn zo genomen Spr. 23:18 . Spreuken 23:18 : Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
[^job-42-8-18]: Kanttekening 18: Ik zal zijn aangezicht aannemen: Dat is, hem uit genade gunstig zijn en zijn gebed verhoren. Zie Gen. 19:21 ; aldus is deze manier van spreken in het goede genomen; maar in het kwade genomen zijnde, betekent zij de persoon van iemand aanzien uit een blinde en onrechtvaardige gunst. Zie Lev. 19:15 , en de aantekening. Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^job-42-8-19]: Kanttekening 19: opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid: Sommigen zetten het aldus over: opdat ik geen dwaasheid aan u doe . Dat is, straf van de dwaasheid, gelijk elders zonde en ongerechtigheid voor straf van die genomen wordt.
[^job-42-8-20]: Kanttekening 20: gelijk Mijn knecht Job: Zie vers 7 . Job 42:7 : Het geschiedde nu, nadat YHWH die woorden tot Job gesproken had, dat YHWH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
[^job-42-9-21]: Kanttekening 21: Zie vers 8 . Job 42:8 : Daarom neemt nu voor u zeven varren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
[^job-42-10-22]: Kanttekening 22: de gevangenis van Job: Versta hiermee het geweld van de satan, die Job als gevangen hield om hem te plagen in zijn goed, boven, Job 1:12 , in zijn kinderen, Job 1:18 , in zijn lichaam, boven, Job 2:6 , en in de versmaadheid, die hem zijn vrouw, zijn vrienden en anderen aandeden, boven, Job 2:9 , en Job 19:13 , 19:14 , enz., en Job 30:1 , enz. Vergelijk boven, Job 36:8 , en de aantekening. Job 1:12 : En YHWH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van YHWH. Job 1:18 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uw zonen en uw dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hun broer, de eerstgeborene; Job 2:6 : En YHWH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar verschoon zijn leven. Job 2:9 : Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf. Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Job 19:14 : Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie ik de vaders versmaad zou hebben, om bij de honden van mijn kudde te stellen. Job 36:8 : En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende;
[^job-42-10-23]: Kanttekening 23: zijn vrienden: Hebreeuws, zijn vriend. Een enkelvoudig getal voor een veelvoudig, gelijk af te nemen is boven uit vers 8 . Job 42:8 : Daarom neemt nu voor u zeven varren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
[^job-42-10-24]: Kanttekening 24: Vergelijk zijn eerste rijkdom, waarvan te zien is boven, Job 1:3 , met zijn laatsten, waarvan te zien is onder, vers 12 . Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. Job 42:12 : En YHWH zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
[^job-42-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, bloedvrienden en die hem in familie bestonden. Zie Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van de broers van mijn heer.
[^job-42-11-26]: Kanttekening 26: die hem te voren: Dat is, zijn goede bekenden, met wie hij gemeenzaamlijk tot onderhouding van goede vriendschap verkeerd had.
[^job-42-11-27]: Kanttekening 27: aten brood: Zie Gen. 31:54 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^job-42-11-28]: Kanttekening 28: Zie boven, Job 2:11 . Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^job-42-11-29]: Kanttekening 29: Versta, het kwaad van de straf en kastijding. Zie Gen. 19:19 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^job-42-11-30]: Kanttekening 30: stuk gelds: Zie Gen. 33:19 . Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
[^job-42-11-31]: Kanttekening 31: gouden voorhoofdsiersel: Anders, een gouden oorring. Zie Gen. 24:22 . Genesis 24:22 : En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds.
[^job-42-12-32]: Kanttekening 32: Te weten, het laatste zijns levens.
[^job-42-12-33]: Kanttekening 33: Zie boven, Job 1:2 , enz. Job 1:2 : En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren.
[^job-42-14-34]: Kanttekening 34: Deze eerste heeft haar naam van de dag, uit oorzaak \[zo enige menen\] van de klaarte van haar schoonheid.
[^job-42-14-35]: Kanttekening 35: Zo genaamd van de specerij, geheten kassie, welke een zeer lieflijken en aangenamen reuk heeft. Zie van deze specerij Ps. 45:9 . Psalmen 45:9 : Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
[^job-42-14-36]: Kanttekening 36: Dit betekent zoveel als een hoorn van blanketsel . Men meent dat zij zo blinkende was alsof zij met overvloed van blanketsel was overstreken geweest.
[^job-42-15-37]: Kanttekening 37: gaf haar: Hebreeuws, יִּתֵּן, gaf hun. Zo in het volgende; zijnde het mannelijk geslacht gesteld voor het vrouwelijke. Zo Ex. 1:21 , enz. Exodus 1:21 : En het geschiedde, omdat de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.
[^job-42-16-38]: Kanttekening 38: na deze: Versta, na deze zware bezoeking.
[^job-42-17-39]: Kanttekening 39: Vergelijk Gen. 25:8 , en de aantekening. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.

## Psalmen

### Psalmen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/1.json)

*Beschrijving van de wandel en de gelukzaligheid van de vromen, en daartegenover van de aard en de ellendige staat van de goddelozen.*

**1** [^psalmen-1-1-1] Welgelukzalig is de[^psalmen-1-1-2] man,[^psalmen-1-1-a] die niet wandelt[^psalmen-1-1-3] in de raad van[^psalmen-1-1-4] de goddelozen, noch staat op de[^psalmen-1-1-5] weg van[^psalmen-1-1-6] de zondaren, noch zit in[^psalmen-1-1-7] het gestoelte van de spotters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v1)

**2** [^psalmen-1-2-b] Maar zijn lust is in de wet van YHWH[^psalmen-1-2-8], en hij[^psalmen-1-2-9] overdenkt Zijn wet dag en[^psalmen-1-2-10] nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v2)

**3** Want hij zal zijn als een[^psalmen-1-3-c] boom, geplant aan[^psalmen-1-3-11] waterbeken, die zijn vrucht geeft op[^psalmen-1-3-12] zijn tijd, en wiens[^psalmen-1-3-13] blad niet afvalt; en al wat[^psalmen-1-3-14] hij doet, zal wel[^psalmen-1-3-15] gelukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v3)

**4** [^psalmen-1-4-16] Zo zijn de goddelozen niet, maar als[^psalmen-1-4-d] het kaf, dat de wind wegblaast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v4)

**5** Daarom zullen de goddelozen niet[^psalmen-1-5-17] bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v5)

**6** Want YHWH[^psalmen-1-6-18] kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/1.html#v6)

[^psalmen-1-1-1]: Kanttekening 1: Dit woord drukt een innige, volledige gelukzaligheid uit, niet slechts uiterlijk geluk. Vergelijk Psalm 32:1, 2.
[^psalmen-1-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen, een ieder mens, man of vrouw.
[^psalmen-1-1-a]: Verwijzing a: Ps. 26:4. Spr. 1:10, 15. en 4:14, 15. 1 Kor. 15:33. Ef. 5:11.
[^psalmen-1-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen, de goddelozen, die God niet vrezen.
[^psalmen-1-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen, de levenswandel van de zondaars.
[^psalmen-1-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen, degenen die God en zijn dienst bespotten en belasteren.
[^psalmen-1-1-6]: Kanttekening 6: Die haar werk maken van’t zondigen, in welke de zonde teenemaal is heerschende: zo ook vers 5. en Ps. 26:9. en 104:35. Eccl. 2:26. en 9:2. Jes. 65:20. Mat. 26:45. Rom. 5:8. Zie ook 1 Sam.15. op vers 18.
[^psalmen-1-1-7]: Kanttekening 7: Ofte, setel, sitplaatse, (als Ps. 107:32.) daar zij ’tsamen zijn, om, als verstockte en overgegevene booswichten, met alles wat Godtlijk is, haar spotterye te drijven.
[^psalmen-1-2-b]: Verwijzing b: Deut. 6:6, etc. en 17:19. Joz. 1:8. Ps. 119:1, etc.
[^psalmen-1-2-8]: Kanttekening 8: Ofte, leer: want door dit woord wordt elders, en doorgaans in dit boek verstaan de gehele leer van Gods beschreven woord, of van de H. Schriftuur.
[^psalmen-1-2-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: eigenlijk zal overdenken, of, betrachten, of, spreken. Namelijk met hart en monde. en zo in’t volg. deze verwisseling van tijden is zeer gemeen bij de Hebreen, (Zoals in’t voorgaande vers Hebreeuws: eigenlijk heeft gewandelt, gestaan, gezeten.) wy gebruiken ook wel in onze tale gelijkke manier van spreken: een vroom man zal zulks niet doen, de goddeloze zal zo en zo doen: een goede boom zal zijn vrucht brengen te zijn tijt. Dat wil zeggen: een vroom man doet zulks niet, pleecht zo niet te doen. een goddeloze daarentegen doet zo, pleecht zo te doen, etc.
[^psalmen-1-2-10]: Kanttekening 10: Als hij ontwaakt, of om daarom wille zijn slaap breekt. Vergelijk Ps. 16:7. en 17:3. en 63:7. en 77:7. en 88:2. en 119:55, 62. de betekenis is: steedts, geduerichlijk, doorgaans.
[^psalmen-1-3-c]: Verwijzing c: Jer. 17:8.
[^psalmen-1-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: eigenlijk, waterscheydingen, of, verdelingen van de wateren, dat is, stroomen, armen, hier en daar heen vliedende. Vergelijk Ps. 46:5. Spr. 5:16.
[^psalmen-1-3-12]: Kanttekening 12: Dat is, ter rechter tijt, in zijn saisoen. Zo ook Lev. 26:4. Ps. 104:27. en 145:15. Jer. 5. vers 24.
[^psalmen-1-3-13]: Kanttekening 13: Ofte, loof. het afvallen van de bladeren is vergeselschapt met het verwelkken, daarom zetten ’t sommigen over, verwelckt niet. Vergelijk Jes. 34:4.
[^psalmen-1-3-14]: Kanttekening 14: De rechtvaardige, die bij die boom vergeleken is.
[^psalmen-1-3-15]: Kanttekening 15: Ofte, bestaan, gedyen: of, \[daar in\] zal hij voorspoedich zijn. Vergelijk Gen. 39:2. 2 Kron. 31:21. en 32:30. en zie Rom. 8:28. Sommige duiden dit op de boom, bij welke de rechtvaardige wordt vergeleken, zo: al wat hij voortbrengt (Hebreeuws: maakt, of, doet) zal wel gedyen: om dat het Hebreeuwse woord, maken, van’t voort-brengen van de vruchten elders gebruikt wordt. Zie Jes. 5. op versen 4, 10. Jer. 12. op vers 2. en 17. op vers 8. en vergelijk Matt. 3:8, 10.
[^psalmen-1-4-16]: Kanttekening 16: Namelijk als zulk een boom, als de rechtvaardige.
[^psalmen-1-4-d]: Verwijzing d: Job 21:18. Ps. 35:5. Jes. 17:13. en 29:5. Hos. 13:3.
[^psalmen-1-5-17]: Kanttekening 17: Maar vallen, in de tijd als God zijn oordelen in de wereld over de goddeloze uit-voert, maar insonderheid als zij van de Sone Gods verdoemt en ter hellen verwesen zullen worden: de vergadering van de rechtveerdigen daar en tegen, zal voor God bestaan, en ten laatsten ingaan in de eeuwige heerlickheid. Zie Matt. 25:41, 46, etc.
[^psalmen-1-6-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: bemint, heefter behagen in, kent voor goed, draechter zorg voor. Vergelijckt Gen. 18. op vers 19. Deut. 2:7. Ps. 31:8. en 101:4. Nah. 1:7. Mat. 7:23. en 25:12. 1 Thess. 5:12.

### Psalmen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/2.json)

*Profetie van het Koninkrijk van de Messias, onze Heere Jezus Christus, met een ernstig bevel aan de koningen en regeerders van de aarde, dat zij zich aan deze Koning met gehoorzaamheid zullen onderwerpen.*

**1** [^psalmen-2-1-a] Waarom[^psalmen-2-1-1] woeden de[^psalmen-2-1-2] heidenen, en bedenken de volken[^psalmen-2-1-3] zinloosheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v1)

**2** De koningen van de aarde stellen zich op, en de[^psalmen-2-2-4] vorsten beraadslagen samen tegen YHWH, en tegen Zijn[^psalmen-2-2-5] Gezalfde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v2)

**3** Laat ons[^psalmen-2-3-6] hun banden[^psalmen-2-3-7] verscheuren, en hun touwen van ons werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v3)

**4** Die in de hemel[^psalmen-2-4-8] woont, zal[^psalmen-2-4-9] lachen; YHWH zal hen bespotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v4)

**5** [^psalmen-2-5-10] Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn[^psalmen-2-5-11] woede zal Hij hen verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v5)

**6** [^psalmen-2-6-12] Ik toch heb Mijn Koning[^psalmen-2-6-13] gezalfd over Sion, de[^psalmen-2-6-14] berg Van mijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v6)

**7** [^psalmen-2-7-15] Ik zal[^psalmen-2-7-16] van het[^psalmen-2-7-17] besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd:[^psalmen-2-7-b] U bent Mijn Zoon,[^psalmen-2-7-18] vandaag heb Ik U gegenereerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v7)

**8** [^psalmen-2-8-19] Eis van Mij,[^psalmen-2-8-c] en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de[^psalmen-2-8-20] einden van de aarde tot Uw bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v8)

**9** [^psalmen-2-9-d] U zult hen verpletteren met een ijzeren[^psalmen-2-9-21] scepter; U zult[^psalmen-2-9-22] hen in stukken slaan als een[^psalmen-2-9-23] pottenbakkersvat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v9)

**10** Nu dan, u koningen, handelt verstandig; laat u[^psalmen-2-10-24] tuchtigen, u rechters van de aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v10)

**11** Dien YHWH met[^psalmen-2-11-25] vrees, en[^psalmen-2-11-26] verheugt u met beving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v11)

**12** [^psalmen-2-12-27] Kus de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de[^psalmen-2-12-28] weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar[^psalmen-2-12-29] een weinig zou ontbranden.[^psalmen-2-12-e] Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/2.html#v12)

[^psalmen-2-1-a]: Verwijzing a: Hand. 4:25.
[^psalmen-2-1-1]: Kanttekening 1: Dit psalm is een profetie over Christus en zijn koninkrijk. Vergelijk Handelingen 4:25, 26.
[^psalmen-2-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, גוֹיִם: volken, naties, dat wil zeggen de heidenen.
[^psalmen-2-1-3]: Kanttekening 3: Vergeefsche aanslagen, waarmee zij de raadt Gods niet konnen breken, en haar zelf in perijckel van verderf brengen.
[^psalmen-2-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen, de Messias, de Christus. Dit slaat op Christus, Gods eigen Zoon. Vergelijk Psalm 45:8.
[^psalmen-2-2-5]: Kanttekening 5: Ofte, Messiam, namelijk de Heer Christus, dat wil zeggen: de Gesalfden, wiens voorbeelt David met zijn salving, en Koninkrijk, geweest is.
[^psalmen-2-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen, de wetten en geboden van God en zijn Christus.
[^psalmen-2-3-7]: Kanttekening 7: Ofte, af-trekken, af-rukken: zo ook Jer. 5:5.
[^psalmen-2-4-8]: Kanttekening 8: Ofte, sitt, als Richter. Zie Ps. 9:8, 9. en 29:10. en 55:20.
[^psalmen-2-4-9]: Kanttekening 9: Menselijk van God gesproken, om te verklaren, hoe nietich de raatslagen en ’tgewoel van de vijanden Christus bij God geacht zijn. Zie Joh. 5:22.
[^psalmen-2-5-10]: Kanttekening 10: Als zij haar raatslagen tegen Christus te werk stellen, zal hij haar zijn toorn zo ook door plagen te verstaan geven en doen gevoelen, alsof hij t’elckens haar toeseyde, dat hij swaarlijk op haar vertoornt is.
[^psalmen-2-5-11]: Kanttekening 11: Ofte brandende toorn.
[^psalmen-2-6-12]: Kanttekening 12: Dit zijn de woorden van God van de Vader, van zijn Sone Jezus Christus.
[^psalmen-2-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: eigenlijk overgoten, namelijk, met olie, dat is, gesalft.
[^psalmen-2-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: mijn heiligen berch, of, daar ik (die de heiligheid zelf ben) woone: namelijk, mijn kerk, afgebeeld door de berch Zion, daar de Arke van de Heer, en Davids Conincklikke slot geweest zijn, en naderhant daar besijden op de berch Morija de Tempel met de Godsdienst. Zie Jes. 60:14. Hebr. 12:22. Openb. 14:1.
[^psalmen-2-7-15]: Kanttekening 15: Dit zijn woorden van Gods Sone.
[^psalmen-2-7-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeusch woordeken, el, wordt soms voor van, genomen. Zie Job 42. op vers 7. als ofmen zei: wat dit betreft of dat: dat is, van deze of die zaak. Zie ook Ps. 59. op vers 18. Anders: ik zal het besluit, of gebot, of na het gebot. (namelijk my van de Vader gegeven) verhalen, of, vertellen.
[^psalmen-2-7-17]: Kanttekening 17: Ofte, insetting, ordinantie, die de Vader gemaakt heeft over my, als zijn enige eeuwigen Sone: Zoals terstont in’t volgende verhaalt wordt: als een fondament, waar op God hem tot een hoofd en Heer over zijn kerk gesteld heeft. zie van dit besluit, versen 6, 8, etc. Vergelijk Fil. 2:6. 9, etc. Colos. 1:15, 16, 17, 18.
[^psalmen-2-7-b]: Verwijzing b: Act. 13:33. Hebreeuws: 1:5. en 5:5.
[^psalmen-2-7-18]: Kanttekening 18: Dit moetmen verstaan van de eeuwige, onbegrijpelikke, Godtlikke geboorte van de Zoon van de Vader. Zie Hebr. 1:5. Van de welke de waarheid op verschillende wijsen in de ouden, en insonderheid in de Nieuwen Testamente is geopenbaard, bijzonderlijk door de opstanding uit de doden. zie Hand. 13:32, 33. Rom. 1:4.
[^psalmen-2-8-19]: Kanttekening 19: Zie Ioh. 12:28. en 17. Hebr. 5:7, 9.
[^psalmen-2-8-c]: Verwijzing c: Ps. 22:28. en 72:8.
[^psalmen-2-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: niet alleen de Joden, maar ook alle inwoonders van de aardrijcks, zullen u Koninkrijk onderworpen zijn: waar van u de gelovige zult behouden, de hartneckige handelen, als volgt. aangaande de manier van spreken hier gebruikt, vergelijk Lev. 25:46. Jes. 14:2. Sef. 2:9.
[^psalmen-2-9-d]: Verwijzing d: Openb. 2:27. en 19:15.
[^psalmen-2-9-21]: Kanttekening 21: Ofte, staf. dat is, met uw Godtlikke macht en rechtvaardige oordelen zult u de ongehoorsame en opstandige verdoen.
[^psalmen-2-9-22]: Kanttekening 22: Zo ook, dat de stukken hier en daar verstrooid worden. Zie Richt. 7. op vers 20. en vergelijk Jes. 30:14. Jer. 13:13, etc.
[^psalmen-2-9-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: eens formeerders, dat is, pottebackers.
[^psalmen-2-10-24]: Kanttekening 24: Ofte, onderwijzen, onderrichten. Zie van het Hebreeuws: woord, Spr. 7. op vers 22.
[^psalmen-2-11-25]: Kanttekening 25: Met kinderlikke vrees, eerende en ontsiende de Heer, Zoals goede kinderen haar goede vader doen.
[^psalmen-2-11-26]: Kanttekening 26: Over de grote zaligheid, die u van de grote en zeer genadigen God, tegen alle uw verdiensten, wordt voorgedragen, om door geloof te genieten in zijn eenich geboren Sone, wiens verachters schrickelijk zullen omkomen. Vergelijk Hos. 11:10, 11. Fil. 2:12.
[^psalmen-2-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: eert hem als mijn eeuwigen Sone, en neemt hem voor uw Koning aan, gelooft in hem, weest hem onderdanich. Vergelijk Gen. 41. op vers 40. en 1 Sam. 10:1.
[^psalmen-2-12-28]: Kanttekening 28: Ofte; onderweegs, dat is, in’t midden van u gewoel en ongehoorzaamheid.
[^psalmen-2-12-29]: Kanttekening 29: Ofte, haastig, een korte tijt: Zie 2 Kron. 12:7. Ps. 81:15. Jes. 26:20. Anders: want zijn toorn in korte zal ontbranden.
[^psalmen-2-12-e]: Verwijzing e: Ps. 34:9. Spr. 16:20. Jes. 30:18. Jer. 17:7. Rom. 9:33. en 10:11. 1 Petr. 2:6.

### Psalmen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/3.json)

*David klaagt over de menigte en de aanmatiging van zijn vijanden; troost en sterkt zich daartegen door zijn vertrouwen en gerustheid in God, en veelvuldige ondervinding van Zijn genadige bijstand in het verleden, en bidt om zijn en de Kerks behoudenis.*

**1** Een psalm van David, als hij[^psalmen-3-1-a] vluchtte voor het aangezicht van zijn zoon Absalom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v1)

**2** O YHWH! hoe zijn mijn tegenstanders[^psalmen-3-2-1] vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v2)

**3** Velen zeggen[^psalmen-3-3-2] van mijn ziel: Hij heeft[^psalmen-3-3-3] geen heil bij God.[^psalmen-3-3-4] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v3)

**4** Maar U, YHWH! bent een Schild[^psalmen-3-4-5] voor mij, mijn[^psalmen-3-4-6] eer, en Die mijn hoofd[^psalmen-3-4-7] opheft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v4)

**5** Ik riep met mijn stem tot YHWH, en Hij verhoorde mij van de berg van Zijn[^psalmen-3-5-8] heiligheid. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v5)

**6** [^psalmen-3-6-b] Ik[^psalmen-3-6-9] lag neer en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v6)

**7** [^psalmen-3-7-c] Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v7)

**8** [^psalmen-3-8-10] Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt[^psalmen-3-8-11] al mijn vijanden op de kaak geslagen; de[^psalmen-3-8-12] tanden van de goddelozen hebt U verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v8)

**9** [^psalmen-3-9-d] Het heil is[^psalmen-3-9-13] van YHWH; Uw zegen[^psalmen-3-9-14] is over Uw volk. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/3.html#v9)

[^psalmen-3-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. capp. 15. 16. 17. 18.
[^psalmen-3-2-1]: Kanttekening 1: Want meest alle stammen Absalom byvielen. zie 2 Sam. 15:10, 11, 12. en 17:11, 13, 24, etc.
[^psalmen-3-3-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: van my, van mijn persoon. Zie Gen. 12. op vers 5. Anders: tot mijn ziel.
[^psalmen-3-3-3]: Kanttekening 3: Het Hebreeuwse woord יְֽשׁוּעָתָ, dat heyl of behoudenis betekend, heeft hier een letter meer als ordinaris, het welke sommige houden te strekken tot vermeerdering, of uitbreyding, en settent over, geheel geen heyl.
[^psalmen-3-3-4]: Kanttekening 4: Dit zijn de woorden van Davids vijanden, die meenden dat God hem had verlaten. Vergelijk 2 Samuël 16:7, 8.
[^psalmen-3-4-5]: Kanttekening 5: Ofte, om my heen, omtrent my. Dat wil zeggen: mijn beschermer, van wat zijden de vijanden my mogen bestrijden. Zie Gen. 15:1. Deut. 33:29. Ps. 84:12.
[^psalmen-3-4-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen, beschermer, verdediger. Vergelijk Psalm 84:12.
[^psalmen-3-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen, mijn roem en glorie, die ik van u ontvang.
[^psalmen-3-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen, Sion, waar de ark stond en God zijn bijzondere aanwezigheid toonde.
[^psalmen-3-6-b]: Verwijzing b: Ps. 4:9.
[^psalmen-3-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen, hij houdt mij staande en veilig.
[^psalmen-3-7-c]: Verwijzing c: Ps. 27:3.
[^psalmen-3-8-10]: Kanttekening 10: Menselijk van God gesproken: gelijckmen tot mensen, die stil zitten, en de hant niet aan’t werk slaan, pleecht te zeggen, Staat op, aenvaart het werk: Zo ook bidt David, dat God het werk zijn verlossing bij de hant neme.
[^psalmen-3-8-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen, u treft en verslaat hen. Vergelijk Psalm 58:7.
[^psalmen-3-8-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen, u beneemt hen hun kracht om schade te berokkenen, zoals een leeuw zonder tanden machteloos is.
[^psalmen-3-9-d]: Verwijzing d: Spr. 21:31. Jes. 43:11. Jer. 2:23. Hos. 13:4. Openb. 7:10. en 19:1.
[^psalmen-3-9-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen, alle heil en verlossing komt alleen van God.
[^psalmen-3-9-14]: Kanttekening 14: Anders: zy.

### Psalmen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/4.json)

*David bidt om genadige verhoring, bestraft zijn vijanden en vermaant hen tot bekering; hij is verheugd, getroost en gerust in Gods genade.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-4-1-1] opperzangmeester, op[^psalmen-4-1-2] de Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v1)

**2** Als ik[^psalmen-4-2-3] roep, verhoor mij, o God van mijn[^psalmen-4-2-4] gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v2)

**3** [^psalmen-4-3-5] U, mannen, hoe lang zal mijn[^psalmen-4-3-6] eer tot schande zijn? Hoe lang zult u van de zinloosheid houden, de[^psalmen-4-3-7] leugen zoeken?[^psalmen-4-3-8] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v3)

**4** Weet toch, dat YHWH Zich een[^psalmen-4-4-9] gunstgenoot[^psalmen-4-4-10] heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v4)

**5** [^psalmen-4-5-11][^psalmen-4-5-a] Wees beroerd, en zondigt niet;[^psalmen-4-5-12] spreek in uw hart op uw bed, en[^psalmen-4-5-13] wees stil. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v5)

**6** Offer[^psalmen-4-6-14][^psalmen-4-6-b] offergaven van de gerechtigheid, en vertrouwt op YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v6)

**7** Velen zeggen:[^psalmen-4-7-15] Wie zal ons het goede doen[^psalmen-4-7-16] zien?[^psalmen-4-7-17] Verhef U over ons het[^psalmen-4-7-18] licht van Uw aangezicht, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v7)

**8** [^psalmen-4-8-19] U hebt[^psalmen-4-8-20] vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun nieuwe wijn vermenigvuldigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v8)

**9** [^psalmen-4-9-c] Ik zal in[^psalmen-4-9-21] vrede samen neerliggen en slapen;[^psalmen-4-9-22] want U, o YHWH! alleen zult mij[^psalmen-4-9-d] doen zeker wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/4.html#v9)

[^psalmen-4-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, die de opperzangmeester gegeven werd, om die in het huis van de Heer te doen spelen en zingen. Het Hebr. woord overwinnaar, en verder aandrijver, voortdrijver, die anderen, onder zijn opzicht gesteld zijnde, in kloekheid overwint of teboven gaat, en het werk aandrijft totdat het als overwonnen en ten einde gebracht is; en vervolgens in zake van gezang, een meester, opziener, voorganger van de zangers en speellieden. Verg. Ps. 13:1 , en zie 2 Kron. 2:2 , 2:18 , 2 Kron. 34:12 , 34:13 ; Ezra 3:8 , 3:9 . Wat betreft deze ordinantie in de muziek van de godsdienst, zie 1 Kron. 6:31 , enz., en 1 Kron. 15:16 , 15:17 , enz., en 1 Kron. 16:4 , 16:5 , 16:7 , en 1 Kron. 25:1 , 25:2 , enz. Psalmen 13:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Kronieken 2:2 : En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; en ook drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelfde. 2 Kronieken 2:18 : En hij maakte uit dezelfde zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, en ook drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden. 2 Kronieken 34:12 : En die mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelfde waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek. 2 Kronieken 34:13 : Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en ambtlieden, en poortwachters. Ezra 3:8 : In het tweede jaar nu van hun aankomst in het huis van God te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige van hun broers, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van het huis van YHWH. Ezra 3:9 : Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broers, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis van God, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broers, de Levieten. 1 Kronieken 6:31 : Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van YHWH, nadat de ark tot rust gekomen was. 1 Kronieken 15:16 : En David zei tot de oversten van de Levieten, dat zij hun broers, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap. 1 Kronieken 15:17 : Zo stelden dan de Levieten Heman, de zoon van Joël, en uit zijn broers Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broers, Ethan, de zoon van Kusaja; 1 Kronieken 16:4 : En hij stelde voor de ark van YHWH sommigen uit de Levieten tot dienaren, en dat, om YHWH, de God van Israël, te vermelden, en te loven, en te prijzen. 1 Kronieken 16:5 : Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem; Jeiël, en Semiramoth, en Jehiël, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeiël, met instrumenten van de luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen; 1 Kronieken 16:7 : Te dienzelven dage gaf David ten eerste deze psalm, om YHWH te loven, door de dienst van Asaf, en zijn broers. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het heir, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde.
[^psalmen-4-1-2]: Kanttekening 2: op de Neginoth: Of, in, met Neginoth. Hierdoor verstaan sommigen het snarenspel, of de instumenten van muziek, waarop met vingers gegrepen, geslagen of gespeeld werd, gelijk bij ons zijn luiten, harpen, cithers, vedelen, clavecimbalen, enz. Anderen houden het voor zekeren toon van de muziek.
[^psalmen-4-2-3]: Kanttekening 3: Te weten, tot U, gelijk Ps. 1:4 , dat is, vuriglijk bid. Zie Job 36:13 ; telkens. Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Job 36:13 : En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
[^psalmen-4-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, die mijn rechtvaardige zaak voorstaat.
[^psalmen-4-3-5]: Kanttekening 5: U, mannen: Hebr., אִישׁ, mans zonen, of mans kinderen, Zo worden de grote of aanzienlijke mensen en heren genoemd, gelijk de gemene, onaanzienlijke mensen kinderen, of zonen van de mensen, in tegenstelling genoemd worden; Ps. 49:3 , Ps. 62:10 ; Spr. 8:4 . Verg. ook Jes. 2:9 . Psalmen 49:3 : Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm! Psalmen 62:10 : Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid. Spreuken 8:4 : Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. Jesaja 2:9 : Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult U het hun niet vergeven.
[^psalmen-4-3-6]: Kanttekening 6: eer tot schande zijn: Dat mij God door Samuël tot een koning heeft doen zalven.
[^psalmen-4-3-7]: Kanttekening 7: Om mij met valse beschuldiging te bezwaren, of, u daarop verlaten, waarmee u bedrogen zult uitkomen, dat toch falen en u bedriegen zal. In zulk een zin kan het Hebreeuwse woord ook bekwamelijk worden genomen, uit vergelijking van 2 Kon. 4:16 ; Job 40:28 ; Ps. 89:36 ; Jes. 58:11 . Verg. verder Ps. 7:15 , en Ps. 60:13 . 2 Koningen 4:16 : En hij zei: Op deze gezetten tijd, omtrent deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet. Job 40:28 : Zie, zijn hoop zal falen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Jesaja 58:11 : En YHWH zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken. Psalmen 7:15 : Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. Psalmen 60:13 : Geef U ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid.
[^psalmen-4-3-8]: Kanttekening 8: Zie van dit woord Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-4-4-9]: Kanttekening 9: Te weten, mij, die God onverdiende goedertierenheid, gunst en weldadigheid bewijst, welke ik genietende en gevoelende, ook van hart genegen ben anderen gunst en we\`ldadigheid te bewijzen, zelfs mijn haters, naar de aard en plicht van de kinderen van God. Zie Matt. 5:44 , 5:45 ; 1 Joh. 4:11 , en verder van het Hebr. woord אֵלָֽי, zie 2 Kron. 6:41 . Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Mattheüs 5:45 : Opdat u mag kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemel is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 1 Johannes 4:11 : Geliefden, als God ons zo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkaar lief te hebben. 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^psalmen-4-4-10]: Kanttekening 10: heeft afgezonderd: Te weten, tot het koninkrijk. Het Hebr. woord אֵלָֽי, heeft betekenis van wonderlijk handelen en ook afzonderen. Waarom sommigen het overzetten: wonderlijk afgezonderd. Zie Ex. 9:4 , en Ex. 11:7 , en Ex. 33:16 ; idem Ps. 17:7 , enz. Exodus 9:4 : En YHWH zal een afzondering maken tussen het vee van de Israëlieten, en tussen het vee van de Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen van Israël is. Exodus 11:7 : Maar bij alle kinderen van Israël zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat u weet, dat YHWH tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt. Exodus 33:16 : Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat U met ons gaat? Zo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is. Psalmen 17:7 : Maak Uw weldadigheden wonderbaar, U, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
[^psalmen-4-5-11]: Kanttekening 11: Zijt beroerd: Alsof hij zei: Zo u u vertoornt of onstelt, òf over mijn verkiezing tot het koninkrijk, òf dat de zaken in het land kwalijk gaan, vergrijpt u daarom niet tegen mij, maar bekeert u en verzoent u met God; of, zijt beroerd; te weten door vrees van Gods zwaren toorn, die u op u laadt, en vaart niet voort in het zondigen.
[^psalmen-4-5-a]: Verwijzing a: Efez. 4:26 . Efeziërs 4:26 : Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
[^psalmen-4-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, denkt, overpeinst bij uzelven, \[verg. Ps. 14:1 , en Ps. 35:25 ; Matt. 24:48 ; Rom. 10:6 , Openb. 18:7 \], overwegende uw doen, oordelende uzelven. Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Psalmen 35:25 : Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! Mattheüs 24:48 : Maar zo die kwade dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; Romeinen 10:6 : Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen. Openbaring 18:7 : Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
[^psalmen-4-5-13]: Kanttekening 13: zijt stil: Laat af van mij te vervolgen.
[^psalmen-4-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, wettelijke offeranden, vergezelschapt met een oprecht geloof en bekering van de harten. Zo onder Ps. 51:21 . Psalmen 51:21 : Dan zult U lust hebben aan de offeranden van de gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat geheel verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.
[^psalmen-4-6-b]: Verwijzing b: Deut. 33:19 ; Ps. 51:21 . Deuteronomium 33:19 : Zij zullen de volken tot de berg roepen; daar zullen zij offeranden van de gerechtigheid offeren; want zij zullen de overvloed van de zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen van het zand. Psalmen 51:21 : Dan zult U lust hebben aan de offeranden van de gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat geheel verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.
[^psalmen-4-7-15]: Kanttekening 15: Of, och of iemand ons het goede deed zien? een manier van wensen. Zie Deut. 5:29 , alsof zij zeiden: Hoe zullen wij nog eens uit deze onrusten en kwellingen geraken? Of: och mochten wij een vruchtbaar en vredelijk jaar hebben! Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^psalmen-4-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, doen genieten. Zie Job 7:7 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^psalmen-4-7-17]: Kanttekening 17: Verhef U: Alsof de profeet zei: Ik daarentegen zeg: Alles zal wel zijn, als maar U, o God, enz.
[^psalmen-4-7-18]: Kanttekening 18: Zie Num. 6:25 , 6:26 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
[^psalmen-4-8-19]: Kanttekening 19: O God.
[^psalmen-4-8-20]: Kanttekening 20: Geestelijke vreugde, door het licht uws aangezichts, die groter is dan de hunne placht te zijn over een overvloedigen oogst. Verg. Hoogl. 1:2 , 1:4 , en zie de aantekening bij Hos. 9:1 . Hooglied 1:2 : Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Hooglied 1:4 : Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief. Hosea 9:1 : Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want u hoereert van uw God af; u hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van de korens.
[^psalmen-4-9-c]: Verwijzing c: Ps. 3:6 . Psalmen 3:6 : Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunde mij.
[^psalmen-4-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, stilte en gerustheid, niet tegenstaande de aanslagen mijn vervolgers. Zie Ps. 3:6 . Psalmen 3:6 : Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunde mij.
[^psalmen-4-9-22]: Kanttekening 22: want U: Anders: U \[bent\] de Heer alleen; U zult mij zeker doen wonen.
[^psalmen-4-9-d]: Verwijzing d: Lev. 26:5 ; Deut. 12:10 ; Deut. 33:28 . Leviticus 26:5 : En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. Deuteronomium 12:10 : Maar u zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u YHWH, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en u zult zeker wonen. Deuteronomium 33:28 : Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.

### Psalmen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/5.json)

*David bidt en smeekt God angstig om verhoring van zijn aandachtige en vurige gebeden; en zich verzekerend van Gods gerechtigheid tegen zijn vijanden en Zijn goedgunstigheid jegens hem, bidt hij met vertrouwen voor zichzelf, tegen zijn goddeloze vijanden, en voor de gehele Kerk.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-5-1-1] opperzangmeester, op de[^psalmen-5-1-2] Nechiloth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v1)

**2** O YHWH, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v2)

**3** Merk op de stem van mijn geroep, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v3)

**4** [^psalmen-5-4-3] In de morgen, YHWH, zult U mijn stem horen; 's morgens zal ik[^psalmen-5-4-4] mij tot U schikken, en[^psalmen-5-4-5] wacht houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v4)

**5** Want U bent geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid;[^psalmen-5-5-6] de boze zal bij U niet[^psalmen-5-5-7] verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v5)

**6** De[^psalmen-5-6-8] onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v6)

**7** U zult de[^psalmen-5-7-9] leugensprekers verdoen; van de man van[^psalmen-5-7-10] het bloed en van de bedriegerij heeft YHWH een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v7)

**8** Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw[^psalmen-5-8-11] huis ingaan; ik zal mij[^psalmen-5-8-12] buigen naar het[^psalmen-5-8-13] paleis van Uw heiligheid, in Uw[^psalmen-5-8-14] vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v8)

**9** YHWH! Leid mij in Uw[^psalmen-5-9-15] gerechtigheid, vanwege mijn[^psalmen-5-9-16] spionnen; richt Uw[^psalmen-5-9-17] weg voor mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v9)

**10** Want in hun[^psalmen-5-10-18] mond is niets rechts, hun[^psalmen-5-10-19] binnenste is[^psalmen-5-10-20] enkel verderving,[^psalmen-5-10-a] hun[^psalmen-5-10-21] keel is een open graf, met hun tong vleien zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v10)

**11** [^psalmen-5-11-22] Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen[^psalmen-5-11-23] van hun raadslagen;[^psalmen-5-11-24] drijf hen heen om de veelheid van hun[^psalmen-5-11-25] overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v11)

**12** Maar[^psalmen-5-12-26] laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat U[^psalmen-5-12-27] hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v12)

**13** Want U, YHWH, zult de rechtvaardige zegenen; U zult hem met[^psalmen-5-13-28] goedgunstigheid[^psalmen-5-13-29] kronen, als met een groot schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/5.html#v13)

[^psalmen-5-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-5-1-2]: Kanttekening 2: Hierdoor verstaan sommigen zulke instrumenten van muziek, die door de wind of het geblaas geluid gaven, als fluiten, bazuinen, trompetten, en ook klein orgelwerk en orgel, enz. Anderen houden het voor zekeren toon van de muziek.
[^psalmen-5-4-3]: Kanttekening 3: 's Morgens: Verg. Ps. 88:14 , en Ps. 92:3 ; zo wordt ook God gezegd 's morgens \[dat is, vroeg, intijds\] zijn genade te bewijzen, Ps. 90:14 , en Ps. 143:8 ; Klaagl. 3:23 . Psalmen 88:14 : Maar ik, YHWH! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. Psalmen 92:3 : Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten; Psalmen 90:14 : Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Psalmen 143:8 : Doe mij Uw goedertierenheid in de morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op. Klaagliederen 3:23 : Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot.
[^psalmen-5-4-4]: Kanttekening 4: mij : Of, \[mijn woorden, mijn gebed\] voor U in orde stellen; zie Job 32:14 , en Job 33:5 . Job 32:14 : Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden. Job 33:5 : Zo u kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
[^psalmen-5-4-5]: Kanttekening 5: wacht houden: Als een wachter uitzien, of omzien, of uw hulp niet komt; of wachten wat U zult antwoorden. Verg. Ps. 130:6 ; Micha 7:7 ; Hab. 2:1 . Psalmen 130:6 : Mijn ziel wacht op YHWH, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. Micha 7:7 : Maar ik zal uitzien naar YHWH, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen. Habakuk 2:1 : Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
[^psalmen-5-5-6]: Kanttekening 6: de boze: Of, het boze.
[^psalmen-5-5-7]: Kanttekening 7: Gene gemeenschap met U hebben, voor U niet duren, blijven, noch bestaan. Verg. Ps. 34:17 , en Ps. 94:20 . Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. Psalmen 94:20 : Zou zich de stoel van de schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
[^psalmen-5-6-8]: Kanttekening 8: Of, verwaanden, pochachtigen, roemredigen, waarop het Hebr. woord eigenlijk schijnt te slaan, maar wordt verder in het algemeen genomen voor dwazen, onzinnigen, razenden, die de ware wijsheid niet hebben, maar als razende en zinneloze mensen, in alle ijdelheid en zonden zich wentelen, roemen en verlustigen. Zie Ps. 73:3 , en Ps. 75:5 , en Ps. 102:9 ; Pred. 2:2 , 2:12 , en Pred. 7:9 , en Pred. 10:13 ; Jes. 44:25 ; Jer. 50:38 , enz. Psalmen 73:3 : Want ik was nijdig op de dwazen, ziende van de goddelozen vrede. Psalmen 75:5 : Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt de hoorn niet. Psalmen 102:9 : Mijn vijanden smaden mij al de dag; die tegen mij razen, zweren bij mij. Prediker 2:2 : Tot het lachen zei ik: U bent onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze? Prediker 2:12 : Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die de koning nakomen zal, doen wat al gedaan is? Prediker 7:9 : Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem van de dwazen. Prediker 10:13 : Het begin van de woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid. Jesaja 44:25 : Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast; Jeremia 50:38 : Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.
[^psalmen-5-7-9]: Kanttekening 9: Verg. Ps. 4:3 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^psalmen-5-7-10]: Kanttekening 10: Hebr., דָּמִים, van de bloeden. Zie Gen. 4:10 ; dat is, de bloeddortigen, moorddadigen en bedriegelijken. Verg. 2 Sam. 16:7 , en 2 Sam. 22:49 ; Ps. 18:49 , en Ps. 26:9 , en Ps. 43:1 , en Ps. 55:24 , en Ps. 59:3 , en Ps. 140:2 , 140:5 ; Spr. 3:31 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. 2 Samuël 16:7 : Aldus nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man! 2 Samuël 22:49 : En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van geweld. Psalmen 18:49 : Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van het geweld. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed; Psalmen 43:1 : Doe mij recht, o God! en twist U mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van het bedrog en van de onrechts. Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. Psalmen 59:3 : Red mij van de werkers van de ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen van het bloed. Psalmen 140:2 : Red mij, YHWH! van de kwade mens; behoed mij voor de man van geweld; Psalmen 140:5 : Bewaar mij, YHWH! van de handen van de goddelozen; behoed mij van de man van geweld; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten. Spreuken 3:31 : Zijt niet nijdig over een man van het geweld, en verkies geen van zijn wegen.
[^psalmen-5-8-11]: Kanttekening 11: huis ingaan: Versta, de tabernakel, want de tempel is bij Davids leven niet gebouwd.
[^psalmen-5-8-12]: Kanttekening 12: In de voorhof, aan de ingang van de tabernakel, richtende mijn aangezicht naar het allerheiligste, waar de ark van het verbond is. Zie Lev. 1:3 ; Ps. 116:19 . In het heilige gingen de priesters, in het allerheiligste alleen de hogepriesters; Hebr. 9:6 , 9:7 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Psalmen 116:19 : In de voorhoven van het huis van YHWH, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah! Hebreeën 9:6 : Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, te alle tijde, om de godsdiensten te volbrengen; Hebreeën 9:7 : Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelven en voor de misdaden van het volk.
[^psalmen-5-8-13]: Kanttekening 13: Het Hebr. woord אֶל, is een naam van koninklijke hoven, Ps. 45:9 , 45:16 ; Spr. 30:28 , en wordt ook gebruikt van de plaats, waar God gezegd wordt te wonen, als van de tabernakel: 1 Sam. 1:9 , en 1 Sam. 3:3 , en hier. Van de tempel, 1 Kon. 6:17 , enz., zelfs van de hemel, Ps. 11:4 ; Micha 1:2 . Psalmen 45:9 : Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden. Psalmen 45:16 : Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in het paleis van de Koning. Spreuken 30:28 : De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen van de koningen. 1 Samuël 1:9 : Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van de tempel van YHWH. 1 Samuël 3:3 : En Samuël zich ook nedergelegd had, voordat de lampe Gods uitgedaan werd, in de tempel van YHWH, waar de ark van God was, 1 Koningen 6:17 : Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was. Psalmen 11:4 : YHWH is in het paleis Zijn heiligheid, van YHWH troon is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. Micha 1:2 : Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook van die volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel Zijn heiligheid.
[^psalmen-5-8-14]: Kanttekening 14: Met behoorlijke eerbiedigheid en ontzag voor uw majesteit en onbegrijpelijke genade.
[^psalmen-5-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, gehoorzaamheid uw geboden, die meteen ook door het woord weg gemeend wordt. Anders, door uw gerechtigheid, naar welke U de onschuldige voorstaat.
[^psalmen-5-9-16]: Kanttekening 16: Die op mij loeren, het oog op mij hebben om mij te betrappen, of te doen vallen; zo Ps. 27:11 . Psalmen 27:11 : YHWH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijn verspieders wil.
[^psalmen-5-9-17]: Kanttekening 17: weg voor: Zie Gen. 18:19 . De zin is: Wijs en effen mij door uw Geest, als mijn leidsman, de baan, die U wilt dat ik ingaan zal. Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^psalmen-5-10-18]: Kanttekening 18: Zij spreken niet dan valsheid en bedrog. \[Hebr., פִי, in zijn mond: Dat is, in de mond van een ieder van hen\] zie Job 15:5 . Job 15:5 : Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en u hebt de tong van de arglistigen gekozen.
[^psalmen-5-10-19]: Kanttekening 19: Zij dragen in het hart niets dan een bitter voornemen om de vromen verdriet, schade en ellende aan te doen.
[^psalmen-5-10-20]: Kanttekening 20: Hebr. in het getal van velen, verdervingen, schenderijen, ergheden, verkeerdheden, strekkende tot van de naasten verdriet, schande en verderf.
[^psalmen-5-10-a]: Verwijzing a: Ps. 34:17 ; Ps. 94:20 ; Rom. 3:13 . Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. Psalmen 94:20 : Zou zich de stoel van de schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? Romeinen 3:13 : Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
[^psalmen-5-10-21]: Kanttekening 21: keel is: Zij haken en janken naar van de vromen verderf en ondergang. Dit past de apostel \[ Rom. 3:13 \] op alle mensen, aangezien in hun natuurlijke verdorvenheid en boosheid. Verg. onder, Ps. 14:2 , enz. Romeinen 3:13 : Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. Psalmen 14:2 : YHWH heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht.
[^psalmen-5-11-22]: Kanttekening 22: Dat is, veroordeeld en bestraf hen, als die het verdiend hebben. Anders, verwoest hen; omdat het Hebr. woord beide betekent.
[^psalmen-5-11-23]: Kanttekening 23: van hun raadslagen: Zodat zij alle mislukken. Anderen: laat vallen vanwege hun raadslagen.
[^psalmen-5-11-24]: Kanttekening 24: drijf hen: Als kaf, Ps. 1:4 , of verdrijf hen, verstoot hen. Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
[^psalmen-5-11-25]: Kanttekening 25: Of, afwijkingen, trouweloze handelingen.
[^psalmen-5-12-26]: Kanttekening 26: laat verblijd: Anders, zo zullen verblijd zijn, en zo in het volgende.
[^psalmen-5-12-27]: Kanttekening 27: Dat is, beschut en bewaart, als wanneer iemand onder dak vrij is van hitte, koude en onweer; of door een schild van de pijlen van de vijanden.
[^psalmen-5-13-28]: Kanttekening 28: Of, met \[uw\] welbehagen. Verg. Ps. 30:6 . Psalmen 30:6 : Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich.
[^psalmen-5-13-29]: Kanttekening 29: Of, omringen, omsingelen.

### Psalmen 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/6.json)

*David, zeer ziek zijnde, draagt God zijn ellende voor, bidt zeer vurig om genade en gezondheid, en verzekerd zijnde van verhoring, triomfeert hij over al zijn goddeloze vijanden.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-6-1-1] opperzangmeester, op de Neginoth, op de[^psalmen-6-1-2] Scheminith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v1)

**2** O YHWH,[^psalmen-6-2-a] straf mij niet in Uw toorn, en straf[^psalmen-6-2-3] mij niet in Uw woede! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v2)

**3** Wees mij genadig, YHWH, want ik ben[^psalmen-6-3-4] verzwakt; genees mij, YHWH, want mijn beenderen zijn verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v3)

**4** Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, YHWH,[^psalmen-6-4-5] hoe lange? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v4)

**5** [^psalmen-6-5-6] Keer weer, YHWH, red mijn ziel; verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v5)

**6** Want in de dood is van Uw[^psalmen-6-6-7] geen herinnering; wie zal U loven in het graf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v6)

**7** Ik ben moe van mijn zuchten; ik doe mijn bed de[^psalmen-6-7-8] hele nacht[^psalmen-6-7-9] zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v7)

**8** Mijn oog is[^psalmen-6-8-10] doorknaagd van verdriet, is[^psalmen-6-8-11] veroud, vanwege al mijn[^psalmen-6-8-12] tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v8)

**9** [^psalmen-6-9-13][^psalmen-6-9-b] Wijk van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want YHWH heeft de stem van mijn geween gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v9)

**10** YHWH heeft mijn smeking gehoord; YHWH zal mijn gebed aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v10)

**11** Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een[^psalmen-6-11-14] ogenblik beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/6.html#v11)

[^psalmen-6-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-6-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, achtste. Sommigen houden het voor een achtsnarig spel, anderen voor zekeren toon van de muziek of achste snaar, bij de muzikanten genoemd een octaaf; zie ook 1 Kron. 15:21 . 1 Kronieken 15:21 : En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om de toon te versterken.
[^psalmen-6-2-a]: Verwijzing a: Ps. 38:2 . Psalmen 38:2 : O YHWH! straf mij niet in Uw grote toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
[^psalmen-6-2-3]: Kanttekening 3: Verg. Jer. 10:24 . Het Hebr. woord אַל, betekent niet alleen bestraffen, onderrichten, onderwijzen met woorden, maar dikwijls met slagen en plagen. Zie Spr. 9:7 . Jeremia 10:24 : Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. Spreuken 9:7 : Wie de spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
[^psalmen-6-3-4]: Kanttekening 4: Of, flauw, amechtig geworden.
[^psalmen-6-4-5]: Kanttekening 5: hoe lange: Versta: zult U uw hulp uitstellen? hoelang zult U mij in deze ellende laten?
[^psalmen-6-5-6]: Kanttekening 6: Keer weer: Die U van mij schijnt gegaan te zijn, of mij de rug toegekeerd te hebben, omdat U mij nog niet verlost hebt.
[^psalmen-6-6-7]: Kanttekening 7: geen gedachtenis: De zin is, De gestorvenen konden Gods naam in zijn gemeente op aarde niet groot maken, waarin nochtans God een zonderling welgevallen heeft, en dat David voor had, naar zijn wijze, openlijk tot Gods eer en stichting zijn gemeente te doen, als hij van deze krankte zou verlost zijn. Vergelijk Psalm 30:10 en Ps. 88:11 en Ps. 115:17 en Ps. 118:17 ; Jes. 38:18 , 38:19 , en ziet verder Job 7:8 . Psalmen 30:10 : Wat winst is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Psalmen 88:11 : Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. Psalmen 115:17 : De doden zullen YHWH niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn. Psalmen 118:17 : Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken van YHWH vertellen. Jesaja 38:18 : Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. Jesaja 38:19 : De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken. Job 7:8 : Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
[^psalmen-6-7-8]: Kanttekening 8: gansen nacht: Dat is, gehele nachten over, of allen nacht.
[^psalmen-6-7-9]: Kanttekening 9: Dit zijn verbloemde manieren van spreken, dienende om de grootheid zijns lijdens en zijn gedurig en veel wenen uit te drukken.
[^psalmen-6-8-10]: Kanttekening 10: Of, uitgeteerd; gelijk Ps. 31:10 . Verg. Job 17:7 , Zie de aantekening bij Job 17:7 . Psalmen 31:10 : Wees mij genadig, YHWH! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. Job 17:7 : Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw. Job 17:7 : Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.
[^psalmen-6-8-11]: Kanttekening 11: Dat is, versleten, heeft afgenomen, is vergaan.
[^psalmen-6-8-12]: Kanttekening 12: Die lust en vermaak nemen in dit mijn lijden, en verlangen naar mijn dood.
[^psalmen-6-9-13]: Kanttekening 13: Hier en in het volgende openbaart David het geloof en vertrouwen van Gods genadige en gewisse verhoring.
[^psalmen-6-9-b]: Verwijzing b: Matt. 7:23 ; Matt. 25:41 ; Lukas 13:27 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. Lukas 13:27 : En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar u bent; wijkt van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid!
[^psalmen-6-11-14]: Kanttekening 14: Dat is, haastig, onvoorziens.

### Psalmen 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/7.json)

*David bidt om verlossing van zijn wrede vijanden; hij betuigt heilig zijn onschuld en begeert recht van God, profeterend dat God het ook zal doen, tot bescherming van de vromen, tot ondergang en verderf van zijn onboetvaardige vervolgers, en tot lof van Zijn heilige Naam.*

**1** Davids[^psalmen-7-1-1] Schiggajon, dat hij YHWH gezongen heeft, over de woorden van[^psalmen-7-1-2] Cusch, de zoon van[^psalmen-7-1-3] Jemini. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v1)

**2** YHWH, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v2)

**3** Opdat[^psalmen-7-3-4] hij mijn[^psalmen-7-3-5] ziel niet rove als een leeuw,[^psalmen-7-3-6] verscheurende, terwijl er geen verlosser is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v3)

**4** YHWH, mijn God, als ik[^psalmen-7-4-7] dat gedaan heb, als er onrecht in mijn[^psalmen-7-4-8] handen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v4)

**5** Als ik kwaad vergolden heb[^psalmen-7-5-9] die, die vrede met mij had; (ja, ik[^psalmen-7-5-10] heb die gered,[^psalmen-7-5-11] die mij zonder oorzaak benauwde!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v5)

**6** Zo vervolge de vijand mijn[^psalmen-7-6-12] ziel, en achterhale ze, en[^psalmen-7-6-13] vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn[^psalmen-7-6-14] eer in het stof wonen![^psalmen-7-6-15] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v6)

**7** [^psalmen-7-7-16] Sta op, YHWH, in Uw toorn, verhef U om de uitbarstingen van toorn van mijn benauwers, en ontwaak[^psalmen-7-7-17] tot mij; U hebt het gericht[^psalmen-7-7-18] bevolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v7)

**8** Zo zal de vergadering van de volken U omsingelen;[^psalmen-7-8-19] keer dan[^psalmen-7-8-20] boven haar weer in de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v8)

**9** YHWH zal de volken recht doen; richt mij, YHWH, naar mijn[^psalmen-7-9-21] gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v9)

**10** Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die[^psalmen-7-10-a] harten en nieren[^psalmen-7-10-22] beproeft, o rechtvaardige God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v10)

**11** Mijn[^psalmen-7-11-23] schild is bij God, Die de[^psalmen-7-11-24] oprechten van hart behoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v11)

**12** God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die[^psalmen-7-12-25] altijd[^psalmen-7-12-26] toornt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v12)

**13** Als[^psalmen-7-13-27] hij zich niet bekeert, zo zal[^psalmen-7-13-28] Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog[^psalmen-7-13-29] gespannen, en die bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v13)

**14** En heeft[^psalmen-7-14-30] dodelijke wapenen[^psalmen-7-14-31] voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de[^psalmen-7-14-32] hittige vervolgers te werk stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v14)

**15** Zie,[^psalmen-7-15-33][^psalmen-7-15-b] hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal[^psalmen-7-15-34] leugen baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v15)

**16** [^psalmen-7-16-c] Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de[^psalmen-7-16-35] groeve, die hij gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v16)

**17** Zijn moeite zal op zijn[^psalmen-7-17-36] hoofd terugkeren, en[^psalmen-7-17-37] zijn geweld op zijn schedel[^psalmen-7-17-38] neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v17)

**18** Ik zal YHWH loven naar Zijn[^psalmen-7-18-39] gerechtigheid, en de Naam van YHWH, van de Allerhoogste, psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/7.html#v18)

[^psalmen-7-1-1]: Kanttekening 1: Dit woord komt van een ander Hebreeuws woord דִּבְרֵי, dat dwalen betekent; waaruit door sommigen wordt aangenomen dat dit een ongestadig gezang geweest is, springende van de ene toon in de andere, gebruikt in grote benauwdheid van de harten, als de gedachten en bewegingen, door de grootheid van het kruis, van het een op het ander vallen en als verstrooid worden.
[^psalmen-7-1-2]: Kanttekening 2: Wie deze geweest is, is onzeker. Het schijnt dat het een van Sauls hovelingen geweest is, die bij hem groot vertrouwen had, als zijnde ven de stam van Benjamin, waar Saul ook van was. Tegen de bitteren en bloedigen raad van deze, en ook Sauls vervolging, heeft David dit gebed tot God uitgestort en in gedicht vervat.
[^psalmen-7-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, Benjaminiet. Zie Richt. 19:16 ; 2 Sam. 16:11 . Richteren 19:16 : En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, welke man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini. 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd.
[^psalmen-7-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, Saul, door aanhitsing van de boze raadslieden; of hij, dat is, een ieder van hen.
[^psalmen-7-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, mijn persoon en leven.
[^psalmen-7-3-6]: Kanttekening 6: Hij wil zeggen dat zij hem als leeuwen zullen verscheuren, zo de Heer hem niet intijds verlost.
[^psalmen-7-4-7]: Kanttekening 7: dat gedaan: Waarvan zij mij valselijk beschuldigen, in het bijzonder die Cusch.
[^psalmen-7-4-8]: Kanttekening 8: Hebr., כַפָּֽ, palmen.
[^psalmen-7-5-9]: Kanttekening 9: Of, vredig met mijleefde. Verg. Ps. 55:21 , met de aantekening; en zie van het Hebr. woord dat hier vergelden is overgezet: 2 Kron. 20:11 . Psalmen 55:21 : Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond. 2 Kronieken 20:11 : Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
[^psalmen-7-5-10]: Kanttekening 10: die gered: Als merkelijk aan Saul gebleken is, die hij verschoond en bevrijd heeft, als hij in zijn en zijn officieren macht was. Zie 1 Sam. 24 en 1 Sam. 26 . Anders: ja \[als ik niet\] gered heb, enz., enz., in één zin.
[^psalmen-7-5-11]: Kanttekening 11: Of, tevergeefs, ijdelijk; dat is, zonder enige reden, ten onrechte.
[^psalmen-7-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, mijn persoon, gelijk boven Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-7-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, hij doodde mij schandelijk, dat ik in oneer nederligge.
[^psalmen-7-6-14]: Kanttekening 14: eer in: Dat is, verandere mijn eerlijken staat in een verachten. Zie Job 19:9 , en 1 Kon. 16:3 . Job 19:9 : Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen. 1 Koningen 16:3 : Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat.
[^psalmen-7-6-15]: Kanttekening 15: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-7-7-16]: Kanttekening 16: Sta op: Zie Ps. 3:8 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken.
[^psalmen-7-7-17]: Kanttekening 17: tot mij: Of, waak op \[en wend u\] tot mij; menselijk van God gesproken, als in het voorgaande en volgende. Anders aldus: Waak op voor mij tot het gericht, \[dat\] U bevolen hebt; dat is, om mij recht te doen volgens uw eigen instelling, U die een God van het gericht bent.
[^psalmen-7-7-18]: Kanttekening 18: Of, ingesteld, verordend. Zie 2 Sam. 6:21 . 2 Samuël 6:21 : Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van YHWH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn gehele huis, mij instellende tot een voorganger over het volk van YHWH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van YHWH.
[^psalmen-7-8-19]: Kanttekening 19: keer dan: Dat is, ga eens weer, als een rechter, op uw hogen troon of rechterstoel zitten, om voor de omstanders openlijk mijn onschuld te verklaren; manieren van spreken, die genomen zijn van wijze, die grote heren gebruiken als zij openlijk gericht houden.
[^psalmen-7-8-20]: Kanttekening 20: Of, om hunnentwil. Om de vergadering van de omstaande volken.
[^psalmen-7-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, naar de rechtvaardigheid mijn zaak; gelijk dikwijls in dit boek. Zie de verklaring onder Ps. 9:5 . Psalmen 9:5 : Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; U hebt gezeten op de troon, o Rechter, van de gerechtigheid.
[^psalmen-7-10-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 28:9 ; Jer. 11:20 ; Jer. 17:10 ; Jer. 20:12 ; Openb. 2:23 . 1 Kronieken 28:9 : En u, mijn zoon Salomo, ken de God uws vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. Jeremia 11:20 : Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 20:12 : U dan, o YHWH van de legermachten, Die de rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt. Openbaring 2:23 : En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken.
[^psalmen-7-10-22]: Kanttekening 22: Dat is, gedachten en bewegingen onderzoekt en doorgrondt: een gelijkenis van de goudsmeden, die het goud door vuur beproeven. Zo Ps. 11:4 , 11:5 , en Ps. 17:3 . en elders dikwijls. Zie Job 19:27 . Psalmen 11:4 : YHWH is in het paleis Zijn heiligheid, van YHWH troon is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. Psalmen 11:5 : YHWH proeft de rechtvaardige; maar de goddeloze, en die, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel. Psalmen 17:3 : U hebt mijn hart geproefd, in de nacht bezocht, U hebt mij getoetst. U vindt niets; wat ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^psalmen-7-11-23]: Kanttekening 23: Gelijk Ps. 3:4 . Psalmen 3:4 : Maar U, YHWH! bent een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
[^psalmen-7-11-24]: Kanttekening 24: Of, vroomhartigen. Hebr., לֵֽב, eigenlijk, de rechte of richtige van hart; gelijk 2 Kron. 29:34 , en in dit boek dikwijls, ook zonder bijvoegsel, rechte, of rechtzinnige, die \[gelijk men zegt\], rechtuit zijn; gelijk het ook van God en zijn geboden gebruikt wordt. Zie Deut. 32:4 ; Ps. 19:9 , enz. en verder Job 1:1 . 2 Kronieken 29:34 : Maar van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters. Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Psalmen 19:9 : De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen. Job 1:1 : Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
[^psalmen-7-12-25]: Kanttekening 25: alle dage: Anders, de ganse dag.
[^psalmen-7-12-26]: Kanttekening 26: Te weten, tegen, of over de goddelozen; waarop het volgende ziet.
[^psalmen-7-13-27]: Kanttekening 27: hij zich: De goddeloze, die mij vervolgt.
[^psalmen-7-13-28]: Kanttekening 28: Hij zijn: God.
[^psalmen-7-13-29]: Kanttekening 29: Hebr. getreden; omdat men de voetboog met de voet treedt als men die wil spannen; zo elders dikwijls.
[^psalmen-7-14-30]: Kanttekening 30: dodelijke wapenen: Hebr., כְּלֵי, vaten, gereedschap, instrumenten, of wapenen van de dood.
[^psalmen-7-14-31]: Kanttekening 31: voor hem: Dat is, voor zichzelven, om die te gebruiken tegen de goddelozen; of, tegen hem, te weten, de goddelozen, gelijk volgt.
[^psalmen-7-14-32]: Kanttekening 32: Van het Hebr. woord zie Gen. 31:36 . Genesis 31:36 : Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zei tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat u mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?
[^psalmen-7-15-33]: Kanttekening 33: hij is: De goddeloze zoekt onrechtvaardig en boos stuk tegen mij in het werk te stellen, woelende als een vrouw, die in arbeid of barensnood is. Verg. Job 15:35 ; Jes. 59:4 ; Jak. 1:15 . Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Jesaja 59:4 : Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. Jakobus 1:15 : Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voltooid zijnde baart de dood.
[^psalmen-7-15-b]: Verwijzing b: Job 15:35 ; Jes. 59:4 . Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Jesaja 59:4 : Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid.
[^psalmen-7-15-34]: Kanttekening 34: Dat is een misdracht. De zin is: Het zal een misslag zijn, zijn voornemen zal hem mislukken, het zal zo ijdel en nietig zijn als een leugen, waarmee tekortkomt die zich daarop verlaat. Verg. Ps. 4:3 . Sommigen verstaan hier door leugen valsheid en bedrog. Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^psalmen-7-16-c]: Verwijzing c: Job 4:8 ; Ps. 9:16 ; Ps. 10:2 ; Spr. 5:22 ; Spr. 26:27 ; Pred. 10:8 . Job 4:8 : Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelfde. Psalmen 9:16 : De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. Psalmen 10:2 : De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. Spreuken 5:22 : De goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijn zonden zal hij vastgehouden worden. Spreuken 26:27 : Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij terugkeren. Prediker 10:8 : Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.
[^psalmen-7-16-35]: Kanttekening 35: Het Hebr. woord betekent eigenlijk verderving, verrotting, en verder groef, gracht, enz., waarin iets verderft en verrot.
[^psalmen-7-17-36]: Kanttekening 36: Zie Rich. 9:24.
[^psalmen-7-17-37]: Kanttekening 37: zijn geweld: Dat hij mij aandoet.
[^psalmen-7-17-38]: Kanttekening 38: Het zal hem van boven, door Gods rechtvaardig oordeel en regering, overkomen, wat hij mij meende te doen.
[^psalmen-7-18-39]: Kanttekening 39: Die Hij bewijst in het verlossen van mij, \[die onschuldig ben\] en in het straffen mijn boze vijanden.

### Psalmen 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/8.json)

*David verheft ten hoogste Gods majesteit, almacht en wonderbare regering; in het bijzonder Zijn onbegrijpelijke goedertierenheid en genade aan de ellendige mens, in de Messias Jezus Christus.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-8-1-1] opperzangmeester, op de[^psalmen-8-1-2] Gitthith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v1)

**2** O YHWH, onze Heere! hoe[^psalmen-8-2-3] heerlijk is Uw[^psalmen-8-2-4] Naam op de hele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt[^psalmen-8-2-5] boven de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v2)

**3** Uit[^psalmen-8-3-a] de mond van[^psalmen-8-3-6] de kinderen en van[^psalmen-8-3-7] de zuigelingen hebt U[^psalmen-8-3-8] sterkte[^psalmen-8-3-9] gegrondvest, vanwege Uw[^psalmen-8-3-10] tegenstanders, om de vijand en[^psalmen-8-3-11] wraakgierige te doen[^psalmen-8-3-12] ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v3)

**4** [^psalmen-8-4-13] Als ik Uw hemel aanzie, het werk van Uw[^psalmen-8-4-14] vingers, de maan en de sterren, die U bereid[^psalmen-8-4-15] hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v4)

**5** [^psalmen-8-5-b] Wat is de[^psalmen-8-5-16] mens, dat U hem[^psalmen-8-5-17] gedenkt, en[^psalmen-8-5-18] de mensenzoon, dat U hem bezoekt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v5)

**6** En hebt[^psalmen-8-6-19] hem een[^psalmen-8-6-20] weinig minder gemaakt dan de[^psalmen-8-6-21] engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v6)

**7** U doet hem heersen over de werken van Uw handen;[^psalmen-8-7-c] U hebt[^psalmen-8-7-22] alles onder zijn voeten gezet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v7)

**8** [^psalmen-8-8-23] Schapen en[^psalmen-8-8-24] ossen, alle die; ook mee de[^psalmen-8-8-25] dieren van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v8)

**9** [^psalmen-8-9-26] Het gevogelte[^psalmen-8-9-27] van de hemel, en de vissen van de zee; wat de paden van[^psalmen-8-9-28] de zeeën doorwandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v9)

**10** O YHWH, onze Heere![^psalmen-8-10-29] hoe heerlijk is Uw Naam op de hele aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/8.html#v10)

[^psalmen-8-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-8-1-2]: Kanttekening 2: Dit houden sommigen ook voor zekeren toon, of een instrument van de muziek, tot het spelen en zingen van de psalmen gebruikt bij de nakomelingen \[gelijk enigen menen\] van Obed-Edom, die een Leviet en zanger was, genoemd de Gitthiet; 2 Sam. 6:10 . Het Hebr. woord גִּתִּית, Gath \[waarvan Gitthit schijnt te komen\] is de naam van een vermaarde stad van de Filistijnen, \[waar sommigen menen dit instrument eerst gevonden te zijn, en betekent ook een wijnpers, of oliepers, waarom \[alsmede uit de inhoud van deze psalm\] enigen gissen dat deze psalm gemaakt is om gezongen te worden als dankpsalm ten tijde van de wijnoogst. 2 Samuël 6:10 : David dan wilde de ark van YHWH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, de Gethiet.
[^psalmen-8-2-3]: Kanttekening 3: Of, glorierijk, grootmachtige, overtreffelijk-geweldig, wijd vermaard. Zo Jes. 33:21 ; Jer. 30:21 . Het Hebr. woord בְּ, wordt ook de groten van de aarde toegeschreven; Richt. 5:13 , 5:25 ; Neh. 3:5 ; Jer. 14:3 , en Jer. 25:34 , 25:35 , ook de godzaligen, Ps. 16:3 ; zelfs de bruisenden wateren van de Rode zee, Ex. 15:10 ; betekenende altijd enige zonderlinge uitnemendheid. Jesaja 33:21 : Maar YHWH zal daar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren. Jeremia 30:21 : En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt YHWH. Richteren 5:13 : Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; YHWH doet mij heersen over de geweldigen. Richteren 5:25 : Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter. Nehemia 3:5 : Verder aan hun hand verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot de dienst van hun Heer. Jeremia 14:3 : En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten leeg weer; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd. Jeremia 25:34 : Huilt, u herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, u heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult u vervallen als een kostelijk vat. Jeremia 25:35 : En de vlucht zal vergaan van de herder, en de ontkoming van de heerlijken van de kudde. Psalmen 16:3 : Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in die al mijn lust is. Exodus 15:10 : U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
[^psalmen-8-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, U zelf, met de roem van uw macht, wijsheid en goedheid, die in al uw werken blijkt.
[^psalmen-8-2-5]: Kanttekening 5: boven de hemelen: Dat is, wiens majesteit onbegrijpelijk en oneindig is. Verg. 1 Kon. 8:27 . Of, U die uw majesteit boven alle zichtbare hemelen zeer heerlijk openbaart. Verg. Ef. 4:10 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! Efeziërs 4:10 : Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
[^psalmen-8-3-a]: Verwijzing a: Matt. 21:16 . Mattheüs 21:16 : En zeiden tot Hem: Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U U lof toebereid?
[^psalmen-8-3-6]: Kanttekening 6: Versta, zodanige kinderen, die nu spraak en verstand beginnen te gebruiken, die op straat lopen spelen. Verg. Jer. 6:11 , en Jer. 9:21 ; Klaagl. 1:5 ; Matt. 21:16 ; hoewel het Hebr. woord anders gebruikt wordt. Zie Job 3:16 . Jeremia 6:11 : Daarom ben ik vol van de grimmigheid van YHWH, ik ben moe geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die vol is van dagen. Jeremia 9:21 : Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderen uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten. Klaagliederen 1:5 : He. Haar tegenstanders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar YHWH bedroefd heeft, vanwege de veelheid haar overtredingen; haar kinderen gaan heen in de gevangenis voor het aangezicht van de tegenstander. Mattheüs 21:16 : En zeiden tot Hem: Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U U lof toebereid? Job 3:16 : Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben.
[^psalmen-8-3-7]: Kanttekening 7: Aan wie God zijn wonderlijke macht, goedheid en voorzienigheid zo bewijst, dat zij daarvan een krachtig en onwedersprekelijk bewijs zijn. Waarop de Heer Christus deze woorden gepast heeft, zie Matt. 21:16 . Mattheüs 21:16 : En zeiden tot Hem: Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U U lof toebereid?
[^psalmen-8-3-8]: Kanttekening 8: Anders, krachtigen, of sterken lof; dat is, lof uw kracht, of sterkte. Zo Ps. 29:1 ; Ps. 96:7 en Ps. 118:14 . Verg. Matt. 21:16 . Psalmen 29:1 : Een psalm van David. Geeft YHWH, u kinderen van de machtigen! geeft YHWH eer en sterkte. Psalmen 96:7 : Geeft YHWH, u geslachten van de volken! geeft YHWH eer en sterkte. Psalmen 118:14 : YHWH is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest. Mattheüs 21:16 : En zeiden tot Hem: Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U U lof toebereid?
[^psalmen-8-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, vastelijk bestemd, besloten en volbracht. Verg. Esth. 1:8 , en Ps. 11:3 . Esther 1:8 : En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want zo had de koning vastelijk bevolen aan alle groten zijns huizes, dat zij doen zouden naar de wil van iedereen. Psalmen 11:3 : Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
[^psalmen-8-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, om de loochenaars en bespotters van uw goddelijke regering en voorzienigheid te beschamen.
[^psalmen-8-3-11]: Kanttekening 11: Hebr. dengene, die zich wreekt.
[^psalmen-8-3-12]: Kanttekening 12: Om hem te bedwingen en van zijn lasterlijk voornemen te doen afstaan.
[^psalmen-8-4-13]: Kanttekening 13: Als ik: Anders, want ik aanzie, of zal aanzien, enz.
[^psalmen-8-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, die U met uw wonderlijke wijsheid zo kunstig gewrocht hebt; een gelijkenis van mensen, die zeer kunstig met de vingers werken, als stikkers, borduurwerkers, enz.
[^psalmen-8-4-15]: Kanttekening 15: Versta hierop: zo gedenk ik bij mijzelf, of roep uit, aldus;
[^psalmen-8-5-b]: Verwijzing b: Job 7:17 ; Ps. 144:3 ; Hebr. 2:6 . Job 7:17 : Wat is de mens, dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet? Psalmen 144:3 : O YHWH! wat is de mens, dat U hem kent, het kind van de mensen, dat U het acht? Hebreeën 2:6 : Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U zijn gedenkt, of van de mensen zoon, dat U hem bezoekt!
[^psalmen-8-5-16]: Kanttekening 16: Of, broze ellendige mens. Het Hebr. woord אֱנוֹשׁ, enosch komt van een woord, dat zeer zwak, ja dodelijk ziek zijn betekent. Zie Job 5:17 . Job 5:17 : Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding van de Almachtige niet.
[^psalmen-8-5-17]: Kanttekening 17: Door dit denken en bezoeken Gods wordt voornamelijk verstaan het gehele genadewerk in de Messias, onze Heer Christus, de vervallen mens bewezen, waartoe het volgende mee behoort. Verg.verder Gen. 8:1 , en Gen. 21:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-8-5-18]: Kanttekening 18: de zoon van de mensen: Of, Adamskind. Zie 1 Kon. 8:39 . 1 Koningen 8:39 : Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats Uw woning, en vergeef, en doe, en geef een iedereen naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen;
[^psalmen-8-6-19]: Kanttekening 19: Deze woorden worden door de apostel op onze Heer Christus gepast, Hebr. 2:9 . Hebreeën 2:9 : Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou.
[^psalmen-8-6-20]: Kanttekening 20: Dat is, een klein deel, niet veel, of een korte tijd. Zie Ps. 2:12 . Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-8-6-21]: Kanttekening 21: Hebr. Elohim (אֱלֹהִים); dat hier beduidt engelen. Zie Hebr. 2:9 . Hebreeën 2:9 : Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou.
[^psalmen-8-7-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 15:27 . 1 Korinthiërs 15:27 : Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.
[^psalmen-8-7-22]: Kanttekening 22: Dit wordt in het volgende verklaard.
[^psalmen-8-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, klein vee. Zie Gen. 12:16 . Genesis 12:16 : En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen.
[^psalmen-8-8-24]: Kanttekening 24: Dat is, groot vee.
[^psalmen-8-8-25]: Kanttekening 25: Versta, de wilde dieren. Zie van het Hebr. woord Gen. 1:26 , en Gen. 6:7 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 6:7 : En YHWH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
[^psalmen-8-9-26]: Kanttekening 26: Het gevogelte: Zie van het Hebr., צִפּוֹר, woord Tsippor, Lev. 14:4 . Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^psalmen-8-9-27]: Kanttekening 27: Dat is van de lucht: gelijk elders dikwijls.
[^psalmen-8-9-28]: Kanttekening 28: Dat is, allerlei vergaderingen van wateren; zie Gen. 1:10 . Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
[^psalmen-8-10-29]: Kanttekening 29: hoe heerlijk: Gelijk boven vers 2 . Psalmen 8:2 : O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

### Psalmen 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/9.json)

*David dankt God met grote vreugde voor de overwinning die Hij hem tegen zijn vijanden verleend had; hij bespot hun ijdele roem en aanmatigende aanslagen; prijst Gods gerechtigheid in het haten en straffen van de goddelozen, en Zijn trouw in het verlossen van de verdrukte vromen, die hij oproept tot Gods lof; en hij bidt verder om voortzetting van Gods genade en om vernietiging van de macht en de aanslagen van zijn vijanden.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-9-1-1] opperzangmeester, op[^psalmen-9-1-2] Muth-labben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v1)

**2** [^psalmen-9-2-3] Ik zal YHWH loven met mijn hele hart; ik zal al Uw wonderen vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v2)

**3** In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v3)

**4** Omdat mijn vijanden[^psalmen-9-4-4] achteruit gekeerd, gevallen en vergaan zijn[^psalmen-9-4-5] van Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v4)

**5** Want U hebt mijn recht en mijn[^psalmen-9-5-6] rechtszaak afgedaan; U hebt gezeten op de[^psalmen-9-5-7] troon, o Rechter, van[^psalmen-9-5-8] de gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v5)

**6** U hebt de heidenen[^psalmen-9-6-9] gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgewist, tot in eeuwigheid en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v6)

**7** O vijand![^psalmen-9-7-10] zijn de verwoestingen voltooid in eeuwigheid, en hebt u de steden uitgeroeid?[^psalmen-9-7-11] Hun herinnering is met hen vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v7)

**8** Maar YHWH zal in eeuwigheid[^psalmen-9-8-12] zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v8)

**9** [^psalmen-9-9-a] En Hij Zelf zal de[^psalmen-9-9-13] wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in[^psalmen-9-9-14] rechtmatigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v9)

**10** [^psalmen-9-10-b] En YHWH zal een Vesting zijn voor de verdrukte, een Vesting[^psalmen-9-10-15] in tijden van benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v10)

**11** En die Uw[^psalmen-9-11-16] Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, YHWH, niet hebt verlaten degenen, die U[^psalmen-9-11-17] zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v11)

**12** Psalmzing YHWH, Die te[^psalmen-9-12-18] Sion woont; verkondig onder de volken Zijn daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v12)

**13** Want Hij[^psalmen-9-13-19] zoekt de[^psalmen-9-13-20] bloedstortingen,[^psalmen-9-13-21] Hij denkt daaraan; Hij vergeet het[^psalmen-9-13-22] geroep van[^psalmen-9-13-23] de ellendigen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v13)

**14** Wees mij genadig, YHWH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de[^psalmen-9-14-24] dood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v14)

**15** Opdat ik Uw hele lof in de poorten van[^psalmen-9-15-25] de dochter van Sion vertelle,[^psalmen-9-15-26] dat ik mij verheuge in Uw heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v15)

**16** [^psalmen-9-16-c] De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v16)

**17** YHWH is[^psalmen-9-17-27] bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen![^psalmen-9-17-28] Higgajon, Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v17)

**18** De goddelozen zullen terugkeren,[^psalmen-9-18-29] naar het dodenrijk toe,[^psalmen-9-18-30] alle godvergetende heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v18)

**19** Want de arme zal niet voor altijd vergeten worden, noch de verwachting van de ellendigen in eeuwigheid verloren zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v19)

**20** [^psalmen-9-20-31] Sta op, YHWH, laat de mens[^psalmen-9-20-32] zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v20)

**21** O YHWH![^psalmen-9-21-33] jaag hun vrees aan; laat de heidenen weten, dat[^psalmen-9-21-34] zij mensen zijn. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/9.html#v21)

[^psalmen-9-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-9-1-2]: Kanttekening 2: Dit houden sommigen voor de eerste woorden van zeker lied, te die tijde bekend, naar welks wijze deze psalm gezongen en gespeeld zou worden. Anderen zetten het aldus over: Over het sterven, of de dood van degene, die tussen \[beiden stond\], verstaande daardoor Goliath, die tussen het leger Israël en dat van de Filistijnen stond, Israël beschimpende en uitdagende. Zie 1 Sam. 17:4 . Altijd is het zeker dat de Filistijnen bij Davids tijd, niet alleen vóór, maar ook na Sauls dood, Israël dikwijls zware krijgen hebben aangedaan. Zie 2 Sam. 5:17 , enz. en 2 Sam. 8:1 , en 2 Sam. 21:15 , enz. waarop David in deze psalm schijnt te zien. 1 Samuël 17:4 : Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. 2 Samuël 5:17 : Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar de burg. 2 Samuël 8:1 : En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. 2 Samuël 21:15 : Verder hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israël. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moe werd.
[^psalmen-9-2-3]: Kanttekening 3: Ik zal YHWH loven: Anders, ik zal \[U\] YHWH, loven.
[^psalmen-9-4-4]: Kanttekening 4: Dat is, terug, gelijk men spreekt van degenen, die met schaamte en schande moeten vluchten.
[^psalmen-9-4-5]: Kanttekening 5: van uw: Dat is, vermits uw bijzondere aanwezigheid, die U betoond hebt door uw bijstand aan mij, waardoor de vijanden verschrikt, verstrooid en omgekomen zijn.
[^psalmen-9-5-6]: Kanttekening 6: Versta, de rechtszaak, die ik had tegen mijn vervolgers.
[^psalmen-9-5-7]: Kanttekening 7: Verg. boven Ps. 7:8 , en onder vers 8 . Psalmen 7:8 : Zo zal de vergadering van de volken U omsingelen; keer dan boven haar weer in de hoogte. Psalmen 9:8 : Maar YHWH zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
[^psalmen-9-5-8]: Kanttekening 8: Rechter, van de gerechtigheid: Dat is, rechtvaardige Rechter; of richtende gerechtigheid; dat is, rechtvaardiglijk.
[^psalmen-9-6-9]: Kanttekening 9: Gelijk de mensen met kijven en schelden hun toorn bewijzen, zo is Gods schelden zoveel als zijn toorn openbaren en bewijzen, dat gemeenlijk vergezelschapt is met de vloek en ondergang van zijn vijanden, verg. Ps. 18:15 , 18:16 , en Ps. 68:31 , en Ps. 76:7 , en Ps. 80:17 , en Ps. 119:21 ; Zach. 3:2 ; Judas v. 9 en grote benauwdheid zijns volks. Zie Ps. 80:17 . Anders, verdorven, vernield, uitgeroeid. Psalmen 18:15 : En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze. Psalmen 18:16 : En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus. Psalmen 68:31 : Scheld het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. Psalmen 76:7 : Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. Psalmen 80:17 : Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts. Psalmen 119:21 : U scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen. Zacharia 3:2 : Maar YHWH zei tot de satan: YHWH schelde u, u satan! ja, YHWH schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? Judas 1:9 : Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u! Psalmen 80:17 : Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.
[^psalmen-9-7-10]: Kanttekening 10: zijn de: Gelijk u hadt voorgenomen en u ingebeeld te zullen doen. Spottenderwijze gesproken tegen het trots roemen van de vijanden. Anders, de verwoestingen van de vijand zijn voltooid enz.
[^psalmen-9-7-11]: Kanttekening 11: Ja het is integendeel \[wil hij zeggen\] geheel anders uitgevallen, te weten zo dat de gedachtinis van de vijanden, die omgekomen zijn, ten enenmale is vergaan. Anders, is hun \[te weten, onzer steden\] gedachtenis met hen vergaan?
[^psalmen-9-8-12]: Kanttekening 12: Als Rechter, gelijk het volgende verklaart.
[^psalmen-9-9-a]: Verwijzing a: Ps. 96:13 ; Ps. 98:9 . Psalmen 96:13 : Voor het aangezicht van YHWH; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid. Psalmen 98:9 : Voor het aangezicht van YHWH, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
[^psalmen-9-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, de mensen, die in de wereld wonen.
[^psalmen-9-9-14]: Kanttekening 14: Hebr. alsof men zei: In rechtheden, of richtigheden; dat is, zeer recht, billijk, rechtmatiglijk. Zo Ps. 17:2 , en Ps. 58:2 , Jes. 45:19 . Psalmen 17:2 : Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen. Psalmen 58:2 : Spreekt u waarlijk gerechtigheid, u, vergadering? Oordeelt u billijkheden, u, mensenkinderen? Jesaja 45:19 : Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik ben YHWH, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.
[^psalmen-9-10-b]: Verwijzing b: Ps. 37:39 ; Ps. 46:2 ; Ps. 91:2 . Psalmen 37:39 : Thau. Maar het heil van de rechtvaardigen is van YHWH; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid. Psalmen 46:2 : God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden. Psalmen 91:2 : Ik zal tot YHWH zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welke ik vertrouw!
[^psalmen-9-10-15]: Kanttekening 15: in tijden van benauwdheid: Hebr., עִתּוֹת, in tijden, in benauwdheid. Gelijk onder Ps. 10:1 . Psalmen 10:1 : O YHWH! waarom staat U van verre? waarom verbergt U U in tijden van benauwdheid?
[^psalmen-9-11-16]: Kanttekening 16: naam kennen: Zoals U U in Uw woord en Uw werken openbaart. Zie Ps. 91:14 ; Jes. 52:6 . Psalmen 91:14 : Omdat hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. Jesaja 52:6 : Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in die dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.
[^psalmen-9-11-17]: Kanttekening 17: Dat is, hier, met gelovige gebeden U om hulp aanroepen.
[^psalmen-9-12-18]: Kanttekening 18: Waar de ark van het verbond en de godsdienst is, waar Hij zijn genadige aanwezigheid op bijzondere wijze betoont.
[^psalmen-9-13-19]: Kanttekening 19: Om te straffen. Zie 2 Kron. 24:22 . 2 Kronieken 24:22 : Zo gedacht de koning Joas niet van de weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; die, als hij stierf, zei: YHWH zal het zien en zoeken!
[^psalmen-9-13-20]: Kanttekening 20: Hebr. loeden; dat is, doodslagen, moorderijen. Zie Gen. 4:10 , en Gen. 9:5 , 9:6 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mens eisen. Genesis 9:6 : Wie het bloed van de mens vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt.
[^psalmen-9-13-21]: Kanttekening 21: Zie Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^psalmen-9-13-22]: Kanttekening 22: Dat een ieder van hen doet, roepende tot Hem, gelijk volgt vers 14 . Psalmen 9:14 : Wees mij genadig, YHWH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de dood;
[^psalmen-9-13-23]: Kanttekening 23: Anders, zachtmoedigen.
[^psalmen-9-14-24]: Kanttekening 24: Uit dodelijke raadslagen, menigte en geweld van mijn vijanden. Verg. Matt. 16:18 . In de poorten kwam te die tijde het volk bijeen, en daar hield men raad en recht, en daarin bestond de meeste macht en sterkte van de steden. Zie Gen. 22:17 . Men kan het ook zo verstaan dat David zeggen wil, dat hij van God wonderlijk is verlost, toen hij zo na aan de dood was, als iemand aan een stad is, wanneer hij in de poort is. Verg. Ps. 107:18 . David was dikwijls \[om zo te spreken\] op de dorpel van de dood geweest, maar telkens van God, als met de hand, uit het midden van de vijanden weggerukt en daarna verheven tot grote eer. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen. Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Psalmen 107:18 : Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
[^psalmen-9-15-25]: Kanttekening 25: Dat is, in de gemeente van God te Jeruzalem, die op en aan de berg Zion gelegen was. Zie 2 Kon. 19:21 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^psalmen-9-15-26]: Kanttekening 26: dat ik mij verheuge: Of, ik zal mij verheugen.
[^psalmen-9-16-c]: Verwijzing c: Ps. 7:16 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
[^psalmen-9-17-27]: Kanttekening 27: Dat is, beroemd, vermaard, geprezen, vanwege het werk van zijn gerechtigheid, waarvan in het volgende. Verg. Ps. 74:5 . Psalmen 74:5 : Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een geboomte.
[^psalmen-9-17-28]: Kanttekening 28: Dat is, verdenking, betrachting. De profeet schijnt te willen zeggen dat zulke oordelen van God, gelijk hij hier verhaald heeft, met zonderlinge aandacht behoren overwogen en betracht te worden. Anderen houden het voor zekeren toon, of een bijzonder soort van muziek, dienende tot aandacht, zie Ps. 92:4 ; en van Sela, Ps. 3:3 . Psalmen 92:4 : Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-9-18-29]: Kanttekening 29: naar het dodenrijk: Ten verderve naar lichaam en ziel. Van het Hebr. woord שְׁאוֹלָ, Scheol, zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-9-18-30]: Kanttekening 30: Niet passende op zijn oordelen, maar zorgeloos in hun boos voornemen voortvarende; zij zijn dan heidenen of verbasterde Israëlieten, die niet beter zijn dan de onbesnedenen, of van God vervreemde heidenen.
[^psalmen-9-20-31]: Kanttekening 31: Sta op: Zie Ps. 3:8 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken.
[^psalmen-9-20-32]: Kanttekening 32: Hij stelt de katijvigheid en sterkte van zijn vijanden aardiglijk tegen elkaar, alsof hij zei: U zult immers niet toe laten, Heer, dat een nietig mens zo de meester \[gelijk men zegt\] speelt en voor uw aangezicht braveert, gelijk mijn en uw vijanden zich vermeten te doen. Zie het volgende vers 21 en Ps. 10:18 . Psalmen 9:21 : O YHWH! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. Psalmen 10:18 : Om de wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
[^psalmen-9-21-33]: Kanttekening 33: Hebr., מוֹרָה, zet hun vrees; dat is, zet hen in vrees.
[^psalmen-9-21-34]: Kanttekening 34: Zie Ps. 8:5 ; Hebr. een mens; dat is, dat elk van hen een mens is. Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U aan hem gedenkt, en de zoon van de mens, dat U hem bezoekt?

### Psalmen 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/10.json)

*David, of Gods Kerk, of David in de naam van Gods Kerk, bidt vurig tegen de vervolging en verdrukking door de goddelozen, terwijl hij zeer levendig hun hoogmoed, goddeloosheid en hun wrede bloedige praktijken beschrijft. Hij begeert Gods rechtvaardige wraak, waarvan hij zich ook door geloof verzekert dat God die doen zal.*

**1** O YHWH![^psalmen-10-1-1] waarom staat U van verre? waarom verbergt U Zich[^psalmen-10-1-2] in tijden van benauwdheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v1)

**2** De[^psalmen-10-2-3] goddeloze[^psalmen-10-2-4] vervolgt hevig in hoogmoed de ellendige;[^psalmen-10-2-a] laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v2)

**3** Want de goddeloze[^psalmen-10-3-5] roemt over de wens van zijn ziel; hij[^psalmen-10-3-6] zegent de gierigaard, hij[^psalmen-10-3-7] lastert YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v3)

**4** De goddeloze,[^psalmen-10-4-8] gelijk hij zijn neus omhoog steekt,[^psalmen-10-4-9] onderzoekt niet;[^psalmen-10-4-10][^psalmen-10-4-b] al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v4)

**5** Zijn[^psalmen-10-5-11] wegen[^psalmen-10-5-12] maken altijd smarte; Uw[^psalmen-10-5-13] oordelen zijn een hoogte,[^psalmen-10-5-14] verre van hem; al zijn tegenstanders,[^psalmen-10-5-15] die blaast hij aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v5)

**6** Hij[^psalmen-10-6-16] zegt in zijn hart: Ik zal niet[^psalmen-10-6-17] wankelen; want ik zal[^psalmen-10-6-18] van geslacht tot geslacht in geen[^psalmen-10-6-19] kwaad zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v6)

**7** [^psalmen-10-7-c] Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list;[^psalmen-10-7-20] onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v7)

**8** Hij zit in de achterlage van[^psalmen-10-8-21] de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen[^psalmen-10-8-22] verbergen zich tegen de arme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v8)

**9** Hij legt hinderlagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt hinderlagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v9)

**10** Hij[^psalmen-10-10-23] duikt neer, hij buigt zich;[^psalmen-10-10-24] en de arme hoop valt in zijn sterke poten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v10)

**11** [^psalmen-10-11-d] Hij zegt in zijn hart: God[^psalmen-10-11-25] heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v11)

**12** [^psalmen-10-12-26] Sta op, YHWH God![^psalmen-10-12-27] hef Uw hand op, vergeet de[^psalmen-10-12-28] ellendigen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v12)

**13** [^psalmen-10-13-29] Waarom[^psalmen-10-13-30] lastert de goddeloze God? zeg in zijn hart: U zult het niet[^psalmen-10-13-31] zoeken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v13)

**14** U ziet het immers; want U aanschouwt de[^psalmen-10-14-32] moeite en het verdriet,[^psalmen-10-14-33] opdat men het in Uw hand geve; op U[^psalmen-10-14-34] verlaat zich de arme, U bent[^psalmen-10-14-35] geweest een Helper van[^psalmen-10-14-36] de wees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v14)

**15** Breek de[^psalmen-10-15-37] arm van de goddelozen en bozen;[^psalmen-10-15-38] zoek zijn goddeloosheid, totdat[^psalmen-10-15-39] U haar niet vindt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v15)

**16** [^psalmen-10-16-e] YHWH is Koning eeuwig en altijd; de heidenen zijn vergaan uit[^psalmen-10-16-40] Zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v16)

**17** YHWH! U hebt de wens van[^psalmen-10-17-41] de zachtmoedigen gehoord; U zult hun[^psalmen-10-17-42] hart sterken, Uw oor zal opmerken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v17)

**18** Om de wees en verdrukte recht te doen; opdat een[^psalmen-10-18-43] mens[^psalmen-10-18-44] van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/10.html#v18)

[^psalmen-10-1-1]: Kanttekening 1: waarom staat U van verre: Alsof hij zei Doe toch niet zo; nader met uw hulp, en laat uw genadig aangezicht lichten; menselijkerwijze van God gesproken, gelijk dikwijls in dit boek. Verg. Ps. 3:8 , en Ps. 7:7 , 7:8 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken. Psalmen 7:7 : Sta op, YHWH, in Uw toorn, verhef U om de uitbarstingen van toorn van mijn benauwers, en ontwaak tot mij; U hebt het gericht bevolen. Psalmen 7:8 : Zo zal de vergadering van de volken U omsingelen; keer dan boven haar weer in de hoogte.
[^psalmen-10-1-2]: Kanttekening 2: in tijden van benauwdheid: Gelijk boven, Ps. 9:10 . Psalmen 9:10 : En YHWH zal een Vesting zijn voor de verdrukte, een Vesting in tijden van benauwdheid.
[^psalmen-10-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, de goddelozen; gelijk blijkt uit het volgende.
[^psalmen-10-2-4]: Kanttekening 4: Gelijk Ps. 7:14 . Psalmen 7:14 : En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.
[^psalmen-10-2-a]: Verwijzing a: Ps. 7:16 ; Ps. 9:16 ; Spr. 5:22 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Psalmen 9:16 : De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. Spreuken 5:22 : De goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijn zonden zal hij vastgehouden worden.
[^psalmen-10-3-5]: Kanttekening 5: roemt over de wens van zijn ziel: Vastelijk menende dat hij zijn aanslag zal volbrengen en zijn wens verkrijgen. Anders: hij prijst naar de lust van zijn ziel, dat is, wie hij maar wil; bij exempel de gierigaard, gelijk volgt. Of, hij beroemt zich over de wens van zijn ziel; dat is, over zijn boze lusten, als hij die volbracht heeft.
[^psalmen-10-3-6]: Kanttekening 6: zegent de gierigaard: Dat is, hij houdt en rekent de onrechtvaardige, die door gierigheid de arme verdrukt, gelukkig te zijn. Zie Deut. 29:19 . Anders, de gierige, meteen genoemd goddeloze , vloekt \[en\] tergt de Heer; gelijk zegenen somtijds voor vloeken genomen wordt. Zie 1 Kon. 21:10 . Of, de gierigaard zegent zichzelven. Deuteronomium 29:19 : En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. 1 Koningen 21:10 : En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.
[^psalmen-10-3-7]: Kanttekening 7: Of, tergt.
[^psalmen-10-4-8]: Kanttekening 8: gelijk hij zijn neus omhoog steekt: Hebr. naar de hoogheid, of opsteking, opheffing zijns aangezichts, of zijns gelaats, van zijn neus, zijns toorns; dat is, naar de trotsheid en smadelijke verachting van goed onderwijs, die hij in zijn gehele gelaat en alle gebaren toont; gelijk de hoogheid van het hart; Ps. 131:1 , en van de geest, Spr. 16:18 , de inwendige trotsheid of hoogmoed betekent, zo de hoogheid van de ogen, Ps. 18:28 , en Ps. 101:5 , en hier van het aangezicht, of van de neus, de uitwendige. Psalmen 131:1 : Een lied Hammaäloth, van David. O YHWH! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Spreuken 16:18 : Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid van de geest voor de val. Psalmen 18:28 : Want U verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert U. Psalmen 101:5 : Die zijn naaste in het geheime achterklapt; die zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
[^psalmen-10-4-9]: Kanttekening 9: Of hij wèl of kwalijk doe, nergens naar vragende. Anders, hij zoekt God niet, uit Ps. 14:2 . Psalmen 14:2 : YHWH heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht.
[^psalmen-10-4-10]: Kanttekening 10: al zijn gedachten zijn, dat er geen God is: Anders, \[in\] al zijn listige aanslagen is God niet .
[^psalmen-10-4-b]: Verwijzing b: Ps. 14:1 ; Ps. 53:2 . Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. Psalmen 53:2 : De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
[^psalmen-10-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, zijn voornemen, aanslagen en doen.
[^psalmen-10-5-12]: Kanttekening 12: maken te alle tijde smarte: Te weten, aan dengene, die hij in zijn hoogmoed verdrukt. Anders, zijn wegen zijn te alle tijde voorspoedig. Het Hebr. woord עֵת, heeft de betekenis van barenssmart, waarop blijdschap volgt als het kind geboren is. Joh. 16:21 . En zo schijnen enige het verder genomen te hebben in de betekenis van voorspoed, wel gedijen, zijn werk te bevorderen, dat het voor de dag kome als de vrucht van het lichaam; zo woelt, arbeid en werkt de goddelozen zijn voornemen uit, het gelukt hem naar zijn zin; daarom vraagt hij naar God niet. Johannes 16:21 : Een vrouw, wanneer zij baart, heeft verdriet, omdat haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.
[^psalmen-10-5-13]: Kanttekening 13: Uw regering en de straffe, die U, o Heer, de goddelozen bereidt hebt.
[^psalmen-10-5-14]: Kanttekening 14: verre van hem: Verg. de manier van spreken met Richt. 9:17 , en Hoogl. 6:5 . Hebr., van, of van tegenover hem; dat is, hij werpt hen van zich uit zijn gezicht, en denkt daar niet eens om; of, zij zijn hoger, dan dat hij hen zich zou voorstellen, zij zijn voor hem verborgen, boven zijn verstand en bedenken; omdat hij gelukkig is, denkt hij niet op de toekomstige straffen. Ziet het volgende vers 6 . Richteren 9:17 : (Want mijn vader heeft voor u gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit de hand van de Midianieten gered; Hooglied 6:5 : Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren. Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
[^psalmen-10-5-15]: Kanttekening 15: blaast hij aan: Of, daarop, blaast hij, of, tegen dezelfde blaast hij; dat is, hij meent hen gelijk kaf, als met een geblaas te verstuiven; zo geheel niet past hij daarop, omdat hem alles naar zijn zin gaat. Verg. Ps. 12:6 . Psalmen 12:6 : Om de verwoesting van de ellendigen, om het kermen van de nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt YHWH; Ik zal in behoudenis zetten, die hij aanblaast.
[^psalmen-10-6-16]: Kanttekening 16: zegt in zijn hart: Dat is, hij denkt, gelijk vers 11 , 10:13 , en Ps. 14:1 , enz. Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 10:13 : Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: U zult het niet zoeken? Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
[^psalmen-10-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, ik zal van mijn staat of welstand niet verzet worden, het zal mij altijd welgaan, ik zal niet sneuvelen en vallen, of omgestoten worden.
[^psalmen-10-6-18]: Kanttekening 18: van geslacht tot geslacht: Hebr., דֹר, in geslacht en geslacht; dat is, nimmermeer.
[^psalmen-10-6-19]: Kanttekening 19: in geen kwaad zijn: Dat is, mij zal nimmermeer enig ongeluk of tegenspoed overkomen. Rom. 3:14 . Romeinen 3:14 : Van wie mond vol is van vervloeking en bitterheid;
[^psalmen-10-7-c]: Verwijzing c: Rom. 3:14 . Romeinen 3:14 : Van wie mond vol is van vervloeking en bitterheid;
[^psalmen-10-7-20]: Kanttekening 20: onder zijn tong: Vergelijk Ps. 66:17 , Rom. 3:13 . Psalmen 66:17 : Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong. Romeinen 3:13 : Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
[^psalmen-10-8-21]: Kanttekening 21: Of, dorpen, vlekken.
[^psalmen-10-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, hij loert in het verborgene op hem.
[^psalmen-10-10-23]: Kanttekening 23: duikt neder: Om niet gezien te worden, en als met een onvoorzienen sprong hem op het lijf te vallen. Verg. Ps. 17:11 . Psalmen 17:11 : In onze gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde neerbuigend.
[^psalmen-10-10-24]: Kanttekening 24: arme hoop valt: Of, opdat de arme hoop mag vallen, enz. Anders, en hij overvalt de armen hoop met zijn sterke leden ; voor armen hoop is in het Hebr. armen, in het getal van velen, gevoegd bij het woord, valt, in het getal van een.
[^psalmen-10-11-d]: Verwijzing d: Ps. 94:7 . Psalmen 94:7 : En zeggen: YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
[^psalmen-10-11-25]: Kanttekening 25: heeft het vergeten: Hebr. heeft vergeten; te weten, deze mensen, of de zaak van degenen, die ik voorheb te plagen; dat zijn de ellendigen van wie de profeet integendeel in het volgende vers 12 bidt, dat God hun niet wil vergeten. Psalmen 10:12 : Sta op, YHWH God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
[^psalmen-10-12-26]: Kanttekening 26: Sta op: Zie Ps. 3:8 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken.
[^psalmen-10-12-27]: Kanttekening 27: hef Uw hand op: Deze manier van spreken wordt verscheidenlijk in de Schriftuur gebruikt, betekenende hier de openbare vertoningen van Gods macht in het helpen van de vromen en beschamen van de bozen, die met hun goddeloosheid in het voorgaande beschreven zijn.
[^psalmen-10-12-28]: Kanttekening 28: Anders, zachtmoedigen.
[^psalmen-10-13-29]: Kanttekening 29: Hij wil zeggen: Waarom laat U toe dat hij U zo lastert ?
[^psalmen-10-13-30]: Kanttekening 30: Of, tergt.
[^psalmen-10-13-31]: Kanttekening 31: Als boven vers 9 , vers 13 , en onder vers 15 . Of, hij zegt in zijn hart: U zult, enz. Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. Psalmen 10:13 : Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: U zult het niet zoeken? Psalmen 10:15 : Breek de arm van de goddeloze en boze; zoek zijn goddeloosheid, totdat U haar niet vindt.
[^psalmen-10-14-32]: Kanttekening 32: Die de ellendigen lijden van de goddelozen.
[^psalmen-10-14-33]: Kanttekening 33: opdat men het in Uw hand geve: Dat is, U de wraak geven, waarop de volgende woorden wel passen. Anders, opdat U het in uw handen legt; dat is, om hun zaak of hun recht als voor ogen te hebben en daarop te letten, of, opdat U met uw hand geeft; dat is, vergeldt.
[^psalmen-10-14-34]: Kanttekening 34: verlaat zich de arme: Of, laat het de arme; te weten, staan, hij laat het in uw hand, hij vertrouwt het U, dat U zijn zaak zult bewaren en op zijn recht letten. Verg. de manier van spreken met Gen. 39:6 ; Job 39:14 ; Jes. 10:3 , en 2 Tim. 1:12 . Genesis 39:6 : En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. Job 39:14 : Zult u op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult u uw arbeid op hem laten? Jesaja 10:3 : Maar wat zult u doen op de dag van de bezoeking, en van de verwoesting, die van verre komen zal? Tot wie zult u vluchten om hulp, en waar zult u uw heerlijkheid laten? 2 Timotheüs 1:12 : Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag.
[^psalmen-10-14-35]: Kanttekening 35: Te weten, altijd in vorige tijden. Verg. Ps. 27:9 . Psalmen 27:9 : Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; U bent mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!
[^psalmen-10-14-36]: Kanttekening 36: Dit is van mij en al degenen, die als wezen van de mensen verlaten en verdrukt worden. Verg. Ps. 68:6 ; Joh. 14:18 , en onder vers 18 . Psalmen 68:6 : Hij is een Vader van de wezen, en een Rechter van de weduwen; God, in de woonstede van Zijn heiligheid. Johannes 14:18 : Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weer tot u. Psalmen 10:18 : Om de wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.
[^psalmen-10-15-37]: Kanttekening 37: Dat is, de macht, het geweld, gelijk dikwijls.
[^psalmen-10-15-38]: Kanttekening 38: Als boven Ps. 9:13 . Psalmen 9:13 : Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt daarvan; Hij vergeet het geroep van de ellendigen niet.
[^psalmen-10-15-39]: Kanttekening 39: totdat U haar niet vindt: De zin is, straf hen en roei hen uit, zodat de goddelozen de vromen niet meer kunnen kwellen. Verg. Ez. 23:48 . In een geheel anderen zin zullen de zonden van Gods volk gezocht en niet gevonden worden, omdat zij allen van God uit genade omwille van de Messias zullen vergeven zijn; Jer. 50:20 . Anders: zult U ze niet vinden? Dat is, U zult zekerlijk vinden. Ezechiël 23:48 : Zo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen. Jeremia 50:20 : In die dagen en in die tijd, spreekt YHWH, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.
[^psalmen-10-16-e]: Verwijzing e: Ps. 29:10 ; Ps. 145:13 ; Ps. 146:10 ; Jer. 10:10 ; Klaagl. 5:19 ; Dan. 4:3 ; Dan. 6:27 ; 1 Tim. 1:17 . Psalmen 29:10 : YHWH heeft gezeten over de watervloed; ja, YHWH zit, Koning in eeuwigheid. Psalmen 145:13 : Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht. Psalmen 146:10 : YHWH zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah! Jeremia 10:10 : Maar YHWH God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen. Klaagliederen 5:19 : U, o YHWH, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. Daniël 4:3 : Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. Daniël 6:27 : Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. 1 Timotheüs 1:17 : De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijken, de onzichtbare, de alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^psalmen-10-16-40]: Kanttekening 40: Zijn land: Te weten, Kanaän, dat God Zijn land noemt, Lev. 25:23 . Anders, uit , of, van zijn aarde , gelijk de gehele aarde ook Godes is, Ps. 24:1 . Leviticus 25:23 : Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent. Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^psalmen-10-17-41]: Kanttekening 41: Of, nederigen, die door Gods hand en het middel van kruis verootmoedigd zijn. Dit is een aanmerkelijke titel van Gods kinderen, die door zijn Heilige Geest wedergeboren, vernederd en onder zijn juk en gehoorzaamheid van zijn geboden gebracht zijn. Zo onder Ps. 22:27 , en Ps. 25:9 , en Ps. 34:3 , enz. Psalmen 22:27 : De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Psalmen 25:9 : Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren. Psalmen 34:3 : Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in YHWH; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
[^psalmen-10-17-42]: Kanttekening 42: Te weten, door uw woord en uw Heilige Geest.
[^psalmen-10-18-43]: Kanttekening 43: Zie Ps. 8:5 , en vergelijk Ps. 9:20 , 9:21 . Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U aan hem gedenkt, en de zoon van de mens, dat U hem bezoekt? Psalmen 9:20 : Sta op, YHWH, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. Psalmen 9:21 : O YHWH! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.
[^psalmen-10-18-44]: Kanttekening 44: van de aarde: Dat is, die uit de aarde gesproten of daarvan gemaakt is, en dienvolgens geen oorzaak heeft van trots en hoogmoedig te zijn. Anders, opdat een sterflijk mens niet meer voortvare uit het land te verjagen.

### Psalmen 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/11.json)

*David, vernemend de spotternijen van zijn vervolgers, die hun tijdverdrijf maakten van zijn droevig vluchten en zwerven, neemt zijn toevlucht tot God en verklaart zijn geloof in Gods voorzienigheid, Die beiden, vromen en goddelozen, ziet, beproeft en richten zal.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-11-1-1] opperzangmeester. Ik betrouw op YHWH; hoe zegt[^psalmen-11-1-2] u tot mijn ziel: Zwerft heen naar uw gebergte, als een[^psalmen-11-1-3] vogel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v1)

**2** [^psalmen-11-2-4] Want ziet, de goddelozen spannen de boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in[^psalmen-11-2-5] het donkere te schieten naar de oprechten van hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v2)

**3** Zeker, de[^psalmen-11-3-6] fundamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v3)

**4** YHWH is in het[^psalmen-11-4-7] paleis van Zijn heiligheid, de troon van YHWH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden[^psalmen-11-4-8] proeven de mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v4)

**5** YHWH[^psalmen-11-5-9] proeft de rechtvaardige; maar de goddeloze, en die, die geweld liefheeft, haat Zijn[^psalmen-11-5-10] ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v5)

**6** Hij zal op de goddelozen regenen[^psalmen-11-6-11] strikken,[^psalmen-11-6-12] vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het[^psalmen-11-6-13] deel van hun beker zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v6)

**7** Want YHWH is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte.[^psalmen-11-7-14][^psalmen-11-7-15][^psalmen-11-7-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/11.html#v7)

[^psalmen-11-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-11-1-2]: Kanttekening 2: Saul en zijn medestanders, die David met zulke redenen beschimpten, als hebbende \[zo zij meenden\] geen ander toevlucht, dan dat hij zich verstak en omzwierf op het gebergte, huppelende van de ene plaats op de andere als een vogel; maar zij meenden hem wel te betrappen, niet denkende aan God, die Davids troost en toevlucht was.
[^psalmen-11-1-3]: Kanttekening 3: Anders, o vogel.
[^psalmen-11-2-4]: Kanttekening 4: Want ziet: Alsof hij zei: Het is geen wonder dat zij zo trots spreken, want zij menen het zo vast beleid te hebben, dat zij niet zullen missen, maar mij en de mijnen zonder twijfel treffen.
[^psalmen-11-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, in het verborgen. Verg. Ps. 10:8 , 10:9 . Psalmen 10:8 : Hij zit in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net.
[^psalmen-11-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, alle vrees voor God, gerechtigheid en billijkheid \[die als fondamenten van Israëls staat zijn\] worden omgekeerd; terwijl men mij en andere vrome onschuldigen \[die men ook met recht voor fondamenten van het land mag houden, Spr. 10:25 \] in de grond zoekt uit te roeien. Of aldus: maar die fondamenten \[dat is, opzetten, voornemens, vaste besluitingen\] zullen omgestoten worden. Zie Ps. 8:3 ; Jes. 19:10 . Deze beide overzettingen passen wel op het voorgaande en volgende. Spreuken 10:25 : Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, omwille van Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden. Jesaja 19:10 : En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.
[^psalmen-11-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, in zijn heilig paleis, te weten, in de hemel, gelijk de volgende woorden schijnen te verklaren. Anders kan men het ook verstaan van de tabernakel. Zie Ps. 5:8 ; Hab. 2:20 . Psalmen 5:8 : Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze. Habakuk 2:20 : Maar YHWH is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, u gehele aarde!
[^psalmen-11-4-8]: Kanttekening 8: Zie Ps. 7:10 . Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
[^psalmen-11-5-9]: Kanttekening 9: Zo dat Hij hem voor goed kent.
[^psalmen-11-5-10]: Kanttekening 10: Menselijk van God gesproken, gelijk Lev. 26:11 . De zin is: God haat hem ernstiglijk. Leviticus 26:11 : En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
[^psalmen-11-6-11]: Kanttekening 11: Dit betekent onverwachte, strenge en onvermijdelijk oordelen van God. Zie Job 18:9 , 18:10 , en Job 22:10 ; Jes. 8:14 , en Jes. 24:17 , 24:18 . Job 18:9 : De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. Job 18:10 : Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. Job 22:10 : Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastig beroerd. Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Jesaja 24:17 : De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land! Jesaja 24:18 : En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vreze vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten van de aarde zullen beven.
[^psalmen-11-6-12]: Kanttekening 12: Als Sodom, Gomorra, enz. overkwam, Gen. 19 , en Gog bedreigd wordt, Ez. 38:22 ; zijnde helse vuur, Judas v. 7 , Openb. 20:10 . Ezechiël 38:22 : En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. Judas 1:7 : Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelfde, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf van het eeuwige vuur. Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
[^psalmen-11-6-13]: Kanttekening 13: deel huns bekers: Dat is, hun bescheiden of toegelegd deel. Verg. Joh. 20:29 , Zie de aantekening bij Joh. 20:29 ; een manier van spreken, genomen van de huisvaders, die elke huisgenoot zijn drank toedeelden en inschonken, naar de wijze van de ouden. Hier wordt het verstaan van de straf van de goddelozen; alsook Openb. 14:10 , en elders, van het kruis van de kerk, Ps. 73:10 , en in het algemeen van het lijden van de vromen en goddelozen. Ps. 75:9 ; maar anders Ps. 16:5 , en Ps. 23:5 . Zie ook Job 21:20 . Johannes 20:29 : Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Johannes 20:29 : Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. Psalmen 73:10 : Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun water van een volle beker worden uitgedrukt, Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Job 21:20 : Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid van de Almachtige!
[^psalmen-11-7-14]: Kanttekening 14: Verg. Ps. 9:9 . Dat is, alle rechtvaardige zaken, alles wat recht is. Psalmen 9:9 : En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
[^psalmen-11-7-15]: Kanttekening 15: Met zijn vaderlijk aangezicht, om hem gunst en voorzorg te bewijzen.
[^psalmen-11-7-16]: Kanttekening 16: Hebr. rechten, rechtzinnigen.

### Psalmen 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/12.json)

*David bidt om zijn en de Kerks behoud van de algemene boosheid, ontrouw, valsheid, bedriegerij, aanmatiging en tirannie die bij de regeerders in zwang ging; en hij profeteert dat God hen richten en de vromen behouden zal, overeenkomstig de getrouwe beloften van Zijn Woord.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-12-1-1] opperzangmeester, op de[^psalmen-12-1-2] Scheminith. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v1)

**2** [^psalmen-12-2-3] Behoud, o YHWH; want[^psalmen-12-2-a] de[^psalmen-12-2-4] goedertierene ontbreekt, want de[^psalmen-12-2-5] getrouwen zijn weinig geworden onder de[^psalmen-12-2-6] mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v2)

**3** Zij spreken[^psalmen-12-3-7] valsheid,[^psalmen-12-3-8] een ieder met zijn naaste,[^psalmen-12-3-9] met vleiende lippen; zij spreken met een[^psalmen-12-3-10] dubbel hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v3)

**4** YHWH[^psalmen-12-4-11] snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v4)

**5** Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn[^psalmen-12-5-12] onze! Wie is heer over ons? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v5)

**6** Om de verwoesting van de ellendigen, om het kermen van de armen, zal Ik nu opstaan, zegt YHWH; Ik zal in behoudenis zetten, die hij[^psalmen-12-6-13] aanblaast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v6)

**7** [^psalmen-12-7-b] De[^psalmen-12-7-14] redenen van YHWH zijn[^psalmen-12-7-15] reine redenen,[^psalmen-12-7-16] zilver,[^psalmen-12-7-17] gelouterd in een aarden smeltkroes,[^psalmen-12-7-18] gezuiverd[^psalmen-12-7-19] zevenmaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v7)

**8** U, YHWH,[^psalmen-12-8-20] zult hen bewaren; U[^psalmen-12-8-21] zult hen behoeden voor dit[^psalmen-12-8-22] geslacht, tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v8)

**9** De goddelozen draven[^psalmen-12-9-23] rondom,[^psalmen-12-9-24] wanneer de[^psalmen-12-9-25] snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/12.html#v9)

[^psalmen-12-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-12-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 6:1 . Psalmen 6:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
[^psalmen-12-2-3]: Kanttekening 3: Of, verlos, te weten, ons, in deze droevige toestand.
[^psalmen-12-2-a]: Verwijzing a: Jes. 57:1 . Jesaja 57:1 : De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter hart neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.
[^psalmen-12-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, \[gelijk wij zeggen\] liefde en trouw is weg. Van het Het Hebr. woord, zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-12-2-5]: Kanttekening 5: Het Hebr. woord waarachtig, of getrouw, gelovigen, 2 Sam. 20:19 ; Ps. 31:24 , en ook, waarachtigheden, of getrouwheden, dat is, alle getrouwheid of trouw, gelijk Spr. 14:5 , en Spr. 20:6 ; Jes. 26:2 ; beide zouden hier kunnen passen. 2 Samuël 20:19 : Ik ben één van de vreedzamen, van de getrouwen in Israël, en u zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israël; waarom zoudt u het erfdeel van YHWH verslinden? Psalmen 31:24 : Hebt YHWH lief, u, al Zijn gunstgenoten! want YHWH behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft. Spreuken 14:5 : Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens. Spreuken 20:6 : Elk van de menigte van de mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden? Jesaja 26:2 : Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, dat de getrouwigheden bewaart.
[^psalmen-12-2-6]: Kanttekening 6: Of, Adamskinderen.
[^psalmen-12-3-7]: Kanttekening 7: Of, ijdelheid, onnuttigheid.
[^psalmen-12-3-8]: Kanttekening 8: met zijn naaste: Hebr., אִישׁ, de man met zijn naaste, of metgezel.
[^psalmen-12-3-9]: Kanttekening 9: vleiende lippen: Hebr., שְׂפַת, een lip van vleiing, of gladdigheden; dat is, die wel kan vleien. Zo in het volgende vers 4 . Psalmen 12:4 : YHWH snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;
[^psalmen-12-3-10]: Kanttekening 10: dubbel hart: Hebr., לֵב, hart en hart; dat is, hun hart denkt anders dan de mond spreekt. Verg. Deut. 25:13 , 25:14 . Deuteronomium 25:13 : U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine. Deuteronomium 25:14 : U zult in uw huis geen tweeërlei efa hebben, een grote en een kleine.
[^psalmen-12-4-11]: Kanttekening 11: snijde af: Of, zal afsnijden.
[^psalmen-12-5-12]: Kanttekening 12: wie: Hebr. met of bij ons; dat is, in onze macht.
[^psalmen-12-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, die de goddeloze meent zonder moeite, als met een geblaas, te verstuiven, \[te weten, de vrome\] die zal Ik tegen de dank van de goddeloze, in vaste behoudenis stellen. Zie Ps. 10:5 . Anders, die hij \[de goddeloze\] strikken legt. Psalmen 10:5 : Zijn wegen maken te alle tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenstanders, die blaast hij aan.
[^psalmen-12-7-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 22:31 ; Ps. 18:31 ; Ps. 119:140 ; Spr. 30:5 . 2 Samuël 22:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 18:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 119:140 : Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. Spreuken 30:5 : Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-12-7-14]: Kanttekening 14: Zo allen in het algemeen, als zijn genadige beloften in het bijzonder, waarop de profeet in het volgende vers 8 gaat. Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^psalmen-12-7-15]: Kanttekening 15: Zonder enige fout, besmetting, bedrog, of valsheid; gelijk gelouterd zilver zonder schuim. Verg. Ps. 19:10 . Psalmen 19:10 : De vrees voor YHWH is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten van YHWH zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
[^psalmen-12-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, gelijk zilver, dat, enz.
[^psalmen-12-7-17]: Kanttekening 17: Gefineerd, gekeurd, door smelting in een aarden smeltkroes, of smeltoven, fornuis, ter aarde, of in de aarde, gelijk sommigen. Verg. Ps. 18:31 , en Ps. 119:140 ; Spr. 30:5 . Psalmen 18:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 119:140 : Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. Spreuken 30:5 : Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-12-7-18]: Kanttekening 18: Eigenlijk, gesmolten en zo gezuiverd en van alle onreinheid en schuim geklaard.
[^psalmen-12-7-19]: Kanttekening 19: Dat is, dikwijls, volkomenlijk; zie Gen. 4:15 , en 1 Sam. 2:5 ; Spr. 24:16 , en Spr. 26:25 . Genesis 4:15 : Maar YHWH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond. 1 Samuël 2:5 : Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen. Spreuken 26:25 : Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
[^psalmen-12-8-20]: Kanttekening 20: zult hen bewaren: Versta, de vromen en onschuldigen, tegen de praktijken van de goddelozen, die om hen gaan als briesende leeuwen.
[^psalmen-12-8-21]: Kanttekening 21: zult hen behoeden: Hebr., זוּ, zult hem behoeden; dat is, elk van hen.
[^psalmen-12-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, voor deze boze mensen, die in deze tijd tezamen leven, gelijk Deut. 1:35 , verg. Matt. 11:16 met Luk. 7:31 , en Matt. 12:42 met Luk. 11:31 . Het Hebr. woord זוּ, Dor heeft de betekenis van duren, een durende of lange tijd wonen of blijven, \[zie Ps. 84:11 \] en wordt verder genomen voor eens mensen leeftijd op aarde, Pred. 1:4 , en verder voor een menigte van mensen, die op één tijd of tezamen leven, zo bozen, gelijk hier elders, als vromen, onder Ps. 14:5 , en Ps. 73:15 , enz. Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaders te zullen geven! Mattheüs 11:16 : Maar waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen. Lukas 7:31 : En de Heer zei: Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wie zijn zij gelijk? Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Lukas 11:31 : De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier. Psalmen 84:11 : Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid. Prediker 1:4 : Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in eeuwigheid. Psalmen 14:5 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht van de rechtvaardige. Psalmen 73:15 : Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht van Uw kinderen.
[^psalmen-12-9-23]: Kanttekening 23: De profeet wil zeggen, als goddelozen \[die de snoodste zijn onder de mensen\] tot staten en ambten worden voorgetrokken en aan de regering komen, dan wordt het overal vol van goddelozen, die zeer stout, bitter en wrevelig zijn tegen de vromen, verg. Spr. 28:12 , 28:28 , en Spr. 29:16 . Spreuken 28:12 : Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht. Spreuken 28:28 : Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen. Spreuken 29:16 : Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien.
[^psalmen-12-9-24]: Kanttekening 24: Of, omdat.
[^psalmen-12-9-25]: Kanttekening 25: Hebr. de snoodheid, of nietwaardigheid; dat is, de allersnoodste, veilste, het schuim van mensen, gelijk zwelgers en slempers zijn, Deut. 21:20 ; Spr. 23:21 , gesteld tegen degenen, of wat kostelijk en dierbaar is, Jer. 15:19 . Zie verder Job 35:13 . Deuteronomium 21:20 : En zij zullen zeggen tot de oudsten van zijn stad: Deze onze zoon is afwijkende en opstandig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en zuiper. Spreuken 23:21 : Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde kleren dragen. Jeremia 15:19 : Daarom zegt YHWH zo: Zo u zult terugkeren, zo zal Ik u doen terugkeren; u zult voor Mijn aangezicht staan; en zo u het kostelijke van het snode uittrekt, zult u als Mijn mond zijn; laat hen tot u terugkeren, maar u zult tot hen niet terugkeren. Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

### Psalmen 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/13.json)

*David klaagt over het uitstel van Gods hulp; bidt dat Hij toch om Zijn eer wil zijn naderend verderf voorkome; en triomfeert door geloof.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-13-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v1)

**2** Hoe lang, YHWH, zult U mij[^psalmen-13-2-2] steeds[^psalmen-13-2-3] vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij[^psalmen-13-2-4] verbergen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v2)

**3** Hoe lang zal ik raadslagen[^psalmen-13-3-5] voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart[^psalmen-13-3-6] bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v3)

**4** Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God;[^psalmen-13-4-7] verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;[^psalmen-13-4-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v4)

**5** Opdat niet mijn vijand zeg: Ik heb hem overweldigd;[^psalmen-13-5-a] mijn tegenstanders zich verheugen, wanneer ik zou[^psalmen-13-5-9] wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v5)

**6** Maar ik vertrouw op Uw[^psalmen-13-6-10] goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;[^psalmen-13-6-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v6)

**7** ik zal YHWH zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/13.html#v7)

[^psalmen-13-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-13-2-2]: Kanttekening 2: Of, gestadiglijk, geduriglijk, altijd eeuwig, ten enenmale, ganselijk. Het Hebr. woord אֶת, betekent sterkte, overwinning, en verder eeuwigheid, langdurigheid, omdat de eeuwigheid en langdurigheid aanhouden, doordringen, immers voortgaan, en \[om zo te spreken\] alles ten enenmale overwinnen. Verg. Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-13-2-3]: Kanttekening 3: Verg. Gen. 8:1 , en Gen. 19:29 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Genesis 19:29 : En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
[^psalmen-13-2-4]: Kanttekening 4: Verg. Deut. 31:17 , en Job 13:24 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^psalmen-13-3-5]: Kanttekening 5: Overdenkende, hoe ik de handen van mijn vervolgers zal mogen ontgaan. Hebr. zetten.
[^psalmen-13-3-6]: Kanttekening 6: bij dag: Wanneer het licht en het gewoel van mensen en allerlei voortkomende dingen de bekommernis en verdriet plegen te verbreken, of te verdrijven, blijft ik evenwel in zorg en bekommernis van verrast en overvallen te worden van Saul en de zijnen.
[^psalmen-13-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, verkwik mij door uw hulp. Verg. 1 Sam. 14:27 ; Ezra 9:8 , en Spr. 15:30 . De manier van spreken wordt ook verder gebruikt van de verlichting van het verstand; Ps. 19:9 ; Ef. 1:18 , enz. 1 Samuël 14:27 : Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van de staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte dezelfde in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht. Ezra 9:8 : En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van YHWH, onze God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid. Spreuken 15:30 : Het licht van de ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet. Psalmen 19:9 : De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen. Efeziërs 1:18 : Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat u mag weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;
[^psalmen-13-4-8]: Kanttekening 8: Hebr., מָּֽוֶת, de dood niet slape; dat is, opdat ik niet de een of andere tijd om het leven gebracht worde en sterve. Zie Deut. 31:16 , en verg. de aantekening bij Jer. 51:39 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaders; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb. Jeremia 51:39 : Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH.
[^psalmen-13-5-a]: Verwijzing a: Ps. 25:2 . Psalmen 25:2 : Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
[^psalmen-13-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, sneuvelen en vallen. Verg. Ps. 10:6 . Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
[^psalmen-13-6-10]: Kanttekening 10: Of, goedgunstigheid, weldadigheid.
[^psalmen-13-6-11]: Kanttekening 11: Zo wordt Het Hebr. woord \[dat ook somtijds vergelden betekent, zie 2 Kron. 20:11 \] van Gods genadig weldoen aan de zijnen gebruikt Ps. 103:2 , 103:10 , met elkaar vergeleken Ps. 116:7 , en Ps. 119:17 , en Ps. 142:8 . Anders, wanneer Hij wèlgedaan zal hebben. 2 Kronieken 20:11 : Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. Psalmen 103:2 : Loof YHWH, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Psalmen 103:10 : Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Psalmen 116:7 : Mijn ziel! keer weer tot uw rust, want YHWH heeft aan u welgedaan. Psalmen 119:17 : Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. Psalmen 142:8 : Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer U wel bij mij zult gedaan hebben.

### Psalmen 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/14.json)

*David beschrijft de uiterste verdorvenheid en boosheid van zijn vijanden in het bijzonder, en van alle natuurlijke mensen in het algemeen; hij straft en bedreigt hen; verlangt naar Gods heil, in het bijzonder door de Messias, waarover hij in de geest verheugd is.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-14-1-1] opperzangmeester[^psalmen-14-1-a].[^psalmen-14-1-2] De[^psalmen-14-1-3] dwaas[^psalmen-14-1-4] zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij[^psalmen-14-1-5] verderven het,[^psalmen-14-1-6] zij maken het gruwelijk met[^psalmen-14-1-b] hun werk; er is niemand, die goed doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v1)

**2** YHWH heeft uit de hemel[^psalmen-14-2-7] neergekeken op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God[^psalmen-14-2-8] zocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v2)

**3** [^psalmen-14-3-9] Zij zijn allen afgeweken, samen[^psalmen-14-3-10] zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v3)

**4** [^psalmen-14-4-11] Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn[^psalmen-14-4-12] volk opeten, alsof zij brood aten?[^psalmen-14-4-13] Zij roepen YHWH niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v4)

**5** [^psalmen-14-5-14] Daar werden zij door grote schrik bevangen; want God is[^psalmen-14-5-15] bij het geslacht van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v5)

**6** U[^psalmen-14-6-16] beschaamt de raad van de ellendigen, omdat YHWH zijn Toevlucht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v6)

**7** [^psalmen-14-7-17] Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen[^psalmen-14-7-18] van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal[^psalmen-14-7-19] zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/14.html#v7)

[^psalmen-14-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-14-1-a]: Verwijzing a: Ps. 10:4 ; Ps. 53:2 . Psalmen 10:4 : De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. Psalmen 53:2 : De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
[^psalmen-14-1-2]: Kanttekening 2: Verg. de 53ste Psalm, Ps. 53 .
[^psalmen-14-1-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Sam. 25:25 . 1 Samuël 25:25 : Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan deze Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, zo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die u gezonden hebt.
[^psalmen-14-1-4]: Kanttekening 4: zegt in zijn hart: Dat is, denkt bij zichzelven; gelijk boven Ps. 10:6 ; hoewel hij zich uiterlijk somtijds anders voordoet. Verg. Job 21:14 . Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. Job 21:14 : Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust.
[^psalmen-14-1-5]: Kanttekening 5: Of, zij hebben \[zichzelven of hun weg\] verdorven. Verg. Gen. 6:12 ; Ex. 32:7 ; Deut. 31:29 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Exodus 32:7 : Toen sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven. Deuteronomium 31:29 : Want ik weet, dat u het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken.
[^psalmen-14-1-6]: Kanttekening 6: zij maken het gruwelijk: Of, zij maken zichzelven gruwelijk \[met\] hun handel.
[^psalmen-14-1-b]: Verwijzing b: Rom. 3:10 . Romeinen 3:10 : Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
[^psalmen-14-2-7]: Kanttekening 7: Menselijkerwijze van de alwetende God gesproken; verg. Gen. 1:5 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
[^psalmen-14-2-8]: Kanttekening 8: Zie 2 Kron. 15:2 . 2 Kronieken 15:2 : En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoort mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! YHWH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten.
[^psalmen-14-3-9]: Kanttekening 9: Zij zijn: Zie Rom. 3:12 , enz. en verg. boven Ps. 5:10 . Romeinen 3:12 : Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe. Psalmen 5:10 : Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
[^psalmen-14-3-10]: Kanttekening 10: Of, beschimmeld, verrot, vervuild, gelijk garstig en stinkend voedsel, of een vuil stinkend aas. Verg. Spr. 13:5 . Spreuken 13:5 : De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
[^psalmen-14-4-11]: Kanttekening 11: Hebben dan alle werkers: Anders, weten dan alle werkers van de ongerechtigheid niet, die mijn volk opeten, \[alsof\] zij brood aten, \[dat\] zij de Heer niet aanroepen? of, \[gelijk sommigen\] hebben, enz. die mijn volk opeten? zij eten brood \[en\] roepen de Heer niet aan.
[^psalmen-14-4-12]: Kanttekening 12: volk opeten: Dat is, onbeschroomd, met onrecht en geweld van lijf en goed beroven, Verg. Ex. 22:25 ; Micha 3:3 , en Ps. 79:7 . Exodus 22:25 : Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Micha 3:3 : Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels. Psalmen 79:7 : Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
[^psalmen-14-4-13]: Kanttekening 13: Zij roepen: Alsof zij zei: Daar schort het deze booswichten, dat zij met de Heer niet willen te doen hebben; daarom is hun straf zeker en gereed, gelijk volgt.
[^psalmen-14-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, alsdan. Zie Zef. 1:14 , en onder Ps. 36:13 , enz. als God zal tonen en zij in hun consientiën zullen gevoelen dat Hij het met de menigte of gemeente van de vromen houdt en de tegenpartij van deze goddelozen is; dan zullen zij met grote schrik bevangen worden, hoewel zij niets minder dachten dan zulks. Dat is een profetie van de toekomende, dat de profeet zo zeker stelt alsof het bereids geschied was. Verg. Ps. 36:13 en Ps. 53:6 . Zefanja 1:14 : De grote dag van YHWH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van YHWH; de held zal daar bitterlijk schreeuwen. Psalmen 36:13 : Daar zijn de werkers van de ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weer opstaan. Psalmen 36:13 : Daar zijn de werkers van de ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weer opstaan. Psalmen 53:6 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen van degene, die u belegerde, verstrooid; u hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
[^psalmen-14-5-15]: Kanttekening 15: bij het geslacht van de rechtvaardigen: Of, onder, of met het rechtvaardig geslacht. Verg. Ps. 12:8 . Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^psalmen-14-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, u zoekt hem te beschamen, spottende daarmee dat enz., maar u zult het gewaar worden, wil hij zeggen.
[^psalmen-14-7-17]: Kanttekening 17: Anders, wie zal geven uit Zion de verlossing Israëls? een manier van wensen bij de Hebreën gebruikelijk. Zie Deut. 5:29 . De zin is: Och dat de Heer uit Zion, waar Hij woont bij de ark van het verbond, zijn volk verlossen mocht! Anders zou het ook een vraag kunnen zijn, waarop het antwoord volgt. Verg. verder Rom. 11:26 . Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid! Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
[^psalmen-14-7-18]: Kanttekening 18: Hebr., gevangenis. Zie Num. 31:12 . Dat is, de vromen, die onder de tirannie van de bozen als gevangen zijn. Zie verder Deut. 30:3 ; Luk. 4:19 , en Ef. 4:8 . Numeri 31:12 : Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho. Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Lukas 4:19 : Om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar van de Heer. Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^psalmen-14-7-19]: Kanttekening 19: Jakobs nakomelingen, de Israëlieten; versta de vromen, die de voetstappen van hun voorvaders navolgen.

### Psalmen 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/15.json)

*David beschrijft een echte burger van Sion, of lidmaat van Gods Kerk, die niet verloren zal gaan in eeuwigheid.*

**1** Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw[^psalmen-15-1-1] tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/15.html#v1)

**2** [^psalmen-15-2-a] Die[^psalmen-15-2-2] oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die[^psalmen-15-2-3] met zijn hart de waarheid spreekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/15.html#v2)

**3** Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede[^psalmen-15-3-4] opneemt tegen zijn naaste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/15.html#v3)

**4** In wiens ogen de[^psalmen-15-4-5] verworpene veracht is, maar hij eer degenen, die YHWH vrezen; heeft hij gezworen tot[^psalmen-15-4-6] zijn schade, evenwel verandert hij niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/15.html#v4)

**5** Die zijn geld niet geeft op[^psalmen-15-5-7] rente, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet[^psalmen-15-5-8] wankelen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/15.html#v5)

[^psalmen-15-1-1]: Kanttekening 1: Versta, Gods huis, of zijn kerk, zo strijdende op aarde, als in de hemel triomferende, afgebeeld door de tabernakel en de berg Zion. Zie Ps. 2:6 . Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid.
[^psalmen-15-2-a]: Verwijzing a: Ps. 24:4 ; Jes. 33:15 . Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; Jesaja 33:15 : Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
[^psalmen-15-2-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^psalmen-15-2-3]: Kanttekening 3: met zijn hart: Dat is, van hart, gelijk wij gemeenlijk zeggen. Anders, die de waarheid spreekt in zijn hart; dat is, niets dan vroomheid en getrouwheid bij zichzelven denkt en voorneemt. Verg. boven, Ps. 10:6 . Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
[^psalmen-15-3-4]: Kanttekening 4: Versta, in de mond, of op de lippen. Verg. onder Ps. 16:4 , dit kan men verstaan zo van eerst uitgeven, als van het aannemen en verspreiden van de lasteringen, die van anderen zijn uit gestrooid. Zie Ex. 23:1 ; Lev. 19:16 ; Ps. 69:8 ; Ez. 36:15 . Psalmen 16:4 : De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. Exodus 23:1 : U zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn. Leviticus 19:16 : U zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben YHWH! Psalmen 69:8 : Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. Ezechiël 36:15 : En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH.
[^psalmen-15-4-5]: Kanttekening 5: Die vanwege zijn goddelozen wandel met recht van alle vromen verworpen wordt.
[^psalmen-15-4-6]: Kanttekening 6: tot zijn schade: Hebr., הָרַע, eigenlijk, tot kwaad, of tot kwaad doen; dat is, waardoor hij zichzelven zou beschadigen. De zin is: Al merkt hij dat zijn gedane eed hem schadelijk zal zijn, zo wederroept hij die nochtans niet, liever schade willende lijden dan een rechtmatigen eed, bij God gedaan, verbreken. Anders, heeft hij zijn naaste gezworen, zo verandert hij niet.
[^psalmen-15-5-7]: Kanttekening 7: Zie Lev. 25:36 . Leviticus 25:36 : U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.
[^psalmen-15-5-8]: Kanttekening 8: Of, vervallen, verschoven, verzet, verstoten worden; te weten, uit de stand van de gelukzaligheid; dat is, hij zal in eeuwigheid niet verloren gaan, gelijk de Heer Christus spreekt Joh. 10:28 , Verg. Ps. 10:6 , en Ps. 16:8 , en Ps. 21:8 , en Ps. 55:23 , en Ps. 62:3 , verg. met Ps. 62:7 , daar, en Ps. 66:9 ; Spr. 10:25 , enz. Johannes 10:28 : En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. Psalmen 16:8 : Ik stel YHWH geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Psalmen 21:8 : Want de koning vertrouwt op YHWH, en door de goedertierenheid van de Allerhoogste zal hij niet wankelen. Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Psalmen 62:3 : Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting, ik zal niet grotelijks wankelen. Psalmen 62:7 : Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting; ik zal niet wankelen. Psalmen 66:9 : Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele. Spreuken 10:25 : Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

### Psalmen 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/16.json)

*David bidt om bewaring, met verzaking van zijn verdiensten bij God, verfoeiing van alle afgoderij, en een blijde belijdenis van zijn geloof in de Messias, door Wie hij en alle gelovigen, gemeenschap met God hebbend, aan de zalige opstanding en het eeuwige leven deel zullen hebben. Ondertussen wordt de Heere Christus Zelf hier sprekend ingevoerd, sprekend van Zijn dood, opstanding en eeuwige heerlijkheid, tot het beste van de Zijnen.*

**1** Een[^psalmen-16-1-1] gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v1)

**2** [^psalmen-16-2-2] O mijn ziel! u hebt tot YHWH gezegd: U bent[^psalmen-16-2-3] YHWH, mijn[^psalmen-16-2-a] goedheid[^psalmen-16-2-4] raakt niet tot U; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v2)

**3** Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de[^psalmen-16-3-5] heerlijken, in die al mijn lust is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v3)

**4** De smarten van degenen, die een[^psalmen-16-4-6] andere[^psalmen-16-4-7] God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal[^psalmen-16-4-8] hun drankoffers van bloed niet[^psalmen-16-4-9] offeren, en hun namen[^psalmen-16-4-10] op mijn lippen niet nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v4)

**5** [^psalmen-16-5-b] YHWH is het[^psalmen-16-5-11] deel van mijn erfenis, en van mijn beker; U[^psalmen-16-5-12] onderhoudt mijn lot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v5)

**6** De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja,[^psalmen-16-6-13] een schone erfenis is mij geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v6)

**7** Ik zal YHWH[^psalmen-16-7-14] loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs[^psalmen-16-7-15] bij nacht onderwijzen mij mijn[^psalmen-16-7-16] nieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v7)

**8** [^psalmen-16-8-17][^psalmen-16-8-c] Ik stel YHWH steeds[^psalmen-16-8-18] voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet[^psalmen-16-8-19] wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v8)

**9** Daarom is mijn hart verblijd, en mijn[^psalmen-16-9-20] eer verheugt zich; ook zal mijn[^psalmen-16-9-21] vlees[^psalmen-16-9-22] zeker wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v9)

**10** [^psalmen-16-10-d] Want U zult mijn[^psalmen-16-10-23] ziel in het[^psalmen-16-10-24] dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw[^psalmen-16-10-25] Heilige de[^psalmen-16-10-26] verderving[^psalmen-16-10-27] zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v10)

**11** U zult mij het[^psalmen-16-11-28] pad van het leven bekend maken; verzadiging[^psalmen-16-11-29] van de vreugde is bij Uw[^psalmen-16-11-30] aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw[^psalmen-16-11-31] rechterhand, eeuwig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/16.html#v11)

[^psalmen-16-1-1]: Kanttekening 1: gouden kleinood: Of, gouden Psalm. Hebr., מִכְתָּם, Michtam, dat is, wat van het beste en fijnste goud gemaakt is. Gelijken titel hebben de Psalmen 56 , 57 , 58 , 59 en 60 , vanwege hun bijzondere kostelijkheid en uitnemendheid. Sommigen houden het voor een soort van een muziekinstrument, of de aanvang van enig lied.
[^psalmen-16-2-2]: Kanttekening 2: u hebt: Deze woorden spreekt David als een voorbeeld van Christus, of \[zo enige menen\] Christus zelf in de stand van zijn vernedering tot zijn ziel, gelijk het Hebr. woord uitwijst; elders wordt het woord ziel uitgedrukt; Ps. 103:1 . Psalmen 103:1 : Een psalm van David. Loof YHWH, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.
[^psalmen-16-2-3]: Kanttekening 3: YHWH: Anders, mijn Heer.
[^psalmen-16-2-a]: Verwijzing a: Job 22:2 ; Job 35:7 ; Ps. 50:9 ; Rom. 11:35 . Job 22:2 : Zal ook een man voor God voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn. Job 35:7 : Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand? Psalmen 50:9 : Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien; Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
[^psalmen-16-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, weldadigheid. De zin is: Ik kan U, o God, met mijn weldaden niets aanbrengen, U gene deugd doen \[want U bent in uzelven volmaakt en een oorsprong van al het goede\]; maar wel de vromen, die op aarde leven. gelijk volgt.
[^psalmen-16-3-5]: Kanttekening 5: Of, voortreffelijken, aanzienlijken; zo noemt hij de gelovigen en heiligen, omdat zij Gods kinderen en erfgenamen zijn. Van het Hebr. woord, zie boven Ps. 8:2 . Psalmen 8:2 : O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemel.
[^psalmen-16-4-6]: Kanttekening 6: Niet de ware enige God, meer een afgod.
[^psalmen-16-4-7]: Kanttekening 7: Versta, met een huwelijks- gift of bruiloftsgift, en zie van de razernijen van deze geestelijke hoererij Ez. 16:31 , 16:32 , 16:33 , 16:34 . Ezechiël 16:31 : Als u uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende. Ezechiël 16:32 : O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan. Ezechiël 16:33 : Men geeft loon aan alle hoeren; maar u geeft uw loon aan al uw boelen, en u beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. Ezechiël 16:34 : Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, omdat men u niet naloopt, om te hoereren; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden.
[^psalmen-16-4-8]: Kanttekening 8: hun drankofferen: Van de afgoden.
[^psalmen-16-4-9]: Kanttekening 9: Of, uitgieten, uitstorten; gelijk de afgodendienaars gewoon waren te doen in de drankoffers. Van de wettelijke drankoffers, waarin wijn of sterke drank gebruikt werd, zie Ex. 29:40 ; Num. 15:5 , 15:7 , 15:10 , en Num. 28:7 . Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Numeri 15:5 : En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult u bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam. Numeri 15:7 : En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult u offeren tot een liefelijken reuk voor YHWH. Numeri 15:10 : En wijn zult u offeren ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk voor YHWH. Numeri 28:7 : En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank voor YHWH offeren.
[^psalmen-16-4-10]: Kanttekening 10: op mijn lippen: Dat is, in mijn mond, gelijk Ps. 50:16 . Hij wil zeggen dat hij met de afgoderij en wat er aankleeft ganselijk niet wil te doen hebben, dat hij een afgrijzen daarvan heeft. Zie Ex. 23:13 . Psalmen 50:16 : Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt u Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? Exodus 23:13 : In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!
[^psalmen-16-5-b]: Verwijzing b: Klaagl. 3:24 . Klaagliederen 3:24 : Cheth. YHWH is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
[^psalmen-16-5-11]: Kanttekening 11: Twee gelijkenissen worden hier gebruikt: de ene genomen van erven, die met snoeren gemeten en bij het lot werden uitgedeeld, zie Deut. 3:4 , en Deut. 32:9 ; Joz. 13 enz.; de andere van de huisvader elke huisgenoot zijn beker drank toedeelde. Verg. Ps. 11:6 . Deuteronomium 3:4 : En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan. Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve. Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
[^psalmen-16-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, bewaart, of houdt in zekere bewaring voor mij. Verg. 2 Tim. 4:8 ; 1 Petr. 1:4 , 1:5 . 2 Timotheüs 4:8 : Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. 1 Petrus 1:4 : Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemel bewaard is voor u. 1 Petrus 1:5 : Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^psalmen-16-6-13]: Kanttekening 13: een schone: Hebr., נַחֲלָת, de erfenis is schoon geworden aan, of over mij.
[^psalmen-16-7-14]: Kanttekening 14: Hebr. zegenen.
[^psalmen-16-7-15]: Kanttekening 15: bij nacht: Hebr., לֵילוֹת, in de nachten. Zie Ps. 1:2 . Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-16-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, mijn innerlijkste bewegingen drijven mij tot aan mijn plicht. Zie Job 19:27 . Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^psalmen-16-8-17]: Kanttekening 17: Ik stel: Dat is van onze Heer Christus gesproken is, blijkt uit Hand. 2:25 . Handelingen 2:25 : Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
[^psalmen-16-8-c]: Verwijzing c: Hand. 2:25 . Handelingen 2:25 : Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
[^psalmen-16-8-18]: Kanttekening 18: Hebr. tegen mij over.
[^psalmen-16-8-19]: Kanttekening 19: Gelijk Ps. 15:5 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
[^psalmen-16-9-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 49:6 . Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
[^psalmen-16-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, lichaam.
[^psalmen-16-9-22]: Kanttekening 22: Of, veiliglijk. Hebr. eigenlijk, met, of in vertrouwen, te weten, dat de opstanding op de derde dag zekerlijk volgen zal.
[^psalmen-16-10-d]: Verwijzing d: Hand. 2:31 ; Hand. 13:35 . Handelingen 2:31 : Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in het dodenrijk, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Handelingen 13:35 : Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: U zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.
[^psalmen-16-10-23]: Kanttekening 23: Dat is, mijn persoon, gelijk elders dikwijls, waardoor verder het dode lichaam van onze Heer Jezus Christus verstaan wordt. Verg. Lev. 19:28 , en Ps. 94:17 , en zie hiervan Hand. 2:31 , en Hand. 13:35 , enz. Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Psalmen 94:17 : Tenzij YHWH mij een Hulp geweest was, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. Handelingen 2:31 : Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in het dodenrijk, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Handelingen 13:35 : Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: U zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.
[^psalmen-16-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, graf. Of versta met sommigen, de helse pijn, die Christus in zijn lijden om onzentwil gedragen heeft. Zie van het Hebr. woord Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-16-10-25]: Kanttekening 25: Te weten, Ik, Christus. Anders, goedertierene, weldadige, gunstgenoot. Verg. Deut. 33:8 , en Ps. 4:4 . Deuteronomium 33:8 : En van Levi zei hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan de man, Uw gunstgenoot; die U verzocht hebt in Massa, met welke U getwist hebt aan de wateren van Meriba. Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-16-10-26]: Kanttekening 26: Zie Ps. 7:16 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
[^psalmen-16-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, ondervinde, lijde, blijvende in het graf en verrottende, gelijk andere mensen. Verg. Ps. 34:13 ; Joh. 3:36 , en Joh. 8:51 , en zie Job 7:7 . Psalmen 34:13 : Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Johannes 3:36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Johannes 8:51 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in eeuwigheid. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^psalmen-16-11-28]: Kanttekening 28: Mij in dit leven geleidende en daarna opwekkende uit de doden, en voerende in de heerlijkheid van het eeuwige leven.
[^psalmen-16-11-29]: Kanttekening 29: van de vreugde: Of, blijdschappen, in het getal van velen.
[^psalmen-16-11-30]: Kanttekening 30: Verg. Ps. 4:7 , en Ps. 17:15 , en zie 1 Joh. 3:2 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Psalmen 17:15 : Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^psalmen-16-11-31]: Kanttekening 31: Met welke U die aan uw kinderen geeft en uitdeelt. Verg. Spr. 3:16 . Anders, bij uw rechterhand; waar Ik Christus zal zitten, als Ik ten hemel zal zijn opgevaren, en waar David en alle uitverkorenen zullen gesteld worden; Matt. 25:33 . Spreuken 3:16 : Langheid van de dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. Mattheüs 25:33 : En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand.

### Psalmen 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/17.json)

*David, in vertrouwen dat zijn oprechtheid en onschuld God zeer wel bekend zijn, bidt om bewaring en bescherming tegen zijn vervolgers, die vanwege hun tijdelijk geluk op aarde de onschuldige tiranniek verdrukten; en hij troost zich in Gods heil en in de zalige hoop op het eeuwige leven.*

**1** Een gebed van David. YHWH! hoor de[^psalmen-17-1-1] gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed,[^psalmen-17-1-2] met onbedriegelijke lippen gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v1)

**2** [^psalmen-17-2-3] Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de[^psalmen-17-2-4] eerlijkheid aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v2)

**3** U hebt mijn hart[^psalmen-17-3-5] geproefd, in de nacht bezocht, U hebt mij getoetst. U[^psalmen-17-3-6] vindt niets; wat[^psalmen-17-3-7] ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v3)

**4** Voor wat betreft de handelingen van de mensen, ik heb mij,[^psalmen-17-4-8] naar het woord van Uw lippen,[^psalmen-17-4-9] gewacht voor de paden van[^psalmen-17-4-10] de inbreker; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v4)

**5** [^psalmen-17-5-11] Houdende mijn gangen in Uw[^psalmen-17-5-12] sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v5)

**6** Ik roep U aan, omdat U mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v6)

**7** Maak Uw goedertierenheden[^psalmen-17-7-13] wonderbaar, U, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw[^psalmen-17-7-14] rechterhand opstaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v7)

**8** Bewaar mij als het zwart van[^psalmen-17-8-15] de oogappel, verberg mij onder de[^psalmen-17-8-16] schaduw van Uw vleugels, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v8)

**9** [^psalmen-17-9-17] Voor het aangezicht van de goddelozen, die mij verwoesten, van mijn[^psalmen-17-9-18] doodsvijanden, die mij omringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v9)

**10** Met hun vet[^psalmen-17-10-19] besluiten zij zich, met hun mond spreken zij[^psalmen-17-10-20] hoogmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v10)

**11** In onze gang hebben zij ons nu[^psalmen-17-11-21] omsingeld, zij zetten hun ogen[^psalmen-17-11-22] op ons ter aarde neerbuigend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v11)

**12** [^psalmen-17-12-23] Hij is zoals een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v12)

**13** [^psalmen-17-13-24] Sta op, YHWH,[^psalmen-17-13-25] kom zijn aangezicht voor, vel hem neer; bevrijd mijn ziel[^psalmen-17-13-26] met Uw zwaard van de goddeloze; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v13)

**14** Met Uw hand van de mensen, o YHWH! van de mensen, die van de wereld zijn, van wie het[^psalmen-17-14-27] deel in dit leven is, van wie de buik U vervult met Uw[^psalmen-17-14-28] verborgen schat;[^psalmen-17-14-29] de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun[^psalmen-17-14-30] overschot aan hun[^psalmen-17-14-31] kinderen achter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v14)

**15** [^psalmen-17-15-32] Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met[^psalmen-17-15-33] Uw beeld, als ik zal opwaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/17.html#v15)

[^psalmen-17-1-1]: Kanttekening 1: Neem mijn rechtvaardige zaak aan, of hoor mij, die een rechtvaardige zaak heb.
[^psalmen-17-1-2]: Kanttekening 2: met onbedriegelijke lippen: Hebr., שִׂפְתֵי, met geen lippen van het bedrog.
[^psalmen-17-2-3]: Kanttekening 3: Laat mijn: Alsof hij zei: Spreek toch eens vonnis over mijn zaak in het openbaar, en voer het uit, omdat mijn onschuld U volkomenlijk bekend is, gelijk volgt. Verg. Ps. 37:6 . Psalmen 37:6 : En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag.
[^psalmen-17-2-4]: Kanttekening 4: Hebr. rechtheden of richtigheden; dat is, billijkheden, rechte of billijke zaken, gelijk elders. Verg. Spr. 1:3 . Spreuken 1:3 : Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
[^psalmen-17-3-5]: Kanttekening 5: Een gelijkenis van het werk van de goudsmeden. Zie Ps. 7:10 , en Ps. 66:10 ; Zach. 13:9 . Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! Psalmen 66:10 : Want U hebt ons beproefd, o God! U hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; Zacharia 13:9 : En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: YHWH is mijn God.
[^psalmen-17-3-6]: Kanttekening 6: vindt niets: Geen schuim; dat is, geen onrecht of bedrog, dat ik mijn zaak of in mijn lijden zou voorhebben, gelijk volgt.
[^psalmen-17-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, ik voer niets anders in de mond dan mijn hart denkt. Anders, ik heb voorgenomen \[dat\] mijn mond niet zal overtreden.
[^psalmen-17-4-8]: Kanttekening 8: naar het: Dat is, naar het bevel van uw woord. Anderen voegen deze woorden bij het voorgaande aldus: Aangaande de handelingen van de mensen, naar het woord van uw lippen, enz. Dat is, die de mens schuldig is te doen, naar uw woord.
[^psalmen-17-4-9]: Kanttekening 9: Of, ik heb gelet op, enz. te weten, om zulke paden te vermijden, hoewel mijn vijanden mij valselijk het tegendeel nageven.
[^psalmen-17-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, geweldenaars, straatschenders, moordenaars, uit vergelijking van Jer. 7:11 en Matt. 21:13 ; Hebr. eigenlijk, doorbrekers, inbrekers; te weten van huizen, steden, landen, wetten, enz. Zie Ez. 7:22 , en Ez. 18:10 ; Hos. 4:2 . Jeremia 7:11 : Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH. Mattheüs 21:13 : En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden; maar u hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Ezechiël 7:22 : Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. Ezechiël 18:10 : Heeft hij nu een zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broer doet één van deze dingen; Hosea 4:2 : Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.
[^psalmen-17-5-11]: Kanttekening 11: Anders, houdt \[o Heer\] enz.
[^psalmen-17-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, richtende mijn wandel naar uw geboden.
[^psalmen-17-7-13]: Kanttekening 13: David wil zeggen dat hij in zulk een gevaar en nood was, dat hij niet kon behouden worden zonder een wonderlijke hulp van de Heer.
[^psalmen-17-7-14]: Kanttekening 14: Waarmee U uw volk beschermt en verlost. Anders, U die met uw rechterhand verlost degenen, die \[op U\] betrouwen, van degenen, die \[tegen hen\] opstaan.
[^psalmen-17-8-15]: Kanttekening 15: Hebr., בַּת, van de dochter van het oog. Verg. Deut. 32:10 . Zie de aantekening bij Deut. 32:10 , daar. Deuteronomium 32:10 : Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Deuteronomium 32:10 : Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
[^psalmen-17-8-16]: Kanttekening 16: Verg. Ruth 2:12 . Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^psalmen-17-9-17]: Kanttekening 17: Of, vanwege de goddelozen.
[^psalmen-17-9-18]: Kanttekening 18: Hebr. vijanden in, of met de ziel; dat is, die mij dodelijk in het binnenste huns harten haten. Anders, tegen de ziel, dat is, die mij het leven zoeken te benemen.
[^psalmen-17-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, bedekken. Verg. Job 15:27 , en Ps. 73:7 . Job 15:27 : Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; Psalmen 73:7 : Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen van de harten te boven.
[^psalmen-17-10-20]: Kanttekening 20: Hebr. in hovaardigheid.
[^psalmen-17-11-21]: Kanttekening 21: Zie 1 Sam. 23:8 , en 1 Sam. 24:3 , en 1 Sam. 25:26 , en 1 Sam. 26:2 , 26:3 . 1 Samuël 23:8 : Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila, om David en zijn mannen te belegeren. 1 Samuël 24:3 : Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen van de steenbokken. 1 Samuël 25:26 : En nu, mijn heer! zo waarachtig als YHWH leeft, en uw ziel leeft, het is YHWH, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken! 1 Samuël 26:2 : Toen maakte zich Saul op, en toog af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. 1 Samuël 26:3 : En Saul legerde zich op de heuvel van Hachila, die voor aan de wildernis is aan de weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn.
[^psalmen-17-11-22]: Kanttekening 22: Loerende op mij en de mijnen, gelijk de leeuw op de roof. Zie het volgende vers 12 en Ps. 10:10 . Psalmen 17:12 : Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen. Psalmen 10:10 : Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
[^psalmen-17-12-23]: Kanttekening 23: Hij is gelijk als: Hebr. zijn gelijkenis is als, enz. Versta van een ieder van hen, of hun overste.
[^psalmen-17-13-24]: Kanttekening 24: Sta op: Zie Ps. 3:8 . Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken.
[^psalmen-17-13-25]: Kanttekening 25: kom zijn: Dat is, vel U hem neder voordat hij mij overvalle.
[^psalmen-17-13-26]: Kanttekening 26: met Yw zwaard: Anders, van de goddeloze, \[die\] uw zwaard \[is\]; dat is, door wiens zwaard U mij oefent en beproeft. En zo in het volgende vers 14 \[die\] in uw hand \[zijn\]. Psalmen 17:14 : Met Uw hand van de mensen, o YHWH! van de mensen, die van de wereld zijn, van wie het deel in dit leven is, van wie de buik U vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot aan hun kinderen achter.
[^psalmen-17-14-27]: Kanttekening 27: Stel hiertegen Ps. 16:5 , enz., en het volgende vers 15 alhier. Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 17:15 : Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
[^psalmen-17-14-28]: Kanttekening 28: Dat is, allerlei overvloed en lekkernij van voedsel en drank, die Gods verborgen schat of goed genoemd worden, omdat zij in Gods lucht en aarde als verborgen zijn, en door zijn regering, boven en onder, uit de grond van de aarde worden voortgebracht.
[^psalmen-17-14-29]: Kanttekening 29: de kinderen: Anders, zij overvloeien van kinderen.
[^psalmen-17-14-30]: Kanttekening 30: Of. hun overvloed, hun heerlijkheid.
[^psalmen-17-14-31]: Kanttekening 31: Zie Ps. 8:3 . Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, om Uw tegenpartijen wil, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^psalmen-17-15-32]: Kanttekening 32: Maar : Verg. boven, Ps. 4:7 , 4:8 , en zie de aantekening bij Ps. 16:11 ; idem 1 Kor. 13:12 ; 2 Kor. 5:7 ; 1 Joh. 3:2 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Psalmen 4:8 : U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Psalmen 16:11 : U zult mij het pad van het leven bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwig. 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 2 Korinthiërs 5:7 : (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.) 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^psalmen-17-15-33]: Kanttekening 33: uw beeld: Of, uw gelijkenis; anders, ik zal verzadigd worden, als ik zal opwaken \[met\] uw beeld, of uw gelijkenis. Zie 1 Kor. 15:49 ; 1 Joh. 3:2 . 1 Korinthiërs 15:49 : En zoals wij het beeld van de aardsen gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelsen dragen. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.

### Psalmen 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/18.json)

*Zie de inhoud van deze psalm bij 2 Sam. 22.*

**1** [^psalmen-18-1-1] Voor de koorleider. Van David, de dienaar van YHWH, die de woorden van dit lied tot YHWH sprak op de dag dat YHWH hem redde uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v1)

**2** Hij zei dan: Ik zal U[^psalmen-18-2-2] hartelijk liefhebben, YHWH, mijn Sterkte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v2)

**3** YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Wie ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn van mijn heil, mijn Vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v3)

**4** Ik riep YHWH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v4)

**5** Banden van de dood hadden mij omvangen, en beken van Belial verschrikten mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v5)

**6** Banden van het dodenrijk omringden mij, strikken van de dood bejegenden mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v6)

**7** Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v7)

**8** Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v8)

**9** Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v9)

**10** En Hij boog de hemel, en daalde neer, en donkerheid was onder Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v10)

**11** En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij[^psalmen-18-11-3] vloog snel op de[^psalmen-18-11-4] vleugelen van de wind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v11)

**12** Duisternis zette Hij tot Zijn plek om te schuilen; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v12)

**13** Van de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v13)

**14** En YHWH donderde in de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v14)

**15** En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij[^psalmen-18-15-5] vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v15)

**16** En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw bestraffing, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v16)

**17** Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v17)

**18** Hij verloste mij van mijn sterke vijand, en van mijn vijanden, omdat zij machtiger waren dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v18)

**19** Zij hadden mij bejegend op de dag van mijn ongeluk; maar YHWH was mij tot een Steun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v19)

**20** En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v20)

**21** YHWH vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weer naar de reinheid van mijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v21)

**22** Want ik heb de wegen van YHWH gehouden, en ben van mijn God niet goddeloos afgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v22)

**23** Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn voorschriften deed ik niet van mij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v23)

**24** Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v24)

**25** Zo gaf mij YHWH weer naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen, voor Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v25)

**26** Bij de goedertierene houdt U Zich goedertieren, bij de oprechten man houdt U Zich oprecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v26)

**27** Bij de reine houdt U Zich rein, maar bij de verkeerde bewijst U Zich een[^psalmen-18-27-6] Worstelaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v27)

**28** Want U verlost het bedrukte volk, maar de[^psalmen-18-28-7] hoge ogen vernedert U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v28)

**29** Want U doet mijn[^psalmen-18-29-8] lamp lichten; YHWH, mijn God, doet mijn duisternis opklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v29)

**30** Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v30)

**31** Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v31)

**32** Want wie is God, behalve YHWH? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v32)

**33** Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg[^psalmen-18-33-9] volkomen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v33)

**34** Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v34)

**35** Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v35)

**36** Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v36)

**37** U hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v37)

**38** Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weer, voordat ik hen verdaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v38)

**39** Ik doorstak hen, dat zij niet weer konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v39)

**40** Want U omgordde mij met kracht ten strijde; U deedt onder mij neerbuigen, die tegen mij opstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v40)

**41** En U gaf mij de nek van mijn vijanden, en mijn vijanden, die vernielde ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v41)

**42** Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot YHWH, maar Hij antwoordde hun niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v42)

**43** Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als slijk van de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v43)

**44** U hebt mij uitgeholpen van de twisten van het volk; U hebt mij gesteld tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v44)

**45** Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v45)

**46** Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v46)

**47** YHWH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God van mijn heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v47)

**48** De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v48)

**49** Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van het geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v49)

**50** Daarom zal ik U, o YHWH! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v50)

**51** Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/18.html#v51)

[^psalmen-18-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen, de opzichter over de kerkzang, die dit lied moest uitvoeren.
[^psalmen-18-2-2]: Kanttekening 2: Ofte, hertgrondelijk, innerlijk, uit mijn binnenste, zoals een moeder de vrucht haars lichaams bemint. Want het Hebreeuwse woord komt van een woord, dat baar-moeder, ingewant, en verder ontferming, of, barmhartigheid betekent. Sulcx dat dit woord een liefde betekent, die niet alleen oprecht is, maar ook met zeer vurige inwendige beweging yemanden wordt toegedragen. Vergelijk Ps. 103:1.
[^psalmen-18-11-3]: Kanttekening 3: Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt van het snel vliegen eens Arents. Deut. 28:49. Jer. 48:40. en 49:22.
[^psalmen-18-11-4]: Kanttekening 4: Verg. Ps. 104:3.
[^psalmen-18-15-5]: Kanttekening 5: Ofte, schoot blixemen uit. zie Job 16:13. Jer. 50:29.
[^psalmen-18-27-6]: Kanttekening 6: Ofte, verdraeit, zie 2 Sam. 22. op vers 27.
[^psalmen-18-28-7]: Kanttekening 7: Zie Ps. 10. op vers 4.
[^psalmen-18-29-8]: Kanttekening 8: Zie Job 18. op vers 6.
[^psalmen-18-33-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: volkomelijk effen, of, klaar gemaakt, als 2 Sam. 22:33. staat.

### Psalmen 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/19.json)

*David leert dat Gods schepselen, in het bijzonder de hemel en de loop van de zon, overvloedig getuigen van Zijn macht, wijsheid en algemene goedheid; maar hij roemt boven alles de bijzondere genade die Hij aan Zijn volk bewijst door de openbaring van Zijn zaligmakende Woord. Daardoor verlicht zijnde, erkent David zijn zondige staat, biddend om reiniging, alsook om bewaring voor de heerschappij van de zonde, en dat hij God welbehaaglijk mag leven.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-19-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v1)

**2** De hemelen[^psalmen-19-2-2] vertellen Gods eer, en het[^psalmen-19-2-3] uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v2)

**3** [^psalmen-19-3-4] De dag aan de dag[^psalmen-19-3-5] stort overvloedig spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v3)

**4** [^psalmen-19-4-6] Geen spraak, en geen woorden zijn er,[^psalmen-19-4-7] waar hun stem niet wordt gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v4)

**5** [^psalmen-19-5-a] Hun[^psalmen-19-5-8] richtsnoer gaat uit over de hele aarde, en hun redenen aan het einde van de wereld; Hij heeft daarin een[^psalmen-19-5-9] tent gesteld voor de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v5)

**6** En[^psalmen-19-6-10] die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij[^psalmen-19-6-b] is vrolijk als een[^psalmen-19-6-11] held, om het pad te lopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v6)

**7** Haar uitgang is van het einde van de hemel, en haar omloop tot aan de einden daarvan; en[^psalmen-19-7-12] niets is verborgen voor haar hitte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v7)

**8** [^psalmen-19-8-c] De[^psalmen-19-8-13] wet van YHWH is volmaakt,[^psalmen-19-8-14] die de ziel bekeert; de[^psalmen-19-8-15] getuigenis van YHWH is[^psalmen-19-8-16] zeker, die de eenvoudigen wijsheid geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v8)

**9** De bevelen van YHWH zijn[^psalmen-19-9-17] recht, die het hart verblijdt; het gebod van YHWH is zuiver, die de[^psalmen-19-9-18] ogen verlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v9)

**10** De[^psalmen-19-10-19] vrees voor YHWH is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten van YHWH zijn[^psalmen-19-10-20] waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v10)

**11** [^psalmen-19-11-d] Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en[^psalmen-19-11-e] zoeter dan honing en[^psalmen-19-11-21] honingzeem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v11)

**12** Ook wordt Uw knecht daardoor duidelijk[^psalmen-19-12-22] vermaand; in het houden ervan is grote[^psalmen-19-12-23] beloning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v12)

**13** Wie zou de[^psalmen-19-13-24] afdwalingen verstaan? Reinig mij van de[^psalmen-19-13-25] verborgen afdwalingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v13)

**14** Houd Uw knecht ook terug van[^psalmen-19-14-26] hoogmoed; laat ze niet over mij[^psalmen-19-14-27] heersen; dan zal ik[^psalmen-19-14-28] oprecht zijn en rein van[^psalmen-19-14-29] grote overtreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v14)

**15** Laat de redenen van mijn mond, en de overdenking van mijn hart[^psalmen-19-15-30] welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, o YHWH, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/19.html#v15)

[^psalmen-19-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-19-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, geven ons stof om Gods almacht, wijsheid en goedheid te vertellen.
[^psalmen-19-2-3]: Kanttekening 3: Zie Gen. 1:6 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^psalmen-19-3-4]: Kanttekening 4: De dag: Dat is, elke dag, en nacht, steeds op elkaar volgende, de één aan de ander.
[^psalmen-19-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, het is of zij ons steeds toespraken en leerden, gelijk de fonteinen of springaders steeds overvloediglijk water uitgeven of uitborrelen, waarvan het Hebr. woord אֹמֶר, eigenlijk verstaan wordt; zie Spr. 18:4 ; Pred. 12:6 ; Jes. 49:10 . Spreuken 18:4 : De woorden van de mond van een man zijn diepe wateren; en de springader van de wijsheid is een uitstortende beek. Prediker 12:6 : Voordat dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan de bornput in stukken gestoten wordt; Jesaja 49:10 : Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
[^psalmen-19-4-6]: Kanttekening 6: Geen spraak: Dat is, hoezeer verscheidenen de talen en woorden van de mensen ook mogen zijn, zulks dat de één de ander niet kan verstaan, zo is nochtans \[om zo te spreken\] de taal van deze schepselen en werken van Gods hand bij allen verstaanbaar, dat men kan weten wat zij ons willen zeggen. Anders: \[zij hebben\] gene spraak en gene woorden, \[nochtans\] wordt hun stem gehoord; dat is, verstaan. Zie Gen. 11:7 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore.
[^psalmen-19-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, van de hemelen, uit vers 2 . Psalmen 19:2 : De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen.
[^psalmen-19-5-a]: Verwijzing a: Rom. 10:18 . Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
[^psalmen-19-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, hun bovenmate schoon gebouw, alsof het met een richtsnoer afgemeten en daarnaar gemaakt ware; zie Zach. 1:16 , en Job 38:5 ; of, linie, regel, voorschrift, schrift; dat is, het is of zij ons met grove lijnen en letteren schreven en leerden van hun Schepper. Verg. Jes. 28:10 ; waarop de apostel dit toegepast heeft; zie Rom. 10:8 . Zacharia 1:16 : Daarom zegt YHWH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt YHWH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. Job 38:5 : Wie heeft haar maten gezet, want u weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? Jesaja 28:10 : Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Romeinen 10:8 : Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken.
[^psalmen-19-5-9]: Kanttekening 9: Dit wordt in het volgende vers 6 verklaard. Psalmen 19:6 : En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^psalmen-19-6-10]: Kanttekening 10: die is: Te weten, de zon, zeer schoon en sierlijk hervoorbrekende en oprijzende, gelijk de bruidegom met sierlijke kleren voor de dag pleegt te komen; zie Jes. 61:10 . Jesaja 61:10 : Ik ben zeer vrolijk in YHWH, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap.
[^psalmen-19-6-b]: Verwijzing b: Pred. 1:5 . Prediker 1:5 : Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
[^psalmen-19-6-11]: Kanttekening 11: Snel en sterklopende van de opgang tot de ondergang. Verg. Pred. 1:5 . Prediker 1:5 : Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.
[^psalmen-19-7-12]: Kanttekening 12: Of, niemand. Versta, waar de zon schijnt.
[^psalmen-19-8-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 22:31 ; Ps. 18:31 . 2 Samuël 22:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 18:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-19-8-13]: Kanttekening 13: Of, leer; dat is, Gods heilig Woord. Zie Ps. 1:2 . Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-19-8-14]: Kanttekening 14: Of, wederbrengende, wederoprichtende, dat is, verkwikkende, troostende, gelijk Ps. 23:3 . Zie ook Ruth 4:15 . Dit is de vrucht van de leer van het Evangelie. Psalmen 23:3 : Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, vanwege Zijn Naam. Ruth 4:15 : Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, die u beter is dan zeven zonen.
[^psalmen-19-8-15]: Kanttekening 15: Zijn woord, getuigende van zijn wezen, wil en werken.
[^psalmen-19-8-16]: Kanttekening 16: Dat is, waarachtig, zeker, vast, bestendig, verg. Ps. 93:5 , en Ps. 111:7 . Psalmen 93:5 : Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, YHWH! tot lange dagen. Psalmen 111:7 : Mem. De werken van Zijn handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
[^psalmen-19-9-17]: Kanttekening 17: Of, richtig, dat is, in alles gelijkvormig, met zichzelven overeenstemmende, en de enige rechte weg van de zaligheid recht wijzende. Van het Hebr. woord מְאִירַת, zie boven Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^psalmen-19-9-18]: Kanttekening 18: Van het verstand. Zie Ps. 13:4 . Psalmen 13:4 : Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
[^psalmen-19-10-19]: Kanttekening 19: God vrezen en eren, idem in zijn wegen wandelen, worden met elkaar verwisseld, Jes. 29:13 ; verg. met Matt. 15:9 , en 2 Kron. 6:31 , met 1 Kon. 8:40 , en Ps. 128:1 . Zodat men hier door kinderlijke vreze, waarmee de kinderen van God uit het geloof Hem eren, bekwamelijk kan verstaan de leer van de ware religie en godsdienst, zijnde rein van alle vuiligheid van de menselijke verdichtselen en medebrengende reinheid van de harten en handen, Ps. 24:4 . Jesaja 29:13 : Want de Heer heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; Mattheüs 15:9 : Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn. 2 Kronieken 6:31 : Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaders gegeven hebt. 1 Koningen 8:40 : Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat U onze vaders gegeven hebt. Psalmen 128:1 : Een lied Hammaäloth. Welgelukzalig is een ieder, die YHWH vreest, die in Zijn wegen wandelt. Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
[^psalmen-19-10-20]: Kanttekening 20: Dat is, zeer of in alle manieren waarachtig, niet dan enkele waarheid.
[^psalmen-19-11-d]: Verwijzing d: Ps. 119:72 ; idem v. 127 ; Spr. 8:11 . Psalmen 119:72 : De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. Psalmen 119:127 : Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. Spreuken 8:11 : Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
[^psalmen-19-11-e]: Verwijzing e: Ps. 119:103 . Psalmen 119:103 : Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
[^psalmen-19-11-21]: Kanttekening 21: Hebr. het vloeiende van de honingraten; dat is, dat uit de honingraten vanzelf zonder persen vloeit, ongepijnden honing.
[^psalmen-19-12-22]: Kanttekening 22: Het Hebr. woord betekent blinken, klaar schijnen; en verder vermanen, waarschuwen; waardoor de mens een licht en klaarheid bekomt voor zijn ziel, en ook nuttigheid, profijt en voordeel. Verg. Ez. 3:18 , 3:19 , 3:20 , 3:21 . Ezechiël 3:18 : Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 3:19 : Maar als u de goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. Ezechiël 3:20 : Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 3:21 : Maar als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en u hebt uw ziel bevrijd.
[^psalmen-19-12-23]: Kanttekening 23: Het Hebr. woord betekent eigenlijk de hiel, de verzenen, \[ Gen. 3:15 , en Gen. 25:26 \], en wordt verder genomen voor het einde van een ding, \[gelijk hoofd voor het begin\] en verder voor uitkomst, geluk, voordeel, beloning; omdat zij in het einde en op het laatst komen; gelijk een ander woord, betekende eigenlijk het achterste, ook zo gebruikt wordt. Zie Spr. 23:18 . Dat nu God de gehoorzaamheid van zijn kinderen, niettegenstaande hun onvolmaaktheid, met grote beloften vereert, deze voor aangenaam houdt en beloont, dat geschiedt niet naar hun verdiensten, maar uit genade om de verdiensten van Jezus Christus' wil. Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelfde zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Genesis 25:26 : En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte. Spreuken 23:18 : Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
[^psalmen-19-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, zonden, die men door onwetendheid en onbedachtheid begaat. Zie Lev. 4:2 . Hij wil zeggen: niemand kan ze verstaan; \[zo menigerlei, veel ja ontallijk zijn zij\]. Verg. 1 Kon. 3:9 met 2 Kron. 1:10 . Leviticus 4:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; 1 Koningen 3:9 : Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? 2 Kronieken 1:10 : Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?
[^psalmen-19-13-25]: Kanttekening 25: Die ik niet zie of merk.
[^psalmen-19-14-26]: Kanttekening 26: Of, moedwilligheden; dat is, moedwillige zonden, die willens en wetens, en met opzet, hoogmoed en verachting Gods gebeuren.
[^psalmen-19-14-27]: Kanttekening 27: Verg. Rom. 6:12 . Romeinen 6:12 : Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van het lichaam.
[^psalmen-19-14-28]: Kanttekening 28: Zie Gen. 6:9 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
[^psalmen-19-14-29]: Kanttekening 29: Of, vele, vermenigvuldigde.
[^psalmen-19-15-30]: Kanttekening 30: Hebr. tot, of naar welbehagen of aangenaamheid zijn. Verg. Jes. 56:7 . Jer. 6:20 . Jesaja 56:7 : Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. Jeremia 6:20 : Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.

### Psalmen 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/20.json)

*Een zegening en gebed van de Kerk voor de koning David, die ten strijde zal uittrekken, met een vast vertrouwen op overwinning en triomf door de hemelse Koning, de Messias.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-20-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v1)

**2** YHWH verhore u in de dag van de[^psalmen-20-2-2] benauwdheid; de Naam van de[^psalmen-20-2-3] God van Jakob zette u in een[^psalmen-20-2-4] vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v2)

**3** Hij zend[^psalmen-20-3-5] uw hulp uit het[^psalmen-20-3-6] heiligdom, en ondersteune u uit Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v3)

**4** Hij[^psalmen-20-4-7] gedenke al uw voedseloffers, en make uw brandoffer tot[^psalmen-20-4-8] as.[^psalmen-20-4-9] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v4)

**5** Hij geve u naar uw[^psalmen-20-5-10] hart, en[^psalmen-20-5-11] vervulle al uw raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v5)

**6** [^psalmen-20-6-12] Wij zullen juichen over[^psalmen-20-6-13] Uw heil, en de vaandelen[^psalmen-20-6-14] opsteken in de Naam van onze God. YHWH[^psalmen-20-6-15] vervulle al uw begeerten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v6)

**7** Alsnu weet ik, dat YHWH Zijn Gezalfde[^psalmen-20-7-16] behoudt; Hij zal Hem verhoren uit de hemel van Zijn[^psalmen-20-7-17] heiligheid;[^psalmen-20-7-18] het heil van Zijn rechterhand zal zijn met mogendheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v7)

**8** [^psalmen-20-8-19] Deze vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam van YHWH, van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v8)

**9** Zij hebben zich[^psalmen-20-9-20] gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v9)

**10** O YHWH![^psalmen-20-10-21] behoud; die koning[^psalmen-20-10-22] verhore ons op de dag van ons roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/20.html#v10)

[^psalmen-20-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-20-2-2]: Kanttekening 2: Zie 2 Sam. 6:2 , en verg. onder vers 8 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. Psalmen 20:8 : Deze vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam van YHWH, onzes Gods.
[^psalmen-20-2-3]: Kanttekening 3: zette u: Hebr. eigenlijk, verheffe, of verhoge u.
[^psalmen-20-2-4]: Kanttekening 4: een vesting: Waar u verzekerd mocht zijn tegen het geweld van de vijanden. Zie 2 Sam. 22:3 ; dat is, Hij beware en beschutte u. 2 Samuël 22:3 : God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost!
[^psalmen-20-3-5]: Kanttekening 5: uw hulp: Door welke u mag worden geholpen.
[^psalmen-20-3-6]: Kanttekening 6: Waar de ark van het verbond \[van de Heer Christus' voorbeeld\] was, op de berg Zion.
[^psalmen-20-4-7]: Kanttekening 7: Anders, Hij rieke; dat is, Hij neme aan, houde voor aangenaam, gedenkende aan zijn beloften en uw gebeden. Zie Lev. 2:2 ; Hos. 14:8 . Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Hosea 14:8 : Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
[^psalmen-20-4-8]: Kanttekening 8: Tonende met enig teken dat het Hem aangenaam is. Zie Lev. 9:24 ; 1 Kron. 21:26 , en 2 Sam. 24:23 . Anders, Hij make uw brandoffer vet; dat is, Hij late het zich aangenaam zijn, als wezende uit een oprechte liefde van het beste geofferd. Leviticus 9:24 : Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. 1 Kronieken 21:26 : Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. 2 Samuël 24:23 : Dit alles gaf Arauna, de koning, aan de koning. Verder zei Arauna tot de koning: YHWH uw God neme een welgevallen in u!
[^psalmen-20-4-9]: Kanttekening 9: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-20-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, naar uw wens, dat uw voornemen wel mag gelukken.
[^psalmen-20-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, volbrenge, als in het volgende.
[^psalmen-20-6-12]: Kanttekening 12: Hier verklaart de gemeente haar vertrouwen van de verhoring en overwinning.
[^psalmen-20-6-13]: Kanttekening 13: uw heil: Dat is, o koning, van God zult ontvangen; of dat U, o God, onze koning zult geven; of uw overwinning \[en zo in het volgende\] die u God verlenen zal. Zie 2 Sam. 8:6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^psalmen-20-6-14]: Kanttekening 14: Of, laten vliegen, voeren; tot een teken van goede moed en vertrouwen van victorie en triomf, en dat ter ere van onze God en de schrik onzer vijanden. Verg. Ps. 60:6 ; Hoogl. 2:4 , en Hoogl. 5:10 , en Hoogl. 6:4 ; idem Num. 2:2 , 2:3 , enz., Zie de aantekening bij Num. 2:2 , 2:3 . In het Hebr. is een woord, alsof men zei: wij zullen vaandeleren. Psalmen 60:6 : Maar nu hebt U dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela. Hooglied 2:4 : Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij. Hooglied 5:10 : Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend. Hooglied 6:4 : U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. Numeri 2:2 : De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaders; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren. Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn. Numeri 2:2 : De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaders; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren. Numeri 2:3 : Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen de opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn.
[^psalmen-20-6-15]: Kanttekening 15: Of, zal vervullen.
[^psalmen-20-7-16]: Kanttekening 16: Of, verlost heeft, overwinning gegeven heeft; dat is, ik vertrouw zo vast, vermits zijn beloften dat hem Gods overwinning zal geven, alsof hij ze reeds had.
[^psalmen-20-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, uit zijn heiligen hemel, die zo genoemd wordt omdat God, die de heiligheid zelve is, daarin gezegd wordt te wonen, zo, paleis van uw heiligheid; Ps. 5:8 . Psalmen 5:8 : Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze.
[^psalmen-20-7-18]: Kanttekening 18: het heil: Anders, door de krachten van het heil van zijn rechterhand; dat is, zijn rechterhand krachtelijk uitstrekkende om zijn gezalfde de overwinning te bestieren.
[^psalmen-20-8-19]: Kanttekening 19: Deze …: Onze vijanden vermelden, de één van menigte van ijzeren wagens, de ander van veelheid van de paarden, waarop zij vertrouwen, maar wij, enz.
[^psalmen-20-9-20]: Kanttekening 20: Als Sisera; Richt. 5:27 . Richteren 5:27 : Tussen haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!
[^psalmen-20-10-21]: Kanttekening 21: Of, geef heil, overwinning; gelijk vers 7 . Psalmen 20:7 : Alsnu weet ik, dat YHWH Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit de hemel van Zijn heiligheid; het heil van Zijn rechterhand zal zijn met mogendheden.
[^psalmen-20-10-22]: Kanttekening 22: Of, zal ons verhoren; te weten, de hemelse Koning, onze Heer Jezus Christus, wiens voorbeeld David was.

### Psalmen 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/21.json)

*David dankt God, voor zichzelf en in naam van de Kerk, voor de ontvangen overwinningen en de gezegende staat van zijn koninkrijk, dat een voorbeeld is van de eeuwige Koning en het eeuwige Koninkrijk van Jezus Christus; en hij profeteert van de bestendigheid van beide, alsook van de ondergang van al hun vijanden, tot lof van God.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-21-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v1)

**2** O YHWH! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v2)

**3** U hebt hem van zijn hart wens gegeven, en[^psalmen-21-3-2] de uitspraak van zijn lippen hebt U niet geweerd.[^psalmen-21-3-3] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v3)

**4** Want U komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet U een kroon van fijn goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v4)

**5** Het[^psalmen-21-5-4] leven heeft hij van U begeerd.[^psalmen-21-5-5] U hebt het hem gegeven;[^psalmen-21-5-6] lengte van dagen, eeuwig en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v5)

**6** Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt U hem toegevoegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v6)

**7** Want U zet hem[^psalmen-21-7-7] tot zegeningen in eeuwigheid; U vervrolijkt hem door vreugde met Uw[^psalmen-21-7-8] aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v7)

**8** Want de koning vertrouwt op YHWH, en door de goedertierenheid van de Allerhoogste zal hij niet[^psalmen-21-8-9] wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v8)

**9** Uw hand zal[^psalmen-21-9-10] al Uw vijanden[^psalmen-21-9-11] vinden; Uw rechterhand zal Uw vijanden vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v9)

**10** U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd van Uw[^psalmen-21-10-12] toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v10)

**11** U zult hun[^psalmen-21-11-13] vrucht van de aarde verdoen, en hun[^psalmen-21-11-14] zaad van de kinderen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v11)

**12** Want zij hebben kwaad tegen[^psalmen-21-12-15] U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, maar zullen niets uitrichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v12)

**13** Want U zult hen zetten tot een[^psalmen-21-13-16] wit; met Uw[^psalmen-21-13-17] pezen zult U het op hun aangezicht toeleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v13)

**14** Verhoog U, YHWH! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/21.html#v14)

[^psalmen-21-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-21-3-2]: Kanttekening 2: uitspraak van zijn lippen: Dat is, wat hij tot U in zijn gebed uitgesproken en van U begeerd heeft.
[^psalmen-21-3-3]: Kanttekening 3: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-21-5-4]: Kanttekening 4: Als hij vanwege zijn vijanden in doodsgevaar was. Versta, met Gods genadigen zegen; daarbij verg. Ps. 30:6 ; Ps. 133:3 . Psalmen 30:6 : Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich. Psalmen 133:3 : Het is gelijk de dauw van Hermon, en die neerdaalt op de bergen van Sion, want YHWH gebiedt daar de zegen en het leven tot in eeuwigheid.
[^psalmen-21-5-5]: Kanttekening 5: U hebt het hem gegeven: Anders, U hebt hem gegeven lengte van dagen, enz.
[^psalmen-21-5-6]: Kanttekening 6: lengte van dagen: Dat is, een lang leven, verg. Deut. 30:20 . Dit ziet wel eensdeels naar het lichaam op David, die in goede ouderdom is gestorven, maar strekt zich ook verder op de Messias, Davids zaad naar het vlees \[zie Jes. 53:1 \], en verder op David en alle leden van Christus, ten aanzien dat zij door het geloof in Hem het eeuwige leven hebben. Deuteronomium 30:20 : Liefhebbende YHWH, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte van uw dagen; opdat u blijft in het land, dat YHWH uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. Jesaja 53:1 : Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard?
[^psalmen-21-7-7]: Kanttekening 7: Verg. Gen. 12:2 . Jes. 19:24 . Ez. 34:26 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Jesaja 19:24 : Te die dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. Ezechiël 34:26 : Want Ik zal hen, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.
[^psalmen-21-7-8]: Kanttekening 8: Zie Num. 6:25 , 6:26 . Ps. 16:11 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! Psalmen 16:11 : U zult mij het pad van het leven bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwig.
[^psalmen-21-8-9]: Kanttekening 9: Gelijk boven, Ps. 15:5 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
[^psalmen-21-9-10]: Kanttekening 10: zal al: Anders, zal wraak vinden voor alle , etc. Of, zal genoegzaam zijn voor al Uw vijanden , te weten, om die te dempen.
[^psalmen-21-9-11]: Kanttekening 11: Dat is, aantreffen, grijpen en straffen.
[^psalmen-21-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, van uw toorn, dat is, wanneer U hen in toorn zult aanzien, oordelen en straffen. Verg. Ps. 34:17 . Gen. 32:20 . Lev. 17:10 ; Lev. 20:6 . Jer. 3:12 ; Jer. 4:26 . Klaagl. 4:16 . Merk dat het aangezicht van God hier genomen wordt voor zijn toorn en boven, Ps. 10:7 , voor zijn gunst. Verg. Ps. 25:18 , 25:19 . Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien. Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. Leviticus 17:10 : En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien. Jeremia 3:12 : Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. Jeremia 4:26 : Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH, vanwege de hitte van Zijn toorn. Klaagliederen 4:16 : Pe. Van YHWH aangezicht heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht van de priesters niet geëerd, zij hebben de ouden geen genade bewezen. Psalmen 10:7 : Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. Psalmen 25:18 : Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. Psalmen 25:19 : Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.
[^psalmen-21-11-13]: Kanttekening 13: De vrucht huns lichaams gelijk de Schrift spreekt ; dat is, hun kinderen; anders wordt ook door de vrucht van iemands hand verstaan wat hij door zijn arbeid verkrijgt of overwint; Spr. 31:16 , 31:31 . Spreuken 31:16 : Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. Spreuken 31:31 : Thau. Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
[^psalmen-21-11-14]: Kanttekening 14: Dat is, kinderen of nakomelingen.
[^psalmen-21-12-15]: Kanttekening 15: Want God rekent Hemzelven aangedaan te worden wat men zijn volk aandoet. Zie Gen. 20:6 . Genesis 20:6 : En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat u dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
[^psalmen-21-13-16]: Kanttekening 16: Hebr. schouder , of, dijk . Dat is, een opgehoogde of uitstekende plaats, daarop u, als op een doelwit, zult mikken, om ze recht in ’t gezicht te treffen.
[^psalmen-21-13-17]: Kanttekening 17: Hebr. koorden; dat is, de pees van de boog. Versta, de pijlen op uw boog toerichten.

### Psalmen 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/22.json)

*Hoewel in deze psalm sommige dingen op David (als voorbeeld van Christus) geduid kunnen worden, blijkt toch uit de gehele inhoud en uit het Nieuwe Testament dat David door de profetische Geest hoofdzakelijk de Heere Christus hier sprekend heeft ingevoerd, sprekend van Zijn bitter lijden voor Zijn Kerk, alsook van Zijn verhoging en de toekomstige uitbreiding van Zijn geestelijk Koninkrijk door de gehele wereld en van de duurzaamheid daarvan, met vermelding van de weldaden die wij daarvan ontvangen, om Hem daarvoor te dienen, te eren en te danken.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-22-1-1] opperzangmeester,[^psalmen-22-1-2] op Aijeleth hasschachar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v1)

**2** [^psalmen-22-2-3][^psalmen-22-2-a] Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden van mijn gebrul[^psalmen-22-2-4]? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v2)

**3** Mijn God! Ik roep overdag, maar U antwoordt niet; en in de nacht, en[^psalmen-22-3-5] ik heb geen stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v3)

**4** Maar U bent heilig, wonende onder de[^psalmen-22-4-6] lofzangen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v4)

**5** Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en U hebt hen uitgeholpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v5)

**6** Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered;[^psalmen-22-6-b] op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v6)

**7** Maar ik ben een[^psalmen-22-7-7] worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht[^psalmen-22-7-8] van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v7)

**8** Allen, die mij zien,[^psalmen-22-8-c] bespotten mij; zij[^psalmen-22-8-9] steken de lip uit, zij[^psalmen-22-8-10] schudden het hoofd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v8)

**9** [^psalmen-22-9-d] Hij heeft het op YHWH[^psalmen-22-9-11] gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde,[^psalmen-22-9-12] omdat Hij lust aan hem heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v9)

**10** [^psalmen-22-10-13] U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen; die mij hebt[^psalmen-22-10-14] doen vertrouwen, zijnde aan van mijn moeders borsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v10)

**11** Op U ben ik[^psalmen-22-11-15] geworpen van de baarmoeder af; van de buik van mijn moeder aan bent U mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v11)

**12** Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v12)

**13** [^psalmen-22-13-16] Vele stieren hebben mij omsingeld, sterke[^psalmen-22-13-17] stieren van[^psalmen-22-13-18] Basan hebben mij[^psalmen-22-13-19] omringd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v13)

**14** Zij hebben hun mond tegen mij[^psalmen-22-14-20] opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v14)

**15** Ik ben[^psalmen-22-15-21] uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is[^psalmen-22-15-22] gesmolten in het midden van mijn binnenste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v15)

**16** Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong[^psalmen-22-16-23] kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof[^psalmen-22-16-24] van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v16)

**17** Want[^psalmen-22-17-25] honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven;[^psalmen-22-17-e] zij hebben mijn handen en mijn voeten[^psalmen-22-17-26] doorgraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v17)

**18** Al mijn beenderen zou ik kunnen[^psalmen-22-18-27] tellen; zij schouwen het aan, zij[^psalmen-22-18-28] zien op mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v18)

**19** [^psalmen-22-19-f] Zij delen mijn kleren onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v19)

**20** Maar U, YHWH! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v20)

**21** Red mijn ziel van[^psalmen-22-21-29] het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de[^psalmen-22-21-30] hond.[^psalmen-22-21-31][^psalmen-22-21-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v21)

**22** Verlos mij uit van de leeuwen muil; en[^psalmen-22-22-33] verhoor mij van de hoornen van[^psalmen-22-22-34] de eenhoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v22)

**23** Zo[^psalmen-22-23-g] zal ik Uw[^psalmen-22-23-35] Naam aan mijn broeders vertellen; in het midden van de gemeente zal ik U prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v23)

**24** U, die YHWH vreest! prijst Hem; al u zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al u zaad van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v24)

**25** Want Hij heeft[^psalmen-22-25-36] niet veracht, noch verfoeid de verdrukking van de verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v25)

**26** [^psalmen-22-26-37] Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn[^psalmen-22-26-38] geloften betalen[^psalmen-22-26-39] in aanwezigheid van degenen, die Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v26)

**27** De[^psalmen-22-27-40] zachtmoedigen zullen[^psalmen-22-27-41] eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken;[^psalmen-22-27-42] uw hart zal in eeuwigheid[^psalmen-22-27-43] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v27)

**28** [^psalmen-22-28-44] Alle[^psalmen-22-28-h] einden van de aarde zullen het gedenken, en zich tot YHWH bekeren; en alle geslachten van de heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v28)

**29** Want het koninkrijk[^psalmen-22-29-45] is van YHWH, en Hij heerst onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v29)

**30** Alle[^psalmen-22-30-46] vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die[^psalmen-22-30-47] in het stof neerdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn[^psalmen-22-30-48] ziel bij het leven niet kan houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v30)

**31** Het[^psalmen-22-31-49] zaad zal Hem dienen; het zal YHWH[^psalmen-22-31-50] aangeschreven worden[^psalmen-22-31-51] tot in geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v31)

**32** Zij zullen aankomen, en[^psalmen-22-32-52] Zijn gerechtigheid verkondigen de volk, dat[^psalmen-22-32-53] geboren wordt,[^psalmen-22-32-i] omdat Hij[^psalmen-22-32-54] het gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/22.html#v32)

[^psalmen-22-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-22-1-2]: Kanttekening 2: op Aijeleth hassachar: Of, naar, van, de hinde van de dageraad. Sommigen houden het voor een muziekaal instrument, waarop men deze psalm moest spelen; anderen voor de eerste woorden van een zeker lied, onder de Joden te die tijde bekend, waarnaar deze psalm gezongen is. Daar zijn er ook, die het aldus uitleggen: in, of tegen de kracht van de dageraad; menende dat deze heerlijke profetie van Christus' lijden, dood, opstanding, enz. de priesters en Levieten gegeven is om elke morgen met het aanbreken van de dageraad in Gods huis gezongen te worden. Anderen duiden het op Christus, die bij een hert vergeleken wordt, Hoogl. 2:9 , 2:17 ; Hoogl. 8:14 , en 's morgens zeer vroeg uit het graf is opgestaan; gelijk de opstanding de morgenstond genoemd wordt, Ps. 49:15 . waarvan de verstandige lezer zal mogen oordelen. Hooglied 2:9 : Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; ziet, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën. Hooglied 2:17 : Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether. Hooglied 8:14 : Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen. Psalmen 49:15 : Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in die morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.
[^psalmen-22-2-3]: Kanttekening 3: Mijn God: Hoewel enige dingen in deze psalm mee op David, als Christus' voorbeeld, bekwamelijk kunnen gepast worden, zo blijkt nochtans duidelijk uit de vier Evangelisten, dat zij meest allen voornamelijk en eigenlijk in de persoon van de Heer Christus, onze enige Messias, zijn vervuld, en dat dienvolgens David door de profetische geest onze Heer Christus, als hier zelf tot zijn Vader sprekende, heeft ingevoerd.
[^psalmen-22-2-a]: Verwijzing a: Matt. 27:46 ; Mark. 15:34 . Mattheüs 27:46 : En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten! Marcus 15:34 : En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, dat is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten?
[^psalmen-22-2-4]: Kanttekening 4: Dit geeft te kennen een schrikkelijke beroerte van het hart, voortbrengende een sterk geroep. Verg. Job 3:24 ; Ps. 32:3 en Ps. 38:9 . en zie Matt. 27:46 , Hebr. 5:7 . Dit alles heeft de Heer Christus geleden als onze borg, dragende de toorn van God vanwege onze zonden en voor deze volkomenlijk betalende. Job 3:24 : Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water. Psalmen 32:3 : Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de hele dag. Psalmen 38:9 : Ik ben verzwakt, en bovenmate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten. Mattheüs 27:46 : En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten! Hebreeën 5:7 : Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
[^psalmen-22-3-5]: Kanttekening 5: ik heb geen stilte: Of, voor mij is gene stilte; dat is, ik houd niet op, rust niet te klagen; of, maar ik bekom gene stilte, dat is rust, ofschoon ik roep, mijn lijden houdt niet op.
[^psalmen-22-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, in uw huis, dat de plaats is, waar uw volk uw naam prijst vanwege de genadige hulp en verlossing, die U aan hen pleegt te bewijzen. Anders, nochtans bent U heilig, zittende; \[dat is, altijd blijvende\] o u lofzangen \[de menigerlei of volkomen lof\] Israëls. Verg. Deut. 10:21 , Jer. 17:14 . Deuteronomium 10:21 : Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben. Jeremia 17:14 : Genees mij, YHWH! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want U bent mijn Lof.
[^psalmen-22-6-b]: Verwijzing b: Ps. 25:3 ; Ps. 31:2 ; Jes. 49:23 ; Rom. 9:33 . Psalmen 25:3 : Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak. Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^psalmen-22-7-7]: Kanttekening 7: Dat is, gelijk een worm; dat is zeer zwak en krachteloos, geheel niet geacht, en als onder voeten getreden, gelijk volgt. Verg. Job 25:6 , Jes. 41:14 . Job 25:6 : Hoeveel te min de mens, die een made is, en van de mensen kind, die een worm is! Jesaja 41:14 : Vrees niet, u wormpje Jakobs, u volkje Israëls! Ik help u, spreekt YHWH, en uw Verlosser is de Heilige van Israël!
[^psalmen-22-7-8]: Kanttekening 8: van het volk: Hebr., עָֽם, een verachting van het volk.
[^psalmen-22-8-c]: Verwijzing c: Matt. 27:39 . Mattheüs 27:39 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden.
[^psalmen-22-8-9]: Kanttekening 9: steken de lip uit: Anders, zij trekken de lip; Hebr., שָׂפָה, eigenlijk, zij openen met de lip.
[^psalmen-22-8-10]: Kanttekening 10: Zie 2 Kon. 19:21 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^psalmen-22-9-d]: Verwijzing d: Matt. 27:43 . Mattheüs 27:43 : Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, als Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
[^psalmen-22-9-11]: Kanttekening 11: op YHWH gewenteld: Hebr., wentelen, of rollen op YHWH; dat is, hij heeft zichzelven, of zijn weg \[gelijk Ps. 37:5 \] of zijn zaak, de uitkomst zijns lijden, de Heer bevolen, opgedragen, opgegeven, \[gelijk wij ook gewoon zijn te spreken\] vastelijk betrouwende op hem, als wanneer men ergens iets heenrolt, waar het bewaard zal blijven liggen, of iets op iemand schuift, die het wel machtig is op zich te nemen, en te dragen, of te redden. Verg. Ps. 55:23 , Spr. 16:3 , 1 Petr. 5:7 , alwaar dergelijke lieflijke manieren van spreken gevonden worden. Psalmen 37:5 : Gimel. Wentel uw weg op YHWH, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Spreuken 16:3 : Wentel uw werken op YHWH, en uw gedachten zullen bevestigd worden. 1 Petrus 5:7 : Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^psalmen-22-9-12]: Kanttekening 12: Waarop Hij zich beroemt; zo spreken zij spottenderwijze.
[^psalmen-22-10-13]: Kanttekening 13: U bent: Dit is een antwoord op de voorgaande spotternij van de goddelozen, vol zijnde van vertrouwen.
[^psalmen-22-10-14]: Kanttekening 14: doen vertrouwen: Anders, in zekerheid, of behoudenis gesteld.
[^psalmen-22-11-15]: Kanttekening 15: Dat is, uw zorg en bewaring aanbevolen; een gelijkenis, genomen van een voedvrouw of voedster, die het nieuwgeboren kind op de knieën of in haar schoot ontvangt en koestert.
[^psalmen-22-13-16]: Kanttekening 16: Vele varren: Of, grote, machtige varren. Versta de oversten van het Joodse volk, zijnde als sterke, lijvige, vette ossen en wrede, stotende stieren.
[^psalmen-22-13-17]: Kanttekening 17: stieren : Het Hebr. woord betekent eigenlijk sterken, machtigen, maar wordt ook genomen voor stieren, ossen of bullen, gelijk afgenomen wordt uit Jes. 34:7 . Zie ook Ps. 50:13 en Ps. 68:31 ; Jer. 47:3 \[waar het voor sterke guilen genomen wordt\] en Jer. 50:11 . Jesaja 34:7 : En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden. Psalmen 50:13 : Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? Psalmen 68:31 : Scheld het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. Jeremia 47:3 : Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven van zijn sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen; Jeremia 50:11 : Omdat u u verblijd hebt, omdat u van vreugde hebt opgesprongen, u plunderaars van Mijn erfenis! omdat u geil geworden bent als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;
[^psalmen-22-13-18]: Kanttekening 18: Zie Deut. 32:14 , Ez. 39:18 , Hos. 4:16 , Amos 4:1 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Ezechiël 39:18 : Het vlees van de helden zult u eten, en het bloed van de vorsten van de aarde drinken; van de rammen, van de lammeren, en bokken, en varren, die allemaal gemesten van Basan zijn. Hosea 4:16 : Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte. Amos 4:1 : Hoort dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; u, die tot hun heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.
[^psalmen-22-13-19]: Kanttekening 19: Hebr. alsof men zei: kroonswijze omgeven, of bezet.
[^psalmen-22-14-20]: Kanttekening 20: Verg. Job 16:10 ; Klaagl. 2:16 en Klaagl. 3:46 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Klaagliederen 2:16 : Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Klaagliederen 3:46 : Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
[^psalmen-22-15-21]: Kanttekening 21: Dat is, mijn krachten vloeien weg als water, dat men uitstort.
[^psalmen-22-15-22]: Kanttekening 22: Zie Deut. 1:28 en Deut. 20:8 ; Joz. 7:5 en Joz. 14:8 ; Ps. 68:3 . enz. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart. Jozua 7:5 : En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water. Jozua 14:8 : Maar mijn broers, die met mij opgegaan waren, deden het hart van het volk smelten; maar ik volhardde YHWH, mijn God, na te volgen. Psalmen 68:3 : U zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
[^psalmen-22-16-23]: Kanttekening 23: Zodat ik kommerlijk spreek. Zie Job 29:10 . Ps. 137:6 . Ez. 3:26 . of vanwege droogte en grote dorst. Zie Joh. 19:28 . Job 29:10 : De stem van de vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. Psalmen 137:6 : Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste van mijn blijdschap! Ezechiël 3:26 : En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis. Johannes 19:28 : Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zei: Mij dorst.
[^psalmen-22-16-24]: Kanttekening 24: van de dood: Dat is, in zulken staat, dat ik ben als een dode, die men zal mogen begraven. Sommigen houden het voor een gelijkenis, genomen van kampioenen, die uitgeworsteld hebbende en geheel krachteloos geworden zijnde, in het stof, als doden, daarheen vallen.
[^psalmen-22-17-25]: Kanttekening 25: Versta, de hogepriesters en schriftgeleerden, en ook het snode gespuis van de Joden en soldaten, die de Heer Christus bij honden vergelijkt, vermits hun snoodheid, onreinheid en dolle razernij tegen hem. Verg. Job 30:1 . Ps. 59:7 , 59:15 . Spr. 26:11 . Matt. 7:6 . Filipp. 3:2 . Openb. 22:15 . Zie ook 2 Sam. 3:8 . Job 30:1 : Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie de vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden van mijn kudde te stellen. Psalmen 59:7 : Tegen de avond keren zij weer, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. Psalmen 59:15 : Laat hen dan tegen de avond terugkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; Spreuken 26:11 : Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel terugkeert, zo herneemt de zot zijn dwaasheid. Mattheüs 7:6 : Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren. Filippensen 3:2 : Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een ieder, die de leugen liefheeft, en doet. 2 Samuël 3:8 : Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat u heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid van een vrouw?
[^psalmen-22-17-e]: Verwijzing e: Matt. 27:35 ; Mark. 15:24 ; Lukas 23:33 ; Joh. 19:23 ; idem 19:37 ; Joh. 20:25 . Mattheüs 27:35 : Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, wat gezegd is door de profeet: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen. Marcus 15:24 : En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, werpende het lot over dezelfde, wat een iedereen wegnemen zou. Lukas 23:33 : En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem daar, en de kwaaddoeners, de één ter rechterzijde en de ander ter linkerzijde. Johannes 19:23 : De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke krijgsknecht een deel) en de rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. Johannes 19:37 : En opnieuw zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welke zij gestoken hebben. Johannes 20:25 : De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien. Maar hij zei tot hen: Als ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagelen, en mijn vinger steke in het teken van de nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal in geen geval geloven.
[^psalmen-22-17-26]: Kanttekening 26: Dat is, zij hebben mijn handen en voeten doornageld.
[^psalmen-22-18-27]: Kanttekening 27: Doordien zij aan het kruis zo zijn uitgerekt, dat zij \[als uitstekende\] zouden geteld kunnen worden.
[^psalmen-22-18-28]: Kanttekening 28: op mij: Of, aan mij, te weten hun wens, dat is, zij nemen hun lust en vermaak daarin, dat zij mijn lijden met hun ogen mogen aanschouwen. Verg. Ps. 35:21 ; Ps. 37:34 ; Ps. 54:9 ; Ps. 59:11 ; Ps. 92:12 ; Ps. 118:7 . Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Psalmen 37:34 : Koph. Wacht op YHWH, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; u zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid. Psalmen 54:9 : Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. Psalmen 59:11 : De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien. Psalmen 92:12 : En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. Psalmen 118:7 : YHWH is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
[^psalmen-22-19-f]: Verwijzing f: Lukas 23:34 ; Joh. 19:24 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Johannes 19:24 : Zij dan zeiden tot elkaar: Laat ons die niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
[^psalmen-22-21-29]: Kanttekening 29: Dat is, mijn persoon, of leven, en zo in het volgende. Zie Gen. 12:5 ; Gen. 19:17 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^psalmen-22-21-30]: Kanttekening 30: Dat is, van deze scherpen en bitteren strijd, dit vijandiglijk en dodelijk geweld, deze wrede vervolging en verwonding, ja de dood zelf; gelijk het woord zwaard somtijds genomen wordt voor al zulke gevolgen van zwaard en oorlog. Zie Jer. 25:16 , 25:27 , 25:29 . Ez. 38:21 , enz. Jeremia 25:16 : Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden. Jeremia 25:27 : U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden. Jeremia 25:29 : Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Ezechiël 38:21 : Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heer YHWH; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broer zijn.
[^psalmen-22-21-31]: Kanttekening 31: Of, enige, eenlijke; dat is, mijn ziel, die, als een enig kind, \[waarvan dit woord ook elders gebruikt wordt, gelijk Gen. 22:2 , Richt. 11:34 . enz.\] alleen en van alle hulp ontbloot is. Zo wordt het Hebr. woord חֶרֶב, ook gebruikt Ps. 35:17 . Verg. Ps. 25:16 en Ps. 68:7 . Genesis 22:2 : En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. Richteren 11:34 : Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter. Psalmen 35:17 : YHWH! hoe lang zult U toezien? Breng mijn ziel weer van hun verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen. Psalmen 25:16 : Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Psalmen 68:7 : Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
[^psalmen-22-21-32]: Kanttekening 32: geweld van de hond: Hebr., יַּד, van de hand, zie Job 5:20 ; van de hond , dat is, van de honden, zie vers 17 . Men kan hier en in het volgende vers. ook verstaan de duivel, die een vorst van deze wereld genoemd en bij een briesende leeuw vergeleken wordt, Joh. 14:30 , Ef. 6:12 , 1 Petr. 5:8 . Zie het volgende vers. Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. Psalmen 22:17 : Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. Johannes 14:30 : Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste van deze wereld komt, en heeft aan Mij niets. Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^psalmen-22-22-33]: Kanttekening 33: Dat is, verhoor en verlos mij van de hoornen, enz. Zo worden dikwijls bij de Hebreën twee woorden onder één verstaan. Verg. Gen. 12:15 , Num. 17:5 . Anders, want U hebt mij verhoord, enz.; of, ja U hebt mij verhoord. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Numeri 17:5 : En het zal gebeuren, dat de staf van de man, welke Ik zal gekozen hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen van Israël tegen Mij, welke zij tegen u morden.
[^psalmen-22-22-34]: Kanttekening 34: Die zeer sterk wild, wreed en ontembaar zijn; Num. 23:22 , Job 39:12 . enz. Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn. Job 39:12 : Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij overnachten aan uw kribbe?
[^psalmen-22-23-g]: Verwijzing g: Hebr. 2:12 . Hebreeën 2:12 : Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broers verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen.
[^psalmen-22-23-35]: Kanttekening 35: Uw trouw, waarheid en goedheid roemen bij mijn discipelen, en die door hun woord in mij geloven zullen. Zie Hebr. 2:10 , 2:11 , 2:12 , en verg. Joh. 20:19 , 20:26 , Hand. 1:4 , 1:6 , 1 Kor. 15:6 . Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welke alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen. Hebreeën 2:11 : Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broers te noemen. Hebreeën 2:12 : Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broers verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen. Johannes 20:19 : Als het dan avond was, op dezelfde eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u! Johannes 20:26 : En na acht dagen waren Zijn discipelen opnieuw binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zei: Vrede zij u! Handelingen 1:4 : En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt. Handelingen 1:6 : Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heer, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? 1 Korinthiërs 15:6 : Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broers op eenmaal, van welke het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.
[^psalmen-22-25-36]: Kanttekening 36: Alhoewel mijn bedruktheid of ellende zodanig was, dat de mensen mij daarom verachtten en een afkeer van mij hadden, zo heeft God nochtans mij niet verworpen of verfoeid.
[^psalmen-22-26-37]: Kanttekening 37: Van U: Hebr. uit U; dat is, U zult de stof mijns lof zijn.
[^psalmen-22-26-38]: Kanttekening 38: Van dankbaarheid tegenover God.
[^psalmen-22-26-39]: Kanttekening 39: in aanwezigheid: Hebr. tegenover degenen, die Hem vrezen.
[^psalmen-22-27-40]: Kanttekening 40: Zie Ps. 10:17 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^psalmen-22-27-41]: Kanttekening 41: Met de Heer Christus en zijn verdiensten door geloof gemeenschap hebben. Verg. Ps. 132:15 , Hoogl. 5:1 , Luk. 1:53 , Joh. 6:54 enz. Psalmen 132:15 : Ik zal haar voedsel rijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. Hooglied 5:1 : Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! Lukas 1:53 : Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden. Johannes 6:54 : Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
[^psalmen-22-27-42]: Kanttekening 42: O u zachtmoedigen, u die de Heer zoekt.
[^psalmen-22-27-43]: Kanttekening 43: Met geestelijke blijdschap vervuld zijnde. Zie Ps. 69:33 , Joh. 6:54 , enz. Psalmen 69:33 : De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, ulieder hart zal leven. Johannes 6:54 : Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
[^psalmen-22-28-44]: Kanttekening 44: Profetie van de bekering van de heidenen, waarin het woord alle niet moet verstaan worden van alle inwoners van de aarde, rijken en armen, hoofd door hoofd, maar van de uitbreiding van de gemeente en menigte van Gods volk onder het Nieuwe Testament, uit allerlei natiën, zonder onderscheid, gelijk de zaak zelve uitwijst. Verg. Joh. 10:16 en Joh. 11:52 ; Hand. 2:39 , enz. Johannes 10:16 : Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Johannes 11:52 : En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen. Handelingen 2:39 : Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal.
[^psalmen-22-28-h]: Verwijzing h: Ps. 2:8 ; Ps. 72:11 ; Ps. 86:9 . Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 72:11 : Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. Psalmen 86:9 : Al de heidenen, Heer! die U gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aangezicht nederbuigen, en Uw Naam eren.
[^psalmen-22-29-45]: Kanttekening 45: is van de: Of, komt de Heer toe.
[^psalmen-22-30-46]: Kanttekening 46: Dat is, rijken, machtigen, gelijk Ps. 78:31 , Jes. 10:16 , Ez. 34:20 . De zin is dat er van beiden, rijken en vermogenden, \[gelijk Ps. 45:13 en Ps. 72:10 , Jes. 49:23 , enz.\] ook armen en ellendigen onder de heidenen zullen zijn, die zich tot Christus zullen bekeren. Zie 1 Kor. 1:26 , enz. Psalmen 78:31 : Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer. Jesaja 10:16 : Daarom zal de Heer YHWH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur. Ezechiël 34:20 : Daarom zegt de Heer YHWH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee. Psalmen 45:13 : En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten. 1 Korinthiërs 1:26 : Want u ziet uw roeping, broers, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
[^psalmen-22-30-47]: Kanttekening 47: in het: Dat is, die slecht van conditie, òf in de uiterste vernederdheid, òf in nood zijn. Verg. Job 30:19 , Ps. 44:26 en Ps. 113:7 , Jes. 29:4 en Jes. 47:1 , Klaagl. 3:29 . Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. Psalmen 44:26 : Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Jesaja 29:4 : Dan zult u vernederd worden, u zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen. Jesaja 47:1 : Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. Klaagliederen 3:29 : Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
[^psalmen-22-30-48]: Kanttekening 48: Die in doodsgevaar is, hetzij door hongersnood, krankte, vervolging, of anderzins, idem in zichzelven, vermits zijn zondigen staat, niet dan de dood verdiend heeft, en geen middel of macht heeft om zijn ziel te behouden, zal in deemoedigheid door geloof zijn troost in Christus zoeken en Hem aanhangen, als zijnde de enige toevlucht in alle lichamelijke en geestelijke noden.
[^psalmen-22-31-49]: Kanttekening 49: Dat is, de kinderen en nakomelingen van de gelovigen, of een zaad, Christus' zaad; zulks dat er altijd zijn zullen, die de Heer Christus zullen aannemen en dienen, die ook kinderen genoemd worden, die God aan Christus geeft, Hebr. 2:13 , uit Jes. 8:18 , en zijn zaad , Jes. 53:10 . Hebreeën 2:13 : En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. Jesaja 8:18 : Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de legermachten, Die op de berg Sion woont. Jesaja 53:10 : Maar het behaagde YHWH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van YHWH zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
[^psalmen-22-31-50]: Kanttekening 50: Of toegerekend worden; dat is, opgeschreven en gerekend onder Christus' volk en kerk. Verg. Ps. 87:4 , 87:5 , 87:6 . Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Psalmen 87:5 : En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. Psalmen 87:6 : YHWH zal hen rekenen in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is daar geboren. Sela.
[^psalmen-22-31-51]: Kanttekening 51: tot in geslachten: Anders, tot een geslacht; dat is, tot, of voor een volk van de Heer. Verg. Ps. 14:5 , God is bij het geslacht van de rechtvaardigen, of het rechtvaardig geslacht; dat is, volk. Zie ook onder Ps. 24:6 ; Ps. 73:15 . Verg. Matt. 12:39 , Hand. 2:40 . Psalmen 14:5 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen. Psalmen 24:6 : Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. Psalmen 73:15 : Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht van Uw kinderen. Mattheüs 12:39 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. Handelingen 2:40 : En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
[^psalmen-22-32-52]: Kanttekening 52: Zijn gerechtigheid: Door het Evangelie geopenbaard. Zie Rom. 3:21 , 3:22 . enz; Filipp. 3:9 . Of, zijn gerechtigheid; dat is, zijn trouw en waarheid in het houden van zijn beloften van de beroeping van de heidenen. Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Romeinen 3:22 : Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Filippensen 3:9 : En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;
[^psalmen-22-32-53]: Kanttekening 53: Of geboren zal worden; dat is, hun kinderen en nakomelingen, die na hun dood een volk van God zullen uitmaken en door Gods Geest wedergeboren worden.
[^psalmen-22-32-i]: Verwijzing i: Ps. 52:11 . Psalmen 52:11 : Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.
[^psalmen-22-32-54]: Kanttekening 54: het gedaan heeft: Dit wonderwerk van de genade, deze gerechtigheid en zaligheid alleen bereid, gewrocht en uitgevoerd. Anders, omdat Hij \[het (te weten) volk\] gemaakt heeft; gelijk Ps. 100:3 . Hij heeft ons gemaakt \[ en niet wij \] zijn volk, en schapen van zijn weide. Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide.

### Psalmen 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/23.json)

*David stelt in zijn eigen persoon, als in een spiegel, voor ogen de gelukzaligheid van een oprecht kind van God, zowel in het lichamelijke als in het geestelijke, onder het lieflijk beleid en de herderlijke voorzorg van zijn genadige God, in de opperste Herder der zielen, onze Heere Jezus Christus.*

**1** Een psalm van[^psalmen-23-1-a] David. YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v1)

**2** Hij doet mij[^psalmen-23-2-1] neerliggen in[^psalmen-23-2-2] grazige weiden; Hij voert mij[^psalmen-23-2-3] zachtjes aan zeer[^psalmen-23-2-4] stille wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v2)

**3** Hij[^psalmen-23-3-5] verfrist mijn ziel; Hij leidt mij in[^psalmen-23-3-6] het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v3)

**4** [^psalmen-23-4-b] Al ging ik ook in een dal van[^psalmen-23-4-7] de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent[^psalmen-23-4-8] met mij; Uw stok en Uw[^psalmen-23-4-9] staf, die troosten mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v4)

**5** U richt de[^psalmen-23-5-10] tafel toe voor mijn aangezicht,[^psalmen-23-5-11] tegenover mijn tegenstanders; U[^psalmen-23-5-12] maakt mijn hoofd vet met[^psalmen-23-5-13] olie, mijn[^psalmen-23-5-14] beker is overvloeiende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v5)

**6** Immers zullen mij het goede en de[^psalmen-23-6-15] goedertierenheid volgen al de dagen van mijn leven; en ik zal in het huis van YHWH[^psalmen-23-6-16] blijven in[^psalmen-23-6-17] lengte van dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/23.html#v6)

[^psalmen-23-1-a]: Verwijzing a: Jes. 40:11. Jer. 23:4. Ez. 34:23. Joh. 10:11. 1 Petr. 2:25. Openb. 7:17.
[^psalmen-23-2-1]: Kanttekening 1: Vergelijk Ez. 34:15.
[^psalmen-23-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen, in weilanden vol gras, een beeld van geestelijke overvloed en rust.
[^psalmen-23-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, מֵי: wateren van rust. Dat wil zeggen, kalme, veilige wateren — een beeld van vrede en verzorging.
[^psalmen-23-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, מֵי: wateren van de stilten, dat wil zeggen: die zeer zacht en stil zijn lopende, tot watering van de beesten zeer bekwaam.
[^psalmen-23-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen, op de rechte weg, de weg die hij wil.
[^psalmen-23-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen, ter ere van zijn naam en vanwege wie hij is.
[^psalmen-23-4-b]: Verwijzing b: Ps. 3:6. en 118:6.
[^psalmen-23-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, צַלְמָוֶת: schaduw van de dood. Dit kan slaan op doodgevaar, maar ook op de duisterste omstandigheden van het leven.
[^psalmen-23-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen, de stok of knuppel waarmee de herder de wolven verdrijft.
[^psalmen-23-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen, de herdersstaf waarmee hij de schapen leidt en ondersteunt.
[^psalmen-23-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen, een feestmaal. God eert zijn gelovige zelfs ten overstaan van zijn vijanden.
[^psalmen-23-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen, zijn vijanden die hem zien feesten terwijl zij machteloos zijn.
[^psalmen-23-5-12]: Kanttekening 12: Dit was een gebruik bij feesten: het hoofd van de gasten zalven als een bewijs van eer en gastvrijheid.
[^psalmen-23-5-13]: Kanttekening 13: Versta welriekende olie of balsem: Zie Ruth 3. op vers 3. en Spr. 21. op vers 17. de betekenis is, u vervrolijkt mij uitermate zeer, vergelijk Ps. 45:8. en 133:2. Eccl. 9:8. Jes. 61:3.
[^psalmen-23-5-14]: Kanttekening 14: Zie Ps. 11. op vers 6.
[^psalmen-23-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen, in zijn gemeenschap en nabijheid leven, in de kerk en uiteindelijk in de eeuwige heerlijkheid.
[^psalmen-23-6-16]: Kanttekening 16: Anders: rusten. namelijk, in de tabernakel van de Heer, om hem met zijn volk te dienen, en te loven: hetwelk sommigen niet alleen op dit leven duiden, maar ook op het toekomende: zo ook de volgende woorden.
[^psalmen-23-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: lange tijd: of, eeuwig. Vergelijk Ps. 21. op vers 5. en 93:5. Jes. 53:10.

### Psalmen 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/24.json)

*David, door God onderricht zijnde dat Salomo de tempel zou bouwen en de ark van het verbond daarin zou laten brengen, erkent wel Gods recht en macht over de gehele aardbodem, maar verheugt zich allermeest over Gods bijzondere genade die Hij bewijst aan Zijn Kerk, wier lidmaten David hier beschrijft; en hij vermaant dat de ark (waarop God Zijn tegenwoordigheid toonde) waardig en eerbiedig ontvangen mag worden, daar dit een afbeelding is van de komst van de Messias in de tabernakel van Zijn lichaam en tot Zijn Kerk (die Gods tempel en Christus' Koninkrijk is); waartoe ook Zijn hemelvaart behoort, om vandaar als Koning der glorie Zijn Kerk te regeren.*

**1** Een psalm van[^psalmen-24-1-a] David. De aarde is van YHWH, en ook haar[^psalmen-24-1-1] volheid, de wereld, en die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v1)

**2** Want Hij heeft ze[^psalmen-24-2-2] gegrond op de[^psalmen-24-2-3] zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v2)

**3** [^psalmen-24-3-4][^psalmen-24-3-b] Wie zal klimmen op de[^psalmen-24-3-5] berg van YHWH, en wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v3)

**4** Die[^psalmen-24-4-6] rein van handen, en[^psalmen-24-4-7] zuiver van hart is, die zijn ziel[^psalmen-24-4-8] niet opheft tot zinloosheid, en die niet[^psalmen-24-4-9] bedrieglijk zweert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v4)

**5** Die zal de zegen[^psalmen-24-5-10] ontvangen van YHWH, en[^psalmen-24-5-11] gerechtigheid van de God[^psalmen-24-5-12] van zijn heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v5)

**6** Dat is het geslacht van degenen, die naar Hem vragen, die[^psalmen-24-6-13] Uw aangezicht zoeken, dat is[^psalmen-24-6-14] Jakob![^psalmen-24-6-15] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v6)

**7** Hef uw[^psalmen-24-7-16] hoofden op, u[^psalmen-24-7-17] poorten, en verheft u, u[^psalmen-24-7-18] eeuwige deuren, opdat de[^psalmen-24-7-19] Koning van de ere inga! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v7)

**8** Wie is de Koning van de ere? YHWH, sterk en geweldig, YHWH, geweldig in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v8)

**9** Hef uw hoofden op, u poorten, ja, heft op, u eeuwige deuren! opdat de Koning van de ere inga! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v9)

**10** Wie is Hij, deze Koning van de ere? YHWH[^psalmen-24-10-20] van de legermachten, Die is de Koning van de ere. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/24.html#v10)

[^psalmen-24-1-a]: Verwijzing a: Ex. 19:5 ; Deut. 10:14 ; Job 41:2 ; Ps. 50:12 ; 1 Kor. 10:26 ; idem v. 28 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, uws Gods, is de hemel, en de hemel van de hemel, de aarde, en al wat daarin is. Job 41:2 : Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de gansen hemel is, is het Mijn. Psalmen 50:12 : Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid. 1 Korinthiërs 10:26 : Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan. 1 Korinthiërs 10:28 : Maar zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om van degene wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en vanwege de gewetens. Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan.
[^psalmen-24-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, alle schepselen, waarmee de Heer de aarde vervuld heeft. Dat Hij dan uit dit alles, dat Hem door het recht van de schepping toekomt, zijn volk tot een bijzonder eigendom voor zich verkiest en op zijn berg huisvest, is zijn bijzondere genade. Verg. Ex. 19:5 ; Deut. 10:14 , 10:15 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, uws Gods, is de hemel, en de hemel van de hemel, de aarde, en al wat daarin is. Deuteronomium 10:15 : Alleen heeft YHWH lust gehad aan uw vaders, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, gelijk het te deze dage is.
[^psalmen-24-2-2]: Kanttekening 2: op de zeeën: Of, aan de zeeën, en zo in het volgende, aan de rivieren.
[^psalmen-24-2-3]: Kanttekening 3: de rivieren: Dat is, wateren. Zie Gen. 1:10 . Dat wateren onder de aarde zijn, is bekend en blijkt Ex. 20:4 , maar men kan dit zo verstaan, dat God de aarde, of het droge, heeft doen uitsteken boven de wateren, die tevoren de aarde bedekten, en heeft ze verder gegrondvest en als bebolwerkt, met, aan en op de wateren, die Hij niettegenstaande dat zij vochtig en vloeiende, van nature onvast en daartoe ondienstig zouden zijn maakt tot een zeer vast fondament van de aardbodem, gelijk Hij het licht uit de duisternis voortbrengt; houdende zo door zijn kracht water en aarde in hun verordineerde plaatsen. Zie verder Ps. 104:5 , 104:6 , 104:7 , 104:8 , en Ps. 136:6 , en verg. Job 26:7 , en Job 38:4 , 38:6 ; Micha 6:2 . Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. Exodus 20:4 : U zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Psalmen 104:5 : Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen. Psalmen 104:6 : U hadt ze met de afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. Psalmen 104:7 : Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. Psalmen 104:8 : De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die U voor hen gegrond hadt. Psalmen 136:6 : Die, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. Job 38:4 : Waar was u, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, als u kloek van verstand bent. Job 38:6 : Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? Micha 6:2 : Hoort, u bergen! de twist van YHWH, en ook u sterke fondamenten van de aarde! want YHWH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
[^psalmen-24-3-4]: Kanttekening 4: Alsof hij zei: Hoewel Israël Gods eigendom is, zo zijn nochtans de huichelaars, die wel naar het vlees Israëlieten zijn en in de uiterlijke godsdienst mee verschijnen, geen rechte leden van zijn volk, maar alleen die het geestelijk Israël uitmaken en in het volgende met kentekenen beschreven worden. Verg. Rom. 9:6 , en Rom. 2:28 , 2:29 ; Gal. 6:16 . Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 2:28 : Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van de harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^psalmen-24-3-b]: Verwijzing b: Ps. 15:1 ; Jes. 33:14 ; idem v. 15 . Psalmen 15:1 : Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg Uw heiligheid? Jesaja 33:14 : De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? Jesaja 33:15 : Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
[^psalmen-24-3-5]: Kanttekening 5: Zie Ps. 2:6 . Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijn heiligheid.
[^psalmen-24-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, vreemd van stelen, roven, doodslaan, overspel, enz. Verg. Gen. 20:5 . Genesis 20:5 : Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijn handen, heb ik dit gedaan.
[^psalmen-24-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, oprecht, ongeveinsd, in zijn gansen godsdienst.
[^psalmen-24-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, die zijn ziel niet begeeft tot ijdelheid of valsheid; of die geen begeerte noch verlangen heeft naar ijdelheid. Zie dezelfde manier van spreken Deut. 24:15 ; Jer. 22:27 , en Jer. 44:14 , en verg. Ez. 24:25 ; Hos. 4:8 . Anders, die mijn ziel; dat is, mij, mijn heilige naam niet zinloos opneemt; dat is, in de mond neemt. Aldus zouden dit Gods eigen woorden zijn, van David hier ingevoegd tot meerdere nadruk. Deuteronomium 24:15 : Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot YHWH, en zonde in u zij. Jeremia 22:27 : En in het land, naar dat hun ziel verlangt om daar weer te komen, daarheen zullen zij niet wederkomen. Jeremia 44:14 : Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen. Ezechiël 24:25 : En u, mensenkind! zal het niet zijn, op de dag als Ik van hen zal wegnemen hun sterkte, de vreugde huns sieraads, de lust hun ogen en het verlangen hun zielen, hun zonen en hun dochters; Hosea 4:8 : Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid.
[^psalmen-24-4-9]: Kanttekening 9: Hebr. tot, in, of met bedrog; dat is, om te bedriegen, niet denkende in zijn hart wat hij zweert met de mond.
[^psalmen-24-5-10]: Kanttekening 10: Of wegdragen, afdragen.
[^psalmen-24-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, de vrucht van de gerechtigheid, te weten, tijdelijke zegen en eeuwige heerlijkheid. Zie Jes. 48:18 ; Hos. 10:12 : of hij zal van God, zijn Zaligmaker, ontvangen de weldaden, die Hij zijn kinderen rechtvaardiglijk uitdeelt, niet naar hun verdiensten, maar volgens zijn genadige en getrouwe beloften die Hij naar zijn gerechtigheid houdt; zie Hebr. 6:9 , 6:10 ; 1 Joh. 1:9 . Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee. Hosea 10:12 : Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; omdat het tijd is YHWH te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. Hebreeën 6:9 : Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij zo spreken. Hebreeën 6:10 : Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. 1 Johannes 1:9 : Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. Johannes 1:9 : Dit was het waarachtige Licht, Dat verlicht een iedereen mens, komende in de wereld.
[^psalmen-24-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, die zijn Heiland, of Zaligmaker is.
[^psalmen-24-6-13]: Kanttekening 13: Uw aangezicht: Hij spreekt God aan, tonende zijn vast vertrouwen in de waarheid van deze gewichtige zaak, om de huichelaren, die zich het tegendeel inbeelden, als voor Gods rechterszetel te overtuigen en te beschamen. Voor deze manier van spreken, zie 2 Kron. 7:14 en 11:16 . 2 Kronieken 7:14 : En Mijn volk, over wie Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen. 2 Kronieken 11:16 : Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God hun vaders, offerande deden.
[^psalmen-24-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, dat zij de rechte kinderen van Jakob, de rechte Israëlieten. Verg. Joh. 1:48 ; Rom. 9:6 . Anders, o Jakob; dat is, o u ware gemeente, u geestelijk Israël. Dit is een zaak wil hij zeggen waarop u wel moet letten, als zijnde van groot gewicht in het punt van godsdienst, kerende zich zo van de aanspraak Gods tot de kerk. Johannes 1:48 : Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welke geen bedrog is. Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
[^psalmen-24-6-15]: Kanttekening 15: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-24-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, bovenste posten.
[^psalmen-24-7-17]: Kanttekening 17: Van de tempel, die David van God door de profeet Nathan verstaan had dat zijn zoon Salomo zou bouwen, waarin de ark van het verbond op welke God zijn aanwezigheid vertoonde aan haar plaats zou gebracht worden, en zo God daar zijn woonstede nemen. Waardoor werd afgebeeld de komst van Christus in het vlees en tot zijn kerk, alsmede zijn hemelvaart, waarover zich David in de geest grotelijks verheugt, zo hem Nathan mee zo uitnemend bericht gedaan had, dat hij niet wist hoe hij God daarvoor genoeg zou danken; 2 Sam. 7 .
[^psalmen-24-7-18]: Kanttekening 18: eeuwige deuren: Hebr., פִּתְחֵי, deuren van de eeuwigheid; zo in het volgende vers 9 ; dat is, die lange tijd zouden blijven in haar plaatsen, daar de vorige tabernakel van de ene plaats op de andere was verdragen en weinig rust gehad had. Maar geduid zijnde op de gemeente van de kinderen van God, tot die God met zijn genade en Geest ingaat, en daarin woont, waarom zij Gods tempel genoemd worden , kan dit de eeuwigdurigheid van de kerk van God betekenen, alsook de hemel zelf, voorzoveel de hemelvaart van Christus hier ook wordt beduid. Zie van het woord eeuwig, Gen. 17:7 , en verder 1 Kor. 3:16 , en 1 Kor. 6:19 ; Openb. 3:20 . Psalmen 24:9 : Heft uw hoofden op, u poorten, ja, heft op, u eeuwige deuren! opdat de Koning van de ere inga! Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. 1 Korinthiërs 3:16 : Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 1 Korinthiërs 6:19 : Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? Openbaring 3:20 : Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
[^psalmen-24-7-19]: Kanttekening 19: God, die gezegd wordt te wonen tussen de cherubim op de ark, 2 Sam. 6:2 . Waardoor Christus werd afgebeeld, de rechte Koning van de heerlijkheid. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^psalmen-24-10-20]: Kanttekening 20: Zie 1 Kon. 18:15 . Sommigen verstaan, dat in deze Psalm, van het vers 7 af, gesproken wordt alleen van de hemelvaart van onze Heer Jezus Christus. 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Psalmen 24:7 : Heft uw hoofden op, u poorten, en verheft u, u eeuwige deuren, opdat de Koning van de ere inga!

### Psalmen 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/25.json)

*David, benauwd zijnde door zijn vervolgers, neemt zijn toevlucht tot God, erkent zijn zonden, bidt om genade en vergeving, en dat God hem Zijn wegen wil leren en daarin leiden, zoals Hij de Zijnen gewoon is te doen; alsook dat Hij hem van zijn vijanden bevrijde en zijn gehele Kerk behoude.*

**1** Een psalm van David. Aleph. Tot U, o YHWH![^psalmen-25-1-1] hef ik mijn ziel op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v1)

**2** Beth. Mijn God![^psalmen-25-2-a] op U vertrouw ik; laat mij niet[^psalmen-25-2-2] beschaamd worden; laat mijn[^psalmen-25-2-3] vijanden niet van vreugde opspringen[^psalmen-25-2-4] over mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v2)

**3** Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet[^psalmen-25-3-b] beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v3)

**4** Daleth. YHWH![^psalmen-25-4-c] maak mij Uw[^psalmen-25-4-5] wegen[^psalmen-25-4-6] bekend, leer mij Uw paden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v4)

**5** He. Vau. Leid mij in Uw[^psalmen-25-5-7] waarheid, en leer mij, want U bent de[^psalmen-25-5-8] God van mijn heil;[^psalmen-25-5-9] U verwacht ik de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v5)

**6** Zain. Gedenk, YHWH! Uw barmhartigheden en van Uw goedertierenheden, want[^psalmen-25-6-d] die zijn van[^psalmen-25-6-10] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v6)

**7** Cheth. Gedenk niet van de zonden[^psalmen-25-7-11] van mijn jeugd, noch van mijn overtredingen; gedenk aan mij naar Uw goedertierenheid, omwille van Uw goedheid, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v7)

**8** Teth. YHWH is goed en recht; daarom zal Hij de[^psalmen-25-8-12] zondaars onderwijzen in de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v8)

**9** Jod. Hij zal de[^psalmen-25-9-13] zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v9)

**10** Caph. Alle[^psalmen-25-10-14] paden van YHWH zijn goedertierenheid en[^psalmen-25-10-15] waarheid, van hen, die Zijn[^psalmen-25-10-16] verbond en Zijn getuigenissen bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v10)

**11** Lamed. Vanwege uw Naam, YHWH! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is[^psalmen-25-11-17] groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v11)

**12** Mem.[^psalmen-25-12-18] Wie is de man, die YHWH vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te[^psalmen-25-12-19] verkiezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v12)

**13** Nun. Zijn ziel zal[^psalmen-25-13-20] overnachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v13)

**14** Samech. De[^psalmen-25-14-21] geheim van YHWH is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun[^psalmen-25-14-22] die bekend te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v14)

**15** Ain. Mijn[^psalmen-25-15-23] ogen zijn steeds op YHWH, want Hij zal mijn voeten uit het[^psalmen-25-15-24] net uitvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v15)

**16** Pe.[^psalmen-25-16-25] Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben[^psalmen-25-16-26] eenzaam en ellendig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v16)

**17** Tsade. De benauwdheden van mijn hart hebben zich[^psalmen-25-17-27] wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v17)

**18** Resch.[^psalmen-25-18-28] Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en[^psalmen-25-18-29] neem weg al mijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v18)

**19** Resch.[^psalmen-25-19-30] Aanzie mijn vijanden, want zij[^psalmen-25-19-31] vermenigvuldigen, en zij haten mij met een[^psalmen-25-19-32] boosaardige haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v19)

**20** Schin. Bewaar mijn[^psalmen-25-20-33] ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v20)

**21** Thau. Laat oprechtheid en[^psalmen-25-21-34] vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v21)

**22** O God! verlos[^psalmen-25-22-35] Israël uit al zijn benauwdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/25.html#v22)

[^psalmen-25-1-1]: Kanttekening 1: hef ik: Door een hartgrondig gebed en verlangen naar uw hulp. De manier van spreken kan enigzins vergeleken worden met Ps. 24:4 ; zo Ps. 86:4 . Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; Psalmen 86:4 : Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, YHWH! verhef ik mijn ziel.
[^psalmen-25-2-a]: Verwijzing a: Ps. 22:6 ; Ps. 31:2 ; Ps. 34:6 . Psalmen 22:6 : Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid. Psalmen 34:6 : He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
[^psalmen-25-2-2]: Kanttekening 2: Dat dengenen wedervaart, die in hun hoop en vertrouwen bedrogen worden.
[^psalmen-25-2-3]: Kanttekening 3: Saul met de zijnen, waarop deze psalm voornamelijk schijnt te slaan.
[^psalmen-25-2-4]: Kanttekening 4: over mij: Of, mijnenthalve, mijnentwege.
[^psalmen-25-3-b]: Verwijzing b: Jes. 28:16 ; Rom. 10:11 . Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Romeinen 10:11 : Want de Schrift zegt: Een iedereen, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
[^psalmen-25-4-c]: Verwijzing c: Ps. 27:11 ; Ps. 86:11 ; Ps. 119 . Psalmen 27:11 : YHWH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijn verspieders wil. Psalmen 86:11 : Leer mij, YHWH! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
[^psalmen-25-4-5]: Kanttekening 5: Zie Gen. 18:19 ; Deut. 32:4 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
[^psalmen-25-4-6]: Kanttekening 6: Te weten, door uw woord en Heilige Geest.
[^psalmen-25-5-7]: Kanttekening 7: In uw Woord geopenbaard, zie Joh. 17:17 ; of, waarheid; dat is, uw waarachtige en getrouwe beloften, geef dat ik daarop vast vertrouw en mij daarnaar richt, om mij niet door ongeloof of wraakgierigheid te vergrijpen. Johannes 17:17 : Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
[^psalmen-25-5-8]: Kanttekening 8: Gelijk Ps. 24:5 . Psalmen 24:5 : Die zal de zegen ontvangen van YHWH, en gerechtigheid van de God zijns heils.
[^psalmen-25-5-9]: Kanttekening 9: U verwacht: Dat is, uw genadige hulp en verlossing.
[^psalmen-25-6-d]: Verwijzing d: Ps. 103:17 ; Ps. 106:1 ; Ps. 107:1 ; Ps. 117:2 ; Ps. 136 ; Jer. 33:11 . Psalmen 103:17 : Maar de goedertierenheid van YHWH is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kleinkinderen; Psalmen 106:1 : Hallelujah! Looft YHWH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 107:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 117:2 : Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid van YHWH is in eeuwigheid! Hallelujah! Jeremia 33:11 : De stem van de vrolijkheid en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft YHWH van de legermachten, want YHWH is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem dergenen, die lof aanbrengen in het huis van YHWH; want Ik zal de gevangenis van het land wenden, als in het eerste, zegt YHWH.
[^psalmen-25-6-10]: Kanttekening 10: Verg. 2 Tim. 1:9 en Ef. 1:4 . 2 Timotheüs 1:9 : Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^psalmen-25-7-11]: Kanttekening 11: Verg. Gen. 8:21 ; Job 13:26 ; Pred. 12:1 ; Jer. 3:25 . Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Job 13:26 : Want U schrijft tegen mij bittere dingen; en U doet mij erven de misdaden mijn jonkheid. Prediker 12:1 : En gedenk aan uw Schepper in de dagen uw jongelingschap, voordat dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van die u zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelfde. Jeremia 3:25 : Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaders, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn van de stem van YHWH, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.
[^psalmen-25-8-12]: Kanttekening 12: Over welke Hij zich, naar zijn goedheid, ontfermt tot hun bekering, en die Hij naar zijn rechtheid of gerechtigheid de rechte weg wijst, die Hij de boetvaardigen in zijn Woord heeft voorgeschreven. Verg. vers 9 , 25:12 . Psalmen 25:9 : Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren. Psalmen 25:12 : Mem. Wie is de man, die YHWH vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen.
[^psalmen-25-9-13]: Kanttekening 13: zachtmoedigen leiden in het recht: Zie Ps. 10:17 ; het woord, recht, of oordeel, schijnt hier verklaard te zijn door Gods weg, gelijk volgt, gelijk ook elders door Gods recht zijn Woord en lering verstaan wordt. Anders zou men dit mogen vergelijken met Jer. 10:24 , alsof de profeet zei: God zal de zachtmoedigen met oordeel, dat is, rede, maat en zachtmoedigheid leiden, en in alles gunstiglijk en vaderlijk regeren, enz. Zie de aantekening bij Jer. 10:24 , en verg. hier het volgende vers 14 met de aantekening. Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken; Jeremia 10:24 : Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. Jeremia 10:24 : Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. Psalmen 25:14 : Samech. De verborgenheid van YHWH is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
[^psalmen-25-10-14]: Kanttekening 14: Al wat Hij bij zijn kinderen doet, zijn gehele regering, over hen, is niet dan enkel goedgunstigheid, die Hij naar zijn gewisse beloften aan hen tot hun best bewijst, hoe vreemd dat het dikwijls, ten aanzien van menigerlei kruis, het vlees mag toeschijnen. Verg. Deut. 32:4 ; Rom. 8:28 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Romeinen 8:28 : En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
[^psalmen-25-10-15]: Kanttekening 15: Of, trouw.
[^psalmen-25-10-16]: Kanttekening 16: Die de beloften zijns verbonds met geloof aannemen en daarop een godvruchtig leven leiden. Van het verbond Gods, zie Jer. 31:31 , 31:32 , 31:33 , enz. Hebr. 8:6 , 8:8 , 8:9 , enz. Jeremia 31:31 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Jeremia 31:32 : Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:6 : En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 8:8 : Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Hebreeën 8:9 : Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heer.
[^psalmen-25-11-17]: Kanttekening 17: Of, menigvuldig.
[^psalmen-25-12-18]: Kanttekening 18: Dat is, die de Heer vreest, die zal Hij, enz. Zie Deut. 20:5 . Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
[^psalmen-25-12-19]: Kanttekening 19: Te weten, om daarin te wandelen. Verkiezen en beminnen, behagen, zijn elkaar zo verwant, dat het een onder het andere verstaan en daarvoor gebruikt wordt. Zie Jes. 42:1 ; Matt. 12:18 . Verg. ook 2 Sam. 15:15 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Mattheüs 12:18 : Ziet, Mijn Knecht, Welke Ik gekozen heb, Mijn Beminde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel de heidenen verkondigen. 2 Samuël 15:15 : Toen zeiden de knechten van de koning tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.
[^psalmen-25-13-20]: Kanttekening 20: Of, herbergen, verblijden. De zin is: de godvruchtigen zullen met hun gelovig zaad de zegen van de Heer genieten, niet alleen in het eeuwige en geestelijke, maar ook in het tijdelijke en lichamelijke. Verg. Ps. 1:1 ; dergelijke beloften vindt men zeer veel in dit boek, die nochtans het kruis geenzins uitsluiten, gelijk hier duidelijk blijkt. Zie vers 16 , 25:17 , enz. Anders, het land; te weten, Kanaän, genoemd het land van de belofte, Hebr. 11:9 , Abraham en zijn zaad beloofd, zijnde een voorbeeld en pand van het hemelse Kanaän en in de Schriftuur heerlijk geroemd. Zie verder Ps. 37:29 . Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Psalmen 25:16 : Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. Psalmen 25:17 : Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte. Psalmen 37:29 : De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
[^psalmen-25-14-21]: Kanttekening 21: Die Hij in zijn Woord \[in het bijzonder in het heilige Evangelie, van zijn liefde en genade in de Messias \] geopenbaard heeft, gelijk door het volgende woord, verbond, verklaard wordt. Verg. Spr. 3:32 , en zie Rom. 16:25 ; 1 Kor. 2:7 en 1 Kor. 4:1 ; Ef. 3:3 , 3:4 , 3:9 ; Kol. 1:26 , 1:27 ; 1 Tim. 3:9 , 3:16 . Spreuken 3:32 : Want de afwijker is YHWH een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met de oprechte. Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; 1 Korinthiërs 2:7 : Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; 1 Korinthiërs 4:1 : Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. Efeziërs 3:3 : Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Efeziërs 3:4 : Waaraan u, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus), Efeziërs 3:9 : En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:26 : Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Kolossensen 1:27 : Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop van de heerlijkheid; 1 Timotheüs 3:9 : Houdende de verborgenheid van het geloof in een rein geweten. 1 Timotheüs 3:16 : En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^psalmen-25-14-22]: Kanttekening 22: die : Te weten, die verborgenheid en dat verbond, en dat door zijn Woord en Geest.
[^psalmen-25-15-23]: Kanttekening 23: Van het geloof en van de hoop. Verg. de aantekening bij Hoogl. 4:9 . Hooglied 4:9 : U hebt Mij het hart genomen, Mijn zus, o bruid! u hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met een keten van uw hals.
[^psalmen-25-15-24]: Kanttekening 24: Dat mijn vijanden leggen om mij te vangen.
[^psalmen-25-16-25]: Kanttekening 25: Of, keer uw aangezicht naar mij, volgens de belofte Lev. 26:9 . Leviticus 26:9 : En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.
[^psalmen-25-16-26]: Kanttekening 26: Verg. Ps. 22:21 . Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de honds.
[^psalmen-25-17-27]: Kanttekening 27: Zijn veel en menigerlei, nemen zeer toe. Hebr. eigenlijk, hebbe zich verwijderd.
[^psalmen-25-18-28]: Kanttekening 28: Aanzie mijn ellende: Genadiglijk en met medelijden, en help mij, gelijk Deut. 26:7 . Zie Gen. 16:13 , enz. Deuteronomium 26:7 : Toen riepen wij tot YHWH, de God onzer vaders; en YHWH verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onze arbeid, en onze onderdrukking. Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van de aanziens! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet?
[^psalmen-25-18-29]: Kanttekening 29: neem weg: Dat is, vergeef. Het Hebr. woord betekent eigenlijk opheffen, dragen, op- of wegnemen, en wordt verder gebruikt van vergeving van de zonden. Verg. Ps. 32:1 , met Rom. 4:7 ; versta, om Christus' wil, die gezegd wordt onze zonden gedragen en weggenomen te hebben, Joh. 1:29 ; 1 Petr. 2:24 . Wat anders is het als iemand gezegd wordt zijn eigen zonden of ongerechtigheid te dragen. Zie daarvan Lev. 5:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Romeinen 4:7 : Zeggende: Zalig zijn zij, van wie ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie zonden bedekt zijn; Johannes 1:29 : Van de anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent. Leviticus 5:1 : Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^psalmen-25-19-30]: Kanttekening 30: Aanzie mijn vijanden: Te weten, in toorn. Verg. boven, Ps. 21:10 . Psalmen 21:10 : U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^psalmen-25-19-31]: Kanttekening 31: Of, zijn, of worden machtig.
[^psalmen-25-19-32]: Kanttekening 32: wreveligen haat: Hebr., שִׂנְאַת, haat van de wrevel, of van het geweld.
[^psalmen-25-20-33]: Kanttekening 33: Dat is, mijn leven. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^psalmen-25-21-34]: Kanttekening 34: Hebr. rechtheid. Hij beroept zich voor God op zijn onschuld en zijn recht tegen zijn vijanden; omdat hij oprecht en vroom, of richtig, rechtuit, rechtzinnig was voor God en zijn kerk. Zie Ps. 26:1 , en Ps. 7:11 . Psalmen 26:1 : Een psalm van David! Doe mij recht, YHWH! want ik wandel in mijn oprechtheid; en ik vertrouw op YHWH, ik zal niet wankelen. Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^psalmen-25-22-35]: Kanttekening 35: In welke zwarigheden de vromen geweest zijn ten tijde van Saul, zie daarvan Ps. 10 en Ps. 12 en Ps. 14 , enz.

### Psalmen 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/26.json)

*David bidt God om recht tegen zijn vijanden, terwijl hij voor Hem zijn oprechtheid, onschuld en godzaligheid betuigt; en zich verzekerend van verhoring, belooft hij God dankbaarheid.*

**1** Een[^psalmen-26-1-a] psalm van David! Doe[^psalmen-26-1-1] mij recht, YHWH! want ik wandel in mijn oprechtheid; en ik vertrouw op YHWH, ik zal niet wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v1)

**2** [^psalmen-26-2-2] Proef mij, YHWH, en[^psalmen-26-2-3] verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v2)

**3** Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw[^psalmen-26-3-4] waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v3)

**4** [^psalmen-26-4-b] Ik zit niet bij[^psalmen-26-4-5] ijdele mensen, en met[^psalmen-26-4-6] bedekte mensen ga[^psalmen-26-4-7] ik niet om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v4)

**5** Ik haat de vergadering van de boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v5)

**6** Ik[^psalmen-26-6-8] was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v6)

**7** [^psalmen-26-7-9] Om te doen horen de stem van de lof, en om te vertellen al Uw wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v7)

**8** YHWH! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats van de tabernakel[^psalmen-26-8-10] Uw eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v8)

**9** Raap[^psalmen-26-9-11] mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de[^psalmen-26-9-12] mannen van het bloed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v9)

**10** [^psalmen-26-10-13] In wier handen schandelijk bedrijf is, en wier rechterhand vol geschenken is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v10)

**11** Maar ik wandel in mijn oprechtheid, verlos mij dan en wees mij genadig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v11)

**12** Mijn voet staat op[^psalmen-26-12-14] effen baan; ik zal YHWH loven in de[^psalmen-26-12-15] vergaderingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/26.html#v12)

[^psalmen-26-1-a]: Verwijzing a: Ps. 7:9 . Psalmen 7:9 : YHWH zal de volken recht doen; richt mij, YHWH, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is.
[^psalmen-26-1-1]: Kanttekening 1: Tegen mijn vijanden en vervolgers; bewijs metterdaad dat U mijn zaak voor rechtvaardig houdt.
[^psalmen-26-2-2]: Kanttekening 2: Proef mij: Verg. Ps. 17:3 . Psalmen 17:3 : U hebt mijn hart geproefd, van de nacht bezocht, U hebt mij getoetst. U vindt niets; wat ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
[^psalmen-26-2-3]: Kanttekening 3: verzoek mij: Zie Gen. 22:1 . Genesis 22:1 : En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^psalmen-26-3-4]: Kanttekening 4: Zie Ps. 25:5 , 25:10 . Psalmen 25:5 : He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want U bent de God mijns heils; U verwacht ik de gansen dag. Psalmen 25:10 : Caph. Alle paden van YHWH zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
[^psalmen-26-4-b]: Verwijzing b: Job 31:5 ; Ps. 1:1 . Job 31:5 : Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij; Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^psalmen-26-4-5]: Kanttekening 5: Hebr., מְתֵי, mannen, mensen, of mensen, van de ijdelheid, of valsheid.
[^psalmen-26-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, dubbele, geveinsde, huichelaars, die met bedekte kwade praktijken omgaan.
[^psalmen-26-4-7]: Kanttekening 7: Zo wordt Het Hebr. woord ook genomen Joz. 23:7 . Jozua 23:7 : Dat u niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij u; gedenkt ook niet aan de naam hun goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet;
[^psalmen-26-6-8]: Kanttekening 8: Hij wil zeggen dat hij zijn uiterlijken godsdienst zo doet, dat hij daarbij ook een heilig leven voert, daar de huichelaars het tegendeel doen. Aangaande het wassen van de handen tot een teken van onschuld, zie Deut. 21:6 , en Matt. 27:24 . Sommigen verstaan het van de gewone wassing dergenen, die tot het altaar kwamen, en in de tabernakel ingaande, het altaar enigzins moesten omgaan, gelijk volgt Ex. 40:32 ; beide zien op zuivering van zonden, onschuld en onstraffelijkheid. Verg. Jes. 1:15 , 1:16 ; 1 Tim. 2:8 . Deuteronomium 21:6 : En alle oudsten van die stad, die naast aan de verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is; Mattheüs 27:24 : Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardigen; u mag toezien. Exodus 40:32 : Als zij ingingen tot de tent van de samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wiesen zij zich, gelijk als YHWH aan Mozes geboden had. Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jesaja 1:16 : Wast u, reinigt u, doet de boosheid uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. 1 Timotheüs 2:8 : Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.
[^psalmen-26-7-9]: Kanttekening 9: Dat is, overluid te zingen, dat men het wel kan horen. Zo Ps. 66:8 , en Ps. 106:2 ; verg. 1 Kron. 15:16 . Psalmen 66:8 : Looft, u volken! onze God; en laat horen de stem van Zijn roem. Psalmen 106:2 : Wie zal de mogendheden van YHWH uitspreken, al Zijn lof verkondigen? 1 Kronieken 15:16 : En David zei tot de oversten van de Levieten, dat zij hun broers, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.
[^psalmen-26-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, waarin U zelf, die een God van de heerlijkheid bent, woont.
[^psalmen-26-9-11]: Kanttekening 11: Hebr., verzamel niet, dat is hier, verzamelende raap niet weg; gelijk men eerst verzamelt wat men daarna op- en wegneemt. De zin is, breng mij niet om met de goddelozen, met wier doen ik toch gene gemeenschap heb, gelijk volgt. Zo wordt Het Hebr. woord, dat verzamelen betekent, gebruikt voor wegrapen; Gen. 30:23 ; Jes. 4:1 ; Jer. 8:13 , en Jer. 16:5 ; en verder van sterven, omkomen, het leven verliezen. Zie Richt. 18:25 ; 1 Sam. 15:6 ; Jes. 57:1 ; Ez. 34:29 . Verg. ook Ps. 28:3 , en Gen. 25:8 . Somtijds wordt het ook gebruikt van gunstig opnemen in huis, of onderdak of deksel nemen, innemen, aannemen. Zie Num. 12:14 ; Joz. 20:4 ; Richt. 19:15 ; Ps. 27:10 ; Jer. 47:6 , en verg. Matt. 23:37 . Genesis 30:23 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn smaadheid weggenomen! Jesaja 4:1 : En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. Jeremia 8:13 : Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt YHWH; er zijn geen druiven aan de wijnstok, en geen vijgen aan de vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij. Jeremia 16:5 : Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; Richteren 18:25 : Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en u uw leven verliest, en het leven van uw huis. 1 Samuël 15:6 : En Saul liet de Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten. Jesaja 57:1 : De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter hart neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad. Ezechiël 34:29 : En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen. Psalmen 28:3 : Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers van de ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Numeri 12:14 : En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! Jozua 20:4 : Als hij vlucht tot één van die steden, zo zal hij staan de deur van de stadspoort, en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten van die stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen woon. Richteren 19:15 : En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten. Psalmen 27:10 : Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar YHWH zal mij aannemen. Jeremia 47:6 : O wee, u zwaard van YHWH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil! Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^psalmen-26-9-12]: Kanttekening 12: mannen van het bloed: Hebr. van de bloede, dat is, bloedgierigen, moorddadigen, gelijk Ps. 5:7 . Zie daar. Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^psalmen-26-10-13]: Kanttekening 13: In wier handen: Dat is, die schelmstukken, of boze arglistige, praktijken, onderhanden hebben; verg. Job 11:14 , met de aantekening. Job 11:14 : Als er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.
[^psalmen-26-12-14]: Kanttekening 14: op effen baan: Hebr. in, of op het rechte, effene, platte. Zo wordt het Hebr. woord (betekenende rechtheid, of rechtigheid, gesteld tegen krom, oneffen , Jes. 40:4 ,) voor plat, vlak, effen land genomen, Deut. 3:10 ; Jer. 21:13 . Jesaja 40:4 : Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. Deuteronomium 3:10 : Al de steden van de platten lands, en het gehele Gilead, en het gehele Bazan, tot Salcha en Edreï toe; steden van het koninkrijk van Og in Bazan. Jeremia 21:13 : Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^psalmen-26-12-15]: Kanttekening 15: Hij wil zeggen dat hij, vertrouwende op de goede uitkomst alsof zij voor ogen ware, niet alleen in het geheim, maar ook in het openbaar voor de gemeente, God zal danken, dat Hij hem in zovele gevaren en aanvechtingen naar ziel en lichaam bewaard, en ten aanzien van beide als op een effen en zekere baan zal hebben gesteld.

### Psalmen 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/27.json)

*David verhaalt dat God zijn enige troost en toevlucht is in alle gevaren; en hoe hartelijk hij verlangt om altijd in Gods huis te zijn, waarom hij ook voortdurend bidt; terwijl hij zich ondertussen in zijn omzwervingen ophoudt en sterkt door geloof en geduldig wachten op de vervulling van Gods beloften, waartoe hij ook anderen vermaant.*

**1** Een[^psalmen-27-1-a] psalm van David. YHWH is mijn[^psalmen-27-1-1] Licht en mijn Heil,[^psalmen-27-1-b] voor wie zou ik vrezen? YHWH is van mijn leven[^psalmen-27-1-2] kracht, voor wie zou ik bevreesd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v1)

**2** Als de bozen, mijn tegenstanders, en mijn vijanden[^psalmen-27-2-3] tegen mij, tot mij[^psalmen-27-2-4] naderden, om mijn[^psalmen-27-2-5] vlees te eten, stootten zij zelf aan, en vielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v2)

**3** Hoewel mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; hoewel een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw[^psalmen-27-3-6] ik hierop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v3)

**4** [^psalmen-27-4-7] Één ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik[^psalmen-27-4-8] zoeken: dat ik al de dagen van mijn leven mocht wonen in het huis van YHWH, om de[^psalmen-27-4-9] liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te[^psalmen-27-4-10] onderzoeken in Zijn[^psalmen-27-4-11] tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v4)

**5** Want Hij versteekt mij in Zijn[^psalmen-27-5-12] hut, op de dag van[^psalmen-27-5-13] het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn[^psalmen-27-5-14] tent; Hij verhoogt mij op een[^psalmen-27-5-15] rotssteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v5)

**6** Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offergaven van[^psalmen-27-6-16] het geklank offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v6)

**7** Hoor, YHWH! mijn[^psalmen-27-7-17] stem, als ik roep; en wees mij genadig, en[^psalmen-27-7-18] antwoord mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v7)

**8** Mijn hart zegt[^psalmen-27-8-19] tot U: U[^psalmen-27-8-20] zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v8)

**9** Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; U bent mijn Hulp[^psalmen-27-9-21] geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God van mijn heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v9)

**10** Want mijn[^psalmen-27-10-22] vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar YHWH zal mij[^psalmen-27-10-23] aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v10)

**11** YHWH![^psalmen-27-11-c] leer mij Uw weg, en leid mij[^psalmen-27-11-24] in het rechte pad, vanwege mijn spionnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v11)

**12** Geef mij niet over in de[^psalmen-27-12-25] begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen[^psalmen-27-12-26] zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel[^psalmen-27-12-27] uitblaast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v12)

**13** [^psalmen-27-13-28] Zo ik niet had geloofd, dat ik het[^psalmen-27-13-29] goede van YHWH zou zien[^psalmen-27-13-30] in het land[^psalmen-27-13-31] van de levenden, ik was vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v13)

**14** [^psalmen-27-14-d] Wacht op YHWH, wees sterk, en[^psalmen-27-14-32] Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/27.html#v14)

[^psalmen-27-1-a]: Verwijzing a: Jes. 10:17 ; Jes. 60:19 ; idem v.20 ; Micha 7:8 ; Lukas 1:79 ; Joh. 1:4 ; Joh. 8:12 ; Openb. 21:23 . Jesaja 10:17 : Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op een dag. Jesaja 60:19 : De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Jesaja 60:20 : Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uw treuring zullen een einde nemen. Micha 7:8 : Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal YHWH mij een licht zijn. Lukas 1:79 : Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede. Johannes 1:4 : In Hetzelfde was het Leven, en het Leven was het Licht van de mensen. Johannes 8:12 : Jezus dan sprak opnieuw tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
[^psalmen-27-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de auteur van mijn voorspoed, van mijn troost, van mijn vreugde en van mijn behoudenis. Zie van zulke betekenis van het woord licht, Job 18:5 , 18:6 , gelijk integendeel allerlei tegenspoed door duisternis wordt betekend. Zie Gen. 15:12 . Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. Job 18:6 : Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^psalmen-27-1-b]: Verwijzing b: Ps. 118:6 . Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
[^psalmen-27-1-2]: Kanttekening 2: Die mij door zijn goddelijke kracht of sterkte in het leven houdt en bewaart. Verg. boven, Ps. 21:5 , en Deut. 30:20 . Psalmen 21:5 : Het leven heeft hij van U begeerd. U hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwig en altijd. Deuteronomium 30:20 : Liefhebbende YHWH, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte uw dagen; opdat u blijft in het land, dat YHWH uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.
[^psalmen-27-2-3]: Kanttekening 3: tegen mij: Dit bijvoegsel: tegen mij, dient om de uiterste vijandelijkheid zijn vijanden uit te drukken; gelijk het daarentegen een anderen nadruk heeft, waar David zegt, 2 Sam. 22:2 , God is mij, of voor mij, mijn bevrijder. 2 Samuël 22:2 : Hij zei dan: YHWH is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.
[^psalmen-27-2-4]: Kanttekening 4: Om mij te bestrijden.
[^psalmen-27-2-5]: Kanttekening 5: Als wrede wilde beesten mij te verscheuren en verslinden. Verg. Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwade en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwade niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^psalmen-27-3-6]: Kanttekening 6: Op wat hij vers 1 gezegd heeft. Psalmen 27:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn?
[^psalmen-27-4-7]: Kanttekening 7: Of, een \[ begeerte \] heb ik begeerd. Verg. Richt. 8:24 ; 1 Sam. 2:20 , in het bijzonder 1 Kon. 2:20 . David schijnt dit gedicht te hebben in zijn ballingschap, wanneer hij wel in vele zwarigheden stak, maar van gene zo verdrukt en gekweld werd dan dat hij de reinen godsdienst en goddelijk waartekenen van de zaligmakende genade met Gods volk niet mocht gebruiken; waarom hij ook dit voornamelijk en gestadiglijk in zijn gebeden te die tijde God heeft voorgehouden. Richteren 8:24 : Verder zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iedereen een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, omdat zij Ismaëlieten waren. 1 Samuël 2:20 : En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zei: YHWH geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij YHWH afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats. 1 Koningen 2:20 : Toen zei zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
[^psalmen-27-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, zonder ophouden daarom bidden en daarnaar trachten.
[^psalmen-27-4-9]: Kanttekening 9: De lieflijke godsdienst, waardoor de Messias met al zijn weldaden wordt afgebeeld en dagelijks geloofd en geprezen.
[^psalmen-27-4-10]: Kanttekening 10: De heilige genadewerken van de Heer en wil uit zijn Woord. Verg. 1 Petr. 1:10 , 1:11 , 1:12 . 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 1 Petrus 1:12 : Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^psalmen-27-4-11]: Kanttekening 11: Of, paleis; versta de tabernakel of tent van de samenkomst. De tempel eigenlijk zo genoemd, is eerst naderhand van Salomo gebouwd, hoewel David voorhad die te bouwen, eer hij de wil van God door Nathan verstond.
[^psalmen-27-5-12]: Kanttekening 12: Als een herder zijn schaap, zo pleegt de Heer mij te bergen.
[^psalmen-27-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, in tijd van ongeval en beroerte.
[^psalmen-27-5-14]: Kanttekening 14: Gelijk men ten tijde van nood iemand bergt in verborgen plaatsen van de tent; verg. Ps. 31:21 . Psalmen 31:21 : U verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden van de man; U versteekt hen in een hut voor de twist van de tongen.
[^psalmen-27-5-15]: Kanttekening 15: Waar ik veilig en bewaard ben. Zie 2 Sam. 22:3 . 2 Samuël 22:3 : God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost!
[^psalmen-27-6-16]: Kanttekening 16: offeranden van de geklanks: T.w. die brandofferen en dankofferen, bij die met de twee zilveren trompetten geblazen werd, naar de wet, Num. 10:10 . Numeri 10:10 : Evenzo ten dage uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God!
[^psalmen-27-7-17]: Kanttekening 17: Anders, \[als\] ik roep met mijn stem, enz.
[^psalmen-27-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, bewijs de verhoring met dadelijke hulp.
[^psalmen-27-8-19]: Kanttekening 19: tot U: Of, van U, uwenthalve, U aangaande, zegt mijn hart, enz. Alsof hij zei: Ik hoor U in mijn hart tot mij spreken, of, mijn hart houdt mij voor deze uw woorden: Zoek mijn aangezicht. Zie nu, Heer, ik zoek het, doende wat U ons gebiedt, zo verberg dan uw aangezicht toch niet, enz., gelijk volgt.
[^psalmen-27-8-20]: Kanttekening 20: Zie Ps. 24:6 , en de aantekening. Psalmen 24:6 : Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.
[^psalmen-27-9-21]: Kanttekening 21: Te weten, altijd, tevoren. Verg. boven, Ps. 10:14 . Psalmen 10:14 : U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees.
[^psalmen-27-10-22]: Kanttekening 22: Hij wil zeggen dat hij eenzaam en als weeskind \[gelijk hij elders dikwijls spreekt\] ontbloot is van de hulp dergenen, die het naaste en wel meest daartoe verplicht waren, maar hem niet konden, wilden of durfden helpen. Verg. Ps. 69:9 . Anders, ofschoon mijn vader en mijn moeder mij verlieten, zo zal toch, enz.; van zijn ouders en broers leest men wel 1 Sam. 22:1 , 22:3 , dat zij tot hem zijn gekomen in de spelonk Adullam, maar dat zij hem zouden hebben verlaten, wordt nergens in de Schrift vermeld; tenwaren men het zo verstond, dat zij hem geen hulp hadden konden doen, maar hij veel meer voor hen moest zorgen, dat zij in een verzekerde plaats mochten gebracht worden, gelijk 1 Sam. 22 verhaald wordt; of dat zij te deze tijde mochten gestorven zijn. Psalmen 69:9 : Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. 1 Samuël 22:1 : Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het gehele huis zijns vaders, en kwamen daarheen tot hem af. 1 Samuël 22:3 : En David ging van daar naar Mizpa van de Moabieten; en hij zei tot de koning van de Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij u uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.
[^psalmen-27-10-23]: Kanttekening 23: Hebr. verzamelen. Zie boven, Ps. 26:9 . Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^psalmen-27-11-c]: Verwijzing c: Ps. 25:4 ; Ps. 86:11 ; Ps. 119 . Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Psalmen 86:11 : Leer mij, YHWH! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
[^psalmen-27-11-24]: Kanttekening 24: in het: Hebr., אֹרַח, in het pad van de richtigheid, of effenheid. Verg. Ps. 26:12 , opdat zij mij niet betrappen, die op mij loeren om in mijn wandel iets te vinden, waarom zij mij zouden mogen lasteren, of ook mij ergens bloot te vinden en met behendigheid te achterhalen en te overvallen. Psalmen 26:12 : Mijn voet staat op effen baan; ik zal YHWH loven in de vergaderingen.
[^psalmen-27-12-25]: Kanttekening 25: Hebr., נֶפֶשׁ, ziel; welk woord somtijds genomen wordt voor willen, begeerten, lust, voornemen. Zie Gen. 23:8 ; idem Ps. 41:3 , en Ps. 78:18 ; Pred. 6:7 , 6:9 ; Jer. 15:1 ; Ez. 16:27 . Genesis 23:8 : En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, de zoon van Zohar, Psalmen 41:3 : YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijn vijanden begeerte. Psalmen 78:18 : En zij verzochten God in hun hart, begerende voedsel naar hun lust. Prediker 6:7 : Al de arbeid van de mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld. Prediker 6:9 : Beter is het aanzien van de ogen, dan het wandelen van de begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling van de geest. Jeremia 15:1 : Maar YHWH zei tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan. Ezechiël 16:27 : Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in de lust dergenen, die u haten, van de dochters van de Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren.
[^psalmen-27-12-26]: Kanttekening 26: Waarvan Doëg een was; 1 Sam. 22:9 , 22:10 . Zie ook Ps. 35:11 . 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub; 1 Samuël 22:10 : Die YHWH voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn. Psalmen 35:11 : Wrevelige getuigen staan er op; wat ik niet weet, eisen zij van mij.
[^psalmen-27-12-27]: Kanttekening 27: Versta, een ieder van hen, of een die de voornaamste is. Uitblaast; dat is, die niet snorkt dan van enkel geweld. Verg. deze manier van spreken met Hand. 9:1 , en Ps. 10:5 . Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Psalmen 10:5 : Zijn wegen maken te alle tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenstanders, die blaast hij aan.
[^psalmen-27-13-28]: Kanttekening 28: Dat is, een onvolmaakte en afgebroken rede van de profeet, voortkomende uit overdenking van al de schrikkelijke gevaren en zwarigheden, die hem waren overkomen, zijnde zodanig dat hij dikwijls had moeten bezwijken, als hem zijn geloof op Gods belofte niet had ondersteund, ja zo gesterkt dat hij nog anderen kon leren de goede uitkomst met onverdrietelijk geduld en vertrouwen te verwachten, gelijk hij in het volgende, hier en Ps. 31:24 doet. Psalmen 31:24 : Hebt YHWH lief, u, al Zijn gunstgenoten! want YHWH behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.
[^psalmen-27-13-29]: Kanttekening 29: Dat is, verlossing, en ook het beloofde koninkrijk, met Gods zegen.
[^psalmen-27-13-30]: Kanttekening 30: Dat is, met vreugde genieten; gelijk boven Ps. 4:7 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH!
[^psalmen-27-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, hier op aarde dat nog beleven en genieten. Zo wordt door het land van de levenden elders ook verstaan dit tegenwoordig wezen en leven op aarde. Zie Job 28:13 ; Ps. 52:7 , en Ps. 116:9 ; Jer. 11:19 . Job 28:13 : De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land van de levenden. Psalmen 52:7 : God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land van de levenden. Sela. Psalmen 116:9 : Ik zal wandelen voor het aangezicht van YHWH, in de landen van de levenden. Jeremia 11:19 : En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons de boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land van de levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.
[^psalmen-27-14-d]: Verwijzing d: Jes. 25:9 ; Jes. 33:2 ; Habak. 2:3 . Jesaja 25:9 : En men zal op die dag zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is YHWH, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Jesaja 33:2 : YHWH, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm elke morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid. Habakuk 2:3 : Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
[^psalmen-27-14-32]: Kanttekening 32: Hij zal: Omdat u hiertoe veel te zwak bent en zulks bij uzelven dikwijls gevoelt, zo hebt goede moed, de Heer zal u met krachten voorzien, dat u hem met geduld en bestendigheid zult verwachten. Anders, uw hart versterke zich.

### Psalmen 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/28.json)

*David bidt zeer vurig voor zichzelf en tegen zijn vijanden, wier goddeloosheid hij beschrijft; en de vrucht van zijn gebed voelend, looft hij God en bidt om het behoud van de gehele Kerk.*

**1** Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen,[^psalmen-28-1-1] houd U niet als doof van mij af;[^psalmen-28-1-a] opdat ik niet, zo U Zich van mij stil houdt, vergeleken word met degenen,[^psalmen-28-1-b] die in de[^psalmen-28-1-2] kuil neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v1)

**2** Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn[^psalmen-28-2-3] handen ophef[^psalmen-28-2-4] naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v2)

**3** Trek[^psalmen-28-3-5] mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers van de[^psalmen-28-3-c] ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v3)

**4** Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar van hun handen werk; doe hun vergelding tot hen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v4)

**5** Omdat zij niet letten op de daden van YHWH, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet[^psalmen-28-5-6] bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v5)

**6** [^psalmen-28-6-7] Geloofd zij YHWH, want Hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v6)

**7** YHWH is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; daarom springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v7)

**8** YHWH is[^psalmen-28-8-8] hun Sterkte, en Hij is de Sterkheid van[^psalmen-28-8-9] de verlossingen Zijn Gezalfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v8)

**9** [^psalmen-28-9-10] Verlos Uw volk, en zegen Uw erfenis, en[^psalmen-28-9-11] weid hen, en[^psalmen-28-9-12] verhef hen tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/28.html#v9)

[^psalmen-28-1-1]: Kanttekening 1: Of, zwijg niet, wees niet stil van mij; versta, U of uw oren van mij afwendende, van mij aflatende, zonder te spreken of mij te antwoorden, en met de daad te bewijzen dat U mij verhoort. Verg. deze manier van spreken met 1 Kon. 22:3 ; 1 Sam. 7:8 ; Job 13:13 , menselijk van God gesproken, die gezegd wordt zich als doof te houden en te zwijgen en niet te antwoorden, als Hij met dadelijke hulp nog niet betoont dat Hij de gebeden van de zijnen verhoord heeft. Anders, houd U niet als doof tegen mij en zo meteen, tegen mij stil houdt, enz. Verg. Job 13:13 , met de aantekening. 1 Koningen 22:3 : Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië. 1 Samuël 7:8 : En de kinderen van Israël zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat u niet zoudt roepen tot YHWH, onze God, opdat Hij ons verlosse uit de hand van de Filistijnen. Job 13:13 : Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. Job 13:13 : Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
[^psalmen-28-1-a]: Verwijzing a: Ps. 143:7 . Psalmen 143:7 : Verhoor mij haastig, YHWH! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in de kuil dalen.
[^psalmen-28-1-b]: Verwijzing b: Ps. 30:4 . Psalmen 30:4 : YHWH! U hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; U hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald.
[^psalmen-28-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, in het graf, gelijk doden. Of, gelijk verbijsterde beesten en mensen ergens in een kuil of groef vallen en omkomen.
[^psalmen-28-2-3]: Kanttekening 3: Gelijk dikwijls in het bidden geschiedt tot een teken van opheffing van het hart tot God en verwachting eens zegens van Hem, door de Messias. Verg. 1 Kon. 8:22 ; Ps. 88:10 , en Ps. 141:2 ; Klaagl. 2:19 , en Klaagl. 3:41 . 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel; Psalmen 88:10 : Mijn oog treurt vanwege verdrukking; YHWH! ik roep tot U de gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U. Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijn handen als het avondoffer. Klaagliederen 2:19 : Koph. Maak u op, maak geschrei van de nacht in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. Klaagliederen 3:41 : Nun. Laat ons onze harten opheffen, en ook de handen, tot God in de hemel, zeggende:
[^psalmen-28-2-4]: Kanttekening 4: naar de aanspraakplaats: Dat is, naar uw heilige aanspraakplaats, waar de ark van het verbond is, een voorbeeld van de Messias. Zie 1 Kon. 6:5 . 1 Koningen 6:5 : En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^psalmen-28-3-5]: Kanttekening 5: Trek mij niet weg: Dat is, breng mij niet om, trek mij niet naar het graf met, enz. Verg. Ps. 26:9 , en zie Job 21:33 , en Job 24:22 ; Ez. 32:20 ; alwaar Het Hebr. woord רָעָה, in dezelfde betekenis gebruikt wordt. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed; Job 21:33 : De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal. Job 24:22 : Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men van het leven niet zeker. Ezechiël 32:20 : In het midden van de verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar heen met al haar menigte.
[^psalmen-28-3-c]: Verwijzing c: Ps. 12:3 ; Jer. 9:8 . Psalmen 12:3 : Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. Jeremia 9:8 : Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij zijn lage.
[^psalmen-28-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, die niet verhogen tot een vasten of duurzamen staat; idem, niet voortplanten of hun geslacht uitbreiden. Verg. Gen. 16:2 ; Job 22:23 ; Jer. 24:6 , en Jer. 31:28 ; idem Spr. 14:1 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Job 22:23 : Zo u u bekeert tot de Almachtige, u zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten. Jeremia 24:6 : En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Jeremia 31:28 : En het zal gebeuren, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt YHWH. Spreuken 14:1 : Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
[^psalmen-28-6-7]: Kanttekening 7: Hebr., בָּרוּךְ, gezegend.
[^psalmen-28-8-8]: Kanttekening 8: Niet alleen de mijne, maar ook van zijn gehele kerk, van alle gelovigen.
[^psalmen-28-8-9]: Kanttekening 9: Of, behoudenissen, overwinningen van zijn gezalfde; dat is die mij, zijn gezalfde, door zijn sterkte, zo dikwijls heeft verlost, of de sterkte van de verlossingen, of van het volkomen heil; \[dat is, de volkomen heilzame sterkte\] in het gezalfde; te weten, de Messias, de Heer Christus, door David afgebeeld.
[^psalmen-28-9-10]: Kanttekening 10: Of, behoud, geef heil.
[^psalmen-28-9-11]: Kanttekening 11: Gelijk een herder zijn schapen. Zie Ps. 32 .
[^psalmen-28-9-12]: Kanttekening 12: verhef hen: Of, draag hen.

### Psalmen 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/29.json)

*David vermaant de machtigen van deze wereld om de ware God met Zijn Kerk te eren en te dienen, Die Zijn majesteit en macht toont door donder, bliksem en watervloeden; waarvan Hij Zijn behoorlijke eer alleen ontvangt in Zijn Kerk, die Hij ook zegent en behoudt.*

**1** Een psalm van David. Geef YHWH, u kinderen van de machtigen![^psalmen-29-1-1][^psalmen-29-1-a] geef YHWH eer en sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v1)

**2** Geef YHWH de eer van Zijn Naam, aanbid YHWH in de heerlijkheid[^psalmen-29-2-2] van het[^psalmen-29-2-3] heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v2)

**3** De[^psalmen-29-3-4] stem van YHWH is op de[^psalmen-29-3-5] wateren,[^psalmen-29-3-b] de God[^psalmen-29-3-6] van de ere dondert; YHWH is op de[^psalmen-29-3-7] grote wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v3)

**4** De stem van YHWH is met kracht, de stem van YHWH is met heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v4)

**5** De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen[^psalmen-29-5-8] van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v5)

**6** En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en[^psalmen-29-6-9] Sirjon als een[^psalmen-29-6-10] jonge eenhoorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v6)

**7** De stem van YHWH[^psalmen-29-7-11] houwt[^psalmen-29-7-12] er vlammen vuurs uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v7)

**8** De stem van YHWH doet de woestijn[^psalmen-29-8-13] beven; YHWH doet de woestijn[^psalmen-29-8-14] Kades beven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v8)

**9** De stem van YHWH doet de[^psalmen-29-9-15] hinden jongen werpen, en[^psalmen-29-9-16] ontbloot de wouden; maar in Zijn[^psalmen-29-9-17] tempel zegt[^psalmen-29-9-18] Hem ieder eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v9)

**10** YHWH[^psalmen-29-10-19] heeft gezeten over de[^psalmen-29-10-20] watervloed; ja, YHWH zit,[^psalmen-29-10-c] Koning in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v10)

**11** YHWH zal Zijn volk sterkte geven; YHWH zal Zijn volk zegenen met[^psalmen-29-11-21] vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/29.html#v11)

[^psalmen-29-1-1]: Kanttekening 1: kinderen van de machtigen: Dat is, u machtigen, geweldigen, die boven anderen in macht en gezag op aarde verheven bent. Zo Ps. 89:7 . Psalmen 89:7 : Want wie mag in de hemel tegen YHWH geschat worden? Wie is YHWH gelijk, onder de kinderen van de sterken?
[^psalmen-29-1-a]: Verwijzing a: Ps. 96:7 ; idem v. 8 . Psalmen 96:7 : Geeft YHWH, u geslachten van de volken! geeft YHWH eer en sterkte. Psalmen 96:8 : Geeft YHWH de eer van Zijn Naam; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.
[^psalmen-29-2-2]: Kanttekening 2: Of, buigt u voor YHWH. Zie Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^psalmen-29-2-3]: Kanttekening 3: heerlijkheid van het heiligdom: Dat is, in zijn tabernakel, die de grote God zelf met de heerlijke waartekenen zijn genade versierd heeft. Sommigen menen dat David deze psalm gedicht heeft als hij de ark van het verbond met grote vreugde tot zich gehaald had in Zion, 2 Sam. 6 , om de groten op aarde \[die gemeenlijk trots en hoogmoedig zijn\] onder de krachtige hand van de enige ware God, die te Zion in zijn huis woonde, te vernederen, en door zijn voorbeeld te vermanen dat zij deze God in zijn woning in alle nederigheid zouden komen eren; waartoe hij in het volgende ook gebruikt de beschrijving van de donder van deze God, voor welke zich zelfs de allergrootsten op aarde moeten ontzetten en verschrikken, en dienvolgens de auteur daarvan behoren te kennen en naar zijn instelling te eren. Anders, in sieraad van de heiligheid. Of, met sieraad, enz.
[^psalmen-29-3-4]: Kanttekening 4: Versta, de donder en het verschrikkelijk geluid van die, gelijk Ps. 18:14 , en 2 Sam. 22:14 ; Job 28:26 , en Job 37:2 , 37:4 , 37:5 ; Ps. 46:7 , en Ps. 68:34 ; Jes. 30:30 , 30:31 . Psalmen 18:14 : En YHWH donderde in de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. 2 Samuël 22:14 : YHWH donderde van de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem. Job 28:26 : Als Hij de regen een vastgestelde orde maakte, en een weg voor het weerlicht van de donderen; Job 37:2 : Hoort met aandacht de beweging Zijn stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! Job 37:4 : Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijn hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. Job 37:5 : God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. Psalmen 46:7 : De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt. Psalmen 68:34 : Die, Die daar rijdt in de hemel van de hemel, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem van de sterkte. Jesaja 30:30 : En YHWH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijn arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen. Jesaja 30:31 : Want door de stem van YHWH zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.
[^psalmen-29-3-5]: Kanttekening 5: Men kan dit verstaan van de bovenste wateren, te weten, de wolken, en ook van de onderste, waarop de donder vreeslijk geluid maakt. Anders, boven de wateren; dat is, heeft groter en sterker geluid dan het bruisen van de wateren. Zie hiervan Ez. 1:24 , en Ez. 43:2 ; Openb. 1:15 , en Openb. 14:2 , en Openb. 19:6 . Ezechiël 1:24 : En als zij gingen, hoorde ik een geruis hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtigen, als de stem van een geroep, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder. Ezechiël 43:2 : En ziet, de heerlijkheid van God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid. Openbaring 1:15 : En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Openbaring 14:2 : En ik hoorde een stem uit de hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een grote donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers; Openbaring 19:6 : En ik hoorde als een stem van een grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heer, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.
[^psalmen-29-3-b]: Verwijzing b: Ex. 9:23 . Exodus 9:23 : Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland.
[^psalmen-29-3-6]: Kanttekening 6: van de ere: Dat is de heerlijke God, die te eren is, gelijk 1 Kor. 2:8 . 1 Korinthiërs 2:8 : Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben.
[^psalmen-29-3-7]: Kanttekening 7: Of, vele, geweldige.
[^psalmen-29-5-8]: Kanttekening 8: Een zeer vermaard gebergte, in de Schriftuur dikwijls vermeld, gelegen aan de noordelijke zijde van Kanaän, geroemd om de schone cederbomen. Zie Richt. 9:15 . Richteren 9:15 : En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.
[^psalmen-29-6-9]: Kanttekening 9: Zie Deut. 3:9 . Deuteronomium 3:9 : (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
[^psalmen-29-6-10]: Kanttekening 10: jongen eenhoorn: Hebr., בֶן, een zoon van de eenhoornen.
[^psalmen-29-7-11]: Kanttekening 11: Of, slaat. Het Hebr. woord wordt eigenlijk van steenhouwen en houthouwen gebruikt.
[^psalmen-29-7-12]: Kanttekening 12: Versta, de vuurvlammen van de bliksems, die God bij de donder verspreidt, alsof Hij ze uit de wolken hieuw, dat de vuurstralen overal springen.
[^psalmen-29-8-13]: Kanttekening 13: Anders, maakt dat zij in smart of arbeid komt; dat is, verschrikt de wilde gedierten van de woestijn zo, dat zij vóór de tijd de arbeid op de hals krijgen.
[^psalmen-29-8-14]: Kanttekening 14: Aan de Joden bekend, waardoor anderen mee verstaan worden; zie Num. 33:36 , 33:37 , en elders meer. Numeri 33:36 : En zij verreisden van Ezeon-geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades. Numeri 33:37 : En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan de berg Hor, aan het einde van het land van Edom.
[^psalmen-29-9-15]: Kanttekening 15: Die \[gelijk te zien is Job 39:4 , 39:5 , 39:6 , en de natuurbeschrijvers betuigen\] anderzins moeizaam werpen. Of, doet de hinden in arbeid komen. Job 39:4 : Weet u de tijd van het baren van de steengeiten? Hebt u waargenomen de arbeid van de hinden? Job 39:5 : Zult u de maanden tellen, die zij vervullen, en weet u de tijd van haar baren? Job 39:6 : (Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
[^psalmen-29-9-16]: Kanttekening 16: Te weten, van bomen, die door donder, bliksem en storm van bladeren ontbloot, verbrand, uit de aarde gescheurd en neergeveld worden; idem van dieren, die de donder in de holen jaagt, dat zij in de wouden niet durven omlopen.
[^psalmen-29-9-17]: Kanttekening 17: Of, paleis; dat is, tabernakel, gelijk boven, Ps. 27:4 , alsof hij zei: God laat zijn stem door de donder overal horen, maar in zijn gemeente en woning looft Hem een ieder van hen, te weten, van de gelovigen, vanwege zijn grote daden in het algemeen, en in het bijzonder van de voren verhaalde; waarheen David de groten genodigd heeft te komen, vers 1 . Psalmen 27:4 : Een ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis van YHWH, om de liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Psalmen 29:1 : Een psalm van David. Geeft YHWH, u kinderen van de machtigen! geeft YHWH eer en sterkte.
[^psalmen-29-9-18]: Kanttekening 18: Hem : Of, spreekt een ieder van \[zijn\] eer, of glorie. Anders, al wat daarin is; te weten, in de tempel, spreekt \[zijn\] eer.
[^psalmen-29-10-19]: Kanttekening 19: Of, zit in de watervloed; dat is ten tijde van de watervloed.
[^psalmen-29-10-20]: Kanttekening 20: Dit verstaan velen van de zondvloed, waarvan het Hebr. woord מֶלֶךְ, in de Heilige Schrift alleen gebruikt wordt, waarover de Heer als president, regent en rechter gezeten heeft; maar men kan het verder uitstrekken tot alle watervloeden, die God alle tezamen regeert en bestuurt.
[^psalmen-29-10-c]: Verwijzing c: Ps. 10:16 . Psalmen 10:16 : YHWH is Koning eeuwig en altijd; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.
[^psalmen-29-11-21]: Kanttekening 21: Dat is, met allerlei welvaart, bijzonderlijk in Christus, die onze vrede is. Zie Richt. 6:24 . Richteren 6:24 : Toen bouwde Gideon daar YHWH een altaar, en noemde het: YHWH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de Abi-ezrieten.

### Psalmen 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/30.json)

*David dankt God voor zijn verlossing uit dodelijke gevaren, en vermaant de Kerk om hetzelfde met hem te doen, vanwege Gods onbegrijpelijke goedertierenheid, die hij in zijn eigen persoon duidelijk had ondervonden; toen hij door een geheel onverwachte, plotselinge en schrikwekkende overval zeer ontsteld en verbijsterd zijnde, op zijn bidden ook zeer wonderbaar en spoedig door God verlost is.*

**1** Een psalm, een[^psalmen-30-1-1] lied van de inwijding van Davids huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v1)

**2** Ik zal U[^psalmen-30-2-2] verhogen, YHWH, want U hebt mij[^psalmen-30-2-3] opgetrokken, en mijn vijanden[^psalmen-30-2-4] over mij niet verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v2)

**3** YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij[^psalmen-30-3-5] genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v3)

**4** YHWH! U hebt mijn ziel uit het[^psalmen-30-4-6] graf opgevoerd; U hebt mij bij het leven behouden,[^psalmen-30-4-7] dat ik in de kuil niet ben neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v4)

**5** Psalmzing YHWH, u Zijn[^psalmen-30-5-8] gunstgenoten! en[^psalmen-30-5-a] zegt lof ter herinnering van Zijn[^psalmen-30-5-9] heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v5)

**6** Want een[^psalmen-30-6-10] ogenblik is er in Zijn toorn, maar een[^psalmen-30-6-11] leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v6)

**7** Ik zei wel in mijn[^psalmen-30-7-12] voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v7)

**8** Want, YHWH![^psalmen-30-8-13] U had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw[^psalmen-30-8-14] aangezicht verborgt, werd[^psalmen-30-8-15] ik verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v8)

**9** Tot U, YHWH! riep ik, en ik smeekte tot YHWH: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v9)

**10** Wat winst is er in mijn[^psalmen-30-10-16] bloed, in mijn neerdalen tot de groeve?[^psalmen-30-10-17] Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v10)

**11** Hoor, YHWH! en wees mij genadig; YHWH! wees mij een Helper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v11)

**12** [^psalmen-30-12-18] U hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; U hebt mijn[^psalmen-30-12-19] zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v12)

**13** Opdat mijn[^psalmen-30-13-20] eer U psalmzinge, en niet zwijge. YHWH, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/30.html#v13)

[^psalmen-30-1-1]: Kanttekening 1: Of, gezang; \[zie Ps. 48:1 \], om gespeeld en gezongen te worden bij de inwijding van Davids hof, alsof hij van de overwinning tegen Absalom te Jeruzalem was wedergekomen en, in zijn koninkrijk hersteld zijnde, zijn hof van Absaloms gruwelen zuiverde, 2 Sam. 20:3 , waarvan de meeste uitleggers dit verstaan, gelijk het ook op de inhoud van deze psalm bekwamelijk past. Sommigen nochtans menen dat David God hier dankt voor de verlossing van een dodelijke ziekte, uit vers 3 , 30:10 . Verg. met Ps. 6:5 , van de inwijding. Zie Deut. 20:5 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 Samuël 20:3 : Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op de dag van haarlieder dood, levende als weduwen. Psalmen 30:3 : YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. Psalmen 30:10 : Wat winst is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Psalmen 6:5 : Keer weer, YHWH, red mijn ziel; verlos mij, om Uw goedertierenheid wil. Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
[^psalmen-30-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, hoog roemen.
[^psalmen-30-2-3]: Kanttekening 3: Gelijk men iets ophaalt of optrekt uit een bornput, gelijk men doet wanneer men water put, waarvan het Hebr. woord gebruikt wordt, Ex. 2:19 . Dit ziet op de grote noden, waarin David te die tijde gestoken was. Exodus 2:19 : Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand van de herderen; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.
[^psalmen-30-2-4]: Kanttekening 4: over mij: Of tegen mij, gelijk Ps. 27:2 ; zie daar. Psalmen 27:2 : Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
[^psalmen-30-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, mijn leven van doodsgevaar verlost, gelijk in het volgende verklaard wordt. Zo worden allerlei plagen en ellenden bij krankten en wonden, en de geestelijke en lichamelijke verlossing of herstelling bij genezing of gezondmaking in de Heilige Schrift dikwijls vergeleken. Zie Deut. 32:39 ; Ps. 103:3 , en Ps. 147:3 ; Jes. 6:10 , en Jes. 19:22 ; Jer. 8:15 , en Jer. 33:6 ; Hos. 7:1 , en Hos. 11:3 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! Psalmen 103:3 : Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw ziekten geneest; Psalmen 147:3 : Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. Jesaja 6:10 : Maak het hart van deze volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. Jesaja 19:22 : En YHWH zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen; en zij zullen zich tot YHWH bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen. Jeremia 8:15 : Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking. Jeremia 33:6 : Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. Hosea 7:1 : Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten. Hosea 11:3 : Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.
[^psalmen-30-4-6]: Kanttekening 6: Of, dodenrijk; dat is, grote angsten en benauwdheden. Van het Hebr. woord שְׁאוֹל, Scheol, zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-30-4-7]: Kanttekening 7: dat ik: Of aldus: Opdat ik niet was onder degenen, die in de kuil nederdalen. Verg. Ps. 28:1 . Psalmen 28:1 : Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen.
[^psalmen-30-5-8]: Kanttekening 8: Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-30-5-a]: Verwijzing a: Ps. 97:12 . Psalmen 97:12 : U rechtvaardigen! verblijdt u in YHWH, en spreekt lof ter gedachtenis Zijn heiligheid.
[^psalmen-30-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, zijn werken en weldaden aan mij en mijn volk bewezen, waarin Hij zijn heiligheid laat lichten.
[^psalmen-30-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, de straffen en kastijdingen zijn kinderen, gerekend zijnde tegen de weldadigheden, die Hij hun, in het bijzonder naar de ziel, bewijst, bevindt het zich dat hun gehele leven overvloeit van weldaden, en dat de straffen door zijn genade zo verzacht, gematigd en afgebroken worden, dat zij zeer kort mogen genoemd worden, als David in Absaloms vervolging had ondervonden en in het volgende verklaart, niettegenstaande anderzins zijn kruis en vervolging onder Sauls regering lang geduurd had, waarover hij dikwijls in de Psalmen klaagt. Verg. Ps. 37:10 ; Jes. 17:14 , en Jes. 54:8 ; 2 Kor. 4:17 . Psalmen 37:10 : Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en u zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. Jesaja 17:14 : Ten tijde van de avond, ziet, zo is er verschrikking, voordat het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. Jesaja 54:8 : In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uw ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser. 2 Korinthiërs 4:17 : Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid;
[^psalmen-30-6-11]: Kanttekening 11: Leven, wordt hier gesteld tegen een ogenblik, gelijk avond tegen de morgen.
[^psalmen-30-7-12]: Kanttekening 12: Als ik in goede rust zat van al mijn vijanden, beeldde ik mij in dat mij geen ongeval zou overkomen. Verg. Job 29:18 , 29:19 , 29:20 , enz. Job 29:18 : En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. Job 29:19 : Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak. Job 29:20 : Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
[^psalmen-30-8-13]: Kanttekening 13: U hadt: Hebr., עֹז, U hadt op mijn berg sterkte doen staan. de zin is, omdat God zijn rijk bevestigd had, meende hij niet dat hem zou bejegenen wat hem nochtans door Absalom zo haastig overkwam. Door zijn berg kan men verstaan zijn koninkrijk \[verg. Dan. 2:35 , 2:44 \] en koninklijke hoogheid, of de berg Zion, waar hij zijn koninklijk hof hield. Daniël 2:35 : Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelfde gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de gehele aarde vervulde. Daniël 2:44 : Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
[^psalmen-30-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, als u uw vorige gunst om mijn zonden wil wat ophieldt \[verg. Deut. 31:17 \], en mij door mijn zoon van Jeruzalem verdreeft, toen was ik te zeer verslagen. Verg. Ps. 72:14 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwade en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwade niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Psalmen 72:14 : Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.
[^psalmen-30-8-15]: Kanttekening 15: Of, ontsteld, beroerd.
[^psalmen-30-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, in mijn dood, dat mij Absalom en de zijnen om het leven brengen. Verg. Ps. 72:14 . Psalmen 72:14 : Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.
[^psalmen-30-10-17]: Kanttekening 17: Zal U: Verg. Ps. 6:6 . Psalmen 6:6 : Want in de dood is Uw geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
[^psalmen-30-12-18]: Kanttekening 18: U hebt mij mijn: David verhaalt hier hoe God zijn smeken genadelijk verhoord en hem wonderlijk verlost heeft.
[^psalmen-30-12-19]: Kanttekening 19: Zie Gen. 37:34 , en verg. 2 Sam. 15:30 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iedereen zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^psalmen-30-13-20]: Kanttekening 20: eer U: Zie Gen. 49:6 . Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

### Psalmen 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/31.json)

*David bidt God zeer vurig om behoud, overeenkomstig zijn vertrouwen dat hij alleen op Hem stelt, om reden van blijdschap te hebben in plaats van zijn tegenwoordig bitter lijden, dat vrienden en vijanden hem met woorden en werken aandoen. En de vrucht van zijn gebed voelend, roemt hij Gods voorzorg en goedertierenheid over alle gelovigen, en in het bijzonder over hemzelf.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-31-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v1)

**2** Op U, o YHWH![^psalmen-31-2-a] betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw[^psalmen-31-2-2] gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v2)

**3** Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed; wees mij tot een[^psalmen-31-3-3] sterke Rotssteen, tot een[^psalmen-31-3-4] zeer vast Huis, om mij te behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v3)

**4** Want U bent mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en[^psalmen-31-4-5] voer mij, omwille van Uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v4)

**5** Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij[^psalmen-31-5-6] verborgen hebben, want U bent mijn Sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v5)

**6** [^psalmen-31-6-b] In Uw hand beveel ik mijn[^psalmen-31-6-7] geest; U hebt mij verlost, YHWH, U, God van[^psalmen-31-6-8] de waarheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v6)

**7** Ik haat degenen, die op[^psalmen-31-7-9] valse zinloosheden acht nemen, en ik betrouw op YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v7)

**8** Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat U mijn ellende hebt[^psalmen-31-8-10] aangezien, en mijn ziel in benauwdheden[^psalmen-31-8-11] gekend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v8)

**9** En mij niet hebt overgeleverd in[^psalmen-31-9-12] de hand van de vijand; U hebt mijn voeten doen staan in de ruimte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v9)

**10** Wees mij genadig, YHWH! want mij is bange;[^psalmen-31-10-13] van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v10)

**11** Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is[^psalmen-31-11-14] vervallen door mijn[^psalmen-31-11-15] ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v11)

**12** Vanwege al mijn tegenstanders ben ik,[^psalmen-31-12-c] ook mijn buren,[^psalmen-31-12-16] enorm tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien,[^psalmen-31-12-17] vluchten van mij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v12)

**13** Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een[^psalmen-31-13-18] bedorven voorwerp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v13)

**14** Want ik hoorde de[^psalmen-31-14-19] naspraak[^psalmen-31-14-20] van velen; vrees is van rondom, omdat zij samen tegen mij raadslaan; zij[^psalmen-31-14-21] denken mijn[^psalmen-31-14-22] ziel te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v14)

**15** Maar ik vertrouw op U, o YHWH! Ik zeg: U bent mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v15)

**16** Mijn[^psalmen-31-16-23] tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand van mijn vijanden, en van mijn vervolgers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v16)

**17** Laat Uw[^psalmen-31-17-24] aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v17)

**18** YHWH! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in[^psalmen-31-18-25] het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v18)

**19** Laat de[^psalmen-31-19-26] valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige, in hoogmoed en verachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v19)

**20** [^psalmen-31-20-d] O, hoe[^psalmen-31-20-27] groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat U gewerkt hebt voor degenen, die op U betrouwen,[^psalmen-31-20-28] in de aanwezigheid van de mensenkinderen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v20)

**21** U verbergt hen in het verborgene[^psalmen-31-21-29] van Uw aangezicht voor de[^psalmen-31-21-30] hoogmoedigheden[^psalmen-31-21-31] van de man; U versteekt hen in een hut voor de[^psalmen-31-21-32] twist van de tongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v21)

**22** [^psalmen-31-22-33] Geloofd zij YHWH, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij[^psalmen-31-22-34] voerende als in een[^psalmen-31-22-35] versterkte stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v22)

**23** Ik[^psalmen-31-23-36] zei wel in mijn[^psalmen-31-23-37] haast: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep.[^psalmen-31-23-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v23)

**24** Heb YHWH lief, u, al Zijn[^psalmen-31-24-39] gunstgenoten! want YHWH behoedt de[^psalmen-31-24-40] gelovigen, en vergeldt overvloedig degene, die hoogmoed bedrijft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v24)

**25** [^psalmen-31-25-41][^psalmen-31-25-e] Wees sterk, en Hij zal uw hart versterken, u allen, die op YHWH hoopt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/31.html#v25)

[^psalmen-31-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-31-2-a]: Verwijzing a: Ps. 22:6 ; Ps. 25:2 ; idem 25:3 ; Ps. 71:1 ; idem 71:2 ; Jes. 49:23 . Psalmen 22:6 : Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. Psalmen 25:2 : Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. Psalmen 25:3 : Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak. Psalmen 71:1 : Op U, o YHWH! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. Psalmen 71:2 : Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^psalmen-31-2-2]: Kanttekening 2: Die vereist dat U uw woord houdt en mijn rechtvaardige zaak voorstaat, gelijk Ps. 71:2 . Psalmen 71:2 : Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.
[^psalmen-31-3-3]: Kanttekening 3: sterke Rotssteen: Hebr. rotssteen van de sterkte.
[^psalmen-31-3-4]: Kanttekening 4: zeer vast Huis: Hebr., בֵית, huis, of plaats van de vastigheden of vestingen.
[^psalmen-31-4-5]: Kanttekening 5: Gelijk een herder zijn schapen. Zo boven Ps. 23:2 . Psalmen 23:2 : Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
[^psalmen-31-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, in het verborgene of geheime gelegd hebben.
[^psalmen-31-6-b]: Verwijzing b: Lukas 23:46 . Lukas 23:46 : En Jezus, roepende met grote stemme, zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
[^psalmen-31-6-7]: Kanttekening 7: Dat is, mijn ziel beveel ik uw macht, bewaring, zorg en opzicht.
[^psalmen-31-6-8]: Kanttekening 8: Of, trouw; dat is, U waarachtige, of getrouwe God, die uw beloften, aan mij gedaan, gehouden hebt.
[^psalmen-31-7-9]: Kanttekening 9: Of, nietige; Hebr., ijdelheden van de valsheid of nietigheid. Hij bedoelt die op vleselijke en afgodische hulp vertrouwen. Zie Deut. 32:21 ; 1 Kon. 16:26 ; 2 Kon. 17:15 ; Ps. 62:11 ; Jer. 2:5 , en Jer. 8:19 , en Jer. 10:15 , en Jer. 14:22 , en Jer. 23:16 ; Rom. 1:21 . Verg. Lev. 19:4 . Deuteronomium 32:21 : Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. 1 Koningen 16:26 : En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israël had doen zondigen, verwekkende YHWH, de God van Israël, tot toorn, door hun ijdelheden. 2 Koningen 17:15 : Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaders gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van die YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die. Psalmen 62:11 : Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op. Jeremia 2:5 : Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? Jeremia 8:19 : Ziet, de stem van het geschrei van de dochters mijns volks is uit zeer ver land: Is dan YHWH niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden van de vreemden? Jeremia 10:15 : IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hun bezoeking zullen zij vergaan. Jeremia 14:22 : Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt U die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen. Jeremia 23:16 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Romeinen 1:21 : Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^psalmen-31-8-10]: Kanttekening 10: Zie Gen. 16:13 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van de aanziens! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet?
[^psalmen-31-8-11]: Kanttekening 11: Mij niet versmaad, maar bemind en verzord. Verg. Gen. 18:19 ; Ps. 1:6 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^psalmen-31-9-12]: Kanttekening 12: Of, besloten; gelijk elders.
[^psalmen-31-10-13]: Kanttekening 13: van verdriet: Gelijk Ps. 6:8 . Psalmen 6:8 : Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders.
[^psalmen-31-11-14]: Kanttekening 14: Als wanneer iemand door onvermogen en zwakheid struikelt en daarheen valt. Verg. Ps. 109:24 , en zie het tegendeel Ps. 105:37 . Psalmen 109:24 : Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is. Psalmen 105:37 : En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
[^psalmen-31-11-15]: Kanttekening 15: Dat is, straf mijn ongerechtigheid. Zie Gen. 4:13 , en Gen. 19:15 , en verg. Num. 14:33 ; Jer. 51:6 . Genesis 4:13 : En Kaïn zei tot YHWH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde. Genesis 19:15 : En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt. Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. Jeremia 51:6 : Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iedereen zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt.
[^psalmen-31-12-c]: Verwijzing c: Job 19:13 ; Ps. 38:12 . Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Psalmen 38:12 : Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
[^psalmen-31-12-16]: Kanttekening 16: Hebr. zeer.
[^psalmen-31-12-17]: Kanttekening 17: vluchten van mij weg: Opdat zij bij mijn wederpartijders niet verdacht mogen worden, alsof zij mijn zaak toegedaan of mijn vrienden waren.
[^psalmen-31-13-18]: Kanttekening 18: Of vergaande, verloren gaande, ten naastenbij bedorven, dat men geheel weinig of niet acht, als nergens meer nut toe zijnde. Verg. Deut. 26:5 ; Ps. 119:176 ; idem Jer. 22:28 . Deuteronomium 26:5 : Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk. Psalmen 119:176 : Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten. Jeremia 22:28 : Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
[^psalmen-31-14-19]: Kanttekening 19: Of, faamroving, lastering, kwaadspreken. Verg. Jer. 20:10 . Jeremia 20:10 : Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^psalmen-31-14-20]: Kanttekening 20: van velen: Of, van de groten.
[^psalmen-31-14-21]: Kanttekening 21: Of, praktizeren, maken aanslagen om, enz.
[^psalmen-31-14-22]: Kanttekening 22: Dat is, mijn leven. Of aldus: Als zij tezamen tegen mij raadslaan, zo denken zij mijn ziel te nemen.
[^psalmen-31-16-23]: Kanttekening 23: Dat is, mijn leven en al mijn wedervaren; hoe het mij ook zou mogen gaan, ik weet dat het alles aan U hangt, dat U het alles regeert, en dat het niets is in mijn vijanden macht.
[^psalmen-31-17-24]: Kanttekening 24: Zie Num. 6:25 , 6:26 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
[^psalmen-31-18-25]: Kanttekening 25: Dat zij, van de aarde weggenomen zijnde, hun kwade praktijken, lasteringen en geweld moeten laten achterstaan. Anders, laat hen afgesneden, of uitgeroeid worden ten grave; gelijk het Hebr. woord ook genomen wordt, Ps. 49:13 , 49:21 , enz. Psalmen 49:13 : De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. Psalmen 49:21 : De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
[^psalmen-31-19-26]: Kanttekening 26: Hebr., שִׂפְתֵי, lippen van de valsheid. Zie Ps. 12:3 , en Ps. 27:12 , enz. Psalmen 12:3 : Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^psalmen-31-20-d]: Verwijzing d: Jes. 64:4 ; 1 Kor. 2:9 . Jesaja 64:4 : Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God! wat Hij doen zal die, die op Hem wacht. 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben.
[^psalmen-31-20-27]: Kanttekening 27: Of, menigvuldig. Dit ziet wel op het goede, dat God de zijnen in het algemeen naar ziel en lichaam bereidt en voor hen, als in een schatkamer opgesloten heeft, om daaruit ter bekwamer en bestemder tijd tot hun best voor de dag te brengen en hun te doen genieten; maar spruit uit overdenking van een bijzondere en onverwachte wonderlijke verlossing aan David bewezen, als hij in een zeer groot gevaar was van overvallen te worden, en niet kon gedenken dat God zulk een verlossing voor hem bereid had, als hem wedervoer; waarover hij aldus met verwondering uitroept.
[^psalmen-31-20-28]: Kanttekening 28: in de: Hebr. tegenover, voor; dat is, in het aanschouwen van al de wereld, openbaar makende de onschuld van de vromen, en met uw wonderlijke onvoorziene hulp bewijzende dat zij U lief zijn, die tot U hun toevlucht nemen met gelovige gebeden.
[^psalmen-31-21-29]: Kanttekening 29: Door betoning van uw vaderlijke gunst en genadige aanwezigheid, vertroost en behoudt U hen op een wonderlijke verborgen wijze, waarvan de wereld geen verstand heeft, zelfs dikwijls in verborgen schuilplaatsen, waar U hen heenleidt, het oog op hen hebt, hen bezorgt en beschut. Dit is aan David wel gebleken. Zie ook 1 Kon. 18:4 , en 1 Kon. 19:4 , 19:5 , 19:9 , 19:11 , enz.; Hebr. 11:38 . Verg. ook Ps. 27:5 , en Ps. 32:7 . 1 Koningen 18:4 : Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders. 1 Koningen 19:5 : En hij legde zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zei tot hem: Sta op, eet; 1 Koningen 19:9 : En hij kwam daar in een spelonk, en overnachtte daar; en ziet, het woord van YHWH geschiedde tot hem, en zei tot hem: Wat maakt u hier, Elia? 1 Koningen 19:11 : En Hij zei: Ga uit, en sta op deze berg, voor het aangezicht van YHWH. En ziet, YHWH ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor YHWH heen; maar YHWH was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving; YHWH was ook in de aardbeving niet; Hebreeën 11:38 : (Van wie de wereld niet waard was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen van de aarde. Psalmen 27:5 : Want Hij versteekt mij in Zijn hut, op de dag van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Psalmen 32:7 : U bent mij een Verberging; U behoedt mij voor benauwdheid; U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
[^psalmen-31-21-30]: Kanttekening 30: Of, verbintenissen, samenkoppelingen, doorvlochten en doornaaide praktijken, of ruwe aanslagen.
[^psalmen-31-21-31]: Kanttekening 31: van de man: Hierdoor kan men een groot en machtig persoon, als Saul, verstaan; of men kan het nemen, van de man; dat is, van de mens, van de mensen, of een iegelijk.
[^psalmen-31-21-32]: Kanttekening 32: Dat is, twistige tongen, die de vromen steeds allerlei verdriet, moeite en gevaar berokkenen met achterklap en valse beschuldigingen. Zie Ps. 35:11 . Psalmen 35:11 : Wrevelige getuigen staan er op; wat ik niet weet, eisen zij van mij.
[^psalmen-31-22-33]: Kanttekening 33: Hebr., בָּרוּךְ, gezegend.
[^psalmen-31-22-34]: Kanttekening 34: Dat is, op een wonderbare wijze aan mij bewezen. Verg. Ps. 4:4 ; zie het tegendeel Deut. 28:59 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep. Deuteronomium 28:59 : Zo zal YHWH uw plagen wonderlijk maken, en ook de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn.
[^psalmen-31-22-35]: Kanttekening 35: vaste stad: Hebr. stad van de vastheid; hij wil zeggen dat God hem zowel bewaard heeft in het open veld, waar hij omsingeld scheen te wezen en niet te kunnen ontkomen, alsof hij in een sterke vaste stad geweest was.
[^psalmen-31-23-36]: Kanttekening 36: Te weten, bij mijzelf, dat is, ik dacht.
[^psalmen-31-23-37]: Kanttekening 37: Dit schijnt te zien op de historie, 1 Sam. 23:26 ; alwaar hetzelfde Hebr. woord van Davids haasten gebruikt wordt, dat hier staat; als God het te die tijde niet zeer wonderbaarlijk voorzien had zo was het naar alle gedachten met David gedaan geweest. Zie de aangehaalde plaatsen. 1 Samuël 23:26 : En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de overzijde van de berg. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen.
[^psalmen-31-23-38]: Kanttekening 38: Het gevaar was zo groot en klaar voor ogen, en de ontkoming naar menselijk oordeel zo onmogelijk en ongelooflijk, dat ik door menselijke zwakheid en verbaasdheid dacht: nu ziet God niet meer op mij. Dat hij nochtans, niettegenstaande deze verbaasdheid, tot God in deze nood zeer smekend gebeden heeft, getuigt het volgende. Verg. Ps. 116:11 ; Jona 2:4 . Psalmen 116:11 : Ik zei in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars. Jona 2:4 : En ik zei: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel Uw heiligheid weer aanschouwen.
[^psalmen-31-24-39]: Kanttekening 39: Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-31-24-40]: Kanttekening 40: Of, getrouwen, waarachtigen. Anders, bewaart getrouwigheden. Zie Ps. 12:2 . Psalmen 12:2 : Behoud, o YHWH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
[^psalmen-31-25-41]: Kanttekening 41: Zijt sterk: Gelijk Ps. 27:14 , daar. Psalmen 27:14 : Wacht op YHWH, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op YHWH.
[^psalmen-31-25-e]: Verwijzing e: Ps. 27:14 . Psalmen 27:14 : Wacht op YHWH, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op YHWH.

### Psalmen 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/32.json)

*David leert hier dat zij gelukzalig zijn wie God de zonden vergeeft en die ze oprecht belijden; hetgeen hij met zijn eigen voorbeeld en met de gewoonte van alle gelovigen bevestigt, waarschuwend tegen hardnekkigheid en vermanend tot blijdschap over Gods goedertierenheid.*

**1** Een[^psalmen-32-1-1] onderwijzing van[^psalmen-32-1-2][^psalmen-32-1-a] David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding[^psalmen-32-1-3] vergeven, wiens zonde bedekt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v1)

**2** Welgelukzalig is de mens, die YHWH de ongerechtigheid niet toerekent, en in wie de[^psalmen-32-2-4] geest geen bedrog is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v2)

**3** Toen ik[^psalmen-32-3-5] zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v3)

**4** Want Uw[^psalmen-32-4-6] hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn[^psalmen-32-4-7] levensvocht werd veranderd in zomerdroogten.[^psalmen-32-4-8] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v4)

**5** Mijn zonde[^psalmen-32-5-9] maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal[^psalmen-32-5-b] belijdenis van mijn overtredingen doen voor YHWH; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela.[^psalmen-32-5-10][^psalmen-32-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v5)

**6** Hierom zal U ieder[^psalmen-32-6-12] heilige aanbidden in[^psalmen-32-6-13] de tijd dat U Zich laat vinden; ja, in een overstroming van[^psalmen-32-6-14] grote wateren zullen zij hem niet aanraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v6)

**7** [^psalmen-32-7-c] U bent mij een[^psalmen-32-7-15] plek om te schuilen; U behoedt mij voor benauwdheid; U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v7)

**8** [^psalmen-32-8-16] Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; ik zal raad[^psalmen-32-8-17] geven, mijn oog zal op u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v8)

**9** Wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, dat geen verstand heeft,[^psalmen-32-9-d] waarvan men de muil breidelt met toom en gebit, opdat[^psalmen-32-9-18] het tot u niet zou naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v9)

**10** De goddeloze heeft veel[^psalmen-32-10-19] smarten, maar die op YHWH vertrouwt, die zal de goedertierenheid[^psalmen-32-10-20] omringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v10)

**11** Verblijd u in YHWH, en verheugt u, u rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle u[^psalmen-32-11-21] oprechten van hart! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/32.html#v11)

[^psalmen-32-1-1]: Kanttekening 1: Hebr. Maskijl, dat is, onderwijzer, die verstand geeft, verstandig maakt; dat is, een onderwijs, of leerpsalm; zo genoemd vanwege de nodige en gewichtige leer, die daarin begrepen is. Deze titel hebben ook verscheidene andere psalmen, die tot een bijzonder onderwijs en stichting, zo voor de dichter zelf, als voor de gehele kerk gemaakt zijn.
[^psalmen-32-1-2]: Kanttekening 2: Zie de verklaring van deze leer, Rom. 4:6 , 4:7 , enz.; 2 Kor. 5:19 , 5:21 . Romeinen 4:6 : Gelijk ook David de mens zalig spreekt, welke God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; Romeinen 4:7 : Zeggende: Zalig zijn zij, van wie ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie zonden bedekt zijn; 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^psalmen-32-1-a]: Verwijzing a: Rom. 4:6 ; idem v. 7 . Romeinen 4:6 : Gelijk ook David de mens zalig spreekt, welke God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; Romeinen 4:7 : Zeggende: Zalig zijn zij, van wie ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie zonden bedekt zijn;
[^psalmen-32-1-3]: Kanttekening 3: Of, weggenomen. Welke manier van spreken ook in het Nieuwe Testament gebruikt wordt. Zie boven Ps. 25:18 , en verg. Hebr. 9:28 ; Hebr. alsof men zei: Verlicht, of vergeven van overtreding, of een vergeven van de overtreding, bedekt van zonde; welke Hebr. manier van spreken zulks betekent, gelijk in de tekst staat. Psalmen 25:18 : Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. Hebreeën 9:28 : Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
[^psalmen-32-2-4]: Kanttekening 4: geen bedrog is: Dat is, die zonder huichelarij of geveinsdheid God dient en zijn zonden met een oprecht hart voor Hem bekent.
[^psalmen-32-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, mijn zonden voor YHWH niet bekende.
[^psalmen-32-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, plaag. Verg. Ruth 1:13 , en Job 13:21 . Ruth 1:13 : Zoudt u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt u daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand van YHWH is tegen mij uitgegaan. Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^psalmen-32-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, de natuurlijke warme vochtigheid, die het leven van de mens onderhoudt.
[^psalmen-32-4-8]: Kanttekening 8: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-32-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, maar als ik, enz. zo vergaaft U, enz.
[^psalmen-32-5-b]: Verwijzing b: Spr. 28:13 ; 1 Joh. 1:9 . Spreuken 28:13 : Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. 1 Johannes 1:9 : Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
[^psalmen-32-5-10]: Kanttekening 10: Of, neemt weg.
[^psalmen-32-5-11]: Kanttekening 11: de ongerechtigheid: De schuld en de straf, zodat ik mij met recht voor gelukzalig achtte, gelijk vers 1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-32-6-12]: Kanttekening 12: Zie van het Hebr. woord עֵת, Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-32-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, als U, o Heer, te vinden bent. Zie Jes. 55:6 . Anders in treffenstijd; dat is, als de straffen de mensen treffen, dat met het volgende ook wel overeenkomt. Zie Ps. 21:9 ; Ps. 116:3 ; idem Deut. 4:30 , enz. Jesaja 55:6 : Zoekt YHWH, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. Psalmen 21:9 : Uw hand zal al Uw vijanden vinden; Uw rechterhand zal Uw haters vinden. Psalmen 116:3 : De banden van de dood hadden mij omvangen, en de angsten van het dodenrijk hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Deuteronomium 4:30 : Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
[^psalmen-32-6-14]: Kanttekening 14: Of, vele, geweldige wateren; dat is, grote en zware noden, aankomen. Zie 2 Sam. 22:17 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^psalmen-32-7-c]: Verwijzing c: Ps. 27:5 ; Ps. 31:21 . Psalmen 27:5 : Want Hij versteekt mij in Zijn hut, op de dag van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Psalmen 31:21 : U verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden van de man; U versteekt hen in een hut voor de twist van de tongen.
[^psalmen-32-7-15]: Kanttekening 15: Als een schuilplaats. Ps. 31:21 . Psalmen 31:21 : U verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden van de man; U versteekt hen in een hut voor de twist van de tongen.
[^psalmen-32-8-16]: Kanttekening 16: Ik zal: Hier wendt de profeet zijn rede tot de mensen; hoewel sommigen menen dat het Gods eigen woorden zijn, die David invoert aldus sprekende.
[^psalmen-32-8-17]: Kanttekening 17: mijn oog: Dat is, Ik zal voor u zorgdragen, of zorg voor u dragen. Verg. Deut. 11:12 ; Ezra 5:5 ; idem 1 Kon. 8:29 ; Ps. 33:18 , en Ps. 34:16 ; Jer. 24:6 ; Jer. 39:12 ; Jer. 40:4 . Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. Ezra 5:5 : Maar het oog huns Gods was over de oudsten van de Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten. 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Psalmen 33:18 : Ziet, het oog van YHWH is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. Jeremia 24:6 : En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Jeremia 39:12 : Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe zo met hem. Jeremia 40:4 : Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.
[^psalmen-32-9-d]: Verwijzing d: Spr. 26:3 ; Jak. 3:3 . Spreuken 26:3 : Een zweep is voor het paard, een toom voor de ezel, en een roede voor de rug van de zotten. Jakobus 3:3 : Ziet, wij leggen de paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmee hun gehele lichaam om;
[^psalmen-32-9-18]: Kanttekening 18: Dat paard of muilezel u niet kwetse. Of, als het tot u niet wil naderen.
[^psalmen-32-10-19]: Kanttekening 19: Verg. Spr. 13:21 ; Spr. 19:29 ; Spr. 24:20 . Spreuken 13:21 : Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar de rechtvaardige zal men goed vergelden. Spreuken 19:29 : Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor de rug van de zotten. Spreuken 24:20 : Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden.
[^psalmen-32-10-20]: Kanttekening 20: Te weten, van de Heer.
[^psalmen-32-11-21]: Kanttekening 21: Zie Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.

### Psalmen 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/33.json)

*Een vermaning tot Gods lof, vanwege Zijn Goddelijke eigenschappen, raad, Woord en werken, zowel van de schepping als van de regering, in het bijzonder van de mensen, tot vernietiging van de aanslagen van de goddelozen en tot behoud van Zijn gelovigen, die zich daarover verblijden en Hem daarom bidden.*

**1** U rechtvaardigen! zing vrolijk in YHWH;[^psalmen-33-1-a] lof[^psalmen-33-1-1] past de oprechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v1)

**2** Loof YHWH met de harp; psalmzing Hem met de[^psalmen-33-2-2] luit, en het tiensnarig instrument. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v2)

**3** [^psalmen-33-3-b] Zing Hem een[^psalmen-33-3-3] nieuw lied;[^psalmen-33-3-4] speelt welluidend met vrolijk geschal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v3)

**4** Want het Woord van YHWH is[^psalmen-33-4-5] recht, en al Zijn werk[^psalmen-33-4-6] getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v4)

**5** Hij heeft[^psalmen-33-5-7][^psalmen-33-5-c] gerechtigheid en gericht lief;[^psalmen-33-5-d] de[^psalmen-33-5-8] aarde is vol van de goedertierenheid van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v5)

**6** [^psalmen-33-6-e] Door het[^psalmen-33-6-9] Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de[^psalmen-33-6-10] Geest van Zijn mond al hun[^psalmen-33-6-11] leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v6)

**7** Hij[^psalmen-33-7-12] verzamelt de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de[^psalmen-33-7-13] afgronden schatkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v7)

**8** Laat de hele[^psalmen-33-8-14] aarde voor YHWH vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v8)

**9** Want Hij spreekt,[^psalmen-33-9-15] en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v9)

**10** [^psalmen-33-10-f] YHWH vernietigt de raad van de heidenen; Hij breekt de gedachten van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v10)

**11** [^psalmen-33-11-g] Maar de raad van YHWH bestaat in eeuwigheid, de[^psalmen-33-11-16] gedachten van Zijn hart[^psalmen-33-11-17] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v11)

**12** [^psalmen-33-12-h] Welgelukzalig[^psalmen-33-12-18] is het volk, wiens God YHWH is; het volk, dat Hij Zich als erfenis gekozen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v12)

**13** YHWH schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v13)

**14** Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v14)

**15** Hij[^psalmen-33-15-19] vormt hun aller hart; Hij let op al hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v15)

**16** Een koning wordt niet behouden door een[^psalmen-33-16-20] groot leger; een held wordt niet gered door grote kracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v16)

**17** Het paard[^psalmen-33-17-21] faalt ter[^psalmen-33-17-22] overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v17)

**18** Zie, het oog van YHWH[^psalmen-33-18-23][^psalmen-33-18-i] is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v18)

**19** Om hun[^psalmen-33-19-24] ziel van de[^psalmen-33-19-25] dood te redden, en om hen bij het leven te houden in de honger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v19)

**20** Onze ziel verwacht YHWH: Hij is onze Hulp en ons Schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v20)

**21** Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op de Naam van Zijn[^psalmen-33-21-26] heiligheid vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v21)

**22** Uw goedertierenheid, YHWH! zij over ons; gelijk als wij op U hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/33.html#v22)

[^psalmen-33-1-a]: Verwijzing a: Ps. 147:1 . Psalmen 147:1 : Looft YHWH, want onze God te psalmzingen is goed, omdat Hij liefelijk is; de lof is passend.
[^psalmen-33-1-1]: Kanttekening 1: Of, staat de oprechten wel aan, past hem wel.
[^psalmen-33-2-2]: Kanttekening 2: Deze laatste twee worden uitdrukkelijk onderscheiden, Ps. 92:4 . Psalmen 92:4 : Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
[^psalmen-33-3-b]: Verwijzing b: Ps. 40:4 ; Ps. 96:1 ; Ps. 98:1 ; Ps. 144:9 ; Jes. 42:10 ; Openb. 5:9 ; Openb. 14:3 . Psalmen 40:4 : En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onze voor God; velen zullen het zien, en vrezen, en op YHWH vertrouwen. Psalmen 96:1 : Zingt YHWH een nieuw lied; zingt YHWH, u gehele aarde! Psalmen 98:1 : Een psalm. Zingt YHWH een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijn heiligheid, heeft Hem heil gegeven. Psalmen 144:9 : O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen. Jesaja 42:10 : Zingt YHWH een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde; u, die ter zee vaart, en al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners. Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Openbaring 14:3 : En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.
[^psalmen-33-3-3]: Kanttekening 3: Dat nimmermeer veroude, maar steeds vernieuwd worde, en in verse gedachtenis blijve, vanwege de nieuwe en verse weldaden, die God telkens aan zijn volk bewijst. Verg. 1 Joh. 2:7 , 2:8 , en Job 29:20 . 1 Johannes 2:7 : Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u van de beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van de beginne gehoord hebt. 1 Johannes 2:8 : Opnieuw schrijf ik u een nieuw gebod: wat waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu. Job 29:20 : Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.
[^psalmen-33-3-4]: Kanttekening 4: Hebr. maakt het spelen, of slaan goed, dat is, speelt wel, aardiglijk, kunstiglijk. Verg. Deut. 5:28 ; Jes. 23:16 ; Jer. 1:12 . Deuteronomium 5:28 : Als nu YHWH de stem uw woorden hoorde, toen u tot mij spraakt, zo zei YHWH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben. Jesaja 23:16 : Neem de harp, ga in de stad rondom, u vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat aan u gedacht worde! Jeremia 1:12 : En YHWH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
[^psalmen-33-4-5]: Kanttekening 5: Zie Ps. 19:9 . Psalmen 19:9 : De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen.
[^psalmen-33-4-6]: Kanttekening 6: Hebr. in getrouwheid, of waarheid, gewisheid; dat is, gelijk zijn woord recht, goed en waarachtig is, zo is ook bestendig en vast alwat Hij doet.
[^psalmen-33-5-7]: Kanttekening 7: Beschermende de onschuldigen en straffende de schuldigen.
[^psalmen-33-5-c]: Verwijzing c: Ps. 45:8 ; Hebr. 1:9 . Psalmen 45:8 : U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Hebreeën 1:9 : U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw medegenoten.
[^psalmen-33-5-d]: Verwijzing d: Ps. 119:64 . Psalmen 119:64 : YHWH! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
[^psalmen-33-5-8]: Kanttekening 8: Verg. Matt. 5:45 ; 1 Tim. 4:10 . Mattheüs 5:45 : Opdat u mag kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemel is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goede, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 1 Timotheüs 4:10 : Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op de levenden God, Die een Behouder is van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen.
[^psalmen-33-6-e]: Verwijzing e: Gen. 1:6 ; idem v. 7 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! Genesis 1:7 : En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo.
[^psalmen-33-6-9]: Kanttekening 9: Versta, het eeuwige zelfstandige Woord van de Vader. Zie Gen. 1:3 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^psalmen-33-6-10]: Kanttekening 10: Versta dit van de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat en gezonden wordt, zijnde mee een oorsprong van de schepping, van alle dingen. Verg. Gen. 1:2 ; Job 26:13 ; Job 33:4 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren. Job 26:13 : Door Zijn Geest heeft Hij de hemel versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. Job 33:4 : De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
[^psalmen-33-6-11]: Kanttekening 11: Zie Gen. 2:1 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^psalmen-33-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, vergaderd hebbende, houdt Hij ze bijeen als op één hoop, dat zij de mensen in het bewonen van de aarde niet kunnen hinderen. Zie Gen. 1:9 ; Job 38:8 , enz., en Spr. 8:29 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Job 38:8 : Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? Spreuken 8:29 : Toen Hij van de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde;
[^psalmen-33-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, diepten, zeer diepe wateren legt Hij in verborgen holen van de aarde, gelijk men schatten in verborgen plaatsen weglegt. Verg. Job 38:16 ; Spr. 8:28 . Job 38:16 : Zijt u gekomen tot aan de oorsprongen van de zee, en hebt u in het onderste van de afgrond gewandeld? Spreuken 8:28 : Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen van de afgrond vastmaakte;
[^psalmen-33-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, inwoners van de ganse aarde, gelijk het volgende verklaart.
[^psalmen-33-9-15]: Kanttekening 15: en het: Dat is, als Hij spreekt, zo, enz., gelijk dikwijls.
[^psalmen-33-10-f]: Verwijzing f: Jes. 19:3 . Jesaja 19:3 : En de geest van de Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de duivelskunstenaars.
[^psalmen-33-11-g]: Verwijzing g: Spr. 19:21 ; Spr. 21:30 ; Jes. 46:10 . Spreuken 19:21 : In het hart van de man zijn veel gedachten; maar de raad van YHWH, die zal bestaan. Spreuken 21:30 : Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen YHWH. Jesaja 46:10 : Die van de beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
[^psalmen-33-11-16]: Kanttekening 16: Menselijk van God gesproken, betekenende de raad en wil van God, in het voorgaande vermeld.
[^psalmen-33-11-17]: Kanttekening 17: van geslacht tot geslacht: Hebr. tot, of in geslachte en geslachte.
[^psalmen-33-12-h]: Verwijzing h: Ps. 65:5 ; Ps. 144:15 . Psalmen 65:5 : Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij woon in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Psalmen 144:15 : Welgelukzalig is het volk, die het zo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God YHWH is.
[^psalmen-33-12-18]: Kanttekening 18: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^psalmen-33-15-19]: Kanttekening 19: Dan een zowel als de ander, van een ieder in het bijzonder. Verg. Num. 16:22 ; Zach. 12:1 ; Hebr. 12:9 . Anders: Hij alleen formeert hun hart. Zie van zulke betekenis van het Hebr. woord אֶל, Ezra 4:3 . Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Zacharia 12:1 : De last van het woord van YHWH over Israël. YHWH spreekt, Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en de geest van de mens in zijn binnenste formeert. Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven? Ezra 4:3 : Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden van de vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het YHWH, de God van Israël, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.
[^psalmen-33-16-20]: Kanttekening 20: grote legermacht: Hebr. door de grootheid, of veelheid eens heirs; zo in het volgende, door de grootheid, of veelheid van de kracht.
[^psalmen-33-17-21]: Kanttekening 21: Hebr. \[is\] leugen, of valsheid dat is, bedriegt zijn meester, die daardoor meende de overwinning te bekomen, of te ontkomen, maar het mist hem. Door het paard \[als een bijzonder behulp in de krijg\] moet men alle andere middelen verstaan, als niet helpende zonder Gods zegen.
[^psalmen-33-17-22]: Kanttekening 22: Of behoudenis. Zie van het Hebr. woord 2 Sam. 8:6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^psalmen-33-18-23]: Kanttekening 23: Verg. 1 Kon. 8:29 , en boven Ps. 32:8 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Psalmen 32:8 : Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn.
[^psalmen-33-18-i]: Verwijzing i: Job 36:7 ; Ps. 34:16 ; 1 Petr. 3:12 . Job 36:7 : Hij onttrekt Zijn ogen niet van de rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in de troon; daar zet Hij hen voor altijd, en zij worden verheven. Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. 1 Petrus 3:12 : Want de ogen van de Heer zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht van de Heer is tegen degenen, die kwaad doen.
[^psalmen-33-19-24]: Kanttekening 24: Dat is, leven.
[^psalmen-33-19-25]: Kanttekening 25: Dat is, dodelijke gevaren.
[^psalmen-33-21-26]: Kanttekening 26: Dat is, zijn heilige naam.

### Psalmen 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/34.json)

*David, uit een groot gevaar wonderbaar verlost zijnde, vermaant alle gelovigen dat zij Gods goedheid over hem en al de zijnen samen met hem willen overdenken en roemen, Hem in alle nood aanroepen en vertrouwen; en hij leert verder dat het echte middel tot gelukzaligheid is de HEERE te vrezen, Die alles bestuurt, de goddeloze verdelgt en de Zijnen behoudt.*

**1** Een[^psalmen-34-1-a] psalm van David, als hij zijn[^psalmen-34-1-1] gezicht veranderd had voor het aangezicht van[^psalmen-34-1-2] Abimelech, die hem[^psalmen-34-1-3] wegjoeg, dat hij doorging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v1)

**2** [^psalmen-34-2-4] Aleph. Ik zal YHWH[^psalmen-34-2-5] loven altijd; Zijn lof zal steeds in mijn mond zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v2)

**3** Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in YHWH; de zachtmoedigen[^psalmen-34-3-6] zullen het horen en verblijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v3)

**4** Gimel. Maak YHWH met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen[^psalmen-34-4-7] verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v4)

**5** Daleth. Ik heb YHWH[^psalmen-34-5-8] gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn[^psalmen-34-5-9] vrezen gered. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v5)

**6** He. Vau.[^psalmen-34-6-10] Zij hebben op Hem[^psalmen-34-6-11] gezien, ja, Hem als een waterstroom[^psalmen-34-6-12] aangelopen; en hun gezichten zijn niet schaamrood geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v6)

**7** Zain.[^psalmen-34-7-13] Deze ellendige riep, en YHWH hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v7)

**8** Cheth. De[^psalmen-34-8-14] Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v8)

**9** Teth.[^psalmen-34-9-15] Smaak en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v9)

**10** Jod.[^psalmen-34-10-16] Vrees YHWH, u Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v10)

**11** Caph.[^psalmen-34-11-b] De jonge leeuwen[^psalmen-34-11-17] lijden armoede, en hongeren; maar die YHWH zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v11)

**12** Lamed. Kom, u,[^psalmen-34-12-18] kinderen! hoor naar mij! ik zal u van YHWH vrees leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v12)

**13** Mem.[^psalmen-34-13-19][^psalmen-34-13-c] Wie is de man, die lust heeft in het leven, die[^psalmen-34-13-20] dagen liefheeft, om[^psalmen-34-13-21] het goede te zien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v13)

**14** Nun.[^psalmen-34-14-22] Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v14)

**15** Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en[^psalmen-34-15-d] jaag die na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v15)

**16** Ain.[^psalmen-34-16-23][^psalmen-34-16-e] De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v16)

**17** Pe. Het[^psalmen-34-17-24] aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun herinnering van de aarde uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v17)

**18** Tsade.[^psalmen-34-18-25] Zij roepen, en YHWH hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v18)

**19** Koph.[^psalmen-34-19-f] YHWH is nabij de gebrokenen[^psalmen-34-19-26] van hart, en Hij behoudt de[^psalmen-34-19-27] verslagenen van geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v19)

**20** Resch.[^psalmen-34-20-28][^psalmen-34-20-g] Vele zijn de tegenslagen van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v20)

**21** Schin. Hij bewaart al zijn beenderen;[^psalmen-34-21-h] niet één van die wordt gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v21)

**22** Thau. De boosheid zal de goddeloze doden; en die de rechtvaardige haten, zullen[^psalmen-34-22-29] schuldig verklaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v22)

**23** YHWH verlost de ziel van Zijn knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/34.html#v23)

[^psalmen-34-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 21:13 . 1 Samuël 21:13 : Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren van de poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.
[^psalmen-34-1-1]: Kanttekening 1: Of, gebaren, wezen. Hebr. eigenlijk, smaak; omdat men uit gebaren de mens pleegt als te proeven en te oordelen wat in hem is. Zie deze historie 1 Sam. 21:11 , 21:12 , 21:13 , enz. 1 Samuël 21:11 : Maar de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning van het land? Zong men niet van deze in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden? 1 Samuël 21:12 : En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath. 1 Samuël 21:13 : Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren van de poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.
[^psalmen-34-1-2]: Kanttekening 2: 1 Sam. 21 wordt hij genoemd bij zijn eigen naam Achis, koning van Gath, maar Abimelech schijnt daarenboven een algemene naam geweest te zijn van de Filistijnse koningen. Zie daarvan Gen. 20:2 . Genesis 20:2 : Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
[^psalmen-34-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, door zijn officieren, die David voor hem brachten, menende dat hij hem zou vasthouden en laten ombrengen, dat hij ook ongetwijfeld zou hebben gedaan als het God niet merkelijk belet en David uitgeholpen had. Zie 1 Sam. 21:11 , 21:12 . 1 Samuël 21:11 : Maar de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning van het land? Zong men niet van deze in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden? 1 Samuël 21:12 : En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath.
[^psalmen-34-2-4]: Kanttekening 4: Aleph : Zie van dit A, B , op de titel van de 25sten Psalm, Ps. 25 .
[^psalmen-34-2-5]: Kanttekening 5: Hebr. zegenen.
[^psalmen-34-3-6]: Kanttekening 6: Zie Ps. 10:17 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^psalmen-34-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, hoog prijzen, gelijk Ps. 30:2 . Psalmen 30:2 : Ik zal U verhogen, YHWH, want U hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
[^psalmen-34-5-8]: Kanttekening 8: Door gebeden zijn hulp verzocht.
[^psalmen-34-5-9]: Kanttekening 9: Zie 1 Sam. 21:12 . 1 Samuël 21:12 : En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath.
[^psalmen-34-6-10]: Kanttekening 10: Te weten, de zachtmoedigen, uit vers 3 . Psalmen 34:3 : Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in YHWH; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
[^psalmen-34-6-11]: Kanttekening 11: Met de geestelijke ogen van het geloof uitgezien naar zijn hulp.
[^psalmen-34-6-12]: Kanttekening 12: Doende God \[om zo te spreken\] geweld, door de aanval van hun ijver en krachtige gebeden. Verg. Jes. 2:2 , en Jes. 60:5 ; Jer. 31:12 , en Jer. 51:44 ; Matt. 11:12 ; Luk. 16:16 ; Jak. 5:16 . Anders, en zijn verlicht; dat is, vertroost, hebben oorzaak van blijdschap bekomen; zo het Hebr., in tweeërlei betekenis van sommigen wordt genomen. Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 60:5 : Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte van de zee zal tot u gekeerd worden, de legermacht van de heidenen zal tot u komen. Jeremia 31:12 : Daarom zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot het goed van YHWH, tot het koren, en tot de most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. Jeremia 51:44 : En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen. Mattheüs 11:12 : En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemel geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelfde met geweld. Lukas 16:16 : De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en iedereen doet geweld op hetzelfde. Jakobus 5:16 : Belijdt elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt; een krachtig gebed van de rechtvaardigen vermag veel.
[^psalmen-34-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk David; die hier van zichzelven spreekt, als op zijn persoon wijzende, of voert in de woorden van de gelovigen van hem.
[^psalmen-34-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, de engelen, zo er van legers gesproken wordt. Zie Gen. 32:1 , 32:2 ; en 2 Kon. 6:17 . Genesis 32:1 : Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen van God ontmoetten hem. Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam van die plaats Mahanaim. 2 Koningen 6:17 : En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa.
[^psalmen-34-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, aanmerkt en gevoelt in uw harten, en vermaakt u daarin, of neemt de proef daarvan, u zult bevinden dat het zo is. Verg. Job 12:20 ; Spr. 31:18 , en 1 Petr. 2:2 , 2:3 . Job 12:20 : Hij beneemt de getrouwen de spraak, en van de ouden oordeel neemt Hij weg. Spreuken 31:18 : Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat 's nachts niet uit. 1 Petrus 2:2 : En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen; 1 Petrus 2:3 : Als u anders gesmaakt hebt, dat de Heer goedertieren is.
[^psalmen-34-10-16]: Kanttekening 16: Zie Ps. 19:10 . Psalmen 19:10 : De vrees voor YHWH is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten van YHWH zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
[^psalmen-34-11-b]: Verwijzing b: Job 4:11 . Job 4:11 : De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
[^psalmen-34-11-17]: Kanttekening 17: lijden armoede: Kunnende somtijds geen roof krijgen. Zie Job 4:11 . Job 4:11 : De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
[^psalmen-34-12-18]: Kanttekening 18: Die mij houdt voor uw geestelijken vader, dat is profeet en leraar. Zie Richt. 17:10 ; Spr. 1:8 . Richteren 17:10 : Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet met hem. Spreuken 1:8 : Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer van uw moeder niet;
[^psalmen-34-13-19]: Kanttekening 19: Wie is de man: Dat is, is er iemand, die enz., of, degene die, enz. Zie Deut. 20:5 ; het antwoord op deze vraag hebt u in volgende verzen. Deuteronomium 20:5 : Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde.
[^psalmen-34-13-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 3:10 . 1 Petrus 3:10 : Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;
[^psalmen-34-13-20]: Kanttekening 20: Dat is, een lang leven, lengte van de dagen.
[^psalmen-34-13-21]: Kanttekening 21: het goede te zien: Dat is, welvaart te genieten. Zie Job 7:7 . Deze en dergelijke beloften moeten zo verstaan worden, dat het kruis geenzins daarmee uitgesloten is, gelijk het gehele woord van God, en in het bijzonder dit boek van de psalmen, zelfs deze psalm vers 20 , uitwijst. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Psalmen 34:20 : Resch. Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem YHWH.
[^psalmen-34-14-22]: Kanttekening 22: De zin is, die het voorzeide goed begeert te genieten, die doet dit.
[^psalmen-34-15-d]: Verwijzing d: Hebr. 12:14 . Hebreeën 12:14 : Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal;
[^psalmen-34-16-23]: Kanttekening 23: De ogen: Gelijk boven, Ps. 33:18 . Psalmen 33:18 : Ziet, het oog van YHWH is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
[^psalmen-34-16-e]: Verwijzing e: Job 36:7 ; Ps. 33:18 ; 1 Petr. 3:12 . Job 36:7 : Hij onttrekt Zijn ogen niet van de rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in de troon; daar zet Hij hen voor altijd, en zij worden verheven. Psalmen 33:18 : Ziet, van YHWH oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 1 Petrus 3:12 : Want de ogen van de Heer zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht van de Heer is tegen degenen, die kwaad doen.
[^psalmen-34-17-24]: Kanttekening 24: Versta zijn toornig aangezicht, gelijk boven, Ps. 21:10 . Zie daar. Psalmen 21:10 : U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^psalmen-34-18-25]: Kanttekening 25: Te weten, de rechtvaardigen, uit vers 16 . Psalmen 34:16 : Ain. De ogen van YHWH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
[^psalmen-34-19-f]: Verwijzing f: 2 Tim. 3:11 . 2 Timotheüs 3:11 : Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochië, in Ikonium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heer heeft mij uit alle verlost.
[^psalmen-34-19-26]: Kanttekening 26: Die, allen hoogmoed afleggende, zich voor de Heer vernederen met hartelijke bekommernissen over hun zonden en begeerte van genade. Verg. Ps. 51:19 , en Ps. 147:3 ; Jes. 42:3 , en Jes. 57:15 , en Jes. 61:1 , en Jes. 66:2 ; Luk. 4:18 , en Luk. 7:38 ; Hand. 2:37 . Psalmen 51:19 : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten. Psalmen 147:3 : Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. Jesaja 42:3 : Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Jesaja 57:15 : Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Jesaja 66:2 : Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt YHWH; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft. Lukas 4:18 : De Geest van de Heer is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; Lukas 7:38 : En staande achter Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. Handelingen 2:37 : En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers?
[^psalmen-34-19-27]: Kanttekening 27: Of, gekneusden, verbrijzelden.
[^psalmen-34-20-28]: Kanttekening 28: Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen: Of, de rechtvaardige heeft vele tegenspoeden. Hebr. kwade; dat is, veel ellende, kruis en verdriet overkomt hem, bejegent hem.
[^psalmen-34-20-g]: Verwijzing g: 2 Tim. 3:12 . 2 Timotheüs 3:12 : En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
[^psalmen-34-21-h]: Verwijzing h: Joh. 19:36 . Johannes 19:36 : Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
[^psalmen-34-22-29]: Kanttekening 29: schuldig verklaard worden: Het Hebr. woord betekent somtijds schuldig gehouden, of verklaard worden, somtijds verwoest worden; beide die betekenissen worden hier van sommigen, als elkaar na verwant zijnde, tesamen gevoegd aldus: Zullen als schuldigen verwoest worden.

### Psalmen 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/35.json)

*David bidt God zeer vurig dat Hij zijn zaak wil aannemen en voor hem tegen zijn vijanden strijden, opdat hij Hem daarvoor mag loven en danken; hij beschrijft de lagen, valsheid, ondankbaarheid en wanhopige boosheid van zijn vijanden, terwijl hij rechtvaardige wraak begeert, tot eer van God, tot zijn behoud en tot blijdschap van alle vromen.*

**1** Een[^psalmen-35-1-1] psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v1)

**2** Grijp het schild en het grote schild, en sta op tot mijn hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v2)

**3** En[^psalmen-35-3-2] breng de speer voort, en[^psalmen-35-3-3] sluit de weg toe,[^psalmen-35-3-4] mijn vervolgers tegemoet;[^psalmen-35-3-5] zeg tot mijn ziel: Ik ben uw[^psalmen-35-3-6] Heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v3)

**4** [^psalmen-35-4-a] Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn[^psalmen-35-4-7] ziel zoeken; laat hen achteruit gedreven en schaamrood worden,[^psalmen-35-4-8] die kwaad tegen mij bedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v4)

**5** Laat hen worden als[^psalmen-35-5-b] kaf voor de wind, en de Engel van YHWH drijve hen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v5)

**6** Hun weg zij[^psalmen-35-6-9] duister en geheel spiegelglad; en de Engel van YHWH vervolge hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v6)

**7** Want zij hebben[^psalmen-35-7-10] zonder oorzaak de groeve[^psalmen-35-7-11] van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak[^psalmen-35-7-12] gegraven voor mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v7)

**8** De[^psalmen-35-8-13] verwoesting overkome[^psalmen-35-8-14] hem,[^psalmen-35-8-15] dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelf; hij valle daarin[^psalmen-35-8-16] met verwoesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v8)

**9** Zo zal mijn ziel zich verheugen in YHWH; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v9)

**10** [^psalmen-35-10-17] Al mijn beenderen zullen zeggen: YHWH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en arme van zijn berover. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v10)

**11** [^psalmen-35-11-18] Valse getuigen staan er op; wat[^psalmen-35-11-19] ik niet weet, eisen zij van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v11)

**12** Zij vergelden mij kwaad voor goed,[^psalmen-35-12-20] de beroving van mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v12)

**13** Wat mij betreft daarentegen, als zij ziek waren, was een[^psalmen-35-13-21] zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed[^psalmen-35-13-22] keerde weer in mijn boezem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v13)

**14** Ik[^psalmen-35-14-23] ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt[^psalmen-35-14-24] in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v14)

**15** Maar als ik[^psalmen-35-15-25] hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij[^psalmen-35-15-26] als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en[^psalmen-35-15-27] zwegen[^psalmen-35-15-28] niet stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v15)

**16** Onder de huichelende[^psalmen-35-16-29] spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v16)

**17** YHWH! hoe lang zult U toezien? Breng mijn ziel weer van hun verwoestingen, mijn[^psalmen-35-17-30] eenzame van de jonge leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v17)

**18** [^psalmen-35-18-c] Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volk zal ik U prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v18)

**19** Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om[^psalmen-35-19-31] valse oorzaken vijanden zijn;[^psalmen-35-19-32] noch wenken met de ogen,[^psalmen-35-19-d] die mij[^psalmen-35-19-33] zonder oorzaak haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v19)

**20** Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken[^psalmen-35-20-34] bedriegelijke zaken tegen de[^psalmen-35-20-35] stillen in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v20)

**21** En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen:[^psalmen-35-21-36] Ha, ha, ons oog heeft het gezien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v21)

**22** YHWH! U hebt het gezien, zwijg niet; YHWH! wees niet verre van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v22)

**23** Ontwaak en word wakker[^psalmen-35-23-37] tot mijn recht; mijn God en YHWH! tot mijn rechtszaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v23)

**24** Doe mij recht naar Uw[^psalmen-35-24-38] gerechtigheid, YHWH, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v24)

**25** Laat hen niet zeggen in hun hart:[^psalmen-35-25-39] Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v25)

**26** Laat hen beschaamd en samen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande[^psalmen-35-26-40] bekleed worden, die zich tegen mij[^psalmen-35-26-41] groot maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v26)

**27** Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die[^psalmen-35-27-42] lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen steeds zeggen: Groot gemaakt zij YHWH, Die lust heeft tot de[^psalmen-35-27-43] vrede van Zijn knecht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v27)

**28** Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/35.html#v28)

[^psalmen-35-1-1]: Kanttekening 1: Of, pleit, recht, dat is, neem U mijn zaak op U, en voer mijn recht uit tegen mijn wederpartijders, betonende metterdaad dat het niet mijn, maar uw eigen zaak is; zie onder Ps. 43:1 , en Ps. 74:22 , en Ps. 119:154 ; Jes. 49:24 ; Jer. 50:34 , en Jer. 51:36 , enz. Psalmen 43:1 : Doe mij recht, o God! en twist U mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van het bedrog en van het onrecht. Psalmen 74:22 : Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk van de smaadheid, die U van de dwaze wedervaart de gehele dag. Psalmen 119:154 : Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging. Jesaja 49:24 : Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? Jeremia 50:34 : Maar hun Verlosser is sterk, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere. Jeremia 51:36 : Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.
[^psalmen-35-3-2]: Kanttekening 2: Of, vel, trek uit, breng uit.
[^psalmen-35-3-3]: Kanttekening 3: Hebr. Segor. Dat sommigen menen te wezen de naam van een krijgswapen.
[^psalmen-35-3-4]: Kanttekening 4: mijn vervolgers tegemoet: Dat is, kom mijn vervolgers voor, ga hen tegemoet en sluit hun de pas.
[^psalmen-35-3-5]: Kanttekening 5: Betuig dit door uw Heilige Geest in mij. Verg. Rom. 8:16 . Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.
[^psalmen-35-3-6]: Kanttekening 6: Of, verlossing, behoudenis; dat is, uw verlosser, behouder.
[^psalmen-35-4-a]: Verwijzing a: Ps. 40:15 ; Ps. 70:3 . Psalmen 40:15 : Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Psalmen 70:3 : Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
[^psalmen-35-4-7]: Kanttekening 7: ziel zoeken: Dat is, naar mijn leven staan. Zie 2 Sam. 4:8 . 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^psalmen-35-4-8]: Kanttekening 8: die kwaad tegen mij bedenken: Hebr., רָעָתִֽ, die mijn kwaad \[dat is ellende, verdrukking, ondergang\] denken, voorhebben.
[^psalmen-35-5-b]: Verwijzing b: Job 21:18 ; Ps. 1:4 ; Jes. 29:5 ; Hosea 13:3 . Job 21:18 : Dat zij gelijk stro worden voor de wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt; Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Jesaja 29:5 : En de menigte uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren. Hosea 13:3 : Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd.
[^psalmen-35-6-9]: Kanttekening 9: duister en geheel slibberig: Hebr., חֹשֶׁךְ, duisternis en slibberigheden; dat zij niet kunnen voortkomen om mij te achterhalen. Verg. Jer. 23:12 . Jeremia 23:12 : Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, spreekt YHWH.
[^psalmen-35-7-10]: Kanttekening 10: zonder oorzaak: Hebr. tevergeefs, om niet; dat is, zonder reden. Zo in het volgende, en onder vers 19 , en elders. Zie Job 2:3 . Psalmen 35:19 : Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten. Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
[^psalmen-35-7-11]: Kanttekening 11: hun net: Dat is, waarin zij hun net gelegd hebben; een gelijkenis van vogelvangers en jagers genomen. De zin is, zij hebben mijn leven lagen gelegd, boze en listige aanslagen tegen mij uitgedacht, die dikwijls bij netten worden vergeleken. Zie boven, Ps. 9:16 , en Ps. 10:9 , en Ps. 25:15 , en Ps. 31:5 , en Ps. 141:10 , enz. Psalmen 9:16 : De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. Psalmen 25:15 : Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op YHWH, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. Psalmen 31:5 : Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want U bent mijn Sterkte. Psalmen 141:10 : Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
[^psalmen-35-7-12]: Kanttekening 12: Te weten, een kuil, uit Ps. 7:16 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
[^psalmen-35-8-13]: Kanttekening 13: Het Hebr. woord betekent een verwoesting, die met geraas, gedruis, rumoer en grote onstuimigheid overkomt.
[^psalmen-35-8-14]: Kanttekening 14: Mijn vervolger.
[^psalmen-35-8-15]: Kanttekening 15: dat hij het niet wete: Dat is, onvoorziens, waar hij het geheel niet meent of verwacht.
[^psalmen-35-8-16]: Kanttekening 16: met verwoesting: Dat is zo, dat hij verder verwoest en vernield worde. Anders, als er verwoesting is, hij valle daarin.
[^psalmen-35-10-17]: Kanttekening 17: Al mijn beenderen: Dat is, ik zal uit al mijn binnenste kracht, of met al het vermogen mijns lichaams, U roemen. Verg. Ps. 51:10 . Psalmen 51:10 : Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt.
[^psalmen-35-11-18]: Kanttekening 18: Wrevelige getuigen: Hebr., עֵדֵי, getuigen van de wrevel; of van het geweld; dat is, die mij met valsheid pogen te verdrukken en met geweld doen overvallen.
[^psalmen-35-11-19]: Kanttekening 19: ik niet weet: Dat is, zij leggen mij ten laste, waarvan ik mij niet bewust ben.
[^psalmen-35-12-20]: Kanttekening 20: Dat is, zij zoeken mij van mijn leven te beroven.
[^psalmen-35-13-21]: Kanttekening 21: zak mijn kleed: Dat is, ik droeg rouw over hen. Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^psalmen-35-13-22]: Kanttekening 22: keerde weer in mijn boezem: Dat is, ik herhaalde dikwijls in stilte en bij mijzelf mijn gebed voor hen. Hij wil zeggen dat hij het oprecht en wèl met hen gemeend heeft. Anders, mijn gebed kere weer in mijn boezem, of schoot; dat is, mij wedervare zulks, gelijk ik voor hen gebeden heb.
[^psalmen-35-14-23]: Kanttekening 23: ging steeds, …: Dat is, ik hield en gedroeg mij niet anders dan of zij van mijn naaste bloedvrienden geweest waren. Anders, ik ging steeds \[tot hen\] als \[tot\] enz. Dat is, ik bezocht hen dagelijks.
[^psalmen-35-14-24]: Kanttekening 24: in het zwart: Dat is, in het zwart gekleed, gelijk de rouwdragenden gewoon zijn te doen. Zo Ps. 38:7 , en Ps. 42:10 , en Ps. 43:2 . Zie ook Job 5:11 . Psalmen 38:7 : Ik ben krom geworden, ik ben bovenmate zeer nedergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart. Psalmen 42:10 : Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet U mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? Psalmen 43:2 : Want U bent de God van mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? Job 5:11 : Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.
[^psalmen-35-15-25]: Kanttekening 25: Dat is als mijn zaken kwalijk gingen, dat het scheen alsof ik zou moeten struikelen en vallen. Zo Ps. 38:18 ; Jer. 20:10 . Verg. Job 12:5 . Psalmen 38:18 : Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij. Jeremia 20:10 : Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. Job 12:5 : Hij is een verachte fakkel, naar de mening van degene, die gerust is; hij is gereed met de voet te struikelen.
[^psalmen-35-15-26]: Kanttekening 26: als geslagenen: Te weten, aan de voeten; gelijk enige dit nemen. Dat is, zich houdende alsof zij lam waren en van rouw over mijn ongeluk hinkten. Zie 2 Sam. 4:4 , en 2 Sam. 9:3 , alwaar deze woorden zo bij het woord geslagen gevonden worden, van Mefiboseth; of versta, geslagene, dat is, verslagen zijnde \[van geest,\] uit Jes. 66:2 , blijvende de zin gelijk, of, als \[mee\] geslagene. Want zij wilden met hun lichamelijke gebaren \[als hinken en kleren te scheuren \] te kennen geven dat zij bemoeid en bekommerd waren over Davids lijden, maar valselijk en als huichelaars. Anders worden deze woorden aldus overgezet: fielten, of boeven, \[die voor zulken bekend waren, dat zij slagen of geselen verdiend hadden, dat is, het snoodste gespuis onder het volk, daar toe opgerokkend zijnde\]; verzamelden zich tegen mij, die ik niet kende; \[en vervolgens nimmer leed gedaan had\] zij scheurden \[de keel\] op \[dat is, plaagden en spotten\] en hielden niet op. Beide overzettingen hebben een goede zin, hoewel wat in de tekst gesteld is, naast met de eigenschap van de Hebr., spraak schijnt overeen te komen; waarvan de verstandige lezer kan oordelen. 2 Samuël 4:4 : En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth. 2 Samuël 9:3 : En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. Jesaja 66:2 : Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt YHWH; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.
[^psalmen-35-15-27]: Kanttekening 27: merkte niets: Te weten, niets kwaads, ik dacht niet dat zij huichelden en mij bedrogen maar meende dat zij het van hart deden.
[^psalmen-35-15-28]: Kanttekening 28: zwegen niet stil: Maar troostten mij, weenden over mij. Of, maar zij zwegen niet; maar achter mijn rug toonden zij genoeg hoe zij het meenden, gelijk volgt.
[^psalmen-35-16-29]: Kanttekening 29: spotachtige tafelbroers: Of, smetbroers, tafellikkers. Hebr. eigenlijk, spotters van de koek, of koekspotters. \[Hebr. spotting van de koek \]; dat is, die hun gebaren en tongen om een stuk broods, of smets, \[gelijk men zegt\] verkopen, sprekende en doende alles naar het believen van degene, die hun buik vult, waarom ook het Hebreeuwse woord bij sommigen verder genomen wordt voor boetsmakers, spotvogels. Hij wil zeggen: Als zij bij dit hun volkje zijn, dan uiten zij de bitterheid huns harten tegen mij, wensende mij alles kwaads en verdrietig zijnde dat het nog zo lang met mij duurt. Van het knarsen met de tanden, zie Job 16:9 . Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.
[^psalmen-35-17-30]: Kanttekening 30: Verst, mijn ziel; gelijk Ps. 22:21 ; zie daar. Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond.
[^psalmen-35-18-c]: Verwijzing c: Ps. 40:10 ; idem 40:11 ; Ps. 111:1 . Psalmen 40:10 : Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; YHWH! U weet het. Psalmen 40:11 : Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. Psalmen 111:1 : Hallelujah! Aleph. Ik zal YHWH loven van ganser hart; Beth. In de raad en vergadering van de oprechten.
[^psalmen-35-19-31]: Kanttekening 31: valse oorzaken: Hebr. leugen, of, valsheid, valselijk; Dat is, om de valse oorzaken, gelijk Ps. 38:20 , en Ps. 69:5 . Psalmen 38:20 : Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot. Psalmen 69:5 : Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
[^psalmen-35-19-32]: Kanttekening 32: wenken met de ogen: Dat is, mij spijtig en spotachtig aanzien, mij dreigende, alsof zij wilden zeggen: Men zal u haast leren, enz. Verg. Spr. 6:13 , en Spr. 10:10 . Spreuken 6:13 : Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren; Spreuken 10:10 : Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
[^psalmen-35-19-d]: Verwijzing d: Joh. 15:25 . Johannes 15:25 : Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.
[^psalmen-35-19-33]: Kanttekening 33: zonder oorzaak: Gelijk boven vers 7 . Psalmen 35:7 : Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
[^psalmen-35-20-34]: Kanttekening 34: bedriegelijke zaken: Hebr., דִּבְרֵי, woorden, of zaken van bedriederijen, of listen.
[^psalmen-35-20-35]: Kanttekening 35: stillen in het land: Hebr., אֶרֶץ, stillen van het land, of van de aarde, Dat is, vreedzamen, die graag in stilte zouden leven en God dienen, zonder iemand enig kwaad te willen of te doen, dat de aard van de vromen is.
[^psalmen-35-21-36]: Kanttekening 36: Ha, ha: Dat is, zo, dat gaat wel; nu zien wij met lust, waar wij lang naar gewenst hebben. Verg. Ps. 22:18 en zie Job 39:28 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. Job 39:28 : In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de krijg van verre, de donder van de vorsten en het gejuich.
[^psalmen-35-23-37]: Kanttekening 37: tot mijn recht: Om mij tegen mijn vijanden en vervolgers recht te doen; zolang U dat niet doet, houdt U U als een die slaapt.
[^psalmen-35-24-38]: Kanttekening 38: Die vereist dat U mijn gerechtige zaak voorstaat.
[^psalmen-35-25-39]: Kanttekening 39: Heah, onze ziel: Alsof zij zeiden: Moed! weest nu vrolijk, o, onze ziel, want wij zien onze lust aan hem. Zie boven, vers 21 . Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
[^psalmen-35-26-40]: Kanttekening 40: bekleed worden: Zie Job 8:22 . Job 8:22 : Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn.
[^psalmen-35-26-41]: Kanttekening 41: groot maken: Zichzelven zoeken groot te maken met mijn verdrukking en ondergang, of die zich zo trots en stout tegen mij gedragen, snoevende met woorden en werken. Zie deze manier van spreken, Jer. 48:26 , 48:42 ; Ez. 35:13 ; Obadje vs. 12 ; Ps. 38:17 , en Ps. 55:13 , en verder Job 19:5 , met de aantekening. Jeremia 48:26 : Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn. Jeremia 48:42 : Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH. Ezechiël 35:13 : Zo hebt u u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. Obadja 1:12 : Toen zoudt u niet gezien hebben op de dag uws broers, de dag van zijn vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, op de dag van de benauwdheid; Psalmen 38:17 : Want ik zei: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken. Psalmen 55:13 : Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Job 19:5 : Als u waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
[^psalmen-35-27-42]: Kanttekening 42: lust hebben tot mijn gerechtigheid: Dat is, die mijn rechtvaardige zaak hartelijk zijn toegedaan, biddende om een blijde uitkomst, voor welke zij u mogen danken en grootmaken.
[^psalmen-35-27-43]: Kanttekening 43: vrede Zijn knechts: Dat is, tot de verlossing en het welvaren van David, die zijn dienaar is. Zie Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.

### Psalmen 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/36.json)

*David, zeer ontsteld zijnde over de gruwelijke goddeloosheid van de bozen, verwondert zich des te meer over de grondeloze wijsheid, gerechtigheid en goedertierenheid van de HEERE, Die in zulk een verwarring alle schepselen in orde houdt en Zich een zeer gunstig Heiland van Zijn Kerk betoont; om wier (en ook zijn eigen) behoud David tot God bidt, en hij voorzegt de val van de goddelozen.*

**1** Een psalm van David, de knecht van YHWH, voor de[^psalmen-36-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v1)

**2** [^psalmen-36-2-2] De overtreding van de goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vrees voor God voor zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v2)

**3** Want hij vleit zichzelf in zijn ogen,[^psalmen-36-3-3] als men zijn ongerechtigheid vindt, die te haten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v3)

**4** De woorden van zijn mond zijn[^psalmen-36-4-4] onrecht en bedrog;[^psalmen-36-4-5] hij laat na te verstaan tot weldoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v4)

**5** Hij bedenkt onrecht op zijn bed; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v5)

**6** [^psalmen-36-6-6] O YHWH![^psalmen-36-6-a] Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v6)

**7** Uw gerechtigheid is als de bergen[^psalmen-36-7-7] van God, Uw oordelen zijn een grote[^psalmen-36-7-8] afgrond; YHWH! U behoudt[^psalmen-36-7-9] mensen en beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v7)

**8** Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom de mensenkinderen onder de[^psalmen-36-8-10] schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v8)

**9** Zij worden[^psalmen-36-9-11] dronken van de overvloed van Uw huis; en U laat hen drinken uit de beek van Uw hartstochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v9)

**10** Want bij U is de fontein van[^psalmen-36-10-12] het leven; in[^psalmen-36-10-13] Uw licht zien wij het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v10)

**11** [^psalmen-36-11-14] Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw[^psalmen-36-11-15] gerechtigheid over de oprechten van hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v11)

**12** De voet van[^psalmen-36-12-16] de hoogmoedigen kome niet over mij, en de hand van de goddelozen doe mij niet[^psalmen-36-12-17] omzwerven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v12)

**13** [^psalmen-36-13-18] Daar zijn de werkers van de ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergestoten, en kunnen niet meer opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/36.html#v13)

[^psalmen-36-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-36-2-2]: Kanttekening 2: De overtreding: Dat is, als ik het boos en zorgeloos wezen en doen van de goddelozen aanmerk en overweeg, zo word ik gedrongen bij mijzelf zo zeker te geloven dat zij geen vrees noch schrik voor God hebben, alsof de goddelozen zulks met ronde woorden zeiden; zo klaar blijkt de goddeloosheid in hun werken, dat mij wee doet in het binnenste van mijn hart.
[^psalmen-36-3-3]: Kanttekening 3: als men zijn ongerechtigheid bevindt: Of, totdat men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten, of hatelijk is. Dat is, al wordt zijn boosheid geheel openbaar en als handtastelijk, zulks dat zij van een ieder gehaat wordt, evenwel behaagt en pluimstrijkt hij zichzelven in het boze en gaat er immer in voort; anders; als hij zijn ongerechtigheid, dat is, zijn boos voornemen volbrengt, of verkrijgt, die hij behoorde te haten; dat is, als het hem naar zijn zin gaat, zo dunkt hem dat zijn doen goed is, hoewel hij een afschrik daarvan behoorde te hebben.
[^psalmen-36-4-4]: Kanttekening 4: onrecht en bedrog: Dat is, ondeugdelijk, schadelijk en bedriegelijk, of strekkende tot verdriet, schenderij en bedrog van de vromen.
[^psalmen-36-4-5]: Kanttekening 5: hij laat na: Dat is, hij wil zich van niemand laten onderwijzen tot enige verbetering zijns levens, hij is vertwijfeld, hardnekkig en ongevoelig.
[^psalmen-36-6-6]: Kanttekening 6: O YHWH: Tegen al het woelen en woeden van de goddelozen, en ook zijn hartzeer, dat hij daaruit schepte, troost en verkwikt zich de profeet met betrachting van Gods onbegrijpelijke, ondoorgrondelijke en bestendige goedheid, trouw en gerechtigheid, die Hij bewijst in de regering zo van alles in het algemeen, als van zijn volk in het bijzonder, dat Hij, niettegenstaande de vijandschap van de goddelozen, overvloediglijk begenadigt en van hun vijanden rechtvaardigen en eindelijken ondergang verzekert.
[^psalmen-36-6-a]: Verwijzing a: Ps. 57:11 ; Ps. 108:5 . Psalmen 57:11 : Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. Psalmen 108:5 : Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemel, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
[^psalmen-36-7-7]: Kanttekening 7: Dat is, gelijk de allergrootste en allerhoogste bergen. Zie van deze manier van spreken Gen. 13:10 . De zin is dat Gods gerechtigheid zich alom vertoont, bestendig en vast is, ook ons begrip verre teboven gaande. Zie vers 11 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Psalmen 36:11 : Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
[^psalmen-36-7-8]: Kanttekening 8: Dat is, uw raad en regering, of wijze van doen, die U houdt zo in de uitverkorenen en verworpenen, is ondoorgrondelijk. Zie Rom. 11:33 . Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^psalmen-36-7-9]: Kanttekening 9: Hebr. mens en beest. Zie Matt. 5:45 ; 1 Tim. 4:10 , en Job 39:1 , enz., Ps. 147:9 . Mattheüs 5:45 : Opdat u mag kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemel is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goede, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 1 Timotheüs 4:10 : Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op de levenden God, Die een Behouder is van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen. Job 39:1 : Zult u voor de ouden leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen? Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^psalmen-36-8-10]: Kanttekening 10: Zie Ruth 2:12 , en verg. met deze plaats Job 36:11 , met de aantekening. Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen! Job 36:11 : Als zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.
[^psalmen-36-9-11]: Kanttekening 11: Versta hier, het geestelijke voedsel en drank van de ziel. Zie Jes. 25:6 , en 65:13, en 66:11, en verg. Ps. 63:6 ; Ps. 65:5 . Jer. 31:12 , 31:14 ; Jer. 50:19 , idem het Hooglied van Salomo. Jesaja 25:6 : En YHWH van de legermachten zal op deze berg alle volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. Psalmen 63:6 : Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. Psalmen 65:5 : Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Jeremia 31:12 : Daarom zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot het goed van YHWH, tot het koren, en tot de most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. Jeremia 31:14 : En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt YHWH. Jeremia 50:19 : En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden.
[^psalmen-36-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, een levende en altoosdurende fontein, waardoor de ziel geestelijk leeft, overvloediglijk gelaafd, onderhouden en verkwikt wordt. Verg. Joh. 4:14 ; Joh. 7:38 , 7:39 . Jer. 2:13 ; Jer. 17:13 . Johannes 4:14 : Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) Jeremia 2:13 : Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Jeremia 17:13 : O YHWH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de Springader van het levende water.
[^psalmen-36-10-13]: Kanttekening 13: uw licht: Dat is, als U ons door uw Heilige Geest verlicht, en uw vaderlijk aangezicht in de Messias vertoont, dan bekomen wij het rechte verstand van uw genadewerken en genieten een levenden troost en hartelijke blijdschap. Verg. Job 29:3 . Ps. 4:6 , 4:7 ; Ps. 27:1 , met de aantekening, Jes. 9:1 . Jak. 1:17 ; idem voor zoveel dit de heerlijkheid van het eeuwige leven mee betreft; Ps. 16:11 ; Ps. 17:15 ; idem Zach. 14:6 , 14:7 . Kol. 1:12 . Openb. 21:11 , 21:23 ; Openb. 22:5 . Job 29:3 : Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; Psalmen 4:6 : Offert offeranden van de gerechtigheid, en vertrouwt op YHWH. Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Psalmen 27:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn? Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen. Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering. Psalmen 16:11 : U zult mij het pad van het leven bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwig. Psalmen 17:15 : Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. Zacharia 14:6 : En het zal op die dag gebeuren, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. Zacharia 14:7 : Maar het zal een enige dag zijn, die YHWH bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal gebeuren, ten tijde van de avond, dat het licht zal wezen. Kolossensen 1:12 : Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht; Openbaring 21:11 : En zij had de heerlijkheid van God, en haar licht was de allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als de steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5 : En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^psalmen-36-11-14]: Kanttekening 14: Of, ga voort, verleng, vervolg. Verg. Jer. 31:3 . Jeremia 31:3 : YHWH is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
[^psalmen-36-11-15]: Kanttekening 15: Uw gerechtigheid: Die medebrengt dat U uw beloften houdt, die oprecht van hart zijn beschermt, hun vijanden straft, en zo alles \[niettegenstaande het goddeloze gewoel\] in goede richtigheid houdt.
[^psalmen-36-12-16]: Kanttekening 16: Hebr., van de hovaardij; dat is, van de hovaardigen, \[zie Job 35:13 \] die mij onder de voeten zoeken te treden, of de voet mij op de nek te zetten. Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^psalmen-36-12-17]: Kanttekening 17: Of, verjagen mij niet.
[^psalmen-36-13-18]: Kanttekening 18: Te weten, waar zij nu de vromen zochten en meenden neder te vellen; of alsdan. Verg. boven Ps. 14:5 , en de aantekening daar. Psalmen 14:5 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen.

### Psalmen 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/37.json)

*David onderwijst en sterkt de gelovigen tegen het tijdelijk geluk van de goddelozen, en vermaant hen hun goddeloosheid niet na te volgen, maar heilig te leven en God te vertrouwen; omdat het geluk van de goddelozen kort en het einde onzalig en vervloekt is, terwijl God daarentegen Zijn kinderen, in alles wat hen overkomt, met Zijn vaderlijke gunst vergezelt en hun een zalig einde verleent.*

**1** Een[^psalmen-37-1-1] psalm van David. Aleph.[^psalmen-37-1-a] Ontsteek u niet over de[^psalmen-37-1-2] boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v1)

**2** Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de[^psalmen-37-2-3] groene grasscheutjes zullen zij[^psalmen-37-2-4] afvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v2)

**3** Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede;[^psalmen-37-3-5] bewoon de aarde, en[^psalmen-37-3-6] voed u met getrouwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v3)

**4** En verlustig u in YHWH, zo zal Hij u geven de begeerten van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v4)

**5** Gimel.[^psalmen-37-5-7][^psalmen-37-5-b] Wentel uw weg op YHWH, en vertrouw op Hem; Hij zal[^psalmen-37-5-8] het maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v5)

**6** En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het[^psalmen-37-6-9] licht, en uw recht als de middag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v6)

**7** Daleth.[^psalmen-37-7-10] Zwijg voor YHWH, en[^psalmen-37-7-11] verbeid Hem; ontsteek u niet over degene,[^psalmen-37-7-12] wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen[^psalmen-37-7-13] uitvoert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v7)

**8** He. Laat af van toorn, en verlaat de woede; ontsteek u niet, immers niet, om[^psalmen-37-8-14] kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v8)

**9** Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die YHWH verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v9)

**10** Vau. En nog een[^psalmen-37-10-15] weinig tijd, en de goddeloze zal er niet zijn; en u zult acht nemen op zijn[^psalmen-37-10-16] plaats, maar[^psalmen-37-10-17] hij zal er niet wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v10)

**11** De[^psalmen-37-11-18] zachtmoedigen daarentegen zullen de[^psalmen-37-11-c] aarde erfelijk bezitten, en zich verheugen over[^psalmen-37-11-19] grote vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v11)

**12** Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, en hij[^psalmen-37-12-20] knerst over hem met zijn tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v12)

**13** YHWH[^psalmen-37-13-21] belacht hem, want Hij ziet, dat[^psalmen-37-13-22] zijn dag komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v13)

**14** Cheth. De goddelozen hebben het[^psalmen-37-14-23] zwaard uitgetrokken, en hun boog[^psalmen-37-14-24] gespannen, om de[^psalmen-37-14-25] ellendige en arme neer te vellen, om te slachten, die oprecht van[^psalmen-37-14-26] weg zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v14)

**15** Maar[^psalmen-37-15-27] hun zwaard zal in hun hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v15)

**16** Teth. Het weinig, dat de rechtvaardige heeft, is[^psalmen-37-16-28] beter dan de[^psalmen-37-16-29] overvloed van vele goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v16)

**17** Want de[^psalmen-37-17-30] armen van de goddelozen zullen verbroken worden; maar YHWH ondersteunt de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v17)

**18** Jod. YHWH[^psalmen-37-18-31] kent de[^psalmen-37-18-32] dagen van[^psalmen-37-18-33] de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid[^psalmen-37-18-34] blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v18)

**19** Zij zullen niet beschaamd worden in de[^psalmen-37-19-35] kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v19)

**20** Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van YHWH zullen verdwijnen, als het[^psalmen-37-20-36] kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v20)

**21** Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weer; maar de rechtvaardige[^psalmen-37-21-37] ontfermt zich, en geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v21)

**22** Want[^psalmen-37-22-38] zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v22)

**23** Mem. De[^psalmen-37-23-39] gangen[^psalmen-37-23-40] dezelfde mans worden van YHWH[^psalmen-37-23-41] bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v23)

**24** Als hij[^psalmen-37-24-42] valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want YHWH ondersteunt zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v24)

**25** Nun. Ik ben[^psalmen-37-25-43] jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn[^psalmen-37-25-44] zaad zoekende brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v25)

**26** De hele dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is[^psalmen-37-26-45] tot zegening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v26)

**27** Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en[^psalmen-37-27-46] woon in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v27)

**28** Want YHWH heeft het recht lief, en zal Zijn[^psalmen-37-28-47] gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het[^psalmen-37-28-48] zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v28)

**29** [^psalmen-37-29-49] De rechtvaardigen zullen de[^psalmen-37-29-50] aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v29)

**30** Pe. De mond van de rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt[^psalmen-37-30-51] het recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v30)

**31** [^psalmen-37-31-d] De wet van zijn God is in zijn[^psalmen-37-31-52] hart; zijn gangen zullen[^psalmen-37-31-53] niet slibberen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v31)

**32** Tsade. De goddeloze loert op de rechtvaardige, en zoekt hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v32)

**33** Maar YHWH laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij[^psalmen-37-33-54] geoordeeld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v33)

**34** Koph. Wacht op YHWH, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; u zult[^psalmen-37-34-55] zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v34)

**35** Resch. Ik heb gezien een[^psalmen-37-35-56] gewelddrijvenden[^psalmen-37-35-57] goddeloze, die zich[^psalmen-37-35-58] uitbreidde als een groene[^psalmen-37-35-59] inlandse boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v35)

**36** Maar hij[^psalmen-37-36-60] ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v36)

**37** Schin. Let op de vrome, en zie naar de[^psalmen-37-37-61] oprechte; want het[^psalmen-37-37-62] einde van die man zal vrede zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v37)

**38** Maar de overtreders worden samen vernietigd; het[^psalmen-37-38-63] einde van de goddelozen wordt uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v38)

**39** Thau. Maar het heil van de rechtvaardigen is van YHWH; hun Sterkte in de tijd van benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v39)

**40** En YHWH zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/37.html#v40)

[^psalmen-37-1-1]: Kanttekening 1: Van het Hebr., אַל, A, b, zie op de titel van de 25en Psalm. Ps. 25 .
[^psalmen-37-1-a]: Verwijzing a: Spr. 23:17 ; Spr. 24:1 . Spreuken 23:17 : Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt te alle dage in de vrees voor YHWH. Spreuken 24:1 : Zijt niet nijdig over de boze mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
[^psalmen-37-1-2]: Kanttekening 2: Die op aarde voorspoedig en gelukkig zijn, gelijk in het volgende verklaard wordt; waaruit blijkt dat de schone beloften, die in deze psalm en elders de vromen gedaan worden, de tijdelijke voorspoed van de bozen en het kruis of tegenspoed van de vromen niet uitsluiten; zodat deze psalm \[gelijk ook ander\] bijzonderlijk dient om de ergenis, die de vromen daaruit zouden mogen scheppen, voor te komen. Zie ook Ps. 34:13 . Maar in dit alles blijft Gods zegen over de vromen en de vloek op de goddelozen, zodat die eeuwig zalig, en deze integendeel eeuwig verloren zullen zijn. Verg. Job 9:23 . Ps. 73:2 . enz. Psalmen 34:13 : Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Job 9:23 : Als de gesel haastig doodt, bespot Hij de verzoeking van de onschuldigen. Psalmen 73:2 : Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden.
[^psalmen-37-2-3]: Kanttekening 3: Hebr., דֶּשֶׁא, de groente van het jonge gras.
[^psalmen-37-2-4]: Kanttekening 4: Of, verwelken, gelijk de afvallende bladeren; gelijk Ps. 1:3 ; zie daar. Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^psalmen-37-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, zo zult u de aarde in het algemeen, en het land Kanaän \[dat een voorbeeld was van het hemelse\] in het bijzonder, bewonen en u voeden, of gevoed worden, enz. zo vers 27 , en elders. Zulke beloften, gebiedenderwijze gesproken, zijn zeer krachtig, als voerende de vromen in dadelijke genieting en bezit van wat beloofd wordt. Verg. Spr. 3:3 . Psalmen 37:27 : Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. Spreuken 3:3 : Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf ze op de tafel uws harten.
[^psalmen-37-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. weid u, of wordt geweid; dat is, de Heer zal u getrouwelijk voeden, naar zijn beloften, gelijk in het volgende verklaard wordt. Of, onderhoud uzelven met de overdenking van Gods getrouwe beloften, die niet falen. Sommigen nemen het Hebr. woord emuna voor zekerheid, bestendigheid; dat is, een bestendige en vaste staat die God de vromen toezegt, zelfs in het midden van het kruis, waar de vreugde van de goddelozen als gras van het veld haast verdwijnt. Verg. Spr. 2:7 . Spreuken 2:7 : Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprecht wandelen;
[^psalmen-37-5-7]: Kanttekening 7: Of, rol uw weg; dat is, draag al uw voornemen en doen, zorg, bekommernis, de Heer op, beveel het Hem; zie Ps. 22:9 , en verg. Matt. 6:25 , enz., en Luk. 12:22 , enz. Psalmen 22:9 : Hij heeft het op YHWH gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij lust aan hem heeft! Mattheüs 6:25 : Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Lukas 12:22 : En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u u kleden zult.
[^psalmen-37-5-b]: Verwijzing b: Ps. 22:9 ; Ps. 55:23 ; Spr. 16:3 ; Matt. 6:25 ; Lukas 12:22 ; 1 Petr. 5:7 . Psalmen 22:9 : Hij heeft het op YHWH gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij lust aan hem heeft! Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Spreuken 16:3 : Wentel uw werken op YHWH, en uw gedachten zullen bevestigd worden. Mattheüs 6:25 : Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Lukas 12:22 : En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u u kleden zult. 1 Petrus 5:7 : Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^psalmen-37-5-8]: Kanttekening 8: Of, uitvoeren, uitrichten.
[^psalmen-37-6-9]: Kanttekening 9: Van de zon, of van de dag, dat is, dat zij zo klaar blijke als de zon op de hellen middag schijnt. Verg. Job 5:14 . Job 5:14 : Overdag ontmoeten zij de duisternis, en gelijk 's nachts tasten zij in de middag.
[^psalmen-37-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, mor niet tegen de Heer, maar neem het op met geduld. Zie van zulk stilzwijgen, of stilte van het geduld en van de hoop, Ps. 39:10 ; Ps. 62:2 , 62:6 ; Ps. 65:2 . Jes. 30:15 . Klaagl. 3:26 , 3:27 , 3:28 . Zef. 1:7 . Psalmen 39:10 : Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan. Psalmen 62:2 : Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Psalmen 62:6 : Maar u, o mijn ziel! zwijg voor God; want van Hem is mijn verwachting. Psalmen 65:2 : De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. Jesaja 30:15 : Want zo zegt de Heer YHWH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zoudt u behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar u hebt niet gewild. Klaagliederen 3:26 : Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil van YHWH. Klaagliederen 3:27 : Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Klaagliederen 3:28 : Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. Zefanja 1:7 : Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.
[^psalmen-37-7-11]: Kanttekening 11: Anders, draagt smart om zijnentwil.
[^psalmen-37-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, wiens voornemen en doel wel gelukt, al deugt het niet.
[^psalmen-37-7-13]: Kanttekening 13: Hebr. doet.
[^psalmen-37-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, zo dat u u zoudt vergrijpen met twijfeling aan Gods voorzienigheid en trouw, of met alval, dat u het exempel van de goddelozen zoudt begeren te volgen, omdat bij hen alles voor de wind schijnt te zijn. Zie Ps. 125:3 . Psalmen 125:3 : Want de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het lot van de rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
[^psalmen-37-10-15]: Kanttekening 15: Hij zal maar een korte tijd de vromen kwellen. Zie Ps. 30:6 . Psalmen 30:6 : Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich.
[^psalmen-37-10-16]: Kanttekening 16: Waar hij stond, bloeiende als een schone boom, onder, vers 35 , 37:36 . Psalmen 37:35 : Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Psalmen 37:36 : Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
[^psalmen-37-10-17]: Kanttekening 17: hij zal: Of, zij; te weten, zijn plaats; dat is zijn woning, hijzelf met al zijn staat en heerlijkheid. Zie Job 7:10 , met de aantekening. Job 7:10 : Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
[^psalmen-37-11-18]: Kanttekening 18: Zie Ps. 10:15 . Psalmen 10:15 : Breek de arm van de goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat U haar niet vindt.
[^psalmen-37-11-c]: Verwijzing c: Matt. 5:5 . Mattheüs 5:5 : Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aarde beërven.
[^psalmen-37-11-19]: Kanttekening 19: Hebr. grootheid, of, veelheid van vrede; dat is, grote welvaart, veelvoudige welstand, voornamelijk in het geestelijke. Verg. Jes. 48:18 , en zie Gen. 37:14 . Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee. Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^psalmen-37-12-20]: Kanttekening 20: Gelijk Ps. 35:16 . Zie daar. Psalmen 35:16 : Onder de huichelende spotachtige tafelbroers knersten zij over mij met hun tanden.
[^psalmen-37-13-21]: Kanttekening 21: Zie Ps. 2:4 . Psalmen 2:4 : Die in de hemel woont, zal lachen; YHWH zal hen bespotten.
[^psalmen-37-13-22]: Kanttekening 22: zijn dag: De dag van de wraak van de Heer, of de dag van het verderf en de ondergang van de goddeloze, hem door Gods rechtvaardig oordeel toegelegd. Zie Job 18:20 . Jer. 17:18 ; Jer. 18:17 . Ez. 7:10 , 7:12 ; Ez. 27:27 ; Ez. 30:2 , 30:3 , 30:9 ; Ez. 32:10 . Hos. 1:11 . Anders wordt ook iemands dag bloot genomen voor de sterfdag van de mens, gelijk Job 15:32 ; alsook de tijd van de mens, Pred. 7:17 . Job 18:20 : Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. Jeremia 17:18 : Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking. Jeremia 18:17 : Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht van de vijand; Ik zal hun de nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs. Ezechiël 7:10 : Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend. Ezechiël 7:12 : De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land. Ezechiël 27:27 : Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw gehele gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart van de zeeën, op de dag van uw val. Ezechiël 30:2 : Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Huilt: Ach die dag! Ezechiël 30:3 : Want de dag is nabij, ja, de dag van YHWH is nabij, een wolkige dag, het zal de tijd van de heidenen zijn. Ezechiël 30:9 : Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan! Ezechiël 32:10 : En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals. Hosea 1:11 : En de kinderen van Juda, en de kinderen van Israël zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn. Job 15:32 : Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. Prediker 7:17 : Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt u sterven buiten uw tijd?
[^psalmen-37-14-23]: Kanttekening 23: Hebr. geopend; omdat de schede door het uittrekken van het zwaard geopend wordt.
[^psalmen-37-14-24]: Kanttekening 24: Hebr. getreden. Zie Ps. 7:13 . Psalmen 7:13 : Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid.
[^psalmen-37-14-25]: Kanttekening 25: Deze titels van de vromen verklaren de belofte, die hun God hier doet. Zie vs. 1, en verg. vers 16 , 37:19 , 37:21 , 37:25 , 37:26 . Psalmen 37:16 : Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Psalmen 37:19 : Zij zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden. Psalmen 37:21 : Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weer; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft. Psalmen 37:25 : Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. Psalmen 37:26 : De ganse dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.
[^psalmen-37-14-26]: Kanttekening 26: weg zijn: Dat is, van leven en wandel; zo vers 23 . Psalmen 37:23 : Mem. De gangen van die man worden van YHWH bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
[^psalmen-37-15-27]: Kanttekening 27: Dat is, hun aanslagen zullen tot hun eigen verderf strekken.
[^psalmen-37-16-28]: Kanttekening 28: Als rechtvaardig bezeten en godvruchtelijk gebruikt.
[^psalmen-37-16-29]: Kanttekening 29: Hebr. eigenlijk, veelheid, menigte; te weten, van goederen, dat is, rijkdom, gelijk Pred. 5:9 . Prediker 5:9 : Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.
[^psalmen-37-17-30]: Kanttekening 30: Dat is, hun macht, middelen en geweld. Zie Job 22:8 . Job 22:8 : Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
[^psalmen-37-18-31]: Kanttekening 31: YHWH: Verg. Ps. 1:6 . Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^psalmen-37-18-32]: Kanttekening 32: Dat is, de staat huns levens, hoe zij hun tijd doorbrengen, in kruis, vroomheid en geduld. Verg. Ps. 31:16 . Psalmen 31:16 : Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand van mijn vijanden, en van mijn vervolgers.
[^psalmen-37-18-33]: Kanttekening 33: Zie Gen. 6:9 ; zo onder vers 37 . Genesis 6:9 : Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God. Psalmen 37:37 : Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.
[^psalmen-37-18-34]: Kanttekening 34: Hebr. zijn; zo Jer. 17:8 ; Jer. 27:22 ; Jer. 32:5 . Dan. 1:21 ; enz. Jeremia 17:8 : Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Jeremia 27:22 : Naar Babel zullen zij gebracht worden, en daar zullen zij zijn, tot de dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt YHWH; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze wederbrengen tot deze plaats. Jeremia 32:5 : En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt YHWH; ofschoon u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.) Daniël 1:21 : En Daniël bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe.
[^psalmen-37-19-35]: Kanttekening 35: kwade tijd: Of, tentijde van het kwaad; dat is, als allerlei ongeval en ellenden omgaan, gelijk volgt van de honger.
[^psalmen-37-20-36]: Kanttekening 36: dat is, het vette, dat men houdt voor het beste en kostelijkste, en naar de wet van God in de offeranden met vuur moest verteerd worden, waarop de profeet in deze gelijkenis schijnt te zien. Zie Lev. 3:10 , 3:11 , 3:14 , 3:15 , 3:16 . Of, de kostelijkste lammeren. Hebr. de kostelijkste van de lammeren. Anders, het kostelijkste van de velden, of weiden; omdat het Hebr. woord elders zo ook genomen wordt. Leviticus 3:10 : Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Leviticus 3:14 : Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer voor YHWH; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 3:15 : En ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:16 : En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer, tot een liefelijken reuk; alle vet zal van YHWH zijn.
[^psalmen-37-21-37]: Kanttekening 37: Of, handelt goediglijk, gunstiglijk, liberalijk.
[^psalmen-37-22-38]: Kanttekening 38: zijn gezegenden: Dat is, die van YHWH gezegend zijn; zo meteen, zijn vervloekten, dat is, die van Hem vervloekt zijn, vers 20 , alwaar gesproken is van de vijanden van YHWH. Zie Matt. 25:34 , 25:41 , en aangaande de manier van spreken, verg. Ps. 69:27 , 69:34 . Jes. 16:4 . Psalmen 37:20 : Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van YHWH zullen verdwijnen, als het kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen. Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. Psalmen 69:27 : Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart van Uw verwonden. Psalmen 69:34 : Want YHWH hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. Jesaja 16:4 : Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht van de verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.
[^psalmen-37-23-39]: Kanttekening 39: Of, treden, stappen.
[^psalmen-37-23-40]: Kanttekening 40: Die van de Heer gezegend is, uit het voorgaande vers 22 , of van de rechtvaardigen, uit vers 21 . Psalmen 37:22 : Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden. Psalmen 37:21 : Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weer; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
[^psalmen-37-23-41]: Kanttekening 41: Of, gestierd, gericht; dat is, Hij regeert en zegent zijn voornemen, en of hij somtijds aan het vallen mocht geraken, zo bewaart Hij hem toch dat hij niet ten enenmale vervalle; maar richt hem weer op, gelijk volgt.
[^psalmen-37-24-42]: Kanttekening 42: Verg. Spr. 24:16 . Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
[^psalmen-37-25-43]: Kanttekening 43: Of, een jongeling. Zie Jer. 1:6 . Jeremia 1:6 : Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
[^psalmen-37-25-44]: Kanttekening 44: Dat is, zijn kinderen en nakomelingen, zo vers 26 , 37:28 , tenware het God beliefde naar zijn vrij en vaderlijk welbehagen zijn kinderen met armoede en hongersnood tot zijn eer en hun best te beproeven en oefenen, waarin Hij hen nochtans niet verlaat, maar allermeest bijstaat en sterkt, zodat zij tevreden en als verzadigd zijn. Zie vers 1 , 37:14 , idem vers 19 , en verg. Luk. 16:20 , 16:21 . 2 Kor. 11:27 . Filipp. 4:11 . Hebr. 11:37 . Psalmen 37:26 : De ganse dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening. Psalmen 37:28 : Want YHWH heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid. Psalmen 37:1 : Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. Psalmen 37:14 : Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn. Psalmen 37:19 : Zij zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden. Lukas 16:20 : En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijn poort vol zweren; Lukas 16:21 : En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel van de rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren. 2 Korinthiërs 11:27 : In arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid. Filippensen 4:11 : Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd tevreden te zijn in wat ik ben. Hebreeën 11:37 : Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;
[^psalmen-37-26-45]: Kanttekening 45: tot zegening: Of, in zegening; dat is, wordt van God gezegend, ervende de zegen Abrahams. Verg. Gen. 12:2 ; idem 1 Petr. 3:9 . Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 1 Petrus 3:9 : Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zoudt beërven.
[^psalmen-37-27-46]: Kanttekening 46: Zie op vers 3 . Psalmen 37:3 : Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
[^psalmen-37-28-47]: Kanttekening 47: Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-37-28-48]: Kanttekening 48: Zie Job 18:19 . Ps. 21:11 ; Ps. 109:13 . Job 18:19 : Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. Psalmen 21:11 : U zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen van de mensen. Psalmen 109:13 : Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
[^psalmen-37-29-49]: Kanttekening 49: De rechtvaardigen: Dit vers begint niet van de letter Ajin, gelijk naar de orde van het Hebr. A, B, zou zijn.
[^psalmen-37-29-50]: Kanttekening 50: Hoewel zij vreemdelingen op aarde zijn, nochtans zullen zij in het land van de beloften, \[zijnde een pand van het hemelse\] en verder waar zij op aarde zijn, in het midden van de ongerustheid van de goddelozen en de onzekerheid van het leven, onder de vaderlijke bescherming en het toezicht Gods, door het geloof, vertrouwen en de zalige hoop, een bestendigen, zekeren en gerusten staat hebben, als rechte bezitters en erfgenamen van alle zegeningen Abrahams in de eniggeboren Zoon van God, de Messias; Rom. 8:17 ; Gal. 3:14 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Galaten 3:14 : Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest verkrijgen zouden door het geloof.
[^psalmen-37-30-51]: Kanttekening 51: het recht: Of, wat recht is. Zie Job 34:4 . Job 34:4 : Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
[^psalmen-37-31-d]: Verwijzing d: Ps. 40:9 ; Jes. 51:7 . Psalmen 40:9 : Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Jesaja 51:7 : Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid kent, u volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
[^psalmen-37-31-52]: Kanttekening 52: Verg. Deut. 6:6 . Jer. 31:33 . Hebr. 8:10 . Deuteronomium 6:6 : En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn. Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:10 : Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^psalmen-37-31-53]: Kanttekening 53: Hebr. zal niet waggelen, of slibberen; dat is, niet een van zijn gangen zal slibberen of wankelen; dat is, hij zal voor misval en verderf, of voor afval van Gods wet behoed worden. Verg. het volgende en voorgaande, vers 30 , en vers 32 . Psalmen 37:30 : Pe. De mond van de rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht. Psalmen 37:32 : Tsade. De goddeloze loert op de rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
[^psalmen-37-33-54]: Kanttekening 54: Als hij voor recht gesteld wordt, zal hij een gunstigen en genadigen God hebben.
[^psalmen-37-34-55]: Kanttekening 55: Met lust en vreugde in de Heer; of, als de goddelozen worden uitgeroeid, zult u het aanzien.
[^psalmen-37-35-56]: Kanttekening 56: Of, verschrikkelijke tiran.
[^psalmen-37-35-57]: Kanttekening 57: Hoedanig geweest zijn, Saul, Doëg, Absalom, Achitofel, enz.
[^psalmen-37-35-58]: Kanttekening 58: Of, zich ontdoende. Hebr. eigenlijk, zich ontblotende; omdat de stam, die tevoren, \[als de takken klein en dicht aan elkaar rondom het bovenste van de stam waren\] als bedekt was, daarna, als de takken groot worden en zich uitbreiden, ontbloot wordt.
[^psalmen-37-35-59]: Kanttekening 59: Of, zelfs gewassen, die niet elders gebracht en overgeplant is, maar uit zijn eigen natuurlijken grond is opgekomen, daarop staande gebleven, en gemeenlijk langer duurt en beter groeit dan een die verplant is. Het Hebr. woord betekent ook een inboorling, gesteld tegen een vreemdeling, Ex. 12:19 ; Lev. 16:29 ; sommigen verstaan hier een laurierboom, anderen een cederboom, maar de eigen betekenis van het woord is in de tekst gevolgd. Exodus 12:19 : Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelfde ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land. Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tienden van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^psalmen-37-36-60]: Kanttekening 60: ging door: Dat is, hij verdween haastig als een doorgaande wolk, die in korte tijd verdwijnt. Anders, men ging er voorbij, enz.
[^psalmen-37-37-61]: Kanttekening 61: Hebr. rechte, richtigen, enz. Zie boven Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^psalmen-37-37-62]: Kanttekening 62: einde van: Hebr. achterste, uiterste, laatste. Verg. Deut. 32:20 ; Spr. 14:12 . Dat is, hij zal ten laatste welvaren, het zal hem eindelijk welgaan; dat zult u bevinden zo u daarop acht geeft. Anders, want daar is loon voor de vreedzamen man. Sommigen verstaan het van de nakomelingen, zo in het volgende. Verg. Ps. 109:13 . Ex. 31:17. Deuteronomium 32:20 : En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is. Spreuken 14:12 : Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van die zijn wegen van de dood. Psalmen 109:13 : Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
[^psalmen-37-38-63]: Kanttekening 63: einde van de goddelozen: Dat is, de goddelozen worden ten laatste uitgeroeid, gelijk een boom met wortel en al.

### Psalmen 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/38.json)

*David, in een zware ziekte of grote ellende zijnde, verhaalt en beklaagt zijn ellende, veroorzaakt door zijn zonden; hij bidt God angstig om vergeving, genade en hulp, terwijl hij Hem de ontrouw van zijn vrienden en de wreedheid van zijn vijanden voorlegt.*

**1** Een psalm van David, om te doen[^psalmen-38-1-1] gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v1)

**2** [^psalmen-38-2-a] O YHWH![^psalmen-38-2-2] straf mij niet in Uw[^psalmen-38-2-3] grote toorn, en straf mij niet in Uw woede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v2)

**3** Want Uw[^psalmen-38-3-4] pijlen zijn in mij[^psalmen-38-3-5] gedaald, en Uw hand is op mij neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v3)

**4** Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen[^psalmen-38-4-6] vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v4)

**5** Want mijn ongerechtigheden[^psalmen-38-5-7] gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v5)

**6** Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn[^psalmen-38-6-8] dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v6)

**7** Ik ben[^psalmen-38-7-9] krom geworden, ik ben bovenmate zeer neergebogen;[^psalmen-38-7-b] ik ga de hele dag in[^psalmen-38-7-10] het zwart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v7)

**8** Want mijn darmen zijn vol van[^psalmen-38-8-11] een verachtelijke plaag, en er is niets geheels in mijn vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v8)

**9** Ik ben verzwakt, en bovenmate zeer verbrijzeld; ik[^psalmen-38-9-12] brul van het[^psalmen-38-9-13] geruis van mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v9)

**10** YHWH! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v10)

**11** Mijn hart[^psalmen-38-11-14] keert om en om, mijn[^psalmen-38-11-15] kracht heeft mij verlaten; en het licht van mijn ogen,[^psalmen-38-11-16] ook zij zelf zijn niet bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v11)

**12** Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan[^psalmen-38-12-17] van tegenover mijn plaag, en mijn nabestaanden staan van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v12)

**13** [^psalmen-38-13-18] En[^psalmen-38-13-19] die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken[^psalmen-38-13-20] verdervingen, en zij overdenken de hele dag listen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v13)

**14** Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v14)

**15** Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wie de mond geen[^psalmen-38-15-21] tegenredenen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v15)

**16** Want op U, YHWH! hoop ik; U zult verhoren, YHWH, mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v16)

**17** Want ik[^psalmen-38-17-22] zei: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij[^psalmen-38-17-23] groot maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v17)

**18** [^psalmen-38-18-24] Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v18)

**19** [^psalmen-38-19-c] Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bezorgd vanwege mijn zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v19)

**20** Maar mijn vijanden zijn[^psalmen-38-20-25] levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden[^psalmen-38-20-26] groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v20)

**21** En die kwaad voor goed vergelden,[^psalmen-38-21-27] staan mij tegen, omdat ik het goede nastreef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v21)

**22** Verlaat mij niet, o YHWH, mijn God! wees niet verre van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v22)

**23** Haast U tot mijn hulp, YHWH, mijn Heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/38.html#v23)

[^psalmen-38-1-1]: Kanttekening 1: Aan de grote benauwdheid, waarin hij was geweest, en aan de genade van de Heer, die hem daaruit verlost had. Verg. Ps. 132:1 . Jes. 63:7 . Psalmen 132:1 : Een lied Hammaäloth. O YHWH! gedenk aan David, aan al zijn lijden; Jesaja 63:7 : Ik zal de goedertierenheden van YHWH vermelden, de veelvoudige lof van YHWH, naar alles, wat YHWH ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden.
[^psalmen-38-2-a]: Verwijzing a: Ps. 6:2 . Psalmen 6:2 : O YHWH, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
[^psalmen-38-2-2]: Kanttekening 2: straf mij niet: Vergelijk Psalm 6 .
[^psalmen-38-2-3]: Kanttekening 3: grote toorn: Of, verbolgenheid .
[^psalmen-38-3-4]: Kanttekening 4: Door de pijlen en de hand van God verstaat hij hier zijn zware krankte. Zie Deut. 32:23 , Job 6:4 . Deuteronomium 32:23 : Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten. Job 6:4 : Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, waarvan het vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
[^psalmen-38-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, zij zijn zo in mij geschoten, dat zij diep zijn ingedrongen.
[^psalmen-38-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, geen rust, geen ophouden van pijn in mijn lichaam. Verg. Ps. 35:10 ; Ps. 51:10 . Psalmen 35:10 : Al mijn beenderen zullen zeggen: YHWH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover. Psalmen 51:10 : Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt.
[^psalmen-38-5-7]: Kanttekening 7: gaan over mijn hoofd: Gelijk de waterbaren, die tot over iemands hoofd gaan, gelijk Ps. 42:8 . Aldus vergroot de profeet zijn zonden, en ook haar straffen. Verg. Ps. 40:13 . Psalmen 42:8 : De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. Psalmen 40:13 : Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
[^psalmen-38-6-8]: Kanttekening 8: Of, onbedachtzaamheid, onbezonnenheid, onvoorzichtigheid: waardoor hij zijn zonden en gebreken verstaat. Verg. vers 4 , en onder, Ps. 69:6 . Psalmen 38:4 : Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. Psalmen 69:6 : O God! U weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
[^psalmen-38-7-9]: Kanttekening 9: Of, misstaltig, ongestalte.
[^psalmen-38-7-b]: Verwijzing b: Ps. 42:10 ; Ps. 43:2 . Psalmen 42:10 : Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet U mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? Psalmen 43:2 : Want U bent de God mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand?
[^psalmen-38-7-10]: Kanttekening 10: Zie Ps. 35:14 . Dit kan men duiden op de uiterlijke rouwtekenen in kleding en inwendigen rouw van het hart. Of, zwart, ziende op de mismaaktheid van zijn lichaam vanwege zijn ziekte. Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^psalmen-38-8-11]: Kanttekening 11: verachtelijke plage : Anders, brand, alsof zij geroosterd en verder verdord waren.
[^psalmen-38-9-12]: Kanttekening 12: ik brul: Ik roep als een leeuw.
[^psalmen-38-9-13]: Kanttekening 13: Of, briesen; dat is, gelijk een leeuw briest, of de zee bruist; \[waar van het Hebr. woord ook genoemen wordt, Jes. 5:30 .\] zo is mijn hart zeer onrustig en woelende. Anders, zuchten. Jesaja 5:30 : En zij zullen tegen hetzelfde op die dag bruisen, als het bruisen van de zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
[^psalmen-38-11-14]: Kanttekening 14: keert om: Of, klopt.
[^psalmen-38-11-15]: Kanttekening 15: Verg. Ps. 40:13 . Psalmen 40:13 : Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
[^psalmen-38-11-16]: Kanttekening 16: zij zelven: Te weten, mijn ogen; hij wil zeggen dat zijn gezicht zeer verdorven is, alsof hij \[om zo te spreken\] geen ogen had. Of, versta, zij zelve, voor de kracht en het licht van zijn ogen.
[^psalmen-38-12-17]: Kanttekening 17: Dat is, zij houden zich van mij af, mijn ellende als van verre aanziende; waaruit sommigen afnemen dat het de pestilentie of immers enige andere besmettelijke of vuile ziekte geweest is.
[^psalmen-38-13-18]: Kanttekening 18: En die: Hij wil zeggen: Boven al dat houden mijn tegenstanders niet op mij te vervolgen; vrienden verlaten mij en vijanden vervolgen mij.
[^psalmen-38-13-19]: Kanttekening 19: mijn ziel: Dat is, naar mijn leven staan. Zie Ex. 4:19 , 2 Sam. 4:8 . Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^psalmen-38-13-20]: Kanttekening 20: Of, allerlei verdriet, argheid, rampzaligheid.
[^psalmen-38-15-21]: Kanttekening 21: Alsof ik schuldig ware en geen stof had om mij te verantwoorden.
[^psalmen-38-17-22]: Kanttekening 22: Te weten, bij mijzelf, dat is, ik dacht, of ik zei; te weten, in mijn gebed tot U.
[^psalmen-38-17-23]: Kanttekening 23: groot maken: Gelijk Ps. 35:26 . Zie daar. Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
[^psalmen-38-18-24]: Kanttekening 24: Dat is, omdat ik toch zo gesteld ben, dat ik naar menselijke waarschijnlijkheid onder deze last zou moeten bezwijken, zo is het te meer nodig dat U mij helpt, om mijn vijanden gene oorzaak van vreugde te geven. Verg. Ps. 35:15 . Job 12:5 . met de aantekening. Psalmen 35:15 : Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Job 12:5 : Hij is een verachte fakkel, naar de mening van degene, die gerust is; hij is gereed met de voet te struikelen.
[^psalmen-38-19-c]: Verwijzing c: Ps. 32:5 . Psalmen 32:5 : Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor YHWH; en U vergaaft de ongerechtigheid mijn zonde. Sela.
[^psalmen-38-20-25]: Kanttekening 25: zijn levende, worden machtig: Of, worden al levende machtig. Hij wil zeggen: Terwijl ik beladen ben met bekommernis en smart, leven zij in voorspoed, wellust en onbekommerd, worden vet, grof en sterk; gelijk David elders dikwijls klaagt.
[^psalmen-38-20-26]: Kanttekening 26: Of, vermenigvuldigd.
[^psalmen-38-21-27]: Kanttekening 27: staan mij tegen: Gelijk satans; welke naam de duivel heeft van dit Hebr. woord Verg. 2 Sam. 19:22 . en zie Job 1:6 . 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël? Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

### Psalmen 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/39.json)

*David, zich voorgenomen hebbend zich met werken of woorden niet te vergrijpen over de voorspoed van de goddelozen of zijn eigen ellende, erkent toch in menselijke zwakheid vervallen te zijn. Maar zich beter bedenkend en de nietigheid van de mens en van zijn leven overdenkend, stelt hij zijn hoop op God, Die hij bidt om vergeving van zijn zonden en om genade in zijn vreemdelingschap en lijden.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-39-1-1] opperzangmeester, voor[^psalmen-39-1-2] Jeduthun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v1)

**2** Ik zei: Ik zal[^psalmen-39-2-3] mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een[^psalmen-39-2-4] breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v2)

**3** Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het[^psalmen-39-3-5] goede; maar mijn smart werd[^psalmen-39-3-6] verzwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v3)

**4** Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn[^psalmen-39-4-7] overdenking; toen sprak ik met mijn tong: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v4)

**5** YHWH![^psalmen-39-5-8] maak mij bekend mijn einde, en wat de[^psalmen-39-5-9] maat van mijn dagen is; dat ik wete, hoe[^psalmen-39-5-10] vergankelijk ik ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v5)

**6** Zie, U hebt mijn dagen[^psalmen-39-6-11] een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers[^psalmen-39-6-a] is een ieder mens,[^psalmen-39-6-12] hoe vast hij staat,[^psalmen-39-6-13] enkel zinloosheid.[^psalmen-39-6-14] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v6)

**7** Immers wandelt de[^psalmen-39-7-15] mens als in een[^psalmen-39-7-16] beeld, immers woelen zij[^psalmen-39-7-17] zinloos; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v7)

**8** En nu, wat verwacht ik, o YHWH! Mijn hoop, die is op U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v8)

**9** Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad van[^psalmen-39-9-18] de dwazen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v9)

**10** Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want[^psalmen-39-10-19] U hebt het gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v10)

**11** Neem Uw plaag van op mij weg, ik ben bezweken van de[^psalmen-39-11-20] bestrijding van Uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v11)

**12** Straft U iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet U zijn[^psalmen-39-12-21] aantrekkingskracht smelten als een mot; immers is een ieder mens zinloosheid. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v12)

**13** Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore;[^psalmen-39-13-22] zwijg niet tot mijn tranen; want[^psalmen-39-13-b] ik ben een[^psalmen-39-13-23] vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn[^psalmen-39-13-24] vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v13)

**14** [^psalmen-39-14-25] Wend U van mij af, dat ik mij verkwik, voordat ik heenga, en ik[^psalmen-39-14-26] niet meer zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/39.html#v14)

[^psalmen-39-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-39-1-2]: Kanttekening 2: Van deze, zie 1 Kron. 16:41 , 16:42 . en 25:1,3. 1 Kronieken 16:41 : En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om YHWH te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 16:42 : Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten van de muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.
[^psalmen-39-2-3]: Kanttekening 3: mijn wegen bewaren: Dat is, ik zal naarstiglijk en scherpelijk op mijn doen letten. Zie 1 Kon. 2:4 . 1 Koningen 2:4 : Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël.
[^psalmen-39-2-4]: Kanttekening 4: Of, muilkorf, muilband; een gelijkenis, genomen van de beesten, die men de mond toesluit opdat zij niet bijten of eten; het Hebr. woord komt van een woord, dat van het muilbanden van de ossen gebruikt wordt; Deut. 25:4 . Hij wil zeggen dat hij zich ten enenmale wil bedwingen om niet tegen God uit ongeduldigheid te morren, of iets onbetamelijks van zijn vijanden te spreken, zolang het God beliefde, dat zij aldus op hem loerden en in voorspoed voor zijn ogen en rondom hem zweefden. Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst.
[^psalmen-39-3-5]: Kanttekening 5: Daar ik goede redenen had om mijn onschuld en de gerechtigheid van mijn zaak te kennen te geven.
[^psalmen-39-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. verstoord, beroerd; dat is, ik werd niet dan te meer onrust.
[^psalmen-39-4-7]: Kanttekening 7: Als ik overdacht het groot ongelijk en geweld, dat mij werd aangedaan, barstte ik ten laatste uit door menselijke zwakheid, waarvoor ik mij nochtans vastelijk voorgenomen had te wachten, vers 2 . Psalmen 39:2 : Ik zei: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
[^psalmen-39-5-8]: Kanttekening 8: maak mij bekend mijn einde: Dit verstaan sommigen zo, dat David, (gelijk Job) verdrietig zijnde over zijn lijden, begeerd heeft te sterven. Anderen menen, dat hij door dit gebed en de volgende betrachtingen, zijn menselijke zwakte overwonnen, en zijn morren gestild heeft.
[^psalmen-39-5-9]: Kanttekening 9: Hoe lang, of hoe weinig tijds ik op aarde nog te leven heb.
[^psalmen-39-5-10]: Kanttekening 10: Hebr., eigenlijk alsof men zei: Hoe ophoudelijk ik \[zij\]; dat is, hoe vast ik ophouden zal te leven, hoe kort mijn leven, of ik van leven zij.
[^psalmen-39-6-11]: Kanttekening 11: een handbreed: Hebr. handbreedte.
[^psalmen-39-6-a]: Verwijzing a: Ps. 62:10 ; Ps. 144:4 . Psalmen 62:10 : Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid. Psalmen 144:4 : De mens is van de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^psalmen-39-6-12]: Kanttekening 12: Ofschoon hij in eer, voorspoed, vermogen en middelen op het hoogste bloeit. Verg. Jak. 4:14 . en boven, Ps. 30:7 , 30:8 . Jakobus 4:14 : U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. Psalmen 30:7 : Ik zei wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Psalmen 30:8 : Want, YHWH! U hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
[^psalmen-39-6-13]: Kanttekening 13: Hebr. alle, of de gehele ijdelheid, dat is, niets dan ijdelheid.
[^psalmen-39-6-14]: Kanttekening 14: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-39-7-15]: Kanttekening 15: Hebr., אִישׁ, de man, of een ieder; gelijk dikwijls elders.
[^psalmen-39-7-16]: Kanttekening 16: Of, gelijkenis, schijn; dat is, hij schijnt wat te zijn en is niets inderdaad, gelijk een schilderij, figuur, of schaduw, of een schijnsel en beeld, in de droom voortkomende.
[^psalmen-39-7-17]: Kanttekening 17: men brengt: Te weten, vele goederen. Verg. Pred. 2:18 , 2:19 . Prediker 2:18 : Ik haatte ook al mijn arbeid, die ik bearbeid had onder de zon, dat ik die zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal. Prediker 2:19 : Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, die ik bearbeid heb en die ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid.
[^psalmen-39-9-18]: Kanttekening 18: Hierdoor verstaan sommigen Absalom, die door enkel dwaze jeugdelijke regeerzucht zijn goede vader vervolgde; gelijk zij ook het volgende vers 10 en het begin van deze psalm passen op Simeï's vloeken, waartegen hij zich hield alsof hij stom ware geweest. Psalmen 39:10 : Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan.
[^psalmen-39-10-19]: Kanttekening 19: U hebt: Verg. 2 Sam. 12:10 , 12:11 , 12:12 ; 2 Sam. 16:10 . 2 Samuël 12:10 : Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat u Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij. 2 Samuël 12:11 : Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon. 2 Samuël 12:12 : Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^psalmen-39-11-20]: Kanttekening 20: Omdat U mij met uw strafbare hand aldus bekrijgt, of deze oorlog aandoet.
[^psalmen-39-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, al wat lieflijk, fraai, schoon en begeerlijk in hem is, doet U in der haast vergaan, gelijk een mot haast, ja meteen aangetast, verwreven en teniet is. Verg. Job 4:19 ; Job 13:28 . Jes. 50:9 ; Jes. 51:8 . Hos. 5:12 . Job 4:19 : Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten. Job 13:28 : En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet. Jesaja 50:9 : Ziet, de Heer YHWH helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten. Jesaja 51:8 : Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. Hosea 5:12 : Daarom zal Ik Efraïm zijn als een mot, en de huize van Juda als een verrotting.
[^psalmen-39-13-22]: Kanttekening 22: Of, wees niet doof, houdt U niet of U doof was tot al mijn geween, dat ik met uitstorting van tranen voor U doe.
[^psalmen-39-13-b]: Verwijzing b: Lev. 25:23 ; 1 Kron. 29:15 ; Ps. 119:19 ; Hebr. 11:13 ; 1 Petr. 2:11 . Leviticus 25:23 : Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijn, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent. 1 Kronieken 29:15 : Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting. Psalmen 119:19 : Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 1 Petrus 2:11 : Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat u u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
[^psalmen-39-13-23]: Kanttekening 23: En dienvolgens heb ik van doen dat U mij voorstaat, geleidt en helpt, totdat ik kom in het hemelse Kanaän, waar het burgerschap en het vaderland van de gelovigen is. Zie Hebr. 11:13 , 11:14 , 11:15 , 11:16 . Filipp. 3:20 . Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebreeën 11:14 : Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:15 : En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, waarvan zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; Hebreeën 11:16 : Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Filippensen 3:20 : Maar onze wandel is in de hemel, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^psalmen-39-13-24]: Kanttekening 24: Dat is, voorvaders, voorouders.
[^psalmen-39-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, houd op van mij aldus te kastijden, opdat ik niet bezwijke, en maar enigzins ademhale om mijn sterfdag, door uw genade in rust te verwachten. Verg. Ps. 27:13 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan.
[^psalmen-39-14-26]: Kanttekening 26: niet meer zij: Te weten, in dit leven, op aarde. Zie Job 3:16 . Job 3:16 : Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben.

### Psalmen 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/40.json)

*David profeteert hier, onder zijn voorbeeld, van het bitter en geduldig lijden, het vurig bidden en de wonderbare verlossing van de Heere Christus; verder van de afschaffing van de offeranden van het Oude Testament door Christus' enige offerande, en van de prediking van het Evangelie in de Kerk van Joden en heidenen; alsook van de beschaming en de ondergang van alle vijanden, en de vreugde van alle gelovigen, die Zijn heil beminnen en God daarover groot maken.*

**1** Davids psalm, voor de[^psalmen-40-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v1)

**2** Ik heb YHWH[^psalmen-40-2-2] lang verwacht; en Hij heeft[^psalmen-40-2-3] Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v2)

**3** En Hij heeft mij uit een[^psalmen-40-3-4] ruisenden kuil, uit[^psalmen-40-3-5] modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v3)

**4** En Hij heeft een[^psalmen-40-4-6] nieuw lied in mijn[^psalmen-40-4-7] mond gegeven, een lofzang voor onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op YHWH vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v4)

**5** Welgelukzalig is de man, die YHWH[^psalmen-40-5-8] tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hoogmoedigen, en die tot[^psalmen-40-5-9] leugen afwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v5)

**6** U, o YHWH, mijn God! heb Uw wonderen en Uw[^psalmen-40-6-10] gedachten aan ons[^psalmen-40-6-11] vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn[^psalmen-40-6-12] zij veelvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v6)

**7** [^psalmen-40-7-13][^psalmen-40-7-a] U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en voedseloffer; U hebt mij[^psalmen-40-7-14] de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U[^psalmen-40-7-15] niet geëist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v7)

**8** Toen zei ik: Zie,[^psalmen-40-8-16] ik kom; in de[^psalmen-40-8-17] rol van het boek is van mij geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v8)

**9** Ik heb lust, o mijn God! om Uw[^psalmen-40-9-18] welbehagen te doen; en[^psalmen-40-9-b] Uw wet is in[^psalmen-40-9-19] het midden van mijn binnenste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v9)

**10** Ik[^psalmen-40-10-20] boodschap de[^psalmen-40-10-21] gerechtigheid in de[^psalmen-40-10-c] grote[^psalmen-40-10-22] gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; YHWH! U weet het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v10)

**11** Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden van mijn hart; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw goedertierenheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v11)

**12** U, o YHWH! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij steeds behoeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v12)

**13** Want[^psalmen-40-13-23] kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn[^psalmen-40-13-24] ongerechtigheden hebben mij aangegrepen,[^psalmen-40-13-25] dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn veelvuldiger dan de haar van mijn hoofd, en mijn hart heeft mij[^psalmen-40-13-26] verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v13)

**14** [^psalmen-40-14-27] Het behage U, YHWH! mij te verlossen; YHWH! haast U tot mijn hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v14)

**15** [^psalmen-40-15-d] Laat hen samen beschaamd en schaamrood worden, die mijn[^psalmen-40-15-28] ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achteruit gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn[^psalmen-40-15-29] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v15)

**16** Laat[^psalmen-40-16-30] hen verwoest worden tot loon[^psalmen-40-16-31] van hun beschaming, die van mij zeggen:[^psalmen-40-16-32] Ha, ha! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v16)

**17** Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers van Uw heil steeds zeggen: YHWH zij[^psalmen-40-17-33] groot gemaakt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v17)

**18** Ik ben wel ellendig en arm, maar YHWH[^psalmen-40-18-34] denkt aan mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! wacht[^psalmen-40-18-35] niet langer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/40.html#v18)

[^psalmen-40-1-1]: Kanttekening 1: Zie Job 4:1 . Job 4:1 : Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei:
[^psalmen-40-2-2]: Kanttekening 2: lang verwacht: Hebr. verwachtende verwacht.
[^psalmen-40-2-3]: Kanttekening 3: Zich tot mij geneigd: Of, \[het oor\] tot mij geneigd; gelijk Ps. 17:6 . Psalmen 17:6 : Ik roep U aan, omdat U mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
[^psalmen-40-3-4]: Kanttekening 4: ruisenden kuil: Hebr. kuil, of, put van het geruis; waar de wateren steeds opwellene en opbobbelende bruisen en groot en vele waren, dat er menselijk geen uitkomen was.
[^psalmen-40-3-5]: Kanttekening 5: modderig slijk: Hebr., טִּיט, uit slijk van de modder. Verg. Ps. 69:3 . Jer. 38:6 , 38:10 . idem Job 30:19 . Psalmen 69:3 : Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Jeremia 38:6 : Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk. Jeremia 38:10 : Toen gebood de koning de Moorman Ebed-melech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uw hand, en haal de profeet Jeremia op uit de kuil, voordat hij sterft. Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
[^psalmen-40-4-6]: Kanttekening 6: nieuw lied: Zie Ps. 33:3 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^psalmen-40-4-7]: Kanttekening 7: mond gegeven: Mij een nieuw lied als zelf geleerd, en daartoe door zijn Geest aangedreven. Verg. Ex. 4:15 en Deut. 18:18 . Idem Ps. 51:17 . Exodus 4:15 : U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. Deuteronomium 18:18 : Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broers, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. Psalmen 51:17 : Heer, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.
[^psalmen-40-5-8]: Kanttekening 8: tot zijn vertrouwen: Zo dat hij op Hem alleen vertrouwt.
[^psalmen-40-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, valse, afgodische, ijdele, bedriegelijke hulp, troost en toeverlaat.
[^psalmen-40-6-10]: Kanttekening 10: Versta, gedachten van de vrede: gelijk Jer. 29:11 . Dat is, uw raad van ons wel te doen hebt U door vele wonderlijke weldaden geopenbaard. Jeremia 29:11 : Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt YHWH, gedachten van de vrede, en niet van het kwaad, dat Ik u geve het einde en de verwachting.
[^psalmen-40-6-11]: Kanttekening 11: Of, groot.
[^psalmen-40-6-12]: Kanttekening 12: Hebr. sterker. Te weten, in getal; zo vers 13 . Psalmen 40:13 : Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
[^psalmen-40-7-13]: Kanttekening 13: Dat zijn de woorden van de Heer Christus; die David door de profetische geest hier, aldus tot zijn Vader sprekende, invoert. Zie Hebr. 10:5 , 10:6 , 10:7 . Hebreeën 10:5 : Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid; Hebreeën 10:6 : Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. Hebreeën 10:7 : Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!
[^psalmen-40-7-a]: Verwijzing a: Hebr. 10:5 . Hebreeën 10:5 : Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid;
[^psalmen-40-7-14]: Kanttekening 14: Te weten, zo, dat U door die offeranden uw gerechtigheid zoudt laten genoeg gebeuren en U met de zondige mens verzoenen, want zulks onmogelijk; Hebr. 10:4 . Hebreeën 10:4 : Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.
[^psalmen-40-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, mij tot uw dienst verplicht om het middelaarsambt op mij te nemen en uw volk van zonden te verlossen; waartoe U mij een lichaam bereid hebt, om dat voor de zonden van het volk op te offeren \[gelijk de apostel dit verklaart met de woorden van de Griekse overzetting, Hebr. 10:5 , 10:10 \]. De manier van spreken is genomen van de wijze onder de Joden naar Gods wet gebruikt in het verplichten van dienaren. Zie Ex. 21:6 . Deut. 15:17 . Hebreeën 10:5 : Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid; Hebreeën 10:10 : In welke wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied. Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. Deuteronomium 15:17 : Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^psalmen-40-8-16]: Kanttekening 16: ik kom: Of, ben gekomen. Met deze en de volgende woorden verklaart de Heer Christus zijn gewillige gehoorzaamheid om het middelaarsambt, Hem van zijn Vader opgelegd, aan te nemen en uit te voeren. Zie Hebr. 10:10 . Hebreeën 10:10 : In welke wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied.
[^psalmen-40-8-17]: Kanttekening 17: Van het woord rol, zie Ezra 6:2 . Jer. 36:2 . en versta hierdoor de boeken van Mozes, in welke verscheidene zeer heerlijke profetieën van Christus gevonden worden, waarvan de eerste gegeven is in het Paradijs, Gen. 3:15 . en vervolgens aan de patriarchen, en verder zijn de sacramenten en al de offeranden voorbeeldingen op Christus geweest. Zie Luk. 24:27 . Hebr. 8:5 , 8:6 ; Hebr. 9:8 , 9:9 ; Hebr. 10:1 . enz. Ezra 6:2 : En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS; Jeremia 36:2 : Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag. Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelfde zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Lukas 24:27 : En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is. Hebreeën 8:6 : En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 9:8 : Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; Hebreeën 9:9 : Welke was een afbeelding voor die tegenwoordige tijd, in welke gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Hebreeën 10:1 : Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
[^psalmen-40-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, wat U welbehaaglijk is. Zie Spr. 10:32 . Ps. 143:10 . Spreuken 10:32 : De lippen van de rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond van de goddelozen enkel verkeerdheid. Psalmen 143:10 : Leer mij Uw welbehagen doen, want U bent mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.
[^psalmen-40-9-b]: Verwijzing b: Ps. 37:31 ; Jes. 51:7 . Psalmen 37:31 : De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen. Jesaja 51:7 : Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid kent, u volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
[^psalmen-40-9-19]: Kanttekening 19: Dat is, ik betracht haar in mijn hart, en ben geheel vuriglijk genegen om die te volbrengen. Verg. Ps. 37:31 . en onder vers 11 . Psalmen 37:31 : De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen. Psalmen 40:11 : Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
[^psalmen-40-10-20]: Kanttekening 20: Of, Evangeliseer, heb geëvangeliseerd, en zo in het volgende.
[^psalmen-40-10-21]: Kanttekening 21: Zie Rom. 3:21 , 3:22 . Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: Romeinen 3:22 : Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.
[^psalmen-40-10-c]: Verwijzing c: Ps. 35:18 ; Ps. 111:1 . Psalmen 35:18 : Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen. Psalmen 111:1 : Hallelujah! Aleph. Ik zal YHWH loven van ganser hart; Beth. In de raad en vergadering van de oprechten.
[^psalmen-40-10-22]: Kanttekening 22: Verg. Ps. 22:23 . Psalmen 22:23 : Zo zal ik Uw Naam mijn broers vertellen; in het midden van de gemeente zal ik U prijzen.
[^psalmen-40-13-23]: Kanttekening 23: Dat is, zwarigheden, ellenden; zo vers 15 . Psalmen 40:15 : Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
[^psalmen-40-13-24]: Kanttekening 24: Als men dit van de zonden verstaat, zo spreekt David dit voor zichzelven en niet van de Heer Christus, die het onbevlekte Lam van God en zonder zonde geweest is; hoewel hij anderzins voor onze zonden als borg heeft willen betalen, 2 Kor. 5:21 . en haar straf dragen, Jes. 53:5 , 53:6 , 53:8 , 53:10 , 53:11 . gelijk men het woord ongerechtigheden hier ook kan nemen voor straffen van de ongerechtigheden. Zie Ps. 31:11 . Zo is het voorgaande woord kwade ook genomen voor het kwaad van de straf, dat is lijden, ellende, enz. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:6 : Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Jesaja 53:8 : Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest. Jesaja 53:10 : Maar het behaagde YHWH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van YHWH zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Psalmen 31:11 : Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
[^psalmen-40-13-25]: Kanttekening 25: dat ik niet heb kunnen zien: Anders, en ik heb haar niet kunnen overzien; te weten, vanwege de menigte.
[^psalmen-40-13-26]: Kanttekening 26: Verg. Ps. 38:11 . Psalmen 38:11 : Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht van mijn ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.
[^psalmen-40-14-27]: Kanttekening 27: Verg. de volgende verzen met Ps. 70 .
[^psalmen-40-15-d]: Verwijzing d: Ps. 35:4 ; idem 35:26 ; Ps. 70:3 ; Ps. 71:13 . Psalmen 35:4 : Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 70:3 : Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Psalmen 71:13 : Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
[^psalmen-40-15-28]: Kanttekening 28: ziel zoeken: Zie 2 Sam. 4:8 . 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^psalmen-40-15-29]: Kanttekening 29: Gelijk boven, vers 13 . Psalmen 40:13 : Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
[^psalmen-40-16-30]: Kanttekening 30: Of, verbaasd.
[^psalmen-40-16-31]: Kanttekening 31: hun beschaming: Dat is, tot een loon van de beschaamdheid, die zij mij zoeken aan te doen. Of, vanwege de beschaamdheid, of vanwege de schaamte, die zij mij zoeken aan te doen. Anders, ten einde dat zij beschaamd worden. Zie van het Hebr. woord, dat hier loon is overgezet, Ps. 19:12 . Psalmen 19:12 : Ook wordt Uw knecht door dezelfde duidelijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
[^psalmen-40-16-32]: Kanttekening 32: Ha, ha: Als boven Psalm 35:21 , 35:25 . Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Psalmen 35:25 : Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
[^psalmen-40-17-33]: Kanttekening 33: groot gemaakt: Als Psalm 35:27 . Psalmen 35:27 : Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij YHWH, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht!
[^psalmen-40-18-34]: Kanttekening 34: Om mij ter rechter tijd te helpen. Zie Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^psalmen-40-18-35]: Kanttekening 35: vertoef niet: Hebr., תְּאַחַֽר, wees niet achter.

### Psalmen 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/41.json)

*David, in een zware ziekte of andere benauwdheid vervallen zijnde, beschrijft de zegen die degene van God ontvangen zal die zich godzalig en barmhartig gedraagt tegenover de bedrukte; hij bidt God om genade en klaagt zeer aangrijpend over de bitterheid van zijn valse vrienden, in het bijzonder over de ontrouw van één vriend, die een voorbeeld was van de verrader Judas; maar hij verzekert zich van Gods gunst en looft Hem hartelijk.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-41-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v1)

**2** Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt tegenover een[^psalmen-41-2-2] ellendige; YHWH zal hem bevrijden op de dag van[^psalmen-41-2-3] het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v2)

**3** YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij[^psalmen-41-3-4] het leven behouden; hij zal op[^psalmen-41-3-5] aarde gelukzalig gemaakt worden.[^psalmen-41-3-6] Geef hem ook niet over aan de begeerte van zijn vijanden.[^psalmen-41-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v3)

**4** YHWH zal hem ondersteunen op het[^psalmen-41-4-8] ziekbed; in zijn ziekte[^psalmen-41-4-9] verandert U zijn hele bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v4)

**5** Ik[^psalmen-41-5-10] zei: O YHWH! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v5)

**6** [^psalmen-41-6-11] Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v6)

**7** En zo iemand van hen komt, om mij te[^psalmen-41-7-12] zien, hij spreekt[^psalmen-41-7-13] valsheid; zijn hart verzamelt zich[^psalmen-41-7-14] onrecht;[^psalmen-41-7-15] gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v7)

**8** Al mijn vijanden[^psalmen-41-8-16] mompelen samen tegen mij; ze bedenken tegen mij,[^psalmen-41-8-17] wat mij kwaad is, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v8)

**9** Een vervloekt iets[^psalmen-41-9-18] kleeft hem aan; en hij, die neerligt, zal niet[^psalmen-41-9-19] weer opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v9)

**10** Zelfs[^psalmen-41-10-20] de man van mijn vrede, op wie ik vertrouwde,[^psalmen-41-10-a] die mijn[^psalmen-41-10-21] brood at, heeft de hiel tegen mij[^psalmen-41-10-22] enorm verheven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v10)

**11** Maar U, o YHWH! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het[^psalmen-41-11-23] hun vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v11)

**12** Hierbij[^psalmen-41-12-24] weet ik, dat U lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal[^psalmen-41-12-25] juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v12)

**13** Want wat mij betreft, U[^psalmen-41-13-26] onderhoudt mij in mijn oprechtheid, en U[^psalmen-41-13-27] stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v13)

**14** Geloofd zij YHWH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.[^psalmen-41-14-28][^psalmen-41-14-29][^psalmen-41-14-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/41.html#v14)

[^psalmen-41-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-41-2-2]: Kanttekening 2: Het Hebr. woord דָּל, wordt dal betekent een dunne, magere, uitgeteerde van vermogen, zo van het lichaam, dat is, een zieke, als van de goederen en middelen, dat is, een arme. \[Zie Job 5:15 \]. Hier schijnt het gebruikt te worden van een zieke; want David ziek geweest zijnde, of \[zo sommigen\] nog enigzins zijnde, en ondervonden hebbende hoe wèl het hem deed, dat hem vrome mensen met oprecht en godzalig medelijden trouwhartiglijk bezocht en getroost hadden, en hoe wee het hem integendeel deed, dat de huichelaars, hem met een vals hart bezoekende, achter zijn rug zeer schandelijk van hem geoordeeld en gesproken hadden en nog dede, heeft de vromen met deze psalm heiliglijk willen bedanken en zijn valse vrienden en bedekte vijanden beschamen. Job 5:15 : Maar Hij verlost de behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand van de sterke.
[^psalmen-41-2-3]: Kanttekening 3: van het kwaad: Dat is, in tijd van ongeval, tegenspoed.
[^psalmen-41-3-4]: Kanttekening 4: leven behouden: Of, verkwikken, gezond maken. Want het Hebr. woord \[dat eigenlijk levendmaken betekent\] wordt zo ook genomen.
[^psalmen-41-3-5]: Kanttekening 5: gelukzalig gemaakt: Verg. 1 Tim. 4:8 . Of, voor gelukzalig gehouden, geroemd worden. 1 Timotheüs 4:8 : Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven.
[^psalmen-41-3-6]: Kanttekening 6: Of, U zult hem niet overgeven, enz. David spreekt hier God aan.
[^psalmen-41-3-7]: Kanttekening 7: Hebr., נֶפֶשׁ, ziel; dat is hier begeerte, lust wil. Zie Ps. 27:12 . Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^psalmen-41-4-8]: Kanttekening 8: Of, bed, of koets van de flauwigheid, zwakheid, matigheid.
[^psalmen-41-4-9]: Kanttekening 9: Of, hebt U veranderd; dat is, U, o God, zult zijn krankte zo zeker ten beste veranderen, alsof ik het al geschied zag; op profetische wijze gesproken. Of, U keert, of wendt zijn gehele leger; dat is, U bent hem inplaats van alle menselijke hulp, die men een zieke placht aan te doen.
[^psalmen-41-5-10]: Kanttekening 10: Te weten, in mijn krankte; Anders, ik zeg.
[^psalmen-41-6-11]: Kanttekening 11: Mijn vijanden: Dit en het volgende nemen sommigen zo, dat David hier verder verhaalt wat hij van zijn wedervaren ten tijde van zijn ziekte voor God geklaagd en gezegd heeft, en dienvolgens zetten zij het over, spraken, en zo in de twee volgende verzen.
[^psalmen-41-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, om mij te bezoeken, te zien hoe het met mij is.
[^psalmen-41-7-13]: Kanttekening 13: Hij houdt zich of hij het van harte wel meende, maar denkt mij alles kwaads toe, dat hij uitspreekt als hij van mij is, bij zijns gelijken.
[^psalmen-41-7-14]: Kanttekening 14: Of, ondeugd, ongerechtigheid, verdriet, boosheid.
[^psalmen-41-7-15]: Kanttekening 15: gaat hij uit: Of, gaat uit, buiten spreekt hij er van.
[^psalmen-41-8-16]: Kanttekening 16: Zij spreken met elkaar stilletjes en binnensmonds, gelijk men zegt. Zo wordt hetzelfde woord gebruikt, 2 Sam. 12:19 . 2 Samuël 12:19 : Maar David zag, dat zijn knechten mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Daarom zei David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.
[^psalmen-41-8-17]: Kanttekening 17: Anders, zij bedenken over mij kwaad; \[dat\] mij tegen \[is\].
[^psalmen-41-9-18]: Kanttekening 18: kleeft hem aan: Of, benauwt hem. Zij willen zeggen: Hij heeft ergens Belials- of schelmstuk, boevenstuk, bedreven, waarom hij met deze Belialsplaag \[waarvan sommigen dit verstaan\] beleden is, daarom moet hij voort; gelijk Jobs vrienden hem als een goddelozen om zijn vreemd lijden veroordelen. Van het woord Belial, zie Deut. 13:13 . en verg. 2 Sam. 22:5 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt; 2 Samuël 22:5 : Want baren van de dood hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.
[^psalmen-41-9-19]: Kanttekening 19: niet weer: Hebr. niet toedoen, of voortvaren op te staan.
[^psalmen-41-10-20]: Kanttekening 20: de man: Dat is, mijn vredegenoot, bondgenoot, met wie ik in vrede leefde. Verg. 2 Sam. 8:10 , Jer. 20:10 ; idem Ps. 55:21 . 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Jeremia 20:10 : Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. Psalmen 55:21 : Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
[^psalmen-41-10-a]: Verwijzing a: Joh. 13:18 . Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.
[^psalmen-41-10-21]: Kanttekening 21: Met mij dagelijks ter tafel ging, en met mij zeer gemeenzaamlijk leefde.
[^psalmen-41-10-22]: Kanttekening 22: grotelijks verheven: Hebr., הִגְדִּיל, groot gemaakt. Het is een gelijkenis, genomen van de beesten, die met de hielen achteruitslaan en iemand kwetsen. De zin is: Hij heeft zich dartel, trouweloos en ondankbaar tegen mij opgesteld, om mij met list of geweld onder de voeten te werpen. Verg. Deut. 32:15 . Deze woorden worden ook op de verrader Judas en de Here Christus \[wiens voorbeeld David was\] toegepast, Joh. 13:18 . gelijk meer andere redenen in deze psalm op Christus geduid worden. Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils. Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.
[^psalmen-41-11-23]: Kanttekening 23: Als hun heer zijnde en gesteld tot bestraffing van de bozen en bescherming van de vromen, zal ik hen volgens mijn ambt en hun verdiensten behandelen. Want alhoewel U recht hebt mij te kastijden, zo hebbe zij toch geen recht of reden om met mij, hun goedigen heer zo trouweloos en vals te handelen.
[^psalmen-41-12-24]: Kanttekening 24: weet ik: Of, heb ik gemerkt.
[^psalmen-41-12-25]: Kanttekening 25: Dat U, mij verlossende, mijn vijand de oorzaak van een groot vreugdegeschrei over mijn ondergang \[die hij wenst\] beneemt.
[^psalmen-41-13-26]: Kanttekening 26: Of, hebt mij onderhouden, of ondersteund, en hebt mij gesteld, enz.
[^psalmen-41-13-27]: Kanttekening 27: Om mij als onder uw ogen, opzicht en vaderlijke zorg steeds te hebben, en mij genadiglijk te behouden, dat ik U hier als koning mag dienen en hierna uw heerlijkheid aanschouwen in eeuwigheid.
[^psalmen-41-14-28]: Kanttekening 28: Hebr., בָּרוּךְ, gezegend.
[^psalmen-41-14-29]: Kanttekening 29: Zie van dit woord Num. 5:22 . Numeri 5:22 : Dat ditzelfde water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!
[^psalmen-41-14-30]: Kanttekening 30: Deze herhaling van het woord Amen beduidt hier een zeer vast vertrouwen en hartelijken ijver van de profeet, dienende om dergelijke in de harten van de vromen te verwekken.

### Psalmen 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/42.json)

*De profeet klaagt bitter, in zijn ballingschap, over het ontberen van de openbare godsdienst en over de godslasteringen van zijn vijanden, waardoor zijn geest overstelpt wordt; maar hij wekt zijn ziel weer op tot een vaste hoop en vertrouwen op Gods genade.*

**1** [^psalmen-42-1-1] Een onderwijzing, voor de[^psalmen-42-1-2] opperzangmeester, onder de[^psalmen-42-1-3] kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v1)

**2** Gelijk een[^psalmen-42-2-4] hert[^psalmen-42-2-5] schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v2)

**3** [^psalmen-42-3-a] Mijn ziel[^psalmen-42-3-6] dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik[^psalmen-42-3-7] ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v3)

**4** [^psalmen-42-4-b] Mijn tranen zijn mij tot[^psalmen-42-4-8] voedsel dag en nacht; omdat zij de hele dag tot mij zeggen:[^psalmen-42-4-9] Waar is uw God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v4)

**5** Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit[^psalmen-42-5-10] in mij, omdat ik was gewend heen te gaan onder de menigte, en met hen[^psalmen-42-5-11] te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v5)

**6** [^psalmen-42-6-c] Wat[^psalmen-42-6-12] buigt u zich neer, o mijn ziel! en bent onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven[^psalmen-42-6-13] voor de verlossingen van Zijn[^psalmen-42-6-14] aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v6)

**7** O mijn God! mijn ziel buigt zich neer in mij, daarom gedenk ik aan U uit het land van[^psalmen-42-7-15] de Jordaan, en[^psalmen-42-7-16] Hermon, uit het[^psalmen-42-7-17] klein gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v7)

**8** [^psalmen-42-8-18] De afgrond roept tot de afgrond, bij[^psalmen-42-8-19] het geluid[^psalmen-42-8-20] van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v8)

**9** [^psalmen-42-9-21] Maar YHWH zal overdag Zijn goedertierenheid[^psalmen-42-9-22] gebieden, en in de nacht[^psalmen-42-9-23] zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God[^psalmen-42-9-24] van mijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v9)

**10** Ik zal zeggen tot God:[^psalmen-42-10-25] Mijn Steenrots! waarom[^psalmen-42-10-26] vergeet U mij? Waarom ga ik in[^psalmen-42-10-27][^psalmen-42-10-d] het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v10)

**11** Met een[^psalmen-42-11-28] doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, als zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v11)

**12** Wat buigt u zich neer, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de[^psalmen-42-12-29] veelvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/42.html#v12)

[^psalmen-42-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Anders, een onderwijzing van de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester; en zo in enige volgende psalmen. Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-42-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Dit moet men zo verstaan, dat de profeet deze psalm ten tijde van zijn vluchten voor Saul \[naar het meeste gevoelen\] gemaakt hebbende, naderhand, als hij koning en de ark in Zion was, gegeven heeft om in Gods huis gezongen te worden. Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-42-1-3]: Kanttekening 3: kinderen van Korach: Dat is, nakomelingen van Korach, wiens oproer en ondergang beschreven wordt, Num. 16 . Deze Korach was een kindskind van Kahath, zoon van Levi. Wie nu onder de Kahathieten opperzangmeester bij Davids tijd in Gods huis geweest is, zie daarvan 1 Kron. 6:33 . 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,
[^psalmen-42-2-4]: Kanttekening 4: Of, hinde; omdat het bijvoegde woord in het Hebr., in het vrouwelijk geslacht gesteld is, hoewel de Hebreën anderzins ook een eigen woord hebben, dat hinde, betekent.
[^psalmen-42-2-5]: Kanttekening 5: Het Hebr. woord wordt alleen gevonden hier en in Joël 1:20 , alwaar het de beesten van het veld in het algemeen wordt toegeëigend om uit te drukken hun geschreeuw of geroep, dat elk beest op zijn wijze maakt wanneer zij grote dorst hebben en naar water verlangen, uit welke oorzaak de dorst ook mag veroorzaakt wezen, hetzij door gebrek aan water in het algemeen, of door grote hitte wanneer zij gejaagd zijn, enz., gelijk David in zijn ballingschap wel terecht, als het wild, van Saul is omgejaagd, waarin hem nochtans meest verdroot dat hij van de openbare reine godsdienst beroofd was, gelijk in het volgende verklaard wordt. Joël 1:20 : Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.
[^psalmen-42-3-a]: Verwijzing a: Ps. 63:2 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
[^psalmen-42-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, verlangt bovenmate zeer. Verg. Ps. 63:2 . Jes. 55:1 . Joh. 7:37 . Openb. 22:17 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Jesaja 55:1 : O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Openbaring 22:17 : En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water van het leven om niet.
[^psalmen-42-3-7]: Kanttekening 7: In het huis van de Heer, waar de openbare godsdienst verricht wordt, en waar de ark van het verbond is, waarop God woont; 2 Sam. 6:2 . 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^psalmen-42-4-b]: Verwijzing b: Ps. 80:6 . Psalmen 80:6 : U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
[^psalmen-42-4-8]: Kanttekening 8: Hebr., לֶחֶם, brood; dat is, ik voed en verzadig mij met tranen, gelijk een ander met voedsel. Verg. Ps. 80:6 . Psalmen 80:6 : U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
[^psalmen-42-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, waar is nu de hulp van uw God, op wie u u verlaten hebt? zo onder, vers 11 . enz. Psalmen 42:11 : Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
[^psalmen-42-5-10]: Kanttekening 10: in mij: Of, bij mijzelf; dat is, ik verga, bezwijk, mijn krachten begeven mij, mijn hart smelt weg, breekt mij \[gelijk men zegt\] van verdriet. Verg. Job 30:16 . Klaagl. 2:12 . Anders wordt door de uitstorting van het hart ook verstaan de uiting van alle gedachten en begeerte door het gebed, gelijk 1 Sam. 1:15 . Ps. 62:9 . Job 30:16 : Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen van de druk grijpen mij aan. Klaagliederen 2:12 : Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot van hun moeders. 1 Samuël 1:15 : Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterken drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van YHWH. Psalmen 62:9 : Vertrouw op Hem te allen tijde, o u volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
[^psalmen-42-5-11]: Kanttekening 11: te treden: Of, zediglijk, statiglijk, zachtjes treden. Het Hebr. woord wordt alleen hier en in Jes. 38:15 . gevonden, betekenende, naar het meeste gevoelen, wat hier gesteld is. Anders wakker heen te treden. Jesaja 38:15 : Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, zo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid van mijn ziel.
[^psalmen-42-6-c]: Verwijzing c: Ps. 43:5 . Psalmen 43:5 : Wat buigt u u neder, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
[^psalmen-42-6-12]: Kanttekening 12: Of, zijt nedergebogen. Hier beschrijft David zijn geestelijken strijd, die hij in zijn kruis gehad heeft.
[^psalmen-42-6-13]: Kanttekening 13: loven voor de: Of, ik zal Hem nog loven, zijn aangezicht, \[dat is, zijn genadige aanwezigheid\] \[is\] een gewisse, of menigvuldige behoudenis.
[^psalmen-42-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, die van zijn genadige aanwezigheid zullen voortkomen, die Hij volgens zijn woord aan mij bewijzen zal.
[^psalmen-42-7-15]: Kanttekening 15: Sommigen verstaan dat David hier ziet op drie gebieden van Kanaän, willende zeggen, waarheen hij ook zou mogen gejagen worden, dat hij niettemin God overal gedenkt en tot Hem toevlucht neemt, hetzij in het oosten van Kanaän, waar de Jordaan is, hetzij in het noorden, waar de bergen Libanon en Hermon zijn, hetzij in het zuiden, waar Juda met kleine bergen, als de noordelijke zijde, besloten is. Ondertussen kan dit ook een reden zijn van zijn verslagenheid, dat hij inplaats van de godsdienst bij te wonen, \[gelijk hij tevoren gewoon was te doen\] aldus moet omzwerven in de uiterste palen van Israël. Waarom sommigen dit overzetten: omdat ik U gedenke.
[^psalmen-42-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, de bergen Hermons, of van de Hermonieten; dat is, die aan dat gebergte wonen. Zie van Hermon Deut. 3:8 . Deuteronomium 3:8 : Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe;
[^psalmen-42-7-17]: Kanttekening 17: klein gebergte: Anders, uit het gebergte Mitsar, houdende dit voor een eigen naam van zeker gebergte.
[^psalmen-42-8-18]: Kanttekening 18: De afgrond: Of, afgrond aan afgrond roept; dat is, de ene afgrond volgt op de andere; het ene gevaar is niet over, of het andere komt er op. De profeet wil zeggen dat hem God zoveel lijden toezendt, dat hij als een, die bij groot onweer in een onstuimige en toornige zee vaart, waar het niet anders schijnt dan alsof hij slag op slag van de hoogte in de afgrond zal nederzinken. Verg. Ps. 107:24 , 107:25 , 107:26 . enz. Psalmen 107:24 : Die zien de werken van YHWH, en Zijn wonderwerken in de diepte. Psalmen 107:25 : Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft. Psalmen 107:26 : Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
[^psalmen-42-8-19]: Kanttekening 19: Hebr., קוֹל, eigenlijk stem; maar het Hebr. woord wordt van allerlei geluid gebruikt.
[^psalmen-42-8-20]: Kanttekening 20: Versta, geweldigen regen, die van de wind gedreven zijnde, zulks een gedruis en bruisen maakt als sterk lopende wateren, die door kanalen of sluizen van de hoogte in de laagte nederstorten.
[^psalmen-42-9-21]: Kanttekening 21: Maar : Alsof hij zei: Dit is het alleen; dat mij dag en nacht behoudt; zonder dat ware ik een verloren man.
[^psalmen-42-9-22]: Kanttekening 22: Zie van deze manier van spreken Lev. 25:21 . en verg. Ps. 44:5 . Leviticus 25:21 : Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Psalmen 44:5 : U Zelf bent mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.
[^psalmen-42-9-23]: Kanttekening 23: Zijn lied: Dat is, van Hem, die mij altijd oorzaak geeft om Hem te danken en te bidden. Verg. Job 35:10 . Jes. 30:29 . Job 35:10 : Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht? Jesaja 30:29 : Er zal een lofzang bij u zijn, gelijk in de nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap van de harten, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen tot de berg van YHWH, tot de Rotssteen van Israël.
[^psalmen-42-9-24]: Kanttekening 24: mijns levens: Dat is, die mij wonderbaarlijk bij het leven houdt en in alle gevaren bewaart.
[^psalmen-42-10-25]: Kanttekening 25: Mijn Steenrots: Dat is, bij God, die mijn steenrots \[dat is, toevlucht en bescherming\] is, zal ik deze vrijheid gebruiken, dat ik Hem aldus klagelijk aanspreek.
[^psalmen-42-10-26]: Kanttekening 26: Uit de voorgaande woorden van geloof blijkt dat dit geen woorden van ongeloof zijn, maar deze zin hebben: omdat ik geloof dat U mijn sterkte bent, waarom zoudt U mij dan vergeten? dat is, uw hulp opschorten alsof U mij hadt vergeten. Verg. Ps. 43:2 . Gen. 8:1 . Psalmen 43:2 : Want U bent de God van mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^psalmen-42-10-27]: Kanttekening 27: in het zwart: Zie Ps. 35:14 . Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^psalmen-42-10-d]: Verwijzing d: Ps. 35:14 ; Ps. 38:7 ; Ps. 43:2 . Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. Psalmen 38:7 : Ik ben krom geworden, ik ben bovenmate zeer nedergebogen; ik ga de gansen dag in het zwart. Psalmen 43:2 : Want U bent de God mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand?
[^psalmen-42-11-28]: Kanttekening 28: Of, zwaard, moordpriem. Hebr. doding, en verder \[omdat zij instrumenten zijn, waarmee iemand gedood wordt\] een zwaard, moordpriem, enz. Hij wil zeggen dat hem zulks zo wee doet, alsof zij hem met een zwaard of moordpriem doorstaken of in zijn hart staken. Want de beenderen worden zo voor het lichaam, het binneste en de vastheid, sterkte, vermogen en gezondheid van de mens genomen. Zie Job 7:15 . Ps. 35:10 . Job 7:15 : Zodat mijn ziel de verworging kiest; de dood meer dan mijn beenderen. Psalmen 35:10 : Al mijn beenderen zullen zeggen: YHWH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover.
[^psalmen-42-12-29]: Kanttekening 29: menigvuldige Verlossing: Hebr., יְשׁוּעֹת, verlossing. Boven vers 6 , heeft hij gezegd dat zijn heil, zijn verlossing of behoudenis van Gods aangezicht kwam, of in zijn lieflijk aangezicht bestond; hier zegt hij nu dat God de behoudenis van zijn \[van de profeet\] aangezicht is; dat is, waarop hij ziet, of, die hem dagelijks voor ogen komt. Hij schijnt te willen zeggen dat hem God zo steeds verlost en behoudt, dat het ogenschijnlijk is, dat hij het duidelijk voor zijn ogen ziet, buiten dat zou hij telkens verloren zijn. Psalmen 42:6 : Wat buigt u u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht.

### Psalmen 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/43.json)

*David bidt om recht tegen zijn wrede en arglistige vijanden; hij klaagt God zijn nood, begeert genadige vervulling van Zijn beloften, en richt zijn verslagen ziel op door geloof en vertrouwen.*

**1** Doe mij recht, o God! en[^psalmen-43-1-1] twist U mijn rechtszaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de[^psalmen-43-1-2] man van het bedrog en van het onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/43.html#v1)

**2** Want U bent de God van mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in[^psalmen-43-2-3][^psalmen-43-2-a] het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/43.html#v2)

**3** Zend Uw[^psalmen-43-3-4] licht en Uw[^psalmen-43-3-5] waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de[^psalmen-43-3-6] berg van Uw heiligheid, en tot Uw[^psalmen-43-3-7] woningen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/43.html#v3)

**4** En dat ik inga tot Gods[^psalmen-43-4-8] altaar, tot de God[^psalmen-43-4-9] van de blijdschap van mijn verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/43.html#v4)

**5** [^psalmen-43-5-10][^psalmen-43-5-b] Wat buigt u zich neer, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de[^psalmen-43-5-11] veelvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/43.html#v5)

[^psalmen-43-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 35:1 . Psalmen 35:1 : Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
[^psalmen-43-1-2]: Kanttekening 2: man van het bedrog: Die met list en onrecht, of verkeerdheid, mij vervolgt en zoekt te overvallen; zodanige zijn geweest Saul met zijn raadslieden en Absalom, enz. Verg. Ps. 5:7 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^psalmen-43-2-3]: Kanttekening 3: in het zwart: Zie Ps. 35:14 . Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^psalmen-43-2-a]: Verwijzing a: Ps. 35:14 ; Ps. 38:7 ; Ps. 42:10 . Psalmen 35:14 : Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. Psalmen 38:7 : Ik ben krom geworden, ik ben bovenmate zeer nedergebogen; ik ga de gansen dag in het zwart. Psalmen 42:10 : Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet U mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand?
[^psalmen-43-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, het licht uws aangezichts \[gelijk dikwijls, en onder Ps. 44:4 \], of, uw gunst en liefde, waardoor de duisternis van mijn verdriet en ellende verdreven wordt. Zie Ps. 27:1 . Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt. Psalmen 27:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn?
[^psalmen-43-3-5]: Kanttekening 5: Uw beloften, die U mij gedaan hebt.
[^psalmen-43-3-6]: Kanttekening 6: berg van uw heiligheid: Omdat dit gemeenlijk van de berg Zion \[zie Ps. 2:6 \] genomen wordt, verstaan sommigen dat deze psalm niet bij Sauls tijd, \[want de tabernakel was toen daar nog niet\] maar in een volgenden tijd gemaakt is, als ten tijde van Absaloms vervolging, enz. Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid.
[^psalmen-43-3-7]: Kanttekening 7: Of, tenten ; omdat dit woord hier staat in het getal van velen, menen sommigen dat zulks ziet op de verscheidene plaatsen van de godsdienst, bij Sauls en Davids tijd. De plaats van Mozes' tabernakel was te Nob, en daarna te Gibeon; 1 Sam. 21:1 ; 1 Kon. 3:4 , en 1 Kron. 16:39 . De plaats van de ark was te Kirriath Jearim, totdat David haar vandaar haalde in Zion, 1 Sam. 7:1 , 7:2 , en 2 Sam. 6:3 , 6:4 . Anderen verstaan dat het eenvoudiglijk ziet op de verscheidene woningen van Gods huis, als het allerheiligste, heilige en de voorhof, enz. Verg. Ps. 46:5 , en Ps. 84:2 . 1 Samuël 21:1 : Toen kwam David te Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u alleen, en geen man met u? 1 Koningen 3:4 : En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar. 1 Kronieken 16:39 : En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van YHWH op de hoogte, welke te Gibeon is; 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. 1 Samuël 7:2 : En het geschiedde, van die dag af, dat de ark van de Heer te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het gehele huis van Israël klaagde YHWH achterna. 2 Samuël 6:3 : En zij voerden de ark van God op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 2 Samuël 6:4 : Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel is, met de ark van God, wegvoerden, zo ging Ahio voor de ark heen. Psalmen 46:5 : De beekjes van de rivier zullen verblijden de stad van God, het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste. Psalmen 84:2 : Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o YHWH van de legermachten!
[^psalmen-43-4-8]: Kanttekening 8: Het brandofferaltaar.
[^psalmen-43-4-9]: Kanttekening 9: van de blijdschap: Dat is, die mij oorzaak geeft van zonderlinge grote vreugde, inwendiglijk in mijn hart en uitwendiglijk in gebaren van blijdschap.
[^psalmen-43-5-10]: Kanttekening 10: Uit de gelijkheid van de woorden, die in deze en de voorgaande psalm gevonden wordt, nemen enigen af dat deze psalmen beiden op één tijd, of immers in gelijken toestand van David gemaakt zijn, als wanneer hij moest vluchten, eerst voor Saul en daarna voor Absalom.
[^psalmen-43-5-b]: Verwijzing b: Ps. 42:6 ; idem v. 12 . Psalmen 42:6 : Wat buigt u u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht. Psalmen 42:12 : Wat buigt u u neder, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.
[^psalmen-43-5-11]: Kanttekening 11: menigvuldige Verlossing: Gelijk Ps. 42:12 ; zie de aantekening daar. Psalmen 42:12 : Wat buigt u u neder, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

### Psalmen 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/44.json)

*De Kerk troost en sterkt zichzelf door overdenking van Gods vroegere weldaden, maar stelt Hem daartegenover uitvoerig en zeer klagend haar tegenwoordige ellendige staat onder het geweld van haar vijanden voor; waarin zij, betuigend van haar standvastigheid in geloof en gehoorzaamheid, smeekt om verlossing.*

**1** Een[^psalmen-44-1-1] onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v1)

**2** O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze[^psalmen-44-2-2] vaders hebben het ons verteld: U hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de[^psalmen-44-2-3] dagen van ouds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v2)

**3** U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar[^psalmen-44-3-4] hen[^psalmen-44-3-a] geplant; U hebt de volken[^psalmen-44-3-5] geplaagd, hen daarentegen doen[^psalmen-44-3-6] voortschieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v3)

**4** Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen[^psalmen-44-4-7] heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het[^psalmen-44-4-8] licht van Uw aangezicht, omdat U een welbehagen in hen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v4)

**5** U Zelf bent[^psalmen-44-5-9] mijn Koning, o God![^psalmen-44-5-10] gebied de verlossingen[^psalmen-44-5-11] van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v5)

**6** Door U zullen wij onze tegenstanders met[^psalmen-44-6-12] hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v6)

**7** Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v7)

**8** Maar U verlost ons van onze tegenstanders, en U maakt onze vijanden beschaamd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v8)

**9** In God roemen wij de hele dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid.[^psalmen-44-9-13] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v9)

**10** Maar nu hebt U ons[^psalmen-44-10-b] verstoten en te schande gemaakt, omdat U met onze legers niet uittrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v10)

**11** U doet ons[^psalmen-44-11-14] achteruit keren van de tegenstander; en onze vijanden beroven[^psalmen-44-11-15] ons voor zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v11)

**12** U geeft ons over als[^psalmen-44-12-16] schapen ter voedsel, en U verstrooit ons onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v12)

**13** U verkoopt Uw volk voor geen prijs; en U verhoogt[^psalmen-44-13-17][^psalmen-44-13-18] hun prijs niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v13)

**14** U stelt ons onze buren tot[^psalmen-44-14-c] smaad, tot spot en schimp van hen, die rondom ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v14)

**15** U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een[^psalmen-44-15-19] hoofdschudding onder de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v15)

**16** Mijn schande is de hele dag voor mij, en de schaamte van mijn aangezicht bedekt mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v16)

**17** Om de stem van de honer en van de lasteraar, vanwege de vijand en de wraakgierige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v17)

**18** Dit alles is ons overkomen, toch hebben[^psalmen-44-18-20] wij U niet vergeten, noch vals gehandeld tegen Uw verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v18)

**19** Ons hart is niet achteruit gekeerd, noch onze gang geweken van Uw[^psalmen-44-19-21] pad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v19)

**20** Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van[^psalmen-44-20-22] de draken, en ons met een[^psalmen-44-20-23] doodsschaduw bedekt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v20)

**21** Zo wij de Naam van onze God hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde God[^psalmen-44-21-24] uitgebreid, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v21)

**22** Zou God dat niet onderzoeken? Want Hij weet de geheimen van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v22)

**23** [^psalmen-44-23-d] Maar[^psalmen-44-23-25] om Uwentwil worden wij de hele dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v23)

**24** [^psalmen-44-24-26] Waak op, waarom zou U slapen, YHWH! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v24)

**25** Waarom zou U Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v25)

**26** Want onze ziel is in[^psalmen-44-26-27] het stof neergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v26)

**27** Sta op, ons[^psalmen-44-27-28] ter hulp, en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/44.html#v27)

[^psalmen-44-1-1]: Kanttekening 1: Zie van deze titel Ps. 42:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-44-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, voorvaders, de één voor, de ander na.
[^psalmen-44-2-3]: Kanttekening 3: dagen van ouds: Hebr., בִֽ, dagen van de oudheid.
[^psalmen-44-3-4]: Kanttekening 4: Te weten, onze voorvaders.
[^psalmen-44-3-a]: Verwijzing a: Ex. 15:17 ; Ps. 80:9 . Exodus 15:17 : Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH! Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant;
[^psalmen-44-3-5]: Kanttekening 5: Hebr., תָּרַע, kwaad gedaan; dat is, in het verderf gebracht, allerlei plagen aangedaan.
[^psalmen-44-3-6]: Kanttekening 6: Als een wijnstok wijd en zijd uit gebreid. Zie Ps. 80 . 9,10, enz.
[^psalmen-44-4-7]: Kanttekening 7: Of, overwinning. Zie 2 Sam. 8:6 . 2 Samuël 8:6 : En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en YHWH behoedde David overal, waar hij heentoog.
[^psalmen-44-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, uw genadige aanwezigheid, gunst en bijstand. Verg. Ps. 43:3 , en Num. 6:25 , 6:26 . Psalmen 43:3 : Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg van Uw heiligheid, en tot Uw woningen; Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
[^psalmen-44-5-9]: Kanttekening 9: mijn Koning: Aldus spreekt de profeet hier, en in het volgende, in de naam van de kerk.
[^psalmen-44-5-10]: Kanttekening 10: Gelijk Ps. 42:9 . Zie Lev. 25:21 . Psalmen 42:9 : Maar YHWH zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden, en in de nacht zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens. Leviticus 25:21 : Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.
[^psalmen-44-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, Jakobs nakomelingen, uw volk Israël.
[^psalmen-44-6-12]: Kanttekening 12: Een gelijkenis, genomen van de gehoornde beesten. Zie Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^psalmen-44-9-13]: Kanttekening 13: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-44-10-b]: Verwijzing b: Ps. 60:3 ; Ps. 74:1 ; Ps. 89:39 ; Ps. 108:12 . Psalmen 60:3 : O God! U hadt ons verstoten, U hadt ons gescheurd, U bent toornig geweest; keer weer tot ons. Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uw weide? Psalmen 89:39 : Maar U hebt hem verstoten en verworpen; U bent toornig geworden tegen Uw gezalfde. Psalmen 108:12 : Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittrokt, o God! met onze heirkrachten?
[^psalmen-44-11-14]: Kanttekening 14: achterwaarts keren: Dat is, doet ons vluchten voor onze vijanden. Of, hebt ons achterwaarts doen keren, en zo in het volgende.
[^psalmen-44-11-15]: Kanttekening 15: voor zich: Zij roven ons goed en bezittingen tot hun voordeel, makende zich rijk van het onze, dat zij geroofd hebben.
[^psalmen-44-12-16]: Kanttekening 16: schapen ter voedsel: Hebr. schapen van het voedsel; dat is, die men slacht en opeet. Verg. vers 23 . Psalmen 44:23 : Maar om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
[^psalmen-44-13-17]: Kanttekening 17: om geen waardij: Hebr. om geen goed, of rijkdom; of voor wat geen rijkdom is, geen goed verstrekt; dat is, als om niet; zij worden wel als een verkochte waar aan de vijand overgeleverd, maar zonder prijs.
[^psalmen-44-13-18]: Kanttekening 18: Hebr. vermeerderd, vergroot, niet in hun prijzen, of schattingen. De manier van spreken schijnt genomen te zijn van de gewoonte, die men houdt in verkopen, daar men gemeenlijk de geboden prijs verhoogt als de waar van enige waarde is. Maar de profeet wil zeggen dat Gods volk zo verkocht wordt, alsof het de moeite niet waard ware meer te eisen of te doen bieden dan de koper ten eerste voorstelde; dat is te zeggen dat zij van zeer klein waarde geacht zijn, ja snoder dan gemene slaven, die men zo op het eerste bod nog niet verkoopt, van wie de prijs nog wel verhoogd wordt. Verg. Deut. 28:68 . Anders, U doet geen voordeel, of, U vermeerderd, \[dat is, U verrijkt,\] U niet van hun prijs, U bekomt geen voordeel, of winst van hun prijs, omdat de vijand hen als voor niet wegneemt, dat het eigenlijk geen koop kan heten. Deuteronomium 28:68 : En YHWH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult die niet meer zien; en daar zult u u aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.
[^psalmen-44-14-c]: Verwijzing c: Ps. 79:4 ; Ps. 80:7 ; Jer. 24:9 . Psalmen 79:4 : Wij zijn onze naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp die, die rondom ons zijn. Psalmen 80:7 : U hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. Jeremia 24:9 : En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
[^psalmen-44-15-19]: Kanttekening 19: Zie 1 Kon. 9:8 ; 2 Kon. 19:21 . 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^psalmen-44-18-20]: Kanttekening 20: wij U: Dit is te verstaan van de vromen en verstandigen onder het volk, die alhier klagen dat zij dit niet lijden als boosdoeners en affalligen van God, maar integendeel omdat zij God en zijn woord vastelijk aanhangen, gelijk zij, betuigen, vers 23 . Psalmen 44:23 : Maar om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
[^psalmen-44-19-21]: Kanttekening 21: Uw pad: Dat is, de geboden, waarin U ons bevolen hebt te wandelen.
[^psalmen-44-20-22]: Kanttekening 22: Hierdoor kan men verstaan de heidense tirannene. Hebr. van de draak. Anders, van de walvissen; dat is, als in de zee, dat is in de allergrootste noden, uiterste gevaren.
[^psalmen-44-20-23]: Kanttekening 23: Zie Ps. 25:4 . Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
[^psalmen-44-21-24]: Kanttekening 24: Om die te aanbidden. Verg. Ex. 9:29 ; 1 Kon. 8:22 ; Ps. 143:6 . Exodus 9:29 : Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor YHWH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet, dat de aarde van YHWH is! 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel; Psalmen 143:6 : Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
[^psalmen-44-23-d]: Verwijzing d: Rom. 8:36 . Romeinen 8:36 : (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)
[^psalmen-44-23-25]: Kanttekening 25: om Uwentwil: Omdat wij van U niet willen afwijken, maar in uw verbond volharden.
[^psalmen-44-24-26]: Kanttekening 26: Waak op: Menselijk van God gesproken, gelijk elders dikwijls, wanneer God zijn hulp intrekt; anders slaapt en sluimert Hij niet; Ps. 121:4 . Psalmen 121:4 : Ziet, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren, noch slapen.
[^psalmen-44-26-27]: Kanttekening 27: stof nedergebogen: Wij zijn ten uiterste vernederd, verdrukt, veracht, moedeloos en verslagen. Verg. Ps. 113:7 , en Ps. 119:25 ; idem Klaagl. 3:29 . Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Psalmen 119:25 : Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. Klaagliederen 3:29 : Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
[^psalmen-44-27-28]: Kanttekening 28: ons ter hulp: Anders: ons tot een volkomen hulp; om uit te drukken dat het Hebr. woord hier een letter meer heeft dan gewoonlijk. Verg. Ps. 3:3 , en onder Ps. 63:8 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. Psalmen 63:8 : Want U bent mij een hulp geweest; en in de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen.

### Psalmen 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/45.json)

*Een uitnemend profetisch bruiloftslied, bij gelegenheid van het huwelijk van Salomo met de dochter van Farao, gedicht over het geestelijk huwelijk van de Bruidegom Jezus Christus met Zijn lieve Bruid, de algemene Kerk van Joden en heidenen.*

**1** Een[^psalmen-45-1-1][^psalmen-45-1-2] onderwijzing, een lied van de liefde, voor de[^psalmen-45-1-3] opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op[^psalmen-45-1-4] Schoschannim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v1)

**2** Mijn hart[^psalmen-45-2-5] geeft[^psalmen-45-2-6] een goede rede op; ik zeg mijn[^psalmen-45-2-7] gedichten uit van een Koning; mijn tong is een[^psalmen-45-2-8] pen van een vaardige schrijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v2)

**3** U bent veel schoner dan de[^psalmen-45-3-9] mensenkinderen;[^psalmen-45-3-10] genade is uitgestort in Uw lippen;[^psalmen-45-3-11] daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v3)

**4** Gord Uw zwaard aan de heup, o Held![^psalmen-45-4-12] Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v4)

**5** En[^psalmen-45-5-13] rijd voorspoedig in Uw[^psalmen-45-5-14] heerlijkheid, op het[^psalmen-45-5-15] woord van de waarheid en[^psalmen-45-5-16] rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U[^psalmen-45-5-17] vreselijke dingen leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v5)

**6** Uw[^psalmen-45-6-18] pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de Koning vijanden.[^psalmen-45-6-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v6)

**7** [^psalmen-45-7-a] Uw troon, o[^psalmen-45-7-20] God! is eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van[^psalmen-45-7-21] de oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v7)

**8** U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid;[^psalmen-45-8-22] daarom heeft U, o God![^psalmen-45-8-23] Uw God gezalfd met[^psalmen-45-8-24] vreugdeolie, boven Uw[^psalmen-45-8-25] metgezellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v8)

**9** Al Uw kleren[^psalmen-45-9-26] zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de[^psalmen-45-9-27] ivoren[^psalmen-45-9-28] paleizen,[^psalmen-45-9-29] vanwaar zij U verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v9)

**10** Dochters van koningen zijn onder Uw[^psalmen-45-10-30] kostelijke staatsdochteren; de[^psalmen-45-10-31] Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van[^psalmen-45-10-32] Ofir. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v10)

**11** Hoor,[^psalmen-45-11-33] o Dochter! en zie, en neig uw oor; en[^psalmen-45-11-34] vergeet uw volk en het huis van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v11)

**12** Zo zal de Koning lust hebben aan uw[^psalmen-45-12-35] schoonheid; omdat Hij uw Heere is, zo[^psalmen-45-12-36] buig u voor Hem neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v12)

**13** En de[^psalmen-45-13-37] dochter van[^psalmen-45-13-38] Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht[^psalmen-45-13-b] met geschenk[^psalmen-45-13-39] smeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v13)

**14** De dochter van de Koning is geheel verheerlijkt[^psalmen-45-14-40] inwendig; haar kleding is van gouden[^psalmen-45-14-41] borduursel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v14)

**15** In gestikte kleren zal zij tot de Koning geleid worden; de meisjes, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v15)

**16** Zij zullen geleid worden met[^psalmen-45-16-42] alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in het paleis van de Koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v16)

**17** In plaats van[^psalmen-45-17-43] Uw vaders zullen Uw zonen zijn; U zult hen tot[^psalmen-45-17-44] vorsten zetten over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v17)

**18** Ik zal van Uw Naam doen gedenken[^psalmen-45-18-45] van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwig en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/45.html#v18)

[^psalmen-45-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-45-1-2]: Kanttekening 2: Of, een gezang van de beminde. Te weten, jonge dochters, of vriendinnen, dat is, een bruiloftslied, bij de gelegenheid, naar veler mening, van het huwelijk van Salomo \[die een voorbeeld van Christus was\] met de dochter van de koning van Egypte gemaakt, maar eigenlijk ziende op het huwelijk \[ Ef. 5:25 , 5:32 \] van de Bruidegom Christus met zijn kerk uit de Joden en heidenen, blijkende Hebr. 1:8 , 1:9 ; zijnde zo deze psalm het Hooglied van Salomo zeer gelijk. Zie daar Hoogl. 3 en Hoogl. 8 . Efeziërs 5:25 : U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Efeziërs 5:32 : Deze verborgenheid is groot; maar ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente. Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. Hebreeën 1:9 : U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw medegenoten.
[^psalmen-45-1-3]: Kanttekening 3: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-45-1-4]: Kanttekening 4: Dit Hebr. woord wordt ook gebruikt in de titel van de negen en zestigste en tachtigste psalm, en een dergelijk in de titel van de zestigste , betekenende leliën; zo genoemd \[naar het gevoelen van sommigen\] omdat zij zes bladeren hebben. Maar wat daar mee gemeend is, is onzeker. Enige houden het voor een zeker muzikaal instrument van zes snaren, waarop deze psalm moest gespeeld worden; anderen voor een lied, te die tijde bekend, beginnende met dit woord, naar welks wijze men deze psalm spelen en zingen zou.
[^psalmen-45-2-5]: Kanttekening 5: geeft … op: Hebr. eigenlijk, bobbelt op. Het Hebr. woord wordt alleen hier gevonden, maar daarvan komt een ander woord, dat een ketel of braadpan betekent, waarin iets, op het vuur gezoden of gebraden zijnde, door de hitte van het vuur opbobbelt; zo \[wil de profeet zeggen\] is zijn hart door het vuur van de Heilige Geest aangestoken en verhit, om deze voortreffelijke leer voor te dragen. Verg. Ps. 19:3 . Psalmen 19:3 : De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap.
[^psalmen-45-2-6]: Kanttekening 6: een goede rede: Of, een goede zaak, wat goeds, of schoon, voortreffelijks.
[^psalmen-45-2-7]: Kanttekening 7: Hebr. werken.
[^psalmen-45-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, als een pen van degene, die in het schrijven wel geoefend of ervaren is, \[verg. Ezra 7:6 ; jes. 16:5\] waarvan de vaardigheid, rasheid of snelheid een teken is. Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.
[^psalmen-45-3-9]: Kanttekening 9: Te weten, andere mensen.
[^psalmen-45-3-10]: Kanttekening 10: Of, uw lippen zijn met genade overgoten, zodat uw woorden genadelijk, gunstrijk zijn. Verg. Luk. 4:22 . Lukas 4:22 : En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?
[^psalmen-45-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, tot zulks, tot zulke einde, of, omdat U God, enz. gelijk het woord al-chen genomen wordt. Zie Jer. 48:36 . Jeremia 48:36 : Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal Mijn hart over de mensen van Kir-Heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is.
[^psalmen-45-4-12]: Kanttekening 12: uw majesteit: Dit voegen enige bij het woord zwaard, alsof de profeet zei: Welk zwaard \[te weten het woord van de waarheid, waarvan in het volgende\] uw majesteit en heerlijkheid is. Anders, \[in\] of, \[met\] uw majesteit, enz.
[^psalmen-45-5-13]: Kanttekening 13: rijd voorspoediglijk: Hebr. wees voorspoedig, rijd. Verg. de manier van deze samenvoeging van twee woorden, met 1 Sam. 2:3 ; Ps. 51:4 , en Ps. 55:8 , en Ps. 106:13 ; Hos. 6:3 , enz. 1 Samuël 2:3 : Maakt het niet te veel, dat u hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want YHWH is een God van de wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. Psalmen 51:4 : Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Psalmen 55:8 : Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou overnachten in de woestijn. Sela. Psalmen 106:13 : Maar zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet. Hosea 6:3 : Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land.
[^psalmen-45-5-14]: Kanttekening 14: op het: Anders, ter oorzaak van de waarheid, om de zaak van de waarheid.
[^psalmen-45-5-15]: Kanttekening 15: Zo wordt de leer van het Evangelie genoemd; 2 Kor. 6:7 ; 2 Tim. 2:15 ; Jak. 1:18 . 2 Korinthiërs 6:7 : In het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapenen van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde; 2 Timotheüs 2:15 : Benaarstig u, om uzelven voor God beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord van de waarheid recht snijdt. Jakobus 1:18 : Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen van Zijn schepselen.
[^psalmen-45-5-16]: Kanttekening 16: Hebr. zachtmoedigheid, gerechtigheid, dat is, zachtmoedigheid van de gerechtigheid, of rechtvaardige zachtmoedigheid, dat is zachtmoedigheid die met gerechtigheid vergezelschapt is, of \[met\] zachtmoedigheid en gerechtigheid.
[^psalmen-45-5-17]: Kanttekening 17: vreselijke dingen: Dat is, u zult door uw macht vreeslijke dingen doen; U zult ze tonen en bewijzen voor geheel de wereld en vreeslijke oordelen tegen de vijanden van de waarheid uitvoeren. Verg. het volgende vers 6 , en Ps. 2:9 , en Ps. 110:5 , 110:6 ; of lere u vreeslijke dingen. Psalmen 45:6 : Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de vijanden van de Koning. Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Psalmen 110:5 : YHWH is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage van Zijn toorn. Psalmen 110:6 : Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.
[^psalmen-45-6-18]: Kanttekening 18: Zie Deut. 32:23 , en Job 6:4 . Sommigen verstaan het niet alleen van de oordelen, maar ook van de woorden van de Heer Christus. Verg. 2 Kor. 10:4 , 10:5 ; Hebr. 4:12 . Deuteronomium 32:23 : Ik zal kwade over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten. Job 6:4 : Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, waarvan het vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart.
[^psalmen-45-6-19]: Kanttekening 19: zij : Te weten, de pijlen van deze koning. Anders, volken zullen onder u vallen, die in het hart vijanden van de koning zijn; of, in het hart; dat is in het midden van de vijanden van de koning.
[^psalmen-45-7-a]: Verwijzing a: Hebr. 1:8 . Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.
[^psalmen-45-7-20]: Kanttekening 20: Dat is van de Heer Jezus Christus te verstaan is, betuigt de Heilige Geest duidelijk, Hebr. 1:8 , 1:9 . Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. Hebreeën 1:9 : U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw medegenoten.
[^psalmen-45-7-21]: Kanttekening 21: Of, billijkheid.
[^psalmen-45-8-22]: Kanttekening 22: Of, omdat u, enz. gelijk boven vers 3 . Psalmen 45:3 : U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
[^psalmen-45-8-23]: Kanttekening 23: uw God: Te weten, de Vader. Verg. Ps. 22:2 ; Joh. 20:17 . Psalmen 22:2 : Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Johannes 20:17 : Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broers, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
[^psalmen-45-8-24]: Kanttekening 24: Versta, de zalving van de Heilige Geest, die een oorsprong en werker is van alle geestelijke vreugde, enz. Zie Hand. 10:38 . Handelingen 10:38 : Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
[^psalmen-45-8-25]: Kanttekening 25: Dat is, alle gelovigen, die ledematen van de Heer Christus en uit genade door Hem tot priesters en koningen gemaakt zijn; 1 Petr. 2:9 ; Openb. 1:6 . Zie ook Joh. 3:34 . 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden Van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^psalmen-45-9-26]: Kanttekening 26: zijn mirre: Dat is, rieken zozeer van deze specerijen, alsof zij enkel mirrhe enz. waren. Verg. Spr. 7:17 . Spreuken 7:17 : Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;
[^psalmen-45-9-27]: Kanttekening 27: Zie 1 Kon. 10:18 . 1 Koningen 10:18 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog dezelfde met dicht goud.
[^psalmen-45-9-28]: Kanttekening 28: Of, tempelen. Versta hierop: wanneer u daaruit tevoorschijn komt als een bruidegom, of uw kleren, en de specerijen, die uit elpenbenen paleizen genomen zijn, en waarmee zij u verheugd hebben, dat is, eer aangedaan. Salomo's koninklijke heerlijkheid en woningen worden in de Schriftuur vermeld; de Heer Christus aangaande, die in het hemelse paleis gekomen in het vlees, en heeft vandaar gebracht zijn leer, en vandaar ontvangen zijn zalving. Zie Matt. 3:16 ; Joh. 3:13 , 3:31 . Mattheüs 3:16 : En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest van God nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen. Johannes 3:13 : En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is. Johannes 3:31 : Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen.
[^psalmen-45-9-29]: Kanttekening 29: Of, boven degenen die u verblijden; te weten, uw medegenoten, \[gelijk boven\] genaamd kinderen van de bruiloft en vrienden van de bruidegom; Matt. 9:15 ; Joh. 3:29 . Mattheüs 9:15 : En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. Johannes 3:29 : Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
[^psalmen-45-10-30]: Kanttekening 30: Hebr. kostelijke, maar in het vrouwelijke geslacht, zulks dat het van vrouwen moet worden verstaan. Verg. vers 15 . Anders, in uw kostelijkheden. Psalmen 45:15 : In gestikte kleren zal zij tot de Koning geleid worden; de jonge dochters, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
[^psalmen-45-10-31]: Kanttekening 31: Of, bedgenoot; dat is hier de bruid.
[^psalmen-45-10-32]: Kanttekening 32: Zie 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^psalmen-45-11-33]: Kanttekening 33: o Dochter: Dit is een aanspraak aan de bruid.
[^psalmen-45-11-34]: Kanttekening 34: Verlaat de afgodische religie, die onder uw volk en in uws vaders huis in zwang gaat. Verg. verder Matt. 10:37 ; Luk. 14:26 . Mattheüs 10:37 : Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard. Lukas 14:26 : Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^psalmen-45-12-35]: Kanttekening 35: Wijdlopig beschreven in het Hooglied van Salomo.
[^psalmen-45-12-36]: Kanttekening 36: Of, aanbid hem als de Zoon van God.
[^psalmen-45-13-37]: Kanttekening 37: Dat is, de inwoners van Tyrus, de stad Tyrus. Zie van deze stad Joz. 19:29 , en 1 Kon. 5:1 , en verg. Ps. 72:10 , 72:11 ; Jes. 49:23 . Jozua 19:29 : En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, 1 Koningen 5:1 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had. Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Psalmen 72:11 : Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^psalmen-45-13-38]: Kanttekening 38: Anders, wat betreft de dochter van Tyrus, de rijke, enz.
[^psalmen-45-13-b]: Verwijzing b: Ps. 72:10 . Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^psalmen-45-13-39]: Kanttekening 39: Zie Job 11:19 . Job 11:19 : En u zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.
[^psalmen-45-14-40]: Kanttekening 40: Of, van binnen; Salomo's bruid in haar vertrekzalen, maar Christus' bruid draagt haar geestelijk sieraad van binnen in de inwendige mens \[ Ef. 3:16 \], bestaande in geestelijke gaven. Verg. Openb. 19:8 . Efeziërs 3:16 : Opdat Hij u geve, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens; Openbaring 19:8 : En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen.
[^psalmen-45-14-41]: Kanttekening 41: Of, kastjes; dat is, vol van kastjes of schilden, waarin kostelijke stenen gevat of gezet worden, gelijk dit woord genomen is, Ex. 28:11 , 28:13 , 28:14 , 28:25 , Ex. 39:6 , 39:13 , 39:16 . Het Hebr. woord wordt ook genomen voor geoogd of borduurwerk, borduursel; waardoor men de verscheidenheid van de geestelijke gaven kan verstaan. Verg. Ez. 16:13 . Exodus 28:11 : Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult u deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël; u zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes. Exodus 28:13 : U zult ook gouden kastjes maken, Exodus 28:14 : En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult u die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult u aan de kastjes hechten. Exodus 28:25 : Maar de twee einden van de twee gedraaide ketentjes zult u aan die twee kastjes doen; en u zult ze zetten aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die. Exodus 39:6 : Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen van de zonen van Israël. Exodus 39:13 : En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen. Exodus 39:16 : En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden van de borstlap. Ezechiël 16:13 : Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werd.
[^psalmen-45-16-42]: Kanttekening 42: alle blijdschap: Hebr. blijdschappen.
[^psalmen-45-17-43]: Kanttekening 43: Uw vaders: Dit wordt tot de koning \[ Christus met zijn Bruid\] gesproken, van welke geprofeteerd wordt dat het hem \[niet minder dan zijn voorvaders naar het vlees\] aan geestelijke zonen niet zal ontbreken, die door de gehele wereld het Evangelie zullen prediken, zijn kerk met Gods Woord weiden en regeren, en hiernamaals op hun tronen zitten en met Christus in ere heersen. Zie Matt. 19:28 , en Matt. 24:47 , en Matt. 28:19 ; Openb. 5:10 . Of, men kan verstaan door de vaders de gelovigen van het Oude Testament en door de zonen al de gelovigen van het Nieuwe Testament, die Christus tot koningen en priesters gemaakt heeft; Openb. 1:6 , enz. Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Mattheüs 24:47 : Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen. Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Openbaring 5:10 : En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^psalmen-45-17-44]: Kanttekening 44: Van Salomo kan dit niet worden verstaan, omdat onder zijn zoon Rehabeam, en verder, het rijk verdeeld is en de tien stammen van Juda afgescheurd zijn. Zie 1 Kon. 12:16 , 12:17 , 12:24 . 1 Koningen 12:16 : Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 1 Koningen 12:17 : Maar aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 1 Koningen 12:24 : Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de kinderen van Israël; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord van YHWH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van YHWH.
[^psalmen-45-18-45]: Kanttekening 45: van elk geslacht tot geslacht: Hebr., דֹּר, in alle geslacht en geslacht.

### Psalmen 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/46.json)

*De profeet beschrijft het vertrouwen en de zekere staat van de Kerk onder de bescherming van de HEERE, Die Hij aan haar met een wonderbare verlossing bewezen had; hij vermaant iedereen om dit werk van God, en andere dergelijke, te overdenken, tot grootmaking van Zijn heilige Naam.*

**1** Een[^psalmen-46-1-1] lied[^psalmen-46-1-2] op Alamoth, voor de[^psalmen-46-1-3] opperzangmeester, onder de[^psalmen-46-1-4] kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v1)

**2** God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is[^psalmen-46-2-5] krachtig[^psalmen-46-2-6] bevonden een Hulp in benauwdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v2)

**3** Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde[^psalmen-46-3-7] de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in[^psalmen-46-3-8] het hart van de zeeën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v3)

**4** Laat[^psalmen-46-4-9] haar wateren bruisen, laat[^psalmen-46-4-10] ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door[^psalmen-46-4-11] van die verheffing![^psalmen-46-4-12] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v4)

**5** De[^psalmen-46-5-13] beekjes van[^psalmen-46-5-14] de rivier zullen verblijden de[^psalmen-46-5-15] stad van God,[^psalmen-46-5-16] het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v5)

**6** God is in het midden van[^psalmen-46-6-17] haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in[^psalmen-46-6-18] het aanbreken van de morgenstond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v6)

**7** De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich;[^psalmen-46-7-19] Hij verhief Zijn[^psalmen-46-7-20] stem, de aarde[^psalmen-46-7-21] versmolt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v7)

**8** YHWH van de legermachten[^psalmen-46-8-22] is met ons; de God van Jakob is ons een Vesting. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v8)

**9** Kom, aanschouw de daden van YHWH, Die verwoestingen op aarde[^psalmen-46-9-23] aanricht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v9)

**10** Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde[^psalmen-46-10-24] van de aarde, de boog verbreekt, en de speer aan twee slaat, de wagens met vuur verbrandt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v10)

**11** [^psalmen-46-11-25] Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de[^psalmen-46-11-26] heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v11)

**12** YHWH van de legermachten[^psalmen-46-12-27] is met ons; de God van Jakob is ons een Vesting. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/46.html#v12)

[^psalmen-46-1-1]: Kanttekening 1: Verg. Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-46-1-2]: Kanttekening 2: Het is onzeker wat dit woord betekent. Sommigen houden het \[gelijk andere dergelijke woorden\] voor een muzikaal instrument, of een begin van een zeker lied; anderen, omdat het Hebr. woord בְנֵי, maagden betekent verborgen te zijn, vertalen het: maagden \[stem\], alsof de mening was dat deze psalm met een fijne en reine stem (gelijk maagden veel hebben) moest gezongen worden. Dit zelfde woord wordt ook gevonden in het verhaal van de muziek van de godsdienst, 1 Kron. 15:20 , en schijnt daar gesteld te zijn tegen een luide, hoge, of grove muziek. Zie de aantekening bij 1 Kron. 15:20 . 1 Kronieken 15:20 : En Zecharja, en Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, en Eliab, en Maäseja, en Benaja, met luiten op Alamoth. 1 Kronieken 15:20 : En Zecharja, en Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, en Eliab, en Maäseja, en Benaja, met luiten op Alamoth.
[^psalmen-46-1-3]: Kanttekening 3: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-46-1-4]: Kanttekening 4: Zie Ps. 42:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-46-2-5]: Kanttekening 5: Hebr. zeer. Of, aldus: een zeer vindelijke; (dat is gerede, tegenwoordige) hulp in benauwdheden.
[^psalmen-46-2-6]: Kanttekening 6: Anders, genoegzaam. Zie Num. 11:22 . Numeri 11:22 : Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?
[^psalmen-46-3-7]: Kanttekening 7: de aarde: Of, al veranderde Hij \[te weten, God\] de aarde \[van plaats\]. Door deze figuurlijke redenen wordt afgemaald het schrikkelijk gewoel en geraas van de vijanden van Gods kerk, die Hij wel toelaat gruwelijk en geweldiglijk te razen, alsof zij alles zouden bederven en verslinden, maar behoudt ondertussen zijn kerk wonderbaarlijk, boven mening en tegen dank van hun vijanden.
[^psalmen-46-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, in het midden. Zie Ex. 15:8 , en Deut. 4:11 . Exodus 15:8 : En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als één hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee. Deuteronomium 4:11 : En u naderde en stond beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid).
[^psalmen-46-4-9]: Kanttekening 9: Te weten, van de zeeën.
[^psalmen-46-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, troebel worden, \[waarop het Hebr. woord ziet\] gelijk in grote stormen pleegt te gebeuren. Zie van het Hebr. woord Job 16:16 . Job 16:16 : Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood.
[^psalmen-46-4-11]: Kanttekening 11: Dat is, de opzwelling van de zee. Men kan het ook op God duiden, aldus: vermits zijn hoogheid, of, verheffing; gelijk Deut. 33:26 . Zie daar de aantekening. Deuteronomium 33:26 : Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op de hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.
[^psalmen-46-4-12]: Kanttekening 12: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-46-5-13]: Kanttekening 13: Hebr. eigenlijk verdelingen; gelijk Ps. 1:3 . Dat is, armen, stromen en beken, die uit de rivier lopen of afgeleid worden, of ook, die in de rivier lopen. Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^psalmen-46-5-14]: Kanttekening 14: Al is de rivier van Jeruzalem \[gelijk Gion, Siloah, en andere\] niet zo groot en wijd als wel andere. Zie 2 Kon. 5:12 , en verg. Jes. 8:6 , en 2 Kon. 20:20 ; 2 Kron. 32:30 , enz. Het schijnt dat de profeet wil zeggen, bij manier van tegenstelling: Als de vijanden gelijk een schrikkelijke onstuimige zee zo razen, gaat de rivier met haar beken fijn, stil en lieflijk in Gods stad, waar men ook in stilte op Gods bijstand vertrouwt. 2 Koningen 5:12 : Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid. Jesaja 8:6 : Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia; 2 Koningen 20:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.
[^psalmen-46-5-15]: Kanttekening 15: Versta, Jeruzalem, verder Gods kerk.
[^psalmen-46-5-16]: Kanttekening 16: het heiligdom: Anders, de stad van God, van de Heilige: \[gelijk God dikwijls in de Schriftuur genoemd wordt de Heilige \] de woningen van de Allerhoogste; of, van de Heilige, van de woningen, enz.
[^psalmen-46-6-17]: Kanttekening 17: haar, zij: Te weten, de stad van God.
[^psalmen-46-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, vroeg, tijdelijk.
[^psalmen-46-7-19]: Kanttekening 19: Hij verhief: Te weten, de Heer. Hebr., נָתַן, gaf.
[^psalmen-46-7-20]: Kanttekening 20: Hierdoor kan men verstaan de donder. Zie boven Ps. 29:3 , en verg. 1 Sam. 7:10 . Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren. 1 Samuël 7:10 : En het geschiedde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en YHWH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.
[^psalmen-46-7-21]: Kanttekening 21: Manier van spreken, in de Schriftuur gebruikelijk, om uit te drukken de nietigheid van alle schepselen, in het bijzonder van de hoogmoedige mensen, die zich tegen Gods majesteit opstellen, wier hart en moed ontvalt en als was versmelt, wanneer Hij enigzins zijn hand uitstrekt. Verg. Deut. 1:28 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^psalmen-46-8-22]: Kanttekening 22: Zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^psalmen-46-9-23]: Kanttekening 23: Of, heeft aangericht, of gemaakt, aangesteld. Verg. de geschiedenissen 2 Kon. 18 en 2 Kon. 19 2 Kron. 14 en 2 Kron. 20 idem 2 Sam. 10 .
[^psalmen-46-10-24]: Kanttekening 24: Anders, van het land; dat is in het gehele Joodse land, zover zich dat uitstrekt naar Gods belofte. Zie Ps. 44:4 ; anderzins is het ook in het algemeen waarachtig, dat God degene is, die in de gehele wereld verwoesting door zijn rechtvaardig oordeel aanricht en vrede geeft, als het Hem belieft. Zie Jes. 45:7 . Psalmen 44:4 : Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat U een welbehagen in hen hadt. Jesaja 45:7 : Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen.
[^psalmen-46-11-25]: Kanttekening 25: Laat af: Dit spreekt God zelf tot de vijanden en vervolgers van zijn kerk, die meenden dat zij alleen met mensen te doen hadden.
[^psalmen-46-11-26]: Kanttekening 26: Ik zal tonen \[zo u niet aflaat\] dat mijn macht niet besloten is binnen de grenzen van het Joodse land, maar dat Ik daar buiten onder alle heidenen ook Heer en Rechter ben, en zal door mijn oordelen mijn naam alom grootmaken.
[^psalmen-46-12-27]: Kanttekening 27: Zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!

### Psalmen 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/47.json)

*Een triomflied van de Kerk, ter ere van haar Koning Jezus Christus, in Zijn hemelvaart, afgebeeld door het opbrengen van de ark van het verbond in Sion en in de tempel; met een vermaning aan alle volken en een profetie van de roeping van de heidenen.*

**1** Een psalm, voor de[^psalmen-47-1-1] opperzangmeester, onder de[^psalmen-47-1-2] kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v1)

**2** Alle volken, klapt[^psalmen-47-2-3] in de hand; juich voor God met een stem van vreugdegezang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v2)

**3** Want YHWH, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v3)

**4** Hij[^psalmen-47-4-4] brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v4)

**5** Hij[^psalmen-47-5-5] verkiest voor ons onze erfenis, de[^psalmen-47-5-6] heerlijkheid van Jakob, die[^psalmen-47-5-7] Hij heeft liefgehad.[^psalmen-47-5-8] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v5)

**6** God[^psalmen-47-6-9] vaart op met gejuich, YHWH met geklank van de bazuin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v6)

**7** Psalmzing voor God, psalmzingt! Psalmzing onze Koning, psalmzingt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v7)

**8** Want God is een Koning van de hele aarde; psalmzing met een[^psalmen-47-8-10] onderwijzing! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v8)

**9** God regeert over de[^psalmen-47-9-11] heidenen; God zit op de troon van Zijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v9)

**10** De[^psalmen-47-10-12] edelen van de volken zijn verzameld tot het volk van de God[^psalmen-47-10-13] van Abraham; want de[^psalmen-47-10-14] schilden van de aarde zijn van God. Hij is zeer verheven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/47.html#v10)

[^psalmen-47-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-47-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 42:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-47-2-3]: Kanttekening 3: in de: Hebr., כָף, de palm; tot een teken van blijdschap en vrolijke toestemming. Verg. Ps. 89:8 ; 2 Kon. 11:12 . Psalmen 89:8 : God is grotelijks geducht in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn. 2 Koningen 11:12 : Daarna bracht hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!
[^psalmen-47-4-4]: Kanttekening 4: Of, zal de volken onder ons brengen, of aanbrengen, aanleiden, ordineren, schikken. Versta, niet alleen het lichamelijk onderwerpen van de heidenen te die tijde, maar ook het geestelijk onder het Nieuwe Testament, waarvan Joh. 10:16 ; Hand. 2:39 , enz. Johannes 10:16 : Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Handelingen 2:39 : Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal.
[^psalmen-47-5-5]: Kanttekening 5: Of, zal ons verkiezen. Hier kan men beide verstaan: zo het aardse Kanaän als het hemelse; het eerste bezaten zij, het tweede verwachten zij door geloof en hoop; Hebr. 11:15 , 11:16 . Hebreeën 11:15 : En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, waarvan zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; Hebreeën 11:16 : Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God voor hen niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^psalmen-47-5-6]: Kanttekening 6: Of, hoogheid, uitnemendheid, uitstekendheid; als daar waren het koninkrijk, priesterdom, tempel, enz. en ook het geestelijk betekende heerlijk goed.
[^psalmen-47-5-7]: Kanttekening 7: heeft liefgehad: Een uit liefde hem gekozen, of liefheeft, verstaande door Jakob het volk Israël.
[^psalmen-47-5-8]: Kanttekening 8: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-47-6-9]: Kanttekening 9: Of, is opgevaren, opgeklommen, opgekomen, opgetrokken. Gelijk geschied is als de ark \[op welke God zijn aanwezigheid vertoonde en die een voorbeeld van Christus was\] van David werd opgehaald naar Zion, 2 Sam. 6:15 ; 1 Kron. 13:8 , en 1 Kron. 15:28 ; en daarna van Salomo gebracht in de tempel, 2 Kron. 5 , en verder als de Heer Christus zelf ten hemel opvoer, Luk. 24:51 , 24:52 , om vandaar als Koning alles te regeren. Verg. Ps. 2:6 , 2:8 , 2:9 , en Ps. 110 . 2 Samuël 6:15 : Zo brachten David en het gehele huis van Israël de ark van YHWH op, met gejuich en met geluid van de bazuinen. 1 Kronieken 13:8 : En David en geheel Israël speelden voor het aangezicht van God met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten. 1 Kronieken 15:28 : Zo bracht geheel Israël de ark van het verbond van YHWH op, met gejuich, en met geluid van de bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen. Lukas 24:51 : En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel. Lukas 24:52 : En zij aanbaden Hem, en keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap. Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid. Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
[^psalmen-47-8-10]: Kanttekening 10: Hebr., masckijl. Zie Ps. 32:1 . Anders, een ieder die wijs of verstandig is, u verstandige; idem, verstandiglijk, met onderling onderwijs, Kol. 3:16 ; of een onderwijspsalm. Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Kolossensen 3:16 : Het woord van Christus woon rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart.
[^psalmen-47-9-11]: Kanttekening 11: Verg. Ps. 22:29 . Psalmen 22:29 : Want het koninkrijk is van YHWH, en Hij heerst onder de heidenen.
[^psalmen-47-10-12]: Kanttekening 12: Of, gewilligen, vrijwilligen, die zich vanzelf aanbieden, volontairen, \[gelijk men zegt,\] liberalen; welke naam prinsen en edelen gegeven wordt, omdat hun goedhartigheid en liberaalheid betaamt en versiert. Zie Job 12:21 . Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen.
[^psalmen-47-10-13]: Kanttekening 13: van Abraham: Dat is, welk volk het geloof Abrahams heeft, Rom. 4:16 ; aan wie God beloofd had dat in zijn zaad alle volken zouden gezegend worden; dat zag op de beroeping van de heidenen, waarvan hier ook gesproken wordt. Verg. Ps. 22:28 , 22:29 , 22:30 , 22:31 ; Ef. 2:13 , 2:18 , 2:19 , en Ef. 3:6 . Of aldus: De edelen van de volken zijn verzameld, \[te weten\] het volk van de God van Abraham. Romeinen 4:16 : Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen; Psalmen 22:28 : Alle einden van de aarde zullen het gedenken, en zich tot YHWH bekeren; en alle geslachten van de heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. Psalmen 22:29 : Want het koninkrijk is van YHWH, en Hij heerst onder de heidenen. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Psalmen 22:31 : Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten. Efeziërs 2:13 : Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:18 : Want door Hem hebben wij beiden de toegang door een Geest tot de Vader. Efeziërs 2:19 : Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods; Efeziërs 3:6 : Namelijk dat de heidenen zijn mee-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie;
[^psalmen-47-10-14]: Kanttekening 14: Dat is, de volkomen, of alle beschutting en bescherming van de mensen in het algemeen en van zijn volk in het bijzonder, komt God alleen toe, die de rechte Schutsheer en Beschermer is. Verg. Ps. 89:19 ; 1 Tim. 4:10 ; die Hij ook alle eer, lof en prijs waard is. Ook kan men dit verstaan van magistraten en regenten op aarde, die God gesteld heeft om als schilden de gemeente te beschermen. Verg. Hos. 4:18 . De harten van deze heeft Hij zo in zijn hand, dat Hij hen gewillig kan maken om zich tot de gemeenschap van zijn kerk te begeven, gelijk in het begin van deze verzen gezegd is. Psalmen 89:19 : Want ons schild is van YHWH, en onze koning is van de Heilige van Israël. 1 Timotheüs 4:10 : Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op de levende God, Die een Behouder is van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen. Hosea 4:18 : Hun zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; haar schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.

### Psalmen 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/48.json)

*De profeet beschrijft de heerlijkheid en gelukzaligheid van de Kerk, onder de figuur van de stad Jeruzalem, die door God wonderbaar tegen zeer machtige vijanden beschermd was, overeenkomstig Zijn belofte en vroegere wonderen, waardoor God geroemd en de Kerk getroost wordt; met een vermaning aan alle gelovigen dat zij de schoonheid en de vastheid van de Kerk tot eeuwige gedachtenis ijverig willen overdenken.*

**1** Een[^psalmen-48-1-1] lied, een psalm, voor de[^psalmen-48-1-2] kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v1)

**2** YHWH is groot en zeer[^psalmen-48-2-3] te prijzen, in de[^psalmen-48-2-4] stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v2)

**3** Schoon van[^psalmen-48-3-5] gelegenheid, een vreugde van[^psalmen-48-3-6] de hele aarde is de berg Sion, aan de zijden van[^psalmen-48-3-7] het noorden;[^psalmen-48-3-a] de stad van de[^psalmen-48-3-8] grote Konings. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v3)

**4** God is in haar[^psalmen-48-4-9] paleizen; Hij is er bekend voor een Vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v4)

**5** Want ziet, de[^psalmen-48-5-10] koningen waren verzameld; zij waren samen doorgetogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v5)

**6** [^psalmen-48-6-11] Zoals zij het zagen, zo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v6)

**7** Beving greep hen daar aan, smart als van een barende vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v7)

**8** [^psalmen-48-8-12] Met een oostenwind verbreekt U de schepen van[^psalmen-48-8-13] Tharsis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v8)

**9** Zoals wij gehoord hadden, zo hebben wij gezien in de stad van YHWH van[^psalmen-48-9-14] de legermachten, in de stad van onze God; God zal haar bevestigen tot in[^psalmen-48-9-15] eeuwigheid.[^psalmen-48-9-16] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v9)

**10** O God! wij[^psalmen-48-10-17] gedenken van Uw goedertierenheid, in het midden van[^psalmen-48-10-18] Uw tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v10)

**11** Zoals Uw[^psalmen-48-11-19] Naam is, o God! zo is Uw roem tot aan de einden van de aarde;[^psalmen-48-11-20] Uw rechterhand is vol van gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v11)

**12** Laat de[^psalmen-48-12-21] berg Sion blij zijn; laat de[^psalmen-48-12-22] dochters van Juda zich verheugen, vanwege Uw[^psalmen-48-12-23] oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v12)

**13** Ga rondom Sion, en omring[^psalmen-48-13-24] haar; tel haar torens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v13)

**14** [^psalmen-48-14-25] Zet uw hart op haar vesting; beschouw onderscheidenlijk haar paleizen, opdat u het aan[^psalmen-48-14-26] het navolgende geslacht[^psalmen-48-14-27] vertelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v14)

**15** Want deze God[^psalmen-48-15-28] is onze God eeuwig en altijd; Hij zal ons[^psalmen-48-15-29] geleiden[^psalmen-48-15-30] tot de dood toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/48.html#v15)

[^psalmen-48-1-1]: Kanttekening 1: Of, een gezang, een psalm, gelijk integendeel het opschrift van de dertigste psalm is: een psalm, een lied. Het onderscheid van deze was, naar sommigen gevoelen, dat een psalm, een lied begonnen is met het spelen van de instrumenten, de stemmen daarna volgende; en een lied, een psalm, begon van het zingen met stemmen, de instrumenten van de muziek daarop volgende. Maar anderen houden het voor één ding.
[^psalmen-48-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 42:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-48-2-3]: Kanttekening 3: te prijzen: Of, prijselijk, prijswaardig; gelijk 2 Sam. 22:4 ; Ps. 18:4 , en Ps. 145:3 . 2 Samuël 22:4 : Ik riep YHWH aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden. Psalmen 18:4 : Ik riep YHWH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden. Psalmen 145:3 : Gimel. YHWH is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
[^psalmen-48-2-4]: Kanttekening 4: Jeruzalem, afbeeldende de kerk van God en het hemelse Jeruzalem, gelijk mee Zion, Hebr. 12:2 ; Openb. 14:1 . Hebreeën 12:2 : Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God. Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden.
[^psalmen-48-3-5]: Kanttekening 5: Of, situatie, streek. sommigen verstaan dit als een beschrijving van de stad, in deze zin: schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde. Te weten, is deze stad; en dan verder: Aan de zijde van het noorden is de berg Zion.
[^psalmen-48-3-6]: Kanttekening 6: Niet alleen van het Joods land ten aanzien van de ontvangen verlossing, maar ook van de gehele wereld, want daarvandaan zou het licht en heil uitgaan in de gehele wereld, en daartoe zouden zich de heidenen met vreugde begeven; Jes. 2:2 , 2:3 ; Micha 4:1 ; Hand. 1:8 . Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Handelingen 1:8 : Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.
[^psalmen-48-3-7]: Kanttekening 7: Waar de tempel gebouwd was, Jes. 14:13 . Verg. Ez. 40:2 . Jesaja 14:13 : En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden. Ezechiël 40:2 : In de gezichten van God bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en aan dezelfde was als een gebouw van een stad tegen het zuiden.
[^psalmen-48-3-a]: Verwijzing a: Matt. 5:35 . Mattheüs 5:35 : Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Konings;
[^psalmen-48-3-8]: Kanttekening 8: Te weten, Gods, gelijk onder vers 9 , en Mal. 1:14 , waar God in woont; Zach. 8:3 . Psalmen 48:9 : Gelijk wij gehoord hadden, zo hebben wij gezien in de stad van YHWH van de legermachten, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela. Maleachi 1:14 : Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en de Heer belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt YHWH van de legermachten, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen. Zacharia 8:3 : Zo zegt YHWH: Ik ben teruggekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad van de waarheid, en de berg van YHWH van de legermachten, een berg van de heiligheid.
[^psalmen-48-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, grote heerlijke gebouwen, zijnde als sloten en kastelen, op welke de vleselijke mensen hun vertrouwen stellen, maar onder Gods volk wordt God alleen \[zelf in zulke paleizen\] bekend voor de gewisse toevlucht en bescherming.
[^psalmen-48-5-10]: Kanttekening 10: Gelijk geschied is ten tijde van Josafat, 2 Kron. 20 . Sommigen passen het op de historie van Sanherib; 2 Kon. 18 .
[^psalmen-48-6-11]: Kanttekening 11: Gelijk : Dat is, hoe meer zij toezagen, hoe meer zij zich verwonderen. Zo kan deze manier van spreken aangevuld worden uit Ex. 1:12 ; Hos. 4:7 ; de letter Caf, of, Cascher \[dat is, gelijk \] wordt ook zo in de Hebr. tekst uitgelaten; Hos. 11:2 . Zie daar. Exodus 1:12 : Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen van Israël. Hosea 4:7 : Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun eer in schande veranderen. Hosea 11:2 : Maar gelijk zij henlieden riepen, zo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesneden beelden.
[^psalmen-48-8-12]: Kanttekening 12: Met een oostenwind: De zin is: U, YHWH, hebt deze koningen met al hun macht en pracht zo verbroken, gelijk U de grote en fiere schepen in de oceaan met een sterken oostenwind zeer haastelijk en lichtelijk in stukken slaat.
[^psalmen-48-8-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^psalmen-48-9-14]: Kanttekening 14: Zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^psalmen-48-9-15]: Kanttekening 15: Verg. Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^psalmen-48-9-16]: Kanttekening 16: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-48-10-17]: Kanttekening 17: Of, wij hebben in stilte overdacht of betracht, verwachtende uw hulp.
[^psalmen-48-10-18]: Kanttekening 18: Verg. 2 Kron. 20:5 , 20:6 , enz. en 2 Kon. 19:14 , 19:15 , enz. 2 Kronieken 20:5 : En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van YHWH, voor het nieuwe voorhof. 2 Kronieken 20:6 : En hij zei: O, YHWH, God van onze vaders, bent U niet de God in de hemel? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan. 2 Koningen 19:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH. 2 Koningen 19:15 : En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt.
[^psalmen-48-11-19]: Kanttekening 19: Gelijk uw wezen en majesteit oneindelijk is, zo ook uw roem en lof; of, U bewijst U zodanig, gelijk U U in uw woord openbaart, door uw werken, die geroemd worden tot aan, enz.
[^psalmen-48-11-20]: Kanttekening 20: Uw rechterhand: Uw macht is overvloedig genoegzaam om uw volk te behouden en de vijanden te dempen, volgens uw gerechtigheid, die U telkens hebt te werk gesteld; niet anders dan wanneer iemand met volle hand iets uitstort, tonende dat er geen gebrek is.
[^psalmen-48-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, inwoners van Jeruzalem, Gods volk.
[^psalmen-48-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, andere steden met haar inwoners, die als dochters waren van Jeruzalem, de moeder van hen allen, gelijk de Schrift spreekt.
[^psalmen-48-12-23]: Kanttekening 23: Die U uitvoert over uw vijanden tot bescherming van uw volk.
[^psalmen-48-13-24]: Kanttekening 24: telt haar torens: Om te zien dat er niets ontbreekt, dat de vijand gene schade gedaan heeft, en verder uit de sierlijkheid en sterkte van de stad te betrachten, en bij uw nakomelingen de liefde te roemen, die God haar en zijn gehele kerk toedraagt.
[^psalmen-48-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, aanmerkt met aandacht.
[^psalmen-48-14-26]: Kanttekening 26: Of, heft \[uw ogen\] op naar, enz.; het Hebr. woord wordt alleen hier gevonden en daarom verscheidenlijk overgezet. Hiervan schijnt te komen de naam van de berg, of \[gelijk anderen\] de heuvel Pisga, Num. 21:20 , en Num. 23:14 ; Deut. 3:17 , en Deut. 34:1 . In het Chaldeeuws betekent hetzelfde woord delen, in stukken leggen, ontleggen. Numeri 21:20 : En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet. Numeri 23:14 : Zo nam hij hem mee tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een var en een ram op elk altaar. Deuteronomium 3:17 : Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten. Deuteronomium 34:1 : Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe;
[^psalmen-48-14-27]: Kanttekening 27: navolgende geslacht: Hebr., אַחֲרֽוֹן, achterste, laatste, geslacht. Uit welke woorden sommigen afnemen dat de profeet hier heeft willen te kennen geven dat Jeruzalem niet altijd blijven, maar verstoord en verwoest zou worden, blijvende nochtans altijd de kerk van God, die daardoor was afgebeeld. Verg. Matt. 24:1 , 24:2 , enz. Mattheüs 24:1 : En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. Mattheüs 24:2 : En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet een steen op de andere steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
[^psalmen-48-15-28]: Kanttekening 28: is onze God: Zie Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^psalmen-48-15-29]: Kanttekening 29: Gelijk een herder zijn kudde; Ps. 78:52 , 78:72 , en Ps. 80:2 . Psalmen 78:52 : En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. Psalmen 78:72 : Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid van zijn handen. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^psalmen-48-15-30]: Kanttekening 30: tot de dood toe: Dat is, ons gehele leven lang.

### Psalmen 49

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/49.json)

*De profeet, alle mensen vermaand hebbend tot opmerkzaamheid, maakt een tegenstelling tussen het ijdele vertrouwen van de wereldse mensen op hun rijkdom, macht en eer in dit vergankelijke leven, en het heilige vertrouwen van de gelovigen op God, Die hen uit de doden zal opwekken en het eeuwige leven schenken; daarom vermaant hij alle gelovigen niet te vrezen voor de rijkdom of macht van enig werelds mens.*

**1** Een psalm, voor de[^psalmen-49-1-1] opperzangmeester, onder de[^psalmen-49-1-2] kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v1)

**2** Hoor dit, alle u volken! neem ter ore, alle inwoners van de wereld, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v2)

**3** Zowel[^psalmen-49-3-3] eenvoudigen als aanzienlijken, zowel rijk als arm! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v3)

**4** Mijn mond zal[^psalmen-49-4-4] enkel wijsheid spreken, en de overdenking van mijn hart zal[^psalmen-49-4-5] vol verstand zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v4)

**5** [^psalmen-49-5-a] Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn[^psalmen-49-5-6] verborgen rede openen op de[^psalmen-49-5-7] harp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v5)

**6** Waarom zou ik vrezen in[^psalmen-49-6-8] kwade dagen, als de[^psalmen-49-6-9] ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v6)

**7** Inzake degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid van hun rijkdom roemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v7)

**8** Niemand van hen zal[^psalmen-49-8-10] zijn broer[^psalmen-49-8-11] immermeer kunnen verlossen; hij zal[^psalmen-49-8-12] voor God zijn[^psalmen-49-8-13] losprijs niet kunnen geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v8)

**9** (Want de[^psalmen-49-9-14] verlossing van hun[^psalmen-49-9-15] ziel is te[^psalmen-49-9-16] kostelijk, en[^psalmen-49-9-17] zal in eeuwigheid ophouden); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v9)

**10** Dat hij[^psalmen-49-10-18] ook voortaan[^psalmen-49-10-19] steeds zou leven, en de[^psalmen-49-10-20] verderving niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v10)

**11** [^psalmen-49-11-21] Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat samen een dwaas en[^psalmen-49-11-22] een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v11)

**12** [^psalmen-49-12-23] Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen[^psalmen-49-12-24] van geslacht tot geslacht;[^psalmen-49-12-25] zij noemen de landen naar hun namen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v12)

**13** De mens toch, die in[^psalmen-49-13-26] waarde is, blijft[^psalmen-49-13-27] niet; hij wordt gelijk als de beesten,[^psalmen-49-13-28] die vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v13)

**14** Deze hun[^psalmen-49-14-29] weg is een[^psalmen-49-14-30] dwaasheid van hen; toch hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun[^psalmen-49-14-31] woorden.[^psalmen-49-14-32] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v14)

**15** Men[^psalmen-49-15-33] zet hen als[^psalmen-49-15-34] schapen in het[^psalmen-49-15-35] graf, de dood zal[^psalmen-49-15-36] hen afweiden; en de oprechten zullen over hen[^psalmen-49-15-37] heersen in die[^psalmen-49-15-38] morgenstond; en het graf zal hun[^psalmen-49-15-39] gedaante[^psalmen-49-15-40] verslijten, elk uit[^psalmen-49-15-41] zijn woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v15)

**16** [^psalmen-49-16-42] Maar God zal mijn[^psalmen-49-16-43] ziel van[^psalmen-49-16-44] het geweld van het graf verlossen,[^psalmen-49-16-45] want Hij zal mij opnemen. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v16)

**17** Vrees[^psalmen-49-17-46] niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis[^psalmen-49-17-47] groot wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v17)

**18** Want hij zal in zijn sterven niet met al meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v18)

**19** Hoewel hij zijn[^psalmen-49-19-48] ziel in zijn leven zegent, en[^psalmen-49-19-49] zij u loven,[^psalmen-49-19-50] omdat u uzelf goed doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v19)

**20** Zo zal[^psalmen-49-20-51] zij toch komen tot het geslacht haar[^psalmen-49-20-52] vaders; tot in eeuwigheid zullen zij het[^psalmen-49-20-53] licht niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v20)

**21** De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/49.html#v21)

[^psalmen-49-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-49-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 42:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-49-3-3]: Kanttekening 3: Hebr. mensenzoon, of, kinderen, ook manszonen. Zie Ps. 4:3 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^psalmen-49-4-4]: Kanttekening 4: Hebr. wijsheden.
[^psalmen-49-4-5]: Kanttekening 5: Hebr. verstandigheden zijn.
[^psalmen-49-5-a]: Verwijzing a: Ps. 78:2 ; Matt. 13:35 . Psalmen 78:2 : Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her; Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld.
[^psalmen-49-5-6]: Kanttekening 6: Of, raadsel. Zie Richt. 14:12 , en 1 Kon. 10:1 . Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.
[^psalmen-49-5-7]: Kanttekening 7: Anders, cither.
[^psalmen-49-6-8]: Kanttekening 8: kwade dagen: Hebr., בִּ, dagen van het kwaad; dat is tijd van tegenspoed en verdriet.
[^psalmen-49-6-9]: Kanttekening 9: Hebr., עֲוֺן, de ongerechtigheid van mijn hielen mij omringt. Of versta, de ongerechtigheid en boosheid van mijn vijanden, die mij ten onrechte vervolgen en zo op de hielen zijn dat zij mij somtijds als omsingeld hebben. Hierop slaat de gehele psalm, dat de vromen mogen getroost en goedsmoeds zijn tegen de macht en trotsheid van hun goddeloze vervolgers.
[^psalmen-49-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, bloedverwant, vriend, die hij graag bij het leven zou houden, en ongaarne laten sterven, als het in zijn macht was te keren.
[^psalmen-49-8-11]: Kanttekening 11: Hebr., verlossende verlossen; dat is, immermeer of enigzins verlossen of rantsoeneren.
[^psalmen-49-8-12]: Kanttekening 12: De Heer van leven en dood, aan wie de mens de dood schuldig is; Gen. 2:17 , en Gen. 3:19 ; Rom. 5:12 , enz., en Rom. 6:23 . Genesis 2:17 : Maar van de boom van de kennis van het goed en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u de dood sterven. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Romeinen 5:12 : Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben. Romeinen 6:23 : Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.
[^psalmen-49-8-13]: Kanttekening 13: Of, zoengeld.
[^psalmen-49-9-14]: Kanttekening 14: Of, rantsoen, lossing, loskoping, losgeld.
[^psalmen-49-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, huns levens. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^psalmen-49-9-16]: Kanttekening 16: Anders, te zwaar; dat is, onmogelijk, gelijk Dan. 2:11 . Daniël 2:11 : Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelfde voor de koning te kennen kan geven, dan de goden, van wie de woning bij het vlees niet is.
[^psalmen-49-9-17]: Kanttekening 17: zal in: Dat is, nimmermeer gebeuren, zal in eeuwigheid moeten achterblijven.
[^psalmen-49-10-18]: Kanttekening 18: Gelijk hij voor anderen de dood niet kan afkopen, zo kan hij het voor zichzelven ook niet doen.
[^psalmen-49-10-19]: Kanttekening 19: Of, altijd, eeuwig.
[^psalmen-49-10-20]: Kanttekening 20: Zie Ps. 16:10 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^psalmen-49-11-21]: Kanttekening 21: Anders, men ziet zekerlijk, of men ziet toch.
[^psalmen-49-11-22]: Kanttekening 22: een onvernuftige: Of, beestelijke; dat is, die als een onvernuftig dier onverstandig is, of die brandt en gedreven wordt van onbezonnen driftige bewegingen. Verg. Ps. 73:22 , en Ps. 92:7 , en Ps. 94:8 ; Spr. 30:2 2 Petr. 2:12 ; Judas 1:10. Psalmen 73:22 : Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. Psalmen 92:7 : Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelfde niet; Psalmen 94:8 : Aanmerkt, u onvernuftigen onder het volk! en u dwazen! wanneer zult u verstandig worden? Spreuken 30:2 : Werkelijk, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand; 2 Petrus 2:12 : Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, omdat zij lasteren, wat zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;
[^psalmen-49-12-23]: Kanttekening 23: Hebr. hun binnenste.
[^psalmen-49-12-24]: Kanttekening 24: van geslacht: Hebr., דֹר, in geslacht en geslacht.
[^psalmen-49-12-25]: Kanttekening 25: zij noemen: Anders, zij roemen, of roepen uit hun namen in de landen.
[^psalmen-49-13-26]: Kanttekening 26: En geen verstand heeft, gelijk vers 21 , zijnde in zijn hogen staat zulk een dwaas, gelijk tevoren beschreven is. Zie vers 7 , 49:12 . Psalmen 49:21 : De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. Psalmen 49:7 : Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; Psalmen 49:12 : Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
[^psalmen-49-13-27]: Kanttekening 27: Hebr. eigenlijk: zal niet overnachten. Maar het Hebr. woord wordt verder genomen voor herbergen, verblijven, verkeren.
[^psalmen-49-13-28]: Kanttekening 28: Of, afgesneden, uitgeroeid worden. De gelijkheid bestaat in de dood, die de goddelozen en beesten gemeen is, en gelijk in het aanzien van het domme en beestelijke onverstand, waarin de goddelozen sterven alsof zij beesten waren. Van de onsterflijkheid van de menselijke ziel wordt op andere plaatsen gesproken.
[^psalmen-49-14-29]: Kanttekening 29: weg is: Dat is, manier van doen, leven en wandel. Zie Gen. 6:12 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^psalmen-49-14-30]: Kanttekening 30: Anders, hoop; dat is, datgene waarop zij hun hoop en vertrouwen stellen. Omdat het Hebr. woord strijdige dingen betekent, somtijds dwaasheid, ongestadigheid, lichtvaardigheid, somtijds hoop, bestendigheid, vertrouwen; gelijk het Hebr. woord berech, zegenen, somtijds vloeken, en bij ons het woord hel, somtijds klaar, licht, luchtig \]betekent, somtijds de uiterste duisternis, en dergelijke meer, zo in onze als andere talen.
[^psalmen-49-14-31]: Kanttekening 31: Hebr., הֶם, mond; dat is, zeggen, leren, bevelen, gelijk de mond dikwijls genomen wordt voor wat er uit gaat. De zin is: Zij doen na, gelijk de anderen voorgegaan hun voorzaten behoorden te verfoeien.
[^psalmen-49-14-32]: Kanttekening 32: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-49-15-33]: Kanttekening 33: Hebr. zij zetten, of stellen, leggen; te weten hen, de goddelozen rijken, dat is, men zet hen, of zij worden gezet gelijk elders dikwijls.
[^psalmen-49-15-34]: Kanttekening 34: Die men bij menigten samenstuwt in de kooien, inplaats dat tevoren de gehele wereld voor de gedachten van de goddelozen nauwelijks genoeg was.
[^psalmen-49-15-35]: Kanttekening 35: Hebr., שְׁאוֹל, scheol, en zo in het volgende. Zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-49-15-36]: Kanttekening 36: Dat is, verteren, slijten. Zie van het Hebr. woord Job 24:21 . Anders, weiden; dat is, hun heer, meester en regent zijn. Job 24:21 : De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.
[^psalmen-49-15-37]: Kanttekening 37: In Christus hun hoofd, onder wiens voeten alle vijanden, als tot een voetbank, zullen worden nedergeworpen; Ps. 110:1 ; 1 Kor. 15:25 . Psalmen 110:1 : Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
[^psalmen-49-15-38]: Kanttekening 38: Als zij uit hun slaap zullen ontwaken ter zalige opstanding, door de kracht van hun Hoofd Jezus Christus.
[^psalmen-49-15-39]: Kanttekening 39: Of, gestalte. Anders hun rots, sterkte, waarop zij zich verlieten.
[^psalmen-49-15-40]: Kanttekening 40: Hebr. eigenlijk, verouden.
[^psalmen-49-15-41]: Kanttekening 41: Te weten, weggerukt zijnde. Hoewel hij daarvan zulke dwaze gedachten had. Zie vs. 12. Anders aldus: Want hun \[van de oprechten\] Rotssteen \[de Messias \] \[is\], om het graf te vernielen, dat het hun \[Hebr. hem, dat is, niemand van de vromen, geen van hen\] geen woonstede zij, of uit zijn \[van het graf\] woning, als wanneer men een vijand in zijn eigen leger overweldigt.
[^psalmen-49-16-42]: Kanttekening 42: Of, zekerlijk, ziende op de overzetting straks in het voorgaande vermeld.
[^psalmen-49-16-43]: Kanttekening 43: Verg. Ps. 16:10 . Hoewel hier gezien wordt op de volkomen verlossing van alle leden van Christus, naar ziel en lichaam, dat een ieder gelovige zich toeëigent, gelijk hier geschiedt. Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^psalmen-49-16-44]: Kanttekening 44: Hebr. uit, of van de hand, zo Hos. 13:14 . Zie Job 5:20 , en Ps. 22:21 . Hosea 13:14 : Maar Ik zal hen van het geweld van het dodenrijk verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. Psalmen 22:21 : Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond.
[^psalmen-49-16-45]: Kanttekening 45: want Hij: Of, wanneer Hij mij zal opnemen. Zie Joh. 14:3 ; 1 Thess. 4:14 , 4:17 . Johannes 14:3 : En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben. 1 Thessalonicensen 4:14 : Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^psalmen-49-17-46]: Kanttekening 46: Versla u niet, bezwijk niet, wordt niet kleinmoedig of wantrouwend, als de goddelozen machtig worden.
[^psalmen-49-17-47]: Kanttekening 47: Of, vermenigvuldigt, vermeerdert.
[^psalmen-49-19-48]: Kanttekening 48: Dat is, zichzelven voor gelukkig houdt, zie Deut. 29:19 . Sommigen verstaan het van zijn weelderig en overdadig leven, gelijk in het volgende gezegd wordt, en Luk. 12:19 , en Luk. 16:25 . Deuteronomium 29:19 : En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. Lukas 12:19 : En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! u hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. Lukas 16:25 : Maar Abraham zei: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten.
[^psalmen-49-19-49]: Kanttekening 49: zij u: De dwaze kinderen van de wereld u \[u dwazen rijken\] loven en prijzen.
[^psalmen-49-19-50]: Kanttekening 50: Of, wanneer u, enz.
[^psalmen-49-20-51]: Kanttekening 51: zij toch : Te weten, de ziel, waarvan in het voorgaande vers 19 , gesproken, dat is, hij zelf. Psalmen 49:19 : Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat u uzelven goed doet;
[^psalmen-49-20-52]: Kanttekening 52: Zijn voorvaders, die in het graf en naar het dodenrijk zijn gevaren: gelijk de gelovigen tot hun medeleden vergaderd worden. Zie Gen. 15:15 , en Gen. 25:8 , 25:17 . Sommigen verstaan dit vers zo, dat deze goddelozen niet langer zullen leven op aarde, gelijk hun voorvaders, dat zij geen eeuwig leven op aarde zullen hebben. Genesis 15:15 : En u zult tot uw vaders gaan met vrede; u zult in goede ouderdom begraven worden. Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Genesis 25:17 : En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.
[^psalmen-49-20-53]: Kanttekening 53: Verg. Ps. 36:10 ; maar zij \[de goddelozen, tevoren beschreven\] zullen uitgeworpen worden in de uiterste duisternis; Matt. 8:12 . Psalmen 36:10 : Want bij U is de fontein van het leven; in Uw licht zien wij het licht. Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden.

### Psalmen 50

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/50.json)

*De profeet voert God sprekend in, als komend met grote majesteit om Zijn volk plechtig te richten, krachtig betuigend waarin de ware en aan God welgevallige godsdienst niet bestaat, en waarin zij daarentegen wel bestaat; met een heftige overtuiging van de God-vergetende huichelaars en verbondsbrekers, dreiging van eeuwig verderf zo zij zich niet beteren, en belofte van zaligheid aan degenen die Hem oprecht dienen.*

**1** Een psalm[^psalmen-50-1-1] van Asaf. De[^psalmen-50-1-2] God van de goden, YHWH spreekt, en roept de[^psalmen-50-1-3] aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v1)

**2** Uit Sion, de[^psalmen-50-2-4] volkomenheid van de[^psalmen-50-2-5] schoonheid, verschijnt God blinkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v2)

**3** Onze God zal[^psalmen-50-3-6] komen en zal niet[^psalmen-50-3-7] zwijgen; een[^psalmen-50-3-8] vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v3)

**4** Hij zal roepen tot de[^psalmen-50-4-9] hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v4)

**5** [^psalmen-50-5-10] Verzamel Mij Mijn gunstgenoten, die[^psalmen-50-5-11] Mijn verbond maken met offergave! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v5)

**6** [^psalmen-50-6-12] En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter.[^psalmen-50-6-13] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v6)

**7** Hoor, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u[^psalmen-50-7-14] betuigen; Ik, God, ben[^psalmen-50-7-15] uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v7)

**8** [^psalmen-50-8-16] Om uw offergaven zal Ik u niet straffen, want uw brandoffers zijn steeds voor Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v8)

**9** Ik zal uit uw huis geen stier nemen, noch bokken uit uw kooien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v9)

**10** Want al het gedierte van het woud is van Mij, de beesten op[^psalmen-50-10-17] duizend bergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v10)

**11** Ik ken al het gevogelte van de bergen, en het wild van het veld is[^psalmen-50-11-18] bij Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v11)

**12** Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want[^psalmen-50-12-a] van Mij is de wereld en haar[^psalmen-50-12-19] volheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v12)

**13** Zou Ik[^psalmen-50-13-20] stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v13)

**14** Offer voor God[^psalmen-50-14-21] dank, en[^psalmen-50-14-b] betaal de Allerhoogste uw geloften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v14)

**15** En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v15)

**16** Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt u Mijn voorschriften te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v16)

**17** Omdat u de[^psalmen-50-17-22] vergelding haat, en Mijn woorden[^psalmen-50-17-23] achter u wegwerpt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v17)

**18** Als u een dief ziet, zo[^psalmen-50-18-24] loopt u met hem; en uw[^psalmen-50-18-25] deel is met de overspelers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v18)

**19** Uw mond[^psalmen-50-19-26] slaat u in het kwade, en uw tong[^psalmen-50-19-27] koppelt bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v19)

**20** U zit, u spreekt[^psalmen-50-20-28] tegen uw broer; tegen de[^psalmen-50-20-29] zoon van uw moeder geeft u lastering uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v20)

**21** Deze dingen doet u, en Ik[^psalmen-50-21-30] zwijg; u denkt, dat Ik[^psalmen-50-21-31] te enenmale ben, gelijk u; Ik zal u straffen, en zal[^psalmen-50-21-32] het ordentelijk voor uw ogen stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v21)

**22** Versta dit toch, u godvergeters! opdat Ik niet verscheure[^psalmen-50-22-33] en niemand redde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v22)

**23** Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie[^psalmen-50-23-34] zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen[^psalmen-50-23-35] zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/50.html#v23)

[^psalmen-50-1-1]: Kanttekening 1: van Asaf: Of, voor Asaf , dat is, hem of zijn nakomelingen ter hand gesteld, om in Gods kerk te gebruiken; gelijk Jakob en Israël dikwijls genomen worden voor de Israëlieten of Jakobs nakomelingen, en Aäron voor Aärons nakomelingen, 1 Kron. 12:27 . Zo kan men ook door Asaf somtijds verstaan zijn nakomelingen. Asaf was een opperzangmeester en ook een ziener of profeet. Zie 1 Kron. 25:1 , enz. 2 Kron. 29:30 . 1 Kronieken 12:27 : En Jehojada was overste van de Aäronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het heir, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 2 Kronieken 29:30 : Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij YHWH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.
[^psalmen-50-1-2]: Kanttekening 2: Zie Deut. 10:17 ; Ps. 82:1 . Sommigen geven aan dat hier drie onderscheidene namen Gods bijeengevoegd zijn, El, Elohim, YHWH. Verg. Joz. 22:22 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden; Jozua 22:22 : De God van de goden, YHWH, de God van de goden, YHWH, Die weet het; Israël zelf zal het ook weten! Is het door opstandigheid, of is het door overtreding tegen YHWH, zo behoudt ons heden niet;
[^psalmen-50-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, inwoners van de aarde.
[^psalmen-50-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, volkomen schoon is, ten aanzien van de reine godsdienst, van de heilige vergaderingen, van de ark van het verbond, enz. en van alle geestelijke betekenende zaken. Verg. Ps. 48:3 ; Klaagl. 2:15 ; 1 Petr. 1:10 , 1:11 , 1:12 . Psalmen 48:3 : Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Koning. Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 1 Petrus 1:12 : Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^psalmen-50-2-5]: Kanttekening 5: Of, is God blinkende verschenen. Verg. Deut. 33:2 . Sommigen nemen het aldus: God heeft de volkomenheid van de schoonheid uit Zion doen verschijnen. Deuteronomium 33:2 : Hij zei dan: YHWH is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden van de heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.
[^psalmen-50-3-6]: Kanttekening 6: Verg. Openb. 22:20 . Openbaring 22:20 : Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus!
[^psalmen-50-3-7]: Kanttekening 7: Of, stil zijn. Zie Richt. 18:9 . Richteren 18:9 : En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt u dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;
[^psalmen-50-3-8]: Kanttekening 8: Verg. Deut. 4:24 ; 2 Sam. 22:9 ; Ps. 18:9 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. 2 Samuël 22:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. Psalmen 18:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
[^psalmen-50-4-9]: Kanttekening 9: Om die als tot getuigen te nemen. Zie Deut. 4:26 . Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^psalmen-50-5-10]: Kanttekening 10: Verg. Matt. 24:31 . Dit zijn Gods woorden, waarmee Hij ingevoerd wordt, gelijk als door zijn zendboden, aanmanende en verdagvaardende zijn volk \[die in het algemeen de titel voeren van zijn gunstgenoten , om zijn oordeel over hun godsdiensten uit te spreken. Mattheüs 24:31 : En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemel tot het andere uiterste daarvan.
[^psalmen-50-5-11]: Kanttekening 11: Mijn verbond: Dat is, die offeren om het verbond, dat tussen mij en hen is, daardoor te verzegelen en te tonen dat zij mijn trouwe bondgenoten zijn. Van de ceremoniën in het maken van verbonden gebruikelijk, zie Gen. 15:17 , 15:18 , en een exempel van verbondmaken tussen God en zijn volk door offeranden, Ex. 24:4 , 24:5 , 24:6 , 24:7 , 24:8 . Dit alles zag op het bloed van het Nieuwe Testament en de Middelaar van die, onze Heer Jezus Christus, in welke alleen het verbond Gods met al zijn ware gunstgenoten bevestigd is; Hebr., 7 , Hebr. 8 , Hebr. 9 , Hebr. 10 . Genesis 15:17 : En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Exodus 24:4 : Mozes nu beschreef al de woorden van YHWH, en hij maakte zich 's morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. Exodus 24:5 : En hij zond de jongelingen van de kinderen van Israël, die brandofferen offerden, en YHWH dankofferen offerden, van jonge ossen. Exodus 24:6 : En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar. Exodus 24:7 : En hij nam het boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. Exodus 24:8 : Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met u gemaakt heeft over al die woorden.
[^psalmen-50-6-12]: Kanttekening 12: En de: Dit zijn weer de woorden van de profeet, die hij \[voordat hij voortgaat in het verhaal van Gods woorden tot zijn volk\] hier invoegt, om de gerechtigheid van Gods oordeel aan te wijzen, waarvan alle creaturen getuigenis moeten geven, in het bijzonder de hemelse legermachten van de heilige engelen, die hem in het oordeel bijstaan en verheerlijken, en ook zijn heiligen, van wie ook gezegd wordt dat zij zullen richten; Matt. 19:28 ; 1 Kor. 6:2 . Verg. Dan. 7:10 ; Matt. 25:31 . Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. 1 Korinthiërs 6:2 : Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtzaken? Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
[^psalmen-50-6-13]: Kanttekening 13: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-50-7-14]: Kanttekening 14: Ik zal u ernstiglijk voorhouden en verklaren de rechte inhoud van het verbond, dat Ik met u opgericht heb. Of, Ik zal tegen u betuigen; dat is, u met ernst overtuigen dat u mijn verbond overtreedt. Beide doet God in deze psalm, eensdeels opscherpende de vromen, anderdeels de goddelozen huichelaars overtuigende en scherpelijk dreigende als verbondbrekers; en de Hebr., אֲדַבֵּרָה, manier van spreken wordt in beide betekenissen gebruikt.
[^psalmen-50-7-15]: Kanttekening 15: uw God: Of, Ik \[ben\] God, uw God. Zie Gen. 17:7 . Dit is de inhoud van het verbond van Gods zijde. Van zijns volks plicht spreekt God in het volgende. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^psalmen-50-8-16]: Kanttekening 16: Om uw offeranden: Te weten, zoveel het uiterlijke betreft; met offeren bent u gestadiglijk bezig, daar schort het niet aan, wil de Heer zeggen, maar aan het geestelijke en voornaamste, gelijk onder volgt. Sommigen verstaan het verder van de afschaffing van de ceremoniën van het Oude Testament en instellingen van de geestelijke godsdienst in het Nieuwe Testament.
[^psalmen-50-10-17]: Kanttekening 17: duizend bergen: Hebr. gebergten van duizend; dat sommigen overzetten: op gebergten bij duizenden, verstaande dat van de beesten.
[^psalmen-50-11-18]: Kanttekening 18: bij Mij: Of, aan mij, met mij; dat is, het is in mijn macht, voor mij gereed. Of het komt mij allemaal toe, Ik kan het hebben als het mij belieft, het is tot mij best; zulks dat u ver verdoold bent, zo u meent dat u mij met uw uiterlijke offeranden alleen zoudt vleien, of mijn verbond voldoen.
[^psalmen-50-12-a]: Verwijzing a: Ex. 19:5 ; Deut. 10:14 ; Job 41:2 ; Ps. 24:1 ; 1 Kor. 10:26 ; idem v. 28 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, uws Gods, is de hemel, en de hemel van de hemel, de aarde, en al wat daarin is. Job 41:2 : Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de gansen hemel is, is het Mijn. Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. 1 Korinthiërs 10:26 : Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan. 1 Korinthiërs 10:28 : Maar zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om van degene wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en vanwege de gewetens. Want de aarde is van de Heer, en de volheid daarvan.
[^psalmen-50-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, al wat er in is, waarmee zij door mij vervuld en versierd is, gelijk Ps. 24:1 , en Ps. 89:12 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 89:12 : De hemel is Uw, ook is de aarde Uw; de wereld en haar volheid, die hebt U gegrond.
[^psalmen-50-13-20]: Kanttekening 20: Van het Hebr. woord, zie Ps. 22:13 . Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
[^psalmen-50-14-21]: Kanttekening 21: Of, lof. Van het ceremonieel lofoffer, zie Lev. 7:12 ; maar hier wordt gesproken van de geestelijke offeranden, die Gods bondgenoten schuldig zijn te doen. Verg. Hebr. 13:15 . Leviticus 7:12 : Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn. Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^psalmen-50-14-b]: Verwijzing b: Deut. 23:23 ; Job 22:27 ; Ps. 76:12 ; Pred. 5:4 ; idem v. 5 . Deuteronomium 23:23 : Wat uit uw lippen gaat, zult u houden en doen; gelijk als u YHWH, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat u met uw mond gesproken hebt. Job 22:27 : U zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en u zult uw geloften betalen. Psalmen 76:12 : Doet geloften en betaalt ze YHWH, uw God, u allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Die, Die te vrezen is, geschenken brengen; Prediker 5:4 : Het is beter, dat u niet belooft, dan dat u belooft en niet betaalt. Prediker 5:5 : Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht van de engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uw stemme wille, en verderven het werk uw handen?
[^psalmen-50-17-22]: Kanttekening 22: Of, tucht, bestraffing, met woorden of werken, dienende tot onderwijs en verbetering eens zondaars. Het Hebr. woord דְּבָרַ, betekent eigenlijk verband, bedwang, en wordt verder genomen voor tucht en kastijding, zijnde de weg van het leven en van de wijsheid; Spr. 6:32 , en Spr. 12:1 . Spreuken 6:32 : Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; Spreuken 12:1 : Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
[^psalmen-50-17-23]: Kanttekening 23: Gelijk men doet wanneer men iets veracht en van geen waarde houdt, dat men voor ogen niet zien mag. Verg. 1 Kon. 14:9 . 1 Koningen 14:9 : Maar kwaad gedaan hebt, doende meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;
[^psalmen-50-18-24]: Kanttekening 24: Of, u stemt met hem toe, u hebt behagen in hem. De zin is: U bent meteen ijverig en gereed om in zijn kwaaddoen toe te stemmen, en voegt u met hart, mond en daad met hem. Het Hebr. woord schijnt beider betekenis deelachtig te zijn, lopen en behagen daarin te hebben.
[^psalmen-50-18-25]: Kanttekening 25: deel is: Verg. Spr. 29:24 , waarop dan volgt dat zodanigen hun deel van de straf ook met deze ontvangen. Zie Joh. 20:29 , met de aantekening. Spreuken 29:24 : Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen. Johannes 20:29 : Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
[^psalmen-50-19-26]: Kanttekening 26: Hebr. eigenlijk zendt; dat is, u gebruikt, legt aan, besteedt die in kwade zaken.
[^psalmen-50-19-27]: Kanttekening 27: Of, smeedt tezamen.
[^psalmen-50-20-28]: Kanttekening 28: Tot zijn nadeel.
[^psalmen-50-20-29]: Kanttekening 29: zoon van uw: Zie Deut. 13:6 . Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaders;
[^psalmen-50-21-30]: Kanttekening 30: Of, houd mij stil, u op de daad niet straffende, maar tijd gunnende tot bekering, naar mijn lankmoedigheid die nochtans misbruikt. Verg. Rom. 2:4 , 2:5 . Romeinen 2:4 : Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? Romeinen 2:5 : Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, vergadert u uzelven toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God.
[^psalmen-50-21-31]: Kanttekening 31: te enenmale: Hebr. zijnde zij, of zijn zal.
[^psalmen-50-21-32]: Kanttekening 32: Gelijk op een rij, of in orde, zal Ik u optellen en doen gevoelen al uw verbondsbrekingen.
[^psalmen-50-22-33]: Kanttekening 33: Gelijk een leeuw of ander wild dier. Zie deze betekenis van het Hebr. woord Gen. 31:39 , en Gen. 37:33 ; Ex. 22:13 . Anders, rove, wegrijde; te weten, om te verscheuren. Genesis 31:39 : Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; u hebt het van mijn hand geëist, het ware overdag gestolen, of 's nachts gestolen. Genesis 37:33 : En hij bekende hem, en zei: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd! Exodus 22:13 : Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven.
[^psalmen-50-23-34]: Kanttekening 34: Dat is, leven, handel en wandel, gelijk Ps. 1:1 . Anders, die het tot een gewoonte stelt, of een gewoonte daarvan maakt: te weten, van God te loven en te danken. Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^psalmen-50-23-35]: Kanttekening 35: Dat is, genieten, gelijk Ps. 4:7 , en elders dikwijls. Zie Job 7:7 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.

### Psalmen 51

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/51.json)

*David, in zware zonden gevallen, en door God door de profeet Nathan bestraft en opgewekt zijnde, bidt zeer vurig om genade en vergeving door de Messias, met belijdenis niet alleen van deze zonden, maar ook van zijn aangeboren verdorvenheid; hij begeert verder dat God Zijn Heilige Geest in hem vernieuwe, opdat hij daardoor ondersteund mag worden en anderen door hem geleerd; en God dankbaarheid belovend met oprechte boetvaardigheid, bidt hij ten slotte voor het behoud van de gehele Kerk.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-51-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v1)

**2** Toen de[^psalmen-51-2-a] profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot[^psalmen-51-2-b] Bathseba was[^psalmen-51-2-2] ingegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v2)

**3** Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid;[^psalmen-51-3-3] wis mijn overtreding uit, naar de[^psalmen-51-3-4] grootheid van Uw barmhartigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v3)

**4** Was mij[^psalmen-51-4-5] wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v4)

**5** Want ik[^psalmen-51-5-6] ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v5)

**6** Tegen U, U[^psalmen-51-6-7] alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat[^psalmen-51-6-8] kwaad is in Uw[^psalmen-51-6-c] ogen; opdat U[^psalmen-51-6-9] rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v6)

**7** Zie, ik ben in[^psalmen-51-7-10] ongerechtigheid[^psalmen-51-7-11] geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder[^psalmen-51-7-12] ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v7)

**8** Zie, U hebt lust tot[^psalmen-51-8-13] waarheid in het[^psalmen-51-8-14] binnenste, en in[^psalmen-51-8-15] het verborgene maakt U mij wijsheid bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v8)

**9** Ontzondig mij met[^psalmen-51-9-16][^psalmen-51-9-d] hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v9)

**10** Doe mij vreugde en blijdschap[^psalmen-51-10-17] horen; dat de[^psalmen-51-10-18] beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v10)

**11** [^psalmen-51-11-19] Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en[^psalmen-51-11-20] wis uit al mijn ongerechtigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v11)

**12** [^psalmen-51-12-21] Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een[^psalmen-51-12-22] vasten geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v12)

**13** Verwerp[^psalmen-51-13-23] mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw[^psalmen-51-13-24] Heilige Geest niet van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v13)

**14** Geef mij weer de[^psalmen-51-14-25] vreugde van Uw heil; en de[^psalmen-51-14-26] vrijmoedige geest ondersteune mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v14)

**15** [^psalmen-51-15-27] Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v15)

**16** Verlos mij van[^psalmen-51-16-28] bloedschulden, o God, U, God van mijn heil! zo zal mijn tong Uw[^psalmen-51-16-29] gerechtigheid vrolijk roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v16)

**17** Heere,[^psalmen-51-17-30] open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v17)

**18** Want U hebt[^psalmen-51-18-31] geen lust tot offergave, anders zou ik ze geven; in brandoffers hebt U geen behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v18)

**19** De offergaven[^psalmen-51-19-32] Gods zijn een gebroken geest; een[^psalmen-51-19-33] gebroken en[^psalmen-51-19-34] verslagen hart zult U, o God! niet verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v19)

**20** Doe wel bij[^psalmen-51-20-35] Sion[^psalmen-51-20-36] naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v20)

**21** Dan zult U lust hebben aan de offergaven van[^psalmen-51-21-37] de gerechtigheid, aan brandoffer en[^psalmen-51-21-38] een offer, dat geheel verteerd wordt; dan zullen[^psalmen-51-21-39] zij stieren offeren op Uw altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/51.html#v21)

[^psalmen-51-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Het is aanmerkelijk dat, gelijk het God beliefd heeft Davids val tot menigvuldig onderwijs van Zijn volk in de Heilige Schrift te doen beschrijven, David ook, door Gods Geest gedreven zijnde, deze psalm tot gelijk einde in Gods huis heeft doen zingen en spelen. Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-51-2-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 12:1 . 2 Samuël 12:1 : En YHWH zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zei hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.
[^psalmen-51-2-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 11:4 . 2 Samuël 11:4 : Toen zond David boden heen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weer naar haar huis.
[^psalmen-51-2-2]: Kanttekening 2: Zie Gen. 6:4 . Genesis 6:4 : In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^psalmen-51-3-3]: Kanttekening 3: delg .. uit: Of, wis uit , doe uit . Vgl. Jes. 43:25 ; 44:22 ; Kol. 2:14 . Zo vers 11. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. Jesaja 44:22 : Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost. Kolossensen 2:14 : Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelfde uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende;
[^psalmen-51-3-4]: Kanttekening 4: Of, menigte .
[^psalmen-51-4-5]: Kanttekening 5: Was mij wel: Hebr., Vermenigvuldig, was mij , of: Vermenigvuldig, maak veel mij te wassen , of: Was mij veel of veelvoudiglijk , wel terdege, over en weer over. Aldus spreekt David uit overdenking en gevoel van de grootheid en veelheid zijn zonden. De manier van spreken is wel genomen van het uiterlijk en ceremonieel wassen en reinigen (waarvan Lev. 11:25 , 11:32 ; 14:8 , 14:9 ; Num. 19:19 , 19:20 , enz., ook Ex. 19:10 ), maar ziet op de betekende zaak, te weten de geestelijke afwassing en reiniging van zonden door het bloed van de Messias . Zie 1 Kor. 6:11 ; 1 Joh. 1:7 ; Openb. 7:14 . Vgl. onder, vers 9. Leviticus 11:25 : Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 11:32 : Daartoe al wat, waarop iets van dezelfde vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmee enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal het rein zijn. Leviticus 14:8 : Die nu te reinigen is, zal zijn kleren wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven. Leviticus 14:9 : En op de zevende dag zal het gebeuren, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen zijn ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn. Numeri 19:19 : En de reine zal de onreine op de derde dag, en op de zevende dag besprengen; en op de zevende dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en op de avond rein zijn. Numeri 19:20 : Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom van YHWH verontreinigd, het water van de afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein. Exodus 19:10 : Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen, 1 Korinthiërs 6:11 : En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Johannes 1:7 : Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden. Openbaring 7:14 : En ik sprak tot hem: Heer, u weet het. En hij zei tot mij: Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen, en hebben hun lange kleren wit gemaakt in het bloed van het Lam.
[^psalmen-51-5-6]: Kanttekening 6: ken mijn overtredingen: Of, ik weet, mijn overtredingen zijn mij bekend .
[^psalmen-51-6-7]: Kanttekening 7: U alleen: Te weten, voor zoveel ik, gepoogd hebbende mijn zonden voor mensen te verbergen, U nochtans door Nathans aanzeggingen bevonden en in mijn consciëntie gevoeld heb een Getuige en Rechter daarvan te zijn; U Die ook alleen mijn zonde kon straffen en vergeven.
[^psalmen-51-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, wat U mishaagt.
[^psalmen-51-6-c]: Verwijzing c: Rom. 3:4 . Romeinen 3:4 : Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^psalmen-51-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, rechtvaardig bevonden, gehouden en geoordeeld wordt. Door deze bekentenis geeft David God de eer, dat Zijn woorden en oordelen, hem door Nathan aangediend, rechtvaardig en rein zijn. Anders: zodat U rechtvaardig bent , enz.
[^psalmen-51-7-10]: Kanttekening 10: Versta de erfzonde, aangeboren verdorvenheid, het vlees en de inwonende zonde. Zie Joh. 3:6 ; Rom. 7:17 . Johannes 3:6 : Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Romeinen 7:17 : Ik dan doe datzelfde nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
[^psalmen-51-7-11]: Kanttekening 11: Zo wordt het Hebreeuwse woord gebruikt Job 15:7 ; Spr. 8:24 , 8:25 . Job 15:7 : Bent u de eerste een mens geboren? Of bent u voor de heuvelen voortgebracht? Spreuken 8:24 : Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Spreuken 8:25 : Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
[^psalmen-51-7-12]: Kanttekening 12: Hebr., verwarmd . Of, is van mij verwarmd geworden , te weten mij ontvangende en dragende. Aangaande het Hebreeuwse woord vgl. Gen. 30:38 , 30:39 , 30:41 . Genesis 30:38 : En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. Genesis 30:39 : Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. Genesis 30:41 : En het geschiedde, telkens als de kudde van de vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen van de kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.
[^psalmen-51-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, ongeveinsdheid, onbedrieglijke oprechtheid, gesteld tegen huichelarij en geveinsdheid, waaraan zich David te deze tijde had schuldig gemaakt.
[^psalmen-51-8-14]: Kanttekening 14: Of, binnenste , inwendige delen of partijen , te weten van de mensen, dat is, in het hart. Vgl. Rom. 2:29 ; 7:22 ; 2 Kor. 4:16 ; 1 Petr. 3:4 . Ook Luk. 11:39 , 11:40 . Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Job 38:36 gevonden, komende van een woord dat bestrijken , bedekken , overtrekken (als muren met kalk, cement, leem , enz.) betekent, en wordt van sommigen overgezet met nieren (als met vet overdekt zijnde), waardoor de bewegingen van de mensen dikwijls verstaan worden. Maar van anderen met praecordia , dat is, hartendeksel of borstbeen , dat het hart overdekt, waarin God de wijsheid gesteld heeft, Job 38:36 . Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Romeinen 7:22 : Want ik heb een vermaak in de wet van God, naar de inwendige mens; 2 Korinthiërs 4:16 : Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 1 Petrus 3:4 : Maar de verborgen mens van het hart, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. Lukas 11:39 : En de Heer zei tot hem: Nu u Farizeën, u reinigt het buitenste van de drinkbeker en van de schotel; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. Lukas 11:40 : U onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt? Job 38:36 : Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft de zin het verstand gegeven? Job 38:36 : Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft de zin het verstand gegeven?
[^psalmen-51-8-15]: Kanttekening 15: Of, beslotene , te weten het hart. Hij schijnt te willen zeggen, dat God hem geleerd heeft, niet alleen van buiten zijn licht te laten schijnen, maar ook in het bijzonder van binnen en in het verborgene heilig te zijn. Sommigen duiden het op de wijsheid van God in verborgenheid , 1 Kor. 2:7 , enz., in het Evangelie en door Zijn Geest geopenbaard. 1 Korinthiërs 2:7 : Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was;
[^psalmen-51-9-16]: Kanttekening 16: Ontzondig mij met hysop: Dat is, door de besprenging met het bloed van de Messias , afgebeeld door de ceremoniën, waarvan te zien is Lev. 14:4 , 14:5 , 14:6 , 14:7 . Num. 19:6 , 19:9 . Zie de aantekeningen daar; en van hysop 1 Kon. 4:33 . Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop. Leviticus 14:5 : De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water. Leviticus 14:6 : Die levende vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel, die boven het levende water geslacht is. Leviticus 14:7 : En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in het open veld vliegen laten. Numeri 19:6 : En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van de brand van deze vaars. Numeri 19:9 : En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen van Israël, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging. 1 Koningen 4:33 : Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^psalmen-51-9-d]: Verwijzing d: Lev. 14:4 ; idem v. 6 ; Num. 19:6 ; idem v. 18 . Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop. Leviticus 14:6 : Die levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levenden vogel dopen in het bloed van de vogels, die boven het levende water geslacht is. Numeri 19:6 : En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van de brand van deze vaars. Numeri 19:18 : En een rein man zal hysop nemen, en in dat water dopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; ook aan dengene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft.
[^psalmen-51-10-17]: Kanttekening 17: Door mij te verzekeren van de vergeving van mijn zonden, inwendiglijk door Uw Heilige Geest en uitwendiglijk door de dienst van Uw profeten.
[^psalmen-51-10-18]: Kanttekening 18: beenderen zich verheugen: Dat is, dat ik mij verheuge, wie U door de boodschap van Uw toorn zulke smart hebt aangedaan, als iemand lijdt, die de beenderen gebroken en verbrijzeld of vermorzeld worden, of wiens kracht, vermogen en lust als versmolten is. Zie Job 2:5 ; 30:17 ; 33:19 . Ps. 35:10 ; 38:4 , enz. Job 2:5 : Maar strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! Job 30:17 : 's Nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. Job 33:19 : Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte van zijn beenderen; Psalmen 35:10 : Al mijn beenderen zullen zeggen: YHWH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover. Psalmen 38:4 : Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
[^psalmen-51-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, reken ze mij niet toe. Vgl. Ps. 90:8 ; 109:14 , 109:15 . Jer. 16:17 . Psalmen 90:8 : U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze geheime zonden in het licht Uws aangezichts. Psalmen 109:14 : De ongerechtigheid van zijn vaders worde gedacht bij YHWH, en de zonde van zijn moeder worde niet uitgedelgd. Psalmen 109:15 : Dat zij gedurig voor YHWH zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde. Jeremia 16:17 : Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen.
[^psalmen-51-11-20]: Kanttekening 20: delg uit: Als vers 3.
[^psalmen-51-12-21]: Kanttekening 21: Schep mij een rein hart: Dat is, werk door Uw Heilige Geest krachtiglijk in mij de reiniging mijns harten. Zo wordt het woord scheppen elders in deze materie gebruikt. Zie Jes. 41:20 ; 57:19 ; Efez. 2:10 ; 4:24 , enz. Jesaja 41:20 : Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand van YHWH zulks gedaan, en dat de Heilige van Israël zulks geschapen heeft. Jesaja 57:19 : Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt YHWH, en Ik zal hen genezen. Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. Efeziërs 4:24 : En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
[^psalmen-51-12-22]: Kanttekening 22: vasten geest: Dat is, vernieuw door een vast geloof een vasten en bestendigen opzet in mijn ziel tot de gehoorzaamheid van Uw geboden, opdat ik zo niet meer slibbere of valle als nu geschied is. Vgl. Ps. 57:8 ; 112:7. Vgl. verder van hart en geest Ez. 11:19 met de aantekeningen; en van het binnenste van de mens Job 20:14 . Psalmen 57:8 : Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. Ezechiël 11:19 : En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; Job 20:14 : Zijn voedsel zal in zijn ingewand veranderd worden; gal van de adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.
[^psalmen-51-13-23]: Kanttekening 23: Wat een gevolg is van Gods grote toorn. Zie Gen. 4:14 , 4:16 . 2 Kon. 24:20 ; Jer. 7:15 ; 52:3 . Genesis 4:14 : Zie, U hebt mij heden verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal gebeuren, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. Genesis 4:16 : En Kaïn ging uit van het aangezicht van YHWH; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden. 2 Koningen 24:20 : Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. Jeremia 7:15 : En Ik zal u van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broers, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb. Jeremia 52:3 : Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel.
[^psalmen-51-13-24]: Kanttekening 24: Uw Heilige Geest: Hebr., רוּחַ, de Geest van Uw heiligheid , dat is, Uw Heilige Geest; als berg van Mijn heiligheid , Ps. 2:6 , paleis of tempel van Zijn heiligheid , Ps. 11:4 , enz. Zo hebben de Heer Christus en Zijn apostelen doorgaans de derde Persoon van de Heilige Drievuldigheid genoemd de Heilige Geest . Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid. Psalmen 11:4 : YHWH is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon van YHWH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
[^psalmen-51-14-25]: Kanttekening 25: vreugde Uws heils: De vreugde die ik tevoren gevoeld en gehad heb over de zaligheid, die U mij bereid hebt en geven zult; waarvan het gevoel door mijn val in mij verduisterd is.
[^psalmen-51-14-26]: Kanttekening 26: vrijmoedige geest ondersteune mij: Of, ondersteun mij met de vrijwillige of vrijmoedige , goedwillige , edele , weldadige geest ; waardoor ik U met kinderlijke vrijmoedigheid mag aanroepen en met blijmoedigheid en bereidwilligheid dienen. Vgl. dit met de Geest van het kindschap , waarvan Rom. 8:15 , 8:16 . Anders: de Geest van de goedwilligheid , vrijmoedigheid . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.
[^psalmen-51-15-27]: Kanttekening 27: Door mijn voorbeeld zal ik hen onderwijzen en troosten, en door dat middel (ziende dat er genade bij U is voor een armen boetvaardigen zondaar) zullen zij zich bekeren. Van de wegen van de Heer zie Gen. 18:19 . Ps. 25:4 , 25:10 ; Hos. 14:10 , enz. Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Psalmen 25:10 : Caph. Alle paden van YHWH zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. Hosea 14:10 : Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want de wegen van YHWH zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.
[^psalmen-51-16-28]: Kanttekening 28: Hebr., דָּמִים, bloeden , dat is, de schuld van doodslag, die ik aan Uria, en anderen die om zijnentwil mee zijn omgekomen, bedreven heb, waardoor ik de straf van de dood zelf verdiend heb. Zie Gen. 4:10 ; 9:5 , 9:6 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Genesis 9:5 : En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mensen, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mensen eisen. Genesis 9:6 : Wie het bloed van de mens vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt.
[^psalmen-51-16-29]: Kanttekening 29: Die U bewijst in het genadig houden en volbrengen van Uw beloften. Anders gebedsgewijze: laat mijn tong , enz.
[^psalmen-51-17-30]: Kanttekening 30: open mijn lippen: Leg in mijn mond een nieuw lied. Zie Ps. 40:4 . Hij wil zeggen, dat zijn mond, door de droefenis over zijn zonden en betrachting van zijn onwaardigheid, als gesloten was, en door Gods genade en troost van de Heilige Geest moest geopend worden. Psalmen 40:4 : En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang voor onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op YHWH vertrouwen.
[^psalmen-51-18-31]: Kanttekening 31: geen lust: Te weten zonder voor- en medegaande boetvaardigheid. Zie de voorgaande psalm, en onder, vers 21. Rom. 12:1 . Ook Hos. 6:6 . Sommigen verstaan het van de staat van het Nieuwe Testament of de geestelijke godsdienst daarvan. Zie Ps. 50:8 . Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Psalmen 50:8 : Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
[^psalmen-51-19-32]: Kanttekening 32: offeranden Gods: Dat is, die Hij voornamelijk gebiedt, en die Hem aangenaam zijn, als Joh. 6:28 werken van God . Johannes 6:28 : Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken van God mogen werken?
[^psalmen-51-19-33]: Kanttekening 33: Door een oprecht en diep berouw van zonden, en hartelijk verlangen en zuchten naar vergeving van die. De gelijkenis, genomen van het breken, stoten, kneuzen, verbrijzelen en vermorzelen van de harde dingen, is klaar. Zie Ps. 34:19 . Hiertegen wordt gesteld een hard hart, waarvan de Schrift elders spreekt. Anders aldus: De offeranden Gods zijn een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart; U zult die niet verachten . Psalmen 34:19 : Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
[^psalmen-51-19-34]: Kanttekening 34: Of, gekneusd , vermorzeld , verbrijzeld .
[^psalmen-51-20-35]: Kanttekening 35: De plaats waar U woont, waar Uw kerk haar heilige vergaderingen houdt en U dient. Zie verder Ps. 2:6 . Aldus bidt David voor Gods volk, uit bekommernis dat toch de ergernis, door hem gegeven, niet mocht strekken tot nadeel en verstoring van de gehele kerk. Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid.
[^psalmen-51-20-36]: Kanttekening 36: naar Uw welbehagen: Of, door Uw goedgunstigheid .
[^psalmen-51-21-37]: Kanttekening 37: Zie Ps. 4:6 , en vgl. boven, op vers 18. Psalmen 4:6 : Offert offeranden van de gerechtigheid, en vertrouwt op YHWH.
[^psalmen-51-21-38]: Kanttekening 38: een offer, dat geheel verteerd wordt: Versta een bijzonder spijsoffer van de hogepriesters, dat geheel moest geofferd en verbrand worden. Zie Lev. 6:20 , 6:22 , 6:23 . Hoewel het somtijds ook met slachtoffer zo geschied is, als te zien is 1 Sam. 7:9 . Leviticus 6:20 : Dit is de offerande van Aäron en van zijn zonen, die zij YHWH offeren zullen, op de dag als hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond. Leviticus 6:22 : Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor YHWH geheel aangestoken worden. Leviticus 6:23 : Zo zal alle spijsoffer van de priester ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden. 1 Samuël 7:9 : Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel YHWH ten brandoffer; en Samuël riep tot YHWH voor Israël; en YHWH verhoorde hem.
[^psalmen-51-21-39]: Kanttekening 39: Te weten Uw volk in Sion. Of, zij zullen offeren , dat is, men zal offeren, er zullen geofferd worden; als elders dikwijls.

### Psalmen 52

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/52.json)

*David straft Doëgs goddeloze hoogmoed en verraderlijke trouweloosheid; hij verkondigt hem Gods oordelen, waardoor de Kerk reden zal hebben om God te vrezen en Doëg te bespotten; hij troost en verheugt zichzelf door het geloof in Gods bestendige goedertierenheid.*

**1** [^psalmen-52-1-1] Een onderwijzing van David, voor de[^psalmen-52-1-2] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v1)

**2** [^psalmen-52-2-a] Als Doëg, de[^psalmen-52-2-3] Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen in het huis van[^psalmen-52-2-4] Achimelech. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v2)

**3** Wat beroemt u zich[^psalmen-52-3-5] in het kwaad, o u[^psalmen-52-3-6] geweldige? Gods[^psalmen-52-3-7] goedertierenheid duurt toch de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v3)

**4** Uw tong[^psalmen-52-4-8] denkt[^psalmen-52-4-9] enkel schade als een geslepen scheermes,[^psalmen-52-4-10] werkende bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v4)

**5** U hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken.[^psalmen-52-5-11] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v5)

**6** U hebt lief alle woorden van[^psalmen-52-6-12] verslinding, en een tong van[^psalmen-52-6-13] het bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v6)

**7** God zal u[^psalmen-52-7-14] ook[^psalmen-52-7-15] afbreken in eeuwigheid; Hij zal u[^psalmen-52-7-16] wegrapen en u uit de[^psalmen-52-7-17] tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land van de[^psalmen-52-7-18] levenden. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v7)

**8** En de rechtvaardigen zullen het zien, en[^psalmen-52-8-19] vrezen; en zij zullen over hem[^psalmen-52-8-20] lachen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v8)

**9** Zie de man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de[^psalmen-52-9-21] veelheid van zijn rijkdom; hij was sterk geworden door zijn[^psalmen-52-9-22] beschadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v9)

**10** Maar ik zal zijn als een[^psalmen-52-10-23] groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v10)

**11** Ik zal U loven in eeuwigheid,[^psalmen-52-11-b] omdat U het[^psalmen-52-11-24] gedaan hebt; en ik zal Uw[^psalmen-52-11-25] Naam verwachten; want[^psalmen-52-11-26] hij is[^psalmen-52-11-27] goed voor Uw[^psalmen-52-11-28] gunstgenoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/52.html#v11)

[^psalmen-52-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-52-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-52-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 22:9 . 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub;
[^psalmen-52-2-3]: Kanttekening 3: Een van Ezau's \[ook genoemd Edom, Gen. 25:30 \] nakomelingen, of immers zolang onder hen verkeerd hebbende, dat hij \[naar sommiger gevoelen\] de naam daarvan bekomen mag hebben. Hebr., אֲדֹמִי, Adomiet, gelijk 1 Sam. 22:9 , ook Deut. 23:7 ; 1 Kon. 11:17 , enz. Genesis 25:30 : En Ezau zei tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub; Deuteronomium 23:7 : De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land. 1 Koningen 11:17 : Maar Hadad was ontvloden, hij en enige Edomietische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een kleine jongen.
[^psalmen-52-2-4]: Kanttekening 4: De priester, om met hem tegen u samen te spannen zoals Doëg dit valselijk duidde. Zie 1 Sam. 22:9 , 22:13 . 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub; 1 Samuël 22:13 : Toen zei Saul tot hem: Waarom hebt u samen u tegen mij verbonden, u en de zoon van Isaï, mits dat u hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te deze dage is?
[^psalmen-52-3-5]: Kanttekening 5: Dat u mij en Gods priesters te Nob hebt aangedaan. Zie 1 Sam. 22:18 , 22:19 . 1 Samuël 22:18 : Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen. 1 Samuël 22:19 : Hij sloeg ook Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte van het zwaard.
[^psalmen-52-3-6]: Kanttekening 6: Want hij was bij Saul in groot vertrouwen en één van zijn opperste herders en officieren, 1 Sam. 21:7 , en 1 Sam. 22:9 ; hierop was hij stout en trots, vers 9 . 1 Samuël 21:7 : Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had. 1 Samuël 22:9 : Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub; Psalmen 52:9 : Ziet de man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.
[^psalmen-52-3-7]: Kanttekening 7: Over al de zijnen, en mee over mij zodat u u ijdelijk beroemt alsof u mij bereids hadt tenonder gebracht.
[^psalmen-52-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, uit niet dan voorbedacht en overlegd kwaad.
[^psalmen-52-4-9]: Kanttekening 9: enkel schade: Hebr. schaden, of ellenden; dat is, niets dan leed en verderf van de vromen.
[^psalmen-52-4-10]: Kanttekening 10: Dat in plaats van haarscheren iemand kwetst, of de keel afsteekt; of men kan duiden op Doëg zelf, aldus: O u werker van het bedrog; gelijk tevoren, u geweldige.
[^psalmen-52-5-11]: Kanttekening 11: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-52-6-12]: Kanttekening 12: Strekkende tot verslinden en opslokken.
[^psalmen-52-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, een bedriegelijke tong.
[^psalmen-52-7-14]: Kanttekening 14: Op zulks zonden zulke straffen.
[^psalmen-52-7-15]: Kanttekening 15: Gelijk men een gebouw \[gelijk huizen, altaren, enz.\] afbreekt en vernielt.
[^psalmen-52-7-16]: Kanttekening 16: Of, grijpen; gelijk men een kooi vuurs met de tang in de haast grijpt; Jes. 30:14 . Jesaja 30:14 : Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
[^psalmen-52-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, uw woning.
[^psalmen-52-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, uit deze wereld, uit dit leven. Zie Ps. 27:13 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan.
[^psalmen-52-8-19]: Kanttekening 19: Zich ontzettende over dit rechtvaardig oordeel van God, en daardoor gesterkt worden in Zijn vreze en ontzag.
[^psalmen-52-8-20]: Kanttekening 20: Vanwege de rechtvaardige straf Gods over deze verdwaasde en bittere vijand van God en alle vromen, zich heiliglijk verheugende en Doëgs ijdelen troost bespottende.
[^psalmen-52-9-21]: Kanttekening 21: Of, grootheid.
[^psalmen-52-9-22]: Kanttekening 22: door zijn beschadigen: Hebr. door zijn schade, of ellende, jammer, leed; te weten, dat hij de vromen aandeed, gelijk vers 4 . Psalmen 52:4 : Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.
[^psalmen-52-10-23]: Kanttekening 23: Verg. Ps. 92:13 , 92:14 ; Jer. 11:16 . Psalmen 92:13 : De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Psalmen 92:14 : Die in het huis van YHWH geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. Jeremia 11:16 : YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om hem aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.
[^psalmen-52-11-b]: Verwijzing b: Ps. 22:32 . Psalmen 22:32 : Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen de volk, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.
[^psalmen-52-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, omdat U het zult hebben gedaan, te weten, die trotse vijand gestraft en mij bewaard tot het beloofde koninkrijk, dat David door de profetische Geest zo zeker stelt alsof het reeds geschied ware.
[^psalmen-52-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, Uzelf, de waarheid en vervulling van uw beloften, waardoor U Uzelf metterdaad bewijst zodanig te zijn als U U in uw Woord beschrijft en als bij uw naam noemt. Verg. Ps. 54:3 , 54:8 , en Ps. 56:5 , 56:11 . Psalmen 54:3 : O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. Psalmen 54:8 : Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o YHWH! loven, want Hij is goed. Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? Psalmen 56:11 : In God zal ik het woord prijzen; in YHWH zal ik het woord prijzen.
[^psalmen-52-11-26]: Kanttekening 26: hij is: Te weten, uw naam, die is goed; dat is, U bent lieflijk, en troostelijk; of het is goed; te weten, U te loven en uw naam te verwachten. Verg. Ps. 92:2 . Psalmen 92:2 : Het is goed, dat men YHWH love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
[^psalmen-52-11-27]: Kanttekening 27: voor Uw: Dat is, hier, voor de ogen, in aanwezigheid, of tegenover.
[^psalmen-52-11-28]: Kanttekening 28: Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.

### Psalmen 53

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/53.json)

*Zie de inhoud van deze psalm bij Psalm 14.*

**1** Een[^psalmen-53-1-1] onderwijzing van David, voor de[^psalmen-53-1-2] opperzangmeester, op[^psalmen-53-1-3] Machalath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v1)

**2** [^psalmen-53-2-4] De dwaas[^psalmen-53-2-a] zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht;[^psalmen-53-2-b] er is niemand, die goed doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v2)

**3** God heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen,[^psalmen-53-3-c] om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v3)

**4** Een ieder van hen is teruggekeerd, samen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v4)

**5** Hebben dan de werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v5)

**6** Daar werden zij door grote schrik bevangen,[^psalmen-53-6-6] waar geen reden was om bevreesd te zijn; want God heeft de[^psalmen-53-6-7] beenderen van degene, die[^psalmen-53-6-8] u belegerde, verstrooid; u hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.[^psalmen-53-6-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v6)

**7** Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.[^psalmen-53-7-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/53.html#v7)

[^psalmen-53-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-53-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-53-1-3]: Kanttekening 3: Dit schijnt ook een naam te zijn van zeker muzikaal instrument niet ongelijk aan de nechiloth. Zie Ps. 5:1 . Verg. onder Ps. 88:1 . Psalmen 5:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Nechiloth. Psalmen 88:1 : Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.
[^psalmen-53-2-4]: Kanttekening 4: De dwaas: Deze psalm komt overeen met de veertiende , uitgenomen enige verandering, die het de Heilige Geest beliefd heeft daarin te gebruiken. Zie de aantekening daar.
[^psalmen-53-2-a]: Verwijzing a: Ps. 10:4 ; Ps. 14:1 . Psalmen 10:4 : De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. Psalmen 14:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
[^psalmen-53-2-b]: Verwijzing b: Rom. 3:12 . Romeinen 3:12 : Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.
[^psalmen-53-3-c]: Verwijzing c: Rom. 3:10 . Romeinen 3:10 : Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
[^psalmen-53-6-6]: Kanttekening 6: Gelijk dengenen geschiedt, die in een veldslag omkomen, of van wilde dieren verscheurd zijn, van wie de beenderen hier en daar verstrooid worden.
[^psalmen-53-6-7]: Kanttekening 7: u belegerde: De profeet spreekt de gemeente van de gelovige aan, zichzelven insluitende.
[^psalmen-53-6-8]: Kanttekening 8: Te weten, uw vijanden en verdrukkers.
[^psalmen-53-6-5]: Kanttekening 5: geen vervaardheid: Dat is, daar zij in het minste niet dachten dat iets hen verschrikken kon, en overzulks onversaagd, stout en trots waren, of waar geen natuurlijke oorzaak was van vervaardheid; want op God dachten zij niet, die het hun nochtans doen zou. Verg. Lev. 26:36 ; Deut. 28:65 ; Job 15:21 ; Spr. 28:1 . Leviticus 26:36 : En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen van hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. Deuteronomium 28:65 : Daartoe zult u onder dezelfde volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want YHWH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel. Job 15:21 : Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren; in de vrede zelven komt de verwoester hem over. Spreuken 28:1 : De goddelozen vluchten, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.
[^psalmen-53-7-9]: Kanttekening 9: Dat is, volkomen verlossing; gelijk elders het getal van velen zo genomen wordt. Hiervoor staat Ps. 14:7 verlossing, of heil, zaligheid, in het getal van een. Psalmen 14:7 : Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.

### Psalmen 54

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/54.json)

*David, door de Zifieten bij Saul verraden zijnde, bidt God om bescherming en rechtvaardige bestraffing van zijn vijanden, met vertrouwen op verhoring en belofte van dankbaarheid.*

**1** Een[^psalmen-54-1-1] onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op[^psalmen-54-1-2] de Neginoth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v1)

**2** [^psalmen-54-2-a] Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden:[^psalmen-54-2-3] Verberg zich David niet bij ons? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v2)

**3** O God! verlos mij door Uw[^psalmen-54-3-4] Naam, en doe mij[^psalmen-54-3-5] recht door Uw macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v3)

**4** O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v4)

**5** Want[^psalmen-54-5-6] vreemden staan tegen mij op, en tirannen[^psalmen-54-5-7] zoeken mijn[^psalmen-54-5-b] ziel; zij[^psalmen-54-5-8] stellen God niet voor hun ogen.[^psalmen-54-5-9] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v5)

**6** Zie, God is mij een Helper; de Heere is[^psalmen-54-6-10] onder degenen, die mijn ziel ondersteunen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v6)

**7** Hij zal dit kwaad aan mijn spionnen vergelden; roei hen[^psalmen-54-7-11] uit door Uw waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v7)

**8** Ik zal U met[^psalmen-54-8-12] vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o YHWH! loven,[^psalmen-54-8-13][^psalmen-54-8-c] want Hij is goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v8)

**9** Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien[^psalmen-54-9-14] op mijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/54.html#v9)

[^psalmen-54-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-54-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-54-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 23:19 ; 1 Sam. 26:1 . 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is? 1 Samuël 26:1 : De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibeä, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op de heuvel van Hachila, voor aan de wildernis?
[^psalmen-54-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, het zeker dat hij zich bij ons verborgen houdt. Zie van zulk vragen Richt. 4:6, enz.
[^psalmen-54-3-4]: Kanttekening 4: door Uw Naam: Verg. Ps. 52:11 . Anders, om uws naams wil. Psalmen 52:11 : Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.
[^psalmen-54-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, voer mijn rechtvaardige zaak uit tegen degenen, die mij ten onrechte vervolgen.
[^psalmen-54-5-6]: Kanttekening 6: De stad Zif was wel in Juda, en de woestijn Zif daaraan gelegen, Joz. 15:24 , maar David noemt hen vreemden, of uitlanders, omdat zij met hun barbaarse en onnatuurlijk gemoed tegen de onschuldige David betoonden dat zij geen rechte Israëlieten of Abrahams kinderen waren. Verg. Ps. 59:6 , 59:9 . Jozua 15:24 : Zif, en Telem, en Bealoth, Psalmen 59:6 : Ja, U YHWH, God van de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven. Sela. Psalmen 59:9 : Maar U, YHWH! zult hen belachen; U zult alle heidenen bespotten.
[^psalmen-54-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, staan naar mijn leven. Zie 2 Sam. 4:8 . 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^psalmen-54-5-b]: Verwijzing b: Ps. 86:14 . Psalmen 86:14 : O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen van de tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
[^psalmen-54-5-8]: Kanttekening 8: Hebr., שָׂמוּ, zij stellen God niet tegenover zich; dat is, zij hebben God niet voor ogen. Zo Ps. 86:14 . Psalmen 86:14 : O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen van de tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
[^psalmen-54-5-9]: Kanttekening 9: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-54-6-10]: Kanttekening 10: onder degenen: Dat is, \[met nadruk gesproken\] Hij is degene, die mijn leven ondersteunt en mij behoudt, zonder welke al de rest \[wat ik tot mijn bescherming zou mogen bedenken en gebruiken\] tevergeefs zou zijn. Of, met degenen, die mijn leven in deze gevaren, beschermen, te weten met mijn krijgsofficieren en getrouwe soldaten, 1 Kron. 12:1 . Zie gelijke manier van spreken Richt. 11:35 ; Ps. 99:6 , en Ps. 118:7 ; idem Spr. 3:26 . Sommigen houden de letter Beth, onder, met, in, in zulke manieren van spreken \[naar de aard van enige Oosterse talen\] voor overtollig, gelijk ook Spr. 16:6 ; Hos. 13:9 , waarvan de verstandige lezer kan oordelen, uit overweging van de omstandigheden van de plaatsen. 1 Kronieken 12:1 : Deze nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, de zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot die krijg hielpen. Richteren 11:35 : En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij ganselijk nedergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot YHWH, en ik zal niet kunnen teruggaan. Psalmen 99:6 : Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers van Zijn Naam; zij riepen tot YHWH, en Hij verhoorde hen. Psalmen 118:7 : YHWH is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten. Spreuken 3:26 : Want YHWH zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden. Spreuken 16:6 : Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vrees voor YHWH wijkt men af van het kwade. Hosea 13:9 : Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uw hulp.
[^psalmen-54-7-11]: Kanttekening 11: door Uw waarheid: Of, naar Uw waarheid, of trouw, omwille van Uw waarheid. Versta, de beloften in het houden van welke God waarachtig en getrouw is.
[^psalmen-54-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, met een vrij, gewillig, liberaal hart. Zie ook van een vrijwillig offer Lev. 7:16 . Leviticus 7:16 : En zo het slachtoffer van zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook de volgende dag gegeten worden.
[^psalmen-54-8-13]: Kanttekening 13: want hij: Zie Ps. 52:11 . Psalmen 52:11 : Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.
[^psalmen-54-8-c]: Verwijzing c: Ps. 52:11 . Psalmen 52:11 : Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.
[^psalmen-54-9-14]: Kanttekening 14: op mijn: Of, aan; te weten mijn begeerte, mijn wens, of lust. Verg. Ps. 22:18 . Of, Gods wraak en vergelding, gelijk Ps. 91:8 , waarvan boven vers 7 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. Psalmen 91:8 : Alleen zult u het met uw ogen aanschouwen; en u zult de vergelding van de goddelozen zien. Psalmen 54:7 : Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.

### Psalmen 55

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/55.json)

*David, in gevaar van omsingeld en overvallen te worden, klaagt God zijn benauwdheid en bidt zeer angstig om vernietiging van de aanslagen van zijn vijanden, wier wreedheid, valsheid en trouweloosheid (in het bijzonder van één) hij God voorlegt; maar hun ondergang profeterend en zich van Gods verhoring verzekerend, sterkt hij zichzelf en alle gelovigen in het vertrouwen op God, Die de vrome behoudt en de goddeloze verdoet.*

**1** [^psalmen-55-1-1] Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v1)

**2** O God! neem mijn gebed ter ore, en verberg U niet voor mijn smeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v2)

**3** Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf luid weeklagen in mijn[^psalmen-55-3-2] klacht, en maak[^psalmen-55-3-3] getier; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v3)

**4** Om de[^psalmen-55-4-4] roep van de vijand,[^psalmen-55-4-5] vanwege de verdrukking van de goddelozen; want zij schuiven[^psalmen-55-4-6] ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v4)

**5** Mijn hart[^psalmen-55-5-7] smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen van[^psalmen-55-5-8] de dood zijn op mij gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v5)

**6** Vrees en beving komt mij aan, en huivering overdekt mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v6)

**7** Zodat ik zeg:[^psalmen-55-7-9] Och, dat mij iemand[^psalmen-55-7-10] vleugelen, als van een[^psalmen-55-7-11] duif zou geven! ik zou wegvliegen,[^psalmen-55-7-12] waar ik blijven mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v7)

**8** Zie, ik[^psalmen-55-8-13] zou ver wegzwerven, ik zou[^psalmen-55-8-14] overnachten in de woestijn.[^psalmen-55-8-15] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v8)

**9** [^psalmen-55-9-16] Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van de[^psalmen-55-9-17] drijvende wind, van de storm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v9)

**10** Verslind hen, YHWH! deel[^psalmen-55-10-18] hun tong; want ik zie[^psalmen-55-10-19] wrevel en twist in de[^psalmen-55-10-20] stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v10)

**11** Dag en nacht[^psalmen-55-11-21] omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v11)

**12** [^psalmen-55-12-22] Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v12)

**13** Want het is geen[^psalmen-55-13-23] vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij[^psalmen-55-13-24] groot maakt, anders zou ik mij voor hem[^psalmen-55-13-25] verborgen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v13)

**14** Maar u bent het, o mens, als van mijn[^psalmen-55-14-26][^psalmen-55-14-27] waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v14)

**15** Wij, die samen[^psalmen-55-15-28] in zoetigheid in het geheim raadpleegden; wij wandelden[^psalmen-55-15-29] in gezelschap in het huis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v15)

**16** [^psalmen-55-16-30] Dat hun de[^psalmen-55-16-31] dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend naar het dodenrijk neerdalen; want boosheden zijn in hun[^psalmen-55-16-32] woning, in het binnenste van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v16)

**17** Wat mij betreft, ik zal tot God roepen, en YHWH zal mij verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v17)

**18** [^psalmen-55-18-33] 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v18)

**19** Hij heeft mijn[^psalmen-55-19-34] ziel in vrede verlost van de strijd[^psalmen-55-19-35] tegen mij; want[^psalmen-55-19-36] met menigte zijn zij tegen mij geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v19)

**20** God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds[^psalmen-55-20-37] zit,[^psalmen-55-20-38] Sela; omdat bij hen[^psalmen-55-20-39] geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v20)

**21** [^psalmen-55-21-40] Hij[^psalmen-55-21-41] slaat zijn handen aan degenen, die[^psalmen-55-21-42] vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn[^psalmen-55-21-43] verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v21)

**22** Zijn[^psalmen-55-22-44] mond is gladder[^psalmen-55-22-45] dan boter, maar zijn hart is[^psalmen-55-22-46] strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn[^psalmen-55-22-47] blote zwaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v22)

**23** [^psalmen-55-23-48] Werp[^psalmen-55-23-49] uw zorg op YHWH, en Hij zal u[^psalmen-55-23-50] onderhouden;[^psalmen-55-23-51] Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige zou wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v23)

**24** Maar U, o God! zult[^psalmen-55-24-52] die doen neerdalen in de put van het verderf; de[^psalmen-55-24-53] mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet tot op de[^psalmen-55-24-54] helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/55.html#v24)

[^psalmen-55-1-1]: Kanttekening 1: Een onderwijzing: Als op de voorgaande psalm .
[^psalmen-55-3-2]: Kanttekening 2: Of, gepeins, gebed; hij wil zeggen dat de overdenking van al zijn zwarigheden en gevaren hem onrustig en kermende maakt in het bidden.
[^psalmen-55-3-3]: Kanttekening 3: Of, rumoer, gerucht.
[^psalmen-55-4-4]: Kanttekening 4: Hebr. stem; dat is, de roep, die mijn vijanden laten gaan, dat zij mij van alle kanten willen omsingelen en in het verderf brengen. Verg. 2 Sam. 17:11 , 17:12 , 17:13 , 17:14 , 17:21 , 17:24 . 2 Samuël 17:11 : Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in de strijd. 2 Samuël 17:12 : Dan zullen wij tot hem komen, in één van de plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op de aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten. 2 Samuël 17:13 : En als hij zich in een stad zal begeven, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje daar gevonden worde. 2 Samuël 17:14 : Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het kwaad over Absalom bracht. 2 Samuël 17:21 : En het geschiedde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit de put, en gingen heen en boodschapten het de koning David; en zij zeiden tot David: Maakt u op, en gaat haastig over het water, want zo heeft Achitofel tegen u geraden. 2 Samuël 17:24 : David nu kwam te Mahanaim, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem.
[^psalmen-55-4-5]: Kanttekening 5: van de goddelozen: Dat is, die de goddeloze mij aandoet.
[^psalmen-55-4-6]: Kanttekening 6: Of, valsheid, ongelijk, onrecht; dat is, zij bezwaren mij met leugens, strooiende van mij allerlei boze stukken, waarmee ik mij dit lijden op de hals gehaald en verdiend heb.
[^psalmen-55-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, lijdt smart als van een barende vrouw.
[^psalmen-55-5-8]: Kanttekening 8: van de dood: Dat is, dodelijke.
[^psalmen-55-7-9]: Kanttekening 9: Hebr., יִתֶּן, wie zal mij geven, enz., algemene manier van wensen bij de Hebreën, gelijk boven Ps. 14:7 , en Ps. 53:7 . Zie Deut. 5:29 . Psalmen 14:7 : Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. Psalmen 53:7 : Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. Deuteronomium 5:29 : Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^psalmen-55-7-10]: Kanttekening 10: Hebr. een vleugel, of veder; dat is, vleugelen.
[^psalmen-55-7-11]: Kanttekening 11: Een zwak en vreesachtig dier, dat zich in de woestijnen en holen zoekt te verbergen, zie Jer. 48:28 . Jeremia 48:28 : Verlaat de steden, en woont in de steenrots, u inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van de mond eens hols nestelt.
[^psalmen-55-7-12]: Kanttekening 12: waar ik blijven mocht: Hebr. en zou blijven, of wonen; waar slechts veilig kon zijn, wil hij zeggen.
[^psalmen-55-8-13]: Kanttekening 13: ver wegzwerven: Hebr. mij verre afmaken, zwerven; dat is, ver van hier vluchten, heen zwervende, waar hij dan ook zou mogen wezen. Zie gelijke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^psalmen-55-8-14]: Kanttekening 14: Of, herbergen, mij onthouden, enz.
[^psalmen-55-8-15]: Kanttekening 15: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-55-9-16]: Kanttekening 16: Ik zou haasten, dat ik ontkwame: Hebreeuws, Ik zou de ontkoming haasten voor mij , of, mij de ontkoming haasten .
[^psalmen-55-9-17]: Kanttekening 17: drijvenden wind: Hebreeuws, סָּֽעַר, wind van de drijving , of, van de storm, van de aanval . Dat is, deze vervolging, die mij haastig overvalt, of dreigt weg te rapen, gelijk een stormwind alles nederwerpt of met zich wegrukt. Vergel. 2 Sam. 15:14 en 17:21 . 2 Samuël 15:14 : Zo zei David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vluchten, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte van het zwaard. 2 Samuël 17:21 : En het geschiedde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit de put, en gingen heen en boodschapten het de koning David; en zij zeiden tot David: Maakt u op, en gaat haastig over het water, want zo heeft Achitofel tegen u geraden.
[^psalmen-55-10-18]: Kanttekening 18: Dat is, hun spraak. Dit verslinden en verdelen van de spraak schijnt te zien op de oordelen van God, die hij gevoerd heeft over de bouwers van de toren van Babel, en over de rotte van Korach, Gen. 11:7 , 11:8 , Num. 16:32 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore. Genesis 11:8 : Zo verstrooide hen YHWH van daar over de gehele aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen.
[^psalmen-55-10-19]: Kanttekening 19: Of, geweld .
[^psalmen-55-10-20]: Kanttekening 20: Jeruzalem, als sommige verstaan, duidende de Psalm op Absaloms vervolging, wanneer (David in haast gevlucht zijnde) Absalom daar binnenkwam, gruwelijk aan het hof huishoudende, en raadnemende, hoe men zijn vader best zou overvallen en verdelgen, waarin de raadslieden niet wel accordeerden, doordat God hun tongen verdeelde, 2 Sam. 17:14 , volgens Davids gebed, hier en 2 Sam. 15:31 . Andere verstaan het van Gibeä Sauls, waar Saul hofhield, (vergelijk Psalm 59:7 ) of, niet juist van een stad, maar in het gemeen van de ongebondene goddeloosheid, die overal, zelfs in de steden (waar de beste orde behoorde te zijn) in zwang ging. 2 Samuël 17:14 : Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar YHWH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat YHWH het kwaad over Absalom bracht. 2 Samuël 15:31 : Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, YHWH! maak toch Achitofels raad tot zotheid. Psalmen 59:7 : Tegen de avond keren zij weer, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
[^psalmen-55-11-21]: Kanttekening 21: Te weten, wrevel en twist omringen de stad; of zij \[de bozen\] gaan haar \[de stad\] rondom; dat is, lopende overal om alle kwaad te bedrijven, of mij te achterhalen.
[^psalmen-55-12-22]: Kanttekening 22: Enkel verderving: Hebr. verdervingen; dat is, enkel schenderij, allerlei schade, jammer, verdrukking.
[^psalmen-55-13-23]: Kanttekening 23: Versta, geen openbaar vijand, want \[wil hij zeggen\] was hij mij openbaar vijandig geweest, zo zou het mij zo vreemd niet voorkomen en zo ondragelijk niet vallen.
[^psalmen-55-13-24]: Kanttekening 24: groot maakt: Zie Ps. 35:26 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
[^psalmen-55-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, mij voor hem hebben kunnen wachten, hem ontgaan, ontwijken.
[^psalmen-55-14-26]: Kanttekening 26: Hebr. naar mijn schatting, of waarde; dat is, mijns gelijken, geacht of geschat als ik, of die ik achtte als mijzelf. Anders, van mijn orde; dat is, van mijn staat, toestand en kwaliteit. Hierdoor verstaan sommigen Achitofel, van wiens grootachting en vertrouwen zo in het algemeen als bij David in het bijzonder, zie 2 Sam. 16:23 ; waarom ook van hem \[als hij zich bij Absalom gevoegd had\] in het bijzonder geboodschapt werd aan David, als zijnde niet alleen zeer vreemd, onverwacht en trouweloos gedaan, maar ook zulks, dat David \[ten aanzien van Achitofels uitnemende kloekheid\] daarop wel te letten had. Die deze psalm op Sauls tijd duiden, verstaan Abner, of anderen van Sauls krijgsraad. 2 Samuël 16:23 : En in die dagen was Achitofels raad, die hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; zo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom.
[^psalmen-55-14-27]: Kanttekening 27: Of, voornaamste vriend, beleider; te weten, van mijn zaken. Zie Spr. 16:28 , en Spr. 17:9 ; Micha 7:5 . Spreuken 16:28 : Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt de voornaamste vriend. Spreuken 17:9 : Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weer ophaalt, scheidt de voornaamste vriend. Micha 7:5 : Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
[^psalmen-55-15-28]: Kanttekening 28: in zoetigheid: Hebr., סוֹד, de raad \[of de verborgenheid, verborgen raad\] zoet maakten.
[^psalmen-55-15-29]: Kanttekening 29: in gezelschap: Of, met de samenlopende schare, \[ Ps. 42:5 \]. Zie van het Hebr. woord Ps. 2:1 . Hij wil zeggen dat zij tezamen verplicht waren niet alleen door de band van politieke vriendschap en gemeenschap, maar ook door de allersterkste band van religie. Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Psalmen 2:1 : Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
[^psalmen-55-16-30]: Kanttekening 30: Dat hun: Of, de dood zal hen, enz.
[^psalmen-55-16-31]: Kanttekening 31: Hij wil zeggen, laat hen schielijk en schrikkelijk omkomen. Zie boven vers 10 . Dit spreekt David door de profetische Geest en ijver van de Heer gedreven zijnde. Psalmen 55:10 : Verslind hen, YHWH! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.
[^psalmen-55-16-32]: Kanttekening 32: De plaats waar zij verkeren, of gezelschap, omgang.
[^psalmen-55-18-33]: Kanttekening 33: 's Avonds: Verg. Dan. 6:11 , en Hand. 3:1 , en Hand. 10:3 , 10:9 , 10:30 . Hij wil zeggen dat hij niet zal ophouden noch moe worden, maar God met zijn dagelijkse gebeden, \[waarvan de gewoonlijke tijden hij hier verhaalt\] als moeilijk en lastig vallen. Zie Luk. 18:1 . Daniël 6:11 : Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had. Handelingen 3:1 : Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar de tempel, omtrent het uur van het gebed, zijnde de negende ure; Handelingen 10:3 : Deze zag in een gezicht duidelijk, omtrent de negende ure van de dag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! Handelingen 10:9 : En de volgende dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure. Handelingen 10:30 : En Cornelius zei: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis. Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;
[^psalmen-55-19-34]: Kanttekening 34: ziel in: Dat is, hij heeft mijn leven uit gevaar gered en mij in vrede gesteld. Dit kan zien op voorgaande verlossingen, of een gelovige en profetische verklaring zijn van de zekerheid van een goede uitkomst, dergelijke vele in dit boek gevonden worden.
[^psalmen-55-19-35]: Kanttekening 35: tegen mij: Dat is, die zij mij aandeden, of aandoen wilden.
[^psalmen-55-19-36]: Kanttekening 36: met menigte: Hebr. in, of met, onder, vele \[of, grote machtige\] zijn zij geweest tegen, of met mij, want het Hebr. woord kan geduid worden op vrienden of vijanden, en beide heeft een goede zin. Gelijk Davids vijanden vele waren, zo had hij daarentegen de legermachten van de heilige engelen met zich. Verg. Ps. 34:8 , en Ps. 57:4 ; 2 Kon. 6:16 , maar in het volgende spreekt David van zijn vijanden. Psalmen 34:8 : Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 57:4 : Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. 2 Koningen 6:16 : En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.
[^psalmen-55-20-37]: Kanttekening 37: Als Rechter van de beginne. Verg. Ps. 93:2 . Psalmen 93:2 : Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af.
[^psalmen-55-20-38]: Kanttekening 38: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-55-20-39]: Kanttekening 39: geheel geen verandering: Hebr. gene veranderingen; kleine noch grote te weten, van het kwade tot het goede; zij beteren zich niet in het allerminste, wil hij zeggen.
[^psalmen-55-21-40]: Kanttekening 40: Dat is, elk van deze goddelozen, of de voornaamste onder hen, die de anderen volgen.
[^psalmen-55-21-41]: Kanttekening 41: Of, legt, strekt uit; dat is, hij doet hun kwaad, overlast, geweld, ja hij brengt hen om het leven. Zie Gen. 37:22 . Genesis 37:22 : Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen.
[^psalmen-55-21-42]: Kanttekening 42: Of, zijn vredegenoten, bondgenoten; verg. Ps. 7:5 , en Ps. 41:10 , en boven vs. 13,15. Psalmen 7:5 : Als ik kwaad vergolden heb die, die vrede met mij had; (ja, ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
[^psalmen-55-21-43]: Kanttekening 43: Dat hij met ede en dienvolgens \[met aanroeping van Gods heilige naam\] gemaakt en bevestigd had, dat breekt hij zonder schromen.
[^psalmen-55-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, de woorden zijns monds; waarom ook het bijgevoegde Hebr. woord דְבָרָי, in het getal van velen staat, zijn gladder.
[^psalmen-55-22-45]: Kanttekening 45: dan boter: Of, dan of zij boterig, of geboterd waren. Anders: zij maken hun mond glad, of zij verzachten hun mond \[als\] boter.
[^psalmen-55-22-46]: Kanttekening 46: Dat is, vol van krijg of strijd, zij hebben niets dan enkel strijd in de zin, tegen mij.
[^psalmen-55-22-47]: Kanttekening 47: Hebr. geopende, uitgetogene; dat is, zij zijn dodelijk wondende, zij zoeken mij daardoor in het verderf te brengen, Verg. Spr. 12:18 , en Ps. 57:5 . Spreuken 12:18 : Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong van de wijzen is medicijn. Psalmen 57:5 : Mijn ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, van wie de tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
[^psalmen-55-23-48]: Kanttekening 48: David spreekt hier zichzelven en alle gelovigen aan.
[^psalmen-55-23-49]: Kanttekening 49: uw zorg: Hebr. uw gave, of uw geven; dat is, in al uw bekommernissen en zorgen, \[gelijk de apostel Petrus dit woord gebruikt, 1 Petr. 5:7 \], gelijk u graag wilde dat u dit of dat mocht gegeven worden, al denkende op geven, naar de eis van uw gebrek of nood, zo beveel zulks alles uw hemelse Vader, die zal u geven wat u zalig is; of uw gave; al wat Hij \[de Heer\] u geeft, wat van Hem aankomt; dat is, wat Hij u toeschikt, toezendt, dat werpt u weer op Hem, vertrouwende dat Hij u zal ontlasten, verlichten en een uitkomst geven, die tot zijn eer en uw zaligheid sterkt. Verg. Ps. 22:9 . Anders, uw pak, of uw last; maar deze betekenis wordt in de Heilige Schrift niet gevonden. 1 Petrus 5:7 : Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Psalmen 22:9 : Hij heeft het op YHWH gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij lust aan hem heeft!
[^psalmen-55-23-50]: Kanttekening 50: Of, voeden; gelijk het Hebr. woord elders gebruikt wordt; zie Ruth 4:15 . Ruth 4:15 : Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, die u beter is dan zeven zonen.
[^psalmen-55-23-51]: Kanttekening 51: Hij zal: Hebr. Hij zal niet toelaten in eeuwigheid de wankeling, de \[of van de of, voor de\] rechtvaardige. Verg. Ps. 15:5 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
[^psalmen-55-24-52]: Kanttekening 52: die doen: Te weten, de voorzeide goddelozen.
[^psalmen-55-24-53]: Kanttekening 53: Zie Ps. 5:7 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^psalmen-55-24-54]: Kanttekening 54: niet ter helft brengen: Hebr., halven, of halveren; dat is, zij zullen een ontijdigen dood sterven. Verg. Job 15:32 , en Job 22:16 , en onder Ps. 58:9 , 58:10 , en Ps. 102:24 , 102:25 ; Spr. 10:27 ; Pred. 7:17 . Job 15:32 : Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. Job 22:16 : Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; Psalmen 58:9 : Laat hem heengaan, als een smeltende slak; laat hen, als de misdracht van een vrouw, de zon niet aanschouwen. Psalmen 58:10 : Eer dan uw potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen. Psalmen 102:24 : Hij heeft mijn kracht op de weg ter neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort. Psalmen 102:25 : Ik zei: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijn dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht. Spreuken 10:27 : De vrees voor YHWH vermeerdert de dagen; maar de jaren van de goddelozen worden verkort. Prediker 7:17 : Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt u sterven buiten uw tijd?

### Psalmen 56

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/56.json)

*David, door Sauls voortdurende vervolging in handen van de Filistijnen gekomen zijnde, klaagt tot God over al zijn lijden, wenen en zwerven; hij bidt om genade en om bestraffing van zijn vijanden, roemt Gods Woord, vertrouwt op de vervulling, en belooft daarvoor dankbaarheid.*

**1** [^psalmen-56-1-1] Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op[^psalmen-56-1-2] Jonath Elem Rechokim;[^psalmen-56-1-a] als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v1)

**2** Wees mij genadig, o God! want de[^psalmen-56-2-3] mens[^psalmen-56-2-4] zoekt mij op te slokken; de hele dag[^psalmen-56-2-5] dringt mij de bestrijder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v2)

**3** [^psalmen-56-3-6] Mijn spionnen zoeken mij de hele dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders,[^psalmen-56-3-7] o Allerhoogste! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v3)

**4** Op de dag als ik[^psalmen-56-4-8] zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v4)

**5** In God zal ik Zijn[^psalmen-56-5-9] woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij[^psalmen-56-5-10] vlees doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v5)

**6** De hele dag[^psalmen-56-6-11] verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v6)

**7** Zij spannen samen, zij[^psalmen-56-7-12] versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn[^psalmen-56-7-13] ziel wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v7)

**8** [^psalmen-56-8-14] Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de[^psalmen-56-8-15] volken neer in toorn, o God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v8)

**9** U hebt mijn[^psalmen-56-9-16] omzwerven geteld; leg mijn[^psalmen-56-9-17] tranen in uw[^psalmen-56-9-18] fles; zijn zij niet in Uw[^psalmen-56-9-19] register? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v9)

**10** Dan zullen mijn vijanden achteruit keren, op de dag als ik[^psalmen-56-10-20] roepen zal; dit weet ik, dat God[^psalmen-56-10-21] met mij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v10)

**11** In God zal ik het[^psalmen-56-11-22] woord prijzen; in YHWH zal ik het woord prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v11)

**12** Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen;[^psalmen-56-12-b] wat zou mij[^psalmen-56-12-23] de mens doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v12)

**13** O God![^psalmen-56-13-24] op mij zijn Uw geloften; ik zal U[^psalmen-56-13-25] dankzeggingen vergelden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v13)

**14** Want U hebt mijn ziel gered van de dood;[^psalmen-56-14-26] ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor[^psalmen-56-14-27] Gods aangezicht te wandelen in het[^psalmen-56-14-28] licht van de levenden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/56.html#v14)

[^psalmen-56-1-1]: Kanttekening 1: Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester: Zie Ps. 4:1 , en Ps. 16:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. Psalmen 16:1 : Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
[^psalmen-56-1-2]: Kanttekening 2: Jonath Elem: Dit houden sommigen voor een begin van zeker lied, bij de Joden te die tijde bekend, op welke wijze deze psalm gezongen is. Anderen zetten het aldus over: Van de stome duif, \[Hebr. duif van de stomheid\] in verre plaatsen; waardoor David zichzelven zou verstaan, zijnde te die tijde als een duif, die uit haar plaats verre verjaagd zijnde, treurt en geen geluid slaat. Verg. Ps. 55:7 , idem aldus: van de drukking van de vergadering \[of\] van de rots dergenen die verre \[vervreemd\] zijn, te weten, van God en zijn volk, namelijk de Filistijnen, die David een smadelijken dood zou aandoen. Psalmen 55:7 : Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als een duif, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.
[^psalmen-56-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 21:12 ; idem v. 13 ; idem v. 14 . 1 Samuël 21:12 : En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath. 1 Samuël 21:13 : Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren van de poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen. 1 Samuël 21:14 : Toen zei Achis tot zijn knechten: Ziet, u ziet, dat de man razende is, waarom hebt u hem tot mij gebracht?
[^psalmen-56-2-3]: Kanttekening 3: Saul met de zijnen aan de ene zijde, en nu ook de Filistijnen aan de andere zijde, zodat hij nergens veilig was.
[^psalmen-56-2-4]: Kanttekening 4: zoekt mij op te slokken: Hebr. slokt, of slorpt mij op, of heeft mij opgeslokt, ingezwolgen; dat is, zoekt mij als een wild dier te verslinden, òf, het scheelt niet veel, of hij doet het, het schort aan hem niet. Zo in het volgende vers. Verg. Neh. 6:9 , 6:14 , en onder Ps. 57:4 . Anders: hijgt of gaapt, snakt naar mij, vervolgt mij, al hijgende; dat is, haakt, verlangt en tracht zeer vuriglijk daarnaar, dat hij mij zou mogen vernielen. Zo wordt het Hebr. woord ook genomen Job 7:2 ; Pred. 1:5 , en onder Ps. 119:131 . Nehemia 6:9 : Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen! Nehemia 6:14 : Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. Psalmen 57:4 : Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. Job 7:2 : Gelijk de dienaar hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon; Prediker 1:5 : Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. Psalmen 119:131 : Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
[^psalmen-56-2-5]: Kanttekening 5: dringt mij: Of, strijdende dringt hij mij.
[^psalmen-56-3-6]: Kanttekening 6: Mijn verspieders: Die op mijn gangen loeren.
[^psalmen-56-3-7]: Kanttekening 7: o Allerhoogste: Zo wordt het Hebr., מָרֽוֹם, woord marom ook van God gebruikt, Ps. 92:9 ; Micha . 6:6. Anders, \[in\] hoogheid; dat is, hoogmoediglijk, trotselijk, of op het hoogste. Psalmen 92:9 : Maar U bent de Allerhoogste in eeuwigheid YHWH!
[^psalmen-56-4-8]: Kanttekening 8: Ik zal de vrees \[wil hij zeggen\] door vertrouwen op U overwinnen.
[^psalmen-56-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, zijn waarachtige en vaste beloften, die mijn geloof ondersteunen en mij in al mijn lijden vertroosten; ofschoon zij niet zullen achterblijven, dat ik mij daarover verheug en roem in de Heer. Aldus sterkt zich David in zijn nood.
[^psalmen-56-5-10]: Kanttekening 10: Een broos en vergankelijk mens, en die maar vlees en bloed is. Verg. Ps. 78:39 ; Jes. 31:3 , en Jes. 40:6 ; Jer. 17:5 ; ook 2 Kron. 32:8 ; idem Gen. 6:12 . Psalmen 78:39 : En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die heengaat en niet terugkeert. Jesaja 31:3 : Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en YHWH zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen. Jesaja 40:6 : Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! 2 Kronieken 32:8 : Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is YHWH, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda. Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^psalmen-56-6-11]: Kanttekening 11: Anders, bekommeren zij mijn zaken. Het Hebr. woord דְּבָרַ, betekent smart, pijn, bekommernis aandoen, en ook formeren, fatsoeneren \[zie Job 10:8 \], dat een pottenbakker aan het leem met draaien en drukken doet; zo schijnt David te willen zeggen dat zij hem verdriet aandoen met dagelijkse verkering en verdraaiing van zijn woorden, die zij \[om zo te spreken\] een geheel ander fatsoen geven en met geweld in een valsen zin duiden om hem zwart te maken. Job 10:8 : Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij.
[^psalmen-56-7-12]: Kanttekening 12: Om in het verborgene te loeren op mijn wegen en gangen, of zij mij ergens konden betrappen en mijn leven mij benemen, waarnaar zij met verwachting verlangen.
[^psalmen-56-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, leven. Zie Gen. 19:17 . Genesis 19:17 : En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^psalmen-56-8-14]: Kanttekening 14: Of, zult U hen in \[hun\] ongerechtigheid laten omkomen? dat is, ongestraft laten? Anders: het vrij gaan \[strekt\] hun tot onrecht, of overlast, dat is, uw lankmoedigheid \[dat U hen nog niet straft\] misbruiken zij tot alle kwaad: Daarom stort, enz.
[^psalmen-56-8-15]: Kanttekening 15: Te weten, deze, die zo handelen.
[^psalmen-56-9-16]: Kanttekening 16: Hoe dikwijls ik, nu hier dan daar, heb moeten heenvluchten. Zie verder Job 14:16 . Job 14:16 : Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet om mijn zonden wil.
[^psalmen-56-9-17]: Kanttekening 17: Hebr. traan; dat is, elk van mijn tranen.
[^psalmen-56-9-18]: Kanttekening 18: Of, leren zak; menselijk van God gesproken, om te verklaren dat God de tranen dergenen, die ten onrechte verdrukt worden, inacht neemt en in waarde houdt, om op zijn tijd recht te doen. Verg. Deut. 32:34 . De beide Hebr. woorden betekenende omzwerven en fles, hebben een aardige gelijkheid. Deuteronomium 32:34 : Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
[^psalmen-56-9-19]: Kanttekening 19: Of, boek, rekening; ik weet zekerlijk \[wil hij zeggen\] dat U hen optekent en niet zult vergeten; manier van vragen, bij de Hebreën dikwijls gebruikt wanneer men iets buiten allen twijfel stelt.
[^psalmen-56-10-20]: Kanttekening 20: Gelijk boven Ps. 4:2 . Psalmen 4:2 : Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
[^psalmen-56-10-21]: Kanttekening 21: met mij: Of, voor mij, of van mij is; hoe ongezien mijn zaken ook mogen schijnen. Anders, dit weet ik, want God is voor mij.
[^psalmen-56-11-22]: Kanttekening 22: Zie boven op vers 5 . Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen?
[^psalmen-56-12-b]: Verwijzing b: Ps. 118:6 . Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
[^psalmen-56-12-23]: Kanttekening 23: de mens: Alsof hij zei: een broos schepsel, dat van de aarde gemaakt is. Verg. boven vers 5 . Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen?
[^psalmen-56-13-24]: Kanttekening 24: op mij: Dat is, ik heb mij aan U verplicht met geloften, dat ik U dankbaarheid zal bewijzen, wanneer U uw beloften naar uw woord aan mij zult hebben volbracht. Verg. Ps. 66:13 . Psalmen 66:13 : Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
[^psalmen-56-13-25]: Kanttekening 25: Of, dankofferen, lofofferen.
[^psalmen-56-14-26]: Kanttekening 26: ook niet: Een vraag, gelijk boven vers 9 . Psalmen 56:9 : U hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?
[^psalmen-56-14-27]: Kanttekening 27: Dat is, voor uw aangezicht.
[^psalmen-56-14-28]: Kanttekening 28: Dat de mensen genieten, die op aarde leven. Verg. Ps. 116:9 , en Ps. 27:13 ; Job 33:28 , 33:30 . Psalmen 116:9 : Ik zal wandelen voor het aangezicht van YHWH, in de landen van de levenden. Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Job 33:28 : Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. Job 33:30 : Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht van de levenden.

### Psalmen 57

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/57.json)

*David, voor Saul vluchtend, bidt God om genade en bescherming, waarvan hij zich ook verzekert; en de bitterheid van zijn vijanden beschrijvend, voorzegt hij hun val en is hij bereid om God te loven.*

**1** [^psalmen-57-1-1] Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester,[^psalmen-57-1-2] Al-tascheth;[^psalmen-57-1-a] als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de grot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v1)

**2** Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel[^psalmen-57-2-3] betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw[^psalmen-57-2-4] van Uw vleugels, totdat de[^psalmen-57-2-5] verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v2)

**3** Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste, tot God, Die het aan[^psalmen-57-3-6] mij voltooien zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v3)

**4** Hij zal van de hemel[^psalmen-57-4-7] zenden, en mij verlossen,[^psalmen-57-4-8] te schande makende degene, die mij[^psalmen-57-4-9] zoekt op te slokken.[^psalmen-57-4-10] Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn[^psalmen-57-4-11] waarheid zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v4)

**5** Mijn[^psalmen-57-5-12] ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig[^psalmen-57-5-13] onder opruiers, mensenkinderen, van wie de tanden speren en pijlen zijn[^psalmen-57-5-14], en hun tong een[^psalmen-57-5-15] scherp zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v5)

**6** [^psalmen-57-6-16][^psalmen-57-6-b] Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v6)

**7** Zij hebben een net bereid voor mijn gangen,[^psalmen-57-7-17] mijn ziel was neergebukt;[^psalmen-57-7-c] zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v7)

**8** [^psalmen-57-8-d] Mijn hart is[^psalmen-57-8-18] bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v8)

**9** Waak op, mijn[^psalmen-57-9-19] eer! waak op, u, luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v9)

**10** [^psalmen-57-10-e] Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v10)

**11** [^psalmen-57-11-f] Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v11)

**12** [^psalmen-57-12-20] Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/57.html#v12)

[^psalmen-57-1-1]: Kanttekening 1: gouden kleinood: Gelijk in de voorgaanden psalm . Psalmen 56:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.
[^psalmen-57-1-2]: Kanttekening 2: Dit houden sommigen voor een begin van zeker lied, onder de Joden te die tijde bekend, waarnaar deze psalm moest gezongen worden. Anderen menen dat het een kort begrip is van de inhoud van deze psalm, waarin David in het brede zou verklaren dat hij in zijn benauwdheid gewoon was angstig tot God met deze weinige woorden te bidden; te weten, verderf, of verniel niet.
[^psalmen-57-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 22:1 ; 1 Sam. 24:4 . 1 Samuël 22:1 : Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het gehele huis zijns vaders, en kwamen daarheen tot hem af. 1 Samuël 24:4 : En hij kwam tot de schaapskooien aan de weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van de spelonk.
[^psalmen-57-2-3]: Kanttekening 3: betrouwt op U: Of, neemt toevlucht tot U; en zo in het volgende.
[^psalmen-57-2-4]: Kanttekening 4: Uw vleugelen: Zie Ruth 2:12 , en onder Ps. 61:5 , en Ps. 63:8 . Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen! Psalmen 61:5 : Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene van Uw vleugelen. Sela. Psalmen 63:8 : Want U bent mij een hulp geweest; en in de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen.
[^psalmen-57-2-5]: Kanttekening 5: Of, jammeren, ellenden, ongelukken, rampspoedigheden, rampzaligheden.
[^psalmen-57-3-6]: Kanttekening 6: Te weten, zijn werk, dat Hij met mij begonnen heeft. Verg. Ps. 138:8 ; Filipp. 1:6 . Psalmen 138:8 : YHWH zal het voor mij voltooien; Uw goedertierenheid, YHWH! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken van Uw handen. Filippensen 1:6 : Vertrouwende ditzelfde, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus;
[^psalmen-57-4-7]: Kanttekening 7: Zijn hand, hulp, of heilige engelen. Zie Ps. 144:7 ; Dan. 3:28 , of zijn goedertierenheid en waarheid; gelijk volgt. Psalmen 144:7 : Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand van de vreemden; Daniël 3:28 : Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.
[^psalmen-57-4-8]: Kanttekening 8: te schande: Of, tot smaadheid brengende.
[^psalmen-57-4-9]: Kanttekening 9: Zie Ps. 56:2 . Psalmen 56:2 : Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de gehele dag dringt mij de bestrijder.
[^psalmen-57-4-10]: Kanttekening 10: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-57-4-11]: Kanttekening 11: Of, trouw; dat is, Hij zal zijn genadige beloften door dadelijke hulp getrouwelijk volbrengen. Verg. Ps. 40:12 , en Ps. 42:9 . Psalmen 40:12 : U, o YHWH! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden. Psalmen 42:9 : Maar YHWH zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden, en 's nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens.
[^psalmen-57-5-12]: Kanttekening 12: Mijn ziel: Dat is, ik, mijn persoon.
[^psalmen-57-5-13]: Kanttekening 13: Hebr. vlammigen, of vlammenden, waardoor hij de vleiers en aandragers verstaat, die hem telkens verrieden en bij Saul aanbrachten, en die tegen hem ophitsten. Zie 1 Sam. 23:19 , 23:20 , en 1 Sam. 24:10 , en 1 Sam. 26:1 . 1 Samuël 23:19 : Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is? 1 Samuël 23:20 : Nu dan, o koning, kom spoedig af naar al de begeerte van uw ziel; en het komt ons toe hem over te geven in de hand van de koning. 1 Samuël 24:10 : En David zei tot Saul: Waarom hoort u de woorden van de mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? 1 Samuël 26:1 : De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibeä, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op de heuvel van Hachila, voor aan de wildernis?
[^psalmen-57-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, gelijk spiesen, enz. Hebr. spies.
[^psalmen-57-5-15]: Kanttekening 15: scherp zwaard: Verg. Ps. 55:22 , en Ps. 59:8 . Psalmen 55:22 : Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn blote zwaarden. Psalmen 59:8 : Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
[^psalmen-57-6-16]: Kanttekening 16: Verhef U: Verg. vers 4 , omdat God zich stilhield, maakten Davids vijanden zich wijs dat God op hem niet achtte en hun goddeloos doen voor goed kende, waarmee zij God onteerden. Hierom bidt hij dat God van de hemel op de aarde het tegendeel openlijk tone, tot eer van zijn gerechtigheid en waarheid. Verg. Ps. 58:11 , 58:12 . Psalmen 57:4 : Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. Psalmen 58:11 : De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze. Psalmen 58:12 : En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.
[^psalmen-57-6-b]: Verwijzing b: Ps. 108:6 . Psalmen 108:6 : Verhef U, o God! boven de hemel, en Uw eer over de gehele aarde.
[^psalmen-57-7-17]: Kanttekening 17: mijn ziel: Ik was schier in hun net gevangen, ik was aan het vallen, wil hij zeggen.
[^psalmen-57-7-c]: Verwijzing c: Ps. 7:16 ; Ps. 9:16 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Psalmen 9:16 : De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
[^psalmen-57-8-d]: Verwijzing d: Ps. 108:2 . Psalmen 108:2 : O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
[^psalmen-57-8-18]: Kanttekening 18: Of, gesterkt, zie Ps. 108:2 , enz. en de aantekening daar. Psalmen 108:2 : O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
[^psalmen-57-9-19]: Kanttekening 19: Gelijk Ps. 16:9 , zie daar. Psalmen 16:9 : Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
[^psalmen-57-10-e]: Verwijzing e: Ps. 108:4 . Psalmen 108:4 : Ik zal U loven onder de volken, o YHWH! en ik zal U psalmzingen onder de natiën.
[^psalmen-57-11-f]: Verwijzing f: Ps. 36:6 ; Ps. 108:5 . Psalmen 36:6 : O YHWH! Uw goedertierenheid is tot in de hemel; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Psalmen 108:5 : Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemel, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
[^psalmen-57-12-20]: Kanttekening 20: Verhef U: Gelijk boven vers 6 . Psalmen 57:6 : Verhef U boven de hemel, o God! Uw eer zij over de gehele aarde.

### Psalmen 58

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/58.json)

*David verwijt Sauls raadsheren en hovelingen hun onrechtvaardigheid, goddeloosheid en verstoktheid, en bidt God dat Hij hun macht breke en make dat zij in hun raadslagen spoedig vergaan en verdwijnen, tot Zijn eer en tot vreugde van de vromen.*

**1** [^psalmen-58-1-1] Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v1)

**2** Spreekt u werkelijk gerechtigheid, u,[^psalmen-58-2-2] vergadering? Oordeelt u[^psalmen-58-2-3] eerlijk,[^psalmen-58-2-4] u, mensenkinderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v2)

**3** Ja,[^psalmen-58-3-5] u werkt ongerechtigheden[^psalmen-58-3-6] in het hart; u weegt het geweld van uw handen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v3)

**4** De goddelozen zijn[^psalmen-58-4-7] vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers[^psalmen-58-4-8] dolen van[^psalmen-58-4-9] moeders buik aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v4)

**5** Zij hebben[^psalmen-58-5-a] vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v5)

**6** [^psalmen-58-6-10] Opdat zij niet hore naar de stem van[^psalmen-58-6-11] de belezers, van degene, die[^psalmen-58-6-12] ervaren is met[^psalmen-58-6-13] bezweringen om te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v6)

**7** O God! verbreek hun[^psalmen-58-7-14] tanden in hun mond;[^psalmen-58-7-15] breek af de baktanden van de jonge leeuwen, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v7)

**8** Laat[^psalmen-58-8-16] hen smelten als water, laat hen daarheen drijven;[^psalmen-58-8-17] legt[^psalmen-58-8-18] hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij[^psalmen-58-8-19] afgesneden waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v8)

**9** Laat hem heengaan, als een[^psalmen-58-9-20] smeltende slak;[^psalmen-58-9-21] laat hen, als de miskraam van een[^psalmen-58-9-22] vrouw, de zon niet aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v9)

**10** Voordat uw[^psalmen-58-10-23] potten de[^psalmen-58-10-24] doornstruik[^psalmen-58-10-25] bemerken, zal[^psalmen-58-10-26] Hij hem als[^psalmen-58-10-27] levend, als in hete toorn wegstormen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v10)

**11** De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de[^psalmen-58-11-28] wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten[^psalmen-58-11-29] wassen in het bloed van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v11)

**12** En de mens zal zeggen: Immers is[^psalmen-58-12-30] er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde[^psalmen-58-12-31] richt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/58.html#v12)

[^psalmen-58-1-1]: Kanttekening 1: gouden kleinood: Gelijk Ps. 57:1 . Psalmen 57:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth; als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de spelonk.
[^psalmen-58-2-2]: Kanttekening 2: Of, rot; verstaande de vergadering van koning Sauls rechters of raadsheren, zijn krijgsraad, die inplaats van recht en billijkheid te oordelen, Saul tegen de onschuldige David met alle bitterheid ophitsten; waarom de Geest van de Heer hun alhier zulke slechte titels geeft.
[^psalmen-58-2-3]: Kanttekening 3: Of, rechtmatigheden, gelijk Ps. 9:9 . Psalmen 9:9 : En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
[^psalmen-58-2-4]: Kanttekening 4: Of, Adamskinderen.
[^psalmen-58-3-5]: Kanttekening 5: Of, bedenkt verkeerdheden, slimmigheden, schalkheden.
[^psalmen-58-3-6]: Kanttekening 6: Inplaats van de weegschaal van uw vonnissen recht te houden, \[gelijk het betaamde\] doet u onrecht overwegen om de onschuldigen te verdrukken.
[^psalmen-58-4-7]: Kanttekening 7: Te weten, van God; en zijn van bozen aard, die zij niet konden afleggen of laten. Verg. Jes. 48:8 . Jesaja 48:8 : Ook hebt u ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat u geheel trouweloos handelen zoudt, en dat u van de buik af een overtreder genaamd bent.
[^psalmen-58-4-8]: Kanttekening 8: In kwade wegen, de rechte weg niet ingaande.
[^psalmen-58-4-9]: Kanttekening 9: moeders buik: Dit woord wordt elders daarbij gevoegd. Zie Richt. 16:17 . Verg. met Richt. 13:5 , 13:7 , en Joh. 3:10 . Richteren 16:17 : Zo verklaarde hij haar zijn gehele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijn moeders buik af; als ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen. Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Richteren 13:7 : Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag zijns doods. Johannes 3:10 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u een leraar van Israël, en weet u deze dingen niet?
[^psalmen-58-5-a]: Verwijzing a: Ps. 140:4 . Psalmen 140:4 : Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
[^psalmen-58-6-10]: Kanttekening 10: Of, die niet hoort.
[^psalmen-58-6-11]: Kanttekening 11: Hebr. eigenlijk mompelaars, omdat de tovenaars en bezweerders binnensmonds spreken en murmelen.
[^psalmen-58-6-12]: Kanttekening 12: Of, gellerd, listig, kloek. Hebr., מְחֻכָּֽם, wijs gemaakt. Verg. 2 Sam. 13:3 . 2 Samuël 13:3 : Maar Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man.
[^psalmen-58-6-13]: Kanttekening 13: Hebr. koppelende, koppelingen; gelijk Deut. 18:11 . Deze gruwelen worden van de Heilige Geest geenzins voor goed erkend, gelijk Deut. 18:10 , 18:11 , 18:12 , blijkt; maar wordt algemene gelijkenis daarvan genomen, om de hardnekkigheid en ongezeggelijkheid van de vijanden van David en van alle vromen levendig af te malen. Zo wordt een gelijkenis genomen van een dief, Openb. 16:15 , enz., van de onrechtvaardige rechter, Luk. 18:1 , 18:2 , 18:6 , 18:7 ; van de onrechtvaardige rentmeester , Luk. 16 enz. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Deuteronomium 18:10 : Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. Deuteronomium 18:12 : Want al wie zulks doet, is YHWH een gruwel; en om deze gruwelen wil verdrijft hen YHWH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie. Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Lukas 18:2 : Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag. Lukas 18:6 : En de Heer zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Lukas 18:7 : Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
[^psalmen-58-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, de macht om kwaad te doen en de vromen te beschadigen. Zie Job 29:17 . Job 29:17 : En ik verbrak de baktanden van de verkeerde, en wierp de roof uit zijn tanden.
[^psalmen-58-7-15]: Kanttekening 15: Zoals men een gebouw afbreekt, of omrukt.
[^psalmen-58-8-16]: Kanttekening 16: Dat is wegvloeien, gelijk iets, dat gesmolten is, daarheen vloeit. Anders, zij zullen verworpen worden, zij zullen als water weggaan, en zo in het volgende.
[^psalmen-58-8-17]: Kanttekening 17: Hebr. zal hij, of hij zal zijn pijlen treden; dat is, de boog spannen en zijn pijlen daarop leggen. Zo Ps. 64:4 . Psalmen 64:4 : Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
[^psalmen-58-8-18]: Kanttekening 18: hij zijn: Te weten, elk van mijn goddeloze vijanden. Zo in het begin van vers 10 , en verder in vers 11 . Psalmen 58:10 : Eer dan uw potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen. Psalmen 58:11 : De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
[^psalmen-58-8-19]: Kanttekening 19: En vervolgens, verstompt, zodat zij niet kunnen doordringen, of beschadigen. Anders, laat hen zijn als korenaren, of stoppelen, stro; dat is, licht en krachteloos.
[^psalmen-58-9-20]: Kanttekening 20: Hebr., תֶּמֶס, een slak van de smelting.
[^psalmen-58-9-21]: Kanttekening 21: laat hen: Alle goddeloze vijanden.
[^psalmen-58-9-22]: Kanttekening 22: Of, misval. Zie Job 3:16 ; Pred. 6:3 . Job 3:16 : Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben. Prediker 6:3 : Als een man honderd kinderen verwekte, en vele jaren leefde, zodat de dagen van zijn jaren veel waren, maar zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij.
[^psalmen-58-10-23]: Kanttekening 23: Het Hebr. woord \[zoals het hier gevonden wordt\] heeft in de Heilige Schrift meest de betekenis van potten, of ketels.
[^psalmen-58-10-24]: Kanttekening 24: Dat is het vuur van de doornen, dat daaronder gestookt is. De zin van dit vs. \[dat wel verscheidenlijk, maar blijvende de zin enerlei, wordt overgezet\] os: dat God de vijanden zeer haastiglijk en onvoorziens, als in een groot onweer, zal wegrapen en verdoen, voordat zij hun goddeloze praktijken zullen hebben uitgewrocht. Verg. Ps. 55:24 . Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en van het bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^psalmen-58-10-25]: Kanttekening 25: gewaar worden: Hebr. merken, verstaan, dat is, voordat zij eens terdege warm worden en het vuur \[gelijk men spreekt\] rieken. Verg. Richt. 16:9 ; Jer. 17:8 , enz.; Job 8:18 . Dit kan men zo nemen dat de profeet de huisgenoten van de goddeloze tot een schrik, of de vromen tot een troost, aldus aanspreekt: uw potten, enz. Richteren 16:9 : De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zei zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur ruikt. Zo werd zijn kracht niet bekend. Jeremia 17:8 : Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
[^psalmen-58-10-26]: Kanttekening 26: zal Hij hem: God zal elk van de goddelozen, enz. als vers 8 ; of dat Hij hem, enz. biddende en wensender wijze. Psalmen 58:8 : Laat hen smelten als water, laat hen daarheen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
[^psalmen-58-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, zeer haast, gelijk aan Korach, enz. geschiedde; zie ook Ps. 55:16 . Anders, zowel het rauwe als het aangebrande; dat is, gelijk een zware storm de vleespotten, met al wat er in is, zo rauw en koud als heet, zou omverwerpen, zo, enz. Sommigen aldus: Voordat men uw doornen; \[dat is, schadelijke praktijken\] zal gevoelen, \[zijnde doornen\] van een doornstruik; \[dat is, zeer scherp stekende\] zal Hij zowel de verse als de aangebrande of verdroogde \[te weten, doorn, dat is, de één met de ander, jongen en ouden\] in onweer wegrapen. Verg. 2 Sam. 23:6 , 23:7 . Psalmen 55:16 : Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend naar het dodenrijk nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen. 2 Samuël 23:6 : Maar de mannen Belials zullen allemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten; 2 Samuël 23:7 : Maar een ieder, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout van een spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.
[^psalmen-58-11-28]: Kanttekening 28: Gods, dat is zijn rechtvaardig oordeel over de goddelozen.
[^psalmen-58-11-29]: Kanttekening 29: Dit betekent de grootheid van de nederlaag. Verg. Ps. 68:24 ; Openb. 14:20 . Psalmen 68:24 : Opdat u uw voet, ja, de tong van uw honden, mag steken in het bloed van de vijanden, van een ieder van hen. Openbaring 14:20 : En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver.
[^psalmen-58-12-30]: Kanttekening 30: Dat is, een troostelijke uitkomst en genadige vergelding, voor degenen die God vrezen en om Zijn Naam onschuldig lijden; die hen zo lief en aangenaam is als een zoete vrucht, die zij na hun arbeid en moeite genieten. Vergel. Hebr. 12:11 , Jak. 3:18 , Openb. 14:13 , en zie Spr. 1:31 . Hebreeën 12:11 : En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid dengenen, die door dezelfde geoefend zijn. Jakobus 3:18 : En de vrucht van de rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken. Openbaring 14:13 : En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. Spreuken 1:31 : Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
[^psalmen-58-12-31]: Kanttekening 31: Hebr. Elohim (אֱלֹהִים) die richten . Zie hiervan Gen. 20:13 . Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer!

### Psalmen 59

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/59.json)

*David, in gevaar zijnde dat Sauls officieren hem zouden grijpen en doden, bidt God om verlossing; hij verhaalt zijn onschuld en de bloeddorstigheid en razernij van zijn vijanden, waartegen hij zijn vertrouwen op God stelt, Die hij bidt dat Hij hen anderen tot een spiegel van Zijn wraak voorstelle, hun hoogmoed temme en in ellende verandere; en hij belooft God dankbaarheid.*

**1** [^psalmen-59-1-1] Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth;[^psalmen-59-1-a] toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te[^psalmen-59-1-2] doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v1)

**2** Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een[^psalmen-59-2-3] vesting voor degenen, die tegen mij opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v2)

**3** Red mij van de werkers van de ongerechtigheid, en verlos mij van de[^psalmen-59-3-4] mannen van het bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v3)

**4** Want zie, zij leggen voor mijn[^psalmen-59-4-5] ziel hinderlagen; sterken rotten zich tegen mij;[^psalmen-59-4-6] zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v4)

**5** Zij lopen en[^psalmen-59-5-7] bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op[^psalmen-59-5-8] mij tegemoet, en[^psalmen-59-5-9] zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v5)

**6** Ja, U YHWH, God van[^psalmen-59-6-10] de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze[^psalmen-59-6-11] heidenen te[^psalmen-59-6-12] bezoeken; wees[^psalmen-59-6-13] niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven.[^psalmen-59-6-14] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v6)

**7** Tegen de avond[^psalmen-59-7-15] keren zij weer, zij tieren als een[^psalmen-59-7-16] hond, en zij gaan rondom de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v7)

**8** Zie, zij[^psalmen-59-8-17] storten overvloedig uit met hun mond;[^psalmen-59-8-b] zwaarden zijn op hun lippen;[^psalmen-59-8-c] want[^psalmen-59-8-18] wie hoort het? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v8)

**9** Maar U, YHWH![^psalmen-59-9-d] zult[^psalmen-59-9-19] hen belachen; U zult alle[^psalmen-59-9-20] heidenen bespotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v9)

**10** [^psalmen-59-10-21] Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v10)

**11** De God[^psalmen-59-11-22] van mijn goedertierenheid zal mij[^psalmen-59-11-23] voorkomen; God zal mij[^psalmen-59-11-24] op mijn spionnen doen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v11)

**12** Dood[^psalmen-59-12-25] hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe[^psalmen-59-12-26] hen omzwerven door Uw macht, en[^psalmen-59-12-27] werp hen neer, o Heere, ons Schild! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v12)

**13** [^psalmen-59-13-28] Om de zonde van hun mond, om het woord van hun lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, die[^psalmen-59-13-29] zij vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v13)

**14** [^psalmen-59-14-30] Verteer hen in woede; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat[^psalmen-59-14-31] hen weten, dat God Heerser is in[^psalmen-59-14-32] Jakob, ja, tot aan de einden van de aarde. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v14)

**15** [^psalmen-59-15-33] Laat hen dan tegen de avond terugkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v15)

**16** Laat hen[^psalmen-59-16-34] zelfs[^psalmen-59-16-35] omzwerven om voedsel; en laat[^psalmen-59-16-36] hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v16)

**17** Maar ik zal[^psalmen-59-17-37] Uw sterkte zingen, en 's morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat U mij een Vesting bent geweest, en een Toevlucht op de dag als ik bang was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v17)

**18** [^psalmen-59-18-38] Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God[^psalmen-59-18-39] van mijn goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/59.html#v18)

[^psalmen-59-1-1]: Kanttekening 1: Een gouden kleinood: Zie Ps. 57:1 . Psalmen 57:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth; als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de spelonk.
[^psalmen-59-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 19:11 . 1 Samuël 19:11 : Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem van de morgen doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden.
[^psalmen-59-1-2]: Kanttekening 2: Maar David, door Gods genadige regering, door Michal door het venster uitgelaten en ontkomen was. 1 Sam. 19:12 . 1 Samuël 19:12 : En Michal liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.
[^psalmen-59-2-3]: Kanttekening 3: een vesting: Waar ik vrij en behouden zij.
[^psalmen-59-3-4]: Kanttekening 4: mannen van het bloed: Zie Ps. 5:7 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^psalmen-59-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, persoon, of leven.
[^psalmen-59-4-6]: Kanttekening 6: Zonder dat ik tegen hen gezondigd, of hun iets misdaan heb, buiten al mijn schuld.
[^psalmen-59-5-7]: Kanttekening 7: Tot mijn vervolging.
[^psalmen-59-5-8]: Kanttekening 8: mij tegemoet: Dat is, om mij ter rechter tijd en plaats te helpen en te ontzetten.
[^psalmen-59-5-9]: Kanttekening 9: In welke nood ik zat of welk kwaad zij al tegen mij aanleggen.
[^psalmen-59-6-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kon. 18:15 . 1 Koningen 18:15 : En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^psalmen-59-6-11]: Kanttekening 11: Bastaard-Israëlieten, die de heidenen in barbaarse boosheid en bitterheid gelijk zijn. Verg. Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-59-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, straffen. Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-59-6-13]: Kanttekening 13: Hebr. Wees geen ongerechtige trouwbrekers genadig.
[^psalmen-59-6-14]: Kanttekening 14: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-59-7-15]: Kanttekening 15: Als zij mij de gehele dag gezocht en niet gevonden hebben, of, zij keren ginds en weer om mij ergens te betrappen.
[^psalmen-59-7-16]: Kanttekening 16: Die blaft en groot getier maakt als hij een wild najaagt, of raast en huilt om eten als hem hongert en hij niets krijgt. Zie vers 15 , 59:16 , en verg. Ps. 22:17 . Psalmen 59:15 : Laat hen dan tegen de avond terugkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; Psalmen 59:16 : Laat hen zelfs omzwerven om voedsel; en laat hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd. Psalmen 22:17 : Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
[^psalmen-59-8-17]: Kanttekening 17: Of, gieten, bobbelen, of borrelen uit allerlei lasterredenen van mij. Van het Hebr. woord חֲרָבוֹת, , zie Ps. 19:3 , en verg. Jer. 6:7 , en onder vers 13 , vers 13 . Psalmen 19:3 : De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap. Jeremia 6:7 : Gelijk een bornput zijn water opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht. Psalmen 59:13 : Om de zonde huns monds, om het woord van hun lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, die zij vertellen. Psalmen 59:13 : Om de zonde huns monds, om het woord van hun lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, die zij vertellen.
[^psalmen-59-8-b]: Verwijzing b: Ps. 55:22 ; Ps. 57:5 . Psalmen 55:22 : Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn blote zwaarden. Psalmen 57:5 : Mijn ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, van wie tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
[^psalmen-59-8-c]: Verwijzing c: Ps. 10:11 ; Ps. 94:7 . Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 94:7 : En zeggen: YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
[^psalmen-59-8-18]: Kanttekening 18: wie hoort: Dit zijn de woorden van de vijanden, waarmee zij te kennen geven dat zij door geen vrees voor God wederhouden worden, sprekende al wat zij willen, alsof er geen God ware, die het hoorde. Zie Ps. 10:11 , en Ps. 94:7 . Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 94:7 : En zeggen: YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
[^psalmen-59-9-d]: Verwijzing d: Ps. 2:4 . Psalmen 2:4 : Die in de hemel woont, zal lachen; YHWH zal hen bespotten.
[^psalmen-59-9-19]: Kanttekening 19: Zie Ps. 2:4 . Psalmen 2:4 : Die in de hemel woont, zal lachen; YHWH zal hen bespotten.
[^psalmen-59-9-20]: Kanttekening 20: Zie vers 6 . Psalmen 59:6 : Ja, U YHWH, God van de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven. Sela.
[^psalmen-59-10-21]: Kanttekening 21: zijn sterkte: Van mijn vijand Saul, die mij veel te machtig en te sterk is, zodat ik hem niet kan wederstaan; dat alles zal ik U bevelen en met geduld wacht houden, verbreidende en uit- en omziende naar uw hulp en bescherming, waaronder ik veiliger ben dan of ik in een hoog vast slot verzekerd ware. Verg. onder vers 17 , 59:18 . Psalmen 59:17 : Maar ik zal Uw sterkte zingen, en 's morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat U mij een Vesting bent geweest, en een Toevlucht op de dag als mij bange was. Psalmen 59:18 : Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God van mijn goedertierenheid.
[^psalmen-59-11-22]: Kanttekening 22: mijn goedertierenheid: Of, mijn weldadigheid; dat is, mijn goedertierene of weldadige God, die mij gunstig of wèl genegen en zijn goedertierenheid aan mij bewezen heeft. Verg. Jer. 2:2 , met de aantekening. Jeremia 2:2 : Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^psalmen-59-11-23]: Kanttekening 23: Of, bejegenen, ontmoeten; dat is, ter rechter tijd goedertierenlijk helpen.
[^psalmen-59-11-24]: Kanttekening 24: Of, aan; te weten, mijn wens, of zijn wraak. Zie Ps. 54:9 , en Ps. 22:18 . Psalmen 54:9 : Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^psalmen-59-12-25]: Kanttekening 25: Breng hen niet tevens en schielijk om, maar verdeel uw oordelen op tijden en malen, opdat mijn volk \[waarover U mij tot koning gezalfd hebt, of mijn landslieden\] de menigvuldigheid van uw straffen voor en na aanschouwende, des te beter daaraan gedenken en daardoor geleerd worden.
[^psalmen-59-12-26]: Kanttekening 26: Tot een schouwspel.
[^psalmen-59-12-27]: Kanttekening 27: werp hen neder: Of, doe hen nederdalen, uit hun staat en eer, waarop zij zich trotselijk verlatende, zoveel kwaads voornemen en bedrijven.
[^psalmen-59-13-28]: Kanttekening 28: Om : Omdat er niet dan zonde \[te weten, trots spreken, vloeken en liegen over mij\] uit hun mond gaat. Sommigen voegen deze woorden bij het woord vergeten in het voorgaande vers 12 , in deze zin: Opdat mijn volk niet vergete hoe trots zij plegen te spreken en hoe zij daarover varen; te weten, dat zij daarin zo gevangen worden, dat men van hun vloeken en liegen \[de oorzaak van hun straf\] niet genoeg kan vertellen. Anders: de zonde huns monds \[is\] het woord van hun lippen; laat hen dan, enz.; dat is, het is al leugen wat zij spreken; daarom, enz. Psalmen 59:12 : Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heer, ons Schild!
[^psalmen-59-13-29]: Kanttekening 29: Die zij dagelijks in hun redenen zonder schroom bij menigten uitsmuiten, gelijk boven vers 8 . Anders: zij zullen van de vloek en van de magerheid vertellen. Psalmen 59:8 : Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
[^psalmen-59-14-30]: Kanttekening 30: Allengskens door verscheidenen plagen, uit verg. van vers 12 . Psalmen 59:12 : Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heer, ons Schild!
[^psalmen-59-14-31]: Kanttekening 31: Dat is, gewaarworden, bevinden.
[^psalmen-59-14-32]: Kanttekening 32: in Jakob: Onder Gods volk, Israël.
[^psalmen-59-15-33]: Kanttekening 33: Hier herhaalt de profeet vast dezelfde woorden, die boven vers 7 . staan, maar spottenderwijze, uit een heilig vast vertrouwen van Gods rechtvaardige vergelding, die zijn vijanden zou wedervare. Psalmen 59:7 : Tegen de avond keren zij weer, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
[^psalmen-59-16-34]: Kanttekening 34: Gelijk vers 12 . Psalmen 59:12 : Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heer, ons Schild!
[^psalmen-59-16-35]: Kanttekening 35: om voedsel: Hebr. om te eten.
[^psalmen-59-16-36]: Kanttekening 36: Zie het tegendeel Spr. 19:23 . Anders: morren, huilen, grijnzen, zo zij niet verzadigd zijn; omdat het Hebr. woord in beide betekenissen gevonden wordt. Spreuken 19:23 : De vrees voor YHWH is ten leven; want men zal verzadigd zijnde overnachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
[^psalmen-59-17-37]: Kanttekening 37: Uw sterkte: Gesteld tegen de sterkte van de vijand, boven vers 10 , zo in het volgende vers 18 . Psalmen 59:10 : Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Vesting. Psalmen 59:18 : Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God van mijn goedertierenheid.
[^psalmen-59-18-38]: Kanttekening 38: Van U: Zo wordt het Hebr. woord אֵלֶי, el somtijds genomen. Zie Job 42:7 , en boven Ps. 2:7 . Anders, mijn sterkte is bij U, \[daarom\] zal ik U, enz. Job 42:7 : Het geschiedde nu, nadat YHWH die woorden tot Job gesproken had, dat YHWH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. Psalmen 2:7 : Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^psalmen-59-18-39]: Kanttekening 39: mijn goedertierenheid: Gelijk boven vers 11 . Psalmen 59:11 : De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

### Psalmen 60

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/60.json)

*David, overwinning van God verkregen hebbend tegen zijn vijanden, vergelijkt, tot Gods lof, de vroegere ellendige toestand van het land met de tegenwoordige onder zijn koninkrijk; hij triomfeert over Gods bijstand en beloften, met bidden en vertrouwen op verdere vervulling tegen de rest van zijn vijanden.*

**1** Een[^psalmen-60-1-1] gouden kleinood van[^psalmen-60-1-2] David tot onderwijzing, voor de[^psalmen-60-1-3] opperzangmeester, op[^psalmen-60-1-4] Schusan Eduth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v1)

**2** [^psalmen-60-2-a] Als hij gevochten had met de[^psalmen-60-2-5] Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van[^psalmen-60-2-6] Zoba; en[^psalmen-60-2-7] Joab[^psalmen-60-2-8] wederkwam, en de Edomieten[^psalmen-60-2-9] sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v2)

**3** O God![^psalmen-60-3-b] U had ons[^psalmen-60-3-10] verstoten, U had ons gescheurd, U bent boos geweest;[^psalmen-60-3-11] keer weer tot ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v3)

**4** U hebt het land[^psalmen-60-4-12] geschud, U hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v4)

**5** U hebt Uw volk een[^psalmen-60-5-13] harde zaak doen[^psalmen-60-5-14] zien; U hebt ons gedrenkt met[^psalmen-60-5-15] zwijmelwijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v5)

**6** Maar nu hebt U van hen, die U vrezen, een[^psalmen-60-6-17] banier gegeven, om die op te werpen,[^psalmen-60-6-18] vanwege de waarheid. Sela.[^psalmen-60-6-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v6)

**7** [^psalmen-60-7-19][^psalmen-60-7-c] Opdat Uw geliefden zouden bevrijd worden;[^psalmen-60-7-20] geef heil door Uw rechterhand, en verhoor[^psalmen-60-7-21] ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v7)

**8** God heeft gesproken in Zijn[^psalmen-60-8-22] heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal[^psalmen-60-8-23] Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.[^psalmen-60-8-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v8)

**9** Gilead is van mij, en Manasse is van mij, en Efraïm is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn[^psalmen-60-9-25] wetgever.[^psalmen-60-9-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v9)

**10** Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn[^psalmen-60-10-27] schoen werpen![^psalmen-60-10-28] juich over mij, o u Palestina![^psalmen-60-10-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v10)

**11** Wie zal mij voeren in een[^psalmen-60-11-30] versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?[^psalmen-60-11-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v11)

**12** Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten had, en niet uittrokt, o God! met onze legermachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v12)

**13** Geef U ons hulp uit de benauwdheid, want 's[^psalmen-60-13-32] mensen heil is[^psalmen-60-13-33] zinloosheid.[^psalmen-60-13-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v13)

**14** In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze tegenstanders vertreden.[^psalmen-60-14-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/60.html#v14)

[^psalmen-60-1-1]: Kanttekening 1: Een gouden kleinood: Zie Ps. 16:1 . Psalmen 16:1 : Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
[^psalmen-60-1-2]: Kanttekening 2: tot lering: Hebr. om te leren; dat is Gods kerk te onderwijzen van wat in deze psalm begrepen is.
[^psalmen-60-1-3]: Kanttekening 3: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-60-1-4]: Kanttekening 4: Schusan Eduth: Dit wordt bij sommigen overgezet zessnarig instrument van het getuigenis, verstaande door getuigenis de ark van het getuigenis, waarin de twee tafelen van de wet lagen, genaamd de getuigenis, Ex. 40:5 -20; voor welke deze psalm in het voorhof van de priesters zou gezongen worden. Zie verder van het Hebr. woord שׁוּשַׁן, Schusan, Ps. 45:1 . Exodus 40:5 : En u zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark van het getuigenis zetten; dan zult u het deksel van de deur van de tabernakel ophangen. Psalmen 45:1 : Een onderwijzing, een lied van de liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
[^psalmen-60-2-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 8:3 ; idem v. 13 ; 1 Kron. 18:3 ; idem v. 12 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 1 Kronieken 18:3 : David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath. 1 Kronieken 18:12 : Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend.
[^psalmen-60-2-5]: Kanttekening 5: Syriërs van Mesopotamië: Hebr. Aram \[dat is Syrië\] van de twee rivieren; dat is Mesopotamië. Zie Gen. 24:10 . Genesis 24:10 : En die knecht nam tien kamelen van zijns heren kamelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.
[^psalmen-60-2-6]: Kanttekening 6: Zie 2 Sam. 8:3 . 2 Samuël 8:3 : David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^psalmen-60-2-7]: Kanttekening 7: 2 Sam. 8:13 , staat geschreven dat David in het Zoutdal achttien duizend verslagen heeft; en 1 Kron. 18:12 wordt dat aan Abisaï toegeschreven. Hier wordt verhaald dat Joab twaalf duizend daar geslagen heeft. Zo dit geen andere slag geweest is, kan men deze drie plaatsen zo vergelijken, dat David \[als koning\] door deze zijn twee krijgsoversten op verscheidene malen \[als in twee of meer tochten\] zoveel Edomieten daar geslagen heeft, dat zij tezamen uitmaken het getal van achttien duizend, waarvan Joab twaalf duizend geslagen heeft. 2 Samuël 8:13 : Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 1 Kronieken 18:12 : Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend.
[^psalmen-60-2-8]: Kanttekening 8: Van de krijg tegen de Syriërs, terugkerende naar de zuidergrenszen van Kanaän om te strijden tegen de Edomieten, die daar woonden. Toen maakte David deze psalm. Verg. onder vers 11 , 60:12 , 60:13 , waarop de overwinning gevolgd is. Psalmen 60:11 : Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? Psalmen 60:12 : Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittrokt, o God! met onze heirkrachten? Psalmen 60:13 : Geef U ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid.
[^psalmen-60-2-9]: Kanttekening 9: Anders, geslagen had, menende dat David deze psalm gemaakt heeft na de victorie.
[^psalmen-60-3-b]: Verwijzing b: Ps. 44:10 . Psalmen 44:10 : Maar nu hebt U ons verstoten en te schande gemaakt, omdat U met onze legers niet uittrekt.
[^psalmen-60-3-10]: Kanttekening 10: Dit ziet op de nederlagen en verwoestingen, die Israël geleden had, zo ten tijde als Saul met zijn zonen en het gehele heirleger verslagen was van de Filistijnen, \[zie 1 Sam. 31:6 , 31:7 \], als op de gevolgde lange inlandse krijg tussen het huis van Saul en David, 2 Sam. 3:1 ; idem de voorgaande ellende, die Israël dikwijls overkomen waren in de laatste tijden van de richters, Richt. 13:1 , en Richt. 15:11 ; 1 Sam. 4:2 , 4:10 , 4:11 , en 1 Sam. 13:19 . 1 Samuël 31:6 : Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk. 1 Samuël 31:7 : Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. 2 Samuël 3:1 : En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker. Richteren 13:1 : En de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren. Richteren 15:11 : Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist u niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, zo heb ik hunlieden gedaan. 1 Samuël 4:2 : En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor het aangezicht van de Filistijnen geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man. 1 Samuël 4:10 : Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een ieder in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 1 Samuël 13:19 : En er werd geen smid gevonden in het gehele land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken.
[^psalmen-60-3-11]: Kanttekening 11: keer weer tot ons: Of, U zult weer tot ons keren. Deze troost kon David scheppen uit de victorie, die God bereids verleend had tegen de Syriërs, en verder uit de oorzaak onder vers 8 verhaald. Psalmen 60:8 : God heeft gesproken in Zijn heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
[^psalmen-60-4-12]: Kanttekening 12: Een gelijkenis, genomen van de aardbeving, die de aarde doet scheuren en vele ellenden veroorzaakt. De zin is: U hadt de staat van het land schrikkelijk veranderd. Verg. Hagg. 2:7 , 2:8 , met Hebr. 12:26 , 12:27 , en Ez. 31:16 . Haggai 2:7 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemel, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Haggai 2:8 : Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens van alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt YHWH van de legermachten. Hebreeën 12:26 : Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. Hebreeën 12:27 : En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering van de bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. Ezechiël 31:16 : Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde.
[^psalmen-60-5-13]: Kanttekening 13: harde zaak: Gelijk onder anderen geweest is de ark van God van de Filistijnen was veroverd, Israël dikwijls verslagen, zelfs hun koning Saul met het gehele leger, enz.
[^psalmen-60-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, gevoelen, ondervinden, U hebt hen hard aangetast. Zie Job 7:7 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^psalmen-60-5-15]: Kanttekening 15: Of, wijn van de siddering, schudding; dat is, U hebt ons zo overvallen met uw straffen, dat wij als van onze zinnen en allen moed beroofd waren, gelijk mensen, die van zeer sterken wijn dronken zijnde, zwijmelen, beven en sidderen. Zie Jes. 51:17 , 51:20 , 51:21 , 51:22 , en verg. Nah. 2:3 ; waar het verwante Hebr. woord gebruikt wordt van het schudden, beven en drillen van de spiesen. Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Jesaja 51:20 : Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid van YHWH, van de schelding uws Gods. Jesaja 51:21 : Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! Jesaja 51:22 : Zo zegt de Heer, YHWH en uw God, Die de zaak van Zijn volk twisten zal: Zie, Ik neem de beker van de zwijmeling van uw hand, de droesem van de beker van Mijn grimmigheid; u zult die voortaan niet meer drinken. Nahum 2:3 : De schilden van zijn helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenvervig; de wagens zijn in het vuur van de fakkelen, op de dag als hij zich bereidt; en de spiesen worden geschud.
[^psalmen-60-6-17]: Kanttekening 17: Makende mij, tot troost en verlossing van de vromen, ten koning, en ons verlenende deze triomf van victorie. Verg. Ps. 20:6 . Psalmen 20:6 : Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in de Naam onzes Gods. YHWH vervulle al uw begeerten.
[^psalmen-60-6-18]: Kanttekening 18: Om te tonen dat U waarachtig bent in uw beloften, waarvan verder in het volgende.
[^psalmen-60-6-16]: Kanttekening 16: nu : In dit vers spreekt de profeet van de weldaad Gods in deze tijd zijn volk bewezen.
[^psalmen-60-7-19]: Kanttekening 19: Dit vers en al de volgende tot het einde van deze psalm worden herhaald Ps. 108:7 , enz. Zie ook daar. Psalmen 108:7 : Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
[^psalmen-60-7-c]: Verwijzing c: Ps. 108:7 . Psalmen 108:7 : Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
[^psalmen-60-7-20]: Kanttekening 20: Verg. Ps. 20:5 , 20:6 , 20:7 , en Ps. 21:2 , 21:3 . Psalmen 20:5 : Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad. Psalmen 20:6 : Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in de Naam onzes Gods. YHWH vervulle al uw begeerten. Psalmen 20:7 : Alsnu weet ik, dat YHWH Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit de hemel van Zijn heiligheid; het heil van Zijn rechterhand zal zijn met mogendheden. Psalmen 21:2 : O YHWH! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil! Psalmen 21:3 : U hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak van zijn lippen hebt U niet geweerd. Sela.
[^psalmen-60-7-21]: Kanttekening 21: Of mij.
[^psalmen-60-8-22]: Kanttekening 22: Waar de ark van het verbond was, die David nu te Zion gehaald had, 2 Sam. 6 ; hij schijnt te willen zeggen dat hij God \[voordat hij deze oorlogen aanving\] naar zijn raad vragende, een zeer gunstig antwoord van tussen de cherubim ontvangen had, waarvolgens hij nu, deze victorie verkregen hebbende, zeer verheugd was en een goed vertrouwen had van al de rest. Anders, door, of bij zijn heiligheid; zulks dat het een zeker en vast woord is, als van de heilige God gesproken zijnde.
[^psalmen-60-8-23]: Kanttekening 23: Van Sichem en Sukkoth, zie Gen. 12:6 , en Gen. 33:17 ; Richt. 8:5 . Hij wil zeggen dat hij van deze en de volgende plaatsen volkomen heer en bezitter zal zijn, aan beide zijden van de Jordaan. Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Genesis 33:17 : Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam dier plaats Sukkoth. Richteren 8:5 : En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna.
[^psalmen-60-8-24]: Kanttekening 24: Van Sichem en Sukkoth, zie Gen. 12:6 , en Gen. 33:17 ; Richt. 8:5 . Hij wil zeggen dat hij van deze en de volgende plaatsen volkomen heer en bezitter zal zijn, aan beide zijden van de Jordaan. Genesis 12:6 : En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. Genesis 33:17 : Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam dier plaats Sukkoth. Richteren 8:5 : En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna.
[^psalmen-60-9-25]: Kanttekening 25: Dat is, de voornaamste sterkte van mijn rijk; of, als mijn hoornen. Zie Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^psalmen-60-9-26]: Kanttekening 26: Dat is, mijn koninklijke zitplaats. Zie Gen. 49:10 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^psalmen-60-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, ik zal de Moabieten en andere vreemde vijandelijke volken zo vernederen, dat ik hen tot mijn slechtste en verachtelijkste diensten zal gebruiken. Verg. 2 Sam. 8:2 . Hebr., סִיר, pot van mijn wassing. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^psalmen-60-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, ik zal hen tenonder brengen, bezitten, erven en als onder mijn voeten leggen. Verg. Ruth 4:7 , en Richt. 5:21 . Ruth 4:7 : Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de gehele zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël. Richteren 5:21 : De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.
[^psalmen-60-10-29]: Kanttekening 29: Dit spreekt hij spottenderwijze tot de trotse Filistijnen, die gewoon waren Israël te beschimpen, willende zeggen dat hij integendeel over hen zal triomferen en juichen, gelijk hij deze woorden verklaart in de herhaling Ps. 108:10 . Psalmen 108:10 : Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.
[^psalmen-60-11-30]: Kanttekening 30: Wie zal mij voeren: Een manier van wensen, te kenne gevende de zwarigheid, die, naar de natuur van de zaak, daarin gelegen was, dat hij de vaste steden, die tegen hem waren, of \[gelijk sommigen menen\] bijzonderlijk de hoofdstad van de Ammonieten, Rabba \[waarvan 2 Sam. 12:26 , 12:29 , enz.\] zou mogen winnen. 2 Samuël 12:26 : Joab nu krijgde tegen Rabba van de kinderen Ammons; en hij nam de koninklijke stad in. 2 Samuël 12:29 : Toen verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in.
[^psalmen-60-11-31]: Kanttekening 31: vaste stad: Hebr., עַד, stad van de vastheid.
[^psalmen-60-13-32]: Kanttekening 32: uit de: Dat is, door welke wij uit onze benauwdheid mogen raken.
[^psalmen-60-13-33]: Kanttekening 33: heil is: Of, verlossing, behoudenis.
[^psalmen-60-13-34]: Kanttekening 34: Of, leugen; dat is, men wordt er mee bedrogen, men komt er mee tekort, als met een leugen of ijdel ding, wanneer men zich in de nood daarop verlaat. Verg. Ps. 4:3 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^psalmen-60-14-35]: Kanttekening 35: kloeke daden: Hebr. kloekheid, dapperheid.

### Psalmen 61

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/61.json)

*David, gevlucht en in groot gevaar zijnde, bidt om verlossing, naar zijn geloof en Gods voorgaande weldaden; vertrouwend dat God hem hier zijn leven zal verlengen en hierna het eeuwige zal schenken, om de Messias' wil, van Wiens onvergankelijk Koninkrijk hij profeteert, met belofte van dankbaarheid.*

**1** Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op[^psalmen-61-1-1] de Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v1)

**2** O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v2)

**3** Van het[^psalmen-61-3-2] einde van het land roep ik tot U als mijn hart[^psalmen-61-3-3] overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die[^psalmen-61-3-4] mij te hoog zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v3)

**4** Want U bent mij een Toevlucht geweest, een[^psalmen-61-4-5] sterke Toren[^psalmen-61-4-6] voor de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v4)

**5** Ik zal in Uw[^psalmen-61-5-7] hut verkeren in eeuwigheden; ik[^psalmen-61-5-8] zal mijn toevlucht nemen in het[^psalmen-61-5-9] verborgene van Uw vleugelen.[^psalmen-61-5-10] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v5)

**6** Want U, o God! heb gehoord naar mijn[^psalmen-61-6-11] geloften; U hebt mij gegeven de[^psalmen-61-6-12] erfenis van degenen, die Uw Naam vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v6)

**7** U[^psalmen-61-7-13] zult dagen[^psalmen-61-7-14] tot de dagen van[^psalmen-61-7-15] de koning toedoen; zijn jaren zullen zijn als van[^psalmen-61-7-16] geslacht tot geslacht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v7)

**8** Hij zal eeuwig voor Gods aangezicht[^psalmen-61-8-17] zitten;[^psalmen-61-8-18] bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v8)

**9** Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid;[^psalmen-61-9-19] opdat ik mijn[^psalmen-61-9-20] geloften betale,[^psalmen-61-9-21] dag bij dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/61.html#v9)

[^psalmen-61-1-1]: Kanttekening 1: Zie van het Hebr. woord dat hier staat in het getal van een, Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-61-3-2]: Kanttekening 2: Of, uiterste, waarheen hij voor Absalom heeft moeten vluchten, 2 Sam. 17:24 , waarop sommigen deze psalm passen. 2 Samuël 17:24 : David nu kwam te Mahanaim, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem.
[^psalmen-61-3-3]: Kanttekening 3: Of, overdekt, te weten met angst, benauwdheid, zorg en bekommernis. Verg. Ps. 77:4 , en Ps. 102:1 , en Ps. 107:5 , en Ps. 142:4 , en Ps. 143:4 , idem Klaagl. 2:11 , 2:12 , 2:19 . Psalmen 77:4 : Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. Psalmen 102:1 : Een gebed van de verdrukte, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van YHWH. Psalmen 107:5 : Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt. Psalmen 142:4 : Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt U mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou. Psalmen 143:4 : Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij. Klaagliederen 2:11 : Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de stad in onmacht zinken; Klaagliederen 2:12 : Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot van hun moeders. Klaagliederen 2:19 : Koph. Maak u op, maak geschrei 's nachts in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
[^psalmen-61-3-4]: Kanttekening 4: te hoog: Dat is, in een verzekerde plaats, waar ik niet zou kunnen in of op komen dan door uw kracht.
[^psalmen-61-4-5]: Kanttekening 5: sterke Toren: Hebr., עֹז, toren van de sterkte.
[^psalmen-61-4-6]: Kanttekening 6: voor de vijand: Hebr., פְּנֵי, van het aangezicht van de vijand; dat is, om mij voor of tegen hem te verzekeren en te beschermen.
[^psalmen-61-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, in uw heiligen tabernakel een lange tijd, en verder in de hemel, door de tabernakel afgebeeld, in alle eeuwigheid. Zie onder vers 6 . Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^psalmen-61-5-8]: Kanttekening 8: toevlucht nemen: Of, toevlucht hebben.
[^psalmen-61-5-9]: Kanttekening 9: Dat de Schrift elders verklaart door de schaduw van de vleugelen. Zie Ruth 2:12 , en boven Ps. 57:2 . Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen! Psalmen 57:2 : Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
[^psalmen-61-5-10]: Kanttekening 10: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-61-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, mijn gebeden, die ik U met beloften van dankbaarheid heb voorgedragen, gelijk de heiligen plegen te doen. Zie Gen. 28:20 ; Richt. 11:30 , 11:31 ; Ps. 116:18 , en Ps. 132:2 , en onder vers 9 . Genesis 28:20 : En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken; Richteren 11:30 : En Jeftha beloofde YHWH een gelofte, en zei: Als U de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven; Richteren 11:31 : Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkom, dat zal van YHWH zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer. Psalmen 116:18 : Ik zal mijn gelofte aan YHWH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. Psalmen 132:2 : Dat hij aan YHWH gezworen heeft, de Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: Psalmen 61:9 : Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
[^psalmen-61-6-12]: Kanttekening 12: Hij ziet naar het land Kanaän, waarover hem God, met beloften van zijn beschutting, tot koning had gesteld, vertrouwende dat Hij hem dienvolgens daaruit niet zou verstoten, gelijk ook niet van het erfdeel van het hemelse Kanaän, waarvan het aardse een voorbeeld en pand was. Zie Hebr. 11:8 , 11:10 , 11:13 , 11:14 , 11:15 , 11:16 . Hebreeën 11:8 : Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Hebreeën 11:10 : Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebreeën 11:14 : Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:15 : En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, waarvan zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; Hebreeën 11:16 : Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God niet voor hen, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^psalmen-61-7-13]: Kanttekening 13: Of, doe toe; biddenderwijze, en zo in het volgende.
[^psalmen-61-7-14]: Kanttekening 14: Of, boven, op.
[^psalmen-61-7-15]: Kanttekening 15: Verstaande zichzelven \[niettegenstaande de vijanden voorhadden hem het leven te benemen\] en bijzonder de Heer Christus zijn Zoon naar het vlees, wiens voorbeeld hij was. Verg. 2 Sam. 7:13 , 7:16 ; Ps. 72 en Ps. 89:21 , 89:30 , 89:37 , 89:38 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. 2 Samuël 7:16 : Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. Psalmen 89:21 : Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; Psalmen 89:30 : En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemel. Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38 : Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela.
[^psalmen-61-7-16]: Kanttekening 16: Hebr., דֹר, geslacht en geslacht; dat is, in alle geslachten.
[^psalmen-61-8-17]: Kanttekening 17: Regerende op zijn troon. Zie Ps. 29:10 ; Luk. 1:32 , 1:33 ; Hand. 2:30 . Psalmen 29:10 : YHWH heeft gezeten over de watervloed; ja, YHWH zit, Koning in eeuwigheid. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Handelingen 2:30 : Aangezien hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lenden, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
[^psalmen-61-8-18]: Kanttekening 18: Of, beschik, bestel; gelijk zijn toegeleid en voorbereid deel. In het Hebr., מַן, wordt hetzelfde woord man gebruikt, als voor het hemelse man, waarmee God Israël spijzigde in de woestijn, gelijk met een voorbereid voedsel.
[^psalmen-61-9-19]: Kanttekening 19: Of, mits betalende, enz.
[^psalmen-61-9-20]: Kanttekening 20: Zie boven vers 6 , en Job 22:27 . Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. Job 22:27 : U zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en u zult uw geloften betalen.
[^psalmen-61-9-21]: Kanttekening 21: dag bij dag: Hebr., יוֹם, dag dag; dat is, dag bij dag, dagelijks. Zie Gen. 39:10 ; idem Ps. 68:20 ; Jes. 58:2 . Genesis 39:10 : En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; Psalmen 68:20 : Geloofd zij de Heer; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela. Jesaja 58:2 : Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten van de gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen;

### Psalmen 62

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/62.json)

*David betuigt veelvuldig zijn gerustheid in God, tegen alle raadslagen en praktijken van zijn vijanden, en vermaant alle gelovigen evenzo te doen; hen aftrekkend van hun vertrouwen op mensen en alle ijdele, bedrieglijke en onrechtvaardige middelen, en hen ertoe brengend alleen op God te vertrouwen, Die, overeenkomstig Zijn Woord, alleen machtig, barmhartig en rechtvaardig is.*

**1** Een psalm van David, voor de opperzangmeester, over[^psalmen-62-1-1] Jeduthun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v1)

**2** [^psalmen-62-2-2] Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v2)

**3** Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting, ik zal niet[^psalmen-62-3-3] enorm wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v3)

**4** [^psalmen-62-4-4] Hoe lang zult u[^psalmen-62-4-5] kwaad aanstichten tegen een[^psalmen-62-4-6] man? U allen zult[^psalmen-62-4-7] gedood worden; u zult zijn als een[^psalmen-62-4-8] ingebogen wand, een aangestoten[^psalmen-62-4-9] muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v4)

**5** Zij raadslagen slechts, om[^psalmen-62-5-10] hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met[^psalmen-62-5-11] hun mond[^psalmen-62-5-12] zegenen zij; maar met hun[^psalmen-62-5-13] binnenste vloeken zij.[^psalmen-62-5-14] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v5)

**6** Maar u, o mijn ziel![^psalmen-62-6-15] zwijg voor God; want van Hem is mijn[^psalmen-62-6-16] verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v6)

**7** Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting; ik zal niet wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v7)

**8** In God is mijn Heil en mijn Eer; de[^psalmen-62-8-17] Rotssteen van mijn sterkte, mijn Toevlucht is in God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v8)

**9** Vertrouw op Hem altijd, o u[^psalmen-62-9-18] volk![^psalmen-62-9-19] Stort uw hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v9)

**10** Immers zijn de[^psalmen-62-10-20] gemene mensen zinloosheid, de grote mensen zijn[^psalmen-62-10-21] leugen;[^psalmen-62-10-22] in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v10)

**11** Vertrouw niet op[^psalmen-62-11-23] onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet[^psalmen-62-11-24][^psalmen-62-11-25] er[^psalmen-62-11-26] het hart niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v11)

**12** God heeft[^psalmen-62-12-27] één ding gesproken, ik heb dit[^psalmen-62-12-28] tweemaal gehoord: dat de sterkte[^psalmen-62-12-29] van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v12)

**13** En de goedertierenheid, o Heere![^psalmen-62-13-30] is van U;[^psalmen-62-13-31][^psalmen-62-13-a] want U zult ieder vergelden naar zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/62.html#v13)

[^psalmen-62-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, het geslacht en de orde van Jeduthun, of aan Jeduthun, als zijnde een opperzangmeester, gelijk Ps. 39:1 . Zie daar. Psalmen 39:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, voor Jeduthun.
[^psalmen-62-2-2]: Kanttekening 2: Immers is: Of, nochtans, evenwel is mijn ziel zwijgende, of, mijn ziel zwijgt voor God, voor God; alsof hij zei: Het ga hoe het gaat, ik zal niet laten in gebeden, geduld en vertrouwen Gods heil en hulp te verwachten; niettegenstaande Hij mij schijnt te verlaten, omdat mijn vijanden mij zo bitterlijk steeds vervolgen. Verg. Ps. 37:7 , en onder vers 6 ; aldus breekt David uit met woorden van vertrouwen, nadat hij in zijn gemoed een grote strijd gehad had. Verg. Ps. 73:1 , enz. Psalmen 37:7 : Daleth. Zwijg YHWH, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. Psalmen 62:6 : Maar u, o mijn ziel! zwijg voor God; want van Hem is mijn verwachting. Psalmen 73:1 : Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van hart zijn.
[^psalmen-62-3-3]: Kanttekening 3: Niet zo, dat ik ten enenmale zou vervallen en verloren gaan. Zie Ps. 15:5 , en verder 1 Kor. 10:13 , en 2 Kor. 4:9 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid. 1 Korinthiërs 10:13 : Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 2 Korinthiërs 4:9 : Vervolgd, maar niet daarin verlaten; nedergeworpen, maar niet verdorven;
[^psalmen-62-4-4]: Kanttekening 4: Hoe lang: Hier spreekt hij zijn vervolgers aan.
[^psalmen-62-4-5]: Kanttekening 5: Het Hebr. woord \[dat alleen hier gevonden wordt\] betekent allerlei kwade praktijken tot iemands verdriet en verderf te bedenken en in het werk te stellen.
[^psalmen-62-4-6]: Kanttekening 6: Te weten, mij, alsof hij zei: tegen één enige man, de onschuldige en goede David, die u niets heeft misdaan, ja zich als een man en held voor Saul en Gods volk gekweten heeft. Verg. Jer. 5:1 . Jeremia 5:1 : Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.
[^psalmen-62-4-7]: Kanttekening 7: De vervulling hiervan kan men afnemen uit de slag, waarin Saul met de zijnen gebleven is; 1 Sam. 31 .
[^psalmen-62-4-8]: Kanttekening 8: Die zich neigt tot de val.
[^psalmen-62-4-9]: Kanttekening 9: Versta, die van losse stenen tot een heining \[als om wijngaarden en anderzins tot een scheiding, zie Num. 22:24 ; Spr. 24:31 ,\] is opgehoopt, en aangestoten zijnde, lichtelijk wordt omgestort. Deze gelijkenis beduidt een haastigen en zwaren val. Zie Jes. 30:13 ; Ez. 13:13 , 13:14 . Numeri 22:24 : Maar de Engel van YHWH stond in een pad van de wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan de overzijde. Spreuken 24:31 : En ziet, hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken. Jesaja 30:13 : Daarom zal u deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hogen muur, welks breuk haastig in een ogenblik komen zal. Ezechiël 13:13 : Daarom zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal hem door een grote stormwind in Mijn grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn grimmigheid, om die te verdoen. Ezechiël 13:14 : Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; zo zal de stad vallen, en u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^psalmen-62-5-10]: Kanttekening 10: hem : Mij, David, die God tot de koninklijke hoogheid gekozen en gezalfd heeft.
[^psalmen-62-5-11]: Kanttekening 11: Hebr. zijn; dat is, elk van hen doet zo.
[^psalmen-62-5-12]: Kanttekening 12: Verg. Ps. 5:10 , en zie 2 Sam. 8:10 , en Job 31:20 . Psalmen 5:10 : Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Job 31:20 : Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen van mijn lammeren verwarmd werd;
[^psalmen-62-5-13]: Kanttekening 13: Dat is hun hart.
[^psalmen-62-5-14]: Kanttekening 14: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-62-6-15]: Kanttekening 15: Zie boven vers 2 . Psalmen 62:2 : Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
[^psalmen-62-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, ik verwacht van Hem mijn heil, gelijk vers 2 . Psalmen 62:2 : Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
[^psalmen-62-8-17]: Kanttekening 17: Dat is, mijn sterke rotssteen.
[^psalmen-62-9-18]: Kanttekening 18: Te weten, van de Heer, namelijk Israël.
[^psalmen-62-9-19]: Kanttekening 19: Dat is, de begeerten uws harten, gebeden met tranen. Verg. 1 Sam. 1:15 ; Klaagl. 2:19 , en Ps. 42:5 . 1 Samuël 1:15 : Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterken drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van YHWH. Klaagliederen 2:19 : Koph. Maak u op, maak geschrei van de nacht in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
[^psalmen-62-10-20]: Kanttekening 20: gemene mensen: Hebr., בְּנֵֽי, de zonen of kinderen van de mensen, en daarna, zonen of kinderen van de man. Zie hiervan Ps. 4:3 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^psalmen-62-10-21]: Kanttekening 21: Dat is, beiden, kleine en grote, zijn een geheel nietig en bedriegelijk ding. Zie Job 15:31 . Job 15:31 : Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.
[^psalmen-62-10-22]: Kanttekening 22: in de weegschaal: Of, in de weegschaal zouden zij tezamen opgaan boven, of meer dan ijdelheid; dat is, de ijdelheid zou overwegen, zij zouden minder wegen dan ijdelheid.
[^psalmen-62-11-23]: Kanttekening 23: Dat u iemand met list of geweld zou verdrukken en pogen te verwoesten. Zie Jes. 30:12 . Jesaja 30:12 : Daarom, zo zegt de Heilige van Israël: Omdat u dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop:
[^psalmen-62-11-24]: Kanttekening 24: Uzelven bedriegende en bij anderen voor dwaas geacht, omdat u u op ijdele dingen verlaat. Verg. Ps. 31:7 . Psalmen 31:7 : Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op YHWH.
[^psalmen-62-11-25]: Kanttekening 25: het vermogen: Rijkdom en macht.
[^psalmen-62-11-26]: Kanttekening 26: Als een kruid, dat in menigte opkomt en voorspruit. Verg. Ps. 92:15 ; Spr. 10:31 . Psalmen 92:15 : In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, Spreuken 10:31 : De mond van de rechtvaardige brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong van de verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
[^psalmen-62-12-27]: Kanttekening 27: één ding: Of, eenmaal; als een zeker ongetwijfeld woord, eens vooral, waarvan alle profeten hetzelfde betuigen, te weten dat God alleen almachtig is, en daarentegen de macht van de groten op aarde \[gelijk gezegd\] maar ijdelheid is.
[^psalmen-62-12-28]: Kanttekening 28: Dat is, dikwijls, een zeker getal voor het onzekere, naar het gebruik van de Schrift.
[^psalmen-62-12-29]: Kanttekening 29: Godes is: Of, God toekomt, toebehoort; dat Hij sterkte heeft, te weten, om bozen te bedwingen en te straffen; gelijk Hij ook goedertierenheid heeft met sterkte \[gelijk volgt\] om de zijnen wel te geven.
[^psalmen-62-13-30]: Kanttekening 30: is Uw: Of, komt U toe, U hebt haar.
[^psalmen-62-13-31]: Kanttekening 31: Of, zekerlijk, werkelijk.
[^psalmen-62-13-a]: Verwijzing a: Job 34:11 ; Spr. 24:12 ; Jer. 32:19 ; Ez. 7:27 ; Ez. 33:20 ; Matt. 16:27 ; Rom. 2:6 ; 2 Kor. 5:10 ; Efez. 6:8 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 ; Openb. 22:12 . Job 34:11 : Want naar het werk van de mensen vergeldt Hij hem, en naar van een ieder weg doet Hij het hem vinden. Spreuken 24:12 : Wanneer u zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uw ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal de mens vergelden naar zijn werk. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Ezechiël 7:27 : De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechte zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 33:20 : Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël! Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Efeziërs 6:8 : Wetende, dat zo wat goed een iedereen gedaan zal hebben, hij datzelfde van de Heer zal ontvangen, hetzij dienaar, hetzij vrije. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning; Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.

### Psalmen 63

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/63.json)

*David, omzwervend in de woestijn, klaagt God zeer bitter dat hij uit Gods huis en van de uitwendige oefening van de godsdienst (die hij zeer hoog verheft) verbannen was; hij troost zich toch in Gods gunst en bescherming, en voorzegt de ondergang van zijn bloeddorstige vervolgers en zijn toekomstige vreugde.*

**1** Een psalm van David, als hij was in[^psalmen-63-1-a] de woestijn van[^psalmen-63-1-1] Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v1)

**2** O God! U bent mijn God! ik[^psalmen-63-2-2] zoek U in de[^psalmen-63-2-3] dageraad; mijn ziel dorst naar[^psalmen-63-2-4] U; mijn vlees[^psalmen-63-2-5] verlangt naar U, in een land,[^psalmen-63-2-6] dor en[^psalmen-63-2-7] mat, zonder water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v2)

**3** Werkelijk, ik heb U in het[^psalmen-63-3-8] heiligdom aanschouwd,[^psalmen-63-3-9] ziende Uw sterkheid en Uw eer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v3)

**4** Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen[^psalmen-63-4-10] zouden U prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v4)

**5** Zo zou ik U[^psalmen-63-5-11] loven in mijn[^psalmen-63-5-12] leven; in Uw Naam zou ik mijn[^psalmen-63-5-13] handen opheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v5)

**6** Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid[^psalmen-63-6-14] verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met[^psalmen-63-6-15] vrolijk zingende lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v6)

**7** Als ik aan U gedenk op mijn slaapplaats, zo peins ik aan U in de[^psalmen-63-7-16] nachtwaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v7)

**8** Want U bent mij een[^psalmen-63-8-17] hulp geweest; en in de[^psalmen-63-8-18] schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v8)

**9** Mijn ziel kleeft U[^psalmen-63-9-19] achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v9)

**10** Maar deze, die[^psalmen-63-10-20] mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in[^psalmen-63-10-21] de onderste plaatsen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v10)

**11** Men[^psalmen-63-11-22] zal[^psalmen-63-11-23] hen storten door het[^psalmen-63-11-24] geweld van het zwaard; zij zullen de[^psalmen-63-11-25] vossen ten deel worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v11)

**12** Maar de[^psalmen-63-12-26] koning zal zich in God verblijden; een ieder die bij[^psalmen-63-12-27] Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond van[^psalmen-63-12-28] de leugensprekers zal gestopt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/63.html#v12)

[^psalmen-63-1-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 22:5 ; 1 Sam. 23:14 ; idem 23:15 . 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Samuël 23:14 : David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op de berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, maar God gaf hem niet over in zijn hand. 1 Samuël 23:15 : Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud.
[^psalmen-63-1-1]: Kanttekening 1: Gevlucht voor Saul. Zie 1 Sam. 22:5 , en 1 Sam. 24:14 , 24:15 . 1 Samuël 22:5 : Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 1 Samuël 24:14 : Gelijk als het spreekwoord van de ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 1 Samuël 24:15 : Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!
[^psalmen-63-2-2]: Kanttekening 2: zoek U: Om U aan te roepen.
[^psalmen-63-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, vroeg, met ijver en bijzondere begeerte. Zie Job 7:21 , en Ps. 78:34 ; Spr. 1:28 ; Hos. 5:15 ; Luk. 21:38 . Job 7:21 : En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. Psalmen 78:34 : Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weer, en zochten God vroeg; Spreuken 1:28 : Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Hosea 5:15 : Ik zal heengaan en keren weer tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. Lukas 21:38 : En al het volk kwam 's morgens vroeg tot Hem in de tempel, om Hem te horen.
[^psalmen-63-2-4]: Kanttekening 4: U; mijn: Dit wordt in het volgende vers 3 verklaard. Psalmen 63:3 : Werkelijk, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
[^psalmen-63-2-5]: Kanttekening 5: Anders, is verdroogd; te weten, van dorst. Sommigen menen dat het Hebr. woord \[dat hier alleen gevonden wordt\] betekent heethongerig te zijn naar voedsel, gelijk in het voorgaande van dorsten gesproken is.
[^psalmen-63-2-6]: Kanttekening 6: Gelijk de woestijnen gemeenlijk droog en waterloos zijn; Ex. 17:1 ; Num. 20:1 , 20:2 ; Ps. 107:33 , 107:35 ; Jer. 2:6 . Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Numeri 20:1 : Als de kinderen van Israël, de gehele vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. Numeri 20:2 : En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron. Psalmen 107:33 : Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land. Psalmen 107:35 : Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten. Jeremia 2:6 : En zeiden niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
[^psalmen-63-2-7]: Kanttekening 7: Of, vermoeid, dat is dorstig; zo wordt het land genoemd, vermits gebrek aan water, waarop de dorst volgt. Sommigen verstaan dat David van zichzelven spreekt dat hij, gelijk een vermoeid mens pleegt te zijn, \[zie Spr. 25:25 \] dorstig is en zonder water passende zijn lichamelijke gebrek op het geestelijke, gelijk volgt. Verg. Ps. 143:6 . Spreuken 25:25 : Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel. Psalmen 143:6 : Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
[^psalmen-63-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, uw reine godsdienst, waarin U deze uw eigenschappen openbaart, en waarin de Messias werd afgebeeld.
[^psalmen-63-3-9]: Kanttekening 9: ziende Uw sterkheid: Anders aldus: Om uw sterkte en uw eer te zien, zo ik U in het heiligdom aanschouwd heb. De woorden een weinig verzet zijnde.
[^psalmen-63-4-10]: Kanttekening 10: Wanneer mij zulks mocht gebeuren. Of, zullen U prijzen; en zo verder in het volgende.
[^psalmen-63-5-11]: Kanttekening 11: Hebr. zegenen. Versta, wanneer U mij de genade zult hebben gedaan dat ik opnieuw vrij in uw huis mag verschijnen, gelijk tevoren.
[^psalmen-63-5-12]: Kanttekening 12: mijn leven: Dat is, zolang ik leef, gelijk Ps. 104:33 , en Ps. 146:2 . Psalmen 104:33 : Ik zal YHWH zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. Psalmen 146:2 : Ik zal YHWH prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
[^psalmen-63-5-13]: Kanttekening 13: Hebr., כַפָּֽ, palmen; zie Ps. 28:2 . Psalmen 28:2 : Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid.
[^psalmen-63-6-14]: Kanttekening 14: Dit stelt hij tegen de geestelijke dorst en honger naar de publieke godsdienst en vergaderingen van de heidenen, waarvan vers 2 , 63:3 ; zie Ps. 36:9 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Psalmen 63:3 : Werkelijk, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer; Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^psalmen-63-6-15]: Kanttekening 15: Hebr., שִׂפְתֵי, lippen van de vrolijke gezangen, of van de juichingen.
[^psalmen-63-7-16]: Kanttekening 16: Van de vier delen van de nacht, bij de Joden genoemd nachtwaken; zie Ex. 14:24 ; 1 Sam. 11:11 ; Klaagl. 2:19 ; Matt. 14:25 , en Matt. 24:43 ; Mark. 6:48 , en verg. verder Ps. 1:2 . Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. 1 Samuël 11:11 : Het geschiedde nu de volgende dag, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven. Klaagliederen 2:19 : Koph. Maak u op, maak geschrei van de nacht in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. Mattheüs 14:25 : Maar ter vierde wake van de nacht kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. Mattheüs 24:43 : Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Marcus 6:48 : En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake van de nacht, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-63-8-17]: Kanttekening 17: Anders, volkomen hulp. Van zulke bijvoeging van dit woord volkomen, zie Ps. 44:27 , en verg. Ps. 3:3 . Psalmen 44:27 : Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uw goedertierenheid wil. Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-63-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, uw beschutting. Zie Ruth 2:12 . Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^psalmen-63-9-19]: Kanttekening 19: Willende U volgen, niet willende van U scheiden.
[^psalmen-63-10-20]: Kanttekening 20: Dat is, die naar mijn leven staan \[zie Ex. 4:19 ; 2 Sam. 4:8 \] om mij dat te benemen, met zulk een geraas en onstuimigheid, dat het gehele land daarvan gewaagt. Zie Ps. 35:8 . Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. Psalmen 35:8 : De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
[^psalmen-63-10-21]: Kanttekening 21: de onderste: Dat is, zij zullen ter aarde worden neergeveld, sterven en verderven in de aarde en dodenrijk.
[^psalmen-63-11-22]: Kanttekening 22: zal hen: Hebr. zij zullen hem storten; dat is, men zal een ieder van hen storten, enz.
[^psalmen-63-11-23]: Kanttekening 23: Dat hun bloed, leven en levenskrachten, als water uitgestort, wegvloeien en verdwijnen. Verg. 2 Sam. 14:14 . 2 Samuël 14:14 : Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote.
[^psalmen-63-11-24]: Kanttekening 24: Hebr., יְדֵי, de handen. Zie Job 5:20 . Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^psalmen-63-11-25]: Kanttekening 25: Die hun verworpen, dode lichamen zullen opeten. Deze dieren waren bij menigten in die landen. Zie Richt. 15:4 . Verg. verder Openb. 19:21 . Richteren 15:4 : En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden. Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^psalmen-63-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk, ik David, als mij God naar zijn beloften, tot het koninkrijk zal hebben verheven, dat zij zoeken te beletten; Ps. 62:5 . Psalmen 62:5 : Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
[^psalmen-63-12-27]: Kanttekening 27: Te weten, bij God, dat is, die Hem recht eert en dient, zal zich met vreugde gelukkig achten in God en zijn genadewerk, dat Hij aan mij en zijn volk zal hebben bewezen. Zo Ps. 64:11 . Psalmen 64:11 : De rechtvaardige zal zich verblijden in YHWH, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.
[^psalmen-63-12-28]: Kanttekening 28: Die nu zo stout en onbeschaamd van mij en andere vromen liegen, verdichtende en uitstrooiende al wat zij willen.

### Psalmen 64

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/64.json)

*David bidt God dat Hij hem behoede en berge voor zijn vijanden, wier listige, wrede en goddeloze praktijken hij beschrijft, terwijl hij tevens hun ondergang voorzegt, tot eer van God en tot vreugde van de vromen.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-64-1-1] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v1)

**2** Hoor, o God! mijn stem[^psalmen-64-2-2] in mijn geklag; behoed mijn leven voor de schrik van[^psalmen-64-2-3] de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v2)

**3** Verberg mij voor de geheime raad van de boosdoeners, voor de[^psalmen-64-3-4] oproerigheid van de werkers van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v3)

**4** Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord[^psalmen-64-4-5] aanleggen als hun pijl; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v4)

**5** Om in verborgen plaatsen de oprechte te[^psalmen-64-5-a] schieten;[^psalmen-64-5-6] haastig schieten zij naar hem, en vrezen[^psalmen-64-5-7] niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v5)

**6** Zij sterken zichzelf in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v6)

**7** Zij doorzoeken[^psalmen-64-7-8] allerlei listigheid;[^psalmen-64-7-9] ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste van een man, en het diepe hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v7)

**8** Maar God zal hen haastig met een pijl schieten;[^psalmen-64-8-10] hun plagen zijn er. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v8)

**9** En hun[^psalmen-64-9-11] tong[^psalmen-64-9-12] zal hen doen aanstoten tegen zichzelf;[^psalmen-64-9-13] een ieder, die hen ziet,[^psalmen-64-9-14] zal zich wegpakken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v9)

**10** En[^psalmen-64-10-15] alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandig beschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v10)

**11** De rechtvaardige zal zich verblijden in YHWH, en op Hem betrouwen; en alle[^psalmen-64-11-16] oprechten van hart zullen zich beroemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/64.html#v11)

[^psalmen-64-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-64-2-2]: Kanttekening 2: in mijn geklag: Dat is, terwijl ik klaag, of aandachtig bid en kerm.
[^psalmen-64-2-3]: Kanttekening 3: van de vijand schrik: Dat is, die de vijand met zijn vervolgen mij aandoet.
[^psalmen-64-3-4]: Kanttekening 4: Of, geraas, rumoerig rotten. Zie van het Hebr. woord Ps. 2:1 . Psalmen 2:1 : Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
[^psalmen-64-4-5]: Kanttekening 5: Hebr. treden; dat is spannen, gelijk men de voetboog treedt als men die wil spannen en pijlen daarop leggen; zo boven Ps. 58:8 , enz. Of, zij hebben gespannen; een bitter woord is hun pijl. Psalmen 58:8 : Laat hen smelten als water, laat hen daarheen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
[^psalmen-64-5-a]: Verwijzing a: Ps. 11:2 . Psalmen 11:2 : Want ziet, de goddelozen spannen de boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van hart.
[^psalmen-64-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, onvoorziens; zo vers 8 . Psalmen 64:8 : Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
[^psalmen-64-5-7]: Kanttekening 7: Schromen of ontzien God noch mensen.
[^psalmen-64-7-8]: Kanttekening 8: Hebr. schalkheden, of onrechtvaardige, slimme, verkeerde trekken; dat is, zij bedenken met alle vlijt en scherpzinnigheid allerlei boze vonden, om hun goddeloos voornemen onder een schijn uit te voeren.
[^psalmen-64-7-9]: Kanttekening 9: ten uiterste: Hebr. zij voltooien een doorzochte doorzoeking, of, een onderzoek dat te onderzoeken is. Verg. Ps. 137:8 ; alles \[wil hij zeggen\] doorsnuffelen, beproeven en ondervinden zij, of het dus of zo best zou mogen gelukken. Anders: wij worden verteerd \[door hun\] doorzochte doorzoeking; \[dat is, arglistige praktijken\] zo diep is het binnenste van een man en het hart. Psalmen 137:8 : O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons misdaan hebt.
[^psalmen-64-8-10]: Kanttekening 10: hun plagen: Hij spreekt door de profetische Geest van het toekomende, alsof het al geschied en voor ogen ware.
[^psalmen-64-9-11]: Kanttekening 11: Waarmee zij zo gruwelijk en bitterlijk tegen God, mij en alle vromen gezondigd hebben; dat is, hun eigen woorden zullen hen vangen en verstrikken, ja zij zullen zichzelven onder elkaar met hun lasterlijke tongen verdriet aandoen en ten val brengen.
[^psalmen-64-9-12]: Kanttekening 12: zal hen: Hebr. zal hem; dat is, een ieder van hen, hen allemaal.
[^psalmen-64-9-13]: Kanttekening 13: een ieder: Anders, zij zullen omdolen, een ieder zal op hen zien, of aan hen zien; te weten, Gods rechtvaardig oordeel, gelijk Ps. 59:11 , enz. Psalmen 59:11 : De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.
[^psalmen-64-9-14]: Kanttekening 14: zich wegpakken: Die hun tevoren was toegedaan, zal dan met hen niet meer te doen willen hebben. Hebr. zullen wegzwerven, of wegvluchten, in het getal van velen, zo in het volgende vers 10 . Psalmen 64:10 : En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandig aanmerken.
[^psalmen-64-10-15]: Kanttekening 15: Dat is, vele personen van allerlei stand. Hebr. allen, of een ieder mens, zullen vrezen.
[^psalmen-64-11-16]: Kanttekening 16: Hebr. rechte, of richtige van hart. Zie Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.

### Psalmen 65

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/65.json)

*David looft God, eerst vanwege de geestelijke gaven die Hij over Zijn gemeente uitstort in Christus, in Wie, als Gods echte tempel, de gebeden verhoord, de zonden vergeven en alle genadegaven rijkelijk verleend worden. Daarna vanwege de tijdelijke zegen en de weldaden die Hij aan de mensen in het algemeen meedeelt, zowel in de regering van de wereld als in de overvloed van lichamelijke benodigdheden.*

**1** Een psalm van David, een[^psalmen-65-1-1] lied, voor de[^psalmen-65-1-2] opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v1)

**2** De lofzang is[^psalmen-65-2-3] in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal[^psalmen-65-2-4] de gelofte betaald worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v2)

**3** [^psalmen-65-3-5] U hoort het gebed; tot U zal[^psalmen-65-3-6] alle vlees komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v3)

**4** [^psalmen-65-4-7] Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die[^psalmen-65-4-8] verzoent U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v4)

**5** Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij woon in Uw[^psalmen-65-5-9] voorhoven; wij zullen[^psalmen-65-5-10] verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het[^psalmen-65-5-11] heilige van Uw paleis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v5)

**6** Vreselijke dingen zult U ons in gerechtigheid[^psalmen-65-6-12] antwoorden, o God van ons heil! o[^psalmen-65-6-13] Vertrouwen alle einden van de aarde, en van de verre gelegenen aan de zee! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v6)

**7** Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v7)

**8** Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen haar golven, en het rumoer van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v8)

**9** En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; U doet de[^psalmen-65-9-14] uitgangen 's morgens en 's avonds juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v9)

**10** U[^psalmen-65-10-15] bezoekt het land, en hebbende het[^psalmen-65-10-16] begerig gemaakt, verrijkt U het enorm; de[^psalmen-65-10-17] rivier van God is vol van water; wanneer U[^psalmen-65-10-18] het zo bereid hebt, maakt U[^psalmen-65-10-19] hun koren gereed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v10)

**11** U maakt zijn[^psalmen-65-11-20] opgeploegde aarde[^psalmen-65-11-21] dronken; U doet ze dalen in zijn voren; U maakt het[^psalmen-65-11-22] week door de[^psalmen-65-11-23] druppelen; U zegent zijn uitspruitsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v11)

**12** U[^psalmen-65-12-24] kroont het jaar van Uw[^psalmen-65-12-25] goedheid; en Uw[^psalmen-65-12-26] voetstappen[^psalmen-65-12-27] druipen van vettigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v12)

**13** Zij bedruipen de[^psalmen-65-13-28] weiden van de woestijn; en de heuvelen zijn[^psalmen-65-13-29] aangegord met verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v13)

**14** De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/65.html#v14)

[^psalmen-65-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-65-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-65-2-3]: Kanttekening 3: in stilheid : Of zwijgende, dat is, in uw kerk prijst men U, met stilheid en geduld verwachtende en waarnemende uw weldaden. Verg. Ps. 62:2 . Psalmen 62:2 : Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
[^psalmen-65-2-4]: Kanttekening 4: de gelofte: Te weten, van dankbaarheid, die men in de nood biddende U beloofd heeft. Zie in de volgende Ps. 66:13 , 66:14 , en boven Ps. 61:6 . Psalmen 66:13 : Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, Psalmen 66:14 : Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^psalmen-65-3-5]: Kanttekening 5: U hoort het gebed: Of, U die het gebed hoort, of o U hoorder van het gebed.
[^psalmen-65-3-6]: Kanttekening 6: alle vlees: Dat is, alle soorten van mensen. Verg. Gen. 6:12 ; Ps. 145:21 ; Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Aldus kan men dit nemen als een profetie van de bekering van de heidenen tot God. Anders, \[daarom\] komt alle vlees; dat is, plegen allerlei standen van mensen tot U te komen; te weten, omdat U zo genadig bent in het verhoren van de gebeden. Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Psalmen 145:21 : Thau. Mijn mond zal de prijs van YHWH uitspreken, en alle vlees zal Zijn heilige Naam loven in eeuwigheid en altijd. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^psalmen-65-4-7]: Kanttekening 7: Ongerechtige dingen: Hebr., דִּבְרֵי, woorden, of dingen, zaken van de ongerechtigheden waren geweldiger of machtiger dan ik. Dit kan men duiden op Sauls regering of Absaloms oproer, en verder nemen als een bekentenis van Gods volk, aangaande de zonden, die zij somtijds, in de geestelijke strijd onderliggende, bedreven hadden.
[^psalmen-65-4-8]: Kanttekening 8: verzoent U: Of, U bedekt ze genadiglijk; U vergeeft ze om de verzoening van de Messias. Verg. Dan. 9:24 , en Lev. 1:4 . Het Hebr. woord דִּבְרֵי, ziet op het verzoendeksel, dat op de ark van het verbond was, \[ Ex. 25:17 , 25:18 ,\] zijnde een voorbeeld van de verzoening van onze Heer Jezus Christus. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Leviticus 1:4 : En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. Exodus 25:17 : U zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal de lengte daarvan zijn, en anderhalve el de breedte daarvan. Exodus 25:18 : U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel.
[^psalmen-65-5-9]: Kanttekening 9: Zie 2 Kron. 33:5 ; Hebr. 12:22 , enz. en Ef. 2:19 . 2 Kronieken 33:5 : Daartoe bouwde hij altaren voor al de legermacht van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van YHWH. Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Efeziërs 2:19 : Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods;
[^psalmen-65-5-10]: Kanttekening 10: Zie boven, Ps. 63:6 , en Ps. 36:9 . Psalmen 63:6 : Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^psalmen-65-5-11]: Kanttekening 11: Of, heilige dingen, gelijk offeranden, enz. op de Messias ziende. Anders, heilige \[plaats\], heiligdom; in het volgende: paleis; dat is, tabernakel. Zie Ps. 5:8 . Psalmen 5:8 : Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze.
[^psalmen-65-6-12]: Kanttekening 12: Op onze gebeden antwoord gevende uit uw heiligdom, en teken van de hemel, tegen onze vijanden, tot verzekering van uw verhoring; zijnde beide zeer onzichtelijk, en overeenkomende met uw gerechtigheid. Zie Num. 7:89 ; Ps. 3:5 , en Ps. 18:7 , 18:8 , enz. Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem. Psalmen 3:5 : Ik riep met mijn stem tot YHWH, en Hij verhoorde mij van de berg van Zijn heiligheid. Sela. Psalmen 18:7 : Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
[^psalmen-65-6-13]: Kanttekening 13: Vertrouwen van alle einden van de aarde: Dit kan zo verstaan worden, dat alle mensen in de wereld hun onderhoud, bewaring en onderstand van God moeten hebben, als zij bestaan zullen. Verg. Ps. 104:27 , enz. Of men mag het nemen van het zaligmakend vertrouwen op God, ten aanzien van de beroeping van de heidenen tot het geloof in Christus . Zie Jes. 42:4 , 42:5 , 42:6 , enz. Psalmen 104:27 : Zij allen wachten op U, dat U hun hun voedsel geeft op zijn tijd. Jesaja 42:4 : Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jesaja 42:5 : Zo zegt God, YHWH, Die de hemel geschapen, en die uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die het volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest dengenen, die daarop wandelen: Jesaja 42:6 : Ik, YHWH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen.
[^psalmen-65-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, de mensen en wilde dieren, die 's morgens en 's avonds uitgaan. Zie Ps. 104:20 , 104:21 , enz. Anders, de uitkomsten, dat is, het is van U dat een vrolijke morgen en avond komt. Psalmen 104:20 : U beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte van het woud uittreedt: Psalmen 104:21 : De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken.
[^psalmen-65-10-15]: Kanttekening 15: Dat is, U doet wel bij het land, of de aarde, door uw milden zegen, gelijk volgt. Verg. Deut. 11:12 , en zie Gen. 21:1 . Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-65-10-16]: Kanttekening 16: Of, graag, dat is dorstig naar regen. Anders, U bent het welgenegen. Anderen zetten het over: U watert het, nemende het Hebr. woord van een anderen oorsprong.
[^psalmen-65-10-17]: Kanttekening 17: Zo noemt de profeet de regen van God, die Hij zendt om het land vruchtbaar te maken, of de wolken, waaruit Hij de regen afzendt. Sommigen nemen het woord Gods, als bijgevoegd tot uitdrukking van een overvloedigen regen, als bergen en cederen Gods, dat is, zeer grote hoogte. Verg. Deut. 11:10 , 11:11 . Deuteronomium 11:10 : Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof. Deuteronomium 11:11 : Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel;
[^psalmen-65-10-18]: Kanttekening 18: het zo: Te weten, het land.
[^psalmen-65-10-19]: Kanttekening 19: Te weten, van de mensen, waarvan zij zullen leven.
[^psalmen-65-11-20]: Kanttekening 20: Van het Hebr. woord, betekenende, naar veler gevoelen, de scherpe ruggen tussen twee voren opgeworpen en uitstekende; zie Job 31:38 . Job 31:38 : Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
[^psalmen-65-11-21]: Kanttekening 21: Dat is, U bewatert en begiet haar overvloedig met de regen.
[^psalmen-65-11-22]: Kanttekening 22: U maakt het week: Hebr. U smelt, of ontdoet het; te weten het land.
[^psalmen-65-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, druipende regen, of slagregen, dichte regen. Het Hebr. woord komt van menigte, of grootheid van de droppelen.
[^psalmen-65-12-24]: Kanttekening 24: Elk deel van het jaar versierende met bijzondere zegeningen.
[^psalmen-65-12-25]: Kanttekening 25: Dat is, uw goed jaar, dat van uw goede daden overvloeit; als berg van uw heiligheid en dergelijke.
[^psalmen-65-12-26]: Kanttekening 26: Hebr., wagensporen; dat is, voetpaden. Alsof hij zei: Overal waar U henenvaart of passeert, laat U uw zegen achter. Verg. Joël 2:14 . Of, uw sporen; dat is uw wolken, waarop U vaart als op een wagen; Ps. 104 . Zie ook Job 36:28 , en 38:26 , 38:27 . Joël 2:14 : Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God. Job 36:28 : Welke de wolken uitgieten, en over de mens overvloediglijk afdruipen. Job 38:26 : Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; Job 38:27 : Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien.
[^psalmen-65-12-27]: Kanttekening 27: druipen van vettigheid: Of, druppen vettigheid.
[^psalmen-65-13-28]: Kanttekening 28: weiden van de woestijn: Gelijk Ps. 23:2 . Anders, de hutten van de woestijn druipen. Psalmen 23:2 : Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
[^psalmen-65-13-29]: Kanttekening 29: Groenende en versiert zijnde met gras door de regen, waardoor zij, als vrolijk, de mensen toelachen; zie Job 8:18 . Job 8:18 : Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.

### Psalmen 66

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/66.json)

*De profeet vermaant iedereen tot Gods lof, over Zijn wonderbare werken, in het bijzonder over de verlossingen van Zijn Kerk uit allerlei nood, waarmee Hij haar beproeft; daarbij stelt hij, als een voorbeeld van recht bidden en danken, zijn eigen voorbeeld en ondervinding voor.*

**1** Een[^psalmen-66-1-1] lied, een psalm, voor de[^psalmen-66-1-2] opperzangmeester. Juich voor God, u gehele[^psalmen-66-1-3] aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v1)

**2** Psalmzing de eer van Zijn Naam;[^psalmen-66-2-4] geef eer Zijn lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v2)

**3** Zeg tot God: Hoe vreselijk bent U in Uw werken! Om de[^psalmen-66-3-5] grootheid van Uw sterkte zullen zich Uw vijanden geveinst aan U[^psalmen-66-3-6] onderwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v3)

**4** De[^psalmen-66-4-7] hele aarde[^psalmen-66-4-8] aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam.[^psalmen-66-4-9] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v4)

**5** Kom en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v5)

**6** [^psalmen-66-6-a] Hij heeft de[^psalmen-66-6-10] zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de[^psalmen-66-6-11][^psalmen-66-6-b] rivier; daar hebben[^psalmen-66-6-12] wij ons in Hem verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v6)

**7** Hij heerst eeuwig met Zijn macht;[^psalmen-66-7-c] Zijn ogen houden[^psalmen-66-7-13] wacht over de heidenen; laat de afvalligen[^psalmen-66-7-14] niet verhoogd worden. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v7)

**8** [^psalmen-66-8-15] Loof, u volken! onze God; en laat horen de stem van Zijn roem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v8)

**9** Die onze[^psalmen-66-9-16] zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat[^psalmen-66-9-17] onze voet wankele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v9)

**10** Want U hebt ons[^psalmen-66-10-18] beproefd, o God! U hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v10)

**11** U had ons in[^psalmen-66-11-19] het net gebracht; U had een[^psalmen-66-11-20] strakke band om onze middel gelegd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v11)

**12** U had de mens op ons[^psalmen-66-12-21] hoofd doen rijden; wij waren in[^psalmen-66-12-22] het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een[^psalmen-66-12-23] overvloeiende verversing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v12)

**13** Ik zal met brandoffers in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v13)

**14** Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v14)

**15** Brandofferen van[^psalmen-66-15-24] vetgemeste dieren zal ik U offeren, met[^psalmen-66-15-25] rookwerk van rammen; ik zal[^psalmen-66-15-26] runderen met bokken[^psalmen-66-15-27] bereiden. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v15)

**16** Kom, hoor toe, o allen u, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v16)

**17** Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd[^psalmen-66-17-28] onder mijn tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v17)

**18** Had ik[^psalmen-66-18-29] naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou[^psalmen-66-18-30] niet gehoord hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v18)

**19** Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem van mijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v19)

**20** [^psalmen-66-20-31] Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/66.html#v20)

[^psalmen-66-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-66-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-66-1-3]: Kanttekening 3: gehele aarde: Dat is, alle inwoners van de aarde, waarom ook het woord juicht in het getal van velen in het Hebr. gesteld is; zo vers 4 , en Ps. 98:4 , en Ps. 110:1 , en elders dikwijls. Psalmen 66:4 : De gehele aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela. Psalmen 98:4 : Juicht YHWH, u gehele aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt. Psalmen 110:1 : Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten.
[^psalmen-66-2-4]: Kanttekening 4: Hebr. stelt; gelijk Joz. 7:19 , geeft \[Hebr. stelt \] YHWH de eer. Dit kan men aldus verstaan: geeft \[Hem\] eer \[door\] zijn lof, of te weten zijn lof. Of, maakt zijn lof heerlijk, dat is, prijst Hem op het hoogste. Of, stelt houdt het voor de grootste eer dat u God looft, laat al uw lof daartoe strekken. Jozua 7:19 : Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
[^psalmen-66-3-5]: Kanttekening 5: Of, veelheid.
[^psalmen-66-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. liegen, veinzen, huichelen, gelijk Deut. 33:29 , en 2 Sam. 22:45 , zie daar. Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! 2 Samuël 22:45 : Vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
[^psalmen-66-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, inwoners van de gehele aarde, gelijk vers 1 . Psalmen 66:1 : Een lied, een psalm, voor de opperzangmeester. Juicht voor God, u gehele aarde!
[^psalmen-66-4-8]: Kanttekening 8: Hebr. eigenlijk, buige zich voor U. Zie Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^psalmen-66-4-9]: Kanttekening 9: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-66-6-a]: Verwijzing a: Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^psalmen-66-6-10]: Kanttekening 10: Dat deel van de Schelfzee of de Rode zee, waar de kinderen van Israël droogvoets doorgingen; Ex. 14 .
[^psalmen-66-6-11]: Kanttekening 11: De Jordaan, gelijk Israël eerst door Jozua in het beloofde land gebracht werd; Joz. 3 .
[^psalmen-66-6-b]: Verwijzing b: Joz. 3:14 . Jozua 3:14 : En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark van het verbond voor het aangezicht van het volk.
[^psalmen-66-6-12]: Kanttekening 12: wij ons: Zij eigenen zichzelven toe wat hun voorvaders geschied was, volgens de leer, Rom. 15:4 . Verg. Hos. 12:5 . Romeinen 15:4 : Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop hebben zouden. Hosea 12:5 : Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overweldigde Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-el vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons;
[^psalmen-66-7-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 16:9 ; Job 28:24 ; Ps. 33:13 . 2 Kronieken 16:9 : Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. Job 28:24 : Want Hij schouwt tot aan de einden van de aarde, Hij ziet onder al de hemel. Psalmen 33:13 : YHWH schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen.
[^psalmen-66-7-13]: Kanttekening 13: Gelijk een wachter, die van een hogen toren de wacht houdt en op alles naarstig toeziet.
[^psalmen-66-7-14]: Kanttekening 14: niet verhoogd: Of, de affalligen, of wederstrevigen, zullen niet verhoogd worden voor zichzelven, of, zullen zichzelven niet verheffen; dat is, ofschoon zij zich tegen God stellen en onder Hem niet willen buigen, zo zullen zij toch voor Hem en tegen Hem niet staande blijven tot hun voordeel en tot nadeel van de vromen.
[^psalmen-66-8-15]: Kanttekening 15: Hebr. zegent.
[^psalmen-66-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, die ons gelijk als in het leven wederbrengt, daar wij als dood waren. Verg. Ps. 30:4 . Psalmen 30:4 : YHWH! U hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; U hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald.
[^psalmen-66-9-17]: Kanttekening 17: onze voet wankele: Hebr., רַגְלֵֽ, eigenlijk, onze voet overgeeft tot wankelen, of wankeling. Zie Ps. 15:5 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
[^psalmen-66-10-18]: Kanttekening 18: Door zwaar lijden. Verg. Jes. 48:10 ; Ez. 22:19 , 22:20 , 22:21 , 22:22 ; Zach. 13:9 ; Mal. 3:3 ; 1 Petr. 1:6 , 1:7 . Jesaja 48:10 : Ziet, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. Ezechiël 22:19 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u allen tot schuim geworden bent, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen. Ezechiël 22:20 : Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; zo zal Ik u vergaderen in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid daar laten, en smelten. Ezechiël 22:21 : Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur van Mijn toorn, dat u in het midden van haar zult gesmolten worden. Ezechiël 22:22 : Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, zo zult u in het midden van haar gesmolten worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb. Zacharia 13:9 : En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: YHWH is mijn God. Maleachi 3:3 : En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij YHWH spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. 1 Petrus 1:6 : In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 1 Petrus 1:7 : Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^psalmen-66-11-19]: Kanttekening 19: in het net gebracht: Met verdriet verstrikt; een gelijkenis van jagers en vissers, dikwijls gebruikt in de Schriftuur.
[^psalmen-66-11-20]: Kanttekening 20: Bedrang en dwang onzer vijanden.
[^psalmen-66-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, ons behandeld als slaven en beesten, die men berijdt en als met voeten treedt. Of, als een algemene weg, waarover elk gaat en rijdt. Verg. Jes. 51:23 . Jesaja 51:23 : Maar Ik zal hem die, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en u legde uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.
[^psalmen-66-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, allerlei groot kruis, waarin geen uitkomst scheen te zijn. Verg. Jes. 43:2 ; Ez. 15:6 , 15:7 , en zie 2 Sam. 22:17 , en Job 15:34 . Jesaja 43:2 : Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Ezechiël 15:6 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Gelijk als het hout van de wijnstok is onder het hout van het woud, dat Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. Ezechiël 15:7 : Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben. 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. Job 15:34 : Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken.
[^psalmen-66-12-23]: Kanttekening 23: Of, in een plaats, die overvloediglijk ververst. Hetzelfde Hebr. woord staat ook in Ps. 23:5 . Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
[^psalmen-66-15-24]: Kanttekening 24: Hebr. eigenlijk alsof men zei, mergachtig; dat is, die vol merg zijn.
[^psalmen-66-15-25]: Kanttekening 25: Dat is, het vette van rammen of hamels, dat men aanstak om te roken. Zie Lev. 3:9 , 3:10 , 3:11 ; verg. Lev. 1:10 , 1:11 , 1:12 , 1:13 . Leviticus 3:9 : Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor YHWH offeren; zijn vet, de hele staart, die hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is; Leviticus 3:10 : Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. Leviticus 3:11 : En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Leviticus 1:10 : En als zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. Leviticus 1:11 : En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen. Leviticus 1:12 : Daarna zal hij het in zijn stukken delen, en ook zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is. Leviticus 1:13 : Maar het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^psalmen-66-15-26]: Kanttekening 26: Hebr., בָקָר, rund.
[^psalmen-66-15-27]: Kanttekening 27: Een offer, gelijk dikwijls in de boeken van Mozes.
[^psalmen-66-17-28]: Kanttekening 28: onder mijn tong: Dat is, \[gelijk sommigen verstaan\] in mijn hart, in mijn binnenste gedeelte. Want de goddelozen hebben Gods lof wel op de tong, maar dieper gaat hij niet. Anderen nemen het in deze zin: mijn mond zal vol zijn van zijn lof. Verg. Ps. 10:7 . Psalmen 10:7 : Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
[^psalmen-66-18-29]: Kanttekening 29: naar ongerechtigheid: Dat is, mij tot de dienst van ongerechtigheid overgegeven. Verg. Job 31:26 ; Hab. 1:13 . Anders, had ik ongerechtigheid in mijn hart gezien; dat is, voorgenomen. Job 31:26 : Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; Habakuk 1:13 : U bent te rein van ogen, dan dat U het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt U niet aanschouwen; waarom zoudt U aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zoudt U zwijgen, als de goddeloze die verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
[^psalmen-66-18-30]: Kanttekening 30: niet gehoord hebben: Want Hij hoort geen zondaars noch huichelaars, Job 27:8 , 27:9 ; Spr. 15:29 , enz., Joh. 9:31 . Job 27:8 : Want wat is de verwachting van de huichelaar, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? Job 27:9 : Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Spreuken 15:29 : YHWH is ver van de goddelozen; maar het gebed van de rechtvaardigen zal Hij verhoren. Johannes 9:31 : En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^psalmen-66-20-31]: Kanttekening 31: Hebr., בָּרוּךְ, gezegend.

### Psalmen 67

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/67.json)

*De gemeente bidt met vertrouwen dat Gods rijk in Christus onder de heidenen uitgebreid en met alle geestelijke en lichamelijke zegen begenadigd mag worden.*

**1** Een[^psalmen-67-1-1] psalm, een lied, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v1)

**2** God zij ons genadig en zegene ons;[^psalmen-67-2-a] Hij[^psalmen-67-2-2] doe Zijn aangezicht[^psalmen-67-2-3] aan ons lichten.[^psalmen-67-2-4] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v2)

**3** Opdat men op de aarde Uw[^psalmen-67-3-5][^psalmen-67-3-6] weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v3)

**4** De volken zullen U, o God! loven; de volken, allemaal, zullen U loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v4)

**5** De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat U de volken zult richten in oprechtheid; en de natiën op de aarde die zult U leiden. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v5)

**6** De volken zullen U, o God! loven; de volken, allemaal, zullen U loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v6)

**7** De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v7)

**8** God zal ons zegenen; en alle einden van de aarde zullen Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/67.html#v8)

[^psalmen-67-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 , en Ps. 48:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-67-2-a]: Verwijzing a: Num. 6:25 ; Ps. 4:7 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH!
[^psalmen-67-2-2]: Kanttekening 2: doe Zijn: Zie Num. 6:25 , 6:26 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
[^psalmen-67-2-3]: Kanttekening 3: aan ons: Of, bij, tot ons.
[^psalmen-67-2-4]: Kanttekening 4: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-67-3-5]: Kanttekening 5: De profeet spreekt nu God aan in de tweede persoon, van wie hij tevoren in de derde persoon gesproken had.
[^psalmen-67-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, \[gelijk door het volgende woord, heil, verklaard wordt\] hoe wonderbaarlijk en genadiglijk U uw volk behoudt, zo lichamelijk als geestelijk, en bijzonderlijk uw heil openbaart in het Evangelie, dat ook de weg van de Heer en van God genoemd wordt; Hand. 18:25 , 18:26 , enz. Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes. Handelingen 18:26 : En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit.

### Psalmen 68

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/68.json)

*Bij het opbrengen van de ark van het verbond naar Sion vermaant David dat men God love over Zijn wonderbare liefde en kracht, waardoor Hij Zijn volk uit Egypte verlost, door de woestijn geleid, in Kanaän gevoerd en geplant, hun vijanden verslagen, en Sion tot Zijn en Zijn arks woonplaats verkozen heeft. Onder welke dingen hij zich in de geest verheugt over onze Heere Jezus Christus, in het bijzonder over Zijn opstanding en hemelvaart, alzok de heilzame gaven en weldaden die de Kerk van Joden en heidenen daarvan geniet, zowel op aarde als in het hemelse Kanaän, om God eeuwig te prijzen.*

**1** Een[^psalmen-68-1-1] psalm, een lied van David, voor de opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v1)

**2** [^psalmen-68-2-2][^psalmen-68-2-a] God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn vijanden zullen van Zijn aangezicht vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v2)

**3** U zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v3)

**4** Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v4)

**5** Zing voor God, psalmzing Zijn Naam;[^psalmen-68-5-3] hoog de wegen voor Die, Die in de[^psalmen-68-5-4] vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is[^psalmen-68-5-5] YHWH; en spring op van vreugde voor[^psalmen-68-5-6] Zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v5)

**6** Hij is een Vader van de wezen, en een[^psalmen-68-6-7] Rechter van de weduwen; God, in de[^psalmen-68-6-8] woonstede van Zijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v6)

**7** Een God, Die de[^psalmen-68-7-9] eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien[^psalmen-68-7-10] gevangen zijn; maar de[^psalmen-68-7-11] afvalligen wonen in het[^psalmen-68-7-12] dorre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v7)

**8** O God! toen U voor het aangezicht van Uw volk uittrokt, toen U daarheen tradt in de woestijn;[^psalmen-68-8-13] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v8)

**9** [^psalmen-68-9-b] Daverde de aarde, ook[^psalmen-68-9-14] dropen de hemelen voor Gods aangezicht;[^psalmen-68-9-15] zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v9)

**10** U hebt[^psalmen-68-10-16] zeer milden regen doen[^psalmen-68-10-17] druipen, o God! en U hebt Uw[^psalmen-68-10-18] erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v10)

**11** Uw[^psalmen-68-11-19] hoop woonde daarin; U bereidde[^psalmen-68-11-20] ze[^psalmen-68-11-21] door Uw goedheid voor de[^psalmen-68-11-22] ellendige, o God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v11)

**12** YHWH gaf[^psalmen-68-12-23] te spreken; van[^psalmen-68-12-24] de boodschappers van goede tijdingen was een grote legermacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v12)

**13** De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij[^psalmen-68-13-25] vluchtten weg; en[^psalmen-68-13-26] zij, die te huis bleef, deelde de roof uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v13)

**14** Al laagt[^psalmen-68-14-27] u tussen[^psalmen-68-14-28] twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugels van een duif, overdekt met zilver, en waarvan de veren zijn met uitgegraven geluwen goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v14)

**15** Als de Almachtige de koningen[^psalmen-68-15-29] daarin[^psalmen-68-15-30] verstrooide, werd[^psalmen-68-15-31] zij sneeuwwit als op[^psalmen-68-15-32] Zalmon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v15)

**16** De berg Basan is een berg[^psalmen-68-16-33] van God; de berg Basan is een[^psalmen-68-16-34] bultige berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v16)

**17** Waarom[^psalmen-68-17-35] springt u op, u bultige bergen?[^psalmen-68-17-c] Deze[^psalmen-68-17-36] berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er YHWH wonen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v17)

**18** Gods[^psalmen-68-18-37] wagens zijn[^psalmen-68-18-38] tweemaal tien duizend, de duizenden[^psalmen-68-18-39] verdubbeld. De Heere is onder hen, een[^psalmen-68-18-40] Sinaï in heiligheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v18)

**19** [^psalmen-68-19-41][^psalmen-68-19-d] U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de[^psalmen-68-19-42] gevangenis als gevangene gevoerd; U hebt gaven genomen[^psalmen-68-19-43] om uit te delen onder de mensen; ja, ook de[^psalmen-68-19-44] opstandigen[^psalmen-68-19-45] om bij U te wonen, o YHWH God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v19)

**20** [^psalmen-68-20-46] Geloofd zij de Heere;[^psalmen-68-20-47] dag bij dag[^psalmen-68-20-48] overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v20)

**21** Die God is ons een God van[^psalmen-68-21-49] volkomen Zaligheid; en bij YHWH, de Heere, zijn[^psalmen-68-21-50] uitkomsten[^psalmen-68-21-51] tegen de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v21)

**22** Voorzeker zal God de kop van Zijn vijanden[^psalmen-68-22-52] verslaan, de[^psalmen-68-22-53] harigen schedel van degene, die in zijn[^psalmen-68-22-54] schulden wandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v22)

**23** De Heere heeft gezegd:[^psalmen-68-23-55] Ik zal teruggeven uit[^psalmen-68-23-e] Basan; Ik zal teruggeven uit de[^psalmen-68-23-f] diepten van de zee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v23)

**24** Opdat u uw voet, ja, de tong van uw honden, mag steken in het bloed[^psalmen-68-24-56] van de vijanden, van ieder van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v24)

**25** O God![^psalmen-68-25-57] zij hebben Uw gangen gezien, de gangen van mijn God, van mijn Koning, in het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v25)

**26** De[^psalmen-68-26-58] zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de[^psalmen-68-26-59] trommelende maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v26)

**27** Loof God in de gemeenten, de Heere, u, die bent uit de[^psalmen-68-27-60] springader van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v27)

**28** [^psalmen-68-28-61] Daar is Benjamin de[^psalmen-68-28-62] kleine, die over hen[^psalmen-68-28-63] heerste, de vorsten van Juda, met[^psalmen-68-28-64] hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v28)

**29** Uw God heeft uw sterkte[^psalmen-68-29-65] geboden; sterk, o God, wat U[^psalmen-68-29-66] aan ons gewerkt hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v29)

**30** Vanwege Uw[^psalmen-68-30-67] tempel te Jeruzalem,[^psalmen-68-30-68] zullen U de koningen[^psalmen-68-30-g] geschenk toebrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v30)

**31** [^psalmen-68-31-69] Bestraf het[^psalmen-68-31-70] wild gedierte van[^psalmen-68-31-71] het riet, de vergadering[^psalmen-68-31-72] van de stieren met de[^psalmen-68-31-73] kalveren van de volken; en die, die[^psalmen-68-31-74] zich onderwerpt met stukken zilver;[^psalmen-68-31-75] Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v31)

**32** [^psalmen-68-32-76] Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte;[^psalmen-68-32-77] Morenland zal zich[^psalmen-68-32-78] haasten zijn handen tot God uit te strekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v32)

**33** U koninkrijken van de aarde, zingt voor God; psalmzing de Heere! Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v33)

**34** Die, Die daar rijdt in de hemel van de hemelen,[^psalmen-68-34-79] Die van ouds is; zie, Hij geeft Zijn[^psalmen-68-34-80] stem, een stem van de sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v34)

**35** Geef voor God[^psalmen-68-35-81] sterkte! Zijn[^psalmen-68-35-82] hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de[^psalmen-68-35-83] bovenste wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v35)

**36** O God! U bent vreselijk uit Uw[^psalmen-68-36-84] heiligdommen; de God van Israël, Die geeft de[^psalmen-68-36-85] volk sterkte en krachten.[^psalmen-68-36-86] Geloofd zij God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/68.html#v36)

[^psalmen-68-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen, de opzichter over de kerkzang, die dit lied moest uitvoeren.
[^psalmen-68-2-2]: Kanttekening 2: Zoals door Mozes geprofeteerd is, Num. 10:35. De betekenis van deze woorden is: als God opstaat, so worden, etc. diergelijke t’samenvoeging van twee leden, en verwisseling van tijden, wordt in die sin dikwijls gebruikt, insonderheid in het boek Iobs en van de Psalmen, and. Dat God opstae, etc. of, Laat God opstaan, biddende en wenschender wijze, en so in’t volg. De betekenis is, als God zich (om zo te spreken) maar begint te reppen so ist met al het woeden van de vijanden gedaan. De Profeet neemt deze woorden uit Num. 10:35. waar uit, als ook uit versen 25, 26. afgenomen wordt, dat deze Psalm van David gemaakt zy over het opbrengen van de Arke in Zion 2 Sam. 6. of, de victorien, die op Gods antwoorde en belofte, (bij de Arke gegeven) verkregen zijn, zie 2 Sam. 5:19, etc. en 8:1, etc. en voornemelijk op de victorieuse verrijsenis en hemelvaart onses Heer Christus (wiens voorbeelden dit waren) over alle zijn en onze geestelijke vijanden, als te zien, Ef. 4. versen 8, 9, 10.
[^psalmen-68-2-a]: Verwijzing a: Num. 10:35.
[^psalmen-68-5-3]: Kanttekening 3: Dit duiden sommige op het leiden van Israël door de woestijn na Canaan, en verder op het geestelijke, waar van Jes. 40:3. anders, verhoocht die, die etc. het Hebreeuwse woord wordt dikwijls en eigenlijk gebruikt, van ophoogen van de wegen en straten, maar verder ook van hoochlijk roemen, met lof verheffen. Spr. 4:8. eveneens, zich verheffen. Ex. 9:17.
[^psalmen-68-5-4]: Kanttekening 4: Sommige verstaan hier (uit vergelijcking van hieronder, vers 34.) de derde Hemel, zo ook genoemd van wegen de grote ruimte, en volkomen lieflickheid. Vergelijckt Job 22:14. en Ps. 16:11.
[^psalmen-68-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: Iah. dat zo veel is als Iehova, zijnde daar van afgekort. Vergelijk 2 Sam. 6:2. en zie Gen. 3. op vers 4. en Ps. 89. op vers 8.
[^psalmen-68-5-6]: Kanttekening 6: Namelijk Gods, die zijn aanwezigheid boven de Arke openbaart.
[^psalmen-68-6-7]: Kanttekening 7: Die haar recht uitvoert, en ’t ongelijk, haar aangedaan, wreekt.
[^psalmen-68-6-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: zijn heilige woning.
[^psalmen-68-7-9]: Kanttekening 9: Vergelijk Ps. 113. vers 9.
[^psalmen-68-7-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: gebonden. Vergelijk Ps. 107:10. en 146:7. Anders: die de gebondene uitvoert in goede gelegenheid, of, geluckelijk, voorspoedelijk. of, ter rechter tijt.
[^psalmen-68-7-11]: Kanttekening 11: Ofte, wederhoorige, wederstrevende, rebelle.
[^psalmen-68-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: in elende, en gebrek: het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk blank, glat, en verder, dorre plaatsen, die blank, glat, en kaal zijn. Dat wil zeggen: onvruchtbaar. Vergelijk Neh. 4. op vers 13.
[^psalmen-68-8-13]: Kanttekening 13: Zie Ps. 3. op vers 3.
[^psalmen-68-9-b]: Verwijzing b: Exodus 19.
[^psalmen-68-9-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen, zij vloeiden als tot water weg, van ontzag, angst en vrees voor uw aanwezigheid, toen u uw volk Israël door de woestijn leidde naar Kanaän.
[^psalmen-68-9-15]: Kanttekening 15: Als met de vinger op deze berg wijzend. Vergelijk Deuteronomium 33:2; Richteren 5:4,5; Jesaja 64:1,2.
[^psalmen-68-10-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, גֶּשֶׁם: regen van vrijgevige gaven.
[^psalmen-68-10-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen, besprenkeld, als wanneer iemand iets met water besprenkelt.
[^psalmen-68-10-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen, het land Kanaän. U hebt het verzorgd als uw eigendom, het verfrist door regen toen het van droogte als moe en uitgeput was. Vergelijk Deuteronomium 11:11,12.
[^psalmen-68-11-19]: Kanttekening 19: Of: gezelschap, groep. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk levend, en ook een groep mensen. Vergelijk 2 Samuël 23:13 en Psalm 74:19.
[^psalmen-68-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk uw erfdeel. Of: bereidde alles; of: u bracht de ellendigen in orde.
[^psalmen-68-11-21]: Kanttekening 21: Of: met uw goed.
[^psalmen-68-11-22]: Kanttekening 22: Namelijk uw volk Israël, dat in Egypte veel had geleden en dat alle vijanden naar het leven stonden.
[^psalmen-68-12-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, יִתֶּן: gaf rede, spraak. Dat wil zeggen, stof om te spreken, namelijk van overwinningen.
[^psalmen-68-12-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: boodschapsteren. Dit slaat op de boodschappers van de overwinningen in het Oude Testament, en op de apostelen en evangelisten in het Nieuwe Testament. Zie Jesaja 40:9.
[^psalmen-68-13-25]: Kanttekening 25: Of: vluchten weg, als woorden van de boodschappers.
[^psalmen-68-13-26]: Kanttekening 26: De vrouwen, die niet in de strijd gaan maar het huis bewaken; of: de overwinning was zo groot dat zelfs de vrouwen meededen om de buit te verdelen. Vergelijk 2 Samuël 1:24.
[^psalmen-68-14-27]: Kanttekening 27: De psalmist spreekt hier Gods volk aan. Sommigen duiden dit op de vijanden.
[^psalmen-68-14-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen, vuurstenen in de legerplaatsen. Betekenis: al was u tot de uiterste slavernij verlaagd, toch zal God u doen schitteren als een prachtige vliegende duif die van zilver en goud glanst.
[^psalmen-68-15-29]: Kanttekening 29: Namelijk in zijn erfdeel, Kanaän. Vergelijk vers 10 en 11.
[^psalmen-68-15-30]: Kanttekening 30: Of: zal verstrooien. Hebreeuws: uitbreidde, dat wil zeggen verstrooide, verdreef. Vergelijk Zacharia 2:6.
[^psalmen-68-15-31]: Kanttekening 31: Namelijk Gods erfdeel; of: het werd sneeuwwit.
[^psalmen-68-15-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen, in het midden van het land, waar deze berg bij Sichem gelegen was. Zie Richteren 9:48.
[^psalmen-68-16-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen, zeer hoog, ook vet en vruchtbaar. Zie Genesis 13:10 en Psalm 36:7. Over Basan zie Deuteronomium 32:14 en Psalm 22:13.
[^psalmen-68-16-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, הַר: een berg van de bulten, dat wil zeggen met vele mooie heuvels en hoogten.
[^psalmen-68-17-35]: Kanttekening 35: Als triomferend en u verheffend boven deze berg Sion. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^psalmen-68-17-c]: Verwijzing c: Psalm 87:1 en 132:13.
[^psalmen-68-17-36]: Kanttekening 36: Namelijk Sion. Zij alleen is vereerd met Gods genadige aanwezigheid en eeuwige inwoning. Vergelijk Psalm 132:13,14 en Openbaring 14:1.
[^psalmen-68-18-37]: Kanttekening 37: Of: ruiterij. Dit zijn de engelenscharen, gereed tot Gods dienst. Zie 2 Koningen 6:15,17.
[^psalmen-68-18-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: twee miljoenen. Dat wil zeggen, zeer vele, ontelbare duizenden. Zie Genesis 31:41.
[^psalmen-68-18-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws: verdubbeling. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^psalmen-68-18-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen, de heerlijkheid en heiligheid van God is er zodanig als zij zich vroeger op de berg Sinaï heeft geopenbaard.
[^psalmen-68-19-41]: Kanttekening 41: God is grootlijk verhoogd door de overwinningen in Kanaän, maar dit ziet eigenlijk op de overwinning van onze Heer Jezus Christus. Vergelijk Efeziërs 4:8.
[^psalmen-68-19-d]: Verwijzing d: Efeziërs 4:8.
[^psalmen-68-19-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen, gevangenen. Zie Numeri 31:12.
[^psalmen-68-19-43]: Kanttekening 43: Of: om te geven. De apostel citeert dit in Efeziërs 4:8.
[^psalmen-68-19-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen, ongelovigen, die u onder uw gehoorzaamheid hebt gevangen genomen. Vergelijk 2 Korintiërs 10:5.
[^psalmen-68-19-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen, opdat zij in uw kerk zouden wonen. Dit duidt op de vereniging van Joden en heidenen door het geloof in Christus.
[^psalmen-68-20-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, בָּרוּךְ: gezegend.
[^psalmen-68-20-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, יוֹם: dag dag.
[^psalmen-68-20-48]: Kanttekening 48: Namelijk met gaven, uit vers 19.
[^psalmen-68-21-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: van de reddingen.
[^psalmen-68-21-50]: Kanttekening 50: Vergelijk 1 Korintiërs 10:13.
[^psalmen-68-21-51]: Kanttekening 51: Of: in de dood, dat wil zeggen, midden in de dood.
[^psalmen-68-22-52]: Kanttekening 52: Of: doorboren, doorsteken.
[^psalmen-68-22-53]: Kanttekening 53: Of: de haartop. Dat wil zeggen, degene die er zo trots en schrikwekkend uitziet als een rover. Vergelijk Job 5:5.
[^psalmen-68-22-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen, die zo onbekommerd in zijn boosheid voortgaat en zo de schuld van zijn zonden opstapelt.
[^psalmen-68-23-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen, ik zal mijn volk uit alle noden van hun vijanden verlossen, zoals ik vroeger hun voorouders verloste van Og, de koning van Basan, en van de Egyptenaren in de Rode Zee. Numeri 21; Exodus 14.
[^psalmen-68-23-e]: Verwijzing e: Numeri 21:33.
[^psalmen-68-23-f]: Verwijzing f: Exodus 14:24.
[^psalmen-68-24-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen, uit de verslagen vijanden, ja uit een ieder van hen. Vergelijk Psalm 58:11.
[^psalmen-68-25-57]: Kanttekening 57: Uw volk zag dit. Dit schijnt te slaan op het inbrengen van de ark in Sion. Zie 2 Samuël 6:13.
[^psalmen-68-26-58]: Kanttekening 58: Vergelijk 2 Samuël 6:5 en 1 Kronieken 13:8.
[^psalmen-68-26-59]: Kanttekening 59: Zoals men in die tijd gewend was te doen wanneer men vreugde bedreef en triomf hield. Zie Exodus 15:20.
[^psalmen-68-27-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen, die uw oorsprong hebt uit Jakob, zoals een rivier uit een bron. Vergelijk Deuteronomium 33:28 en Jesaja 48:1.
[^psalmen-68-28-61]: Kanttekening 61: Namelijk in de gemeenten zijn alle stammen aanwezig, zowel de ver gelegen als de naaste.
[^psalmen-68-28-62]: Kanttekening 62: Omdat deze stam van de jongste broer was gesproten en sterk verminderd door de slag voor Gibeä. Richteren 20.
[^psalmen-68-28-63]: Kanttekening 63: Omdat de eerste koning Saul uit die stam was gesproten.
[^psalmen-68-28-64]: Kanttekening 64: Dit Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden. Het slaat op de menigte of vergadering van oversten die de vastheid van de gemeente zijn. Zie Genesis 49:24.
[^psalmen-68-29-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen, voor u besloten, verordend en u toegeschikt. Zie Leviticus 25:21 en Psalm 42:9.
[^psalmen-68-29-66]: Kanttekening 66: Of: voor ons, in ons.
[^psalmen-68-30-67]: Kanttekening 67: Als die door mijn zoon zal worden gebouwd: David wilde de tempel bouwen, maar werd door God via Nathan bericht dat Salomo die zou bouwen. 2 Samuël 7.
[^psalmen-68-30-68]: Kanttekening 68: Of: laat de koningen u geschenken brengen. Dit is vervuld ten tijde van Salomo en Hizkia, en geestelijk in het Nieuwe Testament. Vergelijk 1 Koningen 10:10; Jesaja 49:22,23 en Psalm 72:10.
[^psalmen-68-30-g]: Verwijzing g: 1 Koningen 10:11,24,25; 2 Kronieken 32:25; Psalm 72:10 en 76:12.
[^psalmen-68-31-69]: Kanttekening 69: Over Gods bestraffen zie Psalm 9:6.
[^psalmen-68-31-70]: Kanttekening 70: Hiermee kan men in het algemeen verstaan de vijanden van Gods volk, die de Schrift vergelijkt met wilde dieren. Vergelijk Jesaja 19:6.
[^psalmen-68-31-71]: Kanttekening 71: Dat aan het riet woont of daarin verblijft.
[^psalmen-68-31-72]: Kanttekening 72: Der wilde krijgsoversten of trotse regenten. Zie Psalm 22:13.
[^psalmen-68-31-73]: Kanttekening 73: De gewone krijgslieden of weelderige onderdanen van de goddeloze regenten.
[^psalmen-68-31-74]: Kanttekening 74: Hebreeuws: zich neerwerpt om als met voeten getreden te worden. Dat zijn de huichelaars. Vergelijk Deuteronomium 33:29.
[^psalmen-68-31-75]: Kanttekening 75: Dit spreekt de psalmist tot Gods volk, met vertrouwen dat God dit gebed zal verhoren.
[^psalmen-68-32-76]: Kanttekening 76: Het Hebreeuwse woord wordt alleen in deze psalm gevonden. Zie verder op vers 30.
[^psalmen-68-32-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen, de Moren. Hebreeuws: Kus. Zie Genesis 2:13.
[^psalmen-68-32-78]: Kanttekening 78: Hebreeuws, יָדָי: zal zijn handen doen lopen naar God.
[^psalmen-68-34-79]: Kanttekening 79: Hebreeuws, שְׁמֵי: in de hemel der hemelen van de oudheid. Dat wil zeggen, de hoogste hemel. Zie 1 Koningen 8:27.
[^psalmen-68-34-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen, de donder, waardoor hij zijn goddelijke kracht openbaart. Zie Psalm 29:3.
[^psalmen-68-35-81]: Kanttekening 81: Zie Psalm 8:3 en 29:1.
[^psalmen-68-35-82]: Kanttekening 82: Als Deuteronomium 33:26.
[^psalmen-68-35-83]: Kanttekening 83: Of: hemelen, zo genoemd vanwege hun zeer dun en ijl wezen.
[^psalmen-68-36-84]: Kanttekening 84: De tabernakel, daarin waren verscheidene heilige verblijfplaatsen, evenals de hemel die daardoor was afgebeeld.
[^psalmen-68-36-85]: Kanttekening 85: Namelijk Israël, zijn volk.
[^psalmen-68-36-86]: Kanttekening 86: Hebreeuws, בָּרוּךְ: gezegend.

### Psalmen 69

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/69.json)

*David (en de Heere Christus onder zijn voorbeeld) klaagt tot God over zijn veelvuldig zwaar lijden, bidt vurig om verlossing, geeft zijn verstokte vijanden over aan rechtvaardig verderf, en prijst God voor het behoud van Zijn Kerk.*

**1** Een psalm van David, voor de[^psalmen-69-1-1] opperzangmeester, op[^psalmen-69-1-2] Schoschannim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v1)

**2** Verlos mij, o God! want de[^psalmen-69-2-3] wateren zijn gekomen tot aan de ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v2)

**3** Ik ben gezonken in[^psalmen-69-3-4] grondeloze modder,[^psalmen-69-3-5] waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed[^psalmen-69-3-6] overstroomt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v3)

**4** Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v4)

**5** Die mij[^psalmen-69-5-7] zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haar van mijn hoofd; die mij zoeken te[^psalmen-69-5-8] vernielen, die mij om[^psalmen-69-5-9] valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden;[^psalmen-69-5-10] wat ik niet geroofd heb, moet ik dan wedergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v5)

**6** O God! U weet van mijn[^psalmen-69-6-11] dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v6)

**7** [^psalmen-69-7-12] Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, YHWH van de legermachten, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v7)

**8** Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v8)

**9** [^psalmen-69-9-13] Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v9)

**10** [^psalmen-69-10-a] Want de ijver[^psalmen-69-10-14] van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden van degenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v10)

**11** En ik heb geweend[^psalmen-69-11-15] in het vasten van mijn ziel; maar het is mij geworden tot[^psalmen-69-11-16] allerlei smaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v11)

**12** En ik heb een[^psalmen-69-12-17] zak tot mijn kleed[^psalmen-69-12-18] aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v12)

**13** Die in de poort[^psalmen-69-13-19] zitten, klappen van mij; en ik ben een[^psalmen-69-13-20] snarenspel van degenen, die[^psalmen-69-13-21] sterke drank drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v13)

**14** Maar[^psalmen-69-14-22] wat mij betreft, mijn gebed is tot U, o YHWH; er is een[^psalmen-69-14-23] tijd van het welbehagen, o God! door de[^psalmen-69-14-24] grootheid van Uw goedertierenheid; verhoor mij door de[^psalmen-69-14-25] getrouwheid van Uw heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v14)

**15** Ruk mij uit het[^psalmen-69-15-26] slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn vijanden, en uit de diepten van de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v15)

**16** Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat de put zijn mond over mij niet toesluiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v16)

**17** Verhoor mij, o YHWH, want Uw goedertierenheid is[^psalmen-69-17-27] goed; zie mij aan naar de[^psalmen-69-17-28] grootheid van Uw barmhartigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v17)

**18** En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v18)

**19** Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos[^psalmen-69-19-29] mij vanwege mijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v19)

**20** U weet[^psalmen-69-20-30] mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn[^psalmen-69-20-31] voor U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v20)

**21** De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v21)

**22** Ja,[^psalmen-69-22-b] zij hebben mij[^psalmen-69-22-32] gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij azijn te drinken gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v22)

**23** [^psalmen-69-23-c] Hun[^psalmen-69-23-33] tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot[^psalmen-69-23-34] volle vergelding tot een valstrik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v23)

**24** Laat hun[^psalmen-69-24-d] ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun middel[^psalmen-69-24-35] steeds waggelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v24)

**25** Stort over hen Uw toorn uit; en de hitte van Uw toorn[^psalmen-69-25-36] grijpe hen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v25)

**26** [^psalmen-69-26-e] Hun[^psalmen-69-26-37] paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v26)

**27** Want zij vervolgen, die U[^psalmen-69-27-38] geslagen hebt; en[^psalmen-69-27-39] maken een praat van de smart[^psalmen-69-27-40] van Uw verwonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v27)

**28** [^psalmen-69-28-41] Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw[^psalmen-69-28-42] gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v28)

**29** Laat[^psalmen-69-29-43] hen uitgewist worden uit het boek[^psalmen-69-29-44] van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v29)

**30** Maar ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v30)

**31** Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v31)

**32** En het zal YHWH[^psalmen-69-32-45] aangenamer zijn dan een[^psalmen-69-32-46] os, of een gehoornde stier, die de[^psalmen-69-32-47] klauwen verdeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v32)

**33** De[^psalmen-69-33-48] zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, uw hart zal leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v33)

**34** Want YHWH hoort de armen, en Hij veracht Zijn[^psalmen-69-34-49] gevangenen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v34)

**35** Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin[^psalmen-69-35-50] wriemelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v35)

**36** Want God zal[^psalmen-69-36-51] Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en daar zullen[^psalmen-69-36-52] zij wonen, en[^psalmen-69-36-53] haar erfelijk bezitten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v36)

**37** En het[^psalmen-69-37-54] zaad van Zijn knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/69.html#v37)

[^psalmen-69-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-69-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 45:1 . Psalmen 45:1 : Een onderwijzing, een lied van de liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
[^psalmen-69-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, overgrote gevaren dreigen mij het leven te benemen; zie 2 Sam. 22:17 , zo vers 3 , 69:15 , 69:16 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. Psalmen 69:3 : Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Psalmen 69:15 : Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten van de wateren. Psalmen 69:16 : Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat de put zijn mond over mij niet toesluiten.
[^psalmen-69-3-4]: Kanttekening 4: grondeloze modder: Hebr. modder van de grondeloosheid, of diepte.
[^psalmen-69-3-5]: Kanttekening 5: Hebr. en daar is \[om zo te spreken\] gene standing; dat is, geen vastheid, grond; ik zink er al dieper en dieper in.
[^psalmen-69-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, dreigt mij weg te rukken. Hier wordt gebruikt het woord Schibboleth, waarvan Richt. 12:6 ; zo onder, vers 16 . Richteren 12:6 : Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zei: Sibbolet, en kon het zo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren van de Jordaan, dat in die tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend. Psalmen 69:16 : Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat de put zijn mond over mij niet toesluiten.
[^psalmen-69-5-7]: Kanttekening 7: zonder oorzaak: Hebr. tevergeefs, omniet.
[^psalmen-69-5-8]: Kanttekening 8: Hebr. die mij vernielen; dat is, zoeken te vernielen, uit te roeien, neder te smijten, die daarmee steeds bezig zijn, het schort aan hen niet, wil hij zeggen. Verg. Ps. 56:2 . Psalmen 56:2 : Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de hele dag dringt mij de bestrijder.
[^psalmen-69-5-9]: Kanttekening 9: Hebr. \[om\] leugen, valsheid.
[^psalmen-69-5-10]: Kanttekening 10: wat ik: David wil zeggen dat hij, onschuldig zijnde, nochtans als een schuldige of misdadiger wordt behandeld. Dit moet ook op Christus geduid worden, die niet zijn eigen, maar onze zonden heeft gedragen; Jes. 53:4 , 53:5 , 53:6 , 53:7 , 53:8 ; 1 Petr. 2:24 , en 1 Petr. 3:18 . Sommigen duiden het op de Heer Christus in deze in, dat Hij het onrecht heeft moeten lijden, omdat Hij gezegd had dat Hij Gods Zoon was, daar Hij in waarheid Gods eigen en eeuwige Zoon was, eenswezens met de Vader en geen geroofde godheid hebbende; zie Joh. 19:7 , en Filipp. 2:6 . Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:6 : Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Jesaja 53:7 : Als Hij geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:8 : Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest. 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent. 1 Petrus 3:18 : Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest; Johannes 19:7 : De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn;
[^psalmen-69-6-11]: Kanttekening 11: Of ik schuldig ben aan de zonden en boze stukken, die zij mij ten laste leggen; het ongelijk, dat zij mij aandoen, is U bekend. Zo Job 16:18 . Aarde bedek mijn bloed niet; te weten, als ik het mocht vergoten hebben. Verg. Ps. 38:6 . Job 16:18 : O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats. Psalmen 38:6 : Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
[^psalmen-69-7-12]: Kanttekening 12: Laat hen: De vromen \[wil hij zeggen\], die het met mij houden en een goede uitkomst van mijn zaken, volgens uw woord, verwachten en beschaamd zouden uitkomen, zo U mij verliet; nu is mijn zaak niet alleen hun zaak, maar ook uw zaak, omdat ik en zij ons tezamen aan U en uw woord houden, daarom, enz.
[^psalmen-69-9-13]: Kanttekening 13: Ik ben: Dat is, niemand wil mij kennen, zelfs ook niet mijn naaste vrienden. Verg. Job 19:13 , 19:14 , 19:15 , 19:16 , en vers 9 , Ps. 27:10 met de aantekeningen. Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Job 19:14 : Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. Job 19:15 : Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen. Job 19:16 : Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. Psalmen 69:9 : Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. Psalmen 27:10 : Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar YHWH zal mij aannemen.
[^psalmen-69-10-a]: Verwijzing a: Joh. 2:17 ; Rom. 15:3 . Johannes 2:17 : En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. Romeinen 15:3 : Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.
[^psalmen-69-10-14]: Kanttekening 14: van Uw huis: Dat is, tot, of voor uw huis. Dit wordt geduid op onze Heer Christus; Joh. 2:17 , en Rom. 15:3 . Johannes 2:17 : En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. Romeinen 15:3 : Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.
[^psalmen-69-11-15]: Kanttekening 15: in het: Of, met. De zin is: Als ik mijn ziel, of persoon, met vasten pijnigde of kwelde. Verg. Ps. 35:13 . Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem.
[^psalmen-69-11-16]: Kanttekening 16: Hebr. smaadheden.
[^psalmen-69-12-17]: Kanttekening 17: Zie Gen. 37:34 . Genesis 37:34 : Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^psalmen-69-12-18]: Kanttekening 18: Hebr., אֶתְּנָ, gegeven.
[^psalmen-69-13-19]: Kanttekening 19: Waar men het gericht houdt en het volk bijeenkomt. Zie Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^psalmen-69-13-20]: Kanttekening 20: Of, speellieden. Zie Job 30:9 , met de aantekeningen. Job 30:9 : Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
[^psalmen-69-13-21]: Kanttekening 21: sterken drank: Hebr. Schechar. Zie Lev. 10:10 . Dat is, van de dronkaards. Hij wil zeggen dat zij in hun dronken gelagen spotliederen voor hem zongen en speelden. Leviticus 10:10 : En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine;
[^psalmen-69-14-22]: Kanttekening 22: mij aangaande: Alsof hij zei: Ik weet in al deze mijn zwarigheden geen andere toevlucht dan tot U.
[^psalmen-69-14-23]: Kanttekening 23: Besloten in uw wijzen en zeer genadigen raad, waarin U de tijden en minuten hebt bestemd, wanneer U metterdaad wilt en zult bewijzen welke gunst U uw kinderen toedraagt. Anders, \[in\] de tijd van het welbehagen verhoor mij, o God, naar, enz. Verg. Jes. 49:8 ; 2 Kor. 6:2 . Jesaja 49:8 : Zo zegt YHWH: In die tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om de aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven; 2 Korinthiërs 6:2 : Want Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid!
[^psalmen-69-14-24]: Kanttekening 24: Of, veelheid.
[^psalmen-69-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, heilzame trouw, die vereist dat U naar uw beloften mij hoort en helpt.
[^psalmen-69-15-26]: Kanttekening 26: Verg. Ps. 40:3 , en Job 30:19 . Psalmen 40:3 : En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
[^psalmen-69-17-27]: Kanttekening 27: Dat is, lieflijk, nuttig, troostelijk. Verg. Ps. 63:4 . Psalmen 63:4 : Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.
[^psalmen-69-17-28]: Kanttekening 28: Of, veelheid.
[^psalmen-69-19-29]: Kanttekening 29: om mijn: Omdat zij zo wreed, bitter en omverzoenlijk zijn, of, opdat zij geen roem over mijn ondergang dragen, tot oneer van uw heilige naam.
[^psalmen-69-20-30]: Kanttekening 30: mijn versmaadheid: Die ik van mijn vijanden moet lijden zonder mijn schuld. Verg. vers 6 . Psalmen 69:6 : O God! U weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
[^psalmen-69-20-31]: Kanttekening 31: voor U: Zijn U bekend, voor uw ogen niet verborgen.
[^psalmen-69-22-b]: Verwijzing b: Matt. 27:34 ; idem v. 48 ; Mark. 15:23 ; Joh. 19:28 ; idem v. 29 . Mattheüs 27:34 : Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Mattheüs 27:48 : En meteen één van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. Marcus 15:23 : En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam die niet. Johannes 19:28 : Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zei: Mij dorst. Johannes 19:29 : Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
[^psalmen-69-22-32]: Kanttekening 32: Of, venijn, vergiftig kruid; iets dat bovenmate bitter en zeer schadelijk was. Zie Deut. 29:18 , en Deut. 32:32 ; Klaagl. 3:19 ; Hos. 10:4 ; Amos 6:12 . Door het water daarvan wordt bittere ellende beduid; Jer. 8:14 , en Jer. 9:15 , en Jer. 23:15 . Deuteronomium 29:18 : Dat onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van YHWH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder u niet zij een wortel, die gal en alsem drage; Deuteronomium 32:32 : Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien. Klaagliederen 3:19 : Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle. Hosea 10:4 : Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren van de velden. Amos 6:12 : Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem. Jeremia 8:14 : Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. Jeremia 9:15 : Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; Jeremia 23:15 : Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gehele land.
[^psalmen-69-23-c]: Verwijzing c: Rom. 11:9 . Romeinen 11:9 : En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.
[^psalmen-69-23-33]: Kanttekening 33: Dat is, voedsel, drank en wat tot het onderhoud van de mensen en verkwikking zou dienen; waarmee de goddelozen dikwijls tot hun verderf verstrikt en gevangen worden. Zie Rom. 11:9 , en verg. 2 Kor. 2:15 , 2:16 . Deze en de volgende gebeden en wensingen zijn profetieën van lichamelijke en geestelijke, tijdelijke en eeuwige straffen, die de verstokte vijanden Gods, van zijn kerk, en bijzonderlijk van onze Heer Jezus Christus, zouden overkomen. Romeinen 11:9 : En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen. 2 Korinthiërs 2:15 : Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 2:16 : Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?
[^psalmen-69-23-34]: Kanttekening 34: volle vergelding: Hebr. vergelding; dat is, tot Gods volle wederwraak, van wat zij in vers 23 gezegd worden gedaan te hebben. Anders: wat tot vrede, of welstand zou dienen, \[worde, of zij hun\] tot een val. Psalmen 69:23 : Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
[^psalmen-69-24-d]: Verwijzing d: Rom. 11:10 ; Jes. 6:9 ; Jes. 29:10 ; Jes. 44:18 . Romeinen 11:10 : Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug alle tijd. Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Jesaja 29:10 : Want YHWH heeft over u uitgegoten een geest van de diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind. Jesaja 44:18 : Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.
[^psalmen-69-24-35]: Kanttekening 35: Dat zij onsterkt en krachteloos zijn.
[^psalmen-69-25-36]: Kanttekening 36: Dat zij uw toorn gevoelen.
[^psalmen-69-26-e]: Verwijzing e: Hand. 1:20 . Handelingen 1:20 : Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelfde woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt.
[^psalmen-69-26-37]: Kanttekening 37: Of, burg, kasteel, slot, heerlijke magnifieke bouwwerken.
[^psalmen-69-27-38]: Kanttekening 38: Dat is, die U vaderlijk kastijdt en beproeft, die zoeken zij verder op het lijf te vallen en te vernielen. Verg. verder \[onze Heer Christus aangaande\] Jes. 53:4 , 53:5 ; Matt. 26:31 . Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Mattheüs 26:31 : Toen zei Jezus tot hen: U zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
[^psalmen-69-27-39]: Kanttekening 39: maken een praat: Dat is, zij schimpen en spotten er mee.
[^psalmen-69-27-40]: Kanttekening 40: Uw verwonden: Dat is, die U om uwentwil, om uws naams wil, laat lijden. Verg. onder vers 34 , en aangaande de manier van spreken Ps. 37:22 . Psalmen 69:34 : Want YHWH hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. Psalmen 37:22 : Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
[^psalmen-69-28-41]: Kanttekening 41: Hebr., geef, stel; dat is, laat hen vallen van de ene zonde in de andere, geef hen over in een verkeerden zin, enz. Zie Rom. 1:24 , 1:28 , en Rom. 11:8 ; 1 Thess. 2:16 , en 2 Thess. 2:11 ; idem Matt. 23:22 . Sommigen verstaan door misdaad, de straf van de misdaad; alsof hij zei: Doe straf tot hun straf. Romeinen 1:24 : Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; Romeinen 1:28 : En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen; Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag. 1 Thessalonicensen 2:16 : En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij altijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Mattheüs 23:22 : En wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God, en bij Die, Die daarop zit.
[^psalmen-69-28-42]: Kanttekening 42: Dat zij voor U niet worden gerechtvaardigd en vrijgesproken van hun zonden. Zie Rom. 10:3 ; Filipp. 3:9 ; Joh. 12:39 , 12:40 , maar, niet gelovende, in hun zonde sterven; Joh. 8:24 . Romeinen 10:3 : Want zo zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij van de rechtvaardigheid van God niet onderworpen. Filippensen 3:9 : En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof; Johannes 12:39 : Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw gezegd heeft: Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Johannes 8:24 : Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft, dat Ik Die ben, u zult in uw zonden sterven.
[^psalmen-69-29-43]: Kanttekening 43: Dat is, \[gelijk de volgende woorden verklaren\] doe blijken dat zij niet behoren tot het getal van uw uitverkorenen en bij U daaronder niet zijn aangeschreven, hoewel zij bij zichzelven en andere mensen voor uw volk worden gehouden en daaronder gerekend, maar snijd U hen af, enz. Zo worden Job 39:20 ontbloten van wijsheid en van het verstand niet mededelen, door elkaar verklaard. Zodat en hier bekwamelijk kan genomen worden voor dat is. Zie hiervan verder Ex. 32:32 , 32:33 , en verg. Ps. 22:31 , en Ps. 87:6 ; idem Jes. 4:4 ; Ez. 13:9 ; Rom. 11:20 . Job 39:20 : Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar van het verstand niet medegedeeld. Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Exodus 32:33 : Toen zei YHWH tot Mozes: Die zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt. Psalmen 22:31 : Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten. Psalmen 87:6 : YHWH zal hen rekenen in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is daar geboren. Sela. Jesaja 4:4 : Als de Heer zal afgewassen hebben de drek van de dochters van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit haar midden, door de Geest van het oordeel, en door de Geest van de uitbranding. Ezechiël 13:9 : En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben. Romeinen 11:20 : Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en u staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
[^psalmen-69-29-44]: Kanttekening 44: van het leven: Of, van de levenden.
[^psalmen-69-32-45]: Kanttekening 45: Hebr. beter; dat is, bevalliger.
[^psalmen-69-32-46]: Kanttekening 46: Dat is, offeranden van beesten. Zie Ps. 40:7 , en Ps. 50:13 , 50:14 , 50:15 . Psalmen 40:7 : U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. Psalmen 50:13 : Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? Psalmen 50:14 : Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 50:15 : En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren.
[^psalmen-69-32-47]: Kanttekening 47: Zie Lev. 11:3 . Leviticus 11:3 : Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof van de klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult u eten.
[^psalmen-69-33-48]: Kanttekening 48: Zie Ps. 10:17 , en Ps. 22:27 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken; Psalmen 22:27 : De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
[^psalmen-69-34-49]: Kanttekening 49: Hebr. gebondenen; dat is, zijn getrouwe knechten, die Hij om zijns naams wil laat lijden. Verg. Ef. 3:1 , en boven vers 27 . Efeziërs 3:1 : Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. Psalmen 69:27 : Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart van Uw verwonden.
[^psalmen-69-35-50]: Kanttekening 50: Zie Gen. 1:21 . Genesis 1:21 : En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.
[^psalmen-69-36-51]: Kanttekening 51: Dat is, zijn kerk. Zie Ps. 2:6 . Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid.
[^psalmen-69-36-52]: Kanttekening 52: zij wonen: Te weten, de zachtmoedigen, die God zoeken, zijn knechten en liefhebbers, vers 33 , en in vers 37 . Psalmen 69:33 : De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, ulieder hart zal leven. Psalmen 69:37 : En het zaad van Zijn knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen.
[^psalmen-69-36-53]: Kanttekening 53: Te weten, Sion, en zo in vers 37 . Psalmen 69:37 : En het zaad van Zijn knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen.
[^psalmen-69-37-54]: Kanttekening 54: Dat is, de nakomelingen. Zie Ps. 22:31 . Psalmen 22:31 : Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten.

### Psalmen 70

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/70.json)

*David bidt God om spoedige hulp, om beschaming van zijn aanmatigende vijanden en om vreugde van de vromen, tot grootmaking van Zijn heilige Naam.*

**1** Een[^psalmen-70-1-1] psalm van David, voor de opperzangmeester,[^psalmen-70-1-2] om te doen gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v1)

**2** [^psalmen-70-2-3][^psalmen-70-2-a] Haast U, o God, om mij te verlossen, o YHWH, tot mijn hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v2)

**3** [^psalmen-70-3-b] Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achteruit gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v3)

**4** Laat hen terugkeren tot loon van hun beschaming, die daar zeggen: Ha, ha! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v4)

**5** Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers van Uw heil steeds zeggen: God zij groot gemaakt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v5)

**6** Maar ik ben ellendig en arm; o God, haast U tot mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; YHWH, wacht niet langer! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/70.html#v6)

[^psalmen-70-1-1]: Kanttekening 1: voor de opperzangmeester: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-70-1-2]: Kanttekening 2: om te doen gedenken: Zie Ps. 38:1 . Psalmen 38:1 : Een psalm van David, om te doen gedenken.
[^psalmen-70-2-3]: Kanttekening 3: Haast U: Verg. deze Psalm met de Ps. 40:14 , 40:15 , 40:16 , 40:17 , 40:18 . alwaar bijkans dezelfde woorden gevonden worden. Zie de aantekening daar. Psalmen 40:14 : Het behage U, YHWH! mij te verlossen; YHWH! haast U tot mijn hulp. Psalmen 40:15 : Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Psalmen 40:16 : Laat hen verwoest worden tot loon van hun beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha! Psalmen 40:17 : Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: YHWH zij groot gemaakt! Psalmen 40:18 : Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar YHWH denkt aan mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.
[^psalmen-70-2-a]: Verwijzing a: Ps. 40:14 . Psalmen 40:14 : Het behage U, YHWH! mij te verlossen; YHWH! haast U tot mijn hulp.
[^psalmen-70-3-b]: Verwijzing b: Ps. 35:4 ; idem 35:26 ; Ps. 71:13 . Psalmen 35:4 : Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 71:13 : Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

### Psalmen 71

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/71.json)

*De profeet, in gevaar zijnde van achterhaald en overvallen te worden, betuigt zijn vertrouwen op God alleen, Die hij bidt om spoedige verlossing van zijn listige en wrede vijanden, overeenkomstig de gunst die Hij hem tevoren, ja van zijn jeugd af, bewezen heeft, hem altijd reden gevend om Zijn Naam te loven, wat hij ook bestendig belooft te doen; tevens biddend om standvastigheid en behoud in zijn ouderdom, en daarop vertrouwend, belooft hij God plechtige dankbaarheid.*

**1** Op U, o YHWH![^psalmen-71-1-a] betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v1)

**2** Red mij door Uw[^psalmen-71-2-1] gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v2)

**3** Wees mij tot een[^psalmen-71-3-2] Rotssteen, om daarin te wonen, om steeds daarin te gaan; U hebt[^psalmen-71-3-3] bevel gegeven,[^psalmen-71-3-4] om mij te verlossen, want U bent mijn Steenrots en mijn Burg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v3)

**4** Mijn God, bevrijd mij van[^psalmen-71-4-5] de hand van de goddelozen,[^psalmen-71-4-6] van de hand van degene, die[^psalmen-71-4-7] verkeerd handelt, en van[^psalmen-71-4-8] de hoogmoedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v4)

**5** Want U bent mijn Verwachting, Heere, YHWH! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v5)

**6** Op U heb ik gesteund van de buik aan; van mijn moeders binnenste aan bent U mijn[^psalmen-71-6-9] Uithelper;[^psalmen-71-6-10] mijn lof is steeds van U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v6)

**7** Ik ben[^psalmen-71-7-11] velen als een[^psalmen-71-7-12] wonder geweest; maar U bent mijn sterke Toevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v7)

**8** Laat mijn mond[^psalmen-71-8-13] vervuld worden met Uw lof, de hele dag met Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v8)

**9** Verwerp mij niet in de tijd van[^psalmen-71-9-14] de ouderdom; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v9)

**10** Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn[^psalmen-71-10-15] ziel[^psalmen-71-10-16] loeren, beraadslagen samen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v10)

**11** Zeggende: God heeft hem verlaten;[^psalmen-71-11-17] jaag na, en grijpt hem, want er is geen[^psalmen-71-11-18] verlosser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v11)

**12** O God, wees niet verre van mij; mijn God![^psalmen-71-12-19] haast U tot mijn hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v12)

**13** [^psalmen-71-13-b] Laat hen beschaamd worden, laat[^psalmen-71-13-20] hen verteerd worden, die mijn[^psalmen-71-13-21] ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v13)

**14** Maar ik zal steeds hopen, en zal al Uw lof[^psalmen-71-14-22] nog groter maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v14)

**15** Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, de hele dag Uw heil; hoewel ik de[^psalmen-71-15-23] getallen niet weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v15)

**16** Ik[^psalmen-71-16-24] zal heengaan in de mogendheden van de Heere YHWH; ik zal Uw[^psalmen-71-16-25] gerechtigheid vermelden, de van U alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v16)

**17** O God! U hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v17)

**18** Daarom ook,[^psalmen-71-18-26] terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, voordat ik deze[^psalmen-71-18-27] geslachte verkondige Uw[^psalmen-71-18-28] arm, allen[^psalmen-71-18-29] nakomelingen Uw[^psalmen-71-18-30] macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v18)

**19** [^psalmen-71-19-31] Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte;[^psalmen-71-19-32] U, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v19)

**20** U, Die mij[^psalmen-71-20-33] veel benauwdheden en[^psalmen-71-20-34] kwaden hebt doen zien, zult[^psalmen-71-20-35] mij[^psalmen-71-20-36] weer levend maken, en zult[^psalmen-71-20-37] mij weer ophalen uit de[^psalmen-71-20-38] afgronden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v20)

**21** U zult mijn grootheid vermeerderen, en mij[^psalmen-71-21-39] rondom troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v21)

**22** Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o[^psalmen-71-22-40] Heilige van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v22)

**23** Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die U verlost hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v23)

**24** Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid de hele dag uitspreken,[^psalmen-71-24-41] want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn[^psalmen-71-24-42] kwaad zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/71.html#v24)

[^psalmen-71-1-a]: Verwijzing a: Ps. 22:6 ; Ps. 25:2 ; idem 25:3 ; Ps. 31:2 ; idem 31:3 ; Jes. 49:23 . Psalmen 22:6 : Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. Psalmen 25:2 : Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. Psalmen 25:3 : Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak. Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid. Psalmen 31:3 : Neig Uw oor tot mij, red mij haastig; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^psalmen-71-2-1]: Kanttekening 1: Gelijk Ps. 31:2 . Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
[^psalmen-71-3-2]: Kanttekening 2: Hebr., מָעוֹן, Rotssteen van de woning .
[^psalmen-71-3-3]: Kanttekening 3: Te weten, uw engelen, gelijk Ps. 91:11 ; of, U hebt verordineerd, ordinantie gesteld, dat ik zal behouden worden. Psalmen 91:11 : Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
[^psalmen-71-3-4]: Kanttekening 4: Of, van.
[^psalmen-71-4-5]: Kanttekening 5: Dat is, geweld.
[^psalmen-71-4-6]: Kanttekening 6: Hebr., כַּף, palm.
[^psalmen-71-4-7]: Kanttekening 7: verkeerd handelt: Of, met onrecht omgaat.
[^psalmen-71-4-8]: Kanttekening 8: Of, van de wreden, zuren, die alles verderft, wrevelingen, geweldenaar. Het Hebreeuwse woord komt van zuurdesem, waarbij de apostel de boze ook vergelijkt, 1 Kor. 5:8 . Of, \[gelijk sommigen menen\] door verwisseling van een letter, van wrevel of geweld. 1 Korinthiërs 5:8 : Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
[^psalmen-71-6-9]: Kanttekening 9: Of, Uittrekker . Anders, uit mijn moeders ingewand hebt U mij getogen . Vergel. Ps. 22:10 , 22:11 . Psalmen 22:10 : U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijn moeders borsten. Psalmen 22:11 : Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik van mijn moeder aan bent U mijn God.
[^psalmen-71-6-10]: Kanttekening 10: mijn lof is geduriglijk van U: Dat is, ik ben \[of zal zijn\] steeds bezig met U te loven en te prijzen, waartoe U mij van de beginne mijns levens oorzaak hebt gegeven.
[^psalmen-71-7-11]: Kanttekening 11: Of, de grote.
[^psalmen-71-7-12]: Kanttekening 12: Of, monster, waarvan velen \[of de grote \] bij Sauls tijd vervaard en verschrikt waren geweest, menende dat God mij zonderling moest haten, omdat ik zoveel te lijden had; zie Ps. 31:12 , en verg. onder vers 11 . Sommigen verstaan dat David hier vervolgt wat hij in vers 6 gezegd had, duidende dit op de wonderlijke verlossingen en beschermingen, die God aan David boven het vermoeden van alle mensen doorgaans gedaan had, zijnde een wonderteken, waardoor Gods volk zou leren God te geloven en vastelijk aan te hangen, en niet te twijfelen aan een goede uitkomst van Davids lijden. Verg. Jes. 20:3 ; Ez. 12:6 , 12:11 , met de aantekeningen. Psalmen 31:12 : Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vluchten van mij weg. Psalmen 71:11 : Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser. Psalmen 71:6 : Op U heb ik gesteund van de buik aan; van mijn moeders ingewand aan bent U mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U. Jesaja 20:3 : Toen zei YHWH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; Ezechiël 12:6 : Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u aan het huis van Israël tot een wonderteken gegeven. Ezechiël 12:11 : Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, zo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.
[^psalmen-71-8-13]: Kanttekening 13: Gelijk U tevoren gedaan hebt, zo geef mij nu opnieuw nieuwe oorzaak om U te prijzen.
[^psalmen-71-9-14]: Kanttekening 14: Hieruit, alsook uit vers 18 , wordt afgenomen dat David deze psalm gemaakt heeft over Absaloms samenzwering en vervolging. Psalmen 71:18 : Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik deze geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.
[^psalmen-71-10-15]: Kanttekening 15: Dat is, die op mij loeren om mij het leven te benemen. Ps. 56:7 . Psalmen 56:7 : Zij spannen samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.
[^psalmen-71-10-16]: Kanttekening 16: Of, wachthouden, passen, of mijn ziel bespieden.
[^psalmen-71-11-17]: Kanttekening 17: Verg. 2 Sam. 17:1 , 17:2 . 2 Samuël 17:1 : Verder zei Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David deze nacht achterna jage. 2 Samuël 17:2 : Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan.
[^psalmen-71-11-18]: Kanttekening 18: Niemand, die hem nu kan verlossen uit onze hand.
[^psalmen-71-12-19]: Kanttekening 19: Want Absaloms vervolging overkwam hem zeer haastiglijk en onvoorziens. Zie 2 Sam. 15:14 . 2 Samuël 15:14 : Zo zei David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vluchten, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte van het zwaard.
[^psalmen-71-13-b]: Verwijzing b: Ps. 35:4 ; idem 35:26 ; Ps. 40:15 ; Ps. 70:3 . Psalmen 35:4 : Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 40:15 : Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Psalmen 70:3 : Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
[^psalmen-71-13-20]: Kanttekening 20: verteerd worden: Of, bezwijken.
[^psalmen-71-13-21]: Kanttekening 21: mijn kwaad: Dat is, mijn ondergang, uitroeiing, gelijk onder vers 24 . Psalmen 71:24 : Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid de hele dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.
[^psalmen-71-14-22]: Kanttekening 22: nog groter maken: Hebr., תְּהִלָּתֶֽ, ik zal tot al uw lof toedoen; dat is, U meer prijzen, dan ik gedaan heb. Verg. de manier van spreken met 2 Kron. 10:11 . 2 Kronieken 10:11 : Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.
[^psalmen-71-15-23]: Kanttekening 23: Dat is, de werken van uw gerechtigheid en van uw heil zijn zoveel in getal dat er geen tellen aan is.
[^psalmen-71-16-24]: Kanttekening 24: Ik zal heengaan: Alsof hij zei: Ik zal vrijmoedig en onbeschroomd daarheen treden, gesterkt zijnde door Gods almogende kracht. Of, \[gelijk anderen\] ik zal mij begeven in het verhaal van uw machtige daden; ik zal in die stof treden, hoewel ik het niet kan doen naar haar waardigheid.
[^psalmen-71-16-25]: Kanttekening 25: Of, melding doen, ophalen, gedachtenis maken, houden; U alleen de eer gevende, dat U mij telkens en wonderlijk door uw gerechtigheid \[gelijk boven vers 2 , en onder vers 19 \], verlost en behouden hebt. Psalmen 71:2 : Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij. Psalmen 71:19 : Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; U, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
[^psalmen-71-18-26]: Kanttekening 26: Of, tot de ouderdom en de grijsheid toe. Zie van dergelijk gebruik van het Hebreeuwse woord אַֽל, Job 1:18 . Job 1:18 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uw zonen en uw dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hun broer, de eerstgeborene;
[^psalmen-71-18-27]: Kanttekening 27: deze geslachte : Dat is, de mensen, die nu tezamen leven. Zie Ps. 12:8 . Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^psalmen-71-18-28]: Kanttekening 28: Dat is, uw macht, gelijk het de profeet zelf meteen verklaart.
[^psalmen-71-18-29]: Kanttekening 29: Hebr. \[die\] komen zal.
[^psalmen-71-18-30]: Kanttekening 30: Die U toont in mij te verlossen en mijn vijanden te verdelgen.
[^psalmen-71-19-31]: Kanttekening 31: Ook is: Sommigen hechten deze woorden aan het voorgaande aldus: En uw gerechtigheid; te weten, verkondigen, \[die\] tot de hoogte toe \[reikt\], dat is, tot de hemel. Zie Ps. 36:6 , 36:7 , of tot op het hoogste; te weten, verkondigende roem. Psalmen 36:6 : O YHWH! Uw goedertierenheid is tot in de hemel; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten.
[^psalmen-71-19-32]: Kanttekening 32: U, Die: Of, omdat U, of want U, enz. Anders, het zijn grote dingen, die U gedaan hebt.
[^psalmen-71-20-33]: Kanttekening 33: Of, grote.
[^psalmen-71-20-34]: Kanttekening 34: Dat is, ellenden hebt doen ondervinden. Zie Job 7:7 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^psalmen-71-20-35]: Kanttekening 35: Anders, ons.
[^psalmen-71-20-36]: Kanttekening 36: weer levend maken: Hebr. zult terugkeren, zult mij levend maken; idem U zult terugkeren, U zult mij ophalen. Hij wil zeggen: U pleegt zo te doen, U zult het nu ook doen. Verg. Ps. 85:7 . Psalmen 85:7 : Zult U ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?
[^psalmen-71-20-37]: Kanttekening 37: Anders, ons.
[^psalmen-71-20-38]: Kanttekening 38: Dat is, uit diepe noden.
[^psalmen-71-21-39]: Kanttekening 39: Hebr. U zult rondom gaan, of omsingelen, U zult mij vertroosten; dat is, U zult mij van alle kanten troost laten wedervaren. Verg. Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^psalmen-71-22-40]: Kanttekening 40: Gelijk Ps. 78:41 , en Ps. 89:19 , enz. Dat is, U, die de heiligheid zelve zijnde, uw volk heiligt en van uw volk geheiligd wordt, dat is, voor heilig erkend, geroemd, heiliglijk geëerd en van alle afgoden afgezonderd wordt. Zie Lev. 20:8 , 20:26 ; Jes. 8:13 ; Matt. 6:9 , enz. Psalmen 78:41 : Want zij kwamen opnieuw, en verzochten God, en stelden de Heilige van Israël een perk. Psalmen 89:19 : Want ons schild is van YHWH, en onze koning is van de Heilige van Israël. Leviticus 20:8 : En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelfde; Ik ben YHWH, die u heilige. Leviticus 20:26 : En u zult Mij heilig zijn, want Ik, YHWH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u Mijns zoudt zijn. Jesaja 8:13 : YHWH van de legermachten, Die zult u heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking. Mattheüs 6:9 : U dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemel zijt! Uw Naam worde geheiligd.
[^psalmen-71-24-41]: Kanttekening 41: want zij zijn beschaamd: David triomfeert door geloof, als ziende voor ogen de ondergang van zijn vervolgers. Anders, wanneer zij beschaamd, wanneer zij schaamrood geworden zijn.
[^psalmen-71-24-42]: Kanttekening 42: Gelijk boven, vers 13 . Psalmen 71:13 : Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

### Psalmen 72

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/72.json)

*David, kort voor zijn dood, bidt voor Salomo en voorzegt een zeer gezegende en gelukkige staat van zijn koninkrijk, daar dit een voorbeeld is van het Koninkrijk van Christus, over Wiens eeuwigheid, uitbreiding, heerlijkheid en genaderijke staat hij zich ten uiterste door geloof verheugt, besluitend met een hartelijke dankzegging.*

**1** [^psalmen-72-1-1] Voor Salomo. O God! geef de[^psalmen-72-1-2] koning Uw[^psalmen-72-1-3] rechten, en Uw gerechtigheid de zoon van[^psalmen-72-1-4] de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v1)

**2** Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en[^psalmen-72-2-5] Uw ellendigen met recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v2)

**3** [^psalmen-72-3-6] De[^psalmen-72-3-7] bergen zullen de volk vrede dragen, ook de heuvelen,[^psalmen-72-3-8] met gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v3)

**4** Hij zal de ellendigen van het[^psalmen-72-4-9] volk richten; hij zal de kinderen van de armen verlossen, en de[^psalmen-72-4-10] verdrukker verbrijzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v4)

**5** Zij zullen U vrezen,[^psalmen-72-5-11][^psalmen-72-5-a] zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v5)

**6** Hij zal neerdalen als een[^psalmen-72-6-12][^psalmen-72-6-b] regen op het[^psalmen-72-6-13] nagras, als de druppelen, die de aarde[^psalmen-72-6-14] bevochtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v6)

**7** [^psalmen-72-7-15] In zijn dagen zal de rechtvaardige[^psalmen-72-7-16] bloeien, en de veelheid van vrede,[^psalmen-72-7-17] totdat de maan niet meer zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v7)

**8** En hij zal heersen van de[^psalmen-72-8-18] zee tot aan de zee, en van de[^psalmen-72-8-19] rivier tot aan de einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v8)

**9** [^psalmen-72-9-20] De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het[^psalmen-72-9-21] stof likken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v9)

**10** De koningen van[^psalmen-72-10-22] Tharsis en de[^psalmen-72-10-23] eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van[^psalmen-72-10-24] Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v10)

**11** Ja,[^psalmen-72-11-25] alle koningen zullen zich voor hem neerbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v11)

**12** [^psalmen-72-12-c] Want hij zal de arme redden, die daar[^psalmen-72-12-26] roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v12)

**13** Hij zal de arme en behoeftige[^psalmen-72-13-27] sparen, en de zielen van de[^psalmen-72-13-28] armen verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v13)

**14** Hij zal hun zielen van[^psalmen-72-14-29] list en geweld bevrijden, en hun[^psalmen-72-14-30] bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v14)

**15** En hij zal[^psalmen-72-15-31] leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal steeds voor[^psalmen-72-15-32] hem bidden; de hele dag zal men hem[^psalmen-72-15-33] zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v15)

**16** Is er een[^psalmen-72-16-34] hand vol koren in het land op de[^psalmen-72-16-35] hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal[^psalmen-72-16-36] ruisen als de Libanon; en die van de[^psalmen-72-16-37] stad zullen bloeien als het kruid van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v16)

**17** Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid;[^psalmen-72-17-38] zolang als er de zon is, zal zijn naam[^psalmen-72-17-39] van kind tot kind voortgeplant worden; en zij[^psalmen-72-17-40] zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v17)

**18** [^psalmen-72-18-41] Geloofd zij God YHWH, de God van Israël, Die alleen wonderen doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v18)

**19** En geloofd zij de Naam van Zijn[^psalmen-72-19-42] heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de hele aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v19)

**20** [^psalmen-72-20-43] De gebeden van David, de zoon van Isaï, hebben een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/72.html#v20)

[^psalmen-72-1-1]: Kanttekening 1: Als zijn vader David hem tot koning in zijn plaats gesteld had. Zie 1 Kon. 1:32 , enz. Maar onder Salomo is mee begrepen de Messias, als de Koning van de vrede; Hebr. 7:2 . 1 Koningen 1:32 : En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning. Hebreeën 7:2 : Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede;
[^psalmen-72-1-2]: Kanttekening 2: Salomo.
[^psalmen-72-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, een rechtvaardige regering, naar het voorschrift van uw wetten.
[^psalmen-72-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, mijn zoon; want dat David de auteur van deze psalm is, blijkt uit vers 20 ; maar onder Salomo's voorbeeld profeteert David mee zeer heerlijk van de hemelse Koning Christus en zijn koninkrijk. Psalmen 72:20 : De gebeden van David, de zoon van Isaï, hebben een einde.
[^psalmen-72-2-5]: Kanttekening 5: Uw ellendigen: Dat is, de vromen, die ten onrechte verdrukt worden en U lief zijn; zo Ps. 74:19 . Verg. Ps. 69:27 , 69:34 . Psalmen 74:19 : Geef aan het wild gedierte de ziel van Uw tortelduif niet over; vergeet de hoop van Uw ellendigen niet in eeuwigheid. Psalmen 69:27 : Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart van Uw verwonden. Psalmen 69:34 : Want YHWH hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
[^psalmen-72-3-6]: Kanttekening 6: Of, laat de bergen, enz., bij wijze van profetisch wensen en bidden, en zo in het volgende.
[^psalmen-72-3-7]: Kanttekening 7: Alle plaatsen van het land, hoge en lage, zullen overvloeien van vrede en gerechtigheid, gelijk een aarde, die vruchten draagt in overvloed. Verg. 1 Kon. 4:25 ; Ps. 85:11 , 85:12 ; idem 1 Kron. 22:7 , en Hebr. 7:2 . 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo. Psalmen 85:11 : De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen. Psalmen 85:12 : De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van de hemel nederzien. 1 Kronieken 22:7 : En David zei tot Salomo: Mijn zoon, wat mij betreft, het was in mijn hart de Naam van YHWH, mijns Gods, een huis te bouwen; Hebreeën 7:2 : Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede;
[^psalmen-72-3-8]: Kanttekening 8: met gerechtigheid: Of, door, vermits de gerechtigheid, die de koning Salomo oefenen en de Messias aanbrengen zal.
[^psalmen-72-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, van overlast bevrijden.
[^psalmen-72-4-10]: Kanttekening 10: Die met list of geweld anderen verdrukt.
[^psalmen-72-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, zolang de wereld zal staan, zult U, o God, uw kerk onder de regering van de Messias op aarde hebben, die U zal eren en dienen. Hebr. met, bij, of, voor de zon, en voor het aangezicht van de maan, geslacht van de geslachten. Verg. Gen. 8:22 ; Job 26:10 ; Ps. 89:37 , en Ps. 7:17 . Genesis 8:22 : Voortaan al de dagen van de aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden. Job 26:10 : Hij heeft een gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 7:17 : Zijn moeite zal op zijn hoofd terugkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.
[^psalmen-72-5-a]: Verwijzing a: Ps. 89:37 ; idem v. 38 . Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38 : Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela.
[^psalmen-72-6-12]: Kanttekening 12: Verg. 2 Sam. 23:4 ; Deut. 32:2 ; Job 29:23 ; Hos. 6:3 . 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. Deuteronomium 32:2 : Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Job 29:23 : Want zij wachtten naar mij, gelijk naar de regen, en sperden hun mond open, als naar de spade regen. Hosea 6:3 : Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land.
[^psalmen-72-6-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 23:4 . 2 Samuël 23:4 : En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.
[^psalmen-72-6-13]: Kanttekening 13: Afgemaaid gras, etgroen. Hebr. eigenlijk afgeschoren.
[^psalmen-72-6-14]: Kanttekening 14: Hebr. bevochtiging; maar het Hebr. woord \[dat hier alleen gevonden wordt\] heeft de betekenis van zulk een bevochtiging, die door verspreiding of sprenging van de droppels geschiedt, zodat het land de regen bekwamelijk kan indrinken en zijn klein uitspruitsel daarvan verkwikt worden en opschieten. Verg. Ps. 65:10 , 65:11 . Psalmen 65:10 : U bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt U het grotelijks; de rivier van God is vol waters; wanneer U het zo bereid hebt, maakt U hun koren gereed. Psalmen 65:11 : U maakt zijn opgeploegde aarde dronken; U doet ze dalen in zijn voren; U maakt het week door de druppelen; U zegent zijn uitspruitsel.
[^psalmen-72-7-15]: Kanttekening 15: In zijn dagen: Dat is, in de tijd van zijn regering.
[^psalmen-72-7-16]: Kanttekening 16: Of, groenen, groeien.
[^psalmen-72-7-17]: Kanttekening 17: Zie vers 5 . Psalmen 72:5 : Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
[^psalmen-72-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, van de één zee tot de andere zee.
[^psalmen-72-8-19]: Kanttekening 19: Eufraat, welke landpale Israël beloofd was en Salomo gehad heeft; maar Christus tot aan het einde van de wereld. Zie Gen. 15:18 ; 1 Kon. 4:21 , 4:24 ; Matt. 28:18 , 28:19 ; Openb. 11:15 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: 1 Koningen 4:21 : En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens. 1 Koningen 4:24 : Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom. Mattheüs 28:18 : En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Openbaring 11:15 : En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heer en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
[^psalmen-72-9-20]: Kanttekening 20: De ingezetenen van dorre plaatsen: Hebr. dorrigheden; dat is, barbaars volk, dat woeste, dorre, onbekende plaatsen bewoont, voor Salomo; idem, wilde, woeste, ongelovige heidenen, voor Christus. Verg. Jes. 40:3 , 40:4 , en Jes. 42:11 , 42:12 , enz. Jesaja 40:3 : Een stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Jesaja 40:4 : Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. Jesaja 42:11 : Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van de top van de bergen af schreeuwen. Jesaja 42:12 : Laat ze YHWH de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.
[^psalmen-72-9-21]: Kanttekening 21: stof likken: Verg. Micha 7:17 , en Jes. 49:23 . Micha 7:17 : Zij zullen het stof likken, als de slang; als kruipende dieren van de aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot YHWH, onze God, en zullen voor U vrezen. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^psalmen-72-10-22]: Kanttekening 22: Die aan de oceaan wonen. Zie 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^psalmen-72-10-23]: Kanttekening 23: De Hebreën verstaan hier, en in vele andere plaatsen, onder de eilanden de volken, die in of aan de Middellandse zee en daarover gelegen zijn, al zijn zij juist niet rondom in het water gelegen. Zie Gen. 10:5 ; idem Jes. 20:6 , en Jes. 23:2 , 23:6 ; Jer. 25:22 , met de aantekeningen, enz. Genesis 10:5 : Van deze zijn verdeeld de eilanden van de volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. Jesaja 20:6 : En de inwoners van dit eiland zullen op die dag zeggen: Ziet, zo is het gegaan die, op welke wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht van de koning van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen? Jesaja 23:2 : Zwijgt, u inwoners van het eiland! u, die de kooplieden van Sidon, over zee varende, vervulden, Jesaja 23:6 : Vaart over naar Tarsis, huilt, u inwoners van het eiland! Jeremia 25:22 : En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn.
[^psalmen-72-10-24]: Kanttekening 24: Zie Gen. 10:7 . Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^psalmen-72-11-25]: Kanttekening 25: alle koningen: Dat ziet alleen op de Messias.
[^psalmen-72-12-c]: Verwijzing c: Job 29:12 . Job 29:12 : Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had.
[^psalmen-72-12-26]: Kanttekening 26: Over zijn ellende en om hulp. Verg. Job 29:12 . Job 29:12 : Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had.
[^psalmen-72-13-27]: Kanttekening 27: Of, genadiglijk sparen.
[^psalmen-72-13-28]: Kanttekening 28: Of, behouden.
[^psalmen-72-14-29]: Kanttekening 29: list en geweld: dat is, van degenen, die zij met list en geweld verdrukken.
[^psalmen-72-14-30]: Kanttekening 30: Dat de goddeloze zoekt te vergieten, acht hij zo waard, dat hij de uitstortingen niet lichtelijk zal toelaten, of hij zal het zwaar wreken. Verg. Ps. 116:15 . Psalmen 116:15 : Kostelijk is in de ogen van YHWH de dood van Zijn gunstgenoten.
[^psalmen-72-15-31]: Kanttekening 31: Dat is, een lang leven hebben, gelijk men de koningen pleegt toe te wensen, 2 Sam. 16:16 ; 1 Kon. 1:31 , 1:39 . Verg. 1 Kon. 11:42 , en Christus aangaande, Jes. 53:10 ; Rom. 6:9 ; Hebr. 7:3 , en Hebr. 13:8 . 2 Samuël 16:16 : En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zei: De koning leve, de koning leve! 1 Koningen 1:31 : Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid! 1 Koningen 1:39 : En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve! 1 Koningen 11:42 : De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over het gehele Israël regeerde, was veertig jaar. Jesaja 53:10 : Maar het behaagde YHWH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van YHWH zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Romeinen 6:9 : Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Hebreeën 7:3 : Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. Hebreeën 13:8 : Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid.
[^psalmen-72-15-32]: Kanttekening 32: hem bidden: Niet alleen voor Salomo en zijn rijk, maar wel bijzonderlijk voor de voortgang van het geestelijk koninkrijk van Christus. Zie Ps. 118:25 , 118:26 . Psalmen 118:25 : Och YHWH! geef nu heil; och YHWH! geef nu voorspoed. Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.
[^psalmen-72-15-33]: Kanttekening 33: Dat is, hogelijk loven en roemen. Anders aldus: En Hij \[Christus\] zal hem \[de arme\] geven van het goud van Scheba, en Hij \[Christus\] zal geduriglijk voor hem \[de arme\] bidden; de hele dag zal Hij \[Christus\] hem \[de arme\] zegenen.
[^psalmen-72-16-34]: Kanttekening 34: hand vol koren: Of, een klein deel, het minste, of een weinig koren; te weten, gezaaid.
[^psalmen-72-16-35]: Kanttekening 35: Hebr., רֹאשׁ, hoofd.
[^psalmen-72-16-36]: Kanttekening 36: Dat is, het zal zo overvloedig en heerlijk opkomen, dat het vanwege de menigte zal ruisen als het van de wind bewogen wordt, gelijk de bomen op de Libanon. Verg. verder Hos. 14:8 , met de aantekeningen en Matt. 13:8 , 13:23 ; Hand. 2:41 , en Hand. 4:4 , enz. Of, aldus: Hij zal zijn als \[wanneer\] een handvol koren enz. verstaande dit van de kleine beginselen zijns koninkrijks op aarde. Hosea 14:8 : Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon. Mattheüs 13:8 : En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. Mattheüs 13:23 : Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud. Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 4:4 : En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal van de mannen werd omtrent vijf duizend.
[^psalmen-72-16-37]: Kanttekening 37: Dat is, de stadslieden, inwoners van Jeruzalem en andere steden. Verg. Jes. 27:6 . Jesaja 27:6 : In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.
[^psalmen-72-17-38]: Kanttekening 38: Hebr. voor het aangezicht van de zon. Zie vers 5 . Psalmen 72:5 : Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
[^psalmen-72-17-39]: Kanttekening 39: van kind tot kind: Hebr. eigenlijk alsof men zei: zal gezoond, of gekind worden; dat is, van kind tot kind worden voortgebracht, voortgeteeld.
[^psalmen-72-17-40]: Kanttekening 40: Zie Gen. 22:18 . Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^psalmen-72-18-41]: Kanttekening 41: Hebr., בָּרוּךְ, gezegend, en zo in vers 19 . Psalmen 72:19 : En geloofd zij de Naam van Zijn heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de gehele aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.
[^psalmen-72-19-42]: Kanttekening 42: Dat is, zijn eerlijke of heerlijke naam.
[^psalmen-72-20-43]: Kanttekening 43: De gebeden: De zin is niet dat er geen psalmen Davids in dit boek meer zouden volgen, maar dat dit de laatste psalm is, die David in zijn leven gemaakt en zijn zoon Salomo, ja de gehele kerk, als tot een testament of kleinood heeft nagelaten, besluitende met deze uitnemende profetie van zijn geestelijken gezegenden Koning, de Messias, onze Heer Jezus Christus. Sommigen menen dat met dit besluit te kennen wordt gegeven dat al de voorgaande psalmen door David alleen gemaakt zijn, daar in het volgende verscheidene gevonden worden, die door anderen zijn gemaakt.

### Psalmen 73

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/73.json)

*De profeet beschrijft, door zijn voorbeeld, de zware aanvechting die de gelovigen hebben over de voorspoed van de goddelozen en het kruis van de vromen, en wijst de echte weg om deze moeilijkheid te overwinnen, namelijk door overdenking van Gods wijze regering, die de goddelozen strekt tot overtuiging en verderf, maar de vromen ten beste, in het bijzonder opdat zij leren hun volkomen genoegen alleen te nemen in Gods genade en zalige gemeenschap.*

**1** Een psalm[^psalmen-73-1-1] van[^psalmen-73-1-2] Asaf. Immers is God Israël goed, van hen,[^psalmen-73-1-3] die rein van hart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v1)

**2** Maar wat mij betreft,[^psalmen-73-2-4] mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden.[^psalmen-73-2-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v2)

**3** Want ik was nijdig op de[^psalmen-73-3-5] dwazen, ziende op de[^psalmen-73-3-6] goddelozen vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v3)

**4** Want er zijn geen[^psalmen-73-4-7] banden[^psalmen-73-4-8] tot hun dood toe, en hun kracht is[^psalmen-73-4-9] fris. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v4)

**5** Zij zijn niet in de moeite[^psalmen-73-5-10] als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v5)

**6** Daarom[^psalmen-73-6-11] omringt hen de hoogmoed als een keten; het geweld bedekt hen als een[^psalmen-73-6-12] gewaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v6)

**7** Hun ogen[^psalmen-73-7-13] puilen uit van vet; zij[^psalmen-73-7-14] gaan de inbeeldingen van het hart te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v7)

**8** Zij[^psalmen-73-8-15] mergelen de mensen uit, en spreken[^psalmen-73-8-16] boos van verdrukking; zij spreken uit de[^psalmen-73-8-17] hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v8)

**9** [^psalmen-73-9-18] Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v9)

**10** Daarom keert zich[^psalmen-73-10-19] Zijn volk hiertoe, als hun water van een volle[^psalmen-73-10-20] beker worden uitgedrukt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v10)

**11** Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v11)

**12** Zie, deze zijn goddeloos; toch[^psalmen-73-12-21] hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het[^psalmen-73-12-22] vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v12)

**13** [^psalmen-73-13-23] Immers heb ik te vergeefs mijn[^psalmen-73-13-24] hart gezuiverd, en mijn[^psalmen-73-13-25] handen in onschuld gewassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v13)

**14** Omdat ik de hele dag geplaagd ben, en mijn straffing is[^psalmen-73-14-26] er elke morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v14)

**15** Als ik zou[^psalmen-73-15-27] zeggen: Ik zal ook[^psalmen-73-15-28] zo spreken; zie, zo zou ik trouweloos zijn aan[^psalmen-73-15-29] het geslacht van Uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v15)

**16** Toch heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn[^psalmen-73-16-30] ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v16)

**17** Totdat ik in Gods[^psalmen-73-17-31] heiligdommen inging, en op hun[^psalmen-73-17-32] einde merkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v17)

**18** Immers zet U hen op[^psalmen-73-18-33] gladde plaatsen; U doet hen vallen in[^psalmen-73-18-34] verwoestingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v18)

**19** Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v19)

**20** Als een[^psalmen-73-20-35] droom na het ontwaken! Als U[^psalmen-73-20-36] opwaakt, o Heere, dan zult U[^psalmen-73-20-37] hun beeld verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v20)

**21** Als mijn hart[^psalmen-73-21-38] opgezwollen was, en ik in mijn[^psalmen-73-21-39] nieren geprikkeld werd, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v21)

**22** Toen was ik[^psalmen-73-22-40] onvernuftig, en wist niets; ik was een[^psalmen-73-22-41] groot beest bij U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v22)

**23** Ik zal dan steeds[^psalmen-73-23-42] bij U zijn; U hebt mijn[^psalmen-73-23-43] rechterhand gevat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v23)

**24** U zult mij leiden door Uw[^psalmen-73-24-44] raad; en daarna zult U mij in[^psalmen-73-24-45] heerlijkheid opnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v24)

**25** [^psalmen-73-25-46] Wie heb ik naast U in de hemel? Naast U lust[^psalmen-73-25-47] mij ook niets op de aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v25)

**26** Bezwijkt mijn[^psalmen-73-26-48] vlees en mijn hart, zo is God de[^psalmen-73-26-49] Rotssteen van mijn hart, en mijn[^psalmen-73-26-50] Deel in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v26)

**27** Want ziet, die[^psalmen-73-27-51] verre van U zijn, zullen vergaan; U roeit uit, al wie[^psalmen-73-27-52] van U afhoereert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v27)

**28** Maar wat mij betreft, het is mij[^psalmen-73-28-53] goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op Adonai YHWH, om al Uw werken te vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/73.html#v28)

[^psalmen-73-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 50:1 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-73-1-2]: Kanttekening 2: Of, evenwel, nochtans, zekerlijk. Met deze woorden breekt de profeet uit, nadat hij een zwaren inwendigen strijd en aanvechting, vanwege het tijdelijke geluk van de goddelozen, overwonnen had. Verg. Ps. 62:2 . Psalmen 62:2 : Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
[^psalmen-73-1-3]: Kanttekening 3: die rein: Dat is, de rechte Israëlieten, niet die zonder zonde zijn, \[ Spr. 20:9 \], maar die Hem met een oprecht geloof en ongeveinsde godzaligheid dienen. Zie Joh. 1:48 ; Hand. 15:9 ; Rom. 9:6 , 9:8 ; 1 Joh. 3:3 . Spreuken 20:9 : Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Johannes 1:48 : Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welke geen bedrog is. Handelingen 15:9 : En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. 1 Johannes 3:3 : En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.
[^psalmen-73-2-4]: Kanttekening 4: mijn voeten: Anders, ik was bijna uitgeweken met mijn voeten.
[^psalmen-73-2-a]: Verwijzing a: Job 21:7 ; Ps. 37:1 ; Jer. 12:1 ; idem v. 2 . Job 21:7 : Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? Psalmen 37:1 : Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. Jeremia 12:1 : U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? Jeremia 12:2 : U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.
[^psalmen-73-3-5]: Kanttekening 5: Zie van het Hebr. woord Ps. 5:6 . Psalmen 5:6 : De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid.
[^psalmen-73-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, tijdelijk geluk en voorspoed.
[^psalmen-73-4-7]: Kanttekening 7: Of, knopen; dat is, zij hebben gene kwellingen van krankten en lichamelijke zwakheden, waardoor de mens als gebonden en belet wordt in zijn handel en wandel. Sommigen houden het voor een gelijkenis, genomen van de grove sterke draden, die in het weven effen en onverbroken aflopen, zodat men ze niet behoeft te knopen of te binden. Zo loopt het leven van vele goddelozen effen door, zonder grote strubbeling, tegenstoot of hindernis.
[^psalmen-73-4-8]: Kanttekening 8: tot hun dood toe: Anders, in hun dood; dat is, zij sterven een zachten en gemakkelijken dood. Zie Job 21:13 . Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
[^psalmen-73-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, lustig, gezond zijn zij. \[Zie Job 21:23 , 21:24 \]. Hebr., מוֹתָ, vet, gezond. Anders, hun portaal is sterk. Job 21:23 : Deze sterft in de kracht van zijn volkomenheid, daar hij geheel stil en gerust was; Job 21:24 : Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg van zijn benen was bevochtigd.
[^psalmen-73-5-10]: Kanttekening 10: Hebr., עֲמַל, in de moeite van de mens, en zo meteen opnieuw. Hier worden twee woorden Enosch en Adam \[beide betekenende mens \] gebruikt, waarvan het eerste ziet op de sterflijkheid en ellendigheid, het andere op de oorsprong van het lichaam van de aarde.
[^psalmen-73-6-11]: Kanttekening 11: Voor deze woorden, omringt hen als een keten, is in het Hebreeuws een woord, betekenende zoveel alsof men zei, ketent hen; dat is, is hun in plaats van een keten, omgehangen sieraad, gouden halsband. Of, zij zijn met hovaardij rondom behangen gelijk een keten rondom de hals gaat.
[^psalmen-73-6-12]: Kanttekening 12: Of, pronkkleed. Het Hebreeuwse woord wordt Spr. 7:10 , gebruikt van het kleed van een overspeelster, en schijnt de betekenis te hebben van een welzittend, welpassend, sierlijk kleed; zo pronken de goddelozen met overlast en geweld, alsof zij hun sieraad en opschik waren. Zie het tegendeel Job 29:14 . Spreuken 7:10 : En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; Job 29:14 : Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
[^psalmen-73-7-13]: Kanttekening 13: Hebr. gaat uit; te weten, elk oog. Verg. Job 15:27 . Job 15:27 : Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;
[^psalmen-73-7-14]: Kanttekening 14: gaan de: Dat is, het gaat hun beter dan zij zichzelven hadden ingebeeld; of de inbeeldingen huns harten gaat voort, of zij bedrijven meer kwaad dan iemands hart zou kunnen bedenken. Verg. Jer. 5:28 . Jeremia 5:28 : Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de nooddruftigen niet.
[^psalmen-73-8-15]: Kanttekening 15: Of, doen \[de mensen\] uitteren, of smelten, door allerlei overlast en trots, gelijk de volgende woorden verklaren. Het Hebr. woord wordt alleen hier zo gevonden en daarom verscheidenlijk overgezet.
[^psalmen-73-8-16]: Kanttekening 16: Hebr. in, of, met het boze, of boosheid.
[^psalmen-73-8-17]: Kanttekening 17: Voerende overal \[gelijk men zegt\] het hoogste woord, willende van niemand tegengesproken zijn. Verg. Ps. 12:5 . Psalmen 12:5 : Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
[^psalmen-73-9-18]: Kanttekening 18: Zij zetten: Dat is, zij lasteren onbeschroomd zowel God en alle goddelijke zaken als de mensen. Verg. Openb. 13:6 , zo wordt door de hemel God verstaan; Dan. 4:26 ; Luk. 15:18 . Openbaring 13:6 : En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in de hemel wonen. Daniël 4:26 : Dat er ook gezegd is, dat men de stam met de wortelen van die boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat u zult bekend hebben, dat de Hemel heerst. Lukas 15:18 : Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u;
[^psalmen-73-10-19]: Kanttekening 19: Zijn volk: Te weten, Gods, van welke in het eerste vers van deze psalm en in het naastvolgende gesproken wordt. De zin is dat de vromen, overdenkende hun groot kruis en daarentegen de voorspoed van de goddelozen, met deze gedachten bestreden worden. Of ook God op de menselijke zaken acht zou nemen.
[^psalmen-73-10-20]: Kanttekening 20: bekers : Of, bekkens; dat is, lijden wordt hun in een volle en overvloeiende maat toegedeeld, alsof men water in een bekken of beker voor iemand uit iets, dat vol vochtigheid is, uitwrong of uitdrukte. Zie 2 Sam. 22:17 ; Ps. 11:6 . Of, men kan door de wateren hier verstaan tranen; uit vergelijking van Ps. 42:4 , en Ps. 80:6 ; alsof de profeet zei: een beker vol tranen. 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Psalmen 42:4 : Mijn tranen zijn mij tot voedsel dag en nacht; omdat zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Psalmen 80:6 : U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
[^psalmen-73-12-21]: Kanttekening 21: Hebr. \[zij zijn\] de gerusten, of vrede hebbenden van de wereld, of van de eeuw, of eeuwigheid; dat is, die de vrede, \[verg. Joh. 14:27 \] of het geluk van deze wereld genieten, of hun levenlang in rust, gemak en weelde zitten en geheel zorgeloos leven. Van zulk een gebruik van het woord, \[eeuwigheid\] zie Deut. 15:17 , en verg. met deze klacht Jer. 12:1 , 12:2 . Johannes 14:27 : Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd. Deuteronomium 15:17 : Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen. Jeremia 12:1 : U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? Jeremia 12:2 : U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.
[^psalmen-73-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, rijkdom, gelijk Deut. 8:17 , 8:18 ; Ruth 2:1 ; 2 Kon. 5:1 . Deuteronomium 8:17 : En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen. Deuteronomium 8:18 : Maar u zult gedenken YHWH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft, gelijk het te deze dage is. Ruth 2:1 : Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz. 2 Koningen 5:1 : Naäman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had YHWH de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats.
[^psalmen-73-13-23]: Kanttekening 23: Woorden van de profeet in zijn strijd.
[^psalmen-73-13-24]: Kanttekening 24: hart gezuiverd: Zie vers 1 . Psalmen 73:1 : Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van hart zijn.
[^psalmen-73-13-25]: Kanttekening 25: Zie Ps. 26:6 . Psalmen 26:6 : Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o YHWH!
[^psalmen-73-14-26]: Kanttekening 26: elke morgen: Hebr. in de morgenstonden; dat is, alle morgen, of vroeg. Zo Job 7:18 ; Ps. 101:8 ; Jes. 33:2 ; Klaagl. 3:23 . Job 7:18 : En dat U hem bezoekt in elke morgenstond; dat U hem in elk ogenblik beproeft? Psalmen 101:8 : Elke morgen zal ik alle goddelozen van het land verdelgen, om uit de stad van YHWH alle werkers van de ongerechtigheid uit te roeien. Jesaja 33:2 : YHWH, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm elke morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid. Klaagliederen 3:23 : Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot.
[^psalmen-73-15-27]: Kanttekening 27: Dit kan men nemen voor zeggen bij zichzelven; dat is, denken, gelijk elders dikwijls.
[^psalmen-73-15-28]: Kanttekening 28: Dat is, ik zal deze plaag de overhand in mij laten nemen, mijn vlees bijvallen, en voortaan de vromen bij openlijke uitspraak verdoemen en de goddelozen prijzen.
[^psalmen-73-15-29]: Kanttekening 29: Dat is, aan de gehele menigte van de vromen, uw gehele kerk, ook genoemd het geslacht van de rechtvaardigen, of het rechtvaardige geslacht; Ps. 14:5 . Hij wil zeggen dat hij de kerk van God grotelijks zou verongelijken en zich grovelijk aan hen en God zelven vergrijpen, mits die vanwege het kruis verdoemende. Van het Hebreeuwse woord, dat voor geslacht genomen wordt, zie Ps. 12:8 . Psalmen 14:5 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen. Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^psalmen-73-16-30]: Kanttekening 30: moeite in mijn ogen: Dat is, deze zaak, van het kruis van de vromen en het geluk van de goddelozen, scheen mij te zwaar om te begrijpen, ik kon mij daarin niet onderrichten. Zie Job 18:3 . Job 18:3 : Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
[^psalmen-73-17-31]: Kanttekening 31: Versta, Gods woord en de plaats waar Gods volk bijeenkomt en zijn woord verhandeld, geleerd en onderzocht wordt.
[^psalmen-73-17-32]: Kanttekening 32: Hebr. achterste, laatste, uiterste; dat is, hoe de goddelozen ten laatste varen zullen, gelijk Deut. 32:20 , 32:29 , enz. Deuteronomium 32:20 : En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is. Deuteronomium 32:29 : O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
[^psalmen-73-18-33]: Kanttekening 33: gladde plaatsen: Een gelijkenis, genomen van slibberige wegen, waarop men niet vast gaat en lichtelijk komt te vallen.
[^psalmen-73-18-34]: Kanttekening 34: Of, verstoringen. Eigenlijk die met groot gedruis en onstuimigheid overvallen.
[^psalmen-73-20-35]: Kanttekening 35: Dat is, al hun geluk, voorspoed, weelde en wellust verdwijnt in der haast, gelijk een droom wanneer men wakker wordt; zie Job 20:8 , 20:9 ; Jes. 29:7 , 29:8 . Job 20:8 : Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht van de nacht. Job 20:9 : Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen. Jesaja 29:7 : En gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen. Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen.
[^psalmen-73-20-36]: Kanttekening 36: Dat is, U gereedmaakt tot hun straf, U die tevoren scheent te slapen en hun boosheid niet te zien. Zo Ps. 35:23 , enz. Anders, als U \[hen\] opwekt; te weten, ten jongsten dage. Psalmen 35:23 : Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en YHWH! tot mijn twistzaak.
[^psalmen-73-20-37]: Kanttekening 37: Dat is, al hun vergankelijk geluk, heerlijkheid en glans. Verg. Ps. 39:7 , en 1 Kor. 7:31 . Dit kan men verder ook duiden op de eeuwige smaadheid van de goddelozen, die zij lijden zullen na de opstanding uit de doden; zie Dan. 12:3 . Psalmen 39:7 : Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij zinloos; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. 1 Korinthiërs 7:31 : En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Daniël 12:3 : De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig.
[^psalmen-73-21-38]: Kanttekening 38: opgezwollen was: Of, opliep, als een zuurdeeg; waarvan het Hebr. woord eigenlijk gebruikt wordt. Dat is, als ik zo onrustig, verdrietig en toornig was over het geluk van de goddelozen.
[^psalmen-73-21-39]: Kanttekening 39: nieren geprikkeld werd: Dat is, heftiglijk bewogen werd, of mijn bewegingen zeer scherp waren. Zie Job 19:27 . Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^psalmen-73-22-40]: Kanttekening 40: Als een overnuftig dier. Zie Ps. 49:11 . Psalmen 49:11 : Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
[^psalmen-73-22-41]: Kanttekening 41: groot beest: Dat is, zeer beestelijk. Hebr. behemoth; dat is, beesten. Welk woord gebruikt wordt Job 40:10 , naar sommiger gevoelen, van de olifant. De zin is: Ik mocht met recht bij U gehouden worden zo onverstandig en beestelijk als de beesten zelf. Job 40:10 : Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund.
[^psalmen-73-23-42]: Kanttekening 42: bij U zijn: Dat is, mij aan U houden en mij in uw wijze en heilige regering geruststellen.
[^psalmen-73-23-43]: Kanttekening 43: Dat is, mij in mijn onverstand en zwaren strijd bewaard en ondersteund, dat ik niet ben afgeweken. Zie boven, vers 2 . Psalmen 73:2 : Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden.
[^psalmen-73-24-44]: Kanttekening 44: Dat is, door uw Heilige Geest, en ook uw vaderlijke voorzorg en regering.
[^psalmen-73-24-45]: Kanttekening 45: Verg. deze manier van spreken met 1 Tim. 3:16 , en Hebr. 3:10 ; idem 1 Thess. 4:17 . 1 Timotheüs 3:16 : En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. Hebreeën 3:10 : Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^psalmen-73-25-46]: Kanttekening 46: Wie heb ik naast U : Of, wie is er voor mij; te weten, naast U; welke woorden, in het volgende lid gesteld, hiertoe ook behoren. Hij wil zeggen dat hij in de hemel niemand heeft, die hij aanroept en op wie hij vertrouwt dan God.
[^psalmen-73-25-47]: Kanttekening 47: Om daarin mijn genoegen te stellen, of mij daarop te vertrouwen. De profeet wil zeggen dat God zijn enig en opperste goed is, dat hebbende, hij ten volle tevreden is.
[^psalmen-73-26-48]: Kanttekening 48: mijn vlees en mijn hart: Dat is, lijf en ziel, gelijk Ps. 84:3 . Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
[^psalmen-73-26-49]: Kanttekening 49: Dat is, op welke mijn hart vertrouwt, als mijn sterkte en toevlucht. Zie Deut. 32:4 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
[^psalmen-73-26-50]: Kanttekening 50: Verg. Ps. 16:5 , 16:6 . Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
[^psalmen-73-27-51]: Kanttekening 51: verre van U zijn: Die gene gemeenschap met U hebben, of zich ver van U houden.
[^psalmen-73-27-52]: Kanttekening 52: van U afhoereert: Dat is, geestelijke hoererij of overspel bedrijft, iets anders liever hebbende dan U. Zie Lev. 17:7 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^psalmen-73-28-53]: Kanttekening 53: Hebr. naheid, of nadering Gods; dat is, tot God, gelijk Jes. 58:2 . Jesaja 58:2 : Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten van de gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen;

### Psalmen 74

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/74.json)

*De Kerk van God klaagt over de gruwelijke verwoestingen die de vijanden overal, in het bijzonder in de tempel en de synagogen, hadden aangericht; en Hem voorleggend de wreedheid en de godslasteringen van de vijand, het tegenwoordige gemis van Gods gewone genadetekenen, Zijn voorgaande wonderen en weldaden, de ellendige staat van Zijn beminde en weerloze Kerk, en de vastheid van Zijn verbond, bidt zij om verlossing, tot Zijn eer en tot beschaming van de vijanden.*

**1** Een[^psalmen-74-1-1] onderwijzing,[^psalmen-74-1-2] voor Asaf. O God! waarom verstoot U in[^psalmen-74-1-3] eeuwigheid? Waarom zou[^psalmen-74-1-4] Uw toorn roken tegen de[^psalmen-74-1-5] schapen van Uw weide? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v1)

**2** Gedenk aan Uw[^psalmen-74-2-6] vergadering, die U van ouds verworven hebt; de[^psalmen-74-2-7] roede van Uw erfenis, die U verlost hebt; de berg Sion, waarop U gewoond hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v2)

**3** Hef Uw[^psalmen-74-3-8] voeten op tot de[^psalmen-74-3-9] eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom[^psalmen-74-3-10] verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v3)

**4** Uw tegenstanders hebben in het midden van Uw[^psalmen-74-4-11] vergaderplaatsen[^psalmen-74-4-12] gebruld; zij hebben[^psalmen-74-4-13] hun tekenen tot tekenen gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v4)

**5** Een ieder werd[^psalmen-74-5-14] er[^psalmen-74-5-15] bekend als één, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een[^psalmen-74-5-16] geboomte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v5)

**6** Zo hebben zij nu[^psalmen-74-6-17] van die graveerselen samen met[^psalmen-74-6-18] houwelen en beukhamers in stukken geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v6)

**7** [^psalmen-74-7-a] Zij hebben Uw heiligdommen in het[^psalmen-74-7-19] vuur[^psalmen-74-7-20] gezet; ter aarde toe hebben zij de woning van Uw Naam ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v7)

**8** Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons samen[^psalmen-74-8-21] uitplunderen; zij hebben alle Gods[^psalmen-74-8-22] vergaderplaatsen in het land verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v8)

**9** Wij zien onze[^psalmen-74-9-23] tekenen niet; er is geen[^psalmen-74-9-24] profeet meer, noch iemand bij ons, die weet,[^psalmen-74-9-25] hoe lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v9)

**10** Hoe lang, o God! zal de tegenstander smaden? Zal de vijand Uw Naam[^psalmen-74-10-26] in eeuwigheid lasteren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v10)

**11** Waarom trekt U Uw hand, ja, Uw[^psalmen-74-11-27] rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw[^psalmen-74-11-28] boezem;[^psalmen-74-11-29] maak een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v11)

**12** Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v12)

**13** [^psalmen-74-13-b] U hebt door Uw sterkte de[^psalmen-74-13-30] zee gespleten; U hebt de koppen van[^psalmen-74-13-31] de draken in de wateren verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v13)

**14** U hebt de[^psalmen-74-14-32] koppen van[^psalmen-74-14-33] de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven[^psalmen-74-14-34] aan het volk in dorre plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v14)

**15** [^psalmen-74-15-c] U hebt een fontein en beek[^psalmen-74-15-35] gekliefd;[^psalmen-74-15-d] U hebt[^psalmen-74-15-36] sterke[^psalmen-74-15-37] rivieren uitgedroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v15)

**16** De dag is van U, ook is de nacht van U;[^psalmen-74-16-e] U hebt het[^psalmen-74-16-38] licht en de zon bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v16)

**17** U hebt al de grenzen van de aarde gesteld; zomer en winter, die hebt U gevormd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v17)

**18** Gedenk hieraan;[^psalmen-74-18-39] de vijand heeft YHWH gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v18)

**19** Geef[^psalmen-74-19-40] aan het wild gedierte de[^psalmen-74-19-41] ziel van Uw tortelduif niet over; vergeet de hoop[^psalmen-74-19-42] van Uw ellendigen niet[^psalmen-74-19-43] in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v19)

**20** Aanschouw het[^psalmen-74-20-44] verbond; want de[^psalmen-74-20-45] duistere plaatsen van het land zijn vol woningen van geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v20)

**21** Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren; laat de ellendige en arme Uw Naam prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v21)

**22** Sta op, o God![^psalmen-74-22-46] twist Uw rechtszaak; gedenk van de[^psalmen-74-22-47] smaad, die U van de dwaze wedervaart de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v22)

**23** Vergeet niet[^psalmen-74-23-48] het geroep Uw tegenstanders; het getier van degenen, die tegen U opstaan,[^psalmen-74-23-49] klimt steeds op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/74.html#v23)

[^psalmen-74-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-74-1-2]: Kanttekening 2: voor Asaf: Of, Asafs, dat men kan verstaan van Asaf zelf, of zijn nakomelingen. Zie Ps. 50:1 . Sommigen menen dat Asaf zelf door de profetische Geest deze psalm gemaakt heeft van toekomende tijden, om gebruikt te worden als deze zwarigheden Gods volk zouden overkomen. Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-74-1-3]: Kanttekening 3: Of, voor altijd, ganselijk, ten enenmale. Zie van het Hebr. woord Ps. 13:2 . Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^psalmen-74-1-4]: Kanttekening 4: Of, uw neus. Verg. 2 Sam. 22:16 . Anders, is rokende toorn zoveel als brandende toorn, gelijk Gods toorn dikwijls bij vuur vergeleken wordt, waarvan de rook opgaat. Zie Deut. 29:20 ; Ps. 80:5 . 2 Samuël 22:16 : En de diepe kolken van de zee werden gezien, de gronden van de wereld werden ontdekt, door het schelden van YHWH, van het geblaas van de wind van Zijn neus. Deuteronomium 29:20 : YHWH zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn en ijver van YHWH roken over dezelfde man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en YHWH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. Psalmen 80:5 : O YHWH, God van de legermachten! hoe lang zult U roken tegen het gebed Uws volks?
[^psalmen-74-1-5]: Kanttekening 5: Zie Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
[^psalmen-74-2-6]: Kanttekening 6: Uw gemeente, uw volk Israël.
[^psalmen-74-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, Israël, dat uw erfdeel is, dat u Uzelven als met roeden hebt toegemeten. Zo Jer. 10:16 . Verg. Deut. 32:9 , en Ps. 16:5 , 16:6 . Jeremia 10:16 : Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve. Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
[^psalmen-74-3-8]: Kanttekening 8: Of, gangen, treden; dat is, haast U, treed hard aan, om deze langdurige verwoestingen te aanschouwen en daarin te voorzien; menselijk van God gesproken.
[^psalmen-74-3-9]: Kanttekening 9: Hebr., נֶצַח, verwoestingen van de eeuwigheid; dat is, langdurig.
[^psalmen-74-3-10]: Kanttekening 10: Of, geschonden. Hebr., הֵרַע, eigenlijk kwaad gemaakt.
[^psalmen-74-4-11]: Kanttekening 11: Waar men op vastgestelde tijden vergadert, om de godsdienst te verrichten en het woord van de Heer te horen; gelijk te die tijde waren de tempel en de synagogen, van welke onder vers 8 . Psalmen 74:8 : Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
[^psalmen-74-4-12]: Kanttekening 12: Gelijk leeuwen.
[^psalmen-74-4-13]: Kanttekening 13: hun tekenen: Met hun afgodische tekenen of krijgsbanieren hebben zij het overal vervuld, tot een teken dat zij meester over ons zijn.
[^psalmen-74-5-14]: Kanttekening 14: Hebr. hij werd bekend; dat is, een ieder van de vijanden werd bekend, dat is, vermaard en beroemd, als hebbende een mannelijk feit bedreven. Verg. Spr. 31:23 , en boven Ps. 9:17 . Spreuken 31:23 : Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten van het land. Psalmen 9:17 : YHWH is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen! Higgajon, Sela.
[^psalmen-74-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, zij hebben niet anders gehouwen en gekerfd, dan of ze in een bos doende waren met hout houwen.
[^psalmen-74-5-16]: Kanttekening 16: Of, hout. Want men kan het ook nemen van het dichtgewrochte houtwerk van het heiligdom, de zin op hetzelfde uitkomende. Dan zou de overzetting aldus staan: als de bijlen omhoog, of boven aanbrengende, of als die de bijlen omhoog aanbracht, aandreef, aanvoerde; dat is, een ieder werd bekend als op zulke wijze te werk gaande, of daardoor, dat hij zo deed; omdat als, of gelijk, niet altijd ziet op enige gelijkheid, maar ook somtijds op de daad en waarheid. Zie Gen. 27:12 en Neh. 7:2 . Genesis 27:12 : Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zou ik een vloek over mij halen, en niet een zegen. Nehemia 7:2 : En ik gaf bevel aan mijn broer Hanani, en aan Hananja, de overste van de burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.
[^psalmen-74-6-17]: Kanttekening 17: van die graveerselen: Dat is, het gegraveerde of gesneden werk van het heiligdom, \[waarvan vers 3 \] waar de gemeente plaagt te vergaderen, op welke het woord hun schijnt te zien. Hebr. hun openingen. Zie van ditzelfde woord Ex. 28:11 . Psalmen 74:3 : Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven. Exodus 28:11 : Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult u deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël; u zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.
[^psalmen-74-6-18]: Kanttekening 18: Het Hebr. woord komt van aanstoten, vallen, neervellen, betekenende zo een instrument, waarmee men iets afscheurt of aftrekt om neder te vellen, gelijk houwelen, haken, hellebaarden.
[^psalmen-74-7-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 25:9 . 2 Koningen 25:9 : En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de grote verbrandde hij met vuur.
[^psalmen-74-7-19]: Kanttekening 19: Hebr., שִׁלְחוּ, gezonden.
[^psalmen-74-7-20]: Kanttekening 20: ter aarde: Dat is, tot de grond toe, of zij hebben haar ontheiligd, afbrekende en slechtende die ter aarde.
[^psalmen-74-8-21]: Kanttekening 21: Of, onderdrukken. Van het Hebr. woord komt een ander, dat een duif betekent, omdat zij als elks mans roof is. Anders, hun kinderen zeggen in hun hart. Zij hebben allen, enz.
[^psalmen-74-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, alle synagogen en scholen van de profeten, waar Gods woord gelezen en verklaard of geleerd werd.
[^psalmen-74-9-23]: Kanttekening 23: De gewone en buitengewone tekenen van Gods genadige aanwezigheid en gunst.
[^psalmen-74-9-24]: Kanttekening 24: Verg. Ez. 7:26 ; omdat nochtans de auteur van deze psalm een man van God en profeet geweest is, schijnt het gevoelen dergenen zo vreemd niet te zijn, die menen dat deze psalm van Asaf of enige andere profeet van die naam \[gelijk dergelijke profetische voorschriften elders in Gods woord gevonden worden\] gemaakt is aleer deze zwarigheden Gods volk zijn overkomen en toen de openbare godsdienst nog in zwang was, gelijk afgenomen wordt uit vers 1 , om Gods kerk te dienen in verscheidene volgende tijden; eensdeels in de Babylonische gevangenschap, nadat Ezechiël heeft opgehouden te profeteren; anderdeels onder de gruwelijke tirannie van Antiochus, waarvan sommigen dit bijzonderlijk verstaan; omdat de tijd van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap door Jeremia uitdrukkelijk was geprofeteerd. Sommigen verstaan dat deze psalm \[alsook dergelijk andere\] ten tijde van Antiochus gemaakt is, door een man van God of profeet; dat is, leraar, die wel door ingeven van de Heilige Geest Gods volk geleerd en deze psalm gedicht heeft, maar geen zulk profeet geweest is als de anderen, die bijzonderlijk zo genoemd zijn, omdat zij goddelijke openbaringen van toekomende dingen gehad hebben, van welke Maleachi de laatste geweest is. Ezechiël 7:26 : Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezicht van een profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van de priester, en de raad van de oudsten. Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
[^psalmen-74-9-25]: Kanttekening 25: hoe lang: Dat is, hoelang deze ellenden en verwoestingen zullen duren.
[^psalmen-74-10-26]: Kanttekening 26: in eeuwigheid: Dat is, altijd, steeds. Zie vers 1 . Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
[^psalmen-74-11-27]: Kanttekening 27: Met welke U ons zo krachtiglijk pleegt te beschutten en te verlossen; menselijk van God gesproken.
[^psalmen-74-11-28]: Kanttekening 28: Dat is, stelt ze te werk; het tegendeel wordt gezegd van die, wie het verdriet te werken; Spr. 26:15 . Spreuken 26:15 : De luiaard verbergt zijn hand in de boezem, hij is te moe, om die weer tot zijn mond te brengen.
[^psalmen-74-11-29]: Kanttekening 29: maak een: Te weten van deze verwoestingen van de vijand en onze ellenden. Anders, steek haar ten volle uit het midden uws boezems.
[^psalmen-74-13-b]: Verwijzing b: Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^psalmen-74-13-30]: Kanttekening 30: Versta, het Rode meer of de Schelfzee.
[^psalmen-74-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, van de trotse oversten van Farao.
[^psalmen-74-14-32]: Kanttekening 32: Dat is, de grote kop, die inplaats van velen is; gelijk de olifant behemoth, dat is beesten genoemd wordt; omdat het een zeer groot beest is. Job 40:10 , enz. Of, versta door de koppen Farao's oversten. Job 40:10 : Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund.
[^psalmen-74-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, van het grote vreeslijke zeegedierte, of de zeedraak, waarbij Farao hier vergeleken wordt en andere grote tirannen; Jes. 27:1 . Verg. ook Ez. 29:3 , 29:4 , 29:5 , en Ez. 32:2 . Zie van de Leviathan Job 40:20 , enz. Jesaja 27:1 : Te die dage zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden. Ezechiël 29:3 : Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt. Ezechiël 29:4 : Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en de vis van uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, en al de vis van uw rivieren zal aan uw schubben kleven. Ezechiël 29:5 : En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al de vis van uw rivieren; op het open veld zult u vallen; u zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte van de aarde en aan het gevogelte van de hemel heb Ik u tot voedsel gegeven. Ezechiël 32:2 : Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hun rivieren. Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken?
[^psalmen-74-14-34]: Kanttekening 34: aan het volk: Dat is de vogels en wilde dieren, die de dode lichamen van de verdronken Egyptenaars, aan land of aan de oever gedreven zijnde \[ Ex. 14:30 \] hebben opgegeten. Zo worden mieren, sprinkhanen, konijnen, enz, een volk en natie genoemd; Spr. 30:25 , 30:26 ; Joel 1:6 . Anders kan men het ook zo verstaan dat God zijn volk de roof van de Egyptenaren in de woestijn tot hun onderhoud gegeven heeft. Verg. Deut. 31:17 , en Num. 14:9 , met de aantekeningen. Exodus 14:30 : Zo verloste YHWH Israël aan die dag uit de hand van de Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee. Spreuken 30:25 : De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar voedsel. Spreuken 30:26 : De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in de rotssteen. Joël 1:6 : Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen het ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet!
[^psalmen-74-15-c]: Verwijzing c: Ex. 17:5 ; idem v. 6 ; Num. 20:11 ; Ps. 105:41 ; Jes. 48:21 . Exodus 17:5 : Toen zei YHWH tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen. Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. Jesaja 48:21 : En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit de rotssteen stromen; als Hij de rotssteen kloof, zo vloeiden de wateren daarheen.
[^psalmen-74-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, de rotssteen gekliefd, dat er een fontein en beek uit voortkwam.
[^psalmen-74-15-d]: Verwijzing d: Joz. 3:13 . Jozua 3:13 : Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heer van de gehele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op één hoop blijven staan.
[^psalmen-74-15-36]: Kanttekening 36: Hebr., נַהֲרוֹת, rivieren van de sterkte.
[^psalmen-74-15-37]: Kanttekening 37: Gelijk de wateren van de Jordaan, waar de kinderen van Israël op het droge zijn doorgegaan. Hij wil zeggen: U brengt water voort waar het niet is, en droogt het weg waar het is.
[^psalmen-74-16-e]: Verwijzing e: Gen. 1:14 . Genesis 1:14 : En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
[^psalmen-74-16-38]: Kanttekening 38: Dat is, een lichtgevend lichaam, waardoor men hier de maan en sterren kan verstaan, om 's nachts te lichten, gelijk de zon bij dag. Zie Gen. 1:16 ; Ps. 136:7 , 136:8 , en verg. Job 31:26 , alwaar door het licht de zon schijnt verstaan te worden, maar de maan uitdrukkelijk genoemd wordt. Genesis 1:16 : God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren. Psalmen 136:7 : Die, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:8 : De zon tot heerschappij op de dag; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Job 31:26 : Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
[^psalmen-74-18-39]: Kanttekening 39: de vijand: Anders, de vijand heeft gesmaad, of gehoond, o YHWH, enz.
[^psalmen-74-19-40]: Kanttekening 40: aan het: Of, deze wilde hoop. Zie van het Hebr. woord Ps. 68:11 . Psalmen 68:11 : Uw hoop woonde daarin; U bereidde ze door Uw goedheid voor de ellendige, o God!
[^psalmen-74-19-41]: Kanttekening 41: Dat is, het leven van uw kerk; die zo machteloos en weerloos is om deze wrede hoop tegen te staan, gelijk een tortelduif is tegen het geweld van wild gedierte; behelpende zich verder in stilte met wenen en klagen tot God, en blijvende geestelijk en inwendiglijk schoon, eenvoudig, zachtmoedig en haar God getrouw. In welk aanzien de gelijkenis van duiven dikwijls in de Heilige Schrift gebruikt wordt. Zie boven Ps. 55:7 , en Ps. 56:1 , en Ps. 68:14 ; Hoogl. 1:15 , en Hoogl. 2:14 , en Hoogl. 4:1 , en Hoogl. 5:12 , en Hoogl. 6:9 ; Jes. 38:14 , en Jes. 59:11 ; Ez. 7:16 ; Hos. 11:11 ; Matt. 10:16 . Psalmen 55:7 : Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als van een duif, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. Psalmen 56:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. Psalmen 68:14 : Al laagt u tussen twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, en waarvan de vederen zijn met uitgegraven geluwen goud. Hooglied 1:15 : Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 2:14 : Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk. Hooglied 4:1 : Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Hooglied 5:12 : Zijn ogen zijn als van de duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes van de ringen. Hooglied 6:9 : Een enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige van haar moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. Jesaja 38:14 : Gelijk een kraan of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o YHWH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg. Jesaja 59:11 : Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons. Ezechiël 7:16 : En hun ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven van de dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid. Hosea 11:11 : Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH. Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
[^psalmen-74-19-42]: Kanttekening 42: Uw ellendigen: Die U toebehoren en om uws naams wil lijden. Verg. Ps. 69:27 , 69:34 ; en Ps. 72:2 . Psalmen 69:27 : Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uw verwonden. Psalmen 69:34 : Want YHWH hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. Psalmen 72:2 : Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
[^psalmen-74-19-43]: Kanttekening 43: in eeuwigheid: Dat is, voor altijd. Gelijk boven vers 1 . Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
[^psalmen-74-20-44]: Kanttekening 44: Dat U met Abraham en zijn zaad gemaakt hebt, gegrond in de Messias.
[^psalmen-74-20-45]: Kanttekening 45: Dat is, alle hoeken van het land zijn gelijk moordkuilen, waar de vijand alle geweld uit bedrijft.
[^psalmen-74-22-46]: Kanttekening 46: Zie Ps. 35:1 . Psalmen 35:1 : Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
[^psalmen-74-22-47]: Kanttekening 47: Hebr., נָבָל, uw smaadheid van een dwaas.
[^psalmen-74-23-48]: Kanttekening 48: het geroep: Hebr., קוֹל, van de stem.
[^psalmen-74-23-49]: Kanttekening 49: klimt geduriglijk: Dat is, neemt steeds toe. Verg. 1 Kon. 22:35 . Of, klimt op naar de hemel tot U; gelijk Jona 1:2 . 1 Koningen 22:35 : En de strijd nam op dezelfde dag toe, en de koning werd met de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf 's avonds, en het bloed van de wonde vloeide in de bak van de wagen. Jona 1:2 : Maak u op, ga naar de grote stad Nineve, en predik tegen haar; want hun boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.

### Psalmen 75

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/75.json)

*David dankt God, met alle vromen, voor de genadige verandering van de zaken in Israël, en belooft dat hij, als hij door God (Die de bewerker is van verhogen en vernederen) tot koning over Israël gemaakt zal zijn, godzalig zal regeren, de goddeloze straffend en de vrome verhogend, en God dankend, Die de vrome wel laat drinken uit de beker van Zijn toorn, maar de goddeloze het bezinksel laat uitzuigen.*

**1** Voor de[^psalmen-75-1-1] opperzangmeester,[^psalmen-75-1-2] Al-tascheth; een psalm,[^psalmen-75-1-3] een lied,[^psalmen-75-1-4] voor Asaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v1)

**2** Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw[^psalmen-75-2-5] Naam nabij is;[^psalmen-75-2-6] men vertelt Uw wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v2)

**3** Als ik het[^psalmen-75-3-7] bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik[^psalmen-75-3-8] geheel recht richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v3)

**4** Het land en al zijn inwoners waren[^psalmen-75-4-9] versmolten; maar ik heb zijn pilaren[^psalmen-75-4-10] vastgemaakt.[^psalmen-75-4-11] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v4)

**5** Ik heb gezegd tot de[^psalmen-75-5-12] onzinnigen: Wees niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoog de[^psalmen-75-5-13] hoorn niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v5)

**6** Verhoog uw hoorn niet omhoog; spreek niet met[^psalmen-75-6-14] stijven hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v6)

**7** Want het[^psalmen-75-7-15] verhogen komt niet uit het[^psalmen-75-7-16] oosten, noch uit het westen, noch uit de[^psalmen-75-7-17] woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v7)

**8** Maar God[^psalmen-75-8-18] is Rechter; Hij vernedert deze, en verhoogt anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v8)

**9** Want in de hand van YHWH is een[^psalmen-75-9-19] beker, en de wijn is[^psalmen-75-9-20] beroerd, vol van[^psalmen-75-9-21] mengeling, en Hij[^psalmen-75-9-22] schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde[^psalmen-75-9-23] zullen[^psalmen-75-9-24] zijn droesemen[^psalmen-75-9-25] uitzuigende drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v9)

**10** En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal de God van Jakob psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v10)

**11** En ik zal alle[^psalmen-75-11-26] hoornen van de goddelozen afhouwen; de[^psalmen-75-11-27] hoornen van de rechtvaardigen zullen verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/75.html#v11)

[^psalmen-75-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-75-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 57:1 . Psalmen 57:1 : Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth; als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de spelonk.
[^psalmen-75-1-3]: Kanttekening 3: een lied: Zie Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-75-1-4]: Kanttekening 4: voor Asaf: Anders, van Asaf, maar het schijnt ganselijk dat het gevoelen dergenen het eenvoudigste is, die uit verg. van de inhoud van deze psalm met 2 Sam. 2 , 2 Sam. 3 , 2 Sam. 4 , 2 Sam. 5 , afnemen, en aan Asaf gegeven heeft, ten tijde als hij na Sauls dood koning was geworden over Juda; en de zaken na Isboseths dood, daarop stonden dat hij het beloofde koninkrijk van geheel Israël zou ontvangen, om God voor deze wonderlijke en genadige verandering van de zaken te danken, met belofte dat hij alles, wat in het land vervallen was, naar Gods wil zou herstellen, en zich gedragen als een voorbeeld van Jezus Christus. Verg. ook deze psalm met Ps. 101 .
[^psalmen-75-2-5]: Kanttekening 5: Naam nabij: Dat is, U zelf, met de vervulling van uw beloften, die U mij gedaan hebt. Anders: en uw naam is nabij; te weten, in onze mond.
[^psalmen-75-2-6]: Kanttekening 6: men vertelt: Hebr., zij vertellen; te weten, ik en allen, die mij toegedaan zijn en deze tijd met groot geduld verwacht hebben, en U nu danken, gelijk vers 2 gezegd. Psalmen 75:2 : Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
[^psalmen-75-3-7]: Kanttekening 7: bestemde ambt : Dat is, het koninkrijk, dat U mij beloofd hebt en de gezamenlijke stammen mij toegestemd hebben. Sommigen duiden het op de bestemde tijd van het koninkrijk; idem, de vergadering van de oudsten, als een rijksdag hiertoe bestemd, of de bestemde plaats van de heilige vergaderingen; te weten, Zion, dat David, koning geworden zijnde, meteen voornam te winnen tot een plaats voor de godsdienst en van zijn koninklijken troon; de zaak al op hetzelfde uitkomende.
[^psalmen-75-3-8]: Kanttekening 8: Hebr. rechtheden, of rechtigheden richten; dat is, ik zal in alle rechtmatigheid en billijkheid richten en regeren; zo elders dikwijls.
[^psalmen-75-4-9]: Kanttekening 9: Vanwege de vorige beroerten, allerlei ongebondenheid, schrik en vrees; zo Joz. 2:9 . Verg. Deut. 1:28 . Jozua 2:9 : En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^psalmen-75-4-10]: Kanttekening 10: Of, gerecht, recht gesteld. Ik heb begonnen alles in goede orde \[in religie, politie en justitie\] in Juda te herstellen, en zal zo, door Gods genade, voortgaan.
[^psalmen-75-4-11]: Kanttekening 11: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-75-5-12]: Kanttekening 12: Zie van het Hebr. woord Ps. 5:6 . Psalmen 5:6 : De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid.
[^psalmen-75-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, weest niet trots en hoogmoedig op uw macht en heerlijkheid. Zie Deut. 33:17 , en onder vers 11 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met die zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Psalmen 75:11 : En ik zal alle hoornen van de goddelozen afhouwen; de hoornen van de rechtvaardige zullen verhoogd worden.
[^psalmen-75-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, stout en hardnekkig. Verg. Ex. 32:9 ; Job 15:26 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Job 15:26 : Hij loopt tegen Hem aan met de hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden;
[^psalmen-75-7-15]: Kanttekening 15: Dat iemand verheven wordt tot grote staat en waardigheid.
[^psalmen-75-7-16]: Kanttekening 16: Hebr. de uitgang; dat is de opgang van de zon. Zie Ps. 19:6 . Psalmen 19:6 : En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^psalmen-75-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, van het zuiden, en \[gelijk enige menen\] het noorden; want het Joodse land heeft woestijnen aan beide zijden, naar sommiger beschrijvingen.
[^psalmen-75-8-18]: Kanttekening 18: is rechter: Dit, en het volgende, ziet in het bijzonder op Davids verhoging tot het koninkrijk, dat hem God \[hoewel hij eerst van Saul heeft moeten lijden\] door Samuël, beloofd had en op Sauls vernedering en verstoting van het koninkrijk, gelijk hem God door Samuël voorzegd had.
[^psalmen-75-9-19]: Kanttekening 19: Zie van deze gelijkenis Ps. 11:6 ; Job 21:20 , enz. Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Job 21:20 : Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid van de Almachtige!
[^psalmen-75-9-20]: Kanttekening 20: Of, bedroesemd. Zie van het Hebr. woord boven Ps. 46:4 en Job 16:16 . Anders, troebel, sterk, rood. Psalmen 46:4 : Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door hun verheffing! Sela. Job 16:16 : Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood.
[^psalmen-75-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, vol, toebereid om te drinken, gelijk men sterken wijn in die landen met water placht te mengen. Verg. Spr. 9:2 ; Openb. 14:10 , enz. Spreuken 9:2 : Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt. Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^psalmen-75-9-22]: Kanttekening 22: schenkt daaruit: Of, hij heeft daaruit geschonken; te weten, eerst zijn eigen volk, gelijk David en zijn vrome metgezellen geschied was. Verg. Ps. 73:10 ; Jer. 25:17 , 25:18 ; 1 Petr. 4:17 . Psalmen 73:10 : Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun water van een volle beker worden uitgedrukt, Jeremia 25:17 : En ik nam de beker van de hand van YHWH, en ik gaf te drinken al de volken, tot welke YHWH mij gezonden had; Jeremia 25:18 : Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage; 1 Petrus 4:17 : Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
[^psalmen-75-9-23]: Kanttekening 23: Te weten, van de beker.
[^psalmen-75-9-24]: Kanttekening 24: Dat is, de zwaarste straffen met het eeuwig verderf.
[^psalmen-75-9-25]: Kanttekening 25: Hebr., אַךְ, uitdrukkende. Verg. Jes. 51:17 ; Ez. 23:34 . Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Ezechiël 23:34 : U zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult u brijzelen, en uw borsten zult u afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^psalmen-75-11-26]: Kanttekening 26: hoornen van de: Dat is, het geweld, waarmee zij de vromen beschadigen. Zie boven vers 5 . Psalmen 75:5 : Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt de hoorn niet.
[^psalmen-75-11-27]: Kanttekening 27: hoornen van de: Dat is, macht en heerlijkheid.

### Psalmen 76

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/76.json)

*De profeet dankt God voor Zijn genadige tegenwoordigheid, aan Zijn volk bewezen door een wonderbare verlossing van aanmatigende en machtige vijanden, wier trots, toorn en macht God door Zijn ijver en toorn vernietigd heeft; met een vermaning om God te aanbidden en te loven.*

**1** Een psalm,[^psalmen-76-1-1] een lied van Asaf, voor de[^psalmen-76-1-2] opperzangmeester, op de Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v1)

**2** God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v2)

**3** En in[^psalmen-76-3-3] Salem is Zijn[^psalmen-76-3-4] hut, en Zijn woning in Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v3)

**4** [^psalmen-76-4-5] Daar heeft Hij verbroken de[^psalmen-76-4-6] vurige pijlen van de boog, het schild, en het zwaard, en de oorlog.[^psalmen-76-4-7] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v4)

**5** U bent stralender en heerlijker dan de[^psalmen-76-5-8] roofbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v5)

**6** De[^psalmen-76-6-9] stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun[^psalmen-76-6-10] slaap gesluimerd; en[^psalmen-76-6-11] geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v6)

**7** Van Uw[^psalmen-76-7-12] bestraffing, o God van Jakob! is samen[^psalmen-76-7-13] wagen en paard in slaap gezonken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v7)

**8** U, vreselijk bent U; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan,[^psalmen-76-8-14] van de tijd van Uw toorn af? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v8)

**9** U[^psalmen-76-9-15] deedt een oordeel horen uit de[^psalmen-76-9-16] hemel;[^psalmen-76-9-17] de aarde vreesde en werd stil, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v9)

**10** Als God opstond tot het oordeel, om alle[^psalmen-76-10-18] zachtmoedigen van de aarde te verlossen. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v10)

**11** Want de woede van de mensen zal U[^psalmen-76-11-19] prijzenswaardig maken; het overblijfsel van de grimmigheden zult[^psalmen-76-11-20] U opbinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v11)

**12** Doe[^psalmen-76-12-21] geloften en betaal ze YHWH, uw God, u allen, die[^psalmen-76-12-22] rondom Hem bent! Laat hen[^psalmen-76-12-23] Die, Die te vrezen is,[^psalmen-76-12-24] geschenken brengen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v12)

**13** Die de geest van[^psalmen-76-13-25] de vorsten als druiven[^psalmen-76-13-26] afsnijdt; Die de koningen van de aarde vreselijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/76.html#v13)

[^psalmen-76-1-1]: Kanttekening 1: een lied: Zie Ps. 48:1 , en Ps. 50:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-76-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-76-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, Jeruzalem; gelijk Gen. 14:18 . Verg. Ps. 48:2 , 48:3 , 48:4 , 48:9 , en zie Hebr. 7:1 . Genesis 14:18 : En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God. Psalmen 48:2 : YHWH is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op de berg van Zijn heiligheid. Psalmen 48:3 : Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Koning. Psalmen 48:4 : God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Vesting. Psalmen 48:9 : Gelijk wij gehoord hadden, zo hebben wij gezien in de stad van YHWH van de legermachten, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela. Hebreeën 7:1 : Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de Allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij terugkeerde van het slaan van de koningen, en hem zegende;
[^psalmen-76-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, tabernakel of tempel. Hieruit kan men duidelijk zien dat Salem en Jeruzalem hier enerlei is.
[^psalmen-76-4-5]: Kanttekening 5: Verg. Ps. 46:10 . Psalmen 46:10 : Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde van de aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagens met vuur verbrandt.
[^psalmen-76-4-6]: Kanttekening 6: Hebr., רִשְׁפֵי, de vurige kolen, of vonken van de boog; dat is, de vurige of glinsterende pijlen van de boog, of de glinsterende bogen, gelijk sommigen het nemen.
[^psalmen-76-4-7]: Kanttekening 7: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-76-5-8]: Kanttekening 8: Hierdoor verstaan sommigen de machtige koningen en koninkrijken \[bij bergen somtijds in de Schriftuur vergeleken\], die gewoon zijn zowel elkaar als Gods volk tezamen, gelijk wilde dieren, te roven. Anders: U bent glorierijk en heerlijk van, of vanwege de roofbergen; dat is, U hebt ere ingelegd en uw heerlijke macht betoond op de bergen; vanwaar de vijanden \[gelijk wilde beesten\] ons meenden te roven en te verscheuren, daar hebt U hen verdaan en hen ons tot een roof gegeven, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^psalmen-76-6-9]: Kanttekening 9: Hebr., לֵב, sterken van hart.
[^psalmen-76-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, de lange slaap, de dood. Verg. Jer. 51:39 , 51:57 ; Ps. 13:4 . Dit wordt bij sommigen geduid op de verslagenen van de engel ten tijde van Hizkia; 2 Kon. 19:35 . Jeremia 51:39 : Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH. Jeremia 51:57 : En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten. Psalmen 13:4 : Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape; 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^psalmen-76-6-11]: Kanttekening 11: geen van: Hebr., אַנְשֵׁי, alle mannen van de dapperheid hebben hun handen niet gevonden; dat is, zij zijn als handeloos geweest, hebben tegenweer kunnen bieden.
[^psalmen-76-7-12]: Kanttekening 12: Zie Ps. 9:6 . Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^psalmen-76-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, beiden, grote en gemene krijgslieden, die op wagens en paarden reden, waarop zij gewoon waren te strijden; zie Richt. 4:3 , 4:13 , 4:15 ; 2 Sam. 10:18 ; 1 Kon. 22:31 , 22:34 . Richteren 4:3 : Toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de kinderen van Israël met geweld onderdrukt, twintig jaren. Richteren 4:13 : Zo riep Sisera al zijn wagens bijeen, negenhonderd ijzeren wagens, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth van de heidenen tot de beek Kison. Richteren 4:15 : En YHWH versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het gehele heirleger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf. 1 Koningen 22:31 : De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, van welke hij twee en dertig had, zeggende: U zult noch kleine noch grote bestrijden, maar de koning van Israël alleen. 1 Koningen 22:34 : Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.
[^psalmen-76-8-14]: Kanttekening 14: van de: Hebr. van alsdan, of van toen uws toorns? dat is, van die tijd af, of wanneer U toornig bent, of uw toorn begint in het werk te stellen.
[^psalmen-76-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, als U een vonnis liet horen, enz. zo vreesde, enz. Of, U laat horen, en zo in het volgende.
[^psalmen-76-9-16]: Kanttekening 16: Verg. 2 Kon. 19:32 , 19:33 , 19:34 , 19:35 ; Richt. 5:20 ; 2 Sam. 22:7 , 22:8 , enz. 2 Koningen 19:32 : Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. 2 Koningen 19:33 : Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt YHWH. 2 Koningen 19:34 : Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Richteren 5:20 : Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. 2 Samuël 22:7 : Als mij bange was, riep ik YHWH aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren. 2 Samuël 22:8 : Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten van de hemel beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.
[^psalmen-76-9-17]: Kanttekening 17: de aarde: Of, het land; zo in vers 10 . Psalmen 76:10 : Als God opstond tot het oordeel, om alle zachtmoedigen van de aarde te verlossen. Sela.
[^psalmen-76-10-18]: Kanttekening 18: Zie Ps. 10:17 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^psalmen-76-11-19]: Kanttekening 19: prijzenswaardig maken: Dat is, zal U tot lof en eer strekken. De zin is: Hoe de vijanden met meerder hitte tegen U en uw volk ontstoken zijn en woeden, hoe meer eer U zult inleggen in het beschermen van uw volk en het dempen van de vijanden.
[^psalmen-76-11-20]: Kanttekening 20: Of, aangorden. Dit kan men zo verstaan, dat God de overgebleven grimmige vijanden ook zal bedwingen, gelijk men iemand met een gordel of band bindt en dwingt. Of, Hij zal zijn volk, dat van de grimmigheid van de vijand verlost en overgebleven is, met macht en moed aangorden om de vijanden tegen te staan. Beide heeft een goede zin; men kan het ook verstaan van God, dat Hij het overige van zijn grimmigheid zal aangorden, om zijn vijanden verder te vernielen.
[^psalmen-76-12-21]: Kanttekening 21: Gelijk de vromen in zwarigheid, en daaruit verlost zijnde, plegen te doen. Zie Gen. 28:20 , enz; Ps. 66:13 , 66:14 , 66:15 ; Jona 1:16 . Verg. ook boven Ps. 61:6 . Genesis 28:20 : En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken; Psalmen 66:13 : Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, Psalmen 66:14 : Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. Psalmen 66:15 : Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela. Jona 1:16 : Daarom vreesden de mannen YHWH met grote vreze; en zij slachtten YHWH slachtoffer, en beloofden geloften. Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^psalmen-76-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, Gods volk, dat zich aan en bij Hem houdt; gelijk de stammen rondom de tabernakel gelegerd waren, Num. 2:2 , enz., en de priesters en Levieten als rondom God stonden om Hem te dienen; idem de vier en twintig oudsten rondom Gods troon; Openb. 4:4 . Numeri 2:2 : De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaders; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren. Openbaring 4:4 : En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleren, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.
[^psalmen-76-12-23]: Kanttekening 23: Die te vrezen: Hebr., מּוֹרָֽא, eigenlijk, van de vrees; dat is, die men hogelijk schuldig is te vrezen, te weten, de God van Israël. Verg. Gen. 31:53 . Genesis 31:53 : De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks.
[^psalmen-76-12-24]: Kanttekening 24: Verg. 2 Kron. 32:21 , 32:23 . 2 Kronieken 32:21 : En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren. 2 Kronieken 32:23 : En velen brachten geschenken tot YHWH te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd.
[^psalmen-76-13-25]: Kanttekening 25: Of, voorgangers, leidslieden.
[^psalmen-76-13-26]: Kanttekening 26: Of, afplukt, afleest; dat is, \[volgens de betekenis van het Hebreeuwse woord\] die de groten het leven, en ook verstand en moed, zo haast en licht ontneemt, gelijk men druiven in de wijnoogst afleest. Zie dezelfde gelijkenis Richt. 20:45 , met de aantekeningen, en Openb. 14:18 , 14:19 , 14:20 , en verg. in het bijzonder 2 Kron. 32:21 . Richteren 20:45 : Toen keerden zij zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; verder kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man. Openbaring 14:18 : En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde, want zijn druiven zijn rijp. Openbaring 14:19 : En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Openbaring 14:20 : En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. 2 Kronieken 32:21 : En YHWH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.

### Psalmen 77

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/77.json)

*De profeet beschrijft in zijn voorbeeld, zeer levendig, de aanvechting die de gelovigen hebben wanneer zij de gunstige tegenwoordigheid van God niet gewaarworden; alsook de overhand van de geest, die zich in geloof weer opricht en sterkt door de overdenking van Gods getrouwe beloften en voorgaande weldaden.*

**1** Een psalm[^psalmen-77-1-1] van Asaf, voor de opperzangmeester,[^psalmen-77-1-2] over Jeduthun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v1)

**2** Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v2)

**3** Op de dag van mijn benauwdheid zocht ik YHWH; mijn hand was in de nacht uitgestrekt,[^psalmen-77-3-3] en liet niet af; mijn ziel[^psalmen-77-3-4] weigerde getroost te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v3)

**4** Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen;[^psalmen-77-4-5] peinsde ik, zo werd mijn ziel[^psalmen-77-4-6] overstelpt.[^psalmen-77-4-7] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v4)

**5** U hieldt mijn ogen[^psalmen-77-5-8] wakend; ik was[^psalmen-77-5-9] verslagen, en sprak niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v5)

**6** Ik overdacht de dagen van[^psalmen-77-6-10] ouds, de jaren van[^psalmen-77-6-11] de eeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v6)

**7** Ik dacht aan mijn[^psalmen-77-7-12] snarenspel; in de nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest[^psalmen-77-7-13] onderzocht: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v7)

**8** Zal dan de Heere in[^psalmen-77-8-14] eeuwigheden verstoten, en[^psalmen-77-8-15] voortaan niet meer goedgunstig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v8)

**9** Houd Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de[^psalmen-77-9-16] toezegging een einde,[^psalmen-77-9-17] van geslacht tot geslacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v9)

**10** Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v10)

**11** Daarna zei ik: Dit[^psalmen-77-11-18] krenkt mij;[^psalmen-77-11-19] maar de rechterhand van de Allerhoogste verandert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v11)

**12** Ik zal de daden van YHWH[^psalmen-77-12-20] gedenken; ja, ik zal gedenken Uw[^psalmen-77-12-21] wonderen van ouds her; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v12)

**13** En zal al Uw werken[^psalmen-77-13-22] betrachten, en van Uw daden[^psalmen-77-13-23] spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v13)

**14** O God! Uw[^psalmen-77-14-24] weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v14)

**15** U bent die God, Die[^psalmen-77-15-a] wonder doet; U hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v15)

**16** U hebt Uw volk door[^psalmen-77-16-25] Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en[^psalmen-77-16-26] van Jozef. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v16)

**17** [^psalmen-77-17-b] De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij[^psalmen-77-17-27] beefden; ook waren de afgronden beroerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v17)

**18** [^psalmen-77-18-28][^psalmen-77-18-c] De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven[^psalmen-77-18-29] geluid; ook gingen Uw[^psalmen-77-18-30] pijlen daarheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v18)

**19** Het geluid van Uw donder was in het[^psalmen-77-19-31] ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v19)

**20** Uw[^psalmen-77-20-32] weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw[^psalmen-77-20-33] voetstappen werden niet bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v20)

**21** U[^psalmen-77-21-34] leidde[^psalmen-77-21-d] Uw volk, als een kudde door de[^psalmen-77-21-35] hand van Mozes en Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/77.html#v21)

[^psalmen-77-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 50:1 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-77-1-2]: Kanttekening 2: over Jeduthun: Zie Ps. 39:1 . Of, in Jeduthun, dat is over, of onder de nakomelingen van Jeduthun. Anders, voor Jeduthun zelf, als ook één van de opperzangmeesters zijnde. Psalmen 39:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, voor Jeduthun.
[^psalmen-77-3-3]: Kanttekening 3: Tot God met gedurig bidden, of, uitgebreid, eigenlijk uitgeschud, uitgestort, gelijk degenen, die luid weeklagen, de handen nu samenslaan dan vaneen werpen, idem heen en weer bewegen, naar de gesteltenis van het hart. Anders, overgoten, of overstort, te weten met tranen.
[^psalmen-77-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, ik kon het verdriet niet verzetten of matigen; ik werd bestreden met mistroostigheid. Verg. Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-77-4-5]: Kanttekening 5: peinsde ik: Gelijk Gen. 24:63 . Zie daar. Anders: bad ik. Genesis 24:63 : En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van de avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kamelen kwamen!
[^psalmen-77-4-6]: Kanttekening 6: Zie Ps. 61:3 . Psalmen 61:3 : Van het einde van het land roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
[^psalmen-77-4-7]: Kanttekening 7: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-77-5-8]: Kanttekening 8: Hebr., עֵינָ, U hieldt de wachten van mijn ogen; dat is, \[gelijk sommigen verstaan\] mijn oogleden. De zin is: U hieldt mij wakker, dat ik niet kon slapen, vermits de gedurigheid van het kruis en het verdriet.
[^psalmen-77-5-9]: Kanttekening 9: Gelijk iets dat met hamers geklopt en geslagen wordt, gelijk degene, die het hart klopt of slaat van grote ontsteltenis. Verg. Richt. 13:25 , en Gen. 41:8 ; Dan. 2:1 , 2:3 , waar hetzelfde Hebr. woord gebruikt wordt. Richteren 13:25 : En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol. Genesis 41:8 : En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde. Daniël 2:1 : In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. Daniël 2:3 : En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten.
[^psalmen-77-6-10]: Kanttekening 10: Volgens het bevel Deut. 32:7 . Verg. Ps. 74:12 , enz. Deuteronomium 32:7 : Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen. Psalmen 74:12 : Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden van de aarde.
[^psalmen-77-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, die voorlang voorbijgegaan zijn. Van het Hebr. woord Olam (עוֺלָם), zie Jer. 2:20 . Jeremia 2:20 : Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^psalmen-77-7-12]: Kanttekening 12: Hoe ik God in voortijden met vreugde placht te danken voor zijn weldaden.
[^psalmen-77-7-13]: Kanttekening 13: Om het rechte verstand hiervan te bekomen. Verg. Ps. 73:16 , 73:17 . Hieruit zijn de volgende woorden van de profeet gesproten, alsof hij zei: Ten laatste dacht ik, zal dan de Heer, enz., gelijk volgt. Psalmen 73:16 : Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; Psalmen 73:17 : Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
[^psalmen-77-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, voor altijd.
[^psalmen-77-8-15]: Kanttekening 15: Hebr. niet voortvaren, of toedoen, meer goedwillig, of welgevallen, welbehagen te nemen; te weten, in mij, of zijn volk, die Hij voormaals zo grote genade bewezen heeft?
[^psalmen-77-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, het woord van zijn belofte?
[^psalmen-77-9-17]: Kanttekening 17: van geslacht: Hebr., דֹר, in geslacht en geslacht.
[^psalmen-77-11-18]: Kanttekening 18: krenkt mij: Namelijk, dat God mij nu anders behandelt dan vóór deze, dat Hij in de regering van zijn volk niet altijd dezelfde weg houdt. God doet alles wijselijk en zoals het tot zijn eer en ons best dienstig is. Anders: dit krenkt mij; de verandering van de rechterhand van de Allerhoogste. Of, vraagswijze: zal mij dit krenken, dat de rechterhand van de Allerhoogste verandert? Of, dit is mijn bidden, het veranderen van de rechterhand van de Allerhoogste.
[^psalmen-77-11-19]: Kanttekening 19: maar : Dat is, Hij kan dit lijden in blijdschap haast veranderen.
[^psalmen-77-12-20]: Kanttekening 20: Om mij daardoor op te richten en te versterken.
[^psalmen-77-12-21]: Kanttekening 21: Uw wonderen: Hebr., פִּלְאֶֽ, uws wonders, of wonderwerks. En zo in vers 13 . Al uw werk, of al uw doen. Psalmen 77:13 : En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
[^psalmen-77-13-22]: Kanttekening 22: Of, verhalen.
[^psalmen-77-13-23]: Kanttekening 23: Of, aandachtig merken op, enz.
[^psalmen-77-14-24]: Kanttekening 24: Uw weg is: Dat is, uw regering verstaat men eigenlijk terdege in uw heiligdom en gemeente, niet onder de kinderen van deze wereld. Verg. Ps. 73:17 . Anders, uw weg is in heiligheid; dat is, uw doen is geheel heilig, al is het dat wij het dikwijls niet begrijpen. Psalmen 73:17 : Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
[^psalmen-77-15-a]: Verwijzing a: Ex. 15:11 . Exodus 15:11 : O YHWH! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?
[^psalmen-77-16-25]: Kanttekening 25: Dat is, door uw grote kracht, door uw geweld. Zie Ex. 6:5 ; Ps. 79:11 . Exodus 6:5 : Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; Psalmen 79:11 : Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid Uws arms.
[^psalmen-77-16-26]: Kanttekening 26: Jozef was ook Jakobs zoon, en dus zijn kinderen Jakobs kinderen; maar hij wordt hier in het bijzonder genoemd, om de heerlijkheid en het voordeel van Efraïm en Manasse, Gen. 48:5 ; 1 Kron. 5:1 , 5:2 ; ook had hij geheel Israël, als een vader, in Egypte gevoed; ja door Jozef worden somtijds de tien stammen, of ook geheel Israël verstaan; zie Gen. 45:10 , 45:11 , en Gen. 48:22 . Verg. Ps. 80:2 , 80:3 . Genesis 48:5 : Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn van mij; Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, als Ruben en Simeon. 1 Kronieken 5:1 : De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 1 Kronieken 5:2 : Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.) Genesis 45:10 : En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt. Genesis 45:11 : En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! Genesis 48:22 : En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend. Psalmen 80:3 : Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.
[^psalmen-77-17-b]: Verwijzing b: Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^psalmen-77-17-27]: Kanttekening 27: Of, werden bang; als een die in barensnood is; wegvliedende als van angst en bangheid, om Israël de pas te openen door de Rode zee. Verg. Ps. 114:3 , 114:5 . Psalmen 114:3 : De zee zag het, en vluchtte; de Jordaan keerde achterwaarts. Psalmen 114:5 : Wat was u, u zee! dat u vloodt? u Jordaan! dat u achterwaarts keerde?
[^psalmen-77-18-28]: Kanttekening 28: De dikke: Dit vs. \[alsook het volgende\] schijnt te verklaren wat Ex. 14:24 , 14:25 , gezegd wordt, als zijnde zo geschied, dat God eerst een verschrikkelijk onweer verwekt heeft over de Egyptenaars. Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. Exodus 14:25 : En Hij stiet de raderen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.
[^psalmen-77-18-c]: Verwijzing c: Ex. 14:24 . Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren.
[^psalmen-77-18-29]: Kanttekening 29: Dat is, donder.
[^psalmen-77-18-30]: Kanttekening 30: Bliksemstralen, gelijk in vers 19 verklaard wordt. Verg. 2 Sam. 22:15 . Psalmen 77:19 : Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde. 2 Samuël 22:15 : En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.
[^psalmen-77-19-31]: Kanttekening 31: Of, in de kloot, sfeer; dat is, in de lucht, die als een kloot in het rond om de aardbodem gaat. Aangaande het Hebr., הֵאִירוּ, woord, verg. Ps. 83:14 ; Jes. 17:13 ; Ez. 10:2 , enz. Psalmen 83:14 : Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind. Jesaja 17:13 : De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind. Ezechiël 10:2 : En Hij sprak tot de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in tot tussen de wielen, tot onder de cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen.
[^psalmen-77-20-32]: Kanttekening 32: weg was: Toen U ging om uw volk te voeren door de Rode zee en de vijanden daarin te storten; zie Ex. 14:19 , 14:20 , 14:22 ; Neh. 9:11 . Verg. Neh. 1:3 . Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 14:20 : En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de gehele nacht. Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Nehemia 9:11 : En U hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden van de zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt U in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren. Nehemia 1:3 : En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis daar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.
[^psalmen-77-20-33]: Kanttekening 33: Dat is, daar was geen teken van zulk een doortocht, want de wateren keerden weer en waren als tevoren; Ex. 14:26 , 14:28 . Exodus 14:26 : En YHWH zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren terugkeren over de Egyptenaars, over hun wagens en over hun ruiters. Exodus 14:28 : Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van de gehele legermacht van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over.
[^psalmen-77-21-34]: Kanttekening 34: Als een herder voerende het door de woestijn naar het land Kanaän en zorg voor hen dragende, enz., zo Ps. 78:52 . Psalmen 78:52 : En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
[^psalmen-77-21-d]: Verwijzing d: Ps. 78:52 ; Ps. 80:2 . Psalmen 78:52 : En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^psalmen-77-21-35]: Kanttekening 35: Dat is, de dienst.

### Psalmen 78

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/78.json)

*De profeet, vermaand hebbend tot opmerkzaamheid, lering en prediking van Gods Woord en werken, verhaalt uitvoerig Gods vaderlijke liefde en langdurige lankmoedigheid, waardoor Hij, gestreden hebbend tegen de veelvuldige ondankbaarheid van Zijn volk, ten slotte Silo verlaten heeft, en de andere stammen voorbijgaand, Sion in Juda tot de plaats van Zijn godsdienst, en David uit de stam van Juda tot het koningschap verkoren heeft, hetgeen een voorbeeld is van Christus' eeuwig Koninkrijk.*

**1** Een[^psalmen-78-1-1] onderwijzing[^psalmen-78-1-2] van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter ore; neig uw oor tot de redenen van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v1)

**2** [^psalmen-78-2-a] Ik zal mijn mond opendoen met[^psalmen-78-2-3] spreuken; ik[^psalmen-78-2-4] zal geheimen overvloedig uitstorten, van ouds her; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v2)

**3** Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v3)

**4** Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de[^psalmen-78-4-5] loffelijkheden van YHWH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v4)

**5** [^psalmen-78-5-b] Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onze vaders geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v5)

**6** Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v6)

**7** En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v7)

**8** En dat zij niet zouden worden zoals hun vaders, een[^psalmen-78-8-c] koppig en opstandig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en[^psalmen-78-8-6] waarvan de geest niet getrouw was met God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v8)

**9** [^psalmen-78-9-7](De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v9)

**10** Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v10)

**11** En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v11)

**12** Voor hun vaders had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in[^psalmen-78-12-8] het veld van Zoan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v12)

**13** [^psalmen-78-13-d] Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v13)

**14** [^psalmen-78-14-e] En Hij leidde hen overdag met een wolk, en de hele nacht met een licht van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v14)

**15** [^psalmen-78-15-f] Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als[^psalmen-78-15-9] uit afgronden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v15)

**16** Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v16)

**17** Nog voeren zij verder voort tegen Hem te zondigen, verbitterende de Allerhoogste in de dorre wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v17)

**18** En zij verzochten God in hun hart, begerende het voedsel naar hun[^psalmen-78-18-10] lust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v18)

**19** [^psalmen-78-19-g] En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v19)

**20** [^psalmen-78-20-h] Zie, Hij heeft de rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloedig uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk vlees toebereiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v20)

**21** [^psalmen-78-21-i] Daarom[^psalmen-78-21-11] hoorde YHWH, en werd[^psalmen-78-21-12] toornig; en een[^psalmen-78-21-13] vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v21)

**22** Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v22)

**23** Daar Hij de wolken van boven[^psalmen-78-23-14] gebood, en de[^psalmen-78-23-15] deuren van de hemel opende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v23)

**24** [^psalmen-78-24-k] En regende op hen het[^psalmen-78-24-16] Man om te eten, en gaf hun[^psalmen-78-24-17] hemels koren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v24)

**25** [^psalmen-78-25-l] Ieder at het brood van[^psalmen-78-25-18] de Machtigen; Hij zond hun proviant tot verzadiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v25)

**26** [^psalmen-78-26-m] Hij dreef de oostenwind voort in[^psalmen-78-26-19] de hemel, en voerde de zuidenwind aan door Zijn sterkte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v26)

**27** En regende op hen vlees als[^psalmen-78-27-20] stof, en gevleugeld[^psalmen-78-27-21] gevogelte als zand van de zeeën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v27)

**28** En deed het vallen in het midden[^psalmen-78-28-22] van zijn leger, rondom zijn[^psalmen-78-28-23] woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v28)

**29** Toen aten zij, en werden zeer verzadigd; zodat Hij hun hun[^psalmen-78-29-24] lust toebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v29)

**30** Zij waren nog niet[^psalmen-78-30-25] vervreemd van hun lust; hun voedsel was nog in hun mond, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v30)

**31** [^psalmen-78-31-n] Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun[^psalmen-78-31-26] vetsten doodde, en de[^psalmen-78-31-27] uitgelezenen van Israël velde neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v31)

**32** Boven dit alles zondigden[^psalmen-78-32-28] zij nog, en geloofden niet,[^psalmen-78-32-29] door Zijn wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v32)

**33** Daarom deed Hij hun dagen vergaan in[^psalmen-78-33-30] zinloosheid, en hun jaren in verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v33)

**34** Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weer, en zochten God vroeg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v34)

**35** En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v35)

**36** En zij[^psalmen-78-36-31] vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v36)

**37** Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v37)

**38** Maar Hij, barmhartig zijnde,[^psalmen-78-38-32] verzoende de ongerechtigheid, en verdierf[^psalmen-78-38-33] hen niet; maar wendde[^psalmen-78-38-34] dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn[^psalmen-78-38-35] hele woede niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v38)

**39** En Hij dacht, dat zij[^psalmen-78-39-36] vlees waren, een[^psalmen-78-39-37] wind, die heengaat en niet terugkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v39)

**40** Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem[^psalmen-78-40-38] smart aan in de wildernis! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v40)

**41** Want zij[^psalmen-78-41-39] kwamen opnieuw, en verzochten God, en stelden de[^psalmen-78-41-40] Heilige van Israël[^psalmen-78-41-41] een perk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v41)

**42** Zij dachten niet aan Zijn[^psalmen-78-42-42] hand, aan de dag, toen Hij hen van de[^psalmen-78-42-43] tegenstander verloste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v42)

**43** Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderen in het veld[^psalmen-78-43-44] van Zoan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v43)

**44** [^psalmen-78-44-o] En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v44)

**45** Hij[^psalmen-78-45-p] zond een vermenging van ongedierte[^psalmen-78-45-q] onder hen, dat hen verteerde,[^psalmen-78-45-45] en kikkers, die hen verdierven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v45)

**46** [^psalmen-78-46-r] En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun[^psalmen-78-46-46] arbeid de sprinkhaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v46)

**47** [^psalmen-78-47-s] Hij[^psalmen-78-47-47] doodde hun wijnstok door de hagel, en hun wilde vijgebomen door[^psalmen-78-47-48] vurige hagelsteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v47)

**48** Ook[^psalmen-78-48-49] gaf Hij hun vee de hagel over, en hun beesten aan de[^psalmen-78-48-50] vurige kolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v48)

**49** Hij zond onder hen de[^psalmen-78-49-51] hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van[^psalmen-78-49-52] de boden van[^psalmen-78-49-53] veel kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v49)

**50** Hij[^psalmen-78-50-54] woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en[^psalmen-78-50-t] hun[^psalmen-78-50-55] gedierte gaf Hij aan de pest over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v50)

**51** [^psalmen-78-51-v] En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het[^psalmen-78-51-56] begin van de krachten in de[^psalmen-78-51-57] tenten van Cham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v51)

**52** En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v52)

**53** Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden;[^psalmen-78-53-x] want de[^psalmen-78-53-58] zee had hun vijanden overdekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v53)

**54** En Hij bracht hen tot de[^psalmen-78-54-59] grens van Zijn heiligheid, tot deze[^psalmen-78-54-60] berg, die Zijn rechterhand verkregen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v54)

**55** En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en gaf[^psalmen-78-55-61] hen[^psalmen-78-55-y][^psalmen-78-55-62] het land[^psalmen-78-55-63] van de heidenen als erfdeel, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v55)

**56** [^psalmen-78-56-64] Maar zij verzochten en verbitterden God, de Allerhoogste, en onderhielden Zijn[^psalmen-78-56-65] getuigenissen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v56)

**57** En zij weken terug, en handelden trouweloos, zoals hun[^psalmen-78-57-66] vaders; zij zijn omgekeerd, als een[^psalmen-78-57-67] bedriegelijke boog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v57)

**58** En zij verwekten Hem tot[^psalmen-78-58-68] toorn door hun[^psalmen-78-58-69] hoogten,[^psalmen-78-58-z] en verwekten Hem tot[^psalmen-78-58-70] ijver door hun gesneden beelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v58)

**59** God[^psalmen-78-59-71] hoorde het en werd toornig, en verstootte Israël zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v59)

**60** Daarom verliet Hij de tabernakel te[^psalmen-78-60-72] Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de[^psalmen-78-60-73] mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v60)

**61** En Hij gaf Zijn[^psalmen-78-61-74] sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van[^psalmen-78-61-75] de tegenstanders.[^psalmen-78-61-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v61)

**62** En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd toornig tegen Zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v62)

**63** Het[^psalmen-78-63-76] vuur verteerde[^psalmen-78-63-77] hun jongemannen, en hun meisjes werden niet[^psalmen-78-63-78] geprezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v63)

**64** Hun[^psalmen-78-64-79] priesters vielen door het zwaard, en hun[^psalmen-78-64-80] weduwen huilden niet.[^psalmen-78-64-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v64)

**65** Toen[^psalmen-78-65-81] ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht[^psalmen-78-65-82] van de wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v65)

**66** En Hij sloeg Zijn[^psalmen-78-66-83] tegenstanders aan het achterste; Hij deed hun[^psalmen-78-66-84] eeuwige smaad aan.[^psalmen-78-66-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v66)

**67** Maar Hij verwierp de[^psalmen-78-67-85] tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v67)

**68** Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v68)

**69** En Hij bouwde Zijn[^psalmen-78-69-86] heiligdom als[^psalmen-78-69-87] hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v69)

**70** En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;[^psalmen-78-70-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v70)

**71** Van achter de[^psalmen-78-71-88] zogende schapen deed Hij hem komen, om te[^psalmen-78-71-89] weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.[^psalmen-78-71-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v71)

**72** Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid van zijn hart, en heeft hen geleid met een[^psalmen-78-72-90] zeer verstandig beleid van zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/78.html#v72)

[^psalmen-78-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-78-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ps. 50:1 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-78-2-a]: Verwijzing a: Ps. 49:5 ; Matt. 13:35 . Psalmen 49:5 : Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgen rede openen op de harp. Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld.
[^psalmen-78-2-3]: Kanttekening 3: Hebr. spreuk. Zie 1 Kon. 4:32 , en van het opendoen van de mond Job 33:2 . 1 Koningen 4:32 : En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf. Job 33:2 : Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
[^psalmen-78-2-4]: Kanttekening 4: Gelijk een fontein zal ik uitgieten, of uitborrelen, scherpzinnige, treffelijke en aanmerkelijke spreuken en zaken, die in voortijden geschied zijn, waarin verborgenheden vervat zijn. Zie van het Hebr. woord חִידוֹת, \[dat ook raadselen betekent\] Richt. 14:12 ; 1 Kon. 10:1 ; Matt. 13:35 , en verder van het andere Hebr. woord, dat uitborrelen betekent, Ps. 19:3 . Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld. Psalmen 19:3 : De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap.
[^psalmen-78-4-5]: Kanttekening 5: Hebr., תְּהִלּוֹת, lof, of prijs, in het getal van velen, dat in onze taal niet gebruikelijk is en een twijfelachtigen zin zou geven. Versta hierdoor Gods prijzenswaardige daden, gelijk het volgende verklaart.
[^psalmen-78-5-b]: Verwijzing b: Deut. 4:9 ; Deut. 6:7 . Deuteronomium 4:9 : Alleen wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. Deuteronomium 6:7 : En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat.
[^psalmen-78-8-c]: Verwijzing c: Ex. 32:9 ; Ex. 33:3 ; idem 33:5 ; Ex. 34:9 ; Deut. 9:6 ; idem 9:13 ; Deut. 31:27 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Exodus 33:5 : En YHWH had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen van Israël: U bent een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van u optrekken, en zou u vernielen; maar nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. Exodus 34:9 : En hij zei: Heer! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heer in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! Deuteronomium 9:6 : Weet dan, dat u YHWH, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelfde goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk. Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk. Deuteronomium 31:27 : Want ik ken uw opstandigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met u leve, bent u opstandig geweest tegen YHWH; hoe veel te meer na mijn dood!
[^psalmen-78-8-6]: Kanttekening 6: Naar de wil van de Heer, of om God te dienen en te vrezen. Zie 2 Kron. 12:14 . 2 Kronieken 12:14 : En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om YHWH te zoeken.
[^psalmen-78-9-7]: Kanttekening 7: De kinderen: Omdat in het volgende verhaald worden de wonderen, die God gedaan heeft voor de ogen van de vaders van deze Efraïmieten, zo kan men dit passen op de historie 1 Sam. 4 , waarvan de Israëlieten \[onder wie die van Efraïm de voornaamste en machtigste waren, in wier land ook de ark te Silo was, 1 Sam. 4:3 , 4:4 \], van de Filistijnen geslagen zijn, en de vlucht moesten nemen, en de ark weggevoerd werd; 1 Sam. 4:10 , 4:11 . Verg. onder vers 60 , 78:61 , 78:62 , 78:67 . Sommigen verstaan het van de ondergang van het rijk en de wegvoering van de tien stammen door de Assyriërs, omdat door Efraïm de tien stammen bij de profeten dikwijls worden verstaan. Zie Jes. 7:5 , 7:17 ; Hos. 12:1 , en Hos. 13:1 , enz., en verder 2 Kon. 17 en Hos. 10:11 , 10:14 . Anderen duiden op 1 Kron. 7:21 , 7:22 . 1 Samuël 4:3 : Als het volk opnieuw in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons YHWH heden geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van YHWH, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden. 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 1 Samuël 4:10 : Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een ieder in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. Psalmen 78:60 : Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. Psalmen 78:61 : En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijders. Psalmen 78:62 : En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd toornig tegen Zijn erfenis. Psalmen 78:67 : Maar Hij verwierp de tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet. Jesaja 7:5 : Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende: Jesaja 7:17 : Maar YHWH zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van die dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door de koning van Assyrië. Hosea 12:1 : Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. Hosea 13:1 : Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de Baäl en is gestorven. Hosea 10:11 : Omdat Efraïm een vaars is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. Hosea 10:14 : Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-arbel verstoorde op de dag van de krijg; de moeder werd verpletterd met de zonen. 1 Kronieken 7:21 : En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. 1 Kronieken 7:22 : Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broers kwamen om hem te troosten.
[^psalmen-78-12-8]: Kanttekening 8: veld van Zoan: Dat is, in de akkers, of het landschap Zoan, zijnde een zeer oude en vermaarde koninklijke hoofdstad in Egypte. Zie Num. 13:22 ; Jes. 19:13 , en Jes. 30:3 , 30:4 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Jesaja 19:13 : De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uiterste hoek van zijn stammen. Jesaja 30:3 : Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. Jesaja 30:4 : Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;
[^psalmen-78-13-d]: Verwijzing d: Ex. 14:21 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^psalmen-78-14-e]: Verwijzing e: Ex. 13:21 ; Ps. 105:39 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Psalmen 105:39 : Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten.
[^psalmen-78-15-f]: Verwijzing f: Ex. 17:6 ; Num. 20:11 ; Ps. 105:41 ; 1 Kor. 10:4 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. 1 Korinthiërs 10:4 : En allen dezelfde geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^psalmen-78-15-9]: Kanttekening 9: Dat is, zo overvloedig, alsof het uit diepe wateren ware geweest.
[^psalmen-78-18-10]: Kanttekening 10: Hebr., אֵל, ziel. Zie Ps. 27:12 . Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^psalmen-78-19-g]: Verwijzing g: Num. 11:1 ; idem v. 4 . Numeri 11:1 : En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van de leger. Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^psalmen-78-20-h]: Verwijzing h: Ex. 17:6 ; Num. 20:11 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.
[^psalmen-78-21-i]: Verwijzing i: Num. 11:1 . Numeri 11:1 : En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van YHWH; want YHWH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van YHWH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van de leger.
[^psalmen-78-21-11]: Kanttekening 11: hoorde YHWH: Dat is, Hij lette hierop gelijk een rechter, of, Hij betoonde metterdaad, dat Hij het gehoord en daarop gelet had. Zo vers 59 . Psalmen 78:59 : God hoorde het en werd toornig, en versmaadde Israël zeer.
[^psalmen-78-21-12]: Kanttekening 12: Menselijk en bij gelijkenis van God gesproken.
[^psalmen-78-21-13]: Kanttekening 13: Zie Job 31:12 . Job 31:12 : Want dat is een vuur, dat tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
[^psalmen-78-23-14]: Kanttekening 14: Of geboden had, en zo in het volgende, dat is, Hij beschikte daar door zijn regering.
[^psalmen-78-23-15]: Kanttekening 15: Figuurlijke manier van spreken. Verg. 2 Kon. 7:2 , 7:19 . 2 Koningen 7:2 : Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo YHWH vensteren in de hemel maakte, zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten. 2 Koningen 7:19 : En die hoofdman had de man van God geantwoord en gezegd: Zie, zo YHWH vensteren in de hemel maakte, zou het ook naar dit woord gebeuren kunnen? En hij had gezegd: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten.
[^psalmen-78-24-k]: Verwijzing k: Ex. 16:14 . Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.
[^psalmen-78-24-16]: Kanttekening 16: Zie Ex. 16:15 . Exodus 16:15 : Toen het de kinderen van Israël zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft.
[^psalmen-78-24-17]: Kanttekening 17: hemels koren: Dat uit de lucht nederviel en als koren kon gemalen worden en voor koren strekken. Zie Num. 11:8 . Numeri 11:8 : Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie.
[^psalmen-78-25-l]: Verwijzing l: Joh. 6:31 ; 1 Kor. 10:3 . Johannes 6:31 : Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten. 1 Korinthiërs 10:3 : En allen dezelfde geestelijke voedsel gegeten hebben;
[^psalmen-78-25-18]: Kanttekening 18: Dat is, van de engelen, zo genoemd vanwege de macht en kracht, die zij van God ontvangen hebben om grote dingen in het werk te stellen, in het bijzonder tot dienst van zijn uitverkorenen. Zie Ps. 103:20 ; Hebr. 1:14 . Het man wordt het brood van de engelen genoemd, omdat God het door hun dienst afzond, of uit de hemel \[de woonstede van de engelen\] gaf, of vanwege zijn uitnemendheid; gelijk tongen van de engelen; dat is, allerlieflijkste, 1 Kor. 13:1 . Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? 1 Korinthiërs 13:1 : Al ware het, dat ik de talen van de mensen en van de engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.
[^psalmen-78-26-m]: Verwijzing m: Num. 11:31 . Numeri 11:31 : Toen voer een wind uit van YHWH, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.
[^psalmen-78-26-19]: Kanttekening 19: Dat is, lucht.
[^psalmen-78-27-20]: Kanttekening 20: In zulk een menigte en overvloed.
[^psalmen-78-27-21]: Kanttekening 21: Te weten, kwakkelen.
[^psalmen-78-28-22]: Kanttekening 22: zijns legers: Zo nochtans, dat het ook verre buiten het leger gevallen is; zie Num. 11:31 . Hij noemt Israël Gods leger, omdat Hij Heer, Hoofd, Koning en Leidsman daarvan was. Numeri 11:31 : Toen voer een wind uit van YHWH, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.
[^psalmen-78-28-23]: Kanttekening 23: Dit kan men verstaan van Gods tabernakel, waarin verscheidene woningen waren; of van de woningen van het volk, die Gods woningen zouden kunnen genoemd worden, om reden gelijk het leger Gods leger.
[^psalmen-78-29-24]: Kanttekening 24: Dat is, overvloed van zulk voedsel als hun gelust had.
[^psalmen-78-30-25]: Kanttekening 25: vervreemd van hun lust: Dat is, zij hadden hun lust nauwelijks geboet, de lust was hun nog niet vergaan.
[^psalmen-78-31-n]: Verwijzing n: Num. 11:33 ; 1 Kor. 10:5 . Numeri 11:33 : Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. 1 Korinthiërs 10:5 : Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
[^psalmen-78-31-26]: Kanttekening 26: Dat is, aanzienlijkste, rijkste, sterkste, welgesteldste, lijvigste. Verg. Richt. 3:29 . Hebr. vettigheden. Richteren 3:29 : En zij sloegen de Moabieten in die tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam.
[^psalmen-78-31-27]: Kanttekening 27: Anders, jongelingen. Zo vers 63 . Psalmen 78:63 : Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.
[^psalmen-78-32-28]: Kanttekening 28: zondigden zij nog: Morden al opnieuw. Zie Num. 14 , Num. 15 , Num. 16 .
[^psalmen-78-32-29]: Kanttekening 29: Verg. Deut. 1:32 . Dat is, zij vertrouwden God niet, hoewel Hij al deze wonderen deed. Deuteronomium 1:32 : Maar door dit woord geloofde u niet aan YHWH, uw God.
[^psalmen-78-33-30]: Kanttekening 30: Zie Num. 14:28 , 14:29 , 14:33 , 14:34 , 14:35 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Numeri 14:29 : Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, u, die tegen Mij gemurmureerd hebt. Numeri 14:33 : En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. Numeri 14:34 : Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking. Numeri 14:35 : Ik, YHWH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze gehele boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!
[^psalmen-78-36-31]: Kanttekening 31: vleiden Hem: Of, gaven Hem goede, of schone woorden; alsof zij meenden Hem te bedriegen. Zie van het Hebr. woord Richt. 14:15 . Richteren 14:15 : Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?
[^psalmen-78-38-32]: Kanttekening 32: Dat is, Hij liet de tijdelijke straf na, of hield haar op, ten aanzien van de huichelaars, en vergaf hun, volgens zijn genadeverbond om de verzoening van de Messias, ten aanzien van de uitverkorenen.
[^psalmen-78-38-33]: Kanttekening 33: Zie van het Hebr. woord Richt. 20:21 . Richteren 20:21 : Toen togen de kinderen van Benjamin uit van Gibeä, en zij vernielden ter aarde op die dag van Israël twee en twintig duizend man.
[^psalmen-78-38-34]: Kanttekening 34: Hebr., אַפּ, Hij vermenigvuldigde af te keren, of af te wenden, enz.
[^psalmen-78-38-35]: Kanttekening 35: Om hen ganselijk en ten enenmale te vernielen.
[^psalmen-78-39-36]: Kanttekening 36: Zie Ps. 56:5 . Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen?
[^psalmen-78-39-37]: Kanttekening 37: Verg. Jak. 4:14 . Jakobus 4:14 : U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
[^psalmen-78-40-38]: Kanttekening 38: Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^psalmen-78-41-39]: Kanttekening 39: Of, zij verzochten God opnieuw.
[^psalmen-78-41-40]: Kanttekening 40: Zie Ps. 71:22 . Psalmen 71:22 : Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^psalmen-78-41-41]: Kanttekening 41: een perk: Of, bepaalde Hem, dat is, zij wilden Hem perk en maat stellen, zijn goddelijke almacht en regering als binnen zekere palen besluiten, alsof Hij niet anders moest of kon doen dan wat zij wilden of verstonden Hem mogelijk te zijn; zij wilden Hem \[gelijk men zegt\] meesteren.
[^psalmen-78-42-42]: Kanttekening 42: Dat is, zijn mogenheid, die Hij betoond had in het verlossen van zijn volk.
[^psalmen-78-42-43]: Kanttekening 43: van de wederpartijder: Of, van benauwdheid.
[^psalmen-78-43-44]: Kanttekening 44: Gelijk boven vers 12 . Psalmen 78:12 : Voor hun vaders had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
[^psalmen-78-44-o]: Verwijzing o: Ex. 7:20 . Exodus 7:20 : Mozes nu en Aäron deden zo, gelijk YHWH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
[^psalmen-78-45-p]: Verwijzing p: Ex. 8:24 . Exodus 8:24 : En YHWH deed zo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het gehele Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
[^psalmen-78-45-q]: Verwijzing q: Ex. 8:6 . Exodus 8:6 : En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.
[^psalmen-78-45-45]: Kanttekening 45: Hebr. de vors.
[^psalmen-78-46-r]: Verwijzing r: Ex. 10:13 . Exodus 10:13 : Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gansen nacht; het geschiedde van de morgen, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.
[^psalmen-78-46-46]: Kanttekening 46: Dat is, de landvruchten, die zij bearbeid hadden.
[^psalmen-78-47-s]: Verwijzing s: Ex. 9:23 . Exodus 9:23 : Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland.
[^psalmen-78-47-47]: Kanttekening 47: Dat is, deed hen uitgaan en versterven.
[^psalmen-78-47-48]: Kanttekening 48: vurige hagelsteen: Het Hebr. woord wordt alleen hier gevonden. Sommigen menen dat het vuur onder de hagel vermengd \[ Ex. 9:24 , 9:25 \], zo genoemd, omdat het alles, waar het op viel of \[om zo te spreken\] zich legerde, doorsneed en verteerde. Exodus 9:24 : En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het gehele Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is. Exodus 9:25 : En de hagel sloeg, in het gehele Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en verbrak al het geboomte van het veld.
[^psalmen-78-48-49]: Kanttekening 49: Of, Hij besloot onder de hagel, enz. dat zij onder het geweld van de hagel waren, gelijk een besloten en gevangen man, die nergens kan uitkomen. Zo vers 50 , 78:62 . Psalmen 78:50 : Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over. Psalmen 78:62 : En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd toornig tegen Zijn erfenis.
[^psalmen-78-48-50]: Kanttekening 50: vurige kolen: Of, vurige vonken; dat is, de vurige bliksemstralen. Verg. 2 Sam. 22:9 , 22:13 . 2 Samuël 22:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. 2 Samuël 22:13 : Van de glans voor Hem heen werden kolen van het vuur aangestoken.
[^psalmen-78-49-51]: Kanttekening 51: Dat is, zeer heftige en zware plagen en straffen, voortkomende uit zijn toorn. Zie Job 21:30 ; en zie Ez. 7:3 , met de aantekening. Job 21:30 : Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden. Ezechiël 7:3 : Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.
[^psalmen-78-49-52]: Kanttekening 52: Hierdoor verstaan sommigen verdervende engelen; anderen Mozes en Aäron, door wie God Farao deze plagen liet aanzeggen.
[^psalmen-78-49-53]: Kanttekening 53: veel kwaads: Hebr. van de kwaden; dat is, van veel kwaads of ongeluk.
[^psalmen-78-50-54]: Kanttekening 54: Op de weegschaal van zijn gerechtigheid, wegende tegen elkaar zijn straffen en hun verdiensten; gelijk God pleegt voort te gaan in straffen, gelijk de mensen voortgaan in zonden en hardnekkigheid. Zie Lev. 26:21 , 26:23 , 26:24 , 26:27 , 26:28 . Leviticus 26:21 : En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen. Leviticus 26:23 : Als u nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen; Leviticus 26:24 : Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan. Leviticus 26:27 : Als u ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; Leviticus 26:28 : Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.
[^psalmen-78-50-t]: Verwijzing t: Ex. 9:6 . Exodus 9:6 : En YHWH deed deze zaak van de anderen daags; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de kinderen van Israël stierf niet een.
[^psalmen-78-50-55]: Kanttekening 55: hun gedierte: Anders, hun leven; gelijk Job 33:18 , 33:22 , 33:28 . Job 33:18 : Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. Job 33:22 : En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. Job 33:28 : Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.
[^psalmen-78-51-v]: Verwijzing v: Ex. 12:29 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten.
[^psalmen-78-51-56]: Kanttekening 56: Of, eerstelingen. Zie Gen. 49:3 . Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin van mijn macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!
[^psalmen-78-51-57]: Kanttekening 57: tenten van Cham: In de woningen van Egypte, in het Hebr., מִצְרָיִם, genoemd Mitsrajim, naar de naam van Chams zoon. Zie Gen. 10:6 . Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^psalmen-78-53-x]: Verwijzing x: Ex. 14:27 ; idem 14:28 ; Ex. 15:10 . Exodus 14:27 : Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en YHWH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee. Exodus 14:28 : Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van het gehele legermacht van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over. Exodus 15:10 : U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
[^psalmen-78-53-58]: Kanttekening 58: De Schelfzee, de Rode zee.
[^psalmen-78-54-59]: Kanttekening 59: landpale Zijn heiligheid: Te weten, Kanaän. Verg. Ex. 15:13 , 15:17 . Dat is, zijn heilige landpale. Of, de landpale van zijn heiligdom. Exodus 15:13 : U leidde door Uw weldadigheid dit volk, dat U verlost hebt; U voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid. Exodus 15:17 : Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH!
[^psalmen-78-54-60]: Kanttekening 60: Namelijk Zion (Sion), gelijk vers 68 . Anders, dit gebergte, verstaande het Joodse land, dat met bergen omsingeld was. Psalmen 78:68 : Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad.
[^psalmen-78-55-61]: Kanttekening 61: Dat is, Hij gaf hun Kanaän in als een erflot, en liet hun het land bij lotingen uitdelen. Zie Num. 34:2 , enz.; Joz. 14 , Joz. 15 , Joz. 16 , Joz. 17 . Numeri 34:2 : Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn gebied.
[^psalmen-78-55-y]: Verwijzing y: Joz. 13:7 ; Ps. 136:21 ; idem v. 22 . Jozua 13:7 : En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan de halven stam van Manasse, Psalmen 136:21 : En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:22 : Ten erve aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-78-55-62]: Kanttekening 62: Zie Deut. 32:9 ; Ps. 16:5 , 16:6 . Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve. Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
[^psalmen-78-55-63]: Kanttekening 63: hun : Van de Israëlieten.
[^psalmen-78-56-64]: Kanttekening 64: Dit ziet op de zonde, die Israël in Kanaän gekomen zijnde, bedreven heeft ten tijde van de Richters. Zie vers 59 , 78:60 , enz., en verder Deut. 6:16 . Psalmen 78:59 : God hoorde het en werd toornig, en versmaadde Israël zeer. Psalmen 78:60 : Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^psalmen-78-56-65]: Kanttekening 65: Dat is, zijn wetten en geboden. Zie Num. 1:50 ; Deut. 4:45 . Numeri 1:50 : Maar u, stel de Levieten over de tabernakel van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren. Deuteronomium 4:45 : Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen van Israël, als zij uit Egypte waren uitgetogen;
[^psalmen-78-57-66]: Kanttekening 66: In de woestijn gedaan hadden.
[^psalmen-78-57-67]: Kanttekening 67: bedriegelijke boog: Hebr., קֶשֶׁת, een boog van het bedrog; die de bout achterwaarts schiet en niet voorwaarts naar het doel, of die de schutter kwetst, of anderzins in de hand van de schutter zich omkeert, en niet, of onrecht schiet. Zo Hos. 7:16 . Hosea 7:16 : Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland.
[^psalmen-78-58-68]: Kanttekening 68: Verg. Deut. 32:21 . Deuteronomium 32:21 : Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
[^psalmen-78-58-69]: Kanttekening 69: Waar zij afgoderij bedreven naar de wijze van de heidenen; zie Lev. 26:30 ; Deut. 12:2 , enz. Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Deuteronomium 12:2 : U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom.
[^psalmen-78-58-z]: Verwijzing z: Deut. 32:16 ; idem v. 21 . Deuteronomium 32:16 : Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt. Deuteronomium 32:21 : Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
[^psalmen-78-58-70]: Kanttekening 70: Zie Ex. 20:5.
[^psalmen-78-59-71]: Kanttekening 71: Verg. boven vers 21 . Psalmen 78:21 : Daarom hoorde YHWH, en werd toornig; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;
[^psalmen-78-60-72]: Kanttekening 72: Zie 1 Sam. 4:4 , 4:11 ; Jer. 7:14 , en Jer. 26:6 , 26:9 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. Jeremia 7:14 : Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaders gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. Jeremia 26:6 : Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek voor alle volken van de aarde. Jeremia 26:9 : Waarom hebt u in de Naam van YHWH geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het gehele volk werd vergaderd tegen Jeremia, in het huis van YHWH.
[^psalmen-78-60-73]: Kanttekening 73: De Israëlieten, die hier slechts mensen genoemd worden om uit te drukken de grote genade van God, dat Hij onder ellendige mensen zijn woning opricht.
[^psalmen-78-61-74]: Kanttekening 74: Dat is, de ark van het verbond, bij welke God zijn hulp en macht voor zijn volk betoonde; zie 2 Kron. 6:41 ; Ps. 132:5 , 132:8 ; deze werd hier ook genoemd de heerlijkheid, of eerlijkheid, sierlijkheid Gods, gelijk 1 Sam. 4:21 . Sommigen verstaan door zijn sterkte de sterke mannen en helden van Gods volk. 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn. Psalmen 132:5 : Totdat ik voor YHWH een plaats gevonden zal hebben, woningen voor de Machtige Jakobs! Psalmen 132:8 : Sta op, YHWH! tot Uw rust, U en de ark van Uw sterkte! 1 Samuël 4:21 : En zij noemde het jongetje Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.
[^psalmen-78-61-75]: Kanttekening 75: van de wederpartijders: Te weten, van de Filistijnen. 1 Sam. 4:11 . 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.
[^psalmen-78-61-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 4:10 ; idem v. 11 . 1 Samuël 4:10 : Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vloden een iedereen in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.
[^psalmen-78-63-76]: Kanttekening 76: Gods toorn, door het zwaard en woeden van de Filistijnen.
[^psalmen-78-63-77]: Kanttekening 77: Hebr, zijn; te weten, van het volk Israël; zo in het volgende.
[^psalmen-78-63-78]: Kanttekening 78: Te weten, met bruiloftsliedjes, gelijk in huwelijken en bruiloften placht te gebeuren; dat is, zij werden niet heerlijk en blijdelijk uitgehuwelijkt. Hierop wordt ook gezien Jer. 7:34 , en Jer. 16:9 , en Jer. 25:10 . Jeremia 7:34 : En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp.
[^psalmen-78-64-79]: Kanttekening 79: Dit kan men bijzonderlijk verstaan van de zonen van de hogepriester Eli; 1 Sam. 4:11 . 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.
[^psalmen-78-64-80]: Kanttekening 80: weduwen weenden niet: Door verbaasdheid en schrik, vanwege de overgrote algemene ellenden, die hun zinnen van het gewone zo aftrokken, dat zij daarop niet konden denken, of daartoe gewoonlijk tijd vinden. Zie 1 Sam. 4:19 , 4:20 ; Job 27:15 ; Ez. 24:23 . 1 Samuël 4:19 : En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar. 1 Samuël 4:20 : En omtrent de tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte. Job 27:15 : Zijn overgeblevenen zullen in de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. Ezechiël 24:23 : En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch wenen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een ieder tegen zijn broer zuchten.
[^psalmen-78-64-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 4:11 ; idem v. 18 ; idem v. 19 . 1 Samuël 4:11 : En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 1 Samuël 4:18 : En het geschiedde, als hij van de ark van God vermeldde, zo viel hij achterwaarts van de stoel af, aan de zijde van de poort, en brak de nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren. 1 Samuël 4:19 : En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar.
[^psalmen-78-65-81]: Kanttekening 81: Die scheen te slapen toen de Filistijnen de overhand hadden en de ark wegvoerden. Verg. Ps. 44:24 . Psalmen 44:24 : Waak op, waarom zoudt U slapen, YHWH! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
[^psalmen-78-65-82]: Kanttekening 82: van de wijn: Door een milden dronk wijn versterkt, moedig en onbeschroomd zijnde om zijn vijand aan te grijpen. Anders, \[opstaande\] van de wijn; dat is, gelijk een sterk man, die de wijn uitgeslapen hebbende met groot getier zijn sterkte betoont, daar hij in zijn diepen slaap geheel niets scheen te vermogen.
[^psalmen-78-66-83]: Kanttekening 83: De Filistijnen. Zie 1 Sam. 5:6 enz., en 1 Sam. 6:4 , 6:5 , 6:11 , 6:15 , 6:17 . 1 Samuël 5:6 : Maar de hand van YHWH was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar gebied. 1 Samuël 6:4 : Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten van de Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten. 1 Samuël 6:5 : Zo maakt dan beelden van uw spenen, en beelden van uw muizen, die het land verderven, en geeft de God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over u, en van over uw god, en van over uw land. 1 Samuël 6:11 : En zij zetten de ark van YHWH op de wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden van hun spenen. 1 Samuël 6:15 : En de Levieten namen de ark van YHWH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes offerden brandofferen, en slachtten slachtofferen voor YHWH, op dezelfde dag. 1 Samuël 6:17 : Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan YHWH ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod een voor Gaza een, voor Askelon een, voor Gath een, voor Ekron een.
[^psalmen-78-66-84]: Kanttekening 84: Hebr. smaadheid van de eeuwigheid.
[^psalmen-78-66-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 5:6 ; 1 Sam. 6:4 . 1 Samuël 5:6 : Maar de hand van YHWH was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar gebied. 1 Samuël 6:4 : Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten van de Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten.
[^psalmen-78-67-85]: Kanttekening 85: De tabernakel, die te Silo in de stam Efraïm was, heeft Hij daar niet willen laten blijven, of zijn ark daar weer laten verblijven.
[^psalmen-78-69-86]: Kanttekening 86: Dat is, de tempel, door Salomo. Zie 1 Kon. 6 .
[^psalmen-78-69-87]: Kanttekening 87: Zo hoog als de hoge paleizen, en zo vast als de aarde, die voor altijd onbewegelijk is.
[^psalmen-78-70-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 16:11 ; 2 Sam. 7:8 . 1 Samuël 16:11 : Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. 2 Samuël 7:8 : Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël.
[^psalmen-78-71-88]: Kanttekening 88: Anders, dragende.
[^psalmen-78-71-89]: Kanttekening 89: Zie 2 Sam. 5:2 . 2 Samuël 5:2 : Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël.
[^psalmen-78-71-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 5:2 ; 1 Kron. 11:2 . 2 Samuël 5:2 : Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël. 1 Kronieken 11:2 : Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt u Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft YHWH, uw God, tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult voorganger zijn van Mijn volk Israël.
[^psalmen-78-72-90]: Kanttekening 90: zeer verstandig beleid zijn handen: Hebr., כַּפָּי, met verstanden van zijn palmen; dat is, Hij heeft het rijk geregeerd met grote wijsheid en voorzichtigheid.

### Psalmen 79

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/79.json)

*Gods gemeente beklaagt zich over de uiterste wreedheid van de vijanden, die Jeruzalem en de tempel hadden verwoest, en bidt Hem dat Hij, hun zonden vergetend en verzoenend, om Zijn eer wil hen genadig en spoedig verlosse en de vijanden straffe, tot eeuwige lof van Zijn Naam.*

**1** Een psalm[^psalmen-79-1-1] van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw[^psalmen-79-1-2] erfenis; zij hebben[^psalmen-79-1-3] de tempel van Uw heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v1)

**2** Zij hebben[^psalmen-79-2-4] de dode lichamen van Uw knechten aan het gevogelte van de hemel tot voedsel gegeven; het vlees van Uw[^psalmen-79-2-5] gunstgenoten aan het gedierte van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v2)

**3** Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v3)

**4** [^psalmen-79-4-a] Wij zijn onze buren een[^psalmen-79-4-6] smaad geworden; een spot en schimp die, die rondom ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v4)

**5** [^psalmen-79-5-b] Hoe lang,[^psalmen-79-5-7] YHWH? Zult U[^psalmen-79-5-8] eeuwig toornen? Zal Uw[^psalmen-79-5-9] ijver als vuur branden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v5)

**6** [^psalmen-79-6-10][^psalmen-79-6-c] Stort Uw woede uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v6)

**7** Want[^psalmen-79-7-11] men heeft Jakob[^psalmen-79-7-12] opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v7)

**8** [^psalmen-79-8-d] Gedenk[^psalmen-79-8-13] ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer[^psalmen-79-8-14] dun geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v8)

**9** Help ons, o God van ons heil! vanwege de eer van Uw Naam; en red ons, en[^psalmen-79-9-15] doe verzoening over onze zonden, omwille van uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v9)

**10** Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God?[^psalmen-79-10-16] Laat de wraak van de vergoten bloed van Uw knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v10)

**11** Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen;[^psalmen-79-11-17] behoud overig de[^psalmen-79-11-18] kinderen van de[^psalmen-79-11-19] dood, naar de grootheid van Uw arm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v11)

**12** En geef onze buren[^psalmen-79-12-20] zevenvoudig weer in hun[^psalmen-79-12-21] schoot hun smaad, waarmee zij U, o Heere! gesmaad hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v12)

**13** Zo zullen wij, Uw volk en de schapen van Uw weide, U loven in eeuwigheid,[^psalmen-79-13-22] van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/79.html#v13)

[^psalmen-79-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 50:1 . Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-79-1-2]: Kanttekening 2: Versta, het land Kanaän, en Jeruzalem in het bijzonder. Zie Ps. 68:10 . Psalmen 68:10 : U hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en U hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
[^psalmen-79-1-3]: Kanttekening 3: de tempel: Dat is, uw heilige tempel.
[^psalmen-79-2-4]: Kanttekening 4: de dode: Hebr. het dode lichaam; gelijk onder, vers 11 , van de gevangene; dat is, van de gevangenen, gelijk elders dikwijls. Psalmen 79:11 : Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid Uws arms.
[^psalmen-79-2-5]: Kanttekening 5: Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-79-4-a]: Verwijzing a: Ps. 44:14 ; Ps. 80:7 . Psalmen 44:14 : U stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. Psalmen 80:7 : U hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.
[^psalmen-79-4-6]: Kanttekening 6: Zie Ps. 80:7 , en verg. Ps. 137:7 ; Ez. 35:2 , 35:12 , 35:13 , 35:15 . Psalmen 80:7 : U hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. Psalmen 137:7 : YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! Ezechiël 35:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer ertegen, Ezechiël 35:12 : En u zult weten, dat Ik, YHWH, al uw lasteringen gehoord heb, die u tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons tot voedsel gegeven. Ezechiël 35:13 : Zo hebt u u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. Ezechiël 35:15 : Gelijk u u verblijd hebt over de erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^psalmen-79-5-b]: Verwijzing b: Ps. 89:47 . Psalmen 89:47 : Hoe lang, o YHWH! zult U U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
[^psalmen-79-5-7]: Kanttekening 7: Hoe lang, YHWH: Of, hoelang, YHWH, zult u steeds toornen?
[^psalmen-79-5-8]: Kanttekening 8: Zie van het Hebr. woord Ps. 13:2 . Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^psalmen-79-5-9]: Kanttekening 9: Zie Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^psalmen-79-6-10]: Kanttekening 10: Stort uw grimmigheid: Gelijk water, als Hos. 5:10 . Dat is, overval ze met straffen, in overvloed en met geweld. Vergelijk Ps. 69:25 , Jes. 42:25 , Jer. 7:20 en 10:25 , Ez. 7:8 en 20:33 , 20:34 , Openb. 16:1 , etc; wat het zij, God niet te kennen, zie daarvan Job 18:21 , hoewel het hier bijzonderlijk ziet op de gehele afgodische staat van de heidenen in het point van religie, die de ware God kenden noch dienden. Hosea 5:10 : De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die het gebied verrukken; Ik zal Mijn toorn, als water, over hen uitgieten. Psalmen 69:25 : Stort over hen Uw toorn uit; en de hitte Uws toorns grijpe hen aan. Jesaja 42:25 : Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid van Zijn toorn en de macht van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, maar zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, maar zij nemen het niet ter harte. Jeremia 7:20 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van het aardrijk; en zal branden, en niet uitgeblust worden. Jeremia 10:25 : Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest. Ezechiël 7:8 : Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen. Ezechiël 20:33 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH: Zo Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekten arm, en met een uitgegoten grimmigheid over u zal regeren! Ezechiël 20:34 : Want Ik zal u uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin u verstrooid bent, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door een uitgegoten grimmigheid. Openbaring 16:1 : En ik hoorde een grote stem uit de tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat heen, en giet de zeven fiolen van de toorn van God uit op de aarde. Job 18:21 : Gewisselijk, zodanige zijn de woningen van de verkeerden, en dit is de plaats van degene die God niet kent.
[^psalmen-79-6-c]: Verwijzing c: Jer. 10:25 . Jeremia 10:25 : Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
[^psalmen-79-7-11]: Kanttekening 11: men heeft: Hebr. hij heeft, enz. Dat is, men heeft, of een ieder van hen heeft, enz.
[^psalmen-79-7-12]: Kanttekening 12: Verg. Deut. 7:16 , en Ps. 14:4 . Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Psalmen 14:4 : Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan.
[^psalmen-79-8-d]: Verwijzing d: Jes. 64:9 . Jesaja 64:9 : YHWH! wees niet zo zeer toornig, en gedenk niet eeuwig van de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
[^psalmen-79-8-13]: Kanttekening 13: ons de: Anders, tegen ons. Maar wij spreken ook zo in onze taal: Ik zal hem dat gedenken, en gedenk mij dat niet. Verg. Jer. 2:2 , en zie Jer. 31:34 ; Ez. 18:22 , en het tegendeel Jer. 14:10 ; Hos. 8:13 , en Hos. 9:9 , en verder, aangaande de manier van spreken, Gen. 8:1 . Of, de misdaden van de vorigen; dat is, onzer voorvaders. Jeremia 2:2 : Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Ezechiël 18:22 : Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. Jeremia 14:10 : Zo zegt YHWH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft YHWH geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken. Hosea 8:13 : Aangaande de offeranden van Mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Hosea 9:9 : Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^psalmen-79-8-14]: Kanttekening 14: dun geworden: Of, uitgeput, uitgeteerd, gering geworden.
[^psalmen-79-9-15]: Kanttekening 15: doe verzoening: Of, bedek genadiglijk. Verg. Ps. 65:4 . Psalmen 65:4 : Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent U.
[^psalmen-79-10-16]: Kanttekening 16: Anders, laat Hem \[onze God\] onder de heidenen bekend worden voor onze ogen, \[door\] de wraak van de, enz. Verg. Deut. 32:42 , 32:43 ; Jer. 51:36 , 51:37 . Deuteronomium 32:42 : Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van de gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn. Deuteronomium 32:43 : Juicht, u heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk. Jeremia 51:36 : Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen. Jeremia 51:37 : En Babel zal worden tot steenhopen, een woning van de draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.
[^psalmen-79-11-17]: Kanttekening 17: Maak dat zij overblijven, behoud hen in het leven.
[^psalmen-79-11-18]: Kanttekening 18: Dat is, die als misdadigers ter dood verwezen of verordend zijn. Zie 2 Sam. 12:5 ; Spr. 31:8 . 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood! Spreuken 31:8 : Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
[^psalmen-79-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, naar uw grote mogendheid. Zie Ps. 77:16 , en Job 40:4 . Psalmen 77:16 : U hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela. Job 40:4 : Hebt u een arm gelijk God? En kunt u, gelijk Hij, met de stem donderen?
[^psalmen-79-12-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 4:15 , en Ps. 12:7 . Genesis 4:15 : Maar YHWH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond. Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
[^psalmen-79-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, overvloedig, en zo dat zij het gevoelen en het aan hen beklijve; zo Jes. 65:7 ; Jer. 32:18 , en Luk. 6:38 . Jesaja 65:7 : Uw ongerechtigheden, en uw vaders ongerechtigheden tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten! Lukas 6:38 : Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmee u meet, zal u wedergemeten worden.
[^psalmen-79-13-22]: Kanttekening 22: van geslacht tot geslacht: Hebr., דֹר, in geslacht en geslacht.

### Psalmen 80

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/80.json)

*De psalmist klaagt over de ellendige staat van de Kerk, daar de vroegere veelvuldige weldaden die God aan haar bewezen had, nu veranderd waren in benauwdheden en vervolgingen; en hij bidt om verlossing daaruit, met belofte van dankbaarheid.*

**1** [^psalmen-80-1-1] Voor de opperzangmeester, op Schoschannim;[^psalmen-80-1-2] een getuigenis, een psalm[^psalmen-80-1-3] van Asaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v1)

**2** [^psalmen-80-2-4] O Herder van Israël! neem ter ore, Die[^psalmen-80-2-5] Jozef als schapen leidde;[^psalmen-80-2-6] Die tussen de cherubim zit,[^psalmen-80-2-7] verschijn blinkend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v2)

**3** [^psalmen-80-3-8] Wek Uw macht op voor het aangezicht van[^psalmen-80-3-9] Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v3)

**4** [^psalmen-80-4-10] O God![^psalmen-80-4-11] breng ons weer, en[^psalmen-80-4-12][^psalmen-80-4-a] laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v4)

**5** O YHWH, God van de legermachten! hoe lang zult U[^psalmen-80-5-13] roken tegen het gebed van Uw volk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v5)

**6** [^psalmen-80-6-14] U spijst[^psalmen-80-6-15] hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit[^psalmen-80-6-16] een drieling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v6)

**7** U hebt ons[^psalmen-80-7-17] onze buren[^psalmen-80-7-18] tot een twist gesteld, en[^psalmen-80-7-b] onze vijanden[^psalmen-80-7-19] spotten onder zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v7)

**8** O God van de[^psalmen-80-8-20] legermachten! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v8)

**9** U hebt een[^psalmen-80-9-21] wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt[^psalmen-80-9-22] de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v9)

**10** U hebt de plaats voor hem[^psalmen-80-10-24] bereid, en zijn wortels[^psalmen-80-10-25] doen inwortelen, zodat hij het land[^psalmen-80-10-26] vervuld heeft.[^psalmen-80-10-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v10)

**11** [^psalmen-80-11-27] De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren[^psalmen-80-11-28] als cederbomen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v11)

**12** [^psalmen-80-12-29] Hij schoot zijn ranken uit[^psalmen-80-12-30] tot aan de zee, en zijn scheuten tot[^psalmen-80-12-31] aan de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v12)

**13** Waarom hebt U[^psalmen-80-13-32] zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v13)

**14** [^psalmen-80-14-33] Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en[^psalmen-80-14-34] het wild van het veld heeft hem afgeweid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v14)

**15** O God van de[^psalmen-80-15-35] legermachten! keer toch weer; aanschouw uit de hemel, en zie, en[^psalmen-80-15-36] bezoek deze wijnstok, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v15)

**16** En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat[^psalmen-80-16-37] om de zoon,[^psalmen-80-16-38] die U Zich gesterkt hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v16)

**17** [^psalmen-80-17-39] Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen;[^psalmen-80-17-40] zij komen om van de bestraffing van Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v17)

**18** [^psalmen-80-18-41] Uw hand zij[^psalmen-80-18-42] over de man van Uw rechterhand, over de mensenzoon, die U Zich gesterkt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v18)

**19** Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v19)

**20** O YHWH, God van de[^psalmen-80-20-43] legermachten! breng ons weer;[^psalmen-80-20-44] laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/80.html#v20)

[^psalmen-80-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekeningen bij Ps. 45:1 . Psalmen 45:1 : Een onderwijzing, een lied van de liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
[^psalmen-80-1-2]: Kanttekening 2: een getuigenis: Dat is, een betuiging, of verklaring van het geloof aan Gods genadige belofte in de grote zwarigheid van zijn kerk.
[^psalmen-80-1-3]: Kanttekening 3: van Asaf: Of, voor Asaf, gelijk Ps. 79:1 . Psalmen 79:1 : Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel van Uw heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
[^psalmen-80-2-4]: Kanttekening 4: O Herder: Verg. Ps. 23:1 , en Ps. 48:15 ; Jes. 40:11 ; Ez. 34:12 , 34:14 , 34:15 ; Joh. 10:11 , en 1 Petr. 2:25 . Psalmen 23:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Psalmen 48:15 : Want deze God is onze God eeuwig en altijd; Hij zal ons geleiden tot de dood toe. Jesaja 40:11 : Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Ezechiël 34:12 : Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, op de dag als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolk en van de donkerheid. Ezechiël 34:14 : Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; daar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls. Ezechiël 34:15 : Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heer YHWH. Johannes 10:11 : Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. 1 Petrus 2:25 : Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen.
[^psalmen-80-2-5]: Kanttekening 5: Jozef, dat is, de nakomelingen van Jozef, te weten de stammen van Efraïm en Manasse, die van Jozef afkomstig waren. De Heilige Schrift begrijpt somtijds onder de naam van Jozef al de andere stammen, en voornamelijk de tien stammen, omdat Jozef de voornaamste en geachtste was onder de kinderen van Jakob; zie Gen. 49:26 , en Ps. 81:6 . Genesis 49:26 : De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen van mijn voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderde van zijn broers! Psalmen 81:6 : Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;
[^psalmen-80-2-6]: Kanttekening 6: Die tussen de cherubim zit: Of, die op de cherubim pleegt te zitten; want nadat de tempel door de Chaldeën was afgebroken en verwoest, zat de Heer niet langer op de cherubim. Van de cherubim, zie de aantekeningen bij 1 Sam. 4:4 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.
[^psalmen-80-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, toon ons uw gunst en genade, ons verlossende uit deze langdurige gevangenis, in welke wij nu lange tijd als in duisternis gezeten hebben.
[^psalmen-80-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, toon en doe uw macht blijken, die nu een tijdlang als geslapen heeft.
[^psalmen-80-3-9]: Kanttekening 9: Efraïm, en Benjamin, en Manasse: Dat is, voor de stammen of nakomelingen van Efraïm, Benjamin en Manasse. Deze drie stammen waren bij elkaar gelegerd aan de westzijde van de tabernakel, Num. 2:17 , 2:18 , 2:20 , 2:22 , en Num. 10:21 , 10:22 , 10:23 , 10:24 . Daarom worden zij hier en 1 Kron. 9:3 , en elders meer, gelijkelijk genoemd. Numeri 2:17 : Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, een ieder aan zijn plaats, naar hun banieren. Numeri 2:18 : De banier van het leger van Efraïm, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste van de zonen van Efraïm zijn. Numeri 2:20 : En naast hem de stam van Manasse; en Gamaliël, de zoon van Pedazur, zal de overste van de zonen van Manasse zijn. Numeri 2:22 : Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste van de zonen van Benjamin zijn. Numeri 10:21 : Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten de tabernakel op, tegen dat deze kwamen. Numeri 10:22 : Daarna toog op de banier van het leger van de kinderen van Efraïm, naar hun heiren; en over de legermacht was Elisama, de zoon van Ammihud. Numeri 10:23 : En over de legermacht van de stam van de kinderen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur. Numeri 10:24 : En over de legermacht van de stam van de kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni. 1 Kronieken 9:3 : Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
[^psalmen-80-4-10]: Kanttekening 10: O God: Dit vers wordt herhaald vers 8 , 80:20 . Psalmen 80:8 : O God van de legermachten! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden. Psalmen 80:20 : O YHWH, God van de legermachten! breng ons weer; laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden.
[^psalmen-80-4-11]: Kanttekening 11: breng ons weer: Te weten, in onze vorigen staat, of uit onze gevangenis en ballingschap, in het land waaruit wij vervoerd zijn. Anders, verkwik ons, gelijk Ps. 23:3 . Psalmen 23:3 : Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, vanwege Zijn Naam.
[^psalmen-80-4-12]: Kanttekening 12: Te weten, over ons. Zie de aantekeningen bij Num. 6:25 , 6:26 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! Numeri 6:26 : YHWH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
[^psalmen-80-4-a]: Verwijzing a: Ps. 4:7 ; Ps. 31:17 ; Ps. 67:2 ; Dan. 9:17 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Psalmen 31:17 : Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid. Psalmen 67:2 : God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht aan ons lichten. Sela. Daniël 9:17 : En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; vanwege de Heer.
[^psalmen-80-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, toornig zijn, ons gebed in grote toornigheid verstotende. Het is een gelijkenis, ziende op het gelaat dergenen, die zeer vertoornd zijn; zie Ps. 74:1 . Psalmen 74:1 : Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
[^psalmen-80-6-14]: Kanttekening 14: U spijst hen: Dat is, U spijst ons, zie Ps. 42:4 . Psalmen 42:4 : Mijn tranen zijn mij tot voedsel dag en nacht; omdat zij de gehele dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
[^psalmen-80-6-15]: Kanttekening 15: met tranenbrood: De zin van deze woorden is dat hun het lijden zo gemeen is als eten en drinken, en dat zij met zeer grote zwarigheden bezocht werden. Of, tranenbrood; dat is, brood in de tranen gedoopt: of tranen in de plaats van brood, gelijk Ps. 42:4 . Psalmen 42:4 : Mijn tranen zijn mij tot voedsel dag en nacht; omdat zij de gehele dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
[^psalmen-80-6-16]: Kanttekening 16: een drieling: Of, een grote maat. Het Hebreeuwse woord betekent een maat, hetzij van natte, gelijk hier, of droge waren, gelijk het schijnt genomen te worden Jes. 40:12 ; waar drie gemene maten ingaan, waarvan de grootte ons onbekend is. Jesaja 40:12 : Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemel met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof van de aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
[^psalmen-80-7-17]: Kanttekening 17: onze naburen: Te weten, de Edomieten, gelijk Ps. 79:4 , en andere goddelozen. Psalmen 79:4 : Wij zijn onze naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp die, die rondom ons zijn.
[^psalmen-80-7-18]: Kanttekening 18: tot een: Dat is, zij twisten en dwarsdrijven dagelijks tegen ons. Of, zij twisten onder elkaar, wie de eer zal hebben van ons te onderdrukken.
[^psalmen-80-7-b]: Verwijzing b: Ps. 44:14 ; Ps. 79:4 . Psalmen 44:14 : U stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. Psalmen 79:4 : Wij zijn onze naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp die, die rondom ons zijn.
[^psalmen-80-7-19]: Kanttekening 19: Te weten, met ons, als zij zien dat het ons kwalijk gaat.
[^psalmen-80-8-20]: Kanttekening 20: Zie boven vers 4 . Psalmen 80:4 : O God! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden.
[^psalmen-80-9-21]: Kanttekening 21: Aldus noemt hij de kerk en het volk van Israël, gelijk ook Jes. 5:1 , 5:7 ; Jer. 2:21 ; Matt. 21:33 ; Mark. 12:1 ; Luk. 20:9 . Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jesaja 5:7 : Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw. Jeremia 2:21 : Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok? Mattheüs 21:33 : Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Marcus 12:1 : En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Lukas 20:9 : En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok een lange tijd buiten 's lands.
[^psalmen-80-9-22]: Kanttekening 22: de heidenen: Versta hier de zeven natiën van de Kanaänieten. Zie het boek Jozua en Ps. 44:3 , en Ps. 78:55 . Psalmen 44:3 : U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; U hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. Psalmen 78:55 : En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer van hun erfenis, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
[^psalmen-80-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, U hebt de Kanaänieten voor hun aangezicht uitgestoten en verdreven; Ex. 23:28 ; Joz. 24:12 . Zie de aantekeningen bij Gen. 24:31 , aangaande de betekenis van het Hebr. woord, dat eigenlijk betekent uitzuiveren, reinigen, uitkeren. Exodus 23:28 : Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. Jozua 24:12 : En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, \[gelijk\] de beide koningen van de Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog. Genesis 24:31 : En hij zei: Kom in, u, gezegende van YHWH! waarom zoudt u buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kamelen.
[^psalmen-80-10-25]: Kanttekening 25: doen inwortelen: Dat is, diep en vast in de aarde doen groeien.
[^psalmen-80-10-26]: Kanttekening 26: Te weten, met zijn ranken.
[^psalmen-80-10-23]: Kanttekening 23: Te weten, de wijnstok; Ex. 15:17 ; Ps. 44:3 . Exodus 15:17 : Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH! Psalmen 44:3 : U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; U hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.
[^psalmen-80-11-27]: Kanttekening 27: De bergen: De psalmist geeft te kennen dat het volk van Israël zeer vermenigvuldigd is geweest door het gehele land Kanaän.
[^psalmen-80-11-28]: Kanttekening 28: cederbomen van God: Dat is, zeer grote, zeer hoge cederbomen. Zie de aantekeningen bij Gen. 13:10 ; Ps. 36:7 staat bergen van de Heer; dat is, grote en hoge bergen. Of cederbomen van God, betekent hier cederbomen door God zelf geplant; gelijk Ps. 104:16 . Genesis 13:10 : En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten. Psalmen 104:16 : De bomen van YHWH worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
[^psalmen-80-12-29]: Kanttekening 29: Te weten, de wijnstok, dat is, het volk van God, het volk van Israël.
[^psalmen-80-12-30]: Kanttekening 30: tot aan de zee: Te weten, tot aan de Middellandse zee; gelijk Ps. 72:8 . Psalmen 72:8 : En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.
[^psalmen-80-12-31]: Kanttekening 31: aan de rivier: Te weten, Eufraat, gelijk Ps. 72:8 . Psalmen 72:8 : En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.
[^psalmen-80-13-32]: Kanttekening 32: zijn muren: Dat is, zijn sterkten, of vastigheden, welke verbroken zijnde, zo ligt het land open tot een prooi van zijn vijanden. Zie Ps. 89:41 , 89:42 , en Jes. 5:5 . Psalmen 89:41 : U hebt al zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen nedergeworpen. Psalmen 89:42 : Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest. Jesaja 5:5 : Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^psalmen-80-14-33]: Kanttekening 33: Het zwijn: Aldus noemt hij de vijanden en vervolgers van Gods volk; gelijk Ps. 68:31 , welke in die tijden in het bijzonder waren de Assyriërs en de Babyloniërs; gelijk te lezen is 2 Kon. 17:6 , en 2 Kon. 25:1 . Psalmen 68:31 : Scheld het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 2 Koningen 25:1 : En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^psalmen-80-14-34]: Kanttekening 34: het wild: Hier kan men verstaan de wilde dieren, waarmee God zijn volk dreigende is, Lev. 26:22 ; of de wrede tirannen, gelijk in ditzelfde vers door de wilde zwijnen wordt te verstaan gegeven. Zie Job 4:11 . Leviticus 26:22 : Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden. Job 4:11 : De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.
[^psalmen-80-15-35]: Kanttekening 35: keer toch: Te weten, tot onze hulp, welke U, op ons vertoornd zijnde, nu lange tijd ons hebt onttrokken.
[^psalmen-80-15-36]: Kanttekening 36: Zie de aantekeningen bij Gen. 21:1 , en Job 5:24 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Job 5:24 : En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen.
[^psalmen-80-16-37]: Kanttekening 37: om de zoon: Versta hier, de Zoon van God. Verg. Ps. 2:7 ; Jes. 9:5 ; Dan. 9:17 , en vers 18 . Anderen verstaan door de zoon hier een jonge spruit, en duiden het op Israël of de gemeente van God. Psalmen 2:7 : Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Daniël 9:17 : En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; vanwege de Heer. Psalmen 80:18 : Uw hand zij over de man van Uw rechterhand, over de zoon van de mens, die U U gesterkt hebt.
[^psalmen-80-16-38]: Kanttekening 38: die U U gesterkt hebt: Verg. Jes. 49:1 , 49:2 , 49:3 , 49:4 , 49:5 , 49:8 , enz. Anders, \[ spruit\] \[ die \] U groot en sterk gemaakt hebt tot uw eer, en om vrucht daarvan te genieten. Jesaja 49:1 : Hoort naar Mij, u eilanden! en luistert toe, u volken van verre! YHWH heeft Mij geroepen van de buik af, van Mijn moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld. Jesaja 49:2 : En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. Jesaja 49:3 : En Hij heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, door Welke Ik verheerlijkt zal worden. Jesaja 49:4 : Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij YHWH, en Mijn werkloon is bij Mijn God. Jesaja 49:5 : En nu zegt YHWH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van YHWH, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn. Jesaja 49:8 : Zo zegt YHWH: In die tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;
[^psalmen-80-17-39]: Kanttekening 39: Hij is: Te weten, de stam, vers 16 , of hij; te weten, de wijnstok, gelijk vers 9 . Psalmen 80:16 : En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de zoon, die U U gesterkt hebt! Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt hem geplant;
[^psalmen-80-17-40]: Kanttekening 40: zij komen: Te weten, de mensen, en met name uw volk Israël \[waarvan hier gesproken wordt\] vergaat, wanneer U uw aangezicht ertegen zet om de vloek tegen hem uit te spreken. Zie bij Ps. 9:6 , de aantekeningen. Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^psalmen-80-18-41]: Kanttekening 41: Uw hand: Versta dit vers van de Zoon van God, de Messias, van wie gesproken is vers 16 . Uw hand zij over hem, is zoveel als: Wees met hem, onderhoud hem en bevorder zijn rijk. Zie gelijke manier van spreken Ezra 7:6 , enz., en verg. Ps. 118:25 ; Jes. 11:2 , 11:3 , en Jes. 61:1 ; Hand. 10:38 . Psalmen 80:16 : En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de zoon, die U U gesterkt hebt! Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. Psalmen 118:25 : Och YHWH! geef nu heil; och YHWH! geef nu voorspoed. Jesaja 11:2 : En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Jesaja 11:3 : En Zijn rieken zal zijn in de vrees voor YHWH; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Handelingen 10:38 : Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
[^psalmen-80-18-42]: Kanttekening 42: over de man Uw rechterhand: Dat is, die U zo liefhebt als uw rechterhand. Zie Gen. 35:18 , of de man die uw naaste, of metgezel is, Zach. 13:7 , \[als zijnde uw eeuwige Zoon\] en door welke U uw kracht uitstrekt, alles geschapen hebt, onderhoudt en regeert, Joh. 1:3 ; Kol. 1:16 ; Hebr. 1:2 , 1:3 , en tot wie U gezegd hebt: Zit tot mijn rechterhand, enz.; Ps. 110:1 , genoemd, de Zoon van de mens; Ps. 8:5 ; Hebr. 2:6 , 2:9 , en doorgaans in het Nieuwe Testament, gelijk Hij ook zo verschenen is; Dan. 7:13 . Bij deze man \[gelijk ook bij de Zoon van de mens, waarvan meteen volgt\] verstaan sommigen het volk van Israël, die ook Gods eerstgeboren Zoon genoemd wordt; Ex. 4:22 . Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. Zacharia 13:7 : Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt YHWH van de legermachten; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Johannes 1:3 : Alle dingen zijn door Het gemaakt, en zonder Het is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemel en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Hebreeën 1:2 : Welke Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; Hebreeën 1:3 : Die, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Psalmen 110:1 : Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U zijn gedenkt, en de zoon van de mens, dat U hem bezoekt? Hebreeën 2:6 : Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U zijn gedenkt, of de zoon van de mens, dat U hem bezoekt! Hebreeën 2:9 : Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou. Daniël 7:13 : Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Hem naderen. Exodus 4:22 : Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
[^psalmen-80-20-43]: Kanttekening 43: breng ons: Zie boven vers 4 . Psalmen 80:4 : O God! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden.
[^psalmen-80-20-44]: Kanttekening 44: laat Uw: Zie boven vers 4 . Psalmen 80:4 : O God! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden.

### Psalmen 81

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/81.json)

*De profeet vermaant het volk om God de HEERE hoog te loven, vanwege de veelvuldige weldaden en verlossingen die God aan hetzelve gedaan had; met klacht over hun ongehoorzaamheid, die hun tot schade strekte.*

**1** Voor de opperzangmeester, op[^psalmen-81-1-1] de Gittith,[^psalmen-81-1-2] een psalm van Asaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v1)

**2** Zing vrolijk voor God, onze Sterkte; juich[^psalmen-81-2-3] de God van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v2)

**3** Hef een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v3)

**4** [^psalmen-81-4-4] Blaas de bazuin[^psalmen-81-4-5] in de nieuwe maan,[^psalmen-81-4-6] op de vastgestelde tijd, op onze feestdag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v4)

**5** Want[^psalmen-81-5-7] dat is een inzetting[^psalmen-81-5-8] in Israël, een recht[^psalmen-81-5-9] van de God van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v5)

**6** Hij heeft[^psalmen-81-6-10] het gezet[^psalmen-81-6-11] tot een getuigenis[^psalmen-81-6-12] in Jozef, als[^psalmen-81-6-13] Hij uitgetogen was tegen Egypteland;[^psalmen-81-6-14] alwaar ik gehoord[^psalmen-81-6-15] heb een spraak, die ik niet verstond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v6)

**7** [^psalmen-81-7-16] Ik heb[^psalmen-81-7-17] zijn schouder van[^psalmen-81-7-18] de last onttrokken; zijn handen zijn[^psalmen-81-7-19] van de potten[^psalmen-81-7-20] ontslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v7)

**8** [^psalmen-81-8-21] In de benauwdheid riept u, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u[^psalmen-81-8-22] uit de schuilplaats van de donder;[^psalmen-81-8-23] Ik beproefde u aan de wateren van[^psalmen-81-8-24] Meriba.[^psalmen-81-8-25] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v8)

**9** [^psalmen-81-9-26] Mijn volk, zei Ik hoor toe, en[^psalmen-81-9-27] Ik zal onder u betuigen, Israël,[^psalmen-81-9-28] of u naar Mij hoorde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v9)

**10** Er zal onder u geen uitlands god wezen, en u zult u voor geen vreemden god neerbuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v10)

**11** Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte;[^psalmen-81-11-29] doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v11)

**12** Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël[^psalmen-81-12-30] heeft Van mijn niet gewild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v12)

**13** Daarom heb Ik het overgegeven[^psalmen-81-13-31] in het goeddunken van hun harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v13)

**14** Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had,[^psalmen-81-14-32] dat Israël in Mijn wegen gewandeld had! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v14)

**15** In kort zou Ik hun vijanden[^psalmen-81-15-33] gedempt hebben, en Mijn[^psalmen-81-15-34] hand gewend hebben tegen hun tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v15)

**16** Die YHWH haten, zouden[^psalmen-81-16-35] zich Hem geveinst onderworpen hebben, maar[^psalmen-81-16-36] hun tijd zou eeuwig geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v16)

**17** En[^psalmen-81-17-37] Hij zou[^psalmen-81-17-38] het gespijsd hebben met[^psalmen-81-17-39] het vette van de tarwe; ja,[^psalmen-81-17-40] Ik zou u verzadigd hebben met honing[^psalmen-81-17-41] uit de rotsstenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/81.html#v17)

[^psalmen-81-1-1]: Kanttekening 1: de Gittith: Zie Ps. 8:1 . Psalmen 8:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Gitthith.
[^psalmen-81-1-2]: Kanttekening 2: van Asaf: Of, voor Asaf, gelijk Ps. 80:1 . Psalmen 80:1 : Voor de opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.
[^psalmen-81-2-3]: Kanttekening 3: de God van Jakob: Dat is, die God, die een verbond gemaakt heeft met Jakob en zijn nakomelingen.
[^psalmen-81-4-4]: Kanttekening 4: Blaast de bazuin: Zie de aantekening bij Lev. 23:24 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^psalmen-81-4-5]: Kanttekening 5: in de nieuwe maan: Te weten, te die tijde als God een bijzonder feest had ingesteld; Num. 10:10 , en Num. 28:11 , 28:14 . Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God! Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; Numeri 28:14 : En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer van de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar.
[^psalmen-81-4-6]: Kanttekening 6: op de vastgestelde tijd: Anders, in de bedekking; te weten, van de maan, dat is, als de maan duister is. Sommigen verstaan hier het feest van het geklank, waarvan te zien is Lev. 23:24 . Anderen verstaan in het eerste lid de nieuwe manen, en in het volgende de drie jaarfeesten, waarvan te zien is Deut. 16:16 . Leviticus 23:24 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^psalmen-81-5-7]: Kanttekening 7: dat is: Te weten, de bazuin te blazen.
[^psalmen-81-5-8]: Kanttekening 8: in Israël: Dat is, onder het volk van Israël.
[^psalmen-81-5-9]: Kanttekening 9: van de God van Jakob: Anders, voor de God van Jakob; te weten, dat men Hem een rechte godsdienst doet, zoals Hij die van zijn volk vereist. Zie van de inzetting van de feestdagen Ex. 23:17 ; Deut. 16:16 . Exodus 23:17 : Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heer YHWH verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^psalmen-81-6-10]: Kanttekening 10: het gezet: Te weten, het blazen van de bazuinen en de onderhouding van de ceremoniën en feestdagen.
[^psalmen-81-6-11]: Kanttekening 11: tot een getuigenis: Te weten, zijn genade over zijn volk.
[^psalmen-81-6-12]: Kanttekening 12: in Jozef: Dat is, onder de nakomelingen van Jozef, bij wie hier in het algemeen alle Israëlieten verstaan worden; gelijk ook Ps. 80:2 . Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^psalmen-81-6-13]: Kanttekening 13: Te weten, God, die oorlog tegen de Egyptenaren gevoerd heeft, hen aantastende met zijn plagen.
[^psalmen-81-6-14]: Kanttekening 14: ik gehoord: Dit spreekt Israël, in zulk een zin namelijk, willende te verstaan geven dat het in de persoon van hun vaders \[in wier lenden zij waren\] onder een vreemd en onbekend volk in Egypte gewoond had.
[^psalmen-81-6-15]: Kanttekening 15: een spraak: Hebr., שְׂפַת, een lip; gelijk Gen. 11:1 . De Hebreeuwse en Egyptische talen waren zo wijd van elkaar verscheiden, dat de één de ander niet verstond; te weten, in het begin als zij eerst in Egypte kwamen. Zie Gen. 42:23 . Sommigen nemen dit zo, dat de profeet hier wil zeggen dat Israël te die tijde nog niet verstond de aanspraak van God, als daartoe nog niet gewend zijnde. Verg. Hand. 7:25 . Genesis 11:1 : En de gehele aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. Genesis 42:23 : En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen. Handelingen 7:25 : En hij meende, dat zijn broers zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
[^psalmen-81-7-16]: Kanttekening 16: Ik heb: Dit zijn de woorden van de Heer, welke de profeet hier sprekende invoert.
[^psalmen-81-7-17]: Kanttekening 17: zijn schouder: \[Zijn\] , te weten van Jozef, dat is, van de Israëlieten, gelijk vers 6 . Psalmen 81:6 : Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;
[^psalmen-81-7-18]: Kanttekening 18: de last: Te weten, van de dienstbaarheid, waaraan het volk van Israël in Egypte onderworpen was. Zie Ex. 1:5 . Exodus 1:5 : Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; maar Jozef was in Egypte.
[^psalmen-81-7-19]: Kanttekening 19: van de potten: Hebr. van de pot. Het schijnt dat de profeet daarop ziet, dat de kinderen van Israël potaarde hebben moeten graven, van welke zij gedwongen waren tichelstenen en potten te maken. Anders, bakken, te weten, waar men de kalk en het gruis in droeg. Anders, manden, korven.
[^psalmen-81-7-20]: Kanttekening 20: Hebr. doorgegaan, of gepasseerd.
[^psalmen-81-8-21]: Kanttekening 21: In de benauwdheid: Enige verstaan dit van wat waar vers 7 , van gesproken wordt; anderen van de benauwdheid waarin zij waren bij de Rode zee; Ex. 2:23 , en Ex. 14:10 , 14:15 . Psalmen 81:7 : Ik heb zijn schouder van de last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen. Exodus 2:23 : En het geschiedde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen van Israël zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God. Exodus 14:10 : Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen van Israël hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen van Israël tot YHWH. Exodus 14:15 : Toen zei YHWH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de kinderen van Israël, dat zij voorttrekken.
[^psalmen-81-8-22]: Kanttekening 22: uit de schuilplaats: Of, in de schuilplaats, dat is, uit de dikke wolkkolom, in welke God als verborgen zijnde, zijn volk van Israël geleidde, maar de Egyptenaars verschrikte met donder, enz.; Ex. 13:21 , en Ex. 14:19 , 14:20 , 14:24 , 14:25 . Zie ook Ps. 77:18 , 77:19 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en 's nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 14:20 : En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de ganse nacht. Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. Exodus 14:25 : En Hij stiet de raderen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. Psalmen 77:18 : De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarheen. Psalmen 77:19 : Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
[^psalmen-81-8-23]: Kanttekening 23: Ik beproefde: Te weten, door grote dorst, die Ik u te Rafidim liet lijden.
[^psalmen-81-8-24]: Kanttekening 24: Aldus zijn de wateren te Rafidim naderhand genoemd geworden. Zie Ex. 17:1 , 17:2 , 17:3 , 17:4 , 17:5 , 17:6 , 17:7 ; Num. 20:13 . Exodus 17:1 : Daarna toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van YHWH, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. Exodus 17:2 : Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Exodus 17:3 : Toen nu het volk daar dorstte naar water, zo morde het volk tegen Mozes, en het zei: Waartoe hebt u ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat u mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? Exodus 17:4 : Zo riep Mozes tot YHWH, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. Exodus 17:5 : Toen zei YHWH tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen. Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet? Numeri 20:13 : Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen van Israël met YHWH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
[^psalmen-81-8-25]: Kanttekening 25: Zie de aantekening bij Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-81-9-26]: Kanttekening 26: Mijn volk: Dit zijn de woorden met welke God zijn volk aanspreekt in het geven van zijn wet.
[^psalmen-81-9-27]: Kanttekening 27: Ik zal onder u betuigen: Dat is, Ik zal u tot getuige nemen. Of, Ik zal u betuigen en te kennen geven wat mijn wil is en wat u doen zult.
[^psalmen-81-9-28]: Kanttekening 28: of u naar Mij hoorde: Versta hierbij: Hoe gelukkig zoudt u zijn? Zie Ex. 15:26 ; Deut. 32:29 . Exodus 15:26 : En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van YHWH uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben YHWH, uw Heelmeester! Deuteronomium 32:29 : O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
[^psalmen-81-11-29]: Kanttekening 29: doe uw mond wijd open: Dat is, spreek en begeer al wat u wilt, Ik zal het u overvloediglijk geven; te weten als u naar mijn wil en wetten leeft. Zie dergelijke belofte Joh. 15:7 , en 1 Joh. 3:22 . Johannes 15:7 : Als u in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat u wilt, zult u begeren, en het zal u gebeuren. 1 Johannes 3:22 : En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem.
[^psalmen-81-12-30]: Kanttekening 30: heeft Mijn niet gewild: Dat is, het is tot mij zo ijverig en zo getrouw niet geneigd geweest, als dat wel zou betaamd hebben; dat daaraan gebleken is, als het zich straks, nadat Ik het mijn wetten en geboden gegeven had, een gouden kalf gemaakt heeft en tegenover mij opgestaan is; Ex. 32:2 , enz., idem Richt. 2:2 , en Richt. 4:1 , en Richt. 6:1 , en Richt. 8:27 , en Richt. 10:6 , en Richt. 13:1 , en Richt. 18:30 . Exodus 32:2 : Aäron nu zei tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen, en uw dochters zijn; en brengt ze tot mij. Richteren 2:2 : En u aangaande, u zult geen verbond maken met de inwoners van dit land; hun altaren zult u afbreken. Maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt u dit gedaan? Richteren 4:1 : Maar de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, als Ehud gestorven was. Richteren 6:1 : Maar de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf hen YHWH in de hand van de Midianieten, zeven jaren. Richteren 8:27 : En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en geheel Israël hoereerde daar dezelfde na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. Richteren 10:6 : Toen voeren de kinderen van Israël voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, en ook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten YHWH, en dienden Hem niet. Richteren 13:1 : En de kinderen van Israël voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van YHWH; zo gaf YHWH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren. Richteren 18:30 : En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd.
[^psalmen-81-13-31]: Kanttekening 31: in het goeddunken: Zie Deut. 29:19 ; Jer. 3:17 , en Jer. 7:24 , en Jer. 9:14 , en Jer. 11:8 ; Hand. 14:16 . Deuteronomium 29:19 : En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. Jeremia 3:17 : In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, omwille van de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. Jeremia 7:24 : Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. Jeremia 9:14 : Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. Jeremia 11:8 : Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een ieder naar het goeddunken van hun boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van dit verbond, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. Handelingen 14:16 : Welke in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;
[^psalmen-81-14-32]: Kanttekening 32: dat Israël: Dat is, de Israëlieten. Daarom volgt er in de Hebr., tekst, gewandeld hadden, in het getal van velen.
[^psalmen-81-15-33]: Kanttekening 33: En volgens die, hun vrede verleend hebben. Verg. 2 Sam. 7:10 , en 1 Kron. 17:9 . 2 Samuël 7:10 : En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woont, en niet meer heen en weer gedreven worde; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst. 1 Kronieken 17:9 : En Ik heb voor Mijn volk Israël een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woont, en niet meer heen en weer gedreven worde; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in het eerst.
[^psalmen-81-15-34]: Kanttekening 34: Dat is, straf, plaag. Zie de aantekening bij Job 13:21 . Job 13:21 : Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^psalmen-81-16-35]: Kanttekening 35: zich Hem: Zie de aantekening bij Deut. 33:29 . Zie ook Ps. 66:3 . Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! Psalmen 66:3 : Zegt tot God: Hoe vreselijk bent U in Uw werken! Om de grootheid van Uw sterkte zullen zich Uw vijanden geveinst aan U onderwerpen.
[^psalmen-81-16-36]: Kanttekening 36: Te weten, mijns volks tijd, dat is welvaart, gelukzaligheid. De zin is dat zij een langdurig en goed leven zouden gehad hebben.
[^psalmen-81-17-37]: Kanttekening 37: Te weten, de Heer.
[^psalmen-81-17-38]: Kanttekening 38: Te weten, zijn volk, vers 14 . Psalmen 81:14 : Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!
[^psalmen-81-17-39]: Kanttekening 39: het vette van de tarwe: Dat is, de bloem, of het beste van het koren, gelijk Num. 18:12 ; Deut. 32:14 ; Ps. 147:14 . Numeri 18:12 : Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij YHWH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 147:14 : Die uw gebied in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette van de tarwe.
[^psalmen-81-17-40]: Kanttekening 40: Ik zou: Dit spreekt nu God opnieuw in zijn eigen persoon.
[^psalmen-81-17-41]: Kanttekening 41: uit de rotsstenen: Versta hierbij dat stede in de reten van de steenrotsen in overvloed zou gevonden worden, zo de bijen in het land Kanaän zich veel in de steenrotsen ophouden. Zie de aantekening bij Deut. 32:13 . Hebr. uit de rotssteen. Dit geestelijkerwijze verstaan zijnde, zo betekent de steenrots Christus, 1 Kor. 10:4 , en de honing de zoetigheid van de woorden, die uit zijn mond vloeien, zijnde zoetigheid van de ziel en gezondheid van de beenderen; Ps. 19:11 ; Spr. 16:24 ; Hoogl. 4:11 . Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; 1 Korinthiërs 10:4 : En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Psalmen 19:11 : Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Spreuken 16:24 : Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente. Hooglied 4:11 : Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk van uw kleren is als de reuk van Libanon.

### Psalmen 82

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/82.json)

*De psalmist getuigt dat God in het gericht voorzit; en hij vermaant de richters aan hun ambt, terwijl hij hun onverstand en onachtzaamheid bestraft, met dreiging van straf.*

**1** Een[^psalmen-82-1-1] psalm van Asaf. God[^psalmen-82-1-2] staat[^psalmen-82-1-3] in de vergadering van God;[^psalmen-82-1-4] Hij oordeelt[^psalmen-82-1-5] in het midden van de goden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v1)

**2** [^psalmen-82-2-6] Hoe lang zult u onrecht oordelen, en[^psalmen-82-2-7] het aangezicht van de goddelozen aannemen? Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v2)

**3** [^psalmen-82-3-8] Doe recht de arme en de wees;[^psalmen-82-3-9] rechtvaardig de verdrukte en de arme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v3)

**4** [^psalmen-82-4-a] Verlos de arme en de behoeftige, ruk hem[^psalmen-82-4-10] uit van de goddelozen hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v4)

**5** [^psalmen-82-5-11] Zij weten niet, en verstaan niet; zij[^psalmen-82-5-12] wandelen steeds in duisternis;[^psalmen-82-5-13] daarom wankelen alle fundamenten van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v5)

**6** [^psalmen-82-6-14] Ik heb wel gezegd: U bent goden; en u bent alle kinderen van de Allerhoogste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v6)

**7** [^psalmen-82-7-15]Toch zult u sterven[^psalmen-82-7-16] als een mens; en[^psalmen-82-7-17] als één van de vorsten zult u[^psalmen-82-7-18] vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v7)

**8** Sta op, o God![^psalmen-82-8-19] oordeel het aarde,[^psalmen-82-8-b] want[^psalmen-82-8-20] U bezit alle natiën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/82.html#v8)

[^psalmen-82-1-1]: Kanttekening 1: psalm van Asaf: Zie de aantekening bij Ps. 48:1 , en Ps. 50:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang.
[^psalmen-82-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, Hij is tegenwoordig, te weten, als souverein, of opperste rechter.
[^psalmen-82-1-3]: Kanttekening 3: in de vergadering van God: Dat is, in zijn vergadering, in de vergadering, die samenkomt om van zijnentwege en uit zijn bevel recht te doen. Zie Deut. 1:17 ; 2 Kron. 19:6 ; Rom. 13:1 . Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. 2 Kronieken 19:6 : En hij zei tot de richters: Ziet wat u doet, want u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor YHWH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. Romeinen 13:1 : Alle ziel zij aan de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd.
[^psalmen-82-1-4]: Kanttekening 4: Hij oordeelt: Zo, namelijk, dat Hij hun oordelen door zijn voorzienigheid en wijsheid zo bestuurt en regeert, dat zij tot zijn eer strekken moeten. Of \[Hij oordeelt\]; dat is, Hij let er wel op welke vonnissen de rechters uitspreken belonende de rechters, die goed recht spreken, en straffende degenen, die hun onderzaten onrechtvaardig verdrukken.
[^psalmen-82-1-5]: Kanttekening 5: in het midden van de goden: Dat is, in het midden van de koningen en van de vorsten, ja van alle overheden, als zijnde allemaal zijn stadhouders. Zie Ex. 21:6 , en Ex. 22:8 , 22:9 , 22:28 ; Joh. 10:34 . Exodus 21:6 : Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. Exodus 22:8 : Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de goden gebracht worden, of hij niet zijn hand aan zijns naasten bezittingen gelegd heeft. Exodus 22:9 : Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, dat iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de goden komen; wie de goden verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven. Exodus 22:28 : De goden zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren. Johannes 10:34 : Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, u bent goden?
[^psalmen-82-2-6]: Kanttekening 6: Hoe lang: Hier voert de profeet God in, aansprekende de onrechtvaardige rechters. Anderen houden het voor de woorden van de psalmist.
[^psalmen-82-2-7]: Kanttekening 7: het aangezicht: Het aangezicht aannemen is hier te zeggen, degenen die een onrechtvaardige zaak hebben, in het gericht gunstig zijn, dat God te doen verboden heeft; Lev. 19:15 ; Deut. 1:17 , en Deut. 16:19 ; en 2 Kron. 19:7 ; Spr. 18:5 ; Jak. 2:1 -9. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringe niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. Deuteronomium 1:17 : U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. Deuteronomium 16:19 : U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Spreuken 18:5 : Het is niet goed, het aangezicht van de goddeloze aan te nemen, om de rechtvaardige in het gericht te buigen. Jakobus 2:1 : Mijn broers, hebt niet het geloof van onze Heer Jezus Christus, de Heer van de heerlijkheid, met aanneming van de persoon.
[^psalmen-82-3-8]: Kanttekening 8: Doet recht: Dat is, verdedigt, beschermt, verlost. Zie Ps. 43:1 ; Jes. 1:17 . Psalmen 43:1 : Doe mij recht, o God! en twist U mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van het bedrog en van het onrecht. Jesaja 1:17 : Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe.
[^psalmen-82-3-9]: Kanttekening 9: Versta hierbij, als hij een rechtvaardige zaak heeft, doet hem recht, bevordert zijn zaak. Zie Deut. 25:1 , en Jer. 22:3 . Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. Jeremia 22:3 : Zo zegt YHWH: Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.
[^psalmen-82-4-a]: Verwijzing a: Spr. 24:11 . Spreuken 24:11 : Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo u u onthoudt.
[^psalmen-82-4-10]: Kanttekening 10: van de goddelozen: Dat is, dergenen die een kwade zaak hebben en de armen zoeken te verdrukken.
[^psalmen-82-5-11]: Kanttekening 11: Te weten, de rechters; zij weten en overleggen niet dat God in de vierschaar bij hen tegenwoordig is, en zij vragen naar zijn bestraffingen of bevel niet. Zie Spr. 29:7 ; Jer. 10:21 ; Micha 3:1 . Spreuken 29:7 : De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak van de armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet. Jeremia 10:21 : Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben YHWH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun gehele weide is verstrooid. Micha 3:1 : Verder zei ik: Hoort nu, u hoofden Jakobs, en u oversten van het huis van Israël! Betaamt het u niet het recht te weten?
[^psalmen-82-5-12]: Kanttekening 12: wandelen steeds in duisternis: In duisternis wandelen is steeds in zonden leven, Ef. 4:17 , 4:18 , en Ef. 5:8 ; 1 Joh. 1:6 , of, in duisternis; dat is, in onwetendheid. Efeziërs 4:17 : Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; Efeziërs 5:8 : Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht. 1 Johannes 1:6 : Als wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.
[^psalmen-82-5-13]: Kanttekening 13: daarom : Alsof hij zei: Omdat het zo staat met koningen, vorsten en overheden, daarom gaat het in de wereld zeer kwalijk, en daaruit spruiten al de beroerten en zwarigheden in landen en steden. Zie Jes. 24:19 , 24:20 . Jesaja 24:19 : De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden. Jesaja 24:20 : De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weer opstaan.
[^psalmen-82-6-14]: Kanttekening 14: Ik heb wel: Alsof Hij zei: Ik heb u wel die eer gedaan dat Ik u goden genoemd heb, als die Ik gesteld heb om in mijn naam het gericht te houden; maar, enz. Zie Ex. 22:6 , en Ex. 22:9 , 22:28 ; Joh. 10:34 , en boven vers 1 . Exodus 22:6 : Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven. Exodus 22:9 : Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, dat iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de goden komen; wie de goden verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven. Exodus 22:28 : De goden zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren. Johannes 10:34 : Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, u bent goden? Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden;
[^psalmen-82-7-15]: Kanttekening 15: Daarom behoort u oprecht te wandelen en te handelen, gedenkende dat u God rekenschap zult moeten geven van al uw doen en laten.
[^psalmen-82-7-16]: Kanttekening 16: als een mens: Hebr. als Adam (אָדָם) , dat is, gelijk andere kleine sterfelijke mensen.
[^psalmen-82-7-17]: Kanttekening 17: als één van de vorsten: Te weten, die tevoren geweest en allen gestorven zijn. Anders: en u overste, zult vallen, gelijk een \[ander\].
[^psalmen-82-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, sterven.
[^psalmen-82-8-19]: Kanttekening 19: Te weten, als opperste rechter van de wereld; zie Gen. 18:25 ; alsof hij zei: Heer, neem U de zaak bij de hand, en wil weer terechtbrengen wat de boze rechters verdorven hebben. Genesis 18:25 : Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen?
[^psalmen-82-8-b]: Verwijzing b: Ps. 2:8 ; Hebr. 1:2 . Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Hebreeën 1:2 : Welke Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^psalmen-82-8-20]: Kanttekening 20: Hebr. U erft, of zult erven in alle natiën; dat is, U bezit en zult altijd in eigendom bezitten \[gelijk men een rechtvaardig erfdeel bezit\] het gehele menselijk geslacht.

### Psalmen 83

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/83.json)

*Een klacht van de gemeente van God over de raadslagen van de goddelozen tegen haar; biddend dat Hij die wil straffen, zoals Hij weleer de vervolgers van Zijn volk gestraft heeft.*

**1** Een lied, een psalm[^psalmen-83-1-1] van Asaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v1)

**2** O God![^psalmen-83-2-2] zwijg niet, houd U niet als doof, en wees niet stil, o God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v2)

**3** Want zie, Uw[^psalmen-83-3-3] vijanden[^psalmen-83-3-4] maken getier, en Uw vijanden[^psalmen-83-3-5] steken het hoofd op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v3)

**4** Zij maken listig een geheime aanslag[^psalmen-83-4-6] tegen Uw volk, en beraadslagen zich[^psalmen-83-4-7] tegen Uw verborgenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v4)

**5** Zij hebben gezegd: Kom, en laat ons hen uitroeien, dat[^psalmen-83-5-8] zij geen volk meer zijn; dat aan de naam van Israël niet meer gedacht worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v5)

**6** Want zij hebben in het hart samen[^psalmen-83-6-9] geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v6)

**7** [^psalmen-83-7-10] De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en[^psalmen-83-7-11] de Hagarenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v7)

**8** [^psalmen-83-8-12] Gebal, en Ammon, en Amalek,[^psalmen-83-8-13] Palestina met de inwoners van Tyrus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v8)

**9** Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn[^psalmen-83-9-14] de kinderen van[^psalmen-83-9-15] Lot tot een arm geweest. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v9)

**10** [^psalmen-83-10-16] Doe hun als Midian, als[^psalmen-83-10-17] Sisera, als[^psalmen-83-10-18] Jabin aan de beek Kison; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v10)

**11** Die vernietigd zijn te[^psalmen-83-11-19] Endor; zij zijn geworden[^psalmen-83-11-20] tot mest van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v11)

**12** [^psalmen-83-12-21] Maak hen en[^psalmen-83-12-22] hun prinsen als[^psalmen-83-12-23] Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als[^psalmen-83-12-24] Zebah en als Zalmuna; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v12)

**13** Die zeiden: Laat ons de[^psalmen-83-13-25] schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v13)

**14** Mijn God! maak[^psalmen-83-14-26] hen als een wervel, als stoppelen voor de wind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v14)

**15** [^psalmen-83-15-27] Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam[^psalmen-83-15-28] de bergen aansteekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v15)

**16** Vervolg hen zo met Uw[^psalmen-83-16-29] onweer, en verschrik hen met Uw draaiwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v16)

**17** Maak hun aangezicht vol schande,[^psalmen-83-17-30] opdat zij, o YHWH! Uw Naam zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v17)

**18** Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v18)

**19** [^psalmen-83-19-31] Opdat zij weten, dat U alleen met Uw Naam bent YHWH, de Allerhoogste over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/83.html#v19)

[^psalmen-83-1-1]: Kanttekening 1: van Asaf: Of, voor Asaf; gelijk Ps. 80:1 . Psalmen 80:1 : Voor de opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.
[^psalmen-83-2-2]: Kanttekening 2: zwijg niet: Hebreeuws, U zij geen stilzwijgen . De psalmist bidt dat God zich wil opmaken om Zijn volk te helpen, en het over zijn vijanden te wreken. Aldus werd het woord stilzwijgen ook gebruikt, Richt. 18:9 . Zie de aantekening bij Ps. 109:1 . Richteren 18:9 : En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt u dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen; Psalmen 109:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
[^psalmen-83-3-3]: Kanttekening 3: Uw vijanden: De zin is: Onze vijanden, die ook uw vijanden zijn, omdat wij uw volk zijn. Wie deze vijanden geweest zijn, zie vers 7 , 83:8 , 83:9 . Psalmen 83:7 : De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen; Psalmen 83:8 : Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. Psalmen 83:9 : Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn de kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.
[^psalmen-83-3-4]: Kanttekening 4: maken getier: Te weten, tegen ons, gelijk vers 4 . Psalmen 83:4 : Zij maken listiglijk een geheime aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.
[^psalmen-83-3-5]: Kanttekening 5: steken het hoofd op: Te weten, stout en vermetel, als triomferende over U en over uw volk. Richt. 8:28 wordt deze manier van spreken ook gebruikt. Richteren 8:28 : Zo werden de Midianieten te ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
[^psalmen-83-4-6]: Kanttekening 6: tegen Uw volk: Te weten, tegen ons, die Uw volk zijn.
[^psalmen-83-4-7]: Kanttekening 7: tegen Uw verborgenen: Dat is, tegen die, die hun toevlucht tot U nemen, om zichzelf en de hunnen te bergen onder Uw bewaring en bescherming. Of, die U als een waardig kleinood houdt, en in Uw trouwe bewaring neemt, en welks leven met Christus in God verborgen is; Kol. 3:3 . Kolossensen 3:3 : Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
[^psalmen-83-5-8]: Kanttekening 8: geen volk meer zijn: Aldus beraadslagen Moab en andere natiën, tegen Israël. En hetzelfde is Moab naderhand wedervaren; Jer. 48:2 , 48:42 . Jeremia 48:2 : Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook u, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan. Jeremia 48:42 : Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH.
[^psalmen-83-6-9]: Kanttekening 9: tegen U hebben zij een verbond gemaakt: Dat is, zij hebben zich tezamen verbonden om het volk van God de krijg aan te doen; zie Jer. 34:18 , 34:19 . Jeremia 34:18 : En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jeremia 34:19 : De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan.
[^psalmen-83-7-10]: Kanttekening 10: De tenten van Edom: Dat is, de krijgslieden, die zich in tenten ophouden. Zie dergelijke manier van spreken Richt. 7:13 , 7:14 ; 2 Kon. 7:7 , 7:10 ; Jer. 6:3 ; Hab. 3:7 . Of, versta hier, de familiën en geslachten van Edom, Ismaël, enz. die in tenten woonden. Richteren 7:13 : Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag. Richteren 7:14 : En zijn metgezel antwoordde, en zei: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëlietische man; God heeft de Midianieten en dit gehele leger in zijn hand gegeven. 2 Koningen 7:7 : Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevlucht om huns levens wil. 2 Koningen 7:10 : Zo kwamen zij, en riepen tot de poortwachter van de stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger van de Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren. Jeremia 6:3 : Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden. Habakuk 3:7 : Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen van het land van Midian schudden.
[^psalmen-83-7-11]: Kanttekening 11: de Hagarenen: Te weten, de nakomelingen van Hagar, Abrahams dienstmaagd; waaronder verstaan worden degenen die van Ismaël, Hagars zoon, gesproten zijn.
[^psalmen-83-8-12]: Kanttekening 12: Dat is, de Gebalieters, die in de stad of het land van Gebal woonden, gelegen in Fenicië, bij Zidon. Van Gebal of Gibla waren de steenhouwers, die Salomo gebruikte tot de bouw van de tempel, 1 Kon. 5:18 . Zie ook van deze Ez. 27:9 . 1 Koningen 5:18 : En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. Ezechiël 27:9 : De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.
[^psalmen-83-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, de Filistijnen. Het land wordt genomen voor het volk, dat daarin woonde.
[^psalmen-83-9-14]: Kanttekening 14: de kinderen van Lot: Dat is, de Moabieten en Ammorieten, hiervoor gemeld, die van Lot gesproten waren. Gen. 19:37 , 19:38 ; en het laat zich aanzien dat hier uitdrukkelijk van Lot wordt vermeld, om de onwaardigheid van de zaak aan te wijzen, dat degenen, die gekomen waren van Abrahams neef, hun bloedverwanten zochten uit te roeien. Genesis 19:37 : En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader van de Moabieten, tot op deze dag. Genesis 19:38 : En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader van de kinderen Ammons, tot op deze dag.
[^psalmen-83-9-15]: Kanttekening 15: tot een arm geweest: Dat is, tot een sterke hulp. Zie deze wijze van spreken ook Ps. 37:17 ; Jer. 17:5 . Psalmen 37:17 : Want de armen van de goddelozen zullen verbroken worden; maar YHWH ondersteunt de rechtvaardigen. Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt!
[^psalmen-83-10-16]: Kanttekening 16: Doe hun als Midian: Dat is, verdelg hen, gelijk U eertijds de Midianieten verdelgd hebt, toen zij onze voorvaders bestreden; Richt. 7:13 , 7:22 . Richteren 7:13 : Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag. Richteren 7:22 : Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^psalmen-83-10-17]: Kanttekening 17: Zie Richt. 4:15 , en Richt. 5:19 , 5:21 , enz. Richteren 4:15 : En YHWH versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het gehele heirleger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. Richteren 5:19 : De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen winst van het zilver daarvan. Richteren 5:21 : De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.
[^psalmen-83-10-18]: Kanttekening 18: Jabin is geweest koning van de Kanaänieten. Zie Richt. 4:2 . Richteren 4:2 : Zo verkocht hen YHWH in de hand van Jabin, koning van de Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelfde nu woonde in Haroseth van de heidenen.
[^psalmen-83-11-19]: Kanttekening 19: Een stad, gelegen bij de Kison, Taänah, en bij het water Megiddo. Zie Joz. 17:11 ; Richt. 5:19 . Jozua 17:11 : Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken. Richteren 5:19 : De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen winst van het zilver daarvan.
[^psalmen-83-11-20]: Kanttekening 20: tot drek van de aarde: Dat is, zij lagen te verrotten boven de aarde, onbegraven. Zie Jer. 8:2 , en Jer. 16:4 . Jeremia 8:2 : En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor de gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. Jeremia 16:4 : Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^psalmen-83-12-21]: Kanttekening 21: Hebr. stel.
[^psalmen-83-12-22]: Kanttekening 22: Zie Job 12:21 . Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen.
[^psalmen-83-12-23]: Kanttekening 23: Oreb en Zeëb zijn twee vorsten van de Midianieten geweest, door Gideon verslagen; Richt. 7:25 , en Richt. 8:11 , 8:12 . Richteren 7:25 : En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan. Richteren 8:11 : En Gideon toog opwaarts, de weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. Richteren 8:12 : En Zebah en Tsalmuna vloden; maar hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het gehele leger.
[^psalmen-83-12-24]: Kanttekening 24: Zebah en als Zalmuna: Twee koningen van de Midianieten, die Gideon heeft verslagen; Richt. 8:21 . Richteren 8:21 : Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren.
[^psalmen-83-13-25]: Kanttekening 25: schone woningen Gods: Te weten, het land Kanaän, waar God woont in het midden zijns volks. Zie Ex. 15:13 . Exodus 15:13 : U leidde door Uw weldadigheid dit volk, dat U verlost hebt; U voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid.
[^psalmen-83-14-26]: Kanttekening 26: Anders, bol, rad, dat is, ongestadig en wankelbaar, zo dat zij niet weten wat zij doen, of waar zij heen vluchten zullen.
[^psalmen-83-15-27]: Kanttekening 27: Gelijk het vuur: Zie dergelijke manieren van spreken in Deut. 32:22 . Deuteronomium 32:22 : Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten.
[^psalmen-83-15-28]: Kanttekening 28: de bergen: Versta, de bomen en heesters, die op de bergen staan. Of versta, de zwavelbergen die ook zelf branden.
[^psalmen-83-16-29]: Kanttekening 29: Zie de aantekening bij Job 9:17 . Job 9:17 : Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
[^psalmen-83-17-30]: Kanttekening 30: opdat zij: Dat is, maak dat zij zelfs tegen hun dank U moeten, bekennen machtiger te zijn dan zij zijn, en dat zij tot U moeten roepen als zij uw plagen gevoelen. Zie Ex. 8:8 , en Ps. 18:42 . Anders, dat men uw naam zoeke; dat is, dat de vromen hierdoor mogen veroorzaakt zijn hun vertrouwen te meer op uw goedheid en mogendheid te zetten, en tot U hun toevlucht te nemen. Exodus 8:8 : En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bidt vuriglijk tot YHWH, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij YHWH offeren. Psalmen 18:42 : Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot YHWH, maar Hij antwoordde hun niet.
[^psalmen-83-19-31]: Kanttekening 31: Opdat zij weten: Of, opdat men wete; gelijk vers 17 . Psalmen 83:17 : Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o YHWH! Uw Naam zoeken.

### Psalmen 84

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/84.json)

*De profeet geeft de droefheid van zijn hart te kennen, omdat hij bij de vergadering van de gelovigen niet mocht zijn, terwijl hij de gelukzaligheid verklaart van hen aan wie dat mocht gebeuren; wensend en biddend daar weer te mogen verschijnen.*

**1** Voor[^psalmen-84-1-1] de opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v1)

**2** Hoe liefelijk zijn[^psalmen-84-2-2] Uw woningen, o YHWH van de legermachten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v2)

**3** [^psalmen-84-3-a] Mijn ziel is begerig,[^psalmen-84-3-3] en bezwijkt ook van verlangen, naar[^psalmen-84-3-4] de voorhoven van YHWH;[^psalmen-84-3-5] mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v3)

**4** Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt,[^psalmen-84-4-6] bij Uw altaren, YHWH van de legermachten, mijn Koning, en mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v4)

**5** Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U voortdurend.[^psalmen-84-5-7][^psalmen-84-5-8][^psalmen-84-5-9] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v5)

**6** Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is,[^psalmen-84-6-10] in van wie het hart de gebaande wegen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v6)

**7** Als zij door[^psalmen-84-7-11] het dal[^psalmen-84-7-12] van de moerbeziënbomen[^psalmen-84-7-13] doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen[^psalmen-84-7-14] geheel rijk overdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v7)

**8** [^psalmen-84-8-15] Zij gaan van kracht tot kracht; ieder van hen zal verschijnen voor God[^psalmen-84-8-16] in Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v8)

**9** YHWH, God van de legermachten! hoor mijn gebed; neem het ter ore, o God van Jakob! Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v9)

**10** O God,[^psalmen-84-10-17] ons Schild![^psalmen-84-10-18] zie, en aanschouw[^psalmen-84-10-19] het aangezicht[^psalmen-84-10-20] van Uw gezalfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v10)

**11** Want een dag in Uw[^psalmen-84-11-21] voorhoven is beter dan duizend[^psalmen-84-11-22] elders; ik koos liever[^psalmen-84-11-23] aan de dorpel in het huis van mijn God te wezen, dan lang te wonen in[^psalmen-84-11-24] de tenten van de goddeloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v11)

**12** Want God, YHWH,[^psalmen-84-12-25] is een Zon en Schild; YHWH zal genade en eer geven;[^psalmen-84-12-26] Hij zal het goede niet onthouden van hen, die in oprechtheid wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v12)

**13** YHWH van de[^psalmen-84-13-b] legermachten! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/84.html#v13)

[^psalmen-84-1-1]: Kanttekening 1: Voor de opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach: Zie Ps. 42:1 , de aantekening van opperzangmeester, en Ps. 8:1 , van Gittith. Van de psalmen voor de kinderen van Korach, zie Ps. 47:1 . Psalmen 42:1 : Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. Psalmen 8:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Gitthith. Psalmen 47:1 : Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
[^psalmen-84-2-2]: Kanttekening 2: Uw woningen: Of, uw tabernakel, in welke uw dienst gepleegd wordt, welke de psalmist woningen noemt in het getal van velen, omdat de tabernakel verscheidene afdelingen of kwartieren had; zie Ps. 43:3 . Psalmen 43:3 : Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg van Uw heiligheid, en tot Uw woningen;
[^psalmen-84-3-a]: Verwijzing a: Ps. 42:2 ; Ps. 63:2 . Psalmen 42:2 : Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
[^psalmen-84-3-3]: Kanttekening 3: en bezwijkt: Dat is, zij bezwijkt en verdwijnt schier van groot en gedurig verlangen om in het huis van de Heer, of tabernakel, te mogen komen. Zie de aantekening bij Job 19:27 . Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^psalmen-84-3-4]: Kanttekening 4: de voorhoven: Versta hier de voorhoven, die bij de tabernakel waren.
[^psalmen-84-3-5]: Kanttekening 5: mijn hart en mijn vlees: Dat is, lijf en ziel verlangen zeer, als ik denk dat mij God die genade nog mag doen, dat ik in de heilige tabernakel bij zijn godsdienst met Gods volk mocht verschijnen.
[^psalmen-84-4-6]: Kanttekening 6: bij Uw altaren: Alsof hij zei: Uw altaren zijn het huis en nest, waar ik naar verlang, daar heb ik grote lust toe, en het is immers een onwaardige zaak, dat ik van dezelfde verbannen ben en blijf door het geweld van mijn vijanden, waar de zwaluwen zelfs haar nesten omtrent hebben. Anders, naar uw altaren; te weten, huilen mijn hart en mijn vlees, vers 3 . Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
[^psalmen-84-5-7]: Kanttekening 7: die in Uw huis wonen: Dat is, dagelijks verkeren, te weten, de priesters en Levieten, en ook andere godzalige personen.
[^psalmen-84-5-8]: Kanttekening 8: Of, voortaan.
[^psalmen-84-5-9]: Kanttekening 9: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-84-6-10]: Kanttekening 10: in van wie hart: Dat is, die met hartelijke begeerte verlangen te gaan op de wegen, welke naar de tabernakel leiden, die van de vromen veel betreden worden, of die de weg van de geboden van God met lust voor ogen hebben.
[^psalmen-84-7-11]: Kanttekening 11: het dal: Verscheidene uitleggers schrijven dat dit een zeer dorre vallei was, door welke enige Israëlieten, die naar de tabernakel trokken, gaan moesten. En versta hierdoor alle droge plaatsen, die geen water hebben.
[^psalmen-84-7-12]: Kanttekening 12: van de moerbeziënbomen: Van deze plaats, waar veel moerbeziënbomen stonden, zie 2 Sam. 5:23 . Enige overzetters houden hier het Hebr. woord bacha, en vertalen het: het dal van de tranen, gelijk de Griekse overzetters, of het jammerdal. 2 Samuël 5:23 : En David vraagde YHWH, Die zei: U zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat u aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen;
[^psalmen-84-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, zij houden de Heer voor hun springader, door welke zij overvloediglijk verkwikt en gelaafd worden, en hierdoor overkomen zij de moeilijkheid van deze kommerlijke reis. Anders: zij stellen het, te weten, dal, tot een fontein; alsof de psalmist zei: Zij vragen naar de dorheid en moeilijkheid van het voorzeide dal niet, maar zij passeren daardoor met vreugde en goed genoegen, niet anders dan of het vol lustige fonteinen ware.
[^psalmen-84-7-14]: Kanttekening 14: geheel rijk overdekken: Hebr. in, of met zegening; dat is rijk, overvloedelijk overdekken. In Ez. 34:26 worden ook de overvloedige regens genoemd plasregens van de zegen ; en in 2 Kor. 9:6 staat die in zegeningen zaait , dat is, mildelijk. Ezechiël 34:26 : Want Ik zal dezelfde, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^psalmen-84-8-15]: Kanttekening 15: van kracht tot kracht: Of, van sterkte tot sterkte; dat is, om het zeerst, en hoe meer zij gaan hoe lustiger zij worden, totdat zij eindelijk aan het huis van God in Zion komen. Anders, van bende tot bende; dat is, zij gaan met onderscheidene hopen of scharen, de ene hoop voor, de andere na. Zie Ps. 42:5 ; Luk. 2:44 . Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Lukas 2:44 : Maar menende, dat Hij in het gezelschap op de weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.
[^psalmen-84-8-16]: Kanttekening 16: in Sion: (Zion) Te weten, in de tabernakel, die op de berg van Zion was en waar de ark van het verbond was, op welke God zat. Hieruit is af te nemen dat David deze psalm gemaakt heeft toen hij van Absalom verdreven was, want toen was de ark van het verbond op de berg Zion, 2 Sam. 6 en 1 Kon. 16 . Maar toen David voor Saul vluchtte, was de ark te Kireath-Jearim; 1 Sam. 7:1 . 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde.
[^psalmen-84-10-17]: Kanttekening 17: ons Schild: Dat is, die ons beschut en beschermt.
[^psalmen-84-10-18]: Kanttekening 18: zie, en aanschouw: Hij wil zeggen: Zie ons genadiglijk aan.
[^psalmen-84-10-19]: Kanttekening 19: het aangezicht: Dat is, de persoon, of de ellendige staat.
[^psalmen-84-10-20]: Kanttekening 20: uws gezalfde: Hebr. van uw Messias; te weten, David, die een beeld en vader van Christus naar het vlees geweest is, die ook de Messias of Gezalfde van de Heer genoemd wordt, 2 Sam. 23:1 ; en kunnen zo deze woorden van de koning David verstaan worden, toen hij door Absalom verdreven was; alhoewel anderen dit zo verstaan, dat David hier dit bidt omwille van Christus, de Messias. 2 Samuël 23:1 : Verder zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt:
[^psalmen-84-11-21]: Kanttekening 21: Zie boven vers 3 . Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
[^psalmen-84-11-22]: Kanttekening 22: elders : Te weten, buiten uw voorhoven, waar het ook zou mogen wezen.
[^psalmen-84-11-23]: Kanttekening 23: aan de: Dat is, in een geringen staat te leven, bedienende het ambt van portier van de tempel.
[^psalmen-84-11-24]: Kanttekening 24: de tenten: Dat is, in de huizen \[hoe groot en lustig die ook mogen zijn\] in welke men goddeloosheid bedrijft.
[^psalmen-84-12-25]: Kanttekening 25: is een zon: Dat is, hij verlicht en verheugt zijn getrouwe dienaren, gelijk de zon met haar lieflijk schijnsel de mensen verkwikt, nadat zij lang in droevige duisternis gezeten hebben. Zie Jes. 60:19 ; Openb. 21:23 . Jesaja 60:19 : De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
[^psalmen-84-12-26]: Kanttekening 26: Hij zal het goede niet onthouden: Dat is, Hij keert alle ongeluk en kwaad van de zijnen af. Zie Gen. 15:1 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^psalmen-84-13-b]: Verwijzing b: Ps. 2:12 ; Ps. 34:9 . Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 34:9 : Teth. Smaakt en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.

### Psalmen 85

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/85.json)

*De psalmist stelt God de verlossingen voor ogen die Hij weleer aan Zijn volk gedaan heeft, en bidt Hem dat Hij ook voortaan aan Zijn gemeente zulke genade wil bewijzen, belovend zich daarop te willen verlaten.*

**1** Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v1)

**2** U bent[^psalmen-85-2-1] Uw land gunstig[^psalmen-85-2-2] geweest, YHWH![^psalmen-85-2-3] de gevangenis[^psalmen-85-2-4] van Jakob hebt U gewend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v2)

**3** De misdaad van Uw volk hebt U weggenomen; U hebt al hun zonden bedekt. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v3)

**4** U hebt[^psalmen-85-4-5] weggenomen al Uw[^psalmen-85-4-6] toorn; U hebt U gewend van de hitte van Uw toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v4)

**5** [^psalmen-85-5-7] Breng ons weer, o God van ons heil! en doe te niet Uw boosheid over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v5)

**6** Zult U eeuwig tegen ons toornen? Zult U Uw toorn uitstrekken[^psalmen-85-6-8] van geslacht tot geslacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v6)

**7** [^psalmen-85-7-9] Zult U ons niet[^psalmen-85-7-a] weer levend maken, opdat Uw volk zich[^psalmen-85-7-10] in U verblijde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v7)

**8** [^psalmen-85-8-11] Toon ons Uw goedertierenheid, o YHWH, en geef ons Uw heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v8)

**9** [^psalmen-85-9-13] Ik zal horen, wat God, YHWH, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weer tot dwaasheid keren.[^psalmen-85-9-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v9)

**10** Zeker, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer woon.[^psalmen-85-10-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v10)

**11** De goedertierenheid en[^psalmen-85-11-16] waarheid[^psalmen-85-11-17] zullen elkaar ontmoeten; de[^psalmen-85-11-b] gerechtigheid en vrede[^psalmen-85-11-18] zullen[^psalmen-85-11-19] elkaar kussen.[^psalmen-85-11-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v11)

**12** De waarheid[^psalmen-85-12-20] zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid[^psalmen-85-12-21] zal van de hemel neerzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v12)

**13** Ook zal YHWH[^psalmen-85-13-22] het goede geven; en ons[^psalmen-85-13-c] land zal zijn vrucht geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v13)

**14** [^psalmen-85-14-23] De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij[^psalmen-85-14-24] zal ze zetten op de weg van Zijn voetstappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/85.html#v14)

[^psalmen-85-2-1]: Kanttekening 1: uw land gunstig: Of, hebt een welgevallen aan Uw land gehad , te weten, het land Kanaän, dat U Uw volk ingegeven hebt om te bewonen.
[^psalmen-85-2-2]: Kanttekening 2: Te weten, voormaals, wanneer U het de vijanden, die het ingenomen hadden, opnieuw hebt benomen.
[^psalmen-85-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, de gevangen Joden hebt U verlost uit hun gevangenschap in Babylonië, waar zij heen gevoerd waren. Gevangenis voor gevangenen wordt ook gebruikt Ps. 14:7 , en Ps. 68:19 ; en elders. Psalmen 14:7 : Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. Psalmen 68:19 : U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o YHWH God!
[^psalmen-85-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, de nakomelingen van Jakob.
[^psalmen-85-4-5]: Kanttekening 5: Of, doen ophouden. Hebr. U hebt vergaderd.
[^psalmen-85-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, de straffen en plagen, die U in uw toorn over de mensen pleegt uit te storten; zie de aantekening bij Job 21:30 . Job 21:30 : Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden.
[^psalmen-85-5-7]: Kanttekening 7: Breng ons: Tot onze vorige staat. Anders, bekeer ons.
[^psalmen-85-6-8]: Kanttekening 8: van geslacht tot geslacht: Hebr., דֹר, op geslacht en geslacht.
[^psalmen-85-7-9]: Kanttekening 9: Zult U: Hebr. zult U niet terugkeren, ons levend maken? Te weten, ons geheellijk weer herstellen, inplaats daar wij nu als dood zijn in deze ellendige gevangenis?
[^psalmen-85-7-a]: Verwijzing a: Ps. 71:20 . Psalmen 71:20 : U, Die mij veel benauwdheden en kwade hebt doen zien, zult mij weer levend maken, en zult mij weer ophalen uit de afgronden van de aarde.
[^psalmen-85-7-10]: Kanttekening 10: in U verblijde: Te weten, vanwege uw goedertierenheid aan hen bewezen.
[^psalmen-85-8-11]: Kanttekening 11: Toon ons: Of, laat ons zien; dat is, laat ons uw genade en weldadigheid genieten; gelijk Ps. 50:23 . Psalmen 50:23 : Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien.
[^psalmen-85-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, tot zonden en overtredingen van Gods heilige wet, waarmee zij de rechtvaardige toorn van God op zich gehaald hebben, niet horende of gehoorzamende de vermaningen en onderrichtingen van de profeten, gelijk dat betaamt. Zie Ps. 125:3 . Psalmen 125:3 : Want de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het lot van de rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
[^psalmen-85-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, ik zal naarstiglijk letten op wat God ons getuigt van zijn gunst tot zijn kerk, zowel door zijn woord als door menigerlei werken van zijn mogendheid.
[^psalmen-85-10-14]: Kanttekening 14: opdat in ons land: Dat is, opdat ons land opnieuw in de heerlijke en gelukkige stand gebracht worde, in welke het tevoren geweest is.
[^psalmen-85-11-16]: Kanttekening 16: Met deze en de navolgende spreuken, die ten dele bij gelijkenis gesproken worden, beschrijft de profeet de welstand van het rijk van Christus, op wiens toekomst en heerlijke weldaden hier gezien wordt.
[^psalmen-85-11-17]: Kanttekening 17: Of, hebben elkaar ontmoet.
[^psalmen-85-11-b]: Verwijzing b: Hebr. 7:2 . Hebreeën 7:2 : Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede;
[^psalmen-85-11-18]: Kanttekening 18: Met deze en de navolgende spreuken, die ten dele bij gelijkenis gesproken worden, beschrijft de profeet de welstand van het rijk van Christus, op wiens toekomst en heerlijke weldaden hier gezien wordt.
[^psalmen-85-11-19]: Kanttekening 19: elkaar kussen: Te weten, gelijk vrienden doen, als zij elkaar ontmoeten; Ex. 4:27 , en Ex. 18:7 . Exodus 4:27 : YHWH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem. Exodus 18:7 : Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent.
[^psalmen-85-11-15]: Kanttekening 15: Of, trouw. En zo ook vers 12 . Psalmen 85:12 : De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van de hemel nederzien.
[^psalmen-85-12-20]: Kanttekening 20: uit de aarde spruiten: Dat is, zij zal vermeerderd en uitgebreid worden door veler mensen bekering tot God en gehoorzaamheid tot het Evangelie.
[^psalmen-85-12-21]: Kanttekening 21: hemel nederzien: Dat is, zij zal de mensen van God gegeven en medegedeeld worden.
[^psalmen-85-13-22]: Kanttekening 22: Versta hier, de goede gift en volmaakte gave, die van boven komt van de Vader van de lichten; Jak. 1:17 . Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^psalmen-85-13-c]: Verwijzing c: Ps. 67:7 . Psalmen 67:7 : De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.
[^psalmen-85-14-23]: Kanttekening 23: De psalmist wil met deze woorden te verstaan geven dat Christus aan alle plaatsen, waar Hij met de predikatie van het heilige Evangelie komen zal, de gerechtigheid van het geloof medebrengen zal, van welke gesproken is, vers 11 . Psalmen 85:11 : De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen.
[^psalmen-85-14-24]: Kanttekening 24: zetten op: Te weten, de gerechtigheid. Of, Hij zal ons op de weg van zijn voetstappen zetten.

### Psalmen 86

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/86.json)

*David, in grote moeilijkheid vervallen zijnde, neemt met het gebed zijn toevlucht tot zijn goedertieren en almachtige God, en bidt Hem om genadige verlossing daaruit, tot zijn troost en tot schande van zijn vijanden, belovend God daarvoor dankbaarheid te bewijzen.*

**1** [^psalmen-86-1-1] Een gebed van David. YHWH! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en arm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v1)

**2** Bewaar mijn ziel, want ik ben[^psalmen-86-2-2] Uw gunstgenoot, o U, mijn God! verlos[^psalmen-86-2-3] Uw knecht, die op U betrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v2)

**3** Wees mij genadig, YHWH! want ik roep tot U de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v3)

**4** Verheug de ziel van Uw knecht; want[^psalmen-86-4-4] tot U, YHWH! verhef ik mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v4)

**5** Want U, YHWH! bent goed, en[^psalmen-86-5-5] graag vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v5)

**6** YHWH! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem van mijn smekingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v6)

**7** [^psalmen-86-7-a] In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v7)

**8** [^psalmen-86-8-6] Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er[^psalmen-86-8-b] zijn geen gelijk Uw werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v8)

**9** Al de heidenen, Heere! die U gemaakt hebt,[^psalmen-86-9-7] zullen komen, en zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen, en Uw Naam eren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v9)

**10** Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v10)

**11** [^psalmen-86-11-c] Leer mij, YHWH![^psalmen-86-11-8] Uw weg; ik zal[^psalmen-86-11-9] in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart[^psalmen-86-11-10] tot de vrees voor uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v11)

**12** Heere, mijn God! ik zal U met mijn hele hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v12)

**13** Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en U hebt[^psalmen-86-13-11] mijn ziel uit[^psalmen-86-13-12] het onderste van het graf uitgerukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v13)

**14** O God![^psalmen-86-14-d] de hoogmoedigen staan tegen mij op, en de vergaderingen van de tirannen zoeken mijn ziel; en[^psalmen-86-14-13] zij stellen U niet voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v14)

**15** Maar U, Heere![^psalmen-86-15-e] bent een barmhartig en genadig God,[^psalmen-86-15-14] geduldig, en groot van goedertierenheid en[^psalmen-86-15-15] waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v15)

**16** Wend U tot mij, en wees mij genadig,[^psalmen-86-16-16] geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos[^psalmen-86-16-17] de zoon van Uw dienstmaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v16)

**17** Doe aan mij een teken[^psalmen-86-17-18] ten goede, opdat het mijn vijanden zien, en beschaamd worden,[^psalmen-86-17-19] als U, YHWH! mij geholpen, en mij getroost zult hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/86.html#v17)

[^psalmen-86-1-1]: Kanttekening 1: Een gebed van David: Gelijk Ps. 17 .
[^psalmen-86-2-2]: Kanttekening 2: Anders, die U goedgunstigheid bewijst.
[^psalmen-86-2-3]: Kanttekening 3: Uw knecht: Te weten, mij, zo ook vers 4 en vers 16 . Psalmen 86:4 : Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, YHWH! verhef ik mijn ziel. Psalmen 86:16 : Wend U tot mij, en wees mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos de zoon van Uw dienstmaagd.
[^psalmen-86-4-4]: Kanttekening 4: tot U: Dat is, ik zoek hulp bij U, en ik verwacht ze ook van U. Zie Ps. 25:1 . Psalmen 25:1 : Een psalm van David. Aleph. Tot U, o YHWH! hef ik mijn ziel op.
[^psalmen-86-5-5]: Kanttekening 5: graag vergevende: Hebr. een gaarn-vergever, of gaarnkwijtschelder.
[^psalmen-86-7-a]: Verwijzing a: Ps. 50:15 . Psalmen 50:15 : En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren.
[^psalmen-86-8-6]: Kanttekening 6: Onder de goden: Dat is, onder de afgoden, zie Ps. 96:5 ; 1 Kor. 8:5 , 8:6 . Men kan ook onder de naam van goden hier verstaan de engelen, of de prinsen van deze wereld. Psalmen 96:5 : Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar YHWH heeft de hemel gemaakt. 1 Korinthiërs 8:5 : Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^psalmen-86-8-b]: Verwijzing b: Deut. 3:24 ; Ps. 136:4 . Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Psalmen 136:4 : Die, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-86-9-7]: Kanttekening 7: zullen komen: Te weten, ten tijde van het rijk van Christus, als de heidenen tot zijn kennis geroepen en gebracht zullen worden.
[^psalmen-86-11-c]: Verwijzing c: Ps. 25:4 ; Ps. 27:11 ; Ps. 119:33 . Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Psalmen 27:11 : YHWH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijn verspieders wil. Psalmen 119:33 : He. YHWH! leer mij de weg Uw inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
[^psalmen-86-11-8]: Kanttekening 8: Uw weg: Hoe ik leven en wandelen zal.
[^psalmen-86-11-9]: Kanttekening 9: in Uw waarheid: Dat is, in uw geboden, die waarlijk aanwijzen hoe U wilt geëerd en gediend wezen.
[^psalmen-86-11-10]: Kanttekening 10: tot de vreze: Hebr., שְׁמֶֽ, tot het vrezen van uw naam; dat is, geef dat mijn hart zich vast verknocht en verenigd mag houden aan de godzaligheid, zonder enige afwijking of scheuring, en zonder herwaarts of daarheen gedreven te worden.
[^psalmen-86-13-11]: Kanttekening 11: mijn ziel: Dat is, mij, mijn leven, of mijn lichaam, gelijk Ps. 16:10 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^psalmen-86-13-12]: Kanttekening 12: onderste van het graf: Hebr. het onderste graf. De zin van dit vers is, dat David God bidt om verlossing uit zijn ellende, gelijk hij meermalen gedaan had, verstaande door het woord graf of dodenrijk groot gevaar, òf zware ellenden en smarten, òf het dodenrijk zelve, van welke God hem door Christus verlost had.
[^psalmen-86-14-d]: Verwijzing d: Ps. 54:5 . Psalmen 54:5 : Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
[^psalmen-86-14-13]: Kanttekening 13: zij stellen: Hebr. tegenover zich; dat is, zij hebben U niet voor ogen, en zij vrezen uw heilige naam niet. Zie Ps. 54:5 . Psalmen 54:5 : Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
[^psalmen-86-15-e]: Verwijzing e: Ex. 34:6 ; Num. 14:18 ; Ps. 103:8 ; Ps. 145:8 ; Neh. 9:17 ; Joël 2:13 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vader aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 145:8 : Cheth. Genadig en barmhartig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Nehemia 9:17 : En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten. Joël 2:13 : En scheurt uw hart en niet uw kleren, en bekeert u tot YHWH, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
[^psalmen-86-15-14]: Kanttekening 14: Of, langzaam tot toorn.
[^psalmen-86-15-15]: Kanttekening 15: Of, trouw.
[^psalmen-86-16-16]: Kanttekening 16: geef Uw knecht: Dat is, laat uw sterkte en mogendheid tot mijn best zijn.
[^psalmen-86-16-17]: Kanttekening 17: de zoon Uw dienstmaagd: Dat is, mij, wiens moeder uw dienstmaagd geweest is of nog is. Of, een zoon van uw dienstmaagd, en dienvolgens U zo eigen toebehorende als de kinderen, die van een dienstmaagd geboren zijn. Zie Ex. 21:4 , met de aantekening. Exodus 21:4 : Als hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.
[^psalmen-86-17-18]: Kanttekening 18: ten goede: Dat is, verlos en bewaar mij zo, dat ik anderen een teken ten goede, ter vertroosting en ter versterking mag zijn.
[^psalmen-86-17-19]: Kanttekening 19: als U, YHWH: Anders: omdat U, YHWH.

### Psalmen 87

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/87.json)

*De profeet spreekt in deze psalm van de heerlijkheid van de gemeente van God, alsook van de aanwas en de uitbreiding daarvan onder de heidenen door de komst van Christus.*

**1** [^psalmen-87-1-1] Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach.[^psalmen-87-1-2] Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v1)

**2** YHWH houdt van de poorten van Sion boven alle woningen[^psalmen-87-2-3] van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v2)

**3** Zeer heerlijke dingen worden[^psalmen-87-3-4] van u gesproken,[^psalmen-87-3-5] o stad van God![^psalmen-87-3-6] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v3)

**4** Ik zal[^psalmen-87-4-7] Rahab en Babel[^psalmen-87-4-8] vermelden, onder degenen, die Mij kennen; zie, de Filistijn,[^psalmen-87-4-9] en de Tyriër, met[^psalmen-87-4-10] de Moor,[^psalmen-87-4-11] deze is daar geboren.[^psalmen-87-4-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v4)

**5** En van Sion zal gezegd worden:[^psalmen-87-5-13] Die en die is[^psalmen-87-5-14] daarin[^psalmen-87-5-15] geboren; en[^psalmen-87-5-16] de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.[^psalmen-87-5-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v5)

**6** YHWH zal hen rekenen[^psalmen-87-6-18] in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is[^psalmen-87-6-19] daar geboren. Sela.[^psalmen-87-6-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v6)

**7** En de zangers, zoals de speellieden,[^psalmen-87-7-21] en ook al mijn[^psalmen-87-7-22] fonteinen, zullen binnen u zijn.[^psalmen-87-7-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/87.html#v7)

[^psalmen-87-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-87-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, van de tempel, die gebouwd was op de berg Moria, waar de berg Zion aan lag, 2 Kron. 3:1 . Enige verstaan door het woord \[ zijn \] deze psalm, wiens grond of doel is te spreken van de kerk van Christus, die in de hemel samenkwam om de Heer te loven. 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^psalmen-87-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, de Israëlieten.
[^psalmen-87-3-4]: Kanttekening 4: van u gesproken: Dat is, u aangaande. Anders, in u. Zie Jes. 40 ,41,42. Zie ook Job 27:11 . Job 27:11 : Ik zal u leren van de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verhelen.
[^psalmen-87-3-5]: Kanttekening 5: o stad van God: Dat is Jeruzalem, welke stad God zich toegeheiligd heeft om daar zijn dienst op te richten en gelijk als zijn woning daar te nemen. Wat voor heerlijke dingen van deze stad gesproken worden, zie Jes. 54 , Jes. 60 , Jes. 62 , Jes. 65 , Openb. 21 , Openb. 22 , en hier het volgende vers vers 4 , waar God zelf van de kerk spreekt. Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren.
[^psalmen-87-3-6]: Kanttekening 6: Zie Ps. 3:3 . Psalmen 3:3 : Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^psalmen-87-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, Egypte. Zo wordt Egypte ook genoemd Ps. 89:11 ; Jes. 30:7 , en Jes. 51:9 . De zin van de woorden van dit vers is dat de tijd zal komen, wanneer God de Egyptenaars en Babyloniërs zal rekenen onder zijn volk, hun meedelende zijn kennis, waar zij tevoren vreemd van waren en het volk van God verdrukten. Zie Jes. 19:19 , 19:21 , 19:25 . Egypte wordt Rahab genoemd vanwege zijn hoorvaardij \[dat het woord betekent\], of van de ene of de andere sterke stad daarin gelegen. Onder de namen dier natiën, die in dit vers genoemd staan, moet men allerlei volken verstaan. Zie Hand. 2:9 , 2:10 ; Ef. 2:12 ; Kol. 3:11 . Psalmen 89:11 : U hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte. Jesaja 30:7 : Want Egypte zal zinloos en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn. Jesaja 51:9 : Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Jesaja 19:19 : Te die dage zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. Jesaja 19:21 : En YHWH zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen YHWH kennen op die dag; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen YHWH een gelofte beloven en betalen. Jesaja 19:25 : Want YHWH van de legermachten zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk van Mijn handen, en Israël, Mijn erfdeel! Handelingen 2:9 : Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. Handelingen 2:10 : En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Kolossensen 3:11 : Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen.
[^psalmen-87-4-8]: Kanttekening 8: Te weten, ten beste, dat is, zij zullen door de prediking van het heilige Evangelie ook tot de kennis van de ware God te hun tijd gebracht worden.
[^psalmen-87-4-9]: Kanttekening 9: de Filistijn: Hebr. Filistea, Tyrus. Van de bekering van de Tyriërs, zie Ps. 45:13 . Psalmen 45:13 : En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
[^psalmen-87-4-10]: Kanttekening 10: de Tyriër: Hebr. Filistea, Tyrus. Van de bekering van de Tyriërs, zie Ps. 45:13 . Psalmen 45:13 : En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
[^psalmen-87-4-11]: Kanttekening 11: de Moor: Hebr. Chus. Van de bekering van de Moren tot Christus, zie Ps. 68:32 , en Ps. 72:10 ; Hand. 8:27 . Psalmen 68:32 : Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Handelingen 8:27 : En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;
[^psalmen-87-4-12]: Kanttekening 12: deze is: Alsof hij zei: De tijd zal komen dat men van de Filistijnen, Tyriërs en Moren zal zeggen, dat zij te Jeruzalem \[welke is de moeder van ons allen; Gal. 4:26 \] dat is, in de Christelijke kerk geboren zijn; dat is dat zij tot Gods kerk en het hemelse Jeruzalem behoren. Galaten 4:26 : Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is de moeder van ons allen.
[^psalmen-87-5-13]: Kanttekening 13: van Sion: (Zion) Dat is van de stad Jeruzalem, die aan de berg Zion ligt; dat is van de Christelijke gemeente.
[^psalmen-87-5-14]: Kanttekening 14: Die en die: Hebr., אִישׁ, man en man; dat is die en die, te weten, vele en verscheidene natiën en volken. Zie Hand. 2:9 , 2:10 , 2:11 . Handelingen 2:9 : Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. Handelingen 2:10 : En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; Handelingen 2:11 : Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken.
[^psalmen-87-5-15]: Kanttekening 15: Te weten, in de stad Jeruzalem.
[^psalmen-87-5-16]: Kanttekening 16: Geboren, te weten, door de predikatie van het heilige Evangelie en de Heilige Geest.
[^psalmen-87-5-17]: Kanttekening 17: de Allerhoogste: Dat is, de Allerhoogste zelf zal hen zo vast maken, dat de poorten van het dodenrijk tegen hen niet zullen vermogen, Matt. 16:18 . Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen.
[^psalmen-87-6-18]: Kanttekening 18: zal hen rekenen: Te weten, die, die zich tot de Christelijke kerk begeven zullen.
[^psalmen-87-6-19]: Kanttekening 19: in het opschrijven: Een manier van spreken bij gelijkenis genomen van de overheden, die boek of register houden van de ingezetenen van hun steden, om de uitheemsen van de ingeborenen te onderscheiden, zie Ps. 22:31 . Psalmen 22:31 : Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten.
[^psalmen-87-6-20]: Kanttekening 20: Te weten, te Jeruzalem, of in Zion; dat is, hij is de Heer toebehorende, zie vers 4 . Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren.
[^psalmen-87-7-21]: Kanttekening 21: En de zangers: Anders: daarom zingen en springen al mijn fonteinen; de zin is: met grote vreugde zal God geloofd worden in zijn gemeente, die zowel uit de heidenen als uit de Joden zal vergaderd worden; een manier van spreken, genomen van het gebruik van de kerk van het Oude Testament, alwaar God met muziekinstrumenten placht geloofd te worden, 1 Kron. 9:33 , en 1 Kron. 25:1 , 25:2 . 1 Kronieken 9:33 : Uit deze zijn ook de zangers, hoofden van de vaders onder de Levieten in de kamers, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn. 1 Kronieken 25:1 : En David, en ook de oversten van het heir, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 1 Kronieken 25:2 : Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde.
[^psalmen-87-7-22]: Kanttekening 22: al mijn fonteinen: Dat is, al mijn hartgrondige genegendheden en binnenste gedachten van het hart, die als fonteinen of springaders zijn, waaruit alle woorden en werken vloeien; zie Ps. 103:1 . Men kan ook door de fonteinen hier verstaan de giften en menigerlei gaven van de Heilige Geest. Psalmen 103:1 : Een psalm van David. Loof YHWH, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam.
[^psalmen-87-7-23]: Kanttekening 23: Of, van u zijn; te weten, o Zion. Hier wordt voorzegd de blijdschap, die er in de wereld wezen zou vanwege de bekering van de heidenen tot Christus.

### Psalmen 88

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/88.json)

*Een gebed van de profeet, waarin hij de aanvechtingen en veelvuldige moeilijkheden die hij geleden heeft voor ogen stelt, en alle gelovigen leert dat zij zich in tegenspoed tot God zullen keren en van Hem troost verwachten.*

**1** [^psalmen-88-1-1] Een[^psalmen-88-1-2] lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester, op[^psalmen-88-1-3] Machalath Leannoth;[^psalmen-88-1-4] een onderwijzing[^psalmen-88-1-5] van Heman, de Ezrahiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v1)

**2** O YHWH,[^psalmen-88-2-6] God van mijn heil![^psalmen-88-2-7] bij dag, bij nacht roep ik voor U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v2)

**3** Laat mijn gebed[^psalmen-88-3-8] voor Uw aangezicht komen; neig Uw oor tot mijn geschrei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v3)

**4** Want mijn ziel is[^psalmen-88-4-9] van de tegenheden verzadigd, en[^psalmen-88-4-10] mijn leven raakt tot aan het[^psalmen-88-4-11] graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v4)

**5** Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil neerdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v5)

**6** [^psalmen-88-6-12] Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer[^psalmen-88-6-13] gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v6)

**7** U hebt mij[^psalmen-88-7-14] in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v7)

**8** Uw woede[^psalmen-88-8-15] ligt op mij; U hebt mij[^psalmen-88-8-16] neergedrukt met al Uw baren. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v8)

**9** Mijn bekenden hebt U verre van mij gedaan, U hebt mij hun[^psalmen-88-9-17] tot een grote gruwel gesteld;[^psalmen-88-9-18] ik ben besloten, en kan niet uitkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v9)

**10** Mijn oog treurt vanwege verdrukking; YHWH! ik roep tot U[^psalmen-88-10-19] de hele dag; ik strek[^psalmen-88-10-20] mijn handen uit tot U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v10)

**11** [^psalmen-88-11-21] Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen[^psalmen-88-11-22] opstaan, zullen zij U loven? Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v11)

**12** Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid[^psalmen-88-12-23] in het verderf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v12)

**13** [^psalmen-88-13-24] Zullen Uw wonderen bekend worden[^psalmen-88-13-25] in de duisternis, en Uw gerechtigheid in[^psalmen-88-13-26] het land van de vergetelheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v13)

**14** Maar ik, YHWH! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v14)

**15** YHWH! waarom[^psalmen-88-15-27] verstoot U mijn ziel, en verbergt Uw aangezicht voor mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v15)

**16** [^psalmen-88-16-28] van de jeugd aan ben ik bedrukt en[^psalmen-88-16-29] doodbrakende; ik draag[^psalmen-88-16-30] Uw angsten,[^psalmen-88-16-31] ik ben twijfelmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v16)

**17** [^psalmen-88-17-32] Uw hittige toornvlagen gaan over mij;[^psalmen-88-17-33] Uw verschrikkingen[^psalmen-88-17-34] doen mij vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v17)

**18** De hele dag[^psalmen-88-18-35] omringen zij mij als water; samen omgeven zij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v18)

**19** U hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden[^psalmen-88-19-36] zijn in duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/88.html#v19)

[^psalmen-88-1-1]: Kanttekening 1: Deze psalm is de bedroefdste en klagelijkste, die in het gehele psalmboek is, van het begin tot het einde toe.
[^psalmen-88-1-2]: Kanttekening 2: Zie de aantekening bij Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-88-1-3]: Kanttekening 3: Machalath Leannoth: Zie van het woord machalath Ps. 53:1 ; het betekent eigenlijk zwakheid, maar hier is het de naam van een muziekinstrument of het begin van zeker lied. Psalmen 53:1 : Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op Machalath.
[^psalmen-88-1-4]: Kanttekening 4: een onderwijzing: Dat is, een psalm, gemaakt om het volk van God te onderwijzen, hoe het God zal aanroepen als het in grote zwarigheid vervallen is.
[^psalmen-88-1-5]: Kanttekening 5: van Heman: Heman wordt genoemd onder de voortreffelijkste muzikanten en wijze mannen; 1 Kron. 6:33 , en 1 Kron. 15:17 , 15:19 , en 1 Kron. 16:42 . 1 Kronieken 6:33 : Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 1 Kronieken 15:17 : Zo stelden dan de Levieten Heman, de zoon van Joël, en uit zijn broers Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broers, Ethan, de zoon van Kusaja; 1 Kronieken 15:19 : De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen; 1 Kronieken 16:42 : Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten van de muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.
[^psalmen-88-2-6]: Kanttekening 6: God mijns: Dat is, die mij tot nog toe hebt bewaard en voortaan bewaren zult, gelijk ik vastelijk hoop en vertrouw.
[^psalmen-88-2-7]: Kanttekening 7: bij dag, bij nacht: Hebr. van de dag roep ik \[en\] van de nacht voor U.
[^psalmen-88-3-8]: Kanttekening 8: voor Uw: Dat is, in uw aanwezigheid.
[^psalmen-88-4-9]: Kanttekening 9: van de tegenheden zat: Hebr. van de kwaden en van de tegenheden zat te zijn, is te zeggen daarvan overladen te zijn. Zie de aantekening bij Job 7:4 . Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^psalmen-88-4-10]: Kanttekening 10: mijn leven: Dat is, tussen de dood en mij is schier geen onderscheid; Ps. 107:18 wordt het graf genoemd de poort van de dood. Psalmen 107:18 : Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.
[^psalmen-88-4-11]: Kanttekening 11: Hebr., שְׁאוֹל, scheol; zie Gen. 37:35 . Genesis 37:35 : En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader.
[^psalmen-88-6-12]: Kanttekening 12: Hebr., gevrijd; dat is, afgezonderd; te weten, van de levenden, gelijk men de melaatsen, naar de wet van God, Lev. 13:46 , van de bijwoning met andere mensen pleegt af te zonderen; zie 2 Kon. 15:5 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. 2 Koningen 15:5 : En YHWH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land.
[^psalmen-88-6-13]: Kanttekening 13: Te weten, om hen in deze wereld weer te brengen; Job 7:7 , en Job 10:21 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood;
[^psalmen-88-7-14]: Kanttekening 14: in de onderste kuil: Hebr. in een kuil van de laagten, of van de onderste \[plaatsen\].
[^psalmen-88-8-15]: Kanttekening 15: ligt op mij: Hebr. steunt.
[^psalmen-88-8-16]: Kanttekening 16: met al Uw baren: Dit is gesproken bij gelijkenis, genomen van de baren van de zee, waarmee de mens overweldigd wordt. Zie een gelijke manier van spreken boven, Ps. 42:8 , en 2 Sam. 22:5 . Psalmen 42:8 : De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. 2 Samuël 22:5 : Want baren van de dood hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.
[^psalmen-88-9-17]: Kanttekening 17: tot een grote gruwel: Hebr. tot gruwelen, of tot afgrijselijkheden.
[^psalmen-88-9-18]: Kanttekening 18: ik ben besloten: Dat is, ik kan uit het verdriet, waarmee ik omvangen ben, niet geraken.
[^psalmen-88-10-19]: Kanttekening 19: de ganse: Of, alle dagen, elke dag.
[^psalmen-88-10-20]: Kanttekening 20: mijn handen: Hebr., כַפָּֽ, mijn palmen.
[^psalmen-88-11-21]: Kanttekening 21: Zult U: Te weten, in dier voege, dat zij in het graf liggende, nog enig gevoel zullen hebben om de Heer te loven, gelijk zij doen konden toen zij nog in het leven waren? Hij wil zeggen: haast U, Heer, om mij te redden, anders moet mijn leven haast een einde nemen.
[^psalmen-88-11-22]: Kanttekening 22: Te weten, in dit tijdelijke leven, zoals zij dat in deze wereld genoten hebben. Zie Ps. 6:6 . Psalmen 6:6 : Want in de dood is geen gedachtenis van U; wie zal U loven in het graf?
[^psalmen-88-12-23]: Kanttekening 23: in het verderf: Het Hebr., אֲבַדּֽוֹן, woord Abaddon betekent eigenlijk verderf, daarom wordt het bijwijlen genomen voor de plaats van het verderf; ook somtijds voor het graf of tombe. Zie Job 26:6 , en Job 28:22 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Job 28:22 : Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.
[^psalmen-88-13-24]: Kanttekening 24: Hebr., פִּלְאֶ, zal uw wonder, enz.
[^psalmen-88-13-25]: Kanttekening 25: in de duisternis: Dat is, in de plaats en de staat van de dood, genoemd het land van de duisternis en de schaduw van de dood; Job 10:21 , 10:22 . Job 10:21 : Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood; Job 10:22 : Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe van de dood, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.
[^psalmen-88-13-26]: Kanttekening 26: het land: Zo noemt hij de aarde, of het graf, waar de doden in gelegd worden, omdat die, zoveel betreft de stand van het lichaam, geen geheugenis met al hebben van de zaken van dit tegenwoordige leven; of ook omdat men degenen, die onder de aarde liggen, vergeet. Zie Job 10:22 , en Job 21:21 , en Ps. 31:13 ; Pred. 8:10, en Pred. 9:5 . Job 10:22 : Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe van de dood, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis. Job 21:21 : Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal van zijn maanden afgesneden is? Psalmen 31:13 : Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat. Prediker 9:5 : Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.
[^psalmen-88-15-27]: Kanttekening 27: verstoot U: Zie de aantekening bij Job 19:7 . Job 19:7 : Ziet, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht.
[^psalmen-88-16-28]: Kanttekening 28: van de jeugd: Anders: van de schudding, of ringeling, waarmee U mij geschud en geringeld hebt, ben ik bedrukt, enz.
[^psalmen-88-16-29]: Kanttekening 29: Of, stervende; te weten, door gedurige ellende. Zie Num. 17:12 , 17:13 . Numeri 17:12 : Toen spraken de kinderen van Israël tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan! Numeri 17:13 : Al wie enigszins nadert tot de tabernakel van YHWH, zal sterven; zullen wij dan de geest gevende verdaan worden?
[^psalmen-88-16-30]: Kanttekening 30: Uw angsten: Te weten, die U mij hebt aangejaagd.
[^psalmen-88-16-31]: Kanttekening 31: ik ben twijfelmoedig: Of, twijfelradig, wankelmoedig; ik versaag schier, niet wetende hoe ik het heb, of, ik ben in twijfelmoedige kwellingen, vrezende dat mij nog meer kwaad zal overkomen.
[^psalmen-88-17-32]: Kanttekening 32: Uw hittige toornvlagen: Hebr. uw brandingen.
[^psalmen-88-17-33]: Kanttekening 33: Uw verschrikkingen: Te weten, met welke U mij verschrikt.
[^psalmen-88-17-34]: Kanttekening 34: doen mij vergaan: Of, drukken mij.
[^psalmen-88-18-35]: Kanttekening 35: Te weten, uw toorn en verschrikking.
[^psalmen-88-19-36]: Kanttekening 36: zijn in : Dat is, zij versteken zich voor mij en gaan als in het donker, zo dat ik hen niet zie en zij mij niet meer zien noch kennen willen. Zie Job 19:13 , 19:14 . Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Job 19:14 : Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.

### Psalmen 89

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/89.json)

*De psalmist looft God vanwege Zijn goeddadigheid, en ook vanwege Zijn getrouwheid in het houden van Zijn verbond met David (die hier ook als een voorbeeld van Christus wordt voorgesteld) en met de gelovigen opgericht; alsook vanwege Zijn grote macht en zorg over Zijn Kerk; maar hij klaagt ook over de zware verdrukkingen die de gemeente van God overkomen zijn, biddend om verlossing daaruit.*

**1** [^psalmen-89-1-1] Een onderwijzing[^psalmen-89-1-2] van Ethan, de Ezrahiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v1)

**2** Ik zal de goedertierenheid van YHWH eeuwig zingen; ik zal[^psalmen-89-2-3] Uw waarheid met mijn mond bekend maken,[^psalmen-89-2-4] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v2)

**3** [^psalmen-89-3-5] Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwig gebouwd worden;[^psalmen-89-3-6] in de hemelen zelf hebt U Uw waarheid bevestigd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v3)

**4** Ik[^psalmen-89-4-7] heb een verbond gemaakt[^psalmen-89-4-8] met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v4)

**5** Ik zal[^psalmen-89-5-9] uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en[^psalmen-89-5-10] uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v5)

**6** [^psalmen-89-6-11][^psalmen-89-6-a] Daarom loven de[^psalmen-89-6-12] hemelen Uw wonderen, o YHWH![^psalmen-89-6-13] ook is Uw getrouwheid in de gemeente van de[^psalmen-89-6-14] heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v6)

**7** Want wie mag[^psalmen-89-7-15] in de hemel tegen YHWH geschat worden? Wie is YHWH gelijk,[^psalmen-89-7-16] onder de kinderen van de sterken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v7)

**8** God is enorm geducht[^psalmen-89-8-17] in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen,[^psalmen-89-8-18] die rondom Hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v8)

**9** O YHWH, God van de legermachten! wie is als U, grootmachtig,[^psalmen-89-9-19] o YHWH! en[^psalmen-89-9-20] Uw getrouwheid is rondom U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v9)

**10** U heerst over[^psalmen-89-10-21] de opgeblazenheid van de zee; wanneer haar golven zich verheffen,[^psalmen-89-10-22] zo stilt U ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v10)

**11** U hebt[^psalmen-89-11-23] Rahab verbrijzeld als[^psalmen-89-11-24] een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v11)

**12** [^psalmen-89-12-b] De hemel is van U, ook is de aarde van U; de wereld en[^psalmen-89-12-25] haar volheid, die hebt U gegrond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v12)

**13** Het noorden en[^psalmen-89-13-26] het zuiden, die hebt U geschapen;[^psalmen-89-13-27] Thabor en[^psalmen-89-13-28] Hermon[^psalmen-89-13-29] juichen in Uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v13)

**14** U hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand[^psalmen-89-14-30] is hoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v14)

**15** [^psalmen-89-15-c] Gerechtigheid en[^psalmen-89-15-31] gericht zijn de vastheid van Uw troon;[^psalmen-89-15-d] goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v15)

**16** Welgelukzalig is het volk,[^psalmen-89-16-32] dat het geklank kent; o YHWH![^psalmen-89-16-33] zij zullen in het licht van Uw aangezicht wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v16)

**17** Zij zullen zich de hele dag verheugen[^psalmen-89-17-34] in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v17)

**18** Want[^psalmen-89-18-35] U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze[^psalmen-89-18-36] hoorn verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v18)

**19** Want[^psalmen-89-19-37] ons schild is van YHWH,[^psalmen-89-19-38] en onze koning is van de Heilige van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v19)

**20** Toen hebt U[^psalmen-89-20-39] in een visioen gesproken[^psalmen-89-20-40] van Uw heilige, en gezegd:[^psalmen-89-20-41] Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb[^psalmen-89-20-42] een verkorene uit het volk verhoogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v20)

**21** Ik heb David, Mijn knecht, gevonden;[^psalmen-89-21-43] met[^psalmen-89-21-e] Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v21)

**22** met wie Mijn[^psalmen-89-22-44] hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v22)

**23** [^psalmen-89-23-f] De vijand zal hem niet[^psalmen-89-23-45] dringen, en de[^psalmen-89-23-46] zoon van de ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v23)

**24** Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v24)

**25** En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en[^psalmen-89-25-47] zijn hoorn zal[^psalmen-89-25-48] in Mijn Naam verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v25)

**26** En Ik zal zijn hand[^psalmen-89-26-49] in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v26)

**27** [^psalmen-89-27-50][^psalmen-89-27-g] Hij zal Mij noemen: U bent mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen van mijn heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v27)

**28** Ook zal Ik hem[^psalmen-89-28-51] ten eerstgeborenen zoon stellen, ten[^psalmen-89-28-52] hoogste over de koningen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v28)

**29** Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en[^psalmen-89-29-53] Mijn verbond zal hem vast blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v29)

**30** En[^psalmen-89-30-54] Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon[^psalmen-89-30-55] als de dagen van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v30)

**31** [^psalmen-89-31-h] Als[^psalmen-89-31-56] zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v31)

**32** Als zij Mijn voorschriften ontheiligen, en Mijn geboden niet houden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v32)

**33** Zo zal Ik hun overtreding[^psalmen-89-33-57] met de roede[^psalmen-89-33-58] bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v33)

**34** Maar Mijn goedertierenheid zal Ik[^psalmen-89-34-59] van hem niet wegnemen,[^psalmen-89-34-60] en in Mijn getrouwheid niet falen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v34)

**35** Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en wat uit Mijn lippen[^psalmen-89-35-61] gegaan is, zal Ik niet veranderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v35)

**36** [^psalmen-89-36-i] Ik heb eens gezworen[^psalmen-89-36-62] bij Mijn heiligheid:[^psalmen-89-36-63] Zo Ik aan David liege! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v36)

**37** [^psalmen-89-37-64] Zijn zaad zal in de eeuwigheid zijn, en zijn[^psalmen-89-37-65] troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v37)

**38** Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige[^psalmen-89-38-66] in de hemel is getrouw. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v38)

**39** Maar U hebt[^psalmen-89-39-67] hem verstoten en verworpen; U bent toornig geworden tegen[^psalmen-89-39-68] Uw gezalfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v39)

**40** U hebt het[^psalmen-89-40-69] verbond van Uw knecht te niet gedaan;[^psalmen-89-40-70] U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v40)

**41** U hebt al[^psalmen-89-41-71] zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen[^psalmen-89-41-72] neergeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v41)

**42** [^psalmen-89-42-k] Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn buren is hij tot een smaad geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v42)

**43** [^psalmen-89-43-73] U hebt de rechterhand zijn tegenstanders verhoogd; U hebt al zijn vijanden verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v43)

**44** U hebt ook de scherpte van[^psalmen-89-44-74] zijn zwaard omgekeerd,[^psalmen-89-44-75] en hebt hem niet staande gehouden in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v44)

**45** [^psalmen-89-45-76] U hebt[^psalmen-89-45-77] zijn schoonheid doen ophouden; en U hebt[^psalmen-89-45-78] zijn troon ter aarde neergestoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v45)

**46** U hebt de dagen[^psalmen-89-46-79] van zijn jeugd verkort; U hebt hem met schaamte overdekt. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v46)

**47** [^psalmen-89-47-80] Hoe lang, o YHWH! zult U Zich steeds verbergen[^psalmen-89-47-81][^psalmen-89-47-82], zal Uw woede branden als een vuur? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v47)

**48** Gedenk[^psalmen-89-48-83] van welke[^psalmen-89-48-84] eeuw ik ben; waarom zou U alle mensenkinderen[^psalmen-89-48-85] tevergeefs geschapen hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v48)

**49** Wat man leeft er, die[^psalmen-89-49-86] de dood niet zien zal,[^psalmen-89-49-87] die[^psalmen-89-49-l] zijn ziel zal bevrijden[^psalmen-89-49-88] van het geweld van het graf? Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v49)

**50** YHWH! waar zijn Uw vorige goedertierenheden,[^psalmen-89-50-m] die U David gezworen hebt bij Uw trouw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v50)

**51** Gedenk, YHWH![^psalmen-89-51-89] aan de smaad van Uw knechten, die ik in mijn boezem draag,[^psalmen-89-51-90] van alle grote volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v51)

**52** Waarmee, o YHWH! Uw vijanden smaden, waarmee zij[^psalmen-89-52-91] de voetstappen van Uw gezalfde smaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v52)

**53** [^psalmen-89-53-92] Geloofd zij YHWH in eeuwigheid![^psalmen-89-53-93] Amen, ja, amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/89.html#v53)

[^psalmen-89-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-89-1-2]: Kanttekening 2: Zie van deze persoon 1 Kon. 4:31 , en 1 Kron. 2:6 . Hij heeft geleefd ten tijde van Salomo en daarna, als het koninkrijk onder zijn zoon Rehabeam is gescheurd en Sisak, de koning van Egypte, de vaste steden in Juda, ook Jeruzalem, innam en de tempel beroofde, 1 Kon. 14:25 , en 2 Kron. 12:2 . Van welke ellende het schijnt dat de profeet in deze psalm klaagt. Sommigen nemen het als een profetie van ellenden, die naderhand gevolgd zijn. 1 Koningen 4:31 : Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom. 1 Kronieken 2:6 : En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf. 1 Koningen 14:25 : Het geschiedde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. 2 Kronieken 12:2 : Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen YHWH),
[^psalmen-89-2-3]: Kanttekening 3: Hier spreekt de psalmist tot God.
[^psalmen-89-2-4]: Kanttekening 4: van geslacht tot geslacht: Hebr., דֹר, op geslacht en geslacht.
[^psalmen-89-3-5]: Kanttekening 5: Want ik heb: Dat is, ik houd dit voor zeker, dat de genade en goedertierenheid van de Heer in eeuwigheid bestaan zal als een sterk gebouw, dat een onbewegelijk fondament heeft.
[^psalmen-89-3-6]: Kanttekening 6: in de hemel: Deze woorden zien op de onbewegelijke vastheid van de hemel en de onveranderlijke geregeldheid van de hemelse lichamen, in aanmerking van welke God wil dat wij de vastigheden van zijn beloften en de onveranderlijkheid van zijn trouw zullen afnemen en ontwijfelijk geloven. Zie onder vers 37 , 89:38 , en Ps. 119:89 . Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38 : Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela. Psalmen 119:89 : Lamed. O YHWH! Uw woord bestaat in eeuwigheid in de hemel.
[^psalmen-89-4-7]: Kanttekening 7: heb een verbond: Hier wordt God zelf sprekende ingevoerd.
[^psalmen-89-4-8]: Kanttekening 8: met Mijn uitverkoren: Te weten, met David, gelijk straks volgt.
[^psalmen-89-5-9]: Kanttekening 9: uw zaad: Te weten, Christus en de gelovigen.
[^psalmen-89-5-10]: Kanttekening 10: uw troon: Te weten, het koninkrijk van Christus. Zie Luk. 1:32 , 1:33 , 1:69 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
[^psalmen-89-6-11]: Kanttekening 11: Daarom loven: Dit zijn nu opnieuw de woorden van de profeet en van het volk van God, zeggende: daarom looft U de hemel; te weten omdat U zo getrouwelijk vasthoudt wat U beloofd hebt, en daarom houden wij U machtig genoeg om de belofte, die U uw knecht David gedaan hebt, uit te voeren.
[^psalmen-89-6-a]: Verwijzing a: Ps. 19:2 . Psalmen 19:2 : De hemel vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijn handen werk.
[^psalmen-89-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, de hemelse creaturen, de engelen en de heilige zielen van de gestorven kinderen van God; Luk. 2:13 , 2:14 ; Filipp. 3:20 ; Openb. 7:9 , 7:10 , 7:11 , 7:12 . Lukas 2:13 : En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van het hemelse heirleger, prijzende God en zeggende: Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Filippensen 3:20 : Maar onze wandel is in de hemel, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 7:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam. Openbaring 7:11 : En al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor de troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, Openbaring 7:12 : Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid. Amen.
[^psalmen-89-6-13]: Kanttekening 13: ook is Uw getrouwheid: Hij wil zeggen, de gelovigen is bekend dat U zowel de wil als de macht hebt uw beloften te volbrengen, daarom prijzen zij uw getrouwheid in hun vergaderingen.
[^psalmen-89-6-14]: Kanttekening 14: van de heiligen: Versta hierbij, geloofd, geprezen, verkondigd, of iets dergelijks.
[^psalmen-89-7-15]: Kanttekening 15: in de hemel: Anders: in de hoge wolken.
[^psalmen-89-7-16]: Kanttekening 16: onder de kinderen van de sterken: Dat is, onder de machtige heren en vorsten van deze wereld, of onder de engelen, die God met bijzondere sterkte en mogendheid begaafd heeft. Zie boven Ps. 78:25 , en onder Ps. 103:20 . Deze manier van spreken staat ook in Ps. 29:1 . Psalmen 78:25 : Iedereen at het brood van de Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Psalmen 29:1 : Een psalm van David. Geeft YHWH, u kinderen van de machtigen! geeft YHWH eer en sterkte.
[^psalmen-89-8-17]: Kanttekening 17: in de raad: Anders, in de verborgenheid van de heiligen. Versta, de kerk of vergadering, in welke de verborgenheden van het koninkrijk van God worden geopenbaard. Zie Matt. 13:11 ; Rom. 16:25 ; 1 Kor. 4:1 ; Ef. 3:4 . Of ook, de heilige engelen; gelijk volgt. Mattheüs 13:11 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemel te weten, maar die is het niet gegeven. Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; 1 Korinthiërs 4:1 : Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. Efeziërs 3:4 : Waaraan u, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),
[^psalmen-89-8-18]: Kanttekening 18: die rondom: Hebr. rondommigheden; en versta hier de heilige engelen, die rondom Hem staan, als Hij in het gericht zit. Zie 1 Kon. 22:19 . 1 Koningen 22:19 : Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al de hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
[^psalmen-89-9-19]: Kanttekening 19: o YHWH: Hebr., יָהּ, Jah. Zie de aantekening bij Ps. 68:5 . Psalmen 68:5 : Zingt voor God, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Die, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is YHWH; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.
[^psalmen-89-9-20]: Kanttekening 20: Uw getrouwheid: Hij wil zeggen: Heer, U bent niet alleen almachtig, maar ook getrouw en waarachtig.
[^psalmen-89-10-21]: Kanttekening 21: de opgeblazenheid: Of, hovaardigheid; dat is, over de opzwelling van de zee; wanneer zij haar baren als uit hovaardigheid verheft; dat zo verklaard wordt met de naastvolgende woorden. Zie Job 26:12 , en Job 38:11 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. Job 38:11 : En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
[^psalmen-89-10-22]: Kanttekening 22: zo stilt U ze: Of, zo bedwingt U ze.
[^psalmen-89-11-23]: Kanttekening 23: Anders, Egypte, of de Egyptenaar. Zie de aantekening bij Ps. 87:4 . Het schijnt dat de psalmist hier ziet op de ondergang van de Egyptenaars in de Rode Zee; Ex. 14 , Ex. 15 . Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren.
[^psalmen-89-11-24]: Kanttekening 24: een verslagene: Te weten, die in de slag verwond wordt en omkomt.
[^psalmen-89-12-b]: Verwijzing b: Ps. 24:1 ; idem v. 2 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
[^psalmen-89-12-25]: Kanttekening 25: haar volheid: Dat is, al datgene waar zij mee vervuld en rijk voorzien is. Zie Ps. 24:1 , en Ps. 50:12 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 50:12 : Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid.
[^psalmen-89-13-26]: Kanttekening 26: het zuiden: Hebr. de rechter \[hand, of zijde\].
[^psalmen-89-13-27]: Kanttekening 27: Een berg in Gallilea; Joz. 19:22 ; Richt. 4:6 , 4:12 . Jozua 19:22 : En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-semes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? Richteren 4:12 : Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, op de berg Thabor getogen was.
[^psalmen-89-13-28]: Kanttekening 28: Een berg, anders Syrion genoemd; Ps. 29:6 . Onder de naam van deze twee bergen begrijpt de psalmist het westen en het oosten, en zo het gehele land van Kanaän. Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jonge eenhoorn.
[^psalmen-89-13-29]: Kanttekening 29: juichen in Uw naam: Dat is, het is door Uw zegen, dat zij vruchtbaar en lustig zijn, en de mensen gelijk als toelachen, en zich verheugen in de goedheid van God.
[^psalmen-89-14-30]: Kanttekening 30: is hoog: Zo dat alles hun moet onderworpen zijn.
[^psalmen-89-15-c]: Verwijzing c: Ps. 97:2 . Psalmen 97:2 : Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastheid Zijn troons.
[^psalmen-89-15-31]: Kanttekening 31: Of, recht, of oordeel.
[^psalmen-89-15-d]: Verwijzing d: Ps. 85:14 . Psalmen 85:14 : De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij zal ze zetten op de weg Zijn voetstappen.
[^psalmen-89-16-32]: Kanttekening 32: het geklank: Anders, het gejuch. Maar het schijnt dat de psalmist ziet op de inzettingen Gods van het blazen op de bazuinen en het openbaar bewijs van vreugde op de jaarlijkse hoogtijdfeesten, Num. 10:10 . En de zin is dat het volk gelukkig is, dat de behoorlijke godsdienst van de Heer weet en zijn vreugde en vermaking daarin heeft. Numeri 10:10 : Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God!
[^psalmen-89-16-33]: Kanttekening 33: zij zullen in het licht Uws aangezichts wandelen: Dat is, zij zullen gestadiglijk uw gunst genieten. Zie Ps. 4:7 . Of, zij zullen hun levenlang bestuurd worden door uw genade. Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH!
[^psalmen-89-17-34]: Kanttekening 34: in Uw naam: Of, Uws naams halve; dat is, omdat zij U kennen en weten dat U zo genadig en goedertieren bent.
[^psalmen-89-18-35]: Kanttekening 35: U bent: Dat is, U alleen bent het, door wie uw volk versterkt wordt en in wie het zich beroemt.
[^psalmen-89-18-36]: Kanttekening 36: Het woord hoorn wordt verscheidenlijk genomen. Zie Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^psalmen-89-19-37]: Kanttekening 37: ons schild: Dat is, onze beschutting en bescherming, zie Ps. 47:10 . Psalmen 47:10 : De edelen van de volken zijn verzameld tot het volk van de God van Abraham; want de schilden van de aarde zijn van God. Hij is zeer verheven!
[^psalmen-89-19-38]: Kanttekening 38: is van YHWH: Of, is van de Heer.
[^psalmen-89-20-39]: Kanttekening 39: in een gezicht: Dit verstaan sommigen van de openbaring, die God Samuël deed als Hij David tot een koning wilde gezalfd hebben, 1 Sam. 16:1 ; maar anderen verstaan het van wat God Nathan heeft geopenbaard, 2 Sam. 7:4 , 7:13 , enz., welk verstand het beste schijnt te wezen, aangezien de woorden, die God tot Nathan sprak, uitdrukkelijk verhaald worden, vers 21 . 1 Samuël 16:1 : Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 2 Samuël 7:4 : Maar het gebeurde in dezelfde nacht, dat het woord van YHWH tot Nathan geschiedde, zeggende: 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. Psalmen 89:21 : Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;
[^psalmen-89-20-40]: Kanttekening 40: Of, tot.
[^psalmen-89-20-41]: Kanttekening 41: Ik heb hulp: Dat is, ik heb een held verordend en met kloekheid begaafd, om te zijn een helper en voorvechter van mijn volk tegen hun vijanden; en versta hier David, gelijk blijkt uit vers 21 , die ook Gods volk hielp en verloste, kloekelijk voor hetzelfde vechtende, 1 Sam. 18:13 , 18:14 , enz. David hierin zijnde een voorbeeld van onze Heer Christus. Psalmen 89:21 : Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; 1 Samuël 18:13 : Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht van het volk. 1 Samuël 18:14 : En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en YHWH was met hem.
[^psalmen-89-20-42]: Kanttekening 42: een verkorene: Te weten, David, die Ik uit al de zonen van Isaï, ja uit geheel Israël gekozen heb.
[^psalmen-89-21-43]: Kanttekening 43: met mijn: Hebr., שֶׁמֶן, met de olie van mijn heiligheid; dat is, Ik heb hem uitwendig tot koning gezalfd door de hand van Samuël, ten overstaan van de oudsten in Israël, 1 Sam. 16:13 , en 2 Sam. 5:3 . Inwendig door mededeling van de gaven van de Heilige Geest. 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 2 Samuël 5:3 : Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van YHWH; en zij zalfden David tot koning over Israël.
[^psalmen-89-21-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 16:1 ; idem v. 13 . 1 Samuël 16:1 : Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 1 Samuël 16:13 : Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijn broers. En de Geest van YHWH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama.
[^psalmen-89-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, hulp, bijstand.
[^psalmen-89-23-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 7:10 . 2 Samuël 7:10 : En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woon, en niet meer heen en weer gedreven worde; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst.
[^psalmen-89-23-45]: Kanttekening 45: Te weten, gelijk een schuldheer die dringt, en met dagelijks manen perst die, die hem schuldig is. Dit woord gebruikt de psalmist ook Ps. 55:16 . Psalmen 55:16 : Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend in het dodenrijk nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
[^psalmen-89-23-46]: Kanttekening 46: zoon van de: Dat is, de booswicht, die ten enenmale van de ongerechtigheid overgegeven is; zo staat er Ps. 79:11 : de zoon van de dood; en 2 Thess. 2:3 : de zoon van het verderf. Psalmen 79:11 : Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid Uws arms. 2 Thessalonicensen 2:3 : Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf;
[^psalmen-89-25-47]: Kanttekening 47: zijn hoorn: Zie de aantekening bij Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorns; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^psalmen-89-25-48]: Kanttekening 48: in Mijn Naam: Dat is, door Mijn kracht en bijstand.
[^psalmen-89-26-49]: Kanttekening 49: in de zee ... in de rivieren: Anders: tot aan de zee \[..\] tot aan de rivieren . Hij wil zeggen: ik zal hem macht en heerschappij geven over de volken die aan de zee, en aan de rivieren wonen. Zie Ps. 72:8 . Psalmen 72:8 : En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.
[^psalmen-89-27-50]: Kanttekening 50: Hij zal mij noemen: Of, hij zal mij \[zo\] aanroepen.
[^psalmen-89-27-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 7:14 ; Hebr. 1:4 ; idem v. 5 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. Hebreeën 1:4 : Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitmuntender Naam boven hen geërfd heeft. Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^psalmen-89-28-51]: Kanttekening 51: ten eerstgeborenen: Dat is, tot een hoofd van mijn volk en mijn kerk, dat niet dan ten dele plaatsgehad hebbende in de persoon Davids, volkomen volbracht is in Jezus Christus. Zie Kol. 1:15 ; Hebr. 1:6 , en Hebr. 2:10 . Kolossensen 1:15 : Die het Beeld is van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van alle kreaturen. Hebreeën 1:6 : En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welke alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.
[^psalmen-89-28-52]: Kanttekening 52: Dit past alleen op Christus, de Koning van alle koningen, gelijk wat vers 30 staat. Zie Kol. 1:18 . Psalmen 89:30 : En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemel. Kolossensen 1:18 : En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.
[^psalmen-89-29-53]: Kanttekening 53: mijn verbond: Dat is, wat Ik hem beloofd heb.
[^psalmen-89-30-54]: Kanttekening 54: Ik zal zijn zaad: Zie 2 Sam. 22:51 , en Ps. 22:30 , 22:31 . 2 Samuël 22:51 : Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Psalmen 22:31 : Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten.
[^psalmen-89-30-55]: Kanttekening 55: als de dagen: Dat is, zijn rijk zal gedurig en vast zijn, gelijk de hemel zelf is. Zie Ps. 72:5 , en 2 Sam. 7:13 ; Dan. 2:44 , en Dan. 7:14 ; Hebr. 1:8 . Deze profetie is in Salomo niet vervuld, want hij en zijn rijk hebben een einde genomen; Jer. 22:30 ; Ez. 21:25 , 21:26 , 21:27 . Zo is dan deze belofte te duiden op Christus, de zoon van David naar het vlees. Psalmen 72:5 : Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. Daniël 2:44 : Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Daniël 7:14 : En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. Ezechiël 21:25 : En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; Ezechiël 21:26 : Zo zegt de Heer YHWH: Doe die hoed weg, en hef die kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die nederig is, en vernederen die, die hoog is. Ezechiël 21:27 : Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en die Ik geven zal.
[^psalmen-89-31-h]: Verwijzing h: 2 Sam. 7:14 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen.
[^psalmen-89-31-56]: Kanttekening 56: zijn kinderen: Dit kan op Christus niet gepast worden, maar het is te verstaan van andere zonen of nakomelingen van David.
[^psalmen-89-33-57]: Kanttekening 57: met de roede: Te weten, met eens mensen roede, 2 Sam. 7:14 . Dat is, met matige kastijding, tot hun best, opdat zij zijn heiligheid zouden deelachtig worden; Hebr. 12:6 , 12:10 . Zie Job 9:34 . 2 Samuël 7:14 : Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. Hebreeën 12:6 : Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12:10 : Want genen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
[^psalmen-89-33-58]: Kanttekening 58: Zie de aantekening bij Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-89-34-59]: Kanttekening 59: van hem niet wegnemen: Hebr., אָפִיר, breken van met hem; dat is, zo niet, dat zij zou ophouden van met of bij hem te zijn.
[^psalmen-89-34-60]: Kanttekening 60: en in Mijn getrouwheid: Hebr. en zal niet liegen in, of tegen Mijn getrouwheid; dat is, van Mijn getrouwheid aan, of tegen Hem te bewijzen.
[^psalmen-89-35-61]: Kanttekening 61: wat uit: Dat is, wat Ik mijn knecht David, of iemand van mijn kinderen beloofd. Hebr., שְׂפָתַ, de uitgang van mijn lippen.
[^psalmen-89-36-i]: Verwijzing i: Hebr. 6:13 ; idem v. 17 ; idem v. 18 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Hebreeën 6:17 : Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen; Hebreeën 6:18 : Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
[^psalmen-89-36-62]: Kanttekening 62: bij Mijn heiligheid: Dat is, bij mijzelf, die de heilige God ben; Gen. 22:16 ; Jes. 5:16 . Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Jesaja 5:16 : Maar YHWH van de legermachten zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
[^psalmen-89-36-63]: Kanttekening 63: Zo Ik aan David liege: Deze manier van eedzweren, zie Gen. 14:23 , en Gen. 26:29 ; 1 Sam. 14:44 , en 1 Kon. 20:10 ; Ps. 95:11 ; Mark. 8:12 staat: Als dit geslacht een teken zal gegeven worden: maar Matt. 16:4 staat: hun zal geen teken gegeven worden. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Genesis 26:29 : Zo u bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van YHWH! 1 Samuël 14:44 : Toen zei Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan! u moet de dood sterven. 1 Koningen 20:10 : En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt! Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! Marcus 8:12 : En Hij, moeizaam zuchtende in Zijn geest, zei: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden! Mattheüs 16:4 : Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.
[^psalmen-89-37-64]: Kanttekening 64: Zijn zaad: Zie boven vers 30 . Psalmen 89:30 : En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemel.
[^psalmen-89-37-65]: Kanttekening 65: Dat is, koninkrijk. Davids rijk is een eeuwig rijk ten aanzien van Christus, die uit het zaad van David naar het vlees geboren is en die de Heer de stoel van zijn vader David gegeven heeft, die een eeuwig Koning is; Luk. 1:32 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
[^psalmen-89-38-66]: Kanttekening 66: in de hemel is getrouw: Te weten, voor zoveel als de hemelse lichamen te verstaan geven de vastheid en onveranderlijkheid die in God is, zie boven vers 3 , en onder Ps. 97:6 . Of, die \[te weten, maan\] een getrouwe getuige in de hemel is. Of, en \[hiervan\] is een getrouwe getuigenis in de hemel; dat is, Ik, die in de hemel woon, geef hier een getrouwe getuigenis van. Psalmen 89:3 : Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwig gebouwd worden; in de hemel zelve hebt U Uw waarheid bevestigd, zeggende: Psalmen 97:6 : De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
[^psalmen-89-39-67]: Kanttekening 67: hem : Te weten, uw koning en uw volk. Ethan klaagt hier over de ellende van de kerk, die zodanig was dat het scheen dat al de vorige beloften van geen waarde waren.
[^psalmen-89-39-68]: Kanttekening 68: Uw gezalfde: Te weten, de koning; sommigen verstaan Zedekia, 2 Kon. 25:1 , enz. 2 Koningen 25:1 : En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^psalmen-89-40-69]: Kanttekening 69: Te weten, het verbond, dat U met uw knecht, de koning, gemaakt hebt.
[^psalmen-89-40-70]: Kanttekening 70: U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde: Dat is, U hebt zijn kroon op de aarde nedergeworpen en vertreden als een ongeacht ding. Hij spreekt van de kroon van het koninkrijk Juda, welke David eertijds gehad en gedragen heeft. Zie de aantekening bij Ex. 29:6 . Exodus 29:6 : En u zult de hoed op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de hoed zetten.
[^psalmen-89-41-71]: Kanttekening 71: zijn muren: Te weten, van de koning; versta de muren van de stad Jeruzalem. Zie 2 Kon. 25:10 , 25:13 ; Ps. 80:13 . 2 Koningen 25:10 : En de gehele legermacht van de Chaldeeën, die met de overste van de trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. 2 Koningen 25:13 : Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. Psalmen 80:13 : Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken?
[^psalmen-89-41-72]: Kanttekening 72: Of, vermorzeld. Hebr., שַׂמְתָּ, tot vermorzeling gesteld.
[^psalmen-89-42-k]: Verwijzing k: Ps. 80:13 . Psalmen 80:13 : Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken?
[^psalmen-89-43-73]: Kanttekening 73: U hebt de: Te weten, hun gevende de macht en de moed, om uw volk de krijg aan te doen, ja om het te overwinnen; gelijk Job 40:9 . Job 40:9 : Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
[^psalmen-89-44-74]: Kanttekening 74: Dat is, doen omliggen; dat is, U hebt hem in de oorlog gene overwinning gegeven, gelijk U weleer gedaan hebt.
[^psalmen-89-44-75]: Kanttekening 75: en hebt hem niet: Dat is, U hebt hem gene kracht gegeven om de strijd te vernieuwen en zijn vijanden het hoofd te bieden; maar U hebt hem voor zijn vijanden laten vallen en vluchten.
[^psalmen-89-45-76]: Kanttekening 76: U hebt … doen ophouden: Hebr. U hebt doen ophouden van zijn reinigheid.
[^psalmen-89-45-77]: Kanttekening 77: zijn schoonheid: Te weten, van de koning; en versta hier door de schoonheid de heerlijkheid en glorie van het koninkrijk, welke de vijanden van Gods kerk hadden te schande gemaakt.
[^psalmen-89-45-78]: Kanttekening 78: zijn troon: Dat is, zijn koninkrijk.
[^psalmen-89-46-79]: Kanttekening 79: zijn jeugd: Dat is, zijn kracht en sterkte. Dit verstaan sommigen van het bloeiende koninkrijk van David en Salomo, anderen van Jojachin, die achttien jaar oud zijnde, begon te regeren en regeerde maar drie maanden; 2 Kon. 24:8 , 24:10 . 2 Koningen 24:8 : Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 2 Koningen 24:10 : In die tijd togen de knechten van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.
[^psalmen-89-47-80]: Kanttekening 80: Hoe lang: Te weten, zult U ons verlaten. Zie dergelijke klachten Ps. 13:2 , en Ps. 79:5 . Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Psalmen 79:5 : Hoe lang, YHWH? Zult U eeuwig toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
[^psalmen-89-47-81]: Kanttekening 81: Zie Ps. 13:2 . Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^psalmen-89-47-82]: Kanttekening 82: Dat is, uw gunst ons onttrekken.
[^psalmen-89-48-83]: Kanttekening 83: van hoedanige: Dat is, hoe kort mijn leven is.
[^psalmen-89-48-84]: Kanttekening 84: eeuw ik ben: Zie Ps. 39:6 . Psalmen 39:6 : Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
[^psalmen-89-48-85]: Kanttekening 85: Te weten, hen uit deze wereld halende zo haast als zij daarin gekomen zijn, zonder dat zij de tijd en het middel hebben om U te kennen en te loven.
[^psalmen-89-49-86]: Kanttekening 86: de dood: Dat is, die niet zal sterven. Zie dergelijke wijze van spreken Luk. 2:26 ; Joh. 8:51 . Lukas 2:26 : En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, voordat hij de Christus van de Heer zou zien. Johannes 8:51 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in eeuwigheid.
[^psalmen-89-49-87]: Kanttekening 87: die zijn: De zin is: Wat is het nodig dat U uw macht tewerk stelt om ons te vernielen, aangezien wij toch in geen enkele wijze de dood kunnen ontgaan.
[^psalmen-89-49-l]: Verwijzing l: Ps. 49:10 ; idem v. 16 . Psalmen 49:10 : Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. Psalmen 49:16 : Maar God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.
[^psalmen-89-49-88]: Kanttekening 88: van het geweld van het graf: Hebr., יַּד, van de hand van het graf, of van het dodenrijk. Hebr. scheol.
[^psalmen-89-50-m]: Verwijzing m: 2 Sam. 7:15 . 2 Samuël 7:15 : Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen.
[^psalmen-89-51-89]: Kanttekening 89: aan de smaad: Versta dit van het smaden en spotten van de vijanden, die het volk van God in hun ellende en bedroefden staat bespotten, belachenden hun godsdienst en hun vertrouwen op hun God.
[^psalmen-89-51-90]: Kanttekening 90: alle grote: Dat is, allerlei. Anders: van al de menigte van de volken, te weten, die mij bespotten en onteren.
[^psalmen-89-52-91]: Kanttekening 91: de voetstappen: Dat is, de daden en regering van uw koning. Dat in zulker voege verstaan moet worden van de koningen van Juda, dat het bijzonderlijk is te duiden op Jezus Christus, de eeuwige Koning van de kerk, van welke voorzegd is Gen. 3:15 , dat hem de slang de verzenen zou vermorzelen. Sommigen duiden dit smaden van de voetstappen van de gezalfde op het bespotten van de trage toekomst van de Messias. Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelfde zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen.
[^psalmen-89-53-92]: Kanttekening 92: Geloofd zij: De psalmist besluit de zware klacht, met een vertrouwen van verlossing uit dit zware kruis, zich verblijdende in het midden van zijn ellenden. Zie Rom. 7:24 , 7:25 , en 2 Kor. 1:3 , 1:4 . Romeinen 7:24 : Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Romeinen 7:25 : Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heer. 2 Korinthiërs 1:3 : Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God van alle vertroosting; 2 Korinthiërs 1:4 : Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.
[^psalmen-89-53-93]: Kanttekening 93: Amen, ja, amen: Zie Ps. 41:14 . Psalmen 41:14 : Geloofd zij YHWH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.

### Psalmen 90

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/90.json)

*Mozes, Gods voorzienigheid en macht lovend, beschrijft de zwakheid, ellende en kortheid van het menselijk leven; en hij bidt God dat Hij hem en alle mensen die recht leer kennen.*

**1** [^psalmen-90-1-1] Een gebed van[^psalmen-90-1-2] Mozes, de man van God. YHWH! U bent ons geweest een[^psalmen-90-1-3] Toevlucht[^psalmen-90-1-4] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v1)

**2** [^psalmen-90-2-5] Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht had, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v2)

**3** U doet de mens terugkeren tot verbrijzeling, en zegt:[^psalmen-90-3-7] Keer weer, u mensenkinderen![^psalmen-90-3-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v3)

**4** [^psalmen-90-4-8] Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en[^psalmen-90-4-9] als een nachtwaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v4)

**5** [^psalmen-90-5-10] U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap;[^psalmen-90-5-11] in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v5)

**6** In de morgenstond bloeit het, en[^psalmen-90-6-12] het verandert; 's avonds wordt het afgesneden, en het verdort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v6)

**7** Want wij vergaan[^psalmen-90-7-13] door Uw toorn; en door Uw woede worden wij verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v7)

**8** U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze[^psalmen-90-8-14] geheime[^psalmen-90-8-15] zonden in het licht van Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v8)

**9** Want al onze dagen[^psalmen-90-9-16] gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door[^psalmen-90-9-17] als een gedachte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v9)

**10** Voor wat betreft de dagen van onze jaren, daarin zijn[^psalmen-90-10-18] zeventig jaren, of, zo wij[^psalmen-90-10-19] zeer sterk zijn, tachtig jaren; en[^psalmen-90-10-20] het uitnemendste van die[^psalmen-90-10-21] is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v10)

**11** [^psalmen-90-11-22] Wie kent de sterkte van Uw toorn, en Uw[^psalmen-90-11-23] toorn, naardat U te vrezen bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v11)

**12** Leer ons[^psalmen-90-12-24] zo onze dagen tellen,[^psalmen-90-12-25] dat wij[^psalmen-90-12-26] een wijs hart bekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v12)

**13** Keer weer, YHWH![^psalmen-90-13-27] tot hoe lange? en[^psalmen-90-13-28] het berouwe U[^psalmen-90-13-29] over Uw knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v13)

**14** Verzadig ons[^psalmen-90-14-30] in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn[^psalmen-90-14-31] in al onze dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v14)

**15** Verblijd ons[^psalmen-90-15-32] naar de dagen, in die U ons vernederd hebt, naar de jaren, in die wij[^psalmen-90-15-33] het kwaad gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v15)

**16** Laat[^psalmen-90-16-34] Uw werk aan Uw knechten[^psalmen-90-16-35] gezien worden, en[^psalmen-90-16-36] Uw heerlijkheid[^psalmen-90-16-37] over hun kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v16)

**17** En[^psalmen-90-17-38] de liefelijkheid van YHWH, van onze God; zij over ons; en[^psalmen-90-17-39] bevestig U het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/90.html#v17)

[^psalmen-90-1-1]: Kanttekening 1: Een gebed van Mozes: Men houdt het daarvoor, dat Mozes dit gebed gesproken heeft als het volk van Israël in de woestijn gezondigd had. Zie Num. 14 .
[^psalmen-90-1-2]: Kanttekening 2: de man van God: Zie Deut. 33:1 , en Richt. 13:6 . Deuteronomium 33:1 : Dit nu is de zegen, met welke Mozes, de man van God, de kinderen van Israël gezegend heeft, voor zijn dood. Richteren 13:6 : Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^psalmen-90-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, in al onze ellende. Zie Ex. 33:14 ; Deut. 8:15 , en Deut. 33:27 . Hebr., מָעוֹן, een woning, vertrek. Exodus 33:14 : Hij dan zei: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? Deuteronomium 8:15 : Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Deuteronomium 33:27 : De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!
[^psalmen-90-1-4]: Kanttekening 4: van geslacht tot geslacht: Hebr., דֹר, in geslacht en geslacht; dat is, bij alle geslachten, of tot alle tijden.
[^psalmen-90-2-5]: Kanttekening 5: Voordat de bergen: Dat is, voordat de bergen als uit de afgrond getogen waren. Zie gelijke wijze van spreken Gen. 2:4 ; Job 15:7 , en Job 38:28 , 38:29 ; Jes. 51:2 . Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte. Job 15:7 : Bent u de eerste een mens geboren? Of bent u voor de heuvelen voortgebracht? Job 38:28 : Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen van de dauw? Job 38:29 : Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart de rijm van de hemel? Jesaja 51:2 : Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die u gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.
[^psalmen-90-3-7]: Kanttekening 7: Keert weer: Te weten, het lichaam ter aarde, Ps. 146:4 ; en de geest tot God, Pred. 12:7 . Psalmen 146:4 : Zijn geest gaat uit, hij keert opnieuw tot zijn aarde; op dezelfde dag vergaan zijn aanslagen. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft.
[^psalmen-90-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, tot zulk een staat, dat hij vergruisd en als gewreven wordt zo klein als stof, zie Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^psalmen-90-4-8]: Kanttekening 8: Want duizend: Hij wil zeggen: Ofschoon iemand duizend jaar leefde, zo moet hij toch sterven, en U neemt hem het leven zo licht alsof hij maar een dag of een week geleefd had, 2 Petr. 3:8 . Anders, maar duizend jaren, enz, ziende op vers 2 . om uit te drukken het onderscheid dat er is tussen de sterfelijke mens en de eeuwigdurende God. 2 Petrus 3:8 : Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. Psalmen 90:2 : Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
[^psalmen-90-4-9]: Kanttekening 9: als : Hebr. \[als\] de wacht in de nacht; dat is, een vierde part van een nacht, want de nacht placht in vier waken gedeeld te worden. Zie Mark. 13:35 , en Joh. 11:9 . Marcus 13:35 : Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, 's avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond); Johannes 11:9 : Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet;
[^psalmen-90-5-10]: Kanttekening 10: U overstroomt: Alsof hij zei: Zo haastiglijk als een watervloed wegrukt en afspoelt al wat hij ontmoet.
[^psalmen-90-5-11]: Kanttekening 11: in de morgenstond: Hij wil zeggen: De mensen zijn nauwelijks geboren, of zij vergaan meteen, verstaande door de morgenstond de jeugd of kinderjaren.
[^psalmen-90-6-12]: Kanttekening 12: het verandert: Dat is, het wordt vernieuwd in schoonheid. Verg. Job 14:7 ; Jes. 40:31 . Sommigen nemen het van de haastige verandering tot verderf. Job 14:7 : Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden. Jesaja 40:31 : Maar die YHWH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
[^psalmen-90-7-13]: Kanttekening 13: door Uw toorn: Die vanwege onze zonden over ons ontstoken is.
[^psalmen-90-8-14]: Kanttekening 14: geheime zonden : Die voor de ogen van de mensen verborgen zijn, en die wij dikwijls zelf niet weten of achten. Zie Ps. 19:13 , en Job 20:11 . Psalmen 19:13 : Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. Job 20:11 : Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgen zonden zijn; van welke elk met hem op het stof nederliggen zal.
[^psalmen-90-8-15]: Kanttekening 15: in het: Te weten, hebt U hen gesteld, dat zij duidelijk voor uw aangezicht blijken. Zie Ps. 51:11 ; 1 Kor. 4:5 , en Hebr. 4:13 . Psalmen 51:11 : Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. 1 Korinthiërs 4:5 : Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal iedereen lof hebben van God. Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^psalmen-90-9-16]: Kanttekening 16: gaan heen: Anders, wenden zich.
[^psalmen-90-9-17]: Kanttekening 17: als een gedachte: Dat is, zeer snel. Anders, als een woord, dat een geluid is, dat niet duurt, maar het verdwijnt haastig in de lucht.
[^psalmen-90-10-18]: Kanttekening 18: zeventig jaren: Te weten, gemeenlijk, ofschoon sommige mensen langer leven.
[^psalmen-90-10-19]: Kanttekening 19: zeer sterk: Hebr. in sterkten; te weten, wanneer iemand zeer sterk van natuur is.
[^psalmen-90-10-20]: Kanttekening 20: het uitnemendste: Anders, de hoogmoed of stoutheid van die; dat is, wat waar men stout en moedig op is, te weten de sterkte van het leven.
[^psalmen-90-10-21]: Kanttekening 21: is moeite en verdriet: Dat is, als men in het best van zijn leven is, eer nog de oude dagen komen, zo is men al veel moeite en verdriet in deze wereld onderworpen.
[^psalmen-90-11-22]: Kanttekening 22: Wie kent: Te weten, zo dat hij zorgdrage, hoe hij uw toorn ontslagen mocht worden. Of, die zich wachte U met zijn zonden te vertoornen.
[^psalmen-90-11-23]: Kanttekening 23: naardat U te vrezen bent: Hebr. naar uw vrezen. Dat is, naar dat U te vrezen, of vreeslijk bent.
[^psalmen-90-12-24]: Kanttekening 24: zo onze dagen tellen: Anders, recht tellen. Zo wordt het Hebr. woord genomen Num. 27:7 , en 2 Kon. 7:9 . Numeri 27:7 : De dochters van Zelafead spreken recht; u zult haar ganselijk geven de bezitting van een erfenis, in het midden van de broers haars vaders; en u zult de erfenis haars vaders op haar doen komen. 2 Koningen 7:9 : Toen zeiden zij, de één tot de ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Als wij vertoeven tot de lichte morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis van de koning boodschappen.
[^psalmen-90-12-25]: Kanttekening 25: dat wij: Dat is, dat wij, recht verstaande uw toorn tegen de zonde, U leren vrezen en de korte tijd onzes levens besteden tot uw dienst; Job 28:28 . Job 28:28 : Maar tot de mens heeft Hij gezegd: Zie, de vrees voor YHWH is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
[^psalmen-90-12-26]: Kanttekening 26: wijs hart: Hebr., לְבַב, een hart van de wijsheid aanbrengen, of toebrengen.
[^psalmen-90-13-27]: Kanttekening 27: tot hoe lange: T.w. vertoeft U; of, zal het duren, dat U U van ons wendt; of, eer U ons verlost. Zie Ps. 6:4 . Psalmen 6:4 : Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, YHWH, hoe lange?
[^psalmen-90-13-28]: Kanttekening 28: het berouwe U: Anders, hebt berouw ; zie Gen. 6:6 . Versta hierbij, dat U ons zo zwaar geslagen hebt. Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^psalmen-90-13-29]: Kanttekening 29: over Uw knechten: Dat is over ons, die Uw knechten, of Uw volk zijn.
[^psalmen-90-14-30]: Kanttekening 30: in de morgenstond: Alsof hij zei: Bewijs ons vroeg uw goedertierenheid, na de duistere nacht van de verdrukking.
[^psalmen-90-14-31]: Kanttekening 31: in al onze: Dat is, al de dagen onzes levens.
[^psalmen-90-15-32]: Kanttekening 32: naar de dagen: De zin is: Gelijk U ons lange tijd hebt bedroefd met zware plagen, verheug ons weer zo in de toekomende tijden met uw genadige hulp.
[^psalmen-90-15-33]: Kanttekening 33: gezien hebben: Dat is, gevoeld en geleden hebben, gelijk Ps. 16:10 , en Ps. 89:49 . Zie ook Ps. 4:7 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Psalmen 89:49 : Wat man leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld van het graf? Sela. Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH!
[^psalmen-90-16-34]: Kanttekening 34: uw werk: Dat is, de volkomen verlossing uit al onze ellenden.
[^psalmen-90-16-35]: Kanttekening 35: gezien worden: Of, verschijnen.
[^psalmen-90-16-36]: Kanttekening 36: Uw heerlijkheid: Dat is, de verlossing door welke Uw heerlijkheid openbaar gemaakt worde; te weten Uw macht, goedertierenheid en wijsheid.
[^psalmen-90-16-37]: Kanttekening 37: over hun kinderen: Dat is, over hun nakomelingen, achtervolgens het verbond met hun vaders opgericht.
[^psalmen-90-17-38]: Kanttekening 38: de liefelijkheid: Of, dat ook YHWH onze God een lust aan ons hebbe.
[^psalmen-90-17-39]: Kanttekening 39: Dat is, regeer al ons voornemen en doen zo, dat het van nu voortaan altijd door uw genade vast en bestendig blijve; want zonder God vermogen wij niets; Joh. 15:5 ; Jak. 1:17 . Johannes 15:5 : Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.

### Psalmen 91

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/91.json)

*De psalmist stelt hier de gesteldheid voor die het in deze wereld heeft met alle godzaligen, en verhaalt de veelvuldige weldaden die zij ontvangen die zich geheel op de HEERE verlaten.*

**1** Die[^psalmen-91-1-1] in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw[^psalmen-91-1-2] van de Almachtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v1)

**2** [^psalmen-91-2-3] Ik zal tot YHWH zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welke ik vertrouw! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v2)

**3** [^psalmen-91-3-a] Want[^psalmen-91-3-4] Hij zal u redden[^psalmen-91-3-5] van de strik[^psalmen-91-3-6] van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v3)

**4** Hij[^psalmen-91-4-b] zal u dekken met Zijn vlerken, en[^psalmen-91-4-7] onder Zijn vleugelen zult u betrouwen;[^psalmen-91-4-8] Zijn waarheid is een groot schild en beukelaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v4)

**5** [^psalmen-91-5-c] U zult niet vrezen voor[^psalmen-91-5-9] de schrik in de nacht, voor de pijl, die overdag vliegt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v5)

**6** Voor de pest, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat[^psalmen-91-6-10] op de middag verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v6)

**7** Aan[^psalmen-91-7-11] uw zijden zullen er[^psalmen-91-7-12] duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u[^psalmen-91-7-13] zal het niet naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v7)

**8** Alleen zult u het met uw ogen[^psalmen-91-8-14] aanschouwen; en u zult de[^psalmen-91-8-15] vergelding van de goddelozen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v8)

**9** Want U, YHWH! bent mijn Toevlucht! De Allerhoogste[^psalmen-91-9-16] hebt u gesteld tot[^psalmen-91-9-17] uw Vertrek; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v9)

**10** U zal geen kwaad overkomen, en geen plaag zal uw tent naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v10)

**11** [^psalmen-91-11-d] Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren[^psalmen-91-11-18] in al uw wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v11)

**12** [^psalmen-91-12-e] Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v12)

**13** [^psalmen-91-13-19] Op de[^psalmen-91-13-f] felle leeuw en de[^psalmen-91-13-20] adder zult u treden, u zult de jonge leeuw en de draak vertreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v13)

**14** Omdat[^psalmen-91-14-21] hij veel van Mij houdt, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want[^psalmen-91-14-22] hij kent Mijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v14)

**15** Hij[^psalmen-91-15-23] zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v15)

**16** Ik[^psalmen-91-16-24] zal hem met langheid van de dagen verzadigen, en Ik zal hem[^psalmen-91-16-25] Mijn heil doen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/91.html#v16)

[^psalmen-91-1-1]: Kanttekening 1: in de schuilplaats / in de schaduw: Dat is, in de bescherming van . Vergelijk Num. 14:9 , Ruth 2:12 , Ps. 17:8 , 36:8 , 61:5 en 63:8 , Hos. 14:8 met de aantekeningen. Numeri 14:9 : Alleen zijt tegen YHWH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en YHWH is met ons; vreest hen niet! Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen! Psalmen 17:8 : Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen, Psalmen 36:8 : Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom nemen de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht. Psalmen 61:5 : Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene van Uw vleugelen. Sela. Psalmen 63:8 : Want U bent mij een hulp geweest; en in de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen. Hosea 14:8 : Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
[^psalmen-91-1-2]: Kanttekening 2: van de Almachtige: Van het woord Schaddai, dat in het Hebr., staat, zie Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^psalmen-91-2-3]: Kanttekening 3: Ik zal tot YHWH zeggen: Of, ik zeg van YHWH.
[^psalmen-91-3-a]: Verwijzing a: Ps. 124:7 . Psalmen 124:7 : Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
[^psalmen-91-3-4]: Kanttekening 4: Hij zal u redden: Met deze woorden schijnt de profeet zichzelven aan te spreken. Of hij keert zijn ziel tot de gelovige mens.
[^psalmen-91-3-5]: Kanttekening 5: van de strik: Zie dergelijke manier van spreken Ps. 10:9 . Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net.
[^psalmen-91-3-6]: Kanttekening 6: van de vogelvanger: Dat is, alle listige, zo geestelijke als lichamelijke vijanden, in het bijzonder de duivel, die altijd rondom ons gaat, zoekende ons te verscheuren. God gebruikt zo van de goede als de kwade engelen dienst om zijn oordelen uit te voeren. Zie 2 Sam. 24:16 ; 2 Kon. 19:35 , en 1 Kor. 10:10 . 2 Samuël 24:16 : Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde YHWH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van YHWH nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 1 Korinthiërs 10:10 : En mort niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver.
[^psalmen-91-4-b]: Verwijzing b: Ps. 57:2 . Psalmen 57:2 : Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uw vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
[^psalmen-91-4-7]: Kanttekening 7: onder Zijn: Zie Ruth 2:12 . Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^psalmen-91-4-8]: Kanttekening 8: Zijn waarheid: Dat is, de vastheid van zijn heilige beloften zal u dienen om u te beschutten, gelijk het lichaam van de mens voor de slagen en schoten van de vijand beschut wordt met een breed schild. Dit schrijft Paulus de gelovige toe, Ef. 6:16 , omdat het de beloften van God aangrijpt. Efeziërs 6:16 : Bovenal aangenomen hebbende het schild van het geloof, waarmee u al de vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.
[^psalmen-91-5-c]: Verwijzing c: Job 5:19 ; idem v. 20 ; Spr. 3:25 ; Hoogl. 3:8 . Job 5:19 : In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. Spreuken 3:25 : Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen, als zij komt. Hooglied 3:8 : Die allemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege de schrik van de nacht.
[^psalmen-91-5-9]: Kanttekening 9: de schrik: Of, vervaardheid; dat is, voor wat de mens 's nachts een schrik aanjaagt.
[^psalmen-91-6-10]: Kanttekening 10: op de middag: Dat is, openlijk: zo ook Jer. 15:8 . Alsof hij zei: U zult niet vrezen voor de pestilentie, van de nacht noch van de dag; ofschoon zij er velen rondom u heen wegrukt, de Heer zal u bewaren; welverstaande als het tot zijn eer en tot uw zaligheid zal zijn. Jeremia 15:8 : Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
[^psalmen-91-7-11]: Kanttekening 11: uw zijde: Te weten, aan uw linkerzijde.
[^psalmen-91-7-12]: Kanttekening 12: vallen, en: Versta, door de pestilentie gedood zijnde.
[^psalmen-91-7-13]: Kanttekening 13: zal het niet: Of, zal hen; te weten, de pestilentie, van welke gesproken is Ps. 92:6 . Psalmen 92:6 : O YHWH! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
[^psalmen-91-8-14]: Kanttekening 14: Te weten, hoe de goddelozen met zulke plagen schrikkelijk zullen aangetast worden.
[^psalmen-91-8-15]: Kanttekening 15: vergelding van de: Dat is, hoe aan de goddelozen hun boosheid zal vergolden en hoe zij van God zullen gestrafd worden.
[^psalmen-91-9-16]: Kanttekening 16: hebt u: Men mag dit nemen alsof de profeet zichzelven of zijn rede keerde tot de gelovige mens, gelijk boven Ps. 92:3 . Psalmen 92:3 : Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
[^psalmen-91-9-17]: Kanttekening 17: uw vertrek: Te weten, waar u zekerlijk wonen en blijven mag.
[^psalmen-91-11-d]: Verwijzing d: Ps. 34:8 ; Matt. 4:6 ; Lukas 4:10 . Psalmen 34:8 : Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Mattheüs 4:6 : En zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot. Lukas 4:10 : Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;
[^psalmen-91-11-18]: Kanttekening 18: in al uw: Te weten, in al de wegen, die u van God bevolen zijn om daarin te wandelen. Deze woorden liet de duivel uit, toen hij dit vers aanhaalde, met Christus twistende; Matt. 4:6 . Mattheüs 4:6 : En zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.
[^psalmen-91-12-e]: Verwijzing e: Lukas 4:11 . Lukas 4:11 : En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
[^psalmen-91-13-19]: Kanttekening 19: Op de felle: Of, over.
[^psalmen-91-13-f]: Verwijzing f: Job 5:22 ; idem v. 23 . Job 5:22 : Tegen de verwoesting en tegen de honger zult u lachen, en voor het gedierte van de aarde zult u niet vrezen. Job 5:23 : Want met de stenen van het veld zal uw verbond zijn, en het gedierte van het veld zal met u bevredigd zijn.
[^psalmen-91-13-20]: Kanttekening 20: zult u treden: Te weten, zonder daarvan beschadigd te worden. Versta onder de naam van leeuw en adder ook alle andere dingen, die de mens kunnen hinderen of schaden aan ziel of aan lichaam. Zij worden allen overwonnen door het geloof, Mark. 16:17 , 16:18 ; Hebr. 11:33 , 11:34 . Zie het voorbeeld van David, 1 Sam. 17:34 ; van de drie jongelingen, Dan. 3 ; en van Daniël zelf, en Dan. 6:23 . Marcus 16:17 : En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken. Marcus 16:18 : Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. Hebreeën 11:33 : Welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen van de leeuwen toegestopt; Hebreeën 11:34 : De kracht van het vuur hebben uitgeblust, de scherpte van het zwaard zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in de krijg sterk geworden zijn, heirlegers van de vreemden op de vlucht hebben gebracht; 1 Samuël 17:34 : Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg. Daniël 6:23 : Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.
[^psalmen-91-14-21]: Kanttekening 21: Te weten, de gelovige man.
[^psalmen-91-14-22]: Kanttekening 22: hij kent Mijn Naam: Hij kent Mijn naam, dat is, hij heeft mij lief en waard, gelijk Ps. 1:6 . Of, hij kent Mij voor zijn God, op Wie hij zijn vertrouwen stelt. Zie Ps. 9:11 . Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan. Psalmen 9:11 : En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, YHWH, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
[^psalmen-91-15-23]: Kanttekening 23: zal Mij aanroepen: Of, \[als\] hij Mij zal aanroepen, zo zal Ik hem verhoren.
[^psalmen-91-16-24]: Kanttekening 24: zal hem met langheid van de dagen verzadigen: Daar staat geschreven van Abraham, Izak, David, Job enz., dat zij zat van dagen waren, Gen. 25:8 , en Gen. 35:29 ; 1 Kron. 23:1 ; Job 42:17 . Genesis 25:8 : En Abraham gaf de geest en stierf, in goede ouderdom, oud en van het leven zat, en hij werd tot zijn volken verzameld. Genesis 35:29 : En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. 1 Kronieken 23:1 : Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israël. Job 42:17 : En Job stierf, oud en van de dagen zat.
[^psalmen-91-16-25]: Kanttekening 25: Mijn heil: Of, Mijn zaligheid. Dit mag men bekwamelijk verstaan van de eeuwige zaligheid en verlossing, welk is de voornaamste weldaad, die God de vromen bewijst, en die op hun lang leven en op het afsterven volgt.

### Psalmen 92

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/92.json)

*De profeet leert alle mensen God te loven, vanwege Zijn grote werken, en vanwege Zijn rechtvaardigheid over de bozen en Zijn goedertierenheid over de godzaligen.*

**1** [^psalmen-92-1-1] Een psalm, een lied,[^psalmen-92-1-2] op de sabbatdag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v1)

**2** Het is goed, dat men YHWH love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v2)

**3** Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw[^psalmen-92-3-3] getrouwheid[^psalmen-92-3-4] in de nachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v3)

**4** Op het tiensnarig instrument en op de luit,[^psalmen-92-4-5] met een voorbedacht lied op de harp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v4)

**5** Want U hebt mij verblijd, YHWH! met Uw daden, ik zal juichen over de werken van Uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v5)

**6** O YHWH! hoe groot zijn Uw werken![^psalmen-92-6-6] zeer diep zijn Uw gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v6)

**7** Een[^psalmen-92-7-7] onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat[^psalmen-92-7-8] ditzelve niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v7)

**8** Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers van de ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in de eeuwigheid vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v8)

**9** [^psalmen-92-9-9] Maar U bent de Allerhoogste in eeuwigheid YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v9)

**10** Want zie, Uw vijanden, o YHWH! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers van de ongerechtigheid zullen verstrooid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v10)

**11** Maar U zult mijn[^psalmen-92-11-10] hoorn verhogen, gelijk[^psalmen-92-11-11] van een eenhoorn;[^psalmen-92-11-12] ik ben met[^psalmen-92-11-13] verse olie overgoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v11)

**12** En[^psalmen-92-12-14] mijn oog zal mijn spionnen aanschouwen;[^psalmen-92-12-15] mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v12)

**13** De[^psalmen-92-13-a] rechtvaardige zal groeien als[^psalmen-92-13-16] een palmboom; hij zal groeien[^psalmen-92-13-b] als een cederboom op Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v13)

**14** [^psalmen-92-14-17] Die in het huis van YHWH geplant zijn,[^psalmen-92-14-18] die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v14)

**15** In[^psalmen-92-15-19] de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v15)

**16** Om te verkondigen, dat YHWH recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/92.html#v16)

[^psalmen-92-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 48:1 . Psalmen 48:1 : Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.
[^psalmen-92-1-2]: Kanttekening 2: op de sabbatdag: Of, voor de sabbat; dat is, gemaakt of beschreven om op de sabbatdag gezongen te worden.
[^psalmen-92-3-3]: Kanttekening 3: Of, waarheid.
[^psalmen-92-3-4]: Kanttekening 4: in de nachten: Dat is, alle nachten, of nacht op nacht, verstaande bij de nacht de late avond, die tegen de morgenstond wordt gesteld. Want naar Gods wet zijn in zijn tabernakel of tempel gedaan geweest vroege en spade offeranden, met lofzangen en gebeden.
[^psalmen-92-4-5]: Kanttekening 5: met een: Anders, op higgajon. Zie de aantekening bij Ps. 9:17 . Psalmen 9:17 : YHWH is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen! Higgajon, Sela.
[^psalmen-92-6-6]: Kanttekening 6: zeer diep: Dat is, de redenen van uw geheime raad zijn verborgen en onbegrijpelijk voor ons verstand.
[^psalmen-92-7-7]: Kanttekening 7: Dat is, een die in Gods woord niet is onderwezen, noch van de Heilige Geest verlicht. Zie Ps. 49:11 . Psalmen 49:11 : Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
[^psalmen-92-7-8]: Kanttekening 8: ditzelfde niet: Te weten, dat hier nu straks volgt, vers 8 . Psalmen 92:8 : Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers van de ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in eeuwigheid verdelgd worden.
[^psalmen-92-9-9]: Kanttekening 9: Maar U: Anders: maar U bent hoog verheven, U bent YHWH in eeuwigheid. Zie Ps. 56:3 . Psalmen 56:3 : Mijn verspieders zoeken mij de ganse dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
[^psalmen-92-11-10]: Kanttekening 10: hoorn verhogen: Van het woord hoorn zie de aantekening bij Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met die zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^psalmen-92-11-11]: Kanttekening 11: eens eenhoorns: Zie Num. 23:22 . Numeri 23:22 : God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.
[^psalmen-92-11-12]: Kanttekening 12: ik ben met: Dat is, ik ben opnieuw gesterkt geworden. Anders: als ik oud zal geworden zijn, \[zult U mij zalven\] met verse olie.
[^psalmen-92-11-13]: Kanttekening 13: verse olie: Hebr. groene.
[^psalmen-92-12-14]: Kanttekening 14: mijn oog: Zie dergelijke manier van spreken Ps. 22:18 , en de aantekening daar. Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^psalmen-92-12-15]: Kanttekening 15: mijn oren: Te weten, als God hen tot de welverdiende straf trekken en hun vergelden zal het kwaad, dat zij mij gedaan hebben. Zie Ps. 91:8 . Psalmen 91:8 : Alleen zult u het met uw ogen aanschouwen; en u zult de vergelding van de goddelozen zien.
[^psalmen-92-13-a]: Verwijzing a: Hosea 14:6 . Hosea 14:6 : Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.
[^psalmen-92-13-16]: Kanttekening 16: een palmboom: Deze boom wast hoog en rechtop, met schone groene takken. Ofschoon hij met gewicht of zwaarte nedergebogen wordt, zo groeit en bloeit hij evenwel; daarom is hij een teken of figuur van victory; Openb. 7:9 . Verg. hiermee Ps. 52:10 ; Jer. 11:16 . Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Psalmen 52:10 : Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd. Jeremia 11:16 : YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om hem aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.
[^psalmen-92-13-b]: Verwijzing b: Richt. 9:15 . Richteren 9:15 : En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.
[^psalmen-92-14-17]: Kanttekening 17: Die in het huis: Dat is, die Christus door het ware geloof ingelijfd en ware ledemate van zijn kerk zijn. Zie Rom. 6:5 , en Rom. 11:17 . Romeinen 6:5 : Want als wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding; Romeinen 11:17 : En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in hun plaats zijt ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden,
[^psalmen-92-14-18]: Kanttekening 18: die zal: Hebr. die zullen hen doen groeien; dat is, van de Heer zal hun gegeven worden dat zij groeien en hoe langer hoe meer in het goede toenemen in zijn gemeente, tot welke zij waarachtig behoren. Het is een manier van spreken genomen van de bloemen en kruiden, die men zorgvuldig plant en koestert. Zie Ps. 1:3 , en Ps. 52:10 . Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Psalmen 52:10 : Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd.
[^psalmen-92-15-19]: Kanttekening 19: de grijzen: Te weten, als natuurlijk de krachten afnemen en verminderen; Ps. 71:9 ; Hebr. 11:11 , 11:12 . Hebr. in de grijsheid. Psalmen 71:9 : Verwerp mij niet in de tijd van de ouderdom; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. Hebreeën 11:12 : Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, dat ontallijk is.

### Psalmen 93

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/93.json)

*De psalmist verhaalt en verheft in deze psalm de majesteit, kracht en heiligheid van Christus' Koninkrijk, tot bescherming van Zijn gemeente.*

**1** YHWH[^psalmen-93-1-1] regeert, Hij is[^psalmen-93-1-2] met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord.[^psalmen-93-1-3] Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/93.html#v1)

**2** [^psalmen-93-2-4] Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/93.html#v2)

**3** De rivieren verheffen, o YHWH! de rivieren verheffen[^psalmen-93-3-5] haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/93.html#v3)

**4** Maar YHWH in de hoogte[^psalmen-93-4-6] is geweldiger[^psalmen-93-4-7] dan het bruisen van[^psalmen-93-4-8] grote wateren, dan de geweldige golven van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/93.html#v4)

**5** [^psalmen-93-5-9] Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de[^psalmen-93-5-10] heiligheid is[^psalmen-93-5-11] Uw huize sierlijk, YHWH![^psalmen-93-5-12] tot lange dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/93.html#v5)

[^psalmen-93-1-1]: Kanttekening 1: YHWH regeert: De zin van deze woorden is: God is de ware en eeuwige Koning, die van eeuwigheid geregeerd heeft, nu nog regeert en in alle eeuwigheid zonder einde regeren zal; Ps. 96:10 , en Ps. 97:1 , en Ps. 99:1 . Psalmen 96:10 : Zegt onder de heidenen: YHWH regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid. Psalmen 97:1 : YHWH regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden. Psalmen 99:1 : YHWH regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
[^psalmen-93-1-2]: Kanttekening 2: met hoogheid: Of, met majesteit. Zie de aantekening bij Job 40:5 . Job 40:5 : Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
[^psalmen-93-1-3]: Kanttekening 3: ook is: Deze grote zwaarte van de aarde wordt door zijn kracht alleen gehouden in evenwicht, zodat zij in het minste noch aan de ene noch aan de ander zijde wijkt. Zo zal ook de Heer zijn kerk door de gehele wereld staande houden en beschermen.
[^psalmen-93-2-4]: Kanttekening 4: Van toen: Te weten, van eeuwigheid aan, en verder \[ten aanzien van de dadelijke oefening van het gericht\] van dat de wereld is geschapen en bevestigd. Verg. Spr. 8:22 , alwaar deze manier van spreken van de eeuwigheid genomen wordt. Spreuken 8:22 : YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan.
[^psalmen-93-3-5]: Kanttekening 5: haar bruisen: Hebr. haar stemmen. Door de bruisende watervloeden wordt dikwijls verstaan het gewoel en geraas van de tirannen en van de volken tegen God en zijn kerk; Ps. 18:5 , en Ps. 65:8 ; Jes. 17:12 , 17:13 . Psalmen 18:5 : Banden van de dood hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. Psalmen 65:8 : Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen van haar golven, en het rumoer van de volken. Jesaja 17:12 : Wee de veelheid van de grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeën bruisen; en wee het geruis van de natiën, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen! Jesaja 17:13 : De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind.
[^psalmen-93-4-6]: Kanttekening 6: in de hoogte: Dat is, in de hemel, gelijk Ps. 71:19 . Psalmen 71:19 : Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; U, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
[^psalmen-93-4-7]: Kanttekening 7: dan het bruisen: Hebr. dan de stemmen.
[^psalmen-93-4-8]: Kanttekening 8: Of, vele.
[^psalmen-93-5-9]: Kanttekening 9: Uw getuigenissen: Dat is, uw woord, dat U ons gegeven hebt om te betuigen dat U onze God bent.
[^psalmen-93-5-10]: Kanttekening 10: Te weten, waarmee U uw kinderen heiligt en versiert.
[^psalmen-93-5-11]: Kanttekening 11: Uw huize: Versta hier niet zozeer het uiterlijk gebouw van de tempel of van de tabernakel, als de levende stenen, te weten de gelovigen, die de ware kerk van God zijn.
[^psalmen-93-5-12]: Kanttekening 12: tot lange dagen: Hebr., יָמִֽים, ter langheid van dagen; dat is, altijd of vele dagen durende. Zie Ps. 23:6 . Psalmen 23:6 : Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis van YHWH blijven in lengte van dagen.

### Psalmen 94

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/94.json)

*De profeet bidt God dat Hij wraak doe over de tirannen en goddelozen, die hij hier beschrijft, terwijl hij hun Gods voorzienigheid in het scheppen en regeren van de wereld aanwijst; en hij troost de godzaligen met de hulp en de verlossingen die de HEERE de Zijnen gewoon is te bewijzen.*

**1** O God[^psalmen-94-1-1] van wraak! o YHWH, God van wraak![^psalmen-94-1-2][^psalmen-94-1-a] verschijn blinkend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v1)

**2** U,[^psalmen-94-2-3] Rechter van de aarde![^psalmen-94-2-4] verhef U; breng vergelding weer over de hoogmoedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v2)

**3** Hoe lang zullen de goddelozen, o YHWH! hoe lang zullen de goddelozen[^psalmen-94-3-5] van vreugde opspringen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v3)

**4** Uitgieten? hard spreken? alle werkers van de ongerechtigheid zich beroemen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v4)

**5** O YHWH! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken[^psalmen-94-5-6] Uw erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v5)

**6** De weduwe en de vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v6)

**7** En zeggen:[^psalmen-94-7-b] YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v7)

**8** [^psalmen-94-8-c] Let op,[^psalmen-94-8-7] u onvernuftigen onder het volk! en u dwazen! wanneer zult u verstandig worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v8)

**9** [^psalmen-94-9-d] Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog vormt, niet aanschouwen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v9)

**10** Zou[^psalmen-94-10-8] Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen,[^psalmen-94-10-9] Hij, Die de mens wetenschap leert? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v10)

**11** [^psalmen-94-11-e] YHWH weet de gedachten van de mensen, dat zij zinloosheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v11)

**12** Welgelukzalig is de man, o YHWH![^psalmen-94-12-10] die U tuchtigt, en die U leert uit Uw wet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v12)

**13** Om hem rust te geven van de kwade dagen;[^psalmen-94-13-11] totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v13)

**14** Want[^psalmen-94-14-f] YHWH zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erfenis niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v14)

**15** Want[^psalmen-94-15-12] het oordeel zal terugkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen[^psalmen-94-15-13] hetzelfde navolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v15)

**16** Wie zal voor mij[^psalmen-94-16-14] staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers van de ongerechtigheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v16)

**17** Tenzij YHWH mij een Hulp geweest was,[^psalmen-94-17-15] mijn ziel[^psalmen-94-17-16] had bijna[^psalmen-94-17-17] in de stilte gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v17)

**18** Als[^psalmen-94-18-18] ik zei: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o YHWH! ondersteunde mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v18)

**19** [^psalmen-94-19-19] Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verfrist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v19)

**20** Zou zich[^psalmen-94-20-20] de stoel van de schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht[^psalmen-94-20-21] bij inzetting? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v20)

**21** Zij[^psalmen-94-21-22] rotten zich samen tegen de ziel van de rechtvaardigen, en zij[^psalmen-94-21-23] verdoemen onschuldig bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v21)

**22** Maar YHWH is mij geweest tot een Vesting, en mijn God tot[^psalmen-94-22-24] een Steenrots van mijn toevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v22)

**23** En[^psalmen-94-23-25] Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen terugkeren, en Hij zal[^psalmen-94-23-26] hen in hun boosheid vernietigen; YHWH, onze God, zal hen vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/94.html#v23)

[^psalmen-94-1-1]: Kanttekening 1: van de wraken: Dat is, die zware wraak of straf doet over de ongerechtigheid, en wie alle wraak toebehoort; Deut. 32:35 . Deuteronomium 32:35 : Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hun voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.
[^psalmen-94-1-2]: Kanttekening 2: verschijn blinkend: Te weten, tot onze troost en tot schrik onzer vijanden. Zie Ps. 80:2 . Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^psalmen-94-1-a]: Verwijzing a: Deut. 32:2 ; Ps. 50:2 ; Ps. 80:2 . Deuteronomium 32:2 : Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Psalmen 50:2 : Uit Sion, de volkomenheid van de schoonheid, verschijnt God blinkende. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^psalmen-94-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, van de mensen, die op de aarde wonen; gelijk Gen. 18:25 ; Ps. 82:8 . Genesis 18:25 : Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Psalmen 82:8 : Sta op, o God! oordeel de aarde, want U bezit alle natiën.
[^psalmen-94-2-4]: Kanttekening 4: verhef U: Te weten, tot rechtvaardige wraak. Zie Ps. 7:7 . Psalmen 7:7 : Sta op, YHWH, in Uw toorn, verhef U om de uitbarstingen van toorn van mijn benauwers, en ontwaak tot mij; U hebt het gericht bevolen.
[^psalmen-94-3-5]: Kanttekening 5: van vreugde: Te weten, vanwege de onderdrukking en het kruis van de vromen.
[^psalmen-94-5-6]: Kanttekening 6: uw erfdeel: Dat is, uw volk, dat U zo lief is als de mens zijn erfgoed.
[^psalmen-94-7-b]: Verwijzing b: Ps. 10:11 ; idem 10:13 ; Ps. 59:8 . Psalmen 10:11 : Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 10:13 : Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: U zult het niet zoeken? Psalmen 59:8 : Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
[^psalmen-94-8-c]: Verwijzing c: Ps. 92:7 . Psalmen 92:7 : Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelfde niet;
[^psalmen-94-8-7]: Kanttekening 7: u onvernuftigen: Dat is, die zonder verstand zijt als beesten. Zie de aantekening bij Ps. 49:11 , en Ps. 92:7 . Psalmen 49:11 : Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. Psalmen 92:7 : Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelfde niet;
[^psalmen-94-9-d]: Verwijzing d: Ex. 4:11 . Exodus 4:11 : En YHWH zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, YHWH?
[^psalmen-94-10-8]: Kanttekening 8: Hij, Die de heidenen tuchtigt: Dat is, Die gehele volken en landschappen wel weet te bezoeken met Zijn geselingen, zou Die niet een voor een, wanneer hij zwaar tegen Hem zondigt, straffen?
[^psalmen-94-10-9]: Kanttekening 9: Hij, Die de mens wetenschap leert: Alsof hij zei, zou Die niet weten wat er omgaat onder de mensen, en wat de goddelozen doen?
[^psalmen-94-11-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 3:20 . 1 Korinthiërs 3:20 : En opnieuw: De Heer kent de overleggingen van de wijzen, dat zij ijdel zijn.
[^psalmen-94-12-10]: Kanttekening 10: die U tuchtigt: Te weten, om hem tot verstand en tot kennis van U en van zichzelven te brengen.
[^psalmen-94-13-11]: Kanttekening 11: totdat de kuil: Dat is, totdat de goddeloze tot zijn verderf komt.
[^psalmen-94-14-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 12:22 ; Rom. 11:1 ; idem v. 2 . 1 Samuël 12:22 : Want YHWH zal Zijn volk niet verlaten, om Zijn grote Naams wil, omdat YHWH beliefd heeft, u Zich tot een volk te maken. Romeinen 11:1 : Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. Romeinen 11:2 : God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet u niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:
[^psalmen-94-15-12]: Kanttekening 12: het oordeel zal: De zin van deze woorden is: Het laat zich nu aanzien alsof de oordelen van God tegen zijn gerechtigheid liepen, omdat God de goeden rust en vrede laat zitten; maar het oordeel van God zal eindelijk terugkeren tot de gerechtigheid, en de vromen zullen verlost en zalig gemaakt, maar de goddelozen zullen gestraft en verdoemd worden. Verg. Jes. 28:17 . Jesaja 28:17 : En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
[^psalmen-94-15-13]: Kanttekening 13: Te weten, recht, of oordeel, waar hij straks van gesproken heeft, namelijk, nadat zij Gods gerechtigheid over de goddelozen zullen gezien hebben. Anders, zullen Hem of dezelfde, te weten, Heer, navolgen. Hebr., אַחֲרָי, achter hetzelfde, of Hem \[zijn\].
[^psalmen-94-16-14]: Kanttekening 14: staan tegen: Te weten, om mij te helpen. Alsof hij zeggen wilde: Niemand onder de mensen; maar het zal God de Heer zijn. Zie Esther 8:11; de psalmist klaagt dat hij van zijn vrienden in de nood is verlaten geweest.
[^psalmen-94-17-15]: Kanttekening 15: mijn ziel: Dat is, welverstaande zoveel mijn lichaam betreft.
[^psalmen-94-17-16]: Kanttekening 16: Of, haast, schier, op weinig na, korts.
[^psalmen-94-17-17]: Kanttekening 17: in de stilte: Dat is, ik ware haast omhals geweest en onder de aarde, waar men sprakeloos ligt en de Heer niet prijzen kan; gelijk Job 3:17 , 3:18 ; Ps. 88:13 , en Ps. 107:18 , en Ps. 115:17 . Job 3:17 : Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; Job 3:18 : Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem van de drijvers niet. Psalmen 88:13 : Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land van de vergetelheid? Psalmen 107:18 : Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen. Psalmen 115:17 : De doden zullen YHWH niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
[^psalmen-94-18-18]: Kanttekening 18: ik zei: Te weten, niet anders wetende dan dat ik ten enenmale terneder en als onder de voet lag.
[^psalmen-94-19-19]: Kanttekening 19: Als mijn gedachten: Of, in de veelheid van mijn gedachten in het midden van mij. Zie de aantekening bij Job 20:14 . Job 20:14 : Zijn voedsel zal in zijn ingewand veranderd worden; gal van de adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.
[^psalmen-94-20-20]: Kanttekening 20: de stoel van de: Dat is, de schadelijke en goddeloze rechters; versta hierbij, geenzins.
[^psalmen-94-20-21]: Kanttekening 21: bij inzetting: Dat is, door een besluit. Of, tegen de inzetting? dat is tegen de geboden, die God heeft ingezet. Anders, voor een wet; dat is, in de plaats van goede wetten.
[^psalmen-94-21-22]: Kanttekening 22: Te weten, de goddeloze en onrechtvaardige rechters.
[^psalmen-94-21-23]: Kanttekening 23: Zie Job 10:2 . Job 10:2 : Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover U met mij twist.
[^psalmen-94-22-24]: Kanttekening 24: een steen: Te weten, waar ik zeker wezen kon en buiten alle gevaar. Zie Ps. 91:14 . Psalmen 91:14 : Omdat hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
[^psalmen-94-23-25]: Kanttekening 25: Hij zal hun: Dat is, Hij zal hen naar hun verdiensten vergelden.
[^psalmen-94-23-26]: Kanttekening 26: in hun boosheid: Of, vanwege hun boosheid.

### Psalmen 95

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/95.json)

*Een vermaning tot lof, dienst en gehoorzaamheid aan God, vanwege Zijn grootheid; alsook een afrading om het hart zo niet te verharden zoals Israël gedaan had, dat daarom niet is ingegaan tot Zijn rust.*

**1** [^psalmen-95-1-1] Kom, laat ons YHWH vrolijk zingen; laat ons juichen voor de Rotssteen van ons heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v1)

**2** Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons voor Hem juichen met psalmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v2)

**3** Want YHWH is een groot God; ja, een groot Koning[^psalmen-95-3-2] boven alle goden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v3)

**4** [^psalmen-95-4-a] In Wiens hand de diepste plaatsen van de aarde zijn, en[^psalmen-95-4-3] de hoogten van de bergen zijn van Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v4)

**5** Van Wie ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge gevormd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v5)

**6** Kom, laat ons aanbidden en neerbuigen; laat ons knielen voor YHWH,[^psalmen-95-6-4] Die ons gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v6)

**7** [^psalmen-95-7-b] Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen[^psalmen-95-7-5] van Zijn hand.[^psalmen-95-7-6][^psalmen-95-7-c] Vandaag, zo u Zijn stem hoort, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v7)

**8** Verhard uw hart niet,[^psalmen-95-8-d] zoals te Meriba, zoals op de dag[^psalmen-95-8-7] van Massa in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v8)

**9** [^psalmen-95-9-8] Waar Mij uw vaders verzochten,[^psalmen-95-9-e] Mij beproefden, ook[^psalmen-95-9-9] Mijn werk zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v9)

**10** [^psalmen-95-10-f] Veertig jaren heb Ik verdriet gehad[^psalmen-95-10-10] aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk,[^psalmen-95-10-11] dwalende van hart, en[^psalmen-95-10-12] zij kennen[^psalmen-95-10-13] Mijn wegen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v10)

**11** Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen:[^psalmen-95-11-14] Zo zij[^psalmen-95-11-15] in Mijn rust zullen ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/95.html#v11)

[^psalmen-95-1-1]: Kanttekening 1: laat ons YHWH: Hier wordt de naam van David niet bijgevoegd: maar de apostel getuigt Hebr. 4:7 , dat David de auteur van deze psalm is, en dat hij deze woorden tot de Israëlieten gesproken heeft. Hebreeën 4:7 : Zo bepaalt Hij opnieuw een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo lange tijd daarna (zoals gezegd is): Heden, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
[^psalmen-95-3-2]: Kanttekening 2: boven alle goden: Dat is, boven alle engelen, prinsen, regenten van de wereld; of boven alle valse goden; of, boven al wat God genoemd wordt. Zo ook Ps. 8:6 , en Ps. 96:4 , 96:5 . Psalmen 8:6 : En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Psalmen 96:4 : Want YHWH is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden. Psalmen 96:5 : Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar YHWH heeft de hemel gemaakt.
[^psalmen-95-4-a]: Verwijzing a: Job 26:6 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
[^psalmen-95-4-3]: Kanttekening 3: de hoogten: Of, krachten; dat is, de bergen die krachtig en hoog zijn; of, de zeer hoge spitsen van de bergen, waar geen mens terdege bij kan komen.
[^psalmen-95-6-4]: Kanttekening 4: die ons gemaakt: Hebr. die onze Maker is. Alsof hij zei: onze Schepper naar lichaam en ziel, en die ons ook door zijn Geest wederbaart, gelijk Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
[^psalmen-95-7-b]: Verwijzing b: Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijn weide.
[^psalmen-95-7-5]: Kanttekening 5: zijn hand: Dat is, die Hij gelijk met zijn hand geleidt en bestiert.
[^psalmen-95-7-6]: Kanttekening 6: Heden, zo: Dat is, zolang de tijd duurt in welke Hij tot u spreekt.
[^psalmen-95-7-c]: Verwijzing c: Hebr. 3:7 . Hebreeën 3:7 : Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
[^psalmen-95-8-d]: Verwijzing d: Ex. 17:7 ; Num. 20:1 ; idem v. 3 ; idem v. 13 ; Deut. 6:16 . Exodus 17:7 : En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet? Numeri 20:1 : Als de kinderen van Israël, de gehele vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. Numeri 20:3 : En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van YHWH de geest gaven! Numeri 20:13 : Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen van Israël met YHWH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd. Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^psalmen-95-8-7]: Kanttekening 7: van Massa: Dat is, van de verzoeking.
[^psalmen-95-9-8]: Kanttekening 8: Waar mij Uw: De apostel, deze woorden verhalende 1 Kor. 10:9 , zegt: zij verzochten Christus. 1 Korinthiërs 10:9 : En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
[^psalmen-95-9-e]: Verwijzing e: Hebr. 3:9 . Hebreeën 3:9 : Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.
[^psalmen-95-9-9]: Kanttekening 9: mijn werk zagen: Te weten, hoe Ik hen strafte vanwege hun ongehoorzaamheid, en hun opnieuw genade bewees toen zij zich tot mij bekeerden.
[^psalmen-95-10-f]: Verwijzing f: Hebr. 3:17 . Hebreeën 3:17 : Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, van wie lichamen gevallen zijn in de woestijn?
[^psalmen-95-10-10]: Kanttekening 10: aan dit : Te weten, aan uw voorvaders, de ongehoorzame Israëlieten, toen zij door de woestijn wandelden.
[^psalmen-95-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, hun hart en gemoed wil al de dwaalweg in.
[^psalmen-95-10-12]: Kanttekening 12: zij kennen: Dat is, zij vragen er niet naar en begeren ze niet te weten.
[^psalmen-95-10-13]: Kanttekening 13: Mijn wegen: Dat is, Mijn geboden om daarin te wandelen.
[^psalmen-95-11-14]: Kanttekening 14: Zo zij: Dat is, zij zullen niet ingaan in mijn rust. Zie van deze manier van spreken Num. 14:23 , en Ps. 89:36 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaders gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
[^psalmen-95-11-15]: Kanttekening 15: in Mijn rust: Dat is, in het Kanaän, gelijk Deut. 1:34 , 1:35 , en Deut. 12:9 , dat de apostel verklaart een voorbeeld te zijn van het eeuwige leven; Hebr. 4:3 , enz. Deuteronomium 1:34 : Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende: Deuteronomium 1:35 : Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaders te zullen geven! Deuteronomium 12:9 : Want u bent tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die YHWH, uw God, u geven zal. Hebreeën 4:3 : Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Als zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging van de wereld af al volbracht waren.

### Psalmen 96

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/96.json)

*Alle inwoners van de aarde, van de hemel en van de zee worden vermaand God te loven vanwege Zijn grootheid, majesteit, heerlijkheid, schepping en wijze regering van de wereld en alles wat erin is; en in het bijzonder vanwege de genade van het Nieuwe Testament in de roeping van de heidenen.*

**1** [^psalmen-96-1-1] Zing YHWH een[^psalmen-96-1-2] nieuw lied; zing YHWH,[^psalmen-96-1-3] u hele aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v1)

**2** Zing YHWH, loof Zijn Naam; boodschap[^psalmen-96-2-4] Zijn heil van dag tot dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v2)

**3** Vertel onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v3)

**4** Want YHWH is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v4)

**5** Want al de goden van de[^psalmen-96-5-5] volken zijn afgoden; maar YHWH heeft[^psalmen-96-5-6] de hemelen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v5)

**6** Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad[^psalmen-96-6-7] in Zijn heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v6)

**7** Geef YHWH, u geslachten van de volken! geef YHWH eer en[^psalmen-96-7-8] sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v7)

**8** Geef YHWH de eer[^psalmen-96-8-9] van Zijn Naam;[^psalmen-96-8-10] breng offer, en komt[^psalmen-96-8-11] in Zijn voorhoven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v8)

**9** [^psalmen-96-9-a] Aanbid YHWH in de heerlijkheid van het[^psalmen-96-9-12] heiligdom; schrik voor Zijn aangezicht,[^psalmen-96-9-13] u hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v9)

**10** Zeg onder de heidenen:[^psalmen-96-10-14] YHWH regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden;[^psalmen-96-10-15] Hij zal de volken richten[^psalmen-96-10-16] in alle oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v10)

**11** [^psalmen-96-11-17] Dat de hemelen[^psalmen-96-11-18] zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee[^psalmen-96-11-19] bruise[^psalmen-96-11-20] met haar volheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v11)

**12** Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen van de woud juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v12)

**13** Voor het[^psalmen-96-13-21] aangezicht van YHWH; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde[^psalmen-96-13-22] te richten;[^psalmen-96-13-b] Hij zal[^psalmen-96-13-23] de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn[^psalmen-96-13-24] waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/96.html#v13)

[^psalmen-96-1-1]: Kanttekening 1: YHWH een: Al staat hier de naam van David niet bij, zo schijnt het nochtans dat hij de auteur van deze psalm is, want deze psalm is een deel van de lofzang, die David gemaakt en gezongen heeft toen hij de ark van het verbond uit Obed-Edoms huis in zijn huis gebracht heeft; 1 Kron. 16:23 , enz. Zie verder de aantekening daar. 1 Kronieken 16:23 : Zingt YHWH, u, gehele aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
[^psalmen-96-1-2]: Kanttekening 2: nieuw lied: Zie Ps. 33:3 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^psalmen-96-1-3]: Kanttekening 3: u gehele aarde: Dat is, al u inwoners van de ganse aardbodem.
[^psalmen-96-2-4]: Kanttekening 4: zijn heil: Te weten, het heil, of de verlossing die Hij gedaan heeft en nog dagelijks doet.
[^psalmen-96-5-5]: Kanttekening 5: zijn afgoden: Of, nietig. Zie de aantekening bij 1 Sam. 12:21 , en Lev. 19:4 , en Ps. 95:3 . 1 Samuël 12:21 : En wijkt niet af; want u zoudt de ijdelheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden. Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God! Psalmen 95:3 : Want YHWH is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
[^psalmen-96-5-6]: Kanttekening 6: de hemel: Versta hierbij, en ook de aarde en de zee en alles wat er in is.
[^psalmen-96-6-7]: Kanttekening 7: in zijn heiligdom: Dat is, in de tabernakel of tempel; dat is, in zijn kerk en gemeente. Zie Ps. 29:2 . Psalmen 29:2 : Geeft YHWH de eer van Zijn Naam, aanbidt YHWH in de heerlijkheid van het heiligdom.
[^psalmen-96-7-8]: Kanttekening 8: Dat is, lof van zijn sterkte. Zie de aantekening bij Ps. 8:3 . Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, om Uw tegenpartijen wil, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^psalmen-96-8-9]: Kanttekening 9: de eer zijns: Dat is, de eer, die Hem toekomt.
[^psalmen-96-8-10]: Kanttekening 10: brengt offer: Door een deel van de godsdienst moet men hier de gehele godsdienst verstaan.
[^psalmen-96-8-11]: Kanttekening 11: in Zijn voorhoven: Te weten, in de voorhoven van de tempel. Maar hierdoor moet men verstaan al de plaatsen, waar de gelovigen bij elkaar komen om de godsdienst te verrichten.
[^psalmen-96-9-a]: Verwijzing a: Ps. 29:2 . Psalmen 29:2 : Geeft YHWH de eer van Zijn Naam, aanbidt YHWH in de heerlijkheid van het heiligdom.
[^psalmen-96-9-12]: Kanttekening 12: schrikt voor: Het Hebr. woord betekent eigenlijk zulk sidderen en beven, gelijk de vrouwen, wanneer zij in barendsnood zijn, bevangt.
[^psalmen-96-9-13]: Kanttekening 13: u gehele aarde: Dat is, u inwoners van de ganse aardbodem.
[^psalmen-96-10-14]: Kanttekening 14: YHWH: Dat is, Hij doet metterdaad blijken dat Hij Koning is over de gehele aarde; Ps. 93:1 , en Ps. 97:1 , en Ps. 99:1 . Psalmen 93:1 : YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. Psalmen 97:1 : YHWH regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden. Psalmen 99:1 : YHWH regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
[^psalmen-96-10-15]: Kanttekening 15: de wereld: Zie boven Ps. 93:1 . Psalmen 93:1 : YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
[^psalmen-96-10-16]: Kanttekening 16: in alle rechtmatigheid: Hebr. in rechtmatigheden.
[^psalmen-96-11-17]: Kanttekening 17: Dat de hemel: Of, de hemel zal zich verblijden. En zo in het volgende.
[^psalmen-96-11-18]: Kanttekening 18: zich verblijden: Dit zijn manieren van spreken, genomen van wat de mensen doen als het hun welgaat; om aan te wijzen de uitnemendheid van Gods weldaden, die onder de regering van de Messias over de wereld komen zouden.
[^psalmen-96-11-19]: Kanttekening 19: Hebr. dondere.
[^psalmen-96-11-20]: Kanttekening 20: met haar volheid: Hebr. en haar volheid; dat is, met datgene waar zij vol van is.
[^psalmen-96-13-21]: Kanttekening 21: van YHWH: Te weten, Christus. Van wie ook in het voortgaande gesproken is.
[^psalmen-96-13-22]: Kanttekening 22: te richten: Dat is, te regeren.
[^psalmen-96-13-b]: Verwijzing b: Ps. 98:9 ; Openb. 19:11 . Psalmen 98:9 : Voor het aangezicht van YHWH, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid. Openbaring 19:11 : En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.
[^psalmen-96-13-23]: Kanttekening 23: de wereld richten: Dat is, de inwoners van de wereld.
[^psalmen-96-13-24]: Kanttekening 24: Of, getrouwheid.

### Psalmen 97

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/97.json)

*Een beschrijving van de majesteit van het Rijk van God, en van de vreugde van de godzaligen vanwege Zijn gerechtigheid en gericht over de afgodendienaars; alsook een vermaning tot godzaligheid en geestelijke blijdschap.*

**1** [^psalmen-97-1-a] YHWH[^psalmen-97-1-1] regeert, de aarde verheuge zich; dat veel[^psalmen-97-1-2] eilanden zich verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v1)

**2** [^psalmen-97-2-3] Rondom Hem zijn[^psalmen-97-2-4] wolken en donkerheid,[^psalmen-97-2-5] gerechtigheid en gericht zijn de[^psalmen-97-2-6] vastheid van Zijn troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v2)

**3** [^psalmen-97-3-7] Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn tegenstanders rondom aan brand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v3)

**4** [^psalmen-97-4-b] Zijn bliksemen verlichten de wereld;[^psalmen-97-4-c] het aarde[^psalmen-97-4-8] ziet ze en[^psalmen-97-4-9] het beeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v4)

**5** De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v5)

**6** [^psalmen-97-6-d] De[^psalmen-97-6-10] hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v6)

**7** Beschaamd moeten wezen allen, die[^psalmen-97-7-11] de beelden dienen, die zich op[^psalmen-97-7-12] afgoden beroemen; buigt u neer voor Hem, alle[^psalmen-97-7-13] u goden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v7)

**8** [^psalmen-97-8-14] Sion[^psalmen-97-8-15] heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en[^psalmen-97-8-16] de dochters van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v8)

**9** Want U, YHWH! bent de Allerhoogste over de hele aarde; U bent zeer hoog verheven boven alle[^psalmen-97-9-17] goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v9)

**10** U liefhebbers van YHWH![^psalmen-97-10-e] haat het kwade; Hij bewaart de zielen van Zijn gunstgenoten; Hij redt hen uit van de goddelozen hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v10)

**11** [^psalmen-97-11-18] Het licht is voor de rechtvaardige[^psalmen-97-11-19] gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v11)

**12** U rechtvaardigen! verblijd u in YHWH, en spreekt lof[^psalmen-97-12-20] ter herinnering van Zijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/97.html#v12)

[^psalmen-97-1-a]: Verwijzing a: Ps. 93:1 ; Ps. 96:10 . Psalmen 93:1 : YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. Psalmen 96:10 : Zegt onder de heidenen: YHWH regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
[^psalmen-97-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, Hij bewijst metterdaad dat Hij Koning is, niet alleen van het volk Israël, maar van de gehele wereld.
[^psalmen-97-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, volken en natiën op de eilanden wonende, gelijk Jes. 42:4 , en Jes. 60:9 . Jesaja 42:4 : Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jesaja 60:9 : Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van YHWH uws Gods, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft.
[^psalmen-97-2-3]: Kanttekening 3: Rondom Hem: Zie dergelijke beschrijving van de macht en majesteit van God; Ps. 18:8 , 18:9 , enz. Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. Psalmen 18:9 : Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
[^psalmen-97-2-4]: Kanttekening 4: Hebr., עָנָן, een wolk.
[^psalmen-97-2-5]: Kanttekening 5: Zie de aantekening bij Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^psalmen-97-2-6]: Kanttekening 6: Of, het steunsel, of het fondament.
[^psalmen-97-3-7]: Kanttekening 7: Een vuur: Versta door het vuur de gestrenge wraak en straf Gods.
[^psalmen-97-4-b]: Verwijzing b: Openb. 4:5 . Openbaring 4:5 : En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven geesten Gods.
[^psalmen-97-4-c]: Verwijzing c: Ps. 77:17 . Psalmen 77:17 : De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
[^psalmen-97-4-8]: Kanttekening 8: ziet ze en: Te weten, de bliksems.
[^psalmen-97-4-9]: Kanttekening 9: het beeft: Of, het werd angstig; te weten, gelijk een vrouw, die het wee van het baren overkomt.
[^psalmen-97-6-d]: Verwijzing d: Ps. 19:2 ; Ps. 50:6 . Psalmen 19:2 : De hemel vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijn handen werk. Psalmen 50:6 : En de hemel verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
[^psalmen-97-6-10]: Kanttekening 10: Versta, de hemelse creaturen of schepselen, als donder, bliksem hagel, sneeuw, stormen, enz., of de engelen.
[^psalmen-97-7-11]: Kanttekening 11: de beelden: Hebr. het gesneden, of gegraven beeld.
[^psalmen-97-7-12]: Kanttekening 12: afgoden beroemen: Zie Lev. 19:4 , en 1 Sam. 12:21 . Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God! 1 Samuël 12:21 : En wijkt niet af; want u zoudt de ijdelheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.
[^psalmen-97-7-13]: Kanttekening 13: u goden: Dat is, engelen. Zie Ps. 8:6 ; Hebr. 1:6 . En zie de vervulling van deze woorden in Christus; Mark. 1:13 ; Luk. 2:13 , 2:14 ; Openb. 5:11 , 5:12 ; Hebr. 1:7 . Psalmen 8:6 : En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Hebreeën 1:6 : En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. Marcus 1:13 : En Hij was daar in de woestijn veertig dagen, verzocht van de satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem. Lukas 2:13 : En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van het hemelse heirleger, prijzende God en zeggende: Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Openbaring 5:11 : En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; Openbaring 5:12 : Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. Hebreeën 1:7 : En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.
[^psalmen-97-8-14]: Kanttekening 14: (Zion) Dat is, de kerk van God, zo van de Joden als van de heidenen.
[^psalmen-97-8-15]: Kanttekening 15: heeft gehoord: Te weten, de oordelen en straffen Gods over zijn vijanden, gelijk blijkt uit het einde van dit vers.
[^psalmen-97-8-16]: Kanttekening 16: de dochters: Versta, de inwoners van het Joodse land, gelijk Ps. 48:12 ; en verder de ganselijke kerk. Psalmen 48:12 : Laat de berg Sion blij zijn; laat de dochters van Juda zich verheugen, om Uw oordelen wil.
[^psalmen-97-9-17]: Kanttekening 17: Gelijk vers 7 . Psalmen 97:7 : Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle u goden!
[^psalmen-97-10-e]: Verwijzing e: Amos 5:15 ; Rom. 12:9 . Amos 5:15 : Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. Romeinen 12:9 : De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
[^psalmen-97-11-18]: Kanttekening 18: Het licht: Dat is, voorspoed en geluk, vreugde en blijdschap, gelijk Esther 8:16 . Zie Job 18:6 . Esther 8:16 : Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; Job 18:6 : Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
[^psalmen-97-11-19]: Kanttekening 19: Het gaat met de troost, die de vromen bereid is, gelijk met het zaad, dat in de aarde geworpen wordt, dat zo straks niet opgaat, maar het blijft dikwijls lang in de aarde liggen voordat het voortkomt; maar het brengt daarna schone vruchten voort. De rechte vreugde en vrucht van de kinderen van God is hun in de hemel bereid, maar nu verborgen.
[^psalmen-97-12-20]: Kanttekening 20: ter gedachtenis: Dat is, dat zijn heiligheid in gedachtenis mag gehouden worden, gelijk Ps. 30:5 . Psalmen 30:5 : Psalmzingt YHWH, u Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid.

### Psalmen 98

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/98.json)

*De profeet vermaant de Joden, alsook de heidenen, ja alle schepselen, dat zij God zullen loven, vanwege Zijn goedertierenheid, Zijn waarheid, heil en verlossing door Christus.*

**1** Een psalm. Zing[^psalmen-98-1-1] YHWH[^psalmen-98-1-2] een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan;[^psalmen-98-1-3] Zijn rechterhand, en[^psalmen-98-1-4] de arm van Zijn heiligheid, heeft Hem[^psalmen-98-1-5] heil[^psalmen-98-1-6] gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v1)

**2** YHWH[^psalmen-98-2-7] heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft[^psalmen-98-2-8] Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v2)

**3** [^psalmen-98-3-9] Hij is gedachtig geweest van Zijn goedertierenheid, en van Zijn waarheid aan het huis van Israël; en[^psalmen-98-3-10] al de einden van de aarde hebben gezien het heil van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v3)

**4** Juich YHWH,[^psalmen-98-4-11] u hele aarde! roep uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v4)

**5** Psalmzing YHWH met de harp, met de harp en met de stem van het gezang, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v5)

**6** Met trompetten en bazuinengeklank; juich voor het aangezicht[^psalmen-98-6-12] van de Koning, van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v6)

**7** De zee[^psalmen-98-7-13] bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v7)

**8** Dat de rivieren[^psalmen-98-8-14] met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten[^psalmen-98-8-15] vreugde bedrijven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v8)

**9** Voor het aangezicht[^psalmen-98-9-16] van YHWH, want[^psalmen-98-9-17] Hij komt, om[^psalmen-98-9-18] de aarde te richten; Hij zal de wereld richten[^psalmen-98-9-19] in gerechtigheid, en de volken[^psalmen-98-9-20] in alle oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/98.html#v9)

[^psalmen-98-1-1]: Kanttekening 1: YHWH: Te weten, onze Heer Jezus Christus.
[^psalmen-98-1-2]: Kanttekening 2: een nieuwe lied: Zie Ps. 33:3.
[^psalmen-98-1-3]: Kanttekening 3: Zijn rechterhand: Dat is, hij heeft zijn vijanden overwonnen door zijn Goddelijke kracht en sterkte alleen. Zie Jes. 52:10 en 53:1 en 59:16 en 63:5 . Jesaja 52:10 : YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil onzes Gods. Jesaja 53:1 : Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard? Jesaja 59:16 : Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. Jesaja 63:5 : En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,
[^psalmen-98-1-4]: Kanttekening 4: arm van Zijn heiligheid: Dat is, zijn heilige arm.
[^psalmen-98-1-5]: Kanttekening 5: Te weten, over al zijn vijanden.
[^psalmen-98-1-6]: Kanttekening 6: Of, verkregen.
[^psalmen-98-2-7]: Kanttekening 7: YHWH: Te weten, Christus .
[^psalmen-98-2-8]: Kanttekening 8: Zijn gerechtigheid: Versta hier, de gerechtigheid van het Evangelie, of van het geloof.
[^psalmen-98-3-9]: Kanttekening 9: Hij is gedachtig: Versta hierbij, en Hij heeft gedaan wat Hij zijn volk Israël beloofd had, hen van hun zonden verlossende en bevrijdende; zie Luk. 1:54 , 1:55 , 1:72 , 1:73 , 1:74 . Lukas 1:54 : Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware aan de barmhartigheid. Lukas 1:55 : (Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaders, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid. Lukas 1:72 : Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaders, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond; Lukas 1:73 : En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven. Lukas 1:74 : Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.
[^psalmen-98-3-10]: Kanttekening 10: al de einden: Dat is, de bewoners van de aarde, van het ene einde tot het andere. Zo ook Jes. 52:10 . Jesaja 52:10 : YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil onzes Gods.
[^psalmen-98-4-11]: Kanttekening 11: u gehele aarde: Dat is, u allen, die op de aardbodem woont; gelijk Ps. 96:9 . Psalmen 96:9 : Aanbidt YHWH in de heerlijkheid van het heiligdom; schrikt voor Zijn aangezicht, u gehele aarde.
[^psalmen-98-6-12]: Kanttekening 12: van de Koning: Te weten, voor de Heer Christus.
[^psalmen-98-7-13]: Kanttekening 13: bruise met: Hebr. dondere; te weten, van vreugde. Dit zijn manieren van spreken bij gelijkenis, om aan te wijzen de grote vreugde, die de gelovigen, de gehele wereld door verspreid, te water en te land en in alle manieren, scheppen zullen uit de verkondiging van het heilige Evangelie. Zie Ps. 96:11 . Psalmen 96:11 : Dat de hemel zich verblijde, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
[^psalmen-98-8-14]: Kanttekening 14: met de handen: Hebr. met de handpalm. Dit ziet op het gebruik van de mensen, die met het klappen van de handen vreugde bedrijven en betonen dat zij een zeer goed behagen en genoegen aan een zaak hebben. Zo ook Ps. 47:2 , en Jes. 55:12 . Psalmen 47:2 : Al u volken, klapt in de hand; juicht voor God met een stem van vreugdegezang. Jesaja 55:12 : Want in blijdschap zult u uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen van het veld zullen de handen samenklappen.
[^psalmen-98-8-15]: Kanttekening 15: Of, juichen.
[^psalmen-98-9-16]: Kanttekening 16: van YHWH: Te weten, Christus.
[^psalmen-98-9-17]: Kanttekening 17: Hij komt: Dat is, Hij zal komen. Versta dir zo van de eerste als van de tweede toekomst van Christus.
[^psalmen-98-9-18]: Kanttekening 18: de aarde te: Dat is, de inwoners van de aarde.
[^psalmen-98-9-19]: Kanttekening 19: in gerechtigheid: Dat is, gerechtiglijk, gelijk Ps. 96:13 . Psalmen 96:13 : Voor het aangezicht van YHWH; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.
[^psalmen-98-9-20]: Kanttekening 20: in alle rechtmatigheid: Hebr. in rechtmatigheden.

### Psalmen 99

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/99.json)

*In deze psalm wordt gesproken van de macht van de HEERE, alsook van Zijn gerechtigheid en goedertierenheid over Zijn volk; met een vermaning, door het voorbeeld van Mozes en Aäron, om God in Zijn gemeente te loven.*

**1** YHWH[^psalmen-99-1-1] regeert,[^psalmen-99-1-2] dat de volken beven;[^psalmen-99-1-3] Hij zit tussen de cherubim; de aarde[^psalmen-99-1-4] bewege zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v1)

**2** YHWH is[^psalmen-99-2-5] groot[^psalmen-99-2-6] in Sion, en Hij is hoog boven alle volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v2)

**3** Dat zij Uw grote en vreselijken Naam loven, die heilig is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v3)

**4** En[^psalmen-99-4-7] de sterkte[^psalmen-99-4-8] van de Koning, die het recht lief heeft.[^psalmen-99-4-9] U hebt[^psalmen-99-4-10] eerlijkheid bevestigd, U hebt recht en gerechtigheid gedaan[^psalmen-99-4-11] in Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v4)

**5** Verhef YHWH, onze God, en buig u neer[^psalmen-99-5-12] voor de voetbank van Zijn voeten;[^psalmen-99-5-13] Hij is heilig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v5)

**6** [^psalmen-99-6-14] Mozes en Aäron waren onder[^psalmen-99-6-15] Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers van Zijn Naam;[^psalmen-99-6-16] zij riepen tot YHWH, en Hij verhoorde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v6)

**7** Hij sprak[^psalmen-99-7-17] tot hen in een wolkkolom;[^psalmen-99-7-18] zij hebben[^psalmen-99-7-19] Zijn getuigenissen onderhouden, en de voorschriften, die Hij hun gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v7)

**8** O YHWH, onze God! U hebt hen verhoord, U bent hun geweest[^psalmen-99-8-20] een vergevend God, hoewel wraak doende over[^psalmen-99-8-21] hun[^psalmen-99-8-22] daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v8)

**9** [^psalmen-99-9-23] Verhef YHWH, onze God, en buig u[^psalmen-99-9-24] voor de berg van Zijn heiligheid; want YHWH, onze God, is heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/99.html#v9)

[^psalmen-99-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, over ons, dat is, Hij beschermt ons krachtiglijk tegen onze vijanden. Zie Ps. 97:1 . Psalmen 97:1 : YHWH regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.
[^psalmen-99-1-2]: Kanttekening 2: dat de volken: Anders, \[daarom\] beven de volken, en zo in het volgende. Anders: ofschoon de volken gestoord, of beroerd, of verschrikt zijn.
[^psalmen-99-1-3]: Kanttekening 3: Hij zit: Zie 1 Sam. 4:4 . 1 Samuël 4:4 : Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.
[^psalmen-99-1-4]: Kanttekening 4: bewege zich: Te weten, van vreze, of om de Heer eerbieding te doen.
[^psalmen-99-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, treffelijk, vol van majesteit.
[^psalmen-99-2-6]: Kanttekening 6: in Sion: Dat is, onder zijn volk Israël, dat op de berg, waar de tempel was, placht te vergaderen en tot de godsdienst te komen.
[^psalmen-99-4-7]: Kanttekening 7: de sterkte: Die Hij doet blijken in het verdrijven onzer vijanden.
[^psalmen-99-4-8]: Kanttekening 8: van de Koning: Te weten, Christus Jezus.
[^psalmen-99-4-9]: Kanttekening 9: U hebt: Te weten, die onze Koning zijt.
[^psalmen-99-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, alle billijkheid of rechtmatigheid; alsof hij zei: Al is de Heer een sterk en machtig Koning, nochthans is Hij geen tiran, dat Hij zijn onderzaten met geweld zou onderdrukken; maar Hij bemint de gerechtigheid en Hij doet een ieder recht.
[^psalmen-99-4-11]: Kanttekening 11: in Jakob: Dat is, onder het volk Israël, dat van Jakob afkomstig is.
[^psalmen-99-5-12]: Kanttekening 12: voor de voetbank: Anders, tegenover de voetbank van zijn voeten. Zie de aantekening bij 1 Kron. 28:2 ; zo wordt de letter lamed ook genomen in Ps99:9, en elders dikwijls. 1 Kronieken 28:2 : En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.
[^psalmen-99-5-13]: Kanttekening 13: Hij is heilig: Te weten, God, of de tempel; of welke \[te weten voetbank\] heilig is.
[^psalmen-99-6-14]: Kanttekening 14: Alsof hij zei: U zult niet tevergeefs, voor de Heer nedervallende, Hem aanroepen, want immers heeft Hij zijn getrouwe dienaren verhoord; zo zal Hij u mee doen, vooral nadat de ware Priesters en voorspraak Christus persoonlijk zal verschenen zijn. Mozes wordt onder de priesters gesteld, omdat hij voor het volk placht te bidden en ook geofferd heeft, hoewel hij daarna geen gewoon priester gebleven is. Zie Ex. 29:11 , 29:16 ; Jer. 15:1 . Exodus 29:11 : En u zult de var slachten voor het aangezicht van YHWH, voor de deur van de tent van de samenkomst. Exodus 29:16 : En u zult de ram slachten, en u zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen. Jeremia 15:1 : Maar YHWH zei tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
[^psalmen-99-6-15]: Kanttekening 15: Zijn priesters: Of, oversten, prinsen. Hebr. cohen. Zie de aantekening bij Gen. 41:45 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^psalmen-99-6-16]: Kanttekening 16: zij riepen: Te weten, Mozes en Aäron, gelijk er geschreven staat Ex. 32:11 , enz.; Num. 14:13 , 14:17 , 14:19 , en Num. 16:22 , 16:42 , 16:46 , en 1 Sam. 7:9 , en 1 Sam. 12:19 , 12:23 ; Jer. 15:1 . Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Numeri 14:13 : En Mozes zei tot YHWH: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken; Numeri 14:17 : Nu dan, laat toch de kracht van YHWH groot worden, gelijk als U gesproken hebt, zeggende: Numeri 14:19 : Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, naar de grootte van Uw goedertierenheid, en gelijk U ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt! Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Numeri 16:42 : En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen. Numeri 16:46 : En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van YHWH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. 1 Samuël 7:9 : Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel YHWH ten brandoffer; en Samuël riep tot YHWH voor Israël; en YHWH verhoorde hem. 1 Samuël 12:19 : En al het volk zei tot Samuël: Bid voor uw knechten YHWH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. 1 Samuël 12:23 : Wat ook mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen YHWH zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar ik zal u de goede en rechte weg leren. Jeremia 15:1 : Maar YHWH zei tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
[^psalmen-99-7-17]: Kanttekening 17: tot hen in: Te weten, Mozes en Aäron; Num. 16:22 , 16:42 . Maar in het bijzonder tot Mozes. Zie Ex. 33:9 . Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Numeri 16:42 : En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid van YHWH verscheen. Exodus 33:9 : En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur van de tent, en Hij sprak met Mozes.
[^psalmen-99-7-18]: Kanttekening 18: zij hebben: Te weten, Mozes en Aäron.
[^psalmen-99-7-19]: Kanttekening 19: Zijn getuigenissen: Dat is, zijn geboden, door welke Hij betuigde wat Hij wilde dat zij doen zouden.
[^psalmen-99-8-20]: Kanttekening 20: een vergevend: Dat is, die hun hun zonden hebt vergeven, en hebt hen van U niet verworpen.
[^psalmen-99-8-21]: Kanttekening 21: Te weten, van het volk, waarvoor Mozes bad; Ex. 32:14 , en Ex. 34:35 ; Num. 14:20 , 14:21 , 14:23 . Of hun, te weten Mozes en Aäron; gelijk te zien is Num. 20:12 ; Deut. 3:23 , 3:24 , 3:25 . Of versta hier door hun zowel de één als de ander. Exodus 32:14 : Toen berouwde het YHWH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen. Exodus 34:35 : Zo zagen dan de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes het deksel weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken. Numeri 14:20 : En YHWH zei: Ik heb hun vergeven naar uw woord. Numeri 14:21 : Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden! Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaders gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. Deuteronomium 3:23 : Ook bad ik YHWH om genade, zeggende ter zelfder tijd: Deuteronomium 3:24 : Heer YHWH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden! Deuteronomium 3:25 : Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon!
[^psalmen-99-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, misdaden.
[^psalmen-99-9-23]: Kanttekening 23: Verheft de: Te weten, door lofzangen en dankzeggingen.
[^psalmen-99-9-24]: Kanttekening 24: voor de berg: Of, tegenover, gelijk boven vers 5 , en hier wordt verstaan de berg Zion, en daardoor de tempel en de ark die daarin was. Psalmen 99:5 : Verheft YHWH, onze God, en buigt u neder voor de voetbank van Zijn voeten; Hij is heilig!

### Psalmen 100

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/100.json)

*De gemeente wordt vermaand God te loven, vanwege Zijn genade, goedertierenheid en getrouwheid.*

**1** [^psalmen-100-1-1] Een lofzang.[^psalmen-100-1-2] U hele aarde! juich[^psalmen-100-1-3] YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/100.html#v1)

**2** Dien YHWH met blijdschap, komt voor[^psalmen-100-2-4] Zijn aangezicht met vrolijk gezang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/100.html#v2)

**3** Weet, dat YHWH is God; Hij[^psalmen-100-3-5] heeft ons gemaakt[^psalmen-100-3-6] (en niet wij), Zijn volk en[^psalmen-100-3-a] de schapen van Zijn weide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/100.html#v3)

**4** Ga in[^psalmen-100-4-7] tot Zijn poorten met[^psalmen-100-4-8] lof, in[^psalmen-100-4-9] Zijn voorhoven met lofgezang; loof Hem, prijst Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/100.html#v4)

**5** Want YHWH is goed; Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid, en Zijn[^psalmen-100-5-10] getrouwheid van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/100.html#v5)

[^psalmen-100-1-1]: Kanttekening 1: Een lofzang: Deze titel staat alleen voor deze psalm. Sommigen menen dat dezelfde placht gezongen te worden bij het lofoffer; waarvan Lev. 7:12 . Leviticus 7:12 : Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn.
[^psalmen-100-1-2]: Kanttekening 2: U gehele aarde: Dat is, al u bewoners van de aarde; maar versta onder deze alleen de gelovige kinderen van God.
[^psalmen-100-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, ter ere van God.
[^psalmen-100-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, van God, die zijn aanwezigheid boven de ark openbaarde.
[^psalmen-100-3-5]: Kanttekening 5: heeft ons gemaakt: Versta dit zo, dat Hij ons geschapen heeft in Christus Jezus tot goede werken, waarin wij wandelen zouden, Ef. 2:10 . Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen.
[^psalmen-100-3-6]: Kanttekening 6: en niet wij: Anders, en de zijnen zijn wij. De Hebr. tekst wordt verscheidenlijk gelezen.
[^psalmen-100-3-a]: Verwijzing a: Ps. 95:7 ; Ez. 34:30 ; idem v. 31 . Psalmen 95:7 : Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijn weide, en de schapen Zijn hand. Heden, zo u Zijn stem hoort, Ezechiël 34:30 : Maar zij zullen weten, dat Ik, YHWH, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 34:31 : U nu, o Mijn schapen, schapen Mijn weide! u bent mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heer YHWH.
[^psalmen-100-4-7]: Kanttekening 7: tot Zijn poorten: Te weten, tot de poorten van Zijn tempel.
[^psalmen-100-4-8]: Kanttekening 8: Aldus worden de lofoffers genoemd, 2 Kron. 29:31 ; Jer. 17:26 . 2 Kronieken 29:31 : En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen YHWH gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis van YHWH; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van harte brandofferen. Jeremia 17:26 : En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, in het huis van YHWH.
[^psalmen-100-4-9]: Kanttekening 9: Zijn voorhoven: Versta, de voorhoven van de tempel, zie de aantekening op 1 Kon. 6:36 . 1 Koningen 6:36 : Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^psalmen-100-5-10]: Kanttekening 10: Of, waarheid; te weten in het voltooien van zijn belofte.

### Psalmen 101

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/101.json)

*David stelt hier zichzelf en zijn hofhouding tot een voorbeeld voor iedereen, betuigend dat hij de vrome zou eren en verheffen, maar de boze straffen en van zich wegdrijven.*

**1** Een psalm van[^psalmen-101-1-1] David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v1)

**2** Ik zal verstandig handelen in de oprechten weg;[^psalmen-101-2-2] wanneer zult U tot mij komen? Ik zal[^psalmen-101-2-3] in het midden van mijn huis wandelen, in oprechtheid van mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v2)

**3** Ik zal geen vervloekt iets[^psalmen-101-3-4] voor mijn ogen stellen; ik haat het doen[^psalmen-101-3-5] van de afvalligen,[^psalmen-101-3-6] het zal mij niet aankleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v3)

**4** [^psalmen-101-4-7] Het verkeerde hart zal van mij wijken;[^psalmen-101-4-8] de boze zal ik[^psalmen-101-4-9] niet kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v4)

**5** Die zijn naaste in het[^psalmen-101-5-10] geheim achterklapt; die zal ik vernietigen; die hoog van ogen is, en[^psalmen-101-5-11] trots van hart, die zal ik niet verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v5)

**6** Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat[^psalmen-101-6-12] zij bij mij zitten; die in de oprechten weg wandelt,[^psalmen-101-6-13] die zal mij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v6)

**7** Wie bedrog pleegt, zal[^psalmen-101-7-14] binnen mijn huis niet blijven; die leugens spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v7)

**8** [^psalmen-101-8-15] Elke morgen zal ik alle goddelozen van het land vernietigen, om uit de stad van YHWH alle werkers van de ongerechtigheid uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/101.html#v8)

[^psalmen-101-1-1]: Kanttekening 1: Goedertierenheid te oefenen aan de vromen en straf te doen over de goddelozen zijn twee stukken, die een goed koning betamen, waartoe zich David hier verbindt en belooft te zullen oefenen als hij in zijn rijk zou bevestigd wezen. Anderen verstaan deze woorden aldus: Ik zal zingen van goedertierenheid, te weten van de genade, die de Heer mij gedaan en bewezen heeft; en van recht, te weten, dat God gedaan heeft over mijn vervolger Saul.
[^psalmen-101-2-2]: Kanttekening 2: Te weten, om mij te stellen in het bezit van het koninkrijk, dat U mij beloofd hebt. Zie 1 Sam. 13:14 . Anders: Als U tot mij zult gekomen zijn; dat is, gesteld hebben, enz. 1 Samuël 13:14 : Maar nu zal uw rijk niet bestaan. YHWH heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en YHWH heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat u YHWH geboden had.
[^psalmen-101-2-3]: Kanttekening 3: midden mijns huizes: Dat is, in de regering van mijn hof en hofgezin.
[^psalmen-101-3-4]: Kanttekening 4: Of, zaak , of woord . Van het woord Belial zie Deut. 13:13 . Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^psalmen-101-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, dergenen, die moedwillig van de rechte weg afwijken.
[^psalmen-101-3-6]: Kanttekening 6: Te weten, het doen van de afvalligen.
[^psalmen-101-4-7]: Kanttekening 7: Het verkeerde hart: Dat is, die verkeerd van hart of zinnen is, die zal ik van mij verdrijven of doen wijken.
[^psalmen-101-4-8]: Kanttekening 8: de boze: Te weten, mens.
[^psalmen-101-4-9]: Kanttekening 9: niet kennen: Dat is, niet achten of beminnen, gelijk Ps. 1:6 , of niet aannemen, te weten, in mijn dienst. Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^psalmen-101-5-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, betongt , dat is, met zijn tong kwetst, wat de achterklappers doen. Ps. 140:12 staat, Een man van \[kwade\] tong , dat is, een achterklapper. Psalmen 140:12 : Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man van het geweld, die zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
[^psalmen-101-5-11]: Kanttekening 11: trots van hart: Hebr., רְחַב, breed, of wijd van hart; dat is stout en trots van gemoed; gelijk Spr. 21:4 . Spreuken 21:4 : Hoogheid van de ogen, en trotsheid van het hart, en de ploeging van de goddelozen, zijn zonde.
[^psalmen-101-6-12]: Kanttekening 12: Te weten, als ik in het gericht zal zitten, of als ik mij beraden zal over grootwichtige zaken. Anders: dat zij bij mij wonen.
[^psalmen-101-6-13]: Kanttekening 13: die zal: Dat is, die zal ik in staten en ambten zetten, zo bij mij ten hove als in andere steden en plaatsen.
[^psalmen-101-7-14]: Kanttekening 14: binnen mijn huis: Hebr., בֵּיתִ, in het midden van mijn huis. En versta hierbij: maar ik zal hem uit mijn huis verdrijven of weren.
[^psalmen-101-8-15]: Kanttekening 15: Elke morgen: Hebr. in de morgenstonden, gelijk Ps. 73:14 . Dat is, elke morgen. De zin van deze woorden is, dat hij dagelijks of dadelijk, namelijk zo haast als hij in zijn rijk zou bevestigd wezen, zich zou bevlijtigen om de boosheid te weren. Of, elke morgen; dat is in het gericht, dat 's morgens gehouden wordt; 2 Sam. 15:2 ; Jer. 21:12 , enz. Psalmen 73:14 : Omdat ik de ganse dag geplaagd ben, en mijn straffing is er elke morgen. 2 Samuël 15:2 : Ook maakte zich Absalom 's morgens vroeg op, en stond aan de zijde van de weg van de poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot de koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zei: Uit welke stad bent u? Als hij dan zei: Uw knecht is uit één van de stammen van Israël; Jeremia 21:12 : O huis van David! zo zegt YHWH: Richt 's morgens recht, en verlost de beroofde uit de hand van de verdrukker; opdat Mijn toorn niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen.

### Psalmen 102

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/102.json)

*De gemeente klaagt zeer vanwege haar zware ellende, biddend om verlossing daaruit, en verkwikt zich in Gods altijd durende barmhartigheid en in de eeuwige, oneindige macht van de HEERE, Die zij belooft daarvoor te zullen prijzen en danken. En onder de verlossing van de gevangenschap van Babel en de herbouw van de tempel en de stad wordt mede verstaan de verlossing door Christus en de roeping van de heidenen tot Zijn gemeenschap.*

**1** Een gebed[^psalmen-102-1-1] van de verdrukten, als hij[^psalmen-102-1-2] overstelpt is, en zijn klacht[^psalmen-102-1-3] uitstort voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v1)

**2** O YHWH! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v2)

**3** [^psalmen-102-3-4] Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij op de dag van mijn benauwdheid; op de dag als ik roep,[^psalmen-102-3-5] verhoor mij haastig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v3)

**4** Want[^psalmen-102-4-6] mijn dagen zijn vergaan[^psalmen-102-4-7][^psalmen-102-4-a] als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand[^psalmen-102-4-8] als een haard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v4)

**5** Mijn hart is geslagen en verdord[^psalmen-102-5-9] als gras,[^psalmen-102-5-10] zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v5)

**6** Mijn gebeente kleeft[^psalmen-102-6-11] aan mijn vlees,[^psalmen-102-6-12] vanwege de stem van mijn gezucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v6)

**7** Ik[^psalmen-102-7-13] ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v7)

**8** [^psalmen-102-8-14] Ik waak, en ben geworden[^psalmen-102-8-15] als een eenzame mus op het dak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v8)

**9** [^psalmen-102-9-16] Mijn vijanden smaden mij al de dag; die tegen[^psalmen-102-9-17] mij[^psalmen-102-9-18] razen, zweren bij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v9)

**10** Want[^psalmen-102-10-19] ik eet as als brood, en vermeng[^psalmen-102-10-20] mijn drank met tranen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v10)

**11** Vanwege[^psalmen-102-11-21] Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want U hebt mij verheven, en mij weer neergeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v11)

**12** [^psalmen-102-12-22] Mijn dagen zijn[^psalmen-102-12-23] als een afgaande schaduw, en ik verdor[^psalmen-102-12-24] als gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v12)

**13** Maar U, YHWH! blijf in eeuwigheid, en[^psalmen-102-13-25] Uw herinnering van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v13)

**14** U zult opstaan, U zult U ontfermen[^psalmen-102-14-26] over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de[^psalmen-102-14-27] bestemde tijd is gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v14)

**15** Want[^psalmen-102-15-28] Uw knechten[^psalmen-102-15-29] hebben een welgevallen aan haar stenen, en[^psalmen-102-15-30] hebben medelijden met haar[^psalmen-102-15-31] gruis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v15)

**16** Dan zullen[^psalmen-102-16-32] de heidenen de Naam van YHWH vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v16)

**17** Als YHWH Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v17)

**18** Zich gewend zal hebben tot het gebed[^psalmen-102-18-33] van degene, die geheel berooid is, en niet versmaad hebben hun gebed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v18)

**19** [^psalmen-102-19-34] Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk,[^psalmen-102-19-35] dat geschapen zal worden, zal YHWH loven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v19)

**20** Omdat Hij uit de hoogte van Zijn heiligdom zal hebben naar beneden gezien; dat YHWH[^psalmen-102-20-36] uit de hemel[^psalmen-102-20-37] op de aarde geschouwd zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v20)

**21** Om het[^psalmen-102-21-38] zuchten van de gevangenen te horen, om los te maken[^psalmen-102-21-39] de kinderen van de dood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v21)

**22** Opdat men de Naam van YHWH vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v22)

**23** [^psalmen-102-23-40] Wanneer de volken samen zullen verzameld worden, ook de koninkrijken, om YHWH te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v23)

**24** [^psalmen-102-24-41] Hij heeft mijn kracht[^psalmen-102-24-42] op de weg ter neer gedrukt;[^psalmen-102-24-43] mijn dagen heeft Hij verkort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v24)

**25** [^psalmen-102-25-44] Ik zei: Mijn God![^psalmen-102-25-45] neem mij niet weg in het midden van mijn dagen;[^psalmen-102-25-46] Uw jaren zijn[^psalmen-102-25-47] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v25)

**26** [^psalmen-102-26-48] U hebt[^psalmen-102-26-49] voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v26)

**27** [^psalmen-102-27-50] Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en[^psalmen-102-27-51] zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.[^psalmen-102-27-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v27)

**28** Maar[^psalmen-102-28-52] U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v28)

**29** [^psalmen-102-29-53] De kinderen van Uw knechten zullen[^psalmen-102-29-54] wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/102.html#v29)

[^psalmen-102-1-1]: Kanttekening 1: van de verdrukten: Of, voor de bedrukte. Versta hier de bedrukte en ellendige gevangenen in Babylonië.
[^psalmen-102-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, met angst en schrik. In deze betekenis wordt het woord overstelpen ook gebruikt Ps. 61:3 , en Ps. 77:4 , en Ps. 107:5 , en Ps. 142:4 , en Ps. 143:4 . Psalmen 61:3 : Van het einde van het land roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Psalmen 77:4 : Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. Psalmen 107:5 : Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt. Psalmen 142:4 : Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt U mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou. Psalmen 143:4 : Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
[^psalmen-102-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, vrijmoedig en overvloedig uit de grond van het hart te kennen geeft.
[^psalmen-102-3-4]: Kanttekening 4: Verberg Uw aangezicht niet voor mij: Dat is, onttrek mij Uw hulp niet. Zie de aantekening op Job 13:24 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^psalmen-102-3-5]: Kanttekening 5: verhoor mij haastig: Hebr. haast, verhoor mij.
[^psalmen-102-4-6]: Kanttekening 6: mijn dagen: Te weten, de dagen mijns levens.
[^psalmen-102-4-7]: Kanttekening 7: als rook: Anders, in of tot rook.
[^psalmen-102-4-a]: Verwijzing a: Ps. 37:20 . Psalmen 37:20 : Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van YHWH zullen verdwijnen, als het kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen.
[^psalmen-102-4-8]: Kanttekening 8: als een haard: Anders: als een brandend vuur aan de haard. Zie Job 21:24 . Job 21:24 : Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg van zijn benen was bevochtigd.
[^psalmen-102-5-9]: Kanttekening 9: als gras: Dat afgemaaid zijnde verdroogt en hop wordt.
[^psalmen-102-5-10]: Kanttekening 10: zodat ik vergeten heb: Hij wil zeggen, Ik heb geen lust gehad mijn nooddruft te nemen, of enig voedsel te gebruiken.
[^psalmen-102-6-11]: Kanttekening 11: aan mijn vlees: Dat is, aan mijn vel. Hij wil zeggen: Ik ben zo uitgeteerd dat ik maar vel over been ben. Zie Job 19:20 ; Klaagl. 4:8 . Job 19:20 : Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden. Klaagliederen 4:8 : Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.
[^psalmen-102-6-12]: Kanttekening 12: vanwege de stem mijns zuchtens: Dat is, vanwege mijn zuchten, dat met geluid en geschrei dagelijks geschiedt.
[^psalmen-102-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, ik ben gedrongen alleen en eenzaam te blijven, van alle mensen verlaten zijnde en ik sla schrikkelijk geluid, gelijk de roerdomp en de uilen doen; Job 30:29 . Job 30:29 : Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen.
[^psalmen-102-8-14]: Kanttekening 14: Ik waak: Ik kan niet slapen.
[^psalmen-102-8-15]: Kanttekening 15: een eenzame mus: Dat is, gelijk een mus, die haar wederpaar verloren heeft.
[^psalmen-102-9-16]: Kanttekening 16: Mijn vijanden: Te weten, de Babyloniërs, of Chaldeeën.
[^psalmen-102-9-17]: Kanttekening 17: Zie de aantekening bij Ps. 5:6 . Psalmen 5:6 : De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid.
[^psalmen-102-9-18]: Kanttekening 18: zweren bij mij: Dat is, als zij zweren dat zij iemand kwalijk behandelen zullen, zo dreigen zij dat zij hem zo zullen africhten, dat hij mij zal gelijk worden. Of, zij gebruiken mijn naam tot een formulier van vervloekingen. Verg. Num. 5:21 ; Jes. 65:15 ; Jer. 29:22 , met de aantekening. Anders: zweren tegen mij. Numeri 5:21 : (Dan zal de priester die vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) YHWH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat YHWH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make; Jesaja 65:15 : En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heer YHWH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen; Jeremia 29:22 : En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;
[^psalmen-102-10-19]: Kanttekening 19: ik eet as als brood: Hij wil zeggen: Omdat ik rouw dragende in de as lig, zo gebeurt het dikwijls dat ik as eet met mijn voedsel. Anders, ik ben zo bedroefd dat ik niet meer lust of smaak in het brood of ander voedsel vind, dan of ik as at.
[^psalmen-102-10-20]: Kanttekening 20: mijn drank: Hebreeuws, mijn dranken, dat is, al wat ik drink.
[^psalmen-102-11-21]: Kanttekening 21: Vanwege uw verstoordheid: Hebreeuws, פְּנֵֽי, van het aangezicht van Uw verstoordheid .
[^psalmen-102-12-22]: Kanttekening 22: Mijn dagen: De dagen mijns levens.
[^psalmen-102-12-23]: Kanttekening 23: als een afgaande schaduw: Te weten, als de zon ondergaat is de schaduw wel lang uitgestrekt, maar zij blijft niet lang, zo de nacht straks daarop volgt; Ps. 109:23 , en Ps. 144:4 . Psalmen 109:23 : Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan. Psalmen 144:4 : De mens is de ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
[^psalmen-102-12-24]: Kanttekening 24: als gras: Zie vers 5 . Psalmen 102:5 : Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
[^psalmen-102-13-25]: Kanttekening 25: Uw gedachtenis: Te weten, de gedachtenis van Uw heerlijke werken en weldaden, die U voormaals Uw volk gedaan en bewezen hebt. Zie Ex. 3:15 en Psalm 135:13 . Exodus 3:15 : Toen zei God verder tot Mozes: Aldus zult u tot de kinderen van Israël zeggen: YHWH, de God van uw vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. Psalmen 135:13 : O YHWH! Uw Naam is in eeuwigheid; YHWH! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.
[^psalmen-102-14-26]: Kanttekening 26: over Sion: Dat is, over Uw volk, en de stad Jeruzalem.
[^psalmen-102-14-27]: Kanttekening 27: bestemde tijd: Te weten, de tijd van de zeventig jaren onzer gevangenschap, door uw profeten voorzegd. Zie 2 Kron. 36:21 ; Jer. 25:12 , en Jer. 29:10 ; Dan. 9:2 , 9:24 , 9:25 . Immers, uit de laatste woorden van dit vers blijkt genoegzaam dat deze psalm geschreven is op het einde van de Babylonische gevangenschap. 2 Kronieken 36:21 : Opdat het woord van YHWH vervuld wierd, door de mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren. Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 29:10 : Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. Daniël 9:2 : In het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal van de jaren, van die het woord van YHWH tot de profeet Jeremia geschied was, in het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Daniël 9:25 : Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord, om te doen terugkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen opnieuw gebouwd worden, maar in benauwdheid van de tijden.
[^psalmen-102-15-28]: Kanttekening 28: Uw knechten: Dat is, wij Joden, Neh. 1:3 , Neh. 2:3 en Neh. 4:2 . Nehemia 1:3 : En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis daar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. Nehemia 2:3 : En ik zei tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats van de begrafenissen van mijn vaders, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn? Nehemia 4:2 : En sprak in de aanwezigheid van zijn broers en van de legermacht van Samaria, en zei: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voltooien? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?
[^psalmen-102-15-29]: Kanttekening 29: een welgevallen aan haar stenen: Dat is, zij zagen zeer graag dat de stad Jeruzalem weer opgebouwd werd, en hebben groot verdriet daarover, dat zij tot een steenhoop gemaakt is.
[^psalmen-102-15-30]: Kanttekening 30: hebben medelijden: Dat is, het doet hun wee dat de stad en tempel aldus verwoest blijven liggen.
[^psalmen-102-15-31]: Kanttekening 31: Of, steenmul, of puin.
[^psalmen-102-16-32]: Kanttekening 32: Te weten zij, die de wonderbaarlijke verlossing uws volks en de volvoering van uw beloften zullen zien.
[^psalmen-102-18-33]: Kanttekening 33: Versta hier, de arme Joden, die in de Babylonische gevangenschap waren.
[^psalmen-102-19-34]: Kanttekening 34: Te weten, onze verlossing uit de Babylonische gevangenschap.
[^psalmen-102-19-35]: Kanttekening 35: dat geschapen zal worden: Dat is, het volk dat namaals, of lang na ons geboren zal worden; maar men mag dit ook verstaan van het volk Israël, dat uit de gevangenschap van Babylonië verlost wordende, gelijk als uit het stof verwekt en opnieuw geschapen zou worden. Zie Ps. 22:32 ; Ez. 37 . Psalmen 22:32 : Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen het volk, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.
[^psalmen-102-20-36]: Kanttekening 36: uit de hoogte van Zijn heiligdom: Dit is genoemd van Deut. 26:15 . Deuteronomium 26:15 : Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, gelijk als U onze vaders gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.
[^psalmen-102-20-37]: Kanttekening 37: Dat is, op ons, die op de aarde wonen.
[^psalmen-102-21-38]: Kanttekening 38: van de gevangenen: Te weten, die in Babel gevangen zijn. Hebr. van de gevangene, of van de gebondene.
[^psalmen-102-21-39]: Kanttekening 39: kinderen van de dood: Dat is, die ter dood geëigend waren; gelijk Ps. 79:11 , en Ps. 44:23 . Psalmen 79:11 : Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid Uws arms. Psalmen 44:23 : Maar om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
[^psalmen-102-23-40]: Kanttekening 40: Wanneer de: Dat is, als God uit de Joden en heidenen één volk maken zal, en zich een kerk uit alle koninkrijken van de aarde zal verzamelen. Zie Hand. 2:5 ; Ef. 2:13 , 2:14 . Handelingen 2:5 : En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volk dergenen, die onder de hemel zijn. Efeziërs 2:13 : Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:14 : Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende,
[^psalmen-102-24-41]: Kanttekening 41: Hij heeft: Te weten, God.
[^psalmen-102-24-42]: Kanttekening 42: op de weg: Te weten, toen ik gevankelijk naar Babel gevoerd werd, waar ik tot nog toe gevankelijk ben gebleven.
[^psalmen-102-24-43]: Kanttekening 43: mijn dagen: Te weten, de dagen mijns levens. Zo dat velen onzer in droefenis en ellende gestorven zijn. Zie dergelijke manier van spreken Job 21:21 . Zie ook Ps. 55:24 . Job 21:21 : Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijn maanden afgesneden is? Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en van het bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^psalmen-102-25-44]: Kanttekening 44: Ik zei: Te weten, als de Heer mij drukte op de weg naar Babylonië, vers 24 , stellende deze gedachten tegen de vorige plaag en vrees dat ik haast zou sterven. Psalmen 102:24 : Hij heeft mijn kracht op de weg ter neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.
[^psalmen-102-25-45]: Kanttekening 45: neem mij niet weg: Hebr. neemt mij niet op; te weten, uit dit leven. Zie de aantekening bij Job 36:20 . Job 36:20 : Haak niet naar die nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.
[^psalmen-102-25-46]: Kanttekening 46: Uw jaren: Hij wil zeggen: Heer, omdat U eeuwig blijft daarom zal ook uw kerk eeuwig blijven, en zij zal door de vijanden en vervolgers niet kunnen onderdrukt worden, gelijk hij vers 29 , besluit. Psalmen 102:29 : De kinderen van Uw knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.
[^psalmen-102-25-47]: Kanttekening 47: van geslacht tot geslacht: Hebr., דוֹר, van geslacht van de geslachten.
[^psalmen-102-26-48]: Kanttekening 48: U hebt: De apostel gebruikt Hebr. 1:10 , 1:11 , 1:12 , deze woorden om de Godheid van Christus te bewijzen, omdat hier de Heer Christus verklaard wordt niet alleen te zijn de Schepper van alles en eeuwig, maar ook een Verlosser en Zaligmaker van zijn gemeente. Zie vers 14 , 102:16 , 102:23 , 102:29 ; waarom de apostel in de aangehaalde plaats ook de naam YHWH, uit het vers 13 , herhaald zijnde, Hem toeschrijft. Hebreeën 1:10 : En: U, Heer! hebt in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen; Hebreeën 1:11 : Die zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; Hebreeën 1:12 : En als een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden. Psalmen 102:14 : U zult opstaan, U zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. Psalmen 102:16 : Dan zullen de heidenen de Naam van YHWH vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid. Psalmen 102:23 : Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om YHWH te dienen. Psalmen 102:29 : De kinderen van Uw knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. Psalmen 102:13 : Maar U, YHWH! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.
[^psalmen-102-26-49]: Kanttekening 49: Hebr., פָנִים, voor het aangezicht; dat is hier te zeggen voormaals, voorheen.
[^psalmen-102-27-50]: Kanttekening 50: Die zullen vergaan: Te weten, hemel en aarde; Hebr. 1:10 , 1:11 . Hebreeën 1:10 : En: U, Heer! hebt in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen; Hebreeën 1:11 : Die zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
[^psalmen-102-27-51]: Kanttekening 51: zij alle: Te weten, al de hemelen.
[^psalmen-102-27-b]: Verwijzing b: Hebr. 1:12 . Hebreeën 1:12 : En als een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.
[^psalmen-102-28-52]: Kanttekening 52: U bent Dezelfde: Te weten, die U tevoren geweest bent van eeuwigheid af; en U blijft dezelfde in eeuwigheid.
[^psalmen-102-29-53]: Kanttekening 53: De kinderen: Dat is, onze kinderen of nakomelingen.
[^psalmen-102-29-54]: Kanttekening 54: Dat is, een vaste woning bij U hebben, zonder immermeer te veranderen. Of, zij zullen in Zion wonen, vers 22 , en Ps. 69:36 , 69:37 . Psalmen 102:22 : Opdat men de Naam van YHWH vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem; Psalmen 69:36 : Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en daar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; Psalmen 69:37 : En het zaad van Zijn knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen.

### Psalmen 103

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/103.json)

*David vermaant en wekt zichzelf op om God te loven voor de veelvuldige genaden, zowel aan hem als aan de gehele gemeente bewezen, die Hij zowel in Zijn Woord als in Zijn werken liet blijken; daarom vermaant hij alle schepselen dat zij God met hem zouden loven en prijzen.*

**1** Een psalm van David. Loof YHWH, mijn ziel, en[^psalmen-103-1-1] al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v1)

**2** Loof YHWH, mijn ziel, en[^psalmen-103-2-2] vergeet geen van Zijn weldaden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v2)

**3** Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw[^psalmen-103-3-3] ziekten geneest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v3)

**4** Die uw leven verlost[^psalmen-103-4-4] van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v4)

**5** Die[^psalmen-103-5-5] uw mond verzadigt met het goede,[^psalmen-103-5-6] uw jeugd vernieuwt als van een arend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v5)

**6** YHWH[^psalmen-103-6-7] doet gerechtigheid[^psalmen-103-6-8] en gerichten al van hen, die onderdrukt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v6)

**7** Hij heeft Mozes[^psalmen-103-7-9] Zijn wegen bekend gemaakt, de Israëlieten Zijn daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v7)

**8** [^psalmen-103-8-a] Barmhartig en genadig is YHWH, geduldig en groot van goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v8)

**9** [^psalmen-103-9-b] Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig[^psalmen-103-9-10] de toorn behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v9)

**10** Hij[^psalmen-103-10-11] doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v10)

**11** Want[^psalmen-103-11-12] zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v11)

**12** Zo ver[^psalmen-103-12-13] het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v12)

**13** Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich YHWH over degenen, die Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v13)

**14** Want[^psalmen-103-14-14] Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde,[^psalmen-103-14-15] dat wij stof zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v14)

**15** De[^psalmen-103-15-c] dagen van de mensen zijn als[^psalmen-103-15-16] het gras,[^psalmen-103-15-d] gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v15)

**16** Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en[^psalmen-103-16-17] haar plaats kent haar niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v16)

**17** Maar de goedertierenheid van YHWH is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en[^psalmen-103-17-18] Zijn gerechtigheid aan kleinkinderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v17)

**18** Aan[^psalmen-103-18-e] degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v18)

**19** YHWH heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v19)

**20** Loof YHWH, Zijn engelen![^psalmen-103-20-19] u krachtige helden, die Zijn woord doet,[^psalmen-103-20-20] gehoorzamende[^psalmen-103-20-21] de stem van Zijn woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v20)

**21** Loof YHWH,[^psalmen-103-21-f] al Zijn legermachten! u[^psalmen-103-21-22] Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v21)

**22** Loof YHWH, al Zijn werken! aan alle plaatsen van Zijn heerschappij. Loof YHWH, mijn ziel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/103.html#v22)

[^psalmen-103-1-1]: Kanttekening 1: al wat binnen: Dat is, al mijn gedachten en innerlijke bewegingen, lusten en begeerten, en alles wat in mijn vermogen is.
[^psalmen-103-2-2]: Kanttekening 2: Hebr., vergeet niet al zijn weldaden.
[^psalmen-103-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, ellenden, aan de ziel en aan het lichaam. Zo ook Ex. 15:26 ; Deut. 28:59 , 28:61 ; Ps. 41:5 , en Ps. 147:3 ; Jes. 33:24 . Zie de aantekening bij Ps. 30:3 . Exodus 15:26 : En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van YHWH uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben YHWH, uw Heelmeester! Deuteronomium 28:59 : Zo zal YHWH uw plagen wonderlijk maken, en ook de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse krankten zijn. Deuteronomium 28:61 : Ook alle krankte, en alle plage, die in het boek van deze wet niet geschreven is, zal YHWH over u doen komen, totdat u verdelgd wordt. Psalmen 41:5 : Ik zei: O YHWH! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. Psalmen 147:3 : Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. Jesaja 33:24 : En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Psalmen 30:3 : YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
[^psalmen-103-4-4]: Kanttekening 4: van het verderf: Dat is, van de dood en het graf, of van de uiterste nood en benauwdheid.
[^psalmen-103-5-5]: Kanttekening 5: uw mond: Dat is, die u met alle nooddruft rijk verzorgt. Hebr. uw sieraad. Zo wordt de mond genoemd; gelijk elders de tong de eer genoemd wordt.
[^psalmen-103-5-6]: Kanttekening 6: uw jeugd: Dat is, God geeft u, zelfs in uw ouderdom, kloekheid en frisheid, gelijk de adelaars een sterke natuur hebben en tot zeer grote ouderdom komen \[zie Jes. 40:31 \], en dan eindelijk sterven, niet doordien hun de kracht vergaat vanwegen de grote ouderdom, maar zij sterven van honger, als het opperste deel van de bek over het onderste gewassen is zodat zij niet eten kunnen. Jesaja 40:31 : Maar die YHWH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
[^psalmen-103-6-7]: Kanttekening 7: doet gerechtigheid: Hebr. doet gerechtigheden.
[^psalmen-103-6-8]: Kanttekening 8: en gerichten: Hebr. en rechten, of oordelen; dat is, alle manieren van justitie, of de hoogste gerechtigheid. Zo ook Spr. 9:1 , wordt wijsdommen gesteld voor opperste wijsheid. Spreuken 9:1 : De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
[^psalmen-103-7-9]: Kanttekening 9: Zijn wegen: Te weten, in welke hij en het volk van Israël wandelen zouden; gelijk Ex. 18:20 ; Ps. 25:4 , 25:5 . Exodus 18:20 : En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend de weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen. Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Psalmen 25:5 : He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want U bent de God mijns heils; U verwacht ik de ganse dag.
[^psalmen-103-8-a]: Verwijzing a: Ex. 34:6 ; Num. 14:18 ; Deut. 5:10 ; Neh. 9:17 ; Ps. 86:15 ; Ps. 145:8 ; Jer. 32:18 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vader aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Deuteronomium 5:10 : En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Nehemia 9:17 : En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten. Psalmen 86:15 : Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 145:8 : Cheth. Genadig en barmhartig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vader vergeldt in de schoot hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten!
[^psalmen-103-9-b]: Verwijzing b: Jes. 57:16 ; Jer. 3:5 . Jesaja 57:16 : Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet geduriglijk toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb. Jeremia 3:5 : Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren? Zie, u spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
[^psalmen-103-9-10]: Kanttekening 10: de toorn : Dusdanige onvolmaakte redenen zijn ook elders, gelijk Ps. 109:21 ; Nah. 1:2 . Zie de aantekening bij 2 Sam. 8:4 . Psalmen 109:21 : Maar U, o YHWH Heer! maak het met mij vanwege Uw Naam; omdat Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. Nahum 1:2 : Een ijverig God en een wreker is YHWH, een wreker is YHWH, en zeer grimmig; een wreker is YHWH aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt de toorn Zijn vijanden. 2 Samuël 8:4 : En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over.
[^psalmen-103-10-11]: Kanttekening 11: doet ons niet: Dat is, straft, of Hij handelt met ons niet naar onze zonden.
[^psalmen-103-11-12]: Kanttekening 12: zo hoog de: Hebr., שָׁמַיִם, gelijk de hoogte van de hemel is boven de aarde, zo sterk is zijn goedertierenheid.
[^psalmen-103-12-13]: Kanttekening 13: het oosten is: Hebr. de opgang van de ondergang, of van de avondtijd.
[^psalmen-103-14-14]: Kanttekening 14: Hij weet, wat: Hebr. Hij kent onze formering. De profeet wil zeggen: De Heer weet hoe zwak wij zijn en hoe haast het met ons gedaan is. Zie Ps. 78:39 . Psalmen 78:39 : En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die heengaat en niet terugkeert.
[^psalmen-103-14-15]: Kanttekening 15: dat wij stof: Dat is, uit het stof gemaakt.
[^psalmen-103-15-c]: Verwijzing c: Ps. 90:5 . Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;
[^psalmen-103-15-16]: Kanttekening 16: het gras: Of, hooi.
[^psalmen-103-15-d]: Verwijzing d: Ps. 90:5 ; idem v. 6 ; Job 14:1 ; idem v. 2 ; Jak. 1:10 ; idem v. 11 ; 1 Petr. 1:24 . Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort. Job 14:1 : De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. Job 14:2 : Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. Jakobus 1:10 : En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. Jakobus 1:11 : Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aangezichts is vergaan; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^psalmen-103-16-17]: Kanttekening 17: haar plaats: Alsof hij zei: De bloem, nadat zij afgesneden en verwelkt is, kent zij niet meer, en kan niet tonen de plaats waar zij gewassen is; zo blijft er ook niets over van de mensen; zodat men zelfs niet weten kan dat zij ooit of waar zij ooit gestaan hebben; Job 7:10 . Job 7:10 : Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
[^psalmen-103-17-18]: Kanttekening 18: Zijn gerechtigheid: Dat is, zijn trouw en waarheid, hun houdende en doende wat Hij uit genade beloofd heeft. Zo ook Ps. 31:2 . Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
[^psalmen-103-18-e]: Verwijzing e: Deut. 7:9 . Deuteronomium 7:9 : U zult dan weten, dat YHWH, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
[^psalmen-103-20-19]: Kanttekening 19: u krachtige: Hebr., גִּבֹּרֵי, u helden van kracht.
[^psalmen-103-20-20]: Kanttekening 20: Dat is, zo haast als u hoort en verneemt wat Hij zegt en wat zijn wil is.
[^psalmen-103-20-21]: Kanttekening 21: de stem zijns: Dat is, het bevel.
[^psalmen-103-21-f]: Verwijzing f: Gen. 32:2 ; 1 Kon. 22:19 ; Efez. 3:10 ; Kolos. 1:16 . Genesis 32:2 : En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam van die plaats Mahanaim. 1 Koningen 22:19 : Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand. Efeziërs 3:10 : Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemel en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^psalmen-103-21-22]: Kanttekening 22: Zijn dienaren: De engelen worden Gods dienaren genoemd, Ps. 104:4 ; Dan. 7:10 . Deze titel wordt ook de mensen gegeven; Jes. 61:6 . Psalmen 104:4 : Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaren tot een vlammend vuur. Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Jesaja 61:6 : Maar u zult priesters van YHWH heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; u zult het vermogen van de heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult u zich roemen.

### Psalmen 104

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/104.json)

*De profeet, zichzelf opwekkend tot de lof van God, doet een treffend verhaal van Gods grote macht, hoogheid en wijsheid, blijkend zowel aan de schepping als aan de regering en de voortdurende onderhouding van alle dingen, belovend dat hij die zal roemen al zijn leven, en de ondankbaarheid van de goddelozen vervloekend.*

**1** [^psalmen-104-1-a] Loof YHWH, mijn ziel! O YHWH, mijn God! U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v1)

**2** [^psalmen-104-2-1] Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed;[^psalmen-104-2-b] Hij rekt de hemel uit als een gordijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v2)

**3** Die[^psalmen-104-3-2] Zijn opperzalen zoldert[^psalmen-104-3-3] in de wateren,[^psalmen-104-3-4] Die van de wolken Zijn wagen maakt,[^psalmen-104-3-5][^psalmen-104-3-c] Die op de vleugels van de wind wandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v3)

**4** [^psalmen-104-4-d] Hij[^psalmen-104-4-6] maakt Zijn engelen[^psalmen-104-4-7] geesten, Zijn dienaren[^psalmen-104-4-8] tot een vlammend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v4)

**5** Hij[^psalmen-104-5-9][^psalmen-104-5-e] heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v5)

**6** U had[^psalmen-104-6-10] ze met de afgrond als een kleed[^psalmen-104-6-11] overdekt; de wateren stonden boven de bergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v6)

**7** [^psalmen-104-7-12] Van Uw bestraffing vluchtten zij, zij haastten zich weg[^psalmen-104-7-13] voor de stem van Uw donder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v7)

**8** De[^psalmen-104-8-14] bergen rezen op, de dalen daalden,[^psalmen-104-8-15] ter plaatse, die U voor hen gegrond had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v8)

**9** U hebt een paal gesteld, die[^psalmen-104-9-16] zij niet overgaan zullen;[^psalmen-104-9-17] zij zullen de aarde niet weer bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v9)

**10** Die de[^psalmen-104-10-18] fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen[^psalmen-104-10-19] wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v10)

**11** Zij drenken al het gedierte van het veld; de woudezels[^psalmen-104-11-20] breken er hun dorst mee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v11)

**12** Daarbij woont[^psalmen-104-12-21] het gevogelte van de hemel, een stem gevend van tussen de takken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v12)

**13** Hij[^psalmen-104-13-22] drenkt de bergen[^psalmen-104-13-23] uit Zijn opperzalen; de[^psalmen-104-13-24] aarde wordt verzadigd[^psalmen-104-13-25] van de vrucht van Uw werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v13)

**14** Hij doet[^psalmen-104-14-26] het gras uitspruiten voor de beesten, en[^psalmen-104-14-27] het kruid tot dienst van de mensen, doende[^psalmen-104-14-28] het brood uit de aarde voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v14)

**15** En[^psalmen-104-15-29] de wijn, die het hart van de mensen[^psalmen-104-15-30] verheugt, doende het aangezicht blinken[^psalmen-104-15-31] van olie; en[^psalmen-104-15-32] het brood, dat het hart van de mensen[^psalmen-104-15-33] sterkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v15)

**16** [^psalmen-104-16-34] De bomen van YHWH[^psalmen-104-16-35] worden verzadigd,[^psalmen-104-16-36] de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v16)

**17** Alwaar[^psalmen-104-17-37] de vogeltjes nestelen; de dennenbomen zijn het huis van[^psalmen-104-17-38] de ooievaar.[^psalmen-104-17-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v17)

**18** De hoge bergen zijn voor de steenbokken;[^psalmen-104-18-40] de steenrotsen zijn een vertrek[^psalmen-104-18-41] voor de konijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v18)

**19** Hij heeft de maan gemaakt[^psalmen-104-19-42] tot de vastgestelde tijden, de zon[^psalmen-104-19-43] weet haar ondergang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v19)

**20** U[^psalmen-104-20-44] beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in[^psalmen-104-20-45] die al het gedierte van de[^psalmen-104-20-46] woud uittreedt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v20)

**21** [^psalmen-104-21-47][^psalmen-104-21-f] De jonge leeuwen,[^psalmen-104-21-48] briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v21)

**22** De zon opgaande,[^psalmen-104-22-49] maken zij zich weg, en liggen neer in hun[^psalmen-104-22-50] holen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v22)

**23** De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn[^psalmen-104-23-51] arbeid tot de avond toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v23)

**24** [^psalmen-104-24-52] Hoe groot zijn Uw werken, o YHWH! U hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aarde is vol van[^psalmen-104-24-53] Uw goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v24)

**25** Deze zee, die groot en[^psalmen-104-25-54] wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v25)

**26** Daar wandelen de schepen, en de[^psalmen-104-26-55] Leviathan, die U gevormd hebt,[^psalmen-104-26-56] om daarin te spelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v26)

**27** [^psalmen-104-27-57] Zij allen[^psalmen-104-27-g] wachten op U, dat U[^psalmen-104-27-58] hun hun voedsel geeft[^psalmen-104-27-59] te zijner tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v27)

**28** Geef U ze hun, zij verzamelen ze; doe U Uw hand open, zij worden met[^psalmen-104-28-60] goed verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v28)

**29** [^psalmen-104-29-61][^psalmen-104-29-h] Verberg U Uw aangezicht, zij worden verschrikt;[^psalmen-104-29-62] neem U hun[^psalmen-104-29-63] adem weg,[^psalmen-104-29-64] zij sterven, en zij keren weer[^psalmen-104-29-65] tot hun stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v29)

**30** Zend U[^psalmen-104-30-66] Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en[^psalmen-104-30-67] U vernieuwt het gezicht van het aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v30)

**31** De heerlijkheid van YHWH zij tot in de eeuwigheid;[^psalmen-104-31-68] YHWH verblijde Zich in Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v31)

**32** Als Hij de aarde aanschouwt, zo[^psalmen-104-32-69] beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo[^psalmen-104-32-70] roken zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v32)

**33** [^psalmen-104-33-i] Ik zal YHWH zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v33)

**34** [^psalmen-104-34-71] Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in YHWH verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v34)

**35** [^psalmen-104-35-72] De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof YHWH, mijn ziel![^psalmen-104-35-73] Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/104.html#v35)

[^psalmen-104-1-a]: Verwijzing a: Ps. 103:1 ; Ps. 146:1 . Psalmen 103:1 : Een psalm van David. Loof YHWH, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam. Psalmen 146:1 : Hallelujah! O mijn ziel! prijs YHWH.
[^psalmen-104-2-1]: Kanttekening 1: Hij bedekt: Of, Hij bekleedt; of omhangt, of bewindt zich. Zie de aantekening bij Job 40:5 . Job 40:5 : Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
[^psalmen-104-2-b]: Verwijzing b: Gen. 1:6 ; Job 26:7 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
[^psalmen-104-3-2]: Kanttekening 2: Zijn opperzalen: Hiervan worden verstaan de verscheidene contreien die in de lucht of in het uitspansel zijn, alwaar ook de wolken gelijk als hangende blijven; zie ook vers 13.
[^psalmen-104-3-3]: Kanttekening 3: in de wateren: Of, met de wateren; versta die wateren, die boven in de wolken zijn, Gen. 1:7 . Zie Job 26:8 . Genesis 1:7 : En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo. Job 26:8 : Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.
[^psalmen-104-3-4]: Kanttekening 4: Die van de wolken Zijn wagen maakt: Hebreeuws, עָבִים, die de wolken zijn wagen stelt .
[^psalmen-104-3-5]: Kanttekening 5: Die op de vleugelen van de wind wandelt: Dat is, op de wind, die snel voortvliegt, alsof hij vleugelen had. Zie Jes. 19:1 . Jesaja 19:1 : De last van Egypte. Ziet, YHWH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.
[^psalmen-104-3-c]: Verwijzing c: Ps. 18:11 ; Jes. 19:1 ; Openb. 14:14 . Psalmen 18:11 : En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind. Jesaja 19:1 : De last van Egypte. Ziet, YHWH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen. Openbaring 14:14 : En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, van de mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel.
[^psalmen-104-4-d]: Verwijzing d: Hebr. 1:7 . Hebreeën 1:7 : En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.
[^psalmen-104-4-6]: Kanttekening 6: Hij maakt Zijn engelen: Dat is, hij maakt en gebruikt de engelen als boden, om allerlei zaken te verrichten.
[^psalmen-104-4-7]: Kanttekening 7: De apostel, Hebr. 1:7 , op deze spreuk ziende, besluit dat de engelen schepselen en dienstbare geesten zijn, of winden, bij welke de engelen in snelheid mogen vergeleken worden. Hebreeën 1:7 : En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.
[^psalmen-104-4-8]: Kanttekening 8: vlammend vuur: Dat is, Hij geeft hun grote sterkte om zijn oordelen uit te richten, zo dat zij voortvaren en doordringen als vuur. Hiervan worden de engelen serafim genoemd, Jes. 6:2 , dat betekent brandende. Zie 2 Kon. 2:11 , en 2 Kon. 6:17 . Jesaja 6:2 : De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 2 Koningen 2:11 : En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. 2 Koningen 6:17 : En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa.
[^psalmen-104-5-9]: Kanttekening 9: aarde gegrond op haar grondvesten: De profeet wil hier zeggen dat de aarde zo vast van de Heer gegrond is, alsof het op een vasten en sterken bodem, fondament of steunsel stond. Zie de aantekening bij Ps. 24:2 , en Job 26:7 . Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.
[^psalmen-104-5-e]: Verwijzing e: Job 26:7 ; Job 38:4 ; idem 38:5 ; idem 38:6 ; Ps. 24:2 ; Ps. 78:69 . Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. Job 38:4 : Waar was u, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, als u kloek van verstand bent. Job 38:5 : Wie heeft haar maten gezet, want u weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? Job 38:6 : Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. Psalmen 78:69 : En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
[^psalmen-104-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, met de diepe en grondeloze wateren, die God op de eerste dag geschapen heeft; Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^psalmen-104-6-11]: Kanttekening 11: Te weten, van het begin van de schepping tot aan de derde dag, in welke eerst de aarde droog geworden is; Gen. 1:9 , 1:10 . De wateren hebben ook de aarde ten tijde van de zondvloed overdekt; Gen. 7:19 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. Genesis 7:19 : En de wateren namen geheel zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder de ganse hemel zijn, bedekt werden.
[^psalmen-104-7-12]: Kanttekening 12: van Uw schelden: Het schijnt dat hier door het schelden Gods moet verstaan worden de sterke winden en tempeesten; zie Psalm 18:16. Anders: van Uw schelden , dat is, van Uw ernstig bevel. Zie Job 26:12 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
[^psalmen-104-7-13]: Kanttekening 13: voor de stem Uws donders: Dat is, van uw grote en krachtige stem, die als een donder is.
[^psalmen-104-8-14]: Kanttekening 14: bergen rezen op: Of, zij (te weten, de wateren) rezen op de bergen en daalden door de valleien, naar de plaats, die U hun (te weten, de wateren) gegrond had.
[^psalmen-104-8-15]: Kanttekening 15: ter plaatse: Dat is, in de laagten van de aarde; Gen. 1:9 , 1:10 ; Job 38:10 , 38:11 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. Job 38:10 : Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; Job 38:11 : En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
[^psalmen-104-9-16]: Kanttekening 16: Te weten, de wateren. Verg. met de woorden van de tekst Job 26:10 , en Job 38:8 , 38:10 , 38:11 ; Ps. 148:6 ; Jer. 5:22 . Job 26:10 : Hij heeft een gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. Job 38:8 : Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? Job 38:10 : Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; Job 38:11 : En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven. Psalmen 148:6 : En Hij heeft ze bevestigd voor altijd in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden. Jeremia 5:22 : Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.
[^psalmen-104-9-17]: Kanttekening 17: zij zullen de aarde niet weer bedekken: Te weten, tenzij, Heer, U het hun gebiedt, gelijk in de zondvloed geschied is, Hebr., אָֽרֶץ, zij zullen niet terugkeren om de aarde te bedekken, of bedekkende de aarde.
[^psalmen-104-10-18]: Kanttekening 18: Versta hier door de fonteinen de rivieren en de beken, die haar oorsprong uit de fonteinen nemen, gelijk te zien is uit de naastvolgende woorden.
[^psalmen-104-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, lopen. Zo ook Ps. 105:41 . Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
[^psalmen-104-11-20]: Kanttekening 20: breken er hun dorst mee : Te weten, met de wateren van de fonteinen en rivieren. Anders, zijn lessen er hun dorst mee .
[^psalmen-104-12-21]: Kanttekening 21: gevogelte van de hemel: Dat is, de vogels, die in de hemel, dat is in de lucht, vliegen.
[^psalmen-104-13-22]: Kanttekening 22: Dat is, Hij bevochtigt hen, te weten, met het regenwater.
[^psalmen-104-13-23]: Kanttekening 23: uit Zijn opperzalen: Dat is, uit de wolken, als vers 3.
[^psalmen-104-13-24]: Kanttekening 24: aarde wordt verzadigd: Alsof hij zei: De aarde wordt met de regen zijn dorst geblust, nadat het lang dorst geleden heeft.
[^psalmen-104-13-25]: Kanttekening 25: van de vrucht van Uw werken: Dat is, van de regen, welke God alleen geeft; Jer. 10:13 , en Jer. 14:22 . Of, van de regen, die uit uw werken, o Heer, dat is uit de wolken gelijk als een vrucht voortkomt. Van de regen wast het koren en gras; idem alle kruiden en boomvruchten. Verg. hiermee Job 38:26 , 38:27 , 38:28 ; Deut. 11:14 , 11:15 . Jeremia 10:13 : Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. Jeremia 14:22 : Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Bent U die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen. Job 38:26 : Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; Job 38:27 : Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien. Job 38:28 : Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen van de dauw? Deuteronomium 11:14 : Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt. Deuteronomium 11:15 : En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en u zult eten en verzadigd worden.
[^psalmen-104-14-26]: Kanttekening 26: Zie de aantekening bij 1 Kon. 18:5 . 1 Koningen 18:5 : En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.
[^psalmen-104-14-27]: Kanttekening 27: het kruid: Te weten, allerlei kruid tot voedsel en tot medicijn.
[^psalmen-104-14-28]: Kanttekening 28: het brood: Te weten, het koren, waar het brood van gemaakt wordt, gelijk Job 28:5 ; Pred. 11:1 ; Jes. 28:28 , en Jes. 30:23 . Het woord brood betekent hier, gelijk op vele plaatsen, allerlei voedsel. Job 28:5 : Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware. Prediker 11:1 : Werp uw brood uit op het water, want u zult het vinden na vele dagen. Jesaja 28:28 : Het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende; noch hij breekt het met het wiel van zijn wagens, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden. Jesaja 30:23 : Dan zal Hij uw zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het inkomen van het land, en het zal vet en smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden.
[^psalmen-104-15-29]: Kanttekening 29: de wijn: Te weten, doet Hij voortkomen. De wijn, dat is, de wijnstok waar de druiven vol wijn aan groeien.
[^psalmen-104-15-30]: Kanttekening 30: Zie Richt. 9:9 , 9:13 ; Ps. 23:5 . Richteren 9:9 : Maar de olijfboom zei tot hen: Zou ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? Richteren 9:13 : Maar de wijnstok zei tot hen: Zou ik mijn most verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
[^psalmen-104-15-31]: Kanttekening 31: van olie: Het was eertijds zeer gebruikelijk in het Joodse land, dat de mensen hun lichaam, in het bijzonder het hoofd en het aangezicht, met olie bestreken om het te verfrissen; Ps. 23:5 . Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
[^psalmen-104-15-32]: Kanttekening 32: het brood: Dat is, het koren, waar men het brood van maakt.
[^psalmen-104-15-33]: Kanttekening 33: Of, ondersteunt, onderstut. Zie 1 Kon. 13:7 . 1 Koningen 13:7 : En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.
[^psalmen-104-16-34]: Kanttekening 34: De bomen van YHWH: Dat is, de zeer hoge bomen. Zie de aantekening bij Ps. 80:11 , of, die zonder mensenarbeid, alleen door Gods regering, worden opgebracht. Psalmen 80:11 : De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God.
[^psalmen-104-16-35]: Kanttekening 35: worden verzadigd: Te weten, van de regen. Alsof hij zei: Hoe groot en hoe hoog de bomen zijn, zo krijgen zij voedsel of lafenis genoeg van de regen om te groeien en te groeien.
[^psalmen-104-16-36]: Kanttekening 36: de cederbomen van Libanon: Deze bomen groeien zeer hoog en groot, in het bijzonder op de berg Libanon.
[^psalmen-104-17-37]: Kanttekening 37: de vogeltjes: Zie Gen. 7:14 en Lev. 14:7 . Genesis 7:14 : Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel. Leviticus 14:7 : En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in het open veld vliegen laten.
[^psalmen-104-17-38]: Kanttekening 38: Zie Lev. 11:19 . Leviticus 11:19 : En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.
[^psalmen-104-17-39]: Kanttekening 39: de dennebomen: Zie 1 Kon. 5:8 . 1 Koningen 5:8 : En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom u tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederenhout, en met het dennenhout.
[^psalmen-104-18-40]: Kanttekening 40: de steenrotsen: Te weten, de gaten en kloven, die in en tussen de rotsachtige gebergten zijn.
[^psalmen-104-18-41]: Kanttekening 41: voor de konijnen: Zie Spr. 30:24 , 30:26 . Spreuken 30:24 : Deze vier zijn van de kleinste van de aarde; maar die zijn wijs, met wijsheid wel voorzien. Spreuken 30:26 : De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in de rotssteen.
[^psalmen-104-19-42]: Kanttekening 42: tot de vastgestelde tijden: Zie Gen. 1:14 . Genesis 1:14 : En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
[^psalmen-104-19-43]: Kanttekening 43: weet haar ondergang: Namelijk waar en wanneer zijn tot alle tijden van het jaar zal ondergaan. Hebreeuws, haar ingang ; te weten, wanneer zij in haar slaapkamer zal gaan, zie Job 38:12 , Psalm 19:6 . Job 38:12 : Hebt u van uw dagen de morgenstond geboden? Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen; Psalmen 19:6 : En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^psalmen-104-20-44]: Kanttekening 44: beschikt de duisternis: Te weten, door de ondergang van de zon.
[^psalmen-104-20-45]: Kanttekening 45: Te weten, nacht.
[^psalmen-104-20-46]: Kanttekening 46: Te weten, elk uit zijn hol, of schuilplaats.
[^psalmen-104-21-47]: Kanttekening 47: De jonge leeuwen: Te weten, kruipen uit hun holen.
[^psalmen-104-21-f]: Verwijzing f: Job 39:1 ; idem v. 2 ; Jes. 31:4 . Job 39:1 : Zult u voor de ouden leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen? Job 39:2 : Als zij neerbuigen in de holen, en in de kuil zitten, ter loering? Jesaja 31:4 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer ook een volle menigte van de herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; zo zal YHWH van de legermachten nederdalen, om te strijden voor de berg van Sion en voor haar heuvel.
[^psalmen-104-21-48]: Kanttekening 48: Hij wil zeggen dat het briesen van de leeuwen is als hun gebed, waarmee zij van God nooddruft van het leven verzoeken.
[^psalmen-104-22-49]: Kanttekening 49: maken zij zich weg: Te weten, naar hun holen. Hebr. zij vergaderen zich.
[^psalmen-104-22-50]: Kanttekening 50: Hebr. woningen.
[^psalmen-104-23-51]: Kanttekening 51: Of, akkerwerk; of landbouwerij.
[^psalmen-104-24-52]: Kanttekening 52: Hoe groot: Of, hoe vele.
[^psalmen-104-24-53]: Kanttekening 53: Uw goederen: Dat is, van rijkdommen, die U eigenlijk toebehoren.
[^psalmen-104-25-54]: Kanttekening 54: wijd van ruimte: Hebr., יָדָיִם, wijd aan beide handen; dat is, aan beide zijden breed en ruim, gelijk Gen. 34:21 ; Neh. 7:4 . Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. Nehemia 7:4 : De stad nu was wijd van ruimte en groot; maar van het volk was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.
[^psalmen-104-26-55]: Kanttekening 55: Zie Ps. 74:14 . Dit zeemonster wordt wijdlopig beschreven Job 40:20 . Psalmen 74:14 : U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen. Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken?
[^psalmen-104-26-56]: Kanttekening 56: om daarin te spelen: Evenals de behemoth en andere beesten op de bergen spelen; Job 40:15 . Job 40:15 : Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren van het veld daar.
[^psalmen-104-27-57]: Kanttekening 57: Zij allen: Te weten, al die dieren, van welke boven gesproken is.
[^psalmen-104-27-g]: Verwijzing g: Ps. 145:15 . Psalmen 145:15 : Ain. Van alle ogen wachten op U; en U geeft hun hun voedsel op zijn tijd.
[^psalmen-104-27-58]: Kanttekening 58: hun voedsel: Dat is, het voedsel, die U hun verordineerd hebt.
[^psalmen-104-27-59]: Kanttekening 59: op zijn tijd: Dat is, ter bekwamer tijd.
[^psalmen-104-28-60]: Kanttekening 60: goed verzadigd: Zie Job 21:13 . Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
[^psalmen-104-29-61]: Kanttekening 61: Verbergt U Uw aangezicht: Dat is, als U hun uw zegen onttrekt.
[^psalmen-104-29-h]: Verwijzing h: Ps. 30:8 . Psalmen 30:8 : Want, YHWH! U hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
[^psalmen-104-29-62]: Kanttekening 62: neemt U hun: Hebr., רוּחָ, vergadert U hun adem.
[^psalmen-104-29-63]: Kanttekening 63: Hebr., רוּחָ, geest.
[^psalmen-104-29-64]: Kanttekening 64: zij sterven: Of, zij gaan uit, of zij geven de geest, of zij ademen uit.
[^psalmen-104-29-65]: Kanttekening 65: tot hun stof: Dat is, tot datgene waar zij van gemaakt zijn.
[^psalmen-104-30-66]: Kanttekening 66: Uw Geest uit: Versta dit van de Heilige Geest, door welke aanvankelijk alle dingen geschapen zijn, en nu nog onderhouden en vernieuwd worden; gelijk Job 33:4 ; Ps. 33:6 . Job 33:4 : De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht.
[^psalmen-104-30-67]: Kanttekening 67: U vernieuwt: Te weten, nieuwe schepselen voortbrengende in de plaats van de verstorvene en verdorvene; Pred. 1:4 . Prediker 1:4 : Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in eeuwigheid.
[^psalmen-104-31-68]: Kanttekening 68: verblijde Zich: Dat is, dat Hij een goed behagen in zijn werken hebbe om die te onderhouden en niet te verderven; hiervan is het tegendeel dat de Heer gezegd wordt berouw te hebben dat Hij de mens of ander werken geschapen heeft, en die te willen verderven.
[^psalmen-104-32-69]: Kanttekening 69: beeft zij: Te weten, voor zijn grote heerlijkheid en majesteit. Zie Ex. 19:18 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op hem nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer.
[^psalmen-104-32-70]: Kanttekening 70: roken zij: Dat is, een teken van schrik en vaardigheid; gelijk Ps. 144:5 . Psalmen 144:5 : Neig Uw hemelen, YHWH! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
[^psalmen-104-33-i]: Verwijzing i: Ps. 63:5 ; Ps. 146:2 . Psalmen 63:5 : Zo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. Psalmen 146:2 : Ik zal YHWH prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
[^psalmen-104-34-71]: Kanttekening 71: Mijn overdenking: Of, mijn aandachtige rede.
[^psalmen-104-35-72]: Kanttekening 72: De zondaars: Anders, O dat de zondaars van de aarde verdaan werden, enz.; te weten, die zich overgeven tot zondigen, gelijk Ps. 1:1 ; Joh. 9:31 , en ondankbaar zijnde, de Heer niet eren in het gebruik zijn schepselen, van welke in deze psalm, tot Gods lof, gesproken is. Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Johannes 9:31 : En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^psalmen-104-35-73]: Kanttekening 73: Dat is, Looft de Heer. Het Hebr. woord הַֽלְלוּ, Hallelujah heeft de Christelijke kerk van de Joodse kerk behouden, dienende om elkaar te verwekken tot Gods lof in de heilige vergaderingen. Zie Openb. 19:1 , 19:3 . Openbaring 19:1 : En na deze hoorde ik als een grote stem van een grote schare in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heer, onze God. Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.

### Psalmen 105

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/105.json)

*De profeet vermaant het volk van God om God te loven en te prijzen, vanwege Zijn wonderen en weldaden; met een verhaal van de getrouwheid van Zijn beloften, gedaan en bewezen aan Abraham, aan Jozef en aan Jakob in Egypte, alsook van de wonderen door en aan Mozes en de Israëlieten in de woestijn gedaan.*

**1** [^psalmen-105-1-1] Loof YHWH, roep Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v1)

**2** Zing Hem, psalmzingt Hem, spreek aandachtig van al Zijn wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v2)

**3** [^psalmen-105-3-a] Roem u[^psalmen-105-3-2] in de Naam van Zijn heiligheid; het hart van degenen, die YHWH zoeken, verblijde zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v3)

**4** Vraag naar YHWH en[^psalmen-105-4-3] Zijn sterkte; zoek[^psalmen-105-4-4] Zijn aangezicht steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v4)

**5** Gedenk van Zijn wonderen,[^psalmen-105-5-5] die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en[^psalmen-105-5-6] van de oordelen van Zijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v5)

**6** [^psalmen-105-6-7] U zaad van Abraham, Zijn knecht, u kinderen van[^psalmen-105-6-8] Jakob, Zijn uitverkorene! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v6)

**7** Hij is YHWH, onze God;[^psalmen-105-7-9] Zijn oordelen zijn over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v7)

**8** Hij gedenkt[^psalmen-105-8-10] aan Zijn verbond tot in de eeuwigheid, van het woord, dat[^psalmen-105-8-11] Hij ingesteld heeft,[^psalmen-105-8-12] tot in duizend geslachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v8)

**9** [^psalmen-105-9-13] Aan het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v9)

**10** [^psalmen-105-10-b] Die Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een[^psalmen-105-10-14][^psalmen-105-10-c] inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v10)

**11** Zeggende:[^psalmen-105-11-d] Ik zal u geven het land Kanaän,[^psalmen-105-11-15] het snoer van uw erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v11)

**12** [^psalmen-105-12-e] Als zij[^psalmen-105-12-16] weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v12)

**13** En wandelden[^psalmen-105-13-17] van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v13)

**14** [^psalmen-105-14-f] Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook[^psalmen-105-14-18] bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v14)

**15** [^psalmen-105-15-19] Tas[^psalmen-105-15-20] Mijn gezalfde niet aan, en doet Mijn[^psalmen-105-15-21] profeten geen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v15)

**16** [^psalmen-105-16-22] Hij riep ook een honger in[^psalmen-105-16-23] het[^psalmen-105-16-24] land; Hij brak allen staf van het brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v16)

**17** Hij zond een man voor hun aangezicht heen;[^psalmen-105-17-g] Jozef werd verkocht tot een slaaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v17)

**18** Men drukte zijn voeten[^psalmen-105-18-25] in de stok;[^psalmen-105-18-26] zijn persoon kwam[^psalmen-105-18-27] in de ijzers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v18)

**19** Tot de tijd toe, dat[^psalmen-105-19-28] Zijn woord[^psalmen-105-19-29] kwam, heeft hem[^psalmen-105-19-30] de rede van YHWH[^psalmen-105-19-31] doorlouterd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v19)

**20** [^psalmen-105-20-32] De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser van de[^psalmen-105-20-33] volken liet hem los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v20)

**21** Hij[^psalmen-105-21-h] zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v21)

**22** Om[^psalmen-105-22-34] zijn vorsten te binden[^psalmen-105-22-35] naar[^psalmen-105-22-36] zijn lust, en[^psalmen-105-22-37] zijn oudsten[^psalmen-105-22-38] te onderwijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v22)

**23** Daarna[^psalmen-105-23-39] kwam[^psalmen-105-23-40] Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling[^psalmen-105-23-41] in het land van Cham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v23)

**24** En[^psalmen-105-24-i] Hij deed Zijn volk zeer groeien, en maakte het machtiger dan Zijn[^psalmen-105-24-42] tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v24)

**25** Hij[^psalmen-105-25-k] keerde[^psalmen-105-25-43] hun hart om, dat zij Zijn volk haatten,[^psalmen-105-25-44] dat zij met Zijn knechten[^psalmen-105-25-45] listig handelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v25)

**26** Hij[^psalmen-105-26-l] zond Mozes, Zijn knecht, en[^psalmen-105-26-46] Aäron, die Hij gekozen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v26)

**27** [^psalmen-105-27-m] Zij deden onder hen[^psalmen-105-27-47] de bevelen van Zijn tekenen, en de wonderwerken[^psalmen-105-27-48] in het land van Cham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v27)

**28** [^psalmen-105-28-49] Hij zond[^psalmen-105-28-50] duisternis, en maakte het duister; en[^psalmen-105-28-51] zij waren[^psalmen-105-28-52] Zijn woord niet opstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v28)

**29** [^psalmen-105-29-53] Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v29)

**30** Hun land[^psalmen-105-30-54] bracht kikkers voort in overvloed, tot in de binnenste kamers[^psalmen-105-30-55] van hun koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v30)

**31** Hij sprak, en er kwam een vermenging van[^psalmen-105-31-56] ongedierte,[^psalmen-105-31-57] luizen, in hun hele gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v31)

**32** Hij[^psalmen-105-32-58] maakte hun regen tot hagel,[^psalmen-105-32-59] vlammig vuur in hun land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v32)

**33** En[^psalmen-105-33-60] Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte van hun gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v33)

**34** Hij sprak, en er[^psalmen-105-34-61] kwamen[^psalmen-105-34-62] sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v34)

**35** Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht van hun akker op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v35)

**36** [^psalmen-105-36-63] Hij versloeg ook[^psalmen-105-36-64] alle eerstgeborenen in hun land, de[^psalmen-105-36-65] eerstelingen al van hun krachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v36)

**37** En Hij voerde hen[^psalmen-105-37-66] uit met zilver en goud; en[^psalmen-105-37-67] onder hun stammen was niemand,[^psalmen-105-37-68] die struikelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v37)

**38** [^psalmen-105-38-n] Egypte was blij, als zij uittrokken, want[^psalmen-105-38-69] hun verschrikking was op hen gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v38)

**39** Hij breidde[^psalmen-105-39-70] een wolk uit tot een deksel, en[^psalmen-105-39-71] vuur om de nacht te verlichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v39)

**40** [^psalmen-105-40-72] Zij baden, en[^psalmen-105-40-73] Hij deed kwartels komen, en Hij verzadigde[^psalmen-105-40-74] hen met hemels brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v40)

**41** [^psalmen-105-41-75] Hij[^psalmen-105-41-76] opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door[^psalmen-105-41-77] de dorre plaatsen als een rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v41)

**42** Want Hij dacht[^psalmen-105-42-78] aan Zijn heilig woord,[^psalmen-105-42-79] aan[^psalmen-105-42-o] Abraham, Zijn knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v42)

**43** [^psalmen-105-43-p] Zo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid,[^psalmen-105-43-80] Zijn uitverkorenen met gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v43)

**44** En[^psalmen-105-44-81] Hij gaf hun de landen[^psalmen-105-44-82] van de heidenen, zodat zij in erfenis bezaten[^psalmen-105-44-83] de arbeid van de volken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v44)

**45** [^psalmen-105-45-q] Opdat zij Zijn voorschriften onderhielden, en Zijn wetten bewaarden.[^psalmen-105-45-84] Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/105.html#v45)

[^psalmen-105-1-1]: Kanttekening 1: Looft YHWH: Een groot deel van deze psalm staat geschreven 1 Kron. 16:8 , dat gezongen is geweest voor de ark van de Heer. 1 Kronieken 16:8 : Looft YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
[^psalmen-105-3-a]: Verwijzing a: Ps. 34:3 . Psalmen 34:3 : Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in YHWH; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
[^psalmen-105-3-2]: Kanttekening 2: in de naam: Of, van de naam van zijn heiligheid.
[^psalmen-105-4-3]: Kanttekening 3: Zijn sterkte: Van welke men een zichtbare getuigenis had in de ark. Zie 2 Kron. 6:41 ; Ps. 78:61 , en de aantekening bij Ps. 63:3 . 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn. Psalmen 78:61 : En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijders. Psalmen 63:3 : Werkelijk, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
[^psalmen-105-4-4]: Kanttekening 4: zijn aangezicht: Dat is, zijn raad en geboden; 2 Sam. 21:1 . 2 Samuël 21:1 : En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van YHWH. En YHWH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.
[^psalmen-105-5-5]: Kanttekening 5: die Hij gedaan: Te weten, in Egypte door Mozes en Aäron.
[^psalmen-105-5-6]: Kanttekening 6: van de oordelen: Versta hier de plagen van Egypte waarmee God hen tevoren gedreigd had. Het woord oordelen, of gerichten, wordt dikwijls gebruikt voor plagen of straffen; gelijk Rom. 13:2 , en 1 Kor. 11:29 . Romeinen 13:2 : Zo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen. 1 Korinthiërs 11:29 : Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heer.
[^psalmen-105-6-7]: Kanttekening 7: U zaad van: Dezelfde woorden van dit vers staan ook 1 Kron. 16:13 . Behalve dat er staat: U zaad van Israël, en hier staat: U zaad van Abraham. 1 Kronieken 16:13 : U, zaad van Israël, Zijn dienaar, u, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!
[^psalmen-105-6-8]: Kanttekening 8: Zijn uitverkorene: Te weten, Gods uitverkorenen.
[^psalmen-105-7-9]: Kanttekening 9: Zijn oordelen zijn: Dat is, Hij oefent zijn gerichten over de gehele aardbodem, dat is over alle natiën en volken, opdat men zijn naam vertelle op de gehele aarde; Ex. 9:16 . Exodus 9:16 : Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde.
[^psalmen-105-8-10]: Kanttekening 10: van Zijn verbond: Te weten, dat Hij met ons gemaakt heeft.
[^psalmen-105-8-11]: Kanttekening 11: ingesteld heeft: Hebr. bevolen; dat is, zijn belofte, die zo vast en zeker is alsof het een ingestelde en bevolen wet ware. Zie van het Hebr. woord 2 Sam. 7:11 . 2 Samuël 7:11 : En van die dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u YHWH te kennen, dat YHWH u een huis maken zal.
[^psalmen-105-8-12]: Kanttekening 12: tot in duizend: Dat is, vele geslachten.
[^psalmen-105-9-13]: Kanttekening 13: dat Hij met: Zie hiervan wat geschreven staat Gen. 15:18 , en Gen. 17:2 , en Gen. 22:16 ; Luk. 1:73 ; Hebr. 6:13 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:2 : En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen. Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Lukas 1:73 : En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven. Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
[^psalmen-105-10-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 16:17 . 1 Kronieken 16:17 : Welke Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond;
[^psalmen-105-10-14]: Kanttekening 14: tot een eeuwig verbond, : Hebr., בְּרִית, tot een verbond van de eeuw.
[^psalmen-105-10-c]: Verwijzing c: Gen. 28:13 ; Gen. 35:11 . Genesis 28:13 : En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Genesis 35:11 : Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
[^psalmen-105-11-d]: Verwijzing d: Gen. 13:15 ; Gen. 15:18 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^psalmen-105-11-15]: Kanttekening 15: het snoer: Zie de aantekening bij Deut. 32:9 , en Ps. 16:6 . Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve. Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
[^psalmen-105-12-e]: Verwijzing e: 1 Kron. 16:19 . 1 Kronieken 16:19 : Als u weinige mensen in getal was; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.
[^psalmen-105-12-16]: Kanttekening 16: Hebr. mensen van getal; dat is licht te tellen, telbaar. Zie Gen. 34:30 ; het tegendeel is volk zonder getal; dat is ontelbaar; Ps. 147:5 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Psalmen 147:5 : Onze Heer is groot en van veel kracht; Van Zijn verstand is geen getal.
[^psalmen-105-13-17]: Kanttekening 17: van volk tot volk: Te weten, in het land Kanaän, waar zeven machtige natiën in waren; Deut. 7:1 . Hoe de patriarchen daarin gewandeld hebben als vreemdelingen, zie Gen. 12:8 , 12:9 , 12:10 , en Gen. 13:18 , en Gen. 20:1 , en Gen. 23:4 , en Gen. 26:1 , 26:23 , en Gen. 33:19 , en Gen. 35:1 , enz.; Hebr. 11:9 , 11:13 . Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Genesis 12:9 : Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden. Genesis 12:10 : En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land. Genesis 13:18 : En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar YHWH een altaar. Genesis 20:1 : En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar. Genesis 23:4 : Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. Genesis 26:1 : En er was honger in dat land, behalve de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar. Genesis 26:23 : Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba. Genesis 33:19 : En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd stukken gelds. Genesis 35:1 : Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar voor die God, Die u verscheen, toen u vluchttet voor het aangezicht van uw broer Ezau. Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte. Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben die van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.
[^psalmen-105-14-f]: Verwijzing f: Gen. 35:5 . Genesis 35:5 : En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.
[^psalmen-105-14-18]: Kanttekening 18: bestrafte Hij: Te weten, met woorden en ook metterdaad, gelijk Farao, Gen. 12:17 ; Abimelech, Gen. 20:3 , en meer anderen. Genesis 12:17 : Maar YHWH plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. Genesis 20:3 : Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
[^psalmen-105-15-19]: Kanttekening 19: De profeet voert met deze woorden God in, toesprekende de koningen en overheden, hen belastende dat zij wel zouden toezien zijn knechten niet te beschadigen.
[^psalmen-105-15-20]: Kanttekening 20: Mijn gezalfde: Dat is, die tot mijn dienst geheiligd zijn. Hier wordt vooreerst gesproken van Abraham, Izak en Jakob, onder wie ook andere profeten en dienaren van God te verstaan zijn.
[^psalmen-105-15-21]: Kanttekening 21: Abraham wordt een profeet genoemd, zie de aantekening bij Gen. 20:7 . Genesis 20:7 : Zo geef dan nu de huisvrouw van deze man weer; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet wedergeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is!
[^psalmen-105-16-22]: Kanttekening 22: Hij riep: Deze manier van spreken staat ook 2 Kon. 8:1 ; honger en dure tijd, gelijk alle andere plagen, zijn boden en uitrichters van Gods bevelen over de zondaars. 2 Koningen 8:1 : Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie hij de zoon levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.
[^psalmen-105-16-23]: Kanttekening 23: Te weten, over het land van Egypte, Kanaän en andere landen, Gen. 41:54 , enz., en Gen. 42:1 . Genesis 41:54 : En de zeven jaren van de honger begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in geheel Egypteland was brood. Genesis 42:1 : Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zei Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet u op elkaar?
[^psalmen-105-16-24]: Kanttekening 24: Hij brak: Zie Lev. 26:26 . Gelijk een zwak of oud mens met een stok of staf ondersteund wordt, zo stijft en sterkt het brood het hart van de mens; Ps. 104:15 . Leviticus 26:26 : Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
[^psalmen-105-17-g]: Verwijzing g: Gen. 37:28 ; idem 37:36 ; Gen. 45:5 . Genesis 37:28 : Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten. Genesis 45:5 : Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven.
[^psalmen-105-18-25]: Kanttekening 25: in de stok: Of, boeien. Zie Gen. 39:20 , en Gen. 40:15 . Genesis 39:20 : En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; zo was hij daar in het gevangenhuis. Genesis 40:15 : Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land van de Hebreën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben.
[^psalmen-105-18-26]: Kanttekening 26: zijn persoon: Hebr., נַפְשֽׁ, zijn ziel, dat is hijzelf. Zie de aantekening bij Gen. 12:5 . Genesis 12:5 : En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^psalmen-105-18-27]: Kanttekening 27: de ijzers: Dat is, in ijzeren boeien. Hebr., בַּרְזֶל, in het ijzer.
[^psalmen-105-19-28]: Kanttekening 28: zijn woord: Te weten, het woord van de Heer. De zin is: Totdat de tijd vervuld was dat gebeuren zou wat God over hem besloten en hem in de droom had te kennen gegeven; Gen. 37:5 , enz., en Gen. 42:9 . Genesis 37:5 : Ook droomde Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer. Genesis 42:9 : Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zei tot hen: U bent verspieders, u bent gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.
[^psalmen-105-19-29]: Kanttekening 29: Dat is, vervuld werd; komen voor vervuld worden staat ook 1 Sam. 9:6 ; Job 6:8 ; Jer. 17:15 , en elders. 1 Samuël 9:6 : Hij daarentegen zei tot hem: Zie toch, er is een man van God in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk; laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen. Job 6:8 : Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; Jeremia 17:15 : Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord van YHWH? Laat het nu komen!
[^psalmen-105-19-30]: Kanttekening 30: de rede: Te weten, de belofte, die hem God door dromen gedaan had; Gen. 37 .
[^psalmen-105-19-31]: Kanttekening 31: Te weten, in zwaar kruis en lijden. Zie Ps. 12:7 , en 1 Petr. 1:7 . Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. 1 Petrus 1:7 : Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^psalmen-105-20-32]: Kanttekening 32: De koning: Te weten, Farao, Gen. 41:14 , en Gen. 45:8 . Genesis 41:14 : Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao. Genesis 45:8 : Nu dan, u hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn gehele huis, en regeerder in het gehele land van Egypte.
[^psalmen-105-20-33]: Kanttekening 33: liet hem los: Hebr. die opende hem; dat is, Hij opende en maakte los de banden en boeien met welke hij gebonden was.
[^psalmen-105-21-h]: Verwijzing h: Gen. 41:40 . Genesis 41:40 : U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^psalmen-105-22-34]: Kanttekening 34: zijn vorsten: Te weten, van de koning Farao.
[^psalmen-105-22-35]: Kanttekening 35: Hebr., נַפְשׁ, naar zijn ziel; dat is, naar zijn lust, wil, believen, goeddunken. Anders, verbinden aan zijn ziel.
[^psalmen-105-22-36]: Kanttekening 36: Te weten, van de koning; of Jozef.
[^psalmen-105-22-37]: Kanttekening 37: zijn oudsten: Te weten, van de koning Farao; raadsheren en edelen aan zijn hof.
[^psalmen-105-22-38]: Kanttekening 38: te onderwijzen: Te weten, hoe zij het koren van de vruchtbare jaren zouden inzamelen en bewaren, opdat er voorraad zou wezen tegen de kwade jaren; Gen. 41:47 . Genesis 41:47 : En het land bracht voort, in de zeven jaren van de overvloed, bij handvollen.
[^psalmen-105-23-39]: Kanttekening 39: Van Farao en Jozef geroepen, en van God daartoe vermaand en gesterkt zijnde; Gen. 45:17 , 45:20 , en Gen. 46:3 , 46:4 . Genesis 45:17 : En Farao zei tot Jozef: Zeg tot uw broers: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän; Genesis 45:20 : En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van geheel Egypteland, dat zal het uwe zijn. Genesis 46:3 : En Hij zei: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u daar tot een groot volk zetten. Genesis 46:4 : Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
[^psalmen-105-23-40]: Kanttekening 40: Israël in: Te weten, met zijn gehele huisgezin.
[^psalmen-105-23-41]: Kanttekening 41: in het land van Cham: Dat is, in het land, dat de nakomelingen van Cham bezaten; te weten in Egypte. Cham was Mitsraïms; zie Ps. 78:51 . Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^psalmen-105-24-i]: Verwijzing i: Ex. 1:7 ; idem v. 9 . Exodus 1:7 : Zo werden de kinderen van Israël vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. Exodus 1:9 : Die zei tot zijn volk: Ziet, het volk van de kinderen van Israël is veel, ja, machtiger dan wij.
[^psalmen-105-24-42]: Kanttekening 42: Of, benauwers.
[^psalmen-105-25-k]: Verwijzing k: Ex. 1:9 ; idem v. 10 ; idem v. 12 . Exodus 1:9 : Die zei tot zijn volk: Ziet, het volk van de kinderen van Israël is veel, ja, machtiger dan wij. Exodus 1:10 : Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelfde handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. Exodus 1:12 : Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen van Israël.
[^psalmen-105-25-43]: Kanttekening 43: hun hart om: Te weten, van de Egyptenaars. Anders: hun hart keerde zich om, of werd omgekeerd.
[^psalmen-105-25-44]: Kanttekening 44: dat zij met: Of, dat zij listen aanlegden tegen zijn knechten; te weten, de kinderen Israël.
[^psalmen-105-25-45]: Kanttekening 45: Zie de aantekening bij Gen. 37:18 . Genesis 37:18 : En zij zagen hem van verre; en voordat hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.
[^psalmen-105-26-l]: Verwijzing l: Ex. 3:10 ; Ex. 4:12 . Exodus 3:10 : Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat u Mijn volk (de kinderen van Israël) uit Egypte voert. Exodus 4:12 : En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult.
[^psalmen-105-26-46]: Kanttekening 46: die Hij: Om te zijn Mozes, mond tot het volk en een profeet aan Farao; Ex. 4:12 , 4:14 , 4:16 , en Ex. 7:1 , 7:2 , 7:3 . Exodus 4:12 : En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult. Exodus 4:14 : Toen ontstak de toorn van YHWH over Mozes, en Hij zei: is niet Aäron, de Leviet, uw broer? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn. Exodus 4:16 : En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn. Exodus 7:1 : Toen zei YHWH tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een God gezet over Farao; en Aäron, uw broer, zal uw profeet zijn. Exodus 7:2 : U zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen van Israël uit zijn land trekken laat. Exodus 7:3 : Maar Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.
[^psalmen-105-27-m]: Verwijzing m: Ex. 7:9 . Exodus 7:9 : Wanneer Farao tot u spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor u; zo zult u tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.
[^psalmen-105-27-47]: Kanttekening 47: de bevelen zijn: Hebr., דִּבְרֵי, de woorden van zijn tekenen; dat is de last, die hun God gegeven had om tekenen te doen.
[^psalmen-105-27-48]: Kanttekening 48: in het land: Zie boven vers 23 . Psalmen 105:23 : Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.
[^psalmen-105-28-49]: Kanttekening 49: Te weten, God.
[^psalmen-105-28-50]: Kanttekening 50: Dit was de negende plaag, welke God over Egypte gezonden heeft, en deze duisternis duurde drie dagen lang; Ex. 10:22 , 10:23 . Exodus 10:22 : Als Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, werd er een dikke duisternis in het gehele Egypteland, drie dagen. Exodus 10:23 : Zij zagen de één de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen van Israël was het licht in hun woningen.
[^psalmen-105-28-51]: Kanttekening 51: zij waren: Dat is, de wondertekenen gebeurden meteen als Hij het woord uitgesproken had. Of, versta dit zo dat Mozes en Aäron deden wat hun bevolen was, ofschoon het met groot gevaar huns levens scheen vermengd te wezen.
[^psalmen-105-28-52]: Kanttekening 52: zijn woord niet: Dat is, zijn bevel.
[^psalmen-105-29-53]: Kanttekening 53: wateren in bloed: Dat was de eerste van de tien plagen van Egypte; Ex. 7:20 ; Ps. 78:44 . De profeet stelt in deze psalm enige zware plagen, die God in Egypte gedaan heeft, zonder de orde te volgen, die in Exodus staat. Exodus 7:20 : Mozes nu en Aäron deden zo, gelijk YHWH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd. Psalmen 78:44 : En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.
[^psalmen-105-30-54]: Kanttekening 54: bracht vorsen: Dit was de tweede plaag; Ex. 8:6 ; Ps. 78:45 . Exodus 8:6 : En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland. Psalmen 78:45 : Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
[^psalmen-105-30-55]: Kanttekening 55: hun koningen: Versta hier Farao en zijn vorsten; Ex. 8:3 . Exodus 8:3 : Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen van uw knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.
[^psalmen-105-31-56]: Kanttekening 56: Als sprinkhanen, kevers en dergelijke. Zie Ps. 78:45 . Dit was de vierde plaag; Ex. 8:24 . Psalmen 78:45 : Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven. Exodus 8:24 : En YHWH deed zo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het gehele Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
[^psalmen-105-31-57]: Kanttekening 57: Dit was de derde plaag; Ex. 8:17 . Exodus 8:17 : En zij deden zo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof van de aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof van de aarde werd luizen, in het gehele Egypteland.
[^psalmen-105-32-58]: Kanttekening 58: regen tot hagel: Dit was de zevende plaag; Ex. 9:23 . Zie ook Ps. 78:47 . Exodus 9:23 : Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland. Psalmen 78:47 : Hij doodde hun wijnstok door de hagel, en hun wilde vijgebomen door vurige hagelsteen.
[^psalmen-105-32-59]: Kanttekening 59: vlammig vuur: Hebr., אֵשׁ, vuur van de vlam; nimmer was dergelijke in Egypte gezien; Ex. 9:24 . Exodus 9:24 : En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het gehele Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.
[^psalmen-105-33-60]: Kanttekening 60: Hij sloeg: Te weten, door de hagel en het vuur.
[^psalmen-105-34-61]: Kanttekening 61: Dit was de achtste plaag; Ex. 10:13 ; Ps. 78:46 . Exodus 10:13 : Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gehele nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. Psalmen 78:46 : En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun arbeid de sprinkhaan.
[^psalmen-105-34-62]: Kanttekening 62: sprinkhanen en kevers: Hebr. de sprinkhaan en de kever.
[^psalmen-105-36-63]: Kanttekening 63: Hij versloeg ook: Dit was de tiende plaag. Zie Ex. 12:23 , 12:29 ; Ps. 78:51 . Exodus 12:23 : Want YHWH zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal YHWH de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^psalmen-105-36-64]: Kanttekening 64: alle eerstgeborenen: In dit vers wordt een ding tweemaal, maar met andere woorden gezegd, dat bij de Hebr. zeer gebruikelijk is. Zie boven vers 20 . Psalmen 105:20 : De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser van de volken liet hem los.
[^psalmen-105-36-65]: Kanttekening 65: Dit is een beschrijving van de eerstgeborenen, gelijk Gen. 49:3 , en Ps. 78:51 . Genesis 49:3 : Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin van mijn macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^psalmen-105-37-66]: Kanttekening 66: met zilver: Dat is, met zilveren en gouden vaten; Ex. 12:35 . Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren.
[^psalmen-105-37-67]: Kanttekening 67: onder hun stammen: Sterk zijnde zeshonderd duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen, Ex. 12:37 , en Ex. 13:18 . Dusdanige belofte werd aan de kerk van God ook gedaan; Jes. 33:24 . Exodus 12:37 : Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen. Exodus 13:18 : Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland. Jesaja 33:24 : En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.
[^psalmen-105-37-68]: Kanttekening 68: die struikelde: Te weten, van zwakheid.
[^psalmen-105-38-n]: Verwijzing n: Ex. 12:33 . Exodus 12:33 : En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!
[^psalmen-105-38-69]: Kanttekening 69: hun verschrikking: Dat is, zij hadden een schrik voor de Israëlieten gekregen, zodat zij hen voortdreven en hun hun beste juwelen gaven, Ex. 12:33 , 12:35 ; vrezende dat zij allen van God zouden gedood worden als zij hen niet lieten trekken. Zie dergelijke manier van spreken Esther 8:17, en Esther 9:2. Exodus 12:33 : En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! Exodus 12:35 : De kinderen van Israël nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en kleren.
[^psalmen-105-39-70]: Kanttekening 70: een wolk: Te weten, om de Israëlieten voor de hitte van de zon te bedekken en te beschermen.
[^psalmen-105-39-71]: Kanttekening 71: Dat is, een vurige kolom.
[^psalmen-105-40-72]: Kanttekening 72: Zij baden: Of, het bad; te weten het volk van Israël. Zie Num. 11 , en Ps. 78:27 , 78:28 . Psalmen 78:27 : En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand van de zeeën; Psalmen 78:28 : En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.
[^psalmen-105-40-73]: Kanttekening 73: Hij deed: Te weten, God de Heer.
[^psalmen-105-40-74]: Kanttekening 74: met hemels brood: Dat is, met brood, dat uit de hemel, dat is uit de lucht viel. Zie Ex. 16:1 , 16:2 , 16:3 , 16:4 , 16:5 , 16:6 , 16:7 , 16:8 , 16:9 , 16:10 , 16:11 , 16:12 , 16:13 , 16:14 ; Ps. 78:24 , 78:25 . Exodus 16:1 : Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de gehele vergadering van de kinderen van Israël in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinaï, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. Exodus 16:2 : En de gehele vergadering van de kinderen van Israël morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden. Exodus 16:4 : Toen zei YHWH tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet. Exodus 16:5 : En het zal gebeuren op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven wat zij dagelijks zullen verzamelen. Exodus 16:6 : Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de kinderen van Israël: Aan de avond, dan zult u weten, dat u YHWH uit Egypteland uitgeleid heeft; Exodus 16:7 : En morgen, dan zult u de heerlijkheid van YHWH zien, omdat Hij uw murmureringen tegen YHWH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort? Exodus 16:8 : Verder zei Mozes: Als YHWH u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat YHWH uw murmureringen gehoord heeft, die u tegen Hem mort; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen YHWH. Exodus 16:9 : Daarna zei Mozes tot Aäron: Zeg tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël: Nadert voor het aangezicht van YHWH, want Hij heeft uw murmureringen gehoord. Exodus 16:10 : En het geschiedde, als Aäron tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van YHWH verscheen in de wolk. Exodus 16:11 : Ook heeft YHWH tot Mozes gesproken, zeggende: Exodus 16:12 : Ik heb de murmureringen van de kinderen van Israël gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult u vlees eten, en aan de morgen zult u met brood verzadigd worden; en u zult weten, dat Ik YHWH uw God ben. Exodus 16:13 : En het geschiedde aan de avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger. Exodus 16:14 : Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. Psalmen 78:24 : En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. Psalmen 78:25 : Een ieder at het brood van de Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
[^psalmen-105-41-75]: Kanttekening 75: Te weten, God.
[^psalmen-105-41-76]: Kanttekening 76: Te weten, te Rafidim, Ex. 17:6 , en te Kades, Num. 20:11 . Zie ook Ps. 78:15 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 78:15 : Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden.
[^psalmen-105-41-77]: Kanttekening 77: de dorre plaatsen: Door welke de Israëlieten reisden. Waar zij gingen, het water volgde hen na. Zie 1 Kor. 10:4 . 1 Korinthiërs 10:4 : En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^psalmen-105-42-78]: Kanttekening 78: aan Zijn heilig woord: Hebr., דְּבַר, aan het woord van zijn heiligheid; dat is aan zijn heilige beloften.
[^psalmen-105-42-79]: Kanttekening 79: aan Abraham: Dat is, aan het verbond met Abraham gemaakt. Anderen, tot Abraham \[gesproken\].
[^psalmen-105-42-o]: Verwijzing o: Gen. 15:14 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechte, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^psalmen-105-43-p]: Verwijzing p: Ex. 14:8 ; Num. 33:3 . Exodus 14:8 : Want YHWH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen van Israël najaagde; maar de kinderen van Israël waren door een hoge hand uitgegaan. Numeri 33:3 : Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op de vijftienden dag van de eerste maand, van de anderen daags van het pascha, togen de kinderen van Israël uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;
[^psalmen-105-43-80]: Kanttekening 80: Zijn uitverkorenen: Te weten, van God; gelijk boven vers 6 . Psalmen 105:6 : U zaad van Abraham, Zijn knecht, u kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!
[^psalmen-105-44-81]: Kanttekening 81: Hij gaf hun: Zie de Boeken Numeri, Deuteronomium, en Jozua.
[^psalmen-105-44-82]: Kanttekening 82: van de heidenen: Te weten, van de zeven natiën, van welke gesproken wordt Ps. 78:55 . Psalmen 78:55 : En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer van hun erfenis, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
[^psalmen-105-44-83]: Kanttekening 83: de arbeid: Dat is, de goederen, die de heidense volken met moeite en arbeid verkregen hadden; Deut. 6:10 , 6:11 . Deuteronomium 6:10 : Als het dan zal geschied zijn, dat YHWH, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, Deuteronomium 6:11 : En huizen, vol van alle goeds, die u niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die u niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt, en u gegeten hebt en verzadigd bent;
[^psalmen-105-45-q]: Verwijzing q: Ex. 19:4 ; idem v. 5 ; idem v. 6 ; Deut. 4:1 ; idem 4:40 ; Deut. 6:21 ; idem 6:22 ; idem 6:23 ; idem 6:24 ; idem 6:25 . Exodus 19:4 : Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Exodus 19:6 : En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. Deuteronomium 4:1 : Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechte, die ik u lere te doen; opdat u leeft, en heen inkomt, en erft het land, dat YHWH, uw vaders God, u geeft. Deuteronomium 4:40 : En u zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat u de dagen verlengt in het land, dat YHWH, uw God, u geeft, voor altijd. Deuteronomium 6:21 : Zo zult u tot uw zoon zeggen: Wij waren dienaren van Farao in Egypte; maar YHWH heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd. Deuteronomium 6:22 : En YHWH gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn gehele huis, voor onze ogen; Deuteronomium 6:23 : En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onze vaders gezworen had. Deuteronomium 6:24 : En YHWH gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen YHWH, onze God, ons voor altijd ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te deze dage is. Deuteronomium 6:25 : En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
[^psalmen-105-45-84]: Kanttekening 84: Zie de aantekening bij Ps. 104:35 . Psalmen 104:35 : De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof YHWH, mijn ziel! Hallelujah!

### Psalmen 106

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/106.json)

*Een vermaning tot lof en prijs van de HEERE, met bede om vergeving van de zonden die het volk van God bekent gedaan te hebben, alsook hun vaders; waarbij gevoegd wordt een kort verhaal van de weerspannigheid van de Israëlieten in de woestijn, en de barmhartigheid van God hun bewezen, besluitend met een gebed en lof van de HEERE.*

**1** [^psalmen-106-1-1] Hallelujah![^psalmen-106-1-a] Loof YHWH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v1)

**2** Wie zal[^psalmen-106-2-2] de mogendheden van YHWH uitspreken, al Zijn lof[^psalmen-106-2-3] verkondigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v2)

**3** Welgelukzalig zijn[^psalmen-106-3-4] zij, die het recht onderhouden, die altijd gerechtigheid doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v3)

**4** [^psalmen-106-4-5] Gedenk aan mij, o YHWH![^psalmen-106-4-6] naar het welbehagen tot Uw[^psalmen-106-4-7] volk, bezoek[^psalmen-106-4-8] mij met Uw heil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v4)

**5** Opdat ik[^psalmen-106-5-9] aanschouwe het goede van Uw uitverkorenen; opdat ik mij verblijde[^psalmen-106-5-10] met de blijdschap van[^psalmen-106-5-11] Uw volk; opdat ik mij beroeme[^psalmen-106-5-12] met Uw erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v5)

**6** [^psalmen-106-6-b] Wij hebben gezondigd, en ook onze vaders, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v6)

**7** Onze vaders in Egypte hebben niet gelet[^psalmen-106-7-13] op Uw wonderen; zij zijn van de[^psalmen-106-7-14] menigte van Uw goedertierenheid niet gedachtig geweest;[^psalmen-106-7-c] maar[^psalmen-106-7-15] zij waren opstandig aan de zee,[^psalmen-106-7-16] bij de Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v7)

**8** Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,[^psalmen-106-8-d] opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v8)

**9** En Hij[^psalmen-106-9-17] schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en[^psalmen-106-9-e] Hij deed hen wandelen door[^psalmen-106-9-18] de afgronden,[^psalmen-106-9-19] als door een woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v9)

**10** En Hij verloste hen uit de hand[^psalmen-106-10-20] van de hater, en Hij bevrijdde hen van de hand van de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v10)

**11** [^psalmen-106-11-f] En de wateren overdekten hun tegenstanders; niet één van hen bleef over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v11)

**12** [^psalmen-106-12-g] Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v12)

**13** [^psalmen-106-13-21] Maar zij vergaten haast[^psalmen-106-13-22] Zijn werken,[^psalmen-106-13-23] zij wachtten naar Zijn raad niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v13)

**14** [^psalmen-106-14-h] Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en[^psalmen-106-14-24] zij verzochten God in de wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v14)

**15** Toen gaf Hij hun[^psalmen-106-15-25] hun begeerte; maar Hij[^psalmen-106-15-i] zond[^psalmen-106-15-26] aan hun zielen een[^psalmen-106-15-27] magerheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v15)

**16** [^psalmen-106-16-k] En zij benijdden[^psalmen-106-16-28] Mozes in het leger, en[^psalmen-106-16-29] Aäron, de heilige van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v16)

**17** [^psalmen-106-17-l] De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte[^psalmen-106-17-30] de vergadering van Abiram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v17)

**18** En[^psalmen-106-18-m] een vuur brandde[^psalmen-106-18-31] onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v18)

**19** [^psalmen-106-19-n] Zij maakten een kalf bij[^psalmen-106-19-32] Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v19)

**20** En zij veranderden[^psalmen-106-20-33] hun Eer in de gedaante van[^psalmen-106-20-34] een os, die gras eet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v20)

**21** Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v21)

**22** Wonderdaden[^psalmen-106-22-35] in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v22)

**23** [^psalmen-106-23-o] Daarom Hij zei, dat Hij hen vernietigen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene,[^psalmen-106-23-36] in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn woede af te keren, dat Hij hen niet verdierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v23)

**24** [^psalmen-106-24-p] Zij versmaadden ook[^psalmen-106-24-37] het gewenste[^psalmen-106-24-38] land; zij geloofden Zijn woord niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v24)

**25** Maar zij morden in hun tenten;[^psalmen-106-25-39] naar de stem van YHWH hoorden zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v25)

**26** Daarom[^psalmen-106-26-40][^psalmen-106-26-q] hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v26)

**27** En dat Hij hun zaad zou neervellen onder de heidenen, en[^psalmen-106-27-41] hen[^psalmen-106-27-r] verstrooien zou door de landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v27)

**28** Ook hebben zij zich gekoppeld aan[^psalmen-106-28-42][^psalmen-106-28-s] Baäl-peor, en zij hebben[^psalmen-106-28-43] de offergaven van de doden gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v28)

**29** En zij hebben de Heere tot toorn verwekt[^psalmen-106-29-44] met hun daden, zodat de plaag[^psalmen-106-29-45] een inbreuk onder hen deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v29)

**30** Toen stond Pinehas op, en[^psalmen-106-30-46] hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v30)

**31** En het is hem gerekend[^psalmen-106-31-47] tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v31)

**32** [^psalmen-106-32-t] Zij maakten[^psalmen-106-32-48] Hem ook zeer boos aan het twistwater, en[^psalmen-106-32-49] het ging Mozes kwalijk om hunnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v32)

**33** Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat[^psalmen-106-33-50] ondoordacht voortbracht met zijn lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v33)

**34** Zij hebben[^psalmen-106-34-51] die volken niet vernietigd, die YHWH hun[^psalmen-106-34-52] gezegd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v34)

**35** Maar[^psalmen-106-35-53][^psalmen-106-35-v] zij vermengden zich met de heidenen, en leerden van die werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v35)

**36** En zij dienden[^psalmen-106-36-54] hun afgoden, en[^psalmen-106-36-55] zij werden hun tot een strik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v36)

**37** [^psalmen-106-37-x] Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters aan[^psalmen-106-37-56] de demonen geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v37)

**38** En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed van hun zonen en van hun dochters, die zij de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd;[^psalmen-106-38-y] zodat[^psalmen-106-38-57] het land door deze[^psalmen-106-38-58] bloedschulden is ontheiligd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v38)

**39** En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben[^psalmen-106-39-59] gehoereerd door hun daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v39)

**40** Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan[^psalmen-106-40-60] Zijn erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v40)

**41** En[^psalmen-106-41-61] Hij gaf hen in de hand van de heidenen, en hun vijanden heersten over hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v41)

**42** En[^psalmen-106-42-62] hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v42)

**43** Hij heeft hen[^psalmen-106-43-63] dikwijls gered; maar zij verbitterden[^psalmen-106-43-64] Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v43)

**44** Toch zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v44)

**45** En[^psalmen-106-45-65] Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en[^psalmen-106-45-66] het berouwde Hem naar de veelheid van Zijn goedertierenheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v45)

**46** [^psalmen-106-46-67] Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v46)

**47** Verlos ons, YHWH, onze God! en verzamel ons[^psalmen-106-47-68][^psalmen-106-47-z] uit de heidenen, opdat wij[^psalmen-106-47-69] de Naam van Uw heiligheid loven,[^psalmen-106-47-70] ons beroemende in Uw lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v47)

**48** Geloofd zij YHWH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zeg: Amen, Hallelujah![^psalmen-106-48-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/106.html#v48)

[^psalmen-106-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekening Ps. 104:35 . Er zijn negen psalmen, die met Hallelujah beginnen; te weten: deze Ps. 106, 111 , 112 , 113 , 135 , 146 , 148 , 149 en 150 . Psalmen 104:35 : De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof YHWH, mijn ziel! Hallelujah!
[^psalmen-106-1-a]: Verwijzing a: Ps. 107:1 ; Ps. 118:1 ; Ps. 136:1 . Psalmen 107:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 118:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 136:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid;
[^psalmen-106-2-2]: Kanttekening 2: de mogendheden: Dat is, de machtige daden van de Heer, die vers 8 , 106:9 , en elders meer, verhaald worden. Zo staat er in dit vers lof voor lofwaardige daden. Psalmen 106:8 : Maar Hij verloste hen vanwege Zijn Naam, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte. Psalmen 106:9 : En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
[^psalmen-106-2-3]: Kanttekening 3: Hebr., יַשְׁמִיעַ, doen horen; dat is, maken dat men hoort. Zie Ps. 26:7 . Psalmen 26:7 : Om te doen horen de stem van de lof, en om te vertellen al Uw wonderen.
[^psalmen-106-3-4]: Kanttekening 4: die het recht: Dat is, die onderhouden wat recht en wel gedaan is. Zie Gen. 18:19 . Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^psalmen-106-4-5]: Kanttekening 5: Gedenk mijn: Hij bidt dat hij onder de genade en goede wil van de Heer, die Hij zijn gemeente toedraagt, mag begrepen zijn.
[^psalmen-106-4-6]: Kanttekening 6: naar het welbehagen: Hebr. in het welbehagen uws volks; dat is dat U in uw volk hebt.
[^psalmen-106-4-7]: Kanttekening 7: bezoek mij: Dat is, help en verlos mij, gelijk Ps. 8:5 ; Luk. 1:68 , 1:69 . Zie de aantekening bij Gen. 21:1 . Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de zoon van de mensen, dat U hem bezoekt? Lukas 1:68 : Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^psalmen-106-4-8]: Kanttekening 8: met uw heil: Dat is, met uw goedertierene hulp en verlossing.
[^psalmen-106-5-9]: Kanttekening 9: Hebr. zie in het goede; gelijk Ps. 27:4 , en Ps. 34:13 ; zie de aantekening bij Ps. 22:18 . Psalmen 27:4 : Een ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis van YHWH, om de liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Psalmen 34:13 : Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^psalmen-106-5-10]: Kanttekening 10: met de blijdschap: Dat is, met zulke vreugde en blijdschap als zich uw volk verheugt, wanneer U hun lichamelijke of geestelijke weldaden bewijst.
[^psalmen-106-5-11]: Kanttekening 11: opdat ik mij: Te weten, in de Heer, gelijk Ps. 34:3 . Psalmen 34:3 : Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in YHWH; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
[^psalmen-106-5-12]: Kanttekening 12: met uw erfdeel: Dat is, met het volk, dat U tot uw erfdeel hebt aangenomen: Ps. 28:9 . Psalmen 28:9 : Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
[^psalmen-106-6-b]: Verwijzing b: Lev. 26:40 ; Jer. 3:25 ; Dan. 9:5 . Leviticus 26:40 : Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hun vaders met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. Jeremia 3:25 : Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaders, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn van de stem van YHWH, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest. Daniël 9:5 : Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechte.
[^psalmen-106-7-13]: Kanttekening 13: op Uw wonderen: Te weten, die U in Egypte gedaan hebt, of die zij van hun voorouders verstaan hadden, dat God van de beginne af gedaan had.
[^psalmen-106-7-14]: Kanttekening 14: Of, grootte.
[^psalmen-106-7-c]: Verwijzing c: Ex. 14:11 ; idem v. 12 . Exodus 14:11 : En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Exodus 14:12 : Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
[^psalmen-106-7-15]: Kanttekening 15: zij waren: Te weten, voordat de Heer hun de Rode zee opende om daardoor te gaan. Zie Ex. 14:11 , 14:12 . Exodus 14:11 : En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Exodus 14:12 : Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
[^psalmen-106-7-16]: Kanttekening 16: bij de schelfzee: Anders: bij het biezen meer. Deze zee wordt Hebr. 11:29 genoemd de Rode zee. Hebreeën 11:29 : Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.
[^psalmen-106-8-d]: Verwijzing d: Ex. 9:16 . Exodus 9:16 : Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde.
[^psalmen-106-9-17]: Kanttekening 17: schold de: Zo dat Hij het vloeien van haar golven deed ophouden. Zie dergelijke kracht van God Ps. 18:16 ; Jes. 50:2 ; Nah. 1:4 ; Matt. 8:26 . Psalmen 18:16 : En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus. Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. Nahum 1:4 : Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. Mattheüs 8:26 : En Hij zei tot hen: Wat bent u vreesachtig, u kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.
[^psalmen-106-9-e]: Verwijzing e: Ex. 14:21 ; idem v. 22 ; idem v. 29 ; Jes. 63:11 ; idem v. 12 ; idem v. 13 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Exodus 14:29 : Maar de kinderen van Israël gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Jesaja 63:11 : Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? Jesaja 63:12 : Die de arm Zijn heerlijkheid heeft doen gaan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte? Jesaja 63:13 : Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.
[^psalmen-106-9-18]: Kanttekening 18: de afgronden: Versta hier door de afgronden de grond van de zee, in welke zij tussen die beide hopen waters, die in de Schelfzee tegenover elkanders als muren overeind stonden, doorgingen; Ex. 14:22 , en Ex. 15:5 . Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Exodus 15:5 : De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
[^psalmen-106-9-19]: Kanttekening 19: als door : Hij wil zeggen dat de grond van het meer tussen die beide overeindstaande wateren zo hard en droog geweest is, alsof het een dorre woestijn geweest was.
[^psalmen-106-10-20]: Kanttekening 20: van de haters: Te weten, van Farao en zijn legermacht, die de Israëlieten vervolgde: Ex. 14:23 . Exodus 14:23 : En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiteren, in het midden van de zee.
[^psalmen-106-11-f]: Verwijzing f: Ex. 14:27 ; Ex. 15:5 . Exodus 14:27 : Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en YHWH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee. Exodus 15:5 : De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
[^psalmen-106-12-g]: Verwijzing g: Ex. 14:31 ; Ex. 15:1 . Exodus 14:31 : Ook zag Israël de grote hand, die YHWH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde YHWH, en geloofde in YHWH, en aan Mozes, Zijn knecht. Exodus 15:1 : Toen zong Mozes en de kinderen van Israël YHWH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal YHWH zingen; want Hij is hernstig verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
[^psalmen-106-13-21]: Kanttekening 21: zij vergaten: Hebr. zij haastten, zij vergaten. Zie Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^psalmen-106-13-22]: Kanttekening 22: Zijn werken: Te weten, die de Heer in en aan de Rode zee gedaan had.
[^psalmen-106-13-23]: Kanttekening 23: verbeidden naar Zijn raad: Zij wilden naar de raad van God niet wachten met geduld; maar zij morden tegen Hem; Ex. 15:24 , en Ex. 17:2 ; Ps. 78:41 . Exodus 15:24 : Toen morde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? Exodus 17:2 : Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Psalmen 78:41 : Want zij kwamen opnieuw, en verzochten God, en stelden de Heilige van Israël een perk.
[^psalmen-106-14-h]: Verwijzing h: Ex. 16:3 ; Num. 11:4 ; idem v. 6 ; idem v. 33 ; Ps. 78:18 ; 1 Kor. 10:6 . Exodus 16:3 : En de kinderen van Israël zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van YHWH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze gehele gemeente door de honger te doden. Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:6 : Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen! Numeri 11:33 : Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. Psalmen 78:18 : En zij verzochten God in hun hart, begerende voedsel naar hun lust. 1 Korinthiërs 10:6 : En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals als zij lust gehad hebben.
[^psalmen-106-14-24]: Kanttekening 24: zij verzochten: Willende zien of Hij machtig was hun vlees te geven in de woestijn.
[^psalmen-106-15-25]: Kanttekening 25: hun begeerte: Dat is, datgene waar zij om gebeden hadden, te weten vlees; Num. 11:31 . Numeri 11:31 : Toen voer een wind uit van YHWH, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.
[^psalmen-106-15-i]: Verwijzing i: Num. 11:20 ; idem v. 33 ; Ps. 78:30 ; idem v. 31 ; Jes. 10:16 . Numeri 11:20 : Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; omdat u YHWH, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen? Numeri 11:33 : Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. Psalmen 78:30 : Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun voedsel was nog in hun mond, Psalmen 78:31 : Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer. Jesaja 10:16 : Daarom zal de Heer YHWH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur.
[^psalmen-106-15-26]: Kanttekening 26: aan hun zielen: Dat is, aan hun personen; eigenlijk aan hun lichamen. Zo staat er ziel voor persoon; Ps. 105:18 . Psalmen 105:18 : Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
[^psalmen-106-15-27]: Kanttekening 27: Of, tering. Hij wil zeggen, zij aten wel, maar hadden er geen voedsel van; zij zijn van dat vlees niet vet geworden, maar mager, zolang totdat zij eindelijk geheel zijn verteerd geweest.
[^psalmen-106-16-k]: Verwijzing k: Num. 16:2 . Numeri 16:2 : En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam.
[^psalmen-106-16-28]: Kanttekening 28: Mozes … Aäron: Zo dat zij tegen hen opstonden, en hen hielden en scholden voor eergierige en hoogmoedige mensen.
[^psalmen-106-16-29]: Kanttekening 29: de heilige: Dat is, welke God afgezonderd en geheiligd had tot zijn dienst om hogepriester te zijn; Ex. 29:44 ; Lev. 8:12 , enz.; Num. 16:5 , 16:7 . Exodus 29:44 : En Ik zal de tent van de samenkomst heiligen, en ook het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen. Leviticus 8:12 : Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. Numeri 16:5 : En hij sprak tot Korach, en tot zijn gehele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. Numeri 16:7 : En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht van YHWH; en het zal gebeuren, dat de man, die YHWH verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, u, kinderen van Levi!
[^psalmen-106-17-l]: Verwijzing l: Num. 16:31 ; idem v. 32 ; idem v. 33 ; Deut. 11:6 . Numeri 16:31 : En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aarde, dat onder hen was, gekloofd; Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. Numeri 16:33 : En zij voeren neder, zij en alles wat hun was, levend ter dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente. Deuteronomium 11:6 : Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van geheel Israël.
[^psalmen-106-17-30]: Kanttekening 30: de vergadering: Dat is, het volk dat hem aanhing.
[^psalmen-106-18-m]: Verwijzing m: Num. 16:35 ; idem v. 46 . Numeri 16:35 : Daartoe ging een vuur uit van YHWH, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden. Numeri 16:46 : En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van YHWH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.
[^psalmen-106-18-31]: Kanttekening 31: onder hun vergadering: Te weten, tegen de vergadering van Korach en zijn medeschuldigen.
[^psalmen-106-19-n]: Verwijzing n: Ex. 32:4 . Exodus 32:4 : En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
[^psalmen-106-19-32]: Kanttekening 32: Dit is de naam van een berg in de woestijn, anders genoemd de berg van God; Ex. 3:1 , en 1 Kon. 19:8 , ook Sinaï, Ps. 68:9 . Zie de aantekening bij Deut. 1:2 . Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. 1 Koningen 19:8 : Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht van dat voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb. Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook droop de hemel voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël.
[^psalmen-106-20-33]: Kanttekening 33: hun Eer: Te weten, hun God, die hun rechte eer en onwaardeerlijke schat was; gelijk Jer. 2:11 ; Rom. 1:23 , die zich hun wonderbaarlijk openbaarde, hen tot zijn volk had aangenomen en een verbond met hen gemaakt had. Jeremia 2:11 : Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet. Romeinen 1:23 : En hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
[^psalmen-106-20-34]: Kanttekening 34: een os: Dat is, van een kalf.
[^psalmen-106-22-35]: Kanttekening 35: in het land van Cham: Dat is, in Egypte, gelijk Ps. 78:51 , en Ps. 105:23 . Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham. Psalmen 105:23 : Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.
[^psalmen-106-23-o]: Verwijzing o: Ex. 32:11 ; idem v. 32 ; Deut. 9:13 ; idem 9:14 ; Deut. 10:10 . Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk. Deuteronomium 9:14 : Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge, en hun naam van onder de hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is. Deuteronomium 10:10 : En ik stond op de berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en YHWH verhoorde mij ook op datzelfde maal; YHWH heeft u niet willen verderven.
[^psalmen-106-23-36]: Kanttekening 36: in de scheur: Of, in de reet, breuk, bres, welke hun zonde voor God geopend had, hun vijand geworden zijnde vanwege hun zonden, om tot hun verderf tot hen in te komen. Het is een manier van spreken genomen van de krijgslieden, die door reten, scheuren of bressen van de muren in de stad komen, Ez. 22:30 ; maar het ijverig en ernstig gebed van Mozes heeft de bres gestopt; Ex. 32:11 , 32:12 , 32:13 , 32:14 . Ezechiël 22:30 : Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand. Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen. Exodus 32:13 : Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan welke U bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. Exodus 32:14 : Toen berouwde YHWH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.
[^psalmen-106-24-p]: Verwijzing p: Num. 14:1 ; idem v. 2 . Numeri 14:1 : Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht. Numeri 14:2 : En al de kinderen van Israël morden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zei tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!
[^psalmen-106-24-37]: Kanttekening 37: het gewenste: Hebr., אֶרֶץ, het land van de begeerte; dat is, het land van Kanaän, dat een schoon gewenst land was, vloeiende van melk en honing, waar ook de vrome voorvaders een grote begeerte toe gehad hadden. Zie Deut. 8:7 , en Deut. 11:10 , 11:11 , 11:12 ; Jer. 3:19 ; Ez. 20:6 . Deuteronomium 8:7 : Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; Deuteronomium 11:10 : Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof. Deuteronomium 11:11 : Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel; Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. Jeremia 3:19 : Ik zei wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de legermachten van de heidenen? Maar Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en u zult van achter Mij niet afkeren. Ezechiël 20:6 : Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen.
[^psalmen-106-24-38]: Kanttekening 38: zij geloofden: Dat is, zij geloofden de beloften van God niet, dat Hij hen in het beloofde land brengen en daarin bewaren zou; maar uit ongeloof wilden zij weer naar Egypte keren.
[^psalmen-106-25-39]: Kanttekening 39: naar de stem: Hij geeft te kennen dat het volk onwillig was naar het beloofde land toe te trekken; Deut. 1:32 . Deuteronomium 1:32 : Maar door dit woord geloofde u niet aan YHWH, uw God.
[^psalmen-106-26-40]: Kanttekening 40: hief Hij tegen: Zie de aantekening bij Gen. 14:22 . Maar hoe en wat God tegen dit volk gezworen heeft, zie breder Deut. 2:14 ; Num. 14:21 , 14:23 ; Ps. 95:11 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Deuteronomium 2:14 : De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het gehele geslacht van de krijgslieden uit het midden van de heirlegers verteerd was, gelijk YHWH hun gezworen had. Numeri 14:21 : Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden! Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaders gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
[^psalmen-106-26-q]: Verwijzing q: Num. 14:28 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt!
[^psalmen-106-27-41]: Kanttekening 41: hen verstrooien: Dit staat niet bij de eed, die God gedaan heeft; Num. 14:28 , maar het staat Lev. 26:33 , en Deut. 28:36 . Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Leviticus 26:33 : Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. Deuteronomium 28:36 : YHWH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaders; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen.
[^psalmen-106-27-r]: Verwijzing r: Ps. 44:12 ; Ez. 20:23 . Psalmen 44:12 : U geeft ons over als schapen ter voedsel, en U verstrooit ons onder de heidenen. Ezechiël 20:23 : Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen;
[^psalmen-106-28-42]: Kanttekening 42: Aldus heet de afgod van de Moabieten; Num. 25:3 , 25:5 . Zie de aantekening bij Richt. 2:11 . Numeri 25:3 : Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. Numeri 25:5 : Toen zei Mozes tot de rechters van Israël: Een iedere dode zijn mannen, die zich aan Baäl-peor gekoppeld hebben! Richteren 2:11 : Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^psalmen-106-28-s]: Verwijzing s: Num. 25:3 ; Num. 31:16 ; Openb. 2:14 . Numeri 25:3 : Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. Numeri 31:16 : Ziet, deze waren, door de raad van Bileam, de kinderen van Israël, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH. Openbaring 2:14 : Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
[^psalmen-106-28-43]: Kanttekening 43: de offeranden: Dat is, de offeranden, die aan de doden geofferd waren, te weten, aan de afgoden, Num. 25:2 , dat niet dan dode dingen zijn, gene beweging of gevoel hebbende, Ps. 115:5 , enz.; 1 Kor. 12:2 ; daarentegen wordt de ware God genoemd de levende God; Jer. 10:5 , 10:10 , en 1 Thess. 1:9 . Numeri 25:2 : En zij nodigden het volk tot de slachtofferen van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. Psalmen 115:5 : Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; 1 Korinthiërs 12:2 : U weet, dat u heidenen was, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat u geleid werdt. Jeremia 10:5 : Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. Jeremia 10:10 : Maar YHWH God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen. 1 Thessalonicensen 1:9 : Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe u tot God bekeerd bent van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen;
[^psalmen-106-29-44]: Kanttekening 44: met hun daden: Te weten, met het aanbidden van Baäl-Peor en met de hoererij, die zij met de Moabietische vrouwen bedreven.
[^psalmen-106-29-45]: Kanttekening 45: een inbreuk: Dodende vier en twintig duizend mannen, Num. 25:9 , hetzij door een engel of anderzins. Immers zijn zij zeer spoedig omgekomen. Numeri 25:9 : Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.
[^psalmen-106-30-46]: Kanttekening 46: hij oefende: Dat is, Hij deed uitspraak en straf over de misdaad, waarvan Num. 25:8 , 25:9 , enz. geschreven staat. Numeri 25:8 : En hij ging de Israëlietische man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, de Israëlietische man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen van Israël opgehouden. Numeri 25:9 : Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.
[^psalmen-106-31-47]: Kanttekening 47: tot gerechtigheid: Dat is, tot een wettelijke, goede en prijzenswaardige daad, door ingeving van de Heilige Geest, alhoewel buiten zijn gewoon beroep gedaan, God hem zulks genadiglijk beloonde, Num. 25:11 , enz. waardoor hij ook getuigenis verkreeg dat hij een kind van God was. Numeri 25:11 : Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen van Israël afgewend, omdat hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden daarvan, zodat Ik de kinderen van Israël in Mijn ijver niet vernield heb.
[^psalmen-106-32-t]: Verwijzing t: Num. 20:12 ; Ps. 95:8 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. Psalmen 95:8 : Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk op de dag van Massa in de woestijn;
[^psalmen-106-32-48]: Kanttekening 48: Hem : Te weten, God.
[^psalmen-106-32-49]: Kanttekening 49: het ging: Zo dat hem van God gezegd werd dat hij in het land Kanaän niet komen zou, Num. 20:12 . Zie Deut. 1:37 . Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. Deuteronomium 1:37 : Ook vertoornde zich YHWH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen.
[^psalmen-106-33-50]: Kanttekening 50: wat onbedachtelijk : Te weten, enige woorden, die hij niet had behoren te spreken, want hij bewees enige ongeduldigheid met mistrouwen vermengd, en hij heiligde de Heer niet voor de Israëlieten, gelijk hij schuldig was te doen. Zie Num. 20:10 , 20:12 . Numeri 20:10 : En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoort toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen? Numeri 20:12 : Daarom zei YHWH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.
[^psalmen-106-34-51]: Kanttekening 51: die volken: Te weten, de heidenen, die het land Kanaän bewoonden, gelijk er staat Richt. 1:21 , 1:27 , 1:29 , 1:30 , 1:31 , 1:33 ; dat nochtans God de Heer hun bevolen had; Ex. 23:32 , 23:33 ; Num. 33:52 ; Deut. 7:2 . Richteren 1:21 : Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag. Richteren 1:27 : En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. Richteren 1:29 : Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer. Richteren 1:30 : Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem, en waren schatplichtig. Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; Richteren 1:33 : Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig. Exodus 23:32 : U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Numeri 33:52 : Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult u al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen. Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.
[^psalmen-106-34-52]: Kanttekening 52: gezegd had: Dat is, bevolen.
[^psalmen-106-35-53]: Kanttekening 53: zij vermengden: Dat is, zij trouwden dier heidense dochters.
[^psalmen-106-35-v]: Verwijzing v: Richt. 2:2 ; Richt. 3:5 ; idem 3:6 . Richteren 2:2 : En u aangaande, u zult geen verbond maken met de inwoners van deze lands; hun altaren zult u afbreken. Maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt u dit gedaan? Richteren 3:5 : Als nu de kinderen van Israël woonden in het midden van de Kanaänieten, van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; Richteren 3:6 : Zo namen zij zich van die dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan van die zonen; en zij dienden van die goden.
[^psalmen-106-36-54]: Kanttekening 54: hun afgoden: Zie 1 Sam. 31:9 , en 2 Sam. 5:21 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21 : En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^psalmen-106-36-55]: Kanttekening 55: werden hun tot een strik: Dat is, die hen ten verderve gereikt hebben, gelijk God hun voorzegd had; Ex. 23:33 ; Deut. 7:16 ; Richt. 2:3 . Het is een manier van spreken, genomen van de vogelvangers, die de vogels met hun strikken en netten gevangen hebbende, doden. Exodus 23:33 : Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Deuteronomium 7:16 : U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Richteren 2:3 : Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
[^psalmen-106-37-x]: Verwijzing x: Lev. 18:21 ; Deut. 12:31 ; 2 Kon. 16:3 ; 2 Kon. 17:17 ; 2 Kon. 21:6 ; 2 Kron. 28:3 ; 2 Kron. 33:6 . Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Deuteronomium 12:31 : U zult zo niet doen YHWH, uw God; want al wat YHWH een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor hun goden. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Koningen 17:17 : Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. 2 Kronieken 28:3 : Dezelfde rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. 2 Kronieken 33:6 : En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^psalmen-106-37-56]: Kanttekening 56: de duivelen: Zie de aantekening bij Deut. 32:17 . Deuteronomium 32:17 : Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor die uw vaders niet geschrikt hebben.
[^psalmen-106-38-y]: Verwijzing y: Num. 35:33 . Numeri 35:33 : Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene, die dat vergoten heeft.
[^psalmen-106-38-57]: Kanttekening 57: het land: Te weten, het land Kanaän.
[^psalmen-106-38-58]: Kanttekening 58: Hebr., דָם, bloeden; gelijk Ps. 51:16 . Zie de aantekening bij Gen. 4:10 . Psalmen 51:16 : Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^psalmen-106-39-59]: Kanttekening 59: Versta hier geestelijke hoererij, dat is afgoderij. Zie de aantekening bij Lev. 17:7 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^psalmen-106-40-60]: Kanttekening 60: Zijn erfdeel: Zie de aantekening boven, vers 5.
[^psalmen-106-41-61]: Kanttekening 61: Hij gaf hen in: Gelijk te zien is in het Boek van de Richteren doorgaans.
[^psalmen-106-42-62]: Kanttekening 62: hun vijanden: Te weten, de vijanden, die rondom hen woonden, gelijk hun voorzegd was;
[^psalmen-106-43-63]: Kanttekening 63: Te weten, uit de hand van hun vijanden door Ehud, Barak, Gideon, Jefta, Simson, enz.; Richt. 3 , Richt. 4 , Richt. 7 , Richt. 11 , Richt. 15 ; Neh. 9:28 , 9:30 . Nehemia 9:28 : Maar als zij rust hadden, keerden zij weer om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet U hen in de hand van hun vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt U hen van de hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt. Nehemia 9:30 : Maar U vertoogt het vele jaren over hen, en betuigde tegen hen door Uw Geest, door de dienst van Uw profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt U hen gegeven in de hand van de volken van de landen.
[^psalmen-106-43-64]: Kanttekening 64: door hun raad: De zin is, dat zij telkens weer aangingen met zondigen en met moedwilligheid tegen de Heer te bedrijven; Num. 15:39 . Numeri 15:39 : En hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van YHWH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende;
[^psalmen-106-45-65]: Kanttekening 65: Hij dacht tot: Hebr., בְּרִית, Hij dacht hun aan zijn verbond; zie Gen. 8:1 ; Deut. 30:1 , enz. Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Deuteronomium 30:1 : Verder zal het gebeuren, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult u het weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u YHWH, uw God, gedreven heeft;
[^psalmen-106-45-66]: Kanttekening 66: het berouwde: Te weten, van de straf hun toegezonden; dat is, Hij nam een anderen koers dan Hij tevoren genomen had, en Hij nam hun de straf af. Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^psalmen-106-46-67]: Kanttekening 67: Daarom gaf Hij: Hebr., יִּתֵּן, En Hij gaf hun tot ontfermingen. Zie 1 Kon. 8:50 . 1 Koningen 8:50 : En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen;
[^psalmen-106-47-68]: Kanttekening 68: uit de heidenen: Onder welke vele Israëlieten verspreid waren en woonden, ook velen gevangenen zaten.
[^psalmen-106-47-z]: Verwijzing z: 1 Kron. 16:35 . 1 Kronieken 16:35 : En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heilige Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
[^psalmen-106-47-69]: Kanttekening 69: de naam uw heiligheid: Dat is, uw heilige naam.
[^psalmen-106-47-70]: Kanttekening 70: ons beroemende: Dat is, ons verheugende over uw genade, vanwege welke U geroemd en geprezen wordt.
[^psalmen-106-48-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 16:36 . 1 Kronieken 16:36 : Geloofd zij YHWH, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zei: Amen! en het loofde YHWH.

### Psalmen 107

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/107.json)

*De psalmist vermaant tot prijs en lof van de HEERE allen die bevrijd zijn uit de hand van hun tegenstanders, allen die dwalen in vreemdelingschap, alle gevangenen en zieken, alle zeevarenden, en voorts alle andere mensen, vanwege de veranderingen in elk land en in ieder persoon, door Gods regering, terwijl hij hen prijst die dit goed waarnemen.*

**1** Loof YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v1)

**2** Dat[^psalmen-107-2-1][^psalmen-107-2-2] dat de bevrijden van YHWH zeggen, die Hij van de hand van de tegenstanders bevrijd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v2)

**3** En Hij die uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van[^psalmen-107-3-3] de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v3)

**4** Die in de woestijn dwaalden, in een[^psalmen-107-4-4] weg van de wildernis, die[^psalmen-107-4-5] geen stad tot een woning vonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v4)

**5** Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen[^psalmen-107-5-6] overstelpt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v5)

**6** Maar roepende tot YHWH[^psalmen-107-6-7] in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v6)

**7** En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan[^psalmen-107-7-8] tot een stad tot een woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v7)

**8** [^psalmen-107-8-9] Laat[^psalmen-107-8-10] hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken[^psalmen-107-8-11] voor de kinderen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v8)

**9** Want Hij[^psalmen-107-9-12] heeft de dorstige ziel verzadigd, en[^psalmen-107-9-13] de hongerige ziel met goed vervuld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v9)

**10** Die in duisternis en[^psalmen-107-10-14] de schaduw van de dood zaten, gebonden[^psalmen-107-10-15] met verdrukking en ijzer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v10)

**11** Omdat zij opstandig waren geweest tegen Gods[^psalmen-107-11-16] geboden, en de raad van de Allerhoogste onwaardig verworpen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v11)

**12** Waarom[^psalmen-107-12-17] Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v12)

**13** [^psalmen-107-13-18] Maar roepende tot YHWH in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v13)

**14** Hij voerde[^psalmen-107-14-19] hen uit de duisternis en de schaduw van de dood, en Hij brak hun banden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v14)

**15** [^psalmen-107-15-20] Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v15)

**16** Want Hij heeft[^psalmen-107-16-21] de koperen deuren[^psalmen-107-16-22] gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.[^psalmen-107-16-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v16)

**17** De zotten worden om de weg van hun overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;[^psalmen-107-17-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v17)

**18** Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en[^psalmen-107-18-25] zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.[^psalmen-107-18-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v18)

**19** Maar roepende tot YHWH in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.[^psalmen-107-19-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v19)

**20** Hij zond Zijn woord uit, en[^psalmen-107-20-28] heelde hen, en[^psalmen-107-20-29] rukte hen uit[^psalmen-107-20-30] hun kuilen.[^psalmen-107-20-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v20)

**21** Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen.[^psalmen-107-21-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v21)

**22** [^psalmen-107-22-a] En dat zij lofoffers offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v22)

**23** Die met schepen ter zee afvaren,[^psalmen-107-23-b] handel doende[^psalmen-107-23-33] op grote wateren;[^psalmen-107-23-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v23)

**24** Die zien de werken van YHWH, en Zijn wonderwerken in de diepte.[^psalmen-107-24-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v24)

**25** Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.[^psalmen-107-25-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v25)

**26** Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neer[^psalmen-107-26-37] tot in de afgronden;[^psalmen-107-26-38] hun ziel versmelt[^psalmen-107-26-39] van angst.[^psalmen-107-26-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v26)

**27** Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.[^psalmen-107-27-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v27)

**28** Maar roepende tot YHWH in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v28)

**29** Hij doet de storm stilstaan, zodat[^psalmen-107-29-42] hun golven[^psalmen-107-29-43] stilzwijgen.[^psalmen-107-29-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v29)

**30** Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven van hun begeerte geleid heeft.[^psalmen-107-30-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v30)

**31** Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v31)

**32** En Hem verhogen in de gemeente van het volk, en in het gestoelte[^psalmen-107-32-46] van de oudsten Hem roemen.[^psalmen-107-32-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v32)

**33** Hij[^psalmen-107-33-48] stelt de rivieren tot een woestijn, en[^psalmen-107-33-49] watertochten tot dorstig land.[^psalmen-107-33-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v33)

**34** Het vruchtbaar[^psalmen-107-34-51] land tot zouten grond, om de boosheid van degenen, die daarin wonen.[^psalmen-107-34-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v34)

**35** Hij stelt[^psalmen-107-35-c] de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land[^psalmen-107-35-53] tot watertochten.[^psalmen-107-35-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v35)

**36** En Hij doet de hongerigen[^psalmen-107-36-55] daar wonen, en zij stichten[^psalmen-107-36-56] een stad tot een woning;[^psalmen-107-36-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v36)

**37** En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.[^psalmen-107-37-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v37)

**38** En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.[^psalmen-107-38-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v38)

**39** Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking,[^psalmen-107-39-60] kwaad en droefenis.[^psalmen-107-39-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v39)

**40** Hij[^psalmen-107-40-62] stort verachting uit[^psalmen-107-40-63] over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.[^psalmen-107-40-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v40)

**41** Maar[^psalmen-107-41-d] Hij brengt de arme uit de verdrukking in een vesting, en[^psalmen-107-41-65] maakt de huisgezinnen als kudden.[^psalmen-107-41-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v41)

**42** [^psalmen-107-42-e] De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar[^psalmen-107-42-f] alle ongerechtigheid stopt haar mond.[^psalmen-107-42-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v42)

**43** Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en[^psalmen-107-43-68] dat zij verstandig letten op de goedertierenheden van YHWH.[^psalmen-107-43-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/107.html#v43)

[^psalmen-107-2-1]: Kanttekening 1: zulks : Te weten, dat de Heer goed is, enz. vers 1 . Psalmen 107:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-107-2-2]: Kanttekening 2: Of, verlosten; te weten, uit veel gevaren en zwarigheden, gelijk straks volgt.
[^psalmen-107-3-3]: Kanttekening 3: Te weten, de Rode zee, die ten zuiden van het land Kanaän; Joz. 23:4 . Jozua 23:4 : Ziet, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, ten erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen de ondergang van de zon.
[^psalmen-107-4-4]: Kanttekening 4: weg van de wildernis: Hebr. in een wildernis, of eenzaamheid van de weg; zie van deze woestijn Deut. 8:15 ; Jer. 2:6 . Deuteronomium 8:15 : Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Jeremia 2:6 : En zeiden niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
[^psalmen-107-4-5]: Kanttekening 5: geen stad tot een woning: Anders, geen bewoonlijke stad . Hebreeuws, מוֹשָׁב, geen stad van de woning .
[^psalmen-107-5-6]: Kanttekening 6: Te weten, van angst en benauwdheid gelijk Ps. 102:1 . Psalmen 102:1 : Een gebed van de verdrukte, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van YHWH.
[^psalmen-107-6-7]: Kanttekening 7: in de benauwdheid: Anders: in hun benauwdheid.
[^psalmen-107-7-8]: Kanttekening 8: tot een stad tot een woning: Hebreeuws, מוֹשָֽׁב, een stad van de woning , als in vers 4.
[^psalmen-107-8-9]: Kanttekening 9: Laat hen: Dit vers wordt herhaald onder vers 15 . Psalmen 107:15 : Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen;
[^psalmen-107-8-10]: Kanttekening 10: voor YHWH: Of, bij de Heer; dat is, zo in het geheim, in hun hart wetende dat God een kenner van de harten en doorgronder van de nieren is als openlijk voor Gods gemeente.
[^psalmen-107-8-11]: Kanttekening 11: voor de kinderen van de mensen: Dat is, dat het de mensen horen en zien.
[^psalmen-107-9-12]: Kanttekening 12: dorstige ziel: Hebr. begerige, of begerende; te weten een dronk om de dorst te lessen; gelijk Jes. 29:8 . Zie de aantekening bij Job 39:1 . Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen. Job 39:1 : Zult u voor de oude leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen?
[^psalmen-107-9-13]: Kanttekening 13: hongerige ziel: Zie Ps. 65:5 ; Luk. 1:53 . Zie ook de aantekening bij Job 18:12 . Psalmen 65:5 : Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij woont in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Lukas 1:53 : Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden. Job 18:12 : Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
[^psalmen-107-10-14]: Kanttekening 14: schaduw van de dood: Dat is, dikke duisternis, waarvan men verschrikt, of zulke duisternis als onder de aarde is, waar de doden begraven liggen. Zie Ps. 23:4 . Psalmen 23:4 : Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
[^psalmen-107-10-15]: Kanttekening 15: met verdrukking en ijzer: Dat is, in de ijzers geslagen en zeer bedrukt. Zie Job 36:8 , 36:9 . Job 36:8 : En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende; Job 36:9 : Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;
[^psalmen-107-11-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, אִמְרֵי, redenen , of, zeggen . Dat is, geboden, bevelen.
[^psalmen-107-12-17]: Kanttekening 17: Te weten, de Heer.
[^psalmen-107-13-18]: Kanttekening 18: Maar roepende: Gelijk vers 6 . Psalmen 107:6 : Maar roepende tot YHWH in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
[^psalmen-107-14-19]: Kanttekening 19: uit de duisternis: Dat is, uit de benauwdheid en bangheid.
[^psalmen-107-15-20]: Kanttekening 20: Laat hen: Gelijk vers 8 . Psalmen 107:8 : Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen;
[^psalmen-107-16-21]: Kanttekening 21: de koperen deuren: Waarmee de gevangenissen gesloten waren; versta hierdoor alle grote hindernissen. Zie Jes. 45:2 . Jesaja 45:2 : Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.
[^psalmen-107-16-22]: Kanttekening 22: Te weten, om de ellendige en benauwde mensen te verlossen.
[^psalmen-107-16-23]: Kanttekening 23: Te weten, om de ellendige en benauwde mensen te verlossen.
[^psalmen-107-17-24]: Kanttekening 24: De zotten: Dat is, de kwalijk beradene en kwalijk bedachte mensen, of die God niet vrezen, dat de grootste dwaasheid is, gelijk integendeel God vrezen de grootste wijsheid is. Zie Job 5:2 . Job 5:2 : Want de dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt de slechte.
[^psalmen-107-18-25]: Kanttekening 25: Dat is, eetlust; gelijk Job 33:20 . Job 33:20 : Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel het begeerlijke voedsel;
[^psalmen-107-18-26]: Kanttekening 26: zij waren: Dat is, zij zijn in merkelijke gevaar van de dood gekomen. Zie Job 33:22 ; Ps. 9:14 . Job 33:22 : En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. Psalmen 9:14 : Wees mij genadig, YHWH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de dood;
[^psalmen-107-19-27]: Kanttekening 27: Maar roepende: Zie boven vers 6 . Psalmen 107:6 : Maar roepende tot YHWH in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
[^psalmen-107-20-28]: Kanttekening 28: Zijn woord: Dat is, Zijn bevel, te weten, dat ze weer gezond zouden worden.
[^psalmen-107-20-29]: Kanttekening 29: heelde hen: Zie Deut. 32:39 ; Job 33:19 , 33:24 ; Hos. 6:1 ; zie een exempel in Hizkia: 2 Kon. 20:1 , 20:4 , 20:5 , 20:7 . Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! Job 33:19 : Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte van zijn beenderen; Job 33:24 : Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Hosea 6:1 : Komt en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. 2 Koningen 20:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven. 2 Koningen 20:4 : Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van YHWH tot hem geschiedde, zeggende: 2 Koningen 20:5 : Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger Mijns volks: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van YHWH; 2 Koningen 20:7 : Daarna zei Jesaja: Neemt een klomp vijgen; en zij namen ze, en leiden ze op de zweer, en hij werd genezen.
[^psalmen-107-20-30]: Kanttekening 30: rukte hen: Dat is, Hij heeft hen gelijk als uit het graf weer doen opstaan en in de uiterste gevaarlijkheid van de dood bewaard. Zie Ps. 7:16 ; Job 33:24 , 33:28 , 33:30 . Psalmen 7:16 : Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Job 33:24 : Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Job 33:28 : Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. Job 33:30 : Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht van de levenden.
[^psalmen-107-20-31]: Kanttekening 31: Of, verdervingen.
[^psalmen-107-21-32]: Kanttekening 32: Laat hen: Gelijk boven vers 8 . Psalmen 107:8 : Laat hen voor YHWH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen;
[^psalmen-107-22-a]: Verwijzing a: Lev. 7:12 ; Ps. 50:14 . Leviticus 7:12 : Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn. Psalmen 50:14 : Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften.
[^psalmen-107-23-b]: Verwijzing b: Openb. 18:17 . Openbaring 18:17 : En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;
[^psalmen-107-23-33]: Kanttekening 33: Te weten, diepte in de baren van de zee. Of van de oever afdalen, afvaren, of nederdalen.
[^psalmen-107-23-34]: Kanttekening 34: op grote wateren: Anders: op vele wateren.
[^psalmen-107-24-35]: Kanttekening 35: in de diepte: Zie Job 41:22 . Job 41:22 : Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.
[^psalmen-107-25-36]: Kanttekening 36: haar golven: Te weten, van de zee. Zie Job 26:12 met de aantekening. Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
[^psalmen-107-26-37]: Kanttekening 37: Zij rijzen op: Dit is een afbeelding van de gevaren, in welke de mensen op zee zijn als zich de stormwinden verheffen.
[^psalmen-107-26-38]: Kanttekening 38: tot in de afgronden: Dat is, tot op de bodem van de zee. Zie Ps. 42:8 . Psalmen 42:8 : De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
[^psalmen-107-26-39]: Kanttekening 39: hun ziel versmelt: Dat is, de moed ontzinkt ze, en ze zijn zo bang alsof ze straks het leven verliezen zouden.
[^psalmen-107-26-40]: Kanttekening 40: van angst: Hebr., רָעָה, van het kwaad.
[^psalmen-107-27-41]: Kanttekening 41: al hun wijsheid: Dat is, zij weten geen raad hoe zij uit die benauwdheid geraken zullen.
[^psalmen-107-29-42]: Kanttekening 42: Hij doet de storm stilstaan: Hebreeuws, סְעָרָה, Hij stelt de storm in stilte , dat is, Hij verandert de storm in kalmte, zie Job 26:12 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.
[^psalmen-107-29-43]: Kanttekening 43: hun golven: Hebreeuws, haarlieder golven , te weten, de golven die zij zo zeer vreesden, als die hen de dood dreigden. Zie Jona 1:15 , Matt. 8:26 , Mark. 4:37 . Jona 1:15 : En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar toorn. Mattheüs 8:26 : En Hij zei tot hen: Wat bent u vreesachtig, u kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte. Marcus 4:37 : En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, zo dat het nu vol werd.
[^psalmen-107-29-44]: Kanttekening 44: Zo ook vers 30 . Psalmen 107:30 : Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven van hun begeerte geleid heeft.
[^psalmen-107-30-45]: Kanttekening 45: Te weten, de wateren.
[^psalmen-107-32-46]: Kanttekening 46: in het gestoelte van de oudsten: Dat is, in het gestoelte waar de oudsten bij elkaar zitten.
[^psalmen-107-32-47]: Kanttekening 47: van de oudsten: Dat is, de raadsheren en oversten van het volk.
[^psalmen-107-33-48]: Kanttekening 48: Te weten, de Heer.
[^psalmen-107-33-49]: Kanttekening 49: stelt de rivieren tot een woestijn: Dat is, Hij verandert vruchtbare waterige landen in droge onvruchtbare woestijnen.
[^psalmen-107-33-50]: Kanttekening 50: Hebr. uitgangen; dat is, vochtige vruchtdragende landen. De zin van dit vers is dat God door zijn goddelijke kracht, voorzienigheid en regering, dikwijls wonderbaarlijke verandering in de wereld brengt, als Hij een land straffen of zegenen wil, opdat zijn glorie en macht blijke, zo in het straffen als in het zegenen.
[^psalmen-107-34-51]: Kanttekening 51: Het vruchtbaar land: Wat hier gezegd wordt, blijkt aan het Joodse land, dat eertijds zeer vruchtbaar geweest is, maar nu is het zeer onvruchtbaar, woest en dor.
[^psalmen-107-34-52]: Kanttekening 52: zouten grond : Hebr. tot zoutigheid; dat is, tot een zout, onvruchtbaar land. Zo ook Job 39:9 ; Jer. 17:6 ; want zoutigheid veroorzaakt onvruchtbaarheid. Zie Deut. 29:23 ; Richt. 9:45 . Job 39:9 : Die Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. Jeremia 17:6 : Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Richteren 9:45 : Verder streed Abimelech tegen de stad dienzelven gansen dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout.
[^psalmen-107-35-c]: Verwijzing c: Jes. 41:18 . Jesaja 41:18 : Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten.
[^psalmen-107-35-53]: Kanttekening 53: Hij stelt de woestijn tot een waterpoel: Dat is, het droge onvruchtbare land maakt Hij vochtig en dienvolgens vruchtbaar.
[^psalmen-107-35-54]: Kanttekening 54: tot watertochten: Hebr., מַיִם, tot uitgangen van de wateren , als vers 33.
[^psalmen-107-36-55]: Kanttekening 55: Zie boven vers 9 . Psalmen 107:9 : Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
[^psalmen-107-36-56]: Kanttekening 56: Te weten, in dat land, dat Hij van onvruchtbaar tot vruchtbaar land heeft gemaakt.
[^psalmen-107-36-57]: Kanttekening 57: een stad tot een woning: Hebreeuws, מוֹשָֽׁב, een stad van de woning .
[^psalmen-107-37-58]: Kanttekening 58: die inkomende vrucht voortbrengen: Hebr., פְּרִי, die vrucht van de inkomsten maken; dat is, vruchten jaarlijks inkomende. Of zij, te weten, de landbouwers, geven vruchtbare opkomsten.
[^psalmen-107-38-59]: Kanttekening 59: vermindert Hij niet: Versta hierbij, maar Hij vermeerdert het.
[^psalmen-107-39-60]: Kanttekening 60: komen ten onder: Hebr. worden nedergebogen, of nedergekromd; te weten, wanneer God, omdat zij zich opnieuw enig verloop geeft in het land, waar zij hun woning hadden.
[^psalmen-107-39-61]: Kanttekening 61: kwaad en droefenis: Dat is, ongeluk, allerlei ellende.
[^psalmen-107-40-62]: Kanttekening 62: Te weten, de Heer. Zie Job 12:21 , 12:24 . Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen. Job 12:24 : Hij neemt het hart van de hoofden van het volk van de aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
[^psalmen-107-40-63]: Kanttekening 63: stort verachting uit: Te weten, als Hij hen straffen wil.
[^psalmen-107-40-64]: Kanttekening 64: over de prinsen: Dat is, over of op de voornaamste en meest uitstekende personen van het land.
[^psalmen-107-41-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 2:8 ; Ps. 113:7 ; idem v. 8 . 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van het aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt; Psalmen 113:8 : Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk.
[^psalmen-107-41-65]: Kanttekening 65: in een vesting: Dat is, op een hoge plaats, waar hij buiten gevaar is van vertreden of overrompeld te worden.
[^psalmen-107-41-66]: Kanttekening 66: maakt de huisgezinnen als kudden: Dat is, Hij maakt hen sterk van geslachten, of Hij vermeerdert hen.
[^psalmen-107-42-e]: Verwijzing e: Job 22:19 . Job 22:19 : De rechtvaardigen zagen het, en waren blij, en de onschuldige bespotte hen;
[^psalmen-107-42-f]: Verwijzing f: Job 5:16 . Job 5:16 : Zo is voor de arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
[^psalmen-107-42-67]: Kanttekening 67: alle ongerechtigheid: Dat is, alle ongerechtigen, gelijk Job 24:20 ; zo staat er hovaardij voor hovaardige mensen, Ps. 36:12 ; boosheid voor boze. De profeet wil zeggen: De bozen en goddelozen zulks ziende, worden gedwongen de mond toe te houden, die zij tegen God geopend hadden, voortaan de voorzienigheid Gods niet durvende tegenspreken. Zie Job 5:16 . Job 24:20 : De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. Psalmen 36:12 : De voet van de hovaardigen kome niet over mij, en de hand van de goddelozen doe mij niet omzwerven. Job 5:16 : Zo is voor de arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.
[^psalmen-107-43-68]: Kanttekening 68: Wie is wijs: Of, wie is wijs en neemt deze dingen waar? alsof hij zei: Och hoe weinige zulke wijzen vindt men? Zo ook Jer. 9:12 ; Hos. 14:10 . Jeremia 9:12 : Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wie heeft de mond van YHWH gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat? Hosea 14:10 : Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want de wegen van YHWH zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.
[^psalmen-107-43-69]: Kanttekening 69: dat zij verstandig letten op de goedertierenheden van YHWH: Of, zo zal men verstaan de goedertierenheid van de Heer.

### Psalmen 108

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/108.json)

*David wekt zichzelf op tot prijs en lof van de HEERE, terwijl hij tevens God bidt om Zijn bijstand, met vast vertrouwen dat hij door Zijn goedgunstigheid de overhand over zijn vijanden hebben zou.*

**1** Een lied, een psalm van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v1)

**2** [^psalmen-108-2-1] O God! mijn hart[^psalmen-108-2-2] is bereid; ik zal zingen en psalmzingen,[^psalmen-108-2-3] ook mijn eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v2)

**3** Waak op, u luit en harp![^psalmen-108-3-4] ik zal in de dageraad opwaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v3)

**4** Ik zal U loven[^psalmen-108-4-5] onder de volken, o YHWH! en ik zal U psalmzingen onder de natiën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v4)

**5** [^psalmen-108-5-a] Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en[^psalmen-108-5-6] Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v5)

**6** Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v6)

**7** Opdat[^psalmen-108-7-7] Uw geliefden[^psalmen-108-7-8] bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor[^psalmen-108-7-9] ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v7)

**8** [^psalmen-108-8-10] God heeft gesproken[^psalmen-108-8-11] in Zijn heiligdom,[^psalmen-108-8-12] daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v8)

**9** Gilead is van mij, Manasse is van mij, en Efraïm is[^psalmen-108-9-13] de sterkte van mijn hoofd; Juda is[^psalmen-108-9-14] mijn wetgever. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v9)

**10** [^psalmen-108-10-15] Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v10)

**11** Wie zal mij voeren in een versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v11)

**12** [^psalmen-108-12-b] Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten had, en Die[^psalmen-108-12-16] niet uittrokt, o God! met onze legermachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v12)

**13** Geef U ons hulp uit de benauwdheid; want heil van de mensen[^psalmen-108-13-17] is zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v13)

**14** [^psalmen-108-14-18] In God[^psalmen-108-14-19] zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze tegenstanders[^psalmen-108-14-20] vertreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/108.html#v14)

[^psalmen-108-2-1]: Kanttekening 1: O God: Deze psalm is samengesteld, eensdeels van de verzen 8, 9, 10, 11, 12 van de 57ste Psalm ; anderdeels van de verzen 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 van de 60ste Psalm , uitgenomen enige kleine veranderingen; zie daar de aantekeningen. Psalmen 57:8 : Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. Psalmen 60:7 : Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
[^psalmen-108-2-2]: Kanttekening 2: is bereid: Te weten, om U met lofzangen te danken en te loven, gelijk Ps. 57:8 . Psalmen 57:8 : Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
[^psalmen-108-2-3]: Kanttekening 3: mijn eer: Dat is, mijn tong. Anders: ook met mijn eer. Zie Gen. 49:6 . Genesis 49:6 : Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
[^psalmen-108-3-4]: Kanttekening 4: ik zal: Te weten, om de Heer mijn God de hele dag lof te zingen en te spelen.
[^psalmen-108-4-5]: Kanttekening 5: onder de volken: Dat is, onder of bij de stammen van het volk Israël. Aldus wordt het woord volk ook genomen Richt. 5:14 ; Ps. 47:2 , en Ps. 66:8 , en Zach. 11:10 , 11:11 . Richteren 5:14 : Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door de staf van de schrijver. Psalmen 47:2 : Al u volken, klapt in de hand; juicht voor God met een stem van vreugdegezang. Psalmen 66:8 : Looft, u volken! onze God; en laat horen de stem van Zijn roem. Zacharia 11:10 : En ik nam mijn stok LIEFELIJKHEID, en ik verbrak dezelfde, te niet doende mijn verbond, dat ik met al deze volken gemaakt had. Zacharia 11:11 : Dus werd het op die dag vernietigd, en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het het woord van YHWH was.
[^psalmen-108-5-a]: Verwijzing a: Ps. 36:6 ; Ps. 57:11 . Psalmen 36:6 : O YHWH! Uw goedertierenheid is tot in de hemel; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Psalmen 57:11 : Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
[^psalmen-108-5-6]: Kanttekening 6: Uw waarheid: Dat is, de zekerheid van uw beloften.
[^psalmen-108-7-7]: Kanttekening 7: Dat is, de godzalige Israëlieten, gelijk Ps. 60:7 , 60:8 , enz. Psalmen 60:7 : Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons. Psalmen 60:8 : God heeft gesproken in Zijn heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
[^psalmen-108-7-8]: Kanttekening 8: bevrijd worden: Te weten, van de vervolging en tirannie van de vijanden van Gods volk.
[^psalmen-108-7-9]: Kanttekening 9: Te weten, mij en mijn volk. Anders, verhoor mij.
[^psalmen-108-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, God heeft heiliglijk beloofd of gezworen, gelijk Ps. 89:36 ; te weten, dat Hij mij het koninkrijk over zijn volk Israël geven zal; 2 Sam. 7:11 . Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! 2 Samuël 7:11 : En van die dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u YHWH te kennen, dat YHWH u een huis maken zal.
[^psalmen-108-8-11]: Kanttekening 11: Anders: bij zijn heiligheid; dat is, bij zichzelven, die de heiligheid zelve is. Zie de aantekening Ps. 60:8 , en Ps. 89:36 . Psalmen 60:8 : God heeft gesproken in Zijn heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
[^psalmen-108-8-12]: Kanttekening 12: Dit zijn de woorden van de psalmist, niet van God.
[^psalmen-108-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, de voorname kracht van mijn rijk.
[^psalmen-108-9-14]: Kanttekening 14: Zie de aantekening bij Gen. 49:10 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^psalmen-108-10-15]: Kanttekening 15: Hij wil zeggen: Ik zal de Moabieten en andere heidense natiën zo vernederen, dat zij mij zullen moeten dienen ook in de allergeringste en verachtelijkste zaken.
[^psalmen-108-12-b]: Verwijzing b: Ps. 60:3 . Psalmen 60:3 : O God! U hadt ons verstoten, U hadt ons gescheurd, U bent toornig geweest; keer weer tot ons.
[^psalmen-108-12-16]: Kanttekening 16: Te weten, om ons, gelijk U pleegt, bijstand te doen tegen onze vijanden.
[^psalmen-108-13-17]: Kanttekening 17: Of, verlossing, behoudenis.
[^psalmen-108-14-18]: Kanttekening 18: Anders, door God, of met God.
[^psalmen-108-14-19]: Kanttekening 19: Dat is, wij zullen ons kloekelijk gedragen door de genadige hulp en bijstand van de Heer onze God.
[^psalmen-108-14-20]: Kanttekening 20: Versta hierbij, en zo zullen wij de overhand behouden.

### Psalmen 109

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/109.json)

*David klaagt over zijn valse aanklagers, die hem kwaad voor goed vergolden, wensend door profetische ingeving de verstokten en hun geslacht alle ongeluk; en biddend God om heil en verlossing uit zijn grote ellende, belovend dankbaar te zullen zijn.*

**1** Een[^psalmen-109-1-1] psalm van David, voor de opperzangmeester. O God[^psalmen-109-1-2] van mijn lof![^psalmen-109-1-3] zwijg niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v1)

**2** Want de mond van de goddelozen en[^psalmen-109-2-4] de mond van het bedrog zijn tegen mij opengedaan;[^psalmen-109-2-5] zij hebben met mij gesproken met een valse tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v2)

**3** En[^psalmen-109-3-6] met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja,[^psalmen-109-3-a] zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v3)

**4** [^psalmen-109-4-7] Voor mijn liefde, staan zij mij tegen;[^psalmen-109-4-8] maar ik was steeds in het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v4)

**5** En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v5)

**6** [^psalmen-109-6-9] Stel een goddeloze over hem, en[^psalmen-109-6-10] de satan[^psalmen-109-6-11] sta aan zijn rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v6)

**7** Als hij gericht wordt, zo ga hij[^psalmen-109-7-12] schuldig uit, en[^psalmen-109-7-13] zijn[^psalmen-109-7-b] gebed zij tot zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v7)

**8** Dat[^psalmen-109-8-14] zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn[^psalmen-109-8-15] ambt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v8)

**9** [^psalmen-109-9-16] Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v9)

**10** En dat zijn kinderen[^psalmen-109-10-17] hier en daar omzwerven, en bedelen, en[^psalmen-109-10-18] de behoefte uit hun verwoeste plaatsen zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v10)

**11** Dat[^psalmen-109-11-19] de schuldeiser[^psalmen-109-11-20] aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden[^psalmen-109-11-21] zijn arbeid roven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v11)

**12** Dat hij niemand hebbe, die goedertierenheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v12)

**13** Dat[^psalmen-109-13-22] zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde[^psalmen-109-13-23] uitgewist[^psalmen-109-13-24] in het andere geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v13)

**14** De[^psalmen-109-14-25] ongerechtigheid van zijn vaders worde gedacht bij YHWH, en[^psalmen-109-14-26] de zonde van zijn moeder worde niet uitgewist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v14)

**15** Dat[^psalmen-109-15-27] zij steeds voor YHWH zijn;[^psalmen-109-15-c] en[^psalmen-109-15-28] Hij roeie[^psalmen-109-15-29] hun herinnering uit van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v15)

**16** Omdat hij niet gedacht heeft goedertierenheid te doen, maar heeft de ellendigen en de armen man vervolgd, en[^psalmen-109-16-30] de verslagene van hart, om hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v16)

**17** [^psalmen-109-17-31] Omdat hij de vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft[^psalmen-109-17-32] tot de zegen, zo zij[^psalmen-109-17-33] die verre van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v17)

**18** En hij zij bekleed met de vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v18)

**19** [^psalmen-109-19-34] Die zij hem als een kleed, waarmee hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmee hij zich steeds omgordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v19)

**20** Dit zij[^psalmen-109-20-35] het werkloon van mijn tegenpartijen van YHWH, en van degenen,[^psalmen-109-20-36] die kwaad spreken tegen mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v20)

**21** Maar U, o YHWH Heere![^psalmen-109-21-37] maak het met mij omwille van uw Naam; omdat Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v21)

**22** Want ik ben ellendig en arm, en[^psalmen-109-22-38] mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v22)

**23** Ik ga heen gelijk een schaduw,[^psalmen-109-23-39] wanneer zij zich neigt; ik word[^psalmen-109-23-40] omgedreven[^psalmen-109-23-41] als een sprinkhaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v23)

**24** Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd,[^psalmen-109-24-42] zodat er geen vet aan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v24)

**25** [^psalmen-109-25-43] Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien,[^psalmen-109-25-44] zo schudden zij hun hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v25)

**26** Help mij, YHWH, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v26)

**27** Opdat zij weten,[^psalmen-109-27-45] dat dit Uw hand is, dat U het, YHWH! gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v27)

**28** Laat hen vloeken, maar zegen U; laat hen[^psalmen-109-28-46] zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; maar dat zich Uw knecht verblijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v28)

**29** Laat mijn tegenpartijen[^psalmen-109-29-47] met schande bekleed worden, en dat zij met[^psalmen-109-29-48] hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v29)

**30** Ik zal YHWH met mijn mond[^psalmen-109-30-49] zeer loven, en in het midden[^psalmen-109-30-50] van velen zal ik Hem prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v30)

**31** Want Hij zal de arme[^psalmen-109-31-51] ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die[^psalmen-109-31-52] zijn ziel veroordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/109.html#v31)

[^psalmen-109-1-1]: Kanttekening 1: psalm van David: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-109-1-2]: Kanttekening 2: mijns lofs: Dat U de materie en stof bent van mijn lofzangen, en die mij overvloedige oorzaak geeft om U te prijzen, gelijk Ex. 15:2 . Exodus 15:2 : YHWH is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is de God van mijn vader, daarom zal ik Hem verheffen!
[^psalmen-109-1-3]: Kanttekening 3: zwijg niet: Dat is, maar antwoord mij en verhoor dit mijn gebed, en help mij, opdat het metterdaad blijke dat U mij verhoord hebt. Zo ook Ps. 28:1 , en Ps. 35:22 , en Ps. 39:13 , en Ps. 83:2 . Psalmen 28:1 : Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen. Psalmen 35:22 : YHWH! U hebt het gezien, zwijg niet; YHWH! wees niet verre van mij. Psalmen 39:13 : Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Psalmen 83:2 : O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
[^psalmen-109-2-4]: Kanttekening 4: de mond van de: Dat is, de bedriegelijke mond, verstaande daarbij de bedriegelijke, loze mensen.
[^psalmen-109-2-5]: Kanttekening 5: zij hebben met mij gesproken: Te weten, die bedriegers in Sauls hof en dergelijke anderen; door welke de vijanden van de Heer Christus, en in het bijzonder van Juda, zijn afgebeeld.
[^psalmen-109-3-6]: Kanttekening 6: met hatelijke: Dat is, met woorden, die uit enkel haat en afgunst gesproken zijn. Hebr., שִׂנְאָה, met woorden van de haat.
[^psalmen-109-3-a]: Verwijzing a: Ps. 69:5 . Psalmen 69:5 : Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haar mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
[^psalmen-109-4-7]: Kanttekening 7: Voor mijn liefde: Te weten, voor de liefde, waarmee ik hen bemind heb.
[^psalmen-109-4-8]: Kanttekening 8: maar ik was steeds : Hebr., תְפִלָּֽה, maar ik het gebed. Anders: maar ik \[was een man\] van het gebed; dat is, ik heb mij tot het gebed begeven. Zo staat er in Ps. 120 , ik vrede, en Obad. 7 , uw brood, voor mannen die uw brood eten. Het is zoveel, alsof de profeet hier zei: Het gebed tot God is mijn enige tegenweer en toevlucht geweest, ik heb geen ongeoorloofde middelen bij de hand genomen. Zie Ps. 69:14 . Of, ik heb niet opgehouden voor hen te bidden, die mij zoveel gedaan hebben. Zie Ps. 35:13 . Psalmen 69:14 : Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o YHWH; er is een tijd van welbehagen, o God! door de grootheid van Uw goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils. Psalmen 35:13 : Mij aangaande daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem.
[^psalmen-109-6-9]: Kanttekening 9: Stel een goddeloze: Dat is, geef een harden, straffen mens last en macht over hem, dat hij zijn dwangmeester en kweller zij, gelijk hij anderen geweest is.
[^psalmen-109-6-10]: Kanttekening 10: de satan: Of, wederpartijder. Zie de aantekening bij Job 1:6 . De psalmist wenst dat zijn wederpartijder een aanklager hebbe, die hem in zijn aangezicht voor de Rechter gestadig beschuldige, gelijk de duivel Job gedaan heeft. Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.
[^psalmen-109-6-11]: Kanttekening 11: sta aan zijn: Dat is, overwinne hem in het gericht, door stevig drijven en dringen. Anderen nemen dit zo: De satan sta aan zijn rechterhand; te weten, om hem tegenstand te doen, zo dat hij zijn rechterhand niet kan gebruiken, dat is dat hij zijn zaken niet bekwamelijk kan uitrichten. Zie Zach. 3:1 , maar onder vs. 31 wordt deze manier van spreken gebruikt voor beschutten en beschermen. Zacharia 3:1 : Daarna toonde Hij mij Josua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel van YHWH; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
[^psalmen-109-7-12]: Kanttekening 12: schuldig uit, en: Dat is, hij worde voor goddeloos gekend en geoordeeld. Zie Num. 35:31 . Numeri 35:31 : En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de moordenaar, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.
[^psalmen-109-7-13]: Kanttekening 13: zijn gebed zij: Dat is, hij worde door geen bidden ontslagen van de rechter, die hem heeft verwezen, maar dat hij zijn zaak eer kwader daarmee make en die hem daarom afgeslagen worde, als zijnde onrechtvaardig. Of men mag hier verstaan het gebed, dat hij tot God doet, in deze zin, dat God hem dat wil afslaan, omdat het huichelarij is.
[^psalmen-109-7-b]: Verwijzing b: Spr. 15:8 ; Spr. 28:9 . Spreuken 15:8 : Het offer van de goddelozen is YHWH een gruwel; maar het gebed van de oprechten is Zijn welgevallen. Spreuken 28:9 : Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.
[^psalmen-109-8-14]: Kanttekening 14: zijn dagen weinig: Te weten, de dagen zijns levens. Zie Ps. 55:24 . Psalmen 55:24 : Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^psalmen-109-8-15]: Kanttekening 15: Of, officie, opzicht, bediening. Deze woorden van David worden uitgelegd op Judas, wiens ambt of bediening Matthias gegeven werd; Hand. 1:20 . Handelingen 1:20 : Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelfde woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt.
[^psalmen-109-9-16]: Kanttekening 16: Dat zijn kinderen: Dit is één van de vloeken van de wet; Ex. 22:24 ; Jer. 18:21 . Exodus 22:24 : En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal u met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden. Jeremia 18:21 : Daarom, geef hun zonen de honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door de dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in de strijd.
[^psalmen-109-10-17]: Kanttekening 17: hier en daar omzwerven: Hebr. omzwervende omzwerven.
[^psalmen-109-10-18]: Kanttekening 18: uit hun verwoeste: Anders: vanwege hun verwoesting; omdat hun eigen land en huizen verwoest zijn.
[^psalmen-109-11-19]: Kanttekening 19: de schuldeiser: Dat is, die wie hij schuldig is. Of versta hier, door de schuldeiser de pander, of executeur.
[^psalmen-109-11-20]: Kanttekening 20: al wat hij heeft: Hebr. verstrikke; dat is, in zijn strikken en geweld, of arrest krijge.
[^psalmen-109-11-21]: Kanttekening 21: zijn arbeid roven: Dat is, wat hij met moeite en arbeid gewonnen heeft. Zie Job 20:18 . Job 20:18 : De arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen van zijn verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.
[^psalmen-109-13-22]: Kanttekening 22: zijn nakomelingen: Anders: zijn laatste, of zijn einde.
[^psalmen-109-13-23]: Kanttekening 23: Of, uitgevaagd, uitgewist. Zie Ps. 37:28 . Psalmen 37:28 : Want YHWH heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid.
[^psalmen-109-13-24]: Kanttekening 24: in het andere geslacht: Dat is, in het geslacht, dat na deze komen zal.
[^psalmen-109-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, de Heer straffe hem niet alleen vanwege zijn eigen, maar ook vanwege de zonden van zijn voorvaders. De psalmist ziet hier op de bedreiging van het tweede gebod; Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^psalmen-109-14-26]: Kanttekening 26: de zonde: Dat is, God straffe hem ook om zijn moeders zonde, gelijk de aantekening bij vers 14 . Psalmen 109:14 : De ongerechtigheid van zijn vaders worde gedacht bij YHWH, en de zonde van zijn moeder worde niet uitgedelgd.
[^psalmen-109-15-27]: Kanttekening 27: gedurig voor: Te weten, die ongerechtigheid en zonde, waarvan vers 14 gesproken is. Psalmen 109:14 : De ongerechtigheid van zijn vaders worde gedacht bij YHWH, en de zonde van zijn moeder worde niet uitgedelgd.
[^psalmen-109-15-c]: Verwijzing c: Job 18:17 ; Ps. 34:17 . Job 18:17 : Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. Psalmen 34:17 : Pe. Het aangezicht van YHWH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
[^psalmen-109-15-28]: Kanttekening 28: Hij roeie: Het tegendeel wordt de godzalige beloofd; Ps. 41:3 , en Ps. 112:6 . Psalmen 41:3 : YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in de begeerte van zijn vijanden. Psalmen 112:6 : Caph. Zekerlijk, hij zal in eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.
[^psalmen-109-15-29]: Kanttekening 29: hun gedachtenis: Te weten, zijns vaders en zijn moeder.
[^psalmen-109-16-30]: Kanttekening 30: de verslagene: Of, de gekrenkte aan het hart.
[^psalmen-109-17-31]: Kanttekening 31: Omdat hij de vloek: Dat is, omdat hij lust gehad heeft anderen te vloeken, en door zijn goddeloosheid zichzelven de vloek op de hals gehaald heeft.
[^psalmen-109-17-32]: Kanttekening 32: tot de zegen: Dat is, anderen de zegen toe te wensen en godzaliglijk te leven om gezegend te worden. Verg. met deze plaats Spr. 8:36 . Spreuken 8:36 : Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben de dood lief.
[^psalmen-109-17-33]: Kanttekening 33: die verre van hem: Te weten, de zegen.
[^psalmen-109-19-34]: Kanttekening 34: Die zij hem: Te weten, de vloek. Hij bidt dat de vloek, die hij anderen heeft toegewenst, hem steeds aanhange.
[^psalmen-109-20-35]: Kanttekening 35: het werkloon: Hebr., פְּעֻלַּת, het werk of arbeid; dat is, arbeidsloon, of werkloon; gelijk Lev. 19:13 ; Job 7:2 ; Jes. 49:4 ; Ez. 29:20 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Job 7:2 : Gelijk de dienaar hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon; Jesaja 49:4 : Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij YHWH, en Mijn werkloon is bij Mijn God. Ezechiël 29:20 : Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heer YHWH.
[^psalmen-109-20-36]: Kanttekening 36: die kwaad spreken: Dat is, die mij lasteren en smaden.
[^psalmen-109-21-37]: Kanttekening 37: maak het met: Of, doe \[wel\]. Verg. Ps. 37:5 , en Ps. 119:65 . Psalmen 37:5 : Gimel. Wentel uw weg op YHWH, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; Psalmen 119:65 : Teth. U hebt bij Uw knecht goed gedaan, YHWH, naar Uw woord.
[^psalmen-109-22-38]: Kanttekening 38: mijn hart is in: Alsof hij zei: Ik ben in zulke bangheid en benauwdheid, als zij zijn, die een dodelijke wond in hun hart gekregen hebben.
[^psalmen-109-23-39]: Kanttekening 39: wanneer zij zich neigt: Dat is, als zij haast zal ondergaan. Zie de aantekening bij Ps. 102:12 . Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
[^psalmen-109-23-40]: Kanttekening 40: Hebr. uitgeschud.
[^psalmen-109-23-41]: Kanttekening 41: als een sprinkhaan: Die geen nest of blijvende plaats heeft; maar hij huppelt en springt steeds van de ene plaats tot de andere. Zie Nah. 3:17 , en Job 39:23 . Of, die met de wind verwaaid en verdreven wordt; Ex. 10:19 . Nahum 3:17 : Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude van de dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, zo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. Job 39:23 : Zult u het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. Exodus 10:19 : Toen keerde YHWH een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet een sprinkhaan over in al het gebied van Egypte.
[^psalmen-109-24-42]: Kanttekening 42: zodat er geen vet: Dat is, bij gebrek van vet. Zo staat er Klaagl. 4:9 , van de vruchten; dat is, bij gebrek van vruchten. Gen. 18:28 ; om vijf; dat is, bij gebrek van vijf; 1 Kor. 7:2 . Om de hoererij; dat is, om de hoererij te vermijden. Klaagliederen 4:9 : Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van de honger; want die stromen daarheen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten van de velden zijn. Genesis 18:28 : Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf de gehele stad verderven? En Hij zei: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden. 1 Korinthiërs 7:2 : Maar vanwege de hoererijen zal iedere man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.
[^psalmen-109-25-43]: Kanttekening 43: Nog ben ik hun: Dat is, zij bespotten mij in plaats daar zij medelijden over mijn ellende behoorden te hebben.
[^psalmen-109-25-44]: Kanttekening 44: zo schudden zij: Tot een teken van verachting. Zie de aantekening bij 2 Kon. 19:21 . Zie ook Ps. 22:8 ; Job 16:4 ; Matt. 27:39 , 27:40 ; Mark. 15:29 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Job 16:4 : Zou ik ook, als u, spreken, als uw ziel ware in de plaats van mijn ziel? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden? Mattheüs 27:39 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. Mattheüs 27:40 : En zeggende: U, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Als U de Zoon van God bent, zo kom af van het kruis. Marcus 15:29 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! U, die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,
[^psalmen-109-27-45]: Kanttekening 45: dat dit Uw hand is: Dat is, dat de verlossing, die U mij bewijst, van U, o mijn God, is komende.
[^psalmen-109-28-46]: Kanttekening 46: opmaken, maar: Te weten, tegen mij.
[^psalmen-109-29-47]: Kanttekening 47: met schande bekleed: Zie de aantekening bij Job 8:22 . Job 8:22 : Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn.
[^psalmen-109-29-48]: Kanttekening 48: hun beschaamdheid: Te weten, die zij zichzelven met hun boosheid op de hals gehaald hebben.
[^psalmen-109-30-49]: Kanttekening 49: zeer loven: Dat is, openlijk, met vele woorden, met grote genegenheid.
[^psalmen-109-30-50]: Kanttekening 50: van velen zal: Of, van de machtigen, of groten.
[^psalmen-109-31-51]: Kanttekening 51: ter rechterhand staan: Dat is, beschutten, verdedigen, bijstand doen. Zie boven, vers 6 , en Ps. 16:8 ; Hand. 2:25 . Psalmen 109:6 : Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. Psalmen 16:8 : Ik stel YHWH geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Handelingen 2:25 : Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
[^psalmen-109-31-52]: Kanttekening 52: zijn ziel veroordelen: Zijn ziel; dat is, hem.

### Psalmen 110

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/110.json)

*In deze psalm (die een korte samenvatting van het gehele Evangelie is) spreekt David van de roeping van Jezus Christus tot het geestelijk Koninkrijk van Zijn gemeente en van Zijn eeuwig Priesterschap. Tevens stelt hij voor ogen de geweldige overwinning over Zijn vijanden en Zijn triomf over hen.*

**1** Een psalm van[^psalmen-110-1-1] David. YHWH heeft[^psalmen-110-1-2] tot mijn Heere[^psalmen-110-1-3] gesproken:[^psalmen-110-1-4] Zit aan Mijn[^psalmen-110-1-5] rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v1)

**2** [^psalmen-110-2-6] YHWH zal de scepter van Uw sterkte[^psalmen-110-2-9] zenden[^psalmen-110-2-10] uit Sion,[^psalmen-110-2-11] zeggende: Heers in het midden[^psalmen-110-2-12] van Uw vijanden.[^psalmen-110-2-7][^psalmen-110-2-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v2)

**3** [^psalmen-110-3-13] Uw volk zal zeer gewillig zijn[^psalmen-110-3-14] op de dag van Uw legermacht,[^psalmen-110-3-15] in heilig sieraad;[^psalmen-110-3-16] uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v3)

**4** YHWH[^psalmen-110-4-17] heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen:[^psalmen-110-4-18] U bent[^psalmen-110-4-19] Priester in[^psalmen-110-4-a] eeuwigheid,[^psalmen-110-4-20] naar de ordening van Melchizedek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v4)

**5** [^psalmen-110-5-21] YHWH is aan Uw rechterhand;[^psalmen-110-5-22] Hij zal[^psalmen-110-5-23] koningen[^psalmen-110-5-24] verslaan[^psalmen-110-5-25] op de dag van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v5)

**6** [^psalmen-110-6-26] Hij zal recht doen onder de heidenen;[^psalmen-110-6-b] Hij zal het[^psalmen-110-6-27] vol dode lichamen maken; Hij zal[^psalmen-110-6-28] verslaan degene, die het hoofd is over een groot land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v6)

**7** [^psalmen-110-7-29] Hij zal op de weg uit de beek drinken; daarom zal[^psalmen-110-7-30] Hij het hoofd omhoog heffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/110.html#v7)

[^psalmen-110-1-1]: Kanttekening 1: YHWH heeft: Te weten, God de Vader.
[^psalmen-110-1-2]: Kanttekening 2: tot mijn Heer: Dat is, Christus, die David hier zijn Heer noemt. Want Christus is de zoon van David naar het vlees, maar Davids Heer ten aanzien dat Hij waarachtig God is met God de Vader en de Heilige Geest, en een Heer van alle mensen, maar in het bijzonder van zijn uitverkorenen. Zie Matt. 22:43 , 22:45 ; Mark. 12:36 ; Luk. 20:42 ; Hand. 2:34 ; Hebr. 1:13 . Mattheüs 22:43 : Hij zei tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heer? zeggende: Mattheüs 22:45 : Als Hem dan David noemt zijn Heer, hoe is Hij zijn Zoon? Marcus 12:36 : Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. Lukas 20:42 : En David zelf zegt in het boek van de psalmen: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, Handelingen 2:34 : Want David is niet opgevaren in de hemel; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. Hebreeën 1:13 : En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten?
[^psalmen-110-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, in zijn eeuwigen raad, dat Hij ons op zijn tijd heeft laten openbaren en verkondigen.
[^psalmen-110-1-4]: Kanttekening 4: Zit aan Mijn rechterhand: Dat is, heers in heerlijkheid en majesteit, in de hemel en op de aarde, 1 Kor. 15:25 ; Hebr. 1:3 , 1:13 , en Hebr. 8:1 , en Hebr. 10:12 , 10:13 ; Ef. 1:20 , enz. Deze manier van spreken is genomen van de koningen, die aan hun rechterhand zetten wie zij eer willen aandoen. Zie 1 Kon. 2:19 , en Ps. 45:10 . 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Hebreeën 1:3 : Die, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Hebreeën 1:13 : En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? Hebreeën 8:1 : De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemel: Hebreeën 10:12 : Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God; Hebreeën 10:13 : Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank van Zijn voeten. Efeziërs 1:20 : Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand. Psalmen 45:10 : Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
[^psalmen-110-1-5]: Kanttekening 5: totdat Ik Uw: De zin is: totdat Ik uw vijanden, \[te weten, de vervolgers van de kerk, ja de dood zelf, 1 Kor. 15:25 , 15:26 \], U zal onderworpen hebben. Hieruit kan men geenzins besluiten dat Christus geen eeuwig koninkrijk zou hebben, ofschoon de manier van de bediening van het rijk van Christus, zodanig als die nu is, ten jongsten dage met het laatste oordeel zal ophouden; want alsdan zullen er gene vijanden meer zijn, die de kerk van Christus zullen kunnen schaden; 1 Kor. 15:24 , 15:28 . Zie de aantekening bij Gen. 28:15 . 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. 1 Korinthiërs 15:26 : De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 1 Korinthiërs 15:28 : En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Hem, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. Genesis 28:15 : En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb.
[^psalmen-110-2-6]: Kanttekening 6: YHWH zal: In het eerste vers heeft David het volk van God aangesproken; hier spreekt hij nu Christus aan.
[^psalmen-110-2-9]: Kanttekening 9: Te weten, in de gehele wereld.
[^psalmen-110-2-10]: Kanttekening 10: uit Sion: Versta dit zo, dat het Evangelie eerst te Jeruzalem en in het Joodse land moest gepredikt worden, en vandaar voort uitgespreid worden door de gehele wereld; Jes. 2:3 ; Micha 4:2 ; Hand. 1:8 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:2 : En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Handelingen 1:8 : Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.
[^psalmen-110-2-11]: Kanttekening 11: Heers in het midden: Te weten, door uw woord en Geest, in de harten van de uitverkorenen, en door uw almogendheid in het beschutten van uw kerk en in het straffen van haar vervolgers. Anders: U zult heersen.
[^psalmen-110-2-12]: Kanttekening 12: Uw vijanden: Te weten, van de vijanden van uw kerk. Want die de kerk vervolgt, die vervolgt Christus zelf; Hand. 9:4 . Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^psalmen-110-2-7]: Kanttekening 7: de scepter: Of, uw sterkte scepter, of de roede, of staf van uw sterkte; te weten, de verkondiging van het heilige Evangelie, waardoor de Heilige Geest krachtiglijk in de harten van de uitverkorenen werkt. Zie Rom. 1:16 . Romeinen 1:16 : Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^psalmen-110-2-8]: Kanttekening 8: Uw sterkte: Christus.
[^psalmen-110-3-13]: Kanttekening 13: Uw volk zal: Hebr., עַמְּ, uw volk van de gewilligheden; dat is, het zal zijn een volk van grote gewilligheid, of vol gewilligheid, te weten, om het Evangelie aan te nemen, en om U, o Heer Jezus Christus, te dienen; ja het zal, bij manier van spreken, de gewilligheid zelve zijn. Zie Ex. 25:2 ; Ps. 119:108 ; Hand. 2:41 , en Rom. 12:11 , en versta hier door uw volk de uitverkorenen, of gelovigen. Exodus 25:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen. Psalmen 119:108 : Laat U toch, o YHWH! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten. Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Romeinen 12:11 : Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient de Heer.
[^psalmen-110-3-14]: Kanttekening 14: op de dag Uw: Dat is, als U de krachtige predikatie van het heilige Evangelie, door de apostelen, en ook vele andere verkondigers van hetzelfde, zult uitzenden, om de wereld en de duivel te overwinnen en veel schapen in de ware schaapstal te brengen. Zie Rom. 1:16 ; 2 Kor. 10:4 , 10:5 ; Openb. 6:2 . Romeinen 1:16 : Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; Openbaring 6:2 : En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!
[^psalmen-110-3-15]: Kanttekening 15: in heilig sieraad: Hebr. in de schoonheden of versierselen van de heiligheid, of in heilig sieraad; dat is, in heiligheid van het leven en allerlei Christelijke deugden, die uit het geloof voortkomen. Het is een gelijkenis, genomen van de priesters van het Oude Testament, die sierlijke en heilige kleren aantrokken als zij de Levietische goddienst verrichten zouden. Anders: in de heerlijkheden van het heiligdom, of in het sierlijke heiligdom; dat is, in de schone tempel; met welke woorden de kerk van God dikwijls beduid wordt.
[^psalmen-110-3-16]: Kanttekening 16: uit de baarmoeder: Dat is, uw kinderen zullen U geboren worden, gelijk de dauw uit de baarmoeder van de dageraad. Gelijk de dauw in de dageraad als uit een baarmoeder voortkomt en geboren wordt, en het gras met ontelbare droppels begiet en lieflijk bevochtigt, zo zal het eerste licht van de predikatie van het heilige Evangelie als een dauw ontallijk vele harten van de uitverkorenen begieten en bevochtigen en die geestelijkerwijze baren. Zie Joh. 3:5 ; alwaar de Heer Christus de Heilige Geest vergelijkt bij water, waardoor de aarde bevochtigd en vruchtbaar gemaakt wordt. Anders: het zal u van de baarmoeder van de dageraad af een dauw van uw jeugd wezen. Sommigen zo ouden als nieuwe leraars, verstaan deze woorden van de eeuwige geboorte van de Zoon van de Vader, gesproken bij gelijkenis, genomen van menselijke geboorte, en zetten het over: Uit de baarmoeder voor de dageraad is U de dauw van uw geboorte. Anderen verstaan het van de menswording van onze Heer Christus en zijn geboorte uit de maagd Maria. Johannes 3:5 : Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan.
[^psalmen-110-4-17]: Kanttekening 17: YHWH heeft gezworen: Zie over deze psalm, in het bijzonder over dit vierde vers het zevende hoofdstuk van de brief aan de Hebr. 7:4 . Hebreeën 7:4 : Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit de buit.
[^psalmen-110-4-18]: Kanttekening 18: U bent: Of, wees priester, of u zult priester wezen.
[^psalmen-110-4-19]: Kanttekening 19: Priester in eeuwigheid: Te weten, die zichzelven zal offeren op het altaar van het kruis, tot verzoening van al degenen, die in hem geloven; Hebr. 5:9 , en Hebr. 5:9 , en 9, 10. Hebreeën 5:9 : En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden; Hebreeën 5:9 : En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden;
[^psalmen-110-4-a]: Verwijzing a: Hebr. 5:6 ; Hebr. 6:20 ; Hebr. 7:17 . Hebreeën 5:6 : Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 6:20 : Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 7:17 : Want Hij getuigt: U bent Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.
[^psalmen-110-4-20]: Kanttekening 20: naar de ordening: Of, naar de wijze van, of gelijk Melchizedek; die begin van de dagen noch einde van het leven had; idem, gelijk Melchizedek een koning en ook een priester geweest is, Gen. 14:18 , zo ook Jezus Christus, wiens voorbeeld Melchizedek geweest is. Genesis 14:18 : En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God.
[^psalmen-110-5-21]: Kanttekening 21: aan Uw rechterhand: Te weten, de Heer Jezus Christus, die aan uw rechterhand gezeten is, en zo spreekt hier nu David God de Vader aan; of hij spreekt het volk van God aan, hetzelfde belovende dat Christus de Heer hen zal bijstaan en verdedigen, gelijk Ps. 16:8 , en Ps. 109:31 . Psalmen 16:8 : Ik stel YHWH geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. Psalmen 109:31 : Want Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
[^psalmen-110-5-22]: Kanttekening 22: Hebr. Hij heeft koningen verslagen , voor, Hij zal koningen verslaan , een profetische wijze van spreken.
[^psalmen-110-5-23]: Kanttekening 23: Versta hier, zulke koningen en prinsen, die zich tegen Christus verzetten en zijn kerk vervolgen, gelijk Ps. 2:9 , 2:12 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-110-5-24]: Kanttekening 24: Hebr. doorsteken.
[^psalmen-110-5-25]: Kanttekening 25: ten dage van Zijn toorn: Dat is, ten tijde wanneer God bestemd heeft dat zijn toorn zal uitbarsten.
[^psalmen-110-6-26]: Kanttekening 26: Hij zal recht doen: Dat is, Hij zal de vervolgers van zijn volk straffen.
[^psalmen-110-6-b]: Verwijzing b: Openb. 14:14 ; Openb. 16:14 ; Openb. 20:8 . Openbaring 14:14 : En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, van de mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel. Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; van wie getal is als het zand aan de zee.
[^psalmen-110-6-27]: Kanttekening 27: vol dode lichamen: Te weten, zijn vijanden, die in de slag zullen omkomen. Verg. Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^psalmen-110-6-28]: Kanttekening 28: dengene, die het: Sommigen verstaan door deze woorden de antichrist, heersende over vele landen, ja de duivel zelf; anderen duiden het op de boze regeerders in het algemeen.
[^psalmen-110-7-29]: Kanttekening 29: Hij zal op de: Dat is, Hij zal uit de drinkbeker van Gods toorn drinken en zo in zijn heerlijkheid ingaan. Zo dat hier de staat van zijn vernedering en verhoging samengevoegd worden. Of hij wil zeggen: Christus zal de victorie over de vijanden van zijn kerk zolang vervolgen, totdat Hij hen verslagen of teniet gebracht zal hebben. En dit zal Hij met zulken ernst en ijver doen, dat Hij de tijd niet nemen zal om lang te rusten en zich met voedsel en drank verkwikken; maar Hij zal zijn dorst lessen met water uit de beken, die Hij bij de weg, in het vervolgen van zijn vijanden, vinden zal. Dit is bij gelijkenis gesproken, zijnde dit de zin van deze woorden in het kort: Christus zal zich zijn vijanden volkomenlijk onderwerpen en zijn volk uit hun handen verlossen. Verg. hiermee de historie van Gideon, Richt. 7:4 , 7:5 , 7:6 , 7:7 , enz. Richteren 7:4 : En YHWH zei tot Gideon: Nog is van het volk te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u daar beproeven; en het zal gebeuren, van welke Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van welke Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken. Richteren 7:5 : En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zei YHWH tot Gideon: Al wie met zijn tong uit het water zal likken, gelijk als een hond zou likken, die zult u alleen stellen; evenzo al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken. Richteren 7:6 : Toen was het getal dergenen, die met hun hand tot hun mond gelikt hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken. Richteren 7:7 : En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
[^psalmen-110-7-30]: Kanttekening 30: Hij het hoofd omhoog heffen: Dat is, Hij, te weten Christus, zal na zijn dood verrijzen en tot de hoogste heerlijkheid verhoogd worden. Zie Filipp. 2:8 , 2:9 . Filippensen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. Filippensen 2:9 : Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;

### Psalmen 111

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/111.json)

*De profeet vermaant alle mensen, met zijn voorbeeld, God te loven, terwijl hij de heerlijkheid van Zijn werken verhaalt en iedereen tot godsdienstigheid vermaant.*

**1** Hallelujah! Aleph. Ik zal YHWH loven met heel mijn hart; Beth.[^psalmen-111-1-1] In de raad en vergadering van de oprechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v1)

**2** Gimel. De werken van YHWH zijn groot; Daleth. zij worden[^psalmen-111-2-2] gezocht[^psalmen-111-2-3] van allen, die er lust in hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v2)

**3** He.[^psalmen-111-3-4] Zijn doen[^psalmen-111-3-5] is majesteit en heerlijkheid; Vau. en Zijn gerechtigheid bestaat in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v3)

**4** Zain. Hij heeft Zijn wonderen een herinnering gemaakt; Cheth. YHWH is genadig en barmhartig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v4)

**5** Teth. Hij heeft van hen, die Hem vrezen,[^psalmen-111-5-6] voedsel gegeven; Jod. Hij gedenkt in de[^psalmen-111-5-7] eeuwigheid aan Zijn verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v5)

**6** Caph. Hij heeft de kracht van Zijn werken Zijn volk bekend gemaakt; Lamed. hun gevende[^psalmen-111-6-8] de erfenis van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v6)

**7** Mem. De werken van Zijn handen[^psalmen-111-7-9] zijn waarheid en oordeel; Nun. al[^psalmen-111-7-10] Zijn bevelen zijn getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v7)

**8** Samech. Zij zijn[^psalmen-111-8-11] ondersteund voor altijd en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v8)

**9** Pe. Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in[^psalmen-111-9-12] eeuwigheid[^psalmen-111-9-13] geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v9)

**10** Resch. De vrees voor YHWH is[^psalmen-111-10-14] het begin van de wijsheid; Schin. allen,[^psalmen-111-10-15] die ze doen, hebben goed verstand; Thau.[^psalmen-111-10-16] Zijn lof bestaat tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/111.html#v10)

[^psalmen-111-1-1]: Kanttekening 1: In de raad: Hebr. in het verborgenen; dat is, in de raad of verzameling, in welke men van geheime zaken, of van de verborgenheden van de Heer spreekt.
[^psalmen-111-2-2]: Kanttekening 2: Het Hebr. woord betekent bezorgen, zoeken, nazoeken, navragen.
[^psalmen-111-2-3]: Kanttekening 3: van allen: Anders: vanwege al hun lustigheid. alsof hij zei: De lustigheden en vermakelijkheden van de werken van God zijn zodanig, dat zij wel onderzoekens waard zijn.
[^psalmen-111-3-4]: Kanttekening 4: Zijn doen: Dat is, al wat Hij doet.
[^psalmen-111-3-5]: Kanttekening 5: is majesteit: Dat is, vol van majesteit en heerlijkheid.
[^psalmen-111-5-6]: Kanttekening 6: voedsel gegeven: Dat is, voedsel, gelijk Spr. 31:15 ; Mal. 3:10 . Het schijnt dat de psalmist hier ziet op het hemels brood, dat God zijn volk in de woestijn gegeven heeft; Ex. 16:35 . Spreuken 31:15 : Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis voedsel, en haar dienstmaagden het bescheiden deel. Maleachi 3:10 : Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er voedsel zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt YHWH van de legermachten, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren van de hemel, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. Exodus 16:35 : En de kinderen van Israël aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaän.
[^psalmen-111-5-7]: Kanttekening 7: Zijn verbond: Dat Hij met Abraham, Izak en Jakob gemaakt heeft.
[^psalmen-111-6-8]: Kanttekening 8: de erve van de heidenen: Dat is, het land Kanaän, dat de Amorieten en andere heidense natiën tevoren bezeten hadden?
[^psalmen-111-7-9]: Kanttekening 9: zijn waarheid: Dat is, zij zijn vol waarheid en recht, ja de waarheid en het recht zelf.
[^psalmen-111-7-10]: Kanttekening 10: Zijn bevelen zijn: Dat is, zijn beloften.
[^psalmen-111-8-11]: Kanttekening 11: ondersteund voor: Of vastgezet, of onderzet; zijnde gegrond op zijn waarheid en gerechtigheid.
[^psalmen-111-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, dat het in eeuwigheid zou bestendig blijven.
[^psalmen-111-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, verordineerd.
[^psalmen-111-10-14]: Kanttekening 14: het begin: Of, het hoofdstuk; dat is, het eerste, of het voornaamste, of het fondament, hetzij ten aanzien van de tijd of van waardigheid. Hij wil zeggen, die de rechte wijsheid begeert te verkrijgen, die moet vooreerst en vooral God vrezen.
[^psalmen-111-10-15]: Kanttekening 15: die ze doen: Te weten, de wet, of bevelen; waarvan vers 7 gesproken wordt; of deze; te weten, deze dingen. Psalmen 111:7 : Mem. De werken van Zijn handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
[^psalmen-111-10-16]: Kanttekening 16: Zijn lof bestaat: Te weten, Gods, waarvan in de voorgaande verzen gesproken is, of van een ieder dergenen, die zijn geboden doen.

### Psalmen 112

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/112.json)

*Een lof van de godzaligen, die een belofte hebben van het tegenwoordige en het toekomstige leven, en wier voorspoed voor de goddelozen een hartzeer is.*

**1** Hallelujah![^psalmen-112-1-1] Aleph.[^psalmen-112-1-a] Welgelukzalig is de man, die YHWH vreest; Beth. die grote lust heeft in Zijn geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v1)

**2** Gimel.[^psalmen-112-2-2] Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht van de oprechten zal gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v2)

**3** He. In zijn huis zal bezittingen en rijkdom wezen; Vau. en[^psalmen-112-3-3] zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v3)

**4** Zain. De oprechten gaat[^psalmen-112-4-4] het licht op in de duisternis; Cheth.[^psalmen-112-4-5] Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v4)

**5** Teth.[^psalmen-112-5-6] Wel die man, die zich ontfermt en uitleent; Jod.[^psalmen-112-5-7] hij beschikt zijn zaken met recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v5)

**6** Caph. Zeker, hij zal in de[^psalmen-112-6-8] eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige herinnering[^psalmen-112-6-9] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v6)

**7** Mem. Hij zal voor[^psalmen-112-7-10] geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart[^psalmen-112-7-11] is vast, betrouwende op YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v7)

**8** Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij[^psalmen-112-8-12] op zijn tegenstanders zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v8)

**9** Pe.[^psalmen-112-9-13] Hij strooit uit, hij geeft de arme; Tsade.[^psalmen-112-9-14] zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph.[^psalmen-112-9-15] zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v9)

**10** Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau.[^psalmen-112-10-16] de wens van de goddelozen zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/112.html#v10)

[^psalmen-112-1-1]: Kanttekening 1: Aleph : Deze psalm heeft ook gelijk de 111de psalm , in elk vers twee of drie letters van het Hebr. A, B, C.
[^psalmen-112-1-a]: Verwijzing a: Ps. 1:1 ; idem v. 2 . Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-112-2-2]: Kanttekening 2: Zijn zaad zal: Dat is, zijn kinderen, gelijk Ps. 21:11 . Psalmen 21:11 : U zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen van de mensen.
[^psalmen-112-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, zijn godzaligheid en vroomheid, en ook de vruchten daarvan, zie vers 9 , of de eeuwige beloning daarvan, die hij uit genade ontvangen zal. Psalmen 112:9 : Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
[^psalmen-112-4-4]: Kanttekening 4: het licht op in: Licht betekent hier en elders troost, vrede, blijdschap, hulp, verlossing; gelijk duisternis betekent tegenspoed, ellende, droefenis, verdriet; Job 30:26 ; Esther 8:16; Ps. 107:10 . Job 30:26 : Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. Psalmen 107:10 : Die in duisternis en de schaduw van de dood zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
[^psalmen-112-4-5]: Kanttekening 5: Hij is genadig: Te weten, God, gelijk Ps. 111:4 , of, hij, te weten, de vrome man, gelijk vers 5 . Psalmen 111:4 : Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. YHWH is genadig en barmhartig. Psalmen 112:5 : Teth. Wel die man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
[^psalmen-112-5-6]: Kanttekening 6: Wel die man: Of, goed is de man die, enz.
[^psalmen-112-5-7]: Kanttekening 7: hij beschikt zijn: Anders: Hij zal zijn zaak in het recht staande houden.
[^psalmen-112-6-8]: Kanttekening 8: in eeuwigheid niet: Hij wil zeggen: Ofschoon een vroom, eerlijk man elke reis een aanstoot krijgt, zo zal hij nochtans nimmermeer zo ternedergestoten worden, dat hij altijd liggen blijft zonder weer op te staan. Zie Ps. 15:5 . Psalmen 15:5 : Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.
[^psalmen-112-6-9]: Kanttekening 9: Bij God en bij alle vromen, bij welke aan hem ter ere altijd zal gedacht worden.
[^psalmen-112-7-10]: Kanttekening 10: kwaad gerucht vrezen: Hetzij dat men kwalijk van hem spreekt, zonder oorzaak, \[want hij heeft een goede consciëntie\]; hetzij dat er kwade tijdingen komen \[want hij vertrouwt op God\].
[^psalmen-112-7-11]: Kanttekening 11: is vast, betrouwende: Zie de aantekening bij Ps. 51:12 . Psalmen 51:12 : Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
[^psalmen-112-8-12]: Kanttekening 12: op zijn tegenstanders zie: Of, aan; te weten, zijn lust, of Gods wraak zien. Zie van dusdanige afgekorte manier van spreken Ps. 22:18 , en Ps. 54:9 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. Psalmen 54:9 : Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.
[^psalmen-112-9-13]: Kanttekening 13: Hij strooit uit: Te weten, zijn rijkdom, zonder iets daarvan te hopen; Luk. 6:35 . Zie ook 2 Cor. 9:9. Lukas 6:35 : Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
[^psalmen-112-9-14]: Kanttekening 14: zijn gerechtigheid: Dat is, hij wordt nimmermeer moe van weldadigheid, of vruchten van de gerechtigheid voort te brengen. Verg. vers 3 . Psalmen 112:3 : He. In zijn huis zal bezittingen en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
[^psalmen-112-9-15]: Kanttekening 15: zijn hoorn zal: Dat is, eer en macht. Zie Deut. 33:17 , en 1 Sam. 2:1 ; Ps. 89:18 , 89:25 , en Ps. 92:11 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; daarmee zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! 1 Samuël 2:1 : Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt van vreugde op in YHWH; mijn hoorn is verhoogd in YHWH; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. Psalmen 89:18 : Want U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. Psalmen 89:25 : En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. Psalmen 92:11 : Maar U zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
[^psalmen-112-10-16]: Kanttekening 16: de wens van de: Dat is, hij zal niet verkrijgen datgene, waar hij naar verlangt. Zie Spr. 10:24 , 10:28 , en Spr. 13:9 . Spreuken 10:24 : De vrees van de goddeloze, die zal hem overkomen; maar de begeerte van de rechtvaardigen zal God geven. Spreuken 10:28 : De hoop van de rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting van de goddelozen zal vergaan. Spreuken 13:9 : Het licht van de rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden.

### Psalmen 113

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/113.json)

*Een vermaning aan alle mensen om God te loven, Die de ellendige en ootmoedige altijd bijstaat.*

**1** Hallelujah! Loof, u knechten van YHWH! loof de Naam van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v1)

**2** [^psalmen-113-2-a] De Naam van YHWH zij[^psalmen-113-2-1] geprezen, van nu aan tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v2)

**3** [^psalmen-113-3-b] Van[^psalmen-113-3-2] de opgang van de zon af tot haar neergang, zij de Naam van YHWH geloofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v3)

**4** YHWH is hoog boven alle heidenen,[^psalmen-113-4-3] boven de hemelen is Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v4)

**5** Wie is gelijk YHWH, onze God?[^psalmen-113-5-4] Die zeer hoog woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v5)

**6** [^psalmen-113-6-5] Die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v6)

**7** [^psalmen-113-7-c] Die de geringe uit het stof opricht, en de arme[^psalmen-113-7-6] uit de mest verhoogt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v7)

**8** Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v8)

**9** [^psalmen-113-9-7] Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin,[^psalmen-113-9-8] een blije moeder van kinderen. Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/113.html#v9)

[^psalmen-113-2-a]: Verwijzing a: Dan. 2:20 . Daniël 2:20 : Daniël antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.
[^psalmen-113-2-1]: Kanttekening 1: Hebr., מְבֹרָךְ, gezegend.
[^psalmen-113-3-b]: Verwijzing b: Mal. 1:11 . Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten.
[^psalmen-113-3-2]: Kanttekening 2: de opgang van de zon af tot haar nedergang: Dat is, door de gehele wereld.
[^psalmen-113-4-3]: Kanttekening 3: boven de hemel: Dat is, zij strekt zich verder uit dan de hemel en de aarde doen.
[^psalmen-113-5-4]: Kanttekening 4: zeer hoog woont: Hebr. die zichzelven verheft met wonen.
[^psalmen-113-6-5]: Kanttekening 5: Die zeer laag ziet: Hebr., רְאוֹת, die zich vernedert om te zien. Alsof hij zei: Hoewel Hij zo groot en zo hoog gezeten is, zo verwaardigt Hij zich nochtans wel zijn oog te slaan op al de schepselen, en die te regeren door zijn voorzienigheid.
[^psalmen-113-7-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 2:8 ; Ps. 107:41 . 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van het aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Psalmen 107:41 : Maar Hij brengt de nooddruftige uit de verdrukking in een vesting, en maakt de huisgezinnen als kudden.
[^psalmen-113-7-6]: Kanttekening 6: uit het stof opricht, verhoogt: Of, uit de misthoop; dat is, van een kleine en nederige staat, gelijk 1 Kon. 16:2 . Uit de drek verheffen betekent hetzelfde, zo hier, gelijk 1 Sam. 2:8 ; Klaagl. 4:5 . Zie de aantekening bij Ps. 22:30 . 1 Koningen 16:2 : Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden; 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van de aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Klaagliederen 4:5 : He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de drek. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
[^psalmen-113-9-7]: Kanttekening 7: Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin: Dat is, die de onvruchtbare vrouw een huisgezin geeft, waar zij tevoren in 't geheel geen gezin had.
[^psalmen-113-9-8]: Kanttekening 8: Te weten, zich verblijvende doordien Hij haar kinderen verleent. Zie Ps. 68:7 . Psalmen 68:7 : Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.

### Psalmen 114

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/114.json)

*De psalmist, vermelding doend van de verlossing van de Israëlieten uit Egypte, vermaant alle schepselen God te loven, en alle mensen, door hun voorbeeld.*

**1** [^psalmen-114-1-a] Toen[^psalmen-114-1-1] Israël uit Egypte trok,[^psalmen-114-1-2] het huis van Jakob van een volk, dat[^psalmen-114-1-3] een vreemde taal had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v1)

**2** Zo werd[^psalmen-114-2-4] Juda[^psalmen-114-2-5] tot Zijn heiligdom,[^psalmen-114-2-6] Israël Zijn[^psalmen-114-2-7] volkomen heerschappij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v2)

**3** De[^psalmen-114-3-8] zee zag het, en vluchtte;[^psalmen-114-3-9] de Jordaan keerde achteruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v3)

**4** De[^psalmen-114-4-10] bergen sprongen als rammen, de heuvelen[^psalmen-114-4-11] als lammeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v4)

**5** Wat was u, u zee! dat u vloodt? u Jordaan! dat u achteruit keerde?[^psalmen-114-5-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v5)

**6** U bergen, dat u opsprong als rammen? u heuvelen! als lammeren?[^psalmen-114-6-13][^psalmen-114-6-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v6)

**7** Beef, u aarde! voor het aangezicht van de Heere, voor het aangezicht van de God van Jakob;[^psalmen-114-7-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v7)

**8** Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein.[^psalmen-114-8-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/114.html#v8)

[^psalmen-114-1-a]: Verwijzing a: Ex. 13:3 . Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfden dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
[^psalmen-114-1-1]: Kanttekening 1: Israël uit Egypte toog: Dat is, het volk Israël, de Israëlieten.
[^psalmen-114-1-2]: Kanttekening 2: het huis van Jakob: Dat is, het geslacht, de nakomelingen.
[^psalmen-114-1-3]: Kanttekening 3: een vreemde taal had: Of, onbekende, zeldzame spraak; verstaande daarbij de taal van de Egyptenaars. Het woord dat hier in de Hebr. tekst staat, wordt nergens anders dan hier gevonden. De apostel noemt 1 Kor. 14:11 een barbaar, die een vreemde, onbekende spraak gebruikt. 1 Korinthiërs 14:11 : Als ik dan de kracht van de stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.
[^psalmen-114-2-4]: Kanttekening 4: Versta onder Juda al het volk van Israël.
[^psalmen-114-2-5]: Kanttekening 5: tot Zijn heiligdom: Te weten, tot het heiligdom van de Heer; dat is de Heer heiligde zich het volk Israël toe om zijn bijzonder volk te wezen, waar Hij de Heer en Koning over was. Zie Ex. 6:6 , en Ex. 19:6 . Exodus 6:6 : En Ik zal u tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult bekennen, dat Ik YHWH uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten van de Egyptenaren. Exodus 19:6 : En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult.
[^psalmen-114-2-6]: Kanttekening 6: Israël Zijn: Dat is, het volk Israël.
[^psalmen-114-2-7]: Kanttekening 7: volkomen heerschappij: Hebr., יִשְׂרָאֵל, zijn heerschappijen. God was tevoren wel Heer over Israël, als over zijn eigen volk; maar in het uitvoeren ervan uit Egypte heeft Hij het allerklaarlijkst doen blijken, en Hij heeft dat volk daardoor vaster aan Hem verbonden. Zie Ex. 6:6 , en Ex. 20:2 . Exodus 6:6 : En Ik zal u tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult bekennen, dat Ik YHWH uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten van de Egyptenaren. Exodus 20:2 : Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
[^psalmen-114-3-8]: Kanttekening 8: Versta hier de Rode zee, door welke de Israëlieten droogvoets getogen zijn; Ex. 14:21 ; Ps. 77:17 , en Ps. 78:13 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gehele nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Psalmen 77:17 : De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd. Psalmen 78:13 : Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
[^psalmen-114-3-9]: Kanttekening 9: de Jordaan keerde: Zie Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^psalmen-114-4-10]: Kanttekening 10: bergen sprongen: Versta hier, de bergen Sinaï, Horeb en andere in de woestijn, die gesidderd en gebeefd en zich bewogen hebben, vanwege de aanwezigheid, van God, als Hij zijn wet gaf; Ex. 19:18 ; Ps. 68:9 ; Hab. 3:6 , 3:10 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH daarop nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook droop de hemel voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël. Habakuk 3:6 : Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn de Zijne. Habakuk 3:10 : De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.
[^psalmen-114-4-11]: Kanttekening 11: als lammeren: Hebr., בְנֵי, gelijk zonen van de schapen, of geiten, dat zijn lammeren. Zie ook Ps. 29:6 . Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.
[^psalmen-114-5-12]: Kanttekening 12: Zie Joz. 3:16 . Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^psalmen-114-6-13]: Kanttekening 13: U bergen: Versta hier, de bergen Sinaï, Horeb en andere in de woestijn, die gesidderd en gebeefd en zich bewogen hebben, vanwege de aanwezigheid, van God, als Hij zijn wet gaf; Ex. 19:18 ; Ps. 68:9 ; Hab. 3:6 , 3:10 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH daarop nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Psalmen 68:9 : Daverde de aarde, ook droop de hemel voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van de God van Israël. Habakuk 3:6 : Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn de Zijne. Habakuk 3:10 : De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.
[^psalmen-114-6-14]: Kanttekening 14: als lammeren: Hebr., בְנֵי, gelijk zonen van de schapen, of geiten, dat zijn lammeren. Zie ook Ps. 29:6 . Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.
[^psalmen-114-7-15]: Kanttekening 15: Beef, u aarde: Hij wil zeggen: Gelijk u ditmaal voor Hem hebt gebeefd, zo zult u ook voortaan voor Hem beven, want men is Hem vreze schuldig; Mal. 1:6 . Maleachi 1:6 : Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heer, waar is Mijn vreze? zegt YHWH van de legermachten tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam?
[^psalmen-114-8-16]: Kanttekening 16: Die de rotssteen: Dat is, die uit de rotssteen een watervloed heeft doen vloeien. Zie Ex. 17:6 ; Num. 20:11 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

### Psalmen 115

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/115.json)

*De godzaligen bidden God dat Hij hen wil behoeden om Zijn heerlijke Naam wil, terwijl zij de grote ijdelheid van de afgoden en van de afgodendienaars aanwijzen; iedereen vermanend tot het geloof in de ware God, met belofte van Zijn zegen.*

**1** [^psalmen-115-1-1] Niet ons, o YHWH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid,[^psalmen-115-1-2] omwille van Uw waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v1)

**2** [^psalmen-115-2-3] Waarom zouden[^psalmen-115-2-4] de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v2)

**3** Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v3)

**4** Hun[^psalmen-115-4-5] afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensenhanden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v4)

**5** [^psalmen-115-5-a] Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v5)

**6** Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij ruiken niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v6)

**7** Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v7)

**8** [^psalmen-115-8-6] Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v8)

**9** Israël! vertrouw u op YHWH; Hij is[^psalmen-115-9-7] hun[^psalmen-115-9-8] Hulp en hun[^psalmen-115-9-9] Schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v9)

**10** [^psalmen-115-10-10] U[^psalmen-115-10-11] huis van Aäron! vertrouw op YHWH; Hij is hun Hulp en hun Schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v10)

**11** [^psalmen-115-11-12] U, die YHWH vreest! vertrouw op YHWH; Hij is hun Hulp en hun Schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v11)

**12** YHWH is aan ons gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v12)

**13** Hij zal zegenen, die YHWH vrezen, de kleinen[^psalmen-115-13-13] met de groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v13)

**14** YHWH zal de zegen over u[^psalmen-115-14-14] vermeerderen, over u en over uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v14)

**15** U bent[^psalmen-115-15-15] YHWH gezegend, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v15)

**16** [^psalmen-115-16-16] Voor wat betreft de hemel, de hemel is van YHWH; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v16)

**17** De[^psalmen-115-17-17] doden zullen YHWH niet prijzen, noch[^psalmen-115-17-18] die in de stilte neergedaald zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v17)

**18** Maar[^psalmen-115-18-19] wij zullen YHWH[^psalmen-115-18-20] loven van nu aan tot in de eeuwigheid. Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/115.html#v18)

[^psalmen-115-1-1]: Kanttekening 1: ons, o YHWH: Dit zijn de woorden van de godzalige gemeente van de Israëlieten, bekennende dat zij het geenzins verdiend hadden noch waard waren, dat God hun zijn genade en weldaden zou bewijzen, maar dat Hij zulks deed om de eer van zijn naam.
[^psalmen-115-1-2]: Kanttekening 2: om Uw waarheid wil: Doende getrouwelijk wat U beloofd hebt.
[^psalmen-115-2-3]: Kanttekening 3: Waarom zouden: Dat is, waarom zoudt U de heidenen oorzaak geven te zeggen: Waar is nu hun God? Te weten, nadat zij ons zouden overwonnen en overmeesterd hebben, pochende en roemende, alsof U ons niet hadt kunnen beschermen of verlossen; Heer, wil zulks niet toelaten, maar behoed en bescherm ons genadiglijk: zie Ps. 79:10 . Psalmen 79:10 : Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak van het vergoten bloed van Uw knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.
[^psalmen-115-2-4]: Kanttekening 4: de heidenen zeggen: Te weten, de volken, die rondom ons liggen.
[^psalmen-115-4-5]: Kanttekening 5: afgoden zijn zilver: Zie de aantekening bij 1 Sam. 31:9 , en 2 Sam. 5:21 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21 : En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^psalmen-115-5-a]: Verwijzing a: Deut. 4:28 ; Jer. 10:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 ; idem v. 9 . Deuteronomium 4:28 : En daar zult u goden dienen, die van de mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken. Jeremia 10:3 : Want de inzettingen van de volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de werkmeesters handen met de bijl. Jeremia 10:4 : Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. Jeremia 10:5 : Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. Jeremia 10:9 : Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk van de werkmeesters en van de handen van de goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk van de wijzen zijn zij al te zamen.
[^psalmen-115-8-6]: Kanttekening 6: Dat die hen maken: Of, die ze maken zijn hun gelijk; te weten, zo onvernuftig en onverstandig als de goden, die zij uit zilver en goud gemaakt hebben.
[^psalmen-115-9-7]: Kanttekening 7: Te weten, van het volk Israël.
[^psalmen-115-9-8]: Kanttekening 8: Dat is, helper.
[^psalmen-115-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, beschermer.
[^psalmen-115-10-10]: Kanttekening 10: Dat is, u priesters en Levieten, aan wie het opzicht over de godsdienst toevertrouwd en bevolen is.
[^psalmen-115-10-11]: Kanttekening 11: huis van Aäron! vertrouw: Huis staat in het enkelvoud, maar vertrouw in het meervoud, omdat de huisgezinnen uit veel personen bestaan. Zo in het volgende.
[^psalmen-115-11-12]: Kanttekening 12: Te weten alle u anderen, wie u bent, die de Heer voor uw God houdt.
[^psalmen-115-13-13]: Kanttekening 13: de kleinen: Versta, in jaren; of in staat en kwaliteit, gelijk Openb. 11:18 . Openbaring 11:18 : En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienaren, de profeten, en de heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven.
[^psalmen-115-14-14]: Kanttekening 14: Hebr. toedoen; gelijk Deut. 1:11 . Deuteronomium 1:11 : YHWH, de God van uw vaders, doe tot u, zo als u nu bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!
[^psalmen-115-15-15]: Kanttekening 15: YHWH gezegend: Zie de aantekening bij 2 Sam. 2:5 . Anders: U bent de gezegende van de Heer; of van de Heer. 2 Samuël 2:5 : Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zei tot hen: Gezegend zijt u YHWH, dat u deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
[^psalmen-115-16-16]: Kanttekening 16: Aangaande de hemel: Dat is, de Heer heeft de hemel als tot zijn woning genomen, 1 Kon. 8:30 , om vandaar bekend te maken de opperste heerschappij, die Hij heeft over de gehele wereld. En Hij heeft de mensen de aarde gegeven te bewonen en te bebouwen, Gen. 3 , om hen, zolang zij daarop wonen, te loven en te prijzen. 1 Koningen 8:30 : Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en U, hoor in de plaats van Uw woning, in de hemel, ja, hoor, en vergeef.
[^psalmen-115-17-17]: Kanttekening 17: doden zullen: Zie Ps. 6:6 , en de aantekening bij Ps. 89:11 . Psalmen 6:6 : Want in de dood is geen gedachtenis van U; wie zal U loven in het graf? Psalmen 89:11 : U hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte.
[^psalmen-115-17-18]: Kanttekening 18: die in de stilte: Dat is, in het graf. Zie Job 3:17 , en de aantekening bij Ps. 94:17 . Job 3:17 : Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; Psalmen 94:17 : Tenzij YHWH mij een Hulp geweest was, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
[^psalmen-115-18-19]: Kanttekening 19: wij zullen de: Die nog leven.
[^psalmen-115-18-20]: Kanttekening 20: Hebr. zegenen.

### Psalmen 116

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/116.json)

*De profeet verklaart zijn liefde tot God vanwege de grote en veelvuldige genaden en weldaden hem bewezen, daar Hij hem verlost uit dodelijke benauwdheden, biddend om voortaan behouden te mogen worden, met belofte God de HEERE daarvoor te zullen prijzen.*

**1** [^psalmen-116-1-1] Ik heb lief, want YHWH hoort mijn stem, mijn smekingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v1)

**2** Want Hij neigt Zijn oor tot mij; daarom zal[^psalmen-116-2-2] ik Hem in mijn dagen aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v2)

**3** [^psalmen-116-3-3] De[^psalmen-116-3-a] banden[^psalmen-116-3-4] van de dood hadden mij omvangen, en[^psalmen-116-3-5] de angsten van het dodenrijk hadden mij[^psalmen-116-3-6] getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v3)

**4** Maar ik riep de Naam van YHWH aan, zeggende: Och YHWH! bevrijd[^psalmen-116-4-7] mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v4)

**5** YHWH is genadig en[^psalmen-116-5-8] rechtvaardig, en onze God is ontfermende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v5)

**6** YHWH bewaart de eenvoudigen;[^psalmen-116-6-9] ik was[^psalmen-116-6-10] uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v6)

**7** Mijn ziel! keer weer tot uw rust, want YHWH[^psalmen-116-7-b] heeft aan u[^psalmen-116-7-11] welgedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v7)

**8** Want U, YHWH! heb[^psalmen-116-8-12] mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v8)

**9** Ik zal wandelen voor het aangezicht van YHWH, in de landen[^psalmen-116-9-13] van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v9)

**10** [^psalmen-116-10-14] Ik[^psalmen-116-10-c] heb geloofd,[^psalmen-116-10-15] daarom[^psalmen-116-10-16] sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v10)

**11** Ik zei in mijn haast:[^psalmen-116-11-18] Alle[^psalmen-116-11-d] mensen zijn leugenaars.[^psalmen-116-11-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v11)

**12** [^psalmen-116-12-19] Wat zal ik YHWH[^psalmen-116-12-20] vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v12)

**13** Ik zal de beker[^psalmen-116-13-21] van de verlossingen opnemen, en de Naam van YHWH aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v13)

**14** [^psalmen-116-14-22] Mijn geloften zal ik YHWH betalen, nu,[^psalmen-116-14-23] in de aanwezigheid van al Zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v14)

**15** [^psalmen-116-15-24] Kostelijk is in de ogen van YHWH de dood van Zijn[^psalmen-116-15-25] gunstgenoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v15)

**16** Och, YHWH![^psalmen-116-16-26] zeker ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht,[^psalmen-116-16-27] een zoon van Uw dienstmaagd; U hebt[^psalmen-116-16-28] mijn banden[^psalmen-116-16-29] losgemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v16)

**17** Ik zal U offeren[^psalmen-116-17-30] een offergave van dankzegging, en de Naam van YHWH aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v17)

**18** [^psalmen-116-18-31] Ik zal mijn gelofte YHWH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v18)

**19** In[^psalmen-116-19-32] de voorhoven van het huis van YHWH, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/116.html#v19)

[^psalmen-116-1-1]: Kanttekening 1: heb lief: Te weten, YHWH.
[^psalmen-116-2-2]: Kanttekening 2: in mijn dagen: Dat is, zolang ik in het leven ben; of al de dagen mijns levens, of lijdens. Verg. Ps. 138:7 . Psalmen 138:7 : Als ik wandel in het midden van de benauwdheid, maakt U mij levend; Uw hand strekt U uit tegen de toorn van mijn vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
[^psalmen-116-3-3]: Kanttekening 3: De banden: Anders: de smarten.
[^psalmen-116-3-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 22:5 ; idem v. 6 . 2 Samuël 22:5 : Want baren van de dood hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij. 2 Samuël 22:6 : Banden van het dodenrijk omringden mij; strikken van de dood bejegenden mij.
[^psalmen-116-3-4]: Kanttekening 4: van de dood hadden: Dat is, die zo groot waren als de dood zelf; te weten als Saul met zijn machtig leger mij naderde; 1 Sam. 23:26 . 1 Samuël 23:26 : En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de overzijde van de berg. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen.
[^psalmen-116-3-5]: Kanttekening 5: de angsten van het dodenrijk: Dat is, die zo groot waren dat zij wel lichtelijk oorzaken van mijn dood zouden geweest zijn en mij in het graf zouden gebracht hebben.
[^psalmen-116-3-6]: Kanttekening 6: Hebr. gevonden.
[^psalmen-116-4-7]: Kanttekening 7: mijn ziel: Dat is, mijn leven.
[^psalmen-116-5-8]: Kanttekening 8: En daarom kan Hij niet lijden dat de zijnen onrechtvaardig onderdrukt worden.
[^psalmen-116-6-9]: Kanttekening 9: de eenvoudigen: Die zich niet verlaten op hun eigen kloekheid, maar op de Heer, wandelende oprecht in zijn wegen.
[^psalmen-116-6-10]: Kanttekening 10: Of, uitgemergeld, dun worden; dat is, mijn verderf was zeer nabij.
[^psalmen-116-7-b]: Verwijzing b: Ps. 13:6 . Psalmen 13:6 : Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
[^psalmen-116-7-11]: Kanttekening 11: Te weten, mij verlossende uit de hand van Saul.
[^psalmen-116-8-12]: Kanttekening 12: mijn ziel: Dat is, mij.
[^psalmen-116-9-13]: Kanttekening 13: van de levenden: Dat is, dergenen, die op aarde leven, of die nog in deze wereld leven en wandelen; gelijk Ps. 27:13 en de aantekening bij Ps. 56:14 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Psalmen 56:14 : Want U hebt mijn ziel gered van de dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht van de levenden?
[^psalmen-116-10-14]: Kanttekening 14: Ik heb geloofd: Te weten, dat YHWH mij verlossen zou.
[^psalmen-116-10-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 4:13 . 2 Korinthiërs 4:13 : Omdat wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;
[^psalmen-116-10-15]: Kanttekening 15: In deze betekenis wordt het Hebr. woord ook genomen Jer. 29:16 . Jeremia 29:16 : Daarom zegt YHWH zo van de koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broers, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;
[^psalmen-116-10-16]: Kanttekening 16: sprak ik: Te weten, wat het geloof mij ingaf in mijn grootste zwarigheden. Anders: als ik \[zulks\] sprak \[hoewel\] ik zeer bedrukt was. Anders: ik sprak, \[nochtans\] was ik zeer bedrukt.
[^psalmen-116-11-18]: Kanttekening 18: Alle mensen zijn: Te weten, allen tezamen en elk in het bijzonder, zodat men op geen mensen betrouwen mag, maar op de ware God alleen. Sommigen menen dat David uit menselijke zwakheid, naar de ongezienheid van de zaak, getwijfeld heeft of hij ook te eniger tijd tot het beloofde koninkrijk zou komen.
[^psalmen-116-11-d]: Verwijzing d: Rom. 3:4 . Romeinen 3:4 : Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^psalmen-116-11-17]: Kanttekening 17: in mijn haasten: De zin is: Wanneer ik mij door het zwaar lijden haastte om te ontvluchten; of \[gelijk anderen het verstaan\] haastige woorden mij liet ontvallen. Zie Ps. 31:23 . Psalmen 31:23 : Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep.
[^psalmen-116-12-19]: Kanttekening 19: Wat zal ik: Anders: hoe.
[^psalmen-116-12-20]: Kanttekening 20: vergelden voor : Anders: vergelden; al zijn weldaden zijn boven mij; dat is, boven mijn vermogen om te vergelden. Zie 1 Thess. 3:9 . Anders: zijn op \[mij\]; dat is, ik ben overladen vanwege al de weldaden, die God de Heer mij eertijds dikwijls gedaan heeft en nog dagelijks doet. 1 Thessalonicensen 3:9 : Want wat dankzegging kunnen wij voor God tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmee wij ons om uwentwil verblijden voor onze God?
[^psalmen-116-13-21]: Kanttekening 21: van de verlossingen: Of van het menigvuldige heil. Alsof de profeet zei: Ik zal de Heer openlijk danken vanwege al de verlossingen, die Hij mij gedaan heeft. Hij ziet op de wijze en gewoonte, die bij de dankoffers gehouden werd, als men na gedane offerande een heiligen maaltijd hield, in welke zij zich in YHWH verheugden vanwege de ontvangen weldaden, Hem daarvoor dankende; en tot een teken van zulke vreugde en dankbaarheid, alsook van de broederlijke liefde en enigheid tussen degenen, die zulk een maaltijd genoten hadden, namen zij een beker met wijn en dronken allen daaruit. Zie 1 Kron. 16:2 , 16:3 . 1 Kronieken 16:2 : Als David het brandoffer en de dankofferen geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van YHWH. 1 Kronieken 16:3 : En hij deelde iedereen in Israël, van de man tot de vrouw, iedereen een bol broods, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn.
[^psalmen-116-14-22]: Kanttekening 22: Mijn geloften zal: Die ik gedaan heb toen ik in groot gevaar van de dood was, Saul met zijn heirlegers mij steeds vervolgde.
[^psalmen-116-14-23]: Kanttekening 23: in de aanwezigheid: Zie 1 Kron. 16:1 , 16:2 , 16:3 . 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God. 1 Kronieken 16:2 : Als David het brandoffer en de dankofferen geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van YHWH. 1 Kronieken 16:3 : En hij deelde iedereen in Israël, van de man tot de vrouw, iedereen een bol broods, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn.
[^psalmen-116-15-24]: Kanttekening 24: Kostelijk is: Dat is, God zal de dood zijn uitverkorenen niet gering achten of ongewroken laten. Zie Ps. 72:14 . Psalmen 72:14 : Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.
[^psalmen-116-15-25]: Kanttekening 25: Zie de aantekening bij Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-116-16-26]: Kanttekening 26: zekerlijk ik: Alsof hij zei: Omdat ik U zo getrouwelijk dien, zo wil toch steeds doen blijken dat mijn leven kostelijk is in uw ogen.
[^psalmen-116-16-27]: Kanttekening 27: een zoon van Uw: Zie Ps. 86:16 . Psalmen 86:16 : Wend U tot mij, en wees mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos de zoon van Uw dienstmaagd.
[^psalmen-116-16-28]: Kanttekening 28: mijn banden: Toen ik van Saul omring en genoegzaam besloten was in zijn handen en als gevangen.
[^psalmen-116-16-29]: Kanttekening 29: Doordien U Saul deedt terugkeren, doordien hem de Filistijnen in het land gevallen waren; 1 Sam. 23:27 . 1 Samuël 23:27 : Maar daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.
[^psalmen-116-17-30]: Kanttekening 30: een offerande van dankzegging: Of, een lofoffer, gelijk Ps. 50:14 . Psalmen 50:14 : Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften.
[^psalmen-116-18-31]: Kanttekening 31: Ik zal mijn: Zie de aantekening bij vers 14 , en Ps. 61:6 . Psalmen 116:14 : Mijn geloften zal ik YHWH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^psalmen-116-19-32]: Kanttekening 32: de voorhoven van: Versta hier de tent, in welke David de ark van het verbond gezet had. Zie 1 Kron. 16:1 . 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.

### Psalmen 117

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/117.json)

*Alle heidenen worden vermaand de HEERE te loven vanwege Zijn goedertierenheid en waarheid.*

**1** [^psalmen-117-1-a] Loof YHWH, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/117.html#v1)

**2** Want[^psalmen-117-2-1] Zijn goedertierenheid is[^psalmen-117-2-2] geweldig over ons, en[^psalmen-117-2-3] de waarheid van YHWH is in de eeuwigheid! Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/117.html#v2)

[^psalmen-117-1-a]: Verwijzing a: Rom. 15:11 . Romeinen 15:11 : En opnieuw: Looft de Heer, al u heidenen, en prijst Hem, al u volken!
[^psalmen-117-2-1]: Kanttekening 1: Zijn goedertierenheid: In Christus over alle uitverkorenen bewezen.
[^psalmen-117-2-2]: Kanttekening 2: Of, treffelijk.
[^psalmen-117-2-3]: Kanttekening 3: de waarheid van YHWH: Dat is, de vastheid van de belofte.

### Psalmen 118

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/118.json)

*De psalmist vermaant alle godzaligen de HEERE te loven, voor Zijn veelvuldige verlossingen en weldaden, en verhaalt daartoe hoe God hem verlost had uit de handen van zijn vijanden. Tevens is in deze psalm een profetie van de komst van de Heere Christus, Die wel de voornaamsten van het volk zouden verwerpen, maar de gelovigen zouden Hem aannemen.*

**1** Loof YHWH,[^psalmen-118-1-1] want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v1)

**2** Dat[^psalmen-118-2-2] Israël nu zegt, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v2)

**3** [^psalmen-118-3-3] Het huis van Aäron zegt nu, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v3)

**4** Dat degenen, die YHWH vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v4)

**5** Uit de benauwdheid heb ik YHWH aangeroepen; YHWH heeft mij verhoord, stellende[^psalmen-118-5-4] mij in de ruimte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v5)

**6** YHWH[^psalmen-118-6-a] is[^psalmen-118-6-5] bij[^psalmen-118-6-6] mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een[^psalmen-118-6-7] mens doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v6)

**7** YHWH is[^psalmen-118-7-8] bij mij[^psalmen-118-7-9] onder degenen, die mij helpen; daarom[^psalmen-118-7-10] zal ik[^psalmen-118-7-11] mijn lust zien aan degenen, die mij haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v7)

**8** [^psalmen-118-8-b] Het is beter tot YHWH toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v8)

**9** Het is beter tot YHWH toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v9)

**10** [^psalmen-118-10-12] Alle heidenen hadden mij omringd; het is[^psalmen-118-10-13] in de Naam van YHWH, dat ik ze verhouwen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v10)

**11** Zij hadden mij omringd, ja,[^psalmen-118-11-14] zij hadden mij omringd; het is in de Naam van YHWH, dat ik ze verhouwen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v11)

**12** Zij hadden mij omringd[^psalmen-118-12-15] als bijen; zij zijn uitgeblust[^psalmen-118-12-16] als een doornenvuur; het is in de Naam van YHWH, dat ik ze verhouwen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v12)

**13** [^psalmen-118-13-17] U had mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar YHWH heeft mij geholpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v13)

**14** YHWH is[^psalmen-118-14-18] mijn Sterkte en[^psalmen-118-14-19] Psalm, want Hij is mij tot heil geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v14)

**15** In[^psalmen-118-15-20] de tenten van de[^psalmen-118-15-21] rechtvaardigen is een stem van het gejuich en[^psalmen-118-15-22] van het heil; de[^psalmen-118-15-23] rechterhand van YHWH doet[^psalmen-118-15-24] krachtige daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v15)

**16** De rechterhand van YHWH[^psalmen-118-16-25] is verhoogd;[^psalmen-118-16-c] de rechterhand van YHWH doet krachtige daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v16)

**17** [^psalmen-118-17-26] Ik zal niet sterven, maar leven; en[^psalmen-118-17-27] ik zal de werken van YHWH vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v17)

**18** YHWH[^psalmen-118-18-28] heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v18)

**19** [^psalmen-118-19-29] Doe mij[^psalmen-118-19-30] de poorten van de gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal YHWH loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v19)

**20** Dit is[^psalmen-118-20-31] de poort van YHWH, door die de rechtvaardigen zullen ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v20)

**21** Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v21)

**22** De[^psalmen-118-22-32][^psalmen-118-22-d] steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v22)

**23** [^psalmen-118-23-33] Dit is van YHWH gebeurd, en[^psalmen-118-23-34] het is wonderlijk in onze ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v23)

**24** [^psalmen-118-24-35] Dit is de dag,[^psalmen-118-24-36] die YHWH gemaakt heeft; laat ons daarop ons verheugen, en verblijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v24)

**25** Och YHWH![^psalmen-118-25-37] geef nu heil; och YHWH![^psalmen-118-25-38] geef nu voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v25)

**26** [^psalmen-118-26-39] Gezegend zij hij, die daar komt[^psalmen-118-26-40] in de Naam van YHWH![^psalmen-118-26-41] Wij zegenen u[^psalmen-118-26-42] uit het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v26)

**27** YHWH is God, Die ons[^psalmen-118-27-43] licht gegeven heeft.[^psalmen-118-27-44] Bind[^psalmen-118-27-45] het feestoffer met touwen[^psalmen-118-27-46] tot aan[^psalmen-118-27-47] de hoornen van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v27)

**28** U bent mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v28)

**29** [^psalmen-118-29-48] Loof YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/118.html#v29)

[^psalmen-118-1-1]: Kanttekening 1: want Hij is goed: David vermaant alle mensen tot lof en prijs van de Heer met deze rede: want Hij is goed. De woorden van dit vers staan ook in Ps. 106:1 en Ps. 107:1 , en bij ieder vers van Ps. 136 . Psalmen 106:1 : Hallelujah! Looft YHWH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid. Psalmen 107:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-118-2-2]: Kanttekening 2: Israël nu zegge: Niet het aardse Israël alleen, maar ook het Israël Gods, Gal. 6:16 ; dat is, alle gelovigen, die waarachtiglijk Gods volk zijn, zij zijn dan Joden of heidenen. Zo ook vers 4 . Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods. Psalmen 118:4 : Dat degenen, die YHWH vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is.
[^psalmen-118-3-3]: Kanttekening 3: Het huis van Aäron: Dat is, de priesters van Aäron afkomstig; zie Ps. 115:10 . Psalmen 115:10 : U huis van Aäron! vertrouw op YHWH; Hij is hun Hulp en hun Schild.
[^psalmen-118-5-4]: Kanttekening 4: in de ruimte: Of, in een ruime plaats; te weten, mij brengende uit de benauwdheid in de ruimte en tot eer en heerlijkheid, gelijk Ps. 18:20 . Psalmen 18:20 : En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
[^psalmen-118-6-a]: Verwijzing a: Rom. 8:31 . Romeinen 8:31 : Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
[^psalmen-118-6-5]: Kanttekening 5: bij mij: Of, met mij, of voor mij; dat is, gelijk het de apostel, Hebr. 13:6 , verklaart: de Heer is mijn helper. Zo ook onder vers 7 , en Ps. 56:5 , 56:12 . Hebreeën 13:6 : Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: De Heer is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. Psalmen 118:7 : YHWH is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten. Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? Psalmen 56:12 : Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
[^psalmen-118-6-6]: Kanttekening 6: ik zal niet vrezen: Te weten, voor mijn vijanden.
[^psalmen-118-6-7]: Kanttekening 7: een mens: Te weten, een zwak creatuur, geenzins met God te vergelijken.
[^psalmen-118-7-8]: Kanttekening 8: bij mij: Gelijk boven vers 6 . Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
[^psalmen-118-7-9]: Kanttekening 9: onder degenen: Verg. Ps. 54:6 . Psalmen 54:6 : Ziet, God is mij een Helper; de Heer is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
[^psalmen-118-7-10]: Kanttekening 10: zal ik: Zie deze verkorte manier van spreken ook Ps. 35:21 , en Ps. 92:12 ; zie ook de aantekening bij Ps. 22:18 daar. Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Psalmen 92:12 : En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^psalmen-118-7-11]: Kanttekening 11: mijn lust : Te weten, mij in God verblijdende over de ondergang van zijn en mijn verstokte, onbekeerlijke vijanden.
[^psalmen-118-8-b]: Verwijzing b: Ps. 62:9 ; idem 62:10 ; Ps. 146:3 ; Jer. 17:5 ; idem v. 7 . Psalmen 62:9 : Vertrouw op Hem te van alle tijd, o u volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela. Psalmen 62:10 : Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid. Psalmen 146:3 : Vertrouwt niet op prinsen, op van de mensen kind, bij dat geen heil is. Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! Jeremia 17:7 : Gezegend daarentegen is de man, die op YHWH vertrouwt, en wiens vertrouwen YHWH is!
[^psalmen-118-10-12]: Kanttekening 12: Alle heidenen: Dat is, allerlei of zoveel, dat het scheen, dat zij zich allen tegen mij verbonden hadden; en versta hier in het bijzonder de omliggende volken, gelijk de Filistijnen, die hem haatten, en de Amelekieten, die zijn stad Ziklag verbrand hadden, 1 Sam. 30 ; ja ook de velen onder de Israëlieten, die Saul hielpen toen hij David vervolgde.
[^psalmen-118-10-13]: Kanttekening 13: in de Naam van de: Dat is, mij verlatende op de Heer, mijn noodhelper, gelijk Ps. 20:6 . Zie ook 2 Kon. 2:24 . Psalmen 20:6 : Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in de Naam onzes Gods. YHWH vervulle al uw begeerten. 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen twee en veertig kinderen.
[^psalmen-118-11-14]: Kanttekening 14: zij hadden mij omringd: Te weten, met meer macht en geweld dan in het eerste.
[^psalmen-118-12-15]: Kanttekening 15: als bijen: Zie de aantekening bij Deut. 1:44 , en verg. Jes. 7:18 . Deuteronomium 1:44 : Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe. Jesaja 7:18 : Want het zal op die dag gebeuren, dat YHWH zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.
[^psalmen-118-12-16]: Kanttekening 16: als een doornenvuur: Dat haast aan brand komt en heet is, ook veel rooks en gekraaks geeft, nochtans meteen vergaat. Zie Pred. 7:6 ; Nah. 1:10 . Prediker 7:6 : Want gelijk het geluid van de doornen onder een pot is, zo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid. Nahum 1:10 : Omdat zij in elkaar gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.
[^psalmen-118-13-17]: Kanttekening 17: U hadt mij zeer: Hebr. stotende hadt u mij gestoten. De psalmist spreekt hier zijn vijand aan, die hem zeer wredelijk mishandeld had. Zie Ps. 9:7 . Psalmen 9:7 : O vijand! zijn de verwoestingen voltooid in eeuwigheid, en hebt u de steden uitgeroeid? Hun gedachtenis is met hen vergaan.
[^psalmen-118-14-18]: Kanttekening 18: mijn Sterkte: Dat is, die mij sterkte geeft, zo dat ik tegen mijn vijanden kan bestaan; Jes. 12:2 . Jesaja 12:2 : Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heer YHWH is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.
[^psalmen-118-14-19]: Kanttekening 19: Dat is, de materie en stof van mijn gezang. Zie Ex. 15:2 . Exodus 15:2 : YHWH is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is de God van mijn vader, daarom zal ik Hem verheffen!
[^psalmen-118-15-20]: Kanttekening 20: de tenten: Dat is, in de huizen.
[^psalmen-118-15-21]: Kanttekening 21: is een stem: Te weten, vanwege de verlossing, die Hij zijn volk gegeven heeft.
[^psalmen-118-15-22]: Kanttekening 22: van het heil: Dat is, de overwinning, gelijk Ps. 98:1 . Psalmen 98:1 : Een psalm. Zingt YHWH een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm van Zijn heiligheid, heeft Hem heil gegeven.
[^psalmen-118-15-23]: Kanttekening 23: rechterhand van YHWH: Dat is, God de Heer.
[^psalmen-118-15-24]: Kanttekening 24: krachtige daden: Of, kracht, kloekheid, dapperheid, gelijk Ps. 98:1 . Psalmen 98:1 : Een psalm. Zingt YHWH een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm van Zijn heiligheid, heeft Hem heil gegeven.
[^psalmen-118-16-25]: Kanttekening 25: is verhoogd: Dat is, God laat zijn kracht heerlijk en duidelijk blijken, zo dat elk die moet roemen en prijzen.
[^psalmen-118-16-c]: Verwijzing c: Lukas 1:51 . Lukas 1:51 : Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hun harten.
[^psalmen-118-17-26]: Kanttekening 26: Ik zal niet sterven: Te weten, door het zwaard of de hand van mijn vijanden.
[^psalmen-118-17-27]: Kanttekening 27: ik zal de werken: Te weten, hoe wonderbaarlijk Hij mij en andere vrome mensen dikwijls verlost en beschermd heeft.
[^psalmen-118-18-28]: Kanttekening 28: heeft mij wel hard gekastijd: Hebr. kastijdende gekastijd.
[^psalmen-118-19-29]: Kanttekening 29: Doet mij: Een aanspraak aan de priesters en Levieten.
[^psalmen-118-19-30]: Kanttekening 30: de poorten van de: Dat is, de poorten van de tabernakel en de heilige plaats, die daarom de poorten van de gerechtigheid genoemd worden, omdat alleen de vromen en reinen daarin behoren te komen, gelijk blijkt in vers 20 . David had geruime tijd in en bij de tabernakel niet mogen verschijnen, vluchtende voor Saul. Nu mocht hij weer daarin komen en in de vergadering van de godzaligen verschijnen. Psalmen 118:20 : Dit is de poort van YHWH, door welke de rechtvaardigen zullen ingaan.
[^psalmen-118-20-31]: Kanttekening 31: poort van YHWH: Of deze poort is van de Heer. Versta, de poort van de tabernakel, de Heer geheiligd; een voorbeeld van de Heer Jezus Christus, die de poort van de gerechtigheid is; en van de hemel, in welke Hij is ingegaan.
[^psalmen-118-22-32]: Kanttekening 32: Versta door deze steen vooreerst David, die een tijdlang van de vorsten in Israël en de voornaamsten van het rijk is veracht en verworpen geweest, maar de Heer heeft hem evenwel nog eindelijk tot het koninkrijk verheven, om het te regeren en als de hoeksteen daarvan te zijn; daarna moet het van Christus, wiens voorbeeld David geweest is, voornamelijk verstaan worden, welke de overpriesters, schriftgeleerden en oversten van het volk, die als bouwers over de kerk van God gesteld waren, verworpen, vervolgd en gedood hebben; maar God heeft hem als een hoofd en fondament over zijn kerk verordineerd en gesteld, die het gebouw van het huis samenbindt en bevestigt.
[^psalmen-118-22-d]: Verwijzing d: Jes. 8:14 ; Jes. 28:16 ; Matt. 21:42 ; Mark. 12:10 ; Lukas 20:17 ; Hand. 4:11 ; Rom. 9:33 ; Efez. 2:20 ; 1 Petr. 2:4 ; idem v. 7 . Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem. Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Marcus 12:10 : Hebt u ook deze Schrift niet gelezen: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; Lukas 20:17 : Maar Hij zag hen aan, en zei: Wat is dan dit, dat geschreven staat: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden? Handelingen 4:11 : Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Welke tot een hoeksteen geworden is. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; 1 Petrus 2:4 : Tot Welke komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis;
[^psalmen-118-23-33]: Kanttekening 33: Dit is van de: Te weten, dat de verworpen steen is geworden de voorname steen van het huis van de Heer.
[^psalmen-118-23-34]: Kanttekening 34: het is wonderlijk: Te weten, dat die verachte en verworpen steen nu zo geacht en verheven is.
[^psalmen-118-24-35]: Kanttekening 35: Dit is de dag: Te weten, in welke dag David koning is geworden, en Christus door de predikatie van het heilige Evangelie is bekend gemaakt.
[^psalmen-118-24-36]: Kanttekening 36: die YHWH: Dat is, die de Heer boven andere dagen heeft verheerlijkt. Aldus wordt het woord maken voor verheerlijken ook genomen. Zie de aantekening bij 1 Sam. 12:6 . 1 Samuël 12:6 : Verder zei Samuël tot het volk: Het is YHWH, Die Mozes en Aäron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft.
[^psalmen-118-25-37]: Kanttekening 37: geef nu heil: De evangelisten houden de Hebr., נָּא, woorden Hosia-na; Matt.21:9 , 21:15 , en Mark. 11:9 , 11:10 . Mattheüs 21:9 : En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen! Mattheüs 21:15 : Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderen, die Hij deed, en de kinderen, roepende in de tempel, en zeggende: Hosanna voor de Zoon van David! namen zij dat zeer kwalijk; Marcus 11:9 : En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer! Marcus 11:10 : Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen!
[^psalmen-118-25-38]: Kanttekening 38: geef nu voorspoed: Te weten, de koning David en de Heer Christus, wiens voorbeeld hij is.
[^psalmen-118-26-39]: Kanttekening 39: Gezegend zij hij: Dat is, wij wensen hem Gods zegen; het is gelofelijk dat de priesters en het volk van God deze gelukwensing aan de koning David gedaan hebben, als hij eerst de koninklijke regering heeft aangevangen; daarna heeft het volk dezelfde woorden Christus toegeroepen, als Hij zijn inkomst binnen Jeruzalem gedaan heeft; Matt. 21:9 . Mattheüs 21:9 : En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen!
[^psalmen-118-26-40]: Kanttekening 40: in de Naam van de: Dat is, met macht en gezag van de Heer; Luk. 19:38 . Lukas 19:38 : Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heer! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!
[^psalmen-118-26-41]: Kanttekening 41: Wij zegenen u: Dit schijnen te zijn de woorden van de priesters, wiens ambt het was het volk te zegenen in het huis van de Heer; Num. 6:23 ; Deut. 10:8 ; 1 Kron. 23:13 . Alsof zij zeiden: Wij van het huis van de Heer, dat is wij priesters, die ingesteld zijn tot opzieners in het huis van de Heer en aan wie het toekomt het volk van de Heer te zegenen, wij zegenen u, o koning David, en het volk dat bij u is. Zie Ps. 72:15 . Numeri 6:23 : Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de kinderen van Israël zegenen, zeggende tot hen: Deuteronomium 10:8 : Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 1 Kronieken 23:13 : De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht van YHWH, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen. Psalmen 72:15 : En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; de hele dag zal men hem zegenen.
[^psalmen-118-26-42]: Kanttekening 42: uit het huis van YHWH: Dat is, uit de tabernakel ten tijde van David; maar uit de tempel ten tijde van onze Heer Christus.
[^psalmen-118-27-43]: Kanttekening 43: licht gegeven heeft: Dat is, geluk, vreugde, troost en blijdschap, in plaats van droefenis en jammer, gelijk Esther 8:16.
[^psalmen-118-27-44]: Kanttekening 44: Dat is, bereidt u om het feest te houden en voor de Heer te offeren.
[^psalmen-118-27-45]: Kanttekening 45: het feest offer : Hebr. het feest. Maar het betekent hier het beest of het offer, dat op die feestdag zou geofferd worden.
[^psalmen-118-27-46]: Kanttekening 46: tot aan: Dat is, zovelen dat men ze moest brengen en binden tot aan de hoornen van het altaar.
[^psalmen-118-27-47]: Kanttekening 47: de hoornen van het altaar: Zie de aantekening bij Ex. 27:2 . Exodus 27:2 : En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; daaruit zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken.
[^psalmen-118-29-48]: Kanttekening 48: Loof YHWH: Zie boven vers 1 . Psalmen 118:1 : Looft YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.

### Psalmen 119

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/119.json)

*Deze psalm wordt verdeeld in tweeëntwintig delen of pauzen. In elk deel zijn acht versjes, en elk vers begint in het Hebreeuws met de letter waarmee het deel betiteld wordt, namelijk zo dat alle versjes van het eerste deel beginnen met Aleph, of A. De versjes van de tweede pauze beginnen alle met Beth, B, en zo voorts, volgens het Hebreeuwse A.B. (alfabet); om welke reden sommigen onder de geleerden deze psalm genoemd hebben: een A.B. van de godzaligheid. Elk vers van deze psalm bevat in zich òf een lof en prijs van Gods Woord, vanwege enige uitnemende hoedanigheid daarvan; òf een betuiging van Davids ongeveinsde liefde tot datzelve; òf anders een gebed om genade, om zich daarnaar te mogen schikken. Want tot een van deze drie, te weten lof, gebeden of betuiging, kunnen alle versjes van deze psalm gebracht worden. En merk dit op, dat in elk vers van deze psalm David melding maakt van Gods Wet, inzettingen, of verordeningen, bevelen, getuigenissen, geboden, woord, beloften, wegen, gerichten, naam, gerechtigheid, waarheid, of iets dergelijks; uitgezonderd alleen in het 122e vers, waarin hij God tot zijn hulp en bijstand aanroept. ALEPH.*

**1** א Aleph. Welgelukzalig zijn[^psalmen-119-1-1] de oprechten van wandel,[^psalmen-119-1-a] die in de wet van YHWH gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v1)

**2** Welgelukzalig zijn zij, die Zijn[^psalmen-119-2-2] getuigenissen onderhouden, die Hem met heel hun hart zoeken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v2)

**3** Ook[^psalmen-119-3-3] geen onrecht werken, maar wandelen[^psalmen-119-3-4] in Zijn wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v3)

**4** YHWH! U hebt geboden,[^psalmen-119-4-5] dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v4)

**5** Och, dat[^psalmen-119-5-6] mijn wegen gericht werden, om Uw voorschriften te bewaren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v5)

**6** Dan zou ik[^psalmen-119-6-7] niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v6)

**7** Ik zal U loven in oprechtheid van het hart, als ik[^psalmen-119-7-8] de rechten van Uw gerechtigheid geleerd zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v7)

**8** Ik zal Uw voorschriften bewaren; verlaat[^psalmen-119-8-9] mij niet al te zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v8)

**9** [^psalmen-119-9-10] ב Beth. Waarmee zal[^psalmen-119-9-11] de jongeling zijn pad zuiver houden?[^psalmen-119-9-12] Als hij dat houdt naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v9)

**10** Ik zoek U met mijn hele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v10)

**11** Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v11)

**12** YHWH! U bent[^psalmen-119-12-13] gezegend; leer mij Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v12)

**13** Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten[^psalmen-119-13-14] van Uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v13)

**14** Ik ben vrolijker[^psalmen-119-14-15] in de weg van Uw getuigenissen,[^psalmen-119-14-16] dan over alle rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v14)

**15** Ik zal[^psalmen-119-15-17] Uw bevelen overdenken, en op[^psalmen-119-15-18] Uw paden letten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v15)

**16** Ik zal mijzelf vermaken in Uw[^psalmen-119-16-19] voorschriften; Uw woord zal ik niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v16)

**17** [^psalmen-119-17-b] ג Gimel. Doe wel bij[^psalmen-119-17-20] Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v17)

**18** Ontdek[^psalmen-119-18-21] mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v18)

**19** [^psalmen-119-19-22] Ik ben[^psalmen-119-19-c] een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v19)

**20** Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v20)

**21** U bestraft de vervloekte hoogmoedigen, die van Uw geboden[^psalmen-119-21-23] afdwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v21)

**22** [^psalmen-119-22-24] Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v22)

**23** Als zelfs de vorsten zittende[^psalmen-119-23-25] tegen mij gesproken hebben, heeft[^psalmen-119-23-26] Uw knecht Uw voorschriften[^psalmen-119-23-27] betracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v23)

**24** [^psalmen-119-24-d] Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v24)

**25** [^psalmen-119-25-28] ד Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof;[^psalmen-119-25-29] maak mij levend naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v25)

**26** [^psalmen-119-26-30] Ik heb U mijn wegen verteld, en U hebt mij verhoord;[^psalmen-119-26-e] leer mij Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v26)

**27** Geef mij de weg van Uw bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v27)

**28** Mijn ziel druipt weg van treurigheid;[^psalmen-119-28-31] richt mij op naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v28)

**29** Wend van mij[^psalmen-119-29-32] de weg van de valsheid, en[^psalmen-119-29-33] verleen mij genadig Uw wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v29)

**30** Ik heb gekozen[^psalmen-119-30-34] de weg van de waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v30)

**31** Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o YHWH! beschaam mij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v31)

**32** Ik zal de weg van Uw geboden lopen,[^psalmen-119-32-35] als U mijn hart verwijd zult hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v32)

**33** ה He. YHWH! leer mij de weg Uw voorschriften, en ik zal hem houden[^psalmen-119-33-36] ten einde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v33)

**34** Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met heel mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v34)

**35** Doe mij treden op het pad van Uw geboden, want daarin heb ik lust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v35)

**36** Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot[^psalmen-119-36-37] gierigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v36)

**37** [^psalmen-119-37-38] Wend mijn ogen af, dat zij geen[^psalmen-119-37-39] zinloosheid zien;[^psalmen-119-37-40] maak mij levend[^psalmen-119-37-41] door Uw wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v37)

**38** Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht,[^psalmen-119-38-42] die Uw vrees toegedaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v38)

**39** [^psalmen-119-39-43] Wend mijn smaad af, die ik vrees, want Uw rechten zijn[^psalmen-119-39-44] goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v39)

**40** Zie,[^psalmen-119-40-45] ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v40)

**41** ו Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o YHWH![^psalmen-119-41-46] Uw heil, naar Uw toezegging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v41)

**42** [^psalmen-119-42-47] Opdat ik mijn smader[^psalmen-119-42-48] wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v42)

**43** En ruk[^psalmen-119-43-49] het woord van de waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v43)

**44** Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwig en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v44)

**45** En ik zal wandelen[^psalmen-119-45-50] in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v45)

**46** Ook zal ik[^psalmen-119-46-51] voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v46)

**47** En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v47)

**48** En ik zal mijn handen[^psalmen-119-48-52] opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en[^psalmen-119-48-53] ik zal Uw voorschriften betrachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v48)

**49** ז Zain.[^psalmen-119-49-54] Gedenk van het woord, tot Uw knecht gesproken, op dat U mij hebt doen hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v49)

**50** Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v50)

**51** De hoogmoedigen hebben mij boven mate zeer bespot; toch ben ik van Uw wet niet geweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v51)

**52** Ik heb gedacht, o YHWH! aan[^psalmen-119-52-55] Uw oordelen[^psalmen-119-52-56] van ouds aan, en heb mij getroost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v52)

**53** [^psalmen-119-53-57] Grote beroering heeft mij bevangen[^psalmen-119-53-58] vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v53)

**54** Uw voorschriften zijn mij[^psalmen-119-54-59] gezangen geweest,[^psalmen-119-54-60] ter plaatse waar ik vreemdeling was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v54)

**55** [^psalmen-119-55-f] YHWH! in de nacht ben ik van Uw Naam gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v55)

**56** [^psalmen-119-56-61] Dat is mij gebeurd, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v56)

**57** ח Cheth. YHWH is[^psalmen-119-57-62] mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v57)

**58** Ik heb Uw aangezicht[^psalmen-119-58-63] ernstig gebeden met heel mijn hart, wees mij genadig naar Uw[^psalmen-119-58-64] toezegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v58)

**59** Ik heb[^psalmen-119-59-65] mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v59)

**60** Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v60)

**61** De goddeloze[^psalmen-119-61-66] hopen hebben mij beroofd; toch heb ik Uw wet niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v61)

**62** [^psalmen-119-62-67] Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten van Uw gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v62)

**63** Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v63)

**64** YHWH! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v64)

**65** ט Teth. U hebt bij Uw knecht goed gedaan, YHWH,[^psalmen-119-65-68] naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v65)

**66** Leer mij[^psalmen-119-66-69] een goede zin en wetenschap, want ik heb aan Uw[^psalmen-119-66-70] geboden geloofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v66)

**67** Voordat ik[^psalmen-119-67-71] verdrukt werd,[^psalmen-119-67-72] dwaalde ik, maar nu onderhoud ik[^psalmen-119-67-73] Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v67)

**68** U bent goed en goeddoende; leer mij Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v68)

**69** De hoogmoedigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; maar ik bewaar Uw bevelen met heel mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v69)

**70** Hun hart[^psalmen-119-70-74] is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v70)

**71** Het is mij goed, dat ik[^psalmen-119-71-75] verdrukt ben geweest, opdat ik Uw voorschriften leerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v71)

**72** De wet van Uw mond is mij beter, dan[^psalmen-119-72-76][^psalmen-119-72-g] duizenden van goud of zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v72)

**73** [^psalmen-119-73-h] י Jod.[^psalmen-119-73-77] Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v73)

**74** Die U vrezen,[^psalmen-119-74-78] zullen mij aanzien, en zich verblijden,[^psalmen-119-74-79] omdat ik op Uw woord gehoopt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v74)

**75** Ik weet, YHWH! dat Uw gerichten[^psalmen-119-75-80] de gerechtigheid zijn, en dat U mij uit getrouwheid verdrukt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v75)

**76** Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v76)

**77** Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is[^psalmen-119-77-81] al mijn vermaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v77)

**78** Laat de hoogmoedigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen neergestoten hebben; maar ik betracht Uw geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v78)

**79** [^psalmen-119-79-82] Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die[^psalmen-119-79-83] Uw getuigenissen[^psalmen-119-79-84] kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v79)

**80** Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw voorschriften, opdat ik niet beschaamd word. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v80)

**81** [^psalmen-119-81-85] כ Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil;[^psalmen-119-81-86] op Uw woord heb ik gehoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v81)

**82** Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten?[^psalmen-119-82-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v82)

**83** Want[^psalmen-119-83-88] ik ben geworden als een leren zak in de rook; maar Uw voorschriften heb ik niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v83)

**84** Hoe vele[^psalmen-119-84-89] zullen de dagen van Uw knecht zijn? Wanneer zult U[^psalmen-119-84-90] recht doen over mijn vervolgers? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v84)

**85** De hoogmoedigen[^psalmen-119-85-91] hebben mij putten gegraven,[^psalmen-119-85-92] dat niet is naar Uw wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v85)

**86** Al Uw geboden[^psalmen-119-86-93] zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v86)

**87** Zij hebben mij bijna vernietigd[^psalmen-119-87-94] op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v87)

**88** Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik[^psalmen-119-88-95] de getuigenis van Uw mond onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v88)

**89** ל Lamed. O YHWH! Uw woord bestaat in de eeuwigheid in de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v89)

**90** [^psalmen-119-90-i] Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; U hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v90)

**91** [^psalmen-119-91-96] Naar Uw bepalingen blijven[^psalmen-119-91-97] zij nog vandaag staan, want zij allen[^psalmen-119-91-98] zijn Uw knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v91)

**92** Als Uw wet niet was geweest al mijn vermaking, ik was in mijn druk[^psalmen-119-92-99] al lang vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v92)

**93** Ik zal Uw bevelen in de eeuwigheid niet vergeten, want daardoor hebt U mij levend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v93)

**94** Ik ben van U, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v94)

**95** De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v95)

**96** In[^psalmen-119-96-100] alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar[^psalmen-119-96-101] Uw gebod is zeer wijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v96)

**97** מ Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is[^psalmen-119-97-102] mijn betrachting de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v97)

**98** [^psalmen-119-98-103] Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.[^psalmen-119-98-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v98)

**99** Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn[^psalmen-119-99-105] betrachting zijn.[^psalmen-119-99-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v99)

**100** Ik ben voorzichtiger dan de ouderen, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v100)

**101** Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade[^psalmen-119-101-107] paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.[^psalmen-119-101-108] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v101)

**102** Ik ben niet geweken van Uw rechten, want U hebt mij geleerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v102)

**103** Hoe[^psalmen-119-103-k] zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honing mijn mond![^psalmen-119-103-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v103)

**104** Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.[^psalmen-119-104-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v104)

**105** נ Nun. Uw woord is een lamp voor mijn[^psalmen-119-105-111] voet, en een licht voor mijn pad.[^psalmen-119-105-112] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v105)

**106** [^psalmen-119-106-l] Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten van Uw gerechtigheid.[^psalmen-119-106-113] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v106)

**107** Ik ben geheel zeer verdrukt, YHWH! maak mij levend naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v107)

**108** Laat U toch, o YHWH! welgevallen de vrijwillige offergaven van mijn mond, en leer mij Uw rechten.[^psalmen-119-108-114] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v108)

**109** Mijn ziel is steeds in mijn hand; toch vergeet ik Uw wet niet.[^psalmen-119-109-115] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v109)

**110** De goddelozen hebben mij een strik gelegd; toch ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.[^psalmen-119-110-116] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v110)

**111** Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erfenis, want zij zijn voor mijn hart vrolijkheid.[^psalmen-119-111-117] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v111)

**112** Ik heb mijn hart geneigd, om Uw voorschriften eeuwig te doen,[^psalmen-119-112-118] ten einde toe.[^psalmen-119-112-119] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v112)

**113** ס Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.[^psalmen-119-113-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v113)

**114** U bent mijn Schuilplaats en[^psalmen-119-114-121] mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.[^psalmen-119-114-122] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v114)

**115** Wijk van mij, u boosdoeners! dat ik de geboden van mijn God mag bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v115)

**116** Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.[^psalmen-119-116-123] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v116)

**117** Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw voorschriften vermaken.[^psalmen-119-117-124] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v117)

**118** U vertreedt al degenen, die van Uw voorschriften afdwalen, want hun bedrog is leugen.[^psalmen-119-118-125] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v118)

**119** U doet alle goddelozen van de aarde weg[^psalmen-119-119-126] als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.[^psalmen-119-119-127] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v119)

**120** Het haar van mijn vlees is te berge gerezen[^psalmen-119-120-128] van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.[^psalmen-119-120-129] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v120)

**121** ע Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v121)

**122** Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.[^psalmen-119-122-130] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v122)

**123** Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid.[^psalmen-119-123-131] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v123)

**124** Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v124)

**125** Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v125)

**126** Het is tijd voor YHWH, dat Hij werke,[^psalmen-119-126-132] want zij hebben Uw wet[^psalmen-119-126-133] verbroken.[^psalmen-119-126-134] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v126)

**127** Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.[^psalmen-119-127-135] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v127)

**128** Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden;[^psalmen-119-128-136] maar alle valse pad heb ik gehaat.[^psalmen-119-128-137] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v128)

**129** פ Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.[^psalmen-119-129-138] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v129)

**130** [^psalmen-119-130-m] De opening van Uw woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende.[^psalmen-119-130-139] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v130)

**131** Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb[^psalmen-119-131-140] verlangd naar Uw geboden.[^psalmen-119-131-141] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v131)

**132** Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die van Uw Naam houden.[^psalmen-119-132-142] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v132)

**133** Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.[^psalmen-119-133-143] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v133)

**134** Verlos mij van de mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.[^psalmen-119-134-144] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v134)

**135** [^psalmen-119-135-n] Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw voorschriften.[^psalmen-119-135-145] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v135)

**136** Waterbeken stromen af uit mijn ogen, omdat[^psalmen-119-136-146] zij Uw wet niet onderhouden.[^psalmen-119-136-147] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v136)

**137** צ Tsade. YHWH! U bent rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v137)

**138** U hebt de gerechtigheid van Uw getuigenissen, en de waarheid[^psalmen-119-138-148] nadrukkelijk geboden.[^psalmen-119-138-149] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v138)

**139** Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten hebben.[^psalmen-119-139-150] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v139)

**140** [^psalmen-119-140-o] Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.[^psalmen-119-140-151] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v140)

**141** Ik ben klein en veracht, maar Uw bevelen vergeet ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v141)

**142** Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.[^psalmen-119-142-152] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v142)

**143** Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, maar Uw geboden zijn mijn vermakingen.[^psalmen-119-143-153] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v143)

**144** De gerechtigheid van Uw getuigenissen is in de eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v144)

**145** ק Koph. Ik heb met heel mijn hart geroepen: verhoor mij, o YHWH! ik zal Uw voorschriften bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v145)

**146** Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v146)

**147** [^psalmen-119-147-p] Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.[^psalmen-119-147-154] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v147)

**148** [^psalmen-119-148-q] Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.[^psalmen-119-148-155] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v148)

**149** Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o YHWH! maak mij levend naar Uw recht.[^psalmen-119-149-156] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v149)

**150** Die kwade praktijken najagen,[^psalmen-119-150-157] naderen mij, zij wijken verre van Uw wet.[^psalmen-119-150-158] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v150)

**151** Maar U, YHWH! bent nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.[^psalmen-119-151-159] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v151)

**152** Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat U ze in eeuwigheid gegrond hebt.[^psalmen-119-152-160] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v152)

**153** ר Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v153)

**154** Twist mijn rechtszaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.[^psalmen-119-154-161] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v154)

**155** Het heil is ver van de goddelozen, want zij zoeken Uw voorschriften niet.[^psalmen-119-155-162] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v155)

**156** YHWH! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend[^psalmen-119-156-163] naar Uw rechten.[^psalmen-119-156-164] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v156)

**157** Mijn vervolgers en mijn tegenstanders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v157)

**158** Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.[^psalmen-119-158-165] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v158)

**159** Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o YHWH! maak mij levend naar Uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v159)

**160** Het begin van Uw woord is waarheid, en in de eeuwigheid is al het recht van Uw gerechtigheid.[^psalmen-119-160-166] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v160)

**161** ש Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.[^psalmen-119-161-167] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v161)

**162** Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een grote buit vindt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v162)

**163** Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v163)

**164** Ik loof U zevenmaal overdag, over de rechten van Uw gerechtigheid.[^psalmen-119-164-168] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v164)

**165** Die van Uw wet houden, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot.[^psalmen-119-165-169] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v165)

**166** O YHWH! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v166)

**167** Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v167)

**168** Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.[^psalmen-119-168-170] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v168)

**169** ת Thau. O YHWH! laat mijn geschrei voor Uw aangezicht naderen, maak mij verstandig naar Uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v169)

**170** Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen, red mij naar Uw toezegging.[^psalmen-119-170-171] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v170)

**171** Mijn lippen zullen Uw lof overvloedig uitstorten, als U mij Uw voorschriften zult geleerd hebben.[^psalmen-119-171-172] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v171)

**172** Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.[^psalmen-119-172-173] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v172)

**173** Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen gekozen.[^psalmen-119-173-174] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v173)

**174** O YHWH! ik verlang naar Uw heil, en[^psalmen-119-174-175] Uw wet is al mijn vermaking.[^psalmen-119-174-176] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v174)

**175** Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en[^psalmen-119-175-177] laat Uw rechten mij helpen.[^psalmen-119-175-178] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v175)

**176** [^psalmen-119-176-r] Ik heb gedwaald[^psalmen-119-176-179] als een verloren schaap;[^psalmen-119-176-180] zoek[^psalmen-119-176-181] Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.[^psalmen-119-176-182] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/119.html#v176)

[^psalmen-119-1-1]: Kanttekening 1: oprechten van wandel: Hebr. de oprechten van weg; dat is, wier weg oprecht is, dat is, die een oprecht leven voeren.
[^psalmen-119-1-a]: Verwijzing a: Ps. 1:1 . Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^psalmen-119-2-2]: Kanttekening 2: Door de getuigenissen van de Heer moet men hier verstaan zijn wetten, die Hij zijn volk gegeven heeft tot een getuigenis van zijn gunst en zijns verbonds, dat Hij met hen opgericht had.
[^psalmen-119-3-3]: Kanttekening 3: geen onrecht werken: Dat is, geen verkeerde, onrechtvaardige werken doen.
[^psalmen-119-3-4]: Kanttekening 4: in Zijn wegen: Dat is, in de wegen, die Hij hun bevolen en voorgeschreven heeft. Zie de aantekening bij 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^psalmen-119-4-5]: Kanttekening 5: dat men: Dat een ieder zich bevlijtige zijn leven naar Uw bevelen aan te stellen.
[^psalmen-119-5-6]: Kanttekening 6: mijn wegen: Dat is, mijn gedachten, genegenheden, beraadslagingen en de uitwendige daden gericht, of vastgemaakt.
[^psalmen-119-6-7]: Kanttekening 7: niet beschaamd: Te weten, staande, of verschijnende voor Uw aangezicht, o Heer.
[^psalmen-119-7-8]: Kanttekening 8: de rechten: Dat is, de rechten, die ons de gerechtigheid, die U behaaglijk is, aanwijzen.
[^psalmen-119-8-9]: Kanttekening 9: Dat is, ontrek mij Uw hand niet zo ver, dat ik Uw geboden verwerpen zou. God laat de zijnen soms struikelen, opdat ze hun zwakheid beter leren kennen.
[^psalmen-119-9-10]: Kanttekening 10: Waarmee zal: Dat is, bij welk middel.
[^psalmen-119-9-11]: Kanttekening 11: de jongeling: Dat is, zijn weg zo aanstellen, dat hij recht en zuiver is. Hij spreekt uitdrukkelijk van een jongeling, \[hoewel dit alle mensen betreft\] omdat de jonge mensen meest geneigd zijn zich te laten afleiden van de rechte weg, door de kwade bewegingen van het vlees.
[^psalmen-119-9-12]: Kanttekening 12: Of, als hij zich houdt naar Uw woord. Hebr. houdende \[dat\] naar Uw woord.
[^psalmen-119-12-13]: Kanttekening 13: Dat is, geprezen.
[^psalmen-119-13-14]: Kanttekening 14: uws monds: Dat is, die U met Uw mond uitgesproken hebt.
[^psalmen-119-14-15]: Kanttekening 15: de weg: Dat is, vanwege de weg, die mij Uw getuigenissen of geboden aanwijzen.
[^psalmen-119-14-16]: Kanttekening 16: dan over allen rijkdom: Dat is, meer dan of ik al het goed, bezittingen, of rijkdom van de wereld bezat.
[^psalmen-119-15-17]: Kanttekening 17: Uw bevelen overdenken: Anders: van Uw bevelen spreken.
[^psalmen-119-15-18]: Kanttekening 18: Uw paden: Te weten, die U in Uw wet Uw volk hebt voorgeschreven.
[^psalmen-119-16-19]: Kanttekening 19: Uw woord: Of, Uw woorden.
[^psalmen-119-17-b]: Verwijzing b: Ps. 103:2 ; Ps. 116:7 . Psalmen 103:2 : Loof YHWH, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Psalmen 116:7 : Mijn ziel! keer weer tot uw rust, want YHWH heeft aan u welgedaan.
[^psalmen-119-17-20]: Kanttekening 20: Uw knecht: Dat is, bij mij, die uw knecht ben.
[^psalmen-119-18-21]: Kanttekening 21: mijn ogen: Niet zozeer de vleselijke ogen als de ogen van het verstand, aldus bekennende zijn aangeboren blindheid en verdorvenheid. Zie; 1 Kor. 2:14 . 1 Korinthiërs 2:14 : Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
[^psalmen-119-19-22]: Kanttekening 22: Ik ben: Alsof hij zei: Ik ben als een arme pelgrim en wandelaar, niet wetende noch kennende de weg, die ik moet ingaan; daarom bid ik U, o Heer, dat U mij wilt leren en leiden door Uw wetten. Zie; Ps. 39:13 . Psalmen 39:13 : Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
[^psalmen-119-19-c]: Verwijzing c: Gen. 47:9 ; 1 Kron. 29:15 ; Ps. 39:13 ; Hebr. 11:13 . Genesis 47:9 : En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren mijn vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven mijn vaders, in de dagen hun vreemdelingschappen. 1 Kronieken 29:15 : Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting. Psalmen 39:13 : Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Hebreeën 11:13 : Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.
[^psalmen-119-21-23]: Kanttekening 23: Te weten, moedwilliglijk.
[^psalmen-119-22-24]: Kanttekening 24: Hebr. rol af van op mij.
[^psalmen-119-23-25]: Kanttekening 25: Zich tezamen beraadslagende hoe zij mij ten verderve brengen mochten.
[^psalmen-119-23-26]: Kanttekening 26: uw knecht: Dat is, ik, die Uw knecht ben.
[^psalmen-119-23-27]: Kanttekening 27: Dat is, overlegd, bedacht, gepractiseerd. Zie boven vers 15 , en Ps. 1:2 , en dit is te merken op dit woord van deze gehele Psalm door. Psalmen 119:15 : Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten. Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-119-24-d]: Verwijzing d: Ps. 43:4 . Psalmen 43:4 : En dat ik inga tot Gods altaar, tot de God van de blijdschap mijn verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!
[^psalmen-119-25-28]: Kanttekening 28: Mijn ziel: Dat is, ik ben schier dood en in het stof van de aarde begraven. Hiermee geeft de profeet te kennen een zeer zwaar en zorgelijk lijden. Zie Ps. 44:26 . Psalmen 44:26 : Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.
[^psalmen-119-25-29]: Kanttekening 29: maak mij: Of, behoud mij in het leven naar Uw woord; dat is, naar uw belofte.
[^psalmen-119-26-30]: Kanttekening 30: Ik heb: Ik heb U, o Heer, mijn handelingen en gelegenheden geopenbaard, en mijn zaken U ten enenmaal bevolen, biddende dat U die allemaal wilt richten en bestieren naar Uw heilige en goede wil, en tot mijn zaligheid.
[^psalmen-119-26-e]: Verwijzing e: Ps. 25:4 ; Ps. 27:11 ; Ps. 86:11 . Psalmen 25:4 : Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Psalmen 27:11 : YHWH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijn verspieders wil. Psalmen 86:11 : Leer mij, YHWH! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
[^psalmen-119-28-31]: Kanttekening 31: richt mij: Of, bevestig mij, gelijk vers 38 , en vers 106 . Psalmen 119:38 : Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is. Psalmen 119:106 : Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten van Uw gerechtigheid.
[^psalmen-119-29-32]: Kanttekening 32: de weg: Bij de weg van de valsheid mag men hier verstaan valse leringen en inzettingen, die tegen Gods wet en ordinantiën strijden; gelijk straks vers 30 . bij de weg van de waarheid de rechte leer en geboden, die ons getrouwelijk ter zaligheid leiden, te verstaan zijn. Psalmen 119:30 : Ik heb gekozen de weg van de waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
[^psalmen-119-29-33]: Kanttekening 33: Dat is, doe mij de genade, dat ik mij steeds aan uw wet houde.
[^psalmen-119-30-34]: Kanttekening 34: de weg: Deze weg is de gehoorzaamheid van de geboden van God. Zie de aantekening bij 1 Kon. 8:36 . 1 Koningen 8:36 : Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de goede weg in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
[^psalmen-119-32-35]: Kanttekening 35: als U: Dat is, als U mij met wijsheid zult verrijkt en overvloediglijk begaafd hebben, gelijk 1 Kon. 4:29 ; òf, met troost gesterkt zult hebben, gelijk 2 Kor. 6:11 . 1 Koningen 4:29 : En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van het hart, gelijk zand, dat aan de oever van de zee is. 2 Korinthiërs 6:11 : Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid.
[^psalmen-119-33-36]: Kanttekening 36: ten einde: Het Hebr. woord betekent eigenlijk de hiel, of de voetzool; of - eigenlijk het einde; en somtijds beloning, of vergelding. Zie Ps. 19:12 . Psalmen 19:12 : Ook wordt Uw knecht door dezelfde duidelijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
[^psalmen-119-36-37]: Kanttekening 37: Onder de naam van gierigheid worden verstaan alle andere ondeugden, omdat de gierigheid is de wortel van alle kwaad.
[^psalmen-119-37-38]: Kanttekening 38: Hebr. doe voorbijgaan, of doorgaan, gelijk vers 39 . Psalmen 119:39 : Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
[^psalmen-119-37-39]: Kanttekening 39: Als daar zijn wellusten, schoonheid, rijkdom, of eer van deze wereld. Zie Job 15:31 . Job 15:31 : Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.
[^psalmen-119-37-40]: Kanttekening 40: Maak mij: Anders: maak dat ik leef in uw wegen.
[^psalmen-119-37-41]: Kanttekening 41: door uw: Dat is, door de leer van uw woord.
[^psalmen-119-38-42]: Kanttekening 42: die Uw: Hebr. die tot, naar, of in uw vreze is.
[^psalmen-119-39-43]: Kanttekening 43: Wend mijn: Of, doe mijn smaadheid voorbijgaan, of doorgaan, of passeren.
[^psalmen-119-39-44]: Kanttekening 44: Dat is, rechtvaardig en billijk; daarom, wil ik zeggen, zult U die niet te schande laten komen, die U dienen, gelijk ik doe.
[^psalmen-119-40-45]: Kanttekening 45: ik heb: Dat is, ik ben begerig en benaarstig mij om al Uw geboden in al mijn handel en wandel te gehoorzamen.
[^psalmen-119-41-46]: Kanttekening 46: Uw heil: Te weten, waarmee U mij behoudt en verlust, dat ik niet onderga.
[^psalmen-119-42-47]: Kanttekening 47: Opdat ik: Dat is, opdat ik mijn tegenstanders doe blijken dat mijn hoop en vertrouwen op U niet ijdel of vergeefs geweest is, gelijk zij mij verweten hebben.
[^psalmen-119-42-48]: Kanttekening 48: wat heb te antwoorden: Of, een woord hebbe te antwoorden.
[^psalmen-119-43-49]: Kanttekening 49: woord van de waarheid: Dat is, dat woord, dat de waarheid leert, te weten, de ware leer van God en zijn godsdienst.
[^psalmen-119-45-50]: Kanttekening 50: in de ruimte: Dat is, vrij, buiten dwang of schrik; gelijk Ps. 4:2 , Ps. 18:20 , Ps. 118:5 . Psalmen 4:2 : Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. Psalmen 18:20 : En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. Psalmen 118:5 : Uit de benauwdheid heb ik YHWH aangeroepen; YHWH heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
[^psalmen-119-46-51]: Kanttekening 51: voor koningen: Dat is, in de aanwezigheid van koningen.
[^psalmen-119-48-52]: Kanttekening 52: Te weten, om naar Uw geboden te grijpen, uit grote begeerte, die ik tot dezelfde heb. Of, ik zal mijn handen aan het werk slaan om uw geboden metterdaad te doen en te gehoorzamen.
[^psalmen-119-48-53]: Kanttekening 53: ik zal: Of, ik zal van uw inzettingen spreken.
[^psalmen-119-49-54]: Kanttekening 54: van het woord: Dat is, van de belofte, die U op uw knecht gedaan hebt.
[^psalmen-119-52-55]: Kanttekening 55: Uw oordelen: Door welke U de goddelozen gestraft en uw kinderen verlost en bewaard hebt.
[^psalmen-119-52-56]: Kanttekening 56: van ouds: Hebr. van eeuwigheid; dat is, van het begin van de wereld gepleegd.
[^psalmen-119-53-57]: Kanttekening 57: Grote beroering: Of een brandende storm, of een stormwind; dat is, een grote beroerte van het hart.
[^psalmen-119-53-58]: Kanttekening 58: vanwege de goddelozen: Te weten, als ik denk hoe zwaar zij zondigen en hoe zware straffen zij te verwachten hebben.
[^psalmen-119-54-59]: Kanttekening 59: Dat is, de inhoud van mijn psalmen en gezangen.
[^psalmen-119-54-60]: Kanttekening 60: ter plaatse: Hebr., בֵית, in het huis, of ten huize; te weten ter plaatse, waar ik hier en daar als vreemdeling en balling heb moeten dwalen.
[^psalmen-119-55-f]: Verwijzing f: Ps. 16:7 ; Ps. 42:9 . Psalmen 16:7 : Ik zal YHWH loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. Psalmen 42:9 : Maar YHWH zal van de dag Zijn goedertierenheid gebieden, en van de nacht zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens.
[^psalmen-119-56-61]: Kanttekening 61: Dat is: Dat is, dat ik mijn nachtrust zelf gebroken heb om op U te denken, vers 55 ; dat is gesproten uit de ijver, die ik heb tot de onderhouding van uw geboden. Zie Ps. 1:2 . Psalmen 119:55 : YHWH! in de nacht ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^psalmen-119-57-62]: Kanttekening 62: mijn deel: Dat is, het zal mij zo lief zijn gelijk een mens zijn erfdeel pleegt te zijn. Anders: Heer, ik heb gezegd mijn deel zal zijn Uw woorden te bewaren.
[^psalmen-119-58-63]: Kanttekening 63: Zie de aantekening bij Job 11:19 . Job 11:19 : En u zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.
[^psalmen-119-58-64]: Kanttekening 64: Dat is, belofte.
[^psalmen-119-59-65]: Kanttekening 65: mijn wegen: Dat is, mijn aanslagen en daden, al mijn doen en laten, al mijn gedachten woorden en werken, of ik mij ergens in tegen Uw wetten mocht vergrepen hebben; en als ja, dat ik mij straks opnieuw op Uw onfeilbare wegen begeven mocht.
[^psalmen-119-61-66]: Kanttekening 66: Zie de aantekening bij 1 Sam. 10:5 , 10:10 . 1 Samuël 10:5 : Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren. 1 Samuël 10:10 : Toen zij daar aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem één hoop profeten tegemoet; en de Geest van YHWH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.
[^psalmen-119-62-67]: Kanttekening 67: Te middernacht: Hij wil zeggen dat hij de tijd, die tot lichamelijke rust verordineerd was en die andere mensen met slapen door brachten, wakende ter ere Gods besteedde, gelijk Ps. 16:7 . Psalmen 16:7 : Ik zal YHWH loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
[^psalmen-119-65-68]: Kanttekening 68: naar Uw woord: Dat is, naar Uw belofte, gelijk boven vers 25 . Psalmen 119:25 : Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
[^psalmen-119-66-69]: Kanttekening 69: een goede zin: Of, goed verstand. Hebr. goedheid van het verstand, of van de zin.
[^psalmen-119-66-70]: Kanttekening 70: Dat is, beloften.
[^psalmen-119-67-71]: Kanttekening 71: Of, vernederd.
[^psalmen-119-67-72]: Kanttekening 72: De boze lusten van mijn vlees volgende.
[^psalmen-119-67-73]: Kanttekening 73: Uw woord: Dat is, Uw geboden.
[^psalmen-119-70-74]: Kanttekening 74: is vet: Te weten, doordien zij naar het vlees zo welvaren en grote voorspoed hebben, welke zij misbruiken, en daardoor heel ongevoelig en dom zijn geworden, geen lust hebbende tot overleggen van de wet van God; Ps. 17:10 en Ps. 73:7 . Job 15:27 . Zie Deut. 32:15 . Psalmen 17:10 : Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. Psalmen 73:7 : Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen van het hart te boven. Job 15:27 : Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^psalmen-119-71-75]: Kanttekening 75: Te weten, met kruis en tegenspoed. Zo ook boven vers 67 . Psalmen 119:67 : Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
[^psalmen-119-72-76]: Kanttekening 76: Dat is, veel duizend stukken gouds en zilver; Ps. 68:31 staat stukken zilvers. Psalmen 68:31 : Scheld het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.
[^psalmen-119-72-g]: Verwijzing g: Ps. 19:11 . Psalmen 19:11 : Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
[^psalmen-119-73-h]: Verwijzing h: Job 10:9 ; Ps. 139:13 . Job 10:9 : Gedenk toch, dat U mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen terugkeren. Psalmen 139:13 : Want U bezit mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt.
[^psalmen-119-73-77]: Kanttekening 77: Menselijkerwijze van God gesproken. Zie Job 14:15 . Job 14:15 : Dat U zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat U tot het werk van Uw handen zoudt begerig zijn.
[^psalmen-119-74-78]: Kanttekening 78: Te weten, als een exempel van de genadige hulp en verlossing, die U dengenen doet, die op U hopen en Uw geboden liefhebben.
[^psalmen-119-74-79]: Kanttekening 79: Dat is, omdat ik op het woord van Uw toezegging zolang, maar niet tevergeefs, gewacht heb.
[^psalmen-119-75-80]: Kanttekening 80: de gerechtigheid: De zin is: Heer, ofschoon U mij met zwaar kruis getuchtigd hebt, zo hebt U daarmee niet gehandeld tegen Uw gerechtigheid en waarheid, maar veel meer hebt U daardoor Uw gunst te mijwaarts bewezen, want zulke kastijdingen hebben mij tot beterschap van het leven gediend, en daarom zijn zij mij goed en bevordelijk geweest; 1 Kor. 10:13 . 1 Korinthiërs 10:13 : Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen.
[^psalmen-119-77-81]: Kanttekening 81: al mijn vermaking: Hebr., mijn vermakingen.
[^psalmen-119-79-82]: Kanttekening 82: Laat hen: Dat is, dat zij zich bij mij voegen en dat zij het met mij houden, verlatende het gezelschap van de bozen.
[^psalmen-119-79-83]: Kanttekening 83: Uw getuigenissen: Dat is, Uw wetten en woorden, door welke U Uw wil betuigt en te kennen geeft.
[^psalmen-119-79-84]: Kanttekening 84: Dat is, achten, lief en waard houden.
[^psalmen-119-81-85]: Kanttekening 85: Mijn ziel: Zie 2 Sam. 13 , de aantekening bij vers 39 ; Job 19:27 ; en Ps. 84:3 . Psalmen 119:39 : Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed. Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Psalmen 84:3 : Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God.
[^psalmen-119-81-86]: Kanttekening 86: op uw woord: Dat is, naar de volbrenging van het woord van uw belofte, gelijk boven vers 25 . Psalmen 119:25 : Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
[^psalmen-119-82-87]: Kanttekening 87: mij vertroosten: Te weten, mij gevende wat ik van U bid en verwacht.
[^psalmen-119-83-88]: Kanttekening 88: ik ben: De zin is: Vanwege mijn langdurig leed en tegenspoed, ben ik verdroogd en mijn vel is samengekrompen en zwart geworden gelijk leder, dat lang in de rook hangt; Spr. 17:22 . Spreuken 17:22 : Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
[^psalmen-119-84-89]: Kanttekening 89: de dagen: Te weten, de dagen van mijn ellende.
[^psalmen-119-84-90]: Kanttekening 90: Dat is, mijn vijanden en vervolgers straffen.
[^psalmen-119-85-91]: Kanttekening 91: Te weten, opdat ik in dezelfde zou vallen en vergaan. Alsof hij zei: zij staan listiglijk naar mijn leven. Zie Ps. 35:7 . Psalmen 35:7 : Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
[^psalmen-119-85-92]: Kanttekening 92: dat niet is naar Uw wet: Anders: die niet \[doen\] naar Uw wet.
[^psalmen-119-86-93]: Kanttekening 93: zijn waarheid: De zin is: Zij zijn de waarheid, of de getrouwheid zelve. Zij houden ons op het allergetrouwste voor wat waar, goed, recht en heilig is.
[^psalmen-119-87-94]: Kanttekening 94: op de aarde: Maar niet in de hemel. Zie Matt. 10:28 . Luk. 10:20 . Mattheüs 10:28 : En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in het dodenrijk. Lukas 10:20 : Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemel.
[^psalmen-119-88-95]: Kanttekening 95: de getuigenis: Dat is, de geboden, die U met Uw mond uitgesproken en ons bevolen hebt.
[^psalmen-119-90-i]: Verwijzing i: Pred. 1:4 . Prediker 1:4 : Het een geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in eeuwigheid.
[^psalmen-119-91-96]: Kanttekening 96: Dat is, gelijk U dat eens heeft beliefd te ordineren en te wijzen, gelijk Ps. 33:9 . Psalmen 33:9 : Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^psalmen-119-91-97]: Kanttekening 97: zij nog heden: Te weten, hemel en aarde.
[^psalmen-119-91-98]: Kanttekening 98: zijn Uw: Dat is, hemel en aarde en al wat er in is moet tot Uw dienst staan.
[^psalmen-119-92-99]: Kanttekening 99: al lang: Hebr. toen, of alsdan.
[^psalmen-119-96-100]: Kanttekening 100: Dat is, alle geschapen dingen, hoe volmaakt ze ook wezen mogen, hebben hun einde of bepaling.
[^psalmen-119-96-101]: Kanttekening 101: Dat is, aangaande de wijsheid, die U ons openbaart in Uw Woord en geboden, die heeft einde noch bepaling.
[^psalmen-119-97-102]: Kanttekening 102: mijn betrachting: Dat is, de stof van mijn meditatiën of overdenkingen en van mijn redenen.
[^psalmen-119-98-103]: Kanttekening 103: Te weten, Uw wet. Anders: U te weten, o God.
[^psalmen-119-98-104]: Kanttekening 104: Te weten, Uw wet. Anders: U te weten, o God.
[^psalmen-119-99-105]: Kanttekening 105: Of, kloeker, voorzichtiger, vernuftiger.
[^psalmen-119-99-106]: Kanttekening 106: Zie vers 97 . Psalmen 119:97 : Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de hele dag.
[^psalmen-119-101-107]: Kanttekening 107: Of, afgehouden.
[^psalmen-119-101-108]: Kanttekening 108: Hebr., אֹרַח, pad.
[^psalmen-119-103-k]: Verwijzing k: Ps. 19:11 ; Spr. 8:11 . Psalmen 19:11 : Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Spreuken 8:11 : Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
[^psalmen-119-103-109]: Kanttekening 109: Hebr. rede; dat is, elk van Uw redenen.
[^psalmen-119-104-110]: Kanttekening 110: alle leugen: Hebr., אֹרַח, allen pad van de leugen, of van de valsheid.
[^psalmen-119-105-111]: Kanttekening 111: Of, lantaarn, kaarsen, Spr. 6:23 . Spreuken 6:23 : Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven;
[^psalmen-119-105-112]: Kanttekening 112: Dat is, voeten.
[^psalmen-119-106-l]: Verwijzing l: Neh. 10:29 . Nehemia 10:29 : Die hielden zich aan hun broers, hun voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van YHWH, onzes Heern, en Zijn rechte en Zijn inzettingen;
[^psalmen-119-106-113]: Kanttekening 113: de rechten: Dat is, Uw rechtvaardige rechten.
[^psalmen-119-108-114]: Kanttekening 114: Dat is, mijn gebed en dankzegging; gelijk Lev. 22:18 ; Num. 29:39 ; 2 Kron. 31:14 ; Ps. 54:8 ; Amos 4:5 . Leviticus 22:18 : Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijn offerande zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offeren, die zij YHWH ten brandoffer zullen offeren; Numeri 29:39 : Deze dingen zult u YHWH doen op uw vastgestelde hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen en met uw drankofferen, en met uw dankofferen. 2 Kronieken 31:14 : En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer van YHWH en het allerheiligste uit te delen. Psalmen 54:8 : Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o YHWH! loven, want Hij is goed. Amos 4:5 : En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want zo hebt u het graag, u kinderen van Israël! spreekt de Heer YHWH.
[^psalmen-119-109-115]: Kanttekening 115: Mijn ziel: Zie de aantekening bij Richt. 12:3 ; 1 Sam. 19:5 , en 1 Sam. 28:21 ; Job 13:14 . Richteren 12:3 : Als ik nu zag, dat u niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en YHWH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden? 1 Samuël 19:5 : Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de Filistijn geslagen, en YHWH heeft een groot heil aan het gehele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zoudt u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende? 1 Samuël 28:21 : De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zei tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die u tot mij gesproken hebt. Job 13:14 : Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
[^psalmen-119-110-116]: Kanttekening 116: Hebr., נָתְנוּ, gegeven.
[^psalmen-119-111-117]: Kanttekening 117: tot een: Dat is, voor mijn beste en bestendigste goed.
[^psalmen-119-112-118]: Kanttekening 118: om Uw: Dat is, om te doen wat Uw inzettingen bevelen.
[^psalmen-119-112-119]: Kanttekening 119: ten einde: Zie de aantekening bij vers 33 . Psalmen 119:33 : He. YHWH! leer mij de weg van Uw inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
[^psalmen-119-113-120]: Kanttekening 120: de kwade ranken: Of, de dubbelhartige gepeinzen, of \[de ijdele\] gedachten, of de door elkaar lopende gedachten; dat is, de manier van doen dergenen, die met alle winden waaien en die twee pezen op hun boog zoeken te hebben. Het Hebr. woord betekent eigenlijk, ranken of takken, die met menigte in een boom door elkaar lopen. Zie aantekening bij 1 Kon. 18:21 . 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.
[^psalmen-119-114-121]: Kanttekening 121: U bent: Dat is, U o Heer, bent het, onder wiens vleugelen ik schuil ten tijde van gevaar en vervolging.
[^psalmen-119-114-122]: Kanttekening 122: mijn Schild: Dat is, die mij beschut en beschermt.
[^psalmen-119-116-123]: Kanttekening 123: naar Uw: Of, door; in het Hebr. is Caf of Beth; de eerste betekent naar, de andere door.
[^psalmen-119-117-124]: Kanttekening 124: Of, dan zal ik steeds uw inzettingen aanschouwen.
[^psalmen-119-118-125]: Kanttekening 125: Dat is, bedriegelijk. Want zij verkrijgen niet door hun bedrog wat zij hoopten.
[^psalmen-119-119-126]: Kanttekening 126: U doet: U doet weg. Hebr. U doet ophouden, of rusten.
[^psalmen-119-119-127]: Kanttekening 127: Te weten, dat men wegwerpt als nergens toe deugende. Het is een manier van spreken, genomen bij gelijkenis van degenen, die metalen raffineren of zuiveren. Zie Jes. 1:25 ; Ez. 22:18 , 22:19 , 22:20 , 22:21 , 22:22 ; Mal. 3:3 ; Spr. 25:4 , 25:5 . Anders: het schuim, \[namelijk\] al de goddelozen van de aarde hebt U teniet gemaakt. Jesaja 1:25 : En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen. Ezechiël 22:18 : Mensenkind, die van het huis van Israël zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden van de oven; zilverschuim zijn zij geworden. Ezechiël 22:19 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u allen tot schuim geworden bent, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen. Ezechiël 22:20 : Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; zo zal Ik u vergaderen in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid daar laten, en smelten. Ezechiël 22:21 : Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur van Mijn toorn, dat u in het midden van haar zult gesmolten worden. Ezechiël 22:22 : Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, zo zult u in het midden van haar gesmolten worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb. Maleachi 3:3 : En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij YHWH spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. Spreuken 25:4 : Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor de smelter uitkomen; Spreuken 25:5 : Doe de goddelozen weg van het aangezicht van de koning, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
[^psalmen-119-120-128]: Kanttekening 128: Het haar : Dit is hierbij gevoegd uit Joz. 4:15 . Anders: mijn vlees schudt, beeft, siddert. Jozua 4:15 : YHWH dan sprak tot Jozua, zeggende:
[^psalmen-119-120-129]: Kanttekening 129: van verschrikking voor U: Hebr. van uw verschrikking; te weten, als ik gedenk de grote gestrengheid, die U over de goddelozen oefent.
[^psalmen-119-122-130]: Kanttekening 130: Wees borg: Te weten, dat hem geen kwaad wedervaren zal, en handhaaf en bescherm hem tegen al zijn vijanden. Of, wees Uw knecht zoet, of lieflijk.
[^psalmen-119-123-131]: Kanttekening 131: naar de: Of, naar uw rechtvaardige toezegging; te weten, die U rechtvaardiglijk en trouwelijk wilt houden.
[^psalmen-119-126-132]: Kanttekening 132: voor de: Of, dat de Heer werke; dat is, dat Hij zijn macht betone en doe blijken, of dat Hij doe wat Hij mij belooft heeft.
[^psalmen-119-126-133]: Kanttekening 133: zij hebben: Te weten, mijn stoute wederpartijders, van welke vers 121 , vers 122 gesproken is. Psalmen 119:121 : Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. Psalmen 119:122 : Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
[^psalmen-119-126-134]: Kanttekening 134: Dat is, zij werpen ze en houden ze van geen waarde.
[^psalmen-119-127-135]: Kanttekening 135: heb ik: Alsof hij zei: ik laat niet Uw geboden lief te hebben, al worden zij van de bozen vernietigd; maar ik heb ze des te liever en waarder.
[^psalmen-119-128-136]: Kanttekening 136: al Uw bevelen: Te weten, die U gemaakt hebt, van welke zaken die ook zijn, zonder onderscheid of uitneming. Anders: daarom heb ik de bevelen van alles, of in alles verbeterd. Anders: ik heb al de bevelen van allen \[te weten, van alle mensen\] verbeterd; te weten, naar het richtsnoer van Uw wet.
[^psalmen-119-128-137]: Kanttekening 137: alle valse pad: Of, allen weg van de leugens.
[^psalmen-119-129-138]: Kanttekening 138: zijn wonderbaar: Hebr., פְּלָאוֹת, zijn wonderen.
[^psalmen-119-130-m]: Verwijzing m: Ps. 19:9 . Psalmen 19:9 : De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen.
[^psalmen-119-130-139]: Kanttekening 139: Of, ingang; dat is, wanneer men maar de eerste beginselen van uw wet gesmaakt heeft, zo haast als men ze komt te lezen of te onderzoeken, zo krijgt men meteen grote kennis door de kracht en werking van de Heilige Geest.
[^psalmen-119-131-140]: Kanttekening 140: Ik heb: De zin is: Ik heb uw leer met zulke begeerte aangenomen als de beste drank, die men mij zou mogen geven om mij te laven in een zeer grote dorst. Of, het is een gelijkenis, genomen van een mens, die zich zeer haast om ergens, waar hij zeer groot verlangen naar heeft, te komen en zijn mond opendoet om in het lopen zijn adem beter te halen.
[^psalmen-119-131-141]: Kanttekening 141: Of, gehaakt. Of, ik heb gesnakt naar. Zie Ps. 56:2 . Psalmen 56:2 : Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de hele dag dringt mij de bestrijder.
[^psalmen-119-132-142]: Kanttekening 142: naar het recht: Of, naar het gebruik. Dat is, gelijk U gewoon bent te doen. Of, gelijk het recht en passend is. Zie aantekening bij Gen. 40:13 . Genesis 40:13 : Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was.
[^psalmen-119-133-143]: Kanttekening 143: Maak mijn voetstappen: Dat is, geef dat ik zonder struikelen mag wandelen in uw wegen en doen naar uw woord.
[^psalmen-119-134-144]: Kanttekening 144: Of, onderdrukking.
[^psalmen-119-135-n]: Verwijzing n: Ps. 4:7 . Psalmen 4:7 : Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH!
[^psalmen-119-135-145]: Kanttekening 145: Doe Uw aangezicht lichten: Dat is, aanzie mij met een schoon en klaar, of blij gelaat, toon mij een teken van uw goedertierenheid. Zie de aantekening bij Num. 6:25 . Numeri 6:25 : YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
[^psalmen-119-136-146]: Kanttekening 146: Dat is, overvloedige tranen.
[^psalmen-119-136-147]: Kanttekening 147: Te weten, de goddelozen, gelijk in vers 158 . Psalmen 119:158 : Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
[^psalmen-119-138-148]: Kanttekening 148: de gerechtigheid: Anders, uw rechtvaardige getuigenissen.
[^psalmen-119-138-149]: Kanttekening 149: Hebr. zeer.
[^psalmen-119-139-150]: Kanttekening 150: heeft mij doen vergaan: Of, heeft mij onderdrukt. Zie Ps. 69:10 . Psalmen 69:10 : Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
[^psalmen-119-140-o]: Verwijzing o: 2 Sam. 22:31 ; Ps. 12:7 ; Ps. 18:31 ; Spr. 30:5 . 2 Samuël 22:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Psalmen 18:31 : Gods weg is volmaakt; de rede van YHWH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. Spreuken 30:5 : Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
[^psalmen-119-140-151]: Kanttekening 151: zeer gelouterd: Te weten, gelijk het goud en zilver door het vuur gezuiverd en gelouterd wordt.
[^psalmen-119-142-152]: Kanttekening 152: Uw wet: Dat is, Uw wet is enkel waarheid, ja zo waarachtig als de waarheid zelve. Zie een gelijke spreuk Joh. 17:17 . Johannes 17:17 : Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
[^psalmen-119-143-153]: Kanttekening 153: hebben mij getroffen: Hebreeuws, hebben mij gevonden , als Ps. 116:3 . Psalmen 116:3 : De banden van de dood hadden mij omvangen, en de angsten van het dodenrijk hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
[^psalmen-119-147-p]: Verwijzing p: Ps. 5:4 ; Ps. 88:14 ; Ps. 130:6 . Psalmen 5:4 : Van de morgens, YHWH, zult U mijn stem horen; van de morgen zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. Psalmen 88:14 : Maar ik, YHWH! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. Psalmen 130:6 : Mijn ziel wacht op YHWH, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.
[^psalmen-119-147-154]: Kanttekening 154: Ik ben de morgen schemering voorgekomen: Hebr. Ik heb de schemering \[te weten de schemering van de dageraad\] voorgekomen. Zie aantekening bij 2 Kon. 7:5 . 2 Koningen 7:5 : En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand.
[^psalmen-119-148-q]: Verwijzing q: Ps. 63:2 ; idem 63:7 ; Ps. 90:4 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Psalmen 63:7 : Als ik Uw gedenk op mijn slaapplaats, zo peins ik aan U in de nachtwaken. Psalmen 90:4 : Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.
[^psalmen-119-148-155]: Kanttekening 155: Dat is, ik ben eer wakker geweest dan de verscheidene nachtwaken, of de morgenwaken aankomen. Verg. Ps. 63:7 . Psalmen 63:7 : Als ik aan U gedenk op mijn slaapplaats, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
[^psalmen-119-149-156]: Kanttekening 156: Dat vereist dat U een onschuldige voorstaat tegen zijn boze verdrukkers. Anders, naar uw wijze; zo onder vers 156 . Psalmen 119:156 : YHWH! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
[^psalmen-119-150-157]: Kanttekening 157: Dat is, die de lastering met vlijt zoeken en najagen.
[^psalmen-119-150-158]: Kanttekening 158: Dat is, zij zijn mij op de hielen, zo men gemeenlijk zegt, te weten om mij te beschadigen.
[^psalmen-119-151-159]: Kanttekening 159: Te weten, met uw hulp, allen die op U vertrouwen.
[^psalmen-119-152-160]: Kanttekening 160: U ze: Dat is, dat zij zo vast en bestendig zijn, dat niemand ze zal omstoten of teniet kunnen doen. Christus zegt: Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen blijven staan.
[^psalmen-119-154-161]: Kanttekening 161: Zie Ps. 35 , en de aantekening bij vers 1 . Psalmen 119:1 : Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van YHWH gaan.
[^psalmen-119-155-162]: Kanttekening 162: is ver: Of, zij.
[^psalmen-119-156-163]: Kanttekening 163: Of, groot.
[^psalmen-119-156-164]: Kanttekening 164: naar uw: Verg. boven, vers 149 . Psalmen 119:149 : Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o YHWH! maak mij levend naar Uw recht.
[^psalmen-119-158-165]: Kanttekening 165: Dat is, die van U zijn afgevallen, en bij wie trouw noch geloof te vinden is.
[^psalmen-119-160-166]: Kanttekening 166: Het begin: Dat is, het is uit de waarheid voortgekomen en zal verder in eeuwigheid de waarheid blijven. Hebr., רֹאשׁ, het hoofd, of, hoofdstuk.
[^psalmen-119-161-167]: Kanttekening 167: mijn hart: De zin is: Ik heb de mensen niet gevreesd, maar heb alleen gevreesd iets te doen tegen uw woord. Zie Matt. 10:28 . Mattheüs 10:28 : En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in het dodenrijk.
[^psalmen-119-164-168]: Kanttekening 168: Dat is, dikwijls, gelijk Lev. 26:18 ; 1 Sam. 2:5 ; Spr. 24:16 , en Spr. 26:25 . Leviticus 26:18 : En zo u Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen. 1 Samuël 2:5 : Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen. Spreuken 26:25 : Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
[^psalmen-119-165-169]: Kanttekening 169: zij hebben: Zie 1 Joh. 2:10 . 1 Johannes 2:10 : Die zijn broer liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.
[^psalmen-119-168-170]: Kanttekening 170: al mijn wegen: Dat is, al mijn gedachten, woorden en werken zijn U bekend, daarom wandel ik oprecht voor U, als wiens ogen het al zien.
[^psalmen-119-170-171]: Kanttekening 171: red mij: Te weten, uit mijn lijden en verdriet.
[^psalmen-119-171-172]: Kanttekening 172: Of, uithobbelen, uitgieten; dat is, overvloediglijk uitspreken, gelijk een fontein water uitgeeft. Zie Ps. 19:3 . Psalmen 19:3 : De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap.
[^psalmen-119-172-173]: Kanttekening 173: van Uw rede: Dat is, van Uw geboden, gelijk er straks volgt.
[^psalmen-119-173-174]: Kanttekening 174: mij te hulp: Of, komen om mij te helpen.
[^psalmen-119-174-175]: Kanttekening 175: naar Uw heil: Dat is, naar Uw verlossing.
[^psalmen-119-174-176]: Kanttekening 176: Uw wet: Gelijk boven vers 77 . Psalmen 119:77 : Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
[^psalmen-119-175-177]: Kanttekening 177: mijn ziel: Dat is, mij. Verg. Richt. 16:30 . Richteren 16:30 : En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
[^psalmen-119-175-178]: Kanttekening 178: laat Uw: Hij wil zeggen: Laat mij dat bevorderlijk zijn, dat ik Uw geboden gehouden heb, achtervolgens Uw belofte.
[^psalmen-119-176-r]: Verwijzing r: Jes. 53:6 ; Lukas 15:4 . Jesaja 53:6 : Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iedereen naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer van alle ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Lukas 15:4 : Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelfde vinde?
[^psalmen-119-176-179]: Kanttekening 179: heb gedwaald: Alsof hij zei: Ik heb een tijdlang niet geweten waarheen ik mij zou keren of wenden, te weten, toen mij mijn vijanden, en in het bijzonder Saul met de zijnen, zo zwaar vervolgden.
[^psalmen-119-176-180]: Kanttekening 180: als een: Of, als een schaap, dat verloren gaat. Hebr., שָׁכָֽחְתִּי, een schaap van de verderving. Zie Deut. 26:5 . Deuteronomium 26:5 : Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
[^psalmen-119-176-181]: Kanttekening 181: Te weten, gelijk een herder het dwalende schaap zoekt; breng mij in de rechte schaapsstal en geef mij rust, opdat ik U in vrede en in stilheid dienen mag.
[^psalmen-119-176-182]: Kanttekening 182: Uw knecht: Dat is mij die uw knecht ben.

### Psalmen 120

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/120.json)

*Een gebed tegen de kwade tongen, of valse lasteraars; alsook een klacht van de psalmist dat hij noodzakelijk met de boze mensen moest omgaan.*

**1** Een lied[^psalmen-120-1-1] op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en[^psalmen-120-1-2] Hij heeft mij verhoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v1)

**2** [^psalmen-120-2-a] O YHWH! red[^psalmen-120-2-3] mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v2)

**3** [^psalmen-120-3-4] Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v3)

**4** [^psalmen-120-4-5][^psalmen-120-4-b] Scherpe pijlen van een machtige, en ook[^psalmen-120-4-6] gloeiende[^psalmen-120-4-7] jeneverkolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v4)

**5** O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben[^psalmen-120-5-8] in Mesech, dat ik in de tenten[^psalmen-120-5-9] Kedars woon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v5)

**6** [^psalmen-120-6-10] Mijn ziel heeft lang[^psalmen-120-6-11] gewoond bij degenen, die de vrede haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v6)

**7** [^psalmen-120-7-12] Ik ben vreedzaam; maar[^psalmen-120-7-13] als ik spreek, zijn zij aan de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/120.html#v7)

[^psalmen-120-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, van de opstijging, of van de trappen. Waarvan deze psalm en veertien navolgende deze naam hebben, daar van is verscheiden gevoelen. Sommigen menen dat zij zo genoemd werden omdat zij gezongen werden door de Levieten, staande op zekere trappen. Anderen anders.
[^psalmen-120-1-2]: Kanttekening 2: Hij heeft mij verhoord: Dat is, Hij heeft mij verlost.
[^psalmen-120-2-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 24:10 ; 1 Sam. 26:19 . 1 Samuël 24:10 : En David zei tot Saul: Waarom hoort u de woorden van de mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? 1 Samuël 26:19 : En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden zijns knechts. Als YHWH u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken; maar als het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht van YHWH, omdat zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel van YHWH, zeggende: Ga heen, die andere goden.
[^psalmen-120-2-3]: Kanttekening 3: red mijn ziel: Dat is, mij, of verlos mijn ziel; dat is, mijn leven, te weten, dat het mij niet benomen worde.
[^psalmen-120-3-4]: Kanttekening 4: Wat zal U: Hij keert zich tot de leugensprekers, en hij spreekt elk van hen hoofd voor hoofd aan, hun verwijtende hun boosheid. Anders: wat zal Hij u geven, o bedriegelijke tong? Hij te weten, God.
[^psalmen-120-4-5]: Kanttekening 5: Scherpe pijlen: Dat is, pijlen die van een sterk man geschoten worden. De kwade en lasterlijke woorden van de kwade tongen worden ook pijlen genoemd, Ps. 64:4 , en Spr. 25:18 . Psalmen 64:4 : Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl; Spreuken 25:18 : Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.
[^psalmen-120-4-b]: Verwijzing b: Ps. 11:2 ; Ps. 59:8 . Psalmen 11:2 : Want ziet, de goddelozen spannen de boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van hart. Psalmen 59:8 : Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
[^psalmen-120-4-6]: Kanttekening 6: Die namelijk haast aan brand komen, zeer hittigen brand geven en de hitte lang behouden.
[^psalmen-120-4-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 19:4 . 1 Koningen 19:4 : Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders.
[^psalmen-120-5-8]: Kanttekening 8: in Mesech: Dat is, onder een onheilig en goddeloos volk, gelijk de nakomelingen van Mesech en Kedar waren. Zie Gen. 10:2 , en Gen. 25:13 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,
[^psalmen-120-5-9]: Kanttekening 9: tenten Kedars: Kedar is geweest de zoon van Ismaël, Gen. 25:13 , wiens kinderen in het steenachtig Arabië woonden en zich in tenten onthielden; Jes. 21:13 , 21:17 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Jesaja 21:13 : De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! Jesaja 21:17 : En het overgebleven getal van de schutters, de helden van de Kedarenen, zullen minder worden, want YHWH, de God van Israël heeft het gesproken.
[^psalmen-120-6-10]: Kanttekening 10: Mijn ziel heeft: Anders: mijn ziel, \[dat is, ik\] heeft voor hen lang gewoond; en, voor hen, of voor zich; dat is, naar hun dunken, gelijk Ps. 123:4 . Psalmen 123:4 : Onze ziel is veel te zat van de spot van de weelderigen, van de verachting van de hovaardigen.
[^psalmen-120-6-11]: Kanttekening 11: bij degenen: Met deze woorden geeft de psalmist te kennen wie hij door die van Mesech en Kedar verstaat.
[^psalmen-120-7-12]: Kanttekening 12: Ik ben vreedzaam: Hebr., שָׁלוֹם, Ik ben vrede. Zie de gelijke manier van spreken Ps. 109:4 , en zie de aantekening daar, alsook op 2 Sam. 17:3 . Psalmen 109:4 : Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. 2 Samuël 17:3 : En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is gelijk het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.
[^psalmen-120-7-13]: Kanttekening 13: als ik spreek: Dat is, als ik spreek of vermaan van vrede, zo vallen zij straks aan het oorlogen. Of, zij mogen mij niet horen spreken.

### Psalmen 121

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/121.json)

*De profeet beschrijft zijn vast vertrouwen op de HEERE, Die hem bewaarde voor al het kwaad.*

**1** [^psalmen-121-1-1] Een lied Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op[^psalmen-121-1-2] naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v1)

**2** [^psalmen-121-2-3] Mijn hulp is van YHWH, die hemel en aarde gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v2)

**3** [^psalmen-121-3-4] Hij zal uw voet niet laten wankelen;[^psalmen-121-3-5] uw bewaarder zal niet sluimeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v3)

**4** Zie, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren, noch slapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v4)

**5** YHWH is uw Bewaarder, YHWH is[^psalmen-121-5-6] uw Schaduw, aan uw rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v5)

**6** De[^psalmen-121-6-7] zon zal u overdag niet[^psalmen-121-6-8] steken, noch de maan in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v6)

**7** [^psalmen-121-7-9] YHWH zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v7)

**8** YHWH[^psalmen-121-8-10] zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/121.html#v8)

[^psalmen-121-1-1]: Kanttekening 1: Zoals Psalm 120:1.
[^psalmen-121-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk het beloofde land. En verstaat hier in het bijzonder het gebergte Sion en Moria, waar God op een bijzondere manier zijn aanwezigheid toonde. Zie Psalm 87:1.
[^psalmen-121-2-3]: Kanttekening 3: Hij verklaart zijn vorige woorden: zijn hulp komt eigenlijk niet van het gebergte, maar van YHWH, die Heer is van de gehele wereld.
[^psalmen-121-3-4]: Kanttekening 4: Hier spreekt de psalmist zichzelf aan, zoals in Psalm 103 en 104. Of hij spreekt zijn onderdanen aan, hen verzekerende van Gods goedertierenheid.
[^psalmen-121-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen, de Heer die u bewaart zal in geen geval nalaten wat tot uw beste strekt.
[^psalmen-121-5-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen, uw beschutting tegen de brandende hitte, als een schaduw die verkoeling geeft.
[^psalmen-121-6-7]: Kanttekening 7: De betekenis is, hij zal u als met een wolk bedekken, zoals hij eertijds uw voorouders gedaan heeft, toen zij uit Egypte kwamen, Ex. 13:21. Ps. 78:14. Jes. 49:10. Openb. 7:15, 16.
[^psalmen-121-6-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen, de zonnesteek zal u niet treffen.
[^psalmen-121-7-9]: Kanttekening 9: Sommigen nemen deze twee laatste verzen als een wens, zo: De Heer beware u, etc.
[^psalmen-121-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, hij zal u behoeden in al uw handel, in al uw doen en laten. Zie Deut. 28:6. Zie ook dergelijke manier van spreken 2 Sam. 3:25. 2 Kron. 1:10. Hand. 1:21.

### Psalmen 122

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/122.json)

*David verblijdt zich over de welstand van het huis of de Kerk van God te Jeruzalem, wensend dat het lang mag duren.*

**1** [^psalmen-122-1-1] Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen[^psalmen-122-1-2] in het huis van YHWH gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v1)

**2** Onze voeten[^psalmen-122-2-3] zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v2)

**3** Jeruzalem is gebouwd,[^psalmen-122-3-4] als een stad, die wel samengevoegd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v3)

**4** Waarheen[^psalmen-122-4-5] de stammen[^psalmen-122-4-6] opgaan, de stammen van YHWH,[^psalmen-122-4-7] tot de[^psalmen-122-4-8] getuigenis van Israël, om de Naam van YHWH te danken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v4)

**5** Want[^psalmen-122-5-9] daar zijn[^psalmen-122-5-10] de stoelen van het gericht gezet, de stoelen van het huis van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v5)

**6** [^psalmen-122-6-11] Bid om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die[^psalmen-122-6-12] van u houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v6)

**7** Vrede zij in uw[^psalmen-122-7-13] vesting,[^psalmen-122-7-14] welvaren in uw paleizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v7)

**8** Omwille van mijn broeders [^psalmen-122-8-15] en mijn vrienden, zal[^psalmen-122-8-16] ik nu spreken, vrede zij in u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v8)

**9** Omwille[^psalmen-122-9-17] van het huis van YHWH, onze God,[^psalmen-122-9-a] zal ik het goede voor u zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/122.html#v9)

[^psalmen-122-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-122-1-2]: Kanttekening 2: in het huis: Dat is, tot de plaats in de stad van David, waar de ark was; 1 Kron. 16:1 . 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.
[^psalmen-122-2-3]: Kanttekening 3: zijn staande: Dat is, mogen staan; wij behoeven nu voortaan niet te reizen van de ene plaats tot de andere, gelijk geschied is ten tijde toen de ark van het verbond geen zekere plaats had, wij zullen haar nu steeds te Jeruzalem bij ons hebben.
[^psalmen-122-3-4]: Kanttekening 4: als een stad: Dat is, als een stad, die wel geordend en volmaakt is, hetzij men aanzie de gebouwen, 2 Sam. 5:9 , en 1 Kron. 11:8 ; hetzij men de politie of religie aanzie; Ef. 2:21 , 2:22 . 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 1 Kronieken 11:8 : En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad. Efeziërs 2:21 : Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22 : Op Welke ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
[^psalmen-122-4-5]: Kanttekening 5: de stammen: Te weten, de twaalf stammen van de Israëlieten, wiens God de Heer is.
[^psalmen-122-4-6]: Kanttekening 6: opgaan, de stammen: Te weten, op de jaarfeesten, volgens het bevel Gods in zijn wet voorgeschreven; Ex. 23:17 ; Deut. 16:16 , 16:17 . Exodus 23:17 : Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heer YHWH verschijnen. Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen: Deuteronomium 16:17 : Een ieder, naar de gave van zijn hand, naar de zegen van YHWH, uws Gods, die Hij u gegeven heeft.
[^psalmen-122-4-7]: Kanttekening 7: tot de getuigenis: Te weten, tot de ark van het verbond, in welke de getuigenis, dat is, de tafelen van de wet lag; Ex. 25:21 , 25:22 . Exodus 25:21 : En u zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat u in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van de getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^psalmen-122-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, die het volk Israël van God gegeven is.
[^psalmen-122-5-9]: Kanttekening 9: Te weten, te Jeruzalem.
[^psalmen-122-5-10]: Kanttekening 10: de stoelen van de: Dat is, de opperste zitplaats van de rechtoefening in het gehele Joodse land. Want Jeruzalem was de hoofdstad van het gehele land, waar de koning en zijn raden hun zit plaats hadden; 2 Kron. 19:8 . Anders: daar zaten zij \[op\] de stoelen. 2 Kronieken 19:8 : Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de hoofden van de vaderen van Israël, over het gericht van YHWH, en over rechtsgeschillen, als zij weer te Jeruzalem gekomen waren.
[^psalmen-122-6-11]: Kanttekening 11: Bidt om de vrede: Of, wenst Jeruzalem vrede, dat is, welstand; gelijk Luk. 19:42 . Lukas 19:42 : Zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.
[^psalmen-122-6-12]: Kanttekening 12: u beminnen: Te weten, o Jeruzalem.
[^psalmen-122-7-13]: Kanttekening 13: Of, voorburg, dwinger, forteres, wallen.
[^psalmen-122-7-14]: Kanttekening 14: welvaart in uw paleizen: Of, rust.
[^psalmen-122-8-15]: Kanttekening 15: Onder de naam van broers verstaat de psalmist hier het gehele volk Israël; want zij hadden allen één God en Vader in de hemel; en naar het vlees waren zij allen afkomstig van de oudvader Jakob.
[^psalmen-122-8-16]: Kanttekening 16: ik nu spreken: Dat is, ik zal God bidden dat Hij u vrede en welvaren geve.
[^psalmen-122-9-17]: Kanttekening 17: van het huis van YHWH: Dat is, van de tabernakel, 1 Kron. 16:1 , en daarna van de tempel, die na Davids dood door Salomo gebouwd is. 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.
[^psalmen-122-9-a]: Verwijzing a: Neh. 2:10 . Nehemia 2:10 : Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen van Israël.

### Psalmen 123

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/123.json)

*De profeet verklaart zijn geduldig vertrouwen op de HEERE, met bede om verlost te mogen worden van de bespotting van de opgeblazenen.*

**1** [^psalmen-123-1-1] Een lied op Hammaäloth.[^psalmen-123-1-a] Ik[^psalmen-123-1-2] hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/123.html#v1)

**2** Zie, gelijk de ogen van de knechten[^psalmen-123-2-3] zijn op de hand van hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand haar vrouw; zo zijn onze ogen op YHWH, onze God,[^psalmen-123-2-4] totdat Hij ons genadig zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/123.html#v2)

**3** Wees ons genadig, o YHWH! wees ons genadig, want[^psalmen-123-3-5] wij zijn van de verachting veel te verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/123.html#v3)

**4** Onze ziel is veel te verzadigd van de spot[^psalmen-123-4-6] van de weelderigen, van de verachting van de hoogmoedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/123.html#v4)

[^psalmen-123-1-1]: Kanttekening 1: lied op Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-123-1-a]: Verwijzing a: Ps. 115:3 . Psalmen 115:3 : Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
[^psalmen-123-1-2]: Kanttekening 2: hef mijn ogen: Deze woorden worden hier en elders gesteld, meer om onze harten tot het bedenken van de hemelse heerlijkheid van God te verwekken, dan om aan te wijzen dat God alleen in de hemel is of woont; de hemelen van de hemelen kunnen de majesteit van God niet begrijpen.
[^psalmen-123-2-3]: Kanttekening 3: zijn op de hand: Te weten, als men hun ongelijk doet of zoekt hen te onderdrukken.
[^psalmen-123-2-4]: Kanttekening 4: totdat Hij ons: Een exempel, ons vermanende tot een gedurig gebed, totdat wij verhoord worden. Zie Luk. 18:1 , 18:2 , 18:3 , 18:4 , 18:5 , 18:6 , 18:7 ; en Ps. 55:18 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Lukas 18:2 : Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag. Lukas 18:3 : En er was een zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn tegenstander. Lukas 18:4 : En hij wilde voor een lange tijd niet; maar daarna zei hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie; Lukas 18:5 : Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. Lukas 18:6 : En de Heer zei: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Lukas 18:7 : Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Psalmen 55:18 : 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
[^psalmen-123-3-5]: Kanttekening 5: wij zijn van de: De zin is, wij worden van de stoute wereldskinderen zo veracht, dat wij zeer verdrietig daarover worden en schier niet meer lijden kunnen. Zie de aantekening bij Job 7:4 , en Ps. 88:4 . Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd. Psalmen 88:4 : Want mijn ziel is van de tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.
[^psalmen-123-4-6]: Kanttekening 6: van de weelderigen: Hebr. van de rustigen, of van de gerusten; dat is, dergenen, die in rust en weelde in deze wereld zitten en van geen lijden of verdriet weten, en overzulks moedig en moedwillig zijn.

### Psalmen 124

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/124.json)

*De profeet roemt de grote weldaad van God aan Zijn gemeente bewezen, daar Hij haar verlost uit het duidelijke gevaar van haar machtiger vijanden.*

**1** [^psalmen-124-1-1] Een lied Hammaäloth, van David. Tenzij YHWH, Die bij ons geweest is,[^psalmen-124-1-2] zeg nu Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v1)

**2** Tenzij YHWH, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v2)

**3** Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v3)

**4** Toen zouden ons[^psalmen-124-4-3] de wateren overlopen hebben; een stroom zou[^psalmen-124-4-4] over onze ziel[^psalmen-124-4-5] gegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v4)

**5** Toen zouden[^psalmen-124-5-6] de onstuimige wateren over onze ziel gegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v5)

**6** YHWH zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v6)

**7** [^psalmen-124-7-a] Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik van[^psalmen-124-7-7] de vogelvanger; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v7)

**8** [^psalmen-124-8-b] Onze hulp[^psalmen-124-8-8] is[^psalmen-124-8-9] in de Naam van YHWH, Die hemel en aarde gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/124.html#v8)

[^psalmen-124-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-124-1-2]: Kanttekening 2: zegge nu Israël: Versta, het gedaan, of verhoed, of belet hadden. Zo in vers 2 . Psalmen 124:2 : Tenzij YHWH, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
[^psalmen-124-4-3]: Kanttekening 3: wateren overlopen: Zie de aantekening bij 2 Sam. 22:17 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^psalmen-124-4-4]: Kanttekening 4: over onze ziel: Dat is, over onze personen.
[^psalmen-124-4-5]: Kanttekening 5: gegaan zijn: Te weten, tot beneming van ons leven.
[^psalmen-124-5-6]: Kanttekening 6: de onstuimige wateren: Dat is, grote, machtige, onstuimige, gelijk Job 38:11 . Job 38:11 : En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
[^psalmen-124-7-a]: Verwijzing a: Spr. 6:5 . Spreuken 6:5 : Red u, als een ree uit de hand van de jagers, en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
[^psalmen-124-7-7]: Kanttekening 7: de strik is gebroken: Dat is, God heeft hun listige aanslagen, door welke zij ons meenden te vangen, te schande gemaakt.
[^psalmen-124-8-b]: Verwijzing b: Ps. 121:2 . Psalmen 121:2 : Mijn hulp is van YHWH, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
[^psalmen-124-8-8]: Kanttekening 8: Of, zij.
[^psalmen-124-8-9]: Kanttekening 9: in de Naam van YHWH: Dat is, in, of op de Heer.

### Psalmen 125

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/125.json)

*De vastheid van degenen die op de HEERE vertrouwen; een gebed voor de godzaligen en tegen de goddelozen.*

**1** Een[^psalmen-125-1-1] lied Hammaäloth. Die op YHWH vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft[^psalmen-125-1-2] in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/125.html#v1)

**2** Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/125.html#v2)

**3** Want[^psalmen-125-3-3] de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten[^psalmen-125-3-4] op het lot van de rechtvaardigen;[^psalmen-125-3-5] opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/125.html#v3)

**4** YHWH! doe de goeden wel, en van hen, die oprecht zijn in hun harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/125.html#v4)

**5** Maar[^psalmen-125-5-6] die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal YHWH[^psalmen-125-5-7] weg doen gaan[^psalmen-125-5-8] met de werkers van de[^psalmen-125-5-9] ongerechtigheid. Vrede zal[^psalmen-125-5-10] over Israël zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/125.html#v5)

[^psalmen-125-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Gelijk Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-125-1-2]: Kanttekening 2: in eeuwigheid: Dat is, zolang de wereld staat; Matt. 7:24 , en Matt. 16:18 . Mattheüs 7:24 : Een ieder dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelfde doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen.
[^psalmen-125-3-3]: Kanttekening 3: de scepter: Of, roede, staf; dat is, de vervolgingen en slagen, het geweld en de heerschappij van de boze en goddeloze mensen, die zich tot boosheid ten enenmale overgeven en de vromen niet vermogen, zullen niet altijd blijven over de vromen en de godzaligen. God bezoekt wel de zijnen tot zijn eer en tot hun best, maar Hij verlaat hen niet altijd.
[^psalmen-125-3-4]: Kanttekening 4: op het lot van de rechtvaardigen: Of, over het lot van de rechtvaardigen . Dat is, over het land en de mensen dergenen, die God eren en vrezen, gelijk Joz. 18:11 ; en 1 Petr. 5:3 . Jozua 18:11 : En het lot van de stam van de kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef. 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^psalmen-125-3-5]: Kanttekening 5: hun handen niet: Dat is, door langdurige verzoeking overwonnen zijnde, onbehoorlijke middelen van verlossing bij de hand nemen; zie 1 Kor. 10:13 , en Ps. 37:8 . 1 Korinthiërs 10:13 : Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. Psalmen 37:8 : He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
[^psalmen-125-5-6]: Kanttekening 6: die zich neigen: Dat is, die niet rechtuit zijn, maar dubbel, geveinsd en verkeerd.
[^psalmen-125-5-7]: Kanttekening 7: weg doen gaan: Dat is, Hij zal hen doden, of straffen.
[^psalmen-125-5-8]: Kanttekening 8: met de werkers van de ongerechtigheid: Dat is, Hij zal hen in een graad stellen en evenzo straffen als degenen, die openbaar alle boosheid bedrijven.
[^psalmen-125-5-9]: Kanttekening 9: over Israël zijn: Of, vrede zij over Israël; dat is, tijdelijke en eeuwige welvaart.
[^psalmen-125-5-10]: Kanttekening 10: over Israël zijn: Dat is, over het volk van God.

### Psalmen 126

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/126.json)

*De gemeente dankt God voor haar wonderbare verlossing uit de Babylonische gevangenschap, biddend dat Hij Zijn werk wil volbrengen.*

**1** Een[^psalmen-126-1-1] lied Hammaäloth. Als YHWH de gevangenen[^psalmen-126-1-2] van Sion[^psalmen-126-1-3] wederbracht,[^psalmen-126-1-4] waren wij gelijk degenen, die dromen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v1)

**2** [^psalmen-126-2-a] Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong[^psalmen-126-2-5] met gejuich; toen zei men onder de heidenen: YHWH heeft grote dingen[^psalmen-126-2-6] aan[^psalmen-126-2-7] deze gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v2)

**3** YHWH heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v3)

**4** O YHWH![^psalmen-126-4-8] wend onze gevangenis,[^psalmen-126-4-9] gelijk waterstromen[^psalmen-126-4-10] in het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v4)

**5** [^psalmen-126-5-11] Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v5)

**6** Die[^psalmen-126-6-12] het zaad draagt,[^psalmen-126-6-13] dat men zaaien[^psalmen-126-6-14] zal, gaat al gaande en huilend; maar voorzeker zal hij met gejuich terugkomen, dragende zijn schoven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/126.html#v6)

[^psalmen-126-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-126-1-2]: Kanttekening 2: de gevangenen van Sion: Hebr. de gevangenis; dat is, de gevangenen van Sion, dat is, het volk Israël.
[^psalmen-126-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, uit de Babylonische gevangenschap, enz.
[^psalmen-126-1-4]: Kanttekening 4: waren wij gelijk: De zin is: Wij Joden, wederkerende uit de Babylonische gevangenschap, wisten en gevoelden wel dat het waar was, nochthans twijfelden wij of het inderdaad waar was, of dat het een droom was. Zie Jes. 29:7 , 29:8 ; Hand. 12:9 . Jesaja 29:7 : En gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen. Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen. Handelingen 12:9 : En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, wat door de engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.
[^psalmen-126-2-a]: Verwijzing a: Job 8:21 . Job 8:21 : Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
[^psalmen-126-2-5]: Kanttekening 5: met gejuich: Of, met vrolijk gezang. Zo ook onder vers 5 . Psalmen 126:5 : Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
[^psalmen-126-2-6]: Kanttekening 6: Of, met. Zo ook vers 3 . Psalmen 126:3 : YHWH heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd.
[^psalmen-126-2-7]: Kanttekening 7: Te weten, de Joden.
[^psalmen-126-4-8]: Kanttekening 8: wend onze gevangenis: Hebr. breng onze gevangenis weer.
[^psalmen-126-4-9]: Kanttekening 9: gelijk waterstromen: De zin is: volvoer het aangevangen werk van de verlossing, mits ook wederbrengende onze medebroers, die nog in Babylonië zijn.
[^psalmen-126-4-10]: Kanttekening 10: in het zuiden: Dat is, in het hoge, droge land. Zie Richt. 1:15 . Richteren 1:15 : En zij zei tot hem: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
[^psalmen-126-5-11]: Kanttekening 11: Die met tranen zaaien: Dit zijn de woorden van de Joden, die kort uit Babylonische gevangenschap gekomen waren. Alsof zij zeiden: Wij, die ten tijde de Babylonische gevangenschap met tranen gezaaid hebben, zullen hierna met vreugde maaien, verheugd zijnde vanwege onze verlossing uit Babel.
[^psalmen-126-6-12]: Kanttekening 12: het zaad draagt: Anders: het kostelijke zaad; dat is, dat hun duur ingekocht staat.
[^psalmen-126-6-13]: Kanttekening 13: dat men zaaien zal: Of, dat hij zaaien zal. Hebr. de trekking van het zaad, of het zaad van de trekking; te weten, dat uit de zaadzak getrokken wordt.
[^psalmen-126-6-14]: Kanttekening 14: gaat al gaande: Deze manier van spreken betekent een gedurig en naarstig gaan. De zin is: Het gaat ons als de arme landbouwers, die een weinig duurgekocht zaad hebbende, dat zij wel tot hun nooddruft behoeven zouden; hetzelfde, genoeg tegen hun hart, in de akker strooien; maar als de oogsttijd komt, zo zijn zij heel blij, omdat zij Gods rijke zegening zien.

### Psalmen 127

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/127.json)

*Deze psalm leert dat alle welstand van de zegen van de HEERE komt, zowel in steden als in gezinnen, en dat goede kinderen een geschenk van God zijn.*

**1** [^psalmen-127-1-1] Een lied Hammaäloth,[^psalmen-127-1-2] van Salomo. Zo YHWH[^psalmen-127-1-3] het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden daarvan bouwers daaraan; zo YHWH de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/127.html#v1)

**2** [^psalmen-127-2-4] Het is te vergeefs, dat u[^psalmen-127-2-5] vroeg opstaat, laat[^psalmen-127-2-6] opblijft, eet[^psalmen-127-2-7] brood van de smarten; het is zo, dat[^psalmen-127-2-8] Hij het[^psalmen-127-2-9] Zijn geliefden[^psalmen-127-2-10] als in de slaap geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/127.html#v2)

**3** Zie, de kinderen zijn[^psalmen-127-3-11] een erfdeel van YHWH;[^psalmen-127-3-12] de vrucht van de buik is[^psalmen-127-3-13] een beloning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/127.html#v3)

**4** [^psalmen-127-4-14] Gelijk de pijlen zijn in de hand van een held, zo zijn[^psalmen-127-4-15] de zonen van de jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/127.html#v4)

**5** Welgelukzalig is de man,[^psalmen-127-5-16] die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden[^psalmen-127-5-17][^psalmen-127-5-18] spreken zullen in de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/127.html#v5)

[^psalmen-127-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-127-1-2]: Kanttekening 2: van Salomo: Dat is, gedicht van Salomo. Anders: voor Salomo; dat is, gedicht van David tot onderwijzing van zijn zoon Salomo. Zo ook Ps. 72:1.
[^psalmen-127-1-3]: Kanttekening 3: het huis niet bouwt, … de stad niet bewaart: Versta hier door het bouwen en bewaren van het huis en van de stad, niet alleen het materiële getimmer, maar ook de staat en het gouvernement, zowel in 't particulier, als in 't gemeen over koninkrijken, landen en steden, kerken en gemeenten.
[^psalmen-127-2-4]: Kanttekening 4: Het is tevergeefs: Te weten, hetzij dat u de zegen van de Heer hebt.
[^psalmen-127-2-5]: Kanttekening 5: vroeg opstaat: Te weten, om te arbeiden.
[^psalmen-127-2-6]: Kanttekening 6: Hebr. zit; te weten om met arbeiden het voedsel te winnen.
[^psalmen-127-2-7]: Kanttekening 7: eet brood van de smarten: Dat is, zuur brood, brood met veel zorg en moeite verkregen. Zie de aantekening 1 Kon. 22:27 . Anders, brood van de bekommeringen. 1 Koningen 22:27 : En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in het gevangenhuis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom.
[^psalmen-127-2-8]: Kanttekening 8: Te weten, God.
[^psalmen-127-2-9]: Kanttekening 9: Zijn beminden: Het schijnt dat David hier in het bijzonder op Salomo ziet, die 2 Sam. 12:25 genoemd wordt Jedid Jah; dat is, beminde van de Heer. 2 Samuël 12:25 : En zond heen door de hand van de profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-jah, om de wil van YHWH.
[^psalmen-127-2-10]: Kanttekening 10: als in de slaap: Anders: geeft Hij zijn beminden de slaap. Alsof hij zei: Al het woelen en zorgen zal de mens niet helpen zo hem YHWH niet zegent; maar die Hij bemint en zegent, die zal genoeg hebben en met gerustheid gaan slapen, zichzelven en de zijnen, na gedanen arbeid, God de Heer bevelende.
[^psalmen-127-3-11]: Kanttekening 11: een erfdeel van YHWH: Dat is, een zegen van de Heer gegeven, gelijk Job 20:29 ; Ps. 61:6 ; Jes. 54:17 . Job 20:29 : Dit is het deel van de goddeloze mens van God, en de erve van zijn redenen van God. Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. Jesaja 54:17 : Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult u verdoemen; dit is de erve van de knechten van YHWH, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt YHWH.
[^psalmen-127-3-12]: Kanttekening 12: de vrucht van de buik: Dat is, de kinderen.
[^psalmen-127-3-13]: Kanttekening 13: een beloning: Te weten, van de Heer gegeven. Men geeft somtijds beloning, die men schuldig is voor gedanen dienst, gelijk Gen. 30:28 ; Num. 18:31 . Somtijds uit gratie of uit gunst, Rom. 4:4 ; gelijk God zijn dienaren geeft; Gen. 15:1 ; Jes. 62:11 . Genesis 30:28 : Hij zei dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. Numeri 18:31 : En u zult dat eten in alle plaatsen, u en uw huis; want het is u een loon voor uw dienst in de tent van de samenkomst. Romeinen 4:4 : Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Jesaja 62:11 : Ziet, YHWH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
[^psalmen-127-4-14]: Kanttekening 14: Gelijk de pijlen: De zin is: Gelijk een sterk man zijn pijlen op de vijand schietende, deze kwetst en ombrengt; zo zijn de kinderen, die wel opgevoed zijn hun ouders een hulp en bijstand tegen de vijanden.
[^psalmen-127-4-15]: Kanttekening 15: de zonen van de jeugd: Te weten, die geteeld zijn wanneer de ouders in het beste van hun leven zijn. Want zulke kinderen zijn gemeenlijk van kloeker natuur dan anderen en zij komen de ouders spoedig in de hand. Aldus worden zonen van de ouderdom genoemd de kinderen, die in de ouderdom van hun ouders geboren worden; Gen. 37:3 . Genesis 37:3 : En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon van de ouderdom; en hij maakte hem een veelvervigen rok.
[^psalmen-127-5-16]: Kanttekening 16: die zijn pijlkoker: Die zijn huis vol van zulke kinderen heeft.
[^psalmen-127-5-17]: Kanttekening 17: zij zullen niet beschaamd: Dat is, zij zullen uit vrees voor hun wederpartijders hun rechtvaardige zaak niet behoeven onbeantwoord te laten, als zij voor de rechter verschijnen.
[^psalmen-127-5-18]: Kanttekening 18: spreken zullen in de poort: Dat is, te pleiten hebben voor het gericht, dat in de stadspoorten pleegt te gebeuren. Zie de aantekening bij Gen. 34:20 . Genesis 34:20 : Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende:

### Psalmen 128

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/128.json)

*De profeet verhaalt in deze psalm de gelukzaligheid en zegen van degenen die de HEERE vrezen.*

**1** [^psalmen-128-1-1] Een lied Hammaäloth. Welgelukzalig is een ieder die YHWH vreest, die[^psalmen-128-1-2] in Zijn wegen wandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v1)

**2** [^psalmen-128-2-3] Want u zult eten[^psalmen-128-2-4] de arbeid van uw handen; welgelukzalig[^psalmen-128-2-5] zult u zijn, en het zal u welgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v2)

**3** Uw huisvrouw zal wezen[^psalmen-128-3-6] als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als[^psalmen-128-3-7] olijfplanten rondom uw tafel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v3)

**4** Zie, zo zal zeker die man gezegend worden, die YHWH vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v4)

**5** [^psalmen-128-5-8] YHWH zal u zegenen[^psalmen-128-5-9] uit Sion, en u zult[^psalmen-128-5-10] het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen van uw leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v5)

**6** En[^psalmen-128-6-11] u zult uw kleinkinderen zien.[^psalmen-128-6-12] Vrede[^psalmen-128-6-13] over Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/128.html#v6)

[^psalmen-128-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-128-1-2]: Kanttekening 2: in Zijn wegen wandelt: Dat is, in zijn wetten en geboden. Zie de aantekening bij 1 Kon. 11:33 . 1 Koningen 11:33 : Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^psalmen-128-2-3]: Kanttekening 3: Want u: Of, zekerlijk u zult, of als u zult eten.
[^psalmen-128-2-4]: Kanttekening 4: de arbeid: Dat is, het voedsel, dat u door de arbeid van uw handen zult verworven hebben, achtervolgens wat God tot de vader van ons allen gesproken heeft; Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^psalmen-128-2-5]: Kanttekening 5: zult u zijn: Anders: bent u, en het zal u welgaan.
[^psalmen-128-3-6]: Kanttekening 6: als een vruchtbare: Deze gelijkenis wordt ook gebruikt Gen. 49:22 , en Ez. 19:10 . Genesis 49:22 : Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk van de takken loopt over de muur. Ezechiël 19:10 : Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.
[^psalmen-128-3-7]: Kanttekening 7: Die altijd groen zijn.
[^psalmen-128-5-8]: Kanttekening 8: YHWH: Of, de Heer zegene u uit Zion, dat u mag aanschouwen enz.
[^psalmen-128-5-9]: Kanttekening 9: uit Sion: Te Sion was de ark van het verbond, van welke zich God de Heer openbaarde, en waar het volk van God verscheen om zijn gebed te doen.
[^psalmen-128-5-10]: Kanttekening 10: het goede van: Dat is, u zult zien de gelukkige en vreedzame staat van de kerk van God, die in deze tijd voornamelijk te Jeruzalem was, waar de godsdienst en de offeranden voornamelijk geoefend werden. Zie verder de aantekening Job 7:7 . Hebr. ziet het goede, enz. Zo in vers 6 . Verg. Ps. 37:3 . Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Psalmen 128:6 : En u zult uw kleinkinderen zien. Vrede over Israël! Psalmen 37:3 : Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
[^psalmen-128-6-11]: Kanttekening 11: u zult: Zie de vervulling van deze en andere dergelijke beloften van God, Job 42:16 . Job 42:16 : En Job leefde na deze honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen van zijn kinderen, tot in vier geslachten.
[^psalmen-128-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, gelukzaligheid, welvaart.
[^psalmen-128-6-13]: Kanttekening 13: over Israël: Dat is, over de kerk van God, die in die tijd bestond uit de kinderen Israël.

### Psalmen 129

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/129.json)

*De verdrukkingen van Israël, of van de gemeente van God, zijn velerlei, maar God helpt haar uit die alle, en haar vijanden zullen vergaan.*

**1** [^psalmen-129-1-1] Een lied Hammaäloth.[^psalmen-129-1-2] Zij hebben mij dikwijls benauwd[^psalmen-129-1-3] van mijn jeugd af, zeg nu[^psalmen-129-1-4] Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v1)

**2** Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overweldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v2)

**3** [^psalmen-129-3-5] Ploegers[^psalmen-129-3-6] hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun[^psalmen-129-3-7] voren lang getogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v3)

**4** YHWH, Die rechtvaardig is,[^psalmen-129-4-8] heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v4)

**5** [^psalmen-129-5-9] Laat hen beschaamd en achteruit gedreven worden, allen, die[^psalmen-129-5-10] Sion haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v5)

**6** [^psalmen-129-6-a] Laat hen worden als[^psalmen-129-6-11] gras op de[^psalmen-129-6-12] daken, dat verdort,[^psalmen-129-6-13] voordat men het uittrekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v6)

**7** [^psalmen-129-7-14] Waarmee de maaier zijn[^psalmen-129-7-15] hand niet vult, noch de schovenbinder zijn[^psalmen-129-7-16] arm; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v7)

**8** En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen van YHWH zij[^psalmen-129-8-17] bij u![^psalmen-129-8-18] Wij zegenen u in de Naam van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/129.html#v8)

[^psalmen-129-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-129-1-2]: Kanttekening 2: Zij hebben mij: Te weten, mijn vijanden.
[^psalmen-129-1-3]: Kanttekening 3: van mijn jeugd: Dat is, van die tijd af, toen ik in Egypte van een kleine hoop volk tot een menigte gewassen ben; of van die tijd af, toen God met Abraham de vader van ons allen een verbond gemaakt heeft. Men kan het ook van Jakob verstaan, die van Ezau is vervolgd geweest van zijn jeugd af.
[^psalmen-129-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, het volk Israël, de gemeente van God, gelijk Ps. 128:6.
[^psalmen-129-3-5]: Kanttekening 5: Versta hier door de ploegers de zaaiers van de ongerechtigheid; gelijk Job 4:8 . Job 4:8 : Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelfde.
[^psalmen-129-3-6]: Kanttekening 6: hebben op mijn: De zin is: Gelijk een land met de ploeg wordt doorsneden, zo hebben de boze mensen mij gepijnigd en gemarteld. Verg. Jes. 51:23 . Jesaja 51:23 : Maar Ik zal hem degenen, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en u legde uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.
[^psalmen-129-3-7]: Kanttekening 7: voren lang getogen: Of, voor; in het Hebr. is het een en ander; versta door de voren van de goddelozen hun lasteringen en wrevelmoedigheid, die lang geduurd heeft.
[^psalmen-129-4-8]: Kanttekening 8: heeft de touwen: Versta door de touwen van de bozen hun raadslagen en aanslagen, samenspannende om de ploeg van de ongerechtigheid te trekken. Zie Jes. 8:18 ; dat is, de Heer heeft ons uit hun macht verlost en het juk van de dienstbaarheid verscheurd. Jesaja 8:18 : Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de legermachten, Die op de berg Sion woont.
[^psalmen-129-5-9]: Kanttekening 9: Laat hen beschaamd: Dat is, laat de hoop van de vijanden, van ons te verdelgen, geen voortgang hebben. Anders: zij zullen, enz., en zo in vers 6 . Psalmen 129:6 : Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort, voordat men het uittrekt;
[^psalmen-129-5-10]: Kanttekening 10: Sion haten: Dat is, het volk van God, dat te Sion samenkomt om God te dienen.
[^psalmen-129-6-a]: Verwijzing a: Job 8:12 ; Job 40:10 . Job 8:12 : Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras. Job 40:10 : Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund.
[^psalmen-129-6-11]: Kanttekening 11: gras op de: Zie 1 Kon. 18:5 . 1 Koningen 18:5 : En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.
[^psalmen-129-6-12]: Kanttekening 12: In het land Kanaän waren de daken van de huizen van boven plat, waar gras op wies tussen de glepen \[gleeën, reten\] of samenvoegingen van de stenen en aan de kanten.
[^psalmen-129-6-13]: Kanttekening 13: voordat men het: Anders: voordat men \[de sikkel\] trekt; te weten, om het gras af te maaien.
[^psalmen-129-7-14]: Kanttekening 14: Waarmee de: Hij wil zeggen dat de goddelozen tot hun volkomen wasdom of ouderdom niet komen; of, dat zij tot het uitvoeren van hun boze aanslagen niet geraken kunnen.
[^psalmen-129-7-15]: Kanttekening 15: Hebr., כַפּ, palm.
[^psalmen-129-7-16]: Kanttekening 16: Of, schoot.
[^psalmen-129-8-17]: Kanttekening 17: bij u: Of, over, of op u.
[^psalmen-129-8-18]: Kanttekening 18: Wij zegenen: Dat is, wij wensen u de zegen van de Heer, dat is, alle heil en welstand. Zo plachten de voorbijgangers de maaiers en anderen, die in het veld arbeidden, te groeten. Sommigen nemen deze laatste woorden als een antwoord dergenen, die gezegend werden. Verg. Ps. 118:26 en de aantekening Ruth 2:4 . Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH. Ruth 2:4 : En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zei tot de maaiers: YHWH zij met u! En zij zeiden tot hem: YHWH zegene u!

### Psalmen 130

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/130.json)

*Deze psalm is een innig gebed van een godzalig mens, zeer ontroerd zijnde vanwege zijn zonden, maar toch vast vertrouwend dat God hem die vergeven zal; ook vermaant hij Israël om op de HEERE te hopen.*

**1** [^psalmen-130-1-1] Een lied Hammaäloth.[^psalmen-130-1-2] Uit de diepten roep ik tot U, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v1)

**2** YHWH![^psalmen-130-2-3] hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem van mijn smekingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v2)

**3** [^psalmen-130-3-a] Zo U, YHWH! de ongerechtigheden[^psalmen-130-3-4] gadeslaat; YHWH![^psalmen-130-3-5] wie zal bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v3)

**4** Maar[^psalmen-130-4-b] bij U is vergeving, opdat U[^psalmen-130-4-6] gevreesd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v4)

**5** [^psalmen-130-5-c] Ik[^psalmen-130-5-7] verwacht YHWH;[^psalmen-130-5-d] mijn ziel verwacht, en[^psalmen-130-5-8] ik hoop op Zijn Woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v5)

**6** [^psalmen-130-6-e] Mijn ziel wacht op YHWH, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v6)

**7** [^psalmen-130-7-9] Israël hope op YHWH;[^psalmen-130-7-10] want bij YHWH is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v7)

**8** En Hij zal[^psalmen-130-8-11] Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/130.html#v8)

[^psalmen-130-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-130-1-2]: Kanttekening 2: Uit de diepten: Dat is, gedrongen en genoodzaakt zijnde door grote ellenden en grondeloze benauwdheden. Zie Ps. 69:3 , 69:15 . Psalmen 69:3 : Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Psalmen 69:15 : Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten van de wateren.
[^psalmen-130-2-3]: Kanttekening 3: hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn: Dit is al menselijkerwijze gesproken.
[^psalmen-130-3-a]: Verwijzing a: Ps. 143:2 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^psalmen-130-3-4]: Kanttekening 4: Versta hierbij: En die op het hoogste naar uw rechtvaardigheid straffen wil.
[^psalmen-130-3-5]: Kanttekening 5: wie zal bestaan: Te weten, in uw oordeel. Alsof hij zei: Niemand.
[^psalmen-130-4-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 24:14 . 2 Samuël 24:14 : Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand van YHWH vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.
[^psalmen-130-4-6]: Kanttekening 6: gevreesd wordt: Te weten, met een kinderlijke vreze. Allen, die vastelijk vertrouwen dat om Christus' wil hun zonden vergeven zijn, beminnen God; en als goede kinderen vrezen zij Hem te vertoornen; Luk. 7:47 . Lukas 7:47 : Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
[^psalmen-130-5-c]: Verwijzing c: Ps. 27:14 ; Habak. 2:3 . Psalmen 27:14 : Wacht op YHWH, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op YHWH. Habakuk 2:3 : Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
[^psalmen-130-5-7]: Kanttekening 7: verwacht YHWH: De zin is: Omdat ik weet dat de Heer zo goedertieren is, daarom verwacht ik met een vast vertrouwen, dat Hij mij, naar zijn beloftenis, mijn zonden vergeven en mij uit alle ellenden verlossen zal.
[^psalmen-130-5-d]: Verwijzing d: Ps. 40:2 . Psalmen 40:2 : Ik heb YHWH lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
[^psalmen-130-5-8]: Kanttekening 8: ik hoop op Zijn Woord: Dat is, ik wacht op wat Hij in zijn woord allen gelovigen beloofd heeft en mij in het bijzonder.
[^psalmen-130-6-e]: Verwijzing e: Ps. 5:4 ; Ps. 119:147 ; Ps. 123:1 ; idem 123:2 . Psalmen 5:4 : Van de morgens, YHWH, zult U mijn stem horen; van de morgen zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. Psalmen 119:147 : Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. Psalmen 123:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemel zit. Psalmen 123:2 : Zie, gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand haar vrouw; zo zijn onze ogen op YHWH, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
[^psalmen-130-7-9]: Kanttekening 9: Israël hope op: Alsof hij zei: Gelijk ik, op de Heer wachtende, hulp en verlossing verkregen heb, zo doe ook Israël, dat is, de kerk van God en alle godzaligen in het bijzonder. Anders: O Israël, hoop op de Heer.
[^psalmen-130-7-10]: Kanttekening 10: want bij YHWH: Dat is, want Hij verlost er velen van vele en grote zonden, door zijn grote en menigvuldige barmhartigheid.
[^psalmen-130-8-11]: Kanttekening 11: Dat is, zijn volk Israël.

### Psalmen 131

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/131.json)

*David betuigt zijn ootmoedigheid en vermaant de Kerk van God tot vertrouwen op God.*

**1** [^psalmen-131-1-1] Een lied Hammaäloth, van David. O YHWH![^psalmen-131-1-a] mijn hart is niet[^psalmen-131-1-2] verheven, en[^psalmen-131-1-b] mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en[^psalmen-131-1-3] te wonderlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/131.html#v1)

**2** [^psalmen-131-2-4] Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is[^psalmen-131-2-5] als een gespeend kind in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/131.html#v2)

**3** [^psalmen-131-3-6] Israël hope op YHWH van nu aan tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/131.html#v3)

[^psalmen-131-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-131-1-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 32:25 ; Spr. 16:5 . 2 Kronieken 32:25 : Maar Jehizkia deed gene vergelding, naar de weldaad aan hem geschied, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toornigheid. Spreuken 16:5 : Al wie hoog is van hart, is YHWH een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.
[^psalmen-131-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, door hovaardij. Zie Deut. 17:20 . Deuteronomium 17:20 : Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broers, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechterhand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël.
[^psalmen-131-1-b]: Verwijzing b: Spr. 6:17 ; Ps. 101:5 . Spreuken 6:17 : Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; Psalmen 101:5 : Die zijn naaste in het geheime achterklapt; die zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
[^psalmen-131-1-3]: Kanttekening 3: te wonderlijk: Dat is, te hoge, zware, verborgen dingen, die mijn verstand en macht te boven gaan, gelijk Ps. 139:6 ; of, die mijn ambt en beroeping niet betamen. Hebr. wonderen boven mij. Zie de aantekening bij Job 42:3 . Psalmen 139:6 : De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. Job 42:3 : Wie is hij, zegt U, die de raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
[^psalmen-131-2-4]: Kanttekening 4: Zo ik mijn ziel: Dat is, zekerlijk ik heb mijn ziel of mijn gemoed gespeend. Zie gelijke manier van spreken Ps. 89:36 , en Ps. 95:11 , en zie de aantekening bij Gen. 14:23 . Anders: heb ik mijn ziel niet gezet, enz. gelijk een gespeend kind bij zijn moeder. Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^psalmen-131-2-5]: Kanttekening 5: als een gespeend kind: Dat alle ding van zijn moeder verwacht en geheel aan haar hangt: zo ben ik nederig, zachtmoedig, eenvoudig. Van de eenvoudigheid van de jonge kinderen, zie Matt. 18:1 , 18:2 , 18:3 . Mattheüs 18:1 : Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemel? Mattheüs 18:2 : En Jezus een kind tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; Mattheüs 18:3 : En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemel in geen geval ingaan.
[^psalmen-131-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, het volk Israël, het volk van God.

### Psalmen 132

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/132.json)

*Davids zorgvuldigheid betreffende het brengen van de ark binnen Jeruzalem, alsook zijn gebed daarover gedaan, met een verhaal van de eed en de beloften die God aan David en zijn Kerk gedaan heeft, aangaande het eeuwig Koninkrijk van Christus.*

**1** [^psalmen-132-1-1] Een lied Hammaäloth.[^psalmen-132-1-2] O YHWH![^psalmen-132-1-3] gedenk aan David, aan al zijn lijden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v1)

**2** Dat hij YHWH[^psalmen-132-2-4] gezworen heeft, aan de Machtige van Jakob[^psalmen-132-2-5] een gelofte gedaan heeft, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v2)

**3** [^psalmen-132-3-6][^psalmen-132-3-a] Zo ik in de tent[^psalmen-132-3-7] van mijn huis inga, zo ik op de koets[^psalmen-132-3-8] van mijn bed klimme! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v3)

**4** Zo ik mijn ogen[^psalmen-132-4-9] slaap geve, mijn oogleden sluimering; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v4)

**5** Totdat ik voor YHWH een plaats gevonden[^psalmen-132-5-10] zal hebben, woningen voor de Machtige[^psalmen-132-5-11][^psalmen-132-5-12][^psalmen-132-5-13] van Jakob![^psalmen-132-5-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v5)

**6** Zie, wij hebben[^psalmen-132-6-15] van haar gehoord[^psalmen-132-6-16] in Efratha;[^psalmen-132-6-17] wij hebben haar gevonden in de velden van[^psalmen-132-6-18] Jaär. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v6)

**7** Wij zullen in[^psalmen-132-7-19] Zijn woningen ingaan, wij zullen ons neerbuigen[^psalmen-132-7-20] voor[^psalmen-132-7-21] de voetbank van Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v7)

**8** [^psalmen-132-8-22] Sta op, YHWH![^psalmen-132-8-23] tot Uw rust,[^psalmen-132-8-24] U en de ark van Uw sterkte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v8)

**9** Dat Uw priesters[^psalmen-132-9-25] bekleed worden met gerechtigheid, en dat[^psalmen-132-9-26] Uw gunstgenoten juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v9)

**10** [^psalmen-132-10-27] Weer het aangezicht van Uw[^psalmen-132-10-28] Gezalfde niet af,[^psalmen-132-10-29] omwille van David, Uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v10)

**11** YHWH heeft David[^psalmen-132-11-30] de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende:[^psalmen-132-11-31] Van de vrucht van uw buik zal[^psalmen-132-11-32] Ik op uw troon zetten.[^psalmen-132-11-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v11)

**12** Als uw zonen[^psalmen-132-12-33] Mijn verbond zullen houden, en[^psalmen-132-12-34] Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen[^psalmen-132-12-35] tot in eeuwigheid op uw troon zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v12)

**13** Want YHWH heeft[^psalmen-132-13-36] Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v13)

**14** [^psalmen-132-14-c] Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik[^psalmen-132-14-37] heb ze begeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v14)

**15** Ik zal[^psalmen-132-15-38] haar voedsel[^psalmen-132-15-39] rijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v15)

**16** En[^psalmen-132-16-d] haar priesters zal Ik[^psalmen-132-16-40] met heil bekleden, en[^psalmen-132-16-41] haar gunstgenoten zullen[^psalmen-132-16-42] zeer juichen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v16)

**17** [^psalmen-132-17-43][^psalmen-132-17-e] Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb[^psalmen-132-17-44] voor Mijn[^psalmen-132-17-45] Gezalfde een lamp gereedgemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v17)

**18** [^psalmen-132-18-46] Ik zal zijn vijanden[^psalmen-132-18-47] met schaamte bekleden; maar op hem[^psalmen-132-18-48] zal zijn kroon[^psalmen-132-18-49] bloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/132.html#v18)

[^psalmen-132-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie van deze titel de aantekening Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-132-1-2]: Kanttekening 2: O YHWH: Het schijnt dat deze psalm geschreven is als men de ark uit Obed-Edoms huis naar de stad van David gebracht heeft, 1.Kron. 15 . Sommige verstaan, dat Salomo deze Psalm gemaakt heeft, als hij de ark zou laten brengen in de Tempel.
[^psalmen-132-1-3]: Kanttekening 3: gedenk aan David: Hij wil zeggen: Gedenk wat U hem door Nathan beloofd hebt, 2 Sam. 7 . Of, laat blijken dat U David gedachtig bent ten goede, hem gevende wat hij ootmoedig met het gebed van U verzoekt.
[^psalmen-132-2-4]: Kanttekening 4: de Machtige: Zie de aantekening bij Gen. 49:24 . Genesis 49:24 : Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls;
[^psalmen-132-2-5]: Kanttekening 5: gelofte gedaan: Zie de aantekening bij Ps. 61:6 . Psalmen 61:6 : Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^psalmen-132-3-6]: Kanttekening 6: Zo ik in de tent: Dat is, zekerlijk, ik zal in de tent van mijn huis niet ingaan; zie Ps. 89:36 , en de aantekening bij Ps. 95:11 . Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
[^psalmen-132-3-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 15:1 . 1 Kronieken 15:1 : En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde van de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar.
[^psalmen-132-3-7]: Kanttekening 7: mijns huizes inga: Dat David nieuw had laten bouwen. Zie 2 Sam. 5:9 ; 1 Kron. 14:1 , en 1 Kron. 15:1 . David wil zeggen: Ik zal in dat huis niet gaan om het te bewonen en daarin te slapen, totdat ik, enz. Zie Ps. 132:5. 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. 1 Kronieken 14:1 : Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden. 1 Kronieken 15:1 : En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde voor de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar.
[^psalmen-132-3-8]: Kanttekening 8: van mijn bed klimme: Hebr. mijn bedden; dat is, van enige van mijn bedden.
[^psalmen-132-4-9]: Kanttekening 9: slaap geve: Dat is, slapen late.
[^psalmen-132-5-10]: Kanttekening 10: voor YHWH: Die zijn aanwezigheid openbaarde boven de ark en vandaar antwoord gaf. Zie Ps. 43:3 . Psalmen 43:3 : Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg van Uw heiligheid, en tot Uw woningen;
[^psalmen-132-5-11]: Kanttekening 11: een plaats: Zie van deze plaats 2 Sam. 6:17 ; 1 Kron. 16:1 . 2 Samuël 6:17 : Toen zij nu de ark van YHWH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor het aangezicht van YHWH, en dankofferen. 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God.
[^psalmen-132-5-12]: Kanttekening 12: gevonden zal hebben: Dat is, bereid zal hebben, gelijk Hand. 7:46 . Handelingen 7:46 : Die voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor de God van Jakob.
[^psalmen-132-5-13]: Kanttekening 13: Aldus spreekt de profeet in het getal van velen, omdat aan de tempel veel kamers en verblijfplaatsen waren.
[^psalmen-132-5-14]: Kanttekening 14: voor de Machtige: Die op de ark van het verbond zit.
[^psalmen-132-6-15]: Kanttekening 15: van haar gehoord: Te weten, van de ark.
[^psalmen-132-6-16]: Kanttekening 16: in Efratha: Sommigen verstaan hier door Efrata de landstreek van Bethlehem, waar Kiriath-Jearim en Obed-Edoms huis niet ver van gelegen was. Zie Gen. 35:16 , 35:19 . Anderen verstaan door Efrata Efraïm, en verder de stad Silo in Efraïm gelegen, waar de ark lang gebleven was; Richt. 18:31 , en Richt. 21:19 ; 1 Sam. 1:3 . Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Richteren 18:31 : Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te Silo was. Richteren 21:19 : Toen zeiden zij: Ziet, er is een feest van YHWH te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis van God, tegen de opgang van de zon, aan de hoge weg, die opgaat van het huis van God naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona. 1 Samuël 1:3 : Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren YHWH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van YHWH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.
[^psalmen-132-6-17]: Kanttekening 17: wij hebben haar: Te weten, toen wij haar naar Jeruzalem brengen zouden.
[^psalmen-132-6-18]: Kanttekening 18: Deze plaats wordt in de heilige historie ook genoemd Kiriath-Jearim, dat is, de stad van de wouden, waar de ark twintig jaar geweest is, nadat zij uit het land van de Filistijnen wedergekomen was, 1 Sam. 6:21 , en 1 Sam. 7:1 , 7:2 . Zij wordt ook genoemd Baäle, \[dat is, de pleinen\] van Juda, 2 Sam. 6:2 ; want zij lag in een vlak bosachtig land. Enigen stellen hier: de velden van het woud. 1 Samuël 6:21 : Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van YHWH wedergebracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u. 1 Samuël 7:1 : Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van YHWH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van YHWH bewaarde. 1 Samuël 7:2 : En het geschiedde, van die dag af, dat de ark van de Heer te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het gehele huis van Israël klaagde YHWH achterna. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim.
[^psalmen-132-7-19]: Kanttekening 19: Zijn woningen: Te weten, van de Heer. Anders, haar; te weten, van de ark.
[^psalmen-132-7-20]: Kanttekening 20: Of aan of naar, of tegen aan.
[^psalmen-132-7-21]: Kanttekening 21: de voetbank: Zie de aantekening bij Ps. 99:5.
[^psalmen-132-8-22]: Kanttekening 22: Sta op: Zie 1 Kron. 28:2 , en 2 Kron. 6:41 , 6:42 ., waar dit vers en de twee naastvolgende door Salomo toegepast worden op de tijd toen hij de ark in het heilige van de heiligen deed brengen. 1 Kronieken 28:2 : En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn. 2 Kronieken 6:42 : O YHWH God! wend het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk de weldadigheden van David, Uw knecht.
[^psalmen-132-8-23]: Kanttekening 23: tot Uw rust: Dat is, tot die plaats, die U U hebt gekozen en geheiligd, opdat de ark van het verbond daar bestendig blijve. Zo ook onder vers 14 ; en de aantekening bij 2 Kron. 6:41 . Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^psalmen-132-8-24]: Kanttekening 24: U en de: Hier worden nu God en de ark samengevoegd, gelijk tevoren het een en het ander op zichzelven is genoemd geweest. Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41 . 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^psalmen-132-9-25]: Kanttekening 25: bekleed worden: Dat is, laat hen oprecht en heilig hun priesterambt bedienen. Zie deze manier van spreken Job 29:14 . Job 29:14 : Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.
[^psalmen-132-9-26]: Kanttekening 26: Uw gunstgenoten: Dat is, uw volk Israël. Zie 1 Kron. 15:28 . De profeet wenst dat de godzaligen oorzaak van blijdschap mogen hebben, wordende van de priesters uit Gods Woord in alle godzaligheid onderwezen. 1 Kronieken 15:28 : Zo bracht geheel Israël de ark van het verbond van YHWH op, met gejuich, en met geluid van de bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen.
[^psalmen-132-10-27]: Kanttekening 27: Weer het: Dat is, sla hem zijn bede niet af; of weiger hem zijn bede niet. Zie de aantekening bij 1 Kon. 2:16 , 2:17 , 2:20 . Of, weiger hem uw gunstige aanspraak en hulp niet. 1 Koningen 2:16 : En nu begeer ik van u een enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zei tot hem: Spreek. 1 Koningen 2:17 : En hij zei: Spreek toch tot de koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, ter vrouwe geve. 1 Koningen 2:20 : Toen zei zij: Ik begeer van u een enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.
[^psalmen-132-10-28]: Kanttekening 28: Door de gezalfde verstaat de profeet hier zichzelven.
[^psalmen-132-10-29]: Kanttekening 29: om Davids: Hij wil zeggen: Ten aanzien van de beloften, die U mij gedaan hebt. Of, versta hier Christus, door David, waar David een voorbeeld van geweest is. Zo ook Ps. 18:51 ; Jer. 30:9 ; Ez. 34:23 , en Ez. 37:24 ; Hos. 3:5 . En dan is de zin, om Jezus Christus' wil, die een knecht van God genoemd wordt, ten aanzien van de knechtelijke gedaante, die Hij aannemen zou. Psalmen 18:51 : Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. Jeremia 30:9 : Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:24 : En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^psalmen-132-11-30]: Kanttekening 30: de waarheid: Dat is, een vaste eed, een vaste belofte, of een eed van de waarheid gezworen.
[^psalmen-132-11-31]: Kanttekening 31: Van de vrucht: Dat is, enige van uw kinderen of nakomelingen. Zie 2 Sam. 7:12 , enz. Deze belofte ziet op Christus, Hand. 2:30 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaders zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Handelingen 2:30 : Zo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lenden, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
[^psalmen-132-11-32]: Kanttekening 32: Ik op uw troon: Dat is, zal Ik na u laten regeren.
[^psalmen-132-11-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 7:12 ; 1 Kon. 8:25 ; 2 Kron. 6:16 ; Lukas 1:69 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaders zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 1 Koningen 8:25 : En nu YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israël zitte; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. 2 Kronieken 6:16 : En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
[^psalmen-132-12-33]: Kanttekening 33: Mijn verbond: Dat is, mijn geboden.
[^psalmen-132-12-34]: Kanttekening 34: Mijn getuigenissen: Dat is, mijn wetten, in welke Ik betuig hoe Ik wil geëerd en gediend wezen.
[^psalmen-132-12-35]: Kanttekening 35: tot in eeuwigheid: Dat is, lange tijd zullen uw nakomelingen het aardse koninkrijk bezitten; maar het geestelijke zal in Christus bestendigd zijn in eeuwigheid; Luk. 1:32 , 1:33 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^psalmen-132-13-36]: Kanttekening 36: Sion gekozen: Dat is, de stad Jeruzalem, die op de berg Zion gebouwd is. Deze stad heeft de Heer gekozen, dat zijn heilige godsdienst in dezelfde zou bevestigd worden.
[^psalmen-132-14-c]: Verwijzing c: Ps. 68:17 ; boven, v. 8 . Psalmen 68:17 : Waarom springt u op, u bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er YHWH wonen in eeuwigheid. Psalmen 132:8 : Sta op, YHWH! tot Uw rust, U en de ark Uw sterkte!
[^psalmen-132-14-37]: Kanttekening 37: heb ze begeerd: Te weten, deze zitplaatsen, of woning, te weten, Jeruzalem, of Zion.
[^psalmen-132-15-38]: Kanttekening 38: haar voedsel: Te weten, van Jeruzalem, dat is, van de burgers te Jeruzalem.
[^psalmen-132-15-39]: Kanttekening 39: rijk zegenen: Hebr. zegenende zegenen; dat is, Ik zal hen rijk verzorgen van alle nooddruft.
[^psalmen-132-16-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 6:41 . 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^psalmen-132-16-40]: Kanttekening 40: met heil bekleden: Zie boven vers 9 ; 2 Kro. 6:41, en verg. 1 Tim. 4:16 . Psalmen 132:9 : Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen. 1 Timotheüs 4:16 : Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^psalmen-132-16-41]: Kanttekening 41: haar gunstgenoten: Dat is, mijn beminden, die Ik te Jeruzalem of in Zion heb.
[^psalmen-132-16-42]: Kanttekening 42: zeer juichen: Hebr. juichende juichen.
[^psalmen-132-17-43]: Kanttekening 43: Daar zal Ik: Dat is, Ik zal te Jeruzalem Davids koninkrijk en macht vermeerderen, gevende hem zijn zonen tot navolgers in het koninkrijk en voornamelijk de geestelijke Koning Christus. Zie Luk. 1:69 ; en Ps. 75:5 , en Ps. 89:18 , 89:25 . Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; Psalmen 75:5 : Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt de hoorn niet. Psalmen 89:18 : Want U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. Psalmen 89:25 : En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.
[^psalmen-132-17-e]: Verwijzing e: Lukas 1:69 . Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
[^psalmen-132-17-44]: Kanttekening 44: Mijn Gezalfde: Dat is, de koning David.
[^psalmen-132-17-45]: Kanttekening 45: een lamp gereedgemaakt: Versta door de lamp even hetzelfde, dat tevoren door de hoorn is beduid, te weten de nakomelingen Davids in het koninkrijk, en voornamelijk Christus. Zie 1 Kon. 11:36, en Luk. 2:32 . Lukas 2:32 : Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
[^psalmen-132-18-46]: Kanttekening 46: Ik zal zijn vijanden: Dat is, Ik zal zijn vijanden in al hun aanslagen te schande maken, gelijk Ps. 35:26 , en Ps. 109:29 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 109:29 : Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
[^psalmen-132-18-47]: Kanttekening 47: met schaamte: Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41 . 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^psalmen-132-18-48]: Kanttekening 48: zal zijn kroon: Dat is, zijn majesteit en heerlijkheid, zijn rijk.
[^psalmen-132-18-49]: Kanttekening 49: Dat is, bloeiende blijven, zonder te verwelken.

### Psalmen 133

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/133.json)

*David roemt zeer hoog de broederlijke gemeenschap van de gelovigen.*

**1** [^psalmen-133-1-1] Een lied Hammaäloth, van David. Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat[^psalmen-133-1-2] broeders ook[^psalmen-133-1-3] samenwonen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/133.html#v1)

**2** [^psalmen-133-2-4] Het is,[^psalmen-133-2-5] gelijk de kostelijke olie op het hoofd, neerdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de[^psalmen-133-2-6] zoom[^psalmen-133-2-7] zijn kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/133.html#v2)

**3** Het is gelijk de dauw[^psalmen-133-3-8] van[^psalmen-133-3-9] Hermon, en die neerdaalt op[^psalmen-133-3-10] de bergen van Sion, want YHWH gebiedt daar de zegen[^psalmen-133-3-11][^psalmen-133-3-12] en het[^psalmen-133-3-13] leven tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/133.html#v3)

[^psalmen-133-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Zie de aantekening bij Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-133-1-2]: Kanttekening 2: broers ook: Onder het woord broers worden niet alleen verstaan vleselijke broers, maar ook degenen, die in een gelijke bediening en ambt staan; ja al degenen, die dagelijks een en dezelfde Vader, die in de hemel is, aanroepen. Zie de aantekening bij Ps. 122:8 . Het is zoveel alsof de profeet hier zei: De eendracht onder alle mensen is lieflijk en aangenaam, maar in het bijzonder die, welke onder de broers is. Psalmen 122:8 : Om mijn broers en mijn vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
[^psalmen-133-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, in eendracht en liefde zo in de religie, als in de politiek en de dagelijkse omgang.
[^psalmen-133-2-4]: Kanttekening 4: Het is, gelijk: Alsof hij zei: Zulke vrede en eendracht mag recht vergeleken worden bij de welriekende zalf van Aäron en zijn navolgers zijn gezalfd en ingewijd geworden, zie Ex. 29:7 , en Ex. 30:23 , 30:25 , 30:26 , 30:27 , 30:28 , 30:29 , 30:30 . Exodus 29:7 : En u zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven. Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:25 : En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn. Exodus 30:26 : En met dezelfde zult u zalven de tent van de samenkomst, en de ark van de getuigenis. Exodus 30:27 : En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar; Exodus 30:28 : En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet. Exodus 30:29 : U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn. Exodus 30:30 : U zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en u zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^psalmen-133-2-5]: Kanttekening 5: de kostelijke olie: Hebr. de goede.
[^psalmen-133-2-6]: Kanttekening 6: Hebr., פִּי, mond. Hij spreekt van de boord of zoom van de mantel van de efod: maar sommigen verstaan hier door de mond de kraag of het hoofdgat van de efod. Zie Ex. 28 en Ex. 39 .
[^psalmen-133-2-7]: Kanttekening 7: zijn kleren: Te weten, van zijn heilige hogepriesterlijke kleren, van welke te lezen is Ex. 28 .
[^psalmen-133-3-8]: Kanttekening 8: Zie van de berg Hermon, Deut. 3:8 ; Ps. 29:6 ; en Hoogl. 4:8 . Deuteronomium 3:8 : Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe; Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn. Hooglied 4:8 : Bij Mij van de Libanon af, o bruid! kom bij Mij van de Libanon af; zie van de top van Amana, van de top van Senir en van Hermon, van de woningen van de leeuwinnen, van de bergen van de luipaarden.
[^psalmen-133-3-9]: Kanttekening 9: en die neerdaalt: Dit woord dient hierbij, nog zou de rede voller en klaarder wezen, als hierbij stond: En gelijk de dauw, die neerdaalt op, enz. Hermon en Zion liggen ver van elkaar, zodat de dauw van Hermon niet kan nederdalen op de bergen Zions.
[^psalmen-133-3-10]: Kanttekening 10: de bergen van: Versta hier, de bergen die omtrent de berg Zion, of omtrent Jeruzalem liggen. Zie Ps. 125:2 . Psalmen 125:2 : Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid.
[^psalmen-133-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, de Heer maakt dat bij zulk een eendrachtige verzameling van broers zegen en leven is; Ps. 42:9. Zie ook Lev. 25:21 ; Deut. 28:8 . Leviticus 25:21 : Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Deuteronomium 28:8 : YHWH zal de zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan u uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal.
[^psalmen-133-3-12]: Kanttekening 12: daar de zegen: Te weten, waar broers in enigheid bij elkaar leven. Zie vers 1 . Psalmen 133:1 : Een lied Hammaäloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broers ook samenwonen!
[^psalmen-133-3-13]: Kanttekening 13: het leven tot: Te weten, een lang gelukzalig leven. Versta hierbij, gebiedt de Heer. De profeet wil zeggen: Gelijk de dauw de bergen van Hermon en Zion, en ook de omliggende landen, bevochtigt en vruchtbaar maakt, zo zegent ook God de Heer en geeft een lang, ja het eeuwige leven, hun die in broederlijke liefde samenleven.

### Psalmen 134

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/134.json)

*De psalmist vermaant de priesters en Levieten God te loven en voor de gemeente te bidden.*

**1** [^psalmen-134-1-1] Een lied Hammaäloth. Zie, looft YHWH, alle[^psalmen-134-1-2] u knechten van YHWH! u, die[^psalmen-134-1-3] allen nacht[^psalmen-134-1-4] in het huis van[^psalmen-134-1-5] YHWH staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/134.html#v1)

**2** [^psalmen-134-2-6] Hef uw handen op[^psalmen-134-2-7] naar het heiligdom, en loof YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/134.html#v2)

**3** YHWH zegene[^psalmen-134-3-8] u[^psalmen-134-3-9] uit Sion, Hij, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/134.html#v3)

[^psalmen-134-1-1]: Kanttekening 1: lied Hammaäloth: Gelijk Ps. 120:1 . Psalmen 120:1 : Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^psalmen-134-1-2]: Kanttekening 2: u knechten: Versta hier door de knechten van de Heer voornamelijk de priesters en Levieten, wier ambt was ook bij nacht te staan en te dienen voor de Heer. Zie Ex. 27:21 ; Lev. 8:35 ; 1 Sam. 3:3 ; 1 Kron. 9:33 . Exodus 27:21 : In de tent van de samenkomst, van buiten de voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen van Israël. Leviticus 8:35 : U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. 1 Samuël 3:3 : En Samuël zich ook nedergelegd had, voordat de lampe Gods uitgedaan werd, in de tempel van YHWH, waar de ark van God was, 1 Kronieken 9:33 : Uit deze zijn ook de zangers, hoofden van de vaderen onder de Levieten in de kamers, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.
[^psalmen-134-1-3]: Kanttekening 3: allen nacht: Hebr., לֵּילֽוֹת, in de nachten; dat is, allen nacht.
[^psalmen-134-1-4]: Kanttekening 4: in het huis van YHWH: Te weten, om de wacht in de tempel en de voorhoven van dezelfde te houden, achtervolgens Gods wet. Zie Lev. 8:32 ; Num. 1:53 ; 1 Sam. 3:3 ; 1 Kron. 9:33 . Leviticus 8:32 : Maar het overige van het vlees en van het brood zult u met vuur verbranden. Numeri 1:53 : Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van het getuigenis, opdat geen toorn over de vergadering van de kinderen van Israël zij; daarom zullen de Levieten de wacht van de tabernakel van het getuigenis waarnemen. 1 Samuël 3:3 : En Samuël zich ook nedergelegd had, voordat de lampe Gods uitgedaan werd, in de tempel van YHWH, waar de ark van God was, 1 Kronieken 9:33 : Uit deze zijn ook de zangers, hoofden van de vaderen onder de Levieten in de kamers, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.
[^psalmen-134-1-5]: Kanttekening 5: Staan voor dienen wordt meermalen in de Heilige Schrift gebruikt. 2 Kon. 25:8 staat een dienaar van de koning; Jer. 52:12 : een die voor de koning stond. 2 Koningen 25:8 : Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem. Jeremia 52:12 : Daarna, in de vijfde maand, op de tienden van de maand (dit jaar was het negentiende jaar van de koning Nebukadrezar, de koning van Babel), als Nebuzaradan, de overste van de trawanten, die voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was;
[^psalmen-134-2-6]: Kanttekening 6: Heft uw handen: Dat is, roept de Heer aan en bidt voor het volk, gelijk Ps. 28 .2.
[^psalmen-134-2-7]: Kanttekening 7: naar het: Te weten, naar de ark van de Heer, staande in het heiligdom, vanwaar de Heer de gebeden van zijn volk verhoorde. Anders: in heiligheid, gelijk 1 Tim. 2:8 . 1 Timotheüs 2:8 : Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.
[^psalmen-134-3-8]: Kanttekening 8: Dit is gesproken in het getal van een, betekenende, de Heer zegene elk van u, hoofd voor hoofd. Aldus heeft God de priesters bevolen het volk te zegenen; Num. 6:24 . Sommigen verstaan dit als een wens van de psalmist over de priesters, die in Gods huis dienden. Numeri 6:24 : YHWH zegene u, en behoede u!
[^psalmen-134-3-9]: Kanttekening 9: uit Sion: Dat is, van de ark af, die op de berg Zion staat. Zie de aantekening bij Ps. 128:5 . Psalmen 128:5 : YHWH zal u zegenen uit Sion, en u zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;

### Psalmen 135

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/135.json)

*De dienaren van de HEERE worden vermaand God te loven voor Zijn goedertierenheid die Hij Israël bewezen heeft, alsook vanwege Zijn almacht, met een tegenstelling van de ijdelheid van de afgoden en van degenen die ze maken en op die vertrouwen.*

**1** [^psalmen-135-1-1] Hallelujah! Prijs de Naam van YHWH, prijs Hem, u knechten van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v1)

**2** U, die staat[^psalmen-135-2-2][^psalmen-135-2-3] in het huis van YHWH,[^psalmen-135-2-4] in de voorhoven van het huis van onze God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v2)

**3** Loof YHWH, want YHWH is goed; psalmzing Zijn Naam, want[^psalmen-135-3-5] Hij is liefelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v3)

**4** Want YHWH heeft Zich[^psalmen-135-4-6] Jakob gekozen,[^psalmen-135-4-7] Israël[^psalmen-135-4-a] tot Zijn eigendom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v4)

**5** Want ik weet, dat YHWH groot is, en dat onze Heere[^psalmen-135-5-8] boven alle[^psalmen-135-5-9] goden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v5)

**6** Al wat YHWH behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v6)

**7** Hij[^psalmen-135-7-b] doet dampen opklimmen[^psalmen-135-7-10] van het einde van de aarde;[^psalmen-135-7-11] Hij maakt de bliksemen[^psalmen-135-7-12] met de regen; Hij brengt de wind[^psalmen-135-7-13] uit Zijn schatkameren voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v7)

**8** [^psalmen-135-8-c] Die de[^psalmen-135-8-14] eerstgeborenen van Egypte sloeg,[^psalmen-135-8-15] van de mens af tot het vee toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v8)

**9** [^psalmen-135-9-d] Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v9)

**10** Die[^psalmen-135-10-16] veel[^psalmen-135-10-e] volken sloeg, en machtige koningen doodde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v10)

**11** Sihon, de koning van de Amorieten, en[^psalmen-135-11-17] Og, de koning van Basan, en[^psalmen-135-11-18] al de koninkrijken van Kanaän, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v11)

**12** En[^psalmen-135-12-f] Hij gaf hun land als erfenis, als erfenis aan Zijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v12)

**13** O YHWH! Uw Naam[^psalmen-135-13-19] is in eeuwigheid; YHWH![^psalmen-135-13-20][^psalmen-135-13-g] Uw herinnering is van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v13)

**14** [^psalmen-135-14-h] Want[^psalmen-135-14-21] YHWH zal Zijn volk[^psalmen-135-14-22] richten, en[^psalmen-135-14-23] het zal Hem berouwen over Zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v14)

**15** [^psalmen-135-15-i] De[^psalmen-135-15-24] afgoden van de[^psalmen-135-15-25] heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v15)

**16** Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v16)

**17** Oren hebben zij, maar horen niet;[^psalmen-135-17-26] ook is er geen adem in hun mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v17)

**18** Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v18)

**19** [^psalmen-135-19-27] U huis van Israël! loof YHWH;[^psalmen-135-19-28] u huis van Aäron! loof YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v19)

**20** U huis van Levi! loof YHWH; u die YHWH vreest! loof YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v20)

**21** Geloofd zij YHWH uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/135.html#v21)

[^psalmen-135-1-1]: Kanttekening 1: Prijst de: Zie de aantekening bij Ps. 104:35 , en Ps. 106:1 . Psalmen 104:35 : De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof YHWH, mijn ziel! Hallelujah! Psalmen 106:1 : Hallelujah! Looft YHWH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-135-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, dient. Zie Ps. 134:1 , en Deut. 1:38 . Psalmen 134:1 : Een lied Hammaäloth. Ziet, looft YHWH, alle u knechten van YHWH! u, die allen nacht in het huis van YHWH staat. Deuteronomium 1:38 : Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven.
[^psalmen-135-2-3]: Kanttekening 3: in het huis: Dat is, in de tabernakel, of in de tempel. Hij spreekt de priesters en Levieten, of ook het volk aan.
[^psalmen-135-2-4]: Kanttekening 4: in de voorhoven: Aldus spreekt hij, omdat er twee voorhoven waren, het ene voor de priesters en Levieten, het andere voor het volk; 2 Kron. 4:9 . 2 Kronieken 4:9 : Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.
[^psalmen-135-3-5]: Kanttekening 5: Hij is liefelijk: Anders: het is lieflijk; te weten, dat men Hem psalmzingt; Ps. 147:1 . Psalmen 147:1 : Looft YHWH, want onze God te psalmzingen is goed, omdat Hij liefelijk is; de lof is passend.
[^psalmen-135-4-6]: Kanttekening 6: Jakob gekozen: Te weten, Jakob en zijn nakomelingen. Zie Ex. 19:5 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^psalmen-135-4-7]: Kanttekening 7: Israël tot: Israël en zijn nakomelingen.
[^psalmen-135-4-a]: Verwijzing a: Ex. 19:5 ; Deut. 7:6 ; Titus 2:14 ; 1 Petr. 2:9 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 7:6 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Titus 2:14 : Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden Van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
[^psalmen-135-5-8]: Kanttekening 8: boven alle: Of, meer dan.
[^psalmen-135-5-9]: Kanttekening 9: goden is: Dat is, afgoden, die de heidenen zichzelven verdichten.
[^psalmen-135-7-b]: Verwijzing b: Jer. 10:13 ; Jer. 51:16 . Jeremia 10:13 : Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. Jeremia 51:16 : Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
[^psalmen-135-7-10]: Kanttekening 10: van het einde: Dat is, van de zee, die aan het einde van de aarde is.
[^psalmen-135-7-11]: Kanttekening 11: Hij maakt de: Dat is, Hij maakt dat het tegelijk bliksemt en regent, onaangezien dat water en vuur van tegenovergestelde natuur zijn.
[^psalmen-135-7-12]: Kanttekening 12: met de regen: Of, bij, of tot de regen.
[^psalmen-135-7-13]: Kanttekening 13: uit Zijn schatkameren: In welke Hij de winden, als zijn schatten, besloten houdt; gelijk Job 38:22 . Job 38:22 : Zijt u gekomen tot de schatkameren van de sneeuw, en hebt u de schatkameren van de hagels gezien?
[^psalmen-135-8-c]: Verwijzing c: Ex. 12:12 ; idem v. 29 ; Ps. 78:51 . Exodus 12:12 : Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH! Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^psalmen-135-8-14]: Kanttekening 14: van Egypte: Of, van de Egyptenaars.
[^psalmen-135-8-15]: Kanttekening 15: van de mens: Dat is, zo de mens, gelijk het vee.
[^psalmen-135-9-d]: Verwijzing d: Ex. 7 ; Ex. 8 ; Ex. 9 ; Ex. 10 ; Ex. 14 .
[^psalmen-135-10-16]: Kanttekening 16: veel volken: Of, grote.
[^psalmen-135-10-e]: Verwijzing e: Joz. 12 .
[^psalmen-135-11-17]: Kanttekening 17: Een reus, die een ijzeren bedstede had, negen ellen lang en vier breed; Num. 21:33 , 21:35 ; Deut. 3:11 . Numeri 21:33 : Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, en Edreï. Numeri 21:35 : En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, zo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting. Deuteronomium 3:11 : Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen van de reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba van de kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar van een man elleboog.
[^psalmen-135-11-18]: Kanttekening 18: al de koninkrijken: Zijnde in getal een en dertig, gelijk te lezen is Joz. 12:9 -24. Jozua 12:9 : De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
[^psalmen-135-12-f]: Verwijzing f: Ps. 78:55 . Psalmen 78:55 : En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hun erfenis, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
[^psalmen-135-13-19]: Kanttekening 19: is in eeuwigheid: Dat is, duurt. En zo straks opnieuw.
[^psalmen-135-13-20]: Kanttekening 20: Uw gedachtenis: Dat is, het bewijs en blijk van de weldaden, die U uw volk doet, duurt altijd.
[^psalmen-135-13-g]: Verwijzing g: Ps. 102:13 . Psalmen 102:13 : Maar U, YHWH! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.
[^psalmen-135-14-h]: Verwijzing h: Deut. 32:36 . Deuteronomium 32:36 : Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^psalmen-135-14-21]: Kanttekening 21: YHWH: Alsof hij zei: Ofschoon God de Heer zijn volk, vanwege hun zonden, somtijds moeizaam is kastijdende, zo dat het schijnt dat zijn goedertierenheid niet altijd op hen blijft, nochtans nadat Hij hen een tijdlang zal gekastijd hebben, zo zal het Hem berouwen en Hij zal hen uit de handen hun vijanden verlossen.
[^psalmen-135-14-22]: Kanttekening 22: richten, en: Zie de aantekening bij Gen. 15:14 . Genesis 15:14 : Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^psalmen-135-14-23]: Kanttekening 23: het zal Hem: Dat is, zijn toornig gemoed zal veranderen in een vriendelijk gemoed. Het is menselijke manier van spreken. Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^psalmen-135-15-i]: Verwijzing i: Ps. 115:4 . Psalmen 115:4 : Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensen handen;
[^psalmen-135-15-24]: Kanttekening 24: Hebr. de smarten. Zie de aantekening bij 1 Sam. 31:9 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis hun afgoden, en onder het volk.
[^psalmen-135-15-25]: Kanttekening 25: zijn zilver en goud: Dat is, zij zijn van zilver en goud. Dit vers en enige van de navolgende staan ook in Ps. 115 ; zie de aantekeningen daar.
[^psalmen-135-17-26]: Kanttekening 26: ook is er: Anders: ook is er geen wezen van de adems in hun mond.
[^psalmen-135-19-27]: Kanttekening 27: U huis van Israël: Of, u van de huize Israël.
[^psalmen-135-19-28]: Kanttekening 28: u huis van Aäron: Of, u van de huize Aärons, enz.

### Psalmen 136

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/136.json)

*De psalmist vermaant alle gelovigen tot lof en dankzegging aan God vanwege Zijn goedertierenheid, macht en wijsheid, blijkend aan de schepping van de wereld en aan de verlossing van Israël uit Egypte, en aan vele andere weldaden.*

**1** [^psalmen-136-1-1] Loof YHWH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid[^psalmen-136-1-2] is in de eeuwigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v1)

**2** Loof[^psalmen-136-2-3] de God van de goden; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v2)

**3** Loof[^psalmen-136-3-4] de Heere van de heren; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v3)

**4** Die, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v4)

**5** Die,[^psalmen-136-5-a] die de hemelen[^psalmen-136-5-5] met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v5)

**6** [^psalmen-136-6-b] Die, Die[^psalmen-136-6-6] de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v6)

**7** Die,[^psalmen-136-7-c] Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v7)

**8** [^psalmen-136-8-d] De zon tot heerschappij[^psalmen-136-8-7] op de dag; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v8)

**9** De maan en sterren tot heerschappij in de nacht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v9)

**10** [^psalmen-136-10-e] Die, Die[^psalmen-136-10-8] de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v10)

**11** En heeft[^psalmen-136-11-9] Israël[^psalmen-136-11-f] uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v11)

**12** [^psalmen-136-12-10] Met een sterke hand, en[^psalmen-136-12-g] met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v12)

**13** Die,[^psalmen-136-13-h] Die[^psalmen-136-13-11] de Schelfzee[^psalmen-136-13-12] in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v13)

**14** En voerde Israël door het midden daarvan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v14)

**15** [^psalmen-136-15-i] Hij heeft Farao met zijn leger[^psalmen-136-15-13] gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v15)

**16** [^psalmen-136-16-k] Die[^psalmen-136-16-14] Zijn volk[^psalmen-136-16-15] door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v16)

**17** [^psalmen-136-17-l] Die[^psalmen-136-17-16] grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v17)

**18** En heeft[^psalmen-136-18-17] heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v18)

**19** Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v19)

**20** [^psalmen-136-20-m] En Og, de koning[^psalmen-136-20-18] van Basan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v20)

**21** En heeft[^psalmen-136-21-19] hun land[^psalmen-136-21-n] als erfenis gegeven; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v21)

**22** Als erfenis[^psalmen-136-22-20] aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v22)

**23** Die aan ons[^psalmen-136-23-21] gedacht heeft[^psalmen-136-23-22] in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v23)

**24** En Hij heeft ons onze tegenstanders[^psalmen-136-24-23] ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v24)

**25** Die aan[^psalmen-136-25-24] alle vlees[^psalmen-136-25-25] voedsel geeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v25)

**26** Loof de God[^psalmen-136-26-26] van de hemel; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/136.html#v26)

[^psalmen-136-1-1]: Kanttekening 1: YHWH: Dit woord staat hier in de volgende verzen in het getal van velen, laudate, looft u. Enige menen dat deze psalm alle dagen door de Levieten in de gemeente van God is gezongen geweest. Zie 1 Kron. 16:41 . 1 Kronieken 16:41 : En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om YHWH te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
[^psalmen-136-1-2]: Kanttekening 2: is in eeuwigheid: Dat is, duurt, en zo in de volgende verzen van deze psalm.
[^psalmen-136-2-3]: Kanttekening 3: God van de goden: Dat is, de opperste God, die te gebieden heeft over de engelen, koningen en alle overheden. Zie de aantekening bij Deut. 10:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;
[^psalmen-136-3-4]: Kanttekening 4: de Heer van de heren: Hebr. de Heer, van de heren, gelijk Gen. 24:9 , en Gen. 39:16 , 39:20 , en Gen. 42:30 ; Ex. 21:4 , en elders meer. Genesis 24:9 : Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak. Genesis 39:16 : En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam. Genesis 39:20 : En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar van de koning gevangenen gevangen waren; zo was hij daar in het gevangenhuis. Genesis 42:30 : Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders van het land. Exodus 21:4 : Als hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.
[^psalmen-136-5-a]: Verwijzing a: Gen. 1:1 . Genesis 1:1 : In de beginne schiep God de hemel en de aarde.
[^psalmen-136-5-5]: Kanttekening 5: met verstand: Dat is, met uitnemende grote wijsheid.
[^psalmen-136-6-b]: Verwijzing b: Ps. 24:2 . Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
[^psalmen-136-6-6]: Kanttekening 6: op het water: Of, boven aan, of naast de wateren. Zie Job 26:7 , en Ps. 24:2 . Job 26:7 : Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. Psalmen 24:2 : Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
[^psalmen-136-7-c]: Verwijzing c: Gen. 1:14 . Genesis 1:14 : En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren!
[^psalmen-136-8-d]: Verwijzing d: Gen. 1:16 . Genesis 1:16 : God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren.
[^psalmen-136-8-7]: Kanttekening 7: op de dag: Of, over de dag.
[^psalmen-136-10-e]: Verwijzing e: Ex. 12:29 ; Ps. 78:43 ; idem v. 51 . Exodus 12:29 : En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Psalmen 78:43 : Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderen in het veld van Zoan; Psalmen 78:51 : En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.
[^psalmen-136-10-8]: Kanttekening 8: de Egyptenaren: Anders: Egypte.
[^psalmen-136-11-9]: Kanttekening 9: Dat is, het volk Israël.
[^psalmen-136-11-f]: Verwijzing f: Ex. 12:31 ; idem 12:51 ; Ex. 13:3 ; idem 13:17 . Exodus 12:31 : Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient YHWH, gelijk u gesproken hebt. Exodus 12:51 : En het geschiedde even tenzelfden dage, dat YHWH de kinderen van Israël uit Egypteland leidde, naar hun heiren. Exodus 13:3 : Verder zei Mozes tot het volk: Gedenkt aan deze zelfden dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want YHWH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. Exodus 13:17 : En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land van de Filistijnen, hoewel die nader was; want God zei: Dat het de volk niet rouwe, als zij de strijd zien zouden, en terugkeren naar Egypte.
[^psalmen-136-12-10]: Kanttekening 10: Met een sterke: Dat is, met macht. Zie de aantekening bij 1 Kon. 8:42 . 1 Koningen 8:42 : (Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;
[^psalmen-136-12-g]: Verwijzing g: Ex. 6:5 . Exodus 6:5 : Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
[^psalmen-136-13-h]: Verwijzing h: Ex. 14:21 ; idem v. 22 ; Ps. 78:13 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Psalmen 78:13 : Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop.
[^psalmen-136-13-11]: Kanttekening 11: de Schelfzee: Anders, de rode zee, of de Biezenzee.
[^psalmen-136-13-12]: Kanttekening 12: in delen deelde: Of, in stukken sneed.
[^psalmen-136-15-i]: Verwijzing i: Ex. 14:24 . Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren.
[^psalmen-136-15-13]: Kanttekening 13: gestort in: Hebr. geschud.
[^psalmen-136-16-k]: Verwijzing k: Ex. 15 ; Ex. 16 ; Ex. 17 ; Ex. 19 ; Ps. 78:53 . Psalmen 78:53 : Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
[^psalmen-136-16-14]: Kanttekening 14: Zijn volk: Het volk Israël.
[^psalmen-136-16-15]: Kanttekening 15: door de woestijn: Of, in.
[^psalmen-136-17-l]: Verwijzing l: Num. 21:24 ; idem v. 25 ; idem v. 34 ; idem v. 35 ; Joz. 12:1 ; Ps. 135:10 ; idem v. 11 . Numeri 21:24 : Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Numeri 21:25 : Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen. Numeri 21:34 : YHWH nu zei tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en u zult hem doen, gelijk als u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. Numeri 21:35 : En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, zo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting. Jozua 12:1 : Dit nu zijn de koningen van het land, die de kinderen van Israël geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan de overzijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; van de beek Arnon af tot de berg Hermon, en het gehele vlakke veld tegen het oosten: Psalmen 135:10 : Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde; Psalmen 135:11 : Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,
[^psalmen-136-17-16]: Kanttekening 16: grote koningen: Dat is, machtige.
[^psalmen-136-18-17]: Kanttekening 17: heerlijke koningen: Of, treffelijke, machtige, geweldige, glorierijke.
[^psalmen-136-20-m]: Verwijzing m: Deut. 3:1 . Deuteronomium 3:1 : Daarna keerden wij ons en togen op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï.
[^psalmen-136-20-18]: Kanttekening 18: van Basan: Dat is, van het land Basan. Zie de aantekening bij Deut. 32:14 . Zie ook van Basan Ps. 22:13 ; Jer. 50:19 ; Micha 7:14 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jeremia 50:19 : En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
[^psalmen-136-21-19]: Kanttekening 19: hun land ten: Te weten, de beide voorgenoemde koningen.
[^psalmen-136-21-n]: Verwijzing n: Joz. 12:6 . Jozua 12:6 : Mozes, de knecht van YHWH, en de kinderen van Israël sloegen hen, en Mozes, de knecht van YHWH, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halven stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.
[^psalmen-136-22-20]: Kanttekening 20: aan Zijn knecht: Dat is, de Israëlieten, die Hij in zijn bescherming heeft aangenomen, opdat zij Hem dienen zouden. De gehele natie wordt geacht alsof het maar één man ware. Zo wordt het volk Israël genoemd de eerstgeborenen Gods, Ex. 4:22 . Exodus 4:22 : Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
[^psalmen-136-23-21]: Kanttekening 21: gedacht heeft: Te weten, ten beste, gelijk Gen. 8:1 . Genesis 8:1 : En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^psalmen-136-23-22]: Kanttekening 22: in onze nederigheid: Dat is, in onze nederen staat, toen wij van onze vijanden onderdrukt werden; te weten, ten tijde van de Richters, waarvan dat gehele boek doorgaans spreekt.
[^psalmen-136-24-23]: Kanttekening 23: Dat is, gelijk als uit hun handen gescheurd en gebroken, gelijk Ps. 7:3 . Psalmen 7:3 : Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
[^psalmen-136-25-24]: Kanttekening 24: alle vlees: Dat is, alle dieren of levende schepselen.
[^psalmen-136-25-25]: Kanttekening 25: voedsel geeft: Het Hebr., לֶחֶם, woord lechem, of brood, wordt genomen voor allerlei voedsel. Mark. 6:36 staat: om brood te kopen; maar Matt. 14:15 staat: om voedsel te kopen. Brood wordt ook gebruikt voor voedsel of voeder van de beesten, Ps. 147:9 . In het geheel wil de profeet zeggen dat God alle geschapen dingen van nooddruft verzorgt. Marcus 6:36 : Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen. Mattheüs 14:15 : En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven voedsel kopen. Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^psalmen-136-26-26]: Kanttekening 26: van de hemel: Anders, van de hemelen; dat is, die in de hemel woont.

### Psalmen 137

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/137.json)

*Een bedroefde klacht van de Joden in Babel, over het schimpen en spotten van hun vijanden, die van hen vrolijke liedjes eisten; hun bestendige hoop op God, alsook een vloek over Edom en Babel.*

**1** [^psalmen-137-1-1] Aan de[^psalmen-137-1-2] rivieren van[^psalmen-137-1-3] Babel,[^psalmen-137-1-4] daar zaten wij, ook huilden wij, als wij gedachten[^psalmen-137-1-5] aan Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v1)

**2** Wij hebben onze harpen[^psalmen-137-2-6] gehangen[^psalmen-137-2-7] aan de wilgen,[^psalmen-137-2-8] die daarin zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v2)

**3** Als zij, die ons daar gevangen hielden,[^psalmen-137-3-9] de woorden van een lied van ons begeerden, en zij,[^psalmen-137-3-11][^psalmen-137-3-a] die[^psalmen-137-3-12] ons overhoop geworpen hadden,[^psalmen-137-3-13] vreugd, zeggende: Zing ons[^psalmen-137-3-14] één van de liederen Sions;[^psalmen-137-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v3)

**4** [^psalmen-137-4-15] Wij zeiden: Hoe zouden wij[^psalmen-137-4-16] een lied van YHWH zingen[^psalmen-137-4-17] in een vreemd land? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v4)

**5** [^psalmen-137-5-18] Als ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelf! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v5)

**6** [^psalmen-137-6-19] Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke,[^psalmen-137-6-20] zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste van mijn blijdschap! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v6)

**7** YHWH![^psalmen-137-7-21][^psalmen-137-7-b] gedenk aan de kinderen van Edom,[^psalmen-137-7-22] aan de dag van Jeruzalem; die daar[^psalmen-137-7-23] zeiden:[^psalmen-137-7-24] Ontbloot ze, ontbloot[^psalmen-137-7-25] ze, tot haar fundament toe! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v7)

**8** [^psalmen-137-8-26] O dochter van[^psalmen-137-8-27] Babel! die verwoest zult worden,[^psalmen-137-8-28][^psalmen-137-8-c] welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons[^psalmen-137-8-29] misdaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v8)

**9** Welgelukzalig zal hij zijn,[^psalmen-137-9-30] die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots[^psalmen-137-9-31] verpletteren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/137.html#v9)

[^psalmen-137-1-1]: Kanttekening 1: Aan de: Dit zijn de woorden van de priesters en van de Levietische zangers, wier ambt was God te loven met muziekinstrumenten, gelijk te zien is 1 Kron. 25 . Ja, het schijnt dat de Levieten deze psalm gemaakt hebben.
[^psalmen-137-1-2]: Kanttekening 2: In het land van Babylonië zijn vele rivieren, waaronder de Tiger en de Eufraat de voornaamste zijn.
[^psalmen-137-1-3]: Kanttekening 3: Of, Babylon, de voornaamste stad van Chaldea of Sinear, waar Nimrod geregeerd heeft; zie de aantekening bij Gen. 10:10 . Hierom wordt Babel of Babylonië genoemd het land Nimrods; Micha 5:5 . Zie verder van de naam Babel de aantekening bij Gen. 11:9 . Maar onder de naam Babel moet men hier verstaan de verscheidene landschappen onder de monarchie van Babylonië behorende. Genesis 10:10 : En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Micha 5:5 : Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in daarvan ingangen. Zo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelfde in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. Genesis 11:9 : Daarom noemde men haar naam Babel; want daar verwarde YHWH de spraak van de gehele aarde, en van daar verstrooide hen YHWH over de gehele aarde.
[^psalmen-137-1-4]: Kanttekening 4: daar zaten wij: Dat is, daar woonden wij, buiten ons vaderland verbannen en vreemd zijnde, in grote droefenis.
[^psalmen-137-1-5]: Kanttekening 5: aan Sion: Te weten, aan de verwoesting van de stad en de tempel van Jeruzalem.
[^psalmen-137-2-6]: Kanttekening 6: Zo betuigende dat wij meer tot treuren dan tot spelen of zingen oorzaak hadden en geneigd waren.
[^psalmen-137-2-7]: Kanttekening 7: aan de wilgen: Die graag aan de kant van de rivieren en wateren groeien.
[^psalmen-137-2-8]: Kanttekening 8: die daarin zijn: Hebr. in het midden van haar; te weten van Babel, of Babylonië. Hij wil zeggen: Wij hebben onze muziekinstrumenten daar gelaten, ja zoveel als ten enenmale verlaten, als geen lust hebbende om dezelfde meer te gebruiken; immers hebben wij geen heilige liederen willen zingen noch spelen ter begeerte van de goddeloze Babyloniërs, die ons gevankelijk hadden weggevoerd.
[^psalmen-137-3-9]: Kanttekening 9: de woorden: Dat is, een lied; zo staat er; woorden van wonderen, Ps. 145:5 . Dat is, wonderen. Psalmen 145:5 : He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer Uw majesteit, en Uw wonderlijke daden.
[^psalmen-137-3-11]: Kanttekening 11: Anders: die ons beroofd hadden.
[^psalmen-137-3-a]: Verwijzing a: Ps. 79:1 . Psalmen 79:1 : Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel Uw heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
[^psalmen-137-3-12]: Kanttekening 12: ons overhoop: Dat is, onze huizen. Anders: van onze opgehangenen \[te weten, harpen\] eisten zij vreugde.
[^psalmen-137-3-13]: Kanttekening 13: vreugd, zeggende : De rede zou aldus voller zijn: Zij begeerden van ons woorden van de vreugde; dat is, dat wij vrolijk zouden zijn.
[^psalmen-137-3-14]: Kanttekening 14: van de liederen Sions: Te weten, van die liederen of psalmen, die men in de tempel placht te zingen en te spelen te ere Gods.
[^psalmen-137-3-10]: Kanttekening 10: van ons begeerden: Te weten, spotsgewijze en ons honende.
[^psalmen-137-4-15]: Kanttekening 15: Wij zeiden : Dit is het antwoord van het volk Israël, op het verzoek van de Babyloniërs, gevende reden waarom zij weigerden enig lied van de Heer te zingen.
[^psalmen-137-4-16]: Kanttekening 16: een lied van YHWH: Dat is, liederen, die men gewoon is ter ere Gods te zingen, niet tot lust dergenen, die van de waren godsdienst vreemd zijn.
[^psalmen-137-4-17]: Kanttekening 17: in een vreemd: Te weten, onder de vijanden van de kerk van God, die gewoon zijn de naam van God te lasteren. Hebr., אַדְמַת, in het land eens vreemden; dat is, van de vreemdelingen.
[^psalmen-137-5-18]: Kanttekening 18: Als ik u vergeet: De zin is: Wij zullen ons zingen en spelen sparen, totdat de tijd komt dat Jeruzalem herbouwd wordt en wij opnieuw in ons land komen, gelijk U, Heer, ons dat beloofd hebt; dan zullen wij met onze harten, stemmen en instrumenten vrolijk zingen en U prijzen. Anders: zo mijn rechterhand \[u\] vergeten zal, verzwijgende de vervloeking. Anders, zo vergete mijn rechterhand \[ haar kunst van spelen \].
[^psalmen-137-6-19]: Kanttekening 19: Mijn tong kleve: Te weten, met welke ik gewoon ben mijn God lofzangen te zingen; dat is, zo moet ik sprakeloos zijn, gelijk Job 29:10 ; zie ook Ps. 22:16 . Job 29:10 : De stem van de vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. Psalmen 22:16 : Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof van de dood.
[^psalmen-137-6-20]: Kanttekening 20: zo ik Jeruzalem: Dat is, zo ik de welstand van Jeruzalem en van de kerk van God niet houd en acht voor mijn hoogste vreugde en blijdschap. Verder, hoogste. Hebr., רֹאשׁ, hoofd; dat ook voor het hoogste of voornaamste gebruikt wordt, Zie de aantekening bij Ex. 30:23 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
[^psalmen-137-7-21]: Kanttekening 21: gedenk aan: Te weten, om hen te straffen. De kinderen van Edom; dat is, de Edomieten zijn altijd vijanden van de Israëlieten geweest, en zij waren de Babyloniërs bijgevallen toen Jeruzalem verwoest werd; Ez. 25:12 . Ezechiël 25:12 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:
[^psalmen-137-7-b]: Verwijzing b: Jer. 49:7 ; Ez. 25:12 . Jeremia 49:7 : Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden? Ezechiël 25:12 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:
[^psalmen-137-7-22]: Kanttekening 22: de dag van Jeruzalem: Te weten, de dag van de verwoesting van Jeruzalem. Dag voor dag van de ellende staat ook Ps. 37:13 ; Ez. 30:9 ; Hos. 1:11 , enz. Psalmen 37:13 : YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Ezechiël 30:9 : Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan! Hosea 1:11 : En de kinderen van Juda, en de kinderen van Israël zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.
[^psalmen-137-7-23]: Kanttekening 23: Te weten, tot de Babyloniërs.
[^psalmen-137-7-24]: Kanttekening 24: Ontbloot ze: Te weten, de stad en de huizen, die daarin staan; die verstorende en afbrekende tot de fondamenten toe. De Edomieten, vijanden zijnde van de Israëlieten, gunden hun wel deze verwoesting van Jeruzalem, ja zij hielpen die bevorderen zoveel zij konden. Dit wordt hun verweten, zie Obad. v. 12 , 1:13 , 1:14 , enz. Obadja 1:12 : Toen zoudt u niet gezien hebben op de dag uws broers, de dag van zijn vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, op de dag van de benauwdheid; Obadja 1:13 : Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn legermacht, ten dage zijns verderfs; Obadja 1:14 : Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, op de dag van de benauwdheid.
[^psalmen-137-7-25]: Kanttekening 25: tot haar fondament toe: Hebr. tot het fondament in haar; dat is, zolang als er enig fondament in of aan haar is.
[^psalmen-137-8-26]: Kanttekening 26: O dochter van Babel: Dat is, u Babylonische natie, gelijk Ps. 9:15 ; Jer. 51:33 . Of, u inwoners van Babylonië. Zie de aantekening bij Hoogl. 2:2 . Psalmen 9:15 : Opdat ik Uw gansen lof in de poorten van de dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil. Jeremia 51:33 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. Hooglied 2:2 : Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters.
[^psalmen-137-8-27]: Kanttekening 27: die verwoest zult: Hebr., u verwoeste; dat is, die zo zekerlijk zult verwoest worden alsof het nu alreeds geschied ware, omdat God over u zulks besloten heeft. Of verwoeste; dat is, die waard zijt en wel verdiend hebt dat u zoudt verwoest worden, gelijk Ps. 18:4 : ik riep de geprezenen Heer aan; dat is, die Heer, die prijzenswaardig is. Psalmen 18:4 : Ik riep YHWH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.
[^psalmen-137-8-28]: Kanttekening 28: Hij wil zeggen dat een ieder de verstoorder van Babel gelukwensen en grotelijks bedanken zal, dat hij de Babyloniërs vergolden heeft wat zij wel verdiend hadden. Zie Jes. 13 ; Jer. 50 ,51.
[^psalmen-137-8-c]: Verwijzing c: Jer. 50:15 ; idem v. 29 ; Openb. 18:16 . Jeremia 50:15 : Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is van YHWH wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft! Jeremia 50:29 : Laat u horen tegen Babel, u schutters! u allen, die de boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen YHWH, tegen de Heilige van Israël. Openbaring 18:16 : En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met parels; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.
[^psalmen-137-8-29]: Kanttekening 29: misdaan hebt: Of, vergolden hebt. Het Hebr. woord wordt genomen voor weldoen en voor kwaaddoen.
[^psalmen-137-9-30]: Kanttekening 30: die uw kinderen: Dat is, die de gestrenge oordelen van God over u zal oefenen, vanwege uw gruwelijke misdaden. Zie Jes. 13:16 , en zie de aantekening bij Ps. 8:3 . Jesaja 13:16 : Ook zullen hun kinderen voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden. Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, om Uw tegenpartijen wil, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^psalmen-137-9-31]: Kanttekening 31: verpletteren zal: Namelijk zo, dat de stukken als gruis verstrooid worden.

### Psalmen 138

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/138.json)

*David looft God vanwege Zijn goedheid en waarheid aan hem bewezen, terwijl hij profeteert dat de koningen van de aarde de HEERE zullen loven; met belijdenis van de vrucht van zijn vertrouwen op God.*

**1** Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn hele hart;[^psalmen-138-1-1] in de aanwezigheid[^psalmen-138-1-2] van de goden[^psalmen-138-1-3] zal ik U psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v1)

**2** Ik zal mij neerbuigen[^psalmen-138-2-4] naar het paleis van Uw heiligheid, en ik zal Uw Naam loven,[^psalmen-138-2-5] om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want U hebt[^psalmen-138-2-6] vanwege Uw hele Naam[^psalmen-138-2-7] Uw woord groot gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v2)

**3** Op de dag als ik riep, zo hebt U mij verhoord; U hebt mij versterkt[^psalmen-138-3-8] met kracht in mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v3)

**4** Alle koningen van de aarde zullen U, o YHWH! loven,[^psalmen-138-4-9] wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen van Uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v4)

**5** En zij zullen zingen[^psalmen-138-5-10] van de wegen van YHWH, want de heerlijkheid van YHWH is groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v5)

**6** Want YHWH is hoog, toch ziet Hij de nederige[^psalmen-138-6-11][^psalmen-138-6-a] aan, en[^psalmen-138-6-12] de verhevene[^psalmen-138-6-13] kent Hij van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v6)

**7** Als ik wandel in het midden van de[^psalmen-138-7-14] benauwdheid, maakt U mij levend; Uw hand strekt U[^psalmen-138-7-15] uit tegen de toorn van mijn vijanden, en[^psalmen-138-7-16] Uw rechterhand behoudt mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v7)

**8** YHWH[^psalmen-138-8-17] zal[^psalmen-138-8-18] het voor mij voltooien; Uw goedertierenheid, YHWH! is in eeuwigheid; en laat niet[^psalmen-138-8-19] varen de werken van Uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/138.html#v8)

[^psalmen-138-1-1]: Kanttekening 1: in de aanwezigheid: Hebr. tegenover, of voor.
[^psalmen-138-1-2]: Kanttekening 2: van de goden: Dat is, koningen, prinsen, vorsten, gelijk onder vers 4 . Zie Ps. 82:1 , 82:6 , en Ps. 119:46 . Anderen verstaan hier door de goden de engelen van God, die zich ook in de verzamelingen van de gelovigen laten vinden; 1 Kor. 11:10 . Psalmen 138:4 : Alle koningen van de aarde zullen U, o YHWH! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds. Psalmen 82:1 : Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden; Psalmen 82:6 : Ik heb wel gezegd: U bent goden; en u bent allen kinderen van de Allerhoogste; Psalmen 119:46 : Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. 1 Korinthiërs 11:10 : Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen.
[^psalmen-138-1-3]: Kanttekening 3: zal ik U psalmzingen: Te weten, zonder schroom of vrees.
[^psalmen-138-2-4]: Kanttekening 4: naar het paleis: Mijn aangezicht wendende naar de ark, staande in de tent of de tabernakel. Zie 1 Kron. 16:1 , en Ps. 99:5 . Anders: naar uw heilige tempel. 1 Kronieken 16:1 : Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht van God. Psalmen 99:5 : Verheft YHWH, onze God, en buigt u neder voor de voetbank Zijn voeten; Hij is heilig!
[^psalmen-138-2-5]: Kanttekening 5: om Uw goedertierenheid: Dat is, vanwege. Anders: over, voor.
[^psalmen-138-2-6]: Kanttekening 6: vanwege Uw gansen: Dat is, alleen en ganselijk om uws naams wil. Anders: boven uw gansen naam; dat is, boven al de eigenschappen, waarmee U genaamd wordt.
[^psalmen-138-2-7]: Kanttekening 7: Uw woord groot: Dat is, uw belofte en toezegging aangaande Christus. Dit is het grootste en voornaamste werk, waardoor U uw goedheid hebt doen blijken. Anders verstaan dit van de belofte, die God David gedaan en volbracht heeft aangaande het koninkrijk.
[^psalmen-138-3-8]: Kanttekening 8: met kracht: Dat is, met kracht, die ik, o Heer, van U ontvangen heb; Ef. 3:16 , 3:20 . Efeziërs 3:16 : Opdat Hij u geve, naar de rijkdom Zijn heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendigen mens; Efeziërs 3:20 : Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,
[^psalmen-138-4-9]: Kanttekening 9: wanneer zij gehoord: Dit is als een profetie van de bekering van alle volken tot Christus, door de predikatie van het heilige Evangelie, als de Messias zou verschenen zijn. Zie Ps. 102:16 , 102:23 , en de aantekening daar. Maar als men deze woorden verstaan van de belofte, die God David gedaan heeft aangaande het koninkrijk, zo versta door de koningen Hiram, de koning van Tirus; 2 Sam. 5:11 , en Thoi, de koning van Hamath; 2 Sam. 8:10 , en de andere naburige koningen. Psalmen 102:16 : Dan zullen de heidenen de Naam van YHWH vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid. Psalmen 102:23 : Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om YHWH te dienen. 2 Samuël 5:11 : En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. 2 Samuël 8:10 : Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^psalmen-138-5-10]: Kanttekening 10: van de wegen: Dat is, van de wonderbare regering en werken van de Heer. Anders: in de wegen van de Heer; te weten, met vrolijkheid wandelen.
[^psalmen-138-6-11]: Kanttekening 11: ziet Hij de: Dat is, Hij draagt zorg voor de nederige. Neem een exempel van David zelf, welke God van een herder van de schapen heeft verheven tot de koninklijke waardigheid. Anders, het nederige.
[^psalmen-138-6-a]: Verwijzing a: Ps. 113:6 ; idem v. 7 . Psalmen 113:6 : Die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde. Psalmen 113:7 : Die de geringe uit het stof opricht, en de nooddruftige uit de drek verhoogt;
[^psalmen-138-6-12]: Kanttekening 12: de verhevene: Dat is, de hovaardige. Anders, het verhevene.
[^psalmen-138-6-13]: Kanttekening 13: kent Hij van: Te weten, zo, dat Hij hem vernederen en straffen wil.
[^psalmen-138-7-14]: Kanttekening 14: maakt U mij: Zie Ps. 119:25 . Anders: Als ik zal wandelen, enz. zult U mij levend maken, en zo in het volgende. Psalmen 119:25 : Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
[^psalmen-138-7-15]: Kanttekening 15: tegen de toorn: Te weten, om die te temmen en te tomen, gelijk Ps. 3:8 . Anders, tegen de neus, of het aangezicht; te weten, om hen in het aangezicht te smijten. Het Hebr., אַף, woord Aph betekent zowel de neus als toorn. Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken.
[^psalmen-138-7-16]: Kanttekening 16: Uw rechterhand behoudt: Of, U behoudt mij met uw rechterhand.
[^psalmen-138-8-17]: Kanttekening 17: Of, de Heer voleinde het voor mij.
[^psalmen-138-8-18]: Kanttekening 18: zal het voor: Te weten, wat Hij in mij begonnen heeft tegen mijn vijanden. Of, zijn genade te mijwaarts, gelijk Ps. 57:3 . Psalmen 57:3 : Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voltooien zal.
[^psalmen-138-8-19]: Kanttekening 19: varen de werken: Of, vertragen, verslappen. Hij bidt dat God het goede werk, dat Hij in hem had begonnen, niet wil nalaten, maar voltooien tot de dag van Jezus Christus; Filipp. 1:6 . Filippensen 1:6 : Vertrouwende ditzelfde, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus;

### Psalmen 139

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/139.json)

*David roemt en prijst Gods alwetende en alom tegenwoordige voorzienigheid, en die voorzorg over hem voordat hij iets was. Verder verklaart hij dat hij met de bozen en goddelozen geen gemeenschap hebben wil. Ten slotte betuigt hij zijn oprechtheid.*

**1** Een psalm van[^psalmen-139-1-1] David, voor de opperzangmeester. YHWH! U doorgrondt en kent mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v1)

**2** [^psalmen-139-2-2] U weet mijn zitten en mijn opstaan;[^psalmen-139-2-3] U verstaat van verre mijn gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v2)

**3** U[^psalmen-139-3-4] omringt mijn gaan en mijn liggen; en[^psalmen-139-3-5] U bent al mijn wegen gewend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v3)

**4** [^psalmen-139-4-6] Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! U weet het alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v4)

**5** U bezet mij van achteren en van voren, en[^psalmen-139-5-7] U zet Uw hand op mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v5)

**6** [^psalmen-139-6-8] De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog,[^psalmen-139-6-9] ik kan er niet bij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v6)

**7** [^psalmen-139-7-10] Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvluchten voor Uw aangezicht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v7)

**8** [^psalmen-139-8-a] Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij[^psalmen-139-8-11] in het dodenrijk, zie, U bent daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v8)

**9** Nam ik[^psalmen-139-9-12] vleugelen van de dageraad, woonde ik[^psalmen-139-9-13] aan het uiterste van de zee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v9)

**10** [^psalmen-139-10-14] Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij[^psalmen-139-10-15] houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v10)

**11** Als ik zei: De duisternis zal mij immers[^psalmen-139-11-16] bedekken; dan[^psalmen-139-11-17] is de nacht een licht om mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v11)

**12** Ook[^psalmen-139-12-18] verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag;[^psalmen-139-12-19] de duisternis is als het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v12)

**13** Want[^psalmen-139-13-20] U bezit mijn[^psalmen-139-13-21] nieren; U hebt mij in van mijn moeders buik[^psalmen-139-13-22] bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v13)

**14** Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben;[^psalmen-139-14-23] wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v14)

**15** [^psalmen-139-15-b] Mijn gebeente was voor U niet verborgen,[^psalmen-139-15-c] als ik in het verborgene gemaakt ben,[^psalmen-139-15-24] en als een borduursel gewerkt ben, in de[^psalmen-139-15-25] nederste delen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v15)

**16** Uw ogen hebben[^psalmen-139-16-26] mijn ongevormden klomp gezien; en[^psalmen-139-16-27] al deze dingen[^psalmen-139-16-28] waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij gevormd zouden worden,[^psalmen-139-16-29] toen nog geen van die was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v16)

**17** Daarom,[^psalmen-139-17-30] hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn[^psalmen-139-17-31] haar sommen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v17)

**18** Zou ik ze tellen? Haar is meer, dan van het[^psalmen-139-18-32] zand; word ik wakker, zo ben ik nog bij U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v18)

**19** O God! dat U de goddeloze ombracht! en[^psalmen-139-19-33] u, mannen van het bloed, wijkt van mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v19)

**20** Die[^psalmen-139-20-34] van U[^psalmen-139-20-35] schandelijk spreken,[^psalmen-139-20-36] en Uw vijanden zinloos verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v20)

**21** Zou ik niet haten, YHWH! die U haten? en[^psalmen-139-21-37] verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v21)

**22** Ik haat[^psalmen-139-22-38] hen met volkomen haat,[^psalmen-139-22-39] tot vijanden zijn zij mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v22)

**23** [^psalmen-139-23-d] Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v23)

**24** En zie, of bij mij[^psalmen-139-24-40] een schadelijke weg zij; en leid mij[^psalmen-139-24-41] op de eeuwige weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/139.html#v24)

[^psalmen-139-1-1]: Kanttekening 1: voor de opperzangmeester: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-139-2-2]: Kanttekening 2: U weet: De zin is: Al wat ik doe, hetzij ik stilzit, òf opsta, òf ga, U weet en ziet het al.
[^psalmen-139-2-3]: Kanttekening 3: U verstaat: Alsof hij zei: Als de gedachten nog verre van mij zijn, voordat ik ze zelf bedenk, zo weet U ze.
[^psalmen-139-3-4]: Kanttekening 4: omringt mijn gaan: Anders: U want, dat is, U beproeft en onderzoekt het op het nauwst, gelijk Job 31:4 . Job 31:4 : Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
[^psalmen-139-3-5]: Kanttekening 5: U bent al mijn: Dat is, U hebt kennis van al mijn doen en laten; U hebt het door gewoonte bevonden. Het is een gelijkenis, genomen van de mensen, die door de ervarenheid en gewoonte kennis van een ding krijgen.
[^psalmen-139-4-6]: Kanttekening 6: Als er nog : Dat is, voordat ik spreek, zo weet U al wat ik zal zeggen, want U bent een kenner van de harten.
[^psalmen-139-5-7]: Kanttekening 7: U zet Uw hand: Dat is, U houdt uw hand op mij, dat ik U niet ontlope; of opdat ik versta dat ik geheel aan uw voorzienigheid hang.
[^psalmen-139-6-8]: Kanttekening 8: De kennis is mij: Te weten, die kennis, met welke U alles weet.
[^psalmen-139-6-9]: Kanttekening 9: ik kan er niet: Te weten, om die te bereiken of te begrijpen.
[^psalmen-139-7-10]: Kanttekening 10: Waar zou ik heengaan: Omdat God overal is, zo kan men Hem niet ontvluchten, of ontvluchten.
[^psalmen-139-8-a]: Verwijzing a: Job 26:6 ; Amos 9:2 ; idem v. 3 ; idem v. 4 ; Hebr. 4:13 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Amos 9:2 : Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. Amos 9:3 : En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Amos 9:4 : En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede. Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^psalmen-139-8-11]: Kanttekening 11: in het dodenrijk: Zie de aantekening bij Job 26:6 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
[^psalmen-139-9-12]: Kanttekening 12: Aldus worden de stralen van de opgaande zon genaamd, omdat zij snel de gehele lucht als doorvliegen. De profeet wil zeggen: Als ik in een ogenblik vloog tot de allerverst gelegen plaatsen, gelijk de opgaande zon doet.
[^psalmen-139-9-13]: Kanttekening 13: aan het uiterste: Dat is, aan het uiterste einde van de wereld; gelijk Ps. 65:6 , en Ps. 72:8 ; Jes. 24:14 . Psalmen 65:6 : Vreselijke dingen zult U ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen van alle einden van de aarde, en van de verre gelegenen aan de zee! Psalmen 72:8 : En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde. Jesaja 24:14 : Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid van YHWH zullen zij juichen van de zee af.
[^psalmen-139-10-14]: Kanttekening 14: Ook daar zou Uw: Daar zou ik ook aan uw goddelijke bestiering en regering onderworpen zijn.
[^psalmen-139-10-15]: Kanttekening 15: Of, grijpen.
[^psalmen-139-11-16]: Kanttekening 16: bedekken; dan: Te weten, zo dat God mij niet vinden zou. Hebr. eigenlijk, vertreden.
[^psalmen-139-11-17]: Kanttekening 17: is de nacht een: Dat is, ik zal voor uw ogen zo weinig verborgen zijn, alsof het klaar dag ware. Verg. Job 26:6 , en Hebr. 4:13 . Job 26:6 : Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Hebreeën 4:13 : En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^psalmen-139-12-18]: Kanttekening 18: Dat is, verbergt en bedekt. Verg. Job 34:22 ; Jer. 23:24 . Job 34:22 : Er is geen duisternis, en er is geen schaduw van de dood, dat daar de werkers van de ongerechtigheid zich verbergen mochten. Jeremia 23:24 : Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt YHWH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt YHWH.
[^psalmen-139-12-19]: Kanttekening 19: de duisternis is als: Hebr., חֹשֶׁךְ, gelijk de duisternis, gelijk het licht.
[^psalmen-139-13-20]: Kanttekening 20: U bezit mijn: Dat is, U hebt mijn nieren in uw macht, U regeert ze.
[^psalmen-139-13-21]: Kanttekening 21: Dat is, genegenheden, gunsten. Zie de aantekening bij Job 19:27 . Job 19:27 : Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^psalmen-139-13-22]: Kanttekening 22: Te weten, met vel, of blaas, waar de kinderen in bewonden liggen in het lichaam van hun moeder, dat is, van die tijd af dat ik in het lichaam van mijn moeder ontvangen ben.
[^psalmen-139-14-23]: Kanttekening 23: wonderlijk zijn: Anders: \[ door \] uw wonderlijke werken.
[^psalmen-139-15-b]: Verwijzing b: Job 10:8 ; idem v. 10 . Job 10:8 : Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij. Job 10:10 : Hebt U mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?
[^psalmen-139-15-c]: Verwijzing c: Pred. 11:5 . Prediker 11:5 : Gelijk u niet weet, welke de weg van de wind zij, of hoedanig de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw, zo weet u het werk van God niet, Die het alles maakt.
[^psalmen-139-15-24]: Kanttekening 24: als een borduursel: Dat is, zeer kunstiglijk; namelijk met zenuwen, aderen, pezen en andere gedeelten van het lichaam, gelijk een borduurwerker veel stukjes en draadjes van verscheidene verven kunstig en aardig aan elkaar voegt, zo dat er een schoon beeld of ander fraai werk van komt.
[^psalmen-139-15-25]: Kanttekening 25: nederste delen: Zo noemt hij de baarmoeder, waar de vrucht in geformeerd wordt, of de eerste oorsprong van de mensen, Gen. 2:7 . Of hij vergelijkt de baarmoeder bij een graf, waarin de mens vóór de geboorte gelijk begraven ligt. Of men kan verstaan door de nederste delen van de aarde, dat hij op de aarde geformeerd is, welke het benedenste deel van de wereld is. Verg. Ef. 4:9 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. Efeziërs 4:9 : Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen van de aarde?
[^psalmen-139-16-26]: Kanttekening 26: mijn ongevormden klomp: Dat is, wanneer ik allereerst in het lijf van mijn moeder ben opgezet geworden, en toen het zaad, waaruit ik voortgekomen ben, een kluwen garen gelijk was, ineengewonden of gewikkeld. Anders, mijn ongevormde substantie, klonter, of embryo. Zie Job 10:10 . Job 10:10 : Hebt U mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?
[^psalmen-139-16-27]: Kanttekening 27: al deze dingen: Te weten, al mijn leden in dat kluwen en embryo begrepen.
[^psalmen-139-16-28]: Kanttekening 28: waren in Uw boek: Dat is, U gaf goede achting op alles wat tot mijn schepping diende; of U hebt zowel geweten wat mij wedervaren zou, alsof het voor uw ogen in een boek geschreven stond; te weten, in het boek van de gedachtenissen uw voorzienige regering.
[^psalmen-139-16-29]: Kanttekening 29: toen nog geen van: De psalmist wil zeggen dat God al de delen van zijn lichaam geweten heeft, niet alleen toen zij zijn geformeerd geworden, maar van eeuwigheid. Hij roept de dingen die niet zijn alsof zij waren, zegt de apostel, Rom. 4:17 . Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
[^psalmen-139-17-30]: Kanttekening 30: hoe kostelijk: Dat is, hoe onbegrijpelijk is mij uw voorzienige zorg en regering, waardoor U alle dingen in uw eeuwigen raad verordineerd en besloten hebt hoe zij gebeuren zullen; Ps. 40:6 ; Job 26:14 . Psalmen 40:6 : U, o YHWH, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen. Job 26:14 : Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijn wegen; en wat een klein stukje van de zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan de donder Zijn mogendheden verstaan?
[^psalmen-139-17-31]: Kanttekening 31: haar sommen: Hebr., רָאשֵׁי, haar hoofden. Zie de aantekening bij Num. 1:2 . Numeri 1:2 : Neem op de som van de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun geslachten, naar het huis hun vaders, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.
[^psalmen-139-18-32]: Kanttekening 32: word ik wakker: Dat is, wanneer ik 's morgens ontwaak en uw werken doorgaans betracht, zo kom ik evenwel niet ten einde, maar blijf altijd bezig met de overlegging derzelfve. Ik ben en blijf met mijn gedachten steeds bij U.
[^psalmen-139-19-33]: Kanttekening 33: u, mannen van het bloed: Hebr. \[ mannen van de bloeden \]; dat is, die het bloed van de onschuldigen zeer wredelijk vergieten. Zie Ps. 5:7 . Psalmen 5:7 : U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^psalmen-139-20-34]: Kanttekening 34: van U: Anders, tegen U, te weten: O God, en van of tegen allen, die U beminnen.
[^psalmen-139-20-35]: Kanttekening 35: Of, lasterlijk, arglistiglijk.
[^psalmen-139-20-36]: Kanttekening 36: Uw vijanden: De zin is: Zij doen niet alleen zelf kwaad, maar zij verheffen en brengen ook tot staat andere booswichten.
[^psalmen-139-21-37]: Kanttekening 37: verdriet hebben: Of, walg hebben, of een afkeer hebben, of gruwelen.
[^psalmen-139-22-38]: Kanttekening 38: met volkomen haat: Hebr., שִׂנְאָה, met volmaaktheid van de haat.
[^psalmen-139-22-39]: Kanttekening 39: tot vijanden: Dat is, ik houd hen voor mijn vijanden.
[^psalmen-139-23-d]: Verwijzing d: Job 31:6 ; Ps. 26:2 . Job 31:6 : Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten. Psalmen 26:2 : Proef mij, YHWH, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
[^psalmen-139-24-40]: Kanttekening 40: een schadelijke weg: Of, een smartelijke, of overlastige weg; dat is, of ik de loop mijns levens zet om anderen schade en overlast te doen. Anderen verstaan hier door de schadelijke weg de weg of genegenheid tot afgoderij, omdat het woord afgoden zijn oorsprong heeft van het woord, dat hier gebruikt wordt. Ps. 16:4 . Psalmen 16:4 : De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
[^psalmen-139-24-41]: Kanttekening 41: op de eeuwigen weg: Hebr. op de weg van de eeuwigheid; dat is, die in eeuwigheid bestaan kan, of op de weg, die mij leidt in het eeuwige leven. Of, op de ouden weg. Verg. Jer. 6:16 , en Jer. 18:15 . Jeremia 6:16 : Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. Jeremia 18:15 : Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken van de ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;

### Psalmen 140

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/140.json)

*David bidt om verlossing van de kwade mensen, met een vast vertrouwen op de HEERE; biddend ook om het verderf van de lasteraars, met vast vertrouwen op Gods rechtvaardigheid.*

**1** Een psalm van[^psalmen-140-1-1] David, voor de opperzangmeester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v1)

**2** Red mij, YHWH![^psalmen-140-2-2] van de kwade mens; behoed mij voor[^psalmen-140-2-3] de man van geweld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v2)

**3** [^psalmen-140-3-4] Die[^psalmen-140-3-5] veel kwaad in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v3)

**4** Zij[^psalmen-140-4-6] scherpen hun tong, als een slang;[^psalmen-140-4-7][^psalmen-140-4-a] heet addervergift is onder hun lippen. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v4)

**5** Bewaar mij, YHWH! van de handen van de goddelozen; behoed[^psalmen-140-5-8] mij van de man van geweld; van hen, die[^psalmen-140-5-9] mijn voeten denken weg te stoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v5)

**6** De hoogmoedigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid[^psalmen-140-6-10] aan de zijde van de[^psalmen-140-6-b] weg; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v6)

**7** Ik heb tot YHWH gezegd: U bent mijn God; neem ter ore, o YHWH! de stem van mijn smekingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v7)

**8** YHWH, Heere,[^psalmen-140-8-11] Sterkte van mijn heil![^psalmen-140-8-12] U hebt mijn hoofd bedekt op de dag van[^psalmen-140-8-13] de wapening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v8)

**9** Geef,[^psalmen-140-9-14] YHWH! de begeerten van de goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet;[^psalmen-140-9-15] zij zouden zich verheffen. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v9)

**10** Voor wat betreft[^psalmen-140-10-16] het hoofd van degenen, die mij omringen,[^psalmen-140-10-17] de overlast van hun lippen overdekke hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v10)

**11** [^psalmen-140-11-18] Vurige kolen moeten op hen geschud worden;[^psalmen-140-11-19] Hij doe hen vallen in[^psalmen-140-11-20] het[^psalmen-140-11-21] vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weer opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v11)

**12** [^psalmen-140-12-22] Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden;[^psalmen-140-12-23] een boos man van het[^psalmen-140-12-24] geweld, die zal men jagen,[^psalmen-140-12-25] totdat hij geheel verdreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v12)

**13** Ik weet, dat YHWH de rechtzaak van de ellendigen, en het recht van de[^psalmen-140-13-26] armen zal uitvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v13)

**14** Zeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten[^psalmen-140-14-27] zullen voor Uw aangezicht blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/140.html#v14)

[^psalmen-140-1-1]: Kanttekening 1: voor de opperzangmeester: Zie Ps. 4:1 . Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.
[^psalmen-140-2-2]: Kanttekening 2: van de kwade mens: Enige verstaan hier door de kwade mens Doëg, anderen Saul. Anderen stellen hier: de kwade mensen; te weten, die David vijandelijk vervolgden, gelijk vers 3 . Psalmen 140:3 : Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
[^psalmen-140-2-3]: Kanttekening 3: de man van geweld: Hebr., אִישׁ, de man van de gewelden. Zie 2 Sam. 22:49 . 2 Samuël 22:49 : En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van geweld.
[^psalmen-140-3-4]: Kanttekening 4: Die veel: De zin is: Die mij zoeken te onderdrukken, niet alleen met geweld, maar ook door listen en praktijken.
[^psalmen-140-3-5]: Kanttekening 5: kwaads in: Hebr. kwade.
[^psalmen-140-4-6]: Kanttekening 6: scherpen hun: De natuurkundigen schrijven dat de slangen haar tongen scherpen als zij iemand menen te steken. Verg. Ps. 58:5 . Psalmen 58:5 : Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
[^psalmen-140-4-7]: Kanttekening 7: heet addervergift: Versta hier, zodanige adders, die haar vergif ver uitschieten kunnen.
[^psalmen-140-4-a]: Verwijzing a: Ps. 58:5 ; Rom. 3:13 . Psalmen 58:5 : Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; Romeinen 3:13 : Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
[^psalmen-140-5-8]: Kanttekening 8: van de man: Zie boven vers 2 . Psalmen 140:2 : Red mij, YHWH! van de kwade mens; behoed mij voor de man van geweld;
[^psalmen-140-5-9]: Kanttekening 9: mijn voeten: Of, mijn treden, of gangen; te weten, opdat ik zou vallen.
[^psalmen-140-6-10]: Kanttekening 10: aan de zijde: Hebr., יַד, aan de hand van het spoor; dat is, van het pad; namelijk, dat zij weten dat ik pleeg te gaan.
[^psalmen-140-6-b]: Verwijzing b: Jer. 18:22 . Jeremia 18:22 : Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer U haastig een bende over hen zult brengen; omdat zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.
[^psalmen-140-8-11]: Kanttekening 11: Sterkte mijns: Dat is, mijn sterk heil, mijn sterke verlosser, die de macht heeft mij te helpen en te verlossen.
[^psalmen-140-8-12]: Kanttekening 12: U hebt mijn: Dat is, U hebt mij bewaard voor alle gevaren en zwarigheden, mijn hoofd als met een stormhoed of schild bedekkende.
[^psalmen-140-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, van het gevecht, of van de strijd.
[^psalmen-140-9-14]: Kanttekening 14: Geef, YHWH: Dat is, geeft de goddeloze niet wat hij begeert; te weten, die goddeloze, die mij zoekt om te brengen.
[^psalmen-140-9-15]: Kanttekening 15: zij zouden zich: Dat is, zij zouden niet dan te trotser en moedwilliger worden, als zij het al naar hun wens hadden. Verg. Deut. 32:27 . Deuteronomium 32:27 : Ten ware, dat Ik de toornigheid van de vijand schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; YHWH heeft dit alles niet gewrocht.
[^psalmen-140-10-16]: Kanttekening 16: het hoofd: Versta hier, een bozen man, die de voornaamste geweest is onder Davids vijanden, hetzij Saul of een ander. Anders: de hoofden; dat is, de voornaamsten en oversten onder de vijanden, in het getal van velen, gelijk vers 11 ; of de hoop. Verg. Job 1:17 . Anders: het vergif. Zie boven vers 4 . Psalmen 140:11 : Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weer opstaan. Job 1:17 : Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. Psalmen 140:4 : Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
[^psalmen-140-10-17]: Kanttekening 17: de overlast: Te weten, de overlast, of de moeite die het voorzeide hoofd, met degenen die mij omringen, mij met hun kwade tongen aandoen.
[^psalmen-140-11-18]: Kanttekening 18: Vurige kolen: Dat is, het vuur van de hemel, gelijk op Sodom en Gomorra, tot hun uitroeiing.
[^psalmen-140-11-19]: Kanttekening 19: Hij doe hen: Te weten, God.
[^psalmen-140-11-20]: Kanttekening 20: Te weten, in het helse vuur.
[^psalmen-140-11-21]: Kanttekening 21: in diepe: Dat is, in zware pijnen en ellenden.
[^psalmen-140-12-22]: Kanttekening 22: Een man van: Dat is, een kwaadspreker of snapper, die zijn tong tot zijn wil heeft, die gebruikende en misbruikende naar zijn welgevallen. Zo staat er Zie de aantekening bij Job 11:2 , een man van de lippen. bij Ex. 4:10 , een man van de woorden; bij Job 22:8 , een man van de wapenen. Job 11:2 : Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben? Exodus 4:10 : Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Job 22:8 : Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
[^psalmen-140-12-23]: Kanttekening 23: een boos man: Anders: een man van het geweld is boos.
[^psalmen-140-12-24]: Kanttekening 24: zal men jagen: Dat is, hij zal eindelijk door zijn eigen boosheid en kwade daden in het verdriet vallen, gelijk een wild dat gejaagd wordt, nadat hij hier en daar gelopen heeft, eindelijk ten verderve komt.
[^psalmen-140-12-25]: Kanttekening 25: totdat hij: Hebr. tot nederstotingen, of verdrijvingen.
[^psalmen-140-13-26]: Kanttekening 26: zal uitvoeren: Hebr. zal doen; te weten, hen verlossende uit de handen hun tegenstanders. Zie 1 Kon. 8:45 . 1 Koningen 8:45 : Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
[^psalmen-140-14-27]: Kanttekening 27: zullen voor: Dat is, U zult hen altijd met uw genade, hulp en bescherming bijstand doen.

### Psalmen 141

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/141.json)

*David begeert van God verhoord en getroost te mogen worden, met behoud van een goed geweten, terwijl hij verklaart dat hem de bestraffingen van de vromen aangenaam zijn, en biddend met een vast vertrouwen om wraak over zijn wrede vijanden.*

**1** Een psalm van David. YHWH! ik roep U aan,[^psalmen-141-1-1] haast U tot mij; neem[^psalmen-141-1-2] mijn stem ter ore, als ik tot U roep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v1)

**2** [^psalmen-141-2-3][^psalmen-141-2-a] Mijn gebed worde gesteld als[^psalmen-141-2-4] reukwerk voor Uw aangezicht,[^psalmen-141-2-5] de opheffing van mijn handen[^psalmen-141-2-6] als het avondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v2)

**3** YHWH![^psalmen-141-3-7] zet een wacht voor mijn mond,[^psalmen-141-3-8] behoed de deur van mijn lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v3)

**4** [^psalmen-141-4-9] Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enige[^psalmen-141-4-10] handel[^psalmen-141-4-11] in goddeloosheid te handelen,[^psalmen-141-4-12] met mannen, die ongerechtigheid werken; en[^psalmen-141-4-13] dat ik niet ete van hun lekkernijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v4)

**5** De rechtvaardige[^psalmen-141-5-14] sla mij, het[^psalmen-141-5-15] zal goedertierenheid zijn; en hij bestraffe mij,[^psalmen-141-5-16] het zal olie van het hoofd zijn,[^psalmen-141-5-17] het[^psalmen-141-5-18] zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v5)

**6** [^psalmen-141-6-19] Hun rechters zijn[^psalmen-141-6-20] aan de[^psalmen-141-6-21] zijde van de steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat[^psalmen-141-6-22] zij aangenaam waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v6)

**7** [^psalmen-141-7-23][^psalmen-141-7-b] Onze[^psalmen-141-7-24] beenderen zijn verstrooid aan de mond van het[^psalmen-141-7-25] graf, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v7)

**8** Maar op U zijn mijn ogen, YHWH, Heere! op U betrouw[^psalmen-141-8-26] ik, ontbloot[^psalmen-141-8-27] mijn ziel niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v8)

**9** Bewaar mij[^psalmen-141-9-28] voor het geweld van de strik, die zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v9)

**10** Dat de goddelozen[^psalmen-141-10-29] elk in[^psalmen-141-10-30] zijn garen vallen, samen, totdat[^psalmen-141-10-31] ik zal zijn voorbijgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/141.html#v10)

[^psalmen-141-1-1]: Kanttekening 1: haast U tot mij: Te weten, te komen, dat is, kom haastig tot mijn hulp.
[^psalmen-141-1-2]: Kanttekening 2: mijn stem: Dat is, mijn gebed: gelijk in vers 2 . Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing van mijn handen als het avondoffer.
[^psalmen-141-2-3]: Kanttekening 3: Mijn gebed: Hij wil zeggen: Mijn gebed zij U zo aangenaam als het reukwerk en offeranden, die men U \[achtervolgens de inzetting van de wet\] offert.
[^psalmen-141-2-a]: Verwijzing a: Ex. 29 ; Ex. 30 ; Openb. 5:8 ; Openb. 8:3 . Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen. Openbaring 8:3 : En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.
[^psalmen-141-2-4]: Kanttekening 4: Te weten, dat gerookt werd op het reukaltaar in de tabernakel; Ex. 30:7 , 30:8 , 30:34 . Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij die aansteken. Exodus 30:8 : En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht van YHWH, bij uw geslachten. Exodus 30:34 : Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.
[^psalmen-141-2-5]: Kanttekening 5: de opheffing: Dat is, mijn gebed, dat ik doe met opgeheven handen, of palmen, gelijk er in het Hebr. staat; omdat men dikwijls in grote devotie of aandacht van het gebed de open handen of palmen naar de hemel toe verheft, als wensende de zegen Gods te ontvangen. Verg. Job 11:13 , en Ps. 44:21 , en Ps. 63:5 , en Ps. 88:10 ; en Klaagl. 2:19 , en Klaagl. 3:41 . Zie ook 1 Kon. 8:22 , en Ps. 28:2 . Job 11:13 : Als u uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit. Psalmen 44:21 : Zo wij de Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid, Psalmen 63:5 : Zo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. Psalmen 88:10 : Mijn oog treurt vanwege verdrukking; YHWH! ik roep tot U de gehele dag; ik strek mijn handen uit tot U. Klaagliederen 2:19 : Koph. Maak u op, maak geschrei 's nachts in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. Klaagliederen 3:41 : Nun. Laat ons onze harten opheffen, en ook de handen, tot God in de hemel, zeggende: 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel; Psalmen 28:2 : Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid.
[^psalmen-141-2-6]: Kanttekening 6: het avondoffer: Dat is, dat alle avonden placht geofferd te worden. Zie Ex. 29:39 , 29:40 , 29:41 , 29:42 ; Num. 28:2 , 28:3 , 28:4 , 28:5 , 28:6 , 28:7 , 28:8 . Exodus 29:39 : Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Exodus 29:40 : Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Exodus 29:41 : Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmee doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer daarvan, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer voor YHWH. Exodus 29:42 : Het zal een gedurig brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van YHWH; daar zal Ik met u komen, dat Ik daar met u spreke. Numeri 28:2 : Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn voedsel voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult u waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd. Numeri 28:3 : En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u aan YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren per dag, tot een gedurig brandoffer. Numeri 28:4 : Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Numeri 28:5 : En een tiende deel van een efa meelbloem ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie. Numeri 28:6 : Het is het gedurig brandoffer, dat op de berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer voor YHWH. Numeri 28:7 : En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank aan YHWH offeren. Numeri 28:8 : En het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden; gelijk het spijsoffer van de morgen, en gelijk zijn drankoffer zult u het bereiden, ten vuuroffer van de liefelijke reuk voor YHWH.
[^psalmen-141-3-7]: Kanttekening 7: zet een wacht: Te weten, opdat daar niets onbetamelijks uit ga; dat ik tegen U niet murmurere in deze mijn angst en benauwdheid, die mij mijn vijanden door hun harde vervolgingen aandoen.
[^psalmen-141-3-8]: Kanttekening 8: behoed de deur: Of, een hoede aan, enz.
[^psalmen-141-4-9]: Kanttekening 9: Neig mijn hart niet: Te weten, door de satan, of mijn eigen verdorven natuur. Want eigenlijk te spreken verzoekt God niemand ten kwade; Jak. 1:13, 14; 1 Kor. 7:5 ; maar wel de satan; 1 Kron. 21:1 ; verg. met 2 Sam. 24:1 . Zo ook Matt. 6:13 . 1 Korinthiërs 7:5 : Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u u tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u u niet kunt onthouden. 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde. 2 Samuël 24:1 : En de toorn van YHWH voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda. Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen.
[^psalmen-141-4-10]: Kanttekening 10: Of, stukken, daden, vonden, praktijken, verzinselen, gelijk Deut. 22:14 , 22:17 . Deuteronomium 22:14 : En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwade naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb de maagdom aan haar niet gevonden; Deuteronomium 22:17 : En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb de maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom van mijn dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten van de stad uitbreiden.
[^psalmen-141-4-11]: Kanttekening 11: in goddeloosheid: Of, goddeloos.
[^psalmen-141-4-12]: Kanttekening 12: met mannen, die: Dat is, met de hooggeachte mensen.
[^psalmen-141-4-13]: Kanttekening 13: dat ik niet ete: Dat is, dat ik mij niet late verlokken of verleiden door de wellusten en goede dagen, die zij genieten, om die mee te mogen deelachtig worden.
[^psalmen-141-5-14]: Kanttekening 14: sla mij: Het Hebr. woord betekent eigenlijk hameren; dat is, met hamers slaan of kloppen, Richt. 5:26 ; Ps. 74:6 . het betekent ook zoveel als iemand ernstiglijk vermanen; Spr. 23:35 . Richteren 5:26 : Haar hand sloeg zij aan de nagel, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doorgenageld en doorgedrongen. Psalmen 74:6 : Zo hebben zij nu van die graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen. Spreuken 23:35 : Men heeft mij geslagen, zult u zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!
[^psalmen-141-5-15]: Kanttekening 15: Of, goedertierenheid, vrienschap, beleefdheid. De zin is: Ik zal de bestraffing van een rechtvaardige voor een weldaad houden, omdat het uit goede mening en tot mijn best is geschied. Zie en verg. hiermee Spr. 9:8 , en Spr. 25:12 , en Spr. 27:6 , en Spr. 28:23 ; Zach. 13:6 . Spreuken 9:8 : Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben. Spreuken 25:12 : Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud. Spreuken 27:6 : De wonden van de liefhebber zijn getrouw; maar de kussingen van de hater zijn af te bidden. Spreuken 28:23 : Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit. Zacharia 13:6 : En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmee ik geslagen ben, in het huis van mijn liefhebbers.
[^psalmen-141-5-16]: Kanttekening 16: olie van het hoofd: Dat is, zeer kostelijke olie. Zo worden Ex. 30:23 de voortreffelijkste en voornaamste specerijen genoemd hoofdspecerijen; maar het kan hier ook wel in zijn eigen betekenis gehouden worden, te weten, voor olie, waar men het hoofd mee zalft. Verg. Ps. 23:5 . Exodus 30:23 : U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
[^psalmen-141-5-17]: Kanttekening 17: Te weten, slaan en bestraffen, het overgieten met deze olie. Dat alles mij niet alleen niet zal kwetsen, maar mij zo aangenaam en nuttig zijn als een kostelijke olie.
[^psalmen-141-5-18]: Kanttekening 18: zal mijn hoofd niet breken: Of, hij breke die niet af \[op\] mijn hoofd. De zin is, Hij bestaffe mij maar vrijmoedig, zonder schroom of ophouden. Want ofschoon hij voortvaart mij te bestraffen, zo zal ik niet nalaten voor hem te bidden in zijn tegenspoed.
[^psalmen-141-6-19]: Kanttekening 19: Hun rechters: Dit schijnt te zien op de historie 1 Sam. 26:13 , 26:24 , 26:25 , waar David Saul en zijn officieren in zijn macht hebbende, hen nochtans verschoond heeft, en daarna met lieflijke redenen hen van zijn onschuld heeft overtuigd. Anders: Als hun rechters aan de zijde van de steenrotsen afgestort \[dat is, jammerlijk omgekomen\] zijn, dan zal men horen dat mijn redenen aangenaam zijn. 1 Samuël 26:13 : Toen David over aan de overzijde gekomen was, zo stond hij op de hoogte van de berg van verre, dat er een grote plaats tussen hen was. 1 Samuël 26:24 : En zie, gelijk als te deze dage uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, zo zij mijn ziel in de ogen van YHWH groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood. 1 Samuël 26:25 : Toen zei Saul tot David: Gezegend zijt u, mijn zoon David; u zult het ja gewisselijk doen, en u zult ook gewisselijk de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weer naar zijn plaats.
[^psalmen-141-6-20]: Kanttekening 20: Of, over.
[^psalmen-141-6-21]: Kanttekening 21: de zijde: Hebr., ידֵי, de handen.
[^psalmen-141-6-22]: Kanttekening 22: aangenaam waren: Of, zoet, lieflijk, niemand kwetsende, en daarom waard om aangenomen te worden. Of, \[gelijk sommigen\] men zal vernemen, dat mijn gebeden voor de vromen gedaan, in hun ellende, bij God aangenaam en van Hem verhoord zijn. Dit zesde vers kan ook aldus overgezet en verklaard worden: Hun regeerders laten zich neder aan de zijde van de rotsstenen: hoewel zij mijn redenen gehoord hebben, dat zij lieflijk zijn; dat is, zij loeren op mij en op mijn volk, als wij ons verbergen in de rotsstenen, niettegenstaande zij mijn vriendelijke en bescheiden woorden gehoord hebben. Zie 1 Sam. 23:26 , en 1 Sam. 24:3 ; idem 1 Sam. 24:10 , en 1 Sam. 26:3 . 1 Samuël 23:26 : En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de overzijde van de berg. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen. 1 Samuël 24:3 : Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen van de steenbokken. 1 Samuël 24:10 : En David zei tot Saul: Waarom hoort u de woorden van de mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? 1 Samuël 26:3 : En Saul legerde zich op de heuvel van Hachila, die voor aan de wildernis is aan de weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn.
[^psalmen-141-7-23]: Kanttekening 23: Te weten, mijn en van mijn krijgslieden.
[^psalmen-141-7-b]: Verwijzing b: Ez. 37:1 ; idem v. 11 ; idem v. 12 . Ezechiël 37:1 : De hand van YHWH was op mij, en YHWH voerde mij uit in de geest, en zette mij neder in het midden van een vallei; dezelfde nu was vol beenderen. Ezechiël 37:11 : Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het gehele huis van Israël; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Ezechiël 37:12 : Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël.
[^psalmen-141-7-24]: Kanttekening 24: beenderen zijn: De zin is: Het is met mij en mijn volk schier geheel gedaan, zodat wij als van elkaar gehouwen en gekloofd zijn, ja als een hoop dode beenderen schijnen geworden te zijn, die men in de aarde gaat steken.
[^psalmen-141-7-25]: Kanttekening 25: gelijk of iemand: Of, gelijk wanneer iemand \[hout\] hakte en kloofde tegen de aarde; dat is, dat op de aarde ligt, en waarvan de spaanders hier en daar verspreid worden. Anders: gelijk als die het land \[of aarde\] snijdende klieft; te weten, met de ploeg \[zo\] zijn verdeeld onze beenderen, naar de mond van het graf \[of het dodenrijk\] toe.
[^psalmen-141-8-26]: Kanttekening 26: Te weten, van uw hulp en bijstand.
[^psalmen-141-8-27]: Kanttekening 27: mijn ziel niet: Dat is, mijn leven, of mij.
[^psalmen-141-9-28]: Kanttekening 28: voor het geweld van de strik: Hebr., ידֵי, voor de handen van de strik. Zie Job 5:20 . Job 5:20 : In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^psalmen-141-10-29]: Kanttekening 29: elk in: Dat is, elk in het garen, dat zij mij en de mijnen gespannen of gelegd hebben.
[^psalmen-141-10-30]: Kanttekening 30: zijn garen vallen: Te weten, zijn eigen, of God.
[^psalmen-141-10-31]: Kanttekening 31: ik zal zijn voorbijgegaan: Versta, ik en die bij mij zijn. Of, ik, met uw gunst vergezelschapt zijnde. Of, totdat ik geheellijk passere; dat is, het gevaar ontkomen ben.

### Psalmen 142

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/142.json)

*David, voor Saul gevlucht zijnde en zich in een spelonk verborgen hebbend, riep, toen zijn geest in hem overstelpt was, de HEERE om hulp aan.*

**1** [^psalmen-142-1-1] Een onderwijzing van David, een gebed,[^psalmen-142-1-2] als hij in de grot was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v1)

**2** Ik riep met mijn stem tot YHWH; ik smeekte tot YHWH met mijn stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v2)

**3** Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v3)

**4** [^psalmen-142-4-a] Als mijn geest in mij[^psalmen-142-4-3] overstelpt was, zo hebt[^psalmen-142-4-4] U mijn pad gekend.[^psalmen-142-4-5] Zij hebben mij een strik[^psalmen-142-4-6] verborgen op de weg, die ik gaan zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v4)

**5** Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand,[^psalmen-142-5-7] die mij kende,[^psalmen-142-5-8] er was geen ontvluchten voor mij; niemand[^psalmen-142-5-9] zorgde[^psalmen-142-5-10] voor mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v5)

**6** [^psalmen-142-6-11] Tot U riep ik, o YHWH! ik zei: U bent mijn Toevlucht,[^psalmen-142-6-12] mijn[^psalmen-142-6-b] Deel in het land van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v6)

**7** Let op mijn geschrei, want ik ben zeer[^psalmen-142-7-13] uitgeteerd;[^psalmen-142-7-c] red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v7)

**8** Voer[^psalmen-142-8-14] mijn ziel[^psalmen-142-8-15] uit de gevangenis, om Uw Naam te loven;[^psalmen-142-8-16] de rechtvaardigen zullen[^psalmen-142-8-17] mij omringen,[^psalmen-142-8-18] wanneer U wel bij mij zult gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/142.html#v8)

[^psalmen-142-1-1]: Kanttekening 1: onderwijzing van: Zie Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^psalmen-142-1-2]: Kanttekening 2: als hij in de: David verhaalt hier hoe hij zich gehouden heeft in de spelonk te En-Gedi of Adullam, waarheen hij gevlucht was vanwege Sauls wrede vervolging, 1 Sam. 22:1 , en 1 Sam. 24:4 . 1 Samuël 22:1 : Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het gehele huis zijns vaders, en kwamen daarheen tot hem af. 1 Samuël 24:4 : En hij kwam tot de schaapskooien aan de weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van de spelonk.
[^psalmen-142-4-a]: Verwijzing a: Ps. 77:4 . Psalmen 77:4 : Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
[^psalmen-142-4-3]: Kanttekening 3: overstelpt was: Zie de aantekening bij Ps. 102:1 . Psalmen 102:1 : Een gebed van de verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van YHWH.
[^psalmen-142-4-4]: Kanttekening 4: U mijn pad: U o Heer. De zin is: Ofschoon ik niet wist waarheen ik mij zou keren of wenden, zo hebt U het wel geweten, mij wijzende een weg en middel om aan Sauls bloeddorstige handen te ontkomen.
[^psalmen-142-4-5]: Kanttekening 5: Te weten, Saul met zijn bijhebbend volk.
[^psalmen-142-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, in het verborgen gelegd.
[^psalmen-142-5-7]: Kanttekening 7: die mij kende: Te weten, om mij hulp en bijstand te doen.
[^psalmen-142-5-8]: Kanttekening 8: er was geen ontvluchten voor mij: Hebr. het ontvluchten was van mij verloren of vergaan . Dat is, ik wist niet waarheen dat ik zou vluchten. Vergelijk Job 11:20 . Job 11:20 : Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel.
[^psalmen-142-5-9]: Kanttekening 9: Hebr. zocht, of vraagde naar mijn ziel. Zie de aantekening bij Spr. 29:10 . Deut. 11:12 . Verg. 2 Sam. 4:8 . Spreuken 29:10 : Bloedgierige mensen haten de vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel. Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. 2 Samuël 4:8 : En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^psalmen-142-5-10]: Kanttekening 10: voor mijn ziel: Dat is, voor mij of voor mijn leven.
[^psalmen-142-6-11]: Kanttekening 11: Tot U riep ik: Te weten, toen ik in zulken nood en benauwdheid was.
[^psalmen-142-6-12]: Kanttekening 12: mijn Deel: Mijn erfdeel, waar ik mij op verlaat, zolang als ik in deze wereld leef. Zie Ps. 27:13 ; Jes. 38:11 , en Jes. 53:8 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Jesaja 38:11 : Ik zei: Ik zal YHWH niet meer zien, YHWH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners van de wereld. Jesaja 53:8 : Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.
[^psalmen-142-6-b]: Verwijzing b: Ps. 16:5 . Psalmen 16:5 : YHWH is het deel mijn erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot.
[^psalmen-142-7-13]: Kanttekening 13: Hebr. dun geworden.
[^psalmen-142-7-c]: Verwijzing c: Ps. 41:2 ; Ps. 79:8 ; Ps. 116:6 . Psalmen 41:2 : Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt tegenover een ellendige; YHWH zal hem bevrijden op de dag van het kwaad. Psalmen 79:8 : Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. Psalmen 116:6 : YHWH bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.
[^psalmen-142-8-14]: Kanttekening 14: mijn ziel: Dat is, mij, mijn persoon.
[^psalmen-142-8-15]: Kanttekening 15: uit de gevangenis: Hebr. uit de besluiting, te weten, in welke ik met mijn volk als in een gevangenis besloten ben, zijnde van mijn vijanden rondom omsingeld.
[^psalmen-142-8-16]: Kanttekening 16: de rechtvaardigen: De godzaligen onder het volk van God.
[^psalmen-142-8-17]: Kanttekening 17: Of, kroonsgewijze mij omsingelen; namelijk om mij met verwondering aan te zien, en om U, o Heer, met mij te loven en te danken voor de wonderlijk verlossing en genade aan mij bewezen.
[^psalmen-142-8-18]: Kanttekening 18: wanneer U: Dat is, als U mij tot rust en tot een gelukkigen stand zult gebracht hebben.

### Psalmen 143

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/143.json)

*David, door zijn vijanden zwaar vervolgd en beangstigd zijnde, bidt zeer ijverig om spoedige verlossing, en om onderrichting in de wegen van de HEERE, en om het verderf van zijn vijanden.*

**1** [^psalmen-143-1-1] Een psalm van David. O YHWH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen;[^psalmen-143-1-2] verhoor mij naar Uw waarheid,[^psalmen-143-1-3] naar Uw gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v1)

**2** En[^psalmen-143-2-4] ga niet in het gericht met Uw knecht;[^psalmen-143-2-a] want niemand, die leeft,[^psalmen-143-2-5] zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v2)

**3** [^psalmen-143-3-6] Want de[^psalmen-143-3-7] vijand vervolgt[^psalmen-143-3-8] mijn ziel,[^psalmen-143-3-9] hij vertreedt[^psalmen-143-3-10] mijn leven ter aarde;[^psalmen-143-3-11] hij legt mij in duisternissen,[^psalmen-143-3-12] als degenen, die over lang dood zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v3)

**4** Daarom wordt mijn geest[^psalmen-143-4-13] overstelpt in mij, mijn hart is[^psalmen-143-4-14] verbaasd in het midden van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v4)

**5** [^psalmen-143-5-b] Ik[^psalmen-143-5-15] gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al[^psalmen-143-5-16] Uw daden; ik spreek bij mijzelf van de werken van Uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v5)

**6** [^psalmen-143-6-17] Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U[^psalmen-143-6-18] als een dorstig land. Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v6)

**7** Verhoor mij haastig, YHWH! mijn geest bezwijkt;[^psalmen-143-7-19] verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden[^psalmen-143-7-20] van hen, die in de kuil dalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v7)

**8** Doe mij[^psalmen-143-8-21] Uw goedertierenheid[^psalmen-143-8-22] in de morgenstond horen, want ik betrouw op U;[^psalmen-143-8-23] maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb,[^psalmen-143-8-c] want ik hef[^psalmen-143-8-24] mijn ziel[^psalmen-143-8-25] tot U op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v8)

**9** Red mij, YHWH! van mijn vijanden;[^psalmen-143-9-26] bij U schuil ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v9)

**10** Leer mij[^psalmen-143-10-27] Uw welbehagen doen, want[^psalmen-143-10-28] U bent mijn God![^psalmen-143-10-29] Uw goede Geest geleide mij[^psalmen-143-10-30] in een effen land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v10)

**11** O YHWH![^psalmen-143-11-31] maak[^psalmen-143-11-32] mij levend,[^psalmen-143-11-33] omwille van uw Naam; voer[^psalmen-143-11-34] mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v11)

**12** En[^psalmen-143-12-35] roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel benauwen;[^psalmen-143-12-36][^psalmen-143-12-d] want ik ben Uw knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/143.html#v12)

[^psalmen-143-1-1]: Kanttekening 1: psalm van David: Enige menen dat David deze psalm gedicht heeft toen Absalom hem vervolgde; anderen, toen Saul hem najaagde.
[^psalmen-143-1-2]: Kanttekening 2: verhoor mij naar: Alsof hij zei: Omdat mij geweld en ongelijk geschiedt van mijn vijanden, zo bid ik U, o Heer, dat U als een rechtvaardig rechter, zulks niet langer wilt laten gebeuren.
[^psalmen-143-1-3]: Kanttekening 3: naar Uw gerechtigheid: Dat is, om uw gerechtigheid wil. Zie Ps. 31:2 . Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
[^psalmen-143-2-4]: Kanttekening 4: ga niet in: Dat is, roep mij niet in het gericht, en handel met mij niet naar mijn verdiensten. Zie Job 22:4 . Job 22:4 : Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
[^psalmen-143-2-a]: Verwijzing a: Rom. 3 ; Rom. 4 ; Galat. 3 ; Galat. 4 .
[^psalmen-143-2-5]: Kanttekening 5: zal voor Uw: Te weten, door de werken van de wet en zijnde in zichzelven als een zoon van Adam aangemerkt; zie Job 4:17 , en Job 9:2 , 9:3 , en Job 15:14 , en Job 25:4 ; zie de aantekening bij 1 Kon. 11:34 . Job 4:17 : Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker? Job 9:2 : Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Job 9:3 : Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. Job 15:14 : Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? Job 25:4 : Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is? 1 Koningen 11:34 : Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
[^psalmen-143-3-6]: Kanttekening 6: Want de: Deze woorden hangen aan het eerste vers van deze psalm. Zie vers 1 . Psalmen 143:1 : Een psalm van David. O YHWH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
[^psalmen-143-3-7]: Kanttekening 7: vijand vervolgt: Te weten, Saul met zijn aanhang.
[^psalmen-143-3-8]: Kanttekening 8: mijn ziel: Dat is, mijn leven, of persoon, gelijk Ps. 6:4 . Psalmen 6:4 : Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, YHWH, hoe lange?
[^psalmen-143-3-9]: Kanttekening 9: hij vertreedt: Dat is, hij tast mij zo hard aan dat ik nauwelijks leven in mij heb; of, hij zal mij en de mijnen haast vertreden, tenzij dat God ons uit zijn handen verlost.
[^psalmen-143-3-10]: Kanttekening 10: mijn leven: Anders: mijn rot, mijn bende; dat is, allen die bij mij zijn. Zie Ps. 141:7 . Psalmen 141:7 : Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond van het graf, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.
[^psalmen-143-3-11]: Kanttekening 11: hij legt mij: Dat is, hij maakt dat ik en degenen, die bij mij zijn, in duistere hoeken en gaten ons moeten verkruipen en verbergen. Want David had, met zijn krijgsvolk, zijn verblijf in een spelonk; Ps. 142:1 . Psalmen 142:1 : Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
[^psalmen-143-3-12]: Kanttekening 12: als degenen: Alsof hij zei: Wij kruipen in holen en spelonken in en onder de aarde, gelijk zijnde dengenen, die voorlang gestorven zijn en onder de aarde begraven liggen.
[^psalmen-143-4-13]: Kanttekening 13: overstelpt in mij: De zin is: Mij overvallen zoveel baren van de tegenspoed, de één voor, de andere na, dat ik schier daaronder bezwijm en blijf.
[^psalmen-143-4-14]: Kanttekening 14: mijn hart is verbaasd: Dit heet men gemeenlijk troosteloos. Anders: mijn hart ontzet zich zeer.
[^psalmen-143-5-b]: Verwijzing b: Ps. 77:6 ; idem v. 11 . Psalmen 77:6 : Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren van de eeuwen. Psalmen 77:11 : Daarna zei ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand van de Allerhoogste verandert.
[^psalmen-143-5-15]: Kanttekening 15: gedenk aan de: Alsof hij zei: Wanneer ik mij in deze ellende en zwarigheid bevind, zo weet ik mij nergens beter mee te maken hoe U mij eertijds bijgestaan en verlost hebt. Het schijnt dat David hier voornamelijk ziet op die tijd, toen hij, victorie bevochten hebbende over zijn vijanden, van het volk met juichen en vrolijkheid is ontvangen geweest; 1 Sam. 17 en 1 Sam. 18 .
[^psalmen-143-5-16]: Kanttekening 16: Uw daden: Te weten, die U aan en door mij gedaan hebt.
[^psalmen-143-6-17]: Kanttekening 17: Ik breid mijn: Zie de aantekening bij Ps. 141 2.
[^psalmen-143-6-18]: Kanttekening 18: als een dorstig land: Of, gelijk een dor land. Zie Ps. 63:2 . De rede zou aldus voller zijn: Gelijk een dorstig of dor land naar regen dorst, zo dorst mijn ziel naar U; Ps. 42:2 , 42:3 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Psalmen 42:2 : Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Psalmen 42:3 : Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
[^psalmen-143-7-19]: Kanttekening 19: verberg Uw aangezicht niet van mij: Dat is, wijk niet van mij en verlaat mij niet.
[^psalmen-143-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, dengenen die haast sterven zullen Ps. 28:1 , en Ps. 88:5 . Psalmen 28:1 : Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen. Psalmen 88:5 : Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
[^psalmen-143-8-21]: Kanttekening 21: Uw goedertierenheid: Dat is, die blije boodschap, aangaande de goedertierenheid, die U mij bewijzen zult, doende Saul terugkeren en aflaten van mij dus vijandig te vervolgen.
[^psalmen-143-8-22]: Kanttekening 22: in de morgenstond: Dat is, vroeg, haast, zonder lang uitstel.
[^psalmen-143-8-23]: Kanttekening 23: maak mij bekend: Dat is, leer mij wat ik doen zal om gevaar te ontgaan, waarin ik ben. Zie Ps. 142:4 . Of maak mij bekend de weg, die ik moet ingaan om U te behagen. Psalmen 142:4 : Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt U mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou.
[^psalmen-143-8-c]: Verwijzing c: Ps. 25:1 . Psalmen 25:1 : Een psalm van David. Aleph. Tot U, o YHWH! hef ik mijn ziel op.
[^psalmen-143-8-24]: Kanttekening 24: mijn ziel: Dat is, mijn gemoed.
[^psalmen-143-8-25]: Kanttekening 25: tot U op: Als tot die, welke ik houd voor mijn beschutter en noodhelper.
[^psalmen-143-9-26]: Kanttekening 26: bij U schuil ik: Te weten, onder de schaduw van uw vleugelen, gelijk de profeet spreekt Ps. 57:2 . Psalmen 57:2 : Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
[^psalmen-143-10-27]: Kanttekening 27: Uw welbehagen: Of, uw wil, of uw welgevallen, of believen, gelijk Ps. 40:9 . Psalmen 40:9 : Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
[^psalmen-143-10-28]: Kanttekening 28: U bent mijn God: Die ik wil en moet gehoorzamen.
[^psalmen-143-10-29]: Kanttekening 29: Uw goede Geest: Versta hier de Heilige Geest.
[^psalmen-143-10-30]: Kanttekening 30: in een effen land: Dat is, op een weg, die ik vrijmoedig gaan mag, zonder hinder of aanstoot; waarbij verstaan wordt de weg van de gerechtigheid, in de wet van God voorgeschreven; of David verstaat hier door de weg, het middel dat hij mocht voornemen en gebruiken om onbeschadigd zijn vijand te ontkomen.
[^psalmen-143-11-31]: Kanttekening 31: Of, behoud mij in het leven.
[^psalmen-143-11-32]: Kanttekening 32: mij levend: Die schier dood ben. Zie vers 3 , 143:7 . Psalmen 143:3 : Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. Psalmen 143:7 : Verhoor mij haastig, YHWH! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in de kuil dalen.
[^psalmen-143-11-33]: Kanttekening 33: vanwege Uw Naam: Dat is, opdat ik uw naam roeme en prijze, Ps. 142:8 . Psalmen 142:8 : Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer U wel bij mij zult gedaan hebben.
[^psalmen-143-11-34]: Kanttekening 34: mijn ziel: Dat is, mijn leven, mijn persoon.
[^psalmen-143-12-35]: Kanttekening 35: roei mijn vijanden uit, … breng hen om: Hier ziet de profeet op de belofte die God Abraham en zijn zaad gedaan heeft, Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^psalmen-143-12-36]: Kanttekening 36: want ik ben Uw knecht: Dat is, ik dien U met vlijt, volgens de bevelen van uw wet.
[^psalmen-143-12-d]: Verwijzing d: Ps. 86:16 ; Ps. 116:16 . Psalmen 86:16 : Wend U tot mij, en wees mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos de zoon Uw dienstmaagd. Psalmen 116:16 : Och, YHWH! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uw dienstmaagd; U hebt mijn banden losgemaakt.

### Psalmen 144

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/144.json)

*David dankt God voor de zegen hem in de strijd en de regering van het volk verleend. Hij belijdt tevens zijn en alle mensen nietigheid. Hij bidt dat God hem krachtig verlosse uit zijn grote benauwdheden, en belooft de HEERE te zullen loven voor Zijn zegeningen.*

**1** Een psalm van David. Gezegend zij YHWH,[^psalmen-144-1-1] mijn Rotssteen,[^psalmen-144-1-a] Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingers ten oorlog; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v1)

**2** [^psalmen-144-2-2] Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Vesting en mijn Bevrijder[^psalmen-144-2-3] voor mij, mijn Schild, en op Wie ik mij betrouwe;[^psalmen-144-2-b] Die mijn volk aan[^psalmen-144-2-4] mij onderwerpt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v2)

**3** O YHWH![^psalmen-144-3-5][^psalmen-144-3-c] wat is de mens, dat U hem kent, het kind van de mensen, dat U het acht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v3)

**4** De[^psalmen-144-4-d] mens is van de zinloosheid gelijk; zijn dagen zijn[^psalmen-144-4-e] als een voorbijgaande schaduw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v4)

**5** [^psalmen-144-5-6][^psalmen-144-5-f] Neig Uw hemelen, YHWH! en[^psalmen-144-5-7] daal neer;[^psalmen-144-5-g] raak de[^psalmen-144-5-8] bergen aan,[^psalmen-144-5-9] dat zij roken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v5)

**6** [^psalmen-144-6-10][^psalmen-144-6-h] Bliksem bliksem, en[^psalmen-144-6-11] verstrooi[^psalmen-144-6-i] hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v6)

**7** Steek Uw handen[^psalmen-144-7-12] van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij[^psalmen-144-7-13] uit de grote wateren, uit de hand[^psalmen-144-7-14] van de vreemden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v7)

**8** Van wie de mond leugen spreekt, en[^psalmen-144-8-15] hun rechterhand is een rechterhand van de valsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v8)

**9** O God! ik zal U[^psalmen-144-9-16] een nieuw lied zingen; met de luit[^psalmen-144-9-17] en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v9)

**10** U,[^psalmen-144-10-18] Die de koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet[^psalmen-144-10-19] van het boze zwaard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v10)

**11** Ontzet mij en red mij van de hand van de vreemden, van wie de mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand van de valsheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v11)

**12** Opdat onze zonen zijn als planten,[^psalmen-144-12-20] die groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochters als[^psalmen-144-12-21] hoekstenen,[^psalmen-144-12-22] uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v12)

**13** Dat onze[^psalmen-144-13-23] winkelen vol zijnde, de[^psalmen-144-13-24] ene voorraad na de anderen uitgeven; dat onze kudden[^psalmen-144-13-25] bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze[^psalmen-144-13-26] hoeven vermenigvuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v13)

**14** Dat onze ossen[^psalmen-144-14-27] welgeladen zijn; dat[^psalmen-144-14-28] geen inbreuk, noch[^psalmen-144-14-29] uitval,[^psalmen-144-14-30] noch gekrijs zij op onze straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v14)

**15** Welgelukzalig is het volk, die[^psalmen-144-15-31] het zo gaat;[^psalmen-144-15-32] welgelukzalig, is het volk, wiens God YHWH is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/144.html#v15)

[^psalmen-144-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekening bij Deut. 32:4, en 2 Sam. 22:2.
[^psalmen-144-1-a]: Verwijzing a: 2 Sam. 22:35. en Ps. 18:35.
[^psalmen-144-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: die over mij zo goedertieren is, als de goedertierenheid zelf. Vergelijk 2 Sam. 22:2. Zie verder Ps. 18:3.
[^psalmen-144-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: tot mijn besten.
[^psalmen-144-2-b]: Verwijzing b: 2 Sam. 22:48. Ps. 18:48.
[^psalmen-144-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: onderdanig maakt.
[^psalmen-144-3-5]: Kanttekening 5: Alsof hij zei, Alsmen de elendige en gering conditie van de mensen vergelijckt met de oneindige Majesteit Godes: So moetmen zich verwonderen, dat hij zich weerdicht te gedenken aan zo een arme creatuere.
[^psalmen-144-3-c]: Verwijzing c: Job 7:17. Ps. 8:5. en 31:8. Hebreeuws: 2:6.
[^psalmen-144-4-d]: Verwijzing d: Ps. 39:6. en 62:10.
[^psalmen-144-4-e]: Verwijzing e: Job 8:9. en 14:2, 3. Ps. 102:12.
[^psalmen-144-5-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: komt mij en u volk te hulpe van de hemel, en betoont uw heerlickheid en macht tegen onze vijanden. zie 2 Sam. 22:10. ’Tis menselijker wijze gesproken.
[^psalmen-144-5-f]: Verwijzing f: Ps. 18:10.
[^psalmen-144-5-7]: Kanttekening 7: Namelijk tot mijn hulpe, en tot verstooring uw vijanden.
[^psalmen-144-5-g]: Verwijzing g: Ps. 18:8. en 104:32.
[^psalmen-144-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: (na sommiger gevoelen) mijn grote en geweldige vijanden. men kan dit ook nemen als een beschrijving vande Majesteit en macht Gods in’t uitvoeren van zijn oordelen tegen de goddelozen die de vroome verdrukken. Vergelijk Ps. 104:32, etc.
[^psalmen-144-5-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: dat ze als rook verdwijnen.
[^psalmen-144-6-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: slaatse ter neder, en maakt ze te schande met uw goddelijke en hemelse kracht.
[^psalmen-144-6-h]: Verwijzing h: 2 Sam. 22:8. en Ps. 18:15.
[^psalmen-144-6-11]: Kanttekening 11: Namelijk die vremde kinderen, van de welke gesproken wordt vers 7.
[^psalmen-144-6-i]: Verwijzing i: 1 Sam.7:9.
[^psalmen-144-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: uit de hemel, als Ps. 18:17.
[^psalmen-144-7-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: uit de grote vervolgingen van de goddelozen. Zie 2 Sam. 22. op vers 17.
[^psalmen-144-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, בְּנֵי: van de kinderen van de vremden, ’t zy vreemt van de borgerschap Israals, of van degenen die in vreemde landen woonden: of, van degenen die David voor haar Koning nog niet en wouden kennen, maar hem met Saul vervolchden. Zie Ps. 54:5. Zie ook d’aant. 2 Sam. 22. op vers 45.
[^psalmen-144-8-15]: Kanttekening 15: Welke zij geven tot verstercking van haar belofte, zo ook vers 11.
[^psalmen-144-9-16]: Kanttekening 16: Zie d’aantekening Ps. 33. op vers 2, 3.
[^psalmen-144-9-17]: Kanttekening 17: Dit woordeken wordt hier ingevoegt, om dat de luite, en het tien-snarig instrument, verschillende instrumenten zijn, als te zien is Ps. 92. op vers 4.
[^psalmen-144-10-18]: Kanttekening 18: Zie 2 Sam. 8. vers 6.
[^psalmen-144-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, van het sweert het welk onschuldich bloet zoekt te vergieten.
[^psalmen-144-12-20]: Kanttekening 20: Namelijk planten.
[^psalmen-144-12-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: schoon en fraai van lijf en leden, gelijckmen de hoeksteenen aan een schoon gebouw, fraai behout, besnijt, polijst, en verciert, opdat het van buiten te schoonder schijne in alle mans ogen.
[^psalmen-144-12-22]: Kanttekening 22: Namelijk kostelijk en fraai.
[^psalmen-144-13-23]: Kanttekening 23: Verstaat hier die plaatsen daarmen de voorraat bij een brengt en bewaart, hetzij schueren, kelders, packhuisen of coorn-solders, etc. In summa David bidt hier, dat God hem en de godvrezenden wille zegenen met tijdelijke goederen.
[^psalmen-144-13-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: van spijse tot spijse. Dat is, overvloet van spijse.
[^psalmen-144-13-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: in grote menigte.
[^psalmen-144-13-26]: Kanttekening 26: Of, wijken. zie d’aant. Job 5:10.
[^psalmen-144-14-27]: Kanttekening 27: Vet en vleeschich, dat wil zeggen: sterk en bekwaam om lasten te dragen, en grote arbeid te doen: Of, welgeladen, namelijk met jongen, want onder de name van ossen, moet men hier ook de koeyen verstaan, als Deut. 7:13.
[^psalmen-144-14-28]: Kanttekening 28: Namelijk van de vijanden in onze landen en steden, om ons goed en vee weg te drijven.
[^psalmen-144-14-29]: Kanttekening 29: Namelijk uit onze Steden, om de vijand het geroofde goed en vee te ontjagen. Anders: geen uitgaande, namelijk vrouwe, om te klagen en te krijten.
[^psalmen-144-14-30]: Kanttekening 30: Verstaat dit van krijgs-geschrey, of alarm.
[^psalmen-144-15-31]: Kanttekening 31: Namelijk zoals stracks verhaalt is.
[^psalmen-144-15-32]: Kanttekening 32: Alsof hij zei bij manier van verbetering van de naast-voor-gaander spreuk: Ia ik zeg, dat voor al gelucksalich is dat volk, ’t welk in’t verbond en genade van God staat, die de fontein van alle zegeningen en gelukzaligheid is: In welke zaak het hoogste goed gelegen is. Vergelijk Ps. 4:7, 8. en 17. vers 14, 15. en 33:12. en 65:5.

### Psalmen 145

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/145.json)

*David roemt God vanwege Zijn grootheid, vermogen, heerlijkheid en vreselijke daden; alsook Zijn goedheid, gerechtigheid en barmhartigheid, ook Zijn eeuwig Koninkrijk, en Zijn goedgunstigheid en zorg over allen, maar in het bijzonder over degenen die Hem vrezen en aanroepen.*

**1** Een[^psalmen-145-1-1] lofzang van[^psalmen-145-1-2] David. Aleph. O mijn God,[^psalmen-145-1-3] U Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v1)

**2** Beth. Te alle dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v2)

**3** Gimel.[^psalmen-145-3-a] YHWH is groot en[^psalmen-145-3-4] zeer te prijzen, en[^psalmen-145-3-b] Zijn grootheid is ondoorgrondelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v3)

**4** Daleth.[^psalmen-145-4-5][^psalmen-145-4-c] Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en[^psalmen-145-4-6] zij zullen[^psalmen-145-4-7] Uw mogendheden verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v4)

**5** He.[^psalmen-145-5-8] Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer van Uw majesteit, en Uw wonderlijke daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v5)

**6** Vau. En zij zullen vermelden de kracht van Uw vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v6)

**7** Zain.[^psalmen-145-7-d] Zij zullen[^psalmen-145-7-9] de herinnering van de grootheid van Uw[^psalmen-145-7-10] goedheid overvloedig uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v7)

**8** Cheth.[^psalmen-145-8-e] Genadig en barmhartig is YHWH, geduldig en groot van goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v8)

**9** Teth. YHWH is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn[^psalmen-145-9-11] over al Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v9)

**10** Jod. Al Uw werken, YHWH, zullen U loven, en Uw gunstgenoten[^psalmen-145-10-12] zullen U zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v10)

**11** Caph. Zij zullen de heerlijkheid van Uw Koninkrijk vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v11)

**12** Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken[^psalmen-145-12-13] Zijn[^psalmen-145-12-14] mogendheden, en de eer van de[^psalmen-145-12-15] heerlijkheid van Zijn Koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v12)

**13** Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij[^psalmen-145-13-16] is in alle geslacht en geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v13)

**14** Samech. YHWH ondersteunt allen,[^psalmen-145-14-17] die vallen, en Hij richt op[^psalmen-145-14-18] alle gebogenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v14)

**15** Ain.[^psalmen-145-15-19] Aller[^psalmen-145-15-f] ogen wachten op U; en U geeft hun hun voedsel[^psalmen-145-15-20] te zijner tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v15)

**16** Pe. U doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft,[^psalmen-145-16-21] naar Uw welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v16)

**17** Tsade. YHWH is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren[^psalmen-145-17-22] in al Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v17)

**18** Koph. YHWH[^psalmen-145-18-23] is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen[^psalmen-145-18-24] in van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v18)

**19** Resch.[^psalmen-145-19-25] Hij doet het welbehagen van degenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v19)

**20** Schin. YHWH bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij vernietigt alle goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v20)

**21** Thau. Mijn mond zal de prijs van YHWH uitspreken, en[^psalmen-145-21-26] alle vlees zal Zijn heilige Naam loven in de eeuwigheid en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/145.html#v21)

[^psalmen-145-1-1]: Kanttekening 1: lofzang van David: Of, een psalm. Deze psalm alleen wordt aldus getiteld, nochtans heeft van dit woord het gehele boek van de psalmen zijn naam.
[^psalmen-145-1-2]: Kanttekening 2: Aleph : De verzen van deze psalm zijn gesteld naar de orde van het Hebr. A. B., alleen ontbreekt er de letter Nun of N. Dusdanige kunst heeft David in nog verscheidene psalmen gebruikt. Zie de aantekening bij Ps. 25:1 . Psalmen 25:1 : Een psalm van David. Aleph. Tot U, o YHWH! hef ik mijn ziel op.
[^psalmen-145-1-3]: Kanttekening 3: U Koning: U, die alleen de ware en almachtige Koning bent.
[^psalmen-145-3-a]: Verwijzing a: Ps. 18:4 ; Ps. 150:2 . Psalmen 18:4 : Ik riep YHWH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden. Psalmen 150:2 : Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijn grootheid!
[^psalmen-145-3-4]: Kanttekening 4: zeer te prijzen: Zie de aantekening bij Ps. 48:2 . Psalmen 48:2 : YHWH is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op de berg van Zijn heiligheid.
[^psalmen-145-3-b]: Verwijzing b: Job 5:9 . Job 5:9 : Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;
[^psalmen-145-4-5]: Kanttekening 5: Geslacht aan: Een geslacht is hier, en elders meer, zoveel te zeggen als de menigte van de mensen, die in een en dezelfde eeuw tezamen leven.
[^psalmen-145-4-c]: Verwijzing c: Deut. 4:9 ; Deut. 6:7 . Deuteronomium 4:9 : Alleen wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. Deuteronomium 6:7 : En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat.
[^psalmen-145-4-6]: Kanttekening 6: zij zullen: Te weten, de geslachten; zo vers 6 , 145:7 . Psalmen 145:6 : Vau. En zij zullen vermelden de kracht van Uw vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen. Psalmen 145:7 : Zain. Zij zullen de gedachtenis van de grootheid van Uw goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.
[^psalmen-145-4-7]: Kanttekening 7: Uw mogendheden: Dat is, uw krachtige daden. Zo ook vers 12 ; Matt. 13:58 . Psalmen 145:12 : Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer van de heerlijkheid van Zijn Koninkrijk. Mattheüs 13:58 : En Hij heeft daar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.
[^psalmen-145-5-8]: Kanttekening 8: Ik zal uitspreken: Dit doet de profeet van vers 12 af tot het einde van deze psalm. Psalmen 145:12 : Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer van de heerlijkheid van Zijn Koninkrijk.
[^psalmen-145-7-d]: Verwijzing d: Ps. 119:171 . Psalmen 119:171 : Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als U mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
[^psalmen-145-7-9]: Kanttekening 9: de gedachtenis: Dat is, de grote weldaden, die U ons gedaan en bewezen hebt.
[^psalmen-145-7-10]: Kanttekening 10: Hebr. als een springader voortbrengen, of uitgieten, uitbobbelen; dat is, met vollen mond en keel prijzen en roemen. Zie Ps. 19:3 , en Ps. 45:2 . Psalmen 19:3 : De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap. Psalmen 45:2 : Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
[^psalmen-145-8-e]: Verwijzing e: Ex. 34:6 ; idem v. 7 ; Num. 14:18 ; Ps. 86:15 ; Ps. 103:8 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vader aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vader aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. Psalmen 86:15 : Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
[^psalmen-145-9-11]: Kanttekening 11: over al Zijn: Te weten, van zodanige, die zijn barmhartigheid kunnen deelachtig worden. Anders: boven.
[^psalmen-145-10-12]: Kanttekening 12: zullen U zegenen: Dat is, loven en danken; maar op een andere manier dan de andere creaturen, hebbende een inwendig gevoel en getuigenis dat U hun Vader en weldoener bent. Zie Gen. 14:20 . Genesis 14:20 : En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^psalmen-145-12-13]: Kanttekening 13: Te weten, Gods.
[^psalmen-145-12-14]: Kanttekening 14: Dat is, mogende daden, gelijk vers 4 . Psalmen 145:4 : Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
[^psalmen-145-12-15]: Kanttekening 15: Zijn Koninkrijks: Te weten, Gods, vers 5 . Psalmen 145:5 : He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer van Uw majesteit, en Uw wonderlijke daden.
[^psalmen-145-13-16]: Kanttekening 16: in alle geslacht: Dat is, het duurt van tijd tot tijd, of tot alle tijd.
[^psalmen-145-14-17]: Kanttekening 17: die vallen: Dat is, allen die zwak zijn, zo aan het lichaam als de geest.
[^psalmen-145-14-18]: Kanttekening 18: alle gebogenen: Dat is, allen die onder het zware kruis of het pak van de zonden gedrukt en gebukt gaan.
[^psalmen-145-15-19]: Kanttekening 19: Van alle ogen: Te weten, van alle dieren, of van alle schepselen, die levende lichamen hebben.
[^psalmen-145-15-f]: Verwijzing f: Ps. 104:27 . Psalmen 104:27 : Zij allen wachten op U, dat U hun hun voedsel geeft op zijn tijd.
[^psalmen-145-15-20]: Kanttekening 20: op zijn tijd: Of, elk op zijn tijd. Anders: tot hun tijd; dat is, ter bekwamer tijd, gelijk Ps. 104:27 . Psalmen 104:27 : Zij allen wachten op U, dat U hun hun voedsel geeft op zijn tijd.
[^psalmen-145-16-21]: Kanttekening 21: naar Uw welbehagen: Dat is, naar dat het U belieft, of waaraan zij een genoegen hebben. Anders, met welbehagen; dat is, met gaven en goederen van uw goede wil en welgevallen vloeiende en herkomende.
[^psalmen-145-17-22]: Kanttekening 22: in al Zijn werken: Dat is, in alles wat Hij doet.
[^psalmen-145-18-23]: Kanttekening 23: is nabij allen: Te weten, om hen te helpen of verlossen, naar zijn goedertierenheid te huiswaarts.
[^psalmen-145-18-24]: Kanttekening 24: in waarheid: Dat is, met vertrouwen, oprecht, met ernst en zonder ophouden, uit grond huns harten, zonder huichelarij en bijgeloof. Verg. hiermee Deut. 4:7 ; Joh. 4:24 . Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Johannes 4:24 : God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
[^psalmen-145-19-25]: Kanttekening 25: Hij doet het: Zo eert Hij degenen die Hem eren; 1 Sam. 2:30 . Maar versta hier zulk een wil en begeerte, die uit een waar geloof spruit en zodanig is als het betaamt; 1 Joh. 3:22 , en 1 Joh. 5:14 . 1 Samuël 2:30 : Daarom spreekt YHWH, de God van Israël: Ik had wel duidelijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt YHWH: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden. 1 Johannes 3:22 : En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem. 1 Johannes 5:14 : En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
[^psalmen-145-21-26]: Kanttekening 26: alle vlees: Dat is, alle natiën, alle mensen, als Jes. 44:3 , Ez. 36:27 , Joël 2:28 . Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Ezechiël 36:27 : En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechte zult bewaren en doen. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;

### Psalmen 146

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/146.json)

*De psalmist wekt zichzelf op tot lof van de HEERE; met vermaning om zich op mensen niet te verlaten, maar op God, vanwege Zijn almacht, trouw, hulp en troost, en altijd durende regering.*

**1** [^psalmen-146-1-1] Hallelujah! O mijn ziel! prijs YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v1)

**2** Ik zal YHWH prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v2)

**3** [^psalmen-146-3-a] Vertrouw niet op prinsen, op het kind van de mens, bij dat geen heil is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v3)

**4** [^psalmen-146-4-2] Zijn[^psalmen-146-4-3] geest gaat uit,[^psalmen-146-4-4] hij keert opnieuw[^psalmen-146-4-5] tot zijn aarde; op dezelfde dag[^psalmen-146-4-6] vergaan zijn[^psalmen-146-4-7] aanslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v4)

**5** Welgelukzalig is hij, die de God van Jakob tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op YHWH, zijn God is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v5)

**6** Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is; Die trouwe houdt in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v6)

**7** Die de verdrukte recht doet, Die de hongerige brood geeft; YHWH maakt de gevangenen[^psalmen-146-7-8] los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v7)

**8** [^psalmen-146-8-b] YHWH opent de ogen[^psalmen-146-8-9] van de blinden; YHWH richt de gebogenen[^psalmen-146-8-c] op; YHWH heeft[^psalmen-146-8-10] de rechtvaardigen lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v8)

**9** YHWH bewaart de vreemdelingen; Hij houdt de wees en de weduwe staande; maar de[^psalmen-146-9-11] goddelozen[^psalmen-146-9-12] weg keert Hij om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v9)

**10** [^psalmen-146-10-d] YHWH zal in eeuwigheid regeren; uw God,[^psalmen-146-10-13] o Sion! is van geslacht tot geslacht.[^psalmen-146-10-14] Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/146.html#v10)

[^psalmen-146-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 104:35 , en Ps. 106:1 . Psalmen 104:35 : De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof YHWH, mijn ziel! Hallelujah! Psalmen 106:1 : Hallelujah! Looft YHWH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^psalmen-146-3-a]: Verwijzing a: Ps. 118:8 ; idem v. 9 . Psalmen 118:8 : Het is beter tot YHWH toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. Psalmen 118:9 : Het is beter tot YHWH toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
[^psalmen-146-4-2]: Kanttekening 2: Te weten, van het mensenkind, of van de prins.
[^psalmen-146-4-3]: Kanttekening 3: Dat is, zijn ziel. Het is een omschrijving van de dood. Zie de aantekening bij Gen. 35:18 . Genesis 35:18 : En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
[^psalmen-146-4-4]: Kanttekening 4: Te weten, de mens, welverstaande zoveel het lichaam betreft.
[^psalmen-146-4-5]: Kanttekening 5: tot zijn aarde: Dat is, tot de aarde, waar hij van gemaakt is; Gen. 2:7 , en Gen. 3:19 ; Pred. 12:7 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. Prediker 12:7 : En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft.
[^psalmen-146-4-6]: Kanttekening 6: En dienvolgens ook het vertrouwen, dat u op hem gesteld hadt.
[^psalmen-146-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, voornemens.
[^psalmen-146-7-8]: Kanttekening 8: Hebr. de gebondene.
[^psalmen-146-8-b]: Verwijzing b: Matt. 9:30 ; Joh. 9:7 ; idem v. 32 . Mattheüs 9:30 : En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer streng verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete. Johannes 9:7 : En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende. Johannes 9:32 : Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.
[^psalmen-146-8-9]: Kanttekening 9: de ogen van de blinden: Hebr. opent de blinden; dat is, de ogen van de blinden.
[^psalmen-146-8-c]: Verwijzing c: Ps. 145:14 ; Ps. 147:3 ; Lukas 13:13 . Psalmen 145:14 : Samech. YHWH ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen. Psalmen 147:3 : Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. Lukas 13:13 : En Hij legde de handen op haar; en zij werd meteen weer recht, en verheerlijkte God.
[^psalmen-146-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, de vrome, godzalige, oprechte, godvrezende personen.
[^psalmen-146-9-11]: Kanttekening 11: Dat is, de raadslagen.
[^psalmen-146-9-12]: Kanttekening 12: keert Hij om: Dat is, maakt Hij teniet.
[^psalmen-146-10-d]: Verwijzing d: Ex. 15:18 ; Ps. 145:13 . Exodus 15:18 : YHWH zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren! Psalmen 145:13 : Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.
[^psalmen-146-10-13]: Kanttekening 13: o Sion: Dat is, u Israëlietisch volk, dat de ware God op de berg Zion (Sion) eert en dient naar zijn instelling.
[^psalmen-146-10-14]: Kanttekening 14: Met dit woord begint en eindigt deze psalm.

### Psalmen 147

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/147.json)

*De profeet vermaant het volk om Gods Naam groot te maken vanwege Zijn zorg over Zijn Kerk, Zijn wijsheid, macht, genade en regering over alles, tot lof van Zijn Naam en tot zaligheid van de gelovigen.*

**1** Loof YHWH, want onze God te psalmzingen[^psalmen-147-1-1] is goed,[^psalmen-147-1-2] omdat Hij liefelijk is;[^psalmen-147-1-3][^psalmen-147-1-a] de lof is passend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v1)

**2** [^psalmen-147-2-4] YHWH bouwt Jeruzalem; Hij verzamelt Israëls[^psalmen-147-2-5] verdrevenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v2)

**3** [^psalmen-147-3-6] Hij geneest de gebrokenen van hart, en[^psalmen-147-3-7] Hij[^psalmen-147-3-b] verbindt hen in hun smarten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v3)

**4** [^psalmen-147-4-c] Hij telt het getal van de sterren;[^psalmen-147-4-8] Hij noemt ze allen bij namen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v4)

**5** Onze Heere is groot en[^psalmen-147-5-9] van veel kracht;[^psalmen-147-5-10] Zijn verstand is onmeetbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v5)

**6** YHWH houdt[^psalmen-147-6-11] de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v6)

**7** [^psalmen-147-7-12] Zing YHWH bij beurte met dankzegging; psalmzing onze God op de harp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v7)

**8** [^psalmen-147-8-13][^psalmen-147-8-d] Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt;[^psalmen-147-8-e] Die[^psalmen-147-8-14] het gras op de bergen doet uitspruiten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v8)

**9** Die het vee[^psalmen-147-9-15] zijn voeder geeft; aan de[^psalmen-147-9-16] jonge raven, als zij roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v9)

**10** Hij heeft geen lust aan de sterkte[^psalmen-147-10-17] van het paard; Hij heeft geen welgevallen aan de benen van de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v10)

**11** YHWH heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v11)

**12** O[^psalmen-147-12-18] Jeruzalem! roem YHWH; o Sion! loof uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v12)

**13** Want[^psalmen-147-13-19] Hij maakt de grendelen van uw poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v13)

**14** [^psalmen-147-14-20] Die uw gebied in vrede stelt; Hij verzadigt u met[^psalmen-147-14-21] het vette van de tarwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v14)

**15** Hij zendt[^psalmen-147-15-22] Zijn bevel op[^psalmen-147-15-23] aarde;[^psalmen-147-15-f] Zijn woord loopt zeer snel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v15)

**16** [^psalmen-147-16-24] Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v16)

**17** Hij werpt[^psalmen-147-17-25] Zijn ijs heen als stukken;[^psalmen-147-17-26] wie zou bestaan voor Zijn koude? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v17)

**18** [^psalmen-147-18-27] Hij zendt Zijn woord, en[^psalmen-147-18-28] doet ze smelten; Hij doet[^psalmen-147-18-29] Zijn wind waaien,[^psalmen-147-18-30] de wateren vloeien heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v18)

**19** [^psalmen-147-19-31] Hij maakt[^psalmen-147-19-32] Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn voorschriften en Zijn rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v19)

**20** [^psalmen-147-20-33] Zo[^psalmen-147-20-g] heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn[^psalmen-147-20-34] rechten, die kennen zij niet.[^psalmen-147-20-35] Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/147.html#v20)

[^psalmen-147-1-1]: Kanttekening 1: is goed: Dat is, het staat of betaamt de kinderen van God wel.
[^psalmen-147-1-2]: Kanttekening 2: omdat Hij liefelijk: Anders: want het is lieflijk.
[^psalmen-147-1-3]: Kanttekening 3: de lof is passend: Hij wil zeggen: Het betaamt de kinderen van God de Heer te loven. Of, de lof van de Heer is in zichzelf een schone zaak.
[^psalmen-147-1-a]: Verwijzing a: Ps. 33:1 . Psalmen 33:1 : U rechtvaardigen! zingt vrolijk in YHWH; lof betaamt de oprechten.
[^psalmen-147-2-4]: Kanttekening 4: YHWH bouwt: Dat is, God is de eerste auteur, fondamentlegger, opbouwer, behoeder en bewaarder van de kerk.
[^psalmen-147-2-5]: Kanttekening 5: Of, verstrooiden. Zie Jak. 1:1 , en 1 Petr. 1:1 . Verg. Deut. 30:3 , 30:4 ; Jes. 11 ;12, en Jes. 56:8 ; Joh. 11:52 . Jakobus 1:1 : Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. 1 Petrus 1:1 : Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië, Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uw ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. Jesaja 56:8 : De Heer YHWH, Die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, naast hen, die tot hem vergaderd zijn. Johannes 11:52 : En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.
[^psalmen-147-3-6]: Kanttekening 6: Hij geneest de: Zie de aantekening bij Ps. 30:3 , en Ps. 34:19 , en Ps. 51:19 . Psalmen 30:3 : YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. Psalmen 34:19 : Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. Psalmen 51:19 : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^psalmen-147-3-7]: Kanttekening 7: Hij verbindt hen: Dat is, Hij geneest hun wonden, gelijk Luk. 4:18 ; verg. met Jes. 61:1 , en met Ez. 43:16 . Lukas 4:18 : De Geest van de Heer is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blije boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Ezechiël 43:16 : De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.
[^psalmen-147-3-b]: Verwijzing b: Ex. 15:26 ; Job 5:18 . Exodus 15:26 : En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van YHWH uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben YHWH, uw Heelmeester! Job 5:18 : Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.
[^psalmen-147-4-c]: Verwijzing c: Jes. 40:26 . Jesaja 40:26 : Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun legermacht voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijn krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.
[^psalmen-147-4-8]: Kanttekening 8: Hij noemt ze: Of, Hij roept die allen bij namen.
[^psalmen-147-5-9]: Kanttekening 9: van veel kracht: Hebr. veelvoudig, of groot van kracht.
[^psalmen-147-5-10]: Kanttekening 10: Zijn verstands: Dat is, het is onmogelijk te begrijpen of uit te spreken, hoe groot en menigvuldig zijn verstand en zijn wijsheid is. Zie Jes. 40:28 . Jesaja 40:28 : Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, YHWH, de Schepper van de einden van de aarde, noch moe noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
[^psalmen-147-6-11]: Kanttekening 11: de zachtmoedigen: Zie de aantekening bij Ps. 10:17 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^psalmen-147-7-12]: Kanttekening 12: Zingt YHWH: Hebr. antwoord de Heer. Dat is, zingt de Heer, gelijk de één de andere antwoord gevende. Zie Ex. 15:21 , en Ex. 32:18 . Exodus 15:21 : Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt YHWH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! Exodus 32:18 : Maar hij zei: Het is geen stem van het geroep van overwinning, het is ook geen stem van het geroep van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.
[^psalmen-147-8-13]: Kanttekening 13: Die de hemel: Als ten tijde van de profeet Elia geschied is; 1 Kon. 18:45 . 1 Koningen 18:45 : En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreël.
[^psalmen-147-8-d]: Verwijzing d: Hosea 2:20 ; idem v. 21 . Hosea 2:20 : (En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt YHWH; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. Hosea 2:21 : En de aarde zal het koren verhoren, en ook de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
[^psalmen-147-8-e]: Verwijzing e: Job 38:26 ; idem v. 27 ; Ps. 104:14 . Job 38:26 : Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; Job 38:27 : Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien. Psalmen 104:14 : Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
[^psalmen-147-8-14]: Kanttekening 14: Van het woord gras, zie de aantekening bij 1 Kon. 18:5 . 1 Koningen 18:5 : En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.
[^psalmen-147-9-15]: Kanttekening 15: zijn voeder: Hebr., לַחְמָ, zijn brood.
[^psalmen-147-9-16]: Kanttekening 16: jonge raven: Hebr., בְנֵי, de zonen van de raaf. Zie de aantekening bij Job 39:3 . Job 39:3 : Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?
[^psalmen-147-10-17]: Kanttekening 17: van het paard / benen van de man: Onder de namen van het paard en benen van de man vervat hij allerlei menselijke hulpmiddelen, en ook vastigheden en sterkten van de steden; die God de Heer niet geheel verwerpt (want het zijn gaven van Zijn milde hand herkomende), maar hier berispt de Psalmist, dat de mensen hun vertrouwen daar op zetten. Zie Deut. 7:7 en 9:4 . Deuteronomium 7:7 : YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het weinigste van alle volken. Deuteronomium 9:4 : Wanneer hen nu YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: YHWH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH voor uw aangezicht uit de bezitting.
[^psalmen-147-12-18]: Kanttekening 18: Jeruzalem! / Sion: Versta hier de inwoners van de stad Jeruzalem, die aan de berg Zion gebouwd was.
[^psalmen-147-13-19]: Kanttekening 19: Hij maakt de: Dat is, Hij beschut en beschermt de stad, in welke u woont, en Hij bewaart haar voor alle geweld en aanslagen van de vijand. Dit was een teken van Gods gunst en liefde tot zijn volk Israël, als ook een teken van Zions vastheid en sterkte. Zie het tegendeel hiervan Ps. 107:16 ; Jes. 45:2 ; Jer. 51:30 ; Klaagl. 2:9 ; Amos 1:5 . Psalmen 107:16 : Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen. Jesaja 45:2 : Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. Jeremia 51:30 : Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken. Klaagliederen 2:9 : Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van YHWH. Amos 1:5 : En Ik zal de grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeat-aven, en die, die de scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt YHWH.
[^psalmen-147-14-20]: Kanttekening 20: Die uw gebied: Dat is, het is de Heer, die u vrede geeft aan alle hoeken en einden uws lands. Zie Jes. 60:18 . Jesaja 60:18 : Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpale; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof.
[^psalmen-147-14-21]: Kanttekening 21: vette van de tarwe: Verg. Deut. 32:14 , en zie de aantekening bij Ps. 81:17 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 81:17 : En Hij zou het gespijsd hebben met het vette van de tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.
[^psalmen-147-15-22]: Kanttekening 22: Zijn bevel: Hebr., דְּבָרֽ, zijn rede, of zijn zeggen, zijn woord; dat is, zijn bevel. Versta hier die heimelijke en inwendige kracht, die God aan de aarde en bomen geeft om vruchten voort te brengen, elke boom en gewas naar zijn aard.
[^psalmen-147-15-23]: Kanttekening 23: Zijn woord loopt: Zo haast als God bevel of woord uitgaat, straks gehoorzamen Hem alle schepselen van de wereld.
[^psalmen-147-15-f]: Verwijzing f: Ps. 33:9 . Psalmen 33:9 : Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^psalmen-147-16-24]: Kanttekening 24: Hij geeft sneeuw: De sneeuw en de wol zijn elkaar gelijk in kleur, lichtheid en gedaante.
[^psalmen-147-17-25]: Kanttekening 25: Zijn ijs: Versta hierbij de hagel, of de bevroren hagelstenen.
[^psalmen-147-17-26]: Kanttekening 26: wie zou bestaan: Alsof hij zei: Als het God belieft, Hij zendt zulk een gestrenge koude, dat geen creatuur die verdragen kan.
[^psalmen-147-18-27]: Kanttekening 27: Hij zendt Zijn: Zie boven vers 15 . Psalmen 147:15 : Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
[^psalmen-147-18-28]: Kanttekening 28: doet ze smelten: Te weten, de vorst en het ijs, of de stukken ijs.
[^psalmen-147-18-29]: Kanttekening 29: Zijn wind waaien: Te weten, een warmen wind, die kracht heeft om het ijs te doen smelten.
[^psalmen-147-18-30]: Kanttekening 30: de wateren vloeien: Te weten, die wateren, welke straks tevoren ijs waren.
[^psalmen-147-19-31]: Kanttekening 31: Hij maakt: De zin is: Een ieder kan uit de bovenverhaalde werken wel afnemen hoe groot de macht Gods is; maar Hij doet zijn kerk nog veel grotere genade, haar gevende zijn wet en heilige geboden, om haar leven naar die aan te stellen.
[^psalmen-147-19-32]: Kanttekening 32: Jakob / Israël: Deze beide woorden betekenen het Joodse volk.
[^psalmen-147-20-33]: Kanttekening 33: Zo heeft Hij geen volk gedaan: Anders: Zo heeft Hij geen heidenen gedaan. Hebr., גּוֹי, allen volk, of alle heidenen niet, enz. In dusdanige manier van spreken wordt alle niet meermalen gebruikt voor gene, gelijk Ps. 103:2 , en Ps. 143:2 . Psalmen 103:2 : Loof YHWH, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^psalmen-147-20-g]: Verwijzing g: Hand. 14:16 . Handelingen 14:16 : Welke in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;
[^psalmen-147-20-34]: Kanttekening 34: en Zijn rechte, die kennen zij niet: Anders: daarom kennen zij zijn rechte niet.
[^psalmen-147-20-35]: Kanttekening 35: Met dit woord begint en eindigt deze psalm, gelijk ook doen de psalmen 146 , 148 , 149 en 150 .

### Psalmen 148

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/148.json)

*De profeet vermaant alle schepselen, zowel hemelse als aardse, maar in het bijzonder de mens, om God te loven vanwege Zijn heerlijkheid en macht, doch allermeest om Zijn goedgunstigheid over Zijn gemeente.*

**1** Hallelujah![^psalmen-148-1-1] Loof YHWH[^psalmen-148-1-2] uit de[^psalmen-148-1-a] hemelen; loof Hem in de[^psalmen-148-1-b] hoogste plaatsen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v1)

**2** Loof Hem, al Zijn engelen! Loof Hem,[^psalmen-148-2-3] al Zijn legermachten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v2)

**3** Loof Hem, zon en maan! Loof Hem, alle[^psalmen-148-3-4] u lichtende sterren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v3)

**4** Loof Hem, u[^psalmen-148-4-5] hemelen van de hemelen! en[^psalmen-148-4-6] u wateren, die boven de hemelen bent! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v4)

**5** Dat zij de Naam van YHWH loven; want[^psalmen-148-5-c] als Hij het beval, zo werden zij geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v5)

**6** En[^psalmen-148-6-d] Hij heeft ze bevestigd voor altijd in eeuwigheid; Hij[^psalmen-148-6-e] heeft hun een orde gegeven,[^psalmen-148-6-7] die geen van hen zal overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v6)

**7** Loof YHWH, van de aarde;[^psalmen-148-7-8] u[^psalmen-148-7-9] walvissen en alle afgronden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v7)

**8** Vuur en hagel, sneeuw en damp; u stormwind, die[^psalmen-148-8-10] Zijn woord doet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v8)

**9** U bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v9)

**10** Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en[^psalmen-148-10-11] gevleugeld gevogelte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v10)

**11** U koningen van de aarde, en alle volken, u vorsten, en alle rechters van de aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v11)

**12** Jongemannen en ook maagden; u ouderen met de jongeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v12)

**13** Dat zij de Naam van YHWH loven; want[^psalmen-148-13-f] Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v13)

**14** En Hij[^psalmen-148-14-g] heeft de[^psalmen-148-14-12] hoorn van Zijn volk verhoogd,[^psalmen-148-14-13] de roem al[^psalmen-148-14-14] van Zijn gunstgenoten, van de Israëlieten,[^psalmen-148-14-15] van het volk, dat nabij Hem is. Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/148.html#v14)

[^psalmen-148-1-1]: Kanttekening 1: Looft YHWH: Dit woord staat hier in het Hebr., in het veelvoudig getal, en zo doorgaans in deze psalm en de twee navolgende.
[^psalmen-148-1-2]: Kanttekening 2: uit de hemel: Of, \[u\] van de hemel; dat is, u hemelse schepselen, zowel de hemel met hun inwoners als de sterren en alle roeringen daarvan. Zo ook vers 7 . Psalmen 148:7 : Looft YHWH, van de aarde; u walvissen en alle afgronden!
[^psalmen-148-1-a]: Verwijzing a: Openb. 5:13 . Openbaring 5:13 : En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelfde is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
[^psalmen-148-1-b]: Verwijzing b: Lukas 2:14 . Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
[^psalmen-148-2-3]: Kanttekening 3: al Zijn legermachten: Te weten, die in de hemel zijt; zie de aantekening bij Gen. 2:1 ; Ps. 103:21 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht. Psalmen 103:21 : Looft YHWH, al Zijn legermachten! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet!
[^psalmen-148-3-4]: Kanttekening 4: u lichtende sterren: Hebr., כּוֹכְבֵי, sterren van het licht.
[^psalmen-148-4-5]: Kanttekening 5: hemelen van de hemel: Dat is, u allerhoogste hemelen. Zie Deut. 10:14 ; 1 Kon. 8:27 . Deuteronomium 10:14 : Ziet, van YHWH, uws Gods, is de hemel, en de hemel van de hemel, de aarde, en al wat daarin is. 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de hemel van de hemel zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
[^psalmen-148-4-6]: Kanttekening 6: u wateren: Dat is, die wolken, welke gelijk als in de lucht \[welke mee hemel genoemd wordt\] hangen; zie Gen. 1:6 , 1:7 ; Job 26:8 , en Job 37:11 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! Genesis 1:7 : En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo. Job 26:8 : Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet. Job 37:11 : Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk van Zijn licht.
[^psalmen-148-5-c]: Verwijzing c: Gen. 1:6 ; idem v. 7 ; idem v. 8 ; Ps. 33:6 ; idem v. 9 . Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! Genesis 1:7 : En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo. Genesis 1:8 : En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemel gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht. Psalmen 33:9 : Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^psalmen-148-6-d]: Verwijzing d: Ps. 104:5 ; Ps. 119:91 . Psalmen 104:5 : Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen. Psalmen 119:91 : Naar Uw bepalingen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
[^psalmen-148-6-e]: Verwijzing e: Job 14:5 ; idem 14:13 ; Job 26:10 ; Job 38:33 ; Jer. 31:35 ; Jer. 33:25 . Job 14:5 : Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; Job 14:13 : Och, of U mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat U mij een bepaling stelde, en mijn gedachtig was! Job 26:10 : Hij heeft een gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. Job 38:33 : Weet u de bepalingen van de hemel, of kunt u daarvan heerschappij op de aarde bestellen? Jeremia 31:35 : Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam: Jeremia 33:25 : Zo zegt YHWH: Als Mijn verbond niet is van dag en nacht; als Ik de ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb;
[^psalmen-148-6-7]: Kanttekening 7: die geen van: De zin is: Geen van al die dingen, orde, van God gesteld, overtreden.
[^psalmen-148-7-8]: Kanttekening 8: van de aarde: Dat is, u schepselen op aarde, of die van de aarde gemaakt zijt.
[^psalmen-148-7-9]: Kanttekening 9: De walvissen of zeedraken of andere zeemonsters worden onder de aarde begrepen, gelijk ook somtijds de zee zelve, gelijk er gezegd wordt dat God hemel en aarde geschapen heeft; Gen. 1:1 . Genesis 1:1 : In de beginne schiep God de hemel en de aarde.
[^psalmen-148-8-10]: Kanttekening 10: Zijn woord doet: Dat is, zijn bevel; te weten, het bevel van de Heer. De schepselen, die geen gevoel hebben, loven en dienen God op hun wijze, als God door hen zijn wil uitricht. Zie Ps. 19:4 , en Ps. 147:15 . Psalmen 19:4 : Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. Psalmen 147:15 : Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
[^psalmen-148-10-11]: Kanttekening 11: gevleugeld gevogelte: Hebr., צִפּוֹר, vogel van de vleugel.
[^psalmen-148-13-f]: Verwijzing f: Spr. 18:10 ; Jes. 12:4 . Spreuken 18:10 : De Naam van YHWH is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een Vesting gesteld worden. Jesaja 12:4 : En zult op dezelfde dag zeggen: Dankt YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.
[^psalmen-148-14-g]: Verwijzing g: Ps. 132:17 . Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^psalmen-148-14-12]: Kanttekening 12: hoorn van Zijn volk: Dat is, de macht en eer. Zie de aantekening bij Deut. 33:17 . Dit voornamelijk in Christus vervuld, die de hoorn van de zaligheid genoemd wordt, Luk. 1:69 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;
[^psalmen-148-14-13]: Kanttekening 13: de roem: Dat is, gevende hun stof van de lof zijns naams door zijn weldaden.
[^psalmen-148-14-14]: Kanttekening 14: Zijn gunstgenoten: Versta door gunstgenoten de kinderen van God, alle ware godzaligen, die barmhartig en goeddadig zijn, gelijk hun hemelse Vader is. Zie Ps. 4:4 . Psalmen 4:4 : Weet toch, dat YHWH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; YHWH zal horen, als ik tot Hem roep.
[^psalmen-148-14-15]: Kanttekening 15: van het volk, dat nabij Hem is: Dat is, dat een volk is, waarmee God zich in Christus nauwer verbonden en vermaagschapt heeft dan met enig ander volk; Joh. 20:17 ; Ef. 2:13 , 2:17 ; 1 Joh. 3:1 . Johannes 20:17 : Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broers, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Efeziërs 2:13 : Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:17 : En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren. 1 Johannes 3:1 : Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.

### Psalmen 149

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/149.json)

*Een vermaning tot dankzegging vanwege Gods goedgunstigheid jegens Zijn gemeente, en haar overwinning, die zij door Zijn kracht en genade verworven heeft.*

**1** Hallelujah![^psalmen-149-1-1] Zing YHWH een nieuw lied; Zijn lof zij[^psalmen-149-1-2] in de Gemeente[^psalmen-149-1-3] van Zijn gunstgenoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v1)

**2** Dat Israël zich verblijde[^psalmen-149-2-4] in[^psalmen-149-2-a] Degene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen van Sion zich verheugen[^psalmen-149-2-5] over hun Koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v2)

**3** [^psalmen-149-3-b] Dat zij Zijn Naam loven[^psalmen-149-3-6] op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v3)

**4** Want YHWH heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen[^psalmen-149-4-7] versieren met heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v4)

**5** Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om[^psalmen-149-5-8] die eer; dat zij[^psalmen-149-5-9] juichen op hun legers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v5)

**6** [^psalmen-149-6-10] De verheffingen Gods[^psalmen-149-6-11] zullen in hun keel zijn; en[^psalmen-149-6-12][^psalmen-149-6-c] een tweesnijdend zwaard in hun hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v6)

**7** Om[^psalmen-149-7-13] wraak te doen over de heidenen,[^psalmen-149-7-14] en bestraffingen over de volken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v7)

**8** Om hun koningen[^psalmen-149-8-15][^psalmen-149-8-d] te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v8)

**9** Om[^psalmen-149-9-16] het beschreven recht over hen te doen.[^psalmen-149-9-e] Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/149.html#v9)

[^psalmen-149-1-1]: Kanttekening 1: Zingt YHWH: Zie de aantekening bij Ps. 33:3 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^psalmen-149-1-2]: Kanttekening 2: in de gemeente: Dat is, Gods kerk, welke een verzameling is van de uitverkorenen.
[^psalmen-149-1-3]: Kanttekening 3: Zijn gunstgenoten: Dat is hier, en ook vers 5 , en vers 9 . Psalmen 149:5 : Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers. Psalmen 149:9 : Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!
[^psalmen-149-2-4]: Kanttekening 4: in Dengene: Hebr., in zijn makers. Zie Gen. 12:1 ; en Gen. 20:13 ; Job 35:10 ; Pred. 12:1 ; Jes. 54:5 . God heeft Israël niet alleen geschapen, maar ook tot zijn volk uitverkoren. Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer! Job 35:10 : Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht? Prediker 12:1 : En gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap, voordat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van die u zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelfde. Jesaja 54:5 : Want uw Maker is uw Man, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de hele aardbodem genaamd worden.
[^psalmen-149-2-a]: Verwijzing a: Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijn weide.
[^psalmen-149-2-5]: Kanttekening 5: over hun Koning: Of, vanwege hun Koning, te weten, Christus; gelijk Hoogl. 1:4 ; Matt. 21:5 , wiens voorbeeld David geweest is. Hooglied 1:4 : Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief. Mattheüs 21:5 : Zegt de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin.
[^psalmen-149-3-b]: Verwijzing b: Ps. 81:3 ; idem v. 4 . Psalmen 81:3 : Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit. Psalmen 81:4 : Blaast de bazuin in de nieuwe maan, op de vastgestelde tijd, op onze feestdag.
[^psalmen-149-3-6]: Kanttekening 6: op de trommel en harp: Anders: in reien; gelijk Ps. 30:12 , en Ps. 150:4 ; Jer. 31:4 , 31:13 . Psalmen 30:12 : U hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; U hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; Psalmen 150:4 : Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel! Jeremia 31:4 : Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden. Jeremia 31:13 : Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in de rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
[^psalmen-149-4-7]: Kanttekening 7: versieren met heil: Dat is, hij maakt hen heerlijk, nadat Hij hen heeft gered en verhoogd. Ja, Hij zal hen brengen tot de genieting van de eeuwige vreugde en zaligheid.
[^psalmen-149-5-8]: Kanttekening 8: die eer: Die God hun aandoet. Zie het voorgaande vers 4 . Psalmen 149:4 : Want YHWH heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.
[^psalmen-149-5-9]: Kanttekening 9: op hun legers: Op welke zij zacht liggen en rusten, omdat God de Heer hen bewaart. Zie Ps. 3:6 . De zin is: Zij zullen de Heer loven bij dag en bij nacht, zelfs als zij op hun bedden liggen. Psalmen 3:6 : Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunde mij.
[^psalmen-149-6-10]: Kanttekening 10: De verheffingen: Dat is, de lofzangen, waarmee zij de heerlijke werken van God verheffen zullen. Anders: de opheffingen; te weten, van de stem, dat is, de predikatiën van het goddelijke Woord.
[^psalmen-149-6-11]: Kanttekening 11: zullen in hun keel zijn: Dat is, zullen overluid uitgesproken of uitgeroepen worden, gelijk Jes. 58:1 . Jesaja 58:1 : Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.
[^psalmen-149-6-12]: Kanttekening 12: tweesnijdend zwaard: Hebr., חֶרֶב, het zwaard van de monden; dat is, met twee monden of scherpten, gelijk de aantekening bij Richt. 3:16 . Dit tweesnijdend zwaard is Gods Woord, en komt uit de mond van Christus, en met dit zwaard overwinnen de gelovigen de duivel, de wereld en de geweldigen van de wereld; 2 Kor. 10:4 ; Ef. 6:17 ; Hebr. 4:12 ; Openb. 1:16 . Richteren 3:16 : En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn kleren, aan zijn rechterheup. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; Efeziërs 6:17 : En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. Openbaring 1:16 : En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.
[^psalmen-149-6-c]: Verwijzing c: Hebr. 4:12 ; 2 Thes. 2:8 ; Openb. 1:16 . Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van de mergs, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van de harten. 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning Zijn toekomst; Openbaring 1:16 : En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.
[^psalmen-149-7-13]: Kanttekening 13: wraak te doen: Te weten, met woorden, gelijk Joh. 16:8 , enz. Johannes 16:8 : En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:
[^psalmen-149-7-14]: Kanttekening 14: Dit geschiedt met te prediken tegen de heidenen en de ongelovige afgoderij en goddeloosheid, gelijk Hand. 14:1 , en Hand. 17:16 , 17:17 , 17:22 , enz. Verg. dit met Jes. 41:15 , en met 2 Kor. 10:4 , 10:5 . Handelingen 14:1 : En het geschiedde te Ikonium, dat zij te zamen gingen in de synagoge van de Joden, en zo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde. Handelingen 17:16 : En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was. Handelingen 17:17 : Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen. Handelingen 17:22 : En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zei: U mannen van Athene! ik bemerke, dat u alleszins gelijk als godsdienstiger bent. Jesaja 41:15 : Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;
[^psalmen-149-8-15]: Kanttekening 15: te binden met: Te weten, door strafpredikatiën en met inbinding van hun zonden, hen zo brengende onder het juk en de onderdanigheid van het heilige Evangelie. Zie Jes. 45:14 ; Ps. 2:3 ; Mark. 6:20 ; Hand. 24:26 ; Openb. 21:24 . Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer. Psalmen 2:3 : Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Marcus 6:20 : Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem graag. Handelingen 24:26 : En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelfde.
[^psalmen-149-8-d]: Verwijzing d: Matt. 18:18 . Mattheüs 18:18 : Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen.
[^psalmen-149-9-16]: Kanttekening 16: het beschreven recht: Dat is, om hen vrij te spreken van hun afgoderij en andere zonden, als zij zich oprecht bekeren. Maar als zij zich oprecht bekeren. Maar als zij in hun goddeloosheid blijven steken, hun de dood en de eeuwige verdoemenis te verkondigen, naar inhoud van het woord van God, in de boeken van de heilige Schrift geopenbaard.
[^psalmen-149-9-e]: Verwijzing e: Deut. 4:6 . Deuteronomium 4:6 : Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!

### Psalmen 150

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/psalmen/150.json)

*Een vermaning om Gods heiligheid, macht en goedertierenheid te loven met allerlei muziekinstrumenten, en ook met de stem.*

**1** Hallelujah![^psalmen-150-1-1] Loof God[^psalmen-150-1-2] in[^psalmen-150-1-a] Zijn heiligdom; loof Hem[^psalmen-150-1-3] in het uitspansel van Zijn sterkte! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v1)

**2** Loof Hem vanwege[^psalmen-150-2-4] Zijn mogendheden; loof Hem[^psalmen-150-2-5] naar de veelvuldigheid van Zijn grootheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v2)

**3** Loof Hem met geklank van de bazuin; loof Hem met de luit en met de harp! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v3)

**4** Loof Hem met de trommel en[^psalmen-150-4-6] fluit; loof Hem met snarenspel en[^psalmen-150-4-7] orgel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v4)

**5** Loof Hem met[^psalmen-150-5-8] hel klinkende cimbalen; loof Hem met cimbalen van vreugdegeluid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v5)

**6** [^psalmen-150-6-9] Alles, wat adem heeft, love YHWH! Hallelujah! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/psalmen/150.html#v6)

[^psalmen-150-1-1]: Kanttekening 1: Dit is een verkorting van YHWH, de heilige naam van God.
[^psalmen-150-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen, in de tempel en in de hemel.
[^psalmen-150-1-a]: Verwijzing a: Jes. 6:3.
[^psalmen-150-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen, in het gewelf van de hemel, dat zijn kracht en heerlijkheid openbaart.
[^psalmen-150-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen, zijn wonderbare werken in schepping en verlossing.
[^psalmen-150-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen, naar de maat van zijn onbegrijpelijke grootheid.
[^psalmen-150-4-6]: Kanttekening 6: Als Ps. 149:3.
[^psalmen-150-4-7]: Kanttekening 7: Het Hebreeuws: woord wert zelden gevonden, en daarom wordt het verscheydelijk overgeset. Het betekend een lieflijk instrument bij Iubal gevonden, Gen. 4:21. Zie Job 21:12. en 30:31.
[^psalmen-150-5-8]: Kanttekening 8: Of, lieflijk klinckende. Hebreeuws: hoor-cymbalen, dat wil zeggen: die lieflijk zijn aan te hooren: Deze Musijk-instrumenten waren van metaal, als schellen of bellen.
[^psalmen-150-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws,: Alle adem. zie d’aant. Gen. 7. op vers 22. Deze woorden verklaart d’Apostel Johannes breeder zo: Ik hoorde alle schepselen die in de Hemel, en op de aarde, en in de zee zijn, en al wat daar in is, zeggen, Hem die op de throon zit, en de Lamme, zy lof, en eere, en heerlickheid, en kracht, van eeuwigeid tot eeuwigeid, Amen. Openb. 5:13.

## Spreuken

### Spreuken 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/1.json)

*Over het nut van deze spreuken, vers 1 enz. De plicht van de kinderen jegens de ouders, 8. Waarschuwing voor het gezelschap van de goddelozen, 11. De eeuwige Wijsheid zelf wordt sprekend ingevoerd, klagend over haar verachting, vermanend tot bekering, en de ongehoorzamen het eeuwige verderf dreigend, terwijl zij de gehoorzamen een vaste gelukzaligheid belooft, 20.*

**1** De[^spreuken-1-1-1] spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v1)

**2** Om[^spreuken-1-2-2] wijsheid en[^spreuken-1-2-3] tucht te weten; om te verstaan[^spreuken-1-2-4] redenen[^spreuken-1-2-5] van het verstand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v2)

**3** Om aan te nemen onderwijs van[^spreuken-1-3-6] goed verstand,[^spreuken-1-3-7] gerechtigheid, en[^spreuken-1-3-8] recht, en[^spreuken-1-3-9] eerlijkheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v3)

**4** Om de[^spreuken-1-4-10] eenvoudigen[^spreuken-1-4-11] verstandigheid te geven, de[^spreuken-1-4-12] jongeling[^spreuken-1-4-13] wetenschap en[^spreuken-1-4-14] bedachtzaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v4)

**5** Die wijs is, zal horen, en zal[^spreuken-1-5-15] in lere toenemen; en die verstandig is, zal[^spreuken-1-5-16] wijzen raad bekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v5)

**6** Om te verstaan een[^spreuken-1-6-17] spreuk en[^spreuken-1-6-18] de uitlegging, de woorden van de wijzen en hun[^spreuken-1-6-19] raadselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v6)

**7** [^spreuken-1-7-a] De vrees van YHWH is het[^spreuken-1-7-20] begin van de wetenschap;[^spreuken-1-7-21] de dwazen verachten wijsheid en tucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v7)

**8** [^spreuken-1-8-22] Mijn zoon! hoor de tucht van uw vader, en verlaat de[^spreuken-1-8-23] leer van uw moeder niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v8)

**9** Want zij zullen uw hoofd[^spreuken-1-9-24] een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw[^spreuken-1-9-25] hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v9)

**10** Mijn zoon! als[^spreuken-1-10-26] de zondaars u[^spreuken-1-10-27] aanlokken,[^spreuken-1-10-b] bewillig niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v10)

**11** Als zij zeggen: Ga met ons, laat ons[^spreuken-1-11-28] loeren op bloed, ons[^spreuken-1-11-29] versteken tegen de onschuldige,[^spreuken-1-11-30] zonder oorzaak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v11)

**12** Laat ons hen[^spreuken-1-12-31] levend verslinden,[^spreuken-1-12-32] als het graf; ja, geheel en al, zoals[^spreuken-1-12-33] die in de kuil neerdalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v12)

**13** Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v13)

**14** U[^spreuken-1-14-34] zult uw lot midden onder ons werpen;[^spreuken-1-14-35] wij zullen allen één beurs hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v14)

**15** Mijn zoon![^spreuken-1-15-36] wandel niet met hen op de weg; weer uw[^spreuken-1-15-37] voet van hun pad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v15)

**16** Want hun[^spreuken-1-16-c] voeten lopen[^spreuken-1-16-38] ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v16)

**17** Zeker,[^spreuken-1-17-39] het net wordt[^spreuken-1-17-40] tevergeefs gespreid voor de ogen van[^spreuken-1-17-41] allerlei gevogelte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v17)

**18** En deze[^spreuken-1-18-42] loeren op hun eigen bloed, en[^spreuken-1-18-43] versteken zich tegen hun zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v18)

**19** Zo zijn de[^spreuken-1-19-44] paden van een ieder die[^spreuken-1-19-45] gierigheid pleegt;[^spreuken-1-19-46] zij zal de ziel[^spreuken-1-19-47] van haar[^spreuken-1-19-48] meester vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v19)

**20** De[^spreuken-1-20-49] opperste Wijsheid[^spreuken-1-20-50] roept overluid daarbuiten; Zij[^spreuken-1-20-51] verheft Haar stem op de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v20)

**21** Zij roept[^spreuken-1-21-52] in het voorste van de woelingen; aan de deuren[^spreuken-1-21-53] van de poorten spreekt Zij Haar redenen in de[^spreuken-1-21-54] stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v21)

**22** [^spreuken-1-22-55] U eenvoudigen! hoe lang zult u van de slechtigheid houden, en[^spreuken-1-22-56] de spotters voor zich de spotternij begeren, en de[^spreuken-1-22-57] zotten wetenschap haten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v22)

**23** [^spreuken-1-23-58] Keer u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal[^spreuken-1-23-59] Mijn Geest u overvloedig[^spreuken-1-23-60] uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v23)

**24** Omdat Ik[^spreuken-1-24-d] geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand[^spreuken-1-24-61] uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v24)

**25** En u al Mijn raad[^spreuken-1-25-62] verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v25)

**26** Zo zal Ik ook in uw verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw[^spreuken-1-26-63] vrees komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v26)

**27** Wanneer uw vrees[^spreuken-1-27-e] komt gelijk een[^spreuken-1-27-64] verwoesting, en uw verderf aankomt[^spreuken-1-27-65] als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v27)

**28** Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen[^spreuken-1-28-66] Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v28)

**29** Daarom, dat zij de[^spreuken-1-29-67] wetenschap gehaat hebben, en de vrees voor YHWH niet hebben gekozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v29)

**30** Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v30)

**31** [^spreuken-1-31-68] Zo zullen zij[^spreuken-1-31-69] eten van de[^spreuken-1-31-70] vrucht van hun weg, en[^spreuken-1-31-71] zich verzadigen met hun raadslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v31)

**32** Want de[^spreuken-1-32-72] afkering van de eenvoudigen[^spreuken-1-32-73] zal hen doden, en de[^spreuken-1-32-74] voorspoed van de zotten zal hen verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v32)

**33** Maar die naar Mij hoort, zal[^spreuken-1-33-75] zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/1.html#v33)

[^spreuken-1-1-1]: Kanttekening 1: Zie van’t Hebreeuwse woord, 1 Kon. 4. op vers 32.
[^spreuken-1-2-2]: Kanttekening 2: Verstaat een vaste, en grondige kennis van goddelijke, en menselijke dingen, om zich zelf in geloof, en leven wel te schikken. Vergelijk 1 Kon. 3. op vers 14.
[^spreuken-1-2-3]: Kanttekening 3: Verst. het onderwijs dat gegeven wordt, om tot de wijsheid te geraken.
[^spreuken-1-2-4]: Kanttekening 4: Ofte, redenen, die verstandig voorgestelt zijn.
[^spreuken-1-2-5]: Kanttekening 5: Dit houdtmen te zijn de kloekheid, en voorzichtigheid van de geest, waar door de wijsheid tot het recht gebruik wel wordt aangelegt. Vergelijk 1 Kon. 3. op vers 12.
[^spreuken-1-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk waar door men mach kloeksinnich, wijs, vernuftich, en voorzichtig worden, in al hetgeen de mens in zijn doen, of laten zou mogen voorvallen. Vergelijk hieronder, 3:4. en 13:15. en c. 21:16.
[^spreuken-1-3-7]: Kanttekening 7: Verst. de gantschen plicht, die wy God, en onze naasten schuldig zijn, na uitwijsen van de eerste, en tweede tafel.
[^spreuken-1-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk waar door wy tegen onze naasten doen dat wy schuldig zijn, achtervolgende het voorschrift van de tweede tafel eigenlijk.
[^spreuken-1-3-9]: Kanttekening 9: Die onderhouden moeten zijn in alle tsamenhandelingen, en verschillen van de mensen na de aart van de liefde, en de eis van de zaak.
[^spreuken-1-4-10]: Kanttekening 10: Dit woord is soms in’t quade genomen voor degenen, die door haar domheid lichtelijk gelooven, zich lichtelijk laten omsetten, en van het goede verleiden. Zie Job 5. op vers 2. zo ook hieronder, versen 22, en 32. eveneens 7:7. en 8:5. en 14:15, 18. Somtijts is het Hebreeuws: woord in’t goede genomen, voor degenen die leerzaam, onnoosel, eenvoudich, en recht uit zijn, en lichtelijk van de boose bedrogen, en beschadigd zouden worden, tenzij God hen, op de welke zij vertrouwen, als een vader bewaarde, Ps. 19:8. en 116:6. hieronder, 19:25. Mat. 10:16.
[^spreuken-1-4-11]: Kanttekening 11: Dit woord is hier in’t goede genomen voor een kloek, wacker, subtijl, en scherp verstant, als hieronder, 8. versen 5, 12. eveneens 19:25. Elders ist genomen in’t quade voor erglistigheid, en snoode schalckheid, als Ex. 21:14. Joz. 9:4. Job 5:12. en 15:5.
[^spreuken-1-4-12]: Kanttekening 12: Zo in jaren als in verstant.
[^spreuken-1-4-13]: Kanttekening 13: Verst. niet een bloote kennis van de dingen diemen weten moet, maar ook van de redenen daar van.
[^spreuken-1-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: een kloek, en vernuftich bedenken, vereenicht met bijzondere voorzichtigheid. Zo ook hieronder, 2:11. en 3:21. zie Job 21. d’aantekening op vers 27.
[^spreuken-1-5-15]: Kanttekening 15: Zie van ’t Hebreeuwse woord overgeset, leer, Job c. 11. op vers 4. Ofte, zal geleertheid vermeerderen, of, in begrijp toenemen. Vergelijk hieronder, 9:9. Hebreeuws: eigenl. leer toedoen.
[^spreuken-1-5-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: wijze raden. in’t getal van velen. Zie van dit woord Job 37. op vers 12.
[^spreuken-1-6-17]: Kanttekening 17: Zie hierboven, op vers 1.
[^spreuken-1-6-18]: Kanttekening 18: Namelijk van dezelfde spreuk. Anders, konstige redenen. Dat wil zeggen: bequame welsprekentheid, om zijn woord wel te doen.
[^spreuken-1-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: redenen, die een verborgenen en diepen sin hebben. Zie Richt. 14. op vers 12. en 1 Kon. 10. op vers 1.
[^spreuken-1-7-a]: Verwijzing a: Job 28:28. Ps. 111:10. Spr. 9:10. Eccl. 12:15.
[^spreuken-1-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: de grontslag, en het fondament van de ware wijsheid, namelijk om die ten vollen te verkrijgen; even zoals int bouwen van een huis het fondament het begin is van de resterende bouwing, om die te voltooien. Zie Ps. 111. op vers 10.
[^spreuken-1-7-21]: Kanttekening 21: Verst. door deze meest de mensen, die vele valse opinien ingedronken hebbende, de rechte weg van de wijsheid, en de vrees van God niet en volgen. Zie Job 5. op vers 2.
[^spreuken-1-8-22]: Kanttekening 22: Zo noemt Salomo alle degenen, die zijn leer hooren, of lesen, om te toonen niet alleen, dat hij ze met een vaderlijk gemoet voortbrengt, maar ook dat zij die met een kinderlijke, en geheel gehoorsame toegenegentheid behoorden te ontvangen, zo ook hieronder, versen 10, 15. en 2:1. en 3:1, etc. Vergelijk Richt. 17. op vers 10. 1 Kon. 20. op vers 35. en 2 Kon. 2. op vers 12. Ps. 34. op vers 12.
[^spreuken-1-8-23]: Kanttekening 23: Ofte, wet, of, onderwijzing. Zo ook hieronder, 3:1. en 4:2. en 6:20, 23. en 7:2.
[^spreuken-1-9-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: een toevoechsel van de aangenaemheid, dat is, ’t welk u aangenaam, en aansienlijk maken zal. zo ook hieronder, 4:9.
[^spreuken-1-9-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: gorgel.
[^spreuken-1-10-26]: Kanttekening 26: Verst. grove, en onbekeerde zondaars. Zie 1 Sam. 15. op vers 18.
[^spreuken-1-10-27]: Kanttekening 27: Ofte, verleiden willen. Dat is, zullen zoeken met schone woorden te bepraten, en te vervoeren. Zie van ’t Hebreeuws: woord Richt. 14. op vers 15.
[^spreuken-1-10-b]: Verwijzing b: Spr. 4:14.
[^spreuken-1-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk om dat met dootslaan, en moorden te vergieten. Bloet, voor dootslach. Zie Gen. 37. op vers 26.
[^spreuken-1-11-29]: Kanttekening 29: Dat is, lagen leggen. Zo ook Ps. 56. en hieronder, vers 18.
[^spreuken-1-11-30]: Kanttekening 30: Dat is, zonder dat hij het verdient heeft. Zo ook Ps. 35. vers 7.
[^spreuken-1-12-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: zonder barmhartigheid. Vergelijk Ps. 124:3.
[^spreuken-1-12-32]: Kanttekening 32: Dat is, zoals het graf de doode lichamen verslint. Vergelijk hieronder, 27:20. en 30:16.
[^spreuken-1-12-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: de nederdalende van de kuil. zo ook Gen. 23:10. de ingangers van zijn Stadts-poorte, dat wil zeggen: die ter poorte van zijn stadt ingingen. Ps. 78:9. schutters van de boge, dat wil zeggen: die met de boge schieten.
[^spreuken-1-14-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: de buit met ons helpen deelen: ’t welke gewoonlijk geschiedt met loting, als ieder zijn deel daar uit begeert te trekken.
[^spreuken-1-14-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: allen roof zullen wy gemeen hebben, en onder ons deelen.
[^spreuken-1-15-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: en houdt met hen geen gemeenschap, of, en verkeert niet met hen. Vergelijk de manier van spreken met 1 Sam. 25:15. Ps. 1:1.
[^spreuken-1-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: gaat niet met haar in haar quade wegen. verder kan men hier door verstaan, affecten, genegentheden, bewegingen: want zoals de voeten het lichaam herwaarts, en gintswaarts dragen, zo wordt de geest van de mensen door de affecten tot velerlei voornemen, en werk gedreven. Vergelijk hieronder, vers 16. en 5:5. en 6:18, etc.
[^spreuken-1-16-c]: Verwijzing c: Jes. 59:7. Rom. 3:15.
[^spreuken-1-16-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: om iemand kwaad, of schade te doen.
[^spreuken-1-17-39]: Kanttekening 39: De betekenis is, zoals een vogel te vergeefs het net uitgespannen ziet, omdat hij daar op niet en let, maar zijn ogen alleene heeft op het aas, daar op hij vallende gevangen wordt: zo en letten de boosdoenders niet op het perikel, daar in zij zich zelf steken, als zij om eenich tijdelijk voordeel haar naasten beschadigen, maar vallen in de handen van de Overheid, diese na haar verdiensten straft, of, werden van God andersins geplaecht.
[^spreuken-1-17-40]: Kanttekening 40: Welverstaande, ten aansiene van het gevogelte, omdat het door de uitspanning van het net niet gewaarschouwt en wordt van het perikel; maar wordt door een gretigen lust alleen tot het aas gedreven. Sommige duiden dit zo: dat de vogels, als zij het net zien spreyden, daar door gewaarschouwt worden, en weg-vliegen; maar dat de goddeloze zo dom zijn, dat zij haar eigen net bereiden daar in zij gevangen zullen worden.
[^spreuken-1-17-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, בַּעַל: van allen Heer van de vleugels. Dat wil zeggen: van allerlei gevogelte, of, al dat vleugelen heeft. zie Gen.14. op vers 13.
[^spreuken-1-18-42]: Kanttekening 42: Namelijk zij, van de welke gesproken is, hierboven, 15, 16. De betekenis is, dat zij haar eigen leven in het verderf brengen, mits te staan na het leven van een ander. Vergelijk hieronder, 8. vers 36. en d’aant.
[^spreuken-1-18-43]: Kanttekening 43: Zie hierboven, op vers 11.
[^spreuken-1-19-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: voornemen, daden, en werken. Vergelijk Gen. 6. op vers 12. eveneens hieronder, 2. vers 15. en 22:25.
[^spreuken-1-19-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: gierigheid giert, of, met gierigheid giert. zo ook hieronder, 15:27. Jer. 6:13. Ez. 22:27. Hab. 2:9. Het Hebreeuwse woord is meest altijt in ’t quade genomen voor vuil, gierich, en oneerlijke winst. Zie Gen. 37:26. Ex. 18:21. 1 Sam. 8:3. Ps. 119:36. hieronder, 28:16. Jes. 56:11.
[^spreuken-1-19-46]: Kanttekening 46: Namelijk de gierigheid.
[^spreuken-1-19-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: van degenen, die de gierigheid plegen. Zie van ’t woord Baäl. Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-1-19-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: in’t verderf brengen: Zoals een vogel door het aas, daar hij na vliecht, gevangen wordt, en aan zijn dood komt.
[^spreuken-1-20-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: wijsheden; in’t getal van vele, dat is, de hoogste, uitnemenste, of opperste wijsheid. Zo ook hieronder, 9:1. en Ps. 49:4. zo ook wordt Job 40. vers 10. een groot beest genoemd Behemot, dat wil zeggen: beesten, in’t getal van velen. Dit geschiedt om enige zaken te vergrooten, of te vermenichvuldigen. Anders: elke wijsheid, of, menigerley wijsheid, of, \[wijsheid\] van de wijsheden. Men kan hier door deze wijsheid verstaan, of de wesentlijke wijsheid van de Vader, die is de Sone Gods, daar van zie hieronder, 8. of de wijsheid begrepen in de H. Schrift, die alle wijsheid van de mensen te boven gaat. Sommige verstaan de wijsheid, die door Gods woord, en de werken van de goddelicker voorzichtigheid geopenbaard wordt.
[^spreuken-1-20-50]: Kanttekening 50: Namelijk door de Predikers van Gods woord, of ook door de werken van de schepping, en regering van alle dingen.
[^spreuken-1-20-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws: geeft. Dat wil zeggen: zij verheft haar stemme, en laatse hooren. zo ook Gen. 45:2. hieronder, 2:3. en 8:1.
[^spreuken-1-21-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, רֹאשׁ: in ’t hoofd van de woelingen. Verst. de plaatsen daar grote vergadering is van volk, en daar in ook veel gewoels.
[^spreuken-1-21-53]: Kanttekening 53: Daar het gerichte gehouden werd, en dus grote bij-een-komst van volk was. Zie Gen. 22. op vers 17.
[^spreuken-1-21-54]: Kanttekening 54: Verst. elke stadt van het lant Israëls.
[^spreuken-1-22-55]: Kanttekening 55: Dit zijn de woorden van de wijsheid, die Salomo zo sprekende invoert: van het woord slechte. zie hierboven, op vers 4.
[^spreuken-1-22-56]: Kanttekening 56: Zie Ps. 1. op vers 1.
[^spreuken-1-22-57]: Kanttekening 57: Verst. niet narren, en sinneloose, die het redelijk gebruik van het menselijke verstand niet en hebben, maar die berooft zijn van de ware wijsheid ten eeuwigen leven leidende, nochte daarna te trachten genegen zijn, maar alleene met dit tijdelijke leven zich bekommeren.
[^spreuken-1-23-58]: Kanttekening 58: Namelijk om die aan te hooren, en na te volgen. Anders: bekeert u op mijn bestraffing, dat is, doet boete, en betert u door kracht van mijn bestraffing. Verstaat een bestraffing, die geschiedt door woorden van onderwijzing, en vermaning. zo ook hieronder, versen 25, 30.
[^spreuken-1-23-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: de kennis van mijn sin, en wille. zie het woordeken geest zeer in gelijken sin, dat is, voor de gave van het verstand genomen, Ps. 76. vers 13. hieronder, 29:11. Joël 2:28.
[^spreuken-1-23-60]: Kanttekening 60: Eene manier van spreken genomen van de Fonteynen, uit de welke het water met grote overvloet voortspringt. Zie van het Hebreeuwse woord דְבָרַ, Ps. 19. op vers 3. Het wordt gebruikt in ’t goede, als hier, en in de voorgemelde plaats, en in’t quade, als hieronder, 15:2, 28.
[^spreuken-1-24-d]: Verwijzing d: Jes. 65:12. en 66:4. Ierem. 13:10.
[^spreuken-1-24-61]: Kanttekening 61: Namelijk om u tot bekeering te noodigen. Zie gelijke wijze van spreken Jes. 65:2.
[^spreuken-1-25-62]: Kanttekening 62: Het Hebreeuws: woord is in gelijken sin genomen, hieronder, 4:15. en 8:33. en 13:18. en 15:32. Anders: hebbet \[u van\] mijn raad onttrokken, of, ontblootet. Anders: hebbet mijn raad doen ophouden.
[^spreuken-1-26-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: het kwaad, en ongeluk, daarin u zeer bevreest, en verslagen zult zijn: of, daar u voor vreest. Zo ook in’t volgende vers zie Job 39. op vers 25.
[^spreuken-1-27-e]: Verwijzing e: Job 27:9. en 35:12. Jes. 1:15. Jer. 11. vers 11. en 14:12. Ez. 8:18. Micha 3:4.
[^spreuken-1-27-64]: Kanttekening 64: Die haar wijt, en breet met groot geruisch uitspreit, en geweldige schade doet. zie van deze gelijkenis ook Ps. 35:8. en d’aant. hieronder, 3:25. Jes. 10:3. en 47:11.
[^spreuken-1-27-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: zeer snel, schrickelijk, en geweldelijk. zie van zulke gelijkenis ook Job 9. op vers 17.
[^spreuken-1-28-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: met grote zorg, en vlytigheid zoeken. Zie Job 8. op vers 5.
[^spreuken-1-29-67]: Kanttekening 67: Zie hierboven, op vers 4.
[^spreuken-1-31-68]: Kanttekening 68: Ofte, daarom zullen zij eten, etc.
[^spreuken-1-31-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: ontvangen, en verkrijgen de straf, of vergelding van haar boose werken. Zie Job 21. op vers 25.
[^spreuken-1-31-70]: Kanttekening 70: Dit woord is genomen voor allerlei kwaad, of, goed, dat yewers uit voorkomt. voor het kwaad, als hier, Jes. 10:12. Jer. 6:19. Micha 7. vers 13. Luk. 6:43. Voor het goed. hieronder, 8:19. en 31:31. Amos 6:12. Gal. 5:22. Fil. 1:11.
[^spreuken-1-31-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: een verdrietigen overvloet van plagen over zich brengen, veroorzaakt door haar ongeseggelijke, en hartneckige zinnen. Zie van deze manier van spreken, Job 7:4. en de aantekening
[^spreuken-1-32-72]: Kanttekening 72: Namelijk waar door zij hen afwenden van de leer, en vermaning van de wijsheid.
[^spreuken-1-32-73]: Kanttekening 73: Namelijk de slechte: het welke geschiedt door middel van de Overheid, of andere middelen, en van God zelf.
[^spreuken-1-32-74]: Kanttekening 74: Verst. die zij, of andere boose menichmaal in dit leven hebben, waar door zij in haar afwijcking gestijft worden.
[^spreuken-1-33-75]: Kanttekening 75: Hebreeuws: in, of, met zekerheid, dat wil zeggen: niet alleene zonder quade bejegening, maar ook zonder vrees daar van. De zelf manier van spreken is, Lev. 25:18. Deut. 33:12. Jes. 47:8. Jer. 23:6. Ez. 39:26, etc.

### Spreuken 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/2.json)

*Verscheidene beloften van grote voordelen, voor hen die de ware wijsheid met ijver nastreven en verkrijgen: in het bijzonder dat zij gestuurd en bewaard zullen worden op de weg van het leven, en behoed voor het goddeloze gezelschap dat de weg van het verderf ingaat.*

**1** [^spreuken-2-1-1] Mijn zoon! zo u mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u[^spreuken-2-1-2] weglegt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v1)

**2** Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo u uw hart tot[^spreuken-2-2-3] verstandigheid neigt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v2)

**3** [^spreuken-2-3-4] Ja, zo u tot het verstand[^spreuken-2-3-5] roept, uw stem[^spreuken-2-3-6] verheft tot de verstandigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v3)

**4** [^spreuken-2-4-a] Zo u haar zoekt als[^spreuken-2-4-7] zilver, en naspeurt als verborgen schatten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v4)

**5** Dan zult u de vrees voor YHWH verstaan, en zult de kennis van[^spreuken-2-5-8] God vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v5)

**6** [^spreuken-2-6-b] Want YHWH geeft wijsheid;[^spreuken-2-6-9] uit Zijn mond komt kennis en verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v6)

**7** Hij legt weg voor de oprechten een[^spreuken-2-7-10] bestendig wezen;[^spreuken-2-7-11] Hij is een Schild van hen, die[^spreuken-2-7-12] oprecht wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v7)

**8** Opdat zij[^spreuken-2-8-13] de paden van het recht houden; en Hij zal de weg van Zijn[^spreuken-2-8-14] gunstgenoten[^spreuken-2-8-15] bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v8)

**9** Dan zult u verstaan[^spreuken-2-9-16] gerechtigheid, en recht, en eerlijkheid, en[^spreuken-2-9-17] alle goed pad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v9)

**10** Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v10)

**11** Zo zal de bedachtzaamheid[^spreuken-2-11-18] over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v11)

**12** Om u te redden van[^spreuken-2-12-19] de kwade weg, van de man, die[^spreuken-2-12-20] verkeerdheden spreekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v12)

**13** Van degenen, die[^spreuken-2-13-21] de paden van de[^spreuken-2-13-22] oprechtheid verlaten, om[^spreuken-2-13-23] te gaan in de wegen van de duisternis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v13)

**14** Die blij zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden[^spreuken-2-14-24] van de kwaden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v14)

**15** [^spreuken-2-15-25] Van wie de paden verkeerd zijn[^spreuken-2-15-26], en[^spreuken-2-15-27] afwijkende in hun sporen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v15)

**16** [^spreuken-2-16-28] Om u te redden van[^spreuken-2-16-29] de vreemde vrouw,[^spreuken-2-16-c] van de onbekende,[^spreuken-2-16-30] die met haar redenen vleit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v16)

**17** Die de[^spreuken-2-17-31] leidsman van haar jeugd verlaat, en[^spreuken-2-17-32] het verbond van haar God vergeet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v17)

**18** [^spreuken-2-18-33] Want haar huis helt[^spreuken-2-18-34] naar de dood, en haar paden naar de[^spreuken-2-18-35] overledenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v18)

**19** Allen die[^spreuken-2-19-36] tot haar ingaan,[^spreuken-2-19-37] zullen niet terugkomen, en zullen de paden[^spreuken-2-19-38] van het leven niet aantreffen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v19)

**20** [^spreuken-2-20-39] Opdat u wandelt op de weg van de goeden, en houdt de[^spreuken-2-20-40] paden van[^spreuken-2-20-41] de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v20)

**21** [^spreuken-2-21-d] Want de vromen[^spreuken-2-21-42] zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin[^spreuken-2-21-43] overblijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v21)

**22** [^spreuken-2-22-e] Maar de goddelozen[^spreuken-2-22-44] zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de[^spreuken-2-22-45] trouwelozen zullen er van uitgerukt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/2.html#v22)

[^spreuken-2-1-1]: Kanttekening 1: Van het 22. vers van het voorgaande hoofdstuk tot hier toe, heeft Salomo de woorden van de wijsheid verhaalt. Nu spreekt hij weer in zijn eigenen persoon, zoals dit kan afgenomen worden uit de vergelijcking van de versen 10, 15. van het voorgaande hoofdstuk.
[^spreuken-2-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk als een schat, en nootsakelijke ware, Zie Job 23. op vers 12. eveneens hieronder, vers 7.
[^spreuken-2-2-3]: Kanttekening 3: Verstandigheid, en verstant, is vast een dink. Wat nu verstant zy. Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-2-3-4]: Kanttekening 4: Het Hebreeuwse woordeken is zo genomen 2 Kon. 18:34.
[^spreuken-2-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: met alle nijverheid zoekt te krijgen. ’T is een gelijkenis genomen van degenen, die iemand noodelijk van doene hebbende hem met een eernstich, en gestadich geroep zoekt bij zich te krijgen.
[^spreuken-2-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws: geeft. zo ook hierboven, 1:20.
[^spreuken-2-4-a]: Verwijzing a: Mat. 13:44.
[^spreuken-2-4-7]: Kanttekening 7: Vergelijk Mat. 13. versen 44, 45, 46.
[^spreuken-2-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk door Gods genadige verlichting, Iac. 1:5. die degenen, de welke door de rechte middelen na het goede trachten, hetzelve laat vinden, Mat. 7:7. want dit woord ziet op het woord zoeken, ’t welk is in’t laatste voorgaande vers Vergelijk hieronder, 3:13. en de aantekening
[^spreuken-2-6-b]: Verwijzing b: Iac. 1:5. 1 Kon. 3:9, 12.
[^spreuken-2-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: uit zijn genadich wel-behagen, en door de openbaring van zijn heilig woord: want de mond van God is soms zijn wille, en wel-behagen, Deut. 8:3. soms de openbaring daar van, Num. 9:18. Ps. 119:72.
[^spreuken-2-7-10]: Kanttekening 10: Ofte, een vasten staat: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk dat wesentlijk is, vast, en bestendich. Verst. hier, of de ware wijsheid, en vaste leer van de waarheid, die gesteld wordt tegen de ijdele wetenschap van deze wereld; of het eeuwige, hemelse goed, ’twelk wordt gesteld tegen de licht-verganckelijke dingen van deze aarde. Zie van het Hebreeuwse woord breeder, Job 5. op vers 12. en vergelijk Ps. 37 op vers 3.
[^spreuken-2-7-11]: Kanttekening 11: Namelijk de Heer. Zie Gen. 15. op vers 1. Andre verstaan door deze schilt de ware, en vaste wijsheid, en leer van de zaligheid. Vergelijk Ps. 91:4.
[^spreuken-2-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: leven in ongeveinsde vromigheid. Zie ook 1 Kon. 9:4. Ps. 26:11. hieronder, 10:9. en 20:7. en 28:6, etc. eveneens zie Gen. 20. op vers 5.
[^spreuken-2-8-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: steets het voorschrift van Gods woord volgen, ’t welk hen onderwees wat zij gelooven, en hoe zij leven moesten. Vergelijk Gen. 18. op vers 19. Deze paden worden ook genaamd, de paden van de oprechtheid, hieronder, vers 13. de paden van het leven, hieronder, vers 19. de weg van de goeden, en de paden van de rechtveerdigen, hieronder, vers 20. de weg van de wijsheid, en de sporen van de oprechtheid, hieronder, 4:11, etc. Zie breeder 1 Kon. 8. op vers 36.
[^spreuken-2-8-14]: Kanttekening 14: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord, 2 Kron. 6. op vers 41. en Ps. 4:4.
[^spreuken-2-8-15]: Kanttekening 15: Vergelijk Ps. 1. op vers 6.
[^spreuken-2-9-16]: Kanttekening 16: Zie van deze drie woorden hierboven, 1. op vers 3.
[^spreuken-2-9-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: allen spoor van het goed, dat wil zeggen: weg, die ten goede leidt. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een wagen-spore, of wagen-leese: maar wordt bij gelijkenis gebruikt van de weg van de mensen, dat wil zeggen: van haar handel, en wandel, doen, en laten. Zie Ps. 23:3. hieronder, vers 15. en 4:11. en 5:21. en Jes. 26:7.
[^spreuken-2-11-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: bewaren met bijzondere vlijt, en zorgvuldigheid; zoals de Hebreeusche manier van spreken hier mee brengt, en is ook te vinden 1 Sam. 26:16. en hieronder, 6:22.
[^spreuken-2-12-19]: Kanttekening 19: Verst. allerlei vals geloof, en boose werken strijdende tegen het voor-schrift van Godes woord, en leidende ten verderve; die ook zo genaamd is Ps. 119:101. en hieronder, 8:13. en 28:10. eveneens de weg van de valsheid. Ps. 119:29. de weg van de zondaren. Ps. 1. vers 1. de weg, die niet goed en is. hieronder, 16:29. en hier terstont vers 13. de weg van de duisternis. Item de goddeloze weg. Ez. 3:18.
[^spreuken-2-12-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: dingen die strijden tegen de waarheid van de leer, en de gerechtigheid van het leven. zo ook Deut. 32:20. hieronder, vers 14. en 6:14. en 8:13. en 10:31, 32, etc.
[^spreuken-2-13-21]: Kanttekening 21: Zie hierboven, op vers 8.
[^spreuken-2-13-22]: Kanttekening 22: Vergelijk 2 Kron. 12. op vers 1.
[^spreuken-2-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: te leven in ongeloove, dwaling, moetwillige zonde, ongerustheid van het gemoed, quelling, en elende. Zo ook is het woord duisternis genomen voor allerlei kwaad het welke is in het verstant, de wille, de affecten, woorden, daden, en in het geheele leven van de mensen, Vergelijk Eccl. 2:14. Jes. 9:1. Rom. 2:19. Ef. 5:8, 11.
[^spreuken-2-14-24]: Kanttekening 24: Namelijk of persoons, of wercks.
[^spreuken-2-15-25]: Kanttekening 25: Namelijk van degenen die de oprechtheid verlaten, etc. van de welke in de twee voorgaande verssen gesproken is.
[^spreuken-2-15-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: krom, en stom omloopende, afdwalende van het rechte voorschrift van het geloof, en van het leven.
[^spreuken-2-15-27]: Kanttekening 27: Namelijk van de rechte, en goede weg. zo ook 3:32. en 14:2.
[^spreuken-2-16-28]: Kanttekening 28: Dit vers hangt aan het voorgaande 11.
[^spreuken-2-16-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die u eigene niet en is, maar eens anderen vrouwe: en daartoe door haar ongeloove, kwaad leven, en overspeligen wandel, tot het ware volk van God niet en behoort. Daarom zij ook een uitlantsche, oft, onbekende genoemd wordt. Zo ook hieronder, 5:3. en 6:24. en 7:5.
[^spreuken-2-16-c]: Verwijzing c: Spr. 5:3. en 6:24. en 7:5.
[^spreuken-2-16-30]: Kanttekening 30: Ofte, \[die\] haar redenen smydich maakt, of, glatte, of, smeeckende woorden geeft, daarmee zij de mannen ontuchtelijk aanlockt. Vergelijk hieronder, 5:3. en 6:24. en 7:5.
[^spreuken-2-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: haar wettelijken man, die zij in haar jonckheid getrouwt heeft, en haar hoofd, en voocht is.
[^spreuken-2-17-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: de beloofde houwelicksche trouwe; die Godes verbond genaamd wordt, niet alleene om dat het houwelijk van God ingesteld is, maar ook, om dat God daar in man, en wijf t’samen voecht, en dat hij van zulke verbintenis, als voor hem gedaan zijnde, getuige, en toesiender is. Zie Mal. 2. vers 14, etc.
[^spreuken-2-18-33]: Kanttekening 33: Dit vers hangt aan het voorgaande 16. vers alsof hij zei, Ik en heb niet te vergeefs verklaart, dat de wijsheid u van de vreemde vrouwe verlossen zou: want dit is een zeer grote weldaad, om dat de vreemde vrouwe de mensen tot de dood leidt.
[^spreuken-2-18-34]: Kanttekening 34: De betekenis is, dat de straf van het overspel is de ondergank van de mensen, na ziel, en lichame. ’T is een gelijkenis genomen van een hellenden wandt, die na bij zijn val is.
[^spreuken-2-18-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuws: woord, het welke soms betekend reusen, wordt hier genomen voor doode, overledene, afgestorvene. Zie Job c. 26. op vers 5.
[^spreuken-2-19-36]: Kanttekening 36: Zie Gen. 6. op vers 4.
[^spreuken-2-19-37]: Kanttekening 37: Namelijk van de weg van de dood, die zij door de zonde van het overspel ingegaan zijn.
[^spreuken-2-19-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: die ten leven leiden. Zo ook hieronder, 5:6. en 6:23. en 15:24.
[^spreuken-2-20-39]: Kanttekening 39: Dit vers hangt van het voorgaande 11. vers, so zal u de bedachtsaemheid, etc. of van het 16. vers, om u te redden vande, etc.
[^spreuken-2-20-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: de voorbeelden van de vromen, die God recht gekend, en gevreest hebben. Deze worden ons bevolen na te volgen, en niet degenen, die zich tot onkuisheid, of andere zonden begeven.
[^spreuken-2-20-41]: Kanttekening 41: Deze worden over al in dit boek gesteld tegen de goddeloze, en onvrome, die God niet en kennen, nochte gehoorzamen.
[^spreuken-2-21-d]: Verwijzing d: Ps. 37:29.
[^spreuken-2-21-42]: Kanttekening 42: Vergelijk Ps. 37:9, 11, 22, 29, 34. en d’aantekening op vers 29.
[^spreuken-2-21-43]: Kanttekening 43: Namelijk niet alleen in’t algemeen, om dat er altijt een kerk en volk van God blijven zal, maar ook in ’t bijzonder, om dat God geen van de zijnen, in wat noot ook dat ze komen, nemmermeer verlaten zal, maar totter dood toe met zijn zegen achtervolgen.
[^spreuken-2-22-e]: Verwijzing e: Job 18:17. Ps. 104:35.
[^spreuken-2-22-44]: Kanttekening 44: Haar dood is een merckelijke uitroeying, om dat ze in grote voorspoet, en weelde zittende, haastig daar uit weg-genomen, en tot het eeuwige verderf bewaart worden. Vergelijk Ps. 37:2, 9, etc.
[^spreuken-2-22-45]: Kanttekening 45: Verst. door deze, die door grote, en moetwillige ongerechtigheid overtreden de schuldigen plicht, diese voor God, of haar naasten schuldig zijn, vergelijk 1 Sam. 15:18. en Ps. 1:1. en de aantekening

### Spreuken 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/3.json)

*Vermaning tot het bewaren van de geboden van de wijsheid, vers 1 enz. Eveneens tot vertrouwen op God en zijn raad, met een waarschuwing tegen eigen wijsheid, 5. Tot de vreze van de HEERE, 7. Tot mildheid jegens de dienaren van de HEERE en de armen, 9, 27. Tot geduld in de kastijding, 11. Over de gelukzaligheid die de wijsheid meebrengt, haar kostbaarheid, hoogwaardigheid en grote nut, 13. Kwade praktijken, 29. Twistzucht, 30. Ongeduld, 31. De vervloekte toestand van de goddelozen, spotters en dwazen, 33.*

**1** Mijn zoon! vergeet mijn[^spreuken-3-1-1] wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v1)

**2** [^spreuken-3-2-a] Want[^spreuken-3-2-2] langheid van dagen, en jaren van leven, en[^spreuken-3-2-3] vrede zullen zij u[^spreuken-3-2-4] vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v2)

**3** [^spreuken-3-3-5] Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten;[^spreuken-3-3-6][^spreuken-3-3-b] bind[^spreuken-3-3-7] ze aan uw hals,[^spreuken-3-3-8] schrijf ze op de tafel van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v3)

**4** En[^spreuken-3-4-9] vind[^spreuken-3-4-10] gunst en goed[^spreuken-3-4-11] verstand, in de ogen van God en van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v4)

**5** Vertrouw op YHWH[^spreuken-3-5-12] met uw hele hart, en steun op uw verstand niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v5)

**6** [^spreuken-3-6-c] Ken Hem[^spreuken-3-6-13] in al uw wegen, en Hij zal uw paden[^spreuken-3-6-14] recht maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v6)

**7** [^spreuken-3-7-d] Wees niet wijs[^spreuken-3-7-15] in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v7)

**8** Het zal een medicijn[^spreuken-3-8-16] voor uw navel zijn, en een[^spreuken-3-8-17] bevochtiging voor uw beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v8)

**9** [^spreuken-3-9-e] Vereer[^spreuken-3-9-18] YHWH van uw goed, en van de[^spreuken-3-9-19] eerstelingen van al uw inkomsten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v9)

**10** [^spreuken-3-10-f] Zo zullen uw schuren met[^spreuken-3-10-20] overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van nieuwe wijn[^spreuken-3-10-21] overlopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v10)

**11** [^spreuken-3-11-g] Mijn zoon! verwerp[^spreuken-3-11-22] de tucht van YHWH niet, en wees niet verdrietig over Zijn[^spreuken-3-11-23] vergelding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v11)

**12** [^spreuken-3-12-h] Want YHWH straft degene, die Hij liefheeft, ja, zoals een vader de zoon, in wie hij een[^spreuken-3-12-24] welbehagen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v12)

**13** Welgelukzalig is de mens, die[^spreuken-3-13-25] wijsheid vindt, en de mens, die[^spreuken-3-13-26] verstandigheid voortbrengt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v13)

**14** [^spreuken-3-14-i] Want haar[^spreuken-3-14-27] koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het[^spreuken-3-14-28] uitgegraven goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v14)

**15** [^spreuken-3-15-k] Zij is kostelijker dan[^spreuken-3-15-29] robijnen; en[^spreuken-3-15-30] al wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v15)

**16** [^spreuken-3-16-31] Langheid van de dagen[^spreuken-3-16-32] is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v16)

**17** Haar[^spreuken-3-17-33] wegen zijn wegen van de liefelijkheid, en al haar paden[^spreuken-3-17-34] vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v17)

**18** [^spreuken-3-18-35] Zij[^spreuken-3-18-36] is een boom van het leven voor hen, die ze aangrijpen, en elk, die ze vast houdt, wordt gelukzalig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v18)

**19** YHWH heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid[^spreuken-3-19-37] bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v19)

**20** Door Zijn wetenschap zijn de[^spreuken-3-20-38] afgronden[^spreuken-3-20-l] gekloofd, en de wolken druipen dauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v20)

**21** Mijn zoon![^spreuken-3-21-39] laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar[^spreuken-3-21-40] de bestendige wijsheid en[^spreuken-3-21-41] bedachtzaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v21)

**22** Want zij[^spreuken-3-22-42] zullen het leven voor uw ziel zijn, en een[^spreuken-3-22-43] aangenaamheid voor uw hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v22)

**23** Dan zult u[^spreuken-3-23-44] uw weg[^spreuken-3-23-m] zeker wandelen, en u zult[^spreuken-3-23-45] uw voet niet stoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v23)

**24** [^spreuken-3-24-n] Zo u[^spreuken-3-24-46] neerligt, zult u niet schrikken; maar u zult neerliggen en uw slaap zal zoet wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v24)

**25** [^spreuken-3-25-47] Vrees niet[^spreuken-3-25-48] voor haastige schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen,[^spreuken-3-25-49] als[^spreuken-3-25-50] zij komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v25)

**26** Want YHWH[^spreuken-3-26-51] zal met uw[^spreuken-3-26-52] hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren[^spreuken-3-26-53] van gevangen te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v26)

**27** [^spreuken-3-27-54] Onthoud[^spreuken-3-27-55] het goed van[^spreuken-3-27-56] zijn meesters niet,[^spreuken-3-27-57] als het in het vermogen van uw hand is te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v27)

**28** Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weer, en morgen zal[^spreuken-3-28-58] ik geven, omdat het bij u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v28)

**29** Smeed[^spreuken-3-29-59] geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij[^spreuken-3-29-60] met vertrouwen bij u woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v29)

**30** [^spreuken-3-30-61] Twist met een mens niet zonder oorzaak,[^spreuken-3-30-62] zo hij u geen kwaad gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v30)

**31** [^spreuken-3-31-o] Wees[^spreuken-3-31-63] niet nijdig over een[^spreuken-3-31-64] man van het geweld, en verkies[^spreuken-3-31-65] geen van zijn wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v31)

**32** Want de[^spreuken-3-32-66] afwijker[^spreuken-3-32-67] is YHWH een gruwel; maar Zijn[^spreuken-3-32-68][^spreuken-3-32-p] geheim is met de oprechte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v32)

**33** [^spreuken-3-33-q] De vloek van YHWH is in het huis van de goddelozen; maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v33)

**34** [^spreuken-3-34-69] Zeker,[^spreuken-3-34-r] de spotters zal Hij bespotten, maar de[^spreuken-3-34-70] zachtmoedigen zal Hij genade geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v34)

**35** De wijzen zullen eer beërven; maar elk van de[^spreuken-3-35-71] zotten neemt schande op zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/3.html#v35)

[^spreuken-3-1-1]: Kanttekening 1: Ofte leer: namelijk waar door ik u leer, en onderwijse om u leven wel aan te stellen. zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-3-2-a]: Verwijzing a: Deut. 8:1. en 30:20.
[^spreuken-3-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: een grote ouderdom, en een veeljarich leven. zo ook Deut. 30:20. Job 12:12. Ps. 21:5. en 91:16. hieronder, vers 16. en 4:10. en 9:11.
[^spreuken-3-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: welstant na ziel en lichame. zie Gen. 37. op vers 14.
[^spreuken-3-2-4]: Kanttekening 4: Zo ook hieronder, 9:11. Hebreeuws: eyg. Toedoen. ’t welk hier zo veel is als vermenichvuldigen.
[^spreuken-3-3-5]: Kanttekening 5: Dit kanmen verstaan vande goedertierenheid, en trouwe Gods, zulks dattet zou zijn een bevel vermanende de mens daar aan vast te hangen, met een belofte, dat hij ze behouden zou. zie hieronder, op vers 25. Andere verstaan dit van de weldadigheid, en trouwe, die een ieder tegen zijn naasten bewijzen moet.
[^spreuken-3-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk de geboden van God, daar van in’t eerste vers gesproken is. Ofte, de goedertierentheid, en trouwe, dat is, de beloften van God daar van.
[^spreuken-3-3-b]: Verwijzing b: Ex. 13:9. Deut. 6:8.
[^spreuken-3-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk als een cieraat, of keten, als hierboven, 1:9. en om die altijt voor ogen te hebben. Zie hieronder, vers 21. en 6:21. en vergelijk Ex. 13:9. Deut. 6:8.
[^spreuken-3-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: drucktse diepe in’t binnenste uwes verstants, op dat ze nemmermeer uit uw memorie en vergaan. zo ook hieronder, 7:3. Jer. 17:1. 2 Kor. 3:3.
[^spreuken-3-4-9]: Kanttekening 9: ’T is weer een bevel begrijpende een sterke belofte, zoals int begin van het voorgaande vers Het bevel is, poocht genade te vinden, etc. De belofte is, U zult voor God, en de vromen mensen aangenaam zijn, en een gesonde kennis hebben van wel te leven.
[^spreuken-3-4-10]: Kanttekening 10: Ofte, genade, dat wil zeggen: aengenaemheid, waar door men iemand behagelijk is; zo ook Gen. 39:21. Ps. 45:3. hierboven, 1:9. hieronder, 11:16. en 22. vers 11. Eccl. 10:12. Luk. 2:52.
[^spreuken-3-4-11]: Kanttekening 11: Zie hierboven, 1. op vers 3.
[^spreuken-3-5-12]: Kanttekening 12: Verg. Deut. 6:5. en 1 Kon. 2:4. en de aantekening
[^spreuken-3-6-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 28:9.
[^spreuken-3-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: in al hetgeen u voorneemt, aengrijpt, spreekt, doet, en laat. Zie Gen. 6. op vers 12. In dezelfde sin is terstont in dit vers het woord paden genomen.
[^spreuken-3-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: stieren na zijn wet, en u recht daar na leiden, opdat u tot het gewenschte einde uwes levens moocht geraken. Vergelijk hieronder, 11:5. en 15:21.
[^spreuken-3-7-d]: Verwijzing d: Rom. 12:16.
[^spreuken-3-7-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: in u eigen gevoelen, en oordeel. Zie Lev. 13. op vers 3. en Job 18. op vers 3.
[^spreuken-3-8-16]: Kanttekening 16: ’T is een manier van spreken bij gelijkenis genomen van de kinderen, welckers navels met grote voorzichtigheid moeten gehandelt en versorcht worden; en ook van de volwassenen, die daar week en swak zijn, en dikwijls medicijne nodig hebben. De betekenis is, dat men de vrees van God hebbende, ten aansiene van het geestelijke leven van de ziel, geheel welvaren en in goede sterkte wesen zal.
[^spreuken-3-8-17]: Kanttekening 17: Eene andere gelijkenis genomen van de beenderen van het lichaam, de welke moeten met goed merch vervult worden tot onderhouding van de krachten van de mensen. Zo heeft ook de ziel haar sterkte van de kennis, en vrees van de Heer. Vergelijk Job 21:24.
[^spreuken-3-9-e]: Verwijzing e: Ex. 23:19. en 34:36. Deut. 26:2, etc. Mal. 3:10. Luk. 14:13.
[^spreuken-3-9-18]: Kanttekening 18: Namelijk in zijn Dienaren, de Priesters, en Leviten: eveneens in de weduwen, weesen, en arme, mits die van uw middelen mee deelende. Ex. 23:19. Deut. 26. 2, 3, etc.
[^spreuken-3-9-19]: Kanttekening 19: Zie van deze, Ex. c. 22. versen 29, 30. Lev. 2:12. en 23:17.
[^spreuken-3-10-f]: Verwijzing f: Deut. 28:8.
[^spreuken-3-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: versaatheid, dat wil zeggen: met overvloet van vruchten, daar mee de mensen versadiget konnen worden. zie Gen. 41:29. en d’aantekening eveneens Eccl. 5:11.
[^spreuken-3-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, יִפְרֹֽצוּ: door breken.
[^spreuken-3-11-g]: Verwijzing g: Job 5:17. Hebreeuws: 12:5.
[^spreuken-3-11-22]: Kanttekening 22: Dit woord betekent wel de onderwijzing, die geschiedt met woorden, maar het wordt hier ook voor dadelijke straffen genomen. Zie hieronder, 7. op vers 22. Zo ook het woord tuchtigen, hieronder, 9:7. Zie d’aantekening
[^spreuken-3-11-23]: Kanttekening 23: Dit woord is ook niet alleene voor woord-straf genomen, als hieronder, 15:31, 32. en 28:23. maar ook voor dadelijke straf, als hier, en Ps. 73:14. en 149:7. Hos. 5:9. zo ook het woord bestraffen, Ps. 6:2.
[^spreuken-3-12-h]: Verwijzing h: Openb. 3:19.
[^spreuken-3-12-24]: Kanttekening 24: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord, 2 Sam. 24. op vers 23.
[^spreuken-3-13-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: gevonden heeft, dat is, doorgaans vindt: daarom staat ook het volgende woord na de oorspronckelijken text, in de toekomenden tijt. Het woord vinden schijnt te zien op het zoeken, en naspeuren van de wijsheid, waar van gesproken is, hierboven, 2:4. zie d’aant.
[^spreuken-3-13-26]: Kanttekening 26: Ofte, uithaalt, namelijk, als uit een verborgene plaats, en dienvolgens die met grote arbeid bekomt.
[^spreuken-3-14-i]: Verwijzing i: Job 28:15. Ps. 19:10. Spr. 8:11, 19. en 16:16.
[^spreuken-3-14-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: de ware, of het goed, dat bij de wijsheid te vinden is: zo ook wordt het Hebreeuwse woord van enige genomen hieronder, 31:18. Jes. 23:18. Anders: hantering, of, handeling, dat is, naspeuring, waar doorse gezocht, gevonden, en gekregen wordt; zo ook hantering van zilver. dat is, handel, waar door het zilver gekregen wordt.
[^spreuken-3-14-28]: Kanttekening 28: Verst. zeer fijn gout: zo mogelijk genaamd, om dat het uit de aarde gegraven wordt. Dezelfde naam is, Ps. 68:14. hieronder, 8. 10, 19. en 16:16. Zach. 9:3.
[^spreuken-3-15-k]: Verwijzing k: Spr. 8:11.
[^spreuken-3-15-29]: Kanttekening 29: Zie Job 28. op vers 18.
[^spreuken-3-15-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: alle uw lusten en zullen met haar niet vergeleken worden; dat is, al wat u zou konnen wenschen, en is van zulke weerde niet, dattet bij haar zou mogen vergeleken worden. Zo ook hieronder, 8:11.
[^spreuken-3-16-31]: Kanttekening 31: Zie hierboven, op vers 2.
[^spreuken-3-16-32]: Kanttekening 32: De wijsheid wordt hier vergeleken bij een vrouwe, die in grote overvloet allerlei goederen uitdeelt degenen die haar volgen, en gehoorzamen. Onder de tijdelijke goederen zijn ook de eeuwige begrepen.
[^spreuken-3-17-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: al watse voorschrijft te gelooven, en te doen. Verstaat ook zo het volgende woord paden.
[^spreuken-3-17-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: welstant, en gelukzaligheid, na ziel, en lichame; als hierboven, vers 2. De betekenis is, dat deze door de wijsheid verkregen wordt.
[^spreuken-3-18-35]: Kanttekening 35: Namelijk de wijsheid. zie hierboven, vers 13.
[^spreuken-3-18-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: als een boom van het leven, gevende het leven, en de volle genoechsaemheid degenen die van haar vruchten eten, dat is, die haar onderwijzing ontvangen. Vergelijk Gen. 2:9. en 3:22. Item hieronder, 11:30. en 13:12. en 15:4.
[^spreuken-3-19-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: cierlijk opgeschickt, heerlijk toegemaakt, en ordentlijk t’samen-gepast. Zo ook is het Hebreeuwse woord genomen, Job 31:15.
[^spreuken-3-20-38]: Kanttekening 38: Verst. zeen, en verder fonteynen, water-wellen, rivieren, en allerlei soorten van stroomen, die uit de diepte van de aarde, als met de verscheuring ervan uitbortelen, en voortkomen.
[^spreuken-3-20-l]: Verwijzing l: Gen. 1:9, 10.
[^spreuken-3-21-39]: Kanttekening 39: Namelijk de wijsheid, verstandigheid, en wetenschap, van de welke inde twee voorgaande verssen gesproken is. Anders: de wet en geboden, daar van zie vers 1. van dit hoofdstuk.
[^spreuken-3-21-40]: Kanttekening 40: Zie van het Hebreeuwse woord Job 5. op vers 12. en hierboven, 2. op vers 7.
[^spreuken-3-21-41]: Kanttekening 41: Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-3-22-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: uw ziel het leven toebrengen.
[^spreuken-3-22-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: een verciersel dat u zal aangenaam maken voor God, en alle vroome. Vergelijk hierboven, 1:9. en de aantekening
[^spreuken-3-23-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: in u voornemen, doen, en laten, vast gaan. zo ook hieronder, c. 10:9. en vergelijk hieronder, 28:18. Jes. 40:31.
[^spreuken-3-23-m]: Verwijzing m: Ps. 37:24. en 91:11, 12.
[^spreuken-3-23-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: in’t perikel niet vallen van u zelf te beschadigen. Anders: en uw’ voet zal zich niet stooten. Vergelijk Ps. 91:12. Voet voor de mens zelf. zo ook Ps. 31:9. hieronder, 7:11. Jes. 52:7.
[^spreuken-3-24-n]: Verwijzing n: Lev. 26:6. Job 11:19. Ps. 3:6. en 4:9. en 91:11, 12.
[^spreuken-3-24-46]: Kanttekening 46: Namelijk om te slapen.
[^spreuken-3-25-47]: Kanttekening 47: ’T is een bevel, inhoudende een belofte, als hierboven, versen 3, 4. eveneens hieronder, 4:4. en 7:2. en 9:6. Zie Ps. 37. op vers 3. Daarom vertalen sommige deze woorden zo: U en zult niet vrezen voor een haastige verschricking, etc. maar met de oversetting, die in de text is, komt het Hebreeuwse woordeken al, beter over een. De betekenis is, dat de liefhebbers van de wijsheid niet en zullen behoeven te vrezen voor, etc.
[^spreuken-3-25-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws: van schrik haastig, dat wil zeggen: die haastich is, of onverwacht komt. zo ook hieronder, 15:24. van het dodenrijk, of het graf onder, of beneden, dat wil zeggen: dat onder of nederwaarts is.
[^spreuken-3-25-49]: Kanttekening 49: Zie Ps. 35. op vers 8. en hierboven, 1. op vers 27.
[^spreuken-3-25-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: die de goddeloze onder de vrome zoeken aan te rechten: of liever, die de goddelozen door Gods rechtvaardig oordeel over-komen zal.
[^spreuken-3-26-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: hij zal hem bij u, als u op hem hoopt, vinden laten, om uw hope, waar door u op zijn hulpe wacht, niet te laten ijdel wesen. Anders: zal u tot hope wesen.
[^spreuken-3-26-52]: Kanttekening 52: Zie het Hebreeuwse woord zo genomen, Job 4:6. en de aantekening
[^spreuken-3-26-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws: van de vang, namelijk waar door u in ’t gewelt van de goddelozen zou mogen komen, en van die verdrukt worden.
[^spreuken-3-27-54]: Kanttekening 54: Dit is een algemene spreuk, verbiedende het wel doen aan iemand na te laten, of te verhinderen.
[^spreuken-3-27-55]: Kanttekening 55: Verst. het lichamelijke, of geestelijke goed.
[^spreuken-3-27-56]: Kanttekening 56: Verst. door deze, diemen eenich goed schuldig is, of na de burgerlijke, of na de Goddelijke, en natuurlijke wet. De burgerlijke wet is, dat men een ander moet geven dat hem toekomt uit kracht van t’samenhandeling. De goddelijke, en natuurlijke, dat men geven moet uit plicht van de algemene liefde, en mededoogentheid. Vervolgens zijn hier door het woord Meesters ook de arme te verstaan, omdat de rijke hen als Rentmeesters, en Dispensateurs, van God gegeven zijn, om hun van haar middelen mee te deelen. Ten welke aansiene de aalmoes gerechtigheid genaamd wordt, Dan. 4:24.
[^spreuken-3-27-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: als God u de middel heeft gegeven, of in het burgerlijke, om uw naasten te voldoen, of in het goddelijke, en natuurlijke om de arme wel te doen. De betekenis is, dat beide die plichten in zulke gelegenheid niet en moeten uitgestelt worden. Anders: Oft schoon in het vermogen uw hant ware dat te doen, namelijk, iemand hetgeen hem toekomt, te onthouden.
[^spreuken-3-28-58]: Kanttekening 58: Namelijk dat u hem enigszins schuldig bent, en dat hij van u begeert, en geheel van doene heeft. Lev. 19:13. Deut. 24:14. eveneens Galat. 6:10. Iac. 2:15, 16.
[^spreuken-3-29-59]: Kanttekening 59: Het Hebreeuwse woord אִתָּֽ betekent hier yet stilswijgens, en in het geheim bedenken, voor hebben, en practiseren; het welke of in’t quade, of in’t goede kan gezegd worden. Hier ist te nemen in’t quade, als ook hieronder, 6:14, 18. elders ook in’t goede, als hieronder, c. 14. vers 22.
[^spreuken-3-29-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: gerustelijk, en zonder eenich kwaad nadenken van u te hebben. Anders: op trouwe.
[^spreuken-3-30-61]: Kanttekening 61: Namelijk nog in’t gerichte, nog buiten het zelf.
[^spreuken-3-30-62]: Kanttekening 62: Want so hij dat gedaan heeft, ist geoorloft zijn recht te vervolgen door middel van de Overheid, of hem tot schuld-bekentenis te brengen door de Kerken-raad, of andere private vermaning, en dat zonder wraakgierigheid, en lastering. Ex. 22. vers 8. Matt. 18:15, 16, 17. 1 Kor. 6:4. Eph. 4 26.
[^spreuken-3-31-o]: Verwijzing o: Ps. 37:1. en 73:3. Spr. 23:17.
[^spreuken-3-31-63]: Kanttekening 63: Zie Ps. 37. op vers 1.
[^spreuken-3-31-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: die met gewelt omgaat, en overlast pleecht, en daar door groot, rijk, en verheven wordt. Zie van deze manier van spreken, 2 Sam. 22:49. Job 11. op vers 11. en Ps. 5. op vers 7.
[^spreuken-3-31-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws: niet alle zijn wegen, dat is, geen van de zelf. Zie 1 Kon. 11. op vers 34.
[^spreuken-3-32-66]: Kanttekening 66: Dat is, die afwijckt van de rechte weg.
[^spreuken-3-32-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws: is de grouwel van de Heer. dat is, die God voor een grouwel houdt, zo ook hieronder, 11. 1, 20. en 12:22. en 15:9. en 16:5, etc. Zie Deut. 17 op vers 1. Elders wordt yet gezegd te zijn een grouwel voor het aangezicht van de Heer, Deut. 24:4. Ofte, een grouwel voor de Heer, Jes. 1. vers 13. De betekenis is eenderley: zo ook een grouwel is voor de mens. hieronder, 24:9.
[^spreuken-3-32-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: zijn alderdiepste genade, en goetwilligheid in de Messia. zie Ps. 25. op vers 14.
[^spreuken-3-32-p]: Verwijzing p: Ps. 25. vers 14.
[^spreuken-3-33-q]: Verwijzing q: Lev. 26:14, etc. Deut. 28:15, etc. Mal. 2:2.
[^spreuken-3-34-69]: Kanttekening 69: Anders: so hij de spotters bespot, hij zal ook de zachtmoedigen genade geven.
[^spreuken-3-34-r]: Verwijzing r: Iaco. 4:6. 1.Petr. 5:5.
[^spreuken-3-34-70]: Kanttekening 70: Zie Ps. 22. op vers 27.
[^spreuken-3-35-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: neemt de schande voor zijn deel mee. of de schande neemt de dwase weg; dat wil zeggen: maakt haar, en alle haar verwachting teniet. of, schande verhoocht de dwazen.

### Spreuken 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/4.json)

*Salomo, die zijn eigen voorbeeld voorstelt, hoe hij door zijn ouders daartoe onderwezen is, vermaant weer met vele redenen tot het leren van wijsheid, vers 1 enz. Eveneens tot het mijden van de paden van de goddelozen, 14. Tot het bewaren van de woorden van de wijsheid, 20. Tot heiligheid van geest en lichaam, in het besturen van het hart, de mond, de ogen en de voeten, 23.*

**1** Hoor, u[^spreuken-4-1-1] kinderen! de[^spreuken-4-1-2] tucht van de vader, en merkt op, om verstand te weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v1)

**2** Omdat ik u goede[^spreuken-4-2-3] leer geve, verlaat[^spreuken-4-2-4] mijn[^spreuken-4-2-5] wet niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v2)

**3** Want ik was[^spreuken-4-3-6] de zoon van mijn vader,[^spreuken-4-3-7][^spreuken-4-3-a] teder, en[^spreuken-4-3-8] een enige voor het aangezicht van mijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v3)

**4** [^spreuken-4-4-b] Hij nu leerde mij, en zei tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden,[^spreuken-4-4-9] en leef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v4)

**5** Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand;[^spreuken-4-5-10] vergeet niet, en wijk niet van de redenen[^spreuken-4-5-11] van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v5)

**6** Verlaat[^spreuken-4-6-12] ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v6)

**7** De wijsheid is[^spreuken-4-7-13] het voornaamste;[^spreuken-4-7-c] verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand[^spreuken-4-7-14] met al uw bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v7)

**8** [^spreuken-4-8-15] Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u[^spreuken-4-8-16] vereren, als u haar omhelzen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v8)

**9** [^spreuken-4-9-d] Zij zal uw hoofd[^spreuken-4-9-17] een aangenaam toevoegsel geven, een[^spreuken-4-9-18] sierlijke kroon zal zij u leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v9)

**10** Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en[^spreuken-4-10-19] de jaren van het leven zullen u vermenigvuldigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v10)

**11** Ik onderwijs u in de weg van de wijsheid; ik doe u treden[^spreuken-4-11-20] in de rechte sporen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v11)

**12** In uw gaan zal uw[^spreuken-4-12-21] stap niet[^spreuken-4-12-22] belemmerd worden, en als u loopt,[^spreuken-4-12-e] zult u niet struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v12)

**13** Grijp[^spreuken-4-13-23] de tucht aan,[^spreuken-4-13-24] laat niet af;[^spreuken-4-13-25] bewaar ze, want zij is uw[^spreuken-4-13-26] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v13)

**14** [^spreuken-4-14-f] Kom niet op het pad van de goddelozen, en treed niet op de weg van de bozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v14)

**15** Verwerp[^spreuken-4-15-27] die, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v15)

**16** Want[^spreuken-4-16-28] zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben[^spreuken-4-16-29] doen struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v16)

**17** Want zij eten[^spreuken-4-17-30] brood[^spreuken-4-17-31] van de goddeloosheid, en drinken wijn van[^spreuken-4-17-32] enkel geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v17)

**18** Maar het pad van de rechtvaardigen is gelijk een[^spreuken-4-18-33] schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de[^spreuken-4-18-34] volle dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v18)

**19** De weg van de goddelozen is als[^spreuken-4-19-35] donkerheid,[^spreuken-4-19-36] zij weten niet,[^spreuken-4-19-37] waarover zij struikelen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v19)

**20** Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v20)

**21** Laat ze niet[^spreuken-4-21-38] wijken van uw ogen, behoud ze in het midden van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v21)

**22** Want[^spreuken-4-22-39] zij[^spreuken-4-22-g] zijn[^spreuken-4-22-40] het leven van hen, die ze vinden, en een[^spreuken-4-22-41] medicijn[^spreuken-4-22-42] voor hun hele vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v22)

**23** Behoed uw[^spreuken-4-23-43] hart[^spreuken-4-23-44] boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de[^spreuken-4-23-45] uitgangen van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v23)

**24** Doe de[^spreuken-4-24-46] verkeerdheid van de mond van u weg, en doe de verdraaidheid van de lippen verre van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v24)

**25** [^spreuken-4-25-47] Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich[^spreuken-4-25-48] recht voor u heen houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v25)

**26** [^spreuken-4-26-69_49_] Weeg de[^spreuken-4-26-50] gang van uw voet, en laat al uw wegen wel[^spreuken-4-26-51] gevestigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v26)

**27** [^spreuken-4-27-h] Wijk[^spreuken-4-27-52] niet ter rechterhand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/4.html#v27)

[^spreuken-4-1-1]: Kanttekening 1: Zo noemt Salomo alle degenen, die als kinderen begeerden zijn leer, als de vermaning van een vader, aan te hooren. Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-4-1-2]: Kanttekening 2: Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-4-2-3]: Kanttekening 3: Zie Job 11. op vers 4.
[^spreuken-4-2-4]: Kanttekening 4: Zo ook hierboven, 1:8, en hieronder, vers 6.
[^spreuken-4-2-5]: Kanttekening 5: Ofte, onderwijzing, zo ook hierboven, 1:8.
[^spreuken-4-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: een sonderlingen zoon, die hij zeer lief had, en voor de welke hij grote zorg droech. Van zulk een zeggen wy ook, Hij is de zoon van de vader.
[^spreuken-4-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: teerlijk opgebracht, en sorchvuldichlijk gade geslagen.
[^spreuken-4-3-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 29:1.
[^spreuken-4-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: wel bemint, en zeer lieftallich, als een eenich zoon, Vergelijk 1.Chro. 3:5.
[^spreuken-4-4-b]: Verwijzing b: 1 Kron. 28:9.
[^spreuken-4-4-9]: Kanttekening 9: ’T is een bevel, het welke betekent een belofte, alsof er stonde, en u zult leven. Vergelijk hierboven, 3. op vers 25, en hieronder, vers 13.
[^spreuken-4-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk de redenen mijnes monts, van de welke in’t volgende van dit vers gesproken wordt.
[^spreuken-4-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: die uit mijn monde voortkomen; of mijnes bevels: dat wil zeggen: die ik bevele. Zo ook is mond voor bevel genomen, Gen. 41. vers 40.
[^spreuken-4-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk de wijsheid, daar van in’t voorgaande vers gesproken is.
[^spreuken-4-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk daar na wy trachten moeten, en dat ons goed doen kan. Het Hebreeuwse woord reschith is voor het beste, en uitnemenste genomen, Ps. 119:160. Amos 6:1. Zoals ook het woord rosch, Ez. 27:22. Anders: het begin van de wijsheid is, verkrijcht wijsheid. Anders: verkrijcht wijsheid, het eerste van de wijsheid; het welke is de vrees van de Heer. zie hierboven, 1:7, en d’aantekening
[^spreuken-4-7-c]: Verwijzing c: Spr. 23:23.
[^spreuken-4-7-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: met al uw goed, en middelen. Vergelijk Matt. 13:44.
[^spreuken-4-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk met haar hoog te achten in uw hart, te prijsen met uw monde, en te gehoorzamen met uw werken.
[^spreuken-4-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: aangenaam, en groot maken voor God, en de mensen. Zie Dan. 1:17. Luk. 2:52.
[^spreuken-4-9-d]: Verwijzing d: Spr. 1:9.
[^spreuken-4-9-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: een toevoechsel van de aangenaemheid. zie hierboven, 1. op vers 9.
[^spreuken-4-9-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, עֲטֶרֶת: een croone van het cieraat, of, van de heerlickheid, dat wil zeggen: daarmee het hoofd verciert, en verheerlickt wordt. zo ook hieronder, 16:31. Jes. 62:3. Jer. 13:18. Ezec. 16:12. en 23:42.
[^spreuken-4-10-19]: Kanttekening 19: Vergelijk hierboven, 3:2, en d’aant.
[^spreuken-4-11-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: in de sporen van de richtigheid, of, oprechtheid; dat wil zeggen: op rechte wegen. zie hierboven, 2. op vers 8. Van het woord spore zie in dezelfde plaats, op vers 9.
[^spreuken-4-12-21]: Kanttekening 21: Zie Job 14. op vers 16.
[^spreuken-4-12-22]: Kanttekening 22: Zoals het gebeurt in enge, oneffene, moeilijke, en slibberige wegen. De betekenis is, dat de weg van de wijsheid, is een bekwaam gemackelijk, en lieflijke weg. Matt. 11:30. Ps. 91. versen 11, 12.
[^spreuken-4-12-e]: Verwijzing e: Ps. 91:11.
[^spreuken-4-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: het onderwijs leidende tot de wijsheid. zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-4-13-24]: Kanttekening 24: Namelijk van deze vermaning te volgen. Anders: laat \[haar\] niet gaan: namelijk de wijsheid. zie de volgende aanteeckening.
[^spreuken-4-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk de wijsheid, daar van inde voorgaande verssen gesproken is, en die door de tucht verkregen wordt. Anders: bewaart het, want dat is uw leven.
[^spreuken-4-13-26]: Kanttekening 26: Verst. het wel-leven niet alleene uwes lichaams, maar ook uw ziel. Zo ook vers 22. Vergelijk hierboven, vers 4, en d’aantekening
[^spreuken-4-14-f]: Verwijzing f: Ps. 1:1. Spr. 1:10, 15.
[^spreuken-4-15-27]: Kanttekening 27: Namelijk Wech van de boosen. Van het woord, dat hier vertaald is verwerpen, zie hierboven, 1. op vers 25.
[^spreuken-4-16-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: zij en zullen niet slapen. De toekomende tijt betekent de geduerigheid van het werk; alsof hij zei: Zij en plegen niet te slapen.
[^spreuken-4-16-29]: Kanttekening 29: Namelijk mits hem te beschadigen aan de ziel, als zij die tot zondigen verleiden, of aan het lichaam, als zij dat quetsen, of vermoorden, of aan het tijdelijke goed, als zij dat stelen, en rooven.
[^spreuken-4-17-30]: Kanttekening 30: Verst. door broot, en wijn, allerlei goed, dienende tot onderhouding van dit tijdelijke leven. Zo ook is het woord broot (gevoegt bij het woord water) genomen, hieronder, 9:17, en alleene 20:17, en 30:8, 22, en 31:14. Mat. 6:11.
[^spreuken-4-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: goed door ongerectigheid gekregen. zo ook in’t volgende, wijn van het gewelt, die door gewelt gekregen is. Zo ook hieronder, 20:17. broot van de valsheid, dat door valse middelen gekregen is: en 31:27. broot van de luiheid, dat zonder arbeid gekregen is. Ofte de betekenis is, dat ongerechtigheid, en gewelt te bedryven, hen zo aangenaam is, als het eten, en drinken: welke manier van spreken Christus gebruikt, Joh. 4:34. Vergelijk Job 15:16, en d’aantekening
[^spreuken-4-17-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: gewelden, oft, rooverijen
[^spreuken-4-18-33]: Kanttekening 33: Namelijk niet alleene, om dat ze door Gods zegen voorspoedich zijn, en gerustheid van het gemoed hebben, maar ook om dat ze met de kennis van God verlicht zijn, en daar in dagelijks toenemen, gaande van deucht tot deucht, tot dat ze hier na de volmaaktheid van de kinderen van God bekomen. Verg. Job 18. op vers 5.
[^spreuken-4-18-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws: tot het gesette van de dag, Dat is, tot de middach, als de zon in haar meeste sterkte, en klaarheid is, en de dach in zijn volmaaktheid, en gesetheid.
[^spreuken-4-19-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: vol onwetenheid, dwaling, ongerustigheid, perikel, en elende. zie Gen. 15. op vers 12.
[^spreuken-4-19-36]: Kanttekening 36: De reden is, om dat ze doorgaans in merckelijk gevaar staan van in ongeluk, en verderf te vallen: ’twelk hen schielijk over de hals komt, hierboven, c. 1. vers 27.
[^spreuken-4-19-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: wat hen tot de val brengen, en in het verderf storten zal. Verstaat dit van het middel, waar door God zijn rechtvaardig oordeel uitvoeren wil.
[^spreuken-4-21-38]: Kanttekening 38: Zo ook hierboven, 3:21.
[^spreuken-4-22-39]: Kanttekening 39: Namelijk mijn woorden, en redenen, van de welke gesproken is, hierboven, vers 20.
[^spreuken-4-22-g]: Verwijzing g: Spr. 4:13.
[^spreuken-4-22-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: die het leven geven. Vergelijk hierboven, vers 13. en zie de aantekening
[^spreuken-4-22-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: het leven niet alleene gevende, maar ook in goede welstant onderhoudende, en allerlei onheil daar van afkeerende. Vergelijk hierboven, 3:8, en hieronder, 12:18, en 13:17.
[^spreuken-4-22-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de gehele mens, bestaande uit lichaam, en ziel. Met lichamelijke goederen worden de geestelijke afgebeelt. Zo is vlees voor mens genomen, Gen. 6:12. Anders: het gehele vlees van een ieder van de zelf.
[^spreuken-4-23-43]: Kanttekening 43: Het hart betekent dikwijls alle de krachten van de ziel, namelijk het verstant, de wille, en de bewegingen. Zo ook Gen. 8:21. Jes. 29:13. Jer. 17:9. Joël 2:13.
[^spreuken-4-23-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, מִשְׁמָר: boven alle bewaring behoet uw hart.
[^spreuken-4-23-45]: Kanttekening 45: Het leven van de mensen is, of natuerlijk, of geestelijk: het eerste heeft hij uit de eerste geboorte; het andere uit de tweede: beyderley leven geeft zijn werken, die uit het hart voortkomen; de natuurlijke uit het hart, dat onherboren is; de geestelijke uit het wedergeborene. Vergelijk Matt. 15:18.
[^spreuken-4-24-46]: Kanttekening 46: Verst. alle misbruik van de tonge tegen de eerste, en tweede tafel, of tegen God, en de mensen. Zie hierboven, 2. op vers 12. en hieronder, 6:12.
[^spreuken-4-25-47]: Kanttekening 47: De betekenis is, dat wy, om in de weg van de Heer trouwelijk en gestadelijk voort te gaan, niet en moeten ons geestelijk gezicht ter rechter, of ter slincker hant van de geboden van de Heer afwenden, maar recht door treden, zonder ons daar van enigszins te laten afleyden.
[^spreuken-4-25-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: het gezicht recht uitstieren.
[^spreuken-4-26-69_49_]: Kanttekening 69\[49\]: Dat wil zeggen: overweecht wel bij u zelf, hoe dat u al u doen, en laten aanstelt, passende het zelf na de regel van Gods woord, opdat u geen slimme, of kromme gangen en maakt. ’t schijnt een gelijkenis te zijn genomen van degenen, die om de wegen, en straten effen, en recht te maken, het water-pas daar toe gebruiken.
[^spreuken-4-26-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws: spore.
[^spreuken-4-26-51]: Kanttekening 51: Ofte, geschicket, of, gerichtet, of, welgepast. Anders: opdat alle uw wegen wel gepasset, of, gesteld zijn, of, en alle uw wegen zullen bevesticht worden.
[^spreuken-4-27-h]: Verwijzing h: Deut. 5:32. en 28:14.
[^spreuken-4-27-52]: Kanttekening 52: Zie Deut. 5. op vers 32.

### Spreuken 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/5.json)

*Vermaning tot het bestuderen van de wijsheid, vers 1. Ernstige waarschuwing voor onkuise vrouwen, 3. Vermaning tot een tuchtig en blij leven in de huwelijkse staat, 15. God ziet alles, vangt en verderft de goddelozen in hun zonden, 21.*

**1** Mijn zoon! merk op mijn[^spreuken-5-1-1] wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v1)

**2** Opdat u alle[^spreuken-5-2-2] bedachtzaamheid behoudt, en uw[^spreuken-5-2-3] lippen wetenschap bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v2)

**3** [^spreuken-5-3-4] Want de[^spreuken-5-3-5] lippen[^spreuken-5-3-6] van de vreemde[^spreuken-5-3-7] vrouw druppen[^spreuken-5-3-a] honigzeem, en[^spreuken-5-3-8] haar gehemelte is gladder dan olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v3)

**4** Maar[^spreuken-5-4-9] het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als[^spreuken-5-4-10] een tweesnijdend zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v4)

**5** [^spreuken-5-5-b] Haar voeten dalen naar[^spreuken-5-5-11] de dood, haar treden[^spreuken-5-5-12] houden het[^spreuken-5-5-13] dodenrijk vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v5)

**6** [^spreuken-5-6-14] Opdat u het[^spreuken-5-6-15] pad van het leven niet zou wegen, zijn haar[^spreuken-5-6-16] gangen[^spreuken-5-6-17] onstandvastig,[^spreuken-5-6-18] dat u het niet merkt.[^spreuken-5-6-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v6)

**7** Nu dan, u kinderen! hoor naar mij, en wijkt niet van de redenen van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v7)

**8** [^spreuken-5-8-20] Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v8)

**9** Opdat u[^spreuken-5-9-21] anderen uw[^spreuken-5-9-22] eer niet[^spreuken-5-9-23] geeft, en uw[^spreuken-5-9-24] jaren[^spreuken-5-9-c] de[^spreuken-5-9-25] wrede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v9)

**10** Opdat de[^spreuken-5-10-26] vreemden zich niet verzadigen[^spreuken-5-10-27] van uw vermogen, en[^spreuken-5-10-28] al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis van[^spreuken-5-10-29] de onbekenden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v10)

**11** En[^spreuken-5-11-30] u in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v11)

**12** En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v12)

**13** En heb niet gehoord naar de stem van mijn onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v13)

**14** [^spreuken-5-14-31] Ik ben bijna in alle[^spreuken-5-14-32] kwaad geweest,[^spreuken-5-14-33] in het midden van de gemeente en van de vergadering! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v14)

**15** [^spreuken-5-15-34] Drink water uit uw bak, en[^spreuken-5-15-35] vloeden uit het midden van uw bornput; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v15)

**16** Laat uw[^spreuken-5-16-36] fonteinen zich buiten verspreiden, en de[^spreuken-5-16-37] waterbeken op de straten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v16)

**17** [^spreuken-5-17-38] Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v17)

**18** [^spreuken-5-18-39] Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw van uw jeugd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v18)

**19** Een[^spreuken-5-19-40] zeer liefelijke hinde, en[^spreuken-5-19-41] een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten altijd[^spreuken-5-19-42] dronken maken;[^spreuken-5-19-43] dool steeds in haar liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v19)

**20** En waarom zou u, mijn zoon,[^spreuken-5-20-44] in een vreemde dolen, en de schoot van[^spreuken-5-20-45] de onbekende omvangen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v20)

**21** Want[^spreuken-5-21-46] de wegen van een ieder zijn voor de[^spreuken-5-21-d] ogen van YHWH, en Hij[^spreuken-5-21-47] weegt al zijne gangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v21)

**22** Zijn ongerechtigheden zullen de goddeloze vangen, en met de banden van zijn zonden zal hij vastgehouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v22)

**23** Hij zal sterven,[^spreuken-5-23-48] omdat hij zonder tucht geweest is, en in de[^spreuken-5-23-49] grootheid van zijn dwaasheid zal hij[^spreuken-5-23-50] verdwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/5.html#v23)

[^spreuken-5-1-1]: Kanttekening 1: Van het onderscheid deze twee woorden wijsheid, en verstant, Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-5-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: bedachtsaemheden. Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-5-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk daarmee u de wetenschap, die u uit mijn leer krijcht, anderen moocht mee-deelen. Vergelijk Mal. 2:7.
[^spreuken-5-3-4]: Kanttekening 4: Hier wordt reden gegeven, waarom de voorgaande vermaning bij de mensen behoort plaats te hebben.
[^spreuken-5-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: woorden. zie Job 2. op vers 10. Dezelfde beteeckenis heeft het woord gehemelte, dat volcht. Zo ook Job 31:30.
[^spreuken-5-3-6]: Kanttekening 6: Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-5-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: brengen zoete, en lieflijke woorden zonder ophouden voort, waar door de jonge mannen tot haar liefde aangelockt worden. Zie van deze manier van spreken, Deut. 32:2, en d’aantekening
[^spreuken-5-3-a]: Verwijzing a: Spr. 2:16. en 6:24.
[^spreuken-5-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: haar propoosten glyden in’t hart door haar lieflijke vleierij, zoals de olie in de mage door haar glatheid. Vergelijk hieronder, 26. vers 28.
[^spreuken-5-4-9]: Kanttekening 9: Ofte, haar einde, of, uitgank. De betekenis is, dat de uitkomste van alle de lieflickheid, en zoetheid van de vreemde vrouwe, en van degenen die de zelf aanhangen, anders niet en is, dan zoals inden text volcht. Zo ook wordt het oorspronckelijk woord voor een ongeluckich einde genomen, Deut. 32:20. hieronder, 14:13. en 23:32. Amos 8:10.
[^spreuken-5-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, פִּיּֽוֹת: een sweert van de monden: dat wil zeggen: dat twee monden heeft. Verstaat een sweert, dat aan beiden zijden snijdt. Zo ook Ps. 149:6. Hebr. 4:12.
[^spreuken-5-5-b]: Verwijzing b: Spr. 7:27.
[^spreuken-5-5-11]: Kanttekening 11: Hier bij wordt niet alleen de tijdelijke dood, en ’t zichtbare graf verstaan, maar ook de eeuwige dood, en het dodenrijk.
[^spreuken-5-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: strekken daar heen, dat ze dezelve niet ontgaan en zullen.
[^spreuken-5-5-13]: Kanttekening 13: Zie van de betekenissen van dit woord, Gen. 37. op vers 35.
[^spreuken-5-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: opdat u niet en komt bij u zelf te overwegen, ofmen met haar zou konnen verkeren, en evenwel de weg van het leven behouden; so weet, dat haar gangen, en manieren van doen zo ongestadich, veranderlijk, en dwalende zijn int aanleggen van alle listigheid, om u te verleiden, dat u’t niet en zult konnen bemerken, en zult dienvolgens van haar in’t net van het verderf gevangen worden.
[^spreuken-5-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: dat tot het ware leven leidt. zie hierboven, 2. op vers 19.
[^spreuken-5-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws: sporen; dat wil zeggen: haar woorden, en werken.
[^spreuken-5-6-17]: Kanttekening 17: Ofte, bewegen zich heen en weer, zijn weyfelende. Dat wil zeggen: dwalende, onseker, met alle winden gedreven, nu tot deze, dan tot die hangende, en dat om de mensen te verleiden.
[^spreuken-5-6-18]: Kanttekening 18: Ofte, \[dat\] u’t niet gewaar wordt, of bevindt: namelijk dat haar gangen van het padt van het leven afdwalen, en de mens na de dood leiden.
[^spreuken-5-6-19]: Kanttekening 19: Het Hebreeuwse woord is zo dikwijls genomen. Zie Job 5. op vers 24.
[^spreuken-5-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: hebt geen gemeenschap met haar, en wacht u van omtrent haar te komen.
[^spreuken-5-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk de overspeelster, en haar man.
[^spreuken-5-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: uw jeucht, sterkte, middelen, goede naam, en zielen welvaart. Verstaat hier onder ook de kinderen, die een hoereerder van de hoere krijcht: want die blijven meest in’t huis van de echt-breeckster.
[^spreuken-5-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk als een roof, en proye, om die quijt te worden.
[^spreuken-5-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk uw jonge jaren, en de besten tijt uwes levens.
[^spreuken-5-9-c]: Verwijzing c: Spr. 6:34, 35.
[^spreuken-5-9-25]: Kanttekening 25: Verstaat het hoeren-gezelschap, en de man van de hoere, die u wreedelijk vervolgen, en de Overheid overgeven zal. Vergelijk hieronder, 6. 34, 35.
[^spreuken-5-10-26]: Kanttekening 26: Verst. niet alleen de overspeelster, en haar man, maar ook alle roffianen, koppelaars, koppelerssen, en overspelich gedrochte, die eenich profijt van de onkuischeid trekken.
[^spreuken-5-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: van uw tijdelijke middelen. Zo ook Hos. 7:9.
[^spreuken-5-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, dat u door uw arbeid (met smerte, en moeite vereenicht), gewonnen hebt. Vergelijk hieronder, 14:23, en Jes. 58:3.
[^spreuken-5-10-29]: Kanttekening 29: Ofte, uitlandischen. Zo ook hieronder, vers 20.
[^spreuken-5-11-30]: Kanttekening 30: Ofte, schreeuwt. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het getier, en gebrul, dat de beesten, en bijzonderlijk de leeuwen maken, als zij in enige nood zijn, hoewel zij niet en versinnen, van waar die komt. Vergelijk Ps. 32:3. Jes. 5:29, 30. Ez. 24:2.
[^spreuken-5-14-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: ik ben na, of, omtrent een weinig in alle kwaad geweest.
[^spreuken-5-14-32]: Kanttekening 32: Namelijk het kwaad van de straf. Zie Gen. 19. op vers 19. of verstaat ook daar bij, het kwaad van de schuld, waar van zie, Job 20:12.
[^spreuken-5-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: in’t openbaar voor de Gemeente van God, en de gehele wereld.
[^spreuken-5-15-34]: Kanttekening 34: Dit is een figuurlijke beschrijving tot het 19 vers ingesloten, vertoonende de schuldige plicht, ’t wel-varen, en de gerustheid van het gemoed van degenen die in de heilige echten-staat na Gods ordinantie kuischelijk leven. De betekenis is, dat een ieder zich met zijn eigen wettelijk gezelschap alleene in alle eerbaarheid vermaken moet: als volcht versen 18, 19. Andere hebben dit verstaan van het wettelijk besit, en gebruik van de tijdelijke goederen, en van de weldadigheid, die wy daar mee bewijzen moeten.
[^spreuken-5-15-35]: Kanttekening 35: Ofte, stroomen.
[^spreuken-5-16-36]: Kanttekening 36: Verst. uw kinderen, die uit u als uit een Fonteyne voortkomen. Vergelijk Jes. 51:1. De betekenis is, dat een ieder de zijnen eerlijk zou opkweken, op dat ze niet alleene het huisgezin cieraat, en dienst zouden toebrengen, maar ook andere mensen, na haar gelegenheid, vriendschap, en deucht doen.
[^spreuken-5-16-37]: Kanttekening 37: Zie Ps. 1. op vers 3.
[^spreuken-5-17-38]: Kanttekening 38: Namelijk mits dat zij alleene u voor haar vader kennen, en u hen voor uw kinderen: het welke niet en kan gebeuren onder de kinderen, die uit een overspeelster geboren worden.
[^spreuken-5-18-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: uw wettelijke huisvrouwe, uit de welke u de kinderen, als uit een springende Fonteyne, voortkomen.
[^spreuken-5-19-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, אַהֲבָתָ: hinde van de liefden. Van deze wordt hier gewach gemaakt, om dat ze van het hart (zo enige schrijven) zeer innerlijk bemint wordt.
[^spreuken-5-19-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: rhee van de aangenaemheid.
[^spreuken-5-19-42]: Kanttekening 42: Ofte, bevochtigen, drenken, laven; dat wil zeggen: met vreuchde, en wellust vervullen. Vergelijk hieronder, 7:18.
[^spreuken-5-19-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: vermaakt u met haar zoals iemand zich pleecht te vermaken in hetgeen dat geoorloft is, en daar in zich zo te vergeten, dat hij na het ongeoorloofde niet eens om en ziet.
[^spreuken-5-20-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: in de liefde eener vreemde.
[^spreuken-5-20-45]: Kanttekening 45: Ofte, buitenlandse.
[^spreuken-5-21-46]: Kanttekening 46: Ofte, van een man.
[^spreuken-5-21-d]: Verwijzing d: 2 Cron. 16:9. Job 31:4. en 34:21. Spr. 15:3. Ierem. 16:17. en 32:19.
[^spreuken-5-21-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws: weecht alle zijn sporen. Dat wil zeggen: hij beproeft als met een pas-loot eens yegelicx wegen, ofse recht, of slim zijn: wetende volkomelijk al het doen, en laten van de mensen.
[^spreuken-5-23-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: om dat hij geen onderricht nochte tuchting en heeft willen hooren, of als hij ze hoorde, niet willen aannemen.
[^spreuken-5-23-49]: Kanttekening 49: Ofte, menichvuldigheid. Dat wil zeggen: grote, oft veelvuldige dwaasheid.
[^spreuken-5-23-50]: Kanttekening 50: Namelijk van de weg van het leven, en zo ter verdoemenis loopen.

### Spreuken 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/6.json)

*Waarschuwing voor borgtocht, vers 1 enz. Voor luiheid, met beschaming door het voorbeeld van de mieren, 6. Voor het wezen en de gebaren van een deugniet, 12. Zes, ja zeven dingen die God haat, 16. De plicht van de kinderen jegens het goede onderwijs van hun ouders, met schone beloften, 20. In het bijzonder dat zij bewaard zullen worden voor de hoerachtige overspelige vrouwen, die met hun schadelijke vruchten en hun eigen en hun aanhangers rampzalige einde beschreven worden, 24. Vergelijking van diefstal en overspel, 30.*

**1** [^spreuken-6-1-1] Mijn zoon! zo u voor uw naaste borg geworden bent,[^spreuken-6-1-2] voor een vreemde[^spreuken-6-1-3] uw hand toegeklapt hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v1)

**2** [^spreuken-6-2-4] U bent verstrikt met de redenen van uw mond; u bent gevangen met de redenen van uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v2)

**3** Doe nu dit, mijn zoon! en[^spreuken-6-3-5] red u, omdat u[^spreuken-6-3-6] in de hand van uw naaste gekomen bent; ga,[^spreuken-6-3-7] onderwerp uzelf, en[^spreuken-6-3-8] sterk uw naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v3)

**4** [^spreuken-6-4-9] Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v4)

**5** [^spreuken-6-5-10] Red u, als een ree uit de hand van de jager, en als een vogel uit de hand van de vogelvanger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v5)

**6** Ga tot de mier, u luiaard! zie haar[^spreuken-6-6-11] wegen, en word wijs; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v6)

**7** Die, geen[^spreuken-6-7-12] overste, ambtman noch heerser hebbende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v7)

**8** Haar[^spreuken-6-8-13] brood bereidt in de zomer, haar voedsel verzamelt in de oogst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v8)

**9** Hoe lang zult u,[^spreuken-6-9-a] luiaard, neerliggen? Wanneer zult u van uw slaap opstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v9)

**10** [^spreuken-6-10-14] Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al neerliggende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v10)

**11** Zo zal uw armoede u overkomen[^spreuken-6-11-15] als een wandelaar, en uw gebrek[^spreuken-6-11-16] als een gewapend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v11)

**12** Een[^spreuken-6-12-17] Belialsmens,[^spreuken-6-12-18] een ondeugdzaam man gaat met[^spreuken-6-12-19] verkeerdheid van de mond om; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v12)

**13** [^spreuken-6-13-20] Wenk met[^spreuken-6-13-21] zijn ogen,[^spreuken-6-13-22] spreekt met zijn voeten,[^spreuken-6-13-23] leert met zijn vingers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v13)

**14** In zijn[^spreuken-6-14-24] hart zijn verkeerdheden,[^spreuken-6-14-25] hij smeedt altijd kwaad;[^spreuken-6-14-26] hij werpt twisten in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v14)

**15** Daarom zal zijn verderf haastig komen; hij zal plotseling verbroken worden, dat[^spreuken-6-15-27] er geen genezen aan zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v15)

**16** Deze[^spreuken-6-16-28] zes haat YHWH; ja,[^spreuken-6-16-29] zeven zijn Zijn[^spreuken-6-16-30] ziel een gruwel: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v16)

**17** [^spreuken-6-17-31][^spreuken-6-17-b] Hoge ogen, een[^spreuken-6-17-32] valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v17)

**18** Een hart, dat[^spreuken-6-18-33] ondeugdzame gedachten smeedt;[^spreuken-6-18-34][^spreuken-6-18-c] voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v18)

**19** [^spreuken-6-19-35] Een vals getuige, die leugens[^spreuken-6-19-36] blaast; en die tussen broers twisten[^spreuken-6-19-37] inwerpt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v19)

**20** Mijn zoon,[^spreuken-6-20-d] bewaar het gebod van uw vader, en verlaat de wet van uw moeder niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v20)

**21** [^spreuken-6-21-38] Bind ze steeds aan[^spreuken-6-21-e] uw hart, hecht ze aan uw hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v21)

**22** Als u wandelt, zal[^spreuken-6-22-39][^spreuken-6-22-f] dat u geleiden; als u neerligt, zal het over u de wacht houden; als u wakker wordt, zal het[^spreuken-6-22-40] met u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v22)

**23** Want[^spreuken-6-23-41][^spreuken-6-23-g] het gebod is een[^spreuken-6-23-42] lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van[^spreuken-6-23-43] de tucht zijn de[^spreuken-6-23-44] weg van het leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v23)

**24** Om u te bewaren voor de[^spreuken-6-24-45] kwade vrouw, voor het gevlei van de[^spreuken-6-24-46][^spreuken-6-24-h] vreemde[^spreuken-6-24-47] tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v24)

**25** Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen[^spreuken-6-25-48] met haar oogleden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v25)

**26** Want door[^spreuken-6-26-49] een vrouw, die een hoer is, komt men tot[^spreuken-6-26-50] een stuk broods; en[^spreuken-6-26-51] de huisvrouw van een man[^spreuken-6-26-52] jaagt de kostelijke ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v26)

**27** [^spreuken-6-27-53] Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn kleren niet verbrand worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v27)

**28** Zal iemand op[^spreuken-6-28-54] kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v28)

**29** [^spreuken-6-29-55] Zo die[^spreuken-6-29-56] tot de huisvrouw van zijn naaste ingaat; al wie[^spreuken-6-29-57] haar aanroert, zal niet[^spreuken-6-29-58] onschuldig gehouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v29)

**30** [^spreuken-6-30-59] Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn[^spreuken-6-30-60] ziel te vullen, omdat hij honger heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v30)

**31** En gevonden zijnde, vergeldt hij het[^spreuken-6-31-61][^spreuken-6-31-i] zevenvoudig; hij geeft[^spreuken-6-31-62] al het goed van zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v31)

**32** Maar die met een vrouw overspel doet,[^spreuken-6-32-63] is verstandeloos; hij verderft zijn ziel,[^spreuken-6-32-64] die dat doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v32)

**33** Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet[^spreuken-6-33-65] uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v33)

**34** Want jaloërsheid is een woede van de man; en[^spreuken-6-34-66] in de dag van de wraak zal hij[^spreuken-6-34-67] niet sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v34)

**35** [^spreuken-6-35-68] Hij zal geen verzoening aannemen; en hij[^spreuken-6-35-69] zal niet bewilligen, hoewel u het[^spreuken-6-35-70] geschenk vergroot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/6.html#v35)

[^spreuken-6-1-1]: Kanttekening 1: Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-6-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: voor een, die u onbekent is, of voor een ander, dat wil zeggen: voor iemand, wie hij zou mogen wesen, u bekent, of niet. Verg. hieronder, 11:15.
[^spreuken-6-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk tot een teken, dat u uw woord houden zult, waar door u belooft hebt te zullen betalen, so de schuldenaar in gebreke valt. zie Job 17. op vers 3. Het recht, en voorzichtig gebruik van borge voor een ander te worden en is hier niet bestraft, maar de onvoorzichtigheid, lichtvaardigheid, en onbedachtsaemheid, die hier in dikwijls geschiedt.
[^spreuken-6-2-4]: Kanttekening 4: Anders: bent u verstrickt, etc.
[^spreuken-6-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: maakt u vry van de borch-schuld, ’t zy bij de schuld-heer, opdat hij u ontsla, of bij de schuldenaar, dat hij betale, en u buiten zorg stelle.
[^spreuken-6-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: in’t gewelt van uw schuld-heer, voor zo veel als hij van u te eisen heeft. Vergelijk Gen. 16:6, en de aantekening
[^spreuken-6-3-7]: Kanttekening 7: Het Hebreeuwse woord betekent zulke vernedering, als ofmen zich met de voeten wilde laten vertrappen. zo ook Ps. 68:31. zie daar de aantekening
[^spreuken-6-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: geeft de schuld-heer goede moet, opdat hij te vreden zy van de betaling, en hij die van u niet strengelijk af en eysche, maar patientelijk van de schuldenaar verwachte, en sterckt of dringt degenen voor welke u borge geworden bent dat hij zijn best doe om te betalen.
[^spreuken-6-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: en neemt geen uitstel om u zelf, en de schuld-heer gerust te stellen.
[^spreuken-6-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk uit het gewelt van de schuld-heer, aan de welke u u tot de betaling verbonden hebt.
[^spreuken-6-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: manier, of wijze van doen, namelijk in’t wacker, sorchvuldich, en neerstich vergaderen van haar voedsel. Zo is het woord weg genomen, hieronder, 13:15. en 14:12. en 16:2. en 21:2. en 30:19, 20.
[^spreuken-6-7-12]: Kanttekening 12: Zoals wel onder andere beesten de Byen haar Koning hebben, die de zijnen tot nijverheid stouwt, en de ledige dood bijt, of uitwerpt: maar de miere geenen zulk een Koning behoevende, drijft haar zelf tot het werk.
[^spreuken-6-8-13]: Kanttekening 13: Verst. koren-graankens, de welke zij beknabbelt, en met bijten doorsnijdt, op dat ze niet uitschieten en zouden, ten einde zij tegen de winter daar van haar provisie hebben mochte, uit welke oorsake zij bij de Hebreen nemalah genaamd wordt van namal, het welke is besnijden, afsnijden.
[^spreuken-6-9-a]: Verwijzing a: Spr. 13:4. en 20:4. en 24:33, 34.
[^spreuken-6-10-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: terwijle u u vast tot het slapen, en luieren begeeft, so zal u de armoede overvallen. Sommige menen, dat hier de luiaert wordt ingevoert, sprekende tot hem zelf, of op de voorgaande bestraffing antwoordende, en wenschende, dat hij slechs nog een weinig slapens, etc. mochte hebben, etc. Zo veel ist, dat Salomo schijnt te zien op de manier van doen, en spreken van degenen, die zich tot luiheid gewennen.
[^spreuken-6-11-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: haastig, en onversiens; Zoals een reizende man zich spoedicht, en gewoonlijk onverwacht overkomt.
[^spreuken-6-11-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, אִישׁ: een man van het schild; dat wil zeggen: die een schilt draegt. Verst. een sterk gewapent man, die pleecht in te komen zonder vragen, en niet lichtelijk en kan weer uit-gedreven worden.
[^spreuken-6-12-17]: Kanttekening 17: Zo ook hieronder, 16:27. Zie Deut. 13. op vers 13.
[^spreuken-6-12-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, אִישׁ: een man van ondeuchtsaemheid, of, ijdelheid, of, ongerechtigheid. Zie Job 11. op vers 11. en Ps. 5. op vers 7. Anders: een Belials mens is een ondeugdelijk, of, ongerechtich man, ommegaande met verkeertheid van de mond.
[^spreuken-6-12-19]: Kanttekening 19: Zie hierboven, 2. op vers 12. en 4. op vers 24.
[^spreuken-6-13-20]: Kanttekening 20: De betekenis is, dat hij niet alleen zijn mond misbruikt, maar ook alle zijn leden aanlegt, om zijn boosheid in’t werk te stellen.
[^spreuken-6-13-21]: Kanttekening 21: Daar mee te kennen gevende eenich kwaad, dat hij zelf voor heeft, of van een ander begeert gedaan te hebben.
[^spreuken-6-13-22]: Kanttekening 22: Namelijk al stootende, stampende, aenroerende, of tredende met de zelf.
[^spreuken-6-13-23]: Kanttekening 23: Namelijk, daar mee wijsende, tellende, dreigende, etc.
[^spreuken-6-14-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: bedenckingen, lusten, en voorslagen, om yet verkeerts, of onrechts te stichten met woorden of werken.
[^spreuken-6-14-25]: Kanttekening 25: Zie hierboven, 3. op vers 29. zo ook hieronder, vers 18.
[^spreuken-6-14-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: zendt; dat is, veroorzaakt veel oneenicheyts, stoffe daar toe gevende, en de gemoeden van de mensen ophitsende. zo ook hieronder, vers 19. en 16:28.
[^spreuken-6-15-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: geen middel om het verderf te ontkomen. Zo ook hieronder, 29:1.
[^spreuken-6-16-28]: Kanttekening 28: Een zeker getal voor een onseker.
[^spreuken-6-16-29]: Kanttekening 29: Anders: het zevende. Zie van deze manier van spreken, Job 5. op vers 19.
[^spreuken-6-16-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, נַפְשֽׁ: zijn zielen grouwel, of, de grouwel van zijn ziel, dat wil zeggen: dat zijn ziel voor een grouwel houdt. zie Deut. 17. op vers 1. en hierboven, 3. op vers 32.
[^spreuken-6-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: hoogmoed, waar van de verhevene, en opvliegende ogen een teekken zijn. Vergelijk Ps. 101:5. Spr. c. 30:13. Jes. 5:15. Tegen deze zijn de nederige van ogen, Job 22:29.
[^spreuken-6-17-b]: Verwijzing b: Spr. 30:13.
[^spreuken-6-17-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: tonge van de valsheid; dat wil zeggen: die leugen-tale spreekt, zo ook Ps. 109:2. en hieronder, 12:19. en 21:6.
[^spreuken-6-18-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: gedachten van de ondeuchtsaemheid, of, ongerechtigheid. Verst. een hart dat op snoode, en op ongerechtige practijkken toeleit. Zie hierboven, 3. op vers 29. en het vers 14 van dit hoofdstuk.
[^spreuken-6-18-34]: Kanttekening 34: Verst. mensen, die door haar quade zinnen, en genegentheden zeer gedreven worden, om haar naasten schade, en verdriet aan te doen.
[^spreuken-6-18-c]: Verwijzing c: Rom. 3:15.
[^spreuken-6-19-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, עֵד: een getuige van de valsheid.
[^spreuken-6-19-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: met grote menigte, en moedigheid versiert, en voortbrengt. Zo ook hieronder, 14:25. en 19. versen 5, 9.
[^spreuken-6-19-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: zendt. zie hierboven, op vers 14.
[^spreuken-6-20-d]: Verwijzing d: Spr. 1:8.
[^spreuken-6-21-38]: Kanttekening 38: Vergelijk hierboven, 3:3. en d’aantekening
[^spreuken-6-21-e]: Verwijzing e: Spr. 3:3.
[^spreuken-6-22-39]: Kanttekening 39: Namelijk dat gebod uwes vaders, daar van in’t voorgaande 20 vers gesproken is: hoewel het woord ook zien kan op de wet van de moeder.
[^spreuken-6-22-f]: Verwijzing f: Spr. 3:23, 24.
[^spreuken-6-22-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: u indachtich maken, wat u in uw wandel doen en laten moet, en waar mee u u in alle lijden vertroosten zult.
[^spreuken-6-23-41]: Kanttekening 41: Namelijk dat uit Gods woord, en wet genomen is.
[^spreuken-6-23-g]: Verwijzing g: Ps. 19:9. en 119:105.
[^spreuken-6-23-42]: Kanttekening 42: Vergelijk Ps. 119:105.
[^spreuken-6-23-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: die geschiedt door de tucht, of door de onderwijzing, die voorgaan moet, zou men tot de wijsheid geraken. Zie van dit woord, hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-6-23-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: die tot het leven leidt: zo ook de weg van de dood, die ter dood leidt. Zie Jer. 21:8. Vergelijk hierboven, 2. op vers 8.
[^spreuken-6-24-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: Vrouwe van het kwaad; dat is, die haar geneert met kwaad doen.
[^spreuken-6-24-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: smeecking, flatteering, schoon-spreking. Vergelijk hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-6-24-h]: Verwijzing h: Spr. 2:16. en 5:3. en 7:5.
[^spreuken-6-24-47]: Kanttekening 47: Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-6-25-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: met de schoonheid van haar ogen, en met haar lieflijk aansien.
[^spreuken-6-26-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: een vrouwe, een hoere; dat wil zeggen: die een hoere is. zo ook 1 Kon. 3:16. eveneens een vrouwe, een Prophetes; dat wil zeggen: die een Prophetes was, Richt. 4:4. een man, een Profeet; dat wil zeggen: die een Profeet was, Richt. 6:8.
[^spreuken-6-26-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: tot armoede, ja ook wel tot de bedel-sak.
[^spreuken-6-26-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die een man heeft, en evenwel na andere mannen staat. Anders: een man-siek wijf. Sommige verstaan door een vrouwe van de man een alle-mans vrouwe.
[^spreuken-6-26-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: brengt niet alleen het lichaam van degene, diese tot onkuischeid verlockt, in’t tijdelijk verderf, maar ook zijn ziel, die zijn weerdichste deel is, in het eeuwige lijden. Vergelijk Ez. 13:18.
[^spreuken-6-27-53]: Kanttekening 53: Deze vrage, zoals ook de volgende, loochenen sterckelijk. Zie Gen. 18. op vers 17.
[^spreuken-6-28-54]: Kanttekening 54: Namelijk vurige, of gloeiende kolen. zie van dit woord, Job 41. op vers 12.
[^spreuken-6-29-55]: Kanttekening 55: Zoals de twee voorgaande gelijkenissen vast gaan, en zeker zijn; zo ook dit, dat daar op gepast wordt; namelijk, dat de overspeelder zich quetst, en schade doet aan goed, lichaam, eere, ziel.
[^spreuken-6-29-56]: Kanttekening 56: Zie Gen. 6. d’aant. op vers 4.
[^spreuken-6-29-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: met haar te doen heeft door byslaping. zie gelijke manier van spreken Gen. 20:6. 1 Kor. 7:1.
[^spreuken-6-29-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: niet ongestraft blijven. zie 1 Kon. 2. op vers 9. en Job 9. op vers 28.
[^spreuken-6-30-59]: Kanttekening 59: Hij wil zeggen, dat dieverye zo grote zonde niet en is, als overspel, en dat diefte, geschiedt bijzonderlijk door hongers-noot, niet zo smadelijk, en hardelijk gestraft en werd, als het overspel. en dit kanmen verstaan van een particuliere handeling tussen de dief en de man die hij iets ontstolen heeft.
[^spreuken-6-30-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zich te versadigen, oft verstaat door ziel, begeerte. zie Gen. 34. op vers 3. en Ps. 27. op vers 12.
[^spreuken-6-31-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: veelvoudich. Seven is dikwijls in de H. Schriftuur een zeker getal voor een onseker, als Gen. 4:15. Lev. 26:18. Ps. 119:164. hieronder, 24:16. en 26:25. beteeckenende veelheid. De simpele dieven moesten wel het gestolene maar twee, of vier, of vijf dobbel wedergeven, Ex. 22:1, etc. en 4. maar sommige menen, dat de straf de dieven door de wet opgeleit, in de tijd Salomons verswaart was: of men kan het zo verstaan dat de dief met de man accordeert dat hij hem zo vele wil geven, opdat hij hem geen schande aan en doe.
[^spreuken-6-31-i]: Verwijzing i: Ex. 22:1, 4.
[^spreuken-6-31-62]: Kanttekening 62: Namelijk als hij zo schamel zy, dat hij niet en kan veelvoudelijk wedergeven.
[^spreuken-6-32-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws: herteloos, of, heeft geen hart, of, heeft gebrek van een hart; dat wil zeggen: en heeft geen wetenschap, verstant, nochte zinnen, niet begrijpende wat voor God aangenaam, eerlijk voor de mensen, en profijtelijk voor hem zelf is. Zie dezelfde benaming, hieronder, 7:7. en 9:4, 16. en 10:13. en 11:12. en 15:21. en 17:18, etc. het woord hart, is dikwijls genomen voor het verstant, zie Job 9. op vers 4.
[^spreuken-6-32-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: die overspel begaat.
[^spreuken-6-33-65]: Kanttekening 65: Ofte, uitgedelgt, uit-gevaecht worden.
[^spreuken-6-34-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: als de gelegenheid zal verschenen, of voor-gevallen zijn, om zich te wreken. zo ook wordt de tijt, in de welke God zich wreken wilde tegen de vijanden zijn kerk, genaamd, een dach van de wrake, Jes. 34:8. Vergelijk Job 20:28. en 24:1. en hieronder, 11:4.
[^spreuken-6-34-67]: Kanttekening 67: Namelijk de overspeelder.
[^spreuken-6-35-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, פְּנֵי: hij zal niet aannemen het aangezicht van alle versoening; dat wil zeggen: geen soengelt aannemen. zie 1 Kon. 11. op vers 34. Van de manier van spreken, het aangezicht aannemen. zie Gen. 32. op vers 20.
[^spreuken-6-35-69]: Kanttekening 69: Vergelijk Num. 35. op vers 31.
[^spreuken-6-35-70]: Kanttekening 70: Ofte, de geschenken vermenichvuldicht.

### Spreuken 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/7.json)

*Salomo vermaant tot een vertrouwelijke, innerlijke en sterke gemeenschap met de wijsheid, vers 1 enz. om bewaard te zijn voor de gevaren van de onkuise vrouwen, 5. waarvan hij een bijzonder voorbeeld voor ogen stelt, en zeer levendig de listige praktijken van een overspelige vrouw afbeeldt, en de verleiding van een dwaze jongeling, met een ernstige afmaning van zulke goddeloosheid, 6 enz.*

**1** Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en[^spreuken-7-1-1] leg mijn geboden bij u weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v1)

**2** [^spreuken-7-2-a] Bewaar mijn geboden, en[^spreuken-7-2-2] leef, en mijn[^spreuken-7-2-3] wet als[^spreuken-7-2-4] de appel van uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v2)

**3** [^spreuken-7-3-5][^spreuken-7-3-b] Bind ze aan uw vingers,[^spreuken-7-3-6] schrijf ze op de tafels van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v3)

**4** [^spreuken-7-4-7] Zeg tot de wijsheid: U bent mijn zus; en heet het verstand uw[^spreuken-7-4-8] bloedvriend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v4)

**5** [^spreuken-7-5-c] Opdat zij u bewaren voor een[^spreuken-7-5-9] vreemde vrouw, voor de onbekende,[^spreuken-7-5-10] die met haar redenen vleit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v5)

**6** [^spreuken-7-6-11] Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v6)

**7** En ik zag onder de[^spreuken-7-7-12] eenvoudigen; ik[^spreuken-7-7-13] merkte onder de[^spreuken-7-7-14] jongemannen een[^spreuken-7-7-15] verstandeloze jongeling; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v7)

**8** Voorbijgaande op de straat, naast[^spreuken-7-8-16] haar hoek, en hij trad op de weg[^spreuken-7-8-17] van haar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v8)

**9** [^spreuken-7-9-18] In de schemering, in de avond van de dag, in de[^spreuken-7-9-19] zwarte nacht en de donkerheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v9)

**10** En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel,[^spreuken-7-10-20] en[^spreuken-7-10-21] met het hart op haar hoede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v10)

**11** [^spreuken-7-11-d] Deze was[^spreuken-7-11-22] luidruchtig en[^spreuken-7-11-23] opstandig, haar voeten[^spreuken-7-11-24] bleven in haar huis niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v11)

**12** [^spreuken-7-12-25] Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v12)

**13** En zij greep hem aan, en kuste hem; zij[^spreuken-7-13-26] sterkte haar aangezicht, en zei tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v13)

**14** [^spreuken-7-14-27] Dankoffers zijn bij mij, ik heb vandaag mijn[^spreuken-7-14-28] geloften[^spreuken-7-14-29] betaald; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v14)

**15** Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht ijverig te zoeken,[^spreuken-7-15-30] en ik heb u gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v15)

**16** Ik heb mijn bedstede met[^spreuken-7-16-31] tapijtsieraad toegemaakt,[^spreuken-7-16-32] met uitgehouwen werken,[^spreuken-7-16-33] met fijn linnen van Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v16)

**17** Ik heb mijn bed met mirre, aloë en kaneel geurende gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v17)

**18** Kom, laat ons[^spreuken-7-18-34] dronken worden van liefde tot de morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in[^spreuken-7-18-35] grote liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v18)

**19** Want[^spreuken-7-19-36] de man is niet in zijn huis, hij is[^spreuken-7-19-37] een verre weg getogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v19)

**20** Hij heeft[^spreuken-7-20-38] een geldbuidel[^spreuken-7-20-39] in zijn hand genomen;[^spreuken-7-20-40] op de afgesproken dag zal hij naar zijn huis komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v20)

**21** Zij[^spreuken-7-21-41] bewoog hem door de veelheid van haar[^spreuken-7-21-42] onderricht, zij dreef hem aan door[^spreuken-7-21-43] het gevlei van haar lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v21)

**22** Hij ging haar straks achterna, zoals een os ter slachting gaat, en[^spreuken-7-22-44] gelijk een dwaas tot[^spreuken-7-22-45] de tuchtiging van de boeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v22)

**23** Totdat hem[^spreuken-7-23-46] de pijl[^spreuken-7-23-47] zijn lever doorsneed;[^spreuken-7-23-e] gelijk een vogel zich haast naar de strik, en niet weet, dat die[^spreuken-7-23-48] tegen zijn leven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v23)

**24** Nu dan,[^spreuken-7-24-49] kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen van mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v24)

**25** Laat uw hart tot haar[^spreuken-7-25-50] wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v25)

**26** Want zij heeft veel gewonden neergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.[^spreuken-7-26-51][^spreuken-7-26-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v26)

**27** [^spreuken-7-27-f] Haar huis zijn wegen[^spreuken-7-27-53] van het graf, dalende naar de binnenkameren[^spreuken-7-27-54] van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/7.html#v27)

[^spreuken-7-1-1]: Kanttekening 1: Zie Job 23. op vers 12.
[^spreuken-7-2-a]: Verwijzing a: Spr. 4:4. Lev. 18:5.
[^spreuken-7-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: u zult zeker leven. Hetgeen op bevelende manier uit-gesproken wordt, begrijpt dikwijls een vaste belofte. Zie hierboven, 3. op vers 25. en 4. op vers 4.
[^spreuken-7-2-3]: Kanttekening 3: Ofte, leer. Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-7-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk die om zijn teerigheid geheel nauwe bewaard moet worden. Zie Deut. 32. op vers 10.
[^spreuken-7-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: hebtse geduerichlijk voor de ogen, om die te gedenken, en bij de hant, om die in’t werk te stellen. Vergelijk Deut. 6. op vers 8. en 11:18.
[^spreuken-7-3-b]: Verwijzing b: Deut. 6:8. en 11:18.
[^spreuken-7-3-6]: Kanttekening 6: Zie hierboven, 3. op vers 3.
[^spreuken-7-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: bemint de wijsheid, en vereertse, als ofse uw eigen suster ware, of u na-bestaande, etc.
[^spreuken-7-4-8]: Kanttekening 8: Het Hebreeuwse woord is zo genomen, Ruth 2:1. Vergelijk ook Ruth 3:2 en de aantekening.
[^spreuken-7-5-c]: Verwijzing c: Spr. 5:3.
[^spreuken-7-5-9]: Kanttekening 9: Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-7-5-10]: Kanttekening 10: Zie hierboven, 2. op vers 16. voorgemelt.
[^spreuken-7-6-11]: Kanttekening 11: Hoewel het zijn kan, dat Salomo dit met zijn eigen ogen gezien heeft: nochtans schijnt het, dat hij ’t exempels-wijze voorstelt, als een zaak, die dikwijls gebeurt, en dat tot leer, en waarschouwing van de jeucht: zoals Christus mee dikwijls in het Evangelie zulke voorbeelden, en gelijkenissen voortbrengt.
[^spreuken-7-7-12]: Kanttekening 12: Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-7-7-13]: Kanttekening 13: Zie van het Hebreeuwse woord zo genomen, Job 18:2 en de aantekening.
[^spreuken-7-7-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, בָּנִים: zonen; dat wil zeggen: jonge mannen, of gesellen; zoals bij ons het woord dochter veel voor een jonge dochter gebruikt wordt.
[^spreuken-7-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: herteloosen. Zie hierboven, 6. op vers 32.
[^spreuken-7-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de overspeelders. Verst. neffens de hoek van haar huis, daar in zij woonde.
[^spreuken-7-8-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die tot haar huis leydde.
[^spreuken-7-9-18]: Kanttekening 18: Namelijk ’s avonds. Zie van het Hebreeuwse woord, 2 Kon. 7. op vers 5.
[^spreuken-7-9-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: swartheid van de nacht; dat wil zeggen: als de nacht van donckerheid swart werd. zo ook hieronder, 20:20. in de swartheid van de duisternis; dat wil zeggen: als’t swart is van grote duisternis. en verstaat dit versje van ’t begin en van’t vervolch van deze handel.
[^spreuken-7-10-20]: Kanttekening 20: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een habijt, kleedt, pareersel, of cieraat, dat wel op het lichaam gepast, en gevoecht is. Vergelijk Ps. 73:6.
[^spreuken-7-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, נְצֻרַת: bewaard, of, behoed van hart, of voorsien van zinnen; dat wil zeggen: dobbel, schalk, loos, en geheel voorsien met allerlei doortrapte listigheid, om te bedriegen, en niet bedrogen te worden.
[^spreuken-7-11-d]: Verwijzing d: Spr. 9:13.
[^spreuken-7-11-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: ongerust van zinnen, ongebonden van tonge, licht in gebeerden, vol bedrijfs in ijdele werken, of, snaterachtich. Zo ook hieronder, 9:13.
[^spreuken-7-11-23]: Kanttekening 23: Ofte, afwijkende; namelijk, van alle goede zeden, en van de gehoorzaamheid van haar man.
[^spreuken-7-11-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: en woonden niet. zo ook is’t Hebreeuwse woord genomen, Ex. 40:35. Richt. 5:16.
[^spreuken-7-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: maal, maal, dat is, d’eenmaal buiten, d’andermaal op, etc. Verstaat door buiten, de plaats, en ruimte, die voor de deure van het huis is: door de straten de gemeene gangen, en wijkken, die door de stadt, en daar buiten loopen.
[^spreuken-7-13-26]: Kanttekening 26: Ofte, verstijfde: dat is, zij leyde de schaemte af, was stout, en dede (gelijckmen zegt) een verderen aangezicht aan. Vergelijk Deut. 28. d’aant. op vers 50. Anders: vergaderde.
[^spreuken-7-14-27]: Kanttekening 27: Zie van deze Lev. 3. op vers 1. van de welke zij, diese de Heer toebrachten, haar deel hadden: waar van zij dan met haar vrienden vrolijk waren. Ofte: dank-offeren waren op my. Dat is, belofte van dank-offeren te doen.
[^spreuken-7-14-28]: Kanttekening 28: Zie Lev. 7. op vers 16.
[^spreuken-7-14-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: volbracht, dat ik belooft heb. Zie Ps. 50:14. en 61:9. en 65:2. Nah. 1:15.
[^spreuken-7-15-30]: Kanttekening 30: Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk yet in de morgen-stont zoeken: maar het wordt voor alle neerstige zoeking genomen. zie Job 7. op vers 21. want hier wordt niet gesproken van de morgen, maar van de avont-stont.
[^spreuken-7-16-31]: Kanttekening 31: Het Hebreeuwse woord het welke alleene hier, en hieronder, 31:19. gevonden wordt, schijnt te betekenen eenich bedde-cieraat, als kostelijke tapijten, en konstich toe-gemaakte dekenen, daar mee de bedden niet alleen bedecket, maar bijzonderlijk opgeproncket werden.
[^spreuken-7-16-32]: Kanttekening 32: Verst. graveringen, en insnijdingen, die tot een cieraat aan de koetse, daarop het bedde lach, konstelijk ingekerft, en ingeholt waren.
[^spreuken-7-16-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: snoer, of, draat, waar door sommige verstaan zeer fijn, wit, en kostelijk linwaat, dat uit zulke draden gemaakt werd, en tot het bedde behoorde. Vergelijk Gen. 41:42. 1 Kon. 10:28. en hieronder, 31:22. Enige houden, dat deze snoeren, of koordekens, die zeer kostelijk waren, liepen tussen de tapijten, of behangselen, om een onderscheid te maken tussen de Figuren, die daar op mochten gesteken, of geweven zijn. Andere menen, dat de koetse tot een cieraat met deze kostelijke snoeren is omvlochten geweest.
[^spreuken-7-18-34]: Kanttekening 34: Vergelijk hierboven, 5:19. en de aant. daarop.
[^spreuken-7-18-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, דֹדִים: liefden. in’t getal van velen.
[^spreuken-7-19-36]: Kanttekening 36: Zij zegt dit met verachting haars mans, al of hij haar man niet meer en ware: zoals zij ook daarom terstont zegt, in zijn huis, voor te huis.
[^spreuken-7-19-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: een weg uit verren, dat wil zeggen: een verren weg, zo ook Jer. 31:10. Eylanden uit, of, van verre, dat wil zeggen: die verre gelegen zijn.
[^spreuken-7-20-38]: Kanttekening 38: Dit zegt zij tot een teken, dat hij lange weg zou blijven.
[^spreuken-7-20-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: met hem. Zie 2 Sam. 8. op vers 10. en 2 Kon. 5. op vers 5.
[^spreuken-7-20-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: die hij my gezet heeft, en die nog op veel na niet en is verschenen. Zie van het Hebreeuwse woord, Ps. 81:4. en d’aantekening.
[^spreuken-7-21-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: dede hem afwijken, of, neychde hem.
[^spreuken-7-21-42]: Kanttekening 42: Het Hebreeuwse woord betekent wel meest een goed onderwijs, of leer, waar door men tot wijsheid, en deucht geleert wordt, hierboven, 1:5. maar hier in’t quade genomen zijnde, ist zo veel, als een bedriegelijke, en met schone woorden aanlockende beprating, waar door iemand tot zijn nadeele verleit wordt.
[^spreuken-7-21-43]: Kanttekening 43: Anders ook genaamd lippen van de vleierij. Ps. 12:3, 4. Hebreeuws: smiedigheid, of, glatheid van haar lippen.
[^spreuken-7-22-44]: Kanttekening 44: In’t Hebreeuws zijn de woorden omgesett, zo: zoals de boeye tot de tuchting van de dwasen; dat is, zoals de dwase tot de kastijding van de boeye; namelijk, gaat, dat is, om met de boeien gekastijdt te worden. Anders: zoals de dwaas met de boeien van de tuchting.
[^spreuken-7-22-45]: Kanttekening 45: Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen de onderwijzing, die geschiedt met woorden, als hierboven, 1:2. en 16:22, etc. maar ook de kastijding, die geschiedt met dadelijke straf, als hieronder, 22:15. en 23:13. Jer. 30. vers 14. Ez. 5:15.
[^spreuken-7-23-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: een felle, scherpe, en zeer diepgaande, en doordringende plage, of straf. zie Deut. 32. op vers 23. en Job 6. op vers 4.
[^spreuken-7-23-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: zijn begeerlickheid met rampsaligen lust ontstak, zijn lichaam met ongesontheid verdorf, en zijn geest met het gevoelen van Gods toorn beroerde.
[^spreuken-7-23-e]: Verwijzing e: Spr. 1:17.
[^spreuken-7-23-48]: Kanttekening 48: Namelijk opgehangen, geleid, of uitgespreydt, om hem het leven (Hebreeuws, נַפְשׁ: ziel) te benemen.
[^spreuken-7-24-49]: Kanttekening 49: Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-7-25-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: manier van leven, doen, en laten, handel, en wandel. zie Gen. 6. op vers 12. Neemt in dezelfde zin het volgende woord paden.
[^spreuken-7-26-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die zij gedoodt, en omgebracht heeft.
[^spreuken-7-26-52]: Kanttekening 52: Anders: sterk, dat wil zeggen: kloek, na het lichaam in kracht, of na de geest in wijsheid, of na beiden, als Simson, David, Salomo, etc. Het Hebreeuwse woord is voor vele in getale genomen, Psa. 139:17. Jer. 5:6. en 15:8. voor machtige, of sterke. Gen. 18:18. Ex. 1:7, 9. Deut. 7:1.
[^spreuken-7-27-f]: Verwijzing f: Spr. 2:18. en 5:5.
[^spreuken-7-27-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: die na het graf leiden. Anders: na het dodenrijk: want het Hebreeuwse woordeken beide betekent. Zie Gen. 37. op vers 35. beide betekenissen konnen hier plaats hebben.
[^spreuken-7-27-54]: Kanttekening 54: Niet alleen van de lichamelijken, maar ook van de geestelijken, en eeuwigen.

### Spreuken 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/8.json)

*De eeuwige zelfstandige Wijsheid van de Vader (de Zoon van God, onze Heere Jezus Christus) wordt hier sprekend ingevoerd, predikend tot alle soorten mensen, openlijk en duidelijk, vers 1. Over haar leer, 6. Hoogwaardigheid, 10. Natuur, 12. Soevereine macht en heerschappij, 15. Met een verhaal van de gelukzaligheid van hen die haar aannemen, 17. Eveneens over haar eeuwige Godheid, onbegrijpelijke geboorte uit de Vader en eenheid met Hem, 22. Over haar zaligmakend ambt en vertrouwelijke openbaring aan de mensenkinderen, 31. Vermanend tot gehoorzaamheid, met belofte van zaligheid, en waarschuwend voor ongehoorzaamheid, op straffe van eeuwig verderf, 32.*

**1** [^spreuken-8-1-1] Roep[^spreuken-8-1-a] de Wijsheid niet, en[^spreuken-8-1-2] verheft niet de Verstandigheid Haar stem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v1)

**2** Op de[^spreuken-8-2-3] spits van[^spreuken-8-2-4] de hoge[^spreuken-8-2-5] plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v2)

**3** [^spreuken-8-3-6] Aan de zijde van de poorten,[^spreuken-8-3-7] voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept[^spreuken-8-3-8] Zij overluid: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v3)

**4** Tot u, o[^spreuken-8-4-9] mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v4)

**5** U[^spreuken-8-5-10] eenvoudigen! versta[^spreuken-8-5-11] verstandigheid, en u[^spreuken-8-5-12] zotten! versta met het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v5)

**6** Hoor, want ik zal[^spreuken-8-6-13] vorstelijke dingen spreken, en[^spreuken-8-6-14] de opening van Mijn lippen zal enkel eerlijkheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v6)

**7** Want Mijn[^spreuken-8-7-15] gehemelte zal de waarheid weloverwogen uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen[^spreuken-8-7-16] een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v7)

**8** Al de redenen van Mijn mond zijn in gerechtigheid; er is niets[^spreuken-8-8-17] verdraaids, noch verkeerds in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v8)

**9** Zij zijn alle[^spreuken-8-9-18] recht voor degene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap[^spreuken-8-9-19] vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v9)

**10** Neem Mijn tucht aan, en[^spreuken-8-10-20] niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen[^spreuken-8-10-21] uitgegraven goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v10)

**11** [^spreuken-8-11-b] Want wijsheid is beter dan[^spreuken-8-11-22] robijnen, en[^spreuken-8-11-23] al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v11)

**12** [^spreuken-8-12-24] Ik, Wijsheid, woon bij de[^spreuken-8-12-25] verstandigheid, en vinde de kennis van[^spreuken-8-12-26] alle bedachtzaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v12)

**13** [^spreuken-8-13-27] De vrees voor YHWH is, te haten het kwade, de trots, en de hoogmoed, en de[^spreuken-8-13-28] kwade weg; Ik haat ook de[^spreuken-8-13-29] mond van de verkeerdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v13)

**14** Raad en het[^spreuken-8-14-30] wezen zijn van Mij; Ik ben het Verstand, van Mij is de Sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v14)

**15** Door Mij regeren de koningen, en de vorsten[^spreuken-8-15-31] stellen[^spreuken-8-15-32] gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v15)

**16** Door Mij heersen de heersers, en de[^spreuken-8-16-33] prinsen, al de rechters van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v16)

**17** Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij[^spreuken-8-17-34] vroeg zoeken, zullen Mij[^spreuken-8-17-35] vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v17)

**18** [^spreuken-8-18-c] Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v18)

**19** [^spreuken-8-19-d] Mijn[^spreuken-8-19-36] vrucht is beter dan[^spreuken-8-19-37] uitgegraven goud, en dan[^spreuken-8-19-38] dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v19)

**20** Ik doe wandelen op de[^spreuken-8-20-39] weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v20)

**21** Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig[^spreuken-8-21-40] is, en Ik zal hun schatkameren vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v21)

**22** [^spreuken-8-22-41] YHWH bezat[^spreuken-8-22-42] Mij[^spreuken-8-22-43] in het begin[^spreuken-8-22-44] van Zijn weg,[^spreuken-8-22-45] voor Zijn werken,[^spreuken-8-22-46] van toen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v22)

**23** Ik ben van eeuwigheid af[^spreuken-8-23-47] gezalfd geweest; van[^spreuken-8-23-e] de[^spreuken-8-23-48] aanvang, van de oudheden van de aarde aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v23)

**24** Ik was[^spreuken-8-24-49] geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren,[^spreuken-8-24-50] zwaar van water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v24)

**25** Voordat de bergen[^spreuken-8-25-51] ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v25)

**26** [^spreuken-8-26-52] Hij had de aarde[^spreuken-8-26-53] nog niet gemaakt, noch[^spreuken-8-26-54] de velden, noch[^spreuken-8-26-55] de aanvang van de stofjes van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v26)

**27** Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar;[^spreuken-8-27-f] toen Hij[^spreuken-8-27-56] een cirkel[^spreuken-8-27-57] over het vlakke van de afgrond beschreef; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v27)

**28** Toen Hij de opperwolken van boven[^spreuken-8-28-58] vestigde; toen Hij[^spreuken-8-28-g] de fonteinen van de[^spreuken-8-28-59] afgrond vastmaakte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v28)

**29** Toen Hij voor de zee haar[^spreuken-8-29-60] perk zette, opdat de wateren[^spreuken-8-29-h] Zijn[^spreuken-8-29-61] bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde[^spreuken-8-29-62] stelde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v29)

**30** Toen was Ik een[^spreuken-8-30-63] voedsterling bij Hem, en Ik was[^spreuken-8-30-64] dagelijks[^spreuken-8-30-65] Zijn vermakingen, altijd voor Zijn aangezicht spelende;[^spreuken-8-30-i__] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v30)

**31** [^spreuken-8-31-66] Spelende in de wereld van Zijn aarde, en Mijn vermakingen zijn[^spreuken-8-31-67] met de mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v31)

**32** Nu dan, kinderen! hoor naar Mij; want welgelukzalig[^spreuken-8-32-k] zijn zij,[^spreuken-8-32-68] die Mijn wegen bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v32)

**33** Hoor de tucht, en wordt wijs, en[^spreuken-8-33-69] verwerpt die niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v33)

**34** Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort,[^spreuken-8-34-70] dagelijks wakend aan Mijn poorten, waarnemende de posten van Mijn deuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v34)

**35** Want die Mij vindt, vindt het leven,[^spreuken-8-35-l] en[^spreuken-8-35-71] trekt een welgevallen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v35)

**36** Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel[^spreuken-8-36-72] geweld aan; allen, die[^spreuken-8-36-73] Mij haten,[^spreuken-8-36-74] hebben de dood lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/8.html#v36)

[^spreuken-8-1-1]: Kanttekening 1: Hij wil zeggen: Zeker, ja. Het is een vraagvorm die iets krachtig bevestigt. Zie Gen. 13, op vers 9.
[^spreuken-8-1-a]: Verwijzing a: Spr. 1:20, 21.
[^spreuken-8-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: geeft. Zie Spr. 1, op vers 20.
[^spreuken-8-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, רֹאשׁ: aan het hoofd van de hoogten. Men kan hier plaatsen onder verstaan die verheven waren, van waaruit leraren aan de gemeente hun goede leer en vermaning konden voorhouden. Vergelijk 2 Kron. 24:20; Neh. 8:5; Matt. 10:27; Hand. 22:3.
[^spreuken-8-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk: de openbare weg, waarlangs veel mensen voorbijkomen.
[^spreuken-8-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: \[in of op\] het huis van de paden, dat wil zeggen: de plaats van de paden. Dat wil zeggen: de kruispunten, waar veel paden, zoals in een huis, samenkomen. Huis staat voor: plaats. Zie Ex. 25, op vers 27.
[^spreuken-8-3-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, יַד: aan de hand van de poorten. Hand staat voor: zijde. Zie 2 Sam. 18, op vers 4. Of: ter plaatse van de poorten.
[^spreuken-8-3-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, פִי: aan de mond van de stad; dat wil zeggen: bij haar ingang, zoals de volgende woorden verklaren. Zo ook: de mond van de put (Gen. 29:2) en de mond van de grot (Joz. 10:18).
[^spreuken-8-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk: de Wijsheid. Of: roepen zij; dat wil zeggen: de Wijsheid en het Inzicht. Zie daarover Spr. 8, vers 1. Het eerste is beter, zoals blijkt uit het volgende vers 6, waar het enkelvoud staat. Zie ook Spr. 8, vers 12.
[^spreuken-8-4-9]: Kanttekening 9: Sommigen menen dat hier met 'mensen' degenen worden bedoeld die door adel, stand en vermogen uitsteken boven anderen, en elders 'zonen van mannen' worden genoemd, terwijl met 'mensenkinderen' de gewone mensen worden bedoeld. Zie Ps. 49, op vers 3.
[^spreuken-8-5-10]: Kanttekening 10: Zie Spr. 1, op vers 4.
[^spreuken-8-5-11]: Kanttekening 11: Zie op diezelfde plaats.
[^spreuken-8-5-12]: Kanttekening 12: Zie Spr. 1, op vers 22.
[^spreuken-8-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: vorstelijke dingen, dat wil zeggen: geen gewone of alledaagse dingen, maar heerlijke en voortreffelijke, die vorsten en grote heren passen — niet alleen omdat ze hen aangaan, maar ook omdat ze door hen gehoord, aangenomen en zelfs verkondigd behoren te worden. Vergelijk Spr. 22:20.
[^spreuken-8-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: wat ik door het openen van mijn lippen naar buiten zal brengen.
[^spreuken-8-7-15]: Kanttekening 15: Of: verhemelte. Hieronder wordt het gehele spreekorgaan verstaan, inclusief lippen, tanden, tong en keel. Zie Job 33, op vers 2.
[^spreuken-8-7-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, שְׂפָתַ: een gruwel van mijn lippen; dat wil zeggen: waarvoor mijn lippen een afkeer hebben om het uit te spreken. Zie Spr. 3, op vers 32.
[^spreuken-8-8-17]: Kanttekening 17: Vergelijk Job 5, op vers 13.
[^spreuken-8-9-18]: Kanttekening 18: Of: recht voor de hand liggend. Het Hebreeuwse woord betekent zowel 'recht' als 'direct zichtbaar en makkelijk te begrijpen'. Zo ook 2 Sam. 15:3; Spr. 24:26.
[^spreuken-8-9-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: verkrijgen, bemachtigen. Zie Gen. 26:12 en de aantekening.
[^spreuken-8-10-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: meer dan zilver, zoals de volgende woorden van dit vers laten zien. Wat in het algemeen gezegd wordt, is dikwijls slechts in bepaalde zin en bij wijze van vergelijking te verstaan. Vergelijk Jes. 43:18; Jer. 7:22 en 16:14; Hos. 6:6; Matt. 23:3; 1 Kor. 1:17.
[^spreuken-8-10-21]: Kanttekening 21: Zie Spr. 3, op vers 14. Zie ook Spr. 8, vers 19.
[^spreuken-8-11-b]: Verwijzing b: Job 28:15; Ps. 19:11; Spr. 3:14, 15 en 16:16.
[^spreuken-8-11-22]: Kanttekening 22: Zie Job 28, op vers 18.
[^spreuken-8-11-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: alle begeerlijkheden zullen er niet mee worden vergeleken. Zie Spr. 3, op vers 15.
[^spreuken-8-12-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: ik bezit, geniet en gebruik de schranderheid als iets dat mij alleen toebehoort en tot mijn beschikking staat.
[^spreuken-8-12-25]: Kanttekening 25: Zie Spr. 1, op vers 4.
[^spreuken-8-12-26]: Kanttekening 26: Zie op datzelfde vers.
[^spreuken-8-13-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: het ontzag voor YHWH, dat het begin en het voornaamste deel van de wijsheid is (Spr. 1:7), brengt de mens ertoe het kwade te haten.
[^spreuken-8-13-28]: Kanttekening 28: Zie Spr. 2, op vers 12.
[^spreuken-8-13-29]: Kanttekening 29: Zie op datzelfde vers.
[^spreuken-8-14-30]: Kanttekening 30: Of: duurzaam inzicht, of: bestendige wijsheid. Zie Spr. 2, op vers 7.
[^spreuken-8-15-31]: Kanttekening 31: Van dit woord is een ander woord afgeleid dat wetgevers of wetgevenden betekent (Gen. 49:10; Deut. 33:21; Richt. 5:14).
[^spreuken-8-15-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: goede en rechtvaardige wetten, waaraan de onderdanen zich moeten houden.
[^spreuken-8-16-33]: Kanttekening 33: Zie Job 12, op vers 21.
[^spreuken-8-17-34]: Kanttekening 34: Zie over het Hebreeuwse woord: Job 7, op vers 21 en Spr. 7, op vers 15.
[^spreuken-8-17-35]: Kanttekening 35: Zie 2 Kron. 15, op vers 2.
[^spreuken-8-18-c]: Verwijzing c: Spr. 3:16.
[^spreuken-8-19-d]: Verwijzing d: Spr. 3:14.
[^spreuken-8-19-36]: Kanttekening 36: Zie Spr. 1, op vers 31.
[^spreuken-8-19-37]: Kanttekening 37: Zie Spr. 3, op vers 14.
[^spreuken-8-19-38]: Kanttekening 38: Zie 1 Kon. 10, op vers 18. Of: goud van Ufaz — sommigen menen dat Paz hier staat voor Ufaz, de naam van een plaats waar bijzonder fijn goud vandaan komt (Jer. 10:9), te weten wat heden naar sommige meningen in Noord-Afrika Fez wordt genoemd.
[^spreuken-8-20-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: op de manier van leven die men moet volgen om, overeenkomstig de wet, eerst God en dan de naaste de verschuldigde plicht te bewijzen. Zie Spr. 2, op vers 8.
[^spreuken-8-21-40]: Kanttekening 40: Verstaan: een goed dat werkelijk goed is en de mens het hoogste welzijn brengt dat in eeuwigheid stand houdt — niet alleen ogenschijnlijk, maar in werkelijkheid.
[^spreuken-8-22-41]: Kanttekening 41: Verstaan: de eeuwige Vader van onze Heer Jezus Christus, dat wil zeggen: de eerste persoon van de eeuwige Godheid.
[^spreuken-8-22-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: hij had mij in en bij hem, op een onbegrijpelijke wijze uit hem geboren. Joh. 1:1; Kol. 1:15; Hebr. 1:3, 5.
[^spreuken-8-22-43]: Kanttekening 43: Namelijk: de wezenlijke Wijsheid, het zelfstandige Woord van de Vader, of de tweede persoon van het goddelijke wezen — de eeuwige en eniggeboren Zoon en waarachtig God. Zie ook Spr. 1:20 en Spr. 8:12. Joh. 1:1; Kol. 1:15.
[^spreuken-8-22-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: van zijn werkzaamheid, zoals die van de schepping, ja ook van zijn eeuwig besluit en voornemen om de wereld te scheppen, zoals de volgende woorden laten zien.
[^spreuken-8-22-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: van alle eeuwigheid af, toen er nog niets gemaakt was.
[^spreuken-8-22-46]: Kanttekening 46: Namelijk: toen er niets was dan God, en niets dan eeuwigheid. Vergelijk Ps. 93:2.
[^spreuken-8-23-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: aangesteld en ingezet als een prinses om de wereld te scheppen, te onderhouden en te regeren.
[^spreuken-8-23-e]: Verwijzing e: Joh. 1:1.
[^spreuken-8-23-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: vóór de aarde, voordat de aarde geschapen was. Vergelijk Spr. 8, verzen 25 en 26.
[^spreuken-8-24-49]: Kanttekening 49: Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen in Ps. 51:7; evenzo in het volgende vers.
[^spreuken-8-24-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, מָֽיִם: zwaarheid van de wateren; dat wil zeggen: een grote hoeveelheid water. Of: beladen met water, dat wil zeggen: vol water en overlopend van water.
[^spreuken-8-25-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: ingedrukt, gegrond en vastgezet. Het Hebreeuwse woord הָרִים, ziet erop dat de bergen hun fundament diep in de wateren hebben.
[^spreuken-8-26-52]: Kanttekening 52: Namelijk: YHWH. Zie Spr. 8, vers 22.
[^spreuken-8-26-53]: Kanttekening 53: Het Hebreeuwse woordje עַד, 'ad' of 'gnad', wordt elders ook zo gebruikt. Zie Job 1:18 en de aantekening. Of: totdat hij de aarde niet had gemaakt — dat wil zeggen: voordat hij de aarde had gemaakt.
[^spreuken-8-26-54]: Kanttekening 54: Het Hebreeuwse woord betekent de plaatsen buiten de huizen en steden, zoals straten en velden. Met 'velden' is het hier bedoeld, zoals ook in Ps. 144:13 en Ez. 7:15.
[^spreuken-8-26-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, רֹאשׁ: het hoofd; dat wil zeggen: het begin. Zo ook Num. 10:10; Pred. 3:11; Ez. 40:1. De betekenis is dat er zelfs niet het kleinste stofje was gemaakt.
[^spreuken-8-27-f]: Verwijzing f: Job 26:10.
[^spreuken-8-27-56]: Kanttekening 56: Of: een kring ordende en vaststelde. Dit wordt gezegd met het oog op de vorm van de aarde, die God rond heeft gemaakt, zodat zij de diepe wateren omvat en door die wateren rondom wordt omvat. De betekenis is dat God de aarde als met een kompas rond heeft gemaakt.
[^spreuken-8-27-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: over de diepe wateren.
[^spreuken-8-28-58]: Kanttekening 58: Namelijk: opdat zij hun plaats zouden bewaren en niet op de aarde neer zouden vallen.
[^spreuken-8-28-g]: Verwijzing g: Gen. 7:11.
[^spreuken-8-28-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: een vaste en gestadige loop gaf.
[^spreuken-8-29-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: instelling, ordening. Dat wil zeggen: de grens waarbinnen zij zich moest houden.
[^spreuken-8-29-h]: Verwijzing h: Gen. 1:10; Job 38:10, 11; Ps. 104:9.
[^spreuken-8-29-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, פִי: mond. Zie Gen. 41, op vers 40.
[^spreuken-8-29-62]: Kanttekening 62: Of: verordende, of: bepaalde.
[^spreuken-8-30-63]: Kanttekening 63: Namelijk: iemand die voortdurend bij zijn verzorger is. Zo is de eeuwige Zoon van God, de zelfstandige Wijsheid van de Vader, van eeuwigheid onafscheidelijk bij hem geweest, zoals geschreven staat: Joh. 1:1 — 'Het Woord was bij God'; en Joh. 17:5 — 'Verheerlijk mij met de heerlijkheid die ik bij u had voordat de wereld er was.' Het woord kan ook worden genomen voor degene die zelf voedt — als de vertaling zo luidt: 'en ik ben bij hem voedselverschaffende'; dat wil zeggen: alle dingen onderhoudend en regerend, en zijn Kerk door zijn Geest en Woord opkwekend en voedend.
[^spreuken-8-30-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, יוֹם: dag dag — dat wil zeggen: dagelijks, altijd. Zie Gen. 39, op vers 10 en Spr. 8, vers 34.
[^spreuken-8-30-65]: Kanttekening 65: Hiermee wordt door een beeldspraak de grote aangenaamheid van de Zoon van God bij zijn Vader aangeduid. Zie Matt. 3:17; Joh. 5:20 en 8:29. Of: en ik ben zijn dagelijkse vreugde — namelijk voor de schepselen, door mijn algemene en bijzondere weldaden. Joh. 5:17.
[^spreuken-8-30-i__]: Verwijzing i\[\]: Zie Spr. 8:31.
[^spreuken-8-31-66]: Kanttekening 66: Namelijk: doordat zij zich op wonderbaarlijke en veelvuldige wijze toont in het onderhouden en regeren van alle schepselen.
[^spreuken-8-31-67]: Kanttekening 67: Namelijk: om hun goed te doen, zowel voor dit leven als voor het toekomende.
[^spreuken-8-32-k]: Verwijzing k: Ps. 119:1, 2 en 128:1; Luk. 11:28.
[^spreuken-8-32-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: de wegen die ik hun voorschrijf.
[^spreuken-8-33-69]: Kanttekening 69: Vergelijk Spr. 1:25, waar hetzelfde Hebreeuwse woord staat.
[^spreuken-8-34-70]: Kanttekening 70: Een vergelijking ontleend aan ijverige studenten die altijd in de buurt van de lesplaats van hun leraren zijn, of aan degenen die de uitgang van raadsheren en advocaten nauwlettend in de gaten houden, of aan poortwachters van de tempel die trouw hun taak moesten waarnemen.
[^spreuken-8-35-l]: Verwijzing l: Spr. 12:2.
[^spreuken-8-35-71]: Kanttekening 71: Of: behaalt; dat wil zeggen: verkrijgt gunst en genade bij YHWH. Zie dezelfde uitdrukking in Spr. 12:2 en 18:22.
[^spreuken-8-36-72]: Kanttekening 72: Of: onrecht, of: overlast. Hebreeuws: hij is een geweldpleger van zijn wezen. Zie het volgende deel van dit vers; zie ook Spr. 20:2.
[^spreuken-8-36-73]: Kanttekening 73: Degenen worden gezegd God en zijn Wijsheid te haten die bewust en willens doen wat God en zijn Wijsheid haten. Zie Ps. 21:9 en 83:3; Rom. 1:30.
[^spreuken-8-36-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: doen wat de dood en het verderf over henzelf brengt. Zo ook: de vloek liefhebben (Ps. 109:17); op het eigen bloed loeren (Spr. 1:18); zijn wezen verachten (Spr. 15:32).

### Spreuken 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/9.json)

*Hier wordt het genadewerk van onze Heere Christus, die zijn volk door zijn woord en Geest tot zijn (de hoogste wijsheid) zalige gemeenschap roept en brengt, voorgesteld onder de gelijkenis van het toebereiden van een maaltijd en het nodigen van gasten, vers 1 enz. met een tegenstelling van de aard en de gesteldheid van de spotters en de wijzen, 7. En daartegenover het verleidelijke en verderfelijke werk van de satan, onder de gelijkenis van een dwaze vrouw (vijandin van de hoogste wijsheid) die ook haar gasten nodigt, maar tot hun eeuwig verderf, 13 enz.*

**1** De[^spreuken-9-1-1] opperste Wijsheid heeft Haar[^spreuken-9-1-2] huis gebouwd; Zij heeft Haar[^spreuken-9-1-3] zeven[^spreuken-9-1-4] pilaren gehouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v1)

**2** [^spreuken-9-2-5] Zij heeft Haar[^spreuken-9-2-6] slachtvee[^spreuken-9-2-7] geslacht. Zij heeft Haar wijn[^spreuken-9-2-8] gemengd; ook heeft Zij Haar tafel[^spreuken-9-2-9] gereedgemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v2)

**3** Zij heeft[^spreuken-9-3-10] Haar dienaressen uitgezonden; Zij nodigt op de[^spreuken-9-3-11][^spreuken-9-3-a] tinnen van de hoogten van de stad: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v3)

**4** [^spreuken-9-4-12] Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot[^spreuken-9-4-13] de verstandeloze zegt Zij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v4)

**5** [^spreuken-9-5-14] Kom, eet van Mijn[^spreuken-9-5-15] brood, en drink van de wijn, die Ik gemengd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v5)

**6** Verlaat de[^spreuken-9-6-16] slechtigheden, en[^spreuken-9-6-17] leeft; en treedt in de[^spreuken-9-6-18] weg van het verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v6)

**7** Wie de[^spreuken-9-7-19] spotter[^spreuken-9-7-20] tuchtigt,[^spreuken-9-7-21] behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn[^spreuken-9-7-22] schandvlek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v7)

**8** [^spreuken-9-8-b] Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij[^spreuken-9-8-23] zal u liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v8)

**9** [^spreuken-9-9-24] Leer de wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs de rechtvaardige, zo zal hij in[^spreuken-9-9-25] leer toenemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v9)

**10** [^spreuken-9-10-c] De vrees voor YHWH is het begin van de wijsheid, en[^spreuken-9-10-26] de wetenschap van de heiligen is verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v10)

**11** [^spreuken-9-11-27] Want door Mij zullen uw[^spreuken-9-11-d] dagen vermenigvuldigen, en de jaren van het[^spreuken-9-11-28] leven zullen u toegedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v11)

**12** Als u wijs bent, u bent wijs[^spreuken-9-12-29] voor uzelf; en bent u een spotter, u zult het[^spreuken-9-12-30] alleen dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v12)

**13** Een[^spreuken-9-13-31] zotte vrouw[^spreuken-9-13-32][^spreuken-9-13-e] is luidruchtig,[^spreuken-9-13-33] de slechtigheid zelf,[^spreuken-9-13-34] en weet niet met al. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v13)

**14** En[^spreuken-9-14-35] zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen van de stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v14)

**15** Om te roepen degenen, die op de weg voorbijgaan, die hun[^spreuken-9-15-36] paden recht maken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v15)

**16** [^spreuken-9-16-37] Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot de verstandeloze zegt zij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v16)

**17** [^spreuken-9-17-f] De[^spreuken-9-17-38] gestolen wateren zijn zoet, en het[^spreuken-9-17-39] verborgen brood is liefelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v17)

**18** [^spreuken-9-18-40] Maar[^spreuken-9-18-41] hij weet niet, dat[^spreuken-9-18-42] daar[^spreuken-9-18-43][^spreuken-9-18-g] doden zijn; haar genodigden zijn in de diepten[^spreuken-9-18-44] van het dodenrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/9.html#v18)

[^spreuken-9-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: de wijsheden. Zie hierboven, 1. vers 20.
[^spreuken-9-1-2]: Kanttekening 2: Verstaat door dit huis, de Gemeente van de ware gelovigen, welcker opbouwing hier door de prediking van het Evangelie, en de wercking van de Heilige Geest begonnen wordt, maar hier na voltrokken zal worden, door de volmaking van de kinderen van God. Andere verstaan door dit huis de derde, of oppersten hemel, in de welke de uitvercorene met alle goederen versadiget zullen worden.
[^spreuken-9-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: vele. Een zeker getal voor een onseker. Zie hierboven, 6. vers 31.
[^spreuken-9-1-4]: Kanttekening 4: Door deze worden van velen verstaan de Patriarchen, Profeten, Apostelen, Euangelisten, Herders, en Leraren. Andere verstaan door deze pilaren de vastheid, en eeuwichduerigheid van het hemelse huis van de Vader, daar in ons Christus voorgegaan is, om ons een plaats te bereiden, Joh. 14:2.
[^spreuken-9-2-5]: Kanttekening 5: De wijsheid wordt hier vergeleken bij een Koning, die open hof houdt. Vergelijk Matt. 22:2, 3, etc.
[^spreuken-9-2-6]: Kanttekening 6: Verst. het woord van God, het ware voetsel van de ziel, alsook alle geestelijke en zaligmakende weldaden die ons daar in belooft, en inde Sacramenten aangeboden worden, waar op volgen zal de volmaakte vreuchde van het toekomende leven.
[^spreuken-9-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk om te koken, en daar na de genoodden voor te zetten. zo ook Gen. 43:16. 1 Sam. 25:11.
[^spreuken-9-2-8]: Kanttekening 8: Dit ziet op de wijze van doen gebruikelijk in heete landen, al waarmen de wijn met water mengt, om zijn kracht te matigen, oft, vermengt met verschillende specerien. hieronder, vers 5. en 23:30. Jes. 5:22. en 65:11.
[^spreuken-9-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk met de gerichten daar op in order te zetten. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 23:6. en 78:19. Jes. 21:5.
[^spreuken-9-3-10]: Kanttekening 10: Verst. door deze de Bedienaren van het goddelijke woord, die van Christus uitgesonden worden, om de mensen te noodigen tot de gemeenschap van de Kerk, en van alle geestelicker goederen, die daar in uitgedeelt worden. 2 Kor. 5:19, 20.
[^spreuken-9-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: vleugelen. Dat wil zeggen: leege muerkens, of, lenen, gemaakt boven op de platte daken van hoge gestichten, opdat degenen, die op het dak gingen, buiten perijckel van afvallen zouden zijn. Zie Deut. 22. op vers 8. en vergelijk hierboven, 8:2.
[^spreuken-9-3-a]: Verwijzing a: Spr. 8,2.
[^spreuken-9-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: so wie slecht is, die wijke tot my. ’t zijn de woorden van de wijsheid. Zie van het woord slechte, hierboven, 8. op vers 4.
[^spreuken-9-4-13]: Kanttekening 13: Zie hierboven, 6. op vers 32.
[^spreuken-9-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk wie u bent vande onverstandige.
[^spreuken-9-5-15]: Kanttekening 15: De geestelijke, en eeuwige goederen worden dikwijls bij de lichamelijke, en vergankelijke geleken, en daarom ook door dezelfde te verstaan gegeven. Ps. 23:2, 5.
[^spreuken-9-6-16]: Kanttekening 16: Zo wordt het Hebreeuwse woord genomen, hierboven, 1:22. Anders: laat de slechte varen, of, verlatet de slechte.
[^spreuken-9-6-17]: Kanttekening 17: Een bevel inhoudende een belofte, van te zullen leven. Zie hierboven, 3. op vers 25.
[^spreuken-9-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, waar door men tot het rechte verstant, en de ware wijsheid geraakt, en die de verstandige betreden. Zie 1 Kon. 8. op vers 36.
[^spreuken-9-7-19]: Kanttekening 19: Zie Ps. 1. vers 1.
[^spreuken-9-7-20]: Kanttekening 20: Het woord betekent hier eigenlijk iemand met woorden, en redenen onderwijzen, vermanen, bestraffen. zo ook Deut. 4:36. Job 4:3. 1 Kron. 15:22. Elders betekent het ook met slagen, en straffen castijden, als 1 Kon. 12:11. Ps. 6:2.
[^spreuken-9-7-21]: Kanttekening 21: Namelijk om dat hij verloren arbeid doet, en van degenen, die hij bestraft, gelastert wordt. Vergelijk Matt. 7:6.
[^spreuken-9-7-22]: Kanttekening 22: Het oorspronckelijk woord betekent gewoonlijk een gebrek van het lichaam, als Lev. 21:17. en 22:20. 2 Sam. 14:25. maar het wordt ook genomen voor een gebrek van de ziel, rakende het geloof, en de zeden, of de goede fame, ten aansien vande uitkomste eeniger zaak, of daat, als hier, Deut. 32:5. Job 11:15.
[^spreuken-9-8-b]: Verwijzing b: Matt. 7:6.
[^spreuken-9-8-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die de wijsheid bemint, godtvruchtich, en sedich is. zo ook in’t volgende.
[^spreuken-9-9-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: geeft. Namelijk heylsame leer.
[^spreuken-9-9-25]: Kanttekening 25: Zo ook hierboven, 1:5. Zie de aantekening
[^spreuken-9-10-c]: Verwijzing c: Job 28:28. Ps. 111:10. Spr. 1:7.
[^spreuken-9-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: daar mee de Heilige begaeft zijn, en die zij anderen mensen voordragen. Verstaat door de Heilige de ware gelovige. Zo ook wordense genaamd, Ps. 16:3. en 34:10. en 89:6, 8. hieronder, 30:3. Hos. 12. vers 1. 1 Kor. 1:2. Zie de reden 1 Kor. 6:11. Andere verstaan hier, door de Heiligen, de waren God, die in’t getal van velen de Heiligen genoemd zou zijn, om dat hij drievuldich in persoonen is.
[^spreuken-9-11-27]: Kanttekening 27: Zie hierboven, 3:2. en d’aantekening en verstaat door, my, de opperste-Wijsheid, die hier reden in voert van haar voorgaande vermaningen.
[^spreuken-9-11-d]: Verwijzing d: Spr. 10:27.
[^spreuken-9-11-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: zullen zij u toedoen; dat is, toegedaan worden; namelijk, van hem diese toedoet, of vermenichvuldicht, ’t welk is God. Zie van deze manier van spreken, Job 4. op vers 19.
[^spreuken-9-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: tot u eigen voordeel, en welvaren. God en heeft geen profijt daar van, Ps. 16:2.
[^spreuken-9-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: de schande, en schade daar van hebben: niet God, nochte zijn eeuwige wijsheid.
[^spreuken-9-13-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: Vrouwe van de dwaasheid. Deze Vrouwe wordt hier voorgestelt, en vertoocht als de voorneemste wederpartijdster, en vyandinne van de ware wijsheid, noodende tot haar alle mensen, zoals de wijsheid tevoren gedaan heeft. Verstaat door de dwaze Vrouwe, al wat gaat tegen de waarheid van de leer, en de oprechtheid van het leven. Andere menen, dat hier eigenlijk een overspeelster beschreven wordt, en dat dan door die, de voorgemelte dwaze Vrouwe wordt afgebeelt.
[^spreuken-9-13-32]: Kanttekening 32: Zie hierboven, 7. op vers 11.
[^spreuken-9-13-e]: Verwijzing e: Spr. 7:11.
[^spreuken-9-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: die zeer slecht is, vol onwijsheid, en quade zinnen.
[^spreuken-9-13-34]: Kanttekening 34: Namelijk om de mens te onderwijzen, wat hij gelooven, en hoe hij leven moet.
[^spreuken-9-14-35]: Kanttekening 35: Verst. de voorgemelte dwaze Vrouwe: dat is, de onwijsheid, of sottigheid, die hier wordt bekent gemaakt van haar stoutheid, pracht, en veelvoudich bedrijf, om de mensen te verleiden.
[^spreuken-9-15-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: die haar weg recht doorgaan zonder na de onwijse Vrouwe om te zien. Vergelijk hierboven, 3:6.
[^spreuken-9-16-37]: Kanttekening 37: Verg. deze woorden met de woorden van de wijsheid, hierboven, vers 4. die de onwijsheid hier na spelen wilt, om met openbare versmading van de vermaning van de wijsheid, de mensen tot haar af te trekken.
[^spreuken-9-17-f]: Verwijzing f: Spr. 20:17.
[^spreuken-9-17-38]: Kanttekening 38: Verst. hier door, de valse leer, ijdele goederen, en vergankelijke lusten, die de onwijsheid haar dienaren mededeelt. Zij worden genaamd gestolen wateren, en verborgen broot, om dat ze vergeleken worden bij de geheime byslaping van degenen, die in overspel leven. Want zoals deze met vele listigheid, en bedecktheid gepleecht wordt, en daartoe het verdorven vlees in velen aangenamer is, dan de zuivere byeenkomste in de staat van het huwelijk; zo ook is inde valse leer niet dan listich bedroch, en in het vergankelijk goed, dat ze belooft, een meerdere vermaking voor het vlees in deze wereld. Vergelijk hieronder, 20:17. en 30:20. en d’aantekening
[^spreuken-9-17-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: het goed, dat qualijk gekregen, en qualijk verteert wordt; namelijk, gekregen door geheime, valse, en listige practijken, en verteert door onnutte, schandelijke, en overdadige werken, die haar voor het licht schamen. broot voor allerlei tijdelijk goed. Zie hierboven, 4. op vers 17.
[^spreuken-9-18-40]: Kanttekening 40: De voorgaande woorden heeft de onwijsheid gesproken; maar deze Salomo, om de mensen te waarschouwen.
[^spreuken-9-18-41]: Kanttekening 41: Namelijk de voorbygaande mens, die van de onwijse Vrouwe genoodicht wordt.
[^spreuken-9-18-42]: Kanttekening 42: Namelijk in’t huis van de dwaze Vrouwe.
[^spreuken-9-18-43]: Kanttekening 43: Zie hierboven, 2. op vers 18.
[^spreuken-9-18-g]: Verwijzing g: Spr. 2:18.
[^spreuken-9-18-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: van de tijdelijken, en eeuwigen dood.

### Spreuken 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/10.json)

*Over wijze en dwaze kinderen, vers 1. Onrechtvaardige en rechtvaardige rijkdom en armoede, 2, 3, 15, 22. Luiheid en vlijt, 4, 5, 26. Zegen en gelukzaligheid van de rechtvaardigen, en het onheil van de goddelozen, 6, 7, 16, 24, 25, 27, 28, 29, 30. Wijsheid en dwaasheid in het spreken, 8, 10, 11, 13, 14, 19, 20, 21, 31, 32. Oprechtheid en verkeerdheid in de wandel, 9. Het knipogen, 10. Haat en liefde, 12. Tucht, 17. Achterklap, 18. De tegengestelde lust van de dwazen en de wijzen, 23.*

**1** [^spreuken-10-1-1] De spreuken van[^spreuken-10-1-a] Salomo. Een wijs zoon verblijdt de[^spreuken-10-1-2] vader; maar een zot zoon is voor zijn moeder een verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v1)

**2** [^spreuken-10-2-b] Schatten[^spreuken-10-2-3] van de goddeloosheid doen geen nut; maar[^spreuken-10-2-4] de gerechtigheid[^spreuken-10-2-5] redt van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v2)

**3** YHWH laat de ziel van de rechtvaardigen niet hongeren; maar de[^spreuken-10-3-6] bezittingen van de goddelozen stoot Hij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v3)

**4** [^spreuken-10-4-c] Die met[^spreuken-10-4-7] een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand van de vlijtigen maakt rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v4)

**5** Die in de zomer[^spreuken-10-5-8] verzamelt, is een verstandig zoon; maar die in de oogst vast slaapt, is een zoon[^spreuken-10-5-9] die beschaamd maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v5)

**6** [^spreuken-10-6-10] Zegeningen zijn[^spreuken-10-6-11] op het hoofd van de rechtvaardigen; maar het[^spreuken-10-6-12] geweld[^spreuken-10-6-13] bedekt de mond van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v6)

**7** De herinnering van de[^spreuken-10-7-14] rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam van de[^spreuken-10-7-15] goddelozen zal verrotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v7)

**8** Die wijs van hart is, neemt de[^spreuken-10-8-16] geboden aan; maar[^spreuken-10-8-d] die[^spreuken-10-8-17] dwaas is van lippen, zal[^spreuken-10-8-18] omgeworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v8)

**9** Die[^spreuken-10-9-19] in oprechtheid wandelt, wandelt[^spreuken-10-9-20] zeker; maar die[^spreuken-10-9-21] zijn wegen verkeert, zal[^spreuken-10-9-22] bekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v9)

**10** Die[^spreuken-10-10-23] met het oog wenkt, richt smart aan; en[^spreuken-10-10-24] een dwaas van lippen[^spreuken-10-10-25] zal omgeworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v10)

**11** [^spreuken-10-11-e] De mond van de rechtvaardigen is een[^spreuken-10-11-26] springader van het leven; maar[^spreuken-10-11-27] het geweld bedekt de mond van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v11)

**12** Haat verwekt twisten;[^spreuken-10-12-f] maar[^spreuken-10-12-28] de liefde[^spreuken-10-12-29] dekt[^spreuken-10-12-30] alle overtredingen toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v12)

**13** In de lippen van de verstandigen wordt wijsheid[^spreuken-10-13-31] gevonden;[^spreuken-10-13-g] maar op de rug van[^spreuken-10-13-32] de[^spreuken-10-13-33] verstandelozen de roede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v13)

**14** De wijzen[^spreuken-10-14-34] leggen wetenschap weg; maar de mond van de dwazen is[^spreuken-10-14-35] de verstoring nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v14)

**15** Het goed van de rijke is een stad van zijn sterkte; de armoede van[^spreuken-10-15-36] de geringen is hun verstoring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v15)

**16** Het[^spreuken-10-16-37] werk van de rechtvaardigen is[^spreuken-10-16-38] ten leven;[^spreuken-10-16-39] de inkomst van de goddelozen is[^spreuken-10-16-40] ter zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v16)

**17** Het pad[^spreuken-10-17-41] tot het leven is van degene die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat,[^spreuken-10-17-42] doet dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v17)

**18** [^spreuken-10-18-43] Die de haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v18)

**19** In de veelheid[^spreuken-10-19-44] van de woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen weerhoudt, is kloek verstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v19)

**20** De tong van de[^spreuken-10-20-45] rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart van de goddelozen is[^spreuken-10-20-46] weinig waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v20)

**21** De lippen van[^spreuken-10-21-47] de rechtvaardigen[^spreuken-10-21-48] voeden er velen; maar de dwazen sterven[^spreuken-10-21-49] door gebrek van verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v21)

**22** De[^spreuken-10-22-50] zegen van YHWH, die maakt rijk; en[^spreuken-10-22-51] Hij voegt er geen[^spreuken-10-22-52] smart[^spreuken-10-22-53] bij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v22)

**23** Het is voor de zot[^spreuken-10-23-h] als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand,[^spreuken-10-23-54] wijsheid te plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v23)

**24** De[^spreuken-10-24-55] vrees van de goddeloze, die zal hem overkomen; maar de[^spreuken-10-24-56] begeerte van de rechtvaardigen zal God geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v24)

**25** [^spreuken-10-25-57] Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige[^spreuken-10-25-58] is een eeuwige grondvest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v25)

**26** Gelijk azijn voor de tanden, en gelijk rook voor de ogen is,[^spreuken-10-26-59] zo is de luie voor hen, die hem uitzenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v26)

**27** [^spreuken-10-27-i] De vrees voor YHWH vermeerdert de[^spreuken-10-27-60] dagen; maar de jaren van de goddelozen worden[^spreuken-10-27-61] verkort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v27)

**28** De hoop van de[^spreuken-10-28-62] rechtvaardigen is blijdschap; maar de[^spreuken-10-28-k] verwachting van de[^spreuken-10-28-63] goddelozen zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v28)

**29** [^spreuken-10-29-64] De weg van YHWH is[^spreuken-10-29-l] voor de oprechte[^spreuken-10-29-65] sterkte; maar voor de werkers van de[^spreuken-10-29-66] ongerechtigheid verstoring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v29)

**30** De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde[^spreuken-10-30-67] niet bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v30)

**31** [^spreuken-10-31-68] De mond van de rechtvaardigen brengt overvloedig wijsheid voort; maar de[^spreuken-10-31-69] tong van de verkeerdheden zal uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v31)

**32** De lippen van de rechtvaardigen weten[^spreuken-10-32-70] wat welbehaaglijk is; maar de mond van de[^spreuken-10-32-71] goddelozen enkel verkeerdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/10.html#v32)

[^spreuken-10-1-1]: Kanttekening 1: De 9 voorgaande hoofdstukken zijn als een voorreden, om de mensen te verwekken tot aanhooring van de volgende spreuken, die meest onderscheiden zijn, en niet aan malcanderen en hangen. Zij zijn als regelen rakende het geloof, de goede zeden, en gebreken van de mensen.
[^spreuken-10-1-a]: Verwijzing a: Spr. 15:20.
[^spreuken-10-1-2]: Kanttekening 2: Verstaat onder de name van de Vader, ook de moeder, en onder de volgende name van de moeder, ook de vader.
[^spreuken-10-2-b]: Verwijzing b: Spr. 11:4.
[^spreuken-10-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die door ongerechtigheid vercregen zijn, of ook godtlooselijk misbruikt worden.
[^spreuken-10-2-4]: Kanttekening 4: Verstaat in’t algemeen de liefde, en trouwe, diemen zijn naaste na de tweede tafel, en voornemelijk na het achtste gebod schuldig is. Sommige verstaan het woord gerechtigheid in’t bijzonder van de aalmoessen, en werkken van de barmhartigheid aan de arme, als Dan. 4:24.
[^spreuken-10-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk niet om dat ze zulks uit haar weerdigheid vermach, of verdient heeft; maar om dat ze God zo genadelijk te beloonen belooft heeft, zo ook hieronder, 11:4.
[^spreuken-10-3-6]: Kanttekening 6: Anders: verkeertheid; dat is, rijkdom door verkeertheid gekregen.
[^spreuken-10-4-c]: Verwijzing c: Spr. 12:24.
[^spreuken-10-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws: met een hant-palme van het bedroch; dat is, met een ontrouwe, slappe, en trage hant, en zo door bedroch zijns naasten goed aan zich treckt. Bedroch voor traecheid, hieronder, 19:15. Ierem. 48:10. Zoals ook daarom bedroch tegen vlijtigheid gesteld wordt, als hier, en hieronder, 12:24, 27. want die luy zijn, en een afkeer van de arbeid hebben, plegen met bedroch om te gaan, daarmee zij het voedsel zoeken te rapen: maar armoede is eindelijk haar loon. Anders, een bedriechlikke weech-schale maakt arm.
[^spreuken-10-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk zijn vruchten, of gewas dat hij op de velde heeft. Vergelijk hierboven, 6:8.
[^spreuken-10-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk hem zelf, en ook zijn ouders: namelijk door zijn gebreken, en quade manieren. Zo ook hieronder, 12:4. en 14:35. en 17:2. en 19:26. en 28:7. Deze spreuk mach bequamelijk verstaan worden bij gelijkenis op een mens, die terwijle hij nog jonk is, arbeidt, om wat in zijn ouderdom te hebben, etc. Zie hierboven, 6:8.
[^spreuken-10-6-10]: Kanttekening 10: Segeningen; namelijk, zo tijdelijke, als eeuwige.
[^spreuken-10-6-11]: Kanttekening 11: Dit schijnt te zien op het oude gebruik van enige zegen uit te spreken; omdat dit geschiedde met de hant op het hoofd van degene, die gesegent werd, te leggen. Zie Gen. 48. op vers 14. Ofte men kan het zo verstaan, dat de rechtvaardige zelf gesegent zijnde, de zegen anderen ook mee-deelen, maar dat de mond van de goddelozen vol is van enckel gewelt.
[^spreuken-10-6-12]: Kanttekening 12: Verst. wrevel, onrecht, overlast, en verdrukking, daarmee zij omgegaan hebben.
[^spreuken-10-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: brengtse ter dood. Zie Job 40. op vers 8. of bedecktse met schaemte, als met een kleed. Vergelijk Ps. 44:16. en 69:8. of vervultse met straffen tot de vollen monde toe.
[^spreuken-10-7-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: dient hem tot prijs, en een eerlijk nageruchte, alsmen van hem of absent, of ook dood zijnde, gewach maakt.
[^spreuken-10-7-15]: Kanttekening 15: Ofte, vervuilen, en stinckende worden, en volgens vergaan.
[^spreuken-10-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk die de mens leren hoe hij zijn leven recht zal aanstellen, om God te behagen, en zijn naaste te stichten, en zo Gods zegen te genieten.
[^spreuken-10-8-d]: Verwijzing d: Spr. 10:10.
[^spreuken-10-8-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die verkeerde dingen spreekt, waar door hij met een obstinaten sin alle goed onderwijs, en vermaning verwerpt, zich roemende bij zijn kwaad gevoelen, en boos voornemen te willen blijven, hebbende volgens bij de dwaasheid van de lippen, ook de dwaasheid van het hart: want uit de overvloedigheid daarvan spreken de lippen, Matt. 12:34. Vergelijk hierboven, 2:12. en 4:24. en 6:12.
[^spreuken-10-8-18]: Kanttekening 18: Zie van het Hebreeuwse woord Hos. 4. op vers 14. zo ook hieronder, vers 10.
[^spreuken-10-9-19]: Kanttekening 19: Zie hierboven, 2. op vers 7.
[^spreuken-10-9-20]: Kanttekening 20: Ofte, gerustelijk, omdat hij weet dat zijn werkken goed zijn, en dat God daar op geen quade uitkomste tot zijn verderve zal laten komen.
[^spreuken-10-9-21]: Kanttekening 21: Vergelijk Gen. 6. vers 12.
[^spreuken-10-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk door de openbare straffen, die God hem in’t aansien van allen toesenden zal, en dat door middel van de Overheid, of andersins.
[^spreuken-10-10-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: bedecktelijk op de zonde toelecht, en die behendelijk zoekt te bedrijven. Vergelijk hierboven, 6:13.
[^spreuken-10-10-24]: Kanttekening 24: Zie hierboven, op vers 8.
[^spreuken-10-10-25]: Kanttekening 25: Zie hierboven, hetzelfde vers.
[^spreuken-10-11-e]: Verwijzing e: Spr. 13:14.
[^spreuken-10-11-26]: Kanttekening 26: Namelijk daar uit woorden voortkomen, die niet alleen andere ten eeuwigen leven onderwijzen, vermanen, en sterkken; maar die ook de rechtveerdige zelf, die zulks doet, ten zulk een einde dienstich zijn. Vergelijk hieronder, 13:14. en 14:27. en 16:22.
[^spreuken-10-11-27]: Kanttekening 27: Zie hierboven, op vers 6.
[^spreuken-10-12-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 13:4. 1.Petr. 4:8.
[^spreuken-10-12-28]: Kanttekening 28: Namelijk van degene, die ongelijk van zijn naaste geleden heeft, of hem ziet in enige swackheid vervallen te zijn.
[^spreuken-10-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk met die te verdragen, of vriendelijk te bestraffen, en niet uit te breyden. Verstaat dat van particuliere zonden, en die met goede conscientie mogen verswegen worden.
[^spreuken-10-12-30]: Kanttekening 30: Verst. niet onze eigene overtredingen begaan tegen God, maar van andere begaan tegen ons.
[^spreuken-10-13-31]: Kanttekening 31: En daarom behaalt hij ook eere, en loon; Zoals daar en tegen de onbesinde slagen krijcht, om dat men in zijn lippen dwaasheid vindt.
[^spreuken-10-13-g]: Verwijzing g: Spr. 20:30.
[^spreuken-10-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, לֵֽב: die gebrek heeft van hart. Zie hierboven, 6. op vers 32. Het woord hart is hier voor de zin, en het verstant van de mens genomen. Zie Job 9. op vers 4.
[^spreuken-10-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: de straf de welke geschiedt door slagen. zo ook hieronder, 23:13. en 26:3. en 29:15.
[^spreuken-10-14-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws: verbergen. Dat wil zeggen: gelijckmen een schat weg legt, of voorraat van spijse opsluit, om ter bequamer tijt voort te brengen: zo ook vergaderen de wijze vele wetenschap, om die alst tijdich, en stichtelijk is, uit te spreken, of andersins voor haar zelf te gebruiken.
[^spreuken-10-14-35]: Kanttekening 35: Ofte, ontsetting, verschricking; dat is, onheil, moeite, zwarigheid, daar voor men pleecht verschrickt, en ontset te worden, veroorzaakt door dwase, onvoorsichtige, qualijk bedachte, en ontijdige propoosten.
[^spreuken-10-15-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: van de dunnen; dat is, die geheel weinig hebben. De betekenis is, dat die goedeloos is, ook moedeloos is, en vrees heeft, dat hij zal vergaan, en dat die bloot is, meest ook is bloode: Zoals ter contrarie, die groot goed hebben gemeenlijk haar zelf daar op verlaten, en menen dat ze zeer wel versekert zijn tegen alle ongeluk.
[^spreuken-10-16-37]: Kanttekening 37: Namelijk waar door hij yet eerlicks doet, om het voedsel te winnen. of verstaat al wat hij voorneemt, spreekt, of doet.
[^spreuken-10-16-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: strekt tot zijn welvaren, en tot zijn besten. Rom. 8:28.
[^spreuken-10-16-39]: Kanttekening 39: Verst. zijn middelen, of al hetgeen dat van hem, en zijn doen voortkomt.
[^spreuken-10-16-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: verstreckt, of leidt hem tot kwaad doen, en tot zijn eeuwig verderf. want de besolding van de zonde is de dood. Rom. 6:23.
[^spreuken-10-17-41]: Kanttekening 41: Namelijk leidende. of zo: Die de tucht bewaart, is een pat van het leven, of, \[op\] de pat van het leven.
[^spreuken-10-17-42]: Kanttekening 42: Namelijk hem zelf, en andere, die zo t’samen in het verderf geraken.
[^spreuken-10-18-43]: Kanttekening 43: De betekenis is, dat ze alle beide qualijk doen, zo wel degenen, die haar naasten in het geheim haten, hoewel zij niet kwaad van hem en spreken, als die zijn naam vry uit met openbare laster reden schenden. Anders: die de haat bedeckt \[met\] valse lippen, en die een kwaad geruchte uitbrengt, die is een dwaas. Anders: valse lippen bedekken haat, etc.
[^spreuken-10-19-44]: Kanttekening 44: Namelijk die lichtveerdelijk, onbedachtelijk, uit ijdele zinnen, en quade genegentheden voortkomen.
[^spreuken-10-20-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: het uitgelesen zilver gelijk; namelijk, in aangenaemheid, weerde, en nuttigheid.
[^spreuken-10-20-46]: Kanttekening 46: Ofte, zeker gering. en daarom ook zijn tonge, die uitgeeft al dat het hart in heeft. Hebreeuws: als weinig. De letter caph beteeckenende als, wordt bij de Hebreen soms voor zeker, waarlijk, vast, zo genomen. Zie Gen. 27. op vers 12. en Nehem. 7. op vers 2.
[^spreuken-10-21-47]: Kanttekening 47: Namelijk na de ziel, door heylsame onderwijzing, vermaning, bestraffing, vertroosting: waar door de rechtvaardige ook zich zelf ten eeuwigen leven goed doet.
[^spreuken-10-21-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: gaan verlooren na ziel, en lichaam.
[^spreuken-10-21-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, לֵב: door gebrek van het hart; dat is, van het verstant; namelijk, waar door zij niet alleen andere met goede leer niet en konnen voeden, maar ook zich zelf niet en schikken, om God te kennen, te vrezen en te dienen. Van het woord hart, genomen voor verstant, Zie Job 9. op vers 4.
[^spreuken-10-22-50]: Kanttekening 50: Dat is, weldadigheid. Zie Gen. 12. op vers 2.
[^spreuken-10-22-51]: Kanttekening 51: Namelijk de Heer.
[^spreuken-10-22-52]: Kanttekening 52: Namelijk Zoals in het hart, en huis is van de gierigen, die nemmermeer te vreden zijn, en met haar overvloet nog hen zelf, nochte anderen deucht doen.
[^spreuken-10-22-53]: Kanttekening 53: Namelijk bij de zegen. Vergelijk hier mee Ps. 127:2. Anders: zo: en de smerte (D. de smertelikken arbeid) en voechter niet bij.
[^spreuken-10-23-h]: Verwijzing h: Spr. 14:9.
[^spreuken-10-23-54]: Kanttekening 54: Namelijk waar door hij God vreesende hem wachte schelmerye te doen, en pooge wat wijselicks ter eere Gods te spreken, of uit te richten, ’twelk zijn plaisier, en geneuchte is.
[^spreuken-10-24-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: het kwaad dat hij vreest. zie hierboven, 1. vers 26.
[^spreuken-10-24-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: dat de rechtvaardige begeren, en wenschen van God. Begeerte voor het goed, dat begeert wordt. Ps. 21:3. en 78:29. hieronder, 12:19.
[^spreuken-10-25-57]: Kanttekening 57: Ofte, zo haast de wervel-wint voor bij gegaan is, so en is de goddeloze niet meer. De betekenis is, dat de goddelozen zeer haastig, en schrickelijk omkomen, Zoals als ofse met een zeer snellen, en geweldigen draeywint vande wereld uitgerucket waren. Zie van dezelfde gelijkenis van het onweder, Job 9. vers 17. en hierboven, 1. vers 27.
[^spreuken-10-25-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: staat onbeweechlijk, namelijk, in zijn geloof, liefde, hope, en volgens in een rechte welstant tot de einde toe. Vergelijk Ps. 125:1. Matt. 7:24, 25.
[^spreuken-10-26-59]: Kanttekening 59: De betekenis is, dat de luie zeer verdrietlijk is voor degenen, die hem te werkke stellen, en bijzonderlijk die hem uitsenden, om haast wat te bootschappen, en bescheid daar van weer te brengen.
[^spreuken-10-27-i]: Verwijzing i: Spr. 9:11.
[^spreuken-10-27-60]: Kanttekening 60: Namelijk van het leven, namelijk van degenen die de Heer oprecht vrezen. Verst. dit ten aansien van degenen, die teer van lichaam, en swak door ziekte, en door tegenspoet nedergestort zijnde, evenwel door Gods vertroosting langer leven, dan de kracht van haar natuere zou konnen uitgeven, so God niet voorgenomen en had, hen langer in’t leven te behouden. Sommige verstaan dit in’t bijzonder ten aansien vande uiterlikke weldaden, die God de Israëlieten beloofde, zo lange als zij in’t lant Canaan zouden woonen.
[^spreuken-10-27-61]: Kanttekening 61: Want na de kracht, en gestalte van haar natuere haddense langer konnen leven, maar zij worden door Gods rechtvaardig oordeel geweldichlijk van hier weg geruckt. Verst. deze spreuk niet in’t algemeen van alle, maar in’t bijzonder van enige, met de welke het voor God belieft na zijn onbegrijpelikke wijsheid zo te handelen.
[^spreuken-10-28-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: brengt de rechtveerdigen blijdschap mee, om dat ze vast gaat, steunende op Gods beloften. Rom. 5:5.
[^spreuken-10-28-k]: Verwijzing k: Job 8:13, 14. en 11:20. Ps. 112:10.
[^spreuken-10-28-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: niet vervult worden, om dat ze niet en ziet, dan op ijdele phantasien: en daarom zullen zij ook eindelijk in droeffenis komen.
[^spreuken-10-29-64]: Kanttekening 64: Zie Gen. 18. vers 19.
[^spreuken-10-29-l]: Verwijzing l: Spr. 13:6.
[^spreuken-10-29-65]: Kanttekening 65: Tegen al hetgeen, dat haar zaligheid zou mogen beschadigen: tegen de wereld, de Satan, en haar eigen vlees.
[^spreuken-10-29-66]: Kanttekening 66: Namelijk om dat zij weten, dat daar in vele dingen zijn, die haar tegenwoordig leven tegen-spreken, en hem met de toekomende dood dreigen.
[^spreuken-10-30-67]: Kanttekening 67: Namelijk, met stilheid en ruste van het gemoed, en niet geduerichlijk.
[^spreuken-10-31-68]: Kanttekening 68: Zie hierboven, vers 11. en d’aantekening
[^spreuken-10-31-69]: Kanttekening 69: Zie hierboven, 8. vers 13.
[^spreuken-10-32-70]: Kanttekening 70: Het Hebreeuwse woord is niet alleen genomen voor de wille, en het welbehagen zelf, als Ps. 30:8. en 51:20. maar ook voor hetgeen, dat men wel wil, en dat aangenaam, of welgevallich is, Ps. 40:9. en 145:19. hieronder, 11:1.
[^spreuken-10-32-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws: verkeertheden.

### Spreuken 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/11.json)

*Over de valse weegschaal, vers 1. Hoogmoed en nederigheid, 2. Oprechtheid en verkeerdheid in de wandel, 3, 20. De rijkdom van de goddelozen, 4, 28. Huichelarij, 9. Rechtvaardigen en goddelozen, 9, 10, 11, 18, 21, 23, 28, 30, 31. Verachting van de naaste, 12. Achterklap, 13. Raadslieden, 14. Borgtocht, 15. Een goede en een kwade vrouw, 16, 22. Goedertierenheid en wreedheid, 17. Mildheid en gierigheid, 24, 25, 26. Goed en kwaad, 27. Ongeregelde huishouding, 29.*

**1** [^spreuken-11-1-a] Een[^spreuken-11-1-1] bedriegelijke weegschaal is[^spreuken-11-1-2] YHWH een gruwel; maar een volkomen[^spreuken-11-1-3] weegsteen is[^spreuken-11-1-4] Zijn welgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v1)

**2** [^spreuken-11-2-b] Als de trots komt,[^spreuken-11-2-5] zal de schande ook komen;[^spreuken-11-2-c] maar met de[^spreuken-11-2-6] nederige[^spreuken-11-2-7] is wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v2)

**3** [^spreuken-11-3-d] De oprechtheid van de oprechten[^spreuken-11-3-8] leidt hen; maar de[^spreuken-11-3-9] verkeerdheden van de[^spreuken-11-3-10] trouwelozen verstoort hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v3)

**4** [^spreuken-11-4-e] Goed[^spreuken-11-4-11] doet geen nut op de dag[^spreuken-11-4-12] van[^spreuken-11-4-13] de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v4)

**5** De gerechtigheid van de oprechten[^spreuken-11-5-14] maakt zijn weg recht; maar de goddeloze[^spreuken-11-5-15] valt door zijn goddeloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v5)

**6** De gerechtigheid van de vromen[^spreuken-11-6-16] zal hen redden; maar de trouwelozen[^spreuken-11-6-f] worden[^spreuken-11-6-17] gevangen in[^spreuken-11-6-18] hun verkeerdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v6)

**7** Als de goddeloze mens sterft, vergaat[^spreuken-11-7-19] zijn verwachting; zelfs is de[^spreuken-11-7-20] allersterkste hoop vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v7)

**8** [^spreuken-11-8-g] De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd;[^spreuken-11-8-h] en de goddeloze komt[^spreuken-11-8-21] in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v8)

**9** De[^spreuken-11-9-22] huichelaar verderft zijn naaste door[^spreuken-11-9-23] de mond; maar door[^spreuken-11-9-24] wetenschap worden de rechtvaardigen[^spreuken-11-9-25] bevrijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v9)

**10** [^spreuken-11-10-26] Een stad springt op van vreugde over[^spreuken-11-10-27] het welvaren van de rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v10)

**11** [^spreuken-11-11-28] Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven; maar door[^spreuken-11-11-29] de mond van de goddelozen wordt zij verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v11)

**12** Die verstandeloos is,[^spreuken-11-12-30] veracht zijn naaste; maar een man van[^spreuken-11-12-31] groot verstand[^spreuken-11-12-32] zwijgt stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v12)

**13** [^spreuken-11-13-33] Die als een roddelaar wandelt, openbaart het geheime; maar die getrouw is[^spreuken-11-13-34] van geest, bedekt de zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v13)

**14** [^spreuken-11-14-i] Als er[^spreuken-11-14-35] geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid van[^spreuken-11-14-36] de raadslieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v14)

**15** Als[^spreuken-11-15-37] iemand[^spreuken-11-15-39] voor een vreemde borg geworden is, hij zal[^spreuken-11-15-40] zeker verbroken worden; maar wie[^spreuken-11-15-41] degenen haat, die in de hand klappen, is[^spreuken-11-15-42] zeker.[^spreuken-11-15-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v15)

**16** Een[^spreuken-11-16-43] aangename huisvrouw houdt[^spreuken-11-16-44] de eer vast,[^spreuken-11-16-45] zoals de geweldigen de rijkdom[^spreuken-11-16-46] vasthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v16)

**17** Een[^spreuken-11-17-47] goedertieren mens[^spreuken-11-17-48] doet[^spreuken-11-17-49] zijn ziel wel; maar die wreed is,[^spreuken-11-17-50] beroert zijn vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v17)

**18** De goddeloze doet[^spreuken-11-18-51] een vals werk; maar voor degene, die[^spreuken-11-18-52] gerechtigheid zaait, is[^spreuken-11-18-53] trouwe loon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v18)

**19** Zo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade nastreeft, naar zijn dood jaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v19)

**20** De[^spreuken-11-20-54] verkeerden van hart zijn YHWH een gruwel; maar de oprechten van[^spreuken-11-20-55] weg zijn[^spreuken-11-20-56] Zijn welgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v20)

**21** [^spreuken-11-21-57][^spreuken-11-21-k] Hand aan hand zal de boze niet[^spreuken-11-21-58] onschuldig zijn; maar het[^spreuken-11-21-59] zaad van de rechtvaardigen[^spreuken-11-21-60] zal ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v21)

**22** Een schone vrouw, die[^spreuken-11-22-61] van rede afwijkt, is een gouden[^spreuken-11-22-62] bagge in een varkenssnuit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v22)

**23** De begeerte van de[^spreuken-11-23-63] rechtvaardigen is alleen het goede; maar de verwachting van de goddelozen is[^spreuken-11-23-64] toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v23)

**24** Er is een, die[^spreuken-11-24-65] uitstrooit, die nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt[^spreuken-11-24-66] dan recht is, maar[^spreuken-11-24-67] het is tot gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v24)

**25** [^spreuken-11-25-l] De[^spreuken-11-25-68] zegenende ziel zal[^spreuken-11-25-69] vet gemaakt worden; en[^spreuken-11-25-70] die bevochtigt, zal ook[^spreuken-11-25-71] zelf een vroege regen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v25)

**26** Wie koren inhoudt, die vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd van de verkoper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v26)

**27** Wie[^spreuken-11-27-72] het goede vroeg nazoekt,[^spreuken-11-27-73] zoekt[^spreuken-11-27-74] welgevalligheid; maar[^spreuken-11-27-m] wie het kwade[^spreuken-11-27-75] natracht, die zal het overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v27)

**28** Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar[^spreuken-11-28-n] de[^spreuken-11-28-76] rechtvaardigen[^spreuken-11-28-77] zullen groenen als loof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v28)

**29** Wie zijn huis[^spreuken-11-29-78] beroert, zal[^spreuken-11-29-79] wind erven; en de dwaas zal een[^spreuken-11-29-80] knecht zijn van degene, die[^spreuken-11-29-81] wijs van hart is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v29)

**30** [^spreuken-11-30-82] De vrucht van de[^spreuken-11-30-83] rechtvaardigen is een boom van het leven; en[^spreuken-11-30-84] wie zielen vangt, is wijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v30)

**31** Zie, de rechtvaardige wordt[^spreuken-11-31-85] vergolden op de aarde,[^spreuken-11-31-o] hoeveel te meer de goddeloze en[^spreuken-11-31-86] zondaar! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/11.html#v31)

[^spreuken-11-1-a]: Verwijzing a: Lev. 19:36. Deut. 25:13. Spr. 16:11. en 20:10, 23.
[^spreuken-11-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: wage van het bedroch. zo ook Hos. 12:7. Amos 8:5. eveneens, wagen van de ongerechtigheid Micha 6:11. Het tegendeel zijn de wagen van de gerechtigheid, Lev. 19:36. Job 31:6.
[^spreuken-11-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, מִרְמָה: de grouwel van de Heer; dat wil zeggen: die God voor een grouwel houdt. Zie Deut. 17. op vers 1. en hierboven, 3. op vers 32.
[^spreuken-11-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: gewichte. zie Lev. 19. op vers 36.
[^spreuken-11-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: hem welbehagende, en aangenaam. Zie hierboven, 10. op vers 32.
[^spreuken-11-2-b]: Verwijzing b: Spr. 16:18. en 18:12.
[^spreuken-11-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk door Gods rechtvaardige voorzienigheid, die gewoonlijk de zonden met straffen, die de zonden gelijk zijn, pleecht te straffen. Want om dat de hooveerdige andere mensen, en voornemelijk de nederige, of door straffen nedergedruckte mensen, verachten, so worden zij zeer dikwijls ten valle gebracht, en zo met schande, en smaatheid beloont. Vergelijk hieronder, 15:33. en 16. vers 18. en 18:12.
[^spreuken-11-2-c]: Verwijzing c: Spr. 15:33. en 18:12.
[^spreuken-11-2-6]: Kanttekening 6: Ofte, manierlikke, sedige, nederige.
[^spreuken-11-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk om niet in schande te komen door hoogmoed, waar door zij in eere blijven bij alle wijze, en recht oordeelende mensen.
[^spreuken-11-3-d]: Verwijzing d: Spr. 13:6.
[^spreuken-11-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk zij stiertse door de rechte weg, die zij eenvoudelijk heen wandelen tot het goede einde daarse wesen willen.
[^spreuken-11-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk waar door zij haar naasten willen bedriegen, en verdrukken.
[^spreuken-11-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: verderftse geheelijk. Anders: verwoestse, of, schentse.
[^spreuken-11-4-e]: Verwijzing e: Spr. 10:2. Ez. 7:9. Zephan. 1:18.
[^spreuken-11-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk de goddelozen.
[^spreuken-11-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk van de goddelijke verbolgentheid. zie 2.Chro. c. 28. op vers 13. Dat wil zeggen: ter tijt als God zijn toorn bewijst, met zijn straffen over de mensen uit te zenden. Zie Job 20. op vers 28.
[^spreuken-11-4-13]: Kanttekening 13: Zie hierboven, 10. op vers 2.
[^spreuken-11-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: maakt dat hij door de goede weg recht wandelt, so dat hij eindelijk geraakt, daar hij wesen wil, namelijk, tot de eeuwige gelukzaligheid. Vergelijk hierboven, 3:6. en d’aant.
[^spreuken-11-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk in zijn quaden weg, so dat hij daar in vergaat, zonder tot een gelucksalich einde te komen.
[^spreuken-11-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk na de genadige belofte, die God hen gedaan heeft. Vergelijk dit met het einde van het voorgaande 4 vers.
[^spreuken-11-6-f]: Verwijzing f: Spr. 5:22.
[^spreuken-11-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: achterhaalt, en verstrickt in het kwaad, dat ze anderen aandoen willen, zulks dattet hen zelf ten verderve dient. Vergelijk Ps. 7:16. hieronder, 26. vers 27. Eccles. 10:8.
[^spreuken-11-6-18]: Kanttekening 18: Zo ook wordt het Hebreeuwse woord genomen, hieronder, 17:4.
[^spreuken-11-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk die hij had, om hier door zijn macht, en middelen nog voor een tijt lank op zijn gemak geluckichlijk te leven; of om hier nog eenich kwaad aan te richten, daar mee hij zich, de zijnen, en andere die op hem steunen, zou mogen na zijn wijze goed doen.
[^spreuken-11-7-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: de hope van de sterckten, of, vasticheden, of, machten, dat is, zeer sterkke, vaste, of machtige hope, namelijk, die de goddeloze hadden. Ofte, hope van de sterckten. Dat wil zeggen: van alle dingen in welke hij zijn hope stelde. Anders: en de hope van de ongerechtigen vergaat.
[^spreuken-11-8-g]: Verwijzing g: Ps. 34:20.
[^spreuken-11-8-h]: Verwijzing h: Spr. 21:18.
[^spreuken-11-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: in de benautheid, even alsof hij tot een rantsoen gegeven ware, tot loslating van de vroomen. Vergelijk hieronder, 21:18. Jes. 43:3.
[^spreuken-11-9-22]: Kanttekening 22: Wat een huichelaar zy, Zie Job 8. op vers 13.
[^spreuken-11-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk door zijn geveynst spreken, hem lockende tot de zonde, en zich houdende alsof hij zijn vriend ware, daar hij nochtans zijn groot vijand is.
[^spreuken-11-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk door de welke de rechtvaardige verstaan, dat men de zonden moet schuwen, om dat ze van God verboden zijn, en gestraffet worden, en dat men de huichelaar niet en moet gelooven.
[^spreuken-11-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk van het bedroch van de huichelaar.
[^spreuken-11-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de inwoonderen eener stadt, namelijk, die wel gesteld is, zijnde voorsien van goede regering, en burgerye. Stadt voor haar inwoonderen, als Gen. 35:5. 1 Sam. 4:13. 1 Kon. 1:41. Jes. 14:31. Matt. c. 21. vers 10, etc.
[^spreuken-11-10-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: in’t goede: het welke men hier verstaan kan van de uiterlijke welstant van de vroomen. Zie het woord goed zo genomen, Job 21:13. en vergelijckt d’aantekening
[^spreuken-11-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: door de zegening diese van God ontvangen, en verder diese spreken, de gebeden diese doen, de raad diese geven, en de weldaden diese bewysen.
[^spreuken-11-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk die valse leer drijft, quade wetten geeft, en schadelijke propoosten tegen het algemene beste voert.
[^spreuken-11-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk niet alleen in zijn hart qualijk van hem gevoelende, maar ook met zijn mond qualijk van hem sprekende.
[^spreuken-11-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: van verstanden.
[^spreuken-11-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: gevoelt het beste, en en spreekt niet qualijk, ja niet met al, wanneer zulks met de liefde van God, en van de naaste bestaan kan.
[^spreuken-11-13-33]: Kanttekening 33: Zie de eigene beteeckenis van de oorspronkelijke manier van spreken. Lev. 19. op vers 16.
[^spreuken-11-13-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: van wille, voornemen, en genegentheid, om de achterklappers niet gelijk te worden. Zie van het woord geest in deze beteeckenis genomen. 2 Kon. 19. op vers 7.
[^spreuken-11-14-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 12:1, etc.
[^spreuken-11-14-35]: Kanttekening 35: Zie van dit woord Job 37. op vers 12.
[^spreuken-11-14-36]: Kanttekening 36: Namelijk van degenen, die God vrezen, haar stuk wel verstaan, en het welvaren van het volk beminnen.
[^spreuken-11-15-37]: Kanttekening 37: Dit woordeken moet meermaals tot vervulling van de betekenis in onze tale ingevoecht zijn, als Ex. 22:9. hieronder, 20:16. en 27:13, etc.
[^spreuken-11-15-39]: Kanttekening 39: Zie hierboven, 6. op vers 1.
[^spreuken-11-15-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws: verbrekende verbroken worden, namelijk, of door de zorg, en moeite, die hij zal hebben, of door de schade, die hij zal lijden, of door beide.
[^spreuken-11-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: die tot een teekken van de beloofde betaling in de hant slaan. Zie hierboven, 6. vers 1. en d’aant.
[^spreuken-11-15-42]: Kanttekening 42: Ofte, gerust.
[^spreuken-11-15-38]: Kanttekening 38: Dit woord is hier ingevoecht uit het c. 6. vers 1.
[^spreuken-11-16-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws: Vrouwe van de aangenaemheid; dat is, die aangenaam is, namelijk, door haar deuchden.
[^spreuken-11-16-44]: Kanttekening 44: Namelijk van verstandigheid, kuischeid, zedigheid, vriendelickheid, en kloekke huishouding.
[^spreuken-11-16-45]: Kanttekening 45: Zo wordt de letter vau soms genomen. Zie Job 5. op vers 7.
[^spreuken-11-16-46]: Kanttekening 46: Namelijk dat ze die hen niet en willen laten ontnemen.
[^spreuken-11-17-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws: een man van de goedertierentheid, of, goetgunstigheid, of, weldadigheid. Zo ook een man van de wetenschap; dat is, een vernuftich, en verstandich man, hieronder, 24:5. een man van de waarheid, of, trouwe; dat is, waarachtig, of getrouw, Neh. c. 7. vers 2. een man van de vrede; dat is, die vreedzaam is, Ps. 41:10. mannen van de heiligheid; dat is heilige, Ex. 22:31. etc. Vergelijk Job 11. op vers 11.
[^spreuken-11-17-48]: Kanttekening 48: Het Hebreeuwse woord אִישׁ, betekent soms iemand goed doen, als hier, Ps. 13:6. Jes. 63:7. soms kwaad doen, als Jes. 3:9. Eigenlijk betekent het vergelden, hetzij in’t goede, of in het quade. Zie 2 Kron. 20. op vers 11.
[^spreuken-11-17-49]: Kanttekening 49: Dat is, hem zelf. Zie 1 Kon. c. 19. op vers 4.
[^spreuken-11-17-50]: Kanttekening 50: Namelijk niet alleen door onnoodige bekommering, maar ook door weygering van de noodelikke behoefte van het voetsel, van de kleeding, en wooning.
[^spreuken-11-18-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws: een werk van de valsheid; dat is, dat niet en deucht, geen loon, nog profijt, nochte voordeel inbrengt, maar geheel nietich, en te vergeefs is.
[^spreuken-11-18-52]: Kanttekening 52: Dat is, die goede werkken doet: het welke geschiedt wel met arbeid, en moeite, maar ook met verwachting van een genadigen oogst. Vergelijk Hos. c. 10. vers 12. Galat. 6. vers 8. Van het zaaien van het onrecht. Zie Job 4. op vers 8.
[^spreuken-11-18-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws: loon van de trouwe, of, waarheid.
[^spreuken-11-20-54]: Kanttekening 54: Verst. degenen, die in materie van geloof, en van wandel niet oprecht en zijn. zie van verkeertheid van het hart. Ps. 101:4. hierboven, 6:14. hieronder, 12:8. en 17:20. Jer. 17:9.
[^spreuken-11-20-55]: Kanttekening 55: Zo ook Psa. 119:1. Verst. degenen, die in het stuk van leer, en leven, recht uit, onvervalscht, zuiver van sin, en gemoede zijn.
[^spreuken-11-20-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: hem welgevallich, en aangenaam, zo ook hierboven, vers 1. en hieronder, 12:22. en 15:8.
[^spreuken-11-21-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: van hant tot hant. Niet alleen in zijn eigen persoon, maar ook in zijn nakomelingen, die zijn boose wegen ingaan. Vergelijk Ex. 20:5. en Deut. 5:9. Anders: \[Al ware\] hant aan hant, so zal, etc. Dat wil zeggen: hoewel de boose in perijckel zijnde, van allen geholpen werd, so zal hij nochtans de straf Gods niet ontgaan. Hant is hier voor hulpe, als 2 Sam. 3:12. en 14:19. Nehem. 2:18. Ps. 119:173. hieronder, 16:5.
[^spreuken-11-21-k]: Verwijzing k: Spr. 16:5.
[^spreuken-11-21-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: niet ongestraft blijven. Zie 1 Kon. 2. op vers 9.
[^spreuken-11-21-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: kinderen en nakomelingen. Zie Gen. 4:25. en 9:9. en de aantekening
[^spreuken-11-21-60]: Kanttekening 60: Namelijk door de hant en hulpe Gods.
[^spreuken-11-22-61]: Kanttekening 61: Ofte, redelickheid. Hebreeuws: van smaek. namelijk, van de geest. Deze is het verstant, en het oordeel van de mens. Zie Job 12. op vers 20.
[^spreuken-11-22-62]: Kanttekening 62: Zie van de betekenis van het Hebreeuwse woord, Gen. 24. op vers 22.
[^spreuken-11-23-63]: Kanttekening 63: Namelijk als zij recht wandelen op de weg van de gerechtigheid, en daar op niet en struickelen door menselijke swackheid.
[^spreuken-11-23-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: haat, nijt, spijtigheid, vyantschap, en curselheid, waar door zij onruste, en moeite onder de mensen maken, en Gods rechtvaardige toorn verwekken.
[^spreuken-11-24-65]: Kanttekening 65: Uytstroyen is hier, rijckelijk van zijn middelen uitdeelen, daar het noodich is, zo ook Ps. 112:9. in welke sin ook het woord zaaien gebruikt wordt, 2 Kor. 9:6.
[^spreuken-11-24-66]: Kanttekening 66: Want de rijke, ja een ieder na zijn vermogen, is schuldig de armen mee te deelen.
[^spreuken-11-24-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: hij en wordt daar door niet rijk.
[^spreuken-11-25-l]: Verwijzing l: Ps. 112. 9. 2 Kor. 9:9.
[^spreuken-11-25-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, נֶֽפֶשׁ: de ziel van de zegening, dat wil zeggen: die met weldoen een zegen is over andere mensen. Zie hierboven, op vers 11.
[^spreuken-11-25-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: meer gesegent worden, en geheel welvaren. zie dezelfde manier van spreken, hieronder, 13:4. en 15:30 en 28:25.
[^spreuken-11-25-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: die de armen rijckelijk mededeelt; gelijckmen een dorre aarde met water bevochticht.
[^spreuken-11-25-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: overvloedelijk met Godes zegen overgoten worden, en zo bevochticht zijn, alsof hij zelf ook een regen ware: waar door hij ook meer middel zal krijgen, om in’t weldoen voort te varen.
[^spreuken-11-27-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: zijn naasten vlijtichlijk deucht doet.
[^spreuken-11-27-73]: Kanttekening 73: Namelijk zo, dat hij ze ook vindt, en krijcht.
[^spreuken-11-27-74]: Kanttekening 74: Waar door hij God, en de vromen mensen behagelijk is.
[^spreuken-11-27-m]: Verwijzing m: Ps. 7:17. en 9:16. en 10:2. en 57:7.
[^spreuken-11-27-75]: Kanttekening 75: Ofte, besorgt.
[^spreuken-11-28-n]: Verwijzing n: Ps. 1:3, 4. en 92:13.
[^spreuken-11-28-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: die zich op de rijkdom niet en verlaten, maar op God alleen, na zijn bevel, Ps. 62:11, 12.
[^spreuken-11-28-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: zullen welvaren, en welgelucksalich zijn. Vergelijk Ps. 1:3. en 72:7. en 92:13. Jes. 27:6. Hos. 14:6.
[^spreuken-11-29-78]: Kanttekening 78: Verst. die door ongeregelde huishouding, en verquisting van goederen zijn huisgesin beroeit maakt, en bedroeft. Vergelijk Gen. 34:30. en de aantekening
[^spreuken-11-29-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: niet met allen, maar hij zal tot armoede komen. Vergelijk Job 7. op vers 7.
[^spreuken-11-29-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: lijf-eigen, of immers dienaar, om het voedsel te krijgen. Vergelijk Gen. 47:19.
[^spreuken-11-29-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: wel weet huis te houden.
[^spreuken-11-30-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: zijn onderwijzing, en deuchtsaemheid.
[^spreuken-11-30-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: Zoals een boom van het leven, die wat goeds voortbrengt, waar door de mens ten eeuwigen leven gevoedt, en gesterckt wordt. Vergelijk hierboven, 3. op vers 18.
[^spreuken-11-30-84]: Kanttekening 84: Die de mensen treckt tot Godes kennis. Vergelijk Matt. 4:19.
[^spreuken-11-31-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: gestraft om zijn zonden. Zie van het Hebreeuwse woord, Job 21. op vers 19.
[^spreuken-11-31-o]: Verwijzing o: 1 Petr. 4:17, 18.
[^spreuken-11-31-86]: Kanttekening 86: Namelijk die uitsteekt in’t zondigen, en zijn werk daar van maakt. Zie 1 Sam. 15. op vers 18. en Ps. 1. op vers 1.

### Spreuken 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/12.json)

*Tucht, vers 1. Goede, rechtvaardige, oprechte en goddeloze mensen, 2, 3, 5, 7, 10, 12, 21, 26. Een flinke en een achteloze vrouw, 4. Goed en kwaad, waar en vals spreken en getuigen, 6, 8, 13, 14, 17, 18, 22. Ingetogenen en pochers, 9. Vlijtigen en leeglopers of bedriegers, 11, 24, 27. De toorn en roem van de dwazen, en de stilzwijgendheid van de verstandigen, 16, 23. Bekommernis en blijdschap van het hart, 25. Het pad van de gerechtigheid, 28.*

**1** Wie[^spreuken-12-1-1] de tucht liefheeft, die heeft de[^spreuken-12-1-2] wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v1)

**2** De[^spreuken-12-2-3] goede zal[^spreuken-12-2-4] een welgevallen trekken van YHWH; maar een man[^spreuken-12-2-5] van[^spreuken-12-2-6] schandelijke verdichtselen zal[^spreuken-12-2-7] Hij[^spreuken-12-2-8] verdoemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v2)

**3** De mens[^spreuken-12-3-9] zal niet bevestigd worden door goddeloosheid;[^spreuken-12-3-10][^spreuken-12-3-a] maar de wortel van de rechtvaardigen zal niet bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v3)

**4** [^spreuken-12-4-b] Een[^spreuken-12-4-11] kloeke huisvrouw is een[^spreuken-12-4-12] kroon van haar[^spreuken-12-4-13] heer; maar[^spreuken-12-4-14] die beschaamd maakt,[^spreuken-12-4-15] is als verrotting in zijn beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v4)

**5** De gedachten van de rechtvaardigen zijn[^spreuken-12-5-16] recht; de raadslagen[^spreuken-12-5-17] van de goddelozen zijn bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v5)

**6** [^spreuken-12-6-c] De woorden van de goddelozen zijn[^spreuken-12-6-18][^spreuken-12-6-d] om op bloed te loeren; maar de mond van de oprechten[^spreuken-12-6-19] zal ze redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v6)

**7** [^spreuken-12-7-e] De[^spreuken-12-7-20] goddelozen worden omgekeerd, dat[^spreuken-12-7-21] zij niet meer zijn; maar het[^spreuken-12-7-22] huis van de rechtvaardigen zal bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v7)

**8** Een ieder zal[^spreuken-12-8-23] geprezen worden,[^spreuken-12-8-24] naardat zijn verstandigheid is; maar die[^spreuken-12-8-25] verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v8)

**9** Beter is, die zich[^spreuken-12-9-26][^spreuken-12-9-f] gering acht, en[^spreuken-12-9-27] een knecht heeft, dan die[^spreuken-12-9-28] zichzelf eert, en van het brood gebrek heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v9)

**10** De rechtvaardige[^spreuken-12-10-29][^spreuken-12-10-g] kent het[^spreuken-12-10-30] leven van zijn beest; maar de barmhartigheden van de goddelozen zijn[^spreuken-12-10-31] wreed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v10)

**11** [^spreuken-12-11-h] Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die[^spreuken-12-11-32] ijdele mensen volgt, is verstandeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v11)

**12** De goddeloze begeert het[^spreuken-12-12-33] net van de bozen;[^spreuken-12-12-34] maar de wortel van de[^spreuken-12-12-35] rechtvaardigen zal uitgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v12)

**13** [^spreuken-12-13-i] In[^spreuken-12-13-36] de overtreding van de lippen is de[^spreuken-12-13-37] strik van de bozen; maar de[^spreuken-12-13-38] rechtvaardige[^spreuken-12-13-39] zal uit de benauwdheid uitkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v13)

**14** [^spreuken-12-14-40][^spreuken-12-14-k] Een ieder wordt van[^spreuken-12-14-41] de vrucht van de mond met[^spreuken-12-14-42] goed verzadigd; en de vergelding[^spreuken-12-14-43] van de handen van de mens zal hij tot[^spreuken-12-14-44] zich teruggeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v14)

**15** [^spreuken-12-15-45][^spreuken-12-15-l] De weg van de dwazen is recht[^spreuken-12-15-46] in zijn ogen; maar die naar[^spreuken-12-15-47] raad hoort, is wijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v15)

**16** De toorn van de dwazen[^spreuken-12-16-48] wordt ten zelf dage[^spreuken-12-16-49] bekend; maar die[^spreuken-12-16-50] kloekzinnig is, bedekt de[^spreuken-12-16-51] schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v16)

**17** [^spreuken-12-17-m] Die waarheid[^spreuken-12-17-52] voortbrengt, maakt[^spreuken-12-17-53] gerechtigheid bekend; maar een getuige van de[^spreuken-12-17-54] valsheden, bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v17)

**18** [^spreuken-12-18-n] Daar is een, die[^spreuken-12-18-55] woorden als steken van een zwaard onbezonnen uitspreekt; maar de tong van de wijzen is[^spreuken-12-18-56] medicijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v18)

**19** [^spreuken-12-19-57] Een waarachtige lip zal[^spreuken-12-19-58] bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v19)

**20** Bedrog is in het hart van degenen, die[^spreuken-12-20-59] kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben[^spreuken-12-20-60] blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v20)

**21** De rechtvaardige zal geen[^spreuken-12-21-61] leed overkomen; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v21)

**22** [^spreuken-12-22-62] Valse lippen zijn YHWH een gruwel; maar die[^spreuken-12-22-63] trouw handelen, zijn Zijn[^spreuken-12-22-64] welgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v22)

**23** [^spreuken-12-23-o] Een kloekzinnig mens[^spreuken-12-23-65] bedekt de wetenschap; maar het hart van de[^spreuken-12-23-p] zotten roept[^spreuken-12-23-66] dwaasheid uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v23)

**24** [^spreuken-12-24-q] De hand van de vlijtigen zal heersen; maar de[^spreuken-12-24-67] bedriegers zullen[^spreuken-12-24-68] onder belasting wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v24)

**25** [^spreuken-12-25-r] Bezorgdheid in het hart van de mensen buigt het neer; maar een goed woord verblijdt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v25)

**26** De rechtvaardige is[^spreuken-12-26-69] voortreffelijker dan zijn[^spreuken-12-26-70] naaste; maar de[^spreuken-12-26-71] weg van de goddelozen[^spreuken-12-26-72] doet hen dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v26)

**27** [^spreuken-12-27-73] Een bedrieger zal zijn[^spreuken-12-27-74] jachtvang[^spreuken-12-27-75] niet braden; maar het[^spreuken-12-27-76] kostelijk goed van de mensen is van[^spreuken-12-27-77] de vlijtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v27)

**28** [^spreuken-12-28-78] In het pad van de gerechtigheid is het leven; en in de weg van haar voetpad is de dood niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/12.html#v28)

[^spreuken-12-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de onderrichting, waar door men onderwezen wordt, om tot wetenschap te komen. Zie hierboven, 1. op vers 2. Ofte verstaat de kastijdingen van de Heer, die de mens ten zelfden einde toegesonden worden, als Deut. 11:2. Job 5:17. Ps. 94:12. Jer. 10:24. Vergelijk hierboven, 9. d’aant. op vers 7.
[^spreuken-12-1-2]: Kanttekening 2: Tot de welke men door de tucht, en onderwijzing komt.
[^spreuken-12-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die tot het goede genegen is, en het doet.
[^spreuken-12-2-4]: Kanttekening 4: Zie hierboven, 8. op vers 35.
[^spreuken-12-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: die boosheid verzint, en voorneemt in zijn hart, of ook metterdaad uitvoert. Vergelijk Ps. 5. op vers 7.
[^spreuken-12-2-6]: Kanttekening 6: Het Hebreeuwse woord is hier in het quade genomen. Zie van hetzelve, Job 21. op vers 27. Item vergelijk hieronder, 14:17.
[^spreuken-12-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk de Heer.
[^spreuken-12-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: verklaren goddeloos te zijn, en straf weerdich. Zie van het Hebreeuwse woord, Deut. 25. op vers 1, en Job 10. op vers 2.
[^spreuken-12-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: zal het niet lange na zijn wensch maken, niet lange voorspoet, en geluk hebben. Vergelijk hierboven, 10:2, en 11:4.
[^spreuken-12-3-10]: Kanttekening 10: De betekenis is, dat de vromen, vast, en onbewegelijk blijven in haar stant, zoals een boom, welckes wortel zich diep, en wijt uitspreit, en wel bevochtigt is, Ps. 1:3. eveneens vergelijk Ps. 15. op vers 5, en Jer. 17. vers 8.
[^spreuken-12-3-a]: Verwijzing a: Spr. 10:25.
[^spreuken-12-4-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 11:7.
[^spreuken-12-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: verstandige, deuchtsame, en wel-huishoudende. Hebreeuws: een vrouwe van de kloekheid. Zie van het Hebreeuwse woord, Gen. 47. op vers 6.
[^spreuken-12-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: cieraat, en heerligheid. zie van het woord kroone in deze sin genomen, Job 19. op vers 9.
[^spreuken-12-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: mans. Zo ook Exo. 21:3. Joël 1:8.
[^spreuken-12-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk haar zelf, en haar man, door haar onverstandigheid, ongeschickte manieren, en achteloose huishouding. Vergelijk hierboven, 10. op vers 5.
[^spreuken-12-4-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: een quelling in’t binnenste zijn ziel, en teering in ’t binnenste zijns lichaams, om dat hij zijn schande altijt voor zijn ogen ziet. Zie dezelfde gelijkenis, hieronder, c. 14:30. Hab. 3:16, en vergelijkke, Ps. 42:11. eveneens het tegendeel, Ps. 51:10.
[^spreuken-12-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: zijn na de eis van het recht wel bedacht. Vergelijk Num. 27:11, en d’aantekening
[^spreuken-12-5-17]: Kanttekening 17: Dit woord is hier in’t quade genomen voor listige vonden, en spitsvindige bedenckingen om schade te doen. Elders ist in’t goede genomen. Zie van hetzelve Job 37. op vers 12.
[^spreuken-12-6-c]: Verwijzing c: Spr. 1:11, 18.
[^spreuken-12-6-18]: Kanttekening 18: Zie 1 Sam. 22:9, 10. Ps. 52:5, 6.
[^spreuken-12-6-d]: Verwijzing d: Spr. 11:9.
[^spreuken-12-6-19]: Kanttekening 19: Namelijk degenen, op welcker bloet de goddelozen loeren. Zie voorbeelden, 1 Sam. 19:4. Esth. 7:2, 3.
[^spreuken-12-7-e]: Verwijzing e: Ps. 37:36, etc. Spr. 11:21.
[^spreuken-12-7-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: de goddelozen keeren om; dat wil zeggen: worden omgekeert; dat is, uitgeroeyet.
[^spreuken-12-7-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: dat ze van deze wereld weg genomen worden. zie Gen. 42:13, en d’aant. eveneens Ps. 39:14, en 103:16. Jer. 31:15. Matt. 2:18. Vergelijk ook Gen. 5:24.
[^spreuken-12-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: staat, rijkdom, woonplaatse, en nakomelingen. zo ook 2 Sam. c. 7:29. Job 8:15. Ps. 49:17. hieronder, 14:11.
[^spreuken-12-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk van de wijzen, en recht oordeelende.
[^spreuken-12-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: na dat hij met woorden, en werkken bewijst, dat hij verstant heeft, streckende tot de ware godtvruchtigheid.
[^spreuken-12-8-25]: Kanttekening 25: Zie hierboven, 11. op vers 20.
[^spreuken-12-9-26]: Kanttekening 26: Anders: die gering geacht wordt. Maar men kan uit de tegenstelling verstaan, dat hier gesproken wordt van degene, die zich zelf voor klein, en gering houdt.
[^spreuken-12-9-f]: Verwijzing f: Spr. 13:7.
[^spreuken-12-9-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: so veel heeft, dat hij zich mach laten dienen. Anders: die zich zelf een knecht is. Dat wil zeggen: zich zelf dient.
[^spreuken-12-9-28]: Kanttekening 28: Namelijk roemende, dat hij een groot meester is, en zeer veel goeds heeft.
[^spreuken-12-10-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: draegt zorg voor het leven van zijn beesten: namelijk, om die haar behoefte te geven. Het woord kennen is voor zorgen, en toesien dikwijls genomen. Zie Gen. 18. op vers 19, en Ps. 1. op vers 6.
[^spreuken-12-10-g]: Verwijzing g: Deut. 20:4.
[^spreuken-12-10-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, נֶפֶשׁ: ziel
[^spreuken-12-10-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: eens wreeden; namelijk mensen; dat is, geheel geen: want de wreede en hebben geen barmhartigheid.
[^spreuken-12-11-h]: Verwijzing h: Spr. 28:19.
[^spreuken-12-11-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: ledich-gangers, behoeftige, en die ledich van de deucht, en vrees van God zijn. Zie Richt. 9. op vers 4.
[^spreuken-12-12-33]: Kanttekening 33: Verst. de schelmsche practijkken, en loose tukken, die de quade gebruiken om de vrome te bedriegen, van haar goed te berooven, en te verdrukken. Anders: het net van de quade dingen, of, van allerlei kwaad: dat is, daar mee allerlei soort van onrecht bedreven wordt.
[^spreuken-12-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: de godtvruchtigheid daar in de vroome vast gewortelt zijn. Vergelijk hierboven, vers 3.
[^spreuken-12-12-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: voortsetten, uitschieten, en vruchten dragen. De betekenis is, dat ze in de vrees van de Heer trouwelijk handelende, genoeg zullen hebben. Dit vers wordt ook zo overgeset: De goddeloze begeert \[wel\] een sterkte tegen alle kwaad, maar de wortel van de rechtveerdigen geeft \[dezelve\].
[^spreuken-12-13-i]: Verwijzing i: Spr. 10:14. en 18:7.
[^spreuken-12-13-36]: Kanttekening 36: Namelijk die de boose met spreken begaat tegen God, en tegen zijn naasten.
[^spreuken-12-13-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: het net, daar in de boose zelf gevangen wordt.
[^spreuken-12-13-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: uit grote zwarigheid.
[^spreuken-12-13-39]: Kanttekening 39: Namelijk door een goed, en voorzichtig gebruik van zijn lippen.
[^spreuken-12-14-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, אִישׁ: van de vrucht van de mond van de man wordt hij met goed versadicht; Dat is, na dat een ieder zijn tonge wel gebruikt, zal hij goed van God ontvangen.
[^spreuken-12-14-k]: Verwijzing k: Spr. 13:2.
[^spreuken-12-14-41]: Kanttekening 41: Verst. zijn wijze, en godvruchtige propoosten. Vergelijk hieronder, 13:2, en 18:20.
[^spreuken-12-14-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: dat het tijdelijke en eeuwige welvaren betreft.
[^spreuken-12-14-43]: Kanttekening 43: Verst. van zijn eigene handen.
[^spreuken-12-14-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: weer van God uit genade bekomen. Na dat een ieder gedaan heeft, zal hem ook gebeuren.
[^spreuken-12-15-45]: Kanttekening 45: Zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-12-15-l]: Verwijzing l: Spr. 3:7.
[^spreuken-12-15-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: na zijn gevoelen, en oordeel. Zie Lev. 13. op vers 5, en Job 18. op vers 3.
[^spreuken-12-15-47]: Kanttekening 47: Namelijk die heilig, en heilzaam is, so dat hij zich niet en verlaat op zijn eigen verstant, en goetdunkken.
[^spreuken-12-16-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: ter zelfder tijt, en stonde, als hij toornig geworden is, over het leet, hem aangedaan.
[^spreuken-12-16-49]: Kanttekening 49: Namelijk uit zijn woorden, gebeerden, en daden.
[^spreuken-12-16-50]: Kanttekening 50: Zo ook hieronder, op vers 23. Zie van dit woord hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-12-16-51]: Kanttekening 51: Namelijk die uit haastigen toorn voortkomt.
[^spreuken-12-17-m]: Verwijzing m: Spr. 14:5.
[^spreuken-12-17-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws: blaast.
[^spreuken-12-17-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: dat recht over-een-komt met hetgeen geschied is, of gesproken wordt, opdat niemand ongelijk gedaan en worde.
[^spreuken-12-17-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: niet over-een-komende met de waarheid van de zaak, die geschied is, en dat, om iemand daar mee listichlijk schade te doen.
[^spreuken-12-18-n]: Verwijzing n: Ps. 57:5. en 59:8. Spr. 16:27.
[^spreuken-12-18-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: die met lichtvaardige, en qualijk versinde propoosten haar naasten quetsen aan zijn gemoet, eere, leven, en welvaren; gelijckmen aan het lichaam met een sweert gekwetst wordt. Zie 1 Sam. 22:9, 10. Ps. 57:5, en 59:8.
[^spreuken-12-18-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: als een medicine, niet alleen die het geswackte, of gequetste geneest, maar ook bewaart van geswackt, of gekwetst te worden. Vergelijk hierboven, 4. op vers 22.
[^spreuken-12-19-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, אֱמֶת: lippe van de waarheid. Dat wil zeggen: die de waarheid spreekt. zo ook lippe van de vleierij, die vleierij spreekt, Ps. 12:3. lippen van de valsheid, die valsheid spreken, Ps. 31:19. lippen van de wetenschap, die wetenschap voortbrengen, hieronder, c. 14:7. zo ook terstont in dit vers, tonge van de valsheid, of van de leugen, voor een tonge, die valsheid, of leugen spreekt. eveneens hieronder, vers 22. eveneens, lippe van de gerechtigheid, die gerechtige propoosten voorstelt, hieronder, 16:13.
[^spreuken-12-19-58]: Kanttekening 58: De waarheid (en volgens die dezelve spreekt) blijft staande, en is altijt vast in haar zelf, of schoon ze tegen-gesproken wordt.
[^spreuken-12-20-59]: Kanttekening 59: Namelijk van de oneenigheid, en van de twisting.
[^spreuken-12-20-60]: Kanttekening 60: Namelijk in haar hart voor God, en in haar leven bij de mensen.
[^spreuken-12-21-61]: Kanttekening 61: Ofte, moeite, of, verdriet. Namelijk dat hem van de goddeloze zo zou aangedaan worden, dat hij daar onder zou blijven liggen, en het zal hem alles ten goede strekken, Rom. 8:28. Anders: geen ongerechtigheid overkomen. Namelijk in de welke de rechtvaardige zo zou komen te vervallen, dat hij daar uit niet weer door Gods Geest opgericht en zou worden. Van het Hebreeuwse woord zie Job 5. op vers 6.
[^spreuken-12-22-62]: Kanttekening 62: Zie hierboven, op vers 19.
[^spreuken-12-22-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws: trouwe, of, waarheid doen, dat wil zeggen: die in woorden, en werkken tegenover God, en haar naasten, waarheid en trouwe oprecht onderhouden. zo ook Ez. 18:9. 1 Joh. 1:6.
[^spreuken-12-22-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: hem aangenaam, en welgevallich. zo ook hierboven, 11:20.
[^spreuken-12-23-o]: Verwijzing o: Spr. 13:16. en 15:2.
[^spreuken-12-23-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: hij en gietse niet door lichtveerdigen, en opgeblasen praat uit, om hem zelf daarmee ten toone te stellen.
[^spreuken-12-23-p]: Verwijzing p: Spr. 13:16. en 15:2.
[^spreuken-12-23-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: alderley onwetentheid, en dwaling, rakende het geloof, en de wandel van de mensen.
[^spreuken-12-24-q]: Verwijzing q: Spr. 10:4.
[^spreuken-12-24-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws: het bedroch zal, etc. Zie Job 35. op vers 13. Verstaat door deze bedriegers, de luie ledich-gangers, die om dat ze niet arbeiden en willen, door bedroch, en dieverye zoeken het voedsel te rapen. zie hierboven, 10:4, en de aantekening. Eveneens hieronder, vers 27.
[^spreuken-12-24-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: degenen die heerschen, en het gebiedt hebben, schatting geven. Zie dezelfde manier van spreken, Richt. 1:30, 35. Klaagl. 1:1.
[^spreuken-12-25-r]: Verwijzing r: Spr. 15:13.
[^spreuken-12-26-69]: Kanttekening 69: Namelijk voor de ogen van God, en van de vroomen, die niet aan en zien de uitwendigen voorspoet en pracht van dit leven, maar het goed dat hier in de vroome begonnen wordt, en hier na volbracht zal worden.
[^spreuken-12-26-70]: Kanttekening 70: Namelijk, die goddeloos is.
[^spreuken-12-26-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: het leven, bedrijf, en manier van doen.
[^spreuken-12-26-72]: Kanttekening 72: Namelijk haar, en andere, namelijk door de uiterlikken schijn, die de goddeloze voordoen van gemak, weelde, wellust, rijkdom, eere, hoge staten.
[^spreuken-12-27-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws: het bedroch. Zie op het voorgaande vers 24.
[^spreuken-12-27-74]: Kanttekening 74: Verstaat onder deze een soort, allerlei goed, dat met listige practijkken gekregen wordt.
[^spreuken-12-27-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: niet gebruiken, nog genieten.
[^spreuken-12-27-76]: Kanttekening 76: Zo wordt het wel, en deuchdelijk gewonnen goed genaamd, om dattet de mens beter bij blijft, en meer deucht doet, dan dat door bedroch verkregen is. Anders: het goed eenes neerstigen is kostelijk. Anders: het kostelijk goed van de mensen is nijverheid. Anders: het goed zal zijn van de kostelikken (dat is, vroomen) mensen zal gesneden (dat is, genuttet en gebruikt) worden.
[^spreuken-12-27-77]: Kanttekening 77: Namelijk zich geneerende in een oprechten geoorloofden arbeid, of handel.
[^spreuken-12-28-78]: Kanttekening 78: Vergelijk hierboven, 10:16.

### Spreuken 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/13.json)

*Tucht, vers 1, 18, 24. Wijs en dwaas spreken, 2, 3, 5, 14. Luiheid en vlijt, 4, 11, 23. Oprechte, rechtvaardige, goede en goddeloze mensen, 6, 9, 21, 22, 25. Rijkdom en armoede, 7, 8. Hoogmoed en beraad, 10. Hopen en begeren, 12, 19. Verachting van Gods woord, en vreze voor zijn gebod, 13. Goed verstand en schranderheid, 15, 16. Trouwe en ontrouwe boden, 17. Omgang met wijzen en dwazen, 20.*

**1** Een wijs zoon hoort de tucht van de vader; maar een spotter hoort de[^spreuken-13-1-1] bestraffing niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v1)

**2** [^spreuken-13-2-2][^spreuken-13-2-a] Een ieder zal van de vrucht van de mond het goede[^spreuken-13-2-3] eten; maar de ziel van de[^spreuken-13-2-4] trouwelozen het geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v2)

**3** Die zijn mond bewaart, behoudt[^spreuken-13-3-5] zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die[^spreuken-13-3-6] zijn lippen wijd opendoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v3)

**4** De ziel van de luiaard is begerig, maar[^spreuken-13-4-7] er is niets; maar de ziel van de vlijtigen[^spreuken-13-4-8] zal vet gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v4)

**5** De rechtvaardige haat[^spreuken-13-5-9] leugentaal; maar de goddeloze[^spreuken-13-5-10] brengt zich in kwade reuk, en doet zich schaamte aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v5)

**6** [^spreuken-13-6-b] De gerechtigheid bewaart de[^spreuken-13-6-11] oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal[^spreuken-13-6-12] de zondaar omkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v6)

**7** [^spreuken-13-7-13][^spreuken-13-7-c] Er is een, die zichzelf rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelf arm maakt, en heeft veel goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v7)

**8** De losprijs van ieders[^spreuken-13-8-14] ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het[^spreuken-13-8-15] schelden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v8)

**9** [^spreuken-13-9-16][^spreuken-13-9-d] Het licht van de[^spreuken-13-9-17] rechtvaardigen zal zich verblijden;[^spreuken-13-9-e] maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v9)

**10** [^spreuken-13-10-18] Door trots[^spreuken-13-10-19] maakt men niet dan ruzie; maar[^spreuken-13-10-20] bij de beradenen is wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v10)

**11** Goed,[^spreuken-13-11-21] van zinloosheid[^spreuken-13-11-f] gekomen, zal verminderd worden; maar die met de[^spreuken-13-11-22] hand verzamelt,[^spreuken-13-11-23] zal het vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v11)

**12** [^spreuken-13-12-g] De uitgestelde[^spreuken-13-12-24] hoop krenkt het hart; maar de[^spreuken-13-12-25] begeerte, die komt, is[^spreuken-13-12-26] een boom van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v12)

**13** Die het[^spreuken-13-13-27] woord veracht,[^spreuken-13-13-28] die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, die[^spreuken-13-13-29] zal vergolden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v13)

**14** [^spreuken-13-14-h] De leer van de wijze is een[^spreuken-13-14-30] springader van het leven, om af te wijken van de strikken[^spreuken-13-14-31] van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v14)

**15** Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de[^spreuken-13-15-32] weg van de trouwelozen is[^spreuken-13-15-33] streng. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v15)

**16** Al wie kloekzinnig is, handelt met[^spreuken-13-16-34] wetenschap; maar een zot[^spreuken-13-16-35][^spreuken-13-16-i] breidt[^spreuken-13-16-36] dwaasheid uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v16)

**17** Een[^spreuken-13-17-37] goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw[^spreuken-13-17-38] gezant[^spreuken-13-17-39] is medicijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v17)

**18** Armoede en schande is van degene, die de[^spreuken-13-18-40] tucht[^spreuken-13-18-41] verwerpt; maar die de[^spreuken-13-18-42] bestraffing waarneemt; zal[^spreuken-13-18-43] geëerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v18)

**19** De[^spreuken-13-19-44] begeerte,[^spreuken-13-19-45] die gebeurt, is zoet voor de ziel; maar het is[^spreuken-13-19-46] de zotten een gruwel van het kwade af te wijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v19)

**20** Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die[^spreuken-13-20-47] metgezel van de zotten is,[^spreuken-13-20-48] zal verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v20)

**21** [^spreuken-13-21-49] Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar de rechtvaardige[^spreuken-13-21-50] zal men goed vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v21)

**22** De goede zal de kinderen van zijn kinderen doen[^spreuken-13-22-51] erven; maar het vermogen[^spreuken-13-22-k] van[^spreuken-13-22-52] de zondaar is voor de rechtvaardige[^spreuken-13-22-53][^spreuken-13-22-l] weggelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v22)

**23** [^spreuken-13-23-54] Het ploegen van de armen[^spreuken-13-23-m] geeft veelheid van het voedsel;[^spreuken-13-23-55][^spreuken-13-23-n] maar daar is een, die[^spreuken-13-23-56] verteerd wordt[^spreuken-13-23-57] door gebrek van oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v23)

**24** Die zijn[^spreuken-13-24-o] roede inhoudt,[^spreuken-13-24-58] haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem[^spreuken-13-24-59] vroeg met tuchtiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v24)

**25** [^spreuken-13-25-60] De rechtvaardige[^spreuken-13-25-61] eet tot[^spreuken-13-25-p] verzadiging van zijn ziel toe; maar de buik[^spreuken-13-25-62] van de goddelozen zal gebrek hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/13.html#v25)

[^spreuken-13-1-1]: Kanttekening 1: Ofte, schelding, als hieronder, vers 8.
[^spreuken-13-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, אִישׁ: van de vrucht van de mond van de man zal hij het goede eten; dat wil zeggen: van zijn wijze, en godvruchtige redenen. Vergelijk hierboven, 12. op vers 14.
[^spreuken-13-2-a]: Verwijzing a: Spr. 12:14.
[^spreuken-13-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: gebruiken, en genieten. Zie Job 21. op vers 25.
[^spreuken-13-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk eten: dat is, ontvangen, en krijgen de straf, diese verdient hebben over het gewelt aan anderen gedaan.
[^spreuken-13-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: hem zelf. Zie 1 Kon. 19. op vers 4. De betekenis is, dat hij zich niet alleen en bewaart voor de zonde, hierboven, 10:19. maar ook voor veel onruste, en moeite.
[^spreuken-13-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: die lichtveerdelijk, stoutelijk, en onbeschaemdelijk vele spreekt.
[^spreuken-13-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: daar is niets ten besten voor hem, ’tzy dat hij wijsheid, of rijkdom zoekt, omdat hij daartoe geenen arbeid doen en wil.
[^spreuken-13-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: grote overvloet hebben. Vergelijk hierboven, 11. de aantekening op vers 25.
[^spreuken-13-5-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, דְּבַר: het woord van de leugens, of, van de valsheid.
[^spreuken-13-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk voor de aanhoorderen door zijn leugens. Zie van deze manier van spreken, Gen. 34. op vers 30.
[^spreuken-13-6-b]: Verwijzing b: Spr. 10:29. en 11:3, 5, 6.
[^spreuken-13-6-11]: Kanttekening 11: Zie hierboven, 11. op vers 20.
[^spreuken-13-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, חַטָּֽאת: de zonde. zie Job 35. op vers 13.
[^spreuken-13-7-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: daar worden mensen gevonden, die zich zelf uitgeven voor rijke, of zich voor de mensen voordoen, alsof zij grote middelen hadden, daarse nochtans beroyt zijn: andere zijn inder waarheid rijke, en gelaten zich arme te zijn.
[^spreuken-13-7-c]: Verwijzing c: Spr. 12:9.
[^spreuken-13-8-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: van het tijdelijk, en lichamelijk leven, namelijk, als de rijke in de handen zijn vijanden gevallen is. Ziel voor leven. Zie Gen. 19. op vers 17.
[^spreuken-13-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk die tegen hem zou mogen gebeuren van wegen enige rijkdom, om zijn los-gelt daar na te maken, of hem te beschuldigen van enige rijkdom qualijk gekregen te hebben. Ofte, hij en is aan zulk een haat, nijt, en opsprake, zoals de rijkken, niet onderworpen, en wordt dikwijls van wegen zijn armoede vry gelaten.
[^spreuken-13-9-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de welstant, gelukzaligheid, en vreuchde van de vroomen. Zie Job 18. op vers 5.
[^spreuken-13-9-d]: Verwijzing d: Spr. 4:18.
[^spreuken-13-9-17]: Kanttekening 17: Dat is, wordt vermeerdert, en neemt toe, zoals het licht van de zon, die op gaat tot dat ze aan de middach komt. Vergelijk hierboven, 4:18, 19, en 29:6.
[^spreuken-13-9-e]: Verwijzing e: Job 18:5, 6. en 21:17.
[^spreuken-13-10-18]: Kanttekening 18: De betekenis is, dat de hoveerdye nieuwers toe en dient, dan om oneenigheid, en twist te verwekken, als die in geen zaak, en voor niemand en wil wijkken.
[^spreuken-13-10-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: geeft.
[^spreuken-13-10-20]: Kanttekening 20: De reden is, om dat ze niet en steunen door hoochmoedigheid op haar eigen verstant, maar laten zich door de raad van andere onderwijzen, en geseggen: waar door dan twist weg genomen, en vrede gemaakt wordt. Vergelijk Iac. 3:16, 17, 18.
[^spreuken-13-11-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: door quaden, en onrechtveerdigen middel verkregen, hier tevoren genaamd een bedriegelikke hant. hierboven, 10:4, en 12:24.
[^spreuken-13-11-f]: Verwijzing f: Spr. 10:2. en 20:21.
[^spreuken-13-11-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: door eerlikken arbeid van het lichaam, of van de geest: die geheeten wordt de hant van de vlytigen, hierboven, 10:4, en 12:24.
[^spreuken-13-11-23]: Kanttekening 23: Namelijk, zijn goed. Zo ook 28:8.
[^spreuken-13-12-g]: Verwijzing g: In dit vers 19.
[^spreuken-13-12-24]: Kanttekening 24: Ofte, de hope die vertrokken wordt: dat is, het goed dat men hoopt, maar niet en krijgt, dan na lange uitstel van de tijt. Hope voor de zaak die gehoopt wordt, Jes. 28:15. Rom. 8:24.
[^spreuken-13-12-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: het goed dat men begeert. Zie hierboven, 10. op vers 24.
[^spreuken-13-12-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: een zaak, die de mens zeer lief, en aangenaam is, hem zeer verquickt, en veel goeds doet. Vergelijk hierboven, 3. op vers 18.
[^spreuken-13-13-27]: Kanttekening 27: Namelijk het woord van God en de onderwijzing daar uit genomen, en daar mee overeenkomende.
[^spreuken-13-13-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: zal zich verdorven worden. Dat wil zeggen: tot zijn eigen verdriet, schande, en schade. Ofte, daarom. Namelijk om de verachting van het woord.
[^spreuken-13-13-29]: Kanttekening 29: Namelijk van de goede God een genadige belooning. zie van het Hebreeuwse woord דָבָר, Job 21. op vers 19.
[^spreuken-13-14-h]: Verwijzing h: Spr. 10:11. en 14:27.
[^spreuken-13-14-30]: Kanttekening 30: Dat is, als een springende fontein ten leven. Verstaat niet alleen dit tegenwoordig, maar insonderheid het toekomende leven.
[^spreuken-13-14-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die de tydelikken, en de eeuwigen dood medebrengen. Vergelijk 2 Sam. 22:6. Ps. 18:6, en hieronder, 14:27.
[^spreuken-13-15-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: het doen, of de wijze van doen, of manier van handeling. Zie hierboven, 6. op vers 6.
[^spreuken-13-15-33]: Kanttekening 33: Dat is, onaangenaam, rouw, straf, en onvriendelijk, zulks dat niemand met hen en wil te doen hebben.
[^spreuken-13-16-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: met verstant, oordeel, en voorzichtigheid.
[^spreuken-13-16-35]: Kanttekening 35: Dat is, brengtse zo onbeschaemdelijk voort, dat hij ze een ieder ten toone stelt.
[^spreuken-13-16-i]: Verwijzing i: Spr. 12:23. en 15:2.
[^spreuken-13-16-36]: Kanttekening 36: Zie hierboven, 12. op vers 23.
[^spreuken-13-17-37]: Kanttekening 37: Namelijk die zijn last hem van God, of de mensen opgelecht, niet trouwelijk uit en voert.
[^spreuken-13-17-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: een gesant van de trouwe: Zo is het Hebreeuwse woord zir ook genomen, hieronder, 25:13. Jes. 18:2, en 57:9. Ierem. 49:14. Ob. 1:1.
[^spreuken-13-17-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: doet hem zelf, en die hem zenden goed.
[^spreuken-13-18-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: het goed onderwijs, het welk de mens behoeft om tot de ware wijsheid te komen. Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-13-18-41]: Kanttekening 41: Zie van dit woord hierboven, 1. op vers 25.
[^spreuken-13-18-42]: Kanttekening 42: Namelijk die met woorden van de leer, en onderwijzing geschiedt.
[^spreuken-13-18-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: dien zal goed gebeuren van God, en de vroome. Zie 1 Sam. 2:30. hierboven, 4:8, en 8. vers 18, en 21:21.
[^spreuken-13-19-44]: Kanttekening 44: Namelijk van de vroomen; zoals dit uit de tegenstelling af te nemen is.
[^spreuken-13-19-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die vervult wordt. De betekenis is, wanneer de vrome krijcht hetgeen hij begeert, dat zulks zijn ziel wel doet, en zeer vermakelijk is. Zijn begeerte nu is het quade te vermijden, en het goede aan te hangen: daar van de boose een grouwel heeft, veel min een lust daar toe.
[^spreuken-13-19-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws: ’tis de grouwel van de dwazen.
[^spreuken-13-20-47]: Kanttekening 47: Ofte, die voeder van de dwazen, of, onderhouder is: Hebreeuws: weyder. Zie dezelfde manier van spreken, hieronder, 28:7, en 29:3.
[^spreuken-13-20-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: geheel verdaan, en verdorven worden, of teniet komen; namelijk om dat hij door het gezelschap van de dwazen nog dwazer worden zal, en om zijn dwaasheid van God gestraft zal worden.
[^spreuken-13-21-49]: Kanttekening 49: Namelijk van de straf, daar van zie Gen. 19. op vers 19, en vergelijk hierboven, 5:22, 23. Andere verstaan het kwaad van de schuld; dat wil zeggen: de zonde, waar door de boose gejaecht worden tot dat ze in de straf vallen, en vergaan.
[^spreuken-13-21-50]: Kanttekening 50: Ofte, zal goed vergolden worden. Verst. het goed van het tegenwoordige, en van het toekomende leven. 1.Timot. 4:8.
[^spreuken-13-22-51]: Kanttekening 51: Namelijk zijn middelen.
[^spreuken-13-22-k]: Verwijzing k: Job 26:17.
[^spreuken-13-22-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: van de groven, en grouwelikken zondaars. Zie 1 Sam. 15. op vers 18, en Ps. 1. op vers 1.
[^spreuken-13-22-53]: Kanttekening 53: Het gebeurt dat de zondaren zelf haar rijkdom niet en genieten, veel weiniger haar kinderen, of kints kinderen: en dat de vroomen haar goederen ten dele vallen door Gods beschicking.
[^spreuken-13-22-l]: Verwijzing l: Job 27:17.
[^spreuken-13-23-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: de arbeid, die d’arme met nijverheid doen om ’t lant te bouwen. Anders: daar is veel spijse in het geploecht lant van de armen.
[^spreuken-13-23-m]: Verwijzing m: Spr. 12:11.
[^spreuken-13-23-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: een soort van mensen.
[^spreuken-13-23-n]: Verwijzing n: Spr. 18:9.
[^spreuken-13-23-56]: Kanttekening 56: Ofte, die zich verteert, verbijstert, of, ruineert, hebbende gebrek van spijse.
[^spreuken-13-23-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws: in, of, door niet oordeel, of, recht, of, gerechtigheid; dat wil zeggen: om dat hij geen verstant van lantbouwerije en heeft, of geenen goede regel houdt, of daar in onachtzaam, en nalatich is, of ook zijn winst qualijk aanlegt; of om dat hij met onrecht omgaat.
[^spreuken-13-24-o]: Verwijzing o: Spr. 23:13.
[^spreuken-13-24-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: doet hetgeen, daar mee hij hem ten verderve brengt. iemand verderven is hem haten. zie hierboven, 8. op vers 36.
[^spreuken-13-24-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: van zijn jonckheid aan, terwijle hij nog bedwingelijk is.
[^spreuken-13-25-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: die in de vrees van de Heer door eerlikken arbeid, of handel zoekt deze wereld te passeren.
[^spreuken-13-25-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: heeft door de zegen van de Heer zo veel als hij behoeft.
[^spreuken-13-25-p]: Verwijzing p: Ps. 34:11. en 37:3.
[^spreuken-13-25-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: van zijn leven.

### Spreuken 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/14.json)

*Wijze en dwaze vrouwen, vers 1. Recht wandelen en afwijken, 2, 14. Dwaze en wijze woorden, 3, 7. Akkerbouw, 4. Getuigen, 5, 25. Spotters, 6. Schranderheid en onnozelheid, 8, 15, 18. Schuldbekentenis, 9. Droefheid en blijdschap van het hart, 10, 13, 30. De staat van de goddelozen en de vromen, 11, 32. Eigen goeddunken, 12. Voorzichtigheid en haastige toorn, 16, 17, 29. De kwaden moeten de goeden ontzien, 19. Armoede en rijkdom, 20, 23, 24, 31. Verachting van de naaste, 21. Kwaad en goed doen, 22. Zware arbeid en ijdel geklets, 23. De vreze van de HEERE, 26, 27. De heerlijkheid van de koningen, 28. Verdrukking en liefde voor de armen, 31. Wijsheid, 33. Eer en schande van een volk, 34. De knechten van een koning, 35.*

**1** [^spreuken-14-1-1] Elke wijze vrouw[^spreuken-14-1-2] bouwt haar huis; maar[^spreuken-14-1-3] die zeer dwaas is, breekt het af met[^spreuken-14-1-4] haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v1)

**2** [^spreuken-14-2-a] Die[^spreuken-14-2-5] in zijn oprechtheid wandelt, vreest YHWH; maar die[^spreuken-14-2-6] afwijkt[^spreuken-14-2-7] in zijn wegen, veracht[^spreuken-14-2-8] Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v2)

**3** In de mond van de dwazen is een[^spreuken-14-3-9] roede van de hoogmoed; maar de lippen van de[^spreuken-14-3-10] wijzen bewaren hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v3)

**4** Als er[^spreuken-14-4-11] geen ossen zijn, zo is de krib[^spreuken-14-4-12] rein; maar door de kracht van de os zijn de inkomsten vele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v4)

**5** Een[^spreuken-14-5-13] waarachtig[^spreuken-14-5-b] getuige zal niet liegen; maar een vals getuige[^spreuken-14-5-14] blaast leugens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v5)

**6** De spotter zoekt wijsheid, en er is[^spreuken-14-6-15] geen; maar de wetenschap is voor de verstandige[^spreuken-14-6-16] licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v6)

**7** Ga weg van de aanwezigheid van een zotte man; want u zou bij hem[^spreuken-14-7-17] geen lippen van de wetenschap merken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v7)

**8** De wijsheid van de kloekzinnigen is[^spreuken-14-8-18] zijn weg te verstaan; maar dwaasheid van de zotten is[^spreuken-14-8-19] bedriegerij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v8)

**9** Elke dwaas zal[^spreuken-14-9-20] de schuld[^spreuken-14-9-21] verbloemen; maar onder de oprechten is[^spreuken-14-9-22] goedwilligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v9)

**10** Het hart kent[^spreuken-14-10-23] zijn eigen[^spreuken-14-10-24] bittere verdriet; en een vreemde zal zich met[^spreuken-14-10-25] zijn blijdschap niet vermengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v10)

**11** Het[^spreuken-14-11-26] huis van de goddelozen zal vernietigd worden; maar de[^spreuken-14-11-27] tent van de oprechten zal bloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v11)

**12** [^spreuken-14-12-c] Er is een[^spreuken-14-12-28] weg, die[^spreuken-14-12-29] iemand recht schijnt; maar[^spreuken-14-12-30] het laatste daarvan zijn[^spreuken-14-12-31] wegen van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v12)

**13** Het hart zal ook[^spreuken-14-13-32] in het[^spreuken-14-13-33] lachen smart hebben;[^spreuken-14-13-d] en[^spreuken-14-13-34] het laatste[^spreuken-14-13-35] van die blijdschap is verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v13)

**14** [^spreuken-14-14-36] Die afkerig van hart is, zal[^spreuken-14-14-37] van zijn[^spreuken-14-14-e] wegen[^spreuken-14-14-38] verzadigd worden; maar een goed man[^spreuken-14-14-39] van zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v14)

**15** De slechte gelooft alle[^spreuken-14-15-40] woord; maar de kloekzinnige[^spreuken-14-15-41] merkt op zijn gang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v15)

**16** De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot[^spreuken-14-16-42] is oplopende boos, en zorgeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v16)

**17** Die[^spreuken-14-17-43] haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man[^spreuken-14-17-44] van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v17)

**18** De eenvoudigen[^spreuken-14-18-45] erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich[^spreuken-14-18-46] met wetenschap kronen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v18)

**19** De kwaden[^spreuken-14-19-47] buigen voor het aangezicht van de goeden neer, en de goddelozen[^spreuken-14-19-48] voor de poorten van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v19)

**20** [^spreuken-14-20-f] De arme wordt zelfs van zijn[^spreuken-14-20-49] vriend gehaat; maar de liefhebbers van de rijken zijn vele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v20)

**21** [^spreuken-14-21-50] Die zijn naaste[^spreuken-14-21-51] veracht, zondigt; maar die zich[^spreuken-14-21-52] over de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v21)

**22** [^spreuken-14-22-53] Dwalen[^spreuken-14-22-54] zij niet,[^spreuken-14-22-55] die kwaad stichten?[^spreuken-14-22-g] Maar[^spreuken-14-22-56] goedertierenheid en trouw is voor degenen, die goed stichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v22)

**23** [^spreuken-14-23-57] In alle smartelijke arbeid is[^spreuken-14-23-58] overschot; maar het[^spreuken-14-23-59] woord van de lippen strekt alleen tot gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v23)

**24** De kroon[^spreuken-14-24-60] van de wijzen is hun[^spreuken-14-24-61] rijkdom; de dwaasheid[^spreuken-14-24-62] van de[^spreuken-14-24-63] zotten is dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v24)

**25** Een[^spreuken-14-25-64] waarachtig getuige[^spreuken-14-25-65] redt[^spreuken-14-25-66] de zielen; maar die[^spreuken-14-25-67] leugens blaast, is[^spreuken-14-25-68] een bedrieger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v25)

**26** In de vrees voor YHWH is een[^spreuken-14-26-69] sterk vertrouwen, en Hij zal[^spreuken-14-26-70] Zijn kinderen een Toevlucht wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v26)

**27** De vrees voor YHWH[^spreuken-14-27-h] is een[^spreuken-14-27-71] springader van het leven, om af te wijken van de[^spreuken-14-27-72] strikken van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v27)

**28** In de menigte van het volk is de heerlijkheid van de koning; maar in gebrek van volk is de verstoring van een vorst[^spreuken-14-28-73]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v28)

**29** De[^spreuken-14-29-74] lankmoedige[^spreuken-14-29-75] is groot van verstand; maar die[^spreuken-14-29-76] haastig is van gemoed,[^spreuken-14-29-77] verheft de dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v29)

**30** Een[^spreuken-14-30-78] gezond hart is[^spreuken-14-30-79] het[^spreuken-14-30-80] leven van het vlees; maar afgunst is verrotting van[^spreuken-14-30-81] de beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v30)

**31** [^spreuken-14-31-i] Die de arme[^spreuken-14-31-82] verdrukt, smaadt[^spreuken-14-31-83] zijn Maker;[^spreuken-14-31-k] maar die zich over de armen ontfermt, eert Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v31)

**32** De goddeloze zal heengedreven worden in zijn[^spreuken-14-32-84] kwaad; maar de rechtvaardige[^spreuken-14-32-85] betrouwt[^spreuken-14-32-86] zelfs in zijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v32)

**33** [^spreuken-14-33-l] Wijsheid[^spreuken-14-33-87] rust in het hart van de verstandigen; maar wat in het binnenste van de[^spreuken-14-33-88] zotten is, wordt bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v33)

**34** Gerechtigheid[^spreuken-14-34-89] verhoogt een volk, maar de zonde[^spreuken-14-34-90] is een schandvlek van de natiën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v34)

**35** Het welbehagen van de koning is over een verstandige[^spreuken-14-35-91] knecht; maar zijn toorn zal zijn[^spreuken-14-35-92] over degene, die beschaamd maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/14.html#v35)

[^spreuken-14-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, אִוֶּלֶת: de wijze van de vrouwen. Dat wil zeggen: so wie onder de vrouwen wijs is. Vergelijk Gen. c. 47. op vers 3. en Job 12. op vers 7. en hieronder, vers 9.
[^spreuken-14-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk met haar kinderen godtvruchtelijk op te brengen, haar dienst-boden wijselijk te regeren, en de gantschen staat van het huisgezin in goede order te houden. Zo ook is het woord bouwen genomen, hieronder, 24:3.
[^spreuken-14-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, אִוֶּלֶת: de dwaasheid. Dat wil zeggen: zeer dwaas, alsof hij zei: die de dwaasheid zelf is. Zie Job 35. op vers 13.
[^spreuken-14-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: met haar doen en laten. Zo wordt de vergelding van de handen genoemd hetgeen iemand voor zijn doen, en laten vergolden wordt. Jes. 3:11.
[^spreuken-14-2-a]: Verwijzing a: Job 12:4.
[^spreuken-14-2-5]: Kanttekening 5: Vergelijk hierboven, 2. d’aantekening op vers 7. over de woorden oprecht wandelen.
[^spreuken-14-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk van de rechte weg. Zo ook hierboven, 2:15. Zie d’aantekening
[^spreuken-14-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: in zijn eigen voornemen, doen, en laten. zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-14-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk de Heer.
[^spreuken-14-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: een hooveerdige, en trotsige roede of stok, daarmee hij eensdeels andere slaat, als hij ze stoutelijk lastert, eensdeels hem zelf, als hij in zijn leugenspreken achterhaald zijnde, gelijk als met een wederslach geraakt wordt.
[^spreuken-14-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk door haar beleefde, voorsichtige, en redelijke propoosten, dat ze in’t kwaad, en onheil van de dwaas niet en vallen.
[^spreuken-14-4-11]: Kanttekening 11: Zo ook is het Hebreeuwse woord genomen, Deut. 7:13. en 28. versen 4, 18, 51. Ps. 8:8. Verst. dit van de Ossen, daarmee men het ackerwerk dede, Deut. 22:10. en 25:4.
[^spreuken-14-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: ledich van voeder voor de beesten; en volgens van ackervruchten tot voeding van de mensen. Zo ook is gebrek van broot of leeftocht genaamd reynigheid, dat wil zeggen: ledigheid van de tanden. Amos 4. vers 6. Vergelijk hierboven, 12:11. en hieronder, c. 28. vers 19.
[^spreuken-14-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, עֵד: een getuige van de waarheid. zo ook hieronder, vers 25. en in ’t volg. Hebreeuws: een getuige van de valsheid.
[^spreuken-14-5-b]: Verwijzing b: Ex. 23:1. Spr. 12:17.
[^spreuken-14-5-14]: Kanttekening 14: Zo ook hierboven, 6:19. en hieronder, vers 25.
[^spreuken-14-6-15]: Kanttekening 15: Namelijk voor handen, of, te vinden, omdat de spotter die niet en zoekt, zoals hij behoort, en daarse te vinden is.
[^spreuken-14-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk om te vinden: omdat hij die zoekt, daar’t en zoals ’t behoort.
[^spreuken-14-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die verstandige, en deuchtsame propoosten voort brengen: en volgens en is hij ook niet verstandich, en deugdzaam, van harten: want de mond spreekt uit de overvloedigheid van het hart. Mat. 12:34. Vergelijk hierboven, 12. op vers 19.
[^spreuken-14-8-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: wat hij voornemen, doen, of laten moet.
[^spreuken-14-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk om dat zij niet lettende op hetgeen, dat wel, of qualijk gedaan wordt, anderen mensen schadelijk zijn, en zelf bedrogen uitkomen.
[^spreuken-14-9-20]: Kanttekening 20: Verst. de zonde, daar in hij zich, of de zijnen bevint schuldig te wesen.
[^spreuken-14-9-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: met schone woorden, en schijnbare redenen verschoonen, bemantelen, en ontschuldigen, op dat ze meer deucht dan misdaat gelijke. Anders: Zal de zonde bespotten. Dat wil zeggen: een spotwerk daar van maken, uit het welke een ieder zijn tijt-verdrijf neme, en geen zwarigheid en verwekke.
[^spreuken-14-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk waar door de één de ander niet en beschadigt nog met woorden, nog met werken: of, so iemand zich vergrepen heeft, dat bekent, en vriendelijk afmaakt, zulks dat ze zodanige verbloemde onschulding, en toegemaakte verschooning onder elkaar, als ze misdaan hebben, niet en behoeven.
[^spreuken-14-10-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, נַפְשׁ: zijn ziel. Vergelijk 1 Kon. 19. op vers 4.
[^spreuken-14-10-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, מָרַּת: bitterheid. Dat wil zeggen: bitter verdriet, en treurigheid. zie 2 Kon. 4. op vers 27.
[^spreuken-14-10-25]: Kanttekening 25: Namelijk die in het hart van een ander verborgen is. want een ieder alleen weet het verdriet, en blijdschap, die in zijn hart is. 1 Kor. 2:11. Openb. 2:17.
[^spreuken-14-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de wooning, staat, rijkdom, en nakomelingen. zie hierboven, op vers 7.
[^spreuken-14-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: haar geringe wooning. zie 2 Kon. 13. op vers 5.
[^spreuken-14-12-c]: Verwijzing c: Spr. 16:25.
[^spreuken-14-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: een manier van doen, of van leven. Zie hierboven, 6. op vers 6. zo ook in’t volgende lidt van dit vers.
[^spreuken-14-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, אִישׁ: voor het aangezicht van de man. Dat wil zeggen: in zijn ogen, en oordeel. zo ook hieronder, 16:25. Vergelijk Eccles. 2:26. en 7:26.
[^spreuken-14-12-30]: Kanttekening 30: Ofte, het achterste, het einde. Zie van het Hebreeuwse woord, Ps. 37. op vers 37.
[^spreuken-14-12-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: wysen van doen, die ter dood leiden, of de dood, en het verderf veroorsaken. Vergelijk Jer. 21:8.
[^spreuken-14-13-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: als de mens uitwendige teeckenen van vreuchde vertoont.
[^spreuken-14-13-33]: Kanttekening 33: Namelijk inwendige, die bedeckt is met het uiterlijk gelaat van de blijdschap.
[^spreuken-14-13-d]: Verwijzing d: Spr. 5:4.
[^spreuken-14-13-34]: Kanttekening 34: Verst. dit, en het voorgaande van hetgeen, dat dikwijls gebeurt, maar niet altijt.
[^spreuken-14-13-35]: Kanttekening 35: Namelijk van het lachen.
[^spreuken-14-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: die in zijn hart afgeweken is van God, of van zijn geboden, en paden. Zo ook Ps. 44:19.
[^spreuken-14-14-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: van zijn doen, en laten, strijdende tegen Gods wet. zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-14-14-e]: Verwijzing e: Spr. 1:31.
[^spreuken-14-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: na zijn verdienste met rechtvaardige straffen van God opgevoet worden. zie Job 7. op vers 4.
[^spreuken-14-14-39]: Kanttekening 39: Namelijk zal versadicht, en voldaan worden. Dat wil zeggen: zal zijn genoechsaemheid hebben, namelijk, in het loon, daarmee God uit genade zijn vroomheid vergelden zal. Anders: maar een goed man \[is afkeerich,\] of, \[wijckt\] van hem, namelijk die afkeerich van harten is, waar mee hij ook de straffen van de zelf ontgaat. Anders: van de zijne. Namelijk wegen.
[^spreuken-14-15-40]: Kanttekening 40: Ofte, ding; namelijk hoedanich hetzelve zou mogen wesen, namelijk, waar, of vals, hem eerlijk, of oneerlijk, profijtelijk, of schadelijk.
[^spreuken-14-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: wacht hem zelf, dat hij in zijn doen, en laten door licht-geloovigheid op alle mans zeggen niet aan en gaat.
[^spreuken-14-16-42]: Kanttekening 42: Namelijk tegen degenen, die hem waarschouwen, en van Gods wege dreigen, hem zelf wijsmakende, dat hij geenen noot en heeft.
[^spreuken-14-17-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, אִוֶּלֶת: kort van toornicheden, dat wil zeggen: haast-toornig, kort-hoofdich, cursel; die hieronder, vers 29. wordt genaamd kort van geeste.
[^spreuken-14-17-44]: Kanttekening 44: Het Hebreeuws, אִוֶּלֶת: woord, van het welk te zien is, Job 21. op vers 27. is hier in’t quade genomen, als hierboven, 12:2. Andere nement in’t goede, voor bedachtsaemheid, als hierboven, 1:4. en vertalen deze plaats zo: en een man van de bedachtsaemheden; Dat is, die alles ripelijk versint, hem zelf brekende, en intoomende, wordt gehaat, namelijk, van de quade.
[^spreuken-14-18-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: genieten de schadelijke vrucht daar van, de welke is meer en meer in dwaasheid vervallen, en zo ook Gods ongenade vermeerderen, en schande behalen bij de mensen, met het verderf van de ziel, en van het lichaam.
[^spreuken-14-18-46]: Kanttekening 46: Ofte, met wetenschap gekroont worden; dat wil zeggen: in wetenschap toenemen, en zo uitsteken, dat ze daarmee als met een kroone zullen verciert, en vereert wesen.
[^spreuken-14-19-47]: Kanttekening 47: Het welk soms geschiedt, om dat ze door de krachtige hant Gods hier vernederd, en de goede verheven worden, of om dat haar conscientie hen dwingt de deucht in de deuchtsame te vereeren. Vergelijk Gen. 4. d’aant. op vers 7.
[^spreuken-14-19-48]: Kanttekening 48: Anders: zijn aan de poorten, etc. Namelijk om troost, raad, en bijstand van hen te begeren, na dat ze door Gods straffen vernederd zijn geweest.
[^spreuken-14-20-f]: Verwijzing f: Spr. 19:4, 7.
[^spreuken-14-20-49]: Kanttekening 49: Het Hebreeuwse woord betekent wel allen mens, daar mee wy te doen hebben, en die wy onze naaste noemen, als Gen. 11:3. Ex. 21:14. Lev. 19:18. en hier in het volgende vers, etc. maar hier wordt het genomen voor een vriend, metgeselle, of, goede bekende, als 2 Sam. 16:17. Job 16:20. Spr. 19:6. Micha 7:5, etc.
[^spreuken-14-21-50]: Kanttekening 50: Anders: een zondaar veracht zijn naaste.
[^spreuken-14-21-51]: Kanttekening 51: Namelijk om zijn armoede, tegenspoet, elende, nederigheid, of yet dergelijke, zoals uit de tegenstelling kan afgenomen worden.
[^spreuken-14-21-52]: Kanttekening 52: Oft, zachtmoedigen. Verst. degenen, die bij haar elende sachtsinnig, manierlijk, en nederig zijnde, niet lichtelijk tot toorn uit en breken, en daarom haast verdrukt konnen worden. Zie Ps. 10. op vers 17.
[^spreuken-14-22-53]: Kanttekening 53: Deze manier van vragen versekert krachtelijk hetgeen gezegd wordt.
[^spreuken-14-22-54]: Kanttekening 54: Namelijk niet alleen van het oog-merk, dat ze hen voorstellen, maar insonderheid van haar eigen welvaren, zulks dat ze int verderf geraken.
[^spreuken-14-22-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: smeden, versinnen, en practiseren, om dat tot schade van hun naaste aan te leggen. Zie van ’t Hebreeuwse woord, hierboven, 3. op vers 29.
[^spreuken-14-22-g]: Verwijzing g: Luk. 6:38.
[^spreuken-14-22-56]: Kanttekening 56: Namelijk zo wel van de vroome mensen, als van God zelf, die volgende zijn beloften getrouwelijk de goede goed doet.
[^spreuken-14-23-57]: Kanttekening 57: Namelijk diemen wel, en eerlijk doet, na zijn beroeping.
[^spreuken-14-23-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: winst, profijt, en verovering.
[^spreuken-14-23-59]: Kanttekening 59: Verst. alle ijdele, en lichtvaardige propoosten, die nieuwers toe geenen nut en hebben, dan om de kostelijke tijt met grote schade te verliesen; van de welke te zien is, hierboven, 10:19. Vergelijk 2 Kon. 18:20.
[^spreuken-14-24-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: cieraat, die hen bij de mensen aansienelijk maakt. Zie hierboven, 12. op vers 4.
[^spreuken-14-24-61]: Kanttekening 61: Namelijk om dat zij die wel gebruiken, daar mee danckbaar zijnde tegen God, weldadich tegen haar naaste, en matich omtrent hen zelf.
[^spreuken-14-24-62]: Kanttekening 62: Namelijk die rijk zijn.
[^spreuken-14-24-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: blijft, dient hen niet tot eere, en aangenaemheid bij de mensen, maar tot schande en verachting, zoals de dwaasheid bij allen schandelijk, en verachtelijk is, en al wat zij hebben en baat haar niet, maar gereyckt hen tot enckel dwaasheid.
[^spreuken-14-25-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, עֵד: getuige van de waarheid. zo ook hierboven, vers 5.
[^spreuken-14-25-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: vrijdt, en verlost van de dood.
[^spreuken-14-25-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de mensen, diemen door lasteringen, en valse beschuldigingen om hals zoekt te brengen.
[^spreuken-14-25-67]: Kanttekening 67: Zo ook hierboven, vers 5. en 6:19. zie d’aantekening. Verst. hier leugens, waar door iemand ter dood beswaart wordt.
[^spreuken-14-25-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, עֵד: bedroch: zo ook hierboven, 12. vers 24. en 13:6. zonde voor zondaar. Anders: maar een bedrieger blaast leugens uit.
[^spreuken-14-26-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, עֹז: vertrouwen van de sterkte; dat wil zeggen: een sterk vertrouwen, namelijk voor degenen, die de Heer vrezen. zo ook Ps. 71:7.
[^spreuken-14-26-70]: Kanttekening 70: Verst. Gods kinderen; of de kinderen van degenen, die hem vrezen, en zich op hem verlaten, die hij om hunnentwil gunstich is.
[^spreuken-14-27-h]: Verwijzing h: Spr. 10:11. en 13:14.
[^spreuken-14-27-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: als een spring-ader, uit de welke het leven voortvloeit. Vergelijk hierboven, 10:11. en d’aantekening
[^spreuken-14-27-72]: Kanttekening 72: Zie hierboven, 13. op vers 14.
[^spreuken-14-28-73]: Kanttekening 73: Anders: de verstooring, of, het verderf, of, de verbreking eens princendoms, of, eener heerschappye.
[^spreuken-14-29-74]: Kanttekening 74: Hebreeuws, אִוֶּֽלֶת: lang van toornicheden; dat wil zeggen: niet haastich tot toorn. Zie Ex. 34. op vers 6.
[^spreuken-14-29-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: of, heeft veel verstants, het welk hij bewijst, omdat hij het ongelijk hem aangedaan, of het kwaad, dat hij ziet gebeuren, met gedult opnemende, zich wachten kan yet te doen, dat tegen eere en vroomheid strijden zou.
[^spreuken-14-29-76]: Kanttekening 76: Hebreeuws, אִוֶּֽלֶת: kort van geeste. Dat wil zeggen: haastich tot toorne. Zie hierboven, op vers 17. en vergelijk Eccl. 7:9.
[^spreuken-14-29-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: steecktse zoals om hoge, en brengtse voor de dach, om van allen gezien te worden, omdat hij door zijn toornigheid dingen aanricht, die met de eere en deucht niet bestaan en konnen.
[^spreuken-14-30-78]: Kanttekening 78: Hebreeuws, לֵב: een hart van de gesontheid. Verst. een hart, of gemoet, dat zuiver is van alle quade affecten, passien, en bewegingen tegen zijn naaste, en voornemelijk van de nijdt, daar van hier eigenlijk gesproken wordt.
[^spreuken-14-30-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: de gesontheid, en het welvaren van het lichaam. zo ook leven voor genesen, en gesont worden, of welvaren na de lichame. 2 Kon. 8:8. Zie daar de aantekening
[^spreuken-14-30-80]: Kanttekening 80: Het Hebreeuwse woord staat in ’t getal van velen, om te kennen te geven, dat een gesont hart niet alleen zijn eigen lichaam goed doet, maar ook de lichamen van andere.
[^spreuken-14-30-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: van de alder-inwendichste leden, en krachten van het lichaam, en volgens ook van de geest. Zie Job 7. op vers 15. Vergelijk hierboven, 12:4. en de aantekening. Eveneens hieronder, 17:22. en d’aantekening
[^spreuken-14-31-i]: Verwijzing i: Spr. 17:5.
[^spreuken-14-31-82]: Kanttekening 82: Namelijk door bedroch, of gewelt. Vergelijk hieronder, 22:16. en de aantekening Ez. 18:18.
[^spreuken-14-31-83]: Kanttekening 83: Zie Job 4. op vers 17.
[^spreuken-14-31-k]: Verwijzing k: Spr. 14:21.
[^spreuken-14-32-84]: Kanttekening 84: Verst. het kwaad van de straf; dat wil zeggen: in zijn ongeluk, elende, en tegenspoet. Anders: om zijn quaetheid of boosheid wille, versta dit van het kwaad van de schuld.
[^spreuken-14-32-85]: Kanttekening 85: Namelijk, op God.
[^spreuken-14-32-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: niet alleen in allerlei tegenspoet van dit leven, maar ook in de dood, die hem naturelijk overkomt, of geweldelijk aangedaan wordt. Zie Job 13:15.
[^spreuken-14-33-l]: Verwijzing l: Spr. 10:14. en 12:23. en 13:16.
[^spreuken-14-33-87]: Kanttekening 87: Namelijk daar in opgesloten als in een cabinet, om die in bequamen tijt en plaats voort te brengen.
[^spreuken-14-33-88]: Kanttekening 88: Namelijk de dwaasheid die in haar hart is, of, de wijsheid die zij onverstandelijk en ontijdelijk uit werpen. Anders: maar in ’t midden van de dwazen wortse bekent. Namelijk wanneerse overtuicht worden door de vroome in haar conscientien, of, wanneer het onderscheid gemerckt wordt dat er is tussen de dwazen en de wijsen.
[^spreuken-14-34-89]: Kanttekening 89: Namelijk dat het gesegent zy van God, en vermaart onder de mensen.
[^spreuken-14-34-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: maakt de volkeren te schande. Zie deze betekenis van het Hebreeuwse woord chesed (חֶ֫סֶד), Lev. 20. op vers 17.
[^spreuken-14-35-91]: Kanttekening 91: Zie Gen. 20. op vers 8.
[^spreuken-14-35-92]: Kanttekening 92: Namelijk zijn Koning, en hem zelf. Vergelijk hierboven, op vers 5.

### Spreuken 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/15.json)

*Wijze en dwaze woorden, vers 1, 2, 4, 7, 23, 26, 28. Gods alwetendheid, 3, 11. Tucht, 5, 10, 12, 31, 32, 33. Het goed van de rechtvaardige en de goddeloze, 6. De godsdienst en wandel van de goddelozen en de vromen, 8, 9, 29. Blijdschap en bekommernis, 13, 15. Wijsheid en dwaasheid, 14, 21. Tevredenheid met de vreze van de HEERE en de liefde, 16, 17. Toorn en lankmoedigheid, 18. Luiheid, 19. Goede en kwade kinderen, 20. Raadslieden, 22. De weg ten hemel, 24. Hoogmoed en weduwen, 25. De gedachten van de goddelozen, 26. Gierigheid en geschenken, 27. Een goed bericht, 30. De vreze van God en nederigheid, 33.*

**1** [^spreuken-15-1-a] Een zacht[^spreuken-15-1-1] antwoord keert de woede af; maar een[^spreuken-15-1-2] smartend woord doet de toorn oprijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v1)

**2** De tong van de wijzen maakt de wetenschap[^spreuken-15-2-3] goed;[^spreuken-15-2-b] maar de mond van de[^spreuken-15-2-4] zotten stort overvloedig dwaasheid uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v2)

**3** [^spreuken-15-3-c] De[^spreuken-15-3-5] ogen van YHWH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v3)

**4** [^spreuken-15-4-6][^spreuken-15-4-d] De medicijn van de tong is een[^spreuken-15-4-7] boom van het leven; maar de verkeerdheid[^spreuken-15-4-8] daarin is een breuk in de geest.[^spreuken-15-4-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v4)

**5** Een dwaas zal de tucht van zijn vader versmaden; maar die de[^spreuken-15-5-10] bestraffing waarneemt, zal[^spreuken-15-5-11] kloekzinnig handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v5)

**6** In het[^spreuken-15-6-12] huis van de rechtvaardigen is een[^spreuken-15-6-13] grote schat; maar in de inkomst van de goddelozen is[^spreuken-15-6-14] onrust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v6)

**7** De lippen van de wijzen zullen de[^spreuken-15-7-15] wetenschap[^spreuken-15-7-16] uitstrooien; maar het hart van de[^spreuken-15-7-17] zotten niet zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v7)

**8** [^spreuken-15-8-e] Het offer van de goddelozen is[^spreuken-15-8-18] YHWH een gruwel; maar het gebed van de oprechten is Zijn welgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v8)

**9** De[^spreuken-15-9-19] weg van de goddelozen is YHWH een gruwel; maar die, die de gerechtigheid nastreeft, zal Hij liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v9)

**10** De tucht is[^spreuken-15-10-20] onaangenaam voor degene die het[^spreuken-15-10-21] pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v10)

**11** [^spreuken-15-11-22][^spreuken-15-11-f] Het dodenrijk en het verderf zijn[^spreuken-15-11-23] voor YHWH; hoeveel te meer[^spreuken-15-11-g] de harten van de mensenkinderen?[^spreuken-15-11-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v11)

**12** De[^spreuken-15-12-25] spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal[^spreuken-15-12-26] niet gaan tot de wijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v12)

**13** [^spreuken-15-13-h] Een vrolijk hart zal het aangezicht[^spreuken-15-13-27] blij maken; maar door de smart van het hart[^spreuken-15-13-28] wordt de geest verslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v13)

**14** Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond van de zotten zal met[^spreuken-15-14-29] dwaasheid[^spreuken-15-14-30] gevoed worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v14)

**15** Al de dagen van de bedrukten zijn[^spreuken-15-15-31] kwaad; maar een[^spreuken-15-15-32] vrolijk hart is[^spreuken-15-15-33] een voortdurende maaltijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v15)

**16** [^spreuken-15-16-i] Beter is weinig met de vrees voor YHWH, dan een grote schat, en[^spreuken-15-16-34] onrust daarbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v16)

**17** [^spreuken-15-17-k] Beter is een[^spreuken-15-17-35] gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v17)

**18** [^spreuken-15-18-l] Een[^spreuken-15-18-36] grimmig man zal ruzie verwekken; maar de lankmoedige zal de twist stillen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v18)

**19** [^spreuken-15-19-37] De weg van de luiaard is[^spreuken-15-19-38] als een doornheg; maar het pad van[^spreuken-15-19-39] de oprechten is[^spreuken-15-19-40] welgebaand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v19)

**20** [^spreuken-15-20-m] Een wijs zoon zal de vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v20)

**21** [^spreuken-15-21-n] De dwaasheid is blijdschap voor de verstandeloze; maar een man van verstand zal[^spreuken-15-21-41] recht wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v21)

**22** [^spreuken-15-22-42][^spreuken-15-22-o] De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar[^spreuken-15-22-43] door veelheid van de raadslieden[^spreuken-15-22-44] zal elk bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v22)

**23** [^spreuken-15-23-45] Een man heeft blijdschap in het[^spreuken-15-23-46] antwoord van zijn mond; en hoe[^spreuken-15-23-47] goed is een woord op zijn tijd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v23)

**24** De weg[^spreuken-15-24-48] van het leven is voor de verstandige[^spreuken-15-24-49] naar boven; opdat hij afwijke van het[^spreuken-15-24-50] dodenrijk,[^spreuken-15-24-51] beneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v24)

**25** [^spreuken-15-25-p] Het huis van de hoogmoedigen zal YHWH afrukken; maar de grens van de weduwe zal[^spreuken-15-25-52] Hij vastzetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v25)

**26** [^spreuken-15-26-q] De gedachten van de boze zijn YHWH een gruwel; maar de woorden van de reinen zijn[^spreuken-15-26-53] liefelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v26)

**27** [^spreuken-15-27-r] Die[^spreuken-15-27-54] gierigheid pleegt,[^spreuken-15-27-55] beroert zijn huis; maar[^spreuken-15-27-56] die geschenken haat, zal leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v27)

**28** Het hart van de[^spreuken-15-28-57] rechtvaardigen bedenkt[^spreuken-15-28-58] zich, om te antwoorden; maar de mond van de goddelozen zal[^spreuken-15-28-59] overvloedig kwade dingen[^spreuken-15-28-60] uitstorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v28)

**29** YHWH is ver van de goddelozen;[^spreuken-15-29-61] maar[^spreuken-15-29-s] het gebed van de rechtvaardigen zal Hij verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v29)

**30** [^spreuken-15-30-62] Het licht van de ogen verblijdt het hart;[^spreuken-15-30-t] een goed[^spreuken-15-30-63] gerucht[^spreuken-15-30-64] maakt het gebeente[^spreuken-15-30-65] vet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v30)

**31** Het oor, dat de bestraffing van het leven hoort, zal in het midden van de wijzen overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v31)

**32** Die de tucht verwerpt,[^spreuken-15-32-66] die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt[^spreuken-15-32-67] verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v32)

**33** [^spreuken-15-33-v] De vrees voor YHWH is de[^spreuken-15-33-68] tucht van de wijsheid; en[^spreuken-15-33-x] de nederigheid gaat voor de[^spreuken-15-33-69] eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/15.html#v33)

[^spreuken-15-1-a]: Verwijzing a: Spr. 25:15.
[^spreuken-15-1-1]: Kanttekening 1: Ofte, reden: zo ook hieronder, vers 23. en 16:1. Zoals het woord Anah niet alleen betekent antwoorden, maar ook een reden aanvangen. zie Jud. 18. op vers 14.
[^spreuken-15-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, דְבַר: een woord van de smerte, moeite, of, pijne; dat wil zeggen: smertelijk, moeilijk, pijnelijk, en hard om te hooren.
[^spreuken-15-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: aangenaam, cierlijk, stichtelijk, en nutbaar, alster bequamer tijt, en plaats, en op behoorlijke manier voort-gebracht zijnde. Anders: de wetenschap verciert de tonge van de wijsen.
[^spreuken-15-2-b]: Verwijzing b: Spr. 12:23. en 13:16. en 15:28.
[^spreuken-15-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk zoals een fontein steets met grote overvloet water uitgeeft. zie van het Hebreeuwse woord אִוֶּֽלֶת, hierboven, 7. op vers 23.
[^spreuken-15-3-c]: Verwijzing c: Job 34:21. Spr. 5:21. Jer. 16:17. en 32:19.
[^spreuken-15-3-5]: Kanttekening 5: Verst. de voorzienigheid Gods. Zie 2.Chro. 16. op vers 9.
[^spreuken-15-4-6]: Kanttekening 6: Ofte, de gesontheid van de tonge, dat wil zeggen: de gesonde propoosten, en zaligmakende leer, rakende het geloof, en de wandel, die door de tonge voorgestelt wordt. Vergelijk hierboven, 12. op vers 18.
[^spreuken-15-4-d]: Verwijzing d: Spr. 12:18. en 13:14.
[^spreuken-15-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: als een boom van het leven, metbrengende het welvaren, niet alleen van het tijdelijke, maar ook van het eeuwige leven. Vergelijk hierboven, 3. op vers 18.
[^spreuken-15-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk inde tonge, zie hierboven, 2. op vers 12.
[^spreuken-15-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: een schade van de ziel. Anders: een verbreking door de wint; dat wil zeggen: een heftige verderving: zoals de schepen door sterke winden in stukken gebroken worden, Ps. 48:8. Jer. 18:17.
[^spreuken-15-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk zijns vaders.
[^spreuken-15-5-11]: Kanttekening 11: Ofte, kloeksinnich worden: Zo ook hieronder, 19. vers 25. Vergelijk 1 Sam. 23:22.
[^spreuken-15-6-12]: Kanttekening 12: Verst. niet alleen zijn wooning, maar ook zijn middelen, zoals blijckt uit de tegenstelling. Vergelijk hierboven, 12. op vers 7.
[^spreuken-15-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk om dat hij met het inwendich goed wel versien zijnde, zijn genoechsaemheid heeft in het uiterlijke dat God hem verleent. Anders: sterkte, of, vastheid.
[^spreuken-15-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: ongenoechsaemheid, en onruste van de geest, om dat hij van het hemelse goed ledich is. zie van het Hebreeuws: woord, Gen. 34. op vers 30. en 1 Kon. 18. op vers 17.
[^spreuken-15-7-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de goede leer, diemen weten moet, en die de mens wijs, verstandich, en wetende maakt: Zo ook Num. 24:16. Ps. 119:66. hieronder, 22:17.
[^spreuken-15-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: voortbrengen, om die anderen mee te deelen.
[^spreuken-15-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: Ten zal de wetenschap niet uitstroyen. Anders, is niet recht, of, \[stroyt\] dat niet recht en is.
[^spreuken-15-8-e]: Verwijzing e: Spr. 21:27. Jes. 1:11. Ierem. 6. vers 20. Amos 5:21.
[^spreuken-15-8-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: de grouwel van de Heer. Zo ook in’t volgende vers. Zie hierboven, 3. op vers 32.
[^spreuken-15-9-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: voornemen, doen, en laten. Zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-15-10-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, רָע: kwaad. Dat wil zeggen: onaangenaam, hard, moeilijk; hoewelse in haar zelf zeer goed is. Zo ook is het woord kwaad genomen, 1 Kon. 22:8, 18. Zoals ook het woord goed betekent, dat aangenaam, en lieftallich is. Zie 1 Kon. 1. op vers 42. Anders: een quade tucht. (dat wil zeggen: straf) is voor degenen die het padt verlaten.
[^spreuken-15-10-21]: Kanttekening 21: Namelijk het goede, en rechte padt. Zie hierboven, 2. op vers 8.
[^spreuken-15-11-22]: Kanttekening 22: Vergelijk Job 26:6. en zie d’aantekening
[^spreuken-15-11-f]: Verwijzing f: Job 26:6.
[^spreuken-15-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, naakt, en ontdeckt voor zijn ogen. Hebr. 4:13.
[^spreuken-15-11-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 6:30. Ps. 7:10. en 44:22. Ierem. 17:9, 10. Ioh. 2:24, 25. en 21:17. Hand. 1:24.
[^spreuken-15-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk die hier op de aarde in’t klare licht van de zon verkeren. Dit wordt menschelicker wijze van God gezegd: want bij hem is alle ding even mogelijk, en licht om te doen.
[^spreuken-15-12-25]: Kanttekening 25: Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-15-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk, uit haat van de bestraffing.
[^spreuken-15-13-h]: Verwijzing h: Spr. 17:22. en 18:14.
[^spreuken-15-13-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, יֵיטִב: goed maken; Dat is, blij. Zie Jud. 16. op vers 25. en 1 Kon. 21. op vers 7.
[^spreuken-15-13-28]: Kanttekening 28: Verst. de moet, de couragie, en de kracht van het hart. Zo ook Gen. 41:8. Joz. 5:1. 1 Sam. 1:15. Ps. 34:10. Jes. 61:3. hieronder, 17. vers 22. De betekenis is, dat de moet van de mens, die hem in het aangezicht pleecht te vertoonen, door het verdriet van het hart gevelt, en nedergeslagen, ja verbroken wordt.
[^spreuken-15-14-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: met valse opinien, en propoosten.
[^spreuken-15-14-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: zoekt niet alleen de dwaasheid, maar heeft daar in zulk een smaek, dat hij door haar, als door een aangename spijse, in zijn dwaasheid groeit, en sterk wordt.
[^spreuken-15-15-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: droevich, en verdrietelijk. Zie Gen. 40. op vers 7.
[^spreuken-15-15-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, טֽוֹב: goed; dat is, vrolijk. Zie hierboven, op vers 13.
[^spreuken-15-15-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: als een stadich banket, het welk de mens aangenaam is, hem vermakende na de lichame met goede spijse, en drank; en na de geest met eerlijke, en stichtelijke propoosten.
[^spreuken-15-16-i]: Verwijzing i: Spr. 16:8. Ps. 37:16.
[^spreuken-15-16-34]: Kanttekening 34: Ofte, beroerte, of quelling: namelijk die voortkomt uit een quade conscientie, en een mis-vertrouwen vande gunste van de Heer; en volgens niet vereenicht met de vrees van God. Vergelijk hieronder, 16:8.
[^spreuken-15-17-k]: Verwijzing k: Spr. 17:1.
[^spreuken-15-17-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord hier overgeset gerichte, betekent eigenlijk teer-kost, diemen op de reis mee neemt, Jer. 40:5. maar het wordt ook voor anderen kost genomen, 2 Kon. 25:30. Jer. c. 52:34. en hier.
[^spreuken-15-18-l]: Verwijzing l: Spr. 28:25. en 29:22.
[^spreuken-15-18-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: een man van de grimmigheid, of, van de hittige toornigheid; dat wil zeggen: die haast toornig is, of lichtelijk vergramt wordt: zo ook hieronder, 22. vers 24. en 29:22.
[^spreuken-15-19-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: al hetgeen, dat hij te doen, te beschikken, en uit te richten heeft.
[^spreuken-15-19-38]: Kanttekening 38: Want zoals het zeer moeilijk, en swaar is, door die te passeren: zo ook maakt de luiaert zich wijs, dat al hetgeen hem te doen staat, zo swaar is, als door distelen, en doornen te gaan, en zoekt volgens alle excusen, om aan het werk niet te komen. Vergelijk hieronder, 26:13.
[^spreuken-15-19-39]: Kanttekening 39: Deze worden gesteld tegen de luie, om dat de luie onordelijk wandelen, en ijdelheid doen, 2 Tess. 3:11. ja op eens anderen arbeid zoeken te leven, en tot armoede komende zich tot ongerechtigheid begeven, Ef. 4:28.
[^spreuken-15-19-40]: Kanttekening 40: Ofte, op-gehoocht; dat wil zeggen: effen, licht, gemackelijk, en zonder zwarigheid, die de gaanden man zou mogen eenich hinder, of moeite voorwerpen.
[^spreuken-15-20-m]: Verwijzing m: Spr. 10:1.
[^spreuken-15-21-n]: Verwijzing n: Spr. 10:23. en 14:9.
[^spreuken-15-21-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, אִוֶּלֶת: zal richten te wandelen; dat wil zeggen: zal zijn gehele leven, woorden, en werken, doen, en laten, schikken, en stieren na hetgeen, dat goed, en God aangenaam is. Zie hierboven, 3. op vers 6.
[^spreuken-15-22-42]: Kanttekening 42: Verst. de aanslagen, of hetgeen men voorgeeft aan te grijpen, voornemelijk daar wat aangelegen is.
[^spreuken-15-22-o]: Verwijzing o: Spr. 11:14.
[^spreuken-15-22-43]: Kanttekening 43: Vergelijk hierboven, 11. op vers 14.
[^spreuken-15-22-44]: Kanttekening 44: Namelijk van de voorgemelde gedachten.
[^spreuken-15-23-45]: Kanttekening 45: Namelijk een wijs, en verstandich man.
[^spreuken-15-23-46]: Kanttekening 46: Ofte inde reden, en het propoost zijn monts. Vergelijk hierboven, op vers 1. en de aantekening. Hier wordt gesproken van hetgeen, dat wijselijk, en stichtelijk voort-gebracht is: zoals de volgende woorden uitwijsen.
[^spreuken-15-23-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: eerlijk voor hem, die het spreekt, en profijtelijk, of aangenaam voor degenen die ’t hooren.
[^spreuken-15-24-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: die ten leven leidt. zie hierboven, 2. op vers 19.
[^spreuken-15-24-49]: Kanttekening 49: Namelijk na de hemel, waar het rechte leven, en de ware gelukzaligheid alleen te vinden is. Zie Fil. 3:20. en Coll. 3:1, 2.
[^spreuken-15-24-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: van de verdoemenis, en het eeuwig verderf.
[^spreuken-15-24-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die onder om leege, of nederwaarts is.
[^spreuken-15-25-p]: Verwijzing p: Spr. 2:21, 22. en 12:7. en 14:11.
[^spreuken-15-25-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: maken dat ze niet versett, of tot haar schade vermindert zal worden: want de lantpalen in die plaatsen niet door velden, of grachten afgescheyden en waren, maar met palen, staken en steenen.
[^spreuken-15-26-q]: Verwijzing q: Spr. 6:18.
[^spreuken-15-26-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, אִמְרֵי: de redenen van de lieflickheid, namelijk voortkomende van de wijze, en vroome. Verst. propoosten, die niet dan tot eere, en deucht streckende, God behagen, en de mensen stichten. Vergelijk hieronder, 16:24. en de aantekening. Anders: de lieflijke redenen zijn rein. Namelijk voor de Heer, diese voor rein houdt, en acht, om dat ze voortbloeyen uit een hart, dat door het geloof gesuivert is. Hand. 15:9.
[^spreuken-15-27-r]: Verwijzing r: Spr. 1:19.
[^spreuken-15-27-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws: die gierigheid giert. Zie hierboven, 1. op vers 19.
[^spreuken-15-27-55]: Kanttekening 55: Zie van de beteeckenis van dit woord, 1 Kon. 18. op vers 17.
[^spreuken-15-27-56]: Kanttekening 56: Vergelijk Ex. 23:8. en Deut. c. 16. vers 19.
[^spreuken-15-28-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: en giet niet onbedachtelijk uit al wat op de lippen komt, maar bedenckt tevoren rijpelijk wat goed, en stichtelijk is, om gesproken te worden.
[^spreuken-15-28-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: om enige reden aan te vangen. Zie Jud. 18. op vers 14.
[^spreuken-15-28-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: onstichtelijke, en schadelijke.
[^spreuken-15-28-60]: Kanttekening 60: Zie van het Hebreeuwse woord, Ps. 19. op vers 3. en hierboven, 1. op vers 23.
[^spreuken-15-29-61]: Kanttekening 61: Namelijk met zijn genadige verhooring, en vaderlijke hulpe. Vergelijk Ps. 10:1. en 22:2. Daarentegen wordt God gezegd na bij te zijn degenen, die hij genadich is, die hij verhoort, en helpt, Ps. 34:19. en 145. vers 18.
[^spreuken-15-29-s]: Verwijzing s: Ps. 10:17. en 34:19. en 145. 18, 19.
[^spreuken-15-30-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: dat door de klaarheid van de ogen gezien wordt, als daar is de verscheydentheid van de coleuren, de schoonheid van de akkers, de aanwezigheid van degenen, die wy lief hebben, en ons goed doen, etc. Ofte verstaat het vriendelijk gezicht van iemand, die wy groot achten, als hieronder, 16:15.
[^spreuken-15-30-t]: Verwijzing t: Spr. 25:25.
[^spreuken-15-30-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws: hooring. Verst. een goede tijding, of eerlijke naam, die door het gehoor gevatt wordt.
[^spreuken-15-30-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: verfraeit de inwendichste leden van zijn lichaam, en verquickt zo ook de ziel. Vergelijk hierboven, 12. de aantekening op vers 4.
[^spreuken-15-30-65]: Kanttekening 65: Vergelijk hierboven, 11. op vers 25.
[^spreuken-15-32-66]: Kanttekening 66: Vergelijk hierboven, 8. op vers 36.
[^spreuken-15-32-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws, לֵּֽב: een hart; Dat is, verstant, en wijsheid. Zie Job 9. op vers 4.
[^spreuken-15-33-v]: Verwijzing v: Spr. 1:7. en 9:10.
[^spreuken-15-33-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: het onderwijs, de vermaning, en verbetering die ter wijsheid leidt. Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-15-33-x]: Verwijzing x: Spr. 18:12.
[^spreuken-15-33-69]: Kanttekening 69: Namelijk zo wel van het tegenwoordige leven, als van het toekomende.

### Spreuken 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/16.json)

*God regeert de tong, de gang en het lot, vers 1, 9, 33. Eigen goeddunken, 2, 25. Vertrouwen op God, 3, 20. Het hoogste doel van Gods werken, 4. Hoogmoed, 5, 18, 19. Verzoening en de vreze van God, 6. Het tot vrede brengen van de vijanden, 7. Tevredenheid, 8. Over koningen, 10, 12, 13, 14, 15. De weegschaal, 11. De kostbaarheid van de wijsheid, 16. De wandel van de vromen, 17. Gods woord, 20. Wijze woorden, 21, 22, 23, 24. Arbeidzaamheid, 26. Deugnieten, verkeerden en geweldenaars, 27, 28, 29, 30. De grijsheid, 31. Lankmoedigheid, 32.*

**1** [^spreuken-16-1-a] De mens heeft[^spreuken-16-1-1] schikkingen van het hart; maar het antwoord van de[^spreuken-16-1-2] tong[^spreuken-16-1-3] is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v1)

**2** [^spreuken-16-2-b] Alle[^spreuken-16-2-4] wegen van de man zijn zuiver[^spreuken-16-2-5] in zijn ogen; maar YHWH[^spreuken-16-2-6] weegt de[^spreuken-16-2-7] geesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v2)

**3** [^spreuken-16-3-8][^spreuken-16-3-c] Wentel uw werken op YHWH, en uw[^spreuken-16-3-9] gedachten zullen bevestigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v3)

**4** YHWH heeft alles gewerkt[^spreuken-16-4-10] voor Zichzelf;[^spreuken-16-4-d] ja, ook de goddeloze tot de dag[^spreuken-16-4-11] van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v4)

**5** [^spreuken-16-5-e] Al wie[^spreuken-16-5-12] hoog is van hart, is[^spreuken-16-5-13] YHWH een gruwel;[^spreuken-16-5-14][^spreuken-16-5-f] hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v5)

**6** Door[^spreuken-16-6-15] goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vrees voor YHWH wijkt men af van het[^spreuken-16-6-16] kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v6)

**7** Als iemands wegen YHWH behagen, zo zal Hij[^spreuken-16-7-17] ook zijn vijanden met hem bevredigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v7)

**8** [^spreuken-16-8-g] Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid van de inkomsten zonder[^spreuken-16-8-18] recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v8)

**9** Het hart van de mensen[^spreuken-16-9-19] overdenkt zijn weg; maar YHWH[^spreuken-16-9-20] bestuurt zijn gang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v9)

**10** [^spreuken-16-10-21] Waarzegging[^spreuken-16-10-22] is op de lippen van de[^spreuken-16-10-23] koning; zijn[^spreuken-16-10-24] mond zal niet overtreden[^spreuken-16-10-25] in het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v10)

**11** [^spreuken-16-11-h] Een[^spreuken-16-11-26] rechte[^spreuken-16-11-27] waag en weegschaal zijn[^spreuken-16-11-28] van YHWH; alle[^spreuken-16-11-29] weegstenen van[^spreuken-16-11-30] de zak zijn[^spreuken-16-11-31] Zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v11)

**12** Het is[^spreuken-16-12-32] voor de koningen een gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v12)

**13** De[^spreuken-16-13-33] lippen van de[^spreuken-16-13-34] gerechtigheid zijn het welgevallen van de koningen; en elk[^spreuken-16-13-35] van hen zal liefhebben die, die rechte dingen spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v13)

**14** [^spreuken-16-14-i] De woede van de koning is[^spreuken-16-14-36] als de boden van de dood; maar een wijs man zal[^spreuken-16-14-37] die[^spreuken-16-14-38] verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v14)

**15** [^spreuken-16-15-k] In[^spreuken-16-15-39] het licht van het aangezicht van de koning is[^spreuken-16-15-40] leven; en zijn[^spreuken-16-15-41] welgevallen is als een wolk van[^spreuken-16-15-42] de spade regen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v15)

**16** [^spreuken-16-16-l] Hoeveel beter is[^spreuken-16-16-43] het wijsheid te bekomen, dan[^spreuken-16-16-44] uitgegraven goud, en uitmuntender, verstand te bekomen, dan zilver! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v16)

**17** De[^spreuken-16-17-45] baan van de oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die[^spreuken-16-17-46] zijn weg bewaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v17)

**18** [^spreuken-16-18-m] Trots is voor de[^spreuken-16-18-47] verbreking, en[^spreuken-16-18-48] hoogheid van de geest voor de val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v18)

**19** Het is beter[^spreuken-16-19-49] nederig van geest te zijn met de[^spreuken-16-19-50] zachtmoedigen,[^spreuken-16-19-51] dan roof te delen met de hoogmoedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v19)

**20** Die op het[^spreuken-16-20-52] woord verstandig let, zal[^spreuken-16-20-53] het goede vinden;[^spreuken-16-20-n] en die op YHWH vertrouwt, is welgelukzalig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v20)

**21** De wijze van hart zal[^spreuken-16-21-54] verstandig genoemd worden; en[^spreuken-16-21-55] de zoetheid[^spreuken-16-21-56] van de lippen zal de onderwijzing vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v21)

**22** Het verstand[^spreuken-16-22-57] van degenen, die het bezitten, is[^spreuken-16-22-o] een[^spreuken-16-22-58] springader van het leven; maar de[^spreuken-16-22-59] tucht van de dwazen is[^spreuken-16-22-60] dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v22)

**23** Het hart van een wijze[^spreuken-16-23-61] maakt[^spreuken-16-23-62] zijn mond verstandig, en zal[^spreuken-16-23-63] op zijn lippen de onderwijzing vermeerderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v23)

**24** [^spreuken-16-24-64] Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de[^spreuken-16-24-65] ziel, en[^spreuken-16-24-66] medicijn voor[^spreuken-16-24-67] het gebeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v24)

**25** [^spreuken-16-25-68][^spreuken-16-25-p] Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste daarvan zijn wegen van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v25)

**26** De[^spreuken-16-26-69] ziel van de arbeidzamen arbeidt voor zichzelf; want zijn mond[^spreuken-16-26-70] buigt zich voor hem.[^spreuken-16-26-71][^spreuken-16-26-72][^spreuken-16-26-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v26)

**27** Een[^spreuken-16-27-74] Belialsman[^spreuken-16-27-75] graaft kwaad; en[^spreuken-16-27-q] op zijn lippen is als[^spreuken-16-27-76] brandend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v27)

**28** [^spreuken-16-28-r] Een[^spreuken-16-28-77] verkeerd man zal twist[^spreuken-16-28-78] inwerpen; en een[^spreuken-16-28-79] oorblazer scheidt[^spreuken-16-28-80] de voornaamste vriend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v28)

**29** Een[^spreuken-16-29-81] man van het[^spreuken-16-29-82] geweld verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die[^spreuken-16-29-83] niet goed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v29)

**30** [^spreuken-16-30-84][^spreuken-16-30-s] Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen[^spreuken-16-30-85] bijtende,[^spreuken-16-30-86] volbrengt hij het[^spreuken-16-30-87] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v30)

**31** De grijsheid is een[^spreuken-16-31-88] sierlijke[^spreuken-16-31-89] kroon; zij wordt op de[^spreuken-16-31-90] weg van de gerechtigheid gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v31)

**32** De[^spreuken-16-32-91] lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn[^spreuken-16-32-92] geest, dan die een stad inneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v32)

**33** Het[^spreuken-16-33-93] lot wordt in[^spreuken-16-33-94] de schoot geworpen; maar het hele[^spreuken-16-33-95] beleid daarvan is van YHWH.[^spreuken-16-33-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/16.html#v33)

[^spreuken-16-1-a]: Verwijzing a: Spr. 16:9. en 19:21. en 20:24. Jer. 10:23.
[^spreuken-16-1-1]: Kanttekening 1: Verst. de gedachten, die de mens in zijn hart zich ordentlijk voorstelt, en voorneemt, maar de krachtige regering Gods, geensins uit-gesloten zijnde. Zie hieronder, 21:1.
[^spreuken-16-1-2]: Kanttekening 2: Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk antwoorde, maar het wordt ook voor allerlei reden, en aansprake genomen. Zie hierboven, 15. op vers 1.
[^spreuken-16-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk zonder de welke zij niet en konnen uitspreken, dat ze bedacht hebben, nochte uit-richten, dat ze gesproken hebben.
[^spreuken-16-2-b]: Verwijzing b: Spr. 21:2.
[^spreuken-16-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: zijn leven, zijn doen, en laten. zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-16-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: in zijn eigen oordeel, en goetdunkken. zie Job 18. op vers 3.
[^spreuken-16-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: onderzoekt, doorgrondt, beproeft, en bevindt. zo ook hieronder, 21:2. en 24:12.
[^spreuken-16-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: gedachten, genegentheden, bewegingen, en het voornemen. Zie 2 Kon. 19. op vers 7.
[^spreuken-16-3-8]: Kanttekening 8: Zie Ps. 22. op vers 9. en 37. op vers 5.
[^spreuken-16-3-c]: Verwijzing c: Ps. 37:5. en 55:23. Matt. 6:25. Luk. 12:22. 1 Petr. 5:7.
[^spreuken-16-3-9]: Kanttekening 9: Die schickingen van het hart genaamd worden, hierboven, vers 1. Zie daar d’aantekening
[^spreuken-16-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: om zijn eere wille; namelijk, opdat in alle zijn werkken duidelijk schijnen zou zijn wijsheid, macht, goedheid, rechtvaardigheid, en alle zijn andere goddelikke eygenschappen. Vergelijk Rom. 9:17, 22, 23. en 11:36. Ef. 1:5, 6, 12, 14.
[^spreuken-16-4-d]: Verwijzing d: Job 21:30.
[^spreuken-16-4-11]: Kanttekening 11: Verst. het kwaad van de straf.
[^spreuken-16-5-e]: Verwijzing e: Spr. 6:17. en 8:13.
[^spreuken-16-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: hoochmoedich, hooveerdich, trotsich. Zie van deze ondeucht, hierboven, 6:17. en 8:13. eveneens vers 18.
[^spreuken-16-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: de grouwel van de Heer.
[^spreuken-16-5-14]: Kanttekening 14: Zie de betekenis van deze woorden, hierboven, 11. op vers 21.
[^spreuken-16-5-f]: Verwijzing f: Spr. 11:21.
[^spreuken-16-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: door de loutere genade van de Heer, die waarachtig, en trouwe is in zijn beloften, wordt de zonde, om de versoening, die door Christus geschiedt is, wechgenomen, Rom. 3:24. Ofte verstaat dit van de goedheid, en trouwe, die de mensen elkaar bewijzen, namelijk, niet om daarmee de vergeving van de zonden voor God te verdienen, maar als door vruchten van het rechtveerdichmakende geloof, haar zelf te versekeren, en anderen openbaar te maken, dat ze met God uit genade versoent zijn. Ook kan de versoening hier verstaan worden van de vrede, die wy maken door allerlei bewijs van liefde, en weldadigheid met hem die wy misdaan hebben, en zo ook met hem versoenen. Vergelijk hierboven, 10:12. en de aantekening
[^spreuken-16-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de schuld, en daarom ook van de straf.
[^spreuken-16-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: niet aleen zijn vrienden, en die zijn vijanden noyt geweest en zijn, met hem in vrede houden, maar ook zijn vijanden tot vrede, en vriendschap bewegen, dat ze hem niet en beschadigen. Zie Gen. 33:4. Ex. 12:36.
[^spreuken-16-8-g]: Verwijzing g: Ps. 37:16. Spr. 15:16.
[^spreuken-16-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk verkregen, en vergaderd.
[^spreuken-16-9-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: versint, overweecht wat het doen, of laten wil. Vergelijk hierboven, vers 1. en d’aantekening daar op; eveneens hieronder, 19:21.
[^spreuken-16-9-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: schickt, beleid, en laat het zijn voornemen uitrichten, of achterblijven, tot een zulk einde, als met de eere van zijn H. Naam over-een-komt.
[^spreuken-16-10-21]: Kanttekening 21: Het Hebreeuwse woord kesem betekent meest superstitieuse, en ongeoorloofde waarsegging van toekomende, en verborgen zaken, uit dingen die niet vast en gaan, ja duivelsch zijn, als Num. 22:7. en 23:23. Deut. 18:10. 2 Kon. 17:17. Jer. 14:14. Ez. 13:6. maar hier wordt het genomen voor de gissing, die uit zekere, vaste, en scherpsinnige aanmercking voortkomt. Soodanige is geweest in David, 2 Sam. 14:20. en in Salomo, 1 Kon. 3:24, etc.
[^spreuken-16-10-22]: Kanttekening 22: Anders: zy.
[^spreuken-16-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk de mond eens wijsen, en godtvruchtigen Konings.
[^spreuken-16-10-24]: Kanttekening 24: Anders: en overtreet niet, etc.
[^spreuken-16-10-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: in’t uitspreken van het recht, en in’t vonnissen, daar toe gezeten zijnde op de richterstoel.
[^spreuken-16-11-h]: Verwijzing h: Lev. 19:36. Deut. 25:13, etc. Spr. 11:1. en 20:10, 23.
[^spreuken-16-11-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: een balance van het gericht, of, rechts; dat is, een rechte wage, etc. Zo ook Lev. 19. vers 36. wage van de gerechtigheid; dat is, rechte wage.
[^spreuken-16-11-27]: Kanttekening 27: Door dit woord verstaan vele Oversetters een grote balance, en door het volgende weech-schale, de kleine, diemen in de hant houdt: en dat omdat God gezegd wordt de bergen te wegen met de wage, maar de heuvelen, die minder zijn, met de weech-schale, Jes. 40:12. Sommige verstaan dit versje als figuerlijk gesproken van alle de deelen en werkken van het gericht.
[^spreuken-16-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk welgevallen, zoals staat hierboven, 11:1. of, zijn werk, zoals in de volgende woorden van dit vers. Anders, zijn van de Heer.
[^spreuken-16-11-29]: Kanttekening 29: Dat is, gewichte. Zo ook hierboven, 11:1. Zie Lev. 19. op vers 36.
[^spreuken-16-11-30]: Kanttekening 30: Ofte, buidels. Namelijk daar in zij haar steenen staken, op dat ze te min verslijten, of breken zouden. Vergelijk Deut. 25. op vers 13. Micha 6:11.
[^spreuken-16-11-31]: Kanttekening 31: Namelijk dat hij heeft geboden, en dat hem behaecht. Verstaat als ze zijn, zo ze behooren.
[^spreuken-16-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: een zaak, daar van zij grouwel hebben moeten: of, het is de Koningen een grouwel; dat wil zeggen: een zaak daar van zij grouwel hebben: Namelijk, de wijze, en vroome Koningen. zie hierboven, 3. op vers 32. Anders: hetzij de Koningen een grouwel, etc.
[^spreuken-16-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: gerechtige, en deuchdelikke propoosten; of de mond die rechte dingen spreekt. Vergelijk hierboven, 12. op vers 19.
[^spreuken-16-13-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: daar in zij een wel-gevallen hebben moeten: of, zijn de Koningen een welgevallen; namelijk de godtvruchtigen Koningen. Anders: dat de lippen van de gerechtigheid de Koningen een welgevallen zijn. Dat wil zeggen: hen welbehagende.
[^spreuken-16-13-35]: Kanttekening 35: Namelijk Koningen.
[^spreuken-16-14-i]: Verwijzing i: Spr. 19:12. en 20:2.
[^spreuken-16-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: als boden verkondigende aan hem, op de welke de Koning vergramt is, dat hij moet sterven. Het getal van velen toont de zekerheid van de bootschap, als de toorn van de Koning niet gestilt en wordt. zie een exempel, Esth. 7:7.
[^spreuken-16-14-37]: Kanttekening 37: Namelijk grimmigheid.
[^spreuken-16-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: stillen, en tot vrede brengen. zie voorbeelden, 1 Sam. 24:10, etc. en 25:32, 33.
[^spreuken-16-15-k]: Verwijzing k: Spr. 19:12.
[^spreuken-16-15-39]: Kanttekening 39: Verst. het vriendelijk gelaat, waar door de Koning iemand gunstelijk aansiet. Vergelijk hierboven, 15. d’aantekening op vers 30.
[^spreuken-16-15-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: als een bode van het leven, of verquicking van het leven, insonderheid voor hem, op de welke de Koning tevoren vergramt was.
[^spreuken-16-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: gunste, en goetwilligheid.
[^spreuken-16-15-42]: Kanttekening 42: Namelijk die zeer aangenaam is, vallende na een lange droochte in de lente; om de vruchten te doen swellen, en tot rijpheid te brengen. zie Deut. 11. op vers 14.
[^spreuken-16-16-l]: Verwijzing l: Job 28:15. Ps. 19:11. en 119:72. Spr. 3:14, 15. en 8:11, 19.
[^spreuken-16-16-43]: Kanttekening 43: Hoe wijsheid, en verstant in dit boek onderscheiden worden, zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-16-16-44]: Kanttekening 44: Zie hierboven, 3. op vers 14.
[^spreuken-16-17-45]: Kanttekening 45: Zoals de gebaande weg, of ’s Heer strate de sekerste is voor de reizende mensen, zijnde de ongebaande bij wegen vol perijckels, zo ook is voor de vroomen in haar geestelijke reis niet sekerder, nochte beter, dan de zonde te schouwen.
[^spreuken-16-17-46]: Kanttekening 46: Zie 1 Kon. 2. op vers 4.
[^spreuken-16-18-m]: Verwijzing m: Spr. 11:2. en 17:19.
[^spreuken-16-18-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: verderf, ondergank, verstooring. zo ook hieronder, 17:19. Jes. 59:7. Jer. 14:17.
[^spreuken-16-18-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: hoochmoedigheid. Het tegendeel is, nedrigheid van de geest, daar van zie het volgende vers.
[^spreuken-16-19-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zich nederig te dragen, als degenen, die van haar vijanden gevangen, en hen tot een roof geworden zijn. Vergelijk Jes. 57:15. waar is dezelfde manier van spreken.
[^spreuken-16-19-50]: Kanttekening 50: Anders: bedruckte, elendige, of, arme: die ook gewoonlijk zachtmoedig zijn.
[^spreuken-16-19-51]: Kanttekening 51: ’T is te aanmerkken, dat hier de hoochmoedigen rijkken de rooverye toegeschreven wordt.
[^spreuken-16-20-52]: Kanttekening 52: Namelijk van de Heer. Ofte ook, op de onderwijzing, die met het woord van de Heer over een komt.
[^spreuken-16-20-53]: Kanttekening 53: Namelijk het lichamelijke, dat tot het tegenwoordige; en het geestelijke, dat tot het eeuwige leven behoort, hierboven, 8:35. 1 Tim. 4:8. Vergelijk de manier van spreken, hieronder, 17:20. en 18:22. en 19:8. Het tegendeel is, als het kwaad de mens wordt gezegd te vinden, Job 31:29. Esth. 8:6.
[^spreuken-16-20-n]: Verwijzing n: Ps. 2:12. en 34:9. en 125:1. Jes. 30:18. Ierem. 17:7.
[^spreuken-16-21-54]: Kanttekening 54: Namelijk om dat uit de ware wijsheid het verstant komt, waar doormen weet hoemen leven, en alle dingen recht aanleggen zal.
[^spreuken-16-21-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: de welsprekentheid, en de bekwaamheid, om zijn woord wel te konnen doen, is dienstelijk om andere vruchtbaarlijk te onderwijzen.
[^spreuken-16-21-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: van de sprake. Zie Gen. 11. op vers 1.
[^spreuken-16-22-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, אִוֶּֽלֶת: zijn meesters, eigenaars, heeren, of besitters: dat is, van degenen, die dat hebben, of besitten, en daarmee begaeft zijn, en gebruik daar van hebben. Zie Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-16-22-o]: Verwijzing o: Spr. 13:14.
[^spreuken-16-22-58]: Kanttekening 58: Namelijk die geduerichlijk verlicht met leer, verquickt met troosting, sterckt met vermaning, etc. zonder in haar zelf vermindert te worden. Zie hierboven, c. 10. op vers 11.
[^spreuken-16-22-59]: Kanttekening 59: Het Hebreeuws, מוּסַר: woord musar is ook voor quade tucht, of onderwijzing genomen, Jer. 10:8.
[^spreuken-16-22-60]: Kanttekening 60: Namelijk die de dood mee brengt.
[^spreuken-16-23-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: stiert, bereit, en beleid zijn mond, opdat hij anders niet dan verstandig, voorsichtelijk, en getydichlijk en spreke.
[^spreuken-16-23-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: de mond van de wijze.
[^spreuken-16-23-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: in de mond het goed onderwijs, dattet anderen mee deelen wil, overvloedelijk uitstorten.
[^spreuken-16-24-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, אִמְרֵי: redenen van de lieflickheid. Verstaat de propoosten van de wijsen, die aangenaam, en vermakelijk zijn door haar veelvoudige leer, vermaning, troost, waarschouwing. Vergelijk hierboven, 15:26. en d’aantekening
[^spreuken-16-24-65]: Kanttekening 65: Namelijk die verstandich is.
[^spreuken-16-24-66]: Kanttekening 66: Zie hierboven, 4. op vers 22. Anders gesontheid.
[^spreuken-16-24-67]: Kanttekening 67: Vergelijk hierboven, c. 14. op vers 30.
[^spreuken-16-25-68]: Kanttekening 68: Zie de verklaring van dit vers, hierboven, 14. op vers 12.
[^spreuken-16-25-p]: Verwijzing p: Spr. 14:12.
[^spreuken-16-26-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: de mens, die arbeid, namelijk, om het voedsel te winnen. Ziel voor mens. zie Gen. 12. op vers 5. Andere vertalen dit vers zo: Eene moeilijke ziel, dat is, die met woorden moeite maakt; doet haar zelf moeite aan; want haar mond wordt weer tegen haar gebogen: dat is, haar moeilijke propoosten vallen haar zelf tegen, en maken haar moeite.
[^spreuken-16-26-70]: Kanttekening 70: Dat is, tot onderhouding van zijn eigen lichaam.
[^spreuken-16-26-71]: Kanttekening 71: Namelijk die de spijse gebruiken, en nutten moet voor alle de leden van het lichaam. Vergelijk Pred. 6:7.
[^spreuken-16-26-72]: Kanttekening 72: Namelijk als met eerbied de arbeyder biddende, dat hij neerstelijk werkken zou, opdat hij altijt wat hebben zou, om de mond te bieden. ’T is een gelijkenis genomen van degenen, die yet versoekken bij enige Heren, diese grote eere bewijzen, om in haar goede gunste te staan.
[^spreuken-16-26-73]: Kanttekening 73: Namelijk de arbeyder, of, de mens die arbeidt.
[^spreuken-16-27-74]: Kanttekening 74: Zie Deut. 13. op vers 13.
[^spreuken-16-27-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: practiseert, en lechter op toe, dat hij zijn naasten yet quaets rokke: gelijckmen met moeite graeft na eenich dink dat men uit de aarde hebben wil.
[^spreuken-16-27-q]: Verwijzing q: Spr. 12:18.
[^spreuken-16-27-76]: Kanttekening 76: Namelijk van de lastering, waar door hij met een hittigen lust de naam van zijn naasten brand-teeckent, om hem t’eenemaal te vernielen.
[^spreuken-16-28-r]: Verwijzing r: Spr. 15:18. en 26:21. en 29:22.
[^spreuken-16-28-77]: Kanttekening 77: Zie hierboven, 6. op vers 14.
[^spreuken-16-28-78]: Kanttekening 78: Zie op dezelfde plaats.
[^spreuken-16-28-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: heimelijke achterklapper, die in ’t verborgene van zijn naasten kwaad spreekt. zo ook hieronder, 18:8. en 26:20, 22.
[^spreuken-16-28-80]: Kanttekening 80: Ofte leidsman, en voorganger, namelijk van de vrienden: dat wil zeggen: de besten, en principaalsten vriend. zo ook hieronder, 17:9. eveneens vergelijk Ps. 55:14. Anders: scheid de Vorst, dat wil zeggen: de Vorsten van elkaar.
[^spreuken-16-29-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: die met gewelt, wrevel, en onrecht omgaat. Zie Job 11:11. Ps. 5:7. en de aantekening
[^spreuken-16-29-82]: Kanttekening 82: Hij en doet niet alleen zelf anderen overlast, maar poocht ook zijn naasten, of met-geselle daar toe te trekken, om ’t zelfde met hem te doen. zie hierboven, 1:11. en van het Hebreeuwse woord, Richt. 14. op vers 15.
[^spreuken-16-29-83]: Kanttekening 83: Zie hierboven, 2. op vers 12.
[^spreuken-16-30-84]: Kanttekening 84: Namelijk om te beter met zijn verkeerde gedachten besich te zijn, want door de aanschouwing van de uiterlikke dingen worden de inwendige zinnen in haar werckingen verhindert. Vergelijk hierboven, 6:14. en de aantekening
[^spreuken-16-30-s]: Verwijzing s: Spr. 6:13, 14.
[^spreuken-16-30-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws: insnijdende, of haastig roerende, en bewegende, en afbrekende zijn redenen: D. het een deel daarvan voorstellende, het ander dat hij eigenlijk voor heeft, in zijn hart verbergende.
[^spreuken-16-30-86]: Kanttekening 86: Namelijk dat ten vollen besluitende, en voornemende in de gedachten van zijn hart.
[^spreuken-16-30-87]: Kanttekening 87: Namelijk dat hij voor heeft zijn naasten aan te doen.
[^spreuken-16-31-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: die cieraat toebrengt. Zie hierboven, 4. op vers 9. Hebreeuws: kroone van het cieraat.
[^spreuken-16-31-89]: Kanttekening 89: Vergelijk hierboven, 12. op vers 4.
[^spreuken-16-31-90]: Kanttekening 90: Anders genaamd de paden van het recht, etc. Zie hierboven, 2:8. en de aantekening. De betekenis is, dat de vroome dikwijls die kroone krijgen, namelijk alst hen zalig is, of verstaat, dat de grijsigheid een kroone van het cieraat is aan degenen, die op het padt van de gerechtigheid wandelen. Vergelijk Ps. 37:11, 18, 27. en d’aantekening. Zie ook hierboven, 3. op vers 2.
[^spreuken-16-32-91]: Kanttekening 91: Hebreeuws: lank van toornicheden. zie hierboven, 14. op vers 29.
[^spreuken-16-32-92]: Kanttekening 92: Dat wil zeggen: eigenen wille, genegentheid, affecten, passien, bewegingen, die kwaad zijn. Zie 2 Kon. 19. op vers 7.
[^spreuken-16-33-93]: Kanttekening 93: ’T welk hier voortijden zeer gebruikelijk was inde bedeeling van de erffenissen, Num. 26:55. Joz. 18:10. en 19:1. Micha 2:5. en anderen goederen, Ps. 22:19. hierboven, 1:14. eveneens inde uitrichting, en ordening van goddelikke, en heilige zaken, Lev. 16:8, etc. 1 Kron. 24:5, etc. Hand. 1:25. eveneens in’t eyndigen van geschillen, en andere twijffelachtige dingen, Joz. 7:14. 1 Sam. 14:41. hieronder, 18:18. Jona 1:7.
[^spreuken-16-33-94]: Kanttekening 94: Ofte, in een besloten vat, of geheime plaats. Vergelijk hieronder, 17:23.
[^spreuken-16-33-95]: Kanttekening 95: Het Hebreeuwse woord מִשְׁפָּטֽ betekent voornemelijk oordeel, recht, gerichte: maar hier ist genomen voor het beleid; dat wil zeggen: de stiering, en regering eeniger zaak: zoals het woord oordelen, of, richten, dikwijls zo in de H. Schrift genomen wordt. Zie Richt. 2. op vers 16. eveneens Ps. 96:13. Micha 4:3. Zach. 3:7, etc. Anders: het geheele oordeel daarvan, dat wil zeggen: hetgeen door het lot geoordeeld wordt.
[^spreuken-16-33-96]: Kanttekening 96: Namelijk die door zijn voorzienigheid het lot zo stiert, zoals hij wil dattet valle: zulks dat hier niet en geschiedt bij gevalle, of blinde avonture.

### Spreuken 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/17.json)

*Rust en twist, vers 1. Flinke knechten, 2. Het beproeven van de harten, 3. Leugentaal, vers 4, 7. Bespotting van de armen en ellendigen, 5. Kindskinderen en vaders, 6. Voortreffelijk spreken en zwijgen, 7, 27, 28. Geschenken, 8, 23. De naaste vergeven, 9. Dwazen, 10, 12, 16, 21, 24, 25, 28. Weerspannigheid, 11. Kwaad voor goed vergelden, 13. Twistzucht, 14, 19. Vonnissen, 15, 26. Vrienden, 17. Borgtocht, 18. Pracht, 19. Verkeerdheid van hart en tong, 20. Blijdschap en treurigheid van de geest, 22. De gebaren van de verstandigen, 24.*

**1** [^spreuken-17-1-a] Een droge korst, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van[^spreuken-17-1-1] geslachte beesten[^spreuken-17-1-2] met twist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v1)

**2** Een verstandig knecht zal heersen over een zoon,[^spreuken-17-2-3] die beschaamd maakt, en[^spreuken-17-2-4] in het midden van de broers zal hij erfenis delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v2)

**3** [^spreuken-17-3-b] De[^spreuken-17-3-5] smeltkroes is voor het zilver, en de[^spreuken-17-3-6] oven voor het[^spreuken-17-3-c] goud;[^spreuken-17-3-7] maar YHWH proeft de harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v3)

**4** De[^spreuken-17-4-8] boosdoener merkt[^spreuken-17-4-9] op de ongerechtige lip; een[^spreuken-17-4-10] leugenaar neigt het oor tot de[^spreuken-17-4-11] verkeerde tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v4)

**5** [^spreuken-17-5-d] Die de arme[^spreuken-17-5-12] bespot,[^spreuken-17-5-13] smaadt zijn Maker; die zich verblijdt in[^spreuken-17-5-14] het verderf, zal niet[^spreuken-17-5-15] onschuldig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v5)

**6** De[^spreuken-17-6-16] kroon van de ouden zijn de kleinkinderen,[^spreuken-17-6-17] en het sieraad van de kinderen[^spreuken-17-6-18] zijn hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v6)

**7** Een[^spreuken-17-7-19] voortreffelijke lip past een[^spreuken-17-7-20] dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v7)

**8** Het geschenk is in de ogen van zijn[^spreuken-17-8-21] heren[^spreuken-17-8-22] een aangenaam gesteente; waarheen[^spreuken-17-8-23] het zich zal wenden,[^spreuken-17-8-24] zal het wel strekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v8)

**9** Die de[^spreuken-17-9-25] overtreding[^spreuken-17-9-26] toedekt,[^spreuken-17-9-27] zoekt liefde; maar die de[^spreuken-17-9-28] zaak weer ophaalt, scheidt[^spreuken-17-9-29] de voornaamste vriend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v9)

**10** De bestraffing gaat dieper in de verstandige, dan de zot honderdmaal[^spreuken-17-10-30] te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v10)

**11** [^spreuken-17-11-31] Zeker, de opstandige zoekt het[^spreuken-17-11-32] kwaad; maar een[^spreuken-17-11-33] wrede bode zal tegen hem[^spreuken-17-11-34] gezonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v11)

**12** [^spreuken-17-12-35] Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet één zot[^spreuken-17-12-36] in zijn dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v12)

**13** [^spreuken-17-13-e] Die kwaad voor goed vergeldt, het[^spreuken-17-13-37] kwaad zal van zijn[^spreuken-17-13-38] huis niet wijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v13)

**14** [^spreuken-17-14-39][^spreuken-17-14-f] Het begin van de twist is gelijk een,[^spreuken-17-14-40] die het water opening geeft; daarom verlaat de twist, voordat[^spreuken-17-14-41] hij zich[^spreuken-17-14-42] vermengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v14)

**15** [^spreuken-17-15-g] Wie de goddeloze[^spreuken-17-15-43] rechtvaardigt, en de rechtvaardige[^spreuken-17-15-44] verdoemt, zijn YHWH een gruwel,[^spreuken-17-15-45] ja, die beiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v15)

**16** Waarom toch zou in de hand van de[^spreuken-17-16-46] zot het koopgeld zijn, om wijsheid[^spreuken-17-16-47] te kopen, omdat hij geen[^spreuken-17-16-48] verstand heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v16)

**17** [^spreuken-17-17-49] Een vriend heeft[^spreuken-17-17-50] altijd lief; en[^spreuken-17-17-51] een broer wordt in de benauwdheid[^spreuken-17-17-52] geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v17)

**18** Een verstandeloos mens[^spreuken-17-18-53] klapt in de hand,[^spreuken-17-18-54] zich borg stellende[^spreuken-17-18-55] bij zijn[^spreuken-17-18-56] naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v18)

**19** [^spreuken-17-19-57] Die de ruzie liefheeft, heeft de overtreding lief;[^spreuken-17-19-h] die[^spreuken-17-19-58] zijn deur verhoogt,[^spreuken-17-19-59] zoekt[^spreuken-17-19-60] verbreking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v19)

**20** Wie[^spreuken-17-20-61] verdraaid is van hart, zal[^spreuken-17-20-62] het goede niet vinden; en die[^spreuken-17-20-63] verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v20)

**21** Wie[^spreuken-17-21-64] een zot genereert, die zal hem tot verdriet zijn; en de vader van[^spreuken-17-21-65] de dwazen zal zich niet verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v21)

**22** [^spreuken-17-22-i] Een blij hart zal een medicijn[^spreuken-17-22-66] goed maken; maar een verslagen geest zal het[^spreuken-17-22-67] gebeente verdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v22)

**23** De goddeloze zal het geschenk uit[^spreuken-17-23-68] de schoot nemen,[^spreuken-17-23-69] om[^spreuken-17-23-70] de paden van het recht te buigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v23)

**24** [^spreuken-17-24-71][^spreuken-17-24-k] In het aangezicht van de verstandigen is wijsheid; maar[^spreuken-17-24-72] de ogen van de zot zijn in het einde van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v24)

**25** [^spreuken-17-25-l] Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en[^spreuken-17-25-73] bitter verdriet voor degene, die hem gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v25)

**26** Het is[^spreuken-17-26-74] niet goed, de[^spreuken-17-26-75] rechtvaardige[^spreuken-17-26-76] ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan[^spreuken-17-26-77] zouden om wat recht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v26)

**27** Wie[^spreuken-17-27-78] wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is[^spreuken-17-27-79] kostelijk van geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v27)

**28** Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/17.html#v28)

[^spreuken-17-1-a]: Verwijzing a: Spr. 15:17.
[^spreuken-17-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: slachting. Het Hebreeuwse woord betekent wel meest beesten, die ter offerande geslachtet worden, maar het betekent ook die ter spijse, en ter maaltijt bereyde zijn, als hier, en Gen. 31:54. Zie de aantekening daar.
[^spreuken-17-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: van de twist; dat wil zeggen: daar twist bij is.
[^spreuken-17-2-3]: Kanttekening 3: Vergelijk hierboven, 10. op vers 5.
[^spreuken-17-2-4]: Kanttekening 4: De betekenis is, dat hij onder de broers van de beschaemden zoon ook een part van het erfdeel wechdragen zal. Andere verstaan, dat hij als gouverneur zal zijn van de kinderen, en van zulk een aansien, dat hem ook het beleid van haar goederen, en volgens het bedeelen van haar erffenissen, zal toevertrouwt worden.
[^spreuken-17-3-b]: Verwijzing b: Spr. 27:21.
[^spreuken-17-3-5]: Kanttekening 5: Verst. een vat, daar in’t zilver gesmolten, en gesuivert wordt. zo ook hieronder, 27:21.
[^spreuken-17-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk daar in zilver, tin, koper, etc. gesmolten, en gesuivert wordt. zie Ez. 22:18, 19, 20, etc.
[^spreuken-17-3-c]: Verwijzing c: Ierem. 17:10.
[^spreuken-17-3-7]: Kanttekening 7: Verst. de Heer alleen. De mensen konnen wel, door haar konste, gout, en zilver proeven, om te weten, oft goed, of kwaad is: maar het hart van de mens en kan niemand doorgronden dan God.
[^spreuken-17-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: die zijn naasten kwaad doet, of genegen is kwaad te doen.
[^spreuken-17-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: lippe van de ongerechtigheid; namelijk die te kennen geeft hoemen ongerechtigheid bedrijven, en zijn naasten leet doen kan.
[^spreuken-17-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: valsheid, of, leugen; dat wil zeggen: die met valsheid, of leugen omgaat. Zie Job 35. op vers 13.
[^spreuken-17-4-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: de tonge van de verkeertheden; dat wil zeggen: die verkeertheden spreekt. Zie hierboven, 2. op vers 12. Anders: hoorende de leugen op de verkeerde tonge.
[^spreuken-17-5-d]: Verwijzing d: Spr. 14:31.
[^spreuken-17-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk met gebeerden, woorden, of daden. Vergelijk hierboven, 14:31.
[^spreuken-17-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: onteert God, die de armen niet alleen geschapen heeft, maar ook door de armoede bezoekt, en oeffent.
[^spreuken-17-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk zijns naasten. zie hieronder, 24:17.
[^spreuken-17-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: ongestraft blijven. zie 1 Kon. 2. op vers 9.
[^spreuken-17-6-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: cieraat. Zie hierboven, 12. op vers 4.
[^spreuken-17-6-17]: Kanttekening 17: Namelijk die wijs, en vroom zijn: inde welke de oude genieten Gods zegen van de welke zie Ps. 127:3. en 128:3.
[^spreuken-17-6-18]: Kanttekening 18: Want het is eerlijk, uit eerlikke ouderen geboren te zijn.
[^spreuken-17-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: een lippe van de voortreffelickheid, of, uitnementheid, dat wil zeggen: een overtreffelijk propoost, of, reden, handelende van uitnemende dingen, als van wijsheid, en deuchtsaemheid. zo ook is in’t volgende, Hebreeuws: een lippe van de valsheid, een vals propoost.
[^spreuken-17-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: een quaden dwaas, die van alle wijsheid, eere, en deugt vervallen is. Zie 1 Sam. 25. op vers 25.
[^spreuken-17-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: die genegen zijn dat te ontvangen, of die’t reeds ontvangen hebben, en nu besitten. Zie van dit woord, Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-17-8-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: gesteente van de aangenaemheid, dat wil zeggen: als een aangenaam edel gesteente, of peerle, die om haar schoonheid, en kostelickheid zeer lieftallich plegen te zijn.
[^spreuken-17-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk het geschenk door het beleid, en aanbieden van de schencker. Anders: waar heen hij, namelijk de schencker, of eygenaar zich zal wenden, zal hij voorspoet hebben.
[^spreuken-17-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: ’tsal wat uitrichten bij degene, die ’t ontfangt, tot voordeel van degene die’t geeft. Salomo en spreekt niet van hetgene, dat men doen moet, maar van hetgene, dat pleecht te gebeuren.
[^spreuken-17-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk die tegen hem van zijn naasten begaan is. Vergelijk hierboven, 10:12.
[^spreuken-17-9-26]: Kanttekening 26: Namelijk mits die te vergeten, en te vergeven.
[^spreuken-17-9-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: poocht de liefde, door de welke hij van zijn vriend bemint wordt, te voeden, en te onderhouden.
[^spreuken-17-9-28]: Kanttekening 28: Ofte, het woord; namelijk, van de overtreding.
[^spreuken-17-9-29]: Kanttekening 29: Zie hierboven, 16. op vers 28.
[^spreuken-17-10-30]: Kanttekening 30: Namelijk om hem tot betering te brengen.
[^spreuken-17-11-31]: Kanttekening 31: Ofte, De opstandige zoekt alleen het kwaad. Hebreeuws: de opstandigheid, dat is, die zeer wederspannich is. Zie Job 35. op vers 13. Zo ook hierboven, vers 4. valsheid voor valschaart. Verstaat degene, die wedersporich is tegen God, en die over hem gesteld zijn. Anders: de quade zoekt alleen, oft, zeker, opstandigheid.
[^spreuken-17-11-32]: Kanttekening 32: Namelijk dat hij zijn naesten aandoe, en voornemelijk de vroomen.
[^spreuken-17-11-33]: Kanttekening 33: Namelijk de Satan, of enige zware plage, die God als zijn scherprichters gebruikt.
[^spreuken-17-11-34]: Kanttekening 34: Namelijk van God.
[^spreuken-17-12-35]: Kanttekening 35: De betekenis is, dattet min perijckel is een beer te gemoeten in zijn woedende wreedheid, dan een dwaas, etc.
[^spreuken-17-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: als hij door zijn dwaasheid tot alle onredelikke, en rasende passien gedreven wordt.
[^spreuken-17-13-e]: Verwijzing e: Deut. 32:35. Spr. 20:22. en 24:29. Rom. 12:17. 1 Tess. 5:15. 1.Petr. 3:9.
[^spreuken-17-13-37]: Kanttekening 37: Namelijk van de straf. Zie Gen. 19. op vers 19.
[^spreuken-17-13-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: van zijn huisgesin. zie Gen. 7. op vers 1. of van zijn geslachte, en nakomelingen. Namelijk die zijn zonden navolgen. Zie 1 Kon. 14. op vers 10.
[^spreuken-17-14-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: die het krackeel, of geschil begint.
[^spreuken-17-14-f]: Verwijzing f: Spr. 20:3.
[^spreuken-17-14-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: die het water inlaat, mits de sluis te openen, of de dam te breken, daarmee het wederhouden wordt. want deze opening, en breukke blijvende, en isser geen houden aan de loop van het water; ja zijn doorgank wordt lancx so ruimer.
[^spreuken-17-14-41]: Kanttekening 41: Namelijk de twist.
[^spreuken-17-14-42]: Kanttekening 42: Ofte, vermengt worde. Namelijk onder vele, die daarin getrokken, en mee gemoeit worden. of, voordat u u daar in mengt.
[^spreuken-17-15-g]: Verwijzing g: Ex. 23:7. Spr. 24:24. Jes. 5:23.
[^spreuken-17-15-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: vry-spreekt, en rechtvaardig verklaart. zie Gen. 44. op vers 16. en Deut. 25. op vers 1.
[^spreuken-17-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: onrechtvaardig, schuldig, en strafweerdich verklaart. zie Deut. 25. op vers 1.
[^spreuken-17-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: d’een zo wel als d’ander, beide gelijckelijk. Zie dezelfde manier van spreken, hieronder, 20:10, 12.
[^spreuken-17-16-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: de rijkdom, en middel, om konsten, en wetenschappen te leren.
[^spreuken-17-16-47]: Kanttekening 47: Namelijk, zoals andere dingen, die voor gelt, of ware altijt konnen gekregen worden: even alsof de wijsheid, en geleertheid in alle manieren ook zodanig ware, en van een ieder, zelfs de dwazen, ook zo te verkrijgen ware.
[^spreuken-17-16-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, לֶב: hart; dat wil zeggen: verstant. Zie Job 9. op vers 4. Hij spreekt van ’t verstant, waar door men bekwaam is, om de wijsheid eernstelijk te begeren, grondelijk te begrijpen, en stichtelijk te gebruiken.
[^spreuken-17-17-49]: Kanttekening 49: Namelijk die een oprecht vriend is, dat wil zeggen: die weldadigheid, en trouwe doet aan zijn vriend, Gen. 24:49. en die waarheid, en vrede lief heeft, Zach. 8:19.
[^spreuken-17-17-50]: Kanttekening 50: Niet alleen in voorspoet, maar ook in tegenspoet.
[^spreuken-17-17-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die ware broerlikke liefde bewijst, om zijn vriend uit de noot te helpen, of immers daar in enige verlichting hem na zijn vermogen toe te brengen.
[^spreuken-17-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: door Gods voorzienigheid toe-geschickt, en ten voorschijne gebracht, zo dat in de benautheid geopenbaard wordt wie een recht broer is. Anders: een broer is tegen de benautheid geboren, namelijk om in dezelfde bij te staan. of: en hij (t.w. de vriend) wordt een broer in de benautheid geboren.
[^spreuken-17-18-53]: Kanttekening 53: Zie hierboven, 6. op vers 1.
[^spreuken-17-18-54]: Kanttekening 54: of Borgtocht belovende.
[^spreuken-17-18-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, פְנֵי: voor het aangezicht; dat wil zeggen: in de aanwezigheid. Anders: voor.
[^spreuken-17-18-56]: Kanttekening 56: Verst. de schultheer, tot wiens versekering de borge zich tot de betaling verbint. Andere verstaan de schuldenaar, voor de welke de borgtocht geschiedt.
[^spreuken-17-19-57]: Kanttekening 57: De reden is, om dat de kyvagie een oorspronk is van vele zonden, die de twist-gierige met zijn doen schijnt lief te hebben.
[^spreuken-17-19-h]: Verwijzing h: Spr. 16:18.
[^spreuken-17-19-58]: Kanttekening 58: Namelijk de deure van zijn timmeragie, die hij hoog opgetrokken heeft. ’t is te verstaan als een gewoon spreeckwoort van degenen, die zich boven haar staat uitsteken. Want zoals een huis zeer hoog opgetimmert zijnde, dikwijls de val onderworpen is, zo zal een mens, die zich verheft boven zijn staat, en veracht zijn naasten, die hij door twisten zoekt te verdrukken, zeer dikwijls tot een schrickelikken val komen.
[^spreuken-17-19-59]: Kanttekening 59: Zie hierboven, 8. op vers 36.
[^spreuken-17-19-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: schade, en verderf. zo ook hierboven, 16:18.
[^spreuken-17-20-61]: Kanttekening 61: Ofte, verkeert. zie hierboven, 6. op vers 14.
[^spreuken-17-20-62]: Kanttekening 62: Verg. hierboven, 16:20. en de aantekening
[^spreuken-17-20-63]: Kanttekening 63: Zie hierboven, 2. op vers 12.
[^spreuken-17-21-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: die een dwaas metter tijt worden zal.
[^spreuken-17-21-65]: Kanttekening 65: Zie van dit woord, hierboven, op vers 7.
[^spreuken-17-22-i]: Verwijzing i: Spr. 15:13.
[^spreuken-17-22-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: krachtich, dat ze de lichame deucht doe. Vergelijk de manier van spreken met Spr. 15:2. Anders: zal goed doen \[als\] een medecine, namelijk de lichame, om dat in goede gesontheid te onderhouden. Ofte, maakt goede medecine; namelijk die het lichaam doet welvaren.
[^spreuken-17-22-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: de inwendichste leden, en krachten van het lichaam. Zie Job 7. op vers 15.
[^spreuken-17-23-68]: Kanttekening 68: Namelijk van degene, die het aanbiet. Dat wil zeggen: zal het in het geheim, en in’t verborgene nemen: want niemand geerne bekent is voor een die het recht buicht. Vergelijk hierboven, 16. op vers 33.
[^spreuken-17-23-69]: Kanttekening 69: Vergelijk hieronder, 18:5. en 21:14. Jes. 10:2. Amos 5:12.
[^spreuken-17-23-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: de rechte manier van doen, die in ’t gerichte moet gevolcht worden, te verkeren. Vergelijk Ex. 23:2.
[^spreuken-17-24-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: de wijsheid ziet de verstandigen als ten ogen uit; namelijk, alsmen acht neemt op de standvastigheid van zijn ogen, de manierlickheid van zijn wesen, en schaemachtigheid van zijn gelaat. Andere verstaan dit zo, dat de wijsheid de verstandigen altijt bij de hant is, en niet verre te zoeken: of, dat ze die altijt voor de ogen hebben, om zich na die te voegen. Pred. 2:14.
[^spreuken-17-24-k]: Verwijzing k: Eccles. 2:14. en 8:1.
[^spreuken-17-24-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: het gezicht van de dwaas sweeft, en dwaalt herwaarts, en ginswaarts na alle hoekken. De vliegende ogen zijn een teekken van de ijdelheid, en ongestadigheid van het gemoed. Anders: de dwaas ziet over al om wijsheid te vinden, maar te vergeefs, hierboven, 14:6.
[^spreuken-17-25-l]: Verwijzing l: Spr. 10:1. en 15:20. en 19:13.
[^spreuken-17-25-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws, מֶמֶר: bitterheid, dat wil zeggen: een oorsake van het verdriet, die haar herteseer bitter smaakt. Zie 2 Kon. 4. op vers 27.
[^spreuken-17-26-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: zeer kwaad, onbehoorlijk, en niet deugende, zo ook hieronder, 18:5. eveneens 19:2. en 20:23. zo ook niet kwaad, wordt gezegd voor hetgene, dat goed is, hieronder, 31:12.
[^spreuken-17-26-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: die geen schuld en heeft.
[^spreuken-17-26-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: niet alleen de boose, maar ook de vroome: of, ten is niet goed de rechtveerdigen boete op te leggen, veel min ten onrechte aan het lijf te straffen.
[^spreuken-17-26-77]: Kanttekening 77: Ofte, boven, of, tegen het recht.
[^spreuken-17-27-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: goed, en vast verstant heeft.
[^spreuken-17-27-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: dierbaar, en spaarzaam van gemoede, niet lichtveerdelijk, en onbedachtelijk uitstroyende al hetgene, dat hij weet, en in, of op zijn hart heeft. Anders: is koel van geeste, of, koelsinnich, dat is, vry van passien, of beroeringen, en traech in’t spreken. zie van het woord geest in deze sin genomen, 2 Kon. 19:7. en hieronder, 29:11. zie d’aant.

### Spreuken 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/18.json)

*Afzondering om wijsheid te onderzoeken, vers 1. Waarin een dwaas geen lust heeft, 2. Wijze woorden, 4. Het rechtersambt, 5. Dwaze woorden, vers 6, 7. Influistering, 8. Traagheid in het werk, 9. Vertrouwen op God, 10. Op rijkdom, 11. Over hoogmoed en nederigheid, 12. Onbedacht antwoord, 13. Kloekmoedigheid en verslagenheid, 14. Toenemen in kennis, 15. Giften, 16. Pleiten, 17. Het lot, 18. Geschillen tussen broeders, 19. De vruchten van de tong, 20, 21. Een goede vrouw, 22. De woorden van de armen en de rijken, 23. Vrienden, 24.*

**1** Die zich[^spreuken-18-1-1] afzondert, tracht naar[^spreuken-18-1-2] wat begeerlijks; hij vermengt zich[^spreuken-18-1-3] in alle bestendige wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v1)

**2** De zot heeft geen lust aan verstandigheid,[^spreuken-18-2-4] maar daarin,[^spreuken-18-2-5] dat zijn hart zich ontdekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v2)

**3** Als de goddeloze komt, komt ook de[^spreuken-18-3-6] verachting en[^spreuken-18-3-7] met schande versmaadheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v3)

**4** De woorden van de mond[^spreuken-18-4-8] van een man zijn[^spreuken-18-4-9] diepe wateren; en de springader van de wijsheid is een[^spreuken-18-4-10] uitstortende beek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v4)

**5** [^spreuken-18-5-11][^spreuken-18-5-a] Het is niet goed,[^spreuken-18-5-12] het aangezicht van de goddelozen aan te nemen, om[^spreuken-18-5-13] de rechtvaardige in het gericht te buigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v5)

**6** [^spreuken-18-6-14] De lippen van de zot komen in twist, en zijn mond[^spreuken-18-6-15] roept naar slagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v6)

**7** De mond van de[^spreuken-18-7-b] zot is[^spreuken-18-7-16] hemzelf een verstoring, en zijn lippen een[^spreuken-18-7-17][^spreuken-18-7-c] strik van zijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v7)

**8** [^spreuken-18-8-d] De woorden van de oorblazer zijn als van degenen,[^spreuken-18-8-18] die geslagen zijn, en die dalen[^spreuken-18-8-19] in het binnenste van[^spreuken-18-8-20] de buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v8)

**9** Ook[^spreuken-18-9-21] die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een[^spreuken-18-9-22] broer[^spreuken-18-9-23] van een doorbrenger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v9)

**10** [^spreuken-18-10-24] De Naam van YHWH is[^spreuken-18-10-25][^spreuken-18-10-e] een Sterke Toren; de rechtvaardige[^spreuken-18-10-26] zal daarheen lopen, en in een Vesting gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v10)

**11** [^spreuken-18-11-27][^spreuken-18-11-f] Het goed van de rijke is de stad van zijn sterkte, en als een verheven muur[^spreuken-18-11-28] in zijn inbeelding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v11)

**12** [^spreuken-18-12-g] Voor de[^spreuken-18-12-29] verbreking zal het hart van de mens zich verheffen;[^spreuken-18-12-h] en de nederigheid gaat voor de eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v12)

**13** Die[^spreuken-18-13-30] antwoord geeft, voordat hij zal gehoord hebben, dat[^spreuken-18-13-31] is hem dwaasheid en schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v13)

**14** De[^spreuken-18-14-32] geest van een man zal[^spreuken-18-14-33] zijn ziekte ondersteunen; maar een[^spreuken-18-14-34] verslagen geest,[^spreuken-18-14-35] wie zal die[^spreuken-18-14-36] opheffen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v14)

**15** Het hart van[^spreuken-18-15-37] de verstandigen bekomt wetenschap, en het oor van de wijzen zoekt wetenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v15)

**16** De gift van de mensen[^spreuken-18-16-38] maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht van[^spreuken-18-16-39] de groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v16)

**17** [^spreuken-18-17-40] Die de eerste is in zijn rechtszaak,[^spreuken-18-17-41] schijnt rechtvaardig te zijn;[^spreuken-18-17-i] maar[^spreuken-18-17-42] zijn naaste[^spreuken-18-17-43] komt, en[^spreuken-18-17-44] hij onderzoekt[^spreuken-18-17-45] hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v17)

**18** Het[^spreuken-18-18-46] lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen[^spreuken-18-18-47] machtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v18)

**19** Een broer is[^spreuken-18-19-48] opstandiger dan een[^spreuken-18-19-49] sterke stad; en de[^spreuken-18-19-50] geschillen[^spreuken-18-19-51] zijn als een grendel van een paleis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v19)

**20** [^spreuken-18-20-k] Van de[^spreuken-18-20-52] vrucht van[^spreuken-18-20-53] ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal[^spreuken-18-20-54] verzadigd worden van de inkomst van zijn lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v20)

**21** Dood en leven zijn in[^spreuken-18-21-55] het geweld van[^spreuken-18-21-l] de tong; en een ieder,[^spreuken-18-21-56] die[^spreuken-18-21-57] ze liefheeft, zal haar[^spreuken-18-21-58] vrucht[^spreuken-18-21-59] eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v21)

**22** [^spreuken-18-22-m] Die een[^spreuken-18-22-60] vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen[^spreuken-18-22-61] getrokken van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v22)

**23** De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v23)

**24** [^spreuken-18-24-62] Een man, die vrienden heeft, heeft zich[^spreuken-18-24-63] vriendelijk te houden; want er is een liefhebber,[^spreuken-18-24-n] die meer[^spreuken-18-24-64] aankleeft dan een broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/18.html#v24)

[^spreuken-18-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van ’t gezelschap van de mensen, genegen zijnde om in stilheid, en eenzaamheid te leven.
[^spreuken-18-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: na begeerte. Dat wil zeggen: heeft gewoonlijk yet begeerlicks vooren, ’t welk hij zeer neerstelijk najaecht, dat soekende in die eenzaamheid te bekomen. Anders: zoekt met, of, door begeerte.
[^spreuken-18-1-3]: Kanttekening 3: De wijze man spreekt van degene, wiens begeerte, en lust is zich in de ondersoeking van alle goede wetenschap, en ware wijsheid in te laten, om daar van een vaste kennis te hebben, die hij in zijn hart opsluite. Deze sin wordt met de tegenstelling van het volgende vers zeer bevesticht. Andere verstaan hier een quade afsondering, waar door iemand zich van de ware wijze, en recht-gevoelende afscheid, gedreven zijnde door de begeerte van ijdele eere, waar toe hij zoekt te geraken, mits zich door archlistige, en spitsvindige zinnen in alle goede wijsheid, en leer om te wentelen, daar tegen zich op te werpen, en zijn venijn daar uit te suigen, dat hij bij alle gelegenheid daarna met grote schijn van hoge wijsheid over al uitgiete.
[^spreuken-18-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk zal hij alleen lust hebben.
[^spreuken-18-2-5]: Kanttekening 5: Ofte, in’t ontdekken zijns harten, of, dat hij zijn hart ontdekke: namelijk, door dwaze redenen bekent makende de dwaasheid waarmee zijn hart vervuld is.
[^spreuken-18-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk waar door hij de vroome niet alleen veracht in zijn hart, maar ook hen schande, en versmaetheid aandoet met woorden, en werken, of waar door hij van de vroome veracht wordt.
[^spreuken-18-3-7]: Kanttekening 7: Ofte, met de schandelijke; dat wil zeggen: oneerlijke mens komt ook de versmaadheid. Namelijk waar door hij andere versmaadt, of van andere versmaad wordt.
[^spreuken-18-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk van groot verstant, en aansien.
[^spreuken-18-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: als diepe wateren, die niet en konnen uitgeput worden: Zoals ook een soodanigen man nemmermeer en ontbreekt stoffe van goed onderwijs, als zij van hem begeerd wordt. Vergelijk hieronder, 20:5.
[^spreuken-18-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: die altijt vloeden, en stroomen heeft uit te geven, en nemmermeer uit en droocht.
[^spreuken-18-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: het is kwaad. zie hierboven, 17. op vers 26.
[^spreuken-18-5-a]: Verwijzing a: Lev. 19:15. Deut. 1:17. en 16:19. Spr. 24:23.
[^spreuken-18-5-12]: Kanttekening 12: Zie Lev. 19. op vers 15.
[^spreuken-18-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: te maken dat hij, die recht heeft, hetzelve verliese, onderligge in ’t gerichte, en van de Richter veroordeeld worde, zo ook Amos 5:12.
[^spreuken-18-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de woorden, en propoosten. zo ook in’t volgende vers; alwaar ook het woord mond in dezelfde zin genomen is. Zie Job 15. op vers 5. De dwaas mengt zich door zijn onwijse propoosten in de twist, daar uit hij met eeren wel had konnen blijven.
[^spreuken-18-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: brengt de twistende luiden aan elkaar, en hitst ze op tot vechterye. of, hij is niet gerust voordat hij zijn huid vol slagen heeft, hij roepter om.
[^spreuken-18-7-b]: Verwijzing b: Spr. 10:14. en 13:3.
[^spreuken-18-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de oorsake van zijn verstooring, dat wil zeggen: zijns verderfs, en ondergancks.
[^spreuken-18-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk daar in hij zelf gevangen wordt. Vergelijk hierboven, 12:13, en de aantekening.
[^spreuken-18-7-c]: Verwijzing c: Spr. 12:13.
[^spreuken-18-8-d]: Verwijzing d: Spr. 26:22.
[^spreuken-18-8-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die zich zeer klagelijk aanstellen, hen gelatende ongelijk geleden te hebben, om degenen, die zij de oore vol blasen, tot medelijden te verwekken, en tegen haar naasten op te roepen. Anders: zijn als slagen; namelijk daarmee zij haar naasten quetsen, en wonden aan zijn goede naam. Vergelijk hierboven, 12:18. Ofte, zijn als van degenen, die vleien; dat is, pluim-strijken en schone spreken.
[^spreuken-18-8-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: in de binnen-kamers.
[^spreuken-18-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: van het gemoed. Zie Job 15. op vers 2.
[^spreuken-18-9-21]: Kanttekening 21: Verstaat de luiaard, en tragerik.
[^spreuken-18-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: in gelijken graad te stellen met de doorbrenger; of daar bij te gelijken. Zie van zulke betekenis van het woord broer, Job 30:29, en d’aantekening.
[^spreuken-18-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: van een groot verquister. Hebreeuws, בַעַל: van de Heer doorbrengers, of, van de meesters van de doorbrenging, of, verquisting; Dat is, die daar toe zeer genegen is, en zijn werk daar van maakt. Zie Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-18-10-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de Heer zelf, wel verstaande voor die die hem recht kennen, en aanroepen. Zie 1 Kon. 5. op vers 3.
[^spreuken-18-10-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, עֹז: een toren van de sterkte. Dat wil zeggen: als een sterke toren, daar in degenen, die door enige nood benauwt zijn, niet alleen beschermd, maar ook vry van alle gevaar van de schade gesteld worden. zo ook Ps. 61:4.
[^spreuken-18-10-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 22:51. Ps. 18:3. en 61:4. Spr. 29:25.
[^spreuken-18-10-26]: Kanttekening 26: Namelijk tot de Naam van de Heer, of tot de toren van de sterkte.
[^spreuken-18-11-27]: Kanttekening 27: Zo ook hierboven, 10:15.
[^spreuken-18-11-f]: Verwijzing f: Spr. 10:15.
[^spreuken-18-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: zoals de rijke hem zelf wijsmaakt, en zich laat in zijn gedachten voorstaan.
[^spreuken-18-12-g]: Verwijzing g: Spr. 11:2. en 16:18.
[^spreuken-18-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: tegenspoed, ondergang, en verderf. Zie van het Hebreeuwse woord Job 31. op vers 29.
[^spreuken-18-12-h]: Verwijzing h: Proverb. 15:33.
[^spreuken-18-13-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, דָּבָר: die een woord terugkeert. Dat wil zeggen: die antwoordt. Zo ook 1 Kon. 12. versen 6, 9. 2 Kron. 10:6, 9.
[^spreuken-18-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: wordt hem met recht tot dwaasheid gerekend: waar over hij dan schaamte, en schande behaalt.
[^spreuken-18-14-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: moed, namelijk, die mannelijk, en kloek is. Zie hierboven, 15. op vers 13.
[^spreuken-18-14-33]: Kanttekening 33: Namelijk of zijns zelfs, als verdriet, en vrees; of van zijn lichaam, als ziekte, en smerte. Deze alle wordt de kloekmoedige geest gezegd te ondersteunen, als hij daar in de mens sterkt, en troost, dat hij niet en beswijckt.
[^spreuken-18-14-34]: Kanttekening 34: Die zelf door zijn eigen, of van zijn lichaam lyden ter neder-geworpen is. Vergelijk hierboven, 15:13, en d’aantekening.
[^spreuken-18-14-35]: Kanttekening 35: Alsof hij zei: Niemand dan God.
[^spreuken-18-14-36]: Kanttekening 36: Anders: dragen?
[^spreuken-18-15-37]: Kanttekening 37: De verstandige, en wijze zijn hier, die een begin van de verstandigheid, en wijsheid gekregen hebbende, zoeken toe te nemen, mits in’t hart te bedenken, en te bewaren dat ze geleerd hebben, en met de oore te luisteren na hetgeen, dat nog te leren is. Vergelijk hierboven, 1:5.
[^spreuken-18-16-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: opent hem de weg, om uit de nood te komen, of ten einde van eenich geschil, of moeite te geraken.
[^spreuken-18-16-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: die groot van staat, en aansien zijn, en vervolgens veel vermogen, om iemands zaak te voorderen. Vergelijk 2 Kon. 5:1, en 10:6, en 25:9, en d’aantekening.
[^spreuken-18-17-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: die in het geschil, het welk hij met zijn naasten uitstaande heeft, in de voorbate is, mits eerst zijn zaak de Richter te openen, en met redenen te bekleeden.
[^spreuken-18-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: gelijk te hebben, wel verstaande zo lange als zijn partye nog niet en is gehoord geweest.
[^spreuken-18-17-i]: Verwijzing i: Spr. 25:8.
[^spreuken-18-17-42]: Kanttekening 42: Namelijk de verweerder.
[^spreuken-18-17-43]: Kanttekening 43: Namelijk voor de Richter, om hem ook zijn zaak aan te dienen.
[^spreuken-18-17-44]: Kanttekening 44: Namelijk de Richter, of de partye.
[^spreuken-18-17-45]: Kanttekening 45: Namelijk zijn naasten, dat is, de verweerder, om hem mee te hooren, en te ondersoeken over hetgeen dat de eyscher eerst voort-gebracht had.
[^spreuken-18-18-46]: Kanttekening 46: Zie hierboven, 16. op vers 33.
[^spreuken-18-18-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: die zich verharden, sterken, of machtig maken in haar geschil tegen elkanderen, of die machts genoeg hebben om elkaar te beschadigen, sose niet vereenicht en worden.
[^spreuken-18-19-48]: Kanttekening 48: Ofte, meer door overtreding verstoort, namelijk, tegen zijn broer, van de welke hij meent verongelijckt te zijn, en daarom met hem in twist is.
[^spreuken-18-19-49]: Kanttekening 49: Namelijk tegen haar Prince, of enige Heer aan de welke zij haar niet en wil overgeven, nochte met hem vrede maken, steunende op haar sterkte. Hebreeuws, עֹז: stad van de sterkte.
[^spreuken-18-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk tussen de broers, en naebestaande vrienden.
[^spreuken-18-19-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: zij houden zeer vast, en sluiten de twistige broers doorgaans van elkaar.
[^spreuken-18-20-k]: Verwijzing k: Spr. 12:14. en 13:2.
[^spreuken-18-20-52]: Kanttekening 52: Verst. de propoosten, die uit iemands mond voortkomen, en in ’t volgende van dit vers, de inkomste van de lippen genaamd wordt. Vergelijk hierboven, 12. op vers 14. en 13. op vers 2.
[^spreuken-18-20-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: hij zelf in lichaam, en ziel.
[^spreuken-18-20-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: vervuld worden, of met het goed van de zegening door zijn wijze, en vroome redenen, of met het kwaad van de straf door zijn dwase, en goddeloze propoosten. Vergelijk Job 7. op vers 4. en hierboven, 12. op vers 14.
[^spreuken-18-21-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws: hand. Vergelijk Gen. 16:6, en zie d’aantekening.
[^spreuken-18-21-l]: Verwijzing l: Spr. 21:23. Iac. 3:2.
[^spreuken-18-21-56]: Kanttekening 56: Namelijk de tonge.
[^spreuken-18-21-57]: Kanttekening 57: Namelijk om die te gebruiken, of ten goede door wijze, en deuchtsame redenen, of ten quade door onwijse, en ondeuchdelikke propoosten. maar sommige nemen ’t alleen ten goede.
[^spreuken-18-21-58]: Kanttekening 58: Zie hierboven, 1. op vers 31.
[^spreuken-18-21-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: genieten met vreuchde, so hij die lief heeft, om wel te gebruiken, of lijden met smerte, so hij die bemint om te misbruiken. Zie Job 21. op vers 25.
[^spreuken-18-22-m]: Verwijzing m: Spr. 19:14.
[^spreuken-18-22-60]: Kanttekening 60: Namelijk een goede, en godtvreesende. Het woord goede moetmen uit het volgende verstaan. zo ook hieronder, 22:1. naam voor goede naam, eveneens 24:6. raad-gevers, voor goede raad-gevers, en daar vers 20. belooning, voor goede belooning, en 29:4. Een Koning, voor een goed, en wijs Koning.
[^spreuken-18-22-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: verkregen. zie hierboven, 8. op vers 35. en 12:2.
[^spreuken-18-24-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws, אִישׁ: een man van de vrienden, dat wil zeggen: die vrienden heeft.
[^spreuken-18-24-63]: Kanttekening 63: Namelijk met degenen daar mee hij in vriendschap getreden is.
[^spreuken-18-24-n]: Verwijzing n: Spr. 17:17.
[^spreuken-18-24-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: in de nood nader bij blijft, en trouwelicker bystaat.

### Spreuken 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/19.json)

*Arme en rijke, vers 1, 4, 7, 22. Onbedachtzaamheid, vers 2. Dwaasheid, dwaasheid, spotternij, 1, 3, 10, 29. Vrienden, 4. Valse getuigen, leugentaal, 5, 9, 22, 28. Vorsten en giften, 6. Verstand en wijsheid, 8, 11, 20, 25. Het heersen van een knecht, 10. Zachtmoedigheid, 11. De gunst en ongunst van een koning, 12. Een dwaze zoon, 13, 26. Een kijfachtige en een verstandige vrouw, 13, 14. Luiheid, 15, 24. Godzaligheid en goddeloosheid, 16. Mildheid jegens armen, 17. Tucht, 18, 20, 25, 27. Toornigheid, 19. Gods raad, 21. IJdele roem van weldadigheid, 22. De vreze van de HEERE, 23.*

**1** [^spreuken-19-1-a] De arme,[^spreuken-19-1-1] in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de[^spreuken-19-1-2] verkeerde van lippen, en die een[^spreuken-19-1-3] zot is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v1)

**2** Ook is de[^spreuken-19-2-4] ziel[^spreuken-19-2-5] zonder wetenschap[^spreuken-19-2-6] niet goed; en die met de voeten[^spreuken-19-2-7] haastig is, zondigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v2)

**3** [^spreuken-19-3-b] De dwaasheid van de mensen zal[^spreuken-19-3-8] zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich[^spreuken-19-3-9] tegen YHWH vergrammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v3)

**4** [^spreuken-19-4-c] Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn[^spreuken-19-4-10] vriend gescheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v4)

**5** [^spreuken-19-5-11][^spreuken-19-5-d] Een vals getuige zal[^spreuken-19-5-12] niet onschuldig zijn; en die[^spreuken-19-5-13] leugens blaast, zal niet ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v5)

**6** Velen smeken het[^spreuken-19-6-14] aangezicht van[^spreuken-19-6-15] de prinsen; en een ieder is een vriend[^spreuken-19-6-16] van degene, die giften geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v6)

**7** [^spreuken-19-7-e] Al de[^spreuken-19-7-17] broers van[^spreuken-19-7-18] de armen[^spreuken-19-7-19] haten hem; hoeveel te meer gaan[^spreuken-19-7-20] zijn vrienden verre van hem![^spreuken-19-7-21] Hij[^spreuken-19-7-22] loopt hen na[^spreuken-19-7-23] met woorden, die[^spreuken-19-7-24] niets zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v7)

**8** Die[^spreuken-19-8-25] verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de[^spreuken-19-8-26] verstandigheid waar, om[^spreuken-19-8-27] het goede te vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v8)

**9** [^spreuken-19-9-28][^spreuken-19-9-f] Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v9)

**10** De weelde staat[^spreuken-19-10-29] een zot niet wel;[^spreuken-19-10-g] hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v10)

**11** Het verstand van de mensen[^spreuken-19-11-30] vertraagt zijn toorn; en[^spreuken-19-11-31] zijn sieraad is[^spreuken-19-11-32] de overtreding voorbij te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v11)

**12** [^spreuken-19-12-h] De toorn van de koning is als het brullen van een jonge leeuw[^spreuken-19-12-33]; maar[^spreuken-19-12-34][^spreuken-19-12-i] zijn welgevallen is als[^spreuken-19-12-35] dauw op het kruid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v12)

**13** [^spreuken-19-13-k] Een zotte zoon is zijn vader grote[^spreuken-19-13-36] ellende; en[^spreuken-19-13-l] de kijvingen van een[^spreuken-19-13-37] vrouw als een[^spreuken-19-13-38] gestadig druipen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v13)

**14** Huis en goed[^spreuken-19-14-39] is een erfenis van de vaders;[^spreuken-19-14-m] maar een verstandige vrouw[^spreuken-19-14-40] is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v14)

**15** [^spreuken-19-15-41][^spreuken-19-15-n] Luiheid doet in diepe slaap vallen;[^spreuken-19-15-o] en[^spreuken-19-15-42] een bedriegelijke ziel zal hongeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v15)

**16** Die het[^spreuken-19-16-43][^spreuken-19-16-p] gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die[^spreuken-19-16-44] zijn wegen veracht, zal sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v16)

**17** Die zich over de armen ontfermt, leent aan YHWH, en[^spreuken-19-17-45] Hij zal hem zijn weldaad vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v17)

**18** [^spreuken-19-18-46][^spreuken-19-18-q] Tuchtig uw zoon, als er[^spreuken-19-18-47] nog hoop is; maar[^spreuken-19-18-48][^spreuken-19-18-r] verhef uw ziel niet, om hem[^spreuken-19-18-49] te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v18)

**19** [^spreuken-19-19-50] Die groot is van woede, zal[^spreuken-19-19-51] straf dragen; want zo u[^spreuken-19-19-52] hem uitredt, zo zult u nog moeten[^spreuken-19-19-53] voortvaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v19)

**20** Hoor[^spreuken-19-20-54] raad, en ontvang[^spreuken-19-20-55] tucht, opdat u in uw[^spreuken-19-20-56] laatste wijs bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v20)

**21** [^spreuken-19-21-57] In het hart[^spreuken-19-21-58] van de man zijn veel gedachten;[^spreuken-19-21-s] maar[^spreuken-19-21-59] de raad van YHWH, die zal bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v21)

**22** De wens[^spreuken-19-22-60] van de mensen is[^spreuken-19-22-61] zijn goedertierenheid; maar[^spreuken-19-22-62] de arme is beter dan een[^spreuken-19-22-63] leugenachtig man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v22)

**23** De vrees voor YHWH[^spreuken-19-23-64] is ten leven;[^spreuken-19-23-t] want men[^spreuken-19-23-65] zal[^spreuken-19-23-66] verzadigd zijnde[^spreuken-19-23-67] overnachten; met het[^spreuken-19-23-68] kwaad zal men[^spreuken-19-23-69] niet bezocht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v23)

**24** [^spreuken-19-24-v] Een luiaard verbergt de hand[^spreuken-19-24-70] in de boezem, en hij zal ze niet weer aan zijn mond brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v24)

**25** [^spreuken-19-25-71][^spreuken-19-25-x] Sla de[^spreuken-19-25-72] spotter, zo zal de[^spreuken-19-25-73] slechte kloekzinnig worden; en[^spreuken-19-25-74] bestraf de verstandige, hij zal wetenschap begrijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v25)

**26** [^spreuken-19-26-75] Wie de vader[^spreuken-19-26-76] verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die[^spreuken-19-26-77] beschaamd maakt, en schande aandoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v26)

**27** Laat af,[^spreuken-19-27-78] mijn zoon,[^spreuken-19-27-79] horende de tucht, af te dwalen van de redenen[^spreuken-19-27-80] van de wetenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v27)

**28** Een[^spreuken-19-28-81] Belialsgetuige[^spreuken-19-28-82] bespot het recht; en de mond van[^spreuken-19-28-83] de goddelozen slokt de ongerechtigheid in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v28)

**29** [^spreuken-19-29-84] Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor de rug van de zotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/19.html#v29)

[^spreuken-19-1-a]: Verwijzing a: Spr. 28:6.
[^spreuken-19-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: in ongeveinsde vroomheid levende. Zie hierboven, 2. op vers 7.
[^spreuken-19-1-2]: Kanttekening 2: Zie hierboven, 2. op vers 12.
[^spreuken-19-1-3]: Kanttekening 3: Zie hierboven, 1. op vers 22.
[^spreuken-19-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de lust, en genegenheid, om yet te doen, of te laten. zie Ps. 27. op vers 12. De Prophete bestraft twee dingen. 1. Tot yet genegen te zijn, daarmen geen verstant van en heeft. 2. Somender verstant van heeft, met onbedachte, en haastige zinnen dat aan te gaan, en na te jagen.
[^spreuken-19-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: die niet en verstaat, wat ze doen, of laten moet, om God te behagen, en stichtelijk met de mensen te verkeren.
[^spreuken-19-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: zeer kwaad, en schadelijk. Vergelijk hierboven, 17:26, en de aantekening.
[^spreuken-19-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk ten quade. of, verst. die haastig voortloopt met zijn onbedachte zinnen, en voortdrijvende affecten, zonder eerst wel beraden te zijn, Zie hierboven, 1. op vers 15.
[^spreuken-19-3-b]: Verwijzing b: Iac. 1:13, 14, 15.
[^spreuken-19-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: zijn voorstel, handel, en affairen doen mislukken, qualijk slaan, en te gronde brengen.
[^spreuken-19-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: zal morren, en zich ontstellen met een gevoelen, alsof de schuld bij de Heer ware, dat al zijn voornemen, en doen verloren gaat.
[^spreuken-19-4-c]: Verwijzing c: Spr. 14:20.
[^spreuken-19-4-10]: Kanttekening 10: Al heeft hij maar een vriend, van die zelfs wordt hij ook dikwijls verlaten.
[^spreuken-19-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, עֵד: een getuige van de valsheden.
[^spreuken-19-5-d]: Verwijzing d: Deut. 19:19. Spr. 21:28.
[^spreuken-19-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: niet ongestraft. zie 1 Kon. 2. op vers 9.
[^spreuken-19-5-13]: Kanttekening 13: Zo ook hierboven, 6:19. Zie de aantekening daar.
[^spreuken-19-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de persoon. Zie van het Hebreeuwse woord in dezelfde zin genomen, Job 11:19, en d’aantekening.
[^spreuken-19-6-15]: Kanttekening 15: Ofte, van de milden. Zie van het Hebreeuwse woord נָדִיב, Nadib, Job 12. op vers 21.
[^spreuken-19-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, אִישׁ: de man, of, van de man van de gifte; dat wil zeggen: die genegen is te geven, en mildelijk te deelen.
[^spreuken-19-7-e]: Verwijzing e: Spr. 14:20.
[^spreuken-19-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die hem in maegschap bestaan, hoewel niet toegedaan in oprechte, en ongeveinsde liefde.
[^spreuken-19-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: van degene, die verarmd is, en afgegaan van goede.
[^spreuken-19-7-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: verlaten hem, even alsof zij hem hateden: of zij hebben hem min lief, dan voordat hij arm was. zie Gen. 29. op vers 31.
[^spreuken-19-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zijn bekende, en met-gesellen, hoewel maar inden schijn. want hoedanich een ongeveynst vriend zy, Zie hierboven, 17:17. en 18:24.
[^spreuken-19-7-21]: Kanttekening 21: Namelijk de arme.
[^spreuken-19-7-22]: Kanttekening 22: Namelijk zijn broers, en vrienden.
[^spreuken-19-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk waar door hij hen om hulpe roept.
[^spreuken-19-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: van geen kracht, nochte weerde, omdat zij niet aangenomen, maar veracht worden. of \[maar\] zij, Namelijk, de broers, en vrienden, en zijn dezelve niet, Namelijk, daar voor zij hen uitgaven, voordat de verarmde uit oorsake van zijn armoede hen naliep. Anders: hij volcht woorden, die niet en zijn, Dat is, hij steunt op de beloften, die ze hem gegeven hebben, voordat hij arm werd, die van geen weerde en zijn.
[^spreuken-19-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die verstant zoekt te bekomen. Hebreeuws, לֵּב: het hart. welk woordeken dikwijls in de H. Schrift voor wijsheid, en verstant genomen wordt. Zie Job 9. op vers 4.
[^spreuken-19-8-26]: Kanttekening 26: Zie hierboven, 1. op vers 3.
[^spreuken-19-8-27]: Kanttekening 27: Zie hierboven, 16. op vers 20.
[^spreuken-19-9-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, עֵד: een getuige van de valsheden. zo ook hierboven, vers 5. zie daar de aantekening.
[^spreuken-19-9-f]: Verwijzing f: Bov. vers 5.
[^spreuken-19-10-29]: Kanttekening 29: De reden is, om dat hij daar door nog dwazer wordt, dat wil zeggen: dertelder, en moetwilliger.
[^spreuken-19-10-g]: Verwijzing g: Spr. 30:22.
[^spreuken-19-11-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: verlengt; dat wil zeggen: vertraecht zijn toorn, stelt hem uit, houdt hem in. Anders: ’t is een kloek verstant van de mens dat hij zijn toorn vertreckt. Dezelfde manier van spreken is ook Jes. 48:9.
[^spreuken-19-11-31]: Kanttekening 31: Namelijk van de mens.
[^spreuken-19-11-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: het kwaad, dat hem aangedaan is voor-bij te gaan, met hetzelve te vergeten, en te vergeven, na dat de eere Gods, en de stichting van de mensen zulks lijden konnen.
[^spreuken-19-12-h]: Verwijzing h: Spr. 16:14. en 20:2.
[^spreuken-19-12-33]: Kanttekening 33: Genaamd bij de Hebreen chephir die zeer moedich, en fel is, zijnde ouder, en meerder dan het welp van een leeuw, ’t welk zij gur noemen. zie Ez. 19:2.
[^spreuken-19-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zijn gunste, en goedwilligheid, die hij iemand toedraagt.
[^spreuken-19-12-i]: Verwijzing i: Spr. 16:15.
[^spreuken-19-12-35]: Kanttekening 35: Waar door het kruit bevochticht, verquickt, en gevoet wordt.
[^spreuken-19-13-k]: Verwijzing k: Spr. 10:1. en 15:20. en 17:25.
[^spreuken-19-13-36]: Kanttekening 36: Het Hebreeuwse woord staat in’t getal van velen, om de grootheid, of veelheid van de elende, en van het verdriet uit te drukken.
[^spreuken-19-13-l]: Verwijzing l: Spr. 21:19. en 27:15.
[^spreuken-19-13-37]: Kanttekening 37: Verst. een huisvrouwe, die met haar gekijf veel ongenoechte, beroerte, en schade in de huis houding kan aanrichten.
[^spreuken-19-13-38]: Kanttekening 38: Namelijk ’t welke het huis doet verrotten, de huisraad beschadigt, de huisgenooten quelt, ja eindelijk ook uit het huis jaecht.
[^spreuken-19-14-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: worden ge-erft van de ouderen.
[^spreuken-19-14-m]: Verwijzing m: Spr. 18:22.
[^spreuken-19-14-40]: Kanttekening 40: Namelijk als een bysondere gave, die niet allen gegeven en wordt, nochte niet en komt door erffenis, en successie. Zie hierboven, 18:22.
[^spreuken-19-15-41]: Kanttekening 41: De luiheid brengt ledich-gank voort: de ledich-gank werckt slaap-sucht; waar uit dan komt ongesontheid, vaddigheid van de leden, en domheid van de geest; met de welke ook armoede pleecht te volgen.
[^spreuken-19-15-n]: Verwijzing n: Spr. 6:9. en 20:13.
[^spreuken-19-15-o]: Verwijzing o: Spr. 10:4.
[^spreuken-19-15-42]: Kanttekening 42: Verst. een mens die niet werken en wil, en daarom door quade practijken zoekt het voedsel te krijgen. Vergelijk hierboven, 10. op vers 4.
[^spreuken-19-16-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: de geboden; namelijk Godes, en voornemelijk, die hij gebiet in de wet van de zeden. Zie Gen. 26. op vers 5.
[^spreuken-19-16-p]: Verwijzing p: Spr. 3:21, 22. Luk. 11:28.
[^spreuken-19-16-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: geen acht en geeft op zijn handel, en wandel, doen, en laten: om zulks alles na het woord Gods aan te stellen.
[^spreuken-19-17-45]: Kanttekening 45: Namelijk de Heer.
[^spreuken-19-18-46]: Kanttekening 46: Namelijk met woorden, en slagen. Zie van het Hebreeuwse woord hierboven, 9. op vers 7.
[^spreuken-19-18-q]: Verwijzing q: Spr. 13:24. en 23:13.
[^spreuken-19-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk dat hij door onderwijs, en kastijding zou mogen gebetert worden.
[^spreuken-19-18-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: en vaart niet uit met een quade begeerte, om, etc. Het verheffen van zijn ziel betekent wel soms goede, en geoorloofde dryving van het gemoed, vereenicht met grote begeerte, en verlanging, als Deut. 24:15. Ps. 25:1. Jer. 44:14. maar het betekent ook lust, en drijving tot hetgeen, dat kwaad is, als hier, Ps. 24:4. Hos. 4:8. Anders: en u hart en vergeve \[hem\] niet tot zijn verderf, of, en verheft uw ziel niet om zijn getier. Dat wil zeggen: en vraechter niet na.
[^spreuken-19-18-r]: Verwijzing r: Ef. 6:4.
[^spreuken-19-18-49]: Kanttekening 49: Namelijk door gebrek van straf, of te veel slaan, of andre hardheid.
[^spreuken-19-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk de zoon, die zeer moetwillich, en korsel is, of omwille van de straf veel getiers, en grote beroerte maakt.
[^spreuken-19-19-51]: Kanttekening 51: Dat is, en behoort de straf niet te ontgaan, zelfs ook om zijn onmatich gebaar dat hij aanstelt.
[^spreuken-19-19-52]: Kanttekening 52: Namelijk, uit de straf, die hij verdient heeft.
[^spreuken-19-19-53]: Kanttekening 53: Namelijk, met hem te straffen, omdat hij los zijnde van de kastijding, booser zal worden, en een oorsake van vele kwaad. of, hij zal boete betalen. want so u hem uithelpt, dat wil zeggen: de boete voor hem betaalt, zult u ’t meer moeten doen. sommige nemen deze spreuk in ’t algemeen van alle zeer grimmige mensen.
[^spreuken-19-20-54]: Kanttekening 54: Namelijk goede, en wijze raad.
[^spreuken-19-20-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: ware onderwijzing door woorden, of ook kastijding door straffen. zie van het Hebreeuwse woord hierboven, 7. op vers 22. en vergelijk hierboven, 9. op vers 7.
[^spreuken-19-20-56]: Kanttekening 56: Zie van dit woord, Ps. 37. op vers 37.
[^spreuken-19-21-57]: Kanttekening 57: Namelijk die nemmermeer uit het hart en komen met de daad, ja ook niet met woorden; zoals deze sin uit de tegenstelling van het volgende lid van dit vers kan afgenomen worden.
[^spreuken-19-21-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: van de mens. zie Job 12. op vers 10.
[^spreuken-19-21-s]: Verwijzing s: Job 23:13. Ps. 33:11. en 115:3. Jes. 46:10.
[^spreuken-19-21-59]: Kanttekening 59: Dat is, dat God besloten heeft. zo ook Ps. 33:11. Jes. 25:1. Hand. 2:23.
[^spreuken-19-22-60]: Kanttekening 60: Namelijk die geerne rijk zou wesen om een ieder (zo hij zegt) goed te doen, maar evenwel als hij rijk geworden is, dat niet en doet. Anders: de wensch van de mens zy zijn weldadigheid.
[^spreuken-19-22-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: rijk te zijn, om goed aan de behoeftigen te doen.
[^spreuken-19-22-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: die niet en heeft om andere te helpen, en ook met geen ijdele beloften hem ten toone en stelt.
[^spreuken-19-22-63]: Kanttekening 63: Namelijk die kan, en belooft weldadigheid te bewijzen, maar dat met de daad niet en volbrengt.
[^spreuken-19-23-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: profijtelijk voor het tijdelijke, en het eeuwige leven. 1 Tim. 4:8.
[^spreuken-19-23-t]: Verwijzing t: Ps. 34:10.
[^spreuken-19-23-65]: Kanttekening 65: Namelijk alsmen de ware vrees van de Heer heeft.
[^spreuken-19-23-66]: Kanttekening 66: Namelijk met Gods goederen, en weldaden.
[^spreuken-19-23-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: goede ruste hebben. Vergelijk Ps. 25:13. van het tegendeel zie Ps. 59:15, 16.
[^spreuken-19-23-68]: Kanttekening 68: Namelijk van de straf.
[^spreuken-19-23-69]: Kanttekening 69: Namelijk ten verderve. Van het woord besoeken zie Gen. 21. op vers 1.
[^spreuken-19-24-v]: Verwijzing v: Spr. 16:15.
[^spreuken-19-24-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: hij en wil zijn hand aan geen werk slaan. Anders: in de schotel; namelijk, om spijse daar uit te nemen. De betekenis is, dat hij zo lui is, dat hij nauwelijk de moeite wil doen om te eten. Tis een overtollige manier van spreken. Vergelijk hieronder, 26:15.
[^spreuken-19-25-71]: Kanttekening 71: Namelijk om hem over zijn spotterije te straffen.
[^spreuken-19-25-x]: Verwijzing x: Spr. 21:11.
[^spreuken-19-25-72]: Kanttekening 72: Zie Ps. 1. op vers 1.
[^spreuken-19-25-73]: Kanttekening 73: Dit woord is hier in’t goede genomen voor de onwetende, en eenvoudige, die leerzaam zijn. Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-19-25-74]: Kanttekening 74: Namelijk met woorden. zo ook Gen. c. 21. vers 25. Job 15:3. hierboven, 9:8.
[^spreuken-19-26-75]: Kanttekening 75: Namelijk zijn eigen vader, of moeder.
[^spreuken-19-26-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: bloot, en beroyt maakt. Zie van het Hebreeuwse woord ook, Jud. 5. op vers 27. Ofte, die de Vader verwoest, verjaecht de moeder, hij is een zoon, etc.
[^spreuken-19-26-77]: Kanttekening 77: Zie hierboven, c. 10. op vers 5.
[^spreuken-19-27-78]: Kanttekening 78: Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-19-27-79]: Kanttekening 79: Anders: laat af, mijn Sone, van te hooren het onderwijs, \[streckende\] tot het afdwalen, etc. Namelijk kwaad onderwijs, quade tucht. Zie hierboven, 7:22. en 16:22, en d’aantekening.
[^spreuken-19-27-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: die wetenschap voortbrengen.
[^spreuken-19-28-81]: Kanttekening 81: Verst. een deuchniet, die na niemand en wil hooren. zie Deut. c. 13. op vers 13.
[^spreuken-19-28-82]: Kanttekening 82: Dewijle hij met valse getuichenis de richter bedriecht. Anders: verbloemt de recht-zaak. Dat wil zeggen: geeft het een luister met zijn schone woorden, en schijnbare redenen. zie hierboven, 14. op vers 9.
[^spreuken-19-28-83]: Kanttekening 83: Zoals de dronckaarts haar drank ingieten. Vergelijk Job 15:16. Anders: verslint de ongerechtigheid. Dat wil zeggen: bedecktse, of verbergtse onder een vermanteling van woorden. Want dat verslonden, en ingeswolgen is, wordt voor de ogen van de mensen weg gedaan, en verborgen.
[^spreuken-19-29-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: straffen, zo goddelijke als menselijke, tijdelijke als eeuwige. Zo ook Ps. 119:120. Ierem. 48. vers 47. Luk. 24:20. Rom. 13:2.

### Spreuken 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/20.json)

*Misbruik van de wijn, vers 1. Koningen, vers 2, 8, 26, 28. Twist, 3. Luiheid, 4, 13. Raad, 5, 18. Grootspraak en trouw, 6. Oprechtheid, 7. De zondige staat van alle mensen, 9. Gewicht en maat, 10, 23. Het oordeel over kinderlijke werken, 11. Een horend oor, een ziend oog, 12. De praktijken van de kopers, 14. De kostbaarheid van wijze woorden, 15. Borgtocht, 16. Onrechtvaardige winst, 17. Achterklap, 19. Zijn ouders vervloeken, 20. Haastige rijkdom, 21. Wraakzucht en wachten op de HEERE, 22. God regeert de gang van de mens, 24. Geloften, 25. De ziel van de mens, 27. Jeugd en ouderdom, 29. De straf van de bozen, 30.*

**1** De[^spreuken-20-1-1] wijn is een spotter,[^spreuken-20-1-2] de sterke drank is[^spreuken-20-1-3] onstuimig; al wie[^spreuken-20-1-4] daarin dwaalt,[^spreuken-20-1-5] zal niet wijs zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v1)

**2** [^spreuken-20-2-a] De schrik[^spreuken-20-2-6] van de koning is als het brullen van een jonge leeuw[^spreuken-20-2-7]; die zich tegen[^spreuken-20-2-8] hem[^spreuken-20-2-9] vergramt, zondigt[^spreuken-20-2-10] tegen zijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v2)

**3** [^spreuken-20-3-b] Het is eer voor een man, van twist[^spreuken-20-3-11] af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v3)

**4** Om[^spreuken-20-4-12] de winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij[^spreuken-20-4-13] bedelen in de oogst, maar[^spreuken-20-4-14] er zal niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v4)

**5** [^spreuken-20-5-c] De[^spreuken-20-5-15] raad in het hart van een[^spreuken-20-5-16] man is[^spreuken-20-5-17] als diepe wateren; maar een man[^spreuken-20-5-18] van verstand zal[^spreuken-20-5-19] die[^spreuken-20-5-20] uithalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v5)

**6** Elk van de menigte van de mensen roept zijn[^spreuken-20-6-21] goedertierenheid uit; maar wie zal een[^spreuken-20-6-22] recht trouwe man vinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v6)

**7** De rechtvaardige wandelt steeds in zijn[^spreuken-20-7-23] oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v7)

**8** Een[^spreuken-20-8-24] koning, zittende[^spreuken-20-8-25] op de troon van het gericht,[^spreuken-20-8-26][^spreuken-20-8-d] verstrooit alle[^spreuken-20-8-27] kwaad met zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v8)

**9** [^spreuken-20-9-e] Wie kan[^spreuken-20-9-28] zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v9)

**10** [^spreuken-20-10-29][^spreuken-20-10-f] Tweeërlei[^spreuken-20-10-30] weegsteen, tweeërlei[^spreuken-20-10-31] efa is[^spreuken-20-10-32] YHWH een gruwel,[^spreuken-20-10-33] ja die beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v10)

**11** Een jongen zal ook[^spreuken-20-11-34] door zijn handelingen zich bekend maken, of[^spreuken-20-11-35] zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v11)

**12** [^spreuken-20-12-36][^spreuken-20-12-g] Een horend oor, en een ziend oog heeft YHWH gemaakt, ja, die beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v12)

**13** [^spreuken-20-13-h] Heb de[^spreuken-20-13-37] slaap niet lief, opdat u niet arm wordt;[^spreuken-20-13-38] open uw ogen,[^spreuken-20-13-39] verzadig u met[^spreuken-20-13-40] brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v13)

**14** [^spreuken-20-14-41] Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar[^spreuken-20-14-42] als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v14)

**15** Goud is er, en menigte van[^spreuken-20-15-43] robijnen;[^spreuken-20-15-i] maar de[^spreuken-20-15-44] lippen van de wetenschap zijn een kostelijk[^spreuken-20-15-45] kleinood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v15)

**16** [^spreuken-20-16-k] Als[^spreuken-20-16-46] iemand voor een[^spreuken-20-16-48] vreemde borg geworden is,[^spreuken-20-16-49] neem[^spreuken-20-16-50] zijn kleed; en pand hem voor[^spreuken-20-16-51] de onbekenden.[^spreuken-20-16-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v16)

**17** [^spreuken-20-17-l] Het brood[^spreuken-20-17-52] van de leugen is de mens zoet; maar daarna[^spreuken-20-17-53] zal zijn mond vol van[^spreuken-20-17-54] zandsteentjes worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v17)

**18** Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v18)

**19** [^spreuken-20-19-m] Die[^spreuken-20-19-55] als een roddelaar wandelt, openbaart het[^spreuken-20-19-56] geheime; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen[^spreuken-20-19-57] verlokt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v19)

**20** [^spreuken-20-20-n] Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens[^spreuken-20-20-58] lamp zal uitgeblust worden[^spreuken-20-20-59] in zwarte duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v20)

**21** Als een[^spreuken-20-21-60] erfenis in het eerste[^spreuken-20-21-61][^spreuken-20-21-o] verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v21)

**22** [^spreuken-20-22-62][^spreuken-20-22-p] Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op YHWH, en Hij zal u verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v22)

**23** [^spreuken-20-23-63][^spreuken-20-23-q] Tweeërlei weegsteen is YHWH een gruwel, en de[^spreuken-20-23-64] bedriegelijke[^spreuken-20-23-65] weegschaal is niet goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v23)

**24** [^spreuken-20-24-r] De[^spreuken-20-24-66] treden van de[^spreuken-20-24-67] man zijn van YHWH;[^spreuken-20-24-s] hoe zou dan een mens[^spreuken-20-24-68] zijn weg verstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v24)

**25** Het is een[^spreuken-20-25-69] strik van de mensen, dat hij[^spreuken-20-25-70] het heilige[^spreuken-20-25-71] verslindt, en na gedane geloften,[^spreuken-20-25-72] onderzoek te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v25)

**26** Een wijs koning[^spreuken-20-26-73] verstrooit de goddelozen, en hij brengt het[^spreuken-20-26-74] rad over hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v26)

**27** De[^spreuken-20-27-75] ziel van de mensen is een[^spreuken-20-27-76] lamp van YHWH, doorzoekende[^spreuken-20-27-77] al de binnenkameren van de buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v27)

**28** [^spreuken-20-28-78] Weldadigheid en waarheid bewaren de koning; en door goedertierenheid ondersteunt hij zijn troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v28)

**29** Het sieraad van de jongemannen is hun kracht, en[^spreuken-20-29-t] de heerlijkheid van de ouden[^spreuken-20-29-79] is de grijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v29)

**30** [^spreuken-20-30-80] Gezwellen van de wonde zijn in de boze een zuivering, en ook[^spreuken-20-30-v] de slagen[^spreuken-20-30-81] van het binnenste van de buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/20.html#v30)

[^spreuken-20-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de wijn en andere sterke drank door overdaad misbruikt zijnde, maakt dat de mensen, diese misbruiken, spotters, en gewoelmakers worden.
[^spreuken-20-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: schechar. Zie van dit woord, Lev. 10. op vers 9.
[^spreuken-20-1-3]: Kanttekening 3: Ofte, woelende: of, een gewoel-maker. Dat wil zeggen: die tot roepen, tieren, kijven, slaan, vechten, etc. de mens verweckt. zie hieronder, 23:29. eveneens Hose. 4:11, 18. en van het Hebreeuwse woord, hierboven, 7:11.
[^spreuken-20-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: in het drinken van de zelf de mate te buiten gaat. Zie dezelfde manier van spreken int quade genomen, Jes. 28:7. en in’t goede hierboven, 5:19. op het woord doolt.
[^spreuken-20-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: zal de ware wijsheid niet leren, als daar toe onbekwaam zijnde. Ofte, is niet wijs. Dat wil zeggen: niet verstandich, niet wel bedacht, niet Godtvreesende, nochte deugdzaam.
[^spreuken-20-2-a]: Verwijzing a: Spr. 16:14. en 19:12.
[^spreuken-20-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk de welke een Koning iemand in zijn toornigheid aanbrengt. Verstaat zo ook de verschrikking van de mensen, Gen. 9:2. De schrik Gods, Gen. 35:5. De schrik van de Israëliten, Deut. 2:25.
[^spreuken-20-2-7]: Kanttekening 7: Zie hierboven, 19. op vers 12.
[^spreuken-20-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk de Koning.
[^spreuken-20-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk met gramme, en toornige propoosten de Koning bejegent.
[^spreuken-20-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: tegen zijn leven, het welke hij in groot perijckel brengt. Vergelijk Num. 16:38. en 1 Kon. c. 2:23. en hierboven, 8:36. alsook d’aantekening
[^spreuken-20-3-b]: Verwijzing b: Spr. 17:14.
[^spreuken-20-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: te zitten. Zitten voor blijven. zie 2 Kron. 32. op vers 10.
[^spreuken-20-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk die in de zaey-tijt na bij is: dat wil zeggen: om de koude die dan begint aan te komen, of om het kwaad weders wille. Anders: in de herfst zal de luiaert, etc. Maar het Hebreeuwse woord choreph is tegen de zomer gesteld, Gen. 8:22. Ps. 74:17. Amos 3:15. Zach. 14:8. En de winter is zo ook genoemd, om dat hij zoals de smaat is van de aarde, wechnemende alle schoonheid, groenheid, en lieflickheid van de zelf.
[^spreuken-20-4-13]: Kanttekening 13: Het Hebreeuwse woord is zo genomen, Ps. 109:10.
[^spreuken-20-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk dat hij zou mogen maeyen, zoals andere, die geploeget, en gezaeyet hebben.
[^spreuken-20-5-c]: Verwijzing c: Spr. 18:4.
[^spreuken-20-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de wijsheid waar door men weet zich zelf, en anderen in alle voorvallende dingen wel te raden.
[^spreuken-20-5-16]: Kanttekening 16: Namelijk die wijs, voorzichtig, en kloeksinnich is.
[^spreuken-20-5-17]: Kanttekening 17: Zie hierboven, 18. op vers 4.
[^spreuken-20-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die verstandich is. zo ook hierboven, 10:23. en 11:12.
[^spreuken-20-5-19]: Kanttekening 19: Namelijk raad.
[^spreuken-20-5-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: uitputten, en uittrekken. Namelijk met de wijsen te vragen, aan te hooren, en zo ook te leren. Vergelijk hierboven, 1:5. Ofte, verstaat, dat eens diepsinnigen, en eensamen mans genegentheid, en voornemen, nog enigszins van een verstandich man kan ondersocht, gesondert, en ontdeckt worden.
[^spreuken-20-6-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: roemt zich over zijn goede werken, en weldaden, die hij aan andere bewijst; maar dikwijls met onwaarheid, door enckele eergierigheid.
[^spreuken-20-6-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: een man van de getrouwicheden. De vrage geeft hier te kennen, dat er weinige zodanige te vinden zijn. Zie gelijke manier van vragen, hieronder, 31:10.
[^spreuken-20-7-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 20. op vers 5.
[^spreuken-20-8-24]: Kanttekening 24: Namelijk die wijs, vroom, en gerechtich is.
[^spreuken-20-8-25]: Kanttekening 25: Om onder zijn volk het recht uit te spreken.
[^spreuken-20-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, doet van hem, en zijn volk alle boosheid, en boose wechruimen, en uit zijn lande delgen, zoals de zon met haar schijnsel de dikke nevelen, en dampen verdrijft. Vergelijk Ps. 101:4.
[^spreuken-20-8-d]: Verwijzing d: Ond. vers 26.
[^spreuken-20-8-27]: Kanttekening 27: Namelijk mits de misdadige voor hem te citeren, kennis te nemen van haar boose stukken, daar over haar te overtuigen, te veroordelen, en te bestraffen. Ja hij weetse met een opslag van de ogen te verschrikken, en te verjagen.
[^spreuken-20-9-e]: Verwijzing e: 1 Kon. 8:46. Job 14:4. Ps. 51:7. Eccl. 7:21. 1.Ioan. 1:8.
[^spreuken-20-9-28]: Kanttekening 28: Namelijk metter waarheid. ’Tis een vrage, die sterk loochent. zie Gen. 18. op vers 17.
[^spreuken-20-10-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, אֵיפָה: steen en steen, Epha en Epha, dat wil zeggen: tweeërlei steen, en tweeërlei Epha; namelijk een grote, om daar mee in te koopen, en een kleine, om daar mee te verkoopen. zo ook Deut. 25:13. Zie de aantekening daar. eveneens hieronder, vers 23.
[^spreuken-20-10-f]: Verwijzing f: Deut. 25:16. Spr. 11:1. hieronder, vers 23.
[^spreuken-20-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: gewichte. zie Lev. 19. op vers 36.
[^spreuken-20-10-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: mate. wat Epha eigenlijk voor een mate geweest zy, zie Ex. c. 16. op vers 36.
[^spreuken-20-10-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: de gruwel van de Heer. Zie hierboven, c. 3. op vers 32.
[^spreuken-20-10-33]: Kanttekening 33: Zie dezelfde manier van spreken, hierboven, 17:15. en hieronder, vers 12.
[^spreuken-20-11-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: door zijn kinderlijke manieren, die in zijn eerste jaren haar vertoonen.
[^spreuken-20-11-35]: Kanttekening 35: Verst. zijn leven, het welke hij in toekomenden tijt leiden zal.
[^spreuken-20-12-36]: Kanttekening 36: De betekenis is, dat van God zijn niet alleen de instrumenten, en werk-tuigen van de uiterlijke zinnen, maar ook de macht, om die te gebruiken, en de gave, om wel te gebruiken. Sommige verstaan dit in’t bijzonder vande gehoorzaamheid die de ondersaten haar overheden schuldig zijn, en van de wijze, en voorsichtige regering, waar door de overheden trouwe ogen moeten hebben over het welvaren van haar ondersaten.
[^spreuken-20-12-g]: Verwijzing g: Ex. 4:11. Ps. 94:9.
[^spreuken-20-13-h]: Verwijzing h: Spr. 19:15.
[^spreuken-20-13-37]: Kanttekening 37: Namelijk die onmatich is, en uit luiheid voort komt, hierboven, 19:15.
[^spreuken-20-13-38]: Kanttekening 38: Namelijk na dat de nature haar behoorlijken slaap gehadt heeft. Begeeft u dan tot eerlijken arbeid, om het voedsel te winnen.
[^spreuken-20-13-39]: Kanttekening 39: ’T is een bevel, inhoudende de belofte van versadicht te zullen worden. Zie van zulke manier van spreken, hierboven, 3. op vers 25.
[^spreuken-20-13-40]: Kanttekening 40: Verst. lichamelijke nootdurft. Zie Gen. 3:19. en 18:5. alsook de aantekening
[^spreuken-20-14-41]: Kanttekening 41: Namelijk het goed, of, de ware, die de kooper dingt, om te koopen; lakende zo ook uit eigen baat-zoeking hetgeen hij geerne had.
[^spreuken-20-14-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: als hij tot zijn eigen voordeel de koop gedaan heeft, gaat hij zijns weechs, en prijst zich zelf, dat hij door zijn loosheid de ware onder haar weerde gekocht heeft.
[^spreuken-20-15-43]: Kanttekening 43: Zie Job 28. op vers 18.
[^spreuken-20-15-i]: Verwijzing i: Spr. 3:14, 15.
[^spreuken-20-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: die wetenschap voortbrengen. verst. wijze, en deuchtsame propoosten. zo ook hierboven, 14:7. Vergelijk ook hierboven, 12:19. en zie de aantekening
[^spreuken-20-15-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, כְלִי: vat, of, gereetschap. Zie Job 28. op vers 17.
[^spreuken-20-16-k]: Verwijzing k: Spr. 11:15. en 27:13.
[^spreuken-20-16-46]: Kanttekening 46: Vande invoeging van dit woordeken Vergelijk hierboven, 11:15. en hieronder, 27:13.
[^spreuken-20-16-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: die u onbekent is, en van wiens middelen u geen zekerheid en hebt, om van zijn betaling onbesorgt te wesen.
[^spreuken-20-16-49]: Kanttekening 49: Namelijk u, tot wiens versekering de borge gesteld is.
[^spreuken-20-16-50]: Kanttekening 50: Namelijk van degene die borge geworden is voor een onbekenden, en dat tot een pant, en zekerheid, dat hij voor de vreemden, so hij in gebreke valt, zal betalen.
[^spreuken-20-16-51]: Kanttekening 51: Namelijk mensen. Anders: voor een buitenlandse vrouwe. zo ook hieronder, 27:13. Verstaat door een buitenlandse vrouwe, een hoere, of, die u onbekent is. zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-20-16-47]: Kanttekening 47: Dit woordeken is hier ingevoecht uit het volgende lidt van dit vers Vergelijk hierboven, 11:15. en hieronder, 27:13.
[^spreuken-20-17-l]: Verwijzing l: Spr. 9:17.
[^spreuken-20-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: het goed door valse, en bedriegelijke middelen gekregen. zie hierboven, 4. op vers 17. eveneens vergelijk hierboven, c. 9:17. en de aantekening
[^spreuken-20-17-53]: Kanttekening 53: De betekenis is, dat zulk goed hem in’t einde zal schadelijk zijn, en groot verdriet toebrengen.
[^spreuken-20-17-54]: Kanttekening 54: Ofte, breek-steenen, of, key-steenkens. zie het Hebreeuwse woord ook, Klaagl. 3:16.
[^spreuken-20-19-m]: Verwijzing m: Spr. 11:13.
[^spreuken-20-19-55]: Kanttekening 55: Zie Lev. 19. op vers 16.
[^spreuken-20-19-56]: Kanttekening 56: Dat is, het geheim van een ander, dat hem toe-vertrouwt is.
[^spreuken-20-19-57]: Kanttekening 57: Ofte, liefkoost, vleit, verleit: dat wil zeggen: die met aanlockende, en schone woorden iemand aankomt, om wat uit zijn mond te trekken, ’twelk hij daar na gaat overdragen. zie van het Hebreeuwse woord, Richt. 14:15. op het woord overreden.
[^spreuken-20-20-n]: Verwijzing n: Ex. 21:17. Lev. 20:9. Deut. 27:16. Matt. 15:4.
[^spreuken-20-20-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: zijn welstant, voorspoet, en gelukzaligheid zal vergaan. zie Job 18. op vers 6.
[^spreuken-20-20-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, חֹֽשֶׁךְ: in de swartheid van de duisternis. Dat wil zeggen: als de duisternis zo groot is, dat ze geheel swart, en dik is. Vergelijk hierboven, 7:9. en d’aant. Verst. daar bij een zeer droevigen, en elendigen staat, in de welke de Vloeker van God zal verlaten worden. zie Gen. 15. op vers 12.
[^spreuken-20-21-60]: Kanttekening 60: Verst. allerlei rijkdom, en goed, dat iemand zou mogen aankomen, en hij zijn erfgenamen nalaten.
[^spreuken-20-21-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: in korte tijt met grote woeling door allerlei middelen, en wegen vergaderd, en opgehoopt wordt. Vergelijk hieronder, 21:5.
[^spreuken-20-21-o]: Verwijzing o: Spr. 13:11. en 28:20.
[^spreuken-20-22-62]: Kanttekening 62: Namelijk bij u zelf, of ook tegen uw naasten.
[^spreuken-20-22-p]: Verwijzing p: Deut. 32:35. Spr. 17:13. en 24:29. Rom. 12:17. 1 Tess. 5:15. 1 Petr. 3:9.
[^spreuken-20-23-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws: steen, en steen. Zie hierboven, op vers 10.
[^spreuken-20-23-q]: Verwijzing q: Bov. vers 10.
[^spreuken-20-23-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws: de wage van het bedrog, dat wil zeggen: daar mee men zijn naasten bedriecht, mits hem zijn volle gewichte niet te geven, en voor zich zelf meer dan het zijne te nemen.
[^spreuken-20-23-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: zij is zeer kwaad. Zie hierboven, 17. op vers 26.
[^spreuken-20-24-r]: Verwijzing r: Job 31:4. Ps. 37:23. en 139:2, 3.
[^spreuken-20-24-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de gedachten, het voornemen, de woorden, en werken, het doen en laten.
[^spreuken-20-24-67]: Kanttekening 67: Namelijk niet alleen door het werk van de schepping, maar ook door de werken van de onderhouding, en regering.
[^spreuken-20-24-s]: Verwijzing s: Ierem. 10:23.
[^spreuken-20-24-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: wat hem in zijn leven zal overkomen.
[^spreuken-20-25-69]: Kanttekening 69: Namelijk daar in hij zelf gevangen wordt. Dat wil zeggen: het is een schadelijk ding voor de mens.
[^spreuken-20-25-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: dat door de geloften voor God toegeheylicht is.
[^spreuken-20-25-71]: Kanttekening 71: Namelijk met het zelf te eten, of te drinken: het welke tegen de wet was, Lev. 27:9. Deut. 23:21.
[^spreuken-20-25-72]: Kanttekening 72: Namelijk of u uw geloften onderhouden zult, of niet.
[^spreuken-20-26-73]: Kanttekening 73: Zie d’aantekening hierboven, vers 8.
[^spreuken-20-26-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: hij laat een harde lijf-straf over hen gaan. Voortijts werden grote kwaad-doenders zo gestraffet, dat men een wagen met scherpe beslagene wielen over hen liet gaan. Zie 2 Sam. 12. op vers 31. Verst. hier onder allerlei soort van harde straf.
[^spreuken-20-27-75]: Kanttekening 75: Verst. de redelijke ziel, die met het natuurlijke licht van vernuft, en onderscheid tussen goed, en kwaad begaeft is, of ook met het overnatuurlijke van de wedergeboorte, waar door de mens verstaan kan, wat hij gelooven, en hoe hij leven moet.
[^spreuken-20-27-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: een klaar-schijnende licht van de wetenschap, gegeven, en onsteken van de Heer, waar door de mens zich zelf van buiten, en van binnen kent, en onder Godes beleid gestiert wordt in al zijn doen, en laten. Vergelijk Mat. 6:22, 23. Luc. 11:34, 35. 1 Kor. 2:11.
[^spreuken-20-27-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: alle de binnenste deelen van de gedachten, genegentheden, affecten, en van de zeer verborgene conscientie. Zie Job 15. op vers 2.
[^spreuken-20-28-78]: Kanttekening 78: Zie Ps. 101:1. en hieronder, 25:5.
[^spreuken-20-29-t]: Verwijzing t: Spr. 16:3.
[^spreuken-20-29-79]: Kanttekening 79: Namelijk om dat de ouderdom menichmaal is een zegen, daar mee God de vroome vereert; en om dat daar bij ten meesten deele is wijsheid, ervarentheid, en raatsaemheid.
[^spreuken-20-30-80]: Kanttekening 80: De betekenis is, dat aan een mens, die tot boosheid overgegeven is, geen betering te verwachten en is, dan door zware lijf-straffen.
[^spreuken-20-30-v]: Verwijzing v: Spr. 10:13.
[^spreuken-20-30-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: die tot het binnenste van lichaam, en ziel doordringen.

### Spreuken 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/21.json)

*Het hart van de koning in Gods hand, vers 1. Eigen goeddunken en het wegen van de harten, 2. Gerechtigheid en offer, vers 3, 27. Hoogmoed en het bedrijf van de goddelozen, 4, 24. Vlijt en het haasten naar goed, 5. Onrechtvaardige rijkdom, 6. Goddelozen, 7, 10, 12, 15, 18, 27, 29. De verdorvenheid en zuivering van de mens, 8. Een kijfachtige vrouw, 9, 19. Tucht, 11. Onbarmhartigheid jegens armen, 13. Giften en geschenken, 14. Rechtvaardigen, oprechten, weldadigen, 15, 18, 21, 26, 29. Wijsheid, verstand en raad, 16, 20, 22, 30. Wellust, 17. De tong, 23. Luiheid, 25. Gierigheid, 26. Valse getuigen, 28. De onweerstaanbaarheid van Gods raad en werken, 30. De overwinning, 31.*

**1** Het hart van de koning is[^spreuken-21-1-1] in de hand van YHWH[^spreuken-21-1-2] als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v1)

**2** [^spreuken-21-2-3][^spreuken-21-2-a] Alle weg van de mensen is recht in zijn ogen; maar YHWH weegt de harten.[^spreuken-21-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v2)

**3** [^spreuken-21-3-5][^spreuken-21-3-b] Gerechtigheid en recht te doen is bij YHWH uitgelezener dan offer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v3)

**4** [^spreuken-21-4-6] Hoogheid van de ogen, en[^spreuken-21-4-7] trotsheid van het hart, en de[^spreuken-21-4-8] ploeging van de goddelozen, zijn zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v4)

**5** [^spreuken-21-5-c] De gedachten van de vlijtigen zijn[^spreuken-21-5-9] alleen[^spreuken-21-5-10] tot overschot; maar van een[^spreuken-21-5-11] ieder, die haastig is, alleen tot gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v5)

**6** [^spreuken-21-6-12][^spreuken-21-6-d] Te arbeiden om schatten met een[^spreuken-21-6-13] valse tong, is een[^spreuken-21-6-14] voortgedrevene zinloosheid van degenen,[^spreuken-21-6-15] die de dood zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v6)

**7** De[^spreuken-21-7-16] verwoesting van de goddelozen[^spreuken-21-7-17] zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren[^spreuken-21-7-18] recht te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v7)

**8** De weg van de mensen is[^spreuken-21-8-19] geheel verkeerd en[^spreuken-21-8-20] vreemd; maar[^spreuken-21-8-21] het werk van de zuiveren is recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v8)

**9** [^spreuken-21-9-e] Het is beter te wonen op een hoek[^spreuken-21-9-22] van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een[^spreuken-21-9-23] huis van gezelschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v9)

**10** De ziel van de goddelozen begeert[^spreuken-21-10-24] het kwaad;[^spreuken-21-10-25] zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v10)

**11** [^spreuken-21-11-f] Als men de spotter[^spreuken-21-11-26] straft, wordt de slechte wijs; en als men de wijze[^spreuken-21-11-27] onderricht,[^spreuken-21-11-28] neemt hij wetenschap aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v11)

**12** De rechtvaardige[^spreuken-21-12-29] let verstandig op het huis van de goddeloze, als God de goddelozen[^spreuken-21-12-30] in het kwaad stort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v12)

**13** Die zijn oor stopt voor het[^spreuken-21-13-31] geschrei van de armen, die zal ook[^spreuken-21-13-32] roepen, en niet verhoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v13)

**14** [^spreuken-21-14-g] Een gift[^spreuken-21-14-33] in het[^spreuken-21-14-34] verborgene houdt de toorn onder, en een geschenk[^spreuken-21-14-35] in de schoot de sterke woede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v14)

**15** Het is voor de rechtvaardige een blijdschap[^spreuken-21-15-36] recht te doen; maar voor de werkers[^spreuken-21-15-37] van de ongerechtigheid is het[^spreuken-21-15-38] verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v15)

**16** Een mens, die van de weg van het verstand afdwaalt, zal in de gemeente van[^spreuken-21-16-39] de[^spreuken-21-16-40] doden rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v16)

**17** Die[^spreuken-21-17-41] blijdschap liefheeft, die zal[^spreuken-21-17-42] gebrek lijden; die[^spreuken-21-17-43] wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v17)

**18** [^spreuken-21-18-44][^spreuken-21-18-h] De goddeloze is een[^spreuken-21-18-45] losprijs voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v18)

**19** [^spreuken-21-19-i] Het is beter te wonen in[^spreuken-21-19-46] een woest land, dan bij een[^spreuken-21-19-47] zeer kijfachtige en toornige huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v19)

**20** In de woning van de wijze is een gewenste[^spreuken-21-20-48] schat, en olie; maar een zot mens verslindt dat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v20)

**21** Die[^spreuken-21-21-49] rechtvaardigheid en[^spreuken-21-21-50] goedertierenheid nastreeft, zal het leven,[^spreuken-21-21-51] rechtvaardigheid en eer vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v21)

**22** [^spreuken-21-22-52] De wijze[^spreuken-21-22-53] beklimt de stad van de geweldigen, en werpt de[^spreuken-21-22-54] sterkte van hun vertrouwen neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v22)

**23** [^spreuken-21-23-55][^spreuken-21-23-g] Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v23)

**24** [^spreuken-21-24-56] Die een hoogmoedig pocher is,[^spreuken-21-24-57] zijn naam is spotter;[^spreuken-21-24-58] hij gaat met hoogmoedige toorn te werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v24)

**25** De[^spreuken-21-25-59] begeerte van de luiaard[^spreuken-21-25-60] zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v25)

**26** De hele dag begeert hij[^spreuken-21-26-61] begeerlijke dingen; maar[^spreuken-21-26-h] de rechtvaardige[^spreuken-21-26-62] zal geven, en niet inhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v26)

**27** [^spreuken-21-27-i] Het offer van de goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een[^spreuken-21-27-63] schandelijk voornemen brengen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v27)

**28** [^spreuken-21-28-64][^spreuken-21-28-k] Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man,[^spreuken-21-28-65] die hoort, zal spreken[^spreuken-21-28-66] tot overwinning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v28)

**29** Een goddeloos man[^spreuken-21-29-67] sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte,[^spreuken-21-29-68] die maakt zijn weg vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v29)

**30** Er is geen wijsheid, en er is geen verstand,[^spreuken-21-30-69] en er is geen raad tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v30)

**31** [^spreuken-21-31-l] Het[^spreuken-21-31-70] paard wordt bereid tegen de dag van de[^spreuken-21-31-71] strijd;[^spreuken-21-31-72] maar de overwinning is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/21.html#v31)

[^spreuken-21-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: in zijn gebiet, en macht, om dat na zijn wijsheid te leiden, en te stieren.
[^spreuken-21-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: zoals waterbeken zijn inde hant van de hovenieren, en lant-luiden, om die herwaarts, en daarheen tot nut van het land in, of uit te laten, en voort te leiden.
[^spreuken-21-2-3]: Kanttekening 3: Zie de verklaring van dit vers hierboven, 16. op vers 2.
[^spreuken-21-2-a]: Verwijzing a: Spr. 16:2.
[^spreuken-21-2-4]: Kanttekening 4: Ofte, geesten, als hierboven, 16:2. over zulks betekent hier het woord harten so veel, als daar het woord geesten; namelijk gedachten, genegentheden, bewegingen, en voornemen. Zo ook Ps. 7:10. en 26:2.
[^spreuken-21-3-5]: Kanttekening 5: De verklaring van deze manier van spreken zie Gen. 18. op vers 19. en 1 Kon. 10. op vers 9.
[^spreuken-21-3-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 15:22. Ps. 50:8, 14. Jes. 1:11, 16. Hos. 6:6.
[^spreuken-21-4-6]: Kanttekening 6: Zie hierboven, 6. op vers 17.
[^spreuken-21-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, לֵב: breetheid van het hart. Dat wil zeggen: stoutheid, en grootscheid van het hart. zie Ps. 101:5. en d’aantekening
[^spreuken-21-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: het bedrijf. Verstaat al wat zij in het geheim versinnen, en openbaarlijk in’t werk stellen. zo ook is het woord smeden genomen. Zie hierboven, 3. op vers 29. waar het Hebreeuwse woord ook kan ploegen overgeset worden. Ofte zo: Hoocheid van de ogen, en breetheid van het hart, zijn de ploeging, of, het bedrijf van de goddelozen, \[en\] zonde. Anders: de lampe van de godloosen. Dat wil zeggen: haar welvaren, en voorspoet, is zonde.
[^spreuken-21-5-c]: Verwijzing c: Spr. 10:4. en 13:4.
[^spreuken-21-5-9]: Kanttekening 9: Anders: waarlijk, of, gewisselijk. zo ook in’t volgende lidt van dit vers.
[^spreuken-21-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: worden zo gesegent van God, dat de vlytige arbeyder daar van niet alleen zijn dagelickschen nootdruft en krijcht, maar ook wat daar en boven voor een extraordinaren noot, en voor zijn kinderen.
[^spreuken-21-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: die met een schielijke, en onvoorsichtige haastigheid door allerlei middelen zoekt rijk te worden. Vergelijk hierboven, 20:21.
[^spreuken-21-6-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws: het werk van de schatten, dat wil zeggen: de arbeid die gedaan wordt, om veel goeds bij een te rapen.
[^spreuken-21-6-d]: Verwijzing d: Spr. 10:2, 4. en 13:11.
[^spreuken-21-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: tonge van de valsheid, dat wil zeggen: die met valsheid en bedroch ommegaat. Verstaat hier onder, alle ongerechtigheid. Vergelijk hierboven, 6:17. en de aantekening
[^spreuken-21-6-14]: Kanttekening 14: Verst. ijdelheid, die zeer onweerdich, nietich, en vruchteloos is, zijnde te vergelijken bij kaf, en stof, dat uit oorsake van zijn lichtigheid door een sterken wint herwaarts en daarheen verwaeit wordt.
[^spreuken-21-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: die zich in gevaar van de tijdelijke, en eeuwige straf begeven.
[^spreuken-21-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk waar door zij haar naasten verwoesten. of, als sommige, waar door zij zelf verwoest zullen worden.
[^spreuken-21-7-17]: Kanttekening 17: Ofte, zal ze doorsagen, neder-vellen. zoals wanneer een boom afgesaecht wordt. Dat wil zeggen: zal oorsake zijn, dat ze door Gods rechtvaardig oordeel teenemaal uitgeroeyet worden. Het schijnt dat hier gezien wordt op de manier van straf, waar door de misdadige vande Overheid met de sage doorsneden werden. Zie 2 Sam. 12. op vers 31. Anders: zal ze bij blijven. Namelijk tot dat ze ook verwoest zullen worden. Anders: de roof van de godloosen zal ze verschrikken.
[^spreuken-21-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: een ieder het zijne te geven.
[^spreuken-21-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk door de verdorventheid van zijn nature.
[^spreuken-21-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk van God of vande ware suiverheid en heiligheid.
[^spreuken-21-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: die door de geest van de heylichmaking gesuivert is.
[^spreuken-21-9-e]: Verwijzing e: Spr. 21:19. en 25:24. en 27:15.
[^spreuken-21-9-22]: Kanttekening 22: Want de daken in’t lant van Canaan waren plat, inde welke het niet bekwaam en was te woonen, om dat ze voor de wint, en regen open waren: en voornemelijk in haar hoeken, daar het regen-water vergaderde, en afliep. Vergelijk Deut. 22. op vers 8.
[^spreuken-21-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: in een wijdt, of ruim huis, daar in men gemackelijk kan woonen met vele gezelschap, niet benauwt zijnde door de engte van de plaats, als in een hoek. Een huis van gezelschap kan men ook verstaan van een huis, daar in een man met een wijf t’samen woonen onder een huishouding begrepen zijnde. Vergelijk hieronder, vers 19.
[^spreuken-21-10-24]: Kanttekening 24: Verst. het kwaad van de schuld, dat wil zeggen: de zonde.
[^spreuken-21-10-25]: Kanttekening 25: Ofte, met-geselle, of vriend. De betekenis is, dat de goddeloze geheel genegen is, om een ieder kwaad te doen; of, dat hij ook zijn eigenen vriend niet en spaart. Zie van het Hebreeuwse woord, hierboven, 14. op vers 20.
[^spreuken-21-11-f]: Verwijzing f: Spr. 19:25.
[^spreuken-21-11-26]: Kanttekening 26: Namelijk, niet alleen met woorden, maar ook met oplegging van boete, zoals het woord hier mee brengt, of ook, met slagen, zoals de text luit, hierboven, 19:25.
[^spreuken-21-11-27]: Kanttekening 27: Namelijk met woorden. Zie hierboven, 19. op vers 25. Anders: als hij. Namelijk de slechte, verstandig let op de wijsen, etc.
[^spreuken-21-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: hij voecht bij zijn voorgaande wetenschap nog andere, omdat hij de goede leer ontfangt, en navolcht. Vergelijk hierboven, 1:5.
[^spreuken-21-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk om zijn profijt te doen met de aanmerckingen van de oordelen van God.
[^spreuken-21-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk in’t kwaad van de straf. Anders om het kwaad, namelijk van de zonde, omkeert. Dat wil zeggen: om de zonden, diese dagelicks bedrijven, verderft, en uitroeit. anders kan dit vers zo vertaalt worden: Hij, namelijk, God, onderwijst de rechtveerdigen door het huis van de godloosen, die de godloose in ’t quade stort. Ofte zo: Het welke (namelijk huis) de goddelozen in’t quade stort.
[^spreuken-21-13-31]: Kanttekening 31: Namelijk waar door hij schreit om hulpe in zijn armoede.
[^spreuken-21-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk tot God, of de mensen, als hij in enige noot gesteld is.
[^spreuken-21-14-g]: Verwijzing g: Spr. 17:8. en 18:16.
[^spreuken-21-14-33]: Kanttekening 33: Namelijk gegeven aan de Richter, of iemand die zeer vergramt is.
[^spreuken-21-14-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: neemt hem weg, druckt hem neder, of, bluscht hem uit.
[^spreuken-21-14-35]: Kanttekening 35: Zie hierboven, 17. op vers 23.
[^spreuken-21-15-36]: Kanttekening 36: Namelijk of in haar gewone leven, of in een bijzonder officie, daar in hij gesteld is, om het recht aan andere te bedienen.
[^spreuken-21-15-37]: Kanttekening 37: ’T zy dat hij de ongerechtigheid werckt als een privaat mens, of als een publijk persoone.
[^spreuken-21-15-38]: Kanttekening 38: Ofte, verslagentheid, verstooring. Namelijk of, als hij zelf recht moet doen, of, wanneer het van anderen geschiedt.
[^spreuken-21-16-39]: Kanttekening 39: Verstaat van de doden, niet alleen na het lichaam, maar ook na de ziel. Zie van het Hebreeuwse woord hierboven, 2. op vers 18.
[^spreuken-21-16-40]: Kanttekening 40: Dat is, geduerichlijk blijven.
[^spreuken-21-17-41]: Kanttekening 41: Namelijk ongeoorloofde, goddeloze, en onmatige blijdschap.
[^spreuken-21-17-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws: een man van het gebrek, of, van de behoefte zijn.
[^spreuken-21-17-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: die een wellustich, en overdadich leven zoekt. Hier voortijden in vrolijke maaltijden gebruicktemen naast de wijn, vele olyen, en salven, daarmee zij haar leden, maar insonderheid het hoofd, bestreken, tot bewaring van de gesontheid, en verquicking van de geest. Zie Ruth 3. op vers 3. Ps. 23:5. hieronder, 27:9. Cantic. 1:3. Amos 6:6. Matt. 26:7. Bovendien had de olie in’t Joodse lant nog veel ander gebruik. Zie Richt. 9. op vers 9. en hieronder, vers 20. maar hier wordt gesproken van het misbruik van de olie, en van de wijn, zijnde onder deze twee dingen ook alle andere begrepen, die de mens tot vermaking gegeven zijn.
[^spreuken-21-18-44]: Kanttekening 44: De betekenis is, dat in vele gewone straffen de vroome uit de perijckelen, die haar meest plegen te dreigen, onversiens geraken, en de goddeloze door Gods wijze, en rechtvaardige regering, in haar plaats komen, als oftse haar los-gelt waren. Zie hierboven, 11. op vers 8.
[^spreuken-21-18-h]: Verwijzing h: Spr. 11:8.
[^spreuken-21-18-45]: Kanttekening 45: Verst. de prijs, die gegeven wordt om iemand uit eenich lijden te verlossen.
[^spreuken-21-19-i]: Verwijzing i: Bov. vers 9. en hieronder, 25:24.
[^spreuken-21-19-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws: In een lant van de woestijn.
[^spreuken-21-19-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws: een huisvrouwe van de kijvingen, en van de toornigheid. Vergelijk hierboven, vers 9. en 19:13.
[^spreuken-21-20-48]: Kanttekening 48: Dienende tot onderhouding, en vermaking van de mensen; waar onder ook was de olie. Zie boven de aantekening op vers 17.
[^spreuken-21-21-49]: Kanttekening 49: Namelijk waar door men een ieder geeft, dat men hem na het burgerlijke recht schuldig is.
[^spreuken-21-21-50]: Kanttekening 50: Namelijk waar door men de mens uit liefde, en mildheid goed doet na de eis van de goddelijke, en natuurlijke wet. Zie hierboven, 3. op vers 27.
[^spreuken-21-21-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: God zal maken dat hem ook recht van de mensen zal gedaan worden.
[^spreuken-21-22-52]: Kanttekening 52: De betekenis is, dat wijsheid meer te achten is dan sterkte. Eccl. 9:16. Zoals de ervarentheid leert, dat dikwijls veel meer uitgerecht wordt door het wijs beleid van een Overste, dan door de grote menigte van de Krijchs-mensen.
[^spreuken-21-22-53]: Kanttekening 53: Namelijk in tijt van oorloge.
[^spreuken-21-22-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: de sterckten, daar op de stadt haar verliet.
[^spreuken-21-23-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: die wel toesiet dat hij met quade, lichtvaardige, en twistgierige propoosten God niet en vertoornt, en zijn naasten niet tegen hem op en hitst.
[^spreuken-21-23-g]: Verwijzing g: Spr. 18:21.
[^spreuken-21-24-56]: Kanttekening 56: Ofte, die hooveerdich, \[en\] trotsich, of, vermeten is, wiens naam is spotter, gaat met, etc.
[^spreuken-21-24-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: zoals hij inder waarheid een spotter is, so mach hij ook zo wel genaamd worden: omdat hij alle goede vermaningen verwerpt, en tegen zijn naasten met verachtingen van de zelf trotselijk uitvaart. Zie een exempel in Haman, Esth. 3:5, 6.
[^spreuken-21-24-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: hij doet alle dingen door hoochmoedige, en oploopende zinnen, volgende niet enige reden, maar zijn ongebondene passien.
[^spreuken-21-25-59]: Kanttekening 59: Namelijk waar door hij wenscht zijn nootdurft te hebben, zonder daar toe door eerlijken arbeid te geraken.
[^spreuken-21-25-60]: Kanttekening 60: Niet alleene tot grote armoede brengen, maar ook tot zijn geheelen ondergang.
[^spreuken-21-26-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws: de begeerte. Anders: begeert de begeerige. Dat wil zeggen: de mens die zeer begeerich is. Namelijk om goed te krijgen. Zie Job 35. op vers 13.
[^spreuken-21-26-h]: Verwijzing h: Ps. 37:26.
[^spreuken-21-26-62]: Kanttekening 62: Namelijk aan de armen, en nootdurftigen, en dat na zijn vermogen, van ’tgene dat hem God verleent heeft.
[^spreuken-21-27-i]: Verwijzing i: Spr. 15:8. Jes. 1:13. Jer. 6:20. Amos 5:21.
[^spreuken-21-27-63]: Kanttekening 63: Namelijk expresselijk voorhebbende enige boosheid daar mee uit te richten, en zoals God aanroepende tot een hulpe van haar schelmerye. zie hier van een exempel in Bileam, Num. 23:1.
[^spreuken-21-28-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, עֵד: een getuige van de leugens.
[^spreuken-21-28-k]: Verwijzing k: Spr. c. 19:5, 9.
[^spreuken-21-28-65]: Kanttekening 65: Namelijk na de wet van de Heer en bijzonderlijk na ’t gebod van geen vals getuigenis te geven. of: die neerstelijk toehoort, en niet anders getuicht dan ’tgene hij gehoort, of gezien heeft.
[^spreuken-21-28-66]: Kanttekening 66: Anders: altijd, namelijk ’tzy dat hij geroepen wordt in ’t gerichte, om getuigenis te geven, of andersins om yet na de waarheid, die hem bekent is, te vertellen, zo ook noodich, en stichtelijk is.
[^spreuken-21-29-67]: Kanttekening 67: Ofte, stijft zich: dat wil zeggen: verhardt zijn aangezicht. De betekenis is, dat hij met grote hartneckigheid, en onbeschaemtheid zijn eigenen sin volcht, zonder acht te geven op ’tgene dat recht, en hem bevolen is.
[^spreuken-21-29-68]: Kanttekening 68: Namelijk om dat hij alle zijn doen, en laten na Godes woord aanrecht.
[^spreuken-21-30-69]: Kanttekening 69: Dat is, die met de wijsheid en verstant van de Heer, etc. te vergelijken zy, en die zou konnen wederstaan.
[^spreuken-21-31-l]: Verwijzing l: Ps. 33:17.
[^spreuken-21-31-70]: Kanttekening 70: Verstaat onder dit woord alle uiterlijke middelen, die tegen de oorloge, en de strijt plegen aangeleit te worden.
[^spreuken-21-31-71]: Kanttekening 71: Zie 2 Sam. 8. op vers 6.
[^spreuken-21-31-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: komt van de Heer.

### Spreuken 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/22.json)

*Een goede naam en gunst, vers 1. Rijken en armen, 2, 7, 16. Schranderheid en onnozelheid, 3. Nederigheid in de vreze van de HEERE, 4. Verkeerden, 5. Het onderwijzen en de tucht van de jeugd, 6, 15. Onrechtvaardigen, 8. Een goedgunstig oog, 9. Spotters, 10. Reinheid van het hart en aangenaamheid van de lippen, 11. Rechte kennis en trouweloosheid, 12. De luiaard, 13. Een verleidelijke vrouw, 14. Onderdrukking van de armen, 16, 22, 23. De woorden van de wijzen, 17, 18, 19. De lof van deze spreuken, 20, 21. Het gezelschap van een toornige, 24. Borgtocht, 26, 27. Oude grenspalen, 28. Bekwaamheid in het werk, 29.*

**1** [^spreuken-22-1-a] De[^spreuken-22-1-1] naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de[^spreuken-22-1-2] goede gunst dan zilver en dan goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v1)

**2** [^spreuken-22-2-b] Rijken en armen[^spreuken-22-2-3] ontmoeten elkaar; YHWH[^spreuken-22-2-4] heeft hen allen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v2)

**3** [^spreuken-22-3-c] Een[^spreuken-22-3-5] kloekzinnig mens ziet het[^spreuken-22-3-6] kwaad, en verbergt zich; maar de eenvoudigen[^spreuken-22-3-7] gaan heen door, en worden gestraft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v3)

**4** Het loon van de nederigheid, met[^spreuken-22-4-8] de vrees voor YHWH, is[^spreuken-22-4-9] rijkdom, en eer, en leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v4)

**5** [^spreuken-22-5-10] Doornen en strikken zijn in de weg[^spreuken-22-5-11] van de verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v5)

**6** [^spreuken-22-6-12] Leer de jongen de eerste beginselen[^spreuken-22-6-13] naar de eis van zijn weg; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij[^spreuken-22-6-14] daarvan niet afwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v6)

**7** De[^spreuken-22-7-15] rijke heerst over de[^spreuken-22-7-16] armen; en die ontleent, is de knecht van de[^spreuken-22-7-17] lener. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v7)

**8** [^spreuken-22-8-d] Die[^spreuken-22-8-18] onrecht zaait, zal moeite maaien; en de[^spreuken-22-8-19] roede van zijn toorn zal een einde nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v8)

**9** [^spreuken-22-9-e] Die[^spreuken-22-9-20] goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood[^spreuken-22-9-21] de armen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v9)

**10** Drijf de spotter uit, en de ruzie[^spreuken-22-10-22] zal weggaan, en het geschil met de[^spreuken-22-10-23] schande zal ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v10)

**11** [^spreuken-22-11-f] Die de[^spreuken-22-11-24] reinheid van het hart liefheeft,[^spreuken-22-11-25] wiens lippen[^spreuken-22-11-26] aangenaam zijn, diens vriend is de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v11)

**12** [^spreuken-22-12-27] De ogen van YHWH bewaren de[^spreuken-22-12-28] wetenschap; maar de[^spreuken-22-12-29] zaken van[^spreuken-22-12-30] de trouwelozen zal Hij omkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v12)

**13** [^spreuken-22-13-g] De luiaard[^spreuken-22-13-31] zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden van de straten gedood worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v13)

**14** [^spreuken-22-14-32][^spreuken-22-14-h] De mond van[^spreuken-22-14-33] de vreemde vrouwen is een diepe[^spreuken-22-14-34] gracht; op wie YHWH vergramd is, zal daarin vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v14)

**15** [^spreuken-22-15-35][^spreuken-22-15-i] De dwaasheid is in het hart van de jongen[^spreuken-22-15-36] gebonden; de roede[^spreuken-22-15-37] van de tucht zal ze verre van hem wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v15)

**16** [^spreuken-22-16-k] Die de arme[^spreuken-22-16-38] verdrukt, om het zijne te[^spreuken-22-16-39] vermeerderen, en de rijke[^spreuken-22-16-40] geeft,[^spreuken-22-16-41] komt zeker tot gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v16)

**17** [^spreuken-22-17-42] Neig uw oor, en hoor de woorden[^spreuken-22-17-43] van de wijzen, en stel uw hart tot[^spreuken-22-17-44] mijn wetenschap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v17)

**18** Want het is liefelijk, als u[^spreuken-22-18-45] die[^spreuken-22-18-46] in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen[^spreuken-22-18-47] gepast worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v18)

**19** [^spreuken-22-19-48] Opdat uw vertrouwen op YHWH zij, maak ik u die vandaag bekend;[^spreuken-22-19-49] u ook maak ze bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v19)

**20** Heb ik u niet[^spreuken-22-20-50] heerlijke dingen geschreven van[^spreuken-22-20-51] allerlei raad en wetenschap? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v20)

**21** Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen van de[^spreuken-22-21-52] waarheid; opdat u de redenen van de waarheid antwoorden mag van hen, die u[^spreuken-22-21-53] zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v21)

**22** [^spreuken-22-22-l] Beroof de arme niet, omdat hij[^spreuken-22-22-54] arm is; en[^spreuken-22-22-m] verbrijzel de ellendige niet[^spreuken-22-22-55] in de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v22)

**23** [^spreuken-22-23-n] Want YHWH zal hun[^spreuken-22-23-56] rechtszaak twisten, en Hij zal van hen, die hen beroven, de ziel[^spreuken-22-23-57][^spreuken-22-23-58] roven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v23)

**24** Vergezelschap u niet met een[^spreuken-22-24-59] grammoedige, en ga niet om met een[^spreuken-22-24-60] zeer grimmig man; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v24)

**25** Opdat u zijn[^spreuken-22-25-61] paden niet leert, en[^spreuken-22-25-62] een strik over uw ziel haalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v25)

**26** [^spreuken-22-26-o] Wees niet onder degenen, die in de[^spreuken-22-26-63] hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v26)

**27** Zo u niet had om[^spreuken-22-27-64] te betalen,[^spreuken-22-27-p] waarom zou men uw bed van onder u[^spreuken-22-27-65] wegnemen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v27)

**28** [^spreuken-22-28-q] Zet[^spreuken-22-28-66] de oude grenzen niet terug, die uw vaders gemaakt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v28)

**29** Hebt u een man gezien, die bekwaam in zijn werk is? Hij zal[^spreuken-22-29-67] voor het aangezicht van de koningen gesteld worden; voor het aangezicht van[^spreuken-22-29-68] de ongeachte mensen zal hij niet gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/22.html#v29)

[^spreuken-22-1-a]: Verwijzing a: Eccl. 7:1.
[^spreuken-22-1-1]: Kanttekening 1: Verst. een goede naam, en eerlijke lof bij de mensen. Naam voor goede naam. Het woord goed, moet hier de betekenis geven uit het volgende lidt van dit vers. Vergelijk hierboven, 18. op vers 22.
[^spreuken-22-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: het goed gevoelen, dat vrome mensen van iemand hebben, en de goede genegentheid, die zij hem toedragen. Vergelijk hierboven, 3:4. d’aantekening op het woord gunste.
[^spreuken-22-2-b]: Verwijzing b: Spr. 29:13.
[^spreuken-22-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: zij leven met elkaar, en hebben de een de ander van doen. Vergelijk hieronder, 29:13.
[^spreuken-22-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk die de rijke verbiedt de arme te verachten, en de arme de rijke te benyden. De rijken zijn gehouden de armen uit liefde te helpen, en de armen de rijken voor loon te dienen.
[^spreuken-22-3-c]: Verwijzing c: Spr. 27:12.
[^spreuken-22-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, die voorzichtig is, en kloek van verstant. Zie hierboven, 1. op vers 4.
[^spreuken-22-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk, dat schijnt over de mensen te zullen vallen, en voorsiet zich daar tegen, om het te ontgaan.
[^spreuken-22-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk om dat ze niet en voorsien het kwaad, dat over hen hangt, of het verachten.
[^spreuken-22-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: die met de vrees van de Heer gevoecht is. In dezelfde zin konnen de woorden ook overgeset worden, \[en\] van de vrees van de Heer.
[^spreuken-22-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: Zoals met de ware nederigheid de vrees van God vereenicht is, zo ook heeft de vrees van God de belofte van het tegenwoordige, en toekomende leven. 1.Timoth. 4:8.
[^spreuken-22-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: elendicheden en plagen, daar in de boose door zijn quade werken zo verwerret, en verstrickt wordt, dat hij zich daar uit niet en kan redden.
[^spreuken-22-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: van de onherborenen, en van degenen, die vreemt is vande vrees van God.
[^spreuken-22-6-12]: Kanttekening 12: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk, iemand van joncks op in enige wetenschap, en voornemelijk in de fondamenten van de heilige leer tot zijn zielen zaligheid onderwijzen. Vergelijk Gen. 14. op vers 14. ’T is hier zo vele als Catechizeren, ’t welk dikwijls in’t nieuwe Testament zo ook gebruikt wordt. zie Luc. 1:4. Act. 18:25. Rom. 2:18. 1 Kor. 14:19. Gal. 6:6.
[^spreuken-22-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: naar de mond. Dat wil zeggen: naar de eis of de gelegenheid zijn weechs, dat is, zijn ouderdoms, begrijps, en zijn teerheid. Anders: in het begin, of, de ingang zijn weechs, dat is, in de aanvang zijn levens.
[^spreuken-22-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk van hetgeen, dat u in zijn jonckheid met de eerste onderwijzing hem ingestort hebt.
[^spreuken-22-7-15]: Kanttekening 15: Namelijk die de arme wat leent, of enige weldaad bewijst.
[^spreuken-22-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk die van de rijke wat geleent, of enige weldaad ontvangen heeft.
[^spreuken-22-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die hem een dienste staan moet. Hij en spreekt eygentlich niet van hetgeen dat behoort te gebeuren, maar van hetgeen dat ten meesten deele inde wereld geschiedt.
[^spreuken-22-8-d]: Verwijzing d: Job 4:8. Hos. 10:13.
[^spreuken-22-8-18]: Kanttekening 18: Zie Job 4. op vers 8.
[^spreuken-22-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: de plage, waarmee hij andere door zijn oploopende grimmigheid gequollen, beleedicht, en verdrukt heeft. ’T schijnt een gelijkenis te zijn, van een stok, daar mee men het zaat, en gewas placht te dorschen.
[^spreuken-22-9-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 9:6.
[^spreuken-22-9-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: die vriendelijk, milde, medelydich, en goetdadich is. zo ook Matt. 20:15. Want gewoonlijk openbaart haar de genegentheid van de mensen inde ogen. De goede ooge wordt ook genaamd een eenvoudige ooge. Matt. 6:22. Zie van een quade, of, boose ooge, Deut. 15. op vers 9. en hieronder, 23. 6.
[^spreuken-22-9-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: de dunnen.
[^spreuken-22-10-22]: Kanttekening 22: Namelijk die hij pleecht te verwekken.
[^spreuken-22-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk die hij anderen met zijn twistingen aandoet.
[^spreuken-22-11-f]: Verwijzing f: Ps. 101:6.
[^spreuken-22-11-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de oprechtheid van het gemoed: vande welke zie Gen. 20. vers 5. 1 Kon. 9:4. Ps. 51:12. Matt. 5:8.
[^spreuken-22-11-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die zo bespraakt is, dat hij zijn oprechte gedachten met bevalligheid kan voortbrengen. De oversetting kan ook zo staan: met, of, door, of om de aangenaemheid van zijn lippen is de Koning zijn vriend.
[^spreuken-22-11-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: aengenaemheid; dat wil zeggen: bevalligheid. Zie van deze Ps. 45:3. Eccles. 10:12.
[^spreuken-22-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: de voorzienigheid en zorg van de Heer. Zie 2 Kron. 16. op vers 9.
[^spreuken-22-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: degenen, die met ware wetenschap, en godvruchtige wijsheid begaeft is, en naar dezelve zijn woorden, en werken beleidt. Vergelijk de manier van spreken met Job 35. op vers 13.
[^spreuken-22-12-29]: Kanttekening 29: Anders: woorden.
[^spreuken-22-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: van de goddelozen, die het verbond van de Heer niet trouwelijk houdende, in woorden, en werken zich moetwillichlijk verloopt.
[^spreuken-22-13-g]: Verwijzing g: Spr. 26:13.
[^spreuken-22-13-31]: Kanttekening 31: Namelijk om de arbeid te ontgaan. Dan vindt hij lichtelijk een voorwending van dit, of dat perijckel, ’t welk hij versiert voor handen te wesen.
[^spreuken-22-14-32]: Kanttekening 32: Namelijk door haar vleien, pluimstrijken, en aanlockende woorden.
[^spreuken-22-14-h]: Verwijzing h: Spr. 2:16. en 5:3. en 7:5. en 23:27.
[^spreuken-22-14-33]: Kanttekening 33: Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-22-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk van de elenden voor het lichaam, en de ziel. Vergelijk hieronder, 23:27.
[^spreuken-22-15-35]: Kanttekening 35: Zie hierboven, 12. op vers 23.
[^spreuken-22-15-i]: Verwijzing i: Spr. 13. vers 24. en 19:18. en 23:14. en 29:15, 17.
[^spreuken-22-15-36]: Kanttekening 36: ’T is een gelijkenis te kennen gevende, dat de zonde zo vast aan de jonge jeucht gehecht is, als de dingen die met touwen, en reepen aan elkaar gebonden worden.
[^spreuken-22-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: waar door een kint gekastijdt wordt.
[^spreuken-22-16-k]: Verwijzing k: Spr. 14:31. en 17:5.
[^spreuken-22-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk door bedroch, of gewelt. Vergelijk hierboven, 14. op vers 31.
[^spreuken-22-16-39]: Kanttekening 39: Ofte, zich te vergrooten.
[^spreuken-22-16-40]: Kanttekening 40: Namelijk om zijn gunste, hulpe, en voordering te krijgen tegen de arme.
[^spreuken-22-16-41]: Kanttekening 41: Anders: alleen, of, niet dan tot gebrek. Vergelijk hierboven, 21:5. en d’aant.
[^spreuken-22-17-42]: Kanttekening 42: Deze vermaning wordt hier ingevoegt, om de Leser tot de rechte betrachting van deze spreuken, ja van alle geboden van God op te scherpen.
[^spreuken-22-17-43]: Kanttekening 43: Salomo naemt deze spreuken niet alleen zijn, maar ook van alle andere ware wijsen, die dezelve toestonden, van de welke enige genaamd worden, hieronder, capp. 30, 31.
[^spreuken-22-17-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: mijn leer, en geboden, die u weten moet. Zie hierboven, 15. op vers 7. Anders: om my te kennen. my\] namelijk de wijsheid.
[^spreuken-22-18-45]: Kanttekening 45: Namelijk woorden van de wijsen.
[^spreuken-22-18-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, בִטְנֶ: In uw buik. Dat wil zeggen: in’t binnenste uwes harten. zie hierboven, 18. op vers 8. en 20. op vers 30. Job 15. op vers 2.
[^spreuken-22-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk opdat ghyse bequamelijk, en stichtelijk tot de mensen zou mogen uitspreken.
[^spreuken-22-19-48]: Kanttekening 48: Vergelijk hierboven, 3:5, 6. Hiermee is het einde van deze spreuken aangewesen, het welke is in God te gelooven, en alle goed van hem te verwachten, mits dat wy hem ook gehoorzamen.
[^spreuken-22-19-49]: Kanttekening 49: Namelijk die de wijsheid zoekt, hoorende, of, lesende deze spreuken. Anders: \[doet\] ghyse ook. Vergelijk de manier van spreken met het 15. vers van het volgende hoofdstuk.
[^spreuken-22-20-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: die de heren zelf, en de Gouverneuren, of Regeerderen dienstich zijn, om van hen overlecht, gesproken en in’t werk gesteld te worden. Vergelijk hierboven, 8 op vers 6. Anders: heb ik niet driemaal, dat wil zeggen: dikwijls geschreven?
[^spreuken-22-20-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: allerlei goede aanleyding, en onderwijs, om zich zelf na Godes woord in het publijke, en private leven wel aan te stellen.
[^spreuken-22-21-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: opdat u niet alleen zelf de waarheid en weet, maar ook anderen die bekent maken moocht na de gelegenheid van uw beroeping.
[^spreuken-22-21-53]: Kanttekening 53: Namelijk om eenich werk voor hen in’t bysondere te doen, of voor allen in’t algemeen eenich ampt te bedienen. Anders: die \[tot\] u zenden. Namelijk om goede raad, en rechte onderwijzing van u te hebben.
[^spreuken-22-22-l]: Verwijzing l: Zach. 7:10.
[^spreuken-22-22-54]: Kanttekening 54: De rijke, en machtige en worden niet uitgesloten: maar de arme worden voornemelijk vermeld, om dat ze lichtelijk verdrucket konnen worden. Job 31:21. en om dat wy gehouden zijn hen meest goed te doen. Zie hierboven, 3. op vers 27.
[^spreuken-22-22-m]: Verwijzing m: Ex. 23:6. Job 31:13. Ps. 82:3, 4.
[^spreuken-22-22-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: in’t gerichte, zie Gen. 22. op vers 17.
[^spreuken-22-23-n]: Verwijzing n: Ex. 22:22, 23. Ps. 10:18.
[^spreuken-22-23-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: haar zaken beschermen, en voorstaan. Zie dezelfde manier van spreken, 1 Sam. 25:39. hieronder, 23:11. Jer. 51:36.
[^spreuken-22-23-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: die de elendigen haar goederen, en middelen afnemen.
[^spreuken-22-23-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: het leven nemen.
[^spreuken-22-24-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, בַּעַל: Heer, of, besitter van de toorn. Dat wil zeggen: die van nature, en door gewoonte zeer tot toorn genegen is. zo ook hieronder, 29:22. een Heer van de grimmigheid. Vergelijk Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-22-24-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: man van de grimmicheden, of, van de brandende toornicheden, dat wil zeggen: die haast met grote toorn ontstoken wordt. Vergelijk Job 11. op vers 11. en Ps. 5. op vers 7.
[^spreuken-22-25-61]: Kanttekening 61: Ofte, wegen. zie Gen. 6. op vers 12.
[^spreuken-22-25-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: een kwaad, en verderf over u zelf brengt, dat u niet ontgaan en kont. Vergelijk hierboven, 18. op vers 7.
[^spreuken-22-26-o]: Verwijzing o: Spr. 6:1. en 11:15.
[^spreuken-22-26-63]: Kanttekening 63: Namelijk van de schultheere, tot een teken, dat men voor de schuldenaar borge is. Zie Job 17. op vers 3. en hierboven, 6. op vers 1.
[^spreuken-22-27-64]: Kanttekening 64: Namelijk de schuld-heer, tot wiens versekering u voor de schuldenaar borge geworden bent.
[^spreuken-22-27-p]: Verwijzing p: Spr. 20:16.
[^spreuken-22-27-65]: Kanttekening 65: Namelijk sooder anders in uw huise niet en ware, om de crediteur te voldoen. Verst. dit van degenen, die zich borge stelde voor de schuld van een ander: want daarmee verklaarde hij dat hij rijk was, en de macht had om te betalen, so dat hij hem niet en mochte behelpen met de wet, Ex. c. 22:26, 27. Deut. 24:6. Hoe wel dan de wet van de liefde beval, dat men van de armen noodzakelijke dingen niet en zou te pande nemen nochtans liet het burgerlijke recht zulks in sekeren gevalle toe, ja ook de schuldenaar voor een tijt tot slave te maken. 2 Kon. c. 4:1. Zie ook hierboven, 20:16.
[^spreuken-22-28-q]: Verwijzing q: Deut. 19:14. en 27:17. Spr. 23:10.
[^spreuken-22-28-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, אַל: de palen van de eeuwigheid. Zie van deze palen, Deut. 19:14. en 27:17. hierboven, c. 15. op vers 25. en hieronder, 23:10. en van het woord eeuwigheid, dat hier voor een lange, en onbepaalden tijt genomen wordt. 1 Kon. 1. op vers 31.
[^spreuken-22-29-67]: Kanttekening 67: Voor iemands aangezicht gesteld worden, of, staan. is hem te dienen, of, daar toe bevordert en geroepen te worden. zie Deut. 1. op vers 38. en 1 Kon. 1. op vers 2.
[^spreuken-22-29-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws: duistere. Namelijk lieden, of mensen, dat wil zeggen: gemeene, onbekende, slechte, en niet van aansien.

### Spreuken 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/23.json)

*Eten met heren en met nijdige mensen, vers 1, 2, 3, 6, 7, 8. Rijkdom, 4, 5. Spreken bij dwazen, 9. Oude grenspalen, 10. Wezen, 10, 11. Tucht, 12, 13, 14, 23. Wijsheid, waarheid en verstand, 15, 16, 19, 23, 24. Nijd over de bozen en de vreze van de HEERE, 17, 18. Goede kinderen, 24. Wijndrinkers en vraten, 20, 21, 29 enz. Sluimeren, 21. Gehoorzaamheid aan de ouders, 22, 25. Waarschuwing voor hoeren, 26, 27, 28.*

**1** Als u aangezeten zult zijn om met een[^spreuken-23-1-1] heerser te eten, zo zult u[^spreuken-23-1-2] scherp letten[^spreuken-23-1-3] op degene, die voor uw aangezicht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v1)

**2** En[^spreuken-23-2-4] zet een[^spreuken-23-2-5] mes aan uw keel, als u een[^spreuken-23-2-6] gulzig mens bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v2)

**3** Laat u niet gelusten van zijn[^spreuken-23-3-7] smakelijke spijzen, want het is een[^spreuken-23-3-8] leugenachtig brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v3)

**4** Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van[^spreuken-23-4-9] uw vernuft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v4)

**5** Zult u uw ogen laten vliegen[^spreuken-23-5-10] op wat[^spreuken-23-5-11] niets is? Want[^spreuken-23-5-12] het zal zich[^spreuken-23-5-13] zeker vleugels maken[^spreuken-23-5-14] gelijk een adelaar, die naar de hemel vliegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v5)

**6** Eet het brood niet[^spreuken-23-6-15] van degene, die boos is van oog, en wees niet belust op[^spreuken-23-6-16] zijn smakelijke spijzen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v6)

**7** Want zoals[^spreuken-23-7-17] hij bedacht heeft in zijn ziel,[^spreuken-23-7-18] zo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v7)

**8** Uw hap, die u gegeten hebt, zou u[^spreuken-23-8-19] uitspuwen; en u zou uw liefelijke woorden[^spreuken-23-8-20] verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v8)

**9** [^spreuken-23-9-a] Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou[^spreuken-23-9-21] het verstand van uw woorden verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v9)

**10** [^spreuken-23-10-b] Zet de[^spreuken-23-10-22] oude grenzen niet terug; en kom op de akkers van[^spreuken-23-10-23] de wezen niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v10)

**11** Want hun[^spreuken-23-11-24] Verlosser is sterk; Die zal hun[^spreuken-23-11-25] rechtszaak tegen u twisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v11)

**12** Begeef uw hart tot de[^spreuken-23-12-26] tucht, en uw oren tot de redenen[^spreuken-23-12-27] van de wetenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v12)

**13** [^spreuken-23-13-c] Weer de[^spreuken-23-13-28] tucht van de jongen niet; als u hem met de roede zult slaan, zal hij[^spreuken-23-13-29] niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v13)

**14** U zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van het dodenrijk redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v14)

**15** Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blij zijn,[^spreuken-23-15-30] ja, ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v15)

**16** En mijn[^spreuken-23-16-31] nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen[^spreuken-23-16-32] eerlijke dingen spreken zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v16)

**17** [^spreuken-23-17-d] Uw hart zij niet nijdig over de[^spreuken-23-17-33] zondaren; maar wees[^spreuken-23-17-34] altijd in de vrees voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v17)

**18** [^spreuken-23-18-35][^spreuken-23-18-e] Want zeker, er is een[^spreuken-23-18-36] beloning; en uw[^spreuken-23-18-37] verwachting zal niet afgesneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v18)

**19** Hoor u,[^spreuken-23-19-38] mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op[^spreuken-23-19-39] de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v19)

**20** [^spreuken-23-20-f] Wees niet[^spreuken-23-20-40] onder de wijnzuipers, noch[^spreuken-23-20-41] onder de vleesvreters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v20)

**21** Want een dronkaard en vraat zal arm worden; en de[^spreuken-23-21-42] sluimering doet verscheurde kleren dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v21)

**22** [^spreuken-23-22-g] Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v22)

**23** [^spreuken-23-23-43][^spreuken-23-23-h] Koop de[^spreuken-23-23-44] waarheid, en verkoop ze niet, en ook wijsheid, en tucht, en verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v23)

**24** [^spreuken-23-24-i] De vader van de rechtvaardigen[^spreuken-23-24-45] zal zich zeer verheugen; en die een wijze zoon gewint, zal zich over hem verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v24)

**25** [^spreuken-23-25-46] Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar[^spreuken-23-25-47] zich verheugen, die u gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v25)

**26** Mijn zoon![^spreuken-23-26-48] geef mij uw hart, en laat uw[^spreuken-23-26-49] ogen mijn[^spreuken-23-26-50] wegen bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v26)

**27** [^spreuken-23-27-k] Want een hoer is een[^spreuken-23-27-51] diepe gracht, en een[^spreuken-23-27-52] vreemde vrouw is een nauwe put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v27)

**28** Ook[^spreuken-23-28-53] loert zij als[^spreuken-23-28-54] een rover; en zij[^spreuken-23-28-55] vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v28)

**29** [^spreuken-23-29-56] Bij wie is wee? bij wie[^spreuken-23-29-57] och arme? bij wie ruzie? bij wie het[^spreuken-23-29-58] beklag? bij wie[^spreuken-23-29-59] wonden zonder oorzaak? bij wie de roodheid van de ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v29)

**30** [^spreuken-23-30-l] Bij degenen, die bij de wijn[^spreuken-23-30-60] vertoeven; bij degenen, die komen om[^spreuken-23-30-61] gemengde drank na te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v30)

**31** Zie[^spreuken-23-31-62] de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn[^spreuken-23-31-63] verve geeft, als[^spreuken-23-31-64] hij recht opgaat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v31)

**32** In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een[^spreuken-23-32-65] adder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v32)

**33** Uw ogen zullen naar[^spreuken-23-33-66] vreemde vrouwen zien, en uw hart zal[^spreuken-23-33-67] verkeerdheden spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v33)

**34** En[^spreuken-23-34-68] u zult zijn,[^spreuken-23-34-69] gelijk een, die in[^spreuken-23-34-70] het hart van de zee slaapt; en gelijk een,[^spreuken-23-34-71] die in het bovenste van de mast slaapt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v34)

**35** [^spreuken-23-35-72] Men heeft mij geslagen, zult u zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik[^spreuken-23-35-73] opwaken? Ik zal[^spreuken-23-35-74] hem nog meer zoeken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/23.html#v35)

[^spreuken-23-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: Koning, Vorst, Prince, Heer, of die meerder is dan u bent, en u schade zou konnen aandoen, als u hem enige oorsake van verstooring geven zou.
[^spreuken-23-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, אֶת: lettende letten, dat is, scherpelijk, of neerstelijk letten.
[^spreuken-23-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk die u moet aansien, en in eere hebben, opdat u hem met geen woord, gebeerde, of daat, en verbelcht. Anders: op hetgeen, dat voor u aangezicht is: Namelijk, opdat u daar van niet en nutt, dan met zulke zedigheid, en matigheid, die passend is.
[^spreuken-23-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: bedwingt uw begeerlickheid van onmatelijk te eten, en te drinken, alsof uw kele met een mes daar van afgeschrickt ware. Ofte, anders zou u een mes aan uw kele zetten, etc. Dat wil zeggen: u zou u in het uiterste perijckel steken van lichamelijke kranckheid, of enige andere grote zwarigheid als u de leckere gerichten tot onmatigheid verlockten.
[^spreuken-23-2-5]: Kanttekening 5: Andere vertalen het Hebreeuwse woord doornen: maar de betekenis komt op een uit.
[^spreuken-23-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, בַּעַל: een Heer van de ziel, dat is, van de lust, en van de begeerlickheid. Verstaat een, die zeer graech, en begeerich is tot spijse, en drank. Vergelijk Job 39. vers 1. en d’aantekening op het woord gretigheid. Anders: als u uwes zelf meester, of, liefhebber zijt.
[^spreuken-23-3-7]: Kanttekening 7: Ofte, leckernyen, die de monde zeer aangenaam, en smakelijk zijn. Zo ook hieronder, vers 6. Vergelijk Gen. 27:4, 7, 9. etc.
[^spreuken-23-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: broot van de leugens. Dat wil zeggen: leugenachtige, of bedriegelijke spijse. De betekenis is, dat de hoofsche weelden als een aas zijn, waarmee de mensen verlocket en gewoonlijk in haar verwachtingen bedrogen worden. Vergelijk hierboven, 20:17.
[^spreuken-23-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk dat u zou mogen aanleggen om rijk te worden.
[^spreuken-23-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk op de rijkdom, daar van in’t voorgaande vers gesproken is.
[^spreuken-23-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: geheel onseker, en ongestadich, en in vele nootsaakelickheden krachteloos. Vergelijk Ps. 37:35, 36. en 49:13,18. 1.Tim c. 6. 17. Anders: dat \[haast\] niet zijn zal.
[^spreuken-23-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk het tijdelijke goed, ’t zal zeer haastig daar heen weg-belenden, en u begeven.
[^spreuken-23-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: makende maken.
[^spreuken-23-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk die zo snel naar de Hemel, en om hoge vliecht, dat hij haast uit het gezicht van de mensen verdwenen is. zo ook vergaat de rijkdom in korte tijt, dat men niet en weet, waar hij gebleven, of gestoven is.
[^spreuken-23-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: van degenen, die vrek, afgunstich, en nijdich is. Zie Deut. 15. op vers 9. eveneens hieronder, 28:22. Mark. 7:22. Hier tegen is de goede ooge, vande welke zie hierboven, 22:9. en de aantekening
[^spreuken-23-6-16]: Kanttekening 16: Zie hierboven, op vers 3.
[^spreuken-23-7-17]: Kanttekening 17: Anders: Zoals hij acht in zijn ziel, zo is hij; dat wil zeggen: inwendichlijk bij zich zelf denckt, namelijk dat u het zijn verteert, en verdoet.
[^spreuken-23-7-18]: Kanttekening 18: Namelijk u niets van harten gunnende, maar evenwel zo, dat uit zijn gebeerden, en woorden zijn vreckigheid enigszins kan afgenomen worden; hoewel hij daarmee het tegendeel zoekt te bewijzen.
[^spreuken-23-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: het zou u leet zijn, en spijten dat u van zijn spijse genut, en enige vriendelijke tafel-redenen met hem gehadt zou hebben.
[^spreuken-23-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: verliesen, en geen vrucht daar van krijgen.
[^spreuken-23-9-a]: Verwijzing a: Spr. 9:8. Matt. 7:6.
[^spreuken-23-9-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: hetgeen u verstandig, geleerdelijk, of voorsichtelijk gesproken hebt.
[^spreuken-23-10-b]: Verwijzing b: Spr. 22:28.
[^spreuken-23-10-22]: Kanttekening 22: Zie hierboven, 22. op vers 28. Hebreeuws, אַל: de pale van de eeuwigheid.
[^spreuken-23-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk om dezelve ongelijk te doen: door bedroch, of gewelt.
[^spreuken-23-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk God.
[^spreuken-23-11-25]: Kanttekening 25: Zie hierboven, 22. op vers 23.
[^spreuken-23-12-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: tot de rechte onderwijzing, om wijsheid te leren. Zie hierboven, 1. op vers 2.
[^spreuken-23-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: door de welke de ware wetenschap, en wijsheid geleert, en verkregen wordt.
[^spreuken-23-13-c]: Verwijzing c: Spr. 23:24. en 19:18. en 22:15. en 29:15, 17.
[^spreuken-23-13-28]: Kanttekening 28: Verst. de tucht, die niet alleen geschiedt door woorden, maar ook door straffen, zie hierboven, 7. op vers 22.
[^spreuken-23-13-29]: Kanttekening 29: Namelijk nochte hier door de tijdelijke straf van de Overheid, nochte hierna door de eeuwige straf van God.
[^spreuken-23-15-30]: Kanttekening 30: Gelijke manier van spreken, die grote macht heeft om te versekeren dat verhaalt wordt, is hierboven, 22:19.
[^spreuken-23-16-31]: Kanttekening 31: Verst. door dit woord de inwendichste krachten van de ziel. zie Job 19. op vers 27.
[^spreuken-23-16-32]: Kanttekening 32: Ofte, rechte dingen. Vergelijk hierboven, 1. op vers 3.
[^spreuken-23-17-d]: Verwijzing d: Ps. 37:1. en 73:3. Spr. 24:1.
[^spreuken-23-17-33]: Kanttekening 33: Die geheel genegen zijn tot de zonde, en haar werk daar van maken. Zie Gen. 13:13. 1 Sam. 15:18. Ps. 1:1. en d’aantekening
[^spreuken-23-17-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: gestadelijk, alle de tijt uwes levens.
[^spreuken-23-18-35]: Kanttekening 35: Zie van deze 2 eerste woordekens in’t Hebreeuws: chi im, Job 42. op vers 8.
[^spreuken-23-18-e]: Verwijzing e: Spr. 24:14.
[^spreuken-23-18-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: achterste einde, of, uiterste. Dat wil zeggen: loon, of zalig einde. Zo wordt de loon genaamd, om dat hij het einde van het werk is, of het werk achter na volcht. God heeft de loon uit genade belooft degenen die in zijn vrees tot de einde toe volherden. Vergelijk Ps. 37:37. hieronder, 24:14, 20. Elders betekent het een quaden naloon, en onsalich einde. Zie hierboven, 5:4. en d’aantekening
[^spreuken-23-18-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: het goed, ’t welk u van de genade van God verwacht. zie Job 5. op vers 16.
[^spreuken-23-19-38]: Kanttekening 38: Zie hierboven, 1. op vers 8.
[^spreuken-23-19-39]: Kanttekening 39: Namelijk van de Heer. zie van deze weg. Gen. 18. op vers 19.
[^spreuken-23-20-f]: Verwijzing f: Jes. 5:22. Luk. 21:34. Rom. 13:13. Ef. 5:18.
[^spreuken-23-20-40]: Kanttekening 40: Namelijk om die in haar overdadich drinkken, en gulsich eten na te volgen; ’t welk die lichtelijk doen, die met hen veel verkeren. Zie hierboven, 13:20.
[^spreuken-23-20-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: onder degenen, die voor zich vlees slokken, of, verslinden.
[^spreuken-23-21-42]: Kanttekening 42: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk (naar eeniger gevoelen) het begin, en de genegentheid tot de slaap. Volgens is door het woord dat wy hier in de text hebben, te verstaan de slaperigheid, namelijk, die uit luiheid, en achteloosheid voortkomt.
[^spreuken-23-22-g]: Verwijzing g: Spr. 1:8.
[^spreuken-23-23-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: poochtse op allerlei eerlikke manier te verkrijgen, en wanneer ghyse verkregen hebt, en verlaatse, nochte en vergeetse niet: Zoals de verkoopers voor wat anders haar waren quiteren.
[^spreuken-23-23-h]: Verwijzing h: Spr. 4:8.
[^spreuken-23-23-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: de rechte, en ware kennis van alle dingen, rakende het geloof, en de wandel, die wy moeten weten, om God te behagen, en zalig te worden.
[^spreuken-23-24-i]: Verwijzing i: Spr. 10:1. en 15:20.
[^spreuken-23-24-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: verheugende verheugen. Dat wil zeggen: zeer verheugen. Namelijk om dat hij een rechtveerdigen, en wijsen zoon heeft, dat wil zeggen: die vroom, godvreesende, en verstandich is.
[^spreuken-23-25-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: maakt dat uw vader, en moeder haar verblijden, insiende uw verstandigheid, en deuchtsaemheid.
[^spreuken-23-25-47]: Kanttekening 47: Namelijk voor de weedom, die zij gehadt heeft met u te baren.
[^spreuken-23-26-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: voecht, en begeeft uw verstant, en uw geest hier toe, dat u aanhoort, verstaat, aenneemt, en onderhoudt mijn geboden.
[^spreuken-23-26-49]: Kanttekening 49: Namelijk de ogen uwes verstants.
[^spreuken-23-26-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: de wijze, en manier van leven, die ik u bevele, en voorschrijve, en insonderheid van het vermijden van de hoererije, en van het overspel.
[^spreuken-23-27-k]: Verwijzing k: Spr. 22:14.
[^spreuken-23-27-51]: Kanttekening 51: Namelijk van de elenden, daar uit men niet lichtelijk geraken en kan: Zoals ook niet uit een engen put. Vergelijk hierboven, 22:14. en de aantekening
[^spreuken-23-27-52]: Kanttekening 52: Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-23-28-53]: Kanttekening 53: Namelijk op degenen diese zoekt te verleiden, en in haar onkuische liefde te verstrikken.
[^spreuken-23-28-54]: Kanttekening 54: Ofte, \[een man\] van de roof. Vergelijk Job 24:20. en 35:13. en de aantekening. Anders: als \[op\] een roof. Vergelijk hierboven, 7:10, 11, 12, 13, 14, 15.
[^spreuken-23-28-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: zij is oorsake dat zeer vele mensen in boosheid vervallen, en haar God ongetrouwe worden.
[^spreuken-23-29-56]: Kanttekening 56: Dit is een verhaal van de plagen, en elenden, die uit de dronckenschap voortkomen, vragenscher-wijze voorgestelt. De vrage wordt beantwoort in’t volgende vers.
[^spreuken-23-29-57]: Kanttekening 57: Het Hebreeuwse woord schijnt eigen te zijn degenen, die om de armoede daar in zij gevallen zijn, groot gekerm maken.
[^spreuken-23-29-58]: Kanttekening 58: Ofte ijdel geklap, of onnut geswets, en gesnater.
[^spreuken-23-29-59]: Kanttekening 59: Ofte, slagen. Namelijk diemen lichtveerdelijk op zijn hals haalt met kwaad te spreken door dronckenschap, of de dronckaarts te vergeselschappen.
[^spreuken-23-30-l]: Verwijzing l: Jes. 5:11, 22.
[^spreuken-23-30-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: Lange blijven zitten, zonder van het drinkken een einde te konnen maken.
[^spreuken-23-30-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws: menging, dat wil zeggen: gemengden wijn. Zie hierboven, 9. op vers 2.
[^spreuken-23-31-62]: Kanttekening 62: Namelijk met een onmatige begeerte.
[^spreuken-23-31-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws: ooge. Zie Num. 11. op vers 7.
[^spreuken-23-31-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws: in, of, met richticheden gaat, of, zich doet gaan, dat wil zeggen: als hij zich inden beker beweecht, en door zijn kracht, als met sandekens opspringt, en recht om hoge stijgt. Anders: recht ingaat.
[^spreuken-23-32-65]: Kanttekening 65: Anders: Basilisk.
[^spreuken-23-33-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: die uw niet en zijn. Zie hierboven, 2. op vers 16.
[^spreuken-23-33-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: alle dingen, die dienen om uw wellust te versadigen; of ijdele, lichtvaardige, en onnutte propoosten, of redenen, die haat, nijt, en twist verwekken.
[^spreuken-23-34-68]: Kanttekening 68: Namelijk die u met de drank overlaadt.
[^spreuken-23-34-69]: Kanttekening 69: Namelijk om dat u hoofd zal ontstelt zijn door de dampen van de drank uit de mage rijsende, zoals de zee door de winden, die over dezelve waeyen.
[^spreuken-23-34-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: in’t midden van de zee. zie Ex. 15. op vers 8. De verklaring is Ex. 14:22, 29. zo ook het hart van de hemel, Deut. 4:11, etc. zie daar de aantekening
[^spreuken-23-34-71]: Kanttekening 71: Namelijk als inde meers. Verstaat, een die in groot perijckel is van in eenich swaar ongeluk te vallen.
[^spreuken-23-35-72]: Kanttekening 72: Dit zijn de woorden, die Salomo de dronckaarts toe-eigent, kortelijk te kennen gevende, dat ze zonder gevoelen zijn, niet alleen van het lichaam, om dat ze de slagen niet en gevoelen, maar ook van de geest, om dat ze de drank nauwelicks uitgeslapen hebbende, meteen weer daar aan willen.
[^spreuken-23-35-73]: Kanttekening 73: Namelijk van de wijn.
[^spreuken-23-35-74]: Kanttekening 74: Namelijk de wijn.

### Spreuken 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/24.json)

*Benijding van en het gezelschap van de goddelozen, spotters en dwazen, alsook hun aard en gesteldheid, vers 1, 2, 8, 9, 15, 16, 19, 20. Wijsheid en raad, 4, 5, 6, 7, 13, 14. Slaphartigheid, 10. Het redden van de onschuldigen, 11, 12. De staat van de rechtvaardigen, 15, 16. Vreugde over het ongeluk van een ander, 17, 18. De vreze van God en van de koning, alsook oproerigheid, 21, 22. Het rechtersambt, 23, 24, 25. Een passend antwoord, 26. Huishouding en akkerbouw, 27. Getuigen en wraakzucht, 28, 29. Luiheid, 30 enz.*

**1** [^spreuken-24-1-1][^spreuken-24-1-a] Wees niet nijdig over[^spreuken-24-1-2] de slechte mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v1)

**2** Want hun hart bedenkt[^spreuken-24-2-3] verwoesting,[^spreuken-24-2-b] en hun lippen spreken moeite. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v2)

**3** Door wijsheid wordt een[^spreuken-24-3-4] huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v3)

**4** En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v4)

**5** [^spreuken-24-5-c] Een wijs man is[^spreuken-24-5-5] sterk; en een man van wetenschap[^spreuken-24-5-6] maakt de kracht vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v5)

**6** [^spreuken-24-6-d] Want door[^spreuken-24-6-7] wijze raadslagen zult u[^spreuken-24-6-8] voor u de oorlog voeren, en in de[^spreuken-24-6-9] veelheid van de raadgevers is de[^spreuken-24-6-10] overwinning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v6)

**7** [^spreuken-24-7-11][^spreuken-24-7-e] Alle wijsheid is voor de dwaze[^spreuken-24-7-12] te hoog; hij zal in de[^spreuken-24-7-13] poort zijn mond[^spreuken-24-7-14] niet opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v7)

**8** Die denkt om kwaad te doen, die zal men een[^spreuken-24-8-15] meester van[^spreuken-24-8-16] schandelijke verdichtselen noemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v8)

**9** De gedachte[^spreuken-24-9-17] van de dwaasheid is zonde; en een spotter is de mens een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v9)

**10** Vertoon u zich[^spreuken-24-10-18] slap op de dag[^spreuken-24-10-19] van de benauwdheid, uw kracht is[^spreuken-24-10-20] nauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v10)

**11** [^spreuken-24-11-21][^spreuken-24-11-f] Red degenen, die ter dood[^spreuken-24-11-22] gegrepen zijn;[^spreuken-24-11-23] want zij[^spreuken-24-11-24] wankelen ter doding, zo u zich onthoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v11)

**12** Wanneer u zegt: Zie, wij weten dat niet; zal Hij,[^spreuken-24-12-26] Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe[^spreuken-24-12-27] ziel gadeslaat, zal Hij het[^spreuken-24-12-28] niet weten?[^spreuken-24-12-g] Want[^spreuken-24-12-29] Hij zal de mens vergelden naar zijn werk.[^spreuken-24-12-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v12)

**13** Eet[^spreuken-24-13-30] honing, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw[^spreuken-24-13-31] gehemelte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v13)

**14** [^spreuken-24-14-32][^spreuken-24-14-h] Zo is de kennis van de wijsheid voor uw ziel; als u[^spreuken-24-14-33] ze vindt,[^spreuken-24-14-i] zo zal[^spreuken-24-14-34] er beloning wezen, en uw[^spreuken-24-14-35] verwachting zal niet afgesneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v14)

**15** Loer niet, o goddeloze! op de woning van de[^spreuken-24-15-36] rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v15)

**16** Want de rechtvaardige zal[^spreuken-24-16-37][^spreuken-24-16-k] zevenmaal[^spreuken-24-16-38] vallen, en[^spreuken-24-16-39] opstaan; maar[^spreuken-24-16-l] de goddelozen zullen in[^spreuken-24-16-40] het kwaad neerstruikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v16)

**17** [^spreuken-24-17-m] Verblijd u niet, als uw vijand[^spreuken-24-17-41] valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v17)

**18** Opdat YHWH niet zie, en het kwaad[^spreuken-24-18-42] zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem[^spreuken-24-18-43] afkere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v18)

**19** [^spreuken-24-19-n] Ontsteek u niet over de boosdoeners; wees niet nijdig over de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v19)

**20** Want de kwade zal geen[^spreuken-24-20-44] beloning hebben,[^spreuken-24-20-45][^spreuken-24-20-o] de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v20)

**21** Mijn zoon! vrees YHWH en de koning; vermeng u niet met[^spreuken-24-21-46] hen, die naar verandering staan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v21)

**22** Want hun verderf zal haastig ontstaan; en[^spreuken-24-22-47] wie weet hun[^spreuken-24-22-48] beider ondergang? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v22)

**23** Deze spreuken zijn ook[^spreuken-24-23-49] van de[^spreuken-24-23-50][^spreuken-24-23-p] wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is[^spreuken-24-23-51] niet goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v23)

**24** [^spreuken-24-24-q] Die tot de goddeloze zegt: U bent rechtvaardig; die zullen de[^spreuken-24-24-52] volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v24)

**25** Maar voor degenen, die[^spreuken-24-25-53] hem bestraffen, zal[^spreuken-24-25-54] liefelijkheid zijn; en de[^spreuken-24-25-55] zegen van het goed zal op[^spreuken-24-25-56] hen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v25)

**26** [^spreuken-24-26-57] Men zal de lippen kussen van degene, die rechte woorden antwoordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v26)

**27** [^spreuken-24-27-58] Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op de akker, en[^spreuken-24-27-59] bouw daarna uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v27)

**28** Wees niet[^spreuken-24-28-60] zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zou u[^spreuken-24-28-61] verleiden met uw[^spreuken-24-28-62] lip? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v28)

**29** [^spreuken-24-29-r] Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v29)

**30** Ik ging voorbij de akker van een luiaard, en voorbij de wijngaard van[^spreuken-24-30-63] een verstandeloos mens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v30)

**31** En ziet,[^spreuken-24-31-64] hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn[^spreuken-24-31-65] stenen scheidsmuur was afgebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v31)

**32** Als ik dat aanschouwde,[^spreuken-24-32-66] nam ik het ter harte; ik zag het,[^spreuken-24-32-67] en nam onderwijzing aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v32)

**33** [^spreuken-24-33-68][^spreuken-24-33-s] Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al neerliggende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v33)

**34** Zo zal uw armoede u overkomen, als[^spreuken-24-34-69] een wandelaar, en uw allerlei gebrek als een gewapend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/24.html#v34)

[^spreuken-24-1-1]: Kanttekening 1: Zie Ps. 37. op vers 1.
[^spreuken-24-1-a]: Verwijzing a: Ps. 37:1. Spr. 3:31. en 23:17.
[^spreuken-24-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, אַנְשֵׁי: mannen van de boosheid, of, van het kwaad, dat wil zeggen: mensen die de boosheid toegedaan, of tot alle kwaad genegen zijn. Zie Job 11. op vers 11.
[^spreuken-24-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: schade, en verderf, dat ze haar naasten willen aandoen, ja ook zo over zich zelf brengen.
[^spreuken-24-2-b]: Verwijzing b: Ps. 10:7.
[^spreuken-24-3-4]: Kanttekening 4: Verstaat dit niet alleen van een materiael huis, maar voornemelijk vande huis houding, en vande middelen, waar door een huis, of huisgesin onderhouden wordt. Zo ook is het woord huis genomen, Gen. 39:4. en het woord bouwen, hierboven, 14:1. Zie de aantekening. De betekenis is, dat een goede huis houding door wijsheid, en verstant wordt aangestelt, en tot grote voordeele onderhouden.
[^spreuken-24-5-c]: Verwijzing c: Spr. 21:22.
[^spreuken-24-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, עוֹז: in sterkte, dat wil zeggen: met sterkte begaeft. Verstaat niet de uitwendige, en lichamelijke sterkte, maar de inwendige, en geestelijke.
[^spreuken-24-5-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: als hij uiterlikke sterkte heeft, de wetenschap maakt hem nog sterker. Daarom overtreft hij ook een, die sterk is, en geen verstant en heeft. Somma, wijsheid is beter dan sterkte. Vergelijk hierboven, 21:22. Eccles. 9:15.
[^spreuken-24-6-d]: Verwijzing d: Spr. 11:14. en 15:22. en 20:18.
[^spreuken-24-6-7]: Kanttekening 7: Zie van het Hebreeuwse woord Job 37:12.
[^spreuken-24-6-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: u ten goede, of tot uw besten, en het welvaren van het land.
[^spreuken-24-6-9]: Kanttekening 9: Namelijk van goede raatgevers. Zie hierboven, 18. op vers 22. of, in de grootheid, dat wil zeggen: weerdigheid, bekwaamheid, en kloekheid van dezelve.
[^spreuken-24-6-10]: Kanttekening 10: Ofte, behoudenis. Zie van de beteeckenis van het Hebreeuwse woord teschuah 2 Sam. 8. op vers 6.
[^spreuken-24-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: wijsheden.
[^spreuken-24-7-e]: Verwijzing e: Spr. 14:6.
[^spreuken-24-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: boven zijn begrijp. maar de verstandigen is de wijsheid licht. hierboven, 14. vers 6.
[^spreuken-24-7-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: int raathuis, of de vergadering van de heren. Zie Gen. 22. op vers 17.
[^spreuken-24-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk om yet bysonders voort te brengen, omdat hij zonder wijsheid en raad is. Vergelijk Job 33. en d’aantekening op vers 2.
[^spreuken-24-8-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: practisijn, en qua-konstenaar, die tot schelmerye genegen is, en dezelve weet in’t werk te stellen. zie van het Hebreeuwse woord Baäl, Gen. 14. op vers 13.
[^spreuken-24-8-16]: Kanttekening 16: Zie van het Hebreeuwse woord Job 21. op vers 27.
[^spreuken-24-9-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: van de mens, die dwaas is. Vergelijk Job 24. op vers 20. en 35. op vers 13. Ofte de dwase gedachte.
[^spreuken-24-10-18]: Kanttekening 18: Namelijk dat u onder de tegenspoet en de aanvechtingen beswijckt.
[^spreuken-24-10-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: alsmen alderbest preuve van zijn sterkte moet hebben.
[^spreuken-24-10-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: klein, gering, vernepen, verkrompen, ingedwongen. Dit vers wordt ook zo vertaalt, Vertoont u u slap, dat is, onachtzaam om wijsheid te leren, en sorgeloos, om God te vrezen, uw kracht zal ten dage uw benauwtheid nauwe, of, benauwt wesen.
[^spreuken-24-11-21]: Kanttekening 21: Dit raakt eigenlijk de Richteren, en Overicheden, die van haar officie wegen gehouden zijn de onnoosele te beschermen, ja ook zelfs als ze door gegevene vonnis ter dood veroordeeld zijn, so dan eindelijk haar onnooselheid bleek. Verder raakt het ook alle vroome in het algemeen, die, na de eis haars beroeps, en door wetlikke middelen schuldig zijn de onnoosele voor te staan en te helpen.
[^spreuken-24-11-f]: Verwijzing f: Ps. 82:4.
[^spreuken-24-11-22]: Kanttekening 22: Namelijk ten onrechte.
[^spreuken-24-11-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: zij staan in perijckel om gedoodt te worden. Anders: Want zou u u onthouden van degenen die worden weg-geruckt om gedoodt te worden? Deze vrage loochent sterckelijk, dat dit zou mogen nagelaten worden van degenen, die ampts halven door wettelikke middelen zulks te doen toestaat.
[^spreuken-24-11-24]: Kanttekening 24: Ofte, worden wechtgevoert, of, hellen ter doodingen.
[^spreuken-24-12-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: God. zie hierboven, 16:2. en d’aantekening
[^spreuken-24-12-27]: Kanttekening 27: Namelijk niet alleen ten opsien van de tijdelijke, maar ook van de eeuwige dood.
[^spreuken-24-12-28]: Kanttekening 28: Namelijk of uw excuse waarachtig, en welgegront zy.
[^spreuken-24-12-g]: Verwijzing g: Job 34:11. Ps. 62:13. Jer. 32:19. Rom. 2:6. Openb. 22:12.
[^spreuken-24-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk God, die de harten weecht, etc.
[^spreuken-24-12-25]: Kanttekening 25: Namelijk dat hij onschuldich is, of, hoe dat wy hem zouden mogen helpen. Anders: wy en kennen hem, of, deze niet.
[^spreuken-24-13-30]: Kanttekening 30: De honich was in Palestina een gemeene, en zeer aangename spijse. Vergelijk Ex. 3. op vers 8. De Prophete verklaart nu, dat men die wel nutten mochte voor het lichaam, maar dat men voornemelijk moeste trachten na de wijsheid, die een spijse is aangenaam voor de ziel.
[^spreuken-24-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: in uw mond. Het gehemelte wordt de smaek toegeschreven, Job 12:11. en 34:3.
[^spreuken-24-14-32]: Kanttekening 32: Anders: zo ook kennet de wijsheid voor uw ziel.
[^spreuken-24-14-h]: Verwijzing h: Ps. 19:11. en 119:103.
[^spreuken-24-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: bekomt, of verkrijcht. Zo ook hierboven, 8:9. Zie Gen. 26. op vers 12.
[^spreuken-24-14-i]: Verwijzing i: Spr. 23:18.
[^spreuken-24-14-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws: een laatste, of, achterste, dat wil zeggen: een goed naloon. Zie hieronder, vers 20.
[^spreuken-24-14-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: het goed dat u van de genade van God verwacht. zie Job 5. op vers 16.
[^spreuken-24-15-36]: Kanttekening 36: Hij verbiet neffens de listige aanslagen, ook het openbaar gewelt.
[^spreuken-24-16-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: dikwijls. Een zeker getal voor een onseker. zie Lev. 26. op vers 8.
[^spreuken-24-16-k]: Verwijzing k: Job 5:19. Ps. 34:20.
[^spreuken-24-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk in elenden, en swaricheden. zo ook in’t volgende vers eveneens Ps. 37:24. of ook in zonden, en gebreken, inde welke de vroome ook worden gezegd te vallen. 1 Kor. 10:12.
[^spreuken-24-16-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: daar uit verlost, en opgeholpen worden, namelijk, door Gods genadigen bijstand, Job 5. vers 19. Ps. 34:20.
[^spreuken-24-16-l]: Verwijzing l: Amos 5:2. en 8:14.
[^spreuken-24-16-40]: Kanttekening 40: Namelijk van de straf, en van de tegenheid. Dat wil zeggen: zullen daar in zo gestort worden, dat ze niet weer en zullen konnen opstaan.
[^spreuken-24-17-m]: Verwijzing m: Job 31:29. Spr. 17:5.
[^spreuken-24-17-41]: Kanttekening 41: Namelijk in eenich ongeluk, of zwarigheid.
[^spreuken-24-18-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: hem mishage. Zie Gen. 21. op vers 11.
[^spreuken-24-18-43]: Kanttekening 43: Namelijk om dezelve over u te zenden.
[^spreuken-24-19-n]: Verwijzing n: Ps. 37:1. en 73:3. Spr. 3:31. en 23:17. en hierboven, vers 1.
[^spreuken-24-20-44]: Kanttekening 44: Verst. geen goede, of gewenschte belooning, of geen goed einde. Zie hierboven, 18. op vers 22. Hebreeuws: achterste, of, uiterste, of, einde. Dan het Hebreeuwse woord is ook voor loon genomen. zie hierboven, 23. op vers 18. Anders: nakomelingen: zal geen nakomelingen hebben, en so hij ze krijcht zullen ze vergaan. waar op het volgende vers van sommige geduid wordt.
[^spreuken-24-20-45]: Kanttekening 45: Zie hierboven, c. 20. op vers 20. Job 18 op vers 6.
[^spreuken-24-20-o]: Verwijzing o: Job 18:5, 6. Spr. 13:9. en 20:20.
[^spreuken-24-21-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws: met degenen die veranderen, dat wil zeggen: die veranderingen, en nieuwicheden zoeken, afwijkende vande gehoorzaamheid Gods, en van haar wettelicker Overheid, en zich tegen dezelve opmaken.
[^spreuken-24-22-47]: Kanttekening 47: Alsof hij zei; Hen zal een straf overkomen daar zij niet op en denken: of daar van men qualijk kan weten, of gissen hoe swaar dat ze zal wesen.
[^spreuken-24-22-48]: Kanttekening 48: Zo wel van degenen, die God niet en vrezen, als van degenen die de Overheid niet en ontsien. of, ’t ongeluk van die twee. Namelijk dat hen zo van God, als van de Koning toegesonden zal worden.
[^spreuken-24-23-49]: Kanttekening 49: Ofte, \[behooren\] tot de wijze, of, voor de wijze, of, raken de wijze.
[^spreuken-24-23-50]: Kanttekening 50: Zie Deut. 1:17. en d’aantekening eveneens 16:19. Hetzelfde wordt elders genaamd het aangezicht aannemen, en vereeren. Zie Lev. 19:15. en de aantekening
[^spreuken-24-23-p]: Verwijzing p: Ex. 23:3, 6. Lev. 19:15. Deut. 1:17. en 16:19. Spr. 18:5. en 28:21. Ioh. 7:24. Iac. 2:1.
[^spreuken-24-23-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: ten deucht niet, ’t is zeer kwaad. Zie hierboven, 17. op vers 26.
[^spreuken-24-24-q]: Verwijzing q: Spr. 17:15. Jes. 5:23. en 24:24.
[^spreuken-24-24-52]: Kanttekening 52: Namelijk die goed zijn, God vrezen, de boosheid haten, en de vroomheid liefhebben. Vergelijk hierboven, 18:22. op ’t woord vrouwe.
[^spreuken-24-25-53]: Kanttekening 53: Namelijk de goddeloze.
[^spreuken-24-25-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: het zal hen wel gaan, hen zal materie van blijdschap, en vermaking gegeven worden.
[^spreuken-24-25-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: alle goed zal hen wedervaren van God, en de mensen.
[^spreuken-24-25-56]: Kanttekening 56: Namelijk die de godloose bestraffen.
[^spreuken-24-26-57]: Kanttekening 57: De betekenis is, dat degene, die goede, ware, en stichtige dingen ter bequamer tijt voortbrengt, ge-eert, en bemint zal zijn van degenen die hem hooren, even als ofse hem met een vriendelikken kus ontfingen. Eertijts was het kussen een teekken van eerbied, en bewijs van goetwilligheid. Zie Gen. 27. op vers 26. en 41. op vers 40. Anders: hij kust de lippen, die rechte woorden antwoort. Dat wil zeggen: hij bewijst de meeste vriendschap.
[^spreuken-24-27-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: gedenckt eerst u huis te voorsien van hetgeen noodichst is, om eerlijk het voedsel te krijgen, als door middel van de lantbouwing: daar na machmen denken op hetgeen tot de vermaking van de huisgenoten, of tot cieraat van het huis zou mogen dienen.
[^spreuken-24-27-59]: Kanttekening 59: Verst. dit niet zo zeer van de timmering eenes huis, als van de opschicking, en stoffering van hetzelve.
[^spreuken-24-28-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zonder redelikken, en merckelikken noot, die een mens verbindt om getuigenis te geven, of zonder goede zekerheid van hetgeen er te getuigen is.
[^spreuken-24-28-61]: Kanttekening 61: Namelijk met een vals, of onvast getuigenis te geven, of andersins met getuigen te misdoen.
[^spreuken-24-28-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: met uw woorden, en redenen. zie Job 2. op vers 10.
[^spreuken-24-29-r]: Verwijzing r: Rom. 12:17, 19.
[^spreuken-24-30-63]: Kanttekening 63: Zie hierboven, 6. op vers 32.
[^spreuken-24-31-64]: Kanttekening 64: Namelijk de acker, of wijngaard.
[^spreuken-24-31-65]: Kanttekening 65: In Palestina werden de velden, ackeren, en wijngaarden meest afgeschoten met enige lichte mueren van t’samen gestapelde steenen zonder eenich kalk, of moortel, opdat het wildt gedierte, die niet en zou beschadigen. Vergelijk Num. 22:24. Ezra 9. op vers 9. Ps. 80:13.
[^spreuken-24-32-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, לִבִּ: settede ik mijn hart \[daar op\], dat wil zeggen: ik namt waar, en betrachtede. Vergelijk de manier van spreken met Job 1:8. en d’aantekening daar op.
[^spreuken-24-32-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: ik werd met eens anderen mans schade wijser.
[^spreuken-24-33-68]: Kanttekening 68: Zie de verklaring van dit versje, en het volgende, hierboven, c. 6. op versen 10, 11.
[^spreuken-24-33-s]: Verwijzing s: Spr. 6:10, 11.
[^spreuken-24-34-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws: een man van het schild.

### Spreuken 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/25.json)

*De eer en de raad van God, vers 2. Eveneens de eer, diepzinnigheid en het ambt van de koningen, en de omgang met hen, 2, 3, 4, 5, 6, 7. Pleiten, 8, 9, 10. Te juister tijd spreken en bestraffen, 11, 12. Valse roem van weldadigheid, 14. Lankmoedigheid, een zachte tong, 15. Honing eten, ofwel de rechte matigheid in het lichamelijke en geestelijke, 16, 17. Omgang met vrienden, 17. Een valse getuige, 18. Trouwelozen, 19. Treurigheid, 20. Weldadigheid jegens haters, 21, 22. Een huichelende tong, 23. Een kijfachtige vrouw, 24. Een goed bericht, 25. De slapheid van de vromen tegenover de goddelozen, 26. Haastige toorn, 28.*

**1** Dit zijn ook spreuken van Salomo, die[^spreuken-25-1-1] de mannen van Hizkia, de koning van Juda,[^spreuken-25-1-2] uitgeschreven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v1)

**2** [^spreuken-25-2-3] Het is Gods eer een[^spreuken-25-2-4][^spreuken-25-2-a] zaak te verbergen; maar de eer van de koningen[^spreuken-25-2-5] een zaak te doorgronden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v2)

**3** Aan de hoogte van de hemel, en aan de diepte van de aarde, en aan het hart van de koningen is[^spreuken-25-3-6] geen doorgronding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v3)

**4** [^spreuken-25-4-7] Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een voorwerp voor de smelter uitkomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v4)

**5** [^spreuken-25-5-b] Doe de goddelozen weg van het aangezicht van de koning, en[^spreuken-25-5-c] zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v5)

**6** [^spreuken-25-6-8] Praal niet voor het aangezicht van de koning, en[^spreuken-25-6-9] sta niet in de plaats van de groten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v6)

**7** Want het is beter, dat men tot u zegge:[^spreuken-25-7-10][^spreuken-25-7-d] Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht van een prins[^spreuken-25-7-11],[^spreuken-25-7-12] die uw ogen gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v7)

**8** [^spreuken-25-8-e] Vaar niet[^spreuken-25-8-13] haastig voort om te twisten, opdat u misschien in het[^spreuken-25-8-14] laatste daarvan niet[^spreuken-25-8-15] wat doet, als[^spreuken-25-8-16] uw naaste u zou mogen[^spreuken-25-8-17] beschaamd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v8)

**9** [^spreuken-25-9-18] Twist uw rechtszaak met uw naaste;[^spreuken-25-9-19] maar openbaar het geheime van een ander niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v9)

**10** Opdat degene, die het hoort, u niet smade;[^spreuken-25-10-20] want uw kwaad gerucht zou niet[^spreuken-25-10-21] afgekeerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v10)

**11** Een rede,[^spreuken-25-11-22] op zijn pas gesproken, is als gouden appelen[^spreuken-25-11-23] in zilveren gebeelde schalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v11)

**12** Een wijs bestraffer bij een[^spreuken-25-12-24] horend oor, is een[^spreuken-25-12-25] gouden oorsiersel, en een[^spreuken-25-12-26] halssieraad van het fijnste goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v12)

**13** [^spreuken-25-13-f] Een trouw gezant is[^spreuken-25-13-27] voor hen, die hem zenden, als de koude van de[^spreuken-25-13-28] sneeuw op de dag van de oogst; want hij[^spreuken-25-13-29] verfrist de ziel van zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v13)

**14** Een man, die zichzelf beroemt over een[^spreuken-25-14-30] valse gift, is[^spreuken-25-14-31] als wolken en wind, waar geen[^spreuken-25-14-32] regen bij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v14)

**15** [^spreuken-25-15-g] Een overste wordt door geduld[^spreuken-25-15-33] overreed; en een[^spreuken-25-15-34] zachte tong breekt[^spreuken-25-15-35] het gebeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v15)

**16** Heb u[^spreuken-25-16-36] honing gevonden, eet[^spreuken-25-16-37] dat u genoeg is; opdat u misschien daarvan niet[^spreuken-25-16-38] verzadigd wordt, en die uitspuwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v16)

**17** [^spreuken-25-17-39] Spaar uw voet van het huis van uw naaste, opdat hij niet verzadigd van u wordt, en u hate. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v17)

**18** Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis[^spreuken-25-18-40] sprekende, is[^spreuken-25-18-h] een hamer, en zwaard, en scherpe pijl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v18)

**19** [^spreuken-25-19-41] Het vertrouwen op een trouweloze, op de dag van de benauwdheid, is[^spreuken-25-19-42] als een gebroken tand en[^spreuken-25-19-43] verstuikte voet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v19)

**20** [^spreuken-25-20-i] Die liederen zingt bij een[^spreuken-25-20-44] treurig hart, is gelijk hij, die[^spreuken-25-20-45] een kleed aflegt op de dag van de koude,[^spreuken-25-20-46] en als azijn op salpeter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v20)

**21** [^spreuken-25-21-k] Als degene,[^spreuken-25-21-l] die u haat, hongert, geef hem[^spreuken-25-21-47] brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v21)

**22** Want u zult[^spreuken-25-22-48] vurige kolen op zijn hoofd[^spreuken-25-22-49] hopen, en YHWH zal het[^spreuken-25-22-50] u vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v22)

**23** De noordenwind[^spreuken-25-23-51] verdrijft de regen, en een[^spreuken-25-23-52] vergramd aangezicht de[^spreuken-25-23-53] verborgen tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v23)

**24** [^spreuken-25-24-54][^spreuken-25-24-m] Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een[^spreuken-25-24-55] kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v24)

**25** Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide[^spreuken-25-25-56] ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v25)

**26** De rechtvaardige,[^spreuken-25-26-57] wankelende voor het aangezicht van de goddelozen, is een beroerde[^spreuken-25-26-58] fontein, en verdorven springader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v26)

**27** Veel honigs te eten is[^spreuken-25-27-59] niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid[^spreuken-25-27-60] van zulke dingen[^spreuken-25-27-61] is eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v27)

**28** [^spreuken-25-28-n] Een man,[^spreuken-25-28-62] die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/25.html#v28)

[^spreuken-25-1-1]: Kanttekening 1: Verst. wijze, of Profeten, die geleeft hebben in de tijd van de koning Hizkia, en die hij dit werk gelast heeft, het welke zij door ingeving van de Heilige Geest volbracht hebben.
[^spreuken-25-1-2]: Kanttekening 2: Dit meyntmen geschiedt te zijn, als de Koning Hizkia de kerckelikken, en de burgerlikken staat zijns rijcks in order stelde: want Salomo had 3000 Spreuken gesproken. 1 Kon. 4:32.
[^spreuken-25-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: het dient tot Godes eere.
[^spreuken-25-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk van hetgeen, dat hij bij hem zelf besluit, en te zijn tijt uitvoert, ’t welk dikwijls voor het verstant van alle redelikken schepselen onbegrijpelijk is, en dat wy niet en moeten curieuselijk ondersoekken, maar ootmoedelijk aanbidden; waar mee hij vereert wordt. Vergelijk Deut. 29:29. Rom. 11:33.
[^spreuken-25-2-a]: Verwijzing a: Rom. 11:33.
[^spreuken-25-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk die haar regering betreft, en daar van zij kennis, en verstant moeten hebben, op dat ze haar onderdanen goed recht doen, en haar regering wijselijk aanleggen mogen.
[^spreuken-25-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk die bij geen mensen volkomelijk gebeuren kan, en maar stucxwijse bij velen, en bij het meeste deel geheel geen.
[^spreuken-25-4-7]: Kanttekening 7: Zoals het zilver gereynicht van schuim, en droessem, een bequame mas wert, daar de zilver-smit een schoon stuk wercks van maakt: zo ook een Koning, het schuim van boeven, en onrechtvaardige mensen van hem weerende, maect zijn hof eerlijk, en zijn rijke wordt bevestigt.
[^spreuken-25-5-b]: Verwijzing b: Spr. 20:8.
[^spreuken-25-5-c]: Verwijzing c: Spr. 20:28.
[^spreuken-25-6-8]: Kanttekening 8: Ofte, en stelt u niet heerlijk, of, grootsch, namelijk in woorden, of gelaat, of kleedingen, of op enige andere wijze.
[^spreuken-25-6-9]: Kanttekening 9: Namelijk omdat u van het getal van de Grote niet en bent. Verstaat door de Grote, die groot zijn door haar afkomste, staat, officie, gaven, weerdigheid. Zie 2 Kon. 10. op vers 6.
[^spreuken-25-7-10]: Kanttekening 10: Vergelijk Luk. 14:10.
[^spreuken-25-7-d]: Verwijzing d: Luk. 14:7, 8,9, etc.
[^spreuken-25-7-11]: Kanttekening 11: Zie van het Hebreeuwse woord Job 12. op vers 21.
[^spreuken-25-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: bij wie u u te na gevoecht hebt, om hem met al te grote vryheid in’t aangezicht te zien. Anders: dat het uw ogen zien. Dat wil zeggen: dat u ’t voor uw ogen moet zien, zonder het zelf te konnen keeren.
[^spreuken-25-8-e]: Verwijzing e: Spr. 18:17.
[^spreuken-25-8-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: lichtveerdelijk, onbedachtelijk
[^spreuken-25-8-14]: Kanttekening 14: Namelijk van haastig tot twistingen, en pleytingen te komen.
[^spreuken-25-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk dat onredelijk, en strafbaar zou wesen, als met kijven, vechten, quetsen, en doden.
[^spreuken-25-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk die tegen u twist, of pleit.
[^spreuken-25-8-17]: Kanttekening 17: Namelijk mits u door het recht te verwinnen, en te bewijzen, dat u hem met onrecht, en valsheid hebt beklaecht.
[^spreuken-25-9-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: als u geschil hebt met uw naasten, poocht dat eerst af te doen tussen u beiden, en en verhaast u niet, om dat voor de Richter te brengen.
[^spreuken-25-9-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: draecht u zo beleeft in u geschil, dat u uw naasten in zijn eere niet en quetst, mits te ontdekken, dat wel verswegen mochte zijn. Of, ontdeckt niet dat u een ander in ’t geheim gezegd heeft: ’tzy dat hij u raad in uw zaak heeft gegeven; of dat hij andersins niet en wil hebben dat het een ander weten zal.
[^spreuken-25-10-20]: Kanttekening 20: Namelijk mits u voor een oorblaser, of achterklapper te schelden.
[^spreuken-25-10-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: niet op houden, maar u steets bij blijven.
[^spreuken-25-11-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: te zijn tijt, en plaats, en ten propooste. Hebreeuws, מַשְׂכִּיּוֹת: na zijn wijsen, of, raderen.
[^spreuken-25-11-23]: Kanttekening 23: Ofte, silvere schilderijen, of, beeltenissen. Anders: met zilveren loofwerk verciert.
[^spreuken-25-12-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: die gewillich, en neerstich is, om na goede vermaning te luisteren.
[^spreuken-25-12-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zoals een gouden oorciersel. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 24. op vers 22.
[^spreuken-25-12-26]: Kanttekening 26: Anders: halsbant. Anders: juweel, of, cieraat.
[^spreuken-25-13-f]: Verwijzing f: Spr. 13:17.
[^spreuken-25-13-27]: Kanttekening 27: Hij ziet op de wijze van degenen die in heete landen woonen, en haar drank in de hitte van de zomer verkoelen met ijs, of snee, welke zij in diepe kelders onder d’aarde daar toe bewaren.
[^spreuken-25-13-28]: Kanttekening 28: Namelijk de maeyers is, als zij door de hitte van de dag, en de swaarheid van haar arbeid, dorstich zijnde, verlangen na koelen drank.
[^spreuken-25-13-29]: Kanttekening 29: Namelijk als hij goede tyding wederbrengt. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 19. op vers 8.
[^spreuken-25-14-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: die hij wel met woorden belooft, maar inderdaad niet en geeft. Hebreeuws: gifte van de valsheid.
[^spreuken-25-14-31]: Kanttekening 31: Van dezelfde gelijkenis kanmen ook zien, 2.Petr. 2:17. en Iudae vers 12.
[^spreuken-25-14-32]: Kanttekening 32: Het Hebreeuwse woord גֶשֶׁם, geschem betekent wel meest een plas-regen, die met grote overvloet, en gewelt nedervalt, als Gen. 7:12. en 8:2. Ezra 10:9. maar hier schijnt het allen regen te betekenen, zoals 1 Kon. 17:7.
[^spreuken-25-15-g]: Verwijzing g: Spr. 15:1. en 16. vers 14.
[^spreuken-25-15-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: beweecht, als door redenen, om te doen hetgeen daar hij andersins niet toegesint en is.
[^spreuken-25-15-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zachtmoedig propoost.
[^spreuken-25-15-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: het gemoet, dat zo hart is als been, of (zoals wy zeggen) als steen.
[^spreuken-25-16-36]: Kanttekening 36: Verstaat onder dit woord allerlei lieflijk voetsel, daar van wy onze bekomste mogen nemen, met vermijding van het onmatich misbruik. Sommige verstaan hier door de ondersoeking van hoge, en hemelse zaken, die de geest van de mens wel aangenaam zijn, maar de mate zijns begrijps te boven gaan. Men kan dit vers ook verstaan van het rechte gebruik van de ware vriendschap, die zeer lieflijk is, daar van in het volgende vers gesproken wordt.
[^spreuken-25-16-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: uw genoechsaemheid, dat wil zeggen: uw bekomste; zo veel als uw gesontheid verdragen mach.
[^spreuken-25-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk so u meer aat, dan u genoeg is.
[^spreuken-25-17-39]: Kanttekening 39: Ofte, ontreckt uw voet. Hebreeuws, רַגְלְ: hout uw voet kostelijk, dat wil zeggen: spaarzaam, van in uwes naasten huis al te vrij te komen, en zijn gemeynsaemheid, die hij u toont, onbeleefdelijk te misbruikken. Vergelijk 1 Sam. 3. op vers 1.
[^spreuken-25-18-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws: antwoordende. zie Jud. 18. op vers 14.
[^spreuken-25-18-h]: Verwijzing h: Ps. 11:2. en 57:5. en 59:8. en 120:4. Spr. 12:18.
[^spreuken-25-19-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: het vertrouwen van de trouwloosen, dat wil zeggen: dat men op een trouwloosen vriend stelt, of dat de trouwloose zelf yewers op heeft inden tijt van de nood.
[^spreuken-25-19-42]: Kanttekening 42: Namelijk om daar mee te kauwen alsmen hongerich is.
[^spreuken-25-19-43]: Kanttekening 43: Namelijk om daar mee te loopen alsmen weg moet. Het Hebreeusch woord betekent eigenlijk een voet, die door verstuicktheid wanckelende gemaakt is.
[^spreuken-25-20-i]: Verwijzing i: Rom. 12:15.
[^spreuken-25-20-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, רָֽע: kwaad, of, boos, dat is, droevich, of treurich. Zie Gen. 40. op vers 7. Zo ook wordt goed, voor blij genomen. Zie 1 Kon. 21. op vers 7. De betekenis nu hier is, dattet niet wel en past blij liedekens te zingen bij de droevigen; want bij deze salmen droevich zijn, en bij de blijden blij. Rom. 12:15.
[^spreuken-25-20-45]: Kanttekening 45: ’T welk buiten tijts is.
[^spreuken-25-20-46]: Kanttekening 46: Die het salpeter dissolveert, of, doet smelten.
[^spreuken-25-21-k]: Verwijzing k: Rom. 12:20.
[^spreuken-25-21-l]: Verwijzing l: Ex. 23:4, 5.
[^spreuken-25-21-47]: Kanttekening 47: Verstaat door broot, en water, de geheelen lichamelikken nootdruft. Namelijk spijse, en drank. zie 1 Kon. 13:8. en d’aantekening
[^spreuken-25-22-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: u zult hem daar toe dryven, dat hij de vyantschap, die hij tegen u heeft, haast van hem werpe: Zoals iemand die gloeiende kolen op ’t hoofd gelecht zouden werden, dezelve terstont zou afschudden. Ofte, u zult zijn hart vermorwen, en gedweech maken, dat hij van zijn ongelijk overtuicht zal zijn. Zoals de Smeden het yser met gloeiende kolen vermorwen.
[^spreuken-25-22-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: nemen, dat wil zeggen: nemende hoopen. De Hebreen begrijpen dikwijls onder een woord nog de beteeckenis van een ander. Zie Gen. 12. op vers 15.
[^spreuken-25-22-50]: Kanttekening 50: Namelijk het goed, dat u uw vijand gedaan hebt, hoewel hij tegen u ondanckbaar is.
[^spreuken-25-23-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws: doet smerte, of, weedom aan. ’twelk sommige verstaan van verdrijven, andere van baren.
[^spreuken-25-23-52]: Kanttekening 52: Namelijk van een wijs, en vroom man, die daar in geen behagen en heeft.
[^spreuken-25-23-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws: een tonge van de verborgentheid, dat wil zeggen: die niet recht uit en spreekt, maar omgaat met bedroch, vleierij, achterklap, steking, en terging, etc.
[^spreuken-25-24-54]: Kanttekening 54: Zie de verklaring van dit vers, hierboven, 21. op vers 9.
[^spreuken-25-24-m]: Verwijzing m: Spr. 21:9. en 19.
[^spreuken-25-24-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws: een huisvrouwe van de kijvagien.
[^spreuken-25-25-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: mens, of persoone. Zie Gen. 12. op vers 5. De betekenis is, dat een mens met een goede tijding so wel verquickt is, als een die vermoeit is, met versch koel water.
[^spreuken-25-26-57]: Kanttekening 57: Namelijk enige faute doende voor d’ogen van de onvroomen. Of, niet durvende zijn ampt doen, om de onvroomen te bestraffen. Vergelijk Job 4. op vers 4.
[^spreuken-25-26-58]: Kanttekening 58: Der vroomen monden, en leeringen worden vergeleken bij fonteynen, en sprink-aderen, daar uit alle goede onderwijsingen bloeien, hierboven, 10:11. en 12:14. en 16:22. Wanneer zij dan door enige zwarigheid in zulk haar ampt komen te faalgeren, zo is dat alsof de fontein beroert, en modderich ware, en de sprink-ader verstopt.
[^spreuken-25-27-59]: Kanttekening 59: Maar wel kwaad, en schadelijk. Vergelijk hierboven, vers 16.
[^spreuken-25-27-60]: Kanttekening 60: Namelijk die de honich gelijk zijn. Dat wil zeggen: die soet, lieflijk, en vermakelijk zijn, als de ondersoeking van de nature van de werken Gods, van de geschiedenissen inde wereld, etc.
[^spreuken-25-27-61]: Kanttekening 61: Namelijk alsmen daar in behoorlikke mate houdt, de rechte streek van de waarheid volcht, en het rechte gebruik, en einde bekomt. Dit vers is anders zo overgeset: Veel honichs te eten en is \[de mens\] niet goed, en \[geen\] eere de nasoeking van haar eigene eere.
[^spreuken-25-28-n]: Verwijzing n: Spr. 16:32.
[^spreuken-25-28-62]: Kanttekening 62: Dat is, die zijn gemoet, affecten, en bewegingen niet intoomen, nochte vermeesteren en kan. Hebreeuws, רוּחֽ: wiens geest geen wederhouding, of, heerschappye en heeft.

### Spreuken 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/26.json)

*Dwazen eren, vers 1, 8. Een onverdiende vloek, 2. De tucht van de dwazen, 3. Dwazen antwoorden, 4, 5. Dwaze boden, 6. Schone spreuken van de dwazen, 7, 9. Overlast van de groten door kwade knechten, 10. Herhaalde dwaasheid, 11. Eigenwijsheid, 12. De luiaard, 13, 14, 15, 16. Onnodige twist, 17. Bedrog, onder voorwendsel van gekheid, 18, 19. De influisteraar, 20, 22. Twistzieke lieden, 21. Huichelarij, bedekte haat en praktijken, 23 enz.*

**1** Zoals de sneeuw in de zomer, en gelijk de regen in de[^spreuken-26-1-1] oogst, zo past de zot de[^spreuken-26-1-2] eer niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v1)

**2** Gelijk de[^spreuken-26-2-3] mus is tot wegzweven, zoals een zwaluw tot vervliegen, zo zal een vloek,[^spreuken-26-2-4] die zonder oorzaak is,[^spreuken-26-2-5] niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v2)

**3** [^spreuken-26-3-a] Een zweep is voor het paard, een toom voor de ezel, en[^spreuken-26-3-b] een roede voor de rug van de zotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v3)

**4** [^spreuken-26-4-6] Antwoord de zot naar zijn dwaasheid niet, opdat u ook hem niet gelijk wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v4)

**5** Antwoord de zot[^spreuken-26-5-7] naar zijn dwaasheid, opdat hij[^spreuken-26-5-8] in zijn ogen niet wijs zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v5)

**6** [^spreuken-26-6-9] Hij snijdt zich de voeten af,[^spreuken-26-6-10] en drinkt geweld, die[^spreuken-26-6-11] boodschappen zendt[^spreuken-26-6-12] door de hand van een zot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v6)

**7** Hef de benen van de kreupele[^spreuken-26-7-13] op; zo is een spreuk in de mond van de zotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v7)

**8** Gelijk[^spreuken-26-8-14] hij, die een[^spreuken-26-8-15] edelgesteente in een slinger bindt, zo is hij, die de zot[^spreuken-26-8-16] eer geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v8)

**9** Gelijk een doorn[^spreuken-26-9-17] gaat in de hand van een dronkaard, zo is een spreuk in de mond van de zotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v9)

**10** De[^spreuken-26-10-18] groten doen ieder verdriet aan, en huren[^spreuken-26-10-19] de zotten, en huren de[^spreuken-26-10-20] overtreders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v10)

**11** [^spreuken-26-11-c] Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel[^spreuken-26-11-21] terugkeert, zo herneemt de zot zijn dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v11)

**12** Hebt u een man gezien,[^spreuken-26-12-22] die wijs in zijn ogen is?[^spreuken-26-12-d] Van[^spreuken-26-12-23] een zot is meer[^spreuken-26-12-24] verwachting dan van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v12)

**13** [^spreuken-26-13-25][^spreuken-26-13-e] De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op de weg, een leeuw is op de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v13)

**14** Een deur keert om op haar[^spreuken-26-14-26] herre, zo de luiaard[^spreuken-26-14-27] op zijn bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v14)

**15** [^spreuken-26-15-28][^spreuken-26-15-f] De luiaard verbergt zijn hand in[^spreuken-26-15-29] de boezem, hij is te moe, om die weer tot zijn mond te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v15)

**16** De luiaard[^spreuken-26-16-30] is wijzer in zijn ogen, dan[^spreuken-26-16-31] zeven, die[^spreuken-26-16-32] met rede antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v16)

**17** De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist,[^spreuken-26-17-33] die hem niet betreft, is[^spreuken-26-17-34] gelijk die een hond bij de oren grijpt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v17)

**18** Gelijk een,[^spreuken-26-18-35] die zich veinst te razen, die[^spreuken-26-18-36] vuursprankelen, pijlen en[^spreuken-26-18-37] dodelijke dingen werpt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v18)

**19** Zo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt:[^spreuken-26-19-38] Jok ik er niet mee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v19)

**20** Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt[^spreuken-26-20-39][^spreuken-26-20-40][^spreuken-26-20-g] de ruzie[^spreuken-26-20-41] gestild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v20)

**21** De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; zo is een[^spreuken-26-21-42][^spreuken-26-21-h] kijfachtig man, om twist te ontsteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v21)

**22** [^spreuken-26-22-43][^spreuken-26-22-i] De woorden van de oorblazer zijn als van degenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste van de buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v22)

**23** [^spreuken-26-23-44] Brandende lippen, en een boos hart, zijn[^spreuken-26-23-45] als een potscherf met schuim van zilver overtogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v23)

**24** Die haat draagt,[^spreuken-26-24-46] houdt zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn[^spreuken-26-24-47] binnenste stelt hij bedrog aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v24)

**25** Als[^spreuken-26-25-48] hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want[^spreuken-26-25-49] zeven[^spreuken-26-25-50] gruwelijke dingen zijn in zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v25)

**26** Wiens[^spreuken-26-26-51] haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal[^spreuken-26-26-52] in de gemeente geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v26)

**27** [^spreuken-26-27-k] Die een kuil[^spreuken-26-27-53] graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op[^spreuken-26-27-54] hem zal hij terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v27)

**28** [^spreuken-26-28-55] Een valse tong haat degenen, die zij[^spreuken-26-28-56] verbrijzelt; en een[^spreuken-26-28-57] gladde mond[^spreuken-26-28-58] maakt omstoting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/26.html#v28)

[^spreuken-26-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk niet en voegen, maar ongetijdich, en schadelijk zijn. In het Joodse lant en regende’t niet op de tijt van de oogst, of zeer zelden. Zie 1 Sam. 12:17.
[^spreuken-26-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: staat, en regering, daar mee hij hem zelf te schande maken, en andere verdrukken zou.
[^spreuken-26-2-3]: Kanttekening 3: Zie van het Hebreeuwse woord, (het welke hier voor een mussche genomen wordt) Gen. 7. op vers 14. en Lev. 14. op vers 4.
[^spreuken-26-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: diemen tegen een onschuldigen gedaan heeft.
[^spreuken-26-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: degene, die gevloekt wordt niet treffen, maar van hem als een vogel weg-vliegen.
[^spreuken-26-3-a]: Verwijzing a: Ps. 32:9, 10.
[^spreuken-26-3-b]: Verwijzing b: Spr. 10:13.
[^spreuken-26-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk op die wijze die hij in zijn reden gebruikt, namelijk met smaat-woorden, lasteringen, valse redenen, en bespottingen; en zo ook, dat u u door de twist laat weg-rukken tot onbehoorlikke passien.
[^spreuken-26-5-7]: Kanttekening 7: Namelijk na dat zijn dwaasheid eist; dat ze namelijk met goede vasten grond bestraft, en weerlegd worde.
[^spreuken-26-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: in zijn eigen oordeel, waar door hij zich laat dunkken, dat hij wijs is, zo ook hieronder, versen 12, 16.
[^spreuken-26-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: hij maakt dat hij met zijn zaken niet voortkomen en kan. Ofte, hij beneemt hem zelf de occasie, en bekwaamheid om zijn dingen uit te voeren, gemerckt hij ze veel beter door hem zelf, of door andere, dan door de dwaas doen zou.
[^spreuken-26-6-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: doet zich zelf ongelijk, en behaalt schande, en schade bij degenen, tot de welke hij de dwaas uitsendt. De manier van spreken betekent zo veel, als eenig kwaad lijden, of daarmee gestraft worden. Vergelijk Ps. 75. d’aantekening op vers 9.
[^spreuken-26-6-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, דְּבָרִים: woorden.
[^spreuken-26-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: door de dienst. Zie Ex. 3 op vers 13.
[^spreuken-26-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk opdat hij die in eenich werk wel zou mogen gebruiken. maar zoals dit niet bequamelijk gebeuren en kan, zo en kan ook een dwaas een wijze spreuk niet wel verhalen. Anders: De beenen van de kreupelen zijn opgeheven. Verstaat het een meer dan het andere, so dat ze ongelijk zijn. De betekenis is, zoals de beenen, of schenckelen, eens kreupelen geen proportie en hebben, zo ook zijn de propoosten eens dwaas, ongerijmt, en en passen op elkaar niet. Men kan ook dit vers zo vertalen: Nemet de beenen van de kreupelen weg; en de spreuken \[die\] in de mond van de dwazen zijn. Sommige verstaan ook door de beenen de vercierselen van dezelve, die de kreupelen niet wel en schijnen te voegen. De betekenis zou zijn, dat wijze redenen in de mond van de dwasen niet beter en passen, dan de beenen, of hun cieraat aan de kreupelen.
[^spreuken-26-8-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws: Zoals het binden, of, bindsel van een edel gesteente. Namelijk geheel ongerijmt is, om dat de kostelikke steen geslingert zijnde, niet bysonders en kan uitrechten, en ook verloren wordt, zo ook is hij, etc.
[^spreuken-26-8-15]: Kanttekening 15: Het Hebreeuwse woord wordt ook voor edel gesteente genomen, Ex. 31:5. Zie d’aantekening. Anders: die een \[edel\] gesteente bindt in een steen-hoop.
[^spreuken-26-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: staat, officien, rijkdom, die de dwaas niet en kan recht gebruiken, maar laat verloren gaan.
[^spreuken-26-9-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: opgaat. Dat wil zeggen: Zoals een dronckaart hem zelf, of andere beschadigt, als hij een doorn handelen zou: zo ook en kan een dwaas een goede spreuk niet wel gebruiken.
[^spreuken-26-10-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: De grote doet iedereen verdriet aan: en huert een dwaas, en huert de overtreders. Verst. Tyrannen, of Heren, en Vorsten, of zodanige Grote, die bij dezelve zulk aansien hebben, dat ze een ieder moeite, en verdriet aandoen. Tot welke einde zij dwazen, en overtreders in haar dienst hebben, waar van de eerste niet en konnen, en de andere niet en willen goed doen.
[^spreuken-26-10-19]: Kanttekening 19: Zie hierboven, 1. op vers 22.
[^spreuken-26-10-20]: Kanttekening 20: Anders: de voorbygaande, wiese zouden mogen zijn, die sleechts maar genegen en zijn, het voornemen van de Grote, die hen hueren, te volgen.
[^spreuken-26-11-c]: Verwijzing c: 2.Petr. 2:22.
[^spreuken-26-11-21]: Kanttekening 21: Namelijk om dat weer in te slokken, hebbende vergeten dat het uitgespogene hem qualijk bequam.
[^spreuken-26-12-22]: Kanttekening 22: Zie hierboven, op vers 5.
[^spreuken-26-12-d]: Verwijzing d: Spr. 29:20.
[^spreuken-26-12-23]: Kanttekening 23: Zie hierboven, 1. op vers 22.
[^spreuken-26-12-24]: Kanttekening 24: Namelijk van wijs, en deugdzaam te worden.
[^spreuken-26-13-25]: Kanttekening 25: Vergelijk hierboven, 22:13.
[^spreuken-26-13-e]: Verwijzing e: Spr. 22:13.
[^spreuken-26-14-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: hencksel, of gehing, daar aan zij hangt, en vast is.
[^spreuken-26-14-27]: Kanttekening 27: Namelijk zonder daar van af te komen, om zijn behoorlijk werk te doen.
[^spreuken-26-15-28]: Kanttekening 28: Zie hierboven, 19:24. en d’aantekening daar op.
[^spreuken-26-15-f]: Verwijzing f: Spr. 19:24.
[^spreuken-26-15-29]: Kanttekening 29: Anders: inde schotel.
[^spreuken-26-16-30]: Kanttekening 30: Zie hierboven, op vers 5. eveneens hieronder, 28:11.
[^spreuken-26-16-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: van vele. ’T is een zeker getal voor een onseker. Zie hierboven, 6. op vers 31.
[^spreuken-26-16-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die redelijk, of vernuftelijk, of met goed verstant, en recht oordeel konnen spreken. Van het Hebreeuwse woord zie Job 12:20. op het woord oordeel.
[^spreuken-26-17-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: niet zijn. Dat wil zeggen: die schade werpt: Zoals die een hont bij de ooren treckt, de zelf tergt, om hem te bespringen, en te bijten.
[^spreuken-26-17-34]: Kanttekening 34: 34
[^spreuken-26-18-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: hem gelaat of hij onsinnich, of slecht ware. Zoals onder zulk decksel niemand zich en kan ontschuldigen, als hij iemand leet gedaan heeft, zo ook en is die niet te ontschuldigen, die onder het decksel van jokken, en spelen, zijn naasten beschadigt. Anders: die zich veynst amechtig te zijn.
[^spreuken-26-18-36]: Kanttekening 36: Ofte, vuur-fackelen, of, vlammen. Anders: boeien, banden, of, strikken, daarmee iemand, voornemelijk aan zijn handen, vast gemaakt wordt.
[^spreuken-26-18-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, מָֽוֶת: dood, dat wil zeggen: die de dood iemand konnen aanbrengen.
[^spreuken-26-19-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: ben ik niet jockende, of, geckende? Dat wil zeggen: ’tgene ik gedaan heb, is niet uit moetwille, en een kwaad opset, maar uit jockerije, en genoechte, en al spelende gedaan.
[^spreuken-26-20-39]: Kanttekening 39: Verg. hierboven, 22:10.
[^spreuken-26-20-40]: Kanttekening 40: Zie hierboven, 16. op vers 28.
[^spreuken-26-20-g]: Verwijzing g: Spr. 22:10.
[^spreuken-26-20-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: Swijcht, dat wil zeggen: wordt stil, en houdt op. Zie van het Hebreeuwse woord Joz. 10. op vers 12.
[^spreuken-26-21-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws: een man van de kijvingen, of van de geschillen.
[^spreuken-26-21-h]: Verwijzing h: Spr. 15:18. en 29:22.
[^spreuken-26-22-43]: Kanttekening 43: Zie hierboven, 18:8. alswaar dezelfde spreuk met dezelfde woorden voorgestelt wordt.
[^spreuken-26-22-i]: Verwijzing i: Spr. 18:8.
[^spreuken-26-23-44]: Kanttekening 44: Verst. de mensen, die uit vurige liefde, en goede toegenegentheid schijnen te spreken, maar nochtans tegen hen, diese toespreken, een kwaad hart dragen.
[^spreuken-26-23-45]: Kanttekening 45: Het welke van zich zelf wel van kleyner weerde is, maar van buiten door de schijn, en gelijkheid van het zilver, een schoonen luister geeft, die de mensen bedriecht, menende dat de pot-scherf daarmee overtrokken, goed massijf zilver zy.
[^spreuken-26-24-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: veynscht zich anders van buiten door zijn woorden, dan hij van binnen in zijn hart is.
[^spreuken-26-24-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: in zijn hart. Zie Job 20. op vers 14.
[^spreuken-26-25-48]: Kanttekening 48: Namelijk de hater, van de welke in’t voorgaande vers gesproken is.
[^spreuken-26-25-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: vele. als hierboven, vers 16. en 24:16. Zie hierboven, 6. op vers 31.
[^spreuken-26-25-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: grouwelikke gedachten, en practijkken om kwaad te doen.
[^spreuken-26-26-51]: Kanttekening 51: Anders: \[als\] in een woestijn, dat wil zeggen: in een plaats daar geen mens in en is, die boosheid ziet, of hoort.
[^spreuken-26-26-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: openbaarlijk voor al de wereld, ’tzy in dit leven (zoals het dikwijls geschiedt) of immers ten joncksten dage in’t algemeen oordeel, ten zij dat men zich bekeere.
[^spreuken-26-27-k]: Verwijzing k: Ps. 7:16. en 9:16. en 10:2. en 57:7. Eccl. 10:8.
[^spreuken-26-27-53]: Kanttekening 53: Namelijk om een anderen daar in te doen vallen.
[^spreuken-26-27-54]: Kanttekening 54: Namelijk op hem, die de steen opwaarts tegen een hoochte gewentelt heeft, om op iemand te doen vallen.
[^spreuken-26-28-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws: een tonge van de valsheid, dat wil zeggen: een mens die met een valse tonge omgaat.
[^spreuken-26-28-56]: Kanttekening 56: Ofte, verbrijselen zal, dat wil zeggen: verderven, en uitroeien.
[^spreuken-26-28-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: vleyende, en pluimstrijckende. Vergelijk hierboven, 5:3. en d’aantekening
[^spreuken-26-28-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: slaat een mens te gronde.

### Spreuken 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/27.json)

*Vermetelheid, vers 1. Eigen lof, 2. De toorn van de dwazen, 3. Nijd, 4. Trouwe bestraffingen en geveinsde liefde, 5, 6, 14. Verzadiging en honger, 7. Lichtvaardige verandering van zijn staat of beroep, 8. Trouwe vrienden en buren, 9, 10. Wijsheid en onnozelheid, 11, 12. Borgtocht, 13. Een kijfachtige vrouw, 15, 16. Scherpzinnige gesprekken, 17. Trouwe knechten, 18. De harten van de mensen tegenover elkaar, 19. De onverzadelijkheid van de ogen, 20. Beproeving door lof, 21. Hardnekkige dwazen, 22. Een flinke huishouding, 23, 25, 26, 27. Tijdelijk goed, 24.*

**1** [^spreuken-27-1-a] Beroem u niet over de dag van morgen; want u weet niet, wat[^spreuken-27-1-1] de dag zal[^spreuken-27-1-2] baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v1)

**2** Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v2)

**3** Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de boosheid van de dwazen is[^spreuken-27-3-3] zwaarder dan die beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v3)

**4** Woede en[^spreuken-27-4-4] overloping van toorn is[^spreuken-27-4-5] wreedheid;[^spreuken-27-4-6] maar wie zal voor afgunst bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v4)

**5** Openbare bestraffing is[^spreuken-27-5-8] beter dan[^spreuken-27-5-9] verborgen liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v5)

**6** De[^spreuken-27-6-10] wonden van de liefhebber zijn[^spreuken-27-6-11] getrouw; maar de[^spreuken-27-6-12] kussingen van de hater[^spreuken-27-6-13] zijn af te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v6)

**7** Een verzadigde[^spreuken-27-7-14] ziel[^spreuken-27-7-15] vertreedt[^spreuken-27-7-16] het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v7)

**8** Gelijk een vogel[^spreuken-27-8-17] is, die uit zijn nest omdoolt, zo is een man,[^spreuken-27-8-18] die omdoolt uit zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v8)

**9** [^spreuken-27-9-19] Olie en reukwerk verblijdt het hart; zo is de[^spreuken-27-9-20] zoetigheid van iemands vriend, vanwege[^spreuken-27-9-21] de raad van de ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v9)

**10** [^spreuken-27-10-b] Verlaat uw vriend, noch de vriend van uw vader niet; en ga[^spreuken-27-10-22] in het huis[^spreuken-27-10-23] van uw broer niet op de dag van uw tegenslag. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broer, die verre is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v10)

**11** Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn[^spreuken-27-11-24] smader[^spreuken-27-11-25] wat te antwoorden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v11)

**12** [^spreuken-27-12-26][^spreuken-27-12-c] De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de eenvoudigen gaan heen door, en worden gestraft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v12)

**13** [^spreuken-27-13-27][^spreuken-27-13-d] Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v13)

**14** Die zijn vriend[^spreuken-27-14-28] zegent met[^spreuken-27-14-29] luide stem, zich 's morgens vroeg opmakende,[^spreuken-27-14-30] het zal[^spreuken-27-14-31] hem tot een[^spreuken-27-14-32] vloek gerekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v14)

**15** [^spreuken-27-15-e] Een voortdurende druiping op de dag van de slagregen en[^spreuken-27-15-33] een kijfachtige huisvrouw[^spreuken-27-15-34] zijn even gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v15)

**16** Elk, die[^spreuken-27-16-35] haar verbergt, zou de wind verbergen, en[^spreuken-27-16-36] de olie[^spreuken-27-16-37] van zijn rechterhand, die[^spreuken-27-16-38] roept. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v16)

**17** IJzer scherpt men met ijzer; zo scherpt een man het[^spreuken-27-17-39] aangezicht van zijn naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v17)

**18** Die[^spreuken-27-18-40] de vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal[^spreuken-27-18-41] geëerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v18)

**19** [^spreuken-27-19-42] Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, zo is het hart van de mens tegen de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v19)

**20** [^spreuken-27-20-43] Het dodenrijk en het verderf worden[^spreuken-27-20-44] niet verzadigd; zo worden[^spreuken-27-20-45][^spreuken-27-20-f] de ogen van de mensen niet verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v20)

**21** [^spreuken-27-21-46] De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; zo is een man naar zijn lof[^spreuken-27-21-47] te proeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v21)

**22** [^spreuken-27-22-48] Al stootte u de dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v22)

**23** [^spreuken-27-23-49] Wees ijverig, om[^spreuken-27-23-50] het aangezicht van uw schapen te kennen;[^spreuken-27-23-51] zet uw hart op de kudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v23)

**24** Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal[^spreuken-27-24-52] de kroon van geslacht tot geslacht zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v24)

**25** Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden,[^spreuken-27-25-53] laat de kruiden van de bergen verzameld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v25)

**26** De[^spreuken-27-26-54] lammeren zullen[^spreuken-27-26-g] zijn tot uw kleding, en de bokken[^spreuken-27-26-55] de prijs van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v26)

**27** Daartoe zult u genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw[^spreuken-27-27-56] voedsel, tot voedsel van uw[^spreuken-27-27-57] huis, en[^spreuken-27-27-58] leeftocht van uw maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/27.html#v27)

[^spreuken-27-1-a]: Verwijzing a: Iac. 4:13, 14.
[^spreuken-27-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk niet alleen de dach van morgen, maar ook niet van alle toekomende: zoals zelfs niet het overige van de huidige dach.
[^spreuken-27-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: te voorschijne brengen, waar door hetgeen, het welke u in’t toekomende voorneemt, of wacht, zou mogen verhindert worden. Verg. Iac. 4:13, 14, etc.
[^spreuken-27-3-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: onverdragelicker; namelijk niet alleen om dat ze onbillijk, en onrechtvaardig is, maar ook onmatich, ongetoomt, en met wreedheid vereenicht. zie het volgende vers. Hebreeuws: daar is swaarte van een steen, en gewichte van het zant.
[^spreuken-27-4-4]: Kanttekening 4: Namelijk als de mens met zijn onstuimige, en woedende affecten, niet anders dan een vloet, zich geweldelijk uitstort.
[^spreuken-27-4-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: brengt wreede daden en werkken voort.
[^spreuken-27-4-6]: Kanttekening 6: De betekenis is, dat nijdigheid erger is dan toorn, en grimmigheid, om dat ze dieper in’t hart is, en een verharding van de boosheid daarmee vermengt is.
[^spreuken-27-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: profijtelicker, en meer te begeren.
[^spreuken-27-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk waar door iemand zijn naasten wel gunstich is, en alle goed toewenscht, maar evenwel hem, alst noodich is, niet en bestraft, om zo ook zijn trouwe liefde te bewijzen.
[^spreuken-27-6-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: berispingen, die met eernstige, en harde woorden gedaan zijnde, als een wonde in de ziel geven.
[^spreuken-27-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: zij komen voort uit een trouwe, en gestadige liefde, en dienen tot het welvaren, en de behoudenis van degene, diese krijcht. Vergelijk Ps. 141:5.
[^spreuken-27-6-12]: Kanttekening 12: Verst. allerlei geveynst bewijs van liefde.
[^spreuken-27-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: men moet door vurige, en gedurige gebeden van God begeren, dat hij ons die niet en late bejegenen, zo wel om dat ze ons schadelijk zouden zijn, als om dat ze uit een vals hart voortkomen. Anders: veelvoudich.
[^spreuken-27-7-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: een mens, of persoon. Zo ook in’t volgende. Zie Gen. 12:5. en de aantekening. Ofte verstaat de lust, die de mens tot de spijse heeft. als Ez. 7. vers 19. Zie d’aant.
[^spreuken-27-7-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: veracht, heeft een aftrek, afkeer, en de walge daar van.
[^spreuken-27-7-16]: Kanttekening 16: Verstaat onder deze naam alle aangename, leckere, en delicate spijse. Vergelijk hierboven, 24. op vers 13.
[^spreuken-27-8-17]: Kanttekening 17: Namelijk veel perijckels onderworpen, en in geduerige onruste, tot dat hij een nieuw nest heeft, het welk hij dikwijls qualijk maken, of bekomen kan.
[^spreuken-27-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk lichtveerdelijk, zonder noot, en wettelikke beroeping.
[^spreuken-27-9-19]: Kanttekening 19: Vergelijk hierboven, 21. op vers 17.
[^spreuken-27-9-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zijn vriendelickheid, behulpsaemheid, en lieflikke aansprake.
[^spreuken-27-9-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: uit oorsake van de goede raad die hij hem geeft voor zijn ziel, of die uit het goed hart van de vriend voortkomt. Anders: meer dan de raad zijn eygener ziel.
[^spreuken-27-10-b]: Verwijzing b: Spr. 17:17. en 18:24.
[^spreuken-27-10-22]: Kanttekening 22: De reden is, om dat een vriend altijts lief heeft, hierboven, 17. vers 17. en bijzonder in de noot: maar tussen de broers is dikwijls oneenigheid. hierboven, 18:19. voornemelijk in tegenspoet, hierboven, 19:7. daarom heeft een vriend veelmaals vaster liefde dan een broer, hierboven, 18:24. Sommige verstaan het zo ook, dat men een getrouwe nabuer moet in weerden houden, om dat hij na bij is, daar een broer verre van de hant kan zijn, en niet zo gereet om te helpen.
[^spreuken-27-10-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: uwes bloetvrients. Zie Gen. c. 24. op vers 27.
[^spreuken-27-11-24]: Kanttekening 24: Verstaat onder dit woord alle degenen, die de Ouders, Meesters, of Leraren plegen te verwijten, dat haar kinderen, of school-jongeren, etc. niet wel en zijn onderwezen, of zich niet wel en dragen.
[^spreuken-27-11-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, דָבָֽר: een woord.
[^spreuken-27-12-26]: Kanttekening 26: Zie de verklaring van dit vers, hierboven, 22. op vers 3.
[^spreuken-27-12-c]: Verwijzing c: Spr. 22:3.
[^spreuken-27-13-27]: Kanttekening 27: Zie de verklaring van dit vers, hierboven, 20. op vers 16.
[^spreuken-27-13-d]: Verwijzing d: Spr. 6:1, 2. en 11:15. en 17:18. en 20:16.
[^spreuken-27-14-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: groet, hem wenschende Godes zegen, en alle goed. Zie Gen. 31. op vers 55.
[^spreuken-27-14-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: grote. Dat wil zeggen: onmatelijk, onhebbelijk, en ontijdichlijk, zoals de flatteerders plegen te doen.
[^spreuken-27-14-30]: Kanttekening 30: Namelijk zulke zegening, of groetenis.
[^spreuken-27-14-31]: Kanttekening 31: Namelijk die zo ontijdelijk met openbare pluimstrijcking, om zo yet van zijn vriend te krijgen, zijn zegening, of groetenis gedaan heeft.
[^spreuken-27-14-32]: Kanttekening 32: Namelijk van God, die de vleierij haat: Ofte, van de gesegende vriend, die de vleyer niet gunstich wesen zal, maar veel eer een kwaad nadenkken van hem hebben zal.
[^spreuken-27-15-e]: Verwijzing e: Spr. 19:13.
[^spreuken-27-15-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: een huisvrouwe van de kijgavien, of, geschillen, dat wil zeggen: die tot gekijf, en geschil genegen, of kijfachtich is.
[^spreuken-27-15-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: t’samen te gelijken. Men kan ook het vers zo vertalen, met een geduerige druiping ten dage, etc. is een kijfachtige huisvrouwe te gelijken. Zie breeder verklaring hier van, hierboven, 19. op vers 13.
[^spreuken-27-16-35]: Kanttekening 35: Namelijk de kijfachtige vrouwe. De betekenis is, so iemand haar verbergen, dat wil zeggen: bedwingen konde, hij zou de wint wel verbergen, en vast sluiten. Hij wil zeggen, dat nog het een, nog ’t andere, niet doenelijk en is.
[^spreuken-27-16-36]: Kanttekening 36: Verst. de olie, die zulke grote reukke van haar geeft, die niet en kan voor de mensen verborgen blijven, als ze voor haar neusen komt.
[^spreuken-27-16-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: daarmee hij zijn rechterhant bestreken heeft. Deze wordt hier bijzonderlijk vermelt, om dat in allen handel, en bedrijf van de mensen, die eerst ten voorschijne komt, waar uit dan de reukke van de bestreken olie kan gevaat worden.
[^spreuken-27-16-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: haar zelf meldt, of bekent maakt door haar reukke, de welke gelijkckse niet en kan ingehouden, en verborgen worden, zo ook niet het gekijf van een quade vrouwe.
[^spreuken-27-17-39]: Kanttekening 39: Verst. het gelaat, of wesen van het aangezicht, tot verdriet, vrees, toorn, etc. gesteld zijnde, het welke een ander, na gelegenheid van de zaak, door t’samenspreking opweckt, als hij met goed onderwijs, troost, en raad het hart na behooren stiert, en sterckt. Anders: zo: yser verblijdt (D. maakt blinckende) het yser, zo ook verblijdt een man het aangezicht zijns naasten.
[^spreuken-27-18-40]: Kanttekening 40: Verst. hier mee allen vroomen, en trouwen dienst, die de knechten haar heren schuldig zijn.
[^spreuken-27-18-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: zal vergelding, en weldaad ontvangen. Vergelijk hierboven, 13. op vers 18.
[^spreuken-27-19-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: zoals de gedaante van een mens, die in’t water ziet, haar daar in enigszins vertoont, maar niet volkomelijk; zo ook maakt het hart van de mens zich anderen wel ten dele kenbaar door zijn woorden, gebeerden, en werkken, maar niet zo, dat men zeker daar van kan oordelen. Ierem. 17:9. 1 Kor. 2:11. Dit vers kan ook zo vertaalt worden: de aangesichten zijn tot de aangesichten. Dat is, de mensen in haar uitterlikke gestalte met andere mensen vergeleken, zijn gelijk wateren. Namelijk die elkaar zeer gelijk zijn, hoewelse in koleur, dickte, smaek, etc. verschillen: zo ook is het hart van de mens tot de mens. Dat wil zeggen: zo ook is de mens inwendelijk met zijn naasten te gelijken, omdat zij alle van verdorvene nature zijn, en gelijkke swackheden onderworpen. Sommige nemen ’t zo, dat gelijk het aangezicht van de mens zich vertoont in’t water, zo ook is de ene vriend tegen de andere.
[^spreuken-27-20-43]: Kanttekening 43: Anders: het graf. Zie Job 26:6. en Vergelijk hierboven, 15:11.
[^spreuken-27-20-44]: Kanttekening 44: Namelijk om dat al wat daar in komt, verslonden wordt, en verlooren gaat.
[^spreuken-27-20-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: de begeerten, die door de ogen in’t hart van de mens komen.
[^spreuken-27-20-f]: Verwijzing f: Eccles. 1:8.
[^spreuken-27-21-46]: Kanttekening 46: Zie hierboven, 17. op vers 3.
[^spreuken-27-21-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: het geruchte dat van hem gaat en gestroyt wordt, rakende zijn woorden, en werkken: want alsmen merckt, hoe hij dat geruchte neemt, so wordt hij daar uit geoordeeld hoedanich hij is.
[^spreuken-27-22-48]: Kanttekening 48: Dit is een overtollige manier van spreken, te kennen gevende, dat enige dwase zo hartneckelijk bij haar dwaasheid blijven, dat ze door geen middelen daar van en konnen afgebracht worden.
[^spreuken-27-23-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: kennende zult u kennen. Het woord kennen is hier genomen voor besorgen, en waarnemen. Zie Gen. 18. op vers 19.
[^spreuken-27-23-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: staat, en gelegenheid. Dit woord schijnt mee te brengen, dat een huisvader zelf moet bywijlen na zijn kudde zien, en alle de zorg op andere alleen niet laten staan.
[^spreuken-27-23-51]: Kanttekening 51: De betekenis is, dat elk een neerstelijk letten moet op de winning, bewaring, en regering van zijn goed; ’twelk in oude tijden veel bestont in vee, en beesten. Vergelijk de manier van spreken met Job 1:8. en d’aantekening.
[^spreuken-27-24-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de hoocheid, staat, en heerlickheid, die de rijkdom plegen te vergeselschappen. Hij wil zeggen: Geheel niet. ’Tis een vrage, die sterckelijk loochent.
[^spreuken-27-25-53]: Kanttekening 53: Namelijk tot voorraat van voeder voor u vee.
[^spreuken-27-26-54]: Kanttekening 54: Namelijk haar vellen, en wolle.
[^spreuken-27-26-g]: Verwijzing g: 1 Tim. 6:8.
[^spreuken-27-26-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: om een acker, of weide, of andere nootdurft daarmee te koopen, of te betalen.
[^spreuken-27-27-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws: broot. zo ook in’t volgende. Zie Gen. 3. op vers 19.
[^spreuken-27-27-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: huisgesin. Zie Gen. 7. op vers 1.
[^spreuken-27-27-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, חַיִּים: leven, dat wil zeggen: al wat tot de onderhouding van dit leven noodich is.

### Spreuken 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/28.json)

*Een kwaad en een goed geweten, vers 1. De verandering en het lange leven van de regeerders, 2. De wreedheid van de ene arme over de andere, 3. Goddelozen prijzen en hun weerstaan, 4. Recht verstand, 5. Arme en rijke, 6, 11. Goede en kwade zonen, 7. Woeker, 8. Het gebed van de goddelozen, 9. Verleiding, 10. Eigen wijsheid, goede en kwade regering, 12, 15, 16, 28. Belijdenis van zonden, 13. De vreze van God en verharding, 14. Een doodslager, 17. Oprechte en verkeerde wandel, 18. Vlijt en luiheid, 19. Rijkdom, 20, 22. Het rechtersambt, 21. Bestraffen en vleien, 23. Zijn ouders beroven, 24. Brutaliteit en vertrouwen op God, 25. Eigen vertrouwen en wijsheid, 26. Aalmoezen en onbarmhartigheid, 27.*

**1** [^spreuken-28-1-a] De goddelozen vluchten, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige[^spreuken-28-1-1] is moedig, als een[^spreuken-28-1-2] jonge leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v1)

**2** Om de overtreding[^spreuken-28-2-3] van het[^spreuken-28-2-4] land zijn de vorsten daarvan vele; maar om verstandige en wetende mensen zal ook[^spreuken-28-2-5] verlenging wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v2)

**3** Een[^spreuken-28-3-6] arm man, die de geringen verdrukt, is[^spreuken-28-3-7] een wegvagende regen, zodat er geen brood zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v3)

**4** Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren,[^spreuken-28-4-8] mengen zich in strijd[^spreuken-28-4-9] tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v4)

**5** De[^spreuken-28-5-10] kwade mensen verstaan het[^spreuken-28-5-11] recht niet; maar die YHWH[^spreuken-28-5-12] zoeken, verstaan[^spreuken-28-5-13] alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v5)

**6** [^spreuken-28-6-b] De arme,[^spreuken-28-6-14] wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die[^spreuken-28-6-15] verkeerd is van[^spreuken-28-6-16] wegen, al is hij rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v6)

**7** [^spreuken-28-7-c] Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die[^spreuken-28-7-17] metgezel van de vraten[^spreuken-28-7-18] is,[^spreuken-28-7-19] beschaamt zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v7)

**8** Die zijn goed vermeerdert met[^spreuken-28-8-20] rente en met overwinst,[^spreuken-28-8-21] verzamelt dat voor degene, die zich over de armen ontfermt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v8)

**9** Die zijn oor afwendt van[^spreuken-28-9-22] de wet te horen, diens gebed zelfs zal[^spreuken-28-9-23] een gruwel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v9)

**10** Die de oprechten doet dwalen op een[^spreuken-28-10-24] kwade weg,[^spreuken-28-10-d] zal zelf in[^spreuken-28-10-25] zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v10)

**11** Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is,[^spreuken-28-11-26] doorzoekt hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v11)

**12** [^spreuken-28-12-e] Als de[^spreuken-28-12-27] rechtvaardigen[^spreuken-28-12-28] opspringen van vreugde, is er[^spreuken-28-12-29] grote[^spreuken-28-12-f] heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen,[^spreuken-28-12-30] wordt de mens nauw gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v12)

**13** Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar[^spreuken-28-13-31][^spreuken-28-13-g] die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v13)

**14** Welgelukzalig is de mens,[^spreuken-28-14-32] die steeds vreest; maar die zijn[^spreuken-28-14-33] hart verhardt, zal in het kwaad vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v14)

**15** De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer,[^spreuken-28-15-34] die ginds en weer loopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v15)

**16** Een[^spreuken-28-16-35] vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook[^spreuken-28-16-36] veelvoudig in verdrukkingen;[^spreuken-28-16-37] maar die de gierigheid haat, zal[^spreuken-28-16-38] de dagen verlengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v16)

**17** Een mens,[^spreuken-28-17-39] gedrukt om het[^spreuken-28-17-40] bloed van een[^spreuken-28-17-41] ziel,[^spreuken-28-17-42] zal naar de kuil[^spreuken-28-17-43] toevlieden;[^spreuken-28-17-44] men ondersteune hem niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v17)

**18** Die[^spreuken-28-18-45] oprecht wandelt, zal behouden worden; maar[^spreuken-28-18-46] die zich verkeerd gedraagt in[^spreuken-28-18-47] twee wegen, zal[^spreuken-28-18-48] in de ene vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v18)

**19** Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar[^spreuken-28-19-49] die ijdele mensen volgt, zal met armoede[^spreuken-28-19-50] verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v19)

**20** Een[^spreuken-28-20-51] geheel getrouw man zal[^spreuken-28-20-52] veelvoudig zijn in zegeningen;[^spreuken-28-20-h] maar die haastig is, om rijk te worden, zal[^spreuken-28-20-53] niet onschuldig wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v20)

**21** [^spreuken-28-21-i] De[^spreuken-28-21-54] aangezichten te kennen, is[^spreuken-28-21-55] niet goed; want een man zal[^spreuken-28-21-56] om een stuk broods overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v21)

**22** Die[^spreuken-28-22-57] zich haast naar goed, is[^spreuken-28-22-58] een man van een boos oog; maar hij weet niet,[^spreuken-28-22-59] dat het gebrek hem overkomen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v22)

**23** Die een mens[^spreuken-28-23-60] bestraft, zal[^spreuken-28-23-61] achterna gunst vinden, meer dan die[^spreuken-28-23-62] met de tong vleit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v23)

**24** Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt:[^spreuken-28-24-63] Het is geen overtreding; die is[^spreuken-28-24-64] een gezel van de verdervende man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v24)

**25** [^spreuken-28-25-k] Die[^spreuken-28-25-65] grootmoedig is, verwekt ruzie; maar die op YHWH vertrouwt,[^spreuken-28-25-66] zal vet worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v25)

**26** Die[^spreuken-28-26-67] op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die[^spreuken-28-26-68] in wijsheid wandelt, die zal ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v26)

**27** [^spreuken-28-27-l] Die de armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn[^spreuken-28-27-69] ogen verbergt,[^spreuken-28-27-70] zal veel vervloekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v27)

**28** [^spreuken-28-28-m] Als de goddelozen opkomen,[^spreuken-28-28-71] verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/28.html#v28)

[^spreuken-28-1-a]: Verwijzing a: Lev. 26:36. Deut. 28:28. Jes. 57:21.
[^spreuken-28-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk door het vast vertrouwen, dat ze op de Heer stellen. Anders: de rechtvaardige zijn als een jonge leeuw, \[die\] moedich is. Hebreeuws: vertrouwt.
[^spreuken-28-1-2]: Kanttekening 2: Die ordinaarlijk moediger, en onbevreesder is dan een leeuwen wulp, of oudachtich leeuw. Vergelijk hierboven, 19. de aantekening op vers 12.
[^spreuken-28-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: van de inwoonderen van het land.
[^spreuken-28-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk om dat de één haast zijn naturelikke dood sterft, de andere vermoort, en uitgeroeid wordt. zie voorbeelden 1 Kon. 16. en 2.Reg c. 24, etc. Hier door komen grote veranderingen in een lant, die de inwoonderen zeer sorgelijk, en schadelijk zijn.
[^spreuken-28-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk van het leven van een goede Regent, en van de goede regering.
[^spreuken-28-3-6]: Kanttekening 6: Deze wordt hier voornemelijk genaamd, om dat hij meer dan de rijke behoorde medelijden te hebben met de arme, als welcker elende hij mee gevoelt, en om dat de arme het goed, dat ze de armen ontnomen hebben, niet en konnen, zoals wel de rijke, wedergeven, ja ook om dat ze behoeftiger zijnde, met weinig verongelijckens dikwijls niet te vreden en zijn.
[^spreuken-28-3-7]: Kanttekening 7: Verst. dit van een regen, die door zijn grootte en geduerigheid een vloet maakt, waar door het koorn met andere granen en vruchten worden nedergeslagen, uitgeroeid, en wechgesleept: so dat er op het velt geen voorraat van broot, en andere leeftocht overgelaten en wordt.
[^spreuken-28-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk met de bestraffing van haar godtloosheid door woorden, en goede wandeling, en andersins, na dat haar beroeping uitwijst.
[^spreuken-28-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk die de wet verlaten.
[^spreuken-28-5-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, אַנְשֵׁי: de mannen, of, lieden van het kwaad. Dat wil zeggen: die het kwaad toegedaan zijn, en hetzelfde bedrijven. zie Job 11. op vers 11.
[^spreuken-28-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: hetgeen zij schuldig zijn te gelooven, te doen, en te laten.
[^spreuken-28-5-12]: Kanttekening 12: Zie 2 Kron. 11. op vers 16.
[^spreuken-28-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk dat hen ter zaligheid noodich is, rakende de zaken van het geloof, en van de wandel.
[^spreuken-28-6-b]: Verwijzing b: Spr. 19:1.
[^spreuken-28-6-14]: Kanttekening 14: Vergelijk hierboven, 2:7. en d’aantekening.
[^spreuken-28-6-15]: Kanttekening 15: Vergelijk hierboven, 2. op vers 15.
[^spreuken-28-6-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeuwse woord betekent twee wegen. Het schijnt dat de H. Geest zo spreekt, om dat de rechte weg, die in’t midden van twee uiterste gebreken gesteld is, van de onvroome verlaten wordt, mits niet alleen tot het één van de twee uiterste gebreken, maar ook dikwijls tot beide af te wijkken. Men kan ’t ook zo verstaan, dat enige onvroome zich zo gelaten, als ofse vroom waren, en nochtans onvroomelijk wandelen, en handelen: het welke twee wegen zijn: de één is, zich met woorden, en gebeerden te gelaten dat men niet en is: de andere, zich inderdaad te betoonen, dat men in der waarheid is. Ofte, twee wegen zijn, zich bij de vroome te veynsen als ofmen ook vroom ware, en bij de boose zich te dragen, als die recht boos is, vergelijk hieronder, vers 18.
[^spreuken-28-7-c]: Verwijzing c: Spr. 29:3.
[^spreuken-28-7-17]: Kanttekening 17: Zie van deze ook Deut. 21:20. en hierboven, 23:20, 21. en verstaat onder dezelfde alle grove overtreders van de wet.
[^spreuken-28-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: voeder, en onderhouder. Hebreeuws: weyder. Vergelijk hierboven, 13. op vers 20.
[^spreuken-28-7-19]: Kanttekening 19: Zie hierboven, 10. op vers 5. onder de naam van de vader begrijpt ook de moeder. zie hierboven, 15:20.
[^spreuken-28-8-20]: Kanttekening 20: Zie van deze 2 woorden, Lev. 25. op vers 36.
[^spreuken-28-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk door de geheime beschicking van de godtlicker voorzienigheid, zonder dat hij daar op denckt.
[^spreuken-28-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk Gods.
[^spreuken-28-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk voor God. zie hierboven, 3. op vers 32. en Vergelijk hierboven, 15:8. en 21:27.
[^spreuken-28-10-24]: Kanttekening 24: Zie hierboven, 2. op vers 12.
[^spreuken-28-10-d]: Verwijzing d: Spr. 26:27.
[^spreuken-28-10-25]: Kanttekening 25: Namelijk die hij voor de rechtsinnigen gemaakt had. Zie hierboven, 26:27.
[^spreuken-28-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: let op hem (namelijk op de rijkken) ziend meer op zijn doen, en laten, dan op de luister van zijn rijkdommen, die nog wijsheid, nog deugt en konnen geven.
[^spreuken-28-12-e]: Verwijzing e: Spr. 11:10, 11.
[^spreuken-28-12-27]: Kanttekening 27: Verst. insonderheid de vroome Regeerders van landen, en steden.
[^spreuken-28-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: welvaren, geluckich zijn, floreren, en bloeien.
[^spreuken-28-12-29]: Kanttekening 29: Ofte, cierlickheid, dat wil zeggen: goede, welgestelde order in kerckelikke, en politijkke zaken, trouwe bediening van alle ampten, met allerlei zegen van de Heer.
[^spreuken-28-12-f]: Verwijzing f: Ond. vers 28.
[^spreuken-28-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk om dat hij zich versteekt, en verbercht, uit vrees van vervolch, en verdrukking, die de onvroome Regeerders aanrichten, bijzonderlijk tegen de rechtvaardige. Vergelijk hieronder, vers 28.
[^spreuken-28-13-31]: Kanttekening 31: Namelijk voor de Heer, of ook voor de mensen, als de zaak zulks vereist.
[^spreuken-28-13-g]: Verwijzing g: Ps. 32:3, 5. 1 Joh. 1:9, 10.
[^spreuken-28-14-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die oprecht bekeerd zijnde door ware eerbied, die hij God toedraagt, hem vreest te vertoornen, en voor ogen nemende de straffen, die de quaden bereid zijn, zich in ootmoet, en kinderlikke vrees, na de geboden van God aanstelt, om niet verloren te gaan.
[^spreuken-28-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: zich geheel moetwillich aanstelt, en tot opstandigheid overgeeft. Vergelijk Ex. 4. op vers 21. en 8. op vers 15. en 32. op vers 9. en 2 Kon. 17. op vers 14.
[^spreuken-28-15-34]: Kanttekening 34: Namelijk van honger om een roof te krijgen: zoals van de duivel wert gezegd, 1 Petr. 5:8.
[^spreuken-28-16-35]: Kanttekening 35: Ofte, voorganger, of, Leydsman, of, Overste, die het volk voorgaat in’t ampt van de regering. Zie Nehem. 11:11. en d’aantekening.
[^spreuken-28-16-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: een groot onderdrucker, of doet velerlei overlast aan zijn onderdanen, en is daarom ook zelf Gods straf en velerley onderdrucking onderworpen.
[^spreuken-28-16-37]: Kanttekening 37: Ofte, elk een, namelijk, van de Voorgangeren, die de vuile winst, of, de gierigheid haten.
[^spreuken-28-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk zijns levens. Dat wil zeggen: een lank leven hebben door de middelen daar toe van God verordineert. Vergelijk hierboven, 3. op vers 2.
[^spreuken-28-17-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: vervolcht van de bloetwreker, en beanxt van zijn conscientie. Anders: die gewelt heeft gedaan aan het bloet eener ziel. Namelijk dat hij moetwillens, en ten onrechte vergoten heeft.
[^spreuken-28-17-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: de dootslach. zie Gen. 37. op vers 26.
[^spreuken-28-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: eens mensen. Zie Gen. 12. op vers 5.
[^spreuken-28-17-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: na het verderf, of na zijn ondergank. Zo ook is het woord kuil genomen Ps. 7:16. en 28:1. en 30:4. en 40:3.
[^spreuken-28-17-43]: Kanttekening 43: Namelijk uit vrees van de godtlicker wrake, so dat hij herwaart, en derwaart de vlucht nemende, onvoorsiens in eenich verderf vallen zal.
[^spreuken-28-17-44]: Kanttekening 44: Anders: laat niemand hem vast houden. Namelijk opdat hij in de kuil immers gerake, daar in hij moet wesen. Dat wil zeggen: niemand soekke hem te verlossen, of te verbergen, of op enige andere manier van de straf vry te maken.
[^spreuken-28-18-45]: Kanttekening 45: Zie hierboven, 2. op vers 7.
[^spreuken-28-18-46]: Kanttekening 46: Zie hierboven, 2. op vers 15. en hierboven, vers 6.
[^spreuken-28-18-47]: Kanttekening 47: Zie hierboven, op vers 6.
[^spreuken-28-18-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: zal in een van beiden verloren gaan, namelijk, ’t zy dat hij hem bij de vroome voecht in zijn uiterlikken wandel, om dezelfde gelijk te schijnen, of door enige schijn zich vergeselschapt bij de quade, om van haar profijten te genieten.
[^spreuken-28-19-49]: Kanttekening 49: Zie hierboven, 12. op vers 11.
[^spreuken-28-19-50]: Kanttekening 50: Zie Job 7. op vers 4.
[^spreuken-28-20-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, אִישׁ: een man van waarheden, of, van trouwheden. zie hierboven, 11. op vers 17. Verstaat een, die waarachtig, oprecht, en trouw in zijn handel is.
[^spreuken-28-20-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: zal zeer gesegent worden. God zal hem goed doen, en de vroome zullen hem goed toewenschen.
[^spreuken-28-20-h]: Verwijzing h: Spr. 13:11. en 20:21. en 23:4.
[^spreuken-28-20-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: niet zonder nadenkken van ongerechtige handelingen, misbruikken, en zonden; en daarom ook niet onstrafbaar gehouden worden.
[^spreuken-28-21-i]: Verwijzing i: Spr. 18:5. en 24:23.
[^spreuken-28-21-54]: Kanttekening 54: Zie Deut. 1:17. en d’aant. dit is even zo veel, als de aangesichten, of, persoonen aan te nemen. Lev. 19:15. Zie ook daar d’aantekening.
[^spreuken-28-21-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: geheel kwaad. zie hierboven, 17. op vers 26.
[^spreuken-28-21-56]: Kanttekening 56: De betekenis is, indienmen de persoonen in’t gerichte mochte aansien, de mensen en zouden geheel geen werk van overtredingen maken: om een stuk broots, (alsoomen zegt) ja om niet met allen zou men grote schelmerye bedrijven.
[^spreuken-28-22-57]: Kanttekening 57: Verst. een verhaasting, die met grote beroering, en bekommering van de geest vereenigt is: zoals ook het Hebreeuwse woord voor beroert worden, overgeset wordt, 2 Sam. 4:1. inde aantekening. Job 4:5. en 21:6. en 23:15.
[^spreuken-28-22-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: die een boose ooge heeft. Verst. een nijdich, stuer, en gierich mens. zie Deut. 15. op vers 9. en hierboven, 23. op vers 6.
[^spreuken-28-22-59]: Kanttekening 59: Namelijk zo wel van God, die hij vergramt door zijn gierigheid, en wreedheid, als vande mensen, die hij daarmee beschadigt.
[^spreuken-28-23-60]: Kanttekening 60: Namelijk met woorden. Zie hierboven, 15. op vers 31.
[^spreuken-28-23-61]: Kanttekening 61: Namelijk als hij die bestraft is geweest, bevinden, en bemerkken zal, dat de bestraffing hem goed gedaan heeft. Anders: my navolgende.
[^spreuken-28-23-62]: Kanttekening 62: Vergelijk hierboven, 2:16. en de aantekening op het woord vleien.
[^spreuken-28-24-63]: Kanttekening 63: Alsof hij zei: ’Ten is geen dieverije, die God in zijn wet verbiedt, omdat het goed my na haar dood toekomt.
[^spreuken-28-24-64]: Kanttekening 64: Ofte, de verdervenden man; of, van de man van de verderving, dat wil zeggen: of van de moordenaar, om dat hij zijn vader, of moeder, of beiden, de middelen beneemt, daarmee zij haar leven moeten onderhouden, of van de verquister, en doorbrenger, van de welke zie hierboven, 18:9. van het woord verderven. Zie Richt. 20. op vers 21.
[^spreuken-28-25-k]: Verwijzing k: Spr. 13:10. en 15:18. en 29:22.
[^spreuken-28-25-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws: breet, of, wijt van ziel.
[^spreuken-28-25-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: rijk, en welvarende aan lijf, en ziel. Namelijk omdat hij nederig zijnde, en zich op God alleen verlatende, niet anders dan in vrede met zijn naasten zoekt te leven.
[^spreuken-28-26-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: die op zijn eigenen sin staat, en zijn eigen goetdunkken alleen volcht.
[^spreuken-28-26-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: na de leer, die de rechte wijsheid is, ons in Gods woord voorgeschreven, en na de raad van degenen, die dezelfde volgen.
[^spreuken-28-27-l]: Verwijzing l: Deut. 15:7, 8, 10. Spr. 19:17. en 22:9.
[^spreuken-28-27-69]: Kanttekening 69: Namelijk van de armen, door onbarmhertigheid, en gierigheid.
[^spreuken-28-27-70]: Kanttekening 70: Hebreeuws: zal veelvoudich zijn van vervloekingen, dat wil zeggen: zal zeer vervloekt worden: zo ook hierboven, vers 20. Veelvoudich in zegeningen, voor degene, die zeer gesegent wordt.
[^spreuken-28-28-m]: Verwijzing m: Bov. vers 12.
[^spreuken-28-28-71]: Kanttekening 71: Vergelijk boven de laetste aantekening op vers 12.

### Spreuken 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/29.json)

*Hardnekkigheid, vers 1. Goede en kwade regering, 2, 4, 12, 14, 16. Wijsheid en hoeren, 3. Vleien, 5. Bozen, goddelozen, ongerechtigen en rechtvaardigen, 6, 7, 27. Spotters, dwazen en wijzen, 8, 11. Het pleidooi van een wijze met een dwaas, 9. De haat en de liefde van de oprechten, 10. Woorden, 11, 20. Een arme en woekeraars, 13. Tucht, 15, 17, 19, 21. Profetie, 18. Toornigheid, 22. Hoogmoed en nederigheid, 23. Gemeenschap met dieverij, 24. Onmatige vrees en vertrouwen op God, 25. Gods regering over rechtszaken, 26.*

**1** [^spreuken-29-1-1] Een man, die, dikwijls bestraft zijnde,[^spreuken-29-1-2] de nek verhardt, zal plotseling verbroken worden, zodat[^spreuken-29-1-3] er geen genezen aan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v1)

**2** [^spreuken-29-2-a] Als de rechtvaardigen[^spreuken-29-2-4] groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst,[^spreuken-29-2-5] zucht het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v2)

**3** [^spreuken-29-3-b] Een man, die van de wijsheid houdt, verblijdt zijn vader;[^spreuken-29-3-6][^spreuken-29-3-c] maar die een metgezel van de hoeren is, brengt het goed door. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v3)

**4** [^spreuken-29-4-7] Een koning houdt[^spreuken-29-4-8] het land staande[^spreuken-29-4-9] door het recht;[^spreuken-29-4-10] maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v4)

**5** Een man, die zijn naaste[^spreuken-29-5-11] vleit,[^spreuken-29-5-12] spreidt een net uit voor diens gangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v5)

**6** In de overtreding van een slechte man is een[^spreuken-29-6-13] strik; maar de rechtvaardige[^spreuken-29-6-14] juicht en is blij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v6)

**7** [^spreuken-29-7-d] De[^spreuken-29-7-15] rechtvaardige[^spreuken-29-7-16] neemt kennis van de rechtzaak van de armen; maar de goddeloze begrijpt[^spreuken-29-7-17] de wetenschap niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v7)

**8** [^spreuken-29-8-18] Spotdrijvende mensen[^spreuken-29-8-19] blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren de[^spreuken-29-8-20] toorn af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v8)

**9** Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat[^spreuken-29-9-21] hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen[^spreuken-29-9-22] rust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v9)

**10** [^spreuken-29-10-23] Bloedgierige mensen haten de[^spreuken-29-10-24] vrome; maar de oprechten zoeken zijn[^spreuken-29-10-25] ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v10)

**11** [^spreuken-29-11-e] Een zot laat[^spreuken-29-11-26] zijn hele geest uit, maar de wijze[^spreuken-29-11-27] wederhoudt die achteruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v11)

**12** Een[^spreuken-29-12-28] heerser, die op[^spreuken-29-12-29] leugentaal[^spreuken-29-12-30] acht geeft, al[^spreuken-29-12-31] zijn dienaren zijn goddeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v12)

**13** [^spreuken-29-13-f] De arme en[^spreuken-29-13-32] de bedrieger[^spreuken-29-13-33] ontmoeten elkaar; YHWH[^spreuken-29-13-34] verlicht hun beider ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v13)

**14** [^spreuken-29-14-g] Een koning, die de[^spreuken-29-14-35] armen in trouw[^spreuken-29-14-36] recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v14)

**15** [^spreuken-29-15-h] De[^spreuken-29-15-37] roede, en de[^spreuken-29-15-38] bestraffing geeft wijsheid;[^spreuken-29-15-i] maar een kind,[^spreuken-29-15-39] dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt[^spreuken-29-15-40] zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v15)

**16** Als de goddelozen[^spreuken-29-16-41] velen worden, wordt de overtreding veel; maar[^spreuken-29-16-k] de rechtvaardigen zullen[^spreuken-29-16-42] hun val aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v16)

**17** [^spreuken-29-17-43][^spreuken-29-17-l] Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v17)

**18** Als er geen[^spreuken-29-18-44] profetie is, wordt het volk[^spreuken-29-18-45] ontbloot; maar welgelukzalig is hij,[^spreuken-29-18-46] die de wet bewaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v18)

**19** Een[^spreuken-29-19-47] knecht zal door de woorden[^spreuken-29-19-48] niet getuchtigd worden;[^spreuken-29-19-49] hoewel hij u verstaat, toch zal hij[^spreuken-29-19-50] niet antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v19)

**20** [^spreuken-29-20-51] Hebt u een man gezien, die haastig in zijn[^spreuken-29-20-52] woorden is?[^spreuken-29-20-m] Van een zot is meer[^spreuken-29-20-53] verwachting dan van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v20)

**21** Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een[^spreuken-29-21-54] zoon willen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v21)

**22** [^spreuken-29-22-n] Een[^spreuken-29-22-55] boos man verwekt ruzie; en[^spreuken-29-22-56] de grammoedige is veelvoudig in overtreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v22)

**23** [^spreuken-29-23-o] De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer[^spreuken-29-23-57] vasthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v23)

**24** Die met een dief deelt,[^spreuken-29-24-58] haat zijn ziel;[^spreuken-29-24-59][^spreuken-29-24-p] hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v24)

**25** De[^spreuken-29-25-60] siddering van de mensen[^spreuken-29-25-61] legt een strik; maar die op YHWH vertrouwt, zal[^spreuken-29-25-62] in een vesting gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v25)

**26** [^spreuken-29-26-q] Velen[^spreuken-29-26-63] zoeken het aangezicht van de heerser; maar een ieders recht[^spreuken-29-26-64] is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v26)

**27** [^spreuken-29-27-65] Een ongerechtig man is de rechtvaardige een gruwel; maar[^spreuken-29-27-66] die recht is van weg, is[^spreuken-29-27-67] de goddeloze een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/29.html#v27)

[^spreuken-29-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, אִישׁ: een man van de bestraffing, dat wil zeggen: die veel, en dikwijls bestraft wordt. zo ook een man van de smerten, Jes. 53:3. voor degene, die veel smerten lijdt. een man van de begeerten, Dan. 10. op vers 11. voor degene, die zeer begeert wordt.
[^spreuken-29-1-2]: Kanttekening 2: Zie Ex. 32. op vers 9.
[^spreuken-29-1-3]: Kanttekening 3: Zie hierboven, 6. op vers 15.
[^spreuken-29-2-a]: Verwijzing a: Spr. 11:10. en 28,12, 28.
[^spreuken-29-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: als ze tot grote aansien komen, en inde regering zitten: zoals af te nemen is uit het andere lidt van dit vers. Vergelijk 2 Kon. 5:1. en 10:6. en 25:9. met d’aantekening. Anders: vele worden, of, vermenichvuldigen.
[^spreuken-29-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk onder de last van de tyrannye, daarmee het vande goddeloze Heerschers verdrukt wordt. Zie een exempel Ex. 2:23.
[^spreuken-29-3-b]: Verwijzing b: Spr. 10:1. en 15:20.
[^spreuken-29-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: aanhanger, voeder, en onderhouder van de hoeren. Hebreeuws: weyder. Zie hierboven, 13. op vers 20.
[^spreuken-29-3-c]: Verwijzing c: Spr. 28:7. Luk. 15:13.
[^spreuken-29-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk die wijs, en vroom is. Zie hierboven, 18. op vers 22.
[^spreuken-29-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: de regering, of de staat van het land, en het welvaren van de inwoonderen, of ondersaten.
[^spreuken-29-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: door het hanthaven van alle goede wetten, waar door de goede voorgestaan, en de quade gestraffet worden.
[^spreuken-29-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, אִישׁ: een man van de heffingen, of, van de hef-offeren. Van het Hebreeuwse woord terumah zie Lev. 7:14. en Num. 5:9. inde aantekening. Hier verstaan wy ’tselve vande heffing van de geschenkken, daar toe een Heer van het land zou mogen genegen zijn, om iemand gunste toe te dragen, zonder aansien op het recht te hebben. Man kan het woord ook verstaan vande oplegging van de schattingen, die een Prince van zijn ondersaten met verdrukking van dezelfde tyrannelijk opneemt.
[^spreuken-29-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk met hem onmatelijk te prijsen, te verschoonen in zijn zonden, en bedecktelijk tot allerlei boosheid op te hitsen, etc.
[^spreuken-29-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: brengt hem in perijckel van het verderf, dat onder de vleyende woorden verborgen is: zoals een vogelken door het aas aangelockt wordt, om in’t net daar op het niet verdacht en is, gevangen te worden.
[^spreuken-29-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk verborgen, het welk hem brengt in ’t gevaar van het verderf, ja daar in hij gewisselijk zal verlooren gaan, ten zij God hem door de bekeering daar uit trekke.
[^spreuken-29-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk, om dat hij hem wachtende van zonden, zodanig strik niet en vreest.
[^spreuken-29-7-d]: Verwijzing d: Job 29:16.
[^spreuken-29-7-15]: Kanttekening 15: Namelijk Richter.
[^spreuken-29-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: neemt aan het geschil van de armen te ondersoekken, te verstaan, te besorgen, en te helpen, zo als de gerechtigheid van de zaak vereist. Vergelijk Job 29:16.
[^spreuken-29-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk waar door hij behoort te verstaan, zo wel zijn schuldigen plicht, die hem verbindt tot de hulpe van de armen, als de rechte manier, en wijze, om dezelfde wel en getijdelijk te betoonen.
[^spreuken-29-8-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, אַנְשֵׁי: mannen, of, mensen van de spotterije, of, bespotting.
[^spreuken-29-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk mits het vuur van de godtlicker wrake aan te steken door haar grouwelikke zonden, of ook het vuur van de oneenigheid, of van de muiterije, en oorlooge door haar quaden raad, en ontrouwe. Anders: verstrikken een stadt.
[^spreuken-29-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk Gods, door haar godvruchtige gebeden: en van de mensen, door haar voorzichtigheid sachtmoedigheid, manierlickheid, etc.
[^spreuken-29-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk de wijze man. De betekenis is, ’tzy dat hij zich toornichlijk, ’t zy vriendelijk aanstelt, ’tis even een. Andere verstaan dit van de dwaas, die nu gram wordt, en dan lacht, maar al met eenderley beswaarlikke uitkomste.
[^spreuken-29-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk van het geschil. want de dwase zal altijt nog uitvlucht zoeken, en wat in te brengen hebben.
[^spreuken-29-10-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, אַנְשֵׁי: mannen, of, mensen van de bloeden, dat wil zeggen: de bloetgierige mensen, of die tot dootslagen genegen zijn. Zie Ps. 5. op vers 11.
[^spreuken-29-10-24]: Kanttekening 24: Zie Gen. 6. op vers 9. en Job 1. op vers 1.
[^spreuken-29-10-25]: Kanttekening 25: Namelijk om die van het verderf te bevrijden, verg. Ps. 142:5. Anders: is de ziel van iemand te zoeken, na zijn leven te staan. Zie Ex. 4. op vers 19. en 2 Sam. c. 4. op vers 8.
[^spreuken-29-11-e]: Verwijzing e: Spr. 14:33.
[^spreuken-29-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: alle zijn gedachten. Vergelijk hierboven, 1. op vers 23. eveneens affecten, bewegingen, genegentheden. Zie 2 Kon. c. 19. op vers 7.
[^spreuken-29-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: houdt, en bindt zich zelf in, dat hij alle zijn gedachten, wetenschap, en voornemen niet meteen en openbaart.
[^spreuken-29-12-28]: Kanttekening 28: Verst. een, die over eenich lantschap, en volk de opperste regeerder is. Zie 2 Sam. 23. op vers 3.
[^spreuken-29-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, דְּבַר: het woord van de valsheid. zo ook hierboven, 13:5.
[^spreuken-29-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk zo, dat hij ze genegen is te gelooven, en voor te staan.
[^spreuken-29-12-31]: Kanttekening 31: Wel verstaande ten meesten deele, omdat een goddeloos regeerder zijns gelijkke begeert, en gewoonlijk krijcht door het beleid van de zijnen, die hem gelijk zijn, of zo ze vroom zijn, die hij krijcht, poocht dezelfde na zijn sin te formeren, of af te richten.
[^spreuken-29-13-f]: Verwijzing f: Spr. 22:2
[^spreuken-29-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, אִישׁ: de man van de bedriegeryen, of, van de woekeringen, of, loosheden. Verst. een onrechtveerdigen rijkken, die zijn rijkdom wint met loose, en onrechtvaardige practijkken. Anders: een man van de loose vlyticheden. Dat is, die door nijverheid, vermengt met behendigheid, middelen vergadert.
[^spreuken-29-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: leven, en handelen met elkaar. Vergelijk hierboven, 22:2. en d’aantekening.
[^spreuken-29-13-34]: Kanttekening 34: Namelijk met het licht van de sonnen, so dat hij ze beide in’t leven behoudt, zo lange alst hem belieft. Matt. 5:45. sommige verstaan ’t van de verlichting van het natuerlikke verstant. Vergelijk Ioh. 1:9.
[^spreuken-29-14-g]: Verwijzing g: Spr. 20:28. en 25:5.
[^spreuken-29-14-35]: Kanttekening 35: Namelijk die lichtelijk konnen verdrucket worden door de onrechtvaardigheid, en het gewelt van andere, en swaarlijk hulpe vinden, door haar eigen onvermogen, en armoede.
[^spreuken-29-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: kennis neemt van haar zaak, recht daar dan oordeelt zonder aansien van persoonen, en so hij ze bevindt recht te hebben, dezelfde voorstaat tegen haar verdruckers, met vonnis, en executie, zonder daar in te verflauwen, door de kleynheid van de een, en armoede, of omgekeert te worden door de grootheid van de ander, en rijkdom. Zo ook Ps. 82:3. Jes. 1:17, etc.
[^spreuken-29-15-h]: Verwijzing h: Spr. 13:24. en 22:15. en 23:13.
[^spreuken-29-15-37]: Kanttekening 37: Verst. de straf, die geschiedt door slagen, zie hierboven, 10. op vers 13.
[^spreuken-29-15-38]: Kanttekening 38: Namelijk die geschiedt door woorden; hoewel het woord inden oorspronk soms ook betekend de straffing, de welke dadelijk geschiedt door slagen. zie hierboven, 3. op vers 11.
[^spreuken-29-15-i]: Verwijzing i: Spr. 10:1. en 17:21, 25.
[^spreuken-29-15-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: dat men toelaat zijn zelfs te zijn, zonder onder iemands opsicht, onderwijs, en bedwank te staan.
[^spreuken-29-15-40]: Kanttekening 40: Ia ook zijn vader: maar voornemelijk de moeder, om dat ze meest in diens opbrenging besich is geweest, gelijk ook het vrouwelijk geslachte de versmading van de quaetwilligen meest onderworpen is, en zich dezelfde lichter aantreckt.
[^spreuken-29-16-41]: Kanttekening 41: Ofte, vermenichvuldigen, of, groot worden. Vergelijk hierboven, vers 2.
[^spreuken-29-16-k]: Verwijzing k: Ps. 37:36. en 58:11. en 91:8.
[^spreuken-29-16-42]: Kanttekening 42: Vergelijk Ps. 37:34.
[^spreuken-29-17-43]: Kanttekening 43: Namelijk met woorden, en slagen, na dat de zaak vereist. zie hierboven, 9. op vers 7.
[^spreuken-29-17-l]: Verwijzing l: Spr. 13:24. en 22:15. en 23:13, 14.
[^spreuken-29-18-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, חָזוֹן: gezicht. Verstaat geen verkondiging van Gods woord, waar door de wille Gods tegen ons, en onze schuldige plicht tegen hem, ons aangedient, en verklaart wordt. zo ook is het woord gezicht genomen, 1 Sam. 3:1. 1 Kron. 17:15.
[^spreuken-29-18-45]: Kanttekening 45: Namelijk van Godes genade, zegen, en bescherming, en zo ook van zijn tijdelijk, en eeuwig welvaren. Vergelijk Ex. 32:25. en d’aantekening. Anders: verlaten, of, verworpen, of, keert zich te rugge.
[^spreuken-29-18-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: die de weg van de Heer houdt. Zie Gen. 18. op vers 19.
[^spreuken-29-19-47]: Kanttekening 47: Verstaat alle degenen, die een slaefschen geest hebbende, niet en konnen tot haar schuldigen plicht gebracht worden door goede vermaning, maar behoeven daar toe ook harde slagen.
[^spreuken-29-19-48]: Kanttekening 48: Namelijk om te doen dat zijn Heer hem beveelt, en daar toe ook verbonden is.
[^spreuken-29-19-49]: Kanttekening 49: Ofte, als hij \[u\] verstaat, en niet en antwoort.
[^spreuken-29-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk nog met ongeveinsde woorden, nog met gehoorsame daat.
[^spreuken-29-20-51]: Kanttekening 51: Vergelijk hierboven, 26:12.
[^spreuken-29-20-52]: Kanttekening 52: Ofte, werkken, en daden.
[^spreuken-29-20-m]: Verwijzing m: Spr. 26:12.
[^spreuken-29-20-53]: Kanttekening 53: Namelijk van voorsichtelijk en getijdelijk te spreken, of yet met goede raad in’t werk te stellen.
[^spreuken-29-21-54]: Kanttekening 54: Een zoon van het huisgesin, die het recht van het kintschap, en van de erffenis tot zich wil trekken. Vergelijk de voorbeelden van Abner, 2 Sam. 3:7, 8. van Ierobeam, 1 Kon. 11:26, 27, 28. van Simri, 1 Kon. 16:9.
[^spreuken-29-22-n]: Verwijzing n: Spr. 15:18. en 26:21.
[^spreuken-29-22-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, אִֽישׁ: een man van de toorn, dat wil zeggen: die tot toorn genegen is. zie Job 11. op vers 11.
[^spreuken-29-22-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, בַעַל: een heer van de grimmigheid. Vergelijk hierboven, 22. op vers 24.
[^spreuken-29-23-o]: Verwijzing o: Job 22:29. Spr. 15:33. en 18:12. Jes. 66:2. Matt. 23:12. Luk. 14:11. en 18:14. Iac. 4:6, 10. 1.Petr. 5:5.
[^spreuken-29-23-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: zeker verkrijgen, en steets behouden, namelijk bij God, bij de vroome, en bij het getuigenis zijn conscientie. Zie gelijke manier van spreken, hierboven, 11:16. Anders: maar de nederige van geeste zal de eere ondersteunen.
[^spreuken-29-24-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: is zijns zelfs vijand, zich aanbrengende grote schande, en schade. Zie gelijkke manieren van spreken, hierboven, 8:36. en inde aantekening.
[^spreuken-29-24-59]: Kanttekening 59: De betekenis is, dat hij gemaant zijnde van de Richter met be-eeding, en vervloeking van degene, die de diefte weet, en niet te kennen en geeft; nochtans daar hij ze weet, die loochent te weten. Anders: \[zo ook\] die een vloek hoort, en niet te kennen en geeft, (gelijcker staat Lev. 5:1.) die haat ook zijn ziel.
[^spreuken-29-24-p]: Verwijzing p: Lev. 5:1.
[^spreuken-29-25-60]: Kanttekening 60: Namelijk die al te groot, en overmatich is, waar door men inde perijckelen, en gedreychde swaricheden niet en betrouwt op God, alsoomen behoort.
[^spreuken-29-25-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: brengt de bevreesden mens in groot gevaar van meer te zondigen tegen God, en door velerlei ongeluckige bejegeningen meer van God gestraft te worden.
[^spreuken-29-25-62]: Kanttekening 62: Namelijk daar hij zeker, en vry van alle perijckelen zal zijn.
[^spreuken-29-26-q]: Verwijzing q: Spr. 19:6.
[^spreuken-29-26-63]: Kanttekening 63: Namelijk om yet te begeren tot hanthaving, en voordering van het recht, dat ze tegen iemand uitstaande hebben.
[^spreuken-29-26-64]: Kanttekening 64: Namelijk die volkomentlijk de gerechtigheid bemint, en ook de harten van de heeren in zijn hant heeft, hierboven, 21:1. en daarom voor al moet aangesproken wesen. Zie voorbeelden hier van Nehem. 1:4. Esth. 4:16.
[^spreuken-29-27-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, אִישׁ: een man van het onrecht, dat wil zeggen: die onrecht lief heeft. Vergelijk hierboven, 6. op vers 14.
[^spreuken-29-27-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: die wijs, en vroom is, vergelijk Ps. 37:14. en 119:1.
[^spreuken-29-27-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws: de grouwel van de goddeloze. zie hierboven, 3. op vers 32.

### Spreuken 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/30.json)

*Agur belijdt zijn eigen onwetendheid en die van alle mensen in goddelijke zaken, buiten Gods woord, vers 1 enz. en verklaart dat de wijsheid, schepping en regering van alle dingen aan God de Vader en zijn Zoon toebehoren, 4. Hij roemt de reinheid en volmaaktheid van Gods woord, 5, 6. Zijn gebed om twee dingen, 7, 8, 9. Over een knecht die achterklapt bij zijn heer, 10. Vier kwade geslachten, 11 enz. Vier onverzadelijke dingen, 15, 16. Verachting van de ouders, 17. Vier dingen die moeilijk te begrijpen zijn, 18, 19. Vier ondraaglijke dingen, 21, 22, 23, 24. Vier kleine maar wijze dieren, 24 enz. Vier die statig in hun gang zijn, 29, 30, 31. Het afzien van en het voorkomen van toorn, 32, 33.*

**1** De woorden van[^spreuken-30-1-1] Agur, de zoon van Jake; een[^spreuken-30-1-2] last. De man spreekt tot[^spreuken-30-1-3] Ithiël, tot Ithiël en Uchal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v1)

**2** [^spreuken-30-2-4] Werkelijk, ik ben onvernuftiger[^spreuken-30-2-5] dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;[^spreuken-30-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v2)

**3** En ik heb[^spreuken-30-3-7] geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap van[^spreuken-30-3-8] de heiligen gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v3)

**4** [^spreuken-30-4-9] Wie is ten hemel opgeklommen, en neergedaald?[^spreuken-30-4-10][^spreuken-30-4-a] Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft[^spreuken-30-4-11] de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al[^spreuken-30-4-12] de einden van de aarde gesteld? Hoe is[^spreuken-30-4-13] Zijn Naam, en hoe is de Naam van Zijn Zoon, zo u het weet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v4)

**5** [^spreuken-30-5-14][^spreuken-30-5-b] Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is[^spreuken-30-5-15] een Schild van hen, die op Hem betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v5)

**6** [^spreuken-30-6-16][^spreuken-30-6-c] Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en u leugenachtig bevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v6)

**7** Twee dingen heb ik van[^spreuken-30-7-17] U begeerd, onthoud ze mij niet,[^spreuken-30-7-18] voordat ik sterf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v7)

**8** [^spreuken-30-8-19] Zinloosheid en[^spreuken-30-8-20] leugentaal[^spreuken-30-8-21] doe verre van mij;[^spreuken-30-8-22] armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood dat mij toekomt[^spreuken-30-8-23]; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v8)

**9** Opdat ik, verzadigd zijnde, U dan niet verloochene, en zeg: Wie is YHWH? of dat ik,[^spreuken-30-9-24] verarmd zijnde, dan niet stele, en de[^spreuken-30-9-25] Naam van mijn God aantaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v9)

**10** [^spreuken-30-10-26] Achterklap niet van de knecht bij zijn heer, opdat hij u niet[^spreuken-30-10-27] vloeke, en u schuldig[^spreuken-30-10-28] wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v10)

**11** [^spreuken-30-11-29] Daar is een[^spreuken-30-11-30] geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder[^spreuken-30-11-31] niet zegent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v11)

**12** Een geslacht, dat rein[^spreuken-30-12-32] in zijn ogen is, en van zijn[^spreuken-30-12-33] mest niet gewassen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v12)

**13** Een geslacht,[^spreuken-30-13-34][^spreuken-30-13-d] van wie de ogen hoog zijn, en van wie de oogleden verheven zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v13)

**14** [^spreuken-30-14-e] Een geslacht,[^spreuken-30-14-35] van wie de tanden zwaarden[^spreuken-30-14-36], en van wie de baktanden messen zijn[^spreuken-30-14-37], om de ellendigen van de aarde en de armen van onder de mensen[^spreuken-30-14-38] te verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v14)

**15** [^spreuken-30-15-39] De[^spreuken-30-15-40] bloedzuiger heeft twee[^spreuken-30-15-41] dochters:[^spreuken-30-15-42] Geef, geef! Deze[^spreuken-30-15-43] drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v15)

**16** [^spreuken-30-16-44]Het graf,[^spreuken-30-16-45] de gesloten baarmoeder, de[^spreuken-30-16-46] aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het[^spreuken-30-16-47] vuur[^spreuken-30-16-48] zegt niet: Het is genoeg! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v16)

**17** Het[^spreuken-30-17-49] oog, dat de vader bespot, of de gehoorzaamheid van de moeder veracht, dat zullen de[^spreuken-30-17-50] raven van de beek uitpikken, en de jongen van de arend zullen het eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v17)

**18** Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v18)

**19** De[^spreuken-30-19-51] weg van een[^spreuken-30-19-52] arend in de hemel; de[^spreuken-30-19-53] weg van een slang op een rotssteen;[^spreuken-30-19-54] de weg van een schip[^spreuken-30-19-55] in het hart van de zee; en de[^spreuken-30-19-56] weg van een man bij een maagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v19)

**20** [^spreuken-30-20-57] Zo is de weg van een overspelige vrouw;[^spreuken-30-20-58] zij eet en[^spreuken-30-20-59] wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewerkt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v20)

**21** Om[^spreuken-30-21-60] drie dingen ontroert zich[^spreuken-30-21-61] de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v21)

**22** Om een knecht, als[^spreuken-30-22-62] hij regeert; en[^spreuken-30-22-63] een dwaas, als[^spreuken-30-22-64] hij van[^spreuken-30-22-65] brood verzadigd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v22)

**23** Om een[^spreuken-30-23-66] hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als[^spreuken-30-23-67] zij erfgenaam is van haar vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v23)

**24** Deze vier zijn van de kleinste van de aarde; maar zij[^spreuken-30-24-68] zijn wijs,[^spreuken-30-24-69] met wijsheid wel voorzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v24)

**25** De mieren zijn[^spreuken-30-25-70] een onsterk volk; evenwel[^spreuken-30-25-f] bereiden zij in de zomer[^spreuken-30-25-71] haar voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v25)

**26** [^spreuken-30-26-72] De konijnen zijn een machteloos volk; toch stellen zij hun[^spreuken-30-26-73] huis in[^spreuken-30-26-74] de rotssteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v26)

**27** De sprinkhanen hebben geen koning; toch gaan zij allen uit,[^spreuken-30-27-75] zich verdelende in hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v27)

**28** De[^spreuken-30-28-76] spinnekop grijpt met[^spreuken-30-28-77] de handen, en is[^spreuken-30-28-78] in de paleizen van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v28)

**29** [^spreuken-30-29-79] Deze drie maken een goede tred;[^spreuken-30-29-80] ja, vier zijn er, die een goede gang maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v29)

**30** De[^spreuken-30-30-81] oude leeuw[^spreuken-30-30-82] geweldig onder de gedierten, die[^spreuken-30-30-83] voor niemand zal terugkeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v30)

**31** [^spreuken-30-31-g] Een[^spreuken-30-31-84] windhond van goed middel, of een[^spreuken-30-31-85] bok; en een koning, die niet tegen te staan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v31)

**32** Zo u dwaas gehandeld hebt, met u[^spreuken-30-32-86] te verheffen, en zo u kwaad bedacht hebt, de[^spreuken-30-32-87][^spreuken-30-32-h] hand op de mond! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v32)

**33** Want de[^spreuken-30-33-88] drukking van de melk brengt boter voort, en de[^spreuken-30-33-89] drukking van de neus brengt bloed voort, en de[^spreuken-30-33-90] drukking van de toorn brengt twist voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/30.html#v33)

[^spreuken-30-1-1]: Kanttekening 1: Enige verstaan door deze name Salomo zelf, van wegen het vergaderen zijn spreuken. want de naam komt van een woord, ’twelk betekent vergaderen, en t’samenbrengen: andere verstaan, dat Agur de naam is van een Profeet, die de spreuken van dit Capittel gesteld, en de tween persoonen hier bij genaamd, toegeschreven heeft.
[^spreuken-30-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de leer. Zie van het Hebreeuwse woord דִּבְרֵי, 2 Kon. 9, op vers 25, waar het betekent een prophetisch dreygement: maar hier ist genomen voor allerlei goed onderwijs, daarmee de mens gesticht wordt.
[^spreuken-30-1-3]: Kanttekening 3: Dit houden sommige voor namen of titulen van onze Heer Jezus Christus, van welke gesproken wordt vers 4. Ithiel is zo veel als, God is met my: komende ten naasten bij over een met de naam Immanuel, Jes. 7:14. Uchal, dat wil zeggen: ik zal vermogen, of, konnen. andere verstaan, dat het namen zouden zijn van Agurs met-gesellen, of discipulen, of (zoals enige menen) zonen, die de volgende spreuken van hem zouden ontvangen hebben.
[^spreuken-30-2-4]: Kanttekening 4: De Profeet begint zijn spreuken met een voorrede vande kleynheid, en nietigheid zijns verstants, zo wel om zich zelf mate te stellen in’t ondersoekken van verborgen dingen, als ook om andere te vermanen, dat ze de hoge materien, die het verstant van de mensen te boven gaan, niet en moesten curieuselijk nasoekken, maar zich houden binnen de palen van de nederige leersaemheid.
[^spreuken-30-2-5]: Kanttekening 5: Agur door het klein gevoelen, dat hij van zich zelf heeft, maakt zich ten aansien van hoge, en diepgrondige questien geringer dan eenich mens.
[^spreuken-30-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk niet zoals het nu is, maar zoals het in Adam geschapen was.
[^spreuken-30-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk dat ik zo hoge dingen zou konnen begrijpen.
[^spreuken-30-3-8]: Kanttekening 8: Zie Job 15:15, en de aantekening. Anders: zou ik dan de wetenschap van de heiligen weten?
[^spreuken-30-4-9]: Kanttekening 9: ’T is zo veel alsof hij zei: wie is de wijsheid van God, en de kracht van God, als Gods eenich-geboren Sone, de Messias, in welke alle schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn? Vergelijk hierboven, 8. van vers 22 tot vers 32 toe, en 1 Kor. 1:24. Kol. 2:3. en zie verder dezelfde woorden op de Heer Christus alleen geduidt, Ioh. 3:13. Eph. 4:9,10.
[^spreuken-30-4-10]: Kanttekening 10: Als God de Vader en zijn eenich-geboren Soon, zonder uit te sluiten de Heilige Geest, die van haar beiden uitgaat, en de geest van de Vader, en van de Soon is? Vergelijk Ioh. 1:3. Hebr. 1:3, etc.
[^spreuken-30-4-a]: Verwijzing a: Job 38:4. Ps. 104:3. Jes. 40:12.
[^spreuken-30-4-11]: Kanttekening 11: Verst. de boven-wateren, dat is, de wolkken, die God alleen in de lucht houdt hangende, als ofse in een kleed besloten waren, het welke hij los maakt, en ontvouwt na zijn welbehagen.
[^spreuken-30-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk dat ze in’t midden van de lucht op haar eigen gewichte gevesticht staan.
[^spreuken-30-4-13]: Kanttekening 13: Namelijk van God de Vader, en van zijn eeuwige Soon. (Vergelijk Ps. 2:7. en 80:16. Jes. 9:5.) welcker naam, (D. eeuwig Godtlijk wesen) geen creatuere en kan begrijpen. Zie Ex. 3:13,14. Jud. 13:17,18.
[^spreuken-30-5-14]: Kanttekening 14: Verst. het woord van God ons inde H. Schriftuur geopenbaard, inhoudende de leer, die wy gelooven, en de geboden die wy nakomen moeten, zonder ons al te zeer te bekommeren met de verholentheden, die God voor zich zelf behouden heeft, en ons verstant te boven gaan. Deut. 29:29.
[^spreuken-30-5-b]: Verwijzing b: Ps. 12:7. en 18:31. en 19:9. en 119:140.
[^spreuken-30-5-15]: Kanttekening 15: Vergelijk Gen. c. 15:1. en d’aant.
[^spreuken-30-6-16]: Kanttekening 16: Hij en verbiedt niet iets af te doen vande woorden van God, niet om dat zulks geoorlooft zy: want dat is mee verboden, Deut. 4:2. en 12:32. Openb. c. 22:19. maar om dat de mensen meest tot toedoen genegen zijn, en dat onder de schijn van goede uitleggingen, en uitgesonderde heiligheid.
[^spreuken-30-6-c]: Verwijzing c: Deut. 4:2. en 12:32. Openb. 22:19.
[^spreuken-30-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk ô God.
[^spreuken-30-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: voordat ik scheyde uit dit vergankelijk leven: int welke de ziel van de mensen de zondigen aart altijd onderworpen is, en zijn lichaam de tijdelikken nootdurft behoeft.
[^spreuken-30-8-19]: Kanttekening 19: Verst. alle wangeloove, dwaling, en valsheid inde leer. zo ook is het woord genomen, Klaagl. 2:14. Ez. 12:24. en 13. versen 6, 7. Zach. 10:2.
[^spreuken-30-8-20]: Kanttekening 20: Verst. allerlei valsheid, huichelrije, bedroch, vleierij, uitstrijcking, snootheid, en verkeertheid in’t leven. zo ook Ps. 4:3. en 62:5. hierboven, 19:22. en 23:3.
[^spreuken-30-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk door de verlichting, en heylichmaking uwes Geestes. Dit is het eerste dat hij begeert.
[^spreuken-30-8-22]: Kanttekening 22: Dit is de tweede begeerte.
[^spreuken-30-8-23]: Kanttekening 23: Zie Job 23. op vers 12.
[^spreuken-30-9-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: vol zijnde vande besitting grooter middelen, en dertel van ’t overdadich misbruik daarvan. Vergelijk Deut. 31:20. en 32:15. Neh. 9:25, 26. hieronder, vers 22.
[^spreuken-30-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk door ijdel misbruik daarvan, oft vals eedtsweeren, om goed te vergaderen, of dieverye te loochenen; of door murmurering tegen God, om dat hij my met armoede bezoekt.
[^spreuken-30-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: en bedraecht hem niet lichtveerdelijk, en buiten zijn schuld. zie Ps. 101. op vers 5.
[^spreuken-30-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: wrake over u van God begeere, die de arme verdruckte mensen belooft heeft voor te staan, Ex. 22:23. maar de beschulding ten rechte gedaan zijnde, heeft hij niet te vrezen. hierboven, 26:2. maar ook zegen te verwachten, 2 Sam. 16:12.
[^spreuken-30-10-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: niet alleen overtuicht van uw zonde, maar ook daar over van God gestraft wordt. Vergelijk Gen. 42:21. Lev. 4:22. Num. 5:6, 7.
[^spreuken-30-11-29]: Kanttekening 29: De Prophete verhaalt hier, en inde volgende 3 versen enige soorten van zondaren, die zeer grouwelijk zijn voor God.
[^spreuken-30-11-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: een aart, of soort van mensen: zo ook Deut. 1:35. en 32:5. Ps. 14:5. en hier in de volgende versen 12, 13, 14.
[^spreuken-30-11-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: ook zal vervloekken. Het zelf dat verhaalt was, wordt weer vernieuwt met loochening van het tegendeel van hetgeen verhaalt was. zo ook Deut. 33:6. Jes. 38:1, etc.
[^spreuken-30-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in zijn eigen gevoelen, en oordeel. Vergelijk Job 18:3. en zie d’aantekening. Verst. hier de schijn-heilige, en geveinsde, die zich gelaten zuiver van zonden te zijn, of immers zeer weinig daarmee besmet, ten aansiene van andere.
[^spreuken-30-12-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: zonden, die hier genaamd worden met een woord het welke betekent de mist, die door de kamergank uitgeworpen wordt. zo ook Jes. 4:4.
[^spreuken-30-13-34]: Kanttekening 34: Verst. hooveerdige mensen, die veel gevoelen van haar zelf, een ieder verachten, en over ’t hoofd zien willen. zie hierboven, 6. op vers 17.
[^spreuken-30-13-d]: Verwijzing d: Spr. 6:17.
[^spreuken-30-14-e]: Verwijzing e: Spr. 12:18.
[^spreuken-30-14-35]: Kanttekening 35: Verst. in’t gewone, die geheel wreet, en zonder medelyden zijnde, haar aansien en vermogen misbruikken, om de kleine te vernielen: als daar zijn de achter-klappers, faam-roovers, en lasteraars: eveneens, die met gewelt de elendige verdrukken; alsook de gierigaarts, die haar naasten door bedriegelikken handel verdrukken, of door woeker uitsuipen.
[^spreuken-30-14-36]: Kanttekening 36: Vergelijk Ps. 57:5.
[^spreuken-30-14-37]: Kanttekening 37: Zie Job 29. op vers 17.
[^spreuken-30-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: te verslinden, en te vernielen. zie Ex. 15:7. en d’aantekening, Deut. 32:42. 2 Sam. 2:26.
[^spreuken-30-15-39]: Kanttekening 39: Door gelijkenissen wordt hier nu afgemaalt de onversadelikke begeerlickheid van degenen, die in’t voorgaande vers zijn voorgestelt geweest.
[^spreuken-30-15-40]: Kanttekening 40: Verst. een dikken water-worm, anders ook ecchel genaamd, die in poelen, en morasschen is, hebbende een scherp tongsken in 2 takken gekloven, waarmee hij aan een lichaam gevoecht zijnde, het vel daarvan doornijpt, en dan zo veel bloet intreckt, dat hij van zelf daar van afvalt, zijnde de lust wel niet versadicht, maar het lichaam zo opgevult, dattet niet meer en vermach. De gelijkenis is wel te verstaan.
[^spreuken-30-15-41]: Kanttekening 41: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk dochters, maar het is ook voor takken genomen, om dat ze als dochters zijn vande stam, daar uit zij voortkomen, Gen. 49:22. Verstaat hier het gespletene tongsken, daar van inde voorgaende aantekening gemelt is.
[^spreuken-30-15-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: welcker elk een zegt Geeft, of, Brengt, of, die beide zo genaamd mogen worden, om haar onversadelickheid daarmee uit te drukken.
[^spreuken-30-15-43]: Kanttekening 43: Zie hierboven, 6. op vers 16.
[^spreuken-30-16-44]: Kanttekening 44: Vergelijk hierboven, 1:12. en 27:20.
[^spreuken-30-16-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: de sluit-moeder baar-moeder. Dat wil zeggen: de geslotene, en onvruchtbare baar-moeder. zie Gen. 20. op vers 18. de Israelitische vrouwen waren in die tijt over de mate begeerich, om kinderen te krijgen. zie Gen. 30:1, 23. met d’aantekening
[^spreuken-30-16-46]: Kanttekening 46: Namelijk de dorre, en sandige aarde. want hoewelse zeer bevochticht wordt, so wortse nochtans in korte tijt weer zo dorstich, dat ze niet en schijnt bewatert geweest te zijn.
[^spreuken-30-16-47]: Kanttekening 47: Dat nemmermeer moe is van branden, hoe veel brandelikke stoffen ook daar in geworpen wordt.
[^spreuken-30-16-48]: Kanttekening 48: Vergelijk Job 14:7. en d’aantekening
[^spreuken-30-17-49]: Kanttekening 49: D’ooge wordt voornemelijk in deze straf vermelt, om dat daar in meest haar openbaren de teeckenen van spot, spijt, verachting, en quaetwilligheid.
[^spreuken-30-17-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: die haar omtrent de beken, rivieren, en water-stroomen houden, om daar te drinkken, of haar aas te zoeken vande doode lichamen, en andere dingen, die daar dikwijls in drijven. Anders: de raven van het dal, of, van de valeye, hoedanich daarna was het dal Hinnoms, daar soms vele doode lichamen, en andere vuilicheden lage, 2 Kon. 23:10. De betekenis is, dat de moetwillige kinderen, die haar ouderen bespotten, eindelijk aan een galge geraken, of onbegraven de vogels tot een aas plegen voorgeworpen te worden.
[^spreuken-30-19-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: de manier van doen. zie hierboven, 6. op vers 6.
[^spreuken-30-19-52]: Kanttekening 52: Deze manier van doen is wonderbaar, om dat hij t’samen zeer snel, en hoge opvliecht. Anders, om dat hij met zijn vliegen de locht scheurende, en doorsnijdende, nochtans daar in geen spore, nochte lijk-teekken na en laat.
[^spreuken-30-19-53]: Kanttekening 53: Die wonderlijk is, om dat ze zonder voeten haastig kruipt, en klimt op glatte rotzen. Anders: om dat ze op de rotze, daar op zij kruipt, geen groeve en maakt, nochte geen slijm achter haar en laat, zoals de water-slangen, nochte pluimen, zoals de vogels, nochte mist, zoals meest alle andere gedierten.
[^spreuken-30-19-54]: Kanttekening 54: Die wonderlijk is, om dat een schip in’t midden van de zee, nu in een diepen afgront neerdaalt, en daarna weer opklimt, zonder om te vallen, en te verzinken. Anders: om dat het wel in een stil water een streep achter hem nalaat, maar die haastig verdwijnt, en ook zo niet en kan gespeurt worden in het hart van de zee, uit oorsake van de grote baren, en golven, die de schepen op, en neder drijven.
[^spreuken-30-19-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: in’t midden van de zee. Zie hierboven, 23. op vers 34.
[^spreuken-30-19-56]: Kanttekening 56: Die wonderbaar is, zo wel om de seltsame verbinding zijns harten met de maecht: als ook om de wonderlikke middelen, die hij gebruikt om haar te genieten.
[^spreuken-30-20-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: zo wonderbaar, of verborgen, als de vier voorverhaalde dingen. Namelijk om de grote boosheid, en behendigheid, diese weet te gebruiken, zo wel in’t plegen van haar onkuischeid, als in’t onschuldigen, en bedekken daarvan.
[^spreuken-30-20-58]: Kanttekening 58: Zij geniet de onkuische byslaping. Vergelijk hierboven, 9:17. en 20:17.
[^spreuken-30-20-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: zij gelaat haar van geen kwaad te weten, alsof zij een vande alder eerbaarste ware.
[^spreuken-30-21-60]: Kanttekening 60: Vergelijk hierboven, 6. op vers 16.
[^spreuken-30-21-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: de inwoonderen van de aarde. Vergelijk Gen. 41:30. en d’aantekening
[^spreuken-30-22-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: een aansienelikken staat, en weerdich ampt bedient, waar door hij grote macht krijcht, die hij misbruikt tot verdrukking van andere, en zijn eigen verderf.
[^spreuken-30-22-63]: Kanttekening 63: Zie 1 Sam. 25. op vers 25.
[^spreuken-30-22-64]: Kanttekening 64: Zie hierboven, op vers 9.
[^spreuken-30-22-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: allerlei goed, het welke dient tot onderhouding van dit tijdelikke leven. Zie hierboven, 4. op vers 17.
[^spreuken-30-23-66]: Kanttekening 66: Verst. een vrouwe, die van een ieder gehaat wordt, en weerdich is gehaat te worden, om haar quade manieren, en boose conditien. want getrouwt zijnde, is zij onverdragelijk voor haar man, kinderen, dienst-volk, gebueren, etc. Sommige verstaan door deze gehatede, de vrouwe van een man, die haar onder andere vrouwen, die hij na het gebruik van die tijd, meteen had, eerst minst, maar daarna meest beminde, waar door zij haar metgesellinnen onverdragelijk werd.
[^spreuken-30-23-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: als zij met haar Meester trouwt na het overlijden van haar vrouwe. Hebreeuws: als zij haar vrouw erft. Vergelijk Jud. 11:23, 24.
[^spreuken-30-24-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: zijn vernuftich, het welke zij bewijzen door enige werkken, die zij uit nature doen, waar door de mensen behooren opgewecket te worden tot verschillende deuchden.
[^spreuken-30-24-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws: wijze gemaakt. Dat wil zeggen: met wijsheid versien, en begaeft. Namelijk van God, die de zelf door het werk van de schepping in haar nature ingestort heeft.
[^spreuken-30-25-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: een soort van onredelikke dieren. zo ook in’t volgende vers. Aengaande de toe-eygening van dit exempel gepast op de mensen, zie hierboven, 6:6, etc.
[^spreuken-30-25-f]: Verwijzing f: Spr. 6:8.
[^spreuken-30-25-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws: broot.
[^spreuken-30-26-72]: Kanttekening 72: Zie Lev. 11. op vers 5. en van ’t zelf gedierte, Deut. 14:7. en Ps. 104:18. Anders: berg-muisen, of, beer-muisen: om dat het konijn hier te land inde steenrotsen zijn holen niet en heeft.
[^spreuken-30-26-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: hol, of nest. Vergelijk Job 8:14. Ps. 84:4. en 104. 17.
[^spreuken-30-26-74]: Kanttekening 74: Namelijk met aarde, en sant vermengt.
[^spreuken-30-27-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: zoals in slachorder te velde treckende, opdat zij haar benden, en kracht bij een houdende, te vreeselicker zijn zouden, en van haar weide niet afgedreven en worden. Anders: t’samen vergaderd, of, in een versamelt; of, zij gaan alle schietende uit, of, alle \[zoals\] een pijl, of, alles doorsnijdende, dat wil zeggen: vermalende, af-etende.
[^spreuken-30-28-76]: Kanttekening 76: Anders: Simme.
[^spreuken-30-28-77]: Kanttekening 77: Verst. haar pooten, diese gebruikt niet alleen om daar op te gaan, maar ook om daar mee haar net te maken, en daar in vliegen, en muggen te vangen.
[^spreuken-30-28-78]: Kanttekening 78: Namelijk waar haar meeste perijckel is, om verjaecht, of gedoot te worden, en met meerdere vrees, om haar werk te doen.
[^spreuken-30-29-79]: Kanttekening 79: Na het verhaal van vier kleine, swakke, en vreesachtige creatuerkens, worden hier nu voorgestelt vier grote, sterkke, en onvertsaechde schepselen, ons vermanende tot kloekheid in onze beroeping.
[^spreuken-30-29-80]: Kanttekening 80: Vergelijckt deze manier van spreken met Job 5:19. en de aantekening
[^spreuken-30-30-81]: Kanttekening 81: Het woord in de oorspronk betekent eigenlijk een leeuw, die bij de grote ouderdom, ook grote moedigheid heeft. Vergelijk hierboven, 5. op vers 11.
[^spreuken-30-30-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: de geweldichste van de gedierten. Zo ook Joz. 14:15. groot onder de Anakims. dat is, de grootste van de Anakims. Item Cant. 1:8. Schoone onder de vrouwen. dat is, de schoonste van de vrouwen.
[^spreuken-30-30-83]: Kanttekening 83: Hebreeuws: van alle, of, van al aangezicht. Dat wil zeggen: voor niemand zal wederkeeren, namelijk, noch voor mensen, noch voor beesten, die hem tegen komen.
[^spreuken-30-31-g]: Verwijzing g: Job 39:22. en volgens.
[^spreuken-30-31-84]: Kanttekening 84: Het woord heeft zijn oorspronk van het Hebreeuws, זַרְזִיר: zarah, dat wil zeggen: spreyden, of, als andere menen, van’t Chaldeeusche zeraz, dat wil zeggen: opschorten, opschikken: en daarom wordt daar bij verstaan een dier, dat van hem zelf moedich, wel in ’t lijf, en op de beenen is, en veerdich tot zijn werk, het welke andere menen op het peert wel te passen. Zie Job 39:22. Andere vertalent een haan, of, luipaart van goede lendenen.
[^spreuken-30-31-85]: Kanttekening 85: Die zeer trots, moedich, en met een opgeheven hoofd gaat voor zijn kudde. Het Griecksche Rijke, ’twelk het Persische t’ondergebracht heeft, wordt bij een bok vergeleken, Dan. 8:3, etc.
[^spreuken-30-32-86]: Kanttekening 86: Namelijk tot toorn, daar van in’t volgende vers, het welke aan dit vers hangt, gesproken wordt.
[^spreuken-30-32-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: bedwingt u, en wacht u te zeggen, veel min te doen, het kwaad dat u voor hadt, en en onschuldigt uw voorgaanden toorn niet. zie Job 21. op vers 5.
[^spreuken-30-32-h]: Verwijzing h: Job 21:5.
[^spreuken-30-33-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: de kerning.
[^spreuken-30-33-89]: Kanttekening 89: Dat wil zeggen: de harde snuiting.
[^spreuken-30-33-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: de ontsteecking van de toorn, namelijk zo wel van degenen, die iemand door toorn tot toorn verweckt, als van degenen, die tot toorn verweckt wordt.

### Spreuken 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/spreuken/31.json)

*De les van Lemuël, over de kuisheid en matigheid van de koningen, vers 1 enz. De bedroefden en verdrukten te troosten en bij te staan, 6 enz. De lof en de eigenschappen van een deugdzame huisvrouw, 10 enz.*

**1** De woorden[^spreuken-31-1-1] van de[^spreuken-31-1-2] koning Lemuël; de[^spreuken-31-1-3] last, waarmee[^spreuken-31-1-4] zijn moeder hem[^spreuken-31-1-5] onderwees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v1)

**2** [^spreuken-31-2-6] Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon[^spreuken-31-2-7] van mijn buik? ja, wat, o zoon[^spreuken-31-2-8] van mijn geloften? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v2)

**3** Geef[^spreuken-31-3-a] aan de vrouwen uw[^spreuken-31-3-9] vermogen niet, noch[^spreuken-31-3-10] uw wegen,[^spreuken-31-3-11] om koningen te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v3)

**4** [^spreuken-31-4-12] Het komt de koningen niet toe, o Lemuël! het komt de koningen niet toe[^spreuken-31-4-13] wijn te drinken,[^spreuken-31-4-14] en de prinsen, sterke drank te begeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v4)

**5** Opdat hij[^spreuken-31-5-15] niet drinke, en het[^spreuken-31-5-16] vastgestelde vergete, en de rechtzaak van[^spreuken-31-5-17] alle verdrukten verandere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v5)

**6** Geef sterke drank aan degene die[^spreuken-31-6-18] verloren gaat, en wijn aan hen, die[^spreuken-31-6-19] bitter bedroefd van ziel zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v6)

**7** Dat[^spreuken-31-7-20] hij drinke, en zijn armoede vergete, en van zijn moeite niet meer gedenke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v7)

**8** [^spreuken-31-8-21] Open uw mond voor[^spreuken-31-8-22] de stomme, voor de rechtzaak van allen,[^spreuken-31-8-23] die omkomen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v8)

**9** Open uw mond;[^spreuken-31-9-24][^spreuken-31-9-b] oordeel rechtvaardig, en doe de verdrukte en arme recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v9)

**10** [^spreuken-31-10-25] א Aleph. Wie zal[^spreuken-31-10-c] een[^spreuken-31-10-26] deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waarde is ver boven de[^spreuken-31-10-27] robijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v10)

**11** ב Beth. Het hart van haar[^spreuken-31-11-28] heer vertrouwt op haar, zodat hem geen[^spreuken-31-11-29] goed zal ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v11)

**12** ג Gimel. Zij[^spreuken-31-12-30] doet hem goed[^spreuken-31-12-31] en geen kwaad, al de dagen van haar leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v12)

**13** ד Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en[^spreuken-31-13-32] werkt met[^spreuken-31-13-33] lust haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v13)

**14** ה He. Zij is[^spreuken-31-14-34] als de schepen van een koopman; zij doet haar[^spreuken-31-14-35] brood[^spreuken-31-14-36] van verre komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v14)

**15** ו Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar[^spreuken-31-15-37] huis[^spreuken-31-15-38] voedsel, en haar dienaressen het[^spreuken-31-15-39] bescheiden deel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v15)

**16** ז Zain. Zij[^spreuken-31-16-40] denkt om een akker, en[^spreuken-31-16-41] krijgt hem; van de[^spreuken-31-16-42] vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v16)

**17** ח Cheth.[^spreuken-31-17-43] Zij gordt haar middel met kracht, en[^spreuken-31-17-44] zij versterkt haar armen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v17)

**18** ט Teth. Zij[^spreuken-31-18-45] smaakt, dat haar koophandel[^spreuken-31-18-46] goed is;[^spreuken-31-18-47] haar lamp gaat in de nacht niet uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v18)

**19** י Jod. Zij steekt haar handen uit naar[^spreuken-31-19-48] de spil, en haar handpalmen[^spreuken-31-19-49] vatten de spinrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v19)

**20** כ Caph. Zij[^spreuken-31-20-50] breidt haar handpalm uit tot de ellendige; en zij steekt haar handen uit tot de arme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v20)

**21** ל Lamed. Zij vreest voor haar[^spreuken-31-21-51] huis niet vanwege de[^spreuken-31-21-52] sneeuw; want haar hele huis is[^spreuken-31-21-53] met dubbele kleren gekleed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v21)

**22** מ Mem. Zij maakt voor zich[^spreuken-31-22-54] tapijtsieraad; haar kleding is[^spreuken-31-22-55] fijn linnen en[^spreuken-31-22-56] purper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v22)

**23** נ Nun. Haar man is bekend bij[^spreuken-31-23-57] de poorten, als hij daar zit met de[^spreuken-31-23-58] oudsten van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v23)

**24** ס Samech. Zij maakt[^spreuken-31-24-59] fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert de[^spreuken-31-24-60] koopman[^spreuken-31-24-61] gordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v24)

**25** ע Ain.[^spreuken-31-25-62] Sterkte en[^spreuken-31-25-63] heerlijkheid zijn[^spreuken-31-25-64] haar kleding; en[^spreuken-31-25-65] zij lacht over[^spreuken-31-25-66] de nakomende dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v25)

**26** פ Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is[^spreuken-31-26-67] leer van de goeddadigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v26)

**27** צ Tsade. Zij beschouwt de[^spreuken-31-27-68] gangen van haar huis; en het brood[^spreuken-31-27-69] van de luiheid eet zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v27)

**28** ק Koph. Haar[^spreuken-31-28-70] kinderen[^spreuken-31-28-71] staan op, en roemen haar welgelukzalig;[^spreuken-31-28-72] ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v28)

**29** ר Resch.[^spreuken-31-29-73] Vele[^spreuken-31-29-74] dochters hebben[^spreuken-31-29-75] deugdelijk gehandeld; maar u gaat die allen te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v29)

**30** ש Schin.[^spreuken-31-30-76] De aantrekkingskracht[^spreuken-31-30-77] is bedrog, en de schoonheid[^spreuken-31-30-78] zinloosheid; maar een[^spreuken-31-30-79] vrouw, die YHWH vreest, die zal geprezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v30)

**31** ת Thau.[^spreuken-31-31-80] Geef haar van[^spreuken-31-31-81] de vrucht van haar[^spreuken-31-31-82] handen, en laat haar werken haar prijzen[^spreuken-31-31-83] in de poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/spreuken/31.html#v31)

[^spreuken-31-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: die aan deze koning als vermaning gegeven zijn, en door hem aangenomen, opgetekend en zo aan alle mensen nagelaten als onderricht.
[^spreuken-31-1-2]: Kanttekening 2: Hij wordt ook Lemoël genoemd (zie vers 4), wat zoveel betekent als: voor God — dat wil zeggen: die God toebehoort of aan hem is gewijd. Het gangbare gevoelen is dat hiermee koning Salomo wordt bedoeld, die ook Jedidja werd genoemd, dat wil zeggen: de beminde van YHWH. Zie 2 Sam. 12:25 en de aantekening.
[^spreuken-31-1-3]: Kanttekening 3: Zie Spr. 30, op vers 1.
[^spreuken-31-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk: Batseba. Over haar, zie 2 Sam. 11:3; 1 Kon. 1:11 en 2:13 enz.
[^spreuken-31-1-5]: Kanttekening 5: Namelijk: voordat hij koning werd, of direct daarna.
[^spreuken-31-2-6]: Kanttekening 6: Dit zijn de woorden van de vermaning van de moeder, als of zij zei: wat moet ik u zeggen? Wat moet ik u aanraden, mijn zoon — ik moet u onderrichten over wat ik nodig acht voor u.
[^spreuken-31-2-7]: Kanttekening 7: Vergelijk Jes. 49:15. Zo worden kinderen ook met het oog op hun vader 'vrucht van de schoot' genoemd (Job 19:17). Zo ook: 'vrucht van de schoot' van hun ouders (Deut. 28:4, 18, 53).
[^spreuken-31-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: voor wie ik YHWH zoveel geloften heb gedaan en vervuld, opdat u tot het koningschap mocht komen en daarin uzelf zou gedragen zoals een godvrezende koning betaamt.
[^spreuken-31-3-a]: Verwijzing a: Deut. 17:17.
[^spreuken-31-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de krachten van uw ziel en uw lichaam, alsmede uw tijdelijke middelen. Vergelijk Spr. 5:9, 10.
[^spreuken-31-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: uw neigingen, handel en daden.
[^spreuken-31-3-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: om vermetel en zonder reden de landen en steden van koningen te veroveren, door louter aanmatiging, hoogmoed en hebzucht. Of: geef uw neigingen niet aan de vrouwen, want dat dient om koningen te gronde te richten.
[^spreuken-31-4-12]: Kanttekening 12: Of: Het zij verre van koningen, enz., wijn te drinken, enz.
[^spreuken-31-4-13]: Kanttekening 13: Namelijk: buitenmatig.
[^spreuken-31-4-14]: Kanttekening 14: Of: noch voor vorsten: sterkedrank; of: en \[vragen\] waar is sterkedrank?
[^spreuken-31-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk: elk van de koningen en vorsten.
[^spreuken-31-5-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeuwse woord betekent datgene wat als een wet niet alleen eens is vastgesteld en verordend om te worden onderhouden, maar dat ook in steen, koper of iets anders is gegraveerd, gesneden of geschreven, naar welke wet de uitspraak van de rechter altijd moet worden gevormd.
[^spreuken-31-5-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, בְּנֵי: kinderen van de onderdrukking, dat wil zeggen: onderdrukte mensen. Zo ook: kinderen van de dood (Ps. 79:11) voor mensen die de dood zijn toebedeeld; kinderen van de wisseling of de ondergang (vers 8); kinderen van de gevangenschap (Ezra 4:1) voor mensen die gevangen waren geweest; kinderen van de vervloeking (2 Petr. 2:14) voor vervloekte mensen.
[^spreuken-31-6-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die wegkwijnt en als uitteert door een nood waarin hij verkeert. Vergelijk Deut. 26:5.
[^spreuken-31-6-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, מָרֵי: bitter van wezen. Dat wil zeggen: die in hun hart bitter bedroefd zijn. Zie 2 Kon. 4, op vers 27.
[^spreuken-31-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk: degene die wegkwijnt en bitter van wezen is. Hier is een wisseling van getal. Vergelijk Job 24, op vers 18.
[^spreuken-31-8-21]: Kanttekening 21: Zo ook in het volgende vers. Zie Job 33, op vers 2.
[^spreuken-31-8-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: voor iemand die zijn woord niet kan voeren vanwege onbekwaamheid, of die het niet durft vanwege de macht van zijn tegenpartij.
[^spreuken-31-8-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, בְּנֵי: kinderen van de wisseling of uitroeiing, dat wil zeggen: die in gevaar staan om ten onrechte grote schade te lijden in hun bezit, lichaam of eer — ja die hun ondergang tegemoet zouden kunnen gaan. Of: kinderen van de doortocht, dat wil zeggen: alle mensen, wier leven hier niet anders is dan een korte doortocht naar de dood.
[^spreuken-31-9-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, צֶדֶק: oordeel gerechtigheid. Dat wil zeggen: rechtvaardig, of recht. Zo ook Deut. 1:16. Of: in of met gerechtigheid, zoals deze uitdrukking voluit voorkomt in Lev. 19:15; Ps. 9:9.
[^spreuken-31-9-b]: Verwijzing b: Lev. 19:15; Deut. 1:16.
[^spreuken-31-10-25]: Kanttekening 25: Dit lofgedicht over de deugden van een bekwame en ijverige huismoeder is hier opgesteld met de beginletters van elk vers in de volgorde van het Hebreeuwse alfabet, en daarom worden de namen van de letters vooraan geplaatst. Zie Ps. 25, op vers 1.
[^spreuken-31-10-c]: Verwijzing c: Spr. 12:4.
[^spreuken-31-10-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, אֵֽשֶׁת: een vrouw van deugd, of bekwaamheid, of kracht. Zo ook Ruth 3:11. Zie Gen. 47:6, de aantekening op het woord 'bekwame'.
[^spreuken-31-10-27]: Kanttekening 27: Zie Job 28:18 en de aantekening.
[^spreuken-31-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: haar man. Zie 2 Sam. 11:26 en de aantekening.
[^spreuken-31-11-29]: Kanttekening 29: Het Hebreeuwse woord sjalal betekent eigenlijk buit en roofgoed — dat wil zeggen: alle roerende goederen die in oorlogstijd de vijanden worden ontnomen — maar hier wordt het bij wijze van vergelijking gebruikt voor al het goede dat voor de huishouding nodig is en door arbeid of handel verdiend wordt. Vergelijk ook vers 15, de betekenis van het woord 'tereph' (voedsel).
[^spreuken-31-12-30]: Kanttekening 30: Of: vergeldt hem goed, enz. Zie over het Hebreeuwse woord: 2 Kron. 20, op vers 11; Spr. 11, op vers 17.
[^spreuken-31-12-31]: Kanttekening 31: De aard van de Hebreeuwse taal is om hetzelfde te herhalen met ontkenning van het tegendeel. Ps. 102:18; Luk. 1:20 enz.
[^spreuken-31-13-32]: Kanttekening 32: Het Hebreeuwse woord asah wordt elders ook voor werken gebruikt. Zie Gen. 30, op vers 30; Ex. 31:4; Ruth 2:19 en de aantekening; 2 Kron. 2:7.
[^spreuken-31-13-33]: Kanttekening 33: Zo wordt aan de handen ook tegenzin en onwil toegeschreven (Spr. 21:25).
[^spreuken-31-14-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zoals de koopvaardijschepen.
[^spreuken-31-14-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: al wat nodig is voor het onderhoud van dit tijdelijke leven. Vergelijk Spr. 4, op vers 17.
[^spreuken-31-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: zij voorziet haar huisgezin tijdig, niet alleen van wat in het land te bekomen is, maar ook van wat uit verafgelegen landen moet worden gehaald — waarvoor zij geld geeft of goederen verkoopt die door haar huispersoneel zijn gemaakt.
[^spreuken-31-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: haar huisgezin. Zie Gen. 7, op vers 1.
[^spreuken-31-15-38]: Kanttekening 38: Het Hebreeuwse woord טֶרֶף, tereph betekent eigenlijk roof of voedsel dat door roven is verkregen (Num. 23:24; Job 24:5), maar het wordt ook voor gewoon voedsel gebruikt, zoals hier en in Ps. 111:5; Mal. 3:10. Zo is ook het woord hitriph in Spr. 30:8 zoveel als: voeden met gewoon voedsel.
[^spreuken-31-15-39]: Kanttekening 39: Zie Job 23, op vers 12.
[^spreuken-31-16-40]: Kanttekening 40: Het woord zamam wordt meestal in negatieve zin gebruikt voor sluwe gedachten (Deut. 19:19; Ps. 37:12; Spr. 30:32 enz.), maar hier staat het in positieve zin voor ijverige, verstandige en rechtschapen gedachten. Vergelijk Zach. 8:15. Zo wordt ook het woord mezimmah (gedachte) zowel in goede als in kwade zin gebruikt. Zie Job 21, op vers 27.
[^spreuken-31-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk: met de bedoeling nog meer voordeel voor haar huishouden te behalen. Vergelijk Spr. 24:27.
[^spreuken-31-16-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: van de winst die zij van haar handwerk en handel geniet.
[^spreuken-31-17-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: zij bereidt zich met ijver en vastberadenheid voor op het werk. Zie Ex. 12, op vers 11.
[^spreuken-31-17-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: zij maakt haar armen gereed voor het werk — of zoals wij zeggen: zij stroopt haar mouwen op. Hier worden de heupen en armen speciaal genoemd omdat daarin de meeste kracht voor de arbeid zit.
[^spreuken-31-18-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: oordeelt, voelt, bevindt en merkt. Verstaan van de smaak van het hart. Vergelijk Ps. 34, op vers 9 en Job 12, op vers 20.
[^spreuken-31-18-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: winstgevend. Zo ook Jer. 5:25; 1 Kor. 7:1.
[^spreuken-31-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk: omdat zij die lang in de nacht gebruikt.
[^spreuken-31-19-48]: Kanttekening 48: Namelijk: waarmee zij haar garen spint. Of: de klos.
[^spreuken-31-19-49]: Kanttekening 49: Namelijk: om die soms te draaien en haar vlas of wol ervan af te halen of te trekken. Men neemt aan dat het oude spinnen niet met een wiel gebeurde, maar zoals nog veel vandaag de dag met een spil en een spinrok.
[^spreuken-31-20-50]: Kanttekening 50: Namelijk: om die te helpen — want zij is ijverig niet alleen voor haar eigen huisgezin, maar ook om de armen mee te delen.
[^spreuken-31-21-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: haar huisgezin. Zo ook vers 15 en opnieuw in dit vers.
[^spreuken-31-21-52]: Kanttekening 52: Verstaan hieronder: allerlei soorten ongemak die door het weer komen.
[^spreuken-31-21-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: met twee sets kleding. Of: in scharlaken. Dat wil zeggen: niet alleen ter noodzaak om de kou te weren, maar ook ter versiering van degenen die tot het huisgezin van een voorname vrouw behoren. Sommigen verstaan onder 'haar huisgezin' alleen haar man en kinderen. Toch lijkt het, aangezien scharlaken in die landen redelijk gewoon was (2 Sam. 1:24), niet ongeloofwaardig dat ook sommige dienaren en hofdames van zulke huisgezinnen die kleding droegen, en des te meer waren voorzien van andere kleding die hen beschermde tegen de kou.
[^spreuken-31-22-54]: Kanttekening 54: Zie Spr. 7, op vers 16.
[^spreuken-31-22-55]: Kanttekening 55: Zie Gen. 41, op vers 42.
[^spreuken-31-22-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: een kleed van donker, hoogrood of karmozijn kleur.
[^spreuken-31-23-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: de rechtszalen. Zie Gen. 22, op vers 17.
[^spreuken-31-23-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: de bestuurders van het land, die gewoonlijk worden gekozen uit de ouderen van jaren — of in elk geval van verstand. Zie 2 Kon. 23:1.
[^spreuken-31-24-59]: Kanttekening 59: Zie hierover: Richt. 14, op vers 12.
[^spreuken-31-24-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: de Kanaäniet. Zie Job 40, op vers 25.
[^spreuken-31-24-61]: Kanttekening 61: Die dienden in de oorlog om daarmee als een militair teken te worden ontvangen voor het gebruik van wapens (2 Kon. 3:21), om het zwaard eraan te hangen (2 Sam. 20:8), en om de lichaamsdelen voor bepaald werk gereed, vast en sterk te maken. Zie Ex. 12, op vers 11; Ef. 6:14. De gordel diende ook als lichaamsdecoratie (Jes. 3, op vers 24).
[^spreuken-31-25-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: kracht, dapperheid, vertrouwen op God en onversaagdheid van geest.
[^spreuken-31-25-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: sieraad van godsvrucht en eerlijke zeden.
[^spreuken-31-25-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: daarmee is zij goed voorzien en toegerust, en zij houdt zich daaraan als aan gewone dagelijkse kleding. Vergelijk Job 29, op vers 14.
[^spreuken-31-25-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: zij is gerust, onbekommerd en zonder vrees voor de toekomende tijd — en dat door het gevoel van Gods gunst en zegen, door een goed geweten, en de orde die zij in haar huishouding heeft aangebracht. 'Lachen' is hier gebruikt voor: onbevreesd zijn en niet geven om. Zie Job 5, op vers 22.
[^spreuken-31-25-66]: Kanttekening 66: Verstaan: de toekomende tijd, waarvoor zij bezorgd zou kunnen zijn voor tegenspoed, gebrek of armoede. Anderen verstaan hieronder: de tijd van ouderdom, of van het sterven, of de dag van het toekomende oordeel.
[^spreuken-31-26-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: spreken van iedereen goed te willen doen, en vermaning om anderen daartoe op te wekken.
[^spreuken-31-27-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: hoe het in haar huis toegaat — zij houdt toezicht op haar kinderen, haar dienstpersoneel, de werkzaamheden die zij te verrichten hebben, en op de meubelen en middelen die haar door haar man zijn toevertrouwd.
[^spreuken-31-27-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: dat zonder eerlijk werk verkregen is. Vergelijk Spr. 4, op vers 17.
[^spreuken-31-28-70]: Kanttekening 70: Of: zonen.
[^spreuken-31-28-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: zij zijn bereid en gereed om haar te prijzen — wat zij ook daadwerkelijk doen. Zo is 'opstaan' of 'zich klaarmaken' zoveel als: zich bereiden tot een werk (Gen. 37:35; Ex. 2:17; Joz. 18:4; 1 Sam. 25:29 enz.).
[^spreuken-31-28-72]: Kanttekening 72: Namelijk: maakt zich op.
[^spreuken-31-29-73]: Kanttekening 73: Dit zijn de woorden van de man en zijn zonen.
[^spreuken-31-29-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: vrouwspersonen. Zo ook Gen. 30:13; Luk. 23:28.
[^spreuken-31-29-75]: Kanttekening 75: Namelijk: in de huishouding. Zo wordt het woord chail ook gebruikt in Ruth 3:11 en hier in vers 10. Of: hebben deugd beoefend, of: rijkdom vergaard.
[^spreuken-31-30-76]: Kanttekening 76: Verstaan: de uiterlijke aangenaamheid en goede uitstraling die sommige vrouwen over zich kunnen hebben. Zie Nah. 3:4.
[^spreuken-31-30-77]: Kanttekening 77: Hebreeuws: leugen of valsheid — namelijk omdat degenen die erop vertrouwen als op een vast goed, worden bedrogen; en omdat grote en grove ondeugden er dikwijls achter schuilen.
[^spreuken-31-30-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: vergankelijk en snel vervliegend. Zie Job 15, op vers 31.
[^spreuken-31-30-79]: Kanttekening 79: Of: een vrouw van de vrees voor YHWH, dat wil zeggen: die met het ontzag voor YHWH is begiftigd.
[^spreuken-31-31-80]: Kanttekening 80: Iemand iets in woorden geven betekent: prijzen (Jer. 13:16). Hij wil zeggen: men moet uit de vrucht van haar handen de stof nemen om haar te prijzen.
[^spreuken-31-31-81]: Kanttekening 81: Zie Spr. 1, op vers 31.
[^spreuken-31-31-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: haar werken.
[^spreuken-31-31-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: in de openbare vergaderingen van het volk, die gewoonlijk bij de poorten werden gehouden, waar men recht sprak.

## Prediker

### Prediker 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/1.json)

*Alles is ijdelheid en onrust, zowel met het oog op de mensen zelf, als met het oog op de dingen die in de wereld gebeuren, die allemaal onbestendig, vergankelijk en vol bekommernis zijn, verzen 1, 2, enz. Dit bewijst de Prediker met zijn eigen voorbeeld, 12.*

**1** De woorden van de prediker, de zoon van David, de[^prediker-1-1-1] koning te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v1)

**2** [^prediker-1-2-2] Zinloosheid van de zinloosheden, zegt de prediker; zinloosheid van de[^prediker-1-2-a] zinloosheden, het is[^prediker-1-2-3] al zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v2)

**3** [^prediker-1-3-4] Wat[^prediker-1-3-5][^prediker-1-3-b] voordeel heeft de mens van al zijn[^prediker-1-3-6] arbeid, die hij arbeidt[^prediker-1-3-7] onder de zon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v3)

**4** [^prediker-1-4-8] Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt;[^prediker-1-4-c] maar de aarde[^prediker-1-4-9] staat in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v4)

**5** [^prediker-1-5-10] Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en[^prediker-1-5-11] zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v5)

**6** [^prediker-1-6-12] Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om[^prediker-1-6-13] naar het noorden; de wind gaat[^prediker-1-6-14] steeds omgaande, en[^prediker-1-6-15] de wind keert weer tot zijn omgangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v6)

**7** [^prediker-1-7-d] Al de[^prediker-1-7-16] beken gaan in de zee, toch wordt de zee[^prediker-1-7-17] niet vol; naar de plaats,[^prediker-1-7-18] waar de beken heengaan, daarheen[^prediker-1-7-19] gaande keren zij weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v7)

**8** Al deze dingen[^prediker-1-8-20] worden zo moe, dat het niemand[^prediker-1-8-21] zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v8)

**9** [^prediker-1-9-e] Wat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, en wat er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden; zodat er[^prediker-1-9-22] niets nieuws is onder de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v9)

**10** Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw?[^prediker-1-10-23] Het is al geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v10)

**11** [^prediker-1-11-24] Er is geen herinnering van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, daarvan zal ook geen herinnering zijn bij degenen, die later wezen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v11)

**12** [^prediker-1-12-25] Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v12)

**13** En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren[^prediker-1-13-26] al wat er gebeurt onder de hemel. Deze[^prediker-1-13-27] moeilijke bezigheid heeft God de kinderen van de mensen gegeven,[^prediker-1-13-28] om zich daarmee bezig te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v13)

**14** Ik zag al de werken aan, die onder de zon gebeuren; en ziet, het was al zinloosheid en[^prediker-1-14-29] kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v14)

**15** Het kromme[^prediker-1-15-30] kan niet recht gemaakt worden; en[^prediker-1-15-31] wat ontbreekt, kan niet geteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v15)

**16** Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie,[^prediker-1-16-32] ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap[^prediker-1-16-33] gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v16)

**17** En[^prediker-1-17-34] ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit[^prediker-1-17-35] een kwelling van de geest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v17)

**18** Want in veel wijsheid[^prediker-1-18-36] is veel[^prediker-1-18-37] verdriet; en[^prediker-1-18-38] die wetenschap[^prediker-1-18-39] vermeerdert, vermeerdert[^prediker-1-18-40] smart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/1.html#v18)

[^prediker-1-1-1]: Kanttekening 1: Te Jeruzalem was de Conincklikke zit-plaats: Maar Salomo is Koning geweest over de 12 stammen van het volk van Israël. zie hieronder, vers 12.
[^prediker-1-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de aldergrootste ijdelheid; gelijckmen zegt Koning van de Koningen, dat wil zeggen: de aldergrootste Koning: liedt van de liederen, dat wil zeggen: het alderhoochste liedt. Zie d’aantekening Gen. 9. op vers 25. en Lev. 2. op vers 3. en verstaat deze woorden zo, dat Salomo te kennen geeft, dat alle aardsche dingen ons niet en konnen helpen om tot de ware gelukzaligheid te komen.
[^prediker-1-2-a]: Verwijzing a: Ps. 62:9. en 144:4.
[^prediker-1-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk al wat onder de Zon geschiedt, vers 3.
[^prediker-1-3-4]: Kanttekening 4: Alsof hij zei, geen, geheel geen profijt.
[^prediker-1-3-5]: Kanttekening 5: Of, overschot, overblijfsel, profijt, winst, namelijk om gerustheid van het gemoet te bekomen, daar in eigenlijk de gelukzaligheid gelegen is.
[^prediker-1-3-b]: Verwijzing b: Eccl. 2:22. en 3:9.
[^prediker-1-3-6]: Kanttekening 6: Of, moeyelikken arbeid, namelijk zo van de geest, als van het lichaam.
[^prediker-1-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: aangaande de verganckelikke dingen van de tegenwoordige wereld.
[^prediker-1-4-8]: Kanttekening 8: De betekenis van deze woorden is, De menigte van de mensen die nu leeft, vergaat: zo zullen die ook vergaan, die van eeuwe tot eeuwe na haar komen zullen. Zie Ps. 12:8. ja al wat inde wereld is, dat is vergankelijk en veranderlijk: daarom en kan het de mens geen bestendige gelukzaligheid aanbrengen.
[^prediker-1-4-c]: Verwijzing c: Ps. 104:5.
[^prediker-1-4-9]: Kanttekening 9: Of, is bestendich, zij en vergaat niet, ’tis zo veel alsof hij zei, de aarde, of de wereld en vergaat zo niet, Zoals die dingen vergaan die daar op zijn, leven en sweven. Andersins ist zeker, dat de wereld ook eindelijk vergaan zal. Zie Ps. 102:27. en 104:5. en 119:90. en 1 Petr. 3:10.
[^prediker-1-5-10]: Kanttekening 10: De betekenis van deze, en van de naastvolgende verssen, schijnt te zijn: Allen arbeid zo van de geest als van het lichaam in wereldse dingen maakt de mens vol bekommernis en zorg, so dat hij gedurichlijk in beweging en beroerte is, Zoals de zon, de lucht, en de rivieren: so en maakt ze dan de mens niet gelucksalich.
[^prediker-1-5-11]: Kanttekening 11: Dit is bij gelijkenis gesproken, genomen van een mens, die zeer loopt (zo dat hij na zijn adem hijgt) om te komen ter plaats daar hij begeert te wesen. zie Ps. 56. op vers 2.
[^prediker-1-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk van die tijt af, dat ze in het hemels-teekken cancer gaat, tot dat zij in het teekken capricornus gaat, namelijk in de zomer en herfst.
[^prediker-1-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk het ander halve jaar, van die dach af als zij in capricornus gaat, tot dat zij in cancer gaat, namelijk in de Winter en Lente.
[^prediker-1-6-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, סְבִיבֹתָי: ommegaande ommegaande.
[^prediker-1-6-15]: Kanttekening 15: Waeyende dan uit het een, dan uit het ander geweste of quartier.
[^prediker-1-7-d]: Verwijzing d: Job 38. versen 8, 9, 10, 11. Ps. 104:9, 10.
[^prediker-1-7-16]: Kanttekening 16: Verst. hier onder, ja insonderheid, ook de Rivieren, en water-stroomen.
[^prediker-1-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk zo vol, dat ze over het aarde heen loopen zou, maar zij blijft al in een staat. Zie Job 38:10, 11. Ps. 104:9.
[^prediker-1-7-18]: Kanttekening 18: De Prediker wil zeggen, dat de rivieren in geduerigen loop en wederkeering zijn.
[^prediker-1-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk door de aderen, die onder de aarde loopen.
[^prediker-1-8-20]: Kanttekening 20: Of, zijn \[zo\] vol arbeyts, of, woeling.
[^prediker-1-8-21]: Kanttekening 21: Ia ook met zijn verstant of zinnen niet en zou konnen begrijpen. En volgens die, en konnen die dingen diemen in de wereld ziet en hoort, de mensen geen recht genoegen nochte ruste van het gemoet aanbrengen.
[^prediker-1-9-e]: Verwijzing e: Eccles. 3:15.
[^prediker-1-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk wat betreft die dingen, die op de aarde gebeuren na de gemeynen loop van de natuere: maar het heeft een andre gelegenheid met de extra-ordinare werkken Godes.
[^prediker-1-10-23]: Kanttekening 23: De betekenis is, daar is niet, al schijnt het nieuw, of het is ook voor deze d’een tijt of d’ander tijt geweest.
[^prediker-1-11-24]: Kanttekening 24: Alsof hij zei, dat er yet gevonden wordt, ’t welk de mensen nieuwe heeten te zijn, dat komt daar uit, dat zij niet wel en weten al ’tgene dat in voorledene tijden en eeuwen gebeurt is, omdat daar geen gedachtenis van gehouden en is.
[^prediker-1-12-25]: Kanttekening 25: Alsof hij zei, Ik een machtig Koning zijnde, heb goede gelegenheid gehadt, om te doen ’tgene dat stracx volcht, veel meer dan iemand anders, die de macht, rijkdom, gelegenheid, nochte wetenschap niet gehadt en hebben, om dit alles te doorgronden, Zoals ik gehadt heb. zie hieronder, 2:5, 6, 7, 8, etc.
[^prediker-1-13-26]: Kanttekening 26: Zo ’t gene dat na d’ordre van de natuere voort kwam, 1 Kon. 3. en 4. als ’t gene dat tegen de gemeynen loop van de natuere was geschiedende.
[^prediker-1-13-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: quade besigheid. of, moeite, of, bekommernis: die boos, of, moeilijk genoemd wordt, om dat zich de mens daar in besich houdt, en evenwel het rechte profijt daar van niet en geniett, omdat men nimmermeer komen en kan tot een volkomen kennis van alle dingen, nochte van de oorsaken daar se uit spruiten, als ook om dat de te werckstelling van de menschelicke wetenschap geheel swaar is.
[^prediker-1-13-28]: Kanttekening 28: Of, om daar in, of, daar mee besich te zijn, of, om haar daar in te quellen, of, om haar daar door te vernederen.
[^prediker-1-14-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: niet een slechte hoofd-breking, maar een quelling, knaging, verbreking, of verteering van het hart of van het gemoet. Anders: weyding, of, voeding van de wint, dat wil zeggen: een zaak daar de mens niet meer van gesterckt en wordt in zijn gemoet, alsof hij zijn lichaam met wint woude voeden, of onderhouden. Zie dergelijkke manier van spreken Jer. 22:22. Hose. 12:2.
[^prediker-1-15-30]: Kanttekening 30: Namelijk door eigen vernuft, of menselijke kloekheid, maar God vermach alles, daarom bidt David, Heer, schept in my een nieuwen geest. Zie hieronder, 7:13.
[^prediker-1-15-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: daar zijn zo veel gebreckelickheden en onvolkomenheden in de zaken van deze wereld, dat ze niet te tellen en zijn.
[^prediker-1-16-32]: Kanttekening 32: Of, Ik ben groot en overvloediger geworden in wijsheid, namelijk in de wetenschap van de natuerlicke dingen, en van de zaken die in de wereld gebeuren. Zie 1 Kon. 3:12. en 4:29. en 10:7, 23. Eccles. 2:9.
[^prediker-1-16-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: ervaren, en ondervonden. Zie Job 7. op vers 7.
[^prediker-1-17-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: ik heb my beijverd, om nog beter te verstaan wat het van de uitnementheid van de wijsheid is, mits daar tegen stellende, en als opwegende de dwaasheid, het tegendeel van de wijsheid. Zie Eccl. 2:12.
[^prediker-1-17-35]: Kanttekening 35: Zie hierboven, vers 14.
[^prediker-1-18-36]: Kanttekening 36: Namelijk omdat degenen, die in wijsheid en verstant uitsteken, vele dingen bemerkken, die tegen de wijsheid strijden, en hen daarom op ’t hoogste mishagen: Ofte ook, om dat de geest van de mensen (ook van de alderwijsten) zijn bedenckingen niet en kan uitvoeren.
[^prediker-1-18-37]: Kanttekening 37: Of, toornigheid, onmoet, of, onmoedigheid.
[^prediker-1-18-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: die veel weten wil, die heeft ook veel bekommernis.
[^prediker-1-18-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws: toevoecht, of, toedoet.
[^prediker-1-18-40]: Kanttekening 40: Of, pijne, quale, bekommernis.

### Prediker 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/2.json)

*Salomo wijst met zijn eigen voorbeeld aan dat de ware gelukzaligheid niet bestaat in de dingen die het vlees aangenaam zijn, zoals statige bouwwerken, het planten van bomen, wijngaarden en tuinen, verzen 1, 2, enz. maar in het vredige en vrolijke genieten van de gaven die God de mens geeft, vers 24, enz.*

**1** Ik zei in mijn hart:[^prediker-2-1-1] Nu, nu dan, ik zal u beproeven door vreugde; daarom[^prediker-2-1-3][^prediker-2-1-a] zie het goede aan; maar zie,[^prediker-2-1-4] ook dat was zinloosheid.[^prediker-2-1-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v1)

**2** [^prediker-2-2-5]Tot het lachen zei ik: U bent onzinnig, en tot[^prediker-2-2-6] de vreugde:[^prediker-2-2-7] Wat maakt deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v2)

**3** Ik heb[^prediker-2-3-8] in mijn hart[^prediker-2-3-9] nagespeurd, om[^prediker-2-3-10] mijn vlees[^prediker-2-3-11] op te houden in de wijn,[^prediker-2-3-12] (toch leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat de kinderen van de mensen het best was, dat zij doen zouden onder de hemel, gedurende het getal van de dagen van hun leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v3)

**4** [^prediker-2-4-13] Ik maakte mij grote[^prediker-2-4-14] werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij[^prediker-2-4-15] wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v4)

**5** Ik maakte mij[^prediker-2-5-16] hoven en[^prediker-2-5-17] lusthoven, en ik plantte bomen daarin, van[^prediker-2-5-18] allerlei vrucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v5)

**6** Ik maakte mij[^prediker-2-6-19] vijvers van wateren, om daarmee te bewateren het woud, dat met bomen groende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v6)

**7** [^prediker-2-7-20] Ik kreeg knechten en maagden, en ik had[^prediker-2-7-21] kinderen van het huis; ook had ik een groot bezit van[^prediker-2-7-22] runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v7)

**8** [^prediker-2-8-23] Ik verzamelde mij ook zilver en goud, en kleinoden[^prediker-2-8-24] van de koningen en van de[^prediker-2-8-25] gewesten; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden van de mensenkinderen,[^prediker-2-8-26] snarenspel, ja, allerlei snarenspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v8)

**9** En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook[^prediker-2-9-27] bleef[^prediker-2-9-28] mijn wijsheid mij bij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v9)

**10** En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik weerhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd[^prediker-2-10-29] vanwege al mijn arbeid; en[^prediker-2-10-30] dit was mijn deel van al mijn arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v10)

**11** Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot de arbeid, die ik werkende gewerkt had; zie, het was al zinloosheid en[^prediker-2-11-31] kwelling van de geest, en daarin was geen voordeel[^prediker-2-11-32] onder de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v11)

**12** [^prediker-2-12-33][^prediker-2-12-b] Daarna wendde ik mij,[^prediker-2-12-34] om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want[^prediker-2-12-35] hoe zou een mens, die[^prediker-2-12-36] de koning nakomen zal, doen wat al gedaan is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v12)

**13** [^prediker-2-13-37] Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, zoals het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v13)

**14** [^prediker-2-14-38] De ogen van de wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot[^prediker-2-14-39] wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook,[^prediker-2-14-40] dat dezelfde geval[^prediker-2-14-41] hun allen bejegent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v14)

**15** [^prediker-2-15-42] Daarom zei ik in mijn hart: Zoals het de dwaze bejegent,[^prediker-2-15-43] zal het ook mijzelf bejegenen;[^prediker-2-15-44] waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelfde zinloosheid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v15)

**16** [^prediker-2-16-45] Want er zal in eeuwigheid niet meer herinnering van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien wat nu is, in de toekomende dagen allemaal vergeten wordt; en[^prediker-2-16-46] hoe sterft de wijze[^prediker-2-16-47] met de zot? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v16)

**17** Daarom[^prediker-2-17-48] haatte ik dit leven, want dit werk[^prediker-2-17-49] dacht mij kwaad,[^prediker-2-17-50] dat onder de zon gebeurt; want het is al zinloosheid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v17)

**18** [^prediker-2-18-51] Ik haatte ook al[^prediker-2-18-52] mijn arbeid, die ik bearbeid had onder de zon, dat ik die zou achterlaten aan een mens,[^prediker-2-18-53] die na mij wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v18)

**19** Want[^prediker-2-19-54] wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen[^prediker-2-19-55] over al mijn arbeid, die ik bearbeid heb en die ik wijs beleid heb onder de zon. Dat is ook zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v19)

**20** Daarom[^prediker-2-20-56] keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al de arbeid, die ik bearbeid heb onder de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v20)

**21** Want[^prediker-2-21-57] er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschiktheid is; toch zal hij[^prediker-2-21-58] die overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gewerkt heeft. Dit is ook zinloosheid en een groot[^prediker-2-21-59] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v21)

**22** [^prediker-2-22-c] Wat heeft toch die[^prediker-2-22-60] mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen van zijn hart, die hij is bearbeidende onder de zon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v22)

**23** Want al zijn dagen[^prediker-2-23-61] zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs in de nacht rust zijn hart niet. Dat is ook zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v23)

**24** [^prediker-2-24-62][^prediker-2-24-d] Is[^prediker-2-24-63] het dan niet goed voor de mens,[^prediker-2-24-64] dat hij ete en drinke, en dat hij[^prediker-2-24-65] zijn ziel[^prediker-2-24-66] het goede doe genieten[^prediker-2-24-67] in zijn arbeid? Ik heb ook gezien,[^prediker-2-24-68] dat dat van de hand van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v24)

**25** (Want[^prediker-2-25-69] wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)[^prediker-2-25-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v25)

**26** Want[^prediker-2-26-71] Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die[^prediker-2-26-72] goed is voor Zijn aangezicht; maar[^prediker-2-26-73] de zondaar geeft Hij bezigheid om[^prediker-2-26-74] te verzamelen en te verzamelen,[^prediker-2-26-e] opdat Hij het geve die, die goed is[^prediker-2-26-75] voor Gods aangezicht.[^prediker-2-26-76] Dit is ook zinloosheid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/2.html#v26)

[^prediker-2-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: gaat nu.
[^prediker-2-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: zie in’t goede. Dat wil zeggen: versadicht u met het goede: dat hier te zeggen is, met lichamelijke genoechten.
[^prediker-2-1-a]: Verwijzing a: Luk. 12:19.
[^prediker-2-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk zo wel; als het gene dat tevoren hoofdstuk 1. verhaalt is, namelijk de ondersoeking van wereldse dingen.
[^prediker-2-1-2]: Kanttekening 2: Hier spreekt Salomo zijn eigen hart aan, alsof hij zei, Ik wil eens besoekken, of de wellusten en wereldse genoechten, het ware en het hoogste goed zijn, die degenen die daar in baden, een recht vernoegen van de geest, en rechte gelukzaligheid zouden kunnen aanbrengen.
[^prediker-2-2-5]: Kanttekening 5: Verstaat dit zo, dat het vele en onmatelikke lachen, zingen, en springen, meer een gekken en onwijsen, dan een wijsen en verstandigen man betaamt, Spr. 20. vers 1. Maar om zekere oorsaken soms matelijk te lachen, is niet te berispen.
[^prediker-2-2-6]: Kanttekening 6: Verst. hier vleselijke, of wereldse vreugt.
[^prediker-2-2-7]: Kanttekening 7: Of, waarom doet u dit? De betekenis is, wat voordeel brengt deze wereldse vreucht mee? Immers en deucht nog en dient zij niet om de ware gelukzaligheid te erlangen.
[^prediker-2-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: bij my zelf.
[^prediker-2-3-9]: Kanttekening 9: Of, ondersocht, of gezocht, of beraatslaecht.
[^prediker-2-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: mijn lichaam. De betekenis is, Ik heb my beijverd, om te gelijkke in lichamelijke genoechten, en in wijsheid te leven, voegende zo de wijsheid en de genoechte t’samen, want men moet hier onder de name van wijn verstaan, allerlei leckere spijse, en drank, ja allerlei wellusten.
[^prediker-2-3-11]: Kanttekening 11: Of, te trekken de wijn, dat is, tot de wijn te gewennen. Anders: mijn vlees de wijne over te geven.
[^prediker-2-3-12]: Kanttekening 12: Hij wil zeggen, Ik heb voorgenomen de wijsheid die my God gegeven heeft, zo in mijn hart te bewaren, dat ik nochtans uiterlijk de dwaasheid (t.w. met leckerlijk te eten, en te drinkken, en met wellusten te plegen) ook plaats geven woude, die grijpende en vasthoudende.
[^prediker-2-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, הִגְדַּלְתִּי: Ik maakte mijn werkken groot, namelijk niet alleen ter nootdurft, maar ook tot een toon van mijn heerlickheid, en tot genoechte.
[^prediker-2-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: Gebouwselen, als stracx volgt, en ook versen 5, 6.
[^prediker-2-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk in Baäl-Hamon, Cant. c. 8. vers 11.
[^prediker-2-5-16]: Kanttekening 16: Namelijk daar allerlei kruiden en bloemen in wiessen.
[^prediker-2-5-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: pardesim, dat wil zeggen: paradijsen. het welke betekent niet alleen gewone hoven, maar hoven van playsier, principalijk boomgaarden.
[^prediker-2-5-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: alle.
[^prediker-2-6-19]: Kanttekening 19: Verstaat zodanige vyvers, in de welke steets water was, so regen-water, als opwellende water.
[^prediker-2-7-20]: Kanttekening 20: Of, ik besat, of, veroverde.
[^prediker-2-7-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: kinderen binnens huis geboren, namelijk van mijn knechten en maegden. Vergelijk Gen. 12:5. en Gen. 14:14. en 15:3. en 17. vers 12.
[^prediker-2-7-22]: Kanttekening 22: Onder deze specien worden ook andere beesten verstaan, zo grote, als kleine.
[^prediker-2-8-23]: Kanttekening 23: Zie 1 Kon. 9:28. en 10. versen 14, 21, 22, 26.
[^prediker-2-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: die men bij enige Koningen, of in vreemde lantschappen konde vinden: Ofte, ’t gene dat bij de Koningen, en in ieder provintie voor het kostelickste gehouden wert.
[^prediker-2-8-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: ik maakte.
[^prediker-2-8-26]: Kanttekening 26: Of, musicaal accoort, of, verschillende melodyen van Musijk-instrumenten, of, karossen, of uitgelesene zeer schone vrouwen, inden krijch gevangen. Namelijk om my te dienen in alle dingen daar toe de vrouwen bekwaam zijn. Het hebr. woord בְּנֵי, en wordt nergens anders gevonden als hier, daarom wordt het zo verscheydelijk overgesett.
[^prediker-2-9-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: stont. Dat wil zeggen: bestont, of, bleef bestendich bij my. De betekenis is, of ik schoon alle die boven verhaalde rijkdommen en heerschappyen had: nochtans en liet ik daarom de wijsheid niet varen, maar ik volherdde even wel in mijn wijze regering. Vergelijk hierboven, vers 3.
[^prediker-2-9-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: de wijsheid met de welke my God boven alle andere begaeft had.
[^prediker-2-10-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: van wegen de goederen, die ik met mijn arbeid te wege gebracht had.
[^prediker-2-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: al dat ik genooten heb van al mijn moeite, is geweest een verganckelikke en haast passerende vreucht. Zie hieronder, 5. op vers 17.
[^prediker-2-11-31]: Kanttekening 31: Zie hierboven, 1:14.
[^prediker-2-11-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in enige zichtbare en verganckelikke dingen.
[^prediker-2-12-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: ik begaf my tot overlegging van de wijsheid en dwaasheid, die ik beide beproeft had, om te oordelen bij my zelf bij welke de uitnementheid was.
[^prediker-2-12-b]: Verwijzing b: Eccles. 1:17. en 7:23.
[^prediker-2-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: om te dege te merkken op de wijsheid.
[^prediker-2-12-35]: Kanttekening 35: Anders: want wat \[zou\] de mens \[doen\], die na de Koning komen zal? Even ’t zelf dat reeds gedaan is. De betekenis is: So daar iemand is, die meent dat ik, die zo een machtig en wijs Koning ben, alles niet wel verstaan nog ervaren en heb, en dat er over zulks eenich ander middel zou mogen zijn, om tot de gelukzaligheid te komen, die dwaalt grovelijk, hij zal niet anders vinden, dan ’t gene dat ik daar van verklare, een ieder mach zich hier inne op mijn woord wel verlaten.
[^prediker-2-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: my: hij wil zeggen, die zou konnen doen dat ik, die een machtig Koning ben, gedaan heb.
[^prediker-2-13-37]: Kanttekening 37: Die sin is, of schoon al ons bedrijf ijdelheid is, nochtans is de wijsheid zo veel meer dan de dwaasheid te achten, als het licht boven de duisternis.
[^prediker-2-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: de wyse is welbedacht, en hij gaat voorsichtelijk in al zijn handel, maar een dwaas mens is onbedachtzaam, en onvoorsichtich in al ’tgene dat hij te doen heeft. zie Spr. 8:1. en 17:24.
[^prediker-2-14-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: hij en weet niet hoe hij zijn zaken zal aanstellen.
[^prediker-2-14-40]: Kanttekening 40: Namelijk zo veel betreft ’t gene dat hen overkomt in dit tegenwoordige leven: Zoals daar zijn verschillende elendicheden, kranckheden, en smerten van het lichaam, als ook de dood zelf. Vergelijk hier mee Ps. 49:11.
[^prediker-2-14-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: hen beide, zo wel de wijsen, als de dwasen.
[^prediker-2-15-42]: Kanttekening 42: Namelijk oordeelende na de gelegenheid van de zaken, diemen dagelicks voor ogen ziet gebeuren.
[^prediker-2-15-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: ik ben zo wel allerlei elenden onderworpen, en ik zal zo wel sterven, als de dwase, ja als alle andre mensen.
[^prediker-2-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: waarom heb ik my dan meer bevlijticht om wijsheid te verkrijgen, dan andre? of, waarom zou ik dan meer na wijsheid staan? Alsof hij zei, Dewijle de dood my zo wel overkomen zal, als allen anderen, waar toe zal my de menselijke wijsheid voorderlijk zijn?
[^prediker-2-16-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: Daar en is geen gedachtenis van de wijsen met de dwasen in eeuwigheid. Dit dient tot bevesting van ’tgene dat stracx gezegd is: De betekenis is, Zoals alle mensen sterffelijk zijn, so vergaat ook metter tijt de gedachtenis van de een so wel als van de ander in’t gemeen. Hoewel de memorie van degenen welcker namen en daden in Gods woord en de historien gedacht worden, bij velen overblijft.
[^prediker-2-16-46]: Kanttekening 46: Een vrage met verwondering, alsof hij zei, ’Tis een droevige zaak, dat een treffelijk wijs man zo wel, en zo haast sterven moet, en dikwijls, na ’t oordeel van de wereld, gelijkke uitkomste heeft, als een dwaas. Anders: En hoe de wijze sterft met de dwaas.
[^prediker-2-16-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: zo wel als de dwaas. zie Ps. 49. versen 11, 12.
[^prediker-2-17-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: ’t verdroot my te leven.
[^prediker-2-17-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, רַע: was kwaad in, bij, oft over my.
[^prediker-2-17-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: alle de werkken en hanteringen van de mensen.
[^prediker-2-18-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: ik hebber een weersien in gehadt, namelijk lettende op de ijdelheid van de rijkdommen, en de vergadering van de dingen, diemen met zo grote moeite verkrijcht: En insonderheid ten aansien van de onsekerheid wat erfgenaam dat men hebben zal.
[^prediker-2-18-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: mijn goed, dat ik met mijn arbeidt verkregen en t’samen gebracht had.
[^prediker-2-18-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: die my in’t Rijke zal navolgen.
[^prediker-2-19-54]: Kanttekening 54: Rehabeam de zoon en navolger Salomons, heeft door zijn dwaasheid en onvoorzichtigheid, het meeste deel van zijn Coninckrijck verloren, 1 Kon. 12. Men kan eeniger mate uit dit vers afnemen, dat Salomo wel gemerckt heeft, dat zich Rehabeam niet wel en zou aanstellen in de regering van het Rijk.
[^prediker-2-19-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: over alle de goederen en voortreffelijke grote dingen, die ik met veel moeite verworven en vergaderd heb.
[^prediker-2-20-56]: Kanttekening 56: Alsof hij zei, Ik ben in deze mijn gedachten eindelijk daar toe gekomen, dat ik in’t minste geen genoegen gehadt en heb aan al ’t gene dat ik door mijn arbeid verworven had. Zie vers 18.
[^prediker-2-21-57]: Kanttekening 57: De betekenis is, ’ten is geen wonder dat my dit verdriett, aangezien dat er niemand zo klein van middelen en is, of ’ten zou hem wel verdrieten, dat zijn goederen in vremde handen zouden vervallen.
[^prediker-2-21-58]: Kanttekening 58: Namelijk arbeid, dat wil zeggen: al ’tgoet, dat hij met zijn arbeid vergaderd en gewonnen heeft.
[^prediker-2-21-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: verdriet, of quelling, als Mat. 6:34.
[^prediker-2-22-c]: Verwijzing c: Eccl. 1:3. en 3:9.
[^prediker-2-22-60]: Kanttekening 60: Namelijk van de welke vers 21. gesproken is.
[^prediker-2-23-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: vol droeffenis en zwarigheid. zie Job 14. d’aant. op vers 1.
[^prediker-2-24-62]: Kanttekening 62: Anders: Daar en is \[dan\] niet beter voor de mens, \[als\] dat hij ete en drinkke. etc. Anders: ’Ten is niet goed voor de mens dat hij ete en drinkke. Dat wil zeggen: dat hij in eten en drinkken al zijn lust en genoechte neme.
[^prediker-2-24-d]: Verwijzing d: Eccl. 3:12, 22. en 5:18. en 8:15.
[^prediker-2-24-63]: Kanttekening 63: Namelijk zo veel het tijdelijke goed, en dit verganckelikke leven betreft.
[^prediker-2-24-64]: Kanttekening 64: De betekenis is, dat hij alle onnutte zorg en bekommernis besijden stellende, geniete en gebruikke ’tgene dat hem God gegeven heeft.
[^prediker-2-24-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: hemselven.
[^prediker-2-24-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, הֶרְאָה: het goede doe zien. Dat wil zeggen: welvare, wat goeds geniete van zijn arbeid?
[^prediker-2-24-67]: Kanttekening 67: Of, van zijn arbeid, dat wil zeggen: van zijn goederen.
[^prediker-2-24-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: dat het een besondere gave van God is, die alle man niet en heeft, namelijk dat men zich late genoegen, en zich vrolijk make met zulks alsmen van de milde hant Godes ontvangen heeft.
[^prediker-2-25-69]: Kanttekening 69: Alsof hij zei, Indiender eenich ander beter genut uit die tijdelijke dingen te halen ware, wie zou dat lichtelicker en beter konnen doen, dan ik?
[^prediker-2-25-70]: Kanttekening 70: Namelijk daar van te eten, of ’t genut daar van te nemen, namelijk, met vrolickheid.
[^prediker-2-26-71]: Kanttekening 71: Namelijk God.
[^prediker-2-26-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: die vroom en godtsalich is.
[^prediker-2-26-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: de goddeloze, aan de welke hij geen welgevallen en heeft. zie Ps. 1:1. van het woord zondaar.
[^prediker-2-26-74]: Kanttekening 74: Namelijk tijdelijke goederen en rijkdommen.
[^prediker-2-26-e]: Verwijzing e: Eccl. 3:13. Job 27:16, 17. Spr. 28:8.
[^prediker-2-26-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: voor zijn aangezicht.
[^prediker-2-26-76]: Kanttekening 76: Namelijk zo zeer zich te bekommeren om rijkdom te vergaderen, die u zelf niet en moocht genieten, ook niet nalaten die u wilt, en vermoedt, dat ze wel zal weten te gebruiken.

### Prediker 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/3.json)

*De Prediker leert hier hoe alles in de wereld zijn tijd en verloop heeft, zoals God het verordineerd heeft, verzen 1, 2, enz. daaruit concluderend dat de mens niets beters kan doen dan in dit leven de gaven van God met vreugde te genieten, en goed te doen aan zijn naaste, 12. Daarna spreekt hij over de ongerechtigheid die men in het gericht ziet plegen, 16, enz. hij wijst ook aan dat de mensen evengoed moeten sterven als het vee, 18, 19. en ook dat zij uit de gemeenschappelijke staat van de stervenden niet kunnen begrijpen of hun ziel onsterfelijk is, 19, enz. besluitend vers 22 als boven.*

**1** [^prediker-3-1-1] Alles heeft een bestemde tijd, en alle[^prediker-3-1-2] voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v1)

**2** Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v2)

**3** Een tijd[^prediker-3-3-3] om te doden en een tijd om[^prediker-3-3-4] te genezen; een tijd om[^prediker-3-3-5] af te breken en een tijd om op te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v3)

**4** Een tijd om te huilen, en een tijd[^prediker-3-4-6] om te lachen; een tijd[^prediker-3-4-7] om te kermen, en een tijd[^prediker-3-4-8] om op te springen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v4)

**5** Een tijd[^prediker-3-5-9] om stenen weg te werpen, en een[^prediker-3-5-10] tijd om stenen te verzamelen; een tijd[^prediker-3-5-a] om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v5)

**6** Een tijd[^prediker-3-6-11] om te zoeken, en een tijd om[^prediker-3-6-12] verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om[^prediker-3-6-13] weg te werpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v6)

**7** Een tijd[^prediker-3-7-14] om te scheuren en een tijd om te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v7)

**8** Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten; een tijd van oorlog en een tijd van vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v8)

**9** [^prediker-3-9-15] Wat[^prediker-3-9-b] voordeel heeft hij, die werkt, van wat hij bearbeidt?[^prediker-3-9-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v9)

**10** Ik heb gezien de bezigheid, die God de kinderen van de mensen gegeven heeft, om zichzelf daarmee bezig te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v10)

**11** [^prediker-3-11-17] Hij heeft ieder ding[^prediker-3-11-18] schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart[^prediker-3-11-19] gelegd,[^prediker-3-11-20] zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft,[^prediker-3-11-21] kan uitvinden,[^prediker-3-11-22] van het begin tot het einde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v11)

**12** Ik heb gemerkt, dat er niets beters[^prediker-3-12-23] voor hen is, dan zich te verblijden, en[^prediker-3-12-24] goed te doen in zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v12)

**13** Ja ook, dat ieder mens[^prediker-3-13-25] ete en drinke, en het goede[^prediker-3-13-26] geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v13)

**14** Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in de[^prediker-3-14-27] eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v14)

**15** Wat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is al geweest; en[^prediker-3-15-28] God zoekt het weggedrevene; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v15)

**16** Verder[^prediker-3-16-29] heb ik ook gezien onder de zon,[^prediker-3-16-30] ter plaatse van het gericht, daar was goddeloosheid; en ter plaatse van de gerechtigheid, daar was goddeloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v16)

**17** Ik zei in mijn hart: God zal[^prediker-3-17-31] de rechtvaardige en de goddeloze oordelen;[^prediker-3-17-32] want[^prediker-3-17-33] daar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v17)

**18** Ik zei in mijn hart[^prediker-3-18-34] van de gelegenheid van de mensenkinderen, dat God hen[^prediker-3-18-35] zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v18)

**19** Want wat de kinderen van de mensen overkomt, dat overkomt ook de beesten; en[^prediker-3-19-36] dezelfde overkomt hun beiden; gelijk[^prediker-3-19-37] die sterft, zo sterft[^prediker-3-19-38] deze, en[^prediker-3-19-39] zij allen hebben[^prediker-3-19-40] dezelfde adem, en de uitnemendheid van de mensen boven de beesten[^prediker-3-19-41] is geen; want[^prediker-3-19-42] allen zijn zij zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v19)

**20** Zij gaan allen[^prediker-3-20-43] naar één plaats; zij[^prediker-3-20-44][^prediker-3-20-c] zijn allen uit het stof, en zij keren allen weer tot het stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v20)

**21** Wie merkt, dat[^prediker-3-21-45] de adem van de kinderen van de mensen[^prediker-3-21-46] opvaart naar boven, en de adem van de beesten[^prediker-3-21-47] naar beneden vaart in de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v21)

**22** Daarom heb ik gezien, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde[^prediker-3-22-48] in zijn werken, want[^prediker-3-22-49] dat is zijn deel; want[^prediker-3-22-50] wie zal hem daarheen brengen, dat hij ziet, wat na hem gebeuren zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/3.html#v22)

[^prediker-3-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: alle zaken en handelingen van deze wereld zijn veranderlijk en onderworpen aan allerlei wisselingen, die God alleen bestuurt en die door geen mens kunnen worden bespoedigd of vertraagd. Uit deze veranderlijkheid blijkt duidelijk dat men in dit wankele leven het ware geluk niet moet zoeken.
[^prediker-3-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: behagen, of wil, begeerte. Namelijk van de mensen. Zie Ps. 27 bij vers 12.
[^prediker-3-3-3]: Kanttekening 3: Hetzij door de wil of beschikking van God, Ex. 21:13, hetzij op bevel van de overheid. Anders: om te verwonden.
[^prediker-3-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk de verwonde.
[^prediker-3-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, פְרוֹץ: in te breken, of te scheuren.
[^prediker-3-4-6]: Kanttekening 6: Zie Pred. 2:2.
[^prediker-3-4-7]: Kanttekening 7: Of: om luid weeklagen te maken, of om rouw te dragen.
[^prediker-3-4-8]: Kanttekening 8: Of: om te huppelen. Namelijk van vreugde en blijdschap. Zie 1 Kron. 15:29 en Hand. 3:8.
[^prediker-3-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk wanneer men de tuin of akker schoonmaakt, of een huis afbreekt.
[^prediker-3-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk wanneer men een huis of ander gebouw wil optrekken.
[^prediker-3-5-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 7:5.
[^prediker-3-6-11]: Kanttekening 11: Om te beheren of te bewaren. Anders: om te zoeken. Namelijk wijsheid, rijkdom, of iets dat men verloren heeft. Verstaan hierbij ook: en om te vinden, zoals Jes. 65:1.
[^prediker-3-6-12]: Kanttekening 12: Anders: om te verliezen. Namelijk op het moment dat men daardoor in gevaar van ziel of leven zou komen.
[^prediker-3-6-13]: Kanttekening 13: Zoals bijvoorbeeld wanneer men gevaar loopt voor schipbreuk op zee, Jona 1:5; Hand. 27:18-19.
[^prediker-3-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk de kleren, zoals bij de Joden zeer gebruikelijk was om de droefenis van het hart te tonen.
[^prediker-3-9-15]: Kanttekening 15: De betekenis is: wanneer het uur en de tijd er niet is, doe men wat men wil — men zal niets tot stand kunnen brengen.
[^prediker-3-9-b]: Verwijzing b: Pred. 1:3.
[^prediker-3-9-16]: Kanttekening 16: Verstaan hierbij: Geen.
[^prediker-3-11-17]: Kanttekening 17: Namelijk God: die alles zo maakt dat het mooi en fraai is, en alles op de juiste tijd gebeurt, ook al vallen er bij de mensen grote veranderingen voor.
[^prediker-3-11-18]: Kanttekening 18: Of: fijn, goed, fraai, welgemaakt.
[^prediker-3-11-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: een natuurlijke neiging tot onderzoek van de eeuwen en tijden en wat daarin is geschied. Anders: de eeuwigheid. Dat wil zeggen: een neiging gericht op het onderzoek van wat eeuwig en eindeloos is, of een neiging gericht op de eeuwigheid.
[^prediker-3-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk in het hart van de mensen.
[^prediker-3-11-21]: Kanttekening 21: Namelijk volledig, en door zijn eigen vernuft en verstand.
[^prediker-3-11-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, רֹאשׁ: van het hoofd tot het einde.
[^prediker-3-12-23]: Kanttekening 23: Namelijk de mensen. Of: in die, namelijk dingen.
[^prediker-3-12-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: vroom en godvrezend te leven. Zie Pred. 12:13.
[^prediker-3-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk met genoegen en vrolijkheid.
[^prediker-3-13-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: zie.
[^prediker-3-14-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: bestaan. Dat wil zeggen: het zal altijd gebeuren zoals Hij besloten en verordend heeft, want het besluit van God is onveranderlijk. Als het schepsel de minste verandering zou kunnen aanbrengen in wat God wil doen — als het schepsel de zegen zou kunnen verminderen of vermeerderen, het kruis verlichten of verzwaren — dan zouden de mensen het schepsel eren en vrezen en niet de Schepper. Daarom heeft God alles wat Hij over ons wil brengen of van ons wil weren, hetzij goed of kwaad, zo vastgesteld dat de schepselen er niet de minste verandering in kunnen aanbrengen, opdat wij alleen ontzag hebben voor het aangezicht van de Schepper en met alle ootmoed alleen aan zijn voorzienigheid vasthouden.
[^prediker-3-15-28]: Kanttekening 28: Verstaan hierbij: en Hij brengt weer te voorschijn wat voorbijgegaan of vergaan is, door zijn almacht en zijn wijze besturing de soorten van dieren en andere schepselen te vernieuwen; Hij laat de lente, zomer, herfst en winter telkens op hun seizoen terugkomen, en ook de bloemen, kruiden en vruchten van zowel de bomen als de aarde; wanneer mensen en dieren sterven en vergaan, laat Hij anderen op diezelfde plek geboren worden en opgroeien, enzovoort.
[^prediker-3-16-29]: Kanttekening 29: Namelijk een andere vluchtigheid.
[^prediker-3-16-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: in het gerechtsgebouw of op de rechtbank, waar men het recht en de justitie behoorde te handhaven, ging het er precies omgekeerd aan toe.
[^prediker-3-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: de onschuldige en de schuldige. De betekenis is: toen ik de onrechtvaardigheid zag die onder de mensen heerste bij het uitspreken van oordelen, troostte ik mij hiermee: ik dacht eraan dat God, de hoogste en rechtvaardigste Rechter, alle mensen op zijn tijd rechtvaardig zal oordelen en iedereen zal vergelden naar zijn werken.
[^prediker-3-17-32]: Kanttekening 32: Anders: maar, alsof hij zegt: de goddelozen hebben hier hun tijd, maar God zal daar ook zijn tijd hebben.
[^prediker-3-17-33]: Kanttekening 33: Namelijk daar waar God zijn rechterstoel op de jongste dag zal oprichten, waar alle menselijke daden zullen worden geoordeeld.
[^prediker-3-18-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: betreffende het wezen, de toestand of conditie, de handel en wandel van de mensen — namelijk wanneer ik die goed beschouw en doorgrond.
[^prediker-3-18-35]: Kanttekening 35: Of: duidelijkheid zal geven. Hij wil zeggen: omdat de vergankelijkheden van de mensen zo talrijk en zo groot zijn, en zulk een massa en verscheidenheid van beslommeringen, waaraan zij zich zo diep en met zulk een behagen overgeven alsof het eeuwig werk met hen zou zijn — zo heb ik mijzelf laten inzien dat God hen duidelijk en zichtbaar zal laten zien en begrijpen wat zij in zichzelf zijn en naar de toestand van deze ondermaanse wereld: namelijk als de dieren. Ps. 49:13,21.
[^prediker-3-19-36]: Kanttekening 36: Namelijk wanneer men niet op iets anders let dan op wat de mensen en de dieren uiterlijk overkomt: want de mensen ademen, ze eten, drinken, slapen; ze zijn ook aan ziekten en pijnen, ja uiteindelijk aan de dood zelf onderworpen, niet anders dan de dieren. Maar voor het overige is de voortreffelijkheid van de mensen groot boven de dieren.
[^prediker-3-19-37]: Kanttekening 37: Namelijk het dier.
[^prediker-3-19-38]: Kanttekening 38: Namelijk de mens.
[^prediker-3-19-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: zij beiden, namelijk zowel de mensen als de dieren.
[^prediker-3-19-40]: Kanttekening 40: Verstaan hier door de adem: de levensgeest.
[^prediker-3-19-41]: Kanttekening 41: Namelijk voor zover men het aan het uiterlijke kan waarnemen, of voor zover het het sterven betreft.
[^prediker-3-19-42]: Kanttekening 42: Namelijk zowel de mensen als de dieren. Anders: het is allemaal vluchtigheid.
[^prediker-3-20-43]: Kanttekening 43: Namelijk naar de aarde. Dit is te verstaan van het lichaam, zoals uit het volgende blijkt. Hebreeuws: ieder, of: alles gaat, enz.
[^prediker-3-20-44]: Kanttekening 44: Zie Gen. 1:24 en 2:7.
[^prediker-3-20-c]: Verwijzing c: Gen. 3:19.
[^prediker-3-21-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen hier: de ziel, zoals Luk. 23:46. De betekenis is: wie kan dit waarnemen of weten uit de gewone uiterlijke omstandigheden van hen die sterven?
[^prediker-3-21-46]: Kanttekening 46: En dienovereenkomstig in wezen blijft nadat hij uit het lichaam is gescheiden. Zie hierover uitvoeriger Pred. 12:7, waar Salomo duidelijk zegt dat de ziel terugkeert tot God die haar gegeven heeft. Zodat men Salomo niet kan toeschrijven dat hij hier wil leren dat de ziel sterfelijk is.
[^prediker-3-21-47]: Kanttekening 47: Waar hij te niet gaat, niets meer zijnde, nadat hij uit het lichaam is gegaan.
[^prediker-3-22-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: met wat hij door zijn werk verdiend heeft.
[^prediker-3-22-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zijn deel dat hij zal genieten, Pred. 2:24; 3:12; 5:18. Alsof hij zegt: de mens zal bij zijn sterven niets meenemen; hij zal ook na zijn dood niet weten wat er hier op aarde omgaat. Daarom is het het beste dat hij zichzelf niet kwelt met nutteloze zorgen over hoe het na hem zal gaan, welke erfgenaam hij zal hebben, of hoe die het met zijn bezittingen zal doen, of hoe zij hun leven zullen inrichten — maar dat hij met een rustig en vrolijk hart (in de vrees voor God) gebruik maakt van wat hij bezit, want hij zal er toch niets anders van hebben. Zie Pred. 2:3.
[^prediker-3-22-50]: Kanttekening 50: Alsof hij zegt: niemand.

### Prediker 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/4.json)

*Salomo verhaalt in dit hoofdstuk hoe de armen door de machtigen van deze wereld onderdrukt worden, vers 1, enz. hoe de voortreffelijke mensen benijd worden, 4. De ongerijmdheid van de luiaards, 5. Dat sommigen de moed niet hebben hun arbeid te genieten, 6. Hij prijst boven dezen hen die zich met andere mensen verenigen, 7. hoe sommigen roemen op hun macht, maar dat wijsheid meer te achten is, 13. De gunst van de onderdanen tegenover hun overheid is onbestendig, 15.*

**1** Daarna wendde ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon gebeuren; en ziet, er waren de tranen van de verdrukten, en[^prediker-4-1-1] van degenen, die geen trooster hadden; en[^prediker-4-1-2] aan de zijde van hun verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v1)

**2** [^prediker-4-2-3] Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v2)

**3** Ja, hij is beter dan die beiden, die[^prediker-4-3-4] nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v3)

**4** Verder[^prediker-4-4-5] zag ik al de arbeid en alle geschikkelijkheid van het[^prediker-4-4-6] werk, dat het de mens afgunst van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v4)

**5** [^prediker-4-5-7] De[^prediker-4-5-a] zot vouwt zijn handen samen, en[^prediker-4-5-8] eet zijn eigen vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v5)

**6** [^prediker-4-6-9] Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v6)

**7** Ik wendde mij opnieuw, en ik zag een zinloosheid onder de zon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v7)

**8** [^prediker-4-8-10] Daar is er één, en geen tweede; hij heeft ook geen[^prediker-4-8-11] kind, noch[^prediker-4-8-12] broer; toch is van al zijn arbeid geen einde;[^prediker-4-8-13] ook wordt zijn oog niet verzadigd van de rijkdom,[^prediker-4-8-14] en zegt niet: Voor wie arbeide ik toch, en[^prediker-4-8-15] doe[^prediker-4-8-16] mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook zinloosheid, en het is een moeilijke bezigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v8)

**9** [^prediker-4-9-17] Twee zijn beter dan één; want[^prediker-4-9-18] zij hebben een goede beloning van hun arbeid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v9)

**10** Want als[^prediker-4-10-19] zij[^prediker-4-10-20] vallen, de één richt zijn metgezel op; maar wee de ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v10)

**11** Ook, als twee[^prediker-4-11-21] samen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou één alleen warm worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v11)

**12** En als iemand de één mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en[^prediker-4-12-22] een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v12)

**13** [^prediker-4-13-23] Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v13)

**14** Want[^prediker-4-14-24] één komt[^prediker-4-14-25] uit de gevangenis, om koning te zijn; daar[^prediker-4-14-26] ook één, die in zijn koninkrijk geboren is,[^prediker-4-14-27] verarmt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v14)

**15** [^prediker-4-15-28] Ik zag[^prediker-4-15-29] al de levenden[^prediker-4-15-30] wandelen onder de zon, met de jongeman,[^prediker-4-15-31] de tweede, die[^prediker-4-15-32] in diens plaats[^prediker-4-15-33] staan zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v15)

**16** [^prediker-4-16-34] Er is geen einde van al het volk, van allen, die[^prediker-4-16-35] voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook[^prediker-4-16-36] over hem niet verblijden; zeker, dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v16)

**17** [^prediker-4-17-37] Bewaar[^prediker-4-17-38] uw[^prediker-4-17-39] voet, als u tot het huis van God ingaat, en wees liever nabij[^prediker-4-17-40] om te horen,[^prediker-4-17-41] dan om van de zotten slachtoffer te geven;[^prediker-4-17-42] want zij weten niet, dat zij kwaad doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/4.html#v17)

[^prediker-4-1-1]: Kanttekening 1: Of, en zij en hadden geenen vertrooster.
[^prediker-4-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws: aan de hant. De betekenis is, Zij hebben een machtige partye tegen, die haar kan overweldigen en verdrukken.
[^prediker-4-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk om dat ze bevrijt zijn van alle deze elenden en swaricheden. Zie Job c. 3:17, etc.
[^prediker-4-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: die noyt geboren en is: Dit spreekt Salomo ten aansien van de elendicheden van dit leven. Zie Job 3. versen 11, 12, 13, 16, en 21.
[^prediker-4-4-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: betrachtte ik.
[^prediker-4-4-6]: Kanttekening 6: De betekenis is, Die haar zelf in haar beroep neerstelijk quiten, en kloek in haar handelingen en werken zijn, die zijn de nijdt van de boosen en onachtsamen onderworpen. ’t welk dan de vrome dikwijls zeer moeit en verdriet.
[^prediker-4-5-7]: Kanttekening 7: De Schriftuur noemt zotheid, of dwaasheid, al hetgeen tegen Gods woord strijdt, hier is een dwaas zo veel te zeggen, als een luiaert: En hier wordt de aart van de luiaerts en van de achteloosen, die de handen niet uit en steken tot de arbeid, van de Prediker gesteld tegen de aart van de neerstigen en van de kloeken, van de welke hij vers 4. gesproken heeft: En hij wil te verstaan geven, dat onaangesien het zeer verdrietich is de haat van de boosen onderworpen te zijn van wegen zijn kloekheid en nijverheid, dat het desniettemin grote dwaasheid is, luy-ledich zijn leven te verslijten.
[^prediker-4-5-a]: Verwijzing a: Spr. 6:10. en 24:33.
[^prediker-4-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: (zoals wy gemeenlijk spreken) de dwaas eet hem zelf op, dat is, hij verteert al wat hij heeft, en hij vervalt eindelijk in zulke armoede, dat hij in hart-zeer en armoede, zijn vlees en bloet verteert.
[^prediker-4-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, כַף: een palm vol. Sommige nemen dit als woorden van de dwaas tot verschooning van zijn luiigheid, daar van vers 5. te zien is. Alsof hij zei, Waar toe zal ik zulke moeite, en arbeid doen, zoals vele mensen doen? Ik heb aan een kleyntjen genoeg, ik wilt sachtjens opnemen. De woorden zijn goed, het is beter met matigen rijkdom in gerustheid te leven, dan grote rijkdom te besitten met grote zorg en bekommernis. Zie Spr. c. 15. versen 16, 17. en 17:1. Maar de luiaerts misbruiken dezelve tot bedecking van haar luiigheid. Zie Ef. 4:28. Andere verstaan deze woorden als woorden van de Prediker, dienende tot vermaning van de luiaert, dat hij vlytich behoort te arbeiden, al en zou hij maar een weinig daar van bekomen om eerlijk te leven.
[^prediker-4-8-10]: Kanttekening 10: Dit wordt gesproken van de vrekke gierigaarts, die haar nemmermeer en laten genoegen, maar altijd liggen en wroeten, of zij schoon niet en weten wie dat haar goederen zullen erven.
[^prediker-4-8-11]: Kanttekening 11: Bij de kinderen worden verstaan de descendenten (zo men die noemt) inde rechte linie: En bij de broers alle collaterale, of vrienden die ter zijden aankomen.
[^prediker-4-8-12]: Kanttekening 12: Bij de kinderen worden verstaan de descendenten (zo men die noemt) inde rechte linie: En bij de broers alle collaterale, of vrienden die ter zijden aankomen.
[^prediker-4-8-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: al besate hij al wat hij ziet, so en zou hij nog niet te vreden of versadicht wesen.
[^prediker-4-8-14]: Kanttekening 14: De betekenis is, hij en denckt niet bij hem zelf, Ist niet een grote dwaasheid, dat ik my zelf geen goed en doe nog en gunne, maar steets voor vreemde slave? Zie Ps. 39:7, etc.
[^prediker-4-8-15]: Kanttekening 15: Alsof hij zei, Waarom en derf ik mijn nootdruft van mijn goed niet nemen? Of, waarom tractere ik my zelf dus armlijk en kommerlijk?
[^prediker-4-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: my zelf.
[^prediker-4-9-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de staat van tween die t’samen leven, is beter dan eenes. ’t schijnt dat de gierige met deze woorden bestraft worden, die voor niemand, als voor haar zelf alleen zijn, en met geen mensen en begeren gemeenschap te houden, uit vrees dat de vriendschap haar wat zou kosten: daar nochtans goede vriendschap beter is, dan tijdelikken rijkdom.
[^prediker-4-9-18]: Kanttekening 18: Namelijk voor so vele als zij lichtelicker haar voornemen kunnen volbrengen, dan dat zij alleen waren zonder iemands hulpe: Want omdat zij elkaar helpen, so gaat haar arbeid beter voort, en hebben beter winst.
[^prediker-4-10-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: van haar een, of, één van haar beiden. Zie Jud. 12. op vers 7.
[^prediker-4-10-20]: Kanttekening 20: Namelijk in ziekte, of elende, of, zonde.
[^prediker-4-11-21]: Kanttekening 21: Of, slapen.
[^prediker-4-12-22]: Kanttekening 22: De betekenis is, Als zij nog meer dan met hen tween zijn, Iae so zij vele met elkaar verbonden zijn, so zullen zij des te beter haar vijand, die haar wil beschadigen, kunnen wederstaan.
[^prediker-4-13-23]: Kanttekening 23: Alsof hij zei, De Conincklijkke staat wordt wel zeer groot geachtt in deze wereld, en die daar toe komen, achten wel haar zelf zeer gelucksalich boven andre mensen: Maar daar en is geen rechte gelukzaligheid in te vinden: Immers als een Koning geen nootsakelikke wijsheid en heeft (al is hij tot ouderdom gekomen) om hem zelf en zijn ondersaten wel te regeren, en daarenboven van andre, die wijser zijn dan hij, niet en wil gestiert of vermaant zijn: So is van een arm man, die verstandich is (hoewel jonk zijnde van jaren), meer te houden, dan van zulk een Koning. Van het woord jongelink, zie Gen. 44. op vers 20.
[^prediker-4-14-24]: Kanttekening 24: Namelijk een arm jongelink, vers 13. ’T schijnt dat de Prediker hier ziet op hetgeen Ioseph is wedervaren, Gen. 41:14, 39, 43. en Ps. 105:18, 20, 21. Dit is ook aan Mordechai te zien, Esth. 6. en aan veel andre meer.
[^prediker-4-14-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, בֵּית: uit het huis van de gebondenen.
[^prediker-4-14-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: die een gebooren en Erf-konink is, niet een gekoren Koning.
[^prediker-4-14-27]: Kanttekening 27: Dit is de Koning Zedekiae overkomen. 2 Kon. 25. En Nebucadnezar de Koning te Babel, Dan. 4:30. En anderen meer. so dat het ijdelheid is op de Conincklikke hoocheid en macht zich te verhooveerdigen of te verlaten, ten aansien van de ongestadigheid en onvastigheid van dezelve.
[^prediker-4-15-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: Ik merckte dat in ’t algemeen al de wereld zich voecht aan de zijde van de Iongelinck, dat wil zeggen: van de Coninck, die zijn vader in’t Koninkrijk zal na-volgen: en dat de Koning oudt geworden zijnde, zo heel zeer niet geacht en wordt. Dit is mee een ijdelheid en moeyelickheid in de Conincklikken staat.
[^prediker-4-15-29]: Kanttekening 29: Verstaat hier door alle, die alle die in een Koninkrijk of lant woonen.
[^prediker-4-15-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: opentlijk converserende, of omgaande, namelijk om bij tijts zijn goede gratie of gunste te verwerven.
[^prediker-4-15-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die de tweede is, namelijk van de vader af te rekenen, de vader zijnde d’eerste, de oudtste zoon de tweede.
[^prediker-4-15-32]: Kanttekening 32: Namelijk in de nu regerenden Konings plaats.
[^prediker-4-15-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: regeren zal. Hij wil zeggen, dat er tot alle tijt meer geweest zijn, die de opgaande zon hebben ge-eert of aangebeden, dan de ondergaande.
[^prediker-4-16-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: van het volk en is geen getal. De betekenis schijnt deze te zijn: het ongestadige volk zal altijd na verandering verlangen, en als hij zal Koning geworden zijn daar zij om gewenscht hebben, dan en zullen zij over hem niet vrolijk zijn, maar zij zullen haast weer na een anderen verlangen. Dit is een verdrietige zaak in ’t hart van de Koningen: En daarom en kan ook de ware gelukzaligheid in de Conincklikken staat niet gevonden worden.
[^prediker-4-16-35]: Kanttekening 35: Namelijk voor de tegenwoordigen Koning en zijn zoon de toekomenden Koning, Van de welke vers 15. gesproken is.
[^prediker-4-16-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws: in hem. Dat wil zeggen: over deze. Hij wil zeggen, zij en zullen ook geen contentement aan de regering van de successeur van de Koning hebben, als hij zal oudt geworden zijn.
[^prediker-4-17-37]: Kanttekening 37: Dit 17 vers voegen enige aan het 5 hoofdstuk, als sprekende van eenerley materie, als in hetzelve verhandelt wordt.
[^prediker-4-17-38]: Kanttekening 38: De betekenis is, hebter acht op waar u gaat als u na de Tempel gaat, u en gaat niet na een gewone plaats, maar na een plaats die heilig is, en heiligen dingen toege-eigent: So dat men daar moet verschijnen in ootmoedigheid, en met eerbied, als voor Godes aangezicht.
[^prediker-4-17-39]: Kanttekening 39: Of, voeten, want het Hebreeuwse woord wordt tweeërlei gelesen.
[^prediker-4-17-40]: Kanttekening 40: Namelijk Godes heilige woord, om daar door in zijn heilige kennis onderwezen te worden.
[^prediker-4-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: dan om te geven dat de dwazen geven, namelijk Een uiterlijk slacht-offer, zonder geloof of boetedoening. De vroome en ware Gods-dienstige, gaven offerhanden, zulks deden ook de dwase, dat is, de hypocriten en geveinsde heilige: de God-zalige en deden zulks niet als menende God de Heer met dat uiterlikke werk te versoenen, en voor haar zonden daar mee te betalen: maar dat meynden de dwase. Zie 1 Sam. 15:22. Ps. 50:8. Spr. 15:8. en 21:27.
[^prediker-4-17-42]: Kanttekening 42: Namelijk als zij met zulk een hart en gemoet offerhanden doen. Anders: gewisselijk zij en weten niet \[dan\] kwaad te doen. Anders: zij en weten niet wat zij quaets doen.

### Prediker 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/5.json)

*Salomo onderwijst de gemeente hoe zij zich moet gedragen in het beoefenen van de uiterlijke godsdienst, vers 1, enz. Daarna hoe men zich moet gedragen wanneer men ziet dat de regenten geen gerechtigheid beoefenen, 7. wat de beste broodwinning is, 8. de ijdelheid van de rijkdom en de hebzucht, 9. Verder leert hij dat de gelukzaligheid van de mens bestaat in het vrolijk genieten van de gaven van God, 17. wat te kunnen doen ook een gave van God is, 18.*

**1** [^prediker-5-1-1] Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet[^prediker-5-1-2] één woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel, en[^prediker-5-1-3] u bent op de aarde; daarom[^prediker-5-1-4] laat uw woorden weinig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v1)

**2** Want[^prediker-5-2-5] gelijk de droom komt door veel bezigheid, zo de stem van de zot door de veelheid van de woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v2)

**3** [^prediker-5-3-a] Wanneer u een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet daaruit te betalen; want Hij heeft geen lust[^prediker-5-3-6] aan zotten; wat u zult beloofd hebben, betaal het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v3)

**4** [^prediker-5-4-b] Het is beter, dat u niet belooft, dan dat u belooft en niet betaalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v4)

**5** Laat uw mond niet toe, dat hij[^prediker-5-5-7] uw vlees[^prediker-5-5-8] zou doen zondigen;[^prediker-5-5-9] en zeg niet voor het aangezicht[^prediker-5-5-10] van de engel, dat het[^prediker-5-5-11] een dwaling was;[^prediker-5-5-12] waarom zou God enorm toornen,[^prediker-5-5-13] omwille van uw stem, en[^prediker-5-5-14] verderven het werk van uw handen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v5)

**6** Want[^prediker-5-6-15] gelijk[^prediker-5-6-c] in de veelheid van de dromen zinloosheden zijn, zo[^prediker-5-6-16] in veel woorden;[^prediker-5-6-17] maar vrees u God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v6)

**7** [^prediker-5-7-18] Als u de onderdrukking van de armen, en de beroving van het gericht en van de gerechtigheid ziet in een gewest,[^prediker-5-7-19] verwonder u niet over zulk een[^prediker-5-7-20] voornemen; want die[^prediker-5-7-21] hoger is dan de hoge,[^prediker-5-7-22] neemt er acht op; en daar zijn[^prediker-5-7-23] hogen[^prediker-5-7-24] boven hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v7)

**8** [^prediker-5-8-25] Het voordeel van de aarde is[^prediker-5-8-26] voor allen: de koning zelfs[^prediker-5-8-27] wordt van het veld gediend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v8)

**9** Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet verzadigd; en[^prediker-5-9-28] wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet verzadigd. Dit is ook zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v9)

**10** [^prediker-5-10-29] Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten;[^prediker-5-10-30] wat nut[^prediker-5-10-31] hebben dan de[^prediker-5-10-32] bezitters daarvan,[^prediker-5-10-33] dan het gezicht van hun ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v10)

**11** [^prediker-5-11-34] De slaap van de arbeider is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar[^prediker-5-11-35] de zatheid van de rijken laat hem niet slapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v11)

**12** Er is een[^prediker-5-12-36] kwaad, dat ziekte aanbrengt, dat ik zag onder de zon:[^prediker-5-12-37] rijkdom van[^prediker-5-12-38] zijn bezitters bewaard tot[^prediker-5-12-39] hun eigen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v12)

**13** Of de rijkdom zelf vergaat[^prediker-5-13-40] door een moeilijke bezigheid; en[^prediker-5-13-41] hij gewint een zoon, en[^prediker-5-13-42] er is niet met al in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v13)

**14** Zoals[^prediker-5-14-43] hij voortgekomen is uit zijn moeders buik, zo zal hij naakt terugkeren, gaande zoals hij gekomen was; en[^prediker-5-14-d] hij zal niet meenemen[^prediker-5-14-44] van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v14)

**15** Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt; dat hij in alle manier, zoals hij[^prediker-5-15-45] gekomen is, zo[^prediker-5-15-46] heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij[^prediker-5-15-47] in de wind gewerkt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v15)

**16** Dat hij ook al zijn dagen[^prediker-5-16-48] in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriet gehad heeft, ook[^prediker-5-16-49] zijn ziekte en[^prediker-5-16-50] hevige toorn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v16)

**17** Zie, wat ik gezien heb,[^prediker-5-17-e] een goede zaak, die schoon is:[^prediker-5-17-51] te eten en te drinken, en te[^prediker-5-17-52] genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal van de dagen van zijn leven, dat God hem geeft;[^prediker-5-17-53][^prediker-5-17-f] want dat is zijn deel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v17)

**18** Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij[^prediker-5-18-54] geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, dat is een gave van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v18)

**19** Want[^prediker-5-19-55] hij zal niet veel gedenken aan de dagen van zijn leven,[^prediker-5-19-56] omdat hem God verhoort in[^prediker-5-19-57] de blijdschap van zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/5.html#v19)

[^prediker-5-1-1]: Kanttekening 1: De betekenis is, Als u in’t huis van de Heer komt, om God te bidden, so en haast u so zeer niet, dat u hem zou aanbidden zonder aandacht. Anders: weest niet te snel, etc. Namelijk, om de Heer onbedachtelijk enige belofte te doen.
[^prediker-5-1-2]: Kanttekening 2: Of, eenich dink.
[^prediker-5-1-3]: Kanttekening 3: Daarom, wil hij zeggen, en moeten wy met die grote hoog-verhevenen God niet spreken, als ofmen met zijns gelijke te doen had: maar men moet voor zijn hoge Majesteit verschijnen in alle nederigheid en ootmoedigheid, gedachtich zijnde, dat wy arme aard-wormen zijn.
[^prediker-5-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk die u in’t bidden gebruikt. De regel van recht en wel te bidden met weinig woorden, heeft ons de Heer Christus voor-geschreven, Matt. 6:7.
[^prediker-5-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: Zoals het veel droomen spruit uit de veelheid van de dingen, daar mee men ’sdaechs bekommert en besich is: zo ook spruit het gesnater van de dwazen uit de lust en gewoonte van veel te spreken.
[^prediker-5-3-a]: Verwijzing a: Num. 30:3. Deut. 23:21.
[^prediker-5-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: aan de geveinsde of lichtvaardige mensen, die in noot zijnde, grote beloften doen: maar als zij daar uit verlost zijn, haar beloften lichtelijk vergeten.
[^prediker-5-4-b]: Verwijzing b: Deut. 23. versen 21, 22.
[^prediker-5-5-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: u, of uw lichaam, uw verdorven vlees.
[^prediker-5-5-8]: Kanttekening 8: Mits weygerende uw gelofte te betalen.
[^prediker-5-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk als hij u komt af-eysschen hetgeen u belooft hebt.
[^prediker-5-5-10]: Kanttekening 10: Sommige verstaan hier door de Engel, onze Heer Christus, die genoemd wordt de Engel van het verbond, Malac. 3:1. Zie Ex. 23. op vers 20. Andre, de Priester, of Leraar, die een Engel, of Sendt-bode Godes is, Malac. 2:7. 1 Kor. 11:10. en 2:1, etc.
[^prediker-5-5-11]: Kanttekening 11: Of, misverstant, foute, onwetenheid, dat wil zeggen: een foute van de onwetenheid. Alsof hij wilde zeggen, Ik en hebt zo niet gemeynt, of, ik hebbet onvoordachtsaemlijk belooft, en daarom begeere ik van die belofte ontslagen te wesen.
[^prediker-5-5-12]: Kanttekening 12: De betekenis is, Waarom wilt u het zo maken, dat God zich heftich tegen u vergramme, om zulker redenen en daden wille? U zult werkelijk qualijk varen, als u hier inne niet bij tijts voor u en ziet, Ex. 23:21.
[^prediker-5-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, over uw zeggen, van wegen zulke lichtvaardige beloften en onnutte uitvluchten.
[^prediker-5-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: dat God zou qualijk gelukken laten al wat u ter hant treckt.
[^prediker-5-6-15]: Kanttekening 15: De betekenis is, De droomen en hebben dikwijls niet te beduiden, en daar en volcht niet na. zo is’t dan ijdelheid. Anders: want \[zoals\] wanneer de droomen vermenichvuldigen, ook de ydelheden \[vermenichvuldigen\] zo is’t ook met vele woorden.
[^prediker-5-6-c]: Verwijzing c: Spr. 10:19.
[^prediker-5-6-16]: Kanttekening 16: Of, in vele zaken, in vele dingen.
[^prediker-5-6-17]: Kanttekening 17: Alsof hij zei, ’T en is met veel zeggen niet te doen, maar met de daat, en met een ware God-vreesentheid, wanneermen voor het aangezicht van de Heer verschijnt. Anders: Daarom vreest God. Dat wil zeggen: omdat hij de macht heeft u te straffen, so vreest zijn toorn.
[^prediker-5-7-18]: Kanttekening 18: Hij wil zeggen, Isser iemand die meent dat het te vergeefs is God te vrezen en oprecht te dienen, omdat de goddeloze doen schier wat zij willen, zonder daar over gestraft te worden: Daar op is dit de antwoorde, dat er een God in de hemel is, die op de ongerechtigheden wel naeuwe lett, om die te straffen aan de godloose, hoe hoge zij ook hier in deze wereld verheven zijn.
[^prediker-5-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk niet al te zeer, zo dat u de moet zou vallen laten, of aan de voorsichtige regering Godes zou twijffelen, alsof hij alles inde wereld liete loopen so ’t loopt, zonder zijn stiering en regering.
[^prediker-5-7-20]: Kanttekening 20: Anders: bedrijf, opsett, dink, handel. Dat wil zeggen: over zodanige manier van doen. men kan het duiden op de boosen wille en bedrijf van de godloose mensen, of op Gods wijze en rechtvaardige regering.
[^prediker-5-7-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: God die de alderhoochste is, veel hooger en machtiger, dan de alderhoochste en machtichste van deze wereld, zij zijn dan Keysers, Koningen, Princen, of Vorsten, of wat zij wesen mogen. Anders: want de Hoochste neemter acht op van de hoochte.
[^prediker-5-7-22]: Kanttekening 22: Namelijk op de verdruckers van de armen, etc. en hij neemter zo acht op, dat hij ze te zijn tijt straffen zal.
[^prediker-5-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk de heilige Engelen, die onder niemants, dan alleen onder Gods gebiedt en staan: die nemen ook acht op het doen van de godloose Richters.
[^prediker-5-7-24]: Kanttekening 24: Namelijk boven die, die het recht en gerechtigheid schenden, en d’arme onderdrukken. Zie Dan. 10:20. en 11:1.
[^prediker-5-8-25]: Kanttekening 25: Dit is een lof van de lant-bouw boven alle handelingen en neeringen tot de welke zich de mensen in dit leven begeven.
[^prediker-5-8-26]: Kanttekening 26: Of, is in allen. Dat wil zeggen: het heeft over al plaats, en zijn nut.
[^prediker-5-8-27]: Kanttekening 27: De betekenis is, Een Koning zelf is aan de nootsakelickheid van de lant-bouw onderworpen, zonder de welke hij hem zelf, nog zijn hof, nog zijn heyr, nog zijn ondersaten, niet en kan onderhouden. Zie hier van voorbeelden in Farao, Gen. 41. en 47. en in Saul, 2 Sam. 9:11. Anders: wordt een knecht van de velts. Dat wil zeggen: Koningen, Princen, of de Grote van deze wereld, begeven haar soms tot de lant-bouw.
[^prediker-5-9-28]: Kanttekening 28: Dit versje spreekt van de onversadelickheid van de gierigen, na ’t gemeene spreeckwoort: veel goeds en stopt geen gierigheid. Anders: die de overvloet lief heeft zal geen inkomen hebben. Dat wil zeggen: die overdadich is in kostelikke kleren en huisraat: Die een grote sleep van knechten en maechden houdt, en aan andre onnoodige dingen zijn gelt verspilt, die en kunnen zijn renten nog inkomsten niet voeden. Vergelijk dit met Ps. 37:16.
[^prediker-5-10-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: hoe dat iemand meer goederen besit, hoe hij meerder mensen dienst en hulpe behoeft, om welke te onderhouden hij grote kosten doen moet: So en strekt dan het goed ook niet tot gerustheid of gelukzaligheid van degenen die hetzelve in grote overvloet besitt.
[^prediker-5-10-30]: Kanttekening 30: Anders: wat genot, welvaren, profijt.
[^prediker-5-10-31]: Kanttekening 31: Wel-verstaande van hetgeen zij meer hebben, dan haar eigenen nootdurft: daar van en hebben zij geen nuttigheid, dan het gezicht van haar ogen, dat wil zeggen: niet meer dan men van een geschildert tafereel heeft. Andre nemen het in deze sin, de rijke moeten dagelicks voor haar ogen zien, dat haar rijkdom van andre verteert en opge-eten wordt.
[^prediker-5-10-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, בְעָלֶי: Heren, meesters, of, eigenaars. Namelijk van het goed.
[^prediker-5-10-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: dan dat zij ’t met haar ogen aansien.
[^prediker-5-11-34]: Kanttekening 34: Of, wie arbeidt die is de slaap zoet. Anders: wie acker-werk doet, die is de slaap zoet, want het Hebreeuwse woord wordt eigenlijk gebruikt van acker-werk, of lant-bouw, als Gen. 2:5. en 2 Sam. 9:10.
[^prediker-5-11-35]: Kanttekening 35: Namelijk niet alleen ten aansien dat de rijke niet moe en is van arbeiden, maar met goed cier maken, de mage over-laadt: Ook zijn de rijke en machtige van deze wereld meer perikels onder-worpen dan de arme: Bij de rijke gierigaarts is ook een onversadelikke begeerte om ’t gelt en schatten te vermeerderen, en vrees van dezelve te verliesen, ’t welk hen dikwijls de slaap breekt en verhindert.
[^prediker-5-12-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, רָעָה: een ziek kwaad. zie hieronder, op vers 16.
[^prediker-5-12-37]: Kanttekening 37: De rijkdom wordt met zorg bewaart, dikwijls tot het eigen ongeluk van de eigenaars of besitters: want meer-maals vervallen de rijke in grote zwarigheid, van wegen haar rijkdom: Ofte de rijkdom vergaat door een boos bedrijf, ’t zy door een wel-lustich of overdadich leven, of andersins: dat strekt dan tot quelling en ongerustigheid van hun gemoed. Zie Eccles. 6:2.
[^prediker-5-12-38]: Kanttekening 38: Als hierboven, vers 10.
[^prediker-5-12-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: tot schade van degenen diese hebben, Hebreeuws, רָעָה: tot zijn kwaad. Dat wil zeggen: tot kwaad, van elk een van degenen diese hebben, of besitten.
[^prediker-5-13-40]: Kanttekening 40: Zie hierboven, 1. op vers 13.
[^prediker-5-13-41]: Kanttekening 41: Namelijk de rijke, wiens goederen teniet gekomen zijn.
[^prediker-5-13-42]: Kanttekening 42: Namelijk dat hij zijn zoon geve, of, dat hij zal hebben aan te tasten, namelijk na zijn Vaders dood.
[^prediker-5-14-43]: Kanttekening 43: Namelijk de rijke, of de zoon van de rijke, nu verarmt zijnde: Maar deze spreuk is ook waar in ’t algemeen van alle mensen, hoe rijke dat ze zijn, want hoe rijke dat de mensen zijn, als zij sterven so en nemen zij niet mee, Zie Job 1:21. en 1 Tim. 6:7.
[^prediker-5-14-d]: Verwijzing d: Ps. 49:18.
[^prediker-5-14-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: vande goederen die hij met zijn arbeid gewonnen en t’samen gebracht heeft. als versen 18, 19.
[^prediker-5-15-45]: Kanttekening 45: Namelijk naakt.
[^prediker-5-15-46]: Kanttekening 46: Namelijk uit deze wereld.
[^prediker-5-15-47]: Kanttekening 47: Of, voor de wint. Dat wil zeggen: te vergeefs, of, om een nietige verganckelikke zaak, zijnde van al zijn arbeid niet meer verbetert, dan of het de wint weg dreve en verwaeyde. Zie Job 6. op vers 26.
[^prediker-5-16-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: in verdriet en elende, vermydende van de mensen gezelschap.
[^prediker-5-16-49]: Kanttekening 49: Dit is niet so zeer van een lichamelijke kranckheid te verstaan, als van een inwendige ongesteltheid, of ziekte van het gemoed, hertzeer, en onwille.
[^prediker-5-16-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws: eigenl. schuimigen toorn.
[^prediker-5-17-e]: Verwijzing e: Eccles 2:24. en 3:12, 22. en 9:7. en 11:9.
[^prediker-5-17-51]: Kanttekening 51: Namelijk met vrolickheid, zich niet te zeer bekommerende met hetgeen hier na gebeuren zal: zo nochtans, dat men nemmermeer en vergete God voor ogen te hebben in het genieten van zijn goede gaven: want zien betekent hier genieten. Zie d’aant. Job 7. op vers 7.
[^prediker-5-17-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, רָאִיתִי: zien.
[^prediker-5-17-53]: Kanttekening 53: Namelijk ’t welk hem in dit leven van zijn tijdelijke goederen is toe-geleid, meer en heeft hyder niet van te verwachten. Maar de kinderen van God hebben verre een ander deel dan dit is, want God zelf is haar deel, Ps. 16:5. en 73:26. en Klaagl. 3:24. Ia zij zijn met Christus mee-erfgenamen van een onverganckelijk erfdeel. Rom. 8:17. 1 Petr. 1:4.
[^prediker-5-17-f]: Verwijzing f: Eccles. 2:10.
[^prediker-5-18-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: hij beweecht zijn hart daar toe, dat hij van zulks als hem God gegeven heeft, zijn portie, of deel neme, en blydelijk geniete.
[^prediker-5-19-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: hij zal hem zelf niet quellen met vele te peynsen op het verdriet ’t welk hij in zijn leven gehadt heeft, nog met de zorg van het lijden dat hem nog kan overkomen.
[^prediker-5-19-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: omdat God hem doet genieten de vreucht om de welke hij in zijn hart gewenscht heeft.
[^prediker-5-19-57]: Kanttekening 57: Daar is driederley blijdschap van het hart: Voor eerst een natuerlikke, rysende uit het gevoelen van de tijdelikken welstant. 2. Eene burgerlikke, herkomende uit de oeffening van enige voortreffelijke burgerlikke deuchden: Zoals in de heidenen, die haar in rechtmatige kloekmoedigheid, etc. voortreffelijk hebben gequeten. Ten derde, so isser ook een geestelijke blijdschap van het hart, rysende uit het gevoelen van onze vrede met God. Dit is de treffelickste. Rom. 5:1.

### Prediker 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/6.json)

*In dit hoofdstuk verhaalt de Prediker de ellende van de karige en hebzuchtige mensen, aan wie God niet de gezindheid geeft om hun goederen te gebruiken, oordelend dat de rijkdom hun geenszins dienstig is om de tijdelijke gelukzaligheid te verkrijgen; maar dat zij hun integendeel hinderlijk is.*

**1** Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v1)

**2** Een man, die God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft[^prediker-6-2-1] voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en[^prediker-6-2-2] God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat[^prediker-6-2-3] een vreemd man[^prediker-6-2-4] dat opeet. Dit is ook zinloosheid en een kwade smart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v2)

**3** Als een man[^prediker-6-3-5] honderd kinderen verwekte, en vele jaren leefde, zodat de dagen van zijn jaren veel waren, maar zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij[^prediker-6-3-6] ook[^prediker-6-3-7] geen begrafenis had;[^prediker-6-3-8] ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v3)

**4** Want[^prediker-6-4-9] met zinloosheid[^prediker-6-4-10] komt[^prediker-6-4-11] zij, en[^prediker-6-4-12] in duisternis gaat zij weg, en[^prediker-6-4-13] met duisternis wordt haar naam bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v4)

**5** [^prediker-6-5-a] Ook[^prediker-6-5-14] heeft zij de zon niet gezien, noch bekend; zij heeft meer rust, dan[^prediker-6-5-15] hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v5)

**6** Ja, al leefde[^prediker-6-6-16] hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag;[^prediker-6-6-17][^prediker-6-6-18] gaan zij niet allen[^prediker-6-6-19] naar één plaats? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v6)

**7** Al de arbeid van de mensen[^prediker-6-7-20] is voor zijn mond; en[^prediker-6-7-21] toch wordt de begeerlijkheid niet vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v7)

**8** Want[^prediker-6-8-22] wat heeft de wijze meer dan de zot?[^prediker-6-8-23] Wat heeft[^prediker-6-8-24] de arme meer,[^prediker-6-8-25] die voor de levenden weet te wandelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v8)

**9** [^prediker-6-9-26] Beter is het aanzien van de ogen, dan het wandelen van de[^prediker-6-9-27] begeerlijkheid. Dit is ook zinloosheid en kwelling van de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v9)

**10** [^prediker-6-10-28] Wat ook iemand zij, al is zijn[^prediker-6-10-29] naam genoemd, en het is bekend,[^prediker-6-10-30] dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechten[^prediker-6-10-31] met die, die sterker is dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v10)

**11** Werkelijk,[^prediker-6-11-32] er zijn veel dingen, die de zinloosheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v11)

**12** Want[^prediker-6-12-33] wie weet,[^prediker-6-12-34] wat goed is voor de mens in dit leven, gedurende het getal van de dagen van het leven van zijn[^prediker-6-12-35] zinloosheid, die hij doorbrengt[^prediker-6-12-b] als een schaduw? Want[^prediker-6-12-c] wie kan de mens[^prediker-6-12-36] aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/6.html#v12)

[^prediker-6-2-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: van al dat zijn hart begeert.
[^prediker-6-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: God en geeft hem niet, dat hij het vrymoedelijk en vredelijk geniete, omdat hij hem uit deze wereld haalt, voordat hij verkregen heeft het genoegen, dat hij hem zelf ingebeelt had: Of, omdat hij bij levendigen lyve uit het besit van zijn goederen gestooten wordt, en zien moet dat een vreemde zijn goederen besitt: Of, al leeft hij lange, en behout zijn goederen, hij het hart niet en heeft, om de goederen met genoechte te gebruiken, of te genieten. Vergelijk hierboven, 5:18.
[^prediker-6-2-3]: Kanttekening 3: Hij zy dan vijand, diese met gewelt hem ontneemt: of, een verre bloet-verwant: Of iemand anders die hem niet en bestaat.
[^prediker-6-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk rijkdom.
[^prediker-6-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: vele, een zeker getal voor een onseker.
[^prediker-6-3-6]: Kanttekening 6: Zie Job 21. op vers 13.
[^prediker-6-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: dat het zo met hem stonde, dat hem geen eerlikke begraeffenis en mochte gebeuren: Maar dat hij (die tevoren in grote eere geleeft heeft) onbegraven daar heen geworpen werd, Zoals Saul, Iesabel, 2 Kon. 9:35. Iojakim, Jer. 22:19. en andere meer.
[^prediker-6-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk na ’t oordeel van het vlees, en in aanmercking van de uiterlikke toevallen: Dewijle een misdracht of misval vry is van alle de elenden, die zodanig een mens onderworpen is. zie Job 3:16.
[^prediker-6-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: te vergeefs, want zij dit leven, nog deze wereld niet en genietet.
[^prediker-6-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk in deze wereld, uit ’smoeders lichaam.
[^prediker-6-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk de misdragt.
[^prediker-6-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: zonder datmender van weet te spreken, of datmender enige kennis van heeft: Zoals hetgeen in duisterheid geschiedt, van de mensen niet gezien en wordt.
[^prediker-6-4-13]: Kanttekening 13: Namelijk in’t graf, onder d’aarde. De betekenis is, men gedenckt derzelve niet meer.
[^prediker-6-5-a]: Verwijzing a: Job 3:16. Ps. 58:9.
[^prediker-6-5-14]: Kanttekening 14: En volgens dien, en valt het dezelve niet beswaarlijk die t’ontbeeren.
[^prediker-6-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk die gierigaart, van de welke gesproken is versen 2, 3.
[^prediker-6-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk die gierigaart.
[^prediker-6-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: genote.
[^prediker-6-6-18]: Kanttekening 18: Alsof hij zei, Wat zal hem dan zijn lank leven baten? Want hij eindelijk zo wel onder d’aarde moet, als de misdragt, die niet een dach op de wereld geleeft en heeft: Ofte, als andre, die maar weinig tijts geleeft en hebben.
[^prediker-6-6-19]: Kanttekening 19: Namelijk in’t graf, of, onder de aarde, daar zij weer tot aarde worden, zo veel het lichaam betreft.
[^prediker-6-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: daar toe, en daarom, opdat de mond te eten heb.
[^prediker-6-7-21]: Kanttekening 21: De betekenis is: Of schoon de mens voor zijn mond genoeg heeft ter nootdurft, so en is hij even-wel nimmermeer te dege versadicht, hij tracht altijt na meer.
[^prediker-6-8-22]: Kanttekening 22: Dit is een breeder bevesting van hetgeen vers 7. gezegd is, namelijk dat al de arbeid van de mens voor zijn mond is: Hier in, zegt de prediker, zijn alle mensen elkaar gelijk, niemand geniett meer, dan lijfs-noodruft. Anders heeft hij hierboven, 2. versen 13, 14. bekent, dat er een groot onderscheid is tussen een wijsen, en een dwaas.
[^prediker-6-8-23]: Kanttekening 23: Anders: wat \[voordeel\] heeft de arme, die etc. alsof hij zei, D’een en heeft geen voordeel voor de ander, niemand geniett meer dan noodurft.
[^prediker-6-8-24]: Kanttekening 24: Zo wordt dit woord genomen Ex. 22:25. Lev. 19:10. Deut. 24:12. Andersins betekent het eigenlijk elendige, of, bedruckte.
[^prediker-6-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die wijs en verstandich is om onder de mensen te verkeren en zijn voedsel te winnen. De Prediker wil dan hier besluiten, Dat de gelukzaligheid ook daar in niet en bestaat, dat iemand een kloek en gaeuw broot-winner is, omdat een dwaas mens zo wel leeft als hij.
[^prediker-6-9-26]: Kanttekening 26: Alsof hij zei, ’T is beter zich te laten genoegen met het kleyntjen dat men tegenwoordig heeft, dan altijd met een onversadelikke begeerte verder te trachten, en meer te willen hebben. Andre verstaan het zo, Dat in deze woorden een tegenwerping van het vlees is tegen hetgeen de wijze-man uitgesproken had tegen de gierigaarts, Alsof hij zei, Nochtans ist beter wat te hebben, dan geheel niet: Daarom zetten enige zo deze woorden over, het aansien van de ogen, \[zeggen zij\] is beter, dan het wandelen van de begeerlickheid.
[^prediker-6-9-27]: Kanttekening 27: Namelijk deze onversadelikke begeerte.
[^prediker-6-10-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: van wat staat of conditie iemand zy, hij zy van hoge of van leegen staat, rijk of arm.
[^prediker-6-10-29]: Kanttekening 29: Namelijk mens. als in ’t volgende gezegd wordt: en hetgeen hij worden zou, is al schoon voor heen van God in zijn alwijsen raad besloten en verordineert: Daarom ist te vergeefs, dat iemand poocht rijk, en van hoge staat te zijn, die God arm en van nederigen staat wil hebben: En daarom ist ijdelheid dat men bekommert is over toe-komstige zaken.
[^prediker-6-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: een swak en bros schepsel, namelijk van stof en aarde gemaakt, Zoals het Hebreeuwse woord אָדָם, Adam (’t welk hier in de text staat), betekent.
[^prediker-6-10-31]: Kanttekening 31: Namelijk met of tegen God, als over hem klagende, om dat hij hem in deze, of in die staat gesteld heeft. Hoe zou toch stof en assche met de Richter van de gantse aarde kunnen in’t recht treden? Zie Job 4. vers 17, etc. en 9:2, 3. en 14:1. en 25. en 34:23.
[^prediker-6-11-32]: Kanttekening 32: De betekenis is, Het behoorde de mens genoeg te zijn dat hij zelf ijdelheid is, al en voechde hij tot de ijdelheid niet vele andre dingen die de ijdelheid vermeerderen. Anders: Alsmen vele dingen heeft (dat is, vele goederen, en hoge ampten besit) so vermeerdertmen de ijdelheid.
[^prediker-6-12-33]: Kanttekening 33: Namelijk van, oft uit hem zelf.
[^prediker-6-12-34]: Kanttekening 34: Verstaat dit zo, namelijk, wat hem oprecht goed is, zodanig, dat het hem oprechte gerustheid zou kunnen aanbrengen.
[^prediker-6-12-35]: Kanttekening 35: Anders: die hij (namelijk God) gemaakt (of gesteld) heeft, als een schaduw.
[^prediker-6-12-b]: Verwijzing b: Ps. 144:4. Iac. 4:13.
[^prediker-6-12-c]: Verwijzing c: Eccles. 8:7.
[^prediker-6-12-36]: Kanttekening 36: Of, te kennen geven, aenwijsen, bekent maken.

### Prediker 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/7.json)

*De wijze man leert ons in dit hoofdstuk hoe wij ons onder zovele ijdele dingen die in de wereld zijn, zullen beijveren om een goede naam te hebben en te houden, vers 1. Dat wij onze sterfelijkheid vaak voor ogen moeten houden, 2. Daarna geeft hij enige goede lessen, hoe men zich moet laten onderrichten door wijze mannen, 5. tot geduld en bestendigheid, 7. en andere deugden, 8. lof van de wijsheid, 11. en van andere deugden, 14. lof van de middelmaat, 16. van de wijsheid, 19. Alle mensen zijn zondaars, 20. Dat men niet al te nauwkeurig alles moet onderzoeken, 21. Een kwade vrouw moet men mijden, 26. God heeft de mens goed geschapen, 29.*

**1** [^prediker-7-1-1] Beter[^prediker-7-1-a] is een goede naam, dan[^prediker-7-1-2] goede olie, en de[^prediker-7-1-3] dag van de dood, dan de dag, dat iemand geboren wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v1)

**2** Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis van de maaltijd;[^prediker-7-2-4] want in hetzelfde[^prediker-7-2-5] is het einde van alle mensen, en de levende[^prediker-7-2-6] legt het in zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v2)

**3** [^prediker-7-3-7] Het treuren is beter dan het lachen; want door[^prediker-7-3-8] het verdriet van[^prediker-7-3-9] het aangezicht wordt het hart gebeterd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v3)

**4** [^prediker-7-4-10] Het hart van de wijzen is in het klaaghuis; maar het hart van de zotten in het huis van de vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v4)

**5** [^prediker-7-5-11] Het[^prediker-7-5-b] is beter te horen het bestraffen van de wijzen, dan dat iemand hore[^prediker-7-5-12] het gezang van de dwazen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v5)

**6** Want[^prediker-7-6-c] gelijk[^prediker-7-6-13] het geluid van de doornen[^prediker-7-6-14] onder een pot is, zo is[^prediker-7-6-15] het lachen van een zot. Dit is ook zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v6)

**7** Werkelijk,[^prediker-7-7-16] de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en[^prediker-7-7-17] het geschenk verderft het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v7)

**8** [^prediker-7-8-18] Het einde van een ding is beter dan zijn begin;[^prediker-7-8-19] de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v8)

**9** [^prediker-7-9-20] Wees niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem van de dwazen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v9)

**10** [^prediker-7-10-21] Zeg niet: Wat is er, dat[^prediker-7-10-22] de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want u zou naar dat niet uit wijsheid vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v10)

**11** [^prediker-7-11-23] De wijsheid is goed[^prediker-7-11-24] met een erfdeel; en[^prediker-7-11-25] degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v11)

**12** Want[^prediker-7-12-26] de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de[^prediker-7-12-27] uitnemendheid van de wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v12)

**13** [^prediker-7-13-28] Beschouw het werk van God; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v13)

**14** [^prediker-7-14-29] Geniet het goede op de dag[^prediker-7-14-30] van de voorspoed, maar op de dag[^prediker-7-14-31] van de[^prediker-7-14-32] tegenspoed, zie toe; want God maakt ook[^prediker-7-14-33] de één tegenover de ander, omdat de mens niet zou vinden iets, dat[^prediker-7-14-34] na hem zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v14)

**15** Dit alles heb ik gezien[^prediker-7-15-35] in de dagen van mijn zinloosheid; er is een rechtvaardige, die[^prediker-7-15-36] in zijn gerechtigheid[^prediker-7-15-37] omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v15)

**16** [^prediker-7-16-38] Wees niet al te rechtvaardig, noch[^prediker-7-16-39] houd uzelf al te wijs;[^prediker-7-16-40] waarom zou u verwoesting over u brengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v16)

**17** [^prediker-7-17-41] Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas;[^prediker-7-17-42] waarom zou u sterven buiten uw tijd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v17)

**18** Het is goed, dat u[^prediker-7-18-43] daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand[^prediker-7-18-44] van dit niet af; want die God vreest,[^prediker-7-18-45] die ontgaat dat al. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v18)

**19** De wijsheid versterkt de wijze meer dan[^prediker-7-19-46] tien heerschappers, die in een stad zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v19)

**20** [^prediker-7-20-d] Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v20)

**21** [^prediker-7-21-47] Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat u niet hoort, dat uw knecht u vloekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v21)

**22** Want[^prediker-7-22-48] uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat u ook anderen gevloekt[^prediker-7-22-49] hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v22)

**23** Dit alles heb ik met wijsheid verzocht;[^prediker-7-23-50] ik zei: Ik zal wijsheid bekomen, maar[^prediker-7-23-51] zij was nog verre van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v23)

**24** [^prediker-7-24-52] Wat verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v24)

**25** [^prediker-7-25-53] Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en[^prediker-7-25-54] een sluitrede; en[^prediker-7-25-e] om te weten de goddeloosheid van de[^prediker-7-25-55] zotheid, en de dwaasheid van de onzinnigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v25)

**26** En ik vond[^prediker-7-26-f] een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, van wie het hart netten en garen[^prediker-7-26-56], en haar handen banden zijn;[^prediker-7-26-57] wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen[^prediker-7-26-58] de[^prediker-7-26-g] zondaar zal van haar gevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v26)

**27** Zie, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere,[^prediker-7-27-59] om de sluitrede te vinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v27)

**28** [^prediker-7-28-60] Die[^prediker-7-28-61] mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden:[^prediker-7-28-62] één man uit duizend heb ik gevonden; maar[^prediker-7-28-63] een vrouw onder die[^prediker-7-28-64] allen heb ik niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v28)

**29** Alleen zie,[^prediker-7-29-65] dit heb ik gevonden, dat God de mens recht gemaakt heeft, maar[^prediker-7-29-66] zij hebben allerlei[^prediker-7-29-67] kwade plannen[^prediker-7-29-68] bedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/7.html#v29)

[^prediker-7-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk (Bij God en eerlijke mensen) van wegen hun vroomheid en godsvrucht herkomende. Zie Eccles. capp. 44. 45. 46. 47. 48. 49, etc.
[^prediker-7-1-a]: Verwijzing a: Spr. 22:1.
[^prediker-7-1-2]: Kanttekening 2: Verstaat hier lieflijke wel-rieckende zalf of olie, daar de Joden veel van hielden: Of, kostelijke zalf, om wonden en quetsuren te genesen. zie Ps. 133:2. Enige verstaan door de goede zalf of olie, allerlei vermakelijke dingen.
[^prediker-7-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk alsmen godtsalichlijk sterft. Vergelijk Rom. 7:24. Fil. 1:23; want dan erlangtmen het eeuwige gelucksalige, in plaats van ’t elendige verganckelijke leven.
[^prediker-7-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk in’t klaech-huis.
[^prediker-7-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: daar sietmen voorbeelden vande verganckelickheid van het menschelijke leven, en de macht van de dood over alle mensen, wie, of van wat staat zij ook zijn.
[^prediker-7-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk ’t gene dat hij daar voor ogen ziet, hebbende wel aangemerckt hoedanich het einde van het leven van de mensen zy, en hoemen zich tot het sterven bereiden moet.
[^prediker-7-3-7]: Kanttekening 7: Of, verdriet. Dat wil zeggen: ’t is beter een goddelijke droefheid te hebben, en over zijn zonden te treuren, dan wereldse vreucht te hebben: want de goddelijke droefheid is goed voor de ziel, zij werckt een onberouwelijke beterschap ter zaligheid. 2 Kor. 7:10. Anders, Toorn is beter dan lachen, want een straf aangezicht doet het hart blijdschap aan. Dat wil zeggen: ’t is beter de zondaars met een gram gemoet, en straf gezicht te bestraffen, dan dezelve met lacchende woorden te vleien, want de bestraffingen zijn goed, om de zondaars tot beterschap te brengen.
[^prediker-7-3-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws: de quaetheid, of gestoortheid van het aangesicht. Zie Gen. 40. op vers 7.
[^prediker-7-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk alst door voorspoet buiten ’t spoor geweken zijnde, door verdriet weer vernederd, en in de rechte weg gebracht wordt.
[^prediker-7-4-10]: Kanttekening 10: De betekenis is, De wijze gaan van harten geerne in’t klaech-huis, of treur-huis: En of zij schoon na de lichame in’t klaech-huis niet en zijn, so zijn zij nochtans droeve met de droeve, en mee-lydende met de verdruckte: In’t huis van de treuring leertmen nederig zijn, maar in’t huis van de vreuchde leertmen ongeregeltheid.
[^prediker-7-5-11]: Kanttekening 11: Hij geeft te kennen, dat dit mee een gelukzaligheid is in dit leven, dat men zich geerne laat bestraffen van de godvrezende en vrome, wanneer men gesondicht heeft, om zo de verdoemenis te ontvluchten: En dat men een afkeer heeft van de ijdele genoechten en flatteryen van degenen die God niet en vrezen.
[^prediker-7-5-b]: Verwijzing b: Spr. 13:18. en 15:31, 32.
[^prediker-7-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: de ijdele vreuchde, en de lof, de liefkosing, vleierij, of flattering, die vele zo geern hooren, als een lieflijk gesank.
[^prediker-7-6-c]: Verwijzing c: Ps. 58:10.
[^prediker-7-6-13]: Kanttekening 13: Het luide gekraek van de doornen onder een pot, is niet lieflijk om hooren: en ’t vuur van doornen en duert niet lange: Zo ook hooren de vroome zeer ongeern het pluimstrijken, en luide lachen van de dwazen, welke blijdschap haast vergaat.
[^prediker-7-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk die op het vuur hangt en siedt.
[^prediker-7-6-15]: Kanttekening 15: Daar mee hij te kennen geeft, dat hij een welgevallen heeft aan degene die kwaad doet.
[^prediker-7-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: wanneer zelfs een wijs man te hard met vele en harde smerten geslagen wordt, so doet of spreekt hij wel soms ’t gene dat meer een dwasen, dan een wijsen mens betaamt. Exempel in Job, en in David. Anders: wanneer men bedrogen wordt, dat doet een wijsen de zinnen verliesen, Ofte, onderdrucking, dat wil zeggen: goed door onderdrucking bekomen, etc.
[^prediker-7-7-17]: Kanttekening 17: Het verduistert het verstant van de mensen. Namelijk Als de Richter geschenken neemt van degenen die voor ’t recht te doene hebben. zie Ex. 23:8. Deut. 16:19.
[^prediker-7-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk het einde van een goede zaak: en daarom ziet een wijs man altijd op het einde van de zaken die hij bij de hant neemt, en of schoon de middelen door de welke men een goede zaak uitvoert, hard en bitter zijn, so moetmen nochtans (acht hebbende op het goede oogemerk ’t welk men voor heeft) met gedult en lanckmoedigheid daar in voort gaan, de uitgank is soms beter dan het zich in de beginne liet aansien.
[^prediker-7-8-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, אֶֽרֶךְ: een die lang van geeste is. Vergelijk Num. 14:18. Zo ook in’t volgende, hoog van geeste.
[^prediker-7-9-20]: Kanttekening 20: Hij spreekt van een onbehoorlijken toorn, die lange duert, en plaats nemende in ’smenschen hart, in haat verandert: Andersins isser ook een loffelijke toornigheid bij de wijze, die zich om behoorlijke oorsaken vertoornen, maar geenen quaden toorn lange in de boesem, of in’t hart en dragen. Van ’t woord boesem, of schoot. zie Job 19. op vers 27.
[^prediker-7-10-21]: Kanttekening 21: Namelijk als murmurerende tegen Godes regering, en als willende zeggen, waarom regeert God de wereld zo? wat is d’oorsake hier van? Anders ist wel geoorlooft de boosheid en elendigheid onser tijden te beklagen, van harten bedroefd zijnde, dat de wereld hoe langer hoe slechter wordt, en dat daarom ook de plagen vermeerdert worden.
[^prediker-7-10-22]: Kanttekening 22: De gepasseerde jaren, of tijden.
[^prediker-7-11-23]: Kanttekening 23: Hij wil zeggen, ’Tis een treffelijke zaak in dit tijdelijke leven, wijsheid en rijkdom t’samen te hebben.
[^prediker-7-11-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: met rijkdom diemen erft, of, door erffenis verkrijcht.
[^prediker-7-11-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die in deze wereld leven, hebben daar profijt af, want rijkdom en helpt degenen niet die buiten deze wereld zijn.
[^prediker-7-12-26]: Kanttekening 26: De betekenis is, De wijsheid en het tijdelijke goed dienen de mens tot een bescherming tegen het leet, dat hem mach over-komen, zoals een schaduw de mens dient tot een schutsel voor de brandende hitte van de zon. Anders: want zij zijn inde schaduw van de wijsheid, en inde schaduw van het gelt.
[^prediker-7-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: hier in steekt de wijsheid uit en zij is veel treffelicker dan gelt en goed, dat zij het leven geeft: verstaande door de wijsheid, de rechte wijsheid, welke is de ware kennis van God en zijn geboden, Deze geeft het leven, namelijk het eeuwige leven: Maar andre verstaan hier door het leven, ruste, vrede, genoegen in het hart, het welk is het rechte leven.
[^prediker-7-13-28]: Kanttekening 28: Alsof hij zei, Wilt u ruste en vrede hebben in uw hart en gemoet, so stelt u daar in te vreden, dat u weet, dat het Godes werk is, dat er dagelicks geschiedt, en dat het God zo belieft, niemand en kan verhinderen nog veranderen ’t degenen dat God eens besloten, of gedaan heeft. Job 12:14. Daarom en moeten wy ons niet quellen inde zaken die wy dagelicks zien en hooren, omdat zij toch door geenen raad of doen van de mensen en kunnen verandert worden. zie Job 12:14. en Eccl. 1:15.
[^prediker-7-14-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: zijt in’t goede. Dat wil zeggen: zijt lustich en vrolijk.
[^prediker-7-14-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: van het goed. Dat wil zeggen: alst u wel gaat, als God u zegent met vele goederen.
[^prediker-7-14-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: van het quaet.
[^prediker-7-14-32]: Kanttekening 32: Namelijk zo, dat u gedenckt, dat ook het kwaad van de Heer komt, en dat u het daarom met gedult dragen moet. Anders: merckt aan. Namelijk het werk van God, daar van gesproken is, vers 13. Anders: merckter op. Namelijk op de oorsake, welke is de rechtvaardige en wyse regering Godes, die dikwijls de vroome kastijt en beproeft tot hun besten. Anders: merckt op de dach van de tegenspoet. Dat wil zeggen: in voorspoet denckt aan tegenspoet die van Gods hant komen kan.
[^prediker-7-14-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws: deze tegen over, of, naast die. Namelijk dach. De betekenis is, De dach van het welvaren, en de dach van het qualijk-varen, zijn beide van God, en deze twee contrarie tijden heeft hij tegen elkaar geordineert, so dat het een mens niet altijd wel, ook niet altijd qualijk en gaat: Daarom hij in voorspoet, als ook in tegenspoet altijd op verandering moet denken, de voorspoet met vrolickheid (maar niet zonder ommesien) genietende, en de tegenspoet geduldelijk dragende, met verwachting van een beter.
[^prediker-7-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk na God. Dat wil zeggen: opdat de mens alleen op Godes schicking en regering zou zien, zonder dit of dat buiten God te willen ondersoeken of doorgronden. Anders: na hem. Namelijk na die mens, gebeuren zal. Anders: op zulker wijze, dat de mens na hem niet zou konnen vinden. Dat wil zeggen: God heeft alles zo wijsselijk geordineert, dat geen mens na hem yet bequamers zou konnen vinden of bedenken.
[^prediker-7-15-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: geduerende mijn ijdel en vergankelijk leven.
[^prediker-7-15-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: als hij zich tot deucht had begeven, en dagelijks daar in voortvoer.
[^prediker-7-15-37]: Kanttekening 37: Het zy dat hij van de boose mensen (die de vroome niet en kunnen verdragen) wordt verdrukt: of, dat hem God de Heer vroech uit deze wereld haalt in een beter leven, als Iosiae geschiedt is, 2 Kron. c. 35. versen 23, 24.
[^prediker-7-16-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: Zijt niet al te strenge, om uwes naasten woorden en werken op het nauwste te ondersoeken, en op het hardtste te straffen. Andere nemen’t in deze sin. Doet het gene dat u te doen bevolen is, en doet dat getrouwelijk, maar en doet ook niet meer dan u bevolen is, of dan uw beroeping mee-brengt.
[^prediker-7-16-39]: Kanttekening 39: Dit is gesproken tegen die curieuse geesten, die Godes verborgentheden met hun wijsheid menen te doorgronden, Rom. c. 12:3. Ofte, die meer willen weten dan ons God in zijn woord geopenbaard heeft.
[^prediker-7-16-40]: Kanttekening 40: Dat is, waarom zou u u zelf in schade en schande brengen, willende schijnen vroomer, kloeker, verstandiger te zijn, dan andre, mits al te diepe doorsoekende de verborgentheden Godes. Spr. c. 3:7. Rom. 12:3, 16.
[^prediker-7-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: en geeft u niet over tot grove zonden. of, en laat de zonde geen heerschappye hebben in uw sterflijken lichame, zoals de Apostel zegt, Rom. 6. vers 12.
[^prediker-7-17-42]: Kanttekening 42: Alsof hij zei, U zou anders gewisselijk door de overheid gestraft, en voordat de natuerelijke tijt van de dood komt, van de aarde weg geruckt worden. Vergelijk Job 15. vers 32. en Ps. 37. vers 13.
[^prediker-7-18-43]: Kanttekening 43: Namelijk aan ’t gene daar van vers 16. gesproken is.
[^prediker-7-18-44]: Kanttekening 44: Namelijk dat gezegd is vers 17. of dat ik nu nog zeggen zal. sommige duiden beide de vermaningen op het gene in de twee voorgaande versen gezegd is in ’t gemeen.
[^prediker-7-18-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: hij wijckt van beide de uiterste fouten, van al te rechtvaardig, en al te onrechtvaardig te zijn, (ontgaande zo de elenden die daar op plegen te volgen) en houdende de middel-weg, daar in alle deucht bestaat.
[^prediker-7-19-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: vele. Zie Gen. 31:7. en Spr. 21:22. en 24:5. en hieronder, 9:16.
[^prediker-7-20-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 8. versen 46, 47. 2 Kron. 6:36. Spr. 20:9. 1 Joh. 1:8.
[^prediker-7-21-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: En onderzoekt niet te naeuwe, om te weten wat de mensen al van u zeggen, nog en treckt het u niet te zeer aan: want zou u dat doen, so konde het lichtelijk gebeuren, dat u t’uw grote onwille zou hooren, dat uw eigene knechts qualijk van u spreken: men moet vele van dat er gezegd wordt, ongemerckt laten heen gaan.
[^prediker-7-22-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: uw eigene conscientie.
[^prediker-7-22-49]: Kanttekening 49: Die u onrecht gedaan hebben, of, die u gemeynt hebt (door het vals aanbrengen van andre) dat ze u ongelijk deden.
[^prediker-7-23-50]: Kanttekening 50: Namelijk bij my zelf. Dat wil zeggen: Ik dacht, Ik liet my voorstaan, dat ik een volkomen wijsheid bekomen zou.
[^prediker-7-23-51]: Kanttekening 51: Want de mens nimmermeer en kan komen tot een volkomen wetenschap van alle dingen, en van de oorsaken van dezelve.
[^prediker-7-24-52]: Kanttekening 52: Anders: zo: ’t is ver dat er geweest is. Dat wil zeggen: het gene dat lange voorleden is, daar en hebben de mensen geen grote kennis van: En wat kennis zullen zij hebben van dingen die t’eenemaal diep-grondich en verborgen zijn? als, hoe God de wereld regeert, met al dat er in is, en insonderheid watter in toekomende tijden gebeuren zal. Zie in het Boek Iobs de capp. 38. 39. 40. 41. en Rom. 11:33, 34. zeer diep, Hebreeuws, עָמֹק: diep diep. Zie Gen. 25. op vers 30.
[^prediker-7-25-53]: Kanttekening 53: Namelijk met mijn gedachten.
[^prediker-7-25-54]: Kanttekening 54: Het Hebreeuwse woord betekent een slot van reden, ’t welk uit andre voor-gestelde redenen besloten, en als rekenens-wijze gevonden wordt.
[^prediker-7-25-e]: Verwijzing e: Eccles. 1:17. en 2:12.
[^prediker-7-25-55]: Kanttekening 55: Anders: en de dwaasheid, \[en\] onsinnicheden.
[^prediker-7-26-f]: Verwijzing f: Spr. 5:3. en 6:24, etc. en 7:6, etc.
[^prediker-7-26-56]: Kanttekening 56: Gelijckmen voor ’t gedierte uit-spant, om ’t zelve daar in te vangen. Hij spreekt van een oneerbare vrouwe, die door haar arglistige en zoete bedriegelijke woorden, de mannen zoekt in onkuisheid te verstrikken, in haar netten te vangen, en vaste te houden. Zie Spr. 2:16, 17. en 5:3, 6. en 6:24. en 7:6, etc. en 9:13. Dusdanige vrouwe is meer te schouwen en te myden, dan de dood zelf.
[^prediker-7-26-57]: Kanttekening 57: Alsof hij zei, Niemand kan zulker booser vrouwen bedroch ontkomen, ten zy dat God hem bijzonderlijk door zijn genade en hulpe, daar van verlosse: zoals hij Ioseph van de oneerbare huisvrouwe Potiphars verlost heeft: zie c. 2:26.
[^prediker-7-26-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: zulk een mens, die zich dagelijks tot grote zonden begeeft. zie Ps. 1. op vers 1.
[^prediker-7-26-g]: Verwijzing g: Spr. 6. vers 26. en 7:23. en 22:14.
[^prediker-7-27-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: om tot resolutie en besluit te komen.
[^prediker-7-28-60]: Kanttekening 60: De betekenis van deze, en van de naastvolgende woorden, schijnt deze te zijn, Na dat ik al lange gezocht had, om de rechte grond van alles te weten: So en heb ik niet anders gevonden, dan dat ik nog niets gevonden en heb, dat wil zeggen: ik ben door de ervarentheid daar in bevesticht, dat de kennis van zeer vele dingen my ontbreekt. Anders: ’t gene mijn ziel nog zoekt dat en heb ik niet gevonden.
[^prediker-7-28-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: ik.
[^prediker-7-28-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws: Adam (אָדָם). Dat wil zeggen: een man. De tegenstelling wijst uit, dat Adam hier een man betekent. uit duisent. Namelijk mensen, of mannen.
[^prediker-7-28-63]: Kanttekening 63: Anders: maar een vrouwe met alle die dingen \[begaeft\]. Hij wil zeggen, dat men zeer weinig mannen vindt, die wijs, goed, voorzichtig, en van grote kennis zijn, maar nog veel weiniger zulke vrouwen. Zie Spr. 31:10. de woordekens een en geen worden hier genomen, voor weinig, en weiniger, namelijk in vergelijcking vande andere. omdat vele godvrezende mannen en vrouwen andersins inden Ouden en Nieuwen Testamente vermeldt zijn.
[^prediker-7-28-64]: Kanttekening 64: Namelijk onder de duisent (D. vele) mensen, of onder de vrouwen.
[^prediker-7-29-65]: Kanttekening 65: Alsof hij zei, Maar dit is een zekere zaak, dat het gehele menselijke geslachte, zo mannen als vrouwen, verdorven en sondich zijn, maar dat God, omdat hij de mens goed, en na zijn beeld geschapen heeft, geen schuld daar aan en heeft, maar de mens zelf, die zich zelf, en alle zijn nacomelingen, door ’t ingeven van de duivel, en door moetwillige ongehoorzaamheid, daar in gebracht heeft.
[^prediker-7-29-66]: Kanttekening 66: Namelijk de mensen.
[^prediker-7-29-67]: Kanttekening 67: Namelijk boose, erge, quade vonden, of treken.
[^prediker-7-29-68]: Kanttekening 68: En zij soekense nog, omdat zij van die heerlijken staat afgevallen zijn, in de welke zij geschapen en van God gesteld waren.

### Prediker 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/8.json)

*Een vermaning dat men de koning of de overheid alle behoorlijke gehoorzaamheid bewijst, vers 1, enz. Dat men zich niet te zeer bekommert om het aanstaande kwaad, 6. Daarna verhaalt hij nog enige andere ijdelheden van dit leven, namelijk hoe de onderdanen door de kwade overheden onderdrukt worden, 9. Dat veel mensen in zonden blijven steken, omdat zij niet meteen gestraft worden, 11. Maar de straf zullen zij niet ontgaan, 12. hoewel het vaak de vromen slecht en de bozen in deze wereld goed gaat, 14. daarop besluit hij dat het het beste is dat men in dit leven de gaven van God met vrolijkheid geniet, 15. en de onnodige en overbodige zorg van het leven loslaat, 16.*

**1** [^prediker-8-1-_][^prediker-8-1-1] Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging van de dingen?[^prediker-8-1-2] De wijsheid van de mensen verlicht zijn aangezicht, en de[^prediker-8-1-3] stuursheid van zijn aangezicht wordt[^prediker-8-1-4] daardoor veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v1)

**2** [^prediker-8-2-a] Ik zeg:[^prediker-8-2-5] Neem acht[^prediker-8-2-6] op het bevel[^prediker-8-2-7] van de koning, vanwege de eed aan God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v2)

**3** Haast u niet weg te gaan[^prediker-8-3-8] van zijn[^prediker-8-3-9] aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want[^prediker-8-3-10] al wat[^prediker-8-3-11] hem lust, doet hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v3)

**4** Waar[^prediker-8-4-12] het woord van de koning is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen:[^prediker-8-4-13] Wat doet u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v4)

**5** [^prediker-8-5-b] Wie[^prediker-8-5-14] het gebod onderhoudt,[^prediker-8-5-15] zal niets kwaads bemerken; en[^prediker-8-5-16] het hart van een wijze zal tijd en wijze weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v5)

**6** Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze,[^prediker-8-6-17] omdat het kwaad van de mensen veel is over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v6)

**7** [^prediker-8-7-19] Want hij weet niet, wat er gebeuren zal; want[^prediker-8-7-c] wie zal het hem te kennen geven,[^prediker-8-7-20] wanneer het gebeuren zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v7)

**8** [^prediker-8-8-d] Er is geen mens,[^prediker-8-8-21] die heerschappij heeft over de geest,[^prediker-8-8-22] om de geest[^prediker-8-8-23] in te houden; en hij heeft geen heerschappij[^prediker-8-8-24] over de dag van de dood;[^prediker-8-8-25] ook geen geweer[^prediker-8-8-26] in deze strijd; ook zal de[^prediker-8-8-27] goddeloosheid haar meesters niet verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v8)

**9** Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon gebeurt:[^prediker-8-9-28] er is een tijd, dat de ene mens over de andere mens heerst,[^prediker-8-9-29] hem ten kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v9)

**10** Zo heb ik ook gezien de goddelozen,[^prediker-8-10-30] die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit[^prediker-8-10-31] de plaats van de Heilige gingen, die werden vergeten in die stad, waarin zij recht gedaan hadden.[^prediker-8-10-32] Dit is ook zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v10)

**11** [^prediker-8-11-33] Omdat niet haastig het oordeel over de boze daad gebeurt, daarom is het hart van de kinderen van de mensen in hen vol om kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v11)

**12** Hoewel een zondaar honderd keer kwaad doet, en God hem de dagen verlengt;[^prediker-8-12-e] zo weet ik toch, dat het die zal welgaan,[^prediker-8-12-34] die God vrezen, die voor Zijn aangezicht[^prediker-8-12-35] vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v12)

**13** Maar[^prediker-8-13-36] de goddeloze zal het niet welgaan, en[^prediker-8-13-37] hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn[^prediker-8-13-38] gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v13)

**14** Er is nog een zinloosheid, die op aarde gebeurt: dat er zijn rechtvaardigen, die het[^prediker-8-14-39] overkomt[^prediker-8-14-40] naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen, die het overkomt naar het werk van de[^prediker-8-14-41] rechtvaardigen. Ik[^prediker-8-14-42] zeg, dat dit ook zinloosheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v14)

**15** Daarom prees ik de blijdschap, omdat[^prediker-8-15-f] de mens niets beters heeft[^prediker-8-15-43] onder de zon, dan te eten, en te drinken, en[^prediker-8-15-44] blij te zijn; want[^prediker-8-15-45] dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen van zijn leven, die hem God geeft onder de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v15)

**16** Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde gebeurt, dat men ook, overdag of in[^prediker-8-16-46] de nacht, de slaap niet ziet met zijne ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v16)

**17** Toen zag ik al het werk van God, dat de mens[^prediker-8-17-47] niet kan uitvinden,[^prediker-8-17-48] het werk, dat onder de zon gebeurt, om dat een mens arbeidt[^prediker-8-17-49] om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, als ook een wijze[^prediker-8-17-50] zei, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/8.html#v17)

[^prediker-8-1-_]: Kanttekening \*: Verscheydene zo hebreeusche, als ook veel oversettingen, voegen d’eerste woorden deze vers aan het laatste vers van de 7
[^prediker-8-1-1]: Kanttekening 1: Alsof hij zei, ’T is zeker en gewis, dat een wijs man alle andre mensen in weerdigheid te boven gaat, om dat hij alle dingen wel en grondelijk can uitleggen en beantwoorden.
[^prediker-8-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: zij maakt hem beleeft en vriendelijk. Anders: Zij geeft hem ’t licht van de kennis, zulks dat hij zeer klaar en duidelijk ziet hoe hij heeft te wandelen, en wat hem staat te doen, of te laten. zie hierboven, 2:14.
[^prediker-8-1-3]: Kanttekening 3: Of, wreedheid. Hebreeuws: sterckheid, of hardheid. Dat wil zeggen: hij legt de felheid of wreedheid af: die zich gemeenlijk in’t aangezicht openbaart. Zie Deut. 28:50. en Jud. 14:14. en de aantekening daar.
[^prediker-8-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk door de wijsheid.
[^prediker-8-2-a]: Verwijzing a: Spr. 24:21.
[^prediker-8-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: Ik, bewaart. ’t is een kort afgebrokene manier van spreken.
[^prediker-8-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: op ’t gene dat de Koning zegt, of, op ’t gene dat hij u gebiet. het woord mond betekent dikwijls een reden, of woorden: en woorden betekent dikwijls, bevelen, of geboden, als Ex. 17:1.
[^prediker-8-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: gehoorsaemt zo de Koning of Overheid, dat u midlerwyle niet en verlaat nog en vergeet de schuldigen plicht en eedt, daarmee u principalijk aan God verbonden bent. Anders: om de zaak van de eedt Godes.
[^prediker-8-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk van de Koning. Namelijk uit onverduldigheid, als hij u wat beveelt, dat u niet en behaecht: met uw haastich weg-gaan te kennen gevende, dat u weygerich bent te doen dat u de Koning beveelt. Anders: weg te gaan, dat wil zeggen: uit zijn dienst te treden, en hem te verlaten. Sommige verstaan dit en ’t gene volcht, van God.
[^prediker-8-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: en houdt u aan geen quade zaak, en staatse niet toe. zie d’aant. 2 Kon. 23. op vers 3. Ofte en blijft niet obstinatelijk in ’t weygeren van het bevel van de Koning.
[^prediker-8-3-10]: Kanttekening 10: Zo dat hij zich, wanneer het hem belieft, aan u wreken kan, en toornig zijnde, zou hij u lichtelijk straffen.
[^prediker-8-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk de Koning.
[^prediker-8-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: het bevel. De betekenis is, Als de Koning zijn dienaren beveelt, dat zij u zullen straffen, niemand en derf zijn heerschappende bevel tegen-staan.
[^prediker-8-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: waarom beveelt u my dit?
[^prediker-8-5-b]: Verwijzing b: Rom. 13:3.
[^prediker-8-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk het bevel van de Koning, ’t welk niet en strijt tegen de wille en ’t bevel van God.
[^prediker-8-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: hij zal inde ongenade en straf Godes, of van de Koning, nog van de Overheid niet vervallen. Hebreeuws, עֵת: zal niet weten een kwaad dink.
[^prediker-8-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: Een wijs man weet hoe hij zich na gelegenheid zal schikken, dat hij God, nog de Koning niet en vertoorne.
[^prediker-8-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de mens is veel ongelucx en swackheyts onderworpen, daarom moetmen voorzichtig zijn in zijn zaken.
[^prediker-8-7-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: hij en weet niet wat hem God toe-schikken zal, Zoals hij ook niet en weet de tijd wanneer: En daarom en kan hij ’t niet voor komen: Daarom moet hij steets God bidden om een heilige voorzichtigheid, opdat hij zich wel en na behooren mag dragen.
[^prediker-8-7-c]: Verwijzing c: Eccles. 6:12.
[^prediker-8-7-20]: Kanttekening 20: Of, hoe.
[^prediker-8-8-d]: Verwijzing d: Job 14:5. Ps. 39:6.
[^prediker-8-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk als de mens de dood overkomt.
[^prediker-8-8-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: om de adem of ziel, of geest van het leven binnen het lichaam te houden, dat hij daar niet uit en vare.
[^prediker-8-8-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord betekent zo veel als in een gevanckenis besluiten, of bewaren.
[^prediker-8-8-24]: Kanttekening 24: Of, in de dach van de dood. Dat wil zeggen: als de dood het leven komt bestrijden, en de sterfdach gekomen is, so en isser geen middel om de dood te ontkomen.
[^prediker-8-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: vleselijke wapenen. Anders: geen los-lating.
[^prediker-8-8-26]: Kanttekening 26: Namelijk als leven en dood met elkaar strijden.
[^prediker-8-8-27]: Kanttekening 27: Gelijckmen gemeenlijk zegt, onrecht slaat zijn eigen meester. Anders: het onrustich gewoel, alsof hij zei, Dat iemand nu dit, dan dat voorneemt, en zeer woelende is, om tot zijn voornemen te geraken, zal hem al mee niet helpen tegen de dood.
[^prediker-8-9-28]: Kanttekening 28: Of, \[ook sach ik\] een tijt, in de welke, etc. Namelijk als een onrechtvaardig mens in hoochheid, en in het ampt van de overheid verheven wordt, daar toch degenen die dit ampt bedienen, de welvaart van hun ondersaten insonderheid en voor al behoorden te zoeken, Rom. c. 13:4.
[^prediker-8-9-29]: Kanttekening 29: Ofte, de heerscher, of die over welke hij heerscht.
[^prediker-8-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: die in vergetenheid gesteld waren.
[^prediker-8-10-31]: Kanttekening 31: Verst. hier door de plaats van de heiligen, de Tempel, daar in de heilige God woont. komen, of ingaan en uitgaan is zo vele als in Gods huis te verkeren, en zich in godsvrucht te oeffenen. Andere verstaan hier door de heilige plaats, de Gericht-plaats, waar de Richters zitten in Godes plaats, en de persoon Godes representeren, God daar tegenwoordig bij hen zijnde, Ia in’t midden van hen presiderende. Andere verstaan dit versje van de goddeloze, en zetten’t zo over: En toen heb ik gezien de goddeloze, dat ze begraven werden, en ondergingen, en uit de plaats van de heiligen weg gingen, en werden vergeten in de stadt in de welke zij zo gedaan hadden. Dat wil zeggen: godtlooselijk geregeert hadden.
[^prediker-8-10-32]: Kanttekening 32: Namelijk deze onbestendigheid en ondanckbaarheid van het volk.
[^prediker-8-11-33]: Kanttekening 33: Alsof hij zei, Om dat God dikwijls zijn rechtvaardig oordeel over de goddeloze vertraecht, so menen zij dat zij altijt ongestraft zullen blijven, en daarom vervallen zij in alle godloosheid. Vergelijk Ps. 50. op vers 21.
[^prediker-8-12-e]: Verwijzing e: Ps. 37:9, 10, 11, 12, 18, 19, 20. Spr. 1:33. Jes. 3:10.
[^prediker-8-12-34]: Kanttekening 34: Namelijk, met een kinderlijke vrees.
[^prediker-8-12-35]: Kanttekening 35: Namelijk hem te vertoornen.
[^prediker-8-13-36]: Kanttekening 36: Verstaat hier bij, maar hij zal eindelijk gestraft worden, hetzij hier, of hier naemaals.
[^prediker-8-13-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: hij zal niet lange leven, immers in gerustheid, en met een goede conscientie, ’t welk het rechte leven is.
[^prediker-8-13-38]: Kanttekening 38: Die haast voorby passeert. zie Ps. 144:4. Anders: hij zal de dagen niet verlengen, zoals een schaduw, die met de ondergank van de zon lank wordt.
[^prediker-8-14-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws: aanraakt, aentreft.
[^prediker-8-14-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: Alsof zij werken van de godloosen hadden, etc. De betekenis is, Somtijts gaat het de vroomen qualijk: En de goddelozen wel. Zie Ps. 73:11, 12, 13, 14.
[^prediker-8-14-41]: Kanttekening 41: Of, ik zei.
[^prediker-8-14-42]: Kanttekening 42: Namelijk omdat geen mens en kan versekert zijn, dat het hem van wegen zijn vroomheid in deze wereld steets zal wel gaan. Anders: dit is ook ijdelheid. Dat wil zeggen: dit is een ijdele en ongerijmde zaak, na het oordeel van de mensen.
[^prediker-8-15-f]: Verwijzing f: Eccles. 2:24. en 3:12, 22. en 5:18. en 9:7.
[^prediker-8-15-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: zo veel dit tijdelijke leven betreft.
[^prediker-8-15-44]: Kanttekening 44: Maar zo, dat hij altijt de vrees van de Heer voor ogen hebbe. Zie hieronder, c. 12. vers 13.
[^prediker-8-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: dat zal zijn deel zijn.
[^prediker-8-16-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: niet en slaept. Namelijk van wegen de zorg en bekommernis die hij heeft over de tijdelijke goederen. Zie hierboven, c. 2. versen 23, 24.
[^prediker-8-17-47]: Kanttekening 47: Namelijk met zijn eigen vernuft.
[^prediker-8-17-48]: Kanttekening 48: Namelijk de regering Godes over de zaken die in de wereld gebeuren, als bij namen, hoe dat dit met Godes rechtvaardige regering over een komt, dat hij de vroome dikwijls zo swaarlijk kastijdt, en de godloose dikwijls zo zegent.
[^prediker-8-17-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: om te verstaan, namelijk hoe alle dink inder wereld van God wijselijk en wel geregeert wordt.
[^prediker-8-17-50]: Kanttekening 50: Namelijk Bij hem zelf in zijn hart.

### Prediker 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/9.json)

*De Prediker verhaalt enige dingen die zowel de vromen als de goddelozen overkomen, vers 1, enz. Daarom oordeelt hij dat het het beste is dat men met vrolijkheid de gaven van God geniet, 7. en naarstig is in zijn beroep, 10. En dat men de uitkomst aan God beveelt, 11. Daarna leert hij dat de mens de tijd van zijn dood of ongeluk onbekend is, 12. Ten laatste roemt hij de wijsheid in de hoogste mate, 13.*

**1** Zeker, dit alles heb ik in mijn hart[^prediker-9-1-1] gelegd, opdat ik dit alles[^prediker-9-1-2] duidelijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken[^prediker-9-1-3] in de hand van God zijn; ook liefde, ook[^prediker-9-1-4] haat, weet de mens niet uit al wat voor[^prediker-9-1-5] zijn aangezicht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v1)

**2** [^prediker-9-2-6] Alle ding overkomt hun, gelijk[^prediker-9-2-8] aan alle anderen;[^prediker-9-2-9][^prediker-9-2-a] dezelfde overkomt de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, als de onreine; zo[^prediker-9-2-10] die, die offert, als die, die niet offert; zoals de goede, zo ook de zondaar,[^prediker-9-2-11] die, die zweert, gelijk die,[^prediker-9-2-12] die de eed vreest.[^prediker-9-2-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v2)

**3** [^prediker-9-3-13] Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon gebeurt, dat dezelfde[^prediker-9-3-14] ding[^prediker-9-3-15] allen overkomt, en dat ook het hart van de mensenkinderen vol boosheid is, en dat[^prediker-9-3-16] er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en[^prediker-9-3-17] daarna moeten zij naar de doden toe.[^prediker-9-3-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v3)

**4** [^prediker-9-4-19] Want[^prediker-9-4-20] voor degene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond[^prediker-9-4-21] is beter dan een dode leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v4)

**5** Want[^prediker-9-5-22] de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden[^prediker-9-5-23] weten niet met al;[^prediker-9-5-24] zij hebben ook geen loon meer, maar hun[^prediker-9-5-25] herinnering is vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v5)

**6** [^prediker-9-6-26] Ook is al hun liefde, ook hun haat, ook hun afgunst vergaan; en zij hebben geen deel meer[^prediker-9-6-27] in deze eeuw in alles, wat onder de zon gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v6)

**7** [^prediker-9-7-28] Ga dan[^prediker-9-7-29] heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn[^prediker-9-7-30] met een vrolijk hart; want[^prediker-9-7-31] God heeft al een behagen aan uw werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v7)

**8** [^prediker-9-8-32]Laat uw kleren[^prediker-9-8-33] altijd[^prediker-9-8-34] wit zijn, en laat op uw hoofd geen[^prediker-9-8-35] olie ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v8)

**9** [^prediker-9-9-36] Geniet het leven met de vrouw, die u liefhebt, al de dagen[^prediker-9-9-37] van uw ijdele leven,[^prediker-9-9-38] die God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want[^prediker-9-9-39] dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, die u arbeidt onder de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v9)

**10** [^prediker-9-10-40] Alles,[^prediker-9-10-41] wat uw hand vindt om te doen,[^prediker-9-10-42] doe dat met uw macht; want[^prediker-9-10-43] er is geen werk, noch[^prediker-9-10-44] verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar u heengaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v10)

**11** Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat[^prediker-9-11-45] de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden, noch ook[^prediker-9-11-46] het voedsel van de wijzen, noch ook de rijkdom van de verstandigen, noch ook de[^prediker-9-11-47] gunst van de welwetenden, maar dat[^prediker-9-11-48] tijd en toeval aan alle deze overkomt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v11)

**12** Ook weet de mens zijn tijd[^prediker-9-12-49] niet. Zoals de vissen die in een[^prediker-9-12-50] schadelijk net gevangen worden, en zoals de vogels die met de strik gevangen worden, zo worden de kinderen van de mensen in een kwade tijd verstrikt, wanneer die hen plotseling overvalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v12)

**13** Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot[^prediker-9-13-51] bij mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v13)

**14** Er was een kleine stad, en weinig mensen waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote belegeringswerken tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v14)

**15** En men vond daar een arme wijze man in, die de stad verloste door zijn wijsheid;[^prediker-9-15-52] maar geen mens gedacht dezelfde arme man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v15)

**16** Toen zei ik:[^prediker-9-16-b] Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid van de arme veracht, en zijn woorden[^prediker-9-16-53] niet waren gehoord geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v16)

**17** De woorden van de wijzen moeten[^prediker-9-17-54] in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep van degene, die over de zotten heerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v17)

**18** De wijsheid is beter[^prediker-9-18-55] dan de oorlogswapenen, maar één enig[^prediker-9-18-56] zondaar verderft veel goede dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/9.html#v18)

[^prediker-9-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, נָתַתִּי: gegeven. als hierboven, c. 7. vers 2. Dat wil zeggen: ik heb dit alles ter harten genomen.
[^prediker-9-1-2]: Kanttekening 2: Of, mochte verklaren.
[^prediker-9-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de voorsichtige regering Godes onderworpen.
[^prediker-9-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: Alsmen oordelen zal na het uitwendige, ’t welckmen dagelijks zo de vroomen, als de goddelozen ziet overkomen: So en can niemand daar uit oordelen, of hij in Godes gunste of ongunste staat, Veel min can hij zulks van een ander oordelen: want de vroome worden in deze wereld zo wel geplaecht, ja soms meer, dan de godloose, zoals vers 2. breeder volcht. Aengaande de zekerheid die de kinderen van God hebben van zijn liefde t’henwaarts, daar van wordt elders gesproken.
[^prediker-9-1-5]: Kanttekening 5: Namelijk van de mensen.
[^prediker-9-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws: alles gelijk als allen.
[^prediker-9-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk onrechtveerdigen en dwasen.
[^prediker-9-2-9]: Kanttekening 9: Anders: een geval, als hierboven, c. 2. vers 14. en hieronder, vers 3. De betekenis is, de rechtveerdigen overkomt zo wel wat quaets, als de goddelozen: En ter contrarie overkomt de goddelozen zo wel wat goeds, als de vroomen.
[^prediker-9-2-a]: Verwijzing a: Ps. 73. vers 12, 13.
[^prediker-9-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: die die de Gods-dienst wel waarneemt.
[^prediker-9-2-11]: Kanttekening 11: Namelijk lichtveerdelijk, of valschelijk, geen conscientie makende van meyneedigheid.
[^prediker-9-2-12]: Kanttekening 12: Namelijk de lichtveerdigen eedt, vreesende God daar mee te vertoornen.
[^prediker-9-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk de rechtveerdigen en wijsen.
[^prediker-9-3-13]: Kanttekening 13: Alsof hij zei, Dit is ’tgene dat de mensen beswaarlijk en verdrietich valt.
[^prediker-9-3-14]: Kanttekening 14: Zie hierboven, vers 2.
[^prediker-9-3-15]: Kanttekening 15: Namelijk mensen.
[^prediker-9-3-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: geduerende hun leven.
[^prediker-9-3-17]: Kanttekening 17: Namelijk na alle onsinnicheden die zij hun leven lank gepleecht hebben.
[^prediker-9-3-18]: Kanttekening 18: Namelijk heen varen, dat is, zij moeten sterven. Vergelijk Spr. 2:18. en 9:18.
[^prediker-9-4-19]: Kanttekening 19: Enige nemen de woorden van de 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10. versen als gesproken zijnde in de persoone van de goddelozen, en beginnen dit vierde vers zo: want \[zeggen de godloose\] voor degenen die nog, etc. Andre eigenen deze woorden Salomo toe, welcker gevoelen wy volgen.
[^prediker-9-4-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: voor die die nog leeft. Alsof hij zei, Zo lange als iemand nog leeft, so heeft hij hope, dat het hem in dit leven wel zal gaan: maar als hij gestorven is, so is de hope uit. Anders: want wie isser die uitgenomen is? namelijk dat hij niet en sterve.
[^prediker-9-4-21]: Kanttekening 21: Of, heeft’et beter. Hebreeuws: het is beter aan, of, voor een levendigen hont. etc. Dat wil zeggen: hij is geluckiger, namelijk om dat hij het leven genieten mach.
[^prediker-9-5-22]: Kanttekening 22: De betekenis is, om dat de levende mensen weten, dat zij sterven moeten: So genieten zij met vreucht het tijdelijke goed, zo lange alst hun beuren mach.
[^prediker-9-5-23]: Kanttekening 23: Namelijk van ’t gene dat hier op aarden geschiedt, zoals Salomo vers 6 breeder verklaart: Want hij en wil hier geensins te kennen geven, dat de zielen van de mensen, na de lichamelijke dood, zouden teniet gaan. zie Job 14:21.
[^prediker-9-5-24]: Kanttekening 24: Zij en genieten geen vermakelickheid meer van hun arbeid, met eten en drinken, zoals zij in hun leven genoten hebben.
[^prediker-9-5-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: in vergetenheid gesteld. Namelijk bij de mensen, namelijk zo veel deze aardsche zaken betreft: niemand is bekommert, of geneycht om hen iets ten dienste, of te gevalle te doen.
[^prediker-9-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: Zij en weten niet watter in deze wereld geschiedt, zij en vragender ook niet na, daarom en beminnen zij niemand in deze wereld, zij en haten, nog en benyden ook niemand.
[^prediker-9-6-27]: Kanttekening 27: Vergelijk dit met ’t gene dat er staat Eccles. 3:11. en zie d’aantekening daar. Anders: in eeuwigheid. Dat wil zeggen: nemmermeer in dit leven.
[^prediker-9-7-28]: Kanttekening 28: Namelijk omdat u nog leeft.
[^prediker-9-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: geniett met vreuchde ’t degenen dat u God door uw arbeid gegeven heeft, want Salomo spreekt hier de godvrezende aan.
[^prediker-9-7-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: met vrolickheid. Zie Richt. 16. op vers 25 en 1 Kon. 21. op vers 7.
[^prediker-9-7-31]: Kanttekening 31: Namelijk omdat u hem vreest en uw voedsel winnet door de arbeid daar toe u beroepen bent: volgens die, so ist onnoodich, dat u u met ijdele zorgvuldigheid quelt: weest gerust in de voorsichtige regering Godes, en de liefde die hij u toedraagt.
[^prediker-9-8-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: zijt vrolijk. Hier van was eertijds een teekken, dat men zuivere witte kleren droech, en ’t hoofd met wel-rieckende olie salfde.
[^prediker-9-8-33]: Kanttekening 33: Wel-verstaande zo lange alst u gebeuren mach. Want daar kan een tijt komen dat men moet droeve zijn met de droeve. Zie hierboven, c. 7. vers 2.
[^prediker-9-8-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zuiver, rein.
[^prediker-9-8-35]: Kanttekening 35: Namelijk wel-rieckende olie. Zie d’aantekening Ruth 3. op vers 3 en Luk. 7:46.
[^prediker-9-9-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, חַיִּים: zie het leven. Dat wil zeggen: geniet de genoechten en zoetheid van dit leven in alle manieren, so veel als u, met God en met eere, kont en meucht. Zie Job 7. op vers 7. hier betekent het leven zo veel, als een goed en genoechelijk leven.
[^prediker-9-9-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, חַיִּים: van het leven uw ijdelheid. Dat is, geduerende uw ijdel en vergankelijk leven.
[^prediker-9-9-38]: Kanttekening 38: Namelijk dagen. Vergelijk hierboven, c. 8. op vers 15. Andre verstaan op welke, vrouwe.
[^prediker-9-9-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: ’t gene dat u meucht genieten van de goederen die u door uw arbeid verworven hebt.
[^prediker-9-10-40]: Kanttekening 40: Namelijk al wat goed is, en uw beroeping voordert.
[^prediker-9-10-41]: Kanttekening 41: Zie Lev. 25. op vers 28. en Jud. 9. op vers 33.
[^prediker-9-10-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: doet dat zo neerstelijk en zo wel als u kont.
[^prediker-9-10-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: als u dood bent, so en zult u geen van allen die kunnen doen, dat men in dit leven doet.
[^prediker-9-10-44]: Kanttekening 44: Of, Vernuft.
[^prediker-9-11-45]: Kanttekening 45: Hij spreekt van een geluckigen loop, waar doormen het perijckel ontloopt: En van een geluckigen strijt, waar doormen de victorie behoudt: die is niet altijt aan de zijde van de snellen: Zo en is ook de victorie niet altijd aan de zijde van de sterke helden, etc. maar bij die, die God zijn zegen geeft.
[^prediker-9-11-46]: Kanttekening 46: Anders: neering. Hebreeuws: ’t broot.
[^prediker-9-11-47]: Kanttekening 47: Alsof hij zei, Om gunste te erlangen bij de mensen, daar toe en helpt niet dat iemand kloek, of wel ervaren zy: Verstaat hier bij, Ten zy, dat God zijn zegen daar toe geve.
[^prediker-9-11-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: ’T gene dat God van eeuwigheid verordineert heeft, dat moet op zulke tijden gebeuren, als het God verordineert heeft, en ook zo, zoals hij het verordineert heeft. Want Salomo en spreekt hier van geenen onsekeren toeval, maar van zulk een, die van God geregeert wordt.
[^prediker-9-12-49]: Kanttekening 49: Namelijk de tijt van zijn dood, of, van het ongeluk, dat hem wedervaren zal: Ia hij weet het zo weinig, als de visschen weten wat hun is nakende. zie de aantekening Psalm 81. op vers 16.
[^prediker-9-12-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: met het schadelijke nette. Want als de visschen gevangen zijn, so wordense gedoot. Zo wordt stracx in dit vers de tijt boos genoemd, ten aansien van het kwaad dat de mens in dezelve bejegent.
[^prediker-9-13-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: in mijn oordeel.
[^prediker-9-15-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: niemand en danckte hem na behooren, voor die goede raadt op welke de verlossing gevolgt is. Anders: Niemand had aan die armen man gedacht, dat wil zeggen: niemand had oyt gedacht, dat die arme man zo wijs was.
[^prediker-9-16-b]: Verwijzing b: Spr. 21:22. en 24:5. Eccles. 7:20.
[^prediker-9-16-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: niet en waren geacht geweest.
[^prediker-9-17-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws: in ruste. Hij wil zeggen, met grooteren aandacht dan van de dwasen. Of in deze sin, die zich stille houden, moetmen eer en meer hooren, dan die groot geroep maken, als zij bij dwase zijn.
[^prediker-9-18-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, כְּלֵי: dan de vaten, of, gereetschappen van de krijch.
[^prediker-9-18-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: een onverstandich man, gevende quaden raad. Ia zelfs als een wijs man een mis-slach doet, so gaan daar door te schande vele goede zaken, en te gelijke zijn eigene reputatie, of achtbaarheid. Men kan ook door het woord zondaar hier verstaan, een roekeloosen, of stouten, vermetenen mens, die op zich zelf, hetzij op zijn wijsheid, of sterkte, zich verlatende, onbedachtsaemlijk zijn vijand aantast, verroekeloosende niet alleen hem-zelf, maar ook te gelijke vele andere met zich.

### Prediker 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/10.json)

*Salomo beveelt iedereen de wijsheid aan, en waarschuwt iedereen voor de dwaasheid, vers 1, enz. En hij vermaant hoe men zich bij de koning moet gedragen als hij vertoornd is, 4. hoewel het vaak gebeurt dat sluwe mensen door de koning verheven en vromen veracht worden, 5. Daarna spreekt hij over de onvoorzichtigheid van sommige mensen, 8. En hij leert opnieuw hoe voordelig de wijsheid en hoe schadelijk de dwaasheid is, 10, enz. Inzonderheid bij een vorst, 16, enz. die men niet moet vervloeken, 20.*

**1** [^prediker-10-1-1] Een dode vlieg doet[^prediker-10-1-2] de zalf van de apotheker stinken en opwellen;[^prediker-10-1-3] zo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is[^prediker-10-1-4] van wijsheid en van eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v1)

**2** [^prediker-10-2-5] Het hart van de wijzen is tot zijn rechterhand, maar het hart van een zot[^prediker-10-2-6] is tot zijn linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v2)

**3** En ook wanneer de dwaas op de weg wandelt,[^prediker-10-3-7] zijn hart ontbreekt hem, en[^prediker-10-3-8] hij zegt[^prediker-10-3-9] tot ieder, dat hij dwaas is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v3)

**4** Als[^prediker-10-4-10] de geest van de heerser tegen u oprijst, verlaat[^prediker-10-4-11] uw plaats niet; want het is[^prediker-10-4-12] medicijn, het[^prediker-10-4-13] stilt grote zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v4)

**5** Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een[^prediker-10-5-14] dwaling, die van het aangezicht van de oversten[^prediker-10-5-15] voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v5)

**6** [^prediker-10-6-16] Een dwaas wordt gezet[^prediker-10-6-17] in grote hoogheden, maar[^prediker-10-6-18] de rijken zitten[^prediker-10-6-19] in de laagte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v6)

**7** Ik heb[^prediker-10-7-20] knechten te paard gezien, en[^prediker-10-7-21] vorsten, gaande als knechten[^prediker-10-7-22] op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v7)

**8** [^prediker-10-8-23] Wie[^prediker-10-8-a] een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt,[^prediker-10-8-24] een slang zal hem bijten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v8)

**9** Wie[^prediker-10-9-25] stenen[^prediker-10-9-26] wegdraagt,[^prediker-10-9-27] zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor[^prediker-10-9-28] in gevaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v9)

**10** Als[^prediker-10-10-29] hij[^prediker-10-10-30] het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt[^prediker-10-10-31] de snede niet,[^prediker-10-10-32] dan moet hij meerder kracht te werk stellen;[^prediker-10-10-33] maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v10)

**11** Als de slang gebeten heeft,[^prediker-10-11-34] voordat de bezwering gebeurd is, dan[^prediker-10-11-35] is er geen nut voor de allerwelsprekendste bezweerder.[^prediker-10-11-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v11)

**12** De woorden van een wijze[^prediker-10-12-37] mond zijn aangenaam; maar de lippen van een[^prediker-10-12-38] zot verslinden hemzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v12)

**13** Het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid, en het einde[^prediker-10-13-39] van zijn mond[^prediker-10-13-40] is boze dolligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v13)

**14** [^prediker-10-14-41] De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat gebeuren zal; en[^prediker-10-14-42] wat na hem gebeuren zal, wie zal het hem te kennen geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v14)

**15** De arbeid van de zotten[^prediker-10-15-43] maakt ieder van hen moe;[^prediker-10-15-44] omdat zij niet weten naar de stad te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v15)

**16** [^prediker-10-16-a_b_] Wee u,[^prediker-10-16-45] land! waarvan de koning een kind is[^prediker-10-16-46], en waarvan de vorsten 's morgens eten[^prediker-10-16-47][^prediker-10-16-48][^prediker-10-16-49]![^prediker-10-16-b_c_] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v16)

**17** Welgelukzalig bent u, land! waarvan de koning een zoon van de edelen is[^prediker-10-17-50], en waarvan de vorsten op de juiste tijd eten[^prediker-10-17-51],[^prediker-10-17-52] om zich te versterken en niet om zich te bedrinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v17)

**18** Door[^prediker-10-18-53] grote luiheid[^prediker-10-18-54] verzwakt het gebint, en[^prediker-10-18-55] door slapheid van de handen[^prediker-10-18-56] wordt het huis lek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v18)

**19** [^prediker-10-19-57] Men maakt[^prediker-10-19-58] maaltijden om te[^prediker-10-19-59] lachen, en de wijn verheugt[^prediker-10-19-60] de levenden, en het[^prediker-10-19-61] geld verantwoordt alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v19)

**20** [^prediker-10-20-c_d_] Vloek de koning niet, zelfs[^prediker-10-20-62] in uw gedachten, en vloek de rijke niet in het binnenste van uw slaapkamer;[^prediker-10-20-63] want het gevogelte van de hemel[^prediker-10-20-64] zou de stem wegvoeren, en[^prediker-10-20-65] het gevleugelde zou[^prediker-10-20-66] het woord[^prediker-10-20-67] te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/10.html#v20)

[^prediker-10-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, מָוֶת: Vliegen van de dood doet stinken. dat is, elke doode vliege doet stinken. De betekenis is, of schoon een vliege maar een klein beestken en is, so doet het even wel een wel-rieckende olie, of zalf, stinken, namelijk indiense in de zelf valt, en blijft liggen.
[^prediker-10-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: een zalf of olie, die van de Apotekers konstelijk toebereit en gemaakt wordt.
[^prediker-10-1-3]: Kanttekening 3: De betekenis is: Zo is ook een weinig dwaasheid oorsake, dat een treffelijk beroemt man zijn eere en reputatie verliest.
[^prediker-10-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: van wegen zijn wijsheid en eere.
[^prediker-10-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: een wijs man stelt zijn zaken wyselijk aan, alles tevoren in zijn hart wijselijk en wel overleggende. Men moet geensins uit deze woorden besluiten, dat Salomo hier wil zeggen, dat van de wijsen hart in haar boesem anders legt, als van de dwasen, want zo van de wijsen, als van de dwasen hart, legt in’t midden van de borst, een weynichsken na de slincker-zyde aan streckende. Het is een gelijkenis genomen van de rechter en slincker-hant, in’t uitvoeren eeniger zaak, hetzij wel, of qualijk. Het grootste deel van de mensen gebruikt de rechter-hant om iets wel en te dege te doen, so dat als iemand yet wel doet en met wijsheid (die uit het hart komt) so schijnt het dat hij het hart aan de rechter-hant heeft liggende, om zijn zaken wel te verrichten: Ter contrarie, die zijn zaken niet wel, nog bequamelijk, of wyselijk uit en richt, schijnt dat hem het hart slincks legt.
[^prediker-10-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: hij stelt zijn zaken dwaaslijk aan.
[^prediker-10-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: so blijken, en openbaren haar zijn harten gebreken.
[^prediker-10-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: hij geeft opentlijk genoeg te kennen, (namelijk door zijn gank, gelaat, kleren, en gebeerden) dat hij niet wijs en is.
[^prediker-10-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: tot alle man, die hem over strate zie gaan, of wandelen. Anders: van iedereen, dat die dwaas is.
[^prediker-10-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: de toorn. zie de aantekening Jud. 8. op vers 3.
[^prediker-10-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: uw beroeping, ampt, staat, conditie. Anders: Verlaat uw plaats niet, Dat is, betoont en draecht u, Zoals het een ondersaat betaamt, namelijk demoedich en nederig.
[^prediker-10-4-12]: Kanttekening 12: Anders: sachtigheid, of, sachtsinnigheid, (D. sachtsinnige toegeving) stilt, etc.
[^prediker-10-4-13]: Kanttekening 13: Die anders een Regent in zijn toorn zou aan u mogen begaan, daarom zoekt liever met zoet woorden zijn toorn te vermurwen of versachten. het kan ook in deze sin genomen worden, sachte en ootmoedige woorden stillen, dat wil zeggen: komen voor, of nemen weg, of bedekken, grote offensien of misdaden, die u aan de Prince moocht begaan hebben.
[^prediker-10-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: Een grote foute, als zijn de fouten die her-komen van de Princen, of Grote van de lants. want hoe iemand grooter of hooger verheven is, hoe ook de fouten die hij begaat, grooter en schadelicker zijn.
[^prediker-10-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: begaan wordt.
[^prediker-10-6-16]: Kanttekening 16: Of, de dwase. Dat wil zeggen: plompaarts, die geheel onbekwaam zijn om andere te regeren, en officien te bedienen, worden verheven tot staten en ampten. Het belieft God soms, dat dusdanige zullen landen en steden regeren, om zo de zelf te plagen. Hebreeuws: de dwaasheid wordt, etc. Dat is, zulk een mens die de dwaasheid zelf is.
[^prediker-10-6-17]: Kanttekening 17: Of, In vele hoocheden.
[^prediker-10-6-18]: Kanttekening 18: Namelijk in wijsheid, of, die sin-rijke zijn: of, die rijke zijn, en te gelijke wijs, dat wil zeggen: die verstants en wetenschaps genoeg hebben, om de ampten wel te bedienen.
[^prediker-10-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: in een leege plaats, in nederigheid.
[^prediker-10-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zulke die een knechtelijk onwijs gemoet hadden, of die van knechten en slaven afkomstich waren.
[^prediker-10-7-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: kloeke en verstandige mannen, die zodanig een gemoet hadden, als de Princen hebben, of behoorden te hebben.
[^prediker-10-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: te voete gaan, ja zelf andre dienen.
[^prediker-10-8-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: wie tegen iemand anders ongelijk rockent, die zal het qualijk gaan door Godes rechtvaardig oordeel. Salomo wijst in dit, en in’t 9 vers aan, met vier gelijkenissen, hoe schadelijk dat de onvoorzichtigheid is. Zie Ps. 62. op vers 4.
[^prediker-10-8-a]: Verwijzing a: Spr. 16:27.
[^prediker-10-8-24]: Kanttekening 24: De slangen liggen gewoonlijk in de reten en spleten, of in de gaten van de mueren: Alsmen de mueren afbreekt, so komen zij te voorschijn, en byten of steken degenen die zij eerst vinden. ’T schijnt dat Salomo hier wil zeggen, Dat die de Wetten en Ordonnantien van de kerk, of politijke wetten verbreken, die en zullen niet ongestraft blijven.
[^prediker-10-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk grote steenen, die hem te swaar zijn om te verroeren. Anders, de steenen die zijn naebuers lant-palen van de zijn onderscheiden, om zo zijn acker te vergrooten. Zie Deut. 27:17.
[^prediker-10-9-26]: Kanttekening 26: Ofte, versett.
[^prediker-10-9-27]: Kanttekening 27: De betekenis is, Zoals degenen die zware steenen verheffen of verwentelen, of, van d’een plaats tot d’andere dragen, zware arbeid doen: Zo hebben alle ampten en bedieningen haar zwarigheid.
[^prediker-10-9-28]: Kanttekening 28: Zo dat hij in’t klieven zijn hant, of voet, of een ander lidt van zijn lichaam lichtelijk zal quetsen of verseeren. Anders: hij zal daar door warm worden. In deze beteeckenis wordt het Hebreeuwse woord genomen. 1 Kon. 1:2. De betekenis is, Swaarwichtige zaken en worden niet uitgevoert, dan met grote moeite, veel sweets, en swaricheyts.
[^prediker-10-10-29]: Kanttekening 29: Namelijk die met een stompe byle wil hout klieven.
[^prediker-10-10-30]: Kanttekening 30: Dat is, een yseren instrument, hetzij een byle, of diergelijke instrument.
[^prediker-10-10-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, פָנִים: het aangezicht. Dat wil zeggen: het voorste deel dat het hout klieft.
[^prediker-10-10-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws: dan moet hij de krachten versterken.
[^prediker-10-10-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: maar de wijsheid is de beste hulpe om yet te dege richtich te maken. Anders: maar de wijsheid is een treffelike beslichting. Dat wil zeggen: alsmen iets recht en wel verrichten wil, so en ist met gewelt niet te doen, Zoals wanneer men hout klieft, maar met wijsheid en verstant.
[^prediker-10-11-34]: Kanttekening 34: Of, voor de besweering, voordat zij beswooren wordt. Hebreeuws: zonder besweering.
[^prediker-10-11-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: Alsdan en helpt de besweerder zijn besweering niet, maar haar steke is doodelijk. zie Ps. 58. vers 5. en 140. op vers 4. Hebreeuws: so en isser niet overichs voor de meester van de tonge. Dat wil zeggen: voor die die zijn tonge tot besweering gebruikt. Zie dergelijke manier van spreken Gen. 14:13. en Ps. 140:12.
[^prediker-10-11-36]: Kanttekening 36: Verstaat hier bij, Zo en helpt het een ondersaat niet, dat hij dan eerst zijn Prince met smeeckende woorden zoekt te vermorwen, na dat de Prince begonnen heeft hem in zijn toorn te straffen. en zo verder in ’t gewoon, dat het te vergeefs is, middelen te gebruiken tegen het kwaad, als het te late is. Anders: Als de slange bijt, niet beswooren zijnde, so en is de klappaart niet beter.
[^prediker-10-12-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: zijn gunste. Dat wil zeggen: zij maken een wijsen man aangenaam, en volgens die so zijnse hem voorderlijk en profytelijk.
[^prediker-10-12-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: zij brengen hem in verdriet.
[^prediker-10-13-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: van de woorden van zijn mont.
[^prediker-10-13-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: schadelijke dolligheid. Namelijk, om dat zijn dolligheid meer en meer toe-neemt.
[^prediker-10-14-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: hij maakt met veel gerels van hetgene dat hij te doene voor heeft, zeggend tot andere, hoe en wat hij al doen wil, alsof hij konde uitvoeren al wat hij wil of voorneemt. Maar hij zal zich bedrogen vinden in zijn ijdele hope. Zie Iac. c. 4. versen 13, 14.
[^prediker-10-14-42]: Kanttekening 42: Ofte, hoe.
[^prediker-10-15-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws: hem. een yegelikken van hen.
[^prediker-10-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: een dwaas mach vergeleken worden met degenen die willende na een Stadt toe gaan, de weg niet en weet, en daarom met vele moeite door kromme wegen daarheen gaat. De betekenis is, Hij en weet niet hoe, of op wat wijze dat hij zal uitvoeren ’tgene dat hij voorgenomen heeft. Andre nemen de woorden deze vers in deze sin: De dwazen, of, vele onverstandige mensen, bekommeren haar met vele zware hoog-wichtige zaken, daar zij haar zelf zeer in quellen, daar zij maar gewone dingen niet en weten nog verstaan, zijnde zo bekent als de strate, of weg na een Stadt toe gaande, die de kinderen en slechte luiden zelf bekent is. ’tschijnt een spreek-woord te zijn, waar door grote onwetenheid wordt te kennen gegeven.
[^prediker-10-16-a_b_]: Verwijzing a\[b\]: Jes. 3:3, 4. Hos. 13:11. Amos 6:4.
[^prediker-10-16-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: u inwoonders van het landt.
[^prediker-10-16-46]: Kanttekening 46: Het zy in jaren, of in verstant.
[^prediker-10-16-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: Raats-heeren, Ampt-mensen, Richters, en diergelijke hoge ampt-dragende persoonen.
[^prediker-10-16-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: ter onbequamer tijt. Namelijk te dier tijt als zij behoorden te rechte te zitten, en raad te houden. Zie Ierem. 21:12.
[^prediker-10-16-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: goed chier maken, en bancquetteren.
[^prediker-10-16-b_c_]: Verwijzing b\[c\]: Jes. 5:11.
[^prediker-10-17-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: die van Edele stamme en afkomste is. Verstaat hier bij, En die in godsvrucht, wijsheid, en alle deucht is opgetrokken. Hebreeuws, בֶּן: Een zoon van de witten. Dat wil zeggen: van de Edelen, die witte kleren plechten te dragen. Zie Neh. 2. op vers 16. Spr. 22:29. worden de onedele genoemd verduisterde.
[^prediker-10-17-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: te dier tijt alsmen gewoone is te eten. Namelijk na dat men zijn nootwendige zaken heeft uitgericht.
[^prediker-10-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: om het lichaam te versterken, niet om dronken te worden.
[^prediker-10-18-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws: twee luiicheden. Dat wil zeggen: dobbele luiigheid, of, luiigheid van beide handen.
[^prediker-10-18-54]: Kanttekening 54: Anders: sinken de balken. Dat wil zeggen: gaat het huis teniet, en alles gaat verloren.
[^prediker-10-18-55]: Kanttekening 55: Of, nederlating.
[^prediker-10-18-56]: Kanttekening 56: Of, Verleckt het huis. Verst. hier bij, hoe veel meer zal het lant te schande komen, in het welke onachtsame, en tot alle ongeregeltheid begevene Princen, regeren.
[^prediker-10-19-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws: zij zijn makende.
[^prediker-10-19-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws: broot. als Dan. 5:1.
[^prediker-10-19-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: tot vrolickheid, om lustich en vrolijk te zijn.
[^prediker-10-19-60]: Kanttekening 60: Of, het leven.
[^prediker-10-19-61]: Kanttekening 61: Of, het gelt doet alles antwoorden. Dat wil zeggen: het maakt dat alle dink daar is: Alle dink staat onder de gehoorzaamheid van het gelt, daarom behoorde zich een ieder te beneerstigen, dat hij door zijn arbeid, en door behoorlike middelen, yet mochte vergaderen, en in voorraat hebben.
[^prediker-10-20-c_d_]: Verwijzing c\[d\]: c
[^prediker-10-20-62]: Kanttekening 62: Of, in u geweten, of, hart. Alsof hij zei, Al gaat het zo toe in de hoven van de Koningen en Princen, en denckt nog en spreekt even-wel niet qualijk van de zelf: Ia zelf niet in ’t binnenste en secreetste uwes huis.
[^prediker-10-20-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: ten zal niet lange verborgen blijven, als zouden ’t de vogels van de hemel uitbrengen. De Koningen en Princen hebben vele ooren, en vele ogen, Zoals zij ook lange handen hebben.
[^prediker-10-20-64]: Kanttekening 64: Namelijk tot de Koning, die het wonderbaarlijk zou wijs worden.
[^prediker-10-20-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, בַעַל: de Heer, of, de besitter van de vleugelen, of, van de vederen. Dat wil zeggen: die vleugelen hebben. Als Spr. c. 1. op vers 17.
[^prediker-10-20-66]: Kanttekening 66: Of, de zaak.
[^prediker-10-20-67]: Kanttekening 67: Namelijk aan de Koning, die u straffen zou, vernemende dat u hem gevloekt hebt.

### Prediker 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/11.json)

*Vermaning tot milddadigheid aan de armen, zonder te letten op hun onwaardigheid, vers 1, enz. altijd de voorzienigheid van God voor ogen houdend, 5. zonder echter de arbeid te verzuimen, 6. het leven is de mensen zoet, toch zijn er meer kwade dagen dan goede, 7. Vermaning aan de jonge mensen, dat zij in hun genoegens altijd aan het oordeel van de HEERE moeten denken, 9.*

**1** [^prediker-11-1-1] Werp uw brood uit[^prediker-11-1-2] op het water, want[^prediker-11-1-3] u zult het vinden[^prediker-11-1-4] na vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v1)

**2** [^prediker-11-2-5] Geef[^prediker-11-2-a] een deel aan[^prediker-11-2-6] zeven, ja, ook aan acht;[^prediker-11-2-7] want u weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v2)

**3** [^prediker-11-3-8] Als de wolken vol geworden zijn,[^prediker-11-3-9] zo storten zij plasregen uit op de aarde; en[^prediker-11-3-10] als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v3)

**4** [^prediker-11-4-11] Wie op de wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v4)

**5** [^prediker-11-5-b] Zoals[^prediker-11-5-12] u niet weet, welke de weg van de wind zij, of[^prediker-11-5-13][^prediker-11-5-c] hoe de beenderen zijn in de buik van[^prediker-11-5-14] een zwangere vrouw, zo[^prediker-11-5-15] weet u het werk van God niet,[^prediker-11-5-16] Die het alles maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v5)

**6** Zaai uw zaad[^prediker-11-6-17] in de morgenstond, en trek uw hand 's avonds niet[^prediker-11-6-18] af; want u weet niet,[^prediker-11-6-19] wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide[^prediker-11-6-20] samen goed zijn zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v6)

**7** [^prediker-11-7-21] Verder,[^prediker-11-7-22] het licht[^prediker-11-7-23] is zoet, en het is de ogen[^prediker-11-7-24] goed de zon te aanschouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v7)

**8** Maar als de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken[^prediker-11-8-25] aan de dagen van de duisternis, want die zullen veel zijn;[^prediker-11-8-26] en al wat gekomen is,[^prediker-11-8-27] is zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v8)

**9** Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich[^prediker-11-9-28] vermaken in de dagen van uw jeugd, en[^prediker-11-9-29] wandel in de wegen van uw hart, en[^prediker-11-9-30] in de aanschouwingen van uw ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen,[^prediker-11-9-31] u zal doen komen voor het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v9)

**10** Zo doe dan[^prediker-11-10-32] de boosheid wijken van uw hart, en doe[^prediker-11-10-33] het kwade weg[^prediker-11-10-34] van uw vlees, want de jeugd, en[^prediker-11-10-35] de jeugd[^prediker-11-10-36] is zinloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/11.html#v10)

[^prediker-11-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: doet wel aan een yegelikken, zo bekende, als onbekende.
[^prediker-11-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, פְּנֵי: op het aangezicht van het water, of, van de wateren. Verstaand bij het water, de arme, die niet en hebben om weer te vergelden, so dat het schijnt verloren te zijn watmen haar geeft. Zo spreken wy ook, het is zo veel als ofmen’t in’t water, of inde zee wierpe.
[^prediker-11-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: God zal’t u weer-geven: ja veel-licht ook wel de mens zelf, die u over lank enige weldaad of hulpe gedaan hebt.
[^prediker-11-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, יָּמִים: na veelheid van dagen. Dat wil zeggen: na dat vele dagen of jaren zullen vervloten zijn.
[^prediker-11-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk uw aalmissen, of, u broot.
[^prediker-11-2-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 9:10.
[^prediker-11-2-6]: Kanttekening 6: Een zeker getal voor een onseker, als Spr. 6. vers 16. Micha 5:5. Christus zegt, geeft een yegelikken die ’t begeert. Luk. 6:30. vergelijk Deut. 15:7, 8.
[^prediker-11-2-7]: Kanttekening 7: Alsof hij zei, de tijt kan komen, dat u van al het uw zult berooft, en tot een bedelaar gemaakt worden: Dan zult u wel wenschen, dat andere u ook milden bijstand deden: Doet dan ook zo bij andre. zie Luc. 16:9. Gal. 6:9.
[^prediker-11-3-8]: Kanttekening 8: Hij wil zeggen, dat de rijke aan de arme haar miltdadigheid rijckelijk behoorden te betoonen, Zoals de regen het dorre lant rijckelijk bevochticht, zonder onderscheid van plaatsen of ackeren: God doet zijn regen vallen zo wel over de quade, als over de goede.
[^prediker-11-3-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: so ledigense.
[^prediker-11-3-10]: Kanttekening 10: De betekenis is, Zoals een boom die eens valt, of gevelt wordt, niet weer op en staat, nog geen vruchten meer en draecht: Zo ook, wanneer wy eens gestorven zijn, hetzij in wat staat het mach zijn na de ziel, so en staan wy niet weer op, om weer in dit tijdelijke leven te komen, so dat wy na onze dood de armen niet meer yet geven of mee-deylen en kunnen. en behooren daarom goed te doen in dit leven. Zie Gal. 6:10.
[^prediker-11-4-11]: Kanttekening 11: Salomo wil zeggen, die al te curieuselijk op wint en weer past, en van tijt tot tijt nog al beter weer verwacht, niet willende zaaien tot dat hij weer heeft ’t welk geheel na zijn wensch en wille is, die zal niet lichtelijk aan het zaaien komen, maar hij zal de bequaemsten zaey-tijt versuimen: Zo ook die in de maey-tijt al te zeer op wint en weer lett. Enige duiden deze woorden op het uit-deylen van de aalmissen, zo: Zo ook, als iemand al te scrupuleuselijk zou willen denken op alle veranderingen van tijden, denckende, dat hij zelf konde arm worden, etc. Ofte op de onwaardigheid of ondanckbaarheid van de armen, etc. die zal nimmermeer aalmissen geven, en hij zal zo doende, nimmermeer doen dat hij te doene schuldig is.
[^prediker-11-5-b]: Verwijzing b: Ioh. 3:8.
[^prediker-11-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk van waar hij komt, waar hij heen vliecht, hoe lange en hoe sterk, dat hij uit een geweste waeyen zal. Ioh. 3:8.
[^prediker-11-5-13]: Kanttekening 13: Door de beenderen moetmen hier verstaan de geheele mas of vrucht, of ’t kint in smoeders lichaam.
[^prediker-11-5-c]: Verwijzing c: Ps. 139. versen 15, 16.
[^prediker-11-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws: eener volle \[vrouwe.\]
[^prediker-11-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: U en weet nog en kont de regering Godes niet weten, nochte verstaan wat hij in zijn alwysen raad besloten heb: hoe lange u uw goederen zult hebben en behouden. laatt daarom uw onnutte zorg varen, en doet de armen goed, zo lange als u God het leven en de macht geeft.
[^prediker-11-5-16]: Kanttekening 16: Ofte, dat hij aan, of, met allen doet.
[^prediker-11-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: vroech.
[^prediker-11-6-18]: Kanttekening 18: Namelijk van zaaien, of, van het zaat in d’aarde te werpen.
[^prediker-11-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: of dat wel opwassen zal, dat u ’s avonts gezaeit hebt, of, of dat beter opwassen zal, dat u ’s morgens gezaeit hebt.
[^prediker-11-6-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: als een. Dat wil zeggen: even goed.
[^prediker-11-7-21]: Kanttekening 21: Of, trouwens, of, zeker. Alsof hij zei, ’Tis wel waar, etc.
[^prediker-11-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: dit tijdelijke leven, dat men het licht van de zon mag aanschouwen.
[^prediker-11-7-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: ’T is de mens aangenaam.
[^prediker-11-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: lieflijk.
[^prediker-11-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: aan de dood. want de doode legtmen in ’t graf, daar het duister is.
[^prediker-11-8-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: al wat hem bejegent is.
[^prediker-11-8-27]: Kanttekening 27: Hij zal moeten bekennen, dat er in dit leven niets bestendich en is, daar in men zich volkomelijk mag verblijden.
[^prediker-11-9-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, יטִֽיבְ: goed doen.
[^prediker-11-9-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: doet wat u hart lust, en wat uw ogen behaecht. uit deze woorden blijckt voldoende, dat Salomo hier niet in eernst en spreekt, maar ironicè, of schimps-wyse, tegen degenen die zulks als hier staat, met eernst spreken en gevoelen, namelijk, dat men de jonge jaren met wellustigheid moet of mach door-brengen. Num. 15:39. verbiedt God te wandelen in de wegen van het hart.
[^prediker-11-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: in al wat uw ogen behagelijk en aangenaam is, volcht dat vry, neemt u genoechte in dit leven.
[^prediker-11-9-31]: Kanttekening 31: Alsof hij zei, U zult daar wel ongeern aankomen, maar God zal u wel doen komen, om rekenschap te geven van al dat u gesproken en gedaan hebt. zie hieronder, 12:14.
[^prediker-11-10-32]: Kanttekening 32: Onder de toornigheid begrijpt hij alle quade bewegingen van het hart, die het zelf ontroeren, als zij vermaant worden de wellusten te verlaten, en de vrees van God aan te nemen. Andre verstaan door de toornigheid de zonde, die de toorn van God verweckt over de mensen. Anders: verdriet, moeyelickheid, treurigheid.
[^prediker-11-10-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: allerlei quade begeerlickheid, en quade lusten, of zonden.
[^prediker-11-10-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: van u lichaam. Zie Rom. 6:13. en 1 Kor. 6:15.
[^prediker-11-10-35]: Kanttekening 35: Het woord het welk in de Hebreeuwse text staat, betekend eigenlijk de dageraat. De jonckheid, of kintsche jaren, zijn als de morgen-stont van ’smenschen leven: De morgen-stont is haast voor-bij, de dach passeert snel, en dan komt stracx de nacht, in welke niemand werken en kan.
[^prediker-11-10-36]: Kanttekening 36: Dewyle zij vergankelijk, haast passerende, en vol dwaasheid is.

### Prediker 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/prediker/12.json)

*De wijze man leert de jonge mensen dat zij zich tot godzaligheid moeten richten en wennen, voordat de ouderdom aankomt, vers 1. die hij met velerlei gelijkenissen beschrijft, 2, enz. hierop volgt het besluit van dit boek, dat alles ijdelheid is, 8. en hij zegt dat de samenvatting van alle leer deze is: God te vrezen en zijn geboden te houden, 13.*

**1** En[^prediker-12-1-1] gedenk aan[^prediker-12-1-2] uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat[^prediker-12-1-3] de kwade dagen komen, en de jaren naderen, waarvan u zeggen zult: Ik heb geen lust daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v1)

**2** [^prediker-12-2-4] Voordat de zon, en het licht, en de maan, en de sterren[^prediker-12-2-5] verduisterd worden, en[^prediker-12-2-6] de wolken terugkomen na de regen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v2)

**3** In de dag, wanneer[^prediker-12-3-7] de wachters van het huis zullen beven, en[^prediker-12-3-8] de sterke mannen zichzelf zullen krommen, en[^prediker-12-3-9] de maalsters[^prediker-12-3-10] zullen stilstaan, omdat zij[^prediker-12-3-11] minder geworden zijn, en[^prediker-12-3-12] die door de vensters zien, verduisterd zullen worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v3)

**4** En[^prediker-12-4-13] de twee deuren[^prediker-12-4-14] naar de straat[^prediker-12-4-15] zullen gesloten worden,[^prediker-12-4-16] als er is een nederig geluid[^prediker-12-4-17] van de maling, en[^prediker-12-4-18] hij[^prediker-12-4-19] opstaat[^prediker-12-4-20] op de stem van het vogeltje, en al[^prediker-12-4-21] de zangeressen[^prediker-12-4-22] neergebogen zullen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v4)

**5** Ook[^prediker-12-5-23] wanneer zij[^prediker-12-5-24] voor de hoogte zullen vrezen, en dat[^prediker-12-5-25] er verschrikkingen zullen zijn op de weg,[^prediker-12-5-26] en de amandelboom zal[^prediker-12-5-27] bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelf een last zal wezen, en dat[^prediker-12-5-28] de lust zal vergaan;[^prediker-12-5-29] want de mens gaat[^prediker-12-5-30] naar zijn eeuwig huis, en[^prediker-12-5-31] de rouwklagers zullen in de straat omgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v5)

**6** [^prediker-12-6-32] Voordat het zilveren koord ontketend wordt, en[^prediker-12-6-33] de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en[^prediker-12-6-34] de kruik aan de springader gebroken wordt, en[^prediker-12-6-35] het rad aan de waterput in stukken gestoten wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v6)

**7** [^prediker-12-7-a] En dat[^prediker-12-7-36] het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en[^prediker-12-7-37] de geest weer[^prediker-12-7-38] tot God keert,[^prediker-12-7-39][^prediker-12-7-b] Die hem gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v7)

**8** [^prediker-12-8-40][^prediker-12-8-c] Zinloosheid van de zinloosheden, zegt de prediker; het is al zinloosheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v8)

**9** En verder, omdat de prediker wijs geweest is,[^prediker-12-9-41] zo leerde hij het volk nog[^prediker-12-9-42] wetenschap, en[^prediker-12-9-43] merkte op, en[^prediker-12-9-44] onderzocht;[^prediker-12-9-45] hij stelde vele[^prediker-12-9-d] spreuken in orde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v9)

**10** De prediker zocht aangename[^prediker-12-10-46] woorden uit te vinden, en het geschrevene is[^prediker-12-10-47] recht, woorden van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v10)

**11** [^prediker-12-11-48] De woorden van de wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep[^prediker-12-11-49] ingeslagen door de meesters van[^prediker-12-11-50] de verzamelingen;[^prediker-12-11-51] zij zijn gegeven[^prediker-12-11-52] door de enige Herder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v11)

**12** En wat daarboven[^prediker-12-12-53] is, mijn zoon! wees gewaarschuwd;[^prediker-12-12-54] aan het maken van veel boeken is geen einde, en[^prediker-12-12-55] veel lezen[^prediker-12-12-56] is vermoeiing[^prediker-12-12-57] van het vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v12)

**13** Van[^prediker-12-13-58] alles, wat gehoord is, is[^prediker-12-13-59] het einde van de zaak:[^prediker-12-13-e] Vrees[^prediker-12-13-60] God, en houd Zijn geboden, want[^prediker-12-13-61] dit past allen mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v13)

**14** [^prediker-12-14-f] Want God zal[^prediker-12-14-62] ieder werk[^prediker-12-14-63] in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/prediker/12.html#v14)

[^prediker-12-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: schickt u tot de vrees van de Heer, en tot het onderhouden van zijn Geboden.
[^prediker-12-1-2]: Kanttekening 2: Het Hebreeuwse woord staat in’t getal van velen. Vergelijk de aantekening Gen. 1. op vers 26.
[^prediker-12-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de dagen van de ouderdom, die veel ongemacks mee brengen, want de ouderdom is als een geduerige ziekte.
[^prediker-12-2-4]: Kanttekening 4: Dit versje, en enige van de naast-volgende, begrijpen een beschrijving van de ouderdom, na de wyse van de Poëten, En ’t is een geduerige Allegorie tot het zevende vers toe.
[^prediker-12-2-5]: Kanttekening 5: Niet inder daat, maar de ouden half blinden dunckt het zo te zijn.
[^prediker-12-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: d’een elende na d’andere, Zoals het een onweer na het andre komt.
[^prediker-12-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: de armen met de handen, die ’t lichaam (daar in de ziel, als in een huis woont) bewaren, dienende om het kwaad af te weeren, en het goede aan te nemen.
[^prediker-12-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: de beenen of schenckelen, die ’tlichaam dragen, als twee sterke mannen.
[^prediker-12-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de tanden, die de spijse als vermalen, de zelf kaeuwende, en in stukken bijtende.
[^prediker-12-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk van malen, dat wil zeggen: van kaeuwen. de betekenis is, Als de tanden zo gaeu niet zijn en zullen, om de spijse te kaeuwen.
[^prediker-12-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk minder in getale.
[^prediker-12-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: de ogen, die van tussen de ooge-leden zien.
[^prediker-12-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de twee lippen door de welke de spijse passeert, als tussen twee deuren. Vergelijk Job 41:5. Andre verstaan hier door de deuren, de gurgel, of strote daar de spijse en drank door passeren.
[^prediker-12-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: diemen uitterlijk aan het lichaam zie. daar zijn ook deuren inwendich, diemen niet en zie, als het decksel van de kele, en het decksel van het blaasken van de galle.
[^prediker-12-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk in plaats van die te openen, als zij harde spijse zouden in-nemen. Enige verstaan dit zo, Als de deuren, dat wil zeggen: de lippen, zullen gesloten worden, om dat de oude persoonen belemmert spreken, niet so wel kunnende haar woorden formeren nog voortbrengen als de jonge mensen.
[^prediker-12-4-16]: Kanttekening 16: Ofte, van wegen. Dat wil zeggen: de wijle de tanden swaarlijk knaeuwen, zo datmender niet tussen of onder en hoort kraken nog breken, gelijckmen wel hoort als de jonge mensen, harden kost kaeuwen en in stukken byten, hebbende goed gebit, het welk de oude persoonen zelden, of niet hebben.
[^prediker-12-4-17]: Kanttekening 17: Namelijk als de tanden de spyse vermalen.
[^prediker-12-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk de oude man.
[^prediker-12-4-19]: Kanttekening 19: Namelijk van zijn bedde.
[^prediker-12-4-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: ’s morgens vroech, als de vogelkens beginnen te zingen, want hij niet slapen en kan.
[^prediker-12-4-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: de dochters van het liedt. Dat is, de sangeressen, Verstaat hier bij ook de sangers, of musicanten. Anders: Alle dochters van het gesanck. Dat wil zeggen: alle de deelen of leden van het lichaam die de stemme formeren.
[^prediker-12-4-22]: Kanttekening 22: Of, bukken zullen. Dat wil zeggen: vergaan, afnemen, haar kracht verliesen: Of, klein geachtt, en van geener weerde zijn en zullen, dewyle de oude man daar geen werk van en maakt, als geen genoechte meer in de musijke nemende. Zie hier van een exempel in Barsillai. 2 Sam. 19:35.
[^prediker-12-5-23]: Kanttekening 23: Namelijk de oude persoonen.
[^prediker-12-5-24]: Kanttekening 24: Of, voor de hoge plaatsen. Dat wil zeggen: voor hoog-verhevene, of on-effene plaatsen, die de oude persoonen niet geern en betreden, van wegen de swackheid van haar beenen, vreesende haar daar aan te stooten, of daar van te zullen vallen: Ofte, om dat het haar suer valt de hoge trappen, of heuvelen op te klimmen.
[^prediker-12-5-25]: Kanttekening 25: Ofte, verslagentheden. Namelijk grote, of, vele. Vreesende, dat zij ergens haar voeten, of teen aan stooten mochten.
[^prediker-12-5-26]: Kanttekening 26: Als de gryse, of graeuwe hayren daar zijn.
[^prediker-12-5-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: de oude man, die zo mager, krom, en dorre geworden is, als een sprink-haan. Andere, en hem een sprink-hane, Dat is, een licht dink, als een sprink-hane, lastich valt.
[^prediker-12-5-28]: Kanttekening 28: Namelijk van de lichamelicke genoechten en wellusten, ook de lust tot eten, drinken, etc.
[^prediker-12-5-29]: Kanttekening 29: Alsof hij zei, Als de mens alle die ongemakken gevoelt, so mach hij wel denken, dat hij na bij de dood is, ja alreets de één voet in’t graf heeft.
[^prediker-12-5-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: na het graf, want daar zal de mens lange blijven.
[^prediker-12-5-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die luiden, die de verstorvene ten grave bestellen, beschreyen, en beklagen, daar toe men luiden pleecht te hueren. Zie d’aantekening Ierem. 9. op vers 17.
[^prediker-12-6-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: voordat het merch of pit in de rugge-strang los worde. Dit merch is wit als zilver, en ’t gaat van de hersenen af langst de rugge-strang, als een zeel of touwe. Andre verstaan hier door de zilveren koorde, de puls-aderen. Anders: weg-gedaan. Anders: geketent, of, gebonden. Dat is, verdroocht, verstijft.
[^prediker-12-6-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: dat dunne huifken, velleken, daar de hersenen in liggen, of ’t welk goutverwich is. Andre verstaan hier door de guldene schale, het beckeneel daar de hersenen in besloten liggen. Het welke mee door de dood vergaat, en als gebroken wordt.
[^prediker-12-6-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: de voornaemste bloet-ader aan de lever.
[^prediker-12-6-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de longe, die door haar geduerige beweging de adem dan van zich stoott, en dan weer tot haar treckt, Zoals het rat aan een water-put nu de emmer tot zich optreckt, dan van zich in de put neder laatt.
[^prediker-12-7-a]: Verwijzing a: Gen. 3:19.
[^prediker-12-7-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: het lichaam, ’t welk in de beginne van aarde genomen en gemaakt is. Gen. 3:19. Zie Job 7. vers 5.
[^prediker-12-7-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: de ziel. Zie Num. 16:22. en 27:16.
[^prediker-12-7-38]: Kanttekening 38: Namelijk in de hemel, versta dat Salomo hier het volk van God alleen aan spreekt. Sommige verstaan het van de zielen, zo wel van de ongeloovigen als van de gelovigen, die beide van God als richter, terstont als de mens sterft, gewesen worden elk aan haar plaats, de gelovigen ten hemel, de ongeloovigen ter hellen. Vergelijk Luk. 16:22.
[^prediker-12-7-39]: Kanttekening 39: Zie Gen. 2:7.
[^prediker-12-7-b]: Verwijzing b: Gen. c. 2. op vers 7. Num. 16:22.
[^prediker-12-8-40]: Kanttekening 40: Zie hierboven, 1:2.
[^prediker-12-8-c]: Verwijzing c: Eccles. 1:2. Ps. 62:9. en 144:4.
[^prediker-12-9-41]: Kanttekening 41: Na dat hij bekeerd was so bekeerde en leerde hij ook andre.
[^prediker-12-9-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: goede leeringen.
[^prediker-12-9-43]: Kanttekening 43: Anders: hij heeft gewegen. Namelijk met de schale van de wijsheid.
[^prediker-12-9-44]: Kanttekening 44: Anders: examineerde.
[^prediker-12-9-45]: Kanttekening 45: Salomo heeft vele spreuken gesproken, 1 Kon. 4:32. waar van alleen het Boek Proverbiorum, of van de Spreuken, en dit Boek Cohelet, tot ons gekomen is: En verstaat hier onder de name van Spreuken, deftige, wijze sententien, handelende van het leven en zeden van de mensen, en van de loop van de wereld. Zie de aantekening 1 Kon. 4. op vers 32.
[^prediker-12-9-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 4:32.
[^prediker-12-10-46]: Kanttekening 46: Of, zaken.
[^prediker-12-10-47]: Kanttekening 47: Of, rechtmatich: Dat is, zodanig, op het welke niemand met reden te spreken en had.
[^prediker-12-11-48]: Kanttekening 48: Hij wil zeggen, dat, Zoals de ossen tot het ploegen, met het steken van prickelen of scherpe pinnen worden voort gedreven, dat ook zo de mensen door scherpe en eernstachtige vermaningen moeten aangeporret worden tot vroomheid en Godsvrucht, en tot afkeer van de wereldse ijdelheid.
[^prediker-12-11-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: ingeplant.
[^prediker-12-11-50]: Kanttekening 50: Ofte, van de gemeente, dat wil zeggen: van de leraren van de Gemeente.
[^prediker-12-11-51]: Kanttekening 51: Die, of welke, namelijk woorden van de wijsen, of, die, Namelijk, nagelen.
[^prediker-12-11-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws: van een herder, Namelijk, van God, die zijn volcks Herder en Hoeder is, Ps. 23. en die zijn Profeten en dienaren uitsendende, de zelf met zijn Geest verlicht en bekrachticht. Zie Ioh. 10:11. 1 Petr. 2:25. en 5. vers 4. Anders: van de eerste herder.
[^prediker-12-12-53]: Kanttekening 53: Namelijk de woorden van de wijsen en van de enige Herders. Anders: verder mijn zoon, weest hier uit vermaant, of, gewaarschout. Hebreeuws: eigenl. weest verlicht. Namelijk uit de spreuken, die in dit Boek staan, en insonderheid ook in het Boek mijn spreuken, en andre Boeken meer: U hebt hier genoeg aan, bewaart dit maar wel, en wacht u van aan te nemen ’tgene dat de Philosophen, of wereld-wijze geschreven hebben van ’t opperste goed en gelukzaligheid van de mensen, want deze en zijn van de Geest Godes niet geregeert geweest, daarom zijn zij wijt van de rechte weg afgetreden.
[^prediker-12-12-54]: Kanttekening 54: Namelijk, Zoals de wereld-wijze Philosophen gedaan hebben.
[^prediker-12-12-55]: Kanttekening 55: Of, Te veel lesens. Anders: te veel studeren.
[^prediker-12-12-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: het maakt het hoofd en de hersenen moe.
[^prediker-12-12-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: van de mensen.
[^prediker-12-13-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: Al ’tgene daar toe deze mijn prediking gericht is, aangaande het opperste goed.
[^prediker-12-13-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: het besluit, of somme.
[^prediker-12-13-e]: Verwijzing e: Deut. 6:2. en 10:12. Spr. 3:7.
[^prediker-12-13-60]: Kanttekening 60: Vreest God, door de welke alleen u het hoogste goed en zaligheid kont vercrijgen, Maar niet door eenich aards of vergankelijk dink.
[^prediker-12-13-61]: Kanttekening 61: Anders: want dit is het gehele \[werk\] of, ampt van de mensen. Dat wil zeggen: daar behoorde hij zijn geheel werk van te maken: dit is het principaalste einde van de mensen leven: of, dit is ’t geheele van de mensen. Dat wil zeggen: de volkomen gelukzaligheid: of, hier in bestaat zijn welvaren en zaligheid. Anders: van de geheele mens.
[^prediker-12-14-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 4:5. en 2 Kor. 5:10.
[^prediker-12-14-62]: Kanttekening 62: Of, alle daat, dat wil zeggen: alle daden en werken van de mensen.
[^prediker-12-14-63]: Kanttekening 63: Want ten jongsten dage zal God zelf de verborgen gedachten oordelen, Rom. 2:16. Hebr. 13:4.

## Hooglied

### Hooglied 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/1.json)

*In dit hoofdstuk wordt ons allereerst beschreven het grote verlangen van de Kerk naar Christus' genade, vers 1, enz.; haar uiterlijk verachtelijke gestalte, maar innerlijke schoonheid, 5; alsook haar gevaar onder de valse broeders, 6; en haar verlangen naar Christus, 7. Een vertroosting en onderrichting van Christus aan zijn Gemeente, 8; de grote blijdschap van de Bruid vanwege de liefde van Christus tot haar, 12; het welbehagen van Christus in zijn Gemeente, 15; en de liefde van de Gemeente tot haar Bruidegom, 16.*

**1** [^hooglied-1-1-1] Het Hooglied, dat[^hooglied-1-1-2] van Salomo is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v1)

**2** [^hooglied-1-2-3] Hij[^hooglied-1-2-4] kusse mij[^hooglied-1-2-5] met de kussen[^hooglied-1-2-6] van Zijn mond; want Uw[^hooglied-1-2-7] uitnemende liefde is[^hooglied-1-2-a] beter dan[^hooglied-1-2-8] wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v2)

**3** Uw[^hooglied-1-3-9] oliën zijn goed tot reuk,[^hooglied-1-3-10] Uw naam is[^hooglied-1-3-11] een olie, die uitgestort wordt;[^hooglied-1-3-12] daarom hebben U de maagden lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v3)

**4** [^hooglied-1-4-13] Trek mij, wij zullen U nalopen![^hooglied-1-4-14] De Koning heeft mij gebracht[^hooglied-1-4-15] in Zijn binnenkameren;[^hooglied-1-4-16] wij[^hooglied-1-4-b] zullen ons verheugen en[^hooglied-1-4-17] in U verblijden;[^hooglied-1-4-18] wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden,[^hooglied-1-4-19] meer dan de wijn;[^hooglied-1-4-20] de oprechten hebben U lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v4)

**5** [^hooglied-1-5-21] Ik ben zwart, maar[^hooglied-1-5-22] liefelijk[^hooglied-1-5-23] (u dochters van[^hooglied-1-5-24] Jeruzalem!), zoals de tenten van[^hooglied-1-5-25] Kedar, zoals de gordijnen van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v5)

**6** [^hooglied-1-6-26] Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij[^hooglied-1-6-27] de zon heeft beschenen;[^hooglied-1-6-28] de kinderen van mijn moeder waren tegen mij[^hooglied-1-6-29] ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin[^hooglied-1-6-30] van de[^hooglied-1-6-31] wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v6)

**7** [^hooglied-1-7-32] Zeg[^hooglied-1-7-c] mij aan,[^hooglied-1-7-d] U, Die mijn ziel liefheeft, waar[^hooglied-1-7-33] U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want[^hooglied-1-7-34] waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v7)

**8** [^hooglied-1-8-35] Als u het niet weet,[^hooglied-1-8-e] o u[^hooglied-1-8-36] schoonste onder de vrouwen![^hooglied-1-8-37] zo ga uit op de voetstappen van[^hooglied-1-8-38] de schapen, en weid uw geiten[^hooglied-1-8-39] bij de woningen van de herders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v8)

**9** [^hooglied-1-9-f] Mijn vriendin! Ik vergelijk u[^hooglied-1-9-40] bij de paarden aan de wagens van Farao. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v9)

**10** [^hooglied-1-10-g] Uw wangen zijn liefelijk tussen[^hooglied-1-10-41] de kettinkjes, uw hals[^hooglied-1-10-42] in de parelsnoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v10)

**11** [^hooglied-1-11-43] Wij zullen u gouden kettinkjes maken, met[^hooglied-1-11-44] zilveren stipjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v11)

**12** [^hooglied-1-12-45] Terwijl[^hooglied-1-12-46] de Koning aan Zijn[^hooglied-1-12-47] ronde tafel is,[^hooglied-1-12-48] geeft mijn[^hooglied-1-12-49] nardus zijn reuk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v12)

**13** [^hooglied-1-13-50] Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre,[^hooglied-1-13-51] dat tussen mijn borsten overnacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v13)

**14** Mijn Liefste is mij[^hooglied-1-14-52] een tros van Cyprus, in de wijngaarden van[^hooglied-1-14-53] En-gedi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v14)

**15** Zie,[^hooglied-1-15-54] u bent schoon, Mijn vriendin! Zie,[^hooglied-1-15-55] u bent schoon; uw ogen zijn[^hooglied-1-15-56] duivenogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v15)

**16** [^hooglied-1-16-h] Zie,[^hooglied-1-16-57] u bent schoon, mijn Liefste,[^hooglied-1-16-58] ja, liefelijk;[^hooglied-1-16-59] ook groent onze bedstede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v16)

**17** [^hooglied-1-17-60] De balken van onze huizen zijn cederen, onze[^hooglied-1-17-61] galerijen zijn[^hooglied-1-17-62] cipressen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/1.html#v17)

[^hooglied-1-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, שִׁיר, het Lied van de liederen; dat is, een zeer schoon en bovenmate treffelijk lied. Zie de aantekening Gen. 9:25. Genesis 9:25: En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^hooglied-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 dat van Salomo is: Anders, dat Salomo betreft. Verstaande door Salomo Jezus Christus, wiens voorbeeld Salomo geweest is in koninklijke hoogheid en glorie, alsook in wijsheid en in het onderwijzen van het volk.
[^hooglied-1-2-3]: Kanttekening 3: Te weten mijn Bruidegom Jezus Christus; het zijn de woorden van de Bruid, dat is van de gemeente van Jezus Christus.
[^hooglied-1-2-4]: Kanttekening 4: 4 kusse mij: Dat is, Hij bewijze mij zijn liefde. Anders: och dat mijn Bruidegom mij kuste! Elkaar te kussen is ten alle tijde gehouden voor een teken van liefde, vriendschap en beleefdheid; tot een teken waarvan de mannen ook elkaar plachten te kussen, Ex. 4:27, en Ex. 18:7; Rom. 16:16, en 1 Thess. 5:26. Christus kust zijn Bruid, dat is zijn gemeente of uitverkorenen, als Hij haar die grote liefde bewijst en laat gevoelen, die Hij haar is toedragende. Wij kussen Christus als wij met een oprecht geloof, hartelijke liefde en kinderlijke vreze en eerbieding Hem erkennen te zijn onze Heer en Zaligmaker, en wij ons aan Hem ten enenmale onderwerpen en Hem gehoorzamen. Ps. 2:12. Exodus 4:27: YHWH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem. Exodus 18:7: Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 1 Thessalonicensen 5:26: Groet al de broers met een heilige kus. Psalmen 2:12: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^hooglied-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 met de kussen: In het getal van velen, waarmee uitgedrukt wordt de rijkdom van de menigvuldige genaden en weldaden, die Christus zijn uitverkorenen is bewijzende; Ef. 1:7, 1:8, 1:9, enz. Efeziërs 1:7: In Welke wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, Efeziërs 1:8: Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; Efeziërs 1:9: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven.
[^hooglied-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 van Zijn mond: Onze Heer Jezus Christus openbaart de gelovigen de liefde, die Hij hun toedraagt, door zijn woord. Daarom staat er Ps. 45:3, dat zijn lippen zeer lieflijk \[of genaderijk\] zijn. Zie Hoogl. 5:13, 5:16; en Jes. 50:4. Petrus spreekt ook: Heer U hebt de woorden van het eeuwige leven. Psalmen 45:3: U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Hooglied 5:13: Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. Hooglied 5:16: Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem! Jesaja 50:4: De Heer YHWH heeft Mij een tong van de geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden.
[^hooglied-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 uitnemende liefde: Dat is, vriendelijkheid, minnelijkheid. Hebreeuws, דֹּדֶי, liefden. Hier spreekt nu de Bruid, dat is de gemeente van God, Christus haar Bruidegom aan. Versta hier door het woord liefden de uitnemende liefde en genegenheid, en ook de weldaden en genaden, die Christus zijn uitverkorenen bewijst.
[^hooglied-1-2-a]: Verwijzing a: Hoogl. 4:10. Hooglied 4:10: Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zus, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uw oliën dan alle specerijen!
[^hooglied-1-2-8]: Kanttekening 8: Door het woord wijn moet men hier verstaan alle aardse verheugingen en geneugten. Vergelijk Richt. 9:13; Ps. 104:15. Richteren 9:13: Maar de wijnstok zei tot hen: Zou ik mijn most verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? Psalmen 104:15: En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
[^hooglied-1-3-9]: Kanttekening 9: Versta, welriekende oliën, kostelijke zalven, of balsemen. Hierbij worden de geestelijke gaven dikwijls vergeleken, gelijk Ps. 45:8; Jes. 61:1, en 1 Joh. 2:27. Psalmen 45:8: U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Jesaja 61:1: De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^hooglied-1-3-10]: Kanttekening 10: 10 Uw naam: Versta, de naam, persoon en het zaligmakende ambt van Christus, zo ons die in het Evangelie zijn geopenbaard.
[^hooglied-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 een olie: Salomo schijnt hier gezien te hebben op de naam Messias; dat is Christus, Gezalfde, die met de Heilige Geest gezalfd is, niet alleen voor zichzelven, maar die heilige balsem is gevloeid van Hem, die ons Hoofd is, op ons zijn ledematen. Zie Ps. 133:2, en Joh. 1:16. Deze naam is na de hemelvaart van Christus wijd uitgebreid, want van Christus hebben alle Christenen hun naam. Psalmen 133:2: Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren. Johannes 1:16: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
[^hooglied-1-3-12]: Kanttekening 12: Dat is, \[gelijk er staat vers 4\] de oprechten hebben u lief. Meermalen worden in de Heilige Schrift de uitverkorenen vergeleken bij maagden, gelijk Matt. 25:1; 2 Kor. 11:2; Openb. 14:1, 14:4, 14:5; en dat daarom, omdat de kinderen van God zo nauw moeten letten op hun consciëntie, dat zij van de zonde en de wereld niet besmet worden, als een eerlijke maagd op haar eer en kuisheid moet passen. Hooglied 1:4: Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief. Mattheüs 25:1: Alsdan zal het Koninkrijk van de hemel gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet. 2 Korinthiërs 11:2: Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Openbaring 14:1: En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden. Openbaring 14:4: Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen voor God en het Lam. Openbaring 14:5: En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor de troon van God.
[^hooglied-1-4-13]: Kanttekening 13: 13 Trek mij: Dat is, neig mijn hart en gemoed, dat het U aanhange met geloof en liefde, want dit trekken geschiedt niet met uiterlijke kracht en geweld, maar door het woord van de predikatie uiterlijk en inwendiglijk door de krachtige werking van de Geest van Christus, waardoor het verstand van de kinderen van God zo verlicht en onze wil zo gebeterd wordt, dat wij gewillig en met vreugde onze Heer en Bruidegom Jezus Christus navolgen, ja nalopen. Zie Jes. 40:31; Jer. 31:3; Joh. 6:44, 6:45, en Joh. 12:32; Filipp. 2:13; Hebr. 12:1, 12:2. Jesaja 40:31: Maar die YHWH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden. Jeremia 31:3: YHWH is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Johannes 12:32: En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. Filippensen 2:13: Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12:2: Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.
[^hooglied-1-4-14]: Kanttekening 14: 14 De Koning: Versta hier door de koning Christus, de Koning van de gerechtigheid en van de vrede, Hebr. 7:2, van wie Melchizedek en Salomo voorbeelden geweest zijn. Hebreeën 7:2: Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede;
[^hooglied-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 in Zijn binnenkameren: Door deze binnenkameren worden verstaan de verborgenheden van het rijk van Christus, die in het Oude Testament bedekt waren onder de schaduwen van de ceremoniën van de wet; maar nu in het Nieuwe Testament zien wij de klaarheid van de Heer als in een spiegel, 2 Kor. 3:18. Zie ook Rom. 16:25; 1 Kor. 2:9, 2:10, 2:16, en 2 Kor. 1:20; Hebr. 8:10, 8:11. Of versta door de binnenkameren het koninkrijk van de hemel, in dat vele woningen zijn, Joh. 14:2, die wij alreeds door het geloof bezitten; Ef. 2:6. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; 1 Korinthiërs 2:9: Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben. 1 Korinthiërs 2:10: Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 1 Korinthiërs 2:16: Want wie heeft de zin van de Heer gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus. 2 Korinthiërs 1:20: Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons. Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:11: En zij zullen niet leren, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broer, zeggende: Ken de Heer; want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Efeziërs 2:6: En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus;
[^hooglied-1-4-16]: Kanttekening 16: Te weten, ik en mijn maagden, of speelgenooten, dat is, alle gelovigen. Zij wil zeggen, hoe meer wij toenemen in uw kennis, en de smaak van uw genade, hoe meer wij in de geestelijke vreugde gesterkt zullen worden.
[^hooglied-1-4-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 1:8. 1 Petrus 1:8: Denwelken u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;
[^hooglied-1-4-17]: Kanttekening 17: 17 in U: O Koning en in U; dat is van uwentwege.
[^hooglied-1-4-18]: Kanttekening 18: 18 wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden: Dat is, wij zullen de genade van Christus roemen en verkondigen, die ons uit de duisternis tot zijn wonderlijk licht geroepen heeft; 1 Petr. 2:9. Zie ook Ps. 45:18, en Ps. 71:16; Jes. 12:3, 12:4, en Jes. 63:7. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Psalmen 45:18: Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwig en altijd. Psalmen 71:16: Ik zal heengaan in de mogendheden van de Heer YHWH; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen. Jesaja 12:3: En u zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen van het heil; Jesaja 12:4: En zult op dezelfde dag zeggen: Dankt YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is. Jesaja 63:7: Ik zal de goedertierenheden van YHWH vermelden, de veelvoudige lof van YHWH, naar alles, wat YHWH ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden.
[^hooglied-1-4-19]: Kanttekening 19: Zij wil zeggen: Heer, wij zullen uw genade met meerdere vreugde roemen en prijzen, dan de wereldse mensen zich verheugen in aardse dingen. Want de vrede van God gaat alle verstand teboven. Zie Ps. 4:8. Psalmen 4:8: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
[^hooglied-1-4-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, de rechtheden, of richtigheden; dat is, degenen die met oprechtheid begaafd zijn, die vers 3 maagden genoemd worden, die namelijk in wie geen bedrog woont; Ps. 32:2; Joh. 1:48. Hooglied 1:3: Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Psalmen 32:2: Welgelukzalig is de mens, die YHWH de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Johannes 1:48: Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welke geen bedrog is.
[^hooglied-1-5-21]: Kanttekening 21: 21 Ik ben zwart: Versta hier bij de zwartheid de uiterlijke mismaaktheid van de staat van de kerk, die veroorzaakt wordt door de tirannen en vervolgingen; idem, vanwege de ketterijen, scheuringen en ergernissen, die haar overkomen. Zie Ps. 119:83; Klaagl. 4:8, en Klaagl. 5:10. Psalmen 119:83: Want ik ben geworden als een leren zak in de rook; maar Uw inzettingen heb ik niet vergeten. Klaagliederen 4:8: Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout. Klaagliederen 5:10: Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege de geweldige storm van de honger.
[^hooglied-1-5-22]: Kanttekening 22: De gemeente van Christus is lieflijk, omdat zij gezuiverd is door het bloed en de geest van Christus, 1 Kor. 6:11; zo dat zij te dien aanzien blinkt en schoon is als de duiven, Ps. 68:14. Zie ook Ps. 45:14, 45:15, enz. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; Psalmen 68:14: Al laagt u tussen twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, en van wie vederen zijn met uitgegraven geluwen goud. Psalmen 45:14: De Dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. Psalmen 45:15: In gestikte kleren zal zij tot de Koning geleid worden; de jonge dochters, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
[^hooglied-1-5-23]: Kanttekening 23: 23 u dochters: Dat is, u gelovige kinderen van God. Jeruzalem, die daarboven is, is de moeder van ons allen, Gal. 4:26. Zo worden ook de gewone kerken en Christenen hier dochters van Jeruzalem genoemd en maagden, 2 Kor. 11:2; Openb. 14:4. En Ps. 45:13, 45:14, wordt de kerk genoemd de dochter van de Koning. Dusdanigen worden hier getroost en gesterkt tegen de ergernissen van het kruis en de zwakheden, die het kruis in deze wereld vergezelschappen. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is de moeder van ons allen. 2 Korinthiërs 11:2: Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Openbaring 14:4: Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen voor God en het Lam. Psalmen 45:13: En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Psalmen 45:14: De Dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
[^hooglied-1-5-24]: Kanttekening 24: 24 gelijk de tenten: Versta hier bij de tenten Kedars de nakomelingen van Kedar, de tweede zoon van Ismaël, Gen. 25:13, die in tenten woonden, geen vaste woonplaats hebbende, maar zij zwermden om door Arabië van de ene plaats tot de andere. Zie de aantekening Ps. 120:5, 120:6. De kinderen van God zijn ook naar de wereld en de uiterlijke schijn niet schoon of sierlijk, zij hebben hier ook geen blijvende plaats, maar zij verwachten het hemelse Jeruzalem. Genesis 25:13: En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Psalmen 120:5: O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Psalmen 120:6: Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten.
[^hooglied-1-5-25]: Kanttekening 25: 25 gelijk de gordijnen: Alsof zij zei: Ik ben wel als de tenten Kedars, maar ook zo schoon als de gordijnen van Salomo; \[van van wie schoonheid, zie Josefus in Antiq,lib. 8,cap. 2\]; want de kinderen van God zijn inwendig versierd met de gaven van de Heilige Geest, gelijk zijn godzaligheid, liefde van God en van de naaste. Anders: gelijk de paviljoenen van Salomo, die van buiten \[vanwege de regen, wind en de brand van de zon\] niet zeer schoon waren, maar van binnen waren zij treffelijk en schoon.
[^hooglied-1-6-26]: Kanttekening 26: 26 Ziet mij: De zin is: Ziet niet op mijn uiterlijke slechtigheid of mismaaktheid, en veracht mij daarom niet, maar ziet mijn inwendige schoonheid aan.
[^hooglied-1-6-27]: Kanttekening 27: 27 de zon: Hebreeuws, de zon heeft mij aangezien. Versta hier bij de zon \[die degenen, die zij beschijnt, zwart maakt\] de vervolgingen en verdrukkingen, gelijk Matt. 13:6, 13:21. Mattheüs 13:6: Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord. Mattheüs 13:21: Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd.
[^hooglied-1-6-28]: Kanttekening 28: 28 de kinderen: Hier wordt gesproken van valse broers, gelijk Ps. 69:9; Jes. 48:1, 48:2; Hand. 20:30, die wel roemen dat de kerk hun moeder is, maar tevergeefs, omdat zij God niet tot Vader hebben. Zie Deut. 32:5; Joh. 8:44. Psalmen 69:9: Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. Jesaja 48:1: Hoort dit, u huis van Jakob, die genoemd wordt met de naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij de Naam van YHWH, en vermeldt de God van Israël, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid. Jesaja 48:2: Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op de God van Israël; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. Handelingen 20:30: En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Deuteronomium 32:5: Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht. Johannes 8:44: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader daarvan leugen.
[^hooglied-1-6-29]: Kanttekening 29: Te weten met toorn, dat is, zij hebben mij verdriet en kwelling aangedaan. De vijandschap en vervolging van de valse broers wordt 2 Kor. 11:26 gesteld onder de zwaarste gevaren en kruisen, die de Christenen overkomen. Zie Gal. 2:4. 2 Korinthiërs 11:26: In het reizen dikwijls in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broers; Galaten 2:4: En dat vanwege de ingekropen valse broers, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.
[^hooglied-1-6-30]: Kanttekening 30: 30 van de wijngaarden: Bij wijngaarden worden in de Heilige Schrift dikwijls verstaan verzamelingen van de mensen, zo van de goeden als van de kwaden. Van de eerste, zie een voorbeeld Ps. 80; Jes. 5:1, 5:7; Matt. 20. Van de verzamelingen van de kwaden, zie Deut. 32:32; Openb. 14:18. Hier verstaan sommigen door de wijngaarden de vervalste kerken in het algemeen en de geveinsde ledematen in het bijzonder, tot welke haar moeders zonen of kinderen haar zochten te brengen, willende dat zij acht zou geven op de instellingen en geboden van de mensen. Zie Mark. 7:13; Han. 15:1,10; Gal. 6:12, 6:13; Kol. 2:20, 2:21, 2:22, 2:23. Immers klaagt hier de kerk dat zij van de valse broers dikwijls zover overmeesterd wordt, dat haar regeerders en opzieners de bokken meer verstaan, dan de rechte schapen, de ketters en scheurmakers meer dan de rechtzinnigen. Waaruit dan niets dan groot onheil en verstoring van de kerk ontstaan kan. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jesaja 5:7: Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw. Deuteronomium 32:32: Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien. Openbaring 14:18: En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde, want zijn druiven zijn rijp. Marcus 7:13: Makende zo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die u ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet u. Galaten 6:12: Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleen opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. Galaten 6:13: Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat u besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden. Kolossensen 2:20: Als u dan met Christus de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, gelijk of u in de wereld leefde, met inzettingen belast? Kolossensen 2:21: Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan. Kolossensen 2:22: Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen van de mensen; Kolossensen 2:23: Die wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, maar zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
[^hooglied-1-6-31]: Kanttekening 31: 31 Mijn wijngaard: Dat is, ik heb die niet in acht genomen naar behoren, verhinderd en teruggehouden zijnde òf door mijn eigen zwakheid, òf door tirannie en vervolging. Anderen nemen die woorden aldus, alsof de Bruid \[of leraars van de eerste kerk\] dit wilde zeggen: Ik werd gesteld om opzicht te hebben over andere kerken. Ik heb de eerste kerk, die ik geplant had, verlaten en andere kerken zijn van mij gezaaid geworden door de gehele wereld. De eerste kerk, die te Jeruzalem geplant werd, mocht ik daar niet behouden noch er bij blijven, vanwege de vervolging van de Joden en andere tirannen.
[^hooglied-1-7-32]: Kanttekening 32: 32 Zeg mij aan: Of, geef mij te kennen. Hier spreekt opnieuw de Bruid haar Bruidegom aan, en zij verzoekt van hem de geest van het onderscheid, om door de valse leraars niet bedrogen te worden. Want er zullen valse profeten komen, die zeggen zullen: Hier is Christus, daar is Christus; Mark. 13:21. En somtijds verbergt God zijn aangezicht, Deut. 32:20, en zegt: Ik zal u niet weiden; Zach. 11:9. Marcus 13:21: En alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet. Deuteronomium 32:20: En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is. Zacharia 11:9: En ik zei: ik zal u niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen het vlees van de ander verslinden.
[^hooglied-1-7-c]: Verwijzing c: Deut. 12:5. Deuteronomium 12:5: Maar naar de plaats, die YHWH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen;
[^hooglied-1-7-d]: Verwijzing d: Hoogl. 3:1; idem v. 2; idem v. 3. Hooglied 3:1: Ik zocht van de nacht op mijn leger Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zei: Hooglied 3:2: Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Hooglied 3:3: De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zei: Hebt u Die gezien, Die mijn ziel liefheeft?
[^hooglied-1-7-33]: Kanttekening 33: 33 waar U weidt: Christus is de opperste Herder van de schapen, Ps. 23:1, die beloofd is; Ez. 34:23, 34:24. De profeten, apostelen en alle oprechte leraars zijn zijn gezanten of boden, die Hij uitzendt om in zijn naam zijn schapen te weiden in de weiden van het leven; Joh. 21:15, 21:16, 21:17. Hier vraagt de kerk zeer ernstiglijk, waar zij rust en weide vinden zal op de middag, dat is in het heetste van de vervolging, van de ketterijen en scheuringen, als de schapen door de hitte van het kruis schijnen te versmachten. Vergelijk Jes. 49:10; Joh. 16:33. Psalmen 23:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 34:24: En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16: Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heer, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17: Hij zei tot hem ten derde maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derde maal tot hem zei: Hebt u Mij lief, en zei tot Hem: Heer! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen. Jesaja 49:10: Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden. Johannes 16:33: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
[^hooglied-1-7-34]: Kanttekening 34: Dat is, waarom zoudt U toelaten dat ik zou zijn als een vrouw, die vanwege droefenis bedekt is, omdat ik U niet zou vinden, herwaarts en daarheen gaande in treurigheid? Het bedekken van het aangezicht is een teken òf van droefenis, òf van schaamte. Zo wenst dan hier de Bruid te weten waar de Bruidegom zijn schapen weidt, om zich straks bij hen, of bij hem te vervoegen, opdat zij herwaarts en daarheen gaande, niet zou veracht worden of verdwalen. Anders: als een, die ter zijde afwijkt tot de kudde van uw gezellen? Alsof zij zei: Als ik zulks deed, \[bij gebreke van uw aanwezigheid\], ik zou kunnen bedrogen worden, omdat er velen zijn, die de naam van uw metgezellen, dienaren of vrienden voeren; \[Matt. 24:5, 24:24, en 2 Petr. 2:1, 2:2;\] daar zij inderdaad uw vijanden en afleiders van Christus zijn; 2 Kor. 11:3. Dit is de Galaten wedervaren, Gal. 1:6, 1:7. Allen, die hun verblijf niet hebben in het erfdeel van de Heer, staan in gevaar van tot anderer goden dienst te vervallen. Zie 1 Sam. 26:19. Mattheüs 24:5: Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 2 Petrus 2:2: En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg van de waarheid zal gelasterd worden. 2 Korinthiërs 11:3: Maar ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is. Galaten 1:6: Ik verwonder mij, dat u zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; Galaten 1:7: Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. 1 Samuël 26:19: En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden zijns knechts. Als YHWH u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken; maar als het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht van YHWH, omdat zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel van YHWH, zeggende: Ga heen, dien andere goden.
[^hooglied-1-8-35]: Kanttekening 35: 35 Als u het niet weet: Anders: omdat u dat niet weet; te weten, waar Ik mijn schapen weid. Dat is een antwoord van Jezus Christus op de voorgaande vraag van zijn Bruid, vers 7; bestraffende vriendelijk haar onwetendheid in deze nodige en gewichtige zaak. Anders: als u het u, of voor uzelve niet weet; alsof Hij zei: Omdat u van uzelve onwetend bent, zo zal Ik u onderwijzen. Hooglied 1:7: Zeg mij aan, U, Die mijn ziel liefheeft, waar U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen?
[^hooglied-1-8-e]: Verwijzing e: Hoogl. 5:9; Hoogl. 6:1. Hooglied 5:9: Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o u schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat u ons zo bezworen hebt! Hooglied 6:1: Waar is uw Liefste heengegaan, o u schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?
[^hooglied-1-8-36]: Kanttekening 36: 36 schoonste onder de vrouwen: Hebreeuws, נָּשִׁים, u schone onder de vrouwen; dat is, u, die de schoonste bent. Aldus spreekt de engel tot de heilige jonkvrouw Maria: U bent gezegend onder de vrouwen; dat is, de allergezegendste, of meer gezegend dan andere vrouwen; Luk. 1:28, 1:42. Zo wordt de leeuw gezegd sterk te zijn onder de beesten; dat is, de sterkste; Spr. 30:30. Zie de aantekening daar. De kerk van God wordt de schoonste genoemd omdat zij door Jezus Christus' bloed en Geest gewasschenen en gezuiverd is van al haar zonden, Ef. 5:26, 5:27, en begaafd met allerlei schone geestelijke deugden, alhoewel in zichzelf van nature lelijk en verachtzaam zijnde, Ez. 16:3, 16:4; zie boven, vers 5, en vers 15, 1:16. Lukas 1:28: En de engel tot haar ingekomen zijnde, zei: Wees gegroet, u begenadigde; de Heer is met u; u bent gezegend onder de vrouwen. Lukas 1:42: En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend bent u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks! Spreuken 30:30: De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal terugkeren; Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Ezechiël 16:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land van de Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische. Ezechiël 16:4: En aangaande uw geboorten: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Hooglied 1:5: Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 1:16: Zie, u bent schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.
[^hooglied-1-8-37]: Kanttekening 37: 37 zo ga uit: Alsof hij zei: Let op de voorbeelden van de heilige patriarchen en anderen van mijn uitverkorenen, die in de Heilige Schriftuur met voortreffelijke getuigenissen versierd zijn; Hebr., 11. Volg hun geloof en hun werken na. Volg die na, die van de beginne aan van de wereld mij gekend en gevolgd hebben, aanmerkende de uitkomst van hun wandeling; Hebr. 11:1, 11:2, enz., en Hebr. 12:2, en Hebr. 13:7. Zie ook Jer. 6:16, en 1 Kor. 11:1. Hebreeën 11:1: Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet. Hebreeën 11:2: Want daardoor hebben de ouden getuigenis bekomen. Hebreeën 12:2: Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God. Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.
[^hooglied-1-8-38]: Kanttekening 38: Versta hier door de schapen en de geiten de Christenen die zich tot Gods kerk begeven, Joh. 21:15, 21:16, en 1 Petr. 2:25. Deze wil de Bruidegom dat de Bruid, dat is de kerk, zal aannemen en bezorgen, dat zij met het geestelijke voedsel gevoed worden. Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16: Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heer, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. 1 Petrus 2:25: Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen.
[^hooglied-1-8-39]: Kanttekening 39: 39 bij de woningen: Dat is breng uw kudden in de weide en kooi, die de profeten en apostelen gevolgd en aangewezen hebben, en die zij in hun schriften van de gemeente nagelaten hebben. Zie Ps. 77:21, en Ps. 78:70, 78:71, 78:72, en 2 Petr. 1:19, en 2 Petr. 3:2. Psalmen 77:21: U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron. Psalmen 78:70: En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; Psalmen 78:71: Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. Psalmen 78:72: Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid van zijn handen. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. 2 Petrus 3:2: Opdat u gedachtig bent aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die van de Heer en Zaligmakers apostelen zijn;
[^hooglied-1-9-f]: Verwijzing f: Hoogl. 2:2; idem 2:10; idem 2:13; Hoogl. 4:1; idem 4:7; Hoogl. 5:2; Hoogl. 6:4; Joh. 15:14; idem v. 15. Hooglied 2:2: Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters. Hooglied 2:10: Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! Hooglied 2:13: De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Hooglied 4:7: Geheel bent u schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. Hooglied 5:2: Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zus, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. Hooglied 6:4: U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. Johannes 15:14: U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede. Johannes 15:15: Ik heet u niet meer dienaren; want de dienaar weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
[^hooglied-1-9-40]: Kanttekening 40: 40 bij de paarden aan de wagens van Farao: Er wordt op verscheidene plaatsen van de Heilige Schrift gesproken van de schone paarden en de macht van de wagens van Egypte, Ex. 14:17; 2 Kron. 9:28; Jes. 31:1; Ez. 17:15. Bij deze wordt de kerk van Christus vergeleken, zo ten aanzien van haar schoonheid als vanwege haar kracht en vermogen, die zij van Christus ontvangen heeft om haar vijanden te overwinnen; 2 Kor. 10:4. Onder deze ruiterij blinken bij name de profeten en de apostelen; waarom ook Elia genoemd wordt de wagen Israëls en zijn ruiters, 2 Kon. 2:12, gelijk ook Elisa 2 Kon. 13:14; omdat zij door hun gebeden meer konden uitrichten dan een grote macht van wagens en ruiters. Zie Openb. 19:14, 19:15. Exodus 14:17: En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn legermacht, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. 2 Kronieken 9:28: En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen. Jesaja 31:1: Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet. Ezechiël 17:15: Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Koningen 2:12: En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken. 2 Koningen 13:14: Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, van die hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren! Openbaring 19:14: En de heirlegers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. Openbaring 19:15: En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God.
[^hooglied-1-10-g]: Verwijzing g: Ez. 16:11; idem v. 12; idem v. 13. Ezechiël 16:11: Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals. Ezechiël 16:12: Evenzo deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt.
[^hooglied-1-10-41]: Kanttekening 41: 41 de kettinkjes: Het Hebreeuwse woord, dat hier en vers 11 gevonden wordt, betekent eigenlijk tortelduiven, gelijk Lev. 12, en elders. Maar hier beduidt het enig sieraad van de vrouwen, gelijk zijnde de tortelduiven, die aan de hals versierd zijn met een halsbandje. Dus schoon zijn de wangen of kaken van de Bruid van Christus, omdat Hij die met zijn bloed heeft gewassen en versierd met kostelijke parelen van geestelijke gaven, in het bijzonder met ootmoedigheid en zachtmoedigheid, die kostelijk zijn voor God; 1 Petr. 3:4. Hooglied 1:11: Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes. 1 Petrus 3:4: Maar de verborgen mens van het hart, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.
[^hooglied-1-10-42]: Kanttekening 42: 42 in de parelsnoeren: De Christelijke deugden worden zeer bekwamelijk vergeleken bij parelsnoeren, omdat alle vruchten van de wedergeboorte als met een snoer aan elkaar geregen zijn; Spr. 1:9, en Spr. 20:15. Spreuken 1:9: Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals. Spreuken 20:15: Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
[^hooglied-1-11-43]: Kanttekening 43: 43 Wij zullen: Dit wordt gesproken in de naam van de heilige Drieënigheid, want die de geboden van Christus houden, die worden bemind van de Vader en de Zoon; Joh. 14:21, 14:23. En de Heilige Geest zal ook in eeuwigheid bij hen blijven; Joh. 14:16. Johannes 14:21: Die Mijn geboden heeft, en die bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. Johannes 14:16: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid;
[^hooglied-1-11-44]: Kanttekening 44: 44 zilveren stipjes: Of, doppen, of pukkels, of knoopjes. Versta hierdoor allerlei Christelijke deugden, van welke vele genoemd staan Gal. 5:22, 5:23, en Kol. 3:12. Galaten 5:22: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Galaten 5:23: Tegen de zodanigen is de wet niet. Kolossensen 3:12: Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
[^hooglied-1-12-45]: Kanttekening 45: Of, zolang als, enz. Hier spreekt de Bruid opnieuw tot haar maagden, prijzende haar Bruidegom bij hen.
[^hooglied-1-12-46]: Kanttekening 46: 46 de Koning: Bij de Koning wordt Christus de Koning van alle koningen verstaan, gelijk boven, vers 4. Hooglied 1:4: Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief.
[^hooglied-1-12-47]: Kanttekening 47: 47 ronde tafel is: Zie 1 Sam. 16:11. Bij de tafel wordt verstaan de hemelse heerlijkheid, waar Christus door zijn lijden is ingegaan; zie Matt. 8:11, en Matt. 26:29; Luk. 24:26; Openb. 3:20. Hier wil de Bruid zeggen: Terwijl Christus Jezus is in de hemelse glorie, omringd van degenen, die met Hem rondom in zijn rijk aan zijn tafel zitten; zo geeft mijn nardus, enz. 1 Samuël 16:11: Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongelingen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn. Mattheüs 8:11: Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemel; Mattheüs 26:29: En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Ik met u die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? Openbaring 3:20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
[^hooglied-1-12-48]: Kanttekening 48: Dat is de Heilige Geest, die Hij mij van de Vader zendt, troost mij in alle benauwdheid. Anderen nemen die woorden in deze zin, alsof de Bruid zei: Zo benaarstig ik mij om goede werken te doen, die de koning aangenaam mogen zijn; ik leg de gaven, die ik van hem ontvangen heb, wel aan, ik verberg ze niet, maar laat ze haar reuk geven; dat is, goede en voor God aangename werken voortbrengen, die de koning aangenaam zijn.
[^hooglied-1-12-49]: Kanttekening 49: Nardus is een zeer kostelijk kruid, met welks olie men de prinsen en voortreffelijke personen placht te overstorten, als zij aan tafel zaten. Zie Mark. 14:3, 14:8; Joh. 12:3, 12:7. Hierbij wordt de Heilige Geest vergeleken, vanwege zijn welriekende gaven, welke na Christus' hemelvaart veel overvloediger zijn uitgestort dan daar tevoren; Joh. 7:39. Marcus 14:3: En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd. Marcus 14:8: Zij heeft gedaan, wat zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis. Johannes 12:3: Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haar Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van de reuk van de zalf. Johannes 12:7: Jezus dan zei: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen de dag van Mijn begrafenis. Johannes 7:39: (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^hooglied-1-13-50]: Kanttekening 50: 50 Mijn Liefste: Dat is de gedachtenis van Christus' liefde, die Hij met zijn bitter lijden aan mij is bewijzende, is mij als een lieflijk tuiltje of ruikertje van mirre, om mijn hart te verkwikken. Mirre is een zeer goede en lieflijke specerij, drogerij of gom, welke eertijds gebruikt werd om de kleren van de prinsen te parfumeren en anders. Zie de aantekening Ex. 30:23, en Ps. 45:9. Gemengd zijnde met wijn, maakt zij een zeer lieflijken drank, om het hart te versterken en het bloed te zuiveren, zoals Plinius getuigt. Zij werd ook, naast andere specerijen, gebruikt om de dode lichamen te balsemen, Joh. 19:39; in één woord, het is een edel kruid, dat waard is koningen tot een present te schenken; zie Gen. 37:25, en Gen. 43:11; Matt. 2:11. Daarom is het geen wonder dat de liefde van Christus daarbij vergeleken wordt. Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Psalmen 45:9: Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden. Johannes 19:39: En Nicodemus kwam ook (die 's nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë; omtrent honderd ponden gewichts. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Genesis 43:11: Toen zei Israël, hun vader, tot hen: Is het nu zo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste van dit land in uw vaten, en brengt die man een geschenk heen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen. Mattheüs 2:11: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Het aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
[^hooglied-1-13-51]: Kanttekening 51: Hiermee wordt beduidt dat de kerk van God de nagedachtenis van haar Bruidegom steeds wil behouden, in het bijzonder gedurende de duistere nacht van de vervolgingen en benauwdheden, zichzelf daarmee vertroostende en versterkende; Ef. 3:17. Efeziërs 3:17: Opdat Christus door het geloof in uw harten woont, en u in de liefde geworteld en gegrond bent;
[^hooglied-1-14-52]: Kanttekening 52: 52 een tros van Cyprus: Cyprus is een zekere plant, die een welriekende vrucht of gom, als een bloeienden druiventak, voortbrengt, zoals Hieronymus getuigt. Enige menen dat hierbij een natuurlijken tros druiven verstaan wordt, genoemd met de naam Cyprus. Hebreeuws, עֵין, Cofer, omdat de druiven van Engedi de smaak hadden van Cyprus, welk kruid daaromtrent veel groeide; zie de kruidenboeken. Hoe het zij, er wordt bij verstaan een uitnemende lieflijke vrucht, bij welke de Heer Christus vergeleken wordt, vanwege zijn welriekende verdiensten en heilzame gaven; het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden, 1 Joh. 1:7. Hij is de verzoening voor onze zonden; 1 Joh. 2:2. 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 1 Johannes 2:2: En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
[^hooglied-1-14-53]: Kanttekening 53: Van deze stad zie de aantekening 1 Sam. 24:1. 1 Samuël 24:1: En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi.
[^hooglied-1-15-54]: Kanttekening 54: 54 u bent schoon: De schoonheid, die de kerk van God heeft, komt uit genade, verworven door het bloed van Jezus Christus en zijn gerechtigheid. Zie onder, Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-1-15-55]: Kanttekening 55: 55 u bent schoon: De verdubbeling van de woorden dient om de kerk des te meer tegen de vervolgingen van haar vijanden te versterken.
[^hooglied-1-15-56]: Kanttekening 56: Dat is, eenvoudig en kuis. Zie onder, Hoogl. 4:1. Hiermee wordt te kennen gegeven de geestelijke zuiverheid, eenvoudigheid en kuisheid van de gemeente van Jezus Christus, wier ogen alleen op Hem zien en in Hem alleen de zaligheid en het eeuwige leven zoeken. Zie Ps. 123:1, 123:2; Matt. 10:16. Maar enige verstaan hier bij de ogen de leraars en opzieners van de kerk en wegwijzers van de onwetenden, die de scherpste ogen in de gemeente moeten hebben. Zie ook Num. 10:31; Job 29:15; Ps. 33:8; Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Psalmen 123:1: Een lied op Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemel zit. Psalmen 123:2: Zie, gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand van hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand van haar vrouw; zo zijn onze ogen op YHWH, onze God, totdat Hij ons genadig zij. Mattheüs 10:16: Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. Numeri 10:31: En hij zei: Verlaat ons toch niet; want omdat u weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn. Job 29:15: De blinden was ik tot ogen, en de kreupelen was ik tot voeten. Psalmen 33:8: Laat de gehele aarde voor YHWH vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-1-16-h]: Verwijzing h: Hoogl. 4:1; Hoogl. 5:12. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Hooglied 5:12: Zijn ogen zijn als van de duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes van de ringen.
[^hooglied-1-16-57]: Kanttekening 57: 57 u bent schoon: Christus is schoon van nature, want Hij is het Lam zonder vlek, Ex. 12. Maar de Bruid is schoon uit genade, door de verdiensten van Christus, Joh. 1:16. Johannes 1:16: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
[^hooglied-1-16-58]: Kanttekening 58: 58 ja, liefelijk: Dat is, niet stuurs, noch trots. Hij nodigt ons zeer vriendelijk, zeggende: Komt tot mij, die belast en beladen zijt, Ik zal u verkwikken; Matt. 11:28. Mattheüs 11:28: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^hooglied-1-16-59]: Kanttekening 59: 59 ook groent onze bedstede: Dat is, er worden dagelijks vele geestelijke kinderen in uw gemeente geboren, uit het onsterflijke zaad van uw Woord; 1 Petr. 1:23. Hierom wordt de kerk genoemd de moeder van alle gelovigen; Gal. 4:26. 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is de moeder van ons allen.
[^hooglied-1-17-60]: Kanttekening 60: 60 De balken: De kerk prijst haar woning, om anderen daartoe te nodigen en aan te brengen. Zij noemt de verzamelingen van de gelovigen huizen, in het getal van velen, omdat er vele gewone kerken zijn. Bij de balken wordt verstaan de leer van de profeten en van de apostelen; want daardoor wordt de kerk vast samengebonden in Christus, als het fondament; Ef. 2:20. Deze balken zijn van cederen, dat is sterk en onvergankelijk; want Gods Woord blijft in eeuwigheid; Jes. 40:8; 1 Petr. 1:25. Van de duurzaamheid van het cederhout, zie Richt. 9:15. Christus, sprekende van de vastheid en duurzaamheid van zijn kerk, zegt: De poorten van het dodenrijk zullen daartegen niet vermogen; Matt. 16:18. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Jesaja 40:8: Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid. 1 Petrus 1:25: Maar het Woord van de Heer blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.
[^hooglied-1-17-61]: Kanttekening 61: Of, wandelplaatsen, of welfselen, gelijk Gen. 30:38, 30:41. Genesis 30:38: En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. Genesis 30:41: En het geschiedde, telkens als de kudde van de vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen van de kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.
[^hooglied-1-17-62]: Kanttekening 62: Dit hout is zeer lieflijk, daarom wordt met recht Christus daarbij vergeleken. Anders: van Boratin, in het Latijn Bruta genoemd, dat een boom is, de cypresboom gelijk, zeer lieflijk van reuk, Plin.nat.hist.lib. 12:17. Het Hebreeuwse woord, dat hier in de tekst staat, wordt nergens in de Heilige Schrift gevonden dan hier alleen.

### Hooglied 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/2.json)

*De waardigheid van Christus, vers 1, en van zijn Gemeente, 2. De zorg van Christus over zijn Bruid, en de troost die zij van Hem ontvangt, 3. Een opwekking tot openbare belijdenis van Christus, omdat de winter van de vervolging voorbij was, 11. Waarschuwing tegen de heimelijke vijanden van de kerk, 15; onderlinge liefde tussen de Bruidegom en de Bruid, 16.*

**1** [^hooglied-2-1-1] Ik ben[^hooglied-2-1-2] een Roos van[^hooglied-2-1-3] Saron, een Lelie van de dalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v1)

**2** [^hooglied-2-2-4] Gelijk een lelie onder[^hooglied-2-2-5] de doornen, zo is Mijn vriendin onder de[^hooglied-2-2-6] dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v2)

**3** [^hooglied-2-3-7] Als een appelboom onder[^hooglied-2-3-8] de bomen van het woud, zo is mijn Liefste[^hooglied-2-3-9] onder de zonen; ik heb grote lust[^hooglied-2-3-10] in Zijn schaduw, en zit er onder, en[^hooglied-2-3-11] Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v3)

**4** [^hooglied-2-4-12] Hij voert mij[^hooglied-2-4-13] in het wijnhuis, en[^hooglied-2-4-14] de liefde[^hooglied-2-4-15] is Zijn banier over mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v4)

**5** [^hooglied-2-5-16] Ondersteun u mij[^hooglied-2-5-17] met de flessen,[^hooglied-2-5-18] versterkt mij met de appelen, want[^hooglied-2-5-19] ik ben ziek van liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v5)

**6** [^hooglied-2-6-a] Zijn[^hooglied-2-6-20] linkerhand zij[^hooglied-2-6-21] onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand[^hooglied-2-6-22] omhelze mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v6)

**7** [^hooglied-2-7-23] Ik bezweer u,[^hooglied-2-7-24] u, dochters van[^hooglied-2-7-25] Jeruzalem! die bij de reeën, of bij[^hooglied-2-7-26] de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt,[^hooglied-2-7-27] voordat het haar luste! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v7)

**8** [^hooglied-2-8-28] Dat is de stem van mijn Liefste, ziet Hem,[^hooglied-2-8-29] Hij komt,[^hooglied-2-8-30] springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v8)

**9** Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; zie, Hij staat[^hooglied-2-9-31] achter onze muur,[^hooglied-2-9-32] kijkende uit de vensters,[^hooglied-2-9-33] blinkende uit[^hooglied-2-9-34] de tralies. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v9)

**10** [^hooglied-2-10-35]Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en[^hooglied-2-10-36] kom! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v10)

**11** Want zie,[^hooglied-2-11-37] de winter is voorbij,[^hooglied-2-11-38] de plasregen is over,[^hooglied-2-11-39] hij is overgegaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v11)

**12** De bloemen[^hooglied-2-12-40] worden gezien in het land, de zangtijd[^hooglied-2-12-41] nadert, en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v12)

**13** [^hooglied-2-13-42] De vijgeboom brengt zijn[^hooglied-2-13-43] jonge vijgjes voort, en[^hooglied-2-13-44] de wijnstokken[^hooglied-2-13-45] geven reuk met hun jonge[^hooglied-2-13-46] druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en[^hooglied-2-13-47] kom! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v13)

**14** [^hooglied-2-14-48] Mijn duif,[^hooglied-2-14-49] zijnde in de kloven van de steenrotsen,[^hooglied-2-14-50] in het verborgene van een steile plaats,[^hooglied-2-14-51] toon Mij uw gedaante, doe Mij[^hooglied-2-14-52] uw stem horen;[^hooglied-2-14-b] want uw stem[^hooglied-2-14-53] is zoet, en uw gedaante is liefelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v14)

**15** [^hooglied-2-15-54] Vang u ons[^hooglied-2-15-55] de[^hooglied-2-15-c] vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden[^hooglied-2-15-56] hebben jonge druifjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v15)

**16** [^hooglied-2-16-57] Mijn Liefste is van mij, en ik ben van Hem,[^hooglied-2-16-58] Die weidt onder de leliën, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v16)

**17** [^hooglied-2-17-d] Totdat[^hooglied-2-17-59] de dag[^hooglied-2-17-60] aankomt, en[^hooglied-2-17-61] de schaduwen vluchten;[^hooglied-2-17-62] keer om, mijn Liefste![^hooglied-2-17-63] wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van[^hooglied-2-17-64] Bether. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/2.html#v17)

[^hooglied-2-1-1]: Kanttekening 1: Hier spreekt de Bruidegom weer, zo sommigen menen; maar anderen menen dat het de woorden van de Bruid zijn.
[^hooglied-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 een Roos: De roos is de edelste onder de bloemen en haar reuk verkwikt de hersenen. Bij de rozen van Saron, dat is die te Saron groeien, worden verstaan uitnemend schone rozen; gelijk bij de leliën van de dalen, dat is die in de dalen groeien, worden verstaan schone welriekende leliën. Salomo is zo schoon niet versierd geweest als één van deze, Matt. 6:29; maar omdat hier gesproken wordt van de roos, wassende in de velden van Saron, en van de leliën in de dalen, maar niet van zulke, die in betuinde of besloten hoven groeien; zo schijnt het dat hiermee wordt te kennen gegeven dat de kerk van Christus verdrukking onderworpen is, gelijk de bloemen van het veld van een ieder, die daar voorbijgaat, lichtelijk afgeplukt en van de beesten vertreden en afgebeten worden. Deze zin blijkt de rechte te zijn uit vers 2. Mattheüs 6:29: En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk één van deze. Hooglied 2:2: Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters.
[^hooglied-2-1-3]: Kanttekening 3: Saron is een lustige, schone landstreek, strekkende van Cesarea tot Joppe, niet ver van de Middellandse zee. Aldus wordt ook genoemd een stad daar gelegen. Zie breder van Saron, 1 Kron. 5:16; Jes. 33:9, en Jes. 35:3, en Jes. 65:10; Hand. 9:35. 1 Kronieken 5:16: En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen. Jesaja 33:9: Het land treurt, het kweelt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud. Jesaja 35:3: Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. Jesaja 65:10: En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft. Handelingen 9:35: En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, die zich bekeerden tot de Heer.
[^hooglied-2-2-4]: Kanttekening 4: De zin is: Zozeer als de lelie \[vergeleken zijnde met de doornen\] die in schoonheid en heerlijkheid ver overtreft; zo overtreft mijn liefste alle andere dochters, bij haar vergeleken zijnde; dat is, de ware kerk vergeleken zijnde bij andere vergaderingen, gaat dezelfde alle in voortreffelijkheid ver teboven.
[^hooglied-2-2-5]: Kanttekening 5: 5 de doornen: De bozen en goddelozen worden in de Schrift \[en ook, naar veler gevoelen, in deze plaats\] doornen genoemd, eensdeels ten aanzien van hun onvruchtbaarheid in het voortbrengen van goede vruchten; anderdeels vanwege hun stekelige boosheden tegen de kinderen van God; zie Num. 33:35; Spr. 22:5; Ez. 28:24. Numeri 33:35: En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-geber. Spreuken 22:5: Doornen en strikken zijn in de weg van de verkeerde; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken. Ezechiël 28:24: En het huis van Israël zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^hooglied-2-2-6]: Kanttekening 6: Dochters worden in de Heilige Schrift genoemd de verzamelingen van de mensen, somtijds van de goeden, als: de dochter Zions; dat is de gemeente van God; Jes. 37:22; somtijds van de kwaden, als: de dochter van Babel; Ps. 137:8, de dochter Edoms; Klaagl. 4:21. Jesaja 37:22: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Psalmen 137:8: O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons misdaan hebt. Klaagliederen 4:21: Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, u dochter Edoms, die in het land Uz woont! maar de beker zal ook tot u komen, u zult dronken worden, en ontbloot worden.
[^hooglied-2-3-7]: Kanttekening 7: 7 Als een appelboom: Dit zijn nu opnieuw de woorden van de Bruid. Onze Heer Jezus Christus wordt dikwijls bij een boom vergeleken, gelijk Openb. 2:7, en Openb. 22:2. Hier bij een appelboom. Gelijk hij alle wilde bomen verre tebovengaat; zo, zegt hier de Bruid, overtreft ook Christus, mijn liefste, alle mensen, die van nature maar als wilde bomen zijn. En gelijk een appelboom, met zijn brede en lage takken, goede schaduw en schuiling geeft tegen de hitte en lieflijke vrucht voortbrengt tot verkwikking van de mens, zo vind ik ook schaduw, bescherming en verkwikking onder de vleugels van zijn genade, zo tegen de toorn van God alsook in de hitte van de vervolging. Zo dat ik wens en poog altijd daaronder te schuilen. Openbaring 2:7: Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs Gods is. Openbaring 22:2: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom van het leven, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de heidenen.
[^hooglied-2-3-8]: Kanttekening 8: 8 de bomen: Dat is, die in het woud, of in het wild groeien. Buiten Christus zijn alle mensen wilde ongehavende bomen, Rom. 11:17, 11:24, die daarom òf gene, òf kwade, òf zure, òf vruchten van onaangenamen smaak voortbrengen; tenzij dat zij door het geloof van Christus worden ingegriffeld, zo kunnen zij geen goede vruchten voortbrengen; Matt. 7:18; Joh. 15:4. Romeinen 11:17: En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in hun plaats bent ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden, Romeinen 11:24: Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden? Mattheüs 7:18: Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Johannes 15:4: Blijft in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; zo ook u niet, zo u in Mij niet blijft.
[^hooglied-2-3-9]: Kanttekening 9: 9 onder de zonen: Te weten, van Adam, of van de mensen; of zonen; dat is, jongelingen. Deze allen overtreft Christus ver; Ps. 45:3. Psalmen 45:3: U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
[^hooglied-2-3-10]: Kanttekening 10: 10 in Zijn schaduw: Te weten, onder de schaduw van de appelboom, dat is onder zijn bescherming. Gelijk de bomen, ons beschaduwende, bevrijden van de brand en de hitte van de zon, zo bevrijdt ons Christus voor de hitte van de toorn van God en de vervolgingen van de boze wereld. Zie Ps. 121:5, 121:6, 121:7; Jes. 25:4. Zie ook de aantekening Ps. 91:1. Psalmen 121:5: YHWH is uw Bewaarder, YHWH is uw Schaduw, aan uw rechterhand. Psalmen 121:6: De zon zal u overdag niet steken, noch de maan 's nachts. Psalmen 121:7: YHWH zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. Jesaja 25:4: Want U bent voor de arme een Sterkte geweest, een Sterkte voor de nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand. Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
[^hooglied-2-3-11]: Kanttekening 11: 11 Zijn vrucht: Dit is nog een weldaad, die de Bruid verkrijgt door Christus; te weten, dat zij niet alleen van het kwaad verlost is, maar dat zij ook zijn lieflijke vruchten deelachtig wordt, als van zijn dood, verrijzenis, hemelvaart en andere weldaden. Anderen verstaan hier door de vruchten de vertroostingen van Christus, die het hart van de gelovigen zoet zijn.
[^hooglied-2-4-12]: Kanttekening 12: 12 Hij voert: Of, Hij voerde.
[^hooglied-2-4-13]: Kanttekening 13: 13 in het wijnhuis: Hebreeuws, בֵּית, in het huis van de wijn; dat is, in het huis van de vreugde en van de blijdschap, die wij door de kracht en werking van de Heilige Geest in onze harten ontvangen, 2 Kor. 1:5. Behalve dat de wijn de dorst verslaat, zo maakt hij ook het hart vrolijk, Ps. 104:15, en hij doet het zijn droefenis vergeten. Zie Spr. 31:6, 31:7. Tot dit huis van de vreugde worden alle kinderen van God genodigd; Spr. 1:20; zie ook Spr. 9:1, enz. 2 Korinthiërs 1:5: Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. Psalmen 104:15: En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt. Spreuken 31:6: Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn; Spreuken 31:7: Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijn moeite niet meer gedenke. Spreuken 1:20: De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten. Spreuken 9:1: De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
[^hooglied-2-4-14]: Kanttekening 14: 14 de liefde: Versta hier de liefde, waarmee Christus ons liefheeft en bemint, Ef. 5:2. Daarom lezen enige de laatste woorden van vers 4 aldus: Zijn banier is liefde over mij, of te mijwaarts. Zie 2 Thess. 2:16, en Rom. 5:5. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Hooglied 2:4: Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij. 2 Thessalonicensen 2:16: En onze Heer Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, Romeinen 5:5: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
[^hooglied-2-4-15]: Kanttekening 15: 15 is Zijn banier: Gelijk de soldaten van elkaar onderscheiden worden door banieren of vaandels; zo worden de ware ledematen van de gemeente van Jezus Christus onderkend en onderscheiden van de huichelaars, door de Geest van de aanneming en zijn vruchten, Rom. 8:14; 1 Joh. 3:24. De banier betekent ook beschutting en bescherming tegen al de geestelijke vijanden, de duivel, de dood en de verdoemenis. Romeinen 8:14: Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. 1 Johannes 3:24: En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in hem. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest, Die Hij ons gegeven heeft.
[^hooglied-2-5-16]: Kanttekening 16: De kerk spreekt hier tot de vrienden van de Bruidegom, die zijn de rechte leraars, Joh. 3:29; biddende dat zij haar versterken met de troost van het heilig Evangelie, voordat zij bezwijke van verlangen. Johannes 3:29: Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
[^hooglied-2-5-17]: Kanttekening 17: 17 met de flessen: Dat is met wijn, die in de flessen is, gelijk Hos. 3:1; Luk. 22:20; dat is met de Heilige Schrift, in welke Christus zijn wijn en melk, dat is, al zijn beloften en geestelijke vertroostingen besloten heeft. Zie Ps. 94:19, en Ps. 119:92. Hosea 3:1: En YHWH zei tot mij: Ga opnieuw heen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk YHWH de kinderen van Israël bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen van de druiven. Lukas 22:20: Evenzo ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. Psalmen 94:19: Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. Psalmen 119:92: Als Uw wet niet was geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
[^hooglied-2-5-18]: Kanttekening 18: Of, onderstrooit mij appelen; te weten, opdat ik door de reuk daarvan verkwikt worde, waartoe de oranjeappelen en citroenen in het bijzonder zeer dienstig en bekwaam zijn. Hierbij worden verstaan de troostelijke leringen van de Heilige Schrift, aangaande de genade en verdiensten van Christus.
[^hooglied-2-5-19]: Kanttekening 19: 19 ik ben ziek: Dat is, ik ben flauw en amechtig door het gedurig verlangen naar de vertroostingen mijns Bruidegoms en de tekenen van zijn genade; zie Ps. 42:2; Ps. 63:2; Hoogl. 3:1, 3:2, en Hoogl. 5:6, 5:8. Het is God, die al onze ziekten geneest; Ps. 103:3. Psalmen 42:2: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Psalmen 63:2: O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Hooglied 3:1: Ik zocht in de nacht op mijn leger Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zei: Hooglied 3:2: Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Hooglied 5:6: Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet. Hooglied 5:8: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! als u mijn Liefste vindt, wat zult u Hem aanzeggen? Dat ik ziek ben van liefde. Psalmen 103:3: Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw ziekten geneest;
[^hooglied-2-6-a]: Verwijzing a: Hoogl. 8:3. Hooglied 8:3: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
[^hooglied-2-6-20]: Kanttekening 20: De gemeente wenst en verwacht de genadige en goedertierene hulp, die de Bruidegom haar in de nood zou bewijzen, haar troostende door de Heilige Geest en zijn Woord. Zie Hoogl. 8:3; Ef. 5:29. Hooglied 8:3: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. Efeziërs 5:29: Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, zoals ook de Heer de Gemeente.
[^hooglied-2-6-21]: Kanttekening 21: 21 onder mijn hoofd: Te weten gelijk een peluw, om op te rusten. Door de zonde wordt het gehele hoofd ziek en het hart mat; Jes. 1:5. Maar door de vertroostingen van de Heilige Geest worden onze conscientiën versterkt, en onze zonden \[oorzaken onzer ellenden\] vergeven. Zie Rom. 14:17; 1 Joh. 2:12, en 1 Joh. 3:24. Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt de afval des te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. 1 Johannes 2:12: Ik schrijf u, kinderen, want de zonden zijn u vergeven vanwege Zijn Naam. 1 Johannes 3:24: En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in hem. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest, Die Hij ons gegeven heeft.
[^hooglied-2-6-22]: Kanttekening 22: 22 omhelze mij: Dit is een uitwendig teken van liefde. Zie Gen. 29:13, en Gen. 48:10. Genesis 29:13: En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, de zoon van zijn zus, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. Genesis 48:10: Maar de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
[^hooglied-2-7-23]: Kanttekening 23: 23 Ik bezweer u: Dit nemen sommigen als woorden van de Bruidegom, anderen als woorden van de Bruid. De zin is: Ik vermaan en betuig u op het hoogste.
[^hooglied-2-7-24]: Kanttekening 24: 24 u, dochters: Dat is: O u speelgenoten. Zie Hoogl. 3:5, en Hoogl. 8:4. Hooglied 3:5: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! Hooglied 8:4: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar lust!
[^hooglied-2-7-25]: Kanttekening 25: 25 die bij de reeën: Anders: Ik bezweer u bij de reeën, enz.; dat is, zo lief als u de reeën en de hinden zijn, dat u die liefde niet opwekt; dat is, dat u de rust van de Bruidegom, of van de Bruid, dat is de gemeente, niet verstoort; te weten door ketterij, scheuring, of met ergernis te geven.
[^hooglied-2-7-26]: Kanttekening 26: 26 de hinden: Hinden zijn vrouwtjes van de herten.
[^hooglied-2-7-27]: Kanttekening 27: 27 totdat het: Dat is, nimmermeer hun rust stoort.
[^hooglied-2-8-28]: Kanttekening 28: 28 Dat is: Te weten de stem, die ik daar hoor. Dit spreekt de Bruid. Zij wil zeggen: Dat is zijn onderwijzing, die ik daar hoor. Zie Joh. 10:3, 10:4, en Joh. 18:37; Hand. 13:46, 13:47; Hebr. 3:7. Johannes 10:3: Deze doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit. Johannes 10:4: En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Johannes 18:37: Pilatus dan zei tot Hem: Zijt U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Een iedereen, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem. Handelingen 13:46: Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u het verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Handelingen 13:47: Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. Hebreeën 3:7: Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
[^hooglied-2-8-29]: Kanttekening 29: 29 Hij komt: Te weten tot mijn hulp en bijstand, gelijk Jes. 35:4; Joh. 14:23; Openb. 22:20. Jesaja 35:4: Zegt tot de onbedachtzamen van hart: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en u verlossen. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. Openbaring 22:20: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus!
[^hooglied-2-8-30]: Kanttekening 30: Een gelijkenis, genomen van de snelle reeën en hinden, bij welke de Bruidegom wordt vergeleken, vers 9, om aan te wijzen de vrijwilligheid van Christus in het helpen en redden zijn Bruid. Hooglied 2:9: Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; ziet, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën.
[^hooglied-2-9-31]: Kanttekening 31: 31 achter onze muur: Versta hier de vurige muur van de kerk, dat is, de bewaring en beschutting, die God zijn kerk bewijst door zijn heilige engelen. Zie 2 Kon. 6:17; Ps. 34:8; Zach. 2:5. Als hier staat onze muur, daarmee wordt te kennen gegeven dat deze muur is een bolwerk, dat de kerk eigen is en haar alleen toekomt. Anderen verstaan die woorden: Hij staat achter onze muur, aldus, dat zij betekenen een nadere gemeenschap met Christus dan toen Hij nog ver af was, komende al springende op de bergen, vers 8, maar evenwel zo na nog niet, of daar was nog een muur tussenbeiden. Zodat hier aangewezen worden te trappen, waarmee Christus zijn liefde tegenover zijn kerk is bewijzende, niet gelijkelijk, maar naardat Hij acht ons goed te wezen. 2 Koningen 6:17: En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. Psalmen 34:8: Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Hooglied 2:8: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
[^hooglied-2-9-32]: Kanttekening 32: Dit is een gelijkenis, genomen van een wachter, die op een toren de wacht houdt. Zie 2 Kon. 9:17; Ez. 33:2. De Heer Christus is de rechte wachter en hoeder van Israël, die nimmermeer slaapt nocht sluimert; Ps. 121:4. Hij ziet en bespot al de raadslagen van de goddelozen tegen zijn kerk; Ps. 2:4. 2 Koningen 9:17: De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie één hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede? Ezechiël 33:2: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk van het land een man uit hun einden nemen, en die voor zich tot een wachter stellen; Psalmen 121:4: Ziet, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren, noch slapen. Psalmen 2:4: Die in de hemel woont, zal lachen; YHWH zal hen bespotten.
[^hooglied-2-9-33]: Kanttekening 33: Of, glinsterende als een bloem; dat is, zichzelf als een bloem vertonende; te weten lieflijk en aangenaam. Het is vast hetzelfde, dat straks gezegd is. De wederhaling dient tot versterking en bevestiging van het voorzeide.
[^hooglied-2-9-34]: Kanttekening 34: 34 de traliën: Meermalen worden de traliën en vensters bijeengevoegd, gelijk Richt. 5:29; Spr. 7:6, en elders. Richteren 5:29: De wijsten van haar staatsvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij haar redenen aan zichzelf: Spreuken 7:6: Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
[^hooglied-2-10-35]: Kanttekening 35: 35 Mijn Liefste: Met deze woorden geeft de Bruid te kennen de oorzaak van de snelle komst haars Bruidegoms, te weten om haar door zijn Geest en zijn Woord te roepen uit haar bedroefden staat tot een beteren.
[^hooglied-2-10-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, komt u. Zo ook vers 13. Zie de aantekening Gen. 12:1. En kom herwaarts, te weten om mij te dienen. Hooglied 2:13: De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! Genesis 12:1: YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^hooglied-2-11-37]: Kanttekening 37: 37 de winter: Dat is, de tijd van de verdrukking van de gemeente. Vergelijk Zach. 14:8. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen 's zomers en 's winters zijn.
[^hooglied-2-11-38]: Kanttekening 38: 38 de plasregen: Dat is, de tijd van de beproeving in tegenspoed is door Christus verlicht. Zie Jes. 4:6, en Jes. 32:2; Matt. 7:27. Jesaja 4:6: En daar zal een hut zijn tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen. Jesaja 32:2: En die man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land. Mattheüs 7:27: En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelfde huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
[^hooglied-2-11-39]: Kanttekening 39: 39 hij is overgegaan: Of, hij is heengegaan.
[^hooglied-2-12-40]: Kanttekening 40: 40 worden gezien: Of, vertonen zich. Dit is een beschrijving van de lente; geestelijk verstaan zijnde betekent het de wederoprichting van de kerk, nadat de zwarigheden verdwenen zijn. Zie Ps. 72:16; Jes. 27:6; Hos. 14:4, 14:5, 14:6. Psalmen 72:16: Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde. Jesaja 27:6: In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. Hosea 14:4: Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden. Hosea 14:5: Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.
[^hooglied-2-12-41]: Kanttekening 41: 41 de zangtijd: Of, de tijd van het gezang, of de tijd van kwinkeleren; dat is, de lente, of de meitijd, wanneer de vogels zingen; dat is, de gelovigen beginnen te verkwikken en van vreugde te zingen. Anders: de snoeitijd.
[^hooglied-2-13-42]: Kanttekening 42: 42 De vijgeboom: Dat is, de mensen, die tevoren als dorre bomen waren, beginnen nu geestelijkerwijze te bloeien door mijn genade; de gemeente, die tevoren woest gelegen hebben, geven nu beginselen van schone vruchten door de kracht van mijn Geest en Woord, en zij geven van zich een lieflijken reuk, 2 Kor. 2:15. Zie de gelijkenis van de vijgeboom, Matt. 24:32; Luk. 13:6. 2 Korinthiërs 2:15: Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; Mattheüs 24:32: En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. Lukas 13:6: En Hij zei deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
[^hooglied-2-13-43]: Kanttekening 43: 43 jonge vijgjes: Of, onrijpe vijgen. Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, vindt men alleen hier.
[^hooglied-2-13-44]: Kanttekening 44: 44 de wijnstokken: Door de wijnstokken worden hier de particuliere kerken verstaan, gelijk Jes. 5:1; Hos. 9:10. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Hosea 9:10: Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaders als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden geheel verfoeilijk naar hun boelerij.
[^hooglied-2-13-45]: Kanttekening 45: 45 geven reuk: Te weten, een treffelijken reuk, gelijk Hoogl. 7:13. Hooglied 7:13: De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.
[^hooglied-2-13-46]: Kanttekening 46: Of, tedere, kleine, groene, onrijpe druiven. Het Hebreeuwse woord is hier alleen en onder, vers 15, en Hoogl. 7:12. Hooglied 2:15: Vangt u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes. Hooglied 7:12: Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.
[^hooglied-2-13-47]: Kanttekening 47: Gelijk boven, vers 10. Hooglied 2:10: Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!
[^hooglied-2-14-48]: Kanttekening 48: 48 Mijn duif: Aldus wordt de gemeente van Christus genoemd vanwege haar kuisheid en eenvoudigheid. Zie Matt. 10:16, en boven, Hoogl. 1:15. Mattheüs 10:16: Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen.
[^hooglied-2-14-49]: Kanttekening 49: Daar schuilende uit vrees van de vijanden. Zie Jer. 48:28. Anders: die u onthoudt in de scheuren van de steenrotsen; beschaamd zijnde vanwege de mismaaktheid van uw zonden. Jeremia 48:28: Verlaat de steden, en woont in de steenrots, u inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van de mond eens hols nestelt.
[^hooglied-2-14-50]: Kanttekening 50: 50 in het verborgene: Die u in onbewoonde plaatsen, in holen en spelonken, vanwege de vervolging verbergt; gelijk 1 Kon. 18:4; Ps. 55:7, 55:8, en Ps. 68:14; Openb. 12:6. Sommigen zetten het over, een verborgen trap, duidende zulks op de Heer Christus, die de trap en ladder is naar de hemel; Gen. 28:12; Joh. 1:52. 1 Koningen 18:4: Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. Psalmen 55:7: Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als van een duif, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. Psalmen 55:8: Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou overnachten in de woestijn. Sela. Psalmen 68:14: Al laagt u tussen twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, en van wie vederen zijn met uitgegraven geluwen goud. Openbaring 12:6: En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Genesis 28:12: En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, van wie opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder. Johannes 1:52: En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon van de mensen.
[^hooglied-2-14-51]: Kanttekening 51: 51 toon Mij: Dat is, kom tot mij, wandel voor mij oprecht, gelijk Gen. 17:1; Rom. 12:1; Ef. 5:27. Te weten, nadat u door mijn Geest en bloed zult gereinigd zijn. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^hooglied-2-14-52]: Kanttekening 52: 52 uw stem horen: Dat is, uw gebeden en lofzangen. Zie Ps. 5:4, en Ps. 28:2, en Ps. 42:5, en Ps. 50:15, en elders. Psalmen 5:4: 's Morgens, YHWH, zult U mijn stem horen; 's morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. Psalmen 28:2: Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid. Psalmen 42:5: Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Psalmen 50:15: En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren.
[^hooglied-2-14-b]: Verwijzing b: Hoogl. 5:13; idem v. 16. Hooglied 5:13: Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. Hooglied 5:16: Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem!
[^hooglied-2-14-53]: Kanttekening 53: 53 is zoet: Dat is, zij is mij aangenaam, te weten als zij uit een waar geloof spruitende is.
[^hooglied-2-15-54]: Kanttekening 54: Dit zijn de woorden van de Bruidegom tot zijn metgezellen, dat is, Christus tot de leraars of herders van de kerk en tot de Christelijke overheden. En vangen is hier te zeggen dat de leraars van de vossen loze en boze leringen moeten tegenstaan en weerleggen, en dat de overheden die moeten tonen.
[^hooglied-2-15-55]: Kanttekening 55: 55 de vossen: De vossen bederven de wijngaarden met het afeten van de druiven. Zo bederven en vernielen de valse leraars, ketters en bedriegelijke regeerders de ware religie en kerk van God. Zij worden bij vossen vergeleken, hier en Ez. 13:4; Luk. 13:32; eensdeels vanwege hun bedriegelijkheid; 2 Kor. 11:13; anderdeels vanwege hun schadelijkheid, omdat hun woord verteert als een kanker; 2 Tim. 2:17. Zie dergelijke beschrijvingen en waarschuwingen, Jer. 12:10; Ef. 4:14; Tit. 1:10, 1:11; Hebr. 13:9; 2 Petr. 2:1, 2:12. Ezechiël 13:4: Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen. Lukas 13:32: En Hij zei tot hen: Gaat heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en op de derde dag worde Ik voltooid. 2 Korinthiërs 11:13: Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 2 Timotheüs 2:17: En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymeneüs en Filetus; Jeremia 12:10: Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis. Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; Titus 1:10: Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers en misleiders, in het bijzonder die uit de besnijdenis zijn; Titus 1:11: Welke men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil. Hebreeën 13:9: Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 2 Petrus 2:12: Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, omdat zij lasteren, wat zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;
[^hooglied-2-15-c]: Verwijzing c: Ez. 13:4; Lukas 13:32. Ezechiël 13:4: Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen. Lukas 13:32: En Hij zei tot hen: Gaat heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en op de derde dag worde Ik voltooid.
[^hooglied-2-15-56]: Kanttekening 56: 56 jonge druifjes: Of, kleine, tedere.
[^hooglied-2-16-57]: Kanttekening 57: 57 Mijn Liefste: Dit zijn de woorden van de Bruid, gelijk Hoogl. 6:2, en Hoogl. 7:10. De zin is: Hij is mijn Herder, en ik ben de kudde van zijn schapen, daarom kan mij niets ontbreken. Zie Ps. 23:1; 1 Joh. 4:13. Hooglied 6:2: Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. Hooglied 7:10: Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij. Psalmen 23:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. 1 Johannes 4:13: Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
[^hooglied-2-16-58]: Kanttekening 58: 58 Die weidt onder de leliën: De zin is: Hij weidt zijn kudde, niet alleen op een gezonde, maar ook op een genoegelijke weide, zo lieflijk en genoegelijk, alsof zij vol leliën stond. Verstaande hierbij de weide van het goddelijke Woord, dat zoet is als honig en honigraten; en in het gezelschap van de godzaligen, die als leliën onder de doornen zijn.
[^hooglied-2-17-d]: Verwijzing d: Hoogl. 4:6. Hooglied 4:6: Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel.
[^hooglied-2-17-59]: Kanttekening 59: 59 de dag: Dat is de tijd van de wetenschap, heiligheid, van de troost, vrede en van de geestelijke blijdschap. Zie Rom. 13:12, 13:13, en 1 Thess. 5:5; 2 Petr. 1:19. Romeinen 13:12: De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van het licht. Romeinen 13:13: Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; 1 Thessalonicensen 5:5: U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^hooglied-2-17-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws, aanblaze. Aldus spreken de Hebreën, omdat de dag gemeenlijk met enige koelte opgaat.
[^hooglied-2-17-61]: Kanttekening 61: 61 de schaduwen: Dat is, al wat nog onvolmaakt is.
[^hooglied-2-17-62]: Kanttekening 62: 62 keer om: Te weten tot mij; het zijn de woorden van de Bruid tot haar Bruidegom, hem biddende en aanroepende, dat Hij haar wil bijstaan in haar nood en zwarigheden.
[^hooglied-2-17-63]: Kanttekening 63: 63 wordt U: Te weten in snelligheid, om mij te helpen; zie vers 8. Hooglied 2:8: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!
[^hooglied-2-17-64]: Kanttekening 64: Of, Bitrons, of van de scheiding. Dit zijn de bergen Gileads, die door de Jordaan van Judea afgescheiden worden. Deze bergen waren vol wild en zeer bekwaam tot de jacht. Zie de aantekening 2 Sam. 2:29. 2 Samuël 2:29: Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het gehele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.

### Hooglied 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/3.json)

*De Bruid vertelt hoe ijverig zij haar Bruidegom gezocht heeft, maar tevergeefs, vers 1, 2, 3; ten slotte vindt zij Hem, en houdt Hem vast, 4. Hij wil niet dat men zijn Bruid zal opwekken, 5. Het sieraad van de Bruid, nadat zij uit de verdrukking gekomen was, 6; het bed, of de rustbank van de Bruidegom, onder het beeld van Salomo's bed en rustbank, 7. De gelovigen worden uitgenodigd, onder verbloemde woorden over Salomo's bruiloft met zijn bruid, tot het Rijk der heerlijkheid, 11.*

**1** Ik zocht[^hooglied-3-1-1] in de nacht op mijn bed Hem,[^hooglied-3-1-2] Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar[^hooglied-3-1-3] ik vond Hem niet; ik zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v1)

**2** Ik zal nu opstaan, en[^hooglied-3-2-4] in de stad omgaan, in de[^hooglied-3-2-5] wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v2)

**3** [^hooglied-3-3-6]De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij:[^hooglied-3-3-7] ik zei: Hebt u Die gezien, Die mijn ziel liefheeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v3)

**4** Toen ik[^hooglied-3-4-8] een klein eindje van hen weggegaan was,[^hooglied-3-4-9] vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft;[^hooglied-3-4-10] ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan,[^hooglied-3-4-11] voordat ik Hem in het huis van mijn moeder gebracht had, en in de binnenste kamer van degene,[^hooglied-3-4-12] die mij gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v4)

**5** [^hooglied-3-5-13] Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar luste! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v5)

**6** [^hooglied-3-6-14][^hooglied-3-6-a] Wie is zij, die daar opkomt uit[^hooglied-3-6-15] de woestijn,[^hooglied-3-6-16] als rookpilaren, berookt met[^hooglied-3-6-17] mirre en wierook, en met allerlei[^hooglied-3-6-18] poeder[^hooglied-3-6-19] van de kruidenier? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v6)

**7** [^hooglied-3-7-20] Zie,[^hooglied-3-7-21] het bed,[^hooglied-3-7-22] dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom[^hooglied-3-7-23] van de helden van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v7)

**8** [^hooglied-3-8-24] Die allemaal zwaarden houden,[^hooglied-3-8-25] geleerd ten oorlog, elk[^hooglied-3-8-26] hebbende zijn zwaard aan zijn[^hooglied-3-8-27] heup, vanwege de schrik in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v8)

**9** De koning Salomo heeft zich[^hooglied-3-9-b] een[^hooglied-3-9-28] koets gemaakt van[^hooglied-3-9-29] het hout van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v9)

**10** [^hooglied-3-10-30] De pilaren daarvan maakte hij van zilver,[^hooglied-3-10-31] haar vloer van goud,[^hooglied-3-10-32] haar gehemelte van purper; het binnenste was[^hooglied-3-10-33] bespreid met de liefde van de dochters van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v10)

**11** [^hooglied-3-11-34] Ga uit, en aanschouwt,[^hooglied-3-11-35] u, dochters van Sion! de koning Salomo, met de kroon,[^hooglied-3-11-36] waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag[^hooglied-3-11-37] van Zijn bruiloft, en op de dag van de vreugde van Zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/3.html#v11)

[^hooglied-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 in de nacht: Hebreeuws, לֵּילוֹת, in de nachten. Hierdoor worden te kennen gegeven de grote aanvechtingen en bekoringen van de kerk, gelijk Jes. 21:12, en Jes. 26:9; Amos 5:18. En tegelijk wordt hier aangewezen dat de kerk ten tijde van aanvechting en vervolging, als het schijnt dat zij verlaten is, Christus zoekt door het gebed. Zie Deut. 4:29; Jer. 50:4; Hos. 3:5, en Hos. 5:15; Zef. 2:3; Matt. 7:7. Jesaja 21:12: De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt u vragen, vraagt; keert weer, komt. Jesaja 26:9: Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid. Amos 5:18: Wee hen, die de dag van YHWH begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. Deuteronomium 4:29: Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Jeremia 50:4: In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 5:15: Ik zal heengaan en keren weer tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. Zefanja 2:3: Zoekt YHWH, alle u zachtmoedigen van het land, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult u verborgen worden in de dag van de toorn van YHWH. Mattheüs 7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
[^hooglied-3-1-2]: Kanttekening 2: Te weten mijn Bruidegom Jezus Christus, zijn genade en goedertierenheid, die van ons gevonden wordt als wij zijn genade in ons hart gevoelen tot onze vertroosting.
[^hooglied-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 ik vond Hem niet: Dit strijdt niet tegen de belofte van Christus, Matt. 7:7; want die stelt geen juisten tijd van vinden, maar die staat alleen in Gods hand; Hij alleen weet de bekwamen tijd tot hulp, Hebr. 4:16. Onder, vers 4, staat dat de Bruid, na een weinig tijds, haar liefste gevonden heeft. Mattheüs 7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. Hooglied 3:4: Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijn moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.
[^hooglied-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 in de stad: Dat is, in de gemeente van God, Ps. 87:3; of in het geestelijke Jeruzalem; zie Hebr. 12:22. Psalmen 87:3: Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad van God! Sela. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^hooglied-3-2-5]: Kanttekening 5: Of, markten, brede plaatsen. Zie Luk. 14:21, 14:22, 14:23. Lukas 14:21: En dezelfde dienaar weer gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer van het huis toornig, en zei tot zijn dienaar: Ga haastig uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in. Lukas 14:22: En de dienaar zei: Heer, het is geschied, gelijk u bevolen hebt, en nog is er plaats. Lukas 14:23: En de heer zei tot de dienaar: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
[^hooglied-3-3-6]: Kanttekening 6: 6 De wachters: Versta hier onder de naam van wachters zodanige leraars, gelijk die waren, van wie Jesaja zegt, Jes. 56:10: Zij zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen, of, men kan hier door de wachters verstaan de groten en wijzen van deze wereld, die, ofschoon men hun vraagt waar Christus te vinden is, zulks niet weten te zeggen. Zie Matt. 2:3, 2:4. Vergelijk onder, Hoogl. 5:7. Jesaja 56:10: Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. Mattheüs 2:3: De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. Mattheüs 2:4: En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden van het volk, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. Hooglied 5:7: De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.
[^hooglied-3-3-7]: Kanttekening 7: 7 Hebt u Die: De zin is: Weet u mij mijn vriend of Bruidegom niet te wijzen?
[^hooglied-3-4-8]: Kanttekening 8: 8 een weinigje: Te weten een weinig tijds, of plaats. Hebreeuws, een weinig dat ik van hen was voorbijgegaan, totdat ik vond, enz.
[^hooglied-3-4-9]: Kanttekening 9: 9 vond ik Hem: Hier is vervuld de belofte van onze Heer Jezus Christus, Matt. 7:7: Zoekt en u zult vinden, enz. Mattheüs 7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
[^hooglied-3-4-10]: Kanttekening 10: 10 ik hield: Te weten met de hand van het geloof. Zie Spr. 4:13; Ef. 3:17; Kol. 1:23. Zie ook Gen. 32:26. Spreuken 4:13: Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. Efeziërs 3:17: Opdat Christus door het geloof in uw harten woont, en u in de liefde geworteld en gegrond bent; Kolossensen 1:23: Als u maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is onder al de kreature, die onder de hemel is; van dat ik Paulus een dienaar geworden ben; Genesis 32:26: En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent.
[^hooglied-3-4-11]: Kanttekening 11: De kerk geeft hier te kennen dat zij, de genade van Christus weer gevoelende, in zijn gemeenschap volstandiglijk wil blijven.
[^hooglied-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 die mij gebaard: Of, die mij ontvangen heeft.
[^hooglied-3-5-13]: Kanttekening 13: 13 Ik bezweer u: Dit gehele vers is verklaard Hoogl. 2:7. Hooglied 2:7: Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
[^hooglied-3-6-14]: Kanttekening 14: 14 Wie is zij: Dit is een verwondering van de zwakgelovigen, sprekende van de kerk, als van het volk Israël, dat uit de woestijn opging naar het beloofde land, zich verwonderende over de vrijmoedigheid en heerlijkheid van de kerk, nadat zij ontworsteld was uit de verdrukking en zware aanvechting, waarvan boven, Hoogl. 2 gesproken is, alsook in het begin van Hoogl. 3.
[^hooglied-3-6-a]: Verwijzing a: Hoogl. 8:5. Hooglied 8:5: Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder de appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
[^hooglied-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 de woestijn: Bij de woestijn wordt hier verstaan de verwoesting van de uiterlijke gedaante van de kerk, zo door tirannie als door ketterij, scheuring en zware ergernissen; gelijk het woord woestijn ook genomen wordt Jes. 32:15; Openb. 12:6. Jesaja 32:15: Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. Openbaring 12:6: En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^hooglied-3-6-16]: Kanttekening 16: 16 als rookpilaren: Als een sterke rook, die recht opgaat, gelijk een pilaar, of palmboom, welke betekenis het Hebreeuwse woord ook heeft. Dit betekent de vrijmoedigheid van de kerk in het oefenen van de ware godsdienst, zonder die na te laten uit vrees van de boze mensen, of andere inzichten; Hebr. 12:1. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
[^hooglied-3-6-17]: Kanttekening 17: Door mirre en wierook moet men verstaan de verdiensten van Jezus Christus, die God de Vader een welriekende reuk zijn, Ef. 5:2; Openb. 8:3, 8:4, 8:5. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Openbaring 8:3: En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. Openbaring 8:4: En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de engel voor God. Openbaring 8:5: En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.
[^hooglied-3-6-18]: Kanttekening 18: Men kan bij dit poeder verstaan de vruchten van de wedergeboorte, alsook, en in het bijzonder, de gebeden en dankzeggingen van de gelovigen; Mal. 1:11. Maleachi 1:11: Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten.
[^hooglied-3-6-19]: Kanttekening 19: 19 van de kruidenier: Of, van de drogisten. Anders: van de apothekers, van de parfumeriebereiders.
[^hooglied-3-7-20]: Kanttekening 20: Dit schijnen woorden van de Bruid te zijn.
[^hooglied-3-7-21]: Kanttekening 21: 21 het bed: Anders: zijn bed is als het bed van Salomo.
[^hooglied-3-7-22]: Kanttekening 22: 22 dat Salomo: Hierdoor wordt afgebeeld dat de kerk van God van Christus bewaard wordt, maar nog veel beter en voortreffelijker dan de koning Salomo door al zijn trawanten is bewaard geworden. Want de engelen van God, die dienstbare geesten zijn, worden van Christus uitgezonden om hen te beschutten en te beschermen. Zie Hebr. 1:14. De gelovigen kinderen van God, aldus bewaard en bewaakt zijnde, vrezen niet voor de schrik van de nacht, noch voor de pijl die overdag vliegt; Ps. 91:5. Hierbij kan men ook verstaan de herders en leraars, die de kerk van God moeten bewaken en bewaren. Hebreeën 1:14: Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Psalmen 91:5: U zult niet vrezen voor de schrik van de nacht, voor de pijl, die overdag vliegt;
[^hooglied-3-7-23]: Kanttekening 23: 23 van de helden: Wat al kloeke dappere helden er in Israël geweest zijn, is te zien 1 Kron. 11:10, 11:11 tot 1 Kron. 11:47 en 1 Kron. 12:1, 12:2, tot 1 Kron. 12:38. 1 Kronieken 11:10: Deze nu waren de hoofden van de helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israël, om hem koning te maken, naar het woord van YHWH over Israël. 1 Kronieken 11:11: Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg. 1 Kronieken 11:47: Eliël en Obed, en Jaäziël van Mezobaja. 1 Kronieken 12:1: Deze nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, de zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot die krijg hielpen. 1 Kronieken 12:2: Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit de boog; zij waren van de broers van Saul, uit Benjamin. 1 Kronieken 12:38: Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over geheel Israël. En ook was al het overige van Israël een hart, om David tot koning te maken.
[^hooglied-3-8-24]: Kanttekening 24: 24 Die allemaal: Zo zijn ook de heilige engelen gewapend met Gods rechtvaardige wraak, als met zwaarden om de goeden te beschermen en om de kwaden te straffen; 1 Kron. 21:16. Alle getrouwe herders van de kerk zijn gewapend met het Woord van God en de Christelijke tucht, hebbende beide wraak tegen alle ongehoorzaamheid; 2 Kor. 10:6; Ps. 149:7. Hoewel ook anders alle Christenen gewapend zijn met het zwaard van de Geest; Ef. 6:17. 1 Kronieken 21:16: Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van YHWH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten. 2 Korinthiërs 10:6: En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn. Psalmen 149:7: Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; Efeziërs 6:17: En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord.
[^hooglied-3-8-25]: Kanttekening 25: Te weten van God, die de handen zijns volks leert strijden; 2 Sam. 22:35; en zijn engelen en leraars kracht geeft om de kerk te bewaken en te bewaren. Anders: ervaren, geschikt, geoefend. 2 Samuël 22:35: Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.
[^hooglied-3-8-26]: Kanttekening 26: Te weten gereed en klaar staande om te vechten; gelijk Ex. 32:27. Exodus 32:27: En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weer, van poort tot poort in het leger, en een iedereen dode zijn broer, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!
[^hooglied-3-8-27]: Kanttekening 27: 's Nachts is men aan meer gevaren onderworpen dan overdag, hetzij van dieverij, moorderij, verraderij, of dergelijk ongemak, dat meest bij nacht geschiedt; zodat men alsdan goede wacht moet houden, Matt. 24:43, 24:44. Zo moet elk Christelijk ridder gewapend staan, gelijk de apostel ons leert Ef. 6:12, 6:13, 6:14; in het bijzonder ten tijde van vervolging. Mattheüs 24:43: Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Mattheüs 24:44: Daarom, zijt ook u bereid; want in welke ure u het niet meent, zal de Zoon van de mensen komen. Efeziërs 6:12: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Efeziërs 6:13: Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt wederstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Efeziërs 6:14: Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid;
[^hooglied-3-9-b]: Verwijzing b: Hoogl. 6:12. Hooglied 6:12: Voordat ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.
[^hooglied-3-9-28]: Kanttekening 28: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een bruidkoets of bedstede. Maar het betekent ook een koetswagen. Het schijnt dat hier gesproken wordt van die triomfwagen, waarvan Ps. 45:5 geschreven staat, waar bij de wagen verstaan wordt het woord van de waarheid, of de predikatie van het heilig Evangelie. Anderen verstaan door het Hebreeuwse woord een sierlijk gebouw. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^hooglied-3-9-29]: Kanttekening 29: 29 het hout: Dat is van cederhout, dat op de berg Libanon overvloediglijk pleegt te groeien. Zie de aantekening Richt. 9:15. Dit hout verrot niet. Zodat de leer van het heilige Evangelie bekwamelijk daarbij mag vergeleken worden. Want het is een eeuwige Evangelie, Openb. 14:6. Zie Hoogl. 1:17. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Openbaring 14:6: En ik zag een anderen engel, vliegende in het midden van de hemel, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen dengenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk; Hooglied 1:17: De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen.
[^hooglied-3-10-30]: Kanttekening 30: 30 De pilaren: Door de pilaren of kolommen wordt de standvastigheid betekend, Openb. 3:12, en door de pilaren van zilver kan men hier verstaan de getrouwe herders van de kerk, maar in het bijzonder de profeten en apostelen. Zie Gal. 2:9. Openbaring 3:12: Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam. Galaten 2:9: En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^hooglied-3-10-31]: Kanttekening 31: Of, bodem, grond, onderlaag; anders: stoel; te weten, waarop Salomo zat in zijn koets. Christus, die de grondslag of het fondament van zijn kerk is, wordt terecht bij goud vergeleken, maar de pilaren bij zilver. Zie 1 Kor. 3:11; Openb. 21:21. 1 Korinthiërs 3:11: Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. Openbaring 21:21: En de twaalf poorten waren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat van de stad was zuiver goud; gelijk doorzichtig glas.
[^hooglied-3-10-32]: Kanttekening 32: Versta bij dit gehemelte de koninklijke bescherming Gods over zijn kerk.
[^hooglied-3-10-33]: Kanttekening 33: Of, geplaveid, gevloerd, of bezet met lieflijkheid, of geplaveid met liefde; dat is, lieflijk gewrocht, te weten, met lieflijke beelden of schone figuren geborduurd, of kunstiglijk met de naald gewrocht van de dochters van Jeruzalem. Anders: ontstoken. Naar de geestelijke beduiding kan men hier door de liefde verstaan die innerlijke liefde, die God zijn kinderen toedraagt, gevende zijn Zoon voor het leven daarvan, en ook die liefde, die wij God en onze naasten toedragen; want wij kunnen God niet liefhebben, of Hij moet ons eerst zijn liefde bewijzen; 1 Joh. 4:10. Sommigen verstaan vers 9, 3:10 als een beschrijving van de hemelse heerlijkheid. 1 Johannes 4:10: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. Hooglied 3:9: De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. Hooglied 3:10: De pilaren daarvan maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochters van Jeruzalem.
[^hooglied-3-11-34]: Kanttekening 34: 34 Gaat uit: In Hoog. 3:11 wordt onder de naam en de heerlijkheid van Salomo, die een voorbeeld op Christus geweest is, beschreven de glorie, die alle kinderen van God zullen aanschouwen op de bruiloft van het Lam, die voor de uitverkoren kinderen van God bereid is. Als wij vermaand worden uit te gaan, daarmee wordt te kennen gegeven dat het de moeite waard is dat men wat moeite daarom doe, gelijk men doet om een koning in zijn triomf te aanschouwen.
[^hooglied-3-11-35]: Kanttekening 35: 35 u, dochters van Sion: De dochters Zions betekenen hier de Christenen, of de kerk van Christus, gelijk Jes. 49:14, 49:22. Deze worden hier vermaand dat zij Christus \[de rechte Salomo\] zullen aanschouwen en aannemen met zijn kroon, dat is in glorie en heerlijkheid. Zie Ps. 149:2; Matt. 21:5; Openb. 6:1, 6:3, 6:5, 6:7. Jesaja 49:14: Maar Sion zegt: YHWH heeft mij verlaten, en YHWH heeft mij vergeten. Jesaja 49:22: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. Psalmen 149:2: Dat Israël zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen van Sion zich verheugen over hun Koning. Mattheüs 21:5: Zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin. Openbaring 6:1: En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! Openbaring 6:3: En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! Openbaring 6:5: En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand. Openbaring 6:7: En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zei: Kom en zie!
[^hooglied-3-11-36]: Kanttekening 36: 36 waarmee Hem: Het schijnt uit deze woorden dat Bathseba haar zoon Salomo met een schone en sierlijke kroon vereerd heeft op zijn bruiloftsdag, en door deze kroon wordt afgebeeld de heerlijkheid van Christus, waartoe Hij verheven is door zijn hemelvaart en die Hij zijn kerk zal laten aanschouwen in de hemel. Zie Luk. 24:26; Joh. 17:24; Filipp. 2:9. Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? Johannes 17:24: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld. Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^hooglied-3-11-37]: Kanttekening 37: 37 Zijn bruiloft: Anders: zijn ondertrouw; te weten toen Salomo trouwde met zijn bruid. Geestelijkerwijze mag men hier verstaan het huwelijk van Christus met zijn kerk, dat geschiedt als zij de predikatie van het heilige Evangelie met waar geloof aanneemt, alsdan wordt zij gezegd aan Christus te huwelijken; 2 Kor. 11:2. Gelijk zich een bruidegom over zijn bruid verheugt, zo verheugt zich God over zijn volk; zie Jes. 62:1, 62:5. 2 Korinthiërs 11:2: Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Jesaja 62:1: Vanwege Sion zal ik niet zwijgen, en vanwege Jeruzalem zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt. Jesaja 62:5: Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn.

### Hooglied 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/4.json)

*De Bruidegom prijst de Bruid vanwege haar schoonheid, vers 1, enz. Hij geeft te kennen dat Hij een tijd lang van haar verwijderd zal zijn, 6. Hij roept haar, dat zij tot Hem afkomt, 8, en betuigt zijn liefde tot haar, 9, terwijl Hij haar nog verder prijst, 10. De Bruid bidt haar Bruidegom, dat Hij snel tot haar wil komen, en door zijn Heilige Geest krachtig in haar wil werken, opdat zij vruchten draagt die Hem aangenaam mogen zijn, 15.*

**1** Zie,[^hooglied-4-1-1] u bent schoon, Mijn vriendin! zie,[^hooglied-4-1-2] u bent schoon; uw ogen zijn[^hooglied-4-1-3] duivenogen[^hooglied-4-1-4][^hooglied-4-1-a] tussen uw vlechten;[^hooglied-4-1-b] uw haar[^hooglied-4-1-5] is als een kudde geiten, die het gras van de[^hooglied-4-1-6] berg Gileads[^hooglied-4-1-7] afscheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v1)

**2** [^hooglied-4-2-8] Uw tanden zijn als een kudde schapen, die[^hooglied-4-2-9] geschoren zijn,[^hooglied-4-2-10] die uit de wasstede opkomen; die al samen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is[^hooglied-4-2-11] jongeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v2)

**3** [^hooglied-4-3-12] Uw lippen zijn[^hooglied-4-3-13] als een scharlaken snoer, en uw spraak[^hooglied-4-3-c] is liefelijk; de slaap van uw hoofd is als[^hooglied-4-3-14] een stuk van een granaatappel[^hooglied-4-3-15] tussen uw vlechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v3)

**4** [^hooglied-4-4-16][^hooglied-4-4-d] Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is[^hooglied-4-4-17] tot ophanging van wapentuig, waar[^hooglied-4-4-18] duizend grote schilden aan hangen, allemaal zijnde schilden[^hooglied-4-4-19] van de helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v4)

**5** [^hooglied-4-5-e] Uw[^hooglied-4-5-20] twee borsten[^hooglied-4-5-21] zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree,[^hooglied-4-5-22] die onder de leliën weiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v5)

**6** [^hooglied-4-6-23] Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v6)

**7** [^hooglied-4-7-24] Geheel bent u schoon, Mijn vriendin, en er is geen[^hooglied-4-7-25] gebrek aan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v7)

**8** [^hooglied-4-8-26] Bij Mij van de Libanon af,[^hooglied-4-8-27] o bruid! kom bij Mij van de[^hooglied-4-8-28] Libanon af; zie van de[^hooglied-4-8-29] top van[^hooglied-4-8-30] Amana, van de top[^hooglied-4-8-31] van Senir en[^hooglied-4-8-32] van Hermon, van de woningen[^hooglied-4-8-33] van de leeuwinnen, van de bergen van de[^hooglied-4-8-34] luipaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v8)

**9** U hebt[^hooglied-4-9-35] Mij het hart[^hooglied-4-9-36] genomen,[^hooglied-4-9-37] Mijn zus, o bruid![^hooglied-4-9-38] u hebt Mij het hart genomen,[^hooglied-4-9-39] met één van uw ogen, met één[^hooglied-4-9-40] keten[^hooglied-4-9-41] van uw hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v9)

**10** [^hooglied-4-10-42] Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zus, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan[^hooglied-4-10-43] wijn, en de reuk[^hooglied-4-10-44] van uw oliën dan alle[^hooglied-4-10-45] specerijen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v10)

**11** [^hooglied-4-11-46] Uw lippen, o bruid![^hooglied-4-11-47] druppen van honigzeem;[^hooglied-4-11-48] honing en melk is onder uw tong, en[^hooglied-4-11-49] de reuk van uw kleren is als[^hooglied-4-11-50] de reuk van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v11)

**12** Mijn zus, o bruid! u bent een[^hooglied-4-12-51] besloten hof,[^hooglied-4-12-52] een besloten wel,[^hooglied-4-12-53] een verzegelde fontein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v12)

**13** [^hooglied-4-13-54] Uw scheuten zijn[^hooglied-4-13-55] een paradijs van granaatappels, met[^hooglied-4-13-56] edele vruchten,[^hooglied-4-13-57] cyprus met nardus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v13)

**14** Nardus en saffraan,[^hooglied-4-14-58] kalmus en kaneel, met allerlei[^hooglied-4-14-59] bomen van wierook, mirre en[^hooglied-4-14-60] aloë, en ook[^hooglied-4-14-61] alle voornaamste[^hooglied-4-14-62] specerijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v14)

**15** [^hooglied-4-15-63] O fontein van de hoven, put[^hooglied-4-15-64] van de levende wateren,[^hooglied-4-15-65] die uit Libanon vloeien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v15)

**16** [^hooglied-4-16-66] Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind![^hooglied-4-16-67] doorwaai[^hooglied-4-16-68] mijn hof,[^hooglied-4-16-69] dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en[^hooglied-4-16-70] ate zijn[^hooglied-4-16-71] edele vruchten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/4.html#v16)

[^hooglied-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 u bent schoon: De Bruid van Christus wordt schoon genoemd, niet alleen ten aanzien dat zij in Christus wordt aangemerkt, maar ook omdat zij naar het beeld van Christus veranderd wordt van klaarheid tot klaarheid, als van de Geest van de Heer; 2 Kor. 3:18. Zie boven, Hoogl. 1:15. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen.
[^hooglied-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 u bent schoon: Zie boven, Hoogl. 1:15. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen.
[^hooglied-4-1-3]: Kanttekening 3: Zie de aantekening Hoogl. 1:15. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen.
[^hooglied-4-1-4]: Kanttekening 4: Of, tussen uw tuigen; gelijk onder vers 3. Anders: uw haarbindselen. Hooglied 4:3: Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
[^hooglied-4-1-a]: Verwijzing a: Hoogl. 4:3; Hoogl. 6:7. Hooglied 4:3: Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. Hooglied 6:7: Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
[^hooglied-4-1-b]: Verwijzing b: Hoogl. 6:5. Hooglied 6:5: Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.
[^hooglied-4-1-5]: Kanttekening 5: 5 is als een kudde: Dat is, het is schoon, glad en teder, als het haar van de geiten, die op de berg van Gilead weiden, of ergens in een goede vette landouw gaan, en daarvan vet worden en teder zacht haar krijgen; dat is, u bent versierd met goede werken.
[^hooglied-4-1-6]: Kanttekening 6: 6 berg Gileads: Deze landstreek was zeer bekwaam om het vee te weiden, vanwege haar vettigheid, gelijk blijkt uit Gen. 31:21; Num. 32:1; Jer. 22:6. Genesis 31:21: En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Numeri 32:1: De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. Jeremia 22:6: Want zo zegt YHWH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!
[^hooglied-4-1-7]: Kanttekening 7: Het Hebreeuwse woord vindt men alleen hier en onder, Hoogl. 6:5; het betekent afscheren, of kaal maken; dat is afeten. Anders: die glinsteren van de berg van Gilead. Hooglied 6:5: Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.
[^hooglied-4-2-8]: Kanttekening 8: 8 Uw tanden: Te weten, uw geestelijke tanden, met welke u het voedsel van de ziel moet herkauwen, hebben al het sieraad, dat men in de tanden zou mogen vereisen, en zijn dienvolgens bekwaam om het geestelijke voedsel te kauwen en herkauwen.
[^hooglied-4-2-9]: Kanttekening 9: Of, afgesneden zijn; of die elkaar gelijk gemaakt zijn, zo dat de één niet groter is dan de ander, anders zou het kwalijk staan en hinderlijk zijn in het kauwen van het geestelijke voedsel.
[^hooglied-4-2-10]: Kanttekening 10: 10 die uit de wasstede: Of, die opkomen van het wassen, en daarom schoon en wit zijn.
[^hooglied-4-2-11]: Kanttekening 11: Dat is, onvruchtbaar, zonder jongen.
[^hooglied-4-3-12]: Kanttekening 12: 12 Uw lippen: De lippen zijn de instrumenten om de woorden voort te brengen; en hier betekenen zij de leraars van het Woord en van die lieflijke leringen, dat met de naastvolgende woorden \[en uw spraak is lieflijk\] breder wordt te kennen gegeven.
[^hooglied-4-3-13]: Kanttekening 13: 13 als een scharlaken: Dat is, rood, dat in de lippen geprezen wordt. Het betekent dat haar leer voor de ledematen van de gemeente aangenaam is.
[^hooglied-4-3-c]: Verwijzing c: Ps. 147:1; Kolos. 4:6. Psalmen 147:1: Looft YHWH, want onze God te psalmzingen is goed, omdat Hij liefelijk is; de lof is passend. Kolossensen 4:6: Uw woord zij te alle tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u een iedereen moet antwoorden.
[^hooglied-4-3-14]: Kanttekening 14: 14 een stuk: Daar men rode korrels of granen in ziet. Onder de slaap moet men mee verstaan de rode blozende wangen, zijnde een deel van de schoonheid van het aangezicht. Maar hier betekent het schaamte, en eerbaarheid in de ledematen van de Kerk, zich nauw wachtende van iets te doen of te spreken, waar zij schaamrood van worden.
[^hooglied-4-3-15]: Kanttekening 15: Gelijk boven, vers 1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-4-4-16]: Kanttekening 16: 16 Uw hals: Dat is, uw hals is rechtop hoog en sterk, en met sieraad omhangen, gelijk die schone toren, die David gebouwd heeft. Zie Neh. 3:19, 3:25, en Micha 4:8. Maar anderen verstaan dit van de burg Davids, 2 Sam. 5:7, 5:9. Dit betekent de moed, kloekmoedigheid en zekere hoop van de kerk van Christus, die met Christus haar Hoofd verenigd zijnde, haar nek niet meer buigt om de duivel te dienen of de zonde, Rom. 6:17, 6:18; of de mensen, 1 Kor. 7:23. Maar door de wapenen van haar krijg \[die niet vleselijk zijn, maar machtig door God, om de sterken neder te werpen, 2 Kor. 10:4\], staat zij vast in de boze dag, gewapend gelijk er geschreven staat Ef. 6:11, enz. Nehemia 3:19: Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover de opgang naar het wapenhuis, aan de hoek. Nehemia 3:25: Palal, de zoon van Uzai, tegenover de hoek, en de hogen toren over, die van het huis van de koning uitsteekt, die bij de voorhof van de gevangenis is; na hem Pedaja, de zoon van Paros; Micha 4:8: En u Schaapstoren, u Ofel van de dochter van Sion! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk van de dochters van Jeruzalem. 2 Samuël 5:7: Maar David nam de burg Sion in; die is de stad van David. 2 Samuël 5:9: Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts. Romeinen 6:17: Maar Gode zij dank, dat u wel dienaren van de zonde was, maar dat u nu van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer, waartoe u overgegeven bent; Romeinen 6:18: En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienaren van de gerechtigheid. 1 Korinthiërs 7:23: U bent duur gekocht, wordt geen dienaren van de mensen. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; Efeziërs 6:11: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel.
[^hooglied-4-4-d]: Verwijzing d: Hoogl. 7:4. Hooglied 7:4: Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damascus ziet.
[^hooglied-4-4-17]: Kanttekening 17: 17 tot ophanging: Of, tot een wapenkamer, of magazijn van allerlei wapentuig. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden; en het schijnt dat hier zulke wapenen worden te verstaan gegeven, die tot kwetsing of bezering van de vijand dienen, gelijk door de rondassen en schilden zodanige wapenen, waarmee men zijn lichaam beschermt en de slagen afweert.
[^hooglied-4-4-18]: Kanttekening 18: 18 duizend rondassen: Het getal van duizend staat hier en elders voor een groot getal.
[^hooglied-4-4-19]: Kanttekening 19: 19 van de helden: Van de helden Davids en hun kloeke daden zie 2 Sam. 23:8, en 1 Kron. 11:10 tot 1 Kron. 11:47, wier schilden ter eeuwiger gedachtenis in Davids toren opgehangen zijnde, hier betekenen al diegenen, die door het schild van het geloof, vele grote en treffelijke dingen hebben uitgericht, van welke de apostel enige verhaalt Hebr., אֶלֶף, 11. 2 Samuël 23:8: Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. 1 Kronieken 11:10: Deze nu waren de hoofden van de helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israël, om hem koning te maken, naar het woord van YHWH over Israël. 1 Kronieken 11:47: Eliël en Obed, en Jaäziël van Mezobaja.
[^hooglied-4-5-e]: Verwijzing e: Hoogl. 7:3. Hooglied 7:3: Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.
[^hooglied-4-5-20]: Kanttekening 20: 20 twee borsten: Versta hier bij de twee grote borsten die leringen en vertroostingen, die in het Oude en Nieuwe Testament te vinden zijn, waarmee de gelovigen gespijsd en gelaafd worden. Zie Jes. 66:11, en 1 Petr. 2:2. Anderen verstaan door de twee borsten van de Bruid de bediening van het Woord van God en van de heilige sacramenten, waarmee de schapen en lammeren van Christus als op een goede vette weide gevoed worden. Jesaja 66:11: Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten van haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans van haar heerlijkheid. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door die mag opwassen;
[^hooglied-4-5-21]: Kanttekening 21: 21 zijn gelijk: Dat is, zij zijn beide schoon, vol, vast en elkaar gelijkvormig. Zo zijn in alle manieren het Oude en Nieuwe Testament elkaar gelijk, het een met het andere in alles accorderende en overeenkomende.
[^hooglied-4-5-22]: Kanttekening 22: 22 die onder de leliën: Te weten, in vette en gezonde weiden, betekenende de goede en gezonde leer van de kerk. Zie Hoogl. 5:13. Hooglied 5:13: Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.
[^hooglied-4-6-23]: Kanttekening 23: De Bruidegom beantwoordt hier de zwarigheid, die zijn Bruid mocht voorwerpen, zeggende: Heer Jezus Christus, ben ik zo schoon in uw ogen, waarom wacht U zolang met het houden van onze bruiloft? Hierop antwoordt de Bruidegom: U moet verwachten de tijd, die hiertoe van eeuwigheid bestemd en besloten is; te weten de tijd van de oprichting van alle dingen; Hand. 3:21. Dat is, totdat de avond of het einde van de wereld komt, dan zal Ik u tot mij opnemen, middelerwijl zal Ik tot de mirreberg gaan; dat is ten hemel opvaren, waarheen de gelovigen dagelijks hun gebeden \[die als een welriekende mirre en wierook zijn; Hoogl. 5:13\] opofferen en heenzenden; Ik daar zijnde en blijvende uw Voorspreker bij mijn hemelsen Vader. Handelingen 3:21: Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Hooglied 5:13: Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.
[^hooglied-4-7-24]: Kanttekening 24: Boven, vers 1, en Hoogl. 1:15, wordt de Bruid schoon genoemd; hier wordt zij geheel schoon genoemd, omdat zij in Christus geheel schoon en volmaakt is, Ef. 5:25, 5:26, 5:27; Kol. 1:22; en Kol. 2:10; Openb. 14:5. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Kolossensen 1:22: In het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldig voor Zich stellen; Kolossensen 2:10: En u bent in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; Openbaring 14:5: En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor de troon van God.
[^hooglied-4-7-25]: Kanttekening 25: Zie van dit woord Spr. 9:7. Spreuken 9:7: Wie de spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
[^hooglied-4-8-26]: Kanttekening 26: 26 Bij Mij: Dit spreekt Christus tot zijn Bruid, die Hij straks gezegd heeft heel schoon te zijn. De zin is: Kom tot mij in de hemel, die u nu door het geloof aanschouwt, als u het beloofde land Kanaän zaagt van boven de omliggende bergen, die hier genoemd worden, zijnde nog onder de tirannen gezeten, die men hier moet verstaan door de leeuwen en luipaarden. Zie Ps. 57:4. Enige verstaan hier door deze bergen aan verscheidene hoeken van het Joodse land liggende, niet alleen de beroeping van de Joden, maar ook van de heidenen in die vier hoeken van de wereld verstrooid. Psalmen 57:4: Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
[^hooglied-4-8-27]: Kanttekening 27: 27 o bruid: Aldus wordt de kerk hier en in het volgende genoemd, ten aanzien van het geestelijke huwelijk met haar Bruidegom Christus, dat in de dag van de bruiloft in de hemel zal voltrokken worden. Zie Joh. 3:29; 2 Kor. 11:2, en Ef. 5:25; Openb. 19:7, en Openb. 21:2, 21:9. Johannes 3:29: Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. 2 Korinthiërs 11:2: Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Openbaring 19:7: Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Openbaring 21:9: En tot mij kwam één van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam.
[^hooglied-4-8-28]: Kanttekening 28: 28 Libanon af: Libanon, of Libanus, is wel een zeer lustige plaats geweest, Deut. 3:25, maar bij andere vruchtbare plaatsen vergeleken zijnde, was het een wildernis, Jes. 29:17, en als een wildbaan, of jachtplaats, 2 Kon. 14:9, waarop hier gezien wordt. Maar op andere plaatsen van de Heilige Schrift betekent Libanus voortreffelijke en lieflijke dingen, ten aanzien van de menigte van de schone bomen, die daarop wiessen; gelijk Hoogl. 3:9, en Hoogl. 5:15. Deuteronomium 3:25: Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon! Jesaja 29:17: Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden? 2 Koningen 14:9: Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. Hooglied 3:9: De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. Hooglied 5:15: Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.
[^hooglied-4-8-29]: Kanttekening 29: Of, spits. Hebreeuws, רֹאשׁ, het hoofd.
[^hooglied-4-8-30]: Kanttekening 30: Dit is een berg in Syrië, waar een vallei en rivier was, die dezelfde naam hadden, anders genoemd Abana, 2 Kon. 5:12. Strabo zegt, lib. 14, dat deze berg is bezeten geweest van verscheidene tirannen. 2 Koningen 5:12: Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid.
[^hooglied-4-8-31]: Kanttekening 31: Van de bergen Senir en Hermon zie Deut. 3:9. Senir is hier te nemen voor een deel van de berg Hermon. Deuteronomium 3:9: (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
[^hooglied-4-8-32]: Kanttekening 32: Hermon is een vermaarde berg, van welke te lezen is Ps. 42:7, en Ps. 89:13. Hij wordt anders Sion genoemd, met een S.; Deut. 4:48. Psalmen 42:7: O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik U uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. Psalmen 89:13: Het noorden en het zuiden, die hebt U geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam. Deuteronomium 4:48: Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, welke is Hermon;
[^hooglied-4-8-33]: Kanttekening 33: 33 van de leeuwinnen: Of, van de leeuwen.
[^hooglied-4-8-34]: Kanttekening 34: 34 van de bergen van de luipaarden: Hierbij verstaan enige: verlost en bevrijd zijnde, zult u zien het gevaar waarin u geweest bent. En aan de andere zijde zult u zien de gelukkigen staat, waar u toe gebracht bent; of iets dergelijks; zie 1 Kor. 6:9, 6:10, 6:11. 1 Korinthiërs 6:9: Of weet u niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven? 1 Korinthiërs 6:10: Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods;
[^hooglied-4-9-35]: Kanttekening 35: 35 Mij het hart: Of, mijn hart hebt u genomen.
[^hooglied-4-9-36]: Kanttekening 36: Of, beroofd, of gewond; te weten door liefde. Zie Jes. 62:5. Het Hebreeuwse woord betekent: U hebt mij gehard, of onthart. De zin is: U hebt mijn gunst en liefde verworven, niettegenstaande uw veelvoudige gebreken. Jesaja 62:5: Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn.
[^hooglied-4-9-37]: Kanttekening 37: 37 Mijn zus: Aldus wordt de kerk genoemd ten aanzien dat Christus onzer aller broer is, hebbende ons vlees en bloed aangenomen en ons door het geloof tot Gods kinderen en zijn broers en medeërfgenamen gemaakt. Zie Matt. 12:50; Joh. 1:13; Rom. 8:16, 8:17; Hebr. 2:11. Mattheüs 12:50: Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemel is, die is Mijn broer, en zus, en moeder. Johannes 1:13: Welke niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Hebreeën 2:11: Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broers te noemen.
[^hooglied-4-9-38]: Kanttekening 38: 38 u hebt Mij het hart genomen: En daarom mag u wel gerust en verzekerd zijn, dat Ik u voor altijd niet verlaten zal.
[^hooglied-4-9-39]: Kanttekening 39: 39 met één van uw ogen: Dat is, door het ware geloof, waarmee u mij aanschouwt en omhelst als uw lieven Bruidegom, wint u mij het hart af. Zonder geloof kunnen wij God niet behagen; Hebr. 11:6. Hebreeën 11:6: Maar zonder geloof is het onmogelijk voor God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.
[^hooglied-4-9-40]: Kanttekening 40: Dat is met het sieraad van uw goede werken, uit een waar geloof spruitende; zie Spr. 1:9. Deze keten hebben wij van onszelven niet, maar door de genade van God, gelijk te zien is Hoogl. 1:11. God kroont in ons zijn eigen gaven. Spreuken 1:9: Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals. Hooglied 1:11: Wij zullen u gouden kettinkjes maken, met zilveren stipjes.
[^hooglied-4-9-41]: Kanttekening 41: Te weten, hangende.
[^hooglied-4-10-42]: Kanttekening 42: 42 Hoe schoon: Dat is, hoe vermakelijk en hoe aangenaam is het mij, dat Ik uw liefde te mijwaarts bespeur. Zie boven, Hoogl. 1:2. Deze liefde is gelegen in het onderhouden van de geboden van Christus; 1 Joh. 2:3, 2:4, 2:5. Hooglied 1:2: Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. 1 Johannes 2:3: En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. 1 Johannes 2:4: Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet; 1 Johannes 2:5: Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde van God volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.
[^hooglied-4-10-43]: Kanttekening 43: Zie de aantekening boven, Hoog. 1:2,4.
[^hooglied-4-10-44]: Kanttekening 44: 44 uw oliën: Versta door de oliën of zalven de gaven van de Heilige Geest, welke de kerk ontvangen heeft. Zie Filipp. 4:18; 1 Joh. 2:20, 2:27. Hoogl. 1:3 roemt de Bruid de reuk van de oliën of zalven. Zie de aantekening daar. Zo roemt hier de Bruidegom de oliën van de Bruid. Zie Jes. 62:4, 62:5. Filippensen 4:18: Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, voor God welgevallig. 1 Johannes 2:20: Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven. Hooglied 1:3: Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Jesaja 62:4: Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar u zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want YHWH heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. Jesaja 62:5: Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn.
[^hooglied-4-10-45]: Kanttekening 45: Dat is, welriekende kruiden, gelijk die waren, waar de heilige zalf of olie van gemaakt was, Ex. 30:23. Zie ook 2 Kron. 9:1, 9:8, en 2 Kron. 16:14; Esth. 2:12. Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; 2 Kronieken 9:1: En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zware legermacht, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. 2 Kronieken 9:8: Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, YHWH, uw God, tot een koning te zetten; omdat uw God Israël bemint, om het tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. 2 Kronieken 16:14: En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een geheel grote branding. Esther 2:12: Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot de koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet van de vrouwen geschied was; want zo werden vervuld de dagen van haar versieringen, zes maanden met mirreolie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen van de vrouwen;
[^hooglied-4-11-46]: Kanttekening 46: 46 Uw lippen: Met welke u God aanroept, zijn Woord predikt, zijn naam looft en prijst en uw naaste sticht.
[^hooglied-4-11-47]: Kanttekening 47: Dat is, uw redenen zijn mij zo lieflijk en aangenaam als voor de mensen het honigzeem. Zie deze gelijkenis ook Ps. 19:11, en Ps. 119:103. Psalmen 19:11: Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Psalmen 119:103: Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
[^hooglied-4-11-48]: Kanttekening 48: 48 honig en melk: Dit betekent hetzelfde dat straks gezegd is. Zie 1 Petr. 2:2. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door die mag opwassen;
[^hooglied-4-11-49]: Kanttekening 49: 49 de reuk uw kleren: Dat is, uw goede werken.
[^hooglied-4-11-50]: Kanttekening 50: 50 de reuk van Libanon: Op de berg Libanon wiessen vele welriekende bomen en kruiden, in het bijzonder wierookbomen, waar de berg Libanon zijn naam van heeft, want Lebona betekent wierook. Hos. 14:6, 14:7, 14:8, belooft God Israël dat zijn reuk zou zijn als de Libanon, door de dauw van zijn genade. Zie 2 Kor. 2:14, 2:15. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Hosea 14:7: Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als die van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. Hosea 14:8: Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon. 2 Korinthiërs 2:14: En Gode zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus, en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 2 Korinthiërs 2:15: Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan;
[^hooglied-4-12-51]: Kanttekening 51: 51 besloten hof: Of, gegrendelde, toegesloten, in slot gedane hof. Hiermee wordt de onbevlekte, geestelijke reinheid en kuisheid van de kerk beduid, die de vreemden vrijers of verleiders geen toegang geeft. Maar anderen verstaan dit van de bescherming Gods, die zijn kerk bewaart voor de wilde dieren; dat is voor de wrede tirannen. Jes. 5 vergelijkt God zijn kerk bij een besloten wijnstok; en Zach. 2:5 belooft Hij rondom Jeruzalem te zullen zijn een vurige muur. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
[^hooglied-4-12-52]: Kanttekening 52: 52 een besloten wel: Uit welke het klare water van het heilig Evangelie is spruitende, waarmee de bedroefde harten en gemoederen verkwikt en gelaafd worden, Ps. 23:2; achtervolgens de belofte, die God zijn kerk doet, Jes. 58:11. En daarom wordt deze wel of springader gezegd besloten te zijn, omdat dit water van de genade alleen aan de ledematen van de kerk toekomt. Niemand komt daartoe dan door Christus. Psalmen 23:2: Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. Jesaja 58:11: En YHWH zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken.
[^hooglied-4-12-53]: Kanttekening 53: 53 een verzegelde fontein: Versta hierdoor de verzekering of bevestiging van de genade, die Christus zijn gemeente bewijst, zie 2 Kor. 1:22; Ef. 1:13; ja zijn gemeente alleen, want dat men verzegelt, dat maakt men anderen niet deelachtig. Zie Jes. 8:16. 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Efeziërs 1:13: In Welke ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte; Jesaja 8:16: Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.
[^hooglied-4-13-54]: Kanttekening 54: 54 Uw scheuten: Of, uw planten, of ranken, of plantsoenen; dat is, de gelovigen en ledematen van de kerk zijn overvloediglijk met goede werken versierd en vervuld, gelijk een granaatappel vol korrels is. Zij zijn als vruchtbare bomen geplant bij een vers water, Ps. 1:3, en Ps. 92:13. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon.
[^hooglied-4-13-55]: Kanttekening 55: 55 een paradijs: Of, lusthof, schone boomgaard. Het betekent eigenlijk een plaats met bomen beplant, gelijk blijkt uit Pred. 2:5; het wordt ook somtijds genomen voor een bos of woud, Neh. 2:8. Prediker 2:5: Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in die, van allerlei vrucht. Nehemia 2:8: Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.
[^hooglied-4-13-56]: Kanttekening 56: 56 edele vruchten: Of, uitnemende, voortreffelijke vruchten. Versta hierdoor de goede werken van de gelovigen, die God aangenaam zijn, gelijk granaatappelen en andere lieflijke vruchten voor de mensen zijn.
[^hooglied-4-13-57]: Kanttekening 57: 57 cyprus met nardus: Zie boven, Hoogl. 1:14. Hebreeuws, cyprussen met nardussen, of veel cyprus met veel nardus. Daarom wordt het woord nardus hier gesteld in het getal van velen, en vers 14; in het getal van een, omdat er verscheidene soorten van nardus zijn; of versta hier de bladeren van cyprus en nardus, die ook wèl rieken. Hooglied 1:14: Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi. Hooglied 4:14: Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, en ook alle voornaamste specerijen.
[^hooglied-4-14-58]: Kanttekening 58: 58 kalmus en kaneel: Anders, zoet riet, kalmus en kaneel werden gebruikt in de heilige olie, Ex. 30:23, gelijk de mirre in de olie van de zalving; Ex. 30:23 tot Ex. 30:34. Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; Exodus 30:34: Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.
[^hooglied-4-14-59]: Kanttekening 59: 59 bomen van wierook: Dat is, van zulke bomen, die wierook geven.
[^hooglied-4-14-60]: Kanttekening 60: Of, sandelboom. Zie Num. 24:6; Spr. 7:17, en Ps. 45:9. Numeri 24:6: Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; YHWH heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water. Spreuken 7:17: Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt; Psalmen 45:9: Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
[^hooglied-4-14-61]: Kanttekening 61: 61 alle voornaamste: Hebreeuws, alle hoofdspecerijen; dat is allerlei voornaamste specerijen. Zie Ex. 30:23. Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
[^hooglied-4-14-62]: Kanttekening 62: Versta hierbij, uit vers 13, zijn uw scheuten, of ranken. En door deze lieflijke, welriekende kruiden of specerijen worden te kennen gegeven de velerlei gaven van de Heilige Geest, waarmee de godzaligen begenadigd zijn; zie 1 Kor. 12:5, 12:6, enz.; Gal. 5:22, 5:23; 1 Petr. 4:10. Hooglied 4:13: Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; 1 Korinthiërs 12:5: En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer; 1 Korinthiërs 12:6: En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Galaten 5:22: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Galaten 5:23: Tegen de zodanigen is de wet niet. 1 Petrus 4:10: Een ieder, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij die aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God.
[^hooglied-4-15-63]: Kanttekening 63: 63 O fontein: Met deze woorden roemt de Bruid haar Bruidegom, die haar begiftigt met overvloed van wateren, dat is, met vele voortreffelijke geestelijke gaven, waarmee al de hoven, dat is al de gemeenten bewaterd en bevochtigd worden om overvloedige vruchten te dragen. Zie Jes. 58:11. Jesaja 58:11: En YHWH zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken.
[^hooglied-4-15-64]: Kanttekening 64: 64 van de levende wateren: Dat is, van de gedurige wateren, altijd lopende, nimmermeer verdrogende of vervuilende, maar de mensen met hun lieflijkheid verversende. Zie Gen. 26:19. Dusdanig water geeft Christus de zijnen. Zie Joh. 4:10, 4:14, en Joh. 7:38, 7:39, en Jes. 12:3. Genesis 26:19: De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water. Johannes 4:10: Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben. Johannes 4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Johannes 7:38: Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. Johannes 7:39: (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) Jesaja 12:3: En u zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen van het heil;
[^hooglied-4-15-65]: Kanttekening 65: 65 die uit Libanon: Het schijnt dat hier gezien wordt op de rivier de Jordaan, die haar oorsprong neemt aan de voet van de Libanon, en zij liep langs door het beloofde land, het bevochtigende. Daar staat Openb. 22:1, dat er uit de troon van God en van het Lam \[dat Christus is\] een zuivere stroom van het levende water voortkwam. Openbaring 22:1: En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.
[^hooglied-4-16-66]: Kanttekening 66: Of, rijs op, sta op. Dit is ook een zegen, die God over zijn hof, dat is over zijn kerk zendt. Te weten, dat de winden daarop waaien, om die te verversen en de lucht te zuiveren, en zo hem vruchtbaarder te maken. Versta hier door de wind de Heilige Geest, gelijk Joh. 3:8, en Hand. 2:2. En ofschoon de zuider- en noordenwind van verscheiden kwaliteiten en werkingen zijn, de één zijnde koud, de andere warm, de één vochtig, de ander droog, zo zijn zij nochtans beide voor deze hof of de kerk van God bevorderlijk, die somtijds scherpe bestraffingen, somtijds ook kalmte en zoete vertroosting nodig heeft. Johannes 3:8: De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid; maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is. Handelingen 2:2: En er geschiedde haastig uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
[^hooglied-4-16-67]: Kanttekening 67: Het is God, die de winden voortbrengt uit zijn schatkamers; Ps. 135:7. Psalmen 135:7: Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort.
[^hooglied-4-16-68]: Kanttekening 68: 68 mijn hof: Merk dat de kerk deze hof noemt haar hof, ook zijn: te weten Christus' hof, ten verscheiden opzien. Christus is de eigenaar en erfgenaam van deze hof; maar de opzieners van de kerk zijn Gods akkerlieden en medewerkers in deze hof, dat is gemeente, waaraan ieder lidmaat de geestelijke gemeenschap mee heeft; 1 Kor. 3:9. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.
[^hooglied-4-16-69]: Kanttekening 69: 69 dat zijn specerijen: Dat is, opdat de reuk verspreid worde.
[^hooglied-4-16-70]: Kanttekening 70: Dat is, dat Hij de vruchten geniete, die wij door Hem, door de werking en kracht zijns Geestes, voortbrengen, waardoor wij schuldig zijn Hem te eren; Rom. 6:22. Romeinen 6:22: Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en voor God dienstbaar gemaakt zijnde, hebt u uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.
[^hooglied-4-16-71]: Kanttekening 71: 71 edele vruchten: Zie boven, vers 13. Hooglied 4:13: Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;

### Hooglied 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/5.json)

*Hier antwoordt de Bruidegom op de uitnodiging van de Bruid, hoofdstuk 4:16, en geeft te kennen dat Hij een bijzonder welbehagen heeft in de vruchten van de Bruid, vers 1. Zij erkent dat zij eens verzuimd heeft haar Bruidegom binnen te laten, 2; maar dat, toen zij daarna opgestaan was om Hem binnen te laten, 5, Hij weggegaan was, wat haar zeer bedroefde, 6; in welke ellende zij geraakt was toen zij Hem zocht, 7. Zij geeft haar gezellinnen haar uitnemend grote liefde tot Hem te kennen, 8, met een beschrijving van zijn schone gestalte, 10.*

**1** Ik ben[^hooglied-5-1-1] in Mijn hof gekomen,[^hooglied-5-1-2] o Mijn zus, o bruid![^hooglied-5-1-3] Ik heb[^hooglied-5-1-4] Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn[^hooglied-5-1-5] honigraten met Mijn honing[^hooglied-5-1-6] gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken.[^hooglied-5-1-7] Eet,[^hooglied-5-1-8][^hooglied-5-1-a] vrienden! drink, en[^hooglied-5-1-9] wordt dronken, o liefsten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v1)

**2** [^hooglied-5-2-10] Ik sliep,[^hooglied-5-2-11] maar mijn hart waakte, de stem van mijn Liefste, Die[^hooglied-5-2-12] klopte, was:[^hooglied-5-2-13] Doe Mij open,[^hooglied-5-2-14] Mijn zus, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte! want[^hooglied-5-2-15] Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v2)

**3** [^hooglied-5-3-16] Ik heb mijn rok uitgetogen,[^hooglied-5-3-17] hoe zal ik hem weer aantrekken?[^hooglied-5-3-18] Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v3)

**4** Mijn Liefste[^hooglied-5-4-19] trok Zijn hand van het gat van de deur; en[^hooglied-5-4-20] mijn binnenste[^hooglied-5-4-21] werd ontroerd[^hooglied-5-4-22] om Zijnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v4)

**5** [^hooglied-5-5-23] Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten[^hooglied-5-5-24] van mirre, en mijn vingers[^hooglied-5-5-25] van vloeiende[^hooglied-5-5-26] mirre, op de[^hooglied-5-5-27] handvaten van het slot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v5)

**6** [^hooglied-5-6-28] Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste[^hooglied-5-6-29] was geweken, Hij was doorgegaan;[^hooglied-5-6-30] mijn ziel ging[^hooglied-5-6-31] uit vanwege Zijn spreken;[^hooglied-5-6-b] ik zocht Hem, maar[^hooglied-5-6-32] ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet.[^hooglied-5-6-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v6)

**7** De wachters, die in de stad omgingen,[^hooglied-5-7-34] vonden mij,[^hooglied-5-7-35] zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn[^hooglied-5-7-36] sluier van mij.[^hooglied-5-7-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v7)

**8** [^hooglied-5-8-c] Ik bezweer u, u[^hooglied-5-8-38] dochters van Jeruzalem![^hooglied-5-8-39] als u mijn Liefste vindt,[^hooglied-5-8-40] wat zult u Hem aanzeggen? Dat ik ziek ben van liefde.[^hooglied-5-8-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v8)

**9** Wat is uw Liefste meer[^hooglied-5-9-42] dan een ander liefste,[^hooglied-5-9-43] o u schoonste onder de vrouwen![^hooglied-5-9-44] wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat u ons zo bezworen hebt![^hooglied-5-9-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v9)

**10** Mijn Liefste is[^hooglied-5-10-46] blank en rood,[^hooglied-5-10-47] Hij draagt de banier[^hooglied-5-10-48] boven tien duizend.[^hooglied-5-10-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v10)

**11** Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn[^hooglied-5-11-50] haarlokken[^hooglied-5-11-51] zijn gekruld, zwart als een raaf.[^hooglied-5-11-52][^hooglied-5-11-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v11)

**12** [^hooglied-5-12-d] Zijn ogen zijn als van de duiven[^hooglied-5-12-54] bij de waterstromen, met melk gewassen,[^hooglied-5-12-55] staande als in kasjes van de ringen.[^hooglied-5-12-56][^hooglied-5-12-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v12)

**13** Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als geurende[^hooglied-5-13-58] torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van[^hooglied-5-13-59] vloeiende mirre.[^hooglied-5-13-60][^hooglied-5-13-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v13)

**14** Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois;[^hooglied-5-14-62] Zijn buik is[^hooglied-5-14-63] als blinkend[^hooglied-5-14-64] elpenbeen, overtogen met saffieren.[^hooglied-5-14-65][^hooglied-5-14-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v14)

**15** Zijn benen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon,[^hooglied-5-15-67] uitverkoren als de cederen.[^hooglied-5-15-68][^hooglied-5-15-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v15)

**16** Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste;[^hooglied-5-16-70] ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem![^hooglied-5-16-71][^hooglied-5-16-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/5.html#v16)

[^hooglied-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 in Mijn hof: Dat is, in mijn gemeente. Hier antwoordt de Bruidegom op het verzoek van de Bruid, Hoogl. 4:16. Hij is bereid om te doen de begeerte dergenen, die Hem vrezen, Ps. 145:19. Zie ook Ex. 20:24. Hooglied 4:16: Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! Psalmen 145:19: Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen. Exodus 20:24: Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
[^hooglied-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 o Mijn zus: Zie boven Hoogl. 4:8, 4:9. Hooglied 4:8: Bij Mij van de Libanon af, o bruid! kom bij Mij van de Libanon af; zie van de top van Amana, van de top van Senir en van Hermon, van de woningen van de leeuwinnen, van de bergen van de luipaarden. Hooglied 4:9: U hebt Mij het hart genomen, Mijn zus, o bruid! u hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met een keten van uw hals.
[^hooglied-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 Ik heb: Dat is, Ik heb genoten de gebeden en dankzeggingen van de gelovigen, en ook de goede en lieflijke vruchten van de goede werken, die Ik in u teweeg gebracht heb door de krachtige werking van de Heilige Geest. Van de kostelijkheid van de mirre, zie boven Hoogl. 1:13. Hooglied 1:13: Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten overnacht.
[^hooglied-5-1-4]: Kanttekening 4: 4 Mijn mirre: Merk hier aan dat Christus al deze gerechten noemt zijn gerechten; Hij zegt: mijn mirre, mijn specerij, enz. want zonder Hem kunnen wij niets doen, Joh. 1:16, en Joh. 15:5, en 1 Kor. 4:7; Hand. 3:18. Johannes 1:16: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. 1 Korinthiërs 4:7: Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen hadt? Handelingen 3:18: Maar God heeft zo vervuld, wat Hij door de mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.
[^hooglied-5-1-5]: Kanttekening 5: Het woord van God en de leer, en ook de gehoorzaamheid daaraan, en het gebruik van de heilige sacramenten, worden vergeleken bij voedsel, honigraten, wijn en melk, Ps. 19:11, en Ps. 119:103; Jes. 55:1; Joh. 4:34, en 1 Petr. 2:2. Omdat, gelijk honig, wijn en melk lieflijk en bekwaam zijn tot voedsel van het lichaam, zo zijn ook de voorgemelde zaken lieflijk en bekwaam om de ziel te laven en te verkwikken. Psalmen 19:11: Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Psalmen 119:103: Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! Jesaja 55:1: O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Johannes 4:34: Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door die mag opwassen;
[^hooglied-5-1-6]: Kanttekening 6: Dat is, Ik heb een lust en welgevallen aan uw goede vruchten in het voorgaande verhaal en goede werken. Daarentegen worden de kwade vruchten van de zondaren genoemd vergiftige wijndruiven, die bittere beziën hebben; Deut. 32:32, 32:33. Deuteronomium 32:32: Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien. Deuteronomium 32:33: Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.
[^hooglied-5-1-7]: Kanttekening 7: Hier nodigt de Bruidegom Christus zijn vrienden, de engelen en alle gelovige mensen, dat zij zich met Hem verheugen vanwege de schone en lieflijke vruchten, dat is de gehoorzaamheid van zijn kerk op aarde; zie Luk. 2:13, 2:14, en Luk. 15:7, 15:10. Lukas 2:13: En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van het hemelse heirleger, prijzende God en zeggende: Lukas 2:14: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Lukas 15:7: Ik zeg u, dat er zo blijdschap zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben. Lukas 15:10: Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar, die zich bekeert.
[^hooglied-5-1-8]: Kanttekening 8: Die zijn vrienden van Christus, die daar doen de wil van zijn hemelsen Vader; Joh. 15:14. Johannes 15:14: U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede.
[^hooglied-5-1-a]: Verwijzing a: Jes. 41:8; Jak. 2:23. Jesaja 41:8: Maar u, Israël, Mijn knecht! u Jakob, die Ik gekozen heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! Jakobus 2:23: En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^hooglied-5-1-9]: Kanttekening 9: 9 wordt dronken: Zie de aantekening Gen. 43:34; wees dronken, is hier te zeggen: wees vervuld met liefde tot mij en tot elkaar, of wees overvloediglijk verzaad met geestelijke vreugde, die daar blijft tot in het eeuwige leven. Zie Spr. 9:5; Jes. 25:6, en Jes. 55:1, 55:2. Genesis 43:34: En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. Spreuken 9:5: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn, die Ik gemengd heb. Jesaja 25:6: En YHWH van de legermachten zal op deze berg alle volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. Jesaja 55:1: O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Jesaja 55:2: Waarom weegt u geld uit voor wat geen brood is, en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
[^hooglied-5-2-10]: Kanttekening 10: 10 Ik sliep: Hier wordt aangewezen dat de Bruid, of enige lidmaten van de kerk, nadat zij wel gegeten en gedronken hebben, dat is overvloediglijk de weldaden van Christus genoten hebben, somtijds in slaap of sluimer vallen; dat is, traag en slap in ijver en goede werken worden, en in vleselijke gerustheid en zorgeloosheid vervallen. Zie Matt. 25:5; Rom. 13:11; 1 Thess. 5:6, 5:7. Mattheüs 25:5: Als nu de bruidegom bleef, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap. Romeinen 13:11: En dit zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit de slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. 1 Thessalonicensen 5:6: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn. 1 Thessalonicensen 5:7: Want die slapen, slapen 's nachts, en die dronken zijn, zijn 's nachts dronken;
[^hooglied-5-2-11]: Kanttekening 11: 11 maar mijn hart: Dat is, ik vergat evenwel mijn Bruidegom niet, maar hield Hem steeds in mijn hart. Versta hier door het hart de inwendigen mens, of de wedergeboren mens, die gesteld wordt tegen het vlees, of de uiterlijken mens; Rom. 2:28, 2:29; zie ook Matt. 26:41; Gal. 5:17. Romeinen 2:28: Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 2:29: Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Mattheüs 26:41: Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Galaten 5:17: Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, zo dat u niet doet, wat u wilde.
[^hooglied-5-2-12]: Kanttekening 12: De Bruid vertelt hier de liefde en zorg van haar Bruidegom, die haar niet wil laten rusten in het bed van het wereldse gemak. Christus klopt aan de deur van ons hart door zijn Woord, door zijn Geest en door kruis of kastijding, Openb. 3:20. Openbaring 3:20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
[^hooglied-5-2-13]: Kanttekening 13: 13 Doe Mij open: Of, open mij; te weten de deur van uw hart; sta op van de slaap van de zonde, laat mij in uw hart wonen door het geloof, het opwekkende.
[^hooglied-5-2-14]: Kanttekening 14: 14 Mijn zus: Deze lieflijke namen, die Christus zijn Bruid hier geeft \[zij nog zijnde in haar zwakheid\] geven te kennen zijn uitnemende genegenheid en liefde tot haar, haar beminnende, onaangezien zij nog in dit zondige vlees leeft en wandelt, haar haar zonden en onvolmaaktheden niet toerekenende.
[^hooglied-5-2-15]: Kanttekening 15: 15 Mijn hoofd is vervuld: Dat is, Ik heb veel ongemak geleden. Hiermee wordt te kennen gegeven dat Christus veel lijden en veel zwarigheid zou uitstaan om zijn Bruid te verlossen en haar van haar zonden te reinigen. Want nat te zijn van de dauw van de hemel is groot ongemak, Gen. 31:40, en het beduidt hier ellende en lijden, gelijk Dan. 4:25; gelijk ook de regen als men niet overdekt is. Zo betekenen ook droppelen inwatering, dat is kwellingen of tegenspoeden, Amos 6:11. Anderen nemen deze woorden aldus: Gelijk de dauw en regen het land vruchtbaar maken, zo maakt de leer van Christus dat zijn kerk vele vruchten voortbrengt. Zie Deut. 32:2; Ps. 72:6; Hos. 14:6. Genesis 31:40: Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week. Daniël 4:25: Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, aan wie Hij wil. Amos 6:11: Want ziet, YHWH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Psalmen 72:6: Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.
[^hooglied-5-3-16]: Kanttekening 16: 16 Ik heb mijn rok: Dit antwoordt de Bruid haar Bruidegom, weigerende op te staan om Hem in te laten, toen Hij aanklopte. Door het uittrekken van de rok en het liggen in het bed kan men hier verstaan het gemak van deze wereld, welke ook somtijds de ware gelovige kinderen van God verhindert en ophoudt, dat zij Christus en zijn Woord zo straks niet openlijk of vrijmoedig belijden, gelijk Hij aanklopt en zijn genade haar aanbiedt, vrezende het ongemak, dat daarmee vermengd is.
[^hooglied-5-3-17]: Kanttekening 17: 17 hoe zal ik hem: Alsof zij zei: Ik kan hem niet aantrekken zonder moeite.
[^hooglied-5-3-18]: Kanttekening 18: 18 Ik heb mijn voeten: Dit is nog een argument, aanwijzende dat de Bruid zich tot rust en gemak begeven had; want in die hete landen, waar zij gemeenlijk barrevoets gingen, plachten zij 's avonds, als zij op hun rust gingen, hun voeten te wassen. Dat de Bruid gedaan hebbende, zo wilde zij \[gelijk zij hier zegt\] niet graag van het bed opstaan om haar Bruidegom in te laten, vrezende die vuil te maken. Van zulke onnutte uitvluchten, zie Luk. 14:18, enz. Lukas 14:18: En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
[^hooglied-5-4-19]: Kanttekening 19: 19 trok Zijn hand: Zijn hand, die aan het gat van de deur geweest was, trok Hij nu af, om weg te gaan, gelijk volgt vers 6. Anders: stak zijn hand door het gat van de deur; te weten om de deur te openen; en zo zou hier gesproken worden van de deur van het hart, en te kennen gegeven worden dat Christus bij zijn uitverkorenen aanhoudt met prediken en vermanen, als zij Hem niet straks volgen, hun harten zo aanroerende door de kracht en werking van de Heilige Geest, dat Hij in hen een brandende liefde en verlangen tot zich verwekt. Hooglied 5:6: Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet.
[^hooglied-5-4-20]: Kanttekening 20: 20 mijn ingewand: Hebreeuws, מֵעַ, mijn ingewanden.
[^hooglied-5-4-21]: Kanttekening 21: 21 werd ontroerd: Met deze woorden geeft de Bruid haar ongerustheid, hartelijke droefenis en leedwezen te kennen, omdat zij haar Beminde zo onbeleefdelijk afgezet had, als Hij aanklopte, vers 3. Zie dergelijke manier van spreken Jer. 4:19, en Jer. 31:20. Hooglied 5:3: Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen? Jeremia 4:19: O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei. Jeremia 31:20: Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zekerlijk over hem ontfermen, spreekt YHWH.
[^hooglied-5-4-22]: Kanttekening 22: 22 om Zijnentwil: Of van zijnentwege, te weten vanwege de Bruidegom. Hebreeuws, over hem.
[^hooglied-5-5-23]: Kanttekening 23: 23 Ik stond op: Hier bewijst de Bruid haar leedwezen, met uiterlijke tekenen van berouw en beterschap \[vruchten die van de bekering waard zijn\] met op te staan, de deur te openen, te zoeken, roepende haar Bruidegom, die van haar was weggegaan.
[^hooglied-5-5-24]: Kanttekening 24: 24 van mirre: Versta hier door mirre mirreolie, waarmee te kennen gegeven wordt dat de aanroering en werken van Christus door zijn Heilige Geest, in de harten van de gelovigen grote kracht heeft, en dat zij, zulks in hun harten gevoelende, met geloof en boetvaardigheid, \[als welriekende specerijen\] zich bereiden om haar Bruidegom te ontvangen.
[^hooglied-5-5-25]: Kanttekening 25: 25 vloeiende mirre: Of, vlietente. Hebreeuws, voorbijgaande, of voortgaande mirre of overtreffende mirre; dat is, die anderen tebovengaat in waardigheid.
[^hooglied-5-5-26]: Kanttekening 26: 26 op de: Dat is, die aan de handvatsels van het slot was.
[^hooglied-5-5-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, יָדַ, handen of palmen; dat is handvatsels, waar men de hand aan slaat. Anders, grendels; en versta hier de grendels, waarmee de deur van binnen was gegrendeld geweest, Christus buiten de deur houdende en Hem verhinderende binnen te komen, welke nu met mirreolie bestreken zijnde, dat is, haar hart met de genadeolie gezalfd zijnde, en zo alle sloten en grendels, dat is alle hindernissen, geweerd zijnde, de Bruidegom ongehindert mocht bij haar binnenkomen om de vruchten te genieten van zijn genade, die zij van Hem ontvangen had.
[^hooglied-5-6-28]: Kanttekening 28: 28 Ik deed: Dit gaat nog een trap verder, te weten, dat zij opgestaan zijnde, zelve de deur opent, opdat de Koning van de eer tot haar zou mogen inkomen, ter zijde stellende alle uitvluchten, haar verhinderende van het genieten van zijn lieflijke aanwezigheid.
[^hooglied-5-6-29]: Kanttekening 29: 29 was geweken: Door de verdubbeling van deze rede, met welke de Bruid klaagt over het weggaan van haar Bruidegom, wordt te kennen gegeven haar hartelijke droefenis, omdat zij zijn aanwezigheid niet mocht genieten, gelijk zij in vorige tijden gedaan had.
[^hooglied-5-6-30]: Kanttekening 30: 30 Hij was doorgegaan: Door de verdubbeling van deze rede, met welke de Bruid klaagt over het weggaan van haar Bruidegom, wordt te kennen gegeven haar hartelijke droefenis, omdat zij zijn aanwezigheid niet mocht genieten, gelijk zij in vorige tijden gedaan had.
[^hooglied-5-6-31]: Kanttekening 31: 31 mijn ziel ging uit: Dat is, ik was als dood; te weten van schrik en vrees. Zie Gen. 35:18, en Gen. 42:28, en de aantekening daar; als ook 1 Kon. 10:5. Of, mijn ziel ging uit; te weten vanwege de grote liefde en het hartelijk verlangen, dat ik naar Hem had. Genesis 35:18: En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. Genesis 42:28: En hij zei tot zijn broers: Mijn geld is teruggekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de één tot de ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft? 1 Koningen 10:5: En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^hooglied-5-6-b]: Verwijzing b: Hoogl. 3:1. Hooglied 3:1: Ik zocht van de nacht op mijn leger Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zei:
[^hooglied-5-6-32]: Kanttekening 32: 32 vanwege Zijn spreken: Dat is, omdat Hij zo troostelijk met mij gesproken had, vers 2, dat ik tevoren zo niet ter harte nam, maar nu daardoor zeer bewogen werd. Hooglied 5:2: Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zus, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.
[^hooglied-5-6-33]: Kanttekening 33: 33 ik vond Hem niet: Dit is één van de grootste zwarigheden, die de kinderen van God overkomen, dat het schijnt dat God hun gebed niet verhoort, al roepen zij dag en nacht tot Hem; Ps. 22:3; Jes. 59:1, 59:2, 59:3. Psalmen 22:3: Mijn God! Ik roep overdag, maar U antwoordt niet; en 's nachts, en ik heb geen stilte. Jesaja 59:1: Ziet, de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Jesaja 59:2: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort. Jesaja 59:3: Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.
[^hooglied-5-7-34]: Kanttekening 34: 34 De wachters: Zie boven, Hoogl. 3:3. Hiermee wordt te kennen gegeven dat God somtijds toelaat, dat zijn kerk van de tirannen en boze regenten van deze wereld, ja, ook wel van valse leraars, vervolgd en benauwd wordt, om haar te tuchtigen vanwege haar traagheid en onachtzaamheid, en opdat zij in het toekomende des te wakkerder en ijveriger zou zijn. Hooglied 3:3: De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zei: Hebt u Die gezien, Die mijn ziel liefheeft?
[^hooglied-5-7-35]: Kanttekening 35: 35 vonden mij: Hieruit is af te nemen dat de Bruid niet alleen tot aan de deur gegaan is om haar Bruidegom te zoeken, maar ook verder, hem zoekende aan alle hoeken van de stad.
[^hooglied-5-7-36]: Kanttekening 36: 36 zij sloegen mij: Men slaat niet alleen met de hand, of met stokken en zwaarden, enz., maar ook met de tong, gelijk te zien is Jer. 18:18. Ja, slaan betekent ook somtijds iemand kwellen en verdriet aandoen, hetzij door welk middel het geschiedt; Ps. 69:27; Jes. 53:4. Jeremia 18:18: Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van de priester, noch de raad van de wijze, noch het woord van de profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige van zijn woorden! Psalmen 69:27: Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart van Uw verwonden. Jesaja 53:4: Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
[^hooglied-5-7-37]: Kanttekening 37: 37 sluier van mij: Of, lamfers. Het Hebreeuwse woord heeft zijn oorsprong van uitspreiden, omdat de vrouwspersonen de sluiers over haar hoofd uitbreiden, eensdeels tot sieraad, Jes. 3:23, anderdeels vanwege de eerbaarheid, Gen. 20:16, en Gen. 24:65; Jer. 2:32; ook tot een teken van onderdanigheid, 1 Kor. 11:6, 11:7, 11:10. Dat men zulk een deksel een vrouw van het hoofd afneemt, is tot haar grote schande strekkende; zodat de Bruid hier reden heeft om daarover te klagen alsof men ze geacht had voor een oneerbare lichte vrouw. Zie Ez. 23:26. Enige verstaan hier door de sluier de vrijmoedige belijdenis van het geloof en van de ware religie. Van deze sluier zoeken de ontrouwe herders, of valse leraars en de tirannen, altijd de kerk en de ledematen daarvan te beroven. Jesaja 3:23: De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers. Genesis 20:16: En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 24:65: En zij zei tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zei: Dat is mijn heer! Toen nam zij de sluier, en bedekte zich. Jeremia 2:32: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. 1 Korinthiërs 11:6: Want als een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar als het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 1 Korinthiërs 11:7: Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 1 Korinthiërs 11:10: Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen. Ezechiël 23:26: Zij zullen u ook uw kleren uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen.
[^hooglied-5-8-c]: Verwijzing c: Hoogl. 3:5. Hooglied 3:5: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
[^hooglied-5-8-38]: Kanttekening 38: 38 Ik bezweer u: Dat is, ik beveel het u op uw eed. Dit spreekt de Bruid nadat zij uit de handen van de wachters was ontkomen, verzoekende hulp en troost bij de ware ledematen van de gemeente van Christus.
[^hooglied-5-8-39]: Kanttekening 39: Zie de aantekening boven, Hoogl. 1:5, en Hoogl. 2:7. Hooglied 1:5: Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Hooglied 2:7: Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelfde luste!
[^hooglied-5-8-40]: Kanttekening 40: Alsof zij zei: Zo, wanneer u met uw gebeden voor Hem verschijnt, zo geeft Hem toch te kennen de soberen staat, waarin zijn Bruid is, te weten, dat ik zo hartelijk zeer verlang naar zijn barmhartigheid, dat Hij de wonden van mijn zonden wil genezen, dat ik door het verlangen moet bezwijken als ik de tekenen van zijn liefde nog langer ontberen moet.
[^hooglied-5-8-41]: Kanttekening 41: 41 wat zult u Hem: Anders: dit zult u Hem aanzeggen.
[^hooglied-5-9-42]: Kanttekening 42: 42 Wat is uw Liefste meer: Dit zijn woorden van zulke ledematen van de kerk, die Christus nog niet ten volle kenden.
[^hooglied-5-9-43]: Kanttekening 43: 43 dan een ander: Dat is, dan de andere vrienden, die ook bemind worden en lief zijn; zie boven vers 1, gelijk de patriarchen, profeten en godzalige leraars, die de Bruid niet hebben, maar zij zijn vrienden van de Bruidegom, die zich verheugen in zijn stem; Joh. 3:29. Hooglied 5:1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! Johannes 3:29: Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
[^hooglied-5-9-44]: Kanttekening 44: 44 o u schoonste onder de vrouwen: Zie de aantekening boven Hoogl. 1:8, en merk hier dat of wel \[gelijk vers 7, 5:8, gezegd is\] de Bruid zo moeizaam is geslagen en gewond geworden, vervallen zijnde in de duisteren nacht van de vervolging, zo wordt zij nochtans hier genoemd de schoonste onder de vrouwen. Zie Hebr. 11:26. Hooglied 1:8: Als u het niet weet, o u schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen van de schapen, en weid uw geiten bij de woningen van de herderen. Hooglied 5:7: De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij. Hooglied 5:8: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! als u mijn Liefste vindt, wat zult u Hem aanzeggen? Dat ik ziek ben van liefde. Hebreeën 11:26: Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.
[^hooglied-5-9-45]: Kanttekening 45: 45 wat is uw Liefste: Dat zij deze vraag ten anderen maal herhalen, daarmee wordt te kennen gegeven de zeer grote genegenheid, die zij hebben om Christus' recht te kennen.
[^hooglied-5-10-46]: Kanttekening 46: 46 Mijn Liefste: Dit zijn de woorden van de Bruid tot degenen, die haar naar haar Bruidegom gevraagd hadden, vers 9. Hooglied 5:9: Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o u schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat u ons zo bezworen hebt!
[^hooglied-5-10-47]: Kanttekening 47: 47 blank en rood: Deze twee kleuren in een mens tegelijk zijnde, versieren hem zeer. De witte kleur beduidt zuiverheid en triomferende heerlijkheid. Daarom staat er dat de engelen verschenen zijn in witte kleren, Matt. 28:3; Hand. 1:10. Ja ook Christus zelf, Matt. 17. Zie ook Openb. 6:2, en Openb. 19:14. Bij de rode kleur wordt verstaan het priesterambt van Christus, omdat Hij ons gewassen heeft in zijn bloed, Openb. 1:5. Zie ook Openb. 19:13, enz., en Jes. 63:1, 63:2, 63:3, enz. Mattheüs 28:3: En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. Handelingen 1:10: En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Openbaring 6:2: En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! Openbaring 19:14: En de heirlegers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Openbaring 19:13: En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Jesaja 63:2: Waarom bent U rood aan Uw gewaad, en Uw kleren als van een, die in de wijnpers treedt? Jesaja 63:3: Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
[^hooglied-5-10-48]: Kanttekening 48: 48 Hij draagt: Hebreeuws, Hij is gebanierd, of Hij baniert. Het is een gelijkenis, genomen van een vaandrager en zijn vaandel, dat men boven al de andere ziet. De zin is, dat de Heer Christus uitsteekt boven alle engelen en andere creaturen, omdat Hij in zijn hand draagt en alleen staande houdt, door zijn goddelijke kracht, de banier van zijn heilig Evangelie, Jes. 11:12, en Jes. 49:22. Anders: Hij is versierd met een banier van tien duizend. Jesaja 11:12: En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden van de aarde. Jesaja 49:22: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
[^hooglied-5-10-49]: Kanttekening 49: 49 boven tien duizend: Dat is, over veel duizenden, een zeker getal voor een onzeker. De zin is, alhoewel Christus een ontallig leger van uitverkorenen onder zich heeft \[Openb. 7:9, en Openb. 19:14;\] dat Hij nochtans uitmunt boven al deze, als hun hoofd, prins en vaandrager. Openbaring 7:9: Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 19:14: En de heirlegers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.
[^hooglied-5-11-50]: Kanttekening 50: 50 het fijnste goud: Hier staan twee woorden bij elkaar, met welke de Hebreën twee soorten van het beste goud noemen, Chethem en Phaz. En hier wordt te verstaan gegeven dat het Hoofd, dat is het goddelijke koninkrijk, van de Bruidegom zeer uitnemend schoon en voortreffelijk is, ook gedurig; Dan. 7:14. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
[^hooglied-5-11-51]: Kanttekening 51: 51 het dichtste goud: Hier staan twee woorden bij elkaar, met welke de Hebreën twee soorten van het beste goud noemen, Chethem en Phaz. En hier wordt te verstaan gegeven dat het Hoofd, dat is het goddelijke koninkrijk, van de Bruidegom zeer uitnemend schoon en voortreffelijk is, ook gedurig; Dan. 7:14. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
[^hooglied-5-11-52]: Kanttekening 52: Of, krol, of kroes.
[^hooglied-5-11-53]: Kanttekening 53: Hiermee wordt de schoonheid van de jeugd te kennen gegeven; want in die tijden hield men het daarvoor dat zwart haar de jongelingen welstond en versierde, zijnde een teken van een hete en sterke natuur.
[^hooglied-5-12-d]: Verwijzing d: Hoogl. 1:15; Hoogl. 4:1. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-5-12-54]: Kanttekening 54: 54 als van de duiven: Hoogl. 1:15, en Hoogl. 4:1 wordt gezegd dat de Bruid duivenogen heeft; hier staat dat de Bruidegom duivenogen heeft, dat is zuivere, klare, schoon ogen. Dan. 10:6 worden Christus toegeschreven ogen als vurige lampen, en Openb. 1:14 als vlammen vuurs; alle betekenende dat Hij van alle mensen wegen ziet, en dat Hij de geheimen van de mensen in het licht brengt; 2 Kron. 19:9; Ps. 11:4, en Ps. 90:8, en Ps. 94:9; Jer. 16:17; Hebr. 4:13. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. Daniël 10:6: En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk de stem van een menigte. Openbaring 1:14: En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; 2 Kronieken 19:9: En hij gebood hun, zeggende: Doet zo in de vrees voor YHWH, met getrouwheid en met een volkomen hart. Psalmen 11:4: YHWH is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon van YHWH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. Psalmen 90:8: U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze geheime zonden in het licht Uws aangezichts. Psalmen 94:9: Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen? Jeremia 16:17: Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. Hebreeën 4:13: En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^hooglied-5-12-55]: Kanttekening 55: 55 bij de waterstromen: Dat is, die zich bij de waterbeken onthouden.
[^hooglied-5-12-56]: Kanttekening 56: 56 met melk gewassen: Dat is, zo wit alsof zij met melk gewassen waren.
[^hooglied-5-12-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, zittende in de vulling; dat is, gelijk de stenen in de kasjes van de gouden ringen staan of zitten; dat is, zij zijn fraai ingevoegd en staan gelijk een edele steen in een schonen ring ingevat. Dusdanige zijn de zuivere en aangename ogen van de Bruidegom Christus Jezus.
[^hooglied-5-13-58]: Kanttekening 58: 58 Zijn wangen: Van de Bruidegom wangen worden vergeleken bij een hofbedje van specerijen, niet van zulke die verdord of droog zijn, maar die bloemen en bladen hebben, gevende een zoeten reuk, waarmee te verstaan worden gegeven de lieflijke en aangename genaden van Christus, welke deelachtig worden al degenen, die Hem met waar geloof aannemen. Zie onder, Hoogl. 6:2. Hooglied 6:2: Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.
[^hooglied-5-13-59]: Kanttekening 59: Of, specerijentorentjes. Versta, zulke dozen van de apothekers, die hoog zijn, gelijk torentjes, waar men specerijen, drogerijen, of poeders of reukwerk in bewaart.
[^hooglied-5-13-60]: Kanttekening 60: 60 Zijn lippen: Dat is, zijn lippen geven een zoeten reuk, alsof de reuk van leliën en mirre samen vermengd waren. Dat is, zij brengen troostelijke en verkwikkende leringen voort.
[^hooglied-5-13-61]: Kanttekening 61: 61 vloeiende mirre: Dat is, van olie gemaakt van de welriekende leliën en mirre onder elkaar vermengd, gelijk boven vers 5. Dit betekent de gratiën of genaden \[of, woorden van de genade; Luk. 4:22,\] uitgestort in de lippen van Christus; Ps. 45:3. Hooglied 5:5: Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten van het slot. Lukas 4:22: En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef? Psalmen 45:3: U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
[^hooglied-5-14-62]: Kanttekening 62: 62 Zijn handen: Anders: aan zijn handen zijn gouden ringen. Versta hier door de handen versierd met gouden ringen, waar kostelijke stenen in staan, de dierbare, zuivere en heerlijke werken van de Bruidegom. Aldus wordt het woord handen genomen voor werken of macht, 1 Kron. 29:12, en 2 Kron. 20:6. 1 Kronieken 29:12: En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en U heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. 2 Kronieken 20:6: En hij zei: O, YHWH, God onzer vaders, bent U niet de God in de hemel? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan.
[^hooglied-5-14-63]: Kanttekening 63: In het Hebreeuws staat Tharsis; gelijk Ex. 28:20. Exodus 28:20: En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.
[^hooglied-5-14-64]: Kanttekening 64: 64 Zijn buik: Hebreeuws, מֵעָי, zijn ingewanden. Maar hier moet men door de ingewanden verstaan de buik en de borst, in welke het ingewand besloten ligt. Hierdoor worden te kennen gegeven de innerlijke of hartelijke genegenheden van de Bruidegom, te weten zijn liefde, genade en mededogendheid. Zie Luk. 1:78; 2 Kor. 7:15; Filipp. 2:1. Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; 2 Korinthiërs 7:15: En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger tegenover u, als hij de gehoorzaamheid van u allen overdenkt, hoe u hem met vreze en beven hebt ontvangen. Filippensen 2:1: Als er dan enige vertroosting is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;
[^hooglied-5-14-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, de glans van de tand; te weten van de tand van een olifant; versta dit van het schoonste, gepolijste blinkende ivoor of elpenbeen.
[^hooglied-5-14-66]: Kanttekening 66: Dat is, versierd met saffieren. Enige saffieren zijn wit en klaarblinkend als een diamant; andere zijn blauw. Versta hier witte saffieren, waarmee de zuiverheid van de Bruidegom wordt aangewezen. Van de saffier zie ook Job 28:6. Job 28:6: Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud.
[^hooglied-5-15-67]: Kanttekening 67: 67 Zijn schenkelen: Onder de naam van schenkelen of benen worden ook de dijen verstaan, ja, het gehele onderlijf van het lichaam tot de voeten toe, zijnde de instrumenten of delen, die het lichaam dragen, onderstutten en bewegen van de eerste plaats tot de andere. Deze gelijkenis wordt ook gebruikt Openb. 1:15. Zie Ps. 147:10. De sterkte en macht van Christus, of de machtige en gestadige hulp, die Hij zijn kerk bewijst, worden vergeleken bij marmeren pilaren, die sierlijk en vast staan, zijnde gegrond op zuiver of dicht massief goud, betekenende dat de beloften en werken van de Heer zijn zuiver, vast, bestendig, ja, ook tegen de poorten van het dodenrijk. Te dezen aanzien wordt Christus genoemd de steenrots, waar de kerk op gebouwd staat; Matt. 16:18; 1 Petr. 2:6. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Psalmen 147:10: Hij heeft geen lust aan de sterkte van het paard; Hij heeft geen welgevallen aan de benen van de man. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen die niet overweldigen. 1 Petrus 2:6: Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^hooglied-5-15-68]: Kanttekening 68: 68 als de Libanon: Dat is, heerlijk, sterk en lieflijk, gelijk de schone, grote, hoge bomen van welke vele op de berg Libanon wiessen, van welke zie de aantekening boven, Hoog. 4:8.
[^hooglied-5-15-69]: Kanttekening 69: Dat is, schoon en aanzienlijk als de cederen. Dingen, die andere overtreffen in schoonheid en grootheid, worden gemeenlijk door de mensen uitgekipt en uitverkoren.
[^hooglied-5-16-70]: Kanttekening 70: 70 Zijn gehemelte: Dat is, zijn woorden, spraak, redenen, \[gelijk Spr. 5:2, en Spr. 8:7\]. Idem leringen, vertroostingen, beloften. Zie Rom. 15:4; Kol. 3:16. Spreuken 5:2: Opdat u alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren. Spreuken 8:7: Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel. Romeinen 15:4: Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop hebben zouden. Kolossensen 3:16: Het woord van Christus wone rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart.
[^hooglied-5-16-71]: Kanttekening 71: 71 al wat aan Hem is: Hebreeuws, Hij is geheel begeerlijkheden; dat is, alles wat aan Hem is, is geheel lieflijk en waard dat men begere het te mogen genieten. Dusdanig is Christus voor zijn gemeente en allen uitverkorenen; maar voor de goddelozen en verworpelingen is Hij een ergernis en dwaasheid, 1 Kor. 1:23. Zie ook Ps. 22:7; Jes. 52:14, en Jes. 53:2. 1 Korinthiërs 1:23: Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, voor de Joden wel een ergernis, en voor de Grieken een dwaasheid; Psalmen 22:7: Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Jesaja 52:14: Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, zo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen; Jesaja 53:2: Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
[^hooglied-5-16-72]: Kanttekening 72: Met deze woorden wil de Bruid besluiten de uitnemendheid van de Heer Christus boven alle anderen.

### Hooglied 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/6.json)

*De gezellinnen vragen de Bruid naar haar Liefste, vers 1, die zij hun aanwijst, 2. De Bruidegom verhaalt de gestalte van zijn Bruid, 4; alsook dat Hij zijn hof bezoekt, 11. De Bruidegom nodigt zijn Bruid tot zich, 13.*

**1** [^hooglied-6-1-1] Waar is uw Liefste heengegaan, o u schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste[^hooglied-6-1-2] het aangezicht[^hooglied-6-1-3] gewend, opdat wij Hem met u zoeken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v1)

**2** [^hooglied-6-2-4] Mijn Liefste is afgegaan[^hooglied-6-2-5] in Zijn hof, tot[^hooglied-6-2-6] de specerijbedden,[^hooglied-6-2-7] om te weiden[^hooglied-6-2-8] in de hoven, en[^hooglied-6-2-9] om de leliën te verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v2)

**3** [^hooglied-6-3-10] Ik ben van mijn Liefste, en mijn Liefste is van mij,[^hooglied-6-3-11] Die onder de leliën weidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v3)

**4** [^hooglied-6-4-12][^hooglied-6-4-a] U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk[^hooglied-6-4-13] Thirza, liefelijk als[^hooglied-6-4-14] Jeruzalem,[^hooglied-6-4-15] schrikkelijk[^hooglied-6-4-16] als slagorden met banieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v4)

**5** [^hooglied-6-5-17] Wend uw ogen[^hooglied-6-5-18] van Mij af, want[^hooglied-6-5-19] zij doen Mij geweld aan;[^hooglied-6-5-20] uw haar is als een kudde geiten, die[^hooglied-6-5-21] het gras van Gilead afscheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v5)

**6** [^hooglied-6-6-22] Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al samen tweelingen voortbrengen, en daaronder is geen jongeloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v6)

**7** [^hooglied-6-7-23] Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v7)

**8** [^hooglied-6-8-24] Er zijn[^hooglied-6-8-25] zestig koninginnen en tachtig[^hooglied-6-8-26] bijvrouwen, en[^hooglied-6-8-27] maagden zonder getal.[^hooglied-6-8-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v8)

**9** Één enige is Mijn duif, Mijn volmaakte,[^hooglied-6-9-29] de enige van haar moeder, zij is[^hooglied-6-9-30] de zuivere[^hooglied-6-9-31] van degene, die haar gebaard heeft; als[^hooglied-6-9-32] de dochters[^hooglied-6-9-33] haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijvrouwen; en[^hooglied-6-9-34] zij[^hooglied-6-9-35] zullen haar prijzen.[^hooglied-6-9-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v9)

**10** Wie is zij, die er[^hooglied-6-10-37] uitziet[^hooglied-6-10-38] als de dageraad, schoon, zoals[^hooglied-6-10-39] de maan,[^hooglied-6-10-40] zuiver[^hooglied-6-10-41] als de zon,[^hooglied-6-10-42] schrikkelijk als slagorden met banieren?[^hooglied-6-10-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v10)

**11** Ik ben tot de[^hooglied-6-11-44] notenhof afgegaan om de[^hooglied-6-11-45] groene vruchten[^hooglied-6-11-46] van de vallei te zien; om te zien, of de[^hooglied-6-11-47] wijnstok bloeide, de granaatbomen[^hooglied-6-11-48] uitbotten.[^hooglied-6-11-49][^hooglied-6-11-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v11)

**12** Voordat ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens[^hooglied-6-12-51] van mijn[^hooglied-6-12-b] vrijwillig volk.[^hooglied-6-12-52][^hooglied-6-12-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v12)

**13** Keer weer, keer weer, o Sulammith! Keer weer, keer weer, dat[^hooglied-6-13-54] wij u mogen[^hooglied-6-13-55] aanzien.[^hooglied-6-13-56] Wat ziet u de Sulammith aan? Zij is als[^hooglied-6-13-57] een rei[^hooglied-6-13-58] van twee legers.[^hooglied-6-13-59][^hooglied-6-13-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/6.html#v13)

[^hooglied-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 is uw Liefste: Dit zijn de woorden van de dochters van Jeruzalem, waarvan gesproken is Hoogl. 5:16. Hooglied 5:16: Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem!
[^hooglied-6-1-2]: Kanttekening 2: 2 het aangezicht: Te weten, van u tot anderen, of tot een andere plaats.
[^hooglied-6-1-3]: Kanttekening 3: 3 opdat wij Hem: Of, en wij zullen Hem met u zoeken. De dochters van Jeruzalem, hebbende gehoord hoe de Bruid haar Bruidegom geprezen had, zijn daardoor bewogen geworden om ernstiglijk tot tweemaal toe naar Hem te vragen \[zo haar grote ijver uitdrukkende\], en zij beloven dat zij Hem met haar willen zoeken, opdat zij zijn genade en zegeningen mee mochten deelachtig worden. Dusdanig is de kracht van de predikatie van het heilige Evangelie in de harten van de uitverkorenen. Zie Hand. 2:37, Hand. 4:4, en Hand. 11:20, 11:21. Handelingen 2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers? Handelingen 4:4: En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal van de mannen werd omtrent vijf duizend. Handelingen 11:20: En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Grieken, verkondigende de Heer Jezus. Handelingen 11:21: En de hand van de Heer was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heer.
[^hooglied-6-2-4]: Kanttekening 4: 4 Mijn Liefste: De Bruid, die eerst haar Bruidegom gezocht maar niet gevonden had, weet nu waar Hij is, en zij onderwijst anderen daarvan; zodat wij hier zien vervuld wat Christus belooft, Matt. 7:7: Zoekt en u zult vinden. Zie Deut. 4:29. Mattheüs 7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Deuteronomium 4:29: Dan zult u van daar YHWH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw gehele hart en met uw gehele ziel.
[^hooglied-6-2-5]: Kanttekening 5: 5 in Zijn hof: De hof van Christus is zijn gemeente, gelijk boven Hoogl. 4:16, en Hoogl. 5:1. Daar is Hij te zoeken en te vinden. Hooglied 4:16: Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! Hooglied 5:1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!
[^hooglied-6-2-6]: Kanttekening 6: 6 de specerijbedden: Het schijnt dat hiermee te kennen gegeven worden de hopen, of gezelschappen van de gelovigen, in wier harten, als in een goede aarde, het goede zoetriekende zaad van het goddelijke Woord gezaaid wordt; Matt. 13:8, 13:23. Dit is de lusthof van de Bruidegom, waar Hij met zijn genade en geest altijd omtrent is, en Hij schept zijn vermaak in de goede werken van de gelovigen, gelijk iemand doet in lieflijke kruidbedden met allerlei kostelijke specerijen en bloemen bezet en bezaaid. Mattheüs 13:8: En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. Mattheüs 13:23: Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud.
[^hooglied-6-2-7]: Kanttekening 7: 7 om te weiden: Dat is om gemeenschap met zijn uitverkorenen te hebben, etende en genietende zijn aangename vrucht. Zie boven Hoogl. 4:16; alzook om de zijnen te weiden, te voeden en deelachtig te maken de gaven van de Heilige Geest. Hooglied 4:16: Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!
[^hooglied-6-2-8]: Kanttekening 8: 8 in de hoven: Dat is, in de particuliere kerken en verzamelingen van de gelovigen; gelijk Hoogl. 5:1. Hooglied 5:1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!
[^hooglied-6-2-9]: Kanttekening 9: 9 om de leliën: Dat is, om tot zicht te vergaderen zijn uitverkoren volk, dat vergeleken wordt bij de leliën onder de doornen; Hoogl. 2:2. Hooglied 2:2: Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters.
[^hooglied-6-3-10]: Kanttekening 10: 10 Ik ben mijns Liefsten: De Bruid verheugt zich hier vanwege de liefde en de vrede, tussen haar Bruidegom en haar vernieuwd, onaangezien haar vorige zwakheden en wederwaardigheden. Deze zelfde woorden spreekt de Bruid ook van haar Bruidegom, boven Hoogl. 2:16, en onder Hoogl. 7:10; maar een weinig in een anderen zin. Hooglied 2:16: Mijn Liefste is van mij, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën, Hooglied 7:10: Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.
[^hooglied-6-3-11]: Kanttekening 11: 11 Die onder de leliën: Dat is, niet alleen op een gezonde weide, maar ook op een overvloedige lustige weide, tot verkwikking en tot eeuwigen troost zijn schapen.
[^hooglied-6-4-12]: Kanttekening 12: 12 U bent schoon: De Bruidegom, zijn Bruid gevonden hebbende, roemt haar vanwege de menigvuldige gaven, waarmee zij versierd is. Zie boven, Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-6-4-a]: Verwijzing a: Ps. 45:12; Hoogl. 1:15; Hoogl. 4:1. Psalmen 45:12: Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heer is, zo buig u voor Hem neder. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-6-4-13]: Kanttekening 13: Dit was een stad in het land Kanaän, niet wijd van Samaria gelegen, in welke hof gehouden heeft één van de koningen, die Jozua heeft overwonnen; Joz. 12:24. Naderhand hebben de koningen van Israël er hof gehouden, totdat Samaria gebouwd was door Omri. Zie 1 Kon. 14:17, en 1 Kon. 15:21, 15:33, en 1 Kon. 16:6, 16:8, 16:23. De Griekse overzetters vertalen het woord Tihrtsa, en stellen in de tekst, goed vermaak, of gunstige aanneming. Waaruit af te nemen is dat het een schone aangename stad geweest is, in hoedanige plaatsen de koningen en prinsen plachten te wonen. Dusdanige fraaiheid of schoonheid wordt hier de Bruid toegeschreven, zijnde schoon en aangenaam gemaakt door Christus haar Bruidegom; Ef. 1:6, en Ef. 5:27. Jozua 12:24: De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig. 1 Koningen 14:17: Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling. 1 Koningen 15:21: En het geschiedde, als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza. 1 Koningen 15:33: In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren. 1 Koningen 16:6: En Baësa ontsliep met zijn vaders, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats. 1 Koningen 16:8: In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren. 1 Koningen 16:23: In het een en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren. Efeziërs 1:6: Tot prijs van de heerlijkheid Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^hooglied-6-4-14]: Kanttekening 14: De stad Jeruzalem is vermaard vanwege haar schoonheid en heerlijkheid. Zij is eertijds de vermaardste stad geweest van geheel het Oosten, Plin. lib. 5 cap. 14. Zij was de stoel van de zuiveren godsdienst en de woonplaats van de koningen van Juda; Ps. 122. Zij wordt genoemd de vreugde van de gehele aarde; Ps. 48:3. Psalmen 48:3: Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings.
[^hooglied-6-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, vol van majesteit en moed, vreeslijk in de ogen haar vijanden, gelijk onder vers 10. Hooglied 6:10: Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?
[^hooglied-6-4-16]: Kanttekening 16: 16 als slagorden: Hebreeuws, als gebanierden; te weten, legers, of slagorden; dat is als legers, staande onder hun banieren, of vaandels in slagorde, gereed om slag te leveren. Daarom is de kerk van Christus schrikkelijk voor de ogen haar vijanden, omdat zij omlegerd is met vele krachtige engelen, 2 Kon. 6:17, en 2 Kon. 19:35; idem omdat zij gewapend is met geestelijke wapenen, zie Hand. 5:11; Ef. 6:13; 2 Kor. 10:4. Zie ook onder, vers 10. 2 Koningen 6:17: En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. 2 Koningen 19:35: Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Handelingen 5:11: En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden. Efeziërs 6:13: Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt wederstaan in de bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; Hooglied 6:10: Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?
[^hooglied-6-5-17]: Kanttekening 17: 17 Wend uw ogen: Manier van spreken, uitdrukkende de grootheid van de liefde van Christus. Anders: Wend uw ogen naar mij toe. Het Hebreeuwse woord betekent somtijds zich tot iemand wenden, gelijk 1 Kron. 12:23, somtijds zich van iemand afwenden, gelijk Ez. 7:22. 1 Kronieken 12:23: En dit zijn de getallen van de hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar de mond van YHWH: Ezechiël 7:22: Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen.
[^hooglied-6-5-18]: Kanttekening 18: 18 van Mij af: Of, tegenover mij, gelijk Num. 2:2. Numeri 2:2: De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hun vaders; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren.
[^hooglied-6-5-19]: Kanttekening 19: 19 zij doen Mij: Anders: Zij hebben mij opgelicht, of verheven.
[^hooglied-6-5-20]: Kanttekening 20: 20 uw haar is: Zie de aantekening Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-6-5-21]: Kanttekening 21: 21 van Gilead: Hier staat alleen Gilead, maar Hoogl. 4:1 staat, de berg Gilead. Zo op de ene als op de andere plaats wordt de gehele landstreek van Gilead verstaan. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-6-6-22]: Kanttekening 22: 22 Uw tanden: Zie de aantekening boven Hoogl. 4:2. Hooglied 4:2: Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.
[^hooglied-6-7-23]: Kanttekening 23: 23 Uw wangen: Zie boven, Hoogl. 4:3. Hooglied 4:3: Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
[^hooglied-6-8-24]: Kanttekening 24: 24 Er zijn: Deze woorden mag men ook nemen als onder voorwaarde gesproken zijnde, aldus: Laat daar zestig koninginnen zijn; dat is, al waren er zestig koninginnen, enz., nochtans is ééne mijn duif, enz.
[^hooglied-6-8-25]: Kanttekening 25: 25 zestig koninginnen: Dit spreekt de Bruidegom Christus onder de naam van Salomo, die zijn voorbeeld geweest is. Enige besluiten hieruit dat Salomo dit lied gedicht heeft in de eerste jaren van zijn koninkrijk, toen hij nog zovele vrouwen en bijwijven gehad heeft; 1 Kon. 11:3. Maar enige menen dat hier een zeker getal voor een onzeker gesteld is; Job 5:19; Micha 5:4, en elders meer. De geestelijke zin is dat de ware kerk alleen de kerk van Christus te achten is, gelijk hier vers 9 breder gezegd wordt. 1 Koningen 11:3: En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven en zijn vrouwen neigden zijn hart. Job 5:19: In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. Micha 5:4: En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Hooglied 6:9: Een enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige haar moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
[^hooglied-6-8-26]: Kanttekening 26: Dit spreekt de Bruidegom Christus onder de naam van Salomo, die zijn voorbeeld geweest is. Enige besluiten hieruit dat Salomo dit lied gedicht heeft in de eerste jaren van zijn koninkrijk, toen hij nog zovele vrouwen en bijwijven gehad heeft; 1 Kon. 11:3. Maar enige menen dat hier een zeker getal voor een onzeker gesteld is; Job 5:19; Micha 5:4, en elders meer. De geestelijke zin is dat de ware kerk alleen de kerk van Christus te achten is, gelijk hier vers 9 breder gezegd wordt. 1 Koningen 11:3: En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven en zijn vrouwen neigden zijn hart. Job 5:19: In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. Micha 5:4: En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Hooglied 6:9: Een enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige haar moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
[^hooglied-6-8-27]: Kanttekening 27: Van het woord bijwijven zie Gen. 22:24. Het schijnt dat door deze koninginnen en bijwijven verstaan worden die kerken, die zich voor ware kerken uitgeven, maar geen inwendige geestelijke gemeenschap met de Bruidegom Christus hebben, hoewel zij door Gods genade daartoe kunnen gebracht worden. Genesis 22:24: En zijn bijwijf, van wie naam was Reüma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa.
[^hooglied-6-8-28]: Kanttekening 28: Versta hier dienstmaagden of staatjonkvrouwen van de koninginnen, gelijk Esth. 2:9; Ps. 45:15; en bij deze dienstmaagden wordt verstaan het volk, dat van de grote afhangt en zich van dezelven laat leiden, dat verre de grootste hoop in de wereld is. Esther 2:9: En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis van de koning; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis van de vrouwen. Psalmen 45:15: In gestikte kleren zal zij tot de Koning geleid worden; de jonge dochters, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
[^hooglied-6-9-29]: Kanttekening 29: 29 Een enige: Of, \[maar\] zij alleen is mijn duif. Dit wordt gesteld tegen het groot getal van de koninginnen, enz., vers 8. En hier wordt de Bruid van Christus, die maar één is, \[gelijk er maar één lichaam, één Geest, ééne hoop, één Heer, één geloof is; Ef. 4:4, 4:5\] gesteld en meer geacht dan het groot getal van anderen, die in hun eigen en anderer mensen mening koninginnen en prinsessen zijn. Zie wat God tot Israël spreekt Ex. 19:5; 2 Sam. 7:23. Hooglied 6:8: Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal. Efeziërs 4:4: Een lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop uw roeping; Efeziërs 4:5: Één Heer, één geloof, één doop, Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; 2 Samuël 7:23: En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, dat God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor u deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat U U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende.
[^hooglied-6-9-30]: Kanttekening 30: 30 de enige haar: Al de particuliere kerken op aarde, die rechtzinnig zijn, maken tezamen niet meer dan één lichaam; Ef. 4:16. De enige kerk zijnde als de enige en wettelijke dochter van het hemelse Jeruzalem, dat is de algemene kerk, welke is onzer van alle moeder; Gal. 4:26. Efeziërs 4:16: Uit Welke het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons van alle moeder.
[^hooglied-6-9-31]: Kanttekening 31: 31 de zuivere: Of, gezuiverde of uitgelezene, of de klare, en zo onder vers 10, en 1 Kron. 7:40. Daar zijn wel vele bastaardkerken, maar daar is niet meer dan één zuivere, wettelijke uitverkoren kerk. Van welke zie 1 Petr. 1:2. Hooglied 6:10: Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren? 1 Kronieken 7:40: Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden van de vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden van de vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in de krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^hooglied-6-9-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, בָּרָה, van haar baarster.
[^hooglied-6-9-33]: Kanttekening 33: 33 de dochters: Te weten, de dochters of maagden van wie vers 8 gesproken is. Hooglied 6:8: Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.
[^hooglied-6-9-34]: Kanttekening 34: 34 haar zien: Dat is, haar staat en gelegenheid terdege kennen.
[^hooglied-6-9-35]: Kanttekening 35: 35 zullen haar: Of, zullen haar; te weten deze Bruid. Zie Deut. 4:6, en Deut. 26:19; Hand. 5:13. Deuteronomium 4:6: Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Deuteronomium 26:19: Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft. Handelingen 5:13: En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
[^hooglied-6-9-36]: Kanttekening 36: Dat is, zij zullen haar gelukzalig achten. De zin is, ofschoon de kerken, die in deze wereld zo van anderen als van zichzelven zo groot geacht worden, schijnen de ware kerk te zijn, nochtans zullen zij eindelijk overtuigd worden, immers \[tenzij dat zij zich bekeren\] ten jongsten dage, als zij de schapen zullen zien staan aan de rechterhand van de oppersten rechter, dat er maar één ware kerk is en dat die welzalig zijn, die tot dezelfde behoren; Mal. 3:18. Maleachi 3:18: Dan zult u opnieuw zien, het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen die, die God dient, en die, die Hem niet dient.
[^hooglied-6-10-37]: Kanttekening 37: 37 Wie is zij: Dat is, wat voor een is dit? Dit wordt gevraagd door degenen, die in het einde van vers 9 vermeld zijn. Zij verwonderen zich over de schoonheid en heerlijkheid van de kerk van God, alsof zij zeiden: Is dat die kerk, die wij versmaad hebben? Zie hoe heerlijk is zij nu! Hooglied 6:9: Een enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige haar moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.
[^hooglied-6-10-38]: Kanttekening 38: Of, uitkijkt, verschijnt.
[^hooglied-6-10-39]: Kanttekening 39: 39 als de dageraad: Gelijk de klare morgenstond na de duisteren nacht, zo staat de Bruid op en komt voort, na de duisternis van het kruis, onwetenschap en dwaling; te weten als de morgenster van de kennis van Christus in haar hart opgaat. Zie Jes. 60:2; 2 Petr. 1:19. Jesaja 60:2: Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal YHWH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^hooglied-6-10-40]: Kanttekening 40: 40 de maan: De maan heeft in het Hebreeuws, haar naam van wittigheid en van haar helder schijnsel. Hier betekent het schoon schijnen van de maan de heerlijken staat van de kerk van God. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 30:26, en Jes. 60:20; Ez. 16:14, en Ez. 32:7, 32:8; Joël. 3:15. Jesaja 30:26: En het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; op de dag als YHWH de breuk van Zijn volk zal verbinden, en de wonde, waarmee het geslagen is, genezen. Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uw treuring zullen een einde nemen. Ezechiël 16:14: Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 32:7: En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Ezechiël 32:8: Alle lichtende lichten aan de hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heer YHWH.
[^hooglied-6-10-41]: Kanttekening 41: Zuiver, of klaar, of rein.
[^hooglied-6-10-42]: Kanttekening 42: 42 als de zon: Christus is de zon van de gerechtigheid, Mal. 4:2. De vrouw, te weten zijn Bruid, is met de zon bekleed, Openb. 12:1. Want zij heeft Christus aangedaan door het geloof, Gal. 3:27; door wiens gerechtigheid zij gezuiverd is van haar zonden, en zo is zij heerlijk en schoon schijnende. Maleachi 4:2: Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. Openbaring 12:1: En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; Galaten 3:27: Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan.
[^hooglied-6-10-43]: Kanttekening 43: Te weten haar vijanden, met wie zij te vechten heeft onder de banier van haar Bruidegom, aanhebbende niet vleselijke wapens, maar machtig door God om de sterkten neder te werpen; 2 Kor. 10:4. Zie ook Ex. 15:14, 15:15, 15:16; Deut. 2:25, en Deut. 33:29; Ps. 48:5, 48:6. Zie ook boven de aantekening vers 4. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; Exodus 15:14: De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. Exodus 15:15: Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten! Exodus 15:16: Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, YHWH! heen doorkome; totdat dit volk heen doorkome, dat U verworven hebt. Deuteronomium 2:25: Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht van de volken, onder de gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. Deuteronomium 33:29: Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild uw hulp, en Die een Zwaard is uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! Psalmen 48:5: Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen. Psalmen 48:6: Gelijk zij het zagen, zo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg. Hooglied 6:4: U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.
[^hooglied-6-11-44]: Kanttekening 44: 44 Ik ben: Dit zijn de woorden van de Bruidegom, aanwijzende hoe Hij de hof, zijn kerk bezoekt.
[^hooglied-6-11-45]: Kanttekening 45: Het Hebreeuwse woord Egoz wordt alleen hier gevonden. De meeste vertalers nemen het voor noten, en menen dat men hier moet verstaan, niet slechte noten, maar notenmuskaten, hoedanige lieflijke vruchten veel in de hof van de Bruidegom groeien. Zie boven Hoogl. 4:12, 4:13, 4:14. Anders: gezuiverden of besnoeiden hof. Hooglied 4:12: Mijn zus, o bruid! u bent een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. Hooglied 4:13: Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; Hooglied 4:14: Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, en ook alle voornaamste specerijen.
[^hooglied-6-11-46]: Kanttekening 46: 46 groene vruchten: Anders: nieuwe of eerste vruchten; te weten die in het voorjaar rijp worden. De zin is, dat na de winter van de tegenspoed, de lieflijke lente van de genade in de hof van de kerk verschijnt.
[^hooglied-6-11-47]: Kanttekening 47: 47 van de vallei: Of, in de laagte, waar de kerk van Christus bewaterd en bevochtigd wordt met Gods Woord en Geest, om overvloedige vruchten te dragen.
[^hooglied-6-11-48]: Kanttekening 48: Versta hier door de wijnstok en de granaatbomen het volk van God geroepen en in de hof van de kerk geplant, dat bottende en bloeiende in ware en oprechte kennis en wetenschap, daarna vruchten voortbrengt van de goede werken ter ere Gods en stichting van de naaste. Zie boven Hoogl. 2:13, 2:14. Hooglied 2:13: De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! Hooglied 2:14: Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
[^hooglied-6-11-49]: Kanttekening 49: 49 de granaatbomen: Versta hier door de wijnstok en de granaatbomen het volk van God geroepen en in de hof van de kerk geplant, dat bottende en bloeiende in ware en oprechte kennis en wetenschap, daarna vruchten voortbrengt van de goede werken ter ere Gods en stichting van de naaste. Zie boven Hoogl. 2:13, 2:14. Hooglied 2:13: De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! Hooglied 2:14: Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
[^hooglied-6-11-50]: Kanttekening 50: Of, bloesemden of knopten.
[^hooglied-6-12-51]: Kanttekening 51: 51 Voordat ik het wist: Dit schijnen nog de woorden van de Bruidegom te zijn. Als Hij zegt: Eer Ik het wist; dat is te zeggen in de haast, onvermoed, onvoorziens, vanwege mijn groot verlangen naar de hof. Alwaar Ik, ziende en bevindende zo schone vruchten, heb Ik mijn volk als met wagens voortgeholpen, het ook beschermende tegen hun vijanden. Dit kan men ook door het woord wagens verstaan, omdat men eertijds wagens in de krijg gebruikte. Zie Joz. 11:4, en 1 Sam. 13:5, en elders meer. Sommigen verstaan hier de heilige engelen. Jozua 11:4: Deze nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan de oever van de zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. 1 Samuël 13:5: En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.
[^hooglied-6-12-b]: Verwijzing b: Ps. 110:3. Psalmen 110:3: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraads zal U de dauw Uw jeugd zijn.
[^hooglied-6-12-52]: Kanttekening 52: Dat is: Ik zet mijzelf. Deze manier van spreken is zeer algemeen in de Heilige Schrift; zie daarvan voorbeelden Ps. 6:4; Pred. 7:28; Hoogl. 1:7; Jes. 1:14, en Jes. 61:10 en elders meer. De zin is: Ik werd bewogen door mijn vurige barmhartigheid en niet door uw verdiensten. Anders: mijn ziel; dat is mijn begeerte. Zie Ps. 27:12. Psalmen 6:4: Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, YHWH, hoe lange? Prediker 7:28: Die mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden. Hooglied 1:7: Zeg mij aan, U, Die mijn ziel liefheeft, waar U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uw metgezellen? Jesaja 1:14: Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moe geworden, die te dragen. Jesaja 61:10: Ik ben zeer vrolijk in YHWH, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^hooglied-6-12-53]: Kanttekening 53: 53 van mijn vrijwillig: Of, van mijn edel, of prinselijk volk. Het Hebreeuwse woord נָדִֽיב, nadib, dat hier gebruikt wordt, is te zeggen vrijwillig, of goedwillig, of vrij, of edel, of prinselijk. Enige hebben hier: op de wagens van Amminadib, makende van twee woorden een; oook vindt men nergens in de Heilige Schrift wie deze Amminadib zou wezen. Daarom is het beter dat men hier stelle: mijn vrijwillig volk; te weten, de Christengelovigen, die gezegd worden vrijwillig te zijn op de dag van de macht, of van het heir; Ps. 110:3. Het gepredikte Woord met alle genegenheid ontvangende, Hand. 2:41, en Hand. 17:11. Psalmen 110:3: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw Uw jeugd zijn. Handelingen 2:41: Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 17:11: En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren.
[^hooglied-6-13-54]: Kanttekening 54: 54 Keer weer: Dit betekent de ernstigen wens van de bekering van de verdwaalden, en het wordt daarom viermaal herhaald, omdat wij van nature traag van hart en van oren zijn, Luk. 24:25; Hebr. 5:11. Enige duiden dit op het wederroepen en terugkeren van de Joden tot Christus. Zie Rom. 11:25. Anderen menen dat dit de woorden zijn van de speelgenoten van de Bruid. Lukas 24:25: En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten gesproken hebben! Hebreeën 5:11: Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, omdat u traag om te horen geworden bent. Romeinen 11:25: Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^hooglied-6-13-55]: Kanttekening 55: 55 o Sulammith: Salomo heeft zijn naam van vrede, 1 Kron. 22:9. Jeruzalem wordt ook Salem genoemd, Ps. 76:3, dat is, vrede, Hebr. 7:2. Zo wordt de kerk, of het volk, dat geroepen wordt om weer te keren, Sulammith genoemd, dat zoveel te zeggen is, als vreedzame, of vredige, of in vrede levende, ten aanzien van de vrede, die zij heeft met God door Jezus Christus; Rom. 5:1. Het is dan zoveel alsof de Bruidegom hier zei: Kom herwaarts, mijn lieve Bruid, die naar mijn naam Salomo, Vredevorst, of vreedzaam genoemd wordt Sulammith; dat is, vreedzame, keer weer, kom tot mij, Ik zal u tot genade aannemen, al hebt u mij vertoornd. 1 Kronieken 22:9: Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. Psalmen 76:3: En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. Hebreeën 7:2: Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede; Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^hooglied-6-13-56]: Kanttekening 56: 56 wij u mogen: Deze woorden schijnen gesproken te zijn door de vrienden van Sulammith, wensende te mogen zien dat de vorige gaven en genade opnieuw op of in haar mochten gezien en bespeurd worden, want de engelen zelf wensen te mogen zien die dingen, die de kerk door het Evangelie zijn medegedeeld; 1 Petr. 1:12. Zie ook Ps. 27:4; Jes. 52:8. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. Psalmen 27:4: Een ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis van YHWH, om de liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Jesaja 52:8: Er is een stem uw wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als YHWH Sion wederbrengen zal.
[^hooglied-6-13-57]: Kanttekening 57: Of, aanschouwen; te weten met vreugde en blijdschap.
[^hooglied-6-13-58]: Kanttekening 58: 58 Wat ziet u: Enige menen dat dit de woorden van de Bruid zijn. Anderen nemen ze voor de woorden van de Bruidegom. Anders: wat ziet u \[toch\] aan Sulammith? of aan de Sulammietische.
[^hooglied-6-13-59]: Kanttekening 59: 59 een rei: Of, als een gezelschap; dat is één hoop dergenen, die een rei maken, die tezamen vrolijk zijn. De Israëlieten, zelfs ook de godzaligen, plachten met reien zich te verblijden en God te danken voor verworven overwinningen, of om andere oorzaken; Ex. 15:20; Jer. 31:4, 31:13; Luk. 15:25. In deze plaats wordt door de rei te kennen gegeven de blijdschap van de gelovigen, als zij tot Christus komen zullen. Exodus 15:20: En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden. Jeremia 31:13: Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in de rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. Lukas 15:25: En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei,
[^hooglied-6-13-60]: Kanttekening 60: 60 van twee heiren: Door deze twee heiren wordt te kennen gegeven de menigte dergenen, die zich tot Christus bekeren zouden. Maar anderen verstaan door de twee legers de kerk van Christus, bestaande uit Joden en heidenen. Anderen houden hier in de tekst het Hebreeuwse woord Machanaïm, dat twee heiren, of twee leger betekent. Zie Gen. 32:1, 32:2. Genesis 32:1: Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen van God ontmoetten hem. Genesis 32:2: En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde de naam van die plaats Mahanaim.

### Hooglied 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/7.json)

*De Bruid wordt geroemd vanwege haar schoonheid en lieflijkheid, vers 1, enz. Zij verheugt zich vanwege de gemeenschap met haar Bruidegom, 10. Zij nodigt Hem uit, en zij begeert met Hem de Kerken te gaan bezoeken, 11, enz.*

**1** [^hooglied-7-1-1] Hoe schoon zijn[^hooglied-7-1-2] uw gangen in de schoenen,[^hooglied-7-1-3] u prinsendochter! de[^hooglied-7-1-4] omdraaiingen van uw heupen zijn[^hooglied-7-1-5] als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen van een kunstenaar[^hooglied-7-1-6]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v1)

**2** [^hooglied-7-2-7]Uw navel is als een ronde beker,[^hooglied-7-2-8] waaraan geen drank ontbreekt;[^hooglied-7-2-9] uw buik is als één hoop tarwe,[^hooglied-7-2-10] rondom bezet met leliën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v2)

**3** [^hooglied-7-3-11] Uw twee[^hooglied-7-3-a] borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v3)

**4** [^hooglied-7-4-12] Uw hals is[^hooglied-7-4-13] als een ivoren toren,[^hooglied-7-4-14] uw ogen zijn als de vijvers te[^hooglied-7-4-15] Hesbon,[^hooglied-7-4-16] bij de poort van[^hooglied-7-4-17] Bath-rabbim; uw neus is als[^hooglied-7-4-18] de toren van Libanon,[^hooglied-7-4-19] die tegen[^hooglied-7-4-20] Damascus ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v4)

**5** Uw hoofd op u is als[^hooglied-7-5-21] Karmel, en[^hooglied-7-5-22] de haarband van uw hoofd als[^hooglied-7-5-23] purper;[^hooglied-7-5-24] de koning is als gebonden[^hooglied-7-5-25] op de galerijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v5)

**6** [^hooglied-7-6-26][^hooglied-7-6-b] Hoe schoon bent u, en hoe liefelijk bent u, o liefde,[^hooglied-7-6-27] in hartstochten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v6)

**7** Deze uw[^hooglied-7-7-28] lengte is te vergelijken bij een[^hooglied-7-7-29] palmboom, en uw borsten bij[^hooglied-7-7-30] druiftrossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v7)

**8** [^hooglied-7-8-31]Ik zei: Ik zal op de palmboom klimmen,[^hooglied-7-8-33] ik zal zijn takken grijpen;[^hooglied-7-8-34] zo zullen dan uw borsten zijn als druiftrossen aan de wijnstok, en de reuk[^hooglied-7-8-35] van uw neus als[^hooglied-7-8-36] appelen.[^hooglied-7-8-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v8)

**9** En[^hooglied-7-9-37] uw gehemelte als goede wijn, die[^hooglied-7-9-38] recht[^hooglied-7-9-39] tot mijn Geliefde gaat,[^hooglied-7-9-40] doende de lippen[^hooglied-7-9-41] van de slapenden spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v9)

**10** [^hooglied-7-10-42][^hooglied-7-10-c] Ik ben van mijn Liefste, en Zijn[^hooglied-7-10-43] genegenheid is tot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v10)

**11** Kom, mijn Liefste![^hooglied-7-11-44] laat ons uitgaan[^hooglied-7-11-45] in het[^hooglied-7-11-46] veld, laat ons overnachten op de dorpen.[^hooglied-7-11-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v11)

**12** Laat ons vroeg ons opmaken[^hooglied-7-12-48] naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit,[^hooglied-7-12-49] de jonge druifjes[^hooglied-7-12-50] zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten;[^hooglied-7-12-51] daar zal ik U[^hooglied-7-12-52] mijn uitnemende liefde geven.[^hooglied-7-12-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v12)

**13** De dudaim[^hooglied-7-13-54] geven reuk, en[^hooglied-7-13-55] aan onze deuren zijn[^hooglied-7-13-56] allerlei edele vruchten,[^hooglied-7-13-57] nieuwe en oude; o mijn Liefste![^hooglied-7-13-58] die heb ik voor U weggelegd.[^hooglied-7-13-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/7.html#v13)

[^hooglied-7-1-1]: Kanttekening 1: Het schijnt dat de vrienden van de Bruid deze beschrijving van het lichaam van de Bruid gemaakt hebben. Want vers 5, 7:9 wordt van Salomo of Christus gesproken als van een derde persoon. Evenwel houden het anderen daarvoor, dat het de woorden van de Bruidegom zijn. Hooglied 7:5: Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen. Hooglied 7:9: En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Beminde gaat, doende de lippen van de slapenden spreken.
[^hooglied-7-1-2]: Kanttekening 2: 2 uw gangen: Versta hierbij, haar wandel in het geloof aan Jezus Christus, zo namelijk dat haar voeten geschoeid zijn met de vaardigheid van het Evangelie van de vrede, betonende daarmee dat zij uit God geboren is; Ef. 6:15. Zie ook Jes. 52:7. Efeziërs 6:15: En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie van de vrede; Jesaja 52:7: Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; van degene, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; van degene, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.
[^hooglied-7-1-3]: Kanttekening 3: 3 u prinsendochter: Vergelijk hiermee Joh. 1:13, en Jak. 1:18. Deze Bruid, of de kerk, wordt ook genoemd de dochter van een koning, Ps. 45:14. Want God is een groot Koning. Johannes 1:13: Welke niet uit de bloede, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. Jakobus 1:18: Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen. Psalmen 45:14: De Dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
[^hooglied-7-1-4]: Kanttekening 4: Het Hebreeuwse woord \[dat alleen hier gevonden wordt\] komt van draaien, of omdraaien, en het schijnt te betekenen de holligheid, waarin de heup zich beweegt of omdraait. Deze omdraaiingen worden vergeleken bij kostelijke ketens, of juwelen, betekenende de vaste, oprechte en schone gestalte, handel en wandel van deze prinselijke of edele dochter, wel betamende het Evangelie, waarvan zij belijdenis doet. Anderen vertalen hier het Hebreeuwse woord gordels, en verstaan hierdoor de gordel van de waarheid, die gemaakt is door het ingeven van de Geest van de waarheid, die de opperste werkman is van alle goede en volmaakte gaven. Deze gordel wordt vergeleken bij gouden ketens, die met vele schakels samengevoegd zijn, want de waarheid heeft wel vele delen, maar zij passen alle op elkaar, gelijk de schakels eens ketens.
[^hooglied-7-1-5]: Kanttekening 5: 5 als kostelijke: Of, gelijk halsketens, of braceletten, of dergelijke versierselen. Zie Spr. 25:12. Spreuken 25:12: Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
[^hooglied-7-1-6]: Kanttekening 6: 6 eens kunstenaars: Versta bij deze kundigen werkman de Heilige Geest; zie 1 Kor. 12:4. Daar staat Jak. 1:17: Alle goede gave en volmaakte gift komt van boven, van de Vader van de lichten. 1 Korinthiërs 12:4: En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest; Jakobus 1:17: Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^hooglied-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 Uw navel: De navel in het instrument, waardoor het kind gevoed wordt, terwijl het in zijns moeders lichaam besloten is. Versta hier de navel van de wedergeboorte, door welke wij het geestelijke leven deelachtig worden, als wij in de buik van de kerk ontvangen zijn door het zaad van het goddelijke Woord. Deze gave wordt vergeleken bij een ronden beker, die geen drank ontbreekt; dat is, die nimmermeer uitdroogt, omdat wij door de wedergeboorte ontvangen de Geest van de aanneming tot kindschap, die van de uitverkorenen nimmermeer afwijkt, Joh. 14:16; maar hij wordt in hen een springende fontein ten eeuwigen leven, Joh. 4:14. Johannes 14:16: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; Johannes 4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
[^hooglied-7-2-8]: Kanttekening 8: 8 die geen drank: Hebreeuws, die gene vermenging ontbreekt. De drank wordt meermalen vermenging genoemd bij de Hebreën, omdat zij niet altijd de wijn dronken zo zuiver als hij van de wijnstok of pers kwam, maar zij mengden hem met water, of ook wel met specerijen. Zie Spr. 9:2, boven Hoogl. 5:1. En Hoogl. 8:2 wordt melding gemaakt van wijn met specerijen gemengd. Spreuken 9:2: Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt. Hooglied 5:1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! Hooglied 8:2: Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijn moeders huis, U zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.
[^hooglied-7-2-9]: Kanttekening 9: 9 uw buik: De geestelijke gaven van de Bruid of kerk van Christus zijn ook vruchtbaar, anderen bekerende, in zulk een overvloed als de tarwe, die vele vruchten draagt, Ps. 72:16. Psalmen 72:16: Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde.
[^hooglied-7-2-10]: Kanttekening 10: 10 rondom bezet: Hebreeuws, betuind. Hiermee wordt aangewezen dat de vruchtbaarheid van de gemeente gekroond wordt met de zegen Gods en een geestelijke vreugde. Het schijnt te zien op de nieuwe vruchten, die men pleegt te kronen of versieren met bloemen of groene kransen. Zie Hos. 14:6. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.
[^hooglied-7-3-11]: Kanttekening 11: 11 Uw twee: Zie de beduiding van dit vers Hoogl. 4:5. Hooglied 4:5: Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.
[^hooglied-7-3-a]: Verwijzing a: Hoogl. 4:5. Hooglied 4:5: Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.
[^hooglied-7-4-12]: Kanttekening 12: 12 Uw hals is: Door de hals wordt te kennen gegeven de kracht en heerlijkheid van de kerk van Christus. Anderen verstaan door de hals de hoop en volharding.
[^hooglied-7-4-13]: Kanttekening 13: 13 als een elpenbenen: Dat is, schoon, sterk en rechtop. Zie Hoogl. 4:4, en de aantekening daar. Hooglied 4:4: Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, allemaal zijnde schilden van de helden.
[^hooglied-7-4-14]: Kanttekening 14: 14 uw ogen zijn: Te weten de ogen van uw verstand en van uw geloof. Die zijn vol wijsheid en kennis van de Heer, gelijk de vijvers vol zijn van klaar en zuiver water, klaar zijnde om de waarheid te zien en om hun eigen en anderer wegen en gangen aan te merken. Zie boven, Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-7-4-15]: Kanttekening 15: In de stad Hesbon heeft eertijds de koning Sihon zijn hof gehouden; Num. 21:26. Zij lag in een goede vette landouw, die de Rubenieten is toegevallen. Num. 32:3, 32:4, 32:5 tot Num. 32:37; het schijnt dat in deze stad schone vijvers geweest zijn, die haar versierden, gelijk de ogen het lichaam doen. Anders: als vijvers met bedenking, of met gedachte; dat is kunstiglijk gemaakt. Numeri 21:26: Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorigen koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. Numeri 32:3: Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; Numeri 32:4: Dit land, dat YHWH voor het aangezicht van de vergadering van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee. Numeri 32:5: Verder zeiden zij: Als wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelfde land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan. Numeri 32:37: En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,
[^hooglied-7-4-16]: Kanttekening 16: 16 bij de poort: Dat is bij de poort, waar vele mensen uit- en ingaan, of bij de poort, waar vele mensen samenkomen. Enige menen dat er te Jeruzalem een poort geweest is, Bath-Rabbim genoemd, bij welke ook schone vijvers waren. Sommigen nemen het voor de Schaapspoort; Neh. 3:1; of de Fonteinpoort; Neh. 3:15. Anderen houden het voor een poort van Hesbon. Nehemia 3:1: En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broers, de priesters, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan de toren Mea, tot aan de toren Hananeël. Nehemia 3:15: En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe de muur van de vijver Schelah bij het hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.
[^hooglied-7-4-17]: Kanttekening 17: 17 uw neus: Hier wordt door gelijkenis te kennen gegeven de schoonheid van de neus, en verder van het gehele aangezicht. Sommigen nemen die woorden aldus: Omdat de neus is het instrument van de reuk, waardoor wij de kracht van vele dingen kunnen onderkennen; daarom verstaan zij daarbij het oordeel en de geest van het onderscheid, waardoor wij de verscheidene dingen kunnen onderscheiden; Filipp. 1:10. Zie ook Jes. 11:3. Filippensen 1:10: Opdat u beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat u oprecht bent, en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus; Jesaja 11:3: En Zijn rieken zal zijn in de vrees voor YHWH; en Hij zal naar het gezicht Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijn oren niet bestraffen.
[^hooglied-7-4-18]: Kanttekening 18: 18 toren van Libanon: Dit kan men verstaan van de toren van het huis, dat Salomo in het woud van Libanon gebouwd heeft; 1 Kon. 7:2, en 1 Kon. 10:17. 1 Koningen 7:2: Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren. 1 Koningen 10:17: Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon.
[^hooglied-7-4-19]: Kanttekening 19: 19 die tegen: Damascus was in die tijden de vermaardste stad in Syrië; Jes. 7:8, noordwaarts van de berg Libanon gelegen; een zeer schone stad; Jer. 49:24, 49:25. Deze stad was gemeenlijk vijandig, en zij voerde dikwijls krijg tegen het volk van God. Zie 1 Kron. 18:5, 18:6; 1 Kon. 11:24, 11:25; Jes. 7:5, 7:8; Amos 1:3. Zodat de toren van Libanon, ziende naar Damascus toe, hier mag betekenen de wachthoudende zorg van de Bruid voor de rust van haarzelve en haar kinderen tegen haar vijanden. Voor, die tegen Damascus ziet, hebben anderen: ziende met het aangezicht naar Damascus toe. Jesaja 7:8: Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. Jeremia 49:24: Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen; Jeremia 49:25: Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad Mijn vrolijkheid! 1 Kronieken 18:5: En de Syriërs van Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 1 Kronieken 18:6: En David legde bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En YHWH behoedde David overal, waar hij heenging. 1 Koningen 11:24: Tegen welke hij ook mannen vergaderd had, en werd overste van een bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damascus, woonden zij daar, en regeerden in Damascus. 1 Koningen 11:25: En hij was Israëls tegenstander al de dagen van Salomo, en dat naast het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië. Jesaja 7:5: Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende: Jesaja 7:8: Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. Amos 1:3: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.
[^hooglied-7-4-20]: Kanttekening 20: 20 Damascus ziet: Hebreeuws, Dammesek; 1 Kron. 18:5, 18:6 staat: Darmaskus. Maar 2 Kon. 16:10, en Hand. 9:2, Damascus. 1 Kronieken 18:5: En de Syriërs van Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 1 Kronieken 18:6: En David legde bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En YHWH behoedde David overal, waar hij heenging. 2 Koningen 16:10: Toen toog de koning Achaz Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, tegemoet, naar Damascus; en gezien hebbende een altaar, dat in Damascus was, zo zond de koning Achaz aan de priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn gehele maaksel. Handelingen 9:2: En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
[^hooglied-7-5-21]: Kanttekening 21: Zie van de berg Karmel, 1 Sam. 25:2, 25:5, en 1 Kon. 18:19, 18:20 tot 1 Kon. 18:42, en elders meer. Deze woorden nu, uw hoofd op u is als Karmel, kunnen betekenen dat de Bruid met wijsheid en verstand voortreffelijk begaafd is; gelijk de berg Karmel, zeer vruchtbaar zijnde, veel goede vruchten voortbracht. Anderen vertalen hier het woord Karmel door karmozijn, gelijk een gelijk woord, te weten Karmil, vertaald wordt, 2 Kron. 3:14. 1 Samuël 25:2: En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijn schapen te Karmel. 1 Samuël 25:5: Zo zond David tien jongelingen; en David zei tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als u tot Nabal komt, zo zult u hem in mijn naam naar de welstand vragen; 1 Koningen 18:19: Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Koningen 18:20: Zo zond Achab onder alle kinderen van Israël, en verzamelde de profeten op de berg Karmel. 1 Koningen 18:42: Zo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. 2 Kronieken 3:14: Hij maakte ook de voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.
[^hooglied-7-5-22]: Kanttekening 22: 22 de haarband: Versta hier die band, waarmee men de pronk of het sieraad van het hoofd opbindt. Het Hebreeuwse woord dallath betekent eigenlijk dunnigheid, tederheid, properheid, zodat het hier ook kan beduiden dun of teder haar. Zie Hoogl. 4:1. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-7-5-23]: Kanttekening 23: Deze kleur, alsook karmozijn, droegen eertijds koningen en prinsen, en was daarom deze Bruid wel passende en betamende, die een prinsendochter genoemd wordt, vers 1. En deze kleuren zijn afbeeldingen van het bloed van Jezus Christus. Hooglied 7:1: Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, u prinsendochter! de omdraaiingen uw heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
[^hooglied-7-5-24]: Kanttekening 24: 24 de koning: Versta hier bij de koning de koning Salomo, zijnde een figuur van Christus. De zin is: Als de koning wil gaan over de galerij van de ene kamer naar de andere, en in het gaan u ziet, zo moet hij stilstaan om u te aanschouwen, niet anders dan of hij aan de galerij vastgebonden ware. Anders: De koning wordt \[daarvan\] gebonden aan de gangen.
[^hooglied-7-5-25]: Kanttekening 25: 25 op de galerijen: Het Hebreeuwse woord Rehatim is Gen. 30:38, 30:41, en Ex. 2:16, vertaald goten; maar een gelijk woord Hoogl. 1:17, is vertaald galerijen, gelijk het hier ook zo moet genomen worden; en versta door het woord galerijen gebouwen langs de huizen gaande. En op, of in, de galerijen gebonden te zijn, betekent hier, dat Christus een vaste woning of verblijf heeft in het huis zijn kerk, waar deze gebonden is en gebonden blijft met de banden van de liefde, die Hij zijn lieve Bruid, de kerk, is toedragende, Rom. 8:35. Zie ook Ps. 45:12; Jes. 62:4; Ez. 37:25, 37:26, en Ez. 48:25; Hos. 2:19; Joh. 14:23; 2 Kor. 6:16; Openb. 22:3, 22:5. Genesis 30:38: En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. Genesis 30:41: En het geschiedde, telkens als de kudde van de vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen van de kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. Exodus 2:16: En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. Hooglied 1:17: De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen. Romeinen 8:35: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? Psalmen 45:12: Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heer is, zo buig u voor Hem neder. Jesaja 62:4: Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar u zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want YHWH heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. Ezechiël 37:25: En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hun Vorst zijn tot in eeuwigheid. Ezechiël 37:26: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. Ezechiël 48:25: En aan de landpale van Simeon, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Issaschar een. Hosea 2:19: (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult YHWH kennen. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen; Openbaring 22:5: En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^hooglied-7-6-26]: Kanttekening 26: 26 Hoe schoon: Hier geeft de Bruidegom reden waarom Hij met liefde aan zijn Bruid gebonden is en gebonden blijft, gelijk hij vers 5 gezegd heeft; zie boven Hoogl. 1:15, 1:16, en Hoogl. 4:9, 4:10. Hooglied 7:5: Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 1:16: Zie, u bent schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. Hooglied 4:9: U hebt Mij het hart genomen, Mijn zus, o bruid! u hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met een keten van uw hals. Hooglied 4:10: Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zus, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uw oliën dan alle specerijen!
[^hooglied-7-6-b]: Verwijzing b: Ps. 45:12; Hoogl. 1:15; Hoogl. 4:1. Psalmen 45:12: Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heer is, zo buig u voor Hem neder. Hooglied 1:15: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. Hooglied 4:1: Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren.
[^hooglied-7-6-27]: Kanttekening 27: 27 in wellusten: Dat is, in allerlei vermakelijkheid, zo dat al degenen, die deze Bruid liefhebben, zich met haar kunnen verheugen en verblijden in de schoonheid haar heerlijkheid, gelijk Jes. 66:10, 66:11. Jesaja 66:10: Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, u allen, die over haar zijt treurig geweest! Jesaja 66:11: Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans haar heerlijkheid.
[^hooglied-7-7-28]: Kanttekening 28: Of, statuur, gestalte.
[^hooglied-7-7-29]: Kanttekening 29: Dit is een schone hoge boom, rechtop wassende, altijd groen en bloeiende en schone vruchten dragende. Daarom wordt de staat van de godzaligen bij dezelfde vergeleken, Ps. 92:13; zie ook 1 Kon. 6:29, en 1 Kon. 7:36. Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. 1 Koningen 6:29: En al de wanden van het huis, in het ronde, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en van buiten. 1 Koningen 7:36: Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.
[^hooglied-7-7-30]: Kanttekening 30: Te weten bij zulke druiventrossen, die vol sap en vochtigheid zijn, welke de gelovigen mogen zuigen, hemelse vertroostingen daaruit ontvangende tot verzadiging, Hoogl. 4:5, en Jes. 66:11. Hooglied 4:5: Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. Jesaja 66:11: Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans haar heerlijkheid.
[^hooglied-7-8-31]: Kanttekening 31: 31 Ik zei: Te weten bij mijzelf; dat is, Ik dacht, Ik nam mij vast voor.
[^hooglied-7-8-33]: Kanttekening 33: 33 ik zal zijn takken: Dat is, Ik zal de takken van deze palmboom tot mij nemen, reinigen en bewaren, opdat zij des te beter vruchten voortbrengen; Joh. 15:2. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
[^hooglied-7-8-34]: Kanttekening 34: 34 zo zullen: Dit is een belofte, die de Bruidegom zijn Bruid doet, dat Hij haar zegenen zal, haar vervullende met het sap of de vochtigheid zijn genade, dat zij niet onvruchtbaar zal zijn in de kennis van Christus; 2 Petr. 1:8. Zie ook Jes. 27:6. Maar anderen nemen de woorden van de tekst als een wens, in deze zin: Dat toch uw borsten zijn gelijk, enz., dat is, dat u toch geen ledige of onnutte wijnstok bent, gelijk van Israël geschreven staat; Hos. 10:1. Maar dat u vol van de Geest bent, opdat de zuigelingen mogen gezuigen en verzadigd worden met de borsten van de vertroosting; Jes. 66:11. 2 Petrus 1:8: Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet leeg noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heer Jezus Christus. Jesaja 27:6: In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. Hosea 10:1: Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijn vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt. Jesaja 66:11: Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans haar heerlijkheid.
[^hooglied-7-8-35]: Kanttekening 35: 35 uw neus: Vergelijk boven vers 4 met de aantekening. Hooglied 7:4: Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damascus ziet.
[^hooglied-7-8-36]: Kanttekening 36: Die een lieflijken reuk hebben onder andere boomvruchten, van wat soort die ook mogen wezen. Maar enige verstaan hier reukappelen, die de apothekers maken van verscheidene welriekende specerijen.
[^hooglied-7-8-32]: Kanttekening 32: 32 Ik zal op de palmboom: Te weten om de vruchten daarvan te plukken. Neem deze woorden als van de Bruidegom gesproken zijnde, te kennen gevende dat Hij een welgevallen heeft aan de geestelijke vruchten zijn Bruid. Zie Hoogl. 5:1. Hooglied 5:1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!
[^hooglied-7-9-37]: Kanttekening 37: 37 uw gehemelte: Dat is, de leer van de kerk is gelijk goede wijn om de bedroefde harten te laven en te verkwikken; Spr. 31:6. Zie ook deze gelijkenis van de wijn genomen, Jes. 55:1, en Spr. 9:5. Spreuken 31:6: Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn; Jesaja 55:1: O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Spreuken 9:5: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn, die Ik gemengd heb.
[^hooglied-7-9-38]: Kanttekening 38: 38 recht …: Hebreeuws, naar de gerechtigende; dat is, recht toe recht aan, gelijk men gemeenlijk spreekt. Zo ook Spr. 23:31. Anders: die naar de gerechtigheden tot mijn beminde gaat. Dat is, wiens woorden daartoe strekken om anderen tot Christus te brengen en zo ter gerechtigheid, dat is tot alle goede werken, waarin Hij wil dat wij zullen wandelen. Spreuken 23:31: Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;
[^hooglied-7-9-39]: Kanttekening 39: 39 tot mijn Beminde: Dat is tot elk van mijn ledematen.
[^hooglied-7-9-40]: Kanttekening 40: De mening is, gelijk de wijn de mensen spraakzaam maakt, Spr. 23:29, zo maakt de Geest van God dat degenen, die dezelfde hebben rijk in hen wonende, spreken van de verborgenheden Gods en vertellen de grote daden van de Heer, Hand. 2:4, 2:11, 2:13, enz. Spreuken 23:29: Bij wie is wee? bij wie och arme? bij wie gekijf? bij wie het beklag? bij wie wonden zonder oorzaak? bij wie de roodheid van de ogen? Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Handelingen 2:11: Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken. Handelingen 2:13: En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn.
[^hooglied-7-9-41]: Kanttekening 41: 41 van de slapenden: Dat is dergenen, die nu uit de slaap van de zonde gewekt zijn door de predikatie van het goddelijke Woord; Ef. 4:14. Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^hooglied-7-10-42]: Kanttekening 42: 42 Ik ben mijns Liefsten: Dit zijn de woorden van de Bruid, vervuld zijnde met de wijn van de genade en van de troost, welke zij van haar Bruidegom ontvangen had; zij getuigt en belijdt haar zekerheid door het geloof dat zij Christus toebehoort. Zie Gal. 3:29. Zie ook de aantekening Hoogl. 2:16, en Hoogl. 6:3. Galaten 3:29: En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Hooglied 2:16: Mijn Liefste is van mij, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën, Hooglied 6:3: Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is van mij, Die onder de leliën weidt.
[^hooglied-7-10-c]: Verwijzing c: Hoogl. 2:16; Hoogl. 6:3. Hooglied 2:16: Mijn Liefste is van mij, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën, Hooglied 6:3: Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is van mij, Die onder de leliën weidt.
[^hooglied-7-10-43]: Kanttekening 43: Of, zijn begeerte strekt tot mij.
[^hooglied-7-11-44]: Kanttekening 44: 44 laat ons uitgaan: De Bruid verzoekt het gezelschap van Christus, want zonder Hem kunnen wij niets doen; Joh. 15:5. Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen.
[^hooglied-7-11-45]: Kanttekening 45: 45 in het veld: De Bruid verzoekt aan de Bruidegom dat zij in het veld en op de dorpen mocht gaan; te weten om haar landbouwerij te bezien, hoe het daarmee al ging, en of de bomen goede en overvloedige vruchten voortbrachten, gelijk gezegd wordt vers 12. Dit betekent de liefde en zorg van Christus en van zijn gemeente, tot voortplanting van het heilige Evangelie en wasdom van de kerk door de gehele wereld, want het veld of akker is de wereld, Matt. 13:38; gelijk Christus zelf in de dagen zijns vleses is gegaan in alle steden en vlekken, predikende het Evangelie, Matt. 9:35; Mark. 6:6. Zo zijn ook de apostelen uitgezonden om het Evangelie te prediken alle volken van de wereld, Matt. 28:19; zie ook Hand. 15:36. De opbouwing van de gemeente wordt ook bij een akkerwerk vergeleken, 1 Kor. 3:9, en de getrouwe leraars worden ook daar Gods medewerkers genoemd. Hooglied 7:12: Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven. Mattheüs 13:38: En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de boze; Mattheüs 9:35: En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Marcus 6:6: En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Handelingen 15:36: En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu terugkeren, en bezoeken onze broers in elke stad, in welke wij het Woord van de Heer verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.
[^hooglied-7-11-46]: Kanttekening 46: 46 laat ons overnachten: Hiermee wordt aangewezen de wakende zorgvuldigheid van de kerk, die ook bij nacht de wacht is houdende over haar wijnberg.
[^hooglied-7-11-47]: Kanttekening 47: 47 op de dorpen: De Bruid verzoekt aan de Bruidegom dat zij in het veld en op de dorpen mocht gaan; te weten om haar landbouwerij te bezien, hoe het daarmee al ging, en of de bomen goede en overvloedige vruchten voortbrachten, gelijk gezegd wordt vers 12. Dit betekent de liefde en zorg van Christus en van zijn gemeente, tot voortplanting van het heilige Evangelie en wasdom van de kerk door de gehele wereld, want het veld of akker is de wereld, Matt. 13:38; gelijk Christus zelf in de dagen zijns vleses is gegaan in alle steden en vlekken, predikende het Evangelie, Matt. 9:35; Mark. 6:6. Zo zijn ook de apostelen uitgezonden om het Evangelie te prediken alle volken van de wereld, Matt. 28:19; zie ook Hand. 15:36. De opbouwing van de gemeente wordt ook bij een akkerwerk vergeleken, 1 Kor. 3:9, en de getrouwe leraars worden ook daar Gods medewerkers genoemd. Hooglied 7:12: Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven. Mattheüs 13:38: En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de boze; Mattheüs 9:35: En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Marcus 6:6: En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Handelingen 15:36: En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu terugkeren, en bezoeken onze broers in elke stad, in welke wij het Woord van de Heer verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.
[^hooglied-7-12-48]: Kanttekening 48: 48 Laat ons vroeg: Dit is opnieuw een teken van naarstige zorgvuldigheid. Zie 2 Kron. 36:15, en Jer. 25:3, 25:4. 2 Kronieken 36:15: En YHWH, de God hun vaders, zond tot hen, door de hand Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Jeremia 25:3: Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord. Jeremia 25:4: Ook heeft YHWH tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar u hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);
[^hooglied-7-12-49]: Kanttekening 49: 49 naar de wijnbergen: Dat is, tot de kerken en plaatsen, waar het Evangelie is geplant of gepredikt geworden. Want het huis van Israël is de wijngaard van de Heer; Jes. 5:7. Jesaja 5:7: Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
[^hooglied-7-12-50]: Kanttekening 50: 50 de jonge druifjes: Zie Hoogl. 2:13, 2:15. Hooglied 2:13: De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! Hooglied 2:15: Vangt u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.
[^hooglied-7-12-51]: Kanttekening 51: 51 zich opendoen: Of, zich openen, of geopend hebben. Anders, bloeien; zie Hoogl. 6:11. Hooglied 6:11: Ik ben tot de notenhof afgegaan om de groene vruchten van de vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.
[^hooglied-7-12-52]: Kanttekening 52: 52 daar zal ik U: Te weten in de wijngaarden van de kerk, in de vergaderingen van de heiligen; daar zal ik mijn ziel en mijn lichaam u opofferen tot een aangename en welriekende offerande.
[^hooglied-7-12-53]: Kanttekening 53: 53 mijn uitnemende liefde geven: Dat is, het geniete van de vruchten van mijn geloof, belijdenis, dankbaarheid, goede werken, enz.; zie Jes. 27:3, 27:6, en Jes. 65:9; Ez. 20:40, 20:41. Jesaja 27:3: Ik, YHWH, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. Jesaja 27:6: In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. Jesaja 65:9: En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen daar wonen. Ezechiël 20:40: Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, spreekt de Heer YHWH, daar zal Mij het gehele huis van Israël in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen uw heffingen met al uw geheiligde dingen. Ezechiël 20:41: Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in die u zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen van de heidenen.
[^hooglied-7-13-54]: Kanttekening 54: 54 De dudaim: De rechte betekenis van het woord is ons onbekend. Zie Gen. 30:14. Het kan geen mandragora zijn, zodanig als die bij ons bekend is, gelijk sommigen menen, omdat onze mandragora een stinkenden reuk heeft, die het hoofd zwaar en slaperig maakt. De Bruid wil hier zeggen dat er al goede hoop van bekering aan haar te merken is, gelijk het uitspruiten van de bloemen een voorbereidsel is van toekomende vruchten. Zie boven Hoogl. 2:12. Genesis 30:14: En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zei Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. Hooglied 2:12: De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land.
[^hooglied-7-13-55]: Kanttekening 55: 55 geven reuk: Te weten, een lieflijken aangenamen reuk. De zin is, dat de faam van de genade en genade van God over zijn volk uitgestort, zich wijd en breed verspreidt.
[^hooglied-7-13-56]: Kanttekening 56: 56 aan onze deuren: Of, bij onze deuren. Vergelijk Matt. 24:32, 24:33. Mattheüs 24:32: En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. Mattheüs 24:33: Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
[^hooglied-7-13-57]: Kanttekening 57: Zie Hoogl. 4:13, 4:16. Hooglied 4:13: Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus; Hooglied 4:16: Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!
[^hooglied-7-13-58]: Kanttekening 58: Dit betekent verscheidenheid en overvloed van vruchten. Zie Lev. 26:10; zie ook Matt. 13:52. Bij de oude vruchten versta de eerste gaven en werken, die zij tevoren ontvangen hadden; Openb. 2:5. Bij de nieuwe vruchten kan men verstaan de verse genaden, die zij eerst kort ontvange hadden. Want die de gave van de wedergeboorte wel gebruikt, die zal er door Gods genade nog meer ontvangen; Matt. 25:29; Openb. 2:19. Sommigen verstaan hierdoor dubbele vruchten op de bomen, oude, rijpe en afgaande en nieuwe, onrijpe, aankomende, gelijk aan de oranjebomen en verscheiden andere gezien wordt. Leviticus 26:10: En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen. Mattheüs 13:52: En Hij zei tot hen: Daarom, iedere Schriftgeleerde, in het Koninkrijk van de hemel onderwezen, is gelijk aan een heer van het huis, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. Openbaring 2:5: Gedenk dan, waarvan u uitgevallen bent, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastig bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, als u u niet bekeert. Mattheüs 25:29: Want iedereen die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Openbaring 2:19: Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw volharding, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.
[^hooglied-7-13-59]: Kanttekening 59: 59 die heb ik voor U weggelegd: Gelijk het goed, dat de Heer voor degenen, die Hem vrezen, heeft weggelegd, groot is; Ps. 31:20; zo moeten al de goede vruchten, die van zijn volk vloeien, gericht en aangesteld worden tot zijn eer en lof; want van Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen; Hem zij de eer in eeuwigheid, Amen; Rom. 11:36; Spr. 16:4. Psalmen 31:20: O, hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat U gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de aanwezigheid van de mensenkinderen! Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Spreuken 16:4: YHWH heeft alles gewrocht om Zijn Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad.

### Hooglied 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hooglied/8.json)

*De Bruid wenst dat de Bruidegom in het vlees mocht verschijnen en bij haar wonen, vers 1, enz. Een verwondering vanwege de opgang van de Kerk, 5; wens van de Bruid om verzekering te mogen hebben van de liefde van haar Bruidegom tot haar, 6, enz. Daarna spreekt de Bruid over haar jonge zuster, dat is, over de Gemeente uit de heidenen, 8; antwoord daarop, 9; daarmee stelt de Bruid zich gerust en tevreden, 10. De zorg die de Bruidegom zelf over zijn wijngaard draagt, 11, enz. Maar Hij wil ook door anderen verkondigd worden, 13. De Bruid verlangt naar de spoedige verschijning van haar Bruidegom, 14.*

**1** [^hooglied-8-1-1] Och, dat U mij als een Broeder was,[^hooglied-8-1-2] zuigende de borsten van mijn moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U[^hooglied-8-1-3] kussen, ook zouden zij mij niet[^hooglied-8-1-4] verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v1)

**2** Ik zou[^hooglied-8-2-5] U leiden, ik zou U brengen[^hooglied-8-2-6] in het huis van mijn moeder,[^hooglied-8-2-7] U zou mij leren;[^hooglied-8-2-8] ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en[^hooglied-8-2-9] van het sap van mijn granaatappels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v2)

**3** [^hooglied-8-3-10][^hooglied-8-3-a] Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v3)

**4** [^hooglied-8-4-11][^hooglied-8-4-b] Ik bezweer u, u dochters van[^hooglied-8-4-12] Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar lust! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v4)

**5** [^hooglied-8-5-13] Wie is zij, die daar opklimt uit[^hooglied-8-5-14] de woestijn, en[^hooglied-8-5-15] liefelijk leunt op haar Liefste?[^hooglied-8-5-16] Onder de appelboom[^hooglied-8-5-17] heb ik u opgewekt,[^hooglied-8-5-18] daar heeft u[^hooglied-8-5-19] uw moeder[^hooglied-8-5-20] met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v5)

**6** [^hooglied-8-6-21] Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel[^hooglied-8-6-22] op Uw arm; want[^hooglied-8-6-23] de liefde is sterk[^hooglied-8-6-24] als de dood;[^hooglied-8-6-25] de ijver is hard als het graf;[^hooglied-8-6-26] haar kolen zijn vurige kolen,[^hooglied-8-6-27] vlammen van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v6)

**7** [^hooglied-8-7-28] Vele wateren zouden[^hooglied-8-7-c] deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet[^hooglied-8-7-29] verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde,[^hooglied-8-7-30] men zou hem te enenmale verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v7)

**8** [^hooglied-8-8-31] Wij hebben een[^hooglied-8-8-32] kleine zus,[^hooglied-8-8-33] die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zus doen in die dag,[^hooglied-8-8-34] als men van haar spreken zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v8)

**9** [^hooglied-8-9-35] Zo[^hooglied-8-9-36] zij een[^hooglied-8-9-37] muur is,[^hooglied-8-9-38] wij zullen[^hooglied-8-9-39] een paleis[^hooglied-8-9-40] van zilver[^hooglied-8-9-41] op haar bouwen; en zo[^hooglied-8-9-42] zij een deur is, wij zullen[^hooglied-8-9-43] haar rondom[^hooglied-8-9-44] bezetten met cederen planken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v9)

**10** [^hooglied-8-10-45] Ik ben een muur en[^hooglied-8-10-46] mijn borsten zijn als torens.[^hooglied-8-10-47] Toen was ik in[^hooglied-8-10-48] Zijn ogen[^hooglied-8-10-49] als een, die vrede vindt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v10)

**11** [^hooglied-8-11-50] Salomo had een wijngaard,[^hooglied-8-11-51] te Baäl-hamon;[^hooglied-8-11-52] hij gaf deze wijngaard aan[^hooglied-8-11-53] de hoeders, een ieder bracht voor de vrucht daarvan duizend[^hooglied-8-11-54][^hooglied-8-11-55] zilverlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v11)

**12** [^hooglied-8-12-56] Mijn wijngaard,[^hooglied-8-12-57] die ik heb,[^hooglied-8-12-58] is voor mijn aangezicht;[^hooglied-8-12-59] de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo![^hooglied-8-12-60] maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v12)

**13** [^hooglied-8-13-61] O u bewoonster[^hooglied-8-13-62] van de hoven![^hooglied-8-13-63] de metgezellen merken op uw stem; doe[^hooglied-8-13-64] ze Mij horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v13)

**14** [^hooglied-8-14-65][^hooglied-8-14-d] Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk[^hooglied-8-14-66] een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hooglied/8.html#v14)

[^hooglied-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 Och, dat U mij als een Broeder was: Hebreeuws, יִתֶּנְ, wie zal u mij geven als mijn broer! Zie de aantekening Deut. 5:29, en Ps. 14:7. Dit is een wens van de Bruid, of van de godzaligen, wensende die dag te mogen zien en beleven, dat ze Christus haar Bruidegom geworden zijnde haar broer naar het vlees zou mogen aanschouwen, in het vlees geopenbaard zijnde. Hoezeer vele godzaligen in het Oude Testament hiernaar verlangd hebben zie Matt. 13:17; Joh. 8:56; Hebr. 11:13. Deuteronomium 5:29: Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid! Psalmen 14:7: Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. Mattheüs 13:17: Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die u ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die u hoort, en hebben ze niet gehoord. Johannes 8:56: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Hebreeën 11:13: Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.
[^hooglied-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 zuigende de borsten mijn moeder: Geesterlijkerwijze moet men door de moeder verstaan de algemene kerk, het hemelse Jeruzalem, dat onzer van alle moeder is; Gal. 4:26. Christus heeft dezelfde borsten gezogen, die wij gezogen hebben, gelijk Hij de sacramenten van het Oude en van het Nieuwe Testament heeft genoten: de besnijdenis, het paaslam, de doop en het heilige avondmaal, om zo alle gerechtigheid te volbrengen; Matt. 3:15. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons van alle moeder. Mattheüs 3:15: Maar Jezus, antwoordende, zei tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
[^hooglied-8-1-3]: Kanttekening 3: Kussen is een bewijs van liefde, somtijds ook van eer en gehoorzaamheid. Zie Ps. 2:12; Hoogl. 1:2. Psalmen 2:12: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Hooglied 1:2: Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
[^hooglied-8-1-4]: Kanttekening 4: Die personen worden versmaad, die wat doen of geacht worden te doen, dat niet eerlijk nocht passend is, Gen. 38:23; 2 Sam. 6:16; Jes. 37:22. Omdat dan de Bruid, haar Bruidegom op de straat openlijk kussende, dat is openbaarlijk Hem voor de mensen belijdende en bekennende haar Zaligmaker te zijn, niets onbetamelijks doen zou, zo zou zij deshalve van geen godzalige personen met reden veracht of bespot worden. Of men kan deze woord ook zouden zij mij niet verachten in deze zin nemen, alsof de Bruid zei: Mijn vijanden, de ongelovigen mensen, zouden alsdan mijn hoop, die ik heb van de verschijning van de Messias in het vlees, niet meer bespotten gelijk zij plegen te doen, als de beloften van God wat lang uitblijven, gelijk Ps. 42:11 te zien is, en 2 Petr. 3:4. Genesis 38:23: Toen zei Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar u hebt haar niet gevonden. 2 Samuël 6:16: En het geschiedde, als de ark van YHWH in de stad van David kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht van YHWH, verachtte zij hem in haar hart. Jesaja 37:22: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Psalmen 42:11: Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij de gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 2 Petrus 3:4: En zeggen: Waar is de belofte Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping.
[^hooglied-8-2-5]: Kanttekening 5: 5 U leiden: Te weten, met eerbieding en met vreugde; willende Christus, dat is de kennis van Christus, verbreiden in de algemene kerk zo van de Joden als van de heidenen.
[^hooglied-8-2-6]: Kanttekening 6: 6 in mijn moeders: Dat is, in de kerk of verzamelingen van de gelovigen, die Gods huizen en tempels zijn, 2 Kor. 6:16; Gal. 4:26; Hebr. 3:6. 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons van alle moeder. Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
[^hooglied-8-2-7]: Kanttekening 7: 7 U zoudt mij: Dit spreekt de kerk tot Christus. Zie Deut. 18:15; Jes. 2:2, 2:3; Micha 4:1, 4:2; Joh. 1:18, en Joh. 4:25, en Joh. 15:15; Hebr. 1:1. Deuteronomium 18:15: Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van YHWH woord uit Jeruzalem. Micha 4:1: Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Micha 4:2: En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van YHWH woord uit Jeruzalem. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 4:25: De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. Johannes 15:15: Ik heet u niet meer dienaren; want de dienaar weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. Hebreeën 1:1: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaders gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;
[^hooglied-8-2-8]: Kanttekening 8: 8 ik zou U: Dat is, ik zou zulke goede vruchten tot uw eer voortbrengen, die u zo aangenaam zouden zijn als wijn met specerijen vermengd, of hypocras, of het sap van granaatappelen, iemand wezen kan.
[^hooglied-8-2-9]: Kanttekening 9: 9 van het sap: Deze lieflijke drank is geheel het tegendeel van de beker, waarvan gesproken wordt Openb. 17:2, 17:4. Openbaring 17:2: Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij. Openbaring 17:4: En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid haar hoererij.
[^hooglied-8-3-10]: Kanttekening 10: 10 Zijn linkerhand: De Bruid, aanmerkende haar zwakheid, bidt de Bruidegom, dat Hij haar wil troosten en ondersteunen, opdat zij rust mag vinden voor haar ziel, Hoogl. 2:6. Anders: zijn linkerhand is, of ligt, onder mijn hoofd; dat is, Hij draagt middelerwijl zorg voor mij, tonende zijn kracht in mijn zwakheid, Hij ondersteunt mij in mijn grootsten nood, gelijk een getrouw man zijn huisvrouw bijstaat in haar nood en benauwdheid. Hooglied 2:6: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
[^hooglied-8-3-a]: Verwijzing a: Hoogl. 2:6. Hooglied 2:6: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
[^hooglied-8-4-11]: Kanttekening 11: 11 Ik bezweer u: Dat is, ik beveel u een eed. De Bruid, nu gevoelende de genadige vertroostingen van haar Bruidegom, wens dat zij dezelfde steeds mag deelachtig zijn en blijven, verbiedende haar vrienden dezelfde te ontrusten of te storen. Zie boven Hoogl. 2:7, en Hoogl. 3:5; te weten door ketterijen, scheuringen of ergernis. Enige menen dat de Bruidegom in vers 4 spreekt. Hooglied 2:7: Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelfde luste! Hooglied 3:5: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! Hooglied 8:4: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelfde lust!
[^hooglied-8-4-b]: Verwijzing b: Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5. Hooglied 2:7: Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelfde luste! Hooglied 3:5: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
[^hooglied-8-4-12]: Kanttekening 12: 12 dat u die liefde: Anders: waarom, of wat zoudt u die liefde opwekken, of wakkermaken voordat het haar lust? Deze vraag betekent zoveel alsof er stond: wekt deze liefde niet op, het zou u en ons tezamen niet bevorderlijk zijn dat u uw moeder, de kerk, harteleed zoudt aandoen. Zie dergelijke manier van spreken boven Hoogl. 2:7, en Hoogl. 3:5. Hooglied 2:7: Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelfde luste! Hooglied 3:5: Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
[^hooglied-8-5-13]: Kanttekening 13: 13 Wie is zij: Dit zijn de woorden van de Bruidegom, zich verwonderende over de opgang van een nieuwe gemeente, in een plaats waar tevoren gene verzameling van de gelovigen geweest was. Of, als dit zijn de woorden van de oude kerk van de gelovigen, gelijk sommigen menen, zo is het een verwondering van de dochters van Jeruzalem over de aanwas, het sterk onwankelbaar geloof en geduld van deze gemeente, zich leunende, steunende, alleen verlatende op de genadige bescherming van haar Bruidegom. Vergelijk Hoogl. 3:6. Hooglied 3:6: Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder van de kruidenier?
[^hooglied-8-5-14]: Kanttekening 14: 14 de woestijn: Men kan hier door de woestijn verstaan de volken van deze wereld, uit welke het volk van God is gekozen en geroepen; Joh. 15:19. Johannes 15:19: Als u van de wereld was, zo zou de wereld het haar liefhebben; maar omdat u van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.
[^hooglied-8-5-15]: Kanttekening 15: Anders: zich voegende, of vergezellende tot haar liefste. Het Hebreeuwse woord, dat in de tekst staat, wordt nergens meer gevonden dan hier alleen. Hier wordt te kennen gegeven de zwakheid, die de Bruid bij zichzelf gevoelt, haar sterkte bestaande in Christus haar Bruidegom, aan wie zij met het geloof leunende, versterkt wordt in alle vrees, twijfelmoedigheid, verzoekingen en gevaarlijkheden, als zijnde, door de vereniging met Hem, zijn genaden en weldaden deelachtig gemaakt, want wie de Heer aanhangt, die is één geest met Hem, 1 Kor. 6:17, die hem volmaakt, bevestigt, sterkt en fondeert; 1 Petr. 5:10. 1 Korinthiërs 6:17: Maar die de Heer aanhangt, is een geest met Hem. 1 Petrus 5:10: De God nu van alle genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke, en fondere u.
[^hooglied-8-5-16]: Kanttekening 16: 16 Onder de appelboom: Versta hier bij de appelboom de boom van de genade, welks schaduw en vruchten de Bruid aangenaam en vermakelijk zijn.
[^hooglied-8-5-17]: Kanttekening 17: 17 heb ik u opgewekt: Dit zijn de woorden van de Bruid tot haar Bruidegom, die zij als uit de slaap opwekt door haar ijverig gebed; gelijk Ps. 44:24, en Ps. 68:2, en Ps. 78:65. Psalmen 44:24: Waak op, waarom zoudt U slapen, YHWH! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. Psalmen 68:2: God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vluchten. Psalmen 78:65: Toen ontwaakte de Heer, als een slapende, als een held, die juicht van de wijn.
[^hooglied-8-5-18]: Kanttekening 18: 18 daar heeft u: Te weten onder die appelboom.
[^hooglied-8-5-19]: Kanttekening 19: 19 uw moeder: Of aldus: Daar is uw moeder van u in arbeid geweest, daar is zij in arbeid geweest, die u gebaard heeft; uw moeder, dat is de eerste kerk, of verzameling van de gelovigen, in welke Christus, bij manier van spreken, geboren is, door het prediken, belijden en het ten uitvoer brengen van zijn Woord, ook door het lijden voor hetzelfde.
[^hooglied-8-5-20]: Kanttekening 20: 20 met smart: Christus in de wereld voort te brengen door de predikatie van het Evangelie, wordt ons hier afgebeeld door de gelijkenis van een vrouw, zijnde barenssmart; gelijk Gal. 4:19; Openb. 12:2. Gelijk het kinderbaren geschiedt met vele pijnen en zwarigheid, zo gaat het ook toe als men Christus in de harten en gemoederen van de mensen brengende is, opdat zij in Hem geloven. Dit geschiedt niet dan met veel arbeid, zorg en zwarigheid. Zie 2 Kor. 4:8 tot 2 Kor. 4:11, en 2 Kor. 6:4, 6:5. Galaten 4:19: Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Openbaring 12:2: En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 2 Korinthiërs 4:8: Als die in alles verdrukt worden, maar niet benauwd; twijfelmoedig, maar niet mismoedig; 2 Korinthiërs 4:11: Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden. 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, 2 Korinthiërs 6:5: In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,
[^hooglied-8-6-21]: Kanttekening 21: 21 Zet mij: Met deze woorden bidt de Bruid Christus om verzekering en bevestiging zijn liefde tot haar, dat zij als een zegel in en op zijn hart mag verzegeld zijn en blijven. Dit ziet op de borstlap van de hogepriester, in welke gegraveerd waren de namen van de twaalf stammen van Israël, in twaalf edele stenen; Ex. 28:21, 28:29. Ten alle tijde zijn zegels gebruikt geweest tot bevestiging van wat men schrijft of belooft, opdat het niet verbroken worde. Zie Neh. 9:28; Jer. 22:24; Hagg. 2:24; Mal. 3:16; 2 Tim. 2:19. Exodus 28:21: En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen van de zonen van Israël, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn. Exodus 28:29: Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël dragen aan de borstlap van het gericht, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht van YHWH geduriglijk. Nehemia 9:28: Maar als zij rust hadden, keerden zij weer om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet U hen in de hand hun vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt U hen van de hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt. Jeremia 22:24: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. Maleachi 3:16: Alsdan spreken, die YHWH vrezen, een ieder tot zijn naaste: YHWH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die YHWH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. 2 Timotheüs 2:19: Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Iedereen, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
[^hooglied-8-6-22]: Kanttekening 22: 22 op Uw arm: De hogepriester droeg de namen van de twaalf stammen, niet alleen op zijn hart, maar ook op zijn schouders, ter gedachtenis van de kinderen van Israël. Zie Jes. 49:16. Enige menen dat door het hart hier betekend wordt de inwendige liefde van de Bruidegom en door de arm het uitwendig bewijs zijn liefde, gelijk Ps. 77:16, en Ps. 86:11. Jesaja 49:16: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij. Psalmen 77:16: U hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela. Psalmen 86:11: Leer mij, YHWH! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
[^hooglied-8-6-23]: Kanttekening 23: 23 de liefde: Te weten de geestelijke liefde van de Bruid tot Christus en evenzo de liefde van Christus tot zijn kerk en uitverkorenen.
[^hooglied-8-6-24]: Kanttekening 24: 24 als de dood: De zin is: Gelijk de dood door zijn kracht ook de allersterksten mens overwint, Ps. 89:49, zo is de onderlinge liefde tussen ons beiden zeer sterk, en zij kan in ons niet uitgeblust worden door enige vijand, of tegenspoed, zelfs ook niet door de dood. Psalmen 89:49: Wat man leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld van het graf? Sela.
[^hooglied-8-6-25]: Kanttekening 25: 25 de ijver: Of, jaloezie. Dit betekent een heftige brandende liefde. Deze liefde of ijver wordt gezegd hard te wezen gelijk het graf, omdat zij alle zwarigheden verslindt en overwint; Gal. 5:24; Kol. 3:5, gelijk de dood en het graf alles verslinden. Galaten 5:24: Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Kolossensen 3:5: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
[^hooglied-8-6-26]: Kanttekening 26: 26 haar kolen: Hier wordt gesproken van de brandende kolen van de liefde, die het hart ontsteken en niet kunnen uitgeblust worden.
[^hooglied-8-6-27]: Kanttekening 27: Dat is, grote krachtige vlammen, of vlammen, die van YHWH ontstoken worden. Versta, de vlammen of het vuur van de liefde en van de Geest van Christus, dat met recht groot mag genoemd worden vanwege de sterkte zijn liefde en de krachtige werking zijns Geestes in de harten van de uitverkorenen.
[^hooglied-8-7-28]: Kanttekening 28: 28 Vele wateren: Bij wateren en stromen worden dikwijls in de Heilige Schrift betekend tegenspoeden, vervolgingen, aanvechtingen, die de Heer Christus om onzentwil heeft uitgestaan, en met welke het geloof, de liefde en het geduld van de kinderen van God geoefend en beproefd worden, gelijk Ps. 42:8, en Ps. 69:2; Jes. 8:7, 8:8, en Jes. 59:19; Dan. 9:26, en Dan. 11:22; Matt. 7:27. Zie de aantekening 2 Sam. 22:17. Vergelijk Rom. 8:35-39. Psalmen 42:8: De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. Psalmen 69:2: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Jesaja 8:7: Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; Jesaja 8:8: En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekkingen zijn vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël! Jesaja 59:19: Dan zullen zij de Naam van YHWH vrezen van de nedergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang van de zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest van YHWH de banier tegen hen oprichten. Daniël 9:26: En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Daniël 11:22: En de armen van de overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond. Mattheüs 7:27: En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelfde huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. 2 Samuël 22:17: Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. Romeinen 8:35: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?
[^hooglied-8-7-c]: Verwijzing c: Rom. 8:28. Romeinen 8:28: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
[^hooglied-8-7-29]: Kanttekening 29: Of, overstelpen, of overzwemmen.
[^hooglied-8-7-30]: Kanttekening 30: 30 men zou hem:
[^hooglied-8-8-31]: Kanttekening 31: 31 Wij hebben: De kerk van het Oude Testament spreekt hier tot Christus van een nieuwe opgaande kerk, die uit de heidenen zou beroepen worden, die dikwijls beloofd was, gelijk Ps. 2:8, en Ps. 72:8; Jes. 11:10; welke zij haar zus noemt, ten aanzien van de enigheid van het geloof. De Joodse kerk wordt de oudste dochter genoemd, omdat zij het eerst geroepen is tot de gemeenschap van het verbond. Zie Rom. 9:4, 9:5. Psalmen 2:8: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 72:8: En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde. Jesaja 11:10: Want het zal gebeuren ten zelven dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier van de volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. Romeinen 9:4: Welke Israëlieten zijn, van wie is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; Romeinen 9:5: Van wie zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees betreft, Die is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen.
[^hooglied-8-8-32]: Kanttekening 32: 32 kleine zus: Aldus wordt de kerk, uit de heidenen bestaande, genoemd, niet omdat zij klein is ten aanzien van het getal van de gelovigen, maar omdat zij later tot de kennis van God in Christus geroepen is; te weten in de volheid van de tijd, Ef. 1:10, en Ef. 2:6; want anders heeft deze kleinste of jongste zus, die zolang onvruchtbaar geweest was, veel meer kinderen gebaard dan de oudste zus. Efeziërs 1:10: Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot een te vergaderen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is; Efeziërs 2:6: En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus;
[^hooglied-8-8-33]: Kanttekening 33: 33 die nog geen borsten heeft: Dat is, zij is nog niet manbaar: dat is, de tijd is nog niet gekomen dat de heidenen tot Christus zouden gebracht en aan Hem verhuwelijkt worden.
[^hooglied-8-8-34]: Kanttekening 34: 34 als men van haar spreken zal: Dat is, als haar bekering tot Christus gekomen zal zijn; wat zullen wij dan best doen tot haar hulp, aanwas en bevestiging in de waarheid en het geloof? Dit geeft te kennen en wijst aan het ambt en de liefde van de ene particuliere kerk tot de andere, in het mededelen van de gaven en in het bidden voor elkaar. Zie Hand. 11:19, 11:22, 11:23. Anders: als men tegen haar spreken zal; gelijk Num. 21:5, de Hebreeuwse letter Beth genomen wordt, waar aldus staat: Het volk sprak tegen God en tegen Mozes; zo Ps. 119:23: Vorsten spraken tegen mij. Zo haast als zich een volk tot de Heer bekeert, stellen zich de goddelozen daartegen met woorden en werken. Handelingen 11:19: Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. Handelingen 11:22: En het gerucht van hen kwam tot de oren van de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe. Handelingen 11:23: Die, daar gekomen zijnde, en de genade van God ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen van het hart bij de Heer zouden blijven. Numeri 21:5: En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Psalmen 119:23: Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
[^hooglied-8-9-35]: Kanttekening 35: Enige nemen deze woorden voor de woorden van Christus; anderen voor de woorden van de zuskerken, wensende haar welstand.
[^hooglied-8-9-36]: Kanttekening 36: Te weten de kerk uit de heidenen.
[^hooglied-8-9-37]: Kanttekening 37: 37 muur is: Dat is, vast en sterk, in het geloof wel gegrond op het fondament van de leer van de twaalf stammen van Israël en van de apostelen. Zie Openb. 21:14, 21:19. Openbaring 21:14: En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en in dezelfde de namen van de twaalf apostelen van het Lam. Openbaring 21:19: En de fondamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.
[^hooglied-8-9-38]: Kanttekening 38: Hierbij kan men verstaan de zuskerken of de joodse kerken; want door de ledematen daarvan heeft de Heer de heidenen beroepen tot de gemeenschap van de heiligen, in het bijzonder bij name door de apostelen, die allen geboren Joden waren, die gelijk wijze bouwers het fondament van dit zilveren paleis gelegd hebben; 1 Kor. 3:10. 1 Korinthiërs 3:10: Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar iedereen zie toe, hoe hij daarop bouwe.
[^hooglied-8-9-39]: Kanttekening 39: 39 een paleis: Of, kasteel, of sterke toren, gelijk men pleegt in of aan sterke muren van de steden te bouwen.
[^hooglied-8-9-40]: Kanttekening 40: 40 van zilver: Dit betekent de zuiverheid, schoonheid en duurzaamheid van dit paleis, versierd zijnde met de gave van Gods Woord en Geest, op welke zij gebouwd zou worden tot een woonstede Gods; Ef. 2:22. Efeziërs 2:22: Op Welke ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
[^hooglied-8-9-41]: Kanttekening 41: 41 op haar bouwen: Dat is, wij zullen haar meer en meer versterken en versieren, te weten door het woord en de predikatie van het heilige Evangelie.
[^hooglied-8-9-42]: Kanttekening 42: 42 zij een deur is: Dat is, staat haar hart open om de predikatie van het goddelijke Woord tot binnen in haar hart te laten komen en dat met vreugde te ontvangen.
[^hooglied-8-9-43]: Kanttekening 43: 43 rondom bezetten: Of, versterken, besluiten, bevrijden. God de Heer belooft, Zach. 2:5, dat Hij een vurige muur rondom zijn kerk wil zijn. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
[^hooglied-8-9-44]: Kanttekening 44: 44 met cederen planken: Dat is, met sterke palissaden en andere vastigheden. Cederhout, en de planken daarvan gemaakt, zijn schoon, sterk, duurzaam en goed van reuk. Van zulk hout was de tempel van Salomo getimmerd; 1 Kon. 6:15. Door deze cederen planken mag men hier verstaan het Woord van de waarheid, waartegen de poorten van het dodenrijk niets vermogen; Matt. 16:18, en 2 Kor. 13:8. 1 Koningen 6:15: Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van de vloer van het huis tot aan het dak van de wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van het huis met dennen planken. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen. 2 Korinthiërs 13:8: Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid.
[^hooglied-8-10-45]: Kanttekening 45: 45 Ik ben een muur: Dat is, ik ben opgewassen en sterk geworden in het geloof en de liefde aan Jezus Christus. Met deze woorden geeft de kleine zus, als profeterende, te kennen haar bereidwilligheid om aan te nemen en te groeien in de leer van het heilige Evangelie. Anderen nemen dit voor de woorden van de Joodse kerk, dankende de Heer Christus voor zijn genade, dat zij een stad van God geworden was, of tot de stad van God was aangenomen. Of, omdat haar geloof sterk was als een muur.
[^hooglied-8-10-46]: Kanttekening 46: 46 mijn borsten: De zin van deze woorden is: Mijn borsten zijn hoog opgewassen, of volwassen, gelijk Ez. 16:7, 16:8. Dat is, de kerkedienst is in mij bevestigd, genoegzaam om Christus' kinderen op te voeden, dezelfde spijzende met de melk van Gods Woord; 1 Petr. 2:2. De gelijkenis van torens betekent ook de sterkte, macht en heerlijkheid van de bediening van het heilige Evangelie en de openbare predikatie dezelfde uit predikstoelen, of hoge plaatsen, om van allen gehoord te mogen worden. Want het Hebreeuwse woord migdal wordt ook genomen voor een houten predikstoel; Neh. 8:5. Ezechiël 16:7: Ik heb u tot tien duizend, als het gewas van het veld, gemaakt; en u bent gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, maar u was naakt en bloot. Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heer YHWH en u werd de Mijne. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen; Nehemia 8:5: En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, die zij tot die zaak gemaakt hadden, en naast hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maäseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam.
[^hooglied-8-10-47]: Kanttekening 47: 47 Toen was ik: Te weten toen ik dit antwoord kreeg van dat vers 9. Dit spreekt de Bruid tot haar speelgenoten. Hooglied 8:9: Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.
[^hooglied-8-10-48]: Kanttekening 48: 48 Zijn ogen: Te weten in Jezus Christus' ogen. Hiermee wil de Bruid zeggen dat het een onverdiende genade is, die zij van haar Bruidegom ontvangt, dat zij na langdurige zwarigheid en verdriet van Hem getroost wordt. Zie Jes. 54:7, 54:8, enz. Zie ook Ef. 2:12, 2:13, enz. Jesaja 54:7: Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. Jesaja 54:8: In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uw ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus.
[^hooglied-8-10-49]: Kanttekening 49: 49 als een: Wij zijn al tezamen vijanden Gods. Rom. 5:10. Te weten aangezien zijnde in onze verdorvenheid; maar wij gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus; Rom. 5:1; Jes. 32:17. Het is alsof de Bruid hier zei: De Bruidegom heeft zich mijn geloof en vlijt laten welgevallen, en Hij is daarom met mij wel tevreden geweest. Anderen nemen die laatste woroden aldus: Met dit antwoord stelde ik mij gerust en was wel tevreden. Romeinen 5:10: Want als wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijn Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Jesaja 32:17: En het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.
[^hooglied-8-11-50]: Kanttekening 50: Men kan deze woorden nemen als van Christus gesproken te zijn, of van de Bruid. Als het de woorden van Christus zijn, zo is het een gelijkenis tussen Salomo met zijn wijngaard en tussen Christus met de zijnen. Salomo kon zelf geen acht hebben op zijn wijngaarden, \[gelijk ook David niet had kunnen doen; 1 Kron. 27:27\] maar hij stelde ambtlieden om op dezelfde te passen, die hem een jaarlijksen penning daarvoor gaven, en zelf genoten zij enig voordeel voor hun moeite; maar Christus, die altijd bij zijn kerk is, Matt. 28:20; Openb. 2:1, slaat zelf zijn wijngaard gade, en daarom komen al de vruchten daarvan Hem alleen toe. Als dit de woorden van de Bruid zijn, zo betekenen zij een grotere zorg en naarstigheid in haar nu dan in vorige tijden, toen zij bekende dat zij de wijnstok, die zij had, dat is die haar toevertrouwd was, niet genoegzaam gehoed of in acht genomen had; Hoogl. 1:6. Van de wijngaarden van Salomo, zie Pred. 2:4. 1 Kronieken 27:27: En over de wijngaarden was Simeï, de Ramathiet; maar over wat dat van de wijnstokken kwam tot de schatten van de wijn, was Zabdi, de Sifmiet. Mattheüs 28:20: En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. Openbaring 2:1: Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt: Hooglied 1:6: Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijn moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin van de wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. Prediker 2:4: Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.
[^hooglied-8-11-51]: Kanttekening 51: 51 te Baäl-Hamon: Anders: in een vruchtbare plaats. Hebreeuws, een meester of heer van de menigte; dat is, een plaats, die vele vruchten draagt, verstaande hierbij òf de wereld, onder de veelheid van wier volkeren Christus de zijnen heeft, Ps. 87:4, òf de kerk wordt aldus genoemd, ten aanzien van de menigvuldige vruchten, die zij God geeft, of behoorde te geven, zijnde gesteld in een vruchtbare plaats, over welke God zijn zegen gestort had. Zie Jes. 5:1. Psalmen 87:4: Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
[^hooglied-8-11-52]: Kanttekening 52: 52 hij gaf deze: Dat is, hij verhuurde, of verpachtte deze wijngaard aan de pachters of wachters, opdat zij dezelfde zouden bouwen, opdat hij vele vruchten zou voortbrengen.
[^hooglied-8-11-53]: Kanttekening 53: 53 de hoeders: Door de hoeders of wachters moet men verstaan de profeten van de Ouden en de apostelen en ook hun navolgers in het Nieuwe Testament; zie Matt. 21:33; 1 Kor. 3:9. Mattheüs 21:33: Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.
[^hooglied-8-11-54]: Kanttekening 54: Duizend zilverlingen \[of duizend zilveren sikkels\], hierbij betekenende de grote vruchtbaarheid van deze wijngaard, die zoveel voor de eigenaar opbracht, behalve het voordeel of de winst van de pachter of van de huurder. Zie ook Jes. 7:23. Jesaja 7:23: Ook zal het op dezelfde dag gebeuren, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;
[^hooglied-8-11-55]: Kanttekening 55: Van de prijs of waardij van de zilverling, zie Gen. 20:16, en Gen. 23:15. Genesis 20:16: En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Genesis 23:15: Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.
[^hooglied-8-12-56]: Kanttekening 56: 56 Mijn wijngaard: Dat is, mijn gemeente, gelijk Hoogl. 1:6; Jes. 5:1. Het zijn de woorden van de Bruidegom. Hooglied 1:6: Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijn moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin van de wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
[^hooglied-8-12-57]: Kanttekening 57: 57 die ik heb: Dat is, die mijn zorg en opzicht bevolen en toevertrouwd is.
[^hooglied-8-12-58]: Kanttekening 58: 58 is voor mijn: Ik zelf pas er steeds op. Ik zelf draag zorg dat hij wel gebouwd worde: niet doende gelijk Salomo, die het op de wachters liet aankomen. Ik neem zelf mijn wijnberg en mijn schapen aan; Ez. 34:11, 34:12, enz.; Joh. 10:14; Openb. 2:1. Ezechiël 34:11: Want zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Ezechiël 34:12: Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, op de dag als hij in het midden zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolke en van de donkerheid. Johannes 10:14: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Openbaring 2:1: Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt:
[^hooglied-8-12-59]: Kanttekening 59: 59 de duizend zilverlingen: Alsof Hij zei: U Salomo, zult uw volle pacht hebben te weten duizend zilverlingen, vers 11. Hooglied 8:11: Salomo had een wijngaard, te Baäl-hamon; hij gaf deze wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor daarvan vrucht duizend zilverlingen.
[^hooglied-8-12-60]: Kanttekening 60: 60 maar tweehonderd: Dat is, de arbeiders en opzichters van de wijngaard zullen ook het hunne hebben, elk naar evenredigheid van zijn arbeid. Zie Matt. 20:1, 20:2, enz.; 1 Kor. 3:8. Versta hierbij: Maar mij komen de vruchten van mijn wijnstok geheel en al toe. Deze eer geven graag alle getrouwe kerkedienaars hun Heer Christus Jezus; wij mogen planten en natmaken, maar het is God alleen, die de wasdom geeft; 1 Kor. 3:6, 3:7, en 1 Kor. 15:10. Mattheüs 20:1: Want het Koninkrijk van de hemel is gelijk een heer van het huis, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. Mattheüs 20:2: En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning van de dag, zond hij hen heen in zijn wijngaard. 1 Korinthiërs 3:8: En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft. 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^hooglied-8-13-61]: Kanttekening 61: 61 O u bewoonster: Hier spreekt Christus zijn Bruid aan, die in de hoven woont, dat is, die zich onthoudt in die plaatsen, waar kerken geplant zijn, in verscheidene landschappen en steden.
[^hooglied-8-13-62]: Kanttekening 62: 62 van de hoven: Of, van de gaarden, van de luchtingen, van de tuinen.
[^hooglied-8-13-63]: Kanttekening 63: 63 de metgezellen: Het schijnt dat men hier door de metgezellen moet verstaan de andere gelovige Christenen, die even dierbaar geloof verkregen hebben, 2 Petr. 1:1, en de leer van de kerken horen en volgen. 2 Petrus 1:1: Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus;
[^hooglied-8-13-64]: Kanttekening 64: 64 Mij horen: Te weten, uw stem.
[^hooglied-8-14-65]: Kanttekening 65: 65 Kom haastig: Hebreeuws, vlied. In deze betekenis schijnt het hier niet genomen te worden, want de kerk bidt niet dat Christus van haar vliede of wijke; dat is de bede van de Gadarenen. Matt. 8:34; maar vlied betekent hier: kom zo haastiglijk tot ons, als iemand die gejaagd zijnde is vliedende. De Bruid bidt en begeert dat zij mag zien het einde van het rijk van Christus in deze wereld \[daar Hij in zijn ledematen wordt vervolgd en gekweld\] en tegelijk haar opneming in de hoge hemelen. Nu regeert Christus in het midden zijn vijanden, Ps. 110:2, en dat zal zo voortaan duren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten zal gebracht hebben, en totdat Hij het koninkrijk aan God zijn Vader zal overgegeven hebben, 1 Kor. 15:24, 15:25. Naar deze dag verlangt de Bruid, en wenst dat hij haast mag komen, en dat de Bruidegom haar wil bijstaan, terwijl zij hier beneden in de strijd is. Hoogl. 2:17, en dat Hij zijn laatste toekomst wil bespoedigen tot haar verlossing. Of, als men immers het woord Barach in zijn eigen betekenis zou willen behouden, namelijk voor vluchten of vluchten, zo moest dit de overzetting en de mening zijn: Vlied, mijn liefste.... naar de bergen van de specerijen; dat is, naar de hemel, die hier genoemd worden de bergen van de specerijen, ten aanzien van de hoogte, de vreugde en vermakelijkheid, die eeuwig zal zijn aan de rechterhand van God; Hoogl. 4:6, wordt de hemel genoemd een mirreberg en een wierookbergje. Het is zoveel alsof de Bruid hier aldus sprak: Alhoewel het mij zeer lief zou zijn, dat U lichamelijk bij mij was en steeds bleeft, zo beken ik nochtans dat het mij beter is dat U in de hemel bent, om mij vandaar de Trooster, de Heilige Geest, te zenden, en mij in uws Vaders huis een plaats te bereiden, opdat U mij eindelijk tot u neemt in de eeuwige zaligheid; Joh. 14:2, en Joh. 16:7. Mattheüs 8:34: En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun gebied wilde vertrekken. Psalmen 110:2: YHWH zal de scepter Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uw vijanden. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 1 Korinthiërs 15:25: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Hooglied 2:17: Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether. Hooglied 4:6: Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Johannes 16:7: Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
[^hooglied-8-14-d]: Verwijzing d: Openb. 22:17; idem v. 20. Openbaring 22:17: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water van het leven om niet. Openbaring 22:20: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus!
[^hooglied-8-14-66]: Kanttekening 66: 66 een ree: Dat haastig heenloopt; dat is, haast u om tot ons te komen. Zie Hoogl. 2:8, 2:9, 2:17. Gelijk dit Hooglied begonnen is met verlangen van de Bruid naar haar Bruidegom, dat Hij haar kusse met de kussen zijns monds; zo eindigt het met verlangen naar de tweede komst van Christus, gelijk Hij zijn kerk zal opnemen in de eeuwige vreugde. De Geest en de Bruid zeggen: kom, en wie het hoort, zegge: kom. Christus zelf zegt: Ik kom haastig, Amen. Ja kom, Heer Jezus. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen; Openb. 22:17, 22:20, 22:21. Hooglied 2:8: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! Hooglied 2:9: Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; ziet, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de traliën. Hooglied 2:17: Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether. Openbaring 22:17: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water van het leven om niet. Openbaring 22:20: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus! Openbaring 22:21: De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen.

## Jesaja

### Jesaja 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/1.json)

*De profeet Jesaja klaagt over de Joden vanwege hun ongehoorzaamheid, vers 2. ondanks dat zij door YHWH flink geslagen waren, 5. Hij vergelijkt hen met Sodom en Gomorra, 10. en verwerpt hun godsdienst, 11. Hij vermaant hen tot verbetering van hun leven, 16. met belofte van genade, 18. en dreiging van zware straffen als zij zich niet beteren, 20. Heftige klacht over de afval van de Joden, 21. met verdere dreigingen, 24. Maar belooft opnieuw genade aan de boetvaardigen, 25. maar verkondigt straf over de onboetvaardige afgodendienaren, 28.*

**1** [^jesaja-1-1-1] Het[^jesaja-1-1-2] visioen van Jesaja, de zoon[^jesaja-1-1-3] van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van[^jesaja-1-1-4] Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v1)

**2** [^jesaja-1-2-5][^jesaja-1-2-a] Hoor, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen[^jesaja-1-2-6] groot gemaakt en verhoogd; maar[^jesaja-1-2-7] zij hebben tegen Mij overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v2)

**3** [^jesaja-1-3-8] Een os kent[^jesaja-1-3-9] zijn bezitter, en[^jesaja-1-3-10] een ezel de krib van zijn heren;[^jesaja-1-3-11] maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v3)

**4** Wee[^jesaja-1-4-12] het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de[^jesaja-1-4-b] boosdoeners, de verdervende[^jesaja-1-4-13][^jesaja-1-4-14][^jesaja-1-4-15] kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich[^jesaja-1-4-16][^jesaja-1-4-17] vervreemd, wijkende[^jesaja-1-4-18] achteruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v4)

**5** [^jesaja-1-5-19] Waartoe zou u meer geslagen worden?[^jesaja-1-5-c] U zou de afval des te meer maken; het hele[^jesaja-1-5-20] hoofd is ziek, en het hele hart is mat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v5)

**6** [^jesaja-1-6-21] Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels[^jesaja-1-6-22] eraan; maar wonden, en[^jesaja-1-6-23] striemen, en[^jesaja-1-6-24] etterbuilen, die niet[^jesaja-1-6-25] uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen daarvan is met olie verzacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v6)

**7** [^jesaja-1-7-26][^jesaja-1-7-d] Uw aarde is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden[^jesaja-1-7-27] in uw aanwezigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door[^jesaja-1-7-28] de vreemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v7)

**8** En[^jesaja-1-8-29] de dochter van Sion is[^jesaja-1-8-30] overgebleven[^jesaja-1-8-31] als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een[^jesaja-1-8-32] belegerde stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v8)

**9** [^jesaja-1-9-e] Zo niet YHWH van de legermachten ons nog[^jesaja-1-9-33] een klein overblijfsel had gelaten,[^jesaja-1-9-34] als[^jesaja-1-9-f] Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v9)

**10** Hoor het woord van YHWH,[^jesaja-1-10-35] u oversten van Sodom! neem ter ore[^jesaja-1-10-36] de wet van onze God,[^jesaja-1-10-37] u volk van Gomorra! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v10)

**11** [^jesaja-1-11-38] Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben verzadigd van de brandoffers[^jesaja-1-11-g] van de[^jesaja-1-11-39] rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de stieren, noch van de lammeren, noch van de bokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v11)

**12** Wanneer u[^jesaja-1-12-40] voor Mijn aangezicht komt te verschijnen,[^jesaja-1-12-41] wie heeft dat van uw hand geëist, dat u[^jesaja-1-12-42] Mijn voorhoven betreden zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v12)

**13** [^jesaja-1-13-43] Breng niet meer vergeefs offer,[^jesaja-1-13-44] het reukwerk is Mij een gruwel;[^jesaja-1-13-45] de nieuwe maanden, en sabbatten,[^jesaja-1-13-46] en het bijeenroepen van de vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs[^jesaja-1-13-47] de verbodsdagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v13)

**14** [^jesaja-1-14-48] Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden[^jesaja-1-14-49] haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een[^jesaja-1-14-50] last;[^jesaja-1-14-51] Ik ben moe geworden, die te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v14)

**15** En[^jesaja-1-15-h] als u[^jesaja-1-15-52] uw handen uitbreidt,[^jesaja-1-15-53] verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen[^jesaja-1-15-54] zijn vol bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v15)

**16** [^jesaja-1-16-55] Was u, reinig u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Mijn ogen weg,[^jesaja-1-16-i] laat af van kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v16)

**17** Leer goed te doen,[^jesaja-1-17-56] zoekt het recht, help de verdrukte, doe de wees recht,[^jesaja-1-17-57] handel de rechtszaak van de weduwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v17)

**18** Kom dan, en laat ons[^jesaja-1-18-58] samen rechten, zegt YHWH; [^jesaja-1-18-k] al waren uw zonden[^jesaja-1-18-59] als scharlaken,[^jesaja-1-18-60] zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij[^jesaja-1-18-61] rood als[^jesaja-1-18-62] karmozijn, zij zullen worden als witte wol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v18)

**19** Als u gewillig bent en[^jesaja-1-19-63] hoort, zo zult u[^jesaja-1-19-64] het goede van dit land eten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v19)

**20** Maar als u[^jesaja-1-20-65] weigert, en opstandig bent, zo zult u van[^jesaja-1-20-66] het zwaard gegeten worden;[^jesaja-1-20-67] want de mond van YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v20)

**21** [^jesaja-1-21-68] Hoe is[^jesaja-1-21-69] de getrouwe stad tot[^jesaja-1-21-70] een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid[^jesaja-1-21-71] herbergde daarin, maar[^jesaja-1-21-72] nu[^jesaja-1-21-73] moordenaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v21)

**22** [^jesaja-1-22-74] Uw[^jesaja-1-22-l] zilver is geworden tot schuim;[^jesaja-1-22-m] uw wijn is vermengd met water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v22)

**23** Uw vorsten zijn[^jesaja-1-23-75] afvalligen, en metgezellen van de dieven,[^jesaja-1-23-76] een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na;[^jesaja-1-23-n] de wezen doen zij geen recht, en de rechtszaak van de weduwen[^jesaja-1-23-77] komt voor hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v23)

**24** Daarom spreekt de Heere, YHWH van de legermachten, de Machtige van Israël: O wee![^jesaja-1-24-78] Ik zal Mij troosten van Mijn tegenstanders.[^jesaja-1-24-o] Ik zal Mij wreken[^jesaja-1-24-79] van Mijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v24)

**25** En Ik zal Mijn hand[^jesaja-1-25-80] tegen u keren, en[^jesaja-1-25-p] Ik zal uw[^jesaja-1-25-81] schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw[^jesaja-1-25-82] tin wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v25)

**26** En Ik zal u uw[^jesaja-1-26-83] rechters wedergeven, als[^jesaja-1-26-84] in het eerste, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult u een stad van de gerechtigheid,[^jesaja-1-26-85] een getrouwe stad, genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v26)

**27** [^jesaja-1-27-86] Sion zal[^jesaja-1-27-87] door recht[^jesaja-1-27-88] verlost worden, en haar[^jesaja-1-27-89] wederkerenden door[^jesaja-1-27-90] gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v27)

**28** [^jesaja-1-28-q] Maar er zal[^jesaja-1-28-91] verbreking zijn van de overtreders, en van de[^jesaja-1-28-92] zondaars samen; en die YHWH verlaten,[^jesaja-1-28-93] zullen omkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v28)

**29** Want zij zullen beschaamd worden[^jesaja-1-29-94] vanwege de eiken, die[^jesaja-1-29-95] u[^jesaja-1-29-96] begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege[^jesaja-1-29-97] de hoven, die u gekozen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v29)

**30** [^jesaja-1-30-98] Want u zult zijn[^jesaja-1-30-99] als een eik, waarvan de bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v30)

**31** En[^jesaja-1-31-100] de sterke zal wezen tot[^jesaja-1-31-101] grof vlas, en zijn[^jesaja-1-31-102] werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden samen branden, en er zal geen uitblusser wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/1.html#v31)

[^jesaja-1-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: wat God de profeet Jesaja door een visioen heeft geopenbaard en hem bevolen heeft aan het volk te verkondigen. In dit boek wordt echter niet over één visioen gesproken, maar over vele en verschillende visioenen die de profeet heeft aanschouwd.
[^jesaja-1-1-2]: Kanttekening 2: Over het woord 'visioen', zie Genesis 15:1.
[^jesaja-1-1-3]: Kanttekening 3: Het wordt ervoor gehouden dat deze Amoz de broer was van Uzzia, de koning van Juda.
[^jesaja-1-1-4]: Kanttekening 4: Over deze vier koningen is te lezen in het tweede Boek van de Koningen, van het 15e tot het 21e hoofdstuk.
[^jesaja-1-2-5]: Kanttekening 5: Zie Deuteronomium 4:26 en Micha 6:2.
[^jesaja-1-2-a]: Verwijzing a: Deuteronomium 32:1.
[^jesaja-1-2-6]: Kanttekening 6: Of: opgeheven.
[^jesaja-1-2-7]: Kanttekening 7: Of: zij zijn van mij afgevallen, of: zij hebben afvallig tegen mij gehandeld. Zie voor de betekenis van het Hebreeuwse woord 1 Koningen 12:19.
[^jesaja-1-3-8]: Kanttekening 8: De betekenis is: hoewel een os en ezel de domste dieren zijn, leren zij toch hem kennen die hun dagelijks voedsel voorzet; zij betuigen hem op hun manier enige genegenheid wanneer hij in de stal komt, en zij voegen zich naar zijn hand.
[^jesaja-1-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: degene aan wie hij toebehoort en die hem als zijn eigendom bezit en opvoedt.
[^jesaja-1-3-10]: Kanttekening 10: De betekenis is: hoewel een os en ezel de domste dieren zijn, leren zij toch hem kennen die hun dagelijks voedsel voorzet; zij betuigen hem op hun manier enige genegenheid wanneer hij in de stal komt, en zij voegen zich naar zijn hand.
[^jesaja-1-3-11]: Kanttekening 11: Of: Israël begrijpt het niet. Wie zijn God niet kent, wordt geacht niets te weten of te kennen. Anders: zij kennen mij niet. Namelijk: hun eigenaar, bezitter, heer — alsof hij zei: zij die zich beroemen Gods volk te zijn, zijn onverstandiger en onbegrijpender dan het vee.
[^jesaja-1-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: het volk dat zich geheel aan de zonde heeft overgegeven.
[^jesaja-1-4-b]: Verwijzing b: Psalm 78:8; Jesaja 57:3.
[^jesaja-1-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: dat zwaar is van ongerechtigheid (כֶּבֶד). Dat wil zeggen: dat zwaar met vele zonden beladen is.
[^jesaja-1-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: degenen die voortgekomen zijn uit boosaardige ouders, zodat zij slechte kinderen van slechte ouders zijn. Vergelijk Matteüs 3:7.
[^jesaja-1-4-15]: Kanttekening 15: Zondaars verderven zichzelf, hun weg en alles wat zij kunnen. Zie Genesis 6:12; Spreuken 6:32 etc.
[^jesaja-1-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de ware God die zich aan Israël heeft geopenbaard, zoals in Psalm 71:22.
[^jesaja-1-4-17]: Kanttekening 17: Anders: getergd, veracht.
[^jesaja-1-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk: van YHWH. Ezechiël 14:5.
[^jesaja-1-5-19]: Kanttekening 19: Alsof God zei: het is vergeefs dat men u veel slaat. Anders: waarop — dat wil zeggen: op welk deel van het lichaam zal men u nog meer slaan?
[^jesaja-1-5-c]: Verwijzing c: 2 Kronieken 28:22; Jeremia 2:30.
[^jesaja-1-5-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: het hele hoofd is in ziekte (רֹאשׁ). Dat wil zeggen: zowel het geestelijke als het wereldlijke bestuur is in een ellendige en bedroefde staat, en er is noch hulp noch raad voor verbetering te vinden.
[^jesaja-1-6-21]: Kanttekening 21: Met de woorden van dit vers wordt de verdorven toestand van zowel de kerk als de staat bij de Joden verder aangewezen. Vergelijk de spreekwijze met Deuteronomium 28:35; 2 Samuël 14:25; Job 2:7.
[^jesaja-1-6-22]: Kanttekening 22: Namelijk: lichaam, of volk.
[^jesaja-1-6-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord betekent zo'n teken, striem of bloeduitstorting als wanneer het bloed zich ergens verheft of vertoont wegens een slag of stoot.
[^jesaja-1-6-24]: Kanttekening 24: Of: vochtige wond, kwetsuur. Dat wil zeggen: verrotte wonden, of zweren die etteren of verzweren; of: wonden vol etter.
[^jesaja-1-6-25]: Kanttekening 25: Namelijk: zodanig dat de etter en het vuile bloed eruit zijn geknepen en de wond gezuiverd is.
[^jesaja-1-7-26]: Kanttekening 26: De betekenis is: het lijkt niet op bouwland, maar veel meer op een wilde onbebouwde woestijn.
[^jesaja-1-7-d]: Verwijzing d: Deuteronomium 28:51-52; Jesaja 5:5.
[^jesaja-1-7-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: zij eten de vruchten van het land op. Dit is geschied door Hazaël, de koning van Syrië, en Joas, de koning van Israël, 2 Koningen 12 en 2 Kronieken 25.
[^jesaja-1-7-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws: omkering van vreemdelingen (מַהְפֵּכַת). Dat wil zeggen: die door vreemdelingen geschiedt, of zoals vreemde soldaten gewoon zijn aan te richten wanneer zij een land innemen en beheersen. Zie 2 Kronieken 28:18.
[^jesaja-1-8-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: Jeruzalem, dat deels op de berg Sion was gebouwd en daaruit leek voort te komen. Zie de aantekening bij 2 Koningen 19:21.
[^jesaja-1-8-30]: Kanttekening 30: Namelijk: nadat de andere steden door het hele land verwoest zijn.
[^jesaja-1-8-31]: Kanttekening 31: Anders: als een schuilhutje. Namelijk: waar de bewaker van de wijngaard onder schuilt. Hij wil zeggen: zij is tot de uiterste ellende gebracht. Zie Job 27:18.
[^jesaja-1-8-32]: Kanttekening 32: Of: verwoeste of ingesloten stad.
[^jesaja-1-9-e]: Verwijzing e: Jesaja 17:6; 24:6; 30:17; Romeinen 9:29.
[^jesaja-1-9-33]: Kanttekening 33: In Romeinen 9:29 staat: 'een klein zaad'. Dit komt erbij doordat in de Griekse vertaling van het Oude Testament (die de apostelen hier gevolgd hebben) het woord 'zaad' gelezen wordt. De betekenis stemt goed overeen met het Hebreeuws.
[^jesaja-1-9-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: wij zouden geheel uitgeroeid en tot in de grond vernietigd zijn.
[^jesaja-1-9-f]: Verwijzing f: Genesis 19:24.
[^jesaja-1-10-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: u vorsten van Jeruzalem, die waarlijk niet beter bent dan de vorsten en leiders van Sodom ooit waren. Die zijn zonder genade uitgeroeid, maar u wordt nog de genade bewezen dat u het woord van YHWH kunt horen — neemt toch deze genade waar. Vergelijk met deze plaats Deuteronomium 32:32; Ezechiël 16:46.
[^jesaja-1-10-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: wat ik u namens Gods bevel aandien. Over het woord 'wet', zie Psalm 1:2.
[^jesaja-1-10-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: u volk van Juda, die in boosheid gelijk aan de Gomorrieten bent geworden.
[^jesaja-1-11-38]: Kanttekening 38: In 1 Samuël 15:22 staat: gehoorzamen is beter dan een offer, opletten beter dan het vet van rammen. YHWH had de offerhanden wel ingesteld en bevolen, maar als hulpmiddelen om hen in boetvaardigheid en geloof vooruit te helpen. Omdat zij dit nalieten, waren hun offers YHWH een gruwel, hoewel hij ze had ingesteld.
[^jesaja-1-11-g]: Verwijzing g: Psalm 50:8-9; Spreuken 15:8; 21:27; Jesaja 66:3; Jeremia 6:20; Amos 5:22.
[^jesaja-1-11-39]: Kanttekening 39: Namelijk: van de rammen die als offer geslacht worden.
[^jesaja-1-12-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: in de tempel, waar ik mijn aanwezigheid bijzonder openbaar maak.
[^jesaja-1-12-41]: Kanttekening 41: Alsof God zei: ik heb er geen behagen in dat u met uw offers in de tempel verschijnt — namelijk op huichelachtige wijze, zonder geloof, zonder boetedoening of aandacht, zoals u doet.
[^jesaja-1-12-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de voorhoven van mijn huis of tempel, die er twee waren: één van de priesters en één van het volk, 2 Kronieken 4:9. Zodat de profeet hier zowel de priesters als het volk berispt.
[^jesaja-1-13-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws: ga niet voort met brengen. Anders: breng voortaan geen zinloos spijsoffer meer — namelijk waarmee u mij niet kunt verzoenen.
[^jesaja-1-13-44]: Kanttekening 44: Zie Exodus 30.
[^jesaja-1-13-45]: Kanttekening 45: In het Hebreeuws staan deze woorden in het enkelvoud. De eerste dag van de maand was YHWH heilig. Numeri 28.
[^jesaja-1-13-46]: Kanttekening 46: Als er boosheid is bij de samenkomsten, kan YHWH er niet bij zijn en wil hij het niet, want hij is een vijand van de vergaderingen van boosdoeners, Psalm 5:5. Zijn trouw is in de gemeente van heiligen, Psalm 89:6.
[^jesaja-1-13-47]: Kanttekening 47: Zie de aantekening bij Leviticus 23:36.
[^jesaja-1-14-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: uw offers die u bij gelegenheid van nieuwe manen brengt.
[^jesaja-1-14-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen, zoals wij spreken: ik haat ze van ganser hart en van ganser ziel.
[^jesaja-1-14-50]: Kanttekening 50: Of: vermoeidheid.
[^jesaja-1-14-51]: Kanttekening 51: Ik kan ze niet lijden of verdragen — op menselijke wijze van God gesproken.
[^jesaja-1-15-h]: Verwijzing h: Spreuken 1:28.
[^jesaja-1-15-52]: Kanttekening 52: Zie 1 Koningen 8 de aantekening bij vers 22, betreffende het uitbreiden van de handen bij het bidden.
[^jesaja-1-15-53]: Kanttekening 53: YHWH wil de gebeden niet verhoren van hen die niet van hart gezind zijn al het kwaad te laten. Zie Psalm 66:18.
[^jesaja-1-15-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws: zijn vol bloed (דָּמִים). Zie de aantekening bij Genesis 4:10.
[^jesaja-1-16-55]: Kanttekening 55: Hij wijst op de ceremonies van de wassingen en reinigingen die in de wet geboden waren, waarbij hij ook de geestelijke wassingen en zuiveringen van het hart bedoelt.
[^jesaja-1-16-i]: Verwijzing i: Psalm 34:15; 37:27; Amos 5:15; Romeinen 12:9.
[^jesaja-1-17-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: beijver u te weten wat recht en goed is, en doe dat.
[^jesaja-1-17-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: verdedig de zaak van de weduwe voor het gerecht.
[^jesaja-1-18-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: met redenen aan elkaar bewijzen wie recht of onrecht heeft, en vervolgens: wie de oorzaak is van uw ellende — ik of uw zonden?
[^jesaja-1-18-k]: Verwijzing k: Psalm 51:9.
[^jesaja-1-18-59]: Kanttekening 59: Deze woorden slaan op wat in vers 15 gezegd is: uw handen zijn vol bloed. Zie Genesis 38:28 over de scharlaken kleur.
[^jesaja-1-18-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zij zullen u uit genade, vanwege de Messias, volkomen vergeven worden.
[^jesaja-1-18-61]: Kanttekening 61: Deze woorden slaan op wat in vers 15 gezegd is: uw handen zijn vol bloed. Zie Genesis 38:28 over de scharlaken kleur.
[^jesaja-1-18-62]: Kanttekening 62: Of: purper, of vermiljoen, zulk een kleur als de karmijn geeft.
[^jesaja-1-19-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: gehoorzaamt, namelijk mijn geboden.
[^jesaja-1-19-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: het schoonste en beste van dit land. Zie Job 21:13, 25.
[^jesaja-1-20-65]: Kanttekening 65: Namelijk: mij te horen en te gehoorzamen.
[^jesaja-1-20-66]: Kanttekening 66: Namelijk: van uw vijanden.
[^jesaja-1-20-67]: Kanttekening 67: Daarom zal het zeker gebeuren.
[^jesaja-1-21-68]: Kanttekening 68: Dit is een vraag met verwondering.
[^jesaja-1-21-69]: Kanttekening 69: Versta: Jeruzalem, dat ooit zo trouw aan YHWH heeft gehangen en hem gediend heeft — namelijk ten tijde van David, Salomo, Josafat en andere vrome koningen.
[^jesaja-1-21-70]: Kanttekening 70: Versta dit van geestelijke hoererij, dat wil zeggen: afgoderij. Zie Leviticus 17:7 en 20:5. Of van vleselijke hoererij; of van beide. Zie Numeri 15:39; Psalm 73:27; Ezechiël 16:15 etc.
[^jesaja-1-21-71]: Kanttekening 71: Of: overnachtte.
[^jesaja-1-21-72]: Kanttekening 72: Namelijk: wonen daarin.
[^jesaja-1-21-73]: Kanttekening 73: Of: moordenaars, dat wil zeggen: onrechtvaardige woekeraars, geweldplegers, onderdrukkers van de armen en dergelijken.
[^jesaja-1-22-74]: Kanttekening 74: De betekenis is: de eervolste en aanzienlijkste onder u zijn veranderd en ontaard. Of: alles wat tevoren rein en zuiver was onder u, is nu bedorven en verkeerd.
[^jesaja-1-22-l]: Verwijzing l: Ezechiël 22:18-19.
[^jesaja-1-22-m]: Verwijzing m: Hosea 4:18.
[^jesaja-1-23-75]: Kanttekening 75: Of: eigenzinnig, ongebonden, als een ongebonden koe, Hosea 4:16.
[^jesaja-1-23-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: zij laten zich met geschenken omkopen om het recht te verdraaien.
[^jesaja-1-23-n]: Verwijzing n: Jeremia 5:28; Zacharia 7:10.
[^jesaja-1-23-77]: Kanttekening 77: Of: al komt zij voor hun rechterstoel, zij willen haar niet horen, of: zij nemen haar niet ter harte, zij helpen haar niet aan haar recht — maar helpen haar veeleer onderdrukken.
[^jesaja-1-24-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: ik zal wraak nemen op de Israëlieten, mijn tegenstanders en vijanden. Anders: ik zal mij troosten door mijn vijanden. De betekenis is: mijn vijanden, de Chaldeeën en andere koningen van de volkeren, zullen mijn volk van Israël straffen, dat zo vijandig tegen mij rebelleert — zodat 'troosten' hier zoveel betekent als door wraak tot rust komen. Dit is een menselijke spreekwijze. Zie wat YHWH in Deuteronomium 28:63 zegt.
[^jesaja-1-24-o]: Verwijzing o: Deuteronomium 28:63.
[^jesaja-1-24-79]: Kanttekening 79: Namelijk: de goddeloze Joden, die God daarom zijn vijanden noemt omdat zij van hem zijn afgeweken en weerspannig tegen hem geworden zijn. Anders: door mijn vijanden — namelijk de Chaldeeën, zoals zojuist.
[^jesaja-1-25-80]: Kanttekening 80: Namelijk: om u te tuchtigen, o Jeruzalem. Anders: ik zal mijn hand tot u wenden om u te zuiveren, etc.
[^jesaja-1-25-p]: Verwijzing p: Jeremia 6:29; Maleachi 3:3.
[^jesaja-1-25-81]: Kanttekening 81: Zo noemt God de goddeloze bestuurders; of: de lelijke misdaden van het volk, die hij door de Messias zou wegzuiveren. Zie Maleachi 3:3.
[^jesaja-1-25-82]: Kanttekening 82: Tin betekent hier hypocrisie; want zoals tin erg op zilver lijkt, zo lijkt huichelarij op godsvrucht.
[^jesaja-1-26-83]: Kanttekening 83: Namelijk: nadat ik u getuchtigd en gezuiverd heb. En versta dat hier gesproken wordt over zulke rechters of bestuurders als Mozes, Jozua, Samuël, David en dergelijken waren. Maar dit is vooral in de tijd van de Messias vervuld.
[^jesaja-1-26-84]: Kanttekening 84: Of: in het begin, namelijk in het begin van uw republiek of dit koninkrijk.
[^jesaja-1-26-85]: Kanttekening 85: Namelijk: aan uw God.
[^jesaja-1-27-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: de Joden, of de stam Juda, en met name degenen van Jeruzalem, wonend op en rond de berg Sion.
[^jesaja-1-27-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: door de gerechtigheid van God — omdat het recht is bij God om verdrukking te vergelden aan hen die anderen verdrukken. Zie 2 Tessalonicenzen 1:6.
[^jesaja-1-27-88]: Kanttekening 88: Namelijk: uit de Babylonische gevangenschap; of: van de bovengenoemde straffen. Versta dit verder van de geestelijke verlossing door Christus, die ook door Gods gerechtigheid geschied is.
[^jesaja-1-27-89]: Kanttekening 89: Of: bekeerden. Namelijk: tot God, of: terugkerenden — namelijk uit de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-1-27-90]: Kanttekening 90: Versta hier de gerechtigheid van God, dat wil zeggen: zijn trouw en betrouwbaarheid, omdat hij dit vanwege Christus beloofd heeft en het dus billijk is dat hij het doet.
[^jesaja-1-28-q]: Verwijzing q: Job 31:3; Psalm 1:6; 5:6; 73:27; 92:10; 104:35.
[^jesaja-1-28-91]: Kanttekening 91: Dat wil zeggen: ellende. Zoals Amos 2:6. Zie Jeremia 4:6.
[^jesaja-1-28-92]: Kanttekening 92: Dat wil zeggen: de één zowel als de ander.
[^jesaja-1-28-93]: Kanttekening 93: Of: verteerd of opgegeten worden. Dit kan men ook verstaan van de oordelen die de Messias zal uitvoeren over de ongehoorzamen. Maleachi 4:1.
[^jesaja-1-29-94]: Kanttekening 94: Dat wil zeggen: vanwege hun afgoderij die zij in de bossen onder de eiken en andere grote bomen bedreven. Zie Exodus 34:13; Deuteronomium 16:21; Richteren 3:7.
[^jesaja-1-29-95]: Kanttekening 95: Dit is een verandering van persoon, die men in de scholen Enallage noemt, voor: die zij begeerd hebben.
[^jesaja-1-29-96]: Kanttekening 96: Of: gewenst heeft — namelijk om er afgoderij onder te bedrijven.
[^jesaja-1-29-97]: Kanttekening 97: Dat wil zeggen: hagen en bossen waar zij afgoderij bedreven, niet tevreden met de plaatsen die YHWH tot zijn dienst had verkozen en bestemd.
[^jesaja-1-30-98]: Kanttekening 98: Of: wanneer u zult zijn als een eik.
[^jesaja-1-30-99]: Kanttekening 99: De betekenis is: u heeft onder de eiken afgoderij bedreven, daarom zal het u ook vergaan als de eiken die verwelken.
[^jesaja-1-31-100]: Kanttekening 100: Met 'de sterke' kan men hier de afgoden verstaan die sterk zijn in de ogen van hun aanbidders, zoals Amos 2:9. Of versta hier met 'de sterke' de rijken en machtigen in het land.
[^jesaja-1-31-101]: Kanttekening 101: Of: heede, werk, spijt, snuit — dit is wat uit het vlas gehekeld wordt, dat door het vuur zeer snel verteerd wordt.
[^jesaja-1-31-102]: Kanttekening 102: Dat wil zeggen: die het beeld gemaakt heeft, of die het heeft laten maken om het te vereren.

### Jesaja 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/2.json)

*De profeet spreekt in beeldende bewoordingen over de komst van het koninkrijk van Christus en de roeping van de heidenen, vers 2, en over de verwerping van de Joden vanwege hun gruwelijke zonden, 6, in het bijzonder vanwege hun afgoderij en hoogmoed, 8. Hij vermaant alle mensen God te vrezen vanwege zijn grote majesteit en macht over alle dingen, 10. Voorzegging van de grote schrik die over de dienaren van de afgoden zou komen, 19.*

**1** Het[^jesaja-2-1-1] woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft[^jesaja-2-1-2] over Juda en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v1)

**2** En het zal gebeuren[^jesaja-2-2-3] in het laatste van de dagen, dat[^jesaja-2-2-4][^jesaja-2-2-a] de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn[^jesaja-2-2-5] op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en daartoe zullen[^jesaja-2-2-6] alle heidenen toevloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v2)

**3** En vele volken zullen heengaan en zeggen: Kom, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere[^jesaja-2-3-7] van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden;[^jesaja-2-3-8] want[^jesaja-2-3-b] uit Sion[^jesaja-2-3-9] zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v3)

**4** En[^jesaja-2-4-10] Hij zal rechten onder de heidenen, en[^jesaja-2-4-11] bestraffen vele volken;[^jesaja-2-4-12] en zij zullen hun[^jesaja-2-4-c] zwaarden slaan tot[^jesaja-2-4-13] spaden, en hun speren tot[^jesaja-2-4-14] sikkels;[^jesaja-2-4-15] het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij[^jesaja-2-4-16] zullen geen oorlog meer leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v4)

**5** [^jesaja-2-5-17] Kom, u huis van Jakob, en laat ons wandelen[^jesaja-2-5-18] in het licht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v5)

**6** [^jesaja-2-6-19] Maar U hebt[^jesaja-2-6-20] Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld[^jesaja-2-6-21] met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn[^jesaja-2-6-22] bezweerders gelijk de Filistijnen,[^jesaja-2-6-23] en aan de kinderen van de vreemden[^jesaja-2-6-24] tonen zij hun behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v6)

**7** En[^jesaja-2-7-25] hun land is vervuld met zilver en goud, en van hun schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en van hun wagens is geen einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v7)

**8** Ook is hun land vervuld[^jesaja-2-8-26] met afgoden;[^jesaja-2-8-27] voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v8)

**9** [^jesaja-2-9-28] Daar bukt zich de gewone man, en[^jesaja-2-9-29] de aanzienlijke man vernedert zich;[^jesaja-2-9-30] daarom zult U het hun niet vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v9)

**10** [^jesaja-2-10-31] Ga in de rotssteen, en verberg[^jesaja-2-10-32] u in het stof, vanwege de schrik van YHWH, en om de heerlijkheid van Zijn majesteit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v10)

**11** [^jesaja-2-11-d] De[^jesaja-2-11-33] hoge ogen van de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid van de mannen zal neergebogen worden; en YHWH alleen zal[^jesaja-2-11-34] in die dag[^jesaja-2-11-35] verheven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v11)

**12** Want[^jesaja-2-12-36] de dag van YHWH van de legermachten zal zijn tegen allen hoogmoedige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat[^jesaja-2-12-37] hij vernederd wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v12)

**13** En tegen[^jesaja-2-13-38] alle hoge en verhevene[^jesaja-2-13-39] cederen van Libanon, en tegen alle eiken van[^jesaja-2-13-40] Basan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v13)

**14** En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v14)

**15** En tegen elke[^jesaja-2-15-41] hoge toren, en tegen elke vaste muur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v15)

**16** En tegen alle[^jesaja-2-16-42] schepen van Tarsis, en tegen alle[^jesaja-2-16-43] gewenste schilderijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v16)

**17** En de hoogheid van de mensen zal gebogen, en de hoogheid van de mannen zal vernederd worden; en YHWH alleen zal[^jesaja-2-17-44] in die dag verheven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v17)

**18** En elk van de afgoden zal geheel vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v18)

**19** Dan zullen[^jesaja-2-19-45] zij[^jesaja-2-19-46] in de grotten van de rotsstenen gaan, en[^jesaja-2-19-47] in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om[^jesaja-2-19-48] de aarde te verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v19)

**20** In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, die zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neer te buigen, wegwerpen voor[^jesaja-2-20-49] de mollen en de vleermuizen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v20)

**21** Gaande in de scheuren van de rotsen, en in de[^jesaja-2-21-50] kloven van de steenrotsen, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldig te verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v21)

**22** [^jesaja-2-22-51] Laat u dan af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want[^jesaja-2-22-52] waarin is hij te achten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/2.html#v22)

[^jesaja-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de profetie, die hem van God geopenbaard is door een gezicht.
[^jesaja-2-1-2]: Kanttekening 2: over Juda: Of, van, dat is, hoe het het Joodse volk gaan zou vanwege hun zonden en onboetvaardigheid.
[^jesaja-2-2-3]: Kanttekening 3: in het laatste: Te weten ten tijde van de verschijning van Jezus Christus, gelijk het Evangelie door de gehele wereld zal gepredikt worden. Vergelijk Micha 4:1 , met de aantekening. Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
[^jesaja-2-2-4]: Kanttekening 4: de berg: Dat is, de berg op welke het huis van de Heer of de tempel gebouwd is; te weten de berg Zion of Moria; en dit is te verstaan van de Christelijke gemeente, die eerst te Jeruzalem is verzameld geweest, ten tijde van Christus en zijn apostelen; maar daarna is zij zeer vermenigvuldigd door de toeloop van de heidenen, dat hier wordt te kennen gegeven door het woord toevloeien. Zie Hand. 2:41 , 2:47 . Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 2:47 : En prezen God, en hadden genade bij het gehele volk. En de Heer deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
[^jesaja-2-2-a]: Verwijzing a: Micha 4:1 . Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
[^jesaja-2-2-5]: Kanttekening 5: op de top: Of, spits. Hebreeuws, het hoofd (רֹאשׁ); dat is, hij zal boven alle andere bergen verheven worden. Dit wordt straks opnieuw gezegd met andere woorden. Anders: tot een hoofd van de bergen.
[^jesaja-2-2-6]: Kanttekening 6: alle heidenen: Dat is, enige uit alle heidense natiën, gelijk blijkt vers 3 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^jesaja-2-3-7]: Kanttekening 7: van Zijn wegen: Te weten de manier hoe wij Hem zullen eren en dienen om zalig te worden. Ditzelfde wordt straks opnieuw gezegd met andere woorden.
[^jesaja-2-3-8]: Kanttekening 8: want uit Sion: Dit zijn de woorden van de profeet, niet van de volken.
[^jesaja-2-3-b]: Verwijzing b: Ps. 110:2 . Psalmen 110:2 : YHWH zal de scepter van Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden.
[^jesaja-2-3-9]: Kanttekening 9: zal de wet: Aldus wordt hier genoemd de leer van het heilige Evangelie. Zie de vervulling hiervan Hand. 8:1 , 8:4 , en Hand. 11:20 , enz., en Hand. 13:2 , enz.; zie ook de aantekening Ps. 1:2 . Handelingen 8:1 : En Saulus had mee een welbehagen aan zijn dood. En er werd op die dag een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen. Handelingen 8:4 : Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord. Handelingen 11:20 : En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Grieken, verkondigende de Heer Jezus. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^jesaja-2-4-10]: Kanttekening 10: Hij zal: Te weten de Heer Christus; anders, het, te weten het Woord van God. Het komt overeen uit, want God regeert in Christus door zijn Woord.
[^jesaja-2-4-11]: Kanttekening 11: Te weten door de predikatie van zijn Woord, dat is, Hij zal hen overtuigen dat zij met hun zonden de eeuwige dood verdiend hebben, en dat zij daarvan door geen ander middel kunnen verlost worden dan door Hem.
[^jesaja-2-4-12]: Kanttekening 12: en zij zullen: Of, dan, of zo; dat is, hierdoor zullen zij bewogen worden hun zwaarden, enz.
[^jesaja-2-4-c]: Verwijzing c: Joël 3:10 . Joël 3:10 : Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.
[^jesaja-2-4-13]: Kanttekening 13: Of, houwelen; een instrument, dat de hoveniers en tuinlieden gebruiken om het onkruid of wortelen uit de aarde te trekken of roeien.
[^jesaja-2-4-14]: Kanttekening 14: Of, zeisen; of snoeimessen.
[^jesaja-2-4-15]: Kanttekening 15: het ene : De profeet wil zeggen dat alle volken, die zich oprecht tot Christus bekeren, met elkaar van enen zin zullen zijn in het geloof, zie Hand. 4:32 , en dat zij in liefde en enigheid met elkaar zullen leven, want uit het geloof volgt de liefde. Vergelijk Jes. 11:6 . Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen. Jesaja 11:6 : En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
[^jesaja-2-4-16]: Kanttekening 16: geen oorlog: Zij zullen met elkaar in Christelijken vrede leven, zonder twist en onenigheid, daarom zullen zij de krijg niet behoeven te leren.
[^jesaja-2-5-17]: Kanttekening 17: Dat is, u Israëlieten, die van Jakob afkomstig bent. De profeet vermaant de Joden dat zij, achtervolgens het exempel van de bekeerde heidenen, dat hij hun heeft voorgedragen, ook de leer van de Heer aannemen zouden.
[^jesaja-2-5-18]: Kanttekening 18: in het licht: Dat is, in de zaligmakende kennis van God, die uit zijn Woord komende is.
[^jesaja-2-6-19]: Kanttekening 19: Hier wendt zich de profeet tot God, en hij doet een weeklacht over de Joden, die van God verstoten waren. De zin is: Maar waarom vermaan ik mijn landslieden tot het geloof aan Christus, omdat het toch tevergeefs is; want, o Heer, U hebt besloten hen te verstoten.
[^jesaja-2-6-20]: Kanttekening 20: Uw volk: Te weten een deel uws volks; want de verharding is voor een deel over Israël gekomen, zegt de apostel, Rom. 11:25 . Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^jesaja-2-6-21]: Kanttekening 21: met het oosten: Of, van het oosten, dat is, van de volken, die tegen het oosten of de opgang van de zon wonen; verstaande de Chaldeën, Syriërs, Mesopotamiërs en andere Oosterse natiën, die tot bijgeloof, toverij en waarzegging zeer geneigd waren.
[^jesaja-2-6-22]: Kanttekening 22: Zie de aantekening Lev. 19:26 , en 2 Kon. 21:6 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen. 2 Koningen 21:6 : Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken.
[^jesaja-2-6-23]: Kanttekening 23: aan de kinderen van de vreemden: Dat is, aan de vreemdelingen, aan hun zeden en manieren. Enige verstaan dit gesproken te zijn van de huwelijken van haar dochters aan de vreemde natiën, die verboden waren. Zie Deut. 7:1 , 7:2 , 7:3 . Deuteronomium 7:1 : Wanneer u YHWH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; Deuteronomium 7:2 : En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 7:3 : U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.
[^jesaja-2-6-24]: Kanttekening 24: Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als met handgebaar, of als met in de hand te kloppen, een welgevallen of behagen te tonen of te doen blijken.
[^jesaja-2-7-25]: Kanttekening 25: hun land: Te weten van het volk van Jakob. Anders, zijn, te weten Jakobs land. Zo verder in vers 7 en volgende. Jesaja 2:7 : En hun land is vervuld met zilver en goud, en van hun schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en van hun wagens is geen einde.
[^jesaja-2-8-26]: Kanttekening 26: met afgoden: Hebreeuws, met ijdelheden, of nietigheden. Aldus worden de afgoden genoemd; 1 Kor. 8:4 . Zie Jes. 44:10 , en de aantekening Lev. 19:4 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. Jesaja 44:10 : Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet? Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^jesaja-2-8-27]: Kanttekening 27: voor het werk: Dat is, voor de afgoden, die zij zelf gemaakt hebben.
[^jesaja-2-9-28]: Kanttekening 28: Daar bukt: Te weten voor de afgoden.
[^jesaja-2-9-29]: Kanttekening 29: de aanzienlijke: Zie de aantekening Ps. 4:3 , Ps. 49:3 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. Psalmen 49:3 : Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
[^jesaja-2-9-30]: Kanttekening 30: zult U: Anders: Vergeef het hun niet; en aldus zijn het woorden van de profeet, God de Heer aansprekende en biddende dat Hij de afgodendienaars wil straffen vanwege hun afgoderij.
[^jesaja-2-10-31]: Kanttekening 31: Ga in de: Hier wendt zich de profeet tot de verstokte Joden, en hij verkondigt hun de straf Gods; alsof hij zei: De Heer zal u vijanden op de hals sturen, die u zo bang zullen maken, dat u zich in de holen en steenrotsen zult versteken. Zie onder vers 19 , 2:21 . Jesaja 2:19 : Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Jesaja 2:21 : Gaande in de reten van de rotsen, en in de kloven van de steenrotsen, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
[^jesaja-2-10-32]: Kanttekening 32: in het stof: Dat is, in de spelonken onder de aarde.
[^jesaja-2-11-d]: Verwijzing d: Jes. 5:15 . Jesaja 5:15 : Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen van de hovaardigen zullen vernederd worden.
[^jesaja-2-11-33]: Kanttekening 33: hoge ogen: Ps. 101:5 noemt David een hovaardige een die hoog van ogen is. Zie ook Spreuk. 21:4 . Psalmen 101:5 : Die zijn naaste in het geheime achterklapt; die zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen. Spreuken 21:4 : Hoogheid van de ogen, en trotsheid van het hart, en de ploeging van de goddelozen, zijn zonde.
[^jesaja-2-11-34]: Kanttekening 34: in die dag: Te weten als God de Joden door de Chaldeën zal verslaan en vernederen. Zie verder vers 12 . Jesaja 2:12 : Want de dag van YHWH van de legermachten zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
[^jesaja-2-11-35]: Kanttekening 35: verheven zijn: Te weten als een machtig overwinnaar en wreker.
[^jesaja-2-12-36]: Kanttekening 36: de dag van YHWH: Dat is, de straf van de Heer in het Oude en Nieuwe Testament. Zie Job 24:1 , en Jes. 13:6 . Job 24:1 : Waarom zouden van de Almachtige de tijden niet verborgen zijn, omdat zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? Jesaja 13:6 : Huilt u, want de dag van YHWH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.
[^jesaja-2-12-37]: Kanttekening 37: hij vernederd: Dat is, een ieder onder hen.
[^jesaja-2-13-38]: Kanttekening 38: alle hoge: Dat is, over alle hoogheid, geweld, macht en heerlijkheid, waarop de mensen zich verlaten.
[^jesaja-2-13-39]: Kanttekening 39: Dat is, die op de berg Libanon in grote getale groeien.
[^jesaja-2-13-40]: Kanttekening 40: Een land over de Jordaan.
[^jesaja-2-15-41]: Kanttekening 41: hogen toren: Zie de aantekening Jes. 41:15 . Jesaja 41:15 : Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf.
[^jesaja-2-16-42]: Kanttekening 42: Versta hier, niet alleen de schepen, maar ook de rijkdom en de kostelijke waren, die met schepen over de zee en wateren gevoerd worden.
[^jesaja-2-16-43]: Kanttekening 43: Of, beelden en andere sieraden, die men aan de schepen of in de huizen had.
[^jesaja-2-17-44]: Kanttekening 44: in die dag: Te weten nadat de hovaardigen zullen uitgeroeid wezen.
[^jesaja-2-19-45]: Kanttekening 45: Te weten de afgodendienaars. Zie Hos. 10:8 ; Luk. 23:30 ; Openb. 6:16 , en Openb. 9:6 . Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Lukas 23:30 : Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam. Openbaring 9:6 : En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten.
[^jesaja-2-19-46]: Kanttekening 46: in de spelonken: Te weten uit vrees en schrik zich verbergende voor het aangezicht van de Heer.
[^jesaja-2-19-47]: Kanttekening 47: in de holen: Te weten in de holligheden, kloven en reten.
[^jesaja-2-19-48]: Kanttekening 48: de aarde: Of, het land te verbreken; te weten de aarde zelf, alsook de inwoners daarvan. En versta dit, eerst van het Joodse land en de inwoners daarvan, en verder van de oordelen van de Messias in de gehele wereld, en zo vers 21 . Jesaja 2:21 : Gaande in de reten van de rotsen, en in de kloven van de steenrotsen, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
[^jesaja-2-20-49]: Kanttekening 49: de mollen: Hebreeuws, van de graver van de putten, of van de holen. Het is ene beschrijving van de mol. En de profeet wil met deze woorden te kennen geven dat men de afgoden in onreine en verachtelijke hoeken zou wegwerpen.
[^jesaja-2-21-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws, takken (סְעִפֵי).
[^jesaja-2-22-51]: Kanttekening 51: Laat u: De zin is: Terwijl u hoort dat zelfs de groten niet helpen kunnen, zo zet uw vertrouwen niet op de mensen, wier adem en leven in hun neus is. Stopt hun neus en mond, zo moeten zij sterven. Vergelijk Job 27:3 . Job 27:3 : Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
[^jesaja-2-22-52]: Kanttekening 52: Of, waarvoor. De zin is: Wat is er toch aan of in de mens, waarom iemand zijn vertrouwen op hem zou stellen? Hij is geheel niets. Zie Ps. 39:12 . Psalmen 39:12 : Kastijdt U iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet U zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.

### Jesaja 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/3.json)

*Zware en velerlei dreigingen en straffen die de Joden zouden overkomen, zowel het gewone volk als de bestuurders, vanwege hun talloze zonden, vers 1 enzovoort. Maar de rechtvaardigen worden getroost, 10. In het bijzonder worden de vrouwen sterk bedreigd vanwege hun praal en hoogmoed, 16.*

**1** Want ziet, de Heere, YHWH van de legermachten, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de[^jesaja-3-1-1] stok en de staf, allen[^jesaja-3-1-2] stok van het brood, en allen stok van het water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v1)

**2** De held en de soldaat, de rechter en de profeet, en de[^jesaja-3-2-3] waarzegger, en[^jesaja-3-2-4] de oude; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v2)

**3** De overste van vijftig, en[^jesaja-3-3-5] de aanzienlijke, en de[^jesaja-3-3-6] raadsman, en de[^jesaja-3-3-7] wijze onder de werkmeesters, en[^jesaja-3-3-8] die, die kloek ter tale is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v3)

**4** En Ik zal[^jesaja-3-4-9] jongemannen stellen tot hun vorsten, en[^jesaja-3-4-10] kinderen zullen over hen heersen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v4)

**5** En het volk[^jesaja-3-5-11] zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen de ander, en ieder tegen zijn naaste; de jongeling zal[^jesaja-3-5-12] stout zijn tegen de oude,[^jesaja-3-5-13] de verachte tegen de eerlijke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v5)

**6** Wanneer iemand[^jesaja-3-6-14] zijn broer[^jesaja-3-6-15] uit het huis van zijn vader zal aangrijpen,[^jesaja-3-6-16] zeggende: U hebt een kleed, wees ons tot overste, laat toch[^jesaja-3-6-17] deze aanstoot[^jesaja-3-6-18] onder uw hand wezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v6)

**7** Zo zal[^jesaja-3-7-19] hij in die dag[^jesaja-3-7-20] zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen[^jesaja-3-7-21] kleed[^jesaja-3-7-22] in mijn huis; zet mij niet tot een overste van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v7)

**8** Want Jeruzalem[^jesaja-3-8-23] heeft aangestoten, en Juda is gevallen, omdat hun tong en zijn handelingen tegen YHWH zijn, om de ogen van Zijn heerlijkheid te verbitteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v8)

**9** [^jesaja-3-9-24] Het gezicht van hun aangezicht getuigt tegen hen, en hun zonden[^jesaja-3-9-25] spreken zij vrij uit,[^jesaja-3-9-26] zoals Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hun ziel; want[^jesaja-3-9-27] zij doen zichzelf kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v9)

**10** Zeg de rechtvaardige,[^jesaja-3-10-28] dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht van hun werken zullen[^jesaja-3-10-29] eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v10)

**11** Wee de goddeloze,[^jesaja-3-11-30] het zal hem kwalijk[^jesaja-3-11-31] gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v11)

**12** De[^jesaja-3-12-32] drijvers van Mijn volk zijn[^jesaja-3-12-33] kinderen, en[^jesaja-3-12-34] vrouwen heersen erover. O Mijn volk! die[^jesaja-3-12-35] u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden[^jesaja-3-12-36] slokken zij in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v12)

**13** YHWH stelt Zich[^jesaja-3-13-37] om te pleiten, en Hij staat, om[^jesaja-3-13-38] de volken te richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v13)

**14** YHWH komt ten gerichte tegen[^jesaja-3-14-39] de oudsten van Zijn volk en zijn vorsten, want u hebt[^jesaja-3-14-40] deze wijngaard[^jesaja-3-14-41] verteerd; de roof van de ellendigen is in uw huizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v14)

**15** [^jesaja-3-15-42] Wat is u, dat u Mijn volk verbrijzelt, en[^jesaja-3-15-43] de aangezichten[^jesaja-3-15-44] van de ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v15)

**16** Verder zegt YHWH: Daarom dat de[^jesaja-3-16-45] dochters van[^jesaja-3-16-46] Sion zich verheffen, en gaan[^jesaja-3-16-47] met uitgestrekten hals, en[^jesaja-3-16-48] lonken met de ogen,[^jesaja-3-16-49] al gaande en trippelende daarheen treden, en alsof haar voeten[^jesaja-3-16-50] gebonden waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v16)

**17** Zo zal YHWH de schedel van de dochters van[^jesaja-3-17-51] Sion schurftig maken, en[^jesaja-3-17-52] YHWH zal haar schaamte ontbloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v17)

**18** Op diezelfde dag zal YHWH wegnemen het sieraad van de kousebanden,[^jesaja-3-18-53] en[^jesaja-3-18-54] de netjes, en[^jesaja-3-18-55] de maantjes, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v18)

**19** [^jesaja-3-19-56] De reukdoosjes, en de kleine kettinkjes, en[^jesaja-3-19-57] de glinsterende kledingen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v19)

**20** [^jesaja-3-20-58] De hoofdkroning, en de[^jesaja-3-20-59] armversierselen, en de[^jesaja-3-20-60] bindselen, en[^jesaja-3-20-61] de reukballetjes, en de oorringen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v20)

**21** De ringen en[^jesaja-3-21-62] de voorhoofdsierselen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v21)

**22** [^jesaja-3-22-63] De wisselklederen, en[^jesaja-3-22-64] de manteltjes, en de hoedjes, en[^jesaja-3-22-65] de beurzen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v22)

**23** De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en[^jesaja-3-23-66] de hulledoeken, en[^jesaja-3-23-67] de sluiers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v23)

**24** En het zal gebeuren, dat er voor[^jesaja-3-24-68] specerij[^jesaja-3-24-69] stank zal zijn, en[^jesaja-3-24-70] lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van[^jesaja-3-24-71] haarvlechten, en omgording met een zak in plaats van een[^jesaja-3-24-72] wijde rok, en[^jesaja-3-24-73] verbranding in plaats van schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v24)

**25** [^jesaja-3-25-74] Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en[^jesaja-3-25-75] uw helden in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v25)

**26** En[^jesaja-3-26-76] haar[^jesaja-3-26-77] poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal,[^jesaja-3-26-78] leeg gemaakt zijnde,[^jesaja-3-26-79] op de aarde zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/3.html#v26)

[^jesaja-3-1-1]: Kanttekening 1: stok en de staf: Dat is, al hetgeen waar men zich op verlaat, hetzij klein of groot, aanzienlijk of slecht. Anders: de steunende \[man\] en de steunende \[vrouw\].
[^jesaja-3-1-2]: Kanttekening 2: stok van het brood: Dat is, al de voedzame kracht van het brood, zo dat zij niet zullen verzadigd worden ofschoon zij veel brood eten en veel water drinken. Deze straf dreigt ook God de overtreders van zijn wetten, Lev. 26:26 ; zie de aantekening daar; en zie daarvan een exempel Hagg. 1:6 . Leviticus 26:26 : Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Haggai 1:6 : U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
[^jesaja-3-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, verreziende, voorzinnige, voorzichtige, die ene zaak van verre ziet komen, of voorziet voordat zij geschiedt. Zie Spreuk. 16:10 . Spreuken 16:10 : Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
[^jesaja-3-2-4]: Kanttekening 4: de oude: Te weten niet alleen oud van jaren, maar ook wel ervaren, wijs, kloek in de regering, hetzij van de kerk of van de republiek.
[^jesaja-3-3-5]: Kanttekening 5: de aanzienlijke: Hebreeuws, de verhevene van aangezicht (פָנִים); dat is, de aanzienlijke, of die in autoriteit is.
[^jesaja-3-3-6]: Kanttekening 6: Anders: raadgever.
[^jesaja-3-3-7]: Kanttekening 7: Of, kundige, ervarene.
[^jesaja-3-3-8]: Kanttekening 8: Die wel ter taal is, of verstandig in redenering, een welsprekend man.
[^jesaja-3-4-9]: Kanttekening 9: Te weten jong van jaren, of jong in verstand, of beide; zie Pred. 10:16 . Prediker 10:16 : Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in de morgenstond eten!
[^jesaja-3-4-10]: Kanttekening 10: Anders: kinderachtige mensen.
[^jesaja-3-5-11]: Kanttekening 11: Of, hard gedreven worden; te weten tot betaling, of tot zwaren dienst en arbeid.
[^jesaja-3-5-12]: Kanttekening 12: stout zijn: Of, trots, moedig.
[^jesaja-3-5-13]: Kanttekening 13: de verachte: Dat is, slechten, ongeachten onder het volk.
[^jesaja-3-6-14]: Kanttekening 14: zijn broer: Dat is, zijn bloedverwant.
[^jesaja-3-6-15]: Kanttekening 15: uit het huis: Dat is, die van zijn vaders huis of geslacht is.
[^jesaja-3-6-16]: Kanttekening 16: U hebt: Dat is, u bent welhebbende, of, u hebt middelen om te leven; u bent één van de aanzienlijksten onder ons; gemeenlijk openbaart zich de rijkdom in de kleren.
[^jesaja-3-6-17]: Kanttekening 17: deze aanstoot: Of, dit verderf, of ruïne, of ondergang. De zin is: Neem toch de vervallen zaak van onze staat bij de hand, en help haar ondersteunen, zoveel het u mogelijk en doenlijk is. Anders: maar laat uwe hand onder deze ruïne zijn; een manier van spreken, genomen van een vallend huis.
[^jesaja-3-6-18]: Kanttekening 18: onder uw hand: Dat is, onder uw beleid.
[^jesaja-3-7-19]: Kanttekening 19: in die dag: Dat is, straks, zonder zich lang te beraden.
[^jesaja-3-7-20]: Kanttekening 20: Te weten naar de hemel, dat is, hij zal zweren. Zie Gen. 14:22 . Anders: hij zal \[zijn stem\] opheffen. Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^jesaja-3-7-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, verbinder; te weten van uwe wonden, of geen chirurgijn, wondmeester, of dokter zijn. Alsof hij zei: De zaken zijn in onze staat te zeer verlopen, de wonde van onze staat is te zeer vervuild, ik zal het vervallen werk niet kunnen redden. In één woord, de profeet wil zeggen dat het zo ellendig met de Joden zou gesteld wezen, dat onaangezien een ieder graag groot is, nochtans niemand het bestuur zou willen aannemen, ofschoon het hun werd aangeboden. Zie ook Job 34:17 . Job 34:17 : Zou Hij ook, Die het recht haat, de gewonde verbinden, en zoudt u de zeer Rechtvaardige verdoemen?
[^jesaja-3-7-22]: Kanttekening 22: is ook geen brood: Alsof hij zei: Ik ben zo arm dat ik mijzelf en de mijnen van nooddruft niet kan verzorgen, veel weiniger kan ik dan u helpen.
[^jesaja-3-8-23]: Kanttekening 23: heeft aangestoten: Dat is, het zal gewisselijk in het kort vallen.
[^jesaja-3-9-24]: Kanttekening 24: Het gelaat: Dat is, men kan het uit hun aangezicht bespeuren, dat zij boze, onbeschaamde mensen zijn. Anders: de hardnekkigheid van hun aangezicht; in welke betekenis het Hebreeuwse woord ook genomen wordt Job 19:3 . Job 19:3 : U hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u verhardt u tegen mij.
[^jesaja-3-9-25]: Kanttekening 25: Dat is, roemen zij. Hebreeuws, verkondigen zij.
[^jesaja-3-9-26]: Kanttekening 26: gelijk Sodom: Dat is, gelijk de inwoners van Sodom. Zie Gen. 13:13 , en Gen. 18:20 , en Gen. 19:5 . Genesis 13:13 : En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen YHWH. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, Genesis 19:5 : En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
[^jesaja-3-9-27]: Kanttekening 27: zij doen zichzelven: Te weten, met God de Heer door hun zonden tot straf te verwekken. Zie van het Hebreeuwse woord gamal, Ps. 13:6 . Psalmen 13:6 : Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
[^jesaja-3-10-28]: Kanttekening 28: dat het hem : Zie van zulk gebruik van het Hebreeuwse woord Tob, Jer. 22:15 , 22:16 . Jeremia 22:15 : Zoudt u regeren, omdat u zich mengt met de ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel? Jeremia 22:16 : Hij heeft de rechtzaak van de ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt YHWH.
[^jesaja-3-10-29]: Kanttekening 29: Dat is, genieten; dat is, God de Heer zal uit genade hun godzaligheid belonen. Zie de aantekening Spreuk. 1:31 . Spreuken 1:31 : Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
[^jesaja-3-11-30]: Kanttekening 30: het zal hem : In het Hebreeuws staat alleen het woord kwaad of boos. Anders: als hij boos is; dat is, als hij boos blijft.
[^jesaja-3-11-31]: Kanttekening 31: want de vergelding: Dat is, hem zal wedervaren of overkomen even hetzelfde, dat hij anderen gedaan heeft; hij zal gestraft worden om zijn boosheden wil.
[^jesaja-3-12-32]: Kanttekening 32: Dat is, strenge regeerders, of onderdrukkers.
[^jesaja-3-12-33]: Kanttekening 33: Dat is, onervaren, hun lusten volgende, als de kinderen.
[^jesaja-3-12-34]: Kanttekening 34: vrouwen heersen: Dat is, verwijfde mannen, die geen moed hebben.
[^jesaja-3-12-35]: Kanttekening 35: u leiden: Of, uwe leiders; dat is, uwe leraars en regeerders. Anders: die u gelukzalig achten; of roemen; verstaande zulke predikers, die de mensen kussens onder de ellebogen leggen, roepende: Het heeft geen nood.
[^jesaja-3-12-36]: Kanttekening 36: Dat is, de weg, die u behoort te wandelen, verderven zij, gelijk als die iets verslindt of inslokt; of zij bedekken en verduisteren de weg, gelijk het ingeslokte verborgen en als ingewonden is. Vergelijk Num. 4:20 , of zij varen er heel lichtelijk over heen. Vergelijk Job 39:27 , met de aantekening. Numeri 4:20 : Maar zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven. Job 39:27 : Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid van de bazuin.
[^jesaja-3-13-37]: Kanttekening 37: om te pleiten: Dat is, om in het recht te treden, gelijk Jes. 1:18 . Jesaja 1:18 : Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt YHWH; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
[^jesaja-3-13-38]: Kanttekening 38: de volken: Te weten, het volk Israël, dat groot is en veel in getal, gelijk Hand. 4:27 . Handelingen 4:27 : Want in waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welke U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;
[^jesaja-3-14-39]: Kanttekening 39: de oudsten: Dat is, de rechters, regeerders, magistraten, die men uit oude bedaagde mannen pleegt te kiezen. Deze zal de Heer voor het recht stellen, omdat zij zijn volk door ongerechtigheid onderdrukt hebben.
[^jesaja-3-14-40]: Kanttekening 40: deze wijngaard: Dat is, de gemeente van God, of het volk van God, dat u toevertrouwd was. Zie Jes. 5:1 ; Matt. 21:33 . Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Mattheüs 21:33 : Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landbouwers, en reisde buiten 's lands.
[^jesaja-3-14-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, verbrand, of met het vuur verslonden, zie Num. 24:22 . De zin is: in plaats van mijn wijngaard te bouwen en mij goede vruchten daarvan te brengen, maakt u die te schande. Numeri 24:22 : Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!
[^jesaja-3-15-42]: Kanttekening 42: Wat is u: Dat is, wat recht of reden hebt u daartoe? dat u, enz.
[^jesaja-3-15-43]: Kanttekening 43: de aangezichten: Dat is de personen.
[^jesaja-3-15-44]: Kanttekening 44: Dat is, geheel wredelijk en onmenselijk behandelt of mishandelt. Anders: als in een vijzel stoot, of met krabben en vuiligheid schendt.
[^jesaja-3-16-45]: Kanttekening 45: Dat is, de vrouwen en jonge dochters te Jeruzalem, welke hier gedreigd worden vanwege haar hovaardij.
[^jesaja-3-16-46]: Kanttekening 46: zich verheffen: Het hoofd omhoog steken uit hoogvaardij.
[^jesaja-3-16-47]: Kanttekening 47: met uitgestrekten: Hebreeuws, uitgestrekt van hals, of van keel (גָּרוֹן).
[^jesaja-3-16-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, bedriegende met de ogen, of lonkende met de ogen (עֵינָיִם); dat is, met de ogen haar loosheid te kennen gevende.
[^jesaja-3-16-49]: Kanttekening 49: al gaande: Anders: Zij gaan al trippelende alsof zij kleine kinderen waren, makende kleine treden.
[^jesaja-3-16-50]: Kanttekening 50: Of, geboeid. Anders: Ja aan haar voeten dragen zij boeitjes. Anders: Makende een geluid, of geril met haar voeten, alsof er schelletjes aan waren. Anderen nemen het aldus: Zij gaan half dansende, houden zekeren pas of maat in haar tred. Maar de meesten en voornaamsten verstaan het van kostelijke boeitjes, of versierselen aan de voeten, hebbende het fatsoen van boeitjes.
[^jesaja-3-17-51]: Kanttekening 51: Of, schurft; anders kaal. Op de schurftheid volgt gemeenlijk kaalheid of uitvalling van het haar. Anderen verstaan het aldus: dat zij in de hand en het geweld van de vijanden vervallen zouden, die haar het haar kaal afscheren zouden, gelijk men de slaven en lijfeigenen pleegt te doen.
[^jesaja-3-17-52]: Kanttekening 52: YHWH zal: Dat is, de Heer zal haar laten beroven van haar kleren, zo dat zij zullen moeten naakt gaan, en niet zoveel hebben zullen, dat zij haar schaamte bedekken kunnen.
[^jesaja-3-18-53]: Kanttekening 53: het sieraad: Wat vers 18 , 3:19 , 3:20 , 3:21 , 3:22 , 3:23 , 3:24 betreft, die worden zeer verscheidenlijk overgezet; de hovaardige pronksters hebben ook in die tijden al veel ander pronksel gehad als heden ten dage onze jonkvrouwen hebben, zodat vele van die namen ons onbekend zijn, vele derzelve de naam medebrengende uit dat land, waar zij eerst gedacht geweest zijn. Zij zijn hier gezet zo na als men ze heeft kunnen treffen. Voor sieraad van de kousenbanden hebben anderen de netwerken of betraliede kleren; die doorschijnend gebreid of geborduurd waren, dat enige noemen vensteren van de oneerbaarheid. Jesaja 3:18 : Ten zelfden dage zal YHWH wegnemen het sieraad van de kousebanden, en de netjes, en de maantjes, Jesaja 3:19 : De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen, Jesaja 3:20 : De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen, Jesaja 3:21 : De ringen en de voorhoofdsierselen, Jesaja 3:22 : De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels, Jesaja 3:23 : De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers. Jesaja 3:24 : En het zal gebeuren, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
[^jesaja-3-18-54]: Kanttekening 54: de netjes: Of, sluiers, of schakelwerk, als daar zijn de fijngebreide netjes, dunne doekjes en allerlei gebreidsel, of geweefsel, dat doorzichtig is.
[^jesaja-3-18-55]: Kanttekening 55: de maantjes: Dit was een sieraad als maantjes. Zie Richt. 8:21 . Heden ten dage dragen ook enige in de oorlapjes kleine maantjes van goud, zilver, of enig gesteente, of parels. Richteren 8:21 : Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren.
[^jesaja-3-19-56]: Kanttekening 56: De reukdoosjes: Versta hier, de gouden of zilveren doosjes, waar muskus of andere welriekende specerijen in waren, die de jonkvrouwen aan de hals, of op de borsten, of tussen die droegen. Anders, halsketentjes, of iets dergelijks.
[^jesaja-3-19-57]: Kanttekening 57: de glinsterende: Dat is, de kleren bezaaid met dunne gouden of zilveren schubbetjes of flittertjes, die een glans gaven als er de zon op scheen, alsof het glinsterende sterretjes geweest waren. Anders, flitterende, of bevende lovertjes.
[^jesaja-3-20-58]: Kanttekening 58: De hoofdkroning: Zie Ez. 24:17 , en Ez. 44:18 . Ezechiël 24:17 : Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten. Ezechiël 44:18 : Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.
[^jesaja-3-20-59]: Kanttekening 59: Zie 2 Sam. 1:10 . 2 Samuël 1:10 : Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.
[^jesaja-3-20-60]: Kanttekening 60: Of, hoofdsnoeren. Zie Jer. 2:32 . Jeremia 2:32 : Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.
[^jesaja-3-20-61]: Kanttekening 61: de reukballetjes: Hebreeuws, huisjes van de ziel, of van de adem (נֶּפֶשׁ); aldus worden de reukballetjes genoemd, omdat zij het hart verkwikken en de adem versterken.
[^jesaja-3-21-62]: Kanttekening 62: de voorhoofdsierselen: Dit waren enige versierselen, die op het voorhoofd tot op de neus hingen; Gen. 24:24 . Genesis 24:24 : En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.
[^jesaja-3-22-63]: Kanttekening 63: De wisselklederen: Gelijk Richt. 14:12 . Richteren 14:12 : Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.
[^jesaja-3-22-64]: Kanttekening 64: de manteltjes: Hebreeuws, de overdekselen. Het mogen wel grote floersen geweest zijn, die nu in het Frans genoemd worden la grand voile.
[^jesaja-3-22-65]: Kanttekening 65: de buidels: Gelijk 2 Kon. 5:23 . Anders: naalden, of spelden; te weten van goud of zilver, dergelijke nu ook enige jonge dochters in het haar dragen. 2 Koningen 5:23 : En Naäman zei: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen.
[^jesaja-3-23-66]: Kanttekening 66: de hulledoeken: Of, tophuiven.
[^jesaja-3-23-67]: Kanttekening 67: de sluiers: Anders: kedelen, of fijne, dunne en lichte kledingen, die men in Judea en omliggende hete landen droeg.
[^jesaja-3-24-68]: Kanttekening 68: Dat is, goeden reuk.
[^jesaja-3-24-69]: Kanttekening 69: Of, uittering, verrotting; gelijk onder Jes. 5:24 . Jesaja 5:24 : Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, zo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van YHWH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden.
[^jesaja-3-24-70]: Kanttekening 70: Als wanneer de vrouwen ontregen zijn.
[^jesaja-3-24-71]: Kanttekening 71: Of, gefriseerd haar, of effen gekamd haar, of net gelegd haar.
[^jesaja-3-24-72]: Kanttekening 72: wijden rok: Of, vlieger.
[^jesaja-3-24-73]: Kanttekening 73: Versta, de verbranding of vervelling van het aangezicht, veroorzaakt door de hitte van de zon.
[^jesaja-3-25-74]: Kanttekening 74: Uw mannen: O Jeruzalem, of Zion.
[^jesaja-3-25-75]: Kanttekening 75: uw helden: Hebreeuws, uw sterkte (גְבוּרָתֵ); zo zeggen wij, de adel van het land voor de edelen van het land.
[^jesaja-3-26-76]: Kanttekening 76: Te weten van Jeruzalem of Zion.
[^jesaja-3-26-77]: Kanttekening 77: Dat is, raadhuizen, openbare rechthuizen, want de raadspersonen zouden omgekomen zijn.
[^jesaja-3-26-78]: Kanttekening 78: Te weten van inwoners, goederen en huisraad; zie mee van het Hebreeuwse woord Spreuk. 14:4 . Spreuken 14:4 : Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van de os zijn de inkomsten vele.
[^jesaja-3-26-79]: Kanttekening 79: op de aarde zitten: Gelijk bedroefde, mismoedige, of verslagen mensen plegen te doen; zie Job 1:20 . Job 1:20 : Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;

### Jesaja 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/4.json)

*Verdere dreigingen van de ellende die de Joden zouden overkomen, in het bijzonder dat er weinig mannen overig zouden blijven, vers 1, met vertroosting voor de gelovigen die overblijven, dat zij door de komende Messias verlicht, gereinigd en beschermd zouden worden, 2 enzovoort.*

**1** En[^jesaja-4-1-1] op die dag zullen[^jesaja-4-1-2] zeven vrouwen één man[^jesaja-4-1-3] aangrijpen, zeggende:[^jesaja-4-1-4] Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn,[^jesaja-4-1-5] laat ons alleen naar uw naam genoemd worden,[^jesaja-4-1-6] neem[^jesaja-4-1-7] onze smaad weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v1)

**2** [^jesaja-4-2-8] Op die dag zal de SPRUIT van YHWH[^jesaja-4-2-9][^jesaja-4-2-10] zijn tot sieraad en heerlijkheid, en[^jesaja-4-2-11] de vrucht van de aarde[^jesaja-4-2-12] tot voortreffelijkheid en tot versiering[^jesaja-4-2-13] van hen, die het ontkomen zullen in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v2)

**3** En het zal gebeuren, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem[^jesaja-4-3-14] zal heilig genoemd worden, een ieder[^jesaja-4-3-15] die geschreven is[^jesaja-4-3-16] ten leven te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v3)

**4** Als de Heere zal afgewassen hebben[^jesaja-4-4-17] de mest[^jesaja-4-4-18] van de dochters van Sion, en[^jesaja-4-4-19] de bloedschulden[^jesaja-4-4-20] van[^jesaja-4-4-21] Jeruzalem zal verdreven hebben uit haar midden,[^jesaja-4-4-22] door[^jesaja-4-4-23] de Geest van het oordeel, en[^jesaja-4-4-24] door de Geest van de uitbranding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v4)

**5** En YHWH zal[^jesaja-4-5-25] over alle woning van de berg van Sion, en over haar vergaderingen,[^jesaja-4-5-26] scheppen een[^jesaja-4-5-27] wolk overdag, en een rook, en de glans van een vlammend vuur in de nacht; want over alles[^jesaja-4-5-28] wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.[^jesaja-4-5-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v5)

**6** En daar zal een hut zijn[^jesaja-4-6-30] tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een plek om te schuilen tegen de[^jesaja-4-6-31] vloed en tegen de regen.[^jesaja-4-6-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/4.html#v6)

[^jesaja-4-1-1]: Kanttekening 1: op die dag: Te weten, na de bovenverhaalde ellenden, waarvan onder anderen een merkelijk exempel is 2 Kron. 28:6 , 28:8 ; anderen voegen vers 1 tot Jes. 3 . 2 Kronieken 28:6 : Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God van hun vaderen, verlaten hadden. 2 Kronieken 28:8 : En de kinderen van Israël voerden van hun broers gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochters, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten de roof te Samaria. Jesaja 4:1 : En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.
[^jesaja-4-1-2]: Kanttekening 2: zeven vrouwen: Dat is, velen. Hieruit is af te nemen dat er weinig mannen zouden overblijven; zie Jes. 3:25 . Jesaja 3:25 : Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in de strijd.
[^jesaja-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, ten huwelijk verzoeken.
[^jesaja-4-1-4]: Kanttekening 4: Ons brood: De zin is, in plaats dat de mannen voor hun vrouwen plegen het voedsel te winnen, zo willen wij voor onszelven kost en kleren verdienen, u zult voor ons niet behoeven te zorgen.
[^jesaja-4-1-5]: Kanttekening 5: laat ons alleen: Hebreeuws, laat uw naam over ons uitgeroepen worden (שִׁמְ); gelijk Gen. 48:16 . De zin is: Laat ons slechts de naam hebben dat wij uwe vrouwen zijn. Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^jesaja-4-1-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, raap, of verzamel onze smaadheid. Zie Ps. 26:9 . Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jesaja-4-1-7]: Kanttekening 7: onze smaadheid: Te weten die smaadheid, dat wij zouden leven en sterven zonder ooit kinderen gebaard te hebben; zie Gen. 30:23 , en Luk. 1:25 . Genesis 30:23 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn smaadheid weggenomen! Lukas 1:25 : Zo heeft mij de Heer gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.
[^jesaja-4-2-8]: Kanttekening 8: Op die dag: Te weten na de bovenverhaalde ellenden; of nadat vervuld zal zijn wat God gedreigd heeft. Dit wordt hier bijgevoegd tot vertroosting van het volk; zie boven Jes. 1:26 . Jesaja 1:26 : En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in de beginne; daarna zult u een stad van de gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.
[^jesaja-4-2-9]: Kanttekening 9: Te weten, Jezus Christus. Vergelijk Jes. 11:1 ; Jer. 23:5 , en Jer. 33:15 ; Zach. 3:8 , en Zach. 6:12 , met de aantekening. Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 33:15 : In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Zacharia 3:8 : Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. Zacharia 6:12 : En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen.
[^jesaja-4-2-10]: Kanttekening 10: zijn tot sieraad: Dat is, zij zal sieraad of heerlijkheid aanbrengen.
[^jesaja-4-2-11]: Kanttekening 11: de vrucht: Dat is, Christus, die mens van Maria hier op aarde zal geboren worden, als de tronk van Isaï, of van David, tot aan de wortel zal afgehouwen zijn, Jes. 11:1 . Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
[^jesaja-4-2-12]: Kanttekening 12: tot voortreffelijkheid: Of, tot uitnemendheid, of tot hoogheid. De profeet voorzegt hier dat Christus niet alleen in en voor zichzelven, maar ook voor zijn gemeente, voortreffelijk en sierlijk zou zijn, welke Hij zijn hemelse schoonheid zal deelachtig maken, nadat Israël in verdrukking en verachtzaamheid zou zijn vervallen; zie het Hooglied van Salomo op verscheidene plaatsen, van de heerlijkheid en sieraad van de Bruid sprekende.
[^jesaja-4-2-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, de ontkoming Israëls; dat is, dengenen, die de voorverhaalde straffen ontkomen zouden.
[^jesaja-4-3-14]: Kanttekening 14: zal heilig: Hebreeuws, heilig zal tot hem gezegd worden (קָדוֹשׁ). Vergelijk onder Jes. 5:20 . Dat is, hij zal voor God heilig gehouden en geacht worden vanwege de verdiensten van Christus. Jesaja 5:20 : Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!
[^jesaja-4-3-15]: Kanttekening 15: die geschreven: Te weten van God. Anders: iedereen, die geschreven is ten leven, zal te Jeruzalem zijn; te weten in het geestelijke Jeruzalem, of de gemeente van de gelovigen. Zie deze manier van spreken Ex. 32:32 ; Fil. 4:3 . Zie de aantekening Ps. 69:29 . Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Filippenzen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Psalmen 69:29 : Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
[^jesaja-4-3-16]: Kanttekening 16: ten leven: Te weten ten eeuwigen leven, in het boek van het leven, want hier wordt gesproken van de uitverkoren kinderen van God; zie Hand. 13:48 ; Gal. 4:26 ; Hebr. 12:22 . Handelingen 13:48 : Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heer; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven. Galaten 4:26 : Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^jesaja-4-4-17]: Kanttekening 17: de drek: Of, vuiligheid. Hebreeuws, uitgang. Het betekent allerlei vuiligheid, die de mensen afgaat, gelijk Spreuk. 30:12 . Maar hier wordt gesproken van de vuiligheid van de zonden. Spreuken 30:12 : Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
[^jesaja-4-4-18]: Kanttekening 18: van de dochters van Sion: Dat is, van de inwoners van Jeruzalem.
[^jesaja-4-4-19]: Kanttekening 19: de bloedschulden: Hebreeuws, de bloeden (דְּמֵי). Versta hier de menigvuldige bloedstortingen, die binnen Jeruzalem geschied zijn, en de bewerkers van die; en versta verder hieronder al de zonden en ongerechtigheden van het volk. Zie Ps. 51:16 . Psalmen 51:16 : Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God mijn heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
[^jesaja-4-4-20]: Kanttekening 20: Dat is, de inwoners van Jeruzalem.
[^jesaja-4-4-21]: Kanttekening 21: zal verdreven hebben: Of gezuiverd, of afgewassen, of afgedroogd zal hebben.
[^jesaja-4-4-22]: Kanttekening 22: door de Geest van de: Te weten de stad Jeruzalem.
[^jesaja-4-4-23]: Kanttekening 23: door de Geest van het oordeel: Door de Geest, die ijverig is om de goddeloze te straffen, en de uitverkorene ter zaligheid te zuiveren.
[^jesaja-4-4-24]: Kanttekening 24: door de Geest van de uitbranding: Of, door de afbrandende Geest. Hebreeuws, door de Geest van de brand, of van de hitte, of van de wegneming (רוּחַ).
[^jesaja-4-5-25]: Kanttekening 25: over alle woning: Dat is, over al de gemeenten van de gelovigen. De profeet gebruikt in vers 5 en het volgende veel verbloemde, of oneigene manieren van spreken. Jesaja 4:5 : En YHWH zal over alle woning van de berg van Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk van de dag, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs van de nacht; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.
[^jesaja-4-5-26]: Kanttekening 26: Dat is, Hij zal de godzaligen beschermen en voorstaan, gelijk Hij eertijds de Israëlieten gedaan heeft, toen zij uit Egypte gingen en door de woestijn trokken. Zie Ex. 13:21 , en Ex. 14:19 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 14:19 : En de Engel van God, Die voor de legermacht van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.
[^jesaja-4-5-27]: Kanttekening 27: wolk van de dag: Dat is, ene wolk, zo zwart of zo duister, als rook. Zie Ex. 13:21 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^jesaja-4-5-28]: Kanttekening 28: Dat is, ene wolk, zo zwart of zo duister, als rook. Zie Ex. 13:21 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
[^jesaja-4-5-29]: Kanttekening 29: wat heerlijk is: Te weten voor God, dat is, over alle godzaligen, die heerlijk gemaakt zijn door de gemeenschap, die zij met God hebben.
[^jesaja-4-6-30]: Kanttekening 30: daar zal: De profeet wil met deze woorden te kennen geven dat de Heer zijn kinderen als ene hut en beschaduwing zal wezen.
[^jesaja-4-6-31]: Kanttekening 31: tot een schaduw: Dat is, om ene beschaduwing te maken.
[^jesaja-4-6-32]: Kanttekening 32: Of, inbrekenden stroom; dat is, ellenden, straffen en plagen.

### Jesaja 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/5.json)

*De profeet brengt het volk door een lied over de wijngaard van de Heere de grote weldaden in herinnering die God hen bewezen heeft, vers 1, en daartegenover hun grote ondankbaarheid, 4, die een oorzaak is geweest dat God hen verworpen heeft, 5. Wee over de rijken en hebzuchtigen, 8, en over de dronkaards, 11, en de brassers, 12. Een vertroosting voor de vromen, 17. Wee over de onrechtvaardigen, 18, en de spotters met de dreigingen van God, 19, en over hen die alles verdraaien, 20, over de hoogmoedigen, 21, over de dronkaards, 22, en onrechtvaardige rechters, 23, hun straf, 24. Het verzamelen, het oprukken en de verschrikkelijkheid van het leger van de Chaldeeen tegen de Joden, 26.*

**1** Nu zal ik[^jesaja-5-1-1] mijn Geliefde[^jesaja-5-1-2] een lied van mijn Liefste zingen[^jesaja-5-1-3] van Zijn wijngaard; Mijn Geliefde heeft een wijngaard[^jesaja-5-1-4] op een vetten heuvel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v1)

**2** [^jesaja-5-2-5] En Hij heeft die[^jesaja-5-2-6] omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een[^jesaja-5-2-7] toren gebouwd, en ook een[^jesaja-5-2-8] wijnbak daarin uitgehouwen; en[^jesaja-5-2-9] Hij heeft verwacht, dat hij[^jesaja-5-2-10] goede druiven[^jesaja-5-2-11] zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v2)

**3** Nu dan, u inwoners van Jeruzalem, en u mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.[^jesaja-5-3-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v3)

**4** [^jesaja-5-4-14][^jesaja-5-4-a]Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan[^jesaja-5-4-15] heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?[^jesaja-5-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v4)

**5** Nu dan, Ik zal u nu bekend maken,[^jesaja-5-5-17] wat Ik Mijn wijngaard doen zal;[^jesaja-5-5-18] Ik[^jesaja-5-5-b] zal[^jesaja-5-5-19] zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.[^jesaja-5-5-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v5)

**6** En[^jesaja-5-6-21] Ik zal hem tot woestheid maken;[^jesaja-5-6-22] hij zal niet[^jesaja-5-6-23] besnoeid, noch omgehakt worden, maar[^jesaja-5-6-24] distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.[^jesaja-5-6-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v6)

**7** [^jesaja-5-7-26][^jesaja-5-7-c] Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en[^jesaja-5-7-27] de mannen van Juda zijn[^jesaja-5-7-28] een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht[^jesaja-5-7-29] naar recht, maar ziet, het is[^jesaja-5-7-30] schurft,[^jesaja-5-7-31] naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.[^jesaja-5-7-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v7)

**8** [^jesaja-5-8-d] Wee degenen, die huis aan huis[^jesaja-5-8-33] trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat u alleen inwoners gemaakt wordt in het midden van het land![^jesaja-5-8-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v8)

**9** [^jesaja-5-9-35] Voor mijn oren heeft YHWH van de legermachten gesproken:[^jesaja-5-9-36] Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en[^jesaja-5-9-37] de voortreffelijke zonder inwoner![^jesaja-5-9-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v9)

**10** [^jesaja-5-10-39] Ja, tien[^jesaja-5-10-40] bunderen wijngaards zullen[^jesaja-5-10-41] één enig bath geven, en een[^jesaja-5-10-42] homer zaads zal een efa[^jesaja-5-10-43] geven.[^jesaja-5-10-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v10)

**11** [^jesaja-5-11-e] Wee degenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterke[^jesaja-5-11-44] drank najagen,[^jesaja-5-11-45] en vertoeven tot in[^jesaja-5-11-46] de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v11)

**12** En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden;[^jesaja-5-12-47] maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en[^jesaja-5-12-48] zij zien niet op het maaksel van Zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v12)

**13** [^jesaja-5-13-f] Daarom[^jesaja-5-13-49] zal mijn volk[^jesaja-5-13-50] als gevangene weggevoerd worden,[^jesaja-5-13-51] omdat het geen wetenschap heeft;[^jesaja-5-13-52] en zijn heerlijken zullen honger lijden, en[^jesaja-5-13-53] hun menigte zal verdorren van dorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v13)

**14** [^jesaja-5-14-54] Daarom zal het graf[^jesaja-5-14-55] zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen,[^jesaja-5-14-56] zonder maat; opdat[^jesaja-5-14-57] neerdale[^jesaja-5-14-58] haar heerlijkheid, en haar[^jesaja-5-14-59] menigte,[^jesaja-5-14-60] met haar geluid, en[^jesaja-5-14-61] die in haar van vreugde opspringt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v14)

**15** Dan zal[^jesaja-5-15-62] de gewone man neergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen van de[^jesaja-5-15-63] hoogmoedigen zullen vernederd worden.[^jesaja-5-15-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v15)

**16** Maar YHWH van de legermachten zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige,[^jesaja-5-16-65] zal geheiligd worden door gerechtigheid.[^jesaja-5-16-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v16)

**17** [^jesaja-5-17-g] En[^jesaja-5-17-67] de lammeren[^jesaja-5-17-68] zullen weiden[^jesaja-5-17-69] naar hun wijze, en[^jesaja-5-17-70] de vreemdelingen[^jesaja-5-17-71] zullen de woeste plaatsen van[^jesaja-5-17-72] de vetten eten.[^jesaja-5-17-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v17)

**18** Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken[^jesaja-5-18-74] met koorden van de zinloosheid, en de zonde als met dikke wagenzelen![^jesaja-5-18-75] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v18)

**19** Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij[^jesaja-5-19-76] Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen[^jesaja-5-19-77] de raadslag[^jesaja-5-19-78] van de Heilige van Israël,[^jesaja-5-19-79] dat wij[^jesaja-5-19-80] het vernemen![^jesaja-5-19-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v19)

**20** Wee degenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad;[^jesaja-5-20-82] die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid![^jesaja-5-20-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v20)

**21** [^jesaja-5-21-h] Wee degenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelf verstandig zijn![^jesaja-5-21-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v21)

**22** Wee degenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterke drank[^jesaja-5-22-85] te mengen![^jesaja-5-22-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v22)

**23** Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en[^jesaja-5-23-i] de gerechtigheid van de rechtvaardigen[^jesaja-5-23-87] van hen afwenden.[^jesaja-5-23-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v23)

**24** Daarom,[^jesaja-5-24-k] gelijk de tong van het vuur de stoppel[^jesaja-5-24-89] verteert, en het kaf door de vlam[^jesaja-5-24-90] verdaan wordt, zo zal[^jesaja-5-24-91] hun wortel[^jesaja-5-24-92] als een uittering wezen; en hun[^jesaja-5-24-93] bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van YHWH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden.[^jesaja-5-24-94] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v24)

**25** Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft ertegen Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat[^jesaja-5-25-95] de bergen hebben gebeefd, en[^jesaja-5-25-96] hun dode lichamen[^jesaja-5-25-97] zijn geworden[^jesaja-5-25-l] als mest in het midden van de straten.[^jesaja-5-25-98] Om[^jesaja-5-25-m] dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog[^jesaja-5-25-99] uitgestrekt.[^jesaja-5-25-100] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v25)

**26** Want Hij zal[^jesaja-5-26-101] een banier[^jesaja-5-26-102] opwerpen[^jesaja-5-26-103] onder de heidenen van verre, en Hij zal[^jesaja-5-26-104] hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en[^jesaja-5-26-105] zie, haastig, snel[^jesaja-5-26-106] zullen zij aankomen.[^jesaja-5-26-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v26)

**27** Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen;[^jesaja-5-27-108] niemand zal sluimeren noch slapen,[^jesaja-5-27-109] noch de gordel van zijn lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem van zijn schoenen afgescheurd worden.[^jesaja-5-27-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v27)

**28** Van wie de pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen[^jesaja-5-28-111] gespannen; de hoeven van hun paard[^jesaja-5-28-112]en zullen als[^jesaja-5-28-113] een rots geacht zijn, en[^jesaja-5-28-114] hun wielen als een wervelwind.[^jesaja-5-28-115] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v28)

**29** Hun gebrul zal zijn als van[^jesaja-5-29-116] een oude leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en[^jesaja-5-29-117] de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.[^jesaja-5-29-118] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v29)

**30** En zij zullen[^jesaja-5-30-119] ertegen op die dag bruisen, als het bruisen van de zee.[^jesaja-5-30-120] Dan zal[^jesaja-5-30-n] men de aarde aanzien, maar ziet,[^jesaja-5-30-121] er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden[^jesaja-5-30-122] in hun verwoestingen.[^jesaja-5-30-123] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/5.html#v30)

[^jesaja-5-1-1]: Kanttekening 1: mijn Beminde: Aldus noemt de profeet Jezus Christus driemaal in vers 1 . De zin is: Hij is de Bruidegom van zijn gemeente; ik ben zijn dienaar en vriend; Hoogl. 2:2 ; Joh. 3:29 . Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Hooglied 2:2 : Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters. Johannes 3:29 : Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
[^jesaja-5-1-2]: Kanttekening 2: een lied: Dat is, een lied, dat Hij mij zelf heeft ingegeven en in mijn mond gelegd, dit zal ik zingen en ook beschrijven, opdat het niet vergeten worde, maar van allen man mag onthouden, gelezen en gezongen worden, gelijk Mozes ook te die einde een lied gemaakt heeft, Deut. 32 .
[^jesaja-5-1-3]: Kanttekening 3: van Zijn wijngaard: Dat is, van zijn gemeente. Zie dergelijke manier van spreken onder vers 7 , en Ex. 15:17 ; Ps. 44:3 , en Ps. 80:9 ; Jes. 27:2 ; Jer. 2:21 ; Matt. 21:33 ; Mark. 12:1 ; Luk. 20:9 ; Joh. 15:1 . Jesaja 5:7 : Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw. Exodus 15:17 : Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH! Psalmen 44:3 : U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; U hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; Jesaja 27:2 : Op die dag zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van dezelfde bij beurte. Jeremia 2:21 : Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok? Mattheüs 21:33 : Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Marcus 12:1 : En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Lukas 20:9 : En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok een langen tijd buiten 's lands. Johannes 15:1 : Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.
[^jesaja-5-1-4]: Kanttekening 4: op een vetten heuvel: Hebreeuws, op een hoorn van een zoon van de olie, of vettigheid (קֶרֶן); dat is, in een uitnemende plaats van vetten vruchtbaren grond. Zie Job 5:7 . Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
[^jesaja-5-2-5]: Kanttekening 5: In vers 2 wordt met verbloemde woorden beschreven de zorg Gods over zijn gemeente. Jesaja 5:2 : En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
[^jesaja-5-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws eigenlijk gesterkt; te weten met een muur of heg, zie vers 5 , dat is, beschut en beschermd tegen het geweld van al de vijanden van hem en zijn kerk. Jesaja 5:5 : Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^jesaja-5-2-7]: Kanttekening 7: Te weten, om de wacht daarin te houden, om op de dieven en wilde dieren te passen en die te verdrijven.
[^jesaja-5-2-8]: Kanttekening 8: Anders, een wijnpers.
[^jesaja-5-2-9]: Kanttekening 9: Vergelijk onder vers 7 . Jesaja 5:7 : Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
[^jesaja-5-2-10]: Kanttekening 10: Of, beziën, of vruchten.
[^jesaja-5-2-11]: Kanttekening 11: stinkende druiven: Of: zure, onrijpe, ontijdige, wilde druiven, of wrange . Maar het Hebreeuwse woord komt van stinken.
[^jesaja-5-3-12]: Kanttekening 12: Nu dan: Hier spreekt God de Heer, en Hij geeft het oordeel over, zelfs die, over wie Hij klaagt.
[^jesaja-5-4-14]: Kanttekening 14: Menselijkerwijze gesproken; gelijk mensen hun misnoegen plegen te tonen, wanneer zij veel goeds aan een onwaardige en ondankbare gedaan hebben en zeer kwalijk beloond worden. Hierop volgt het vonnis van God, vers 5 . Jesaja 5:5 : Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^jesaja-5-4-a]: Verwijzing a: Jer. 2:5 ; Micha 6:3 ; idem v. 8 . Jeremia 2:5 : Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? Micha 6:3 : O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. Micha 6:8 : Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
[^jesaja-5-4-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, gemaakt.
[^jesaja-5-4-13]: Kanttekening 13: Wat is er: Alsof God zei: Omdat Ik mijn volk zoveel weldaden bewezen heb, en zij zo ondankbaar zijn geweest, zo oordeelt gijzelf wat er in het toekomende anders te doen zij dan dat Ik mijn ondeugenden wijngaard verwoest? Vergelijk Matt. 21:40 , 21:41 , waar de Heer Christus bijkans dezelfde gelijkenis de overpriesters en oudsten van de Joden voorgesteld hebbende, aan henzelven het oordeel vraagsgewijze voorstelt, en daarop gelijk antwoord van hen ontvangt, gelijk God hier, vers 5 , geeft. Anderen nemen het aldus, dat God met deze woorden wil te kennen geven: Hij heeft zoveel goeds aan zijn volk, boven andere natiën, gedaan, dat zij in alle manieren dankbaar behoorden te zijn; maar omdat zij ondankbaar waren, dat zij zelfs, zo van hun verdorvenheid als van de rechtvaardigheid van de verdiende straffen moesten overtuigd zijn. Van de krachtige inwendige werking van de Heilige Geest wordt in deze gelijkenis, die alleen slaat op de uitwendige beroeping (genomen zijnde van de uitwendigen arbeid van de wijngaardenier) niet gesproken. Mattheüs 21:40 : Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij die landbouwers doen? Mattheüs 21:41 : Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwaden dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. Jesaja 5:5 : Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^jesaja-5-5-17]: Kanttekening 17: Ik zal zijn: Dat is, Ik zal dit volk voortaan niet beschermen tegen zijn vijanden, maar Ik zal het laten verderven en te schande komen.
[^jesaja-5-5-18]: Kanttekening 18: tuin wegnemen: Of, haag, of heg.
[^jesaja-5-5-b]: Verwijzing b: Ps. 80:13 . Psalmen 80:13 : Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken?
[^jesaja-5-5-19]: Kanttekening 19: opdat hij zij: Of, opdat hij vertreden worde.
[^jesaja-5-5-16]: Kanttekening 16: wat Ik: Dat is, hoe Ik de ondankbaarheid van mijn volk straffen zal.
[^jesaja-5-6-21]: Kanttekening 21: hij zal niet: Dat is, de kerkedienst en andere heilige oefeningen zullen ophouden.
[^jesaja-5-6-22]: Kanttekening 22: Of, gezuiverd, gewied worden.
[^jesaja-5-6-23]: Kanttekening 23: distelen en doornen: De zin is: Van een wijngaard zal het een doornbos worden, dat is, heel woest en wild liggen.
[^jesaja-5-6-24]: Kanttekening 24: Ik zal de wolken: Alsof God zei: Ik zal dit volk niet meer verkwikken, gelijk Ik tevoren gedaan heb, maar zal hen in Babylon en elders in droefenis laten verdwijnen; zie Ps. 137 , zie ook Job 36:32 . Job 36:32 : Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelfde verbod door dengene, die tussen doorkomt.
[^jesaja-5-6-20]: Kanttekening 20: Ik zal hem: Of, Ik zal hem woest maken; dat is, Ik zal Juda beroven van zijn regering, die totnogtoe in het land is onderhouden geweest, achtervolgens de wijze in mijn wet voorgeschreven.
[^jesaja-5-7-26]: Kanttekening 26: de mannen: Dat is, mannen tot de stam van Juda behorende.
[^jesaja-5-7-c]: Verwijzing c: Ps. 80:9 . Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant;
[^jesaja-5-7-27]: Kanttekening 27: een plant: Of plantsoenen, of plantingen; versta, het volk waarover de Heer zich placht te vermaken.
[^jesaja-5-7-28]: Kanttekening 28: naar recht: Dat is, dat de rechters de onderdrukten zouden recht doen.
[^jesaja-5-7-29]: Kanttekening 29: Dat is, de rechters zijn schurftig, dat is goddeloos en kwellen het arme verdrukte volk, gelijk de schurftheid de mensen kwelt.
[^jesaja-5-7-30]: Kanttekening 30: naar gerechtigheid: Alsof Hij zei: Ik heb gewacht dat men weduwen en wezen, alsook andere verdrukten, tot hun recht zou helpen; maar, enz.
[^jesaja-5-7-31]: Kanttekening 31: Of, geschrei, geroep, gekrijt; te weten van de armen, die geweldiglijk onderdrukt worden, tot God huilende en hem met tranen klagende de overlast en het ongelijk, dat hun wordt aangedaan. Zie Gen. 18:20 . Enige verstaan dit van de klachten van de armen, die onderdrukt worden door de lange rechtsgedingen, onder voorwendsel van de formaliteiten, die onder het pleiten gebruikt worden. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is,
[^jesaja-5-7-25]: Kanttekening 25: Anders: zekerlijk. In vers 7 verklaart de profeet de bovenverhaalde gelijkenis. Jesaja 5:7 : Want de wijngaard van YHWH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.
[^jesaja-5-8-d]: Verwijzing d: Micha 2:2 . Micha 2:2 : En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan een iedereen en zijn erfenis.
[^jesaja-5-8-33]: Kanttekening 33: geen plaats: Te weten, waar de arme mag wonen, of akkeren.
[^jesaja-5-8-32]: Kanttekening 32: Of, doen strekken, of voegen; te weten onrechtvaardiglijk en met schade van hun naaste.
[^jesaja-5-9-35]: Kanttekening 35: Zo niet vele: Dit is een wijze of manier van zweren. Zie Gen. 14:23 . Anders: zekerlijk, of werkelijk vele huizen zullen, enz. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^jesaja-5-9-36]: Kanttekening 36: de treffelijke: Hebreeuws, de goede; dat is treffelijke, schone.
[^jesaja-5-9-37]: Kanttekening 37: zonder inwoner: Terwijl daar niemand zijn zal die ze bewoont.
[^jesaja-5-9-34]: Kanttekening 34: Voor mijn oren: Dat is, de Heer heeft het mij geopenbaard, of Hij heeft het gezegd dat ik het gehoord heb.
[^jesaja-5-10-39]: Kanttekening 39: Een bunder is zoveel land als een paar ossen op één dag kan omploegen. Anders, tien juk ossen; dat is, zoveel land als tien juk ossen op een dag kunnen omploegen.
[^jesaja-5-10-40]: Kanttekening 40: een enig bath: Bath en efa waren even groot, maar bath was een maat, waar men natte dingen mee mat, als wijn, olie, enz., en efa was een maat, waar men droge dingen mee mat, als koren, enz. Van bath zie 1 Kon. 7:26 , en van efa Lev. 5:11 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^jesaja-5-10-41]: Kanttekening 41: homer zaads: Van homer, \[anders, cor \] zie de aantekening 1 Kon. 4:22 , en Ez. 45:11 , 45:14 . 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; Ezechiël 45:11 : Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer. Ezechiël 45:14 : Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; u zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, dat is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.
[^jesaja-5-10-42]: Kanttekening 42: Bath en efa waren even groot, maar bath was een maat, waar men natte dingen mee mat, als wijn, olie, enz., en efa was een maat, waar men droge dingen mee mat, als koren, enz. Van bath zie 1 Kon. 7:26 , en van efa Lev. 5:11 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath. Leviticus 5:11 : Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^jesaja-5-10-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, maken. Alsook in het voorgaande.
[^jesaja-5-10-38]: Kanttekening 38: Ja, tien: God de Heer dreigt in vers 10 dat Hij, vanwege de gruwelijke zonden van het volk, het land onvruchtbaar zou maken, zo dat zij van het gezaaide en geplante het tiende deel niet inoogsten zouden. Jesaja 5:10 : Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.
[^jesaja-5-11-e]: Verwijzing e: Spreuk. 23:29 ; idem v. 30 . Spreuken 23:29 : Bij wie is wee? bij wie och arme? bij wie gekijf? bij wie het beklag? bij wie wonden zonder oorzaak? bij wie de roodheid van de ogen? Spreuken 23:30 : Bij degenen, die bij de wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken.
[^jesaja-5-11-44]: Kanttekening 44: sterken drank: Hebreeuws, Schechar; zie onder vers 22 . Jesaja 5:22 : Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!
[^jesaja-5-11-45]: Kanttekening 45: Of, houden zich op.
[^jesaja-5-11-46]: Kanttekening 46: de schemering: Het Hebreeuwse woord betekent zowel de morgenschemering als de avondschemering, gelijk Job 7:4 ; Spreuk. 7:9 . Job 7:4 : Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd. Spreuken 7:9 : In de schemering, in de avond van de dag, in de zwarte nacht en de donkerheid;
[^jesaja-5-12-47]: Kanttekening 47: zij aanschouwen: Dat is, zij geven geen acht op het werk van de Heer, dat is op de gevankelijke wegvoering van de tien stammen naar Assyrië, te weten door Salmanasser; 2 Kon. 17:6 , en 2 Kon. 18:12 ; Amos 6:6 . Anderen nemen het woord werk algemener in deze zin: Zij zien niet op zijn gerichten, die Hij in het werk stellen zal, dat is, op de straffen, die hun zullen overkomen, welke zij wel behoorden voor te komen met berouw en hartelijk leedwezen. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 2 Koningen 18:12 : Daarom dat zij de stem van YHWH, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht van YHWH, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. Amos 6:6 : Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef.
[^jesaja-5-12-48]: Kanttekening 48: zij zien niet: Dit verstaan sommigen van het aanschouwen van de zon, maan, sterren, enz., die ons de macht van de Heer en wijsheid voor ogen stellen, en die ons behoorden te verwekken om God te eren, te loven en te prijzen.
[^jesaja-5-13-f]: Verwijzing f: Amos 6:7 . Amos 6:7 : Daarom zullen zij nu gevankelijk heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.
[^jesaja-5-13-49]: Kanttekening 49: zal mijn volk: Hebreeuws, is mijn volk weggevoerd (עַמִּ). Dit was wel in deze tijd nog niet geschied; maar de profeten zijn gewoon te spreken van toekomstige dingen alsof zij al geschied en voltrokken waren, ten aanzien van de zekerheid van de voorzeggingen Gods.
[^jesaja-5-13-50]: Kanttekening 50: Te weten, naar Babel.
[^jesaja-5-13-51]: Kanttekening 51: Dat is, omdat het het werk van de Heer niet gekend noch in acht genomen heeft.
[^jesaja-5-13-52]: Kanttekening 52: en zijn heerlijken: Hebreeuws, en zijn eer zullen mannen, of mensen van de honger zijn; dat is, de heerlijksten en voornaamsten onder het volk zullen honger lijden.
[^jesaja-5-13-53]: Kanttekening 53: hun menigte: Dat is, het gemene volk, gelijk vers 14 . Anders: en hun rijkdom zal verdorren van dorst, zo ook vers 14 . Jesaja 5:14 : Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt. Jesaja 5:14 : Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
[^jesaja-5-14-54]: Kanttekening 54: De profeet wil zeggen dat er velen zullen omkomen, hetzij door honger en kommer, of door het zwaard. Anders: het graf heeft zichzelf wijd opengesperd, en zo doorgaans.
[^jesaja-5-14-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, zijn ziel; dat is, zichzelven (נַפְשָׁ). Anders: zijn lust; \[namelijk, die het graf heeft om vele mensen in te slokken en te verteren\] gelijk Ps. 27:12 , en Ps. 41:3 , en Ps. 105:22 ; Ez. 16:27 . Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. Psalmen 41:3 : YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in de begeerte van zijn vijanden. Psalmen 105:22 : Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen. Ezechiël 16:27 : Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in de lust dergenen, die u haten, van de dochters van de Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren.
[^jesaja-5-14-56]: Kanttekening 56: zonder maat: Anders: boven gewoonte; zie de aantekening Richt. 11:39 . Richteren 11:39 : En het geschiedde ten einde van twee maanden dat zij tot haar vader wederkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Verder werd het een gewoonheid in Israël,
[^jesaja-5-14-57]: Kanttekening 57: Te weten in het graf.
[^jesaja-5-14-58]: Kanttekening 58: haar heerlijkheid: Te weten Jeruzalem, maar men kan hieronder het gehele Joodse volk verstaan.
[^jesaja-5-14-59]: Kanttekening 59: Dat is, het gemene volk, of hun rijkdom; gelijk boven vers 13 . Jesaja 5:13 : Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
[^jesaja-5-14-60]: Kanttekening 60: met haar gedruis: Te weten met die woeling, of het gedruis, dat het heilloze gezin maakt in zijn brasserijen. Zie boven vers 11 , 5:12 . Jesaja 5:11 : Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! Jesaja 5:12 : En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en zij zien niet op het maaksel van Zijn handen.
[^jesaja-5-14-61]: Kanttekening 61: die in haar: Te weten, vrolijk zijnde in zijn brasserijen en wellusten binnen Jeruzalem, en verder in het Joodse land.
[^jesaja-5-15-62]: Kanttekening 62: de gemene man: Zie boven Jes. 2:9 , 2:11 , 2:17 . Jesaja 2:9 : Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult U het hun niet vergeven. Jesaja 2:11 : De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid van de mannen zal nedergebogen worden; en YHWH alleen zal in die dag verheven zijn. Jesaja 2:17 : En de hoogheid van de mensen zal gebogen, en de hoogheid van de mannen zal vernederd worden; en YHWH alleen zal in die dag verheven zijn.
[^jesaja-5-15-63]: Kanttekening 63: de aanzienlijke man: Zie boven Jes. 2:9 , 2:11 , 2:17 . Jesaja 2:9 : Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult U het hun niet vergeven. Jesaja 2:11 : De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid van de mannen zal nedergebogen worden; en YHWH alleen zal in die dag verheven zijn. Jesaja 2:17 : En de hoogheid van de mensen zal gebogen, en de hoogheid van de mannen zal vernederd worden; en YHWH alleen zal in die dag verheven zijn.
[^jesaja-5-15-64]: Kanttekening 64: zullen vernederd worden: Te weten nadat zij met honger, pest, het zwaard en de gevangenschap bezocht zullen wezen.
[^jesaja-5-16-65]: Kanttekening 65: door het recht: Te weten als Hij zichzelven zal betonen rechter te zijn, straffende de boosdoeners vanwege hun zonden.
[^jesaja-5-16-66]: Kanttekening 66: zal geheiligd worden: Dat is, God zal voor heilig erkend en geroemd worden, nadat Hij recht en gerechtigheid over de boze mensen zal geoefend hebben, straffende de boosdoeners en voorstaande degenen, die men met geweld is onderdrukkende.
[^jesaja-5-17-g]: Verwijzing g: Jes. 14:30 . Jesaja 14:30 : En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.
[^jesaja-5-17-67]: Kanttekening 67: Hier stelt nu de profeet ene vertroosting na de dreigementen, willende te kennen geven dat God zijn volk eindelijk zal redden.
[^jesaja-5-17-68]: Kanttekening 68: de lammeren: Anders: schapen; dat is de vrome, onnozele armen, die tevoren van de rijke goddelozen verdrukt werden.
[^jesaja-5-17-69]: Kanttekening 69: zullen weiden: Dat is, God de Heer zal hen in zulken algemenen nood onderhouden en van nooddruft verzorgen.
[^jesaja-5-17-70]: Kanttekening 70: naar hun wijze: Hebreeuws, naar hun leiding; dat is, gelijk zij tevoren gewoon waren te doen.
[^jesaja-5-17-71]: Kanttekening 71: de vreemdelingen: Versta hier ook de vrome armen, die een tijdlang van de rijke goddelozen als vreemdelingen zijn geacht geweest, of die van de goddelozen of tirannen zo zijn gekweld geweest, dat zij huis en hof hebben moeten verlaten. Anders: en zij zullen de verwoeste plaatsen van de vette vreemdelingen eten.
[^jesaja-5-17-72]: Kanttekening 72: zullen de verwoeste plaatsen: Dat is, genieten of bezitten de woeste plaatsen van de vetten; dat is de huizen en akker, die de rijken hebben moeten verlaten, daaruit verdreven en gevankelijk weggevoerd zijnde.
[^jesaja-5-17-73]: Kanttekening 73: vetten eten: Vetten voor rijke weelderige personen, wordt ook gebruikt Ps. 22:30 ; Jes. 10:16 . Zij worden Amos 4:1 genoemd koeien van Basan. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Jesaja 10:16 : Daarom zal de Heer YHWH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur. Amos 4:1 : Hoort dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; u, die tot hunlieder heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.
[^jesaja-5-18-74]: Kanttekening 74: Anders, \[tot zich\] trekken.
[^jesaja-5-18-75]: Kanttekening 75: met koorden: Of, met zelen, of strikken, of banden van de leugen. De zin is, die met schoonschijnende redenen, onder deze of die dekmantel, boosheid oefenen en als aanhalen en aanhouden, zichzelven inbeeldende dat het hun altijd wel zal gaan, en dat alles wat de profeten hun dreigen en prediken van de aanstaande straffen Gods, maar verbeelding is. Het is ene manier van spreken, genomen van degenen, die een schip of wagen met koorden aanhalen.
[^jesaja-5-19-76]: Kanttekening 76: Te weten al spottende. Alsof zij zeiden: Men dreigt ons elke reis, maar daar volgt niets op. Is het God ernst, zo laat Hem spoeden, enz.; wij vragen naar uwe dreigementen niet, laat God vrij komen als Hij wil. Aldus bespottende de lankmoedigheid van de Heer; zie boven vers 12 . Jesaja 5:12 : En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en zij zien niet op het maaksel van Zijn handen.
[^jesaja-5-19-77]: Kanttekening 77: Zijn werk: Dat is, zijn straffen, waarmee u ons telkens dreigt.
[^jesaja-5-19-78]: Kanttekening 78: de raadslag: Of, de raad; dat is, wat Hij in zijn raad besloten heeft.
[^jesaja-5-19-79]: Kanttekening 79: van de Heilige: Dat is, van God de Heer, die daar is die Heilige, die men schuldig is te eren en te vrezen. Zie boven Jes. 1:4 . Jesaja 1:4 : Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.
[^jesaja-5-19-80]: Kanttekening 80: dat wij het : Alsof zij zeiden: U, Jesaja en andere profeten, vervaart ons met ijdele dreigementen; maar God heeft tegen ons niets kwaads voor.
[^jesaja-5-19-81]: Kanttekening 81: Of, wijs worden, of weten mogen.
[^jesaja-5-20-82]: Kanttekening 82: die het kwade: Hebreeuws, die zeggen tot, of van het kwade goed, enz.; vergelijk boven Jes. 4:3 . Dat is, die door hun arglistige redenen de onervarenen wijs maken dat het goede kwaad en het kwade goed is. Jesaja 4:3 : En het zal gebeuren, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een ieder, die geschreven is ten leven te Jeruzalem;
[^jesaja-5-20-83]: Kanttekening 83: die duisternis: Dat is, die stoutelijk en onbeschaamdelijk durven zeggen dat de duisternis licht is en het licht duisternis.
[^jesaja-5-21-h]: Verwijzing h: Spreuk. 3:7 ; Rom. 12:16 . Spreuken 3:7 : Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
[^jesaja-5-21-84]: Kanttekening 84: in hun ogen: Dat is, in hun eigen oordeel; zo in het volgende. Hebreeuws, voor hun aangezicht (פְּנֵי); dat is, bij zichzelven.
[^jesaja-5-22-85]: Kanttekening 85: sterken drank: Hebreeuws, Schechar. Enige menen dat dit woord ook de wijn insluit en begrijpt. Anderen menen dat het allerlei sterken drank betekent, behalve de wijn. Zie de aantekening Lev. 10:9 . Leviticus 10:9 : Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;
[^jesaja-5-22-86]: Kanttekening 86: te mengen: De Joden, alsook andere natiën in de oosterse landen, plachten eertijds, gelijk nu nog, hun wijn met water of specerijen te vermengen; maar het Hebreeuwse woord betekent hier zoveel als uitdrinken; want daar is gene kloekheid of dapperheid in het inschenken of vermengen van de wijn gelegen.
[^jesaja-5-23-i]: Verwijzing i: Spreuk. 17:15 ; Spreuk. 24:24 . Spreuken 17:15 : Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn YHWH een gruwel, ja, die beiden. Spreuken 24:24 : Die tot de goddeloze zegt: U bent rechtvaardig; die zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn.
[^jesaja-5-23-87]: Kanttekening 87: Dat is, recht geven daar hij onrecht heeft. Zie Num. 35:31 ; Deut. 25:1 . Numeri 35:31 : En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de doodslager, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden. Deuteronomium 25:1 : Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen.
[^jesaja-5-23-88]: Kanttekening 88: Mits hun onrecht gevende, alsof zij enige onrechtvaardige zaken voorhadden.
[^jesaja-5-24-k]: Verwijzing k: Ex. 15:7 ; Jes. 9:18 . Exodus 15:7 : En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. Jesaja 9:18 : Vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel van het vuur: de één zal de ander niet sparen.
[^jesaja-5-24-89]: Kanttekening 89: de tong: Dat is, de vlam van het vuur, die enige gedaante van de tong heeft; ook schijnt ze te likken gelijk de tong doet.
[^jesaja-5-24-90]: Kanttekening 90: Hebreeuws, opeten, dat is verteert, verslindt.
[^jesaja-5-24-91]: Kanttekening 91: verdaan wordt: Hebreeuws, verslapt wordt, of afneemt, of verzwakt wordt.
[^jesaja-5-24-92]: Kanttekening 92: Enige verstaan hier door de wortel de ouders, door de bloemen de kinderen. Anderen menen dat hier in het algemeen te verstaan zij de nietigheid en verdwijning van de goddelozen; zo dat opvaren, opgaan \[dat in het Hebreeuws staat\] hier betekent tenietgaan, verdwijnen, verzwinden, gelijk een opgaande rook.
[^jesaja-5-24-93]: Kanttekening 93: als een uittering: Anders, als snot worden, dat is, hun wortel zal vervuilen en als snot worden; want de vervuilende wortelen worden als witte snot.
[^jesaja-5-24-94]: Kanttekening 94: Of, bot, knop.
[^jesaja-5-25-95]: Kanttekening 95: Te weten om hetzelfde te slaan. Zie boven Jes. 1:5 . Jesaja 1:5 : Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt de afval des te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat.
[^jesaja-5-25-96]: Kanttekening 96: de bergen: Dit is een overtollige manier van spreken, hyperbole in de scholen genoemd. Het is een voorzegging van de aanstaande verwoesting van het Joodse volk.
[^jesaja-5-25-97]: Kanttekening 97: hun dode lichamen: Te weten die van de vijanden verslagen zijn.
[^jesaja-5-25-l]: Verwijzing l: Jes. 10:6 . Jesaja 10:6 : Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk van de straten.
[^jesaja-5-25-98]: Kanttekening 98: zijn geworden: Of, zijn verscheurd, of verdelgd, in het midden van de straten.
[^jesaja-5-25-m]: Verwijzing m: Jes. 9:11 ; idem 9:16 ; idem 9:20 ; Jes. 10:4 . Jesaja 9:11 : De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Jesaja 9:16 : Daarom zal zich de Heer niet verblijden over hun jongelingen, en hun wezen en hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Jesaja 9:20 : Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Jesaja 10:4 : Dat elk zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^jesaja-5-25-99]: Kanttekening 99: Om dit: Of, met dit al. Alsof hij zei: Al is het dat de Heer zijn volk zo zwaar gestraft heeft, gelijk straks verhaald is, en mocht schijnen daarom met hetzelfde verzoend te wezen; nochtans blijft Hij nog evenwel op hetzelfde vertoornd; aangezien het zich tot God niet keert; zo onder Jes. 9:11 , 9:12 . Jesaja 9:11 : De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Jesaja 9:12 : Want dit volk keert zich niet tot Die, Die het slaat, en YHWH van de legermachten zoeken zij niet.
[^jesaja-5-25-100]: Kanttekening 100: Om verder te slaan; zie Lev. 26:14 , 26:15 , enz. Leviticus 26:14 : Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; Leviticus 26:15 : En zo u Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;
[^jesaja-5-26-101]: Kanttekening 101: Want Hij: Hier verhaalt nu de profeet verder wat hij op het einde van vers 25 begonnen heeft te zeggen, te weten dat de hand van de Heer verheven is. Jesaja 5:25 : Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelfde Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^jesaja-5-26-102]: Kanttekening 102: een banier: Dat is, een leger van vijanden.
[^jesaja-5-26-103]: Kanttekening 103: Dat is, Hij zal hun een teken geven, dat zij komen en het Joodse volk overvallen. Of, Hij zal de Chaldeën, Babyloniërs, Assyriërs \[die hier onder de naam van heidenen te verstaan zijn\] door zijn geheime en rechtvaardige regering aanlokken en tegen de Joden opmaken.
[^jesaja-5-26-104]: Kanttekening 104: onder de heidenen: Of, onder de heidenen, die verre zijn; dat is, die van verre komen zullen.
[^jesaja-5-26-105]: Kanttekening 105: Of, schuifelen, sijfelen, fluiten. Anders: Hij zal hen tot hem sissen. De zin is: Dat het God de Heer zeer licht is een grote legermacht op de been te brengen tot uitvoering van zijn oordelen over degenen, die Hij straffen wil. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 7:18 ; Zach. 10:8 . Jesaja 7:18 : Want het zal op die dag gebeuren, dat YHWH zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn. Zacharia 10:8 : Ik zal hen toesissen, en zal ze vergaderen, want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren.
[^jesaja-5-26-106]: Kanttekening 106: Dit ziet op wat boven vers 19 staat. Alsof hij hier zei: Gijlieden bespot mijn dreigementen, zeggende: Dat Hij haaste, dat Hij zijn werk bespoedige, enz. Zie nu zal Hij haasten, teweegbrengende dat haastig, snel, de vijand komen zal om u te verdelgen. Jesaja 5:19 : Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen!
[^jesaja-5-26-107]: Kanttekening 107: zullen zij aankomen: Hebreeuws, zal zij komen, te weten de banier met het volk daaronder behorende (יָבֽוֹא). Anders, hij, te weten de koning van Babel met zijn leger. Anders, het, te weten het volk.
[^jesaja-5-27-108]: Kanttekening 108: Geen moe: Hij wil zeggen: Dat er niemand in dat leger, of onder dat krijgsvolk, moe zal worden in het marcheren op die lange reis; aldus te kennen gevende de gewillige gehoorzaamheid van de volkeren, die God tewerk stellen zou.
[^jesaja-5-27-109]: Kanttekening 109: Zij zullen altegaar wakker en in hun aanslagen voorzichtig zijn.
[^jesaja-5-27-110]: Kanttekening 110: noch de gordel: Dat is, zij zullen steeds gereed zijn om te strijden, staande gewapend tot aller ure.
[^jesaja-5-28-111]: Kanttekening 111: Van welke pijlen: Hebreeuws, van welke, te weten volks, namelijk dat in het leger zijn zal. Zo wordt in het volgende het getal van een gesteld voor het getal van velen. De profeet wil zeggen dat het volk, dat God gebruiken zal om strafoefening te doen, welgewapend en toegerust zal wezen.
[^jesaja-5-28-112]: Kanttekening 112: Hebreeuws, getreden; omdat men de voet op een kruisboog zet als men hem spant. Zie Ps. 7:13 . Psalmen 7:13 : Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid.
[^jesaja-5-28-113]: Kanttekening 113: Hebreeuws, klauwen.
[^jesaja-5-28-114]: Kanttekening 114: een rots: Te weten zo scherp en zo hard als een kei of rotssteen, zodat zij van lopen en rennen niet verslijten zullen. Het tegendeel is geschied Richt. 5:22 . Richteren 5:22 : Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen van zijn machtigen.
[^jesaja-5-28-115]: Kanttekening 115: een wervelwind: Dat is, hun wagens zullen zeer snel aankomen.
[^jesaja-5-29-116]: Kanttekening 116: Hun gebrul: Met deze woorden beschrijft de profeet de wreedheid van het volk, dat de Heer tegen de Joden zou zenden om hen te vernielen.
[^jesaja-5-29-117]: Kanttekening 117: ouden leeuw: Of, fellen, of gruwelijken leeuw.
[^jesaja-5-29-118]: Kanttekening 118: de roof: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een dier, dat met de tanden en klauwen van een ander dier verscheurd is.
[^jesaja-5-30-119]: Kanttekening 119: zij zullen: Te weten die vreemde natiën, de Chaldeën en anderen.
[^jesaja-5-30-120]: Kanttekening 120: tegen hetzelfde: Te weten tegen het Joodse volk, dat zo jammerlijk zal mishandeld wezen.
[^jesaja-5-30-n]: Verwijzing n: Jes. 8:22 . Jesaja 8:22 : Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.
[^jesaja-5-30-121]: Kanttekening 121: Dan zal men: Dit is ene gelijkenis, genomen van degenen, die in storm en onweer op zee in groot gevaar van hun leven zijnde, van verre het land aanzien, wensende dat zij ergens konden aanvaren en aanlanden. Zij zien ook dikwijls opwaarts ten hemel of het weer niet opklaart; zo zullen die van Jeruzalem, als zij van hun vijanden aangevallen worden, rondom zich zien of er nergens gene hulp voor hen te vinden is, maar tevergeefs, zij zullen gene vinden.
[^jesaja-5-30-122]: Kanttekening 122: er zal duisternis en benauwdheid zijn: Anders: daar is duisternis van de benauwdheid. De zin is, daar zal gene hoop voorhanden zijn; wat gemeenlijk vreugde pleegt aan te brengen, dat zal hun angst aanbrengen.
[^jesaja-5-30-123]: Kanttekening 123: in hun verwoestingen: Anders, in, of, aan, of onder hun hemel; dat is, aan de hemel, waaronder het land van Judea gelegen is. Van duisternis, zie Gen. 15:12 ; van het licht, Job 18:5 ; van beiden, Job 30:26 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Job 18:5 : Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk van zijn vuur zal niet glinsteren. Job 30:26 : Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.

### Jesaja 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/6.json)

*De profeet ziet in een visioen de heerlijkheid van de ware God, vers 1, waarover hij verschrikt wordt, 5. Hij wordt in zijn ambt bevestigd, 6. Zijn bereidheid om God te dienen, 8. Hij wordt naar de Joden gezonden om hun, vanwege hun verstoktheid, hun uiteindelijke ondergang aan te kondigen, 9, echter zo, dat er nog een heilig zaad onder hen zou overblijven, 13.*

**1** In[^jesaja-6-1-a] het jaar, toen de koning[^jesaja-6-1-1] Uzzia stierf,[^jesaja-6-1-2] zo zag ik[^jesaja-6-1-3] de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en[^jesaja-6-1-4] Zijn zomen vervullende de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v1)

**2** [^jesaja-6-2-5] De serafs[^jesaja-6-2-6] stonden boven Hem;[^jesaja-6-2-7] ieder had[^jesaja-6-2-b] zes vleugels; met twee[^jesaja-6-2-8] bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee[^jesaja-6-2-9] vloog hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v2)

**3** En[^jesaja-6-3-10] de één riep tot de ander, en zei:[^jesaja-6-3-c] Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De hele aarde is van Zijn heerlijkheid vol![^jesaja-6-3-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v3)

**4** Zodat[^jesaja-6-4-12] de posten van de dorpels[^jesaja-6-4-13] zich bewogen van de stem van de roepende; en[^jesaja-6-4-14] het huis[^jesaja-6-4-15] werd vervuld met rook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v4)

**5** [^jesaja-6-5-16] Toen zei ik: Wee mij, want[^jesaja-6-5-17] ik verga![^jesaja-6-5-18] omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, YHWH van de legermachten gezien.[^jesaja-6-5-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v5)

**6** Maar één van de serafs[^jesaja-6-6-20] vloog tot mij, en[^jesaja-6-6-21] had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van[^jesaja-6-6-22] het altaar genomen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v6)

**7** En hij roerde mijn mond daarmee aan, en zei: Zie,[^jesaja-6-7-23] deze[^jesaja-6-7-d] heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde[^jesaja-6-7-24] is verzoend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v7)

**8** Daarna hoorde ik[^jesaja-6-8-25] de stem van de Heere, die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal[^jesaja-6-8-27] voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie,[^jesaja-6-8-28] hier ben ik, zend mij heen.[^jesaja-6-8-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v8)

**9** Toen zei Hij: Ga heen, en zeg[^jesaja-6-9-29] tot dit volk:[^jesaja-6-9-e] Horende hoort,[^jesaja-6-9-30] maar verstaat niet, en ziende ziet,[^jesaja-6-9-31] maar merkt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v9)

**10** [^jesaja-6-10-32] Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en[^jesaja-6-10-33] sluit hun[^jesaja-6-10-f] ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij[^jesaja-6-10-34][^jesaja-6-10-35] het[^jesaja-6-10-36] geneze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v10)

**11** Toen zei ik:[^jesaja-6-11-37] Hoe lang, Heere? En Hij zei: Totdat[^jesaja-6-11-38] de steden[^jesaja-6-11-39] verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land[^jesaja-6-11-40] met verwoesting verstrooid wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v11)

**12** Want YHWH zal[^jesaja-6-12-41] die mensen[^jesaja-6-12-42] verre wegdoen, en[^jesaja-6-12-43] de verlating zal groot wezen[^jesaja-6-12-44] in het binnenste van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v12)

**13** Maar nog[^jesaja-6-13-45] een tiende deel zal daarin zijn, en[^jesaja-6-13-46] het zal terugkeren, en zijn om af te weiden;[^jesaja-6-13-47] maar[^jesaja-6-13-48] gelijk de eik, en gelijk de haageik, waarin na de afwerping van de bladeren nog steunsel is, zo[^jesaja-6-13-49] zal het heilige zaad het steunsel[^jesaja-6-13-50] daarvan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/6.html#v13)

[^jesaja-6-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 15:7 . 2 Koningen 15:7 : En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-6-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, Uzziahu.
[^jesaja-6-1-2]: Kanttekening 2: zo zag ik: In een profetisch gezicht. Zie Gen. 15:1 . Genesis 15:1 : Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^jesaja-6-1-3]: Kanttekening 3: YHWH: Versta, de Vader, Zoon en Heilige Geest. Vergelijk vers 3 , 6:8 ; daarom wordt dit gezicht op de Heer Christus geduid; Joh. 12:40 , 12:41 , en op de Heilige Geest; Hand. 28:25 , 28:26 , 28:27 . Jesaja 6:3 : En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Jesaja 6:8 : Daarna hoorde ik de stem van de Heere, die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Johannes 12:41 : Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. Handelingen 28:25 : En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen, Handelingen 28:26 : Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Handelingen 28:27 : Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij nauwelijks gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.
[^jesaja-6-1-4]: Kanttekening 4: Zijn zomen: Dat is, de zomen van zijn kleren, te weten van de koninklijke kleren, met welke de Heer bekleed was.
[^jesaja-6-2-5]: Kanttekening 5: De serafs: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk brandende; aldus worden de engelen van de Heer genoemd, omdat zij ijverig zijn, ja in ijver brandende, om het bevel van de Heer uit te richten. Of, omdat zij de goddelozen branden en verteren gelijk een vuur. Of, omdat zij in vurige kleur verschijnen, te weten rood gelijk vuur.
[^jesaja-6-2-6]: Kanttekening 6: Te weten gelijk dienaren, passende op de dienst van de Heer. Vergelijk Dan. 7:10 ; Openb. 4:6 , 4:7 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. Openbaring 4:7 : En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden adelaar gelijk.
[^jesaja-6-2-7]: Kanttekening 7: een ieder: Hebreeuws, zes vleugelen, zes vleugelen de enen. Zie de aantekening Gen. 7:2 . Genesis 7:2 : Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^jesaja-6-2-b]: Verwijzing b: Openb. 4:8 . Openbaring 4:8 : En de vier dieren hadden elk voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.
[^jesaja-6-2-8]: Kanttekening 8: bedekte ieder : Tot een teken van eerbiedigheid, die zij God de Heer toedroegen; of omdat zij de glans van de heerlijkheid van God niet kunnen verdragen.
[^jesaja-6-2-9]: Kanttekening 9: vloog hij: Te weten om het bevel van God spoediglijk uit te richten; want de engelen zijn dienstbare geesten; Ps. 34:8 , en Ps. 91:11 ; Hebr. 1:14 . Psalmen 34:8 : Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 91:11 : Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^jesaja-6-3-10]: Kanttekening 10: de één riep: Hebreeuws, deze riep tot deze.
[^jesaja-6-3-c]: Verwijzing c: Openb. 4:8 . Openbaring 4:8 : En de vier dieren hadden elk voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.
[^jesaja-6-3-11]: Kanttekening 11: De gehele aarde: Hebreeuws, de volheid van de gehele aarde \[is\] zijn eer of heerlijkheid (אָרֶץ); dat is, al de werken van de Heer, die in de gehele aardbodem zijn, geven getuigenis en zijn een bewijs van zijn heerlijkheid; Ps. 24:1 ; Rom. 1:20 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Romeinen 1:20 : Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
[^jesaja-6-4-12]: Kanttekening 12: de posten: Hiermede wordt te kennen gegeven de heftige toorn van God, gelijk boven Jes. 5:25 : de bergen zijn bewogen. En versta hier, de posten van de tempel. Jesaja 5:25 : Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelfde Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^jesaja-6-4-13]: Kanttekening 13: van de roependen: Dat is, van een ieder van de serafim, gelijk vers 3 . Jesaja 6:3 : En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol!
[^jesaja-6-4-14]: Kanttekening 14: het huis: Te weten het huis van God, dat is de tempel.
[^jesaja-6-4-15]: Kanttekening 15: werd vervuld: Dit was ook een teken of bewijs van de toorn van God, rook en damp uitblazende uit zijn neus.
[^jesaja-6-5-16]: Kanttekening 16: Toen zei ik: Of, daarom; te weten omdat ik die tekenen van de toorn van God zag, die gereed was om zijn oordelen te oefenen.
[^jesaja-6-5-17]: Kanttekening 17: ik verga: Of, het is met mij gedaan. Anders: ik ben verstomd, of ik ben dood; dat is, ik moet straks sterven, te weten omdat ik, die onrein van lippen ben, de Heer gezien heb. Zie de aantekening Gen. 16:13 ; Ex. 24:11 , en Deut. 5:25 , 5:26 ; Richt. 13:22 . Genesis 16:13 : En zij noemde de Naam van YHWH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? Exodus 24:11 : Maar Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen van Israël; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden. Deuteronomium 5:25 : Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, van onze God, langer te horen, zo zouden wij sterven. Deuteronomium 5:26 : Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven? Richteren 13:22 : En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.
[^jesaja-6-5-18]: Kanttekening 18: omdat ik: Dat is, ik ben een arm zondig mens. Door het gebruik van de lippen, dat is, de woorden, waarin de mens lichtelijk valt, verstaat hij zijn hele zondigen staat. Vergelijk vers 7 , en verder Jak. 3:2 . Jesaja 6:7 : En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. Jakobus 3:2 : Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden.
[^jesaja-6-5-19]: Kanttekening 19: dat onrein: Dat is, een volk, dat de afgoden aanbidt, tot leugen genegen is en traag om de waren God te aanbidden, te eren en te danken en hun naaste te stichten.
[^jesaja-6-6-20]: Kanttekening 20: vloog tot mij: Te weten uit het bevel van God, want zij stonden gereed naast de Heer, om zijn bevelen te ontvangen en uit te voeren.
[^jesaja-6-6-21]: Kanttekening 21: gloeiende kool: Deze kool was een teken van de afbranding van de zonden, dat is de zuivering en vergeving van de zonden.
[^jesaja-6-6-22]: Kanttekening 22: het altaar: Versta hier, het altaar van het brandoffer, waarop gestadiglijk vuur was, zijnde dit altaar een voorbeeld van Christus en zijn offerande voor onze zonden; zie Hebr. 13:10 . Hebreeën 13:10 : Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen.
[^jesaja-6-7-23]: Kanttekening 23: Te weten gloeiende kool, die ik van het altaar genomen heb. Hiermede wordt aangewezen dat de vergeving van de zonden komt van de offerande van Christus, welke door de offerande van het altaar werd afgebeeld; tegelijk, dat de Heilige Geest de zonden, als een vuur, verbrand en verteert.
[^jesaja-6-7-d]: Verwijzing d: Jer. 1:9 ; Dan. 10:16 . Jeremia 1:9 : En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Daniël 10:16 : En ziet, Een, de mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zei tot Die, Die tegenover mij stond: Mijn Heer! vanwege het gezicht keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude.
[^jesaja-6-7-24]: Kanttekening 24: is verzoend: Anders: genadiglijk bedekt.
[^jesaja-6-8-25]: Kanttekening 25: de stem van YHWH: Te weten, de stem van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aansprekende. Vergelijk dit met Gen. 1:26 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
[^jesaja-6-8-27]: Kanttekening 27: Ons heengaan: Te weten tot de dienst van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, want God is het alleen, die de profeten beroept en zendt. Vergelijk Gen. 1:26 , en Gen. 3:22 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 3:22 : Toen zei YHWH God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van de boom van het leven, en ete, en leve in eeuwigheid.
[^jesaja-6-8-28]: Kanttekening 28: hier ben ik: De profeet biedt aan hier nu goedwilliglijk zijn vaardigen dienst, zijnde van God gesterkt, veel vaardiger nu zijnde; gelijk Mozes, Ex. 3 , of Jeremia, Jer. 1 .
[^jesaja-6-8-26]: Kanttekening 26: Wie zal Ik zenden: Te weten tot het opstandige Joodse volk, om hetzelfde mijn besluit aangaande zijn verblinding en ondergang te verkondigen.
[^jesaja-6-9-29]: Kanttekening 29: tot dit volk: Hier zegt God niet, tot mijn volk, omdat het van Hem geweken was, maar Hij zegt, tot dit volk.
[^jesaja-6-9-e]: Verwijzing e: Matt. 13:14 ; Mark. 4:12 ; Lukas 8:10 ; Joh. 12:40 ; Hand. 28:26 ; Rom. 11:8 . Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Lukas 8:10 : En Hij zei: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Handelingen 28:26 : Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^jesaja-6-9-30]: Kanttekening 30: maar verstaat niet: Alsof God zei: U zult vergeefsen arbeid doen met dit volk te onderwijzen, niettemin ga heen en doe wat Ik u beveel, tot overtuiging van hun opstandigheid.
[^jesaja-6-9-31]: Kanttekening 31: merkt niet: Alsof God zei: Gijlieden zult de woorden van deze profetieën wel horen, maar niet verstaan. En dit zal gebeuren door mijn rechtvaardig oordeel, die ulieder opstandigheid zo straft, namelijk met blindheid en verharding. In deze zin worden deze woorden gebruikt in het Nieuwe Testament; Matt. 13:14 . Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken.
[^jesaja-6-10-32]: Kanttekening 32: Maak het hart: Te weten door het prediken van mijn Woord. Met deze woorden wil de Heer niet te kennen geven wat zijn gepredikt Woord eigenlijk en van zijn natuur bij de mensen werkt en uitricht; maar Hij voorzegt wat er op de verkondiging ervan bij de boze Joden volgen zou; namelijk dat zij zich daardoor niet alleen niet zouden bekeren, maar nog halsstarriger en weerstrevender aanstellen, omdat God hen door zijn rechtvaardig oordeel in een verkeerden zin zou overgeven.
[^jesaja-6-10-33]: Kanttekening 33: sluit hun ogen: Of, bestrijkt, belijmt hun ogen.
[^jesaja-6-10-f]: Verwijzing f: Jer. 5:21 . Jeremia 5:21 : Hoort nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
[^jesaja-6-10-34]: Kanttekening 34: Te weten God.
[^jesaja-6-10-35]: Kanttekening 35: Te weten het volk.
[^jesaja-6-10-36]: Kanttekening 36: Namelijk door vergiffenis van de zonden, Mark. 4:12 . Zie Ps. 30:3 . Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Psalmen 30:3 : YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
[^jesaja-6-11-37]: Kanttekening 37: Hoe lang: Te weten, zal deze verwoesting van het volk duren. Anders: Hoelang zal deze blindheid en verstoktheid van het volk duren?
[^jesaja-6-11-38]: Kanttekening 38: de steden: Te weten de steden in Judea.
[^jesaja-6-11-39]: Kanttekening 39: verwoest worden: Anders: zekerlijk verwoest worden; te weten door de vele en verscheidene overvallen van de vijanden van het Joodse volk. Wat de verblindheid van het volk betreft, die is dikwijls geweest vóór de komst van Christus, in het bijzonder ten tijde van Christus; gelijk blijkt Matt. 13:14 ; Mark. 4:12 , en elders meer. Ja zij duurt nog heden te dage, gelijk aan verreweg het grootste deel van de Joden, die nu leven, te zien is; en zij zal zolang duren, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn, Rom. 11:25 . Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^jesaja-6-11-40]: Kanttekening 40: met verwoesting: Dat is, geheel woest gemaakt worden, zo dat er geen mensen meer in wonen, en het daarom onbebouwd blijft liggen. Voorbeelden van deze verwoesting zie onder de koningen Hizkia, 2 Kon. 18 ; Manasse, 2 Kron. 33 , onder Josia, 2 Kron. 35 ; onder Joahas, Jojakim, Joachin en Zedekia, 2 Kon. 25 en 2 Kron. 36 , en in het bijzonder na de hemelvaart van Christus.
[^jesaja-6-12-41]: Kanttekening 41: die mensen: Of, die mensen, te weten het Joodse volk.
[^jesaja-6-12-42]: Kanttekening 42: verre wegdoen: Te weten in de Babylonische gevangenschap. Hier geeft de profeet te kennen dat het Gods werk is, dat de Joden zijn weggevoerd geweest.
[^jesaja-6-12-43]: Kanttekening 43: de verlating: Versta die verlating, waarmee dit volk van God is verlaten en de vijanden overgegeven, ten tijde van de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-6-12-44]: Kanttekening 44: in het binnenste: Of, in het midden van het land, te weten van het land van Judea.
[^jesaja-6-13-45]: Kanttekening 45: een tiende deel: Dat is, een klein hoopje, ten aanzien van het groot getal dergenen, die weggevoerd en vernield zullen worden. De profeet wil zeggen dat dit volk niet allen tegelijk geheellijk zal vergaan.
[^jesaja-6-13-46]: Kanttekening 46: het zal terugkeren: Anders: maar het zal weer afgeweid worden. Want sommigen verstaan door dit tiende deel degenen, die na de wegvoering van het volk in het land van Juda zijn overgebleven, en vandaar in Egypte getogen en allen ellendiglijk omgekomen. Anderen verstaan door het tiende deel de Joden, die uit de Babylonische gevangenschap zouden terugkeren en veel hebben te lijden van de koningen van Syrië en Egypte, ten tijde van de Machabeën, en eindelijk van de Romeinen, en dit alles vanwege hun grote en menigvuldige zonden.
[^jesaja-6-13-47]: Kanttekening 47: maar : Dit is ene belofte tot troost van de vromen, dat namelijk de stam van Juda niet geheel zou te gronde gaan, maar dat hij vanwege de heilige kinderen van God, die daarin waren, zou behouden en bewaard blijven, totdat Christus in het vlees verschijnen zou.
[^jesaja-6-13-48]: Kanttekening 48: de eik, en gelijk de haageik: Of, Olmboom. In het Hebreeuws staan twee woorden, die beide een eikenboom betekenen. Voor het ene nemen de overzetters een olmboom; anderen een lindeboom. Anderen leggen de Hebreeuwse woorden aldus uit: Maar gelijk door de eiken, die aan de \[poort\] Schallecheth staan \[de gang\] een vast steunsel heeft, \[zo\] zal het heilige zaad zijn vaste stut zijn. Naar deze uitlegging vergelijkt hier de profeet de godzaligen bij de eiken, met welke de gang van de koning onderstut en ondersteund was, of bij de hogen opgeworpen weg of straat, over welke men ging uit Salomo's huis in de tempel, waarvan te lezen is 1 Kon. 10:5 ; 2 Kon. 12:20 ; 1 Kron. 26:16 , en 2 Kron. 9:4 , 9:11 . 1 Koningen 10:5 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer. 2 Koningen 12:20 : En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; 2 Kronieken 9:4 : En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer. 2 Kronieken 9:11 : En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van YHWH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; evenzo ook was te voren in het land van Juda niet geweest.
[^jesaja-6-13-49]: Kanttekening 49: het heilige zaad: Dat is, het overblijfsel van de godzaligen, dat is, de godzalige kinderen van godzalige ouders afkomstig; alsof hij zei: God verdraagt nog enigermate die verdorven boom, ten aanzien van de goede takken, die daaruit gesproten zijn. Om weiniger goeden wil spaart God somtijds vele kwaden; Gen. 18:32 . Genesis 18:32 : Nog zei hij: Dat toch de Heer niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven vanwege de tienen.
[^jesaja-6-13-50]: Kanttekening 50: daarvan zijn: Te weten van dat land, dat is van de inwoners van dit land. Anders, van dat tiende deel; het komt opeen uit.

### Jesaja 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/7.json)

*Jeruzalem wordt belegerd door Rezin en Pekah, vers 1. God zendt Jesaja naar Achaz om hem te troosten en moed te geven, 3, en voorzegt dat zij niets zouden uitrichten, 7, maar dat zij zelf vernietigd zouden worden, 8. Tot bevestiging hiervan geeft God Achaz een teken en kondigt hem de ontvangenis en geboorte van Christus aan, 14. Maar omdat Achaz deze aangeboden genade verwerpt, laat de Heere hem aanzeggen dat het koninkrijk Juda door de Egyptenaren en Assyriers verwoest zou worden, 17. De ellendige toestand van het Joodse land, 22 enzovoort.*

**1** Het gebeurde nu in de dagen van Achaz,[^jesaja-7-1-1] de zoon van Jotham, de zoon van[^jesaja-7-1-2] Uzzia, de koning van[^jesaja-7-1-a] Juda, dat Rezin, de koning van[^jesaja-7-1-3] Syrië, en[^jesaja-7-1-4] Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar;[^jesaja-7-1-5] maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.[^jesaja-7-1-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v1)

**2** Als men het huis van David boodschapte, zeggende:[^jesaja-7-2-7] De Syriërs rusten[^jesaja-7-2-8] op Efraïm, zo bewoog zich[^jesaja-7-2-9] zijn hart en het hart van zijn volk, gelijk de bomen van het woud bewogen worden van de wind.[^jesaja-7-2-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v2)

**3** En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon,[^jesaja-7-3-11] Schear-jaschub, aan[^jesaja-7-3-12] het einde van de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld van de bleker;[^jesaja-7-3-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v3)

**4** En zeg tot hem: Wees op uw hoede, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege[^jesaja-7-4-14] die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en[^jesaja-7-4-15] van de zoon van Remalia;[^jesaja-7-4-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v4)

**5** Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft,[^jesaja-7-5-17] met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende:[^jesaja-7-5-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v5)

**6** Laat ons optrekken tegen Juda, en[^jesaja-7-6-19] het verdriet aandoen,[^jesaja-7-6-20] en het onder ons delen, en de zoon[^jesaja-7-6-21] van Tabeal koning maken in het midden van hen.[^jesaja-7-6-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v6)

**7** Zo zegt Adonai YHWH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren.[^jesaja-7-7-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v7)

**8** Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en[^jesaja-7-8-24] Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren[^jesaja-7-8-25] zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.[^jesaja-7-8-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v8)

**9** Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia[^jesaja-7-9-27] het hoofd van Samaria.[^jesaja-7-9-28] Als u niet gelooft, zeker, u zult niet bevestigd worden.[^jesaja-7-9-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v9)

**10** En YHWH voer voort[^jesaja-7-10-30] te spreken tot Achaz, zeggende:[^jesaja-7-10-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v10)

**11** Eis u[^jesaja-7-11-32] een teken van YHWH, uw God;[^jesaja-7-11-33] eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.[^jesaja-7-11-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v11)

**12** Maar Achaz zei: Ik zal het niet eisen, en ik[^jesaja-7-12-35] zal YHWH niet verzoeken.[^jesaja-7-12-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v12)

**13** Toen zei hij: Hoor u nu, u, huis van[^jesaja-7-13-38] David! is het u te weinig, dat u de mensen moe maakt, dat u ook mijn God moe maakt?[^jesaja-7-13-37][^jesaja-7-13-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v13)

**14** Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven;[^jesaja-7-14-40][^jesaja-7-14-b] zie,[^jesaja-7-14-41] een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en[^jesaja-7-14-42] Zijn naam[^jesaja-7-14-43] IMMANUËL heten.[^jesaja-7-14-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v14)

**15** Boter en honing zal Hij eten,[^jesaja-7-15-45] totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.[^jesaja-7-15-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v15)

**16** Zeker, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede,[^jesaja-7-16-47] zal[^jesaja-7-16-48] dat land,[^jesaja-7-16-49] waarover[^jesaja-7-16-50] u verdrietig bent, verlaten zijn[^jesaja-7-16-51] van zijn twee koningen.[^jesaja-7-16-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v16)

**17** Maar YHWH zal over u, en over uw volk, en over het huis van uw vader, dagen doen komen, zoals niet gekomen zijn van die dag af,[^jesaja-7-17-53] dat Efraïm van Juda is afgeweken,[^jesaja-7-17-54] door de koning van Assyrië.[^jesaja-7-17-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v17)

**18** Want het zal op die dag gebeuren, dat YHWH zal[^jesaja-7-18-56] toesissen de[^jesaja-7-18-57] vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.[^jesaja-7-18-58][^jesaja-7-18-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v18)

**19** En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven van de steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.[^jesaja-7-19-60][^jesaja-7-19-61][^jesaja-7-19-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v19)

**20** Op die dag zal de Heere door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is,[^jesaja-7-20-63] door de koning van Assyrië, afscheren[^jesaja-7-20-64] het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook[^jesaja-7-20-65] de baard geheel wegnemen.[^jesaja-7-20-66][^jesaja-7-20-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v20)

**21** En het zal gebeuren op die dag, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en[^jesaja-7-21-68] twee schapen;[^jesaja-7-21-69][^jesaja-7-21-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v21)

**22** En het zal gebeuren, dat hij vanwege de veelheid van de melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder,[^jesaja-7-22-71] die overgebleven zal zijn[^jesaja-7-22-72] in het midden van het land, die zal[^jesaja-7-22-73] boter en honing eten.[^jesaja-7-22-74][^jesaja-7-22-75] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v22)

**23** Ook zal het op dezelfde dag gebeuren, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn,[^jesaja-7-23-76] van duizend[^jesaja-7-23-c] zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;[^jesaja-7-23-77][^jesaja-7-23-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v23)

**24** Dat men met pijlen en met de boog daar zal moeten gaan; want het hele land zal doornen en distelen zijn.[^jesaja-7-24-79][^jesaja-7-24-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v24)

**25** Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees van de doornen en van de distelen; maar[^jesaja-7-25-81] die zullen wezen[^jesaja-7-25-82] tot inzending van de os, en tot vertreding van het kleinvee.[^jesaja-7-25-83][^jesaja-7-25-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/7.html#v25)

[^jesaja-7-1-1]: Kanttekening 1: de zoon van Jotham: Dat is, welke Jotham was de zoon van Uzzia.
[^jesaja-7-1-2]: Kanttekening 2: de zoon van Uzzia: Dat is, welke Jotham was de zoon van Uzzia.
[^jesaja-7-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 16:5 ; 2 Kron. 28:5 . 2 Koningen 16:5 : Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. 2 Kronieken 28:5 : Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag.
[^jesaja-7-1-3]: Kanttekening 3: de koning van Juda: Dit ziet op Achaz.
[^jesaja-7-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, Aram; die één van de zonen van Sem geweest is, Gen. 10:22 . Uit hem zijn de Syriërs gesproten. Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^jesaja-7-1-5]: Kanttekening 5: Hij is een goddeloos afgodendienaar geweest, die zijn koning Pekaja heeft omgebracht; 2 Kon. 15:25 , 15:28 . 2 Koningen 15:25 : En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis van de koning, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen van de Gileadieten; zo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:28 : En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
[^jesaja-7-1-6]: Kanttekening 6: hij vermocht: Te weten de koning van Syrië, die de krijg voerde, en de koning van Israël te hulp gekomen was, en, naar sommiger gevoelen, hoofdaanlegger van deze krijg was, alhoewel het de naam had dat hij de koning van Israël te hulp kwam.
[^jesaja-7-2-7]: Kanttekening 7: de huize Davids: Dat is, de koning Achaz en de voornaamste heren van het rijk; of zijn bloedverwanten.
[^jesaja-7-2-8]: Kanttekening 8: De Syriërs: Dat is, de Syriërs verlaten zich op de hulp van de Efraïmieten; zij zijn het eens geworden om gelijkerhand u te overvallen. Hebreeuws, Aram; dat is Syrië rust op, enz.
[^jesaja-7-2-9]: Kanttekening 9: op Efraïm: Dat is, op de tien stammen van de Israëlieten. Gelijk Ps. 78:9 , en Ps. 80:3 , en onder vers 17 ; onder welke de stam van Efraïm de voornaamste was, bij welke ook de koningen van Israël hun hof hielden, te weten binnen Samaria. Psalmen 78:9 : (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.) Psalmen 80:3 : Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing. Jesaja 7:17 : Maar YHWH zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van die dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door de koning van Assyrië.
[^jesaja-7-2-10]: Kanttekening 10: zijn hart en het hart: Te weten het hart van de koning Achaz. Deze vrees is gesproten uit een kwade consciëntie, ongeloof en misvertrouwen.
[^jesaja-7-3-11]: Kanttekening 11: Achaz tegemoet: Daarom wordt de profeet eigenlijk tot Achaz gezonden, omdat hij in het bijzonder bevreesd was en omdat dit de welstand van het rijk betrof.
[^jesaja-7-3-12]: Kanttekening 12: Dit is te zeggen: Het overblijfsel zal terugkeren; te weten uit een algemenen ondergang of gevangenschap; of zal zich bekeren. Hieruit blijkt dat deze zoon, uit Gods bevel, die naam gegeven is; profetischer wijze, om het volk de belofte van God in gedachtenis te brengen, aangaande de wederkering van enige uit het volk. Zie onder Jes. 10:21 , en vergelijk onder Jes. 8:3 , en Hos. 1:4 , 1:6 , 1:9 . Jesaja 10:21 : Het overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God! Jesaja 8:3 : En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en YHWH zei tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZBAZ. Hosea 1:4 : En YHWH zei tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden. Hosea 1:6 : En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren. Hosea 1:9 : En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.
[^jesaja-7-3-13]: Kanttekening 13: het einde: Zie van de rest van vers 3 de aantekening 2 Kon. 18:17 . Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller; 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^jesaja-7-4-14]: Kanttekening 14: Wacht u: Te weten van te vrezen.
[^jesaja-7-4-15]: Kanttekening 15: die twee staarten: Aldus noemt de profeet verachtzaamlijk de koning van Syrië en de koning van Israël, en hij geeft te kennen dat hun toorn \[die als een brandend vuur scheen te zijn en alsof zij de gehele wereld zouden in brand gebracht hebben\] weinig te achten was en haast vergaan of gene kracht meer hebben zou, hen vergelijkende bij een hout, dat schier verbrand was en weinig of geen vuur meer had, maar alleen nog rook van zich gaf. De koning van Syrië was bijna uitgebrand, of ten onder gebracht door Joas, de zoon van Joahas; 2 Kon. 13:25 . De koning van Israël was schier teniet gekomen door inlandse muiterij en krijg, 2 Kon. 15:10 , 15:14 , 15:16 , en zij beiden door Pul, de koning van Assyrië, 2 Kon. 15:19 , en 1 Kron. 5:26 . 2 Koningen 13:25 : Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weer. 2 Koningen 15:10 : En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:14 : Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:16 : Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar gebied van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken. 2 Koningen 15:19 : Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^jesaja-7-4-16]: Kanttekening 16: van de zoon van Remalia: De profeet verwaardigt zich niet hem bij zijn naam te noemen, of de titel van koning te geven, bedoelende nochtans Pekah, de koning van Israël, zoon van Remalia.
[^jesaja-7-5-17]: Kanttekening 17: de Syriër: Aldus noemt de profeet verachtelijk Rezin, de koning van Syrië.
[^jesaja-7-5-18]: Kanttekening 18: met Efraïm: Dat is, met de tien stammen van Israël.
[^jesaja-7-6-19]: Kanttekening 19: tegen Juda: Te weten tot in het land Juda.
[^jesaja-7-6-20]: Kanttekening 20: het verdriet aandoen: Te weten door de lange belegering van de stad Jeruzalem, zo dat zij genoodzaakt worden zich eindelijk in onze handen over te geven. Anders: verdrietig maken, of moe maken.
[^jesaja-7-6-21]: Kanttekening 21: en het onder ons: Zij geven te kennen dat hun voornemen was het land van Juda in tweeën te scheuren en onder hen beiden te delen, en in hun beider naam de zoon van Tabeal daarin stadhouder te maken.
[^jesaja-7-6-22]: Kanttekening 22: Wie deze Tabeal of zijn zoon geweest is, is onzeker; het is gelooflijk dat hij een Syriër van voortreffelijken huize en een vermaard krijgsman geweest is.
[^jesaja-7-7-23]: Kanttekening 23: Het zal niet bestaan: Te weten het kwaad, dat die beide koningen voorhebben. Het zal niet in het werk gesteld worden. Zie Job 22:28 , gelijke manier van spreken. Job 22:28 : Als u een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.
[^jesaja-7-8-24]: Kanttekening 24: Dat is, Damascus zal de hoofdstad van het koninkrijk van Syrië zijn.
[^jesaja-7-8-25]: Kanttekening 25: De zin is: Rezin zal hoofd of regent zijn en blijven alleen in Damascus, maar niet te Jeruzalem, gelijk hij en zijn bondgenoten zich inbeelden; hun voornemen zal niet gelukken, elk zal binnen de bepaling van zijn land blijven.
[^jesaja-7-8-26]: Kanttekening 26: zal Efraïm verbroken worden: Dat is, zij zullen geen eigen koninkrijk, noch staat, of landsregering op hun eigen hand meer hebben, zover is het vandaar, dat zij hun rijk zouden vermeerderen met de aanwas van het land van Juda of enig deel daarvan. Deze verwoesting is ten dele geschied door Salmanasser, 2 Kon. 17:3 , maar ten volle door Esar-Haddon, 2 Kon. 17:24 , de zoon van Sanherib, 2 Kon. 19:37 . 2 Koningen 17:3 : Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-7-9-27]: Kanttekening 27: zal Samaria: Dat is, Samaria zal de hoofdstad zijn van Efraïm, dat is, van het koninkrijk van de tien stammen, en die daarin het opperste gebied heeft, is Pekah de zoon van Remalia.
[^jesaja-7-9-28]: Kanttekening 28: het hoofd: Dat is, koning of regent.
[^jesaja-7-9-29]: Kanttekening 29: Als u niet gelooft: De zin is: Als u die belofte van God die ik u verkondigd heb, te weten dat deze twee koningen u niet zullen overweldigen, niet gelooft, zo zult u niet bevestigd worden, of: u kunt geen verzekering hebben tegen de grote vrees die u hebt vanwege uw vijanden, maar u zult altijd ongerust van hart zijn. Anders: Als u dit niet gelooft, dat geschiedt daarom omdat u niet vast bent , te weten in het geloof. Anders: Gelooft u dit niet, omdat u niet verzekerd noch in uw geloof versterkt wordt? Te weten door een teken of wonder?
[^jesaja-7-10-30]: Kanttekening 30: Anders, daarom.
[^jesaja-7-10-31]: Kanttekening 31: te spreken: Te weten door mij, zijn profeet, omdat hij zag dat Achaz deze belofte geen geloof gaf, noch ook zijn volk, dat genoegzaam bleek aan hun sidderen en beven.
[^jesaja-7-11-32]: Kanttekening 32: Eis u: Dat is, tot uw best, namelijk tot versterking van uw geloof in wat u straks beloofd is.
[^jesaja-7-11-33]: Kanttekening 33: een teken: Waaruit u kunt vernemen dat God een profeet tot u gezonden heeft, die de waarheid spreekt.
[^jesaja-7-11-34]: Kanttekening 34: eis beneden: Dat is, bid dat God u een wonderteken geve, òf op de aarde, òf aan de hemel. Hebreeuws, maak de eis diep, of maak \[hem\] hoog naar boven.
[^jesaja-7-12-35]: Kanttekening 35: Te weten een teken van de Heer.
[^jesaja-7-12-36]: Kanttekening 36: ik zal YHWH: Dit spreekt Achaz op huichelachtige wijze, als een huichelaar, kwanswijs ik wil niets doen tegen Gods gebod, Deut. 6:16 , opdat ik God niet vertoorne. God verbiedt dat men uit ongeloof of met een kwaad voornemen een teken van Hem verzoeken zal; maar Hij verbiedt niet dat men uit gehoorzaamheid en naar Gods bijzonder bevel, tot versterking van het geloof een teken begere. Zie de aantekening Deut. 6:16 . Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa. Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^jesaja-7-13-38]: Kanttekening 38: u, huis van David: Te weten u, die ontaard bent, niet volgende de godzalige voetstappen van David. Hieruit is af te nemen dat de naasten bij de koning Achaz zowel ongelovigen waren, en het teken zowel verwierpen als hijzelf.
[^jesaja-7-13-37]: Kanttekening 37: Te weten de profeet Jesaja.
[^jesaja-7-13-39]: Kanttekening 39: is het u: De zin is: Totnogtoe hebt u mij en andere profeten van de Heer klein geacht, ja veracht, onze vermaningen niet gelovende noch aannemende; maar nu bent u God de Heer zelfs lastig of moeilijk, omdat u de genade, die Hij u aanbiedt, veracht.
[^jesaja-7-14-40]: Kanttekening 40: Te weten omdat u het aangeboden teken versmaadt en evenwel de gelovige versterking in het geloof nodig hebt; zo zal God een wonderlijk teken geven.
[^jesaja-7-14-b]: Verwijzing b: Matt. 1:21 ; Lukas 1:31 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
[^jesaja-7-14-41]: Kanttekening 41: Dit woord vermaant tot naarstige opmerking van wat er gezegd zal worden, en dit is de zin: God zal zekerlijk de belofte van het zenden van zijn Zoon, die in de volheid van de tijd, uit de stam van Juda, van ene maagd zal geboren worden, volbrengen; daarom zal Hij ook die belofte nog veel meer kunnen en willen voltooien, die Hij doet, wat betreft de verlossing uit de handen en macht van de vijanden; die gaat de geestelijke en eeuwige verlossing aan, deze alleen de lichamelijke en tijdelijke verlossing.
[^jesaja-7-14-42]: Kanttekening 42: een maagd: Of, die maagd.
[^jesaja-7-14-43]: Kanttekening 43: Zijn naam: Anders: u \[o maagd\] zult zijn naam Immanuel heten; hiermede beduidende dat Christus naar het vlees geen vader hebben zou, die hem de naam geven zou, gelijk de vaders hun kinderen plegen te doen; Luk. 1:63 . Lukas 1:63 : En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.
[^jesaja-7-14-44]: Kanttekening 44: Dat is, God met ons, waar God en waar mens, die de mensen weer met God verzoenen, ja als verenigen zal.
[^jesaja-7-15-45]: Kanttekening 45: Te weten, de zoon van de maagd. De zin is: Hij zal opgevoed worden in zijn kinderjaren gelijk andere kinderen, opdat men zie en daaruit merke dat Hij van dezelfde natuur is, waarvan andere kinderen zijn.
[^jesaja-7-15-46]: Kanttekening 46: totdat Hij: Dat is, totdat Hij kome tot de jaren van zijn verstand en van het onderscheid, dat Hij het goede van het kwade wete te onderscheiden.
[^jesaja-7-16-47]: Kanttekening 47: eer dit Knechtje: Deze woorden zijn, naar veler gevoelen, geen gevolg van de naastvoorgaande woorden, sprekende van de menswording van de Zoon van God, maar de profeet spreekt hier weer van de verlossing, die hij Achaz beloofd heeft, aangaande de bescherming van de Israëlieten tegen hun vijanden. En door het jonge knechtje kan men hier verstaan het zoontje van de profeet Schear-Jaschub, dat hij op bevel van God met zich genomen had, vers 3 ; of enig ander kind, al geboren, of korts geboren te worden; want op Christus kunnen deze woorden niet zo wel passen; de profeet hier sprekende van een korte tijd, in welke die beide koningen zouden omkomen, daar Christus eerst vele jaren hierna geboren en in deze wereld verschenen is. Sommigen nochtans duiden vers 16 ook op de Heer Christus, in zulken zin, dat deze profetie in zo korte tijd zou vervuld worden, als er zou wezen tussen de geboorte van Christus en de jaren van zijn onderscheid. Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller; Jesaja 7:16 : Zekerlijk, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover u verdrietig bent, verlaten zijn van zijn twee koningen.
[^jesaja-7-16-48]: Kanttekening 48: De zin is: Die twee koningen zullen niet alleen het land van Juda niet innemen, maar zij zullen binnen kort zelf omkomen.
[^jesaja-7-16-49]: Kanttekening 49: dat land: Te weten het land van Israël en van Syrië, vanwaar de koning Achaz alle ellende en verderf was overkomende.
[^jesaja-7-16-50]: Kanttekening 50: Of, daar u een afkeer van hebt. Om de reden straks verhaald.
[^jesaja-7-16-51]: Kanttekening 51: u verdrietig bent: O koning Achaz.
[^jesaja-7-16-52]: Kanttekening 52: van zijn twee koningen: Hebreeuws, van het aangezicht van zijn twee koningen (פְּנֵי); te weten Pekah en Rezin. Deze beide koningen zijn kort na deze profetie, gelijk sommigen rekenen, met een geweldigen dood omgekomen, gelijk te zien is 2 Kon. 15:30 , en 2 Kon. 16:9 ; eer Achaz vier volle jaren was koning geweest. 2 Koningen 15:30 : En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Koningen 16:9 : Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^jesaja-7-17-53]: Kanttekening 53: Te weten, zware, bedroefde, jammerlijke dagen.
[^jesaja-7-17-54]: Kanttekening 54: dat Efraïm: Dat is, van die tijd af, dat de tien stammen gescheurd zijn van de stam van Juda, ten tijde van Rehabeam en Jerobeam, waarvan te lezen is 1 Kon. 12 ; en hier wordt Efraïm alleen genoemd, maar de tien stammen van Israël gemeend, niet alleen omdat Efraïm geweest is de voornaamste van de tien stammen, maar ook daarom, omdat die scheuring uit de stam van Efraïm eerst haar oorsprong genomen heeft, en omdat Jerobeam uit die stam afkomstig was, die de eerste koning over Efraïm en de andere negen stammen geweest is, 1 Kon. 12 .
[^jesaja-7-17-55]: Kanttekening 55: door : Te weten, zal de Heer zulks doen. De Joden verlieten zich zeer op de koningen van Assyrië, en bij name Achaz, gelijk te zien is 2 Kon. 16:7 . Maar hier dreigt hen God dat Hij hen allermeest door de koning van Assyrië zou laten straffen en verderven, namelijk \[zo enige menen\] door Nebukadnezar, die toen ook Assyrië onder zijn heerschappij gebracht had. Zie onder vers 20 . Maar enige verstaan hier Tiglath Pilneser, waarvan te lezen is 2 Kron. 28:20 ; anderen Sanhebrib, waarvan gesproken wordt 2 Kon. 18:13 , enz. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. Jesaja 7:20 : Op die dag zal de Heer door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen. 2 Kronieken 28:20 : En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^jesaja-7-18-56]: Kanttekening 56: op die dag: Te weten, in welke Hij besloten heeft u en uwe nakomelingen te straffen.
[^jesaja-7-18-57]: Kanttekening 57: Dat is, Hij zal hen met sissen, schuifelen, of fluiten tot zich doen komen; zie boven Jes. 5:26 . Jesaja 5:26 : Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen.
[^jesaja-7-18-58]: Kanttekening 58: de vliegen: Aldus noemt hij de Filistijnen; Idumeën en Moren, die aan de grenzen van Egypte hun woonplaatsen hadden. Zie de vervulling van deze profetie 2 Kon. 19:9 , en 2 Kron. 28:17 . De profeet noemt dat volk vliegen, ten aanzien van hun grote menigte; bijen, zo vanwege het steken met de angel en hun groot getal, als vanwege hun ervarenheid in de krijg en kunst van een leger in orde te stellen. Vergelijk Deut. 1:44 ; Ps. 118:2 . 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende: 2 Kronieken 28:17 : Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd. Deuteronomium 1:44 : Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe. Psalmen 118:2 : Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in eeuwigheid is.
[^jesaja-7-18-59]: Kanttekening 59: de bijen: Zie voorgaande aantekening over de vliegen.
[^jesaja-7-19-60]: Kanttekening 60: zij zullen komen: Te weten, die vliegen en die bijen.
[^jesaja-7-19-61]: Kanttekening 61: Of, nederliggen. De zin is: De legers van de vijanden zullen zich nederleggen in alle plaatsen van het gehele Joodse land, zo in de bekwame als in de onbekwame plaatsen, zij zijn diep, of hoog, vruchtbaar of onvruchtbaar.
[^jesaja-7-19-62]: Kanttekening 62: geprezene plaatsen: Anders, lofwaardige; dat is vruchtbare.
[^jesaja-7-20-63]: Kanttekening 63: een gehuurd: Te weten, door de koning Achaz gehuurd, om hem te beschermen tegen de Syriërs en Israëlieten. Zie 2 Kon. 16:7 , 16:8 . De zin is: U hebt gezondigd, stellende uw vertrouwen op de koning van Assyrië, maar Ik zal u door denzelve straffen. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. 2 Koningen 16:8 : En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning gevonden werd, en hij zond de koning van Assyrië een geschenk.
[^jesaja-7-20-64]: Kanttekening 64: van de rivier is: Versta, de rivier Eufraat.
[^jesaja-7-20-65]: Kanttekening 65: door de koning: Niet juist door denzelfden koning van Assyrië, die Achaz gehuurd had, te weten Tiglat-Pilneser; want, of hij wel gezegd wordt Achaz benauwd te hebben, 2 Kron. 28:20 , 28:21 , nochtans heeft hij het Joodse volk zo grote schade niet aangedaan als hun God hier dreigt; daarom is dit te verstaan van een anderen koning van Assyrië. Enige verstaan dat hier gesproken wordt van verscheidene koningen van Assyrië, die de één voor, de ander na, het Joodse volk jammerlijk geplaagd hebben, gelijk gedaan heeft Sanherib, Esar-Haddon, en eindelijk Nebukadnezar. Zie 2 Kon. 18 , 2 Kon. 19 , 2 Kron. 24 en 2 Kron. 25 , en 2 Kron. 33 . Maar die overgrote schade en ellende, waarvan hier gesproken wordt, schijnt op niemand anders, immers op niemand volkomenlijker te passen dan op Nebukadnezar, die, een machtig leger hebbende, gedaan heeft wat de profeet hier dreigt. Zie 2 Kon. 24 , 2 Kon. 25 . Deze koning Nebukadnezar, koning van Babylonië, wordt hier genoemd de koning van Assyrië, omdat hij Assyrië onder zijn heerschappij gebracht had. 2 Kronieken 28:20 : En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 2 Kronieken 28:21 : Want Achaz nam een deel van het huis van YHWH, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.
[^jesaja-7-20-66]: Kanttekening 66: het hoofd: Te weten het haar van het hoofd en de voeten; dat is, hij zal allen man kwalijk behandelen, niemand verschonende.
[^jesaja-7-20-67]: Kanttekening 67: de baard: Door de baard wordt te verstaan gegeven het sieraad en de aanzienlijkheid onder de gemeente van het Joodse volk; zie de volvoering 2 Kon. 24 , 2 Kon. 25 .
[^jesaja-7-21-68]: Kanttekening 68: een koetje: Of, een jonge koe, of vaarskalf van een rund.
[^jesaja-7-21-69]: Kanttekening 69: in het leven: Of, opgevoed zal hebben; namelijk zonder dat de vijanden hem die zullen benomen of geslacht hebben.
[^jesaja-7-21-70]: Kanttekening 70: twee schapen: Of, twee geiten; hij stelt een zeker getal voor een onzeker. De zin is: Weinig melkbeesten zullen melk genoeg geven voor die weinige mensen, die daar zullen overig gebleven zijn.
[^jesaja-7-22-71]: Kanttekening 71: geven zullen: Hebreeuws, maken; zie boven Jes. 5:10 . Jesaja 5:10 : Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.
[^jesaja-7-22-72]: Kanttekening 72: Te weten de volheid, als niemand wetende aan wie hij de melk en boter verkopen zal, het land van zijn inwoners ontbloot zijnde; of omdat hij tehuis niet vele mee-eters hebben zal, want zij zullen van de vijanden verslagen of verdreven zijn.
[^jesaja-7-22-73]: Kanttekening 73: die overgebleven: Te weten na zoveel verwoestingen en moorderijen.
[^jesaja-7-22-74]: Kanttekening 74: in het midden: Te weten van het Joodse land.
[^jesaja-7-22-75]: Kanttekening 75: boter en honig eten: Maar van andere eetwaren zal er niet veel ten beste zijn, het gehele land onbebouwd liggende.
[^jesaja-7-23-76]: Kanttekening 76: iedere plaats: De zin is: Het gehele land, zelfs de allervruchtbaarste plaatsen en die allerbest plachten gebouwd te worden, zullen woest liggen.
[^jesaja-7-23-c]: Verwijzing c: Lev. 26:22 . Leviticus 26:22 : Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
[^jesaja-7-23-77]: Kanttekening 77: duizend wijnstokken: Dat is, vele. Hebreeuws, duizend wijnstok; gelijk wij zeggen; duizend man.
[^jesaja-7-23-78]: Kanttekening 78: van duizend zilverlingen: Van duizend zilverlingen; dat is, waard duizend zilverlingen.
[^jesaja-7-24-79]: Kanttekening 79: zal moeten gaan: Te weten om zich te verweren tegen de wilde dieren, die zich bij menigten in de distelen en doornen zullen ophouden, nadat het land verwoest en leeg, onbewoond en onbebouwd zal liggen. Dit is het, dat God de overtreders zijn wet dreigt; Lev. 26:22 . Leviticus 26:22 : Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
[^jesaja-7-24-80]: Kanttekening 80: het gehele land: En dienvolgens zal er niet veel ten beste zijn aan koren en andere eetwaren.
[^jesaja-7-25-81]: Kanttekening 81: al de bergen: Te weten wijnbergen en andere vruchtbare plaatsen, die men pleegt te bezaaien, of te beplanten en te bepoten.
[^jesaja-7-25-82]: Kanttekening 82: Te weten om daarna met wijnstokken te beplanten.
[^jesaja-7-25-83]: Kanttekening 83: die zullen wezen: Te weten bergen en landerijen, die goede en vele vruchten plachten te dragen.
[^jesaja-7-25-84]: Kanttekening 84: tot inzending: Dat is, dat men de ossen of klein vee, hetzij schapen of geiten, inschikke. Zie Ex. 22:5 . Anders aldus: Aangaande al de bergen, die met houwelen zullen omgehakt worden, daar zal de vrees van de doornen en distelen niet komen, maar, enz. In deze zin, dat de mensen zich nergens zullen kunnen bergen dan op hoge bergen, waar zij nog plaats zullen bereiden om enig vee daarin te zenden. Exodus 22:5 : Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in het veld van een ander weidt, die zal het van het beste van zijn veld en van het beste van zijn wijngaard wedergeven.

### Jesaja 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/8.json)

*Profetie van de ondergang van Syrie en van Israel door de Assyriers, vers 1 enzovoort, die ook door het land van Juda zouden trekken en het zwaar zouden teisteren, maar het niet helemaal zouden overmeesteren, 6 enzovoort, met een troostvolle vermaning aan de godvrezende Joden dat zij die koningen niet zouden vrezen, maar zich op God zouden verlaten, 12, ook al is Hij voor de goddelozen een steen des aanstoots, 14. Dat zij bij de waarzeggers geen raad zouden vragen, 19. De verachters van Gods Woord wordt hun ondergang aangezegd, 20.*

**1** Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote[^jesaja-8-1-1] rol, en schrijf daarop[^jesaja-8-1-2] met de griffel van een mens: Haastende tot de roof, is hij[^jesaja-8-1-4] spoedig tot de buit![^jesaja-8-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v1)

**2** Toen nam ik mij[^jesaja-8-2-5] getrouwe getuigen, Uria, de priester, en Zacharia,[^jesaja-8-2-6] de zoon van Jeberechja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v2)

**3** En ik was tot[^jesaja-8-3-7] de profetesse[^jesaja-8-3-8] genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en YHWH zei tot mij: Noem zijn[^jesaja-8-3-9] naam MAHER-SCHALAL, CHAZBAZ. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v3)

**4** Want voordat[^jesaja-8-4-10] het jongetje zal[^jesaja-8-4-11] kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men de rijkdom van Damascus,[^jesaja-8-4-12] en de[^jesaja-8-4-13] buit van Samaria[^jesaja-8-4-14] dragen voor[^jesaja-8-4-15] het aangezicht van de koning van Assur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v4)

**5** En[^jesaja-8-5-16] YHWH sprak nog verder tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v5)

**6** [^jesaja-8-6-17] Omdat[^jesaja-8-6-18] dit volk veracht[^jesaja-8-6-19] de wateren van Siloa,[^jesaja-8-6-20] die zachtjes gaan, en[^jesaja-8-6-21] er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v6)

**7** Daarom ziet, zo zal de Heere[^jesaja-8-7-22] over hen doen opkomen[^jesaja-8-7-23] die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en[^jesaja-8-7-24] al zijn heerlijkheid; en[^jesaja-8-7-25] hij zal opkomen over al[^jesaja-8-7-26] zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;[^jesaja-8-7-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v7)

**8** En hij zal doortrekken[^jesaja-8-8-28] in Juda, hij zal[^jesaja-8-8-29] het[^jesaja-8-8-30] overstromen, en er doorgaan, hij zal[^jesaja-8-8-31] tot aan de hals reiken; en[^jesaja-8-8-32] de uitstrekkingen van zijn vleugels zullen vervullen de breedte van uw land,[^jesaja-8-8-33] o Immanuël![^jesaja-8-8-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v8)

**9** Vergezel u samen, u volken! maar[^jesaja-8-9-35] wordt verbroken; en neemt ter ore,[^jesaja-8-9-36] allen u, die in verre landen bent,[^jesaja-8-9-37] omgord u,[^jesaja-8-9-38] maar wordt verbroken; omgord u, maar wordt verbroken![^jesaja-8-9-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v9)

**10** Beraadslaag een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreek een woord, maar[^jesaja-8-10-40] het zal niet bestaan; want[^jesaja-8-10-41] God is met ons![^jesaja-8-10-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v10)

**11** Want zo heeft YHWH tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij[^jesaja-8-11-43] van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende:[^jesaja-8-11-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v11)

**12** U zult niet zeggen: Een samenzwering, van alles, waar[^jesaja-8-12-45] dit volk van zegt: Het is[^jesaja-8-12-46] een samenzwering;[^jesaja-8-12-47] en vreest u[^jesaja-8-12-48] hun vrees niet, en[^jesaja-8-12-49] verschrikt niet.[^jesaja-8-12-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v12)

**13** YHWH van de legermachten, Die zult u[^jesaja-8-13-51] heiligen, en[^jesaja-8-13-52] Hij zij uw vrees, en Hij zij uw verschrikking.[^jesaja-8-13-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v13)

**14** Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar[^jesaja-8-14-a] tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van[^jesaja-8-14-54] de struikeling voor de twee[^jesaja-8-14-55] huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem.[^jesaja-8-14-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v14)

**15** En velen[^jesaja-8-15-57] onder hen zullen struikelen, en[^jesaja-8-15-58] vallen,[^jesaja-8-15-b] en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.[^jesaja-8-15-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v15)

**16** Bind de getuigenis toe; verzegel[^jesaja-8-16-60] de wet[^jesaja-8-16-61] onder mijn leerlingen.[^jesaja-8-16-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v16)

**17** Daarom zal ik de Heere verwachten,[^jesaja-8-17-63] Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.[^jesaja-8-17-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v17)

**18** [^jesaja-8-18-c] Zie, ik en de[^jesaja-8-18-65] kinderen, die mij[^jesaja-8-18-66] YHWH[^jesaja-8-18-67] gegeven heeft,[^jesaja-8-18-68] zijn tot tekenen en tot wonderen[^jesaja-8-18-69] in Israël, van YHWH van de legermachten, Die op de berg Sion woont.[^jesaja-8-18-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v18)

**19** Wanneer[^jesaja-8-19-71] zij dan[^jesaja-8-19-72] tot u zeggen zullen:[^jesaja-8-19-73] Vraag waarzeggers en dodenbezweerders, die daar[^jesaja-8-19-74] piepen, en[^jesaja-8-19-75] binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen[^jesaja-8-19-d]?[^jesaja-8-19-76] zal men voor de levenden de doden vragen?[^jesaja-8-19-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v19)

**20** Tot de wet en tot[^jesaja-8-20-78] de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal[^jesaja-8-20-79] zijn, dat[^jesaja-8-20-80] zij geen[^jesaja-8-20-81] dageraad zullen hebben.[^jesaja-8-20-82] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v20)

**21** En een ieder van hen zal[^jesaja-8-21-83] daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal gebeuren, wanneer hem hongert, en hij zeer boos zal zijn, dan zal hij[^jesaja-8-21-84] vloeken op zijn koning en[^jesaja-8-21-85] op zijn God,[^jesaja-8-21-86] als hij omhoog zal zien;[^jesaja-8-21-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v21)

**22** [^jesaja-8-22-e] Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn;[^jesaja-8-22-88] hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.[^jesaja-8-22-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v22)

**23** Maar het land, dat benauwd was, zal niet geheel verduisterd worden; zoals[^jesaja-8-23-90] Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land[^jesaja-8-23-91] van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, zo heeft Hij[^jesaja-8-23-92] het in het laatste heerlijk gemaakt, naar de weg[^jesaja-8-23-93] zeewaarts aan[^jesaja-8-23-94] gelegen over de Jordaan, aan[^jesaja-8-23-f] Galilea[^jesaja-8-23-95] van de heidenen.[^jesaja-8-23-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/8.html#v23)

[^jesaja-8-1-1]: Kanttekening 1: Van het woord rol zie de aantekening Ezra 6:2 ; zie ook Jes. 34:4 , en vergelijk Hab. 2:2 ; Openb. 5:1 . Ezra 6:2 : En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS; Jesaja 34:4 : En al de legermacht van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun legermacht zal afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom. Habakuk 2:2 : Toen antwoordde mij YHWH, en zei: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt. Openbaring 5:1 : En ik zag in de rechterhand van Degene, Die op de troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.
[^jesaja-8-1-2]: Kanttekening 2: met eens mensen griffel: Dat is, met een schrift, dat een ieder kan lezen, of naar de wijze, die in het gebruik is, of naar de algemene stijl of gewoonte.
[^jesaja-8-1-4]: Kanttekening 4: De zin is: De koning van Assyrië zal haast komen, en hij zal de Syriërs en de Israëlieten beroven. Zie de vervulling van deze profetie 2 Kon. 16:9 . De zaak, die de naam van de zoon van de profeet Jesaja beduidt, wordt hier gesteld. 2 Koningen 16:9 : Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^jesaja-8-1-3]: Kanttekening 3: Anders: wat betreft MAHER SCHALAL CHAS BAZ, dat is, aangaande zulks als de naam, die u uw jongen zoon, als hij zal geboren zijn, geven zult, betekent.
[^jesaja-8-2-5]: Kanttekening 5: Of, geloofwaardige getuigen. Hebreeuws, ik deed mij betuigen getrouwe getuigen; vergelijk Jer. 32:10 ; dat is, zodanige mannen, die getuigen kunnen dat de profeet deze profetie gedaan had, opdat het hierna niemand zou kunnen loochenen of in twijfel trekken. Jeremia 32:10 : En ik onderschreef de brief en verzegelde die, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had.
[^jesaja-8-2-6]: Kanttekening 6: de zoon van Jeberechja: Dit wordt hier bijgevoegd tot onderscheiding van verscheidene andere personen van aanzien, die ook deze naam gehad hebben; gelijk te zien is 2 Kon. 14:29 , en 2 Kron. 24:20 , en 2 Kron. 26:5 , en Ezra 5:1 , en Ezra 6:14 ; Luk. 1:5 , 1:67 . 2 Koningen 14:29 : En Jerobeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 24:20 : En de Geest van God toog Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van YHWH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u YHWH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. 2 Kronieken 26:5 : Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten van God; in de dagen nu, dat hij YHWH zocht, maakte hem God voorspoedig. Ezra 5:1 : Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van God van Israël profeteerden zij tot hen. Ezra 6:14 : En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië. Lukas 1:5 : In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet. Lukas 1:67 : En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende:
[^jesaja-8-3-7]: Kanttekening 7: de profetesse: Dat is, tot mijn huisvrouw, aldus genoemd vanwege het ambt van haar man. Of, omdat zij mee ene profetes was.
[^jesaja-8-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, in de slaapkamer gegaan. Hiermede wordt eerbaarlijk te kennen gegeven de bijslaap van de profeet met zijn huisvrouw.
[^jesaja-8-3-9]: Kanttekening 9: MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ: Zie boven vers 1 . Jesaja 8:1 : Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^jesaja-8-4-10]: Kanttekening 10: dat knechtje: Of, deze jongen, te weten de jongste zoon van de profeet, vers 3 . Jesaja 8:3 : En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en YHWH zei tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZBAZ.
[^jesaja-8-4-11]: Kanttekening 11: zal kunnen roepen: Dat is, in korte tijd, want als de kinderen een jaar of twee oud zijn, zo roepen zij met gebroken woorden hun vader en moeder. Samaria en Syrië zijn door de Assyriërs, een jaar of twee na deze profetie, overheerd en verwoest geweest.
[^jesaja-8-4-12]: Kanttekening 12: Damascus was de hoofdstad van Syrië, boven Jes. 7:8 . Jesaja 7:8 : Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.
[^jesaja-8-4-13]: Kanttekening 13: de buit: Merk wel dat de profeet hier zegt dat de koning van Assyrië de buit van Samaria zou wegnemen, maar hij zegt niet dat hij de stad zou innemen. Zie 2 Kon. 15:29 , en 2 Kon. 16:9 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 16:9 : Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^jesaja-8-4-14]: Kanttekening 14: Samaria was de hoofdstad van het koninkrijk van Israël, boven Jes. 7:9 . Jesaja 7:9 : Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Als u niet gelooft, zekerlijk, u zult niet bevestigd worden.
[^jesaja-8-4-15]: Kanttekening 15: voor het aangezicht: Dat is, in zijn aanwezigheid en tot zijn best.
[^jesaja-8-5-16]: Kanttekening 16: YHWH sprak nog verder tot mij: Hebreeuws, de Heer voer voort tot mij te spreken (דַּבֵּר).
[^jesaja-8-6-17]: Kanttekening 17: Alsof hij zei: Omdat dit volk veracht de belofte van de goddelijke hulp tegen die beide koningen \[van wie boven Jes. 7 gesproken is\] en zich liever op de grote macht van Assyrië wil verlaten, zich inbeeldende dat de hulp, die Ik hun beloofd heb, maar een klein beekje is, gelijk de beek Siloa, maar dat de hulp van de Assyriërs is als een geweldige stroom; zo zal Ik hen door de Assyriërs plagen en verderven, gelijk in vers 7 gezegd wordt. Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
[^jesaja-8-6-18]: Kanttekening 18: dit volk: Te weten het Joodse volk, of immers een groot deel ervan; te weten die de woorden van God geen geloof geven. Want onder dit volk waren nog enige vromen en godzaligen, die de Heer zijn leerjongeren noemt, onder vers 16 . Jesaja 8:16 : Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.
[^jesaja-8-6-19]: Kanttekening 19: de wateren: Dit was een waterbeek te Jeruzalem, waar een fontein uitsproot. Zie Ps. 46:5 , en Joh. 9:7 . Psalmen 46:5 : De beekjes van de rivier zullen verblijden de stad van God, het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste. Johannes 9:7 : En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.
[^jesaja-8-6-20]: Kanttekening 20: die zachtjes gaan: Zie de aantekening Neh. 2:13 . Nehemia 2:13 : En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, die verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.
[^jesaja-8-6-21]: Kanttekening 21: er vreugde is: Dat is, middelerwijl dat deze beide koningen vrolijk zijn, de vaste hoop hebbende dat zij het Joodse land zullen overweldigen; zo zie, enz. gelijk volgt vers 7 . Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
[^jesaja-8-7-22]: Kanttekening 22: over hen: Te weten over de ongelovige Joden, zie vers 6 . Jesaja 8:6 : Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia;
[^jesaja-8-7-23]: Kanttekening 23: die sterke: Te weten de wateren van de rivier Eufraat. Dit is ene tegenstelling tegen de wateren van Siloa, vers 6 . Jesaja 8:6 : Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia;
[^jesaja-8-7-24]: Kanttekening 24: al zijn heerlijkheid: Dat is, al zijn voortreffelijke vorsten en krijgsoversten met hun onderhebbend volk, waar de koning van Assyrië van roemt; Jes. 10:8 , 10:13 . Jesaja 10:8 : Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen? Jesaja 10:13 : Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;
[^jesaja-8-7-25]: Kanttekening 25: hij zal opkomen: Dat is, hij zal zich verheffen, te weten Sanherib, de koning van Assyrië, van wie de profeet hier spreekt als van een grote rivier. Anders: zij zal opkomen, te weten de rivier.
[^jesaja-8-7-26]: Kanttekening 26: zijn stromen: Te weten het volk, of hun, te weten volkeren.
[^jesaja-8-7-27]: Kanttekening 27: zijn oevers: Te weten het volk, of hun, te weten volkeren.
[^jesaja-8-8-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, veranderen; te weten van plaats.
[^jesaja-8-8-29]: Kanttekening 29: in Juda: Dat is, door het Joodse land.
[^jesaja-8-8-30]: Kanttekening 30: Te weten het Joodse land.
[^jesaja-8-8-31]: Kanttekening 31: Dat is, hij zal alle vaste steden in Juda zo haastig overvallen en innemen, alsof zijn leger een waterstroom ware. Zie de volvoering door Sanherib ten tijde van Hizkia, 2 Kon. 18 .
[^jesaja-8-8-32]: Kanttekening 32: tot aan de hals: Dat is, totdat hij de hoofdstad, te weten Jeruzalem, belegere en benauwe. Zie 2 Kon. 18:17 . Maar men kan dit ook verstaan gesproken te zijn van de uiterste nood waarin de Joden vervallen zouden, zo namelijk dat er weinig aan ontbreken zou, of zij zouden altegaar verloren gaan. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^jesaja-8-8-33]: Kanttekening 33: de uitstrekkingen: Dat is, de verscheidene delen van zijn leger. Men noemt nog heden ten dage vleugels de delen van de legers.
[^jesaja-8-8-34]: Kanttekening 34: o Immanuel: Of, o U God, die met ons zijt; aldus wordt Christus de Zoon van God genoemd, die het hoofd van zijn kerk is, welke in die tijd in het land van Juda was. Zie boven Jes. 7:14 . Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.
[^jesaja-8-9-35]: Kanttekening 35: Dit is ene aanspraak tot de koning van Assyrië en de andere natiën, die zich met hem tegen de Joden, of de kerk van God, maar in het bijzonder tegen de stad Jeruzalem verbonden hadden; tegelijk is het ene voorzegging tot troost van de vromen, dat de Assyriërs Jeruzalem wel zouden willen belegeren, maar dat zij die stad en het koninkrijk van Juda niet zouden overweldigen, gelijk zij voorgenomen hadden, maar dat zij met schande daarvan zouden moeten trekken. Het is een heilige ironie, of bespotting, alsook in vers 10 . Zie de vervulling van deze profetie 2 Kon. 19:35 . Jesaja 8:10 : Beraadslaagt een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, maar het zal niet bestaan; want God is met ons! 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-8-9-36]: Kanttekening 36: wordt verbroken: Of, terneder gesmeten, of verpletterd, en zo in het volgende. Zie Jes. 7:7 . Jesaja 7:7 : Zo zegt de Heer YHWH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren.
[^jesaja-8-9-37]: Kanttekening 37: allen u: Hebreeuws, alle verheden van het land, of van de aarde (אָרֶץ).
[^jesaja-8-9-38]: Kanttekening 38: omgordt u: Te weten met uw harnas en zwaard, dat is, bereidt u ten oorlog.
[^jesaja-8-9-39]: Kanttekening 39: maar wordt verbroken: De zin is: Doet al wat u kunt, het zal al vergeefs zijn, u zult niets uitrichten, aangezien Immanuel, dat is God, met ons is.
[^jesaja-8-10-40]: Kanttekening 40: Te weten, hoe u het Joodse land zult overmeesteren.
[^jesaja-8-10-41]: Kanttekening 41: het zal niet bestaan: Gelijk boven Jes. 7:7 . Jesaja 7:7 : Zo zegt de Heer YHWH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren.
[^jesaja-8-10-42]: Kanttekening 42: God is met ons: De profeet ziet op de naam van Immanuel, aan de Zoon van God gegeven, boven Jes. 7:14 , en hier vers 8 . En hij wil hier te kennen geven dat Christus, die de beschutter en beschermer van zijn kerk is, het koninkrijk van Juda beschermen zou, omdat Hij besloten had uit die stam zijn menselijke natuur aan te nemen, voordat al het bestuur ganselijk van Juda weggenomen zou zijn en blijven. Enige zetten het over: Want \[hier is\] Immanuel. Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten. Jesaja 8:8 : En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekkingen van zijn vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël!
[^jesaja-8-11-43]: Kanttekening 43: een sterke hand: Hebreeuws, met sterking, of aangrijping van de hand (יָּד). Waardoor men kan verstaan de krachtige werking van de Geest van God in de profeet en degenen, die hem volgen zouden.
[^jesaja-8-11-44]: Kanttekening 44: van niet te wandelen: Dat is, dat ik en de godzalige Joden, de zeden en manieren van doen van dit volk, te weten van het merendeel van het volk te Jeruzalem, omdat het goddeloos is, niet zouden navolgen, mistrouwende de belofte van God, en ons meer verlatende op menselijke dan op goddelijke hulp, gelijk zij doen.
[^jesaja-8-12-45]: Kanttekening 45: Te weten, u Jesaja en u allen, die de Heer vreest, zult niet straks zeggen, gelijk de meeste hoop van dit volk; wij willen een verbond maken met de koning van Assyrië tegen die andere koningen, die ons dreigen en kwellen, zich daarop zozeer verlatende, dat zij de belofte van God klein achten, ja versmaden.
[^jesaja-8-12-46]: Kanttekening 46: dit volk: Te weten deze boze ongelovige Joden, die de belofte van God verachten.
[^jesaja-8-12-47]: Kanttekening 47: een verbintenis: Of, gelijk men nu spreekt: een ligue (verbond).
[^jesaja-8-12-48]: Kanttekening 48: en vreest u: Dat is, vreest niet datgene waarmee zij u zoeken te verschrikken. Of vreest niet gelijk dit volk doet.
[^jesaja-8-12-49]: Kanttekening 49: hun vreze niet: Te weten van dit volk, dat zeer bevreesd is voor die grote macht dier beide koningen. Zie boven Jes. 7:2 . Jesaja 7:2 : Als men de huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart van zijn volk, gelijk de bomen van het woud bewogen worden van de wind.
[^jesaja-8-12-50]: Kanttekening 50: verschrikt niet: Anders: vervaart \[de anderen\] niet.
[^jesaja-8-13-51]: Kanttekening 51: Te weten u die gelovig bent en u ganselijk op Gods beloften verlaat.
[^jesaja-8-13-52]: Kanttekening 52: Dat is, dienen, gelijk men schuldig is zulk een heiligen God te dienen, te weten met kinderlijke vreze en vertrouwen, niet twijfelende aan zijn beloften. Dit is te verstaan van de Heer Christus, die hier genoemd wordt YHWH van de legermachten, van wie verder in het volgende gesproken wordt.
[^jesaja-8-13-53]: Kanttekening 53: Hij zij uw vreze: Dat is, Hij is het, die u vrezen moet en voor wie u te verschrikken hebt, als u Hem vertoornd hebt.
[^jesaja-8-14-a]: Verwijzing a: Jes. 28:16 ; Lukas 2:34 ; Rom. 9:33 ; 1 Petr. 2:7 . Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Lukas 2:34 : En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis;
[^jesaja-8-14-54]: Kanttekening 54: Dan zal Hij: De Heer Christus zal u ook heiligen door zijn bloed en Geest, en verder ulieder eer en troost, toevlucht en bescherming zijn, waarvan het uiterlijk heiligdom een teken was.
[^jesaja-8-14-55]: Kanttekening 55: de twee huizen: Dat is de twee koninkrijken, te weten van Juda en van de tien stammen. Maar versta dit zo, dat de gelovigen dier beide koninkrijken hieronder niet begrepen zijn.
[^jesaja-8-14-56]: Kanttekening 56: Dat is, van het volk Israël.
[^jesaja-8-15-57]: Kanttekening 57: Te weten van de Israëlieten.
[^jesaja-8-15-58]: Kanttekening 58: onder hen: Anders: velen zullen aan die, of tegen die, te weten steen of rotssteen, of net en strik. Of, velen derzelven zullen sneuvelen.
[^jesaja-8-15-b]: Verwijzing b: Matt. 21:44 ; Lukas 20:18 . Mattheüs 21:44 : En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. Lukas 20:18 : Een iedereen, die op die steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
[^jesaja-8-15-59]: Kanttekening 59: Te weten aanlopende en zich stotende aan die steen. Want omdat zij de aangeboden genade van de Heer door ongeloof zouden verwerpen, zo zou hun die tot grotere verdoemenis strekken.
[^jesaja-8-16-60]: Kanttekening 60: Dit is een vervolg of aanhangsel van de woorden van God, vers 11 , en wat hier staat, dat beveelt God, te weten Christus, de Zoon van God, de profeet Jesaja. De zin is: Dat de getuigenis en de leer, die God liet verkondigen, aangaande zijn genade en bij name van de Messias, allen goddelozen en ongelovigen als een toegebonden, verzegeld en gesloten boek of brief zou zijn, en alleen van die zou verstaan en aangenomen worden, die als zijn ware discipelen, van Hem inwendig geleerd en verlicht zouden zijn door de kracht van de Heilige Geest. Zie Jes. 29:11 , en Jes. 54:13 ; Jer. 31:34 ; Joh. 6:45 . Jesaja 8:11 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende: Jesaja 29:11 : Daarom is u alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. Jesaja 54:13 : En al uw kinderen zullen van YHWH geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn. Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Johannes 6:45 : Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
[^jesaja-8-16-61]: Kanttekening 61: de wet: Of, de leer.
[^jesaja-8-16-62]: Kanttekening 62: onder mijn leerlingen: Anders: onder degenen, die van mij geleerd zijn.
[^jesaja-8-17-63]: Kanttekening 63: Daarom zal ik: Te weten, omdat de Heer tot mij gesproken heeft, enz. vers 11 . Alsof hij zei: Ik wil vast op de Heer staan, en mij op zijn beloften zekerlijk verlaten. Jesaja 8:11 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende:
[^jesaja-8-17-64]: Kanttekening 64: Die Zijn aangezicht: Dat is, die, rechtvaardiglijk vertoornd zijnde, zijn weldadigheid de goddeloze Joden ontnomen heeft, terwijl Hij hen straffen wil.
[^jesaja-8-18-c]: Verwijzing c: Hebr. 2:13 . Hebreeën 2:13 : En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
[^jesaja-8-18-65]: Kanttekening 65: Dit zijn de woorden van Christus, \[gelijk duidelijk blijkt uit Hebr. 2:13 \]; die hier de profeet troost en versterkt tegen de haat van de boze mensen, met zijn eigen voorbeeld, alsof Hij zei: Wedervaart mij zelfs die schande in mijn persoon, in de bediening van mijn leerambt, zo laat het u, o Jesaja, geen wonder geven dat u smaad en spijt wordt aangedaan. Hebreeën 2:13 : En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
[^jesaja-8-18-66]: Kanttekening 66: Te weten, die uit God geboren zijn, die naarstiglijk mijn woord horen en betrachten.
[^jesaja-8-18-67]: Kanttekening 67: YHWH: Dat is, God de Vader, verwekkende in hen door mijn predikatie en de werking van de Heilige Geest het geloof en gehoorzaamheid.
[^jesaja-8-18-68]: Kanttekening 68: gegeven heeft: Te weten om te onderwijzen en te verlossen, Joh. 6:37 , en Joh. 17:12 . Want hier spreekt Christus. Johannes 6:37 : Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen. Johannes 17:12 : Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.
[^jesaja-8-18-69]: Kanttekening 69: zijn tot tekenen: Dat is, velen hebben een afkeer van ons en haten ons, omdat hun goddeloosheid door ons gestraft wordt.
[^jesaja-8-18-70]: Kanttekening 70: in Israël: Dat is, onder de Israëlieten.
[^jesaja-8-19-71]: Kanttekening 71: Dit zijn nog de woorden van God tot Jesaja en tot de godvrezende Joden.
[^jesaja-8-19-72]: Kanttekening 72: zij dan: Te weten, de ongelovige Joden, of Jeruzalemmers.
[^jesaja-8-19-73]: Kanttekening 73: tot u: Te weten tot u, Jesaja en tot andere godzaligen, die in de ware God geloven.
[^jesaja-8-19-74]: Kanttekening 74: Te weten, hoe u en wij van de vijanden zullen verlost worden. Zie van de waarzeggers Lev. 19:31 , en Lev. 20:6 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! Leviticus 20:6 : Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.
[^jesaja-8-19-75]: Kanttekening 75: Of, kirren.
[^jesaja-8-19-d]: Verwijzing d: Deut. 18:11 . Deuteronomium 18:11 : Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.
[^jesaja-8-19-76]: Kanttekening 76: Of, popelen; dat is, die hun voorzeggingen met een duistere, onverstaanbare stem voortbrengen.
[^jesaja-8-19-77]: Kanttekening 77: Zal men: De zin is: Zullen zij, die leven, voor zichzelven de doden vragen, gelijk Saul gedaan heeft, 1 Sam. 18:11 ? Hij wil zeggen dat zulks de kinderen van God in geen geval betaamt. Anders aldus: Vraagt niet een volk zijn goden? voor de levenden de doden? verstaande dat het zij ene bestraffing van de ongerijmdheid van de afgodendienaars, die de doden afgoden vragen tot voordeel van de levenden. 1 Samuël 18:11 : En Saul schoot de spies, en zei: Ik zal David aan de wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.
[^jesaja-8-20-78]: Kanttekening 78: Tot de wet: Dat is, tot de boeken van Mozes. Zie Luk. 16:29 . Lukas 16:29 : Abraham zei tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.
[^jesaja-8-20-79]: Kanttekening 79: de getuigenis: Dat is, tot de openbaringen, die God de profeten gedaan heeft; te weten, zal men gaan om te vragen.
[^jesaja-8-20-80]: Kanttekening 80: Zo zij niet: Dat is, als zij Mozes en de ware profeten niet willen horen en zich naar hun leer schikken.
[^jesaja-8-20-81]: Kanttekening 81: geen dageraad: Of, geen licht. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk de dageraad; dat is het aanbrekende licht, als de zon begint op te gaan, dat meer schemering dan dag is. Dat is, zij zullen het hemelse licht en het rechte verstand van de verborgenheden van God, alsook zijn genade, niet deelachtig worden; maar met allerlei geestelijke en lichamelijke ellenden gestraft worden. Zie Job 18:18 ; Ps. 84:12 . Anders: \[zo is het\] omdat er geen dageraad bij hen is. Anders: zo niet, laat hen naar dat woord spreken, dat geen dageraad heeft; dat is, die het woord van de profeten verachten en zo doen blijken dat zij geen hemelse verlichting hebben, laat die spreken naar het woord van de waarzeggers of duivelskunstenaars. Job 18:18 : Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. Psalmen 84:12 : Want God, YHWH, is een Zon en Schild; YHWH zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
[^jesaja-8-20-82]: Kanttekening 82: zullen hebben: Hebreeuws, bij hem, of in hem; dat is, bij geen van hen allen. Hij spreekt van al de goddeloze Israëlieten als van één geheel. Zo ook vers 21 , 8:22 . Jesaja 8:21 : En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal gebeuren, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien; Jesaja 8:22 : Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid.
[^jesaja-8-21-83]: Kanttekening 83: En een ieder: Te weten omdat zij de raad van God niet willen volgen.
[^jesaja-8-21-84]: Kanttekening 84: daar doorgaan: Te weten door het land van Juda en Israël hulp en troost zoekende. Het schijnt dat dit moet gepast zijn op de tijden van de koning Zedekia, toen de stad Jeruzalem van de Chaldeën is ingenomen. Zie 2 Kon. 25:6 , 25:7 . 2 Koningen 25:6 : Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7 : En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^jesaja-8-21-85]: Kanttekening 85: Te weten omdat Hij hen niet beschut noch beschermd heeft.
[^jesaja-8-21-86]: Kanttekening 86: op zijn God: Te weten omdat Hij hen niet verhoord heeft, als zij Hem, op hun wijze, aangeroepen hebben, namelijk door offeranden en beeldenverering. Anders: op zijn goden.
[^jesaja-8-21-87]: Kanttekening 87: als hij opwaarts: Anders: en opwaarts zien; te weten, of hun enige hulp van God zou komen. Maar dit omhoog zien zou niet komen uit geloof, maar uit ongeduld, en door de uiterste nood daartoe gedrongen zijnde; gelijk 2 Sam. 22:42 . 2 Samuël 22:42 : Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar YHWH, maar Hij antwoordde hun niet.
[^jesaja-8-22-e]: Verwijzing e: Jes. 5:30 . Jesaja 5:30 : En zij zullen tegen hetzelfde op die dag bruisen, als het bruisen van de zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.
[^jesaja-8-22-88]: Kanttekening 88: Als hij: Anders: ook zal hij de aarde aanschouwen, en ziet, enz.
[^jesaja-8-22-89]: Kanttekening 89: hij zal verduisterd: De zin is: Waar hij zich keert of wendt, hij zal hulp noch troost vinden.
[^jesaja-8-23-90]: Kanttekening 90: Maar het land : Hier beginnen sommigen het negende hoofdstuk. Immers begint hier de profeet het volk te troosten, nadat hij het in de naastvoorgaande verzen door zware dreigementen verschrikt had; alsof hij zei: Alhoewel God de Heer zijn land, dat is het land van Israël, zwaar heeft aangetast, toen Hij het eerst door Tiglath Pileser \[ 2 Kon. 15:29 \] heeft laten bederven en daarna nog zwaarder het gehele land aan de zee, en wat over de Jordaan ligt, ja ook Galilea, dat aan de grenzen van de heidenen strekt, door Salmanasser gestraft heeft, zo zal Hij nochtans niet toelaten dat het in de uiterste duisternis en ellende blijft, maar het volk, dat in duisternis zit, of wandelt, zal ten tijde van Christus heerlijk gemaakt worden, gelijk hier in het algemeen gezegd wordt, en daarna bijzonderlijk in Jes. 9 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^jesaja-8-23-91]: Kanttekening 91: Hij het: Te weten God de Heer.
[^jesaja-8-23-92]: Kanttekening 92: Zebulon aan: Versta hier door het land Zebulon en Nafthali het land van de tien stammen, die de profeet hier noemt, omdat de verlossing eerst daarin begonnen is, te weten, door de predikatie van Christus; Matt. 4:12 , 4:13 , 4:14 , 4:15 . Mattheüs 4:12 : Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea; Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Mattheüs 4:14 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: Mattheüs 4:15 : Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken;
[^jesaja-8-23-93]: Kanttekening 93: in het laatste: Of, ten laatste, in de laatste tijden.
[^jesaja-8-23-94]: Kanttekening 94: Versta hier de Galilese zee, ander de zee Genezareth, of van Tiberias genoemd.
[^jesaja-8-23-f]: Verwijzing f: Matt. 4:15 . Mattheüs 4:15 : Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken;
[^jesaja-8-23-95]: Kanttekening 95: over de Jordaan: Anders: aan deze zijde van de Jordaan. Het Hebreeuwse woord betekent zo het een als het ander. Anders: omtrent de Jordaan.
[^jesaja-8-23-96]: Kanttekening 96: van de heidenen: Aldus genoemd omdat die van Tyrus, Sidon en andere heidense natiën westwaarts en andere oostwaarts daaraan grensden. Anders: aan het volkrijke Galilea, dat is Neder-Galilea, bij de zee Genezareth of van Tiberias gelegen, dat volkrijk was, omdat het vruchtbaar was, gelijk te zien is Deut. 33:23 . Zo van onder- en boven-Galilea, 1 Kon. 9:11 , en Ez. 47:8 . Deuteronomium 33:23 : En van Nafthali zei hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van de zegen van YHWH; bezit erfelijk het westen en het zuiden. 1 Koningen 9:11 : (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea. Ezechiël 47:8 : Toen zei hij tot mij: Deze wateren stromen uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.

### Jesaja 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/9.json)

*Een profetie van de roeping van het volk tot Christus, vers 1. en van de grote vreugde daarover vanwege de verlossing door Christus, 2. wiens geboorte, persoon, ambt en eeuwig Rijk de profeet beschrijft, 5. Daarna komt hij weer tot de dreigingen over Efraïm, 7. vanwege de hoogmoed, 9. en hardnekkigheid van het volk van Israël, 12. en hun goddeloosheid, 17.*

**1** Het[^jesaja-9-1-1][^jesaja-9-1-a] volk, dat[^jesaja-9-1-2] in duisternis wandelt, zal[^jesaja-9-1-3] een groot licht zien; degenen, die wonen[^jesaja-9-1-4] in het land van de schaduw van de dood, daarover zal[^jesaja-9-1-5] een licht schijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v1)

**2** [^jesaja-9-2-6] U hebt dit volk vermenigvuldigd,[^jesaja-9-2-7] maar U hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen[^jesaja-9-2-8] toch blij[^jesaja-9-2-9] wezen voor Uw aangezicht, zoals men zich verblijdt in de oogst, zoals men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v2)

**3** Want[^jesaja-9-3-10] het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van degene,[^jesaja-9-3-11] die hen dreef, hebt U verbroken,[^jesaja-9-3-b] gelijk op de dag van de Midianieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v3)

**4** Toen de hele strijd van degenen, die streden,[^jesaja-9-4-12] met geluid gebeurde, en[^jesaja-9-4-13] de kleren[^jesaja-9-4-14] in het bloed gewenteld en verbrand werden,[^jesaja-9-4-15] tot een voedsel van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v4)

**5** [^jesaja-9-5-16] Want[^jesaja-9-5-17] een Kind[^jesaja-9-5-18] is ons geboren,[^jesaja-9-5-19] een Zoon is[^jesaja-9-5-20][^jesaja-9-5-c] ons[^jesaja-9-5-21] gegeven, en[^jesaja-9-5-22] de heerschappij is op Zijn schouder; en men[^jesaja-9-5-23] noemt Zijn naam[^jesaja-9-5-24] Wonderlijk,[^jesaja-9-5-25][^jesaja-9-5-d] Raad,[^jesaja-9-5-26] Sterke God,[^jesaja-9-5-27] Vader van de[^jesaja-9-5-28] eeuwigheid, Vredevorst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v5)

**6** Van de[^jesaja-9-6-29] grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op[^jesaja-9-6-30] de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken[^jesaja-9-6-31] met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De[^jesaja-9-6-32][^jesaja-9-6-e] ijver van YHWH van de legermachten zal dat doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v6)

**7** [^jesaja-9-7-33] De Heere heeft[^jesaja-9-7-34] een woord gezonden in Jakob, en[^jesaja-9-7-35] het is gevallen in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v7)

**8** En al dit volk zal het bemerken,[^jesaja-9-8-36] Efraïm en de inwoner van[^jesaja-9-8-37] Samaria;[^jesaja-9-8-38] in hoogmoed en grootsheid van het hart, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v8)

**9** [^jesaja-9-9-39]De bakstenen[^jesaja-9-9-40] zijn gevallen, maar[^jesaja-9-9-41] met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen;[^jesaja-9-9-42] de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar[^jesaja-9-9-43] wij zullen ze in cederen veranderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v9)

**10** [^jesaja-9-10-44] Want YHWH zal[^jesaja-9-10-45] Rezins tegenstanders tegen hem verheffen, en Hij[^jesaja-9-10-46] zal zijn[^jesaja-9-10-47] vijanden samen vermengen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v10)

**11** De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij[^jesaja-9-11-48] Israël[^jesaja-9-11-49] opeten[^jesaja-9-11-50] met vollen mond.[^jesaja-9-11-51][^jesaja-9-11-f] Om dit alles keert[^jesaja-9-11-52] Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand[^jesaja-9-11-53] is nog uitgestrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v11)

**12** Want[^jesaja-9-12-54] dit volk[^jesaja-9-12-55] keert zich niet[^jesaja-9-12-56] tot degene die het slaat, en YHWH van de legermachten zoeken[^jesaja-9-12-57] zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v12)

**13** Daarom zal YHWH[^jesaja-9-13-58] afhouwen uit Israël[^jesaja-9-13-59] de kop en de staart, de tak en de bieze,[^jesaja-9-13-60] op één dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v13)

**14** (De oude en[^jesaja-9-14-61] aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die[^jesaja-9-14-62] valsheid leert, die[^jesaja-9-14-63] is de staart.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v14)

**15** [^jesaja-9-15-64] Want[^jesaja-9-15-65] de leiders van dit volk[^jesaja-9-15-66] zijn verleiders, en die van hen geleid worden,[^jesaja-9-15-67] worden ingeslokt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v15)

**16** Daarom zal zich de Heere[^jesaja-9-16-68] niet verblijden over hun[^jesaja-9-16-69] jongemannen, en van hun wezen en van hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen[^jesaja-9-16-70][^jesaja-9-16-g] samen huichelaars en boosdoeners, en[^jesaja-9-16-71] alle mond spreekt[^jesaja-9-16-72] dwaasheid.[^jesaja-9-16-73] Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v16)

**17** Want[^jesaja-9-17-74][^jesaja-9-17-h] de goddeloosheid brandt als vuur,[^jesaja-9-17-75] doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken[^jesaja-9-17-76] de verwarde struiken van het woud, die zich verheven hebben als de[^jesaja-9-17-77] verheffing van de rook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v17)

**18** Vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, zal[^jesaja-9-18-79][^jesaja-9-18-78] het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als[^jesaja-9-18-80] een voedsel[^jesaja-9-18-81] van[^jesaja-9-18-82] het vuur: de één zal de ander niet sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v18)

**19** Zo hij ter rechterhand[^jesaja-9-19-83] snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; ieder zal het vlees[^jesaja-9-19-84] van zijn arm eten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v19)

**20** [^jesaja-9-20-85] Manasse Efraïm,[^jesaja-9-20-86] en Efraïm Manasse, en zij zullen samen[^jesaja-9-20-87] tegen Juda zijn.[^jesaja-9-20-88] Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/9.html#v20)

[^jesaja-9-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk: het volk van God, zowel in Juda als in Israël.
[^jesaja-9-1-a]: Verwijzing a: Matteüs 4:15-16; Efeziërs 5:14.
[^jesaja-9-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: in onwetendheid of in grote ellende.
[^jesaja-9-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk: de prediking van het heilige Evangelie, Matteüs 4:13, 16, ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees, zoals af te lezen is uit vers 5.
[^jesaja-9-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: in het land waar het vreselijk donker is — dat wil zeggen: in zeer grote ellende. Zie Job 3:5.
[^jesaja-9-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: vreugde en blijdschap vanwege de zaligmakende kennis van God, voortkomend uit de prediking van het heilige Evangelie. Zie Matteüs 4:15; ook Psalm 36:10.
[^jesaja-9-2-6]: Kanttekening 6: Dit wordt tot God gesproken, aangaande het volk van de Joden of Israëlieten.
[^jesaja-9-2-7]: Kanttekening 7: Anders: en u heeft hun de blijdschap groot gemaakt; of: hebt u niet de blijdschap groot gemaakt? Naar de eerste lezing is de betekenis: de Israëlieten hebben zich al meermaals verblijd vanwege de grote weldaden en verlossingen die zij van uw hand, o YHWH, ontvangen hebben, maar dat alles is klein in vergelijking met de uiterst grote, zowel lichamelijke als geestelijke weldaden die zij van u, YHWH God, nog verwachten. Naar de andere lezing: YHWH, u heeft de blijdschap van het volk groot gemaakt (sprekend van de toestand van de nieuwtestamentische kerk) doordat zij (bestaande uit Israëlieten en heidenen) gezamenlijk u zullen loven vanwege de grote weldaden hun in Christus bewezen.
[^jesaja-9-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk: wanneer zij u zullen danken voor uw genade en weldaden — namelijk wanneer zij Christus zullen horen prediken en zijn wonderen zullen zien.
[^jesaja-9-2-9]: Kanttekening 9: Dit schijnt de geestelijke blijdschap van het hart aan te duiden, die alleen voor God open staat. Of: voor uw aangezicht — dat wil zeggen: voor u buigend wanneer zij u komen danken.
[^jesaja-9-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: het juk waarmee zij belast en bezwaard waren, en de stok waarmee men hen op de schouders sloeg. Dit alles is echter te verstaan van het geestelijk juk van de duivel en de zonde, waarvan Christus zijn volk verlost. En deze geestelijke verlossing wordt hier vergeleken met de lichamelijke die in de tijd van Midian geschiedde, Richteren 7:22; Jesaja 10:26. Want zoals Gideon de Midjanieten door het geklank van de trompetten heeft verstrooid en verslagen, zo zou Christus door de trompet van het heilige Evangelie het rijk van de duivel verwoesten.
[^jesaja-9-3-11]: Kanttekening 11: Of: van degene die daarmee dreef.
[^jesaja-9-3-b]: Verwijzing b: Richteren 7:22; Jesaja 10:26.
[^jesaja-9-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk: toen die schrik over hen kwam en zij elkaar ombrachten, Richteren 7:22. Anders: met verward gewoel.
[^jesaja-9-4-13]: Kanttekening 13: Anders: de mantels — namelijk van de Midjanieten.
[^jesaja-9-4-14]: Kanttekening 14: Anders: in vergoten bloed — namelijk van de Midjanieten.
[^jesaja-9-4-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: voedsel.
[^jesaja-9-5-16]: Kanttekening 16: Hier geeft de profeet de reden waarom hij gezegd heeft dat het volk dat in duisternis wandelde (vers 1) grotere vreugde en blijdschap zou genieten dan het ooit heeft gedaan, en waarom hun lasten verbroken zouden worden — namelijk omdat hun een kind geboren zou worden dat hun eeuwige vreugde en zaligheid zou brengen. Vergelijk hoofdstuk 10:27.
[^jesaja-9-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk: Jezus Christus, de vaderen beloofd van het begin van de wereld af.
[^jesaja-9-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: zal ons in de volheid van de tijd geboren worden. De profeet spreekt over de geboorte van Christus alsof het al geschied is, vanwege de zekerheid van deze profetie. Zie Jesaja 53 in de beschrijving van het lijden van Christus.
[^jesaja-9-5-19]: Kanttekening 19: Namelijk: Jezus Christus, de Zoon van God, Psalm 2:7, en de Zoon van Maria, Jesaja 7:14.
[^jesaja-9-5-20]: Kanttekening 20: Namelijk: aan het volk van God; of: ons — dat wil zeggen: tot onze zaligheid, Lucas 2:10-11.
[^jesaja-9-5-c]: Verwijzing c: Jesaja 22:22; Lucas 2:10-11; Johannes 4:10.
[^jesaja-9-5-21]: Kanttekening 21: Namelijk: van God. Johannes 4:10.
[^jesaja-9-5-22]: Kanttekening 22: Anders: op wiens schouder de heerschappij zal zijn — dat wil zeggen: aan wie door de Vader alle heerschappij, en in het bijzonder over de kerk, wordt opgelegd, en die deze ernstig aanneemt. Zie Matteüs 28:18; Efeziërs 1:21-22.
[^jesaja-9-5-23]: Kanttekening 23: Jezus Christus heet niet alleen zo bij name, maar hij is het ook inderdaad, en zijn kerk erkent hem als zodanig.
[^jesaja-9-5-24]: Kanttekening 24: Christus is wonderlijk, zowel wat zijn persoon betreft — want hij is God en mens in één persoon — als wat betreft zijn wonderlijke werken en daden.
[^jesaja-9-5-25]: Kanttekening 25: Of: Raadsman, Raadgever, Raadsheer. Versta dit zo: dat Christus alleen de raad en het voornemen van zijn Vader kent en aan zijn kerk openbaart en mededeelt, Johannes 1:18 — zoveel als zij ter zaligheid behoeven te weten, Handelingen 20:27. Hij is het ook die ons in alle angst en nood raad geeft en hulp biedt.
[^jesaja-9-5-d]: Verwijzing d: Jesaja 11:2; Jeremia 23:6.
[^jesaja-9-5-26]: Kanttekening 26: Die door de kracht van zijn godheid de ondraaglijke last van Gods toorn over de zonden van alle uitverkorenen in zijn mensheid gedragen heeft, en door zijn eigen kracht uit de doden is opgestaan, en de harten van zijn uitverkorenen heeft wedergeboren tot het eeuwige leven; ook door de kracht van zijn godheid grote wonderen heeft verricht, nog verricht, en uiteindelijk alle doden zal opwekken.
[^jesaja-9-5-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: die zelf van eeuwigheid is en ons het eeuwige leven geeft.
[^jesaja-9-5-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: die ons met God verzoent. Zie Efeziërs 2:14 etc.
[^jesaja-9-6-29]: Kanttekening 29: Namelijk: die op de schouder van de Messias zal worden gelegd.
[^jesaja-9-6-30]: Kanttekening 30: Als zijnde een rechtmatig erfgenaam ervan, en aan wie het beloofd en toegezegd is, 2 Samuël 7:12; Lucas 1:32-33. Hij heeft het tijdelijke koninkrijk veranderd in een geestelijk en eeuwig, Johannes 18:36.
[^jesaja-9-6-31]: Kanttekening 31: Want hij straft alle ongerechtigheid en bemint en beschermt de vromen.
[^jesaja-9-6-32]: Kanttekening 32: Die hij heeft voor zijn eer en voor de zaligheid van zijn uitverkorenen. Zie de aantekening bij 2 Koningen 19:31.
[^jesaja-9-6-e]: Verwijzing e: 2 Koningen 19:31; Jesaja 37:32.
[^jesaja-9-7-33]: Kanttekening 33: Hier keert de profeet terug tot de dreigementen tegen de Israëlieten — alsof hij zei: zie, dit is de last die YHWH heeft opgedragen de Joden te verkondigen; want hij verstaat zowel door het woord 'Jakob' als door het woord 'Israël' alle Joden, hoewel sommigen menen dat dit alleen van de tien stammen te verstaan is.
[^jesaja-9-7-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zijn dreigementen door zijn profeten laten verkondigen.
[^jesaja-9-7-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: het zal gebeuren en vervuld worden.
[^jesaja-9-8-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: de Israëlieten, namelijk de tien stammen, waarvan de stam van Efraïm destijds de voornaamste was.
[^jesaja-9-8-37]: Kanttekening 37: De hoofdstad van de tien stammen.
[^jesaja-9-8-38]: Kanttekening 38: Alsof hij zei: die zo stout en overmoedig zijn dat zij, in plaats van zich te beteren door de plagen van God, YHWH trotseren — zoals volgt in vers 9.
[^jesaja-9-9-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: de gebouwen van gebakken stenen, die niet zo heel sterk zijn en ook niet zo duur. Alsof zij zeiden: al hebben wij nog zulke grote schade geleden van de Assyriërs en zijn onze huizen en bezittingen zwaar beschadigd en verwoest (zie 2 Koningen 15:29), toch storen wij ons er niet aan; wij willen alles beter en sterker herbouwen dan het tevoren was.
[^jesaja-9-9-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: gevallen, vergaan.
[^jesaja-9-9-41]: Kanttekening 41: Anders: gesneden, geslepen, gepolijste stenen, die sterker zijn en meer kosten dan de bakstenen, en ook duurzamer zijn.
[^jesaja-9-9-42]: Kanttekening 42: Zie 1 Koningen 10:27. De betekenis is: de huizen die van hout van wilde vijgenbomen gebouwd waren.
[^jesaja-9-9-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: wij zullen nu huizen gaan bouwen van cederhout, dat veel beter en duurzamer is dan het hout van wilde vijgenbomen; want cederhout vergaat noch verrot niet, maar is zeer duurzaam vanwege zijn droogheid. Zie dergelijk grootspreken van trotse kwaaddoeners in Maleachi 1:4.
[^jesaja-9-10-44]: Kanttekening 44: Hier legt de profeet uit hoe het woord van YHWH over de tien stammen zou neervallen en hoe zij het gewaar zouden worden, waarvan in vers 7 en 8 gesproken wordt.
[^jesaja-9-10-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: de Assyriërs, die de Joden tegen Rezin opgezet en op de been gebracht hadden om hem de oorlog aan te doen. 2 Koningen 16:7-9.
[^jesaja-9-10-46]: Kanttekening 46: Namelijk: die van Efraïm, dat wil zeggen van de tien stammen van de Israëlieten. En versta hierdoor de vijanden van de Israëlieten, zijn oude vijanden, die in vers 11 worden genoemd. De profeet wil zeggen dat allerlei volkeren gezamenlijk naar Assyrië zullen toestromen om Efraïm te verderven, nadat God Rezin en zijn koninkrijk door de koning van Assyrië zou hebben neergedrukt.
[^jesaja-9-10-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: hij zal ze van alle kanten verzamelen en hiertoe doen toevliegen.
[^jesaja-9-11-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: de Israëlieten, de tien stammen.
[^jesaja-9-11-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: eten met volle mond (יֹּאכְלוּ).
[^jesaja-9-11-50]: Kanttekening 50: Zoals de leeuwen, beren, tijgers en andere wilde wrede dieren doen.
[^jesaja-9-11-51]: Kanttekening 51: Zie Jesaja 5, de aantekening bij vers 25.
[^jesaja-9-11-f]: Verwijzing f: Jesaja 5:25; 10:5.
[^jesaja-9-11-52]: Kanttekening 52: Namelijk: de toorn van YHWH.
[^jesaja-9-11-53]: Kanttekening 53: Namelijk: om nog meer te slaan en te verderven.
[^jesaja-9-12-54]: Kanttekening 54: Namelijk: de Israëlieten.
[^jesaja-9-12-55]: Kanttekening 55: Namelijk: met berouw en spijt over zijn zonden, en met gelovig gebed.
[^jesaja-9-12-56]: Kanttekening 56: Namelijk: tot de ware God.
[^jesaja-9-12-57]: Kanttekening 57: Namelijk: door hun gebed, zoals Psalm 34:5. Of door het onderhouden van zijn geboden, zoals 2 Kronieken 14:4.
[^jesaja-9-13-58]: Kanttekening 58: Namelijk: door Salmanassar, de koning van Assyrië. Zie 2 Koningen 17:3.
[^jesaja-9-13-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: de sterken en machtigen met de kleinen en geringen. Daarom stelt de profeet hier de tak, niet de boom — omdat de wortel en de stam van het Israëlitische volk in wezen zijn gebleven en weer zijn uitgebot, maar de takken zijn afgehakt.
[^jesaja-9-13-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: tegelijkertijd en plotseling.
[^jesaja-9-14-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws: de verhevene van aangezicht (פָנִים). Zie hierboven hoofdstuk 3:3.
[^jesaja-9-14-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: een valse leer of godsdienst.
[^jesaja-9-14-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: betekend.
[^jesaja-9-15-64]: Kanttekening 64: Deze woorden hangen aan vers 13.
[^jesaja-9-15-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: de bestuurders, zowel kerkelijke als politieke. Zie Jesaja 3, de aantekening bij vers 12.
[^jesaja-9-15-66]: Kanttekening 66: Omdat zij het volk, naast allerlei andere verleidingen, wijs maakten dat wat God dreigde niet zou gebeuren, maar dat alles in goede staat zou blijven.
[^jesaja-9-15-67]: Kanttekening 67: Of: verslonden. Namelijk: door hun verleiders. Vergelijk hierboven 3:12. Anders: zijn bedekt — dat wil zeggen: hun hart is bedekt met onwetendheid en valse waan.
[^jesaja-9-16-68]: Kanttekening 68: Versta hierbij: maar hij zal hen gevankelijk laten wegvoeren of ombrengen, omdat zij boos en verdorven zijn.
[^jesaja-9-16-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws: uitgelesene, uitverkorene.
[^jesaja-9-16-70]: Kanttekening 70: Of: huichelaars, geveinsden. Zie Job 8:13.
[^jesaja-9-16-g]: Verwijzing g: Jesaja 10:6.
[^jesaja-9-16-71]: Kanttekening 71: Namelijk: van de Israëlieten.
[^jesaja-9-16-72]: Kanttekening 72: Zie Genesis 34, de aantekening bij vers 7.
[^jesaja-9-16-73]: Kanttekening 73: Zie hierboven hoofdstuk 5 bij vers 25, en hierboven bij vers 11.
[^jesaja-9-17-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: de goddelozen zullen vanwege hun boosheid en onboetvaardigheid als door vuur verteerd en verdelgd worden.
[^jesaja-9-17-h]: Verwijzing h: Jesaja 5:24; 24:6.
[^jesaja-9-17-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: de één zowel als de ander, groot en klein.
[^jesaja-9-17-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: de aanzienlijken en machtigen die zich samengebonden hebben. Hebreeuws: de verwarring van het woud. Zie Jesaja 10:34. Of: zal aangestoken worden in of onder het verwarde struikgewas van het woud, dat omhoog zal stijgen als een kolom rook — dat wil zeggen: door de brand in rook opgaan.
[^jesaja-9-17-77]: Kanttekening 77: Of: opstijging, verheffing.
[^jesaja-9-18-79]: Kanttekening 79: Namelijk: het land van de Israëlieten.
[^jesaja-9-18-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: het land zal van alle kanten vol ellende zijn.
[^jesaja-9-18-80]: Kanttekening 80: Hebreeuws: een voedsel.
[^jesaja-9-18-81]: Kanttekening 81: Zie Job 15:34.
[^jesaja-9-18-82]: Kanttekening 82: Of: niemand zal zijn broer sparen. De betekenis is: wie het gemeenschappelijke landsverderf ontkomen, die zullen elkaar vervolgen, verderven, ja ook doden.
[^jesaja-9-19-83]: Kanttekening 83: Namelijk: voedsel of voeder. Anders: houwt of afhouwt. De betekenis is: er zal zulk gebrek en hongersnood zijn dat ieder zal toegrijpen en toetasten, houwen en snijden, waar hij maar enigszins bij kan komen — en toch zal het hem niets helpen.
[^jesaja-9-19-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: van zijn naaste, op wie hij zich tevoren had verlaten. De betekenis is: de inwoners van het land van Israël zullen tegen elkaar opstaan en elkaar vernielen — zoals direct in vers 20 uitvoeriger gezegd wordt.
[^jesaja-9-20-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: de Manassieten.
[^jesaja-9-20-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: de Efraïmieten.
[^jesaja-9-20-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: tegen de stam van Juda.
[^jesaja-9-20-88]: Kanttekening 88: Zie hierboven vers 11.

### Jesaja 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/10.json)

*Een dreiging over de onrechtvaardige rechters en verdraaiers van het recht, vers 1 enzovoort, evenals tegen de Assyriers, 5, 12, 15, 16, 17, 18, die met het verderven van de Joden een ander doel hadden dan de Heere had, 7. Hun hoogmoed wordt beschreven, 8. God belooft dat Hij het overblijfsel van zijn kerk zal redden, 21, en dat spoedig, 25. De tocht van Sanherib die naar Jeruzalem oprukt, 28 enzovoort. Dreiging van God tegen hem, 33.*

**1** Wee[^jesaja-10-1-1] degenen, die ongerechte voorschriften[^jesaja-10-1-2] inzetten,[^jesaja-10-1-3] en de schrijvers, die[^jesaja-10-1-4] moeite voorschrijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v1)

**2** [^jesaja-10-2-5] Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht van de ellendigen van Mijn volk te roven,[^jesaja-10-2-6] opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v2)

**3** Maar wat zult u doen[^jesaja-10-3-7] op de dag van de bezoeking, en[^jesaja-10-3-8] van de verwoesting,[^jesaja-10-3-9] die van verre komen zal?[^jesaja-10-3-10] Tot wie zult u vluchten om hulp, en waar zult u[^jesaja-10-3-11] uw heerlijkheid laten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v3)

**4** Dat elk zich[^jesaja-10-4-12] niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v4)

**5** [^jesaja-10-5-a] Wee[^jesaja-10-5-13] de Assyriër, die de[^jesaja-10-5-14] roede van Mijn toorn is,[^jesaja-10-5-15] en Mijn woede is een stok in hun[^jesaja-10-5-16] hand! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v5)

**6** Ik zal[^jesaja-10-6-17] hem zenden[^jesaja-10-6-18] tegen een huichelachtig volk, en[^jesaja-10-6-19] Ik zal hem bevel geven[^jesaja-10-6-20] tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij[^jesaja-10-6-21] de roof rove, en plundere de plundering, en stelle[^jesaja-10-6-22] het ter vertreding,[^jesaja-10-6-b] zoals het slijk van de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v6)

**7** Hoewel hij het[^jesaja-10-7-23] zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt,[^jesaja-10-7-24] maar hij zal in zijn hart hebben te vernietigen, en uit te roeien niet weinig volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v7)

**8** Want hij zegt:[^jesaja-10-8-25] Zijn niet mijn vorsten al samen koningen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v8)

**9** [^jesaja-10-9-26] Is niet[^jesaja-10-9-27] Kalno gelijk[^jesaja-10-9-28] Karchemis? Is[^jesaja-10-9-29] Hamath niet gelijk[^jesaja-10-9-30] Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v9)

**10** Zoals mijn hand[^jesaja-10-10-31] gevonden heeft de koninkrijken[^jesaja-10-10-32] van de afgoden,[^jesaja-10-10-33] hoewel hun gesneden beelden[^jesaja-10-10-34] beter[^jesaja-10-10-35] zijn, dan[^jesaja-10-10-36] die van Jeruzalem, en dan die van Samaria; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v10)

**11** Zoals ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik zo[^jesaja-10-11-37] niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan[^jesaja-10-11-38] haar afgoden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v11)

**12** [^jesaja-10-12-39] Want het zal gebeuren,[^jesaja-10-12-40] als YHWH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal[^jesaja-10-12-41] Ik[^jesaja-10-12-42] te huis zoeken[^jesaja-10-12-43] de vrucht van[^jesaja-10-12-44] de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht[^jesaja-10-12-45] van de hoogheid van zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v12)

**13** [^jesaja-10-13-46] Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid,[^jesaja-10-13-47] want ik ben verstandig; en[^jesaja-10-13-48] ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb[^jesaja-10-13-49] hun voorraad geroofd, en[^jesaja-10-13-50] heb als een geweldige[^jesaja-10-13-51] de inwoners doen neerdalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v13)

**14** En mijn hand heeft gevonden het[^jesaja-10-14-52] vermogen van de[^jesaja-10-14-53] volken, als een nest, en[^jesaja-10-14-54] ik heb de hele aarde samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest,[^jesaja-10-14-55] die een vleugel verroerde, of[^jesaja-10-14-56] de bek opendeed, of[^jesaja-10-14-57] piepte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v14)

**15** [^jesaja-10-15-58] Zal[^jesaja-10-15-59] een bijl zich beroemen tegen die, die daarmee houwt? Zal een zaag[^jesaja-10-15-60] pochen tegen die,[^jesaja-10-15-61] die ze trekt? Alsof een staf[^jesaja-10-15-62] bewoog degenen, die hem opheffen?[^jesaja-10-15-63] Als men een stok opheft, is het geen hout? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v15)

**16** Daarom zal Adonai YHWH van de legermachten onder[^jesaja-10-16-64] zijn[^jesaja-10-16-65] vetten een[^jesaja-10-16-66] magerheid zenden; en[^jesaja-10-16-67] onder[^jesaja-10-16-68] zijn heerlijkheid[^jesaja-10-16-c] zal Hij[^jesaja-10-16-69] een brand doen branden, als de brand van het vuur.[^jesaja-10-16-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v16)

**17** Want het Licht van[^jesaja-10-17-71] Israël zal tot een vuur zijn, en[^jesaja-10-17-72] zijn[^jesaja-10-17-73] Heilige[^jesaja-10-17-74] tot een vlam, die in brand steken en verteren zal[^jesaja-10-17-75] zijn[^jesaja-10-17-76] doornen en zijn distelen,[^jesaja-10-17-77] op één dag.[^jesaja-10-17-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v17)

**18** Ook zal Hij verteren de heerlijkheid[^jesaja-10-18-79] van zijn[^jesaja-10-18-80] woud en[^jesaja-10-18-81] van zijn vruchtbare veld;[^jesaja-10-18-82] van de ziel af, tot het vlees toe; en[^jesaja-10-18-83] hij[^jesaja-10-18-84] zal zijn, zoals wanneer een vaandrager[^jesaja-10-18-85] versmelt.[^jesaja-10-18-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v18)

**19** En de overgebleven bomen van zijn woud zullen[^jesaja-10-19-87] weinig in getal zijn,[^jesaja-10-19-88] ja, een jongen zou ze opschrijven.[^jesaja-10-19-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v19)

**20** En het zal gebeuren op die dag, dat[^jesaja-10-20-90] het overblijfsel van Israël, en[^jesaja-10-20-91] de ontkomenen van het huis[^jesaja-10-20-92] van Jakob niet meer steunen zullen[^jesaja-10-20-93] op die, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op YHWH, de Heilige[^jesaja-10-20-94] van Israël,[^jesaja-10-20-95] oprecht.[^jesaja-10-20-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v20)

**21** Het overblijfsel[^jesaja-10-21-97] zal terugkeren,[^jesaja-10-21-98] het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God![^jesaja-10-21-99] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v21)

**22** Want[^jesaja-10-22-d] hoewel uw volk, o Israël! is[^jesaja-10-22-100] gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel[^jesaja-10-22-101] daarvan terugkeren;[^jesaja-10-22-102] de[^jesaja-10-22-103] vernietiging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid.[^jesaja-10-22-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v22)

**23** Want[^jesaja-10-23-e] een vernietiging, die vast besloten is, zal Adonai YHWH van de legermachten doen in het midden van dit hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v23)

**24** Daarom zegt Adonai YHWH van de legermachten zo: Vrees niet, u Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen,[^jesaja-10-24-105] naar de wijze van de Egyptenaren;[^jesaja-10-24-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v24)

**25** Want nog[^jesaja-10-25-107] een klein weinig, zo zal volbracht worden de toorn, en Mijn toorn tot[^jesaja-10-25-108] hun[^jesaja-10-25-109] vernieling.[^jesaja-10-25-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v25)

**26** Want YHWH van de legermachten zal tegen hem[^jesaja-10-26-111] een gesel verwekken,[^jesaja-10-26-112] gelijk de slachting van Midian was aan[^jesaja-10-26-113] de rots van Oreb; en[^jesaja-10-26-114][^jesaja-10-26-f] gelijk Zijn staf over de zee was, die Hij verheffen zal, naar de wijze van[^jesaja-10-26-115] de Egyptenaren.[^jesaja-10-26-116] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v26)

**27** En het zal gebeuren op diezelfde dag, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal[^jesaja-10-27-117] verdorven worden,[^jesaja-10-27-118] omwille van de Gezalfde.[^jesaja-10-27-119] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v27)

**28** Hij komt te[^jesaja-10-28-120] Ajath, hij trekt door[^jesaja-10-28-121] Migron; te[^jesaja-10-28-122] Michmas[^jesaja-10-28-123] legt hij zijn gereedschap af.[^jesaja-10-28-124] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v28)

**29** Zij trekken door de doorgang, te[^jesaja-10-29-125] Geba houden zij hun vernachting;[^jesaja-10-29-126] Rama beeft,[^jesaja-10-29-127] Gibeä Sauls vlucht.[^jesaja-10-29-128] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v29)

**30** Roep luide met uw stem,[^jesaja-10-30-129] u dochter van Gallim![^jesaja-10-30-130] laat ze horen tot[^jesaja-10-30-131] Laïs toe, o ellendige[^jesaja-10-30-132] Anathoth![^jesaja-10-30-133] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v30)

**31** Madmena[^jesaja-10-31-134] vlucht weg, de inwoners van Gebim[^jesaja-10-31-135] vluchten met hopen.[^jesaja-10-31-136] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v31)

**32** Nog een dag blijft[^jesaja-10-32-137] hij[^jesaja-10-32-138] te Nob;[^jesaja-10-32-139] hij zal er zijn[^jesaja-10-32-140] hand bewegen[^jesaja-10-32-141] tegen de berg[^jesaja-10-32-142] van de dochter van[^jesaja-10-32-143] Sion, de heuvel van Jeruzalem.[^jesaja-10-32-144] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v32)

**33** Maar zie, Adonai YHWH van de legermachten zal met geweld[^jesaja-10-33-145] de takken[^jesaja-10-33-146] afkappen, en[^jesaja-10-33-147] die hoog van gestalte zijn, zullen neergehouwen worden;[^jesaja-10-33-148] en de verhevenen zullen vernederd worden.[^jesaja-10-33-149] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v33)

**34** En Hij zal[^jesaja-10-34-150] met ijzer[^jesaja-10-34-151] de verwarde struiken van het woud omhouwen; en[^jesaja-10-34-152] de Libanon zal vallen[^jesaja-10-34-153] door de Heerlijke.[^jesaja-10-34-154] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/10.html#v34)

[^jesaja-10-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, de rechtsgeleerden en wetgevers.
[^jesaja-10-1-2]: Kanttekening 2: Of, ordineren, voorschrijven.
[^jesaja-10-1-3]: Kanttekening 3: Die de wetten maken en voorschrijven zijn de regeerders van het land, over wie hier het wee uitgesproken wordt.
[^jesaja-10-1-4]: Kanttekening 4: Of, arbeid, dat is zulke wetten of ordinantiën, die de onderzaten moeite en zwarigheid aanbrengen.
[^jesaja-10-2-5]: Kanttekening 5: Om de armen: Dat is, opdat zij de arme mensen verhinderen dat hun zaak hoe rechtvaardig die ook zij in het gericht gehoord, aangenomen of bevorderd worde.
[^jesaja-10-2-6]: Kanttekening 6: opdat de weduwen: Plat tegen de wet van God; Ex. 22:22 . Exodus 22:22 : U zult geen weduwe noch wees beledigen.
[^jesaja-10-3-7]: Kanttekening 7: op de dag van de bezoeking: Dat is, als Ik u tot mijn toorn kom bezoeken. Hier spreekt de Heer de onrechtvaardige wetgevers en regenten aan.
[^jesaja-10-3-8]: Kanttekening 8: Te weten van de verwoesting uws lands. Zie 2 Kon. 18:13 . 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^jesaja-10-3-9]: Kanttekening 9: van verre komen zal: Te weten van de koning van Assyrië. Zie boven Jes. 9:10 , 9:11 . Jesaja 9:10 : Want YHWH zal Rezins tegenstanders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen: Jesaja 9:11 : De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^jesaja-10-3-10]: Kanttekening 10: Tot wie: Alsof hij zei: Daar zullen geen mensen in de wereld zijn, die u zullen kunnen helpen.
[^jesaja-10-3-11]: Kanttekening 11: uw heerlijkheid: Dat is, uw rijkdom, uwe staten en ambten, die u groot en aanzienlijk maken voor de wereld, waar wilt u die brengen, dat zij de uwe blijven en u niet afgenomen worden?
[^jesaja-10-4-12]: Kanttekening 12: niet zou buigen: Anders: zonder mij zullen zij zich buigen, enz. ontbloot zijnde van mijn hulp. Hier spreekt God nog steeds de onrechtvaardige rechters aan. Anders: zonder die, of behalve die, die zich lager dan de gevangene zal buigen, zullende ook onder de verslagenen vallen; dat is, zij zullen niet alleen gevankelijk weggevoerd worden, maar behalve die, zullen er ook enige doodgeslagen worden.
[^jesaja-10-5-a]: Verwijzing a: Jes. 36:1 ; Jer. 25:9 ; Ez. 21:9 . Jesaja 36:1 : En het geschiedde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Jeremia 25:9 : Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Ezechiël 21:9 : Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
[^jesaja-10-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Assur; welk woord somtijds de nakomelingen van Assur betekent, somtijds het land van Assyrië; hier betekent het de koning van Assyrië met zijn leger.
[^jesaja-10-5-14]: Kanttekening 14: roede van Mijn toorn: Dat is, die Ik in mijn toorn wil gebruiken als ene roede om mijn volk te kastijden. Zie Job 9:34 . Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
[^jesaja-10-5-15]: Kanttekening 15: en Mijn grimmigheid: Alsof God zei: Ofschoon Ik in mijn toorn aan de Assyriërs de macht geef om mijn volk te slaan; zo zal Ik hen evenwel ook straffen.
[^jesaja-10-5-16]: Kanttekening 16: Anders: O Assur, de roede van mijn toorn en in wiens hand mijn grimmigheid een stok is.
[^jesaja-10-6-17]: Kanttekening 17: Te weten de koning van Assyrië met zijn heirleger.
[^jesaja-10-6-18]: Kanttekening 18: tegen een huichelachtig volk: Te weten tegen de tien stammen van Israël en tegen het volk van Juda, die zich wel voor mijn volk uitgeven en de uiterlijke godsdienst enigermate oefenen, maar inderdaad zijn zij huichelaars en spotters. Zie de aantekening Job 8:13 . Job 8:13 : Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.
[^jesaja-10-6-19]: Kanttekening 19: Dat is, Ik zal hem door een geheime inwendige beweging volgens mijn rechtvaardig oordeel zo besturen en regeren. Zie de aantekening 2 Sam. 16:10 . 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^jesaja-10-6-20]: Kanttekening 20: tegen het volk van Mijn toorn: Dat is, tegen het volk, over dat Ik zeer vergramd en toornig ben; of over dat Ik mijn toorn zal uitstorten.
[^jesaja-10-6-21]: Kanttekening 21: de roof rove: Of een buit buite en een roof rove.
[^jesaja-10-6-22]: Kanttekening 22: Te weten het huichelachtige volk.
[^jesaja-10-6-b]: Verwijzing b: Jes. 5:25 . Jesaja 5:25 : Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelfde Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
[^jesaja-10-7-23]: Kanttekening 23: het zo niet meent: Hebreeuws, zich zo niet inbeeldt; te weten, dat Ik hem zend om een huichelachtig volk te straffen; hij heeft veeleer een ander oogmerk in deze krijg, die hij de Joden aandoet, dan Ik heb; maar Ik zal het alles regeren naar mijn heiligen wil en geheime raad.
[^jesaja-10-7-24]: Kanttekening 24: maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen: Hebreeuws, maar verdelgen is in zijn hart (לְבָב).
[^jesaja-10-8-25]: Kanttekening 25: Zijn niet: Alsof hij zei: Ben ik niet die grootmachtige heerser, aan wie zelfs de koningen onderworpen zijn en ten dienste staan moeten? Zodat ik ben een koning van de koningen. Zie dergelijk pochen 2 Kon. 18:24 , 18:33 , enz., en 2 Kon. 19:10 , enz. 2 Koningen 18:24 : Hoe zoudt u dan het aangezicht van een enige vorst van de geringste knechten van mijn heer afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. 2 Koningen 18:33 : Hebben de goden van de volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van de koning van Assyrië? 2 Koningen 19:10 : Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welke u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden.
[^jesaja-10-9-26]: Kanttekening 26: Is niet: Alsof hij zei: Hebben niet ik en mijn vader Salmanasser en andere van mijn voorzaten, al deze machtige steden, zowel de ene als de andere, onder onze heerschappij en gebied gebracht? Zie 2 Kon. 18:34 . 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^jesaja-10-9-27]: Kanttekening 27: Anders, Kalne, Gen. 10:10 , en Amos 6:2 . Enige menen dat dit Seleucië is. Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Amos 6:2 : Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath van de Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?
[^jesaja-10-9-28]: Kanttekening 28: Een stad, gelegen aan de rivier Eufraat, 2 Kron. 35:20 ; Jer. 46:2 . 2 Kronieken 35:20 : Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. Jeremia 46:2 : Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, die aan de rivier Frath, bij Karchemis was, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^jesaja-10-9-29]: Kanttekening 29: Zie Gen. 10:18 . Genesis 10:18 : En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid.
[^jesaja-10-9-30]: Kanttekening 30: Zie 2 Kon. 18:34 . 2 Koningen 18:34 : Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^jesaja-10-10-31]: Kanttekening 31: Dat is, overweldigd, verkregen, gelijk Job 31. Zie daar de aantekening Job 31:25 . Job 31:25 : Zo ik blij ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
[^jesaja-10-10-32]: Kanttekening 32: Dat is, dergenen die de afgoden eren. Zie van het Hebreeuwse woord Elim Lev. 19:4 . Leviticus 19:4 : U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^jesaja-10-10-33]: Kanttekening 33: Of, en nochtans, of daar toch.
[^jesaja-10-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, voortreffelijker.
[^jesaja-10-10-35]: Kanttekening 35: Of, waren.
[^jesaja-10-10-36]: Kanttekening 36: die van Jeruzalem: Te weten, afgoden. Zie vers 11 . Jesaja 10:11 : Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik zo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?
[^jesaja-10-11-37]: Kanttekening 37: niet kunnen doen: Alsof hij zei: Ja ik zal het aan Jeruzalem nog veel lichter en beter kunnen doen.
[^jesaja-10-11-38]: Kanttekening 38: haar afgoden: Zie 1 Sam. 31:9 . De koning van Assyrië spreekt hier op zijn heidens, alsof het te Jeruzalem met de godsdienst zo gelegen geweest was als met de afgoden van de heidenen. 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk.
[^jesaja-10-12-39]: Kanttekening 39: Want het zal: Dit past op het wee, vers 5 over de Assyriërs gesproken. Want van vers 6 tot vers 12 heeft de profeet verhaald de trotse woorden van de koning van Assyrië en zijn inval in het land van de Israëlieten. Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Jesaja 10:6 : Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk van de straten. Jesaja 10:12 : Want het zal gebeuren, als YHWH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen.
[^jesaja-10-12-40]: Kanttekening 40: als YHWH: Dat is, als de Heer zijn volk genoegzaam door de Assyriërs zal getuchtigd hebben.
[^jesaja-10-12-41]: Kanttekening 41: De Heer.
[^jesaja-10-12-42]: Kanttekening 42: De straffen; zie de aantekening Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jesaja-10-12-43]: Kanttekening 43: Dat is, zijn godslasterlijk en vermetelijk roemen en pochen, dat als een kwade vrucht uit zijn hovaardig gemoed spruit.
[^jesaja-10-12-44]: Kanttekening 44: van de koning: Te weten van Sanherib.
[^jesaja-10-12-45]: Kanttekening 45: van de hoogheid van zijn ogen: Dat is, van zijn hovaardige ogen.
[^jesaja-10-13-46]: Kanttekening 46: Omdat hij gezegd heeft: Of, omdat hij zal gezegd hebben.
[^jesaja-10-13-47]: Kanttekening 47: want ik ben verstandig: Of, omdat ik kloekheid gebruikt heb.
[^jesaja-10-13-48]: Kanttekening 48: Alsof hij zei: De koninkrijken die tevoren ieder hun grenzen hadden, die heb ik geheel ineengesmolten en mij onderdanig gemaakt.
[^jesaja-10-13-49]: Kanttekening 49: hun voorraad: Of, hun gerede schatten; dat is, hun dierbaarste schatten.
[^jesaja-10-13-50]: Kanttekening 50: als een geweldige: Dat is, ik heb de koningen en andere machtige heren van hun staten gezet en vernederd.
[^jesaja-10-13-51]: Kanttekening 51: Of, de bezitters.
[^jesaja-10-14-52]: Kanttekening 52: Of, de macht, dat is de rijkdom.
[^jesaja-10-14-53]: Kanttekening 53: Dat is, als vogels op de eieren in hun nest.
[^jesaja-10-14-54]: Kanttekening 54: Alsof hij zei: Ik heb al hun goederen en rijkdommen in mijn schatkamers gebracht.
[^jesaja-10-14-55]: Kanttekening 55: Te weten om te vluchten, of om mij tegenstand te doen. Alsof hij zei: Zij zijn van mij zo verschrikt geweest, dat zij zich tegen mij niet repten noch roerden.
[^jesaja-10-14-56]: Kanttekening 56: Of, de mond opende.
[^jesaja-10-14-57]: Kanttekening 57: Of, kirde, schaterde, kikte, te weten om ergens hulp te gaan zoeken, of om aan iemand over mij te klagen.
[^jesaja-10-15-58]: Kanttekening 58: Tot hiertoe zijn beschreven de woorden van de koning van Assyrië; nu spreekt de profeet opnieuw, en het is zoveel alsof hij zei: Is het billijk, dat zich een bijl beroeme tegen, enz. Hij wil zeggen: In geen geval. Versta hierbij: Zo heeft de koning van Assyrië geen reden tegen de Heer te pochen, die hem gebruikt heeft als een bijl, zaag, enz.
[^jesaja-10-15-59]: Kanttekening 59: bijl / zaag: Aldus worden de Assyriërs genoemd, omdat God hen als instrumenten gebruikt heeft om de Joden te tuchtigen en te kastijden; tegelijk verwijt hier God de Heer de Assyriër zijn vermetelheid en zijn grootspreken, waarvan vers 13 , 10:14 te lezen is. Jesaja 10:13 : Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen; Jesaja 10:14 : En mijn hand heeft gevonden het vermogen van de volken, als een nest, en ik heb de gehele aarde samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of de bek opendeed, of piepte.
[^jesaja-10-15-60]: Kanttekening 60: Of, zich verheffen. Hebreeuws, groot maken.
[^jesaja-10-15-61]: Kanttekening 61: die ze trekt: Of, die ze beweegt?
[^jesaja-10-15-62]: Kanttekening 62: Versta hierbij, zo ongerijmd zou het zijn als zulks geschiedde.
[^jesaja-10-15-63]: Kanttekening 63: Alsof God zei: Zou een stok zich beroemen omdat iemand hem opheft, daar het toch een stuk hout is en blijft?
[^jesaja-10-16-64]: Kanttekening 64: Anders: in plaats van zijn heerlijkheid zal Hij, enz.
[^jesaja-10-16-65]: Kanttekening 65: Te weten de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-16-66]: Kanttekening 66: Versta hier door de vetten de vorsten en voortreffelijkste oversten van de koning van Assyrië, waar hij zo hoog op pocht.
[^jesaja-10-16-67]: Kanttekening 67: Dat is, een uitterende ziekte; zie de aantekening Ps. 106:15 . Of hij wil zeggen, dat hen de Heer zal verdelgen en teniet maken. Zie 2 Kon. 19:35 . Psalmen 106:15 : Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-10-16-68]: Kanttekening 68: Anders: in plaats van zijn heerlijkheid zal Hij, enz.
[^jesaja-10-16-c]: Verwijzing c: Jes. 24:6 . Jesaja 24:6 : Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.
[^jesaja-10-16-69]: Kanttekening 69: Te weten de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-16-70]: Kanttekening 70: Te weten als hij door een engel met pestilentie zullen verslagen worden. Vergelijk hiermede de geschiedenis 2 Sam. 24:16 . 2 Samuël 24:16 : Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde YHWH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van YHWH nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
[^jesaja-10-17-71]: Kanttekening 71: Licht van Israël: Dat is, de Heer, die zijn volk verlicht door zijn Woord en Geest, als het in duistere ellenden en ook in geestelijke dwalingen vervallen zal wezen. Zie Ps. 36:10 , en Ps. 84:12 . Psalmen 36:10 : Want bij U is de fontein van het leven; in Uw licht zien wij het licht. Psalmen 84:12 : Want God, YHWH, is een Zon en Schild; YHWH zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
[^jesaja-10-17-72]: Kanttekening 72: zal tot een vuur: Dat is, de Heer zal de Assyriërs verteren, gelijk vuur en vlam het hout of stro verslinden.
[^jesaja-10-17-73]: Kanttekening 73: Te weten van het volk van Israëls Heilige.
[^jesaja-10-17-74]: Kanttekening 74: Dat is, God, die het volk van Israël heiligt en eert, en die zichzelven betuigt heilig te zijn. Zie boven Jes. 1:4 . Jesaja 1:4 : Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.
[^jesaja-10-17-75]: Kanttekening 75: tot een vlam: Te weten om de Assyriërs te verbranden en te verdelgen.
[^jesaja-10-17-76]: Kanttekening 76: Te weten van de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-17-77]: Kanttekening 77: doornen en zijn distelen: Dat is zijn krijgsvolk, groot en klein, heer en knecht, die de Joden gestoken, gekrabd en geplaagd hebben. Zie boven Jes. 9:17 , en onder Jes. 37:36 . Jesaja 9:17 : Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken van het woud, die zich verheven hebben als de verheffing van de rook. Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-10-17-78]: Kanttekening 78: op een dag: Dat is, op een korte tijd. Onder de dag wordt hier ook de nacht verstaan, want wat hier gedreigd wordt, is in de nacht geschied; 2 Kon. 19:35 , en Jes. 37:36 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-10-18-79]: Kanttekening 79: Te weten de Heer.
[^jesaja-10-18-80]: Kanttekening 80: Te weten van Sanherib, de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-18-81]: Kanttekening 81: Dat is, legers, dat schijnt een dor woud te zijn, vanwege de menigte van de spiesen en speren van zijn soldaten. Anderen verstaan hier door het woud de prinsen en vorsten van de koning van Assyrië, die als sterke bomen geacht werden.
[^jesaja-10-18-82]: Kanttekening 82: zijn vruchtbaren velds: Dat is, zijn vette, geweldige, rijke vorsten. Anders, zijn Carmels , dat is, zijn land, dat zo schoon en vruchtbaar is als Carmel. Ziet 2 Kon. 19:23 . 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld.
[^jesaja-10-18-83]: Kanttekening 83: van de ziel af: Dat is, hij zal hun niet alleen de ziel, dat is het leven, benemen, maar hij zal ook hun lichamen vernielen. Of versta door ziel de mensen; door vlees het vee.
[^jesaja-10-18-84]: Kanttekening 84: Te weten de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-18-85]: Kanttekening 85: Dat is, het zal hem gaan.
[^jesaja-10-18-86]: Kanttekening 86: Of, bezwijmd, versaagd wordt, of bezwijkt; dat is, als hem het hart in het lijf van angst en vrees versmelt. Zie de vervulling 2 Kon. 19:36 , enz. Anders, wanneer een vluchtige versmelt. 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve.
[^jesaja-10-19-87]: Kanttekening 87: overgebleven bomen: Dat is, de overige soldaten van zijn leger, gelijk vers 18 , in het bijzonder de oversten, die ontkomen zullen uit het leger van Sanherib. Zie onder vers 33 . Jesaja 10:18 : Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbaar veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. Jesaja 10:33 : Maar ziet, de Heer YHWH van de legermachten zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen nedergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden.
[^jesaja-10-19-88]: Kanttekening 88: Zie de aantekening Gen. 34:30 . Genesis 34:30 : Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^jesaja-10-19-89]: Kanttekening 89: ja, een jongen zou ze opschrijven: Alsof hij zei: Men zal er geen kloeken man, die in het rekenen geoefend is, toe behoeven, een kind zal hen lichtelijk kunnen tellen, want van hen zullen weinig zijn.
[^jesaja-10-20-90]: Kanttekening 90: En het zal gebeuren: In dit vers wijst de profeet het overblijfsel, de vrucht en nuttigheid aan, ontstaande uit de boven verhaalde tuchtiging van het volk van Juda door Sanherib, alsook de verlossing uit zijn macht en geweld.
[^jesaja-10-20-91]: Kanttekening 91: overblijfsel van Israël: Te weten die door de Assyriërs niet zullen omgebracht zijn.
[^jesaja-10-20-92]: Kanttekening 92: ontkomenen van het huis van Jakob: Hebreeuws, de ontkoming van het huis van Jakob (בֵּֽית).
[^jesaja-10-20-93]: Kanttekening 93: niet meer steunen zullen: Dat is, hun voortaan niet meer verlaten op, enz.
[^jesaja-10-20-94]: Kanttekening 94: op die: Te weten op de koning van Assyrië, omdat hij hen bedrogen heeft. Zie boven Jes. 7:20 ; 2 Kon. 16:7 ; 2 Kron. 28:20 . Jesaja 7:20 : Op die dag zal de Heer door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. 2 Kronieken 28:20 : En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet.
[^jesaja-10-20-95]: Kanttekening 95: de Heilige van Israël,: Zie bov. vers 17 , en 1:4 , en 5:19 , 5:24 etc. Jesaja 10:17 : Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op een dag. Jesaja 1:4 : Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. Jesaja 5:19 : Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen! Jesaja 5:24 : Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, zo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van YHWH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden.
[^jesaja-10-20-96]: Kanttekening 96: Hebreeuws, in de waarheid (אֱמֶֽת); dat is, zonder huichelarij.
[^jesaja-10-21-97]: Kanttekening 97: Dat is, de overgeblevenen. Hebreeuws, Schear Jaschub, ziende op de naam, die de profeet zijn zoon gegeven heeft, uit het bevel Gods, boven Jes. 7:3 ; zie de aantekening daar. En versta hier door de overgeblevenen de uitverkorenen van God onder de Joden, die God uit de algemene ondergang gered had, en die met waar geloof op God vertrouwden en volstandig bleven. Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller;
[^jesaja-10-21-98]: Kanttekening 98: Of, bekeerd worden, namelijk tot de sterke God.
[^jesaja-10-21-99]: Kanttekening 99: Als straks.
[^jesaja-10-22-d]: Verwijzing d: Rom. 9:27 ; idem v. 28 . Romeinen 9:27 : En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. Romeinen 9:28 : Want Hij voltooit een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heer zal een afgesneden zaak doen op de aarde.
[^jesaja-10-22-100]: Kanttekening 100: Alsof hij zei: Ofschoon het volk van Israël veel is, zo zullen zij niet allen bekeerd noch zalig worden; maar alleen enige, die God in Christus heeft uitverkoren. Zie Rom. 9:27 . Evenals het toegegaan is ten tijde als de Assyriërs de Israëlieten hebben overvallen en geslagen; verre het grootste deel is gevangen en omgekomen. Romeinen 9:27 : En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
[^jesaja-10-22-101]: Kanttekening 101: gelijk het zand van de zee: Te weten in grote getale.
[^jesaja-10-22-102]: Kanttekening 102: Of, dezelfde.
[^jesaja-10-22-103]: Kanttekening 103: de verdelging: Of de juiste verdelging, en zo vers 23 . Dat is, het verderf in de geheime raad van God bestemd, in welke Hij besloten heeft hoevelen van de Israëlieten er zouden verdelgd worden, en welke. Jesaja 10:23 : Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heer YHWH van de legermachten doen in het midden van dit gehele land.
[^jesaja-10-22-104]: Kanttekening 104: Te weten van de ongehoorzame Joden, zo uiterlijke en lichamelijke, alsook inwendige en geestelijke. Gelijk af te nemen is uit de zin van de woorden van de apostel Paulus; Rom. 9:27 , 9:28 ; waar de apostel deze woorden bijbrengt. Romeinen 9:27 : En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. Romeinen 9:28 : Want Hij voltooit een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heer zal een afgesneden zaak doen op de aarde.
[^jesaja-10-23-e]: Verwijzing e: Jes. 28:22 . Jesaja 28:22 : Nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van de Heer YHWH van de legermachten gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het gehele land.
[^jesaja-10-24-105]: Kanttekening 105: en hij zijn staf: Anders: want Hij \[te weten, God\] zal zijn staf voor u \[dat is, tot uwe bescherming\] opheffen.
[^jesaja-10-24-106]: Kanttekening 106: naar de wijze van de Egyptenaren: Verstaat men door hij in het voorgaande lid de koning van Assyrië, zo is dit te zeggen: Gelijk de Egyptenaars eertijds gedaan hebben; maar verstaat men door hij God de Heer, zo is dit de zin: Gelijk God de Egyptenaars eertijds geplaagd heeft. Zo ook onder vers 26 . Jesaja 10:26 : Want YHWH van de legermachten zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren.
[^jesaja-10-25-107]: Kanttekening 107: Want nog … tot hun vernieling: Anders: Maar nog een weinig, een luttel, zo zal de toorn \[over u\] een einde nemen, maar mijn toorn zal \[ontsteken\] tot hun vernieling.
[^jesaja-10-25-108]: Kanttekening 108: klein weinig: Dat is, in zeer korte tijd, te weten, kort nadat de koning van Assyrië met zijn leger in het Joodse land zal gekomen zijn.
[^jesaja-10-25-109]: Kanttekening 109: Te weten van de Assyriërs.
[^jesaja-10-25-110]: Kanttekening 110: Of, uitroeiing, verderving, of verdelging.
[^jesaja-10-26-111]: Kanttekening 111: Te weten tegen de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-26-112]: Kanttekening 112: Te weten vooreerst de slaande engel, en straks daarna van de koning van Assyrië's eigen zonen; zie 2 Kon. 19:35 , 19:37 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-10-26-113]: Kanttekening 113: Dat is, gelijk eertijds de Midianieten door Gideon plotseling zijn overvallen geweest; Richt. 7:19 , enz.; Jes. 9:3 , 9:4 . Richteren 7:19 : Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van het leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken. Jesaja 9:3 : Want het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van degene, die hen dreef, hebt U verbroken, gelijk op de dag van de Midianieten; Jesaja 9:4 : Toen de gehele strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de kleren in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel van het vuur.
[^jesaja-10-26-114]: Kanttekening 114: Gelegen bij Bethabara aan de Jordaan, die de rots Oreb genoemd wordt, omdat Oreb, één van de vorsten van de Midianieten, daar van Gideon is verslagen. Zie Richt. 7:24 , 7:25 . Richteren 7:24 : Ook zond Gideon boden in het gehele gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. Richteren 7:25 : En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan.
[^jesaja-10-26-f]: Verwijzing f: Ex. 14 .
[^jesaja-10-26-115]: Kanttekening 115: gelijk Zijn staf over de zee was: De zin is: Gelijk Farao met zijn leger in de Rode zee is omgekomen als Mozes zijn staf ophief, zo zullen ook de Assyriërs in het verderf vervallen en omkomen.
[^jesaja-10-26-116]: Kanttekening 116: naar de wijze: Zie de aantekening boven vers 24 . Jesaja 10:24 : Daarom zegt de Heer YHWH van de legermachten zo: Vreest niet, u Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze van de Egyptenaren;
[^jesaja-10-27-117]: Kanttekening 117: zijn last: Te weten de last, die de koning van Assyrië u heeft opgelegd.
[^jesaja-10-27-118]: Kanttekening 118: verdorven worden: Of, in stukken gehouwen, of verscheurd worden; dat is te schande of teniet gemaakt worden.
[^jesaja-10-27-119]: Kanttekening 119: vanwege de Gezalfde: Hebreeuws, om, of vanwege de olie (שָֽׁמֶן); te weten, waarmee de gezalfde van de Heer zou gezalfd worden, dat is, om Christus' wil, welke God tot een koning over zijn volk gezalfd en gesteld heeft. Vergelijk boven Jes. 9:3 , 9:5 . Jesaja 9:3 : Want het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van degene, die hen dreef, hebt U verbroken, gelijk op de dag van de Midianieten; Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst;
[^jesaja-10-28-120]: Kanttekening 120: Te weten Sanherib, de koning van Assyrië, met zijn leger. Hier beschrijft verder de profeet de tocht van Sanherib, als hij trekken zou om Jeruzalem te gaan belegeren, en ook welke steden hij onderweg zou innemen en plunderen.
[^jesaja-10-28-121]: Kanttekening 121: Of, Ai; zie van deze stad Joz. 7:2 , en Joz. 8. Jozua 7:2 : Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
[^jesaja-10-28-122]: Kanttekening 122: Zie 1 Sam. 14:2 . 1 Samuël 14:2 : Saul nu zat aan het uiterste van Gibeä onder de granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.
[^jesaja-10-28-123]: Kanttekening 123: Zie 1 Sam. 13:2 , en 1 Sam. 14:5 . 1 Samuël 13:2 : Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, een ieder naar zijn tent. 1 Samuël 14:5 : De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
[^jesaja-10-28-124]: Kanttekening 124: legt hij zijn gereedschap af: Hebreeuws, Michmas beveelt hij zijn vaten, of bagage. Anders: te Michmas monstert hij zijn gereedschap; te weten de trein van oorlog.
[^jesaja-10-29-125]: Kanttekening 125: Dat is, de engten van de bergen bij Michmas, door welke men gaan moest als men uit Efraïm naar de stam van Benjamin reisde. Zie 1 Sam. 13:23 . Anders: in de rustplaats, of in de herberg te Van Geba, zie 1 Sam. 14:5 . overnachten zij. 1 Samuël 13:23 : En het leger van de Filistijnen toog naar de doortocht van Michmas. 1 Samuël 14:5 : De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
[^jesaja-10-29-126]: Kanttekening 126: Van Geba, zie 1 Sam. 14:5 . 1 Samuël 14:5 : De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.
[^jesaja-10-29-127]: Kanttekening 127: Rama beeft: Dat is, de burgers te Rama beven; te weten van wege de aankomst van de Assyriërs. Zie van Rama Joz. 18:25 . Jozua 18:25 : Gibeon, en Rama, en Beëroth,
[^jesaja-10-29-128]: Kanttekening 128: Gibeä Sauls vlucht: Dat is, de burgers te Gibeä Sauls. Van deze stad wordt ook gesproken 1 Sam. 11:4 ; aldus genoemd omdat de koning Saul daar geboren was. Zie 1 Sam. 10:26 . 1 Samuël 11:4 : Als de boden te Gibeä-sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en weende. 1 Samuël 10:26 : En Saul ging ook naar zijn huis te Gibeä, en van de legermacht gingen met hem, wier hart God geroerd had.
[^jesaja-10-30-129]: Kanttekening 129: Roep luide: Hebreeuws eigenlijk neit, (bries) gelijk de paarden; dat is, verhef uwe stem en schreeuw luide.
[^jesaja-10-30-130]: Kanttekening 130: Jeruzalem was de moederstad, de kleine steden werden dochters genoemd. Hier wordt gesproken van de inwoners van Gallim, een stad in de stam van Benjamin gelegen, gelijk ook de steden van welke vers 31 gesproken wordt. Jesaja 10:31 : Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
[^jesaja-10-30-131]: Kanttekening 131: laat ze horen: Anders: O u arme Anathoth, laat u horen tot Laïs toe. Of aldus: Merk op, o Laïs.
[^jesaja-10-30-132]: Kanttekening 132: Ene stad, gelegen aan het uiterste van het Joodse land. Zie Richt. 18:14 , 18:27 , 18:28 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. Richteren 18:27 : Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur. Richteren 18:28 : En er was niemand, die hen verloste; want zij was ver van Sidon, en zij hadden niets met enig mens te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin.
[^jesaja-10-30-133]: Kanttekening 133: Ene stad in Benjamin, waar de profeet Jeremia geboren is, drie mijlen van Jeruzalem gelegen. Zie Joz. 21:8 , en Jer. 1:1 . Jozua 21:8 : Zo gaven de kinderen van Israël aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, gelijk YHWH geboden had door de dienst van Mozes. Jeremia 1:1 : De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^jesaja-10-31-134]: Kanttekening 134: Dat is, burgers van Madmena.
[^jesaja-10-31-135]: Kanttekening 135: vliedt weg: Te weten uit vrees van de vijanden, die aan komen marcheren.
[^jesaja-10-31-136]: Kanttekening 136: vluchten met hopen: Of, verzamelen zich om te vluchten . Zie Jer. 4:6 . Jeremia 4:6 : Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jesaja-10-32-137]: Kanttekening 137: blijft … te Nob: Hebreeuws, staande te Nob , te weten voordat hij op Jeruzalem aankomt.
[^jesaja-10-32-138]: Kanttekening 138: Te weten Sanherib met zijn leger.
[^jesaja-10-32-139]: Kanttekening 139: Een priesterlijke stad in Benjamin, bij Jeruzalem, 1 Sam. 21 , 22.
[^jesaja-10-32-140]: Kanttekening 140: hij zal: Rabsake vooruit zendende met grote macht van krijgsvolk, van Lachis naar Jeruzalem toe, trotseerde de koning Hizkia en de inwoners van Jeruzalem; Jes. 36:2 . Jesaja 36:2 : En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een zware legermacht; en hij stond aan de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller.
[^jesaja-10-32-141]: Kanttekening 141: Anders: opheffen, als dreigende.
[^jesaja-10-32-142]: Kanttekening 142: tegen de berg: Dat is, tegen de stad Jeruzalem op en aan de berg Zion gelegen; gelijk boven Jes. 1:8 . Jesaja 1:8 : En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.
[^jesaja-10-32-143]: Kanttekening 143: van de dochter van Sion: Anders: van het huis Zions.
[^jesaja-10-32-144]: Kanttekening 144: Op welke Jeruzalem gebouwd is.
[^jesaja-10-33-145]: Kanttekening 145: met geweld: Of, geweldiglijk. De zin is: Hij zal zijn leger verdelgen, niet allengskens, maar gezwind en met grote macht, gelijk men de grote takken van de bomen met geweld afhouwt, te weten door een engel. Zie 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-10-33-146]: Kanttekening 146: Dat is, de sterke en geweldige krijgslieden in de legermacht van de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-33-147]: Kanttekening 147: Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als de takken aftakken. Anders: afhakken. Vergelijk boven vers 19 . Jesaja 10:19 : En de overgebleven bomen zijn wouds zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.
[^jesaja-10-33-148]: Kanttekening 148: die hoog van gestalte zijn: Dat is, de vorsten in het leger van de koning van Assyrië.
[^jesaja-10-33-149]: Kanttekening 149: Anders: dat is.
[^jesaja-10-34-150]: Kanttekening 150: Te weten de Heer.
[^jesaja-10-34-151]: Kanttekening 151: met ijzer: Dat is, met het zwaard van de engel.
[^jesaja-10-34-152]: Kanttekening 152: Gelijk boven Jes. 9:17 . Jesaja 9:17 : Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken van het woud, die zich verheven hebben als de verheffing van de rook.
[^jesaja-10-34-153]: Kanttekening 153: Dat is, de krijgslieden van de koning Sanherib, die zijn te vergelijken bij de bomen, die op de Libanon groeien, zo in grootte als in getal.
[^jesaja-10-34-154]: Kanttekening 154: door de Heerlijke: Versta hier door de Heerlijke God de Heer zelf, of zijn slaanden engel; zie de geschiedenis Jes. 37:36 , of door de geweldige, of machtige; zie Ps. 8:2 . Jesaja 37:36 : Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Psalmen 8:2 : O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

### Jesaja 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/11.json)

*Voorzegging dat Christus uit de stam van Isai geboren zou worden, vers 1, en uitnemend met de Geest van de Heere begiftigd zou zijn, 2, een rijk oprichtend door de prediking van zijn Woord, 4, en dat de leden van zijn kerk in goede vrede en eenheid met elkaar zouden leven, 6, en uiteindelijk de overwinning over hun geestelijke vijanden zouden behalen, terwijl die tot de kennis van het heilig Evangelie gebracht worden, 11, 12 enzovoort.*

**1** [^jesaja-11-1-1] Want[^jesaja-11-1-a] er zal[^jesaja-11-1-2] een Rijsje voortkomen uit[^jesaja-11-1-3] de afgehouwen[^jesaja-11-1-4] tronk[^jesaja-11-1-5] van Isaï, en[^jesaja-11-1-6] een Scheut uit zijn wortels zal[^jesaja-11-1-7] Vrucht voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v1)

**2** En op Hem zal[^jesaja-11-2-8] de Geest van YHWH[^jesaja-11-2-9] rusten,[^jesaja-11-2-10] de Geest van de wijsheid en van het[^jesaja-11-2-b] verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest[^jesaja-11-2-11] van de kennis en van de vrees voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v2)

**3** En[^jesaja-11-3-12] Zijn[^jesaja-11-3-13] ruiken zal zijn[^jesaja-11-3-14] in de vrees voor YHWH; en Hij zal[^jesaja-11-3-15] naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook[^jesaja-11-3-16] naar het gehoor van Zijn oren niet[^jesaja-11-3-17] bestraffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v3)

**4** Maar[^jesaja-11-4-18] Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en[^jesaja-11-4-19] de zachtmoedigen van het land met oprechtheid bestraffen; maar Hij zal[^jesaja-11-4-20] de aarde[^jesaja-11-4-21] slaan[^jesaja-11-4-22] met de roede van Zijn mond, en[^jesaja-11-4-23] met de adem van Zijn lippen zal Hij[^jesaja-11-4-24] de goddeloze doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v4)

**5** Want[^jesaja-11-5-25] gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de[^jesaja-11-5-26] waarheid de gordel van Zijn lendenen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v5)

**6** En[^jesaja-11-6-27][^jesaja-11-6-c] de wolf zal met het lam[^jesaja-11-6-28] verkeren, en de luipaard bij de geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en[^jesaja-11-6-29] het mestvee samen, en[^jesaja-11-6-30] een kleine jongen zal ze drijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v6)

**7** De koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen samen neerliggen, en[^jesaja-11-7-31] de leeuw zal stro eten, zoals de os. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v7)

**8** En een zoogkind[^jesaja-11-8-32] zal zich vermaken over het hol van[^jesaja-11-8-33] een adder; en een gespeend kind[^jesaja-11-8-34] zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v8)

**9** [^jesaja-11-9-35] Men zal nergens leed doen noch verderven op de hele berg[^jesaja-11-9-36] van Mijn heiligheid; want[^jesaja-11-9-37] de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn,[^jesaja-11-9-38] zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v9)

**10** Want het zal gebeuren ten zelfde dage, dat de heidenen naar[^jesaja-11-10-39] de[^jesaja-11-10-d] Wortel van[^jesaja-11-10-40] Isaï, Die staan zal[^jesaja-11-10-41] tot een banier van de volken,[^jesaja-11-10-42] zullen vragen, en[^jesaja-11-10-43] Zijn rust zal heerlijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v10)

**11** [^jesaja-11-11-44] Want het zal gebeuren op die dag, dat de Heere[^jesaja-11-11-45] voor de tweede keer Zijn hand aanleggen zal om weer[^jesaja-11-11-46] te verwerven[^jesaja-11-11-47] het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van[^jesaja-11-11-48] Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden[^jesaja-11-11-49] van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v11)

**12** En[^jesaja-11-12-50] Hij zal[^jesaja-11-12-51] een banier oprichten onder de heidenen,[^jesaja-11-12-52] en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda[^jesaja-11-12-53] verzamelen, van de vier[^jesaja-11-12-54] einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v12)

**13** En[^jesaja-11-13-55] de afgunst van Efraïm zal wegwijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden;[^jesaja-11-13-56] Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm[^jesaja-11-13-57] niet benauwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v13)

**14** Maar[^jesaja-11-14-58] zij zullen de Filistijnen[^jesaja-11-14-59] op de schouder[^jesaja-11-14-60] vliegen tegen het westen,[^jesaja-11-14-61] en zij zullen[^jesaja-11-14-62] samen die van het oosten beroven;[^jesaja-11-14-63] aan Edom en Moab[^jesaja-11-14-64] zullen zij hun handen slaan, en[^jesaja-11-14-65] de kinderen Ammons[^jesaja-11-14-66] zullen hun gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v14)

**15** [^jesaja-11-15-67] Ook zal YHWH[^jesaja-11-15-68] de inham[^jesaja-11-15-69] van de zee van Egypte[^jesaja-11-15-70] verbannen, en Hij zal Zijn hand[^jesaja-11-15-71] bewegen[^jesaja-11-15-72] tegen de rivier, door de sterkte van Zijn wind; en Hij zal die slaan in de zeven[^jesaja-11-15-73] stromen, en Hij zal maken,[^jesaja-11-15-74] dat[^jesaja-11-15-75] men met schoenen daardoor zal gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v15)

**16** En[^jesaja-11-16-76] er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assur, zoals Israël gebeurde op de dag[^jesaja-11-16-77] toen het[^jesaja-11-16-e] uit Egypteland optoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/11.html#v16)

[^jesaja-11-1-1]: Kanttekening 1: Hier geeft de Profeet reden van wat hij in 10:27 gezegd heeft. Te weten dat het juk van Juda afgescheurd zou worden, en dat God die stam beschermen zou, vanwege de Gezalfde, te weten Jesu Christï , die uit de stam Juda geboren zou worden. Jesaja 10:27 : En het zal gebeuren ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, vanwege de Gezalfde.
[^jesaja-11-1-a]: Verwijzing a: Jes. 4:2 ; Hand. 13:22 ; idem v. 23 . Jesaja 4:2 : Te die dage zal van YHWH SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Handelingen 13:22 : En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. Handelingen 13:23 : Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus;
[^jesaja-11-1-2]: Kanttekening 2: Een spruit, ene roede; te weten, Jezus Christus, zie boven Jes. 4:2 . Jesaja 4:2 : Op die dag zal de SPRUIT van YHWH zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.
[^jesaja-11-1-3]: Kanttekening 3: Ten tijde als Christus geboren is, scheen de stam van Isaï geheel afgehouwen te zijn, omdat hij zeer vervallen was en zijn vorige heerlijkheid schier verloren had. Hij had koning noch vorst; Jozef, de ondertrouwde man van Maria, was een timmerman. Dit blijkt ook uit de gave, die Maria offerde als de dagen van haar reiniging vervuld waren; Luk. 2:24 . Lukas 2:24 : En opdat zij offerande gaven, naar wat in de wet van de Heer gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.
[^jesaja-11-1-4]: Kanttekening 4: Of, stronk, stam, stomp.
[^jesaja-11-1-5]: Kanttekening 5: van Isaï: De vader van David.
[^jesaja-11-1-6]: Kanttekening 6: Een verhaal van wat straks met andere woorden gezegd is, opdat het de lezer te beter versta en bemerke. In het Hebreeuws staat het woord Nezer, waarmee sommigen menen dat tegelijk wordt te verstaan gegeven dat Christus te Nazareth zou opgevoed worden, en daarvan de naam Nazarener bekomen; zie Matt. 2:23 . Mattheüs 2:23 : En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.
[^jesaja-11-1-7]: Kanttekening 7: Vrucht voortbrengen: Of, wassen, groeien.
[^jesaja-11-2-8]: Kanttekening 8: Te weten de Heilige Geest, die van God de Vader en de Zoon voortgaat. De zin is: Hij zal naar zijn mensheid, naar welke Hij een zoon van David is, met alle geestelijke gaven overvloediglijk en in alle volheid begaafd worden; zie Ps. 45:8 ; Joh. 3:34 . Psalmen 45:8 : U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^jesaja-11-2-9]: Kanttekening 9: Dit rusten van de Geest van YHWH op Christus is afgebeeld en betekend door het nederdalen en het rusten van de duif op Christus, als Hij in de Jordaan is gedoopt geweest; Matt. 3:16 . Mattheüs 3:16 : En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest van God nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen.
[^jesaja-11-2-10]: Kanttekening 10: Geest van de wijsheid en van het verstand: Dat is, de Geest die de wijsheid werkt, of veroorzaakt, zo ook in het volgende.
[^jesaja-11-2-b]: Verwijzing b: Jes. 9:5 . Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst;
[^jesaja-11-2-11]: Kanttekening 11: van de kennis: Of, van de wetenschap.
[^jesaja-11-3-12]: Kanttekening 12: Te weten van de Heer Christus.
[^jesaja-11-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, zijn kennis en oordeel. Anders: En Hij, te weten Christus, zal rieken; dat is, zeer wijselijk en verstandiglijk alles vernemen en gewaar worden.
[^jesaja-11-3-14]: Kanttekening 14: vrees voor YHWH: Dat is, Hij zal, als een kenner van de harten, weten en verstaan bij wie de vrees voor de Heer is, bij wie zij niet is.
[^jesaja-11-3-15]: Kanttekening 15: naar het gezicht: Versta dit zo, dat Christus niet alleen naar de uiterlijke schijn, of naar de woorden alleen, oordelen zal waarmee de ene mens de andere dikwijls bedriegt maar naar de gelegenheid van het hart als zijnde een kenner van het hart, en een doorgronder van de nieren. Zie Joh. 2:24 , 2:25 , en Joh. 21:15 , 21:16 , 21:17 . Johannes 2:24 : Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende, Johannes 2:25 : En omdat Hij niet nodig had, dat iemand getuigen zou van de mens; want Hij Zelf wist, wat in de mens was. Johannes 21:15 : Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16 : Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heer, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17 : Hij zei tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zei: Hebt u Mij lief, en zei tot Hem: Heer! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.
[^jesaja-11-3-16]: Kanttekening 16: naar het gehoor: Dat is, Hij zal ook niet lichtelijk aannemen de klachten, die men hem aanbrengt, noch ook de schijnheilige woorden van de huichelaars. Of, Hij zal niet oordelen van zichzelven, maar gelijk Hij van zijn Vader zal gehoord hebben.
[^jesaja-11-3-17]: Kanttekening 17: Te weten met woorden. Anders, straffen; te weten niet alleen met woorden, maar ook met plagen.
[^jesaja-11-4-18]: Kanttekening 18: De zin is: Hij zal wel de armen \[te weten, de armen van geest, gelijk Matt. 5:3 \], richten en straffen , maar met goedertierenheid en in billijkheid, tot hun best. Of, Hij zal de vromen en onnozelen, die van de goddelozen en kinderen van deze wereld onderdrukt worden, recht spreken en verlossen van het geweld van hun wederpartijders. Zie Ps. 72:4 , 72:12 . Mattheüs 5:3 : Zalig zijn de armen van geest; want van hen is het Koninkrijk van de hemelen. Psalmen 72:4 : Hij zal de ellendigen van het volk richten; hij zal de kinderen van de nooddruftige verlossen, en de verdrukker verbrijzelen. Psalmen 72:12 : Want hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft.
[^jesaja-11-4-19]: Kanttekening 19: Te weten die zachtmoedigen, nederigen en verslagenen van gemoed uit het gevoel en de bekentenis van hun zonden. Anders: En Hij zal om de zachtmoedigen van de aarde wil straffen met rechtmatigheid. De zin is: Hij zal straf oefenen over de goddelozen, opdat Hij de zachtmoedigen verlosse en bescherme.
[^jesaja-11-4-20]: Kanttekening 20: Dat is, de mensen op de aarde, te weten de goddelozen, gelijk straks volgt.
[^jesaja-11-4-21]: Kanttekening 21: Te weten in hun conscientiën, derzelve overtuigende van hun zonden, hun hun ellenden en verdoemenis te kennen gevende. Zie hiervan een voorbeeld Hand. 2:37 . Handelingen 2:37 : En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers?
[^jesaja-11-4-22]: Kanttekening 22: roede van Zijn mond: Dat is, met de kracht van de predikatie van zijn Woord, dat is de geestelijke scepter van zijn koninkrijk, scherper dan enig tweesnijdend zwaard, Hebr. 4:12 ; zie dergelijke manier van spreken Job 22:22 ; Ps. 33:6 ; 2 Thess. 2:6 ; Openb. 1:16 , en Openb. 2:16 , en Openb. 19:15 . Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. Job 22:22 : Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht. 2 Thessalonicensen 2:6 : En nu, wat hem wederhoudt, weet u, opdat hij geopenbaard worde te zijn eigen tijd. Openbaring 1:16 : En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. Openbaring 2:16 : Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond. Openbaring 19:15 : En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de gramschap van de almachtige God.
[^jesaja-11-4-23]: Kanttekening 23: Dat is, met zijn Woord of predikatie daarvan, gelijk straks.
[^jesaja-11-4-24]: Kanttekening 24: de goddeloze doden: Dat is, alle goddelozen; dat is, Hij zal de leer van de goddelozen overtuigen van valsheid, en hun leven van goddeloosheid, en dat zal Hij zo krachtiglijk doen, dat zij in hun conscientiën zullen overtuigd worden dat zij de verdoemenis waard zijn, of immers wel verdiend hebben verdaan en te schande gemaakt te worden, 2 Thess. 2:8 ; en eindelijk zal Hij alle onbekeerlijken metterdaad straffen. 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst;
[^jesaja-11-5-25]: Kanttekening 25: Dat is, Hij zal bekleed en versierd zijn, niet gelijk de koningen van deze wereld met uiterlijke sieraad van kleren; maar met gerechtigheid en met trouw, of met de waarheid en bestendigheid van zijn beloften. Zie Ps. 45:4 , 45:5 , en Ps. 72:4 , 72:12 . Christus geeft zijn uitverkorenen wat Hij hun belooft. Psalmen 45:4 : Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Psalmen 72:4 : Hij zal de ellendigen van het volk richten; hij zal de kinderen van de nooddruftige verlossen, en de verdrukker verbrijzelen. Psalmen 72:12 : Want hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft.
[^jesaja-11-5-26]: Kanttekening 26: Of, trouw.
[^jesaja-11-6-27]: Kanttekening 27: Dat is, de boze, kwade, wilde, woeste mensen, zo Joden als heidenen, zullen door de predikatie van Christus en van zijn dienaren en de innerlijke werking van de Heilige Geest zo veranderd worden, dat zij, afleggende hun boze genegenheden, met de geest van de liefde en van de zachtmoedigheid zullen aangedaan worden, zo dat zij goedertieren en beleefd met elkaar zullen leven en verkeren, zonder hun enig leed of schade aan te doen. Zie Jes. 65:25 ; Hos. 2:17 . Jesaja 65:25 : De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal het voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gehele heilige berg, zegt YHWH. Hosea 2:17 : En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
[^jesaja-11-6-c]: Verwijzing c: Jes. 65:25 ; Hosea 2:17 . Jesaja 65:25 : De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gansen heilige berg, zegt YHWH. Hosea 2:17 : En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodems; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
[^jesaja-11-6-28]: Kanttekening 28: Of, wonen, herbergen.
[^jesaja-11-6-29]: Kanttekening 29: Of, het vette vee.
[^jesaja-11-6-30]: Kanttekening 30: klein jongske: Dat is, de minste discipel of dienaar van onze Heer Christus, al is hij gering in de ogen van de mensen, zal hen besturen en regeren door de leer van het heilige Evangelie, want er zal gewillige gehoorzaamheid bij de mensen wezen, zijnde door de Geest van God innerlijk bewogen om het Woord van de Heer aan te nemen.
[^jesaja-11-7-31]: Kanttekening 31: leeuw zal stro eten, gelijk de os: Dat is, de vorsten en heren zullen zich laten leiden en regeren door de predicatie van het Goddelijke Woord, als ook personen van mindere staat en kwaliteit. Zij zullen allen met enerlei voedsel of voeder, te weten met Gods Woord, gevoed worden.
[^jesaja-11-8-32]: Kanttekening 32: zal zich vermaken: Dat is, het zal spelen. De zin is: De geringsten in de gemeente van God zullen in geen gevaar staan dat de machtigen hen enigszins zullen beledigen of beschadigen, omdat die zowel als de geringsten tot Christus zullen bekeerd worden; gelijk nader te zien is vers 9 . Jesaja 11:9 : Men zal nergens leed doen noch verderven op de gehele berg van Mijn heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken.
[^jesaja-11-8-33]: Kanttekening 33: een adder: Zie Deut. 32:33 , en Ps. 58:5 . Deuteronomium 32:33 : Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift. Psalmen 58:5 : Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
[^jesaja-11-8-34]: Kanttekening 34: zal zijn hand: Dat is, die, wier harten tevoren vol vergif waren, zullen zo gezuiverd worden, dat het een vermaak en genoegen zal zijn met hen te verkeren.
[^jesaja-11-9-35]: Kanttekening 35: Men zal: vers 9 verklaart de zinnebeeldige uitdrukkingen van vers 6 , 11:7 , 11:8 . De zin is: Onder de gelovigen, die tot kennis van de Heer komen zullen, zal de één de ander niet beledigen noch beschadigen, onrechtvaardigheid of geweld aandoen; maar zij zullen zich gelijkelijk eens godzaligen, oprechten en eerbaren handels en wandels bevlijtigen. Zie Jes. 65:25 . Jesaja 11:9 : Men zal nergens leed doen noch verderven op de gehele berg van Mijn heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Jesaja 11:6 : En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. Jesaja 11:7 : De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. Jesaja 11:8 : En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Jesaja 65:25 : De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal het voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gehele heilige berg, zegt YHWH.
[^jesaja-11-9-36]: Kanttekening 36: Mijn heiligheid: Of, mijn heiligdom; dat is, in de gemeente van de gelovigen. Want in de tempel, die op de berg Zion gebouwd was, plachten de gelovigen te vergaderen.
[^jesaja-11-9-37]: Kanttekening 37: de aarde: Dat is, de uitverkoren kinderen van God op de aarde wonende.
[^jesaja-11-9-38]: Kanttekening 38: gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken: Hebreeuws, gelijk de wateren de zee bedekken (יָּם). Hier betekent de zee zoveel als de grond van de zee. En de zin is: Dat de kennis van de Heer overal rijk zal bloeien.
[^jesaja-11-10-39]: Kanttekening 39: de Wortel van Isaï: Door de wortel Isaï versta Christus, die uit Isaï, de vader van David, als uit een wortel spruiten en hiervoor komen zou. Zie boven vers 1 , en Rom. 15:12 . Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Romeinen 15:12 : En opnieuw zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
[^jesaja-11-10-d]: Verwijzing d: Rom. 15:12 . Romeinen 15:12 : En opnieuw zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
[^jesaja-11-10-40]: Kanttekening 40: Die staan zal: Of, die opgericht zal worden; te weten door de predikatie van het heilig Evangelie. Het is een profetie van de roeping van de heidenen tot de kennis van Christus.
[^jesaja-11-10-41]: Kanttekening 41: tot een banier: Dat is, tot welke zij zullen vergaderen en samenkomen in enigheid van het geloof, de volken van de gehele aardbodem. Zie Gen. 49:10 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^jesaja-11-10-42]: Kanttekening 42: Dat is, de heidenen zullen de predikatie van het heilige Evangelie met lust aanhoren, en zij zullen daaruit Christus leren kennen. Anderen verstaan deze woorden aldus: De heidenen zullen uit die wortel, te weten Christus, God leren kennen, dienen en zo het eeuwige leven verkrijgen.
[^jesaja-11-10-43]: Kanttekening 43: Zijn rust zal heerlijk zijn: Hebreeuws, zijn rust zal eer, of heerlijkheid zijn (מְנֻחָת); dat is, zijn gemeente, in welke Hij rust en zijn welbehagen heeft, zal vol eer en heerlijkheid zijn, namelijk geheiligd zijnde door de Heilige Geest en eindelijk geheel heilig en heerlijk gemaakt zijnde aan de ziel en aan het lichaam. Anders: zijn rust zal ter heerlijkheid zijn; dat is, het zal ere zijn op hem te rusten, of ere in hem te zoeken.
[^jesaja-11-11-44]: Kanttekening 44: Want het zal: Hier geeft de profeet reden en wijst aan de heerlijke rust, die de Messias zijn volk geven zal.
[^jesaja-11-11-45]: Kanttekening 45: ten anderen male: Alsof hij zei: Gelijk Hij eertijds zijn hand heeft uitgestrekt om zijn volk uit Egypteland te verlossen, zo zal Hij die opnieuw tot hun verlossing uitstrekken tegen hun vijanden; namelijk, zo lichamelijk als ook geestelijk, de zonde en de duivel.
[^jesaja-11-11-46]: Kanttekening 46: te verwerven: Te weten door zijn bloed en geest, Hand. 20:28 ; Ef. 5:25 , 5:26 , 5:27 . Het Hebreeuwse woord betekent kopen, rantsoeneren, verkrijgen, verwerven, zich toeëigenen, ten eigendom maken. Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 5:25 : U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^jesaja-11-11-47]: Kanttekening 47: het overblijfsel: Te weten degenen, die door de predikatie van het heilige Evangelie tot Christus zouden bekeerd en zijn rijk deelachtig gemaakt worden. Zie Rom. 11:25 , 11:26 . Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
[^jesaja-11-11-48]: Kanttekening 48: Zie Gen. 10:14 ; in welk hoofdstuk ook van de andere volken, die hier genoemd staan, gesproken wordt. Maar van Hamath zie 2 Sam. 8:9 . Genesis 10:14 : En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. 2 Samuël 8:9 : Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David de gehele legermacht van Hadad-ezer geslagen had;
[^jesaja-11-11-49]: Kanttekening 49: van de zee: Dat is, over of aan de zee gelegen.
[^jesaja-11-12-50]: Kanttekening 50: Te weten de Heer.
[^jesaja-11-12-51]: Kanttekening 51: een banier: Gelijk boven vers 10 . Jesaja 11:10 : Want het zal gebeuren ten zelven dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier van de volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
[^jesaja-11-12-52]: Kanttekening 52: en Hij zal: Anders: opdat Hij verzamele, enz.
[^jesaja-11-12-53]: Kanttekening 53: Te weten in Christus, die zijn kerk uit de vier hoeken van de wereld vergadert. Zo dat in Hem geestelijkerwijze vervuld is wat God beloofd heeft; Deut. 30:4 . Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
[^jesaja-11-12-54]: Kanttekening 54: Of, hoeken, gewesten. Zie Job 37:3 . Job 37:3 : Dat zendt Hij rechtuit onder de gehele hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde.
[^jesaja-11-13-55]: Kanttekening 55: de nijd: Versta hier die nijd, waarmee Efraïm de stam van Juda benijdde; en versta onder Efraïm de tien stammen van Israël. De zin is: Daar zal onder de Christenen niet zulk een haat en nijd zijn, gelijk er eertijds tussen Efraïm en Juda geweest is.
[^jesaja-11-13-56]: Kanttekening 56: Efraïm zal Juda: De zin is: De gemeente van Christus zal in een heiligen vrede verenigd worden.
[^jesaja-11-13-57]: Kanttekening 57: niet benauwen: Of vijandiglijk aangrijpen, kwellen, onderdrukken.
[^jesaja-11-14-58]: Kanttekening 58: Te weten Efraïm en Juda gelijkelijk.
[^jesaja-11-14-59]: Kanttekening 59: op de schouder vliegen: Dit is geestelijkerwijze te verstaan, zo namelijk, dat de gelovige Israëlieten de heidenen door de predikatie van het heilige Evangelie snel zullen op het lijf vallen, aangrijpen en overwinnen, omdat zij enigen van hen tot het Christengeloof brengen zullen, en de anderen zullen zij overtuigen dat zij gene ontschuldiging voor God hebben zullen. Immers geeft de profeet door deze gelijkenis \[genomen van een roofvogel of vos, die de hoenders op het lijf valt\] te kennen de victorie, welke de Heer aan zijn kerk tegen haar vijanden verlenen zou. Gelijk zulks door de apostelen en andere leraars is vervuld geworden.
[^jesaja-11-14-60]: Kanttekening 60: tegen het westen: Hebreeuws, tegen de zee aan (יָמָּ). De Middellandse zee ligt ten lande van Kanaän tegen het westen. De profeet geeft hier te kennen dat het Evangelie zou gepredikt worden in het oosten en in het westen; zie Matt. 8:11 . Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^jesaja-11-14-61]: Kanttekening 61: zij zullen te zamen: Aldus spreekt de profeet oneigenlijk van de predikatie van het goddelijke Woord, willende te kennen geven dat de kerk van Christus al haar vijanden zou bestrijden en overwinnen door de kracht en de zegen van de Heer, om de uitverkorenen te brengen onder zijn gehoorzaamheid.
[^jesaja-11-14-62]: Kanttekening 62: die van het oosten: Hebreeuws, de kinderen van het oosten (בְּנֵי). Zie Job 1:3 , en de aantekening daar. Job 1:3 : Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.
[^jesaja-11-14-63]: Kanttekening 63: aan Edom: Dat is, aan de Edomieten en Moabieten.
[^jesaja-11-14-64]: Kanttekening 64: zullen zij hun handen slaan: Hebreeuws, zal de zending van hun handen zijn (יָדָ).
[^jesaja-11-14-65]: Kanttekening 65: de kinderen Ammons: Dat is de Ammonieten.
[^jesaja-11-14-66]: Kanttekening 66: zullen hun gehoorzaam zijn: Te weten omdat zij de leer van het heilige Evangelie met een vast geloof zullen omhelzen.
[^jesaja-11-15-67]: Kanttekening 67: Ook zal YHWH: Onder verbloemde woorden geeft de profeet te kennen dat alle hindernissen zullen weggenomen worden, die het volk in de weg zouden zijn om tot Christus te komen. Alsof hij zei: Eer zal de Heer alle wateren, alsook onder anderen de zeven stromen van de rivier de Nijl doen opdrogen, voordat de loop van het heilige Evangelie zou gestuit of opgehouden worden; gelijk Hij eertijds het Rode meer heeft droog gemaakt, opdat zijn volk droogvoets daardoor zou gaan.
[^jesaja-11-15-68]: Kanttekening 68: de inham: Hebreeuws, de tong (לְשׁוֹן).
[^jesaja-11-15-69]: Kanttekening 69: van de zee van Egypte: Te weten de Rode Zee aan Egypte strekkende.
[^jesaja-11-15-70]: Kanttekening 70: Dat is tenietdoen of te schande maken.
[^jesaja-11-15-71]: Kanttekening 71: Anders: opheffen, als dreigende, gelijk boven Jes. 10 , van Assur gezegd wordt.
[^jesaja-11-15-72]: Kanttekening 72: tegen de rivier: Te weten de Nijl, die zeven uitgangen of stromen had. Maar enige verstaan hier de rivier de Eufraat, anderen de Jordaan.
[^jesaja-11-15-73]: Kanttekening 73: Het Hebreeuwse woord nachal betekent hier de grachten of diepten, door welke de wateren stromen; of, de bak, geul of grond van de rivier, zijnde als ene vallei, nadat de wateren afgelopen zijn.
[^jesaja-11-15-74]: Kanttekening 74: dat men: Of, dat zij; te weten de gelovigen.
[^jesaja-11-15-75]: Kanttekening 75: met schoenen: Versta hierbij, zonder ze nat te maken, of zonder ze uit te trekken, opdat men ze niet nat make.
[^jesaja-11-16-76]: Kanttekening 76: En er zal een gebaande weg zijn: De zin is: Alles zal gebaand en zonder hindernissen zijn, als Christus zijn kerk verzamelen zal door de predikatie van het heilige Evangelie.
[^jesaja-11-16-77]: Kanttekening 77: toen het uit Egypteland optoog: Gaande droogvoets door de Rode zee; Ex. 14:29 . Exodus 14:29 : Maar de kinderen van Israël gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
[^jesaja-11-16-e]: Verwijzing e: Ex. 14:29 . Exodus 14:29 : Maar de kinderen van Israël gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.

### Jesaja 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/12.json)

*Een dankzegging die de christenen zouden uitspreken voor de verlossing die hun in Christus bewezen is, terwijl zij zich daarover hartelijk verheugen.*

**1** En[^jesaja-12-1-1] op dezelfde dag zult[^jesaja-12-1-2] u zeggen:[^jesaja-12-1-3] Ik dank U, YHWH! dat U boos op mij geweest bent, maar Uw toorn is afgekeerd, en U troost mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v1)

**2** Zie, God is[^jesaja-12-2-4] mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want Adonai YHWH[^jesaja-12-2-5] is mijn Sterkte en[^jesaja-12-2-6] mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v2)

**3** En u[^jesaja-12-3-7] zult[^jesaja-12-3-a] water scheppen met vreugde[^jesaja-12-3-8] uit de fonteinen van het heil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v3)

**4** En[^jesaja-12-4-9] zult op dezelfde dag zeggen:[^jesaja-12-4-10] Dank YHWH,[^jesaja-12-4-11] roep Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken![^jesaja-12-4-12][^jesaja-12-4-b] vermeld, dat Zijn Naam verhoogd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v4)

**5** [^jesaja-12-5-13] Psalmzing[^jesaja-12-5-14] YHWH, want Hij heeft[^jesaja-12-5-15] heerlijke dingen gedaan; dat zij bekend op de hele aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v5)

**6** Juich en zing vrolijk,[^jesaja-12-6-16] u inwoners van Sion![^jesaja-12-6-17] want[^jesaja-12-6-18] de Heilige van Israël[^jesaja-12-6-19] is groot in het midden van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/12.html#v6)

[^jesaja-12-1-1]: Kanttekening 1: op dezelfde dag: Te weten ten tijde van het rijk van Christus, gelijk het Evangelie in de gehele wereld zal gepredikt worden.
[^jesaja-12-1-2]: Kanttekening 2: u zeggen: Te weten u mijn uitverkoren volk, u Christengelovigen.
[^jesaja-12-1-3]: Kanttekening 3: dat U: Dat U, die op ons toornig was, uw toorn hebt laten vallen. Zo staat er Rom. 6:17 : Gode zij dank, dat u \[wel\] dienaren van de zonde was, enz. Anders: dat U toornig op mij geweest zijnde, uw toorn zich afgewend heeft, en dat U mij troost. Romeinen 6:17 : Maar Gode zij dank, dat u wel dienaren van de zonde was, maar dat u nu van hart gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer, tot dat u overgegeven bent;
[^jesaja-12-2-4]: Kanttekening 4: mijn Heil: Of, mijn Heiland, of mijn zaligheid; dat is, Hij is de auteur van mijn zaligheid.
[^jesaja-12-2-5]: Kanttekening 5: is mijn Sterkte: Dat is, die mij sterkte geeft; zie Ex. 15:2 ; Ps. 118:14 . Exodus 15:2 : YHWH is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijn vaders God, daarom zal ik Hem verheffen! Psalmen 118:14 : YHWH is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
[^jesaja-12-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, het is God, wie ter ere ik psalmen en lofzangen dicht en zing.
[^jesaja-12-3-7]: Kanttekening 7: zult water: Dat is, u verheugen, gelijk die doen, die grote dorst hebbende, water vinden om hun dorst te lessen. Versta hier door het water allerlei geestelijke gaven en weldaden, die God zijn welbeminden geeft, in het bijzonder de zaligheid door Jezus Christus. Vergelijk hiermede Matt. 5:6 ; Joh. 6:54 , en Joh. 7:37 . Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Johannes 6:54 : Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^jesaja-12-3-a]: Verwijzing a: Joh. 7:37 ; idem v. 38 . Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
[^jesaja-12-3-8]: Kanttekening 8: uit de fonteinen: Dat is, uit de predikatie van het heilige Evangelie, in welke de zaligheid, door Christus verworven, verkondigd wordt.
[^jesaja-12-4-9]: Kanttekening 9: zult te dienzelfden: Te weten u, die tot Christus zult bekeerd zijn.
[^jesaja-12-4-10]: Kanttekening 10: Dankt YHWH: Zie 1 Kron. 16:8 , en Ps. 105:1 . 1 Kronieken 16:8 : Looft YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. Psalmen 105:1 : Looft YHWH, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
[^jesaja-12-4-11]: Kanttekening 11: roept Zijn Naam aan: Of, roept zijn naam uit, of verkondigt zijn naam overluid.
[^jesaja-12-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, maakt dat het bij de nakomelingen gedacht worde, dat zijn naam hoog is te loven en te prijzen.
[^jesaja-12-4-b]: Verwijzing b: Joh. 17:1 ; idem v. 4 ; idem v. 6 ; idem v. 26 . Johannes 17:1 : Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zei: Vader, het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Johannes 17:4 : Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voltooid het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen; Johannes 17:6 : Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en U hebt Mij dezelfde gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. Johannes 17:26 : En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmee U Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.
[^jesaja-12-5-13]: Kanttekening 13: Het Hebreeuwse woord betekent zowel met de stem zingen, als op instrumenten spelen.
[^jesaja-12-5-14]: Kanttekening 14: YHWH: Dat is, ter ere Gods.
[^jesaja-12-5-15]: Kanttekening 15: heerlijk dingen: Hebreeuws, heerlijkheid, of hoogheid, of voortreffelijkheid gedaan.
[^jesaja-12-6-16]: Kanttekening 16: u inwoneres: Dat is, u volk van God, tehuis behorende in zijn kerk, die hier Zion genoemd wordt.
[^jesaja-12-6-17]: Kanttekening 17: Hier wordt aangewezen de oorzaak of stoffen van de lofzangen van de godzaligen.
[^jesaja-12-6-18]: Kanttekening 18: de Heilige van Israël: Dat is, de ware God, die heiliglijk geëerd en gediend wordt van zijn volk Israël. Zie Ps. 71:22 . Psalmen 71:22 : Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^jesaja-12-6-19]: Kanttekening 19: is groot: Dat is, Hij heeft zijn macht betoond en doen blijken door zijn heerlijke daden, die Hij onder u gedaan heeft.

### Jesaja 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/13.json)

*De profeet voorzegt de verwoesting van het Babylonische rijk door de Perzen en Meden, vers 1, die God hier aanspreekt en daartoe vermaant, 2. Daarna wendt Hij zich tot het volk en maakt hun bekend dat Hij de Perzen en Meden tegen Babel heeft opgezet, 3. De komst van de Perzen en Meden, 4 enzovoort. Daarna voorzegt Hij dat de Babyloniers grote benauwdheid zou overkomen, 7, ja, dat Babel zo vernietigd zou worden dat geen mensen, maar allerlei verschrikkelijke monsterdieren erin zouden wonen, 21.*

**1** [^jesaja-13-1-1] De last van[^jesaja-13-1-2] Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v1)

**2** [^jesaja-13-2-3] Hef op[^jesaja-13-2-4] een banier, op een hoge berg;[^jesaja-13-2-5] verhef een stem tot hen;[^jesaja-13-2-6] beweeg de hand omhoog, dat[^jesaja-13-2-7] zij[^jesaja-13-2-8] intrekken door de deuren[^jesaja-13-2-9] van de prinsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v2)

**3** [^jesaja-13-3-10] Ik heb[^jesaja-13-3-11] aan Mijn geheiligden[^jesaja-13-3-12] bevel gegeven; ook heb Ik[^jesaja-13-3-13] tot Mijn toorn geroepen[^jesaja-13-3-14] Mijn helden,[^jesaja-13-3-15] de vrolijken van Mijn hoogheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v3)

**4** [^jesaja-13-4-16] Er is een ruisende stem[^jesaja-13-4-17] op de bergen,[^jesaja-13-4-18] gelijk van een groot volk;[^jesaja-13-4-19] een stem van geluid van de koninkrijken, van de verzamelde heidenen; YHWH van[^jesaja-13-4-20] de legermachten monstert het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v4)

**5** Zij komen[^jesaja-13-5-21] uit ver land,[^jesaja-13-5-22] van het einde van de hemel; YHWH en[^jesaja-13-5-23] de instrumenten van Zijn toorn, om dat hele land te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v5)

**6** Huil[^jesaja-13-6-24] u, want[^jesaja-13-6-25] de dag van YHWH is nabij;[^jesaja-13-6-26] hij komt als een verwoesting van de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v6)

**7** [^jesaja-13-7-27] Daarom zullen[^jesaja-13-7-28] alle handen slap worden, en[^jesaja-13-7-29] het hart van alle mensen[^jesaja-13-7-30] zal versmelten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v7)

**8** En[^jesaja-13-8-31] zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw;[^jesaja-13-8-32] ieder zal over zijn naaste[^jesaja-13-8-33] verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v8)

**9** Zie,[^jesaja-13-9-34] de dag van YHWH komt, gruwelijk, met toorn en[^jesaja-13-9-35] hittigen toorn, om[^jesaja-13-9-36] het land[^jesaja-13-9-37] te stellen tot verwoesting, en[^jesaja-13-9-38] zijn zondaars daaruit te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v9)

**10** Want[^jesaja-13-10-39] de sterren van de hemel en zijn[^jesaja-13-10-40] gesternten zullen haar licht niet laten lichten;[^jesaja-13-10-a] de zon zal verduisterd worden,[^jesaja-13-10-41] wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v10)

**11** Want[^jesaja-13-11-42] Ik zal over de[^jesaja-13-11-43] wereld de boosheid[^jesaja-13-11-44] bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed van de stouten doen ophouden, en de hoogmoed van de tirannen zal Ik vernederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v11)

**12** Ik zal maken, dat een man[^jesaja-13-12-45] dierbaarder zal zijn dan[^jesaja-13-12-46] dicht goud, en een mens dan fijn goud van[^jesaja-13-12-47] Ofir. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v12)

**13** [^jesaja-13-13-48] Daarom zal Ik[^jesaja-13-13-49] de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, en vanwege[^jesaja-13-13-50] de dag van Zijn hittige toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v13)

**14** En ieder zal zijn als een verjaagde ree, en[^jesaja-13-14-51] als een schaap, dat niemand verzamelt;[^jesaja-13-14-52] ieder[^jesaja-13-14-53] zal naar zijn volk omzien, en ieder zal naar zijn land vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v14)

**15** Al wie[^jesaja-13-15-54] gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al[^jesaja-13-15-55] wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v15)

**16** Ook zullen hun kinderen voor hun ogen[^jesaja-13-16-56] verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v16)

**17** Zie, Ik zal[^jesaja-13-17-57] de Meden tegen hen verwekken,[^jesaja-13-17-58] die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v17)

**18** Maar hun bogen zullen de jongemannen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen[^jesaja-13-18-59] over de vrucht van de buik; hun oog zal de kinderen niet[^jesaja-13-18-60] sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v18)

**19** Zo zal Babel,[^jesaja-13-19-61] het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de trots van de Chaldeeën, zijn[^jesaja-13-19-62] zoals God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.[^jesaja-13-19-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v19)

**20** [^jesaja-13-20-63] Daar[^jesaja-13-20-64] zal geen woonplaats zijn in de eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en[^jesaja-13-20-65] de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v20)

**21** Maar daar zullen neerliggen[^jesaja-13-21-67] de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden[^jesaja-13-21-68] met schrikkelijke gedierten, en daar zullen[^jesaja-13-21-69] de jonge struisvogels wonen, en de demonen zullen er huppelen.[^jesaja-13-21-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v21)

**22** En[^jesaja-13-22-71] wilde dieren van de eilanden[^jesaja-13-22-72] zullen in zijn[^jesaja-13-22-73] verlaten plaatsen[^jesaja-13-22-74] elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.[^jesaja-13-22-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/13.html#v22)

[^jesaja-13-1-1]: Kanttekening 1: De last: Dit is de titel van alle bezwaarlijke dreigprofetieën; het is als een ontzegsbrief, welke de Heer door zijn profeet is zendende. Zie de aantekening 2 Kon. 9:25 . En dit dreigement gaat niet alleen de koning te Babel aan, maar ook de stad Babel en het gehele koninkrijk. 2 Koningen 9:25 : Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last opleide, zeggende:
[^jesaja-13-1-2]: Kanttekening 2: die Jesaja: Dat is, die God hem in een gezicht geopenbaard heeft.
[^jesaja-13-2-3]: Kanttekening 3: Heft op: Hier spreekt God de koning van de Perzen en van de Meden aan, hem vermanende, dat hij zich ten oorlog zou bereiden, tegen de Babyloniërs.
[^jesaja-13-2-4]: Kanttekening 4: een banier: Te weten tot een teken dat zich het krijgsvolk verzamele.
[^jesaja-13-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, roept met luide stem de krijgslieden, die nabij wonen.
[^jesaja-13-2-6]: Kanttekening 6: Te weten om een leger uit verre landen aan te lokken en te verzamelen.
[^jesaja-13-2-7]: Kanttekening 7: Te weten de verzamelde krijgslieden van de Perzen en Meden.
[^jesaja-13-2-8]: Kanttekening 8: Te weten in de stad Babel.
[^jesaja-13-2-9]: Kanttekening 9: van de prinsen: Te weten de prinsen of vorsten te Babel. Aldus noemt de profeet de Babyloniërs, omdat velen van hen van de roof van hun naburen en van de voortreffelijke neringen machtig en rijk geworden waren, ja als prinsen en vorsten; alsook omdat zij in die tijd over vele koninkrijken en landen heersten. Zie Jes. 10:8 . Jesaja 10:8 : Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?
[^jesaja-13-3-10]: Kanttekening 10: Ik heb: Te weten, Ik de Heer.
[^jesaja-13-3-11]: Kanttekening 11: Versta hier de Perzen en Meden, die God had geheiligd; dat is, tot een heilig werk bestemd, namelijk tot verdelging van de goddeloze Babyloniërs. Zie Jer. 22:7 . Jeremia 22:7 : Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen.
[^jesaja-13-3-12]: Kanttekening 12: bevel gegeven: Niet door een uiterlijke stem, maar door een inwendige beweging, in de harten van de Perzen en Meden, door mijn regering de zaak tot mijn eer besturende. Zie 2 Sam. 16:11 ; Jes. 23:11 . 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd. Jesaja 23:11 : Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; YHWH heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar sterkten te verdelgen.
[^jesaja-13-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, tot uitvoering van mijn toorn.
[^jesaja-13-3-14]: Kanttekening 14: Mijn helden: Dat is, de Perzen en Meden, aan wie Ik sterkte en kloekmoedigheid gegeven heb en nog verder geven zal.
[^jesaja-13-3-15]: Kanttekening 15: de vrolijken: Dat is, welke Ik een dapperen en vrolijken moed en courage gegeven heb, om de Babyloniërs aan te tasten. Maar hoe de goddelozen dit doen, zie Jes. 10:6 , 10:7 . Jesaja 10:6 : Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk van de straten. Jesaja 10:7 : Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.
[^jesaja-13-4-16]: Kanttekening 16: Er is: Hier spreekt de profeet opnieuw. Anders: daar is een stem van de menigte, of van de veelheid; want het Hebreeuwse woord betekent zulks beide.
[^jesaja-13-4-17]: Kanttekening 17: op de bergen: Te weten op de bergen in Medië.
[^jesaja-13-4-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, de gelijkenis van een groot volk (עַם).
[^jesaja-13-4-19]: Kanttekening 19: een stem: De zin is: Daar is zulk rumoer, alsof al de koninkrijken van de heidenen zich vergaderden en samenliepen.
[^jesaja-13-4-20]: Kanttekening 20: Als zijnde veldoverste, of generaal.
[^jesaja-13-5-21]: Kanttekening 21: uit ver land: Te weten uit Perzië, dat van Babel gelegen is omtrent 225 Duitse mijlen, gelijk enige schrijven.
[^jesaja-13-5-22]: Kanttekening 22: van het einde: Anders: van het uiterste van de hemel; dat is van de wijdgelegen landen.
[^jesaja-13-5-23]: Kanttekening 23: de instrumenten: Of, de wapenen, die hij in zijn toorn gebruiken wil om het land van de Chaldeën en van Babylonië, en ook die gehele monarchie te verderven; zie Jer. 50:25 . Jeremia 50:25 : YHWH heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten van Zijn toorn voortgebracht; want dat is een werk van de Heer, YHWH van de legermachten, in het land van de Chaldeeën.
[^jesaja-13-6-24]: Kanttekening 24: Te weten, o u Babyloniërs, met al uwe aanhangers.
[^jesaja-13-6-25]: Kanttekening 25: de dag: Dat is, de dag, in welke de Heer zijn gestreng gericht over Babylon zal uitoefenen; gelijk Jes. 2:12 , en Jes. 61:2 ; Joël 1:15 . Zie Job 24:1 , en Ps. 37:13 . Jesaja 2:12 : Want de dag van YHWH van de legermachten zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde; Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak van onze God; om alle treurigen te troosten; Joël 1:15 : Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Job 24:1 : Waarom zouden van de Almachtige de tijden niet verborgen zijn, omdat zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? Psalmen 37:13 : YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
[^jesaja-13-6-26]: Kanttekening 26: hij komt: Alsof hij zei: Het zal zulks een verschrikkelijke verwoesting zijn, dat het genoegzaam blijken zal dat ze van de hand van de almachtige God komende is.
[^jesaja-13-7-27]: Kanttekening 27: Te weten omdat het verderf zo verschrikkelijk en zo groot is.
[^jesaja-13-7-28]: Kanttekening 28: alle handen: Te weten alle handen van de Babyloniërs.
[^jesaja-13-7-29]: Kanttekening 29: het hart van alle mensen: Hebreeuws, al het hart eens mensen (לְבַב).
[^jesaja-13-7-30]: Kanttekening 30: zal versmelten: Te weten van angst, schrik en vrees.
[^jesaja-13-8-31]: Kanttekening 31: zij zullen: Te weten de Babyloniërs en hun aanhangers.
[^jesaja-13-8-32]: Kanttekening 32: ieder: Of, de één zal zich over, of met de ander verwonderen.
[^jesaja-13-8-33]: Kanttekening 33: hun aangezichten: Dat is, hun aangezichten zullen zo rood zijn als vuur, te weten van schaamte, namelijk omdat zij, die tevoren zulke helden geweest zijn, die over de gehele wereld hebben willen heersen, van de Perzen en Meden, die tevoren zozeer niet geacht waren, zouden overheerd en verslagen worden. Maar anderen verstaan dit zo, dat de aangezichten van de Perzen en van de Meden als vuurvlammen zouden zijn, dat is vol toorn en gramschap, dorstende naar het bloed van de Babyloniërs, dat de roodheid van hun aangezichten zou te kennen geven.
[^jesaja-13-9-34]: Kanttekening 34: de dag: Zie vers 6 . Jesaja 13:6 : Huilt u, want de dag van YHWH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.
[^jesaja-13-9-35]: Kanttekening 35: hittigen toorn: Hebreeuws, hitte van de toorn.
[^jesaja-13-9-36]: Kanttekening 36: het land: Te weten het land van Babylonië.
[^jesaja-13-9-37]: Kanttekening 37: te stellen: Dat is, om het land te verwoesten en ellendig te maken.
[^jesaja-13-9-38]: Kanttekening 38: Dat is, de zondaars die daarin zijn.
[^jesaja-13-10-39]: Kanttekening 39: de sterren: De zin is: Het zal de Babyloniërs alles tegen zijn, zodat zelfs de sterren van de hemel haar schijnsel hun zullen onttrekken. Deze manier van spreken gebruiken de profeten, om daardoor te betekenen grote ellenden. Zie Ez. 32:7 ; Joël 2:31 , en Joël 3:15 . Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Joël 3:15 : De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
[^jesaja-13-10-40]: Kanttekening 40: Door ster wordt verstaan een enige ster, door gesternte verscheidene sterren bij elkaar. Anders: Orion. Zie Job 9:9 . Job 9:9 : Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
[^jesaja-13-10-a]: Verwijzing a: Ez. 32:7 ; Joël 2:31 ; Joël 3:15 ; Matt. 24:29 ; Mark. 13:24 ; Lukas 21:25 . Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Joël 3:15 : De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. Mattheüs 24:29 : En meteen na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Marcus 13:24 : Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. Lukas 21:25 : En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
[^jesaja-13-10-41]: Kanttekening 41: wanneer zij: Hebreeuws, als zij uitgaat; te weten uit haar slaapkamer; Ps. 19:6 . Psalmen 19:6 : En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^jesaja-13-11-42]: Kanttekening 42: Ik zal: Hier spreekt de Heer opnieuw.
[^jesaja-13-11-43]: Kanttekening 43: Versta hier door de wereld de landen, die onder de gehoorzaamheid van de koning van Babel stonden, van welke vele waren. Zie Dan. 4:17 , enz. Daniël 4:17 : Deze zaak is in het besluit van de wachters, en deze begeerte is in het woord van de heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze aan wie Hij wil, ja, zet daarover de laagste onder de mensen.
[^jesaja-13-11-44]: Kanttekening 44: Dat is, straffen.
[^jesaja-13-12-45]: Kanttekening 45: De zin is: Ik zal maken dat van de Babyloniërs weinig zullen worden, want van hen zullen velen verslagen worden. Vergelijk 1 Sam. 3:1 . 1 Samuël 3:1 : En de jongeling Samuël diende YHWH voor het aangezicht van Eli; en het woord van YHWH was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.
[^jesaja-13-12-46]: Kanttekening 46: dicht goud: Zie 1 Kon. 10:18 . 1 Koningen 10:18 : Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog hem met dicht goud.
[^jesaja-13-12-47]: Kanttekening 47: Zie de aantekening 1 Kon. 9:28 . 1 Koningen 9:28 : En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^jesaja-13-13-48]: Kanttekening 48: Te weten vanwege de hoogmoed en de goddeloosheid van de Babyloniërs, vers 11 . Jesaja 13:11 : Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed van de stouten doen ophouden, en de hovaardij van de tirannen zal Ik vernederen.
[^jesaja-13-13-49]: Kanttekening 49: de hemel: De zin is: Ik zal zo schrikkelijke straffen over de Chaldeën en Babyloniërs laten komen, dat met reden hemel en aarde zich daarover ontzetten zullen; of dat de Babyloniërs zullen menen dat hemel en aarde bewogen worden.
[^jesaja-13-13-50]: Kanttekening 50: de dag: Zie de aantekening op Job 20:28 . Job 20:28 : De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in de dag van Zijn toorn.
[^jesaja-13-14-51]: Kanttekening 51: als een schaap: Of, als een kudde schapen, die niemand vergadert.
[^jesaja-13-14-52]: Kanttekening 52: ieder: Te weten die uit verre landen gekomen is, gehuurd zijnde tot hulp van de Babyloniërs.
[^jesaja-13-14-53]: Kanttekening 53: zal naar zijn volk: Dat is, zal wensen weer in zijn vaderland te zijn, gelijk er straks volgt.
[^jesaja-13-15-54]: Kanttekening 54: gevonden wordt: Te weten te Babel, of van de Babyloniërs. De zin is: Wie de soldaten van de Perzen en Meden vinden zullen, die zullen zij doden, ziende dat het Babyloniërs zijn.
[^jesaja-13-15-55]: Kanttekening 55: wie daarbij: Hij zij burger of vreemdeling; of versta degenen, die zich omtrent de stad Babel hier en daar in kastelen of vaste plaatsen begeven hebben. Anders: al die uitgeteerd is; te weten van grote ouderdom.
[^jesaja-13-16-56]: Kanttekening 56: Zie Ps. 137:9 . Anders: vergruisd worden. Psalmen 137:9 : Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.
[^jesaja-13-17-57]: Kanttekening 57: de Meden: Dat is, het heirleger van de Meden, onder het bevel van Cyrus, de koning van de Perzen en Meden. Hebreeuws, Madai. Zie de aantekening Gen. 10:2 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^jesaja-13-17-58]: Kanttekening 58: die het zilver: Of, die op geen zilver denken of passen zullen. Hij wil zeggen dat de Meden zo bloeddorstig over de Babyloniërs zullen zijn, dat zij geen geld noch rantsoen tot verschoning nemen zullen, hoe groot het ook zou mogen wezen; maar zij zullen het bloed of leven van de Babyloniërs zoeken. Zie boven vers 12 . Jesaja 13:12 : Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
[^jesaja-13-18-59]: Kanttekening 59: over de vrucht: Dat is, over de kinderen in moeders buik.
[^jesaja-13-18-60]: Kanttekening 60: Of, sparen.
[^jesaja-13-19-61]: Kanttekening 61: het sieraad: Dat is, die nu de schoonste en voortreffelijkste is onder al de koninkrijken van de aardbodem.
[^jesaja-13-19-62]: Kanttekening 62: Deze profetie is wel van de Perzen en Meden zo dadelijk niet voltrokken geweest toen zij deze stad hebben ingenomen, maar het is van tijd tot tijd verder en verder geschied, zo dat men heden ten dage nauwelijks weet waar die machtige en prachtige stad gestaan heeft. Ten tijde van de keizer Vespasianus is daar alleen overig geweest Jovis Beli tempel; Plin.in natur.hist.lib. 6 cap. 26.
[^jesaja-13-19-b]: Verwijzing b: Gen. 19:25 ; Jes. 1:9 ; Jer. 49:18 ; Jer. 50:40 . Genesis 19:25 : En Hij keerde deze steden om, en die gehele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. Jesaja 1:9 : Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. Jeremia 49:18 : Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. Jeremia 50:40 : Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren.
[^jesaja-13-20-63]: Kanttekening 63: Te weten in de stad Babel.
[^jesaja-13-20-64]: Kanttekening 64: zal geen woonplaats: Of, men zal er gene zitplaats hebben. Zie Jer. 17:6 ; te weten, hoewel zij zich anders inbeeldt, vanwege haar grote macht, menende onoverwinnelijk te zijn. Anders: zij zal in eeuwigheid \[dat is, nimmermeer\] niet bewoond worden; dat is, zij zal nimmermeer weer in haar vorigen staat komen, te weten nadat zij eens ten gronde zal afgebroken zijn. Jeremia 17:6 : Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^jesaja-13-20-65]: Kanttekening 65: de Arabier: De Arabieren plachten geen vaste woonplaats en blijvende stad te hebben, maar hier en daar te wandelen en in hutten te wonen, zich nederslaande waar zij het beste voeder vonden voor hun beesten. Deze, ziende en bevindende dat het land omtrent Babylon zo verwoest en zo ellendig is, dat er geen voedsel genoeg voor hun vee te vinden is, zullen het mijden.
[^jesaja-13-21-67]: Kanttekening 67: met schrikkelijke: Of, schadelijke dieren. Het Hebreeuwse woord betekent zulke dieren, die de mensen ach en wee doen roepen van bangheid. Anders: dieren die een droevig geluid maken.
[^jesaja-13-21-68]: Kanttekening 68: de jonge: Hebreeuws, de dochters van de struisen. Zie de aantekening Lev. 11:16 , en Job 30:29 . Leviticus 11:16 : En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; Job 30:29 : Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen.
[^jesaja-13-21-69]: Kanttekening 69: de duivelen: Zie Lev. 17:7 , alsook 2 Kron. 11:15 ; Openb. 18:2 . Leviticus 17:7 : En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^jesaja-13-21-66]: Kanttekening 66: de wilde dieren: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wildernissen, en hier zodanige dieren, die in de wildernissen of in dorre woeste plaatsen zich ophouden. Zie Jer. 50:39 . Jeremia 50:39 : Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.
[^jesaja-13-22-71]: Kanttekening 71: in zijn: Te weten, van de koning van Babel.
[^jesaja-13-22-72]: Kanttekening 72: Of, weduwlijke; dat is, verlaten of ledige plaatsen, of, gelijk enige paleizen, door verwisseling van de letter resch in de letter lamed; gelijk het is Jes. 34:13 . Jesaja 34:13 : En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning van de draken zijn, een zaal voor de jongen van de struisen.
[^jesaja-13-22-73]: Kanttekening 73: Of, elkaar toeschreeuwen. Hebreeuws, antwoorden.
[^jesaja-13-22-74]: Kanttekening 74: haar tijd: Te weten, de tijd van de stad Babel. En versta hier die tijd, in welke het verderf van de stad en van het rijk van Babylon beginnen zou, alsook het begin van de tijd van de verlossing van de Joden uit hun tirannie. Er zijn tot de vervulling van deze profetie verlopen omtrent tweehonderd jaren.
[^jesaja-13-22-70]: Kanttekening 70: wilde dieren van de eilanden: Het Hebreeuwse woord heeft zijn naam van eilanden, maar wat het eigenlijk voor dieren geweest zijn, is onzeker. Sommigen hebben hier \[vogels\] uit de eilanden; anders: wilde dieren uit de eilanden; anderen meerkatten, of wilde katten; anderen uilen, omdat die graag in woeste, verlaten, vervallen huizen en plaatsen zich ophouden. Dit woord is ook Jer. 50:39 . Jeremia 50:39 : Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.

### Jesaja 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/14.json)

*Belofte van de verlossing van het volk van God uit de Babylonische gevangenschap, en van de roeping van de heidenen, vers 1. Woorden waarmee de Babyloniers bespot worden, 4. God spoort de Perzen en Meden aan tot hun verderf, 21, en hun ondergang wordt opnieuw voorzegd, 22. Een dreiging over de Filistijnen, 29.*

**1** [^jesaja-14-1-1] Want YHWH zal Zich[^jesaja-14-1-2] over Jakob[^jesaja-14-1-3] ontfermen, en[^jesaja-14-1-4] Hij zal Israël[^jesaja-14-1-5] nog[^jesaja-14-1-6] verkiezen, en Hij[^jesaja-14-1-7] zal[^jesaja-14-1-8] hen in hun land zetten; en[^jesaja-14-1-9] de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v1)

**2** En[^jesaja-14-2-10] de volken zullen hen aannemen, en[^jesaja-14-2-11] in hun plaats brengen; en[^jesaja-14-2-12] het huis van Israël zal hen erfelijk[^jesaja-14-2-13] bezitten in het land van YHWH tot knechten en tot maagden; en[^jesaja-14-2-14] zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v2)

**3** En het zal gebeuren op de dag wanneer[^jesaja-14-3-15] u YHWH rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en[^jesaja-14-3-a] van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v3)

**4** Dan zult u deze spreuk[^jesaja-14-4-16] opnemen[^jesaja-14-4-17] tegen de koning van Babel, en zeggen:[^jesaja-14-4-18] Hoe houdt[^jesaja-14-4-19] de drijver op? Hoe houdt[^jesaja-14-4-20] de goudene op? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v4)

**5** YHWH heeft[^jesaja-14-5-21] de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v5)

**6** Die de volken plaagde in toorn[^jesaja-14-6-22] met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt[^jesaja-14-6-23] vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v6)

**7** De hele[^jesaja-14-7-24] aarde[^jesaja-14-7-25] rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v7)

**8** [^jesaja-14-8-26]Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u[^jesaja-14-8-27] daar neerligt, komt niemand tegen ons op, die ons[^jesaja-14-8-28] afhouwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v8)

**9** [^jesaja-14-9-29] Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil,[^jesaja-14-9-30] om u tegemoet te gaan,[^jesaja-14-9-31] als u kwam;[^jesaja-14-9-32] het wekt om uwentwil[^jesaja-14-9-33] de doden op,[^jesaja-14-9-34] al de bokken van de aarde; het doet al de koningen van[^jesaja-14-9-35] de heidenen van hun tronen opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v9)

**10** Die allemaal zullen[^jesaja-14-10-36] antwoorden, en tot u zeggen:[^jesaja-14-10-37] U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v10)

**11** Uw hoogmoed is[^jesaja-14-11-38] in het dodenrijk[^jesaja-14-11-39] neergestort,[^jesaja-14-11-40] met het geklank van uw luiten;[^jesaja-14-11-41] de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.[^jesaja-14-11-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v11)

**12** Hoe bent u uit de hemel gevallen,[^jesaja-14-12-43] o morgenster, u zoon van de dageraad! hoe bent u ter aarde neergehouwen,[^jesaja-14-12-44] u, die de heidenen krenkte![^jesaja-14-12-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v12)

**13** En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven[^jesaja-14-13-46] de sterren van God verhogen; en ik zal mij zetten op[^jesaja-14-13-47] de berg van[^jesaja-14-13-48][^jesaja-14-13-b] de samenkomst aan de zijden van het noorden.[^jesaja-14-13-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v13)

**14** Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v14)

**15** Ja,[^jesaja-14-15-50] in het dodenrijk zult u[^jesaja-14-15-51] neergestoten worden, aan de zijden van de kuil![^jesaja-14-15-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v15)

**16** Die u zien zullen,[^jesaja-14-16-53] zullen u aanschouwen,[^jesaja-14-16-54] zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?[^jesaja-14-16-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v16)

**17** Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?[^jesaja-14-17-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v17)

**18** Al de koningen van de heidenen, zij[^jesaja-14-18-57] allen liggen neer met eer, ieder in zijn huis;[^jesaja-14-18-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v18)

**19** Maar u bent verworpen van uw graf, als[^jesaja-14-19-59] een gruwelijke scheut,[^jesaja-14-19-60] als een kleed van de gedoden, die[^jesaja-14-19-61] met het zwaard doorstoken zijn; als die[^jesaja-14-19-62] neerdalen[^jesaja-14-19-63] in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.[^jesaja-14-19-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v19)

**20** U zult daarbij niet gevoegd worden in de begrafenis; want u hebt[^jesaja-14-20-65] uw land verdorven, en uw volk[^jesaja-14-20-c] gedood; het[^jesaja-14-20-66] zaad[^jesaja-14-20-67] van de boosdoeners zal[^jesaja-14-20-68] in de[^jesaja-14-20-69] eeuwigheid niet genoemd worden.[^jesaja-14-20-70][^jesaja-14-20-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v20)

**21** Maak de slachting voor zijn kinderen gereed,[^jesaja-14-21-d] omwille van de ongerechtigheid van hun vaders; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld[^jesaja-14-21-72] vervullen[^jesaja-14-21-73] met steden;[^jesaja-14-21-74][^jesaja-14-21-75] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v21)

**22** Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel,[^jesaja-14-22-e] en[^jesaja-14-22-76] de zoon en de zoonszoon, spreekt YHWH.[^jesaja-14-22-77][^jesaja-14-22-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v22)

**23** En Ik zal hen stellen[^jesaja-14-23-f] tot een erfenis[^jesaja-14-23-79] van de nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem van het verderf uitvagen, spreekt YHWH van de legermachten.[^jesaja-14-23-80][^jesaja-14-23-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v23)

**24** YHWH van de legermachten heeft gezworen, zeggende: Als niet, zoals Ik gedacht heb, het zo gebeure, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal![^jesaja-14-24-82][^jesaja-14-24-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v24)

**25** Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op[^jesaja-14-25-84] Mijn bergen vertreden;[^jesaja-14-25-85] opdat[^jesaja-14-25-86] zijn juk[^jesaja-14-25-87] van hen afwijke, en[^jesaja-14-25-88] zijn last van[^jesaja-14-25-89] hun schouder wijke.[^jesaja-14-25-90][^jesaja-14-25-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v25)

**26** Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat hele land; en dit is de hand, die uitgestrekt is[^jesaja-14-26-92] over alle volken.[^jesaja-14-26-93][^jesaja-14-26-94] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v26)

**27** Want YHWH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten,[^jesaja-14-27-g] wie zal het dan verbreken? en[^jesaja-14-27-h] Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?[^jesaja-14-27-95][^jesaja-14-27-96][^jesaja-14-27-97] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v27)

**28** In het jaar,[^jesaja-14-28-i] toen de koning Achaz stierf, gebeurde deze last.[^jesaja-14-28-98][^jesaja-14-28-99] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v28)

**29** Verheug u niet, u geheel Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel van de slang[^jesaja-14-29-100] zal een basilisk voortkomen, en[^jesaja-14-29-101] haar[^jesaja-14-29-102] vrucht zal[^jesaja-14-29-103] een vurige vliegende draak zijn.[^jesaja-14-29-104][^jesaja-14-29-105] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v29)

**30** En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de armen zullen zeker neerliggen;[^jesaja-14-30-106] uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal[^jesaja-14-30-107] hij ombrengen.[^jesaja-14-30-108][^jesaja-14-30-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v30)

**31** Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent[^jesaja-14-31-110] gesmolten, u geheel Palestina! want[^jesaja-14-31-111] van het noorden komt[^jesaja-14-31-112] een rook, en[^jesaja-14-31-113] er is geen eenzame[^jesaja-14-31-114] in zijn samenkomsten.[^jesaja-14-31-115][^jesaja-14-31-116] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v31)

**32** Wat zal men dan antwoorden de boden van het volk? Dat YHWH Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten[^jesaja-14-32-117][^jesaja-14-32-118] van Zijn volk een toevlucht daarin hebben zouden.[^jesaja-14-32-119][^jesaja-14-32-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/14.html#v32)

[^jesaja-14-1-1]: Kanttekening 1: YHWH: Hier geeft de profeet reden waarom God de Babyloniërs door de Meden en Perzen verstoren zou, gelijk Jes. 13 gezegd is; te weten opdat Hij door zulk een middel zijn volk uit de Babylonische gevangenschap verlossen zou.
[^jesaja-14-1-2]: Kanttekening 2: over Jakob: Dat is, over de Joden in Babylon gevangen zijnde.
[^jesaja-14-1-3]: Kanttekening 3: Dit is niet alleen te verstaan van een lichamelijke verlossing uit de Babylonische gevangenschap, maar ook van de geestelijke verlossing van het volk van God door Christus Jezus.
[^jesaja-14-1-4]: Kanttekening 4: Hij zal Israël: De Heer.
[^jesaja-14-1-5]: Kanttekening 5: Of, verder, voortaan.
[^jesaja-14-1-6]: Kanttekening 6: Dat is, Hij zal zich Israël zijn uitverkoren volk \[dat Hij straks Jakob genoemd heeft\] nog verder aannemen, metterdaad bewijzende en doende blijken dat Hij Israël heeft uitverkoren tot zijn eigen volk.
[^jesaja-14-1-7]: Kanttekening 7: zal hen: Te weten Jakob en Israël, dat is de Joden.
[^jesaja-14-1-8]: Kanttekening 8: in hun land: Te weten in het Joodse land, hen verlossende uit de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-14-1-9]: Kanttekening 9: de vreemdeling: Te weten enige uit de heidenen, zelfs uit de Babyloniërs. Dit is ene belofte aangaande de beroeping van de heidenen tot Christus, door de predikatie van het heilig Evangelie. Zie Rom. 11 .
[^jesaja-14-2-10]: Kanttekening 10: de volken: Dit is eerst vervuld als enige volken onder de heidenen de Joden, toen zij naar Jeruzalem weer optogen, alle hulp en dienst bewezen hebben; Ezra 1:6 . Daarna, als vele heidenen door de gelovige Joden \[door de apostelen, hun medehelpers en navolgers\] tot de gehoorzaamheid van het Evangelie en tot de gemeenschap van de Christelijke kerk zijn gebracht geworden. Zie boven Jes. 11:14 , en onder Jes. 66:20 . Ezra 1:6 : Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met bezittingen, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd. Jesaja 11:14 : Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. Jesaja 66:20 : En zij zullen al uw broers uit alle heidenen YHWH ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt YHWH, gelijk als de kinderen van Israël het spijsoffer in een rein vat brengen in het huis van YHWH.
[^jesaja-14-2-11]: Kanttekening 11: in hun plaats: Of, aan hun plaats; dat is in hun vaderland.
[^jesaja-14-2-12]: Kanttekening 12: het huis van Israël: De Israëlieten zullen de volken zo onder hun gebied hebben, alsof zij hun dienstboden waren. Maar dit is te verstaan van een vrijwillige dienstbaarheid, daar herkomende, dat de vreemdelingen de religie van de Joden, en daarna de Christelijke religie, zouden aannemen.
[^jesaja-14-2-13]: Kanttekening 13: in het land: Dat is, in Judea, dat aldus genoemd wordt omdat God dat land ten erve gegeven had en dat Hij zijn rust in de tempel te Jeruzalem genomen had.
[^jesaja-14-2-14]: Kanttekening 14: zij zullen: Dit is voltrokken als de heidenen, door de predikatie van de apostelen, zich Christus hebben onderworpen. Zie 2 Kor. 10:5 , 10:6 . 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6 : En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^jesaja-14-3-15]: Kanttekening 15: u YHWH: O mijn volk van Israël.
[^jesaja-14-3-a]: Verwijzing a: Deut. 28:48 . Deuteronomium 28:48 : Zo zult u uw vijanden, die YHWH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
[^jesaja-14-4-16]: Kanttekening 16: Dat is, gebruiken, in de mond nemen, gelijk Ps. 50:16 . Psalmen 50:16 : Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt u Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
[^jesaja-14-4-17]: Kanttekening 17: tegen de koning: Of, van, of over.
[^jesaja-14-4-18]: Kanttekening 18: Hoe houdt: Alsof men zei: Hoe is het mogelijk, dat zulk een machtig en zulk een groot koninkrijk in één nacht zo vervallen is? Van hier af tot op vers 21 , worden beschreven de vrolijke woorden van het volk van God, vanwege de ondergang van de Babyloniërs. Jesaja 14:21 : Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed, om de ongerechtigheid van hun vaderen wil; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden;
[^jesaja-14-4-19]: Kanttekening 19: de drijver op: Dit is, die tiran, die wrede heerser.
[^jesaja-14-4-20]: Kanttekening 20: de goudene: Versta hier door de goudene de stad Babel, die rijk en prachtig was, de kleren en huisraad van haar inwoners blinkende van goud en zilver. Zie Dan. 2:3 . Anders: gouddorstige, of goudschatterin. Het komt van een Chaldeeuws woord, dat goud betekent. De profeet bespot Babel, de hoofdstad van Chaldea, met een woord uit de Chaldeeuwse spraak genomen. Daniël 2:3 : En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten.
[^jesaja-14-5-21]: Kanttekening 21: de stok: Of, staf. Dat is, die harde en wrede heerschappij van de Babyloniërs. Dit is een antwoord op de vraag in vers 4 te kennen gevende dat God de Babyloniërs vernielen zou, hoe onmogelijk dat het in het oordeel van de mensen was. Jesaja 14:4 : Dan zult u deze spreuk opnemen tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?
[^jesaja-14-6-22]: Kanttekening 22: met een plaag: Anders: met ene plaag, die niet is af te weren, enz.
[^jesaja-14-6-23]: Kanttekening 23: Te weten van de Perzen en Meden, zonder dat hij het kan weren; ja noch hij noch iemand anders. Anders: werd iemand vervolgd, of verdrukt, hij belette het niet. Versta hierbij, maar hij liet een ieder geweld drijven naar zijn welgevallen.
[^jesaja-14-7-24]: Kanttekening 24: Dat is, de inwoners van de aarde; daarom volgt er: zij maken, enz. in het veelvoudig getal.
[^jesaja-14-7-25]: Kanttekening 25: De zin is: Nu de roversche stad en het land van Babel ten ondergebracht en verdelgd zijn, zo is de gehele wereld in rust en vrede.
[^jesaja-14-8-26]: Kanttekening 26: Ook verheugen: Dit zijn de woorden van het volk tot de koning te Babel, gebruikende allegorische en poëtische manieren van spreken, die vooreerst aldus kunnen genomen worden: Dat na de verstoring van het Babylonische rijk de bossen en bomen oorzaak zouden hebben om zich te verheugen, omdat men ze voortaan zo niet afhouwen zou, tot allerlei timmer- en krijgsgereedschappen, gelijk placht te gebeuren als dat rijk nog in zijn fleur was. Men kan ook door de dennen en cederen verstaan de koningen en prinsen, welke de koning te Babel had ten ondergebracht.
[^jesaja-14-8-27]: Kanttekening 27: daar nederligt: Of, slaapt, dat is dood zijn.
[^jesaja-14-8-28]: Kanttekening 28: Of, uitroeie.
[^jesaja-14-9-29]: Kanttekening 29: Het dodenrijk: Of, het graf.
[^jesaja-14-9-30]: Kanttekening 30: om u : Gelijk men de grote heren en prinsen pleegt te doen.
[^jesaja-14-9-31]: Kanttekening 31: als u kwam: Te weten toen u, dood zijnde, tot hen in het graf of in het dodenrijk kwam. Alsof hij zei: Omdat u bij de mensen op de aarde al uw eer en aanzien verloren hebt, zo willen u de doden en die in het dodenrijk zijn eer bewijzen. Zie dergelijke oneigene en poëtische manieren van spreken Ez. 31:16 , en Ez. 32:18 en elders meer. Ezechiël 31:16 : Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. Ezechiël 32:18 : Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochters van de prachtige heidenen) in de onderste plaatsen van de aarde, bij degenen, die in de kuil zijn nedergedaald.
[^jesaja-14-9-32]: Kanttekening 32: zij wekt: Te weten het dodenrijk, of het graf.
[^jesaja-14-9-33]: Kanttekening 33: de doden op: Anders: de reuzen. Zie Gen. 14:5 ; Job 26:5 . Genesis 14:5 : Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; Job 26:5 : De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
[^jesaja-14-9-34]: Kanttekening 34: al de bokken: Dat is, prinsen, vorsten, regenten, die bokken genoemd worden, omdat gelijk de viervoetige bokken of rammen voor aan de kudde gaan en sterk zijn, zo ook de prinsen enz. Zie Jer. 50:8 ; Dan. 8:5 ; Zach. 10:3 . En versta hier, de prinsen, die in de graven liggen. Jeremia 50:8 : Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit het land van de Chaldeeën; en weest als de bokken voor de kudde heen. Daniël 8:5 : Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de ganse aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen. Zacharia 10:3 : Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar YHWH van de legermachten zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard van Zijn majesteit in de strijd.
[^jesaja-14-9-35]: Kanttekening 35: tronen opstaan: De graven zijn de tronen, bedden en stoelen van de dode koningen.
[^jesaja-14-10-36]: Kanttekening 36: Dat is, spreken; zie de aantekening Richt. 18:14 . Richteren 18:14 : Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^jesaja-14-10-37]: Kanttekening 37: U bent ook ziek geworden: Anders: bent u ook ziek, of zwak geworden? \[dat is van uw grote macht beroofd\] gelijk wij? dat is zowel als wij; bent u ons gelijk geworden? Het is een spotrede met verwondering.
[^jesaja-14-11-38]: Kanttekening 38: in het dodenrijk: Anders, in het graf.
[^jesaja-14-11-39]: Kanttekening 39: Nedergevaren, nedergestoten, nedergedrukt.
[^jesaja-14-11-40]: Kanttekening 40: met : Dat is, met het lieflijk muziekspel, genoegen en pleizier, die u op aarde placht te hebben. Zie Dan. 3:5 , 3:10 , 3:15 . Daniël 3:5 : Ten tijde als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, zo zult u nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht; Daniël 3:10 : U, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden; Daniël 3:15 : Nu dan, zo u gereed bent, dat u ten tijde, als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soort van de muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo u het niet aanbidt; ter zelfder ure zult u geworpen worden in het midden van de oven van het brandende vuur; en wie is de God, Die u uit mijn handen verlossen zou?
[^jesaja-14-11-41]: Kanttekening 41: de maden: Alsof hij zei: Dit zullen uwe tapijten, kostelijke spreien en deksels zijn.
[^jesaja-14-11-42]: Kanttekening 42: de wormen: Alsof hij zei: Dit zullen uwe tapijten, kostelijke spreien en deksels zijn.
[^jesaja-14-12-43]: Kanttekening 43: uit de hemel: Of, van de hemel. Door de hemel moet men hier verstaan de koninklijke heerlijkheid, glans en schoonheid.
[^jesaja-14-12-44]: Kanttekening 44: o morgenster: Aldus noemt de profeet de koning te Babel, omdat zijn heerlijkheid hier op aarde was als de glans van de morgenster aan de hemel, klaarder schijnende dan enige andere sterren van de hemel, zo dat zij alleen schaduw van zich geeft.
[^jesaja-14-12-45]: Kanttekening 45: u, die de heidenen krenktet: Anders: u bent verlamd boven andere natiën; dat is, God heeft u harder aangestoten dan enige andere koningen van de heidenen.
[^jesaja-14-13-46]: Kanttekening 46: Ik zal ten hemel opklimmen: Alsof hij zei: Ik wil de stoel, eer, glorie en macht Gods aan mij nemen.
[^jesaja-14-13-47]: Kanttekening 47: de sterren Gods: Dat is, boven de allerhoogste en schoonste sterren.
[^jesaja-14-13-48]: Kanttekening 48: de berg van de samenkomst: Aldus noemt hij de berg Zion, aan welke de stad Jeruzalem lag en daarnevens de tempel op de berg Moria, waar het volk samenkwam tot de godsdienst. En met deze woorden wordt aangewezen de vermetelheid van de koningen te Babel, die zichzelven inbeeldden dat, wanneer zij Jeruzalem overmeesterd hebben, zij alsdan op de troon van God zouden geplant zijn, en dat men hun die eer zou aandoen, die men de ware God daar pleegt te doen.
[^jesaja-14-13-b]: Verwijzing b: Ps. 48:3 . Psalmen 48:3 : Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings.
[^jesaja-14-13-49]: Kanttekening 49: aan de zijden van het noorden: Hier lag de berg Moria, op welke de tempel gebouwd was.
[^jesaja-14-15-50]: Kanttekening 50: Hier spreekt de profeet weer in zijn eigen persoon.
[^jesaja-14-15-51]: Kanttekening 51: in het dodenrijk: Of, in het graf.
[^jesaja-14-15-52]: Kanttekening 52: Te weten van de Perzen en Meden.
[^jesaja-14-16-53]: Kanttekening 53: Die u zien zullen: Te weten de doden, die al begraven zijn.
[^jesaja-14-16-54]: Kanttekening 54: zullen u aanschouwen: Te weten met verwondering. Anders: zullen u nauw bezien.
[^jesaja-14-16-55]: Kanttekening 55: zij zullen op u letten: Als hij zei: Zij zullen zeer verwonderd staan, twijfelen of u die trotse koning van Babel bent.
[^jesaja-14-17-56]: Kanttekening 56: die zijn gevangenen: De zin is: Die zo wreed en onverzoenlijk was, dat hij degenen, die hij eens gevankelijk kreeg, nimmermeer losliet.
[^jesaja-14-18-57]: Kanttekening 57: zij allen: Dat is zoveel als hun zijn.
[^jesaja-14-18-58]: Kanttekening 58: liggen neder: Dat is, zij zijn in eer gestorven en zijn begraven in de graven, die zij, of hun voorouders, voor hen en voor hun huisgezin bereid hebben.
[^jesaja-14-19-59]: Kanttekening 59: van uw graf: Dat is, van het graf, waarin u meent te zullen begraven worden; of, u bent verworpen of verstoken, dat u in geen koninklijk graf met koninklijke eer begraven bent.
[^jesaja-14-19-60]: Kanttekening 60: een gruwelijke scheut: Dat is, als een vuil, verrot, verachtzaam hout. Anderen nemen dit zo: U bent een onaardige, kwade spruit; dat is zoon of nakomeling, niet waard bij zijn voorouders begraven te worden.
[^jesaja-14-19-61]: Kanttekening 61: als een kleed: Dat gescheurd en vol gaten is, lelijk en vuil gemaakt met bloed en slijk, dat daarom van geen waarde is; maar het wordt met het dode lichaam in het graf geworpen.
[^jesaja-14-19-62]: Kanttekening 62: met het zwaard: Hebreeuws, de doorstokenen van het zwaard (חָרֶב). Anders: beladenen, of toegedekten van het zwaard, die met zwaarden beladen of toegedekt zijn. In onze spraak zeggen wij ook dat iemand met zwaarden, of stokken dapper toegedekt, dat is geslagen en gewond is.
[^jesaja-14-19-63]: Kanttekening 63: Dat is, u zult niet eerlijk, of naar de gemene wijze begraven worden; maar men zal u boven op de aarde laten liggen, en slechts een hoop stenen op u werpen, gelijk men een dood aas met aarde, stenen en drek bedekt.
[^jesaja-14-19-64]: Kanttekening 64: in een steenkuil: Hebreeuws, tot de stenen van de kuil.
[^jesaja-14-20-65]: Kanttekening 65: bij dezelfde: Te weten bij de andere koningen van de heidenen, gelijk vers 18 . Dat is, u zult met zulke eer en pracht niet begraven worden, gelijk zij zijn begraven geweest. Jesaja 14:18 : Al de koningen van de heidenen, zij allen liggen neder met eer, een ieder in zijn huis;
[^jesaja-14-20-c]: Verwijzing c: Job 18:19 ; Ps. 21:11 ; Ps. 37:28 ; Ps. 109:13 . Job 18:19 : Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. Psalmen 21:11 : U zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen van de mensen. Psalmen 37:28 : Want YHWH heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid. Psalmen 109:13 : Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
[^jesaja-14-20-66]: Kanttekening 66: uw land: Te weten uw eigen land en uw eigen volk.
[^jesaja-14-20-67]: Kanttekening 67: uw volk: Te weten uw eigen land en uw eigen volk.
[^jesaja-14-20-68]: Kanttekening 68: zaad van de: Dat is de kinderen, of het geslacht.
[^jesaja-14-20-69]: Kanttekening 69: Hoedanig geweest is Belsazar en andere voorouders van deze koning. Of, van de boosdoeners; dat is, uw zaad; versta hierbij: maar het zal uitgeroeid worden.
[^jesaja-14-20-70]: Kanttekening 70: in eeuwigheid: Dat is, niet altijd.
[^jesaja-14-20-71]: Kanttekening 71: niet genoemd worden: Dat is, niet gedacht worden, te weten ter ere, of met prijs en roem, maar met verachtzaamheid en met smaad en met oneer.
[^jesaja-14-21-d]: Verwijzing d: Ex. 20:5 ; Matt. 23:35 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^jesaja-14-21-72]: Kanttekening 72: Maakt de slachting: Of, bereid. De zin is: U Perzen en Meden schikt en bereidt u daartoe, dat u zijn, te weten van de koning van Babel, kinderen, of zonen, slacht en doodt. Want God spreekt hier de Perzen en Meden aan, en ook al degenen, die Hij naast hen wilde gebruiken om de koning en de zijnen te doden en uit te roeien.
[^jesaja-14-21-73]: Kanttekening 73: Of, erfelijk bezitten.
[^jesaja-14-21-74]: Kanttekening 74: Dat is, zich zo niet vermeerderen en vermenigvuldigen, dat zij steden bouwen, die met mensen vervullen, en hun gebied uitbreiden.
[^jesaja-14-21-75]: Kanttekening 75: met steden: Anders, met vijanden; te weten met vijanden en vervolgers van de kerk van God en van alle vromen.
[^jesaja-14-22-e]: Verwijzing e: Job 18:19 ; Ps. 21:11 ; Ps. 37:28 . Job 18:19 : Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. Psalmen 21:11 : U zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen van de mensen. Psalmen 37:28 : Want YHWH heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid.
[^jesaja-14-22-76]: Kanttekening 76: tegen hen: Te weten tegen de kinderen van de koning te Babel.
[^jesaja-14-22-77]: Kanttekening 77: en het overblijfsel: Dat is, de overgeblevenen.
[^jesaja-14-22-78]: Kanttekening 78: de zoon: Anders: zo de zoon als de neef.
[^jesaja-14-23-f]: Verwijzing f: Jes. 34:11 ; Zefan. 2:14 . Jesaja 34:11 : Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid. Zefanja 2:14 : En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.
[^jesaja-14-23-79]: Kanttekening 79: Te weten de stad Babel.
[^jesaja-14-23-80]: Kanttekening 80: tot een erve: Anders: tot een erfelijke bezitting.
[^jesaja-14-23-81]: Kanttekening 81: van de nachtuilen: Anders: van de ijzeren varkens; of zwijnegels; anders putoors; anders bevers; anders poelarenden. De profeet wil zeggen dat Babel zo woest liggen zal, dat er niets dan wilde wrede beesten wonen zullen.
[^jesaja-14-24-82]: Kanttekening 82: Als niet: Anders: Zekerlijk, het zal gebeuren, enz. Het is ene manier van eedzweren; zie Ps. 89:36 . Psalmen 89:36 : Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
[^jesaja-14-24-83]: Kanttekening 83: beraadslaagd heb: Of, in \[mijn\] raad besloten heb.
[^jesaja-14-25-84]: Kanttekening 84: Dat is, de Assyriërs, onder Sanherib. Anderen verstaan hier de Babyloniërs, die hier aldus genoemd worden omdat zij toen bezaten wat eertijds de Assyriërs bezeten hadden, deze onder hun gehoorzaamheid gebracht hebbende; zie dergelijke manier van spreken Ezra 6:22 . Ezra 6:22 : En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want YHWH had hen verblijd, en het hart van de koning van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël.
[^jesaja-14-25-85]: Kanttekening 85: in Mijn land: Te weten in het Joodse land, voor Libna, of op de tocht naar Jeruzalem; 2 Kon. 19:8 , 19:35 . 2 Koningen 19:8 : Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-14-25-86]: Kanttekening 86: Mijn bergen: Dat is, op de bergen, die in het Joodse land, dat Gods land was, liggen. Zie Ps. 125:2 . Psalmen 125:2 : Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid.
[^jesaja-14-25-87]: Kanttekening 87: Anders: dan zal zijn juk van hen afwijken.
[^jesaja-14-25-88]: Kanttekening 88: zijn juk: Te weten het juk van de koning van Assyrië; dat is, de dienstbaarheid waarmee hij de Joden drukt, hen dwingende hem schatting te geven.
[^jesaja-14-25-89]: Kanttekening 89: van hen afwijke: Te weten van de Joden, die daar te land woonden.
[^jesaja-14-25-90]: Kanttekening 90: zijn last: Te weten van de koning van Assyrië.
[^jesaja-14-25-91]: Kanttekening 91: hun schouder: Te weten van mijn volk.
[^jesaja-14-26-92]: Kanttekening 92: beraadslaagd is: Te weten van de Heer.
[^jesaja-14-26-93]: Kanttekening 93: over dat gehele land: Te weten over het land van Babylonië en zijn onderzaten of inwoners.
[^jesaja-14-26-94]: Kanttekening 94: over alle volken: Te weten over al de volken, behorende onder de monarchie van de koning van Babel, die schier over alle volken en natiën heerste.
[^jesaja-14-27-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 20:6 ; Job 9:12 ; Spreuk. 31:30 . 2 Kronieken 20:6 : En hij zei: O, YHWH, God onzer vaderen, bent U niet de God in de hemel? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan. Job 9:12 : Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? Spreuken 31:30 : Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die YHWH vreest, die zal geprezen worden.
[^jesaja-14-27-h]: Verwijzing h: Dan. 4:32 . Daniël 4:32 : En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te smaken geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil.
[^jesaja-14-27-95]: Kanttekening 95: Of, vernietigen.
[^jesaja-14-27-96]: Kanttekening 96: Of, afwenden.
[^jesaja-14-27-97]: Kanttekening 97: Enige eindigen hier Jes. 14 en zij maken een bijzonder hoofdstuk van de naastvolgende vijf verzen.
[^jesaja-14-28-i]: Verwijzing i: 2 Kon. 16:20 . 2 Koningen 16:20 : En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van David; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-14-28-98]: Kanttekening 98: Dat is, werd geopenbaard, te weten aan de profeet Jesaja, in een goddelijk gezicht.
[^jesaja-14-28-99]: Kanttekening 99: Dat is, voorzegging van de straf, die over de Filistijnen komen zou. Zie Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-14-29-100]: Kanttekening 100: de roede: Versta hier door de roede of staf de koning Uzzia, 2 Kron. 26:6 , die de Filistijn als een slang gestoken en bezeerd heeft. De zin is: Verheugt u daarin niet, dat u meent vrij te zijn vanwege de dood van de koning Uzzia, want uit hem zal een andere koning, \[te weten, Hizkia\] voortkomen, die u nog harder plagen zal. 2 Kronieken 26:6 : Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak de muur van Gath, en de muur van Jabne, en de muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.
[^jesaja-14-29-101]: Kanttekening 101: die u sloeg: Anders: van degene die u sloeg.
[^jesaja-14-29-102]: Kanttekening 102: een basilisk: Versta, de koning Hizkia, Achaz zoon, die zich tegen de Filistijnen zou stellen, als een basilisk hen meer beschadigende dan zijn grootvader Uzzia gedaan had. Zie 2 Kon. 18:8 . 2 Koningen 18:8 : Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar gebied, van de wachttoren af tot de vaste steden toe.
[^jesaja-14-29-103]: Kanttekening 103: Te weten dier slang.
[^jesaja-14-29-104]: Kanttekening 104: Te weten de koning Hizkia, die uit Uzzia gesproten is.
[^jesaja-14-29-105]: Kanttekening 105: een vurige vliegende draak: Dusdanige slangen of serpenten worden er gevonden in Egypte, Lybië en elders. Zie de aantekening Num. 21:6 . Numeri 21:6 : Toen zond YHWH vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël.
[^jesaja-14-30-106]: Kanttekening 106: de eerstgeborenen: Dat is, de voornaamsten onder de geringen; dat is de allerarmsten of geringsten, namelijk in het koninkrijk Juda. Zie Job 18:13 . Of versta hier door de eerstgeborenen van de armen de Joden in het algemeen, die een tijdlang de ellendigsten onder de ellendigen geweest zijn. Deze zullen ten tijde van de koning Hizkia zeker wonen en welvaren. Dit wordt te kennen gegeven door het woord weiden, gelijk Jes. 5:17 . Job 18:13 : De eerstgeborene van de dood zal de grendelen van zijn huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. Jesaja 5:17 : En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen van de vetten eten.
[^jesaja-14-30-107]: Kanttekening 107: zullen zeker: Te weten, gelijk het vee doet, als het genoeg geweid en zich zat gegeten heeft.
[^jesaja-14-30-108]: Kanttekening 108: uw wortel: De zin is: O u Filistijnen, Ik zal u tot de wortel toe door de honger verdelgen, zo de ouden als de jongen, burgers en boeren.
[^jesaja-14-30-109]: Kanttekening 109: hij ombrengen: Te weten, die basilisk, de koning Hizkia. Zie de vervulling van deze profetie 2 Kon. 18:8 . 2 Koningen 18:8 : Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar gebied, van de wachttoren af tot de vaste steden toe.
[^jesaja-14-31-110]: Kanttekening 110: u poort: Versta hier door de poort de regenten en voornaamsten van de Filistijnen, die in de stadspoorten samenkwamen.
[^jesaja-14-31-111]: Kanttekening 111: u stad: Dat is, u steden; te weten in het land van de Filistijnen gelegen.
[^jesaja-14-31-112]: Kanttekening 112: Te weten, van schrik en vrees.
[^jesaja-14-31-113]: Kanttekening 113: van het noorden: Dat is, uit Judea, dat tegen het noorden van de Filistijnen gelegen is.
[^jesaja-14-31-114]: Kanttekening 114: een rook: Dat is, een leger, dat doorbijten en doordringen zal als de rook; te weten Hizkia met zijn leger.
[^jesaja-14-31-115]: Kanttekening 115: er is geen eenzame: De zin is: Daar zal zich niemand verwijderen, maar de Joden zullen u eendrachtig en met hopen aanvallen en overvallen; zij zullen gelijkelijk gereed zijn om u te overvallen.
[^jesaja-14-31-116]: Kanttekening 116: in zijn samenkomsten: Dat is, in zijn heirleger. Anders: in zijn bestemde tijden; dat is, als die dag, die de Heer bestemt, zal gekomen zijn, om voort te trekken.
[^jesaja-14-32-117]: Kanttekening 117: de boden: Of, gezanten, of ambassadeurs; en versta hier de ambassadeurs van de Filistijnen, die begeren zouden dat Hizkia zou willen aflaten van hun te bekrijgen; of om te bespreken het recht dat zij voorgaven over het land van Juda te hebben; of wat recht Hizkia op hen had.
[^jesaja-14-32-118]: Kanttekening 118: Dat YHWH: Dat is het antwoord op de vraag.
[^jesaja-14-32-119]: Kanttekening 119: Zie Ps. 87:1 , 87:5 , en Ps. 102:17 . Psalmen 87:1 : Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid. Psalmen 87:5 : En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. Psalmen 102:17 : Als YHWH Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
[^jesaja-14-32-120]: Kanttekening 120: opdat de bedrukten: Hij wil zeggen dat God het land van Juda zijn volk tot een erfdeel gegeven heeft, en dat Hij het door zijn kracht daarin wel zal weten te handhaven en te beschermen.

### Jesaja 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/15.json)

*Voorzegging van de gruwelijke verwoesting en ellende die het land van de Moabieten zou worden aangedaan door de Assyriers, door het rechtvaardige oordeel van God, wat de profeet zowel in het algemeen als in het bijzonder met veel bijzonderheden beschrijft.*

**1** [^jesaja-15-1-1][^jesaja-15-1-a] De last van Moab. Zeker, in de nacht[^jesaja-15-1-2] is[^jesaja-15-1-3] Ar-moabs[^jesaja-15-1-4] verwoest, zij is uitgeroeid; zeker,[^jesaja-15-1-5] in de nacht is[^jesaja-15-1-6] Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v1)

**2** [^jesaja-15-2-7] Hij[^jesaja-15-2-8] gaat op naar[^jesaja-15-2-9] Baith en[^jesaja-15-2-10] Dibon,[^jesaja-15-2-11] en naar Bamoth, om te huilen; over[^jesaja-15-2-12] Nebo en over[^jesaja-15-2-13] Medeba zal Moab[^jesaja-15-2-14] huilen;[^jesaja-15-2-15] op[^jesaja-15-2-b] al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v2)

**3** Op hun wijken hebben zij[^jesaja-15-3-16] zakken aangegord;[^jesaja-15-3-17] op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal,[^jesaja-15-3-18] afgaande met geween. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v3)

**4** [^jesaja-15-4-19] Zo[^jesaja-15-4-20] Hesbon als Eleale[^jesaja-15-4-21] schreeuwt, hun stem wordt gehoord tot[^jesaja-15-4-22] Jahaz toe; daarom[^jesaja-15-4-23] maken[^jesaja-15-4-24] de toegerusten van Moab een geschrei,[^jesaja-15-4-25] de ziel van een ieder in hem is treurig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v4)

**5** [^jesaja-15-5-27] Mijn hart schreeuwt over Moab, haar[^jesaja-15-5-28] grendels zijn naar[^jesaja-15-5-29] Zoar toe, de[^jesaja-15-5-30] driejarige vaars; want hij gaat op[^jesaja-15-5-31] met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.[^jesaja-15-5-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v5)

**6** Want[^jesaja-15-6-33] de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; want het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente.[^jesaja-15-6-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v6)

**7** Daarom zullen[^jesaja-15-7-35] zij de overvloed, die[^jesaja-15-7-36] zij verzameld hebben,[^jesaja-15-7-37] en wat zij weggelegd hebben, aan de beek van de wilgen voeren.[^jesaja-15-7-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v7)

**8** Want[^jesaja-15-8-39] dat geschreeuw[^jesaja-15-8-40] zal omgaan door de grens van Moab, haar[^jesaja-15-8-41] gehuil tot Eglaim toe, ja, tot Beer-elim toe zal haar gehuil zijn.[^jesaja-15-8-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v8)

**9** [^jesaja-15-9-43] Want de wateren van[^jesaja-15-9-44] Dimon zijn vol bloed, want[^jesaja-15-9-45] Ik zal Dimon nog meer toeschikken:[^jesaja-15-9-46] te weten leeuwen[^jesaja-15-9-47] over de ontkomenen van Moab, en ook over het overblijfsel van het land.[^jesaja-15-9-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/15.html#v9)

[^jesaja-15-1-1]: Kanttekening 1: last van Moab: Dat is, de zware straf, die over de Moabieten komen zal, namelijk door de Assyriërs, ten tijde van de koning Salmanasser. Zie Jes. 16:14 . Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^jesaja-15-1-a]: Verwijzing a: Jer. 48:1 ; Ez. 25:8 ; Amos 2:1 . Jeremia 48:1 : Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van de hogen vertreks is beschaamd en verschrikt. Ezechiël 25:8 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen; Amos 2:1 : Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrand heeft.
[^jesaja-15-1-2]: Kanttekening 2: Anders: als Ar Moabs verwoest is, is \[hij\] te weten Moab, uitgeroeid, want in de nacht als Kir Moabs verwoest is, is \[hij\] uitgeroeid. De zin is: De Moabieten zijn ten enenmale vervallen in die nacht als hun beide voornaamste steden, met andere sterkten huns lands, door hun vijanden zijn ingenomen en verwoest.
[^jesaja-15-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, Ar in het land van de Moabieten gelegen. Dit was de hoofdstad van de Moabieten; Num. 21:28 ; Deut. 2:18 , 2:29 . Numeri 21:28 : Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon. Deuteronomium 2:18 : U zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab; Deuteronomium 2:29 : Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat YHWH, onze God, ons geven zal.
[^jesaja-15-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, zij zal gewisselijk verwoest worden, te weten door de koning van Assyrië; zie Jes. 16:14 . Van wat gebeuren zou, wordt gesproken alsof het alreeds geschied ware, zo hier als doorgaans bij de profeten, en dat vanwege de zekerheid van de voorzeggingen. Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^jesaja-15-1-5]: Kanttekening 5: in de nacht: Dat is, onvoorziens en onverhoeds. Anders gelijk vers 2 is aangetekend. Jesaja 15:2 : Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden.
[^jesaja-15-1-6]: Kanttekening 6: Anders genoemd Kirheres, onder Jes. 16:11 ; Jer. 48:31 , 48:36 . Ook Kirhareseth, Jes. 16:7 , één van de voornaamste steden van de Moabieten. Daar was ook in Medië een stad of landschap Kir genoemd, gelijk te zien is 2 Kon. 16:9 . Jesaja 16:11 : Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres. Jeremia 48:31 : Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om geheel Moab zal Ik krijten; over de mensen van Kir-Heres zal men zuchten. Jeremia 48:36 : Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal Mijn hart over de mensen van Kir-Heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is. Jesaja 16:7 : Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken. 2 Koningen 16:9 : Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^jesaja-15-2-7]: Kanttekening 7: Te weten Moab.
[^jesaja-15-2-8]: Kanttekening 8: gaat op: Anders: Baïth en Dibon zijn opgegaan; te weten naar Bamoth, of naar de hoogten, om daar te wenen.
[^jesaja-15-2-9]: Kanttekening 9: Deze stad wordt anders genoemd Beon, Baäl-Meon en Beth-Baäl-Meon; Num. 32:3 , 32:38 ; Joz. 13:17 . Zij was vermaard vanwege de afgoderij, die daar bedreven werd. Tot een afgod daar en tot andere steden, waar afgoden waren, namen de angstige Moabieten hun toevlucht, om hulp en raad te zoeken, klagende dezelfde hun nood. Numeri 32:3 : Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon,
[^jesaja-15-2-10]: Kanttekening 10: Een stad de Rubenieten toegelegd; zie Joz. 13:17 . Onder vers 9 wordt zij, naar sommiger gevoelen, Dimon genoemd. Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon, Jesaja 15:9 : Want de wateren van Dimon zijn vol bloed, want Ik zal Dimon nog meer toeschikken: te weten leeuwen over de ontkomenen van Moab, en ook over het overblijfsel van het land.
[^jesaja-15-2-11]: Kanttekening 11: Anders genaamd Bamoth-Baäl; Joz. 13:17 . Anders: tot de hoogten, of op de hoogten, om daar voor de beelden van hun goden te wenen en die met tranen tot hun hulp te bewegen. Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon,
[^jesaja-15-2-12]: Kanttekening 12: Deze stad was de Rubenieten toegedeeld; Num. 32:38 . Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen.
[^jesaja-15-2-13]: Kanttekening 13: Ene stad in het land van de Moabieten; Num. 21:10 ; Joz. 13:16 . Numeri 21:10 : Toen verreisden de kinderen van Israël, en zij legerden zich te Oboth. Jozua 13:16 : Dat hun landpale was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe;
[^jesaja-15-2-14]: Kanttekening 14: Te weten omdat die steden verstoord zijn, of haast zullen verstoord worden.
[^jesaja-15-2-15]: Kanttekening 15: op al hun hoofden is kaalheid: De zin is: Daar zal droefenis zijn door het gehele land van de Moabieten. Dit, en wat er volgt, moet men verstaan naar de manier van doen van de Moabieten en van enige andere natiën, die, tot een teken van droefenis, hun vlees doorsneden en doorkerfden; zij trokken het haar uit het hoofd en zij sneden de baard kaal af. Maar Lev. 19:27 , en Deut. 14:1 , heeft God zijn volk verboden zulks te doen. Leviticus 19:27 : U zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult u de hoeken uws baards niet verderven. Deuteronomium 14:1 : Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
[^jesaja-15-2-b]: Verwijzing b: Jer. 48:37 ; Ez. 7:18 . Jeremia 48:37 : Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak. Ezechiël 7:18 : Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.
[^jesaja-15-3-16]: Kanttekening 16: Dat is, treurklederen.
[^jesaja-15-3-17]: Kanttekening 17: op hun daken: Hij wil zeggen dat, als zij baden, dat deden zij op de daken; Zef. 1:5 . Zefanja 1:5 : En die zich nederbuigen op de daken voor de legermacht van de hemel, en die zich nederbuigende zweren bij YHWH, en zweren bij Malcham;
[^jesaja-15-3-18]: Kanttekening 18: Gelijk zij al wenende waren op de daken geklommen, zo komen zij er ook al wenende opnieuw af, geen troost ontvangen hebbende.
[^jesaja-15-4-19]: Kanttekening 19: Zo Hesbon als Eleale: Hebreeuws, En Hesbon en Eleale. Van Hesbon en Eleale zie Joz. 13:17 ; Num. 32:37 . Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon, Numeri 32:37 : En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,
[^jesaja-15-4-20]: Kanttekening 20: Te weten van angst en vrees.
[^jesaja-15-4-21]: Kanttekening 21: Jahaz toe: Zie Num. 21:23 . Numeri 21:23 : Maar Sihon liet Israël niet toe, door zijn landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël;
[^jesaja-15-4-22]: Kanttekening 22: Of, zullen geschrei maken.
[^jesaja-15-4-23]: Kanttekening 23: de toegerusten: Of, de gewapende. De zin is: Het geschreeuw van de burgers zal de gewapende soldaten verschrikken en vervaard maken.
[^jesaja-15-4-24]: Kanttekening 24: de ziel van een ieder: Dat is, zij zijn allemaal kwalijk tevreden. Anders: hun leven is kwalijk gesteld, of is hun verdrietig.
[^jesaja-15-4-25]: Kanttekening 25: in hem: Dat is in zichzelven, en versta hier Moab en ook allen, die het met hem houden.
[^jesaja-15-5-27]: Kanttekening 27: Dat is, de oversten en machtigen van Moab, die bij grendelen worden vergeleken, omdat zij de vastheid van het land zijn. Anders, hun vluchtenden \[vluchten\] enz. Anders: mijn hart schreeuwt over Moab en \[over\] zijn grendelen tot Zoar toe, \[als\] een driejarige koe. Tot Zoar toe; dat is, dat men het tot Zoar toe horen kan, ofschoon het aan de uiterste grenzen van het Moabietische land, naar Judea aan, gelegen is.
[^jesaja-15-5-28]: Kanttekening 28: Zie Gen. 19:22 . Genesis 19:22 : Haast, behoud u daarheen; want Ik zal niets kunnen doen, totdat u daarheen ingekomen bent. Daarom noemde men de naam van deze stad Zoar.
[^jesaja-15-5-29]: Kanttekening 29: driejarige vaars: Dat is, sterk, wulps en dartel. Dit kan men verstaan van Zoar of van Moab. In Jeremia wordt het gezegd van Horonaïm. Zie Jer. 48:34 , met de aantekening. Jeremia 48:34 : Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.
[^jesaja-15-5-30]: Kanttekening 30: met geween: Of, al wenende.
[^jesaja-15-5-31]: Kanttekening 31: een jammergeschrei: Of, verheffen zij een gebroken geschrei. Anders: een verderfelijk geschrei. Hebreeuws, een geroep van de breking, of van de verbreking; dat is, \[gelijk het sommigen nemen\] zodanig een geroep als die van zich geven, die van hun vijanden wredelijk worden verbroken en vernield.
[^jesaja-15-5-26]: Kanttekening 26: Mijn hart: Alsof de profeet zei: De jammer, die de Moabieten zal overkomen, zal zo groot zijn dat ik mij niet kan onthouden hartelijk te huilen als ik er aan gedenk. Zie Jes. 16:9 , en Jes. 21:3 ; Jer. 48:5 , 48:31 , 48:34 , 48:38 . Sommigen nemen het zo, dat de profeet hier afbeeldt in zijn persoon wat Moabi in zijn lijden doen zou. Jesaja 16:9 : Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen; Jesaja 21:3 : Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien. Jeremia 48:5 : Want in de opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in de afgang van Horonaim hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord. Jeremia 48:31 : Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om geheel Moab zal Ik krijten; over de mensen van Kir-Heres zal men zuchten. Jeremia 48:34 : Vanwege Hesbons gekrijt tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden. Jeremia 48:38 : Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal luid weeklagen; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt YHWH.
[^jesaja-15-6-33]: Kanttekening 33: Nimra en Bethnimra genoemd, Num. 32:3 , 32:36 . Deze plaats is de zonen van Gad gegeven; Joz. 13:27 , 13:28 . Numeri 32:3 : Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; Numeri 32:36 : En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien. Jozua 13:27 : En in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde van de zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten. Jozua 13:28 : Dit is het erfdeel van de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.
[^jesaja-15-6-32]: Kanttekening 32: de wateren: Dat is, de lage en waterige landen te Nimrim, of omtrent Nimrim, zullen dor, woest en onvruchtbaar liggen. De zin is: Het gehele land van Moab zal tot de uiterste verwoesting gebracht worden, zo dat zelfs in die plaatsen, waar overvloed van wateren placht te zijn, grote droogte wezen zal.
[^jesaja-15-7-35]: Kanttekening 35: vergaderd hebben: Hebreeuws, gemaakt hebben.
[^jesaja-15-7-36]: Kanttekening 36: en wat zij weggelegd: Het Hebreeuwse woord komt van bezoeken of wegleggen.
[^jesaja-15-7-37]: Kanttekening 37: de beek van de wilgen: Of, naar de beek van de wilgen; te weten om het daar te verbergen. Anders: in het dal van de Arabieren. en dan is dit de zin: De Arabieren, die zich bij de Assyriërs zullen voegen, zullen de schatten van de Moabieten helpen roven en zullen het wegvoeren.
[^jesaja-15-7-34]: Kanttekening 34: Te weten de Moabieten. Hebreeuws, hij; te weten Moab.
[^jesaja-15-8-39]: Kanttekening 39: zal omgaan: Of, gaat om, of is omgegaan, en zo in het volgende.
[^jesaja-15-8-40]: Kanttekening 40: tot Eglaim: Of, tot aan de twee samenvlietende beken; te weten tot de beek of bornput Arnon \[waarvan Num. 21:14 gesproken wordt\] en tot Beer-Elim. Numeri 21:14 : (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van YHWH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,
[^jesaja-15-8-41]: Kanttekening 41: tot Beer-Elim: Anders: tot de bornput Elim toe, of tot de bornput van de machtigen; aldus genoemd omdat de vorsten van de Israëlieten dezelfde hebben gegraven of laten graven; Num. 21 .
[^jesaja-15-8-38]: Kanttekening 38: dat geschreeuw: Dat is, dat geschreeuw en gehuil van de vluchtende Moabieten van dat gesproken is vers 1 , 15:2 , 15:3 , 15:4 , zal door al het gebied van de Moabieten gaan, van het ene einde tot aan het andere. Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! Jesaja 15:2 : Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jesaja 15:3 : Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween. Jesaja 15:4 : Zo Hesbon als Eleale schreeuwt, hun stem wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de toegerusten van Moab een geschrei, de ziel van een ieder in hem is kwalijk gesteld.
[^jesaja-15-9-43]: Kanttekening 43: zijn vol bloed: Te weten, van de verslagen en verwonde Moabieten, die de Assyriërs zouden verslaan.
[^jesaja-15-9-44]: Kanttekening 44: Ik zal Dimon nog meer toeschikken: Hebreeuws, Ik zal over Dimon toevoegselen voegen, of zetten; dat is, Ik zal hen nog meer straffen.
[^jesaja-15-9-45]: Kanttekening 45: Versta hierbij, en andere wrede verscheurende dieren, om hen te verscheuren. Hebreeuws, een leeuw, waardoor de koning Nebukadnezar \[die ook elders bij een leeuw wordt vergeleken\] kan verstaan worden (אַרְיֵה). Van verscheurende leeuwen onder het ongehoorzame volk, van God gezonden, zie ook 2 Kon. 17:25 . 2 Koningen 17:25 : En het geschiedde in het begin van hun woning daar, dat zij YHWH niet vreesden; zo zond YHWH leeuwen onder hen, die enige van hen doodden.
[^jesaja-15-9-46]: Kanttekening 46: over de ontkomenen van Moab: De zin is: De Moabieten, die hun vijanden ontlopen zullen, zullen van de leeuwen verscheurd worden, en alles wat er overig zal gebleven zijn uit het gehele land, dat zal te schande gemaakt worden. In één woord, God de Heer dreigt hier dat de vijanden van zijn kerk in geen geval ongestraft zullen blijven.
[^jesaja-15-9-47]: Kanttekening 47: van het land: Te weten, de Moabieten.
[^jesaja-15-9-42]: Kanttekening 42: Want de wateren: Of, zelfs zijn de wateren, enz.

### Jesaja 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/16.json)

*Vermaning aan de Moabieten dat zij hun lammeren zouden brengen, vers 1, en dat zij zich tegenover de verdreven Joden vriendelijk en goedertieren zouden gedragen, 3. Maar omdat zij dat uit hoogmoed niet deden, 6, dreigt God hen dat zij zo verschrikkelijk uitgeroeid en vernietigd zouden worden, 7, dat de profeet medelijden met hen heeft, 9. Toch gaat hij voort met het verhalen van de ellende die hen nabij was, 10, en hij noemt de tijd wanneer het zou gebeuren, 14.*

**1** [^jesaja-16-1-1] Zend[^jesaja-16-1-2] de lammeren van[^jesaja-16-1-3] de heerser van het land van[^jesaja-16-1-4] Sela af,[^jesaja-16-1-5] naar de woestijn heen,[^jesaja-16-1-6] tot de berg van de dochter van Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v1)

**2** [^jesaja-16-2-7] Anders zal het gebeuren, dat[^jesaja-16-2-8] de dochters van Moab aan de doorwaadbare plaatsen van[^jesaja-16-2-9] Arnon zullen zijn,[^jesaja-16-2-10] als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v2)

**3** [^jesaja-16-3-11] Breng een raad aan,[^jesaja-16-3-12] houd gericht,[^jesaja-16-3-13] maakt uw schaduw op het midden van de middag, gelijk van de nacht;[^jesaja-16-3-14] verberg[^jesaja-16-3-15] de verdrevenen,[^jesaja-16-3-16] en meld[^jesaja-16-3-17] de omzwervende niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v3)

**4** [^jesaja-16-4-18] Laat[^jesaja-16-4-19] mijn verdrevenen[^jesaja-16-4-20] onder u verkeren, o Moab![^jesaja-16-4-21] wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht[^jesaja-16-4-22] van de verstoorder; want de onderdrukker[^jesaja-16-4-23] heeft een einde, de verstoring is te niet geworden,[^jesaja-16-4-24] de vertreders[^jesaja-16-4-25] zijn van de aarde verdaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v4)

**5** Want er zal[^jesaja-16-5-26] een troon[^jesaja-16-5-27] bevestigd worden[^jesaja-16-5-28] in goedertierenheid, en daarop zal[^jesaja-16-5-29] bestendig één zitten[^jesaja-16-5-30] in de tent van David, één, die oordeelt en het recht zoekt, en[^jesaja-16-5-31] voortvarend is in gerechtigheid.[^jesaja-16-5-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v5)

**6** [^jesaja-16-6-32] Wij hebben gehoord de hoogmoed[^jesaja-16-6-33] van Moab, hij is zeer hoogmoedig; zijn hoogmoed,[^jesaja-16-6-34] en zijn hoogmoed, en zijn toorn, zijn zo zijn grendels niet.[^jesaja-16-6-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v6)

**7** [^jesaja-16-7-35] Daarom zal[^jesaja-16-7-36] Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de[^jesaja-16-7-37] fundamenten van Kir-Hareseth zult u[^jesaja-16-7-38] zuchten, zeker,[^jesaja-16-7-39] zij zijn gebroken.[^jesaja-16-7-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v7)

**8** [^jesaja-16-8-40] Want[^jesaja-16-8-41] de velden van[^jesaja-16-8-42] Hesbon[^jesaja-16-8-43] zijn verflauwd, ook de wijnstok van[^jesaja-16-8-44] Sibma,[^jesaja-16-8-45] de heren van de heidenen hebben zijn uitgelezen planten[^jesaja-16-8-46] verpletterd;[^jesaja-16-8-47] zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen[^jesaja-16-8-48] door de woestijn; hun[^jesaja-16-8-49] scheuten zijn uitgespreid, zij zijn[^jesaja-16-8-50] gegaan over zee.[^jesaja-16-8-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v8)

**9** [^jesaja-16-9-51] Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma,[^jesaja-16-9-52] ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst[^jesaja-16-9-53] is gevallen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v9)

**10** Zo dat de blijdschap en vrolijkheid[^jesaja-16-10-54] weggenomen is[^jesaja-16-10-55] van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt;[^jesaja-16-10-56] de druiventreder treedt[^jesaja-16-10-57] geen wijn uit[^jesaja-16-10-58] in de wijnbakken,[^jesaja-16-10-59] ik heb[^jesaja-16-10-60] het vreugdegeschrei doen ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v10)

**11** [^jesaja-16-11-61] Daarom[^jesaja-16-11-62] rommelt mijn binnenste[^jesaja-16-11-63] over Moab,[^jesaja-16-11-64] als een harp, en[^jesaja-16-11-65] mijn binnenste[^jesaja-16-11-66] over[^jesaja-16-11-67] Kir-Heres. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v11)

**12** En het zal gebeuren, als men zien zal, dat Moab[^jesaja-16-12-68] vermoeid is geworden[^jesaja-16-12-69] op de hoogten, dan zal[^jesaja-16-12-70] hij[^jesaja-16-12-71] in zijn heiligdom gaan om te aanbidden,[^jesaja-16-12-72] maar hij zal niets uitrichten.[^jesaja-16-12-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v12)

**13** Dit is het woord, dat YHWH tegen Moab gesproken heeft,[^jesaja-16-13-73] van toen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v13)

**14** Maar[^jesaja-16-14-74] nu spreekt YHWH, zeggende:[^jesaja-16-14-75] Binnen drie jaar[^jesaja-16-14-76] (als de jaren van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden,[^jesaja-16-14-77] met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/16.html#v14)

[^jesaja-16-1-1]: Kanttekening 1: O u Moabieten.
[^jesaja-16-1-2]: Kanttekening 2: de lammeren: Hebreeuws, het lam, dat is, zoveel lammeren als u tot schatting te geven schuldig bent. De Moabieten betaalden aan de koning van Juda jaarlijks honderd duizend lammeren en honderd duizend rammen met de wol, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 8:2 , vergeleken met 2 Kon. 3:4 . 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Koningen 3:4 : Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.
[^jesaja-16-1-3]: Kanttekening 3: Te weten van de koning van Juda, die een heer of heerser over uw land is geworden, van die tijd af toen David u heeft overwonnen; 2 Sam. 8:2 . Anders: van de heerschapper van de aarde, verstaande daarbij God de Heer, in deze zin, alsof hij de Moabieten vermaande dat zij de ware God zouden aannemen, zulks doende blijken met hem lammeren op te offeren. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^jesaja-16-1-4]: Kanttekening 4: Sela af: Dat is, van uw land af, dat ten dele met klippen en rotsen is bezet, ten dele met de woestijn. Sela was de hoofdstad, op een rots gelegen.
[^jesaja-16-1-5]: Kanttekening 5: naar de woestijn: Hier kan men verstaan die woestijn van Juda, die daar is strekkende tot aan de Jordaan, waar die rivier in de Dode zee valt.
[^jesaja-16-1-6]: Kanttekening 6: tot de berg van de dochter van Sion: Dat is, tot Jeruzalem, dat aan de berg Zion ligt.
[^jesaja-16-2-7]: Kanttekening 7: De zin is: Als u dat niet doet, namelijk: Als u, Moabieten, het huis van David niet gehoorzaamt, zo zal het gebeuren, enz. Anders: want het zal gebeuren.
[^jesaja-16-2-8]: Kanttekening 8: de dochters: Dat is, de Moabietische vrouwen, getrouwde en ongetrouwde, gelijk Luk. 23:28 ; daar staat: U dochters Jeruzalems; waaronder verstaan zijn zowel gehuwde als de ongehuwde. Anderen verstaan hier door de dochters de kleine steden van het Moabietische land. Lukas 23:28 : En Jezus, Zich tot haar kerende, zei: U dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.
[^jesaja-16-2-9]: Kanttekening 9: Arnon was het uiterste van het land van de Moabieten. Zodat als de profeet hier dreigt dat de dochters Moabs aan de veren van Arnon zouden gebracht en overgevoerd worden, dat is te zeggen dat zij zouden verjaagd, of gevankelijk uit hun land zouden gevoerd worden.
[^jesaja-16-2-10]: Kanttekening 10: als een zwervende vogel: Dat is, als een vogel die heen en weer vliegt. Zo zullen de dochters van de Moabieten uit haar nest, dat is uit haar vaderland en uit haar huizen en welvaart gedreven worden.
[^jesaja-16-3-11]: Kanttekening 11: Te weten, hoe u het aanstaande ongeluk zult kunnen ontlopen.
[^jesaja-16-3-12]: Kanttekening 12: houdt gericht: Hier raadt de profeet de Moabieten dat zij oprecht handelen zouden, in het bijzonder met de arme verdreven Joden, met deze niet handelende gelijk eertijds hun voorouders gedaan hadden; Deut. 23 ; Jer. 48 .
[^jesaja-16-3-13]: Kanttekening 13: maakt uw schaduw: Dat is, maakt dat uwe schaduw, dat is de verkwikking die zij van u verzoeken, hen zo verkwikt in hun grootste vervolging, als de schaduw of duisternis van de nacht in de hete zomertijd de mensen verkwikt.
[^jesaja-16-3-14]: Kanttekening 14: Hier spreekt de profeet duidelijk uit wat hij straks met verbloemde woorden gezegd heeft.
[^jesaja-16-3-15]: Kanttekening 15: de verdrevenen: Te weten de Joden, die uit hun land verdreven zijn.
[^jesaja-16-3-16]: Kanttekening 16: Dat is, verraadt hen niet, geeft hen niet over in de handen van hun vijanden, gelijk u wel pleegt te doen.
[^jesaja-16-3-17]: Kanttekening 17: de omzwervende: Dat is, de Joden, die hun toevlucht tot u nemen.
[^jesaja-16-4-18]: Kanttekening 18: Dit spreekt God de Heer.
[^jesaja-16-4-19]: Kanttekening 19: mijn verdrevenen: Dat is, die mij toebehoren, alhoewel Ik hen, om hun zonden wil, nu een geruimen tijd dapperlijk gekastijd heb. Aangaande de manier van spreken, zie Ps. 37:22 . Psalmen 37:22 : Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
[^jesaja-16-4-20]: Kanttekening 20: onder u: Hebreeuws, in u; dat is, bij u, in het Moabietische land.
[^jesaja-16-4-21]: Kanttekening 21: wees u hun: Dat is, oefent medelijden en barmhartigheid over de Israëlieten, laat hen herberg bij u vinden.
[^jesaja-16-4-22]: Kanttekening 22: van de verstoorder: Dat is, van de Assyriër, die de Joden en andere natiën zeer vervolgd en jammerlijk geplaagd heeft.
[^jesaja-16-4-23]: Kanttekening 23: heeft een einde: Of, zal haast een einde hebben, en zo in het volgende. Alsof de Heer zei: U, Moabieten, behoort u beleefd tegenover mijn volk te gedragen, want het zal niet altijd onderdrukt worden van zijn vijanden; Ik zal het eindelijk redden en het koninkrijk van Juda zo herstellen, dat het gelegenheid en macht zal hebben om u te vergelden de weldaden, die zij van uwe hand ontvangen zullen; daar zij u integendeel zullen kunnen vergelden de schade en onbarmhartigheid, die u hun zult bewijzen.
[^jesaja-16-4-24]: Kanttekening 24: de vertreders: Hebreeuws, de vertreder; dat is alle en iedere vertreder, dat is verdrukker van mijn volk.
[^jesaja-16-4-25]: Kanttekening 25: zijn van de aarde: Dat is, zullen, enz.
[^jesaja-16-5-26]: Kanttekening 26: een troon: Dat is, een koninkrijk of koninklijke waardigheid.
[^jesaja-16-5-27]: Kanttekening 27: Of, bereid worden.
[^jesaja-16-5-28]: Kanttekening 28: in goedertierenheid: Te weten, door de goedertierenheid van God. Anders, in genade.
[^jesaja-16-5-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, in waarheid (אֱמֶת); dat is, stijf en vast.
[^jesaja-16-5-30]: Kanttekening 30: in de tent van David: Dat is, één van het geslacht van David, te weten Christus. Hij alleen bezit bestendiglijk de stoel Davids, want Hij heeft een eeuwig koninkrijk.
[^jesaja-16-5-31]: Kanttekening 31: Dat is, haastig gevende wat recht is, hetzij de goede of de kwade. Anders: in het recht wel ervaren; gelijk Ezra 7:6 . Zo de profeet in vers 5 opnieuw de Moabieten vermaant, dat zij zich over de verdreven Joden ontfermen zouden; omdat hun vervallen koninkrijk opnieuw zou opgericht worden, en in eeuwigheid bestendig blijven zou. Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Jesaja 16:5 : Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en daarop zal bestendig een zitten in de tent van David, een, die oordeelt en het recht zoekt, en voortvarend is in gerechtigheid.
[^jesaja-16-5-a]: Verwijzing a: Jes. 9:6 ; Dan. 4:14 ; idem v. 27 ; Micha 4:7 ; Lukas 1:33 . Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal zulks doen. Daniël 4:14 : Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt die boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogels van zijn takken; Daniël 4:27 : Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen. Micha 4:7 : En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en YHWH zal Koning over hen zijn op de berg van Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^jesaja-16-6-32]: Kanttekening 32: Wij hebben: Te weten, God de Vader, Zoon en Heilige Geest. Sommigen verstaan de profeet en Joden en andere omliggende natiën. Enige voegen hier het woordje maar bij, aldus: \[Maar\] wij hebben gehoord, enz., alsof hij zei: Dit voorverhaalde vereist wel God van de Moabieten, en zij waren het wel schuldig te doen; ook zou het hun voordelig zijn. Maar zij zijn zo hovaardig, dat zij geen goeden raad, die anderen hun geven, willen volgen.
[^jesaja-16-6-33]: Kanttekening 33: Dat is, van de Moabieten.
[^jesaja-16-6-34]: Kanttekening 34: zijn zo: Dat is tevergeefs, nochtans verlaat hij zich op hen, als op grendelen of handbomen. Anders: \[Maar\] zijn leugens \[doen het\] zo niet.
[^jesaja-16-6-b]: Verwijzing b: Jer. 48:29 ; idem v. 30 . Jeremia 48:29 : Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijn harten hoogheid. Jeremia 48:30 : Ik ken zijn toorn, spreekt YHWH, maar niet zo; zijn grendelen doen het zo niet.
[^jesaja-16-7-35]: Kanttekening 35: Te weten vanwege de gruwelijke inval van de Assyriërs, gelijk af te nemen is uit vers 14 . Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^jesaja-16-7-36]: Kanttekening 36: Moab over Moab: Dat is, de ene Moabiet over de andere; te weten, de levende zo over de doden als over de levenden.
[^jesaja-16-7-37]: Kanttekening 37: Anders: flessen, van deze plaats, zie boven Jes. 15:1 . Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid!
[^jesaja-16-7-38]: Kanttekening 38: Anders, rouw dragen. Anders, murmelen, binnensmonds spreken.
[^jesaja-16-7-39]: Kanttekening 39: zij zijn gebroken: Of, zij zullen gebroken worden, of gebroken zijnde; dit nemen sommigen op de fondamenten, sommigen op de zuchtende mensen.
[^jesaja-16-7-c]: Verwijzing c: Jer. 48:20 . Jeremia 48:20 : Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.
[^jesaja-16-8-40]: Kanttekening 40: Hier wijst de profeet nu breder aan de oorzaak van het wenen van de Moabieten, en hij spreekt hier, gelijk elders meer, alsof al geschied ware wat nog gebeuren zou.
[^jesaja-16-8-41]: Kanttekening 41: de velden: Gelijk 2 Kon. 23:4 . Anders: wijnstokken. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al de legermacht van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
[^jesaja-16-8-42]: Kanttekening 42: Zie Joz. 13:17 . Jozua 13:17 : Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon,
[^jesaja-16-8-43]: Kanttekening 43: zijn verflauwd: Anders: zullen verflauwen, of verzwakken; dat is, verwelken.
[^jesaja-16-8-44]: Kanttekening 44: Van Sibma wordt ook melding gemaakt Num. 32:38 ; Joz. 13:19 . Numeri 32:38 : En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. Jozua 13:19 : En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op de berg van het dal,
[^jesaja-16-8-45]: Kanttekening 45: de heren: Dat is, de vorsten van de Assyriërs.
[^jesaja-16-8-46]: Kanttekening 46: Te weten die wijnstokken.
[^jesaja-16-8-47]: Kanttekening 47: reiken tot Jaëzer toe: Zie Jer. 48:32 . Jeremia 48:32 : Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;
[^jesaja-16-8-48]: Kanttekening 48: Versta hier de woestijn aan de Jordaan, gelijk vers 1 . Jesaja 16:1 : Zendt de lammeren van de heerser van het land van Sela af, naar de woestijn heen, tot de berg van de dochter van Sion.
[^jesaja-16-8-49]: Kanttekening 49: Of scheutelingen, of ranken.
[^jesaja-16-8-50]: Kanttekening 50: gegaan over zee: Versta, de zee bij Jaëzer, gelijk blijkt Jer. 48:32 . Jeremia 48:32 : Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;
[^jesaja-16-8-d]: Verwijzing d: Jer. 48:32 ; idem v. 33 . Jeremia 48:32 : Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst; Jeremia 48:33 : Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb de wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn.
[^jesaja-16-9-51]: Kanttekening 51: Anders: daarom beween ik het geween Jaeëzers; \[dat is, het jammer, dat die stad zal doen wenen\], de wijnstok van Sibma. Alsof hij zei: Ik heb zulk een schrik van de verwoesting van Sibma, dat zo wanneer mij die in de zin komt, zo beweegt zij mij tot huilen, zo wel als ik doe over Jaeëzer, Hesbon en Eleale. Zie boven Jes. 15:5 , onder Jes. 21:3 . Jesaja 15:5 : Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. Jesaja 21:3 : Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
[^jesaja-16-9-52]: Kanttekening 52: ik maak u: Of, ik bedauw, begiet, bespreng, bespuit u.
[^jesaja-16-9-53]: Kanttekening 53: is gevallen: Dat is, heeft een einde. In de oogst pleegt men vreugdeliedjes te zingen, die hoort men nu niet meer, wil de profeet zeggen; zie Jer. 25:30 . Jeremia 25:30 : U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^jesaja-16-10-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, verzameld is; Ps. 26:9 . Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jesaja-16-10-55]: Kanttekening 55: van het vruchtbare veld: Anders: van Karmel, dat is de naam van een vruchtbaren berg en streek; zie 2 Kon. 19:23 , en verder 1 Sam. 25:2 . 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^jesaja-16-10-56]: Kanttekening 56: de druiven treder: Zie de aantekening Jer. 25:30 . Jeremia 25:30 : U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^jesaja-16-10-57]: Kanttekening 57: geen wijn: Dat is, hij treedt geen druiven daar men de wijn uitperst.
[^jesaja-16-10-58]: Kanttekening 58: in de wijnbakken: Of, in de kuipen.
[^jesaja-16-10-59]: Kanttekening 59: ik heb: Dit spreekt God de Heer.
[^jesaja-16-10-60]: Kanttekening 60: het vreugdegeschrei: Of, lofliedjes; gelijk Richt. 9:27 . Richteren 9:27 : En zij togen uit in het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimelech.
[^jesaja-16-11-61]: Kanttekening 61: Dit spreekt de profeet.
[^jesaja-16-11-62]: Kanttekening 62: Te weten van treurigheid.
[^jesaja-16-11-63]: Kanttekening 63: over Moab: Dat is, vanwege die ellende, die Moab overkomt; zie de aantekening Jes. 15:5 . Jesaja 15:5 : Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.
[^jesaja-16-11-64]: Kanttekening 64: als een harp: Te weten wanneer men derzelver snaren roert met de vinger.
[^jesaja-16-11-65]: Kanttekening 65: mijn binnenste: Dat is, mijn hart.
[^jesaja-16-11-66]: Kanttekening 66: Te weten, omdat die schone stad zo jammerlijk verwoest en geruïneerd is.
[^jesaja-16-11-67]: Kanttekening 67: Anders ook genaamd Kir en Kir-Hareseth. Zie boven Jes. 15:1 , en hier boven vers 7 . Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! Jesaja 16:7 : Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.
[^jesaja-16-12-68]: Kanttekening 68: Te weten van zijn goden aan te roepen en hun offeranden te doen, hulp verzoekende tegen zijn vijanden.
[^jesaja-16-12-69]: Kanttekening 69: op de hoogten: Op de hoogten hadden de Moabieten en andere afgodendienaars hun altaren.
[^jesaja-16-12-70]: Kanttekening 70: Te weten Moab, dat is de Moabieten.
[^jesaja-16-12-71]: Kanttekening 71: in zijn heiligdom: Te weten in de tempel van zijn afgod Chamos; Num. 21:29 ; 1 Kon. 11:7 . Hopende dat, ofschoon die andere goden hem niet geholpen hadden, Chamos immers hem zou horen en uit de nood helpen. Numeri 21:29 : Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. 1 Koningen 11:7 : Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons.
[^jesaja-16-12-72]: Kanttekening 72: hij zal niet: Te weten Chamos zal hem niet kunnen helpen, of hij \[te weten Moab\] zal niets vermogen, of niets kunnen uitrichten, zo weinig als hij op de hoogten uitgericht of afgebeden en verkregen had.
[^jesaja-16-12-e]: Verwijzing e: Deut. 32:37 ; idem v. 38 ; idem v. 39 . Deuteronomium 32:37 : Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welke zij betrouwden? Deuteronomium 32:38 : Van welke slachtofferen vet zij aten, van welke drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij. Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!
[^jesaja-16-13-73]: Kanttekening 73: van toen af: Te weten, van die tijd af dat zij de koning van Juda zijn onderworpen geweest; zie 2 Sam. 8:2 . Of, van de tijd af van de openbaring van deze profetie. 2 Samuël 8:2 : Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.
[^jesaja-16-14-74]: Kanttekening 74: nu spreekt: Te weten nu zij alle vermaningen en dreigementen van de profeten verachten.
[^jesaja-16-14-75]: Kanttekening 75: Binnen drie jaren: Of, over drie jaren, of na de uitgang van drie jaren; te weten in het vierde jaar van de koning Hizkia, want de profeet heeft dit gesproken in het eerste jaar van de regering van deze koning, gelijk te zien is boven Jes. 14:28 , waar deze predikatie begint. De volbrenging derzelve zie 2 Kon. 18:9 , alwaar geschreven staat dat Salmanassar tegen Samaria getogen is in het vierde jaar van Hizkia; waaruit af te nemen is dat hij in het doorreizen de Moabieten heeft bedwongen, waarvan hier in deze tekst gesproken wordt. Maar dit is maar een begin van hun jammer en verderf geweest, dat een geruimen tijd hierna volkomenlijker geschied is, gelijk lang na de profeet Jesaja hun de profeet Jeremia zulks voorzegd heeft; Jer. 48 . Jesaja 14:28 : In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last. 2 Koningen 18:9 : Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.
[^jesaja-16-14-76]: Kanttekening 76: als de jaren: Dat is, wel geteld en nauw gerekend. Men geeft een gehuurden knecht zijn bedongen loon als zijn tijd om is, niet eer en ook niet later; vergelijk Jes. 21:16 . Jesaja 21:16 : Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan.
[^jesaja-16-14-77]: Kanttekening 77: met al die grote menigte: Anders: met al die grote rijkdom, of overvloed; zie Ps. 37:16 ; Pred. 5:9 . Psalmen 37:16 : Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Prediker 5:9 : Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.

### Jesaja 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/17.json)

*Profetie aangaande de ondergang van de steden Damascus en Samaria, vers 1 enzovoort, evenals van de steden van Israel, door de Assyriers, 2. Het lijden doet opmerken, 7. Profetie van de nederlaag van de Assyriers, 12.*

**1** [^jesaja-17-1-1] De last van Damascus.[^jesaja-17-1-2] Zie, Damascus[^jesaja-17-1-3] zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal[^jesaja-17-1-4] een vervallen steenhoop zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v1)

**2** [^jesaja-17-2-5] De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor[^jesaja-17-2-6] de kudden zullen zij wezen, die zullen daar neerliggen, en[^jesaja-17-2-7] niemand zal ze verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v2)

**3** En[^jesaja-17-3-8] de vesting zal ophouden[^jesaja-17-3-9] van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel[^jesaja-17-3-10] van de[^jesaja-17-3-11] Syriërs; zij zullen zijn gelijk[^jesaja-17-3-12] de heerlijkheid van de Israëlieten, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v3)

**4** En het zal gebeuren op die dag, dat[^jesaja-17-4-13] de heerlijkheid van[^jesaja-17-4-14] Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v4)

**5** Want[^jesaja-17-5-15] hij zal zijn, gelijk wanneer een[^jesaja-17-5-16] maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest[^jesaja-17-5-17] in het dal Refaim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v5)

**6** [^jesaja-17-6-18] Maar[^jesaja-17-6-19] een nalezing zal daarin overig blijven,[^jesaja-17-6-20] gelijk in de afschudding van een olijfboom, twee of drie bezien in de top van de bovenste twijg, en vier of vijf[^jesaja-17-6-21] aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v6)

**7** [^jesaja-17-7-22] Op die dag zal[^jesaja-17-7-23] de mens[^jesaja-17-7-24] zien naar Die, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op[^jesaja-17-7-25] de Heilige van Israël zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v7)

**8** En[^jesaja-17-8-26] hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk van zijn handen,[^jesaja-17-8-27] ook wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch[^jesaja-17-8-28] de zonnebeelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v8)

**9** [^jesaja-17-9-29] Op die dag zullen[^jesaja-17-9-30] zijn[^jesaja-17-9-31] sterke steden zijn, als[^jesaja-17-9-32] een verlaten struik, en[^jesaja-17-9-33] bovenste tak,[^jesaja-17-9-34] die zij verlaten hebben,[^jesaja-17-9-35] vanwege de Israëlieten, hoewel daar verwoesting[^jesaja-17-9-36] zal wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v9)

**10** Want[^jesaja-17-10-37] u hebt[^jesaja-17-10-38] de God van uw heil vergeten, en niet gedacht[^jesaja-17-10-39] aan de Rotssteen van uw sterkte; daarom[^jesaja-17-10-40] zult u wel liefelijke planten planten, en u zult[^jesaja-17-10-41] hem met uitlandse ranken[^jesaja-17-10-42] bezetten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v10)

**11** Op de dag als u ze zult geplant hebben,[^jesaja-17-11-43] zult u die doen groeien, en[^jesaja-17-11-44] in de morgenstond zult u uw zaad doen bloeien;[^jesaja-17-11-45] maar het zal maar één hoop van het gemaaide zijn,[^jesaja-17-11-46] in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v11)

**12** [^jesaja-17-12-47] Wee[^jesaja-17-12-48] de[^jesaja-17-12-49] veelheid van de grote volken, die daar bruisen, zoals de zeeën bruisen; en wee het geruis van de natiën, die daar ruisen, zoals de geweldige wateren ruisen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v12)

**13** De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar[^jesaja-17-13-50] Hij zal[^jesaja-17-13-51] hem[^jesaja-17-13-52] bestraffen, zo zal[^jesaja-17-13-53] hij[^jesaja-17-13-54] ver wegvluchten, ja, hij zal[^jesaja-17-13-55] gejaagd worden,[^jesaja-17-13-a] als[^jesaja-17-13-56] het kaf van de bergen van de wind, en gelijk[^jesaja-17-13-57] een kloot van de wervelwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v13)

**14** [^jesaja-17-14-58] Ten tijde van de avond, ziet,[^jesaja-17-14-59] zo is er verschrikking, voordat het morgen is, is[^jesaja-17-14-60] hij er niet meer.[^jesaja-17-14-61] Dit is[^jesaja-17-14-62] het deel van degenen, die ons[^jesaja-17-14-63] beroven, en het lot van degenen, die ons plunderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/17.html#v14)

[^jesaja-17-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-17-1-2]: Kanttekening 2: De hoofdstad in Syrië. Zie boven Jes. 7:8 . Maar hier moet men verstaan niet alleen het verderf van de stad van Damascus, maar ook van het koninkrijk van Syrië. Jesaja 7:8 : Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij.
[^jesaja-17-1-3]: Kanttekening 3: weggenomen worden: Dat is, zij zal beheerst, en de inwoners zullen weggevoerd worden. Dit is geschied door Salmanassar, de koning van Assyrië.
[^jesaja-17-1-4]: Kanttekening 4: een vervallen steenhoop: Hebreeuws, een hoop van vervalling.
[^jesaja-17-2-5]: Kanttekening 5: De steden: Dat is, de steden, die rondom of omtrent de stad Aroër liggen, bij de beek van Jabbok, in het land aan de overzijde van de Jordaan aan de beek Arnon, Deut. 2:36 . De Rubenieten, Gadieten en Manassieten hadden het tevoren bewoond. Deuteronomium 2:36 : Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
[^jesaja-17-2-6]: Kanttekening 6: de kudden: Het Hebreeuwse woord betekent zowel kudden van de kleine als van de grote beesten, gelijk te zien is Gen. 32:14 , 32:15 , 32:16 . Genesis 32:14 : Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; Genesis 32:15 : Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. Genesis 32:16 : En hij gaf die in de hand van zijn knechten, elke kudde bijzonder; en hij zei tot zijn knechten: Gaat u door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.
[^jesaja-17-2-7]: Kanttekening 7: Terwijl daar geen vijanden in het land zullen vallen, want het zal woest liggen nadat Salmanassar de inwoners gevankelijk weggevoerd zal hebben. Lees de vervulling hiervan 2 Kon. 15:29 , en 2 Kon. 17:6 ; 1 Kron. 5:26 . 2 Koningen 15:29 : In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 17:6 : In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^jesaja-17-3-8]: Kanttekening 8: de vesting: Versta, de vaste stad Samaria en andere daaronder horende.
[^jesaja-17-3-9]: Kanttekening 9: van Efraïm: Dat is, van het koninkrijk, of de tien stammen van Israël.
[^jesaja-17-3-10]: Kanttekening 10: van de Syriërs: Hebreeuws, Aram. Aldus worden de Syriërs genoemd, omdat zij uit Aram gesproten zijn.
[^jesaja-17-3-11]: Kanttekening 11: zij zullen zijn: Te weten de Syriërs. Deze zullen ook van hun heerlijkheid beroofd worden, gelijk de Israëlieten; het zal de één gaan als de ander.
[^jesaja-17-3-12]: Kanttekening 12: de heerlijkheid: Aldus noemt de profeet alles waar zij zich op verhovaardigden en verlieten, als hun koninkrijk, hun vaste en schone steden, kastelen, vastigheden, geld en goed, ook hun verbintenissen met andere koningen, gelijk Jes. 16:14 . Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^jesaja-17-4-13]: Kanttekening 13: de heerlijkheid: Dat is, de heerlijkheid van de Israëlieten, of van de tien stammen van Israël, gelijk vers 3 . Jesaja 17:3 : En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel van de Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid van de kinderen van Israël, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jesaja-17-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, hun heerlijkheid zal verarmen, verdwijnen, verminderen.
[^jesaja-17-5-15]: Kanttekening 15: Te weten Jakob. De zin is: Dat alle tien stammen van Israël gevankelijk zullen weggevoerd worden, gelijk men in de oogst al het koren, zelfs de aren, opleest en invoert. Anderen verstaan hier door hij de koning van Assyrië.
[^jesaja-17-5-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, de oogst; dat is een man van de oogst.
[^jesaja-17-5-17]: Kanttekening 17: in het dal Refraim: Een lustige en vruchtbare plaats, gelegen bij Jeruzalem; Joz. 15:8 . Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden.
[^jesaja-17-6-18]: Kanttekening 18: Sommigen besluiten vers 6 , 17:7 , 17:8 . Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. Jesaja 17:7 : Op die dag zal de mens zien naar Die, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op de Heilige van Israël zien. Jesaja 17:8 : En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk van zijn handen, ook wat zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden.
[^jesaja-17-6-19]: Kanttekening 19: een nalezing: Dat is, enige, maar heel weinigen, \[die daarna ook zullen weggevoerd worden door Esar-Haddon\] zullen nog in het land overig blijven; maar gelijk men in de herfst de druiven, die men eerst is voorbijgegaan, daarna zoekt en afplukt, zo zal het ook met de Israëlieten gaan. Zie de vervulling van deze profetie 2 Kon. 17:24 , en Ezra 4:2 . Anders: Maar daar zullen druiftakken in nagelaten worden. Dan zou dit de zin zijn: Daar zullen weinig mensen in overig blijven, en die weinigen zullen hier en daar van elkaar gespreid zijn. 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. Ezra 4:2 : Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de familiehoofden, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk u; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, de koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.
[^jesaja-17-6-20]: Kanttekening 20: Te weten in Jakob, of in Israël, in Samaria.
[^jesaja-17-6-21]: Kanttekening 21: zijn vruchtbare takken: Of, aan de takken van de vruchtbare \[olijfboom\].
[^jesaja-17-7-22]: Kanttekening 22: Op die dag: Te weten als die straffen en plagen het volk treffen zullen. De profeet wil hier aanwijzen dat de kastijdingen van God nog iets goeds in zijn kinderen werken zullen, hen vernederende en tot kennis van hun zonden brengende.
[^jesaja-17-7-23]: Kanttekening 23: de mens: Dat is, ettelijke mensen; te weten de gelovige Israëlieten.
[^jesaja-17-7-24]: Kanttekening 24: zien naar Die: Anders: zie de mens; nemende het voor: behoorde de mens te zien naar die, enz.
[^jesaja-17-7-25]: Kanttekening 25: de Heilige: Dat is, op God, die heilig is en heilig maakt, helpt, onderwijst, troost en verlost al degenen, die tot Hem komen, om hulp en troost bij Hem te zoeken.
[^jesaja-17-8-26]: Kanttekening 26: hij zal niet: Anderen stellen dit aldus: En dat hij niet de altaren aanschouwe, enz.
[^jesaja-17-8-27]: Kanttekening 27: Anders: namelijk .
[^jesaja-17-8-28]: Kanttekening 28: de zonnebeelden: Zie de aantekening Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^jesaja-17-9-29]: Kanttekening 29: Op die dag: Te weten, als de vijand komt aantrekken.
[^jesaja-17-9-30]: Kanttekening 30: Te weten Israël en Syrië.
[^jesaja-17-9-31]: Kanttekening 31: sterke steden: Hebreeuws, de steden van zijn sterkte, op welke hij zich namelijk verlaten had, meer dan op El Shaddai.
[^jesaja-17-9-32]: Kanttekening 32: een verlaten struik: Hebreeuws, de verlating eens struiks.
[^jesaja-17-9-33]: Kanttekening 33: opperste tak: Dat is, als een tak in het opperste van de boom, die de boomsnoeiers of niet achten, of waar zij niet bij kunnen komen; zo zal het met de Israëlieten en Syriërs toegaan.
[^jesaja-17-9-34]: Kanttekening 34: zij verlaten hebben: Te weten de Assyriërs.
[^jesaja-17-9-35]: Kanttekening 35: om van de kinderen: Dat is, omdat God de Heer te die tijde nog enige Israëlieten sparen wilde; de Assyriërs lieten wel deze weinige Israëlieten niet met voorweten en al willens overig blijven, maar dit wordt hier gezegd ten aanzien van het voornemen van God, die nog een overblijfsel onder de Israëlieten heeft willen behouden. Daarom heeft God de harten van de Assyriërs zo bewogen dat zij nog enige verschoond hebben, namelijk die, die God heeft willen verschoond hebben in Israël. Wat de Hebreeuwse manier van spreken betreft, die hier in de tekst gebruikt wordt, zie dergelijke Gen. 36:6 , 36:7 ; Ex. 9:11 ; Job 37:18 , 37:19 . Genesis 36:6 : Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen van zijn huis, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob. Genesis 36:7 : Want hun bezittingen waren te veel, om samen te wonen; en het land van hun vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee. Exodus 9:11 : Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren. Job 37:18 : Hebt u met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel? Job 37:19 : Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.
[^jesaja-17-9-36]: Kanttekening 36: Te weten over Israël en Syrië.
[^jesaja-17-10-37]: Kanttekening 37: Te weten, u dochter van Israël, dat is, u volk van Israël.
[^jesaja-17-10-38]: Kanttekening 38: Dat is, die God, die een bewerker van uw tijdelijke en eeuwige welvaart is.
[^jesaja-17-10-39]: Kanttekening 39: aan de Rotssteen: Dat is, aan de sterke God, tot wie u een vaste toevlucht had kunnen en behoren te nemen.
[^jesaja-17-10-40]: Kanttekening 40: zult u wel: De zin is: Ofschoon uw land naarstiglijk bezaaid en beplant is, op hoop van vele schone vruchten daarvan te zullen genieten.
[^jesaja-17-10-41]: Kanttekening 41: hem met: Te weten uw wijnberg.
[^jesaja-17-10-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, bezaaien.
[^jesaja-17-11-43]: Kanttekening 43: zult u: Dat is, u zult wel uw uiterste best doen om uwe plantingen te doen groeien, namelijk met begieten en anders.
[^jesaja-17-11-44]: Kanttekening 44: in de morgenstond: Dat is, ter bekwamer tijd, zonder enige gelegenheid te verzuimen.
[^jesaja-17-11-45]: Kanttekening 45: het zal maar: De zin is: U mag allen vlijt en naarstigheid, naar uw uiterste vermogen, gedaan hebben, als het leger van de Assyriërs u overvalt, zo zal dat alles voor zulk een groot leger maar zijn als een hoop koren, welke zij in een ogenblik zullen opeten en verslinden.
[^jesaja-17-11-46]: Kanttekening 46: in de dag: Dat is, ten tijde van het landverderf, van de inval, van de belegering, die de Assyriërs zullen aanrichten. Anders: in de dag van de angst.
[^jesaja-17-12-47]: Kanttekening 47: Hier beginnen enige Jes. 18 omdat hier begint ene profetie tegen de Assyriërs en de Moren.
[^jesaja-17-12-48]: Kanttekening 48: van de veelheid: De profeet voorzegt hier dat wel vele vreemde natiën Gods volk zouden overvallen, maar dat het ten laatste tot hun eigen verderf zou strekken.
[^jesaja-17-12-49]: Kanttekening 49: van de grote volken: Die de koning van Assyrië in zijn leger dienen zullen tegen de Israëlieten.
[^jesaja-17-13-50]: Kanttekening 50: Te weten de Heer.
[^jesaja-17-13-51]: Kanttekening 51: Te weten de koning van Assyrië. Anders, het, te weten volk, of die, te weten natiën.
[^jesaja-17-13-52]: Kanttekening 52: Zie de aantekening Ps. 9:6 . Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^jesaja-17-13-53]: Kanttekening 53: Te weten de koning van Assyrië; zie 2 Kon. 19:36 . 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve.
[^jesaja-17-13-54]: Kanttekening 54: verre wegvlieden: Te weten tot in Assyrië toe.
[^jesaja-17-13-55]: Kanttekening 55: gejaagd worden: Te weten door de engel, die het leger van Sanherib vervolgd en verslagen heeft.
[^jesaja-17-13-a]: Verwijzing a: Job 21:18 ; Ps. 1:4 ; Ps. 35:5 ; Ps. 83:14 ; Hosea 13:3 . Job 21:18 : Dat zij gelijk stro worden voor de wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt; Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Psalmen 35:5 : Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel van YHWH drijve hen weg. Psalmen 83:14 : Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind. Hosea 13:3 : Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd.
[^jesaja-17-13-56]: Kanttekening 56: het kaf van de bergen: Dat is, gelijk het kaf, of stof, dat op de bergen ligt, waar de wind lichtelijk kan bijkomen.
[^jesaja-17-13-57]: Kanttekening 57: een kloot: Of, ronde bol, of bal, of wervel, of kluwen. Anders: als een rond ding. Zie Ps. 83:14 . Psalmen 83:14 : Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind.
[^jesaja-17-14-58]: Kanttekening 58: Ten tijde van de avond: Dat is, 's nachts.
[^jesaja-17-14-59]: Kanttekening 59: zo is: Te weten ontstaan in het leger van Sanherib, toen de slaande engel aankwam.
[^jesaja-17-14-60]: Kanttekening 60: hij er niet meer: Te weten Sanherib, die gevlucht is toen hij vernam dat zijn leger van de engel van de Heer geslagen werd; 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-17-14-61]: Kanttekening 61: Dit is: Woorden van het volk van God.
[^jesaja-17-14-62]: Kanttekening 62: het deel: Dat is straf, die God hun toeschikt; zie Job 20:29 . Job 20:29 : Dit is het deel van de goddeloze mens van God, en de erve van zijn redenen van God.
[^jesaja-17-14-63]: Kanttekening 63: Of, vertreden hebben.

### Jesaja 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/18.json)

*Profetie tegen de Moren, vers 1 enzovoort. Belofte van de bescherming van de kerk en de straf van haar vijanden, 4. Een profetie van de bekering van de heidenen, 7.*

**1** [^jesaja-18-1-1] Wee het land,[^jesaja-18-1-2] dat schaduwachtig is[^jesaja-18-1-3] aan de grenzen,[^jesaja-18-1-4] dat aan de zijde van de rivieren van Morenland is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v1)

**2** [^jesaja-18-2-5] Dat gezanten zendt over de zee, en[^jesaja-18-2-6] in schepen van biezen op de wateren! Ga heen, u[^jesaja-18-2-7] snelle boden! tot een volk,[^jesaja-18-2-8] dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is[^jesaja-18-2-9] van dat het was en voortaan; een volk[^jesaja-18-2-10] van regel en regel, en van vertreding, waarvan de rivieren het land beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v2)

**3** [^jesaja-18-3-11] Allen u ingezetenen van de wereld, en u inwoners van de aarde! als[^jesaja-18-3-12] men de banier zal oprichten op de bergen,[^jesaja-18-3-13] zult u het zien, en als de bazuin zal blazen, zult u het horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v3)

**4** Want zo heeft YHWH tot mij gezegd:[^jesaja-18-4-14] Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op de regen, als een wolk van de dauw in de hitte van de oogst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v4)

**5** [^jesaja-18-5-15] Want[^jesaja-18-5-16] voor de oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na de bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v5)

**6** [^jesaja-18-6-17] Zij zullen samen gelaten worden de roofvogelen van de bergen, en de dieren van de aarde; en de roofvogelen zullen[^jesaja-18-6-18] op hen overzomeren, en alle dieren van de aarde zullen daarop overwinteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v6)

**7** [^jesaja-18-7-19] Te die tijd zal aan YHWH van de legermachten een geschenk gebracht worden[^jesaja-18-7-20] van het volk, dat getrokken is en geplukt, en[^jesaja-18-7-21] van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, waarvan de rivieren het land beroven; tot de plaats van de Naam van YHWH van de legermachten, tot de berg Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/18.html#v7)

[^jesaja-18-1-1]: Kanttekening 1: het land: De profeet roept wee over Morenland, om de Joden te waarschuwen dat zij op de hulp van de Moren niet zouden vertrouwen, omdat Morenland met Egypte en andere aangrenzende landen, door Gods rechtvaardig oordeel, zwaar zouden geplaagd en verwoest worden, gelijk geschied is, eerst door de Assyriërs, daarna door de Babyloniërs; zie onder Jes. 20:3 , 20:4 , 20:5 , 20:6 , en Jes. 43:3 ; Ez. 30:4 , 30:5 , en Ez. 38:5 ; Nah. 3:9 , 3:10 . Anders: O land, enz. verstaande dat dit gehele hoofdstuk slaat op de tijden van de Messias en de beroeping van de Joden en heidenen tot Christus, onder de banier van het heilige Evangelie, en ook van de verwerping en langdurige straf van de hardnekkige Joden en hun eindelijke bekering. Jesaja 20:3 : Toen zei YHWH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; Jesaja 20:4 : Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. Jesaja 20:5 : En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op die zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem. Jesaja 20:6 : En de inwoners van dit eiland zullen op die dag zeggen: Ziet, zo is het gegaan die, op welke wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht van de koning van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen? Jesaja 43:3 : Want Ik ben YHWH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats. Ezechiël 30:4 : En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden. Ezechiël 30:5 : Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land van het verbond zullen met hen vallen door het zwaard. Ezechiël 38:5 : Perzen, Moren en Puteers met hen, die allemaal schild en helm voeren; Nahum 3:9 : Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp. Nahum 3:10 : Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.
[^jesaja-18-1-2]: Kanttekening 2: dat schaduwachtig is: Dat is, dat vol schaduwen is, of dat schaduw maakt.
[^jesaja-18-1-3]: Kanttekening 3: aan de frontieren: Hebreeuws, aan de vleugelen; dat is, dat vol schaduwen is aan de grenzen, of einden, gelijk boven Jes. 11:12 , en onder Jes. 24:16 , en dat vanwege de veelheid van de hoge bergen daar gelegen, die vele schaduwen maakten. Enige verstaan hier door de schaduwachtige vleugelen de grote menigte van de zeilen van de schepen, die schaduw aanbrengen; dat is, wee het land waar al die schepen zijn. Anderen menen dat door de schaduwen van de vleugelen hier beduid wordt dat de Moren en Egyptenaars \[als naburen en bondgenoten\] andere volkeren onder hun bescherming gewoon waren te nemen. Vergelijk onder Jes. 30:2 , 30:3 , enz. Jesaja 11:12 : En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden van de aarde. Jesaja 24:16 : Van het uiterste einde van de aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking van de Rechtvaardige. Maar nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouweloos, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouweloos. Jesaja 30:2 : Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. Jesaja 30:3 : Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.
[^jesaja-18-1-4]: Kanttekening 4: dat aan de zijde: Dit is een beschrijving van de gelegenheid van Morenland, liggende aan beide zijden van de rivieren de Nijl, Astapus, Astaboras, enz., gelijk de kaarten en landbeschrijvers aanwijzen. Vergelijk Zef. 3:10 . Zefanja 3:10 : Van de zijden van de rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter van Mijn verstrooiden, Mijn offeranden brengen.
[^jesaja-18-2-5]: Kanttekening 5: Dat gezanten: Anders: Hij zendt gezanten, enz., verstaande dit van God, die door zijn regering beschikt dat de Moren verschrikt worden door de tijdingen van de aankomst van de vijand, uit vergelijking van Ez. 30:9 . Anderen verstaan het van de Moren, \[of hun koning Tirhaka, 2 Kon. 19:9 \], die gezanten zonden om te zamen met de Egyptenaars de Assyriër \[op begeerte van de Joden\] de krijg aan te zeggen, of, \[gelijk sommigen\] tot de Joden, om hun hulp te beloven, of, \[gelijk anderen\] tot verscheidene naastgelegen volken, om een groot leger te verzamelen tegen de inval van de Assyriërs. Ezechiël 30:9 : Op die dag zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan! 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
[^jesaja-18-2-6]: Kanttekening 6: in schepen: Dusdanige schepen en schuiten gebruikte men in die landen, vanwege de lichtheid, en omdat zij zo haast niet braken of barstten als de houten, wanneer zij ergens tegen de klippen aanstootten, waar de rivier de Nijl vol van is. Hebreeuws, in vaten.
[^jesaja-18-2-7]: Kanttekening 7: snelle boden: Hebreeuws, lichte boden; zie Job 7:6 . Job 7:6 : Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.
[^jesaja-18-2-8]: Kanttekening 8: dat getrokken is: Dit kan zijn een beschrijving van de Assyriërs, die wijd van hun land waren afgetrokken en door de langdurige oorlogen kaal en berooid. \[Vergelijk Ez. 29:18 \]. Een vreeslijk volk van de beginne aan en doorgaans, Gen. 10:8 , 10:9 , enz., die iedereen regel en maat wilden stellen, andere volken vertraden, en in hun land vele rivieren hadden, die het \[gelijk gemeenlijk geschiedt\] plegen af te spoelen. Sommigen duiden het op de ingezetenen van Morenland en andere volken daaraan gelegen, wijd en zijd verspreid, rank van lijf, dun van haar, wild en vreeslijk, de één aan de ander verre heen gelegen, of dat regels gewijze zou vertreden worden, of waarover God het richtsnoer van zijn straf zou trekken. Vergelijk 2 Kon. 21:13 ; Jes. 34:11 , enz. Anderen nemen het als ene beschrijving van het Joodse volk, dat veel had geleden en van God regel op regel ontvangen, Jes. 28:10 , en vanwege de grote wonderwerken Gods vreeslijk was, hoewel vele vijanden \[gelijk geweldige rivieren, Jes. 8:7 , enz.\] hun land beroofden; van welk alles de verstandige lezer zal mogen oordelen. Ezechiël 29:18 : Mensenkind! Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn legermacht een grote dienst doen dienen tegen Tyrus; alle hoofden zijn kaal geworden, en alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn legermacht heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor de dienst, die hij tegen haar gediend heeft. Genesis 10:8 : En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Genesis 10:9 : Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH. 2 Koningen 21:13 : En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid. Jesaja 34:11 : Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid. Jesaja 28:10 : Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
[^jesaja-18-2-9]: Kanttekening 9: van dat het was: Dat is, van die tijd af dat het een volk geweest is en doorgaans heen. Anders: van hun begin af tot hier toe.
[^jesaja-18-2-10]: Kanttekening 10: van regel en regel: Hebreeuws, een volk van de regels regels, of van de linie linie (עַם).
[^jesaja-18-3-11]: Kanttekening 11: Allen u ingezetenen: In vers 3 wordt te kennen gegeven dat dit oordeel van God, zekerlijk en in het openbaar, als voor de ogen van al de wereld zou vervuld worden, zodat de andere volken getuigen zouden zijn van de waarheid van deze profetie en de Joden beschaamd worden in hun vertrouwen op de hulp van de Moren, Egyptenaars, enz. Jesaja 18:3 : Allen u ingezetenen van de wereld, en u inwoners van de aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult u het zien, en als de bazuin zal blazen, zult u het horen.
[^jesaja-18-3-12]: Kanttekening 12: men de banier: Anders: wanneer Ik \[te weten God\] de banier, enz.; dat is, als Ik het vijandig leger over de Moren zal doen komen; of als Ik door mijn engel de Assyriërs zal verslaan; waarvan sommigen vers 3 verstaan. Jesaja 18:3 : Allen u ingezetenen van de wereld, en u inwoners van de aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult u het zien, en als de bazuin zal blazen, zult u het horen.
[^jesaja-18-3-13]: Kanttekening 13: zult u: Of, ziet het, en zo meteen, hoort het.
[^jesaja-18-4-14]: Kanttekening 14: Ik zal stil zijn: Menselijkerwijze van God gesproken, gelijk koningen, in hun paleizen zittende, niettemin op alles toezien en hun koninkrijk bezorgen; zo belooft God dat Hij zijn kerk, onderwijl Hij zijn oordelen over deze heidense volken \[waarvan vers 5 , 18:6 \] uitvoert, zal sparen, verkwikken en weldoen, gelijk een zonneschijn na de regen en een dauwige wolk in de oogst lieflijk zijn. Anderen verstaan dat hier begint de beschrijving van Gods oordeel, alsof God zei: Ik zal wel toelaten dat de Moren woelen en zich tot tegenweer verzamelen; of \[gelijk anderen\] dat de Assyriërs een tijdlang met hun geweld voortgaan; maar het zal hun tot hun eigen verderf strekken, gelijk onmatige hitte na grote regen het teder gewas, en een dikke, natte, mistige wolk de oogst bederven. Jesaja 18:5 : Want voor de oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na de bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen. Jesaja 18:6 : Zij zullen te zamen gelaten worden de roofvogelen van de bergen, en de dieren van de aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren van de aarde zullen daarop overwinteren.
[^jesaja-18-5-15]: Kanttekening 15: Of, maar. Dit nu is een beschrijving van Gods oordeel, tot welke aanmerking de volken genodigd zijn, vers 3 . Jesaja 18:3 : Allen u ingezetenen van de wereld, en u inwoners van de aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult u het zien, en als de bazuin zal blazen, zult u het horen.
[^jesaja-18-5-16]: Kanttekening 16: voor de oogst: Met deze gelijkenis en figuurlijke manieren van spreken wordt te kennen gegeven dat God allen tegenweer van de Moren, of \[gelijk anderen\] al het geweld van de Assyriërs, voordat zij het tot volkomenheid zullen brengen, zal te schande maken en hen schrikkelijk verderven.
[^jesaja-18-6-17]: Kanttekening 17: Zij zullen: Te weten Moren, of Assyriërs.
[^jesaja-18-6-18]: Kanttekening 18: op hen overzomeren: Vergelijk Ez. 31:12 , 31:13 . Ezechiël 31:12 : En vreemden, de tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem. Ezechiël 31:13 : Alle vogels van de hemel woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren van het veld waren op zijn scheuten;
[^jesaja-18-7-19]: Kanttekening 19: Te die tijd: In vers 7 doet God \[gelijk elders dikwijls\] een troostelijke belofte van de genadige beroeping van de Moren, of Assyriërs, en dergelijke andere vijandelijke heidense volken, tot de gemeenschap van de Heer Christus en zijn kerk. Vergelijk onder Jes. 19:19 enz., en zie dergelijke profetieën van de Moren, Ps. 68:32 , en Ps. 87:4 ; Jes. 45:14 ; Zef. 3:10 , en een aanmerkelijk voorbeeld, Hand. 8:27 , enz. Jesaja 18:7 : Te die tijd zal YHWH van de legermachten een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van de Naam van YHWH van de legermachten, tot de berg Sion. Jesaja 19:19 : Op die dag zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. Psalmen 68:32 : Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer. Zefanja 3:10 : Van de zijden van de rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter van Mijn verstrooiden, Mijn offeranden brengen. Handelingen 8:27 : En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;
[^jesaja-18-7-20]: Kanttekening 20: het volk, dat: Waarvan boven vers 2 . Jesaja 18:2 : Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat heen, u snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven.
[^jesaja-18-7-21]: Kanttekening 21: van het volk: Dat is, van enige van dit vreeslijk volk. Aldus moet men ook het woord van nemen en verstaan, Matt. 23:34 , en van hen zult u doden; dat is, sommigen van hen zult u doden. Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit hen zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit hen zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;

### Jesaja 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/19.json)

*De profeet voorzegt de Egyptenaren dat de Heere hen op velerlei wijze zou plagen, vers 1, met binnenlandse onenigheid, 2, dat zij bij hun afgoden raad noch troost zouden vinden, 3, dat strenge heren over hen zouden heersen, 4. Hij dreigt hen met een kwijnende handel, 7, en dat Hij hun plannen teniet zou doen, 11. Hun schrik voor de Heere, 16. Profetie dat de Egyptenaren tot de gemeenschap van de christelijke kerk geroepen zouden worden, 18 enzovoort.*

**1** [^jesaja-19-1-1] De last van Egypte.[^jesaja-19-1-2] Zie, YHWH rijdt op een[^jesaja-19-1-3] snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte[^jesaja-19-1-4] zullen bewogen worden[^jesaja-19-1-5] van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v1)

**2** Want[^jesaja-19-2-6] Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden[^jesaja-19-2-7] ieder tegen zijn broer, en ieder tegen zijn naaste, stad tegen stad,[^jesaja-19-2-8] koninkrijk tegen koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v2)

**3** En[^jesaja-19-3-9] de geest van de Egyptenaren[^jesaja-19-3-10] zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun[^jesaja-19-3-11] raad zal Ik[^jesaja-19-3-12] verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de dodenbezweerders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v3)

**4** En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand[^jesaja-19-4-13] van harde heren, en[^jesaja-19-4-14] een strenge koning zal over hen heersen, spreekt Adonai YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v4)

**5** En[^jesaja-19-5-15] zij zullen[^jesaja-19-5-16] de wateren uit[^jesaja-19-5-17] de zee doen vergaan, en[^jesaja-19-5-18] de rivier zal verzijpen en verdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v5)

**6** Zij zullen ook[^jesaja-19-6-19] de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en[^jesaja-19-6-20] de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v6)

**7** [^jesaja-19-7-21] Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers van de stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v7)

**8** En de vissers[^jesaja-19-8-22] zullen treuren, en allen, die de angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden[^jesaja-19-8-23] op de wateren, zullen kwijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v8)

**9** En de werkers[^jesaja-19-9-24] in het fijne vlas zullen[^jesaja-19-9-25] beschaamd worden, ook de wevers van[^jesaja-19-9-26] de witte stof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v9)

**10** En[^jesaja-19-10-27] zij zullen[^jesaja-19-10-28] met hun fundamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon[^jesaja-19-10-29] lustige staande wateren maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v10)

**11** Zeker, de vorsten van[^jesaja-19-11-30] Zoan zijn dwazen, de raad van de wijzen, van de raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden;[^jesaja-19-11-31] hoe kunt u dan zeggen tot Farao;[^jesaja-19-11-32] Ik ben een zoon van de wijzen, een zoon van de oude koningen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v11)

**12** [^jesaja-19-12-33] Waar zijn nu[^jesaja-19-12-34] uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat YHWH van de legermachten beraadslaagd heeft tegen Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v12)

**13** [^jesaja-19-13-35] De vorsten van Zoan zijn[^jesaja-19-13-36] zot geworden, de vorsten van[^jesaja-19-13-37] Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen,[^jesaja-19-13-38] tot de uitersten hoek van zijn stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v13)

**14** YHWH[^jesaja-19-14-39] heeft[^jesaja-19-14-40] een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard[^jesaja-19-14-41] zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v14)

**15** En[^jesaja-19-15-42] er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, dat[^jesaja-19-15-a] het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v15)

**16** Op die dag zullen de Egyptenaars zijn[^jesaja-19-16-43] als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen[^jesaja-19-16-44] vanwege de beweging van de hand van YHWH van de legermachten, die Hij[^jesaja-19-16-45] tegen hen bewegen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v16)

**17** En[^jesaja-19-17-46] het land van Juda zal de Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelf bevreesd wezen vanwege de raad van YHWH van de legermachten, die Hij tegen hen beraadslaagd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v17)

**18** Op die dag zullen[^jesaja-19-18-47] er vijf steden in Egypteland zijn,[^jesaja-19-18-48] sprekende de spraak van Kanaän, en[^jesaja-19-18-49][^jesaja-19-18-b] zwerende bij YHWH van de legermachten; één[^jesaja-19-18-50] zal genoemd zijn een stad van de verstoring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v18)

**19** Op die dag[^jesaja-19-19-51] zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en[^jesaja-19-19-52] een opgericht teken[^jesaja-19-19-53] aan haar gebied voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v19)

**20** En[^jesaja-19-20-54] het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis[^jesaja-19-20-55] voor YHWH van de legermachten in Egypteland, want[^jesaja-19-20-56] zij zullen tot YHWH roepen vanwege de verdrukkers, en Hij zal hun[^jesaja-19-20-57] een Heiland en[^jesaja-19-20-58] Meester zenden, Die zal hen verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v20)

**21** En YHWH zal aan de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen YHWH kennen op die dag; en[^jesaja-19-21-c] zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en voedseloffer, en zij zullen YHWH een gelofte beloven en betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v21)

**22** En YHWH zal de Egyptenaars[^jesaja-19-22-59] dapper slaan,[^jesaja-19-22-60] en genezen; en zij zullen zich tot YHWH bekeren, en[^jesaja-19-22-61] Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v22)

**23** Op die dag[^jesaja-19-23-62] zal[^jesaja-19-23-63] er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs[^jesaja-19-23-64] de Heere dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v23)

**24** Op die dag[^jesaja-19-24-65] zal Israël[^jesaja-19-24-66] de derde wezen met[^jesaja-19-24-67] de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen[^jesaja-19-24-68] in het midden van het land.[^jesaja-19-24-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v24)

**25** Want YHWH van de legermachten zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs,[^jesaja-19-25-71] het werk van Mijn handen, en Israël,[^jesaja-19-25-72] Mijn erfdeel![^jesaja-19-25-70][^jesaja-19-25-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/19.html#v25)

[^jesaja-19-1-1]: Kanttekening 1: last van Egypte: Zie Jes. 15:1 . Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid!
[^jesaja-19-1-2]: Kanttekening 2: YHWH: Hij wil zeggen dat de Heer snel en onvoorziens de Egyptenaars zal aantasten. Vergelijk Ps. 18:11 , en Ps. 104:3 . Psalmen 18:11 : En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind. Psalmen 104:3 : Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt.
[^jesaja-19-1-3]: Kanttekening 3: snelle wolk: Hebreeuws, lichte. Heel zelden worden er in Egypte wolken gezien, omdat het daar niet regent, daarom is het wat zeldzaams en verschrikkelijks daar wolken te zien.
[^jesaja-19-1-4]: Kanttekening 4: zullen bewogen: Hier wordt de afgoden, die niets zijn, beweging toegeschreven. De mening is deze: De afgoden zullen hun gezag bij de Egyptenaars verliezen, omdat zij hen uit de handen van hun vijanden niet hebben kunnen verlossen.
[^jesaja-19-1-5]: Kanttekening 5: van Zijn aangezicht: Dat is, vanwege zijn aankomst en aanwezigheid.
[^jesaja-19-2-6]: Kanttekening 6: Ik zal de Egyptenaren: De zin is: ik zal een inlandsen oorlog in Egypte verwekken, zodat de één de ander zal vernielen. Zie dergelijke geschiedenis 2 Kron. 20:23 . 2 Kronieken 20:23 : Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de één de ander ten verderve.
[^jesaja-19-2-7]: Kanttekening 7: een iedereen tegen zijn broer: Hebreeuws, de man tegen zijn broer, en de man tegen zijn metgezel (אִישׁ).
[^jesaja-19-2-8]: Kanttekening 8: koninkrijk tegen koninkrijk: Dat is, landschap tegen landschap, provincie tegen provincie. Het schijnt dat de profeet hier ziet op wat er in Egypte geschied is na de dood van de koning Sethon, als twaalf koningen zich hebben opgeworpen en het koninkrijk van Egypte hebben gescheurd, en elk een deel daarvan aan zich getrokken heeft.
[^jesaja-19-3-9]: Kanttekening 9: de geest van de Egyptenaren: Dat is, de moed, of courage, of het verstand. Zie Spreuk. 15:13 . Spreuken 15:13 : Een vrolijk hart zal het aangezicht blij maken; maar door de smart van het hart wordt de geest verslagen.
[^jesaja-19-3-10]: Kanttekening 10: zal uitgeledigd: Te weten door de langdurige inlandse oorlogen.
[^jesaja-19-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, aanslagen, opzet, voornemen. De zin is: Ik zal hen zo kwellen, dat zij geen raad noch uitkomst zullen weten te vinden.
[^jesaja-19-3-12]: Kanttekening 12: Dat is, teniet maken.
[^jesaja-19-4-13]: Kanttekening 13: van harde heren: Versta door deze harde heren die twaalf tirannen, die zichzelven voor koningen in Egypte hebben ingedrongen, na de dood van Sethon; anderen, eens harden heren, en verstaan dit zo alsof de profeet hier sprak van de koning Nebukadnezar, en passen dit op wat geschreven staat Jer. 46:26 . Jeremia 46:26 : En Ik zal hen geven in de hand dergenen, die hunlieder ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van zijn knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt YHWH.
[^jesaja-19-4-14]: Kanttekening 14: een strenge koning: Dat is, een wrede, harde, felle koning, verstaande Psammetichus, één van die twaalf tirannen, die eerst van die andere elf verdreven en het land uitgejaagd zijnde, maar daarna met geweld weer in Egypte geraakt zijnde en alleen regerende, grote tirannie bedreven heeft.
[^jesaja-19-5-15]: Kanttekening 15: zij zullen: Te weten die twaalf tirannen. Maar enige duiden dit op Nebukadnezar en zijn opvolgers.
[^jesaja-19-5-16]: Kanttekening 16: de wateren: Te weten door dit middel: zij groeven een grote gracht, waar zij de Nijl inleidden, welke geul en vergadering van de wateren genoemd wordt bij de oude schrijvers de zee Moerios; zodat de profeet hier wil te kennen geven dat zij de wateren van de Nijl afleidden en de bak daarvan droog zouden leggen.
[^jesaja-19-5-17]: Kanttekening 17: de zee: Dat is, uit de rivier de Nijl; de Hebreën noemen zeeën alle grote vergaderingen van wateren. Anders: zij zullen de wateren doen vergaan, dat zij niet in de zee lopen.
[^jesaja-19-5-18]: Kanttekening 18: de rivier: Verstaat men hier door de rivier de Nijl, zo wordt hier met een ander woord te kennen gegeven wat straks de zee genoemd is geweest.
[^jesaja-19-6-19]: Kanttekening 19: de rivieren: Of, stromen, of stromen; te weten die uit de Nijl vlietende, hier en daar door het land geleid werden om het land te bevochtigen met doorvlieting.
[^jesaja-19-6-20]: Kanttekening 20: de gedamde: Hebreeuws, de stromen van de verwarring, besluiting, of bevestiging, verstaande daarbij de wateren, die met dammen of dijken besloten en door het land geleid werden.
[^jesaja-19-7-21]: Kanttekening 21: Het papiergewas: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk velletjes, of pelletjes. Hier staat te weten dat bij de Grieken en Latijnen papyrus betekent een gewas, dat voornamelijk in de moerassige plaatsen van Egypte wast, omtrent tien ellen hoog, dat met een naald van elkaar kan gelicht en verdeeld worden in dunne brede blaadjes, die gedroogd en bereid zijnde, zeer bekwaam schrijfpapier geven. Van dit papier heeft en houdt het onze nu nog de naam, alhoewel het niet wast, maar van linnen lompen gemaakt wordt.
[^jesaja-19-8-22]: Kanttekening 22: zullen treuren: Omdat zij geen vis meer vangen kunnen bij gebrek van water, en dat daarom hun winsten en middelen van leven ophouden zullen. Er werd veel vis in Egypte gegeten, omdat zij door een bijgeloof weinig beesten slachtten en aten.
[^jesaja-19-8-23]: Kanttekening 23: op de wateren: Hebreeuws, op het aangezicht (פְּנֵי); dat is, op het bovenste van de wateren.
[^jesaja-19-9-24]: Kanttekening 24: in het fijne vlas: Of, in het gehekelde vlas, dat is, die kostelijk, edel, of fijn lijnwaad maken.
[^jesaja-19-9-25]: Kanttekening 25: beschaamd worden: Of, met schaamte bestaan, te weten omdat zij in armoede vervallen zullen, hun handel met de vreemde natiën ophoudende, en dat bij gebrek van vlas, dat anders aan de beken in Egypte zeer schoon en veel placht te groeien.
[^jesaja-19-9-26]: Kanttekening 26: de witte stof: Te weten van Egyptisch vlas, waarvan de prinsen en vorsten kleren maakten, gelijk te zien is Esth. 8:15 , die daarvan Chorim, dat is witte, genoemd werden. Esther 8:15 : En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.
[^jesaja-19-10-27]: Kanttekening 27: zij zullen: Alsof hij zei: Zij huren zich voor groot loon arbeiders om lustige en genoegelijke vijvers te maken; maar de fondamenten van de aarde zullen veler wege in Egypte invallen, zo dat allen, die daarin en daaraan arbeiden, met het invallen van de fondamenten zullen verbrijzeld en vermorzeld worden.
[^jesaja-19-10-28]: Kanttekening 28: met : Anders, met hun raadslagen. Anders, met hun netten.
[^jesaja-19-10-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, poelen van de ziel; dat is, van de lust, dat is, lustige, genoegelijke poelen, vijvers, of grote plassen gelijk meren, die de tirannen pour plaisir, om hun genoegen en vermaak deden maken (נָֽפֶשׁ). Anders: vijvers van de vissen, of van levende dingen. Men meent dat de profeet in vers 10 spreekt van die grote arbeid, die de tirannen, in Egypte heersende, hun onderzaten oplegden, hen zo met geld als door dwang drijvende tot het graven van een meer, poel, kanaal, of diepte, groot zijnde 3600 stadiën in de omgang, waar zij het water uit de Nijl uitleidden en weer daarin leiden konden, dat genoemd werd de golf, of het meer Moerios. Tot het graven hiervan hebben die koningen ettelijke duizenden hun onderzaten gebruikt. Jesaja 19:10 : En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.
[^jesaja-19-11-30]: Kanttekening 30: Deze stad wordt door de Grieken en Latijnen genoemd Tanes, nabij de rivier de Nijl gelegen. Hiervan wordt de mond van de rivier Nijl genoemd Ostium Tanicum. In deze stad hielden hun vergadering de raden van de koning van Egypte. Van Zoan wordt ook melding gemaakt Num. 13:22 , en Ps. 78:12 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Psalmen 78:12 : Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
[^jesaja-19-11-31]: Kanttekening 31: hoe kunt u: Dit is een aanspraak aan de raadsheren van Sethon, die hier Farao genoemd wordt, Farao zijnde een algemene naam van de koningen van Egypte. Ja enige menen dat Farao in de Egyptische spraak zoveel te zeggen is als koning. Zie Gen. 12:15 . Anders: Hoe spreekt u in de persoon van Farao? Alsof de profeet zei: Hoe voorspelt u de koning en leert hem dus hoogmoedig spreken? daar toch deze Sethon een gek was, gelijk Herodotus getuigt. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^jesaja-19-11-32]: Kanttekening 32: Ik ben een zoon van de wijzen: Anderen nemen deze woorden aldus: Hoe kunt u \[dat is, elk een onder u\] zeggen tot Farao en al pochende spreken: ik ben een zoon van de wijzen; dat is, een discipel van de wijzen en hooggeleerden. Een zoon van de oude koningen bent u, o koning; dat is, een zoon uit koningen gesproten van oude tijden her.
[^jesaja-19-12-33]: Kanttekening 33: Waar zijn nu: Anders: waar zijn die nu? \[waar\] zijn nu uwe wijzen?
[^jesaja-19-12-34]: Kanttekening 34: uw wijzen: Te weten o koning.
[^jesaja-19-13-35]: Kanttekening 35: De vorsten van Zoan: Dat is, de voornaamsten.
[^jesaja-19-13-36]: Kanttekening 36: zot geworden: Dit is geschied door het rechtvaardig oordeel van God, die hun wijsheid in dwaasheid veranderd heeft.
[^jesaja-19-13-37]: Kanttekening 37: Anders, Mof, Hos. 9:6 . In de historiën van de heidenen wordt deze stad Memphis genoemd, en heden ten dage Alcair, of Cairo, dat een voortreffelijke stad in Egypte heden ten dage is. Hosea 9:6 : Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.
[^jesaja-19-13-38]: Kanttekening 38: tot : De zin is: Zij zullen geheel Egypte in beroering stellen, zo dat geen hoek daarvan vrij zal zijn. Anderen nemen het aldus: Ja, zelfs de voornaamsten onder de regeerders, die hoeken of hoekstenen genoemd worden, omdat de maatschappij op hen als op hoekstenen steunt.
[^jesaja-19-14-39]: Kanttekening 39: Anders: zal inschenken; en straks: zij zullen Egypte, enz.
[^jesaja-19-14-40]: Kanttekening 40: een zeer verkeerden geest: Of, een dwaalgeest, een wargeest. Hebreeuws, een geest van de verkeerdheden, of van de verdraaidheden (רוּחַ). De zin is: God heeft hen van alle wijsheid en verstand beroofd, zodat zij niets goeds raden kunnen, ook niet weten waaruit of waarheen zij zich zullen keren of wenden.
[^jesaja-19-14-41]: Kanttekening 41: zich om en om wentelt: Of, zich heen en weer werpt. Hebreeuws, dwaalt in zijn uitspuwsel. Hoe meer zich een dronkaard, als hij in zijn uitspuwsel ligt, keert en wendt, hoe lelijker en vuiler hij zich maakt; zo ook, wil de profeet zeggen, hoe meer deze verkeerde raadslieden voortvaren met raad te geven, hoe meer zij schade aanrichten. Daarom ware het beter dat zij zich gerust hielden.
[^jesaja-19-15-42]: Kanttekening 42: er zal geen werk wezen: De profeet wil met deze woorden te kennen geven dat in Egypte alles zo verward zou staan, alsof noch hoge noch lage standspersonen zinnen of verstand hebben zouden, zo dat er geen zaken tot een gelukkig einde zouden gebracht worden. Herodotus schrijft in Euterpe, dat Psammetichus, de koning in Egypte, negen en twintig jaren lang met een geweldig leger voor de stad Azote gelegen heeft.
[^jesaja-19-15-a]: Verwijzing a: Jes. 9:13 . Jesaja 9:13 : Daarom zal YHWH afhouwen uit Israël de kop en de staart, de tak en de bieze, op een dag.
[^jesaja-19-16-43]: Kanttekening 43: als de vrouwen: Te weten vreesachtig, gelijk er volgt.
[^jesaja-19-16-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, van het aangezicht van de beweging, enz. (פְּנֵי). Dat is, vanwege de bedreiging van de Heer, die Hij te kennen geeft door het opheffen en de beweging van zijn handen.
[^jesaja-19-16-45]: Kanttekening 45: tegen hen: Te weten tegen de Egyptenaars.
[^jesaja-19-17-46]: Kanttekening 46: het land van Juda: De profeet wil zeggen dat die van Egypte, horende dat Sanherib het land van Juda zal hebben overgetrokken, verschrikt en bevreesd zullen zijn, bezorgd dat hij zal komen en hun land ook innemen zal, gelijk het ook geschied is, zoals Herodotus in Euterpe getuigt. Daarbij verhalende dat Setho, de koning van Egypte, buiten raad zijnde, voor zijn afgod is nedergevallen, hem klagende in wat gevaar en benauwdheid hij vervallen was. Anderen verstaan deze woorden aldus: De Egyptenaars zullen God vrezen, zij zullen ook voor het volk Israël vervaard zijn, als zij zullen zien dat het zo wonderbaar door God wordt beschermd. Vergelijk Ex. 14:25 . Exodus 14:25 : En Hij stiet de raderen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want YHWH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.
[^jesaja-19-18-47]: Kanttekening 47: vijf steden: Dat is, enige steden; dat is, mensen in enige steden woonachtig, te weten die door de bestemde raad van God ten eeuwigen leven zijn uitverkoren.
[^jesaja-19-18-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, die met de lip Kanaäns spreken zullen, gelijk Gen. 11:1 (שְׂפַת). Dat is, zij zullen van Gods Woord spreken, dat in de spraak Kanaäns, dat is, in de Hebreeuwse spraak, beschreven is, en zij zullen zich van de gelovige Joden laten onderwijzen in de weg van de zaligheid. Genesis 11:1 : En de gehele aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
[^jesaja-19-18-49]: Kanttekening 49: Dat is, zij zullen zich met een eed verplichten aan de ware God, verlatende en afzwerende de valse goden. De zin is: Zij zullen de ware religie aannemen.
[^jesaja-19-18-b]: Verwijzing b: Deut. 10:20 ; Jer. 12:16 . Deuteronomium 10:20 : YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. Jeremia 12:16 : En het zal gebeuren, als zij de wegen van Mijn volk vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als YHWH leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden van Mijn volk gebouwd worden.
[^jesaja-19-18-50]: Kanttekening 50: een zal genoemd zijn: Te weten omdat zij tevoren verstoord was geweest, of nabij om verstoord te worden; maar door de barmhartigheid van God behouden gebleven. Anders: elk, gelijk Jes. 6:2 . Jesaja 6:2 : De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
[^jesaja-19-19-51]: Kanttekening 51: zal YHWH: Dat is, de ware godsdienst zal daar verricht worden, die ten tijde van de profeten bij en op het altaar placht verricht te worden.
[^jesaja-19-19-52]: Kanttekening 52: een opgericht teken: Dat is, zij zullen openlijk de Heer voor hun God aannemen en belijden; tot een teken waarvan zij openlijk dit teken zouden oprichten. Vergelijk hiermede Gen. 28:18 ; Ex. 24:4 ; Joz. 4:8 , 4:20 , en Joz. 22:10 . Genesis 28:18 : Toen stond Jakob 's morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op. Exodus 24:4 : Mozes nu beschreef al de woorden van YHWH, en hij maakte zich 's morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. Jozua 4:8 : De kinderen van Israël nu deden zo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als YHWH tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen van de kinderen van Israël en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze daar. Jozua 4:20 : En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden. Jozua 22:10 : Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse daar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien.
[^jesaja-19-19-53]: Kanttekening 53: aan haar gebied: Aan hun; te weten van de Egyptenaars, of aan zijn; te weten Egyptes landpale.
[^jesaja-19-20-54]: Kanttekening 54: Of, dat; te weten altaar.
[^jesaja-19-20-55]: Kanttekening 55: YHWH: Dat is, dat de Heer van de Egyptenaars geëerd wordt. Zie Joz. 24:27 . Jozua 24:27 : En Jozua zei tot het gehele volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van YHWH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God niet liegt.
[^jesaja-19-20-56]: Kanttekening 56: zij zullen: Te weten de Egyptenaars.
[^jesaja-19-20-57]: Kanttekening 57: een Heiland: Te weten de Heer Jezus Christus.
[^jesaja-19-20-58]: Kanttekening 58: Anders, grote, of overste.
[^jesaja-19-21-c]: Verwijzing c: Mal. 1:11 . Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten.
[^jesaja-19-22-59]: Kanttekening 59: dapper slaan: Hebreeuws, slaande slaan.
[^jesaja-19-22-60]: Kanttekening 60: en genezen: Of, maar genezen; dat is Hij zal hen slaan, nochtans niet tot hun verderf, maar Hij zal hen opnieuw genezen, gevende hun het geloof in Christus en de geest van de heiligmaking.
[^jesaja-19-22-61]: Kanttekening 61: Hij zal Zich: Zie Gen. 25:21 , en 2 Sam. 24:25 . Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 2 Samuël 24:25 : En David bouwde daar YHWH een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Zo werd YHWH het land verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.
[^jesaja-19-23-62]: Kanttekening 62: zal er: De zin is: De gelovigen uit de Assyriërs en Egyptenaars zullen elkaar liefde en vriendschap bewijzen, als zij beiden de Christelijke religie zullen hebben aangenomen; want hier spreekt de profeet van de beroeping van de heidenen tot Christus.
[^jesaja-19-23-63]: Kanttekening 63: een gebaande weg: Dat is, een algemene weg.
[^jesaja-19-23-64]: Kanttekening 64: YHWH dienen: Of zullen dienst doen; te weten, God, de ware God, met een oprechte mening en gemoed. Anders: de Egyptenaars zullen de Assyriërs dienen, of ten dienste staan; elkaar in Christelijke liefde omhelzende, daar zij tevoren elkaar vijandig waren en krijg aandeden.
[^jesaja-19-24-65]: Kanttekening 65: zal Israël: De profeet wijst hier verder aan dat de gelovige Joden met de heidenen, die zich tot de ware God zouden bekeren, goede vriendschap en broederlijke gemeenschap zouden houden.
[^jesaja-19-24-66]: Kanttekening 66: de derde wezen: Of, zelfs derde.
[^jesaja-19-24-67]: Kanttekening 67: de Egyptenaren: Onder deze twee natiën worden ook andere heidenen verstaan en begrepen.
[^jesaja-19-24-68]: Kanttekening 68: de Assyriërs: Onder deze twee natiën worden ook andere heidenen verstaan en begrepen.
[^jesaja-19-24-69]: Kanttekening 69: in het midden: Of, midden op de aarde; dat is, door de gehele wereld, namelijk als het Evangelie door de gehele wereld zal gepredikt worden.
[^jesaja-19-25-71]: Kanttekening 71: zal hen zegenen: Of, zal hun; te weten de Israëlieten, of Egyptenaars, of Assyriërs. Anders: zal het; te weten land, of zal het; te weten volk, zegenen.
[^jesaja-19-25-72]: Kanttekening 72: het werk: Wedergeboren door de Heilige Geest, en zijnde daarom nieuwe creaturen.
[^jesaja-19-25-70]: Kanttekening 70: Want YHWH: Anders: welke YHWH van de legermachten zal zegenen, zeggende: Weest gezegend, mijn volk van Egypte, en o Assyrië, het werk van mijn handen, en o Israël, mijn erfdeel.
[^jesaja-19-25-73]: Kanttekening 73: Mijn erfdeel: Dat is, mijn zeer lieve en beminde, die Ik vanouds als mijn erfdeel bezit.

### Jesaja 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/20.json)

*God dreigt de Egyptenaren en Moren door een uiterlijk teken dat zij als gevangenen door de Assyriers weggevoerd zouden worden, vers 1 enzovoort, wat de Heere de Joden laat voorhouden, zodat zij hun vertrouwen niet op hen zouden stellen, 5.*

**1** In het jaar, toen[^jesaja-20-1-1] Tartan naar[^jesaja-20-1-2] Asdod kwam, als hem[^jesaja-20-1-3] Sargon, de koning van Assyrië gezonden had, toen hij strijd voerde tegen Asdod, en[^jesaja-20-1-4] het innam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v1)

**2** Ter zelfder tijd sprak YHWH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz,[^jesaja-20-2-6] zeggende: Ga heen, en[^jesaja-20-2-7] ontbind[^jesaja-20-2-8] de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande[^jesaja-20-2-9] naakt en[^jesaja-20-2-10] barrevoets.[^jesaja-20-2-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v2)

**3** Toen zei YHWH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets[^jesaja-20-3-11] wandelt,[^jesaja-20-3-12] drie jaar,[^jesaja-20-3-13] tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v3)

**4** Zo zal[^jesaja-20-4-14] de koning van Assyrië[^jesaja-20-4-15] voortdrijven[^jesaja-20-4-16] de gevangenen van de Egyptenaren, en[^jesaja-20-4-17] de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en oude, naakt en barrevoets, en met blote billen,[^jesaja-20-4-18] de Egyptenaren tot schaamte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v4)

**5** En[^jesaja-20-5-19] zij zullen verschrikken en beschaamd zijn[^jesaja-20-5-20] van de[^jesaja-20-5-21] Moren, op wie zij zagen, en van de Egyptenaars,[^jesaja-20-5-22] hun roem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v5)

**6** En de inwoners[^jesaja-20-6-23] van dit eiland zullen op die dag zeggen: Zie, zo is het gegaan[^jesaja-20-6-24] met hen, op wie wij zagen, waarheen wij vluchtten om hulp, om gered te worden[^jesaja-20-6-25] van het aangezicht van de koning van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/20.html#v6)

[^jesaja-20-1-1]: Kanttekening 1: Één van de krijgsoversten in het leger van Sanherib; 2 Kon. 18:17 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^jesaja-20-1-2]: Kanttekening 2: Asdod kwam: Eertijds ene hoofdstad van één van de vijf vorstendommen van de Filistijnen; Joz. 13:3 , waar de afgod Dagon geëerd werd; 1 Sam. 5:2 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 1 Samuël 5:2 : En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon.
[^jesaja-20-1-3]: Kanttekening 3: Hij wordt gemeenlijk Sanherib genoemd, gelijk 2 Kon. 18:13 , en elders. 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^jesaja-20-1-4]: Kanttekening 4: het innam: Van het innemen van de stad Asdod rekenen enige de drie jaren, waarvan vers 3 . Jesaja 20:3 : Toen zei YHWH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland;
[^jesaja-20-2-6]: Kanttekening 6: Ga heen: Te weten om te prediken of te profeteren.
[^jesaja-20-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, open de zak; men moet een zak, die men aanheeft, of een kleed, als men het uittrekken zal, eerst openen of ontbinden.
[^jesaja-20-2-8]: Kanttekening 8: de zak: Dat is, uw treurkleed, dat, zo het schijnt, de profeet had aangetrokken tot een teken van de ellende, die de Joden en andere natiën nakende was; sommigen menen dat het een profetisch kleed is geweest, dat hij gewoonlijk droeg.
[^jesaja-20-2-9]: Kanttekening 9: Dat is, bloot, te weten zonder zak, treurkleed, en zonder schoen. Want geheel naakt te gaan zou oneerbaar en schandelijk zijn. De zin is dat de profeet bloot ging, als een arme slaaf, die gevankelijk weggevoerd wordt, en tot een teken dat de Moren en Egyptenaars zulks was aanstaande, gelijk vers 4 breder wordt uitgedrukt. Anderen nemen hier het woord naakt voor bloot van zijn profetisch kleed. Zie 1 Sam. 19:24 en de aantekening daar. Jesaja 20:4 : Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. 1 Samuël 19:24 : En hij toog zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en de ganse nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?
[^jesaja-20-2-10]: Kanttekening 10: Of, ontschoeid, zonder kousen of schoenen, zie 2 Sam. 15:30 , en Jer. 2:25 . 2 Samuël 15:30 : En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende. Jeremia 2:25 : Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!
[^jesaja-20-2-5]: Kanttekening 5: door de dienst van Jesaja: Hebreeuws, door de hand van Jesaja (יַד); zie Lev. 8:36 . Leviticus 8:36 : Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die YHWH door de dienst van Mozes geboden had.
[^jesaja-20-3-11]: Kanttekening 11: Of, gewandeld heeft. Sommigen nemen dit als een profetisch gezicht, anderen dat het inderdaad zo geschied is.
[^jesaja-20-3-12]: Kanttekening 12: drie jaren: Dat is, om aan te wijzen wat over of na drie jaren Egypte en Morenland zal overkomen; of om aan te wijzen dat de ellende, die Egypte en Morenland zal treffen, drie jaren duren zal.
[^jesaja-20-3-13]: Kanttekening 13: tot een teken: Anders: een teken en wonder is over, enz.
[^jesaja-20-4-14]: Kanttekening 14: de koning van Assyrië: Te weten Sargon, of Sanherib.
[^jesaja-20-4-15]: Kanttekening 15: Of, wegleiden, of wegvoeren, of heendrijven, of leiden; te weten als een hoop beesten, gelijk het Hebreeuwse woord gebruikt wordt Gen. 31:18 ; Ex. 3:1 ; 1 Sam. 30:20 en elders meer. Genesis 31:18 : En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn bezittingen, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, dat hij in Paddan-aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän. Exodus 3:1 : En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. 1 Samuël 30:20 : David nam ook al de schapen en de runderen; zij dreven ze voor datzelve vee heen, en zeiden: Dit is Davids buit.
[^jesaja-20-4-16]: Kanttekening 16: de gevangenen: Hebreeuws, de gevangenis. Zie Num. 31:12 . En versta hier de gevangen Egyptenaars, die van de slachting zouden overblijven. Numeri 31:12 : Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.
[^jesaja-20-4-17]: Kanttekening 17: de Moren: Hebreeuws, de wegvoering van de Moren; dat is, een grote menigte van de Moren, die gevankelijk naar Assyrië toe zullen gevoerd worden. Dat enige verstaan van die Moren, die onder het beleid van Thirhaka tegen de Assyriërs ten strijde uitgetrokken waren.
[^jesaja-20-4-18]: Kanttekening 18: de Egyptenaren tot schaamte: Of, tot versmaadheid van Egypte; versta hierbij, en van Morenland.
[^jesaja-20-5-19]: Kanttekening 19: zij zullen: Te weten de Filistijnen en ook de Joden, die vastelijk hoopten dat de Egyptenaars Sanherib zouden verdrijven. Zie 2 Kon. 18:21 . 2 Koningen 18:21 : Zie nu, vertrouwt u op die gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.
[^jesaja-20-5-20]: Kanttekening 20: van de Moren: Dat is, vanwege de Moren.
[^jesaja-20-5-21]: Kanttekening 21: op die zij zagen: Hebreeuws, hun aanschouwing; dit is toevoorzicht; dat is, van welke zij hulp verwachtten en op welke zij zich verlieten.
[^jesaja-20-5-22]: Kanttekening 22: hun roem: Dat is, op wier hulp zij roemden en pochten.
[^jesaja-20-6-23]: Kanttekening 23: van dit eiland: Dat is, van dit land; te weten van de Filistijnen en van de Joden. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk en gemeenlijk een eiland, maar het kan hier in zijn eigen betekenis niet genomen worden van alle andere natiën, tenzij te deze aanzien, dat de Joden en Filistijnen afgezonderd waren van alle andere natiën gelijk de eilanden van alle andere landen, door de zee, of rivieren afgezonderd worden. Of, de profeet noemt het land van de Filistijnen en van de Israëlieten een eiland, omdat zij van hun vijanden rondom omsingeld waren, gelijk een eiland rondom in het water ligt en daarvan omsingeld is. Zie verder Gen. 10:5 , en Ps. 72:10 . Genesis 10:5 : Van deze zijn verdeeld de eilanden van de volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^jesaja-20-6-24]: Kanttekening 24: op welke: Hebreeuws, onze aanschouwing, enz.; zie vers 5 . Dat is, op welke wij onze ogen geslagen hadden. Jesaja 20:5 : En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op die zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem.
[^jesaja-20-6-25]: Kanttekening 25: van het aangezicht: Of, van de koning van Assyrië.

### Jesaja 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/21.json)

*Profetie van de ondergang van de Babyloniers door de Perzen en Meden, vers 1, tot troost van het volk van God dat door hen geplaagd was, 2. Benauwdheid die hieruit voortkomt, 3. De profeet spreekt de Babyloniers spottend aan, 5. Visioen van de profeet, 6, aangaande de val van Babel, 9. Aanspraak aan de Joden, 10. Profetie van de straffen die de Edomieten zouden overkomen, 11, evenals het rotsachtige Arabie, 13. De barmhartigheid van het volk van Thema jegens de vluchtende Dedanieten, 14. Ondergang van Kedar, 16.*

**1** [^jesaja-21-1-1] De last[^jesaja-21-1-2] van de woestijn aan de zee. Zoals de wervelwinden in het zuiden[^jesaja-21-1-3] heen doorgaan, zal[^jesaja-21-1-4] hij[^jesaja-21-1-5] uit de woestijn komen, uit[^jesaja-21-1-6] een vreselijk land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v1)

**2** [^jesaja-21-2-7] Een hard visioen is mij te kennen gegeven:[^jesaja-21-2-8] die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort;[^jesaja-21-2-9] trek op,[^jesaja-21-2-10] o Elam![^jesaja-21-2-11] beleger[^jesaja-21-2-12] ze, o Media![^jesaja-21-2-13] Ik heb al[^jesaja-21-2-14] haar zuchting doen ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v2)

**3** [^jesaja-21-3-15] Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, zoals de bange weeën van een, die baart; ik krom mij[^jesaja-21-3-16] van horen, ik word ontsteld van het aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v3)

**4** [^jesaja-21-4-17] Mijn hart dwaalt, huivering verschrikt mij,[^jesaja-21-4-18][^jesaja-21-4-a] de schemering,[^jesaja-21-4-19] waar ik naar verlangd heb,[^jesaja-21-4-20] stelt[^jesaja-21-4-21] Hij mij tot beving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v4)

**5** [^jesaja-21-5-22] Bereid de tafel,[^jesaja-21-5-23] zie toe, u[^jesaja-21-5-24] wachter! eet, drink;[^jesaja-21-5-25] maak u op, u vorsten,[^jesaja-21-5-26] bestrijkt het schild! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v5)

**6** [^jesaja-21-6-27] Want zo heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen,[^jesaja-21-6-28] zet een wachter, laat hem[^jesaja-21-6-29] aanzeggen, wat hij ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v6)

**7** En[^jesaja-21-7-30] hij zag[^jesaja-21-7-31] een wagen, een paar ruiters,[^jesaja-21-7-32] een wagen met ezels, een wagen met kameels; en[^jesaja-21-7-33] hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v7)

**8** En[^jesaja-21-8-34] hij riep:[^jesaja-21-8-35] Een leeuw, Heere[^jesaja-21-8-b]![^jesaja-21-8-36] ik sta op de wachttoren steeds bij dag, en op mijn hoede zet ik mij hele nachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v8)

**9** [^jesaja-21-9-37] En zie nu,[^jesaja-21-9-38] daar komt een wagen mannen,[^jesaja-21-9-39] en een paar ruiters! Toen antwoordde[^jesaja-21-9-40] hij, en zei:[^jesaja-21-9-c] Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft[^jesaja-21-9-41] Hij verbroken tegen de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v9)

**10** [^jesaja-21-10-42] O mijn dorsing, en[^jesaja-21-10-43] de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van YHWH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v10)

**11** [^jesaja-21-11-44] De last van[^jesaja-21-11-45] Duma. Men roept[^jesaja-21-11-46] tot mij[^jesaja-21-11-47] uit Seïr:[^jesaja-21-11-48] Wachter![^jesaja-21-11-49] wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v11)

**12** [^jesaja-21-12-50] De wachter zei:[^jesaja-21-12-51] De morgenstond is gekomen, en[^jesaja-21-12-52] het is nog nacht; wilt u[^jesaja-21-12-53] vragen,[^jesaja-21-12-54] vraagt;[^jesaja-21-12-55] keer weer, komt.[^jesaja-21-12-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v12)

**13** De last tegen Arabië.[^jesaja-21-13-57] In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende[^jesaja-21-13-58] gezelschappen van Dedanieten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v13)

**14** Kom de[^jesaja-21-14-59] dorstige tegemoet met water; de inwoners[^jesaja-21-14-60] van het land van Thema zijn[^jesaja-21-14-61] de vluchtende[^jesaja-21-14-62] met zijn brood bejegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v14)

**15** Want zij vluchten[^jesaja-21-15-63] voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de zwarigheid van de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v15)

**16** Want zo heeft YHWH tot mij gezegd:[^jesaja-21-16-64] Nog binnen een jaar,[^jesaja-21-16-65] zoals de jaren van een dagloner zijn, zo zal[^jesaja-21-16-66] de heerlijkheid[^jesaja-21-16-67] van Kedar ten onder gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v16)

**17** En het overgebleven getal[^jesaja-21-17-68] van de schutters,[^jesaja-21-17-69] de helden van de Kedarenen, zullen[^jesaja-21-17-70] minder worden, want YHWH, de God van Israël heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/21.html#v17)

[^jesaja-21-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, een zware profetie over de woestijn aan de zee. Zie Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-21-1-2]: Kanttekening 2: van de woestijn: Dat hiermede Babel betekend wordt is af te nemen uit vers 9 . En het wordt aldus genoemd omdat het land daaromtrent woest en leeg zou gemaakt worden, ja als een zee liggen zou, doordien de koningin Nitocris de grote rivier Eufraat daar heeft laten inleiden, om door dat middel haar vijanden daaruit te houden; vergelijk boven Jes. 19:5 . Zij heeft laten graven de breedte van driehonderd en twintig stadiën behalve nog kreken hier en daar, bedervende veel land en mensen. Anderen menen dat Babel daarom ene woestijn van de zee genoemd wordt, omdat er van nature veel poelen, meren en staande wateren waren, die ook zeeën bij de Hebreën genoemd worden; anderen, ten aanzien van de menigte van de mensen, die daarin woonden en alle dagen uit- en ingingen en vloeiden. Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jesaja 19:5 : En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.
[^jesaja-21-1-3]: Kanttekening 3: heen doorgaan: Dat is, plegen door te dringen; te weten met grote kracht en onstuimigheid. Hebreeuws, om door te gaan, te weten gesteld zijn. Anders: gelijk de wervelwinden in het zuiden, doortrekkende komt hij uit de woestijn, uit het vreeslijke land.
[^jesaja-21-1-4]: Kanttekening 4: Te weten Cyrus, of de last; dat is de straf; te weten over Babel; anders, het; te weten het leger van Cyrus.
[^jesaja-21-1-5]: Kanttekening 5: uit de woestijn: Dat is, uit Perzië en Medië. Tussen deze landen en Babylonië is een grote woestijn, die Cyrus met zijn leger moest doorgaan als hij naar de stad Babylon wilde komen.
[^jesaja-21-1-6]: Kanttekening 6: een vreselijk land: Aldus noemt de profeet het land van de Perzen en Meden omdat het land van Babylonië door Cyrus, de koning van de Perzen en Meden, is overwonnen en jammerlijk verwoest geworden.
[^jesaja-21-2-7]: Kanttekening 7: Een hard gezicht: De eerste woorden van vers 2 zijn de woorden van de profeet, die hier zijn last, dit is wat hem in een gezicht van God was te kennen gegeven, hard noemt, omdat God de Babyloniërs daardoor dreigde zwaar te zullen straffen. Jesaja 21:2 : Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^jesaja-21-2-8]: Kanttekening 8: die trouweloze handelt: Hier spreekt God van de koning van Babel, die in zijn gewone trouweloosheid en verstoring van andere natiën dagelijks was voortvarende en velen onder zijn tirannie deed zuchten.
[^jesaja-21-2-9]: Kanttekening 9: trek op: Te weten om de Babyloniërs te straffen.
[^jesaja-21-2-10]: Kanttekening 10: o Elam: Dat is, u Elamieten; dat is, u Perzen, gelijk Hand. 2:9 . Handelingen 2:9 : Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.
[^jesaja-21-2-11]: Kanttekening 11: beleger ze: Te weten de stad Babel, of belegert hem te weten de koning van Babel.
[^jesaja-21-2-12]: Kanttekening 12: o Media: Dat is, u Meden. Hier noemt God de Heer die natiën, \[te weten de Perzen en Meden\] door welke Hij honderd en zeventig jaren daarna, zo enige rekenen, het koninkrijk van Babylonië verstoren zou.
[^jesaja-21-2-13]: Kanttekening 13: Ik heb al: Of, Ik zal haar zuchting doen ophouden.
[^jesaja-21-2-14]: Kanttekening 14: haar zuchting: Te weten van het Joodse volk, dat zo in de stad als in het gehele rijk van Babel was zuchtende vanwege de langdurige gevangenschap, uit welke zij eindelijk door de koning Cyrus zijn verlost geworden, latende hen naar hun vaderland trekken, nadat hij Babel had ingenomen. Maar enige nemen het laatste lid van vers 2 in deze zin: Ik zal een einde maken aan al het zuchten van de Babyloniërs, te weten van de goddeloze Babyloniërs. En zo is het dan zoveel gezegd als: Ik zal het zuchten, door de goddeloze Babyloniërs veroorzaakt, doen ophouden. Dusdanige manier van spreken is ook Gen. 18:20 : het geroep van Sodom; dat is, door die van Sodom veroorzaakt. Jesaja 21:2 : Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is,
[^jesaja-21-3-15]: Kanttekening 15: Te weten, omdat ik hoor dat de Perzen en Meden komen aangemarcheerd om de stad Babylon te belegeren, te bestormen, in te nemen, te plunderen, te verwoesten en te vernielen alles wat er in of omtrent is.
[^jesaja-21-3-16]: Kanttekening 16: van horen: Dat is, als ik het hoor.
[^jesaja-21-4-17]: Kanttekening 17: Mijn hart dwaalt: Dat is, mijn gedachten wandelen omher; ik weet niet waarheen ik mij van schrik en benauwdheid zal keren of wenden.
[^jesaja-21-4-18]: Kanttekening 18: de schemering: Of, mijn gewenste schemering. Anders, de duisternis; dat is, de nacht, die ik begeerde, te weten om gerust te mogen slapen. Anderen verstaan hier door de schemering de morgenstond, waar men naar wenst en verlangt als men 's nachts niet heeft kunnen slapen, want dan valt men gemeenlijk in slaap.
[^jesaja-21-4-a]: Verwijzing a: Job 7:3 . Job 7:3 : Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid.
[^jesaja-21-4-19]: Kanttekening 19: waar ik naar verlangd: Hebreeuws eigenlijk, van mijn omhelzing.
[^jesaja-21-4-20]: Kanttekening 20: Dat is, verandert Hij mij.
[^jesaja-21-4-21]: Kanttekening 21: Hij mij: Te weten, God; anderen, de vijand, die aankomt met zijn verschrikkelijk leger.
[^jesaja-21-5-22]: Kanttekening 22: Bereid de tafel: Stel alles op de tafel in goede orde. Hier spreekt God, of de profeet, de Babyloniërs ironisch aan, en het is zoveel alsof hij zei: Maakt vrij goede sier, als u maar de wacht bestelt, zo is het genoeg. Maar voordat u het vermoedt zal u de vijand op de hals komen, zo dat koning en vorst op de benen zal moeten zijn met de wapens in de hand.
[^jesaja-21-5-23]: Kanttekening 23: zie toe: Alsof hij zei: Laat de wacht de zorg bevolen zijn, maakt u vrolijk, zijt onbekommerd.
[^jesaja-21-5-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, wacht.
[^jesaja-21-5-25]: Kanttekening 25: maakt u op: Enige nemen deze woorden als tot de vorsten van Babel ironisch gesproken te zijn, gelijk straks gezegd is, in deze zin: Terwijl u banketteert zal onvoorziens de wachter roepen: Maakt u op, de vijand is voorhanden, enz. Anderen verstaan hier, de vorsten van de Perzen en Meden, alsof God, of de profeet, tot hen zei: Maakt u op ten strijde, terwijl de Babyloniërs goede sier maken en zorgeloos zijn, tast hen aan, overvalt hen, enz.
[^jesaja-21-5-26]: Kanttekening 26: De krijgslieden plachten hun schilden of rondassen met olie te besmeren, om die glad en helder te maken. En onder het woord schild kan men hier bekwamelijk verstaan alle krijgsuitrusting en wapens, zodat bestrijkt het schild, zoveel te zeggen is als bereidt u ten strijde.
[^jesaja-21-6-27]: Kanttekening 27: Want aldus: Hier spreekt de profeet opnieuw in zijn eigen persoon, verhalende het visioen, dat hij gezien heeft.
[^jesaja-21-6-28]: Kanttekening 28: zet een wachter: Alsof de Heer tot de profeet zei: Opdat u des te meer mag verzekerd wezen van de ondergang van de Babyloniërs, zo neem nog een getuige tot u, hetzij een profeet of een discipel van de profeten, of iemand uit het volk, die u bericht doe van wat hij gezien heeft.
[^jesaja-21-6-29]: Kanttekening 29: Te weten u, o Jesaja, of de Babyloniërs.
[^jesaja-21-7-30]: Kanttekening 30: hij zag: Te weten de wachter, die ik gesteld had, en hij zag, dat is, hij riep of boodschapte wat hij zag.
[^jesaja-21-7-31]: Kanttekening 31: een wagen: Anders: wagens, twee rijen, of benden, ruiters, enz.
[^jesaja-21-7-32]: Kanttekening 32: een wagen met ezels: Dat is, een wagen van ezels \[of muilen\] en een wagen van kamelen getrokken. Hier wordt beschreven de aankomst van de heirtocht van Cyrus, als hij zou marcheren om Babylon te gaan belegeren. Want door de wagens moet men hier verstaan heirwagens.
[^jesaja-21-7-33]: Kanttekening 33: hij merkte: Hebreeuws, Hij merkte er op met merking, met veelheid, of grootheid van de opmerking.
[^jesaja-21-8-34]: Kanttekening 34: hij riep: Te weten de wachter.
[^jesaja-21-8-35]: Kanttekening 35: Een leeuw: Te weten, is er voorhanden, verstaande door de leeuw de koning Cyrus, komende om Babylon te belegeren. Anders: \[als\] een leeuw; dat is, met een grote en vervaarlijke stem.
[^jesaja-21-8-b]: Verwijzing b: Habak. 2:1 . Habakuk 2:1 : Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
[^jesaja-21-8-36]: Kanttekening 36: ik sta: Of, ik zal geduriglijk op de wachtplaats staan.
[^jesaja-21-9-37]: Kanttekening 37: En zie nu: Of, en zie dit aan.
[^jesaja-21-9-38]: Kanttekening 38: daar komt een wagen: Anders: Zie, daar is al een wagen van een man met twee paarden ingekomen; te weten in de stad Babel.
[^jesaja-21-9-39]: Kanttekening 39: een paar ruiters: Of, twee hopen ruiters, zo ook vers 7 . Jesaja 21:7 : En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kamelen; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.
[^jesaja-21-9-40]: Kanttekening 40: Te weten de wachter, of die in de wagen was.
[^jesaja-21-9-c]: Verwijzing c: Jer. 25:12 ; Jer. 51:8 ; Openb. 14:8 ; Openb. 18:2 . Jeremia 25:12 : Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 51:8 : Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^jesaja-21-9-41]: Kanttekening 41: Hij verbroken: Te weten God de Heer, of Cyrus door het bevel van de Heer.
[^jesaja-21-10-42]: Kanttekening 42: O mijn dorsing: Hier spreekt de profeet het volk van God aan en noemt het zijn dorsing, of zijn dorsgewas, omdat hij het voorzegd had, dat het naar Babylonië gevoerd en daar gedorst, dat is, gekweld en jammerlijk geplaagd zou worden, gedurende de zeventig jaren van hun gevangenschap. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 25:10 , en Jes. 41:15 ; Jer. 51:33 ; Micha 4:13 . Jesaja 25:10 : Want de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest. Jesaja 41:15 : Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf. Jeremia 51:33 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. Micha 4:13 : Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder winst YHWH verbannen, en hun vermogen de Heer van de gehele aarde.
[^jesaja-21-10-43]: Kanttekening 43: de tarwe: Of, het koren van mijn dorsvloer. Hebreeuws, de zoon van mijn dorsvloer (בֶן); zie de aantekening Job 5:7 . Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen.
[^jesaja-21-11-44]: Kanttekening 44: De last: Zie Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-21-11-45]: Kanttekening 45: Dat is, Idumen, of Edom, zo staat er Job 32:2 . Ram voor Aram. Job 32:2 : Zo ontstak de toorn van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
[^jesaja-21-11-46]: Kanttekening 46: tot mij: De profeet Jesaja, die tot een wachter over het Joodse volk gesteld was.
[^jesaja-21-11-47]: Kanttekening 47: uit Seïr: Dat is, een uit Seïr roept tot mij, dat is, een Edomiet. De profeet neemt hier de berg Seïr \[gelegen in het land van de Edomieten, Gen. 36 , en Deut. 2 \], voor het gehele land van de Edomieten.
[^jesaja-21-11-48]: Kanttekening 48: Dat is, u profeet Jesaja, die uzelven uitgeeft voor een wachter over Juda en Israël. Zie Ez. 3:17 . Ezechiël 3:17 : Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^jesaja-21-11-49]: Kanttekening 49: wat is er van de nacht: De woorden van de Edomieten spottenderwijze gesproken, alsof zij zeiden: U profeet hebt vóór deze veel gezegd van de nacht, of het ongeluk, dat ons en onze naburen zou overkomen, maar wij genieten al vast de morgen, dat is, de gelukzalige tijd, in welke wij u niet meer onderworpen zijn, maar van de tijden af, dat wij uws konings Jorams juk afgeworpen hebben, tot nu toe, hebben wij onze eigen koning; 2 Kon. 8:20 . 2 Koningen 8:20 : In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
[^jesaja-21-12-50]: Kanttekening 50: De wachter zei: Dat is, ik, Jesaja, spreek u, o Edomieten, dit toe.
[^jesaja-21-12-51]: Kanttekening 51: De morgenstond: Alsof hij zei: Het is waar, u hebt nu lang in goede rust gezeten, maar dit zult u weten, dat u binnenkort door de Assyriërs zult overvallen worden, te weten als zij uwe naburen zullen aantasten.
[^jesaja-21-12-52]: Kanttekening 52: het is nog nacht: Of, het zal ook nacht worden; alsof hij zei: Na deze rust zal u ellende overkomen.
[^jesaja-21-12-53]: Kanttekening 53: Te weten de Heer, namelijk door mij, hoe het u gaan zal. Anders: zoeken; te weten de Heer.
[^jesaja-21-12-54]: Kanttekening 54: Dat is zo doet het met ernst, en drijft de spot niet met God noch met mij, zijn dienaar.
[^jesaja-21-12-55]: Kanttekening 55: keert weer: Bekeer u van uw boze wegen tot de weg van de gerechtigheid, welke de rechte weg is.
[^jesaja-21-12-56]: Kanttekening 56: Komt tot ons, die het volk van God zijn.
[^jesaja-21-13-57]: Kanttekening 57: In het woud: Dat is, van bangheid voor de Assyriërs zult u in de woestijn bij nacht versteken.
[^jesaja-21-13-58]: Kanttekening 58: van Dedanieten: Dat is, van de Dedanieten. Deze waren nakomelingen van Dedan, de zoon van Joksan, de zoon van Abraham uit Ketura; Gen. 25:3 . Anders: in de paden van Dedanim, of in de wegen van Dedanim. Zie verder Jer. 25:23 . Genesis 25:3 : En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. Jeremia 25:23 : Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^jesaja-21-14-59]: Kanttekening 59: Te weten de Dedanieten.
[^jesaja-21-14-60]: Kanttekening 60: van het land van Thema: In woest Arabië gelegen, eertijds de Ismaëlieten toekomende. Want Thema was een zoon van Ismaël; Gen. 25:15 . Genesis 25:15 : Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.
[^jesaja-21-14-61]: Kanttekening 61: de vluchtende: Of, de omdolenden.
[^jesaja-21-14-62]: Kanttekening 62: met zijn brood: Dat is, met het brood, dat hij \[te weten, de Dedaniet\], nodig had, opdat hij van honger niet sterven zou, en de profeet noemt het zijn brood \[te weten, van de Dedaniet\], omdat men schuldig was hem dat in zijn nood mee te delen, immers wordt hier beschreven de grote nood, waarin de Arabieren zouden vervallen, die vluchtende voor hun vijanden, zouden genoodzaakt zijn hun naburen om water en om brood te bidden.
[^jesaja-21-15-63]: Kanttekening 63: voor de zwaarden: Hebreeuws, voor het aangezicht van de zwaarden, enz., en zo in het volgende. En versta hier de zwaarden en bogen van de Assyriërs, van de krijgslieden Sanheribs.
[^jesaja-21-16-64]: Kanttekening 64: Nog binnen een jaar: Of, of nog binnen het jaar; te weten van die tijd te rekenen in welke dit gesproken wordt.
[^jesaja-21-16-65]: Kanttekening 65: gelijk de jaren: Zie Jes. 16:14 . Jesaja 16:14 : Maar nu spreekt YHWH, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.
[^jesaja-21-16-66]: Kanttekening 66: de heerlijkheid: Of, eer. Zie Job 16:9 . Job 16:9 : Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.
[^jesaja-21-16-67]: Kanttekening 67: van Kedar: Dat is, van de Kedarenen. Kedar was een zoon van Ismaël, Gen. 25 , betekenende somtijds het gehele steenachtige Arabië; Ps. 120:5 . Psalmen 120:5 : O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon.
[^jesaja-21-17-68]: Kanttekening 68: van de schutters: Deze mannen hebben nog behouden de aard van hun voorvader Ismaël, die een voortreffelijk schutter was; Gen. 21:20 . Genesis 21:20 : En God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
[^jesaja-21-17-69]: Kanttekening 69: de helden van de Kedarenen: Hebreeuws, de helden van de kinderen van Kedar (בְנֵֽי).
[^jesaja-21-17-70]: Kanttekening 70: minder worden: Velen van hen zijn door de Assyriërs doodgeslagen.

### Jesaja 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/22.json)

*Profetie dat het Joodse land door de Assyriers overheerst en verwoest zou worden. De benauwdheid die daaruit ontstaat, vers 1, 2 enzovoort. Hoe de Assyriers in het Joodse land zouden huishouden, 5 enzovoort. Wat de Joden zouden doen, 9. Waarom God hen zo zou straffen, 12. Sebna wordt bestraft en bedreigd vanwege zijn hoogmoed, 15. Eljakim wordt in zijn plaats gesteld, 20, wiens heerlijkheid wordt beschreven, 21 enzovoort.*

**1** [^jesaja-22-1-1] De last van[^jesaja-22-1-2] het dal van het[^jesaja-22-1-3] visioen. Wat is u nu,[^jesaja-22-1-4] dat u allemaal op de daken klimt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v1)

**2** [^jesaja-22-2-5] U, die vol van groot geluid was, u woelige stad, u, vrolijk huppelende[^jesaja-22-2-6] stad,[^jesaja-22-2-7] Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v2)

**3** Al uw oversten zijn samen[^jesaja-22-3-8] weggevlucht; zij zijn van de[^jesaja-22-3-9] schutters gebonden,[^jesaja-22-3-10] allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij[^jesaja-22-3-11] zijn van verre gevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v3)

**4** Daarom zeg ik: [^jesaja-22-4-12] Wend het gezicht van mij af;[^jesaja-22-4-13][^jesaja-22-4-a] laat mij bitter[^jesaja-22-4-14] huilen; dring niet aan, om mij te troosten over de verstoring[^jesaja-22-4-15] van de dochters van mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v4)

**5** Want het is een dag[^jesaja-22-5-16] van beroering, en van vertreding, en van verwarring[^jesaja-22-5-17] van de Heere, YHWH van de legermachten, in[^jesaja-22-5-18] het dal van[^jesaja-22-5-19] het[^jesaja-22-5-20] visioen, een dag van ontmuring van de muur, en[^jesaja-22-5-21] van geschreeuw naar het gebergte toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v5)

**6** Want[^jesaja-22-6-22] Elam heeft de pijlkoker genomen,[^jesaja-22-6-23] de man is op de wagen, er zijn ruiters; en[^jesaja-22-6-24] Kir[^jesaja-22-6-25] ontbloot het schild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v6)

**7** En het zal gebeuren, dat[^jesaja-22-7-26] uw[^jesaja-22-7-27] uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich[^jesaja-22-7-28] zeker zullen zetten[^jesaja-22-7-29] ter poorten aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v7)

**8** En[^jesaja-22-8-30] hij[^jesaja-22-8-31] zal[^jesaja-22-8-32] het deksel van Juda ontdekken; en op die dag zult[^jesaja-22-8-33] u[^jesaja-22-8-34] zien naar de wapens[^jesaja-22-8-35] in het huis van het woud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v8)

**9** En u zult[^jesaja-22-9-36] bekijken de scheuren[^jesaja-22-9-37] van de stad van David, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van[^jesaja-22-9-38] de onderste vijvers verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v9)

**10** U zult ook[^jesaja-22-10-39] de huizen van Jeruzalem tellen; en u zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v10)

**11** Ook zult u een[^jesaja-22-11-40] gracht maken[^jesaja-22-11-41] tussen beide de muren, voor de wateren[^jesaja-22-11-42] van de oude vijver; maar u zult niet[^jesaja-22-11-43] omhoog zien op Die, Die dat gedaan heeft, noch beschouwen Die, Die dat van verre tijden gevormd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v11)

**12** En[^jesaja-22-12-44] op die dag zal de Heere, YHWH van de legermachten,[^jesaja-22-12-45] roepen tot geween, en tot klaagzang, en[^jesaja-22-12-46] tot kaalheid, en tot omgording van de zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v12)

**13** Maar ziet,[^jesaja-22-13-b] er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken,[^jesaja-22-13-47][^jesaja-22-13-c] en te zeggen: Laat ons eten en drinken,[^jesaja-22-13-48] want morgen zullen wij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v13)

**14** [^jesaja-22-14-49] Maar YHWH van de legermachten heeft Zich voor mijn oren geopenbaard,[^jesaja-22-14-50] zeggende: Als u deze ongerechtigheid verzoend[^jesaja-22-14-51] wordt, totdat u sterft! zegt de Heere, YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v14)

**15** Zo zegt de Heere, YHWH van de legermachten: Ga heen, ga in tot die[^jesaja-22-15-52] schatmeester, tot[^jesaja-22-15-53] Sebna,[^jesaja-22-15-54] de hofmeester, en spreek: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v15)

**16** [^jesaja-22-16-55] Wat hebt u[^jesaja-22-16-56] hier, of wie hebt u hier, dat u zich hier een graf[^jesaja-22-16-57] uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v16)

**17** Zie, YHWH zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en[^jesaja-22-17-58] Hij zal u geheel overdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v17)

**18** [^jesaja-22-18-59] Hij[^jesaja-22-18-60] zal u zeker voortrollen, gelijk men een bal rolt,[^jesaja-22-18-61] in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen[^jesaja-22-18-62] uw heerlijke wagens zijn,[^jesaja-22-18-63] o u schandvlek van het huis van uw heren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v18)

**19** En[^jesaja-22-19-64] Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal[^jesaja-22-19-65] Hij u[^jesaja-22-19-66] verstoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v19)

**20** En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen zal.[^jesaja-22-20-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v20)

**21** En Ik zal hem[^jesaja-22-21-67] met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw[^jesaja-22-21-68] gordel[^jesaja-22-21-69] sterken, en uw[^jesaja-22-21-70] heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoners te Jeruzalem en het huis van Juda tot een vader zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v21)

**22** En Ik zal[^jesaja-22-22-71] de sleutel van het huis van David op zijn schouder[^jesaja-22-22-72] leggen; en[^jesaja-22-22-73] hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v22)

**23** En Ik zal hem[^jesaja-22-23-74] als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen[^jesaja-22-23-75] tot een stoel van de eer voor het huis van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v23)

**24** En men zal[^jesaja-22-24-76] aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis van zijn vader,[^jesaja-22-24-77] van de[^jesaja-22-24-78] uitspruitelingen en van de afkomelingen,[^jesaja-22-24-79] ook alle kleine voorwerpen, van de voorwerpen van de bekers af, zelfs tot al de voorwerpen[^jesaja-22-24-80] van de flessen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v24)

**25** Op die dag, spreekt YHWH van de legermachten, zal[^jesaja-22-25-81] die nagel,[^jesaja-22-25-82] die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last,[^jesaja-22-25-83] die daaraan is,[^jesaja-22-25-84] zal afgesneden worden; want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/22.html#v25)

[^jesaja-22-1-1]: Kanttekening 1: Zie Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-22-1-2]: Kanttekening 2: het dal van het gezicht: Het Joodse land wordt een dal genoemd, omdat het rondom heen tussen vele bergen ligt, en zelf heeft; Ps. 125:2 . En Jeruzalem wordt genoemd: een dal van het gezicht, omdat in die stad veel zieners, dat is veel profeten waren, aan wie zich God de Heer in visioenen, of door gezichten placht te openbaren. Zodat de profeet hier voornamelijk die van Jeruzalem aanspreekt, hun voorzeggende de ellende, die hun was nakende. Psalmen 125:2 : Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid.
[^jesaja-22-1-3]: Kanttekening 3: Wat is u nu: Enige duiden deze profetie op de tijden van de koning Hizkia, als Sanherib in Juda was ingevallen; anderen verstaan het van de belegering van de twee koningen, Pekah en Rezin; zie boven Jes. 7 .
[^jesaja-22-1-4]: Kanttekening 4: dat u altegader: Te weten uit schrikt en verbaasdheid, om daar rouw te bedrijven; zie Jes. 15:3 , en Jer. 48:38 . Jesaja 15:3 : Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween. Jeremia 48:38 : Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal luid weeklagen; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt YHWH.
[^jesaja-22-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, u stad in welk groot rumoer, geraas en gekraak, en groot geruis pleegt te zijn van vrolijkheid, van zingen en fluiten, van dansen en springen en allerlei ander gewoel.
[^jesaja-22-2-6]: Kanttekening 6: Alsof hij zei: Hoe zijn de zaken dus veranderd? u placht tevoren kloekmoedig te zijn in de strijd en tegen uwe vijanden te staan, nu bent u allen vluchtende en moedeloos, of laat u gevankelijk wegvoeren, gelijk volgt. Anders, aldus \[namelijk daarom dat\] uwe verslagenen niet zijn verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd? en zo in vers 3 . Alsof hij zei: Verblijdt u u daarin, dat velen van uw medeburgers niet door de scherpte van het zwaard omgekomen zijn, als eerlijke en dappere krijgslieden plegen, maar dat zij zich van hun vijanden gevankelijk hebben laten wegvoeren, die hen zeer schandelijk hebben mishandeld? Zie vers 3 . Jesaja 22:3 : Al uw oversten zijn te zamen weggevlucht; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij zijn van verre gevlucht. Jesaja 22:3 : Al uw oversten zijn te zamen weggevlucht; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij zijn van verre gevlucht.
[^jesaja-22-2-7]: Kanttekening 7: Anders, gekwetsten.
[^jesaja-22-3-8]: Kanttekening 8: Niet wetende waar zij zich zullen keren of wenden, of wat zij beginnen zullen.
[^jesaja-22-3-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, boog; dat is boogschutters, of mannen van de boog. Anders: zij zijn van de boog gebonden; dat is, alsof hun de handen gebonden waren, dat zij de boog niet spannen kunnen.
[^jesaja-22-3-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, al uwe gevondenen; dat is, al degenen, die men van de uwen vindt.
[^jesaja-22-3-11]: Kanttekening 11: zij zijn van verre: Dat is, terwijl de vijand nog verre van hen was, ja voordat zij de vijand zagen. Anders: ver wegvloden.
[^jesaja-22-4-12]: Kanttekening 12: Te weten, o u altegaar, die mij troosten wilt.
[^jesaja-22-4-13]: Kanttekening 13: laat mij: Hebreeuws, laat mij verbitteren met wenen.
[^jesaja-22-4-a]: Verwijzing a: Jer. 9:1 . Jeremia 9:1 : Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijn volks.
[^jesaja-22-4-14]: Kanttekening 14: dringt niet aan: Of, bemoeit u niet verder, en doet geen moeite meer om mij te troosten.
[^jesaja-22-4-15]: Kanttekening 15: van de dochters: Dat is, van iedere kleine stad in het Joodse land, van welke Jeruzalem als de moederstad is.
[^jesaja-22-5-16]: Kanttekening 16: van beroering: Of, van getummel, van gedruis, of van gekwel; dat is, een tijd in welke mijn volk van zijn vijanden gekweld en beroerd wordt. Zie 2 Kon. 19:3 . 2 Koningen 19:3 : En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
[^jesaja-22-5-17]: Kanttekening 17: van de Heer: Dat is, welke God de Heer als een rechtvaardig Rechter door verslagenheid, vanwege de inval van de vijanden, over hen zal doen komen.
[^jesaja-22-5-18]: Kanttekening 18: het dal van het gezicht: Zie boven vers 1 . Jesaja 22:1 : De last van het dal van het gezicht. Wat is u nu, dat u altegader op de daken klimt?
[^jesaja-22-5-19]: Kanttekening 19: een dag : Dat is, een dag, die de muren verbreken zal.
[^jesaja-22-5-20]: Kanttekening 20: van de muur: Of, van de muren; te weten van de vaste steden in Juda; 2 Kon. 18:13 . 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.
[^jesaja-22-5-21]: Kanttekening 21: van geschreeuw: Alsof hij zei: De Joden zullen een ijselijk geschrei maken, lopende naar de bergen, om zich daar te verbergen voor hun vijanden.
[^jesaja-22-6-22]: Kanttekening 22: Versta hier door Elam de Perzen gelijk Jes. 21:2 . De zin van vers 6 is: Dat de Perzen en Meden, en ook andere natiën, al gereed en in de wapens waren om het Joodse land aan te tasten en te overheersen. Jesaja 21:2 : Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. Jesaja 22:6 : Want Elam heeft de pijlkoker genomen, de man is op de wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild.
[^jesaja-22-6-23]: Kanttekening 23: de man: Anders: de paarden zijn al aan de wagens van de man. Versta hier, legerwagens, of strijdwagens van de Assyriërs.
[^jesaja-22-6-24]: Kanttekening 24: Dat is, de Meden. Kir was een voortreffelijke stad in Medië, die hier gesteld wordt voor geheel Medië-land, of de inwoners daarvan. Zie Jes. 15:1 . Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid!
[^jesaja-22-6-25]: Kanttekening 25: ontbloot het schild: Dat is, het brengt de schilden \[versta hieronder ook andere wapens\] te voorschijn, en het schikt zich tot de oorlog.
[^jesaja-22-7-26]: Kanttekening 26: O u dal van het gezicht.
[^jesaja-22-7-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, de keur van uw dalen, dat is, uw allerbeste en vruchtbaarste lage landen. In het Hebreeuws staat dit en enige volgende verzen in de verleden tijd, naar de wijze van de profeten.
[^jesaja-22-7-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, zettende hebben zij gezet.
[^jesaja-22-7-29]: Kanttekening 29: ter poorten: Door de poorten moet men verstaan de vaste steden.
[^jesaja-22-8-30]: Kanttekening 30: Te weten de koning Sanherib.
[^jesaja-22-8-31]: Kanttekening 31: De profeet spreekt in het Hebreeuws als van ene zaak, die al geschied was, alhoewel wat daar hij van spreekt nog eerst gebeuren zou. Anders: En men heeft het deksel van Juda ontdekt.
[^jesaja-22-8-32]: Kanttekening 32: het deksel: Aldus noemt de profeet hier de vastigheden aan de grenzen van het Joodse land. Zodat het deksel van Juda ontdekken is te zeggen, de vaste plaatsen in Juda innemen.
[^jesaja-22-8-33]: Kanttekening 33: Te weten u volk van Jeruzalem.
[^jesaja-22-8-34]: Kanttekening 34: Dat is, u zult zien wapenen te krijgen uit het wapenhuis om u te verdedigen, op hoop dat u uzelven uit uw nood zult kunnen redden. Versta hierbij: maar het zal al vergeefs zijn.
[^jesaja-22-8-35]: Kanttekening 35: in het huis: Men meent dat hier het tuighuis, of het wapenhuis van het rijk verstaan wordt. Vergelijk 1 Kon. 7:2 met de aantekening. 1 Koningen 7:2 : Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.
[^jesaja-22-9-36]: Kanttekening 36: Of, voorzien; dat is, beteren.
[^jesaja-22-9-37]: Kanttekening 37: van de stad van David: Van de stad van David, zie 2 Sam. 5:7 , 5:9 . 2 Samuël 5:7 : Maar David nam de burg Sion in; dezelfde is de stad van David. 2 Samuël 5:9 : Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.
[^jesaja-22-9-38]: Kanttekening 38: onderste vijvers: Aldus genoemd ten aanzien van de opperste vijver, van welke gesproken wordt 2 Kon. 18:17 , en Jes. 7:3 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller;
[^jesaja-22-10-39]: Kanttekening 39: de huizen: Dat is, de mannen in de huizen, om te weten hoe sterk van volk u bent om de vijand wederstand te kunnen doen, en hoeveel levensmiddelen u zult behoeven. Of naar de letter: U zult de huizen, die aan of bij de stadsmuren staan, niet alleen bezichtigen, maar ook tellen en aantekenen, welke en hoevele dat men er zal behoeven af te breken, als men de stadsmuren zal verbeteren.
[^jesaja-22-11-40]: Kanttekening 40: gracht maken: Hebreeuws, ene vergadering; te weten van wateren, gelijk Gen. 1:9 . Genesis 1:9 : En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo.
[^jesaja-22-11-41]: Kanttekening 41: tussen beide: Te weten om het water Gihons uit de oppervijver te brengen in de ondervijver; vergelijk 2 Kon. 20:20 , en 2 Kron. 32:30 . De zin van deze woorden, en van die woorden vers 8 . \[ En op die dag, enz.\] tot hiertoe, is deze: Gijlieden zult op alle stukken zeer nauw letten, en u zult verbeteren aan de steden wat ten tijde van uw vaderen vervallen en verzuimd was; maar u zult niet opwaarts zien, enz. alsof de profeet zei: U zult u al verlaten op menselijke hulp en middelen, daarentussen zult u vergeten de Heer uw noodhelper. 2 Koningen 20:20 : Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 2 Kronieken 32:30 : Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. Jesaja 22:8 : En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en op die dag zult u zien naar de wapenen in het huis van het woud.
[^jesaja-22-11-42]: Kanttekening 42: van de oude vijver: Zie boven Jes. 7:3 . Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller;
[^jesaja-22-11-43]: Kanttekening 43: Te weten tot God in de hemel, van wie deze plagen over u besloten zijn, en tot wie u u moest bekeren, wilt u van Hem geholpen zijn.
[^jesaja-22-12-44]: Kanttekening 44: op die dag: Zie op vers 1 . Jesaja 22:1 : De last van het dal van het gezicht. Wat is u nu, dat u altegader op de daken klimt?
[^jesaja-22-12-45]: Kanttekening 45: Te weten door iemand van zijn profeten.
[^jesaja-22-12-46]: Kanttekening 46: tot kaalheid: Anders: tot kaal maken. Dit placht te zijn een bewijs van hartelijke droefenis. Zie Micha 1:16 . Micha 1:16 : Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.
[^jesaja-22-13-b]: Verwijzing b: Jes. 56:12 . Jesaja 56:12 : Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.
[^jesaja-22-13-47]: Kanttekening 47: Laat ons eten: Hebreeuws, eten en drinken (אָכֹל); te weten, willen wij.
[^jesaja-22-13-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 15:32 . 1 Korinthiërs 15:32 : Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
[^jesaja-22-13-48]: Kanttekening 48: want morgen: Dit spreken de goddelozen spottenderwijze, alsof zij zeiden: Onze profeten zeggen dat wij haast zullen omgebracht worden; laat ons dan lustig en vrolijk zijn zolang het ons gebeuren mag.
[^jesaja-22-14-49]: Kanttekening 49: Maar YHWH: Anders: Het is geopenbaard voor mijn oren, die Ik ben de Heer van de legermachten.
[^jesaja-22-14-50]: Kanttekening 50: Als u: Een manier van eedzweren. Zie de aantekening Gen. 14:23 . De zin is: Zekerlijk, die misdaad zal u niet bedekt, dat is niet vergeven worden. Genesis 14:23 : Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^jesaja-22-14-51]: Kanttekening 51: Dat is, uw levenlang niet, of nimmermeer. Zie Gen. 28:15 . Versta hierbij, tenzij dat u bijtijds van zonden afstaat. Genesis 28:15 : En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb.
[^jesaja-22-15-52]: Kanttekening 52: Of, thesaurier, of bezorgers van het huis. Anders: helpmeester, of helper; dat is, goedgunner van deze goddelozen.
[^jesaja-22-15-53]: Kanttekening 53: Deze Sebna is naderhand van hofmeester geworden secretaris; gelijk te zien is 2 Kon. 18:18 . 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
[^jesaja-22-15-54]: Kanttekening 54: de hofmeester: Hebreeuws, die over het huis is (בָּֽיִת); te weten over het huis van de koning. Zie de aantekening 1 Kon. 4:6 . 1 Koningen 4:6 : En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.
[^jesaja-22-16-55]: Kanttekening 55: Wat hebt u: Alsof hij zei: U hebt hier te Jeruzalem noch erfgoederen, noch bloedvrienden, maar u bent hier een vreemdeling, daarom behoorde u hier u zo voortreffelijk niet te houden.
[^jesaja-22-16-56]: Kanttekening 56: Te weten te Jeruzalem.
[^jesaja-22-16-57]: Kanttekening 57: Dat is, hebt laten uithouwen.
[^jesaja-22-17-58]: Kanttekening 58: Hij zal u: Hebreeuws, overdekkende overdekken; te weten met oneer. Maar anderen vertalen en verklaren vers 17 aldus: Zie, de Heer dekt u met het deksel eens voortreffelijken mans, en Hij overdekt u heerlijk; zodat het is een verhaal van de weldaden, die God hem bewezen heeft. Jesaja 22:17 : Zie, YHWH zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en Hij zal u ganselijk overdekken.
[^jesaja-22-18-59]: Kanttekening 59: Te weten de Heer.
[^jesaja-22-18-60]: Kanttekening 60: zal u gewisselijk: Hebreeuws, Hij zal u rollende rollen, \[met\] rolling eens bals.
[^jesaja-22-18-61]: Kanttekening 61: in een land: Gelijk Gen. 34:21 . Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven.
[^jesaja-22-18-62]: Kanttekening 62: uw heerlijke: Hebreeuws, de wagens van uw heerlijkheid (כְּבוֹדֶ).
[^jesaja-22-18-63]: Kanttekening 63: o u schandvlek: Of, \[tot\] een schandvlek van het huis uws heren.
[^jesaja-22-19-64]: Kanttekening 64: Ik zal u afstoten: Te weten Ik de Heer.
[^jesaja-22-19-65]: Kanttekening 65: Hij u: Te weten de koning Hizkia uw heer. Dit is vervuld eer Sanherib Jeruzalem belegerde; 2 Kon. 18:21 . 2 Koningen 18:21 : Zie nu, vertrouwt u u op die gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.
[^jesaja-22-19-66]: Kanttekening 66: Of, verstoten, aftrekken.
[^jesaja-22-20-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 18:18 ; idem v. 26 ; idem v. 37 . 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 2 Koningen 18:26 : Toen zei Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. 2 Koningen 18:37 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.
[^jesaja-22-21-67]: Kanttekening 67: met uw rok: Te weten met die rok, die u als hofmeester van de koning draagt; dat is, Ik zal hem uw ambt geven. Het kleed was eertijds aan de hoven van de koningen ene aanwijzing van het ambt, dat zij ten hove bedienden. Zie Jes. 3:6 . Jesaja 3:6 : Wanneer iemand zijn broer uit het huis van zijn vader zal aangrijpen, zeggende: U hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch deze aanstoot onder uw hand wezen;
[^jesaja-22-21-68]: Kanttekening 68: Versta hier de zwaardgordel, waarmee de eer en waardigheid van een persoon werd aangewezen.
[^jesaja-22-21-69]: Kanttekening 69: Anders, bevestigen; te weten in zijn ambt.
[^jesaja-22-21-70]: Kanttekening 70: Gebied, geweld, macht.
[^jesaja-22-22-71]: Kanttekening 71: de sleutel: Als men in de hoven van de koningen iemand de sleutel geeft, dat betekent dat hem in zijn dienst macht en autoriteit gegeven wordt. Jes. 9:5 wordt dergelijke manier van spreken van Christus gebruikt, wiens voorbeeld deze Eljakim geweest is; zie ook Openb. 3:7 , alwaar deze woorden van de profeet op Christus gepast worden. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Openbaring 3:7 : En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:
[^jesaja-22-22-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws, geven.
[^jesaja-22-22-73]: Kanttekening 73: hij zal opendoen: Zie Job 12:14 , de aantekening. Job 12:14 : Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.
[^jesaja-22-23-74]: Kanttekening 74: als : Hier wordt Eljakim beloofd dat God hem in zijn regering bevestigen zal, door een gelijkenis, genomen van een nagel, die vast en diep in een muur of hout geslagen zijnde, niet lichtelijk kan uitgetrokken worden. Zie deze manier van spreken ook Ezra 9:3 . Ezra 9:3 : Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat verbaasd neder.
[^jesaja-22-23-75]: Kanttekening 75: tot een stoel: Gelijk u, Sebna, integendeel een schandvlek van het huis uws heren geweest bent; zie vers 18 . Jesaja 22:18 : Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen uw heerlijke wagens zijn, o u schandvlek van het huis uws heren!
[^jesaja-22-24-76]: Kanttekening 76: aan hem hangen: Of, daaraan; te weten aan die nagel.
[^jesaja-22-24-77]: Kanttekening 77: van de uitspruitelingen: Vergelijk de aantekening Job 5:25 . Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.
[^jesaja-22-24-78]: Kanttekening 78: en van de afkomelingen: Andere overzetters hebben hier voor die twee naastvoorgaande woorden, zonen en dochters; anderen, kinderen en kleinkinderen, het is al één zin.
[^jesaja-22-24-79]: Kanttekening 79: alle kleine vaten: Of, al het geringe gereedschap; dat is vaten van klein gebruik.
[^jesaja-22-24-80]: Kanttekening 80: van de flessen: Anderen houden het Hebreeuwse woord Nebalim. De zin van vers 24 is dat alle grote en kleine zaken die nagel, namelijk Eljakim, zouden toevertrouwd worden; alsook dat alle grote en kleine personen hun toevlucht tot hem zouden nemen en troost bij hem vinden zouden. Jesaja 22:24 : En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis van zijn vader, van de uitspruitelingen en van de afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten van de bekers af, zelfs tot al de vaten van de flessen.
[^jesaja-22-25-81]: Kanttekening 81: die nagel: Te weten Sebna. Dit is het tegendeel van vers 23 . Jesaja 22:23 : En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel van de eer voor het huis van zijn vader.
[^jesaja-22-25-82]: Kanttekening 82: die aan een vaste plaats: Naar het oordeel van alle mensen was Sebna in zo grote autoriteit, dat hij nimmermeer zou kunnen vallen of te schande komen; maar God kan de hogen van de troon afstoten, en de nagel, hoe vast hij schijnt ingeslagen te zijn, uittrekken.
[^jesaja-22-25-83]: Kanttekening 83: die daaraan is: Of, die daaraan \[hangt\], dat is, die hem opgelegd was.
[^jesaja-22-25-84]: Kanttekening 84: zal afgesneden worden: Vergelijk 2 Kon. 24:13 met de aantekening. 2 Koningen 24:13 : En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van YHWH gemaakt had, gelijk als YHWH gesproken had.

### Jesaja 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/23.json)

*Profetie van de verwoesting van de stad Tyrus, vers 1 enzovoort, dat de Heere die zou verwoesten, 8, en wel vanwege haar praal, 9. Hij wijst ook aan hoelang deze verdrukking van de Tyriers zou duren, 15, hun heropkomst, 17, en hun bekering tot Christus, 18.*

**1** [^jesaja-23-1-1] De last van[^jesaja-23-1-a] Tyrus. Huil,[^jesaja-23-1-2] u schepen van[^jesaja-23-1-3] Tarsis! want[^jesaja-23-1-4] zij is verwoest,[^jesaja-23-1-5] dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit[^jesaja-23-1-6] het land Chittim is het aan hen openbaar geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v1)

**2** [^jesaja-23-2-7] Zwijg, u inwoners[^jesaja-23-2-8] van het[^jesaja-23-2-9] eiland! u, die de kooplieden van[^jesaja-23-2-10] Sidon, over zee varende,[^jesaja-23-2-11] vervulden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v2)

**3** En wiens inkomst was[^jesaja-23-3-12] het zaad van[^jesaja-23-3-13] Sichor over[^jesaja-23-3-14] de grote wateren,[^jesaja-23-3-15] de oogst[^jesaja-23-3-16] van de rivier; en zij was[^jesaja-23-3-17] de markt van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v3)

**4** Word beschaamd,[^jesaja-23-4-18] o Sidon! want[^jesaja-23-4-19] de zee spreekt,[^jesaja-23-4-20] ja, de sterkte van de zee, zeggende:[^jesaja-23-4-21] Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongemannen[^jesaja-23-4-22] groot gemaakt, en geen meisjes opgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v4)

**5** Zoals geweest is[^jesaja-23-5-23] de tijding van Egypte, zal men[^jesaja-23-5-24] ook in smart zijn,[^jesaja-23-5-25] als men van Tyrus horen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v5)

**6** [^jesaja-23-6-26] Vaar over naar Tarsis, huil, u inwoners[^jesaja-23-6-27] van het eiland! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v6)

**7** [^jesaja-23-7-28] Is dit uw vrolijk huppelende stad? waarvan de oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar verre wegdragen,[^jesaja-23-7-29] om als vreemdeling te verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v7)

**8** Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus,[^jesaja-23-8-30] die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste[^jesaja-23-8-31][^jesaja-23-8-32] in het land zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v8)

**9** YHWH van de legermachten heeft het beraadslaagd, opdat Hij[^jesaja-23-9-33] ontheilige[^jesaja-23-9-34] de hoogmoed van alle sieraad, om al de heerlijksten[^jesaja-23-9-35] van de aarde[^jesaja-23-9-36] verachtelijk te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v9)

**10** [^jesaja-23-10-37] Ga door naar uw[^jesaja-23-10-38] land, als een rivier,[^jesaja-23-10-39] u dochter van Tarsis! er is geen gordel meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v10)

**11** [^jesaja-23-11-41] Hij heeft Zijn hand[^jesaja-23-11-42] uitgestrekt[^jesaja-23-11-43] over de zee, Hij heeft de koninkrijken[^jesaja-23-11-44] beroerd; YHWH[^jesaja-23-11-45] heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar vestingen te vernietigen.[^jesaja-23-11-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v11)

**12** En[^jesaja-23-12-47] Hij heeft gezegd: U zult niet meer vrolijk huppelen,[^jesaja-23-12-48] o u verdrukte maagd, u dochter van[^jesaja-23-12-49] Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult u daar geen rust hebben.[^jesaja-23-12-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v12)

**13** [^jesaja-23-13-51] Zie, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet;[^jesaja-23-13-52] Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun vestingen op, en bouwden hun paleizen,[^jesaja-23-13-53] maar[^jesaja-23-13-54] Hij heeft het[^jesaja-23-13-55] tot een vervallen hoop gesteld.[^jesaja-23-13-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v13)

**14** Huil, u schepen van Tarsis! want[^jesaja-23-14-56] uw vesting is verstoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v14)

**15** En het zal gebeuren op die dag,[^jesaja-23-15-57] dat Tyrus zal vergeten worden[^jesaja-23-15-58] zeventig jaren,[^jesaja-23-15-59] zoals de dagen van een koning; maar na verloop van zeventig jaren[^jesaja-23-15-60] zal in Tyrus als een hoerenlied zijn: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v15)

**16** Neem de harp, ga in de stad rondom,[^jesaja-23-16-61] u vergeten[^jesaja-23-16-62] hoer![^jesaja-23-16-63] speel wel,[^jesaja-23-16-64] zing veel liederen, opdat aan u gedacht wordt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v16)

**17** Want het zal gebeuren na verloop van zeventig jaren, dat YHWH Tyrus zal bezoeken, en dat zij terugkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal[^jesaja-23-17-65] hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v17)

**18** En[^jesaja-23-18-66] haar koophandel en haar hoerenloon zal voor YHWH[^jesaja-23-18-67] heilig zijn,[^jesaja-23-18-68] het zal niet ten schat verzameld noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen,[^jesaja-23-18-69] die voor YHWH wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij[^jesaja-23-18-70] durig deksel hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/23.html#v18)

[^jesaja-23-1-1]: Kanttekening 1: De zin is: Dit is een bezwaarlijke profetie, voorzeggende welke ellende Tyrus zal overkomen. Zie Jes. 13:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^jesaja-23-1-a]: Verwijzing a: Jer. 47:4 ; Ez. 26 ; Ez. 27 ; Ez. 28 ; Zach. 9:3 ; idem v. 4 . Jeremia 47:4 : Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van de eilands van Kafthor, verstoren. Zacharia 9:3 : En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk van de straten; Zacharia 9:4 : Ziet, YHWH zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.
[^jesaja-23-1-2]: Kanttekening 2: u schepen: Dat is, schippers en kooplieden, die over zee met Tyrus handelen.
[^jesaja-23-1-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^jesaja-23-1-4]: Kanttekening 4: zij is verwoest: Dat is, hij zal verstoord worden. Dit heeft de profeet gesproken toen Tyrus nog in haar fleur en grootste heerlijkheid was. En dit dreigt hier de profeet niet alleen de stad Tyrus, maar ook het gehele eiland.
[^jesaja-23-1-5]: Kanttekening 5: dat er geen huis: Hebreeuws, van huis en van inkomen, of ingaan (בַּיִת); vergelijk onder Jes. 24:10 . Deze en de naastvolgende woorden vertalen en verklaren sommigen aldus: Zij is verstoord van \[haar\] huisgenoten en van de inkomelingen; dat is, niet alleen van de vreemdelingen, maar ook van hun eigen knechten en slaven. Want als deze zagen dat de macht en het vermogen van hun heren schier tot niet gekomen was, zo hebben zij samengespannen, en hebben hun heren en alle vrije personen vermoord, de regering aan zich genomen, en enen, genoemd Strato, koning gemaakt. Justin, in zijn historie lib. 18. Jesaja 24:10 : De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.
[^jesaja-23-1-6]: Kanttekening 6: uit het land Chittim: Dat is, het zal hun, te weten schippers en kooplieden, uit het land Chittim openbaar worden; dat is, uit Cilicië, of Macedonië, \[zie Gen. 10:4 \]; vanwaar de tijdingen van Tyrus' eerste verwoesting door Nebukadnezar zouden verspreid worden, door de vluchtenden, die vandaar naar Cilicië zouden overvaren, en vanwaar het verderf hun naderhand overkomen zou. De zin dan van deze woorden is: Deze verwoesting zal die van Tyrus overkomen eerst door de koning Nebukadnezar, Jer. 47 ; Ez. 26:14 , en Ez. 29:18 , 29:19 , 29:20 , en lang daarna door de Grieken en Macedoniërs; te weten, door Alexander de Grote, die vele jaren hierna Tyrus ingenomen en overhoop geworpen heeft. Genesis 10:4 : En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. Ezechiël 26:14 : Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 29:18 : Mensenkind! Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn legermacht een grote dienst doen dienen tegen Tyrus; alle hoofden zijn kaal geworden, en alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn legermacht heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor de dienst, die hij tegen haar gediend heeft. Ezechiël 29:19 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal de menigte daarvan wegvoeren, en de buit daarvan buiten, en de roof daarvan roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Ezechiël 29:20 : Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heer YHWH.
[^jesaja-23-2-7]: Kanttekening 7: Alsof hij zei: Roemt niet meer vanwege uw grote rijkdom en heerlijkheid, zij zullen haast een einde nemen.
[^jesaja-23-2-8]: Kanttekening 8: van het eiland: Te weten van het eiland Tyrus. Deze stad lag op een eiland toen Jesaja dit heeft geprofeteerd.
[^jesaja-23-2-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, de koopman van Sidon overzee varende vervulde u.
[^jesaja-23-2-10]: Kanttekening 10: Dit is ook eertijds een voortreffelijke koopstad geweest, nabij Tyrus gelegen, onder één gebied behorende. Zie Ez. 28:21 . Ezechiël 28:21 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
[^jesaja-23-2-11]: Kanttekening 11: Te weten met allerlei waren en koopmanschappen, die zij met hun geladen schepen daarin brachten.
[^jesaja-23-3-12]: Kanttekening 12: het zaad: Hier wordt het zaad gesteld voor het vlas, dat uit het zaad wast.
[^jesaja-23-3-13]: Kanttekening 13: Dit is de naam ener rivier, die Egypte van Kanaän scheidt. Joz. 13:3 ; zie de aantekening daar. Egypte zelf wordt somtijds Sichor genoemd naar deze rivier. Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
[^jesaja-23-3-14]: Kanttekening 14: de grote wateren: Enige verstaan hier door de grote wateren de oceaan, anderen de grote rivieren van Egypte.
[^jesaja-23-3-15]: Kanttekening 15: de oogst: Dat is, het korengewas.
[^jesaja-23-3-16]: Kanttekening 16: van de rivier: Dat is, het koren, dat langs de beken wast, waarvan het bevochtigd wordt als de Nijl overloopt; anders: van de beek \[van Egypte\]. De profeet wil zeggen dat Tyrus rijk werd door het verhandelen van de vruchten, die in andere landen wiessen.
[^jesaja-23-3-17]: Kanttekening 17: de markt van de heidenen: Dat is, de handelplaats. Zie Ez. 27:3 , 27:12 . Ezechiël 27:3 : En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen van de zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heer YHWH: O Tyrus! u zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid. Ezechiël 27:12 : Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
[^jesaja-23-4-18]: Kanttekening 18: o Sidon: Dat is, o u Sidoniëten. Deze hebben eerst de stad Tyrus gebouwd.
[^jesaja-23-4-19]: Kanttekening 19: de zee spreekt: Dat is, de inwoners van de eilanden, die in de zee liggen; gelijk Ps. 65:6 . Psalmen 65:6 : Vreselijke dingen zult U ons in gerechtigheid antwoorden, o God van ons heil! o Vertrouwen van alle einden van de aarde, en van de verre gelegenen aan de zee!
[^jesaja-23-4-20]: Kanttekening 20: de sterkte van de zee: Versta, de stad Tyrus, die vanwege de zee, waarin zij lag, scheen onwinbaar te zijn.
[^jesaja-23-4-21]: Kanttekening 21: Ik heb geen barensnood: De zin van deze woorden is, alsof Tyrus zei: Het is met mij, die zo volkrijk placht te zijn, nu zo gesteld, alsof ik geheel onvruchtbaar ware geworden, ja, alsof ik vóór deze gene kinderen of inwoners gehad of opgevoed had; ik ben heel doods geworden, het is met mij uit.
[^jesaja-23-4-22]: Kanttekening 22: groot gemaakt: Dat is, tot vollen wasdom gebracht.
[^jesaja-23-5-23]: Kanttekening 23: de tijding: Versta hier die straf, die eertijds de Egyptenaars ten tijde van Mozes is overkomen, gelijk Ex. 15:14 . Of die straf van Egypte, waarvan Jes. 19 gesproken wordt. Exodus 15:14 : De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.
[^jesaja-23-5-24]: Kanttekening 24: in weedom zijn: Het Hebreeuwse woord, dat de profeet hier gebruikt, betekent eigenlijk het wee en de benauwdheid, die een barende vrouw overkomt.
[^jesaja-23-5-25]: Kanttekening 25: als men van Tyrus: Te weten als men horen zal dat Tyrus, die rijke, machtige stad, die onoverwinnelijk scheen te wezen, zo geheellijk is verwoest en verdelgd. Want alle anderen steden zullen vrezen dat het hun ook zo zal gaan, denkende: heeft die zeer sterke stad Tyrus niet kunnen bestaan, hoe zal het ons dan gaan?
[^jesaja-23-6-26]: Kanttekening 26: Dat is, vlucht uit Tyrus, zoekt nieuwe landen en steden, waar u u mag nederslaan.
[^jesaja-23-6-27]: Kanttekening 27: van het eiland: Te weten van het land Tyrus, gelijk boven vers 2 . Jesaja 23:2 : Zwijgt, u inwoners van het eiland! u, die de kooplieden van Sidon, over zee varende, vervulden,
[^jesaja-23-7-28]: Kanttekening 28: Is dit: Van de voortreffelijkheid en zeer grote heerlijkheid van Tyrus, zie Ez. 27:3 , 27:4 , enz. Ezechiël 27:3 : En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen van de zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heer YHWH: O Tyrus! u zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid. Ezechiël 27:4 : Uw gebied is in het hart van de zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.
[^jesaja-23-7-29]: Kanttekening 29: om in vreemdelingschap: Of, om haar in vreemdheid te onthouden; dat is, om andere woonplaatsen te gaan zoeken. Toen de Tyriërs uit hun stad en land verdreven waren, hebben zij wat omgezwermd en gelegenheid gezocht waar zij zich best zouden nederslaan, en hebben mettertijd gebouwd de steden Carthago, Leptis, Utica en Gades.
[^jesaja-23-8-30]: Kanttekening 30: die kronende stad : Of, die kroonster; te weten die stad, die niet alleen zichzelf voor een gekroonde koningin uitgaf, maar ook al haar inwoners en kooplieden met rijkdom en heerlijkheid kroonde, velen derzelven als tot prinsen en vorsten makende.
[^jesaja-23-8-31]: Kanttekening 31: Of, kooplieden. Hebreeuws, Kanaänieten; zie de aantekening Job 40:25 . Job 40:25 : Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
[^jesaja-23-8-32]: Kanttekening 32: in het land zijn: Of, op de aarde.
[^jesaja-23-9-33]: Kanttekening 33: Dat is, bezoedele, in verachtzaamheid en tot kleinachting brenge.
[^jesaja-23-9-34]: Kanttekening 34: de hovaardij: Of, de praal; te weten van de voortreffelijke Tyriërs.
[^jesaja-23-9-35]: Kanttekening 35: van de aarde: Anders: van het land.
[^jesaja-23-9-36]: Kanttekening 36: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk ontladen, licht maken, gelijk men de schepen verlicht van hun vracht. Het wordt hier gesteld tegen een woord, dat wij hier vertalen de heerlijkste; maar dat eigenlijk betekent de geladene, maar ook heerlijke.
[^jesaja-23-10-37]: Kanttekening 37: Ga door: Dit is een aanspraak aan de uitlandse kooplieden, of aan de inwoners van Tyrus; aldus: Gaat door uit uw land.
[^jesaja-23-10-38]: Kanttekening 38: als een rivier: Dat is, haastig, te weten zo snel als ene rivier, die van boven afvallende en vlietende in de zee loopt. Anders: als ene rivier, dat is, geduriglijk, zonder ophouden.
[^jesaja-23-10-39]: Kanttekening 39: u dochter van Tarsis: Dat is, u, die op de zee naar Tyrus toezeilt, en gewoon bent daar te handelen. Enige verstaan hier door de dochter van Tharsis, of van het meer, de stad Tyrus, die midden in de zee lag, en daaruit scheen gesproten te zijn, daarin levende, zwevende, en zich onderhoudende.
[^jesaja-23-11-41]: Kanttekening 41: Hij heeft: Te weten de Heer.
[^jesaja-23-11-42]: Kanttekening 42: Te weten om te slaan.
[^jesaja-23-11-43]: Kanttekening 43: over de zee: Dat is, over de stad Tyrus in de zee gelegen. Anders, over de schepen van de zee, die gewoon zijn te Tyrus te handelen.
[^jesaja-23-11-44]: Kanttekening 44: Dat is, in roer gesteld, of bewogen tegen Tyrus op te staan.
[^jesaja-23-11-45]: Kanttekening 45: heeft bevel gegeven: Te weten, de vreemde koninkrijken, of koningen; dat is, God heeft zulks die volken ingegeven, en Hij drijft hen daartoe, gelijk boven Jes. 13:3 , en 2 Sam. 16:11 , 16:12 . Zie de aantekening daar. Jesaja 13:3 : Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid. 2 Samuël 16:11 : Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want YHWH heeft het hem gezegd. 2 Samuël 16:12 : Misschien zal YHWH mijn ellende aanzien; en YHWH zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te deze dage.
[^jesaja-23-11-40]: Kanttekening 40: daar is geen: Dat is, Tyrus heeft al haar macht, heerlijkheid en koophandel verloren. Want men gebruikt de riem, of gordel, ten dele tot sieraad, ten dele om de lenden en ruggen te stijven. Zie Job 12:18 , 12:21 , en Job 40:2 ; Spreuk. 31:24 met de aantekening. Anderen verstaan hier door de gordel de muren van de stad Tyrus, waarmee zij omsingeld en als omgord was. Job 12:18 : De band van de koningen maakt Hij los, en Hij bindt de gordel aan hun lenden. Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen. Job 40:2 : Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. Spreuken 31:24 : Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert de koopman gordelen.
[^jesaja-23-12-47]: Kanttekening 47: Hij heeft gezegd: Te weten de Heer God.
[^jesaja-23-12-48]: Kanttekening 48: o u verdrukte maagd: Anders: o u verdrukte maagd van de dochter Sidons. Aldus noemt de profeet de stad Tyrus, omdat zij van de Sidoniërs eerst gebouwd is. En de profeet noemt hier Tyrus een verdrukte of geschonden maagd, omdat zij voorzeker zou geschonden en verkracht, dat is, verdelgd en uitgeroeid worden.
[^jesaja-23-12-49]: Kanttekening 49: Naar Chittim toe: Door deze afgekorte manier van spreken wordt te kennen gegeven dat de Tyriërs zeer haastig zouden vluchten, in het bijzonder naar die van Chittim, of het land van de Chitteën \[want beide kan het Hebreeuwse woord dragen\] daaronder verstaande allerlei over zee gelegen plaatsen, als Cilicië, Griekenland, of Macedonië, Italië, enz. waarvan ook boven vers 1 . Jesaja 23:1 : De last van Tyrus. Huilt, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.
[^jesaja-23-12-46]: Kanttekening 46: tegen Kanaän: Dat is, tegen de Tyriërs, Kanaäns nakomelingen uit Sidon; Gen. 10:15 . Anderen: de Heer heeft een koopman bevel gegeven, verstaande, Nebukadnezar, of Alexander de Grote. Anderen, tegen de koopstad. In de betekenis van koopman wordt het woord Kanaän genomen boven vers 8 en elders. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Jesaja 23:8 : Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste in het land zijn?
[^jesaja-23-13-51]: Kanttekening 51: God stelt de Tyriërs voor ogen het exempel van het Assyrische of Chaldeeuwse koninkrijk, als eensdeels ten ondergebracht en verwoest zijnde, anderdeels zullende in het toekomende verwoest worden, opdat het de Tyriërs niet vreemd schijne dat zij ook verwoest zouden worden.
[^jesaja-23-13-52]: Kanttekening 52: Dat is, de Chaldeën, die in de wildernissen in tenten plachten te wonen, zijn door de Assyriërs vergaderd en in steden bij elkaar gebracht. Zie Gen. 10:10 , 10:11 , en Gen. 11:2 , 11:8 , 11:9 , en vergelijk Ps. 72:9 , en Ps. 74:14 . Genesis 10:10 : En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Genesis 10:11 : Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. Genesis 11:2 : Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden daar. Genesis 11:8 : Zo verstrooide hen YHWH van daar over de gehele aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Genesis 11:9 : Daarom noemde men haar naam Babel; want daar verwarde YHWH de spraak van de gehele aarde, en van daar verstrooide hen YHWH over de gehele aarde. Psalmen 72:9 : De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken. Psalmen 74:14 : U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
[^jesaja-23-13-53]: Kanttekening 53: Te weten God de Heer, van wie gesproken is boven vers 8 , 23:9 , 23:11 , 23:12 . Jesaja 23:8 : Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste in het land zijn? Jesaja 23:9 : YHWH van de legermachten heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hovaardij van alle sieraad, om al de heerlijksten van de aarde verachtelijk te maken. Jesaja 23:11 : Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; YHWH heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar sterkten te verdelgen. Jesaja 23:12 : En Hij heeft gezegd: U zult niet meer vrolijk huppelen, o u verdrukte maagd, u dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult u daar geen rust hebben.
[^jesaja-23-13-54]: Kanttekening 54: heeft het: Te weten het land van de Chaldeën, of Hij heeft hen, te weten de Chaldeën heeft Hij door de Assyriërs tenonder gebracht, of profetischer wijze: Hij zal de Assyriërs door de Chaldeën of Babyloniërs zekerlijk tenonder brengen, en daarna de Babyloniërs door de Perzen, en vervolgens uwe stad, o Tyrus, en koninkrijk, veel lichter verstoren.
[^jesaja-23-13-55]: Kanttekening 55: tot een vervallen hoop: Dat is, Hij heeft het ten onderste boven geworpen; vergelijk onder Jes. 25:2 . Jesaja 25:2 : Want U hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis van de vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.
[^jesaja-23-13-50]: Kanttekening 50: ook zult u: Dat is, u zult daar, waar u heen vlucht, niet gerust zijn, noch in vrede mogen blijven, maar ook geplaagd en verdreven worden. Zie boven vers 7 . Anders: U Chittim, of Chitteën, maakt u op, trekt voort, enz. nemende het als een goddelijke aanspraak aan Alexander de Grote met zijn leger, dat hij zich haasten zou, niet alleen om Tyrus te verderven, maar ook verder tegen de Chaldeën en Babel te trekken. Zie boven vers 1 . Jesaja 23:7 : Is dit uw vrolijk huppelende stad? waarvan de oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar verre wegdragen, om in vreemdelingschap te verkeren. Jesaja 23:1 : De last van Tyrus. Huilt, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.
[^jesaja-23-14-56]: Kanttekening 56: ulieder sterkte: Dat is, de stad Tyrus, met alle vaste plaatsen daaraan en daarbij gelegen.
[^jesaja-23-15-57]: Kanttekening 57: dat Tyrus: Dat is, de Tyriërs zullen zeventig jaar lang in hun ellende blijven steken; alsof God hun vergeten had of geen acht meer op hen had.
[^jesaja-23-15-58]: Kanttekening 58: zeventig jaren: Te weten zolang als de Joden in de Babylonische gevangenschap blijven zouden.
[^jesaja-23-15-59]: Kanttekening 59: gelijk de dagen van een koning: Dat is, zolang als ongeveer een koning leeft of leven kan. Of, in het algemeen, zolang als een mens leven kan, te weten die tot grote ouderdom komt. Zie Ps. 90:10 . Anders: Zolang als een koninkrijk duren zal. Aldus wordt het woord melech, voor koninkrijk ook genomen Dan. 7:17 , en Dan. 8:21 ; en wordt hier verstaan het koninkrijk van Babel, dat zeventig jaren gestaan heeft na de ondergang van Tyrus. Psalmen 90:10 : Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. Daniël 7:17 : Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. Daniël 8:21 : Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
[^jesaja-23-15-60]: Kanttekening 60: zal in Tyrus: Dat is, Tyrus zal weer bewoond worden en in goeden welstand komen, en dan zullen de inwoners opnieuw, rijk en weelderig geworden zijnde, hun ouden gang gaan met zingen en springen, en allerlei wellusten van het vlees te oefenen, gelijk vers 16 , 23:17 breder gezegd wordt. Anderen, om het woord als ook zijn kracht te laten toekomen, verklaren deze woorden aldus: De inwoners van Tyrus zullen de kooplieden zo lieflijk weten aan te lokken en te bedriegen, als de hoeren met haar lieflijken zang de hoereerders weten aan te lokken. Jesaja 23:16 : Neem de harp, ga in de stad rondom, u vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat uw gedacht worde! Jesaja 23:17 : Want het zal gebeuren ten einde van zeventig jaren, dat YHWH Tyrus zal bezoeken, en dat zij terugkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn.
[^jesaja-23-16-61]: Kanttekening 61: u vergeten: Dat is, die in vergetelheid gekomen was.
[^jesaja-23-16-62]: Kanttekening 62: O Tyrus, u stad vol hoererij, of u kooplieden van Tyrus, die met uw lieflijken praat en aanbieding van de waren de kooplieden weet aan te lokken, gelijk de hoeren haar boelen.
[^jesaja-23-16-63]: Kanttekening 63: speel wel: Hebreeuws, maak wel met spelen, of maak het spelen goed. Zie Ps. 33:3 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^jesaja-23-16-64]: Kanttekening 64: zing veel: Hebreeuws, vermenigvuldigt het lied.
[^jesaja-23-17-65]: Kanttekening 65: Nagenoeg alle uitleggers verstaan hier door hoererij de vuile winst van de Tyriërs, dat zij van hun koopmanschap kregen van al de rijke en machtige personen, die in de landen, rondom hen gelegen, woonachtig waren.
[^jesaja-23-18-66]: Kanttekening 66: Te weten van de Tyriërs.
[^jesaja-23-18-67]: Kanttekening 67: heilig zijn: Of, geheiligd zijn. Hebreeuws, in heiligheid zijn.
[^jesaja-23-18-68]: Kanttekening 68: het zal niet: Hier wordt voorzegd dat enige van de Tyriërs in toekomende tijden tot de ware God en de Christelijke religie bekeerd zijnde, hun goed en rijkdom niet in hun kisten en kasten zouden besluiten en behouden, maar dat zij die mildelijk ter ere Gods en tot nooddruft van de arme Christenen zouden uitdelen. Zie Hand. 2:44 , en Hand. 4:34 . Handelingen 2:44 : En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; Handelingen 4:34 : Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen.
[^jesaja-23-18-69]: Kanttekening 69: die voor YHWH: Versta, de Christenen in het algemeen en bij name de kerkleraars.
[^jesaja-23-18-70]: Kanttekening 70: durig deksel: Dat is, deksel dat duurzaam is, of dat lang duren kan.

### Jesaja 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/24.json)

*Een profetie van de verwoesting van het Joodse land, vers 1, 6 enzovoort, die de een zowel als de ander zou overkomen, 2. De reden waarom, 5. Het overblijfsel zal God roemen en prijzen, 13. Vermaning tot dankzegging daarvoor, 15. De profeet spreekt opnieuw over de verwoesting van het Joodse volk vanwege zijn goddeloosheid, 16 enzovoort, en ook opnieuw over Gods genade daarover, 21. De heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus in zijn kerk, 23.*

**1** Zie, YHWH maakt[^jesaja-24-1-1] het land[^jesaja-24-1-2] leeg, en Hij maakt het woest; en Hij keert[^jesaja-24-1-3] zijn gestalte om, en Hij verstrooit zijn inwoners. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v1)

**2** En[^jesaja-24-2-4] gelijk het volk, zo zal de[^jesaja-24-2-5] priester wezen; gelijk de knecht, zo zijn heer; zoals de dienstmaagd, zo haar vrouw;[^jesaja-24-2-a] zoals de koper, zo de verkoper; zoals de lener, zo de ontlener; zoals de woekeraar, zo die, van wie hij rente ontvangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v2)

**3** [^jesaja-24-3-6] Dat land zal[^jesaja-24-3-7] geheel leeg gemaakt worden, en het zal[^jesaja-24-3-8] geheel beroofd worden; want YHWH heeft dit woord gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v3)

**4** Het land treurt, het[^jesaja-24-4-9] verwelkt;[^jesaja-24-4-10] de aarde verwelkt, zij verwelkt; de hoogsten van het volk van het[^jesaja-24-4-11] land verwelken.[^jesaja-24-4-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v4)

**5** Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen[^jesaja-24-5-13] de voorschriften, zij vernietigen[^jesaja-24-5-14] het eeuwig verbond.[^jesaja-24-5-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v5)

**6** Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners van het[^jesaja-24-6-16][^jesaja-24-6-b] land verbrand worden, en er zullen[^jesaja-24-6-17] weinig mensen overblijven.[^jesaja-24-6-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v6)

**7** De nieuwe wijn treurt, de wijnstok[^jesaja-24-7-19] verwelkt, allen die blijhartig waren, zuchten.[^jesaja-24-7-20][^jesaja-24-7-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v7)

**8** De[^jesaja-24-8-c] vreugde van de trommelen[^jesaja-24-8-22] rust;[^jesaja-24-8-23] het geluid van de vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde van de harp rust.[^jesaja-24-8-24][^jesaja-24-8-25][^jesaja-24-8-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v8)

**9** Zij zullen geen wijn drinken[^jesaja-24-9-d] met gezang; de sterke drank zal bitter zijn voor hen, die hem drinken.[^jesaja-24-9-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v9)

**10** De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.[^jesaja-24-10-28][^jesaja-24-10-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v10)

**11** Er is een klagelijk geroep op de straten, vanwege de wijn; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde van het land is heengevaren.[^jesaja-24-11-30][^jesaja-24-11-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v11)

**12** Verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v12)

**13** Want in het binnenste van het land, in het midden van deze volken, zal het zo wezen, gelijk de afschudding van[^jesaja-24-13-e] de olijfboom, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.[^jesaja-24-13-32][^jesaja-24-13-33][^jesaja-24-13-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v13)

**14** Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid van YHWH zullen zij juichen van de zee af.[^jesaja-24-14-35][^jesaja-24-14-36][^jesaja-24-14-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v14)

**15** Daarom eer YHWH in de valleien, in de eilanden van de zee de Naam van YHWH, van de God van Israël.[^jesaja-24-15-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v15)

**16** Van het uiterste einde van de aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking van de Rechtvaardige. Maar nu zeg[^jesaja-24-16-39] ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouweloos, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouweloos.[^jesaja-24-16-40][^jesaja-24-16-41][^jesaja-24-16-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v16)

**17** [^jesaja-24-17-f] De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land![^jesaja-24-17-43][^jesaja-24-17-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v17)

**18** En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vrees vluchten zal,[^jesaja-24-18-g] die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want[^jesaja-24-18-45] de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fundamenten van de aarde zullen beven.[^jesaja-24-18-46][^jesaja-24-18-47][^jesaja-24-18-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v18)

**19** De aarde zal geheel verbroken worden, de aarde zal geheel vaneen gescheurd worden, de aarde zal geheel bewogen worden.[^jesaja-24-19-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v19)

**20** De aarde zal geheel waggelen,[^jesaja-24-20-h] zoals een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden,[^jesaja-24-20-i] zoals een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en[^jesaja-24-20-50] niet weer opstaan.[^jesaja-24-20-51][^jesaja-24-20-52][^jesaja-24-20-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v20)

**21** En het zal gebeuren op die dag, dat YHWH bezoeking doen zal over de legermachten van de hogen in de hoogte, en over de koningen van de aardbodem op de aardbodem.[^jesaja-24-21-54][^jesaja-24-21-55][^jesaja-24-21-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v21)

**22** En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weer bezocht worden.[^jesaja-24-22-57][^jesaja-24-22-58][^jesaja-24-22-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v22)

**23** [^jesaja-24-23-k] En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als YHWH van de legermachten regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn[^jesaja-24-23-60] oudsten zal heerlijkheid zijn.[^jesaja-24-23-61][^jesaja-24-23-62][^jesaja-24-23-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/24.html#v23)

[^jesaja-24-1-1]: Kanttekening 1: het land: Te weten het Joodse land en dergenen, die het met de Joden houden. Dit zou gebeuren eerst door de Assyriërs, daarna door de Chaldeën.
[^jesaja-24-1-2]: Kanttekening 2: Of, Hij put uit.
[^jesaja-24-1-3]: Kanttekening 3: daarvan gestalte: Hebreeuws, zijn aangezicht (פָנֶי); dat is, gedaante, gelaat, gestalte; dat is, Hij zal het land, met al wat er in is, ten onderste boven werpen, zodat het hetzelfde land niet gelijken zal.
[^jesaja-24-2-4]: Kanttekening 4: gelijk het volk: De zin is dat de ellenden, waar hij van spreekt, alle staten van mensen zullen overkomen, de één zowel als de ander. Zie Hos. 4:9 . Hosea 4:9 : Daarom, gelijk het volk, zo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden.
[^jesaja-24-2-5]: Kanttekening 5: Of, overste of regent. Het Hebreeuwse woord Cohen betekent het ene zowel als het andere; zie Gen. 41:45 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^jesaja-24-2-a]: Verwijzing a: Ez. 7:12 ; idem v. 13 . Ezechiël 7:12 : De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land. Ezechiël 7:13 : Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; omdat het gezicht, aangaande de gehele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.
[^jesaja-24-3-6]: Kanttekening 6: Dat land: Te weten dat land waarvan vers 1 gesproken wordt. Jesaja 24:1 : Ziet, YHWH maakt het land leeg, en Hij maakt het woest; en Hij keert daarvan gestalte om, en Hij verstrooit zijn inwoners.
[^jesaja-24-3-7]: Kanttekening 7: ganselijk leeg gemaakt worden: Hebreeuws, leeg gemaakt wordende, leeg gemaakt worden.
[^jesaja-24-3-8]: Kanttekening 8: ganselijk beroofd worden: Hebreeuws, beroofd wordende, beroofd worden; dat is, het zal geheel beroofd en uitgeplunderd worden.
[^jesaja-24-4-9]: Kanttekening 9: de aarde: Te weten dat deel van het land, waar Judea in ligt.
[^jesaja-24-4-10]: Kanttekening 10: Te weten van hartzeer en droefenis.
[^jesaja-24-4-11]: Kanttekening 11: het verwelkt: Te weten van hartzeer en droefenis.
[^jesaja-24-4-12]: Kanttekening 12: Of, zij worden zwak, mat, flauw.
[^jesaja-24-5-13]: Kanttekening 13: vanwege zijn inwoners: Anders: onder zijn inwoners. De zin is: Het volk van dit land, te weten van het Joodse land, is zo boos en verdorven, dat het dat land, dat het betreedt, bevlekt en ontheiligt.
[^jesaja-24-5-14]: Kanttekening 14: de inzettingen: Te weten Gods.
[^jesaja-24-5-15]: Kanttekening 15: het eeuwig verbond: Te weten dat verbond, dat God met Abraham en zijn zaad heeft opgericht, en door de besnijdenis heeft bevestigd; Gen. 17 , en dat God daarna vernieuwd heeft; Ex. 24 .
[^jesaja-24-6-16]: Kanttekening 16: de vloek: Die vloek, die de Israëlieten zich hebben onderworpen, als zij met God in het verbond getreden zijn, zich verbindende zijn wetten en geboden te onderhouden; Ex. 19:24 , en Deut. 29 . Anders, de eed van de vloek. Van deze manier van spreken, zie Gen. 24:41 . Exodus 19:24 : YHWH dan zei tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult u, en Aäron met u, opklimmen; maar dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot YHWH, dat Hij tegen hen niet uitbreke. Genesis 24:41 : Dan zult u van mijn eed rein zijn, wanneer u tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en als zij haar u niet geven, zo zult u rein zijn van mijn eed.
[^jesaja-24-6-b]: Verwijzing b: Jes. 9:18 ; Jes. 10:16 . Jesaja 9:18 : Vanwege de toorn van YHWH van de legermachten, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel van het vuur: de één zal de ander niet sparen. Jesaja 10:16 : Daarom zal de Heer YHWH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur.
[^jesaja-24-6-17]: Kanttekening 17: verbrand worden: Dat is, zij zullen omkomen, hetzij door het vuur, of anders; of door de brand en de hitte van de toorn van God.
[^jesaja-24-6-18]: Kanttekening 18: Het grootste deel van de mensen is gedood, of het land uitgevoerd geworden in slavernij; zie Jes. 1:9 , en Jes. 17:6 . Jesaja 1:9 : Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël.
[^jesaja-24-7-19]: Kanttekening 19: Te weten omdat hij onnuttelijk van de vijanden zal gedronken en verplengd worden.
[^jesaja-24-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, hij verdwijnt of verwelkt, te weten omdat hij van de vijanden zal vertreden en vernield worden.
[^jesaja-24-7-21]: Kanttekening 21: Al de woorden van vers 7 en enige van de navolgende verzen strekken daartoe, om aan te wijzen dat alles zeer jammerlijk in het land zou toegaan. Jesaja 24:7 : De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.
[^jesaja-24-8-c]: Verwijzing c: Jer. 7:34 ; Jer. 16:9 ; Jer. 25:10 ; Ez. 26:13 ; Hosea 2:10 . Jeremia 7:34 : En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp. Ezechiël 26:13 : Zo zal Ik het gedeun uw liederen doen ophouden, en het geklank uw harpen zal niet meer gehoord worden. Hosea 2:10 : En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden.
[^jesaja-24-8-22]: Kanttekening 22: De vreugde van de trommelen: Dat is, de vreugde, die men placht te scheppen en het geluid van de trommelen en harpen.
[^jesaja-24-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, houdt op. Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als sabbat houden.
[^jesaja-24-8-24]: Kanttekening 24: het geluid: Of, het gerommel, het geruis.
[^jesaja-24-8-25]: Kanttekening 25: de vreugde van de harp: Dat is, de vreugde, die men placht te scheppen en het geluid van de trommelen en harpen.
[^jesaja-24-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, houdt op. Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als sabbat houden.
[^jesaja-24-9-d]: Verwijzing d: Jes. 16:10 . Jesaja 16:10 : Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.
[^jesaja-24-9-27]: Kanttekening 27: met gezang: Of, in het gezang; dat is, als zij lustig en vrolijk zijn met zingen en klinken in het hun dronken gelagen.
[^jesaja-24-10-28]: Kanttekening 28: De woeste stad: Die woest gemaakt zal worden door het geweld van hun vijanden, die haar innemen zullen. En versta hier de stad Jeruzalem, en ook andere steden daar omheen liggende; zie onder Jes. 30:14 . Jesaja 30:14 : Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
[^jesaja-24-10-29]: Kanttekening 29: dat er niemand: Hebreeuws, van inkomen; vergelijk boven Jes. 23:1 . Jesaja 23:1 : De last van Tyrus. Huilt, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden.
[^jesaja-24-11-30]: Kanttekening 30: vanwege de wijn: Omdat de wijn bedorven is, of omdat er niets meer te bekomen is.
[^jesaja-24-11-31]: Kanttekening 31: is verduisterd: Of, heeft \[haar\] avond; dat is, zij neemt af, zij heeft haar einde, gelijk het klaarschijnende zonlicht van de avond en van de nacht verduistert en vertrekt.
[^jesaja-24-13-e]: Verwijzing e: Jes. 17:6 . Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël.
[^jesaja-24-13-32]: Kanttekening 32: van deze volken: Versta hier, de stammen van het Joodse volk, alsook de Syriërs, Egyptenaars, Moabieten en andere natiën, tegen welke de profeet hierboven geprofeteerd heeft.
[^jesaja-24-13-33]: Kanttekening 33: zal het zo wezen: Of, zal het zo toegaan, dit zal de gelegenheid zijn van het land.
[^jesaja-24-13-34]: Kanttekening 34: gelijk de afschudding: De zin is: Gelijk wanneer een olijfboom afgeplukt en de wijnoogst gedaan is, evenwel nog enige olijven aan de bomen, of druiven aan de wijnstokken overig blijven; zo, ofschoon het land zal verwoest en mijn volk zal doodgeslagen en verstrooid worden; zo zullen er nochtans enige overblijven, wie God de Heer genade zal bewijzen.
[^jesaja-24-14-35]: Kanttekening 35: Die zullen: Te weten die weinigen, die overgebleven zullen zijn en van God genade zullen verkregen hebben.
[^jesaja-24-14-36]: Kanttekening 36: de heerlijkheid: Of, majesteit, of hoogheid.
[^jesaja-24-14-37]: Kanttekening 37: van de zee af: Dat is, zijnde in verre en vreemde landen, of waar zij anders wezen mogen.
[^jesaja-24-15-38]: Kanttekening 38: in de valleien: Dat is, aan alle plaatsen, waar gelovige en godvruchtige personen zijn. Anders: in de vuren, dat is, die u nog in groot lijden bent.
[^jesaja-24-16-39]: Kanttekening 39: het uiterste: Hebreeuws, van de vleugel van de aarde (אָרֶץ).
[^jesaja-24-16-40]: Kanttekening 40: Te weten Gods; zie de voorgaande verzen. Anders: dat de gerechtige ene heerlijkheid \[gegeven zij\], te weten al dengenen, die God uit genade rechtvaardig maakt, en versta dan door de heerlijkheid de heerlijkheid van de kinderen van God; Rom. 8:30 . Romeinen 8:30 : En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
[^jesaja-24-16-41]: Kanttekening 41: Hier begint de profeet opnieuw te spreken van de verstoring van het Joodse land, alsof hij zei: Maar als ik aanzie de ongeregeldheid van de mensen, en wel wetende dat God die niet altijd zal ongestraft laten, zo spreek ik al klagende, gelijk volgt.
[^jesaja-24-16-42]: Kanttekening 42: Ik word mager: Dat is, ik neem mij dit zo ter harte, dat ik verdwijn van treurigheid, aanziende de trouweloosheid van de grootste hoop van mijn landslieden, waarmee zij de toorn van God over zich verwekken. Anders: ik teer uit, ik teer uit.
[^jesaja-24-17-f]: Verwijzing f: Jer. 48:43 . Jeremia 48:43 : De vreze, en de kuil, en de strik, over u, u inwoner van Moab! spreekt YHWH.
[^jesaja-24-17-43]: Kanttekening 43: De vrees: Zie Ps. 11:6 . In vers 17 staan drie Hebreeuwse woorden op ene wijze luidende; te weten, pachad, pachat, pach, waarvan wij de eigenaardigheid in onze spraak niet kunnen uitdrukken. Psalmen 11:6 : Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Jesaja 24:17 : De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land!
[^jesaja-24-17-44]: Kanttekening 44: de strik: Anders, het net.
[^jesaja-24-18-g]: Verwijzing g: Jer. 48:44 ; Amos 5:19 . Jeremia 48:44 : Die van de vreze ontvliedt, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen, spreekt YHWH. Amos 5:19 : Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^jesaja-24-18-45]: Kanttekening 45: zo wie: Vergelijk Job 20:24 , enz. Job 20:24 : Hij zij gevlucht van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.
[^jesaja-24-18-46]: Kanttekening 46: voor de stem: Dat is, voor de stem van de vijanden, die schrik en vrees zullen aanjagen. De mening is: ofschoon iemand het ene ongeluk ontvluchten zal, zo zal hij toch in een ander vervallen.
[^jesaja-24-18-47]: Kanttekening 47: de kuil opklimt: Hebreeuws, uit het midden van de kuil.
[^jesaja-24-18-48]: Kanttekening 48: de sluizen: Of, spuien, of sluizen. De profeet wil zeggen dat God zijn toorn over hen uitstorten en openbaren zou, boven uit de hemel en beneden op de aarde, gelijk ten tijde van de zondvloed geschied is. Anders, vensters. Zie de aantekening Gen. 7:11 . Genesis 7:11 : In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend.
[^jesaja-24-19-49]: Kanttekening 49: De aarde zal ganselijk verbroken worden: Hebreeuws, brekende gebroken worden. De zin is: Het zal al barsten en breken, het onderste zal op de aardbodem boven gaan. Maar versta hier eigenlijk die landen, waarin de Joden en hun bondgenoten in die tijden woonden.
[^jesaja-24-20-h]: Verwijzing h: Jes. 19:14 . Jesaja 19:14 : YHWH heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel.
[^jesaja-24-20-i]: Verwijzing i: Job 27:18 ; Jes. 1:8 . Job 27:18 : Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt. Jesaja 1:8 : En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.
[^jesaja-24-20-50]: Kanttekening 50: De aarde zal ganselijk waggelen: Versta hier doorgaans door de aarde, of de aarde, de inwoners van het land.
[^jesaja-24-20-51]: Kanttekening 51: een nachthut: Die lichtelijk van de wind heen en weer geschud, of ook van de ene plaats op de andere kan gevoerd of gedragen worden. Zie Jer. 9:2 ; zo van de herders, Jes. 1:8 ; van krijgslieden, boven Jes. 10:29 . Jeremia 9:2 : Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop. Jesaja 1:8 : En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad. Jesaja 10:29 : Zij trekken door de doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gibeä Sauls vlucht.
[^jesaja-24-20-52]: Kanttekening 52: haar overtreding: Dat is de straf van hun overtreding.
[^jesaja-24-20-53]: Kanttekening 53: niet weer opstaan: Hebreeuws, niet toedoen op te staan; te weten in zulken voortreffelijken welstand en heerlijkheid als zij tevoren geweest is.
[^jesaja-24-21-54]: Kanttekening 54: op die dag: Dat is, in de tijd van God de Heer daartoe bestemd.
[^jesaja-24-21-55]: Kanttekening 55: bezoeking doen zal: Te weten in zijn toorn, dat is, straffen zal.
[^jesaja-24-21-56]: Kanttekening 56: van de hogen: Of, van de hoogheid. Hij wil zeggen, van de hoogverheven koningen van deze wereld.
[^jesaja-24-22-57]: Kanttekening 57: zullen samenvergaderd worden: Hebreeuws, zij zullen vergaderd worden \[met\] de vergadering als een gevangene; dat is, gelijk men de gevangenen in een put vergadert of bij elkaar sluit.
[^jesaja-24-22-58]: Kanttekening 58: na vele dagen: Hebreeuws, na de veelheid van de dagen.
[^jesaja-24-22-59]: Kanttekening 59: weer bezocht worden: Te weten met genade, ten tijde van de toekomst van Christus.
[^jesaja-24-23-k]: Verwijzing k: Jes. 13:10 ; Ez. 32:7 ; Joël 2:31 ; Joël 3:15 . Jesaja 13:10 : Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Joël 3:15 : De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
[^jesaja-24-23-60]: Kanttekening 60: de maan: Dat is, de glans en schone schijn van de zon en van de maan zullen niet met al zijn ten aanzien van de heerlijkheid van ons Hoofd Jezus Christus in zijn kerk, en als Hij komen zal in de heerlijkheid van zijn Vader.
[^jesaja-24-23-61]: Kanttekening 61: op de berg Sion: Dat is hier te zeggen, in de Christelijke kerk.
[^jesaja-24-23-62]: Kanttekening 62: voor zijn oudsten: Die Hij tot voorstanders van zijn kerk is stellende.
[^jesaja-24-23-63]: Kanttekening 63: zal heerlijkheid zijn: Anders: zeer heerlijk, of daar zal heerlijkheid zijn in de aanwezigheid van zijn oudsten.

### Jesaja 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/25.json)

*Een dankzegging van het volk van God voor het vernietigen van hun vijanden, vers 1, in het bijzonder van de stad Babel, 2. Profetie van de roeping van de heidenen ten tijde van de Messias, 6, en de verlossing van alle gelovigen, 7, en de vernietiging van hun vijanden, 10.*

**1** [^jesaja-25-1-1] YHWH! U bent mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want U hebt[^jesaja-25-1-2] wonder gedaan; Uw[^jesaja-25-1-3] raadslagen van verre zijn waarheid[^jesaja-25-1-4] en vastheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v1)

**2** [^jesaja-25-2-5] Want U hebt van de[^jesaja-25-2-6] stad een[^jesaja-25-2-a] steenhoop[^jesaja-25-2-7] gemaakt; de versterkte stad tot een vervallen hoop; het paleis van de vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v2)

**3** Daarom zal U[^jesaja-25-3-8] een machtig volk eren, de stad[^jesaja-25-3-9] van de tirannische volken zal U vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v3)

**4** Want U bent[^jesaja-25-4-10] de arme een Sterkte geweest, een Sterkte voor de arme, als hem bange was; een Toevlucht[^jesaja-25-4-11] tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte;[^jesaja-25-4-12] want[^jesaja-25-4-13] het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v4)

**5** [^jesaja-25-5-14] Zoals de hitte in een dorre plaats, zult U de onstuimigheid van de vreemdelingen neerdrukken; gelijk de[^jesaja-25-5-15] hitte door de schaduw van een dikke wolk, zal het[^jesaja-25-5-16] gezang van de tirannen vernederd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v5)

**6** En[^jesaja-25-6-17] YHWH van de legermachten zal op[^jesaja-25-6-18] deze berg[^jesaja-25-6-19] alle volken[^jesaja-25-6-20] een vetten maaltijd maken, een maaltijd van[^jesaja-25-6-21] reinen wijn,[^jesaja-25-6-22] van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v6)

**7** En Hij zal op deze berg[^jesaja-25-7-23] verslinden[^jesaja-25-7-24] het bewindsel van het aangezicht, waarmee alle volken bewonden zijn,[^jesaja-25-7-25] en het deksel, waarmee alle natiën bedekt zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v7)

**8** [^jesaja-25-8-b] Hij zal de dood[^jesaja-25-8-26] verslinden[^jesaja-25-8-27] tot overwinning, en Adonai YHWH zal de tranen van[^jesaja-25-8-28] alle gezichten afwissen; en Hij zal de smaad van Zijn volk[^jesaja-25-8-29] van de hele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v8)

**9** En men zal op die dag zeggen: Zie,[^jesaja-25-9-30] Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons[^jesaja-25-9-31] zalig maken. Deze is YHWH, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden[^jesaja-25-9-32] in Zijn zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v9)

**10** Want[^jesaja-25-10-33] de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar[^jesaja-25-10-34] Moab zal[^jesaja-25-10-35] onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt[^jesaja-25-10-36] tot mest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v10)

**11** En[^jesaja-25-11-37] Hij zal[^jesaja-25-11-38] Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, zoals een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en[^jesaja-25-11-c] Hij zal[^jesaja-25-11-39] hun hoogmoed vernederen[^jesaja-25-11-40] met de lagen van hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v11)

**12** En Hij zal[^jesaja-25-12-41] de hoge vesten[^jesaja-25-12-42] van uw muren buigen, vernederen,[^jesaja-25-12-43] ja, Hij zal[^jesaja-25-12-44] ze ter aarde tot het stof toe doen reiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/25.html#v12)

[^jesaja-25-1-1]: Kanttekening 1: U bent mijn God: Dat is een lofzang van het volk van God, te weten van de gemeente van de gelovigen in het Nieuwe Testament.
[^jesaja-25-1-2]: Kanttekening 2: wonder gedaan: Of, wonderlijke dingen.
[^jesaja-25-1-3]: Kanttekening 3: van verre: Dat is, vanouds af.
[^jesaja-25-1-4]: Kanttekening 4: Of, trouw.
[^jesaja-25-2-5]: Kanttekening 5: Want U hebt: Duidelijkheidshalve zijn de woorden van vers 2 in een weinig andere orde gesteld dan zij in het Hebreeuws staan. Jesaja 25:2 : Want U hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis van de vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.
[^jesaja-25-2-6]: Kanttekening 6: Te weten Babylon, en verder alle andere vijandelijke steden en volken, in het bijzonder Rome.
[^jesaja-25-2-a]: Verwijzing a: Jes. 21:9 ; Jes. 23:13 ; Openb. 14:8 ; Openb. 18:2 . Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jesaja 23:13 : Ziet, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^jesaja-25-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, gesteld tot een steenhoop.
[^jesaja-25-3-8]: Kanttekening 8: een machtig volk: Versta, dat volk, dat zich tot U bekeren zal, dat U uit zulke verschrikkelijke straffen zal leren vrezen en eren.
[^jesaja-25-3-9]: Kanttekening 9: van de tirannische volken: Of, schrikkelijke, geweldige, gruwelijke heidenen.
[^jesaja-25-4-10]: Kanttekening 10: de arme een Sterkte: Of, een sterkte van de armen.
[^jesaja-25-4-11]: Kanttekening 11: tegen de vloed: Of, voor de overvloeiende wateren; gelijk Jes. 4:6 . Jesaja 4:6 : En daar zal een hut zijn tot een schaduw van de dag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
[^jesaja-25-4-12]: Kanttekening 12: Of, toen het blazen van de tirannen was als, enz.
[^jesaja-25-4-13]: Kanttekening 13: het blazen: Hebreeuws, de wind, \[of, als sommigen, geest, dat is, toorn\] van de tirannen, of van de gruwzamen, of schrikkelijken (רוּחַ).
[^jesaja-25-5-14]: Kanttekening 14: Gelijk de hitte: De zin is: Gelijk de hitte in een dorre plaats door de regen spoedig gedempt wordt, zo heeft God door de wolk van zijn genadige hulp, door welke Hij zijn kerk heeft willen verkwikken, de onstuimigheid van de vreemdelingen, dat is van de ongelovigen en van de vijanden van zijn kerk, gedempt.
[^jesaja-25-5-15]: Kanttekening 15: hitte door de schaduw: Zie boven Jes. 4:6 . Jesaja 4:6 : En daar zal een hut zijn tot een schaduw van de dag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
[^jesaja-25-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, de vreugde, blijdschap en triomf, dat zij over de godzaligen plachten te bedrijven.
[^jesaja-25-6-17]: Kanttekening 17: YHWH: Hier spreekt de profeet, alsook vers 7 , 25:10 . Jesaja 25:7 : En Hij zal op deze berg verslinden het bewindsel van het aangezicht, waarmee alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmee alle natiën bedekt zijn. Jesaja 25:10 : Want de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.
[^jesaja-25-6-18]: Kanttekening 18: deze berg: Dat is, in de Christelijke kerk, die door de berg Zion wordt afgebeeld.
[^jesaja-25-6-19]: Kanttekening 19: alle volken: Zowel de heidenen als de Joden, die Hij door de predikatie van het heilig Evangelie tot zijn kennis roepen zal.
[^jesaja-25-6-20]: Kanttekening 20: een vetten: Hebreeuws, een maaltijd van vettigheden. Geestelijkerwijze te verstaan, is dit en wat er volgt te zeggen dat God zijn uitverkorenen zijn overgrote genade in Christus zal deelachtig maken, namelijk de eeuwige vreugde en zaligheid, die Hij ons boven in de hemel heeft bereid. Vergelijk hiermede Ps. 22:27 , 22:30 ; Matt. 8:11 , en Matt. 22:2 . Zie de aantekening Ps. 36:9 . Psalmen 22:27 : De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Mattheüs 22:2 : Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^jesaja-25-6-21]: Kanttekening 21: Of, gezuiverden wijn; dat is, waar geen hef in is, of die van de hef gezuiverd is, gelijk straks. Anders: die op de hef ligt.
[^jesaja-25-6-22]: Kanttekening 22: van vet: Dat is, van vette welgemergde beesten.
[^jesaja-25-7-23]: Kanttekening 23: Dat is, teniet doen.
[^jesaja-25-7-24]: Kanttekening 24: het bewindsel: Hebreeuws, het aangezicht van het bewindsel, of deksel, bewonden, of gedekt, over, enz. (פְּנֵֽי) en zo in het volgende; en versta, de blindheid en onwetendheid in goddelijke en hemelse zaken, waar alle heidenen in staken vóór de verkondiging van het heilige Evangelie. Zie 2 Kor. 3:16 . 2 Korinthiërs 3:16 : Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
[^jesaja-25-7-25]: Kanttekening 25: en het deksel: Dat is, waarmee alle natiën of de ogen van het verstand van alle heidenen bedekt en als verblind zijn, aangaande goddelijke zaken. Wat straks tevoren gezegd is, wordt met andere woorden wederhaald.
[^jesaja-25-8-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 15:54 . 1 Korinthiërs 15:54 : En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
[^jesaja-25-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, hun macht benemen, zo dat zij over zijn uitverkorenen te heersen gene macht hebben, en hen van zijn liefde niet scheiden kunnen.
[^jesaja-25-8-27]: Kanttekening 27: tot overwinning: Zo heeft de apostel deze woorden genomen 1 Kor. 15:54 . Anders, in eeuwigheid, of eeuwig. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 4:1 , en Ps. 13:2 . 1 Korinthiërs 15:54 : En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Psalmen 4:1 : Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. Psalmen 13:2 : Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^jesaja-25-8-28]: Kanttekening 28: alle aangezichten: Te weten van de aangezichten van zijn volk; zie Openb. 7:17 , en Openb. 21:4 . Openbaring 7:17 : Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
[^jesaja-25-8-29]: Kanttekening 29: van de gehele aarde: Dat is, in alle landen.
[^jesaja-25-9-30]: Kanttekening 30: Te weten Jezus Christus.
[^jesaja-25-9-31]: Kanttekening 31: zalig maken: Of, verlossen, behoeden. Dit woord en het laatste van vers 9 komen beide van de Hebreeuwse wortel, of van het oorspronkelijke woord, waar het woord Jezus van komt. Jesaja 25:9 : En men zal op die dag zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is YHWH, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.
[^jesaja-25-9-32]: Kanttekening 32: in Zijn zaligheid: Dat is, in de zaligheid, die Hij ons teweegbrengt. Anders: in zijn zaligmaking.
[^jesaja-25-10-33]: Kanttekening 33: de hand: Dat is, de macht. De zin is: God zal steeds zijn kerk beschutten en beschermen, want door de berg Zion wordt hier de kerk van God verstaan.
[^jesaja-25-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, alle vijanden en vervolgers van het volk van God.
[^jesaja-25-10-35]: Kanttekening 35: onder Hem: Te weten onder de Heer, die hem vertreden en verdelgen zal.
[^jesaja-25-10-36]: Kanttekening 36: tot mest: Versta hierdoor het allergeringste stro, dat nergens anders toe deugt dan om mest daarvan te maken. Anders: vertreden wordt op de mesthoop. Anders: te Madmenah. Daar zijn twee steden van die naam geweest, de ene in Juda, 1 Kron. 2:49 , de andere in het land van de Moabieten; Jer. 48:2 . Het schijnt dat daar overvloedig veel koren gewassen heeft; Jes. 10:31 . 1 Kronieken 2:49 : En de huisvrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibeä; en de dochter van Kaleb was Achsa. Jeremia 48:2 : Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook u, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan. Jesaja 10:31 : Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
[^jesaja-25-11-37]: Kanttekening 37: Hij zal: Te weten de Heer.
[^jesaja-25-11-38]: Kanttekening 38: Zijn handen: Dat is, Hij zal met gehele macht zijn vijanden aantasten en verdelgen, gelijk een zwemmer zijn beide handen uitstrekt en kloekelijk voort te zwemmen.
[^jesaja-25-11-c]: Verwijzing c: Jes. 16:6 . Jesaja 16:6 : Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn toorn, zijn zo zijn grendelen niet.
[^jesaja-25-11-39]: Kanttekening 39: hun hoogmoed: Te weten, van de Moabieten.
[^jesaja-25-11-40]: Kanttekening 40: met de lagen: De zin is: Moab is hovaardig van hart en in zijn handen is bedrog, weshalve hij zich grote dingen inbeeldt; maar God zal ze beide te schande maken, zo de hovaardij van zijn hart als de lagen van zijn handen. Zodat met hier betekent zoveel als en ook. Anders: met zijn loerende handen, alsof hij zei: Met zijn handen, die daarop loeren om de vromen te verscheuren, gelijk de leeuw op een prooi loert.
[^jesaja-25-12-41]: Kanttekening 41: de hoge vesten: Dat is, de vastigheden van uw hogere muren.
[^jesaja-25-12-42]: Kanttekening 42: van uw muren: Te weten van Moab, dat is, van de vijanden van Gods kerk.
[^jesaja-25-12-43]: Kanttekening 43: Hij zal ze: Te weten de Heer.
[^jesaja-25-12-44]: Kanttekening 44: ter aarde: Dat is, Hij zal hen ten gronde werpen tot in het stof.

### Jesaja 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/26.json)

*Een loflied waarmee het Joodse volk God dankt voor zijn verlossing, vers 1 enzovoort, en een vermaning om op de Heere te vertrouwen, 4, en in zijn wegen te wandelen, 7. Hoe noodzakelijk de tuchtroede van de Heere is, 9, maar de goddelozen zijn en blijven verhard, 10. Hoe God met de Joden gehandeld heeft, 15. Hun bekering, 16. Hun hoop en vertroosting, 19.*

**1** [^jesaja-26-1-1] Op die dag zal dit lied gezongen worden[^jesaja-26-1-2] in het land van Juda;[^jesaja-26-1-a] Wij hebben[^jesaja-26-1-3] een sterke stad,[^jesaja-26-1-4][^jesaja-26-1-5] God stelt heil tot muren en[^jesaja-26-1-6] voorschansen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v1)

**2** [^jesaja-26-2-7] Doe de poorten open, dat[^jesaja-26-2-8] het rechtvaardige volk daarin ga, dat[^jesaja-26-2-9] de getrouwigheden bewaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v2)

**3** Het is een bevestigd[^jesaja-26-3-10] voornemen,[^jesaja-26-3-11] U zult[^jesaja-26-3-12] allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.[^jesaja-26-3-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v3)

**4** Vertrouw op YHWH tot in de eeuwigheid; want in Adonai YHWH[^jesaja-26-4-14] is een eeuwige rotssteen.[^jesaja-26-4-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v4)

**5** Want Hij buigt de hooggezetenen neer,[^jesaja-26-5-16] de verheven stad;[^jesaja-26-5-17] Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.[^jesaja-26-5-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v5)

**6** De voet zal ze vertreden, de voeten[^jesaja-26-6-19] van de ellendigen, de treden van de armen.[^jesaja-26-6-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v6)

**7** Het pad van de rechtvaardige is geheel effen, de gang van de rechtvaardige weegt[^jesaja-26-7-21] U recht.[^jesaja-26-7-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v7)

**8** Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten, U, o YHWH! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw herinnering is de begeerte van onze ziel.[^jesaja-26-8-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v8)

**9** Met mijn ziel heb[^jesaja-26-9-24] ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is,[^jesaja-26-9-25] U vroeg zoeken; want wanneer[^jesaja-26-9-26] Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid.[^jesaja-26-9-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v9)

**10** Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een geheel richtig[^jesaja-26-10-28] land, en hij ziet de hoogheid van YHWH niet aan.[^jesaja-26-10-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v10)

**11** YHWH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet;[^jesaja-26-11-30] maar zij zullen het zien, en beschaamd[^jesaja-26-11-31] worden,[^jesaja-26-11-32] vanwege de ijver over Uw volk,[^jesaja-26-11-33] ook zal het vuur Uw tegenstanders verteren.[^jesaja-26-11-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v11)

**12** YHWH! U zult ons vrede bestellen, want U hebt[^jesaja-26-12-35] ons ook[^jesaja-26-12-36] al onze zaken uitgericht.[^jesaja-26-12-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v12)

**13** YHWH, onze God! andere heren, behalve U, hebben over ons geheerst;[^jesaja-26-13-38] maar door U alleen gedenken wij[^jesaja-26-13-39] Uw Naam.[^jesaja-26-13-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v13)

**14** Dood zijnde zullen zij niet weer leven,[^jesaja-26-14-41] overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht, en hebt[^jesaja-26-14-42][^jesaja-26-14-43] hen[^jesaja-26-14-44] vernietigd, en U hebt al hun herinnering doen vergaan.[^jesaja-26-14-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v14)

**15** U, o YHWH! had[^jesaja-26-15-46] dit volk vermeerderd,[^jesaja-26-15-47] U had dit volk vermeerderd; U was[^jesaja-26-15-48] verheerlijkt geworden; maar U hebt hen in al de einden van de[^jesaja-26-15-49] aarde verre weggedaan.[^jesaja-26-15-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v15)

**16** YHWH! in benauwdheid hebben zij[^jesaja-26-16-51] U bezocht; zij hebben[^jesaja-26-16-52] hun stil gebed[^jesaja-26-16-53] uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.[^jesaja-26-16-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v16)

**17** [^jesaja-26-17-b] Gelijk een zwangere vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o[^jesaja-26-17-55] YHWH! vanwege Uw aangezicht.[^jesaja-26-17-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v17)

**18** Wij waren zwanger,[^jesaja-26-18-57] wij hadden de smarten,[^jesaja-26-18-58] maar wij hebben niet dan wind[^jesaja-26-18-59] gebaard; wij deden[^jesaja-26-18-60] het land geen[^jesaja-26-18-61] behoudenis aan, en[^jesaja-26-18-62] de inwoners van de[^jesaja-26-18-63] wereld vielen niet neer.[^jesaja-26-18-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v18)

**19** Uw doden zullen[^jesaja-26-19-65] leven,[^jesaja-26-19-66] ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waak op en juich,[^jesaja-26-19-67] u, die in het stof woont! want[^jesaja-26-19-68] uw dauw zal zijn[^jesaja-26-19-69] als een dauw van de moeskruiden, en[^jesaja-26-19-70] het land zal de overledenen uitwerpen.[^jesaja-26-19-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v19)

**20** Ga heen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren[^jesaja-26-20-72] na u toe; verberg u[^jesaja-26-20-c] als een klein ogenblik, totdat de toorn overga.[^jesaja-26-20-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v20)

**21** Want zie, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde[^jesaja-26-21-74] over hen te bezoeken; en de aarde zal[^jesaja-26-21-75] haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.[^jesaja-26-21-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/26.html#v21)

[^jesaja-26-1-1]: Kanttekening 1: die dag: Te weten, als het volk uit de Babylonische gevangenschap zal verlost zijn, en de kinderen van God uit de handen van hun vijanden, zo lichamelijke als voornamelijk geestelijke.
[^jesaja-26-1-2]: Kanttekening 2: in het land: Dat is, in de gemeente van God, overal waar die in die tijd wezen zal, want onder de naam Juda wordt meermalen de kerk van God verstaan.
[^jesaja-26-1-a]: Verwijzing a: Ps. 46:6 ; Ps. 125:1 ; Spreuk. 18:10 . Psalmen 46:6 : God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond. Psalmen 125:1 : Een lied Hammaäloth. Die op YHWH vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. Spreuken 18:10 : De Naam van YHWH is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een Vesting gesteld worden.
[^jesaja-26-1-3]: Kanttekening 3: een sterke stad: Aldus wordt de kerk genaamd, omdat zij onder de bescherming van God vast en zeker is en blijft. Hebreeuws, ene stad van de sterkte (עִיר); dat is, ene stad van geweld.
[^jesaja-26-1-4]: Kanttekening 4: God : Hebreeuws, Hij stelt; te weten God.
[^jesaja-26-1-5]: Kanttekening 5: De zin is: Het heil, dat God haar geeft, is haar muur en vastheid, waar ze zich op mag verlaten. Hij zal ze daarbij wel behouden, zodat ook de poorten van het dodenrijk daar niet tegen zullen vermogen, Matt. 16:18 . Of aldus, God, die ons heil, of onze Heiland en Verlosser is, zal de muur, of beschermer van deze stad, dat is, van zijn kerk en gemeente zijn, daarom zal zij sterk, ja onverwinnelijk zijn. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.
[^jesaja-26-1-6]: Kanttekening 6: Of, voormuren, dwingers, bolwerken.
[^jesaja-26-2-7]: Kanttekening 7: Met deze woorden vermanen de gelovigen elkaar tot aanneming dergenen, die zich tot de gemeenschap van de heiligen aanbieden. Vergelijk Ps. 118:19 , 118:20 . Psalmen 118:19 : Doet mij de poorten van de gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal YHWH loven. Psalmen 118:20 : Dit is de poort van YHWH, door welke de rechtvaardigen zullen ingaan.
[^jesaja-26-2-8]: Kanttekening 8: het rechtvaardige volk: Dat is, het uitverkoren volk van God, dat door het geloof aan Christus gerechtvaardigd is en alle getrouwheid onderhoudt.
[^jesaja-26-2-9]: Kanttekening 9: de getrouwigheden: Dat is, dat de trouw bestendiglijk onderhoudt, die het God en de mensen heeft beloofd. Anders: dat alle trouw bewaart, of onderhoudt.
[^jesaja-26-3-10]: Kanttekening 10: Het is …: Enige zetten dit vers als volgt over: \[Wiens\] voornemen vast \[op U\] staat, die zult U een vaste vrede bewaren, wanneer men zich op U vertrouwt.
[^jesaja-26-3-11]: Kanttekening 11: Of, gedachte, besluit; te weten bij U, o God. Anders: Dat, \[te weten, volk\] dat bevestigd is van gedachten, zult U bewaren in allerlei vrede, want het heeft, enz., waarvan de zin is: Dat volk, dat eens rechtvaardig gemaakt zijnde, vers 2 , niet wankelbaar of onbestendig is van gedachten; zie Jak. 1:6 , 1:8 . Jesaja 26:2 : Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, dat de getrouwigheden bewaart. Jakobus 1:6 : Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. Jakobus 1:8 : Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.
[^jesaja-26-3-12]: Kanttekening 12: U zult: O God.
[^jesaja-26-3-13]: Kanttekening 13: allerlei vrede: Hebreeuws, vrede, vrede (שָׁלוֹם); dat is, allerlei vrede, of bestendigen, vasten, gedurigen vrede; en versta door het woord vrede allerlei heil en welstand. Zie Gen. 37:14 . Genesis 37:14 : En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^jesaja-26-4-14]: Kanttekening 14: Hier vermanen verder de gelovigen elkaar.
[^jesaja-26-4-15]: Kanttekening 15: is een eeuwige rotssteen: Anders: bestaat de steenrots van de eeuwen; dat is, de eeuwige steenrots. De zin is: Hij, die waarlijk de eeuwige God is, is de eeuwige rotssteen van al degenen, die hun toevlucht tot hem nemen.
[^jesaja-26-5-16]: Kanttekening 16: de hooggezetenen: Te weten de Babyloniërs, en ook andere geweldige en machtige vijanden van zijn kerk. Anders: die in hoogte wonen; zie boven Jes. 25:12 . Jesaja 25:12 : En Hij zal de hoge vesten van uw muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.
[^jesaja-26-5-17]: Kanttekening 17: de verheven stad: Versta, de stad Babel.
[^jesaja-26-5-18]: Kanttekening 18: Hij vernedert ze: Van de wederhaling van een en hetzelfde woord, zie Ez. 21:9 . Ezechiël 21:9 : Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
[^jesaja-26-6-19]: Kanttekening 19: De voet: De zin is: Ofschoon de gelovigen voor de wereld arm en verachtzaam zijn, en een tijdlang van hun vijanden hard vervolgd en verdrukt worden, zo krijgen zij nochtans nog eindelijk de overwinning door de kracht van God, en vertreden hun vijanden als met voeten.
[^jesaja-26-6-20]: Kanttekening 20: van de ellendigen: Anders: de uitgeteerden.
[^jesaja-26-7-21]: Kanttekening 21: is geheel: Hebreeuws, zijn gerechtigheden, of oprechtheden; dat is, enkele oprechtheid. Anders: het pad van de rechtvaardigen is geheel effen, o U rechtvaardige, U weegt het spoor \[dat is, de weg\] van de rechtvaardigen. Anders: de weg van de rechtvaardigen zijn gerechtigheden, hij is gerechtig. U zult het spoor van de rechtvaardigen wegen; of overweegt U het spoor van de rechtvaardigen; dat is, o God, weegt U zelf, of de rechtvaardige niet geheel oprecht zij, en of zijn weg niet rechtvaardig zij.
[^jesaja-26-7-22]: Kanttekening 22: Dat is, in een rechte weegschaal.
[^jesaja-26-8-23]: Kanttekening 23: Wij hebben: De zin is: Zelfs nu, nu U ons zo moeizaam tehuiszoekt door de Babyloniërs, wachten en hopen wij evenwel op uwe hulp, en wij wensen van hart dat uw naam groot gemaakt en altijd ter ere mag gedacht worden, zo van ons als van anderen. De godzaligen gelijken de goddelozen niet, bij wie de Heer geheel uitheeft wanneer Hij hen met zijn roeden slaat. Zie Ps. 44:18 , 44:19 , enz. Psalmen 44:18 : Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond. Psalmen 44:19 : Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
[^jesaja-26-9-24]: Kanttekening 24: Dat is, wij uw volk, een ieder van ons.
[^jesaja-26-9-25]: Kanttekening 25: U begeerd: Te weten door het gebed.
[^jesaja-26-9-26]: Kanttekening 26: U vroeg zoeken: Zie Job 7:21 . Job 7:21 : En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
[^jesaja-26-9-27]: Kanttekening 27: Uw gerichten: Dat is, straffen, of tuchtigen. De zin is: Door de tuchtigingen of straffen worden de afgedwaalden weer op de rechte weg gebracht en leren op Gods geboden passen. Zie Ps. 119:67 , 119:71 . Psalmen 119:67 : Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord. Psalmen 119:71 : Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
[^jesaja-26-10-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, in het land van de rechtigheden; dat is, in het land waar Gods Woord geleerd wordt, dat de rechte weg van de zaligheid aanwijst (אֶרֶץ). De zin is: Ofschoon zij in de uiterlijke gemeenschap van de kerk zijn, zo leiden zij evenwel een boos leven.
[^jesaja-26-10-29]: Kanttekening 29: en hij ziet: Anders: daarom zal hij de hoogheid \[of heerlijkheid, of majesteit \] van de Heer niet zien.
[^jesaja-26-11-30]: Kanttekening 30: is Uw hand verhoogd: Dat is, al zijn uw grote daden en wonderwerken openbaar en ogenschijnlijk, zij merken het niet.
[^jesaja-26-11-31]: Kanttekening 31: Te weten, uwe vijanden, de goddelozen.
[^jesaja-26-11-32]: Kanttekening 32: zij zullen het zien: Zij zullen het moeten merken, of zij willen of niet; namelijk als zij door uw grote straffen en tot hun uiterste verderf bevinden zullen hoe machtig U bent om uwe vijanden te straffen.
[^jesaja-26-11-33]: Kanttekening 33: vanwege de ijver over Uw volk: Hebreeuws, vanwege de ijver van het volk (עָם). De zin is: Zij zullen beschaamd staan als zij zullen zien de grote ijver, die U betonen zult in het redden van uw volk uit de hand van hun vijanden. Anders: door de ijver van uw volk; dat is, door de ijver, waarmee U over uw volk ontstoken bent , ook door het vuur van uw vijanden, dat is, waardoor U uwe vijanden haat zult U hen verteren. Naar welke zin hier twee oorzaken worden aangewezen, die God hebben bewogen de goddelozen van wie vers 10 gesproken is te verdelgen: vooreerst de liefde, die Hij zijn volk toedraagt, ten andere de brand van de toorn, waarmee Hij tegen zijn vijanden ontstoken is. Jesaja 26:10 : Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een geheel richtig land, en hij ziet de hoogheid van YHWH niet aan.
[^jesaja-26-11-34]: Kanttekening 34: het vuur: Van het woord vuur, voor de toorn en wraak Gods, zie Job 20:26 , en Job 22:20 . Job 20:26 : Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet aangeblazen is, zal hem verteren; de overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan. Job 22:20 : Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^jesaja-26-12-35]: Kanttekening 35: Dat is, verlenen, of geven.
[^jesaja-26-12-36]: Kanttekening 36: Of, voor ons, of in ons.
[^jesaja-26-12-37]: Kanttekening 37: al onze zaken uitgericht: Of, al onze werken gewrocht; dat is, alles wat ons nodig is geweest aan de ziel en aan het lichaam, hebt U voor ons teweeggebracht.
[^jesaja-26-13-38]: Kanttekening 38: andere heren: Te weten de Babyloniërs en andere vijanden van uw kerk.
[^jesaja-26-13-39]: Kanttekening 39: door U alleen: De zin is: Dat wij in het leven zijn gebleven, dat hebben wij U alleen te danken, en zijn daarom schuldig uw heilige naam te danken en te loven, en vastelijk op U te vertrouwen.
[^jesaja-26-13-40]: Kanttekening 40: Uws Naams: Of, aan uw naam.
[^jesaja-26-14-41]: Kanttekening 41: niet weer leven: Dat is, niet weer levend worden, en daarom zullen zij ons niet meer verhinderen uw naam te prijzen; zie Ex. 14 , Ex. 15 .
[^jesaja-26-14-42]: Kanttekening 42: Zie de aantekening Job 26:5 . Job 26:5 : De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
[^jesaja-26-14-43]: Kanttekening 43: Te weten die vijanden noch anderen van huns gelijken.
[^jesaja-26-14-44]: Kanttekening 44: niet opstaan: Te weten om hier op aarde te leven.
[^jesaja-26-14-45]: Kanttekening 45: Te weten in uw toorn.
[^jesaja-26-15-46]: Kanttekening 46: U, o YHWH! hadt: Hebreeuws, U hadt tot dit volk toegedaan (גּוֹי); dat is, velerlei zegen gegeven; of, gelijk sommigen, vele straffen toegevoegd; door welke beide God eer behaalt.
[^jesaja-26-15-47]: Kanttekening 47: dit volk: Te weten de Joden.
[^jesaja-26-15-48]: Kanttekening 48: U hadt: Van dergelijke wederhaling van het woord zie boven vers 5 . Jesaja 26:5 : Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
[^jesaja-26-15-49]: Kanttekening 49: verheerlijkt geworden: Te weten door de weldaden aan dit volk bewezen. Anders: bezwaard geworden; te weten door de zonden, die zij tegen U hebben begaan, \[daarom\] hebt U hen, enz. Het Hebreeuwse woord betekent verheerlijken, het betekent ook bezwaren.
[^jesaja-26-15-50]: Kanttekening 50: verre weggedaan: Dat is, verstoten, ten lande uitgestoten, te weten om hun zonden wil.
[^jesaja-26-16-51]: Kanttekening 51: Te weten uw volk, als U hen gekastijd hebt.
[^jesaja-26-16-52]: Kanttekening 52: U bezocht: Dat is, zij hebben U om hulp aangeroepen.
[^jesaja-26-16-53]: Kanttekening 53: stil gebed: Het Hebreeuwse woord Lachas betekent eigenlijk een stille mompeling, die men nauwelijks horen kan, gelijk 1 Sam. 1:13 . Hiermede wil de profeet aanwijzen dat zij in hun noden tot God gezucht en in stilheid gebeden hebben, dat bij God een geroep is; Ex. 14:15 . 1 Samuël 1:13 : Want Hanna sprak in haar hart; alleen roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken. Exodus 14:15 : Toen zei YHWH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de kinderen van Israël, dat zij voorttrekken.
[^jesaja-26-16-54]: Kanttekening 54: als Uw tuchtiging: Dat is, als U hen tuchtigde.
[^jesaja-26-17-b]: Verwijzing b: Joh. 16:21 . Johannes 16:21 : Een vrouw, wanneer zij baart, heeft verdriet, omdat haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.
[^jesaja-26-17-55]: Kanttekening 55: zo zijn wij: Te weten, in de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-26-17-56]: Kanttekening 56: Dat is, vanwege uw toorn. Zie de aantekening Gen. 32:20 , en Ps. 21:10 . Genesis 32:20 : En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. Psalmen 21:10 : U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^jesaja-26-18-57]: Kanttekening 57: Wij waren bevrucht: Dat is, wij waren in grote nood en ellende.
[^jesaja-26-18-58]: Kanttekening 58: wij hadden de smarten: Te weten als een barende vrouw.
[^jesaja-26-18-59]: Kanttekening 59: wij hebben niet dan wind gebaard: Dat is, wij hebben ons tevergeefs bekommerd hoe wij uit de gevangenschap of ellende geraken zouden. Wind baren is zoveel gezegd als vergeefsen arbeid doen. Hebreeuws, wij hebben als een wind gebaard (רוּחַ).
[^jesaja-26-18-60]: Kanttekening 60: wij deden: Dat is, wij hebben onze vijanden, die ons land ingenomen hadden, door onze eigen kracht niet kunnen verslaan.
[^jesaja-26-18-61]: Kanttekening 61: het land: Te weten het Joodse land, ons vaderland.
[^jesaja-26-18-62]: Kanttekening 62: Of, verlossing, of heil.
[^jesaja-26-18-63]: Kanttekening 63: de inwoners: Dat is, de Babyloniërs, die ons land, en ook nog vele andere koninkrijken en landen inhadden.
[^jesaja-26-18-64]: Kanttekening 64: vielen niet neder: Of, zij zijn niet gevallen; dat is, zij zijn niet omgekomen.
[^jesaja-26-19-65]: Kanttekening 65: Uw doden zullen: Met deze woorden verklaart de kerk in het algemeen, en elke gelovige in het bijzonder, een vast vertrouwen van de zalige opstanding uit de dood, tot de heerlijkheid van het eeuwige leven; waarvan de verlossing uit de Babylonische gevangenschap een voorbeeld zou zijn, en daarom van de Joden met vertrouwen was te verwachten. Vergelijk Ez. 37 .
[^jesaja-26-19-66]: Kanttekening 66: Dat is, zij zullen door uwe kracht weer verlost en opgewekt worden.
[^jesaja-26-19-67]: Kanttekening 67: mijn dood lichaam: Dit spreekt iedere gelovige mens voor zichzelven.
[^jesaja-26-19-68]: Kanttekening 68: Dat is, u die als in de graven ligt.
[^jesaja-26-19-69]: Kanttekening 69: uw dauw: Dat is, uwe goedertierenheid, waarmee U ons ontvangen zult, zal maken dat wij, die uw kerk of volk zijn, zo zullen verkwikt en getroost worden, gelijk de dauw de kruiden verkwikt.
[^jesaja-26-19-70]: Kanttekening 70: als een dauw van de moeskruiden: Dat is, als een dauw, die op de moeskruiden valt; versta hierbij het gras en alle andere kruiden, die uit de aarde groeien.
[^jesaja-26-19-71]: Kanttekening 71: het land: Anders: Nadat U de reuzen \[dat is, de machtige en verschrikkelijke vijanden van uw volk\] zult ter aarde geveld hebben.
[^jesaja-26-20-72]: Kanttekening 72: Ga heen: Tot hiertoe heeft geduurd de lofzang van het volk van God; nu voortaan spreekt God de Heer, of de profeet in Gods naam, de kerk vermanende dat zij nog een weinig geduld hebbe, totdat de tijd van haar verlossing gekomen zij.
[^jesaja-26-20-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 4:17 . 2 Korinthiërs 4:17 : Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid;
[^jesaja-26-20-73]: Kanttekening 73: na u: Hebreeuws, voor u, gelijk 2 Kon. 4:4 . 2 Koningen 4:4 : Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.
[^jesaja-26-21-74]: Kanttekening 74: uit Zijn plaats: Dat is, uit de hemel; Micha 1:3 ; Rom. 1:18 . Micha 1:3 : Want ziet, YHWH gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten van de aarde. Romeinen 1:18 : Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
[^jesaja-26-21-75]: Kanttekening 75: over hen te bezoeken: Dat is, de Heer zal van de hemel het bloed van zijn volk, dat de vijanden vergoten hebben, wreken.
[^jesaja-26-21-76]: Kanttekening 76: haar bloed: Zie de aantekening Gen. 4:10 , en Job 16:18 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Job 16:18 : O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.

### Jesaja 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/27.json)

*Verwoesting van de vijanden van Gods kerk, vers 1, en dat Hij zijn volk zou beschutten en zegenen, 2 enzovoort, als zij zouden ophouden met zondigen, 9. Hierbij voegt de profeet een dreiging betreffende de verwoesting van Jeruzalem, 10, en de terugkeer van sommige Joden uit de landen waarin zij verstrooid waren, 13.*

**1** [^jesaja-27-1-1] Op die dag zal YHWH[^jesaja-27-1-2] met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard[^jesaja-27-1-3] bezoeken[^jesaja-27-1-4] de Leviathan, de[^jesaja-27-1-5] langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de[^jesaja-27-1-6] draak, die in de zee is, doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v1)

**2** Op die dag zal[^jesaja-27-2-7] er een wijngaard van roden wijn zijn;[^jesaja-27-2-8] zing daarvan bij beurte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v2)

**3** Ik, YHWH, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de[^jesaja-27-3-9] vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v3)

**4** [^jesaja-27-4-10] Woede is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik[^jesaja-27-4-11] tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v4)

**5** [^jesaja-27-5-12] Of hij moest Mijn sterkte[^jesaja-27-5-13] aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v5)

**6** [^jesaja-27-6-14] In het toekomende zal[^jesaja-27-6-15] Jakob wortels schieten,[^jesaja-27-6-a] Israël zal bloeien en groeien; en[^jesaja-27-6-16] zij zullen de wereld met[^jesaja-27-6-17] inkomsten vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v6)

**7** Heeft[^jesaja-27-7-18] Hij[^jesaja-27-7-19] hem geslagen,[^jesaja-27-7-20] zoals Hij[^jesaja-27-7-21] die geslagen heeft, die hem sloeg? Is[^jesaja-27-7-22] hij gedood, gelijk[^jesaja-27-7-23] zijn gedoden gedood zijn geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v7)

**8** [^jesaja-27-8-24][^jesaja-27-8-b] Met mate hebt[^jesaja-27-8-25] U[^jesaja-27-8-26] met hem getwist, wanneer U hem[^jesaja-27-8-27] wegstiet;[^jesaja-27-8-28] als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag[^jesaja-27-8-29] van de oostenwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v8)

**9** Daarom[^jesaja-27-9-30] zal daardoor de ongerechtigheid van[^jesaja-27-9-31] Jakob verzoend worden, en dit is de hele[^jesaja-27-9-32] vrucht, dat[^jesaja-27-9-33] Hij[^jesaja-27-9-34] zijn zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen[^jesaja-27-9-35] van het[^jesaja-27-9-36] altaar maken zal als verstrooide kalkstenen,[^jesaja-27-9-37] de[^jesaja-27-9-38] bossen en[^jesaja-27-9-39] de zonnebeelden zullen niet bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v9)

**10** [^jesaja-27-10-40] Want[^jesaja-27-10-41] de versterkte stad zal eenzaam, de[^jesaja-27-10-42] woonstede zal verstoten en verlaten worden, zoals een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij neerliggen, en zullen[^jesaja-27-10-43] haar takken verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v10)

**11** Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze[^jesaja-27-11-44] aansteken; want het is geen[^jesaja-27-11-45] volk van enig verstand; daarom zal Hij,[^jesaja-27-11-46] Die het gemaakt heeft,[^jesaja-27-11-47] Zich erover niet ontfermen, en[^jesaja-27-11-48] Die het gevormd heeft, zal het geen genade bewijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v11)

**12** En het zal[^jesaja-27-12-49] op die dag gebeuren, dat YHWH[^jesaja-27-12-50] dorsen zal,[^jesaja-27-12-51] van de[^jesaja-27-12-52] stroom van de rivier af tot aan de rivier van Egypte;[^jesaja-27-12-53] maar u[^jesaja-27-12-c] zult opgelezen worden,[^jesaja-27-12-54] één bij één, o u Israëlieten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v12)

**13** En het zal op die dag gebeuren, dat er met[^jesaja-27-13-55] een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen[^jesaja-27-13-56] die komen,[^jesaja-27-13-57] die in het land van Assur[^jesaja-27-13-58] verloren zijn, en de heengedrevenen[^jesaja-27-13-59] in het land van Egypte; en[^jesaja-27-13-60] zij zullen YHWH aanbidden[^jesaja-27-13-61] op de heilige berg te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/27.html#v13)

[^jesaja-27-1-1]: Kanttekening 1: die dage: Te weten, als God zijn volk uit de Babylonische gevangenschap verlossen zal.
[^jesaja-27-1-2]: Kanttekening 2: met Zijn hard: Dat is, door de Perzen en Meden; Jes. 13:17 , en Jes. 21:2 . Jesaja 13:17 : Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben. Jesaja 21:2 : Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^jesaja-27-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, straffen, verdelgen; zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jesaja-27-1-4]: Kanttekening 4: de Leviathan: Hierbij verstaan enige de koning te Babel, listig als een slang, vergiftig of schadelijk als een draak. Anderen verstaan ook hier door leviathan de duivel, de antichrist en alle zo geestelijke als lichamelijke vijanden van de kerk van God. Zie breder van het woord leviathan Job 40:20 , en Ps. 74:14 . Job 40:20 : Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat nederzinken? Psalmen 74:14 : U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
[^jesaja-27-1-5]: Kanttekening 5: langwemelende slang: Zie Job 26:13 , met de aantekening. Job 26:13 : Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
[^jesaja-27-1-6]: Kanttekening 6: Of, de zeedraak.
[^jesaja-27-2-7]: Kanttekening 7: een wijngaard: De rode wijn werd in het Joodse land voor de beste en sterkste wijn gehouden. Zie Gen. 49:12 ; Spreuk. 23:31 . Maar de woorden van vers 2 zijn te verstaan van de gemeente van de gelovigen, die voortreffelijke vruchten van de godzaligheid dragen zou. Van de geestelijke betekenis van de wijngaards, zie de aantekening Jes. 5:1 . Genesis 49:12 : Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk. Spreuken 23:31 : Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat; Jesaja 27:2 : Op die dag zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van dezelfde bij beurte. Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied mijn Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
[^jesaja-27-2-8]: Kanttekening 8: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk antwoorden, gelijk Ex. 15:21 ; zie de aantekening daar. Het betekent ook bij beurten zingen in de reien als anders, 1 Sam. 18:7 ; alsook hier en elders meer. Het is hier ene vermaning aan alle godzaligen, dat zij zich verblijden vanwege hun verlossing door Jezus Christus. Exodus 15:21 : Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt YHWH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! 1 Samuël 18:7 : En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!
[^jesaja-27-3-9]: Kanttekening 9: hem niet: Dat is, hem beschadigen; zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jesaja-27-4-10]: Kanttekening 10: Dit spreekt de profeet in de persoon Gods, alsof hij zei: Ik ben nu met mijn volk ganselijk verzoend, om Christus' wil. Zodat niemand mij opnieuw tot toorn tegen hetzelfde zo ontstoken zal, dat Ik, daartegen oorlogende, hetzelfde als een distel en doorn zou worden, of hetzelfde verbranden zou. O dat zij verre van mij. Sommigen verstaan dat God, gesproken hebbende van zijn liefde tot de kerk, hier nu spreekt van zijn toorn en de straffen van de vijanden: het is zaak dat zij zich oprecht tot hem bekeren, en zetten het aldus over: Zo wie mij \[als\] een doorn en distel in oorlog zal stellen, Ik zal tegen hem aanvallen, Ik zal hem tegelijk verbranden; of hij moest mijn sterkte aangrijpen, hij moest vrede met mij maken, enz.
[^jesaja-27-4-11]: Kanttekening 11: tegen hem: Te weten tegen mijn wijngaard.
[^jesaja-27-5-12]: Kanttekening 12: Of hij moest: Anders: of hij mijn sterkte aangreep? Te weten, de wijnstok, dat is, mijn volk, de kerk.
[^jesaja-27-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, hij zal zich vasthouden aan mijn sterkte, hij zal er zich op verlaten en rusten, te weten met berouw over zijn zonden, verbetering van het leven en door een vast geloof.
[^jesaja-27-6-14]: Kanttekening 14: In de toekomende: Anders: O u nakomelingen, Jakob zal wortelen schieten. Anders: Aangaande de nakomelingen, Jakob zal wortelen schieten; dat is, de kerk van God zal vaststaan, groeien en bloeien.
[^jesaja-27-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, de nakomelingen van Jakob.
[^jesaja-27-6-a]: Verwijzing a: Ps. 72:16 . Psalmen 72:16 : Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde.
[^jesaja-27-6-16]: Kanttekening 16: zij zullen: Te weten, de nakomelingen van Jakob, of Israël.
[^jesaja-27-6-17]: Kanttekening 17: Of, vruchten.
[^jesaja-27-7-18]: Kanttekening 18: Te weten de Heer.
[^jesaja-27-7-19]: Kanttekening 19: hem geslagen: Te weten Jakob, dat is, het volk van God.
[^jesaja-27-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, zo hard.
[^jesaja-27-7-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, gelijk Hij zijn, \[te weten, Jakobs\] slager, \[te weten, de Babyloniër\] geslagen heeft?
[^jesaja-27-7-22]: Kanttekening 22: hij gedood: Te weten Jakob.
[^jesaja-27-7-23]: Kanttekening 23: zijn gedoden: Te weten, van de koning van Babel. Anders: \[zijn gedoden\] te weten, van God, die God in zijn toorn gedood heeft. De zin is: Dat God veel genadiger met zijn volk handelt als Hij het kastijdt, dan Hij met de vijanden van zijn volk omgaat.
[^jesaja-27-8-24]: Kanttekening 24: Met mate: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^jesaja-27-8-b]: Verwijzing b: Jer. 30:11 ; Jer. 46:28 . Jeremia 30:11 : Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28 : U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jesaja-27-8-25]: Kanttekening 25: O Heer.
[^jesaja-27-8-26]: Kanttekening 26: met hem: Met uw wijnstok, met uw volk.
[^jesaja-27-8-27]: Kanttekening 27: Te weten door de Babyloniërs. Hij spreekt van een zaak, die nog gebeuren zou, alsof zij al geschied ware. Anders: Toen hem de \[vijand\] wegnam door zijn harden wind; dat is, door de krijg, of andere zware plagen.
[^jesaja-27-8-28]: Kanttekening 28: Hij hem : Te weten de Heer. De profeet verandert de persoon, dat wat duisterheid in zijn rede veroorzaakt.
[^jesaja-27-8-29]: Kanttekening 29: van de oostenwind: Dat is, van de vijanden, van wie een groot deel uit het oosten kwam, en het was een hard en wreed volk, gelijk de oostenwind in die landen een harde, scherpe, schadelijke wind is. Zie Job 15:2 ; Ps. 48:8 ; en Hos. 12:2 . Job 15:2 : Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? Psalmen 48:8 : Met een oostenwind verbreekt U de schepen van Tharsis. Hosea 12:2 : Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^jesaja-27-9-30]: Kanttekening 30: Te weten door zulke straffen en vaderlijke kastijdingen, als daar is de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-27-9-31]: Kanttekening 31: verzoend worden: Te die aanzien dat de uitverkorenen daardoor tot berouw en leedwezen over hun zonden zullen gebracht worden en tot verbetering van hun leven; en zo zouden zij vergeving van hun zonden verkrijgen door een oprecht geloof aan Jezus Christus.
[^jesaja-27-9-32]: Kanttekening 32: Te weten die van de Babylonische gevangenschap komen zal.
[^jesaja-27-9-33]: Kanttekening 33: Te weten God de Heer.
[^jesaja-27-9-34]: Kanttekening 34: Te weten Jakob.
[^jesaja-27-9-35]: Kanttekening 35: van het altaar: Versta dat hier gesproken wordt van de stenen dier altaren, die hier en daar op de hoogten gesticht waren, ter ere van de afgoden.
[^jesaja-27-9-36]: Kanttekening 36: maken zal: De zin is: Nadat Hij al de afgoderij, die een oorsprong is van alle andere zonden, zal weggedaan hebben.
[^jesaja-27-9-37]: Kanttekening 37: de …: Anders: als er geen bossen of zonnebeelden zullen staande gebleven zijn; versta hierbij, maar deze al tezamen zullen afgehouwen en verbroken zijn.
[^jesaja-27-9-38]: Kanttekening 38: Van de afgodische bossen, zie Richt. 3:7 . Richteren 3:7 : En de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen.
[^jesaja-27-9-39]: Kanttekening 39: de zonnebeelden: Zie de aantekening Lev. 26:30 . Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^jesaja-27-10-40]: Kanttekening 40: Hier keert de profeet opnieuw tot de beschrijving van de straffen met welke God de Heer die van Juda tehuis zoeken zou.
[^jesaja-27-10-41]: Kanttekening 41: de vaste stad: Te weten, Jeruzalem; zie Jes. 22:2 , en Jes. 24:10 ; Ez. 21 . Jesaja 22:2 : U, die vol van groot gedruis was, u woelige stad, u, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd. Jesaja 24:10 : De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan.
[^jesaja-27-10-42]: Kanttekening 42: Of, woningen.
[^jesaja-27-10-43]: Kanttekening 43: haar takken: Versta, de takken, die in haar \[te weten in de stad Jeruzalem\] groeien zullen aan de bomen, die in haar verlaten huizen en op haar straten, in haar hoven en tuinen, vanzelf zouden opschieten en groeien; zie de aantekening Job 18:16 . Job 18:16 : Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.
[^jesaja-27-11-44]: Kanttekening 44: Te weten, de takken, of de stad.
[^jesaja-27-11-45]: Kanttekening 45: Versta, het Joodse volk, bij wie nu geen verstand was te zoeken of te vinden.
[^jesaja-27-11-46]: Kanttekening 46: Die het gemaakt heeft: Dat is, God de Heer. Hebreeuws, hun Maker.
[^jesaja-27-11-47]: Kanttekening 47: Zich dezelfde: Versta hierbij, maar Hij zal hen verdelgen; te weten door de Babyloniërs, gelijk straks volgt, vers 12 . Jesaja 27:12 : En het zal op die dag gebeuren, dat YHWH dorsen zal, van de stroom van de rivier af tot aan de rivier van Egypte; maar u zult opgelezen worden, een bij een, o u kinderen van Israël!
[^jesaja-27-11-48]: Kanttekening 48: Die het geformeerd heeft: Hebreeuws, hun formeerder.
[^jesaja-27-12-49]: Kanttekening 49: op die dag: Te weten, als het Joodse volk in de Babylonische gevangenschap zijn zal.
[^jesaja-27-12-50]: Kanttekening 50: dorsen zal: Hebreeuws, uitslaan, of uitkloppen zal. Vergelijk onder Jes. 28:27 , alwaar dorsen en uitslaan onderscheiden worden, maar hier wordt het woord dorsen duidelijkheidshalve gebruikt. Jesaja 28:27 : Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
[^jesaja-27-12-51]: Kanttekening 51: van de: Anders: van de ruisende stroom. Anders: van de grond. Anders: van het kanaal van de rivier.
[^jesaja-27-12-52]: Kanttekening 52: Dat is, van de rivier Eufraat af tot de rivier van Egypte toe, genaamd Sichor; zie Joz. 13:3 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
[^jesaja-27-12-53]: Kanttekening 53: maar u: De zin is: Nadat u een tijdlang hier en daar zult zijn verstrooid geweest, zult u weer in uw land gebracht en bijeen verzameld worden, gelijk men de aren op het veld in de oogst naleest, of opleest.
[^jesaja-27-12-c]: Verwijzing c: Jes. 17:5 . Jesaja 17:5 : Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraim.
[^jesaja-27-12-54]: Kanttekening 54: een bij een: Of, tot één toe, of een voor een, elk in het bijzonder.
[^jesaja-27-13-55]: Kanttekening 55: een grote bazuin: Versta door deze grote bazuin, vooreerst, het edict en openbare toelating van de koning Cyrus, die de Joden heeft toegelaten opnieuw in hun vaderland te komen; 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1:1 ; ten andere, geestelijkerwijze van de bazuin van het Evangelie, door welke God zich een kerk samengeroepen en verzameld heeft uit alle volken en natiën van de wereld. 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^jesaja-27-13-56]: Kanttekening 56: die komen: Zij zullen in hun vaderland, in het Joodse land, wederkomen.
[^jesaja-27-13-57]: Kanttekening 57: die in het land: Dat is, de gevangenen van de tien stammen van het koninkrijk van Israël.
[^jesaja-27-13-58]: Kanttekening 58: verloren zijn: Dat is, die ginds en weêr omdwalen.
[^jesaja-27-13-59]: Kanttekening 59: in het land van Egypte: Daarheen waren de overgeblevenen van de stam van Juda gevlucht; 2 Kon. 25:26 . 2 Koningen 25:26 : Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot de meeste, en de oversten van de heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën.
[^jesaja-27-13-60]: Kanttekening 60: zij zullen: Zie de aantekening Gen. 24:27 . Genesis 24:27 : En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijn heren broers.
[^jesaja-27-13-61]: Kanttekening 61: op de heilige berg: Hebreeuws, op de berg van de heiligheid (הַר); te weten in de nieuw-herbouwde tempel, en voortaan in uw heilige en Christelijke gemeente.

### Jesaja 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/28.json)

*Een profetie van de verwoesting van het Israelitische koninkrijk door de Assyriers, vers 1 enzovoort, maar dat de Heere de overgeblevenen van zijn volk tot eer zou brengen, 5. Een klacht over de dronkenschap van die van Juda, 7, 8, en hun onleerzaamheid, 9, 10. Dreiging dat zij door vreemde volken overheerst zullen worden, 11 enzovoort, omdat zij het Woord van de Heere en zijn dreigingen bespotten, 14. Zeer heerlijke beschrijving van de persoon van de Messias, 16. Zware dreiging over het Joodse volk, 17 enzovoort. Vermaning tot beterschap, 22. Zoals een ervaren landbouwer zijn tijd en werkwijze kent, zo veel te meer de Heere, die het de landbouwer leert, 24 enzovoort.*

**1** [^jesaja-28-1-1] Wee de hoogmoedige kroon van de[^jesaja-28-1-2] dronkenen van Efraïm, waarvan het heerlijk sieraad[^jesaja-28-1-3] is een afvallende bloem,[^jesaja-28-1-4] die[^jesaja-28-1-5] daar is op het hoofd van de zeer vette vallei, van[^jesaja-28-1-6] de geslagenen van de wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v1)

**2** Zie, de Heere heeft[^jesaja-28-2-7] een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed,[^jesaja-28-2-8] een poort van het verderf; zoals een vloed van[^jesaja-28-2-9] de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde neerwerpen[^jesaja-28-2-10] met de hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v2)

**3** [^jesaja-28-3-11] De hoogmoedige kronen van de dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v3)

**4** En de afvallende bloem[^jesaja-28-4-12] van zijn heerlijk sieraad, die op het hoofd van de zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een[^jesaja-28-4-13] vroegrijpe vrucht[^jesaja-28-4-14] voor de zomer, die,[^jesaja-28-4-15] wanneer ze iemand[^jesaja-28-4-16] ziet, terwijl zij nog in zijn hand is,[^jesaja-28-4-17] slokt hij ze op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v4)

**5** [^jesaja-28-5-18] Op die dag zal YHWH van de legermachten[^jesaja-28-5-19] tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn[^jesaja-28-5-20] voor de overgeblevenen van Zijn volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v5)

**6** En tot een Geest van het oordeel[^jesaja-28-6-21] voor hem, die tot het oordeel zit, en[^jesaja-28-6-22] tot een sterkte voor hen, die de strijd afkeren tot de poort toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v6)

**7** En[^jesaja-28-7-a] ook dwalen[^jesaja-28-7-23] deze[^jesaja-28-7-24] van de wijn, en zij dolen van de sterke drank; de[^jesaja-28-7-25] priester en[^jesaja-28-7-26] de profeet dwalen van de sterke drank;[^jesaja-28-7-27] zij zijn verslonden van de wijn, zij dolen van sterke drank;[^jesaja-28-7-28] zij dwalen in het visioen;[^jesaja-28-7-29] zij waggelen in het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v7)

**8** Want alle tafels[^jesaja-28-8-30] zijn vol van[^jesaja-28-8-31] uitspuwsel[^jesaja-28-8-32] en van mest, zodat er geen plaats schoon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v8)

**9** Wie zou[^jesaja-28-9-33] Hij[^jesaja-28-9-34] dan de kennis leren, en wie zou Hij[^jesaja-28-9-35] het gehoorde te verstaan geven?[^jesaja-28-9-36] De gespeenden van de melk, de afgetrokkenen van de borsten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v9)

**10** Want[^jesaja-28-10-37] het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v10)

**11** [^jesaja-28-11-38] Daarom zal Hij[^jesaja-28-11-39] door belachelijke lippen, en door[^jesaja-28-11-40] een[^jesaja-28-11-b] andere tong tot dit volk spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v11)

**12** Tot[^jesaja-28-12-41] wie[^jesaja-28-12-42] Hij gezegd heeft:[^jesaja-28-12-43] Dit is de rust, geeft de moeden rust, en dit is de verkwikking; maar zij hebben niet willen horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v12)

**13** [^jesaja-28-13-44] Zo zal hun het woord van YHWH zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig;[^jesaja-28-13-45][^jesaja-28-13-c] opdat zij heengaan, en achteruit vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v13)

**14** Daarom, hoort het woord van YHWH,[^jesaja-28-14-46] u bespotters, u heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v14)

**15** Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood[^jesaja-28-15-47] gemaakt, en[^jesaja-28-15-48] met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer[^jesaja-28-15-49] de overvloeiende gesel[^jesaja-28-15-50] doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben[^jesaja-28-15-51] de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder[^jesaja-28-15-52] de valsheid hebben wij ons verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v15)

**16** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik leg[^jesaja-28-16-53] een grondsteen in Sion,[^jesaja-28-16-54] een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen,[^jesaja-28-16-55] die wel vast gegrondvest is;[^jesaja-28-16-56] wie gelooft,[^jesaja-28-16-57] die zal niet haasten.[^jesaja-28-16-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v16)

**17** En[^jesaja-28-17-58] Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en[^jesaja-28-17-59] de hagel zal[^jesaja-28-17-60] de toevlucht van de[^jesaja-28-17-61] leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats[^jesaja-28-17-62] overlopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v17)

**18** En uw verbond met de dood[^jesaja-28-18-63] zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag[^jesaja-28-18-64] met het dodenrijk zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal,[^jesaja-28-18-65] dan zult u daardoor vertreden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v18)

**19** Van de tijd af, als[^jesaja-28-19-66] hij doortrekt, zal hij[^jesaja-28-19-67] u wegnemen, want[^jesaja-28-19-68] elke morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal gebeuren, dat het[^jesaja-28-19-69] gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v19)

**20** [^jesaja-28-20-70] Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich[^jesaja-28-20-71] daaronder voegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v20)

**21** Want YHWH zal Zich opmaken, gelijk op de berg[^jesaja-28-21-72] Perazim,[^jesaja-28-21-73] Hij zal beroerd zijn, gelijk[^jesaja-28-21-74] in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen,[^jesaja-28-21-75] Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v21)

**22** Nu dan, drijft de spot niet, opdat[^jesaja-28-22-76] uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van Adonai YHWH van de legermachten gehoord een vernietiging, ja, een, die[^jesaja-28-22-77] vast besloten is over het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v22)

**23** Neem ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v23)

**24** [^jesaja-28-24-78] Ploeg de ploeger[^jesaja-28-24-79] de hele dag om te zaaien?[^jesaja-28-24-80] Open en egt hij zijn land de hele dag? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v24)

**25** Is het niet zo? Wanneer hij[^jesaja-28-25-81] het bovenste daarvan effen gemaakt heeft, dan strooit hij[^jesaja-28-25-82] wikken, en[^jesaja-28-25-83] spreidt komijn, of hij werpt er van de[^jesaja-28-25-84] beste tarwe in, of[^jesaja-28-25-85] uitgelezen gerst, of spelt, elk aan[^jesaja-28-25-86] zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v25)

**26** En zijn God[^jesaja-28-26-87] onderricht hem[^jesaja-28-26-88] van de wijze, Hij leert hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v26)

**27** Want men dorst de wikken niet[^jesaja-28-27-89] met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v27)

**28** [^jesaja-28-28-90] Het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar[^jesaja-28-28-91] hij dorst het niet[^jesaja-28-28-92] steeds dorsende;[^jesaja-28-28-93] noch hij breekt het met het wiel van zijn wagen, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v28)

**29** [^jesaja-28-29-94] Dat komt ook voort van YHWH van de legermachten; Hij[^jesaja-28-29-95] is wonderlijk van raad,[^jesaja-28-29-96] Hij[^jesaja-28-29-e] is groot van daad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/28.html#v29)

[^jesaja-28-1-1]: Kanttekening 1: de hovaardige: Hebreeuws, wee de kroon van de hovaardij, enz (עֲטֶרֶת). Het is een beschrijving van het koninkrijk van de tien stammen van Israël, waarvan Samaria de hoofdstad was, die hij hier noemt het hoofd van de vette vallei, omdat zij lag op een berg en beneden die was een zeer vruchtbare vallei. Zie onder vers 3 ; Hos. 5:5 , en Hos. 7:10 . Jesaja 28:3 : De hovaardige kronen van de dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. Hosea 5:5 : Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. Hosea 7:10 : Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.
[^jesaja-28-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, van welke heerlijke staat \[te weten Efraïm, of het koninkrijk van Samaria \] die tevoren voortreffelijk gebloeid heeft, maar nu verwelkt en haast geheel vervallen zal.
[^jesaja-28-1-3]: Kanttekening 3: is een afvallende: Of, verwelkende bloem.
[^jesaja-28-1-4]: Kanttekening 4: Te weten, bloem.
[^jesaja-28-1-5]: Kanttekening 5: daar is: Die over een zeer vet dal gezet is.
[^jesaja-28-1-6]: Kanttekening 6: van de geslagenen: Dat is, die van de wijn dagelijks vol en dol zijn, en van wie de hersenen van de wijn als geslagen en gekwetst zijn.
[^jesaja-28-2-7]: Kanttekening 7: een sterke en machtige: Te weten de koning van Assyrië, door wie de Heer had voorgenomen de tien stammen van Israël te straffen en hun land te verderven.
[^jesaja-28-2-8]: Kanttekening 8: een poort: Dit betekent de verwoesting en ondergang van de ganse stand van het Israëlitische rijk. In de stadspoorten plachten de overheden te zitten ten gericht. Of men kan het zo nemen, poort van het verderf; dat is, een wijde opening tot ondergang. Anders: Een onweer van het verderf.
[^jesaja-28-2-9]: Kanttekening 9: sterke wateren: Of, veler wateren.
[^jesaja-28-2-10]: Kanttekening 10: met de hand: Dat is, met kracht, Salmanassar heeft het koninkrijk van de tien stammen in weinige jaren overmeesterd; 2 Kon. 18:10 , 18:11 . 2 Koningen 18:10 : En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 2 Koningen 18:11 : En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^jesaja-28-3-11]: Kanttekening 11: De hovaardige: Of, met voeten zullen vertreden worden de kroon en de hovaardij van de dronkenen van Efraïm.
[^jesaja-28-4-12]: Kanttekening 12: zijn heerlijken: Te weten van Efraïm.
[^jesaja-28-4-13]: Kanttekening 13: Of, vroegtijdige.
[^jesaja-28-4-14]: Kanttekening 14: voor de zomer: Of, voordat het zomer is; dat is vóór haar seizoen.
[^jesaja-28-4-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, \[wanneer\] de ziener dezelfde ziet, of zo haast als hij ze in zijn hand \[Hebreeuws, palm \] krijgt.
[^jesaja-28-4-16]: Kanttekening 16: Dat is, meteen.
[^jesaja-28-4-17]: Kanttekening 17: Of, zwelgt hij ze in. De zin van vers 4 is dat Efraïm haastiglijk en met grote lust van zijn vijanden zal verslonden worden. Jesaja 28:4 : En de afvallende bloem van zijn heerlijk sieraad, die op het hoofd van de zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor de zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.
[^jesaja-28-5-18]: Kanttekening 18: Te die dage: Te weten als de Heer zijn toorn over de goddelozen zal uitgegoten hebben.
[^jesaja-28-5-19]: Kanttekening 19: tot een heerlijke: De Heer zal hen ter ere brengen en heerlijk versieren.
[^jesaja-28-5-20]: Kanttekening 20: de overgeblevenen: Hebreeuws, voor het overblijfsel.
[^jesaja-28-6-21]: Kanttekening 21: die tot het oordeel: Of, die over het oordeel zitten zal; dat is, God zal de rechters en regenten van zijn volk zijn Heilige Geest rijk mededelen om wel te oordelen en hun onderzaten wel voor te staan.
[^jesaja-28-6-22]: Kanttekening 22: tot een sterkte: Dat is, God zal zijn volk ook dappere helden geven om tegen de vijanden te strijden en die terug te drijven tot aan de poorten van hun vijanden toe. Als men de vijanden van het land tot aan en in hun eigen poorten drijven en daar binnen houden kan, zo houden de verdrijvers hun gebied vrij.
[^jesaja-28-7-a]: Verwijzing a: Jes. 5:11 . Jesaja 5:11 : Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
[^jesaja-28-7-23]: Kanttekening 23: Te weten, velen onder de Joden, of van de stam van Juda.
[^jesaja-28-7-24]: Kanttekening 24: van de wijn: Of, in de wijn; dat is, zij hebben zich zo geheel begeven tot dronkenschap en vleselijke wellusten, dat zij schier van al hun verstand beroofd worden. Dit kan ook van de geestelijke dronkenschap verstaan worden, door welke men in de zonden versmoord ligt, gelijk onder Jes. 29:9 . Zie Spreuk. 20:1 . Jesaja 29:9 : Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, daarom roept u; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank. Spreuken 20:1 : De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.
[^jesaja-28-7-25]: Kanttekening 25: de priester: Of overste. Zie Gen. 41:45 . Genesis 41:45 : En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^jesaja-28-7-26]: Kanttekening 26: de profeet: Te weten de valse profeten, gelijk onder Jes. 29:10 . Jesaja 29:10 : Want YHWH heeft over u uitgegoten een geest van diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.
[^jesaja-28-7-27]: Kanttekening 27: zij zijn verslonden: De zin is: Gelijk zij de wijn ingezopen hebben, zo verslindt en verderft de wijn hen ook.
[^jesaja-28-7-28]: Kanttekening 28: zij dwalen: Dat is, de priesters dolen in het uitleggen van de profetieën, zij keren en draaien die naar hun eigen lusten en inbeeldingen.
[^jesaja-28-7-29]: Kanttekening 29: Of, struikelen in het oordelen.
[^jesaja-28-8-30]: Kanttekening 30: zijn vol: Of, zijn vervuld met uitbrakingen.
[^jesaja-28-8-31]: Kanttekening 31: Of, van vuiligheid.
[^jesaja-28-8-32]: Kanttekening 32: Versta hierbij, maar overal is het bespogen en vuil gemaakt, of, zodat er gene plaats meer is; te weten die niet vuil gemaakt of ontreinigd is.
[^jesaja-28-9-33]: Kanttekening 33: Hij dan : Te weten de Heer door zijn profeten.
[^jesaja-28-9-34]: Kanttekening 34: de kennis: Te weten van de noodwendige of kenwaardige zaken.
[^jesaja-28-9-35]: Kanttekening 35: het gehoorde: Hebreeuws, het gehoor. De zin is: Wat ik, Jesaja, van de Heer gehoord heb, of prediking. Zie Jes. 53:1 . Jesaja 53:1 : Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard?
[^jesaja-28-9-36]: Kanttekening 36: De gespeenden: De profeet wil zeggen dat zij zo dol en vol zijn van de wijn, dat zij zijn gelijk de kleine kinderen, die tot geen onderwijs bekwaam zijn.
[^jesaja-28-10-37]: Kanttekening 37: het is gebod: Dit zijn Gods woorden door de mond van de profeet, en dit is de zin: Men geeft hun het ene gebod na het andere, en evenwel helpt het niet, want zij zijn kinderen in het verstand, zowel de ouden als de jongen.
[^jesaja-28-11-38]: Kanttekening 38: De zin is: Omdat zich dit volk niet heeft willen laten onderwijzen door het klare woord van God, zo zal Hij op een andere wijze met hen handelen; Hij zal met een onbekende taal hen laten aanspreken, tot straf van hun ondankbaarheid, en hardnekkigheid. Zie Jes. 33:19 ; 1 Kor. 14:21 . Jesaja 33:19 : U zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, dat men niet verstaan kan. 1 Korinthiërs 14:21 : In de wet is geschreven: Ik zal door mensen van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heer.
[^jesaja-28-11-39]: Kanttekening 39: door belachelijke: Dat is, met vreemde talen; want men is gewoon die te belachen, die men niet verstaat. Anders: door belachelijken van lippen. De zin van deze woorden van God, alsook van de naastvolgende, is dat Hij hen met uitlandse vijanden en heirlegers, wier taal zij niet verstaan zouden, tehuiszoeken wilde.
[^jesaja-28-11-40]: Kanttekening 40: een andere: Dat is, een vreemde taal.
[^jesaja-28-11-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 14:21 . 1 Korinthiërs 14:21 : In de wet is geschreven: Ik zal door mensen van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heer.
[^jesaja-28-12-41]: Kanttekening 41: Dat is, tot welk volk.
[^jesaja-28-12-42]: Kanttekening 42: Hij gezegd heeft: Te weten de Heer, door zijn dienaren de profeten.
[^jesaja-28-12-43]: Kanttekening 43: Dit is de rust: Zo zult u tot rust en vrede geraken en de zegen van de Heer verkrijgen, als u de vermoeiden troost en bijstand doet; zie Jes. 1:17 ; of dat is de rust, dat u Gods geboden houdt, en zo doende zult u uw vermoeid vaderland tot rust brengen. Jesaja 1:17 : Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe.
[^jesaja-28-13-44]: Kanttekening 44: Zo zal: De zin is: Omdat zij het woord van de Heer veracht hebben, zo zullen zij in hun onverstand gelaten worden en de kleine kinderen gelijk zijn, welke men het ene gebod na het andere, de ene regel op de andere, enz., leren moet.
[^jesaja-28-13-45]: Kanttekening 45: opdat zij: Dat is, opdat zij tot verderf en allerlei ellenden vervallen zouden, want dat volgt er gemeenlijk op als men Gods Woord niet wil aannemen.
[^jesaja-28-13-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 2:16 . 2 Korinthiërs 2:16 : Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?
[^jesaja-28-14-46]: Kanttekening 46: u bespotters: Hebreeuws, u mannen van de bespotting, u heersers van het volk (עָם).
[^jesaja-28-15-47]: Kanttekening 47: Zie de aantekening Gen. 15:18 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^jesaja-28-15-48]: Kanttekening 48: met het dodenrijk: Of, wij hebben ene overlegging met het graf of het dodenrijk gemaakt. Dit zou men zeggen op de hedendaagse manier van spreken: wij hebben intelligentie, of een verbond met het dodenrijk, of het graf. De weelde en hoogheid van deze wereld maakt de goddelozen gemeenlijk zo verwaand en zo moedig, dat zij zich laten voorstaan dat zij dood noch dodenrijk hebben te vrezen, zodat zij zelfs de Almachtige durven uitdagen en trotseren. Zie Job 5:23 , en Jes. 5:19 . Job 5:23 : Want met de stenen van het veld zal uw verbond zijn, en het gedierte van het veld zal met u bevredigd zijn. Jesaja 5:19 : Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen!
[^jesaja-28-15-49]: Kanttekening 49: de overvloeiende: Hij meent het heirleger van de koning van Babel, dat als een watervloed het land zou overstelpen en bedekken.
[^jesaja-28-15-50]: Kanttekening 50: Anders: door \[het land\] passeert, of doorgaat.
[^jesaja-28-15-51]: Kanttekening 51: de leugen: Aldus noemt de profeet de aanslagen van dit volk, die zij meenden dat hun niet zouden mislukken.
[^jesaja-28-15-52]: Kanttekening 52: de valsheid: Dat is huichelarij.
[^jesaja-28-16-53]: Kanttekening 53: een grondsteen: Hebreeuws, Ik ben het \[die\] een steen in Zion grond (אָבֶן). Christus is de rechte grondsteen van Zion, dat is van zijn kerk, die ons tegen de dood, het dodenrijk en alle onheil verzekert; Hij zou met recht de troost en toeverlaat van de Joden behoren te zijn, niet hun leugens en huichelarij.
[^jesaja-28-16-54]: Kanttekening 54: een beproefden: En dienvolgens dierbaren en kostelijke, zie 1 Petr. 2:6 ; \[ene gelijkenis, genomen van kostelijke stenen, die men door beproeving bevindt kostelijk te zijn\] en bekwaam en genoegzaam om het gebouw van de gehele kerk te dragen. Anders: een beproefsteen. 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^jesaja-28-16-55]: Kanttekening 55: die wel vast: Hebreeuws, die gegrond gegrond is; dat is, die wel terdege gegrondvest of gefundeerd is.
[^jesaja-28-16-56]: Kanttekening 56: wie gelooft: Te weten in Christus, gelijk het de apostel verklaart 1 Petr. 2:6 . 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^jesaja-28-16-57]: Kanttekening 57: die zal niet haasten: Anders: Die verhaast zich niet. Versta hierbij: En daarom komt hij niet te schande, Rom. 5:4 , 5:5 ; maar hij krijgt eindelijk die zalige uitkomst, die hij met geduld verwacht heeft; gerust en wel tevreden zijnde, geen anderen troost noch toevlucht zoekende dat Christus Jezus. De apostel Paulus, Rom. 9:33 , en de apostel Petrus, 1 Petr. 2:6 , stellen voor deze woorden, die zal niet haasten, deze, die zal niet beschaamd worden, ziende op de zin van de woorden. Romeinen 5:4 : En de volharding bevinding, en de bevinding hoop; Romeinen 5:5 : En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^jesaja-28-16-d]: Verwijzing d: Ps. 118:22 ; Matt. 21:42 ; Hand. 4:11 ; Rom. 9:33 ; Rom. 10:11 ; Ef. 2:20 ; 1 Petr. 2:6 ; idem v. 7 ; idem v. 8 . Psalmen 118:22 : De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Handelingen 4:11 : Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Welke tot een hoeksteen geworden is. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Romeinen 10:11 : Want de Schrift zegt: Een iedereen, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; 1 Petrus 2:8 : Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^jesaja-28-17-58]: Kanttekening 58: Ik zal: God de Heer dreigt met deze woorden dat Hij dit volk behandelen zou naar hun werken; zie 2 Kon. 21:13 . 2 Koningen 21:13 : En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid.
[^jesaja-28-17-59]: Kanttekening 59: de hagel: De hagel, alsook straks de wateren, betekenen hier het leger van de Babyloniërs, gelijk boven, vers 2 . Sommigen duiden dit en enige navolgende verzen ook verder van de eindelijke verwoesting van de Joden door de Romeinen. Jesaja 28:2 : Ziet, de Heer heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort van het verderf; gelijk een vloed van de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.
[^jesaja-28-17-60]: Kanttekening 60: de toevlucht: Dat is, de valse toevlucht.
[^jesaja-28-17-61]: Kanttekening 61: Als met bezems wegkeren.
[^jesaja-28-17-62]: Kanttekening 62: Of, overvloeien, overstelpen.
[^jesaja-28-18-63]: Kanttekening 63: zal te niet: Hebreeuws, overpekt, of overkalkt worden, of oversmeerd, overstreken worden; dat is, het zal verdelgd, of tenietgedaan worden.
[^jesaja-28-18-64]: Kanttekening 64: met het dodenrijk: Of, met het graf.
[^jesaja-28-18-65]: Kanttekening 65: dan zult: Hebreeuws, zult u dezelfde ter vertreding zijn.
[^jesaja-28-19-66]: Kanttekening 66: hij doortrekt: Te weten de overvloeiende gesel, of, \[hij\] te weten de vloed.
[^jesaja-28-19-67]: Kanttekening 67: O u goddeloze en halsstarrige mensen.
[^jesaja-28-19-68]: Kanttekening 68: elke morgen: De zin is: Hij zal 's morgens aankomen, en verder de dag en de nacht duren; dat is, hij zal niet ophouden, maar hij zal duren van tijd tot tijd. Hebreeuws, in morgen in morgen (בֹּקֶר).
[^jesaja-28-19-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, het gehoor; dat is, het gerucht van de straffen, die over u gaan zullen. De zin is: Als u zult te schande gemaakt en verwoest zijn, en in Babylonië zult gevankelijk weggevoerd zijn, zo zal dat een schrik aanjagen allen, die het horen. Anderen nemen het aldus: Het bloot gerucht van de aankomst van de vijanden zal u verschrikking aanbrengen, zo dat er raad noch daad bij u zal te vinden zijn.
[^jesaja-28-20-70]: Kanttekening 70: Want het bed: De zin is: Gijlieden zult gebrek en kommer lijden in de Babylonische gevangenschap. Sommigen duiden het op de toevlucht en het deksel van de valsheid, waarvan vers 15 , 28:17 . Jesaja 28:15 : Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen. Jesaja 28:17 : En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.
[^jesaja-28-20-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws, verzamelt; te weten met intrekking van de leden.
[^jesaja-28-21-72]: Kanttekening 72: Op deze berg heeft God eertijds de Filistijnen door David geslagen; 2 Sam. 5:20 , en 1 Kron. 14:11 . 2 Samuël 5:20 : Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam derzelve plaats, Baäl-perazim. 1 Kronieken 14:11 : Toen zij nu optogen naar Baäl-perazim, zo sloeg hen David daar; en David zei: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemden zij de naam derzelver plaats Baäl-perazim.
[^jesaja-28-21-73]: Kanttekening 73: Hij zal beroerd: Of, Hij zal bewogen worden; dat is, Hij zal zich vertoornen.
[^jesaja-28-21-74]: Kanttekening 74: in het dal: Zie Joz. 10:10 , en 1 Kron. 14:16 . Jozua 10:10 : En YHWH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. 1 Kronieken 14:16 : David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen de legermacht van de Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer.
[^jesaja-28-21-75]: Kanttekening 75: Zijn werk zal vreemd: God is een goedertieren en barmhartig God, die langzaam tot het straffen komt, en daarom in vergelijking van zijn vorige goedertierenheid en weldadigheid, doorgaans aan zijn volk bewezen, een vreemd werk genaamd wordt.
[^jesaja-28-22-76]: Kanttekening 76: uw banden: Waarmee de Babyloniërs u zullen binden. De zin is: door de dagelijkse zonden worden uwe banden dagelijks vaster en vaster gemaakt, maar door berouw en leedwezen slapper; daarom, wenst u verlichting en ontlossing van uwe banden, zo bekeert u tot de Heer en staat af van zonden.
[^jesaja-28-22-77]: Kanttekening 77: vast besloten: Of, ene besluiting, zo Jes. 10:22 , 10:23 . Dat is, die bij de onveranderlijke God vast besloten is en voorzeker gebeuren zal. Jesaja 10:22 : Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Jesaja 10:23 : Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heer YHWH van de legermachten doen in het midden van dit gehele land.
[^jesaja-28-24-78]: Kanttekening 78: Ploegt de ploeger: De zin van vers 24 is, gelijk een ervaren akkerman de tijd weet wanneer dat hij ploegen, braken, zaaien en eggen zal; zo weet ook God de Heer zijn tijd, wanneer Hij het een of ander aan zijn gemeente zal voornemen en verrichten om de vromen te behouden en de bozen te straffen. Jesaja 28:24 : Ploegt de ploeger de hele dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land de hele dag?
[^jesaja-28-24-79]: Kanttekening 79: de hele dag: Dat is, altijd.
[^jesaja-28-24-80]: Kanttekening 80: Of, voornt hij, of maakt u altijd voren?
[^jesaja-28-25-81]: Kanttekening 81: het bovenste: Hebreeuws, haar aangezicht (פָנֶי); te weten van de aarde, of, zijn aangezicht, te weten van het land.
[^jesaja-28-25-82]: Kanttekening 82: Of, vitsen. Maar wat het eigenlijk voor een zaad geweest is, is onzeker.
[^jesaja-28-25-83]: Kanttekening 83: spreidt komijn: Of, hij werpt er komijn in.
[^jesaja-28-25-84]: Kanttekening 84: beste tarwe: Of, edelste. Hebreeuws, gevorste tarwe, of prinselijke, vorstelijke tarwe. Aldus wordt de tarwe genoemd, omdat zij prins of koning, dat is het voornaamste zaad onder alle zaden is.
[^jesaja-28-25-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws, uitgetekende.
[^jesaja-28-25-86]: Kanttekening 86: zijn plaats: Te weten van het zaad, of, \[ aan haar \] te weten van de aarde, of van de akker; dat is, elk op zijn akker.
[^jesaja-28-26-87]: Kanttekening 87: Dat is, God leert hem \[te weten de landman\] doen zoals het behoort, hoe hij met allerlei zaad naar zijn aard zal omgaan, op welke tijd hij het moet zaaien en maaien.
[^jesaja-28-26-88]: Kanttekening 88: van de wijze: Dat is, hoe hij behoort te doen. Het Hebreeuwse woord betekent hier ene wijze, of manier, hoe men ieder ding moet doen.
[^jesaja-28-27-89]: Kanttekening 89: met de dorswagen: De Joden hebben eertijds hun zaadvruchten op verscheidene wijzen uitgedorst, over sommig zaad sleepten zij een dorswagen of dorsslede, over sommig trokken of stieten zij een rad, ander deden zij de ossen uittreden; het zaad, dat in blaasjes wast, sloegen zij met stokken uit. Zo is dan dit de zin van vers 27 : Gelijk de akkerman niet alle zaad op ééne wijze uitdorst, zo straft ook God niet altijd op ééne wijze, maar de één harder dan de ander, naar gelegenheid van zaken. Jesaja 28:27 : Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
[^jesaja-28-28-90]: Kanttekening 90: Het brood koren : vers 27 heeft hij gezegd, welk oordeel of overleg de landman gebruikt in het uitdorsen van die en die zaden; hier wijst hij aan, welk overleg de landman gebruikt in het hanteren van de tarwe, die moet verbrijzeld worden, zal zij bekwaam gemaakt worden om brood daarvan te maken, nochtans verbrijzelt hij ze niet door het lang en veel dorsen en herdorsen, want zodoende zou zij op de dorsvloer bedorven worden en nergens bruikbaar toe wezen; daarom moet de tarwe, nadat ze uitgedorst is, met de molenstenen klein gemalen en verbrijzeld worden; omdat de landman dit wel weet en verstaat, zo gebruikt hij overleg en verstand in het omgaan met het broodzaad. Dit oordeel, of verstand en overleg komt ook van de Heer. In het Hebreeuws staat brood voor broodkoren, gelijk Ps. 104:15 . Jesaja 28:27 : Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; Psalmen 104:15 : En de wijn, die het hart van de mens verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mens sterkt.
[^jesaja-28-28-91]: Kanttekening 91: Te weten de huisman.
[^jesaja-28-28-92]: Kanttekening 92: Hebreeuws, eeuwig, altijd.
[^jesaja-28-28-93]: Kanttekening 93: noch hij breekt het met het wiel zijn wagens: Of, noch het wiel van zijn wagen breekt het.
[^jesaja-28-29-94]: Kanttekening 94: Zulks komt: Te weten, deze landverderving, waarvan vers 22 gesproken is, komt ook van de Heer; zie 2 Sam. 16:10 ; 2 Kon. 18:25 . Jesaja 28:22 : Nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van de Heer YHWH van de legermachten gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het gehele land. 2 Samuël 16:10 : Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 2 Koningen 18:25 : Nu, ben ik zonder YHWH opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? YHWH heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.
[^jesaja-28-29-95]: Kanttekening 95: Hij is wonderlijk: Hebreeuws, Hij maakt wonderlijk de raad, Hij maakt groot de daad, of het wezen. Zie de aantekening Job 5:12 , en Job 38:2 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. Job 38:2 : Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
[^jesaja-28-29-96]: Kanttekening 96: Hij is groot: De zin is: God is heerlijk metterdaad, makende dat zijn raad en voornemen in het werk gesteld worde en als zijn wezen bekome; Hij voert alles heerlijk uit.
[^jesaja-28-29-e]: Verwijzing e: Jer. 32:19 . Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.

### Jesaja 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/29.json)

*Profetie van de belegering en verwoesting van de tempel en de stad Jeruzalem, vers 1. De ellendige toestand van de Joden, 3 enzovoort. De onverzadelijke toorn van hun vijanden wordt door twee gelijkenissen afgebeeld, 7, 8. Vanwege de verstoktheid en verblinding van de Joden, 9 enzovoort. Dreiging dat zij verstoten zullen worden vanwege hun huichelarij, 14 enzovoort. Belofte van de bekering zowel van de heidenen als van de Joden, 17, 22 enzovoort. Dreiging over de tirannen en spotters, 20, 21.*

**1** Wee[^jesaja-29-1-1] Ariël, Ariël![^jesaja-29-1-2] de stad, waarin David[^jesaja-29-1-3] gelegerd heeft;[^jesaja-29-1-4] doe jaar tot jaar;[^jesaja-29-1-5] laat[^jesaja-29-1-6] ze feestoffers slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v1)

**2** [^jesaja-29-2-7] Evenwel[^jesaja-29-2-8] zal Ik Ariël benauwen, en[^jesaja-29-2-9] er zal treuring en verdriet wezen,[^jesaja-29-2-10] en[^jesaja-29-2-11] die stad zal Mij gelijk Ariël zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v2)

**3** Want[^jesaja-29-3-a] Ik zal[^jesaja-29-3-12] een leger[^jesaja-29-3-13] in het rond[^jesaja-29-3-14] om u slaan, en Ik zal u belegeren[^jesaja-29-3-15] met bolwerken, en Ik zal vestingen[^jesaja-29-3-16] tegen u opwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v3)

**4** Dan zult[^jesaja-29-4-17] u vernederd worden, u zult uit de aarde spreken, en[^jesaja-29-4-b] uw spraak zal uit het stof[^jesaja-29-4-18] zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde[^jesaja-29-4-19] als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v4)

**5** En[^jesaja-29-5-20] de menigte van uw vreemde[^jesaja-29-5-21] soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte[^jesaja-29-5-22] van de[^jesaja-29-5-c] tirannen als voorbijvliegend kaf; en[^jesaja-29-5-d] het zal in een ogenblik haastig gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v5)

**6** U zult van YHWH van de legermachten bezocht worden[^jesaja-29-6-23] met donder, en met aardbeving, en[^jesaja-29-6-24] groot geluid, met wervelwind, en onweer, en[^jesaja-29-6-25] de vlam van een verterend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v6)

**7** En[^jesaja-29-7-26] gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen[^jesaja-29-7-27] Ariël strijden zullen; zelfs allen, die[^jesaja-29-7-28] tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v7)

**8** Het zal zo zijn,[^jesaja-29-8-29] gelijk wanneer een hongerige droomt,[^jesaja-29-8-30] en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is[^jesaja-29-8-31] zijn ziel leeg; of, zoals wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog[^jesaja-29-8-32] mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die[^jesaja-29-8-33] tegen de berg Sion krijgen.[^jesaja-29-8-34][^jesaja-29-8-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v8)

**9** Zij vertoeven, daarom verwondert[^jesaja-29-9-36] u;[^jesaja-29-9-37] zij zijn vrolijk, daarom[^jesaja-29-9-38] roept u;[^jesaja-29-9-39] zij[^jesaja-29-9-40] zijn dronken, maar[^jesaja-29-9-41] niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank.[^jesaja-29-9-42][^jesaja-29-9-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v9)

**10** Want YHWH heeft over u uitgegoten[^jesaja-29-10-44][^jesaja-29-10-e] een geest van de diepe slaap, en Hij heeft[^jesaja-29-10-45] uw ogen toegesloten;[^jesaja-29-10-46] de profeten, en[^jesaja-29-10-47] uw hoofden,[^jesaja-29-10-48] en de zieners heeft Hij[^jesaja-29-10-49] verblind.[^jesaja-29-10-50][^jesaja-29-10-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v10)

**11** Daarom is u alle visioen geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een,[^jesaja-29-11-52] die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.[^jesaja-29-11-53][^jesaja-29-11-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v11)

**12** Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v12)

**13** Want de Heere heeft gezegd:[^jesaja-29-13-f] Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vrees, waarmee[^jesaja-29-13-55] zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;[^jesaja-29-13-56][^jesaja-29-13-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v13)

**14** Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk;[^jesaja-29-14-g] want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen.[^jesaja-29-14-58][^jesaja-29-14-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v14)

**15** Wee degenen, die zich diep versteken willen voor YHWH, hun raad verbergende; en van wie de werken in duisterheid gebeuren, en zij zeggen:[^jesaja-29-15-h] Wie ziet ons, en wie kent ons?[^jesaja-29-15-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v15)

**16** Uw omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem,[^jesaja-29-16-i] dat het maaksel zei van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde voorwerp van zijn pottenbakker zei: Hij verstaat het niet.[^jesaja-29-16-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v16)

**17** Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?[^jesaja-29-17-62][^jesaja-29-17-63][^jesaja-29-17-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v17)

**18** En op die dag zullen[^jesaja-29-18-k] de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen[^jesaja-29-18-65] van de blinden, zijnde[^jesaja-29-18-66] uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.[^jesaja-29-18-67][^jesaja-29-18-68][^jesaja-29-18-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v18)

**19** En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in YHWH; en[^jesaja-29-19-70] de behoeftigen onder de mensen zullen zich[^jesaja-29-19-71] in de Heilige van Israël verheugen.[^jesaja-29-19-72][^jesaja-29-19-73][^jesaja-29-19-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v19)

**20** Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met de bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;[^jesaja-29-20-75][^jesaja-29-20-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v20)

**21** Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen strikken voor hem, die hen bestraft in de poort; en die de rechtvaardige verdrijven[^jesaja-29-21-77] in het woeste.[^jesaja-29-21-78][^jesaja-29-21-79][^jesaja-29-21-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v21)

**22** Daarom zegt YHWH, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob zo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet[^jesaja-29-22-81] meer bleek worden;[^jesaja-29-22-82][^jesaja-29-22-83][^jesaja-29-22-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v22)

**23** Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen,[^jesaja-29-23-85] zullen zij Mijn[^jesaja-29-23-86] Naam heiligen; en zij zullen[^jesaja-29-23-87] de Heilige van Jakob heiligen, en de God[^jesaja-29-23-88] van[^jesaja-29-23-89] Israël vrezen.[^jesaja-29-23-90][^jesaja-29-23-91][^jesaja-29-23-92] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v23)

**24** En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de onderwijzing aannemen.[^jesaja-29-24-93][^jesaja-29-24-94][^jesaja-29-24-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/29.html#v24)

[^jesaja-29-1-1]: Kanttekening 1: Ariël betekent zoveel als een sterke leeuw, of een leeuw van God, gelijk Ez. 43:15 , 43:16 ; maar hier moet men door Ariël verstaan het brandofferaltaar in de tempel te Jeruzalem, ja ook de tempel zelf. Het altaar nu wordt een leeuw Gods genoemd, omdat het dagelijks door het vuur, dat van de hemel gekomen was, veel vee verslond als een sterke leeuw. Ezechiël 43:15 : En de Harel vier ellen; en van de Ariël verder opwaarts, de vier hoornen. Ezechiël 43:16 : De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.
[^jesaja-29-1-2]: Kanttekening 2: de stad: Dat is, de stad van David, namelijk het bovenkwartier van de stad Jeruzalem, waar zich David met zijn hofgezin onthield; gelijk ook naderhand andere koningen in Juda gedaan hebben. Maar onder de naam Davids stad, wordt hier de gehele stad Jeruzalem verstaan, gelijk elders meer.
[^jesaja-29-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, gelogeerd, zijn hof in gehouden heeft.
[^jesaja-29-1-4]: Kanttekening 4: doet jaar: Dit is een apostrophe of aanspraak aan de Joden. De zin is: Houdt jaarlijks uwe feestdagen.
[^jesaja-29-1-5]: Kanttekening 5: laat ze: Te weten de priesters en Levieten.
[^jesaja-29-1-6]: Kanttekening 6: Of, de feestoffers \[de kop\] afhouwen, of de feestoffers kelen, of de keel afsteken. Zie Ex. 23:18 , en de aantekening op Ps. 118:27 . De profeet berispt de dwaasheid dergenen, die zichzelven inbeeldden dat zij zich genoegzaam kweten voor God, als zij maar uiterlijk de godsdienst oefenden met offeranden te doen, enz., menende dat zij slechts zulks doende, al voort ongestraft zouden blijven, omdat het ene jaar voor, het andere jaar na, verlopen was, en zij nog al ongestraft bleven heengaan; zie 2 Petr. 3:4 . Exodus 23:18 : U zult het bloed van Mijn offer met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette van Mijn feest tot op de morgen niet overnachten. Psalmen 118:27 : YHWH is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. 2 Petrus 3:4 : En zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping.
[^jesaja-29-2-7]: Kanttekening 7: Alsof Hij zei: Het is tevergeefs dat u mij met uiterlijke ceremoniën meent te verzoenen; vergelijk Jes. 1:11 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken.
[^jesaja-29-2-8]: Kanttekening 8: zal Ik: Dat is, Ik zal het brandofferaltaar doen verwoesten; ja, ook de tempel.
[^jesaja-29-2-9]: Kanttekening 9: er zal treuring en verdriet wezen: Te weten bij de Joden, vanwege het verbreken van het brandofferaltaar.
[^jesaja-29-2-10]: Kanttekening 10: en die stad : Hebreeuws, zij zal mij gelijk Ariël zijn; te weten die stad Jeruzalem.
[^jesaja-29-2-11]: Kanttekening 11: zal Mij gelijk: Dat is, Ik zal hen ook benauwen, latende dezelfde door de Babyloniërs verstoren en verwoesten; of, gelijk in de tempel voor het altaar dode beesten liggen, die geslacht waren om geofferd te worden, zo zullen er ook in en omtrent de stad vele dode lichamen van de verslagen Joden liggen.
[^jesaja-29-3-a]: Verwijzing a: Jer. 6:3 ; Ez. 17:17 . Jeremia 6:3 : Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iedereen zijn ruimte afweiden. Ezechiël 17:17 : Ook zal Farao, door een groot legermacht en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
[^jesaja-29-3-12]: Kanttekening 12: een leger: Te weten het leger van de Babyloniërs.
[^jesaja-29-3-13]: Kanttekening 13: in het rond: Hebreeuws, met, of als met een bal; dat is, balsgewijze, rondom heen in het rond.
[^jesaja-29-3-14]: Kanttekening 14: om u slaan: Rondom u, o Jeruzalem.
[^jesaja-29-3-15]: Kanttekening 15: met bolwerken: Eigenlijk, met opstaande, of verheven werken; anders katten.
[^jesaja-29-3-16]: Kanttekening 16: tegen u: Of, rondom u.
[^jesaja-29-4-17]: Kanttekening 17: u vernederd: O stad Jeruzalem; dat is, u inwoners van Jeruzalem.
[^jesaja-29-4-b]: Verwijzing b: Jes. 8:19 . Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^jesaja-29-4-18]: Kanttekening 18: Stil, nederig, zwakkelijk, of uwe spraak zal diep en nederig zijn, gelijk dergenen, die in een put of gracht liggen. De zin is: U zult tot zulk een ellendigen staat gebracht worden, dat u nauwelijks zult durven spreken of uw mond opendoen om u te beklagen. Anders: zal lager zijn dan het stof.
[^jesaja-29-4-19]: Kanttekening 19: als van een tovenaar: Of, van een tovergeest, waarzeggenden geest. De tovenaars en die vanwege de duivel dengenen, die hun om raad vragen, antwoorden, zijn gewoon dezelfde stilletjes en onverstandiglijk te antwoorden, met een duistere verwarde stem, als uit een hol van de aarde voortkomende. Zie Lev. 19:31 , en Jes. 8:19 . Leviticus 19:31 : U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben YHWH, uw God! Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?
[^jesaja-29-5-20]: Kanttekening 20: de menigte: Deze woorden kan men in tweeërlei zin nemen: Vooreerst aldus, dat men hier de woorden van de profeet versta van het vreemde krijgsvolk, dat tegen de Joden komen zou; anders, van de vreemde soldaten; die de Joden gehuurd zouden hebben tot hun hulp.
[^jesaja-29-5-21]: Kanttekening 21: zal zijn gelijk: Dat is, naar de mening dergenen, die dit verstaan van de vijanden van de Joden, in zo grote getale als het dunne vliegende stof; maar naar de zin van de anderen: Het zal geheel niets te beduiden hebben, zij zullen verstuiven en teniet komen.
[^jesaja-29-5-22]: Kanttekening 22: van de tirannen: Of, van de schrikkelijken.
[^jesaja-29-5-c]: Verwijzing c: Job 21:18 ; Ps. 1:4 ; Ps. 35:5 ; Jes. 17:13 . Job 21:18 : Dat zij gelijk stro worden voor de wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt; Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft. Psalmen 35:5 : Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel van YHWH drijve hen weg. Jesaja 17:13 : De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind.
[^jesaja-29-5-d]: Verwijzing d: Jes. 30:13 . Jesaja 30:13 : Daarom zal u deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hogen muur, welks breuk haastig in een ogenblik komen zal.
[^jesaja-29-6-23]: Kanttekening 23: met donder: Dat is, met schrikkelijke bestorming en overval van de vijand, te weten van de Babyloniërs, die alles zullen overheren en verderven. Men kan het ook wel naar de letter verstaan.
[^jesaja-29-6-24]: Kanttekening 24: groot geluid: Dat is, met een groot krijgsgeschrei en alarm.
[^jesaja-29-6-25]: Kanttekening 25: de vlam: Te weten van de tegenheden en plagen. Zie Job 15:30 . Job 15:30 : Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas van zijn mond.
[^jesaja-29-7-26]: Kanttekening 26: De zin is, het zal de vijanden, die u benauwen zullen, gaan gelijk of zij van een nachtgezicht droomden. Zie vers 8 , en Ps. 73:20 . Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen. Psalmen 73:20 : Als een droom na het ontwaken! Als U opwaakt, o Heer, dan zult U hun beeld verachten.
[^jesaja-29-7-27]: Kanttekening 27: Zie vers 1 . Jesaja 29:1 : Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten.
[^jesaja-29-7-28]: Kanttekening 28: tegen haar: Te weten tegen Jeruzalem.
[^jesaja-29-8-29]: Kanttekening 29: gelijk wanneer een hongerige droomt: De zin is: Zij zullen niet kunnen verzadigd worden van de gruwelijke stukken, die zij aan u zullen bedrijven, maar zij zullen nog al begerig zijn om nog gruwelijker boosheden aan u te oefenen, als nog niet genoegzaam hun moed aan u gekoeld hebbende; al de tirannie, die zij tevoren gepleegd hebben, zal maar zijn als een droom, vergeleken zijnde bij wat zij u nog menen te doen.
[^jesaja-29-8-30]: Kanttekening 30: en ziet: Hebreeuws, dat zie, hij eet, maar als hij ontwaakt; zo straks weer.
[^jesaja-29-8-31]: Kanttekening 31: zijn ziel: Dat is, hij zelf; eigenlijk te spreken, zijn lichaam. Zo wordt ziel voor lichaam genomen, Ps. 16:10 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^jesaja-29-8-32]: Kanttekening 32: gelijk als wanneer een dorstige droomt: De zin is: Zij zullen niet kunnen verzadigd worden van de gruwelijke stukken, die zij aan u zullen bedrijven, maar zij zullen nog al begerig zijn om nog gruwelijker boosheden aan u te oefenen, als nog niet genoegzaam hun moed aan u gekoeld hebbende; al de tirannie, die zij tevoren gepleegd hebben, zal maar zijn als een droom, vergeleken zijnde bij wat zij u nog menen te doen.
[^jesaja-29-8-33]: Kanttekening 33: Of, laf; dat is, dorstig. Zie Ps. 63:2 ; Jes. 32:2 . Psalmen 63:2 : O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Jesaja 32:2 : En die man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
[^jesaja-29-8-34]: Kanttekening 34: zijn ziel: Dat is, hij zelf; eigenlijk te spreken, zijn lichaam. Zo wordt ziel voor lichaam genomen, Ps. 16:10 . Psalmen 16:10 : Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^jesaja-29-8-35]: Kanttekening 35: tegen de berg Sion: Dat is, tegen Jeruzalem.
[^jesaja-29-9-36]: Kanttekening 36: Te weten de goddeloze Joden.
[^jesaja-29-9-37]: Kanttekening 37: Te weten van de woorden van de profeten te geloven en van hun leven te beteren.
[^jesaja-29-9-38]: Kanttekening 38: U vromen en godzaligen.
[^jesaja-29-9-39]: Kanttekening 39: zij zijn vrolijk: Dat is, zij begeven zich tot alle wellusten.
[^jesaja-29-9-40]: Kanttekening 40: roept u: Te weten tot de Heer, dat Hij u genadig zij.
[^jesaja-29-9-41]: Kanttekening 41: Te weten de goddeloze Joden.
[^jesaja-29-9-42]: Kanttekening 42: zijn dronken: De zin is: Zij zijn zo partijdig alsof zij van al hun verstand, wijsheid en voorzinnigheid beroofd waren, de raad van de profeten niet willende aannemen noch volgen.
[^jesaja-29-9-43]: Kanttekening 43: niet van wijn: Maar van een tuimelgeest, die hun het verstand heeft verblind.
[^jesaja-29-10-44]: Kanttekening 44: O u goddeloze Joden.
[^jesaja-29-10-e]: Verwijzing e: Rom. 11:8 . Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^jesaja-29-10-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, gemengd.
[^jesaja-29-10-46]: Kanttekening 46: een geest: Zo, dat u het niet gevoelt noch acht, ofschoon men u lang en veel dreigt en preekt.
[^jesaja-29-10-47]: Kanttekening 47: uw ogen: Te weten de ogen uws verstands.
[^jesaja-29-10-48]: Kanttekening 48: de profeten: Namelijk de valse profeten.
[^jesaja-29-10-49]: Kanttekening 49: uw hoofden: Dat is, uwe regenten.
[^jesaja-29-10-50]: Kanttekening 50: de zieners: Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^jesaja-29-10-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, bedekt; te weten met duisternis, dat is met blindheid van het gemoed. Vergelijk boven Jes. 25:7 . Jesaja 25:7 : En Hij zal op deze berg verslinden het bewindsel van het aangezicht, waarmee alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmee alle natiën bedekt zijn.
[^jesaja-29-11-52]: Kanttekening 52: alle gezicht: Dat is, al de voorzeggingen en profetieën van de ware profeten, die God tot u zendt, of het gezicht van alles.
[^jesaja-29-11-53]: Kanttekening 53: als de woorden: Dat is, verborgen, onbekend; zie Jes. 8:16 . Jesaja 8:16 : Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.
[^jesaja-29-11-54]: Kanttekening 54: die lezen kan: Hebreeuws, die letters, of schrift, of een boek kent (סֵּפֶר). De zin van vers 11 , 29:12 is dat noch de geleerden, noch de ongeleerden, de voorzeggingen Gods, door de profeten verkondigd, verstaan zouden. Jesaja 29:11 : Daarom is u alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. Jesaja 29:12 : Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.
[^jesaja-29-13-f]: Verwijzing f: Matt. 15:8 ; Mark. 7:6 . Mattheüs 15:8 : Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; Marcus 7:6 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
[^jesaja-29-13-55]: Kanttekening 55: Dusdanigen waren ten tijde van Christus de farizeën en schriftgeleerden, ja, ook verre het grootste deel van het volk; daarom past Christus deze spreuk op hen; Matt. 15:8 ; Mark. 7:6 . Mattheüs 15:8 : Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; Marcus 7:6 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
[^jesaja-29-13-56]: Kanttekening 56: hun vreze: Hebreeuws, hun vrees aan, of tot mij.
[^jesaja-29-13-57]: Kanttekening 57: vrezen, : Dat is, dienen.
[^jesaja-29-14-g]: Verwijzing g: Jer. 49:7 ; Obad. v. 8 ; Matt. 11:25 ; 1 Kor. 1:19 . Jeremia 49:7 : Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden? Obadja 1:8 : Zal het niet op die dag zijn, spreekt YHWH, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. 1 Korinthiërs 1:19 : Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken.
[^jesaja-29-14-58]: Kanttekening 58: Ik zal verder: Of, zo zal Ik ook voortvaren met dit volk wonderbaarlijk om te gaan.
[^jesaja-29-14-59]: Kanttekening 59: zal zich verbergen: Dat is, het zal hun niet te stade komen.
[^jesaja-29-15-h]: Verwijzing h: Ps. 94:7 . Psalmen 94:7 : En zeggen: YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
[^jesaja-29-15-60]: Kanttekening 60: die zich diep: Dat is, die menen dat God hen niet ziet, maar dat hun handelingen voor Hem verborgen zijn. Of aldus: Die de raad diep voor de Heer verbergen.
[^jesaja-29-16-i]: Verwijzing i: Jes. 45:9 . Jesaja 45:9 : Wee die, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?
[^jesaja-29-16-61]: Kanttekening 61: Ulieder omkeren: Te weten dat u de natuur van de zaken verkeert, willende, gelijk men zegt, de meester maken boven God, daar u toch zijn schepsel bent. Anders: o uwe verkeerdheid! zal de pottenbakker het leem gelijk geacht worden? te weten dat niets doet en niets verstaat; als het leem loochent dat het van de pottenbakker geformeerd is en dat hij iets verstaat, zo wordt de pottenbakker geacht als leem. De zin is: Aangaande dat u zulke mening hebt van uwe behendigheid en spitsvondigheid, alsof u God de Heer zoudt kunnen bedriegen en zijn voornemen zoudt kunnen verhinderen, is dat niet zo wijd buiten rede, alsof het leem zich verhief tegen de pottenbakker, om tegen hem te twisten en hem te berispen dat hij zijn werk niet goed gemaakt heeft?
[^jesaja-29-17-62]: Kanttekening 62: dat de Libanon: De zin is: Onvruchtbare plaatsen zullen vruchtbaar worden. En integendeel, enz. De geestelijke zin is: De wilde woeste harten van de uitverkoren heidenen zullen ten tijde van Christus vruchtbaar worden; dat is, zij zullen door de Heilige Geest wedergeboren worden, en daarentegen de harten van de goddeloze Joden, die vanwege hun huichelarij schijnen vruchtbaar te zijn, zullen verstokken en verwilderen.
[^jesaja-29-17-63]: Kanttekening 63: in een vruchtbaar: Of, Karmel. Zie de aantekening 2 Kon. 19:23 , en Jer. 2:7 . 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. Jeremia 2:7 : En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelfde en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jesaja-29-17-64]: Kanttekening 64: het vruchtbare veld: Of, Karmel. Zie de aantekening 2 Kon. 19:23 , en Jer. 2:7 . 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. Jeremia 2:7 : En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelfde en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jesaja-29-18-k]: Verwijzing k: Matt. 11:5 . Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd.
[^jesaja-29-18-65]: Kanttekening 65: de doven: De genezing van deze boosheid en blindheid kan vooreerst zien op de wonderen van Jezus Christus' lichamelijk gedaan, Matt. 11:5 ; maar ziet bijzonderlijk op de geestelijke verlichting, waarvan de zin is: Degenen, die tevoren onbekwaam waren om Gods Woord te horen, zullen bekwaam gemaakt worden door de kracht van de Heilige Geest om de verborgenheden van de zaligheden te verstaan. Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd.
[^jesaja-29-18-66]: Kanttekening 66: Dat is, verstaan.
[^jesaja-29-18-67]: Kanttekening 67: van het Boek: Te weten van de Heilige Schrift; gelijk Ps. 40:8 ; Hebr. 10:7 ; zie vers 11 , 29:12 . Psalmen 40:8 : Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Hebreeën 10:7 : Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God! Jesaja 29:11 : Daarom is u alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. Jesaja 29:12 : Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.
[^jesaja-29-18-68]: Kanttekening 68: van de blinden: Zie de 62e aantekening.
[^jesaja-29-18-69]: Kanttekening 69: uit de donkerheid: Dat is, door de Geest van God verlicht zijnde.
[^jesaja-29-19-70]: Kanttekening 70: de zachtmoedigen: Zie Ps. 10:17 . Psalmen 10:17 : YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^jesaja-29-19-71]: Kanttekening 71: vreugde op vreugde: Hebreeuws, vreugde toedoen (שִׂמְחָה).
[^jesaja-29-19-72]: Kanttekening 72: in YHWH: Dat is, vanwege de zaligmakende kennis van de Heer.
[^jesaja-29-19-73]: Kanttekening 73: de behoeftigen: Dat is, de armen van geest; Matt. 5:3 . Mattheüs 5:3 : Zalig zijn de armen van geest; want hun is het Koninkrijk van de hemelen.
[^jesaja-29-19-74]: Kanttekening 74: in de Heilige: Dat is, in God, welke het volk van God heiligt en eert; zie Ps. 71:22 . Psalmen 71:22 : Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^jesaja-29-20-75]: Kanttekening 75: Dat is, wanneer de goddeloze Joden zullen uitgeroeid worden. Anders: want de tiran zal een einde hebben, enz.
[^jesaja-29-20-76]: Kanttekening 76: Dat is, allen die naarstig zijn om ongerechtigheid te plegen.
[^jesaja-29-21-77]: Kanttekening 77: schuldig maken: Hebreeuws, doen zondigen, of tot een zondaar maken; dat is, beschuldigen, alsof hij een grote zonde begaan had.
[^jesaja-29-21-78]: Kanttekening 78: om een woord: Niet kunnende verdragen dat men hun goddeloosheid ter goeder trouw en in ernst bestraft. Dit is vervuld in onze Zaligmaker Christus Jezus en in zijn apostelen.
[^jesaja-29-21-79]: Kanttekening 79: in de poort: Dat is, voor het gericht, \[zie de aantekening Gen. 22:17 , en Gen. 34:20 \]. Of, in de poort; dat is, openlijk, in de openbare verzameling; zie Amos 5:10 . Anders: en leggen die strikken in de poort, die hen bestraft; dat is, en zoeken derzelver verderf door valse beschuldigingen. Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 34:20 : Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende: Amos 5:10 : Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van die, die oprecht spreekt.
[^jesaja-29-21-80]: Kanttekening 80: in het woeste: Waar men noch te bijten noch te breken vindt, en waar alles verschrikkelijk is. De zin is: Die door hun valse aanklacht teweegbrengen dat de rechtvaardige door het gericht veroordeeld en in ellende verwezen wordt. Anders: om een nietig ding.
[^jesaja-29-22-81]: Kanttekening 81: verlost heeft: Te weten uit de afgoderij. Zie Gen. 12:1 ; Joz. 24:2 , 24:3 . Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Jozua 24:3 : Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde van de rivier, en deed hem wandelen door het gehele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.
[^jesaja-29-22-82]: Kanttekening 82: tot het huis: Of, van het huis van Jakob; dat is, van de nakomelingen van Jakob; versta, de vrome en godzalige Joden, of de kerk.
[^jesaja-29-22-83]: Kanttekening 83: Jakob zal nu: De Joden, nu zij zich tot God bekeerd en hun leven verbeterd hebben, of de kerk in het algemeen.
[^jesaja-29-22-84]: Kanttekening 84: bleek worden: Te weten van schaamte, of van vrees.
[^jesaja-29-23-85]: Kanttekening 85: Te weten Jakob; dat is Jakobs huis, of de kerk, als in het voorgaande.
[^jesaja-29-23-86]: Kanttekening 86: zijn kinderen: Die hem geboren zullen zijn door de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-29-23-87]: Kanttekening 87: het werk: De kinderen, die Ik zal wedergeboren en als opnieuw geschapen hebben door de Heilige Geest. Zie Jes. 19:25 ; Ef. 2:10 ; Hebr. 2:10 . Jesaja 19:25 : Want YHWH van de legermachten zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk van Mijn handen, en Israël, Mijn erfdeel! Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen. Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welke alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.
[^jesaja-29-23-88]: Kanttekening 88: zullen zij: Te weten de nakomelingen van Jakob.
[^jesaja-29-23-89]: Kanttekening 89: Dat is loven en prijzen.
[^jesaja-29-23-90]: Kanttekening 90: de Heilige Jakobs: Dat is, de ware God, die Jakob heeft geloofd en geprezen.
[^jesaja-29-23-91]: Kanttekening 91: van Israël: Dat is, van de Israëlieten.
[^jesaja-29-23-92]: Kanttekening 92: Of, ontzien; dat is eer bewijzen.
[^jesaja-29-24-93]: Kanttekening 93: zullen tot verstand komen: Hebreeuws, zullen verstand weten.
[^jesaja-29-24-94]: Kanttekening 94: de murmureerders: Die tegen God en zijn profeten morren vanwege de roeping van de heidenen; vergelijk Matt. 20:11 ; Luk. 15:28 ; Rom. 10:19 . Mattheüs 20:11 : En die ontvangen hebbende, morden zij tegen de heer van het huis, Lukas 15:28 : Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. Romeinen 10:19 : Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal u tot jaloërsheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
[^jesaja-29-24-95]: Kanttekening 95: zullen de lering aannemen: Of, zullen zich laten leren. Hebreeuws, zullen de onderwijzing leren. zie Job 11:4 . Job 11:4 : Want u hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.

### Jesaja 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/30.json)

*De Heere dreigt de Joden die bij de Egyptenaren hulp zochten, vers 1, en voorzegt dat het van geen waarde zal zijn, 3 enzovoort. De Heere beveelt de profeet zijn profetie op te schrijven, 8, en klaagt over de weerspannigheid van zijn volk, 9. Daarom dreigt Hij hen dat Jeruzalem verwoest zou worden, 13 enzovoort. Maar Hij belooft dat Hij zich over de boetvaardigen zou ontfermen, 18, en dat Hij hun trouwe leraren zou geven, 20, naar wie zij zouden luisteren, 21, en de afgoden zouden verwerpen, 22. Een belofte van zegen over de vruchten, 23, en grotere heerlijkheid en vreugde, 25 enzovoort. Een profetie van de vernietiging van het Assyrische krijgsvolk door de hevige toorn van de Heere, 27 enzovoort, en de blijdschap van het volk van God daarover, 29.*

**1** Wee[^jesaja-30-1-1] de kinderen, die afvallen, spreekt YHWH, [^jesaja-30-1-2] om een raadslag te maken,[^jesaja-30-1-3] maar niet uit Mij, en om zich met[^jesaja-30-1-4] een bedekking te bedekken, maar[^jesaja-30-1-5] niet uit Mijn Geest,[^jesaja-30-1-6] om zonde tot zonde te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v1)

**2** [^jesaja-30-2-7] Die gaan, om af te trekken in Egypte,[^jesaja-30-2-8] en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen[^jesaja-30-2-9] onder de schaduw van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v2)

**3** Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v3)

**4** Wanneer[^jesaja-30-4-10] zijn vorsten zullen geweest zijn tot[^jesaja-30-4-11] Zoan, en zijn[^jesaja-30-4-12] gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes;[^jesaja-30-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v4)

**5** Hij zal[^jesaja-30-5-14] hen[^jesaja-30-5-15] allen beschaamd maken door een volk,[^jesaja-30-5-a] dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaad zijn zal.[^jesaja-30-5-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v5)

**6** De last van de beesten,[^jesaja-30-6-17] van het[^jesaja-30-6-18] zuiden, naar het land van de angst, en van de benauwdheid,[^jesaja-30-6-19] vanwaar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen[^jesaja-30-6-20] zij voeren op de rug van de veulens, en hun schatten op de bulten van de kamelen,[^jesaja-30-6-21] tot het volk, dat hun geen nut zal doen.[^jesaja-30-6-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v6)

**7** Want Egypte zal zinloos en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal[^jesaja-30-7-23] hun sterkte zijn.[^jesaja-30-7-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v7)

**8** Nu dan, ga heen,[^jesaja-30-8-25] schrijf[^jesaja-30-8-26] voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het[^jesaja-30-8-27] blijve[^jesaja-30-8-28] tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid.[^jesaja-30-8-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v8)

**9** Want het is een opstandig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die de wet van YHWH[^jesaja-30-9-30] niet horen willen.[^jesaja-30-9-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v9)

**10** Die daar zeggen tot de zieners:[^jesaja-30-10-32] Zie niet; en tot de[^jesaja-30-10-33] schouwers: Schouw ons niet, wat recht is;[^jesaja-30-10-34] spreek tot ons zachte dingen, schouw ons[^jesaja-30-10-35] bedriegerijen.[^jesaja-30-10-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v10)

**11** Wijk af van de weg, maakt u van de baan;[^jesaja-30-11-37] laat de Heilige van Israël van ons ophouden![^jesaja-30-11-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v11)

**12** Daarom, zo zegt de Heilige van Israël: Omdat u dit woord verwerpt, en vertrouwt[^jesaja-30-12-39] op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt[^jesaja-30-12-40] daarop:[^jesaja-30-12-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v12)

**13** Daarom zal u deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hoge muur,[^jesaja-30-13-b] waarvan de breuk haastig in een ogenblik komen zal.[^jesaja-30-13-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v13)

**14** Ja, Hij[^jesaja-30-14-43] zal ze verbreken,[^jesaja-30-14-44] gelijk een[^jesaja-30-14-c] pottenbakkerskruik verbroken wordt;[^jesaja-30-14-45] in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat[^jesaja-30-14-46] van haar verbrijzeling niet één scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een[^jesaja-30-14-47] gracht.[^jesaja-30-14-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v14)

**15** Want zo zegt Adonai YHWH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zou u[^jesaja-30-15-49] behouden worden, in stilheid en in[^jesaja-30-15-50] vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar[^jesaja-30-15-51] u hebt niet gewild.[^jesaja-30-15-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v15)

**16** En u zegt: Nee, maar op paarden zullen wij vluchten;[^jesaja-30-16-53] daarom zult u vluchten! En:[^jesaja-30-16-54] Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen[^jesaja-30-16-55] uw vervolgers ook snel zijn![^jesaja-30-16-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v16)

**17** Een duizend van de bestraffing van enige, van de bestraffing van vijf zult u allen vluchten;[^jesaja-30-17-d] totdat u overgelaten wordt, zoals[^jesaja-30-17-57] een mast op de top van een berg, en als een banier op een heuvel.[^jesaja-30-17-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v17)

**18** En daarom zal YHWH[^jesaja-30-18-59] wachten,[^jesaja-30-18-60] opdat Hij u genadig zij, en[^jesaja-30-18-61] daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is[^jesaja-30-18-62] een God van het[^jesaja-30-18-e] gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.[^jesaja-30-18-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v18)

**19** Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem;[^jesaja-30-19-64] u zult geheel niet huilen;[^jesaja-30-19-65] zeker zal Hij u genadig zijn[^jesaja-30-19-66] op de stem van uw geroep; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u[^jesaja-30-19-67] antwoorden.[^jesaja-30-19-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v19)

**20** De Heere zal u wel brood van de benauwdheid, en wateren van de verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer[^jesaja-30-20-69] als met vleugels wegvliegen, maar uw ogen[^jesaja-30-20-70] zullen uw leraars zien;[^jesaja-30-20-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v20)

**21** En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is[^jesaja-30-21-72] de weg, wandelt daarin; als u zou afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.[^jesaja-30-21-73][^jesaja-30-21-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v21)

**22** En u zult voor onrein houden[^jesaja-30-22-75] het deksel van uw zilveren gesneden beelden, en[^jesaja-30-22-76] het overtreksel van uw gouden gegoten beelden; u zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen:[^jesaja-30-22-77] Heen uit![^jesaja-30-22-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v22)

**23** Dan zal[^jesaja-30-23-79] Hij uw[^jesaja-30-23-80] zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en[^jesaja-30-23-81] brood van het land inkomen, en dat zal vet en[^jesaja-30-23-82] smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden.[^jesaja-30-23-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v23)

**24** En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voer eten, dat[^jesaja-30-24-84] verschud is met de werpschoffel en met de wan.[^jesaja-30-24-85] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v24)

**25** En er zullen op allen hoge berg, en op allen verhevenen heuvel[^jesaja-30-25-86] beekjes en watervlieten zijn,[^jesaja-30-25-87] in de dag van de grote slachting, wanneer[^jesaja-30-25-88] de torens vallen zullen.[^jesaja-30-25-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v25)

**26** En het licht van de maan zal[^jesaja-30-26-90] zijn als[^jesaja-30-26-91] het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; op de dag[^jesaja-30-26-92] als YHWH de breuk van Zijn volk zal verbinden, en[^jesaja-30-26-93] de wonde,[^jesaja-30-26-94] waarmee het geslagen is, genezen.[^jesaja-30-26-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v26)

**27** Zie,[^jesaja-30-27-96] de Naam van YHWH komt van verre,[^jesaja-30-27-97] Zijn toorn brandt, en de last is[^jesaja-30-27-98] zwaar; Zijn lippen zijn vol toorn, en[^jesaja-30-27-99] Zijn tong, als een verterend vuur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v27)

**28** En[^jesaja-30-28-f] Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan de hals toe[^jesaja-30-28-100] raakt; om de heidenen[^jesaja-30-28-101] te schudden[^jesaja-30-28-102] met een[^jesaja-30-28-103] schudding van de zinloosheid, en als een[^jesaja-30-28-104] misleidende toom in de kinnebakkens van de volken.[^jesaja-30-28-105] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v28)

**29** Er zal een lofzang bij u zijn, gelijk in de nacht, wanneer[^jesaja-30-29-106] het feest geheiligd wordt; en blijdschap van het hart, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen[^jesaja-30-29-107] tot de berg van YHWH,[^jesaja-30-29-108] tot de Rotssteen van Israël.[^jesaja-30-29-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v29)

**30** En YHWH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de neerlating van Zijn arm[^jesaja-30-30-110] doen zien, met woede van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en[^jesaja-30-30-111] een vloed, en hagelstenen.[^jesaja-30-30-112] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v30)

**31** Want door de stem van YHWH zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.[^jesaja-30-31-113] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v31)

**32** En alwaar die[^jesaja-30-32-114] gegrondveste[^jesaja-30-32-115] staf doorgegaan zal zijn (waarop YHWH die[^jesaja-30-32-116] zal hebben doen rusten),[^jesaja-30-32-117] daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij[^jesaja-30-32-118] tegen hen strijden.[^jesaja-30-32-119][^jesaja-30-32-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v32)

**33** Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor[^jesaja-30-33-121] de koning bereid;[^jesaja-30-33-122] Hij heeft hem diep en wijd[^jesaja-30-33-123] gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van YHWH zal[^jesaja-30-33-124] hem aansteken als een zwavelstroom.[^jesaja-30-33-125] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/30.html#v33)

[^jesaja-30-1-1]: Kanttekening 1: de kinderen: Versta, de boze en onbestendige burgers binnen Jeruzalem.
[^jesaja-30-1-2]: Kanttekening 2: om een raadslag: Om een verbond op te richten met de koning van Egypte \[gelijk vers 2 \], tegen de koning van Babel, nadat deze koning hen onder zijn heerschappij gebracht had. Jesaja 30:2 : Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.
[^jesaja-30-1-3]: Kanttekening 3: maar niet uit Mij: Mij geen raad gevraagd hebbende, maar hun eigen gedachte of goeddunken volgende.
[^jesaja-30-1-4]: Kanttekening 4: een bedekking: Aldus noemt hij de beschutting van de koning van Egypte.
[^jesaja-30-1-5]: Kanttekening 5: niet uit Mijn Geest: Dat is, niet door ingeven van mijn Geest.
[^jesaja-30-1-6]: Kanttekening 6: om zonde tot zonde: Namelijk de zonde van vertrouwen op menselijke hulp, tot de zonde van de meinedigheid in het afwijken van de koning te Babel. Zie Ez. 17:13 , 17:14 , 17:15 ; of de zonde van God te verlaten en op mensen te betrouwen; vergelijk Jer. 2:13 . Ezechiël 17:13 : Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen van het land heeft hij weggenomen; Ezechiël 17:14 : Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht. Ezechiël 17:15 : Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? Jeremia 2:13 : Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^jesaja-30-2-7]: Kanttekening 7: Die gaan: Hoe de koningen van Juda hun gezanten naar Egypte gezonden hebben om een verbond met de koning daar te maken, zie Jer. 2:18 , en Jer. 37:7 ; Ez. 17:15 . Jeremia 2:18 : En nu, wat hebt u te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt u te doen met de weg van Assur, om de wateren van de rivier te drinken? Jeremia 37:7 : Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, die u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; Ezechiël 17:15 : Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?
[^jesaja-30-2-8]: Kanttekening 8: Te weten, noch door de profeten, noch door de hogepriester.
[^jesaja-30-2-9]: Kanttekening 9: onder de schaduw: Dat is, onder de bescherming. In plaats van deze manier van spreken, staat er Ruth 2:12 , onder de vleugelen. Ruth 2:12 : YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen!
[^jesaja-30-4-10]: Kanttekening 10: zijn vorsten: Te weten, van de koning van Juda; zie Ez. 17:15 ; anders: hun vorsten, te weten van het Joodse volk. Ezechiël 17:15 : Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?
[^jesaja-30-4-11]: Kanttekening 11: Dit zijn de steden in Egypte gelegen. Zie de aantekening Num. 13:22 ; Ps. 78:12 . Chanes is Dafne; zie Jer. 2:16 , en Jer. 43:7 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Psalmen 78:12 : Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan. Jeremia 2:16 : Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid. Jeremia 43:7 : En zij togen in Egypteland, want zij waren de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.
[^jesaja-30-4-12]: Kanttekening 12: Of, boden.
[^jesaja-30-4-13]: Kanttekening 13: Dit zijn de steden in Egypte gelegen. Zie de aantekening Num. 13:22 ; Ps. 78:12 . Chanes is Dafne; zie Jer. 2:16 , en Jer. 43:7 . Numeri 13:22 : En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Psalmen 78:12 : Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan. Jeremia 2:16 : Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid. Jeremia 43:7 : En zij togen in Egypteland, want zij waren de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.
[^jesaja-30-5-14]: Kanttekening 14: Te weten God, of de koning van Egypte.
[^jesaja-30-5-15]: Kanttekening 15: hen allen: Te weten allen die van Jeruzalem, zo de gezanten als de onderzaten.
[^jesaja-30-5-a]: Verwijzing a: Jer. 2:36 . Jeremia 2:36 : Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent.
[^jesaja-30-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, verachtzaam. Anders: Hij zal hen allen stinkende maken; te weten de Egyptenaars; zie Jer. 37:7 . Jeremia 37:7 : Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, die u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte;
[^jesaja-30-6-17]: Kanttekening 17: last van de beesten: Dat is, de profetie tegen de Joden, aangaande de kamelen of andere lastdragende beesten, welke zij naar Egypte zonden, met geschenken beladen om van de koning in Egypte hulp te verzoeken tegen de Chaldeën.
[^jesaja-30-6-18]: Kanttekening 18: van het zuiden: Dat is, naar Egypte; aldus genoemd omdat het zuidelijk van het Joodse land ligt.
[^jesaja-30-6-19]: Kanttekening 19: naar het land van de angst: Aldus wordt Egypte genoemd of beschreven, omdat de Joden eertijds daar veel angst en benauwdheid was overkomen en nog overkomen zou dengenen, die daar hulp en troost verzochten.
[^jesaja-30-6-20]: Kanttekening 20: de sterke leeuw …, de basilisk en de vurige vliegende draak: Zulke schadelijke, venijnige, verscheurende dieren worden er in Egypte veel gevonden. Enige verstaan bij deze dieren de krijgslieden uit Egypte, van wie de Joden niets dan schade en verderf te verwachten hadden.
[^jesaja-30-6-21]: Kanttekening 21: Te weten de afgezanten van de Joden, die de koning in Egypte grote geschenken brachten.
[^jesaja-30-6-22]: Kanttekening 22: tot het volk: Dat is, tot de Egyptenaars, gelijk vers 5 . Jesaja 30:5 : Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.
[^jesaja-30-7-23]: Kanttekening 23: Dat is, de hulp van de Egyptenaars zal ijdel en tevergeefs zijn.
[^jesaja-30-7-24]: Kanttekening 24: hun sterkte zijn: Te weten van de Joden; vergelijk onder vers 15 . Hebreeuws, Rahabhemschabet, welke woorden anderen aldus vertalen: Rahab is ophouding, of Rahab zal ophouden; dat is, Egypte zal stilzitten of ophouden, dat is, het zal geen hulp meer bewijzen. Zie Jer. 37:7 . Egypte wordt meermalen van de profeten Rahab genoemd, gelijk Jes. 51:9 , en Ps. 87:4 ; zie de aantekening daar. Jesaja 30:15 : Want zo zegt de Heer YHWH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zoudt u behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar u hebt niet gewild. Jeremia 37:7 : Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, die u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; Jesaja 51:9 : Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren.
[^jesaja-30-8-25]: Kanttekening 25: Nu dan, : Dit zijn de woorden van de Heer tot de profeet.
[^jesaja-30-8-26]: Kanttekening 26: Te weten tot een getuigenis tegen hen; vergelijk dit met Deut. 31:19 en Jes. 8:1 . Deuteronomium 31:19 : En nu, schrijft u dit lied, en leert het de kinderen van Israël; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen van Israël. Jesaja 8:1 : Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^jesaja-30-8-27]: Kanttekening 27: voor hen: Of, bij hen, te weten de burgers van Jeruzalem.
[^jesaja-30-8-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, zij. Zie Ps. 37:18 . Psalmen 37:18 : Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jesaja-30-8-29]: Kanttekening 29: tot de laatste dag: Of, tot de toekomende dag.
[^jesaja-30-9-30]: Kanttekening 30: een opstandig volk: Dat is, een volk, dat elke reis van de Heer afvalt en tegen Hem opstaat.
[^jesaja-30-9-31]: Kanttekening 31: Of, leer.
[^jesaja-30-10-32]: Kanttekening 32: tot de zieners: Dat is, tot de profeten. Zie 1 Sam. 9:9 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^jesaja-30-10-33]: Kanttekening 33: Ziet niet: Dat is, profeteert niet, alsof zij zeiden: Ofschoon u God iets openbaart, zo verkondigt het niet, maar verzwijgt het, alsof u het niet gezien noch gehoord hadt.
[^jesaja-30-10-34]: Kanttekening 34: de schouwers: Of, bezichtigers, dat is profeten.
[^jesaja-30-10-35]: Kanttekening 35: Alsof zij zeiden: Maar predikt ons wat lieflijk en aangenaam is.
[^jesaja-30-10-36]: Kanttekening 36: Of, bespottingen.
[^jesaja-30-11-37]: Kanttekening 37: van de weg: Dat is, van uw ambt en beroeping.
[^jesaja-30-11-38]: Kanttekening 38: laat de Heilige: Dat is, spreekt ons niet meer van het woord en de bedreigingen van de Heer.
[^jesaja-30-12-39]: Kanttekening 39: dit woord: Dat is, deze profetie, wat Ik u door mijn profeet laat verkondigen, wat betreft de hulp van de Egyptenaars, die hij u afraadt.
[^jesaja-30-12-40]: Kanttekening 40: op onderdrukking: Dat is, op uwe kwade werken, strekkende tot onderdrukking van de armen en onnozelen. Anders: op onderdrukking; te weten van de profeten, die u ten beste raden; zie Jer. 20:2 , en Jer. 26:11 , en Jer. 37:15 , 37:16 . Jeremia 20:2 : Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Jeremia 26:11 : Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als u met uw oren gehoord hebt. Jeremia 37:15 : En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt. Jeremia 37:16 : Als Jeremia in de plaats van de kuil, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia daar veel dagen gezeten had;
[^jesaja-30-12-41]: Kanttekening 41: Te weten, op de onderdrukkingen.
[^jesaja-30-13-b]: Verwijzing b: Jes. 29:5 . Jesaja 29:5 : En de menigte uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren.
[^jesaja-30-13-42]: Kanttekening 42: De zin is: Uwe zonden zullen oorzaak zijn van uw schielijken ondergang, gelijk een muur, die vol spleten en reten is, en die uitgebroken is, lichtelijk instort en nedervalt. Vergelijk Ps. 62:4 , en de aantekening daar. Psalmen 62:4 : Hoe lang zult u kwaad aanstichten tegen een man? U allen zult gedood worden; u zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.
[^jesaja-30-14-43]: Kanttekening 43: Te weten de Heer, of de vijand.
[^jesaja-30-14-44]: Kanttekening 44: zal ze verbreken: Te weten Jeruzalem en de andere steden van Juda, ja ook de gehele natie van de Joden, de geestelijke en de wereldlijke stand.
[^jesaja-30-14-c]: Verwijzing c: Jer. 19:11 . Jeremia 19:11 : En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.
[^jesaja-30-14-45]: Kanttekening 45: gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt: Hebreeuws, naar de verbreking van de fles eens pottenbakkers.
[^jesaja-30-14-46]: Kanttekening 46: in het brijzelen: Dat is, men zal hen geheel verbrijzelen, dat er niets geheels aan blijven zal. Vergelijk Jer. 19:11 . Jeremia 19:11 : En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.
[^jesaja-30-14-47]: Kanttekening 47: van haar verbrijzeling: Dat is, uit haar gebroken stukken.
[^jesaja-30-14-48]: Kanttekening 48: Of, greb, put, poel.
[^jesaja-30-15-49]: Kanttekening 49: Door wederkering: Dat is, als u terugkeert, of afstand deedt, te weten van uw goddeloos leven en voornemen van hulp te gaan zoeken in Egypte, in geduldigheid uwe zielen bezittende en op God hopende. Zie boven Jer. 30:7 . Jeremia 30:7 : O wee! want die dag is zo groot, dat zijn gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.
[^jesaja-30-15-50]: Kanttekening 50: behouden worden: Of, verlost worden.
[^jesaja-30-15-51]: Kanttekening 51: Te weten op God.
[^jesaja-30-15-52]: Kanttekening 52: u hebt: Dat is, u hebt deze raad niet willen gehoorzamen.
[^jesaja-30-16-53]: Kanttekening 53: zullen wij vluchten: Te weten, als de Babyloniërs ons te sterk vallen. Anders: vluchten; dat is hier en daar omlopen, zolang totdat wij hulp vinden.
[^jesaja-30-16-54]: Kanttekening 54: daarom zult u vluchten: Te weten omdat u dus opstandig bent en aldus spreekt. Zie de vervulling 2 Kon. 25:4 ; Jer. 39:4 , en Jer. 52:7 . 2 Koningen 25:4 : Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden 's nachts door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. Jeremia 39:4 : En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door de weg van het hof van de koning, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door de weg van het vlakke veld. Jeremia 52:7 : Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit 's nachts, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door de weg van het vlakke veld.
[^jesaja-30-16-55]: Kanttekening 55: Op snelle paarden : Of, op lichte, raslopende \[paarden\].
[^jesaja-30-16-56]: Kanttekening 56: uw vervolgers: Te weten de Babyloniërs.
[^jesaja-30-17-d]: Verwijzing d: Jes. 17:6 ; Jes. 24:6 ; idem 24:13 . Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. Jesaja 24:6 : Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven. Jesaja 24:13 : Want in het binnenste van het land, in het midden van deze volken, zal het zo wezen, gelijk de afschudding van de olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.
[^jesaja-30-17-57]: Kanttekening 57: Een duizend: Vergelijk dit met Lev. 26:8 , 26:36 ; Deut. 28:25 , en Deut. 32:30 . Leviticus 26:8 : Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. Leviticus 26:36 : En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen van hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. Deuteronomium 28:25 : YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Deuteronomium 32:30 : Hoe zou een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en YHWH hen overgeleverd had?
[^jesaja-30-17-58]: Kanttekening 58: een mast: Of, mastboom, hoge paal, gedenkteken, hoog verheven gedenkteken, een opgericht hout of hoge boom zonder takken of bladen. De profeet wil hiermede te verstaan geven dat degenen, die overblijven zouden, wel dun gezaaid zouden zijn, en zo lichtelijk te omzien en tellen, als een mastboom, of hoge paal, op een berg.
[^jesaja-30-18-59]: Kanttekening 59: daarom zal: Dit is een vertroosting voor degenen, die de Heer zou laten overblijven.
[^jesaja-30-18-60]: Kanttekening 60: Te weten op uwe boete en beterschap.
[^jesaja-30-18-61]: Kanttekening 61: opdat Hij u: U verlossende uit uwe gevangenschap.
[^jesaja-30-18-62]: Kanttekening 62: daarom zal Hij: Te weten door zijn oordelen, door welke u zult gebracht worden tot boete en beterschap.
[^jesaja-30-18-e]: Verwijzing e: Ps. 2:12 ; Ps. 34:9 ; Spreuk. 16:20 ; Jer. 17:7 . Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 34:9 : Teth. Smaakt en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. Spreuken 16:20 : Die op het woord verstandig let, zal het goede vinden; en die op YHWH vertrouwt, is welgelukzalig. Jeremia 17:7 : Gezegend daarentegen is de man, die op YHWH vertrouwt, en wiens vertrouwen YHWH is!
[^jesaja-30-18-63]: Kanttekening 63: een God: Dat is, die geen ding lichtvaardiglijk doet, maar alles met reden, die de straffen weet te matigen; gelijk Jer. 10:24 , waar aldus staat: Kastijd mij, Heer, maar met mate, of oordeel gericht. God de Heer straft wat straffenswaardig is, en bewijst genade dengenen, die zich bekeren. Jeremia 10:24 : Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^jesaja-30-19-64]: Kanttekening 64: het volk: Te weten het Joodse volk, nadat het uit de Babylonische gevangenschap zal verlost zijn; dat een voorbeeld geweest is van de geestelijke verlossing van het volk van God door Christus.
[^jesaja-30-19-65]: Kanttekening 65: u zult ganselijk niet wenen: Of, u zult niet meer zozeer, of zoveel wenen. Hebreeuws, u zult met wenen niet wenen; te weten niet zoveel of zozeer als u tevoren hebt gedaan, toen u in de Babylonische gevangenschap bent gevoerd geworden. Zie Ps. 137 .
[^jesaja-30-19-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, Hij zal met genadig zijn genadig zijn. \[Hij\], te weten de Heer.
[^jesaja-30-19-67]: Kanttekening 67: op de stem: Dat is, als u Hem in uwe gevangenschap om verlossing zult aanroepen.
[^jesaja-30-19-68]: Kanttekening 68: Dat is, verhoren.
[^jesaja-30-20-69]: Kanttekening 69: Dat is, de Heer zal u wel opnieuw in kruis en tegenspoed laten vervallen, maar uwe zielen zal Hij met het voedsel van zijn Woord en met de drank van de predikatie verkwikken en versterken, u zullen geen leraars ontbreken; Hij zal maken dat u altijd enige bij u hebben zult; te weten nadat Christus in de wereld zal gekomen zijn, die zelf bij u zal prediken, alsook zijn apostelen en discipelen, die Hij daarna zenden zal in de gehele wereld om het Evangelie alle volken te prediken, Matt. 28:19 . Anders: de Heer zal u \[in\] droefenis brood en in verdrukking water geven, enz. Dit is vervuld ten tijde van de Macchabeën. Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
[^jesaja-30-20-70]: Kanttekening 70: als met vleugelen: Of, gevleugeld zijn; dat is, zo haastig alsof zij vleugels hadden. Gelijk geschied is in verscheidene voorgaande tijden, en in het bijzonder van de tijd van de profeet Maleachi tot op Johannes de Doper, zie Ps. 74:9 ; Mal. 4:4 , 4:5 . Psalmen 74:9 : Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang. Maleachi 4:4 : Gedenk de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan geheel Israël, de inzettingen en rechten. Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal.
[^jesaja-30-20-71]: Kanttekening 71: Anders: \[geduriglijk\] zien; dat is, steeds bij u hebben, met lust en vreugde dezelfde aanschouwende, en met ijver hun predikatiën aanhorende.
[^jesaja-30-21-72]: Kanttekening 72: van degene, die : Dat is, God zal u als nagaan, u voeren en leiden met zijn Woord en Geest, gelijk een poedagoog of leermeester zijn discipelen voor zich gaan laat, om te beter op hen te passen.
[^jesaja-30-21-73]: Kanttekening 73: de weg: Te weten de weg, die ten hemel leidt.
[^jesaja-30-21-74]: Kanttekening 74: als u zoudt: Alsof hij zei: Zo haast als u van de rechte weg zoudt aftreden, zo zal u de Heer met de staf van zijn Woord opnieuw op de rechte weg brengen; zie Ps. 23 .
[^jesaja-30-22-75]: Kanttekening 75: voor onrein: Of, als iets onreins verachten en van u weren. De zin is, u zult de afgoderij ten enenmale verlaten, als strijdende met de zuivere godsdienst.
[^jesaja-30-22-76]: Kanttekening 76: het deksel: Dat is, uw gesneden beelden, die met zilver of goud overdekt zijn. Hebreeuws, de gesneden beelden uws zilvers; dat is, die van uw zilver gemaakt zijn. Zo straks, van uw goud.
[^jesaja-30-22-77]: Kanttekening 77: het overtreksel: Dat is, uw gegoten beelden, met goud overdekt of bekleed of versierd. Het Hebreeuwse woord ziet op de sierlijke efod van de hogepriester, van welke te lezen is Ex. 28:6 , enz. Exodus 28:6 : En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.
[^jesaja-30-22-78]: Kanttekening 78: Heen uit: Of, pakt u weg. Hebreeuws, gaat uit.
[^jesaja-30-23-79]: Kanttekening 79: Te weten de Heer.
[^jesaja-30-23-80]: Kanttekening 80: uw zaad: Hebreeuws, Hij zal de regen uws zaads geven (מְטַר); te weten die regen, die uw zaad van doen heeft, zou het wel en vruchtbaar opwassen.
[^jesaja-30-23-81]: Kanttekening 81: waarmee u: Of, als u het land bezaaid hebt.
[^jesaja-30-23-82]: Kanttekening 82: brood van het inkomen van het land: Anders: brood van het land voortkomt; dat is koren, dat uit het land voortkomt.
[^jesaja-30-23-83]: Kanttekening 83: Of, olieachtig.
[^jesaja-30-24-84]: Kanttekening 84: zuiver voeder: Of, rein . Hebr.: gedesemd , dat is, aangenaam, smakelijk. Of, zuiver voeder , te weten zonder kaf of andere onreinheid, vanwege de grote overvloed van de vruchten die dan groeien zullen.
[^jesaja-30-24-85]: Kanttekening 85: Of, verschoten, gewand is, met de schop of werpschoffel.
[^jesaja-30-25-86]: Kanttekening 86: er zullen: Dat is, God zal met zijn overgrote genade en zegen alles zo overvloedig overstelpen, dat ook die mensen zich zullen bekeren en vruchten dragen, die van nature hard, dor en onvruchtbaar waren, gelijk de hoge bergen en heuvels.
[^jesaja-30-25-87]: Kanttekening 87: Of, waterspruitingen; te weten om de hoge bergen en heuvels te bevochtigen en vruchtbaar te maken.
[^jesaja-30-25-88]: Kanttekening 88: in de dag: Te weten nadat de Babyloniërs door de Perzen en Meden zullen omgebracht zijn.
[^jesaja-30-25-89]: Kanttekening 89: de torens: Te weten de torens van de stad Babel, of de geweldige vorsten en tirannen, die daarin zijn.
[^jesaja-30-26-90]: Kanttekening 90: het licht van de maan: Dat is, uwe vreugde zal zeer groot zijn, vooreerst als u opnieuw in uw vaderland zult terugkeren, maar in het bijzonder als Christus verschijnen zal; alsdan zal het licht van zijn kennis en de heerlijkheid, welke God zijn kerk geven zal, zeer voortreffelijk zijn. Zie Jes. 24:23 , en de Schriftuurplaatsen daar aangetekend. Jesaja 24:23 : En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als YHWH van de legermachten regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn.
[^jesaja-30-26-91]: Kanttekening 91: Of, zevenmaal groter.
[^jesaja-30-26-92]: Kanttekening 92: het licht van zeven dagen: Of, schijn, of schijnsel. De zin is: De glans van de zon zal zo groot zijn alsof er zeven zonnen tegelijk schenen en alsof het licht van zeven klare dagen ineengesmolten of samen verenigd was; versta dit alles van het overgrote geestelijke licht van de kennis in geestelijke zaken.
[^jesaja-30-26-93]: Kanttekening 93: als YHWH: Dat is, als de Heer zijn volk uit Babel verlossen en weer in het Joodse land brengen zal; maar in het bijzonder als Hij hun Christus, de ware dokter van de ziel, zenden zal, die hun de zonden vergeven en hen door de Heilige Geest wederbaren zal.
[^jesaja-30-26-94]: Kanttekening 94: de wonde: Hebreeuws, de wonde van zijn slaging, of plaag (מַכָּת).
[^jesaja-30-26-95]: Kanttekening 95: Of, die hem geslagen is.
[^jesaja-30-27-96]: Kanttekening 96: de Naam van YHWH: Dat is, God zelf, of zijn macht en heerlijkheid.
[^jesaja-30-27-97]: Kanttekening 97: van verre: Te weten van de hemel, vanwaar God zijn engel gezonden heeft om de Assyriërs in het leger van Sanherib te verslaan.
[^jesaja-30-27-98]: Kanttekening 98: Zijn toorn: Te weten tegen de vijanden van zijn kerk en bij name tegen de Assyriërs.
[^jesaja-30-27-99]: Kanttekening 99: de last: Of, verheffing; te weten van de toorn van God. Het Hebreeuwse woord wordt voor verheffing gebruikt; Richt. 20:40 ; Jer. 6:1 , en elders. Richteren 20:40 : Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand van de stad op naar de hemel. Jeremia 6:1 : Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk.
[^jesaja-30-28-f]: Verwijzing f: Jes. 8:8 . Jesaja 8:8 : En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekkingen zijn vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël!
[^jesaja-30-28-100]: Kanttekening 100: Of, geblaas.
[^jesaja-30-28-101]: Kanttekening 101: Hebreeuws, deelt, te weten in twee delen, zo dat het bovenste, te weten het hoofd, uitsteekt en het onderste onder het water is.
[^jesaja-30-28-102]: Kanttekening 102: te schudden: Of, te wannen, te verstrooien, ziften.
[^jesaja-30-28-103]: Kanttekening 103: met een: Dat is, totdat zij teniet komen, of die zij tenietmaken zal.
[^jesaja-30-28-104]: Kanttekening 104: Of, zift, wanning.
[^jesaja-30-28-105]: Kanttekening 105: Hebreeuws, doende dwalen; dat is, zich verstrooiende, dat zij niet weten waarin, of waaruit; het is ene gelijkenis, genomen van de beesten, die men met de toom leidt waar men wil.
[^jesaja-30-29-106]: Kanttekening 106: Er zal: Te weten als de Assyriërs door de engel van de Heer zullen verslagen zijn. Zie Ps. 42:9 . Psalmen 42:9 : Maar YHWH zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden, en 's nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God van mijn leven.
[^jesaja-30-29-107]: Kanttekening 107: het feest: Het schijnt dat de profeet ziet op het feest van de ongezuurde broden, dat de Joden hielden 's nachts als zij het paaslam aten, waarbij zij een lofzang zongen; Ex. 12:8 . Zie Ps. 42:5 ; Matt. 26:30 . Exodus 12:8 : En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Mattheüs 26:30 : En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.
[^jesaja-30-29-108]: Kanttekening 108: tot de berg: Dat is, tot de tempel, in welke de Heer zijn woning heeft.
[^jesaja-30-29-109]: Kanttekening 109: tot de Rotssteen: Dat is, tot de Heer Christus, op wie zich het volk van Israël had te verlaten.
[^jesaja-30-30-110]: Kanttekening 110: Zijn heerlijke: Hebreeuws, de heerlijkheid van zijn stem (קוֹל); dat is, de donder en andere uitwendige tekenen van zijn toorn tegen de vijanden van zijn kerk. Zie Ps. 29:3 . Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^jesaja-30-30-111]: Kanttekening 111: de nederlating: Te weten, als Hij zijn krachtigen arm zal nederlaten om de Assyriërs te slaan, namelijk in de belegering van de stad Libna, of zijn optocht naar Jeruzalem. Zie 2 Kon. 19:8 , 19:35 . 2 Koningen 19:8 : Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-30-30-112]: Kanttekening 112: een vloed: Gelijk Jes. 4:6 . Jesaja 4:6 : En daar zal een hut zijn tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
[^jesaja-30-31-113]: Kanttekening 113: door de stem: Gelijk vers 30 . Jesaja 30:30 : En YHWH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating van Zijn arm doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
[^jesaja-30-32-114]: Kanttekening 114: \[vertaling vs. 32: Sommigen vertalen vers 32 aldus: En het zal gebeuren overal waar die gegrondveste staf, die YHWH op hem \[t.w. de Assyriër\] zal doen rusten, zal gepasseerd \[of, doorgegaan\] zijn met trommelen en met harpen, dat \[land\] zal Hij bestrijden met strijden van het schudden. De zin is: Als enig land die staf, die men wel met droefenis en leedwezen mocht ontvangen, met trommelen en harpen, dat is met blijdschap ontvangt, dat zal de Heer bestrijden met bestrijdingen van de beweging; dat is dat het alles zal schudden en beven met een grote beweging.
[^jesaja-30-32-115]: Kanttekening 115: Te weten in het Joodse land. Hebreeuws, alle doorgang van de gegrondveste staf.
[^jesaja-30-32-116]: Kanttekening 116: Te weten van God; dat is die door Gods ordinantie gesteld is.
[^jesaja-30-32-117]: Kanttekening 117: Dat is, vijandelijke inval van de Assyriërs.
[^jesaja-30-32-118]: Kanttekening 118: zal hebben doen rusten: Of, geleid zal hebben.
[^jesaja-30-32-119]: Kanttekening 119: daar : De zin is: Nadat de engel de Assyriërs zal verslagen hebben, zal men overal in het land van Juda de Heer met lofzangen prijzen; men zal overal vrolijk zijn vanwege deze victorie. Zie dergelijk voorbeeld Ex. 15:20 , en 1 Sam. 18:6 . Anders: op welke de Heer die zal geleid hebben met trommelen en met harpen, of zal met trommelen en met harpen zijn. Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. 1 Samuël 18:6 : Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David keerde terug van het slaan van de Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, de koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.
[^jesaja-30-32-120]: Kanttekening 120: tegen hen: Te weten tegen het krijgsvolk van de Assyriërs. Anders: tegen die; te weten staf; in het Hebreeuws is zo het een als het ander.
[^jesaja-30-33-121]: Kanttekening 121: Hebreeuws, Tofthe, dat is, Tofeth, gelijk Jer. 7:31 , en Jer. 19:6 ; zie de aantekening 2 Kon. 23:10 . Versta hier door Tofeth niet alleen het graf, maar ook het helse vuur, dat allen vijanden Gods en vervolgers van zijn kerk bereid is. Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jeremia 19:6 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^jesaja-30-33-122]: Kanttekening 122: de koning: Versta hier, Sanherib, de koning van Assyrië.
[^jesaja-30-33-123]: Kanttekening 123: Te weten de Heer.
[^jesaja-30-33-124]: Kanttekening 124: van zijn: Te weten van Tofeth.
[^jesaja-30-33-125]: Kanttekening 125: Of, die; te weten de brandstapel, of, die zal, te weten roede, of die, te weten staf, waarvan gesproken is vers 31 ; of versta dit van Tofeth. Jesaja 30:31 : Want door de stem van YHWH zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.

### Jesaja 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/31.json)

*Wee over de Joden die hulp gingen zoeken in Egypte en God de Heere niet zochten, vers 1. De Heere belooft dat Hij Jeruzalem zal beschutten, 4, als zij zich tot Hem zouden bekeren, 6, en dat Hij Assur zal verslaan en op de vlucht zal brengen, 7.*

**1** Wee[^jesaja-31-1-1] degenen, die in Egypte[^jesaja-31-1-2] om hulp aftrekken, en steunen[^jesaja-31-1-3][^jesaja-31-1-a] op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en[^jesaja-31-1-4] zien niet op de Heilige van Israël, en[^jesaja-31-1-5] zoeken YHWH niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v1)

**2** Toch is[^jesaja-31-2-6] Hij[^jesaja-31-2-7] ook wijs, en Hij doet het[^jesaja-31-2-8] kwaad komen, en[^jesaja-31-2-9] trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken[^jesaja-31-2-10] tegen het huis van de boosdoeners, en[^jesaja-31-2-11] tegen de hulp van degenen, die ongerechtigheid werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v2)

**3** Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en YHWH zal Zijn hand[^jesaja-31-3-12] uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal neervallen, en zij zullen al samen te niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v3)

**4** Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer ook[^jesaja-31-4-13] een volle menigte van de herders samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet[^jesaja-31-4-14] vanwege hun veelheid; zo zal YHWH van de legermachten[^jesaja-31-4-15] neerdalen,[^jesaja-31-4-16] om te strijden[^jesaja-31-4-17] voor de berg van Sion en[^jesaja-31-4-18] voor haar heuvel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v4)

**5** [^jesaja-31-5-19][^jesaja-31-5-b] Gelijk vliegende vogels, zo zal YHWH van de legermachten Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen,[^jesaja-31-5-20] doorgaande zal[^jesaja-31-5-21] Hij haar ook uithelpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v5)

**6** [^jesaja-31-6-22] Bekeer u[^jesaja-31-6-23] tot Hem,[^jesaja-31-6-24] van Wie de Israëlieten[^jesaja-31-6-25] diep afgeweken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v6)

**7** Want[^jesaja-31-7-26] op[^jesaja-31-7-c] die dag zullen zij[^jesaja-31-7-27] verwerpen, een ieder[^jesaja-31-7-28] zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, die u uw handen tot zonde gemaakt hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v7)

**8** En[^jesaja-31-8-29] Assur zal vallen door het zwaard,[^jesaja-31-8-30] niet van een man, en het zwaard, niet van een mens, zal hem verteren; en hij zal[^jesaja-31-8-31] voor het zwaard vluchten, en zijn jongemannen[^jesaja-31-8-32] zullen versmelten.[^jesaja-31-8-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v8)

**9** En[^jesaja-31-9-34][^jesaja-31-9-d] hij zal van vrees doorgaan[^jesaja-31-9-35] naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen[^jesaja-31-9-36] voor de banier[^jesaja-31-9-37] verschrikken, spreekt YHWH,[^jesaja-31-9-38] die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/31.html#v9)

[^jesaja-31-1-1]: Kanttekening 1: Dit deden die van Jeruzalem.
[^jesaja-31-1-2]: Kanttekening 2: om hulp: Te weten, tegen Sanherib, de koning van Assyrië; vergelijk 2 Kon. 18:21 , 18:24 . 2 Koningen 18:21 : Zie nu, vertrouwt u u op die gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen. 2 Koningen 18:24 : Hoe zoudt u dan het aangezicht van een enige vorst van de geringste knechten van mijn heer afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren.
[^jesaja-31-1-3]: Kanttekening 3: op paarden: Versta, de sterke paarden van Egypte gelijk blijkt vers 3 . Jesaja 31:3 : Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en YHWH zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.
[^jesaja-31-1-a]: Verwijzing a: Ps. 20:8 ; Jer. 17:5 . Psalmen 20:8 : Deze vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam van YHWH, onze Gods. Jeremia 17:5 : Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt!
[^jesaja-31-1-4]: Kanttekening 4: zien niet: Zie boven Jes. 29:19 . Jesaja 29:19 : En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in YHWH; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen.
[^jesaja-31-1-5]: Kanttekening 5: Te weten met het gebed, of raadvragen Hem niet.
[^jesaja-31-2-6]: Kanttekening 6: Te weten de Heer.
[^jesaja-31-2-7]: Kanttekening 7: ook wijs: Niet weiniger maar meer dan u, alsof de profeet zei: de Heer weet wel hoe Hij zijn gerichten en bedreigingen zal in het werk stellen, ofschoon de Joden allerlei middelen bedenken om te ontkomen; waren zij wijs, zij zouden Hem raadvragen.
[^jesaja-31-2-8]: Kanttekening 8: kwaad komen: Dat is, straffen, ongeluk over de ongehoorzamen.
[^jesaja-31-2-9]: Kanttekening 9: trekt Zijn woorden: Maar Hij doet wat Hij dreigt.
[^jesaja-31-2-10]: Kanttekening 10: tegen het huis: Dat is, tegen de goddeloze en ongehoorzame Joden.
[^jesaja-31-2-11]: Kanttekening 11: tegen de hulp: Versta, de Egyptenaars, die de Joden zouden tehulp komen.
[^jesaja-31-3-12]: Kanttekening 12: Of, toewenden, neigen.
[^jesaja-31-4-13]: Kanttekening 13: een volle menigte: Of, een groot getal. Hebreeuws, de volheid van de herders; dat is, al wat er voor herders omtrent zijn.
[^jesaja-31-4-14]: Kanttekening 14: Of, omdat hun een groot getal is. Anders: vanwege het gewoel.
[^jesaja-31-4-15]: Kanttekening 15: Te weten uit de hemel.
[^jesaja-31-4-16]: Kanttekening 16: om te strijden: Te weten tegen de Assyriërs.
[^jesaja-31-4-17]: Kanttekening 17: voor de berg van Sion: Dat is, voor Jeruzalem, of voor zijn volk. Zie de vervulling 2 Kon. 19:35 . Anders: op de berg Zion. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-31-4-18]: Kanttekening 18: voor haar heuvel: Of, op haar heuvel. Versta hier door deze heuvel de berg Moria, op welke de tempel stond. Hij wordt genoemd een heuvel van Zion, omdat hij lager of kleiner is dan de berg Zion, waarop de stad van David lag.
[^jesaja-31-5-19]: Kanttekening 19: Anders: gelijk de vogels \[rondom hun nest\] vliegen; te weten om dat te beschermen.
[^jesaja-31-5-b]: Verwijzing b: Deut. 32:11 . Deuteronomium 32:11 : Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
[^jesaja-31-5-20]: Kanttekening 20: Of, voorbijgaande, of overspringende. In het Hebreeuws is hetzelfde woord waar pascha, of doortocht, van komt. Versta dan dit zo: Hij zal de Assyriërs in korte tijd verdelgen, te weten in één nacht, gelijk Hij eertijds de Egyptenaars gedaan heeft; Ex. 12:12 , enz. Exodus 12:12 : Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH!
[^jesaja-31-5-21]: Kanttekening 21: Hij haar: Of, zal hij hen; te weten de burgers van Jeruzalem.
[^jesaja-31-6-22]: Kanttekening 22: Bekeert u: Of, keert weer; te weten, u afvalligen onder de Joden.
[^jesaja-31-6-23]: Kanttekening 23: tot Hem, : Te weten tot de Heer, die u grotelijks vertoornd hebt.
[^jesaja-31-6-24]: Kanttekening 24: van Denwelken: Hebreeuws, die de afwijking, of afval diep gemaakt hebben.
[^jesaja-31-6-25]: Kanttekening 25: diep afgeweken zijn: Dat is, zeer wijd, ver.
[^jesaja-31-7-26]: Kanttekening 26: op die dag: Te weten, als hun de Heer tehuiszoeken zal door de Assyriërs, komende om hen te bekrijgen.
[^jesaja-31-7-c]: Verwijzing c: Jes. 2:20 . Jesaja 2:20 : In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;
[^jesaja-31-7-27]: Kanttekening 27: Omdat zij zullen zien en bevinden dat zij zich niet helpen kunnen.
[^jesaja-31-7-28]: Kanttekening 28: zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden: Hebreeuws, de afgoden van zijn zilver en de afgoden van zijn goud (אֱלִילֵי); gelijk Jes. 30:22 . Jesaja 30:22 : En u zult voor onrein houden het deksel van uw zilveren gesneden beelden, en het overtreksel van uw gouden gegoten beelden; u zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Heen uit!
[^jesaja-31-8-29]: Kanttekening 29: Dat is, de Assyriërs.
[^jesaja-31-8-30]: Kanttekening 30: niet eens mensen: Maar door het zwaard van de engel; zie 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-31-8-31]: Kanttekening 31: voor het zwaard: Te weten voor het zwaard van de engel. Hebreeuws, voor het aangezicht van het zwaard (פְּנֵי).
[^jesaja-31-8-32]: Kanttekening 32: zullen versmelten: Hebreeuws, zullen tot smelting zijn; dat is, het hart in het lijf zal hun beven en versmelten van angst en vrees.
[^jesaja-31-8-33]: Kanttekening 33: Sommigen vertalen dit achtste vers aldus: Dan zal Assur door het zwaard vallen, niet van een machtig man, en het zwaard niet eens gemenen mans, zal hem verteren; maar hij zal voor het zwaard \[dat is, van vrees voor het zwaard\] vluchten, en zijn jongelingen zullen op schatting gebracht worden .
[^jesaja-31-9-34]: Kanttekening 34: Te weten de koning van Assyrië.
[^jesaja-31-9-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 19:36 ; idem v. 37 . 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve. 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-31-9-35]: Kanttekening 35: naar zijn rotssteen: Of, tot zijn rotssteen; dat is, hij zal naar zijn vaste stad Ninevé vluchten, zie 2 Kon. 19:36 . Anders: en hun rotssteen zal van vrees wegtrekken. 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve.
[^jesaja-31-9-36]: Kanttekening 36: voor de banier: Dat is, voor het teken van de strijd, dat hun de engel geven zal. Of, voor een opgeworpen banier vervolgen zal.
[^jesaja-31-9-37]: Kanttekening 37: Of, nedervallen, of vernield worden.
[^jesaja-31-9-38]: Kanttekening 38: die te Sion: Dat is, die te Zion woont en te Jeruzalem zijn huishouding heeft; en die daarom niet lijden zal dat de Assyriërs hem daaruit zullen stoten.

### Jesaja 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/32.json)

*Profetie aangaande het rijk van Christus, vers 1, en een verhaal van de weldaden die Hij zijn kerk zal brengen, 2 enzovoort. Een dreiging over de zorgeloze vrouwen, 9, en over het hele land, 12, dat verwoest zal worden, 14. Daarna spreekt de profeet weer over het rijk van Christus en wijst aan wat Hij in de harten van de uitverkorenen tot stand zou brengen door de Heilige Geest, 15 enzovoort. Dreigingen over de goddelozen, 19. Aanspraak aan de leraren van het Nieuwe Testament, 20.*

**1** Zie,[^jesaja-32-1-1] een[^jesaja-32-1-a] koning zal regeren in gerechtigheid, en[^jesaja-32-1-2] de vorsten[^jesaja-32-1-3] zullen heersen naar recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v1)

**2** En[^jesaja-32-2-4] die man[^jesaja-32-2-5] zal zijn[^jesaja-32-2-6] als een plek om te schuilen tegen[^jesaja-32-2-7] de wind, en een schuilplaats tegen de vloed,[^jesaja-32-2-8] als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in[^jesaja-32-2-9] een dorstig land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v2)

**3** En de[^jesaja-32-3-b] ogen[^jesaja-32-3-10] van degenen, die zien, zullen[^jesaja-32-3-11] niet terugzien, en de oren van degenen, die horen,[^jesaja-32-3-12] zullen opmerken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v3)

**4** En het hart[^jesaja-32-4-13] van de onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong van de stamelenden zal vlot zijn, om[^jesaja-32-4-14] bescheidenlijk te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v4)

**5** [^jesaja-32-5-15] De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet[^jesaja-32-5-16] meer mild geheten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v5)

**6** Want[^jesaja-32-6-17] een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om[^jesaja-32-6-18] dwaling te spreken tegen YHWH,[^jesaja-32-6-19] om de ziel van de hongerigen leeg te laten, en[^jesaja-32-6-20] de dorstige drank te doen ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v6)

**7** En[^jesaja-32-7-21] het hele gereedschap van een gierigaard[^jesaja-32-7-22] is kwaad;[^jesaja-32-7-23] hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en[^jesaja-32-7-24] het recht, als de arme spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v7)

**8** Maar een[^jesaja-32-8-25] milddadige[^jesaja-32-8-26] beraadslaagt milddadigheden,[^jesaja-32-8-27] en staat[^jesaja-32-8-28] op milddadigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v8)

**9** [^jesaja-32-9-29] Sta op,[^jesaja-32-9-30] u geruste vrouwen, hoort mijn stem; u dochters, die zo zeker bent, neem mijn redenen ter ore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v9)

**10** [^jesaja-32-10-31] Vele dagen over het jaar[^jesaja-32-10-32] zult[^jesaja-32-10-33] u beroerd zijn, u dochters, die zo zeker bent, want[^jesaja-32-10-34] de wijnoogst[^jesaja-32-10-35] zal uit zijn,[^jesaja-32-10-36] er zal geen inzameling komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v10)

**11** Beef,[^jesaja-32-11-37] u geruste vrouwen; wees beroerd, dochters, die zo zeker bent;[^jesaja-32-11-38] trek u uit, en ontbloot u, en gord zakken om uw lendenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v11)

**12** Men zal rouwklagen[^jesaja-32-12-39] over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v12)

**13** Op het land van mijn volk zal de doorn en de distel opgaan; ja,[^jesaja-32-13-40] op alle vreugdehuizen,[^jesaja-32-13-41] in de vrolijk huppelende stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v13)

**14** Want[^jesaja-32-14-42] het paleis zal[^jesaja-32-14-43] verlaten zijn,[^jesaja-32-14-44] het gewoel van de stad[^jesaja-32-14-45] zal ophouden;[^jesaja-32-14-46] Ofel en[^jesaja-32-14-47] de wachttorens zullen[^jesaja-32-14-48] tot grotten zijn,[^jesaja-32-14-49] tot in de[^jesaja-32-14-50] eeuwigheid, een vreugde van de woudezelen, een weide van de kudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v14)

**15** Totdat over ons[^jesaja-32-15-51][^jesaja-32-15-c] uitgegoten worde[^jesaja-32-15-52] de Geest[^jesaja-32-15-53] uit de hoogte; dan zal[^jesaja-32-15-54] de[^jesaja-32-15-d] woestijn tot[^jesaja-32-15-55] een vruchtbaar veld worden,[^jesaja-32-15-56] en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v15)

**16** En[^jesaja-32-16-57] het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal[^jesaja-32-16-58] op het vruchtbare veld[^jesaja-32-16-59] verblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v16)

**17** En[^jesaja-32-17-60] het werk van de gerechtigheid[^jesaja-32-17-61] zal vrede zijn; en[^jesaja-32-17-62] de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v17)

**18** En[^jesaja-32-18-63] mijn volk zal in[^jesaja-32-18-e] een woonplaats[^jesaja-32-18-64] van de vrede wonen, en in welverzekerde woningen, en in[^jesaja-32-18-65] stille geruste plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v18)

**19** Maar[^jesaja-32-19-66] het zal hagelen,[^jesaja-32-19-67] waar men afgaat in het woud, en[^jesaja-32-19-68] de stad zal laag worden in de laagte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v19)

**20** [^jesaja-32-20-69] Welgelukzalig bent u, die aan alle wateren zaait;[^jesaja-32-20-70] u, die de voet van de os en van de ezel daarheen henenzendt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/32.html#v20)

[^jesaja-32-1-1]: Kanttekening 1: een koning: Te weten Christus Jezus. Maar enige verstaan hier door deze koning de koning Hizkia, voorzoveel hij een voorbeeld van Christus geweest is.
[^jesaja-32-1-a]: Verwijzing a: Ps. 45:7 ; Zach. 9:9 . Psalmen 45:7 : Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter van de rechtmatigheid. Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen.
[^jesaja-32-1-2]: Kanttekening 2: de vorsten: Dat is, de dienaren van deze koning in zijn geestelijk rijk.
[^jesaja-32-1-3]: Kanttekening 3: zullen heersen: Te weten door het Woord van God.
[^jesaja-32-2-4]: Kanttekening 4: die man: Te weten Jezus Christus.
[^jesaja-32-2-5]: Kanttekening 5: zal zijn: Te weten, de gelovigen.
[^jesaja-32-2-6]: Kanttekening 6: als een verberging: Dat is, als ene plaats, waar men zich voor de wind verbergen kan. De zin is: De Messias zal zijn de rechte toevlucht aller uitverkorenen.
[^jesaja-32-2-7]: Kanttekening 7: de wind: Versta hier, de wind van de geestelijke aanvechting en allerlei vervolging; vergelijk Matt. 11:28 . Mattheüs 11:28 : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^jesaja-32-2-8]: Kanttekening 8: als waterbeken: Dat is, Hij zal de benauwden een sterke troost aanbrengen door werking en kracht van de Heilige Geest. Vergelijk deze woorden met Matt. 5:6 ; Joh. 4:10 , 4:14 , en Joh. 7:37 , 7:38 , 7:39 . Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Johannes 4:10 : Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben. Johannes 4:14 : Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^jesaja-32-2-9]: Kanttekening 9: een dorstig land: Of, moe land; te weten, mat en moe van dorst. Zie Ps. 143:6 ; Spreuk. 25:25 ; Jes. 29:8 . Psalmen 143:6 : Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela. Spreuken 25:25 : Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel. Jesaja 29:8 : Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen.
[^jesaja-32-3-b]: Verwijzing b: Jes. 29:18 ; Jes. 30:21 . Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 30:21 : En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in dezelfde; als u zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
[^jesaja-32-3-10]: Kanttekening 10: dergenen, die zien: Dat is, van de gelovigen, die allen van de Heer zullen verlicht zijn; Jes. 54:13 . Zie ook boven Jes. 29:18 , en Jes. 30:21 . Jesaja 54:13 : En al uw kinderen zullen van YHWH geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn. Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 30:21 : En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt daarin; als u zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
[^jesaja-32-3-11]: Kanttekening 11: niet terugzien: Dat is, niet elders heenzien, niet mis zien. Versta hierbij, maar zij zullen naarstiglijk op de Heer zien. Anders: niet bestreken zijn, of niet schemeren, niet verduisterd zijn.
[^jesaja-32-3-12]: Kanttekening 12: zullen opmerken: Te weten, op wat de Heer zegt. Zie Matt. 7:28 ; Luk. 4:22 . Mattheüs 7:28 : En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; Lukas 4:22 : En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?
[^jesaja-32-4-13]: Kanttekening 13: van de onbedachtzamen: Of, van de onvoorzichtigen. Hebreeuws, dergenen, die zich verhaasten; zo onder Jes. 35:4 . Jesaja 35:4 : Zegt tot de onbedachtzamen van hart: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en u verlossen.
[^jesaja-32-4-14]: Kanttekening 14: bescheidenlijk te spreken: Hebreeuws, nette; te weten, woorden.
[^jesaja-32-5-15]: Kanttekening 15: De dwaas: De zin is, de kwade daden zullen niet meer onder de naam van de deugden schuilen, maar zij zullen door de predikatie van het heilige Evangelie openbaar gemaakt en ernstiglijk bestraft worden, het kwaad zal kwaad en het goede zal goed genoemd worden.
[^jesaja-32-5-16]: Kanttekening 16: Of, wild gevende. Het Hebreeuwse woord betekent ook somtijds rijk, gelijk Job 34:19 . Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen het werk van Zijn handen.
[^jesaja-32-6-17]: Kanttekening 17: een dwaas: Anders: maar het zal een dwaas zijn die, enz. en zo in het volgende.
[^jesaja-32-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, valse leer, die de mens van de rechte weg van de zaligheid afleidt en tot dwaling brengt.
[^jesaja-32-6-19]: Kanttekening 19: om de ziel: Dat is, om de mensen te verhinderen tot de kennis van de waarheid Gods te komen; verstaande door de ziel van de hongerige die altegaar, die begeerte en lust hebben om de hemelse en zaligmakende waarheid te weten; vergelijk Matt. 5:6 ; Joh. 6:32 , enz. Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Johannes 6:32 : Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel.
[^jesaja-32-6-20]: Kanttekening 20: de dorstige: Hebreeuws, de drank van de dorstige; dat is, de drank, die men aan de dorstige behoort te geven, of die de dorstige behoeft, of die hij wenst en begeert.
[^jesaja-32-7-21]: Kanttekening 21: eens gierigaards: Dat is de beschrijving van de gierigaard.
[^jesaja-32-7-22]: Kanttekening 22: Of, werktuig is kwaad, dat is, zijn raadslagen en handelingen, gewicht, maat, enz., zijn allemaal schadelijk. De gierigheid is een wortel van alle kwaad; 1 Tim. 6:10 . 1 Timotheüs 6:10 : Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.
[^jesaja-32-7-23]: Kanttekening 23: hij beraadslaagt: Zie de aantekening Job 21:27 . Job 21:27 : Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmee u tegen mij geweld doet.
[^jesaja-32-7-24]: Kanttekening 24: het recht: De zin is, dat de gierigaard niet past op de woorden, die de armen tot hun bescherming of verschoning bijbrengen, maar dat hij even stoutelijk het recht bederft, of verkeert. Anders: ja, ook wanneer de arme spreekt wat recht is; dat is, ofschoon hij recht heeft in wat hij zegt. Anders: wanneer de nooddruftige met oordeel spreekt; dat is, met goede reden en verstand.
[^jesaja-32-8-25]: Kanttekening 25: Gelijk boven vers 5 , 32:6 . Jesaja 32:5 : De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden. Jesaja 32:6 : Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen YHWH, om de ziel van de hongerige leeg te laten, en de dorstige drank te doen ontbreken.
[^jesaja-32-8-26]: Kanttekening 26: Of, doet voorslagen, of neemt zich voor.
[^jesaja-32-8-27]: Kanttekening 27: en staat: Dat is, hij is naarstig om liefde en weldadigheid aan zijn naaste te bewijzen.
[^jesaja-32-8-28]: Kanttekening 28: op milddadigheden: Hebreeuws, op liberaalheden.
[^jesaja-32-9-29]: Kanttekening 29: Staat op: Te weten ter ere van Gods Woord; zie Gen. 49 ;33, en Richt. 3:20 . Of, staat op; te weten uit de slaap van de zonde, namelijk om te voorkomen de zware plagen met welke God de Heer u is dreigende. Richteren 3:20 : En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel.
[^jesaja-32-9-30]: Kanttekening 30: u geruste: Of, zorgeloze, zekere, verwaande vrouwen, die nu weelderig en dartel zijt, geen kwaad of ongemak nu gevoelende noch vermoedende. Enige verstaan hier door de vrouwen de steden in het land van Juda, en door de dochters verstaan zij de dorpen, dat is de inwoners derzelve.
[^jesaja-32-10-31]: Kanttekening 31: Vele dagen: Dat is, vele jaren achtereen, te weten zeventig jaren, want zolang heeft de Babylonische gevangenschap geduurd; sommigen strekken het wijder uit, tot de laatste verwoesting van de Joden; vergelijk Hos. 3:4 . Hosea 3:4 : Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
[^jesaja-32-10-32]: Kanttekening 32: Of, u; te weten die nu dus gerust en zorgeloos bent.
[^jesaja-32-10-33]: Kanttekening 33: beroerd zijn: Te weten vanwege de schrikkelijke plagen, die God over u zenden zal.
[^jesaja-32-10-34]: Kanttekening 34: de wijnoogst: Dat is wat God dreigt Lev. 26:34 , 26:43 . Leviticus 26:34 : Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. Leviticus 26:43 : Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
[^jesaja-32-10-35]: Kanttekening 35: zal uit zijn: Dat is, ophouden, niet zijn. Hebreeuws, is uit; dat is, hij zal zekerlijk uit zijn.
[^jesaja-32-10-36]: Kanttekening 36: er zal geen inzameling komen: De zin is: Het land zal zo verwoest worden, dat er niets van te halen zal zijn.
[^jesaja-32-11-37]: Kanttekening 37: u geruste: Gelijk boven vers 9 . Jesaja 32:9 : Staat op, u geruste vrouwen, hoort mijn stem; u dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.
[^jesaja-32-11-38]: Kanttekening 38: trekt u uit: Of, trekt uwe kleren uit; te weten uw gewone sierlijke kleren. Alsof hij zei: De tijd is nu voorhanden dat u uw schone sierlijke kleren zult moeten uittrekken, en inplaats daarvan zakken of treurklederen zult moeten aandoen; zie boven Jes. 3:24 . Jesaja 3:24 : En het zal gebeuren, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.
[^jesaja-32-12-39]: Kanttekening 39: over de borsten: Dat is, omdat de kinderen niets te zuigen hebben, de borsten van de moeders, vanwege de grote honger, verdroogd zijnde. Sommigen menen dat hier door de borsten te verstaan zijn de akkers en wijnstokken \[gelijk er in de tekst volgt\], die als twee borsten zijn, uit welke men voedsel tot nooddruft is zuigende; en dan is dit de zin: Gelijk de kinderen geen melk hebben zullen, zo zullen de volwassenen geen voedsel of drank hebben.
[^jesaja-32-13-40]: Kanttekening 40: op alle vreugdehuizen: Dat is, op alle plaatsen, waar de huizen gestaan hebben, in welke men placht lustig en vrolijk te zijn; want al die huizen zouden van de vijanden afgebrand en vernield worden. Zie 2 Kon. 25:9 , en 2 Kron. 36:19 . 2 Koningen 25:9 : En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. 2 Kronieken 36:19 : En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
[^jesaja-32-13-41]: Kanttekening 41: de vrolijk: Dat is, Jeruzalem; zie boven Jes. 22:2 . Jesaja 22:2 : U, die vol van groot gedruis was, u woelige stad, u, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd.
[^jesaja-32-14-42]: Kanttekening 42: het paleis: Te weten het paleis van de koning.
[^jesaja-32-14-43]: Kanttekening 43: verlaten zijn: Of, leeg staan.
[^jesaja-32-14-44]: Kanttekening 44: het gewoel: Of, de menigte.
[^jesaja-32-14-45]: Kanttekening 45: Of, nagelaten worden.
[^jesaja-32-14-46]: Kanttekening 46: Zie 2 Kron. 27:3 , en de aantekening daar, en Jes. 33:14 ; Neh. 3:26 , en Neh. 11:21 . 2 Kronieken 27:3 : Deze bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. Jesaja 33:14 : De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren. Nehemia 11:21 : En de tempelknechten woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de tempelknechten.
[^jesaja-32-14-47]: Kanttekening 47: de wachttorens: Hebreeuws, wachttoren; genoemd Neh. 3:26 , de uitstekende toren. Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren.
[^jesaja-32-14-48]: Kanttekening 48: tot spelonken: Dat is, tot plaatsen waar geen mensen, maar slangen en padden in wonen zullen.
[^jesaja-32-14-49]: Kanttekening 49: tot in eeuwigheid: Dat is, een langen tijd.
[^jesaja-32-14-50]: Kanttekening 50: een vreugde: De zin is: De woudezels, die graag in woeste plaatsen zijn, zullen daar goede weiden hebben.
[^jesaja-32-15-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, ontbloot worde. Omdat de bodem van een vat ontbloot wordt als het water daaruit wordt gegoten.
[^jesaja-32-15-c]: Verwijzing c: Joël 2:28 ; Joh. 7:37 ; idem v. 38 ; Hand. 2:17 ; idem v. 18 . Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Handelingen 2:18 : En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
[^jesaja-32-15-52]: Kanttekening 52: de Geest: Te weten de Heilige Geest, die ons de Messias van de Vader zenden zal. Zie Luk. 24:49 ; Joh. 14:26 . Lukas 24:49 : En ziet, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. Johannes 14:26 : Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.
[^jesaja-32-15-53]: Kanttekening 53: uit de hoogte: Dat is, uit de hemel.
[^jesaja-32-15-54]: Kanttekening 54: de woestijn: Dat is, die van nature onduchtig zijn tot het goede, die zullen duchtig gemaakt worden, voornamelijk de heidenen.
[^jesaja-32-15-d]: Verwijzing d: Jes. 29:17 . Jesaja 29:17 : Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?
[^jesaja-32-15-55]: Kanttekening 55: een vruchtbaar veld worden: Of, land, of landbouw. Hebreeuws, tot een Karmel; zie de aantekening 2 Kon. 19:23 ; Jes. 29:17 , en Jer. 2:7 . 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. Jesaja 29:17 : Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden? Jeremia 2:7 : En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jesaja-32-15-56]: Kanttekening 56: en het vruchtbare veld: Dat is, het Joodse land en volk, dat hier genoemd wordt het vruchtbare veld, omdat God het eer dan de heidenen geroepen en tot zijn volk uitverkoren en aangeroepen heeft, en omdat Gods wet lang bij hen geweest was. Dat zal alsdan woest en onvruchtbaar zijn.
[^jesaja-32-16-57]: Kanttekening 57: het recht: Dat is, de heidenen, die tevoren als een woestijn waren, zullen zich tot de Heer bekeren en naar zijn rechten en geboden leven, zijnde gerechtvaardigd en geheiligd.
[^jesaja-32-16-58]: Kanttekening 58: op het vruchtbare veld: Dat is, op de gemeente van de gelovige Joden en heidenen. Zie boven Jes. 29:17 . Jesaja 29:17 : Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?
[^jesaja-32-16-59]: Kanttekening 59: Of, wonen, of met de woning blijven.
[^jesaja-32-17-60]: Kanttekening 60: het werk: Het werk, of maaksel; dat is, de vrucht. Zie Ps. 1:3 . Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^jesaja-32-17-61]: Kanttekening 61: vrede zijn: Te weten vrede van de consciëntie; Rom. 5:1 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^jesaja-32-17-62]: Kanttekening 62: de werking: Of, de uitgewrochte vrucht van de gerechtigheid.
[^jesaja-32-18-63]: Kanttekening 63: mijn volk: De profeet geeft in vers 18 met andere woorden te kennen even hetzelfde, dat hij boven in vers 15 , 32:16 , 32:17 gezegd heeft. Jesaja 32:18 : En mijn volk zal in een woonplaats van de vrede wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen. Jesaja 32:15 : Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. Jesaja 32:16 : En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven. Jesaja 32:17 : En het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.
[^jesaja-32-18-e]: Verwijzing e: Jer. 33:16 . Jeremia 33:16 : In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID.
[^jesaja-32-18-64]: Kanttekening 64: van de vrede wonen: Versta hier, de vrede van de consciëntie, onder de bescherming van hun oppersten Herder de Messias.
[^jesaja-32-18-65]: Kanttekening 65: Of, in stille rust, of in grote stilligheid \[en\] gerustheid.
[^jesaja-32-19-66]: Kanttekening 66: het zal hagelen: Dat is, God zal zijn straffen laten gaan over het woud; dat is, over de wilde, woeste, ongehoorzame mensen. Vergelijk Joz. 10:11 ; Ez. 38:22 ; Openb. 8:7 , en Openb. 16:21 . Sommigen nemen het aldus: Dat de hagel, dat is de plaag, zo weinig zal schaden, alsof hij op het woud viel, waar hij weinig schade kan doen. Jozua 10:11 : Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden. Ezechiël 38:22 : En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. Openbaring 8:7 : En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel van de bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. Openbaring 16:21 : En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit de hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage van de hagel; want zijn plage was zeer groot.
[^jesaja-32-19-67]: Kanttekening 67: waar men afgaat: Anderen aldus: Het zal hagelen in de afgang, of in het onderste van het woud; alsof de profeet wilde zeggen: waar men placht beschermd te zijn voor de hagel, daar zal hij \[te weten de hagel\] doordringen tot de grond, of tot het onderste toe. Anders: zodat het woud zal nedervallen; vergelijk Deut. 28:52 . Deuteronomium 28:52 : En het zal u benauwen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke u vertrouwde in uw gehele land; ja, het zal u benauwen in al uw poorten, in uw gehele land, dat u YHWH, uw God, gegeven heeft.
[^jesaja-32-19-68]: Kanttekening 68: de stad: Dat is, het opstandige Jeruzalem, en ook alle ongehoorzamen en ondankbaren zullen vernederd worden; zie boven vers 14 , en vergelijk Matt. 11:23 . Jesaja 32:14 : Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel van de stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn, tot in eeuwigheid, een vreugde van de woudezelen, een weide van de kudden. Mattheüs 11:23 : En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot het dodenrijk toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^jesaja-32-20-69]: Kanttekening 69: Hier wendt zich de profeet tot alle getrouwe leraars, en hij vergelijkt hen bij de gelukkige akkerlieden, die een waterigen of vruchtbaren akker bouwende, een goeden oogst verwachten; alsof hij zei: Welgelukzalig zijt u, die het Woord van God met vrucht predikt in de gemeente van de Heer, die ten tijde van Christus overal zal verzameld worden, en die vele vruchten dragen zal als een akker, die aan het water gelegen is; vergelijk verder Ps. 72:16 , en Luk. 8:11 . Sommigen verstaan door de wateren allerlei volken \[gelijk elders meer geschiedt\], wie het Evangelie in het Nieuwe Testament zou gepredikt worden. Psalmen 72:16 : Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde. Lukas 8:11 : Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.
[^jesaja-32-20-70]: Kanttekening 70: u, die de voet: Dat is, u, die die vruchtbare akker bouwt, omdat u daarvan groot nut en voordeel zult te verwachten hebben; want in het Joodse land trokken de ossen en de ezels de ploeg en deden het akkerwerk. En versta hier, door de voet van de ezel en de os, de ezel en de os zelf.

### Jesaja 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/33.json)

*De verwoesting van Sanherib en zijn leger wordt voorzegd, vers 1, 3, 4. Een gebed van de godvrezenden, 2. Vreugde in Sion over de nederlaag van de Assyriers, 5. De ellendige toestand van Jeruzalem voordat God Sanherib versloeg, 7, 8, 9. De Heere staat op om zijn volk te hulp te komen, 10, en bespot de Assyriers, 11, en wekt iedereen op tot verbazing over hun vernietiging, 13, terwijl Hij leert wat men moet doen om Gods zegen te verkrijgen, 15. Verdere belofte van overwinning en vrede, 17 enzovoort, in het bijzonder ten tijde van de Messias, 20. Spottende aanspraak van God aan de Assyriers, 23, en een woord van troost aan de godvrezenden, 24.*

**1** Wee u,[^jesaja-33-1-1] u verwoester, die niet verwoest bent, en u, die trouweloos handelt, waar men niet trouweloos tegen u gehandeld heeft![^jesaja-33-1-2] Als u het verwoesten zult volbracht hebben,[^jesaja-33-1-3] zult u verwoest worden; als u het trouweloos handelen zult voltooid hebben,[^jesaja-33-1-4] zal men trouweloos tegen u handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v1)

**2** YHWH, wees[^jesaja-33-2-5] ons genadig,[^jesaja-33-2-6] wij hebben op U gewacht; wees[^jesaja-33-2-7] hun arm[^jesaja-33-2-8] elke morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v2)

**3** [^jesaja-33-3-9] Van het geluid van het rumoer zullen[^jesaja-33-3-10] de volken wegvluchten;[^jesaja-33-3-11] van Uw verhoging zullen de heidenen verstrooid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v3)

**4** [^jesaja-33-4-12] Dan zal[^jesaja-33-4-13] uw buit verzameld worden,[^jesaja-33-4-14] gelijk de kevers verzameld worden; men zal[^jesaja-33-4-15] daarin ginds en weer huppelen, zoals de sprinkhanen ginds en weer huppelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v4)

**5** YHWH is verheven, want Hij woont[^jesaja-33-5-16] in de[^jesaja-33-5-17] hoogte; Hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v5)

**6** En het zal gebeuren, dat[^jesaja-33-6-18] de vastheid[^jesaja-33-6-19] van uw tijden,[^jesaja-33-6-20] de sterkte van uw behoudenissen[^jesaja-33-6-21] zal zijn wijsheid en kennis; de vrees voor YHWH zal[^jesaja-33-6-22] zijn schat zijn.[^jesaja-33-6-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v6)

**7** Zie, hun[^jesaja-33-7-24] allersterksten roepen[^jesaja-33-7-25] daar buiten;[^jesaja-33-7-26] de boden van de vrede huilen bitter.[^jesaja-33-7-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v7)

**8** De gebaande wegen[^jesaja-33-8-28] zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op;[^jesaja-33-8-29] hij vernietigt[^jesaja-33-8-30] het verbond, hij veracht[^jesaja-33-8-31] de steden, hij acht geen mens.[^jesaja-33-8-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v8)

**9** Het land treurt, het verwelkt;[^jesaja-33-9-33] de Libanon[^jesaja-33-9-34] schaamt zich,[^jesaja-33-9-35] hij verwelkt;[^jesaja-33-9-36] Saron is geworden als een woestijn; zo[^jesaja-33-9-37] Basan als[^jesaja-33-9-38] Karmel[^jesaja-33-9-39] zijn geschud.[^jesaja-33-9-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v9)

**10** Nu zal Ik opstaan, zegt YHWH, nu zal Ik[^jesaja-33-10-41] verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden.[^jesaja-33-10-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v10)

**11** U gaat met stro zwanger,[^jesaja-33-11-43] u zult stoppelen baren;[^jesaja-33-11-44] uw geest zal u als vuur verslinden.[^jesaja-33-11-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v11)

**12** En de volken zullen zijn als de verbrandingen van de kalk; als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden.[^jesaja-33-12-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v12)

**13** Hoor u, die verre bent,[^jesaja-33-13-47] wat Ik gedaan heb; en u, die nabij bent,[^jesaja-33-13-48] beken Mijn macht![^jesaja-33-13-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v13)

**14** De zondaren[^jesaja-33-14-50] te Sion[^jesaja-33-14-51] zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die[^jesaja-33-14-52] bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan?[^jesaja-33-14-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v14)

**15** [^jesaja-33-15-a] Die in gerechtigheden wandelt, en die eerlijke dingen spreekt; die[^jesaja-33-15-54] de winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat[^jesaja-33-15-55] zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt,[^jesaja-33-15-56] dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade[^jesaja-33-15-57] niet aanzie;[^jesaja-33-15-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v15)

**16** Die zal in de hoogten wonen, de vestingen van de steenrotsen zullen zijn vesting zijn;[^jesaja-33-16-59] zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren[^jesaja-33-16-60] zijn zeker.[^jesaja-33-16-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v16)

**17** Uw ogen zullen[^jesaja-33-17-62] de Koning[^jesaja-33-17-63] zien in Zijn schoonheid;[^jesaja-33-17-64] zij zullen een ver gelegen land zien.[^jesaja-33-17-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v17)

**18** Uw hart[^jesaja-33-18-66] zal de verschrikking overdenken, zeggende:[^jesaja-33-18-67] Waar[^jesaja-33-18-68] is de schrijver? Waar is[^jesaja-33-18-69] de betaalsheer? Waar is hij,[^jesaja-33-18-70] die de torens telt?[^jesaja-33-18-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v18)

**19** U zult niet[^jesaja-33-19-72] meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep[^jesaja-33-19-73] van spraak is, dat men het niet[^jesaja-33-19-74] horen kan, van[^jesaja-33-19-75] belachelijke tong, dat men niet verstaan kan.[^jesaja-33-19-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v19)

**20** Schouw Sion aan,[^jesaja-33-20-77] de stad van onze bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats,[^jesaja-33-20-78][^jesaja-33-20-b] een tent, die niet ter neer geworpen zal worden, waarvan de pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden[^jesaja-33-20-79][^jesaja-33-20-80], en waarvan geen van de touwen verscheurd worden.[^jesaja-33-20-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v20)

**21** Maar YHWH zal daar bij ons heerlijk zijn,[^jesaja-33-21-82] het zal zijn een plaats van rivieren, van[^jesaja-33-21-83] wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen voortreffelijk[^jesaja-33-21-84] schip[^jesaja-33-21-85] zal daar overvaren.[^jesaja-33-21-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v21)

**22** Want YHWH is onze Rechter, YHWH is onze Wetgever, YHWH is onze Koning. Hij zal ons behouden.[^jesaja-33-22-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v22)

**23** Uw touwen[^jesaja-33-23-88] zijn slap geworden,[^jesaja-33-23-89] zij zullen hun mastboom niet kunnen[^jesaja-33-23-90] recht stijf houden,[^jesaja-33-23-91] zij zullen het zeil niet uitspannen;[^jesaja-33-23-92] dan[^jesaja-33-23-93] zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden,[^jesaja-33-23-94] zelfs zullen de lammen de roof roven.[^jesaja-33-23-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v23)

**24** En geen inwoner zal zeggen: Ik ben[^jesaja-33-24-96] ziek, want het volk, dat daarin woont,[^jesaja-33-24-97] zal vergeving van ongerechtigheid hebben.[^jesaja-33-24-98] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/33.html#v24)

[^jesaja-33-1-1]: Kanttekening 1: u verwoester: Te weten u Sanherib, koning van Assyrië. Maar het wordt ook gesproken tot alle vervolgers van de kerk van God.
[^jesaja-33-1-2]: Kanttekening 2: Als u: Als u aan het einde, dat u God gesteld heeft, zult gekomen zijn, dat is als u uw maat zult vervuld hebben, als de straffen, met welke God zijn volk zal bezoeken, een einde nemen zullen.
[^jesaja-33-1-3]: Kanttekening 3: zult u verwoest: Te weten vooreerst uw leger door de engel; daarna bijzelf door uwe zonen, zie 2 Kon. 19:35 , enz., eindelijk uwe stad Ninevé door de Chaldeën. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-33-1-4]: Kanttekening 4: zal men trouweloos: Het schijnt dat dit te duiden is op de zonen van Sanherib, die hem in zijn afgodischen tempel hebben vermoord; 2 Kon. 19:37 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-33-2-5]: Kanttekening 5: ons genadig: Te weten uw heilige kerk, of \[ ons \], die uw volk zijn.
[^jesaja-33-2-6]: Kanttekening 6: wij hebben: Te weten, dat U ons zoudt helpen en verlossen.
[^jesaja-33-2-7]: Kanttekening 7: hun arm: Te weten de arm van de vrome Joden. De zin is: wees een voorvechter en beschermer van uw volk, tegen de Assyriërs.
[^jesaja-33-2-8]: Kanttekening 8: elke morgen: Hebreeuws, in de morgenstonden; dat is elke morgen, steeds, altijd, gelijk Ps. 90:14 ; zie de aantekening Ps. 73:14 ; of, als zij U ten tijde van het morgenoffer aanroepen. Psalmen 90:14 : Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. Psalmen 73:14 : Omdat ik de ganse dag geplaagd ben, en mijn straffing is er elke morgen.
[^jesaja-33-3-9]: Kanttekening 9: Van het geluid: Te weten als de engel hen zal overvallen. Zie 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-33-3-10]: Kanttekening 10: de volken: Te weten het krijgsvolk in de legermacht van de koning van Assyrië, bestaande uit verscheidene volken en natiën.
[^jesaja-33-3-11]: Kanttekening 11: van Uw verhoging: Als U, o Heer, U als op uw rechterstoel zetten en gericht oefenen zult over de vijanden uws volks.
[^jesaja-33-4-12]: Kanttekening 12: Dan zal: Ene aanspraak tot de Assyriërs. De zin is: U, Assyriërs, zult van de engel van de Heer verslagen en dan van de Joden beroofd worden.
[^jesaja-33-4-13]: Kanttekening 13: ulieder buit: Dat is, de buit, die u, Assyriërs, van andere volken geroofd hebt, zal van u wedergenomen worden.
[^jesaja-33-4-14]: Kanttekening 14: gelijk de kevers verzameld worden: Hebreeuws, met ene verzameling van de kevers.
[^jesaja-33-4-15]: Kanttekening 15: Te weten in uw roof; dat is, in de roof, die men u zal afnemen. Daarin zal men onder en over, door en weer door huppelen en springen, met vreugde, met blijdschap en gejuich.
[^jesaja-33-5-16]: Kanttekening 16: in de hoogte: Dat is, in de hemel.
[^jesaja-33-5-17]: Kanttekening 17: Hij heeft Sion vervuld: Of, Hij zal Zion vervullen, enz., te weten na de verdelging van de Assyriërs ten tijde aan Hizkia.
[^jesaja-33-6-18]: Kanttekening 18: de vastheid: Hier wendt de profeet zijn rede tot de koning Hizkia. Anderen verstaan dat het ene aanspraak is aan de kerk van God; alsof de profeet zei: Wat de kerk zal doen vaststaan, zal zijn de kennis van de goedertierenheid en gunst van de Heer.
[^jesaja-33-6-19]: Kanttekening 19: uw tijden: Dat is, uw regering, o Hizkia, of, o gemeente van God.
[^jesaja-33-6-20]: Kanttekening 20: de sterkte: Of, \[uw\] heilzame sterkte, of de sterkte van het veelvoudige heil.
[^jesaja-33-6-21]: Kanttekening 21: zal zijn: Of, is.
[^jesaja-33-6-22]: Kanttekening 22: zal … zijn: Of, is.
[^jesaja-33-6-23]: Kanttekening 23: zijn schat: Te weten van de koning Hizkia. Alsof hij zei: Omdat hij de Heer vreest, zo zal Hij hem zegenen met rijkdom. Zie 2 Kon. 20:13 , en 2 Kron. 32:27 , 32:28 , 32:29 . Anders, zijn, of haar; te weten van de kerk van God. Als men deze woorden op de koning Hizkia duidt, zo wijzen zij tegelijk aan, welke en hoedanig de wijsheid van de koning Hizkia geweest is, waarvan te lezen is 2 Kon. 19:1 , 19:14 , en 2 Kon. 18:4 , 18:5 , 18:6 . 2 Koningen 20:13 : En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gehele schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn gehele heerschappij, dat hij hun niet toonde. 2 Kronieken 32:27 : Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap; 2 Kronieken 32:28 : Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en most, en olie; en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden. 2 Kronieken 32:29 : Daartoe had hij zich steden gemaakt, en ook bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote bezittingen. 2 Koningen 19:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH. 2 Koningen 19:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH. 2 Koningen 18:4 : Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen van Israël tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan. 2 Koningen 18:5 : Hij betrouwde op YHWH, de God van Israël, zodat na hem zijn gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die voor hem geweest waren. 2 Koningen 18:6 : Want hij kleefde YHWH aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die YHWH aan Mozes geboden had.
[^jesaja-33-7-24]: Kanttekening 24: Te weten van Sanherib en zijn vorsten. Zie onder Jes. 36:13 , enz. en Jes. 37:10 , enz. Jesaja 36:13 : Zo stond Rabsake, en riep met luide stem in het Joods, en zei: Hoort de woorden van de grote koning, van de koning van Assyrië! Jesaja 37:10 : Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welke u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden.
[^jesaja-33-7-25]: Kanttekening 25: Of, ambassadeurs, gezanten; te weten die, welke Sanherib aan de koning Hizkia en de inwoners van Jeruzalem gezonden heeft; 2 Kon. 18:17 , 18:18 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
[^jesaja-33-7-26]: Kanttekening 26: daar buiten: Te weten buiten de stad Jeruzalem, gelijk te lezen is 2 Kon. 18:17 , 18:18 , enz. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 18:18 : En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
[^jesaja-33-7-27]: Kanttekening 27: de boden van de vrede: Te weten die mannen, die Hizkia had gezonden aan Sanherib om hem de vrede af te bidden, 2 Kon. 18:14 . 2 Koningen 18:14 : Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.
[^jesaja-33-8-28]: Kanttekening 28: De gebaande wegen: Te weten in het land Juda. De zin is: Niemand durft zich in het land Juda op de gewone herenstraten laten vinden, of reizen, vanwege de inval van de Assyriërs. Vergelijk Richt. 5:6 , en de aantekening daar. Richteren 5:6 : In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.
[^jesaja-33-8-29]: Kanttekening 29: zijn verwoest: Te weten van de Assyriërs.
[^jesaja-33-8-30]: Kanttekening 30: hij vernietigt: Te weten Sanherib.
[^jesaja-33-8-31]: Kanttekening 31: het verbond: Te weten dat hij gemaakt had, belovende af te trekken, als Hizkia hem de som geld, die hij hem opgelegd had, zou betaald hebben. Zie 2 Kon. 18:14 , enz. 2 Koningen 18:14 : Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.
[^jesaja-33-8-32]: Kanttekening 32: de steden: Te weten de steden in Juda.
[^jesaja-33-9-33]: Kanttekening 33: Het land: Te weten het Joodse land, dat van de Assyriërs verwoest is.
[^jesaja-33-9-34]: Kanttekening 34: de Libanon: De naam van een berg, en door deze, als andere hier genaamde plaatsen, liggende aan de grenzen van het land, wordt te kennen gegeven, dat het gehele land verwoest was.
[^jesaja-33-9-35]: Kanttekening 35: schaamt zich: Te weten omdat hij van zijn schone hoge cederbomen ontbloot is, die door de Assyriërs zijn afgehouwen, waarmee hij tevoren versierd en als opgepronkt was.
[^jesaja-33-9-36]: Kanttekening 36: hij verwelkt: Of, hij is nedergehouwen.
[^jesaja-33-9-37]: Kanttekening 37: Een land, waar goede tarwe pleegt te groeien. Zie 1 Kron. 27:29 , maar het was jammerlijk verwoest als de profeet dit schreef. 1 Kronieken 27:29 : En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.
[^jesaja-33-9-38]: Kanttekening 38: In Basan was goede weide. Zie Deut. 32:14 ; Ps. 22:13 . Dit gebergte lag niet in de stam van Juda, maar in de halve stam van Manasse; Joz. 13:30 . Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jozua 13:30 : Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het gehele Bazan, het gehele koninkrijk van Og, de koning van Bazan, en al de vlekken van Jaïr, die in Bazan zijn, zestig steden.
[^jesaja-33-9-39]: Kanttekening 39: Hier was ook goed weideland. Zie 1 Sam. 25:2 . 1 Samuël 25:2 : En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel.
[^jesaja-33-9-40]: Kanttekening 40: zijn geschud: Of, werpen af; te weten hun vruchten. Anders: ruchelt; dat roept als een ezel, dat is, schreit verschrikkelijk, namelijk omdat de beesten, die daar plachten te weiden, nu verdreven en geroofd waren.
[^jesaja-33-10-41]: Kanttekening 41: Of, mij opmaken; te weten tegen de Assyriërs.
[^jesaja-33-10-42]: Kanttekening 42: verhoogd worden: Te weten door het ombrengen van de Assyriërs.
[^jesaja-33-11-43]: Kanttekening 43: Dit spreekt de Heer tot de Assyriërs; alsof Hij zei: U hebt wel wat groots voor, te weten Jeruzalem in te nemen en te verdelgen; maar het zal u niet gelukken, u zult zelf te schande en ten verderve komen.
[^jesaja-33-11-44]: Kanttekening 44: u zult: Uwe aanslagen zullen zo weinig vermogen, alsof zij van stro en stoppels waren.
[^jesaja-33-11-45]: Kanttekening 45: uw geest: Dat is, uwe hoogheid zal mij bewegen u te verderven, te weten door mijn slaanden engel; zie 2 Kon. 18:19 , enz., en 2 Kon. 19:9 , enz. 2 Koningen 18:19 : En Rabsake zei tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt? 2 Koningen 19:9 : Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende:
[^jesaja-33-12-46]: Kanttekening 46: de volken: Te weten het krijgsvolk in het leger van de Assyriërs zal verdelgd worden gelijk de kalk in de kalkoven gebrand wordt; zie 2 Kon. 19:35 . Anders: zullen in kalkovens gelegd worden, namelijk om tot kalk verbrand te worden. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-33-13-47]: Kanttekening 47: Dit is ene voorrede op wat hier volgt, namelijk ene vermaning aan de vreemde natiën, dat zij de ware God zouden eren vanwege het vernielen van de Assyriërs.
[^jesaja-33-13-48]: Kanttekening 48: wat Ik gedaan heb: Te weten hoe wonderbaar Ik de Assyriërs door een engel verdelgd heb.
[^jesaja-33-13-49]: Kanttekening 49: Dat is, merkt en roemt mijn grote macht.
[^jesaja-33-14-50]: Kanttekening 50: De zondaren: Dat is, de goddelozen onder de Joden, die alle vermaningen veracht hebben.
[^jesaja-33-14-51]: Kanttekening 51: te Sion: Dat is, te Jeruzalem.
[^jesaja-33-14-52]: Kanttekening 52: zijn verschrikt: Te weten als Ik hen door de Assyriërs bezocht heb, die zich niet verschrikten als Ik hen door de profeet Jesaja gedreigd heb; zie 2 Kon. 18:37 ; en 2 Kon. 19:14 . 2 Koningen 18:37 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. 2 Koningen 19:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH.
[^jesaja-33-14-53]: Kanttekening 53: bij een verterend: Dat is, bij God, als Hij vertoornd is. Zie Deut. 4:24 , en Deut. 9:3 ; Hebr. 12:29 . Sommigen nemen deze woorden als gesproken zijnde door de profeet. Vergelijk Ps. 15:1 . Deuteronomium 4:24 : Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Deuteronomium 9:3 : Zo zult u heden weten, dat YHWH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, gelijk als YHWH tot u gesproken heeft. Hebreeën 12:29 : Want onze God is een verterend vuur. Psalmen 15:1 : Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid?
[^jesaja-33-15-a]: Verwijzing a: Ps. 15:2 ; Ps. 24:3 . Psalmen 15:2 : Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; Psalmen 24:3 : Wie zal klimmen op de berg van YHWH, en wie zal staan in de plaats Zijn heiligheid?
[^jesaja-33-15-54]: Kanttekening 54: Die in: Hier antwoordt de profeet, of God door de profeet, op de voorgaande vraag van de goddeloze Joden; en Hij wijst aan dat zij geen oorzaak hebben om over Gods gestrengheid te klagen, maar wel over hun goddeloos leven, waarmee zij God tot straffen veroorzaken.
[^jesaja-33-15-55]: Kanttekening 55: de winst: Dat is de onrechtvaardige winst, dat men neemt om zijn naaste te helpen onderdrukken.
[^jesaja-33-15-56]: Kanttekening 56: geen geschenken: Te weten die hem, als rechter, gegeven worden om een goede zaak kwaad te maken.
[^jesaja-33-15-57]: Kanttekening 57: dat hij geen bloedschulden hore: Dat is, dat hij de raadslagen van onschuldig bloedvergieten niet bijwone; zie Ps. 51:16 . Psalmen 51:16 : Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God van mijn heil! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
[^jesaja-33-15-58]: Kanttekening 58: niet aanzie: Te weten met lust en met behagen. Zie Ps. 22:18 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^jesaja-33-16-59]: Kanttekening 59: in de hoogten wonen: Dat is, zeker en vast, buiten gevaar, onder de beschutting van de Allerhoogste. Vergelijk Ps. 91:1 . Psalmen 91:1 : Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
[^jesaja-33-16-60]: Kanttekening 60: zijn brood: Dat is, het brood, dat hij behoeft, of wenst te hebben. De zin is: hem zal niets ontbreken.
[^jesaja-33-16-61]: Kanttekening 61: zijn gewis: Dat is, de Heer zal hem gewisselijk van drank verzorgen.
[^jesaja-33-17-62]: Kanttekening 62: Uw ogen: Hier spreekt de profeet hen aan, die hij vers 15 beschreven heeft, te weten de godzaligen onder de Joden. Jesaja 33:15 : Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die de winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;
[^jesaja-33-17-63]: Kanttekening 63: de Koning: Enige verstaan hier de koning Hizkia, anderen de Heer Christus.
[^jesaja-33-17-64]: Kanttekening 64: Of, aanschouwen, met blijdschap, te weten na de heerlijke victorie over de Assyriërs, want tevoren, toen hem de Assyriërs in het land gevallen waren, was hij in een treurigen en bedroefden staat; zie 2 Kron. 32:23 , 32:27 . 2 Kronieken 32:23 : En velen brachten geschenken tot YHWH te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd. 2 Kronieken 32:27 : Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;
[^jesaja-33-17-65]: Kanttekening 65: zij zullen: Hebreeuws, het land van de verheden (אֶרֶץ). De zin is: Zij, te weten de burgers van Jeruzalem, zullen niet meer zo verschrikkelijk binnen hun stad moeten besloten en als gevangen blijven, maar zij zullen mogen reizen en trekken waar het hun belieft door het gehele land.
[^jesaja-33-18-66]: Kanttekening 66: Uw hart: Hier spreekt de profeet alle godzalige Joden in het bijzonder aan.
[^jesaja-33-18-67]: Kanttekening 67: zal de verschrikking: Of, het zal dichten van die verschrikking; te weten van die verschrikkingen, waarmee u bent bevangen geweest vanwege de Assyriërs, en van welke u wonderbaarlijk, door Gods kracht en genade, zult verlost worden.
[^jesaja-33-18-68]: Kanttekening 68: Dit zijn de woorden van de Joden, de Assyriërs trotserende na verkregen victorie; alsof zij zeiden: Waar zijn nu al die grote meesters en officieren van de koning Sanherib? Zij zijn nu allen vernield en verdelgd, wij passen nu niet langer op hen, zij kunnen ons niet hinderen noch schaden. Sommigen nemen dit als woorden van de Joden, alsof zij in de aankomst van de Assyriërs uit verbaasdheid en radeloosheid vraagden: Waar zijn nu de officieren, die op onze bescherming moesten letten en op alles orde stellen?
[^jesaja-33-18-69]: Kanttekening 69: is de schrijver: Te weten monsterschrijver, of krijgssecretaris, te weten van de koning Sanherib.
[^jesaja-33-18-70]: Kanttekening 70: de betaalsheer: Of, de penningmeester, thesaurier, betaalmeester. Hebreeuws, de weger, of die daar weegt; te weten het geld; dat is, die de soldaten hun soldij betaalt. Aangaande het wegen, zie Gen. 23:16 . Genesis 23:16 : En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar.
[^jesaja-33-18-71]: Kanttekening 71: die de torens: Dat is, de bouwmeester of ingenieur, wiens ambt het is te tellen en te ordineren hoeveel torens, sterkten, schansen of bolwerken men moet maken tot verdediging ener belegerde stad, of om ene stad te belegeren en te besluiten.
[^jesaja-33-19-72]: Kanttekening 72: niet meer : Want de engel van de Heer zal hen ten dele verslaan, ten dele op de vlucht jagen; zie 2 Kon. 19:35 , 19:36 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve.
[^jesaja-33-19-73]: Kanttekening 73: dat stuurse volk: Of, wreed volk, of barbaars volk. Hebreeuws, gesterkt, verhard volk (עַם). Zie Deut. 28:50 ; Richt. 14:4 , en Ps. 114:1 . Deuteronomium 28:50 : Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht van de oude niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn. Richteren 14:4 : Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van YHWH was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. Psalmen 114:1 : Toen Israël uit Egypte toog, het huis van Jakob van een volk, dat een vreemde taal had;
[^jesaja-33-19-74]: Kanttekening 74: van spraak: Hebreeuws, van lip (שָׂפָה), gelijk Gen. 11:1 ; dat is, een volk, dat een onbekende spraak heeft. Genesis 11:1 : En de gehele aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
[^jesaja-33-19-75]: Kanttekening 75: horen kan: Dat is, verstaan kan; zie Gen. 11:7 . Genesis 11:7 : Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore.
[^jesaja-33-19-76]: Kanttekening 76: belachelijke tong: Zie Jes. 28:11 . Anders, van stamelende tong. Jesaja 28:11 : Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;
[^jesaja-33-20-77]: Kanttekening 77: Hier spreekt de profeet nog de godzalige Joden aan.
[^jesaja-33-20-78]: Kanttekening 78: de stad: Te weten Jeruzalem, waar het volk van God gewoon was, in het bijzonder op de hoge feestdagen, samen te komen.
[^jesaja-33-20-b]: Verwijzing b: Ps. 46:6 ; Ps. 125:1 ; idem 125:2 . Psalmen 46:6 : God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond. Psalmen 125:1 : Een lied Hammaäloth. Die op YHWH vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. Psalmen 125:2 : Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid.
[^jesaja-33-20-79]: Kanttekening 79: een tent: Versta hier, de Christelijke kerk, die steeds vast blijft staande, ofschoon zij hard wordt bestreden van haar vijanden. Het aardse Jeruzalem is van de Romeinen verwoest.
[^jesaja-33-20-80]: Kanttekening 80: in eeuwigheid: Dat is, nimmermeer.
[^jesaja-33-20-81]: Kanttekening 81: zullen uitgetogen: Hebreeuws, niet zullen verreizen.
[^jesaja-33-21-82]: Kanttekening 82: heerlijk zijn: Zie van het woord heerlijk, Ps. 8:2 . Psalmen 8:2 : O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
[^jesaja-33-21-83]: Kanttekening 83: het zal zijn: Te weten Jeruzalem; wel verstaande het geestelijke Jeruzalem; dat is, de gemeente van de uitverkorenen.
[^jesaja-33-21-84]: Kanttekening 84: wijde stromen: Of, brede. Hebreeuws, wijd van handen (יָדָיִם); dat is, wijd van ruimte, gelijk Gen. 34:21 ; Richt. 18:10 ; Ps. 104:25 ; zie de aantekening daar. Genesis 34:21 : Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. Richteren 18:10 : (Als u daarheen komt, zo zult u komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is. Psalmen 104:25 : Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
[^jesaja-33-21-85]: Kanttekening 85: Of, galei.
[^jesaja-33-21-86]: Kanttekening 86: zal daar: Of, daarover komen. De zin van vers 21 is: De kerk zal zijn als een stad, rondom welke wijde grachten gaan, zo dat de vijanden tegen haar niet zullen vermogen, maar alle uitverkorenen zullen in haar zeker en gewis zijn. Jesaja 33:21 : Maar YHWH zal daar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren.
[^jesaja-33-22-87]: Kanttekening 87: Of, verlossen, of zalig maken.
[^jesaja-33-23-88]: Kanttekening 88: Uw touwen: De profeet spreekt hier de Assyriërs aan, alsof zij altegaar in een schip waren, dat in groot gevaar is; alsof hij zei: O u Assyriërs, al uw macht en voornemen tegen Gods kerk zal ijdel en tevergeefs zijn, gelijk men niet zeilen kan noch voortkomen, als de touwen en zeilen, bij gebrek van wind, niet stijf kunnen uitstaan of door storm gebroken worden.
[^jesaja-33-23-89]: Kanttekening 89: zijn slap geworden: Of, los geworden, geslaakt.
[^jesaja-33-23-90]: Kanttekening 90: Te weten de vijanden, of de touwen.
[^jesaja-33-23-91]: Kanttekening 91: recht stijf houden: Of, recht overeind houden.
[^jesaja-33-23-92]: Kanttekening 92: zij zullen het zeil niet uitspannen: Of de vlag, of vaan uitbreiden.
[^jesaja-33-23-93]: Kanttekening 93: Te weten als de vijanden, die Gods kerk wilden verstoren, van de Heer zullen verslagen en te schande gemaakt worden.
[^jesaja-33-23-94]: Kanttekening 94: zal de roof …: Anders: dan zal er uitgedeeld worden tot een grote roof toe. De zin is: De burgers van de Christelijke kerk \[te weten de gelovigen\] zullen zich grotelijks verheugen. Vergelijk dit met Jes. 9:2 . Jesaja 9:2 : U hebt dit volk vermenigvuldigd, maar U hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blij wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in de oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.
[^jesaja-33-23-95]: Kanttekening 95: zelfs : De zin is: Het zal met de vijanden van de kerk van God zo gesteld zijn, dat zelfs de allerzwaksten machtig genoeg zullen zijn om hen te beroven. Zie Ps. 68:13 . Psalmen 68:13 : De koningen van de legermachten vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde de roof uit.
[^jesaja-33-24-96]: Kanttekening 96: geen inwoner: Te weten van de stad Jeruzalem; dat is van de Christelijke kerk.
[^jesaja-33-24-97]: Kanttekening 97: Of, zwak, of ziek, want de Heer heelt al onze gebreken en Hij vergeeft ons onze misdaden.
[^jesaja-33-24-98]: Kanttekening 98: zal vergeving van ongerechtigheid hebben: Hebreeuws, zal ontlast zijn van ongerechtigheid (עָוֺֽן); God zal hen ontlasten; dat is, God zal hun hun zonden vergeven en daarom maakt Hij hen sterk en wakker. Zie de aantekening Ps. 32:1 . Psalmen 32:1 : Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

### Jesaja 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/34.json)

*Verwoesting van de vijanden van de kerk van God, vers 2, onder de naam van de Edomieten, 5, wier land zo verwoest zou worden dat het niet meer door mensen, maar door wilde, verschrikkelijke gedrochten zou worden bewoond, 10. Deze verwoesting zou stuk voor stuk volkomen vervuld worden, 16, en eeuwig duren, 17.*

**1** Nader, u heidenen, om te horen, en u volken! luister toe; de aarde hore, en[^jesaja-34-1-1] haar volheid, de wereld en[^jesaja-34-1-2] al wat daaruit voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v1)

**2** Want de toorn van YHWH is[^jesaja-34-2-3] over[^jesaja-34-2-4] al de heidenen, en woede over al hun leger;[^jesaja-34-2-5] Hij heeft hen verbannen, Hij heeft ze ter slachting overgegeven.[^jesaja-34-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v2)

**3** En hun[^jesaja-34-3-7] verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen[^jesaja-34-3-8] smelten[^jesaja-34-3-9] van hun bloed.[^jesaja-34-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v3)

**4** En al het leger van de hemelen zal[^jesaja-34-4-a] uitteren, en de hemelen zullen[^jesaja-34-4-11] toegerold worden, zoals een boek, en al[^jesaja-34-4-12] hun leger zal afvallen, zoals een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom.[^jesaja-34-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v4)

**5** Want Mijn zwaard[^jesaja-34-5-14] is dronken geworden in de hemel; zie, het zal[^jesaja-34-5-15] tot het oordeel neerdalen[^jesaja-34-5-16] op Edom, en op het volk,[^jesaja-34-5-17] dat Ik verbannen heb.[^jesaja-34-5-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v5)

**6** Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren[^jesaja-34-6-19] en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH[^jesaja-34-6-b] heeft[^jesaja-34-6-20] een slachtoffer te[^jesaja-34-6-21] Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.[^jesaja-34-6-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v6)

**7** En de eenhoornen zullen[^jesaja-34-7-23] met hen[^jesaja-34-7-24] afgaan, en de stieren met[^jesaja-34-7-25] de stieren; en[^jesaja-34-7-26] hun land zal doordronken zijn[^jesaja-34-7-27] van het bloed, en hun[^jesaja-34-7-28] stof zal[^jesaja-34-7-29] van het smeer vet gemaakt worden.[^jesaja-34-7-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v7)

**8** Want het zal zijn de dag van de wraak van YHWH, een jaar van de vergeldingen,[^jesaja-34-8-31] om Sions rechtszaak.[^jesaja-34-8-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v8)

**9** En hun beken[^jesaja-34-9-33] zullen in pek verkeerd worden, en[^jesaja-34-9-34] hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden.[^jesaja-34-9-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v9)

**10** Het zal in de nacht of overdag niet uitgeblust worden, tot in[^jesaja-34-10-36][^jesaja-34-10-c] de eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden zal niemand daar doorgaan.[^jesaja-34-10-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v10)

**11** Maar[^jesaja-34-11-d] de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de ransuil, en de raaf zal daarin wonen; want[^jesaja-34-11-38] Hij[^jesaja-34-11-39] zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en[^jesaja-34-11-40] een richtlood van het nietsdoen.[^jesaja-34-11-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v11)

**12** Hun[^jesaja-34-12-42] edelen (maar zij zijn er niet) zullen[^jesaja-34-12-43] zij[^jesaja-34-12-44] tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten[^jesaja-34-12-45] zullen niets zijn.[^jesaja-34-12-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v12)

**13** En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en[^jesaja-34-13-47] het zal een woning van de draken zijn, een zaal voor[^jesaja-34-13-48] de jongen van de struisvogels.[^jesaja-34-13-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v13)

**14** En de wilde dieren van de woestijnen zullen de wilde dieren van de eilanden daar ontmoeten, en[^jesaja-34-14-50] de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal[^jesaja-34-14-51] het nachtgedierte zich daar neerzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.[^jesaja-34-14-52][^jesaja-34-14-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v14)

**15** Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen[^jesaja-34-15-54] uitbikken, en[^jesaja-34-15-55] onder haar schaduw verzamelen; ook zullen daar de gieren[^jesaja-34-15-56] met elkaar verzameld worden.[^jesaja-34-15-57][^jesaja-34-15-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v15)

**16** Zoek in het boek van YHWH, en leest; niet één van deze zal er falen,[^jesaja-34-16-59] het een noch het ander zal men missen; want[^jesaja-34-16-60] mijn mond zelf heeft het geboden, en[^jesaja-34-16-61] Zijn Geest Zelf[^jesaja-34-16-62] zal ze samenbrengen.[^jesaja-34-16-63][^jesaja-34-16-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v16)

**17** Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer;[^jesaja-34-17-65] tot in de eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.[^jesaja-34-17-66][^jesaja-34-17-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/34.html#v17)

[^jesaja-34-1-1]: Kanttekening 1: haar volheid: Dat is, al wat er in is. Zie Ps. 24:1 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^jesaja-34-1-2]: Kanttekening 2: al wat daaruit voortkomt: Of, al wat daar uitspruit. Hebreeuws, al haar uitspruitselen.
[^jesaja-34-2-3]: Kanttekening 3: Of, tegen, of op.
[^jesaja-34-2-4]: Kanttekening 4: al de heidenen: Te weten die het volk van God vervolgen; gelijk daar zijn de Edomieten, Moabieten, Filistijnen, Syriërs, Assyriërs, Chaldeën en Babyloniërs, onder wie ook verstaan worden alle vijanden van de kerk van God.
[^jesaja-34-2-5]: Kanttekening 5: over al hun legermacht: Of, tegen, of op.
[^jesaja-34-2-6]: Kanttekening 6: Hij heeft hen verbannen: Dat is, Hij heeft besloten hen te verbannen, en zo straks opnieuw. Zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jesaja-34-3-7]: Kanttekening 7: En hun verslagenen: De profeet beschrijft in dit en in de volgende verzen, met allegorische of verbloemde woorden, de nederlaag van de vijanden van Gods volk, die wel eerst is geschied aan de Assyriërs, Babyloniërs en andere volken, die de Israëlieten hadden vervolgd en beschadigd; maar zij zal eerst volkomen voltrokken worden wanneer Jezus Christus, als opperste rechter, de gehele wereld oordelen zal.
[^jesaja-34-3-8]: Kanttekening 8: zullen weggeworpen worden: Tot een aas van de wilde dieren; zij zullen niet begraven worden.
[^jesaja-34-3-9]: Kanttekening 9: Of vervlieten, of druppen.
[^jesaja-34-3-10]: Kanttekening 10: van hun bloed: Dat is, vanwege hun bloed.
[^jesaja-34-4-a]: Verwijzing a: Openb. 6:13 ; idem v. 14 . Openbaring 6:13 : En de sterren van de hemel vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt. Openbaring 6:14 : En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
[^jesaja-34-4-11]: Kanttekening 11: Dat is, smelten, verwelken. De zin is: De mensen zullen vanwege de uitvoering van deze oordelen van God zo ontsteld en verbaasd zijn, alsof het leger van de hemel, te weten zon, maan en sterren, zouden vergaan of omgekeerd worden.
[^jesaja-34-4-12]: Kanttekening 12: Dit moet men verstaan naar de wijze, die eertijds bij de Joden en andere natiën gebruikelijk is geweest, die op lange bladen van perkament schreven, die zij dan oprolden. Zie Jes. 8:1 . Jesaja 8:1 : Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^jesaja-34-4-13]: Kanttekening 13: hun legermacht zal afvallen: Te weten de legermacht van de hemelen.
[^jesaja-34-5-14]: Kanttekening 14: Want Mijn zwaard: Dit zijn de woorden van de Heer. En de profeet beschrijft hier, en vers 6 , 34:7 , enz. de ondergang van de vijanden van de kerk van God. Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jesaja 34:7 : En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.
[^jesaja-34-5-15]: Kanttekening 15: is dronken: Te weten van het bloed van de verslagenen. De zin is: Ik zal er in mijn rechtvaardigen toorn velen verslaan, achtervolgens het besluit, dat in de hemel genomen is.
[^jesaja-34-5-16]: Kanttekening 16: tot het oordeel: Ter straf, ter wraak.
[^jesaja-34-5-17]: Kanttekening 17: op Edom: De Edomieten waren de naaste bloedverwanten van de Israëlieten; zij hadden en onderhielden ook de besnijdenis; maar evenwel waren zij derzelver grootste vijanden en vervolgers, en zij zijn een voorbeeld van al de vijanden van de kerk van God, die zich wel beroemen uit dezelve gesproten te zijn, en gebruiken dezelfde sacramenten, maar inderdaad de rechtgelovigen haten.
[^jesaja-34-5-18]: Kanttekening 18: dat Ik: Hebreeuws, het volk van mijn ban (עַם).
[^jesaja-34-6-19]: Kanttekening 19: van het bloed: Ene gelijkenis, genomen van de slachtoffers van het Oude Testament.
[^jesaja-34-6-b]: Verwijzing b: Jes. 63:1 ; idem v. 2 . Jesaja 63:1 : Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Jesaja 63:2 : Waarom bent U rood aan Uw gewaad, en Uw kleren als van een, die in de wijnpers treedt?
[^jesaja-34-6-20]: Kanttekening 20: van de lammeren: Dat is, van de mensen, die klein en gering zijn. Of, lammeren betekent de jongen, bokken de ouden.
[^jesaja-34-6-21]: Kanttekening 21: een slachtoffer: Of, ene slachting. Het Hebreeuwse woord, dat dikwijls een slachtoffer betekent, is ook meermalen voor slachting genomen, gelijk Gen. 31:54 ; 1 Sam. 28:24 , en 1 Kon. 19:21 . Genesis 31:54 : Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. 1 Samuël 28:24 : En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van. 1 Koningen 19:21 : Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen zood hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.
[^jesaja-34-6-22]: Kanttekening 22: Dit was de hoofdstad in het land van de Edomieten, en zij is geweest een voorbeeld van de stad Rome. Vergelijk hiermede Openb. 18:2 ; van Bozra in Moab, zie Jer. 48:24 . Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Jeremia 48:24 : En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
[^jesaja-34-7-23]: Kanttekening 23: de eenhoornen: Dat is, de machtigen en hoogverhevenen, die boven alle anderen in wreedheid uitsteken in het vervolgen van de godzaligen.
[^jesaja-34-7-24]: Kanttekening 24: met hen: Te weten met de lammeren en bokken, vers 6 . Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.
[^jesaja-34-7-25]: Kanttekening 25: Te weten ter slachting.
[^jesaja-34-7-26]: Kanttekening 26: de stieren: Zie Ps. 22:13 . Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
[^jesaja-34-7-27]: Kanttekening 27: hun land: Te weten het land van de Edomieten, waarvan boven vers 6 gesproken is. Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.
[^jesaja-34-7-28]: Kanttekening 28: van het bloed: Te weten van de verslagen eenhoornen, varren en stieren. Vergelijk hiermede Openb. 19:21 . Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^jesaja-34-7-29]: Kanttekening 29: Dat is, hun aard, of aarde.
[^jesaja-34-7-30]: Kanttekening 30: van het smeer: Te weten dat uit de verslagenen stromen zal.
[^jesaja-34-8-31]: Kanttekening 31: de dag van de wraak: In welke de Heer het onnozel bloed van zijn volk wreken zal.
[^jesaja-34-8-32]: Kanttekening 32: om Sions twistzaak: Dat is, vanwege de zaak Zions, dat is, van de gemeente van God, die moeizaam van haar vijanden is vervolgd geweest.
[^jesaja-34-9-33]: Kanttekening 33: hun beken: Te weten van de stad Bozra, of van de Edomieten en vijanden van de kerk van God.
[^jesaja-34-9-34]: Kanttekening 34: zullen in pek: Met deze en de volgende woorden wordt te kennen gegeven dat het land ten enenmale zal verdorven worden, zo dat het land van Sodom en Gomorra zal gelijk worden.
[^jesaja-34-9-35]: Kanttekening 35: hun stof: Zie de aantekening Job 18:15 . Job 18:15 : Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.
[^jesaja-34-10-36]: Kanttekening 36: Het zal in de nacht: Te weten het brandende pek, of het brandende land, dat tot pek zal geworden zijn. Vergelijk hiermede Openb. 18:9 , en Openb. 19:3 . Openbaring 18:9 : En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook van haar brand zullen zien; Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.
[^jesaja-34-10-c]: Verwijzing c: Openb. 14:11 ; Openb. 19:3 . Openbaring 14:11 : En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijn naams ontvangt. Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.
[^jesaja-34-10-37]: Kanttekening 37: zijn rook opgaan: Te weten van de stad Bozra.
[^jesaja-34-11-d]: Verwijzing d: Jes. 13:21 ; idem v. 22 ; Zefan. 2:14 ; Openb. 18:2 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. Jesaja 13:22 : En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden. Zefanja 2:14 : En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^jesaja-34-11-38]: Kanttekening 38: de roerdomp: De zin is: Hun land zal in de grond zo verwoest en verdorven worden, dat er niets dan wilde en verschrikkelijke dieren in wonen zullen. Zie Jes. 14:23 , alwaar van deze en dergelijke ondieren ook gesproken wordt, gelijk ook Lev. 11:17 . Jesaja 14:23 : En Ik zal hen stellen tot een erve van de nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem van het verderf uitvagen, spreekt YHWH van de legermachten. Leviticus 11:17 : En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,
[^jesaja-34-11-39]: Kanttekening 39: Te weten de Heer.
[^jesaja-34-11-40]: Kanttekening 40: zal een richtsnoer: Dat is, Hij zal hen meten om te verderven. Zie 2 Kon. 21:13 , en de aantekening daar. 2 Koningen 21:13 : En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid.
[^jesaja-34-11-41]: Kanttekening 41: een richtlood: Hebreeuws, stenen van de ledigheid; dat is een meetsnoer waar een steen aan hangt; Zach. 4:10 staat, een steen van tin; dat is, een meetsnoer waar een tinnen gewicht aan hangt; en een richtlood van de woestheid, of van de ledigheid; dat is, tot een teken dat zij leeg en woest zullen gemaakt worden. Zacharia 4:10 : Want wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen van YHWH, die het gehele land doortrekken.
[^jesaja-34-12-42]: Kanttekening 42: Te weten van het land Edom.
[^jesaja-34-12-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, witte; dat is, degenen die witte zuivere kleren dragen, gelijk de vorsten en groten van het land plachten te doen; zie de aantekening 1 Kon. 21:8 , en Neh. 2:16 . 1 Koningen 21:8 : Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth. Nehemia 2:16 : En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^jesaja-34-12-44]: Kanttekening 44: Te weten de overgebleven Edomieten, of de inwoners van de stad Bozra.
[^jesaja-34-12-45]: Kanttekening 45: tot : Dat is, tot de regering van het land.
[^jesaja-34-12-46]: Kanttekening 46: zullen niets zijn: Dat is, zij zullen allen te schande gekomen zijn, daarom zal hen niemand met raad of daad kunnen ophelpen.
[^jesaja-34-13-47]: Kanttekening 47: Dat is, groeien.
[^jesaja-34-13-48]: Kanttekening 48: het zal een woning: Te weten Bozra.
[^jesaja-34-13-49]: Kanttekening 49: de jongen: Zie Job 30:29 . Job 30:29 : Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen.
[^jesaja-34-14-50]: Kanttekening 50: de wilde dieren van de woestijnen: Zie van deze en dergelijke gedrochten Jes. 13:21 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
[^jesaja-34-14-51]: Kanttekening 51: de wilde dieren van de eilanden: Zie van deze en dergelijke gedrochten Jes. 13:21 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
[^jesaja-34-14-52]: Kanttekening 52: de duivel: Hebreeuws, Sagnir. Zie Jes. 13:21 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
[^jesaja-34-14-53]: Kanttekening 53: het nachtgedierte: Hebreeuws, Lilith.
[^jesaja-34-15-54]: Kanttekening 54: de wilde meerle: Hebreeuws, Kippos. Men kan niet zekerlijk weten wat dit voor een vogel is.
[^jesaja-34-15-55]: Kanttekening 55: en leggen: Te weten haar eieren. Anders, voortbrengen; te weten de eieren die zij in het lijf heeft.
[^jesaja-34-15-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, splijten, klieven, namelijk de eierschalen, opdat er de kiekens uitkomen.
[^jesaja-34-15-57]: Kanttekening 57: onder haar schaduw: Dat is, onder haar vleugelen.
[^jesaja-34-15-58]: Kanttekening 58: met elkaar: Hebreeuws, de vrouw \[met\] haar metgezellin, of vriendin (אִשָּׁה).
[^jesaja-34-16-59]: Kanttekening 59: in het boek van YHWH: Hebreeuws, uit; dat is, in, of uit het boek van deze profetieën, die ik uit het bevel van de Heer beschrijf.
[^jesaja-34-16-60]: Kanttekening 60: niet een: Te weten, zaken, of voorverhaalde wilde dieren.
[^jesaja-34-16-61]: Kanttekening 61: het een noch: Hebreeuws, de vrouw \[met\] haar vriending (אִשָּׁה); gelijk boven vers 15 . Jesaja 34:15 : Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen daar de gieren met elkaar verzameld worden.
[^jesaja-34-16-62]: Kanttekening 62: mijn mond zelf: Dit spreekt de Heer.
[^jesaja-34-16-63]: Kanttekening 63: Zijn Geest: Te weten van de Heer. Dit spreekt de profeet. Anders: de mond \[van YHWH\].
[^jesaja-34-16-64]: Kanttekening 64: zal ze samenbrengen: Te weten de bovenverhaalde dieren en vogels.
[^jesaja-34-17-65]: Kanttekening 65: voor hen: Te weten voor die dieren en vogels.
[^jesaja-34-17-66]: Kanttekening 66: het hun: Te weten het land van de Edomieten. Anders, heeft zij; te weten de stad Bozra.
[^jesaja-34-17-67]: Kanttekening 67: tot in eeuwigheid: De zin is: Nadat de Heer zelf het land van de Edomieten en zijn andere vijanden aan de wilde en vervaarlijke dieren tot hun woning zal ingegeven en uitgedeeld hebben, zo zullen zij altijd daarin blijven. Zo dat het steeds een vervloekt en verwoest land zijn en blijven zal; zo zal ook de vloek van de Heer steeds over de vijanden van zijn kerk zijn en blijven.

### Jesaja 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/35.json)

*Grote vreugde van alle schepselen met de kerk van God over de verlossing door Christus, vers 1 enzovoort. Vermaning aan de leraren dat zij hen die terneergeslagen van gemoed zijn hiermee zouden troosten, 3. Wonderen die de Messias zou doen, 5. Verder verhaal van de toestand en de vrede van het volk van de Heere, 8.*

**1** [^jesaja-35-1-1] De woestijn en[^jesaja-35-1-2] de dorre plaatsen[^jesaja-35-1-3] zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v1)

**2** [^jesaja-35-2-4] Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen;[^jesaja-35-2-5] de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron;[^jesaja-35-2-6] zij zullen zien de heerlijkheid van YHWH, het sieraad van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v2)

**3** [^jesaja-35-3-7][^jesaja-35-3-a] Versterk de slappe handen, en stelt[^jesaja-35-3-8] de struikelende knieën vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v3)

**4** Zeg[^jesaja-35-4-9] de onbedachtzamen van hart: Wees sterk, en vreest niet; zie,[^jesaja-35-4-10] uw God zal[^jesaja-35-4-11] ter wrake komen met de vergelding van God. Hij zal komen en u verlossen.[^jesaja-35-4-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v4)

**5** [^jesaja-35-5-13] Dan zullen[^jesaja-35-5-b] de ogen van de blinden opengedaan worden, en[^jesaja-35-5-c] de oren van de doven zullen geopend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v5)

**6** Dan zal[^jesaja-35-6-d] de kreupele springen als een hert, en[^jesaja-35-6-e] de tong van de stommen zal juichen; want in de woestijn zullen[^jesaja-35-6-14][^jesaja-35-6-f] wateren[^jesaja-35-6-15] uitbarsten, en beken in de wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v6)

**7** En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken,[^jesaja-35-7-16] waar zij gelegen hebben,[^jesaja-35-7-17] zal gras met riet en biezen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v7)

**8** En[^jesaja-35-8-18] daar zal een verheven baan, en een weg zijn, die de heilige weg zal genoemd worden;[^jesaja-35-8-19] de onreine zal er niet doorgaan, maar[^jesaja-35-8-20] hij zal[^jesaja-35-8-21] voor deze zijn; die deze[^jesaja-35-8-22] weg wandelt, zelfs[^jesaja-35-8-23] de dwazen[^jesaja-35-8-24] zullen niet dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v8)

**9** [^jesaja-35-9-25] Er zal geen leeuw zijn, en[^jesaja-35-9-26] geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v9)

**10** En[^jesaja-35-10-27] de vrijgekochten van YHWH[^jesaja-35-10-28] zullen terugkeren, en[^jesaja-35-10-29] tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen;[^jesaja-35-10-g] vrolijkheid en blijdschap zullen zij[^jesaja-35-10-30] verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/35.html#v10)

[^jesaja-35-1-1]: Kanttekening 1: Alle creaturen zullen zich daarover verblijden, dat de Heer zijn rechtvaardige oordelen zal geoefend hebben over de vijanden van zijn volk. Verder, versta hier door de woestijn de gelovigen, of de gemeente van God, die tevoren was \[als een woestijn\] dor, droog en onvruchtbaar, maar door Gods genade verheerlijkt, verheven en vruchtbaar worden zou; vergelijk boven Jes. 32:15 , 32:16 , en hiet het volgende. Jesaja 32:15 : Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. Jesaja 32:16 : En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven.
[^jesaja-35-1-2]: Kanttekening 2: de dorre plaatsen: Hebreeuws, de dorrigheid, of de dorre; dat is, de dorre eenzame plaatsen of landen.
[^jesaja-35-1-3]: Kanttekening 3: Of, over deze \[dingen\]; te weten dat de vijanden van het volk van God zo gestraft en verdelgd zullen worden, gelijk in Jes. 34 gezegd is.
[^jesaja-35-2-4]: Kanttekening 4: Zij zal lustig bloeien: Hebreeuws, het zal bloeiende bloeien, of zij; te weten de woestijn; verstaande door de woestijn de gelovigen, gelijk op vers 1 is aangetekend. Jesaja 35:1 : De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.
[^jesaja-35-2-5]: Kanttekening 5: de heerlijkheid: Dat is, de kerk van God is schoon, heerlijk en vruchtbaar gemaakt, gelijk de Libanon, Karmel en Saron plachten te zijn, van welke bergen zie Jes. 33:9 . Jesaja 33:9 : Het land treurt, het kweelt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud.
[^jesaja-35-2-6]: Kanttekening 6: zij zullen zien: Te weten de gelovigen zullen zien, dat is genieten, enz. Anders, die \[plaatsen\], te weten de woestijn, vers 1 . Jesaja 35:1 : De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.
[^jesaja-35-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, troost en versterkt elkaar, o u gelovigen, met de overdenking van deze genade van God, die Hij zijn kerk bewezen heeft. Of, het is ene aanspraak aan de leraars. Zie Hebr. 12:12 . Hebreeën 12:12 : Daarom richt weer op de trage handen, en de slappe knieën;
[^jesaja-35-3-a]: Verwijzing a: Hebr. 12:12 . Hebreeën 12:12 : Daarom richt weer op de trage handen, en de slappe knieën;
[^jesaja-35-3-8]: Kanttekening 8: de struikelende knieën: Zwakke, waggelende, loterende knieën.
[^jesaja-35-4-9]: Kanttekening 9: de onbedachtzamen: Zie Jes. 32:4 . Jesaja 32:4 : En het hart van de onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong van de stamelenden zal vlot zijn, om bescheidenlijk te spreken.
[^jesaja-35-4-10]: Kanttekening 10: Te weten Jezus Christus, in het vlees geopenbaard.
[^jesaja-35-4-11]: Kanttekening 11: ter wrake: Om de vijanden van zijn kerk te straffen. Anderen nemen het aldus: Ziet ulieder God, de wraak zal komen, de vergelding Gods, Hij zelf zal komen, enz.
[^jesaja-35-4-12]: Kanttekening 12: Of, behouden, zaligmaken.
[^jesaja-35-5-13]: Kanttekening 13: Te weten als Christus zal gekomen zijn, Jes. 29:18 , en Jes. 42:7 . Christus heeft niet alleen de weldaden, die hier in dit en enige van de volgende verzen verhaald worden, aan veler gebrekkelijke mensen lichamen gedaan, maar ook geestelijkerwijze, doordien Hij ons met zijn Heilige Geest verlicht en wederbaart, doende zo blijken zijn goddelijke almachtigheid. Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
[^jesaja-35-5-b]: Verwijzing b: Matt. 9:27 ; Matt. 11:5 ; Matt. 12:22 ; Matt. 20:30 ; Matt. 21:14 ; Joh. 9:6 . Mattheüs 9:27 : En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: U Zoon van David, ontferm U over ons! Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. Mattheüs 12:22 : Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag. Mattheüs 20:30 : En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heer, U Zoon van David! ontferm U over ons. Mattheüs 21:14 : En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel, en Hij genas dezelfde. Johannes 9:6 : Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen van de blinden;
[^jesaja-35-5-c]: Verwijzing c: Matt. 11:5 ; Mark. 7:32 . Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. Marcus 7:32 : En zij brachten tot Hem een dove, die moeizaam sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.
[^jesaja-35-6-d]: Verwijzing d: Matt. 11:5 ; Matt. 15:30 ; Matt. 21:14 ; Joh. 5:8 ; idem v. 9 ; Hand. 3:2 ; Hand. 8:7 ; Hand. 14:8 . Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. Mattheüs 15:30 : En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelfde. Mattheüs 21:14 : En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel, en Hij genas dezelfde. Johannes 5:8 : Jezus zei tot hem: Sta op, neem uw bed op, en wandel. Johannes 5:9 : En meteen werd de mens gezond, en nam zijn bed op en wandelde. En het was sabbat op dezelfde dag. Handelingen 3:2 : En een zeker man, die kreupel was van zijn moeders lijf, werd gedragen, welke zij dagelijks zetten aan de deur van de tempel, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in de tempel gingen; Handelingen 8:7 : Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelfde uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. Handelingen 14:8 : En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld.
[^jesaja-35-6-e]: Verwijzing e: Matt. 9:32 ; Matt. 12:22 ; Matt. 15:30 . Mattheüs 9:32 : Als deze nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van de duivel bezeten was. Mattheüs 12:22 : Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag. Mattheüs 15:30 : En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelfde.
[^jesaja-35-6-14]: Kanttekening 14: Door deze wateren moet men verstaan de verkondiging van het Evangelie en de gaven van de Heilige Geest, die ten tijde van Christus overvloedig over allerlei mensen, ook over de heidenen \[die tevoren als een woestijn en dorre heide geweest waren\] zullen uitgestort worden; zie Joh. 7:38 , 7:39 . Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^jesaja-35-6-f]: Verwijzing f: Joh. 7:38 ; idem v. 39 . Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^jesaja-35-6-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, gespleten worden. De zin is: De steenrotsen en de aarde zullen opensplijten, opdat er wateren uit stromen.
[^jesaja-35-7-16]: Kanttekening 16: waar zij gelegen hebben: Hebreeuws, hunlieder nederligging.
[^jesaja-35-7-17]: Kanttekening 17: zal gras met riet en biezen zijn: De zin is: De gemeente van de gelovigen zal met de Heilige Geest bevochtigd worden, dat dezelve zal doen groeien en bloeien, gelijk riet en biezen in vochtige plaatsen groeien. Anders: zal de voorhof van het riet en van de bies zijn. De zin is: Het land, dat geen ander nut noch oorbaar had, dan dat het de draken diende om daar te liggen en hun woonplaats te hebben, zal in een lieflijk veld veranderd worden en het zal zijn als een zaal vol riet en vol biezen.
[^jesaja-35-8-18]: Kanttekening 18: een verheven baan: De zin is, de Christelijke kerk zal geen wilde onvruchtbare woestijn zijn, maar in dezelve zal de rechte weg van de zaligheid gewezen worden, door het geloof aan Jezus Christus, die ons reinigt van al onze zonden, en Hij geeft ons de Heilige Geest, die ons vernieuwt en herbaart tot een nieuw godzalig leven.
[^jesaja-35-8-19]: Kanttekening 19: de onreine: Te weten die nog in zijn zonden ligt; zie Openb. 22:15 . Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^jesaja-35-8-20]: Kanttekening 20: Te weten die weg.
[^jesaja-35-8-21]: Kanttekening 21: voor deze zijn: Te weten voor degenen, die heilig zijn, gelijk de weg heilig is, dat is, voor de ware ledematen van de Christelijke kerk, die door de Heer vrijgekocht zijn, vers 10 . Jesaja 35:10 : En de vrijgekochten van YHWH zullen terugkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.
[^jesaja-35-8-22]: Kanttekening 22: Reist, gaat, of gaan zal, te weten op deze heilige weg.
[^jesaja-35-8-23]: Kanttekening 23: de dwazen: Dat is, degenen die in de goddelijke zaken niets verstaan, of de eenvoudige Christenen.
[^jesaja-35-8-24]: Kanttekening 24: zullen niet dwalen: Omdat zij een vaste en effen baan zullen hebben, op welke hen de Heer zal voeren en leiden.
[^jesaja-35-9-25]: Kanttekening 25: Er zal geen leeuw zijn: Dat is, geen duivel zal de gelovigen van de weg van de zaligheid trekken en afleiden, hoewel hij altijd rondom gaat als een briesende leeuw, zoekende ons te verslinden. Zie Joh. 10:28 , en 1 Petr. 5:8 . Johannes 10:28 : En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^jesaja-35-9-26]: Kanttekening 26: geen verscheurend gedierte: Eigenlijk, geen inbreker, of doorbreker van de gedierten.
[^jesaja-35-10-27]: Kanttekening 27: de vrijgekochten: Versta hier vooreerst degenen, die uit de Babylonische gevangenschap zouden verlost worden; maar in het bijzonder hen, die door de Heer zijn vrijgekocht, dat is verlost, namelijk aan de ziel en aan het lichaam, door het bloed van Jezus Christus.
[^jesaja-35-10-28]: Kanttekening 28: zullen terugkeren: Dat is, zij zullen zich tot de Heer bekeren.
[^jesaja-35-10-29]: Kanttekening 29: tot Sion: Te weten in de verzameling van de gelovigen, eerstelijk hier op de aarde, daarna in de hemel; Jes. 51:11 ; Openb. 22:14 . Jesaja 51:11 : Zo zullen de vrijgekochten van YHWH terugkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden. Openbaring 22:14 : Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de boom van het leven, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.
[^jesaja-35-10-g]: Verwijzing g: Openb. 21:4 . Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
[^jesaja-35-10-30]: Kanttekening 30: Of, omvangen, vatten.

### Jesaja 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/36.json)

*Sanherib valt Juda binnen, vers 1, en zendt Rabsake, die de koning Hizkia en het volk door godslasterlijke woorden tot wantrouwen jegens God en afval naar Sanherib probeert te bewegen, 2 enzovoort. Vergelijk 2 Koningen 18 vanaf het 13e vers, en 2 Kronieken 32:1 enzovoort.*

**1** [^jesaja-36-1-1] En het gebeurde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle versterkte steden van Juda, en[^jesaja-36-1-2] nam ze in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v1)

**2** En de koning van Assyrië zond Rabsake van[^jesaja-36-2-3] Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een zwaar leger; en hij stond[^jesaja-36-2-4] aan de watergang van de bovenste vijver,[^jesaja-36-2-5] aan de hoge weg van het veld van de bleker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v2)

**3** Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna,[^jesaja-36-3-6] de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v3)

**4** En Rabsake zei tot hen: Zeg nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v4)

**5** Ik mocht zeggen (maar het is een woord van de lippen): Er is raad en macht tot de oorlog; op wie vertrouwt u nu, dat u tegen mij rebelleert? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v5)

**6** Zie,[^jesaja-36-6-7] u vertrouwt op die[^jesaja-36-6-a] gebrokenen rietstaf, op Egypte; waarop zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen, die op hem vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v6)

**7** Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op YHWH, onze God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en[^jesaja-36-7-8] Die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u zich neerbuigen?[^jesaja-36-7-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v7)

**8** Nu dan,[^jesaja-36-8-10] wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v8)

**9** Hoe zou u dan het aangezicht van een enige vorst, van de geringste knechten van mijn heer, afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v9)

**10** En nu ben ik[^jesaja-36-10-11] zonder YHWH opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. YHWH[^jesaja-36-10-12] heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v10)

**11** Toen zei Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake:[^jesaja-36-11-13] Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want[^jesaja-36-11-14] wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v11)

**12** Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten,[^jesaja-36-12-15] dat zij met u hun mest eten, en hun water drinken zullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v12)

**13** Zo stond Rabsake, en riep[^jesaja-36-13-16] met luide stem in het Joods, en zei: Hoor de woorden van de grote koning, van de koning van Assyrië! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v13)

**14** Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v14)

**15** Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op YHWH, zeggende: YHWH zal ons zeker redden; deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.[^jesaja-36-15-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v15)

**16** Hoor naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handel met mij[^jesaja-36-16-18] door een geschenk,[^jesaja-36-16-19] en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drink een ieder het water van zijn bornput; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v16)

**17** Totdat ik kom en[^jesaja-36-17-20] u haal in een land,[^jesaja-36-17-21] als uw land is, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en van wijngaarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v17)

**18** Dat Hizkia u niet verleide, zeggende: YHWH zal ons redden; hebben de goden van de volken, een ieder zijn land, gered uit de hand van de koning van Assyrië? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v18)

**19** Waar zijn de goden van[^jesaja-36-19-22] Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook[^jesaja-36-19-23] Samaria van mijn hand gered? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v19)

**20** Welke zijn ze onder al de goden van deze landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat YHWH Jeruzalem uit mijn hand zou redden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v20)

**21** Maar zij zwegen stil, en antwoordden hem niet één woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden.[^jesaja-36-21-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v21)

**22** Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia[^jesaja-36-22-25] met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/36.html#v22)

[^jesaja-36-1-1]: Kanttekening 1: En het geschiedde: Dit hoofdstuk alsook Jes. 37 , Jes. 38 , Jes. 39 zijn van de profeet hier ingevoegd, niet alleen om de voorgaande hoofdstukken licht te geven, maar ook om aanleiding daaruit te scheppen om te spreken van het rijk van Christus, waarvan in de voorgaande hoofdstukken met verbloemde woorden gesproken is; en dit alles bij gelegenheid van de heerlijkheid van de koning Hizkia, die in vele dagen een voorbeeld van het koninkrijk van Christus is geweest.
[^jesaja-36-1-2]: Kanttekening 2: nam ze in: Te weten enige derzelve.
[^jesaja-36-2-3]: Kanttekening 3: Ene stad in de stam van Juda gelegen, welke de koning van Assyrië te die tijde belegerd had. Vergelijk 2 Kron. 32:9 , en Jes. 37:8 . 2 Kronieken 32:9 : Na deze zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn knechten naar Jeruzalem, (maar hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkia, de koning van Juda, en tot het gehele Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende: Jesaja 37:8 : Zo kwam Rabsake weer, en hij vond de koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
[^jesaja-36-2-4]: Kanttekening 4: aan de watergang: Zie 2 Kon. 18:17 , en Jes. 7:3 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller. Jesaja 7:3 : En YHWH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller;
[^jesaja-36-2-5]: Kanttekening 5: aan de hoge weg: Of, aan de straat van het veld van de voller. Zie 2 Kon. 18:17 . 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.
[^jesaja-36-3-6]: Kanttekening 6: de schrijver: Zie de aantekening 1 Kon. 4:3 . 1 Koningen 4:3 : Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^jesaja-36-6-7]: Kanttekening 7: u vertrouwt: Rabsake doet de koning Hizkia groot ongelijk, als hij aldus van hem oordeelt en spreekt; want hij betrouwde op de Heer.
[^jesaja-36-6-a]: Verwijzing a: Ez. 29:6 ; idem v. 7 . Ezechiël 29:6 : En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik YHWH ben, omdat zij de huize Israëls een rietstaf geweest zijn. Ezechiël 29:7 : Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt u gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt u verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.
[^jesaja-36-7-8]: Kanttekening 8: tot Juda: Dat is, tot de inwoners van Juda en Jeruzalem.
[^jesaja-36-7-9]: Kanttekening 9: Te weten om te aanbidden.
[^jesaja-36-8-10]: Kanttekening 10: wed toch: Of, stel borg. Anders: verpand u mijn heer, of zet uzelven mijn heer te pand, gelijk Neh. 5:3 , te weten dat u u onder zijn heerschappij zult begeven, als u niet vermoogt zoveel ruiters op te brengen als ik u paarden leveren zal. Nehemia 5:3 : Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in deze honger koren mogen opnemen.
[^jesaja-36-10-11]: Kanttekening 11: zonder YHWH: Dat is, zonder het bevel van de Heer.
[^jesaja-36-10-12]: Kanttekening 12: heeft tot mij gezegd: Zie 2 Kon. 18:25 . 2 Koningen 18:25 : Nu, ben ik zonder YHWH opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? YHWH heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.
[^jesaja-36-11-13]: Kanttekening 13: Spreek toch: Dit begeren zij, vrezende dat Rabsake door zijn redenen enige onder het volk tot oproer had mogen verwekken.
[^jesaja-36-11-14]: Kanttekening 14: wij verstaan het wel : Hebreeuws, wij horen het; gelijk boven Jes. 33:19 . Jesaja 33:19 : U zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, dat men niet verstaan kan.
[^jesaja-36-12-15]: Kanttekening 15: dat zij met u: Dat is, om hun aan te zeggen dat zij tot die uiterste nood zullen gebracht worden, als Sanherib de stad Jeruzalem belegeren zal, dat zij genoodzaakt zullen wezen hun eigen drek te eten, enz.; zie de aantekening 2 Kon. 18:27 . 2 Koningen 18:27 : Maar Rabsake zei tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met u hun drek eten, en hun water drinken zullen?
[^jesaja-36-13-16]: Kanttekening 16: met luide stem: Hebreeuws, met groter stem (קוֹל).
[^jesaja-36-15-17]: Kanttekening 17: YHWH zal ons zekerlijk redden: Hebreeuws, reddende zal de Heer ons redden.
[^jesaja-36-16-18]: Kanttekening 18: door een geschenk: Hebreeuws, door ene zegening; dat is, geschenk; zie 2 Kon. 18:31 . 2 Koningen 18:31 : Hoort naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water van zijn bornput;
[^jesaja-36-16-19]: Kanttekening 19: en komt tot mij uit: De zin is: Op deze voorwaarde zal ik u toelaten, dat u uitkomt.
[^jesaja-36-17-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, neme; zie Gen. 12:15 ; Jer. 37:17 , met de aantekening. Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Jeremia 37:17 : Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^jesaja-36-17-21]: Kanttekening 21: als ulieder land is: Dat is, dat zo vruchtbaar is, enz.
[^jesaja-36-19-22]: Kanttekening 22: Zie van deze stad Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^jesaja-36-19-23]: Kanttekening 23: Zie van deze stad 1 Kon. 16:24 . 1 Koningen 16:24 : En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
[^jesaja-36-21-24]: Kanttekening 24: zij zwegen stil: Te weten de mannen, die Hizkia gezonden had en het volk; zie 2 Kon. 18:36 . 2 Koningen 18:36 : Maar het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden.
[^jesaja-36-22-25]: Kanttekening 25: met gescheurde kleren: Die zij zelf gescheurd hadden, tot een teken van verslagenheid en verbaasdheid, ook tot een teken van droefenis, vanwege de godslasterlijke woorden, die Rabsake gesproken had. Wat betreft deze manier van kleren te scheuren, zie Gen. 37:29 . Genesis 37:29 : Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren.

### Jesaja 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/37.json)

*Hizkia treurt en laat de profeet Jesaja verzoeken God te willen bidden, vers 1 enzovoort. Jesaja troost en sterkt de koning Hizkia met Gods Woord, 6. Toen Sanherib hoorde dat de koning van de Moren kwam om tegen hem te strijden, zond hij opnieuw boden naar Hizkia met godslasterlijke brieven, 9 enzovoort. Daarop doet Hizkia in het huis van de Heere een zeer vurig gebed, 14, en ontvangt door Jesaja een zeer troostvol antwoord van God, 21. Gods engel verslaat de Assyriers, 36. Sanherib wordt te Nineve door zijn eigen zonen omgebracht, 37, 38. Vergelijk 2 Koningen hoofdstuk 19.*

**1** En het gebeurde, als de koning Hizkia[^jesaja-37-1-1] dat hoorde, zo[^jesaja-37-1-2] scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en[^jesaja-37-1-3] ging in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v1)

**2** Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v2)

**3** En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia:[^jesaja-37-3-4] Deze dag is[^jesaja-37-3-5] een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en[^jesaja-37-3-6] van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot[^jesaja-37-3-7] aan de geboorte, en[^jesaja-37-3-8] er is geen kracht om te baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v3)

**4** Misschien zal YHWH, uw God,[^jesaja-37-4-9] horen de woorden van Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden met woorden, die YHWH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op[^jesaja-37-4-10] voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v4)

**5** En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v5)

**6** En Jesaja zei tot hen: Zo zult u tot uw heer zeggen: Zo zegt YHWH: Vrees niet[^jesaja-37-6-11] voor de woorden, die u gehoord hebt, waarmee Mij[^jesaja-37-6-12] de dienaren van de koning van Assyrië gelasterd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v6)

**7** Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem[^jesaja-37-7-13] door het zwaard in zijn land vellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v7)

**8** Zo kwam Rabsake weer, en hij vond de koning van Assyrië strijdende tegen[^jesaja-37-8-14] Libna; want hij had gehoord, dat hij van[^jesaja-37-8-15] Lachis vertrokken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v8)

**9** Als[^jesaja-37-9-16] hij nu[^jesaja-37-9-17] hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij dat hoorde, zo zond hij weer boden tot Hizkia,[^jesaja-37-9-18] zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v9)

**10** Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welke u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v10)

**11** Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die[^jesaja-37-11-19] verbannende; en zou u gered worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v11)

**12** Hebben de goden van de volken die[^jesaja-37-12-20] mijn vaders verdorven hebben, die gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v12)

**13** Waar is de koning van[^jesaja-37-13-21] Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en[^jesaja-37-13-22] Ivva? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v13)

**14** Als nu Hizkia[^jesaja-37-14-23] de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v14)

**15** En Hizkia bad tot YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v15)

**16** O YHWH van de legermachten, U, God van Israël, Die[^jesaja-37-16-24] tussen de cherubim woont! U Zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde; U hebt de hemel en de aarde gemaakt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v16)

**17** O YHWH! neig Uw oor en hoor, YHWH! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van[^jesaja-37-17-25] Sanherib, die gezonden heeft om de levende God te honen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v17)

**18** Werkelijk, YHWH! hebben de koningen van Assyrië[^jesaja-37-18-26] al de landen, en ook hun landerijen verwoest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v18)

**19** En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v19)

**20** Nu dan, YHWH, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U alleen YHWH bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v20)

**21** Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië,[^jesaja-37-21-27] heb Ik gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v21)

**22** Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw,[^jesaja-37-22-28] de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van[^jesaja-37-22-29] Jeruzalem schudt het hoofd achter u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v22)

**23** Wie hebt u gehoond, en gelasterd, en tegen Wie hebt u de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v23)

**24** Door middel[^jesaja-37-24-30] van uw dienaren hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogte van de bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud van zijn schone veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v24)

**25** Ik heb[^jesaja-37-25-31] gegraven en[^jesaja-37-25-32] de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v25)

**26** Hebt u niet gehoord, dat Ik[^jesaja-37-26-33] dat lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af[^jesaja-37-26-34] gevormd heb? Nu heb Ik dat doen komen,[^jesaja-37-26-35] dat u zou zijn, om de versterkte steden te verstoren tot woeste hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v26)

**27** Daarom waren haar inwoners[^jesaja-37-27-36] handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld en de groene grasscheutjes, als het hooi[^jesaja-37-27-37] van de daken, en[^jesaja-37-27-38] het brandkoren, voordat het overeind staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v27)

**28** Maar[^jesaja-37-28-39] Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v28)

**29** Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik[^jesaja-37-29-40] Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, waardoor u gekomen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v29)

**30** En dat zij u[^jesaja-37-30-41] een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf[^jesaja-37-30-42] gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar,[^jesaja-37-30-43] wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v30)

**31** Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw naar beneden wortelen, en het zal omhoog vrucht dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v31)

**32** Want van Jeruzalem zal[^jesaja-37-32-44] het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion;[^jesaja-37-32-a] de ijver van YHWH van de legermachten zal dit doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v32)

**33** Daarom, zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij[^jesaja-37-33-45] met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v33)

**34** Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v34)

**35** Want[^jesaja-37-35-b] Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en[^jesaja-37-35-46] omwille van David, Mijn knecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v35)

**36** [^jesaja-37-36-c] Toen voer de engel van YHWH[^jesaja-37-36-47] uit, en sloeg in[^jesaja-37-36-48] het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren[^jesaja-37-36-49] dode lichamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v36)

**37** Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te[^jesaja-37-37-50] Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v37)

**38** Het gebeurde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich neerboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen,[^jesaja-37-38-51] hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen[^jesaja-37-38-52] in het land van Ararat; en[^jesaja-37-38-53] Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/37.html#v38)

[^jesaja-37-1-1]: Kanttekening 1: dat hoorde: Te weten die woorden, die Rabsake gesproken had.
[^jesaja-37-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Jes. 36:22 , en 2 Kon. 19:1 . Jesaja 36:22 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. 2 Koningen 19:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH.
[^jesaja-37-1-3]: Kanttekening 3: ging in het huis: Te weten om daar zijn gebed voor de Heer op te offeren.
[^jesaja-37-3-4]: Kanttekening 4: Deze dag: Dat is, dit is de tijd in welke ik en mijn volk zijn in grote benauwdheid, vrezende de belegering en verwoesting van deze stad.
[^jesaja-37-3-5]: Kanttekening 5: een dag van de benauwdheid: Te weten in welke de Assyriërs ons zeer benauwen en lelijk schelden.
[^jesaja-37-3-6]: Kanttekening 6: van de lastering: In welke de Assyriërs de Heer lelijk lasteren en schelden.
[^jesaja-37-3-7]: Kanttekening 7: aan de geboorte: Hebreeuws, tot aan de breuk. Gelijke manier van spreken zie Hos. 13:13 . Hosea 13:13 : Smarten van een barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.
[^jesaja-37-3-8]: Kanttekening 8: er is geen kracht om te baren: Dat is, wij zijn in het uiterste gevaar, waaruit wij onszelven niet kunnen redden.
[^jesaja-37-4-9]: Kanttekening 9: horen de woorden: Dat is, inacht nemen, en daarom staat het te hopen dat Hij de Assyriërs, vanwege hun godslasterlijke woorden, zal plagen en straffen.
[^jesaja-37-4-10]: Kanttekening 10: voor het overblijfsel: Te weten van het volk van God. De tien stammen waren al naar Assyrië gevoerd, ook waren er al enige vaste steden in Juda door de Assyriërs ingenomen, daar waren er nog weinig overgebleven.
[^jesaja-37-6-11]: Kanttekening 11: voor de woorden: Hebreeuws, voor het aangezicht van de woorden.
[^jesaja-37-6-12]: Kanttekening 12: de dienaren: Hebreeuws, jongens; dat is, de knechten, de dienaren. Zo wordt Jozua genoemd een jongen van Mozes, ofschoon hij al ver tot zijn jaren gekomen was. Zie Gen. 22:5 , en Ex. 33:11 . Genesis 22:5 : En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren. Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent.
[^jesaja-37-7-13]: Kanttekening 13: door het zwaard: Te weten door het zwaard van zijn zonen. Zie onder vers 38 . Jesaja 37:38 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jesaja-37-8-14]: Kanttekening 14: Zie van deze stad de aantekening 2 Kon. 8:22 . 2 Koningen 8:22 : De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
[^jesaja-37-8-15]: Kanttekening 15: Waar Rabsake de koning gelaten had, en vanwaar deze hem naar Jeruzalem gezonden had. Zie boven Jes. 36:2 . En zie van Lachis breder 2 Kon. 14:19 . Jesaja 36:2 : En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een zware legermacht; en hij stond aan de watergang van de opperste vijver, aan de hoge weg van het veld van de voller. 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^jesaja-37-9-16]: Kanttekening 16: hij nu: Te weten de koning van Assyrië.
[^jesaja-37-9-17]: Kanttekening 17: hoorde van Tirhaka: Zie boven vers 7 . Jesaja 37:7 : Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^jesaja-37-9-18]: Kanttekening 18: En hun ook brieven medegevende, van denzelfden inhoud; zie vers 14 . Jesaja 37:14 : Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van YHWH; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van YHWH.
[^jesaja-37-11-19]: Kanttekening 19: Dat is, ten uiterste toe verdervende; zie Deut. 2:34 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jesaja-37-12-20]: Kanttekening 20: mijn vaders: Dat is, mijn voorouders of voorzaten.
[^jesaja-37-13-21]: Kanttekening 21: Zie Num. 13:21 . Numeri 13:21 : Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.
[^jesaja-37-13-22]: Kanttekening 22: Zie de aantekening 2 Kon. 17:24 . 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
[^jesaja-37-14-23]: Kanttekening 23: de brieven: Welke de boden van de koning van Assyrië hem brachten, in welke geschreven stond hetzelfde dat zijn afgezondenen hem al geboodschapt hadden.
[^jesaja-37-16-24]: Kanttekening 24: Zie Ex. 25:22 ; Num. 7:89 ; 2 Sam. 6:2 ; 2 Kon. 19:15 ; Ps. 80:2 , en de aantekening daar. Exodus 25:22 : En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël. Numeri 7:89 : En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem. 2 Samuël 6:2 : En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. 2 Koningen 19:15 : En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Psalmen 80:2 : O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend.
[^jesaja-37-17-25]: Kanttekening 25: die gezonden: Zo door Rabsake als door zijn brieven.
[^jesaja-37-18-26]: Kanttekening 26: al de landen: 2 Kon. 19:17 staat: de heidenen en hun land verwoest. 2 Koningen 19:17 : Waarlijk, YHWH, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest;
[^jesaja-37-21-27]: Kanttekening 27: heb Ik gehoord. : Dit is hier ingevoegd uit 2 Kon. 19:20 . 2 Koningen 19:20 : Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt YHWH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
[^jesaja-37-22-28]: Kanttekening 28: de dochter van Sion: Dat is, de inwoners van de stad Jeruzalem, die de vreemden nog niet geschonden hadden. Zie 2 Kon. 19:21 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jesaja-37-22-29]: Kanttekening 29: Tot een teken van verachting; zie Ps. 22:8 . Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
[^jesaja-37-24-30]: Kanttekening 30: uw dienaren: 2 Kon. 19:23 staat: van uw boden. 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld.
[^jesaja-37-25-31]: Kanttekening 31: Te weten waterputten.
[^jesaja-37-25-32]: Kanttekening 32: de wateren gedronken: Daar staat 2 Kon. 19:24 : vreemde wateren. Zie de aantekening daar. 2 Koningen 19:24 : Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd.
[^jesaja-37-26-33]: Kanttekening 33: zulks lang: Te weten de onderdrukking van de volken, die u nu uzelven toeschrijft.
[^jesaja-37-26-34]: Kanttekening 34: Dat is, besloten heb te doen; vergelijk 2 Tim. 1:9 , 1:10 . 2 Timotheüs 1:9 : Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; 2 Timotheüs 1:10 : Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;
[^jesaja-37-26-35]: Kanttekening 35: dat u zoudt zijn: Dat is, dat Ik u gebruiken zou om, enz.
[^jesaja-37-27-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, korthandig; dat is, zij hebben geen macht gehad om u tegenstand te doen, zijnde alsof hun de handen waren afgehouwen geweest.
[^jesaja-37-27-37]: Kanttekening 37: van de daken: Dat is, dat op de daken wast.
[^jesaja-37-27-38]: Kanttekening 38: het brandkoren: Dat dor en verbrand is, voordat het in de aren schiet. Hebreeuws, brand.
[^jesaja-37-28-39]: Kanttekening 39: Ik weet: Dat is, o Sanherib, Ik weet al uwe aanslagen.
[^jesaja-37-29-40]: Kanttekening 40: Mijn haak in uw neus leggen: Een verbloemde rede, genomen van de vissers; te kennen gevende dat God de allerkwaadste en ongebondenste vijanden van zijn kerk in de toom houden, besturen en bedwingen kan, dat zij hun boos voornemen niet kunnen uitvoeren.
[^jesaja-37-30-41]: Kanttekening 41: een teken: Te weten, van wat ik straks gezegd heb.
[^jesaja-37-30-42]: Kanttekening 42: gewassen is: Omdat zij hun land niet hadden kunnen bouwen, vanwege de inlegeringen en doortochten van de Assyriërs in het Joodse land.
[^jesaja-37-30-43]: Kanttekening 43: wat daarvan: Dat is, de vruchten, die in dit jaar weer vanzelf groeien zullen. Hieruit nemen sommigen af dat dit een sabbat-of rustjaar geweest is, waarin de Israëlieten het land niet bouwde. Zie Lev. 25:5 , 25:20 . Leviticus 25:5 : Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn. Leviticus 25:20 : En als u zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;
[^jesaja-37-32-44]: Kanttekening 44: het overblijfsel: Het overblijfsel van de Joden zal uitgaan naar zijn land en andere plaatsen, dat zij tevoren niet gedaan hadden uit vrees van de Assyriërs.
[^jesaja-37-32-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 19:31 ; Jes. 9:6 . 2 Koningen 19:31 : Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van YHWH van de legermachten zal dit doen. Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal zulks doen.
[^jesaja-37-33-45]: Kanttekening 45: ook zal hij: Hieruit is af te nemen dat Sanherib voor Jeruzalem niet gekomen is om die stad te belegeren.
[^jesaja-37-35-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 20:6 . 2 Koningen 20:6 : En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om Mijnentwil, en om Mijn knechts Davids wil.
[^jesaja-37-35-46]: Kanttekening 46: om Davids: Dat is, vanwege de belofte, die Ik David gedaan heb. Zie 1 Kon. 11:12 , 11:13 . 1 Koningen 11:12 : In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren. 1 Koningen 11:13 : Maar Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en vanwege Jeruzalem, dat Ik gekozen heb.
[^jesaja-37-36-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 19:35 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-37-36-47]: Kanttekening 47: Te weten uit de hemel.
[^jesaja-37-36-48]: Kanttekening 48: in het leger: Zie 2 Kon. 19:35 , met de aantekening. 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^jesaja-37-36-49]: Kanttekening 49: dode lichamen: Hebreeuws, dode dode lichamen. Want het Hebreeuwse peger betekent alleen een dood lichaam en daar wordt nog dood bijgevoegd. Het is alsof men zei: een dood aas.
[^jesaja-37-37-50]: Kanttekening 50: Dit was in die tijden de hofstad of residentieplaats van de koningen van Assyrië.
[^jesaja-37-38-51]: Kanttekening 51: hem met het zwaard versloegen: Te weten eer er vijf en vijftig dagen vervlogen waren, nadat zijn leger van de engel geslagen was, gelijk enige afnemen uit Tob. 1:24 . Tobias (Tobit) 1:24 : En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broer, over al de rekeningen van zijn vader, en over al het bewind.
[^jesaja-37-38-52]: Kanttekening 52: in het land van Ararat: Dat is, in groot Armenië. Zie Gen. 8:4 . Genesis 8:4 : En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, op de bergen van Ararat.
[^jesaja-37-38-53]: Kanttekening 53: Anders genoemd Asnappar; Ezra 4:10 ; anders ook Sardanapalus, zo sommigen menen, maar is onzeker. Ezra 4:10 : En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van de rivier, enzovoorts.

### Jesaja 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/38.json)

*Hizkia, zeer ziek geworden, wordt door de profeet Jesaja de dood aangezegd, vers 1, maar op zijn smekend gebed verkrijgt hij verlenging van vijftien jaar, wat God door een bijzonder wonderteken bevestigt, 4 enzovoort. Hizkia's gebed en loflied tot God, 9 enzovoort. Vergelijk 2 Koningen hoofdstuk 20 en 2 Kronieken 32:24.*

**1** [^jesaja-38-1-1] In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v1)

**2** Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar de wand, en[^jesaja-38-2-2] hij bad tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v2)

**3** En hij zei: Och YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en[^jesaja-38-3-3] wat goed in Uw ogen is,[^jesaja-38-3-4] gedaan heb. En Hizkia[^jesaja-38-3-5] huilde geheel zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v3)

**4** Toen kwam het woord van YHWH tot Jesaja, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v4)

**5** Ga heen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren[^jesaja-38-5-6] tot uw dagen toedoen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v5)

**6** En[^jesaja-38-6-7] Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v6)

**7** En dit zal u een teken zijn van YHWH, dat YHWH[^jesaja-38-7-8] het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v7)

**8** [^jesaja-38-8-9] Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer naar beneden gegaan is, tien graden achteruit doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij naar beneden gegaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v8)

**9** Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte[^jesaja-38-9-10] genezen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v9)

**10** [^jesaja-38-10-11] Ik zei: Vanwege de afsnijding van mijn dagen,[^jesaja-38-10-13] zal ik tot de poorten van het graf heengaan,[^jesaja-38-10-14] ik word beroofd van het overige van mijn jaren.[^jesaja-38-10-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v10)

**11** Ik zei: Ik zal[^jesaja-38-11-15] YHWH niet meer zien, YHWH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen[^jesaja-38-11-17] met de inwoners van de wereld.[^jesaja-38-11-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v11)

**12** [^jesaja-38-12-18] Mijn levenstijd is[^jesaja-38-12-19] weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk de hut van een herder[^jesaja-38-12-20]; ik heb mijn leven[^jesaja-38-12-21] afgesneden, gelijk een wever[^jesaja-38-12-22] zijn[^jesaja-38-12-23] web; Hij zal mij afsnijden, als van[^jesaja-38-12-24] de drom;[^jesaja-38-12-25] van de dag tot de nacht zult[^jesaja-38-12-26] U mij[^jesaja-38-12-27] ten einde gebracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v12)

**13** Ik stelde[^jesaja-38-13-28] mij voor[^jesaja-38-13-29] tot de morgenstond toe; zoals een leeuw, zo zal[^jesaja-38-13-30] Hij al mijn[^jesaja-38-13-31] beenderen breken;[^jesaja-38-13-32] van de dag tot de nacht zult U[^jesaja-38-13-33] mij ten einde gebracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v13)

**14** Zoals een kraanvogel of zwaluw, zo piepte ik;[^jesaja-38-14-a] ik[^jesaja-38-14-34] kirde als een duif; mijn ogen[^jesaja-38-14-35] verhieven zich omhoog; o YHWH![^jesaja-38-14-36] ik word onderdrukt,[^jesaja-38-14-37] wees U mijn Borg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v14)

**15** [^jesaja-38-15-38] Wat zal ik spreken? Zoals Hij het mij heeft toegezegd, zo heeft Hij het gedaan; ik zal[^jesaja-38-15-39] nu al zoetjes voorttreden[^jesaja-38-15-40] al mijn jaren,[^jesaja-38-15-41] vanwege de bitterheid van mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v15)

**16** Heere,[^jesaja-38-16-42] bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven[^jesaja-38-16-43] van mijn geest; want U hebt mij[^jesaja-38-16-44] gezond gemaakt en mij genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v16)

**17** Zie,[^jesaja-38-17-45] in vrede is mij de bitterheid bitter geweest;[^jesaja-38-17-46] maar U hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in[^jesaja-38-17-47] de groeve van de vertering niet kwame; want U hebt[^jesaja-38-17-48] al mijn zonden[^jesaja-38-17-49] achter Uw rug geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v17)

**18** Want[^jesaja-38-18-50] het graf zal U niet loven,[^jesaja-38-18-51] de dood zal U niet prijzen; die in de kuil neerdalen, zullen op Uw waarheid niet[^jesaja-38-18-52] hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v18)

**19** De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik vandaag doe; de vader zal de kinderen[^jesaja-38-19-53] Uw waarheid bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v19)

**20** YHWH[^jesaja-38-20-54] was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen van ons leven, in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v20)

**21** Jesaja nu had gezegd:[^jesaja-38-21-b] Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister[^jesaja-38-21-55] op het gezwel maken, en hij zal genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v21)

**22** En Hizkia had gezegd:[^jesaja-38-22-56] Welk zal het teken zijn,[^jesaja-38-22-57] dat ik in het huis van YHWH zal opgaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/38.html#v22)

[^jesaja-38-1-1]: Kanttekening 1: In die dagen: Wat hier verhaald wordt, is geschied kort nadat het leger van de Assyriërs van God door de engel verslagen was.
[^jesaja-38-2-2]: Kanttekening 2: bad tot YHWH: Zijn gebed volgt hier straks, van vers 3 ; zie 2 Kon. 20:1 , enz. Jesaja 38:3 : En hij zei: Och YHWH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende geheel zeer. 2 Koningen 20:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven.
[^jesaja-38-3-3]: Kanttekening 3: wat goed in Uw ogen is: Dit is als een getuigenis van een goede consciëntie, berustende alleen op de barmhartigheid van God, zonder enige aanmatiging van eigen gerechtigheid; zie onder vers 17 , en Jezua Sirach 48:25,26. Jesaja 38:17 : Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar U hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve van de vertering niet kwame; want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
[^jesaja-38-3-4]: Kanttekening 4: gedaan heb: Zie 2 Kon. 18:3 , enz. 2 Koningen 18:3 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
[^jesaja-38-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, weende een groot geween (גָדֽוֹל).
[^jesaja-38-5-6]: Kanttekening 6: tot uw dagen: Dat is, tot de dagen uws levens.
[^jesaja-38-6-7]: Kanttekening 7: Ik zal u: God de Heer belooft deze koning, boven de verlenging van zijn leven, ook rust en vrede in zijn koninkrijk en bescherming tegen de machtige Assyriërs, die opnieuw een heirleger hadden kunne op de been brengen om hem te bekrijgen en Jeruzalem te belegeren.
[^jesaja-38-7-8]: Kanttekening 8: het woord: Of, deze zaak.
[^jesaja-38-8-9]: Kanttekening 9: Zie, Ik zal: Zie de aantekening op vers 8 passende, 2 Kon. 20:9 , 20:10 , 20:11 . Jesaja 38:8 : Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was. 2 Koningen 20:9 : En Jesaja zei: Dit zal u een teken van YHWH zijn, dat YHWH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts keren? 2 Koningen 20:10 : Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduwe licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere. 2 Koningen 20:11 : En Jesaja, de profeet, riep YHWH aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, die zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer.
[^jesaja-38-9-10]: Kanttekening 10: genezen was: Hebreeuws, levend geworden was, gelijk vers 21 . Jesaja 38:21 : Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
[^jesaja-38-10-11]: Kanttekening 11: Ik zei: Dat is, ik dacht en overlegde bij mijzelf aldus.
[^jesaja-38-10-13]: Kanttekening 13: zal ik tot: Dat is, ik moest haast sterven.
[^jesaja-38-10-14]: Kanttekening 14: ik word beroofd: Dat is, het overschot van mijn jaren wordt mij ontnomen, of men doet mij ontberen het overschot, of het resteren van mijn dagen; dat is, wat er tekortkomt aan mijn jaren, te weten dier jaren, die ik, naar de loop van de natuur, nog kon leven, of nog behoorde te leven, gelijk ik mijzelf had ingebeeld.
[^jesaja-38-10-12]: Kanttekening 12: Of, in de afsnijding van mijn dagen; dat is, toen mijn dagen afgesneden of verkort werden; of toen mij verkondigd werd, dat mijn dagen haast zouden afgesneden worden; dat is, dat ik haast sterven zou. Het is ene gelijkenis, genomen van de wevers, die hun web afgeweven hebbende, zo snijden zij hetzelfde af.
[^jesaja-38-11-15]: Kanttekening 15: YHWH niet meer zien: Dat is, voor de Heer verschijnen in het heiligdom en bij de gehele godsdienst, die gedaan werd als de godzaligen in de tempel samenkwamen.
[^jesaja-38-11-17]: Kanttekening 17: met de inwoners: Dat is, bij degenen, die in de wereld wonen, bij de mensen, die nu leven; zie Ps. 27:13 , en Ps. 116:9 . Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Psalmen 116:9 : Ik zal wandelen voor het aangezicht van YHWH, in de landen van de levenden.
[^jesaja-38-11-16]: Kanttekening 16: in het land: Dat is, in deze wereld, of in dit leven; zie deze manier van spreken ook Job 28:13 ; Ps. 27:13 ; met de aantekening, alsook Ps. 142:6 , en onder Jes. 53:8 . Job 28:13 : De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land van de levenden. Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Psalmen 142:6 : Tot U riep ik, o YHWH! ik zei: U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land van de levenden. Jesaja 53:8 : Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plage op Hem geweest.
[^jesaja-38-12-18]: Kanttekening 18: Mijn levenstijd: Of, mijn leeftijd; anders mijn woning, mijn verblijftijd. Hebreeuws, dor; zie Ps. 12:8 . Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^jesaja-38-12-19]: Kanttekening 19: Of, weggerukt.
[^jesaja-38-12-20]: Kanttekening 20: eens herders hut: Die niet vast of gestadig op ene plaats blijft, maar van de ene plaats op de andere gebracht wordt, naar gelegenheid van zaken; zie Job 27:18 . Job 27:18 : Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
[^jesaja-38-12-21]: Kanttekening 21: Of, afgeknipt, afgescheurd, afgebroken. De zin is: Ik heb de Heer, door mijn zonden, daartoe oorzaak gegeven, dat Hij mijn leven vóór de natuurlijke tijd wil afsnijden.
[^jesaja-38-12-22]: Kanttekening 22: zijn web; : Te weten als hij het afgeweven heeft.
[^jesaja-38-12-23]: Kanttekening 23: Hij zal mij afsnijden: Te weten de Heer. Hier is verandering van persoon, want hij spreekt van God somwijlen in de derde persoon, somwijlen tot God in de tweede persoon.
[^jesaja-38-12-24]: Kanttekening 24: de drom: Dit woord betekent ook bij de Hebreën een haarband, Hoogl. 7:5 , zie de aantekening daar. Anders, als een dunnen draad. Hooglied 7:5 : Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.
[^jesaja-38-12-25]: Kanttekening 25: van de dag: Dat is, haast, in korte tijd, voordat de dag voorbijgaat en het avond wordt, zo ook vers 13 . Jesaja 38:13 : Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^jesaja-38-12-26]: Kanttekening 26: U mij: O Heer.
[^jesaja-38-12-27]: Kanttekening 27: ten einde: Of, afweven, en dan afsnijden, zo ook vers 13 . Jesaja 38:13 : Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^jesaja-38-13-28]: Kanttekening 28: mij voor: Te weten in mijn gedachten; dat is, ik dacht. Anders: ik rekende tot de morgen, dat Hij als een leeuw al mijn beenderen zou breken. Of aldus: ik stelde mij hem tot de morgen toe, als een leeuw, dat Hij zo al mijn beenderen zou breken, enz.
[^jesaja-38-13-29]: Kanttekening 29: tot de morgenstond: Te weten mag ik leven, of mocht ik toch tot morgen leven. Het volgende nemen anderen aldus: \[maar\] Hij brak gelijk een leeuw al mijn beenderen.
[^jesaja-38-13-30]: Kanttekening 30: Hij al mijn: Te weten God, of zij; te weten de ziekte, of de ellende; zie Job 10:16 . Job 10:16 : Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt U mij; U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij.
[^jesaja-38-13-31]: Kanttekening 31: Zie Job 7:15 . Job 7:15 : Zodat mijn ziel de verworging kiest; de dood meer dan mijn beenderen.
[^jesaja-38-13-32]: Kanttekening 32: van de dag: Dat is, nog heden, voordat de nacht komt.
[^jesaja-38-13-33]: Kanttekening 33: mij ten einde: Dat is, mijn leven, mijn jaren.
[^jesaja-38-14-a]: Verwijzing a: Jes. 59:11 . Jesaja 59:11 : Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons.
[^jesaja-38-14-34]: Kanttekening 34: kirde als een duif: Of, korde, steende.
[^jesaja-38-14-35]: Kanttekening 35: Te weten naar de hemel, of tot God, wie ik aanriep. Anders: werden uitgemergeld of uitgeschept; dat is, de krachten van mijn ogen werden verdorven. Of, zij bezweken; te weten van opwaarts ten hemel te zien.
[^jesaja-38-14-36]: Kanttekening 36: ik word onderdrukt: Hebreeuws, mij is onderdrukking; te weten door deze mijn ziekte, die mij met geweld zo onderdrukt, dat ik mijn loop niet zal kunnen eindigen, tenzij dat U, Heer, U over mij ontfermt.
[^jesaja-38-14-37]: Kanttekening 37: wees U mijn Borg: Dat is, stel U tussen mij en mijn ziekte, gelijk zich een borg stelt tussen de schuldheer en de schuldenaar, om hem te bevrijden dat hij niet in de gevangenis geworpen worde; zie Ps. 119:122 . Anders: wees mij lieflijk; anders: weef mij af; dat is, strek mijn leven uit, totdat ik oud en krachteloos word en door natuurlijke zwakheid sterf, en snijd de draad van mijn leven niet af voordat hij ten einde gelopen is; een manier van spreken aan de wevers ontleend. Psalmen 119:122 : Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
[^jesaja-38-15-38]: Kanttekening 38: Wat zal ik spreken: Dat is, hoe zal ik God genoegzaam kunnen danken voor zijn grote genade. Hij heeft mij wel de dood laten aanzeggen; maar als ik hem bad, heeft Hij mij het leven opnieuw genadig geschonken. Anders: wat ik sprak, dat zei Hij mij toe; te weten door de profeet Jesaja, vers 5 . De zin is: Als ik de Heer bad, dat Hij mijn borg wilde blijven, of dat Hij mij wilde afweven \[ vers 14 \], dat is, dat Hij mij nog meer jaren wilde laten leven, Hij heeft het mij straks toegezegd. Jesaja 38:5 : Ga heen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen; Jesaja 38:14 : Gelijk een kraan of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o YHWH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg.
[^jesaja-38-15-39]: Kanttekening 39: al zoetjes: Of, al zachtjes; zie Ps. 42:5 . Enige menen dat het betekent een zachten voortgang, gelijk wanneer ene moeder haar kind voortleidt; en dat dit hier de zin is: Mijn voorgaande benauwdheid zal mij hierna bedachtzamer doen wandelen. Zo wordt integendeel rasheid gesteld voor onbedachtzaamheid, of onvoorzichtigheid; Jes. 32:4 . Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Jesaja 32:4 : En het hart van de onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong van de stamelenden zal vlot zijn, om bescheidenlijk te spreken.
[^jesaja-38-15-40]: Kanttekening 40: al mijn jaren: Dat is, mijn leven lang.
[^jesaja-38-15-41]: Kanttekening 41: Omdat ik die dodelijke en bittere smarten dier pijnlijke ziekte heb uitgestaan.
[^jesaja-38-16-42]: Kanttekening 42: bij deze dingen: Of, in, of door deze dingen, of, gelijk enige, woorden; dat is, door uwe goedertierenheid, beloften en verzegeling van uw beloften en weldaden.
[^jesaja-38-16-43]: Kanttekening 43: mijn geest: Dat is, mijn ziel, en het leven van mijn ziel; dat is, een vrolijk en gerust leven.
[^jesaja-38-16-44]: Kanttekening 44: gezond gemaakt: Of, verkwikt en levend gemaakt. Hebreeuws, mij levend maken, of in het leven behouden (חַיֵּי); dat, naar de aard van de Hebreeuwse taal, zoveel is, als: U hebt mij in het leven behouden, of genezen; dat is, U hebt mij mijn vorige sterkte wedergegeven, die ik geheel verloren had in die zware ziekte. Anderen vertalen dit duistere vers aldus: Die zullen leven, voor welke (of over welke) de Heer is; dat is, van wie de Heer de beschermer is, en allen die daarin zijn, (of, en allen die in die zaken zijn, dat is die in zulk een staat leven dat zij God met zich hebben) die zullen hetzelfde leven verkrijgen, dat nu mijn geest heeft. Opdat dit blijke, maak mij gezond en genees mij.
[^jesaja-38-17-45]: Kanttekening 45: in vrede: Te weten nadat U mij vrede gegeven had, namelijk door het verdelgen van de Assyriërs, zo kwam mij ene bitterheid, te weten deze zware ziekte. Anders, op de vrede; dat is, opdat het ten beste dienen zou, kwam mij een bittere bitterheid over, te weten die zware ziekte.
[^jesaja-38-17-46]: Kanttekening 46: maar U hebt: Anders: maar het heeft U behaagd mijn ziel; dat is, mij \[te verlossen\] uit de groeve van de vertering.
[^jesaja-38-17-47]: Kanttekening 47: de groeve: Dat is, het graf, waarin het dode lichaam van de wormen opgegeten en verteerd wordt.
[^jesaja-38-17-48]: Kanttekening 48: al mijn zonden: Door welke ik deze ziekte en andere straffen verdiend heb. Had hij niet gezondigd, zo zou hij gene ziekte hebben gehad, noch gestorven zijn; want de dood met alle aanklevende ellenden heeft zijn oorsprong uit de zonde. Daarom spreekt Christus: Zoon uwe zonden zijn u vergeven, sta op, enz.
[^jesaja-38-17-49]: Kanttekening 49: achter Uw rug: Dat is, U hebt ze mij vergeven, zo dat zij niet meer voor uwe ogen komen zullen.
[^jesaja-38-18-50]: Kanttekening 50: het graf: Dat is, de doden in het graf kunnen uw lof niet verkondigen hier in deze wereld bij de levenden. Zie Ps. 6:6 , en Ps. 30:10 , en Ps. 88:11 , en Ps. 115:17 . Psalmen 6:6 : Want in de dood is van U geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? Psalmen 30:10 : Wat winst is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Psalmen 88:11 : Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. Psalmen 115:17 : De doden zullen YHWH niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
[^jesaja-38-18-51]: Kanttekening 51: de dood: Dat is, de doden; anders het dodenrijk; dat is, die in het dodenrijk of in het graf zijn.
[^jesaja-38-18-52]: Kanttekening 52: Of, wachten, of vertrouwen.
[^jesaja-38-19-53]: Kanttekening 53: Uw waarheid: Of, van uwe waarheid kennis doen hebben. Het Hebreeuwse woord el wordt ook voor eth gevonden; en uwe waarheid; dat is, dat U mij hebt gezond gemaakt, gelijk U mij beloofd hebt.
[^jesaja-38-20-54]: Kanttekening 54: was gereed : Of, is gekomen om mij te verlossen, of zal mij verlossen, of heeft mij verlost.
[^jesaja-38-21-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 20:7 . 2 Koningen 20:7 : Daarna zei Jesaja: Neemt een klomp vijgen; en zij namen ze, en leiden ze op de zweer, en hij werd genezen.
[^jesaja-38-21-55]: Kanttekening 55: op het gezwel maken: Of, op de zweer; te weten van de koning Hizkia.
[^jesaja-38-22-56]: Kanttekening 56: Welk zal het teken zijn: Dit verzocht hij niet door ongeloof of mistrouwen op de beloften van God, maar opdat zijn geloof daardoor mocht versterkt worden, zo die belofte geheel scheen te strijden met Gods dreigement, vers 1 . Jesaja 38:1 : In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt YHWH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven.
[^jesaja-38-22-57]: Kanttekening 57: dat ik in het huis van YHWH zal opgaan: Dat is, dat ik gezond zal worden en in het huis van de Heer gaan, om Hem in het midden van zijn gemeente voor mijn gezondheid te loven en te danken. Dit is geschied op de derde dag, naar de belofte van God door Jesaja; 2 Kon. 20:5 . 2 Koningen 20:5 : Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger van Mijn volk: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van YHWH;

### Jesaja 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/39.json)

*De koning van Babel zendt gezanten met brieven en een geschenk aan Hizkia, vers 1, die hun al zijn schatten toont, 2, waarover Jesaja hem aanspreekt en de Babylonische gevangenschap voorzegt, 3 enzovoort. Vergelijk 2 Koningen 20 vanaf het 12e vers.*

**1** [^jesaja-39-1-1] Te die tijd zond[^jesaja-39-1-2] Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v1)

**2** En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun[^jesaja-39-2-3] zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn hele wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn hele heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v2)

**3** Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem:[^jesaja-39-3-4] Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit ver land tot mij gekomen, uit Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v3)

**4** En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v4)

**5** Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord van YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v5)

**6** Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v6)

**7** Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat[^jesaja-39-7-5] zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v7)

**8** Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van YHWH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Maar het zij vrede en[^jesaja-39-8-6] waarheid in mijn dagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/39.html#v8)

[^jesaja-39-1-1]: Kanttekening 1: Te die tijd: Deze geschiedenis is hier gebracht uit 2 Kon. 20:12 . 2 Koningen 20:12 : In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was.
[^jesaja-39-1-2]: Kanttekening 2: Merodach Baladan: Hij wordt 2 Kon. 20:12 genoemd Berodach, of Brodach. 2 Koningen 20:12 : In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was.
[^jesaja-39-2-3]: Kanttekening 3: zijn schathuis: 2 Kon. 20:13 staat: zijn gehele schathuis. 2 Koningen 20:13 : En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gehele schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn gehele heerschappij, dat hij hun niet toonde.
[^jesaja-39-3-4]: Kanttekening 4: Wat hebben die mannen: Door het ingeven van de Heer wist de profeet wel wat die mannen gezegd hadden; maar hij vraagt het om uit Hizkia's eigen mond dat te horen en daaruit gelegenheid te hebben om het woord van de Heer hem aan te zeggen. Aldus heeft ook de profeet Nathan met David gehandeld; 2 Sam. 12:1 . 2 Samuël 12:1 : En YHWH zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zei hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.
[^jesaja-39-7-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, gesnedenen; zie de aantekening Gen. 37:36 . Genesis 37:36 : En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jesaja-39-8-6]: Kanttekening 6: Of, vaste welstand, of trouw; dat is vaste bestendige vrede.

### Jesaja 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/40.json)

*Profetie van de komst van Christus en de prediking van het heilig Evangelie, vers 1, door Johannes de Doper en de apostelen, 3 enzovoort. De kracht van het goddelijke Woord, 4 enzovoort. Wat de verkondigers van het Woord zouden prediken, 6 enzovoort. De kracht en wijsheid van de Heere in het regeren van de wereld, 12, die men niet kan en mag afbeelden, 18. De dwaasheid van de afgodendienaars, 19. De nietigheid van alle groten van deze wereld, 23. Bestraffing van hen die klagen dat God hen niet kan en niet wil beschermen, 26.*

**1** Troost, troost Mijn volk,[^jesaja-40-1-1] zal uw God[^jesaja-40-1-2] zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v1)

**2** [^jesaja-40-2-3] Spreek[^jesaja-40-2-4] naar het hart[^jesaja-40-2-5] van Jeruzalem, en[^jesaja-40-2-6] roept haar toe, dat[^jesaja-40-2-7] haar strijd vervuld is, dat haar[^jesaja-40-2-8] ongerechtigheid[^jesaja-40-2-9] verzoend is,[^jesaja-40-2-10] dat zij van de hand van YHWH[^jesaja-40-2-11] dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v2)

**3** [^jesaja-40-3-12][^jesaja-40-3-a] Een stem[^jesaja-40-3-13] van de roepende in[^jesaja-40-3-14] de woestijn: Bereid de weg van YHWH, maak recht[^jesaja-40-3-15] in de wildernis een[^jesaja-40-3-16] baan voor onze God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v3)

**4** [^jesaja-40-4-17] Alle dalen zullen verhoogd worden, en[^jesaja-40-4-18] alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en[^jesaja-40-4-19] wat krom is, dat zal recht, en wat[^jesaja-40-4-20] hobbelachtig is, dat zal tot een[^jesaja-40-4-21] vallei gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v4)

**5** En[^jesaja-40-5-22][^jesaja-40-5-b] de heerlijkheid van YHWH[^jesaja-40-5-23] zal geopenbaard worden; en alle[^jesaja-40-5-24] vlees te gelijk zal[^jesaja-40-5-25] zien,[^jesaja-40-5-26] dat het de mond van YHWH gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v5)

**6** [^jesaja-40-6-27] Een stem zegt:[^jesaja-40-6-28] Roep! En[^jesaja-40-6-29] hij zegt: Wat zal ik roepen?[^jesaja-40-6-30][^jesaja-40-6-c] Alle vlees[^jesaja-40-6-31] is gras, en[^jesaja-40-6-32] al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v6)

**7** Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest van YHWH daarin blaast; werkelijk,[^jesaja-40-7-33] het volk is gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v7)

**8** Het gras verdort, de bloem valt af; maar het[^jesaja-40-8-d] Woord van onze God[^jesaja-40-8-34] bestaat in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v8)

**9** [^jesaja-40-9-35] O Sion,[^jesaja-40-9-36] u verkondigster van[^jesaja-40-9-37] goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is[^jesaja-40-9-38] uw God![^jesaja-40-9-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v9)

**10** Zie, Adonai YHWH zal komen[^jesaja-40-10-40] tegen de sterke, en Zijn arm[^jesaja-40-10-41] zal heersen;[^jesaja-40-10-42][^jesaja-40-10-e] zie, Zijn loon is[^jesaja-40-10-43] bij Hem, en[^jesaja-40-10-44] Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.[^jesaja-40-10-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v10)

**11** Hij zal[^jesaja-40-11-f] Zijn kudde[^jesaja-40-11-46] weiden gelijk een herder; Hij zal[^jesaja-40-11-47] de lammeren in Zijn armen verzamelen, en in Zijn schoot dragen; de[^jesaja-40-11-48] zogenden zal Hij[^jesaja-40-11-g] zachtjes leiden.[^jesaja-40-11-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v11)

**12** Wie heeft de wateren[^jesaja-40-12-50] met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met[^jesaja-40-12-51] een drieling het stof van de aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?[^jesaja-40-12-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v12)

**13** [^jesaja-40-13-h] Wie heeft de Geest van YHWH[^jesaja-40-13-53] bestuurd, en wie heeft Hem als Zijn[^jesaja-40-13-54] raadsman onderwezen?[^jesaja-40-13-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v13)

**14** Met wie heeft Hij raad gehouden,[^jesaja-40-14-56] die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad van het recht, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken de weg van[^jesaja-40-14-57] het veelvoudige verstand?[^jesaja-40-14-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v14)

**15** Zie, de volken zijn geacht[^jesaja-40-15-59] als een druppel van een emmer, en als een stofje[^jesaja-40-15-60] van de weegschaal; zie, Hij[^jesaja-40-15-61] werpt de eilanden heen als dun stof![^jesaja-40-15-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v15)

**16** En de Libanon[^jesaja-40-16-63] is niet genoegzaam[^jesaja-40-16-64] om te branden, en[^jesaja-40-16-65] zijn gedierte is niet genoegzaam als brandoffer.[^jesaja-40-16-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v16)

**17** Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan[^jesaja-40-17-i] niet, en[^jesaja-40-17-67] zinloosheid.[^jesaja-40-17-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v17)

**18** [^jesaja-40-18-k] Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen?[^jesaja-40-18-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v18)

**19** De werkmeester giet[^jesaja-40-19-70] een beeld, en[^jesaja-40-19-71] de goudsmid[^jesaja-40-19-72] overtrekt het met goud, en[^jesaja-40-19-73] giet er zilveren ketenen toe.[^jesaja-40-19-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v19)

**20** Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden,[^jesaja-40-20-75] dat niet wankele.[^jesaja-40-20-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v20)

**21** Weet u niet? Hoort u niet? Is het u[^jesaja-40-21-77] van de beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt u op de grondvesten van de aarde niet gelet?[^jesaja-40-21-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v21)

**22** Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, waarvan de inwoners zijn[^jesaja-40-22-79] als sprinkhanen; Hij is het, Die[^jesaja-40-22-l] de hemelen uitspant als een dunnen doek, en[^jesaja-40-22-80] breidt ze uit als een tent, om te bewonen;[^jesaja-40-22-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v22)

**23** Die de[^jesaja-40-23-m] vorsten te niet maakt; de richters van de aarde[^jesaja-40-23-82] maakt Hij tot zinloosheid.[^jesaja-40-23-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v23)

**24** Ja,[^jesaja-40-24-84] zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal[^jesaja-40-24-85] hen als een stoppel wegnemen.[^jesaja-40-24-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v24)

**25** Bij wie dan zult u Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zeg de Heilige.[^jesaja-40-25-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v25)

**26** Hef uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal[^jesaja-40-26-88] hun leger[^jesaja-40-26-89] voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid van Zijn krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er[^jesaja-40-26-90] niet één gemist.[^jesaja-40-26-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v26)

**27** Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël![^jesaja-40-27-92] mijn weg is voor YHWH verborgen, en[^jesaja-40-27-93] mijn recht gaat van mijn God voorbij?[^jesaja-40-27-94] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v27)

**28** Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, YHWH, de Schepper van de einden van de aarde, noch moe noch mat wordt? Er is[^jesaja-40-28-n] geen doorgronding van Zijn verstand.[^jesaja-40-28-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v28)

**29** Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte voor hem, die geen krachten heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v29)

**30** De jongen zullen moe en mat worden, en de jongemannen zullen zeker vallen;[^jesaja-40-30-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v30)

**31** Maar die YHWH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk[^jesaja-40-31-97] de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.[^jesaja-40-31-98] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/40.html#v31)

[^jesaja-40-1-1]: Kanttekening 1: ulieder God: Te weten Christus, waarachtig God in het vlees geopenbaard.
[^jesaja-40-1-2]: Kanttekening 2: Te weten tot de apostelen en al degenen, die Hij zal uitzenden om het Evangelie te prediken.
[^jesaja-40-2-3]: Kanttekening 3: Te weten ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees.
[^jesaja-40-2-4]: Kanttekening 4: naar het hart: Dat is, vriendelijk en troostelijk. Zie Gen. 34:3 . Genesis 34:3 : En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^jesaja-40-2-5]: Kanttekening 5: van Jeruzalem: Dat is, van de burgers te Jeruzalem en de kerk van God in het algemeen.
[^jesaja-40-2-6]: Kanttekening 6: roept haar toe: Of, predikt haar.
[^jesaja-40-2-7]: Kanttekening 7: haar strijd: Aldus noemt hij allerlei ellende en zwarigheid, waarmee zij te strijden hadden gehad, toen God hem met dezelfde bezocht had; in het bijzonder kan men hieronder verstaan de zware oorlogen, waarmee het Joodse volk vóór de tijden van Christus is bezocht geweest; en versta verder in het bijzonder de vijandschap tussen God en ons, die door Christus de Middelaar is weggenomen. Anders: hun gezetten tijd. Zie de aantekening Job 7:1 . Job 7:1 : Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloners?
[^jesaja-40-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, al hun zonden.
[^jesaja-40-2-9]: Kanttekening 9: verzoend is: Hebreeuws, aangenaam, of welgevallig is geworden; namelijk God de Heer; dat is de boetvaardige zondaars zijn in genade ontvangen door de voldoening van onze Heer Christus en de vergeving van hun zonden. Vergelijk boven Jes. 27:9 . Jesaja 27:9 : Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij zijn zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan.
[^jesaja-40-2-10]: Kanttekening 10: dat zij van de hand: Of, want zij heeft van, enz. Als God zijn volk kastijdt, en dat dan hetzelfde zich onder zijn slaande hand verootmoedigt, zo worden meteen de ingewanden van zijn barmhartigheid \[gelijk de Schriftuur menselijk van God spreekt\] over hetzelfde beroerd, en het berouwt Hem dat Hij hen hard geslagen heeft; zie Jer. 16:18 . Jeremia 16:18 : Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun verfoeiselen en van hun gruwelen vervuld.
[^jesaja-40-2-11]: Kanttekening 11: Dat is, overvloedig genoeg; vergelijk Jer. 16:18 , en Jer. 17:18 , ook onder Jes. 61:7 . Jeremia 16:18 : Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun verfoeiselen en van hun gruwelen vervuld. Jeremia 17:18 : Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking. Jesaja 61:7 : Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben.
[^jesaja-40-3-12]: Kanttekening 12: Een stem: Te weten ten tijde van de komst van Christus.
[^jesaja-40-3-a]: Verwijzing a: Matt. 3:3 ; Mark. 1:3 ; Lukas 3:4 ; Joh. 1:23 . Mattheüs 3:3 : Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heern, maakt Zijn paden recht! Marcus 1:3 : De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heern, maakt Zijn paden recht. Lukas 3:4 : Gelijk geschreven is in het boek van de woorden van Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heern, maakt Zijn paden recht! Johannes 1:23 : Hij zei: Ik ben de stem van de roependen in de woestijn: Maakt de weg van de Heern recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
[^jesaja-40-3-13]: Kanttekening 13: van de roepende: Of, van de prediker; te weten van Johannes de Doper. Zie Mal. 3:1 ; Matt. 3:3 ; Mark. 1:3 ; Luk. 3:4 ; Joh. 1:23 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten. Mattheüs 3:3 : Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht! Marcus 1:3 : De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht. Lukas 3:4 : Gelijk geschreven is in het boek van de woorden van Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht! Johannes 1:23 : Hij zei: Ik ben de stem van de roepende in de woestijn: Maakt de weg van de Heer recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
[^jesaja-40-3-14]: Kanttekening 14: Bereidt de weg: Dat is, weert uit uwe harten alle boosheid en verdorvenheid, en zoekt bij Christus vergeving derzelve, opdat Hij tot u inkere en in uwe harten wone.
[^jesaja-40-3-15]: Kanttekening 15: in de wildernis: Aldus noemt Hij de zondige wereld, of de boosheid van de mensen in dezelfde. Of, deze woorden kunnen zien op de plaats, waar Johannes de Doper gepredikt heeft.
[^jesaja-40-3-16]: Kanttekening 16: Of, gehoogden weg, straat.
[^jesaja-40-4-17]: Kanttekening 17: Alle dalen: Dat is, hij zal alles richtig en effen maken, de harten van de uitverkorenen zullen tot God bekeerd worden, te weten door de predikatie van Johannes de Doper. Zie Luk. 1:16 , 1:17 . Lukas 1:16 : En hij zal velen van de kinderen van Israël bekeren tot de Heer, hun God. Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^jesaja-40-4-18]: Kanttekening 18: alle bergen: Dat is, de hovaardigen en schijnheiligen zullen gedeemoedigd en tot kennis van hun zonden gebracht worden.
[^jesaja-40-4-19]: Kanttekening 19: wat krom is: Dat is, de schalksheid en boosheid zal veranderd worden in eenvoudigheid en oprechtheid.
[^jesaja-40-4-20]: Kanttekening 20: hobbelachtig is: Of, hoekig.
[^jesaja-40-4-21]: Kanttekening 21: een vallei: Dat is, tot een effen land.
[^jesaja-40-5-22]: Kanttekening 22: de heerlijkheid: Dat is, de grote genade en goedertierenheid van de Heer over zijn volk en de eer van zijn waarheid, doende wat Hij tevoren beloofd had.
[^jesaja-40-5-b]: Verwijzing b: Joh. 1:14 . Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid.
[^jesaja-40-5-23]: Kanttekening 23: zal geopenbaard: Te weten in de persoon van de Messias, door zijn menswording en goddelijke wonderen; Joh. 1:14 ; 1 Tim. 3:16 . Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. 1 Timotheüs 3:16 : En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^jesaja-40-5-24]: Kanttekening 24: Dat is, alle uitverkorenen, van wat staat zij zijn, gelijk onder Jes. 66:23 . Jesaja 66:23 : En het zal gebeuren, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt YHWH.
[^jesaja-40-5-25]: Kanttekening 25: Dat is, geloven en belijden.
[^jesaja-40-5-26]: Kanttekening 26: dat het : Dat is, dat de Heer waarachtig is in al zijn beloften. Of aldus: Alle vlees tegelijk zal het zien, want de mond van de Heer heeft het gesproken. Of, alle vlees tegelijk zal zien dat de mond van de Heer \[te weten Christus \] spreekt, te weten lerende in het Joodse land. Zie vers 9 . Jesaja 40:9 : O Sion, u verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!
[^jesaja-40-6-27]: Kanttekening 27: Een stem zegt: Te weten de stem van God, die de profeten, apostelen, evangelisten en alle getrouwe leraars onderwijst in de leer van de waarheid, die zij de mensen moeten voordragen.
[^jesaja-40-6-28]: Kanttekening 28: Of, predikt. Zo straks opnieuw.
[^jesaja-40-6-29]: Kanttekening 29: hij zegt: Te weten, elk van de dienaren van God.
[^jesaja-40-6-30]: Kanttekening 30: Alle vlees: Dat is, alle mensen, zodanig als zij van nature zijn; Ps. 102:12 , en Ps. 103:15 . Zie ook Ps. 56:5 , en Jak. 1:10 ; 1 Petr. 1:24 . Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 103:15 : De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. Psalmen 56:5 : In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? Jakobus 1:10 : En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^jesaja-40-6-c]: Verwijzing c: Job 14:2 ; Ps. 90:5 ; idem 90:6 ; Ps. 102:12 ; Ps. 103:15 ; Jak. 1:10 ; 1 Petr. 1:24 . Job 14:2 : Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort. Psalmen 102:12 : Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. Psalmen 103:15 : De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. Jakobus 1:10 : En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^jesaja-40-6-31]: Kanttekening 31: Dat is, zo vergankelijk als gras en geheel van geen waarde, zodat zij buiten zichzelven hun zaligheid zoeken moeten.
[^jesaja-40-6-32]: Kanttekening 32: al zijn goedertierenheid: Dat is, alles wat het goede vermag, aangaande het tijdelijke leven en het beleid van die; zie 1 Petr. 1:24 . 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^jesaja-40-7-33]: Kanttekening 33: het volk is gras: Niet alleen de algemene hoop van het zondige volk, maar ook zelfs het volk van God.
[^jesaja-40-8-d]: Verwijzing d: 1 Petr. 1:25 . 1 Petrus 1:25 : Maar het Woord van de Heern blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.
[^jesaja-40-8-34]: Kanttekening 34: bestaat in eeuwigheid: Want het is een onvergankelijk zaad, waardoor wij wedergeboren worden ten eeuwigen leven; 1 Petr. 1:23 , 1:25 . 1 Petrus 1:23 : U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. 1 Petrus 1:25 : Maar het Woord van de Heer blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.
[^jesaja-40-9-35]: Kanttekening 35: O Sion: Alwaar de apostelen met de kracht uit de hoogte zouden aangedaan worden, en vanwaar het Evangelie zou uitgaan om door de gehele wereld uitgebreid te worden; zie Jes. 2:3 ; Micha 4:2 ; Hand. 2:8 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:2 : En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Handelingen 2:8 : En hoe horen wij hen iedereen in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
[^jesaja-40-9-36]: Kanttekening 36: Anderen vertalen vers 9 aldus: O u \[ziel\], die een goede boodschap brengt aan Zion. Of, O u predikster, of verkondigster van goede boodschap aan Zion. En zo in het volgende lid. Jesaja 40:9 : O Sion, u verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!
[^jesaja-40-9-37]: Kanttekening 37: goede boodschap: Versta hier door de goede boodschap de zaligheid door Christus.
[^jesaja-40-9-38]: Kanttekening 38: Alwaar de apostelen met de kracht uit de hoogte zouden aangedaan worden, en vanwaar het Evangelie zou uitgaan om door de gehele wereld uitgebreid te worden; zie Jes. 2:3 ; Micha 4:2 ; Hand. 2:8 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:2 : En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Handelingen 2:8 : En hoe horen wij hen iedereen in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
[^jesaja-40-9-39]: Kanttekening 39: uw God: Te weten Jezus Christus, zie Hand. 2 , Hand. 3 , Hand. 4 , Hand. 5 .
[^jesaja-40-10-40]: Kanttekening 40: de Heer YHWH: Te weten Christus. Dit zijn nu de woorden van de profeet.
[^jesaja-40-10-41]: Kanttekening 41: tegen de sterke: Te weten de duivel van de hel, Matt. 12:29 ; Joh. 12:31 ; Kol. 2:15 ; Hebr. 2:14 ; 1 Joh. 3:8 . Anders: met een sterke \[hand\]. Mattheüs 12:29 : Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven. Johannes 12:31 : Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; 1 Johannes 3:8 : Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou.
[^jesaja-40-10-42]: Kanttekening 42: zal heersen: Anders, zal over hem \[te weten de Satan\] heersen; dat is, Christus zal de duivel overwinnen. \[Zo wordt heersen voor overwinnen genomen, onder Jes. 41:2 \]. Hij zal hem zijn wapenen uittrekken en zijn macht benemen. Vergelijk Luk. 11:21 ; Joh. 12:31 ; Kol. 2:15 ; Hebr. 2:14 . Jesaja 41:2 : Wie heeft van de opgang die rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel? Lukas 11:21 : Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede. Johannes 12:31 : Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^jesaja-40-10-e]: Verwijzing e: Jes. 62:11 . Jesaja 62:11 : Ziet, YHWH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zegt van de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
[^jesaja-40-10-43]: Kanttekening 43: Zijn loon: Dat is, de straf, die Hij die sterke en zijn aanhangers geven zal, te weten de Satan en de goddeloze mensen, die zal Hij de eeuwige verdoemenis geven en de genadige beloning aan zijn uitverkorenen. Vergelijk Rom. 2:6 ; Openb. 22:12 . Romeinen 2:6 : Welke iedereen vergelden zal naar zijn werken; Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^jesaja-40-10-44]: Kanttekening 44: bij Hem: Te weten bij de Heer; gelijk Jes. 62:11 . Jesaja 62:11 : Ziet, YHWH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
[^jesaja-40-10-45]: Kanttekening 45: Zijn arbeidsloon: Hebreeuws, zijn werk; dat is, werkloon, of vergelding, die Hij de mensen naar hun werk geven zal; vergelijk Jer. 22:13 , met de aantekening. Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^jesaja-40-11-f]: Verwijzing f: Ez. 34:23 ; idem v. 24 ; Micha 7:14 ; Joh. 10:11 . Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 34:24 : En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. Johannes 10:11 : Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
[^jesaja-40-11-46]: Kanttekening 46: Zijn kudde: Dat is, zijn schapen, de gelovigen. Zie Ez. 34:23 , 34:24 , en Job 10:11 . Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 34:24 : En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Job 10:11 : Met vel en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt U mij samengevlochten;
[^jesaja-40-11-47]: Kanttekening 47: Dat is, onderrichten en onderwijzen door de predikatie van zijn Woord.
[^jesaja-40-11-48]: Kanttekening 48: de lammeren: Dat is, de nederigen en verslagenen van gemoed zal Hij vriendelijk aannemen en troosten; Matt. 11:28 . Mattheüs 11:28 : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^jesaja-40-11-g]: Verwijzing g: Jes. 49:10 . Jesaja 49:10 : Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
[^jesaja-40-11-49]: Kanttekening 49: Of, dragende.
[^jesaja-40-12-50]: Kanttekening 50: Wie heeft: Alsof hij zei: Heeft het niet Jezus Christus, als een almachtig God, gedaan? wiens macht, wijsheid en majesteit oneindelijk en onbegrijpelijk zijn.
[^jesaja-40-12-51]: Kanttekening 51: met Zijn vuist: Of, met zijn holle hand.
[^jesaja-40-12-52]: Kanttekening 52: een drieling: Zie de aantekening Ps. 80:6 . Psalmen 80:6 : U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
[^jesaja-40-13-h]: Verwijzing h: Rom. 11:34 ; 1 Kor. 2:16 . Romeinen 11:34 : Want wie heeft de zin van de Heern gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? 1 Korinthiërs 2:16 : Want wie heeft de zin van de Heern gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
[^jesaja-40-13-53]: Kanttekening 53: de Geest: Vergelijk Rom. 11:34 , en 1 Kor. 2:16 . Romeinen 11:34 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? 1 Korinthiërs 2:16 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
[^jesaja-40-13-54]: Kanttekening 54: Of, afgemeten, of afgewogen; dat is volkomenlijk gekend.
[^jesaja-40-13-55]: Kanttekening 55: Of, geleerd. Hebreeuws, kennis gegeven, of wetende gemaakt.
[^jesaja-40-14-56]: Kanttekening 56: Met wie: Alsof hij zei: Wie durft zich beroemen dat hij de Heer heeft gewezen de weg, die Hij ingaan en houden moet om zijn schepselen wijs en rechtvaardig te regeren?
[^jesaja-40-14-57]: Kanttekening 57: die Hem verstand: Of, die hem verstandig zou maken.
[^jesaja-40-14-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, van de verstandigheden.
[^jesaja-40-15-59]: Kanttekening 59: zijn geacht: Te weten van de Heer, en bij Hem vergeleken zijnde.
[^jesaja-40-15-60]: Kanttekening 60: als een druppel: Te weten als een druppel, die aan een emmer vol water blijft hangen, of als een dropje water, dat in een emmer blijft nadat er het water uitgegoten is.
[^jesaja-40-15-61]: Kanttekening 61: van de weegschaal: Dat is, dat in de weegschaal blijft, te weten als men poeder of gestoten kruid of iets dergelijks daarin gewogen heeft.
[^jesaja-40-15-62]: Kanttekening 62: Of, Hij ligt, of heft op; te weten om weg te werpen.
[^jesaja-40-16-63]: Kanttekening 63: de Libanon: Dat is, de bomen van de Libanon.
[^jesaja-40-16-64]: Kanttekening 64: is niet genoegzaam: Dat is, zou niet genoeg hout kunnen leveren, te weten als men de Heer naar zijn waardigheid en hoogheid zou vereren met genoegzame menigte van brandoffers.
[^jesaja-40-16-65]: Kanttekening 65: om te branden: Anders: om \[het brandoffer\] te verbranden.
[^jesaja-40-16-66]: Kanttekening 66: zijn gedierte: Te weten van de Libanon, dat is, de dieren, die op de berg Libanon weiden.
[^jesaja-40-17-i]: Verwijzing i: Dan. 4:35 . Daniël 4:35 : En al de inwoners van de aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het legermacht van de hemel en de inwoners van de aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet U?
[^jesaja-40-17-67]: Kanttekening 67: zijn als niets: Te weten vergeleken zijnde bij de grote en almogende God; Dan. 4:35 . Daniël 4:35 : En al de inwoners van de aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met de legermacht van de hemel en de inwoners van de aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet U?
[^jesaja-40-17-68]: Kanttekening 68: Of, woest; zie de aantekening Gen. 1:2 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^jesaja-40-18-k]: Verwijzing k: Jes. 46:5 ; Hand. 17:29 . Jesaja 46:5 : Wie zoudt u Mij nabeelden, en gelijkenis maken, en Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden? Handelingen 17:29 : Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.
[^jesaja-40-18-69]: Kanttekening 69: dan zult u: Te weten, omdat Hij zulk een groot en machtig God is, en zo vol van majesteit.
[^jesaja-40-19-70]: Kanttekening 70: De werkmeester: Het Hebreeuwse woord betekent een handwerksman in het koper, of in het ijzer, of in het hout; hier betekent het een kopergieter; want daar volgt straks dat het de goudsmid verguldt; vers 20 betekent het een timmerman of beeldsnijder. Jesaja 40:20 : Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.
[^jesaja-40-19-71]: Kanttekening 71: een beeld: Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk een gesneden of gegraveerd beeld, maar hier wordt het genomen voor een gegoten beeld.
[^jesaja-40-19-72]: Kanttekening 72: de goudsmid: Eigenlijk betekent het Hebreeuwse woord een getier of smelter.
[^jesaja-40-19-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws, rekt, of spant het uit. Gen. 1:6 is hetzelfde Hebreeuwse woord. De zin is hier: De goudsmid spreidt het goud eerst uit, te weten als hij het in dunne platen of bladen slaat; daarna overtrekt hij het beeld daarmede. Genesis 1:6 : En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^jesaja-40-19-74]: Kanttekening 74: Hebreeuws, hij giet, of smelt zilveren ketenen; te weten om het beeld daaraan vast te maken, dat het niet afvalle; of om hetzelfde daarmede te versieren.
[^jesaja-40-20-75]: Kanttekening 75: dat hij niet: Dat is, dat hij geen koper heeft, dat hij de kopergieter brenge, noch goud, noch zilver, dat hij de goudsmid brenge. De zin is: die zo arm is, dat hij niet veel missen kan om een kostelijk beeld te laten maken. Anderen: die arm is, die kiest ter offerande een hout uit, dat niet verrot. Anderen: is in een gevaar; een offerande, te weten belooft hij, hoe betaalt hij die? Hij kiest een hout uit, dat niet verrot, en dat offert hij in de plaats van goud of zilver.
[^jesaja-40-20-76]: Kanttekening 76: dat niet wankele: Of, dat zich niet kan bewegen, of dat niet bewogen wordt.
[^jesaja-40-21-77]: Kanttekening 77: Weet u niet: Alsof hij zei: U volk van Israël, aan wie zich God van de beginne heeft geopenbaard en zijn wet gegeven heeft, zoudt u niet weten of verstaan dat de beelden niet dan ijdelheid zijn, en dat God niet kan en mag afgebeeld worden, en dat er geen andere God is dan de enige, eeuwige, ware God, die alles geschapen heeft en nog onderhoudt, bestuurt en door zijn wijsheid regeert?
[^jesaja-40-21-78]: Kanttekening 78: van de beginne aan: Hebreeuws, van het hoofd (רֹאשׁ); dat is, van die tijd af, dat het fondament van de aarde gelegd was. Sommigen nemen ook het volgende aldus: En hebt u het van de grondvesten van de aarde af niet verstaan?
[^jesaja-40-22-79]: Kanttekening 79: Hij is het: Te weten God.
[^jesaja-40-22-l]: Verwijzing l: Job 9:8 ; Ps. 104:2 ; Jes. 44:24 . Job 9:8 : Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Jesaja 44:24 : Zo zegt YHWH, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van de buik af: Ik ben YHWH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf;
[^jesaja-40-22-80]: Kanttekening 80: als sprinkhanen: Te weten met God vergeleken zijnde. Zie deze gelijkenis ook Num. 13:33 . Numeri 13:33 : Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen.
[^jesaja-40-22-81]: Kanttekening 81: Te weten de hemelen. Zie Ps. 104:2 . Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn.
[^jesaja-40-23-m]: Verwijzing m: Job 12:21 ; Ps. 107:40 . Job 12:21 : Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen. Psalmen 107:40 : Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
[^jesaja-40-23-82]: Kanttekening 82: Hebreeuws, geeft; vergelijk Ps. 2:9 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
[^jesaja-40-23-83]: Kanttekening 83: maakt Hij: Dat is, Hij maakt dat zij als niets voor Hem zijn; of dat zij haast vergaan en teniet komen.
[^jesaja-40-24-84]: Kanttekening 84: Te weten die heersers en rechters van de aarde.
[^jesaja-40-24-85]: Kanttekening 85: worden niet geplant: Kunnen of zullen niet zijn of bestaan, als het God gelieven zal zijn macht aan hen te betonen.
[^jesaja-40-24-86]: Kanttekening 86: als een stoppel: Dat is, alsof zij stoppelen waren.
[^jesaja-40-25-87]: Kanttekening 87: de Heilige: Te weten God.
[^jesaja-40-26-88]: Kanttekening 88: deze dingen: Te weten die dingen, die in de hoogte zijn, als de hemel en al wat daarin en daaraan is.
[^jesaja-40-26-89]: Kanttekening 89: hun legermacht: Dat is, de sterren, die Hij elk in haar orde gesteld heeft en als een heirleger elk op haar beurt doet tevoorschijn komen, en zij allen zijn Hem gehoorzaam; zie Ps. 147:4 . Psalmen 147:4 : Hij telt het getal van de sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
[^jesaja-40-26-90]: Kanttekening 90: Of, uitvoert.
[^jesaja-40-26-91]: Kanttekening 91: niet een gemist: Te weten van al die soldaten in zijn legermacht; dat is, van al de sterren.
[^jesaja-40-27-92]: Kanttekening 92: o Jakob: O mijn volk, mijn kerk.
[^jesaja-40-27-93]: Kanttekening 93: mijn weg: Dat is, mijn gelegenheid, namelijk in welk ongeluk ik ben. Alsof hij zei: De Heer weet niet hoe het mij gaat, omdat Hij mij uit mijn ellende niet verlost.
[^jesaja-40-27-94]: Kanttekening 94: mijn recht: Dat is, God doet mij geen recht over mijn vijanden, die mij onrechtvaardig vervolgen.
[^jesaja-40-28-n]: Verwijzing n: Ps. 147:5 . Psalmen 147:5 : Onze Heer is groot en van veel kracht; Zijn verstands is geen getal.
[^jesaja-40-28-95]: Kanttekening 95: noch moe noch mat: Te weten in het regeren van de wereld en van zijn kerk in dezelfde.
[^jesaja-40-30-96]: Kanttekening 96: De jongen: Dat is, de jonge en rappe mensen, die zich op hun jonkheid verlaten.
[^jesaja-40-31-97]: Kanttekening 97: Hebreeuws, verwisselen, of veranderen; te weten door de werking van de Heilige Geest, die in hen woont, zo Jes. 41:1 . Jesaja 41:1 : Zwijgt voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
[^jesaja-40-31-98]: Kanttekening 98: de adelaars: Deze vogel verheft zich hoger in de lucht dan enige andere vogel. Zie Job 39:30 ; Ps. 103:5 ; Jer. 49:16 ; Obad. vers 4 . Job 39:30 : Is het naar uw bevel, dat de adelaar zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? Psalmen 103:5 : Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als van een arend. Jeremia 49:16 : Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH. Obadja 1:4 : Al verhieft u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.

### Jesaja 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/41.json)

*De Heere daagt alle afgodendienaars voor het gerecht, vers 1. Verder spreekt Hij over Abraham, met wie God een verbond heeft opgericht en aan wie Hij voortreffelijke overwinningen heeft gegeven, 2. Daarover zijn de heidenen ontzet, 5, maar zij zijn toch voortgegaan in hun afgoderij, 6. Vriendelijke aanspraak van God aan de vrome Israelieten, 8, met de belofte dat Hij hen zou verlossen, 10, terwijl Hij hun vijanden vernietigt, 11, en de gelovigen zegent, 17. Aanspraak van God aan de afgodendienaars, 21. Verlossing omwille van de Messias, 25.*

**1** [^jesaja-41-1-1] Zwijg voor Mij,[^jesaja-41-1-2] u eilanden! en[^jesaja-41-1-3] laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v1)

**2** Wie heeft[^jesaja-41-2-4] van de opgang[^jesaja-41-2-5] die rechtvaardige[^jesaja-41-2-6] verwekt? heeft hem geroepen[^jesaja-41-2-7] op zijn voet?[^jesaja-41-2-8] de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en[^jesaja-41-2-9] gemaakt, dat hij over koningen[^jesaja-41-2-10] heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v2)

**3** Dat hij ze nastreefde en doortrok met vrede, door een pad, dat hij met zijn voeten[^jesaja-41-3-11] niet gegaan had? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v3)

**4** Wie heeft dit gewerkt en gedaan,[^jesaja-41-4-12] roepende de geslachten[^jesaja-41-4-13] van de beginne? Ik, YHWH,[^jesaja-41-4-a] Die de Eerste ben, en[^jesaja-41-4-14] met de Laatste ben Ik Dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v4)

**5** [^jesaja-41-5-15] De eilanden zagen het, en zij vreesden;[^jesaja-41-5-16] de einden van de aarde beefden; zij naderden en kwamen toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v5)

**6** [^jesaja-41-6-17] De één hielp de ander, en zei tot zijn[^jesaja-41-6-18] metgezel:[^jesaja-41-6-19] Wees sterk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v6)

**7** En de werkmeester[^jesaja-41-7-20] versterkte[^jesaja-41-7-21] de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die,[^jesaja-41-7-22] die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt[^jesaja-41-7-23] hij het vast met nagelen, dat het niet wankele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v7)

**8** Maar[^jesaja-41-8-24] u, Israël, Mijn knecht![^jesaja-41-8-25] u Jakob,[^jesaja-41-8-b] die Ik gekozen heb![^jesaja-41-8-26] het zaad van[^jesaja-41-8-27] Abraham,[^jesaja-41-8-c] Mijn liefhebber! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v8)

**9** U, die Ik gegrepen heb[^jesaja-41-9-29] van de einden van de aarde, en uit[^jesaja-41-9-30] haar[^jesaja-41-9-31] bijzonderste geroepen heb; en zei tot u: U bent Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.[^jesaja-41-9-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v9)

**10** Vrees niet, want Ik ben met u;[^jesaja-41-10-32] wees niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u[^jesaja-41-10-33] met de rechterhand van Mijn gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v10)

**11** Zie,[^jesaja-41-11-d] zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u[^jesaja-41-11-34] ontstoken zijn; zij zullen worden als niet,[^jesaja-41-11-35] en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v11)

**12** U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v12)

**13** Want Ik, YHWH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v13)

**14** Vrees niet, u wormpje van Jakob, u volkje van Israël! Ik help u, spreekt YHWH, en uw[^jesaja-41-14-36][^jesaja-41-14-37] Verlosser is de Heilige van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v14)

**15** Zie,[^jesaja-41-15-38] Ik heb u tot een[^jesaja-41-15-39] scherpe nieuwe dorsslede gesteld,[^jesaja-41-15-40] die scherpe pinnen heeft;[^jesaja-41-15-41] u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen[^jesaja-41-15-e] gelijk kaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v15)

**16** U zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar u zult u verheugen[^jesaja-41-16-42] in YHWH;[^jesaja-41-16-43] in de Heilige van Israël zult u zich roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v16)

**17** [^jesaja-41-17-44] De ellendigen en armen zoeken[^jesaja-41-17-45] water, maar[^jesaja-41-17-46] er is geen, hun tong[^jesaja-41-17-f] versmacht van dorst; Ik, YHWH zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v17)

**18** Ik[^jesaja-41-18-g] zal[^jesaja-41-18-47] rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van[^jesaja-41-18-h] de valleien;[^jesaja-41-18-48] Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v18)

**19** [^jesaja-41-19-49] Ik zal in de woestijn de cederboom,[^jesaja-41-19-50] de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom,[^jesaja-41-19-51] de beuk, en[^jesaja-41-19-52] de busboom te gelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v19)

**20** Opdat zij zien, en bekennen, en[^jesaja-41-20-53] overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand van YHWH[^jesaja-41-20-54] dat gedaan, en dat de Heilige van Israël dat geschapen heeft.[^jesaja-41-20-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v20)

**21** Breng uw rechtszaak voor, zegt YHWH; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning[^jesaja-41-21-56] van Jakob.[^jesaja-41-21-57][^jesaja-41-21-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v21)

**22** Laat hen voortbrengen en[^jesaja-41-22-59] ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen;[^jesaja-41-22-60] verkondig[^jesaja-41-22-61] de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij[^jesaja-41-22-62] het ter harte nemen, en[^jesaja-41-22-63] het einde daarvan weten; of[^jesaja-41-22-64] doet ons de toekomende dingen horen.[^jesaja-41-22-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v22)

**23** Verkondig dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en[^jesaja-41-23-66] samen toezien.[^jesaja-41-23-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v23)

**24** Zie, u bent minder dan niet, en uw werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die u verkiest.[^jesaja-41-24-68][^jesaja-41-24-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v24)

**25** Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en[^jesaja-41-25-70] hij zal komen over de[^jesaja-41-25-71] overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het[^jesaja-41-25-72] slijk[^jesaja-41-25-73] treedt.[^jesaja-41-25-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v25)

**26** Wie heeft wat[^jesaja-41-26-75] verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of[^jesaja-41-26-76] van te voren, dat wij zeggen mogen:[^jesaja-41-26-77] Hij is[^jesaja-41-26-78] rechtvaardig;[^jesaja-41-26-79] maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook[^jesaja-41-26-80] niemand,[^jesaja-41-26-81] die uw woorden hoort.[^jesaja-41-26-82] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v26)

**27** Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie,[^jesaja-41-27-83] zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een[^jesaja-41-27-84] blijden boodschapper geven.[^jesaja-41-27-85][^jesaja-41-27-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v27)

**28** Want Ik zag toe, maar er was niemand,[^jesaja-41-28-87] zelfs onder deze,[^jesaja-41-28-88] maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.[^jesaja-41-28-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v28)

**29** Zie, zij zijn allemaal zinloosheid, hun werken zijn een nietig ding, hun[^jesaja-41-29-90] gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding.[^jesaja-41-29-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/41.html#v29)

[^jesaja-41-1-1]: Kanttekening 1: voor Mij: Dit zijn de woorden van de Heer.
[^jesaja-41-1-2]: Kanttekening 2: u eilanden: Dat is, u inwoners van de eilanden, dat is, die ver af, aan de overzijde van de zee woont. Zie Gen. 10:5 , en Ps. 72:10 . Zwijgt en hoort met aandacht wat Ik, de Heer, u zeggen zal. Met welke woorden God de Heer alle afgodendienaars als voor het recht daagt, om hen te overtuigen van hun dwaasheid, dat zij hulp zoeken bij de afgoden. Genesis 10:5 : Van deze zijn verdeeld de eilanden van de volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken. Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^jesaja-41-1-3]: Kanttekening 3: laat de volken: De zin is: Laat hen hun best doen dat zij zich voor mij verweren, zij zullen eindelijk bevinden dat zij tegen mij niets vermogen.
[^jesaja-41-2-4]: Kanttekening 4: van de opgang: Versta, de opgang van de zon, namelijk, uit het land Ur van de Chaldeën. Zie Gen. 11:31 , en Gen. 12:1 ; Joz. 24:2 . Genesis 11:31 : En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijn zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar. Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Jozua 24:2 : Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
[^jesaja-41-2-5]: Kanttekening 5: die rechtvaardige: Te weten Abraham, die door het geloof is gerechtvaardigd geworden, en wiens gerechtigheid van Mozes geroemd wordt. Zie Gen. 15:6 , en Gen. 18:19 , en Gen. 22:16 . Hebreeuws, die gerechtigheid verwekt (צֶדֶק). Zie van zulke manieren van spreken Job 35:13 . Genesis 15:6 : En hij geloofde in YHWH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^jesaja-41-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, vermaand en verwekt daartoe, dat hij naar een ander land trekken zou.
[^jesaja-41-2-7]: Kanttekening 7: zijn voet: Dat is, dat hij hem op de voet zou volgen en dienen.
[^jesaja-41-2-8]: Kanttekening 8: de heidenen: Dat is, wie gaf hem de overwinning over de heidenen, die Sodom en Gomorra geplunderd hadden? Zie Gen. 14:14 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.
[^jesaja-41-2-9]: Kanttekening 9: Dat is, gaf hem overwinning, te weten over de vier koningen, van wie gesproken wordt Gen. 14 .
[^jesaja-41-2-10]: Kanttekening 10: heeft ze zijn zwaard gegeven als stof: Dat is, maakte dat zij voor zijn zwaard zo lichtelijk waren door te houwen alsof zij stof waren geweest. Anders: en heeft hun; te weten dier koningen, zwaarden gemaakt als stof, en hun bogen als stoppelen die van de wind \[voortgedreven worden\].
[^jesaja-41-3-11]: Kanttekening 11: niet gegaan had: Anders: nooit gekomen was. Sommigen duiden vers 3 en het voorgaande op Cyrus, als een voorbeeld van Christus, sommigen op Christus alleen. Jesaja 41:3 : Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, dat hij met zijn voeten niet gegaan had?
[^jesaja-41-4-12]: Kanttekening 12: Of, \[wie\] roept, enz., dat is, wie maakt dat de mensen, het ene geslacht voor, het andere na, elkaar volgen, en dat zo de wereld nimmermeer zonder bewoners is?
[^jesaja-41-4-13]: Kanttekening 13: van de beginne: Hebreeuws, van het hoofd af (רֹאשׁ); te weten van de beginne van de wereld.
[^jesaja-41-4-a]: Verwijzing a: Jes. 43:10 ; Jes. 44:6 ; Jes. 48:12 ; Openb. 1:17 ; Openb. 22:13 . Jesaja 43:10 : Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt YHWH, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat u het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelfde ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal. Jesaja 44:6 : Zo zegt YHWH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, YHWH van de legermachten: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God. Jesaja 48:12 : Hoor naar Mij, o Jakob! en u Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste. Openbaring 1:17 : En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; Openbaring 22:13 : Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
[^jesaja-41-4-14]: Kanttekening 14: met de Laatste: Anders: en bij de laatste, Ik ben dezelfde. vers 4 mag ook aldus vertaald worden: Wie heeft gewrocht en gemaakt, \[en\] roept de eeuwen, die van de beginne geweest zijn? Ik de Heer, die de eerste ben; en die na deze zijn zullen. Ik dezelfde. Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde.
[^jesaja-41-5-15]: Kanttekening 15: De eilanden: De zin is: De inwoners van de eilanden, ziende en bevindende de macht, die God ten alle tijde heeft betoond tot beschutting van zijn kerk, zijn verschrikt en verbaasd geworden, en hebben wel enigermate zich aangesteld alsof zij zich de ware God wilden onderwerpen; maar inplaats van zich oprecht te schikken om alleen te dienen de ware God, zijn zij ijdel geworden in hun gedachten, nog evenwel afgoden makende en gevende de eer van de ware God aan hun afgoden.
[^jesaja-41-5-16]: Kanttekening 16: de einden: Dat is, degenen, die aan de uiterste einden van de wereld woonden.
[^jesaja-41-6-17]: Kanttekening 17: De een hielp: Te weten in het bevorderen van de afgoderij. Hebreeuws, de man hielp zijn metgezel (אִישׁ).
[^jesaja-41-6-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, broer (אָחִי).
[^jesaja-41-6-19]: Kanttekening 19: Wees sterk: Alsof zij zeiden: Heb goede moed, val er aan, laat ons elkaar lustig bijstaan, te weten in het maken, oprichten en vereren van de afgoden.
[^jesaja-41-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, gaf moed, vermanende tot voltooiing van het werk.
[^jesaja-41-7-21]: Kanttekening 21: de goudsmid: Hebreeuws eigenlijk, de smelter.
[^jesaja-41-7-22]: Kanttekening 22: die op het aambeeld: Dat is, die op het goud slaat, dat op het aanbeeld ligt om tot een plaats geslagen te worden. Anders: met het slaan op het aanbeeld.
[^jesaja-41-7-23]: Kanttekening 23: hij het vast: Te weten het beeld.
[^jesaja-41-8-24]: Kanttekening 24: u, Israël: Dat is, u mijn volk Israël.
[^jesaja-41-8-25]: Kanttekening 25: u Jakob: Dat is, u nakomelingen van Jakob.
[^jesaja-41-8-b]: Verwijzing b: Deut. 7:6 ; Deut. 10:15 ; Deut. 14:2 ; Ps. 135:4 ; Jes. 43:1 ; Jes. 44:1 . Deuteronomium 7:6 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 10:15 : Alleen heeft YHWH lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, gelijk het te deze dage is. Deuteronomium 14:2 : Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een volk van de eigendoms te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn. Psalmen 135:4 : Want YHWH heeft Zich Jakob gekozen, Israël tot Zijn eigendom. Jesaja 43:1 : Maar nu, zo zegt YHWH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent Mijn. Jesaja 44:1 : Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb!
[^jesaja-41-8-26]: Kanttekening 26: het zaad van Abraham: Dat is, u kinderen van Abraham.
[^jesaja-41-8-27]: Kanttekening 27: Mijn liefhebber: Dat is, die mij liefgehad heeft; 2 Kron. 20:7 . Of, van mijn vriend; dat is, die Ik liefgehad heb; zie Jak. 2:23 . 2 Kronieken 20:7 : Hebt U niet, onze God, de inwoners van dit land van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven? Jakobus 2:23 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^jesaja-41-8-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 20:7 ; Jak. 2:23 . 2 Kronieken 20:7 : Hebt U niet, onze God, de inwoners van deze lands van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven? Jakobus 2:23 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^jesaja-41-9-29]: Kanttekening 29: van de einden: Dat is, uit wijdgelegen landen, te weten uit Chaldea, toen u, die nu leeft, in de lenden van Abraham was.
[^jesaja-41-9-30]: Kanttekening 30: Te weten van de aarde.
[^jesaja-41-9-31]: Kanttekening 31: Of, uitgelezenen; dat is van de aanzienlijkste, rijkste, voornaamste mensen. Zie Ex. 24:11 . Anders: voor hun bijzondersten, alsof Hij zei: Ik heb u gekozen voor de voortreffelijksten en allergrootsten van de aarde. Exodus 24:11 : Maar Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen van Israël; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden.
[^jesaja-41-9-28]: Kanttekening 28: welke Ik: Dat is, welke Ik gegrepen en uitgeleid heb.
[^jesaja-41-10-32]: Kanttekening 32: zijt niet verbaasd: Of, ontzet u niet, wees niet bedwelmd en bezwijk niet en verschrik niet, en versmelt niet, te weten als was; en vrees niet. Alle deze, en nog meer verscheidene uitleggingen worden over dit woord bijgebracht.
[^jesaja-41-10-33]: Kanttekening 33: met de rechterhand: Of, met mijn gerechtige rechterhand; dat is, door mijn goddelijke kracht, die gerechtigheid oefent, straffende de goddelozen en beschermende de vromen.
[^jesaja-41-11-d]: Verwijzing d: Ex. 23:22 ; Jes. 60:12 ; Zach. 12:3 . Exodus 23:22 : Maar zo u Zijn stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uw vijanden vijand, en uw wederpartijders tegenstander zijn. Jesaja 60:12 : Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden. Zacharia 12:3 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen alle volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
[^jesaja-41-11-34]: Kanttekening 34: Of, ontbranden; te weten met toorn.
[^jesaja-41-11-35]: Kanttekening 35: en die mensen: Hebreeuws, de mannen van uw twist; dat is, die met u twisten; zo vers 12 de mannen uws gekijfs; dat is, die met u kijven. Jesaja 41:12 : U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding.
[^jesaja-41-14-36]: Kanttekening 36: u wormpje Jakobs: Dat is, u volk, dat afkomstig is van Jakob, maar nu zo verachtzaam zijt in de ogen van uw vijanden, als een wormken. Zie Ps. 22:7 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
[^jesaja-41-14-37]: Kanttekening 37: u volkje Israëls: Of, u mensen Israëls.
[^jesaja-41-15-38]: Kanttekening 38: Ik heb u: Dat is, Ik heb u zulke macht en vermogen gegeven, dat u zult vertreden en vermorzelen al degenen, die zich tegen u verheffen. Zie 2 Kor. 10:4 , 10:5 . 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;
[^jesaja-41-15-39]: Kanttekening 39: scherpe nieuwe dorsslede: Of, snedige; dat is, die bekwaam is om scherp te snijden.
[^jesaja-41-15-40]: Kanttekening 40: die scherpe pinnen: Hebreeuws, die een heer of bezitter van de monden is; dat is, die als met monden, dat is scherpe pinnen, wel voorzien is, om te bijten, te kwetsen en te beschadigen.
[^jesaja-41-15-41]: Kanttekening 41: u zult bergen: Dat is, de hogen, groten, verhevenen en aanzienlijken in het land zult u vernielen, die u bevechten zullen; of, ik zal het in uw naam en om uwentwil doen. Vergelijk Openb. 17:14 , en Openb. 19:18 , en Openb. 20:8 , 20:9 . Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Openbaring 19:18 : Opdat u eet het vlees van de koningen, en het vlees van de oversten over duizend, en het vlees van de sterken, en het vlees van de paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienaren, en kleinen en groten. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; waarvan het getal is als het zand aan de zee. Openbaring 20:9 : En zij zijn opgekomen op de breedte van de aarde, en omringden de legerplaats van de heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit de hemel, en heeft hen verslonden.
[^jesaja-41-15-e]: Verwijzing e: Jes. 17:13 ; Jes. 29:5 . Jesaja 17:13 : De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind. Jesaja 29:5 : En de menigte uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren.
[^jesaja-41-16-42]: Kanttekening 42: in YHWH: Dat is, vanwege de Heer, te weten omdat Hij u zo goedertieren voor de zijnen kent en aanneemt.
[^jesaja-41-16-43]: Kanttekening 43: in de Heilige van Israël: Dat is, in die, welke de Israëlieten voor hun heiligen God kennen, eren en vrezen.
[^jesaja-41-17-44]: Kanttekening 44: De ellendigen: Te weten die arm van geest zijn, en die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, dat is, die hun geestelijke armoede gevoelende en bekennende, daarbij weten dat er gene gerechtigheid bij hen is, en daarom hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van God. Deze belooft de Heer dat Hij hen zal verkwikken en verzadigen.
[^jesaja-41-17-45]: Kanttekening 45: Dat is, hulp, troost, verkwikking in hun nood en benauwdheden.
[^jesaja-41-17-46]: Kanttekening 46: er is geen: Noch bij henzelven, noch bij andere mensen, zij zijn dan schriftgeleerden of farizeën, of hoe zij heten mogen.
[^jesaja-41-17-f]: Verwijzing f: Matt. 5:6 . Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
[^jesaja-41-18-g]: Verwijzing g: Jes. 35:7 ; Jes. 44:3 . Jesaja 35:7 : En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
[^jesaja-41-18-47]: Kanttekening 47: Versta hier door de rivieren, fonteinen, enz. een zeer grote overvloed van geestelijke zegeningen; zie de aantekening Job 20:17 . De zin is: Ik zal hen verkwikken door de predikatie van het heilig Evangelie en de kracht van de Heilige Geest, hen troostende tegen het aanklagen van hun eigen consciëntie. Zie Jes. 35:7 , en Jes. 44:3 ; Joh. 4:10 , en Joh. 7:37 . Job 20:17 : De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien. Jesaja 35:7 : En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Johannes 4:10 : Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^jesaja-41-18-h]: Verwijzing h: Ps. 107:35 . Psalmen 107:35 : Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
[^jesaja-41-18-48]: Kanttekening 48: tot een waterpoel: Zie de aantekening Ps. 107:35 . Psalmen 107:35 : Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
[^jesaja-41-19-49]: Kanttekening 49: Ik zal in de woestijn: De zin is: Ik zal mijn kerk, die tevoren als ene woestijn was, vervullen en versieren met vele gelovige en godzalige personen, die in dezelfde zullen zijn als schone, sierlijke en vruchtbare bomen.
[^jesaja-41-19-50]: Kanttekening 50: de sittimboom: Dit is een soort van cederboom, in deze onze landen onbekend. Zie de aantekening Ex. 25:5 ; van dit hout was gemaakt de ark van het verbond en de heilige tafel; Ex. 25:10 , 25:23 . Exodus 25:5 : En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout; Exodus 25:10 : Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. Exodus 25:23 : U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
[^jesaja-41-19-51]: Kanttekening 51: de beuk: Of, hartsboom.
[^jesaja-41-19-52]: Kanttekening 52: de busboom: Anders, witte populierboom. Enige menen dat hierdoor te verstaan zijn alle bomen, die grote schaduw geven. Het Hebreeuwse woord, dat hier in de tekst staat, wordt alleen hier gevonden en Jes. 60:13 . Jesaja 60:13 : De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken.
[^jesaja-41-20-53]: Kanttekening 53: Of, ter harte nemen.
[^jesaja-41-20-54]: Kanttekening 54: zulks gedaan: Te weten, dat Hij zijn kerk wonderbaar heeft bewaard en versierd.
[^jesaja-41-20-55]: Kanttekening 55: zulks geschapen: Te weten, dat Hij zijn kerk wonderbaar heeft bewaard en versierd.
[^jesaja-41-21-56]: Kanttekening 56: Brengt ulieder: Hier spreekt opnieuw de Heer de afgodendienaars aan, gelijk vers 1 , en Hij beroept hen voor zijn gericht \[zie onder Jes. 45:20 , en Jes. 48:14 \], te weten om hen aan te wijzen de ijdelheid van hun bijgelovigheden, en om zo de godzaligen een afkeer te doen hebben van al zulke gruwelen. Jesaja 41:1 : Zwijgt voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen. Jesaja 45:20 : Verzamelt u, en komt, treedt hier toe samen, u, die van de heidenen ontkomen bent! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan. Jesaja 48:14 : Vergadert u, u allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? YHWH heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.
[^jesaja-41-21-57]: Kanttekening 57: Hebreeuws, sterkten, vastigheden; dat is, bewijsstukken, documenten, te weten om te bewijzen en te doen blijken dat uwe afgoden ware goden zijn, en dat u recht en wèl doet dat u hen eert en aanbidt.
[^jesaja-41-21-58]: Kanttekening 58: Dat is, van het volk, dat uit Jakob afkomstig is.
[^jesaja-41-22-59]: Kanttekening 59: Laat hen: Te weten uw valse goden en die hen aanhangen, hervoortreden en bewijzen dat zij goden zijn, dat gebeuren zal als zij doen blijken dat zij toekomende en gepasseerde dingen weten.
[^jesaja-41-22-60]: Kanttekening 60: ons verkondigen: Te weten mij de Heer en de gelovigen, die mij aanhangen.
[^jesaja-41-22-61]: Kanttekening 61: Hier wendt de Heer zijn rede tot de valse goden, gelijk ook vers 23 , 41:24 . Jesaja 41:23 : Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien. Jesaja 41:24 : Ziet, u bent minder dan niet, en ulieder werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die u verkiest.
[^jesaja-41-22-62]: Kanttekening 62: de vorige dingen: Dat is, welke zich tevoren hebben toegedragen. Anders: de eerste dingen, welke die zullen zijn; te weten in het toekomende.
[^jesaja-41-22-63]: Kanttekening 63: het ter hart: Hebreeuws, ons hart te leggen, of te stellen (לִבֵּ); te weten daarop; dat is, dat wij met ons hart terdege daarop letten.
[^jesaja-41-22-64]: Kanttekening 64: het einde: Dat is, opdat wij weten wat daarop volgen zal.
[^jesaja-41-22-65]: Kanttekening 65: doet ons: Dat is, vertelt ons de toekomende dingen.
[^jesaja-41-23-66]: Kanttekening 66: doet goed: De zin is: Laat uwe macht blijken, doet goed dengenen die u eren, of doet kwaad dengenen die u verachten. Aldus spot Hij met de afgoden, die leven noch macht hebben, en daarom niemand goed of kwaad doen kunnen.
[^jesaja-41-23-67]: Kanttekening 67: Of, daarop letten.
[^jesaja-41-24-68]: Kanttekening 68: dan een adder: Of, dan \[het werk\] ener adder, of van een basilisk. Of aldus: Ulieder werk is uit een adder; dat is uit de duivel. Anders: minder dan een nietig ding.
[^jesaja-41-24-69]: Kanttekening 69: Te weten om ulieder als goden te eren en te aanbidden. Anders: Dat men u uitkiezen zal, is een gruwel.
[^jesaja-41-25-70]: Kanttekening 70: Ik verwek: Te weten Ik de Vader, verwek enen, te weten mijn Zoon Jezus Christus, die van het noorden, enz.; dat is, wiens gebied strekken zal van het ene einde van de wereld tot het andere. Vergelijk dit met Matt. 8:11 . Onder deze twee gewesten moet men hier alle gewesten verstaan. Anderen: Ik verwek een \[volk\], te weten dat volk, mijn kerk, die uit alle hoeken van de wereld zal verzameld worden, ten tijde van de komst van de Messias, door welke het rijk van de Satan en van de zonde ten enenmale zal teniet gedaan worden. Sommigen duiden het op Cyrus als een voorbeeld van onze Heer Christus. Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^jesaja-41-25-71]: Kanttekening 71: hij zal komen: Te weten, om hen te beschamen. Zie 2 Kor. 10:4 , 10:5 , 10:6 . 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6 : En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^jesaja-41-25-72]: Kanttekening 72: Of, regenten, zo kerkelijk als politieke, te weten tegen al degenen, die zich zullen stellen tegen Jezus Christus.
[^jesaja-41-25-73]: Kanttekening 73: Dat is klei.
[^jesaja-41-25-74]: Kanttekening 74: Versta hierbij: Zal Hij hen vertreden en te schande maken.
[^jesaja-41-26-75]: Kanttekening 75: Wie heeft wat : Te weten onder al de afgoden.
[^jesaja-41-26-76]: Kanttekening 76: van de beginne aan: Hebreeuws, van het hoofd (רֹאשׁ); dat is, van zulks als er in de beginne van de wereld geschied is.
[^jesaja-41-26-77]: Kanttekening 77: van te voren: Hebreeuws, van de aangezichten; dat is, van tevoren, of van de beginne.
[^jesaja-41-26-78]: Kanttekening 78: Hij is: Of, \[U bent\] rechtvaardig; dat is, U hebt u met recht voor een god uitgegeven.
[^jesaja-41-26-79]: Kanttekening 79: Of, \[ waarachtig \] omdat de gerechtigheid de waarheid vereist. Anderen vertalen de eerste woorden van vers 26 aldus: Wie zal de vorige dingen verkondigen? Wij zullen het vernemen, en wat voor deze geweest is? Wij zullen zeggen: hij is waarachtig. Jesaja 41:26 : Wie heeft wat verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.
[^jesaja-41-26-80]: Kanttekening 80: er is niemand: Te weten onder de valse goden of onder de mensen.
[^jesaja-41-26-81]: Kanttekening 81: Te weten onder de afgoden.
[^jesaja-41-26-82]: Kanttekening 82: die ulieder woorden hoort: Want de afgoden hebben oren, maar horen niet. Zie Ps. 135:16 . Psalmen 135:16 : Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
[^jesaja-41-27-83]: Kanttekening 83: Ik, : Dat is, Ik, die God ben, kan tot Zion zeggen, te weten Ik de Heer, maar de afgoden niet.
[^jesaja-41-27-84]: Kanttekening 84: zie ze daar! : Te weten die dingen, die Ik tevoren gezegd heb. Anderen aldus: Ik de eerste zal Zion en Jeruzalem een blijde-boodschapper geven, ziet, ziet ze daar. De ware God heeft straks tevoren al de afgoden van de heidenen getrotseerd dat zij toekomende dingen zouden voorzeggen, zich verheffende dat niemand van hen allen zulks kon doen; maar Ik, \[zegt nu God\] Ik zal de eerste zijn, die Zion en Jeruzalem enen geven zal, die, een blijde boodschap brengende, zeggen zal: Ziet, ziet ze daar, die dingen, die God voorzegd heeft, zijn nu tegenwoordig daar en gebeuren voor onze ogen.
[^jesaja-41-27-85]: Kanttekening 85: Of, een evangelist, een verkondiger van het heilige Evangelie, sprekende van de genade en barmhartigheid van God over de boetvaardige zondaars; en versta dit voornamelijk van Christus, en verder uit het voorgaande, dat deze belofte zo zekerlijk zal voorgesteld en volbracht worden, alsof het alreeds voor ogen ware. Vergelijk onder Jes. 42:9 . Jesaja 42:9 : Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; voordat zij uitspruiten, doe Ik u die horen.
[^jesaja-41-27-86]: Kanttekening 86: Versta hierbij, uit het naastvoorgaande lid: En ziet hij is daar.
[^jesaja-41-28-87]: Kanttekening 87: Ik zag toe: Te weten naar een man, die mijn volk zou kunnen helpen of zaligmaken.
[^jesaja-41-28-88]: Kanttekening 88: zelfs onder deze: Of, ook geen van deze; te weten die tot mijn volk behoren.
[^jesaja-41-28-89]: Kanttekening 89: er was geen raadgever: Te weten, die de verslagen conscientiën enige goede raad zou kunnen geven; de raadgever, die zulk terecht zou doen, was Christus. Zie Jes. 9:5 . Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst;
[^jesaja-41-29-90]: Kanttekening 90: Te weten die afgoden.
[^jesaja-41-29-91]: Kanttekening 91: gegoten beelden: Versta onder deze ook beelden van hout en van steen. Anders: hun besprengingen zijn wind, enz.

### Jesaja 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/42.json)

*Profetie van de komst van de Messias en wat zijn ambt is, vers 1, hoe Hij zich daarin zal gedragen, 2. De bijstand die de Heere Hem zal verlenen, 5, die een naijverig God is, 8, en alles van tevoren weet, 9. Vermaning tot dankzegging voor de ontvangen weldaden, 10, dat ook de bekeerde heidenen dit moeten doen, 11, aangezien de Heere al hun vijanden zal overweldigen, 13. Verdere profetie van de roeping van de heidenen, 16, en de straf van de afgodendienaars, 17. Weeklacht over de verstoktheid van de Joden, zowel van het volk als van de priesters, 19, en hun ellendige toestand, 22, vanwege hun zonden, 24, en verstoktheid, 25.*

**1** [^jesaja-42-1-1] Zie, Mijn Knecht,[^jesaja-42-1-2] Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn[^jesaja-42-1-a] ziel een welbehagen heeft![^jesaja-42-1-b] Ik heb[^jesaja-42-1-3] Mijn geest op Hem gegeven;[^jesaja-42-1-4] Hij zal het recht[^jesaja-42-1-5] aan de heidenen[^jesaja-42-1-6] voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v1)

**2** Hij zal niet[^jesaja-42-2-7] schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v2)

**3** [^jesaja-42-3-8] Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en[^jesaja-42-3-9] de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen;[^jesaja-42-3-10] met waarheid zal Hij het recht[^jesaja-42-3-11] voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v3)

**4** [^jesaja-42-4-12] Hij zal niet verdonkerd worden, en[^jesaja-42-4-13] Hij zal niet verbroken worden,[^jesaja-42-4-14] voordat Hij[^jesaja-42-4-15] het recht op aarde zal hebben besteld; en[^jesaja-42-4-16] de eilanden zullen naar[^jesaja-42-4-17] Zijn leer wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v4)

**5** Zo zegt God, YHWH, Die de hemelen geschapen, en[^jesaja-42-5-18] ze uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen[^jesaja-42-5-19] heeft, en[^jesaja-42-5-20] wat daaruit voortkomt; Die het volk, dat daarop is, de adem geeft, en[^jesaja-42-5-21] de geest aan hen, die daarop wandelen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v5)

**6** Ik, YHWH, heb[^jesaja-42-6-22] u[^jesaja-42-6-23] geroepen[^jesaja-42-6-24] in gerechtigheid, en[^jesaja-42-6-25] Ik zal u bij uw hand grijpen; en[^jesaja-42-6-26] Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven[^jesaja-42-6-27] tot een Verbond van het[^jesaja-42-6-28] volk, tot een Licht van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v6)

**7** Om[^jesaja-42-7-29] te openen[^jesaja-42-7-30] de blinde ogen, om de gebondenen[^jesaja-42-7-31] uit te voeren uit de gevangenis, en uit het huis van bewaring, die in[^jesaja-42-7-32] duisternis zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v7)

**8** Ik ben[^jesaja-42-8-33] YHWH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen ander geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.[^jesaja-42-8-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v8)

**9** Zie,[^jesaja-42-9-34] de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; voordat zij uitspruiten, doe Ik u die horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v9)

**10** Zing YHWH[^jesaja-42-10-35] een nieuw lied, Zijn lof[^jesaja-42-10-36] van het einde van de aarde; u,[^jesaja-42-10-37] die ter zee vaart, en[^jesaja-42-10-38] al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners.[^jesaja-42-10-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v10)

**11** Laat de woestijn en[^jesaja-42-11-39] haar steden de stem verheffen, met[^jesaja-42-11-40] de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen[^jesaja-42-11-41] juichen, die in de rotsstenen wonen,[^jesaja-42-11-42] en van de top van de bergen af schreeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v11)

**12** Laat ze YHWH de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v12)

**13** [^jesaja-42-13-43] YHWH[^jesaja-42-13-44] zal uittrekken als een held; Hij zal de ijver opwekken als een soldaat; Hij zal juichen, ja,[^jesaja-42-13-45] Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v13)

**14** [^jesaja-42-14-46] Ik heb van ouds gezwegen,[^jesaja-42-14-47] Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en samen opslokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v14)

**15** [^jesaja-42-15-48] Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v15)

**16** En Ik zal[^jesaja-42-16-49] de blinden[^jesaja-42-16-50] leiden[^jesaja-42-16-51] door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.[^jesaja-42-16-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v16)

**17** Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: U bent onze goden; die zullen achteruit keren,[^jesaja-42-17-52] en met schaamte beschaamd worden.[^jesaja-42-17-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v17)

**18** [^jesaja-42-18-53] Hoor, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v18)

**19** Wie is er blind[^jesaja-42-19-54] als Mijn knecht, en doof, gelijk[^jesaja-42-19-55] Mijn bode,[^jesaja-42-19-56] die Ik zend? Wie is blind, gelijk[^jesaja-42-19-57] de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v19)

**20** U ziet[^jesaja-42-20-58] wel veel dingen, maar u bewaart ze niet; of[^jesaja-42-20-59] schoon hij de oren opendoet,[^jesaja-42-20-60] zo hoort hij toch niet.[^jesaja-42-20-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v20)

**21** YHWH had lust[^jesaja-42-21-61][^jesaja-42-21-62] aan hem, omwille van Zijn gerechtigheid; Hij maakte hem groot[^jesaja-42-21-63] door de wet, en Hij maakte hem heerlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v21)

**22** Maar[^jesaja-42-22-64] nu is het[^jesaja-42-22-65] een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstopt in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en[^jesaja-42-22-66] er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt:[^jesaja-42-22-67] Geef ze weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v22)

**23** Wie onder u neemt dat ter ore? Wie merkt op en hoort,[^jesaja-42-23-68] wat hierna zijn zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v23)

**24** Wie heeft[^jesaja-42-24-69] Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël aan de rovers?[^jesaja-42-24-70] Is het niet YHWH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.[^jesaja-42-24-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v24)

**25** Daarom heeft Hij over hen uitgestort[^jesaja-42-25-72] de woede van Zijn toorn en[^jesaja-42-25-73] de macht van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, maar[^jesaja-42-25-74] zij merken het niet; en Hij heeft[^jesaja-42-25-75] ze in brand gestoken, maar zij nemen het niet ter harte.[^jesaja-42-25-76][^jesaja-42-25-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/42.html#v25)

[^jesaja-42-1-1]: Kanttekening 1: Ziet, Mijn Knecht: Dit spreekt God de Vader van zijn Zoon Christus, die Hij zijn knecht noemt, te dien aanzien, dat Christus, als onze Middelaar, de gedaante van een knecht heeft aangenomen. Vergelijk Jes. 53:11 ; Matt. 12:18 ; Fil. 2:6 , 2:7 , 2:8 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Mattheüs 12:18 : Ziet, Mijn Knecht, Welke Ik gekozen heb, Mijn Beminde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel aan de heidenen verkondigen. Filippenzen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Filippenzen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Filippenzen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^jesaja-42-1-2]: Kanttekening 2: Die Ik ondersteun: Dat is, die Ik versterk, dat Hij niet bezwijke onder de onverdragelijke last van mijn toorn, die Hij een tijdlang gevoelen moet om uwe zonden \[voor welke Hij zichzelven heeft overgegeven\] uit te delgen en te verzoenen.
[^jesaja-42-1-a]: Verwijzing a: Matt. 3:17 ; Matt. 17:5 ; Ef. 1:6 . Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Efeziërs 1:6 : Tot prijs van de heerlijkheid Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde;
[^jesaja-42-1-b]: Verwijzing b: Jes. 11:2 ; Joh. 3:34 . Jesaja 11:2 : En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^jesaja-42-1-3]: Kanttekening 3: Mijn Geest: Te weten de gaven van de Heilige Geest, die Hij nodig heeft om het Middelaarsambt te verrichten; zie Jes. 11:2 ; Matt. 3:16 . Jesaja 11:2 : En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Mattheüs 3:16 : En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest van God nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen.
[^jesaja-42-1-4]: Kanttekening 4: Hij zal het recht: Dat is, Hij zal de rechte leer van de zaligheid van de mensen, door de predikatie van het heilige Evangelie, de heidenen voordragen en hen zo tot zijn gehoorzaamheid en tot hun zaligheid brengen.
[^jesaja-42-1-5]: Kanttekening 5: de heidenen: Of, de volken, zo de Joden als de heidenen. Zie Rom. 1:16 . Romeinen 1:16 : Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^jesaja-42-1-6]: Kanttekening 6: Te weten uit de schoot van de Vader; Joh. 1:18 . Dit zal Hij doen ten dele in eigen persoon, ten dele door zijn apostelen en andere leraars van het heilige Evangelie. Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.
[^jesaja-42-2-7]: Kanttekening 7: Of, roepen, tieren; zie Matt. 12:19 . De zin is: Hij zal niet veel pochen, of veel rumoer maken, niet veel tumult, gelijk de prinsen van deze wereld doen; ook zal Hij niet veel uiterlijk geprang of gedruis maken; maar Hij zal zich stil, beleefdelijk en deemoedig gedragen, duldende goedertieren al de onvolmaaktheden van zijn uitverkorenen. Zie Matt. 12:18 , 12:19 , 12:20 , en Luk. 17:20 . Mattheüs 12:19 : Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen. Mattheüs 12:18 : Ziet, Mijn Knecht, Welke Ik gekozen heb, Mijn Beminde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel aan de heidenen verkondigen. Mattheüs 12:19 : Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen. Mattheüs 12:20 : Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. Lukas 17:20 : En gevraagd zijnde van de Farizeën, wanneer het Koninkrijk van God komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gelaat.
[^jesaja-42-3-8]: Kanttekening 8: Het gekrookte riet: Dat is, Hij zal geduld hebben met de zwakheden van de arme zondaars, en Hij zal hun verslagen conscientiën verkwikken en hen vertroosten door de belofte van de vergeving van hun zonden. Zie Ps. 34:19 ; Matt. 11:28 . Psalmen 34:19 : Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. Mattheüs 11:28 : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^jesaja-42-3-9]: Kanttekening 9: de rokende vlaswiek: Dat is, de wiek, die in de lamp schier uitgebrand is, nauwelijks schijnsel of licht meer gevende, maar alleen nog rokende.
[^jesaja-42-3-10]: Kanttekening 10: met waarheid: Dat is, oprecht, getrouwelijk, want waarheid betekent hier trouw.
[^jesaja-42-3-11]: Kanttekening 11: Of, uitvoeren, en dienvolgens overwinnen, gelijk waarheid en recht eindelijk overwinnen. Zie Matt. 12:20 . Mattheüs 12:20 : Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.
[^jesaja-42-4-12]: Kanttekening 12: Hij zal niet verdonkerd: Maar Hij zal helder en klaar lichten en schijnen; Christus' licht gesteld tegen het rokende en smokende vlas, en zijn macht tegen het gekrookte riet. Anders: Hij zal niet versmachten; te weten in het verrichten van zijn ambt, Matt. 26:39 ; Luk. 12:50 ; hetzelfde wordt straks met andere woorden gezegd. Sommigen verstaan dit, verdonkerd en gebroken worden, van het lijden en sterven van onze Heer Christus, dat niet gebeuren zou eer Hij het Evangelie had verkondigd naar de raad van zijn Vader. Mattheüs 26:39 : En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, gelijk Ik wil, maar gelijk U wilt. Lukas 12:50 : Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!
[^jesaja-42-4-13]: Kanttekening 13: Hij zal niet verbroken: Dat is, Hij zal onder de zware last van zijn bediening niet bezwijken.
[^jesaja-42-4-14]: Kanttekening 14: totdat Hij: Te weten door de predikatie van het heilige Evangelie in de gehele wereld; dat niet gebeuren kon vóór en aleer Christus gestorven en tot zijn hemelsen Vader opgevaren was, en de Heilige Geest op de apostelen gezonden had. Zie Joh. 16:7 . Johannes 16:7 : Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
[^jesaja-42-4-15]: Kanttekening 15: het recht: Dat is, de leer, gelijk straks volgt.
[^jesaja-42-4-16]: Kanttekening 16: de eilanden: Met deze woorden geeft de profeet te kennen dat de leer van het heilige Evangelie niet zou besloten blijven binnen de grenzen van het Joodse land; Gen. 49:10 ; Matt. 28:19 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
[^jesaja-42-4-17]: Kanttekening 17: Zijn leer: Dit is hetzelfde, dat Hij straks genoemd heeft het recht, namelijk het Evangelie.
[^jesaja-42-5-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, derzelve uitbreiders, of, die dezelfde uitbreiden. Zie Job 35:10 . Job 35:10 : Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht?
[^jesaja-42-5-19]: Kanttekening 19: uitgespannen heeft: Te weten in het rond.
[^jesaja-42-5-20]: Kanttekening 20: wat daaruit: Hebreeuws, haar uitgangen; dat is al wat daaruit spruit en wast.
[^jesaja-42-5-21]: Kanttekening 21: de geest dengenen: Versta hier door de geest de redelijke ziel. Zie Num. 16:22 . Numeri 16:22 : Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^jesaja-42-6-22]: Kanttekening 22: O mijn Zoon Jezus Christus.
[^jesaja-42-6-23]: Kanttekening 23: Te weten tot een Middelaar.
[^jesaja-42-6-24]: Kanttekening 24: in gerechtigheid: Of, met gerechtigheid; dat is op behoorlijke wijze, want U hebt U goedwillig tot het middelaarsambt overgegeven; zie Ps. 40:9 ; Hebr. 10:7 . Of, met gerechtigheid; dat is, achtervolgens mijn beloften, die Ik door de patriarchen en profeten mijn volk dikwijls gedaan heb. Psalmen 40:9 : Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van mijn ingewand. Hebreeën 10:7 : Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!
[^jesaja-42-6-25]: Kanttekening 25: Ik zal u : Dat is, Ik zal u bijstaan, mits u gevende noodwendige krachten tot uitvoering van uw middelaarsambt.
[^jesaja-42-6-26]: Kanttekening 26: Ik zal u behoeden: Zo dat U vóór de bestemde tijd niet onderdrukt wordt, alsook dat U in de overgrote pijn niet bezwijkt.
[^jesaja-42-6-27]: Kanttekening 27: tot een Verbond: Dat is, tot een Middelaar van het verbond, namelijk van het genadeverbond, dat Ik met Abraham en zijn zaad gemaakt heb. Dit verbond zult U bevestigen; te weten zo, dat door U mijn volk met mij zal worden verzoend en verder alle volken in een verbond zullen verenigd worden, niet alleen de Israëlieten, maar ook de heidenen, gelijk straks volgt.
[^jesaja-42-6-28]: Kanttekening 28: tot een Licht: Dat is, opdat U hen verlicht met de zaligmakende kennis van God en van hun Zaligmaker, waardoor de uitverkorenen onder alle natiën zullen verheugd worden. Want gelijk het licht de mens naar het lichaam verheugt en verkwikt, zo verheugt de kennis van Christus het gemoed van de kinderen van God innerlijk. Vergelijk Jes. 9:1 , en Jes. 49:6 ; Luk. 3:32 ; Hand. 13:47 , en Hand. 16:34 . Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen. Jesaja 49:6 : Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde. Lukas 3:32 : De zoon van Jesse, de zoon van Obed, de zoon van Booz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahasson, Handelingen 13:47 : Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 16:34 : En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.
[^jesaja-42-7-29]: Kanttekening 29: te openen: Te weten door de predikatie van het heilige Evangelie en de verlichting van de Heilige Geest; zie Hand. 13:46 , 13:47 , en Hand. 26:17 , 26:18 . Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Handelingen 13:47 : Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 26:17 : Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot die Ik u nu zend; Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^jesaja-42-7-30]: Kanttekening 30: de blinde ogen: Te weten de ogen van het verstand. Zie Jes. 35:5 . Jesaja 35:5 : Alsdan zullen de ogen van de blinden opengedaan worden, en de oren van de doven zullen geopend worden.
[^jesaja-42-7-31]: Kanttekening 31: uit te voeren: Te weten uit de geestelijke dienstbaarheid van de zonde en van de duivel, de uitverkorenen zo bevrijdende en verlossende uit de schrik en de vrees van het dodenrijk. Zie Jes. 49:9 , en Jes. 61:1 ; Luk. 4:18 ; Hebr. 2:14 , 2:15 . Jesaja 49:9 : Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Lukas 4:18 : De Geest van de Heer is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Hebreeën 2:15 : En verlossen zou al degenen, die met vrees voor de dood, door al hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren.
[^jesaja-42-7-32]: Kanttekening 32: Versta hier, de duisternis van de onwetendheid. Zie boven, Jes. 9:1 . Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen.
[^jesaja-42-8-33]: Kanttekening 33: YHWH: Hebreeuws, YHWH; dat is de eeuwige, zelfstandige, onveranderlijke God.
[^jesaja-42-8-c]: Verwijzing c: Jes. 48:11 . Jesaja 48:11 : Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.
[^jesaja-42-9-34]: Kanttekening 34: de voorgaande: De zin is: Wat Ik mijn volk tevoren verkondigd heb, dat is vervuld; nu verkondig Ik u wat nieuws, dat ook zekerlijk gebeuren zal, namelijk de verschijning van de Messias in het vlees, die zal van punt tot punt zo voltrokken worden, gelijk Ik ze door mijn profeten voorzegd heb.
[^jesaja-42-10-35]: Kanttekening 35: een nieuw lied: Dat is, een voortreffelijk lied. Zie Ps. 32:3 . Psalmen 32:3 : Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de ganse dag.
[^jesaja-42-10-36]: Kanttekening 36: van het einde: Dat is, u, die aan de uiterste einden van de wereld woont, alle mensen van welke staat of natie u bent; aangezien het heil, dat de Messias aanbrengt, allerlei volken en natiën betreft; zo hebben zich dan billijk alle volken en natiën in Hem te verheugen en te verblijden.
[^jesaja-42-10-37]: Kanttekening 37: die ter zee: Hebreeuws, neerdaalt op de zee (יָּם); te weten in het schip, dat op de zee zal varen.
[^jesaja-42-10-38]: Kanttekening 38: al wat daarin: U mensen altegaar, die in de eilanden woont, die rondom in de zee liggen. Hebreeuws, de volheid derzelve; gelijk Ps. 24:1 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^jesaja-42-10-d]: Verwijzing d: Ps. 33:3 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^jesaja-42-11-39]: Kanttekening 39: haar steden: Dat is, de steden, die in of nabij dezelfde liggen.
[^jesaja-42-11-40]: Kanttekening 40: de dorpen, die Kedar bewoont: Dat is, de dorpen van de Kedarenen; dat is van de Arabieren, zo genaamd naar Kedar, de zoon van Ismaël; Gen. 25:13 ; Ps. 120:5 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Psalmen 120:5 : O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon.
[^jesaja-42-11-41]: Kanttekening 41: die in de rotsstenen wonen: Anders: die te Sela wonen, welke is de hoofdstad van Arabië. Zie boven Jes. 16:1 . Jesaja 16:1 : Zendt de lammeren van de heerser van het land van Sela af, naar de woestijn heen, tot de berg van de dochter van Sion.
[^jesaja-42-11-42]: Kanttekening 42: van de top van de bergen: Hebreeuws, van het hoofd van de bergen (רֹאשׁ).
[^jesaja-42-13-43]: Kanttekening 43: YHWH: Te weten Jezus Christus.
[^jesaja-42-13-44]: Kanttekening 44: zal uittrekken: Dat is, Hij zal zijn goddelijke macht doen blijken, als Hij de duivel en de wereld overwinnen zal door zijn predikatiën, zijn dood, zijn verrijzenis, hemelvaart en het zitten ter rechterhand van zijn Vader en wederkomst tot het oordeel.
[^jesaja-42-13-45]: Kanttekening 45: Hij zal een groot: Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord betekent tieren, brullen, of bulderen, gelijk de olifanten.
[^jesaja-42-14-46]: Kanttekening 46: Ik heb van ouds: Dit zijn de woorden van God. Alsof Hij zei: Dit is wel vanouds mijn wijze en manier van doen geweest, dat Ik mijn en de vijanden van mijn kerk een tijdlang heb laten begaan.
[^jesaja-42-14-47]: Kanttekening 47: Ik heb Mij stil: Of, zou Ik \[langer\] stilzwijgen? Zou ik mij \[nog\] inhouden?
[^jesaja-42-15-48]: Kanttekening 48: Ik zal bergen: Dat is, Ik zal de grote en trotse vijanden van mijn kerk verdelgen, en Ik zal uit de weg weren alle verhinderingen, die mijn gelovigen kunnen hinderen of schaden om tot mij in de hemel te komen.
[^jesaja-42-16-49]: Kanttekening 49: de blinden: Dat is, die de ware God tevoren niet kenden, maar van Hem en zijn leer afdwaalden en in grote blindheid van de onwetendheid en afgoderij staken.
[^jesaja-42-16-50]: Kanttekening 50: Te weten door mijn Geest en de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-42-16-51]: Kanttekening 51: door de weg: Dat is, door de weg van de hemelse en zaligmakende waarheid en godzaligheid.
[^jesaja-42-16-e]: Verwijzing e: Jes. 40:3 ; idem v. 4 . Jesaja 40:3 : Een stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Jesaja 40:4 : Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.
[^jesaja-42-17-52]: Kanttekening 52: met schaamte: Dat is, geheel en al te schande worden.
[^jesaja-42-17-f]: Verwijzing f: Ps. 97:7 ; Jes. 1:29 ; Jes. 44:11 ; Jes. 45:16 . Psalmen 97:7 : Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle u goden! Jesaja 1:29 : Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt. Jesaja 44:11 : Ziet, al hun medegenoten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich allemaal vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen te zamen beschaamd worden. Jesaja 45:16 : Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.
[^jesaja-42-18-53]: Kanttekening 53: Hier spreekt YHWH de Joden aan, die moedwillig doof en blind waren, niet willende met aandacht zijn woord horen noch in acht nemen zijn werken en gerichten.
[^jesaja-42-19-54]: Kanttekening 54: Mijn knecht: Dat is, het volk van Israël, dat ik mijn wil heb geopenbaard en beroepen heb, opdat het mij daarna zou dienen, gelijk boven Jes. 41:8 , en straks opnieuw in vers 19 . Jesaja 41:8 : Maar u, Israël, Mijn knecht! u Jakob, die Ik gekozen heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! Jesaja 42:19 : Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH?
[^jesaja-42-19-55]: Kanttekening 55: Mijn bode: De priesters en Levieten, door wie God het volk zijn wil te kennen gaf.
[^jesaja-42-19-56]: Kanttekening 56: die Ik zend: Te weten om mijn volk te leren.
[^jesaja-42-19-57]: Kanttekening 57: de volmaakte: Of, volkomen, dat is, het volk van Israël, dat Ik vele grote, zo geestelijke als lichamelijke weldaden bewezen heb, zo dat het niets ontbrak; waaruit het behoorde te zien en bekennen hoe getrouw Ik het met hen voorhad.
[^jesaja-42-20-58]: Kanttekening 58: veel dingen: Te weten vele wonderwerken van God, die Hij tot uw best doet.
[^jesaja-42-20-59]: Kanttekening 59: hij de oren: Te weten de knecht van de Heer, dat is, het volk van Israël. De zin is: Dit volk stelt zich wel uiterlijk zo aan, alsof het mijn woord horen wilde, maar het is hun geen ernst, het gaat hun niet ter harte wat zij horen. In het eerste lid van vers 20 wordt er gesproken tot de tweede persoon; maar in het tweede lid van de derde persoon. Dit geeft wat duisterheid in de zin. Jesaja 42:20 : U ziet wel veel dingen, maar u bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.
[^jesaja-42-20-60]: Kanttekening 60: zo hoort hij: Dat is, zo behartigt hij het niet.
[^jesaja-42-20-g]: Verwijzing g: Rom. 2:2 . Romeinen 2:2 : En wij weten, dat het oordeel van God naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.
[^jesaja-42-21-61]: Kanttekening 61: aan hem, : Te weten aan zijn knecht; dat is aan zijn volk, of aan hen, te weten deze mensen. Sommigen duiden het op de wet en de uitvoering van Gods oordelen over dit zondig volk.
[^jesaja-42-21-62]: Kanttekening 62: om Zijn: Dat is, vanwege zijn waarheid en trouw, namelijk terwijl Hij de oudvaders beloofd heeft dat Hij hun zaad zou goeddoen; zie Ps. 31:2 . Psalmen 31:2 : Op U, o YHWH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
[^jesaja-42-21-63]: Kanttekening 63: door de wet: Namelijk, die Hij hun gegeven had door Mozes. Zie Deut. 4:6 ; Ps. 147:19 , 147:20 . Deuteronomium 4:6 : Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Psalmen 147:19 : Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Psalmen 147:20 : Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!
[^jesaja-42-22-64]: Kanttekening 64: is het: Te weten het volk van Israël; \[anders: is hij \], te weten de knecht van de Heer, gelijk vers 19 . Anderen aldus: En dat volk is beroofd en geplunderd; al de jongelingen zuchten, of, zij zuchten allen in de spelonken of holen van de aarde. Jesaja 42:19 : Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH?
[^jesaja-42-22-65]: Kanttekening 65: een beroofd: De zin is: God heeft dit volk in de handen van zijn vijanden overgegeven, omdat het zijn genade en goedertierenheid niet heeft in acht genomen.
[^jesaja-42-22-66]: Kanttekening 66: er is niemand, die ze redt: Hebreeuws, daar is geen redder.
[^jesaja-42-22-67]: Kanttekening 67: niemand zegt: Daar is niemand, die hen beschermt of verdedigt, of die de vijanden dwingt weer te geven wat zij hun afgenomen hebben.
[^jesaja-42-23-68]: Kanttekening 68: wat hierna: Want de straffen en plagen van de Heer, die hier in dit leven komen over de onboetvaardige zondaars, zijn maar beginselen van hun smarten, zo zij niet intijds opmerken en zich beteren en met belijdenis van hun zonden zeggen: Wie heeft Jakob, enz. vers 24 . Jesaja 42:24 : Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël aan de rovers? Is het niet YHWH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
[^jesaja-42-24-69]: Kanttekening 69: Dat is, de nakomelingen van Jakob, de Israëlieten.
[^jesaja-42-24-70]: Kanttekening 70: Dat is, de nakomelingen van Jakob, de Israëlieten.
[^jesaja-42-24-71]: Kanttekening 71: Is het niet: Dat is, het is zeker dat de Heer ons en onze goederen, om onzer zonden wil, in hun handen heeft overgegeven.
[^jesaja-42-25-72]: Kanttekening 72: over hen: Hebreeuws, over hem; te weten over Jakob, of over Israël, uit vers 24 . Jesaja 42:24 : Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël aan de rovers? Is het niet YHWH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
[^jesaja-42-25-73]: Kanttekening 73: de grimmigheid: Dat is, zijn straffen; zie de aantekening Ps. 79:6 . Psalmen 79:6 : Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^jesaja-42-25-74]: Kanttekening 74: de macht: Het leger van de Assyriërs en andere vijanden.
[^jesaja-42-25-75]: Kanttekening 75: zij merken het niet: Dat is, de Israëlieten hebben geen acht gegeven op de gerichten van God en de oorzaken derzelve.
[^jesaja-42-25-76]: Kanttekening 76: in brand gestoken: Dat is, Hij heeft hen vernield door velerlei pijnlijke jammeren en ellenden.
[^jesaja-42-25-77]: Kanttekening 77: zij nemen het niet ter hart: Dat is, de Israëlieten hebben geen acht gegeven op de gerichten van God en de oorzaken derzelve.

### Jesaja 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/43.json)

*God de Heere troost zijn volk en belooft dat Hij hen wil verlossen en beschutten, vers 1 enzovoort, en dat Hij zijn gemeente uit de heidenen zou vermeerderen, 5. Hij bewijst dat de goden van de heidenen ijdel zijn, 9, maar dat Hij alleen de ware en almachtige God is, 10 enzovoort, die zijn volk gekozen heeft, niet vanwege hun verdiensten, maar uit genade, 21 enzovoort.*

**1** Maar nu, zo zegt YHWH,[^jesaja-43-1-1] uw Schepper,[^jesaja-43-1-2] o Jakob! en uw Formeerder,[^jesaja-43-1-3] o Israël![^jesaja-43-1-4] vrees niet, want[^jesaja-43-1-5] Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v1)

**2** [^jesaja-43-2-6] Wanneer u zult gaan[^jesaja-43-2-a] door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u[^jesaja-43-2-7] door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v2)

**3** Want Ik ben YHWH, uw God,[^jesaja-43-3-8] de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb[^jesaja-43-3-9] Egypte, Morenland en[^jesaja-43-3-10] Seba gegeven[^jesaja-43-3-11] tot uw[^jesaja-43-3-12] losgeld in uw plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v3)

**4** [^jesaja-43-4-13] Van toen af,[^jesaja-43-4-14] dat u kostelijk bent geweest in Mijn ogen, bent u verheerlijkt geweest, en[^jesaja-43-4-15] Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik[^jesaja-43-4-16] mensen in uw plaats gegeven, en volken[^jesaja-43-4-17] in plaats van uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v4)

**5** [^jesaja-43-5-b] Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal[^jesaja-43-5-18] uw zaad[^jesaja-43-5-19] van de opgang[^jesaja-43-5-20] brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang.[^jesaja-43-5-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v5)

**6** Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde van de aarde;[^jesaja-43-6-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v6)

**7** Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en[^jesaja-43-7-23] die Ik geschapen heb tot Mijn eer, die Ik gevormd heb, die Ik ook[^jesaja-43-7-24] gemaakt heb.[^jesaja-43-7-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v7)

**8** Breng voort het blinde volk, dat[^jesaja-43-8-26] ogen heeft, en[^jesaja-43-8-27] de doven, die[^jesaja-43-8-28] oren hebben.[^jesaja-43-8-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v8)

**9** Laat al de heidenen samen verzameld worden, en laat de volken verzameld worden;[^jesaja-43-9-30] wie onder hen[^jesaja-43-9-31] zal dit verkondigen? Of[^jesaja-43-9-32] laat hen ons doen horen[^jesaja-43-9-33] de vorige dingen,[^jesaja-43-9-34] laat hen hun getuigen voortbrengen,[^jesaja-43-9-35] opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zeg:[^jesaja-43-9-36] Het is de waarheid.[^jesaja-43-9-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v9)

**10** U bent Mijn getuigen, spreekt YHWH, en[^jesaja-43-10-38] Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat u het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelfde ben,[^jesaja-43-10-39][^jesaja-43-10-c] dat voor Mij geen God[^jesaja-43-10-40] gevormd is, en na Mij geen zijn zal.[^jesaja-43-10-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v10)

**11** Ik, Ik ben YHWH, en er is geen Heiland behalve Mij.[^jesaja-43-11-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v11)

**12** Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en[^jesaja-43-12-43] geen vreemd god was onder u; en u bent Mijn getuigen, spreekt YHWH, dat Ik God ben.[^jesaja-43-12-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v12)

**13** Ook voordat de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en[^jesaja-43-13-d] wie zal het[^jesaja-43-13-45] keren?[^jesaja-43-13-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v13)

**14** Zo zegt YHWH, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Om uwentwil heb Ik[^jesaja-43-14-47] naar Babel gezonden, en heb[^jesaja-43-14-48] hen allen vluchtig doen neerdalen, te weten de Chaldeeën,[^jesaja-43-14-49] in de schepen, waarop zij juichten.[^jesaja-43-14-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v14)

**15** Ik ben YHWH, uw Heilige; de Schepper van Israël, uw Koning.[^jesaja-43-15-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v15)

**16** Zo zegt YHWH, Die in de zee een weg, en in[^jesaja-43-16-52] de sterke wateren een pad[^jesaja-43-16-53] maakte;[^jesaja-43-16-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v16)

**17** Die wagens en paarden, leger en macht[^jesaja-43-17-55] voortbracht; samen zijn[^jesaja-43-17-56] zij neergelegen, zij zullen[^jesaja-43-17-57] niet weer opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk[^jesaja-43-17-58] een vlaswiek zijn zij uitgegaan.[^jesaja-43-17-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v17)

**18** Gedenk de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.[^jesaja-43-18-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v18)

**19** Zie, Ik zal[^jesaja-43-19-e] wat nieuws maken,[^jesaja-43-19-61] nu zal[^jesaja-43-19-62] het[^jesaja-43-19-63] uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja,[^jesaja-43-19-64] Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.[^jesaja-43-19-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v19)

**20** Het gedierte van het veld zal Mij eren, de draken en[^jesaja-43-20-66] de jonge struisvogels; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.[^jesaja-43-20-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v20)

**21** [^jesaja-43-21-f] Dit volk heb Ik Mij gevormd, zij zullen Mijn lof vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v21)

**22** Maar u hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob![^jesaja-43-22-68] als u zich tegen Mij vermoeid hebt, o Israël![^jesaja-43-22-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v22)

**23** Mij hebt u niet gebracht[^jesaja-43-23-70] het kleine vee van uw brandoffers, en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met[^jesaja-43-23-71] voedseloffer, en Ik heb u niet vermoeid[^jesaja-43-23-72] met wierook.[^jesaja-43-23-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v23)

**24** Mij hebt u geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette van uw slachtoffers hebt u Mij niet[^jesaja-43-24-74] gedrenkt; maar u hebt Mij[^jesaja-43-24-75] arbeid gemaakt,[^jesaja-43-24-76] met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.[^jesaja-43-24-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v24)

**25** Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg,[^jesaja-43-25-78][^jesaja-43-25-g] om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet.[^jesaja-43-25-79] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v25)

**26** Maak Mij indachtig,[^jesaja-43-26-h] laat ons samen richten, vertel u uw redenen, opdat u mag[^jesaja-43-26-80] gerechtvaardigd worden.[^jesaja-43-26-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v26)

**27** Uw eerste vader heeft gezondigd, en[^jesaja-43-27-82] uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden.[^jesaja-43-27-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v27)

**28** Daarom zal Ik[^jesaja-43-28-84] de oversten van het heiligdom ontheiligen, en[^jesaja-43-28-85] Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen.[^jesaja-43-28-86][^jesaja-43-28-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/43.html#v28)

[^jesaja-43-1-1]: Kanttekening 1: uw Schepper: Dat is, die u geschapen, tot zijn volk gemaakt en wedergeboren heeft door zijn Heilige Geest, u roepende tot zijn kennis, naar zijn welgevallen, opdat u Hem zoudt zijn een uitverkoren volk, geëigend tot zijn eer; zie Ef. 2:10 . Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen.
[^jesaja-43-1-2]: Kanttekening 2: o Jakob: O u mijn uitverkoren volk van Israël.
[^jesaja-43-1-3]: Kanttekening 3: O u mijn uitverkoren volk van Israël.
[^jesaja-43-1-4]: Kanttekening 4: vrees niet: Ofschoon u een tijdlang in de Babylonische gevangenschap en in het land van uw vijanden zult moeten zijn.
[^jesaja-43-1-5]: Kanttekening 5: Ik heb u verlost: Te weten uit het geweld van de duivel, namelijk door Christus; en Ik zal u verlossen uit de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-43-2-6]: Kanttekening 6: Wanneer u: Dat is, als u in nood en gevaar bent, zo zal Ik u verlossen, en Ik zal altijd uw beschutter en beschermer zijn; zie de aantekening 2 Sam. 22:17 . 2 Samuël 22:17 : Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^jesaja-43-2-a]: Verwijzing a: Ps. 66:12 . Psalmen 66:12 : U hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
[^jesaja-43-2-7]: Kanttekening 7: door het vuur: Te weten het vuur van de tegenheden en van de plagen; gelijk Job 15:30 . Job 15:30 : Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas van zijn mond.
[^jesaja-43-3-8]: Kanttekening 8: de Heilige van Israël: Dat is, die heilige God, die de Israëlieten, als hun God, heiliglijk behoorden te eren en te dienen.
[^jesaja-43-3-9]: Kanttekening 9: De zin is: Ik heb u verschoond, en Ik heb de Moren gelijk de Egyptenaars \[als tot uw losgeld\] overgegeven en laten onderdrukken; zie boven Jes. 20:4 , 20:5 . Jesaja 20:4 : Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. Jesaja 20:5 : En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op die zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem.
[^jesaja-43-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, de Sabeërs, die van Seba afkomstig zijn; zie Gen. 10:7 . Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^jesaja-43-3-11]: Kanttekening 11: tot uw losgeld: Of, tot uw rantsoen; zie Spreuk. 21:18 . Spreuken 21:18 : De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.
[^jesaja-43-3-12]: Kanttekening 12: in uw plaats: Of, voor u; zie Spreuk. 11:8 , en de aantekening daar. Spreuken 11:8 : De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.
[^jesaja-43-4-13]: Kanttekening 13: Van toen af: Te weten van die tijd af, toen Ik u uit Egypte gevoerd heb.
[^jesaja-43-4-14]: Kanttekening 14: dat u kostelijk: Dat is, dat u mijn lief eigendom geworden bent. Zie Ex. 19:5 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^jesaja-43-4-15]: Kanttekening 15: Ik heb u liefgehad: Ik heb u mijn liefde bewezen door vele en menigerlei weldaden.
[^jesaja-43-4-16]: Kanttekening 16: Te weten de Egyptenaars, Moren en Sabeërs, vers 3 . Jesaja 43:3 : Want Ik ben YHWH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
[^jesaja-43-4-17]: Kanttekening 17: in plaats: Dat is, voor uw leven.
[^jesaja-43-5-b]: Verwijzing b: Jes. 44:2 ; Jer. 30:10 ; Jer. 46:27 . Jesaja 44:2 : Zo zegt YHWH, uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en u, Jeschurun, die Ik uitverkoren heb! Jeremia 30:10 : U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt YHWH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke. Jeremia 46:27 : Maar u, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.
[^jesaja-43-5-18]: Kanttekening 18: uw zaad: Dat is, uwe nakomelingen, te weten in het geloof, die Ik tot de gemeenschap van mijn kerk roepen zal.
[^jesaja-43-5-19]: Kanttekening 19: van de opgang: Dat is, Ik zal mij ene gemeente verzamelen uit alle gewesten van de aardbodem.
[^jesaja-43-5-20]: Kanttekening 20: Niet alleen naar het vlees uit de Babylonische gevangenschap, maar ook naar de geest en uit de helse gevangenschap.
[^jesaja-43-5-21]: Kanttekening 21: van de ondergang: Dat is, Ik zal mij ene gemeente verzamelen uit alle gewesten van de aardbodem.
[^jesaja-43-6-22]: Kanttekening 22: Dat is, de gelovigen.
[^jesaja-43-7-23]: Kanttekening 23: Een ieder: Dat is, alle kinderen van God, want de kinderen dragen de naam huns vaders.
[^jesaja-43-7-24]: Kanttekening 24: die Ik geschapen heb: Gelijk boven vers 1 . Jesaja 43:1 : Maar nu, zo zegt YHWH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent Mijn.
[^jesaja-43-7-25]: Kanttekening 25: gemaakt heb: Of die Ik heerlijk en voortreffelijk gemaakt heb; zie de aantekening Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
[^jesaja-43-8-26]: Kanttekening 26: het blinde volk: Dat is, het volk, dat van nature blind is en niet ziet in goddelijke zaken.
[^jesaja-43-8-27]: Kanttekening 27: ogen heeft: Te weten vleselijke of lichamelijke, maar geen geestelijke ogen, die door de Heilige Geest verlicht zijn.
[^jesaja-43-8-28]: Kanttekening 28: de doven: Te weten die van nature het woord en de wil van God niet horen of verstaan.
[^jesaja-43-8-29]: Kanttekening 29: oren hebben: Te weten lichamelijke oren, maar geen geestelijke oren.
[^jesaja-43-9-30]: Kanttekening 30: Laat al de heidenen: Dit zijn de woorden van de Heer.
[^jesaja-43-9-31]: Kanttekening 31: wie onder hen: Wat god is er onder hen en onder al degenen, die de afgoden aanhangen, die enz.?
[^jesaja-43-9-32]: Kanttekening 32: zal dit verkondigen: Te weten wat Ik u voorzeg van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, en verder van de geestelijke verlossing door Christus.
[^jesaja-43-9-33]: Kanttekening 33: laat hen ons: Te weten de afgoden van de heidenen.
[^jesaja-43-9-34]: Kanttekening 34: de vorige dingen: Dat is, wat er voorbijgegaan is. Veel minder kunnen zij voorzeggen wat er nog gebeuren zal. Zie boven Jes. 41:22 . De Heer bewijst met deze woorden dat Hij alleen de ware God is. Jesaja 41:22 : Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
[^jesaja-43-9-35]: Kanttekening 35: laat hen hun getuigen: Te weten om aan te wijzen en te betuigen, dat zij toekomende dingen voorzegd hebben.
[^jesaja-43-9-36]: Kanttekening 36: opdat zij gerechtvaardigd worden: Dat is, opdat het blijke dat zij met der waarheid zich voor goden uitgeven.
[^jesaja-43-9-37]: Kanttekening 37: Het is de waarheid: Te weten dat zij goden zijn.
[^jesaja-43-10-38]: Kanttekening 38: Mijn getuigen: Om te betuigen dat Ik een waarachtig God ben, omdat Ik zulke dingen gedaan en voorzegd heb, die gene afgoden kunnen doen of voorzeggen.
[^jesaja-43-10-39]: Kanttekening 39: Mijn knecht: Te weten de profeet Jesaja en andere profeten, die zulks uit mijn mond tevoren hebben verkondigd. Enige verstaan hier door deze knecht Jezus Christus, gelijk boven Jes. 42:1 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht aan de heidenen voortbrengen.
[^jesaja-43-10-c]: Verwijzing c: Jes. 41:4 ; Jes. 44:8 ; Jes. 45:21 ; Hosea 13:4 . Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. Jesaja 44:8 : Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God behalve Mij? Immers, is er geen andere rotssteen: Ik ken er geen? Jesaja 45:21 : Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, YHWH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. Hosea 13:4 : Ik ben toch YHWH, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt u geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.
[^jesaja-43-10-40]: Kanttekening 40: dat voor Mij geen God: De zin is: Ik alleen ben de enige en eeuwige ware God.
[^jesaja-43-10-41]: Kanttekening 41: geformeerd is: Versta hierbij, gelijk de afgoden, die van mensenhanden geformeerd zijn, niet van of uit zichzelven bestaande, gelijk Ik de ware God van eeuwigheid besta.
[^jesaja-43-11-42]: Kanttekening 42: Ik ben YHWH: Te weten de ware en van zichzelven eeuwig bestaande God. Zie boven, Jes. 41:4 ; Gen. 2:4 . Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. Genesis 2:4 : Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.
[^jesaja-43-12-43]: Kanttekening 43: Ik heb verkondigd: Te weten mijn volk, dat Ik het zou helpen.
[^jesaja-43-12-44]: Kanttekening 44: geen vreemd: Te weten heeft het verkondigd, noch gedaan, dat Ik u heb verkondigd en dat Ik onder u gedaan heb.
[^jesaja-43-13-d]: Verwijzing d: Jes. 14:27 . Jesaja 14:27 : Want YHWH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?
[^jesaja-43-13-45]: Kanttekening 45: voordat de dag was: Dat is, vóór die tijd, voordat de eerste dag geworden is, dat is, vóór het begin van de wereld aan.
[^jesaja-43-13-46]: Kanttekening 46: Of, afwenden; dat is, wie zal mij verhinderen te doen wat Ik te doen eens besloten en mij voorgenomen heb; Job 9:12 , en Jes. 14:27 . Job 9:12 : Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? Jesaja 14:27 : Want YHWH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?
[^jesaja-43-14-47]: Kanttekening 47: heb Ik: Dat is, Ik zal zekerlijk zenden. De profeten spreken dikwijls van wat nog gebeuren zal alsof het alreeds geschied ware.
[^jesaja-43-14-48]: Kanttekening 48: naar Babel: Te weten Cyrus, met de Perzen en Meden. Deze heeft God daarom naar Babel gezonden, en heeft die stad laten verdelgen, opdat de Joden uit de Babylonische gevangenschap zouden verlost worden.
[^jesaja-43-14-49]: Kanttekening 49: allen vluchtig: Anders: grendelen; dat is, de macht van de Chaldeën, die de Joden als met deuren en grendels besloten en vasthielden.
[^jesaja-43-14-50]: Kanttekening 50: in de schepen, op welke zij juichten: Hebreeuws, in de schepen van hun gejuich, of geschrei. Aldus noemt hij die grote en voortreffelijke schepen van de Chaldeën, met welke zij de Eufraat, Tiger en andere rivieren bezeilden en bedwongen; maar daarna in en met dezelfde moesten vluchten voor de Perzen en Meden, zonder twijfel met geschrei of geween.
[^jesaja-43-15-51]: Kanttekening 51: de Schepper: Gelijk vers 1 . Jesaja 43:1 : Maar nu, zo zegt YHWH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent Mijn.
[^jesaja-43-16-52]: Kanttekening 52: Zie Ex. 14 .
[^jesaja-43-16-53]: Kanttekening 53: de sterke: Versta, de Rode zee en de Jordaan. Zie Ex. 14 ; Joz. 3 .
[^jesaja-43-16-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, gaf.
[^jesaja-43-17-55]: Kanttekening 55: Die wagens: Dit schijnt te zien op de optocht van Farao tegen Israël naar het Rode meer. Anders: die, enz. voortbrengt. Duidende dit op God, door wiens macht allen, die zich stellen tegen de verlossing, welke het Hem believen zal zijn volk te bewijzen, zullen tezamen te schande en ten verderve gebracht worden.
[^jesaja-43-17-56]: Kanttekening 56: Die door zijn goddelijke voorzienigheid Farao en de Egyptenaars daartoe gebracht heeft, dat zij met hun wagens en paarden tot in de Rode zee de Israëlieten zijn nagevolgd, alwaar zij tezamen zijn verdronken en omgekomen. Zie Ex. 14:3 , 14:4 , enz. Exodus 14:3 : Farao dan zal zeggen van de kinderen van Israël: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. Exodus 14:4 : En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn legermacht verheerlijkt worden, zo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik YHWH ben. En zij deden zo.
[^jesaja-43-17-57]: Kanttekening 57: zij nedergelegen: Te weten de Egyptenaars. Anders: zij zullen nederliggen; te weten de Chaldeën en Babyloniërs.
[^jesaja-43-17-58]: Kanttekening 58: niet weer: Te weten hier in dit tijdelijke leven.
[^jesaja-43-17-59]: Kanttekening 59: een vlaswiek: Vergelijk boven Jes. 42:3 . Jesaja 42:3 : Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.
[^jesaja-43-18-60]: Kanttekening 60: Hij wil zeggen dat de verlossing door Christus, die door de verlossing uit de Babylonische gevangenschap werd afgebeeld, zo heerlijk en voortreffelijk zal zijn, dat de verlossing van de Israëlieten uit Egypte, die eertijds geschied is, bij dezelfde niet zou te vergelijken zijn. Zie Jer. 16:14 , enz., en Jer. 23:7 . Jeremia 16:14 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Jeremia 23:7 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd.
[^jesaja-43-19-e]: Verwijzing e: Openb. 21:5 . Openbaring 21:5 : En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
[^jesaja-43-19-61]: Kanttekening 61: wat nieuws maken: Dat is, wat voortreffelijks, iets dat tevoren nimmer is gehoord of gezien geweest.
[^jesaja-43-19-62]: Kanttekening 62: nu zal het: Dat is, in korteren tijd.
[^jesaja-43-19-63]: Kanttekening 63: Dat is, in het werk gesteld worden; ene manier van spreken, genomen van de kruiden en bloemen, die uit de aarde spruiten.
[^jesaja-43-19-64]: Kanttekening 64: zult u: Dat is, zekerlijk, u zult dit weten.
[^jesaja-43-19-65]: Kanttekening 65: Ik zal in de woestijn een weg leggen: De zin is: Ik zal mijn kerk wonderbaar verlossen en bewaren, gelijk Ik eertijds mijn volk wonderbaar door de woestijn heb gevoerd en uit een steenrots water heb gegeven; Ex. 17:6 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël.
[^jesaja-43-20-66]: Kanttekening 66: Het gedierte van het veld: Hij wil zeggen: Alle creaturen, zelfs de onvernuftige dieren, zullen mij, elk op zijn wijze, deshalve roemen en prijzen. Het is een oneigen en verbloemde manier van spreken, daartoe dienende om aan te wijzen de overgrote genade, die God zijn uitverkorenen in Christus bewijzen zou.
[^jesaja-43-20-67]: Kanttekening 67: de jonge struisen: Gelijk Jes. 13:21 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
[^jesaja-43-21-f]: Verwijzing f: Lukas 1:74 ; idem v. 75 . Lukas 1:74 : Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. Lukas 1:75 : In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van onze leven.
[^jesaja-43-22-68]: Kanttekening 68: u hebt Mij: De Heer wil zeggen dat zij het met hun vroomheid niet verdiend hadden dat Hij hen verlossen zou, want dat zij hem naar behoren niet gediend hadden. Alsof Hij zei: Het heeft tot mijn eer en tot mijn dienst niet gestrekt, dat u zoveel moeite gedaan hebt, met zoveel offeranden te slachten, onderhoudende zeer nauw de ceremoniën van de wet; zoveel het uiterlijke betreft hebt u dit gedaan om de sleur te houden, zonder geloof, en dienvolgens tegen mij, dat is, met overtredingen tegen mij en tot mijn verdriet; zie vers 24 . Anders: om mijnentwil; zie 1 Sam. 15:22 ; Jes. 1:11 . Jesaja 43:24 : Mij hebt u geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette van uw slachtoffers hebt u Mij niet gedrenkt; maar u hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. 1 Samuël 15:22 : Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken.
[^jesaja-43-22-69]: Kanttekening 69: als u zich tegen Mij vermoeid hebt: Of, maar u bent Mij moe geweest.
[^jesaja-43-23-70]: Kanttekening 70: Mij hebt u: Te weten als u vele offeranden hebt geslacht, en zo scheent mij te dienen, aangezien het zonder geloof en boetvaardigheid van het hart geschied is.
[^jesaja-43-23-71]: Kanttekening 71: het kleine vee: Te weten schapen en geiten.
[^jesaja-43-23-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws, mincha; zie Lev. 2 .
[^jesaja-43-23-73]: Kanttekening 73: met wierook: Dat is, met veel offerens van u te eisen, zie Jes. 1:11 ; bij de offeranden placht men wierook te gebruiken; zie Lev. 2 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken.
[^jesaja-43-24-74]: Kanttekening 74: Dit gebruikte men in het reukwerk; zie Jer. 6:20 . Jeremia 6:20 : Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.
[^jesaja-43-24-75]: Kanttekening 75: Of, bevochtigd, dronken gemaakt; dat is, met vreugde en genoegen verheugd en vervuld; gelijk Spreuk. 5:19 ; Jer. 31:14 . Spreuken 5:19 : Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten altijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. Jeremia 31:14 : En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt YHWH.
[^jesaja-43-24-76]: Kanttekening 76: Of, moeite gemaakt. Hebreeuws, doen dienen; dat is, u bent mij lastig geweest. Zie Jes. 1:14 . Jesaja 1:14 : Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moe geworden, die te dragen.
[^jesaja-43-24-77]: Kanttekening 77: met uw zonden: Dat is, met uwe huichelarij, met onderdrukkingen van uw naaste, enz., vergelijk Jes. 1:15 , enz. Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
[^jesaja-43-25-78]: Kanttekening 78: uw overtredingen: Vergelijk Ps. 51:3 . Psalmen 51:3 : Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden.
[^jesaja-43-25-g]: Verwijzing g: Ez. 36:22 . Ezechiël 36:22 : Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Ik doe het niet om uwentwil, u huis van Israël! maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen u gekomen bent.
[^jesaja-43-25-79]: Kanttekening 79: om Mijnentwil: Niet om uw verdiensten wil, maar om mijn eer wil, opdat Ik worde bekend te zijn een barmhartig en getrouw God.
[^jesaja-43-26-h]: Verwijzing h: Jes. 1:18 . Jesaja 1:18 : Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt YHWH; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
[^jesaja-43-26-80]: Kanttekening 80: Maakt Mij: Of, doe mij gedenken; te weten als u meent dat het zo niet is, maar meen dat u het met mij wèl gemaakt hebt; is dit uwe mening, zo breng mij in de zin uwe goede werken, die u meent dat Ik vergeten heb. Maar men zal bevinden dat u arme zondaars bent, gelijk uwe voorvaders van de beginne geweest zijn.
[^jesaja-43-26-81]: Kanttekening 81: Te weten als u de rechtzaak tegen mij wint.
[^jesaja-43-27-82]: Kanttekening 82: Uw eerste vader: Te weten Adam, van wie u de zonde is aangeërfd.
[^jesaja-43-27-83]: Kanttekening 83: uw uitleggers: Versta, de priester, die verordineerd waren om offeranden te doen, voor het volk te bidden en het volk uit de wet te onderwijzen. Anders: uwe middelaars; dat is, degenen, die als tusschensprekers tussen mij en u zich stellen, om mij met u te verzoenen, gelijk eertijds zijn geweest Mozes en Aäron, de hogepriesters, en andere priesters en Levieten.
[^jesaja-43-28-84]: Kanttekening 84: zal Ik: Of, mocht Ik wel; te weten als Ik met u en met hen zou handelen naar verdiensten, en niet naar mijn goedertierenheid.
[^jesaja-43-28-85]: Kanttekening 85: de oversten van het heiligdom: Dat is, de priesters. Zie Jer. 35:4 . Jeremia 35:4 : En bracht hen in het huis van YHWH, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man van God; welke is bij de kamer van de oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelbewaarder.
[^jesaja-43-28-86]: Kanttekening 86: Dat is, de Joden, of het volk van Israël.
[^jesaja-43-28-87]: Kanttekening 87: Dat is, de Joden, of het volk van Israël.

### Jesaja 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/44.json)

*Verdere belofte van geestelijke weldaden, vers 1 enzovoort. De Heere bewijst dat Hij een waarachtig God is, 6 enzovoort, maar dat de afgoden ijdel en van geen waarde zijn, evenals hun makers, 9, en zij die ze aanbidden, 17. Daarom vermaant God de Joden dat zij Hem alleen aanhangen, 21, en zich tot Hem bekeren, 22. Verder worden de andere schepselen vermaand tot lof van de Heere, 23. De Heere spreekt verder over zijn macht en daden, 24, terwijl Hij zijn beloften bevestigt aangaande hun lichamelijke en geestelijke verlossing, 26.*

**1** Maar hoor nu[^jesaja-44-1-a] Mijn knecht[^jesaja-44-1-1] Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH, uw Maker, en uw Formeerder[^jesaja-44-2-3] van de buik af,[^jesaja-44-2-4] Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en u,[^jesaja-44-2-5] Jeschurun, die Ik uitverkoren heb![^jesaja-44-2-2][^jesaja-44-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v2)

**3** Want Ik[^jesaja-44-3-b] zal water gieten op[^jesaja-44-3-7] de dorstigen, en[^jesaja-44-3-8] stromen[^jesaja-44-3-9] op het droge; Ik zal Mijn Geest[^jesaja-44-3-10] op uw zaad gieten, en Mijn zegen[^jesaja-44-3-11] op uw nakomelingen.[^jesaja-44-3-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v3)

**4** En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.[^jesaja-44-4-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v4)

**5** Deze zal zeggen: Ik ben van YHWH; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en een ander zal met zijn hand schrijven: Ik ben van YHWH, en zich toenoemen[^jesaja-44-5-14] met de naam van Israël.[^jesaja-44-5-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v5)

**6** Zo zegt YHWH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, YHWH van de legermachten: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.[^jesaja-44-6-16][^jesaja-44-6-c][^jesaja-44-6-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v6)

**7** En wie zal, gelijk als Ik,[^jesaja-44-7-18] roepen en het verkondigen, en het[^jesaja-44-7-19] ordentelijk voor Mij stellen, sinds dat Ik[^jesaja-44-7-20] een eeuwig volk gesteld heb?[^jesaja-44-7-21] en[^jesaja-44-7-22] laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen,[^jesaja-44-7-23] hun verkondigen.[^jesaja-44-7-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v7)

**8** Verschrik niet, en vreest niet; heb Ik het u[^jesaja-44-8-25] van toen af[^jesaja-44-8-26] niet doen horen en verkondigd? Want u bent[^jesaja-44-8-27] Mijn getuigen:[^jesaja-44-8-d] is er ook een God behalve Mij? Immers, is er[^jesaja-44-8-28] geen andere rotssteen: Ik ken er geen?[^jesaja-44-8-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v8)

**9** De formeerders van gesneden beelden zijn al samen zinloosheid, en[^jesaja-44-9-30] hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij[^jesaja-44-9-31] zelf zijn[^jesaja-44-9-32] hun[^jesaja-44-9-33] getuigen; zij zien niet, en zij weten niet,[^jesaja-44-9-34] daarom zullen[^jesaja-44-9-35] zij beschaamd worden.[^jesaja-44-9-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v9)

**10** Wie vormt[^jesaja-44-10-37] een god, en giet[^jesaja-44-10-38] een beeld,[^jesaja-44-10-39] dat geen nut doet?[^jesaja-44-10-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v10)

**11** Zie, al hun metgezellen[^jesaja-44-11-e] zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn[^jesaja-44-11-41] uit de mensen; dat zij[^jesaja-44-11-42] zich allemaal verzamelen, dat zij opstaan,[^jesaja-44-11-43] zij zullen verschrikken, zij zullen samen beschaamd worden.[^jesaja-44-11-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v11)

**12** [^jesaja-44-12-f] De ijzersmid maakt een bijl, en werkt[^jesaja-44-12-45] in de gloed, en vormt het met hamers,[^jesaja-44-12-46] en werkt het met zijn sterke arm;[^jesaja-44-12-47] ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, voordat hij[^jesaja-44-12-48] amechtig wordt.[^jesaja-44-12-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v12)

**13** De timmerman[^jesaja-44-13-50] trekt het richtsnoer uit, hij tekent[^jesaja-44-13-51] het af[^jesaja-44-13-52] met de draad,[^jesaja-44-13-53] hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met de passer, en maakt het naar het beeld van een man, naar de schoonheid van een mens,[^jesaja-44-13-54] dat het in het huis blijve.[^jesaja-44-13-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v13)

**14** Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen van het woud; hij plant een[^jesaja-44-14-56] olmboom, en de regen maakt die groot.[^jesaja-44-14-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v14)

**15** Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij[^jesaja-44-15-58] er een god[^jesaja-44-15-59] van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neer.[^jesaja-44-15-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v15)

**16** Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan[^jesaja-44-16-61] eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelf, en hij zegt:[^jesaja-44-16-62] Ha! ik ben warm geworden,[^jesaja-44-16-63] ik heb het vuur gezien![^jesaja-44-16-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v16)

**17** Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neer, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want u bent mijn god! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v17)

**18** Zij weten niet, en verstaan niet, want[^jesaja-44-18-65] het heeft hun ogen[^jesaja-44-18-66] bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.[^jesaja-44-18-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v18)

**19** En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou:[^jesaja-44-19-68] De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook[^jesaja-44-19-69] op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan[^jesaja-44-19-70] tot een gruwel maken, zou ik neerknielen[^jesaja-44-19-71] voor wat van een boom gekomen is?[^jesaja-44-19-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v19)

**20** Hij[^jesaja-44-20-73] voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem[^jesaja-44-20-74] ter zijde afgeleid; zodat hij zijn[^jesaja-44-20-75] ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet[^jesaja-44-20-76] een leugen[^jesaja-44-20-77] in mijn rechterhand?[^jesaja-44-20-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v20)

**21** Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want u bent Mijn knecht, Ik heb u gevormd; u bent Mijn knecht, Israël,[^jesaja-44-21-79] u zult van Mij niet vergeten worden.[^jesaja-44-21-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v21)

**22** Ik wis uw overtredingen uit[^jesaja-44-22-81] als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost.[^jesaja-44-22-82] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v22)

**23** Zing met vreugde, u hemelen![^jesaja-44-23-83] want YHWH heeft het gedaan; juich, u benedenste delen van de aarde! u bergen! maak een groot gedreun met vreugdegezang, u bossen, en alle geboomte daarin! Want YHWH heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël.[^jesaja-44-23-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v23)

**24** Zo zegt YHWH, uw Verlosser, en Die u gevormd heeft van de buik af: Ik ben YHWH, Die alles[^jesaja-44-24-85] doet,[^jesaja-44-24-g] Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en[^jesaja-44-24-h] Die de aarde uitspant door Mijzelf;[^jesaja-44-24-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v24)

**25** Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en[^jesaja-44-25-87] de waarzeggers dol maakt; Die[^jesaja-44-25-88] de wijzen[^jesaja-44-25-89] achteruit doet keren, en[^jesaja-44-25-90] Die hun wetenschap verdwaast;[^jesaja-44-25-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v25)

**26** Die het woord van Zijn knecht bevestigt, en[^jesaja-44-26-92] de raad van Zijn boden volbrengt;[^jesaja-44-26-94] Die tot Jeruzalem zegt:[^jesaja-44-26-95] U zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: U zult herbouwd worden, en Ik zal[^jesaja-44-26-96] haar verwoeste plaatsen oprichten.[^jesaja-44-26-93][^jesaja-44-26-97] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v26)

**27** Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.[^jesaja-44-27-98] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v27)

**28** Die van Cores zegt: Hij[^jesaja-44-28-99] is Mijn herder, en hij zal[^jesaja-44-28-100] al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond.[^jesaja-44-28-101] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/44.html#v28)

[^jesaja-44-1-a]: Verwijzing a: Jes. 41:8 ; Jes. 43:5 ; Jer. 30:10 ; Jer. 46:27 . Jesaja 41:8 : Maar u, Israël, Mijn knecht! u Jakob, die Ik gekozen heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! Jesaja 43:5 : Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Jeremia 30:10 : U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt YHWH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke. Jeremia 46:27 : Maar u, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.
[^jesaja-44-1-1]: Kanttekening 1: Jakob, en Israël: Door Jakob en Israël worden hier verstaan de uitverkorenen onder de Joden.
[^jesaja-44-2-3]: Kanttekening 3: uw Formeerder: Zie boven Jes. 43:1 . Jesaja 43:1 : Maar nu, zo zegt YHWH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent Mijn.
[^jesaja-44-2-4]: Kanttekening 4: van de buik af: Hij wil zeggen, van die tijd af toen u in het lichaam van uw moeder bent ontvangen; of van dat u uit uw moederbuik bent in de wereld gekomen; zie Richt. 13:5 . Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
[^jesaja-44-2-5]: Kanttekening 5: Die u helpt: Dat is, die gewoon is u te helpen.
[^jesaja-44-2-2]: Kanttekening 2: uw Maker: Zie boven Jes. 43:1 . Jesaja 43:1 : Maar nu, zo zegt YHWH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent Mijn.
[^jesaja-44-2-6]: Kanttekening 6: Zie de aantekening Deut. 32:15 , alwaar Mozes deze naam het volk van God geeft. Deuteronomium 32:15 : Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil.
[^jesaja-44-3-b]: Verwijzing b: Jes. 35:7 ; Joël 2:28 ; Joh. 7:38 ; Hand. 2:18 . Jesaja 35:7 : En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. Handelingen 2:18 : En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
[^jesaja-44-3-7]: Kanttekening 7: water gieten: Dat is, de Heilige Geest, gelijk straks verklaard wordt.
[^jesaja-44-3-8]: Kanttekening 8: de dorstigen: Die naar de gerechtigheid dorsten; Matt. 5:6 . Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
[^jesaja-44-3-9]: Kanttekening 9: Dit is hetzelfde, dat straks gezegd is.
[^jesaja-44-3-10]: Kanttekening 10: op het droge: Dat is, op die, welke van nature noch zaligmakende kennis van God hebben noch tot enige goede werken bekwaam zijn.
[^jesaja-44-3-11]: Kanttekening 11: op uw zaad: Dat is, op uwe nakomelingen, zonen en dochters.
[^jesaja-44-3-12]: Kanttekening 12: op uw nakomelingen: Of, spruiten; zie Job 5:25 . Zie ook Jes. 22:24 . Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde. Jesaja 22:24 : En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis van zijn vader, van de uitspruitelingen en van de afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten van de bekers af, zelfs tot al de vaten van de flessen.
[^jesaja-44-4-13]: Kanttekening 13: tussen in het gras: Of, als tussen het gras.
[^jesaja-44-5-14]: Kanttekening 14: Deze zal zeggen: … die zal zich noemen: De zin is: Zo de gelovige Joden als de gelovige heidenen zullen toelopen tot de Heer hem kennende voor hun Heer en Meester, en zich onder hem begevende, alsmede tot zijn kerk behorende; zie Ps. 87:4 , enz. Psalmen 87:4 : Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren.
[^jesaja-44-5-15]: Kanttekening 15: met de naam van Israël: Dat is een Israëliet, een gelovige of een Christen, gelijk de gelovigen in het Nieuwe Testament genoemd worden; zij zijn geestelijkerwijze Israëlieten en kinderen van Abraham. Zie Rom. 4:11 , 4:12 , en Rom. 11:26 ; idem, Gal. 3:29 , en Gal. 6:16 . Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Romeinen 4:12 : En een vader van de besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Galaten 3:29 : En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^jesaja-44-6-16]: Kanttekening 16: zijn Verlosser: Te weten van Israël.
[^jesaja-44-6-c]: Verwijzing c: Jes. 41:4 ; Jes. 48:12 ; Openb. 1:8 ; idem 1:17 ; Openb. 22:13 . Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. Jesaja 48:12 : Hoor naar Mij, o Jakob! en u Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste. Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 1:17 : En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; Openbaring 22:13 : Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
[^jesaja-44-6-17]: Kanttekening 17: Ik ben de Eerste: God is zonder begin en zonder einde.
[^jesaja-44-7-18]: Kanttekening 18: wie zal: Wat god onder de goden van de heidenen.
[^jesaja-44-7-19]: Kanttekening 19: Als God iets roept is het straks daar; met zijn woord kan Hij voortbrengen zelfs wat nog niet is; Hij geeft allen creaturen het wezen door zijn woord; Hij onderhoudt en regeert ook alle dingen door zijn almachtige voorzienigheid; ook voorzegt Hij, als het Hem belieft, toekomende dingen.
[^jesaja-44-7-20]: Kanttekening 20: Te weten gelijk Ik ze eerst geschapen en in verscheidene landen uitgespreid heb.
[^jesaja-44-7-21]: Kanttekening 21: een eeuwig volk: Te weten een uitverkoren volk, dat in eeuwigheid bij mij zal leven en zonder overlast van mij onderhouden worden, beroepen door de predikatie van mijn Woord.
[^jesaja-44-7-22]: Kanttekening 22: Anders: trots dat zij hun, enz. Jes. 41:22 . Jesaja 41:22 : Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.
[^jesaja-44-7-23]: Kanttekening 23: laat ze de toekomstige: Te weten die valse goden.
[^jesaja-44-7-24]: Kanttekening 24: hun verkondigen: Hun dienaren.
[^jesaja-44-8-25]: Kanttekening 25: Verschrikt niet: Of, weest niet vervaard, o u mijn volk, maar vertrouwt op mij.
[^jesaja-44-8-26]: Kanttekening 26: van toen af: Te weten van die tijd af, toen Ik mij een eeuwig volk gezet heb, vers 7 . Jesaja 44:7 : En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.
[^jesaja-44-8-27]: Kanttekening 27: niet doen horen en verkondigd: Te weten dat Ik de enige, eeuwige ware God ben, gelijk Ik zulks ten alle tijde heb doen blijken.
[^jesaja-44-8-d]: Verwijzing d: Deut. 4:35 ; idem 4:39 ; Deut. 32:39 ; 1 Sam. 2:2 ; Jes. 45:21 . Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:2 : Er is niemand heilig, gelijk YHWH; want er is niemand dan U, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! Jesaja 45:21 : Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, YHWH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.
[^jesaja-44-8-28]: Kanttekening 28: Mijn getuigen: Gelijk Jes. 43:10 . Jesaja 43:10 : Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt YHWH, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat u het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelfde ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
[^jesaja-44-8-29]: Kanttekening 29: geen andere rotssteen: Dat is, geen ander God onder wiens bescherming men vrij schuilen en blijven kan. Zie Deut. 32:4 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
[^jesaja-44-9-30]: Kanttekening 30: gesneden beelden: Versta hieronder allerlei afgodische beelden.
[^jesaja-44-9-31]: Kanttekening 31: hun gewenste dingen: Dat is, hun schoonste en kostelijkste sieraad, waarmee zij versierd en behangen zijn. Of versta hier door gewenste dingen hun beelden, waar zij om wensen en waar zij hun lust in hebben.
[^jesaja-44-9-32]: Kanttekening 32: Te weten van de afgoden, aan welke de afgodendienaars hun lust hebben.
[^jesaja-44-9-33]: Kanttekening 33: Te weten van de afgodendienaars.
[^jesaja-44-9-34]: Kanttekening 34: Dat is, zij overtuigen hen in hun conscientiën dat zij ijdele en nietige dingen zijn, terwijl zij niet zien noch verstaan. Zie Ps. 115:5 . Psalmen 115:5 : Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
[^jesaja-44-9-35]: Kanttekening 35: daarom zullen zij beschaamd worden: Of, opdat zij beschaamd worden. Dit geschiedt aldus door de regering Gods, opdat de afgodendienaars te schande zouden komen.
[^jesaja-44-9-36]: Kanttekening 36: Te weten de afgodendienaars.
[^jesaja-44-10-37]: Kanttekening 37: Wie formeert: Dit schijnt te zijn een vraag van de afgodendienaars, die in de naaste verzen wordt beantwoord. Of men kan het nemen voor Gods woorden, die de dwaasheid van de afgodendienaars aldus bespot.
[^jesaja-44-10-38]: Kanttekening 38: een god: Dat is, een afgod, die naar de mening van de afgodendienaars een god is, maar niet inderdaad en waarheid.
[^jesaja-44-10-39]: Kanttekening 39: een beeld: Zie boven Jes. 40:19 . Jesaja 40:19 : De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
[^jesaja-44-10-40]: Kanttekening 40: dat geen nut doet: Dat is, dat inderdaad niet dan ijdelheid is.
[^jesaja-44-11-e]: Verwijzing e: Ps. 97:7 ; Jes. 1:29 ; Jes. 42:17 ; Jes. 45:16 . Psalmen 97:7 : Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle u goden! Jesaja 1:29 : Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt. Jesaja 42:17 : Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: U bent onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden. Jesaja 45:16 : Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.
[^jesaja-44-11-41]: Kanttekening 41: hun medegenoten: Of, hun metgezellen; te weten de afgodendienaars, of dergenen, die zich beelden maken om God voor te stellen.
[^jesaja-44-11-42]: Kanttekening 42: uit de mensen: Vergelijk Hos. 8:6 . Of, en de werkmeesters meer dan \[andere\] mensen. Of aldus: De werkmeesters zullen geen mensen meer zijn; dat is, uit de mensen weggerukt worden. Hosea 8:6 : Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
[^jesaja-44-11-43]: Kanttekening 43: Te weten alle afgodendienaars, gelijk boven Jes. 43:9 . Jesaja 43:9 : Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.
[^jesaja-44-11-44]: Kanttekening 44: zullen verschrikken: Te weten wanneer hun God tehuis zal zoeken en hun afgoden vernielen zal.
[^jesaja-44-12-f]: Verwijzing f: Jer. 10:3 . Jeremia 10:3 : Want de inzettingen van de volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de werkmeesters handen met de bijl.
[^jesaja-44-12-45]: Kanttekening 45: een bijl: Met welke de timmerman een boom afhouwt om een afgod daarvan te timmeren.
[^jesaja-44-12-46]: Kanttekening 46: in de gloed: Anders: in de kolen.
[^jesaja-44-12-47]: Kanttekening 47: en werkt het: Of, en arbeidt daaraan met de kracht van zijn arm. Hebreeuws, met de arm van zijn kracht (זְרוֹעַ).
[^jesaja-44-12-48]: Kanttekening 48: ook lijdt hij honger: De zin is: Hij is zo ijverig en naarstig in het smeden van zijn afgod, en hij is er zo mee bezig dat hij er honger en gebrek bij lijdt \[verzuimende zijn ander werk\], of, dat hij de tijd niet neemt om te eten of te drinken.
[^jesaja-44-12-49]: Kanttekening 49: amechtig wordt: Of, moe is.
[^jesaja-44-13-50]: Kanttekening 50: De timmerman: Hebreeuws, de graver, of hakker van de bomen.
[^jesaja-44-13-51]: Kanttekening 51: trekt het richtsnoer: Te weten over de boom, waar hij een afgod van meent te maken.
[^jesaja-44-13-52]: Kanttekening 52: het af: Te weten \[het hout, of hem\] te weten de boom, en zo voortaan.
[^jesaja-44-13-53]: Kanttekening 53: met de draad: Te weten die met krijt bestreken is; anders: met een geverfden draad; anders: met rode aarde.
[^jesaja-44-13-54]: Kanttekening 54: hij maakt het: Of, hij behouwt het met de bijl.
[^jesaja-44-13-55]: Kanttekening 55: dat het in het huis: Of, om in het huis te wonen; dat is, dat het in de tempel van de afgoden gesteld worde; of ook wel in een eigen huis van een ijverigen afgodendienaar.
[^jesaja-44-14-56]: Kanttekening 56: hij versterkt: Of, verkloekt zich, of gebruikt zijn sterkte; te weten om de bomen af te houwen; of hij laat de bomen sterk worden in het woud; te weten voordat hij die afhouwt en tot timmeren gebruikt.
[^jesaja-44-14-57]: Kanttekening 57: Of, esschenboom.
[^jesaja-44-15-58]: Kanttekening 58: Dan is het: Dat is, dan dienen deze bomen tot brandhout.
[^jesaja-44-15-59]: Kanttekening 59: een god: Dat is, een afgod, een beeld, dat hij voor zijn god houdt.
[^jesaja-44-15-60]: Kanttekening 60: van, en buigt zich: Te weten van die boom, of van dat hout.
[^jesaja-44-16-61]: Kanttekening 61: Zijn helft: Te weten de helft van de boom.
[^jesaja-44-16-62]: Kanttekening 62: eet hij vlees: De zin is: Hij kookt er het vlees bij, dat hij eten wil; of hij zit bij het vuur en eet zijn voedsel.
[^jesaja-44-16-63]: Kanttekening 63: Of, Hejah, ik heb mij gewarmd.
[^jesaja-44-16-64]: Kanttekening 64: ik heb het vuur gezien: Dat is, ik heb de warmte van het vuur gevoeld; zo staat er Joh. 8:51 , de dood zien, voor de dood gevoelen, enz. Johannes 8:51 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in eeuwigheid.
[^jesaja-44-18-65]: Kanttekening 65: Zij weten niet: Te weten de afgodendienaars.
[^jesaja-44-18-66]: Kanttekening 66: het heeft: Te weten het beeld, of de afgod.
[^jesaja-44-18-67]: Kanttekening 67: hun ogen: Te weten met valsen waan en bijgeloof, die hun ogen ten enenmale verblinden. Anders: want \[God\] heeft hun ogen gesloten, enz. als zijnde een antwoord op het vragen dergenen, die met verwondering vragen hoe het mogelijk is, dat enig mens zo blind is, dat hij zulke verschrikkelijke afgoderij begaat.
[^jesaja-44-19-68]: Kanttekening 68: En niemand: De zin is: Het hart van de afgodendienaars hangt zo vast aan de afgoden, dat zij schijnen verrukt van zinnen te zijn.
[^jesaja-44-19-69]: Kanttekening 69: De helft daarvan: Te weten de helft van de boom, waarvan ik deze god gemaakt heb.
[^jesaja-44-19-70]: Kanttekening 70: op de kolen: Hebreeuws, op zijn kolen; dat is, op de kolen, die van dat hout gekomen zijn. Zie Job 41:12 . Job 41:12 : Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.
[^jesaja-44-19-71]: Kanttekening 71: tot een gruwel maken: Dat is, tot een afgod, waarvan de ware God een afkeer heeft.
[^jesaja-44-19-72]: Kanttekening 72: voor wat: Dat is, voor het blok, of de tak, of de stam van de boom.
[^jesaja-44-20-73]: Kanttekening 73: Te weten de afgodendienaar.
[^jesaja-44-20-74]: Kanttekening 74: voedt zich: Of, weidt zich met as; dat is, hij zoekt verkwikking bij zijn afgoden, maar tevergeefs, het is even zoveel alsof hij as at om daarvan verzadigd te worden. Zie Job 13:12 , en Hos. 12:2 . Job 13:12 : Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem. Hosea 12:2 : Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^jesaja-44-20-75]: Kanttekening 75: ter zijde : Te weten van de ware God, religie, of godsdienst. Of aldus: Het hart is bedrogen, het heeft hem afgeleid.
[^jesaja-44-20-76]: Kanttekening 76: niet redden kan: Te weten uit de dwaling en valse religie.
[^jesaja-44-20-77]: Kanttekening 77: een leugen: Of, valsheid, of bedriegerij; dat is, een bedriegelijke zaak of bedriegelijk ding.
[^jesaja-44-20-78]: Kanttekening 78: in mijn rechterhand: Dat is, bij deze valse god, waarmee ik omga.
[^jesaja-44-21-79]: Kanttekening 79: u bent Mijn knecht: Alle mensen zijn geschapen om God te eren en te dienen, maar in het bijzonder had God de Heer hiertoe Abraham en zijn zaad uitverkoren en zijn wet gegeven; Luk. 1:74 , 1:75 . Lukas 1:74 : Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. Lukas 1:75 : In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven.
[^jesaja-44-21-80]: Kanttekening 80: u zult van Mij: Anders: vergeet mij niet, of toont u niet vergetelijk van mij.
[^jesaja-44-22-81]: Kanttekening 81: Ik delg: Vergelijk Ps. 51:3 , en Jes. 43:25 . Psalmen 51:3 : Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet.
[^jesaja-44-22-82]: Kanttekening 82: als een nevel: Dat is, gelijk Ik maken kan dat de dikke duistere wolken haast verdwijnen, zo delg Ik ook uwe zonden uit.
[^jesaja-44-23-83]: Kanttekening 83: u hemelen: In vers 23 wendt de profeet zijn aanspraak tot de ongevoelige schepselen, alsof hij zei: Het werk dat de Heer aan zijn volk bewijzen zal, zal zo groot zijn dat zelfs de ongevoelige en onredelijke schepselen zich daarover zullen ontzetten; vergelijk Jes. 35:1 . Jesaja 44:23 : Zingt met vreugde, u hemelen! want YHWH heeft het gedaan; juicht, u benedenste delen van de aarde! u bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, u bossen, en alle geboomte daarin! Want YHWH heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël. Jesaja 35:1 : De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.
[^jesaja-44-23-84]: Kanttekening 84: want YHWH: Of, dat YHWH \[zulks\] gedaan heeft; te weten dat Hij zijn volk verlost heeft, gelijk straks volgt.
[^jesaja-44-24-85]: Kanttekening 85: van de buik af: Zie boven vers 2 . Jesaja 44:2 : Zo zegt YHWH, uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en u, Jeschurun, die Ik uitverkoren heb!
[^jesaja-44-24-g]: Verwijzing g: Job 9:8 ; Ps. 104:2 . Job 9:8 : Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn.
[^jesaja-44-24-h]: Verwijzing h: Jes. 40:22 ; Jes. 42:5 ; Jes. 45:12 . Jesaja 40:22 : Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; Jesaja 42:5 : Zo zegt God, YHWH, Die de hemelen geschapen, en dezelfde uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die de volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest dengenen, die daarop wandelen: Jesaja 45:12 : Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun legermacht bevel gegeven.
[^jesaja-44-24-86]: Kanttekening 86: Of, doe, en zo in het volgende van vers 24 , en vers 25 , 44:26 . Jesaja 44:24 : Zo zegt YHWH, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van de buik af: Ik ben YHWH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf; Jesaja 44:25 : Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast; Jesaja 44:26 : Die het woord van Zijn knecht bevestigt, en de raad van Zijn boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: U zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten.
[^jesaja-44-25-87]: Kanttekening 87: van de leugendichters: Dat is, van de afgodendienaars; of van de tekenbeduiders, voorzeggers, enz. op wier ijdele voorzeggingen de Babyloniërs en heidenen groot acht gaven.
[^jesaja-44-25-88]: Kanttekening 88: de waarzeggers: Zie Spreuk. 16:10 . Spreuken 16:10 : Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
[^jesaja-44-25-89]: Kanttekening 89: de wijzen: Dat is, die menen wijs te zijn; zie Job 5:13 . Job 5:13 : Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad van de verdraaiden gestort wordt.
[^jesaja-44-25-90]: Kanttekening 90: Dat is, hun aanslagen teniet doet.
[^jesaja-44-25-91]: Kanttekening 91: Die hun wetenschap: Of, die hun kunst dwaas maakt.
[^jesaja-44-26-92]: Kanttekening 92: het woord: Dat Hij door de mond van zijn knecht Jesaja gesproken heeft, te weten dat Hij de stad Babel door Cyrus zou laten innemen en zijn volk weer in hun vaderland brengen zou.
[^jesaja-44-26-94]: Kanttekening 94: Zijn boden: Welke zijn boden, de profeten, zijn volk verkondigd hebben en nog verkondigen zullen.
[^jesaja-44-26-95]: Kanttekening 95: Die tot Jeruzalem zegt: Hier verklaart de Heer zichzelven, te kennen gevende van welke raadslag Hij straks gesproken heeft.
[^jesaja-44-26-96]: Kanttekening 96: U zult bewoond: Te weten na de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, nadat zij zeventig jaar in de as en het puin zeer jammerlijk zou gelegen hebben.
[^jesaja-44-26-93]: Kanttekening 93: de raad: Te weten zijn raad van het wederbrengen van zijn volk uit de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-44-26-97]: Kanttekening 97: haar verwoeste plaatsen: Te weten van de verwoeste plaatsen van het land Judea.
[^jesaja-44-27-98]: Kanttekening 98: Die tot de diepte: De zin is: Ik ben het, die tot de diepte zegt, enz., dat is, Ik zal alle hindernissen, die de wederkomst van mijn volk verhinderen, zijnde als grote waterdiepten door welke zij zouden moeten gaan, wegnemen. Enige menen dat God hier ziet op wat Cyrus gedaan heeft, alsof Hij zei: Ik ben het, die de koning Cyrus in de zin zal geven, dat hij de Eufraat van bij Babel afleiden zal, om zo in de stad met zijn heirleger te komen.
[^jesaja-44-28-99]: Kanttekening 99: Anders Cyrus genoemd, een voortreffelijk koning in Perzië, die nog eerst omtrent honderd jaar na deze profetie geboren is.
[^jesaja-44-28-100]: Kanttekening 100: is Mijn herder: Dat is, hij is van mij gesteld, dat hij zich als een herder, dat is als een goedertieren prins, tegen mijn volk bewijze, bij name om hetzelfde uit de Babylonische gevangenis opnieuw in zijn land te herstellen. Vergelijk Dan. 9:25 . Daniël 9:25 : Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord, om te doen terugkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen opnieuw gebouwd worden, maar in benauwdheid van de tijden.
[^jesaja-44-28-101]: Kanttekening 101: al Mijn welgevallen: Wat betreft de wederbrenging van mijn volk uit Babel in hun vaderland.

### Jesaja 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/45.json)

*Profetie dat de koning Cyrus de stad Babel zou innemen en de Joden uit de gevangenschap zou verlossen, vers 1 enzovoort. Bestraffing van hen die tegen God morren, 9, die almachtig is, 12. Hij belooft Cyrus zijn bijstand, 13. Voorzegging van de bekering van de heidenen, 14. Dreiging over de beeldenmakers, 16, en beeldenvereerders, 20. De heidenen worden geroepen en uitgenodigd zich tot Christus te bekeren, 22. De Heere voorzegt dat Hij door alle volken bekend en geeerd zou worden, 23.*

**1** Zo zegt YHWH[^jesaja-45-1-1] tot[^jesaja-45-1-2] Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat,[^jesaja-45-1-3] om de volken voor zijn aangezicht neer te werpen; en Ik zal[^jesaja-45-1-4] de lendenen[^jesaja-45-1-5] van de[^jesaja-45-1-6] koningen ontbinden, om[^jesaja-45-1-7] voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:[^jesaja-45-1-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v1)

**2** Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal[^jesaja-45-2-9] de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik[^jesaja-45-2-10] in stukken slaan.[^jesaja-45-2-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v2)

**3** En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn,[^jesaja-45-3-12] en de verborgen rijkdommen; opdat u mag weten, dat Ik YHWH ben,[^jesaja-45-3-13] Die u bij uw naam roept, de God van Israël;[^jesaja-45-3-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v3)

**4** Omwille van Jakob, Mijn knecht, en Israël, Mijn uitverkorene; ja, Ik riep u bij uw naam,[^jesaja-45-4-15] Ik noemde u[^jesaja-45-4-16] toe, hoewel u Mij niet kende.[^jesaja-45-4-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v4)

**5** [^jesaja-45-5-a] Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent.[^jesaja-45-5-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v5)

**6** Opdat men wete, van de opgang van de zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben YHWH, en niemand meer.[^jesaja-45-6-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v6)

**7** Ik formeer het licht, en schep[^jesaja-45-7-20] de duisternis; Ik maak[^jesaja-45-7-21] de vrede en schep[^jesaja-45-7-22][^jesaja-45-7-b] het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen.[^jesaja-45-7-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v7)

**8** Drup, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien[^jesaja-45-8-24] van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei[^jesaja-45-8-25] heil uitwasse, en gerechtigheid[^jesaja-45-8-26] samen uitspruiten; Ik, YHWH, heb[^jesaja-45-8-27] ze geschapen.[^jesaja-45-8-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v8)

**9** Wee hem, die met zijn[^jesaja-45-9-29] Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven![^jesaja-45-9-c] Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk[^jesaja-45-9-30] zeggen: Hij heeft geen handen?[^jesaja-45-9-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v9)

**10** Wee hem, die tot de vader zegt: Wat genereert u? en tot de vrouw: Wat baart u?[^jesaja-45-10-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v10)

**11** Zo zegt YHWH, de Heilige van Israël, en zijn Formeerder: Zij[^jesaja-45-11-33] hebben Mij van toekomende dingen gevraagd;[^jesaja-45-11-34] van Mijn kinderen, zou u Mij van het werk van Mijn handen bevel geven?[^jesaja-45-11-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v11)

**12** Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb[^jesaja-45-12-36] al hun leger bevel gegeven.[^jesaja-45-12-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v12)

**13** Ik heb hem[^jesaja-45-13-38] verwekt in gerechtigheid, en[^jesaja-45-13-39] al zijn wegen zal Ik recht maken;[^jesaja-45-13-40] hij zal[^jesaja-45-13-41] Mijn stad[^jesaja-45-13-d] bouwen, en hij[^jesaja-45-13-42] zal Mijn[^jesaja-45-13-43] gevangenen loslaten,[^jesaja-45-13-44] niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt YHWH van de legermachten.[^jesaja-45-13-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v13)

**14** Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en[^jesaja-45-14-46] de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen[^jesaja-45-14-48] tot u overkomen, en[^jesaja-45-14-49] zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen,[^jesaja-45-14-50] in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken,[^jesaja-45-14-51] zeggende: Zeker, God is in u, en[^jesaja-45-14-e] er is anders geen God meer.[^jesaja-45-14-47][^jesaja-45-14-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v14)

**15** Werkelijk, U bent een God,[^jesaja-45-15-53] Die Zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland.[^jesaja-45-15-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v15)

**16** Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; samen zullen zij met schande heengaan,[^jesaja-45-16-f] die[^jesaja-45-16-55] de afgoden maken.[^jesaja-45-16-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v16)

**17** Maar Israël[^jesaja-45-17-57] wordt verlost door YHWH, met[^jesaja-45-17-58] een eeuwige verlossing;[^jesaja-45-17-59] u zult niet beschaamd noch tot schande worden,[^jesaja-45-17-60] tot in alle eeuwigheden.[^jesaja-45-17-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v17)

**18** Want zo zegt YHWH,[^jesaja-45-18-g] Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde gevormd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft[^jesaja-45-18-62] ze gevormd, opdat men daarin wonen[^jesaja-45-18-h] zou: Ik ben YHWH, en niemand meer.[^jesaja-45-18-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v18)

**19** Ik heb[^jesaja-45-19-i] niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd:[^jesaja-45-19-64] Zoek Mij te vergeefs; Ik ben YHWH,[^jesaja-45-19-65] Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.[^jesaja-45-19-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v19)

**20** Verzamel u, en komt, treedt hier toe samen,[^jesaja-45-20-67] u, die van de heidenen ontkomen bent![^jesaja-45-20-k] Zij weten niets, die[^jesaja-45-20-68] hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.[^jesaja-45-20-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v20)

**21** Verkondig en[^jesaja-45-21-70] treedt hier toe, ja,[^jesaja-45-21-71] beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen[^jesaja-45-21-72] van ouds her? Wie heeft[^jesaja-45-21-73] dat[^jesaja-45-21-l] van toen af verkondigd?[^jesaja-45-21-m] Ben Ik het niet, YHWH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.[^jesaja-45-21-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v21)

**22** Wend u naar Mij toe, wordt behouden,[^jesaja-45-22-75] alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer.[^jesaja-45-22-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v22)

**23** Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en[^jesaja-45-23-77] het zal niet terugkeren: dat[^jesaja-45-23-78][^jesaja-45-23-n] Mij[^jesaja-45-23-79] alle knie zal gebogen worden,[^jesaja-45-23-80] alle tong Mij zal zweren.[^jesaja-45-23-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v23)

**24** Men zal van Mij zeggen: Zeker,[^jesaja-45-24-82] in YHWH zijn[^jesaja-45-24-83] gerechtigheden en[^jesaja-45-24-84] sterkte;[^jesaja-45-24-85] tot Hem zal men komen;[^jesaja-45-24-86] maar zij zullen beschaamd worden[^jesaja-45-24-o] allen, die tegen Hem ontstoken zijn.[^jesaja-45-24-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v24)

**25** Maar in YHWH zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen,[^jesaja-45-25-88] het hele zaad van Israël.[^jesaja-45-25-89] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/45.html#v25)

[^jesaja-45-1-1]: Kanttekening 1: Of, van.
[^jesaja-45-1-2]: Kanttekening 2: Zijn gezalfde: Dat is, tot, of van die koning, die God heeft gekozen, gezalfd en verheven tot koning in Perzië en ook in Babylonië, opdat hij de Joden uit de Babylonische gevangenschap verlossen zou.
[^jesaja-45-1-3]: Kanttekening 3: Of, van.
[^jesaja-45-1-4]: Kanttekening 4: om de volken: De Chaldeën en andere volken.
[^jesaja-45-1-5]: Kanttekening 5: de lendenen: Dat is, de gordel, waarmee hun lenden omgord zijn.
[^jesaja-45-1-6]: Kanttekening 6: van de koningen: Van de koning van Babylonië, en ook andere koningen en vorsten, die hem toegedaan zijn.
[^jesaja-45-1-7]: Kanttekening 7: Dat is, Ik zal hen krachteloos en onweerbaar maken, benemende hun alle macht en middelen van zich tegen Cores te kunnen stellen. Zie Job 12:18 . Job 12:18 : De band van de koningen maakt Hij los, en Hij bindt de gordel aan hun lenden.
[^jesaja-45-1-8]: Kanttekening 8: voor zijn aangezicht: Dat is, alle steden en vastigheden, in het bijzonder de stad Babel, zal hij innemen; zij zullen hem zulks niet kunnen verhinderen.
[^jesaja-45-2-9]: Kanttekening 9: Ik zal voor uw aangezicht: Een aanspraak van God aan Cores.
[^jesaja-45-2-10]: Kanttekening 10: de kromme wegen: Hebreeuws, het hoekige, of de krommigheden; dat is, Ik zal door mijn kracht wegnemen alles wat u enigszins in de weg zou mogen liggen of hinderlijk zijn.
[^jesaja-45-2-11]: Kanttekening 11: in stukken slaan: Of, afsnijden, afhouwen.
[^jesaja-45-3-12]: Kanttekening 12: de schatten: Hebreeuws, de schatten van de duisternissen; dat is, die in het duistere verborgen liggen.
[^jesaja-45-3-13]: Kanttekening 13: en de verborgene: Hebreeuws, de schatten van de schuilplaatsen; dat is, die in hoeken en gaten verstopt zijn en verborgen liggen.
[^jesaja-45-3-14]: Kanttekening 14: Die u : Dat is, die u tot dit werk geroepen en verordineerd heb.
[^jesaja-45-4-15]: Kanttekening 15: Om Jakobs, Mijn knechts wil: Dat is, opdat u de nakomelingen van Jakob uit de gevangenschap verlost, of verlaat, dat zij weer naar hun vaderland keren.
[^jesaja-45-4-16]: Kanttekening 16: Ik noemde u toe: Dat is, Ik heb u volkomen gekend, gelijk wij in onze taal zeggen, bij naam en toenaam.
[^jesaja-45-4-17]: Kanttekening 17: hoewel u Mij niet kende: O, toen u mij niet kende. Zo ook vers 5 . Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent.
[^jesaja-45-5-a]: Verwijzing a: Deut. 4:35 ; idem 4:39 ; Deut. 32:39 ; Jes. 44:8 . Deuteronomium 4:35 : U is het getoond, opdat u weet, dat YHWH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! Deuteronomium 32:39 : Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! Jesaja 44:8 : Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God behalve Mij? Immers, is er geen andere rotssteen: Ik ken er geen?
[^jesaja-45-5-18]: Kanttekening 18: Ik zal u gorden: Dat is, Ik zal u sterkte geven in het strijden tegen de Babyloniërs. Zie Jes. 22:21 . Jesaja 22:21 : En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoneren te Jeruzalem en de huize van Juda tot een vader zijn.
[^jesaja-45-6-19]: Kanttekening 19: dat er buiten Mij niets is: Dat is, dat er behalve mij geen God is, noch iets anders buiten mij is of bestaan kan. Want in God zijn wij, wij leven en zweven in Hem. Anders: dat er niemand is, buiten, of behalve mij.
[^jesaja-45-7-20]: Kanttekening 20: Ik formeer: Dat is, Ik ben het, die de mensen geluk en voorspoed doe overkomen. Licht voor vreugde en welstand. Zie Esth. 8:16 , en de aantekening daar. Zie ook Job 18:6 ; Ps. 27:1 . Esther 8:16 : Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; Job 18:6 : Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. Psalmen 27:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijn levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn?
[^jesaja-45-7-21]: Kanttekening 21: de duisternis: Dat is, jammer en ellende; zie de aantekening Gen. 15:12 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^jesaja-45-7-22]: Kanttekening 22: de vrede: Vergelijk Ps. 46:10 . Psalmen 46:10 : Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde van de aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagens met vuur verbrandt.
[^jesaja-45-7-b]: Verwijzing b: Klaagl. 3:38 ; Amos 3:6 . Klaagliederen 3:38 : Mem. Gaat niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en het goede? Amos 3:6 : Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^jesaja-45-7-23]: Kanttekening 23: het kwaad: Dat is, de straffen en plagen. Zie Gen. 19:19 ; Amos 3:6 . Genesis 19:19 : Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! Amos 3:6 : Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^jesaja-45-8-24]: Kanttekening 24: u hemelen: Wat God hier de hemel en de aarde beveelt, dat belooft Hij tegelijk zijn volk te geven \[eigenlijk te spreken, verstaan de aarde en hemel niet wat God hun beveelt\]. God belooft zijn volk dat Hij hen met de vreugde van de verlossing uit Babylonië overvloediglijk zegenen en verzadigen zou.
[^jesaja-45-8-25]: Kanttekening 25: van gerechtigheid: De verlossing uit de Babylonische gevangenschap is een werk van de gerechtigheid van God, zo ten aanzien van zijn beloften als ten aanzien dat het billijk is, dat het volk van God verkwikking, de Babyloniërs straf ontvangen; en versta hierbij, de geestelijke verlossing door Christus. En zo meermalen in het volgende.
[^jesaja-45-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, verlossing van mijn volk.
[^jesaja-45-8-27]: Kanttekening 27: te zamen uitspruiten: Anders: en dat zij, te weten de wolken, heil voortbrengen en zij haar, te weten de aarde, doe uitspruiten met elkaar.
[^jesaja-45-8-28]: Kanttekening 28: heb ze geschapen: Of, heb hem, te weten Cores, geschapen; dat is, daartoe bestemd, te weten om mijn volk uit de gevangenschap te verlossen; of heb het geschapen.
[^jesaja-45-9-29]: Kanttekening 29: Wee die: Hier scheldt en bestraft de Heer degenen, die daar morden, omdat Hij hen zolang in de Babylonische gevangenschap liet blijven, en integendeel hun vijanden lustig en vrolijk liet zijn. Hij stelt hun voor ogen zijn macht en hoogste vrijheid, die Hij over zijn creaturen heeft. Hij zegt dat zulk hun morren is even alsof een potscherf met de pottenbakker wilde twisten, dat niet betaamt; de ene potscherf mag met de andere twisten als met haar gelijke, maar dat een mens, die maar een potscherf is, met God zou twisten, dat betaamt geheel niet. De volgende woorden worden aldus overgezet: dat een potscherf met aarde potscherven \[twist\]; of als \[of\] een potscherf met aarden potten \[twistte\].
[^jesaja-45-9-c]: Verwijzing c: Jer. 18:6 ; Rom. 9:20 . Jeremia 18:6 : Zal Ik u niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis van Israël? spreekt YHWH; ziet, gelijk leem in de hand van de pottenbakkers, zo bent u in Mijn hand, o huis van Israël! Romeinen 9:20 : Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?
[^jesaja-45-9-30]: Kanttekening 30: God heeft in de beginne Adam, en ons in hem, allemaal uit de aarde geschapen.
[^jesaja-45-9-31]: Kanttekening 31: Hij heeft geen handen: Te weten om iets wel te maken.
[^jesaja-45-10-32]: Kanttekening 32: tot de vrouw: Te weten tot zijn vaders vrouw, dat is, tot zijn moeder.
[^jesaja-45-11-33]: Kanttekening 33: Te weten de goddelozen onder het volk en in het algemeen alle ongelovigen. Het zijnde woorden van de Heer.
[^jesaja-45-11-34]: Kanttekening 34: hebben Mij: Dit hebben zij gedaan met een onheilige stoutheid en onbeschaamdheid, als willende een proeve hebben van mijn goddelijke wetenschap.
[^jesaja-45-11-35]: Kanttekening 35: van Mijn kinderen: Anders aldus: vraagt u mij van toekomende dingen, van mijn kinderen?
[^jesaja-45-12-36]: Kanttekening 36: Ik heb de aarde gemaakt: Alsof God zei: Het zal mij aan de macht niet ontbreken u uit Babel te verlossen, omdat Ik die almachtige God ben, die de hemel en de aarde uit niet geschapen heeft.
[^jesaja-45-12-37]: Kanttekening 37: al hun legermacht: Te weten de zon, maan, sterren. Zie Gen. 2:1 . Genesis 2:1 : Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^jesaja-45-13-38]: Kanttekening 38: Te weten Cores mijn gezalfde, vers 1 . Jesaja 45:1 : Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
[^jesaja-45-13-39]: Kanttekening 39: Te weten om mijn volk uit Babel te verlossen.
[^jesaja-45-13-40]: Kanttekening 40: al zijn wegen: Te weten die Hij tegen de Babyloniërs trekken zal. De zin is: Ik zal hem in zijn aanslagen geluk en goeden voorspoed geven.
[^jesaja-45-13-41]: Kanttekening 41: hij zal: Te weten Cores. Zie Dan. 9:25 . Daniël 9:25 : Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord, om te doen terugkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen opnieuw gebouwd worden, maar in benauwdheid van de tijden.
[^jesaja-45-13-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1:1 ; Jes. 44:28 . 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Jesaja 44:28 : Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond.
[^jesaja-45-13-42]: Kanttekening 42: Mijn stad bouwen: Te weten Jeruzalem, dat Ik mij uitverkoren heb om daarin te wonen. Zie Jes. 31:9 . Jesaja 31:9 : En hij zal van vreze doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt YHWH, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.
[^jesaja-45-13-43]: Kanttekening 43: Mijn gevangenen: De Joden, die mijn volk zijn, onaangezien zij in Babylonië gevangen zijn. Hebreeuws, mijn gevangenis.
[^jesaja-45-13-44]: Kanttekening 44: Te weten om naar Judea, hun vaderland, te trekken.
[^jesaja-45-13-45]: Kanttekening 45: niet voor prijs: Maar vergeefs, uit milddadigheid, om mijnentwil, die hem zulk een voortreffelijke overwinning tegen de Babyloniërs geven zal. Zie Jes. 52:3 . Jesaja 52:3 : Want zo zegt YHWH; Gijlieden zijt om niet verkocht, u zult ook zonder geld gelost worden.
[^jesaja-45-14-46]: Kanttekening 46: De arbeid: Dat is, de rijkdom, die de Egyptenaars met hun arbeid gewonnen en vergaderd hebben.
[^jesaja-45-14-48]: Kanttekening 48: van de mannen: Hebreeuws, mannen van maat; dat is grote sterke mannen. Zie Num. 13:32 . Numeri 13:32 : Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen van Israël, zeggende: Dat land, waardoor wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden van hetzelfde gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
[^jesaja-45-14-49]: Kanttekening 49: tot u overkomen: O Jeruzalem, dat is, tot u, mijn volk, te weten nadat zij de Christelijke religie zullen hebben aangenomen.
[^jesaja-45-14-50]: Kanttekening 50: zij zullen de uwe zijn: Te weten die volken.
[^jesaja-45-14-51]: Kanttekening 51: in boeien: Overwonnen zijnde niet met zwaard of spies, of met uiterlijk geweld, maar door de kracht van de hemelse waarheid, en van de Heilige Geest in hun conscientiën overtuigd zijnde.
[^jesaja-45-14-e]: Verwijzing e: boven, v. 5 . Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent.
[^jesaja-45-14-47]: Kanttekening 47: de koophandel: Dat is, het geld dat zij met koophandel gewonnen hebben.
[^jesaja-45-14-52]: Kanttekening 52: Anders: God is alleen bij u, of in u, o u stad van God. Versta hier, vooreerst Jeruzalem, daarna de Christelijke kerk.
[^jesaja-45-15-53]: Kanttekening 53: Dit zijn de woorden van de profeet.
[^jesaja-45-15-54]: Kanttekening 54: Die Zich verborgen: Dat is, die onzichtbaar en onbegrijpelijk zijt, en tot welke men niet komen kan, als wonende in een onaankomelijk licht; en die voor de heidenen verborgen hebt gehouden het geheim van de verlossing, dat de Messias de Joden en heidenen zou aanbrengen, en verder die U als verborgen houdt, omdat U uwe kerk laat aanvechten, niet opstaande noch U vertonende tot verlossing derzelve vóór de bestemde tijd.
[^jesaja-45-16-f]: Verwijzing f: Jes. 44:11 . Jesaja 44:11 : Ziet, al hun medegenoten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich allemaal vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen te zamen beschaamd worden.
[^jesaja-45-16-55]: Kanttekening 55: Zij zullen beschaamd: Te weten al de beeldenmakers en de afgodendienaars.
[^jesaja-45-16-56]: Kanttekening 56: de afgoden maken: Hebreeuws dat is, pijnen, smarten, benauwdheden; zulks brengen de afgoden hun dienaren aan; vergelijk 1 Sam. 31:9 ; 2 Sam. 5:21 . 1 Samuël 31:9 : En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21 : En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^jesaja-45-17-57]: Kanttekening 57: Dat is, de ware kerk van God.
[^jesaja-45-17-58]: Kanttekening 58: wordt verlost: Of, is behouden; dat is, zal behouden worden.
[^jesaja-45-17-59]: Kanttekening 59: met : Hebreeuws, met ene verlossing of behouding van de eeuwigheden.
[^jesaja-45-17-60]: Kanttekening 60: Te weten u Israëlieten, mijn volk, alle gelovigen, zij zijn Joden of heidenen.
[^jesaja-45-17-61]: Kanttekening 61: tot in alle eeuwigheden: Hebreeuws, tot in eeuwigheden van de eeuwigheid (עוֹלָמִים).
[^jesaja-45-18-g]: Verwijzing g: Jes. 42:5 . Jesaja 42:5 : Zo zegt God, YHWH, Die de hemelen geschapen, en dezelfde uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die de volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest dengenen, die daarop wandelen:
[^jesaja-45-18-62]: Kanttekening 62: dat zij leeg: Hebreeuws, ledigheid, of ijdelheid.
[^jesaja-45-18-h]: Verwijzing h: boven, v. 5 ; boven, v. 14 . Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.
[^jesaja-45-18-63]: Kanttekening 63: opdat men: En in het bijzonder mee tot dat einde, opdat Hij zich uit de mensen op aarde ene kerk verzamele, in welke Hij bekend en beleden worde.
[^jesaja-45-19-i]: Verwijzing i: Deut. 30:11 . Deuteronomium 30:11 : Want ditzelve gebod, dat ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre.
[^jesaja-45-19-64]: Kanttekening 64: Ik heb niet: Dat is, de beloften, die Ik u gedaan heb, zijn klaar, daarom hebt u geen oorzaak om aan dezelfde te twijfelen. Anderen menen dat de profeet hier ziet op de verkondiging van de wet van God door Mozes, Ex. 19 .
[^jesaja-45-19-65]: Kanttekening 65: Zoekt Mij te vergeefs: Anders: zoekt mij alsof Ik een nietig ding ware. Hebreeuws, \[met\] ledigheid, of ijdelheid.
[^jesaja-45-19-66]: Kanttekening 66: Die gerechtigheid: Gods Woord is een regel van alle gerechtigheid, en al wat Hij zijn volk belooft, gaat zeker en vast.
[^jesaja-45-20-67]: Kanttekening 67: hier toe samen: Te weten tot de gemeente van God.
[^jesaja-45-20-k]: Verwijzing k: Jes. 44:18 ; idem v. 19 . Jesaja 44:18 : Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan. Jesaja 44:19 : En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik nederknielen voor wat van een boom gekomen is?
[^jesaja-45-20-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, u ontkomenen van de heidenen.
[^jesaja-45-20-69]: Kanttekening 69: hun houten: Gelijk in de optochten geschiedt. Hebreeuws, het hout van het gesneden beeld.
[^jesaja-45-21-70]: Kanttekening 70: Zegt het elkaar aan wat u van de grote daden van de Heer en van zijn waarheid in zijn beloften bevonden hebt.
[^jesaja-45-21-71]: Kanttekening 71: Te weten tot de gemeente van God.
[^jesaja-45-21-72]: Kanttekening 72: Te weten hoe u elkaar tot de gemeente van God zult brengen.
[^jesaja-45-21-73]: Kanttekening 73: van ouds her: Te weten van die tijd af, toen zich de Heer aan zijn kerk heeft geopenbaard; hetzij dat wij dit nemen van de verkondiging van de wet, hetzij dat God met Abraham heeft opgericht, of met onzer aller vader Adam in het paradijs.
[^jesaja-45-21-l]: Verwijzing l: Jes. 41:22 ; idem 41:26 ; idem 41:27 ; Jes. 43:9 ; idem 43:10 . Jesaja 41:22 : Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter hart nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen. Jesaja 41:26 : Wie heeft wat verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort. Jesaja 41:27 : Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een blijden boodschapper geven. Jesaja 43:9 : Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid. Jesaja 43:10 : Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt YHWH, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat u het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelfde ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.
[^jesaja-45-21-m]: Verwijzing m: boven, v. 5 ; idem v. 14 ; idem v. 18 . Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer. Jesaja 45:18 : Want zo zegt YHWH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben YHWH, en niemand meer.
[^jesaja-45-21-74]: Kanttekening 74: dat van toen af: Te weten wat in de voorgaande aantekening is vermeld, en verder dat Christus de gelovigen de zaligheid zou toebrengen, welke door de verlossing uit de Babylonische gevangenschap is voorgebeeld geweest.
[^jesaja-45-22-75]: Kanttekening 75: Wendt U: Of, ziet mij aan.
[^jesaja-45-22-76]: Kanttekening 76: alle u einden: Dat is, u allen, die aan de einden van de aarde woont.
[^jesaja-45-23-77]: Kanttekening 77: van de gerechtigheid: Of, \[in\] gerechtigheid; dat is in trouw en geloof; dat is, een woord, dat zeker, vast en onfeilbaar is.
[^jesaja-45-23-78]: Kanttekening 78: het zal niet terugkeren: Dat is, het zal niet wederroepen worden.
[^jesaja-45-23-n]: Verwijzing n: Rom. 14:11 ; Fil. 2:10 . Romeinen 14:11 : Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^jesaja-45-23-79]: Kanttekening 79: Dat is, tot mijn eer; Rom. 14:11 ; Fil. 2:10 . Romeinen 14:11 : Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^jesaja-45-23-80]: Kanttekening 80: alle knie: De zin is: Alle volken en natiën zullen door de Messias tot de ware kennis van God beroepen en velen daartoe gebracht worden.
[^jesaja-45-23-81]: Kanttekening 81: alle tong: Dat is, alle natiën zullen mij kennen en belijden, dat is, God eren en belijden, als men in het gericht oprecht bij zijn naam zweert.
[^jesaja-45-24-82]: Kanttekening 82: Te weten een ieder van de gelovigen; of aldus: Gewisselijk, in de Heer \[zal men zeggen\], heb ik gerechtigheid en sterkte.
[^jesaja-45-24-83]: Kanttekening 83: in YHWH: Dat is, de Heer heeft deze goederen in zichzelven, en Hij geeft ze zijn uitverkorenen.
[^jesaja-45-24-84]: Kanttekening 84: Of, alle, of volkomen gerechtigheid.
[^jesaja-45-24-85]: Kanttekening 85: Te weten om zijn kerk te bewaren en in de gerechtigheid te behouden.
[^jesaja-45-24-86]: Kanttekening 86: tot Hem: Of voor Hem; te weten voor zijn rechterstoel, om te ontvangen loon naar werken; Rom. 14:10 , 14:11 , 14:12 . Romeinen 14:10 : Maar u, wat oordeelt u uw broer? Of ook u, wat veracht u uw broer? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. Romeinen 14:11 : Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Romeinen 14:12 : Zo dan een ieder van ons zal voor zichzelven voor God rekenschap geven.
[^jesaja-45-24-o]: Verwijzing o: Jes. 41:11 . Jesaja 41:11 : Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan.
[^jesaja-45-24-87]: Kanttekening 87: zij zullen beschaamd worden: Te weten alle goddelozen, die tegen Hem morren en met toorn ontstoken zijn, of ontstoken worden, of die tegen Hem opstaan.
[^jesaja-45-25-88]: Kanttekening 88: in YHWH: Te weten door de Heer Christus, die onze gerechtigheid is voor God.
[^jesaja-45-25-89]: Kanttekening 89: het gehele zaad: Al de kinderen van Israël, te weten, de geestelijke kinderen van Israël, dat is, de gelovigen uit de Joden en heidenen. Zie boven Jes. 44:5 . Jesaja 44:5 : Deze zal zeggen: Ik ben van YHWH; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben van YHWH, en zich toenoemen met de naam van Israël.

### Jesaja 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/46.json)

*Profetie van de ondergang van de Babyloniers en hun afgoden, vers 1 enzovoort. God brengt de Joden zijn liefde en trouw jegens hen in herinnering, 3, en vermaant hen dat zij Hem niet afbeelden, 5, terwijl Hij hun de dwaasheid van de afgodendienaars voor ogen houdt, 6. De Heere bewijst uit zijn werken, die Hij vroeger en ook kort geleden bij zijn kerk gedaan heeft, dat Hij alleen de ware God is, 8 enzovoort.*

**1** [^jesaja-46-1-1] Bel is gekromd,[^jesaja-46-1-2] Nebo wordt neergebogen,[^jesaja-46-1-3] hun[^jesaja-46-1-4] afgoden[^jesaja-46-1-5] zijn geworden voor de dieren en voor de beesten;[^jesaja-46-1-6] uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v1)

**2** [^jesaja-46-2-7] Samen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd,[^jesaja-46-2-8] zij hebben de last niet kunnen redden, maar[^jesaja-46-2-9] zijzelven[^jesaja-46-2-10] zijn in de gevangenis gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v2)

**3** Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het hele overblijfsel van het huis van Israël![^jesaja-46-3-11] u die van Mij gedragen bent[^jesaja-46-3-12] van de buik aan, en opgenomen[^jesaja-46-3-13] van de baarmoeder af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v3)

**4** En[^jesaja-46-4-14] tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik[^jesaja-46-4-15] u dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en[^jesaja-46-4-16] redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v4)

**5** [^jesaja-46-5-a] Bij wie zou u Mij nabeelden, en gelijkenis maken, en Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v5)

**6** [^jesaja-46-6-17] Zij[^jesaja-46-6-18] verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met[^jesaja-46-6-19] de waag; zij huren[^jesaja-46-6-20] een goudsmid, en die maakt het[^jesaja-46-6-21] tot een god, zij knielen neer, ook buigen zij zich daarvoor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v6)

**7** [^jesaja-46-7-b] Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem[^jesaja-46-7-22] aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost[^jesaja-46-7-23] hem niet uit zijn benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v7)

**8** Gedenk[^jesaja-46-8-24] hieraan, en[^jesaja-46-8-25] houdt u kloekelijk,[^jesaja-46-8-26] brengt het weer in het[^jesaja-46-8-27] hart, o u overtreders! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v8)

**9** Gedenk[^jesaja-46-9-28] de vorige dingen[^jesaja-46-9-29] van oude tijden af, dat Ik God ben,[^jesaja-46-9-c] en er is geen God meer, en er is niet[^jesaja-46-9-30] gelijk Ik; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v9)

**10** [^jesaja-46-10-31] Die van de beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet gebeurd zijn; Die zegt:[^jesaja-46-10-d] Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v10)

**11** Die[^jesaja-46-11-32] een roofvogel roept[^jesaja-46-11-33] van het oosten,[^jesaja-46-11-34] een man van Mijn raad uit ver land; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik[^jesaja-46-11-35] heb het gevormd, Ik zal het ook doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v11)

**12** Hoor naar Mij,[^jesaja-46-12-36] u stijven van hart,[^jesaja-46-12-37] u, die verre van de gerechtigheid bent! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v12)

**13** [^jesaja-46-13-38] Ik[^jesaja-46-13-39] breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en[^jesaja-46-13-40] Mijn heil zal niet talmen; maar Ik zal heil geven in Sion,[^jesaja-46-13-41] aan Israël Mijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/46.html#v13)

[^jesaja-46-1-1]: Kanttekening 1: Bel is gekromd: Bel is de naam van de voornaamste afgod van de Babyloniërs; zie Dan. 1:2 in de aantekening. Als de stad Babel van de Perzen is ingenomen geweest, zo zijn ook de goden van de Babyloniërs verstoord en als gevankelijk naar Perzië gevoerd geworden. Daniël 1:2 : En YHWH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de vaten van het huis van God; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis van zijn god; en de vaten bracht hij in het schathuis van zijn god.
[^jesaja-46-1-2]: Kanttekening 2: Nebo is ook de naam van een afgod bij de Babyloniërs.
[^jesaja-46-1-3]: Kanttekening 3: Te weten van de Babyloniërs.
[^jesaja-46-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, smarten; omdat de afgoden dengenen, die hen dienen, smarten veroorzaken.
[^jesaja-46-1-5]: Kanttekening 5: zijn geworden: Dat is, zij zijn geladen op de dieren en de beesten, namelijk, dat die hen in Perzië zouden brengen.
[^jesaja-46-1-6]: Kanttekening 6: uw opgeladen: De zin is: de lastdragende beesten, die de Perzen gebruiken zullen om uwe afgoden te vervoeren, zullen er zo zwaar mee geladen zijn, dat zij er moe van worden zullen.
[^jesaja-46-2-7]: Kanttekening 7: De zin is: Zij, te weten de afgoden van Babel, hebben niet kunnen beletten dat de Perzen een grote buit uit Babylonië uitvoeren zouden; ja zij moeten zelfs mee in de gevangenis, zulke fraaie en dappere goden zijn zij. Anderen verstaan het aldus: De lastdragende beesten, die de beelden droegen, waren daarmede zo overladen, dat zij krom en gebogen gingen.
[^jesaja-46-2-8]: Kanttekening 8: zij hebben de last: Te weten de afgoden, of de Babyloniërs.
[^jesaja-46-2-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, hun ziel, zijzelven (נַפְשָׁ); zo Jes. 47:14 . Jesaja 47:14 : Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht van de vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.
[^jesaja-46-2-10]: Kanttekening 10: zijn in de gevangenis gegaan: Dat is, zij zullen gevankelijk weggevoerd worden naar Perzië.
[^jesaja-46-3-11]: Kanttekening 11: u die van Mij gedragen bent: Dat is, voor wie Ik steeds zorg draag, wiens schut en scherm Ik altijd geweest ben. Zie Ex. 19:4 ; Deut. 1:31 , en Deut. 32:11 ; Ps. 22:11 en Ps. 71:6 . Exodus 19:4 : Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Deuteronomium 1:31 : En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat YHWH uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwaamt aan deze plaats. Deuteronomium 32:11 : Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; Psalmen 22:11 : Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik van mijn moeder aan bent U mijn God. Psalmen 71:6 : Op U heb ik gesteund van de buik aan; van mijn moeders ingewand aan bent U mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.
[^jesaja-46-3-12]: Kanttekening 12: van de buik aan: Of, van \[moeders\] buik af. De zin is: Ik ben met u bezwaard geweest, als ene moeder met haar kind, en heb u beschermd en verzorgd van uw eerste oorsprong af.
[^jesaja-46-3-13]: Kanttekening 13: van de baarmoeder af: Dat is, zo haast als u geboren bent.
[^jesaja-46-4-14]: Kanttekening 14: tot de ouderdom: Dat is, totdat u oud en grijs zult geworden zijn.
[^jesaja-46-4-15]: Kanttekening 15: Gelijk ene moeder of voedster haar jong kind draagt; dat is, Ik zal u wel verzorgen.
[^jesaja-46-4-16]: Kanttekening 16: Te weten uit de Babylonische gevangenschap, of uit allen nood.
[^jesaja-46-5-a]: Verwijzing a: Jes. 40:18 ; idem v. 25 . Jesaja 40:18 : Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen? Jesaja 40:25 : Bij wie dan zult u Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
[^jesaja-46-6-17]: Kanttekening 17: Te weten afgodendienaars.
[^jesaja-46-6-18]: Kanttekening 18: Of, zij verkwisten onnut. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk het geld overvloediglijk verkwisten, als geen werk daarvan makende of hetzelfde niet achtende; zodat hier te kennen wordt gegeven de dwaasheid van de afgodendienaars en beroving van hun zinnen.
[^jesaja-46-6-19]: Kanttekening 19: de waag: Of, waagpen, evenaar, of tong van de weegschaal.
[^jesaja-46-6-20]: Kanttekening 20: een goudsmid: Hebreeuws, een smelter; gelijk Jes. 41:7 . Jesaja 41:7 : En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
[^jesaja-46-6-21]: Kanttekening 21: tot een god: Dat is, tot een afgod.
[^jesaja-46-7-b]: Verwijzing b: Jes. 45:20 . Jesaja 45:20 : Verzamelt u, en komt, treedt hier toe samen, u, die van de heidenen ontkomen bent! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.
[^jesaja-46-7-22]: Kanttekening 22: aan zijn plaats: Hebreeuws, onder zich.
[^jesaja-46-7-23]: Kanttekening 23: hem niet: Te weten de afgodendienaar.
[^jesaja-46-8-24]: Kanttekening 24: Of, aan dit, of van deze.
[^jesaja-46-8-25]: Kanttekening 25: Of, houdt u mannelijk, of zijt gefundeerd; ziet toe dat u u niet laat bedriegen, noch bewegen of brengen tot de dienst van de afgoden, door vrees of door het voorbeeld van de Babyloniërs.
[^jesaja-46-8-26]: Kanttekening 26: brengt het: Of, brengt het de overtreders weer in het hart.
[^jesaja-46-8-27]: Kanttekening 27: o u overtreders: Die mijn verbond verlaat en u van de afgodendienaars laat verleiden.
[^jesaja-46-9-28]: Kanttekening 28: van de vorige dingen: Te weten de weldaden en wonderwerken, die Ik u of mijn kerk eertijds bewezen heb.
[^jesaja-46-9-29]: Kanttekening 29: van oude tijden af: De rede zou aldus voller zijn: Die geschied zijn van oude tijden af.
[^jesaja-46-9-c]: Verwijzing c: Jes. 45:5 ; idem 45:14 ; idem 45:18 ; idem 45:21 ; idem 45:22 ; Jes. 48:12 . Jesaja 45:5 : Ik ben YHWH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer. Jesaja 45:18 : Want zo zegt YHWH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben YHWH, en niemand meer. Jesaja 45:21 : Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, YHWH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. Jesaja 45:22 : Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer. Jesaja 48:12 : Hoor naar Mij, o Jakob! en u Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.
[^jesaja-46-9-30]: Kanttekening 30: gelijk Ik: Of, mij gelijk.
[^jesaja-46-10-31]: Kanttekening 31: Die van de beginne: Dat is, Ik die de toekomende dingen voorzeg lang tevoren voordat zij gebeuren, doende daarmede blijken dat Ik alleen de ware God ben.
[^jesaja-46-10-d]: Verwijzing d: Ps. 33:11 ; Spreuk. 19:21 ; Spreuk. 21:30 ; Hebr. 6:17 . Psalmen 33:11 : Maar de raad van YHWH bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijn harten van geslacht tot geslacht. Spreuken 19:21 : In het hart van de man zijn veel gedachten; maar de raad van YHWH, die zal bestaan. Spreuken 21:30 : Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen YHWH. Hebreeën 6:17 : Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;
[^jesaja-46-11-32]: Kanttekening 32: een roofvogel: Versta Cores, die zo snel met zijn heirleger uit Perzië in Babylonië zal komen en hen beroven, alsof hij een snelvliegende roofvogel ware, en vloog.
[^jesaja-46-11-33]: Kanttekening 33: van het oosten: Te weten uit Perzië, dat de Babyloniërs tegen het oosten ligt.
[^jesaja-46-11-34]: Kanttekening 34: een man: Dat is, een man, die mijn raadslag doe en in het werk stel, Babel verwoest, en mijn volk uit de gevangenschap verlos.
[^jesaja-46-11-35]: Kanttekening 35: Te weten in mijn zin, of in mijn geheimen raad. Ik heb besloten, Ik heb het mij voorgenomen.
[^jesaja-46-12-36]: Kanttekening 36: u stijven: Of, u stouten, stuggen, hardnekkigen, eigenzinnigen van hart, u boosaardige Joden.
[^jesaja-46-12-37]: Kanttekening 37: u, die verre: Alsof God zei: Gijlieden, die mijn genade geheel onwaardig zijt, omdat u de vroomheid en ware godzaligheid naar behoren niet behartigt.
[^jesaja-46-13-38]: Kanttekening 38: Ik breng: Of, Ik zal brengen, of Ik heb gebracht, en aldus dikwijls bij de profeten, die vanwege de zekerheid van hun profetieën dikwijls van ene zaak, die nog aanstaande is, spreken alsof zij reeds voltrokken ware.
[^jesaja-46-13-39]: Kanttekening 39: Mijn gerechtigheid: Dat is, het werk van mijn gerechtigheid; te weten de verlossing van mijn volk uit de Babylonische gevangenschap en verder door de Heer Christus uit hun geestelijke ellende. Zie boven Jes. 45:8 . Jesaja 45:8 : Drupt, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, YHWH, heb ze geschapen.
[^jesaja-46-13-40]: Kanttekening 40: Mijn heil: Dat is, de verlossing, die Ik mijn volk bewijzen zal, het uit de gevangenschap verlossende.
[^jesaja-46-13-41]: Kanttekening 41: aan Israël: Dat is, zulk ene verlossing, door welke mijn volk Israël grotelijks zal verheerlijkt worden. Anders: \[tot\] mijn heerlijkheid, te weten door dit heerlijke werk van de verlossing zal openbaar gemaakt en geroemd worden. Anders: om Israëls wil, dat mijn heerlijkheid is.

### Jesaja 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/47.json)

*Verdere profetie van de verwoesting van het Babylonische rijk, vers 1 enzovoort, vanwege hun wreedheid en onbarmhartigheid tegenover Gods volk, 6, hun hoogmoed, 7, en andere zonden, 9. Hun toverijen zullen hen niet kunnen redden, 12.*

**1** [^jesaja-47-1-1] Daal af, en[^jesaja-47-1-2][^jesaja-47-1-a] zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde,[^jesaja-47-1-3][^jesaja-47-1-4][^jesaja-47-1-5] er is geen troon meer,[^jesaja-47-1-6] u dochter van de Chaldeeën! want[^jesaja-47-1-7] u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v1)

**2** [^jesaja-47-2-8] Neem de molen, en maal meel;[^jesaja-47-2-9] ontdek uw vlechten, ontbloot[^jesaja-47-2-10] de enkelen,[^jesaja-47-2-11] ontdek de benen,[^jesaja-47-2-12] ga door de rivieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v2)

**3** [^jesaja-47-3-b] Uw[^jesaja-47-3-13] schaamte zal ontbloot worden, ook zal uw schande gezien worden;[^jesaja-47-3-14] Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen[^jesaja-47-3-15] als een mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v3)

**4** [^jesaja-47-4-16] De Naam van onze Verlosser is YHWH van de legermachten, de Heilige van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v4)

**5** [^jesaja-47-5-17] Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, u dochter van de Chaldeeën! want[^jesaja-47-5-18] u zult niet meer genoemd worden[^jesaja-47-5-19] koningin van de koninkrijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v5)

**6** Ik was op Mijn volk zeer boos,[^jesaja-47-6-20] Ik ontheiligde[^jesaja-47-6-21] Mijn erfenis, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u bewees hun geen barmhartigheden,[^jesaja-47-6-22] ja, zelfs over de oude[^jesaja-47-6-23] maakte u uw juk zeer zwaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v6)

**7** En[^jesaja-47-7-24] u zei: Ik zal[^jesaja-47-7-25][^jesaja-47-7-c] koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt u deze dingen niet in uw hart genomen, u hebt[^jesaja-47-7-26] aan het einde daarvan niet gedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v7)

**8** Nu dan, hoor dit, u weelderige![^jesaja-47-8-27] die zo zeker woont, die in haar hart zegt:[^jesaja-47-8-28] Ik ben het, en niemand meer dan ik:[^jesaja-47-8-29] ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen[^jesaja-47-8-30] kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v8)

**9** Maar[^jesaja-47-9-d] deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op één dag, de beroving van kinderen en weduwschap;[^jesaja-47-9-31] volkomen zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid van uw[^jesaja-47-9-32] toverijen, vanwege de menigte van uw bezweringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v9)

**10** Want u hebt op uw boosheid vertrouwd; u hebt gezegd: Niemand ziet mij;[^jesaja-47-10-33] uw wijsheid en uw wetenschap heeft u[^jesaja-47-10-34] afkerig gemaakt; en u hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v10)

**11** Daarom zal er over u een kwaad komen, u zult[^jesaja-47-11-35] de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen,[^jesaja-47-11-36] dat u niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, dat u het niet weten zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v11)

**12** Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid van uw[^jesaja-47-12-37] toverijen, waarin u gewerkt hebt van uw jeugd af;[^jesaja-47-12-38] of u misschien voordeel kon doen, of u misschien u kon sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v12)

**13** U bent moe geworden in de veelheid van uw raadslagen; laat nu opstaan,[^jesaja-47-13-39] die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken,[^jesaja-47-13-40] die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v13)

**14** Zie,[^jesaja-47-14-41] zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen[^jesaja-47-14-42] zichzelf niet kunnen rukken[^jesaja-47-14-43] uit de macht[^jesaja-47-14-44] van de[^jesaja-47-14-45] vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neer te zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v14)

**15** Zo zullen zij u zijn,[^jesaja-47-15-46] met die u gewerkt hebt,[^jesaja-47-15-47] uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal[^jesaja-47-15-48] zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/47.html#v15)

[^jesaja-47-1-1]: Kanttekening 1: Daal af: Te weten van uw koninklijken stoel; alsof hij zei: uw koninklijke staat, uwe pracht, uwe heerlijkheid, zal u nu haast benomen worden.
[^jesaja-47-1-2]: Kanttekening 2: zit in het stof: Of, zet u in het stof, gelijk die te doen plegen, die treuren vanwege enig groot leed, dat hun is overkomen. Zie Job 2:8 , 2:13 . Job 2:8 : En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden van de as. Job 2:13 : Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.
[^jesaja-47-1-a]: Verwijzing a: Jes. 26:5 . Jesaja 26:5 : Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
[^jesaja-47-1-3]: Kanttekening 3: u jonkvrouw: Aldus noemt de profeet het koninkrijk van de Babyloniërs, dat toen ten hoogste bloeide, en omdat het tot deze tijd toe nog van gene vijanden was overheerd geweest, daar het zeer hovaardig op was, zijnde een voorbeeld van het Babel van het Nieuwe Testament of het rijk van de Antichrist.
[^jesaja-47-1-4]: Kanttekening 4: dochter van Babel: Dat is, u volk van Babel; zie 2 Kon. 19:21 . 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jesaja-47-1-5]: Kanttekening 5: er is geen troon: Of, waar geen stoel is, te weten geen koninklijke stoel of troon.
[^jesaja-47-1-6]: Kanttekening 6: u dochter van de Chaldeeën: Dat is, Babylon, dat van de Chaldeën bewoond wordt.
[^jesaja-47-1-7]: Kanttekening 7: u zult niet meer genaamd worden: De zin is, uw wellust, dartelheid, overdaad, zal haast een einde nemen en in een ellendigen bedroefden staat veranderen. Hebreeuws, u zult niet toedoen, dat zij u zullen noemen.
[^jesaja-47-2-8]: Kanttekening 8: Neem de molen: Dat is, sla de hand aan de handmolen. Met deze woorden dreigt en voorzegt de Heer de Babyloniërs dat zij van de Perzen lijfeigen knechten en maagden worden zouden, moetende de zware arbeid doen van het malen van het koren met handmolens. Zie Ex. 11:5 ; Richt. 16:21 . Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. Richteren 16:21 : Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.
[^jesaja-47-2-9]: Kanttekening 9: ontdek uw vlechten: Te weten gelijk de vrouwen plachten te doen, die tot een teken van droefenis het haar van het hoofd lostrokken en lieten hangen tot over het aangezicht. Of, ontbloot uw haar; te weten gelijk de slavinnen.
[^jesaja-47-2-10]: Kanttekening 10: de enkelen: Of, de koten; de slaven, knechten en maagden plachten barrevoets te gaan.
[^jesaja-47-2-11]: Kanttekening 11: ontdek de schenkelen: Dat is, schort u hoog op.
[^jesaja-47-2-12]: Kanttekening 12: ga door de rivieren: Te weten de rivieren van Perzië; een dreigement dat zij gevankelijk zouden weggevoerd worden.
[^jesaja-47-3-b]: Verwijzing b: Jes. 3:17 ; Nahum 3:5 . Jesaja 3:17 : Zo zal YHWH de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en YHWH zal haar schaamte ontbloten. Nahum 3:5 : Ziet, Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal de heidenen uw naaktheid, en de koninkrijken uw schande wijzen.
[^jesaja-47-3-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, naaktheid.
[^jesaja-47-3-14]: Kanttekening 14: Ik zal wraak nemen: Dat is, Ik de Heer zal aan u, u dochter van Babel, wraak doen, omdat u zo onbarmhartig over mijn volk geweest bent, vers 6 . Jesaja 47:6 : Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u beweest hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de oude maaktet u uw juk zeer zwaar.
[^jesaja-47-3-15]: Kanttekening 15: als een mens: Maar als God. De zin is: Ik zal mijn sterkte aan u bewijzen, zo dat u te gronde zult moeten gaan. Of, Ik zal u aantasten, niet als een mens, maar als een leeuw of beer, of een ander wreed verscheurend dier, zo dat men uit de grootheid of zwarigheid van de straffen, die Ik over u brengen zal, wel lichtelijk zal kunnen afnemen dat het meer dan een menselijke kracht is, die u tenonder brengt.
[^jesaja-47-4-16]: Kanttekening 16: Onze Verlossers Naam: Hebreeuws, onze Verlosser, Heer van de legermachten is zijn naam, enz (שְׁמ).
[^jesaja-47-5-17]: Kanttekening 17: Zit stilzwijgende: Verberg u gelijk de wanhopige mensen doen, die nergens hulp en troost van verwachten. Of, wees in de vergetelheid gesteld, als iets dat van geen waarde is.
[^jesaja-47-5-18]: Kanttekening 18: u zult niet meer: Dit is vervuld geworden als Cyrus de Babylonische monarchie op de Perzen gebracht heeft.
[^jesaja-47-5-19]: Kanttekening 19: Of, vrouwe, regentes, souvereine, prinses, overste gebiedster. Zie de aantekening Jer. 13:18 . Jeremia 13:18 : Zeg tot de koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw gehele hoofdsieraad, de kroon van uw heerlijkheid, is nedergedaald.
[^jesaja-47-6-20]: Kanttekening 20: Ik ontheiligde: Ik liet ze verstoren en verwoesten, dezelfde niet anders achtende dan een onheilige, ontreinigde of ontwijde zaak, deszelve aan de onheilige natiën overgevende.
[^jesaja-47-6-21]: Kanttekening 21: Mijn erve: Dat is, mijn volk Israël.
[^jesaja-47-6-22]: Kanttekening 22: over de oude: De oude personen plachten wel somtijds van hun vijanden zelfs verschoond te worden; maar deze barmhartigheid is bij de Babyloniërs niet te vinden geweest.
[^jesaja-47-6-23]: Kanttekening 23: maaktet u: Dat is, u hebt hen zeer bezwaard en benauwd en wredelijk behandeld.
[^jesaja-47-7-24]: Kanttekening 24: u zeide: Te weten in uw hart, dat is, u dacht, gelijk vers 10 . Jesaja 47:10 : Want u hebt op uw boosheid vertrouwd; u hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en u hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.
[^jesaja-47-7-25]: Kanttekening 25: koningin zijn: Zie vers 5 . Jesaja 47:5 : Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genoemd worden koningin van de koninkrijken.
[^jesaja-47-7-c]: Verwijzing c: Openb. 18:7 . Openbaring 18:7 : Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
[^jesaja-47-7-26]: Kanttekening 26: u hebt: Te weten, wat het einde wezen zou, nadat Ik mijn volk zou gekastijd hebben in mijn rechtvaardig oordeel. Hebreeuws, aan het laatste.
[^jesaja-47-8-27]: Kanttekening 27: die zo zeker: Zie de aantekening Spreuk. 1:33 . Spreuken 1:33 : Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad.
[^jesaja-47-8-28]: Kanttekening 28: Ik ben het: Of, Ik ben het, en is er behalve mij enige meer? of Ik ben het; ja, nog Ik alleen.
[^jesaja-47-8-29]: Kanttekening 29: ik zal geen weduwe: Dat is, ik zal van de koning, die als mijn man is, en van mijn burgers of onderzaten, die als mijn kinderen zijn, niet beroofd worden. De zin is: Ik zal altijd in de koninklijke waardigheid blijven, zij zal nimmermeer van mij genomen worden.
[^jesaja-47-8-30]: Kanttekening 30: Of, weten; dat is, ondervinden.
[^jesaja-47-9-d]: Verwijzing d: Jes. 51:19 . Jesaja 51:19 : Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten?
[^jesaja-47-9-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, in, of naar hun volmaaktheid.
[^jesaja-47-9-32]: Kanttekening 32: vanwege de menigte: Of, om de grotere menigte wil van uwe bezweringen.
[^jesaja-47-10-33]: Kanttekening 33: uw wijsheid: Dat is, uw toverij en sterrekunst, op welke zich de Chaldeën zeer verlieten, alsof het de grootste wijsheid ware geweest. Zie Dan. 2:2 , en Dan. 5:7 . Daniël 2:2 : Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning. Daniël 5:7 : Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en daarvan uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
[^jesaja-47-10-34]: Kanttekening 34: afkerig gemaakt: Te weten van de rechte weg, of van wat goeds te doen.
[^jesaja-47-11-35]: Kanttekening 35: de dageraad: Dat is, zijn oorsprong, aanvang, begin. Aldus bespot hij de Babyloniërs, die op de loop van de hemel, \[dat is, op de opgang en ondergang van de sterren\] acht gaven, om iets daaruit te voorzeggen.
[^jesaja-47-11-36]: Kanttekening 36: Dat is, waaruit u uzelven niet zult weten te ontwikkelen, noch uit te redden, of u zult het niet kunnen verzachten.
[^jesaja-47-12-37]: Kanttekening 37: waarin u: Anders, waarmee, of met welke u u bemoeid hebt van, enz.
[^jesaja-47-12-38]: Kanttekening 38: of u misschien: Dit is spottenderwijze gesproken, om de ijdele hoop van de Babyloniërs te openbaren.
[^jesaja-47-13-39]: Kanttekening 39: die de hemel: De mensen wijsmakende dat zij uit het aanschouwen van de sterren toekomende dingen konden voorzeggen.
[^jesaja-47-13-40]: Kanttekening 40: die naar de nieuwe: Of, die maandelijks, of naar de maanden voorspellen. Hebreeuws, te kennen geven.
[^jesaja-47-14-41]: Kanttekening 41: zij zullen zijn: Hebreeuws, zij zijn geweest; betekenende de zekerheid van deze profetie.
[^jesaja-47-14-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, hun ziel; gelijk Jes. 46:2 (נַפְשָׁ). En kunnen zij zichzelven niet verlossen, veel minder zullen zij anderen kunnen verlossen uit de ellenden, die Babylon zullen overkomen. Jesaja 46:2 : Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben de last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.
[^jesaja-47-14-43]: Kanttekening 43: uit de macht: Hebreeuws, uit de hand (יַּד).
[^jesaja-47-14-44]: Kanttekening 44: van de vlam: Dat is, van de vijandelijke aanval en inval van hun vijanden, van de Perzen en Meden.
[^jesaja-47-14-45]: Kanttekening 45: het zal geen: De zin is, dat de vlam, in het voorgaande vermeld, hen gewisselijk verteren zal, zijnde geen vuur om bij te warmen, maar om te verteren en te verslinden. Of, als anderen: Gelijk de stoppelen geen bestendigen gloed noch warmte geven, zo is er bij de toverij en bij de sterrenkijkerij gene hulp te vinden. Anders: het zal geen kool zijn van hun voedsel, dat is, om daarbij te koken.
[^jesaja-47-15-46]: Kanttekening 46: met die: Dat is, met welke u zolang grote moeite gedaan hebt, hun vragende van toekomende dingen, dat u daar eindelijk moe van geworden bent. Hij bedoelt de sterrenkijkers.
[^jesaja-47-15-47]: Kanttekening 47: uw handelaars: Met welke u dagelijks hebt omgegaan. Verstaande de astrologen.
[^jesaja-47-15-48]: Kanttekening 48: zijn weegs: Of, zijn pas, zijn gang.

### Jesaja 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/48.json)

*De Heere klaagt over de huichelarij van de Joden, vers 1, hun halsstarrigheid, 3, en hun verachting van zijn voorzeggingen, 5 enzovoort. Toch spaart Hij hen omwille van zijn naam, 9, zodat zij Hem werkelijk leren kennen, 12. Hij belooft Cyrus zijn zegen, 14, en vermaant de Joden tot het onderhouden van zijn geboden, met de belofte van zijn zegen, 18, en met de belofte van een gelukzalige verlossing uit Babel, 20. De toestand van de goddelozen, 22.*

**1** Hoor dit, u huis van Jakob, die genoemd wordt met de naam van Israël, en[^jesaja-48-1-1] uit de wateren van Juda voortgekomen bent! die daar[^jesaja-48-1-2] zweert bij de Naam van YHWH, en[^jesaja-48-1-3] vermeldt de God van Israël,[^jesaja-48-1-4] maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v1)

**2** [^jesaja-48-2-5] Ja, van[^jesaja-48-2-6] de heilige stad worden zij genoemd, en[^jesaja-48-2-7] zij steunen op de God van Israël; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v2)

**3** [^jesaja-48-3-8] De vorige dingen heb Ik verkondigd[^jesaja-48-3-9] van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snel gedaan, en zij zijn gekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v3)

**4** Omdat Ik wist,[^jesaja-48-4-10] dat u hard bent, en uw nek[^jesaja-48-4-11] een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd[^jesaja-48-4-12] koper; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v4)

**5** Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, voordat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat u niet misschien zou zeggen:[^jesaja-48-5-13] Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of[^jesaja-48-5-14] mijn gegoten beeld heeft ze bevolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v5)

**6** U[^jesaja-48-6-15] hebt het[^jesaja-48-6-16] gehoord, beschouw dat alles; zult[^jesaja-48-6-17] u het ook niet[^jesaja-48-6-18] verkondigen? Van nu af doe Ik u[^jesaja-48-6-19] nieuwe dingen horen, en[^jesaja-48-6-20] verborgen dingen, en die u niet geweten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v6)

**7** [^jesaja-48-7-21] Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor deze dag hebt u ze ook niet gehoord; opdat u niet misschien zeggen zou: Zie, ik heb ze geweten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v7)

**8** Ook hebt u[^jesaja-48-8-22] ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten,[^jesaja-48-8-23] dat u geheel trouweloos handelen zou, en dat u[^jesaja-48-8-24] van de buik af een overtreder[^jesaja-48-8-25] genaamd bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v8)

**9** Omwille van Mijn Naam zal Ik Mijn toorn[^jesaja-48-9-26] langer uitstellen, en[^jesaja-48-9-a] omwille van Mijn roem zal[^jesaja-48-9-27] Ik, u ten goede,[^jesaja-48-9-28] Mij bedwingen, opdat Ik u niet[^jesaja-48-9-29] afhouwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v9)

**10** Zie, Ik heb u[^jesaja-48-10-30] gelouterd, maar[^jesaja-48-10-31] niet als zilver, Ik heb u[^jesaja-48-10-32] gekeurd in de smeltkroes van de ellende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v10)

**11** Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou[^jesaja-48-11-33] Hij ontheiligd worden? en[^jesaja-48-11-b] Ik zal Mijn eer aan geen ander geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v11)

**12** Hoor naar Mij,[^jesaja-48-12-34] o Jakob! en u Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde;[^jesaja-48-12-c] Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.[^jesaja-48-12-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v12)

**13** Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze[^jesaja-48-13-36] roep,[^jesaja-48-13-37] staan zij daar samen.[^jesaja-48-13-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v13)

**14** Verzamel u, u allen, en hoort; wie onder hen[^jesaja-48-14-d] heeft deze dingen verkondigd? YHWH heeft[^jesaja-48-14-39] hem[^jesaja-48-14-40] lief,[^jesaja-48-14-41] Hij zal[^jesaja-48-14-42] Zijn welbehagen tegen Babel doen, en[^jesaja-48-14-43] Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.[^jesaja-48-14-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v14)

**15** Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik[^jesaja-48-15-45] hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.[^jesaja-48-15-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v15)

**16** Nader u tot Mij, hoort dit:[^jesaja-48-16-47] Ik heb[^jesaja-48-16-48] van de beginne niet in het verborgene gesproken, maar van die tijd af,[^jesaja-48-16-49] dat het gebeurd is, ben Ik daar; en nu, Adonai YHWH, en Zijn Geest[^jesaja-48-16-50] heeft Mij gezonden.[^jesaja-48-16-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v16)

**17** Zo zegt YHWH, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben YHWH, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg, die u gaan moet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v17)

**18** [^jesaja-48-18-e] Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd had! zo zou uw vrede geweest zijn[^jesaja-48-18-52] als een rivier, en[^jesaja-48-18-53] uw gerechtigheid[^jesaja-48-18-54] als de golven van de zee.[^jesaja-48-18-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v18)

**19** Ook zou uw zaad geweest zijn[^jesaja-48-19-56] als het zand, en[^jesaja-48-19-57] die uit[^jesaja-48-19-58] uw ingewanden voortkomen als[^jesaja-48-19-59] de steentjes daarvan[^jesaja-48-19-60]; wiens naam niet zou worden[^jesaja-48-19-61] afgehouwen, noch vernietigd van voor Mijn aangezicht.[^jesaja-48-19-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v19)

**20** [^jesaja-48-20-f] Ga uit van Babel, vlucht van de Chaldeeën, verkondigt met de stem van het gejuich, doe dat horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: YHWH heeft Zijn knecht Jakob[^jesaja-48-20-63] verlost![^jesaja-48-20-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v20)

**21** En:[^jesaja-48-21-65] Zij[^jesaja-48-21-66] hadden geen dorst,[^jesaja-48-21-67] toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen;[^jesaja-48-21-68] Hij deed hun water uit de rotssteen stromen; als Hij de rotssteen kloof, zo vloeiden de wateren daarheen.[^jesaja-48-21-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v21)

**22** Maar de[^jesaja-48-22-g] goddelozen hebben[^jesaja-48-22-70] geen vrede, zegt YHWH.[^jesaja-48-22-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/48.html#v22)

[^jesaja-48-1-1]: Kanttekening 1: uit de wateren: Dat is, die uit de stam van Juda, als uit een springader, gesproten zijt. Zie Deut. 33:28 ; Ps. 68:27 , en de aantekening daar. Deuteronomium 33:28 : Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. Psalmen 68:27 : Looft God in de gemeenten, de Heer, u, die bent uit de springader van Israël!
[^jesaja-48-1-2]: Kanttekening 2: Daarmede betuigende dat zij de Heer voor de ware God kennen. Want een rechtmatige eed is God tot getuige aanroepen.
[^jesaja-48-1-3]: Kanttekening 3: Te weten als zij bij Hem zweren. Zie Ex. 23:13 . Exodus 23:13 : In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!
[^jesaja-48-1-4]: Kanttekening 4: maar : Dat is, niet oprecht, gelijk het de Heer vereist, maar huichelachtig; zie Jer. 4:2 . Jeremia 4:2 : Maar zweer: Zo waarachtig als YHWH leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.
[^jesaja-48-2-5]: Kanttekening 5: Of, hoewel.
[^jesaja-48-2-6]: Kanttekening 6: de heilige stad: Te weten Jeruzalem. Hebreeuws, de stad van de heiligheid (עִיר); dat is, zij roemen zich dat zij burgers en inwoners van de heilige stad Jeruzalem zijn.
[^jesaja-48-2-7]: Kanttekening 7: Te weten zoveel de uiterlijke schijn belangt. Maar ofschoon zij met woorden hiervan roemen, zo zijn zij het inderdaad niet, maar hun hart is ver van Hem.
[^jesaja-48-3-8]: Kanttekening 8: De vorige dingen: Te weten zo zegeningen als straffen.
[^jesaja-48-3-9]: Kanttekening 9: van toen af: Te weten van die tijd af, toen Ik u tot mijn volk heb aangenomen, of van die tijd af, toen Ik u uitgeleid heb uit Egypte en Ik u mijn wet gegeven heb; zo ook vers 5 . Jesaja 48:5 : Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, voordat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat u niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
[^jesaja-48-4-10]: Kanttekening 10: dat u hard bent: Zie de aantekening Ex. 32:9 , en Ex. 33:3 ; Deut. 9:13 , en Deut. 31:27 , en Deut. 32:5 . Exodus 32:9 : Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Exodus 33:3 : Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. Deuteronomium 9:13 : Verder sprak YHWH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk. Deuteronomium 31:27 : Want ik ken uw opstandigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met u leve, bent u opstandig geweest tegen YHWH; hoe veel te meer na mijn dood! Deuteronomium 32:5 : Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
[^jesaja-48-4-11]: Kanttekening 11: een ijzeren: Dat is, zo hard als een ijzeren zenuw.
[^jesaja-48-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, hard en onbeschaamd.
[^jesaja-48-5-13]: Kanttekening 13: Mijn afgod: Hebreeuws, mijn smart.
[^jesaja-48-5-14]: Kanttekening 14: mijn gegoten beeld: Hebreeuws, mijn gieting.
[^jesaja-48-6-15]: Kanttekening 15: hebt het gehoord: Te weten wat Ik tevoren verkondigd heb, en ook wat daarna geschied is.
[^jesaja-48-6-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, aanschouwt, of ziet, dat is neemt ter harte, betracht wel.
[^jesaja-48-6-17]: Kanttekening 17: Die u beroemt mijn volk te zijn, dat Ik gekozen heb, opdat u als profeten deze dingen mij ter ere zoudt verkondigen, te weten dat Ik zo vaderlijk en zo vriendelijk met u heb omgegaan.
[^jesaja-48-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, roemen en prijzen.
[^jesaja-48-6-19]: Kanttekening 19: nieuwe dingen: Te weten de ondergang van de Babyloniërs en uwe verlossing uit de Babylonische gevangenschap door Cores.
[^jesaja-48-6-20]: Kanttekening 20: verborgen dingen: Hebreeuws, verwaarde, bewaarde.
[^jesaja-48-7-21]: Kanttekening 21: Nu zijn zij: Dat is, het is nu eerst door de profeten geopenbaard en aan de dag gegeven, wat tevoren als verborgen was in mijn geheime raad.
[^jesaja-48-8-22]: Kanttekening 22: niet gehoord: Te weten van uwe sterrenkijkers en waarzeggers.
[^jesaja-48-8-23]: Kanttekening 23: dat u geheel: Hebreeuws, dat u trouweloos handelende trouweloos handelen zoudt, te weten aan mij.
[^jesaja-48-8-24]: Kanttekening 24: van de buik: Dat is, van die tijd af dat u ontvangen en geboren bent, en verder ook van de tijd af, dat Ik u geroepen en tot mijn volk aangenomen heb.
[^jesaja-48-8-25]: Kanttekening 25: genaamd zijt: Versta hierbij, en u bent het ook inderdaad geweest; of u hebt u zo gehouden en gedragen, dat men u wel met recht zo mag noemen.
[^jesaja-48-9-26]: Kanttekening 26: Of verlengen, of vertrekken.
[^jesaja-48-9-a]: Verwijzing a: Jes. 43:21 ; idem v. 25 . Jesaja 43:21 : Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet.
[^jesaja-48-9-27]: Kanttekening 27: u ten goede: Of, uwenthalve. Anders: tegen u.
[^jesaja-48-9-28]: Kanttekening 28: Anders: verzegelen; dat is, inhouden, tomen, terughouden.
[^jesaja-48-9-29]: Kanttekening 29: Gelijk men een boom afhouwt, die men uitroeien wil.
[^jesaja-48-10-30]: Kanttekening 30: Te weten door kruis, ellende en tegenspoed.
[^jesaja-48-10-31]: Kanttekening 31: niet als zilver: Te weten niet telkens noch zo nauw als men zilver loutert, opdat u niet geheel vergaat; of, niet met het zilver; dat is, Ik zal u in de smeltkroes met het zilver niet tegelijk beproeven, gelijk men het valse zilver door het goede in een en denzelfden smeltkroes tegelijk beproeft. De zin is: Ik zal u wel met kruis bezoeken, maar Ik zal het matigen. Zie 1 Petr. 1:7 . 1 Petrus 1:7 : Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^jesaja-48-10-32]: Kanttekening 32: Te weten als gereinigd, gelouterd en uitgelezen goud of zilver, dat in de smeltoven gelouterd is. Zie Spreuk. 17:3 , en Spreuk. 27:21 . De zin is: Als Ik u door mijn genade zolang in het kruis zal hebben laten steken, totdat u u met ware hartgrondige boete tot mij bekeert, zal Ik u weer weldadigheid bewijzen. Spreuken 17:3 : De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar YHWH proeft de harten. Spreuken 27:21 : De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; zo is een man naar zijn lof te proeven.
[^jesaja-48-11-33]: Kanttekening 33: Hij ontheiligd worden: Te weten mijn naam, vers 9 , ontheiligd worden; dat is, bespot en gesmaad worden, alsof Ik niet getrouwelijk met mijn volk gehandeld had, maar dat Ik het geheel verlaten had, daar Ik het toch anders beloofd had. Jesaja 48:9 : Vanwege Mijn Naam zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en vanwege Mijn roem zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
[^jesaja-48-11-b]: Verwijzing b: Jes. 42:8 . Jesaja 42:8 : Ik ben YHWH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.
[^jesaja-48-12-34]: Kanttekening 34: o Jakob: Dat is, u nakomelingen van Jakob, die Ik tot mijn volk uitverkoren en geroepen heb.
[^jesaja-48-12-c]: Verwijzing c: Jes. 41:4 ; Jes. 44:6 ; Openb. 1:17 ; Openb. 22:13 . Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. Jesaja 44:6 : Zo zegt YHWH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, YHWH van de legermachten: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God. Openbaring 1:17 : En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; Openbaring 22:13 : Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
[^jesaja-48-12-35]: Kanttekening 35: Dat is, u nakomelingen van Jakob, die Ik tot mijn volk uitverkoren en geroepen heb.
[^jesaja-48-13-36]: Kanttekening 36: met de palm: Hebreeuws, gepalmd, of omspannen. Zie Jes. 40:12 . Jesaja 40:12 : Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof van de aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
[^jesaja-48-13-37]: Kanttekening 37: Dat is, zij verschijnen en staan straks gereed tot mijn dienst; ene manier van spreken genomen van de dienaren van de koningen en prinsen. Zie 1 Kon. 10:8 ; of aldus: als Ik hen riep, stonden ze daar tezamen; te weten in de schepping. 1 Koningen 10:8 : Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!
[^jesaja-48-13-38]: Kanttekening 38: zij daar te zamen: Te weten de hemelen en alle creaturen. Zie Ps. 147:4 . Psalmen 147:4 : Hij telt het getal van de sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
[^jesaja-48-14-d]: Verwijzing d: Jes. 41:22 ; idem v. 23 . Jesaja 41:22 : Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter hart nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen. Jesaja 41:23 : Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.
[^jesaja-48-14-39]: Kanttekening 39: onder hen: Te weten de afgoden van de heidenen, van welke melding gemaakt is boven vers 5 . Jesaja 48:5 : Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, voordat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat u niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.
[^jesaja-48-14-40]: Kanttekening 40: Te weten Cores.
[^jesaja-48-14-41]: Kanttekening 41: Te weten zoverre, dat Hij hem zijn zegen en voorspoed tegen de Babyloniërs geven zal. Zie Jes. 45:1 . Jesaja 45:1 : Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
[^jesaja-48-14-42]: Kanttekening 42: Hij zal: Te weten Cores.
[^jesaja-48-14-43]: Kanttekening 43: Zijn welbehagen: Te weten het welbehagen van de Heer. De zin is: Cores zal, naar het welbehagen van de Heer, Babel verstoren en de Joden uit de Babylonische gevangenschap verlossen.
[^jesaja-48-14-44]: Kanttekening 44: Zijn arm: Te weten Gods arm, dat is macht, of zijn, te weten Cores' arm. Anders: hoewel de Chaldeën zijn arm geweest zijn. De zin is: Ofschoon God de Heer de Chaldeën gebruikt heeft om zijn volk te kastijden en om zijn macht te doen blijken; zo zal Hij hen evenwel, als een roede of slaanden staf verbreken en door Cores onderdrukken.
[^jesaja-48-15-45]: Kanttekening 45: heb Ik: Dat is, Ik zal hem ter bekwamer tijd roepen, want Cores was toen nog niet geboren, als Jesaja dit van hem profeteerde. Zie de aantekening Jes. 44:28 . Jesaja 44:28 : Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond.
[^jesaja-48-15-46]: Kanttekening 46: hem geroepen: Te weten Cores, gelijk boven Jes. 45:1 . Jesaja 45:1 : Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
[^jesaja-48-16-47]: Kanttekening 47: Nadert u: Dit spreekt de profeet tot de Joden, hen tot zich roepende om hen meer en meer te versterken en te bevestigen in wat hij hun tevoren verkondigd heeft.
[^jesaja-48-16-48]: Kanttekening 48: Ik heb: Alsof de profeet zei: Ik heb u niet verzwegen van zulks als mij de Heer bevolen heeft u te verkondigen; maar ik heb het u al tezamen klaar en duidelijk te kennen gegeven.
[^jesaja-48-16-49]: Kanttekening 49: van de beginne: Hebreeuws, van het hoofd (רֹאשׁ).
[^jesaja-48-16-50]: Kanttekening 50: dat het geschied is: Dat is, dat het de Heer mij geopenbaard heeft. Anders: dat het daar geweest is, ben ik, of was ik, dat is, ik heb met vlijt en naarstigheid op mijn profetisch ambt gepast; zie Jes. 21:8 . Jesaja 21:8 : En hij riep: Een leeuw, Heer! ik sta op de wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij gehele nachten.
[^jesaja-48-16-51]: Kanttekening 51: heeft Mij gezonden: Omdat ik een afgezant ben van onze grote God, zo behoorde men mij te horen en geloof te geven.
[^jesaja-48-18-e]: Verwijzing e: Deut. 32:29 ; Ps. 81:14 . Deuteronomium 32:29 : O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken. Psalmen 81:14 : Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!
[^jesaja-48-18-52]: Kanttekening 52: uw vrede: Dat is, uw welstand. Zie Ps. 37:11 . Psalmen 37:11 : De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.
[^jesaja-48-18-53]: Kanttekening 53: als een rivier: Dat is, overvloedig en altijddurende, gelijk een rivier altijd vliet.
[^jesaja-48-18-54]: Kanttekening 54: uw gerechtigheid: De vrucht van uw gerechtigheid, te weten de gelukzalige staat van uw regering, die gevolgd zou zijn als u u ter gerechtigheid hadt begeven; zie de aantekening Ps. 24:5 . Psalmen 24:5 : Die zal de zegen ontvangen van YHWH, en gerechtigheid van de God van zijn heil.
[^jesaja-48-18-55]: Kanttekening 55: als de golven: Dat is, overvloediglijk, bovenmate veel.
[^jesaja-48-19-56]: Kanttekening 56: uw zaad: Dat is, uwe kinderen.
[^jesaja-48-19-57]: Kanttekening 57: als het zand: Te weten in menigte.
[^jesaja-48-19-58]: Kanttekening 58: die uit: Dat is, de kinderen, die uit u zouden voortkomen. Zie de aantekening Job 5:25 . Job 5:25 : Ook zult u bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde.
[^jesaja-48-19-59]: Kanttekening 59: uw ingewanden: Dat is, uw lichaam.
[^jesaja-48-19-60]: Kanttekening 60: Te weten van het zand.
[^jesaja-48-19-61]: Kanttekening 61: Anders, grof zand, of kiezelstenen.
[^jesaja-48-19-62]: Kanttekening 62: Zie vers 9 . Jesaja 48:9 : Vanwege Mijn Naam zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en vanwege Mijn roem zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.
[^jesaja-48-20-f]: Verwijzing f: Jes. 52:11 ; Jer. 50:8 ; Jer. 51:6 ; idem 51:45 ; Openb. 18:4 . Jesaja 52:11 : Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt! Jeremia 50:8 : Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit van de Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde heen. Jeremia 51:6 : Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iedereen zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt. Jeremia 51:45 : Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iedereen zijn ziel, vanwege de hitte van de toorn van YHWH. Openbaring 18:4 : En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^jesaja-48-20-63]: Kanttekening 63: Dat is, trekt haastig weg als ontvluchtende, opdat u niet mee ingewikkeld wordt in het gestreng oordeel, dat God over de Babyloniërs zal brengen. Zie Jer. 51:6 ; Openb. 18:4 . Jeremia 51:6 : Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt. Openbaring 18:4 : En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^jesaja-48-20-64]: Kanttekening 64: Te weten uit de Babylonische gevangenschap en uit andere ellende meer.
[^jesaja-48-21-65]: Kanttekening 65: Te weten zegt ook.
[^jesaja-48-21-66]: Kanttekening 66: Zij hadden: Te weten de Joden, die uit Babel naar Judea door de woestijn trekken zouden.
[^jesaja-48-21-67]: Kanttekening 67: geen dorst: De Heer heeft eertijds zijn volk met allerlei nooddruft verzorgd, toen Hij hen door de woestijn naar het land Kanaän voerde. Zo belooft hier de Heer dat Hij zijn volk ook verzorgen zou, als Hij het uit Babel naar het Joodse land opnieuw brengen zou en verder zijn kerk geestelijk verlossen en zaligmaken; zie boven Jes. 43:19 , 43:20 . Jesaja 43:19 : Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. Jesaja 43:20 : Het gedierte van het veld zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.
[^jesaja-48-21-68]: Kanttekening 68: Hij hen leidde: Te weten de Heer.
[^jesaja-48-21-69]: Kanttekening 69: Hij deed hun water: Zie Ex. 17:6 ; Num. 20:11 ; Ps. 105:41 . Exodus 17:6 : Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11 : Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 105:41 : Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
[^jesaja-48-22-g]: Verwijzing g: Jes. 57:21 . Jesaja 57:21 : De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
[^jesaja-48-22-70]: Kanttekening 70: de goddelozen: Dat is, de ongelovigen, de afgodendienaars, zij zijn dan Babyloniërs of Joden.
[^jesaja-48-22-71]: Kanttekening 71: geen vrede: Dat is, geen welvaart, noch naar de ziel, noch naar het lichaam. Zie boven vers 18 , en onder Jes. 57:21 . Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee. Jesaja 57:21 : De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

### Jesaja 49

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/49.json)

*Christus verkondigt aan alle volken zijn roeping, vers 1. Hij klaagt over het ongeloof van de Joden, 4, en spreekt over de roeping van de heidenen, 6, en troost de gevangenen en bedrukten, 9. Hij belooft alles wat hinderlijk is om tot Hem te komen, weg te nemen, 11. Hij troost de moedeloze Joden, 14, met de belofte hun geestelijk nageslacht te zullen vermeerderen, 18, en dat de koningen daarvan voedsterheren zouden zijn, 23, en Hij belooft dat Hij hen uit de hand van zowel de lichamelijke als de geestelijke vijanden zou verlossen, 24.*

**1** [^jesaja-49-1-1]Hoor naar Mij,[^jesaja-49-1-2] u eilanden! en luister toe, u volken van verre! YHWH heeft[^jesaja-49-1-3] Mij geroepen van de buik af, van[^jesaja-49-1-4] Mijn moeders binnenste af heeft Hij[^jesaja-49-1-5] Mijn Naam[^jesaja-49-1-6] gemeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v1)

**2** En Hij heeft Mijn mond[^jesaja-49-2-7] gemaakt als een scherp zwaard,[^jesaja-49-2-8] onder de schaduw van Zijn hand[^jesaja-49-2-9] heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij[^jesaja-49-2-10] tot een zuiveren[^jesaja-49-2-11] pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v2)

**3** En Hij heeft tot Mij gezegd:[^jesaja-49-3-12] U bent Mijn Knecht, Israël,[^jesaja-49-3-13] door Wie Ik verheerlijkt zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v3)

**4** Maar Ik zei: Ik heb[^jesaja-49-4-15] te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht[^jesaja-49-4-16] onnuttelijk en zinloos[^jesaja-49-4-17] toegebracht;[^jesaja-49-4-18] zeker,[^jesaja-49-4-19] Mijn recht is bij YHWH, en Mijn werkloon is bij Mijn God.[^jesaja-49-4-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v4)

**5** En nu zegt YHWH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht gevormd heeft, dat Ik[^jesaja-49-5-20] Jakob tot Hem teruggeven zou;[^jesaja-49-5-21] maar Israël zal zich[^jesaja-49-5-22] niet verzamelen laten;[^jesaja-49-5-23] toch zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van YHWH, en Mijn God[^jesaja-49-5-24] zal Mijn Sterkte zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v5)

**6** Verder zei Hij:[^jesaja-49-6-25] Het is te gering, dat U Mij een Knecht zou zijn, om[^jesaja-49-6-26] op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen[^jesaja-49-6-27] de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven[^jesaja-49-6-28] tot een Licht van de heidenen, om[^jesaja-49-6-29] Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v6)

**7** Zo zegt YHWH, de Verlosser van[^jesaja-49-7-30] Israël, Zijn Heilige, tot[^jesaja-49-7-31] de verachte ziel, tot Hem, aan Wie[^jesaja-49-7-32] het volk een gruwel heeft,[^jesaja-49-7-33] tot de Knecht van degenen,[^jesaja-49-7-34] die heersen: Koningen[^jesaja-49-7-35] zullen het zien en[^jesaja-49-7-36] opstaan, ook vorsten, en[^jesaja-49-7-37] zij zullen zich voor U[^jesaja-49-7-38] buigen; omwille van YHWH,[^jesaja-49-7-39] Die getrouw is,[^jesaja-49-7-40] om de Heilige[^jesaja-49-7-41] van Israël, Die U gekozen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v7)

**8** Zo zegt YHWH: In die tijd van het welbehagen heb Ik[^jesaja-49-8-45] U verhoord,[^jesaja-49-8-46] en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en[^jesaja-49-8-48] Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven[^jesaja-49-8-49] tot een verbond[^jesaja-49-8-50] van het volk, om de aarde op te richten, om[^jesaja-49-8-52] de verwoeste erfenissen te doen beërven;[^jesaja-49-8-42][^jesaja-49-8-a][^jesaja-49-8-43][^jesaja-49-8-44][^jesaja-49-8-47][^jesaja-49-8-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v8)

**9** Om te zeggen[^jesaja-49-9-53] tot de gebondenen: Ga uit; tot hen,[^jesaja-49-9-54] die in duisternis zijn:[^jesaja-49-9-55] Kom te voorschijn;[^jesaja-49-9-56] zij zullen[^jesaja-49-9-57] op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v9)

**10** [^jesaja-49-10-58] Zij zullen niet[^jesaja-49-10-b] hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen[^jesaja-49-10-59] niet steken; want hun[^jesaja-49-10-60] Ontfermer zal ze leiden, en[^jesaja-49-10-61] Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v10)

**11** En[^jesaja-49-11-62] Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd[^jesaja-49-11-63] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v11)

**12** Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en[^jesaja-49-12-64] van het westen, en geen uit het land[^jesaja-49-12-65] van Sinim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v12)

**13** [^jesaja-49-13-66] Juich, u hemelen! en verheug u, u aarde! en[^jesaja-49-13-67] u bergen! maak gedreun met gejuich; want YHWH heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v13)

**14** Maar Sion zegt: YHWH heeft mij verlaten, en YHWH heeft mij vergeten.[^jesaja-49-14-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v14)

**15** Kan ook een vrouw[^jesaja-49-15-69] haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de[^jesaja-49-15-70] zoon van haar[^jesaja-49-15-71] buik? Hoewel deze[^jesaja-49-15-72] vergate, zo zal Ik toch[^jesaja-49-15-73] u niet vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v15)

**16** Zie,[^jesaja-49-16-74] Ik heb u in de beide handpalmen[^jesaja-49-16-75] gegraveerd;[^jesaja-49-16-76] uw muren[^jesaja-49-16-77] zijn steeds voor Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v16)

**17** Uw[^jesaja-49-17-78] zonen zullen zich haasten;[^jesaja-49-17-79] maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen[^jesaja-49-17-80] van u uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v17)

**18** [^jesaja-49-18-c] Hef uw ogen op rondom, en zie,[^jesaja-49-18-81] alle deze verzamelen zich, zij komen[^jesaja-49-18-82] tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, zeker, u zult u[^jesaja-49-18-83] met alle deze[^jesaja-49-18-84] als met een sieraad bekleden, en u zult ze[^jesaja-49-18-85] u aanbinden, gelijk een bruid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v18)

**19** Want[^jesaja-49-19-86] in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, zeker, nu zult u[^jesaja-49-19-87] benauwd[^jesaja-49-19-88][^jesaja-49-19-89] worden van inwoners; en[^jesaja-49-19-90] die u verslonden, zullen zich verre van u maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v19)

**20** Nog zullen[^jesaja-49-20-91] de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij,[^jesaja-49-20-92][^jesaja-49-20-93] dat ik wonen mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v20)

**21** En[^jesaja-49-21-94] u zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was[^jesaja-49-21-95] in de gevangenis gegaan, en[^jesaja-49-21-96] weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Zie, ik was alleen overgelaten, waar waren deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v21)

**22** Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier[^jesaja-49-22-98] opsteken;[^jesaja-49-22-99] dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.[^jesaja-49-22-97] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v22)

**23** En[^jesaja-49-23-100] koningen zullen uw voedsterheren zijn,[^jesaja-49-23-101] hun vorstinnen uw[^jesaja-49-23-102] zoogvrouwen;[^jesaja-49-23-103] zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij[^jesaja-49-23-104] zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v23)

**24** [^jesaja-49-24-105][^jesaja-49-24-d] Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen[^jesaja-49-24-106]? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v24)

**25** Maar zo zegt YHWH: Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tiran zal[^jesaja-49-25-108] ontkomen; want[^jesaja-49-25-109] met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik[^jesaja-49-25-110] verlossen.[^jesaja-49-25-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v25)

**26** En[^jesaja-49-26-111] Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en[^jesaja-49-26-e] van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en[^jesaja-49-26-112] alle vlees zal bemerken, dat Ik, YHWH, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/49.html#v26)

[^jesaja-49-1-1]: Kanttekening 1: naar Mij: Dit spreekt Christus.
[^jesaja-49-1-2]: Kanttekening 2: u eilanden: Zie boven Jes. 41:1 . Jesaja 41:1 : Zwijgt voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
[^jesaja-49-1-3]: Kanttekening 3: Mij geroepen: Te weten tot een Middelaar en Heiland van zijn volk.
[^jesaja-49-1-4]: Kanttekening 4: Mijn moeders: Dat is, zo haast als mijn moeder mij heeft ontvangen en ter wereld gebracht; zie Matt. 1:20 , 1:21 ; Luk. 1:31 , en Luk. 2:21 . Mattheüs 1:20 : En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heer verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest; Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
[^jesaja-49-1-5]: Kanttekening 5: Mijn Naam: Dat is, mij.
[^jesaja-49-1-6]: Kanttekening 6: Te weten bij zijn uitverkoren volk in Juda. Zie Luk. 1:70 . Lukas 1:70 : Gelijk Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die van het begin van de wereld geweest zijn;
[^jesaja-49-2-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, gesteld; dat is, Hij heeft mij bevolen te prediken boete en vergeving van de zonden en Hij werkt zo door mijn predikatiën, dat zij de toehoorders door het hart snijden. Vergelijk Luk. 24:32 ; Hand. 2:37 ; Hebr. 4:12 ; Openb. 1:16 . Lukas 24:32 : En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de Schriften opende? Handelingen 2:37 : En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers? Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. Openbaring 1:16 : En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.
[^jesaja-49-2-8]: Kanttekening 8: onder de schaduw: Of, met de schaduw, enz. zie Jes. 51:16 . Jesaja 51:16 : En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: U bent Mijn volk.
[^jesaja-49-2-9]: Kanttekening 9: heeft Hij Mij bedekt: Dat is, Hij heeft mij bewaard tegen de listen van de schriftgeleerden en farizeën, dat zij mij tegen mijn wil en voordat het tijd was niet hebben kunnen vangen noch doden.
[^jesaja-49-2-10]: Kanttekening 10: tot een zuiveren: Een zuivere gladde pijl gaat lichter ergens door dan een verroeste doet.
[^jesaja-49-2-11]: Kanttekening 11: pijl gesteld: Pijl betekent hier zoveel als straks tevoren zwaard. Zie Ps. 45:6 . Psalmen 45:6 : Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de vijanden van de Koning.
[^jesaja-49-3-12]: Kanttekening 12: U bent Mijn Knecht: Zie boven Jes. 42:1 , en Jes. 51:16 . De zin van deze woorden is: O Christus, U bent niet alleen mijn knecht; maar U bent ook de rechte Israël, die met God en zijn machtigen toorn strijdende, de overwinning behouden zult, waarvan Jakob alleen een voorbeeld geweest is als hij, met de engel van de Heer strijdende, die overwonnen heeft, waarvan hij de naam Israël gekregen heeft. Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht aan de heidenen voortbrengen. Jesaja 51:16 : En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: U bent Mijn volk.
[^jesaja-49-3-13]: Kanttekening 13: door Welke Ik: Of, in welke. Anders: Israël \[is degene\] van welke Ik mij door u roemen zal. De zin is: Ik beveel U dat u vooreerst mijn heerlijk woord zult voordragen aan de Israëlieten, of dat u onder hen allereerst mijn heerlijkheid zult verkondigen. Zie Matt. 10:6 , en Matt. 15:24 ; Hand. 13:46 , en Hand. 28:25 , enz. Mattheüs 10:6 : Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israël. Mattheüs 15:24 : Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u het verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Handelingen 28:25 : En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen,
[^jesaja-49-4-15]: Kanttekening 15: te vergeefs: Te weten met mijn predikatiën, bij de verstokte Joden.
[^jesaja-49-4-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, in het woeste.
[^jesaja-49-4-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, verteerd, dat is gebruikt.
[^jesaja-49-4-18]: Kanttekening 18: Of, nochtans is mijn recht bij de Heer.
[^jesaja-49-4-19]: Kanttekening 19: Mijn recht: Dat is, mijn loon, dat mij met recht toekomt. Alsof Christus zei: Hoewel mijn arbeid zulke vruchten niet heeft voortgebracht als Ik wel wenste, zo getroost Ik mij daarmede, dat Ik mijn hemelsen Vader getrouwelijk heb gediend in het ambt, dat Hij mij heeft opgelegd, en het is Hem ook wel bekend. Vergelijk Matt. 23:37 . In het volgende werkloon. Hebreeuws eigenlijk: werk, of arbeid, en het wordt voor arbeidsloon genomen. Zie Jer. 22:13 . Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild. Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^jesaja-49-4-14]: Kanttekening 14: Ik zei: Te weten, de Heer Christus, die hier klaagt over het ongeloof en de boosheid van het grootste deel van de Joden.
[^jesaja-49-5-20]: Kanttekening 20: Dat is, de Joden.
[^jesaja-49-5-21]: Kanttekening 21: maar Israël: Anders, en Israël dat niet verzameld wordt, opdat Ik verheerlijkt worde in de ogen van de Heer, en dat Mijn God Mijn Sterkte zou wezen . De frase Israël dat niet verzameld wordt doelt op het verstrooide Israël. Zie Matt. 23:37 . Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^jesaja-49-5-22]: Kanttekening 22: niet verzamelen laten: Zich tot mij bekerende; Matt. 23:37 ; Joh. 1:11 . Anders, Israël verzamelt zich niet. Anders, en Israël zal tot hem vergaderd worden. Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild. Johannes 1:11 : Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
[^jesaja-49-5-23]: Kanttekening 23: nochtans zal Ik verheerlijkt worden: De zin is: Onaangezien de onboetvaardigheid van het grootste deel van het volk van Israël, zal mijn getrouwe arbeid en naarstigheid in de bediening van mijn predikambt bij mijn hemelsen Vader in waarde zijn en blijven.
[^jesaja-49-5-24]: Kanttekening 24: zal Mijn Sterkte zijn: Of, is mijn sterkte geworden; dat is, God troost mij door zijn Heilige Geest tegen de ondankbaarheid van de Joden. Vergelijk Matt. 11:25 , 11:26 ; Joh. 6:36 , 6:37 , en Joh. 10:26 , 10:27 . Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt die aan de kinderen geopenbaard. Mattheüs 11:26 : Ja, Vader! Want zo is geweest het welbehagen voor U. Johannes 6:36 : Maar Ik heb u gezegd, dat u Mij ook gezien hebt, en u gelooft niet. Johannes 6:37 : Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen. Johannes 10:26 : Maar u gelooft niet; want u bent niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb. Johannes 10:27 : Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken die, en zij volgen Mij.
[^jesaja-49-6-25]: Kanttekening 25: Het is te gering: Hebreeuws, het is te licht (נָקֵל). Alsof Hij zei: de waardigheid van uw persoon, als die daar zijt de eeuwige en enige Zoon van God de Vader, alsook het hoge ambt waartoe Ik U beroepen hebt, vereist wat meer en wat voortreffelijkers, dan dat U alleen het volk van Israël zoudt oprichten en weer terechtbrengen. Ik heb U tot een Zaligmaker van de gehele wereld verordineerd; daarom, ofschoon U het grootste deel onder de Joden niet wil kennen noch aannemen, zo zullen er velen onder de heidenen gevonden worden, die het doen zullen, en zal de Christelijke kerk des te minder niet zijn, maar veel meer zal zij daardoor vermeerderd worden.
[^jesaja-49-6-26]: Kanttekening 26: op te richten: Te weten door de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-49-6-27]: Kanttekening 27: de bewaarden: Dat is, degenen, die Ik totnogtoe met grote zorg en naarstigheid bewaard heb, als zijnde mijn erfdeel, ja de appel van mijn ogen, Deut. 32:10 . Deuteronomium 32:10 : Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
[^jesaja-49-6-28]: Kanttekening 28: tot een Licht: Dit is een klare profetie van de bekering van de heidenen tot Christus. Zie boven Jes. 42:6 ; Luk. 2:32 ; Hand. 13:46 , 13:47 , en Hand. 26:17 , 26:18 . Jesaja 42:6 : Ik, YHWH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen. Lukas 2:32 : Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u het verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Handelingen 13:47 : Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 26:17 : Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot die Ik u nu zend; Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^jesaja-49-6-29]: Kanttekening 29: Mijn heil: Dat is, een heil van de heidenen, van mij verordineerd.
[^jesaja-49-7-30]: Kanttekening 30: Zijn Heilige: Dat is, die de Heilige van Israël is, gelijk boven Jes. 10:17 . Jesaja 10:17 : Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op een dag.
[^jesaja-49-7-31]: Kanttekening 31: de verachte ziel: Hebreeuws, de verachte van ziel (נֶפֶשׁ); dat is tot Christus, die in deze wereld van alle goddelozen \[die altijd verre de meesten zijn geweest\] is veracht geweest. Anders: die een ieder veracht. Anders: tot \[die\] welke de ziel, \[dat is schier ieder man, de grootste en voornaamste hoop van de Joden\] veracht. Zie Jes. 53:3 ; Matt. 27:22 , 27:23 , 27:29 , 27:40 ; Joh. 7:48 . Jesaja 53:3 : Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en een ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Mattheüs 27:22 : Pilatus zei tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. Mattheüs 27:23 : Maar de stadhouder zei: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden! Mattheüs 27:29 : En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, U Koning van de Joden! Mattheüs 27:40 : En zeggende: U, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Als U de Zoon van God bent, zo kom af van het kruis. Johannes 7:48 : Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeën?
[^jesaja-49-7-32]: Kanttekening 32: het volk: Te weten het boze Joodse volk.
[^jesaja-49-7-33]: Kanttekening 33: tot de Knecht: Dat is, tot Christus, die in de gedaante van een knecht in deze wereld verschenen is.
[^jesaja-49-7-34]: Kanttekening 34: die heersen: Te weten te Jeruzalem, als Herodes, Pontius Pilatus, enz.
[^jesaja-49-7-35]: Kanttekening 35: zullen het zien: Of, zullen U zien; dat is, kennen en eren voor de Heiland en Zaligmaker van de wereld. Zie Ps. 71:10 , 71:11 . Psalmen 71:10 : Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen, Psalmen 71:11 : Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.
[^jesaja-49-7-36]: Kanttekening 36: Tot een teken van eerbieding, gelijk Lev. 19:32 . Leviticus 19:32 : Voor het grauwe haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de ouden vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben YHWH!
[^jesaja-49-7-37]: Kanttekening 37: zij zullen zich: Of, en zullen U aanbidden.
[^jesaja-49-7-38]: Kanttekening 38: om de wil van YHWH: God de Vader in de Zoon erende.
[^jesaja-49-7-39]: Kanttekening 39: Die getrouw is: Die zijn belofte van de zending van zijn Zoon Jezus Christus in het vlees getrouwelijk houden zal.
[^jesaja-49-7-40]: Kanttekening 40: de Heilige van Israël: Dit is, om de wil van degene, die de Heilige van Israël is; zie boven in vers 7 . Jesaja 49:7 : Zo zegt YHWH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Die, aan Welke het volk een gruwel heeft, tot de Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de wil van YHWH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft.
[^jesaja-49-7-41]: Kanttekening 41: Die U gekozen heeft: Te weten tot zijn knecht en Middelaar van de uitverkorenen. Hier is verandering van persoon, want tevoren heeft hij van Christus gesproken in de derde persoon, hier in de tweede.
[^jesaja-49-8-45]: Kanttekening 45: U verhoord: O Christus.
[^jesaja-49-8-46]: Kanttekening 46: en ten dage: Dit si met andere woorden wat straks gezegd is.
[^jesaja-49-8-48]: Kanttekening 48: Te weten tegen al uwe vijanden, dat u van geen derzelven overwonnen wordt.
[^jesaja-49-8-49]: Kanttekening 49: tot een verbond: Dat is, tot een Middelaar van het verbond, gelijk boven Jes. 42:6 . Jesaja 42:6 : Ik, YHWH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen.
[^jesaja-49-8-50]: Kanttekening 50: van het volk: Te weten van het volk van God.
[^jesaja-49-8-52]: Kanttekening 52: de verwoeste: Men kan hier door de verwoeste erfenissen verstaan, eerst het land Kanaän, dat ten tijde van de Babylonische gevangenschap verwoest was; zie vers 19 en verder de zaligheid, waarvan de duivel de uitverkorenen poogde te onterven, te beroven, en hun die woest te maken. Jesaja 49:19 : Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.
[^jesaja-49-8-42]: Kanttekening 42: YHWH: Te weten God de Vader.
[^jesaja-49-8-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 6:2 . 2 Korinthiërs 6:2 : Want Hij zegt: In de aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid!
[^jesaja-49-8-43]: Kanttekening 43: In die tijd: Dat is, ten tijde als Ik mijn genade en goedertierenheid heb willen openbaren door de predikatie van het heilig Evangelie, en Ik U gezonden heb tot een Heiland van de wereld om te lijden voor de zonden van mijn volk; 2 Kor. 6:2 . 2 Korinthiërs 6:2 : Want Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid!
[^jesaja-49-8-44]: Kanttekening 44: heb Ik: Dit wordt gesproken in de verleden tijd; maar het is te verstaan in de toekomende tijd.
[^jesaja-49-8-47]: Kanttekening 47: heb Ik U: Dat is, Ik heb u ondersteund toen u in de pijnen van het dodenrijk was, en heb uw lichaam voor verderf bewaard toen u in het graf laagt; ja Ik heb u van de doden opgewekt en aan mijn rechterhand gesteld. Zie 2 Kor. 6:2 . 2 Korinthiërs 6:2 : Want Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid!
[^jesaja-49-8-51]: Kanttekening 51: de aarde: Dat is, de inwoners van de aarde, te weten de uitverkorenen. De zin is: Opdat U, Jezus Christus, uw kerk, die uw erve is, opnieuw opricht en daarin woont.
[^jesaja-49-9-53]: Kanttekening 53: tot de gebondenen: Dat is, de gevangenen, als boven Jes. 42:7 . Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
[^jesaja-49-9-54]: Kanttekening 54: die in duisternis zijn: Dat is, die in onwetendheid en in geestelijke treurigheid leven.
[^jesaja-49-9-55]: Kanttekening 55: Komt te voorschijn: Of, komt hervoor, openbaart u. Hebreeuws eigenlijk, wordt ontdekt, of geopenbaard.
[^jesaja-49-9-56]: Kanttekening 56: zij zullen: Te weten, die van u krachtiglijk zullen beroepen zijn.
[^jesaja-49-9-57]: Kanttekening 57: op de wegen: Dat is, aan alle hoeken en kanten. De zin is: Nadat zij uit de geestelijke gevangenschap van de zonden en van de duivel verlost zijn, zullen zij rijk aan de ziel en aan het lichaam gezegend worden, en zij zullen deze zegeningen overal genieten.
[^jesaja-49-10-58]: Kanttekening 58: Zij zullen niet: Wat God hier zegt, zal in de hemel vervuld worden. Zie Openb. 7:16 . De mening is dat de uitverkorenen in de hemel geen ongemak lijden zullen; maar dat zij volkomen gelukzalig zijn zullen, waarvan de genieting van het manna en het water uit de rotssteen in de woestijn een voorbeeld geweest is. Openbaring 7:16 : Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.
[^jesaja-49-10-b]: Verwijzing b: Openb. 7:16 . Openbaring 7:16 : Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.
[^jesaja-49-10-59]: Kanttekening 59: niet steken: Hebreeuws, niet slaan (יַכֵּ).
[^jesaja-49-10-60]: Kanttekening 60: Dat is, de Heer Christus zal hen leiden gelijk een herder zijn schapen leidt; gelijk Jes. 40:11 . Jesaja 40:11 : Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
[^jesaja-49-10-61]: Kanttekening 61: Hij zal hen: Dat is, Hij zal hen verkwikken door de troost van de Heilige Geest, daartoe gebruikende de troostelijke beloftenissen, die God aan de zijnen is doende.
[^jesaja-49-11-62]: Kanttekening 62: Ik zal: Dat is, Ik zal alle hindernissen uit de weg nemen; daarentegen zal Ik alle behulp en bevordering doen, opdat mijn uitverkorenen uit alle hoeken en einden van de gehele wereld tot de gemeenschap van het volk van God gebracht worden. Het zijn de woorden van God de Vader.
[^jesaja-49-11-63]: Kanttekening 63: Of, worden.
[^jesaja-49-12-64]: Kanttekening 64: van het westen: Hebreeuws, van de zee (יָּם); zie de aantekening Gen. 12:8 . Genesis 12:8 : En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^jesaja-49-12-65]: Kanttekening 65: Of, van de Sinieten. Deze wordt ook gedacht Gen. 10:17 . Enige menen dat deze volken wel mochten zijn de Chinezen. Genesis 10:17 : En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet,
[^jesaja-49-13-66]: Kanttekening 66: Zie Rom. 8:19 . Romeinen 8:19 : Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring van de kinderen van God.
[^jesaja-49-13-67]: Kanttekening 67: u bergen: Zie Jes. 35:1 , en Jes. 44:23 . Jesaja 35:1 : De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Jesaja 44:23 : Zingt met vreugde, u hemelen! want YHWH heeft het gedaan; juicht, u benedenste delen van de aarde! u bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, u bossen, en alle geboomte daarin! Want YHWH heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël.
[^jesaja-49-14-68]: Kanttekening 68: Sion zegt: Dat is, de gelovige Joden, die dit spreken, hard geperst zijnde door de grote en menigvuldige ellenden, die hen overvielen.
[^jesaja-49-15-69]: Kanttekening 69: haar zuigeling: Of, van haar zuigkind, of van haar klein kind; gelijk Jes. 65:20 . Jesaja 65:20 : Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.
[^jesaja-49-15-70]: Kanttekening 70: Zie gelijke manier van spreken Spreuk. 21:2 . Spreuken 21:2 : Alle weg van de mensen is recht in zijn ogen; maar YHWH weegt de harten.
[^jesaja-49-15-71]: Kanttekening 71: Of, ja dezelfde; te weten vrouwen; anders: nog kunnen deze vergeten, of maar of zij ze vergaten, zo zal Ik nochtans, enz.
[^jesaja-49-15-72]: Kanttekening 72: Te weten haar kind of kinderen. Zie Ps. 27:10 . Psalmen 27:10 : Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar YHWH zal mij aannemen.
[^jesaja-49-15-73]: Kanttekening 73: u niet vergeten: O Zion, o Jeruzalem, dat is, o mijn kerk, mijn volk. Versta dit niet zozeer van een lichamelijke als van een geestelijke verlossing; Rom. 9:6 , 9:7 . Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.
[^jesaja-49-16-74]: Kanttekening 74: Ik heb u: Dat is, Ik zal altijd aan u gedachtig zijn en zorg voor u dragen.
[^jesaja-49-16-75]: Kanttekening 75: Of, geschreven, getekend.
[^jesaja-49-16-76]: Kanttekening 76: uw muren: O Jeruzalem.
[^jesaja-49-16-77]: Kanttekening 77: zijn steeds: Alsof de Heer zei: Gelijk Ik de muren van Jeruzalem, door de Chaldeën verwoest zijnde, zal herbouwen, zo zal Ik het geestelijk Jeruzalem, mijn kerk, die nu klein, ja schier geheel vervallen is, weer opbouwen en beschermen.
[^jesaja-49-17-78]: Kanttekening 78: Of, kinderen; dat is de uitverkorenen, die in u door het zaad van het Woord van God zullen geboren worden, die zullen met grote begeerte haastig komen tot de gemeenschap van de gemeente.
[^jesaja-49-17-79]: Kanttekening 79: uw verstoorders: Dat is, de valse leraars en twistmakers, als schriftgeleerden en farizeën, en ook al degenen, die door hun valse leer en ergerlijk leven u schadelijk zijn en afbreuk doen.
[^jesaja-49-17-80]: Kanttekening 80: van u uitgaan: Of, uit u.
[^jesaja-49-18-c]: Verwijzing c: Jes. 60:4 . Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
[^jesaja-49-18-81]: Kanttekening 81: alle deze: Versta, de bekeerde heidenen, die de kerk zullen vermeerderen en versieren, zich tezamen onder enen herder vervoegende.
[^jesaja-49-18-82]: Kanttekening 82: tot u: Of, uwenthalve.
[^jesaja-49-18-83]: Kanttekening 83: met alle deze: Te weten met al de uitverkorenen, die de Heer onder zijn gehoorzaamheid brengen zal, zo uit de Joden als uit de heidenen.
[^jesaja-49-18-84]: Kanttekening 84: als met een sieraad: Het grote getal van de ware Christengelovigen is het sieraad van de kerk.
[^jesaja-49-18-85]: Kanttekening 85: gelijk een bruid: Dat is, gelijk ene bruid haar sieraad aandoet, of om zich bindt, als zij zich oppronkt.
[^jesaja-49-19-86]: Kanttekening 86: in : De zin is: De menigte dergenen, die zich tot de Christelijke gemeente begeven zullen, zal zo grote zijn dat de kerk, die tevoren als een woeste en eenzame plaats geweest is, zal vervuld, ja schier te eng worden om al de aankomende Christengelovigen uit de heidenen te bevatten, want de gelovigen zullen door de gehele wereld verspreid worden.
[^jesaja-49-19-87]: Kanttekening 87: Het Joodse land is verstoord geworden, zo door de Babyloniërs als door de Romeinen en andere natiën.
[^jesaja-49-19-88]: Kanttekening 88: nu zult u: Dat is, dan, of al haast. Zie de aantekening Hos. 10:3 . Hosea 10:3 : Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^jesaja-49-19-89]: Kanttekening 89: Of, geprangd, geperst worden; te weten als de uitverkoren heidenen tot u zullen inkomen en zich tot de gemeente vervoegen zullen.
[^jesaja-49-19-90]: Kanttekening 90: die u verslonden: Dat is, die u tevoren schenen te willen verslinden door hun tirannische vervolging en leer, als daar waren de schriftgeleerden, farizeën en tirannen, enz.
[^jesaja-49-20-91]: Kanttekening 91: de kinderen: Hebreeuws, de kinderen van uw kinderberoving (בְּנֵי); dat is, van uw onvruchtbaarheid, namelijk de heidenen, die wel eigenlijk uwe kinderen niet zijn, als van u lichamelijk niet gegenereerd zijnde, maar nu door het geloof kinderen van de gemeente geworden zijn, nadat u, Joden, vanwege de ongelovigheid en onboetvaardigheid als kinderloos en onvruchtbaar voor het meeste deel te achten bent. Anderen vertalen vers 20 aldus: De kinderen, die u krijgen zult, toen u van uwe kinderen beroofd was, zullen nog zeggen voor uwe oren; dat is dat u het hoort. Jesaja 49:20 : Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag.
[^jesaja-49-20-92]: Kanttekening 92: De plaats: Dit betekent de grote aanwas van de Christelijke kerk.
[^jesaja-49-20-93]: Kanttekening 93: wijk van mij: Of, geef mij plaats.
[^jesaja-49-21-94]: Kanttekening 94: u zult zeggen: Te weten u Joodse kerk, zult u bij uzelve verwonderen over de grote menigte van de heidenen, die zich tot de kerk van God vervoegen zullen.
[^jesaja-49-21-95]: Kanttekening 95: in de gevangenis: Te weten in de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-49-21-96]: Kanttekening 96: Te weten uit mijn land.
[^jesaja-49-22-98]: Kanttekening 98: Of, opwerpen, of verheffen.
[^jesaja-49-22-99]: Kanttekening 99: dan zullen zij: Dat is, jongen en ouden, mannen en vrouwen zullen komen, en zich in de gemeenschap van de heiligen begeven, en de één zal de ander met goede vermaningen en onderwijzingen, en ook met een goed voorbeeld, voorgaan; Jes. 60:4 , en Jes. 66:12 . Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. Jesaja 66:12 : Want zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal de vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid van de heidenen als een overlopende beek; dan zult u zuigen; u zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden.
[^jesaja-49-22-97]: Kanttekening 97: Ik zal Mijn hand: Dat is, Ik zal de heidenen krachtiglijk beroepen door de predikatie van het heilig Evangelie en de innerlijke werking van de Heilige Geest.
[^jesaja-49-23-100]: Kanttekening 100: De zin is dat de koningen niet alleen zich tot de gemeente van Christus zullen vervoegen; maar zij zullen ook hun macht en autoriteit gebruiken tot aanwas en bescherming derzelve.
[^jesaja-49-23-101]: Kanttekening 101: hun vorstinnen: Dat is, de huisvrouwen van de koningen.
[^jesaja-49-23-102]: Kanttekening 102: Of, zoogammen.
[^jesaja-49-23-103]: Kanttekening 103: zij zullen zich: Dat is, zij zullen u burgerlijke eerbieding doen; zij zullen zich voor u verootmoedigen en zich aan u onderwerpen. Die zullen zij doen vanwege Christus, die het Hoofd van zijn kerk is.
[^jesaja-49-23-104]: Kanttekening 104: zullen het stof: De zin is: Zij zullen zich zo laag voor u buigen, dat hun mond tot aan de aarde naken zal, alsof zij de aarde wilden oplekken. Zie Ps. 72:9 . Psalmen 72:9 : De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken.
[^jesaja-49-24-105]: Kanttekening 105: Zou ook: Dit spreekt de vervolgde en van de tirannen bedrangde kerk, ten aanzien van het geweld van de vervolgers.
[^jesaja-49-24-d]: Verwijzing d: Matt. 12:29 . Mattheüs 12:29 : Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.
[^jesaja-49-24-106]: Kanttekening 106: eens rechtvaardigen: Die met enig recht, hetzij van oorlog of anders iemand in vaste gevangenschap houdt.
[^jesaja-49-25-108]: Kanttekening 108: Of, vrij en losgemaakt worden.
[^jesaja-49-25-109]: Kanttekening 109: met uw twisters: Zie Ps. 35:1 . Psalmen 35:1 : Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
[^jesaja-49-25-110]: Kanttekening 110: Of, bewaren, behouden.
[^jesaja-49-25-107]: Kanttekening 107: Versta dit gesproken te zijn niet alleen van de gevangen Joden in de Babylonische gevangenschap, die de machtige koningen van Babel door krijgsrecht of geweld onder hun heerschappij zo gebracht hadden dat het onmogelijk scheen hen daaruit te verlossen; maar versta dit ook, onder een voorbeeld gesproken te zijn van de duivel, dodenrijk, dood, onder wier heerschappij God ons door zijn rechtvaardig oordeel had overgegeven om onze zonden; Christus heeft ons uit hun geweld verlost, aan God zijn hemelsen Vader voor ons betalende; Hij is sterker dan al onze vijanden.
[^jesaja-49-26-111]: Kanttekening 111: Ik zal uw: Dat is, Ik zal maken dat uwe vijanden en vervolgers, te weten de vijanden van mijn kerk, hun eigen vlees zullen eten, dat zij elkaar zullen verscheuren en verslinden. Ik zal met hen handelen gelijk ik eertijds met de Midianieten en andere van mijn vijanden gehandeld heb.
[^jesaja-49-26-e]: Verwijzing e: Openb. 16:6 . Openbaring 16:6 : Omdat zij het bloed van de heiligen, en van de profeten vergoten hebben, zo hebt U hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waard.
[^jesaja-49-26-112]: Kanttekening 112: alle vlees: Dat is, alle mensen, van wat staat of rang dat zij zijn.

### Jesaja 50

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/50.json)

*De Heere getuigt dat niet Hij de oorzaak is van de verwerping van de Joden, maar hun zonden, vers 1 enzovoort, met een verhaal van zijn macht, 2. Christus verhaalt hoe trouw Hij zijn ambt heeft bediend, 4, zelfs met versmading en smarten, 6, door de hulp van zijn hemelse Vader, 7. Hij vermaant de gelovige Joden op de Heere te vertrouwen, 10, en dreigt de goddelozen met de helse smarten, 11.*

**1** Zo zegt YHWH: Waar is[^jesaja-50-1-2] de scheidbrief van uw moeder, waarmee Ik haar[^jesaja-50-1-3] weggezonden heb? Of wie is er van Mijn[^jesaja-50-1-4] schuldeisers,[^jesaja-50-1-5] aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.[^jesaja-50-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v1)

**2** Waarom kwam Ik, en[^jesaja-50-2-6] er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde?[^jesaja-50-2-a] Is Mijn hand dus[^jesaja-50-2-7] geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Zie, door Mijn bestraffing[^jesaja-50-2-8] maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v2)

**3** [^jesaja-50-3-9] Ik bekleed de hemel met[^jesaja-50-3-10] zwartheid, en stel[^jesaja-50-3-11] een zak tot zijn deksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v3)

**4** [^jesaja-50-4-12] Adonai YHWH heeft Mij een tong[^jesaja-50-4-13] van de geleerden gegeven, opdat Ik wete[^jesaja-50-4-14] met de moede een woord[^jesaja-50-4-15] op de juiste tijd te spreken;[^jesaja-50-4-16] Hij wekt[^jesaja-50-4-17] elke morgen,[^jesaja-50-4-18] Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore,[^jesaja-50-4-19] gelijk die geleerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v4)

**5** Adonai YHWH[^jesaja-50-5-20] heeft Mij het oor geopend, en[^jesaja-50-5-b] Ik ben niet opstandig, Ik wijk niet achteruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v5)

**6** [^jesaja-50-6-21] Ik geef Mijn rug aan hen, die Mij slaan, en Mijn wangen aan hen,[^jesaja-50-6-22] die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet[^jesaja-50-6-23] voor smaadheden en[^jesaja-50-6-24] speeksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v6)

**7** Want Adonai YHWH helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom[^jesaja-50-7-25] heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v7)

**8** [^jesaja-50-8-26] Hij is nabij,[^jesaja-50-8-c] Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons samen staan;[^jesaja-50-8-27] wie heeft een rechtzaak tegen Mij?[^jesaja-50-8-28] hij kome herwaarts tot Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v8)

**9** Zie, Adonai YHWH helpt Mij, wie is het,[^jesaja-50-9-29] die Mij zal verdoemen? Zie,[^jesaja-50-9-30] zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v9)

**10** [^jesaja-50-10-31] Wie is er onder u, die YHWH vreest, die[^jesaja-50-10-32] naar de stem van Zijn Knecht hoort?[^jesaja-50-10-33] Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam van YHWH, en[^jesaja-50-10-34] steune op zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v10)

**11** [^jesaja-50-11-35] Zie, u allen,[^jesaja-50-11-36] die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt![^jesaja-50-11-37] wandel in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die u ontstoken hebt.[^jesaja-50-11-38] Dat gebeurt u[^jesaja-50-11-39] van Mijn hand,[^jesaja-50-11-40] in smart zult u liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/50.html#v11)

[^jesaja-50-1-2]: Kanttekening 2: de scheidbrief: Wat het geven van een scheidbrief betreft, zie Deut. 24:1 . Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.
[^jesaja-50-1-3]: Kanttekening 3: weggezonden heb: Dat is, verlaten heb, dat is hier te zeggen, gevankelijk heb laten wegvoeren.
[^jesaja-50-1-4]: Kanttekening 4: Of, schuldheren.
[^jesaja-50-1-5]: Kanttekening 5: wie Ik: Het placht bij de Joden geoorloofd en gebruikelijk te zijn dat een vader, die schuld had en niet betalen kon, zijn dochter tot ene dienstmaagd mocht verkopen, Ex. 21:7 , en 2 Kon. 4:1 , ofschoon de kinderen zulks niet verdiend hadden; maar zo heeft God met de Joden niet gehandeld, maar Hij heeft hen om hun ongerechtigheden verkocht, dat is, in handen van de Babyloniërs overgeleverd. Exodus 21:7 : Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan. 2 Koningen 4:1 : Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen van de profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en u weet, dat uw knecht YHWH was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.
[^jesaja-50-1-1]: Kanttekening 1: Waar is: God spreekt hier de boze Joden aan, bij welke het eertijds ene wijze was dat zij hun vrouwen een scheidbrief gaven, als zij naar hun zin niet waren; Deut. 24:1 . Zo heeft God met het Joodse volk niet gehandeld, dat Hij hen zonder grote oorzaak naar Babel zou hebben weggezonden, maar zij hebben gruwelijk en dikwijls tegen Hem gezondigd. Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.
[^jesaja-50-2-6]: Kanttekening 6: daar was niemand: Te weten die mijn woord hoorde en gehoorzaamde, toen Ik u door de profeten, mijn dienaren, tot boete liet roepen en mijn genade aanbieden.
[^jesaja-50-2-a]: Verwijzing a: Num. 11:23 ; Jes. 59:1 . Numeri 11:23 : Maar YHWH zei tot Mozes: Zou dan van YHWH hand verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet. Jesaja 59:1 : Ziet, de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.
[^jesaja-50-2-7]: Kanttekening 7: geheel kort: Hebreeuws, kort wordende kort geworden. Alsof de Heer zei: Hebt u mij daarom niet willen horen of gehoorzamen, omdat u aan mijn almacht getwijfeld hebt, alsof Ik u uit uwe ellende niet zou kunnen verlossen?
[^jesaja-50-2-8]: Kanttekening 8: maak Ik de zee: Gelijk gebleken is aan de Rode zee, Ex. 14:21 , en aan de Jordaan; Joz. 3:16 . Alsof de Heer zei: Omdat Ik zulks doen kan, zo ontbreekt mij ook gene macht om u te redden. Van Gods schelding zie Ps. 9:6 , en Ps. 18:16 , en Ps. 104:7 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die ganse nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd. Psalmen 18:16 : En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o YHWH! van het geblaas van de wind van Uw neus. Psalmen 104:7 : Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
[^jesaja-50-3-9]: Kanttekening 9: Ik bekleed: Dat is, Ik overtrek de hemel met duistere wolken als het mij belieft; zie Ex. 20:21 . Exodus 20:21 : En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
[^jesaja-50-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, donkerheid.
[^jesaja-50-3-11]: Kanttekening 11: een zak: Dat is, een duistere wolk, als een zak of haren kleed.
[^jesaja-50-4-12]: Kanttekening 12: De Heer YHWH: Dit spreekt de Heer Christus, of de profeet in Christus' naam, en versta hier door de Heer YHWH God de Vader.
[^jesaja-50-4-13]: Kanttekening 13: van de geleerden: Dat is, dergenen, die Gods woord wel naarstiglijk geleerd hebben en die door zijn Geest geregeerd worden. Zie Matt. 10:19 , 10:20 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Mattheüs 10:20 : Want u bent het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.
[^jesaja-50-4-14]: Kanttekening 14: met de moe: Dat is, met dergenen, die in hun gemoed verslagen zijn, die troost en verkwik ik. Zie Matt. 11:28 . Mattheüs 11:28 : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^jesaja-50-4-15]: Kanttekening 15: ter rechter tijd: Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, betekent zoveel als iets ter rechter of ter bekwamer tijd spreken of doen.
[^jesaja-50-4-16]: Kanttekening 16: Hij wekt: Dat is, Hij maakt mij geduriglijk mijn ambt indachtig door de inwendige werking van zijn Heilige Geest, en Hij maakt mij gewillig om zijn wil te doen.
[^jesaja-50-4-17]: Kanttekening 17: elke morgen: Hebreeuws, in morgenstond in morgenstond.
[^jesaja-50-4-18]: Kanttekening 18: Hij wekt Mij: Dat is, Hij maakt dat Ik zijn woord graag hoor en hetzelfde recht versta, Hij onderwijst mij naarstiglijk als een meester zijn discipel, mij leerzaam en onderdanig makende.
[^jesaja-50-4-19]: Kanttekening 19: gelijk die: Dat is, met vlijt en aandacht, gelijk zij doen, die wensen en begeren geleerd te worden.
[^jesaja-50-5-20]: Kanttekening 20: heeft Mij: Dat is, Hij heeft mij gewillig en bekwaam gemaakt om te doen wat Hij mij beveelt.
[^jesaja-50-5-b]: Verwijzing b: Joh. 14:31 ; Fil. 2:8 ; Hebr. 10:5 . Johannes 14:31 : Maar opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en zo doe, zoals Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan. Filippenzen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. Hebreeën 10:5 : Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid;
[^jesaja-50-6-21]: Kanttekening 21: Ik geef Mijn rug: De zin is: Ik lijd alle leed, smaad en schande, die men mij aandoet, met geduld en volharding. Zie Matt. 26:67 , enz., en Matt. 27:26 . Mattheüs 26:67 : Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. Mattheüs 27:26 : Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.
[^jesaja-50-6-22]: Kanttekening 22: die Mij het haar: Of, die \[mij\] de haren uitplukten.
[^jesaja-50-6-23]: Kanttekening 23: voor smaadheden: Of, voor menigerlei smaad.
[^jesaja-50-6-24]: Kanttekening 24: Zie de aantekening Job 30:10 . Job 30:10 : Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.
[^jesaja-50-7-25]: Kanttekening 25: heb Ik Mijn aangezicht: Dat is, Ik overwin al het leed, dat men mij aandoet, met standvastigheid; zie gelijke manier van spreken Jer. 1:18 , en Jer. 15:20 ; Ez. 3:8 , 3:9 . Jeremia 1:18 : Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. Jeremia 15:20 : Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt YHWH. Ezechiël 3:8 : Ziet, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd. Ezechiël 3:9 : Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een opstandig huis zijn.
[^jesaja-50-8-26]: Kanttekening 26: Hij is nabij: Alsof Christus zei: God, mijn hemelse Vader, zal mijn onschuld aan de dag brengen, namelijk ten dele door de wondertekenen, die in mijn dood gebeuren zullen, ten dele in mijn opstanding uit het graf en verhoging aan zijn rechterhand. Anderen nemen de eerste woorden van vers 8 aldus, alsof Christus zei: Hij staat mij bij, en Hij verdedigt mij tegen mijn wederpartijders. Jesaja 50:8 : Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.
[^jesaja-50-8-c]: Verwijzing c: Rom. 8:32 ; idem v. 33 . Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Romeinen 8:33 : Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt.
[^jesaja-50-8-27]: Kanttekening 27: wie heeft: Of, wie heeft met mij te richten? Hebreeuws, wie is een Heer van mijn gericht; zie Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^jesaja-50-8-28]: Kanttekening 28: hij kome herwaarts: Of, Hij naderde tot mij. Alsof Hij zei: Hij stelt voet bij stuk.
[^jesaja-50-9-29]: Kanttekening 29: die mij zal verdoemen: Te weten met recht. Hebreeuws, goddeloos maken zal.
[^jesaja-50-9-30]: Kanttekening 30: zij zullen allemaal: Te weten al mijn tegenstanders.
[^jesaja-50-10-31]: Kanttekening 31: Wie is er: Hier spreekt Christus de vrome en gelovige Joden aan.
[^jesaja-50-10-32]: Kanttekening 32: naar de stem: Dat is, mijn stem, die Ik de knecht van de Heer ben, gelijk boven Jes. 42:1 , en Jes. 49:5 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Jesaja 49:5 : En nu zegt YHWH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van YHWH, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.
[^jesaja-50-10-33]: Kanttekening 33: Als hij: Of, die; dat is, ofschoon hij in ellende leeft. Zie Ps. 23:4 ; zie ook Jes. 9:1 . Psalmen 23:4 : Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen.
[^jesaja-50-10-34]: Kanttekening 34: steune op zijn God: Dat is, hij verlate zich op die God, die een genadeverbond met hem heeft opgericht.
[^jesaja-50-11-35]: Kanttekening 35: Ziet, u allen: Hier spreekt Christus de valse leraars aan, te weten de schriftgeleerden en Farizeën.
[^jesaja-50-11-36]: Kanttekening 36: die een vuur: Dat is, die wijsheid voorgeeft uit uw eigen harten, buiten Gods Woord, dat alleen het licht onzer voeten is; menende door uw eigen wijsheid en macht de ellende voor te komen of af te wenden.
[^jesaja-50-11-37]: Kanttekening 37: De zin is: Doet wat u wilt of mag, gebruikt al uwe kunsten, wandelt naar uw eigen goeddunken, omdat u immers in het licht van het goddelijke Woord niet wilt wandelen, dat Ik u voordraag.
[^jesaja-50-11-38]: Kanttekening 38: Dat geschiedt u: Of, zulks.
[^jesaja-50-11-39]: Kanttekening 39: van Mijn hand: Door welke Ik u rechtvaardig overgeef in zulke verkeerdheid en verblinding van het hart, daarom zult u ook de straf niet kunnen ontgaan.
[^jesaja-50-11-40]: Kanttekening 40: in smart: Te weten in helse pijn, in smart en bekommernis van uw consciëntie. Een kwade consciëntie is een knagende worm, die nimmermeer sterft.

### Jesaja 51

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/51.json)

*De Heere troost zijn volk en vermaant het tot geloof en geduld, vers 1 enzovoort, terwijl Hij belooft hen te verlossen, 4, en dat spoedig, 5, en dat zijn heil bestendig zal zijn, 6, maar dat de mensen vergankelijk zijn, 8. Een gebed van de benauwde godvrezenden om hulp en verlossing, 9, die de Heere hun belooft, 11, terwijl Hij tegelijk de zwakheid van hun geloof bestraft, 12. Beschrijving van de macht van de Heere, 15, om hen te helpen, 16, terwijl Hij de bittere drinkbeker van hen wegneemt, 17 en 22, en die aan hun vijanden geeft, 23.*

**1** [^jesaja-51-1-1] Hoor naar Mij, u, die de gerechtigheid nastreeft, u, die YHWH zoekt! aanschouw de rotssteen, waar[^jesaja-51-1-2] u[^jesaja-51-1-3] uit gehouwen bent, en de holligheid van de bornput,[^jesaja-51-1-4] waar u uit gegraven bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v1)

**2** [^jesaja-51-2-5] Aanschouw Abraham, uw vader, en Sara, die u gebaard heeft; want[^jesaja-51-2-6] Ik riep hem,[^jesaja-51-2-7] toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v2)

**3** Want YHWH zal[^jesaja-51-3-8] Sion troosten, Hij zal[^jesaja-51-3-9] troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal[^jesaja-51-3-10] haar woestijn maken[^jesaja-51-3-11] als Eden, en haar wildernis[^jesaja-51-3-12] als de hof van YHWH; vreugde en blijdschap[^jesaja-51-3-13] zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van het gezang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v3)

**4** Luister naar Mij, Mijn volk! en Mijn mensen, neigt naar Mij het oor! want[^jesaja-51-4-14] een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn[^jesaja-51-4-15] recht[^jesaja-51-4-16] doen rusten[^jesaja-51-4-17] tot een licht van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v4)

**5** [^jesaja-51-5-18] Mijn gerechtigheid is nabij,[^jesaja-51-5-19] Mijn heil[^jesaja-51-5-20] trekt uit, en[^jesaja-51-5-21] Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen[^jesaja-51-5-22] de eilanden wachten, en[^jesaja-51-5-23] op Mijn arm zullen zij hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v5)

**6** Hef uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want[^jesaja-51-6-24] de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen[^jesaja-51-6-25] van gelijken sterven; maar[^jesaja-51-6-26] Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal[^jesaja-51-6-27] niet verbroken worden.[^jesaja-51-6-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v6)

**7** Hoor naar Mij, u, die de gerechtigheid[^jesaja-51-7-29] kent, u volk,[^jesaja-51-7-a] in wier hart Mijn wet is[^jesaja-51-7-30]![^jesaja-51-7-b] vrees niet de smaad[^jesaja-51-7-31] van de mens, en voor[^jesaja-51-7-32] hun smaadredenen ontzet u niet.[^jesaja-51-7-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v7)

**8** Want[^jesaja-51-8-c] de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten[^jesaja-51-8-34] als wol; maar[^jesaja-51-8-35] Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil[^jesaja-51-8-36] van geslacht tot geslachten.[^jesaja-51-8-37][^jesaja-51-8-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v8)

**9** Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die[^jesaja-51-9-39] Rahab[^jesaja-51-9-40] uitgehouwen hebt, Die[^jesaja-51-9-41] de zeedraak[^jesaja-51-9-42] verwond hebt?[^jesaja-51-9-43][^jesaja-51-9-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v9)

**10** Bent U het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt?[^jesaja-51-10-d] Die de diepten van de zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?[^jesaja-51-10-45][^jesaja-51-10-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v10)

**11** Zo zullen de vrijgekochten van YHWH terugkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij[^jesaja-51-11-47] aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvluchten.[^jesaja-51-11-48][^jesaja-51-11-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v11)

**12** Ik, Ik ben het, Die u troost;[^jesaja-51-12-50] wie bent u, dat u vreest voor[^jesaja-51-12-e] de mens, die[^jesaja-51-12-51] sterven zal? en voor het kind van een mens[^jesaja-51-12-52], dat hooi worden zal?[^jesaja-51-12-53][^jesaja-51-12-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v12)

**13** En vergeet YHWH, Die u gemaakt heeft,[^jesaja-51-13-f] Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest steeds de hele dag, vanwege de woede van de benauwer, wanneer hij zich bereidt om te verderven?[^jesaja-51-13-55] Waar is dan de woede van de benauwer?[^jesaja-51-13-56][^jesaja-51-13-57][^jesaja-51-13-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v13)

**14** De omzwevende gevangene zal haastig los gelaten worden; en hij zal in de kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.[^jesaja-51-14-59][^jesaja-51-14-60][^jesaja-51-14-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v14)

**15** Want Ik ben YHWH, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.[^jesaja-51-15-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v15)

**16** En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot[^jesaja-51-16-63] Sion: U bent Mijn volk.[^jesaja-51-16-64][^jesaja-51-16-65][^jesaja-51-16-66] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v16)

**17** [^jesaja-51-17-g] Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt[^jesaja-51-17-67] van de hand van[^jesaja-51-17-68] YHWH de beker van Zijn woede; de droesem van de[^jesaja-51-17-69] beker van de bedwelming hebt u gedronken,[^jesaja-51-17-70] ja, uitgezogen.[^jesaja-51-17-71][^jesaja-51-17-72][^jesaja-51-17-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v17)

**18** Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft,[^jesaja-51-18-74] die haar bij de hand grijpt.[^jesaja-51-18-75][^jesaja-51-18-76][^jesaja-51-18-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v18)

**19** [^jesaja-51-19-h] Deze twee dingen zijn u overkomen, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten?[^jesaja-51-19-78][^jesaja-51-19-79][^jesaja-51-19-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v19)

**20** [^jesaja-51-20-i] Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, zoals[^jesaja-51-20-81] een wilde os[^jesaja-51-20-82] in het net; zij zijn vol[^jesaja-51-20-83] van de woede van[^jesaja-51-20-84] YHWH, van de bestraffing van uw God.[^jesaja-51-20-85][^jesaja-51-20-86][^jesaja-51-20-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v20)

**21** Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn![^jesaja-51-21-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v21)

**22** Zo zegt de Heere, YHWH en uw God, Die de zaak van Zijn volk twisten zal: Zie, Ik neem de beker van de bedwelming van uw hand, de droesem van de beker van mijn woede; u zult die voortaan niet meer drinken.[^jesaja-51-22-89][^jesaja-51-22-90] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v22)

**23** Maar Ik zal hem in de hand zetten van hen, die u bedroefd hebben, die tot uw ziel zeiden: Buig u neer, dat wij over u gaan; en u legde uw rug neer als aarde, en als een straat van degenen, die daarover gaan.[^jesaja-51-23-91][^jesaja-51-23-92] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/51.html#v23)

[^jesaja-51-1-1]: Kanttekening 1: Hoort naar Mij: Dit zijn de woorden van God tot zijn gemeente, haar troostende in haar droefenis, waarmee zij bevangen was, aanziende het kleine getal van de gelovigen.
[^jesaja-51-1-2]: Kanttekening 2: de rotssteen: Dat is, Abraham, wiens lichaam van ouderdom verstorven was als hij de belofte ontving, dat hij Izak zou genereren, Rom. 4:19 . Zie de aantekening Ps. 90:2 . Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. Psalmen 90:2 : Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
[^jesaja-51-1-3]: Kanttekening 3: uit gehouwen zijt: Dat is, door mijn sterkte voortgebracht zijt.
[^jesaja-51-1-4]: Kanttekening 4: waar u: Versta hier, Sara, die onvruchtbaar was en wier lichaam van ouderdom verstorven was toen zij Izak ontvangen heeft; Rom. 4:19 . Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^jesaja-51-2-5]: Kanttekening 5: Aanschouwt Abraham: Dit is ene verklaring van de naastvoorgaande woorden.
[^jesaja-51-2-6]: Kanttekening 6: Ik riep hem: De zin is: Gelijk Ik Abraham en Sara, onaangezien zij beiden stokoud waren, tot een groot volk gemaakt heb; zo zal Ik ook mijn kerk wonderbaarlijk vermeerderen, onaangezien u Joden nu een veracht en hard gedrukt volk bent.
[^jesaja-51-2-7]: Kanttekening 7: toen hij nog : Of, toen hij \[nog\] enig was. Hebreeuws, toen hij een was; toen hij nog gene kinderen, ja, geen hoop van kinderen te krijgen had; zie Rom. 4:19 . Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^jesaja-51-3-8]: Kanttekening 8: Sion troosten: Dat is, zijn volk, de Christelijke kerk; of degenen, die uit de Babylonische gevangenschap zullen wedergekomen zijn.
[^jesaja-51-3-9]: Kanttekening 9: troosten al haar: Troosten is hier zoveel te zeggen als opbouwen en terechtbrengen, al haar, te weten Zions, woeste plaatsen. Hebreeuws, haar woestheden. De zin is: De Heer zal in plaats van de ongelovige Joden de heidenen roepen; vergelijk Rom. 11:11 ; Gal. 4:27 . Romeinen 11:11 : Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken. Galaten 4:27 : Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft.
[^jesaja-51-3-10]: Kanttekening 10: haar woestijn maken: Dat is, het kleine getal van de gelovige Joden.
[^jesaja-51-3-11]: Kanttekening 11: als Eden: Dat is, als de lusthof te Eden, die men het Paradijs noemt, zie Gen. 2:8 ; dat is, de Heer zal in zijn kerk door zijn krachtige beroeping, de uitverkorenen uit de heidenen planten. Genesis 2:8 : Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had.
[^jesaja-51-3-12]: Kanttekening 12: als de hof: Dat is, als het paradijs; of versta hier, door de hof van de Heer, een bovenmate schonen hof. Het is hetzelfde, dat straks met andere woorden gezegd is.
[^jesaja-51-3-13]: Kanttekening 13: daarin gevonden: Te weten in de kerk van de Heer.
[^jesaja-51-4-14]: Kanttekening 14: een wet: Of, leer; te weten de leer van het heilig Evangelie; gelijk Jes. 2:3 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^jesaja-51-4-15]: Kanttekening 15: Daarin bestaande, dat allen, die in Christus geloven, gerechtvaardigd worden en vergeving van al hun zonden verkrijgen. Anderen, mijn recht; dat is, mijn leer, die Ik als een recht mijn uitverkorenen voorschrijf.
[^jesaja-51-4-16]: Kanttekening 16: doen rusten: Te weten in mijn kerk, die de kolom en vastheid van de waarheid is; 1 Tim. 3:15 . 1 Timotheüs 3:15 : Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid.
[^jesaja-51-4-17]: Kanttekening 17: tot een licht: Dat is, tot dat einde, opdat het de uitverkorenen uit verscheidene volken beschijne, die verlichtende met de zaligmakende kennis van God. Vergelijk Luk. 2:32 ; Hand. 13:46 , 13:47 . Lukas 2:32 : Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven van het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Handelingen 13:47 : Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde.
[^jesaja-51-5-18]: Kanttekening 18: Mijn gerechtigheid: Dat is, mijn genadige verlossing, die Ik mijn volk door hun Zaligmaker Jezus Christus, achtervolgens mijn belofte, bewijzen zal.
[^jesaja-51-5-19]: Kanttekening 19: Mijn heil: Dat is, mijn zaligheid, die Ik mijn uitverkorenen geven zal, komt tevoorschijn.
[^jesaja-51-5-20]: Kanttekening 20: trekt uit: Of zal tevoorschijn komen.
[^jesaja-51-5-21]: Kanttekening 21: Mijn armen: Dat is, Ik zal de volken door mijn goddelijke kracht tot gehoorzaamheid brengen.
[^jesaja-51-5-22]: Kanttekening 22: de eilanden: Dat is, de vreemde natiën; zie Jes. 41:1 , en Jes. 42:4 , en Jes. 60:9 . Jesaja 41:1 : Zwijgt voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen. Jesaja 42:4 : Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jesaja 60:9 : Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van YHWH uws Gods, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft.
[^jesaja-51-5-23]: Kanttekening 23: op Mijn arm: Dat is, op mijn hulp en bijstand; zie Jes. 53:1 . Jesaja 53:1 : Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard?
[^jesaja-51-6-24]: Kanttekening 24: de hemel: De zin is: Hemel en aarde zullen wel vergaan, maar het Evangelie en de zaligheid van Gods volk zal eeuwig vast zijn. Sommigen nemen het aldus: Ofschoon er zo grote en gruwelijke veranderingen in de wereld komen zullen, alsof de hemel en aarde vergaan zouden, zo zal Ik nochtans mijn kerk bewaren en haar geven wat Ik haar beloofd heb. Vergelijk Ps. 102:26 ; Jes. 34:4 . Psalmen 102:26 : U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; Jesaja 34:4 : En al de legermacht van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun legermacht zal afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom.
[^jesaja-51-6-25]: Kanttekening 25: van gelijken: Te weten gelijk de rook en een kleed vergaan.
[^jesaja-51-6-26]: Kanttekening 26: Mijn heil: Zo onder vers 8 . Verder, zijn; dat is, blijven. Zie Ps. 37:18 . Jesaja 51:8 : Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. Psalmen 37:18 : Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jesaja-51-6-27]: Kanttekening 27: Mijn gerechtigheid: Zo onder vers 8 . Verder, zijn; dat is, blijven. Zie Ps. 37:18 . Jesaja 51:8 : Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. Psalmen 37:18 : Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jesaja-51-6-28]: Kanttekening 28: niet verbroken worden: Of, niet bezwijken.
[^jesaja-51-7-29]: Kanttekening 29: de gerechtigheid: Dat is hier te zeggen, de vroomheid en godzaligheid.
[^jesaja-51-7-a]: Verwijzing a: Ps. 37:31 . Psalmen 37:31 : De wet zijn Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
[^jesaja-51-7-30]: Kanttekening 30: Dat is, liefhebt en uzelven daarmede bezighoudt. Gelijk Ps. 1:6 . Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^jesaja-51-7-b]: Verwijzing b: Ps. 118:6 ; onder, v. 12 . Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? Jesaja 51:12 : Ik, Ik ben het, Die u troost; wie bent u, dat u vreest voor de mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?
[^jesaja-51-7-31]: Kanttekening 31: Mijn wet is: Als zijnde de regel en het richtsnoer, waarnaar zich de mensen hebben te regelen.
[^jesaja-51-7-32]: Kanttekening 32: van de mens: Dat is, die u de mensen aandoen.
[^jesaja-51-7-33]: Kanttekening 33: hun smaadredenen: Te weten van de sterflijke mensen, dat is hier te zeggen van de goddelozen, die uwe vijanden zijn.
[^jesaja-51-8-c]: Verwijzing c: Jes. 50:9 . Jesaja 50:9 : Ziet, de Heer YHWH helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten.
[^jesaja-51-8-34]: Kanttekening 34: het schietwormpje: Dit is een soort van wormpjes, die in de wol dikwijls zijn.
[^jesaja-51-8-35]: Kanttekening 35: als wol: Dat is, als een wollen kleed.
[^jesaja-51-8-36]: Kanttekening 36: Mijn gerechtigheid: Gelijk boven vers 6 . Jesaja 51:6 : Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
[^jesaja-51-8-37]: Kanttekening 37: Mijn heil: Gelijk boven vers 6 . Jesaja 51:6 : Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
[^jesaja-51-8-38]: Kanttekening 38: van geslacht: Hebreeuws, tot geslacht van de geslachten.
[^jesaja-51-9-39]: Kanttekening 39: Ontwaak, ontwaak: Of, waak op, waak op. Dit spreekt het volk van God, God biddende dat Hij zijn macht wil bewijzen en hen verlossen, gelijk Hij hun vaderen eertijds uit Egypte verlost heeft.
[^jesaja-51-9-40]: Kanttekening 40: U het niet: U sterke arm van God.
[^jesaja-51-9-41]: Kanttekening 41: Dat is, Egypte; en versta hier Farao met zijn gehele leger; zie Ps. 78:4 , en Ps. 89:11 . Psalmen 78:4 : Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden van YHWH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. Psalmen 89:11 : U hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte.
[^jesaja-51-9-42]: Kanttekening 42: uitgehouwen hebt: Gelijk men een steen uit een steenrots houwt; dat is hier te zeggen: Uit het getal van de levenden met geweld heeft uitgerukt.
[^jesaja-51-9-43]: Kanttekening 43: de zeedraak: Of, walvis; dat is, de koning Farao. Zie Ps. 74:13 , 74:14 ; Jes. 27:1 ; Ez. 29:3 . Psalmen 74:13 : U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken. Psalmen 74:14 : U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen. Jesaja 27:1 : Te die dage zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden. Ezechiël 29:3 : Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^jesaja-51-9-44]: Kanttekening 44: verwond hebt: Of, smart aangedaan hebt; te weten als U hem in de Rode zee geworpen en verdronken hebt; Ex. 14:27 . Exodus 14:27 : Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en YHWH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee.
[^jesaja-51-10-d]: Verwijzing d: Jes. 43:16 . Jesaja 43:16 : Zo zegt YHWH, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;
[^jesaja-51-10-45]: Kanttekening 45: gemaakt hebt tot een weg: Hebreeuws, gesteld hebt.
[^jesaja-51-10-46]: Kanttekening 46: de verlosten: Dat is, de kinderen van Israël, die uit de handen van de Egyptenaars verlost waren.
[^jesaja-51-11-47]: Kanttekening 47: de vrijgekochten: Of, gerantsoeneerden; dat is degenen voor wie de Heer het rantsoen betaald en hen zo verlost heeft. Enige verstaan dit van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap; anderen uit het geweld van de duivel; sommigen, van beide. Zie Jes. 35:10 , daar staan dezelfde woorden, die hier staan. Jesaja 35:10 : En de vrijgekochten van YHWH zullen terugkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.
[^jesaja-51-11-48]: Kanttekening 48: zal op hun hoofd: Te weten als een schone krans; zie Jes. 35:10 ; 2 Tim. 4:8 . Jesaja 35:10 : En de vrijgekochten van YHWH zullen terugkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden. 2 Timotheüs 4:8 : Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^jesaja-51-11-49]: Kanttekening 49: Of, achterhalen.
[^jesaja-51-12-50]: Kanttekening 50: Ik, Ik ben het: Hier spreekt de Heer opnieuw.
[^jesaja-51-12-e]: Verwijzing e: Ps. 118:6 ; boven, v. 7 . Psalmen 118:6 : YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? Jesaja 51:7 : Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid kent, u volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
[^jesaja-51-12-51]: Kanttekening 51: u troost: Te weten, o Zion, u gemeente van de gelovigen.
[^jesaja-51-12-52]: Kanttekening 52: wie bent u: Alsof de Heer zei: Waarom bent u dan zo kleinmoedig, mijn volk? U kent gewisselijk de kracht van de Heer niet, die u beschermt, omdat u dus vervaard bent voor de sterflijke mensen.
[^jesaja-51-12-53]: Kanttekening 53: sterven zal: Of, sterven moet.
[^jesaja-51-12-54]: Kanttekening 54: hooi worden zal: Hebreeuws, \[die als\] hooi zal gegeven, of gesteld worden; dat is, die afgesneden zal worden en verwelken en verdorren zal gelijk het hooi; zie Jes. 40:6 , en 1 Petr. 1:24 . Jesaja 40:6 : Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. 1 Petrus 1:24 : Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
[^jesaja-51-13-f]: Verwijzing f: Job 9:8 ; Ps. 104:2 ; Jes. 40:22 ; Jes. 42:5 ; Jes. 44:24 . Job 9:8 : Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2 : Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Jesaja 40:22 : Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; Jesaja 42:5 : Zo zegt God, YHWH, Die de hemelen geschapen, en dezelfde uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die de volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest dengenen, die daarop wandelen: Jesaja 44:24 : Zo zegt YHWH, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van de buik af: Ik ben YHWH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf;
[^jesaja-51-13-55]: Kanttekening 55: Die u: Te weten tot zijn volk, en aanzienlijk; vergelijk Ps. 100:3 . Psalmen 100:3 : Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
[^jesaja-51-13-56]: Kanttekening 56: van de benauwers: Van de boze mensen, van de tiran, van de vervolgers, en ook van de duivel.
[^jesaja-51-13-57]: Kanttekening 57: Waar is dan: Alsof hij zei: De vervolgers \[zelfs de duivelen\] vermogen niet meer tegen u. Dit zal eerst ten jongsten gericht volkomenlijk volbracht worden. Anderen nemen deze woorden aldus, alsof de profeet zei: Ziet u nu niet dat al de dreigementen uwe vijanden teniet zijn gegaan? Daarom hebt u geen oorzaak gehad om dus bevreesd te zijn.
[^jesaja-51-13-58]: Kanttekening 58: van de benauwers: Van de boze mensen, van de tiran, van de vervolgers, en ook van de duivel.
[^jesaja-51-14-59]: Kanttekening 59: De omzwevende: Anders: die in vreemdheid omher trekt, zal haastig verlost worden; te weten zo van de banden van de tirannen als van de banden van de duivel, dat is, van zonden. Sommigen verstaan dit ook van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap.
[^jesaja-51-14-60]: Kanttekening 60: in de kuil: Dat is, in de Babylonische gevangenschap, of in de groef of put van de ellende.
[^jesaja-51-14-61]: Kanttekening 61: zijn brood: Dat is, zijn nooddruft.
[^jesaja-51-15-62]: Kanttekening 62: Of, scheurt, deelt. Anders beweegt, zie Job 26:12 ; Jer. 31:35 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. Jeremia 31:35 : Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam:
[^jesaja-51-16-63]: Kanttekening 63: Ik leg: Enige menen dat dit tot Christus, \[vergelijk Jes. 49:2 , 49:3 \] anderen dat het tot zijn kerk gesproken wordt. Jesaja 49:2 : En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. Jesaja 49:3 : En Hij heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, door Welke Ik verheerlijkt zal worden.
[^jesaja-51-16-64]: Kanttekening 64: Dat is, Ik neem u onder mijn bewaring.
[^jesaja-51-16-65]: Kanttekening 65: om de hemel: Te weten door de leer, die Ik in uw mond gelegd heb; dat is om de uitverkorenen te troosten met de hoop van het eeuwige leven, dat zij bezitten en genieten zullen in de nieuwe wereld. Vergelijk hiermede Jes. 65:17 , en Jes. 66:22 , en 2 Petr. 3:13 . Jesaja 65:17 : Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 66:22 : Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont.
[^jesaja-51-16-66]: Kanttekening 66: Dat is, tot de algemene kerk, gelijk vers 3 . Jesaja 51:3 : Want YHWH zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als de hof van YHWH; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van het gezang.
[^jesaja-51-17-g]: Verwijzing g: Jes. 52:1 . Jesaja 52:1 : Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.
[^jesaja-51-17-67]: Kanttekening 67: Waak op, waak op: Hef uwe ogen op tot God de Heer, en grijp weer een hart, en zet uw vertrouwen op zijn genadige toezegging.
[^jesaja-51-17-68]: Kanttekening 68: O u volk van God. Zie Gal. 4:26 ; Hebr. 12:22 . Galaten 4:26 : Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons aller moeder. Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^jesaja-51-17-69]: Kanttekening 69: gedronken hebt: Dat is, die door de tirannen hard getuchtigd zijt geworden. Zie Job 21:20 . Zie ook de aantekening Ps. 60:5 , en Ps. 75:9 ; Jer. 25:15 , 25:16 . Job 21:20 : Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid van de Almachtige! Psalmen 60:5 : U hebt Uw volk een harde zaak doen zien; U hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn. Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. Jeremia 25:15 : Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Jeremia 25:16 : Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden.
[^jesaja-51-17-70]: Kanttekening 70: van de hand: Dat is, die u van de hand van de Heer ontvangen hebt.
[^jesaja-51-17-71]: Kanttekening 71: de beker zijn: Dat is, de straffen, die u van de toornige God ontvangen hebt.
[^jesaja-51-17-72]: Kanttekening 72: van de zwijmeling: Zie Ps. 60:5 . Psalmen 60:5 : U hebt Uw volk een harde zaak doen zien; U hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.
[^jesaja-51-17-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws, uitgedrukt.
[^jesaja-51-18-74]: Kanttekening 74: van al de kinderen: Dat is, van al de Joden, die te Jeruzalem geboren en opgetogen zijn. Hier verhaalt de Heer de ellendige stand van zijn kerk, eer Hij dezelfde met zijn genade en hulp verschenen en Christus in de wereld gezonden had; alsook de stand derzelve onder de heerschappij van de Antichrist en de wrede vervolging van de tirannen. Vergelijk Matt. 9:36 , enz.; 2 Thess. 2:11 ; Openb. 12:3 . Mattheüs 9:36 : En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Openbaring 12:3 : En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden.
[^jesaja-51-18-75]: Kanttekening 75: Te weten de stad Jeruzalem, dat is de gemeente of kerk, of gevangen Joden.
[^jesaja-51-18-76]: Kanttekening 76: die haar zachtjes leidt: Te weten met recht troostelijke leer. Hier klaagt de Heer over de valse leraars, die de overhand genomen hadden, zo ten tijde van de bedroefde stand van de kerk, alsook ten tijde als Christus in het vlees verschenen is, alsook daarna ten tijde van de Antichrist.
[^jesaja-51-18-77]: Kanttekening 77: die haar bij de hand grijpt: Dat is, die haar hulp en troost bewijst in het geestelijke. Of, die zich onderwindt haar uit de Babylonische gevangenschap te verlossen.
[^jesaja-51-19-h]: Verwijzing h: Jes. 47:9 . Jesaja 47:9 : Maar deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op een dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomenlijk zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid uw toverijen, vanwege de menigte uw bezweringen.
[^jesaja-51-19-78]: Kanttekening 78: Deze twee dingen: Te weten dat u van de vijanden bent vervolgd geweest en van uwe regenen geen troost ontvangen hebt, gelijk vers 18 gezegd is; maar anderen menen dat het beter past op wat vers 20 volgt. Jesaja 51:18 : Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt. Jesaja 51:20 : Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid van YHWH, van de schelding uws Gods.
[^jesaja-51-19-79]: Kanttekening 79: wie heeft medelijden met u: Of, wie beklaagt u? dat is, wie troost u? gelijk Job 2:11 . Job 2:11 : Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
[^jesaja-51-19-80]: Kanttekening 80: door wie zal Ik u troosten: De zin is, wiens voorbeeld zal ik bijbrengen, waar ik uwe ellende bij vergelijk, u doende zien dat er nog anderen geweest zijn, die zo hardelijk gestraft zijn als u? Anders: waarmee; anders: door wie zal ik u doen troosten?
[^jesaja-51-20-i]: Verwijzing i: Klaagl. 2:11 ; idem v. 12 . Klaagliederen 2:11 : Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter mijn volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de stad in onmacht zinken; Klaagliederen 2:12 : Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot hun moeders.
[^jesaja-51-20-81]: Kanttekening 81: Uw kinderen: O Jeruzalem; dat is, uwe inwoners, of uwe burgers.
[^jesaja-51-20-82]: Kanttekening 82: zijn in bezwijming: Omdat zij van hun vijanden zijn terneder geslagen.
[^jesaja-51-20-83]: Kanttekening 83: vooraan op alle straten: Hebreeuws, aan het hoofd aller straten (רֹאשׁ); dat is aan de ingang aller straten.
[^jesaja-51-20-84]: Kanttekening 84: een wilde os: Of, buffel.
[^jesaja-51-20-85]: Kanttekening 85: in het net: Hebreeuws, van het net, of van de strik (מִכְמָר); dat is, die in het net verstrikt is, en die daarom zichzelven niet helpen noch redden kan.
[^jesaja-51-20-86]: Kanttekening 86: van de grimmigheid: Van de straf, die van de grimmigheid van de Heer komt. Dit is de oorzaak van hun benauwdheid.
[^jesaja-51-20-87]: Kanttekening 87: de schelding: Dat is, van de straf, gelijk boven Jes. 50:2 . Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.
[^jesaja-51-21-88]: Kanttekening 88: niet van wijn: Maar van tegenspoed en ellende; of versta hierbij: maar van de beker van de grimmigheid van de Heer, gelijk vers 17 . Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen.
[^jesaja-51-22-89]: Kanttekening 89: Die de zaak van Zijn volk twisten zal: Hebreeuws, die zijn volk twisten zal (עַמּ). De zin is, de Heer zal de zaak van zijn volk aannemen te verdedigen tegen hun vijanden.
[^jesaja-51-22-90]: Kanttekening 90: Ik neem: Alsof de Heer zei: omdat u niemand helpen kan, zo wil Ik u helpen.
[^jesaja-51-23-91]: Kanttekening 91: u bedroefd hebben: Of, smart aangedaan hebben; anders: die u verdrukt hebben.
[^jesaja-51-23-92]: Kanttekening 92: die tot uw ziel zeiden: Dat is, die u stoutelijk en trotselijk onderdrukt hebben, zoekende u tot de aarde toe te buigen en ten enenmale teniet te maken; figuurlijke manieren van spreken.

### Jesaja 52

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/52.json)

*De profeet spreekt in dit hoofdstuk over de verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap, die een voorbeeld is van de geestelijke verlossing van de kerk door Christus, vers 1 enzovoort. De aangenaamheid van de prediking van het heilig Evangelie, 7. Belofte dat de Heere zijn volk zal beschermen, 10. Ten slotte wordt hier aangewezen dat Christus verhoogd zal worden, 13, nadat Hij zich tot het uiterste vernederd zou hebben, 14. Profetie van de roeping van de heidenen, 15.*

**1** Waak op, waak op,[^jesaja-52-1-1] trek uw sterkte aan,[^jesaja-52-1-2] o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem,[^jesaja-52-1-3] u heilige stad? want[^jesaja-52-1-4] in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v1)

**2** [^jesaja-52-2-5] Schud u uit het stof, maak u op, zit neer, o Jeruzalem![^jesaja-52-2-6] maak u los van de banden van uw hals, u gevangene[^jesaja-52-2-7] dochter van Sion! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v2)

**3** Want zo zegt YHWH;[^jesaja-52-3-8] U bent om niet verkocht, u zult ook zonder geld[^jesaja-52-3-9] gelost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v3)

**4** Want zo zegt Adonai YHWH: In vorige tijden[^jesaja-52-4-a] trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling daar te verkeren; en Assur heeft het[^jesaja-52-4-11] om niet onderdrukt.[^jesaja-52-4-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v4)

**5** En nu,[^jesaja-52-5-12] wat heb Ik hier te doen? spreekt YHWH, omdat Mijn volk om niet[^jesaja-52-5-13] weggenomen is,[^jesaja-52-5-14] en degenen die erover heersen, het doen[^jesaja-52-5-15] huilen, spreekt YHWH, en[^jesaja-52-5-16] Mijn Naam steeds de hele dag[^jesaja-52-5-b] gelasterd wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v5)

**6** Daarom zal Mijn volk, daarom zal het[^jesaja-52-6-17] Mijn Naam[^jesaja-52-6-18] in die dag kennen,[^jesaja-52-6-19] dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v6)

**7** [^jesaja-52-7-20][^jesaja-52-7-c] Hoe liefelijk zijn[^jesaja-52-7-21] op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt,[^jesaja-52-7-23] die de vrede[^jesaja-52-7-24] doet horen; van degene, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; van degene, die[^jesaja-52-7-25] tot Sion zegt:[^jesaja-52-7-26] Uw God is Koning.[^jesaja-52-7-22][^jesaja-52-7-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v7)

**8** Er is een stem van uw wachters; zij verheffen de stem, zij juichen samen; want zij zullen[^jesaja-52-8-28] oog aan oog[^jesaja-52-8-29] zien, als YHWH Sion[^jesaja-52-8-30] teruggeven zal.[^jesaja-52-8-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v8)

**9** Maak een geschal, juicht samen, u woeste plaatsen van Jeruzalem! want YHWH heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.[^jesaja-52-9-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v9)

**10** YHWH heeft Zijn heilige arm[^jesaja-52-10-33] ontbloot voor de ogen van alle heidenen;[^jesaja-52-10-d] en[^jesaja-52-10-34] al de einden van de aarde zullen zien[^jesaja-52-10-35] het heil van onze God.[^jesaja-52-10-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v10)

**11** Vertrek, vertrek, gaat uit[^jesaja-52-11-37] van daar,[^jesaja-52-11-38][^jesaja-52-11-e] raak het onreine niet aan; ga uit het midden van hen, reinig u,[^jesaja-52-11-39] u, die de voorwerpen van YHWH draagt![^jesaja-52-11-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v11)

**12** Want u zult niet[^jesaja-52-12-41] met haast uitgaan, noch met de vlucht[^jesaja-52-12-42] heengaan; want YHWH zal voor uw aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal[^jesaja-52-12-43] uw achtertocht wezen.[^jesaja-52-12-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v12)

**13** Zie,[^jesaja-52-13-45] Mijn[^jesaja-52-13-46] Knecht zal[^jesaja-52-13-47] verstandig handelen;[^jesaja-52-13-48] Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.[^jesaja-52-13-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v13)

**14** Gelijk als velen zich over[^jesaja-52-14-50] u ontzet hebben,[^jesaja-52-14-51] zo[^jesaja-52-14-f] verdorven was[^jesaja-52-14-52] Zijn gezicht, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen;[^jesaja-52-14-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v14)

**15** Zo zal Hij vele heidenen[^jesaja-52-15-54] besprengen, ja, de koningen zullen hun mond[^jesaja-52-15-55] over Hem toehouden; want[^jesaja-52-15-56] die[^jesaja-52-15-57] het[^jesaja-52-15-g] niet verkondigd was, die zullen het zien, en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.[^jesaja-52-15-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/52.html#v15)

[^jesaja-52-1-1]: Kanttekening 1: trek uw sterkte: Dat is, grijp moed; heb courage; zie Jes. 51:17 . Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen.
[^jesaja-52-1-2]: Kanttekening 2: o Sion: Dat is, u burgers en inwoners van het lichamelijke, en voornamelijk van het geestelijke Jeruzalem.
[^jesaja-52-1-3]: Kanttekening 3: u heilige stad: Hebreeuws, u stad van de heiligheid (עִיר).
[^jesaja-52-1-4]: Kanttekening 4: in u zal: Dat is, u zult voortaan niet meer door de goddeloze en heidense tirannen, hetzij Babyloniërs of anderen overweldigd worden. Dit is voornamelijk van het hemelse Jeruzalem te verstaan, gelijk Openb. 21:27 . Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^jesaja-52-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, wees verblijd en draag geen rouw meer.
[^jesaja-52-2-6]: Kanttekening 6: maak u los: Dat is, dien God in heiligheid en gerechtigheid, nu u verlost bent uit de handen van uw vijanden. Zie boven Jes. 42:7 ; Luk. 1:74 , 1:75 . Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Lukas 1:74 : Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. Lukas 1:75 : In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven.
[^jesaja-52-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, u volk van Zion, dat is van Jeruzalem.
[^jesaja-52-3-8]: Kanttekening 8: De Heer wil zeggen: De Babyloniërs hebben mij daarvoor niets gegeven, dat Ik u hun tot knechten voor altijd zou geven; daarom staat het mij nu ook vrij, als het mij belieft, u uit hun hand te verlossen, zonder rantsoengeld. Zie Ps. 44:13 , en vergelijk Jes. 45:13 . Psalmen 44:13 : U verkoopt Uw volk om geen waardij; en U verhoogt hun prijs niet. Jesaja 45:13 : Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt YHWH van de legermachten.
[^jesaja-52-3-9]: Kanttekening 9: Te weten uit de Babylonische dienstbaarheid, of knechtschap. Zie verder vers 1 . Jesaja 52:1 : Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.
[^jesaja-52-4-a]: Verwijzing a: Gen. 46:6 . Genesis 46:6 : En zij namen hun vee, en hun bezittingen, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;
[^jesaja-52-4-11]: Kanttekening 11: om niet onderdrukt: Of, zonder oorzaak.
[^jesaja-52-4-10]: Kanttekening 10: in vorige tijden: Of, voortijds, eermaals, eertijds. Hebreeuws, in het eerst. De zin is: Als Ik de Egyptenaars zwaar gestraft heb omdat zij mijn volk grotelijks geplaagd hadden, dat toch vrijwillig naar Egypte getrokken is, hoeveel zwaarder zal Ik de Assyriërs en de Babyloniërs straffen, die het uit het land Kanaän, dat Ik hun in eigendom gegeven heb, weggevoerd en zo wredelijk behandeld hebben?
[^jesaja-52-5-12]: Kanttekening 12: wat heb Ik: Hebreeuws, wat mij hier? dat is, wat heb Ik hier te doen? Of, wat staat mij nu te doen? Alsof de Heer zei: Ik wil niet langer hier vertoeven, maar wil meteen naar Babel trekken om mijn volk te verlossen, omdat de Babyloniërs nu hun maat vervuld hebben (עַמִּ). Het is menselijkerwijze van God gesproken.
[^jesaja-52-5-13]: Kanttekening 13: weggenomen is: Dat is, van de Babyloniërs gevankelijk weggevoerd is. Hier staat kortheidshalve een woord voor twee, genomen voor weggenomen en weggevoerd is.
[^jesaja-52-5-14]: Kanttekening 14: Anders: \[en\] zijn regenten huilen. Alsof Hij zei: De Babyloniërs sparen zelfs de regenten niet, veel weiniger sparen zij het gemene volk.
[^jesaja-52-5-15]: Kanttekening 15: het doen huilen: Vermits zij het zo zwaar en ongenadig plagen.
[^jesaja-52-5-16]: Kanttekening 16: Mijn Naam: Alsof Ik mijn volk niet tegen hun geweld had kunnen beschermen, en nu nog niet machtig was het uit hun handen te verlossen.
[^jesaja-52-5-b]: Verwijzing b: Ez. 36:20 ; idem v. 23 ; Rom. 2:24 . Ezechiël 36:20 : Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze zijn het volk van YHWH, en zijn uit Zijn land uitgegaan. Ezechiël 36:23 : Want Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die u in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, spreekt de Heer YHWH, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn. Romeinen 2:24 : Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
[^jesaja-52-6-17]: Kanttekening 17: Mijn Naam: Dat is, mij; zie Ps. 9:11 . Psalmen 9:11 : En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, YHWH, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
[^jesaja-52-6-18]: Kanttekening 18: in die dag: Te weten als Ik het uit de Babylonische gevangenschap verlossen zal, lichamelijk; maar het is ook voornamelijk te verstaan van de geestelijke verlossing uit het geweld van de duivel.
[^jesaja-52-6-19]: Kanttekening 19: dat Ik het Zelf ben: Dat is, dat mijn belofte van hun verlossing waar is.
[^jesaja-52-7-20]: Kanttekening 20: Hoe liefelijk: Hebreeuws, hoe schoon; woorden van verwondering, met blijdschap, ziende niet zozeer op de verkondiging van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, als wel op de predikatie van de apostelen en andere leraars van het Nieuwe Testament, die de Joden en heidenen zouden verkondigen de geestelijke verlossing uit het geweld van de duivel.
[^jesaja-52-7-c]: Verwijzing c: Nahum 1:15 ; Rom. 10:15 . Nahum 1:15 : Ziet op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is geheel uitgeroeid. Romeinen 10:15 : En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
[^jesaja-52-7-21]: Kanttekening 21: op de bergen: Versta, de bergen van het bergachtige Joodse land; en daaronder de kerk van God zo binnen als buiten Jeruzalem en Judea.
[^jesaja-52-7-23]: Kanttekening 23: die de vrede: In vers 7 verhaalt de profeet meermalen een en hetzelfde met verscheidene manieren van spreken, als niet woorden genoeg kunnende bedenken of vinden om die overgrote weldaad van God, ons in Christus bewezen, uit te drukken. Jesaja 52:7 : Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; van degene, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; van degene, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.
[^jesaja-52-7-24]: Kanttekening 24: doet horen: Dat is, verkondigt.
[^jesaja-52-7-25]: Kanttekening 25: doet horen: Dat is, verkondigt.
[^jesaja-52-7-26]: Kanttekening 26: tot Sion zegt: Dat is, tot de gemeente van God.
[^jesaja-52-7-22]: Kanttekening 22: die het goede: Dat is, die een blijde boodschap brengen, namelijk vooreerst de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, en daarna de geestelijke verlossing door Jezus Christus; vergelijk Rom. 10:15 . Romeinen 10:15 : En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
[^jesaja-52-7-27]: Kanttekening 27: Uw God is Koning: Te weten Christus Jezus, die onze eeuwige Koning is en zijn kerk met zijn Woord en Geest regeert, zie de aantekening Ps. 93:1 ; anders: uw God regeert als Koning. Psalmen 93:1 : YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
[^jesaja-52-8-28]: Kanttekening 28: uw wachters: Dat is, van uwe profeten en apostelen enz.
[^jesaja-52-8-29]: Kanttekening 29: oog aan oog: Dat is, bescheidenlijk, duidelijk; vergelijk Num. 14:14 , of, oog bij oog; dat is, alle ogen. Numeri 14:14 : En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, YHWH! in het midden van dit volk bent; dat U, YHWH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat van de dag, en in een vuurkolom van de nacht.
[^jesaja-52-8-30]: Kanttekening 30: Te weten met lust.
[^jesaja-52-8-31]: Kanttekening 31: wederbrengen zal: Uit de Babylonische gevangenschap; alsook uit het geweld van de duivel en van de zonde. Anders: bekeren zal.
[^jesaja-52-9-32]: Kanttekening 32: u woeste plaatsen: Versta hier, die plaatsen, die omtrent Jeruzalem en elders in het Joodse land nu een tijdlang hadden woest gelegen; zijnde van hun vijanden verwoest geweest, en daaronder de woeste stand van de kerk, als Christus haar vergaderde.
[^jesaja-52-10-33]: Kanttekening 33: Zijn heilige arm: Hebreeuws, de arm van zijn heiligheid (זְרוֹעַ); dat is, zijn goddelijke almachtigheid, die Hij in het verlossen van zijn volk bewezen heeft; vergelijk hiermede Luk. 1:51 . Lukas 1:51 : Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten van hun harten.
[^jesaja-52-10-d]: Verwijzing d: Ps. 98:2 ; Lukas 3:6 . Psalmen 98:2 : YHWH heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen van de heidenen. Lukas 3:6 : En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
[^jesaja-52-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, uitgestrekt om de Babyloniërs te slaan en zijn volk uit hun hand te verlossen, en de Christelijke kerk van haar geestelijke vijanden.
[^jesaja-52-10-35]: Kanttekening 35: al de einden: Dat is, al de mensen, wonende aan de uiterste einden van de wereld. Dit is geschied toen Christus zijn apostelen heeft uitgezonden om het Evangelie te gaan prediken in de gehele wereld; Matt. 28 .
[^jesaja-52-10-36]: Kanttekening 36: het heil van onze God: Dat is, het heil, dat onze God ons doen en bewijzen zal.
[^jesaja-52-11-37]: Kanttekening 37: Vertrekt, vertrekt: Ene vermaning tot Gods volk, om met ijver uit het lichamelijke en geestelijke Babel te vertrekken.
[^jesaja-52-11-38]: Kanttekening 38: van daar: Van Babel in Chaldea, gelijk Jes. 48:20 , ook uit het geestelijke Babel, namelijk uit het rijk van de duivel en van de Antichrist. Jesaja 48:20 : Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme van het gejuich, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: YHWH heeft Zijn knecht Jakob verlost!
[^jesaja-52-11-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 6:17 ; Openb. 18:4 . 2 Korinthiërs 6:17 : Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen. Openbaring 18:4 : En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^jesaja-52-11-39]: Kanttekening 39: raakt het onreine: Versta hierbij: Maar begeeft u tot alle heiligheid. Zie vers 1 . Jesaja 52:1 : Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.
[^jesaja-52-11-40]: Kanttekening 40: Dat is, u priesters en Levieten; en in het Nieuwe Testament, al u gelovigen, als zijnde allemaal geestelijke priesters. Zie 1 Thess. 4:4 ; 2 Tim. 2:21 ; 1 Petr. 2:5 ; Openb. 1:6 . 1 Thessalonicensen 4:4 : Dat een ieder van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer; 2 Timotheüs 2:21 : Als dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik van de Heer, tot elk goed werk toebereid. 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^jesaja-52-12-41]: Kanttekening 41: Want u: Ene beschrijving van de uittocht van Gods volk en de genade, die God hun daarin bewijzen zou.
[^jesaja-52-12-42]: Kanttekening 42: met haast uitgaan: Te weten gelijk uwe vaders doen moesten toen zij uit Egypte trokken, waar zij als uitgedreven werden; Ex. 12:33 . Versta hierbij: Maar u zult met gemak en zonder vrees uittrekken, ja met vreugde. Zie de vervulling Ezra 1 . Exodus 12:33 : En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!
[^jesaja-52-12-43]: Kanttekening 43: Te weten uit het lichamelijke en geestelijke Babel.
[^jesaja-52-12-44]: Kanttekening 44: Of, achterhoede, of achterhoop zijn. Hebreeuws, zal u verzamelen, of tezamen vergaderen; dat is, Hij zal u aan alle kanten beschutten en beschermen. Zie Num. 10:25 . Numeri 10:25 : Toen toog op de banier van het leger van de kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn legermacht was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai.
[^jesaja-52-13-45]: Kanttekening 45: Hier beginnen sommigen Jes. 53 .
[^jesaja-52-13-46]: Kanttekening 46: Dit spreekt God de Vader.
[^jesaja-52-13-47]: Kanttekening 47: Te weten Christus, gelijk boven Jes. 42:1 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen.
[^jesaja-52-13-48]: Kanttekening 48: Of, gelukkiglijk, voorzichtiglijk, voorspoediglijk handelen; dat is, hij zal het ambt, dat Ik hem opgelegd heb, wel en bekwamelijk verrichten.
[^jesaja-52-13-49]: Kanttekening 49: Hij zal: Zie Fil. 2:9 . Filippenzen 2:9 : Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^jesaja-52-14-50]: Kanttekening 50: Of, over U zijn verbaasd geweest, of verbaasd zijn geworden.
[^jesaja-52-14-51]: Kanttekening 51: u ontzet hebben: O Jezus Christus.
[^jesaja-52-14-f]: Verwijzing f: Jes. 53:3 . Jesaja 53:3 : Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en een iedereen was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
[^jesaja-52-14-52]: Kanttekening 52: Of, zo ijselijk zal zijn gelaat wezen; namelijk vanwege de kroning met de doornenkroon, de geseling en kruisiging, waarvan in Jes. 53 wijdlopiger zal gesproken worden, zie Fil. 2:7 . Het zijn de woorden van God, sprekende in de derde persoon, met welke Hij reden geeft waarom zich velen over Christus zouden ontzetten. Sommigen houden het voor ingevoegde woorden van de profeet. Filippenzen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^jesaja-52-14-53]: Kanttekening 53: Zijn gelaat: Of, zijn aangezicht; te weten van mijn knecht, Jezus Christus.
[^jesaja-52-15-54]: Kanttekening 54: Te weten Christus.
[^jesaja-52-15-55]: Kanttekening 55: Te weten met zijn vergoten bloed en uitzending van de gaven van zijn Geest bij de predikatie van het heilig Evangelie en het gebruik van de heilige sacramenten.
[^jesaja-52-15-56]: Kanttekening 56: over Hem toehouden: Of, voor Hem, of om Hem; dat is zijnenthalve; te weten als Hij door de predikatie van het heilig Evangelie in hun aanwezigheid en in hun koninkrijken zal verkondigd worden, en als zij zullen verstaan dat Hij een Koning van de gehele aardbodem is.
[^jesaja-52-15-57]: Kanttekening 57: Dat is, de heidenen, wie de geheimenis van het heilig Evangelie tevoren was verborgen geweest. Zie Rom. 15:21 . Romeinen 15:21 : Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
[^jesaja-52-15-g]: Verwijzing g: Rom. 15:21 . Romeinen 15:21 : Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
[^jesaja-52-15-58]: Kanttekening 58: het niet verkondigd was: Of, daarvan; gelijk de apostel Paulus het verklaart, Rom. 15:21 . Romeinen 15:21 : Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

### Jesaja 53

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/53.json)

*In dit hoofdstuk wordt allereerst gesproken over het ongeloof van de Joden ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees, vers 1. Daarna over de vernedering, het lijden en sterven van Christus, evenals over zijn verhoging en heerlijkheid, en over de vruchten die de kerk daarvan ontvangt en geniet.*

**1** [^jesaja-53-1-1][^jesaja-53-1-a] Wie heeft[^jesaja-53-1-2] onze prediking geloofd, en[^jesaja-53-1-3] aan wie is de arm van YHWH geopenbaard? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v1)

**2** [^jesaja-53-2-4] Want Hij is als een rijsje[^jesaja-53-2-5] voor Zijn aangezicht[^jesaja-53-2-6] opgeschoten, en[^jesaja-53-2-7] als een wortel[^jesaja-53-2-8] uit een dorre aarde;[^jesaja-53-2-9] Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als[^jesaja-53-2-10] wij Hem aanzagen, zo was er geen[^jesaja-53-2-11] gestalte,[^jesaja-53-2-12] dat wij Hem zouden begeerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v2)

**3** [^jesaja-53-3-13] Hij was[^jesaja-53-3-b] veracht, en[^jesaja-53-3-14] de onwaardigste onder de mensen,[^jesaja-53-3-15] een Man van smarten, en[^jesaja-53-3-16] verzocht in ziekte; en ieder was[^jesaja-53-3-17] als verbergende het aangezicht voor Hem;[^jesaja-53-3-18] Hij was veracht, en[^jesaja-53-3-19] wij hebben Hem niet geacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v3)

**4** [^jesaja-53-4-20] Werkelijk,[^jesaja-53-4-c] Hij heeft onze ziekten[^jesaja-53-4-21] op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij[^jesaja-53-4-22] gedragen; maar[^jesaja-53-4-23] wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God[^jesaja-53-4-24] geslagen en verdrukt was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v4)

**5** Maar[^jesaja-53-5-d] Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld;[^jesaja-53-5-25] de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen[^jesaja-53-5-26][^jesaja-53-5-e] is ons genezing geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v5)

**6** [^jesaja-53-6-27] Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder[^jesaja-53-6-28] naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid[^jesaja-53-6-29] op Hem doen aanlopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v6)

**7** [^jesaja-53-7-30] Als Hij geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar[^jesaja-53-7-31][^jesaja-53-7-f] Hij deed Zijn mond niet open; als[^jesaja-53-7-g] een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een[^jesaja-53-7-32] schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v7)

**8** Hij is[^jesaja-53-8-33] uit de angst en[^jesaja-53-8-34] uit het gericht weggenomen; en wie zal[^jesaja-53-8-35] Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is[^jesaja-53-8-36] afgesneden[^jesaja-53-8-37] uit het land van de[^jesaja-53-8-38] levenden; om de overtreding[^jesaja-53-8-39] van Mijn volk[^jesaja-53-8-40] is de plaag op Hem geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v8)

**9** En[^jesaja-53-9-41] men heeft Zijn[^jesaja-53-9-42] graf[^jesaja-53-9-43] bij de goddelozen[^jesaja-53-9-44] gesteld, en Hij is bij de rijke[^jesaja-53-9-45] in Zijn dood geweest, omdat Hij[^jesaja-53-9-46] geen onrecht gedaan heeft,[^jesaja-53-9-h] noch bedrog in Zijn mond geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v9)

**10** Maar het behaagde YHWH[^jesaja-53-10-47] Hem[^jesaja-53-10-48] te verbrijzelen; Hij heeft[^jesaja-53-10-49] Hem ziek[^jesaja-53-10-50] gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien,[^jesaja-53-10-51] Hij zal de dagen verlengen; en[^jesaja-53-10-52] het welbehagen van YHWH zal[^jesaja-53-10-53] door Zijn hand gelukkig voortgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v10)

**11** Om de arbeid van Zijn ziel zal[^jesaja-53-11-54] Hij het zien,[^jesaja-53-11-55] en verzadigd worden; door[^jesaja-53-11-56] Zijn kennis zal[^jesaja-53-11-57] Mijn Knecht,[^jesaja-53-11-58] de Rechtvaardige,[^jesaja-53-11-59] velen[^jesaja-53-11-60] rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden[^jesaja-53-11-61] dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v11)

**12** [^jesaja-53-12-62] Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en[^jesaja-53-12-63] Hij zal de machtigen als een roof delen,[^jesaja-53-12-64] omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood,[^jesaja-53-12-i] en[^jesaja-53-12-65] met de overtreders is geteld geweest,[^jesaja-53-12-66] en Hij veler zonden gedragen heeft, en[^jesaja-53-12-67][^jesaja-53-12-k] voor de overtreders gebeden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/53.html#v12)

[^jesaja-53-1-1]: Kanttekening 1: Wie heeft: Te weten onder de Joden. Het is zoveel alsof de profeet zei: Daar zijn er zeer weinig, schier niemand. In de plaatsen Joh. 12:38 ; Rom. 10:16 , wordt het woord o Heer, in het begin bijgevoegd, om te tonen dat het is ene klacht tot God. Johannes 12:38 : Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de Heer geopenbaard? Romeinen 10:16 : Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd?
[^jesaja-53-1-a]: Verwijzing a: Joh. 12:38 ; Rom. 10:16 . Johannes 12:38 : Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd, en wie is de arm van de Heern geopenbaard? Romeinen 10:16 : Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd?
[^jesaja-53-1-2]: Kanttekening 2: onze prediking: Hebreeuws, ons gehoor; dat is, onze predikatiën, gelijk Rom. 10:16 . Het zijn de woorden van de leraars van het Nieuwe Testament, te weten van Christus en zijn apostelen, gelijk af te nemen is uit de woorden van Christus, Joh. 12:37 , 12:38 . Romeinen 10:16 : Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd? Johannes 12:37 : En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet; Johannes 12:38 : Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?
[^jesaja-53-1-3]: Kanttekening 3: aan wie: Dat is, hoe weinig Joden zijn er in wier harten de Heilige Geest door de predikatie van het heilige Evangelie krachtiglijk werkt, zo namelijk dat hij hen begaaft met het ware geloof aan Jezus Christus.
[^jesaja-53-2-4]: Kanttekening 4: Want Hij is: Alsof hij zei: Uit de nederigheid en uit de verachtzamen staat, in welke Christus verschenen is, nemen zij gelegenheid om Christus te verachten; want de Joden hadden zichzelven ingebeeld enen Messias, die in koninklijke pracht verschijnen zou; maar deze Christus komt slecht en gering, als een spruitje of rijsken. Zie Jes. 4:2 , en Jes. 11:1 . Jesaja 4:2 : Te die dage zal de SPRUIT van YHWH zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
[^jesaja-53-2-5]: Kanttekening 5: voor Zijn aangezicht: Te weten voor het aangezicht van God zijn Vader. Sommigen verstaan het, voor het aangezicht van het ongelovige Joodse volk, dat niet dacht dat dit rijsken metterdaad tot een hogen boom opwassen zou.
[^jesaja-53-2-6]: Kanttekening 6: Te weten naar zijn menselijke natuur.
[^jesaja-53-2-7]: Kanttekening 7: als een wortel: Dit kan men duiden op de nederen verachten staat van het huis van David, als Christus daaruit voortkwam, of op de kleine beginselen van zijn koninkrijk, ten aanzien van welke men niet zou geloofd hebben dat hij tot een grote vruchtbaren boom zou opwassen, maar veel meer dat hij tenonder blijven zou; gelijk het zaad, dat in een dor, droog land geworpen wordt, verdroogt bij gebrek aan vochtigheid, of gelijk de wortel van een boom, die in dorre aarde geplant is, niet kan opschieten, de boom afgehouwen zijnde.
[^jesaja-53-2-8]: Kanttekening 8: uit een dorre aarde: Hebreeuws, uit een land van de droogte (אֶרֶץ).
[^jesaja-53-2-9]: Kanttekening 9: Hij had geen gedaante: Vanwege zijn nederigen staat en de wonden en striemen, het bloed en zweetdruppels, alsook andere menigvuldige ellenden, die zijn gelaat hebben mismaakt.
[^jesaja-53-2-10]: Kanttekening 10: wij Hem aanzagen: Te weten wij Joden.
[^jesaja-53-2-11]: Kanttekening 11: Of, aanzien.
[^jesaja-53-2-12]: Kanttekening 12: dat wij Hem zouden begeerd hebben: Te weten naar de ogen van het vlees en van het menselijk vernuft.
[^jesaja-53-3-13]: Kanttekening 13: Hij was veracht: Of, hij was verachtzaam en verworpen van de mannen; te weten van zulke mannen, die in hoogheid en waardigheid verheven waren.
[^jesaja-53-3-b]: Verwijzing b: Ps. 22:7 ; idem v. 8 ; Jes. 49:7 ; Jes. 52:14 ; Mark. 9:12 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Jesaja 49:7 : Zo zegt YHWH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Die, aan Welke het volk een gruwel heeft, tot de Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de wil van YHWH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft. Jesaja 52:14 : Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, zo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen; Marcus 9:12 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en het zal gebeuren, gelijk geschreven is van de Zoon van de mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
[^jesaja-53-3-14]: Kanttekening 14: de onwaardigste: Zo onwaardig, dat Hij van de mensen doorgaans verworpen werd.
[^jesaja-53-3-15]: Kanttekening 15: een Man van smarten: Dat is, een man vol smarten.
[^jesaja-53-3-16]: Kanttekening 16: verzocht in ziekte: Hebreeuws, een bekende van de ziekte; dat is, die wel verzocht had wat ziekte is, Hebr. 4:15 . Of die vermaard was door zijn ellende en zwarigheid, zijnde geheel mat en zwak geworden vanwege de pijnigingen Hem aangedaan. Het Hebreeuwse woord, dat hier ziekte is overgezet, betekent ook in het algemeen smart of ellende, gelijk Pred. 6:2 ; Jer. 10:19 ; en zo kan het doorgaans in dit hoofdstuk genomen worden. Hebreeën 4:15 : Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. Prediker 6:2 : Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook ijdelheid en een kwade smart. Jeremia 10:19 : O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal!
[^jesaja-53-3-17]: Kanttekening 17: als verbergende het aangezicht: Anders: en als het aangezicht voor ons verbergende.
[^jesaja-53-3-18]: Kanttekening 18: Hij was veracht: De zin is, vanwege zijn ellendigen en verachtzamen staat, heeft men Hem niet alleen zijn behoorlijke eer niet gegeven, maar men heeft Hem geheel veracht.
[^jesaja-53-3-19]: Kanttekening 19: wij hebben Hem niet geacht: Wij Joden, wij hebben Hem bespot, of niet gerekend. Zie Matt. 27:39 , enz. Mattheüs 27:39 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden.
[^jesaja-53-4-20]: Kanttekening 20: Of, nochtans, alsof hij zei: Maar, om de waarheid te zeggen, wij hebben Hem ongelijk gedaan, en wij steken in groot misverstand; want aldus is de Messias onzenthalve gesteld: Hij heeft al onze geestelijke ziekten, dat is zonden, op zich genomen, om voor dezelfde te betalen, waarvan de lichamelijke gezondmaking ene afbeelding was; Matt. 8:17 . Mattheüs 8:17 : Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.
[^jesaja-53-4-c]: Verwijzing c: Matt. 8:17 . Mattheüs 8:17 : Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.
[^jesaja-53-4-21]: Kanttekening 21: op Zich genomen: Als borg betalende de schuld, die wij gemaakt hadden.
[^jesaja-53-4-22]: Kanttekening 22: Of, op zich geladen en als een zwaren last gedragen.
[^jesaja-53-4-23]: Kanttekening 23: wij achtten Hem: Te weten wij Joden, stekende in groot misverstand en oordelende naar ons verkeerd oordeel, zo menen wij dat Hij dit alles leed omdat Hij het met zijn eigen zonden en overtredingen verdiend had; maar het is daarmede veel anders gelegen, gelijk vers 5 gezegd wordt. Hebreeuws, wij achtten Hem een geplaagde, geslagene Gods en verdrukte. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
[^jesaja-53-4-24]: Kanttekening 24: geslagen en verdrukt was: Of, geraakt was; zie Job 19:21 . Job 19:21 : Ontfermt u over mij, ontfermt u over mij, o u, mijn vrienden! want de hand van God heeft mij aangeraakt.
[^jesaja-53-5-d]: Verwijzing d: Rom. 4:25 ; 1 Kor. 15:3 . Romeinen 4:25 : Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. 1 Korinthiërs 15:3 : Want ik heb u ten eerste overgegeven, wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
[^jesaja-53-5-25]: Kanttekening 25: de straf: Hebreeuws, de straf van onze vrede (שְׁלוֹמֵ); dat is, hij werd gestraft opdat wij door Hem volkomen vrede krijgen zouden bij God, die met ons ontevreden was vanwege onze zonden. Versta hierbij: en de kastijding is op Hem blijven liggen totdat Hij volkomenlijk voor ons betaald had.
[^jesaja-53-5-26]: Kanttekening 26: is ons genezing geworden: Zodat wij van zonde en straf bevrijd zijn.
[^jesaja-53-5-e]: Verwijzing e: 1 Petr. 2:24 . 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent.
[^jesaja-53-6-27]: Kanttekening 27: Wij dwaalden: Dat is, wij zijn allen afgedwaald van de weg, die ons God in zijn wet heeft voorgeschreven om daarin te wandelen.
[^jesaja-53-6-28]: Kanttekening 28: naar zijn weg: Niet naar de weg, die YHWH ons had voorgeschreven; maar wandelende op de weg, die zich een ieder gekozen had; zie 1 Petr. 2:25 . 1 Petrus 2:25 : Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen.
[^jesaja-53-6-29]: Kanttekening 29: op Hem doen aanlopen: Of, Hem doen ontmoeten; of Hij, te weten de Vader, dreef op Hem, te weten Christus, ons aller ongerechtigheid, omdat Hij zich in onze plaats vrijwillig tot borg gesteld had.
[^jesaja-53-7-30]: Kanttekening 30: Te weten onze ongerechtigheid, dat is de straf onzer ongerechtigheid, van Christus geëist werd.
[^jesaja-53-7-31]: Kanttekening 31: Hij deed Zijn mond niet open: Met zijn stilzwijgen betuigende dat hij gewillig alles voor ons geleden heeft, zijn mond niet openende om de valse aanklachten van zijn vijanden te weerleggen; ook niet sprekende tot nadeel dergenen, die Hem doodden, maar wel tot voordeel van ons; en biddende voor degenen, die Hem kruisigden; Luk. 23:34 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot.
[^jesaja-53-7-f]: Verwijzing f: Matt. 26:63 ; Matt. 27:12 ; idem 27:14 ; Mark. 14:61 ; Mark. 15:5 . Mattheüs 26:63 : Maar Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levenden God, dat U ons zegt, of U bent de Christus, de Zoon van God? Mattheüs 27:12 : En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Mattheüs 27:14 : Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, zo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. Marcus 14:61 : Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Opnieuw vraagde Hem de hogepriester, en zei tot Hem: Zijt U de Christus, de Zoon van de gezegenden Gods? Marcus 15:5 : En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
[^jesaja-53-7-g]: Verwijzing g: Hand. 8:32 . Handelingen 8:32 : En de plaats van de Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor die, die het scheert, zo doet Hij Zijn mond niet open.
[^jesaja-53-7-32]: Kanttekening 32: als een schaap: Eigenlijk, een ooilam, of zijlam; een lam bijt en stoot dengene niet, die het kelen zal, maar het volgt zachtjes zijn slachter, die het ter slachtbank leidt.
[^jesaja-53-8-33]: Kanttekening 33: uit de angst: Of uit de kerker, of uit dit geweldig benauwen. Hebreeuws, uit de besluiting; te weten uit de helse benauwdheid, die Christus in de hof Gethsemané, \[waar Hij bloed gezweet heeft\] maar in het bijzonder aan het kruis gevoeld heeft, toen Hij riep: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Versta dit ook van zijn opwekking uit de doden, en als Hij tot zijn hemelsen Vader ten hemel is opgevaren.
[^jesaja-53-8-34]: Kanttekening 34: uit het gericht: Te weten uit het gericht van God, dat is, uit de verdoemenis, die Hij een tijdlang voor ons geleden heeft, zijnde voor ons een vloek geworden; Gal. 3:13 . Maar enige verstaan hier door het gericht de dood van het kruis, waartoe Hij van de Joden en Pilatus veroordeeld was, in deze zin: Ofschoon de Messias tot een schandelijken, ja vervloekten dood verwezen wordt, zo zal Hij nochtans, wil de profeet zeggen, eindelijk ten hemel opgenomen worden, nadat Hij voor onze zonden zal genoeg gedaan hebben. Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is iedereen, die aan het hout hangt.
[^jesaja-53-8-35]: Kanttekening 35: Zijn leeftijd: Of, de gedurigheid van zijn leven, of zijn eeuw. Versta hier, behalve de eeuwigheid van zijn goddelijk wezen, ook de eeuwigdurendheid van zijn rijk, omdat God, Hem opgewekt en aan zijn rechterhand gesteld hebbende in de hemelse plaatsen, zo leeft en regeert Hij in eeuwigheid, en de dood heeft geen geweld meer over Hem; Luk. 1:33 ; Rom. 6:9 . Of, zijn generatie, dat is zijn kinderen, die geestelijk uit Hem zullen geboren worden. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Romeinen 6:9 : Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
[^jesaja-53-8-36]: Kanttekening 36: Dat is, Hij is door een geweldigen dood weggerukt, gelijk men een boom met geweld afhouwt.
[^jesaja-53-8-37]: Kanttekening 37: uit het land van de levenden: Dat is, dergenen, die in de wereld leven. Zie de aantekening Job 28:13 ; Ps. 27:13 ; Jes. 38:11 . De zin is: Hij is gedood en in het graf gelegd. Job 28:13 : De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land van de levenden. Psalmen 27:13 : Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan. Jesaja 38:11 : Ik zei: Ik zal YHWH niet meer zien, YHWH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners van de wereld.
[^jesaja-53-8-38]: Kanttekening 38: om de overtreding: Dat is, vanwege de zonden, zo van de Joden als van de heidenen, is Hij aldus geslagen en gemarteld, welke anders met recht de straf had moeten treffen.
[^jesaja-53-8-39]: Kanttekening 39: van Mijn volk: Dit zijn woorden van de profeet.
[^jesaja-53-8-40]: Kanttekening 40: is de plage: Hebreeuws, \[was\] Hem de plaag; te weten die straf, dat Hij aan het kruis is genageld geworden; zo wordt het Hebreeuwse bijvoegsel mo ook in het enkelvoudig getal genomen. Gen. 9:26 , 9:27 ; Job 20:23 , en Job 22:2 ; Ps. 11:7 ; Jes. 44:15 . Genesis 9:26 : Verder zei hij: Gezegend zij YHWH, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! Genesis 9:27 : God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht! Job 20:23 : Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem regenen op zijn voedsel. Job 22:2 : Zal ook een man voor God voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn. Psalmen 11:7 : Want YHWH is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte. Jesaja 44:15 : Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neder.
[^jesaja-53-9-41]: Kanttekening 41: men heeft: Of, dat wel zijn graf, enz., dat, te weten volk van Jeruzalem.
[^jesaja-53-9-42]: Kanttekening 42: Of, begrafenis.
[^jesaja-53-9-43]: Kanttekening 43: Of, met.
[^jesaja-53-9-44]: Kanttekening 44: Of verordineerd; dat is, men heeft zijn graf met goddelozen besteld, die het bewaken en bewaren zouden. Zie Matth:27:63,64,65,66. Anderen nemen het in deze zin: De boze Joden meenden wel dat men het lichaam van Christus bij, of met moordenaarslichamen zou wegdoen, om zulke en andere oorzaken als zodanige dood van Pilatus vorderende; maar de voorzienigheid Gods had dit anders bestemd, want Christus is begraven geworden in het graf van Jozes van Arimathea, een eerlijk en rijk raadsheer; Matt. 27:60 . Mattheüs 27:60 : En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg.
[^jesaja-53-9-45]: Kanttekening 45: in Zijn dood geweest: Hebreeuws, in zijn doden; in het getal van velen, dat is, na zijn geweldzamen dood. Vergelijk Ez. 28:10 , met de aantekening. Of, doden, omdat Christus niet een, maar als vele doden voor ons geleden heeft. Ezechiël 28:10 : U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^jesaja-53-9-46]: Kanttekening 46: geen onrecht gedaan heeft: Of, geen geweld, maar integendeel, oprecht, rechtvaardig en eenvoudig gehandeld en gewandeld heeft, zo in woorden als in werken.
[^jesaja-53-9-h]: Verwijzing h: 1 Petr. 2:22 ; 1 Joh. 3:5 . 1 Petrus 2:22 : Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; 1 Johannes 3:5 : En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
[^jesaja-53-10-47]: Kanttekening 47: Te weten Jezus Christus onze Verlosser.
[^jesaja-53-10-48]: Kanttekening 48: te verbrijzelen: Te weten vanwege onze zonden, die op Hem lagen en in Hem moesten gestraft worden.
[^jesaja-53-10-49]: Kanttekening 49: Dat is, Hij heeft Hem velerlei grote smarten aangedaan en als velerlei ziekten opgelegd. Zie boven vers 3 . Jesaja 53:3 : Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en iedereen was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
[^jesaja-53-10-50]: Kanttekening 50: als Zijn ziel: De zin is: Als Christus zijn ziel \[dat is, zijn persoon\] tot een schuldoffer ter dood overgegeven zal hebben \[ 2 Kor. 5:21 \], zo zal Hij zijn zaad zien vermenigvuldigen, dat is, Hij zal zien dat de gelovigen door de predikatie van het heilige Evangelie grotelijks zullen aanwassen, namelijk alsdan in het bijzonder, nadat Hij ten hemel opgevaren zijnde, de Heilige Geest op zijn apostelen en andere leraars van het heilige Evangelie zal gezonden hebben. Anders: wanneer U zijn ziel tot een schuldoffer zult gesteld hebben, zo zal Hij zaad zien; dat is een groot getal gelovige kinderen, geboren uit het onvergankelijke zaad van het Woord van God; Ps. 110:3 , en 1 Petr. 1:23 . 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Psalmen 110:3 : Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. 1 Petrus 1:23 : U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.
[^jesaja-53-10-51]: Kanttekening 51: Hij zal de dagen verlengen: Alsof hij zei: De vrucht, die de Heer Christus uit het voorverhaalde scheppen zal, zal niet kort noch haast voorbijgaande zijn, maar zij zal eeuwig duren; zie Ps. 23:6 . Psalmen 23:6 : Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen van mijn leven; en ik zal in het huis van YHWH blijven in lengte van dagen.
[^jesaja-53-10-52]: Kanttekening 52: het welbehagen: Te weten het werk onzer verlossing en het vergaderen van de uitverkorenen uit alle volken door de predikatie van het heilige Evangelie, dat alsdan voornamelijk is aangegaan, nadat Christus ten hemel was opgevaren; Matt. 28:19 . Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
[^jesaja-53-10-53]: Kanttekening 53: door Zijn hand: Dat is, door zijn dienst, of door zijn macht. Zie Ef. 4:11 , 4:12 , enz. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus;
[^jesaja-53-11-54]: Kanttekening 54: Hij het zien: Of, hij \[het\] te weten zaad, zien. De zin is: Christus zal zaad, dat is, kinderen, te weten geestelijke kinderen zien, dat is verkrijgen, en met lust en vreugde aanschouwen om zijn arbeid en moeite; versta daardoor die pijnen en smarten, die Hij aan de ziel en aan het lichaam gevoeld heeft toen de zware toorn van God vanwege de zonden van het menselijke geslacht op Hem lag. Anders: van de arbeid van zijn ziel zal Hij \[vrucht, of zijn lust\] zien; zie Ps. 22:18 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^jesaja-53-11-55]: Kanttekening 55: verzadigd worden: Dat is, hij zal zijn arbeid ten hoogste en tot zijn genoegen volkomenlijk genieten; want het is billijk dat een getrouw arbeider geniet de vruchten van zijn arbeid. Dit zal alsdan gebeuren in zijn eigen persoon, als Christus in de heerlijkheid van zijn Vader zal opgenomen en aan de rechterhand van zijn Vader zal verhoogd worden. Het zal ook zijn ledematen wedervaren als hij hun zijn heerlijkheid zal deelachtig maken.
[^jesaja-53-11-56]: Kanttekening 56: Zijn kennis: Versta, die kennis, door welke Hij zou bekend en aangenomen worden als Heiland en Middelaar tussen God en de mensen.
[^jesaja-53-11-57]: Kanttekening 57: Mijn Knecht: Dit spreekt God de Vader. Vergelijk dit met Jes. 42:1 , en Jes. 52:13 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht aan de heidenen voortbrengen. Jesaja 52:13 : Ziet, Mijn Knecht zal verstandig handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.
[^jesaja-53-11-58]: Kanttekening 58: de Rechtvaardige: Te weten Hij rechtvaardig lijdende voor de onrechtvaardigen; 1 Petr. 3:18 . 1 Petrus 3:18 : Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^jesaja-53-11-59]: Kanttekening 59: Te weten die altegaar, die in Hem geloven. Zie Rom. 5:19 . Romeinen 5:19 : Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
[^jesaja-53-11-60]: Kanttekening 60: rechtvaardig maken: Hun teweegbrengende de vergeving van de zonden en de gerechtigheid, die voor God bestaat.
[^jesaja-53-11-61]: Kanttekening 61: Te weten op het hout van het kruis, 1 Petr. 2:24 ; als zijnde het Lam van God, dat de zonden van de wereld draagt; Joh. 1:29 . 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent. Johannes 1:29 : De volgende dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!
[^jesaja-53-12-62]: Kanttekening 62: Alsof God de Vader zei: Omdat Hij voor de mensen zoveel gedaan en geleden heeft, \[gelijk boven verhaald is\]; zo zal Ik Hem van vele \[dat is veel \] mededelen; dat is, Ik zal hem veel geestelijke kinderen en gaven geven. Anders: daarom zal Ik Hem een deel geven onder de groten, zo dat Hij met de groten en machtigen zal mogen vergeleken worden. Anders: daarom zal Ik Hem de geweldigen ten deel geven; namelijk de boze geesten; zie Kol. 2:15 . Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd.
[^jesaja-53-12-63]: Kanttekening 63: Hij zal de machtigen: Te weten de dood, de zonde, de duivel en het dodenrijk, die tevoren de overhand over de mensen hadden, zal Hij als een roof delen, dat is overwinnen en zijn uitverkorenen uit hun hand verlossen. Anderen nemen het van de heerschappij van Christus over de machtigen van deze wereld, die zich zullen bekeren en Hem dienen; vergelijk boven, Jes. 52:15 . Jesaja 52:15 : Zo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
[^jesaja-53-12-64]: Kanttekening 64: omdat Hij Zijn ziel: Dat is, omdat Hij zich vrijwillig heeft laten vangen, martelen en doden.
[^jesaja-53-12-i]: Verwijzing i: Mark. 15:28 ; Lukas 22:37 . Marcus 15:28 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend. Lukas 22:37 : Want Ik zeg u, dat nog dit, dat geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.
[^jesaja-53-12-65]: Kanttekening 65: met de overtreders: Zo, dat Hij niet alleen tussen twee moordenaars is gekruisigd geworden, maar Barrabas, die vanwege een moord en oproer gevangen zat, is waardiger gehouden dan Jezus Christus, de Zoon van God.
[^jesaja-53-12-66]: Kanttekening 66: en Hij veler zonden gedragen heeft: Zie boven vers 11 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
[^jesaja-53-12-67]: Kanttekening 67: voor de overtreders gebeden heeft: Zeggende: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen; Luk. 23:34 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot.
[^jesaja-53-12-k]: Verwijzing k: Lukas 23:34 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot.

### Jesaja 54

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/54.json)

*Weldaden die de Heere de kerk van het Nieuwe Testament zou bewijzen, en de voorzegging dat Hij haar zeer zou vermeerderen, vers 1 enzovoort, terwijl Hij haar als zijn geliefde vrouw met eeuwige genade omhelst, 5, en haar uitnemend met de gaven van de Heilige Geest versiert, 11. En dat Hij haar tegen haar vijanden zou beschutten, 14. Het is God die alles regeert, 16, ten beste van zijn uitverkorenen, 17.*

**1** [^jesaja-54-1-1][^jesaja-54-1-a] Zing vrolijk,[^jesaja-54-1-2] u onvruchtbare,[^jesaja-54-1-3] die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen[^jesaja-54-1-4] van de eenzame zijn meer,[^jesaja-54-1-5] dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v1)

**2** [^jesaja-54-2-6] Maak de plaats van uw tenten wijd, en dat men de gordijnen van uw[^jesaja-54-2-7] woningen[^jesaja-54-2-8] uitbreide, verhinder het niet; maak uw[^jesaja-54-2-9] koorden lang, en[^jesaja-54-2-10] steek uw[^jesaja-54-2-11] pinnen vast in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v2)

**3** Want u zult[^jesaja-54-3-12] uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en[^jesaja-54-3-13] uw zaad zal[^jesaja-54-3-14] de heidenen erven, en[^jesaja-54-3-15] zij zullen[^jesaja-54-3-16] de verwoeste steden doen bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v3)

**4** [^jesaja-54-4-17] Vrees niet, want u zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want u zult niet te schande worden; maar u zult[^jesaja-54-4-18] de schaamte van uw jeugd vergeten, en de smaad van uw weduwschap zult u niet meer gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v4)

**5** Want[^jesaja-54-5-19] uw Maker is uw Man, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God[^jesaja-54-5-20] van de hele[^jesaja-54-5-21] aardbodem genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v5)

**6** Want YHWH[^jesaja-54-6-22] heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; toch bent u[^jesaja-54-6-23] de huisvrouw van de jeugd, hoewel u versmaad bent geweest, zegt uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v6)

**7** Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten;[^jesaja-54-7-24] maar met grote ontfermingen zal Ik u verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v7)

**8** [^jesaja-54-8-25] In een kleine toorn heb Ik[^jesaja-54-8-26] Mijn aangezicht van u[^jesaja-54-8-27] een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v8)

**9** Want[^jesaja-54-9-28] dat zal Mij zijn als de wateren van[^jesaja-54-9-29] Noach, toen Ik[^jesaja-54-9-b] zwoer,[^jesaja-54-9-30] dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; zo heb Ik gezworen, dat Ik niet[^jesaja-54-9-31] meer op u[^jesaja-54-9-32] toornen, noch[^jesaja-54-9-33] u bestraffen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v9)

**10** Want[^jesaja-54-10-34] bergen[^jesaja-54-10-35] zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en[^jesaja-54-10-36] het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt YHWH, uw Ontfermer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v10)

**11** U verdrukte, door[^jesaja-54-11-37] onweer voortgedrevene,[^jesaja-54-11-38] ongetrooste! zie,[^jesaja-54-11-39] Ik zal uw stenen[^jesaja-54-11-40] geheel sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v11)

**12** En[^jesaja-54-12-41] uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten[^jesaja-54-12-42] van robijnstenen, en uw hele gebied[^jesaja-54-12-43] van aangename stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v12)

**13** En[^jesaja-54-13-44][^jesaja-54-13-c] al uw kinderen zullen van YHWH geleerd zijn, en[^jesaja-54-13-45] de vrede van uw kinderen zal[^jesaja-54-13-46] groot zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v13)

**14** U zult[^jesaja-54-14-47] door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre[^jesaja-54-14-48] van verdrukking, want u zult niet vrezen; en verre[^jesaja-54-14-49] van verschrikking, want[^jesaja-54-14-50] zij zal tot u niet naken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v14)

**15** Zie,[^jesaja-54-15-51] zij zullen zich zeker verzamelen,[^jesaja-54-15-52] maar niet uit Mij;[^jesaja-54-15-53] wie zich tegen u verzamelen zal, die zal[^jesaja-54-15-54] om uwentwil vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v15)

**16** [^jesaja-54-16-55] Zie, Ik heb de smid geschapen,[^jesaja-54-16-56] die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt[^jesaja-54-16-57] tot zijn werk; ook heb Ik de verderver geschapen,[^jesaja-54-16-58] om te vernielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v16)

**17** [^jesaja-54-17-59] Alle instrument,[^jesaja-54-17-60] dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het[^jesaja-54-17-61] gericht tegen u opstaat, zult u[^jesaja-54-17-62] verdoemen; dit is de erfenis van de knechten van YHWH, en hun[^jesaja-54-17-63] gerechtigheid is uit Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/54.html#v17)

[^jesaja-54-1-1]: Kanttekening 1: Hier spreekt de profeet de gemeente van de gelovige Joden aan, die leven zouden ten tijde als het Evangelie zou beginnen gepredikt te worden, gelijk af te nemen is uit Gal. 4:27 ; waar deze woorden aangehaald worden. Galaten 4:27 : Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft.
[^jesaja-54-1-a]: Verwijzing a: Gal. 4:27 . Galaten 4:27 : Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft.
[^jesaja-54-1-2]: Kanttekening 2: u onvruchtbare: Aldus noemt hij de kerk, die in de wereld was toen Christus in het vlees verschenen is, ten aanzien van het geringe aantal van de gelovigen.
[^jesaja-54-1-3]: Kanttekening 3: niet gebaard hebt: Dat is, zeer zelden of weinig kinderen gebaard hebt, te weten kinderen van God, uit het zaad van Gods Woord. Vergelijk Joh. 1:12 , 1:13 ; 1 Petr. 1:23 . Het getal van de gelovige heidenen is veel groter dan het getal van de gelovige Joden. Zie Joh. 1:11 ; Rom. 9:27 , enz. Johannes 1:12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Johannes 1:13 : Welke niet uit de bloede, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. 1 Petrus 1:23 : U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Johannes 1:11 : Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Romeinen 9:27 : En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
[^jesaja-54-1-4]: Kanttekening 4: van de eenzame: Of, van de verwoeste; dat is, van de Joodse kerk, die ten tijde van de Heer Christus klein was in getal, ten aanzien van de grote menigte van de Joden, die verworpen waren.
[^jesaja-54-1-5]: Kanttekening 5: dan de kinderen van de getrouwde: Dat is, dan de oude gemeente van de Joden, die God eerst beroepen en zich als ten huwelijk genomen heeft.
[^jesaja-54-2-6]: Kanttekening 6: Maak de plaats: Te weten opdat de bekeerden uit de heidenen plaats bij u vinden. Dit is gesproken naar de wijze van de ouden in het land Kanaän, die in tenten woonden, te kennen gevende dat de kerk van het Nieuwe Testament zeer vermeerderen en zich wijd uitbreiden zou, zich aan alle zijden vermenigvuldigende. Zie Jes. 49:19 , 49:20 . Jesaja 49:19 : Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken. Jesaja 49:20 : Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag.
[^jesaja-54-2-7]: Kanttekening 7: Of, tenten.
[^jesaja-54-2-8]: Kanttekening 8: verhinder het niet: Of, houdt ze niet terug, of houdt ze niet in.
[^jesaja-54-2-9]: Kanttekening 9: Of touwen, of zelen, met welke de tenten gespannen worden.
[^jesaja-54-2-10]: Kanttekening 10: steek uw pinnen: Hebreeuws, versterk uwe pinnen.
[^jesaja-54-2-11]: Kanttekening 11: Of, nagelen, aan welke de touwen vastgemaakt worden.
[^jesaja-54-3-12]: Kanttekening 12: Te weten met veelheid van kinderen. De zin is: Daar zullen ook onder de heidenen en aan die plaatsen, waar tevoren geen kerken geweest zijn, veel gelovige en ware ledematen van de Christelijke kerk gevonden worden.
[^jesaja-54-3-13]: Kanttekening 13: uw zaad: Dat is, uwe nakomelingen, te weten uw geestelijke kinderen.
[^jesaja-54-3-14]: Kanttekening 14: de heidenen: Dat is, het land van de heidenen; dat is, de heidenen zullen ook door het Evangelie, dat van Zion uitgaan zal, kinderen van God worden en u toegevoegd worden.
[^jesaja-54-3-15]: Kanttekening 15: Te weten uwe nakomelingen.
[^jesaja-54-3-16]: Kanttekening 16: de verwoeste steden: Dat is, die steden, in welke tevoren gene kinderen van God woonden.
[^jesaja-54-4-17]: Kanttekening 17: Vrees niet: Te weten, vanwege uwe onvruchtbaarheid, die eertijds voor grote schande gehouden werd.
[^jesaja-54-4-18]: Kanttekening 18: de schaamte van uw jonkheid: Dat is, de schande, die u eertijds wedervaren is, te weten toen u, vanwege uwe zonden, aan de Egyptenaars ter dienstbaarheid bent overgegeven geworden. Anderen nemen het in deze zin, alsof de profeet zei: De heerlijkheid en gelukzaligheid, tot welke u zult verheven worden, zal maken dat u al het leed, dat ge tevoren toen u als een verlaten jonkvrouw of arme weduwe was, hebt uitgestaan, zult vergeten.
[^jesaja-54-5-19]: Kanttekening 19: uw Maker: Hebreeuws, uw maker is uw man. Vergelijk deze manier van spreken met Gen. 20:13 . Genesis 20:13 : En het is geschied, als God mij uit mijn vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer!
[^jesaja-54-5-20]: Kanttekening 20: van de gehele aardbodem: Niet alleen van de Joden, maar ook van alle andere natiën, ja, van de gehele wereld, 1 Joh. 2:2 , omdat zijn kerk door de gehele wereld zou uitgebreid worden. 1 Johannes 2:2 : En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
[^jesaja-54-5-21]: Kanttekening 21: genaamd worden: Versta hierbij: en ook inderdaad zijn.
[^jesaja-54-6-22]: Kanttekening 22: heeft u geroepen: Vooreerst uit de Babylonische gevangenschap; daarna uit het geestelijke rijk van de zonde en van de duivel, tot zijn rijk.
[^jesaja-54-6-23]: Kanttekening 23: de huisvrouw van de jeugd: Dat is, als ene huisvrouw, die men in zijn jeugd getrouwd heeft, gelijk Spreuk. 5:18 ; dat is, u was mij lief en waard in voortijden, en zijt het nog om de wil van de voorvaders. Spreuken 5:18 : Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw van uw jeugd;
[^jesaja-54-7-24]: Kanttekening 24: maar met grote: Versta hierbij, de laatste woorden van vers 8 : zegt de Heer uw Verlosser. Jesaja 54:8 : In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser.
[^jesaja-54-8-25]: Kanttekening 25: In een kleinen: Dat is, in een toorn, die niet lang geduurd heeft. Anders: Ik heb mijn aangezicht voor u verborgen voor een klein, op het ogenblik van mijn toorn.
[^jesaja-54-8-26]: Kanttekening 26: Mijn aangezicht: Van deze manier van spreken zie de aantekening Job 13:24 . Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^jesaja-54-8-27]: Kanttekening 27: een ogenblik: Zie de aantekening Ps. 30:6 . Psalmen 30:6 : Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich.
[^jesaja-54-9-28]: Kanttekening 28: dat zal Mij zijn: De zin is: Dat Ik nu gesproken heb van mijn genade en barmhartigheid te uwaarts, zal zo zeker en bondig zijn als wat Ik eertijds gesproken heb na de algemenen zondvloed, die ten tijde van Noach geweest is; zie Gen. 9:11 . Genesis 9:11 : En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren van de vloed zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.
[^jesaja-54-9-29]: Kanttekening 29: toen Ik zwoer: Of, wie Ik zwoer.
[^jesaja-54-9-b]: Verwijzing b: Gen. 9:11 . Genesis 9:11 : En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren van de vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.
[^jesaja-54-9-30]: Kanttekening 30: dat de wateren van Noach: Dat is, dat de wateren, die in zijn tijd gekomen zijn.
[^jesaja-54-9-31]: Kanttekening 31: op u: Dit is van de uitverkoren kinderen van God te verstaan, die de rechte ledematen van de kerk zijn.
[^jesaja-54-9-32]: Kanttekening 32: Te weten zozeer, dat Ik u geheellijk zou verstoten en van mijn genade en gunst ganselijk beroven zou.
[^jesaja-54-9-33]: Kanttekening 33: u schelden zal: Te weten zo hard dat Ik u geheellijk zou uitroeien.
[^jesaja-54-10-34]: Kanttekening 34: Vergelijk dit met de woorden van Christus, Matt. 24:35 . Mattheüs 24:35 : De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan.
[^jesaja-54-10-35]: Kanttekening 35: zullen wijken: Of, mogen, of kunnen wijken. Anders: want al verzetten zich de bergen, enz. De zin is, mijn goedertierenheid over mijn kerk zal eeuwig duren en onveranderlijk blijven, al was het dat alles in de wereld het onderste boven ging.
[^jesaja-54-10-36]: Kanttekening 36: het verbond: Dat is, het verbond, waardoor Ik u vrede, dat is de eeuwige zaligheid, beloofd heb.
[^jesaja-54-11-37]: Kanttekening 37: onweer voortgedrevene: Versta hier door dit onweer vooreerst de Babylonische gevangenschap, en daarna de grote verwoesting door Antiochus ten tijde van de Maccabeën, en verder de geestelijken strijd, de zwarigheid en vervolging van de kerk in het algemeen; Rom. 11:28 , 11:29 . Romeinen 11:28 : Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, vanwege de vaderen; Romeinen 11:29 : Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk.
[^jesaja-54-11-38]: Kanttekening 38: Of, troosteloze.
[^jesaja-54-11-39]: Kanttekening 39: Ik zal uw stenen: Dat is, Ik zal u herbouwen, veel heerlijker dan u tevoren geweest bent. Dit moet men verstaan van een geestelijke herbouwing van de uitverkorenen, die in dit leven begint door de predikatie van het heilig Evangelie en de heerlijke gaven van de Heilige Geest, Ef. 4:11 , enz. en in het toekomende leven zal volmaakt worden; Openb. 21:10 , enz. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Openbaring 21:10 : En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.
[^jesaja-54-11-40]: Kanttekening 40: geheel sierlijk: Hebreeuws, met, of in sieraad doen legeren.
[^jesaja-54-12-41]: Kanttekening 41: uw glasvensters: Of, Ik zal uwe vensters van kristal maken, of, van agaten, of van parels.
[^jesaja-54-12-42]: Kanttekening 42: van robijnstenen: Of, van karbonkelen.
[^jesaja-54-12-43]: Kanttekening 43: van aangename stenen: Of, van lustige, of welgevallige stenen. Hebreeuws, van stenen van de lust, of van het welgevallen.
[^jesaja-54-13-44]: Kanttekening 44: al uw kinderen: Al de kinderen van de kerk worden uiterlijk door het Woord, innerlijk door de Heilige Geest geleerd; Jer. 31:34 . Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, iedereen zijn naaste, en iedereen zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.
[^jesaja-54-13-c]: Verwijzing c: Joh. 6:45 . Johannes 6:45 : Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
[^jesaja-54-13-45]: Kanttekening 45: de vrede van uw kinderen: Dat is, welvaart, zaligheid, gelijk vers 10 . Jesaja 54:10 : Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt YHWH, uw Ontfermer.
[^jesaja-54-13-46]: Kanttekening 46: groot zijn: Of, menigvuldig.
[^jesaja-54-14-47]: Kanttekening 47: door gerechtigheid: Te weten door Gods gerechtigheid, door welke Hij zijn kinderen beschermt. Of, versta hier, de gerechtigheid met welke God zijn kinderen begaaft en versiert, en die bij dezelfde is in zwang gaande.
[^jesaja-54-14-48]: Kanttekening 48: van verdrukking: Dat is, u zult niet onderdrukt worden en gene oorzaak hebben van vrees van de onderdrukking, die u uwe vijanden zouden mogen aandoen.
[^jesaja-54-14-49]: Kanttekening 49: van verschrikking: Of, van verderf.
[^jesaja-54-14-50]: Kanttekening 50: zij zal tot u: Te weten de vrees, of verschrikking; dat is, dingen die u verschrikken zouden.
[^jesaja-54-15-51]: Kanttekening 51: zij zullen zich: Anders: \[maar\] wie zich tegen u in u, \[dat is in uw land\] vergadert; verstaande de verraders van het land. Anders: zie daar zullen zich \[enige\] als vreemdelingen \[bij u\] onthouden.
[^jesaja-54-15-52]: Kanttekening 52: niet uit Mij: Dat is, buiten mijn bevel.
[^jesaja-54-15-53]: Kanttekening 53: wie zich: Anders: maar wie zich als een vreemdeling bij u onthouden zal tegen u, die zal moeten vallen; of, die zich met u vergadert, tegen u zijnde, zal vallen.
[^jesaja-54-15-54]: Kanttekening 54: om uwentwil: Of, voor u vallen; dat is te gronde gaan, of te schande komen.
[^jesaja-54-16-55]: Kanttekening 55: De zin is: Ik regeer het al door mijn voorzienigheid; geen smid zou enig wapen ten krijg kunnen maken, of geen vijand met dezelfde het land verderven, tenware dat Ik het tevoren zo verordend had.
[^jesaja-54-16-56]: Kanttekening 56: die de kolen: Of, die het koolvuur opblaast.
[^jesaja-54-16-57]: Kanttekening 57: tot zijn werk: Te weten tot het werk van de verderver, die iets tegen u voorneemt. Anders: tot zijn werk; te weten van de smid.
[^jesaja-54-16-58]: Kanttekening 58: om te vernielen: Te weten die, welke Ik hem toelaat te verderven, of, zoverre als ik hem toelaat te verderven, of te verdelgen.
[^jesaja-54-17-59]: Kanttekening 59: Alle instrument: Niemand zal u kunnen hinderen of schaden, maar u zult het alles overwinnen door Christus, die u liefheeft; Rom. 8:37 . Romeinen 8:37 : Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
[^jesaja-54-17-60]: Kanttekening 60: dat tegen u: Te weten van de vijanden van de kerk.
[^jesaja-54-17-61]: Kanttekening 61: tegen u opstaat: Te weten om met u te twisten of te rechten.
[^jesaja-54-17-62]: Kanttekening 62: Dat is, overtuigen dat zij u onrecht gedaan en u valselijk aangeklaagd hebben.
[^jesaja-54-17-63]: Kanttekening 63: Gerechtigheid is hier zoveel te zeggen als recht, of beschutting en bescherming, die ene vrucht is van de gerechtigheid van God; zie Jes. 48:18 . Anderen verstaan hier door gerechtigheid het loon van de gerechtigheid, of het recht, dat de knechten van de Heer toekomt, dat dit is, dat Ik hen tegen alle onbillijk geweld beschut en bescherm. Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee.

### Jesaja 55

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/55.json)

*Christus nodigt allen die terneergeslagen van hart zijn uit tot het genieten van zijn weldaden, vers 1. God de Vader getuigt waartoe Hij Christus gezonden heeft, 4, namelijk om de heidenen te roepen, 5. Wat het ambt van alle bekeerden is, 6. God belooft dat Hij hun zijn genade en zegen rijkelijk wil geven, 10, tot verheuging van alle schepselen, 12.*

**1** [^jesaja-55-1-1] O[^jesaja-55-1-2][^jesaja-55-1-a] alle dorstigen! kom[^jesaja-55-1-3] tot de wateren, en u,[^jesaja-55-1-4] die geen geld hebt, komt, koopt en[^jesaja-55-1-5] eet, ja[^jesaja-55-1-6] komt, koopt zonder geld, en zonder prijs,[^jesaja-55-1-7] wijn en melk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v1)

**2** [^jesaja-55-2-8] Waarom weegt u geld uit[^jesaja-55-2-9] voor wat geen brood is, en[^jesaja-55-2-10] uw arbeid[^jesaja-55-2-11] voor wat niet verzadigen kan? Hoor aandachtig naar Mij, en eet[^jesaja-55-2-12][^jesaja-55-2-13] het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v2)

**3** [^jesaja-55-3-14] Neig uw oor, en komt tot Mij, hoort en[^jesaja-55-3-15] uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond[^jesaja-55-3-16] maken,[^jesaja-55-3-17] en u geven de gewisse goedertierenheden[^jesaja-55-3-18] van David.[^jesaja-55-3-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v3)

**4** Zie,[^jesaja-55-4-19] Ik heb[^jesaja-55-4-20] hem[^jesaja-55-4-21] tot een getuige van de volken gegeven, een vorst en[^jesaja-55-4-22] gebieder van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v4)

**5** Zie,[^jesaja-55-5-23] u zult een volk roepen,[^jesaja-55-5-24] dat u niet kende, en[^jesaja-55-5-25] het volk, dat u niet kende,[^jesaja-55-5-26] zal tot u lopen, omwille van YHWH, uw God, en[^jesaja-55-5-27] omwille van de Heilige van Israël[^jesaja-55-5-28], want Hij heeft u verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v5)

**6** Zoek YHWH,[^jesaja-55-6-29] terwijl Hij te vinden is; roep Hem aan, terwijl Hij nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v6)

**7** De goddeloze verlate zijn weg, en de[^jesaja-55-7-30] ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot YHWH, zo zal Hij Zich over hem ontfermen, en tot onze God, want Hij[^jesaja-55-7-31] vergeeft menigvuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v7)

**8** [^jesaja-55-8-32] Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v8)

**9** Want[^jesaja-55-9-33] gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan uw gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v9)

**10** Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet terugkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat[^jesaja-55-10-34] zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve aan de zaaier, en brood aan de eter; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v10)

**11** Zo zal[^jesaja-55-11-35] Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal[^jesaja-55-11-36] niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het[^jesaja-55-11-37] zal voorspoedig zijn[^jesaja-55-11-38] in wat, waartoe Ik het zend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v11)

**12** Want in blijdschap zult u[^jesaja-55-12-39] uittrekken, en met vrede voortgeleid worden;[^jesaja-55-12-40] de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en[^jesaja-55-12-c] alle bomen van het veld zullen de handen samenklappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v12)

**13** [^jesaja-55-13-41] Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en[^jesaja-55-13-42] het zal voor YHWH wezen tot een naam, tot[^jesaja-55-13-43] een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/55.html#v13)

[^jesaja-55-1-1]: Kanttekening 1: Het Hebreeuwse woord hol, dat elders zoveel is als wee, is hier een woord van opwekking.
[^jesaja-55-1-2]: Kanttekening 2: alle u dorstigen: U allen, die naar de gerechtigheid zeer verlangt, gevoelende uwe zonden en ellenden; Ps. 42:3 ; Matt. 5:6 ; Joh. 7:37 . Psalmen 42:3 : Mijn ziel dorst naar God, naar de levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^jesaja-55-1-a]: Verwijzing a: Joh. 7:37 ; idem v. 38 . Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.
[^jesaja-55-1-3]: Kanttekening 3: tot de wateren: Dat is, tot mij, of tot de hemelse goederen, die Ik u door het Evangelie aanbied, namelijk vergeving van de zonden en de gerechtigheid, die ons omniet en zonder enige onzer verdiensten van God in Christus gegeven worden; idem, de gaven van de Heilige Geest, en eindelijk het eeuwige leven; waartoe wij door het gebod moeten komen; Joh. 7:37 . Johannes 7:37 : En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^jesaja-55-1-4]: Kanttekening 4: die geen geld hebt: Hebreeuws, die geen geld heeft; dat is, die in of bij uzelven gene waardigheid noch verdiensten heeft.
[^jesaja-55-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, geniet. Zo ook vers 2 , eten voor genieten, is zeer algemeen bij de Hebreën. Zie de aantekening Job 21:25 . Jesaja 55:2 : Waarom weegt u geld uit voor wat geen brood is, en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Job 21:25 : De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
[^jesaja-55-1-6]: Kanttekening 6: komt, koopt zonder geld: Dat is, ontvangt omniet.
[^jesaja-55-1-7]: Kanttekening 7: wijn en melk: Wijn en melk betekent hier hetzelfde, dat straks door water is te kennen gegeven; te weten alles wat tot het geestelijke leven nodig is.
[^jesaja-55-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, waarom doet u veel vergeefse kosten en moeite, drijvende uw afgoderij en bijgeloof, daar toch door zulke middelen geen leven noch vaste troost te verkrijgen is?
[^jesaja-55-2-9]: Kanttekening 9: voor wat geen brood is: Hebreeuws, voor niet brood (לֶחֶם); aldus noemt hij de valse leer en bijgelovigheden, die het hart van de mensen niet kunnen spijzigen of verzadigen; als daar was de leer van de schriftgeleerden en Farizeën van eigen gerechtigheid, buiten Christus en zijn gerechtigheid.
[^jesaja-55-2-10]: Kanttekening 10: uw arbeid: Dat is, het geld, dat u met uw arbeid gewonnen hebt.
[^jesaja-55-2-11]: Kanttekening 11: voor wat niet: Hebreeuws, om niet ter verzadiging.
[^jesaja-55-2-12]: Kanttekening 12: Hoort aandachtiglijk: Hebreeuws, hoort horende; dat is hoort aandachtiglijk, naarstiglijk, of ernstiglijk naar mij.
[^jesaja-55-2-13]: Kanttekening 13: eet het goede: Dit is ook al van een geestelijk eten te verstaan, gelijk ook wat er volgt.
[^jesaja-55-3-14]: Kanttekening 14: Neigt uw oor: Dit spreekt God de Vader.
[^jesaja-55-3-15]: Kanttekening 15: uw ziel: Dat is, zij zal troost en vreugde hebben als zij mij hoort.
[^jesaja-55-3-16]: Kanttekening 16: Zie Gen. 15:18 , en Jer. 34:18 , 34:19 . Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Jeremia 34:18 : En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jeremia 34:19 : De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan.
[^jesaja-55-3-17]: Kanttekening 17: en u geven : Deze woorden van Paulus, Hand. 13:34 , waar aldus staat: Ik zal u die heilige en trouwe \[beloften\] van David geven. Handelingen 13:34 : En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal u de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
[^jesaja-55-3-18]: Kanttekening 18: van David: Dat is, die Ik David heb beloofd. Zie 2 Sam. 7:13 , en Ps. 89:29 . Tot voltooiing van deze weldadigheden was het nodig dat Christus van de doden zou opstaan en zo tot zijn eeuwig rijk ingaan. Tot zulk einde verhaalt de apostel Paulus deze spreuk, Hand. 13:34 om de opstanding van Christus te bewijzen. Enige verstaan hier door David de Heer Christus, zo dat door de weldadigheden van David te verstaan zouden zijn de weldadigheden, die Christus het volk van God verwerven en geven zou. Zo ook Jer. 30:9 ; Ez. 34:23 , enz. 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. Psalmen 89:29 : Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. Handelingen 13:34 : En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal u de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn; Jeremia 30:9 : Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.
[^jesaja-55-3-b]: Verwijzing b: Hand. 13:34 . Handelingen 13:34 : En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal u de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
[^jesaja-55-4-19]: Kanttekening 19: Ik heb: Te weten God de Vader.
[^jesaja-55-4-20]: Kanttekening 20: Te weten Christus, de zoon van David, die ook Davids Heer en Verlosser is.
[^jesaja-55-4-21]: Kanttekening 21: tot een getuige: Dat is tot een profeet en leraar, die de hemelse waarheid betuigt; of die van mijn wil getuigenis geeft.
[^jesaja-55-4-22]: Kanttekening 22: Om te gebieden en te bevelen wat Hem belieft.
[^jesaja-55-5-23]: Kanttekening 23: u zult een volk roepen: O Jezus Christus.
[^jesaja-55-5-24]: Kanttekening 24: dat u niet kende: Dat is, waarnaar u niet vraagde, maar liet het op zijn wegen wandelen. Zie Hand. 14:16 . Of, dat u voor uw volk niet kende. Handelingen 14:16 : Welke in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;
[^jesaja-55-5-25]: Kanttekening 25: het volk: Hebreeuws, een volk, die u niet kenden, zullen tot u lopen, dat is, die naar u niet vraagden, noch u voor hun Zaligmaker kenden (גּוֹי).
[^jesaja-55-5-26]: Kanttekening 26: zal tot u lopen: Dat is, met grote ijver en begeerte uwe leer aannemen.
[^jesaja-55-5-27]: Kanttekening 27: om van de Heiligen: Of, en tot de Heilige van Israël; zie Ps. 71:22 . Psalmen 71:22 : Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^jesaja-55-5-28]: Kanttekening 28: want Hij heeft u verheerlijkt: Of als Hij u \[o Christus\] zal verheerlijkt hebben; namelijk door de opstanding uit de doden, Rom. 1:4 , en door de verhoging aan zijn rechterhand in de hemelen, vanwaar Hij de Heilige Geest op de apostelen zenden zou, Hand. 2 ; doende grote wonderen door de kracht van dezelfde; Hand. 3:13 , en Hand. 4:10 . Romeinen 1:4 : Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer: Handelingen 3:13 : De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welke u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten. Handelingen 4:10 : Zo zij u allen kennelijk, en het gehele volk Israël, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruist hebt, Welke God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.
[^jesaja-55-6-29]: Kanttekening 29: terwijl Hij te vinden is: Dat is, terwijl Hij zijn goedertierenheid aan de arme zondaren aanbiedt, deze tot boete en bekering nodigende; zie Ps. 32:6 . Het zijn de woorden van de profeet. Psalmen 32:6 : Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
[^jesaja-55-7-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, de man van de boosheid, of van de ongerechtigheid (אִישׁ).
[^jesaja-55-7-31]: Kanttekening 31: vergeeft menigvuldiglijk: Hebreeuws, Hij vermeerdert te vergeven, of met vergeven.
[^jesaja-55-8-32]: Kanttekening 32: Want Mijn gedachten: Hier spreekt God de Heer opnieuw, en het is zoveel als Hij zei: U mensen bent van zulken aard, dat u het niet lichtelijk vergeeft noch vergeet als u iemand vertoornd heeft, in het bijzonder als hij het te grof maakt; maar Ik vergeef spoedig al degenen, wie het leed is dat zij mij vertoornd hebben en die mij om vergeving bidden. Ik ben ook niet wankelmoedig, of ongetrouw, gelijk de mensen, maar al wat Ik beloof doe Ik gewisselijk.
[^jesaja-55-9-33]: Kanttekening 33: gelijk : Of, \[zoveel\] vergelijk hiermede Ps. 103:11 . Psalmen 103:11 : Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
[^jesaja-55-10-34]: Kanttekening 34: zij voortbrenge: Te weten de aarde.
[^jesaja-55-11-35]: Kanttekening 35: Mijn woord: Dat is, het woord van mijn belofte.
[^jesaja-55-11-36]: Kanttekening 36: niet leeg: Dat is, niet zonder iets uit te richten.
[^jesaja-55-11-37]: Kanttekening 37: voorspoedig zijn: Of, geluk hebben, wel gedijen.
[^jesaja-55-11-38]: Kanttekening 38: in wat: Of, tot welk, of werwaarts.
[^jesaja-55-12-39]: Kanttekening 39: Te weten uit de geestelijke gevangenis van de duivel, nadat u door Christus zult verlost zijn, waarvan de Babylonische gevangenschap een beeld was.
[^jesaja-55-12-40]: Kanttekening 40: de bergen: Zie Jes. 35:1 . De zin is dat alle creaturen, al is het dat zij ongevoelig zijn, nochtans het werk van de Heer met vreugde zullen helpen bevorderen. Zie de aantekening Ps. 98:8 . Jesaja 35:1 : De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Psalmen 98:8 : Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,
[^jesaja-55-12-c]: Verwijzing c: 1 Kron. 16:33 . 1 Kronieken 16:33 : Dan zullen de bomen van de woud juichen voor het aangezicht van YHWH, omdat Hij komt, om de aarde te richten.
[^jesaja-55-13-41]: Kanttekening 41: Voor een doorn: Dat is, die tevoren al distelen en doornen waren, dat is onvruchtbaar en tot alle goed onbekwaam, zullen vruchtbaar worden, en als schone bomen opwassen, nadat zij door de Heilige Geest zullen vernieuwd en wedergeboren zijn. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 41:19 . Jesaja 41:19 : Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom te gelijk;
[^jesaja-55-13-42]: Kanttekening 42: het zal YHWH: De zin is: Door de verlossing en heiliging van de kerk zal God zijn oneindige goedheid en almogendheid in het bijzonder doen blijken, waarom Hij in eeuwigheid zal geloofd en geprezen worden.
[^jesaja-55-13-43]: Kanttekening 43: een eeuwig teken: Te weten een gedenkteken.

### Jesaja 56

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/56.json)

*De Heere vermaant iedereen tot godzaligheid, vers 1 enzovoort, terwijl Hij de bekeerde heidenen belooft dat ook hun godsdienst Hem aangenaam zou zijn, 3. De Heere roept de tirannen om te komen en de blinde en huichelachtige wachters (die Hij stomme honden noemt) te vernietigen, 9.*

**1** Zo zegt YHWH: Bewaar het recht, en doet gerechtigheid;[^jesaja-56-1-2] want[^jesaja-56-1-3] Mijn heil is nabij om te komen, en[^jesaja-56-1-4] Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.[^jesaja-56-1-1][^jesaja-56-1-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v1)

**2** Welgelukzalig is de mens, die dat doet, en het mensenkind, dat daaraan vasthoudt; die[^jesaja-56-2-6] de sabbat houdt, zodat u die niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.[^jesaja-56-2-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v2)

**3** En de vreemde, die zich tot YHWH gevoegd heeft,[^jesaja-56-3-8] spreke niet, zeggende: YHWH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zeg niet: Zie,[^jesaja-56-3-9] ik ben een dorre boom.[^jesaja-56-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v3)

**4** Want zo zegt YHWH van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen wat, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;[^jesaja-56-4-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v4)

**5** Ik zal hen ook[^jesaja-56-5-12] in Mijn huis en[^jesaja-56-5-13] binnen Mijn muren[^jesaja-56-5-14] een plaats en een naam geven,[^jesaja-56-5-15] beter dan van de zonen en dan van de dochters; een eeuwige naam zal Ik[^jesaja-56-5-16] een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.[^jesaja-56-5-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v5)

**6** En de vreemden, die zich tot YHWH voegen, om Hem te dienen, en om de Naam van YHWH lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie[^jesaja-56-6-18] de sabbat houdt, dat hij die niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;[^jesaja-56-6-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v6)

**7** Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen[^jesaja-56-7-20] in Mijn bedehuis; hun[^jesaja-56-7-21] brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen[^jesaja-56-7-22] op Mijn altaar; want[^jesaja-56-7-a] Mijn huis zal een bedehuis[^jesaja-56-7-23] genoemd worden[^jesaja-56-7-24] voor alle volken.[^jesaja-56-7-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v7)

**8** De Adonai YHWH, Die de verdrevenen van Israël verzamelt, spreekt: Ik zal[^jesaja-56-8-26] tot hem nog meer verzamelen,[^jesaja-56-8-27] naast hen, die tot hem verzameld zijn.[^jesaja-56-8-28][^jesaja-56-8-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v8)

**9** Al u gedierten van het veld, komt om te eten, ja, al u gedierten in het woud![^jesaja-56-9-30][^jesaja-56-9-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v9)

**10** Hun wachters zijn allen[^jesaja-56-10-32] blind, zij weten niet; zij allen zijn[^jesaja-56-10-33] stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neer, zij hebben het sluimeren lief.[^jesaja-56-10-34][^jesaja-56-10-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v10)

**11** En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk[^jesaja-56-11-36] naar zijn winst,[^jesaja-56-11-37] elk uit zijn einde.[^jesaja-56-11-38][^jesaja-56-11-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v11)

**12** Kom herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterke drank zuipen; en[^jesaja-56-12-40] de dag van morgen zal zijn als deze,[^jesaja-56-12-41] ja, groter, veel voortreffelijker.[^jesaja-56-12-42][^jesaja-56-12-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/56.html#v12)

[^jesaja-56-1-2]: Kanttekening 2: Onder de naam van recht en gerechtigheid vervat Hij alles, wat wij God en onze naaste schuldig zijn.
[^jesaja-56-1-3]: Kanttekening 3: Hiermede komt overeen het begin van de predikatiën van Christus en van Johannes de Doper, zeggende: Bekeert u, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen; Matt. 3:2 , en Matt. 4:17 . Mattheüs 3:2 : En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Mattheüs 4:17 : Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.
[^jesaja-56-1-4]: Kanttekening 4: Mijn heil: Te weten dat heil, dat Christus, de Heiland van de wereld, mij brengen zal. Of, als dit de woorden van Christus zijn, zo is dit de zin: Mijn heil, waardoor Ik mijn uitverkorenen zal behouden of zalig maken.
[^jesaja-56-1-1]: Kanttekening 1: het recht: Onder de naam van recht en gerechtigheid vervat Hij alles, wat wij God en onze naaste schuldig zijn.
[^jesaja-56-1-5]: Kanttekening 5: Mijn gerechtigheid: De gerechtigheid van de Heer is in het Evangelie geopenbaard; Rom. 1:17 . Romeinen 1:17 : Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^jesaja-56-2-6]: Kanttekening 6: die zulks doet: Die het recht en de gerechtigheid bewaart, vers 1 . Jesaja 56:1 : Zo zegt YHWH: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.
[^jesaja-56-2-7]: Kanttekening 7: de sabbat houdt: Onder het woord sabbat moet men de ganse godsdienst verstaan, die in het bijzonder op de sabbat moet geoefend worden, nemende een deel voor het geheel. Zie vers 7 . Jesaja 56:7 : Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.
[^jesaja-56-3-8]: Kanttekening 8: de vreemde: Hebreeuws, de zoon, of het kind van de vreemde (בֶּן); dat is, de vreemdelingen, gelijk vers 6 , en Jes. 60:10 . Jesaja 56:6 : En de vreemden, die zich tot YHWH voegen, om Hem te dienen, en om de Naam van YHWH lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie de sabbat houdt, dat hij die niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden; Jesaja 60:10 : En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.
[^jesaja-56-3-9]: Kanttekening 9: spreke niet: Christus heeft het onderscheid tussen de volken en natiën teniet gedaan; voor Hem geldt nu niet langer het onderscheid tussen Jood en heiden, tussen heer en knecht; Gal. 3:28 . Galaten 3:28 : Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus.
[^jesaja-56-3-10]: Kanttekening 10: ik ben een dorre boom: Dat is, ik ben een dorren boom gelijk; want gelijk die geen vruchten heeft, zo heb ik gene kinderen.
[^jesaja-56-4-11]: Kanttekening 11: van de gesnedenen: Of, tot de gesnedenen.
[^jesaja-56-5-12]: Kanttekening 12: hen ook: Te weten die vreemden en gesnedenen van wie vers 3 , 56:4 gesproken is. Jesaja 56:3 : En de vreemde, die zich tot YHWH gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: YHWH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom. Jesaja 56:4 : Want zo zegt YHWH van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen wat, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;
[^jesaja-56-5-13]: Kanttekening 13: in Mijn huis: Dat is, in de Christelijke gemeente.
[^jesaja-56-5-14]: Kanttekening 14: binnen Mijn muren: Te weten binnen de geestelijke stad Jeruzalem, dat is, in mijn kerk.
[^jesaja-56-5-15]: Kanttekening 15: een plaats: Of, ruimte, zo ook Jes. 57:8 . Hebreeuws, ene hand (יָד). Jesaja 57:8 : En achter de deur en posten zet u uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt u u, en klimt op; u maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enige uit dezelfde, u hebt hun leger lief in elke plaats, die u ziet.
[^jesaja-56-5-16]: Kanttekening 16: beter dan van de zonen: Of, die beter zijn dan, enz. wat is dat voor een naam? Dat zij kinderen van God heten zullen; Joh. 1:12 ; 1 Joh. 3:1 , welk een veel voortreffelijker naam is dan de naam van zoon of dochter, die men vanwege de vleselijke geboorte heeft. Johannes 1:12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 1 Johannes 3:1 : Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
[^jesaja-56-5-17]: Kanttekening 17: een ieder van hen geven: Hebreeuws, hem.
[^jesaja-56-6-18]: Kanttekening 18: de vreemden: Zie boven vers 3 . Jesaja 56:3 : En de vreemde, die zich tot YHWH gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: YHWH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.
[^jesaja-56-6-19]: Kanttekening 19: al wie de sabbat houdt: Zie vers 2 . Jesaja 56:2 : Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en van de mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die de sabbat houdt, zodat u die niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.
[^jesaja-56-7-20]: Kanttekening 20: tot Mijn heilige berg: Hebreeuws, tot de berg van mijn heiligheid (הַר); dat is, tot mijn kerk, tot de verzameling van mijn uitverkorenen; gelijk Jes. 2:2 . Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien.
[^jesaja-56-7-21]: Kanttekening 21: in Mijn bedehuis: Hebreeuws, in het huis van mijn gebed (בֵית); dat is, in de tempel, die bestemd is tot een huis, waarin men mij aanbidt, en verder de kerk van God in het algemeen.
[^jesaja-56-7-22]: Kanttekening 22: Versta hier, voornamelijk, \[naar de manier van spreken van het Oude Testament\] door de brandoffers en slachtoffers, de dankzeggingen en de redelijke godsdienst, en de vrijwillige overgevingen om God te gehoorzamen en te dienen. Die zijn de geestelijke offeranden van de gelovigen in het Nieuwe Testament, waarvan het gebed het voornaamste is. Vergelijk hiermede Mal. 1:11 ; Rom. 12:1 ; Hebr. 13:15 . Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten. Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^jesaja-56-7-a]: Verwijzing a: Matt. 21:13 ; Mark. 11:17 ; Lukas 19:46 . Mattheüs 21:13 : En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden; maar u hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Marcus 11:17 : En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden alle volken? Maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. Lukas 19:46 : Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt.
[^jesaja-56-7-23]: Kanttekening 23: op Mijn altaar: Dat is, vanwege de Middelaar Jezus Christus, die door het altaar werd afgebeeld. Zie Hebr. 3:10 . Hebreeën 3:10 : Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.
[^jesaja-56-7-24]: Kanttekening 24: genoemd worden: En het behoorde ook zodanig inderdaad te zijn.
[^jesaja-56-7-25]: Kanttekening 25: voor alle volken: Niet voor de Joden alleen, gelijk in het Oude Testament; maar de gelovige heidenen zullen, zowel als de gelovige Joden, God aanroepen in geest en waarheid, in de Christelijke gemeente, die door de tempel is afgebeeld geworden.
[^jesaja-56-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, van het volk Israël.
[^jesaja-56-8-27]: Kanttekening 27: tot Hem nog meer: Te weten tot Christus. Anders: tot hetzelfde, te weten volk van Israël, of bedehuis, in mijn gemeente, en zo in het einde van vers 8 . Jesaja 56:8 : De Heer YHWH, Die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, naast hen, die tot hem vergaderd zijn.
[^jesaja-56-8-28]: Kanttekening 28: naast hen: Of tot die, of behalve die.
[^jesaja-56-8-29]: Kanttekening 29: tot Hem vergaderd zijn: Te weten tot Christus. Anders: tot hetzelfde, te weten volk van Israël, of bedehuis, in mijn gemeente, en zo in het einde van vers 8 . Jesaja 56:8 : De Heer YHWH, Die de verdrevenen van Israël vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, naast hen, die tot hem vergaderd zijn.
[^jesaja-56-9-30]: Kanttekening 30: Hier beginnen verscheidene overzetters Jes. 57 .
[^jesaja-56-9-31]: Kanttekening 31: u gedierten van het veld: Door het gedierte van het veld moet men hier verstaan al de wrede tirannen en vervolgers van het Joodse volk. Deze roept God hier tezamen tegen hetzelfde, opdat de bozen en de huichelaars door hen zouden uitgeroeid worden.
[^jesaja-56-10-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, zijn; te weten van het volk.
[^jesaja-56-10-33]: Kanttekening 33: Te weten de priesters en ook de regenten van het volk; zie Jer. 6:13 , en Jer. 8:10 ; Ez. 3:17 . Jeremia 6:13 : Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Jeremia 8:10 : Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Ezechiël 3:17 : Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^jesaja-56-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, onwetend, onervaren in mijn wetten.
[^jesaja-56-10-35]: Kanttekening 35: stomme honden: Dat is, zij zijn de stomme honden gelijk. Zij straffen de zonden van het volk niet en zij waarschuwen het niet voor de toorn van God, vrezende ongunst bij hetzelfde te behalen.
[^jesaja-56-11-36]: Kanttekening 36: zijn sterk: Hebreeuws, sterk van ziel (עַזֵּי); van begeerte, van lust, van appetijt, of gulzig, of gierig en onverzadelijk van geld en goed. Zie de aantekening Job 39:1 . Anders: sterk van lijf. Job 39:1 : Zult u voor de oude leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen?
[^jesaja-56-11-37]: Kanttekening 37: zij kunnen: Of, zij weten niet zat te worden, of zij weten niet van verzadigd te worden.
[^jesaja-56-11-38]: Kanttekening 38: naar zijn winst: Of naar zijn gierigheid.
[^jesaja-56-11-39]: Kanttekening 39: elk : Dat is, van het ene einde tot het andere. Anders: \[elk\] in zijn kwartier. Anders: uit de voornaamste derzelve; alsof hij zei: Niet alleen de geringsten onder de priesters, maar ook de hoogsten en voornaamsten. Anders: uit zijn \[te weten van het volk\] voornaamsten; dan zou dit de mening zijn: niet uit de armen, maar uit de voornaamste, rijkste en vermogendste personen, die de voortreffelijkste offeranden en giften konden brengen, zoeken zij hun vuile winst. Zie de aantekening Gen. 19:4 , en Gen. 47:2 ; Richt. 18:2 . Genesis 19:4 : Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af. Genesis 47:2 : En hij nam een deel van zijn broers, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht. Richteren 18:2 : Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten daar.
[^jesaja-56-12-40]: Kanttekening 40: ik zal wijn halen: Vergelijk Jes. 22:13 , en 1 Kor. 15:32 . Jesaja 22:13 : Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. 1 Korinthiërs 15:32 : Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
[^jesaja-56-12-41]: Kanttekening 41: Alsof zij zeiden: Wij willen morgen lustig zijn gelijk wij heden geweest zijn, ja wij willen nog vrolijker en lustiger zijn.
[^jesaja-56-12-42]: Kanttekening 42: de dag van morgen: Deze woorden kunnen ook in deze zin genomen worden, alsof zij zeiden: Of wij ons dol en vol zuipen, zo zal daarom geen zwaarder straf op ons komen, het zal daarom morgen met ons gaan gelijk het heden doet, God acht op deze dingen niet.
[^jesaja-56-12-43]: Kanttekening 43: ja, groter: Hebreeuws, groot, overvloedig zeer (גָּדוֹל).

### Jesaja 57

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/57.json)

*De Heere verwijt de Joden hun lichtvaardige zorgeloosheid, omdat zij niet letten op de dood van de vrome en godvrezende mannen, vers 1 enzovoort, en ook omdat zij de profeten bespotten, 4, en afgoderij bedreven, 5, en omdat zij zich op menselijke hulp verlieten, 9. Daarom dreigt Hij hen te straffen, 12, maar Hij troost de boetvaardigen en belooft hun genade te bewijzen, 13, maar de goddelozen hebben geen vrede, 20.*

**1** [^jesaja-57-1-1] De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en[^jesaja-57-1-a] de weldadige mensen[^jesaja-57-1-2] worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let,[^jesaja-57-1-3] dat de rechtvaardige weggeraapt wordt[^jesaja-57-1-4] voor het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v1)

**2** [^jesaja-57-2-5] Hij zal ingaan[^jesaja-57-2-6] in de vrede; zij zullen rusten op hun[^jesaja-57-2-7] slaapsteden, een ieder die in[^jesaja-57-2-8] zijn oprechtheid gewandeld heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v2)

**3** Maar nadert u hier toe,[^jesaja-57-3-9] u kinderen van de[^jesaja-57-3-10] guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v3)

**4** [^jesaja-57-4-11] Over wie maakt u zich[^jesaja-57-4-12] lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Bent u niet[^jesaja-57-4-13] kinderen van de[^jesaja-57-4-14] overtreding, een zaad van de valsheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v4)

**5** Die[^jesaja-57-5-15] hittig bent[^jesaja-57-5-16] in de eikenbossen, onder alle[^jesaja-57-5-17] groene boom;[^jesaja-57-5-18] slachtende de kinderen aan de beken,[^jesaja-57-5-19] onder de hoeken van de steenrotsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v5)

**6** [^jesaja-57-6-20] Aan de gladde stenen van de beken[^jesaja-57-6-21] is uw deel, die, die zijn[^jesaja-57-6-22] uw lot; ook stort u aan hen drankoffer[^jesaja-57-6-23] uit, u offert hun voedseloffer;[^jesaja-57-6-24] zou Ik Mij over deze dingen troosten laten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v6)

**7** U stelt[^jesaja-57-7-25] uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op,[^jesaja-57-7-26] om slachtoffer te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v7)

**8** [^jesaja-57-8-27] En achter de deur en posten zet[^jesaja-57-8-28] u uw gedenkteken; want van Mij[^jesaja-57-8-29] wijkende ontdekt u zich, en[^jesaja-57-8-30] klimt op;[^jesaja-57-8-31] u maakt uw leger wijd,[^jesaja-57-8-32] en maakt u een verbond met enigen daaruit, u hebt[^jesaja-57-8-33] hun leger lief[^jesaja-57-8-34] in[^jesaja-57-8-35] elke plaats, die u ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v8)

**9** En[^jesaja-57-9-36] u trekt[^jesaja-57-9-37] met olie tot de koning, en[^jesaja-57-9-38] u vermenigvuldigt uw geurende zalven; en u zendt uw gezanten[^jesaja-57-9-39] verre weg,[^jesaja-57-9-40] en vernedert u[^jesaja-57-9-41] tot het dodenrijk toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v9)

**10** [^jesaja-57-10-42] U bent vermoeid door[^jesaja-57-10-43] uw grote reis, maar u zegt niet:[^jesaja-57-10-44] Het is buiten hoop;[^jesaja-57-10-45] u hebt het leven van uw hand gevonden, daarom[^jesaja-57-10-46] wordt u niet ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v10)

**11** [^jesaja-57-11-47] Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en[^jesaja-57-11-48] bent aan Mij niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet,[^jesaja-57-11-49] omdat Ik zwijg,[^jesaja-57-11-50] en dat van ouds af, en u vreest Mij niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v11)

**12** Ik zal[^jesaja-57-12-51] uw gerechtigheid[^jesaja-57-12-52] bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen.[^jesaja-57-12-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v12)

**13** Wanneer[^jesaja-57-13-54] u roepen zult, zo laat die,[^jesaja-57-13-55] die van u verzameld zijn, u redden; maar de wind zal hen allen wegvoeren, de zinloosheid zal hen wegnemen.[^jesaja-57-13-b] Maar die op Mij betrouwt, die zal de aarde erven, en[^jesaja-57-13-56] Mijn heilige berg erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v13)

**14** En[^jesaja-57-14-57] men zal zeggen: Verhoog de baan, verhoogt de baan, bereid de weg, neem de aanstoot uit de weg van Mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v14)

**15** Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij hem,[^jesaja-57-15-58] die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v15)

**16** Want[^jesaja-57-16-c] Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet[^jesaja-57-16-59] steeds toornig zijn; want[^jesaja-57-16-60] de geest zou van voor Mijn aangezicht[^jesaja-57-16-61] overstelpt worden,[^jesaja-57-16-62] en de zielen,[^jesaja-57-16-d] die Ik gemaakt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v16)

**17** Ik was toornig over de ongerechtigheid[^jesaja-57-17-63] van hun gierigheid, en sloeg[^jesaja-57-17-64] hen; Ik verborg Mij, en was toornig; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg van hun harten.[^jesaja-57-17-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v17)

**18** [^jesaja-57-18-66] Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk[^jesaja-57-18-67] aan hun treurigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v18)

**19** [^jesaja-57-19-68] Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede[^jesaja-57-19-69] van hen, die verre zijn, en van hen, die nabij zijn, zegt YHWH, en Ik zal hen genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v19)

**20** Maar de goddelozen zijn[^jesaja-57-20-70] als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar[^jesaja-57-20-71] wateren[^jesaja-57-20-72] werpen slijk en modder[^jesaja-57-20-73] op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v20)

**21** [^jesaja-57-21-e]De goddelozen, zegt mijn God,[^jesaja-57-21-74] hebben geen vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/57.html#v21)

[^jesaja-57-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, zodanige godzalige personen, die zich in hun leven bevlijtigd hebben de wet van de Heer te onderhouden, sterven heen.
[^jesaja-57-1-a]: Verwijzing a: Ps. 12:2 ; Micha 7:2 . Psalmen 12:2 : Behoud, o YHWH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. Micha 7:2 : De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen, een iedereen zijn broer, met een jachtgaren.
[^jesaja-57-1-2]: Kanttekening 2: worden weggeraapt: Hebreeuws, worden verzameld, of weggenomen; dat is, zij worden uit dit leven gerukt; zie Deut. 32:50 ; Richt. 18:25 ; Ps. 26:9 , en de aantekening daar. Deuteronomium 32:50 : En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd. Richteren 18:25 : Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en u uw leven verliest, en het leven van uw huis. Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jesaja-57-1-3]: Kanttekening 3: dat de rechtvaardige: Anders: want de rechtvaardige wordt weggeraapt.
[^jesaja-57-1-4]: Kanttekening 4: voor het kwaad: Hebreeuws, voor het aangezicht van het kwaad (פְּנֵי); dat is voordat de ellenden komen, die de Heer bestemd heeft in de wereld te zenden; of uit het gezelschap van de boze mensen. Zie 2 Kon. 22:20 , en Wijsheid 4:10 . 2 Koningen 22:20 : Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer. Boek van de Wijsheid 4:10 : Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.
[^jesaja-57-2-5]: Kanttekening 5: Hij zal ingaan: Versta hier elke rechtvaardige, die God tot zich roept.
[^jesaja-57-2-6]: Kanttekening 6: in de vrede: Dat is, in de vreugde van de hemel, in de hemelse zaligheid, om de eeuwige vreugde te genieten; of in vrede; dat is, in gerustheid, en met een goede consciëntie. Vergelijk Luk. 2:29 . Lukas 2:29 : Nu laat U, Heer! Uw dienaar gaan in vrede naar Uw woord;
[^jesaja-57-2-7]: Kanttekening 7: Of, bedden, of slaapkamers, of legers, en zo hierna meermalen, dat is in hun graven, waar zij rusten zullen tot hun wederopstanding ten jongsten dage.
[^jesaja-57-2-8]: Kanttekening 8: Of, richtigheid; namelijk zonder van de rechte weg ter rechter- of ter linkerhand te wijken. De zin is: die al zijn handel en wandel op het nauwste naar de wetten en geboden van de Heer aanstelt. Of die richtig, of op de rechte \[weg\] gewandeld heeft. Of, die recht voor Hem, te weten voor de Heer, gewandeld heeft; zie Gen. 5:22 . Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^jesaja-57-3-9]: Kanttekening 9: u kinderen: Dat is, u, die met toverij en met huichelarij omgaat.
[^jesaja-57-3-10]: Kanttekening 10: u overspelig zaad: Dat is, u zaad of kinderen van de overspelers, of kinderen dergenen, die tot overspel zijn begeven. Aldus noemt hij de Joden, vanwege hun geestelijk overspel, dat is hun afgoderij, gelijk af te nemen is uit de naastvolgende verzen. Zie Ez. 16 . Christus noemt ook de Joden een overspelig geslacht; Matt. 12:39 , omdat zij dikwijls van de ware God waren afgevallen en de afgoden van de heidenen dienden. Mattheüs 12:39 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
[^jesaja-57-4-11]: Kanttekening 11: Over wie maakt: Of, aan wie hebt u uw lust? Dat is, met wie te bespotten houdt u uw kortswijl? Met deze en de volgende woorden geeft de Heer te kennen hoe zich de afgodische Joden tegen de profeten van de Heer gedragen hebben, als die hun Gods woord predikten.
[^jesaja-57-4-12]: Kanttekening 12: over wie spert: Of, tegen wie? alsof Hij zei: Doet u mij dit niet ten spijt, zie Job 16:10 ; Ps. 35:21 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Psalmen 35:21 : En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
[^jesaja-57-4-13]: Kanttekening 13: kinderen van de overtreding: Dat is, de booswichten, die u geheel tot overtreding hebt begeven?
[^jesaja-57-4-14]: Kanttekening 14: een zaad van de valsheid: Dat is, mensen tot valsheid, dat is tot een valsen godsdienst begeven.
[^jesaja-57-5-15]: Kanttekening 15: hittig zijt: Dat is, u boeleert en drijft afgoderij.
[^jesaja-57-5-16]: Kanttekening 16: in de eikenbossen: In welke zij afgoderij bedreven, zie Jes. 1:29 . Anders, u bent hittig op de goden, dat is afgoden. Jesaja 1:29 : Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt.
[^jesaja-57-5-17]: Kanttekening 17: groenen boom: Of, loverigen, of gebladerden boom.
[^jesaja-57-5-18]: Kanttekening 18: Vergelijk Ez. 16:21 , 16:36 , en Ez. 23:39 , en Ez. 24:7 , en vergelijk verder 2 Kon. 16:3 ; 2 Kron. 28:3 . Ezechiël 16:21 : Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan? Ezechiël 16:36 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden van uw gruwelen, en na het bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Ezechiël 23:39 : Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis. Ezechiël 24:7 : Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelfde met stof te bedekken. 2 Koningen 16:3 : Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Kronieken 28:3 : Dezelfde rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^jesaja-57-5-19]: Kanttekening 19: onder de hoeken: Of, onder de uitstekende steenrotsen.
[^jesaja-57-6-20]: Kanttekening 20: Aan de gladde: Anders: aan de gladde beekstenen is uw deel. Hebreeuws, aan de gladdigheden \[van de stenen\] van de beek is uw portie; dat is, u benaarstigt u om schone, gladde stenen te kiezen, waar u een afgod stelt of een altaar ter ere van de afgoden.
[^jesaja-57-6-21]: Kanttekening 21: is uw deel: Dat is, u hebt ze zo lief, alsof het uw deel ware, dat u door het lot is toegevallen. Het tegendeel is Ps. 16:5 , zie de aantekening daar. Psalmen 16:5 : YHWH is het deel van mijn erve, en van mijn beker; U onderhoudt mijn lot.
[^jesaja-57-6-22]: Kanttekening 22: uw lot: Of uw portie.
[^jesaja-57-6-23]: Kanttekening 23: Te weten afgoden, die u op die plaatsen stelt. Of, op die \[plaatsen\] stort u, enz.
[^jesaja-57-6-24]: Kanttekening 24: zou Ik Mij: De zin is: Zou Ik het hartzeer, dat Ik gehad heb en nog heb vanwege ulieder afgoderij, zo kunnen vergeten? menselijkerwijze van God gesproken. Zie Gen. 24:67 ; 2 Sam. 13:39 . De vraag loochent en dreigt. Alsof Hij zei: Ik zal ulieder afgoderij in geen geval vergeten, maar Ik zal om dezelfde wel dapper straffen. Zie Jes. 1:24 ; Ez. 5:13 . Genesis 24:67 : En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Zo werd Izak getroost na zijn moeders dood. 2 Samuël 13:39 : Toen verlangde de ziel van de koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was. Jesaja 1:24 : Daarom spreekt de Heer, YHWH van de legermachten, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden. Ezechiël 5:13 : Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^jesaja-57-7-25]: Kanttekening 25: uw leger: Dat is, uwe altaren of kapellen, om met de afgoden daar geestelijke hoererij te bedrijven, gelijk ene hoer op het bed doet; zie Ez. 16:24 . Ezechiël 16:24 : Dat u u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
[^jesaja-57-7-26]: Kanttekening 26: om slachtoffer: Te weten ter ere van de afgoden.
[^jesaja-57-8-27]: Kanttekening 27: En achter de deur: Enige menen deze woorden aldus: U zet uwe gedenktekenen achter de deur; dat is overal, in al de hoeken van uw huizen zet u een afgodisch beeld, zijnde een teken van uw gruwelijke geestelijke afgoderij. Anderen verstaan hier door de gedenktekenen, of gedachtenis, de wet van God, die niet achter de deur behoorde gesteld te worden, maar God beveelt dat men ze voor aan de deuren, of op de posten van de deuren zou schrijven; Deut. 6:9 , en Deut. 11:20 . Deuteronomium 6:9 : En u zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven. Deuteronomium 11:20 : En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;
[^jesaja-57-8-28]: Kanttekening 28: uw gedenkteken: Hebreeuws, uwe gedachtenis.
[^jesaja-57-8-29]: Kanttekening 29: wijkende : De zin is: mij, uw wettelijken man verlatende, ontdekt u u als een ontuchtige vrouw voor anderen. Hij blijft nog steeds in dezelfde beeldspraak van de geestelijke hoererij, te weten afgoderij.
[^jesaja-57-8-30]: Kanttekening 30: klimt op: Te weten op een hoge berg, gelijk vers 7 ; anders, u klimt er op, te weten op uw bed, gelijk vers 3 ; versta het bed van de geestelijke hoererij. Jesaja 57:7 : U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Jesaja 57:3 : Maar nadert u hier toe, u kinderen van de guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft!
[^jesaja-57-8-31]: Kanttekening 31: u maakt uw leger: Dat is, u bedrijft hoererij met vele afgoden.
[^jesaja-57-8-32]: Kanttekening 32: en maakt u: Te weten bijzonderlijk met enige van de heidense afgoden, hoewel u ze allen liefhebt. Anders: en maakt \[een verbond\] meer dan zij, te weten de heidenen, van wie u dit geleerd hebt. Anders: houwt u \[bomen\] af meer dan genen; u houwt u \[bomen\] af, te weten om plaats te maken in de bossen, waar u de beelden en altaren van de afgoden mag zetten; of om afgoden daarvan te maken; vergelijk boven Jes. 44:14 . Jesaja 44:14 : Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen van het woud; hij plant een olmboom, en de regen maakt die groot.
[^jesaja-57-8-33]: Kanttekening 33: hun leger lief: Te weten van de afgoden, dat is, u begaat met lust afgoderij.
[^jesaja-57-8-34]: Kanttekening 34: in elke: Anders: aan de plaats, die u u uitgezien hebt.
[^jesaja-57-8-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, hand (יָד); gelijk Jes. 56:5 . Jesaja 56:5 : Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan van de zonen en dan van de dochters; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.
[^jesaja-57-9-36]: Kanttekening 36: u trekt: Dat is, u zendt uwe afgezanten als u in nood bent, om hulp te verzoeken.
[^jesaja-57-9-37]: Kanttekening 37: met olie: Te weten met kostelijke welriekende balsemolie \[gelijk Hos. 12:2 \], tot een geschenk, zoals sommigen menen, aan Tiglath Pilnezer, de koning van Assyrië; 2 Kon. 16:7 . Hosea 12:2 : Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd. 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^jesaja-57-9-38]: Kanttekening 38: u vermenigvuldigt: Dat is, u bereidt deze olie veel, om die koning overvloediglijk daarmede te beschenken.
[^jesaja-57-9-39]: Kanttekening 39: verre weg: Te weten tot in Assyrië.
[^jesaja-57-9-40]: Kanttekening 40: en vernedert u: Dat is, opdat u hulp van hem zoudt mogen verkrijgen, zo deemoedigt u u voor hem, tot het dodenrijk, dat is, op het allernederigste, gelijk Matt. 12:23 . Het schijnt dat de profeet hier ziet op de woorden van de koning Achaz, toen hij de koning van Assyrië liet aanzeggen: Ik ben uw knecht; 2 Kon. 16:7 . Mattheüs 12:23 : En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^jesaja-57-9-41]: Kanttekening 41: tot het dodenrijk toe: Dat is, opdat u hulp van hem zoudt mogen verkrijgen, zo deemoedigt u u voor hem, tot het dodenrijk, dat is, op het allernederigste, gelijk Matt. 12:23 . Het schijnt dat de profeet hier ziet op de woorden van de koning Achaz, toen hij de koning van Assyrië liet aanzeggen: Ik ben uw knecht; 2 Kon. 16:7 . Mattheüs 12:23 : En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? 2 Koningen 16:7 : Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^jesaja-57-10-42]: Kanttekening 42: U bent: De zin is: Alhoewel u een bezwaarlijke en verre reis gedaan hebt in Assyrië, om hulp daar te zoeken, zo bent u daardoor nog niet afgeschrikt.
[^jesaja-57-10-43]: Kanttekening 43: uw grote reis: In Assyrië. Hebreeuws, in de grootheid, of veelheid van uw weg (דַּרְכֵּ).
[^jesaja-57-10-44]: Kanttekening 44: Het is buiten hoop: Het is verloren arbeid, of het is wanhopend werk, daarom wil ik het laten berusten.
[^jesaja-57-10-45]: Kanttekening 45: u hebt het leven: Dat is, wat u bij het leven, of bij kracht en in figuur heeft kunnen houden. Anders: u hebt een rol \[of hoop, of schare\] gevonden \[dat is, u hoopt gevonden te hebben\] van uw hand; dat is, die u aan de hand of tot uw gebied meent te hebben, te weten de Assyriërs. Anders: ene versterking van uw hand; dat is, ene vertroosting van de hulp, waardoor uwe hand gesterkt zal worden. Anders: het voedsel van uw hand. De zin is: terwijl u bij de Assyriërs vertroosting gevonden hebt, en zij beloven uwe hand met hulp te versterken, zo laat u u die lange reis niet berouwen, maar eer wordt u daardoor in uwe afgoderij gestijfd en gesterkt, en u gaat al voort naar Assyrië om daar hulp te zoeken.
[^jesaja-57-10-46]: Kanttekening 46: wordt u niet ziek: Dat is, u wordt niet flauw, u geeft de moed niet verloren, u bezwijkt niet in uw voornemen.
[^jesaja-57-11-47]: Kanttekening 47: Maar voor wie: De zin is: Als mijn profeten uwe zonden straffen, zo ontkent u dezelfde en bedekt ze met leugens. Vergelijk onder Jes. 59:13 . Schroomt en vreest u niemand, ja zelfs uw God niet, omdat Hij u zolang ongestraft laat heengaan? Jesaja 59:13 : Het overtreden en het liegen tegen YHWH, en het achterwaarts wijken van onze God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.
[^jesaja-57-11-48]: Kanttekening 48: en zijt Mijn: Dat is, u hebt op mijn wraak niet gedacht of gevreesd dat Ik u zou straffen vanwege uwe leugens.
[^jesaja-57-11-49]: Kanttekening 49: om dat Ik zwijg: Dat is, omdat Ik u niet straks strafte, zo haast als u tegen mij gezondigd hebt? Anders: heb Ik niet gezwegen, of mij stilgehouden, u zonder straf laten heengaan, van overlang, en u hebt mij evenwel niet gevreesd? Of aldus: Zwijg Ik niet, ook vanouds, en zult u mij niet vrezen?
[^jesaja-57-11-50]: Kanttekening 50: en dat van ouds af: Hebreeuws, van eeuwigheid (עֹלָם). Zie Job 22:15 . Job 22:15 : Hebt u het pad van de eeuw waargenomen, dat de ongerechtige mensen betreden hebben?
[^jesaja-57-12-51]: Kanttekening 51: uw gerechtigheid: Dat is, uwe schijnheiligheid, uwe huichelarij, waarmee u pronkt alsof het goede werken waren; maar inderdaad is het ongerechtigheid. Want men moet weten dat dit ironisch of spottenderwijze gesproken is, omdat zij voor rechtvaardige vrome mensen wilden geacht en gehouden wezen, maar inderdaad waren zij het niet.
[^jesaja-57-12-52]: Kanttekening 52: bekend maken: Dat is, Ik zal hen niet langer verzwijgen.
[^jesaja-57-12-53]: Kanttekening 53: geen nut doen: Versta hierbij, maar integendeel zullen zij u grotelijks beschadigen.
[^jesaja-57-13-54]: Kanttekening 54: u roepen zult: Te weten in nood zijnde en hulp van mij verzoekende.
[^jesaja-57-13-55]: Kanttekening 55: die van u vergaderd zijn: Alsof de Heer zei: Ik zal u niet verlossen, laat zien of de Assyrische soldaten, die u tot uwe hulp vergaderd hebt, u zullen kunnen redden.
[^jesaja-57-13-b]: Verwijzing b: Ps. 34:9 . Psalmen 34:9 : Teth. Smaakt en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
[^jesaja-57-13-56]: Kanttekening 56: Mijn heilige berg: Dat is, hij zal hier op aarde zijn een lidmaat van mijn gemeente en na dit leven het eeuwige leven beërven. Hebreeuws, de berg van mijn heiligheid (הַר). Vergelijk hiermede Ps. 37:9 , en Jes. 2:2 , en Jes. 56:7 . Psalmen 37:9 : Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die YHWH verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 56:7 : Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.
[^jesaja-57-14-57]: Kanttekening 57: men zal zeggen: Of, hij zal zeggen, te weten de roeper, of de koning Cyrus, die liet uitroepen dat het Joodse volk weer in zijn land zou keren, zonder dat iemand hetzelfde zou beschadigen. Zie Jes. 40:3 , en Jes. 62:10 ; waardoor verder is afgebeeld de verlossing door Jezus Christus. Jesaja 40:3 : Een stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Jesaja 62:10 : Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt de weg van het volk; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!
[^jesaja-57-15-58]: Kanttekening 58: die van een verbrijzelden: Zie de aantekening Ps. 34:19 . Psalmen 34:19 : Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
[^jesaja-57-16-c]: Verwijzing c: Ps. 103:9 . Psalmen 103:9 : Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden.
[^jesaja-57-16-59]: Kanttekening 59: eeuwig twisten: Of, tot het einde.
[^jesaja-57-16-60]: Kanttekening 60: de geest: Dat is, het hart, het gemoed van alle mensen, als Ik altijd met hen zou twisten, of altijd op hen even toornig zou blijven.
[^jesaja-57-16-61]: Kanttekening 61: overstelpt worden: Zie Ps. 61:3 , en Ps. 102:1 . Psalmen 61:3 : Van het einde van het land roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Psalmen 102:1 : Een gebed van de verdrukte, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van YHWH.
[^jesaja-57-16-62]: Kanttekening 62: en de zielen: Te weten zouden overstelpt worden, of in bezwijming vallen.
[^jesaja-57-16-d]: Verwijzing d: Hebr. 12:9 . Hebreeën 12:9 : Verder, wij hebben de vaders van onze vlees wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven?
[^jesaja-57-17-63]: Kanttekening 63: hun gierigheid: Hebreeuws, zijn. Zo staat dit vers 17 , 57:18 , 57:19 doorgaans in het getal van enen. Jesaja 57:17 : Ik was toornig over de ongerechtigheid van hun gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was toornig; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg huns harten. Jesaja 57:18 : Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen. Jesaja 57:19 : Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt YHWH, en Ik zal hen genezen.
[^jesaja-57-17-64]: Kanttekening 64: Ik verborg Mij: Dat is, Ik onttrok hun mijn genade en hulp.
[^jesaja-57-17-65]: Kanttekening 65: in de weg: Dat is, in de weg, die hun hart bedacht en versierde.
[^jesaja-57-18-66]: Kanttekening 66: Ik zie hun wegen: Anders: \[maar\] als Ik hun wegen aanzag, zo heelde, of genas Ik hen. De zin is: Toen Ik zag dat zij geheel verdorven waren en zichzelven niet helpen konden, heb Ik hen uit loutere genade geholpen.
[^jesaja-57-18-67]: Kanttekening 67: hun treurigen: Te weten die bedroefd zijn omdat ze Mij vertoornd hebben.
[^jesaja-57-19-68]: Kanttekening 68: Ik schep: Dat is, Ik zal door de lippen van mijn dienaren, die de vrede verkondigen, veel vrucht en vreugde, veel troost en dankbaarheid verwekken en teweegbrengen. Anders: Ik schep wat met de lippen is voortgebracht, of voortgebracht wordt.
[^jesaja-57-19-69]: Kanttekening 69: Dat is, alle uitverkorenen, hetzij dat zij Joden of heidenen zijn. Zie Ef. 2:17 . Efeziërs 2:17 : En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren.
[^jesaja-57-20-70]: Kanttekening 70: als een voortgedreven zee: Als de zee of meren, die van de sterke winden bewogen en beroerd worden. Zo worden de goddelozen tot alle boosheid voortgedreven, zo van hun eigen kwade consciëntie als van andere kwade mensen.
[^jesaja-57-20-71]: Kanttekening 71: Dat is, golven, of baren.
[^jesaja-57-20-72]: Kanttekening 72: werpen slijk en modder: Zo werpen de goddelozen en brengen voort uit hun verdorven hart en gemoed, alle vuiligheid en verdorvenheid.
[^jesaja-57-20-73]: Kanttekening 73: Of, uit.
[^jesaja-57-21-e]: Verwijzing e: Jes. 48:22 . Jesaja 48:22 : Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt YHWH.
[^jesaja-57-21-74]: Kanttekening 74: hebben geen vrede: Te weten geen vrede van de consciëntie, of van het gemoed. Zie Job 18:11 . Job 18:11 : De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

### Jesaja 58

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/58.json)

*De Heere beveelt de profeet dat hij de Joden hun huichelarij, in het bijzonder in het vasten, zou verwijten, vers 1 enzovoort, en hun zou leren wat een waar vasten is, dat Hij verlangt, 6, terwijl Hij hun die Hem in oprechtheid van hart dienen en de boosheid afleggen, in het bijzonder zij die zijn sabbatten oprecht onderhouden, alle welvaart en zegen belooft, 8 enzovoort.*

**1** Roep uit de[^jesaja-58-1-1] keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v1)

**2** [^jesaja-58-2-2] Hoewel zij Mij[^jesaja-58-2-3] dagelijks[^jesaja-58-2-4] zoeken, en[^jesaja-58-2-5] een lust hebben aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet verlaat,[^jesaja-58-2-6] vragen zij Mij naar de rechten van de[^jesaja-58-2-7] gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v2)

**3** [^jesaja-58-3-8]Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan,[^jesaja-58-3-9] waarom kwellen wij onze ziel, en[^jesaja-58-3-10] U weet het niet? [^jesaja-58-3-11] Zie, op de dag wanneer u vast,[^jesaja-58-3-12] zo vindt u uw lust, en u eist streng[^jesaja-58-3-13] al uw arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v3)

**4** Zie,[^jesaja-58-4-14] tot twist en ruzie vast u, en[^jesaja-58-4-15] om goddeloos met de vuist te slaan; vast niet[^jesaja-58-4-16] gelijk vandaag,[^jesaja-58-4-17] om uw stem te doen horen in de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v4)

**5** [^jesaja-58-5-a] Zou het zulk een vasten zijn,[^jesaja-58-5-18] dat Ik verkiezen zou, dat de mens[^jesaja-58-5-19] zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zou u dat een vasten heten, en[^jesaja-58-5-20] een dag voor YHWH aangenaam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v5)

**6** Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat u losmaakt[^jesaja-58-6-21] de knopen van de goddeloosheid, dat u ontdoet de banden[^jesaja-58-6-22] van het juk, en dat u vrij loslaat[^jesaja-58-6-23] de verpletterden, en alle[^jesaja-58-6-24] juk verscheurt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v6)

**7** [^jesaja-58-7-b] Is het niet, dat u de hongerige uw[^jesaja-58-7-25] brood mededeelt, en de armen,[^jesaja-58-7-26] verdrevenen in huis brengt? Als u[^jesaja-58-7-27] een naakte ziet, dat u hem[^jesaja-58-7-28] dekt, en dat u zich[^jesaja-58-7-29] voor uw vlees[^jesaja-58-7-30] niet verbergt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v7)

**8** Dan zal[^jesaja-58-8-31] uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snel uitspruiten; en[^jesaja-58-8-32] uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en[^jesaja-58-8-33] de heerlijkheid van YHWH[^jesaja-58-8-34] zal uw achtertocht wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v8)

**9** Dan zult u roepen, en YHWH[^jesaja-58-9-35] zal antwoorden; u zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Zie, hier ben Ik. Zo u uit het midden van u wegdoet[^jesaja-58-9-36] het juk,[^jesaja-58-9-37] het uitsteken van de vinger, en[^jesaja-58-9-38] het spreken[^jesaja-58-9-39] van de ongerechtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v9)

**10** En zo u[^jesaja-58-10-40] uw ziel opent voor de hongerige, en[^jesaja-58-10-41] de bedrukte ziel verzadigt; dan zal[^jesaja-58-10-42] uw licht in de duisternis opgaan, en[^jesaja-58-10-43] uw donkerheid zal zijn als de middag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v10)

**11** En YHWH zal u steeds[^jesaja-58-11-44] leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen[^jesaja-58-11-45] in grote droogten, en uw beenderen[^jesaja-58-11-46] krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een[^jesaja-58-11-47] springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken.[^jesaja-58-11-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v11)

**12** En[^jesaja-58-12-49] die uit u voortkomen, zullen bouwen[^jesaja-58-12-50] de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten,[^jesaja-58-12-51] van geslacht tot geslacht verwoest, zult[^jesaja-58-12-52] u oprichten; en u zult genaamd worden:[^jesaja-58-12-53] Die de bressen toemuurt, die de paden weer opmaakt, om te bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v12)

**13** [^jesaja-58-13-54] Als u uw voet van de sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heilige dag; en[^jesaja-58-13-55] als u de sabbat noemt een verlustiging,[^jesaja-58-13-56] opdat YHWH geheiligd wordt, Die te eren is; en als u die eert, dat u[^jesaja-58-13-57] uw wegen niet doet, en uw[^jesaja-58-13-58] eigen lust niet vindt,[^jesaja-58-13-59] noch één woord daarvan spreekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v13)

**14** [^jesaja-58-14-60] Dan zult u zich verheugen in YHWH, en[^jesaja-58-14-61] Ik zal u doen rijden op de hoogten van de aarde, en[^jesaja-58-14-62] Ik zal u spijzigen met de erfenis van uw vader Jakob; want de mond van YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/58.html#v14)

[^jesaja-58-1-1]: Kanttekening 1: houd niet in: Houd uwe stem niet op, of niet in.
[^jesaja-58-2-2]: Kanttekening 2: Of, want zij zoeken mij dagelijks.
[^jesaja-58-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, dag, dag (יוֹם); zie Ps. 61:9 . Psalmen 61:9 : Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.
[^jesaja-58-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, in de tempel komen om mij hun offeranden te brengen en hun gebeden daar te doen; maar het gaat hun niet ter harte, het geschiedt al uit huichelarij.
[^jesaja-58-2-5]: Kanttekening 5: een lust hebben: Dat is, zich houden alsof zij daar een oprechten lust aan hadden, dat zij de priesters de wet horen lezen en verklaren.
[^jesaja-58-2-6]: Kanttekening 6: vragen zij Mij: Te weten door de profeten.
[^jesaja-58-2-7]: Kanttekening 7: zij hebben een lust: Hebreeuws, zij hebben lust tot de nadering Gods; dat is, zij stellen zich uitwendiglijk zo aan, alsof zij lust daaraan hadden en alsof het hun ernst ware mijn geboden te weten en hun leven naar dezelfde aan te stellen.
[^jesaja-58-3-8]: Kanttekening 8: Waarom vasten: Dit zijn de woorden van de huichelaars, die door hun huichelenden en uiterlijken godsdienst veel bij God menen te verdienen.
[^jesaja-58-3-9]: Kanttekening 9: Te weten met vasten en honger te lijden; zie Lev. 16:29 . Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^jesaja-58-3-10]: Kanttekening 10: U weet het niet: Dat is, houdt u alsof u het niet wist.
[^jesaja-58-3-11]: Kanttekening 11: Dat is het antwoord van de Heer op de voorgaande vraag van de Joden, alsof Hij zei: Wilt u de oorzaak weten, waarom ulieder vasten mij niet aangenaam is? Ziet, Ik zal het zeggen; uwe huichelarij is er oorzaak van, want terwijl u vast, laat u niet af van boze stukken te bedrijven.
[^jesaja-58-3-12]: Kanttekening 12: zo vindt: Dat is, zo richt u uit wat u behaagt, gelijk vers 13 . Of, u benaarstigt u om te vinden en te genieten waar u lust en genoegen aan hebt. Jesaja 58:13 : Als u uw voet van de sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heilige dag; en als u de sabbat noemt een verlustiging, opdat YHWH geheiligd worde, Die te eren is; en als u die eert, dat u uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;
[^jesaja-58-3-13]: Kanttekening 13: al uw arbeid: Hebreeuws, smarten; dat is arbeid, die uwe knechten en maagden met smart moeten doen. Anders: al uw arbeid; dat is al uw goed, dat u met arbeid verkregen hebt, en verder uwe schulden, die u van uw goed hebt uitstaan, vordert u strengelijk. Zie Spreuk. 5:10 . Spreuken 5:10 : Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis van de onbekende;
[^jesaja-58-4-14]: Kanttekening 14: tot twist: Dat is, om met uwe knechten, maagden, schuldenaars en anderen te twisten.
[^jesaja-58-4-15]: Kanttekening 15: om goddeloos: Hebreeuws, om met de vuist van de goddeloosheid te slaan (הַכּוֹת); te weten uwe knechten en maagden.
[^jesaja-58-4-16]: Kanttekening 16: gelijk heden: Hebreeuws, als heden, of na deze dag (יּוֹם). Dat enige uitleggen: gelijk het deze dag \[vereist\] in welke God doet blijken dat Hij tegen u vertoornd is.
[^jesaja-58-4-17]: Kanttekening 17: om uw stem: Dat is, opdat uw gebed verhoord wordt in de hemel bij God.
[^jesaja-58-5-a]: Verwijzing a: Zach. 7:5 . Zacharia 7:5 : Spreek tot het gehele volk van deze lands, en tot de priesters, zeggende: Toen u vasttet en rouwklaagde, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt u Mij, Mij enigszins gevast?
[^jesaja-58-5-18]: Kanttekening 18: dat Ik verkiezen zou: Dat is, dat mij aangenaam zou wezen.
[^jesaja-58-5-19]: Kanttekening 19: zijn ziel een dag kwelle: Te weten alleen uitwendiglijk, zonder innerlijk met een rechtmatig berouw zijn zonden geraakt te zijn, en zich zo oprecht voor God te verootmoedigen. Of aldus: Een dag dat de mens zijn ziel kwelle.
[^jesaja-58-5-20]: Kanttekening 20: een dag YHWH aangenaam: Hebreeuws, een dag van de aangenaamheid van de Heer, of de Heer (יוֹם).
[^jesaja-58-6-21]: Kanttekening 21: de knopen: Dat is, de zware dienstbaarheid van uw broers, die zichzelven uit armoede aan u verkocht hebben, en die u onbarmhartig tot zwaren arbeid aandrijft, alsof het vreemde slaven waren, dat God verbiedt, Lev. 25:39 . Zie de aantekening daar. Leviticus 25:39 : Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;
[^jesaja-58-6-22]: Kanttekening 22: van het juk: Te weten van het juk, of van de dienstbaarheid, die u uw verarmden broers oplegt, deze onderdrukkende met uw woeker en boze werken.
[^jesaja-58-6-23]: Kanttekening 23: de verpletterden: Of, gebrokenen; dat is, tot verderf, of tot niet gebracht.
[^jesaja-58-6-24]: Kanttekening 24: juk verscheurt: Juk, dat is, zware en onverdragelijke lasten. In één woord, de Heer leert in dit en in vers 7 dat wanneer men recht en wel vasten zal, zo moet men zich niet alleen onthouden van lichamelijk voedsel, maar men moet ook werken van het licht doen. Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt?
[^jesaja-58-7-b]: Verwijzing b: Ez. 18:7 ; idem v. 16 ; Matt. 25:35 . Ezechiël 18:7 : En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt; Ezechiël 18:16 : En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood de hongerige geeft, en de naakte met kleding bedekt; Mattheüs 25:35 : Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij geherbergd.
[^jesaja-58-7-25]: Kanttekening 25: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk in twee stukken delen, als wanneer iemand een brood midden doorsneed, en gaf zijn nooddruftigen broer de ene helft.
[^jesaja-58-7-26]: Kanttekening 26: De zin is: Die als rebellen uit hun vaderland ten onrechte verdreven zijn. Anders: de ellendigen, bedrukten; te weten door de geweldige heerschappij van de groten.
[^jesaja-58-7-27]: Kanttekening 27: een naakte ziet: Dat is, een kwalijk geklede; zie Job 22:6 . Job 22:6 : Want u hebt uw broers zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleren van de naakten hebt u uitgetogen.
[^jesaja-58-7-28]: Kanttekening 28: Te weten met kleren.
[^jesaja-58-7-29]: Kanttekening 29: voor uw vlees: Voor uw naasten, die enerlei vlees en bloed heeft gelijk u. Zie de aantekening Neh. 5:5 . Nehemia 5:5 : Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broers, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters tot dienaren; ja, er zijn enige van onze dochters onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.
[^jesaja-58-7-30]: Kanttekening 30: niet verbergt: Versta hierbij: maar dat u door de armoede en ellende van uw broers u tot barmhartigheid laat bewegen.
[^jesaja-58-8-31]: Kanttekening 31: uw licht: Dat is, uw geluk en vreugde. Zie Esth. 8:16 , en Job 18:6 . Esther 8:16 : Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; Job 18:6 : Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
[^jesaja-58-8-32]: Kanttekening 32: uw gerechtigheid: Dat is, de vrucht van uw gerechtigheid, te weten uwe gelukzaligheid, die u de Heer uit genade geven zal. Zie Ps. 24:5 . Anderen verstaan hier door de gerechtigheid de Heer Christus zelf, gelijk Jer. 23:6 . Psalmen 24:5 : Die zal de zegen ontvangen van YHWH, en gerechtigheid van de God van zijn heil. Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID.
[^jesaja-58-8-33]: Kanttekening 33: de heerlijkheid: Dat is, de gelukzaligheid, die haar oorsprong heeft in de goedheid en macht van de Heer, die daarmede zijn heerlijkheid te kennen geeft.
[^jesaja-58-8-34]: Kanttekening 34: zal uw achtertocht: Hebreeuws, zal u verzamelen. Zie de aantekening Num. 10:25 ; Jes. 52:12 . Numeri 10:25 : Toen toog op de banier van het leger van de kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn legermacht was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai. Jesaja 52:12 : Want u zult niet met haast uitgaan, noch met de vlucht heengaan; want YHWH zal voor ulieder aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal uw achtertocht wezen.
[^jesaja-58-9-35]: Kanttekening 35: zal antwoorden: Dat is, Hij zal u verhoren.
[^jesaja-58-9-36]: Kanttekening 36: het juk: Zie boven vers 6 . Jesaja 58:6 : Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat u losmaakt de knopen van de goddeloosheid, dat u ontdoet de banden van het juk, en dat u vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt?
[^jesaja-58-9-37]: Kanttekening 37: het uitsteken: Dat is, het dreigen, als u iemand met de vinger dreigt, of als u met het opsteken van de vinger of het opheffen van de vuist te kennen geeft het voornemen, dat u hebt om uw geweld in het werk te stellen.
[^jesaja-58-9-38]: Kanttekening 38: het spreken: Te weten als u uw naaste scheldt of smaadt.
[^jesaja-58-9-39]: Kanttekening 39: van de ongerechtigheid: Of, ondeugd, ijdelheid.
[^jesaja-58-10-40]: Kanttekening 40: uw ziel: Of, uwe ziel voortbrengt; dat is, uw hart, uzelven, uw hartelijke goedgunstigheid. De zin is: Zo u uw hart de hongerige opent, en uit mededogenheid de arme en hongerige zult goeddoen.
[^jesaja-58-10-41]: Kanttekening 41: de bedrukte: Dat is, de bedrukte mens.
[^jesaja-58-10-42]: Kanttekening 42: uw licht: Versta hier door het licht zegen en welstand. Zie boven vers 8 ; gelijk door de duisternis allerlei tegenspoed. Zie de aantekening Gen. 15:12 . Jesaja 58:8 : Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snel uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid van YHWH zal uw achtertocht wezen. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^jesaja-58-10-43]: Kanttekening 43: uw donkerheid: Dat is, uwe ellenden en zwarigheden zullen in blijdschap veranderd worden.
[^jesaja-58-11-44]: Kanttekening 44: Gelijk een herder zijn schapen leidt.
[^jesaja-58-11-45]: Kanttekening 45: in grote droogten: Hebreeuws, in dorrigheden; dat is, in dure tijden en hongersnood.
[^jesaja-58-11-46]: Kanttekening 46: krachtig maken: Of, vet maken, dat is sterken. Zie Spreuk. 15:30 . Spreuken 15:30 : Het licht van de ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
[^jesaja-58-11-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, uitgangen.
[^jesaja-58-11-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, liegen, dat is, denwelken het nimmermeer aan water ontbreekt, en daarom niemand tevergeefs komt om daaruit te scheppen of putten (מַיִם); vergelijk Job 6:15 , en Job 40:28 . Job 6:15 : Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door; Job 40:28 : Zie, zijn hoop zal falen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
[^jesaja-58-12-49]: Kanttekening 49: die uit u: Hebreeuws, \[die uit u\], dat is uwe nakomelingen, die uit u zullen geboren worden.
[^jesaja-58-12-50]: Kanttekening 50: de oude: Hebreeuws, de woestheden of dorre woeste plaatsen van de eeuwigheid (עוֹלָם); dat is, die plaatsen, die lang woest gelegen hebben, te weten de vervallen huizen binnen Jeruzalem, en wat daaromheen lang vervallen, ongebouwd, verwoest en leeg gelegen heeft; zie Jes. 61:4 . Jesaja 61:4 : En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weer oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht.
[^jesaja-58-12-51]: Kanttekening 51: van geslacht tot geslacht: Dat is, vele jaren lang.
[^jesaja-58-12-52]: Kanttekening 52: Hebreeuws, verwekken, of doen opstaan.
[^jesaja-58-12-53]: Kanttekening 53: Die de bressen: Hebreeuws, een verbeteraar van de bressen, of van de vervallen \[muren\], een wederbrenger van de stegen, dat men \[in het land\] weer wonen mag.
[^jesaja-58-13-54]: Kanttekening 54: Als u: Dat is, als u uw voet op de sabbat afhoudt, dat u niet doet wat u behaagt. Of, vanwege de sabbat.
[^jesaja-58-13-55]: Kanttekening 55: als : Dat is, zo u een lust hebt die naar Gods wil en wet te vieren.
[^jesaja-58-13-56]: Kanttekening 56: opdat YHWH: Anders, de geheiligde \[dag\] van de Heer, de verheerlijkte.
[^jesaja-58-13-57]: Kanttekening 57: uw wegen: Dat is, uw gewoonlijke werken niet doende.
[^jesaja-58-13-58]: Kanttekening 58: uw eigen lust: Zie vers 3 . Jesaja 58:3 : Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en U weet het niet? Ziet, op de dag wanneer u vast, zo vindt u uw lust, en u eist streng al uw arbeid.
[^jesaja-58-13-59]: Kanttekening 59: noch een woord: Anders, nog iets spreekt, te weten dat onbillijk of onbetamelijk is, gelijk vers 9 . Jesaja 58:9 : Dan zult u roepen, en YHWH zal antwoorden; u zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo u uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken van de vinger, en het spreken van de ongerechtigheid;
[^jesaja-58-14-60]: Kanttekening 60: Dan zult u: Dat is, dan zult u zijn goedertierenheid en zegen genieten.
[^jesaja-58-14-61]: Kanttekening 61: Ik zal u doen: Dat is, Ik zal u hoog verheffen en eren, gelijk Deut. 32:13 . Zie de aantekening daar. Anderen nemen het aldus: U zult alles wat u zou mogen in de weg liggen en u aan uw welstand schadelijk zijn, overwinnen. Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots;
[^jesaja-58-14-62]: Kanttekening 62: Ik zal u spijzigen: Of, Ik zal u te eten geven de erfenis van uw vader Jakob; dat is, u zult wonen in het land, dat Ik uw vader Jakob gegeven heb, waar u voedsel en drank in overvloed hebben zult.

### Jesaja 59

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/59.json)

*De profeet wijst aan dat het niet aan de hand van de Heere lag dat de Joden niet verlost werden, maar dat hun zonden dat verhinderden, vers 1 enzovoort. Deze zonden worden opgesomd van vers 3 tot vers 9. Zij belijden hun zonden, vers 9. Daarop volgt de belofte dat God de zijnen zou verlossen en hun vijanden zou straffen, hun de verlosser zou zenden, en hen door zijn Geest en Woord eeuwig zou regeren, 16 enzovoort.*

**1** Zie,[^jesaja-59-1-a] de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v1)

**2** Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden[^jesaja-59-2-1] verbergen het aangezicht van u, dat Hij[^jesaja-59-2-2] niet hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v2)

**3** Want[^jesaja-59-3-3] uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingers met ongerechtigheid; uw lippen spreken[^jesaja-59-3-4] valsheid, uw tong[^jesaja-59-3-5] dicht onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v3)

**4** Er is niemand, die voor de gerechtigheid[^jesaja-59-4-6] roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op zinloosheid, en spreken leugen;[^jesaja-59-4-7][^jesaja-59-4-b] met moeite zijn zij zwanger, en zij baren[^jesaja-59-4-8] ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v4)

**5** [^jesaja-59-5-9] Zij broeden basiliskus-eieren uit, en[^jesaja-59-5-10] zij weven spinnewebben;[^jesaja-59-5-11] die van hun eieren eet, moet sterven, en[^jesaja-59-5-12] als het in stukken gedrukt wordt, er barst een adder uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v5)

**6** Hun webben[^jesaja-59-6-13] deugen[^jesaja-59-6-c] niet tot kleren, en zij zullen zichzelf[^jesaja-59-6-14] niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken van de ongerechtigheid, en een maaksel[^jesaja-59-6-15] van de wrevel is in hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v6)

**7** [^jesaja-59-7-16][^jesaja-59-7-d] Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van de[^jesaja-59-7-17] ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v7)

**8** De weg van de vrede kennen zij niet; en[^jesaja-59-8-18] er is geen recht in hun gangen;[^jesaja-59-8-19] hun paden maken zij verkeerd voor zich zelf,[^jesaja-59-8-20] al wie daarop gaat, die kent de vrede niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v8)

**9** [^jesaja-59-9-21]Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op[^jesaja-59-9-22] het licht, maar ziet, er is[^jesaja-59-9-23] duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v9)

**10** [^jesaja-59-10-24] Wij tasten naar de wand, zoals de blinden, en, zoals die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in[^jesaja-59-10-25] woeste plaatsen gelijk de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v10)

**11** Wij brommen allen zoals de beren, en wij[^jesaja-59-11-26] kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten[^jesaja-59-11-27] naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v11)

**12** Want onze overtredingen zijn vele voor U, en[^jesaja-59-12-28] onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn[^jesaja-59-12-29] bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v12)

**13** [^jesaja-59-13-30] Het overtreden en het liegen tegen YHWH, en het achteruit wijken van onze God;[^jesaja-59-13-31] het spreken van onderdrukking en afval,[^jesaja-59-13-32] het ontvangen en[^jesaja-59-13-33] het dichten van valse woorden uit het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v13)

**14** Daarom[^jesaja-59-14-34] is het recht achteruit geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want[^jesaja-59-14-35] de waarheid struikelt op de straat, en[^jesaja-59-14-36] wat recht is, kan er niet ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v14)

**15** Ja,[^jesaja-59-15-37] de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt,[^jesaja-59-15-38] stelt zich tot een roof; en YHWH zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v15)

**16** Omdat Hij zag,[^jesaja-59-16-39] dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom[^jesaja-59-16-40] bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem.[^jesaja-59-16-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v16)

**17** Want[^jesaja-59-17-41] Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en[^jesaja-59-17-42] Hij deed de ijver aan als een mantel.[^jesaja-59-17-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v17)

**18** Even[^jesaja-59-18-43] naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, woede aan Zijn tegenstanders, vergelding aan Zijn vijanden;[^jesaja-59-18-44] de eilanden zal Hij het loon vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v18)

**19** [^jesaja-59-19-45] Dan zullen zij de Naam van YHWH vrezen van de neergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang van de[^jesaja-59-19-46] zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom,[^jesaja-59-19-47] zal de Geest van YHWH de banier tegen hen oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v19)

**20** En er zal[^jesaja-59-20-48] een Verlosser[^jesaja-59-20-49] tot Sion komen, namelijk voor hen, die[^jesaja-59-20-g] zich bekeren van de overtreding[^jesaja-59-20-50] in Jakob, spreekt YHWH.[^jesaja-59-20-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v20)

**21** Wat mij betreft, dit is Mijn Verbond met hen, zegt YHWH: Mijn Geest, Die[^jesaja-59-21-51] op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond[^jesaja-59-21-52] van uw zaad, noch van de mond van het zaad van uw zaad, zegt YHWH, van nu aan tot in eeuwigheid toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/59.html#v21)

[^jesaja-59-1-a]: Verwijzing a: Num. 11:23 ; Jes. 50:2 . Numeri 11:23 : Maar YHWH zei tot Mozes: Zou dan van YHWH hand verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet. Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.
[^jesaja-59-2-1]: Kanttekening 1: verbergen het aangezicht: Dat is, maken dat Hij het aangezicht verbergt.
[^jesaja-59-2-2]: Kanttekening 2: niet hoort: Te weten uwe gebeden, dat is dat Hij u niet helpt.
[^jesaja-59-3-3]: Kanttekening 3: uw handen: Hebreeuws, uwe palmen. Zie Jes. 1:15 . Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
[^jesaja-59-3-4]: Kanttekening 4: Of, leugen.
[^jesaja-59-3-5]: Kanttekening 5: dicht onrecht: Of, spreekt uit.
[^jesaja-59-4-6]: Kanttekening 6: Zo namelijk dat hij degenen, die tegen de gerechtigheid handelen, afmaant; of, de onschuldigen verdedigt; of, die een rechtvaardige zaak en de waarheid naar zijn uiterste vermogen handhaaft.
[^jesaja-59-4-7]: Kanttekening 7: met moeite: Welke zij graag tegen hun naasten zouden aan de dag brengen.
[^jesaja-59-4-b]: Verwijzing b: Job 15:35 ; Ps. 7:15 . Job 15:35 : Zij ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. Psalmen 7:15 : Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
[^jesaja-59-4-8]: Kanttekening 8: Of, ijdelheid, en zo vers 6 , 59:7 . Jesaja 59:6 : Hun webben deugen niet tot kleren, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken van de ongerechtigheid, en een maaksel van de wrevel is in hun handen. Jesaja 59:7 : Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van de ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.
[^jesaja-59-5-9]: Kanttekening 9: Zij broeden basiliskus-eieren uit: Hebreeuws, zij splijten basiliskuseieren uit; dat is, zij hebben vergiftige en zeer schadelijke aanslagen voor. Gelijk de basiliskus niet kan uitbroeien dan wat vergiftig is, zo komt er van de goddeloze niets dan dat schadelijk is.
[^jesaja-59-5-10]: Kanttekening 10: zij weven spinnewebben: Dat is, zij maken aanslagen om anderen te vangen en te verslinden, gelijk een spin met haar weg de vliegen en muggen vangt, en die daarna doodt en opeet. Zie Job 8:14 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop.
[^jesaja-59-5-11]: Kanttekening 11: die van hun eieren eet: Dat is, die zich hun aanslagen deelachtig maakt; of, die zich gemeenzaam met hen maakt.
[^jesaja-59-5-12]: Kanttekening 12: Te weten als het ei in stukken gedrukt wordt; anders: wordt er iemand mee besprengd, of zo het iemand verspreidt; dat is, zo het iemand niet wil eten, maar werpt het daarheen, dat het over de aarde gespreid wordt, zo barst er een adder uit; dat is, zo iemand van de boze mensen aanslagen ontdekt en verhindert, zo vergrimmen zij zich tegen hem en zoeken hem te beschadigen.
[^jesaja-59-6-13]: Kanttekening 13: deugen niet tot kleren: Hebreeuws, zullen niet tot kleren worden; dat is, hun aanslagen zullen hun geen voordeel aanbrengen.
[^jesaja-59-6-c]: Verwijzing c: Job 8:14 ; idem v. 15 . Job 8:14 : Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. Job 8:15 : Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
[^jesaja-59-6-14]: Kanttekening 14: niet kunnen dekken: Dat is, niet kunnen beschermen in tijd van nood.
[^jesaja-59-6-15]: Kanttekening 15: van de wrevel: Of, van het geweld.
[^jesaja-59-7-16]: Kanttekening 16: Hun voeten lopen tot het kwade: Dat is, zij zijn zo geneigd tot de boosheid, dat als zij ergens weten kwaad te doen, zij gaan er niet naar toe, maar zij lopen er naar toe. Deze woorden spreekt de apostel Rom. 3:15 , om te bewijzen dat de Joden zowel zondaars zijnn en van nature bedorven, als de heidenen. Romeinen 3:15 : Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;
[^jesaja-59-7-d]: Verwijzing d: Spreuk. 1:16 ; Rom. 3:15 . Spreuken 1:16 : Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten. Romeinen 3:15 : Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;
[^jesaja-59-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, zij trachten nergens anders naar dan om hun naaste schade en schande aan te brengen.
[^jesaja-59-8-18]: Kanttekening 18: er is geen recht: Dat is, er is geen waarheid noch billikheid bij hen te vinden. Zie Job 34:4 . Job 34:4 : Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
[^jesaja-59-8-19]: Kanttekening 19: hun paden maken zij verkeerd: Dat is, zij maken zichzelven kromme paden.
[^jesaja-59-8-20]: Kanttekening 20: al wie daarop gaat: Dat is, wie met hen omgaat of hun bozen handel navolgt.
[^jesaja-59-9-21]: Kanttekening 21: Dat is, daarom doet God ons geen recht noch wraak over onze vijanden; maar Hij laat hen nog dagelijks toe ons te drukken en te benauwen; zodat recht hier zoveel betekent als hulp of verlossing, gelijk vers 11 , 59:14 . Jesaja 59:11 : Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons. Jesaja 59:14 : Daarom is het recht achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet ingaan.
[^jesaja-59-9-22]: Kanttekening 22: het licht: Zie de aantekening Jes. 58:8 . Jesaja 58:8 : Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snel uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid van YHWH zal uw achtertocht wezen.
[^jesaja-59-9-23]: Kanttekening 23: Dat is, droefenis en tegenspoed.
[^jesaja-59-10-24]: Kanttekening 24: Wij tasten: Zie Job 5:14 , en Job 12:25 , en vergelijk Deut. 28:29 . Job 5:14 : Overdag ontmoeten zij de duisternis, en zoals in de nacht tasten zij in de middag. Job 12:25 : Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard. Deuteronomium 28:29 : Dat u op de middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
[^jesaja-59-10-25]: Kanttekening 25: woeste plaatsen: Anders: vettigheden, of vette plaatsen; waarvan de zin zou zijn: Wij zijn wel in voorspoed en in overvloed van alle dingen, in een goed vet land; evenwel zijn wij als doden, midden in de zegen; wij kunnen van de rijke zegen Gods niet genieten, vanwege de bangheid, die wij hebben voor onze vijanden.
[^jesaja-59-11-26]: Kanttekening 26: Of, piepen; gelijk Jes. 38:14 . Hebreeuws, kirrende kirren wij. Jesaja 38:14 : Gelijk een kraan of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o YHWH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg.
[^jesaja-59-11-27]: Kanttekening 27: naar recht: Zie boven vers 9 . Jesaja 59:9 : Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden.
[^jesaja-59-12-28]: Kanttekening 28: onze zonden getuigen: Hebreeuws, onze zonden getuigt; dat is ieder onzer zonden.
[^jesaja-59-12-29]: Kanttekening 29: bij ons: Dat is, binnen in ons, in onze conscientiën, wij kunnen ze niet loochenen, zij vergezelschappen en volgen ons overal.
[^jesaja-59-13-30]: Kanttekening 30: Het overtreden: Zie boven Jes. 57:11 . Jesaja 57:11 : Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en bent aan Mij niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en u vreest Mij niet?
[^jesaja-59-13-31]: Kanttekening 31: het spreken van onderdrukking en afval: Hoe men zijn naaste zal onderdrukken, en hoe men van God zal afwijken.
[^jesaja-59-13-32]: Kanttekening 32: het ontvangen: Het ontvangen; te weten in onze harten als in ene baarmoeder.
[^jesaja-59-13-33]: Kanttekening 33: het dichten: Gelijk boven vers 3 . Jesaja 59:3 : Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.
[^jesaja-59-14-34]: Kanttekening 34: is het recht achterwaarts geweken: Zie boven vers 9 . Maar anderen aldus: En het recht is achterwaarts gedreven; in deze zin, als zijnde een bekentenis en verder verhaal van hun bedroefden stand, alsof zij zeiden: Het is bij ons al verdorven werk, recht, noch gerechtigheid, noch waarheid zijn bij ons te vinden. Jesaja 59:9 : Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden.
[^jesaja-59-14-35]: Kanttekening 35: de waarheid struikelt op de straat: Dat is, de waarheid wordt onderdrukt, niemand bekommert zich om haar of verdedigt haar.
[^jesaja-59-14-36]: Kanttekening 36: wat recht is: Of, de billijkheid, of oprechtheid.
[^jesaja-59-15-37]: Kanttekening 37: de waarheid ontbreekt er: Dat is, zij is niet meer voorhanden.
[^jesaja-59-15-38]: Kanttekening 38: stelt zich tot een roof: Anders: maakt dat hij voor onwijs gehouden wordt.
[^jesaja-59-16-39]: Kanttekening 39: dat er niemand was: Te weten die ons hielp, of God de Heer voor het volk bad, of gelijk het velen verstaan dat er niemand, maar een bloot mens zijnde, een middelaar zijn kon tussen God en de mens.
[^jesaja-59-16-40]: Kanttekening 40: bracht Hem Zijn arm heil aan: De zin is: Christus heeft door zijn goddelijke kracht zijn kerk het heil teweeggebracht. Zie Jes. 63:5 . Jesaja 63:5 : En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,
[^jesaja-59-16-e]: Verwijzing e: Jes. 63:5 . Jesaja 63:5 : En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,
[^jesaja-59-17-41]: Kanttekening 41: Te weten de Heer. Het is menselijkerwijze van God gesproken, alsof hij zei: Wat de Heer bewogen heeft zijn volk te verlossen is vooreerst zijn gerechtigheid of waarheid, en het heil dat Hij zijn volk beloofd had; daarna zijn toorn en wraak over zijn vijanden.
[^jesaja-59-17-42]: Kanttekening 42: Hij deed … aan: Hebreeuws, hij bewond zich.
[^jesaja-59-17-f]: Verwijzing f: Ef. 6:17 ; 1 Thes. 5:8 . Efeziërs 6:17 : En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.
[^jesaja-59-18-43]: Kanttekening 43: naar de werken: Of, naar de daden, of verdiensten.
[^jesaja-59-18-44]: Kanttekening 44: de eilanden: Dat is, dengenen die in de eilanden wonen, dat is de vreemde en vergelegen natiën, te weten die van het volk van God vervolgen. Zie Jes. 41:1 . Jesaja 41:1 : Zwijgt voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.
[^jesaja-59-19-45]: Kanttekening 45: Dan zullen zij: Te weten als zij deze verlossing van het volk van God zullen zien.
[^jesaja-59-19-46]: Kanttekening 46: als de vijand: De zin is: De vijanden van de kerk zullen wel op de been brengen al het geweld dat zij enigszins kunnen, om Gods volk te verwoesten, als een overlopende rivier tegen de kinderen van God aanvallende; maar zij zullen terug, ja terneder geslagen worden door de macht van onze Zaligmaker. Zie Ps. 124:4 ; Openb. 12:15 . Psalmen 124:4 : Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. Openbaring 12:15 : En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.
[^jesaja-59-19-47]: Kanttekening 47: zal de Geest: Dat is, zal met opgerichte banieren tegen hem aankomen. Of, zal hem verjagen.
[^jesaja-59-20-48]: Kanttekening 48: een Verlosser: Te weten Jezus Christus.
[^jesaja-59-20-49]: Kanttekening 49: tot Sion komen: Of, voor Zion, dat is voor de uitverkoren Joden, voor de ware Israëlieten, voor de gelovigen en boetvaardigen. Vergelijk Rom. 11:25 , enz. Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^jesaja-59-20-g]: Verwijzing g: Rom. 11:26 . Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
[^jesaja-59-20-50]: Kanttekening 50: in Jakob: Dat is, onder de nakomelingen Jakobs.
[^jesaja-59-20-h]: Verwijzing h: Jes. 10:21 ; idem v. 22 . Jesaja 10:21 : Het overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterken God! Jesaja 10:22 : Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
[^jesaja-59-21-51]: Kanttekening 51: op u is: Te weten op U, o Christus, als Hoofd van de kerk, van wie de geestelijke gaven als een kostelijke balsem afvlieten op al de ledematen van uw lichaam. Vergelijk Ps. 133:2 . Psalmen 133:2 : Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren.
[^jesaja-59-21-52]: Kanttekening 52: uw zaad: Dat is, uw uitverkorenen, die uw geestelijke kinderen zijn; vergelijk Rom. 9:6 , 9:7 , 9:8 . Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.

### Jesaja 60

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/60.json)

*De Heere vermaant zijn kerk dat zij zich zou verheugen, vanwege de gelukzaligheid die haar door Christus verworven is, vers 1, terwijl Hij haar verlicht met de ware kennis van God, 2, die ook de heidenen zouden genieten, 3, die zich in grote menigten bij haar zouden voegen, 4, waardoor zij versierd, verheerlijkt en verrijkt zou worden, 15, en de Heere haar zou beschutten en haar licht zou zijn, 16.*

**1** [^jesaja-60-1-1] Maak u op,[^jesaja-60-1-2] word verlicht, want[^jesaja-60-1-3] uw Licht komt, en[^jesaja-60-1-4] de heerlijkheid van YHWH[^jesaja-60-1-5] gaat over u op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v1)

**2** Want zie,[^jesaja-60-2-6] de duisternis zal[^jesaja-60-2-7] de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal[^jesaja-60-2-8] YHWH[^jesaja-60-2-9] opgaan, en Zijn heerlijkheid zal[^jesaja-60-2-10] over u gezien worden.[^jesaja-60-2-11][^jesaja-60-2-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v2)

**3** En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan.[^jesaja-60-3-13][^jesaja-60-3-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v3)

**4** Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn verzameld, zij komen[^jesaja-60-4-15] tot u;[^jesaja-60-4-16] uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw[^jesaja-60-4-17] zijde gevoedsterd worden.[^jesaja-60-4-18][^jesaja-60-4-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v4)

**5** Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart[^jesaja-60-5-20] zal bevreesd zijn en[^jesaja-60-5-21] verwijd worden; want[^jesaja-60-5-22] de menigte van de zee zal[^jesaja-60-5-23] tot u gekeerd worden,[^jesaja-60-5-24] het leger van de heidenen[^jesaja-60-5-25] zal tot u komen.[^jesaja-60-5-26][^jesaja-60-5-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v5)

**6** Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen[^jesaja-60-6-28] van Midian en[^jesaja-60-6-29] Hefa;[^jesaja-60-6-30] zij allen[^jesaja-60-6-31] uit Scheba[^jesaja-60-6-32] zullen[^jesaja-60-6-33] komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen,[^jesaja-60-6-34] en zij zullen de overvloedigen lof van YHWH[^jesaja-60-6-35] boodschappen.[^jesaja-60-6-36][^jesaja-60-6-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v6)

**7** Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen[^jesaja-60-7-38] met welgevallen[^jesaja-60-7-39] komen op Mijn altaar, en Ik zal[^jesaja-60-7-40] het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken.[^jesaja-60-7-41][^jesaja-60-7-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v7)

**8** Wie zijn deze, die daar komen[^jesaja-60-8-43] gevlogen[^jesaja-60-8-44] als een wolk, en als duiven[^jesaja-60-8-45] tot haar vensters?[^jesaja-60-8-46][^jesaja-60-8-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v8)

**9** Want de eilanden zullen Mij verwachten, en[^jesaja-60-9-48] de schepen van Tarsis allereerst, om[^jesaja-60-9-49] uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen,[^jesaja-60-9-50] tot de Naam van YHWH, uw God, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u[^jesaja-60-9-51] heerlijk gemaakt heeft.[^jesaja-60-9-52][^jesaja-60-9-53][^jesaja-60-9-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v9)

**10** En de vreemden zullen uw muren bouwen, en[^jesaja-60-10-a] hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.[^jesaja-60-10-55][^jesaja-60-10-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v10)

**11** En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen overdag of in de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het leger van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.[^jesaja-60-11-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v11)

**12** Want het volk en het koninkrijk, die u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden.[^jesaja-60-12-58][^jesaja-60-12-59][^jesaja-60-12-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v12)

**13** De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal[^jesaja-60-13-61] de plaats van Mijn voeten heerlijk maken.[^jesaja-60-13-62][^jesaja-60-13-63][^jesaja-60-13-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v13)

**14** Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen van degenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich neerbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen[^jesaja-60-14-65] de stad van YHWH,[^jesaja-60-14-66] het Sion van de Heilige van Israël.[^jesaja-60-14-67][^jesaja-60-14-68][^jesaja-60-14-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v14)

**15** In plaats dat[^jesaja-60-15-b] u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid,[^jesaja-60-15-70] tot een vreugde van geslacht tot geslacht.[^jesaja-60-15-71][^jesaja-60-15-72][^jesaja-60-15-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v15)

**16** En u zult de melk van de heidenen zuigen, en u zult de borsten van de koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben,[^jesaja-60-16-c] uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.[^jesaja-60-16-74][^jesaja-60-16-75][^jesaja-60-16-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v16)

**17** Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzichters vreedzaam maken, en[^jesaja-60-17-77] uw drijvers[^jesaja-60-17-78] rechtvaardigen.[^jesaja-60-17-79][^jesaja-60-17-80][^jesaja-60-17-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v17)

**18** Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw gebied; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof.[^jesaja-60-18-82][^jesaja-60-18-83][^jesaja-60-18-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v18)

**19** De zon zal u niet meer wezen tot een licht overdag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.[^jesaja-60-19-85][^jesaja-60-19-86][^jesaja-60-19-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v19)

**20** Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen[^jesaja-60-20-88] van uw treuring[^jesaja-60-20-89] zullen een einde nemen.[^jesaja-60-20-90][^jesaja-60-20-91][^jesaja-60-20-92] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v20)

**21** En uw volk zullen allen samen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een[^jesaja-60-21-93][^jesaja-60-21-d] spruit van Mijn plantingen,[^jesaja-60-21-94][^jesaja-60-21-e] een werk van Mijn handen,[^jesaja-60-21-95] opdat Ik verheerlijkt word.[^jesaja-60-21-96][^jesaja-60-21-97][^jesaja-60-21-98] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v21)

**22** De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, YHWH, zal dat te zijner tijd[^jesaja-60-22-99] snel doen komen.[^jesaja-60-22-100][^jesaja-60-22-101][^jesaja-60-22-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/60.html#v22)

[^jesaja-60-1-1]: Kanttekening 1: u op: Of, sta op; uit de duisternis en ellende, in welke u dus lang gelegen hebt; vergelijk Jes. 52:2 . De Heer spreekt hier Jeruzalem of Zion, dat is zijn gemeente aan, gelijk te zien is onder vers 14 . Jesaja 52:2 : Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, u gevangene dochter van Sion! Jesaja 60:14 : Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen de stad van YHWH, het Sion van de Heilige van Israël.
[^jesaja-60-1-2]: Kanttekening 2: word verlicht: Te weten met volkomener kennis en wetenschap dan u tot nog toe gehad hebt; gelijk de klaarheid van de dag verlicht of vermeerderd wordt als de zon opgaat.
[^jesaja-60-1-3]: Kanttekening 3: uw Licht komt: Te weten Christus Jezus, die het licht van de wereld is, dat de harten van de uitverkorenen verlicht met ware kennis van God. Zie Luk. 2:32 ; Joh. 1:9 en Joh. 8:12 ; en Ef. 5:14 ; of, de tijd van uw verlossing is gekomen. Lukas 2:32 : Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Johannes 1:9 : Dit was het waarachtige Licht, Dat verlicht elk mens, komende in de wereld. Johannes 8:12 : Jezus dan sprak opnieuw tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. Efeziërs 5:14 : Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
[^jesaja-60-1-4]: Kanttekening 4: de heerlijkheid: Vergelijk hiermede Openb. 21:11 . Openbaring 21:11 : En zij had de heerlijkheid van God, en haar licht was de allerkostelijkste steen gelijk, namelijk als de steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.
[^jesaja-60-1-5]: Kanttekening 5: gaat over u op: Te weten gelijk een klaarschijnende zon, die haar licht wijd en breed uitspreidt.
[^jesaja-60-2-6]: Kanttekening 6: de duisternis: Dat is, onwetendheid, of onverstand. Vergelijk Ef. 4:18 , en Ef. 5:11 ; Openb. 16:10 . De mensen zijn vol blindheid en onwetendheid, en kennen hun God en Heiland niet, tot de Heer hen verlicht. Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; Efeziërs 5:11 : En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. Openbaring 16:10 : En de vijfde engel goot zijn fiool uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
[^jesaja-60-2-7]: Kanttekening 7: de aarde: Te weten alle inwoners van de aarde, en die volken, of al die natiën, die in de duisternis van hun onwetendheid blijven steken, verwerpende de genade van de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-60-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, onwetendheid, of onverstand. Vergelijk Ef. 4:18 , en Ef. 5:11 ; Openb. 16:10 . De mensen zijn vol blindheid en onwetendheid, en kennen hun God en Heiland niet, tot de Heer hen verlicht. Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; Efeziërs 5:11 : En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. Openbaring 16:10 : En de vijfde engel goot zijn fiool uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
[^jesaja-60-2-9]: Kanttekening 9: de volken: Te weten alle inwoners van de aarde, en die volken, of al die natiën, die in de duisternis van hun onwetendheid blijven steken, verwerpende de genade van de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-60-2-10]: Kanttekening 10: YHWH: Dat is, de kennis van de Heer Jezus Christus.
[^jesaja-60-2-11]: Kanttekening 11: Als een zon. Zie Ps. 84:12 . Psalmen 84:12 : Want God, YHWH, is een Zon en Schild; YHWH zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
[^jesaja-60-2-12]: Kanttekening 12: over u: Of, op u verschijnen.
[^jesaja-60-3-13]: Kanttekening 13: tot uw licht gaan: Of, in, of bij uw licht. De zin is: De heidenen zullen ook verlicht worden met de ware kennis van God, door de predikatie van het heilig Evangelie, dat onder u zal gepredikt worden. Vergelijk Openb. 21:24 . Zie ook Jes. 49:6 . Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer daarin. Jesaja 49:6 : Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde.
[^jesaja-60-3-14]: Kanttekening 14: die u is: Hebreeuws, van uw opgang.
[^jesaja-60-4-15]: Kanttekening 15: Hef uw ogen: Dit spreekt de profeet, als zich verwonderende over het groot getal van de mensen, die uit alle kanten van de wereld tot Christus zouden komen; Jes. 49:18 , 49:22 , 49:23 . Jesaja 49:18 : Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, zekerlijk, u zult u met alle deze als met een sieraad bekleden, en u zult ze u aanbinden, gelijk een bruid. Jesaja 49:22 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^jesaja-60-4-16]: Kanttekening 16: die allen: Te weten heidenen en koningen.
[^jesaja-60-4-17]: Kanttekening 17: tot u: Of, uwenthalve.
[^jesaja-60-4-18]: Kanttekening 18: uw zonen: Dat is, de gelovigen onder de heidenen, die tot de kerk van God behoren.
[^jesaja-60-4-19]: Kanttekening 19: Of, opgevoed, of opgetogen worden; gelijk Jes. 49:22 ; zie Num. 11:12 . Jesaja 49:22 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. Numeri 11:12 : Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaderen gezworen hebt?
[^jesaja-60-5-20]: Kanttekening 20: zien en: Te weten met verwondering.
[^jesaja-60-5-21]: Kanttekening 21: Dat is, met menigten samenlopen, uit verwondering; anders: uitbreken; te weten als een stroom, of als het licht, of als de zon; anders: schijnen, lichten, verlicht worden. Zie de aantekening Ps. 34:6 . Psalmen 34:6 : He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
[^jesaja-60-5-22]: Kanttekening 22: zal vervaard: Niet als iets kwaads vrezende, maar van verwondering over zulk een onverwachte zaak, te weten als u zien zult welk een grote menigte van verscheidene volken en natiën tot de Heer Christus komen. Zie Jer. 33:9 ; Hos. 3:4 . Zie ook Hand. 2:7 . Jeremia 33:9 : En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke. Hosea 3:4 : Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Handelingen 2:7 : En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: Ziet, zijn niet alle deze, die daar spreken, Galileërs?
[^jesaja-60-5-23]: Kanttekening 23: Te weten zijnde vol vreugde en blijdschap.
[^jesaja-60-5-24]: Kanttekening 24: de menigte: Dat is, de menigte dergenen, die aan de zee wonen. Anders: de rijkdom van de zee. Men kan het Hebreeuwse woord hier in beide betekenissen nemen.
[^jesaja-60-5-25]: Kanttekening 25: tot u gekeerd: Of, tegen u, of te uwaarts veranderd worden, zo namelijk dat degenen, die uwe vijanden waren, uwe vrienden zullen worden.
[^jesaja-60-5-26]: Kanttekening 26: het leger: Of, de rijkdom van de volken; zie Openb. 21:26 . Openbaring 21:26 : En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de volken daarin brengen.
[^jesaja-60-5-27]: Kanttekening 27: tot u komen: Te weten om vriendschap met u te maken, uwe religie aannemende.
[^jesaja-60-6-28]: Kanttekening 28: u bedekken: Dat is, uw land. In dit en enige van de naastvolgende verzen wordt met verbloemde woorden voorzegd dat alle natiën zich zullen begeven onder de gehoorzaamheid van het heilig Evangelie.
[^jesaja-60-6-29]: Kanttekening 29: de snelle kamelen: Zie Jer. 2:23 . Jeremia 2:23 : Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!
[^jesaja-60-6-30]: Kanttekening 30: van Midian: Dat is, uit het land van de Midianieten, alwaar grote menigten van kamelen en dromedarissen waren. Zie 1 Kron. 5:21 ; zie ook Richt. 6:3 , 6:5 . 1 Kronieken 5:21 : En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen van de mensen. Richteren 6:3 : Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
[^jesaja-60-6-31]: Kanttekening 31: Hefa was de zoon van Midian, Gen. 25:4 , zijn nakomelingen woonden onder de Midianieten, behoudende nochtans de naam van hun voorvader Hefa. Genesis 25:4 : En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.
[^jesaja-60-6-32]: Kanttekening 32: zij allen: Dat is, een grote menigte derzelven, gelijk Matt. 3:5 . Mattheüs 3:5 : Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;
[^jesaja-60-6-33]: Kanttekening 33: uit Scheba: Dat is, uit het land van de Schabeën, nakomelingen van Scheba, de zoon van Raema, de zoon van Chus, de zoon van Cham; Gen. 10:6 , 10:7 . Genesis 10:6 : En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. Genesis 10:7 : En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^jesaja-60-6-34]: Kanttekening 34: zullen komen: Te weten tot de gemeenschap van de kerk. Dit wordt ook van hun koningen gezegd; Ps. 72:10 . Psalmen 72:10 : De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^jesaja-60-6-35]: Kanttekening 35: Dat is zij zullen hun rijkdommen gebruiken tot de godsdienst, tot onderhouding van de kerk en leraars, alsook van de arme ledematen van de gemeente.
[^jesaja-60-6-36]: Kanttekening 36: de overvloedigen: Dat is, de weldaden Gods, die lof en prijs waard zijn.
[^jesaja-60-6-37]: Kanttekening 37: Dat is, prediken, als een blijde boodschap verkondigen.
[^jesaja-60-7-38]: Kanttekening 38: Dat is, van de Kedarenen. Van deze volken, zie de aantekening Ps. 120:5 ; zij waren Ismaëlieten in Arabië, nakomelingen van Abraham uit Ketura. Zie Jes. 21:13 , 21:17 ; Jer. 49:28 , 49:29 , 49:32 . Psalmen 120:5 : O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Jesaja 21:13 : De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! Jesaja 21:17 : En het overgebleven getal van de schutters, de helden van de Kedarenen, zullen minder worden, want YHWH, de God van Israël heeft het gesproken. Jeremia 49:28 : Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. Jeremia 49:29 : Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! Jeremia 49:32 : En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH.
[^jesaja-60-7-39]: Kanttekening 39: Dat is, van de Nebathieten, in het steenachtige Arabië; zij waren nakomelingen van Nebajoth, de zoon van Ismaël, Gen. 25:13 . Hier wordt geprofeteerd dat Abrahams zaad naar het vlees ook zijn kinderen naar het geloof worden en God dienen zouden met de geestelijke godsdienst van het Nieuwe Testament. Vergelijk Mal. 1:11 . Genesis 25:13 : En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten.
[^jesaja-60-7-40]: Kanttekening 40: met welgevallen: Of, met gunst, met geneigden wil; zo dat mij hun godsdienst aangenaam is.
[^jesaja-60-7-41]: Kanttekening 41: komen op Mijn altaar: Dat is, geofferd worden. De zin is: dat die natiën zichzelven vrijwilliglijk op het altaar van Christus zouden overgeven tot een levende, heilige en voor God welbehagende offerande, gelijk de apostel spreekt Rom. 12:1 . Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
[^jesaja-60-7-42]: Kanttekening 42: het huis: Of, mijn heerlijk huis, dat is mijn kerk, of gemeente van de gelovigen, gebouwd van levende stenen, 1 Petr. 2:5 . 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^jesaja-60-8-43]: Kanttekening 43: Wie zijn deze: De kerk verwondert zich over haar snellen aanwas. Zie Jes. 49:21 . Jesaja 49:21 : En u zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren deze?
[^jesaja-60-8-44]: Kanttekening 44: daar komen: Dat is, die daar met hopen aankomen en zich uit de heidenen tot de Christelijke gemeente begeven?
[^jesaja-60-8-45]: Kanttekening 45: De profeet gebruikt het woord vliegen, om aan te wijzen dat degenen, die zich tot de Heer Christus bekeren zouden, zozeer gewillig en begerig zouden zijn om tot Hem te komen, dat zij meer zouden schijnen snel te vliegen dan tot Hem te gaan.
[^jesaja-60-8-46]: Kanttekening 46: als een wolk: Dat is, openlijk en snel en ook in grote menigte. Zo staat er Hebr. 12:1 . Een wolk van de getuigenissen; dat is een groot getal van getuigenissen. Hebreeën 12:1 : Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
[^jesaja-60-8-47]: Kanttekening 47: tot haar vensters: Of, tot haar gaten, of holen, waar zij in wonen en haar nesten hebben.
[^jesaja-60-9-48]: Kanttekening 48: Of, werkelijk.
[^jesaja-60-9-49]: Kanttekening 49: de eilanden: Dat is, de inwoners van de eilanden; dat is, die in verre landen wonen. Zie boven Jes. 42:4 , en Jes. 51:5 . Jesaja 42:4 : Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jesaja 51:5 : Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen.
[^jesaja-60-9-50]: Kanttekening 50: de schepen: Dat is, die in de schepen van Tharsis varen. Zie van Tharsis de aantekening 1 Kon. 10:22 . Zie ook Ps. 48:8 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. Psalmen 48:8 : Met een oostenwind verbreekt U de schepen van Tharsis.
[^jesaja-60-9-51]: Kanttekening 51: uw kinderen: Dat is, degenen die van u, als van ééne moeder, zullen geboren worden door het zaad van het goddelijke Woord, gelijk boven vers 4 . Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
[^jesaja-60-9-52]: Kanttekening 52: tot de Naam van YHWH: Of, vanwege de naam van de Heer, en vanwege de Heilige van Israël. De naam van de Heer betekent hier de Heer zelf. Zie 2 Sam. 7:13 , vergeleken met 1 Kron. 17:12 ; zie ook Hand. 9:15 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 17:12 : Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in eeuwigheid. Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël.
[^jesaja-60-9-53]: Kanttekening 53: tot de Heilige: Of, vanwege de naam van de Heer, en vanwege de Heilige van Israël. De naam van de Heer betekent hier de Heer zelf. Zie 2 Sam. 7:13 , vergeleken met 1 Kron. 17:12 ; zie ook Hand. 9:15 . 2 Samuël 7:13 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 1 Kronieken 17:12 : Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in eeuwigheid. Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël.
[^jesaja-60-9-54]: Kanttekening 54: heerlijk gemaakt heeft: Of, zal heerlijk gemaakt hebben, of, omdat Hij u versierd heeft, of versieren zal; te weten door de predikatie van het heilig Evangelie, die in u zal gehoord worden, in en door welke de rechte hemelse wijsheid wordt voorgedragen, u strekkende tot een heerlijk sieraad.
[^jesaja-60-10-a]: Verwijzing a: Jes. 49:23 . Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^jesaja-60-10-55]: Kanttekening 55: de vreemden: Dit is ten dele vervuld geworden als Cyrus en Darius de Joden hulp gedaan hebben tot wederopbouwing van de stad Jeruzalem en van de tempel, maar in het bijzonder is het in het Nieuwe Testament vervuld geworden, want velen onder de heidenen, tot Christus bekeerd zijnde, hebben mee de hand geboden tot opbouwing van het geestelijke Jeruzalem.
[^jesaja-60-10-56]: Kanttekening 56: in Mijn welbehagen: Of, in mijn goedertierenheid, dat men kan verstaan van de tijd van het welbehagen. Zie Ps. 69:14 . Psalmen 69:14 : Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o YHWH; er is een tijd van het welbehagen, o God! door de grootheid van Uw goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
[^jesaja-60-11-57]: Kanttekening 57: En uw poorten: Dit is te verstaan van de gelegenheid van de kerk in deze wereld, betekenende dat de ingang in de Christelijke kerk voor de godzaligen zou openstaan; Jes. 26:2 . De apostel Johannes past dit op het hemelse Jeruzalem, of de triomferende kerk; Openb. 21:25 . Jesaja 26:2 : Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, dat de getrouwigheden bewaart. Openbaring 21:25 : En haar poorten zullen niet gesloten worden overdag; want daar zal geen nacht zijn.
[^jesaja-60-12-58]: Kanttekening 58: welke u: Dat is, welke zich aan het rijk van Christus niet willen onderwerpen.
[^jesaja-60-12-59]: Kanttekening 59: die zullen vergaan: Want buiten de kerk van God is er gene zaligheid. Die behouden worden, die worden gezegd de kerk toegedaan te worden; Hand. 2:47 ; Openb. 21:24 . Handelingen 2:47 : En prezen God, en hadden genade bij het gehele volk. En de Heer deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden. Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer daarin.
[^jesaja-60-12-60]: Kanttekening 60: zullen geheel: Of, zullen geheel en al vergaan. Hebreeuws, verwoestende verwoest worden, of met verwoesting verwoest worden; te weten die u niet willen dienen. Vergelijk Ps. 37:22 . Psalmen 37:22 : Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
[^jesaja-60-13-61]: Kanttekening 61: De heerlijkheid: Dat is, de heerlijke hoge bomen, de schoonste, die op de berg Libanon groeien; Ps. 29:5 . Gelijk deze zijn gebruikt tot de bouw van de tempel te Jeruzalem; 1 Kon. 5:6 , 5:9 , 5:14 , zo zullen voortreffelijke mannen, die met zonderlinge gaven van de Heilige Geest begaafd zijn, gebruikt worden tot opbouwing van de gemeente van Jezus Christus; ja ook koningen, vorsten en groten van deze wereld, Jes. 61:3 , worden de godzaligen genaamd bomen. Psalmen 29:5 : De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen van Libanon. 1 Koningen 5:6 : Zo gebied nu, dat men mij cederen uit de Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven, naar al wat u zeggen zult; want u weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniërs. 1 Koningen 5:9 : Mijn knechten zullen het afbrengen van de Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die u aan mij ontbieden zult, en zal het daar los maken, en u zult het wegnemen; u zult ook mijn wil doen, dat u mijn huis voedsel geeft. 1 Koningen 5:14 : En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend per maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot. Jesaja 61:3 : Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van de lof voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting van YHWH, opdat Hij verheerlijkt worde.
[^jesaja-60-13-62]: Kanttekening 62: de beuke: Of, pijnappelboom.
[^jesaja-60-13-63]: Kanttekening 63: de plaats van Mijn: Dat is, het heiligdom. Want daar zat de Heer op de ark van het verbond. Maar hier wordt gesproken van de Christelijke kerk, in welke God woont door zijn Geest; 2 Kor. 6:16 . 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^jesaja-60-13-64]: Kanttekening 64: de plaats van Mijn: Aldus wordt de kerk van God elders genoemd. Zie Ez. 43:7 . Ezechiël 43:7 : En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^jesaja-60-14-65]: Kanttekening 65: zich buigende: Dat is, met grote deemoedigheid. Zie Openb. 3:9 ; zie ook Ps. 22:28 , 22:30 ; Jes. 45:15 , en Jes. 49:23 . Openbaring 3:9 : Zie, Ik geef u enige uit de synagoge van de satan, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. Psalmen 22:28 : Alle einden van de aarde zullen het gedenken, en zich tot YHWH bekeren; en alle geslachten van de heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Jesaja 45:15 : Werkelijk, U bent een God, Die Zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^jesaja-60-14-66]: Kanttekening 66: Of, versmaad hebben.
[^jesaja-60-14-67]: Kanttekening 67: zullen zich nederbuigen: Dat is, zij zullen u eren, vanwege en in de naam van uw Hoofd Jezus Christus.
[^jesaja-60-14-68]: Kanttekening 68: de stad van YHWH: Van de Heer gebouwd en bewoond; Ps. 147:2 , 147:12 ; Ez. 48:35 . Psalmen 147:2 : YHWH bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen. Psalmen 147:12 : O Jeruzalem! roem YHWH; o Sion! loof uw God. Ezechiël 48:35 : Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: YHWH IS DAAR.
[^jesaja-60-14-69]: Kanttekening 69: het Sion: Aldus wordt de kerk van God onder het Evangelie genoemd; Hebr. 12:22 ; Openb. 14:1 . Van de berg Zion, die een afbeelding van de kerk van Christus geweest is, zie Ps. 2:6 . Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden. Psalmen 2:6 : Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid.
[^jesaja-60-15-b]: Verwijzing b: Jes. 49:19 ; Jes. 54:1 ; idem 54:6 ; idem 54:7 . Jesaja 49:19 : Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken. Jesaja 54:1 : Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH. Jesaja 54:6 : Want YHWH heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans bent u de huisvrouw van de jeugd, hoewel u versmaad bent geweest, zegt uw God. Jesaja 54:7 : Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.
[^jesaja-60-15-70]: Kanttekening 70: Te weten van God als van uw echten man. Versta hier, zoveel het uiterlijke belangt; want God haat en verlaat de gemeente van de uitverkorenen nimmermeer.
[^jesaja-60-15-71]: Kanttekening 71: zodat niemand: Hij vergelijkt het volk van God bij ene stad, liggende woest en onbewoond.
[^jesaja-60-15-72]: Kanttekening 72: Of, hoogheid, voortreffelijkheid.
[^jesaja-60-15-73]: Kanttekening 73: tot een vreugde: Dat is, Ik zal u zodanig maken, dat alle heiligen zich over u steeds zullen verheugen. Zie de aantekening Ps. 12:8 . Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^jesaja-60-16-c]: Verwijzing c: Jes. 43:3 . Jesaja 43:3 : Want Ik ben YHWH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.
[^jesaja-60-16-74]: Kanttekening 74: u zult de melk van de heidenen: Dat is, de heidenen en de koningen, die zich tot Christus zullen bekeren, zullen u onderhouden en bevorderlijk zijn. Zie Jes. 49:23 . Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^jesaja-60-16-75]: Kanttekening 75: de borsten van de koningen: Openb. 21:24 staat, de heerlijkheid en eer van de koningen. Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer daarin.
[^jesaja-60-16-76]: Kanttekening 76: de Machtige Jakobs: Jakob is de eerste, die aan God deze titel gegeven heeft; Gen. 49:24 . Zie Ps. 132:2 , 132:5 . Genesis 49:24 : Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls; Psalmen 132:2 : Dat hij YHWH gezworen heeft, de Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: Psalmen 132:5 : Totdat ik voor YHWH een plaats gevonden zal hebben, woningen voor de Machtige Jakobs!
[^jesaja-60-17-77]: Kanttekening 77: Ene profetie van de gelukkige verwisseling van de stand van de kerk, door Christus vernieuwd zijnde, dat zij inplaats van vleselijke ceremoniën en een wereldlijk heiligdom, geestelijke en hemelse ordinantiën zullen genieten. Zie Hebr. 9:1 , 9:9 , 9:10 , 9:11 , 9:12 , 9:23 , enz., en Hebr. 12:18 , 12:22 , 12:28 . Hebreeën 9:1 : Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de godsdienst, en het wereldlijk heiligdom. Hebreeën 9:9 : Welke was een afbeelding voor die tegenwoordigen tijd, in welke gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Hebreeën 9:10 : Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd. Hebreeën 9:11 : Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 9:23 : Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze. Hebreeën 12:18 : Want u bent niet gekomen tot de tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweer, Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Hebreeën 12:28 : Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door die wij welgevallig voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
[^jesaja-60-17-78]: Kanttekening 78: uw opzieners: Of, voorstanders. Hebreeuws, opzicht.
[^jesaja-60-17-79]: Kanttekening 79: vreedzaam maken: Hebreeuws, vrede (שָׁלוֹם); dat is, mannen van de vrede, voorstanders van de vrede, die de vrede prediken of verkondigen; Rom. 10:15 . Of, die tot vrede geneigd zijn. Zie Ps. 109:4 , en Ps. 120:7 . Zie ook Job 35:13 . Romeinen 10:15 : En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen! Psalmen 109:4 : Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. Psalmen 120:7 : Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan de oorlog. Job 35:13 : Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^jesaja-60-17-80]: Kanttekening 80: uw drijvers: Dit is hetzelfde woord, dat Ex. 3:7 gebruikt wordt, en het betekent hier zowel de zielzorgers als de Christelijke overheden, die het volk ter gerechtigheid drijven en houden. Exodus 3:7 : En YHWH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.
[^jesaja-60-17-81]: Kanttekening 81: Hebreeuws, rechtvaardigheid.
[^jesaja-60-18-82]: Kanttekening 82: Er zal geen: Dit alles, en het voorgaande zal volkomenlijk in het eeuwige leven volbracht worden. Vergelijk Ez. 45:8 . Ezechiël 45:8 : Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar de huize Israëls het land laten, naar hun stammen.
[^jesaja-60-18-83]: Kanttekening 83: uw muren: Dat is, uwe muren, \[die groot en hoog zullen zijn, in wier fondament de namen van de twaalf apostelen van het Lam zijn; Openb. 21:12 , 21:14 \], zullen uwe inwoners zo wel beschermen, alsof zij in een sterke welbemuurde stad woonden. Openbaring 21:12 : En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten van de kinderen van Israël. Openbaring 21:14 : En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en daarin de namen van de twaalf apostelen van het Lam.
[^jesaja-60-18-84]: Kanttekening 84: en uw poorten: Welke twaalf zullen wezen elk van bijzondere parels; Openb. 21:21 . De zin is: U zult steeds oorzaak en aanleiding hebben de Heer in uwe poorten te loven. Zie Ps. 9:15 . Openbaring 21:21 : En de twaalf poorten waren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat van de stad was zuiver goud; gelijk glorierijk glas. Psalmen 9:15 : Opdat ik Uw gansen lof in de poorten van de dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.
[^jesaja-60-19-85]: Kanttekening 85: De zon: Die stad heeft niet nodig dat de zon of maan daarin schijnen, want God zal daarin alles in allen zijn; 1 Kor. 15:28 ; Openb. 21:23 , en Openb. 22:5 . Enige verstaan hier door de zon en maan al de wereldse heerlijkheid en glorie, het koninkrijk, het heiligdom, ceremoniën, enz. 1 Korinthiërs 15:28 : En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5 : En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^jesaja-60-19-86]: Kanttekening 86: YHWH: Voor de Heer, staat Openb. 21:23 : de heerlijkheid van God. Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
[^jesaja-60-19-87]: Kanttekening 87: uw God: Dat is, het Lam, Jezus Christus, die het licht of de kaars dier stad is; Openb. 21:23 . Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
[^jesaja-60-20-88]: Kanttekening 88: Uw zon: Dat is, uw God (die uw zon wil wezen, Ps. 84:12 ) zal niet meer het licht van zijn aangezicht van u nemen. Psalmen 84:12 : Want God, YHWH, is een Zon en Schild; YHWH zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
[^jesaja-60-20-89]: Kanttekening 89: uw maan: Hebreeuws, uwe maan zal niet verzameld worden; dat is, haar licht niet inhouden, of niet weggenomen, niet geweerd worden. Vergelijk Joël 2:10 . Joël 2:10 : De aarde is beroerd voor daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
[^jesaja-60-20-90]: Kanttekening 90: tot een eeuwig licht: Hebreeuws, tot een licht van de eeuwigheid (אוֹר).
[^jesaja-60-20-91]: Kanttekening 91: uw treuring: Of, van uw rouw, of van uw leed.
[^jesaja-60-20-92]: Kanttekening 92: zullen een einde nemen: Of, zullen voltooid zijn. Hebreeuws, zullen volkomen zijn; vergelijk Openb. 21:4 . Zie ook Jes. 61:2 , 61:3 . Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak van onze God; om alle treurigen te troosten; Jesaja 61:3 : Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van de lof voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting van YHWH, opdat Hij verheerlijkt worde.
[^jesaja-60-21-93]: Kanttekening 93: uw volk: Te weten alle oprechte ledematen van de Christelijke kerk.
[^jesaja-60-21-d]: Verwijzing d: Matt. 15:13 . Mattheüs 15:13 : Maar Hij, antwoordende zei: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.
[^jesaja-60-21-94]: Kanttekening 94: rechtvaardigen zijn: Te weten door het geloof aan Christus Jezus, die hun zijn gerechtigheid schenkt en zijn Heilige Geest mededeelt, opdat zij zich hun gerechtigheid en heiligheid benaarstigen; Rom. 1:17 , en Rom. 5:19 . Romeinen 1:17 : Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 5:19 : Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
[^jesaja-60-21-e]: Verwijzing e: Jes. 29:23 ; Jes. 45:11 . Jesaja 29:23 : Want als hij zijn kinderen, het werk Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige Jakobs heiligen, en de God van Israël vrezen. Jesaja 45:11 : Zo zegt YHWH, de Heilige van Israël, en daarvan Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt u Mij van het werk Mijn handen bevel geven?
[^jesaja-60-21-95]: Kanttekening 95: spruit van Mijn plantingen: Of, als ene erve bezitten. De zin is: In dit leven zullen zij in mijn kerk blijven, en hiernamaals zullen zij het eeuwig koninkrijk van de hemelen beërven, van welke beide het land Kanaän een voorbeeld geweest is; zie dergelijke beloftenissen Ps. 37:29 ; Jes. 57:13 ; Openb. 21:7 . Psalmen 37:29 : De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. Jesaja 57:13 : Wanneer u roepen zult, zo laat die, die van u vergaderd zijn, u redden; maar de wind zal hen allen wegvoeren, de ijdelheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij betrouwt, die zal de aarde erven, en Mijn heilige berg erfelijk bezitten. Openbaring 21:7 : Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
[^jesaja-60-21-96]: Kanttekening 96: Dat is, uw volk zal zijn ene plant of spruit van God, als de akkerman, geplant in Christus de ware wijnstok; Joh. 15:1 , 15:2 . Johannes 15:1 : Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Johannes 15:2 : Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
[^jesaja-60-21-97]: Kanttekening 97: een werk: Geschapen in Christus Jezus tot goede werken; Ef. 2:10 . Zie Jes. 29:23 . Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. Jesaja 29:23 : Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige Jakobs heiligen, en de God van Israël vrezen.
[^jesaja-60-21-98]: Kanttekening 98: opdat Ik: Of, om mijzelf te verheerlijken. Sommigen, opdat ik Hem verheerlijke.
[^jesaja-60-22-99]: Kanttekening 99: De kleinste: Te weten hoop.
[^jesaja-60-22-100]: Kanttekening 100: zal tot duizend worden: Dat is, zal grotelijks groeien; gelijk Gen. 24:60 . De zin is: De kerk van Christus zal in het Nieuwe Testament tot verwonderens toe zeer voortreffelijk opwassen en vermeerderen. Anderen verstaan deze woorden aldus: Zelfs degenen, die kleine gaven hebben, zullen er door hun onderwijzing vele anderen tot de kerk of gemeente aanleiden. Genesis 24:60 : En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zus! wordt u tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort van zijn haters!
[^jesaja-60-22-101]: Kanttekening 101: op zijn tijd: Namelijk ter bekwamer en bestemder tijd, die Ik in mijn raad besloten heb, die het ons niet betaamt te weten. Zie Hand. 1:6 , 1:7 . Maar anderen menen dat dit te verstaan is van de tijd van het Nieuwe Testament. Handelingen 1:6 : Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heer, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? Handelingen 1:7 : En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
[^jesaja-60-22-102]: Kanttekening 102: snel doen komen: Hebreeuws, doen haasten.

### Jesaja 61

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/61.json)

*Christus geeft te kennen dat Hij gezalfd is, en waartoe, alzok wat voor voortreffelijke weldaden Hij Zijn Kerk zou bewijzen, vers 1 enz. Hij spreekt ook weer van de roeping van de heidenen, 5. van de weldaden die God de Zijn geven zal, 6. De vreugde van de Kerk van God die daaruit voortkomt, 10.*

**1** [^jesaja-61-1-1][^jesaja-61-1-a] De Geest van de Heere YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij[^jesaja-61-1-2] gezalfd heeft,[^jesaja-61-1-3] om een blijde boodschap te brengen aan[^jesaja-61-1-4] de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden[^jesaja-61-1-5] om te verbinden[^jesaja-61-1-6] de gebrokenen van hart, om[^jesaja-61-1-7] de gevangenen vrijheid[^jesaja-61-1-8] uit te roepen, en[^jesaja-61-1-9] de gebondenen opening van de gevangenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v1)

**2** [^jesaja-61-2-10] Om uit te roepen[^jesaja-61-2-11] het jaar van het welbehagen van YHWH, en[^jesaja-61-2-12] de dag van de wraak van onze God; om alle[^jesaja-61-2-13] treurigen te troosten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v2)

**3** Om de treurigen[^jesaja-61-3-14] Sions te beschikken dat hun gegeven wordt[^jesaja-61-3-15] sieraad voor[^jesaja-61-3-16] as,[^jesaja-61-3-17] vreugdeolie voor treurigheid,[^jesaja-61-3-18] het gewaad van de lof voor een[^jesaja-61-3-19] benauwden[^jesaja-61-3-20] geest; opdat zij genaamd worden[^jesaja-61-3-21] eikebomen van de gerechtigheid, een planting van YHWH, opdat Hij verheerlijkt worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v3)

**4** En zij zullen[^jesaja-61-4-22][^jesaja-61-4-b] de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weer oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren[^jesaja-61-4-23] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v4)

**5** En[^jesaja-61-5-24] buitenlanders zullen staan, en uw[^jesaja-61-5-25] kudden[^jesaja-61-5-26] weiden; en[^jesaja-61-5-27] vreemden zullen[^jesaja-61-5-28] uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v5)

**6** Maar u zult[^jesaja-61-6-29][^jesaja-61-6-c] priesters van YHWH heten,[^jesaja-61-6-30] men zal u dienaren van onze God noemen;[^jesaja-61-6-31] u zult het vermogen van de heidenen eten, en in hun[^jesaja-61-6-32] heerlijkheid zult u zich roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v6)

**7** [^jesaja-61-7-33] Voor uw dubbele schaamte en schande[^jesaja-61-7-34] zullen[^jesaja-61-7-35] zij juichen over hun deel; daarom zullen[^jesaja-61-7-36] zij[^jesaja-61-7-37] in hun land erfelijk het dubbele bezitten;[^jesaja-61-7-38] zij zullen eeuwige vreugde hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v7)

**8** Want Ik, YHWH, heb het recht lief, Ik haat[^jesaja-61-8-39] de roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat[^jesaja-61-8-40] hun werk in waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond[^jesaja-61-8-41] met hen maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v8)

**9** [^jesaja-61-9-42] En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en[^jesaja-61-9-43] hun nakomelingen in het midden van de volken; allen, die hen zien zullen,[^jesaja-61-9-44] zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat YHWH gezegend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v9)

**10** [^jesaja-61-10-45] Ik ben zeer vrolijk in YHWH, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het[^jesaja-61-10-46] heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; zoals een bruidegom zich met[^jesaja-61-10-47] priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar[^jesaja-61-10-48] gereedschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v10)

**11** Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof,[^jesaja-61-11-49] wat in hem gezaaid is, doet uitspruiten;[^jesaja-61-11-50] zo zal Adonai YHWH gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/61.html#v11)

[^jesaja-61-1-1]: Kanttekening 1: Dit spreekt Christus, zoals blijkt uit Lucas 4:17 etc. Zie Johannes 1:33.
[^jesaja-61-1-a]: Verwijzing a: Lucas 4:17-20.
[^jesaja-61-1-2]: Kanttekening 2: Door deze zalving wordt verstaan dat Christus naar zijn menselijke natuur met de gaven van de heilige Geest zonder maat begiftigd en versierd is geworden; en naar zijn gehele persoon door de Vader tot onze Koning, Priester en Profeet verordend is geworden. Zie Hebreeën 1:9.
[^jesaja-61-1-3]: Kanttekening 3: Of: om een goede boodschap te verkondigen of te prediken. Welke tijding of boodschap? Van de vergeving van de zonden. Zie Psalm 40:10; 96:2.
[^jesaja-61-1-4]: Kanttekening 4: Of: nederigen. Lucas 4:18, waar deze woorden van de profeet geciteerd worden, staat: 'de armen'. Namelijk: de armen van geest, Matteüs 5:3 — want aan zulken wordt het Evangelie gepredikt, Matteüs 11:5.
[^jesaja-61-1-5]: Kanttekening 5: Versta dit op geestelijke wijze — namelijk van de vertroosting van de ziel die door de prediking van het heilige Evangelie geschiedt.
[^jesaja-61-1-6]: Kanttekening 6: Dit zijn degenen die bedroefd en verslagen van hart zijn vanwege hun veelvuldige zonden en overtredingen. Zie Psalm 34:19; 51:19; Jesaja 57:15.
[^jesaja-61-1-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: degenen die onder de macht van de duivel of zijn aanhangers gevangen liggen vanwege hun begane zonden, Romeinen 7:23; 2 Timotheüs 2:26; 3:6. Zie ook Jesaja 42:7.
[^jesaja-61-1-8]: Kanttekening 8: Of: te prediken, te verkondigen.
[^jesaja-61-1-9]: Kanttekening 9: Dit is hetzelfde wat zojuist gezegd is, in andere woorden.
[^jesaja-61-2-10]: Kanttekening 10: Of: om te prediken.
[^jesaja-61-2-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: de tijd of het jaar waarin het YHWH zal behagen zijn genade aan de bedroefde gewetens te openbaren en te bewijzen — namelijk door de prediking van het heilige Evangelie. Zie Jesaja 49:8; 2 Korintiërs 6:2; Titus 3:4.
[^jesaja-61-2-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: die dag die God verordend of bestemd heeft, waarop hij alle ongelovigen, onboetvaardigen en vijanden van zijn kerk, alsmede de duivel, in de eeuwige verdoemenis zal werpen. Zie Jesaja 34:8; 63:4; Lucas 18:7; 2 Korintiërs 10:6.
[^jesaja-61-2-13]: Kanttekening 13: Namelijk: die treuren over hun zonden waarmee zij God vertoornden, 2 Korintiërs 7:10-11; Jakobus 4:9. Of: degenen die bedroefd zijn vanwege de ellenden van de kerk, Jesaja 66:10. Want aan zulken belooft Christus vertroosting. Matteüs 5:4.
[^jesaja-61-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: van de kerk van God.
[^jesaja-61-3-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: schone kleding of heerlijkheid — welk woord in Matteüs 6:29 gebruikt wordt voor schone kleding. Hebreeuws: om hun te geven sieraad etc.
[^jesaja-61-3-16]: Kanttekening 16: Die men gewoon was op het hoofd te strooien en erin te zitten wanneer men treurde.
[^jesaja-61-3-17]: Kanttekening 17: Vroeger was men gewoon in tijden van vreugde het gelaat met olie te zalven; maar hier wordt gesproken over de vreugdeolie van de heilige Geest. Johannes 14:26-27; 15:11. Vergelijk met de woorden van de profeet wat geschreven staat in Hebreeën 1:9.
[^jesaja-61-3-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: een kleed dat de lof waard is vanwege zijn schoonheid en sierlijkheid; of: een kleed dat men aantrok wanneer men een feestdag hield en de gemeente samengebracht werd om God voor ontvangen genade te danken en te loven. Maar versta hierdoor het sierlijke gewaad: de genaden en gaven van de Geest van God.
[^jesaja-61-3-19]: Kanttekening 19: Of: angstige. Hebreeuws: samengeknepen geest, die van hartzeer en verdriet als samengeknepen is (רוּחַ).
[^jesaja-61-3-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: gemoed.
[^jesaja-61-3-21]: Kanttekening 21: Bij deze bomen worden verstaan degenen die door het geloof in Christus Jezus zijn ingeplant en vruchten van gerechtigheid — dat wil zeggen: goede werken — dragen. Zie hierboven 60:21. De eiken van gerechtigheid worden gesteld tegenover de eiken die zij hadden misbruikt voor afgoderij, en de gelovigen worden eiken genoemd met betrekking tot hun kracht in Christus.
[^jesaja-61-4-22]: Kanttekening 22: Zie Jesaja 58, de aantekening bij vers 12. Geestelijk genomen is dit te zeggen: zij zullen de ongelovige heidenen tot God bekeren, die lange tijd in hun zonden als dood hebben gelegen, Efeziërs 2:1, 5.
[^jesaja-61-4-b]: Verwijzing b: Jesaja 58:12.
[^jesaja-61-4-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die al over vele geslachten verwoest zijn.
[^jesaja-61-5-24]: Kanttekening 24: Namelijk: de bekeerden uit de heidenen. De betekenis is: God zal ook uit de heidenen leraren en predikanten verwekken, tot opbouw van zijn heilige kerk in het Nieuwe Testament. Handelingen 20:28; 1 Petrus 5:1-2.
[^jesaja-61-5-25]: Kanttekening 25: Of: schapen. Dat wil zeggen: gemeenten.
[^jesaja-61-5-26]: Kanttekening 26: Namelijk: met het woord van God.
[^jesaja-61-5-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws: de kinderen van de vreemde (בְנֵי).
[^jesaja-61-5-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: uw leraren zijn. Matteüs 21:33 etc.; 1 Korintiërs 3:9.
[^jesaja-61-6-29]: Kanttekening 29: Namelijk: geestelijke priesters, om de kalveren van uw lippen te offeren en uw lichaam tot een redelijke godsdienst te begeven. Zie Exodus 19:6; Romeinen 12:1; Hebreeën 13:15; 1 Petrus 2:5, 9; Openbaring 1:6; 5:10.
[^jesaja-61-6-c]: Verwijzing c: 1 Petrus 2:5, 9; Openbaring 1:6; 5:10 etc.
[^jesaja-61-6-30]: Kanttekening 30: Of: en tot u zal gezegd worden: o dienaren van onze God.
[^jesaja-61-6-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: u zult de goederen genieten die de heidenen u mededelen zullen wanneer zij tot Christus zullen zijn bekeerd. Zie Jesaja 60:5.
[^jesaja-61-6-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: rijkdom.
[^jesaja-61-7-33]: Kanttekening 33: Die u geleden heeft van de vijanden van de kerk.
[^jesaja-61-7-34]: Kanttekening 34: Namelijk: de vrome Israëlieten of kinderen van God.
[^jesaja-61-7-35]: Kanttekening 35: Of: luid roepen.
[^jesaja-61-7-36]: Kanttekening 36: Namelijk: degenen aan wie tevoren zulke schande was aangedaan en die vervolgd zijn geweest.
[^jesaja-61-7-37]: Kanttekening 37: Namelijk: zowel hun eigen als verkregen van de vijanden van wie zij tevoren zijn vervolgd geweest.
[^jesaja-61-7-38]: Kanttekening 38: Namelijk: de godvruchtigen.
[^jesaja-61-8-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: die brandoffers haat ik die door ongerechtigheid gebeuren — mij uiterlijk dienend terwijl men ondertussen zijn naaste onderdrukt. Zie Spreuken 15:8; 21:27.
[^jesaja-61-8-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: dat de dienst die zij mij ter ere bewijzen, in geest en in waarheid zal gebeuren. Johannes 4:24. Anders: hun arbeidsloon.
[^jesaja-61-8-41]: Kanttekening 41: Zie Jeremia 34:18.
[^jesaja-61-9-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: hun nakomelingen of degenen die hun toebehoren — namelijk die tot de kerk van Christus behoren; die zullen niet meer tot één bepaald volk beperkt zijn, maar zich uitbreiden onder alle heidenen.
[^jesaja-61-9-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws: hun uitspruitingen.
[^jesaja-61-9-44]: Kanttekening 44: Zo aan hun heilige en godvruchtige handel en wandel, als aan de zegen van YHWH die merkbaar bij hen zal zijn.
[^jesaja-61-10-45]: Kanttekening 45: Dit spreekt de christelijke kerk, en een ieder lid ervan, YHWH dankende voor zijn weldaden aan haar bewezen. Hebreeuws: vrolijk zijnde ben ik vrolijk.
[^jesaja-61-10-46]: Kanttekening 46: Of: hij heeft mij bedekt met de mantel van gerechtigheid — dat wil zeggen: met gerechtigheid als een kleed, namelijk met zijn gerechtigheid die hij mij heeft toegerekend.
[^jesaja-61-10-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: heerlijk — want de priesters waren heerlijk en sierlijk gekleed. Zie Exodus 28. Anders: vorstelijk — want het Hebreeuwse woord betekent het een zowel als het ander.
[^jesaja-61-10-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: sieraad, versiering, gesmuk, tuig. Hebreeuws: vaten of instrumenten.
[^jesaja-61-11-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws: zijn gezaaide, of: haar gezaaide.
[^jesaja-61-11-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: YHWH zal maken dat de kerk van Christus, samengebracht uit alle heidenen, in ware gerechtigheid zal groeien en toenemen, en YHWH meer en meer loven.

### Jesaja 62

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/62.json)

*De profeet voorzegt de gelukkige en heerlijke toestand van de christelijke kerk, vers 1 enzovoort, die door Christus getrouwd zal worden, 4, en Hij zal haar van trouwe wachters voorzien, 6, en haar rust en vrede geven, 8, en haar door de bekering van de heidenen vermeerderen, 10.*

**1** [^jesaja-62-1-1]Omwille van[^jesaja-62-1-2] Sion zal ik[^jesaja-62-1-3] niet zwijgen, en omwille van Jeruzalem zal ik[^jesaja-62-1-4] niet stil zijn; totdat[^jesaja-62-1-5] haar gerechtigheid[^jesaja-62-1-6] voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v1)

**2** En de heidenen zullen[^jesaja-62-2-7] uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en u zult met[^jesaja-62-2-8][^jesaja-62-2-a] een nieuwe naam genoemd worden, die de mond[^jesaja-62-2-9] van YHWH uitdrukkelijk noemen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v2)

**3** En[^jesaja-62-3-10] u zult een sierlijke kroon zijn[^jesaja-62-3-11] in de hand van YHWH, en[^jesaja-62-3-12] een kroon in de hand van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v3)

**4** Tot u zal niet meer gezegd worden:[^jesaja-62-4-13] De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden:[^jesaja-62-4-14] Het verwoeste; maar u zult genoemd worden:[^jesaja-62-4-15] Mijn lust is aan haar! en[^jesaja-62-4-16] uw land:[^jesaja-62-4-17] Het getrouwde; want YHWH heeft een lust aan u, en[^jesaja-62-4-18] uw land zal getrouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v4)

**5** Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen[^jesaja-62-5-19] u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo[^jesaja-62-5-20] zal uw God over u vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v5)

**6** [^jesaja-62-6-21]O Jeruzalem! Ik heb[^jesaja-62-6-22] wachters op uw muren besteld, die steeds al de dag en al de nacht[^jesaja-62-6-23] niet zullen zwijgen.[^jesaja-62-6-24] O u, die van YHWH doet gedenken,[^jesaja-62-6-25] laat geen stilzwijgen bij u wezen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v6)

**7** En zwijgt niet stil[^jesaja-62-7-26] voor Hem, voordat Hij bevestige, en voordat Hij Jeruzalem stelle tot een[^jesaja-62-7-27] lof op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v7)

**8** [^jesaja-62-8-28] YHWH heeft gezworen[^jesaja-62-8-29] bij Zijn rechterhand, en[^jesaja-62-8-30] bij de arm van Zijn sterkte:[^jesaja-62-8-31] als Ik[^jesaja-62-8-32] uw koren meer zal geven[^jesaja-62-8-33] tot voedsel voor uw vijanden, en als[^jesaja-62-8-34] de vreemden zullen drinken van uw nieuwe wijn, waaraan u gewerkt hebt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v8)

**9** Maar[^jesaja-62-9-35] die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen YHWH prijzen; en[^jesaja-62-9-36] die hem verzamelen zullen, zullen hem drinken[^jesaja-62-9-37] in de voorhoven van Mijn heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v9)

**10** [^jesaja-62-10-b] Ga door, gaat door, door de poorten,[^jesaja-62-10-38] bereid de weg van het volk; verhoog,[^jesaja-62-10-39] verhoog een baan,[^jesaja-62-10-40] ruim de stenen weg,[^jesaja-62-10-41] steek een banier omhoog tot de volken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v10)

**11** Zie, YHWH[^jesaja-62-11-42] heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zeg[^jesaja-62-11-43] tot de dochter van Sion:[^jesaja-62-11-44] Zie, uw Heil komt; zie,[^jesaja-62-11-45] Zijn loon is met Hem, en[^jesaja-62-11-46] Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v11)

**12** En zij zullen[^jesaja-62-12-47] hen noemen[^jesaja-62-12-48] het heilige volk,[^jesaja-62-12-49] de verlosten van YHWH; en[^jesaja-62-12-50] u zult genoemd worden[^jesaja-62-12-51] de gezochte,[^jesaja-62-12-52] de stad, die niet verlaten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/62.html#v12)

[^jesaja-62-1-1]: Kanttekening 1: Dat zijn de woorden van de profeet Jesaja, zo in zijn naam als in die van andere profeten en dienaren van God.
[^jesaja-62-1-2]: Kanttekening 2: Sions wil: Dat is, van de kerk, of van het volk van God, straks Jeruzalem genoemd; een voorbeeld van de kerk van het Nieuwe Testament; Hebr. 12:22 ; Openb. 14:1 , en Openb. 21:2 . Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden. Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^jesaja-62-1-3]: Kanttekening 3: niet zwijgen: Dat is, ik zal niet ophouden de troostelijke beloftenissen, die God mij geopenbaard heeft van zijn kerk te verkondigen; zie Ps. 122:6 , en 2 Tim. 4:2 . Psalmen 122:6 : Bidt om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen. 2 Timotheüs 4:2 : Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
[^jesaja-62-1-4]: Kanttekening 4: niet stil zijn: Of, niet rusten.
[^jesaja-62-1-5]: Kanttekening 5: haar gerechtigheid: Te weten van de stad Jeruzalem, dat is, van de kerk. De zin is, totdat Christus, die onze gerechtigheid en Heiland is, aan de wereld geopenbaard worde.
[^jesaja-62-1-6]: Kanttekening 6: Of, opga. Hebreeuws, uitga; te weten gelijk de zon uit haar kamer gaat; zie Ps. 10:6 . Psalmen 10:6 : Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
[^jesaja-62-2-7]: Kanttekening 7: uw gerechtigheid: Te weten, die gerechtigheid, o Zion, of Jeruzalem, met welke u van uw Bruidegom Christus Jezus zult zijn versierd geworden.
[^jesaja-62-2-8]: Kanttekening 8: een nieuwen naam: Dat is, u zult vernieuwd en in een beteren staat gebracht worden, dan u tevoren was, en deze nieuwe en betere staat zal ook oorzaak zijn van de nieuwe naam; die van nature kinderen zijn van de toorn, Ef. 2:3 , zullen uit genade genoemd worden kinderen van God, 1 Joh. 3:1 , en degenen, aan welke Hij een welgevallen of lust heeft vers 4 . Deze nieuwe naam kent niemand, dan die hem ontvangt; Openb. 2:17 . Efeziërs 2:3 : Onder die ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen; 1 Johannes 3:1 : Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Jesaja 62:4 : Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar u zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want YHWH heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. Openbaring 2:17 : Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op de keursteen een nieuwen naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
[^jesaja-62-2-a]: Verwijzing a: Jes. 65:15 . Jesaja 65:15 : En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heer YHWH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;
[^jesaja-62-2-9]: Kanttekening 9: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 30:28 . Genesis 30:28 : Hij zei dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.
[^jesaja-62-3-10]: Kanttekening 10: u zult: Dat is, u zult de Heer zeer lief en waard zijn; zie Ex. 19:5 . Exodus 19:5 : Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^jesaja-62-3-11]: Kanttekening 11: in de hand: Dat is, u zult bewaard en van God beschermd worden. Zie Deut. 33:3 ; Joh. 10:28 , 10:29 . Deuteronomium 33:3 : Immers bemint Hij de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden. Johannes 10:28 : En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken. Johannes 10:29 : Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader.
[^jesaja-62-3-12]: Kanttekening 12: een koninklijke: Versta hier door de koninklijke hoed of mijter het koninklijke priesterdom, waarvan Petrus spreekt 1 Petr. 2:9 . 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
[^jesaja-62-4-13]: Kanttekening 13: De verlatene: Te weten van God haar bruidegom, alsof u niet meer zijn bruid of zijn volk was; zie Jes. 60:15 . Jesaja 60:15 : In plaats dat u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht.
[^jesaja-62-4-14]: Kanttekening 14: Het verwoeste: Hebreeuws, verwoesting (שְׁמָמָה); dat is, het verwoeste; zie Hos. 1:10 ; 1 Petr. 2:10 . Hosea 1:10 : Nochtans zal het getal van de kinderen van Israël zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levende God. 1 Petrus 2:10 : U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden.
[^jesaja-62-4-15]: Kanttekening 15: Mijn lust: Dat is, God heeft een welgevallen aan haar, te weten aan Jeruzalem.
[^jesaja-62-4-16]: Kanttekening 16: uw land: Dat u de Heer gegeven had te bewonen; of uw land; dat is de inwoners van uw land.
[^jesaja-62-4-17]: Kanttekening 17: Het getrouwde: Dat is, het bewoonde.
[^jesaja-62-4-18]: Kanttekening 18: uw land zal getrouwd worden: Dat is, uw land zal bewoond worden, gelijk ene vrouw haar man bijwoont.
[^jesaja-62-5-19]: Kanttekening 19: u trouwen: Te weten o u land, of onder u, bij u, te weten o u kerk.
[^jesaja-62-5-20]: Kanttekening 20: uw God: Christus wordt meermalen in de Heilige Schrift een Bruidegom genoemd, en zijn gemeente ene Bruid, Joh. 3:29 ; Openb. 21:2 , 21:9 , van wie de onderlinge liefde en vreugde verhaald wordt Hoogl. 4:1 , enz. Johannes 3:29 : Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Openbaring 21:9 : En tot mij kwam één van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam. Hooglied 4:1 : Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gilead afscheren.
[^jesaja-62-6-21]: Kanttekening 21: O Jeruzalem: Dit spreekt de Heer.
[^jesaja-62-6-22]: Kanttekening 22: Dat is, profeten, herders, leraars, zielverzorgers. Zie Jes. 21:11 ; Ez. 3:17 , en Ez. 33:7 ; Openb. 21:12 . Jesaja 21:11 : De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Ezechiël 3:17 : Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Ezechiël 33:7 : U nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Openbaring 21:12 : En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten van de kinderen van Israël.
[^jesaja-62-6-23]: Kanttekening 23: niet zullen zwijgen: Maar zij zullen u steeds het Woord en de beloften van God voorhouden; zie vers 1 . Jesaja 62:1 : Vanwege Sion zal ik niet zwijgen, en vanwege Jeruzalem zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.
[^jesaja-62-6-24]: Kanttekening 24: O u: Of, o u gewagmakers, of o u vermelders van de Heer; dit spreekt de profeet tot de leraars van het heilig Evangelie.
[^jesaja-62-6-25]: Kanttekening 25: laat geen stilzwijgen: Maar betuigt steeds en verkondigt vrijmoedig de waarheid.
[^jesaja-62-7-26]: Kanttekening 26: voor Hem: Te weten de Heer. Hebreeuws, geeft Hem, of voor Hem geen stilzwijgen. De zin is: Houdt niet op van bidden en smeken, maar houdt aan in het gebed, ja valt Hem zolang lastig, totdat u verhoord wordt, totdat God arbeiders in zijn oogst uitstoot, Matt. 9:38 , en totdat Hij hun arbeid zegent, 1 Kor. 3:6 . Mattheüs 9:38 : Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. 1 Korinthiërs 3:6 : Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.
[^jesaja-62-7-27]: Kanttekening 27: tot een lof: Dat is, in zulk een heerlijken staat, dat elk haar moet loven.
[^jesaja-62-8-28]: Kanttekening 28: YHWH: Dit zijn nu opnieuw de woorden van de profeet.
[^jesaja-62-8-29]: Kanttekening 29: bij zijn rechterhand: Dat is, bij zijn eigen kracht, dat is bij zichzelven, geen groteren hebbende om bij te zweren; Hebr. 6:13 . Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
[^jesaja-62-8-30]: Kanttekening 30: bij de arm: Dat is, bij zijn sterken arm.
[^jesaja-62-8-31]: Kanttekening 31: als Ik: De zin is: Zekerlijk, Ik zal u de moedwil van uw vijanden en vervolgers niet overgeven. Zie van deze manier van eedzweren, de aantekening Num. 14:23 . Numeri 14:23 : Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^jesaja-62-8-32]: Kanttekening 32: uw koren: O Jeruzalem.
[^jesaja-62-8-33]: Kanttekening 33: tot voedsel: God dreigt dikwijls dat de vreemden en de vijanden van zijn volk, vanwege zijn zonden, de vruchten van hun land zouden eten, gelijk Deut. 28:30 , 28:33 , 28:51 ; dat ook meermalen inderdaad zo geschied is, Richt. 6:3 , 6:4 ; Pred. 6:1 , 6:2 . Dit moet men verstaan mee begrepen te zijn onder de vloeken van de wet, die door Christus zijn weggenomen; Gal. 3:13 . Zie ook Ps. 128:2 , en 1 Kor. 15:58 . Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken. Deuteronomium 28:33 : De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn. Deuteronomium 28:51 : En het zal de vrucht van uw beesten, en de vrucht van uw land opeten, totdat u verdelgd zult zijn; dat u geen koren, most noch olie, voortzetting van uw koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe. Richteren 6:3 : Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. Richteren 6:4 : En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst van het land, tot daar u komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. Prediker 6:1 : Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen: Prediker 6:2 : Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook ijdelheid en een kwade smart. Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Psalmen 128:2 : Want u zult eten de arbeid van uw handen; welgelukzalig zult u zijn, en het zal u welgaan. 1 Korinthiërs 15:58 : Zo dan, mijn geliefde broers! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heer, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heer.
[^jesaja-62-8-34]: Kanttekening 34: de vreemden: Hebreeuws, de kinderen van de vreemde (בְנֵֽי).
[^jesaja-62-9-35]: Kanttekening 35: die het inzamelen: Hebreeuws, de inzamelaars daarvan, te weten van het koren.
[^jesaja-62-9-36]: Kanttekening 36: die hem vergaderen: Hebreeuws, de vergaderaars, of de samenbrengers daarvan, te weten most.
[^jesaja-62-9-37]: Kanttekening 37: in de voorhoven: Dat is met openbare dankzeggingen, die zij de Heer in zijn kerk voor zijn weldaden zullen doen; ene manier van spreken genomen van de priesters, die het geheiligde vlees aten in het voorhof van de tabernakel en naderhand in de voorhoven van de tempel. Zie Lev. 6:16 , en Lev. 10:18 ; Ez. 42:14 . Leviticus 6:16 : En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. Leviticus 10:18 : Ziet, zijn bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; u moest dat ganselijk gegeten hebben in het heiligdom, gelijk als ik geboden heb. Ezechiël 42:14 : Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in die zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is.
[^jesaja-62-10-b]: Verwijzing b: Jes. 40:3 ; Jes. 57:14 . Jesaja 40:3 : Een stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Jesaja 57:14 : En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, neemt de aanstoot uit de weg van Mijn volk.
[^jesaja-62-10-38]: Kanttekening 38: bereidt de weg: Dit is ene aanspraak tot de inwoners van Jeruzalem, hen vermanende dat zij de stadspoorten vrij wijd open zouden stellen en de wegen schoon en zuiver zouden maken, opdat de heidenen, die bij grote menigte zich tot de kerk van Christus begeven zouden, een open baan zouden vinden; zie Jes. 57:14 . Anders: bereid het volk de weg. Jesaja 57:14 : En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, neemt de aanstoot uit de weg van Mijn volk.
[^jesaja-62-10-39]: Kanttekening 39: een baan: Door welke zij tot u, o u burgers van Jeruzalem, dat is tot de Christelijke kerk, gebracht worden en ingaan mogen. Zie Jes. 40:3 . Jesaja 40:3 : Een stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God!
[^jesaja-62-10-40]: Kanttekening 40: ruimt de stenen: Of, zuivert haar van stenen. Zie Jes. 57:14 . De zin is: Weert alle verhindernissen en aanstoot uit de weg; Rom. 14:13 , 14:21 . Jesaja 57:14 : En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, neemt de aanstoot uit de weg van Mijn volk. Romeinen 14:13 : Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat u de broer geen aanstoot of ergernis geeft. Romeinen 14:21 : Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broer zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is.
[^jesaja-62-10-41]: Kanttekening 41: Dat is, predikt het Evangelie openlijk. Zie Jes. 11:12 , en Jes. 49:22 . Jesaja 11:12 : En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden van de aarde. Jesaja 49:22 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
[^jesaja-62-11-42]: Kanttekening 42: heeft doen horen: Te weten door de predikatie van het heilig Evangelie. Zie Rom. 10:18 , en \[Hij heeft doen horen\], te weten wat hier volgt: Zegt, enz. Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
[^jesaja-62-11-43]: Kanttekening 43: de dochter van Sion: Dat is, van het volk van Zion, dat is van de kerk van God, gelijk Zach. 9:9 ; Matt. 21:5 ; Joh. 12:15 . Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen. Mattheüs 21:5 : Zegt tegen de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin. Johannes 12:15 : Vrees niet, u dochter van Sion, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.
[^jesaja-62-11-44]: Kanttekening 44: uw Heil komt: Dat is, uwe zaligheid en verlossing; of uw Heiland en Zaligmaker, te weten Jezus, die zijn volk verlost van hun zonden, Matt. 1:21 ; Luk. 2:30 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Lukas 2:30 : Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
[^jesaja-62-11-45]: Kanttekening 45: Zijn loon is met Hem: Die Hij geven zal aan al degenen, die Hem trouwelijk dienen, Jes. 40:10 ; Openb. 22:12 . Zie Ps. 127:3 . Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een ieder te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. Psalmen 127:3 : Ziet, de kinderen zijn een erfdeel van YHWH; de vrucht van de buik is een beloning.
[^jesaja-62-11-46]: Kanttekening 46: Zijn arbeidsloon: Hebreeuws, zijn werk; dat is zijn arbeidsloon; zie Jes. 40:10 ; Lev. 19:13 . Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen.
[^jesaja-62-12-47]: Kanttekening 47: hen noemen: Te weten de gelovigen, die zich tot de Christelijke gemeente zullen vervoegen, zo uit de Joden als uit de heidenen.
[^jesaja-62-12-48]: Kanttekening 48: het heilige volk: Hebreeuws, het volk van de heiligheid (עַם).
[^jesaja-62-12-49]: Kanttekening 49: de verlosten: Dat is, die van de Heer verlost zijn.
[^jesaja-62-12-50]: Kanttekening 50: u zult: O Zion, u kerk van God.
[^jesaja-62-12-51]: Kanttekening 51: de gezochte: Het Hebreeuwse woord, dat enige in de tekst zetten, betekent de gezochte, of nagezochte, of bezorgde; te weten die de Heer uit genade weer bezocht en vergaderd heeft, daar zij tevoren om haar zonden wil een tijdlang was verlaten en verstrooid geweest. Zie Jes. 54:6 , 54:7 , en de aantekening Deut. 11:12 . Jesaja 54:6 : Want YHWH heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans bent u de huisvrouw van de jeugd, hoewel u versmaad bent geweest, zegt uw God. Jesaja 54:7 : Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. Deuteronomium 11:12 : Een land, dat YHWH, uw God, bezorgt; de ogen van YHWH, uw God, zijn gedurig daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.
[^jesaja-62-12-52]: Kanttekening 52: de stad: Of, de onverlaten stad.

### Jesaja 63

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/63.json)

*De profeet beschrijft de heerlijke overwinning van Christus over de vijanden van zijn kerk, vers 1 enzovoort. Lof en prijs voor de grote goedheid van de Heere, 7, en belijdenis van de zonden van het volk, waarover God zich vertoornde, 10, maar zich weer ontfermde, terwijl Hij zich zijn vroegere barmhartigheden herinnerde, 11. Een gebed om verdere genade en bescherming, 15.*

**1** [^jesaja-63-1-1] Wie is Deze, Die[^jesaja-63-1-2] van Edom komt[^jesaja-63-1-3] met besprenkelde kleren, van[^jesaja-63-1-4] Bozra? Deze, Die[^jesaja-63-1-5] versierd is in Zijn gewaad? Die[^jesaja-63-1-6] voorttrekt[^jesaja-63-1-7] in Zijn grote kracht?[^jesaja-63-1-8] Ik ben het,[^jesaja-63-1-9] Die in gerechtigheid spreek,[^jesaja-63-1-10] Die machtig ben te verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v1)

**2** [^jesaja-63-2-11] Waarom bent U[^jesaja-63-2-a] rood aan Uw gewaad, en Uw kleren als van[^jesaja-63-2-12] een, die in de wijnpers treedt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v2)

**3** [^jesaja-63-3-13] Ik heb[^jesaja-63-3-14] de pers alleen getreden, en[^jesaja-63-3-15] er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn woede; en[^jesaja-63-3-16] hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v3)

**4** Want[^jesaja-63-4-17][^jesaja-63-4-b] de dag van de wraak was in Mijn hart, en[^jesaja-63-4-18] het jaar van Mijn verlosten was gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v4)

**5** [^jesaja-63-5-19][^jesaja-63-5-c] En Ik zag toe, en er was niemand die hielp;[^jesaja-63-5-20] en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde;[^jesaja-63-5-21] daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en[^jesaja-63-5-22] Mijn woede heeft Mij ondersteund, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v5)

**6** En[^jesaja-63-6-23] Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en[^jesaja-63-6-24] Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn woede; en Ik heb[^jesaja-63-6-25] hun kracht ter aarde doen neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v6)

**7** [^jesaja-63-7-26] Ik zal de goedertierenheden van YHWH vermelden,[^jesaja-63-7-27] de overvloedige lof van YHWH,[^jesaja-63-7-28] naar alles, wat YHWH ons heeft bewezen, en de grote goedheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v7)

**8** Want[^jesaja-63-8-29] Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen,[^jesaja-63-8-30] die niet liegen zullen? Zo[^jesaja-63-8-31] is Hij hun geworden tot een Heiland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v8)

**9** [^jesaja-63-9-32] In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en[^jesaja-63-9-33] de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden;[^jesaja-63-9-34][^jesaja-63-9-d] door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en[^jesaja-63-9-35] Hij nam hen op, en Hij droeg[^jesaja-63-9-36] hen al de dagen van ouds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v9)

**10** [^jesaja-63-10-37][^jesaja-63-10-e] Maar zij zijn opstandig geworden, en zij hebben[^jesaja-63-10-38] Zijn Heilige Geest[^jesaja-63-10-39] smarten aangedaan;[^jesaja-63-10-40] daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v10)

**11** Toch dacht Hij[^jesaja-63-11-41] aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar[^jesaja-63-11-42] nu, waar is Hij, Die[^jesaja-63-11-43] hen uit de zee opgebracht heeft,[^jesaja-63-11-44] met de herders[^jesaja-63-11-45] van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden[^jesaja-63-11-46] van hen stelde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v11)

**12** [^jesaja-63-12-47] Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die[^jesaja-63-12-48] de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwige Naam maakte? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v12)

**13** Die[^jesaja-63-13-49] hen[^jesaja-63-13-50] leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn,[^jesaja-63-13-51][^jesaja-63-13-f] struikelden zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v13)

**14** [^jesaja-63-14-52] Gelijk[^jesaja-63-14-53] een beest, dat afgaat in de valleien,[^jesaja-63-14-54] heeft hun de Geest van YHWH[^jesaja-63-14-55] rust gegeven. Zo hebt[^jesaja-63-14-56] U Uw volk geleid, opdat U Zich een heerlijke Naam zou maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v14)

**15** [^jesaja-63-15-g] Zie van de hemel af, en aanschouw[^jesaja-63-15-57] van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn[^jesaja-63-15-58] Uw ijver en[^jesaja-63-15-59] Uw mogendheden,[^jesaja-63-15-60] het gerommel[^jesaja-63-15-61] van Uw binnenste en van Uw barmhartigheden?[^jesaja-63-15-62] Zij houden zich tegen mij in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v15)

**16** [^jesaja-63-16-63] U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader,[^jesaja-63-16-64] onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v16)

**17** YHWH! waarom[^jesaja-63-17-65] doet U ons van Uw wegen dwalen,[^jesaja-63-17-66] waarom verstokt U ons hart,[^jesaja-63-17-67] dat wij U niet vrezen?[^jesaja-63-17-68] Keer weer[^jesaja-63-17-69] omwille van Uw knechten,[^jesaja-63-17-70] de stammen[^jesaja-63-17-71] van Uw erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v17)

**18** Uw heilig volk heeft[^jesaja-63-18-72] het[^jesaja-63-18-73] maar een korte tijd bezeten;[^jesaja-63-18-74] onze tegenstanders hebben[^jesaja-63-18-75][^jesaja-63-18-h] Uw heiligdom vertreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v18)

**19** [^jesaja-63-19-76] Wij zijn[^jesaja-63-19-77] geworden als die, over wie U van ouds niet hebt geheerst, en[^jesaja-63-19-78] die naar Uw Naam niet zijn genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/63.html#v19)

[^jesaja-63-1-1]: Kanttekening 1: is Deze: Dit nemen enige voor de woorden van Jesaja, die in een visioen, ziende de rechtvaardige straf van God over zijn vijanden, zeer verwonderd en als verbaasd staat; maar anderen menen dat de kerk hier spreekt, zich verwonderende over het groot geweld van Christus tegen zijn vijanden in zijn dood en opstanding uit de doden.
[^jesaja-63-1-2]: Kanttekening 2: van Edom: Dat is, uit het land van de Edomieten, of van de Edomieten. Versta dit, van de vijanden van het volk van God in het algemeen, maar in het bijzonder van de geestelijke vijanden, te weten de duivel en de dienaren van de Antichrist; gelijk boven Jes. 34:5 . Jesaja 34:5 : Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; ziet, het zal tot het oordeel nederdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb.
[^jesaja-63-1-3]: Kanttekening 3: met besprenkelde: Hebreeuws, gezuurdeegd van kleren. Zie de aantekening Ps. 71:4 , en Ps. 73:21 . De Griekse overzetters en anderen, met rood geverwde kleren, betekenende zijn toorn tegen zijn vijanden, met wier bloed zijn kleren besprenkeld waren. Vergelijk Openb. 19:13 . Psalmen 71:4 : Mijn God, bevrijd mij van de hand van de goddeloze, van de hand van degene, die verkeerd handelt, en van de hoogmoedige. Psalmen 73:21 : Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, Openbaring 19:13 : En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God.
[^jesaja-63-1-4]: Kanttekening 4: Dit was de hoofdstad van het land van de Edomieten, waarvan ook melding gemaakt wordt Jes. 34:6 ; Jer. 49:13 , 49:22 ; en hier kan men door Bozra verstaan de hoofdstad van alle vijanden van Gods kerk. Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jeremia 49:13 : Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. Jeremia 49:22 : Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.
[^jesaja-63-1-5]: Kanttekening 5: versierd is: Versta hier door het sieraad de heiligheid van Christus en zijn koninklijke heerlijkheid in zijn triomf over de vijanden.
[^jesaja-63-1-6]: Kanttekening 6: Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als in een vreemd land op en neder trekken, gelijk Jer. 48:12 . Jeremia 48:12 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.
[^jesaja-63-1-7]: Kanttekening 7: in Zijn grote kracht: Te weten in de kracht van zijn godheid.
[^jesaja-63-1-8]: Kanttekening 8: Ik ben het: Hier antwoordt Christus de grote profeet, die in de wereld komen zou, gelijk beloofd wordt Deut. 18:15 . Deuteronomium 18:15 : Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen;
[^jesaja-63-1-9]: Kanttekening 9: Die in gerechtigheid spreek: Of, die met, of van gerechtigheid spreek; dat is, die de vijanden van het volk van God, met de rechtvaardige straffen dreig.
[^jesaja-63-1-10]: Kanttekening 10: Die machtig ben: Of, die genoegzaam ben om te verlossen. Want Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde, Hij is een almachtig God met de Vader en de Heilige Geest.
[^jesaja-63-2-11]: Kanttekening 11: Hier spreekt de kerk opnieuw, of de profeet, tot Christus, zeggende: waarom bent u, enz. De zin is: Waarom zijn de kleren rood, die u aanhebt? Vergelijk Openb. 19:13 . Openbaring 19:13 : En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God.
[^jesaja-63-2-a]: Verwijzing a: Openb. 19:13 . Openbaring 19:13 : En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God.
[^jesaja-63-2-12]: Kanttekening 12: die in de wijnpers: Versta hierbij: en wiens kleren met roden wijn besprenkeld zijn. Deze gelijkenis wordt elders meer gebruikt, betekenende wraak; Klaagl. 1:15 ; Openb. 14:19 , 14:20 . Klaagliederen 1:15 : Samech. De Heer heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heer heeft de wijnpers van de jonkvrouw, van de dochter van Juda, aangetreden. Openbaring 14:19 : En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Openbaring 14:20 : En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver.
[^jesaja-63-3-13]: Kanttekening 13: Ik heb: Hier spreekt Christus opnieuw, beantwoordende de vorige vraag aangaande zijn macht in het onderdrukken van zijn vijanden en het verlossen van zijn uitverkorenen.
[^jesaja-63-3-14]: Kanttekening 14: de pers: Te weten de pers van de toorn van God, gelijk af te nemen is uit Openb. 14:19 , en Openb. 19:15 . De zin is: Ik heb alleen, zonder menselijke hulp, de wil en het bevel van mijn hemelsen Vader, aangaande het straffen en verdelgen van de vijanden van zijn kerk, uitgericht. Openbaring 14:19 : En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Openbaring 19:15 : En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God.
[^jesaja-63-3-15]: Kanttekening 15: er was niemand: Of, er is niemand van de volken bij mij geweest, om mij te helpen de vijanden te bestrijden en te overwinnen. Versta hier zo de geestelijke als de lichamelijke vijanden.
[^jesaja-63-3-16]: Kanttekening 16: hun kracht: Dat is hun bloed, waarin de sterkte van de mens bestaat. Of, hun bloed, dat is het bloed van hun sterke helden. Anders: en hun victorie is op mijn kleren besprenkeld; dat is hun bloed, een teken van mijn victorie over hen.
[^jesaja-63-4-17]: Kanttekening 17: de dag van de wraak: Te weten die dag, die van God bestemd was ter wraak, om de vijanden van de kerk te straffen en de uitverkorenen te redden. Zie Jes. 34:8 , en Jes. 61:2 . Jesaja 34:8 : Want het zal zijn de dag van de wraak van YHWH, een jaar van de vergeldingen, om Sions twistzaak. Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak van onze God; om alle treurigen te troosten;
[^jesaja-63-4-b]: Verwijzing b: Jes. 61:2 . Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak onze Gods; om alle treurigen te troosten;
[^jesaja-63-4-18]: Kanttekening 18: het jaar: Dat is, het jaar of de tijd dergenen, die van mij zouden vrijgekocht of verlost worden. Het schijnt dat de profeet ziet op het geestelijke jubeljaar.
[^jesaja-63-5-19]: Kanttekening 19: En Ik zag toe: Of, toen Ik omzag, dat er geen helper was, enz. Christus alleen is onze Helper, Heiland en Verlosser, die ons uit het geweld van de duivel en van de eeuwige dood verlost heeft. Zie Jes. 59:16 , en Jes. 61:2 . Jesaja 59:16 : Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak van onze God; om alle treurigen te troosten;
[^jesaja-63-5-c]: Verwijzing c: Jes. 59:16 . Jesaja 59:16 : Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem.
[^jesaja-63-5-20]: Kanttekening 20: en Ik ontzette Mij: Te weten naar mijn menselijke natuur. Zie Matt. 26:38 . Mattheüs 26:38 : Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
[^jesaja-63-5-21]: Kanttekening 21: daarom heeft: Dat is, mijn goddelijke kracht heeft mij onderstut in mijn zwaar lijden, dat Ik onder de zware last van de toorn van God niet ben bezweken, maar die gedragen, en mijn volk daarvan verlost en al hun vijanden overwonnen heb.
[^jesaja-63-5-22]: Kanttekening 22: Mijn grimmigheid: Te weten de grimmigheid, waarmee Ik onstoken ben tegen de vijanden van mijn kerk.
[^jesaja-63-6-23]: Kanttekening 23: Ik heb de volken: Dat is, Ik heb de geestelijke vijanden overwonnen, daartoe bewogen zijnde door mijn ijver tot de ere Gods en het heil van zijn uitverkorenen.
[^jesaja-63-6-24]: Kanttekening 24: Ik heb hen dronken: Te weten met de drinkbeker van mijn grimmigheid, tot hun verderf. Zie deze gelijkenis ook Ps. 60:5 , en Jes. 24:20 , en Jes. 49:26 , en Jes. 51:17 , 51:21 ; Jer. 51:57 , en elders. Psalmen 60:5 : U hebt Uw volk een harde zaak doen zien; U hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn. Jesaja 24:20 : De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weer opstaan. Jesaja 49:26 : En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, YHWH, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Jesaja 51:21 : Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! Jeremia 51:57 : En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten.
[^jesaja-63-6-25]: Kanttekening 25: hun kracht: Zie boven vers 3 . Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
[^jesaja-63-7-26]: Kanttekening 26: Ik zal: Dit spreekt het volk van God, zijnde nu onderwezen van Christus en zijn grote daden, Hem tegelijk dankende voor de weldaden, die zij van Hem ontvangen hadden, wensende en biddende om de voortgang derzelve.
[^jesaja-63-7-27]: Kanttekening 27: de veelvoudigen lof: Of, menigvuldigen, of menigerlei lof, te weten de lof vanwege het goede, dat mij de Heer gedaan heeft.
[^jesaja-63-7-28]: Kanttekening 28: naar alles: Hebreeuws, als naar alles, te weten naar alles goeds. Van de betekenis van het woord bewezen, zie Ps. 13:6 . Psalmen 13:6 : Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
[^jesaja-63-8-29]: Kanttekening 29: Hij zei: Te weten toen Hij met onze voorouders een verbond maakte.
[^jesaja-63-8-30]: Kanttekening 30: die : Of, die niet vals zijn zullen. God spreekt hier naar de wijze van de mensen, die het beste van hun kinderen hopen; en versta hierbij: maar zij zullen mij oprecht dienen, als oprechte Israëlieten, in wie geen bedrog is. Anders: zij zullen niet ontaarden, of, verbasteren; te weten, nadat Ik hen zal herboren hebben door mijn Heilige Geest.
[^jesaja-63-8-31]: Kanttekening 31: is Hij hun: Dat is, Hij heeft hen van hun vijanden verlost.
[^jesaja-63-9-32]: Kanttekening 32: In al hun: Dat is, Hij was benauwd of bedroefd vanwege hun ellenden, die zij in Egypte leden. Zo wordt Christus vervolgd in zijn heilige ledematen; Hand. 9:4 . Zie ook Zach. 2:8 ; Matt. 25:45 . Anders: in al hun benauwdheid was gene benauwdheid; versta hierbij: maar een goedertierene vaderlijke kastijding. Of aldus: in al hun benauwdheid is hij geen vijand of tegenstander geweest; maar de engel van zijn aangezicht heeft hen behouden. De zin is: Hij heeft hen wel benauwd, maar niet als hun vijand zijnde. Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Mattheüs 25:45 : Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt u het Mij ook niet gedaan.
[^jesaja-63-9-33]: Kanttekening 33: de Engel: Dat is de engel, die voor zijn aangezicht is, die voor hun zaligheid zorg draagt, te weten Christus. Zie de aantekening Ex. 23:20 . Exodus 23:20 : Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.
[^jesaja-63-9-34]: Kanttekening 34: door Zijn liefde: Dat is, Hij heeft hen verlost omdat Hij hen beminde; Deut. 7:7 , 7:8 . Deuteronomium 7:7 : YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het weinigste van alle volken. Deuteronomium 7:8 : Maar omdat YHWH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u YHWH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.
[^jesaja-63-9-d]: Verwijzing d: Deut. 7:7 ; idem v. 8 ; idem v. 9 . Deuteronomium 7:7 : YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het weinigste van alle volken. Deuteronomium 7:8 : Maar omdat YHWH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u YHWH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte. Deuteronomium 7:9 : U zult dan weten, dat YHWH, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
[^jesaja-63-9-35]: Kanttekening 35: Hij nam hen op: Alsof hij zei: Hij heeft hen op de rug geladen en gedragen, gelijk een adelaar zijn jongen draagt. Vergelijk dit met Deut. 32:11 , en zie ook Jes. 46:4 . Deuteronomium 32:11 : Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; Jesaja 46:4 : En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik u dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
[^jesaja-63-9-36]: Kanttekening 36: al de dagen: Hebreeuws, al de dagen van de oudheid, of eeuw, gelijk vers 11 , 63:16 , 63:19 . Dat is, van die tijd af dat Ik hen geroepen heb mijn volk te zijn. Zie van het Hebreeuwse woord de aantekening Jer. 2:20 . Jesaja 63:11 : Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? Jesaja 63:16 : U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. Jesaja 63:19 : Wij zijn geworden als die, over welke U van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd. Jeremia 2:20 : Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jesaja-63-10-37]: Kanttekening 37: Of, maar zij, zij rebelleerden; Num. 14:22 staat dat zij de Heer tienmaal verzocht hebben. Zie de aantekening daar. Zie ook Ps. 78:40 , 78:57 , en Ps. 95:9 . Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijn stem niet zijn gehoorzaam geweest; Psalmen 78:40 : Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! Psalmen 78:57 : En zij weken terug, en handelden trouweloos, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. Psalmen 95:9 : Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
[^jesaja-63-10-e]: Verwijzing e: Num. 14:11 ; Ps. 78:57 ; Ps. 95:9 . Numeri 14:11 : En YHWH zei tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb? Psalmen 78:57 : En zij weken terug, en handelden trouweloos, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. Psalmen 95:9 : Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
[^jesaja-63-10-38]: Kanttekening 38: Zijn Heilige Geest: Hebreeuws, de Geest van zijn heiligheid (רוּחַ). Deze bedroefden zij, doordien zij de wil van God, welke de Heilige Geest door het woord hun geopenbaard had, moedwilliglijk tegenstonden. Zie Ef. 4:30 . Efeziërs 4:30 : En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^jesaja-63-10-39]: Kanttekening 39: Anders: bedroefd. Zie Gen. 6:6 . Genesis 6:6 : Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^jesaja-63-10-40]: Kanttekening 40: daarom is Hij: Dat is, Hij heeft zich aangesteld alsof Hij hun vijand geweest was, toen Hij hen in de woestijn versloeg. Zie Ps. 78:31 , 78:33 , 78:59 , 78:60 , enz. Psalmen 78:31 : Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer. Psalmen 78:33 : Daarom deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking. Psalmen 78:59 : God hoorde het en werd toornig, en versmaadde Israël zeer. Psalmen 78:60 : Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
[^jesaja-63-11-41]: Kanttekening 41: aan de dagen: In welke Hij hen wel om hun zonden wil geslagen, maar zich nochtans opnieuw over hen ontfermd heeft, zonder dat Hij hen geheel heeft verdelgd.
[^jesaja-63-11-42]: Kanttekening 42: waar is Hij: Deze en de volgende woorden schijnt de kerk van God tot God te spreken klagenderwijze. Anderen nemen het als woorden van God; alsof God zei: Waaraan zou de heerlijkheid van de Heer blijken? te weten, als Ik zo wil voortvaren mijn volk naar hun verdiensten te straffen. Aldus zou de profeet hier God de Heer invoeren, als met zichzelven twistende over zijn eer; vergelijk Ex. 32:11 , 32:12 . Exodus 32:11 : Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH, zijn God, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Exodus 32:12 : Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.
[^jesaja-63-11-43]: Kanttekening 43: uit de zee: Te weten uit de Rode zee; Ex. 14:21 , enz. De zin is: Hoe zou dat staan, dat Ik hen eertijds zou getrouwelijk uit allen nood en gevaar gevoerd en verlost heb? Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die ganse nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
[^jesaja-63-11-44]: Kanttekening 44: met de herders: Aldus noemt Hij Mozes en Aäron, die het volk van Israël door de woestijn gevoerd hebben, gelijk de herders hun schapen doen. Zie Ps. 77:21 . Psalmen 77:21 : U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.
[^jesaja-63-11-45]: Kanttekening 45: Zijn kudde: Dat is, van de kinderen van Israël.
[^jesaja-63-11-46]: Kanttekening 46: hen stelde: Te weten van het volk, gelijk vers 14 . Jesaja 63:14 : Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest van YHWH rust gegeven. Zo hebt U Uw volk geleid, opdat U U een heerlijken Naam zoudt maken.
[^jesaja-63-12-47]: Kanttekening 47: Die de arm: Of, die hen leidde aan de rechterhand van Mozes \[met\] zijn heerlijken arm; dat is, die Mozes in zijn zwaren dienst met zijn heerlijke macht en goddelijke hulp bijstond.
[^jesaja-63-12-48]: Kanttekening 48: de wateren: Te weten van de Rode zee, Ex. 14:21 , en daarna van de Jordaan; Joz. 3:15 , 3:16 . Exodus 14:21 : Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed YHWH de zee weggaan, door een sterken oostenwind, die ganse nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. Jozua 3:15 : En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst aan al haar oevers); Jozua 3:16 : Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^jesaja-63-13-49]: Kanttekening 49: Te weten zachtjes en zoetjes, gelijk men een paard leidt bij de toom.
[^jesaja-63-13-50]: Kanttekening 50: door de afgronden: Zie Ex. 15:5 ; Ps. 106:9 . Exodus 15:5 : De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen. Psalmen 106:9 : En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
[^jesaja-63-13-51]: Kanttekening 51: Anders: dat zij niet zouden struikelen.
[^jesaja-63-13-f]: Verwijzing f: Ps. 105:37 . Psalmen 105:37 : En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
[^jesaja-63-14-52]: Kanttekening 52: Hier spreekt opnieuw het volk van God.
[^jesaja-63-14-53]: Kanttekening 53: een beest: Hetzij paard of koe.
[^jesaja-63-14-54]: Kanttekening 54: heeft hun de Geest: Te weten het volk.
[^jesaja-63-14-55]: Kanttekening 55: rust gegeven: Of, zacht geleid.
[^jesaja-63-14-56]: Kanttekening 56: U Uw volk: O Heer. De gemeente wendt nu haar aanspraak tot God, en zij bidden Hem dat Hij met zijn gewone goedheid wil voortvaren.
[^jesaja-63-15-g]: Verwijzing g: Deut. 26:15 . Deuteronomium 26:15 : Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, gelijk als U onze vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.
[^jesaja-63-15-57]: Kanttekening 57: van Uw heilige: Dat is van de hemel, die ook Deut. 26:15 genoemd wordt de woning zijn heiligheid. Deuteronomium 26:15 : Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, gelijk als U onze vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.
[^jesaja-63-15-58]: Kanttekening 58: Uw ijver: Over uw volk en tegen uwe vijanden? Menselijkerwijze van God gesproken. Zie boven Jes. 9:6 . Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal zulks doen.
[^jesaja-63-15-59]: Kanttekening 59: Uw mogendheden: Of, uwe machten, dat is, uw krachtige werken, of wonderen, gelijk Matt. 13:58 . Mattheüs 13:58 : En Hij heeft daar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.
[^jesaja-63-15-60]: Kanttekening 60: het gerommel: Of, het gewoel, het geluid. Anders: de veelheid.
[^jesaja-63-15-61]: Kanttekening 61: Uws ingewands: Dat is, van uw hart.
[^jesaja-63-15-62]: Kanttekening 62: Zij houden zich: Of, zij houden zich tegen mij gesloten; dat is, zij laten zich tegen mij niet blijken, gelijk in voortijden. Anders: houden zij zich tegen mij gesloten?
[^jesaja-63-16-63]: Kanttekening 63: U bent toch: Of, Werkelijk, U bent onze Vader.
[^jesaja-63-16-64]: Kanttekening 64: onze Verlosser: Dat is, U bent vanouds, of van eeuwigheid af onze Verlosser geweest.
[^jesaja-63-17-65]: Kanttekening 65: doet U: De gelovigen spreken hier van de meeste menigte van het volk. Van God wordt gezegd dat Hij de mensen doet dwalen en dat Hij hun harten verhardt, niet dat Hij enige dwaling instort, maar de mensen rechtvaardiglijk in hun verkeerden zin en aan de dwaalgeest overgeeft, die hun hart vet en hard maakt; Joh. 12:39 , 12:40 ; Rom. 11:8 ; 2 Thess. 2:11 ; maar de mensen verharden hun harten en dwalen af door de zonde te begaan; Ps. 95:8 , 95:10 . Johannes 12:39 : Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw gezegd heeft: Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepe slaap; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Psalmen 95:8 : Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk op de dag van Massa in de woestijn; Psalmen 95:10 : Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
[^jesaja-63-17-66]: Kanttekening 66: Of, verhardt. Het Hebreeuwse woord vindt men alleen hier en Job 39:19 . Job 39:19 : Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
[^jesaja-63-17-67]: Kanttekening 67: dat wij: Hebreeuws, van uwe vrees.
[^jesaja-63-17-68]: Kanttekening 68: Keer weer: Dat is, doe ons opnieuw goed.
[^jesaja-63-17-69]: Kanttekening 69: vanwege Uw knechten: Dat is, onzenthalve, die U tot uwe knechten hebt gekozen. Of, die uwe knechten zijn, ten aanzien van het verbond, dat U met Abraham, Izak en Jakob gemaakt hebt, hun belovende dat U de God van hun zaad zoudt wezen.
[^jesaja-63-17-70]: Kanttekening 70: de stammen: Te weten de twaalf stammen, in welke het volk van God afgedeeld was.
[^jesaja-63-17-71]: Kanttekening 71: Uws erfdeels: Dat is, die U tot uwe erve hebt aangenomen en bezit, gelijk Deut. 32:9 . Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve.
[^jesaja-63-18-72]: Kanttekening 72: het : Te weten uw land, het land Kanaän, dat U hun gegeven hadt. Of, uw heiligdom, gelijk hier straks volgt: zijnde zo het een als het ander tekenen van Gods gunst.
[^jesaja-63-18-73]: Kanttekening 73: maar een weinig tijds: Versta dit aldus, dat zij het maar een korte tijd in rust en in vrede bezeten hebben. Hiervan waren hun zonden de oorzaak, gelijk te zien is Deut. 11:8 , 11:9 , 11:17 . Deuteronomium 11:8 : Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat u gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven; Deuteronomium 11:9 : En opdat u de dagen verlengt in het land, dat YHWH uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honig. Deuteronomium 11:17 : Dat de toorn van YHWH tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluite, dat er geen regen zij, en de aarde zijn gewas niet geve; en u haastig omkomt van het goede land, dat u YHWH geeft.
[^jesaja-63-18-74]: Kanttekening 74: onze wederpartijders: Te weten de Babyloniërs.
[^jesaja-63-18-75]: Kanttekening 75: Uw heiligdom: Dat is, uw heilige tempel, bestaande naast de voorhoven, uit het heilige en het heilige van de heiligen.
[^jesaja-63-18-h]: Verwijzing h: Ps. 74:7 . Psalmen 74:7 : Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.
[^jesaja-63-19-76]: Kanttekening 76: Wij zijn: Te weten Uw volk, of die, over welke U heerst.
[^jesaja-63-19-77]: Kanttekening 77: Te weten vanwege onze zonden en overtredingen.
[^jesaja-63-19-78]: Kanttekening 78: die naar Uw Naam: Of, gelijk de Hebreeuwse woorden luiden, over welke uw naam niet is aangeroepen geworden. Zie deze manier van spreken Deut. 28:10 ; Jes. 4:1 ; Dan. 9:10 . Deuteronomium 28:10 : En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van YHWH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. Jesaja 4:1 : En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. Daniël 9:10 : En wij hebben de stem van YHWH, onze God, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.

### Jesaja 64

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/64.json)

*Het volk van God gaat voort met zijn gebed, dat het aan het eind van hoofdstuk 63 begonnen heeft, vers 1, terwijl het bidt dat God hen wil verlossen, zoals Hij vroeger gedaan heeft, 3, en zijn vuile zonden erkent en belijdt, 6, en zijn onwaardigheid, 8, terwijl het in het bijzonder bidt om de opbouw van Jeruzalem, 10.*

**1** [^jesaja-64-1-1] Och, dat U de hemelen[^jesaja-64-1-2] scheurde, dat U neerkwam, dat de bergen van Uw aangezicht[^jesaja-64-1-3] wegsmolten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v1)

**2** Gelijk[^jesaja-64-2-4] een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om[^jesaja-64-2-5] Uw Naam[^jesaja-64-2-6] aan Uw tegenstanders bekend te maken! Laat zo de heidenen voor Uw aangezicht beven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v2)

**3** [^jesaja-64-3-7] Toen U vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten;[^jesaja-64-3-8] U kwam neer, van Uw aangezicht smolten de bergen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v3)

**4** [^jesaja-64-4-9] Ja, van ouds heeft men het[^jesaja-64-4-a] niet gehoord, noch met oren vernomen,[^jesaja-64-4-10] en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God![^jesaja-64-4-11] wat Hij doen zal voor hem,[^jesaja-64-4-12] die op Hem wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v4)

**5** [^jesaja-64-5-13]U ontmoet[^jesaja-64-5-14] de vrolijke, en die gerechtigheid doet[^jesaja-64-5-15] aan hen, die aan U gedenken op Uw wegen; zie,[^jesaja-64-5-16] U was toornig, omdat wij gezondigd hebben; daarin[^jesaja-64-5-17] is de eeuwigheid,[^jesaja-64-5-18] opdat wij behouden werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v5)

**6** Maar wij allen zijn als een onreine, en[^jesaja-64-6-19] al onze gerechtigheden zijn[^jesaja-64-6-20] als een wegwerpelijk kleed; en[^jesaja-64-6-21][^jesaja-64-6-b] wij allen vallen af[^jesaja-64-6-22] als een blad, en onze[^jesaja-64-6-23] misdaden voeren ons heen weg als een wind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v6)

**7** En er is[^jesaja-64-7-24] niemand, die Uw Naam[^jesaja-64-7-25] aanroept, die zich opwekt,[^jesaja-64-7-26] dat hij U aangrijpe; want U[^jesaja-64-7-27] verbergt Uw aangezicht voor ons, en U doet ons smelten,[^jesaja-64-7-28] door middel van onze ongerechtigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v7)

**8** Maar nu, YHWH![^jesaja-64-8-29] U bent onze Vader; wij zijn leem, en U bent onze[^jesaja-64-8-30] pottenbakker, en wij allen zijn het werk van Uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v8)

**9** YHWH! wees niet zo zeer toornig, en gedenk[^jesaja-64-9-c] niet eeuwig de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v9)

**10** [^jesaja-64-10-31] Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden,[^jesaja-64-10-32] Jeruzalem een verwoesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v10)

**11** [^jesaja-64-11-33] Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden,[^jesaja-64-11-34] is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v11)

**12** YHWH! zou U Zich over deze dingen[^jesaja-64-12-35][^jesaja-64-12-36] inhouden, zou U stilzwijgen, en ons zozeer[^jesaja-64-12-37] bedrukken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/64.html#v12)

[^jesaja-64-1-1]: Kanttekening 1: dat U: Dit hangt nog aan Jes. 63:19 , zijnde een vervolg van het gebed van de kerk, dat God zijn hulp uit de hemel zou willen doen blijken, tot verderf van hun vijanden en tot hun verlossing, voornamelijk door de komst van de Messias in het vlees, waarop gezien wordt vers 4 . Jesaja 63:19 : Wij zijn geworden als die, over welke U van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd. Jesaja 64:4 : Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God! wat Hij doen zal die, die op Hem wacht.
[^jesaja-64-1-2]: Kanttekening 2: Te weten, ontstoken zijnde met ijver en grimmigheid, gelijk de naastvolgende woorden zulks breder aanwijzen, altegaar daartoe strekkende om God te bidden, dat Hij zich in glorie en macht zou willen openbaren, gelijk Hij deed toen Hij zijn wet gaf; Ex. 19 .
[^jesaja-64-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, dat zij mochten smelten en als water afvlieten, als verbaasd zijnde van de aanwezigheid van uw majesteit. Zie dergelijke zinnebeeldige manier van spreken Deut. 32:2 ; Richt. 5:4 , 5:5 , enz.; Ps. 18:8 , en Ps. 97:5 . Deuteronomium 32:2 : Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Richteren 5:4 : YHWH! toen U voorttoogt van Seïr, toen U daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. Richteren 5:5 : De bergen vervloten van het aangezicht van YHWH; zelfs Sinaï van het aangezicht van YHWH, van de God van Israël. Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde.
[^jesaja-64-2-4]: Kanttekening 4: een smeltvuur: Hebreeuws, een vuur van de smeltingen; dat is, gelijk een vuur dat wat men gieten wil doet smelten, en gelijk het vuur het water doet opbobbelen.
[^jesaja-64-2-5]: Kanttekening 5: Uw Naam: Dat is, uwe macht, met welke U u aan uwe vijanden wreekt.
[^jesaja-64-2-6]: Kanttekening 6: Uw wederpartijders: Dat is, de vervolgers van uw kerk, die U houdt voor uwe vijanden; vergelijk Hand. 9:4 . Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^jesaja-64-3-7]: Kanttekening 7: Toen U: Te weten, ten tijde onzer vaderen, zo in Egypte als in de woestijn.
[^jesaja-64-3-8]: Kanttekening 8: U kwaamt neder: Anders, opdat u nederkwaamt en de bergen voor uw aangezicht vervloten.
[^jesaja-64-4-9]: Kanttekening 9: Dit is voornamelijk te verstaan van de verborgenheden van het heilig Evangelie, onbekend en onbegrijpelijk in het verstand van de mensen, behalve dengenen, die God het door zijn Geest openbaart, gelijk de apostel Paulus dit is bewijzende uit deze plaats 1 Kor. 2:9 , 2:10 . 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben. 1 Korinthiërs 2:10 : Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
[^jesaja-64-4-a]: Verwijzing a: Ps. 31:19 ; idem v. 20 ; 1 Kor. 2:9 . Psalmen 31:19 : Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige, in hoogmoed en verachting. Psalmen 31:20 : O, hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat U gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de aanwezigheid van de mensenkinderen! 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben.
[^jesaja-64-4-10]: Kanttekening 10: en geen oog: Ja het is nooit in enig mensenhart of gedachte gekomen, gelijk de apostel betuigt 1 Kor. 2:9 . 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben.
[^jesaja-64-4-11]: Kanttekening 11: Hij doen zal die: Voor wat U doen zult, dat is, wat weldaden U doen zult. De apostel zegt: wat God bereid heeft, te weten het koninkrijk van de hemelen, dat zulk een grote heerlijkheid is, dat zij alle menselijke verstand verre tebovengaat.
[^jesaja-64-4-12]: Kanttekening 12: die op Hem wacht: De apostel verklaart deze woorden: voor degenen, die Hem liefhebben; want op God wachten is ene vrucht van de liefde. Vergelijk met deze plaats Ps. 31:20 . Psalmen 31:20 : O, hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat U gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de aanwezigheid van de mensenkinderen!
[^jesaja-64-5-13]: Kanttekening 13: U ontmoet: Te weten, met uwe genade en goedertierenheid, en van hun hulp, gelijk de engelen Jakob ontmoetten; Gen. 32:1 . Op andere plaatsen betekent het ene ontmoeting tot schade of kwetsing, gelijk Ex. 5:3 . Genesis 32:1 : Jakob toog ook zijn weegs; en de engelen van God ontmoetten hem. Exodus 5:3 : Zij dan zeiden: De God van de Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en YHWH, onze God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.
[^jesaja-64-5-14]: Kanttekening 14: de vrolijke: Die zich met vreugde begeven om U te dienen, of die zich in u verblijden.
[^jesaja-64-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, die U loven en prijzen vanwege uw wonderlijke regering en bescherming.
[^jesaja-64-5-16]: Kanttekening 16: U was toornig: En daarom hebt U ons geslagen.
[^jesaja-64-5-17]: Kanttekening 17: Te weten, uw wegen, wetten en wil; of in uwe genade en goedertierenheid, die U uw volk steeds bewijst.
[^jesaja-64-5-18]: Kanttekening 18: opdat wij: Dat is, zo wij in dezelfde hadden gewandeld, zouden wij behouden zijn geweest. Anders: Zie U was toornig, omdat wij altijd tegen dezelfde \[te weten, wegen\] hebben gezondigd, nochtans zijn wij behouden.
[^jesaja-64-6-19]: Kanttekening 19: al onze gerechtigheden: Dat is, al onze beste werken, of wat dat wij goeds zouden mogen gedaan hebben. Versta hierbij, als U het naar de strengheid van uw rechtvaardigheid zoudt willen onderzoeken, ons aanziende in ons eigen natuur, buiten Christus; zie Fil. 3:8 . Filippenzen 3:8 : Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer; vanwege Wien ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus mag winnen.
[^jesaja-64-6-20]: Kanttekening 20: als een wegwerpelijk kleed: Hebreeuws, als een kleed van de wegwerping; of als een vuil bezoedeld kleed; of een kleed van lompen en lappen samengeflikt. Zie integendeel hoedanigen wij zijn in Christus Jezus, Openb. 19:8 . Openbaring 19:8 : En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen.
[^jesaja-64-6-21]: Kanttekening 21: wij allen vallen af: Of, wij verwelken; te weten vanwege uw toorn tegen ons ontstoken, die wij met onze zonden veroorzaakt hebben. Zie Ps. 90:5 , 90:6 . Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort.
[^jesaja-64-6-b]: Verwijzing b: Ps. 90:5 ; idem v. 6 . Psalmen 90:5 : U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; Psalmen 90:6 : In de morgenstond bloeit het, en het verandert; van de avond wordt het afgesneden, en het verdort.
[^jesaja-64-6-22]: Kanttekening 22: als een blad: Vergelijk deze plaats met Judas 12; het tegendeel is Ps. 1:3 . Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^jesaja-64-6-23]: Kanttekening 23: Dit woord bevat niet alleen de misdaden, maar ook de straf derzelve.
[^jesaja-64-7-24]: Kanttekening 24: Dat is heel weinigen.
[^jesaja-64-7-25]: Kanttekening 25: Te weten met waar geloof en met oprecht berouw en leedwezen, gelijk het betaamt.
[^jesaja-64-7-26]: Kanttekening 26: dat hij U aangrijpe: Te weten om U terug te houden, dat U niet voortgaat met ons in uw toorn te slaan. Anders: die zich aan U vasthoudt.
[^jesaja-64-7-27]: Kanttekening 27: Zie Deut. 31:17 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^jesaja-64-7-28]: Kanttekening 28: door middel van onze ongerechtigheden: Of, door de kracht van onze ongerechtigheden. Hebreeuws, door de hand onzer ongerechtigheden (יָדְ). De zin is: Onze zonden hebben het vuur van uw toorn ontstoken, waardoor wij versmolten en verdelgd worden.
[^jesaja-64-8-29]: Kanttekening 29: U bent onze Vader: God is de Vader van alle mensen, in dat opzicht, dat Hij hen allen geschapen heeft; maar van zijn uitverkorenen ook daarom, omdat Hij hen uit genade tot kinderen heeft aangenomen. Zie Rom. 8:15 , 8:16 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.
[^jesaja-64-8-30]: Kanttekening 30: Of, formeerder, of die ons geformeerd heeft, ons hart formerende, gelijk een pottenbakker uit klei of leem een vat formeert.
[^jesaja-64-9-c]: Verwijzing c: Ps. 79:8 . Psalmen 79:8 : Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
[^jesaja-64-10-31]: Kanttekening 31: Uw heilige steden: Hebreeuws, de steden van uw heiligheid; te weten Zion en Jeruzalem, en versta hier, door Zion de stad van David, die het bovendeel van de stad Jeruzalem was, gebouwd op de berg Zion; en door Jeruzalem wordt het benedendeel van de stad verstaan. Of men kan door de heilige steden in het algemeen verstaan de steden van Juda, als zijnde steden van het heilige land en van Gods heilig volk, en verder Zion en Jeruzalem, gelijk volgt.
[^jesaja-64-10-32]: Kanttekening 32: Dat is, Jeruzalem is verwoest. Zie Ps. 79:1 . Psalmen 79:1 : Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel van Uw heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
[^jesaja-64-11-33]: Kanttekening 33: Ons heilig: Te weten de tempel, in welke de heilige godsdienst verricht werd en waar God zijn heerlijkheid en aanwezigheid zien liet. Zie 1 Kon. 8:13 , enz. 1 Koningen 8:13 : Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^jesaja-64-11-34]: Kanttekening 34: met vuur: Te weten van de Babyloniërs. Want het schijnt dat dit gebed door de profeet het volk is voorgeschreven geweest, om te spreken ten tijde van de Babylonische gevangenschap. Anders: is \[geëigend\] ten vure. Hebreeuws, is geworden tot verbranding van het vuur. De eerste tempel is verbrand door Nebukadnezar; 2 Kon. 25:9 ; de tweede door de keizer Titus. Zie Matt. 24:2 . 2 Koningen 25:9 : En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. Mattheüs 24:2 : En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet een steen op de andere steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
[^jesaja-64-12-35]: Kanttekening 35: over deze dingen: Te weten over deze ellendige staat van uw volk.
[^jesaja-64-12-36]: Kanttekening 36: Of, ophouden; te weten zonder wraak te doen over onze vijanden en zonder ons opnieuw te Jeruzalem te brengen, om de tempel te herbouwen en om uw heiligen godsdienst te herstellen?
[^jesaja-64-12-37]: Kanttekening 37: Of, nederslaan.

### Jesaja 65

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/65.json)

*Een profetie van de roeping van de heidenen, vers 1, en de verwerping van de Joden vanwege hun weerspannigheid en afgoderij, 2, en andere zonden, 4. Maar de boetvaardigen wordt beloofd dat zij gered zullen worden, 8, terwijl zij die de Heere verlaten zwaar bedreigd worden, 11. En de knechten van de Heere worden getroost, 13, in het bijzonder met de belofte van het eeuwige leven, 17, afgebeeld door het nieuwe Jeruzalem, 18, en andere beelden, 20 enzovoort.*

**1** Ik ben[^jesaja-65-1-1] gevonden van hen, die[^jesaja-65-1-2] naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden[^jesaja-65-1-3] van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk,[^jesaja-65-1-4] dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd:[^jesaja-65-1-5] Zie, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v1)

**2** Ik heb[^jesaja-65-2-6] Mijn handen uitgebreid, de hele dag tot een[^jesaja-65-2-7] opstandig volk, die wandelen[^jesaja-65-2-8] op een weg, die niet goed is,[^jesaja-65-2-9] naar hun eigen gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v2)

**3** Een volk,[^jesaja-65-3-10] Mij steeds tergende[^jesaja-65-3-11] in Mijn aangezicht,[^jesaja-65-3-12] in hoven offerende, en rokende[^jesaja-65-3-13] op bakstenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v3)

**4** Zittende[^jesaja-65-4-14] bij de graven, zo overnachten zij[^jesaja-65-4-15] bij degenen, die bewaard worden,[^jesaja-65-4-16] etende zwijnenvlees, en er is[^jesaja-65-4-17] sap van gruwelijke dingen in hun voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v4)

**5** Die daar[^jesaja-65-5-18] zeggen:[^jesaja-65-5-19] Houd u tot uzelf, en nader niet tot mij, want[^jesaja-65-5-20] ik ben[^jesaja-65-5-21] heiliger dan u. Deze[^jesaja-65-5-22] zijn een rook in Mijn neus, een vuur,[^jesaja-65-5-23] de hele dag brandende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v5)

**6** Zie,[^jesaja-65-6-24] het[^jesaja-65-6-25] is voor Mijn aangezicht geschreven;[^jesaja-65-6-26] Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja,[^jesaja-65-6-27] in hun boezem zal Ik vergelden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v6)

**7** Uw ongerechtigheden, en de ongerechtigheden van uw vaders tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en[^jesaja-65-7-28] Mij smaad aangedaan hebben op de heuvelen; daarom[^jesaja-65-7-29] zal Ik[^jesaja-65-7-30] hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v7)

**8** Zo zegt YHWH: Gelijk wanneer men nieuwe wijn in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze[^jesaja-65-8-32] niet, want er is[^jesaja-65-8-33] een zegen in; zo zal Ik het[^jesaja-65-8-34] omwille van Mijn knechten doen,[^jesaja-65-8-35] dat Ik hen niet allen verderve.[^jesaja-65-8-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v8)

**9** En Ik zal[^jesaja-65-9-36] zaad uit Jakob[^jesaja-65-9-37] voortbrengen, en uit Juda[^jesaja-65-9-38] een erfbezitter[^jesaja-65-9-39] van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen[^jesaja-65-9-40] zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen daar wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v9)

**10** En[^jesaja-65-10-41] Saron zal tot een schaapskooi worden, en[^jesaja-65-10-42] het dal van[^jesaja-65-10-43] Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v10)

**11** Maar u verlaters van YHWH,[^jesaja-65-11-44] u vergeters van de berg van Mijn heiligheid, u[^jesaja-65-11-45] aanrichters van een tafel voor die[^jesaja-65-11-46] bende, en[^jesaja-65-11-47] u opvullers van de[^jesaja-65-11-48] drank voor dat getal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v11)

**12** [^jesaja-65-12-49] Ik zal u ook ten zwaarde tellen, dat u allen u ter slachting[^jesaja-65-12-50] zult krommen, omdat Ik[^jesaja-65-12-51] geroepen heb, maar u hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar u hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt gekozen wat, waaraan Ik geen lust heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v12)

**13** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Zie, Mijn knechten[^jesaja-65-13-52] zullen eten, maar u zult hongeren; zie, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; zie, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn.[^jesaja-65-13-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v13)

**14** Zie, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar u zult schreeuwen van smart van het hart, en van verbreking van de geest zult u huilen.[^jesaja-65-14-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v14)

**15** En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en Adonai YHWH zal[^jesaja-65-15-55] u doden, maar Zijn knechten zal Hij met[^jesaja-65-15-56] een andere naam noemen;[^jesaja-65-15-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v15)

**16** Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen[^jesaja-65-16-58] in de God van de waarheid; en wie[^jesaja-65-16-59] zal zweren op aarde, die zal zweren bij de God van[^jesaja-65-16-60] de waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.[^jesaja-65-16-61][^jesaja-65-16-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v16)

**17** Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen[^jesaja-65-17-63] in het hart niet opkomen.[^jesaja-65-17-64][^jesaja-65-17-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v17)

**18** Maar wees u vrolijk, en verheugt u tot in de eeuwigheid in wat Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en[^jesaja-65-18-66] haar volk een vrolijkheid.[^jesaja-65-18-67][^jesaja-65-18-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v18)

**19** En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en[^jesaja-65-19-69] in haar zal niet meer gehoord worden[^jesaja-65-19-70] de stem van het gehuil, noch de stem van het geschreeuw.[^jesaja-65-19-71][^jesaja-65-19-72][^jesaja-65-19-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v19)

**20** Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven,[^jesaja-65-20-74] honderd jaar oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaar oud zijnde, zal vervloekt worden.[^jesaja-65-20-75][^jesaja-65-20-76][^jesaja-65-20-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v20)

**21** En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en van die vrucht eten.[^jesaja-65-21-78][^jesaja-65-21-79] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v21)

**22** Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten.[^jesaja-65-22-80][^jesaja-65-22-81][^jesaja-65-22-82] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v22)

**23** Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn[^jesaja-65-23-83] het zaad van de gezegenden van YHWH, en[^jesaja-65-23-84] hun nakomelingen met hen.[^jesaja-65-23-85][^jesaja-65-23-86][^jesaja-65-23-87] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v23)

**24** En het zal gebeuren, voordat zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.[^jesaja-65-24-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v24)

**25** De wolf en het lam zullen samen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en[^jesaja-65-25-89] stof zal het[^jesaja-65-25-90] voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn hele heilige berg, zegt YHWH.[^jesaja-65-25-91][^jesaja-65-25-92][^jesaja-65-25-93] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/65.html#v25)

[^jesaja-65-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws eigenlijk gezocht. Versta hierbij, en gevonden, gelijk er staat Rom. 10:20 . Dit spreekt de Heer, en het is ene profetie van de beroeping van de heidenen en de verwerping van de Joden. Zie deze manier van spreken, te weten zoeken voor zoeken en vinden, Pred. 3:6 , en vergelijk Gen. 12:15 . Romeinen 10:20 : En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Prediker 3:6 : Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen; Genesis 12:15 : Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^jesaja-65-1-2]: Kanttekening 2: die naar Mij niet vraagden: Hebreeuws, die niet vraagden.
[^jesaja-65-1-3]: Kanttekening 3: van degenen: Dat is, van de heidenen, die vreemd waren van het burgerschap van Israël, enz. Zie Ef. 2:12 . Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^jesaja-65-1-4]: Kanttekening 4: het volk: Versta hier ook de heidenen, die eertijds Gods volk niet genaamd werden. Zie Rom. 9:24 , 9:25 , 9:26 . Romeinen 9:24 : Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Romeinen 9:25 : Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Romeinen 9:26 : En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genaamd worden.
[^jesaja-65-1-5]: Kanttekening 5: Ziet, hier ben Ik: Dat is, ik bied mij tot uw bestaan, te weten in en door de predikatie van het heilig Evangelie.
[^jesaja-65-2-6]: Kanttekening 6: Mijn handen: Dat is, Ik heb de Joden door de predikatie van de profeten, en daarna door de apostelen, steeds laten roepen en onderwijzen, maar zij hebben het niet ter hart genomen. Als de Heilige Schrift zegt dat de mensen de handen uitbreiden of uitspreiden, dat betekent bidden, gelijk Ex. 9:29 , en 1 Kon. 8:22 . Zie de aantekening daar. Maar als er gezegd wordt dat God zijn handen uitspreidt, betekent het prediken, gelijk hier en Spreuk. 1:24 , zie de aantekening daar. Exodus 9:29 : Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor YHWH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet, dat de aarde van YHWH is! 1 Koningen 8:22 : En Salomo stond voor het altaar van YHWH, tegenover de gehele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel; Spreuken 1:24 : Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
[^jesaja-65-2-7]: Kanttekening 7: wederstrevig volk: Zie Jes. 1:23 . De apostel Paulus, de Griekse overzetters volgende, heeft: tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk, en hij zegt dat dit tot Israël gesproken is, Rom. 10:21 . Jesaja 1:23 : Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak van de weduwen komt voor hen niet. Romeinen 10:21 : Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
[^jesaja-65-2-8]: Kanttekening 8: een weg: Gelijk Ps. 36:5 . Het woord weg wordt somtijds in de Heilige Schrift gebruikt voor religie, gelijk Hand. 18:25 , 18:26 , en Hand. 22:4 . Psalmen 36:5 : Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes. Handelingen 18:26 : En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit. Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen.
[^jesaja-65-2-9]: Kanttekening 9: naar hun eigen : Daar staat Ps. 94:11 , dat de gedachten van de mensen de ijdelheid zelve zijn. Zie ook Ps. 81:13 . Psalmen 94:11 : YHWH weet de gedachten van de mensen, dat zij ijdelheid zijn. Psalmen 81:13 : Daarom heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.
[^jesaja-65-3-10]: Kanttekening 10: Mij geduriglijk: Te weten door hun afgoderij en gruwelen. Zie Deut. 32:16 . Deuteronomium 32:16 : Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
[^jesaja-65-3-11]: Kanttekening 11: in Mijn aangezicht: Dat is, openlijk, stoutelijk, onbeschaamd, het tegendeel van Gods verbod; Ex. 20:3 . Zie Job 1:11 . Exodus 20:3 : U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
[^jesaja-65-3-12]: Kanttekening 12: in hoven: Te weten onder de groene bomen, naar de wijze van de afgodendienaars. Zie Jes. 1:29 , en Jes. 66:17 . Jesaja 1:29 : Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt. Jesaja 66:17 : Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt YHWH.
[^jesaja-65-3-13]: Kanttekening 13: op tichelstenen: Dat is, op de afgodische altaren, die van tichelstenen gemaakt zijn, versmadende Gods gouden altaar, dat Salomo had laten maken, 1 Kon. 7:48 . 1 Koningen 7:48 : Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis van YHWH waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op die de toonbroden waren;
[^jesaja-65-4-14]: Kanttekening 14: bij de graven: Om de doden voor de levenden te vragen, Jes. 8:19 , dat een gruwel is voor God; Deut. 8:11 , 8:12 . Zie Jes. 2:6 , 2:8 , 2:19 . Jesaja 8:19 : Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen? Deuteronomium 8:11 : Wacht u, dat u YHWH, uw God, niet vergeet, dat u niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; Deuteronomium 8:12 : Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, Jesaja 2:6 : Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen van de vreemden tonen zij hun behagen. Jesaja 2:8 : Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neder, voor wat hun vingeren gemaakt hebben. Jesaja 2:19 : Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
[^jesaja-65-4-15]: Kanttekening 15: bij degenen: Dat is, naar sommiger mening, bij de afgoden, of beelden van de valse goden, die niet bewaarden, maar moesten bewaard en bewaakt worden, opdat zij niet zouden gestolen worden. Maar anderen verstaan het van de dode lichamen, die de zwarte kunstenaars plachten te bewaren, en bij nacht bij dezelfde te blijven om hun wat af vragen. Anders: zo overnachten zij in woeste plaatsen, of in bewaarde begraafplaatsen.
[^jesaja-65-4-16]: Kanttekening 16: Tegen Gods uitdrukkelijk verbod \[als zijnde onrein\]; Lev. 11:7 ; Deut. 14:8 . Leviticus 11:7 : Ook het zwijn, want dat verdeelt wel de klauw, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn. Deuteronomium 14:8 : Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun dood aas zult u niet aanroeren.
[^jesaja-65-4-17]: Kanttekening 17: Dat is, sop van het vlees van de verboden dieren, die voor de Heer een gruwel zijn als men ze eet. Anders: stukken van onrein, of stinkend, of verrot \[vlees\] is in hun vaten. Zie de aantekening Lev. 7:18 . Maar men moet hier onder de bovenverhaalde gruwelen verstaan allerlei overtreding van de wet van God. Leviticus 7:18 : Want zo enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.
[^jesaja-65-5-18]: Kanttekening 18: Te weten tot de profeet, die hen wil straffen en tot boete vermanen.
[^jesaja-65-5-19]: Kanttekening 19: Houd u tot uzelven: Dat is, blijf van mij en nader mij niet, bekommer u met uzelven.
[^jesaja-65-5-20]: Kanttekening 20: ik ben: Het zijn de woorden van de pochers en schijnheiligen, anderen trotserende, als zeer heilige mannen zijnde, daar zij toch geheel onrein waren; zie Spreuk. 30:12 ; Luk. 18:11 ; Rom. 2:17 , enz. Spreuken 30:12 : Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is; Lukas 18:11 : De Farizeër, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Romeinen 2:17 : Zie, u wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,
[^jesaja-65-5-21]: Kanttekening 21: Of, heilig, ten aanzien van u.
[^jesaja-65-5-22]: Kanttekening 22: zijn een rook: Dat is, zij zijn mij zeer moeilijk, daarom zal Ik hen in mijn toorn verdelgen. Anders: zij zijn een rook in mijn toorn; dat is, zij verdienen een grote straf, die hun ook overkomen zal in mijn toorn. Zo wordt rook voor grote straf genomen; Jes. 14:31 ; Openb. 18:9 , 18:18 , en Openb. 19:3 , en elders meer. Jesaja 14:31 : Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent gesmolten, u geheel Palestina! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten. Openbaring 18:9 : En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien; Openbaring 18:18 : En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk? Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.
[^jesaja-65-5-23]: Kanttekening 23: de gansen dag: Dat is, geduriglijk brandende. Zodat dit te verstaan is van het helse vuur, dat altijd brandt; Mark. 9:45 , 9:46 , 9:48 . Marcus 9:45 : En als uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in het dodenrijk, in het onuitblusselijk vuur; Marcus 9:46 : Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. Marcus 9:48 : Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
[^jesaja-65-6-24]: Kanttekening 24: Te weten het afgodisch wezen van de Joden, waarvan straks gesproken is.
[^jesaja-65-6-25]: Kanttekening 25: is voor Mijn aangezicht: Te weten opdat het niet vergeten worde; Ik zal het op zijn tijd wel straffen. Zie Ex. 17:14 ; Deut. 32:34 . Zie de aantekening daar en Jer. 17:1 . Exodus 17:14 : Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. Deuteronomium 32:34 : Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten? Jeremia 17:1 : De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen van uw altaren;
[^jesaja-65-6-26]: Kanttekening 26: Ik zal niet zwijgen: Versta dit zwijgen niet zozeer van met woorden te zwijgen, als metterdaad zich stil te houden; gelijk Richt. 18:9 . Zie de aantekening daar; zie ook de aantekening 1 Kon. 22:3 . Richteren 18:9 : En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt u dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen; 1 Koningen 22:3 : Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië.
[^jesaja-65-6-27]: Kanttekening 27: in hun boezem: Dat is overvloediglijk, met volle maat, gelijk Ps. 79 , zie de aantekening Ps. 79:12 . Psalmen 79:12 : En geef onze naburen zevenvoudig weer in hun schoot hun smaad, waarmee zij U, o Heer! gesmaad hebben.
[^jesaja-65-7-28]: Kanttekening 28: Mij smaadheid: Of, gehoond hebben, te weten met hun valsen godsdienst. Zie Ps. 106:20 , 106:21 . Psalmen 106:20 : En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. Psalmen 106:21 : Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
[^jesaja-65-7-29]: Kanttekening 29: zal Ik: Dat is, Ik zal hen straffen, gelijk zij wel verdiend hebben met mij tot toorn te verwekken.
[^jesaja-65-7-30]: Kanttekening 30: hun vorig werkloon: Of, het eerste loon; te weten dat zij met hun misdaden verdiend hebben. Zie Jes. 40:10 , en Jes. 62:11 . Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jesaja 62:11 : Ziet, YHWH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
[^jesaja-65-8-32]: Kanttekening 32: Te weten de druif.
[^jesaja-65-8-33]: Kanttekening 33: een zegen in: Dat is, goede wijn, komende van de zegen van de Heer, en waarvoor Hij te zegenen, of te loven en te bedanken is.
[^jesaja-65-8-34]: Kanttekening 34: om Mijn knechten: Dat is, om de godzaligen onder de Joden, die mij getrouwelijk dienen.
[^jesaja-65-8-35]: Kanttekening 35: dat Ik hen: Dat is, dat Ik het gehele volk niet verderve. Anders: opdat Ik het niet alles verderve.
[^jesaja-65-8-31]: Kanttekening 31: Hier geeft de Heer te kennen dat, gelijk wanneer iemand gezind is een wijnstok uit te roeien omdat hij geen goede vruchten draagt, nochtans dezelfde verschoont als hij enige goede druiven aan dezelfde vindt; zo zal de Heer het kleine overblijfsel van de Israëlieten sparen vanwege het klein getal van zijn uitverkorenen; vergelijk hiermede Jes. 17:6 , en Rom. 11:5 . Jesaja 17:6 : Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël. Romeinen 11:5 : Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade.
[^jesaja-65-9-36]: Kanttekening 36: zaad uit Jakob: Dat is, enige weinigen, gelijk Rom. 9:29 ; zie Jes. 1:9 met de aantekening. De zin is: Ik zal mijn kerk vermenigvuldigen en zegenen. Romeinen 9:29 : En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Als de Heer Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. Jesaja 1:9 : Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
[^jesaja-65-9-37]: Kanttekening 37: Of, uitvoeren; te weten vooreerst uit de Babylonische gevangenschap, en daarna uit de geestelijke gevangenis van de duivel.
[^jesaja-65-9-38]: Kanttekening 38: een erfbezitter: Dat is, een klein hoopje, dat de bergen bezit en bewoont.
[^jesaja-65-9-39]: Kanttekening 39: van Mijn bergen: Dat is, van het land Juda, dat bergachtig is; de kerken of gemeenten van de gelovigen, en daarna het rijk van de hemelen, worden door het bergachtig land Kanaän, in het bijzonder door de berg Zion, afgebeeld; zie Ez. 36:1 , enz. Ezechiël 36:1 : En u, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: U bergen Israëls! hoort het woord van YHWH.
[^jesaja-65-9-40]: Kanttekening 40: zullen het erfelijk: Te weten het land, gelijk Matt. 5:5 , of Jeruzalem; gelijk onder vers 19 . Mattheüs 5:5 : Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen de aarde beërven. Jesaja 65:19 : En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem van het gehuil, noch de stem van het geschreeuw.
[^jesaja-65-10-41]: Kanttekening 41: Dat is, hun kudden zullen in vruchtbare plaatsen weiden; met welke woorden te kennen wordt gegeven de overvloed van de zegeningen, die de kerk en een ieder lidmaat derzelve van God ontvangen zou. Want Saron was een vruchtbare en lustige vallei. Zie 1 Kron. 5:16 , en 1 Kron. 27:29 ; Hoogl. 2:1 ; Jes. 33:9 . 1 Kronieken 5:16 : En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen. 1 Kronieken 27:29 : En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai. Hooglied 2:1 : Ik ben een Roos van Saron, een Lelie van de dalen. Jesaja 33:9 : Het land treurt, het kweelt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud.
[^jesaja-65-10-42]: Kanttekening 42: het dal van Achor: Dit was ook een vruchtbaar dal, bij Jericho gelegen; zie Joz. 7:26 ; Hos. 2:14 . Jozua 7:26 : En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam dier plaats het dal van Achor, tot deze dag toe. Hosea 2:14 : En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen van haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland.
[^jesaja-65-10-43]: Kanttekening 43: tot een runderleger: Of, tot ene legerplaats van de runderen, of tot ene plaats waar het vee nederliggen en rusten zal.
[^jesaja-65-11-44]: Kanttekening 44: u vergeters: Of, u, die mijn heilige berg vergeet, dat is mijn tempel en de ware godsdienst, die in mijn tempel behoorde geoefend te worden. Hij spreekt de ongelovige Joden aan. Zie Rom. 10:21 ; zie ook Ps. 106:21 . Romeinen 10:21 : Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Psalmen 106:21 : Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
[^jesaja-65-11-45]: Kanttekening 45: De zin is: Nadat u uw afgodisch offer verricht hebt, zo zet u u aan de tafel en eet van zulke offeranden.
[^jesaja-65-11-46]: Kanttekening 46: Het Hebreeuwse woord betekent ene bende, een troep, een hoop, of legermacht; zie Gen. 30:11 ; enige verstaan hier de legermacht van de hemel, de zon, de maan en de sterren; vergelijk Jer. 7:18 , en Jer. 8:2 , en Jer. 19:13 . Anderen houden het woord Gad in de tekst, en verstaan daardoor de één Jupiter, de ander Mars, andere de fortuin, anderen de zon, anderen de gehele bende van de valse goden. Genesis 30:11 : Toen zei Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad. Jeremia 7:18 : De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen. Jeremia 8:2 : En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor de gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. Jeremia 19:13 : En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op de daken waarvan zij aan heel de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.
[^jesaja-65-11-47]: Kanttekening 47: u opvullers: Of, u vermengers; gelijk Spreuk. 23:30 . Spreuken 23:30 : Bij degenen, die bij de wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank na te zoeken.
[^jesaja-65-11-48]: Kanttekening 48: voor dat getal: Dat is, ter ere van de sterren, die in grote getale zijn. Hebreeuws, lameni. Dit behouden sommigen in de tekst, alsof het de naam van enige afgod ware. Anderen nemen het voor een zeker getal van sterren bij elkaar, en zetten het over: voorzoveel als men tellen kan; te weten aan zoveel afgoden als men zou kunnen tellen; dat is aan een zeer groot getal. Sommigen verstaan door dit woord de maan.
[^jesaja-65-12-49]: Kanttekening 49: Ik zal u: Of, welaan, Ik zal u tellen, enz. Dit ziet op het woord getal, vers 11 . De zin is: Welaan, omdat u u verzondigt aan het getal, zo zal Ik u ook straffen met getal, en zovelen als Ik er aftel, zullen er met het zwaard omkomen. Jesaja 65:11 : Maar u verlaters van YHWH, u vergeters van de berg van Mijn heiligheid, u aanrichters ener tafel voor die bende, en u opvullers van de drank voor dat getal!
[^jesaja-65-12-50]: Kanttekening 50: zult krommen: Dat is, u zult moeten neerbuigen en de hals uitstrekken voor degenen, die u doden zullen.
[^jesaja-65-12-51]: Kanttekening 51: geroepen heb: Te weten door de mond van mijn profeten, door welke Ik u mijn wil heb laten verkondigen. Vergelijk hiermede Spreuk. 1:24 ; Jer. 7:13 , 7:27 ; Jes. 66:4 , en Matt. 23:34 . Spreuken 1:24 : Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; Jeremia 7:13 : En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:27 : Ook zult u al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; u zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. Jesaja 66:4 : Ik zal ook verkiezen het loon van hun handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen dat waartoe Ik geen lust had. Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelfde zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelfde zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
[^jesaja-65-13-52]: Kanttekening 52: zullen eten: Versta hier door eten en drinken het genieten van de goede gaven Gods. Zie Ps. 36:9 ; zie ook Lev. 26:10 . Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten. Leviticus 26:10 : En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen.
[^jesaja-65-13-53]: Kanttekening 53: zullen drinken: Versta hier door eten en drinken het genieten van de goede gaven Gods. Zie Ps. 36:9 ; zie ook Lev. 26:10 . Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten. Leviticus 26:10 : En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen.
[^jesaja-65-14-54]: Kanttekening 54: van goeder hart: Hebreeuws, van goedheid van het hart (לֵב); dat is van vrolijkheid. Zie Richt. 16:25 . Richteren 16:25 : En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^jesaja-65-15-55]: Kanttekening 55: tot een vervloeking: Of, tot een eed. Dikwijls werden de eden gedaan met kwaadwensing, of met vervloeking. Num. 5:21 staat, een eed van de vervloeking, zie de aantekening daar. Het formulier van zulke eedvervloekingen was: de Heer stelle u als deze of die; gelijk te zien is Jer. 29:22 ; dat is, op u moeten komen die plagen en vervloekingen, die op deze of die gevallen zijn door Gods rechtvaardig oordeel. Zie integendeel het formulier van zegening bij deze of die, Gen. 48:20 . Numeri 5:21 : (Dan zal de priester die vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) YHWH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat YHWH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make; Jeremia 29:22 : En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; Genesis 48:20 : Zo zegende hij ze op die dag, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse.
[^jesaja-65-15-56]: Kanttekening 56: u doden: Dat is, een ieder onder u.
[^jesaja-65-15-57]: Kanttekening 57: een anderen naam: Dat is, zij zullen niet meer Israëlieten genoemd worden, maar Christenen, Hand. 11:26 . Zie Gen. 32:28 ; ook betekent somtijds een nieuwe naam een nieuwen en beteren staat, gelijk Jes. 62:2 ; zie de aantekening daar. Handelingen 11:26 : En het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de Gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië Christenen genaamd werden. Genesis 32:28 : Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. Jesaja 62:2 : En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en u zult met een nieuwen naam genoemd worden, welke de mond van YHWH uitdrukkelijk noemen zal.
[^jesaja-65-16-58]: Kanttekening 58: wie zich: Dat is, wie zichzelven alles goeds, heil en welvaart zal toewensen; zie Deut. 29:19 . Deuteronomium 29:19 : En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige.
[^jesaja-65-16-59]: Kanttekening 59: in de God: Dat is, in de ware, of in de gewisse God; anders: in de God Amen, of in de God van Amen, waarbij verstaan wordt onze Heer Jezus Christus, die de waarachtige God en het eeuwige leven is, 1 Joh. 5:20 ; en Hij wordt Amen genoemd Openb. 3:14 , en in Hem zullen alle geslachten van de aarde zichzelven zegenen; Gen. 22:18 . 1 Johannes 5:20 : Maar wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven. Openbaring 3:14 : En schrijf aan de engel van de Gemeente van de Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van God: Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^jesaja-65-16-60]: Kanttekening 60: Zweren is een deel van godsdienst. Zie Ps. 63:12 . Psalmen 63:12 : Maar de koning zal zich in God verblijden; een ieder, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond van de leugensprekers zal gestopt worden.
[^jesaja-65-16-61]: Kanttekening 61: bij de God: Dat is, in de ware, of in de gewisse God; anders: in de God Amen, of in de God van Amen, waarbij verstaan wordt onze Heer Jezus Christus, die de waarachtige God en het eeuwige leven is, 1 Joh. 5:20 ; en Hij wordt Amen genoemd Openb. 3:14 , en in Hem zullen alle geslachten van de aarde zichzelven zegenen; Gen. 22:18 . 1 Johannes 5:20 : Maar wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven. Openbaring 3:14 : En schrijf aan de engel van de Gemeente van de Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van God: Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^jesaja-65-16-62]: Kanttekening 62: de vorige: Dat is, zowel de ellenden, die mijn volk geleden heeft, als de oorzaken derzelve, te weten hun zonden.
[^jesaja-65-17-63]: Kanttekening 63: Ik schep: Hebreeuws, Ik ben scheppende; dat is, Ik ben gereed om te scheppen; zo ook vers 18 . De zin is: Ik zal alles in Christus vernieuwen, of Ik zal de hele staat van de kerk zo vernieuwen en verbeteren, alsof ik een nieuwen hemel en een nieuwe aarde schiep. Dit is wel ten dele geschied in de eerste komst van Christus, door de predikatie van het heilig Evangelie en de werking van de Heilige Geest, die aan de gelovigen van het Nieuwe Testament rijk is medegedeeld geworden, maar het zal eerst volkomenlijk gebeuren in de tweede toekomst van de Heer, als Hij zijn kerk in het hemelrijk opnemen zal; zie Jes. 66:22 ; 2 Petr. 3:13 ; Openb. 21:1 . Jesaja 65:18 : Maar weest u vrolijk, en verheugt u tot in eeuwigheid in wat Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. Jesaja 66:22 : Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont. Openbaring 21:1 : En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
[^jesaja-65-17-64]: Kanttekening 64: een nieuwe aarde: Dat is, de aardse heidenen zullen als nieuw gemaakt worden door de beroeping tot de kennis van het heilig Evangelie; zie Ps. 97:1 , en Ps. 98:3 , 98:4 ; Openb. 21:2 . Psalmen 97:1 : YHWH regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden. Psalmen 98:3 : Hij is gedachtig geweest aan Zijn goedertierenheid, en Zijn waarheid aan het huis van Israël; en al de einden van de aarde hebben gezien het heil van onze God. Psalmen 98:4 : Juicht YHWH, u gehele aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt. Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^jesaja-65-17-65]: Kanttekening 65: in het hart: Dat is, in gedachtenis; zie de aantekening Jer. 3:16 , en Jer. 7:31 . Jeremia 3:16 : En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden. Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jesaja-65-18-66]: Kanttekening 66: in wat: Of, \[over\] wat Ik schep. Anders: verheugt u in eeuwigheid, u die Ik nieuw schep; te weten in Christus Jezus. Zie Ps. 102:19 ; Ef. 2:10 . Psalmen 102:19 : Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal YHWH loven; Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen.
[^jesaja-65-18-67]: Kanttekening 67: Ik schep Jeruzalem: Dat is, Ik zal mijn kerk en alle ledematen derzelve met eeuwige en hemelse vreugde vervullen, want hier wordt gesproken van het hemelse Jeruzalem.
[^jesaja-65-18-68]: Kanttekening 68: haar volk: Te weten van het volk van de stad Jeruzalem.
[^jesaja-65-19-69]: Kanttekening 69: Ik zal Mij: Zie Jes. 62:5 . Jesaja 62:5 : Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn.
[^jesaja-65-19-70]: Kanttekening 70: over Jeruzalem: Dat is, vanwege. Vergelijk Deut. 28:63 . Deuteronomium 28:63 : En het zal gebeuren, gelijk als YHWH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich YHWH over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.
[^jesaja-65-19-71]: Kanttekening 71: over Mijn volk: Dat is, vanwege. Vergelijk Deut. 28:63 . Deuteronomium 28:63 : En het zal gebeuren, gelijk als YHWH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich YHWH over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.
[^jesaja-65-19-72]: Kanttekening 72: in haar: In Jeruzalem, te weten in het hemelse Jeruzalem.
[^jesaja-65-19-73]: Kanttekening 73: de stem van het gehuil: Want alle tranen zullen van hun ogen afgewist worden. Zie Jes. 25:8 , en Jes. 30:19 ; Openb. 7:17 , en Openb. 21:4 . Jesaja 25:8 : Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Jesaja 30:19 : Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; u zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden. Openbaring 7:17 : Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
[^jesaja-65-20-74]: Kanttekening 74: Van daar: Of, daaruit; te weten van of uit Jeruzalem.
[^jesaja-65-20-75]: Kanttekening 75: een zuigeling: Of, een zoogkind, gelijk Jes. 49:15 . Hebreeuws, een zuigeling van de dagen; dat is, een jong kind, of een kind dat een jaar oud zijnde sterft; want dagen betekent somtijds een jaar; gelijk 1 Sam. 2:19 , waar staat het offer van de dagen voor het jaarlijkse offer. Jesaja 49:15 : Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. 1 Samuël 2:19 : En zijn moeder maakte hem een kleinen rok, en bracht hem die van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren.
[^jesaja-65-20-76]: Kanttekening 76: zijn dagen niet zal: Te weten die dagen, die tot een gemenen ouderdom behoren.
[^jesaja-65-20-77]: Kanttekening 77: honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar: Hebreeuws, een honderd jaars zoon, of een zoon van honderd jaar (בֶּן). Zie de aantekening Gen. 5:32 . Zo straks, een zondaar een zoon van honderd jaar. Wat nu de zin van vers 20 betreft, die is geestelijk en schijnt deze te zijn: Die eeuw zal veel anders zijn dan nu; heden ten dage sterven er velen, nog kinderen zijnde; anderen wel enigermate oud zijnde, hetzij zestig of zeventig jaren, maar weinigen die hun vollen ouderdom beleven en tot hun honderd jaren komen; maar alsdan zal het met de enen gaan als met de anderen, met de jongelingen als met de ouden, zij allen zullen hun dagen vervullen. Dit bevestigt hij aldus: Want een jongeling honderd jaren oud zijnde, zal sterven; dat is, een kind zal geen kind sterven, maar het zal de vollen tijd van zijn leven vervullen; maar een zondaar van honderd jaren zal vervloekt worden; dat is, een kind zal in het rijk van Christus een gelukzalige volmaaktheid van het leven verkrijgen; maar in het rijk van de wereld zal een zondaar, als hij zal schijnen tot de volmaaktheid van het leven gekomen te zijn, vervloekt wezen. Anderen nemen het en verklaren het aldus: Vandaar zal het niet meer wezen een zuigeling \[of kindje\] van dagen, noch een oud man, wiens dagen niet zullen vervuld worden; maar een zondaar van honderd jaren zal vervloekt zijn; dat is, hoe langer hij leven zal, hoe meer hij aan de vloek zal onderworpen zijn. Genesis 5:32 : En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth. Jesaja 65:20 : Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.
[^jesaja-65-21-78]: Kanttekening 78: Te weten mijn knechten, vers 13 . Jesaja 65:13 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, maar u zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn.
[^jesaja-65-21-79]: Kanttekening 79: zullen huizen: Dat is, zij zullen met allerlei zegen Gods verheugd worden. Vergelijk Deut. 28:3 , enz., en Lev. 26:4 tot Lev. 26:13 . Maar onder de tijdelijken zegen, die God in de wet belooft, moet men hier en elders de geestelijken en eeuwigen zegen verstaan. Deuteronomium 28:3 : Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn in het veld. Leviticus 26:4 : Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven; Leviticus 26:13 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
[^jesaja-65-22-80]: Kanttekening 80: Zij zullen niet bouwen: vers 22 geeft te kennen dat zij van die vloeken, die de wet de ongehoorzamen dreigt, Deut. 28:30 , zullen bevrijd zijn. Jesaja 65:22 : Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten. Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken.
[^jesaja-65-22-81]: Kanttekening 81: als de dagen eens booms: Dat is, stijf, vast, bestendig; zie Ps. 52:10 , en Ps. 92:13 . Psalmen 52:10 : Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd. Psalmen 92:13 : De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon.
[^jesaja-65-22-82]: Kanttekening 82: Of, oud maken, of bestendig maken; dat is, zij zullen het lang genieten, omdat zij lang zullen leven.
[^jesaja-65-23-83]: Kanttekening 83: Of, tot ijdelheid. Zie Lev. 26:16 tot Lev. 26:20 . Leviticus 26:16 : Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. Leviticus 26:20 : En uw macht zal zinloos verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven.
[^jesaja-65-23-84]: Kanttekening 84: ter verstoring: Zo namelijk, dat hun kinderen van de vijanden zouden omgebracht of gevankelijk weggevoerd worden. Zie Deut. 28:32 , tot Deut. 28:41 . Deuteronomium 28:32 : Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken de gansen dag; maar het zal in het vermogen van uw hand niet zijn. Deuteronomium 28:41 : Zonen en dochters zult u winnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.
[^jesaja-65-23-85]: Kanttekening 85: want zij zijn: Of, maar zij zullen zijn.
[^jesaja-65-23-86]: Kanttekening 86: het zaad: Dat is, de kinderen.
[^jesaja-65-23-87]: Kanttekening 87: hun nakomelingen met hen: Dat is, hun kleinkinderen. Zie Jes. 44:3 . Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.
[^jesaja-65-24-88]: Kanttekening 88: voordat zij roepen: Want God weet wat wij nodig hebben voordat wij bidden; Matt. 6:8 . Zie Ps. 145:18 , en zie een exempel Gen. 24:15 . Mattheüs 6:8 : Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat u nodig hebt, voordat u Hem bidt. Psalmen 145:18 : Koph. YHWH is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in waarheid. Genesis 24:15 : En het geschiedde, voordat hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broer van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.
[^jesaja-65-25-89]: Kanttekening 89: De wolf: Dat is, de wrede boze mensen zullen veranderen en als kleine kinderen worden; zie Jes. 11:6 , 11:7 , 11:8 , 11:9 , en Matt. 18:3 . Jesaja 11:6 : En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. Jesaja 11:7 : De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. Jesaja 11:8 : En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. Jesaja 11:9 : Men zal nergens leed doen noch verderven op de gansen berg van Mijn heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Mattheüs 18:3 : En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan.
[^jesaja-65-25-90]: Kanttekening 90: te zamen weiden: Hebreeuws, als een.
[^jesaja-65-25-91]: Kanttekening 91: de leeuw: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een verscheurenden leeuw.
[^jesaja-65-25-92]: Kanttekening 92: stof zal: De zin is: De slang zal in haar holen verborgen blijven en zal niemand schade zoeken te doen, maar zal tevreden zijn met stof te eten, gelijk God haar verordineerd heeft; Gen. 3:14 . Genesis 3:14 : Toen zei YHWH God tot die slang: Omdat u dit gedaan hebt, zo bent u vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte van het veld! Op uw buik zult u gaan, en stof zult u eten, al de dagen uws levens.
[^jesaja-65-25-93]: Kanttekening 93: Hebreeuws, haar brood (לַחְמ).

### Jesaja 66

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jesaja/66.json)

*De Heere bestraft de Joden die zich op de uiterlijke tempel verlieten, vers 1, en wijst aan wie Hem behagen, 2. Dreiging over de weerspannigen, 4. Daarna troost Hij de godvrezenden, 5. De Heere belooft dat Hij zijn kerk zal vermeerderen en zegenen, 7, tot vreugde en blijdschap van haar liefhebbers, 10. Maar haar vijanden zal Hij vernietigen, 15. Over de roeping van de heidenen, 18, en de helse straf van de goddelozen, 24.*

**1** Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten;[^jesaja-66-1-2] waar zou dat huis zijn, dat u Mij zou bouwen, en[^jesaja-66-1-3] waar is de plaats van Mijn rust?[^jesaja-66-1-a][^jesaja-66-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v1)

**2** [^jesaja-66-2-4] Want Mijn[^jesaja-66-2-5] hand heeft al deze dingen gemaakt,[^jesaja-66-2-6] en al deze dingen[^jesaja-66-2-7] zijn geweest, spreekt YHWH; [^jesaja-66-2-8] maar op deze zal Ik zien, op de[^jesaja-66-2-9] arme en[^jesaja-66-2-10] verslagene van geest, en[^jesaja-66-2-11] die voor Mijn woord beeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v2)

**3** Wie een os[^jesaja-66-3-12] slacht,[^jesaja-66-3-13] slaat een man; wie een lam offert,[^jesaja-66-3-14] breekt een hond de hals; wie voedseloffer offert, is[^jesaja-66-3-15] als die zwijnenbloed offert; wie[^jesaja-66-3-16] wierook brandt als gedenkoffer, is als die[^jesaja-66-3-17] een afgod[^jesaja-66-3-18] zegent.[^jesaja-66-3-19] Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust[^jesaja-66-3-20] aan hun gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v3)

**4** [^jesaja-66-4-21] Ik zal ook verkiezen het[^jesaja-66-4-22] loon van hun handelingen, en[^jesaja-66-4-23] hun vrees zal Ik over hen doen komen,[^jesaja-66-4-b] omdat[^jesaja-66-4-24] Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar[^jesaja-66-4-c] deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen wat, waartoe Ik geen lust had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v4)

**5** [^jesaja-66-5-25] Hoor het woord van YHWH, u, die voor Zijn woord beeft![^jesaja-66-5-26] Uw broers, die u haten, die u verre[^jesaja-66-5-27] afzonderen,[^jesaja-66-5-28] omwille van Mijn Naam,[^jesaja-66-5-29] zeggen:[^jesaja-66-5-30][^jesaja-66-5-d] Dat YHWH heerlijk worde![^jesaja-66-5-31] Maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v5)

**6** Er zal[^jesaja-66-6-32] een stem van een groot[^jesaja-66-6-33] rumoer uit de[^jesaja-66-6-34] stad zijn, een stem uit de tempel, de stem van YHWH, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v6)

**7** Voordat[^jesaja-66-7-35] zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij[^jesaja-66-7-36] van een jongetje verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v7)

**8** Wie heeft ooit dat gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou[^jesaja-66-8-37] een land kunnen geboren worden[^jesaja-66-8-38] op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar[^jesaja-66-8-39] Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft[^jesaja-66-8-40] haar zonen gebaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v8)

**9** [^jesaja-66-9-41] Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt YHWH; zou Ik, Die genereer, voortaan[^jesaja-66-9-42] toesluiten? zeg uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v9)

**10** Verblijd[^jesaja-66-10-43] u[^jesaja-66-10-44] met Jeruzalem, en verheugt u[^jesaja-66-10-45] over haar, al haar liefhebbers![^jesaja-66-10-46] Wees vrolijk over haar met vreugde, u allen, die over haar[^jesaja-66-10-47] bent treurig geweest! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v10)

**11** [^jesaja-66-11-48] Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten[^jesaja-66-11-49] van haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten[^jesaja-66-11-50] met de glans van haar heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v11)

**12** Want zo zegt YHWH: Zie, Ik zal[^jesaja-66-12-51] de vrede[^jesaja-66-12-52] over haar uitstrekken[^jesaja-66-12-53] als een rivier, en[^jesaja-66-12-54] de heerlijkheid van de heidenen als een overlopende beek; dan zult[^jesaja-66-12-55] u[^jesaja-66-12-56] zuigen; u zult[^jesaja-66-12-57][^jesaja-66-12-e] op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk[^jesaja-66-12-58] getroeteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v12)

**13** Als een, die zijn moeder troost, zo[^jesaja-66-13-59] zal Ik u troosten; ja, u zult[^jesaja-66-13-60] te Jeruzalem getroost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v13)

**14** En[^jesaja-66-14-61] u zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en[^jesaja-66-14-62] uw beenderen zullen groenen[^jesaja-66-14-63] als het tedere gras; dan zal[^jesaja-66-14-64] de hand van YHWH bekend worden[^jesaja-66-14-65] aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden[^jesaja-66-14-66] gram worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v14)

**15** Want zie, YHWH zal[^jesaja-66-15-67] met vuur komen, en Zijn[^jesaja-66-15-68] wagens als een wervelwind; om met woede[^jesaja-66-15-69] Zijn toorn hiertoe[^jesaja-66-15-70] te wenden, en[^jesaja-66-15-71] Zijn bestraffing met vuurvlammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v15)

**16** Want met[^jesaja-66-16-72] vuur,[^jesaja-66-16-73] en met[^jesaja-66-16-74] Zijn zwaard zal YHWH in het recht treden[^jesaja-66-16-75] met alle vlees; en de verslagenen van YHWH zullen vermenigvuldigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v16)

**17** [^jesaja-66-17-76] Die[^jesaja-66-17-77] zichzelf heiligen, en zichzelf reinigen[^jesaja-66-17-78] in de hoven,[^jesaja-66-17-79] achter één[^jesaja-66-17-80] in het midden daarvan,[^jesaja-66-17-81] die zwijnenvlees eten, en gruwel, en muizen; samen zullen zij[^jesaja-66-17-82] verteerd worden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v17)

**18** [^jesaja-66-18-83] Hun werken en hun gedachten![^jesaja-66-18-84] Het komt,[^jesaja-66-18-85] dat Ik verzamelen zal alle heidenen en[^jesaja-66-18-86] tongen, en zij zullen komen, en zij zullen[^jesaja-66-18-87] Mijn heerlijkheid[^jesaja-66-18-88] zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v18)

**19** En Ik zal[^jesaja-66-19-89] een teken aan hen zetten, en uit hen,[^jesaja-66-19-90] die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen[^jesaja-66-19-91] naar[^jesaja-66-19-92] Tarsis, Pul, en[^jesaja-66-19-93] Lud,[^jesaja-66-19-94] de boogschutters,[^jesaja-66-19-95] naar Tubal en[^jesaja-66-19-96] Javan, tot de ver gelegen eilanden, die[^jesaja-66-19-97] Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en[^jesaja-66-19-98] zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v19)

**20** En zij zullen al uw[^jesaja-66-20-99] broers uit alle heidenen aan YHWH als voedseloffer[^jesaja-66-20-100] brengen,[^jesaja-66-20-101] op paarden, en op wagens, en[^jesaja-66-20-102] op rosbaren, en op muildieren, en[^jesaja-66-20-103] op snelle lopers,[^jesaja-66-20-104] naar Mijn heilige berg toe,[^jesaja-66-20-105] naar Jeruzalem, zegt YHWH, zoals de Israëlieten het voedseloffer in een rein voorwerp brengen in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v20)

**21** En ook zal[^jesaja-66-21-106] Ik daaruit enige[^jesaja-66-21-107]n tot priesters en tot Levieten nemen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v21)

**22** Want zoals[^jesaja-66-22-108] die[^jesaja-66-22-f] nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal[^jesaja-66-22-109] ook uw zaad en uw naam staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v22)

**23** En het zal gebeuren, dat[^jesaja-66-23-110] van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat[^jesaja-66-23-111] tot de andere,[^jesaja-66-23-112] alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v23)

**24** En[^jesaja-66-24-113] zij zullen heen uitgaan, en zij zullen[^jesaja-66-24-114] de dode lichamen van de mensen[^jesaja-66-24-115] zien, die tegen Mij overtreden hebben; want[^jesaja-66-24-116][^jesaja-66-24-g] hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen[^jesaja-66-24-117] alle vlees[^jesaja-66-24-118] een afgrijzing wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jesaja/66.html#v24)

[^jesaja-66-1-2]: Kanttekening 2: waar zou dat huis zijn: Alsof hij zei: U moet niet menen dat Ik in een tempel kan besloten worden. Vele Joden te die tijde meenden dat zij genoeg deden als zij God in de tempel, aan welke zij Hem voornamelijk hielden verbonden, dienden met de uiterlijke godsdienst van Hem bevolen, al leefden zij niet naar al zijn geboden, maar hun leven goddeloos aanstelden. Maar deze bestraffing van de uiterlijke godsdienst van de Joden moet men zo verstaan, dat daaronder mee geprofeteerd is van de afschaffing van de ceremoniën van het Oude Testament.
[^jesaja-66-1-3]: Kanttekening 3: waar is de plaats van Mijn rust: Of, welke is de plaats van mijn rust; gelijk Hand. 7:49 . De tabernakel en de tempel worden genoemd de rust van de Heer, 1 Kron. 28:2 ; 2 Kron. 6:41 , en Ps. 132:8 . Zie de aantekening daar. Maar van het nieuwe of hemelse Jeruzalem wordt er gezegd, Openb. 21:22 : Ik zag een tempel daarin, want de Heer de almachtige God is hun tempel, en het Lam, en nu is de tijd, dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in de geest en in de waarheid aan geen plaats gebonden zijnde; Joh. 4:21 , 4:23 . Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank van Mijn voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats van Mijn ruste? 1 Kronieken 28:2 : En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. 2 Kronieken 6:41 : En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn. Psalmen 132:8 : Sta op, YHWH! tot Uw rust, U en de ark van Uw sterkte! Openbaring 21:22 : En ik zag geen tempel in haar; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. Johannes 4:21 : Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Johannes 4:23 : Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden.
[^jesaja-66-1-a]: Verwijzing a: 1 Kon. 8:27 ; 2 Kron. 6:18 ; Hand. 7:48 ; idem 7:49 ; Hand. 17:24 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Kronieken 6:18 : Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb? Handelingen 7:48 : Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt: Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijn voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijn ruste? Handelingen 17:24 : De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
[^jesaja-66-1-1]: Kanttekening 1: De hemel: Zie de aantekening 1 Kon. 8:27 ; 2 Kron. 6:18 ; Hand. 7:48 , 7:49 , en Hand. 17:24 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 2 Kronieken 6:18 : Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb? Handelingen 7:48 : Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt: Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank van Mijn voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats van Mijn ruste? Handelingen 17:24 : De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
[^jesaja-66-2-4]: Kanttekening 4: Want Mijn: Dit wordt Hand. 7:50 vragenderwijze gesteld: Heeft niet mijn hand dit alles gemaakt? Handelingen 7:50 : Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
[^jesaja-66-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, macht.
[^jesaja-66-2-6]: Kanttekening 6: en al deze dingen: Of, zo, daarom, daarom.
[^jesaja-66-2-7]: Kanttekening 7: zijn geweest: Dat is, bestaan, te weten door mijn kracht. Zie Job 41:2 , en Ps. 119:91 , of zijn, is te zeggen blijven; gelijk Ex. 24:12 ; Ruth 1:2 ; Ps. 64:8 ; Dan. 1:21 . Zie Ps. 37:18 . Job 41:2 : Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de ganse hemel is, is het Mijne. Psalmen 119:91 : Naar Uw bepalingen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten. Exodus 24:12 : Toen zei YHWH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. Ruth 1:2 : De naam nu van deze man was Elimelech, en de naam van zijn huisvrouw Naomi, en de naam van zijn twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven daar. Psalmen 64:8 : Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er. Daniël 1:21 : En Daniël bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe. Psalmen 37:18 : Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jesaja-66-2-8]: Kanttekening 8: maar op deze zal Ik zien: Of, maar wie zal Ik aanschouwen? dat is, wie zal Ik genadig zijn? dat is, mijn gunst en hulp laten genieten?
[^jesaja-66-2-9]: Kanttekening 9: En die zijn armoede bekent, namelijk zijn geestelijke armoede, dat is de ontbering van gerechtigheid.
[^jesaja-66-2-10]: Kanttekening 10: Vanwege het gevoelen of de kennis van zijn zonden. Zie Ps. 34:19 , en Ps. 35:15 , en Ps. 51:19 , en Jes. 57:15 , 57:18 . Vergelijk Matt. 5:3 , en 1 Petr. 3:4 . Psalmen 34:19 : Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. Psalmen 35:15 : Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Psalmen 51:19 : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten. Jesaja 57:15 : Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden. Jesaja 57:18 : Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen. Mattheüs 5:3 : Zalig zijn de armen van geest; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. 1 Petrus 3:4 : Maar de verborgen mens van het hart, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.
[^jesaja-66-2-11]: Kanttekening 11: die voor Mijn woord beeft: Dat is, die mijn majesteit en hoogheid in zulke achting heeft, dat hij vreest en beeft voor mijn geboden, dezelfde met kinderlijke vrees en eerbieding ontvangende en zich onderwerpende. Vergelijk Ezra 9:4 , en Ezra 10:3 , onder vers 5 ; Hos. 11:10 , 11:11 . Zie ook Ex. 19:16 ; Job 37:1 . Ezra 9:4 : Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van de God van Israël beefden, om de overtreding van de weggevoerden; maar ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer. Ezra 10:3 : Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van YHWH, en dergenen, die beven voor het gebod van onze God; en laat er gedaan worden naar de wet. Jesaja 66:5 : Hoort het woord van YHWH, u, die voor Zijn woord beeft! Uw broers, die u haten, die u verre afzonderen, vanwege Mijn Naam, zeggen: Dat YHWH heerlijk worde! Maar Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. Hosea 11:10 : Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Hosea 11:11 : Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH. Exodus 19:16 : En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Job 37:1 : Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
[^jesaja-66-3-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, keelt; te weten ter offerande, te weten zonder erkentenis van zijn zonden en zonder geloof. Of, ook die het uiterlijk doet ten tijde van het Nieuwe Testament. Zie Jes. 1:11 ; Hebr. 10:1 , 10:4 , 10:11 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Hebreeën 10:1 : Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. Hebreeën 10:4 : Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Hebreeën 10:11 : En iedere priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;
[^jesaja-66-3-13]: Kanttekening 13: slaat een man: Of, verslaat; dat is doodt enen man. De zin is: Dat is mij zo onaangenaam, ja men vertoornt er mij zozeer mee, alsof hij een man versloeg.
[^jesaja-66-3-14]: Kanttekening 14: breekt een hond de hals: Dat is, hij is als een, die een hond de hals breekt, of onthalst, of de nek afsnijdt; te weten om mij die te offeren, gelijk Deut. 21:4 . En versta hier onder de naam van hond alle onreine dieren, die te offeren in de wet verboden waren. Deuteronomium 21:4 : En de oudsten derzelver stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe daar in het dal de nek doorhouwen.
[^jesaja-66-3-15]: Kanttekening 15: Zie Lev. 11:7 , 11:8 , 11:26 ; Deut. 14:8 ; alwaar niet alleen verboden wordt zwijnevlees te eten, maar de Joden mochten het niet aanroeren zonder zich te onreinigen. Leviticus 11:7 : Ook het zwijn, want dat verdeelt wel de klauw, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn. Leviticus 11:8 : Van hun vlees zult u niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn. Leviticus 11:26 : Alle beest, dat de klauw verdeelt, maar de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelfde aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn. Deuteronomium 14:8 : Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun dood aas zult u niet aanroeren.
[^jesaja-66-3-16]: Kanttekening 16: wierook brandt: Te weten ter gedachtenis. Zie de aantekening Lev. 2:2 . Hebreeuws, die ene gedachtenis van wierook of reukwerk maakt. Leviticus 2:2 : En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH.
[^jesaja-66-3-17]: Kanttekening 17: een afgod: Zie van het Hebreeuwse woord 1 Sam. 15:23 . 1 Samuël 15:23 : Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn.
[^jesaja-66-3-18]: Kanttekening 18: Of looft; dat is dankt, alsof hij een ware god ware.
[^jesaja-66-3-19]: Kanttekening 19: Deze verkiezen ook hun wegen: De zin is: Zij treden niet op de wegen, die Ik hun heb voorgeschreven, maar zij verkiezen zichzelven wegen, dat is wijzen en manieren van godsdienst, of hun boze lusten en kwade begeerlijkheden.
[^jesaja-66-3-20]: Kanttekening 20: aan hun verfoeiselen: Dat is, aan hun afgoderijen en ceremoniën, die mij een gruwel zijn. Zie 2 Kron. 15:8 ; Ez. 20:7 , met de aantekening. 2 Kronieken 15:8 : Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was. Ezechiël 20:7 : En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^jesaja-66-4-21]: Kanttekening 21: Ik zal ook: Alsof God zei: Hebben zij hun wegen gekozen en ingegaan, Ik zal ook kiezen wat Ik doen zal.
[^jesaja-66-4-22]: Kanttekening 22: het loon : Anders: Ik zal ook hun veranderlijkheden kiezen; dat is, Ik zal hen ook straffen vanwege hun huichelarij, en zal hen hier en daar doen draven en in de gevangenis doen gaan. Anders, om hun bespottingen wil; dat is, Ik zal hun boosheid en huichelarij ontdekken, met welke zij mij de ogen menen te verblinden.
[^jesaja-66-4-23]: Kanttekening 23: hun vreze: Te weten de macht van de Chaldeën en andere vijanden, waar zij voor vrezen. Zie Job 39:25 . Job 39:25 : Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw vanwege het zwaard.
[^jesaja-66-4-b]: Verwijzing b: Spreuk. 1:24 ; Jer. 7:13 . Spreuken 1:24 : Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; Jeremia 7:13 : En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jesaja-66-4-24]: Kanttekening 24: Ik geroepen heb: Zie Spreuk. 1:24 ; Jes. 50:2 , en Jes. 56:12 ; Jer. 7:13 . Spreuken 1:24 : Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. Jesaja 56:12 : Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker. Jeremia 7:13 : En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jesaja-66-4-c]: Verwijzing c: Jes. 65:12 . Jesaja 65:12 : Ik zal u ook ten zwaarde tellen, dat u allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar u hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar u hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt gekozen wat, waaraan Ik geen lust heb.
[^jesaja-66-5-25]: Kanttekening 25: Hoort het woord van YHWH: Hier spreekt nu God, of de profeet, de godzalige Israëlieten aan, die ten tijde van de profeten geweest zijn, en die daarna ten tijde van Christus in Hem zouden geloven, en daarom van hun broers naar het vlees zouden gehaat en vervolgd worden.
[^jesaja-66-5-26]: Kanttekening 26: Uw broers: Te weten valse broer, huichelaars.
[^jesaja-66-5-27]: Kanttekening 27: Of, afscheiden, afkerig van u zijn, u onwaardig van hun gezelschap achtende. Zie Jes. 65:5 . Jesaja 65:5 : Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan u. Deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur, de ganse dag brandende.
[^jesaja-66-5-28]: Kanttekening 28: vanwege Mijn Naam: Dat is, omdat u de ware religie belijdt, die Ik u te onderhouden gegeven heb ter ere van mijn naam.
[^jesaja-66-5-29]: Kanttekening 29: Te weten spottende met de dreigementen, die de Heer door zijn profeten laat verkondigen.
[^jesaja-66-5-30]: Kanttekening 30: Dat YHWH heerlijk worde: Alsof zij zeiden: Dat de Heer zijn macht aan ons bewijze met zijn straffen, waarmee u ons dreigt. Dit spreken die goddeloze mensen spottenderwijze, verwerpende onheiliglijk al de dreigementen en beloften, die de Heer door zijn profeten deed. Vergelijk Jes. 5:19 . Jesaja 5:19 : Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen!
[^jesaja-66-5-d]: Verwijzing d: Jes. 5:19 . Jesaja 5:19 : Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!
[^jesaja-66-5-31]: Kanttekening 31: Maar Hij zal verschijnen …: Of, werkelijk, Hij \[te weten de Heer\] zal verschijnen; dat is, Hij zal gewisselijk komen, tot ulieder \[te weten van de godzaligen\] vreugde, maar zij \[te weten de goddelozen\] zullen beschaamd worden; dat is, Ik zal hen straffen en te schande maken, zonder dat de valse goden, op wie zij hun vertrouwen zetten, hen zullen kunnen verlossen.
[^jesaja-66-6-32]: Kanttekening 32: een stem: Anders: het geluid van een gekraak.
[^jesaja-66-6-33]: Kanttekening 33: uit de stad: Te weten Jeruzalem.
[^jesaja-66-6-34]: Kanttekening 34: Dat is, gehoord worden. Sommigen verstaan de woorden van vers 6 aldus: Daar zal een alarm en weeklacht gehoord worden, als de Chaldeën zullen komen om de stad Jeruzalem en de tempel te verstoren; dit zal zijn de stem van de Heer, die de Chaldeën roepen of verwekken zal om de boze Joden te straffen. Anderen nemen deze woorden aldus: De stem van de leraren van het heilig Evangelie, die hun stem als ene bazuin verheffen zullen, zal uit Jeruzalem voortgaan en uit de tempel gehoord worden, Jes. 2:3 , zijnde een genaderijke stem voor de uitverkorenen, maar onaangenaam voor de vijanden Gods, 2 Kor. 2:15 , 2:16 . Jesaja 66:6 : Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit de tempel, de stem van YHWH, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. 2 Korinthiërs 2:15 : Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 2:16 : Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?
[^jesaja-66-7-35]: Kanttekening 35: zij barensnood had: Te weten Zion, vers 8 ; dat is de kerk van God; en, voordat zij barensnood of weeën had, heeft zij gebaard; dat is, de kerk van Christus zal snel en onverhoeds aanwassen, doordien haastig, boven verwachting, velen uit de heidenen het Evangelie zullen aannemen,, die hun tot kinderen van God zullen geboren worden; zie Hand. 2:41 :47, en Hand. 12:24 . De heidenen zijn bij grote menigten in plaats van de goddeloze en ongelovige Joden tot de gemeente van Christus gekomen; zie Hand. 11:18 , 11:23 . Jesaja 66:8 : Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 12:24 : En het Woord van God wies, en vermenigvuldigde. Handelingen 11:18 : En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering gegeven ten leven! Handelingen 11:23 : Die, daar gekomen zijnde, en de genade van God ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen van het hart bij de Heer zouden blijven.
[^jesaja-66-7-36]: Kanttekening 36: een knechtje: Dat is, van een groot en machtig volk, dat vers 8 , haar zonen genoemd wordt; en Ex. 4:22 , wordt Gods volk genaamd Gods zoon en de eerstgeborene. Vergelijk hiermede Openb. 12:5 . Jesaja 66:8 : Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. Exodus 4:22 : Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Openbaring 12:5 : En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.
[^jesaja-66-8-37]: Kanttekening 37: een land: Dat is, de inwoners van een land, een land vol volk.
[^jesaja-66-8-38]: Kanttekening 38: op een enige dag: Dat is, plotseling, in een korte tijd.
[^jesaja-66-8-39]: Kanttekening 39: Dat is, Zion heeft haar kinderen gebaard zo haast als haar de weeën of barensnood is aangekomen, zulks is geschied als de predikatie van het heilig Evangelie haastig is aangenomen geworden.
[^jesaja-66-8-40]: Kanttekening 40: haar zonen gebaard: Versta dit van een groot getal van de heidenen, die door het geloof van Christus aangewonnen zijn. Zie vers 7 . Jesaja 66:7 : Voordat zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.
[^jesaja-66-9-41]: Kanttekening 41: Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren: Of aldus: Zou Ik \[anderen\] de baarmoeder openbreken, en niet maken dat \[Zion\] zou baren? Of aldus: Zou Ik tot de geboorte brengen en niet doen baren? dat is, zou Ik een volk ten Evangelie bereiden, en gene genade geven om het te ontvangen, belijden en beleven? Vergelijk Jes. 37:3 . Jesaja 37:3 : En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
[^jesaja-66-9-42]: Kanttekening 42: Dat is, onvruchtbaar blijven of laten blijven. Zie Gen. 16:2 , en Gen. 20:17 , 20:18 . Genesis 16:2 : Zo zei Sarai tot Abram: Zie toch, YHWH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai. Genesis 20:17 : En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden. Genesis 20:18 : Want YHWH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
[^jesaja-66-10-43]: Kanttekening 43: O u gelovige kinderen van God, u nieuwgeboren Christenen, van wier geboorte gesproken is vers 8 . Jesaja 66:8 : Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard.
[^jesaja-66-10-44]: Kanttekening 44: met Jeruzalem: Dat is, met de kerk van God, het geestelijke Jeruzalem, dat de Heer weer herbouwd en zeer vermeerderd heeft, door de beroeping van de heidenen.
[^jesaja-66-10-45]: Kanttekening 45: over haar: Of, met haar, of in haar; dat is harenthalve.
[^jesaja-66-10-46]: Kanttekening 46: Weest vrolijk: Dat is, weest hartelijk verblijd, gelijk Matt. 2:10 . Mattheüs 2:10 : Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
[^jesaja-66-10-47]: Kanttekening 47: zijt treurig geweest: Te weten niet alleen om de verwoesting van het aardse Jeruzalem, maar veel meer omdat de kerk van God door haar vijanden bijna geheellijk is onderdrukt geworden.
[^jesaja-66-11-48]: Kanttekening 48: Opdat u mag zuigen: Opdat u mag deelachtig worden de gaven, die de Heer over zijn kerk rijk zal uitstorten. Zie de aantekening Ps. 36:9 . Psalmen 36:9 : Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^jesaja-66-11-49]: Kanttekening 49: haar vertroostingen: Dat is, van haar veelvoudigen troost, waarmee zij de verslagen conscientiën vertroost. Zie 2 Kor. 1:3 , 1:4 . 2 Korinthiërs 1:3 : Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God aller vertroosting; 2 Korinthiërs 1:4 : Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.
[^jesaja-66-11-50]: Kanttekening 50: met de glans: Of, met de overvloed van haar glorie of heerlijkheid.
[^jesaja-66-12-51]: Kanttekening 51: de vrede: Het woord vrede wordt verscheidenlijk genomen in de Heilige Schrift: I. voor een geestelijken vrede, rijzende uit het geloof aan Christus, Rom. 5:1 ; II. voor een broederlijken vrede, die de ene mens met de ander heeft, gelijk Mark. 9:50 ; Joh. 14:27 ; III. betekent het ook naast rust van oorlog, alle heil en welvaart, zo aan de ziel als aan het lichaam. Zie Ps. 37:11 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar. Johannes 14:27 : Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd. Psalmen 37:11 : De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.
[^jesaja-66-12-52]: Kanttekening 52: over haar: Of, tot haar neigen, of buigen; te weten tot Zion; dat is tot mijn kerk.
[^jesaja-66-12-53]: Kanttekening 53: als een rivier: Zie Jes. 48:18 . Jesaja 48:18 : Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
[^jesaja-66-12-54]: Kanttekening 54: de heerlijkheid: Dat is rijkdom. Zie Jes. 61:6 , en Openb. 21:26 . Jesaja 61:6 : Maar u zult priesters van YHWH heten, men zal u dienaren van onze God noemen; u zult het vermogen van de heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult u u roemen. Openbaring 21:26 : En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de volken daarin brengen.
[^jesaja-66-12-55]: Kanttekening 55: Te weten u godzalige Joden.
[^jesaja-66-12-56]: Kanttekening 56: Te weten, de onvervalste melk van het goddelijke Woord.
[^jesaja-66-12-57]: Kanttekening 57: op de zijden: Dat is, op de armen. De zin is: De Christelijke Kerk en haar leraars zullen met u in alle beleefdheid en vriendelijkheid omgaan, gelijk ene moeder met haar teder kindje doet, niets nalatende van alles wat tot uwe onderrichting en godzaligheid zou mogen strekken. Zie Num. 11:12 ; Jes. 49:22 , en Jes. 60:4 , 60:16 ; Rom. 15:1 , 15:2 ; Gal. 6:1 , 6:2 , en 1 Thess. 2:7 . Numeri 11:12 : Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaderen gezworen hebt? Jesaja 49:22 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. Jesaja 60:16 : En u zult de melk van de heidenen zuigen, en u zult de borsten van de koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs. Romeinen 15:1 : Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. Romeinen 15:2 : Dat dan ieder van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting. Galaten 6:1 : Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt. Galaten 6:2 : Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus. 1 Thessalonicensen 2:7 : Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;
[^jesaja-66-12-e]: Verwijzing e: Jes. 49:22 ; Jes. 60:4 . Jesaja 49:22 : Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
[^jesaja-66-12-58]: Kanttekening 58: getroeteld worden: Of, geliefkoosd worden.
[^jesaja-66-13-59]: Kanttekening 59: zal Ik u troosten: Dat is, Ik zal u alle vaderlijke en moederlijke liefde bewijzen, en Ik zal u met goedertierenheid omhelzen. Zie Jes. 40:11 . Jesaja 40:11 : Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
[^jesaja-66-13-60]: Kanttekening 60: te Jeruzalem: Dat is, in de gemeente van de gelovigen.
[^jesaja-66-14-61]: Kanttekening 61: uw hart: Dat is, ulieder innerlijk gemoed, of inwendige mens; Ps. 22:27 , en Ps. 69:33 . Psalmen 22:27 : De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Psalmen 69:33 : De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
[^jesaja-66-14-62]: Kanttekening 62: uw beenderen zullen groenen: Dat is, u zult lustig en levendig gemaakt worden, door de kracht van de Geest van de Heer, in plaats waar u tevoren als verdroogd en van droefenis verwelkt was. Het woord beenderen betekent somtijds al de ledematen van het lichaam. Zie de aantekening Ps. 35:10 , en ps. 51:10. Zie het tegendeel van dit lid Spreuk. 17:22 . Psalmen 35:10 : Al mijn beenderen zullen zeggen: YHWH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover. Spreuken 17:22 : Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
[^jesaja-66-14-63]: Kanttekening 63: als het tedere gras: Dat in de koude winter schijnt dood te wezen, maar met de lente verkwikt het weer.
[^jesaja-66-14-64]: Kanttekening 64: de hand van YHWH: Dat is, de sterkte en kracht, of de hulp van de Heer.
[^jesaja-66-14-65]: Kanttekening 65: aan Zijn knechten: Dat is, aan alle godzaligen.
[^jesaja-66-14-66]: Kanttekening 66: gram worden: Of toorn betonen. Het Hebreeuwse woord betekent ook verfoeien, gelijk Num. 23:7 , 23:8 . Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! Numeri 23:8 : Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar YHWH niet scheldt?
[^jesaja-66-15-67]: Kanttekening 67: met vuur komen: Of, in, of als vuur komen. Dit is ene beschrijving van de wraak, die God oefenen zal; en het kan verstaan worden van de lichamelijke straf, die God over zijn vijanden brengen zal hier in hun leven, alsook van het jongste gericht; 2 Thess. 1:8 , 1:9 . Zie ook Jer. 5:14 . 2 Thessalonicensen 1:8 : Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 2 Thessalonicensen 1:9 : Zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht van de Heer, en van de heerlijkheid van Zijn sterkte, Jeremia 5:14 : Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^jesaja-66-15-68]: Kanttekening 68: Versta hier, krijgswagens. Vergelijk dit met Ps. 68:18 . Psalmen 68:18 : Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heer is onder hen, een Sinaï in heiligheid!
[^jesaja-66-15-69]: Kanttekening 69: Zijn toorn: Dat is, zijn straffen.
[^jesaja-66-15-70]: Kanttekening 70: te wenden: Of, aan te leggen.
[^jesaja-66-15-71]: Kanttekening 71: Zijn schelding: Dat is, zijn toorn, zijn straffen. Zie Ps. 9:6 . Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^jesaja-66-16-72]: Kanttekening 72: Versta hier het vuur van de goddelijke toorn en wraak. Zie Job 22:20 . Job 22:20 : Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^jesaja-66-16-73]: Kanttekening 73: en met: Enige aldus: Dat is met het zwaard.
[^jesaja-66-16-74]: Kanttekening 74: Zijn zwaard: Hier verstaan enige het zwaard van de Chaldeën en van andere vijanden, die de Heer tegen de Joden zenden zou; daarom noemt Hij hen zijn zwaard. Maar anderen verstaan hier door het zwaard het Woord van de Heer, gelijk Ef. 6:17 ; Hebr. 4:12 . Efeziërs 6:17 : En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart.
[^jesaja-66-16-75]: Kanttekening 75: met alle vlees: Dat is, met alle goddeloze mensen, die hem ongehoorzaam en opstandig zullen geweest zijn.
[^jesaja-66-17-76]: Kanttekening 76: Ene verklaring hoedanig die vijanden waren, die de Heer verslaan zou, te weten die de afgoden eren en hun leven naar de wet van God niet aanstellen.
[^jesaja-66-17-77]: Kanttekening 77: zichzelven heiligen: Te weten naar de wijze van de afgodendienaars om hun valse goden te behagen.
[^jesaja-66-17-78]: Kanttekening 78: in de hoven: Of, tot de hoven; dat is om in de hoven van de afgoden te gaan offeren. Zie Jes. 1:29 , en Jes. 65:3 . Jesaja 1:29 : Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt. Jesaja 65:3 : Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen;
[^jesaja-66-17-79]: Kanttekening 79: achter een: Dat is, de één achter de ander, of na elkaar. Enige verstaan hier onder een een put of poel in de hoven gelegen, bij of achter welke zij zich met het water daarvan wiesen, om zo zichzelven te reinigen; anderen, achter enen \[boom\]; dat is, achter een gehucht bomen, enige afgod toegeëigend; anderen, achter de \[tempel\] van de éénen, te weten God, die Eén genoemd wordt, Deut. 6:4 , ook noemen sommigen onder de heidenen God de Eénen; anderen, achter \[de tempel van de afgod\] Achad, welke Achad zij menen te zijn een afgod bij de Assyriërs, vertegenwoordigende de zon. Deuteronomium 6:4 : Hoor, Israël! YHWH, onze God, is een enig YHWH!
[^jesaja-66-17-80]: Kanttekening 80: in het midden: Dat is, openlijk.
[^jesaja-66-17-81]: Kanttekening 81: die zwijnenvlees: Zie boven vers 3 ; Lev. 11:7 , enz. Jesaja 66:3 : Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Leviticus 11:7 : Ook het zwijn, want dat verdeelt wel de klauw, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.
[^jesaja-66-17-82]: Kanttekening 82: verteerd worden: Dat is, uitgeroeid worden.
[^jesaja-66-18-83]: Kanttekening 83: Hun werken: Anders: maar mij aangaande, o hun werken, enz., alsof God, nadat Hij in het voorgaande vers, vers 17 , de gruwelijke afgoderij van de goddeloze Joden bestraft had, een bedreiging hierbij voegde, sprekende als de vertoornde, met korte afgebroken woorden. Of men kan deze woorden aldus stellen: Zou Ik hun werken en hun gedachten \[verdragen\]? Alsof Hij zei: Ik zal ze in geen geval verdragen, maar op een korte tijd zal Ik alle heidenen vergaderen, enz. Jesaja 66:17 : Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt YHWH.
[^jesaja-66-18-84]: Kanttekening 84: Het komt: Dat is, de tijd komt.
[^jesaja-66-18-85]: Kanttekening 85: dat Ik vergaderen zal: Dat is, in de plaats van de boze en goddeloze Joden zal Ik de heidenen roepen, en Ik zal hun mijn heerlijkheid openbaren.
[^jesaja-66-18-86]: Kanttekening 86: Dat is, allerlei volken, die verscheidene talen spreken.
[^jesaja-66-18-87]: Kanttekening 87: Mijn heerlijkheid: Die God de Heer in het Evangelie openbaart, verlossende het menselijke geslacht door Jezus Christus.
[^jesaja-66-18-88]: Kanttekening 88: Dat is, deelachtig worden.
[^jesaja-66-19-89]: Kanttekening 89: een teken: Waaraan men de bekeerde Joden voor mijn kinderen en dienaren mag kennen. Dit teken is de belijdenis van de leer van het Christelijke geloof en het gebruik van de heilige sacramenten; en innerlijk de Heilige Geest, door welke zij verzegeld worden; Ef. 1:13 . Efeziërs 1:13 : In Welke ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte;
[^jesaja-66-19-90]: Kanttekening 90: die het ontkomen zullen zijn: Te weten uit de verwerping van de grote hoop, uit het algemene verderf en de ondergang van de Joden; gelijk vervuld is in de apostelen en anderen, die het Evangelie onder de heidenen hebben verkondigd.
[^jesaja-66-19-91]: Kanttekening 91: naar Tarsis: Te weten tot degenen, die in Tharsis wonen, en zo in het volgende. Van Tharsis zie de aantekening 1 Kon. 10:22 . 1 Koningen 10:22 : Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^jesaja-66-19-92]: Kanttekening 92: Dit meent men dat de Afrikanen betekent. Pul was ook een naam van een koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 15:19 , 15:20 , en 1 Kron. 5:26 . 2 Koningen 15:19 : Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20 : Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. 1 Kronieken 5:26 : Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^jesaja-66-19-93]: Kanttekening 93: Zie Gen. 10:13 , 10:22 . Genesis 10:13 : En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, Genesis 10:22 : Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^jesaja-66-19-94]: Kanttekening 94: de boogschutters: Hebreeuws, de boogtrekkers, of de boogspanners; dat is, die met de boog schieten. Vergelijk Jer. 46:9 . Zie Gen. 10:2 . Jeremia 46:9 : Trekt op, u paarden! en raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die de boog handelen en spannen. Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^jesaja-66-19-95]: Kanttekening 95: naar Tubal: Zie Gen. 10:2 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^jesaja-66-19-96]: Kanttekening 96: Dat is, de Grieken; zie Gen. 10:2 . Genesis 10:2 : De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^jesaja-66-19-97]: Kanttekening 97: Mijn gerucht niet gehoord: Hebreeuws, mijn gehoor, of horing; dat is, die van mij niet gehoord hebben, die de predikatie van het heilig Evangelie nog niet gehoord hadden. Zie Rom. 10:16 , 10:17 . Anderen, die het gerucht, gelangende mijn grote macht, nog niet gehoord hadden. Romeinen 10:16 : Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd? Romeinen 10:17 : Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God,
[^jesaja-66-19-98]: Kanttekening 98: Of, dezelfde; te weten die Ik tot de heidenen zal zenden, namelijk de apostelen en andere leraars, als Barnabas, Silas, Timotheüs, Titus, Lukas, enz.
[^jesaja-66-20-99]: Kanttekening 99: al uw broers: Te weten uwe broers in Christus, of geloofsgenoten, de uitverkoren heidenen, die bekeerd zijnde door de predikatie van het heilig Evangelie tot Abrahams kinderen zullen gemaakt worden, en dienvolgens van de Joden broers zijn zullen.
[^jesaja-66-20-100]: Kanttekening 100: ten spijsoffer: Of, tot ene offerande, om de Heer geofferd te worden. Anders: tot een geschenk. Zie Rom. 15:16 ; zo ook onder in vers 20 . Romeinen 15:16 : Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest. Jesaja 66:20 : En zij zullen al uw broers uit alle heidenen YHWH ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt YHWH, gelijk als de kinderen van Israël het spijsoffer in een rein vat brengen in het huis van YHWH.
[^jesaja-66-20-101]: Kanttekening 101: op paarden: Dat is, met alle vlijt, en behulpelijke middelen.
[^jesaja-66-20-102]: Kanttekening 102: op rosbaren: Of, op bedekte wagens, op koetsen.
[^jesaja-66-20-103]: Kanttekening 103: op snelle lopers: Of, op snelle beesten, of op postpaarden.
[^jesaja-66-20-104]: Kanttekening 104: naar Mijn heilige berg: Dat is, tot de gemeenschap van de heiligen; zie Jes. 2:2 . Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot hem zullen alle heidenen toevloeien.
[^jesaja-66-20-105]: Kanttekening 105: naar Jeruzalem: Uit vers 23 is wel af te nemen dat dit niet is te verstaan van het stoffelijke Jeruzalem, want het is onmogelijk dat alle vlees alle maanden, of alle weken, daar komen zou om te aanbidden. Jesaja 66:23 : En het zal gebeuren, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt YHWH.
[^jesaja-66-21-106]: Kanttekening 106: daaruit: Te weten uit de bekeerde heidenen.
[^jesaja-66-21-107]: Kanttekening 107: tot priesters: Dat is, tot leraars en tot predikanten van het heilig Evangelie. Zie Rom. 15:16 ; Fil. 2:17 . Romeinen 15:16 : Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest. Filippenzen 2:17 : Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen.
[^jesaja-66-22-108]: Kanttekening 108: die nieuwe hemel: Zie Jes. 65:17 , en 2 Petr. 3:13 ; Openb. 21:1 . Jesaja 65:17 : Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont. Openbaring 21:1 : En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
[^jesaja-66-22-f]: Verwijzing f: Jes. 65:17 ; 2 Petr. 3:13 ; Openb. 21:1 . Jesaja 65:17 : Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in die gerechtigheid woont. Openbaring 21:1 : En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
[^jesaja-66-22-109]: Kanttekening 109: ulieder zaad: Dat is, daar zal altijd op de wereld ene kerk en een hoopje van de gelovigen zijn en blijven. Het rijk van Christus wordt Hebr. 12:28 genoemd een onbeweeglijk koninkrijk. Hebreeën 12:28 : Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door die wij welgevallig voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
[^jesaja-66-23-110]: Kanttekening 110: van de ene nieuwe maan tot de andere: Hebreeuws, van \[de tijd van de\] nieuwe maan tot zijn nieuwe maan; dat is, steeds aan een ander, zonder onderscheid van de dagen, die in het Oude Testament verordineerd waren. Vergelijk Kol. 2:16 . Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^jesaja-66-23-111]: Kanttekening 111: tot de andere: Hebreeuws, tot zijn sabbat.
[^jesaja-66-23-112]: Kanttekening 112: alle vlees: Dat is, allerlei volken op aarde, zo heidenen als Joden. Zie Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Zie ook boven vers 20 . Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Jesaja 66:20 : En zij zullen al uw broers uit alle heidenen YHWH ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt YHWH, gelijk als de kinderen van Israël het spijsoffer in een rein vat brengen in het huis van YHWH.
[^jesaja-66-24-113]: Kanttekening 113: Te weten de ware ledematen van de gemeente, de gelovigen.
[^jesaja-66-24-114]: Kanttekening 114: de dode lichamen: Dit kan wel naar de letter genomen worden, gelijk Jes. 34:3 , en elders; maar hier kan het ook genomen worden voor zodanigen, die in zonden dood zijn, ofschoon zij leven naar het lichaam, gelijk 1 Tim. 5:6 , en Openb. 20:5 . Jesaja 34:3 : En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed. 1 Timotheüs 5:6 : Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven. Openbaring 20:5 : Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
[^jesaja-66-24-115]: Kanttekening 115: En zich verblijden vanwege de rechtvaardige straf van de Heer over de goddelozen, zowel in dit als in het toekomende leven. Vergelijk Openb. 12:10 , enz., en Openb. 19:1 , 19:2 , enz. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden van onze God; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broers, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. Openbaring 19:1 : En na deze hoorde ik als een grote stem van een grote schare in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heer, onze God. Openbaring 19:2 : Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed van Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft.
[^jesaja-66-24-116]: Kanttekening 116: hun worm: Christus past deze woorden op de vervloekten in het dodenrijk, waar de worm van de consciëntie niet sterft, maar altijd knaagt, en het vuur van de toorn van God nimmermeer uitgeblust wordt; Mark. 9:44 . Marcus 9:44 : Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
[^jesaja-66-24-g]: Verwijzing g: Mark. 9:44 . Marcus 9:44 : Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
[^jesaja-66-24-117]: Kanttekening 117: alle vlees: Te weten allen uitverkorenen kinderen van God, of allen anderen creaturen.
[^jesaja-66-24-118]: Kanttekening 118: een afgrijzing wezen: Of, gruwel, of vloek zijn. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Dan. 12:2 gevonden. In beide plaatsen wordt er gesproken van hardnekkige zondaars, van wie alle vromen en alle godzalige personen walg hebben. Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.

## Jeremia

### Jeremia 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/1.json)

*Jeremia's afkomst en de tijd van zijn profeteren, vers 1, enz. God roept hem tot het profetisch ambt en versterkt hem met een teken, tegen zijn verontschuldigingen, 4. openbaart hem de gezichten van een amandelroede en een ziedende pot, 11. geeft hem een strenge opdracht tegen die van Juda, met belofte van Zijn bijstand, 17.*

**1** De[^jeremia-1-1-1] woorden[^jeremia-1-1-2] van Jeremia, de zoon[^jeremia-1-1-3] van Hilkia, uit de[^jeremia-1-1-4] priesters, die te[^jeremia-1-1-5] Anathoth waren, in het land van Benjamin; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v1)

**2** Tot wie het woord van YHWH kwam, in de dagen van[^jeremia-1-2-a] Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar[^jeremia-1-2-6] van zijn regering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v2)

**3** Ook[^jeremia-1-3-7] gebeurde het tot hem in de dagen van[^jeremia-1-3-b] Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het[^jeremia-1-3-8] elfde jaar van[^jeremia-1-3-c] Zedekia,[^jeremia-1-3-9] zoon van Josia, koning van Juda; totdat[^jeremia-1-3-10] Jeruzalem als gevangene werd weggevoerd in[^jeremia-1-3-d] de vijfde maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v3)

**4** Het woord van YHWH dan kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v4)

**5** Voordat Ik u in[^jeremia-1-5-11] moeders buik vormde, heb Ik u[^jeremia-1-5-12] gekend, en[^jeremia-1-5-13] voordat u uit de baarmoeder voortkwam,[^jeremia-1-5-e] heb Ik u[^jeremia-1-5-14] geheiligd; Ik heb u voor de volken tot een[^jeremia-1-5-15] profeet gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v5)

**6** Toen zei ik:[^jeremia-1-6-f] Ach, Adonai YHWH! zie,[^jeremia-1-6-16] ik kan niet spreken, want ik ben[^jeremia-1-6-17] jong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v6)

**7** Maar YHWH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v7)

**8** Vrees[^jeremia-1-8-g] niet voor[^jeremia-1-8-18] hun aangezicht, want[^jeremia-1-8-h] Ik ben[^jeremia-1-8-19] met u, om u te redden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v8)

**9** En YHWH stak Zijn hand uit, en[^jeremia-1-9-20][^jeremia-1-9-i] roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie,[^jeremia-1-9-k] Ik geef[^jeremia-1-9-21] Mijn woorden in uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v9)

**10** Zie, Ik stel u op deze dag over de volken en over de koninkrijken,[^jeremia-1-10-22] om[^jeremia-1-10-l] uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v10)

**11** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede.[^jeremia-1-11-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v11)

**12** En YHWH zei tot mij: U hebt[^jeremia-1-12-24] wel gezien; want Ik zal[^jeremia-1-12-25] wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v12)

**13** En het woord van YHWH kwam voor de tweede keer tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een[^jeremia-1-13-26] kokende pot, waarvan het voorste deel tegen het noorden is.[^jeremia-1-13-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v13)

**14** En YHWH zei tot mij:[^jeremia-1-14-m] Van het noorden zal zich dit[^jeremia-1-14-28] kwaad opdoen over alle inwoners van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v14)

**15** Want zie,[^jeremia-1-15-n] Ik[^jeremia-1-15-29] roep alle geslachten van de[^jeremia-1-15-30] koninkrijken van het noorden, spreekt YHWH; en zij zullen komen, en[^jeremia-1-15-31][^jeremia-1-15-o] zetten ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v15)

**16** En Ik zal Mijn oordelen[^jeremia-1-16-32] tegen hen uitspreken[^jeremia-1-16-33] over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en aan andere goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de[^jeremia-1-16-34] werken van hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v16)

**17** U dan,[^jeremia-1-17-35] omgord uw middel, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.[^jeremia-1-17-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v17)

**18** Want zie, Ik stel u vandaag[^jeremia-1-18-p] tot een[^jeremia-1-18-37] versterkte stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het hele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v18)

**19** En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niets uitrichten; want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u uit te helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/1.html#v19)

[^jeremia-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 woorden van: Anders: de geschiedenissen.
[^jeremia-1-1-2]: Kanttekening 2: Hebr. Jirmejahu.
[^jeremia-1-1-3]: Kanttekening 3: Hebr. Chilkijahu.
[^jeremia-1-1-4]: Kanttekening 4: Hij wordt geen hogepriester genoemd, gelijk de andere Hilkia was, die het wetboek vond, 2 Kon. 22:8, en te Jeruzalem woonde. 2 Koningen 22:8: Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.
[^jeremia-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 Anathoth waren: Zie 1 Kon. 2:26; 1 Kron. 6:60, en onder Jer. 32:8. 1 Koningen 2:26: En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heer YHWH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 1 Kronieken 6:60: Van de stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden. Jeremia 32:8: Zo kwam Hanameel, mijn ooms zoon, naar het woord van YHWH, tot mij, in het voorhof van de bewaring, en zei tot mij: Koop toch mijn veld, dat is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want u hebt het erfrecht, en u hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat het het woord van YHWH was.
[^jeremia-1-2-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 21:26; 2 Kon. 22:1; 2 Kron. 34:1. 2 Koningen 21:26: En men begroef hem in zijn graf, in de hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 22:1: Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Jedida, een dochter van Adaja, van Bozkath. 2 Kronieken 34:1: Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
[^jeremia-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 zijn regering: Hebr. eigenlijk zijn regerens.
[^jeremia-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim: Te weten, het woord van YHWH tot Jeruzalem uit vers 2. Jeremia 1:2: Tot welke het woord van YHWH geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.
[^jeremia-1-3-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 23:34; 2 Kron. 36:4. 2 Koningen 23:34: Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. 2 Kronieken 36:4: En de koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
[^jeremia-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 elfde jaar van Zedekia: Hieruit wordt afgeleid dat Jeremia over de veertig jaren in Juda heeft geprofeteerd; daarna nog enige tijd in Egypte. Zie Jer. 43,44.
[^jeremia-1-3-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 24:17; 2 Kron. 36:10; Jer. 52:1. 2 Koningen 24:17: En de koning van Babel maakte Mattanja, daarvan oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. 2 Kronieken 36:10: En met de wederkomst van de jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. Jeremia 52:1: Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.
[^jeremia-1-3-9]: Kanttekening 9: 9 zoon van Josia: Zie 1 Kron. 3:15, 3:16. 1 Kronieken 3:15: De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 1 Kronieken 3:16: De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.
[^jeremia-1-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, de inwoners van Jeruzalem.
[^jeremia-1-3-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 25:8. 2 Koningen 25:8: Daarna in de vijfde maand, op de zevenden van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem.
[^jeremia-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 moeders buik formeerde: Van de invoeging van dit woord, zie Richt. 13:5, en Job 3:10. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Job 3:10: Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren van mijn buik, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
[^jeremia-1-5-12]: Kanttekening 12: Zie Ex. 33:12. Exodus 33:12: En Mozes zei tot YHWH: Zie, U zegt tot mij: Voer dit volk op! maar U laat mij niet weten, wie U met mij zult zenden; daar U gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen!
[^jeremia-1-5-13]: Kanttekening 13: 13 voordat u uit de baarmoeder voortkwaamt: Verg. Gal. 1:15. Galaten 1:15: Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,
[^jeremia-1-5-e]: Verwijzing e: Gal. 1:15. Galaten 1:15: Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,
[^jeremia-1-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, tot dit heilig ambt afgezonderd en verordineerd; verg Rom. 1:1; Gal. 1:15, en Ex. 29:44. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Galaten 1:15: Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Exodus 29:44: En Ik zal de tent van de samenkomst heiligen, en ook het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.
[^jeremia-1-5-15]: Kanttekening 15: Hebr. eigenlijk, gegeven.
[^jeremia-1-6-f]: Verwijzing f: Ex. 3; Ex. 4; Ex. 6:11; idem 6:23. Exodus 6:11: Maar Mozes sprak voor YHWH, zeggende: Zie, de kinderen van Israël hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen. Exodus 6:23: En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten.
[^jeremia-1-6-16]: Kanttekening 16: 16 ik kan niet spreken: Of, weet niet te spreken.
[^jeremia-1-6-17]: Kanttekening 17: Of, een kind, jongen, jongeling, en dienvolgens hiertoe geheel onbekwaam en zonder aanzien. Van het Hebr. woord, zie Gen. 22:5. Het wordt zo gebruikt van kinderen en jongen, gesteld tegen ouden; Jes. 3:5, en Jes. 7:16, en Jes. 13:18, en Jes. 20:4. Genesis 22:5: En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijft u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren. Jesaja 3:5: En het volk zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen de ander, en een ieder tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen de oude, de verachte tegen de eerlijke. Jesaja 7:16: Zekerlijk, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover u verdrietig bent, verlaten zijn van zijn twee koningen. Jesaja 13:18: Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht van de buik; hun oog zal de kinderen niet sparen. Jesaja 20:4: Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte.
[^jeremia-1-8-g]: Verwijzing g: Ez. 3:9. Ezechiël 3:9: Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een opstandig huis zijn.
[^jeremia-1-8-18]: Kanttekening 18: 18 hun aangezicht: Van degenen tot wie Ik u zend.
[^jeremia-1-8-h]: Verwijzing h: Deut. 31:6; idem v. 8; Joz. 1:5. Deuteronomium 31:6: Weest sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is YHWH, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. Deuteronomium 31:8: YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. Jozua 1:5: Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
[^jeremia-1-8-19]: Kanttekening 19: 19 met u: Verg. Gen. 21:22. Genesis 21:22: Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^jeremia-1-9-20]: Kanttekening 20: 20 roerde mijn mond aan: Verg. Jes. 6:7. Dit was de profeet een goddelijk teken om hem in zijn beroep te bevestigen en te versterken; verg Ez. 2:8. Jesaja 6:7: En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.
[^jeremia-1-9-i]: Verwijzing i: Jes. 6:6; idem v. 7. Jesaja 6:6: Maar één van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. Jesaja 6:7: En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.
[^jeremia-1-9-k]: Verwijzing k: Jer. 5:14. Jeremia 5:14: Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^jeremia-1-9-21]: Kanttekening 21: 21 Mijn woorden in uw mond: Zie Deut. 18:18, zo onder Jer. 5:14. Deuteronomium 18:18: Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hun broers, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. Jeremia 5:14: Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^jeremia-1-10-22]: Kanttekening 22: 22 om uit te rukken: De zin is: Om hun in mijn naam aan te dienen en levendig voor ogen te stellen dat Ik zulks zal doen; en Ik zal uwe woorden, die u tot hen zo zult spreken, zekerlijk volbrengen en bekrachtigen, tot straf van de hardnekkigen en troost van de boetvaardigen; verg. Jer. 5:14, en Jer. 18:7, 18:8, enz.; Ez. 24:5, 24:9, 24:10, enz.; Joh. 20:23; 2 Kor. 10:4, 10:5. Verg. verder Ez. 3:18, en Ez. 43:3. Jeremia 5:14: Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. Jeremia 18:7: In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen; Jeremia 18:8: Maar als datzelve volk, over dat Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelfde gedacht te doen. Ezechiël 24:5: Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden. Ezechiël 24:9: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken! Ezechiël 24:10: Draag veel houts toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden. Johannes 20:23: Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5: Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 43:3: En zo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^jeremia-1-10-l]: Verwijzing l: Jer. 18:7; 2 Kor. 10:4; idem v. 5. Jeremia 18:7: In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen; 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5: Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;
[^jeremia-1-11-23]: Kanttekening 23: Of, stok, garde.
[^jeremia-1-12-24]: Kanttekening 24: 24 wel gezien: Hebr. welgedaan, of goedgemaakt te zien, of met zien, ziende; verg. Deut. 5:28; ps. 33:3. Deuteronomium 5:28: Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, toen u tot mij spraakt, zo zei YHWH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben.
[^jeremia-1-12-25]: Kanttekening 25: 25 wakker zijn over Mijn woord: Gelijk de amandelboom vroeg, wakker en haast bloeit en vruchten voortbrengt, zo zal Ik vlijtig, naarstig en wakker zijn om mijn woord over de Joden haast te volbrengen. In het Hebr. wordt een woord gebruikt, dat wij in onze taal zo niet kunnen navolgen, alsof men zei: Ik zal amandelboomsgewijze wakker zijn, of gelijk de amandelboom daarvan de naam heeft dat hij wakker is om vrucht te dragen, zo zal Ik enz.; verg. dit gezicht met Amos 8:2. Amos 8:2: En Hij zei: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een korf met zomervruchten. Toen zei YHWH tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
[^jeremia-1-13-26]: Kanttekening 26: 26 kokende pot: Hebr. opgeblazen, aangeblazen. Versta door deze pot de stad Jeruzalem en het Joodse land \[gelijk Ez. 11:3, 11:7, en Ez. 24:4, enz.\], waarin God de Joden als wil zieden en koken in zijn toorn, door het vuur van de Babyloniëers, wier land noordwaarts van Kanaän aflag. Ezechiël 11:3: Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn. Ezechiël 11:7: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Uw verslagenen, die u in het midden derzelve nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden derzelve doen uitgaan. Ezechiël 24:4: Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder, vul hem met de keur van de beenderen.
[^jeremia-1-13-27]: Kanttekening 27: 27 voorste deel tegen het noorden is: Hebr. aangezicht, van, of tegen het aangezicht van het noorden, of van tegen het noorden. Verstaande dat deze ziedende pot en brand beduidde het kwaad, dat uit Chaldea van Syrië afkomen zou.
[^jeremia-1-14-m]: Verwijzing m: Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-1-14-28]: Kanttekening 28: 28 kwaad opdoen: Van de straf.
[^jeremia-1-15-n]: Verwijzing n: Jer. 5:15; Jer. 6:22; Jer. 10:22. Jeremia 5:15: Ziet, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt YHWH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak u niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal. Jeremia 6:22: Zo zegt YHWH: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde. Jeremia 10:22: Ziet, er komt een stem van de geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken.
[^jeremia-1-15-29]: Kanttekening 29: 29 roep alle geslachten: Dat is, Ik zal door mijn goddelijke regering beschikken dat zij komen, als op een uitdrukkelijk bevel; verg. Jer. 25:9, en Jer. 25:29. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-1-15-30]: Kanttekening 30: 30 van het noorden: Hebr. naar het noorden, noordwaarts.
[^jeremia-1-15-31]: Kanttekening 31: 31 zetten een ieder zijn troon: Zie Jer. 52:4, 52:5. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 52:5: Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia.
[^jeremia-1-15-o]: Verwijzing o: Jer. 52:4; idem v. 5. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tienden van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 52:5: Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia.
[^jeremia-1-16-32]: Kanttekening 32: 32 tegen hen uitspreken: Hebr. met hen; dat is mijn vonnissen hun voordragen van de straffen, die zij met hun boosheid verdiend hebben; verg. Jer. 4:12, en Jer. 39:5, en Jer. 48:21, en Jer. 49:12, en Jer. 52:9. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. Jeremia 39:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, Jeremia 49:12: Want zo zegt YHWH: Ziet, degenen, wier oordeel het niet is de beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult ganselijk drinken. Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.
[^jeremia-1-16-33]: Kanttekening 33: 33 over al hun boosheid: Of, om, vanwege.
[^jeremia-1-16-34]: Kanttekening 34: 34 werken van hun handen: Versta, de afgodische beelden.
[^jeremia-1-17-35]: Kanttekening 35: 35 gord uw lendenen: Dat is, maak u gereed om uw ambt en beroep wakker, voortvarend en vrijmoedig uit te voeren. Verg. Ex. 12:11. Exodus 12:11: Aldus nu zult u het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van YHWH.
[^jeremia-1-17-36]: Kanttekening 36: Dat is, vermorzele, in stukken breke, of sla; dat is, dode. Het is hetzelfde Hebr. woord, dat in de voorgaande woorden gebruikt is in de betekenis van ontzet, verslagen, verschrikt te zijn. Zie gelijke aardigheid in het verscheiden gebruik van een woord onder Jer. 12:14. Jeremia 12:14: Zo zegt YHWH: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, die Ik Mijn volk Israël erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken.
[^jeremia-1-18-p]: Verwijzing p: Jer. 6:27; Jer. 15:20. Jeremia 6:27: Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een wachttoren, tot een vesting; opdat u hun weg zoudt weten en proeven. Jeremia 15:20: Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt YHWH.
[^jeremia-1-18-37]: Kanttekening 37: 37 vaste stad: Hebr. stad van de vesting, idem pilaar van het ijzer, muren van het koper; dat is, tot een onoverwinnelijk fort, dat in het volgende vers 19 verklaard wordt. Verg. ook Jer. 15:19, 15:20, 15:21. Jeremia 1:19: En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u uit te helpen. Jeremia 15:19: Daarom zegt YHWH zo: Zo u zult terugkeren, zo zal Ik u doen terugkeren; u zult voor Mijn aangezicht staan; en zo u het kostelijke van het snode uittrekt, zult u als Mijn mond zijn; laat hen tot u terugkeren, maar u zult tot hen niet terugkeren. Jeremia 15:20: Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt YHWH. Jeremia 15:21: Ja, Ik zal u rukken uit de hand van de bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm van de tirannen.

### Jeremia 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/2.json)

*God stelt Zijn volk zeer aangrijpend de weldaden voor ogen die Hij hun van het begin af bewezen heeft, en klaagt heftig over hun gruwelijke, voortdurende en geheel onredelijke afgodische ondankbaarheid, vers 1, enz. zoals onder de heidenen niet te vinden is, 10. over hun verschrikkelijke en dubbele boosheid, 12. waardoor zij zelf de oorzaak zijn van hun ellende, 14. verwijt van hun vergeefs lopen naar Egypte en Assur, 18, 36. evenzo van hun ongebonden, onbeschaamde, hardnekkige, veelvuldige en meer dan heidense afgoderij, en schandelijke vergeting en verlating van God, 20. evenzo bloedvergieten en huichelarij, 34.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v1)

**2** Ga en roep voor de oren van[^jeremia-2-2-1] Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk aan de goedertierenheid van uw jeugd, aan de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in[^jeremia-2-2-4] de woestijn, in onbezaaid land.[^jeremia-2-2-2][^jeremia-2-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v2)

**3** Israël was YHWH een[^jeremia-2-3-5] heiligheid, de eerstelingen van Zijn opbrengst; allen, die hem[^jeremia-2-3-6] opaten, werden[^jeremia-2-3-7] voor schuldig gehouden;[^jeremia-2-3-8] kwaad kwam hun over, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v3)

**4** Hoort het woord van YHWH, u huis van Jakob, en alle geslachten van het huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v4)

**5** Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij ver van Mij geweken zijn, en hebben de[^jeremia-2-5-9] zinloosheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?[^jeremia-2-5-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v5)

**6** En zeiden[^jeremia-2-6-10] niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van[^jeremia-2-6-11] wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en[^jeremia-2-6-12] schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v6)

**7** En[^jeremia-2-7-13] Ik bracht u in een[^jeremia-2-7-14] vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn[^jeremia-2-7-15] erfenis tot een[^jeremia-2-7-16] gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v7)

**8** De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en[^jeremia-2-8-17][^jeremia-2-8-b] die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders[^jeremia-2-8-18] overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden[^jeremia-2-8-19] door Baäl, en wandelden[^jeremia-2-8-20] naar dingen, die geen nut doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v8)

**9** Daarom zal Ik nog met u twisten, spreekt YHWH; ja, met uw kleinkinderen zal Ik twisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v9)

**10** Want, gaat over in de eilanden van[^jeremia-2-10-21] de Chitteers, en ziet toe, en zendt[^jeremia-2-10-22] naar Kedar, en merkt[^jeremia-2-10-23] er wel op; en ziet, of iets dergelijks gebeurd zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v10)

**11** Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Toch heeft Mijn volk zijn[^jeremia-2-11-24][^jeremia-2-11-c] Eer veranderd in wat geen nut doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v11)

**12** Ontzet u hierover, u[^jeremia-2-12-25][^jeremia-2-12-d] hemelen, en[^jeremia-2-12-26] wees verschrikt,[^jeremia-2-12-27] wordt zeer woest, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v12)

**13** Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de[^jeremia-2-13-28][^jeremia-2-13-e] Springader van[^jeremia-2-13-29] het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelf[^jeremia-2-13-30] bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v13)

**14** Is dan Israël een[^jeremia-2-14-31] knecht, of is hij een[^jeremia-2-14-32] ingeborene van het huis?[^jeremia-2-14-33] Waarom is hij dan ten roof geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v14)

**15** [^jeremia-2-15-f] De jonge[^jeremia-2-15-34] leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem[^jeremia-2-15-35] verheven; en zij hebben zijn land gezet in[^jeremia-2-15-g] verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v15)

**16** Ook hebben u de[^jeremia-2-16-36] kinderen van Nof en[^jeremia-2-16-37] Tachpanhes de[^jeremia-2-16-38] schedel afgeweid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v16)

**17** Doet u dit niet zelf, doordien u YHWH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de[^jeremia-2-17-39] weg leidt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v17)

**18** En nu, wat[^jeremia-2-18-40] hebt u te doen met de weg van[^jeremia-2-18-h] Egypte, om de wateren[^jeremia-2-18-41] van Sihor te drinken? En wat hebt u te doen met de weg van Assur, om de wateren van[^jeremia-2-18-42] de rivier te drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v18)

**19** Uw[^jeremia-2-19-i] boosheid[^jeremia-2-19-43] zal u straffen, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat u YHWH, uw God, verlaat, en Mijn vrees niet bij u is, spreekt de Heere, YHWH van de legermachten.[^jeremia-2-19-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v19)

**20** [^jeremia-2-20-45] Als Ik[^jeremia-2-20-46] van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u:[^jeremia-2-20-47] Ik[^jeremia-2-20-48] zal niet[^jeremia-2-20-49] dienen; maar op elke hoge heuvel en onder alle groene boom[^jeremia-2-20-50] loopt u om,[^jeremia-2-20-51] hoererende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v20)

**21** Ik had u toch[^jeremia-2-21-k] geplant, een edele wijnstok, een geheel[^jeremia-2-21-52] getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd[^jeremia-2-21-53] in verbasterde ranken van[^jeremia-2-21-54] een vreemde wijnstok? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v21)

**22** Want, al[^jeremia-2-22-55][^jeremia-2-22-l] waste u zich met[^jeremia-2-22-56] salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht[^jeremia-2-22-57] getekend, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v22)

**23** Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw[^jeremia-2-23-58] weg in het[^jeremia-2-23-59] dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte,[^jeremia-2-23-60] snelle kamelin, die haar wegen[^jeremia-2-23-61] verdraait! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v23)

**24** Zij is een woudezelin,[^jeremia-2-24-62] gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel[^jeremia-2-24-63] schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren?[^jeremia-2-24-64] Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar[^jeremia-2-24-65] maand zullen zij haar vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v24)

**25** [^jeremia-2-25-66] Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt:[^jeremia-2-25-67] Het is buiten hoop; neen, want ik heb de[^jeremia-2-25-68] vreemden lief, en die zal ik nawandelen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v25)

**26** [^jeremia-2-26-69] Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij[^jeremia-2-26-70] gevonden wordt, zo[^jeremia-2-26-71] zijn die van het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v26)

**27** Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij[^jeremia-2-27-72] gegenereerd; want zij keren Mij de[^jeremia-2-27-73] nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde van hun[^jeremia-2-27-74] kwaad zeggen zij: Sta op en verlos ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v27)

**28** Waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt?[^jeremia-2-28-75] Laat ze opstaan, of zij u ten tijde van uw kwaad zullen verlossen; want[^jeremia-2-28-76][^jeremia-2-28-m] naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v28)

**29** Waarom twist u tegen Mij? U hebt allen[^jeremia-2-29-77] tegen Mij overtreden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v29)

**30** Tevergeefs heb Ik uw kinderen[^jeremia-2-30-78][^jeremia-2-30-n] geslagen; zij hebben de[^jeremia-2-30-79][^jeremia-2-30-o] tucht niet aangenomen; uw[^jeremia-2-30-80] zwaard heeft uw profeten verteerd, als een[^jeremia-2-30-81] verdervende leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v30)

**31** [^jeremia-2-31-p]O geslacht,[^jeremia-2-31-82] beschouwt u toch het woord van YHWH! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van de uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk:[^jeremia-2-31-85] Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?[^jeremia-2-31-83][^jeremia-2-31-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v31)

**32** Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid[^jeremia-2-32-86] haar bindselen? Toch heeft Mijn volk[^jeremia-2-32-87] Mij[^jeremia-2-32-q] vergeten,[^jeremia-2-32-88] dagen zonder getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v32)

**33** Wat maakt u uw weg goed, daar u[^jeremia-2-33-89] wellust zoekt?[^jeremia-2-33-90] Waarom u ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v33)

**34** Ja, het bloed van de[^jeremia-2-34-91] zielen van de onschuldige armen is in uw[^jeremia-2-34-92] zomen gevonden; Ik heb[^jeremia-2-34-93] dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle[^jeremia-2-34-94] die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v34)

**35** Nog zegt u: Zeker, ik ben onschuldig;[^jeremia-2-35-95] Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Zie, Ik zal met u[^jeremia-2-35-96] rechten, omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v35)

**36** Wat reist u[^jeremia-2-36-97] veel uit,[^jeremia-2-36-98] veranderende uw weg? U zult ook van[^jeremia-2-36-99][^jeremia-2-36-r] Egypte[^jeremia-2-36-100] beschaamd worden, zoals u van[^jeremia-2-36-101] Assur beschaamd bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v36)

**37** U zult ook van[^jeremia-2-37-102] hier uitgaan met uw[^jeremia-2-37-103] handen op uw hoofd; want YHWH heeft[^jeremia-2-37-104] al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmee niet voorspoedig zult zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/2.html#v37)

[^jeremia-2-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, van de inwoners van Jeruzalem, gelijk Jer. 1:3, enz. Jeremia 1:3: Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.
[^jeremia-2-2-4]: Kanttekening 4: Verg. onder vers 6. Jeremia 2:6: En zeiden niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
[^jeremia-2-2-2]: Kanttekening 2: 2 Ik gedenk: Hebr. Ik gedenk u, enz.; zie Ps. 79:8. Psalmen 79:8: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
[^jeremia-2-2-3]: Kanttekening 3: 3 weldadigheid van uw jeugd: Dat is, van de weldadigheid, of goedertierenheid, die Ik u bewezen heb in uwe jeugd: zo, van de liefde van uwe ondertrouw; dat is, die Ik u bewezen heb als Ik u trouwde, dat is, als Ik u eerst tot mijn volk aannam in Egypte, en daarna mijn verbond met u maakte aan Horeb; verg. Ez. 16:8, 16:22, en zie, aangaande de manier van spreken, Ps. 59:11, en Ps. 106:4; Jes. 26:11; idem onder Jer. 51:35; Joël 3:19; Obad. 1:10; Jona 2:8, met de aantekening daar, enz. Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heer YHWH en u werdt de Mijne. Ezechiël 16:22: Ook hebt u bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jonkheid, als u naakt en bloot was, als u vertreden was in uw bloed. Psalmen 59:11: De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien. Psalmen 106:4: Gedenk mijn, o YHWH! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; Jesaja 26:11: YHWH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren. Jeremia 51:35: Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem. Joël 3:19: Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben. Obadja 1:10: Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid. Jona 2:8: Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
[^jeremia-2-3-5]: Kanttekening 5: Van Hem tot Zijn volk geheiligd en van alle andere volken afgezonderd; gelijk de eerstelingen van de vruchten Hem geheiligd waren. Zie Ex. 19:4, 19:5, 19:6. Exodus 19:4: Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Exodus 19:6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult.
[^jeremia-2-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, zochten op te eten, dat is, te verderven, die Hem leed deden; verg. Neh. 6:9; Ps. 14:4, en Ps. 79:7. Nehemia 6:9: Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen! Psalmen 14:4: Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan. Psalmen 79:7: Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
[^jeremia-2-3-7]: Kanttekening 7: 7 voor schuldig gehouden: En als zodanigen gestraft; gelijk de volgende woorden verklaren.
[^jeremia-2-3-8]: Kanttekening 8: Te weten, van de straf; dat is ellende verderf; gelijk gebleken is aan de Egyptenaars, Amelekieten, de koningen Sihon en Og, Midianieten en Kanaänieten.
[^jeremia-2-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, de afgoden, die niets dan ijdelheid zijn, en afgodedienaars in hun gedachten verijdelen en in hun hoop bedriegen; verg. 2 Kon. 17:15; Ps. 62:11, en onder vers 8, 2:11. 2 Koningen 17:15: Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van die YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die. Psalmen 62:11: Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelfde geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^jeremia-2-5-a]: Verwijzing a: Micha 6:3; idem v. 4. Micha 6:3: O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. Micha 6:4: Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.
[^jeremia-2-6-10]: Kanttekening 10: 10 zeiden niet: Te weten, bij zichzelven, dat is, dachten niet, zo vers 8. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
[^jeremia-2-6-11]: Kanttekening 11: Hebr. van de wildernis en van de kuil, of van de groeve; dat is woest en kuilachtig, dat is onslecht, oneffen, ongebaand; sommigen verstaan door de kuil het graf; dat is, zulk een land, waarin, vermits gebrek van alles vers 2, voor de doortrekkenden niet dan de dood en het graf te verwachten was, tenware God het wonderlijk voorzien had. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^jeremia-2-6-12]: Kanttekening 12: 12 schaduw van de dood: Zie Ps. 23:4. Psalmen 23:4: Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
[^jeremia-2-7-13]: Kanttekening 13: 13 En Ik bracht: Dit zijn weer Gods woorden.
[^jeremia-2-7-14]: Kanttekening 14: 14 vruchtbaar land: Hebr. Karmel. Zie 2 Kon. 19:23; zo onder Jer. 4:26, en Jer. 48:32, enz., versta Kanaän. 2 Koningen 19:23: Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. Jeremia 4:26: Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH, vanwege de hitte van Zijn toorn. Jeremia 48:32: Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst;
[^jeremia-2-7-15]: Kanttekening 15: Zie Ps. 86:10. Psalmen 86:10: Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God.
[^jeremia-2-7-16]: Kanttekening 16: Bedrijvende daarin allerlei gruwelijke afgoderij, gelijk volgt.
[^jeremia-2-8-17]: Kanttekening 17: 17 die de wet handelden: Als priesters, Levieten, schriftgeleerden, die de wet van God, of de Heilige Schrift, het volk zouden leren en verklaren; zie Mal. 2:6, 2:7; Ezra 7:6; Neh. 8:1, 8:3, 8:7, 8:8, enz. Maleachi 2:6: De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten. Ezra 7:6: Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Nehemia 8:1: Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen van Israël in hun steden waren, Nehemia 8:3: En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op de eerste dag van de zevende maand. Nehemia 8:7: En Ezra loofde YHWH, de grote God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en aanbaden YHWH, met de aangezichten ter aarde. Nehemia 8:8: Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.
[^jeremia-2-8-b]: Verwijzing b: Rom. 2:20. Romeinen 2:20: Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester van de onwetenden, hebbende de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet.
[^jeremia-2-8-18]: Kanttekening 18: 18 kenden Mij niet: Anders: vielen van mij af. Zie 1 Kon. 8:50, en 1 Kon. 12:19. 1 Koningen 8:50: En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; 1 Koningen 12:19: Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag.
[^jeremia-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 door Baäl: Dat is, in Baäls naam. Zie Richt. 2:11. Richteren 2:11: Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^jeremia-2-8-20]: Kanttekening 20: Dat is, de afgoden en menselijke inzettingen, zo vers 11, die boven vers 5 ijdelheid genoemd worden, en onder eigen gehouwen bakken, die geen water houden, vers 13. Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelfde geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet. Jeremia 2:5: Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? Jeremia 2:13: Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^jeremia-2-10-21]: Kanttekening 21: Zie Gen. 10:4, en Num. 24:24. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. Numeri 24:24: En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.
[^jeremia-2-10-22]: Kanttekening 22: Zie Gen. 25:13, onder Jer. 49:28; Ps. 120:5, 120:6; Hoogl. 1:5. Men houdt het voor landstreken in woest en steenachtige Arabië; verg Ez. 27:21. Genesis 25:13: En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Jeremia 49:28: Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. Psalmen 120:5: O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. Psalmen 120:6: Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten. Hooglied 1:5: Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Ezechiël 27:21: Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uw hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.
[^jeremia-2-10-23]: Kanttekening 23: Hebr. zeer.
[^jeremia-2-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, de ware God en godsdienst, in afgoden en afgoderij; zie Ps. 106:20, met de aantekening. Psalmen 106:20: En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.
[^jeremia-2-11-c]: Verwijzing c: Ps. 106:20. Psalmen 106:20: En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.
[^jeremia-2-12-25]: Kanttekening 25: Zie Deut. 4:26. Deuteronomium 4:26: Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^jeremia-2-12-d]: Verwijzing d: Deut. 32:1; Jes. 1:2. Deuteronomium 32:1: Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijn monds. Jesaja 1:2: Hoort, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
[^jeremia-2-12-26]: Kanttekening 26: 26 zijt verschrikt: Eigenlijk: Laat de haren oprijzen, of zijt bewogen.
[^jeremia-2-12-27]: Kanttekening 27: 27 wordt zeer woest: Door intrekking of verlies van het hemelse licht.
[^jeremia-2-13-28]: Kanttekening 28: De auteur en oorsprong van de ware gelukzaligheid, aller zalige en bestendige hulp, van de heilzame troost en van het eeuwige leven; vergelijk Joh. 4:14, enz. Johannes 4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
[^jeremia-2-13-e]: Verwijzing e: Hoogl. 4:15; Jer. 17:13. Hooglied 4:15: O fontein van de hoven, put van de levende wateren, die uit Libanon vloeien! Jeremia 17:13: O YHWH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de Springader van de levenden waters.
[^jeremia-2-13-29]: Kanttekening 29: 29 van het levende water: Zie Gen. 26:19, en dergelijk Ps. 36:10. Genesis 26:19: De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water. Psalmen 36:10: Want bij U is de fontein van het leven; in Uw licht zien wij het licht.
[^jeremia-2-13-30]: Kanttekening 30: Of, cisteren; vergelijk boven vers 8. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
[^jeremia-2-14-31]: Kanttekening 31: Dat hij aldus van vijanden gehandeld wordt, alsof hij een knecht en slaaf ware.
[^jeremia-2-14-32]: Kanttekening 32: 32 ingeborene van het huis: Dat is, slaaf, knecht, die ook een zoon van het huis genoemd wordt. Zie Gen. 15:3, en Gen. 17:13. Genesis 15:3: Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! Genesis 17:13: De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.
[^jeremia-2-14-33]: Kanttekening 33: 33 is hij dan: God spreekt van de nakende straffen alsof zij bereids zijn volk waren overkomen, vanwege de ongetwijfelde zekerheid van die. Zo in het volgende, en elders dikwijls. Deut. 4:15. Deuteronomium 4:15: Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
[^jeremia-2-15-f]: Verwijzing f: Jes. 5:29; Jer. 4:7. Jesaja 5:29: Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. Jeremia 4:7: De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in woon.
[^jeremia-2-15-34]: Kanttekening 34: De vijanden, te weten de Babyloniërs.
[^jeremia-2-15-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, gegeven. Dat is, geluid, geschrei gemaakt, gelijk een wild dier doet over de roof.
[^jeremia-2-15-g]: Verwijzing g: Jer. 4:7. Jeremia 4:7: De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in woon.
[^jeremia-2-16-36]: Kanttekening 36: 36 kinderen van Nof: Dat is, de Egyptenaars. Zie van deze beide steden Jes. 19:13, en Jes. 30:3, 30:4; idem onder, Jer. 43:7. Jesaja 19:13: De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uiterste hoek van zijn stammen. Jesaja 30:3: Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. Jesaja 30:4: Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.
[^jeremia-2-16-37]: Kanttekening 37: Zie onder Jer. 43:7, 43:8. Idem, Ez. 30:18, met de aantekening. De woorden zijn in het Hebreeuws wat anders geschreven. Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes. Jeremia 43:8: Toen geschiedde het woord van YHWH tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende: Ezechiël 30:18: En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hovaardij van haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
[^jeremia-2-16-38]: Kanttekening 38: In plaats dat u meent van hen geholpen te worden, zullen zij u bederven, in het bijzonder in de zuidelijke grenzen gelegen naar Egpypte. Anders: verbroken, verpletterd.
[^jeremia-2-17-39]: Kanttekening 39: 39 weg leidt: Als Hij u de rechte weg of in zijn weg leidt door de leringen en vermaningen van zijn dienaren.
[^jeremia-2-18-40]: Kanttekening 40: 40 wat hebt u te doen: Hebreeuws, wat is u, of wat hebt u; te weten te doen? vergelijk Richt. 11:12; 2 Sam. 16:10. De zin is: Wat loopt en reist u dus naar Egypte, of Assyrië, om hulp, alsof Ik u niet helpen kon? vergelijk onder vers 36. Richteren 11:12: Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om tegen mijn land te krijgen? 2 Samuël 16:10: Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent.
[^jeremia-2-18-h]: Verwijzing h: Jes. 31:1. Jesaja 31:1: Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet.
[^jeremia-2-18-41]: Kanttekening 41: Zie Jes. 13:3; Jes. 23:3. Jesaja 13:3: Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid. Jesaja 23:3: En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst van de rivier; en zij was de markt van de heidenen.
[^jeremia-2-18-42]: Kanttekening 42: Eufraat.
[^jeremia-2-19-i]: Verwijzing i: Jes. 3:9; Hosea 5:5. Jesaja 3:9: Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.
[^jeremia-2-19-43]: Kanttekening 43: 43 zal u kastijden: Dat is, u zult om uwe boosheid gestraft worden. Of, laat uwe boosheid u tuchtigen, enz.; dat is, de vruchten van uw boosheid u onderwijzen en overtuigen dat u misdaan hebt.
[^jeremia-2-19-44]: Kanttekening 44: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-2-20-45]: Kanttekening 45: 45 Als Ik: Of, omdat Ik, enz.
[^jeremia-2-20-46]: Kanttekening 46: 46 van ouds: Of, in voortijden; zo wordt het Hebreeuwse woord olam dat anders eeuwigheid, idem, een langen toekomstigen tijd, ook de tijd van het leven van de mens betekent ook dikwijls genomen voor langverleden tijden, zaken vanouds, enz. zie Gen. 6:4; Deut. 32:7; Jes. 57:11, en onder Jer. 6:16, en Jer. 18:15, en Jer. 28:8; Ez. 26:20, enz. Genesis 6:4: In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Deuteronomium 32:7: Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen. Jesaja 57:11: Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en zijt Mijn niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en u vreest Mij niet? Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. Jeremia 18:15: Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken van de ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is; Jeremia 28:8: De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen veel landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd, van krijg, en van kwaad, en van pestilentie. Ezechiël 26:20: Dan zal Ik u doen nederdalen met degenen die in de kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen van de aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in de kuil nederdalen, opdat u niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land van de levenden.
[^jeremia-2-20-47]: Kanttekening 47: 47 uw juk: Versta, de dienstbaarheid en slavernij in Egypte.
[^jeremia-2-20-48]: Kanttekening 48: Of, afgetrokken, afgerukt.
[^jeremia-2-20-49]: Kanttekening 49: Te weten de afgoden. Anders: ik zal niet overtreden; vergelijk de beloften, die zij God gedaan hebben Ex. 19:8, en Ex. 24:3; Jos. 24:16, enz.; maar wil de Heer zeggen u hebt geen woord gehouden; want enz. Exodus 19:8: Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zei: Al wat YHWH gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot YHWH. Exodus 24:3: Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden van YHWH, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die YHWH gesproken heeft, zullen wij doen.
[^jeremia-2-20-50]: Kanttekening 50: 50 loopt u om: Vergelijk deze betekenis van het Hebreeuwse woord met Jes. 51:14, en Jes. 63:1, en onder Jer. 48:12. Anders: ligt u, of strekt u u neder, wentelt u u. Jesaja 51:14: De omzwevende gevangene zal haastig los gelaten worden; en hij zal in de kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Jeremia 48:12: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.
[^jeremia-2-20-51]: Kanttekening 51: Vergelijk onder vers 23. Dat is, afgoderij bedrijvende. Zie Lev. 17:7, en Deut. 12:2, 12:3, of u hoert. Jeremia 2:23: Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait! Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Deuteronomium 12:2: U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom. Deuteronomium 12:3: En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.
[^jeremia-2-21-k]: Verwijzing k: Ex. 15:17; Ps. 44:3; Ps. 80:9. Exodus 15:17: Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH! Psalmen 44:3: U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; U hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten. Psalmen 80:9: U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant;
[^jeremia-2-21-52]: Kanttekening 52: 52 getrouw zaad: Hebreeuws, zaad van de waarheid, of getrouwheid (זֶרַע); dat is een rechten goeden stok, een oprechte plant, die goed zaad, dat is goede vruchten, die het zaad in zich dragen, voortbrengt. Vergelijk Jes. 1:21, en Jes. 5:2. Anders: welks gehele zaad waarheid zou zijn; in enen zin. Jesaja 1:21: Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu moordenaars. Jesaja 5:2: En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.
[^jeremia-2-21-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws eigenlijk, afwijkende, dat is, ontaarde bastaardranken.
[^jeremia-2-21-54]: Kanttekening 54: Of, uitlandsen.
[^jeremia-2-22-55]: Kanttekening 55: Dat is, al uw huichelachtige uitvluchten, verontschuldigingen, vijgebladeren, waarmee u uwe boosheid zoekt te bedekken, kunnen u niet helpen.
[^jeremia-2-22-l]: Verwijzing l: Job 9:30. Job 9:30: Als ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
[^jeremia-2-22-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, nether; dat is, niter, salpeter, bergzout.
[^jeremia-2-22-57]: Kanttekening 57: Of, gemerkt, dat zij voor mij niet verduisterd kan worden, gelijk het fijne goud zijn merk heeft. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier zo gevonden, komende van een ander, dat fijn goud betekent en bij de Hebreën ook genomen wordt voor een merk, teken, of vlek, waarbij men iets kan kennen; sommigen zetten het over, glinstert, of blinkt, als goud, idem, gevlekt.
[^jeremia-2-23-58]: Kanttekening 58: 58 uw weg: Dat is, uw afgodisch wezen en doen.
[^jeremia-2-23-59]: Kanttekening 59: Dit kan men in het algemeen verstaan van de dalen, Jes. 57:5, 57:6, of in het bijzonder van het dal Hinnoms, dicht bij Jeruzalem gelegen, waar zij hun gruwelijke afgoderij met de Moloch bedreven. Zie 2 Kon. 23:10, en onder Jer. 19:2, enz. Jesaja 57:5: Die hittig zijt in de eikenbossen, onder alle groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen. Jesaja 57:6: Aan de gladde stenen van de beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort u hun drankoffer uit, u offert hun spijsoffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten? 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. Jeremia 19:2: En ga uit naar het dal van de zoon van Hinnom, dat voor de deur van de Zonnepoort is, en roep daar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal;
[^jeremia-2-23-60]: Kanttekening 60: 60 snelle kemelin: Men meent dat het Hebreeuwse woord bichra betekent een zekere soort van kleine of jonge kemelinnen, die zeer snel waren in het lopen als de postpaarden, en zo anderen voorliepen, gelijk de eerstgeborenen waarvan bechor gebruikt wordt de andere kinderen voorkwamen. Vergelijk Jes. 60:6. Daarom werd zulk ene kemelin met een Grieks woord dromas, dat is loopster genoemd; het woord dromedaris wordt in onze taal ook gebruikt. Hierbij vergelijkt God Israël, vanwege hun hittige loopsheid in alle afgoderij. Jesaja 60:6: Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedige lof van YHWH boodschappen.
[^jeremia-2-23-61]: Kanttekening 61: Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden, komende van een ander, dat een schoenriem betekent. God wil zeggen dat Israël heen en weer, om en opnieuw liep in afgoderij, gelijk een schoenriem heen en weer gesnoerd, geslingerd ingewikkeld of verdraaid wordt.
[^jeremia-2-24-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws, geleerd; dat is gewend, geoefend, ervaren, gelijk onder Jer. 13:21, 13:23, en Jer. 31:18; Hos. 10:11. De zin is, dat zij zo weinig in haar hitte te dwingen of te temmen is als een wilde woudezel. Zie Job 39:8. Jeremia 13:21: Wat zult u zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar u hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw? Jeremia 13:23: Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Jeremia 31:18: Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent YHWH, mijn God! Hosea 10:11: Omdat Efraïm een vaars is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. Job 39:8: Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost?
[^jeremia-2-24-63]: Kanttekening 63: 63 schept zij de wind: Of, slokt de wind in. Vergelijk onder Jer. 14:6. Dat is, verkwikt en verlustig zij zich bij alle gelegenheid, die zij zelve zoekt en najaagt in haar geestelijke hoererij, zijnde zo beschaamd hittig dat niemand haar weren of afslaan kan. Anders: schept zij de wind naar haar gelegenheid, wie zou haar afkeren? Jeremia 14:6: En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen de wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.
[^jeremia-2-24-64]: Kanttekening 64: De afgodendienaars, die met haar willen boeleren, behoeven geen grote moeite te doen, zij is licht te vinden. Vergelijk Ez. 16:33, 16:34, en Ez. 23:40. Ezechiël 16:33: Men geeft loon aan alle hoeren; maar u geeft uw loon aan al uw boelen, en u beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. Ezechiël 16:34: Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, omdat men u niet naloopt, om te hoereren; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden. Ezechiël 23:40: Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot wie als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor wie u u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierde;
[^jeremia-2-24-65]: Kanttekening 65: De nieuwe maan, of maanstonden, want zij heeft alle eerbaarheid uitgetrokken. Zie Lev. 20:18. Sommigen verstaan dit van de afgoderij, die zij op alle nieuwe maanden bedreven. Leviticus 20:18: En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
[^jeremia-2-25-66]: Kanttekening 66: Dit zijn Gods woorden, die Israël van haar onbeschaamde hitte afroept.
[^jeremia-2-25-67]: Kanttekening 67: 67 Het is buiten hoop: Het is vergeefs, het is verloren arbeid, ik wil dat niet doen.
[^jeremia-2-25-68]: Kanttekening 68: Te weten afgoden.
[^jeremia-2-26-69]: Kanttekening 69: 69 Gelijk een dief beschaamd wordt: Hebreeuws, naar de schaamte van een dief. Vergelijk onder Jer. 48:27. Jeremia 48:27: Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat u u zo bewoogt, van de tijd af, dat uw woorden van hem waren?
[^jeremia-2-26-70]: Kanttekening 70: 70 gevonden wordt: Dat is, op de daad betrapt en gegrepen wordt.
[^jeremia-2-26-71]: Kanttekening 71: 71 zijn die van het huis van Israël beschaamd: Of, zullen beschaamd worden. Anders: hebben zij het huis van Israël beschaamd; dat is, zullen zij beschamen, enz., men zal hen beschamen; dat is, zij zullen zekerlijk beschaamd worden.
[^jeremia-2-27-72]: Kanttekening 72: Of, gebaard.
[^jeremia-2-27-73]: Kanttekening 73: 73 nek toe: Zij zijn afkerig van mij en onwillig, wederstrevig geweest. Zie onder Jer. 7:24, en Jer. 32:33 en vergelijk Ex. 32:9. Jeremia 7:24: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen; Exodus 32:9: Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
[^jeremia-2-27-74]: Kanttekening 74: Van de straf, als de gedreigde ellenden hun overkomen. Zo in vers 28. Jeremia 2:28: Waar zijn dan uw goden, die u u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda!
[^jeremia-2-28-75]: Kanttekening 75: 75 Laat ze opstaan: Vergelijk Deut. 32:38; Richt. 10:14. Deuteronomium 32:38: Wier slachtofferen vet zij aten, wier drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij. Richteren 10:14: Gaat heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, ter tijd van uw benauwdheid.
[^jeremia-2-28-76]: Kanttekening 76: 76 naar het getal van uw steden: Dat is, u hebt zo menige bijzondere afgoden als u steden hebt. Laat dan eens zien of zij al tezamen u kunnen helpen.
[^jeremia-2-28-m]: Verwijzing m: Jes. 2:8; Jer. 11:13. Jesaja 2:8: Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hun handen buigen zij zich neder, voor wat hun vingeren gemaakt hebben. Jeremia 11:13: Want naar het getal uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken.
[^jeremia-2-29-77]: Kanttekening 77: 77 tegen Mij overtreden: Zie boven vers 8. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
[^jeremia-2-30-78]: Kanttekening 78: Zie Jes. 1:5. Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt de afval des te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat.
[^jeremia-2-30-n]: Verwijzing n: Jes. 1:5; Jer. 5:3. Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt van de afvals van de te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat. Jeremia 5:3: O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
[^jeremia-2-30-79]: Kanttekening 79: Zie Spreuk. 1:2. Spreuken 1:2: Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand;
[^jeremia-2-30-o]: Verwijzing o: Jer. 5:3. Jeremia 5:3: O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
[^jeremia-2-30-80]: Kanttekening 80: Zover is het vandaar, dat u mijn bestraffingen zoudt hebben aangenomen, dat u daarentegen de profeten, die u van afgoderij afmaanden, als woedende wilde beesten vernield hebt, gelijk geschied is ten tijde van Asa, Joas en Manasse. Zie ook Matt. 23:29, enz.; Luk. 11:47, enz., en Luk. 13:34. Mattheüs 23:29: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten op, en versiert de graftekenen van de rechtvaardigen; Lukas 11:47: Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw vaders hebben dezelfde gedood. Lukas 13:34: Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en u hebt niet gewild?
[^jeremia-2-30-81]: Kanttekening 81: Of, vernielende. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 20:21. Richteren 20:21: Toen togen de kinderen van Benjamin uit van Gibeä, en zij vernielden ter aarde op die dag van Israël twee en twintig duizend man.
[^jeremia-2-31-p]: Verwijzing p: Matt. 23:26. Mattheüs 23:26: U blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in de drinkbeker en de schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.
[^jeremia-2-31-82]: Kanttekening 82: Hebreeuws, ziet.
[^jeremia-2-31-85]: Kanttekening 85: 85 Wij zijn heren: Of, wij heersen; dat is, onze zaken staan wel, wij hebben ons rijk door vreemde hulp en verbonden vastgemaakt, wij hebben U niet meer van doen, behoeven U niet meer te zoeken.
[^jeremia-2-31-83]: Kanttekening 83: 83 Ben Ik: Heb ik Israël zo kwalijk geleid en behandeld, of zijn zij zo kwalijk bij mij gevaren, gelijk mensen, die in ene wildernis en duistere ongebaande wegen van honger, kommer, verdriet en verbijstering versmachten en verkwijnen? Immers \[wil de Heer zeggen\] is het tegendeel waarachtig. Zulk vragen loochent sterkelijk.
[^jeremia-2-31-84]: Kanttekening 84: 84 uiterste donkerheid: Hebreeuws, donkerheid, of duisternissen van YHWH. Het woord JAH \[naar het meeste gevoelen\] tot vergroting of verzwaring van de zaak daar bijgevoegd zijnde. Vergelijk Gen. 13:10. Anders: een land dat de \[inwoners\] nederwerpt, of doet vallen; dat is door gebrek versmachten, omkomen, de zin opeen uitkomende. Genesis 13:10: En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar.
[^jeremia-2-32-86]: Kanttekening 86: Waarmee zij haar sieraad aanbindt. Sommigen houden het voor sieraad van het hoofd, òf de hals, òf de keel.
[^jeremia-2-32-87]: Kanttekening 87: 87 Mij vergeten: Die Ik haar eer en enig sieraad ben. Zie 2 Sam. 1:19, en boven vers 11. 2 Samuël 1:19: O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelfde geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^jeremia-2-32-q]: Verwijzing q: Jer. 3:21. Jeremia 3:21: Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen van de kinderen van Israël, omdat zij hun weg verkeerd, en YHWH, hun God, vergeten hebben.
[^jeremia-2-32-88]: Kanttekening 88: 88 dagen zonder getal: Een zeer langen tijd.
[^jeremia-2-33-89]: Kanttekening 89: Hebreeuws eigenlijk, liefde, min. De zin schijnt te wezen: Wat wilt u uw afgodisch wezen en doen nog verbloemen, daar u toch anders niet doet dan gelegenheid overal te zoeken om gemeenschap met andere afgodendienaars te mogen krijgen, en met hen afgoderij te bedrijven? Sommigen verstaan dit van hun gestadig lopen en reizen om gunst bij heidense afgodische volken te verkrijgen en verbond met hen te maken, waarvan vers 36. Beide deden zij, en het ene hing aan het andere. Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent.
[^jeremia-2-33-90]: Kanttekening 90: 90 Waarom u ook: Of, waardoor, zodat u ook, ja u hebt ook, enz.; dat is, u bent een zo snode hoer, dat u de allerergste uitlandse of heidense tebovengaat, omdat u die nog met uw doen erger maakt dan zij vanzelf zijn.
[^jeremia-2-34-91]: Kanttekening 91: Dat is, personen; vergelijk Spreuk. 28:17, met de aantekening. Spreuken 28:17: Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar de kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!
[^jeremia-2-34-92]: Kanttekening 92: Te weten van uw kleren.
[^jeremia-2-34-93]: Kanttekening 93: 93 dat niet: Te weten bloed. Het Hebreeuwse woord, dat bloed betekent, staat wel in het voorgaande in het enkelvoud, maar is gevoegd bij een woord, dat in het getal van velen staat, alsof men zei: Het bloed zijn gevonden; dat is de bloeden, gelijk de Schriftuur dikwijls het woord bloeden zo gebruikt; of men kan het verstaan van veel onschuldig bloed, waarmee zij besmet waren. Zie vers 30. Dit was zo openbaar, dat men het met geen scherp onderzoek behoefde uit te vinden, en het bloed, als verborgen in de aarde, op te graven, maar het was voor ogen, klevende nog \[om zo te spreken\] aan al de zomen van haar kleren. Sommigen nemen het aldus: U \[omdat het Hebreeuwse woord in de eerste persoon van het mannelijk geslacht en in de tweede van het vrouwelijk kan genomen worden\] hebt ze \[te weten de onschuldige armen\] niet gevonden in het doorgraven \[dat u hen als schuldige nachtdieven zoudt hebben gedood, Ex. 22:2, 22:3\], maar \[u hebt hen gedood\] om al die dingen; te weten al uw voorverhaalde afgoderij, die zij bestraffen. Zie vers 30. Jeremia 2:30: Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw. Exodus 22:2: Als een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. Exodus 22:3: Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij. Jeremia 2:30: Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw.
[^jeremia-2-34-94]: Kanttekening 94: Te weten zomen van uw kleren.
[^jeremia-2-35-95]: Kanttekening 95: 95 Zijn toorn: Namelijk, van de Heer, alsof zij zeiden: Wij zijn daarvan genoeg verzekerd, dat de Heer op ons niet vertoornd is. Anders: zijn toorn wende zich slechts van mij af; dat is, ik zal genoeg bewijzen dat ik onschuldig ben, als Hij maar minnelijk met mij wilde handelen, en zo gestreng en hard niet zijn; gelijk de huichelaars, zichzelven ontschuldigende, God altijd beschuldigen.
[^jeremia-2-35-96]: Kanttekening 96: 96 met u rechten: Of, mij met U in recht begeven; gelijk elders. Zie Ez. 17:20, en Ez. 20:35; Joël 3:2, enz. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft. Ezechiël 20:35: Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar rechten, aangezicht aan aangezicht; Joël 3:2: Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
[^jeremia-2-36-97]: Kanttekening 97: Hebreeuws, zeer.
[^jeremia-2-36-98]: Kanttekening 98: 98 veranderende uw weg: Nu tot deze, dan tot genen reizende om hulp.
[^jeremia-2-36-99]: Kanttekening 99: Dat is, de Egyptenaars, zo Assur, dat is, de Assyriërs.
[^jeremia-2-36-r]: Verwijzing r: Jes. 31:1. Jesaja 31:1: Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet.
[^jeremia-2-36-100]: Kanttekening 100: Vergelijk Jes. 30:3, 30:4, 30:5; onder Jer. 37:7; Hos. 5:13, enz. Jesaja 30:3: Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. Jesaja 30:4: Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; Jesaja 30:5: Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal. Jeremia 37:7: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, die u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen.
[^jeremia-2-36-101]: Kanttekening 101: Zie 2 Kron. 28:20, 28:21. De Heer wil zeggen, gelijk u met de één bedrogen bent uitgekomen, zo zal het u ook gaan met de ander. 2 Kronieken 28:20: En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 2 Kronieken 28:21: Want Achaz nam een deel van het huis van YHWH, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.
[^jeremia-2-37-102]: Kanttekening 102: 102 hier uitgaan: Omdat u van hier zo om hulp uitreist, zo zult u, enz. Of, van deze, te weten de Egyptenaars; anders: vanwege die.
[^jeremia-2-37-103]: Kanttekening 103: Dat is, met rouw, schaamte en schande; zie 2 Sam. 13:19, met de aantekening. 2 Samuël 13:19: Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervige rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet.
[^jeremia-2-37-104]: Kanttekening 104: 104 al uw vertrouwen: Hebreeuws, uwe vertrouwens. In het getal van velen, dat is al uw ijdelen toeverlaat, die u buiten God zoekt.

### Jeremia 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/3.json)

*Gods grote lankmoedigheid over de snode en hardnekkige afgoderij van Juda, met aansporing tot bekering, vers 1, enz. Vergelijking van de boosheid van Israël en Juda, dat zich niet aan Israëls voorbeeld spiegelde, maar het nog erger maakte, 6. Israël wordt ook aangespoord tot bekering, 12. met schone evangelische beloften van de vergadering van de uitverkoren Joden en heidenen tot Christus' kerk, de instelling van het predikambt, de afschaffing van de ceremoniën en de oprichting van de nieuwe godsdienst; evenzo van de Geest van het kindschap, van het gebed en van de ware bekering (waarvoor God Zijn uitverkorenen een voorschrift geeft), en de erfenis van het hemelse Kanaän, 14. enz.*

**1** [^jeremia-3-1-1] Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt van een andere man, zal[^jeremia-3-1-2] hij ook tot haar nog terugkeren? Zou[^jeremia-3-1-3] dat land niet[^jeremia-3-1-4] enorm ontheiligd worden? U nu hebt met[^jeremia-3-1-5] veel boeleerders gehoereerd,[^jeremia-3-1-6] keer toch weer tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v1)

**2** Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar bent u niet[^jeremia-3-2-7] beslapen? U hebt voor[^jeremia-3-2-8] hen gezeten aan de wegen, als een[^jeremia-3-2-9] Arabier in de woestijn; zo hebt u het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v2)

**3** Daarom zijn de[^jeremia-3-3-10] regendruppelen[^jeremia-3-3-11] ingehouden, en er is geen[^jeremia-3-3-12] spade regen geweest. Maar u hebt een[^jeremia-3-3-13] hoerenvoorhoofd, u[^jeremia-3-3-14] weigert schaamrood te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v3)

**4** Zult u niet van nu af[^jeremia-3-4-15] tot Mij roepen: Mijn Vader! U bent de[^jeremia-3-4-16] leidsman van mijn jeugd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v4)

**5** Zal Hij in eeuwigheid[^jeremia-3-5-17] de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren?[^jeremia-3-5-18] Zie, u spreekt en doet die[^jeremia-3-5-19] boosheden, en[^jeremia-3-5-20] neemt de overhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v5)

**6** Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de[^jeremia-3-6-21] koning Josia: Hebt u gezien, wat de[^jeremia-3-6-22] afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij[^jeremia-3-6-a] ging heen op elke hoge berg, en tot onder alle groene boom, en hoereerde daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v6)

**7** En Ik zei, nadat zij dat alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de[^jeremia-3-7-23] trouweloze, haar zus Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v7)

**8** En Ik zag, als Ik vanwege alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar[^jeremia-3-8-24] scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde,[^jeremia-3-8-25] maar ging heen, en hoereerde zelf ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v8)

**9** Ja, het gebeurde, vanwege het[^jeremia-3-9-26] gerucht van haar hoererij, dat[^jeremia-3-9-27] zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met[^jeremia-3-9-28] steen en met hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v9)

**10** En zelfs[^jeremia-3-10-29] in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar hele hart,[^jeremia-3-10-30] maar vals, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v10)

**11** Daarom zei YHWH tot mij: De afgekeerde Israël heeft haar[^jeremia-3-11-31] ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v11)

**12** Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het[^jeremia-3-12-32] noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn[^jeremia-3-12-33] toorn op u niet doen vallen; want Ik ben[^jeremia-3-12-34][^jeremia-3-12-b] goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn[^jeremia-3-12-35] niet in eeuwigheid behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v12)

**13** Alleen[^jeremia-3-13-36] ken uw ongerechtigheid, dat u tegen YHWH, uw God, hebt[^jeremia-3-13-37] overtreden, en uw wegen[^jeremia-3-13-38] verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar u bent aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v13)

**14** Bekeer u, u afkerige kinderen! spreekt YHWH, want Ik heb u[^jeremia-3-14-39] getrouwd, en Ik zal u aannemen,[^jeremia-3-14-40] één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v14)

**15** En Ik zal u herders[^jeremia-3-15-41][^jeremia-3-15-c] geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v15)

**16** En het zal gebeuren, wanneer u[^jeremia-3-16-42] vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De[^jeremia-3-16-43] ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet[^jeremia-3-16-44] opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar[^jeremia-3-16-45] niet bezoeken, en zij zal niet weer[^jeremia-3-16-46] gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v16)

**17** In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar verzameld worden,[^jeremia-3-17-47] omwille van de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het[^jeremia-3-17-48] goeddunken van hun boos hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v17)

**18** In die dagen zal het huis van[^jeremia-3-18-49] Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen samen komen uit het land van het[^jeremia-3-18-50] noorden, in het land, dat Ik uw vaders[^jeremia-3-18-51] als erfenis gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v18)

**19** [^jeremia-3-19-52]Ik zei wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het[^jeremia-3-19-53] gewenste land, de[^jeremia-3-19-54] sierlijke erfenis van de legermachten van de heidenen? Maar Ik zei: U zult[^jeremia-3-19-55] tot Mij roepen: Mijn Vader! en u zult van achter Mij niet afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v19)

**20** Werkelijk, zoals een vrouw trouweloos scheidt van haar[^jeremia-3-20-56] vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v20)

**21** Er[^jeremia-3-21-57] is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween[^jeremia-3-21-58] en smekingen van de Israëlieten, omdat zij hun weg verkeerd, en YHWH, hun God,[^jeremia-3-21-d] vergeten hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v21)

**22** [^jeremia-3-22-59] Keer weer, u afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.[^jeremia-3-22-60] Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent YHWH, onze God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v22)

**23** Werkelijk, tevergeefs[^jeremia-3-23-e] verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen; werkelijk, in YHWH, onze God, is Israëls heil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v23)

**24** Want de[^jeremia-3-24-61] schaamte heeft de[^jeremia-3-24-62] arbeid van onze vaders[^jeremia-3-24-63] opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v24)

**25** Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaders, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn aan de stem van YHWH, onze God, niet gehoorzaam geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/3.html#v25)

[^jeremia-3-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, om te zeggen, of zeggende; dat is, men zegt gemeenlijk, om zo te zeggen, bij manier van spreken, genomen dat, enz.
[^jeremia-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 hij ook tot haar: Dat is, zal de eerste man haar ook weer mogen nemen?
[^jeremia-3-1-3]: Kanttekening 3: Waarin zulke gruwel mocht gebeuren; zie hiervan Deut. 24:4. Deuteronomium 24:4: Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht van YHWH; zo zult u het land niet doen zondigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^jeremia-3-1-4]: Kanttekening 4: 4 grotelijks ontheiligd: Hebreeuws, ontheiligd zijnde ontheiligd zijn.
[^jeremia-3-1-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, gezellen, vrienden.
[^jeremia-3-1-6]: Kanttekening 6: 6 keer nochtans: De Heer wil zeggen dat Hij evenwel zijn volk in genade zal op- en aannemen, zo zij zich van al deze gruwelen en verbondbrekingen oprecht zullen bekeren.
[^jeremia-3-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, daar zijn gene hoogten, of u hebt er afgoderij op bedreven.
[^jeremia-3-2-8]: Kanttekening 8: 8 hen gezeten: Om de boeleerders te wachten, als een gemene onbeschaamde hoer; vergelijk Gen. 38:14; Ez. 16:24, 16:25. Genesis 38:14: Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven. Ezechiël 16:24: Dat u u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat. Ezechiël 16:25: Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
[^jeremia-3-2-9]: Kanttekening 9: 9 Arabier in de woestijn: Gelijk de straatschenders en rovers wachten op de voorbijgangers in woeste plaatsen.
[^jeremia-3-3-10]: Kanttekening 10: Of, regenvlagen, regenbuien.
[^jeremia-3-3-11]: Kanttekening 11: Te weten van mij, volgens mijn dreigementen; Lev. 26:19; Deut. 28:23, 28:24. Leviticus 26:19: Want Ik zal de hovaardigheid van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. Deuteronomium 28:23: En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. Deuteronomium 28:24: YHWH, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van de hemel zal het op u nederdalen, totdat u verdelgd wordt.
[^jeremia-3-3-12]: Kanttekening 12: Zie Deut. 11:14. Deuteronomium 11:14: Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
[^jeremia-3-3-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, van een vrouw van een hoer (אִשָּׁה); gelijk dikwijls.
[^jeremia-3-3-14]: Kanttekening 14: Dat is, u wilt u niet schamen, dat u immers behoort te doen als u mijn landplagen gevoelt.
[^jeremia-3-4-15]: Kanttekening 15: 15 tot Mij roepen: Hebreeuws, roept u niet tot mij, of, noemt u mij niet, enz. alsof God zei: Zult u dan nu nog tot mij niet terugkeren? Bekeer u nog van nu af.
[^jeremia-3-4-16]: Kanttekening 16: Die mij van eerst aan met onderwijs, raad en daad hebt geleid en gestierd, als een goed man zijn vrouw; vergelijk Spreuk. 2:17. Spreuken 2:17: Die de leidsman van haar jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
[^jeremia-3-5-17]: Kanttekening 17: Vergelijk onder vers 12; Ps. 103:9; idem Lev. 19:18; Nah. 1:2; in welke plaatsen het woord toorn, tot klaarheid van de zin, verstaan wordt. Dit kan men nog nemen als de woorden van het volk, die God hun voorschrijft om hem daarmede boetvaardiglijk te bejegenen; of als Gods woorden, of die van de profeet, verklarende dat God zijn toorn zal afwenden zo zij zich bekeren. Jeremia 3:12: Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. Psalmen 103:9: Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Leviticus 19:18: U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Nahum 1:2: Een ijverig God en een wreker is YHWH, een wreker is YHWH, en zeer grimmig; een wreker is YHWH aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt de toorn Zijn vijanden.
[^jeremia-3-5-18]: Kanttekening 18: Dit zijn Gods woorden tot Israël.
[^jeremia-3-5-19]: Kanttekening 19: Die boven verhaald zijn.
[^jeremia-3-5-20]: Kanttekening 20: 20 neemt de overhand: Dat is, u dringt met uwe boosheid hardnekkiglijk door. Alsof God zei: Maar het is tevergeefs, dat Ik u tot bekering roep, u vraagt er toch niet naar, u gaat niet dan te moedwilliger in uwe boosheid.
[^jeremia-3-6-21]: Kanttekening 21: Als de tien stammen van Israël naar Assyrië al waren weggevoerd.
[^jeremia-3-6-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws eigenlijk, afkerigheid. Anders: afkerige; in het vrouwelijk geslacht, passende op de volgende tekst, waar Israël bij ene hoer vergeleken wordt.
[^jeremia-3-6-a]: Verwijzing a: Jer. 2:20. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jeremia-3-7-23]: Kanttekening 23: Zo noemt God die van de stam van Juda, vanwege de afgoderij, waarmee zij de geestelijken band en trouw van het huwelijk, dat tussen God en hen was, evenzeer verbroken hadden als de andere tien stammen van Israël, die allen bloedverwanten van Juda waren, als zijnde allen tezamen afkomstig van de patriarch Jakob; daarom worden zij zussen genoemd. Vergelijk Ez. 16:46, en Ez. 23:2, 23:4, en zo in het volgende. Ezechiël 16:46: Uw grote zus nu is Samaria, zij en haar dochters, die woont aan uw linkerhand; maar uw zus, die kleiner is dan u, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochters. Ezechiël 23:2: Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochters van een moeder. Ezechiël 23:4: Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zus; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochters; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.
[^jeremia-3-8-24]: Kanttekening 24: Haar overgevende in de hand van de Assyriërs, die de tien stammen, als van Gods aangezicht en uit zijn land, gevankelijk hebben weggevoerd.
[^jeremia-3-8-25]: Kanttekening 25: Zich niet ontzag, of niet schroomde het boze voorbeeld van Israël na te volgen, niettegenstaande zij al die straffen, die Israël waren overkomen, als voor ogen gezien had. Vergelijk onder Jer. 44:10, en Spreuk. 28:14. Jeremia 44:10: Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht van uw vaderen gegeven heb. Spreuken 28:14: Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
[^jeremia-3-9-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, stem; dat men ook zo kan nemen dat het ene roepende zonde geweest is, gelijk de Schriftuur elders spreekt; vergelijk Gen. 4:10, met de aantekening (קֹּל). Anders: lichtvaardigheid. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^jeremia-3-9-27]: Kanttekening 27: 27 zij het land: Dit duiden sommigen nog op Israël, uit vergelijking van vers 10. Jeremia 3:10: En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar gehele hart, maar valselijk, spreekt YHWH.
[^jeremia-3-9-28]: Kanttekening 28: Dat is, stenen of houten afgoden. Zo Ez. 20:32; zie daar. Ezechiël 20:32: Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal in geen geval gebeuren, dat u zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten van de landen zijn, dienende hout en steen.
[^jeremia-3-10-29]: Kanttekening 29: 29 in dit alles: Of, om, of door, dit alles; dat is, hoewel zij dit alles gezien had, dat tevoren van Israël verhaald is.
[^jeremia-3-10-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, in, of met valsheid; dat is bedriegelijk, huichelachtig.
[^jeremia-3-11-31]: Kanttekening 31: Dat is, zichzelf, haar persoon, gelijk dikwijls. Zie Gen. 12:5. De zin is: Israël mag zich daarvan roemen, dat zij het zo slim nog niet gemaakt heeft als Juda. Zie Ez. 16:51, 16:52, en Ez. 33:11. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Ezechiël 16:51: Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden niet gezondigd; en u hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die u gedaan hebt. Ezechiël 16:52: Draag u dan ook uw schande, u, die voor uw zussen geoordeeld hebt door uw zonden, die u gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan u; wees u dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat u uw zussen gerechtvaardigd hebt. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël?
[^jeremia-3-12-32]: Kanttekening 32: Naar Assyrië en Medië toe, waar de tien stammen waren heengevoerd; 2 Kon. 17:6. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^jeremia-3-12-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, aangezicht; dat is mijn toorn, of mijn toornig aangezicht, waardoor Gods strenge straffen verstaan worden (פָּנַ). Zie Ps. 21:10, onder Jer. 4:26; Lev. 17:10. Anders: mijn aangezicht tegen u niet nederslaan, of nederwerpen; dat is, Ik zal u met geen toornig of stuurs gelaat aanzien, \[vergelijk Gen. 4:5, 4:6\] maar u gunst en genade bewijzen. Psalmen 21:10: U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. Jeremia 4:26: Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH, vanwege de hitte van Zijn toorn. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Genesis 4:5: Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Genesis 4:6: En YHWH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
[^jeremia-3-12-34]: Kanttekening 34: Zie 2 Kron. 6:41. 2 Kronieken 6:41: En nu, YHWH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, YHWH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.
[^jeremia-3-12-b]: Verwijzing b: Ps. 86:15; Ps. 103:8; idem 103:9; Ps. 145:17. Psalmen 86:15: Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Psalmen 103:8: Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 103:9: Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Psalmen 145:17: Tsade. YHWH is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.
[^jeremia-3-12-35]: Kanttekening 35: 35 de toorn: Zie boven vers 5. Jeremia 3:5: Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren? Zie, u spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
[^jeremia-3-13-36]: Kanttekening 36: 36 ken uw: Of, weet, erken.
[^jeremia-3-13-37]: Kanttekening 37: Zie boven Jer. 2:8. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
[^jeremia-3-13-38]: Kanttekening 38: Dat is, zijt als een lichte onbeschaamde hoer hier en daar heen en weer gelopen, om afgoderij met vreemde afgoden te bedrijven, gelijk boven vers 2, 3:6; zie ook Ez. 16:24, enz., en Ez. 23:5, 23:6, 23:7, enz. Jeremia 3:2: Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar bent u niet beslapen? U hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; zo hebt u het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid. Jeremia 3:6: Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op alle hoge berg, en tot onder alle groene boom, en hoereerde daar. Ezechiël 16:24: Dat u u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat. Ezechiël 23:5: Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren; Ezechiël 23:6: Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, allemaal gewenste jongelingen, ruiteren, rijdende op paarden. Ezechiël 23:7: Zo dreef zij haar hoererijen met dezelfde, die allen de keure van de kinderen van Assur waren; en met allen, op die zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich.
[^jeremia-3-14-39]: Kanttekening 39: Hebbende het mannelijk recht over of aan u.
[^jeremia-3-14-40]: Kanttekening 40: 40 een uit een stad: Ik zal een overblijfsel in genade behouden en brengen tot de gemeenschap van mijn kerk, door Zion afgebeeld; zie 1 Kron. 9:3, en Rom. 11:5; omdat dit voornamelijk ziet op de tijd van de Heer Christus en van het Nieuwe Testament. 1 Kronieken 9:3: Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse; Romeinen 11:5: Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade.
[^jeremia-3-15-41]: Kanttekening 41: Dat is, leraars, predikaten. Zie breder deze belofte onder Jer. 23, en Ez. 34; vergelijk 1 Sam. 13:14; Ef. 4:11. 1 Samuël 13:14: Maar nu zal uw rijk niet bestaan. YHWH heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en YHWH heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat u YHWH geboden had. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^jeremia-3-15-c]: Verwijzing c: Jer. 23:4; Ez. 34:23; Ef. 4:11. Jeremia 23:4: En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt YHWH. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^jeremia-3-16-42]: Kanttekening 42: Door de predikatie van het Evangelie, gelijk geschied is bij de tijd van de Heer Christus en van zijn apostelen; zie enig begin hiervan Hand. 1:15; 1 Kor. 15:6, en daarna Hand. 2:41, en Hand. 4:4, enz. Handelingen 1:15: En in dezelfde dagen stond Petrus op in het midden van de discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen): 1 Korinthiërs 15:6: Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broers op eenmaal, van welke het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. Handelingen 2:41: Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 4:4: En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal van de mannen werd omtrent vijf duizend.
[^jeremia-3-16-43]: Kanttekening 43: 43 ark van het verbond: Dat is, de ceremoniën van het Oude Testament \[waaronder de ark mee het voornaamste stuk was\] zullen ophouden, als zijnde schaduwen en voorbeelden op de Messias, Jezus Christus, die alsdan gekomen zijnde alles zal volbrengen en maken dat zijn kerk God dient in geest en waarheid in alle plaatsen. Zie Joh. 4:21, 4:23; 1 Tim. 2:8, enz. Johannes 4:21: Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Johannes 4:23: Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden. 1 Timotheüs 2:8: Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.
[^jeremia-3-16-44]: Kanttekening 44: Dit wordt door de volgende woorden verklaard. Vergelijk Jes. 65:17, en onder Jer. 7:31. Jesaja 65:17: Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-3-16-45]: Kanttekening 45: 45 niet gedenken: Niet zoals tevoren, en ten gebruike van de godsdienst. Vergelijk onder Jer. 16:14. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd!
[^jeremia-3-16-46]: Kanttekening 46: Of, vermaakt worden; of \[dat, of zulks alles\] zal er niet meer gebeuren, of gedaan worden. Anders: zij zal niet meer groot gemaakt, dat is hoog geacht en geroemd worden, omdat de Zoon van God in het vlees zal geopenbaard zijn, gelijk het woord maken zo bij sommigen ook genomen wordt; Deut. 32:6; 1 Sam. 12:6, en elders. Deuteronomium 32:6: Zult u dit YHWH vergelden, u, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft? 1 Samuël 12:6: Verder zei Samuël tot het volk: Het is YHWH, Die Mozes en Aäron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft.
[^jeremia-3-17-47]: Kanttekening 47: 47 om van YHWH: Of, tot de naam van YHWH; dat is tot de Heer zelf, die in het vlees en aan zijn kerk, als bij naam, zal zijn geopenbaard.
[^jeremia-3-17-48]: Kanttekening 48: Of, inbeelding, beschouwing, gedachte; anders: hardheid; zo Deut. 29:19; Ps. 81:13; onder Jer. 7:24, en Jer. 9:14, en Jer. 11:8, en Jer. 18:12, enz. Deuteronomium 29:19: En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. Psalmen 81:13: Daarom heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. Jeremia 7:24: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. Jeremia 9:14: Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. Jeremia 11:8: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een ieder naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van dit verbond, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. Jeremia 18:12: Maar zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een ieder het goeddunken van zijn boos hart.
[^jeremia-3-18-49]: Kanttekening 49: 49 gaan tot het huis: Zie boven vers 14, die tevoren van elkaar gescheiden, oneens en vijanden waren, zullen in goeden vrede, door enen geest van het geloof, als leden van één lichaam onder één hoofd Jezus Christus, tezamen hier in Gods kerk en hierna in het hemelse Kanaän, Gods erfenis bezitten; vergelijk Jes. 11:13; Ez. 37:16, enz.; Hebr. 11:14, 11:15, en Hebr. 12:22, en onder Jer. 50:4. Jeremia 3:14: Bekeert u, u afkerige kinderen! spreekt YHWH, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. Jesaja 11:13: En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. Ezechiël 37:16: U nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen van Israël, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gehele huis van Israël, zijn metgezellen. Hebreeën 11:14: Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:15: En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, van dat zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Jeremia 50:4: In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken.
[^jeremia-3-18-50]: Kanttekening 50: Dat is, van hun gevangenis; zijnde dit een beeld van de geestelijke gevangenis en verlossing uit dezelfde door Christus.
[^jeremia-3-18-51]: Kanttekening 51: 51 ten erve: Of, heb doen erven, erfelijk bezitten.
[^jeremia-3-19-52]: Kanttekening 52: 52 Ik zei wel: Dat is, Ik dacht, als meteen opnieuw; menselijkerwijze van God, als bij zichzelven aldus denkende en beraadslagende, gesproken, om de onwaardigheid van dit volk \[waarvan verder vers 20\], en de grootheid van zijn genade uit te drukken; alsof God zei: Maar hoe zal Ik daartoe komen, dat Ik van zulk boos volk mij ene kerk maak, en hen tot mijn kinderen en erfgenamen van het hemelse en heerlijke Kanaän met de menigte van de heidenen, aanneem? Waarop God als bij zichzelven aldus antwoordt: Ik zal maken door mijn Geest van de bekering en van het kindschap, dat zij zich bekeren, \[gelijk volgt\] en in geloof tot mij roepen: Abba, en van mij niet afwijken; zie Jer. 32:40; Rom. 8:15. Sommigen nemen dit vers als een vervolg van de voorgaande belofte, en stellen het aldus: Ook zei Ik, of want Ik zei, hoe zal Ik, enz., verwonderenderwijze; en in het volgende: Ook zei Ik, u zult tot mij roepen, enz. Jeremia 3:20: Waarlijk, gelijk een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt YHWH. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^jeremia-3-19-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws, land van de begeerte, van de wens (אֶרֶץ); zie Ps. 106:24. Psalmen 106:24: Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.
[^jeremia-3-19-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws, erfenis van het sieraad (נַחֲלַת). Aldus was Kanaän genoemd, zijnde een voorbeeld van het hemelse Kanaän; zie Ez. 20:6; Dan. 8:9, en Dan. 11:16, 11:41, 11:45. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen. Daniël 8:9: En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land. Daniël 11:16: Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen. Daniël 11:41: En hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; maar deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen van de kinderen Ammons. Daniël 11:45: En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg van het heilige sieraad; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.
[^jeremia-3-19-55]: Kanttekening 55: 55 tot Mij roepen: Of, mij noemen.
[^jeremia-3-20-56]: Kanttekening 56: Of, metgezel; dat is, man; vergelijk Hos. 3:1. Hosea 3:1: En YHWH zei tot mij: Ga opnieuw heen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk YHWH de kinderen van Israël bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen van de druiven.
[^jeremia-3-21-57]: Kanttekening 57: 57 is een stem: Dat is, daar zal gehoord worden. Hier begint ene profetie en beschrijving van de bekering van de Israëlieten.
[^jeremia-3-21-58]: Kanttekening 58: 58 en smekingen: Of, een geween van de smekingen.
[^jeremia-3-21-d]: Verwijzing d: Jer. 2:32. Jeremia 2:32: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.
[^jeremia-3-22-59]: Kanttekening 59: 59 Keert weer: Dit is Gods stem.
[^jeremia-3-22-60]: Kanttekening 60: 60 Zie, hier: Dit is het antwoord van de wenende en smekende boetvaardige Israëlieten.
[^jeremia-3-23-e]: Verwijzing e: Ps. 121:1. Psalmen 121:1: Een lied Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.
[^jeremia-3-24-61]: Kanttekening 61: Dat is, de afgod Baäl, daarom wij ons wel mogen schamen, want hij is een vuile en schandelijke afgod en heeft ons beschaamd en te schande gemaakt. Zo onder Jer. 11:13; Hos. 9:10. Jeremia 11:13: Want naar het getal van uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken. Hosea 9:10: Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden geheel verfoeilijk naar hun boelerij.
[^jeremia-3-24-62]: Kanttekening 62: Dat is, wat zij met arbeid verkregen hadden, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jeremia-3-24-63]: Kanttekening 63: Dat is, verteerd, zo vanwege de kostbaarheid van de afgoderij als de rechtvaardige plagen, die hun daarom zijn overkomen.

### Jeremia 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/4.json)

*Vermaning tot oprechte bekering, vers 1, enz. uitvoerige verkondiging en afbeelding van de toekomstige verwoesting van het Joodse land door de Babyloniërs, om de zonden, tegen de bewering van de valse profeten, 5, 27. waarover de profeet bitter weeklaagt, 19. ondertussen belooft God een genadige matiging van de plagen, 27.*

**1** [^jeremia-4-1-1] Zo u zich bekeren zult, Israël! spreekt YHWH, bekeer u tot Mij; en zo u uw[^jeremia-4-1-2] gruwelijke dingen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo[^jeremia-4-1-3] zwerft niet om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v1)

**2** Maar[^jeremia-4-2-4] zweer: Zo waarachtig als YHWH leeft! in[^jeremia-4-2-5][^jeremia-4-2-a] waarheid, in[^jeremia-4-2-6] recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de[^jeremia-4-2-7] heidenen in[^jeremia-4-2-8] Hem[^jeremia-4-2-b] zegenen, en zich in Hem beroemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v2)

**3** Want zo zegt YHWH tot de[^jeremia-4-3-9] mannen van Juda, en tot[^jeremia-4-3-10] Jeruzalem:[^jeremia-4-3-11] Ploegt u een braakland, en zaait niet onder de[^jeremia-4-3-12] doornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v3)

**4** [^jeremia-4-4-13] Besnijd u voor YHWH en doet weg de voorhuiden van uw[^jeremia-4-4-c] harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn woede niet uitvare als een[^jeremia-4-4-14][^jeremia-4-4-d] vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v4)

**5** Verkondig in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roep met[^jeremia-4-5-15] volle stem en zegt: Verzamel u, en laat ons ingaan in de versterkte steden![^jeremia-4-5-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v5)

**6** Werp de banier op[^jeremia-4-6-17] naar Sion, vlucht[^jeremia-4-6-18] met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een[^jeremia-4-6-19] kwaad aan van[^jeremia-4-6-20] het noorden, en een grote[^jeremia-4-6-21] breuk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v6)

**7** De[^jeremia-4-7-22][^jeremia-4-7-e] leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om[^jeremia-4-7-23] uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen[^jeremia-4-7-f] verstoord worden, dat er niemand in woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v7)

**8** Hierom, gordt[^jeremia-4-8-24] zakken aan,[^jeremia-4-8-g] bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van YHWH is niet van ons afgekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v8)

**9** En het zal in die tijd gebeuren, spreekt YHWH, dat het hart van de koning en het hart van de vorsten[^jeremia-4-9-25] vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten, en de[^jeremia-4-9-26] profeten zich verwonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v9)

**10** Toen zei ik: Ach, Adonai YHWH! werkelijk, U hebt dit volk en Jeruzalem[^jeremia-4-10-27] enorm bedrogen, zeggende: U zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de[^jeremia-4-10-28] ziel raakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v10)

**11** In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een[^jeremia-4-11-29] dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn,[^jeremia-4-11-30] van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te[^jeremia-4-11-31] zuiveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v11)

**12** Er zal Mij een wind komen, die hun[^jeremia-4-12-32] te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook[^jeremia-4-12-33] oordelen tegen hen uitspreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v12)

**13** Zie,[^jeremia-4-13-34] hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn[^jeremia-4-13-35] sneller dan adelaars;[^jeremia-4-13-36] wee ons, want wij zijn verwoest! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v13)

**14** [^jeremia-4-14-h] Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat u behouden wordt; hoe lang zult u de[^jeremia-4-14-37] gedachten van uw zinloosheid in het binnenste van u laten[^jeremia-4-14-38] overnachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v14)

**15** Want een stem[^jeremia-4-15-39] verkondigt van[^jeremia-4-15-40] Dan af, en doet ellende horen van[^jeremia-4-15-41] het gebergte van Efraïm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v15)

**16** Vermeldt het aan het volk, ziet, doet het[^jeremia-4-16-42] horen tegen Jeruzalem; daar komen[^jeremia-4-16-43] hoeders uit[^jeremia-4-16-44] ver land; en zij[^jeremia-4-16-45] verheffen hun stem tegen de steden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v16)

**17** Als de[^jeremia-4-17-46] wachters van de velden zijn zij rondom tegen[^jeremia-4-17-47] haar; omdat[^jeremia-4-17-48] zij tegen Mij opstandig geweest is, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v17)

**18** Uw[^jeremia-4-18-49] weg en uw handelingen hebben u[^jeremia-4-18-50] deze dingen gedaan; dit is uw[^jeremia-4-18-51] boosheid, dat[^jeremia-4-18-52] het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v18)

**19** [^jeremia-4-19-53] O mijn[^jeremia-4-19-i] binnenste, mijn binnenste! ik heb barenswee, o[^jeremia-4-19-54] wanden van mijn hart! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet[^jeremia-4-19-55] zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het oorlogsgeschreeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v19)

**20** [^jeremia-4-20-56] Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het hele land is verstoord; haastig zijn mijn[^jeremia-4-20-57] tenten verstoord, mijn gordijnen in een[^jeremia-4-20-58] ogenblik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v20)

**21** Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid van de bazuin horen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v21)

**22** Zeker, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig;[^jeremia-4-22-59] wijs zijn zij om kwaad te doen, maar[^jeremia-4-22-60] goed te doen weten zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v22)

**23** Ik zag het[^jeremia-4-23-61] land aan, en ziet, het was[^jeremia-4-23-62] woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn[^jeremia-4-23-63] licht was er niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v23)

**24** Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen[^jeremia-4-24-64] schudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v24)

**25** Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren[^jeremia-4-25-65] weggevlogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v25)

**26** Ik zag, en ziet, het[^jeremia-4-26-66] vruchtbare land was een woestijn, en al[^jeremia-4-26-67] zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH,[^jeremia-4-26-68] vanwege de hitte van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v26)

**27** Want zo zegt YHWH: Dit hele land zal een[^jeremia-4-27-69] woestijn zijn (maar Ik zal geen[^jeremia-4-27-70][^jeremia-4-27-k] voleinding maken); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v27)

**28** Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven[^jeremia-4-28-71] zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v28)

**29** Van het[^jeremia-4-29-72] geroep van de ruiteren en boogschutters[^jeremia-4-29-73] vluchten al de steden; zij gaan in de[^jeremia-4-29-74] wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand daarin woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v29)

**30** Wat zult u dan doen,[^jeremia-4-30-75] u verwoeste? Al[^jeremia-4-30-76] kleedde u zich met scharlaken, al versierde u zich met gouden sieraad, al[^jeremia-4-30-77] scheurde u uw ogen met blanketsel, zo zou u zich toch tevergeefs oppronken; de[^jeremia-4-30-78] minnaars versmaden u, zij zullen uw[^jeremia-4-30-79] ziel zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v30)

**31** Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van één, die in de nood van het eerste kind is, de stem van de dochter van Sion; zij[^jeremia-4-31-80] hijgt, zij[^jeremia-4-31-81] breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege[^jeremia-4-31-82] de moordenaars! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/4.html#v31)

[^jeremia-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 u u: Alsof God zei: Zo u ten enige tijde van mening bent u te bekeren, gelijk u dikwijls voorgeeft te willen doen, zo doe het nu, en doe het oprecht, zonder huichelarij en vermenging van enige afgoderij, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jeremia-4-1-2]: Kanttekening 2: Uw verfoeilijke en afschuwelijke afgoderijen of drekgoden, die bij de verfoeiselen gevoegd worden; Deut. 29:17; zie 2 Kron. 15:8. Deuteronomium 29:17: En u hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. 2 Kronieken 15:8: Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was.
[^jeremia-4-1-3]: Kanttekening 3: Op bergen en heuvelen, om afgoderij te bedrijven. Zie boven Jer. 2:20, en Jer. 3:6, 3:13; of, zo zult u niet omzwerven; dat is, in ballingschap gaan, en in het volgende: en u zult zweren. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende. Jeremia 3:6: Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op alle hoge berg, en tot onder alle groene boom, en hoereerde daar. Jeremia 3:13: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen YHWH, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groenen boom, maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest, spreekt YHWH.
[^jeremia-4-2-4]: Kanttekening 4: Bewijzende daarmede dat u mij kent en eert als uw enige God, en dat oprechtelijk, zonder valsheid of huichelarij, vergelijk onder Jer. 5:2. Jeremia 5:2: En of zij al zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft! zo zweren zij toch valselijk.
[^jeremia-4-2-5]: Kanttekening 5: Deze drie dingen begrijpen wat tot de heilige eed en de godsdienst vereist wordt, ten aanzien van God, de mens zelf en zijn naaste, zo in het algemeen als in een bijzonder beroep; vergelijk de voorgaande aantekening en Gen. 18:19; 1 Kon. 10:9. Genesis 18:19: Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. 1 Koningen 10:9: Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
[^jeremia-4-2-a]: Verwijzing a: Jes. 48:1. Jesaja 48:1: Hoort dit, u huis van Jakob, die genoemd wordt met de naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij de Naam van YHWH, en vermeldt de God van Israël, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.
[^jeremia-4-2-6]: Kanttekening 6: Of, oordeel.
[^jeremia-4-2-7]: Kanttekening 7: Die nu met u en mij spotten, omdat u u zo schandelijk gedraagt, dat Ik u zelfs door de heidenen moet straffen om de eer van mijn naam.
[^jeremia-4-2-8]: Kanttekening 8: 8 Hem zegenen: Namelijk YHWH; ziende uwe godzaligheid, en daarop Gods beloofden zegen, over u, zullen zij genodigd worden om zich tot de ware God te bekeren, en bij Hem alleen hun welvaart te zoeken, Hem alleen die toe te schrijven, en zich in Hem gelukzalig te achten; vergelijk Gen. 22:18; Deut. 29:19; Ps. 10:3, en Ps. 49:19, 49:20. Genesis 22:18: En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Deuteronomium 29:19: En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. Psalmen 10:3: Want de goddeloze roemt over de wens van zijn ziel; hij zegent de gierigaard, hij lastert YHWH. Psalmen 49:19: Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat u uzelven goed doet; Psalmen 49:20: Zo zal zij toch komen tot het geslacht van haar vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.
[^jeremia-4-2-b]: Verwijzing b: Gen. 22:18. Genesis 22:18: En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^jeremia-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 mannen van Juda: Hebreeuws, de man (אִישׁ); dat is de mannen, of een ieder, of die van Juda; zo vers 4; en Jer. 11:9, en Jer. 17:25, en Jer. 18:11, en Jer. 32:32, enz. Jeremia 4:4: Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. Jeremia 11:9: Verder zei YHWH tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem. Jeremia 17:25: Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een ieder van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. Jeremia 32:32: Om al de boosheid van de kinderen van Israël en van de kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters, en hun profeten, en de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem;
[^jeremia-4-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, de inwoners van Jeruzalem, gelijk vers 4. Jeremia 4:4: Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen.
[^jeremia-4-3-11]: Kanttekening 11: 11 Braakt u: Gelijk men een braakland of dresland opnieuw wel doorploegt en zuivert, opdat het daarna bekwaam zij om het goede zaad te ontvangen en goede vruchten te dragen, zo zuivert u u grondig van onreinheden, en wordt vernieuwd, als een nieuw schepsel, enz.; vergelijk Gal. 6:15; Ef. 4:22, 4:23, 4:24; Hebr. 6:7. Galaten 6:15: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Efeziërs 4:22: Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Efeziërs 4:23: En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, Efeziërs 4:24: En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Hebreeën 6:7: Want de aarde, die de regen, dikwijls op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;
[^jeremia-4-3-12]: Kanttekening 12: Vergelijk Matt. 13:7, 13:22. Mattheüs 13:7: En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelfde. Mattheüs 13:22: En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
[^jeremia-4-4-13]: Kanttekening 13: Zie Deut. 10:16, en Deut. 30;6, en verder Gen. 17, en onder Jer. 9:26. Deuteronomium 10:16: Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart.
[^jeremia-4-4-c]: Verwijzing c: Deut. 10:16; Deut. 30:6. Deuteronomium 10:16: Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Deuteronomium 30:6: En YHWH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw gehele hart en met uw gehele ziel, opdat u levet.
[^jeremia-4-4-14]: Kanttekening 14: Vergelijk Deut. 4:24. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^jeremia-4-4-d]: Verwijzing d: Jes. 65:5. Jesaja 65:5: Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan u. Deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur, de gansen dag brandende.
[^jeremia-4-5-15]: Kanttekening 15: 15 volle stem: Hebreeuws, roept, vervult. Van zulke samenvoeging van twee woorden, zie Ps. 45:5. De zin is: Roept ten volle uit, overal, dat alle plaatsen met uitroeping vervuld worden. Anders, roept, vergadert, of legt, maakt een volle vergadering, opdat het elk hore en wete, want het zal een algemene ellende zijn in het gehele land. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^jeremia-4-5-16]: Kanttekening 16: Tegen de aankomst van de vijand. Hebreeuws steden van de vesting.
[^jeremia-4-6-17]: Kanttekening 17: 17 naar Sion: Tot een teken dat zij allen moeten vluchten naar Jeruzalem, als een koninklijke vesting.
[^jeremia-4-6-18]: Kanttekening 18: 18 met hopen: Of, sterkelijk, sterkt u tot de vlucht; zo onder Jer. 6:1, en Jes. 10:31. Anders: hoopt u tezamen, vergadert u, kudde u \[om zo te spreken\] gelijk Ex. 9:19. Te weten, om met alle man te vluchten. Het Hebreeuwse woord \[dat in de voorgemelde plaatsen gevonden wordt\] heeft de betekenis van vluchten, vertrekken, zich elders heen begeven, en van vergaderen. Jeremia 6:1: Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk. Jesaja 10:31: Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen. Exodus 9:19: En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat u op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.
[^jeremia-4-6-19]: Kanttekening 19: Dat is, groot ongeluk, jammer en ellende, gelijk de laatste woorden van vers 6 verklaren. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-4-6-20]: Kanttekening 20: Uit Chaldea, of Babylonië.
[^jeremia-4-6-21]: Kanttekening 21: Of, verbreking; dat is ellende, jammer, verderf, verwoesting, gelijk onder vers 20, en Jer. 6:1, 6:14, en Jer. 8:11, 8:21, en Jer. 10:19, en Jer. 14:17; vergelijk ook Jer. 17:18, en Jer. 22:20, en Jer. 48:3, 48:4, 48:5, en elders dikwijls in dit boek; zo Jes. 1:28, enz. Jeremia 4:20: Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het gehele land is verstoord; haastig zijn mijn tenten verstoord, mijn gordijnen in een ogenblik! Jeremia 6:1: Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 8:11: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 8:21: Ik ben gebroken vanwege de breuk van de dochter van mijn volk; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. Jeremia 10:19: O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is. Jeremia 17:18: Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking. Jeremia 22:20: Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken. Jeremia 48:3: Er is een stem van het gekrijt van Horonaim; verstoring en een grote breuk! Jeremia 48:4: Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen. Jeremia 48:5: Want in de opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in de afgang van Horonaim hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord. Jesaja 1:28: Maar er zal verbreking zijn van de overtreders, en van de zondaars te zamen; en die YHWH verlaten, zullen omkomen.
[^jeremia-4-7-22]: Kanttekening 22: Nebukadnezar, koning van Babel, zal met zijn heirkracht, als een leeuw uit zijn leger en hol, opbreken. Vergelijk Jes. 5:26, 5:27, 5:28, 5:29. Jesaja 5:26: Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen. Jesaja 5:27: Geen moe, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel van zijn lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem van zijn schoenen afgescheurd worden. Jesaja 5:28: Van wie de pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hun paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind. Jesaja 5:29: Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
[^jeremia-4-7-e]: Verwijzing e: Jes. 5:29; Jer. 2:15; Jer. 5:6. Jesaja 5:29: Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. Jeremia 2:15: De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. Jeremia 5:6: Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelfde uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
[^jeremia-4-7-23]: Kanttekening 23: 23 uw land: O Zion, of Jeruzalem, uit het voorgaande.
[^jeremia-4-7-f]: Verwijzing f: Jer. 2:15. Jeremia 2:15: De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.
[^jeremia-4-8-24]: Kanttekening 24: 24 zakken aan: Zie Gen. 37:34. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^jeremia-4-8-g]: Verwijzing g: Jes. 32:12. Jesaja 32:12: Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken.
[^jeremia-4-9-25]: Kanttekening 25: 25 vergaan zal: Dat is, alle moed en courage zal hun ontvallen. Zie 2 Kon. 25, enz., en onder Jer. 39, Jer. 52.
[^jeremia-4-9-26]: Kanttekening 26: De valse. Zie de volgende aantekening vers 10. Jeremia 4:10: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! waarlijk, U hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt.
[^jeremia-4-10-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, bedriegende bedrogen; te weten door de valse profeten, wie u toelaat het volk onder voorgeven van uw naam en dienst, alle welvaart valselijk te beloven, daar toch de uiterste ellende voorhanden is. Vergelijk 1 Kon. 22:21, 22:22, 22:23, en de aantekening daar. Idem Ez. 14:9, en onder Jer. 6:14, en Jer. 7:4, 7:10, en Jer. 23:1. 1 Koningen 22:21: Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht van YHWH, en zei: Ik zal hem overreden. 1 Koningen 22:22: En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe zo. 1 Koningen 22:23: Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en YHWH heeft kwaad over u gesproken. Ezechiël 14:9: Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 7:4: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH zijn deze! Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? Jeremia 23:1: Wee de herderen, die de schapen van Mijn weide ombrengen en verstrooien! spreekt YHWH.
[^jeremia-4-10-28]: Kanttekening 28: 28 ziel raakt: Vergelijk onder vers 18. Jeremia 4:18: Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.
[^jeremia-4-11-29]: Kanttekening 29: 29 dorre wind: Of, schrale; anders: gladde; dat is, die glad en ongehinderd zal doorgaan om alles neder te vellen; versta de Babyloniërs, die van het noorden zouden komen, over het gebergte Libanon. Zie onder Jer. 5:15. Jeremia 5:15: Ziet, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt YHWH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak u niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.
[^jeremia-4-11-30]: Kanttekening 30: 30 van de weg: Dat is, naar het Joodse land en Jeruzalem.
[^jeremia-4-11-31]: Kanttekening 31: Maar om te verwoesten, wil de Heer zeggen.
[^jeremia-4-12-32]: Kanttekening 32: 32 te sterk: Hebreeuws, vol; dat is te sterk, zodat zij hem niet zullen kunnen verdragen en tegenstaan. Hebreeuws, voller dan zij. Anders: een volle wind van die \[plaatsen\], te weten die in het voorgaande zijn beschreven.
[^jeremia-4-12-33]: Kanttekening 33: Dat is, mijn vonnissen over hen, dat is, Ik zal recht over hen houden. Zie boven Jer. 1:16. Een ander gebruik van deze manier van spreken hebt u onder Jer. 12:1. Jeremia 1:16: En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken van hun handen. Jeremia 12:1: U zoudt rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven?
[^jeremia-4-13-34]: Kanttekening 34: 34 hij komt: De Babyloniër zal u zo haastig aankomen als wolken enz.
[^jeremia-4-13-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, lichter.
[^jeremia-4-13-36]: Kanttekening 36: 36 wee ons: Woorden van de Joden, als gevoelende Gods oordeel; of van de profeet, als beklagende de ellende van het volk.
[^jeremia-4-14-h]: Verwijzing h: Jes. 1:16. Jesaja 1:16: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
[^jeremia-4-14-37]: Kanttekening 37: Dat is: uw ijdele gedachten, waarmee u u op ijdelheid en valsheid of ongerechtigheid verlaat.
[^jeremia-4-14-38]: Kanttekening 38: Of, herbergen, verblijven.
[^jeremia-4-15-39]: Kanttekening 39: De aankomst van de Babyloniërs, die vandaar door Israël naar Juda trekken.
[^jeremia-4-15-40]: Kanttekening 40: 40 Dan af: Dat is, de uiterste grenzen van Kanaän in het noorden.
[^jeremia-4-15-41]: Kanttekening 41: De binnenste grens van Israël, in het noorden van Juda.
[^jeremia-4-16-42]: Kanttekening 42: 42 tegen Jeruzalem: Of tot aan, of van.
[^jeremia-4-16-43]: Kanttekening 43: Die Jeruzalem zullen bezetten, omringen en wel toezien, dat er niemand ontkome. Zie 2 Kon. 25:4, 25:5. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. 2 Koningen 25:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid.
[^jeremia-4-16-44]: Kanttekening 44: 44 ver land: Babylonië.
[^jeremia-4-16-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, geven; dat is, maken een geschrei; gelijk boven Jer. 2:15. Jeremia 2:15: De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.
[^jeremia-4-17-46]: Kanttekening 46: Die de velden bezetten, opdat het gejaagde wild nergens ontkome.
[^jeremia-4-17-47]: Kanttekening 47: Belegerende Jeruzalem aan alle kanten; 2 Kon. 25:2, enz. 2 Koningen 25:2: Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia.
[^jeremia-4-17-48]: Kanttekening 48: 48 zij tegen Mij: Jeruzalem, uit vers 14. Jeremia 4:14: Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat u behouden wordt; hoe lang zult u de gedachten van uw ijdelheid in het binnenste van u laten overnachten?
[^jeremia-4-18-49]: Kanttekening 49: Dat is, uw kwaad wezen en doen; zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-4-18-50]: Kanttekening 50: 50 deze dingen: Veroorzaken al deze plagen.
[^jeremia-4-18-51]: Kanttekening 51: Dat is, de vrucht en het loon van uw boosheid.
[^jeremia-4-18-52]: Kanttekening 52: 52 het zo: Anders: daarom is het zo bitter, te weten het lijden dat u naakt. Anders: dat hij \[de vijand\] zo bitter is, en u naar het leven tracht en uw staat geheel zoekt om te keren. Vergelijk vers 10. Jeremia 4:10: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! waarlijk, U hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt.
[^jeremia-4-19-53]: Kanttekening 53: 53 O mijn: Dit zijn de woorden van de profeet, die zich voor de Heer ontstelt, alsof hij deze ellende voor ogen zag. Vergelijk Jes. 15:5, en Jes. 16:11, en Jes. 21:3. Jesaja 15:5: Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. Jesaja 16:11: Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres. Jesaja 21:3: Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
[^jeremia-4-19-i]: Verwijzing i: Jes. 21:4; Jer. 9:1. Jesaja 21:4: Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving. Jeremia 9:1: Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijn volks.
[^jeremia-4-19-54]: Kanttekening 54: Of, \[in\] de wanden van mijn hart; dat is in mijn hartklok, hartedeksel, in het binnenste, in mijn hart.
[^jeremia-4-19-55]: Kanttekening 55: Of, stil zijn.
[^jeremia-4-20-56]: Kanttekening 56: 56 Breuk op breuk: Dat is de ene ellende of verwoesting is niet voorbij, of men hoort meteen de tijding van een andere; vergelijk Ps. 42:8 en zie boven vers 6. Psalmen 42:8: De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-4-20-57]: Kanttekening 57: Dat is, woonplaatsen van mijn volk.
[^jeremia-4-20-58]: Kanttekening 58: Dat is, zeer haastig.
[^jeremia-4-22-59]: Kanttekening 59: 59 wijs zijn: Arglistig en wel ervaren in het kwade. Vergelijk 2 Sam. 13:3. 2 Samuël 13:3: Maar Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man.
[^jeremia-4-22-60]: Kanttekening 60: 60 goed te doen: Vergelijk Amos 3:10. Amos 3:10: Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt YHWH; die in hun paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.
[^jeremia-4-23-61]: Kanttekening 61: Het Joodse land.
[^jeremia-4-23-62]: Kanttekening 62: 62 woest en leeg: Zie Gen. 1:2. Dit is een figuurlijke beschrijving en levendige vertoning van een algemene en verschrikkelijke verwoesting en ruïne van het Joodse land. Genesis 1:2: De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren.
[^jeremia-4-23-63]: Kanttekening 63: Dat is, de hemel was donker en zwart, vergelijk Jes. 5:30, en Jes. 50:3, onder vers 28. Jesaja 5:30: En zij zullen tegen hetzelfde op die dag bruisen, als het bruisen van de zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen. Jesaja 50:3: Ik bekleed de hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel. Jeremia 4:28: Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren.
[^jeremia-4-24-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, maakten zich licht, of snel, dat is bewogen zich snel.
[^jeremia-4-25-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, weggezworven, of weggevloden. Zie onder Jer. 9:10, en Jer. 50:3. Jeremia 9:10: Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! Jeremia 50:3: Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-4-26-66]: Kanttekening 66: 66 vruchtbare land: Hebreeuws, Karmel; zie boven Jer. 2:7. Jeremia 2:7: En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelfde en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jeremia-4-26-67]: Kanttekening 67: 67 zijn steden: Van het vruchtbare land, die daarin of aan gelegen waren.
[^jeremia-4-26-68]: Kanttekening 68: 68 YHWH: Hebreeuws, vanwege het aangezicht van de Heer (פְּנֵי). Dat enige nemen voor zijn toorn, zijn toornig aangezicht; zie boven Jer. 3:12. Jeremia 3:12: Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden.
[^jeremia-4-27-69]: Kanttekening 69: 69 woestijn zijn: Dat is, overal zeer verwoest.
[^jeremia-4-27-70]: Kanttekening 70: Of, vernieling, vertering; vergelijk onder Jer. 5:10, 5:18; Ez. 11:13, en Ez. 20:17; dat is, Ik zal het niet geheel uitmaken, maar mijn genade nog onder mijn toorn mengen, en mij een overblijfsel en zaad behouden in Jakob; zie onder Jer. 30:11, en Jer. 46:28. Dit voegt God hier in, onder deze verschrikkelijke dreigementen, tot troost van de uitverkorenen en gelovigen; sommigen verstaan dat de zin van deze woorden is: Het zal hiermede nog niet gedaan zijn, mijn toorn en oordeel zal hiermede nog geen einde hebben, maar verder voortgaan, en lang duren over dit land, waarop zij dan passen de rouw van de aarde en van de hemel, waarvan in het volgende. Deze manier van spreken wordt in een anderen zin gebruikt van zondaars, die ten uiterste misdaan en de maat vervuld hebben; zie Gen. 18:21. Ezechiël 11:13: Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezicht, en riep met luide stem; en zei: Ach, Heer YHWH! zult U geheel een voleinding maken met het overblijfsel van Israël? Ezechiël 20:17: Maar Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^jeremia-4-27-k]: Verwijzing k: Jer. 5:10; idem 5:18; Jer. 30:11; Jer. 46:28. Jeremia 5:10: Beklimt haar muren, en verderft ze (maar maakt geen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn van YHWH niet. Jeremia 5:18: Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt YHWH, geen voleinding met u maken. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jeremia-4-28-71]: Kanttekening 71: 71 zwart zijn: Als rouwdragende; zie Ps. 35:14. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^jeremia-4-29-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws, stem (קּוֹל).
[^jeremia-4-29-73]: Kanttekening 73: 73 vluchten al de steden: Hebreeuws, is al de stad, of de gehele stad vluchtende (עִיר); dat is de stadslieden of inwoners van de steden \[gelijk de volgende woorden uitwijzen\] zullen vluchten, en zo in het volgende.
[^jeremia-4-29-74]: Kanttekening 74: Dat is, op de hoogten van de bergen, die tot aan de wolken raken, om zich daar te verbergen. Anders: in dikke, of dichte plaatsen; als bosjes, heggen.
[^jeremia-4-30-75]: Kanttekening 75: 75 u verwoeste: Dochter Zions, gelijk in vers 31, dat is, u die verstoord, of verwoest zult worden. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in de nood van het eerste kind is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars!
[^jeremia-4-30-76]: Kanttekening 76: Op zijn afgodisch en heidens, om uw vijanden te behagen en te vermurwen; gelijk de hoeren zich oppronken om de boelen te behagen.
[^jeremia-4-30-77]: Kanttekening 77: Al versierde en blankette u u zozeer en dikwijls, dat uw aangezicht of wangen daarvan kwamen te splijten en te scheuren.
[^jeremia-4-30-78]: Kanttekening 78: De Babyloniërs, die u zoeken machtig te worden.
[^jeremia-4-30-79]: Kanttekening 79: 79 ziel zoeken: Dat is, naar het leven staan. Zie 2 Sam. 4:8. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^jeremia-4-31-80]: Kanttekening 80: Anders: kermt, klaagt, vanwege de overlast en de benauwdheid.
[^jeremia-4-31-81]: Kanttekening 81: 81 breidt haar handen uit: Als die plegen te doen, die in grote rouw en de uiterste noden zijn.
[^jeremia-4-31-82]: Kanttekening 82: 82 de moordenaars: De Babyloniërs.

### Jeremia 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/5.json)

*Klacht over de gruwelijke toestand van Jeruzalem en Juda: dat er geen vrome onder kleinen noch groten meer te vinden was, vers 1, 4, 5. dat allerlei grove zonden onder hen de overhand hadden, zoals vals en huichelachtig zweren, 2. hardnekkigheid en verstoktheid, 3, 21, 22, 23, 24. afgoderij, 7, 19. overspel en hoererij, 7, 8. verachting van Gods Woord en Zijn profeten, 11, 12, 13. rijkdom door boze dievenpraktijken, 26, 27. onrecht in het gericht, 28. de overhand van de valse profeten en slechte priesters, 31. om dit alles moet en zal God hen straffen door de Chaldeeën, 9, 14, 15, enz. zonder hen evenwel geheel te verdelgen, 10, 18.*

**1** Ga om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er één is, die recht doet, die[^jeremia-5-1-1] waarheid zoekt, zo zal Ik[^jeremia-5-1-2] haar genadig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v1)

**2** En of zij al[^jeremia-5-2-3] zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft! zo zweren zij[^jeremia-5-2-4] toch vals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v2)

**3** O YHWH![^jeremia-5-3-5] zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt[^jeremia-5-3-6][^jeremia-5-3-a] hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de[^jeremia-5-3-b] tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten[^jeremia-5-3-7] harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v3)

**4** Maar ik zei: Zeker, deze zijn[^jeremia-5-4-9] arm; zij handelen dwaas, omdat zij de weg van YHWH, het recht van hun God niet weten.[^jeremia-5-4-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v4)

**5** [^jeremia-5-5-10] Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht van hun God; maar zij hadden samen het[^jeremia-5-5-11] juk verbroken, en de banden verscheurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v5)

**6** Daarom[^jeremia-5-6-12] heeft hen een[^jeremia-5-6-c] leeuw uit het woud verslagen, een wolf[^jeremia-5-6-13] van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie daaruit uitgaat, zal[^jeremia-5-6-14] verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v6)

**7** Hoe zou Ik u dat[^jeremia-5-7-15] vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v7)

**8** Als welgevoederde hengsten[^jeremia-5-8-d] zijn zij vroeg op; zij[^jeremia-5-8-16] hunkeren ieder naar de huisvrouw van zijn naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v8)

**9** [^jeremia-5-9-e] Zou Ik over die dingen geen[^jeremia-5-9-17] bezoeking doen? spreekt YHWH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v9)

**10** [^jeremia-5-10-18] Beklim[^jeremia-5-10-19] haar muren, en verderft ze (maar maakt[^jeremia-5-10-f] geen[^jeremia-5-10-20] voleinding); doe haar[^jeremia-5-10-21] spitsen weg, want zij[^jeremia-5-10-22] zijn niet van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v10)

**11** Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben[^jeremia-5-11-23] geheel[^jeremia-5-11-g] trouweloos tegen Mij gehandeld, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v11)

**12** Zij verloochenen YHWH, en zeggen:[^jeremia-5-12-24] Hij is het niet, en ons[^jeremia-5-12-h] zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger[^jeremia-5-12-25] zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v12)

**13** Ja, die[^jeremia-5-13-26] profeten zullen tot[^jeremia-5-13-27] wind worden, want het[^jeremia-5-13-28] woord is niet bij hen; hun zelf[^jeremia-5-13-29] zal het zo gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v13)

**14** Daarom zegt YHWH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Zie, Ik zal[^jeremia-5-14-i] Mijn woorden in[^jeremia-5-14-31] uw mond tot vuur[^jeremia-5-14-32] maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.[^jeremia-5-14-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v14)

**15** Zie, Ik zal over u een volk van[^jeremia-5-15-33][^jeremia-5-15-k] verre brengen, o huis van Israël! spreekt YHWH; het is een[^jeremia-5-15-34] sterk volk, het is een[^jeremia-5-15-35] zeer oud volk, een volk, waarvan u de taal niet zult kennen, en niet[^jeremia-5-15-36] horen, wat het spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v15)

**16** [^jeremia-5-16-37] Zijn pijlkoker is als een[^jeremia-5-16-38] open graf;[^jeremia-5-16-39] zij zijn allemaal helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v16)

**17** En[^jeremia-5-17-40] het zal uw[^jeremia-5-17-l] oogst en uw brood opeten,[^jeremia-5-17-41] dat uw zonen en uw dochters zouden eten; het zal uw[^jeremia-5-17-42] schapen en uw runderen opeten; het zal[^jeremia-5-17-43] uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw versterkte steden, waarop u vertrouwt, zal[^jeremia-5-17-44] het arm maken, door het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v17)

**18** Toch zal Ik ook in die dagen, spreekt YHWH,[^jeremia-5-18-m] geen[^jeremia-5-18-45] voleinding met u maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v18)

**19** En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen:[^jeremia-5-19-n] Waarom heeft ons YHWH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen[^jeremia-5-19-46] zeggen zult: Zoals u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v19)

**20** Verkondig dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v20)

**21** [^jeremia-5-21-o] Hoor nu dit, u dwaas en[^jeremia-5-21-47] harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v21)

**22** Zult u Mij niet vrezen? spreekt YHWH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die voor de zee het zand tot een[^jeremia-5-22-p] paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; hoewel haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niets uitrichten, hoewel zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v22)

**23** Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v23)

**24** En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu YHWH, onze God, vrezen, Die de regen geeft,[^jeremia-5-24-q] zo[^jeremia-5-24-48] vroege regen als spade[^jeremia-5-24-49] regen, op Zijn tijd; Die ons de[^jeremia-5-24-50] weken, de vastgestelde tijden van de oogst, bewaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v24)

**25** Uw ongerechtigheden wenden[^jeremia-5-25-51] die dingen af, en uw zonden weren dat goede van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v25)

**26** Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden;[^jeremia-5-26-52] een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers[^jeremia-5-26-53] schikken; zij zetten een[^jeremia-5-26-54] verderfelijke strik, zij vangen de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v26)

**27** Gelijk een kouw vol is van gevogelte, zo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en[^jeremia-5-27-55] rijk geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v27)

**28** [^jeremia-5-28-r] Zij zijn[^jeremia-5-28-56] vet, zij zijn glad,[^jeremia-5-28-57] zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de[^jeremia-5-28-s] rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, toch zijn zij[^jeremia-5-28-58] voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de armen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v28)

**29** [^jeremia-5-29-t] Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v29)

**30** Een schrikkelijke en[^jeremia-5-30-59] afschuwelijke zaak gebeurt er in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v30)

**31** De[^jeremia-5-31-60] profeten profeteren[^jeremia-5-31-61][^jeremia-5-31-v] vals, en de priesters heersen door[^jeremia-5-31-62] hun handen; en Mijn volk[^jeremia-5-31-63] heeft het graag zo; maar wat zult u aan het einde[^jeremia-5-31-64] daarvan doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/5.html#v31)

[^jeremia-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 waarheid zoekt: Of, trouw, geloof. De Heer wil zeggen dat het overal vol huichelarij was.
[^jeremia-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 haar genadig zijn: Of, vergeven; dat is, Ik zal de gehele stad Jeruzalem verschonen en sparen om de wil van de vrome man. Vergelijk Gen. 18:24, enz. Genesis 18:24: Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?
[^jeremia-5-2-3]: Kanttekening 3: Wanneer zij somtijds bij mijn naam zweren tot een dekmantel van hun afgodisch zweren, waarvan onder vers 7. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.
[^jeremia-5-2-4]: Kanttekening 4: 4 toch valselijk: Of, voorzeker, zo. Anders: daarom; te weten, omdat zij geen recht of trouw of waarheid zoeken.
[^jeremia-5-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, het is zonder twijfel waarachtig, dat U acht neemt op geloof en waarheid, zonder welke U allen uiterlijken schijn als louter huichelwerk haat.
[^jeremia-5-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, geplaagd op verscheidene wijzen en tot verscheidene tijden, verterende een groot deel van hen, gelijk volgt, maar zij zijn daardoor niet gebeterd, maar even verstokt gebleven.
[^jeremia-5-3-a]: Verwijzing a: Jes. 1:5; Jes. 9:12; Jer. 2:30. Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt van de afvals van de te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat. Jesaja 9:12: Want dit volk keert zich niet tot Die, Die het slaat, en YHWH van de legermachten zoeken zij niet. Jeremia 2:30: Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw.
[^jeremia-5-3-b]: Verwijzing b: Jer. 2:30. Jeremia 2:30: Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw.
[^jeremia-5-3-7]: Kanttekening 7: 7 harder gemaakt: Zodat zij geheel onbeschaamd zijn. Vergelijk boven Jer. 3:3. Jeremia 3:3: Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden.
[^jeremia-5-4-9]: Kanttekening 9: Een slechte arme hoop, geringe en gemene onverstandige mensen.
[^jeremia-5-4-8]: Kanttekening 8: Te weten bij mijzelf, dat is ik dacht.
[^jeremia-5-5-10]: Kanttekening 10: 10 Ik zal gaan: Hebreeuws, ik zal mij gaan, naar de manier van spreken van de Hebreën (אֵֽלֲכָה).
[^jeremia-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 juk verbroken: Vergelijk Ps. 2:3. Psalmen 2:3: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
[^jeremia-5-6-12]: Kanttekening 12: 12 heeft hen: Dat is, zal hen, enz. profetischer wijze gesproken van de toekomstige overval van de Babyloniërs.
[^jeremia-5-6-c]: Verwijzing c: Jer. 4:7. Jeremia 4:7: De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in woon.
[^jeremia-5-6-13]: Kanttekening 13: 13 van de wildernissen: Of, van de avonden.
[^jeremia-5-6-14]: Kanttekening 14: Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 50:22. Psalmen 50:22: Verstaat dit toch, u godvergeters! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
[^jeremia-5-7-15]: Kanttekening 15: 15 u dat vergeven: Jeruzalem.
[^jeremia-5-8-d]: Verwijzing d: Ez. 22:11. Ezechiël 22:11: Daartoe heeft de één gruwel gedaan met zijn naasten huisvrouw, en een ander heeft zijn zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zus, zijn vaders dochter; verkracht.
[^jeremia-5-8-16]: Kanttekening 16: Of, neien, briesen van geilheid, gelijk de moedwillige hengsten; vergelijk onder Jer. 13:27. Jeremia 13:27: Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult u niet rein worden? Hoe lang nog na deze?
[^jeremia-5-9-e]: Verwijzing e: Jer. 9:9; onder, v. 29. Jeremia 9:9: Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Jeremia 5:29: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
[^jeremia-5-9-17]: Kanttekening 17: 17 bezoeking doen: Door straf; Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-5-10-18]: Kanttekening 18: Aanspraak aan de vijanden.
[^jeremia-5-10-19]: Kanttekening 19: 19 haar muren: Van Jeruzalem.
[^jeremia-5-10-f]: Verwijzing f: Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-5-10-20]: Kanttekening 20: Vergelijk boven Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-5-10-21]: Kanttekening 21: 21 spitsen weg: Of, uitstekingen, tinnen, kantelen. Anders: planten, ranken, grondvesten.
[^jeremia-5-10-22]: Kanttekening 22: 22 zijn niet van YHWH: Te weten het volk, of de muren en spitsen horen de Heer niet toe, die Jeruzalem met al haar schone vestingen nu niet meer voor de zijne kent, vanwege de boosheid van de inwoners.
[^jeremia-5-11-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, trouweloos handelen, trouweloos gehandeld.
[^jeremia-5-11-g]: Verwijzing g: Jer. 3:20. Jeremia 3:20: Waarlijk, gelijk een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt YHWH.
[^jeremia-5-12-24]: Kanttekening 24: 24 Hij is het niet: Het is de Heer niet, door wiens last de profeten ons alle kwaad dreigen.
[^jeremia-5-12-h]: Verwijzing h: Jes. 28:15. Jesaja 28:15: Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.
[^jeremia-5-12-25]: Kanttekening 25: Dat is, ondervinden. Zie Job 7:7. Job 7:7: Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^jeremia-5-13-26]: Kanttekening 26: De ware profeten; dit zijn nog de woorden van het volk.
[^jeremia-5-13-27]: Kanttekening 27: Hun profetieën zullen niet volbracht worden, daar zal niets van komen, het is maar wind. Vergelijk Job 6:26, en Micha 2:11. Job 6:26: Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen van de mismoedige voor wind zijn? Micha 2:11: Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van dit volk.
[^jeremia-5-13-28]: Kanttekening 28: Zij hebben het woord van de Heer niet, Hij spreekt zulks niet door hen. Vergelijk 2 Kron. 36:16. 2 Kronieken 36:16: Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid van YHWH tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
[^jeremia-5-13-29]: Kanttekening 29: 29 zo gebeuren: Dat zij ons dreigen zal hunzelven overkomen.
[^jeremia-5-14-i]: Verwijzing i: Jer. 1:9. Jeremia 1:9: En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
[^jeremia-5-14-31]: Kanttekening 31: 31 uw mond: Dit spreekt God tot Jeremia.
[^jeremia-5-14-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, geven. Vergelijk boven Jer. 1:9, 1:10, alwaar God ook zijn eigen werk de profeet toeschrijft, omdat Hij het woord van zijn dienaar wilde bekrachtigen. Zie daar vers 10. Jeremia 1:9: En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. Jeremia 5:10: Beklimt haar muren, en verderft ze (maar maakt geen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn van YHWH niet.
[^jeremia-5-14-30]: Kanttekening 30: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-5-15-33]: Kanttekening 33: 33 verre brengen: Uit Babylonië; zie Deut. 28:49; Jes. 5:26. Deuteronomium 28:49: YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, gelijk als een adelaar vliegt; een volk, welks spraak u niet zult verstaan; Jesaja 5:26: Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen.
[^jeremia-5-15-k]: Verwijzing k: Deut. 28:49; Jer. 1:15; Jer. 6:22. Deuteronomium 28:49: YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, gelijk als een adelaar vliegt; een volk, welks spraak u niet zult verstaan; Jeremia 1:15: Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt YHWH; en zij zullen komen, en zetten een iedereen zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda. Jeremia 6:22: Zo zegt YHWH: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde.
[^jeremia-5-15-34]: Kanttekening 34: 34 sterk volk: Of, ruw, hard.
[^jeremia-5-15-35]: Kanttekening 35: 35 zeer oud volk: Hebreeuws, een volk van oudheid, eeuwigheid, of van de eeuw (גּוֹי); dat is, een machtig volk vanouds, van Nimrods tijd af; zie Gen. 10:8, enz. en boven Jer. 2:20. Genesis 10:8: En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jeremia-5-15-36]: Kanttekening 36: Dat is, verstaan; zie Gen. 11:7. Genesis 11:7: Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore.
[^jeremia-5-16-37]: Kanttekening 37: 37 Zijn pijlkoker: Van dit volk, waarvan in vers 15. Jeremia 5:15: Ziet, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt YHWH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, welks spraak u niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal.
[^jeremia-5-16-38]: Kanttekening 38: 38 open graf: Dat is, zij zullen met hun pijlen menigten van u doodschieten en in het graf brengen.
[^jeremia-5-16-39]: Kanttekening 39: 39 zij zijn allemaal helden: De Babyloniërs.
[^jeremia-5-17-40]: Kanttekening 40: 40 het zal uw oogst: Dat vreemde volk.
[^jeremia-5-17-l]: Verwijzing l: Lev. 26:16; Deut. 28:31; idem v. 33. Leviticus 26:16: Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. Deuteronomium 28:31: Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar u zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet terugkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn. Deuteronomium 28:33: De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn.
[^jeremia-5-17-41]: Kanttekening 41: 41 uw zonen: Anders: zij zullen uwe zonen en uwe dochters opeten; dat is, verteren; vergelijk onder Jer. 8:16. Jeremia 8:16: Van Dan af wordt het gesnuif van zijn paarden gehoord; het gehele land beeft van het geluid van de briesingen van zijn sterken; en zij komen daarheen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.
[^jeremia-5-17-42]: Kanttekening 42: Uw klein en groot vee.
[^jeremia-5-17-43]: Kanttekening 43: 43 uw wijnstok: Dat is, de vrucht van uw wijnstokken en vijgebomen.
[^jeremia-5-17-44]: Kanttekening 44: 44 het arm maken: Het Babylonische krijgsvolk.
[^jeremia-5-18-m]: Verwijzing m: Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-5-18-45]: Kanttekening 45: Zie boven Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-5-19-n]: Verwijzing n: Jer. 16:10. Jeremia 16:10: En het zal gebeuren, als u dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt YHWH al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen YHWH, onze God, gezondigd hebben?
[^jeremia-5-19-46]: Kanttekening 46: 46 zeggen zult: In mijn naam, met mijn woorden, gelijk blijkt uit het volgende.
[^jeremia-5-21-o]: Verwijzing o: Jes. 6:9. Jesaja 6:9: Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
[^jeremia-5-21-47]: Kanttekening 47: 47 harteloos volk: Dat is, dat geen verstand heeft; geen ogen noch oren van de ziel om Gods woord te betrachten en te gehoorzamen; vergelijk onder Jer. 6:10. Jeremia 6:10: Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord van YHWH is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.
[^jeremia-5-22-p]: Verwijzing p: Job 38:10; idem v. 11; Ps. 33:7; Ps. 104:9. Job 38:10: Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; Job 38:11: En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed uw golven. Psalmen 33:7: Hij vergadert de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de afgronden schatkameren. Psalmen 104:9: U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken.
[^jeremia-5-24-q]: Verwijzing q: Deut. 11:14. Deuteronomium 11:14: Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
[^jeremia-5-24-48]: Kanttekening 48: 48 vroege regen: Zie Deut. 11:14. Deuteronomium 11:14: Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
[^jeremia-5-24-49]: Kanttekening 49: 49 op Zijn tijd: Zie Ps. 1:3. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^jeremia-5-24-50]: Kanttekening 50: Hierdoor verstaan sommigen elk zevende jaar, waarin zij het land moesten laten rusten en onbebouwd laten, in welke jaren God hun een zonderlingen zegen beloofd had. Zie Lev. 25:4, enz. en Lev. 25:20, enz. Anders: de vastgestelde, of verordineerde weken van de oogst, zie Lev. 26:5, 26:10. Anders: de eedzweringen van de vastgestelde tijden. Leviticus 25:4: Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Leviticus 25:20: En als u zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen; Leviticus 26:5: En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. Leviticus 26:10: En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen.
[^jeremia-5-25-51]: Kanttekening 51: 51 die dingen af: De zegen, in het voorgaande vermeld.
[^jeremia-5-26-52]: Kanttekening 52: 52 een ieder: Hebreeuws, hij loert; dat is, elk van hen.
[^jeremia-5-26-53]: Kanttekening 53: Die zich nederleggen, buigen, krommen en schikken om de vogels met alle behendigheid te vangen. Anders: gelijk de vogelvangers \[strikken\] zetten.
[^jeremia-5-26-54]: Kanttekening 54: 54 verderfelijke strik: Hebreeuws, de verderving, of iets dat verderft; dat is dat de mensen vernielt.
[^jeremia-5-27-55]: Kanttekening 55: 55 rijk geworden: Dat is, vol van goed, dat zij met bedrog gewonnen hebben.
[^jeremia-5-28-r]: Verwijzing r: Deut. 32:15. Deuteronomium 32:15: Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijn heils.
[^jeremia-5-28-56]: Kanttekening 56: Vergelijk Deut. 32:15. Deuteronomium 32:15: Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil.
[^jeremia-5-28-57]: Kanttekening 57: 57 zelfs de daden: Dat is, zij zijn erger in hun doen, dan zelfs de allerboosten plegen te wezen; vergelijk boven Jer. 2:33. Anders: zij overtreden \[met\] boze stukken. Hebreeuws, zij gaan teboven, of overtreffen de woorden, dingen, zaken, of handelingen van de, of eens bozen; of aldus: Zij gaan door, door boze stukken; dat is, bedrijven allerlei boosheid stoutelijk. Jeremia 2:33: Wat maakt u uw weg goed, daar u boelering zoekt? Waarom u ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
[^jeremia-5-28-s]: Verwijzing s: Jes. 1:23; Zach. 7:10. Jesaja 1:23: Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak van de weduwen komt voor hen niet. Zacharia 7:10: En verdrukt de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt niet in uw hart de één van de anderen kwaad.
[^jeremia-5-28-58]: Kanttekening 58: Varen wel, worden rijk, vet en glad gelijk in het voorgaande gezegd is.
[^jeremia-5-29-t]: Verwijzing t: Jer. 9:9; boven, v. 9. Jeremia 9:9: Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Jeremia 5:9: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
[^jeremia-5-30-59]: Kanttekening 59: 59 afschuwelijke zaak: Vergelijk onder Jer. 18:13, en Jer. 23:14; Hos. 6:10. Jeremia 18:13: Daarom, zo zegt YHWH: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft zoiets gehoord? De jonkvrouw Israëls doet een zeer afschuwelijke zaak. Jeremia 23:14: Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen van de boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een ieder van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra. Hosea 6:10: Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis van Israël; daar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd.
[^jeremia-5-31-60]: Kanttekening 60: Te weten de valse profeten.
[^jeremia-5-31-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws, in, of met valsheid, of leugen.
[^jeremia-5-31-v]: Verwijzing v: Jer. 14:18; Jer. 23:25; idem 23:26; Ez. 13:6. Jeremia 14:18: Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad komen, ziet daar de zieken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet. Jeremia 23:25: Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. Jeremia 23:26: Hoe lang? Is er dan een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij. Ezechiël 13:6: Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.
[^jeremia-5-31-62]: Kanttekening 62: 62 hun handen: Dat is, door behulp en dienst van de valse profeten; de één helpt en stijft de ander; of zij heersen aan hun zijden. Anders: nemen in hun handen; te weten geschenken.
[^jeremia-5-31-63]: Kanttekening 63: 63 heeft het graag: Hebreeuws, heeft het zo lief, bemint het zo.
[^jeremia-5-31-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, in het achterste, laatste, of uiterste van die, of van haar, te weten van Jeruzalem, of van het land; dat is, hoe zult u ten laatste hier over varen, als Ik zulks, of Jeruzalem, of het land zal tehuis zoeken? vergelijk Deut. 32:20. Anders: wat zoudt u ten laatste wel doen? welke grove gruwelen zoudt u ten laatste niet bedrijven? Deuteronomium 32:20: En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.

### Jeremia 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/6.json)

*God stelt het volk levendig de naderende komst van de Babyloniërs voor ogen, de belegering en inneming van Jeruzalem, en hun gevankelijke wegvoering, vers 1, 11, 12, 21, 22, enz. vermaant hen tot bekering, 8, 16. maar omdat allerlei boosheid (wrevel en geweld, 7. verstoktheid, weerspannigheid, hardnekkigheid, 10, 16, 17, 29, 30. gierigheid, 13. achterklap, 28. valsheid en pluimstrijkerij van de profeten en priesters, 13, 14, 15. verachting van Gods Woord en navolging van hun eigen goeddunken, 19, 28. huichelachtige godsdienst, 20.) de overhand had, zo voorzegt Hij hun dat zij allen, de een na de ander, het land uit zullen gaan, 9. en sterkt de profeet tegen de boosheid van het volk en de vruchteloosheid van zijn dienst bij hen, 27, 29.*

**1** [^jeremia-6-1-1] Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te[^jeremia-6-1-2] Thekoa, en heft een[^jeremia-6-1-3] vuurteken op te[^jeremia-6-1-4] Beth-cherem; want er[^jeremia-6-1-5] kijkt een kwaad uit van het[^jeremia-6-1-6][^jeremia-6-1-a] noorden, en een grote[^jeremia-6-1-7] breuk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v1)

**2** Ik heb wel de[^jeremia-6-2-8] dochter van Sion bij een[^jeremia-6-2-9] schone en wellustige[^jeremia-6-2-10] vrouw vergeleken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v2)

**3** Maar er[^jeremia-6-3-11] zullen herders tot haar komen met hun[^jeremia-6-3-12] kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar[^jeremia-6-3-13] opslaan; zij zullen ieder zijn[^jeremia-6-3-14] ruimte afweiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v3)

**4** [^jeremia-6-4-15] Heilig de oorlog tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de[^jeremia-6-4-16] middag; o, wee ons! want de[^jeremia-6-4-17] dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen[^jeremia-6-4-18] neigen zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v4)

**5** Maak u op, en laat ons optrekken in de nacht, en haar paleizen verderven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v5)

**6** Want zo zegt YHWH van de legermachten: Houw bomen af, en[^jeremia-6-6-21] werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die[^jeremia-6-6-22] bezocht zal worden;[^jeremia-6-6-23] in het midden van haar is enkel verdrukking.[^jeremia-6-6-19][^jeremia-6-6-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v6)

**7** Gelijk een bornput zijn water[^jeremia-6-7-24] opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord,[^jeremia-6-7-25] smart en plaging is steeds voor Mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v7)

**8** Laat u[^jeremia-6-8-26] tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken[^jeremia-6-8-27] wordt, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v8)

**9** Zo zegt YHWH van de legermachten: Zij zullen Israëls overblijfsel[^jeremia-6-9-29] vlijtig nalezen, zoals een wijnstok;[^jeremia-6-9-b] breng uw hand weer, zoals een[^jeremia-6-9-30] wijnlezer, aan de manden.[^jeremia-6-9-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v9)

**10** Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Zie, hun[^jeremia-6-10-c] oor is[^jeremia-6-10-31] onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; zie, het woord van YHWH is hun tot een[^jeremia-6-10-32] smaad, zij hebben geen lust[^jeremia-6-10-33] daartoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v10)

**11** Daarom ben ik vol van de woede van YHWH[^jeremia-6-11-34], ik ben moe geworden van inhouden; ik[^jeremia-6-11-35] zal ze uitstorten over de[^jeremia-6-11-36] kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongemannen samen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die[^jeremia-6-11-37] vol is van dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v11)

**12** [^jeremia-6-12-d] En hun huizen zullen[^jeremia-6-12-38] omgewend worden tot anderen, met samen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van dit land, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v12)

**13** Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe[^jeremia-6-13-39][^jeremia-6-13-e] pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de[^jeremia-6-13-40] profeet aan tot de priester toe[^jeremia-6-13-41] bedrijft een ieder van hen valsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v13)

**14** [^jeremia-6-14-f]En zij[^jeremia-6-14-42] genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende:[^jeremia-6-14-44] Vrede, vrede! maar daar is geen vrede.[^jeremia-6-14-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v14)

**15** [^jeremia-6-15-45] Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja,[^jeremia-6-15-46] zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v15)

**16** Zo zegt YHWH: Sta op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de[^jeremia-6-16-47] oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin;[^jeremia-6-16-g] zo zult u[^jeremia-6-16-48] rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v16)

**17** Ik heb ook[^jeremia-6-17-49] wachters over u gesteld, zeggende: Luister naar het geluid van de bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v17)

**18** Daarom hoort,[^jeremia-6-18-50] u heidenen! en verneem, o u[^jeremia-6-18-51] vergadering![^jeremia-6-18-52] wat onder hen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v18)

**19** Hoor toe, u[^jeremia-6-19-53] aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de[^jeremia-6-19-54] vrucht van hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v19)

**20** [^jeremia-6-20-h] Waartoe zal dan de[^jeremia-6-20-55] wierook voor Mij uit[^jeremia-6-20-56] Scheba komen, en de beste[^jeremia-6-20-57] kalmus uit ver land? Uw brandoffers zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtoffers zijn Mij niet[^jeremia-6-20-58] zoet.[^jeremia-6-20-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v20)

**21** Daarom zegt YHWH zo: Zie, Ik zal voor dit volk allerlei[^jeremia-6-21-60] aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten samen vaders en kinderen, de buurman en zijn metgezel, en zullen omkomen.[^jeremia-6-21-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v21)

**22** Zo zegt YHWH: Zie, er komt een volk uit het land van[^jeremia-6-22-62] het noorden, en een[^jeremia-6-22-i] grote natie zal[^jeremia-6-22-63] opgewekt worden uit de zijden[^jeremia-6-22-64] van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v22)

**23** Boog en[^jeremia-6-23-65] speer zullen zij[^jeremia-6-23-66] voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden;[^jeremia-6-23-67] het is[^jeremia-6-23-68] toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v23)

**24** Wij hebben[^jeremia-6-24-69] zijn gerucht gehoord, onze handen zijn[^jeremia-6-24-70] slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van[^jeremia-6-24-k] een barende vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v24)

**25** Ga niet uit in het veld, noch wandelt op de weg; want het zwaard van[^jeremia-6-25-71] de vijand is er, schrik van rondom! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v25)

**26** O dochter van Mijn volk![^jeremia-6-26-l] gord een[^jeremia-6-26-72] zak aan, en[^jeremia-6-26-73] wentel u in de[^jeremia-6-26-74] as, maak u rouw als over een enige zoon[^jeremia-6-26-75], een[^jeremia-6-26-76] zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v26)

**27** [^jeremia-6-27-77] Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een[^jeremia-6-27-78] wachttoren, tot een vesting; opdat u hun[^jeremia-6-27-79] weg zou weten en proeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v27)

**28** Zij zijn allen de afvalligsten van[^jeremia-6-28-80] de afvalligen, wandelende[^jeremia-6-28-81] in roddel; zij zijn[^jeremia-6-28-82][^jeremia-6-28-m] koper en ijzer; zij zijn allemaal[^jeremia-6-28-83] verdervers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v28)

**29** [^jeremia-6-29-84] De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de[^jeremia-6-29-85] smelter zo vlijtig gesmolten, omdat de bozen niet[^jeremia-6-29-86] afgetrokken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v29)

**30** [^jeremia-6-30-87] Men noemt ze een verworpen zilver; want YHWH heeft hen[^jeremia-6-30-n] verworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/6.html#v30)

[^jeremia-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 Vlucht met hopen: Zie boven Jer. 4:6, en versta door de kinderen Benjamins de inwoners van Jeruzalem, gelijk het volgende uitwijst. Zie Richt. 1:21, met de aantekening. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk. Richteren 1:21: Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag.
[^jeremia-6-1-2]: Kanttekening 2: Zie 2 Sam. 14:2. 2 Samuël 14:2: Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
[^jeremia-6-1-3]: Kanttekening 3: Gelijk men de inwoners in tijd van gevaar voor de aankomst van de vijand met al zulke tekenen placht te waarschuwen. Anders, rookteken. Hebreeuws, verheffing. Vergelijk Richt. 20:38, 20:40. Richteren 20:38: En de mannen van Israël hadden een bestemden tijd met de achterlage, wanneer zij een grote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan. Richteren 20:40: Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand van de stad op naar de hemel.
[^jeremia-6-1-4]: Kanttekening 4: Zie Neh. 3:9. Sommigen menen dat deze plaats gelegen was tussen Jeruzalem en Thekoa. Nehemia 3:9: En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste van het halve deel van Jeruzalem.
[^jeremia-6-1-5]: Kanttekening 5: 5 kijkt een kwaad: Dat is, vertoont zich, breekt aan.
[^jeremia-6-1-6]: Kanttekening 6: Zie boven Jer. 1:13. Jeremia 1:13: En het woord van YHWH geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.
[^jeremia-6-1-a]: Verwijzing a: Jer. 1:13; idem v. 14. Jeremia 1:13: En van YHWH woord geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is. Jeremia 1:14: En YHWH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land.
[^jeremia-6-1-7]: Kanttekening 7: Gelijk boven Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-6-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, Jeruzalem en verder de inwoners.
[^jeremia-6-2-9]: Kanttekening 9: 9 schone en wellustige vrouw: Of, gemakkelijke tehuisblijfster, die tehuisblijft in weelde, om haar voeten te sparen. Vergelijk Deut. 28:56. Deuteronomium 28:56: Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;
[^jeremia-6-2-10]: Kanttekening 10: Of Ik had haar gelijk gemaakt, enz.
[^jeremia-6-3-11]: Kanttekening 11: De vorsten van de Babyloniërs. Vergelijk onder Jer. 49:19. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-6-3-12]: Kanttekening 12: Heirkrachten. Vergelijk onder Jer. 49:20. Jeremia 49:20: Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!
[^jeremia-6-3-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, vastmaken, hechten. Versta hierdoor de belegering van Jeruzalem.
[^jeremia-6-3-14]: Kanttekening 14: 14 ruimte afweiden: Hebreeuws, hand (יָדֽ); dat is, ruimte, plaats, gelijk elders. Zie Job 1:14. Job 1:14: Dat een bode tot Job kwam, en zei: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
[^jeremia-6-4-15]: Kanttekening 15: 15 Heiligt de krijg: Dat is, rust u, bereidt u tot de krijg, stelt de oorlog aan, roept hem uit, dat men tegen Jeruzalem optrekke, als volgt. Vergelijk onder Jer. 12:3, en Jer. 22:7, en Jer. 51:27, 51:28. Dit zijn de woorden van de Babyloniërs, die de profeet aldus sprekende invoert, alsook opnieuw vers 5. Jeremia 12:3: Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding. Jeremia 22:7: Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen. Jeremia 51:27: Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers! Jeremia 51:28: Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het gehele land van haar heerschappij. Jeremia 6:5: Maakt u op, en laat ons optrekken in de nacht, en haar paleizen verderven!
[^jeremia-6-4-16]: Kanttekening 16: Gelijk onder Jer. 15:8; dat is bij hellen dag, zonder schroom, in het openbaar. Jeremia 15:8: Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
[^jeremia-6-4-17]: Kanttekening 17: 17 de dag heeft zich gewend: Dat is, onze goede dagen zijn uit, tegenspoed en jammer is nakende; zo men het neemt voor tussengevoegde woorden van de Joden. Anders kunnen het ook de woorden van de Babyloniërs zijn, die zich beklagen dat zij tijd verzuimen en niet genoeg haasten, hakende naar de roof als hittige krijgslieden plegen te doen.
[^jeremia-6-4-18]: Kanttekening 18: 18 neigen zich: Of, breiden, strekken zich uit; dat is, worden groot, het begint donker te worden; waardoor droefenis en ellende verstaan kan worden. Zie Gen. 15:12. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^jeremia-6-6-21]: Kanttekening 21: Gelijk 2 Sam. 20:15; zie daar. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen.
[^jeremia-6-6-22]: Kanttekening 22: Vergelijk boven Jer. 5:9, 5:29. Jeremia 5:9: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Jeremia 5:29: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
[^jeremia-6-6-23]: Kanttekening 23: 23 in het midden van haar: Hebreeuws, zij geheel, verdrukking is in het midden van haar; dat is, wat deze gehele stad betreft, daar gaat binnen haar overal niet in zwang dan enkel te verdrukken met list of geweld, zij is vol bedriegers en geweldenaars.
[^jeremia-6-6-19]: Kanttekening 19: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-6-6-20]: Kanttekening 20: 20 Houwt bomen af: Om tot een bolwerk te gebruiken; zie Deut. 20:19. Deuteronomium 20:19: Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is het voedsel van de mens), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.
[^jeremia-6-7-24]: Kanttekening 24: Of, opwelt.
[^jeremia-6-7-25]: Kanttekening 25: Die zij met overlast de naaste aandoen, makende dat de verdrukten overal kermen en krijten.
[^jeremia-6-8-26]: Kanttekening 26: Of, onderwijzen.
[^jeremia-6-8-27]: Kanttekening 27: 27 afgetrokken worde: Of, los worde, scheide, ontleed worde, gelijk het ene lid van het andere; een zeer bewegelijke manier van spreken, ziende op Gods gunst en weldadigheid, die Hij deze stad \[als een man zijn vrouw\] toegedragen en bewezen had; vergelijk boven Jer. 2:2, 2:3. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Jeremia 2:3: Israël was YHWH een heiligheid, de eerstelingen van Zijn inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt YHWH.
[^jeremia-6-9-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, nalezende nalezen; zodat er niets, dat waard is, overblijve, maar alles uit- en weggevoerd worde, gelijk men de druiven in de wijnoogst naleest; vergelijk 2 Kon. 24:15, 24:16, en 2 Kon. 25:11, 25:12, en onder Jer. 52:28, 52:29, 52:30; en zie van deze gelijkenis Richt. 8:2, en Richt. 20:45. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; 2 Koningen 24:16: En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel. 2 Koningen 25:11: Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg. 2 Koningen 25:12: Maar van de armsten van het land liet de overste van de trawanten enige overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. Jeremia 52:28: Dit is het volk, dat Nebukadrezar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden; Jeremia 52:29: In het achttiende jaar van Nebukadrezar, voerde hij gevankelijk weg achthonderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem; Jeremia 52:30: In het drie en twintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd. Richteren 8:2: Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? Richteren 20:45: Toen keerden zij zich, en vloden naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; verder kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man.
[^jeremia-6-9-b]: Verwijzing b: Jes. 24:13. Jesaja 24:13: Want in het binnenste van het land, in het midden van deze volken, zal het zo wezen, gelijk de afschudding van de olijfbooms, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is.
[^jeremia-6-9-30]: Kanttekening 30: Of, druivenlezer, die de ene korf voor, de andere na met druiven vervult en wegdraagt, zo zullen de Babyloniërs tot elkaar zeggen: U moet al weer heen om nu en dan een deel Joden te halen. Sommigen houden dit voor Gods woorden, als bevelgevende aan de vijand om zulks te doen.
[^jeremia-6-9-28]: Kanttekening 28: 28 Zij zullen: De Babyloniërs.
[^jeremia-6-10-c]: Verwijzing c: Jer. 7:26. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.
[^jeremia-6-10-31]: Kanttekening 31: Als met een voorhuid overtogen; zulks dat zij onbekwaam zijn tot toeluistering of opmerking. Vergelijk Lev. 26:41; Hand. 7:51, en boven Jer. 5:21. Leviticus 26:41: Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben; Handelingen 7:51: U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u. Jeremia 5:21: Hoort nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
[^jeremia-6-10-32]: Kanttekening 32: Zij versmaden het en drijven hun spot daarmede.
[^jeremia-6-10-33]: Kanttekening 33: Te weten in, of aan het woord van de Heer, of, aan hem, te weten de Heer.
[^jeremia-6-11-34]: Kanttekening 34: Dat is, van de grimmigheid van de Heer te verkondigen, of profeteren.
[^jeremia-6-11-35]: Kanttekening 35: 35 zal ze uitstorten: Anders, stort uit, alsof de Heer, of de profeet door de Geest van de Heer, zei: Het is lang genoeg getoefd, zegt ronduit dat Gods grimmigheid zal worden uitgestort, zonder enige verschoning.
[^jeremia-6-11-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, het kindeke. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 8:3. Psalmen 8:3: Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^jeremia-6-11-37]: Kanttekening 37: 37 vol is van dagen: Dat is, zeer oud, welbedaagd, stokoud.
[^jeremia-6-12-d]: Verwijzing d: Deut. 28:30. Deuteronomium 28:30: U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken.
[^jeremia-6-12-38]: Kanttekening 38: Dat is, zullen van u op anderen komen, die ze zullen bezitten, gelijk Num. 36:7. Numeri 36:7: Zo zal de erfenis van de kinderen van Israël niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen van Israël zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van de stam van zijn vaderen.
[^jeremia-6-13-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws alsof men zei: Is gierigheid gierende; dat is, haakt naar vuil gewas.
[^jeremia-6-13-e]: Verwijzing e: Jes. 56:11; Jer. 8:10. Jesaja 56:11: En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde. Jeremia 8:10: Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.
[^jeremia-6-13-40]: Kanttekening 40: Versta, de valse profeten.
[^jeremia-6-13-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, doet; dat is, gaat om met leugen en valsheid. Vergelijk boven Jer. 5:31, en onder Jer. 8:10, enz., alwaar vast dezelfde woorden worden wederhaald. Jeremia 5:31: De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u ten einde van die maken? Jeremia 8:10: Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.
[^jeremia-6-14-f]: Verwijzing f: Jer. 8:11; Ez. 13:10. Jeremia 8:11: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen dezelfde pleisteren met loze kalk.
[^jeremia-6-14-42]: Kanttekening 42: Dat is, zij troosten mijn volk tegen de bedreigde ellende.
[^jeremia-6-14-44]: Kanttekening 44: 44 Vrede, vrede: Dat is, het zal wel gaan, het heeft geen nood.
[^jeremia-6-14-43]: Kanttekening 43: 43 op het lichtste: Of, als een lichte zaak, of breuk. Door een lichte rede, met een praatje, alsof het jok en scherts ware, of de zonde en de bedreigde straf niets te beduiden hadden.
[^jeremia-6-15-45]: Kanttekening 45: 45 Zijn zij beschaamd: Anders: hebben zij, \[de profeten en priesters\] \[mijn volk\] beschaamd, wanneer zij gruwel bedreven?
[^jeremia-6-15-46]: Kanttekening 46: 46 zij schamen zich: Profeten en priesters schamen zichzelven niet en beschamen de boosdoeners niet, zodat er bij niemand enige schaamte gevonden wordt. Hebreeuws, schamende schamen zij zich niet.
[^jeremia-6-16-47]: Kanttekening 47: 47 oude paden: Hebreeuws, paden van de eeuwigheid (נְתִבוֹת); dat is, die God zijn volk in voortijden altijd geleerd en geleid heeft om hen tot de zaligheid te brengen. Vergelijk boven Jer. 2:17, en onder Jer. 18:15. Jeremia 2:17: Doet u dit niet zelven, doordien u YHWH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt? Jeremia 18:15: Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken van de ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;
[^jeremia-6-16-g]: Verwijzing g: Matt. 11:29. Mattheüs 11:29: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen.
[^jeremia-6-16-48]: Kanttekening 48: 48 rust vinden: Troost en zaligheid.
[^jeremia-6-17-49]: Kanttekening 49: Profeten, die u de nakende straffen verkondigen en uitroepen, gelijk de wachters, die op de hoogten gesteld zijn om ver van zich te zien, en van de aankomst van de vijand, of ander onraad, met de bazuin te waarschuwen; zie Jes. 21:11; Ez. 3:17, en Ez. 33:7, enz. Jesaja 21:11: De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Ezechiël 3:17: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Ezechiël 33:7: U nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^jeremia-6-18-50]: Kanttekening 50: 50 u heidenen: Om getuigen te zijn van de gruwelijke ondankbaarheid en hardnekkigheid van mijn volk, en de rechtvaardigheid van mijn oordelen over hen.
[^jeremia-6-18-51]: Kanttekening 51: Van de natiën.
[^jeremia-6-18-52]: Kanttekening 52: 52 wat onder hen is: Welke boosheid onder mijn volk in zwang gaat.
[^jeremia-6-19-53]: Kanttekening 53: Zie Deut. 4:26, en Deut. 32:1. Deuteronomium 4:26: Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden. Deuteronomium 32:1: Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen van mijn mond.
[^jeremia-6-19-54]: Kanttekening 54: 54 vrucht hun gedachten: De welverdiende straf van hun boze nukken en aanslagen; zie Spreuk. 1:31, en onder Jer. 17:10. Spreuken 1:31: Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen.
[^jeremia-6-20-h]: Verwijzing h: Jes. 1:11; Jes. 66:3; Amos 5:21; Micha 6:6. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jesaja 66:3: Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Amos 5:21: Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Micha 6:6: Waarmee zal ik YHWH tegenkomen, en mij bukken voor de hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
[^jeremia-6-20-55]: Kanttekening 55: Die u met moeite en kosten laat komen, om reukwerk voor mij te maken, kwanswijs om mij te behagen.
[^jeremia-6-20-56]: Kanttekening 56: 56 Scheba komen: Zie Gen. 10:7; Jes. 60:6. Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Jesaja 60:6: Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedigen lof van YHWH boodschappen.
[^jeremia-6-20-57]: Kanttekening 57: Of, kaneel, welriekend riet, of pijp; gelijk Ex. 30:23. Exodus 30:23: U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
[^jeremia-6-20-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, tot, of naar welbehagen, of welgevallen, aangenaamheid; dat is, Ik heb daarin geen behagen. Vergelijk Ps. 19:15; Jes. 56:7. Psalmen 19:15: Laat de redenen van mijn mond, en de overdenking van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, o YHWH, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! Jesaja 56:7: Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.
[^jeremia-6-20-59]: Kanttekening 59: Dat is, aangenaam.
[^jeremia-6-21-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws in het getal van velen, aanstoten. Aldus noemt de Heer al de instrumenten, middelen en omstandigheden van de verwoesting van de Joden.
[^jeremia-6-21-61]: Kanttekening 61: 61 vaders en kinderen: Alle soorten van mensen, van wat rang of soort zij zijn.
[^jeremia-6-22-62]: Kanttekening 62: Gelijk boven Jes. 6:1. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel.
[^jeremia-6-22-i]: Verwijzing i: Jer. 50:41; idem v. 42; idem v. 43. Jeremia 50:41: Ziet, daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en geweldige koningen zullen van de zijden van de aarde opgewekt worden. Jeremia 50:42: Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel! Jeremia 50:43: De koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-6-22-63]: Kanttekening 63: Van God, om op te trekken naar de grenzen van Juda, en vandaar tot binnen in het land.
[^jeremia-6-22-64]: Kanttekening 64: 64 van de aarde: Of, van het land; dat is, einden, uiterste delen, of grenzen.
[^jeremia-6-23-65]: Kanttekening 65: Of, standaardspies, stang; zie Jos. 8:18.
[^jeremia-6-23-66]: Kanttekening 66: Hebreeuws, aangrijpen; dat is, houden en voeren, vergelijk onder Jer. 50:42, enz.; alwaar even hetzelfde geprofeteerd wordt van de Meden en Perzen, die over Babel zouden komen. Jeremia 50:42: Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel!
[^jeremia-6-23-67]: Kanttekening 67: 67 het is: Te weten dit volk, of een ieder; te weten van dit volk.
[^jeremia-6-23-68]: Kanttekening 68: Of in orde gesteld.
[^jeremia-6-24-69]: Kanttekening 69: 69 zijn gerucht: Het gerucht van de aankomst van dit volk. Dit is een levendige beschrijving van het toekomende ongeval.
[^jeremia-6-24-70]: Kanttekening 70: 70 slap geworden: De moed is ons ontzonken. Zie 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^jeremia-6-24-k]: Verwijzing k: Jer. 4:31; Jer. 49:24; Jer. 50:43. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in van de eerste kinds nood is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars! Jeremia 49:24: Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen; Jeremia 50:43: De koning van Babel heeft hunlieder gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-6-25-71]: Kanttekening 71: 71 schrik van rondom: Gelijk onder Jer. 49:29. Jeremia 49:29: Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom!
[^jeremia-6-26-l]: Verwijzing l: Jer. 4:8. Jeremia 4:8: Hierom, gordt zakken aan, bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van YHWH is niet van ons afgekeerd.
[^jeremia-6-26-72]: Kanttekening 72: 72 zak aan: Gelijk boven Jer. 4:8. Jeremia 4:8: Hierom, gordt zakken aan, bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van YHWH is niet van ons afgekeerd.
[^jeremia-6-26-73]: Kanttekening 73: 73 wentel u: Anders: bespreng u met, enz.
[^jeremia-6-26-74]: Kanttekening 74: Zie 2 Sam. 1:2, en onder Jer. 25:34. 2 Samuël 1:2: Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder. Jeremia 25:34: Huilt, u herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, u heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult u vervallen als een kostelijk vat.
[^jeremia-6-26-75]: Kanttekening 75: 75 eens enige zoons: Dat is, als over de dood van een eniggeboren zoon. Zie Amos 8:10; Zach. 12:10. Amos 8:10: En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon, en het einde daarvan als een bitteren dag. Zacharia 12:10: Maar over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest van de genade en van de gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
[^jeremia-6-26-76]: Kanttekening 76: 76 zeer bitter luid weeklagen: Hebreeuws, luid weeklagen van de bitterheden.
[^jeremia-6-27-77]: Kanttekening 77: 77 Ik heb u: Woorden van God tot Jeremia.
[^jeremia-6-27-78]: Kanttekening 78: Of, proeftoren, een toren van bespieding, toezicht; vergelijk Jer. 23:13. Anders: een beproefden toren; dat is, beproefd van vastheid, dat is, een vasten onverwinnelijken toren; vergelijk boven Jer. 1:18. Jeremia 23:13: Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land.
[^jeremia-6-27-79]: Kanttekening 79: Dat is, op hun doen zoudt letten, dat onderzoeken, en daarvan een recht oordeel spreken en hun aanzeggen.
[^jeremia-6-28-80]: Kanttekening 80: Dat is, de snoodste afvalligen, die men zou kunnen vinden; vergelijk Gen. 9:25. Genesis 9:25: En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^jeremia-6-28-81]: Kanttekening 81: Lasterende mij, mijn woord, mijn profeten, u in het bijzonder, en ruien elkaar door achterklap tegen u op. Zie van de manier van spreken Lev. 19:16. Leviticus 19:16: U zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben YHWH!
[^jeremia-6-28-82]: Kanttekening 82: Dat is, hardnekkig, of van kleine waarde, daar zij als goud en zilver behoorden te zijn; vergelijk Ez. 22:18, enz. Ezechiël 22:18: Mensenkind, die van het huis van Israël zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden van de oven; zilverschuim zijn zij geworden.
[^jeremia-6-28-m]: Verwijzing m: Ez. 22:18. Ezechiël 22:18: Mensenkind, die van het huis van Israël zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden van de ovens; zilverschuim zijn zij geworden.
[^jeremia-6-28-83]: Kanttekening 83: Verdervende zichzelven en anderen. Anders: verdorven \[kinderen\].
[^jeremia-6-29-84]: Kanttekening 84: 84 De blaasbalg: De zin van deze woorden is dat al de arbeid, die de goede profeten hebben aangewend om dit volk van het schuim van de zonden te zuiveren, vergeefs geweest is. De gelijkenis is genomen van het reinigen van de metalen.
[^jeremia-6-29-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws, gesmolten, smeltende, om te louteren. Anders: tevergeefs heeft de smelter gesmolten.
[^jeremia-6-29-86]: Kanttekening 86: 86 afgetrokken zijn: Dat is, van het schuim van hun boosheid niet hebben kunnen afgescheiden worde. Anders: de boosheden, boze dingen; dat is, al het kwaad; gelijk het Hebreeuwse woord \[dat anders doorgaans de kwade betekent\] ook genomen wordt Ps. 78:49; vergelijk onder Jer. 15:19, waar dezelfde gelijkenis gebruikt wordt, maar bij andere gelegenheid. Het zijn twee onderscheidene zaken, de bozen te zuiveren van hun boosheid en de vromen te onderscheiden van de bozen. Psalmen 78:49: Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaads. Jeremia 15:19: Daarom zegt YHWH zo: Zo u zult terugkeren, zo zal Ik u doen terugkeren; u zult voor Mijn aangezicht staan; en zo u het kostelijke van het snode uittrekt, zult u als Mijn mond zijn; laat hen tot u terugkeren, maar u zult tot hen niet terugkeren.
[^jeremia-6-30-87]: Kanttekening 87: 87 Men noemt: Hebreeuws, zij noemen ze, of hebben ze genoemd; dat is, men noemt ze, zij worden genoemd; gelijk elders dikwijls.
[^jeremia-6-30-n]: Verwijzing n: Jes. 1:22. Jesaja 1:22: Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.

### Jeremia 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/7.json)

*God laat Zijn volk openlijk vermanen tot ware bekering en het afstand doen van hun ijdel vertrouwen op de uiterlijke godsdienst en tempel, met verwijt van het goddeloze en onbeschaamde misbruik daarvan, vers 1, enz. dreigt hen met het voorbeeld van Silo, 12. Verbiedt de profeet voor het volk te bidden, om hun afgodische razernijen, 16. verwerpt hun offers en eist gehoorzaamheid, in plaats van vroegere en tegenwoordige ongehoorzaamheid, 21. roept op tot schrik en rouw over de gruwelen van Tofeth, in het dal van de zoon van Hinnom, 29.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is, van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v1)

**2** Sta in de poort van het huis van YHWH[^jeremia-7-2-1], en roep daar dit woord uit, en zeg: Hoort het woord van YHWH, o geheel Juda! u, die door deze poorten ingaat, om[^jeremia-7-2-2] YHWH aan te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v2)

**3** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maak uw wegen en uw handelingen[^jeremia-7-3-3] goed, zo zal Ik u[^jeremia-7-3-4] doen wonen in deze plaats.[^jeremia-7-3-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v3)

**4** Vertrouw niet op[^jeremia-7-4-5] valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn[^jeremia-7-4-6] deze! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v4)

**5** Maar als u uw wegen en uw handelingen[^jeremia-7-5-7] werkelijk zult goed maken; als u werkelijk zult[^jeremia-7-5-b] recht doen tussen de man en tussen zijn naaste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v5)

**6** De vreemdeling, wees en[^jeremia-7-6-c] weduwe niet zult verdrukken, en geen[^jeremia-7-6-d] onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen,[^jeremia-7-6-8] u ten kwade; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v6)

**7** Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaders gegeven heb, doen wonen van[^jeremia-7-7-9] eeuw tot eeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v7)

**8** Zie, u vertrouwt op[^jeremia-7-8-10] valse woorden, die geen nut doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v8)

**9** [^jeremia-7-9-11] Zult u stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en vals zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die u niet kent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v9)

**10** En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis,[^jeremia-7-10-12] dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen:[^jeremia-7-10-13] Wij zijn verlost,[^jeremia-7-10-14] om al deze gruwelijke dingen te doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v10)

**11** Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in[^jeremia-7-11-15] uw ogen een[^jeremia-7-11-e] grot van[^jeremia-7-11-16] de moordenaren?[^jeremia-7-11-17] Zie, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v11)

**12** Want gaat nu heen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in[^jeremia-7-12-18] het eerst had doen[^jeremia-7-12-19] wonen; en ziet,[^jeremia-7-12-20][^jeremia-7-12-f] wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v12)

**13** En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb,[^jeremia-7-13-21][^jeremia-7-13-g] vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u[^jeremia-7-13-h] geroepen, maar u niet geantwoord hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v13)

**14** Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaders gegeven heb,[^jeremia-7-14-22] doen, zoals Ik aan Silo gedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v14)

**15** En Ik zal u van[^jeremia-7-15-23] Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broers, het hele zaad[^jeremia-7-15-24] van Efraïm, weggeworpen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v15)

**16** [^jeremia-7-16-25] U dan, bid[^jeremia-7-16-i] niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en[^jeremia-7-16-26] loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v16)

**17** Ziet u niet, wat zij doen in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v17)

**18** [^jeremia-7-18-k] De[^jeremia-7-18-27] kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om[^jeremia-7-18-28] gebeelde koeken te[^jeremia-7-18-29] maken voor de[^jeremia-7-18-30][^jeremia-7-18-l] Melecheth van de hemel, en aan andere goden drankoffers[^jeremia-7-18-31] te offeren, om Mij[^jeremia-7-18-32] verdriet aan te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v18)

**19** Doen zij Mij verdriet aan? spreekt YHWH. Doen[^jeremia-7-19-33] zij het zichzelf niet aan,[^jeremia-7-19-m] tot beschaming van hun aangezicht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v19)

**20** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Zie, Mijn toorn en Mijn woede zal uitgestort worden over deze plaats, over[^jeremia-7-20-34] de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van de aarde; en zal branden, en niet uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v20)

**21** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Doe uw brandoffers tot uw slachtoffers, en eet vlees.[^jeremia-7-21-35][^jeremia-7-21-n] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v21)

**22** Want Ik heb met uw vaders, op de dag als Ik hen uit Egypteland[^jeremia-7-22-36] uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken van het brandoffer of slachtoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v22)

**23** Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende:[^jeremia-7-23-o] Hoor naar Mijn stem,[^jeremia-7-23-p] zo zal Ik u tot een[^jeremia-7-23-37] God zijn, en u zult Mij tot een[^jeremia-7-23-38] volk zijn; en wandelt in al de weg, die Ik u gebieden zal, opdat het u welga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v23)

**24** Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in[^jeremia-7-24-39][^jeremia-7-24-q] het goeddunken van hun boos hart; en[^jeremia-7-24-r] zij zijn achteruit[^jeremia-7-24-40] gekeerd, en niet[^jeremia-7-24-41] vooruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v24)

**25** Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks[^jeremia-7-25-42] vroeg op zijnde en zendende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v25)

**26** Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun[^jeremia-7-26-43][^jeremia-7-26-s] nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v26)

**27** Ook zult u al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; u zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v27)

**28** Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem van YHWH, zijn God, niet hoort, en de[^jeremia-7-28-t] tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid[^jeremia-7-28-44][^jeremia-7-28-45][^jeremia-7-28-v] van hun mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v28)

**29** [^jeremia-7-29-46][^jeremia-7-29-x] Scheer uw[^jeremia-7-29-47] hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef een weeklacht op de hoge plaatsen; want YHWH heeft het[^jeremia-7-29-48] geslacht van Zijn[^jeremia-7-29-49] toorn verworpen en verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v29)

**30** Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt YHWH; zij hebben hun[^jeremia-7-30-50] gruwelijke dingen gesteld in het[^jeremia-7-30-51] huis,[^jeremia-7-30-52] dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v30)

**31** En zij hebben gebouwd de[^jeremia-7-31-y] hoogten van[^jeremia-7-31-53] Tofeth, dat in het dal van de zoon[^jeremia-7-31-54] van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb[^jeremia-7-31-55] geboden, noch in Mijn[^jeremia-7-31-56] hart is opgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v31)

**32** Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en[^jeremia-7-32-57] zij zullen ze in[^jeremia-7-32-58] Tofeth begraven,[^jeremia-7-32-59] omdat er geen plaats zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v32)

**33** [^jeremia-7-33-60][^jeremia-7-33-z] En de dode lichamen van dit volk zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze[^jeremia-7-33-61] afschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v33)

**34** [^jeremia-7-34-a] En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal[^jeremia-7-34-b] tot een verwoesting worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/7.html#v34)

[^jeremia-7-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, tempel, gelijk vers 4. Jeremia 7:4: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn deze!
[^jeremia-7-2-2]: Kanttekening 2: 2 YHWH aan te bidden: Hebreeuws eigenlijk, u voor YHWH te buigen, of neder te bukken; zie Gen. 24:26. Genesis 24:26: Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^jeremia-7-3-3]: Kanttekening 3: In plaats dat uw wandel en handel nu kwaad is, zo verbetert dezelfde zo, dat u van het kwade afwijkende het goede voorneemt en doet, dat is, u recht bekeert; zie onder vers 5, en Jer. 18:11, enz. Het woord beteren betekent anders wat goed is nog beter maken en zo in het goede toe te nemen en te groeien. Jeremia 7:5: Maar als u uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; als u waarlijk zult recht doen tussen de man en tussen zijn naaste; Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, ieder van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
[^jeremia-7-3-4]: Kanttekening 4: 4 doen wonen: Te weten van eeuw tot eeuw u bevestigen in uwe woonplaats, gelijk onder vers 7. Jeremia 7:7: Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw.
[^jeremia-7-3-a]: Verwijzing a: Jer. 18:11; Jer. 26:13; onder, v. 5. Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. Jeremia 26:13: Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem van YHWH, uws Gods; zo zal YHWH berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. Jeremia 7:5: Maar als u uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; als u waarlijk zult recht doen tussen de man en tussen zijn naaste;
[^jeremia-7-4-5]: Kanttekening 5: 5 valse woorden: Hebreeuws, woorden, of dingen van de leugen, of van de valsheid; dat is, waarmee u tekortkomen en uzelven bedriegen zult; zo onder vers 8. Jeremia 7:8: Ziet, u vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.
[^jeremia-7-4-6]: Kanttekening 6: Als met de vinger wijzende op de delen van het gebouw van de tempel, waarin het voorhof, heilig en allerheiligste waren, alle heilige plaatsen en woningen van de Heer genoemd. Dit was de ijdele troost van de valse profeten, waarmee zij het volk in hun boosheid stijfden tegen de dreigementen Gods en van zijn profeten; te weten dat het geen nood had, omdat zij de tempel en tempeldienst onder zich hadden, waardoor zij genoeg meenden bewaard te zijn, hoewel zij ondertussen goddeloos leefden, en daarmede alles ontheiligden, gelijk in het volgende verklaard wordt. Anders: deze dingen onze godsdiensten behoren tot de tempel; de zin op een uitkomende.
[^jeremia-7-5-7]: Kanttekening 7: 7 waarlijk zult goed maken: Hebreeuws, goedmakende zult goedmaken, en zo, doende zult recht doen (מִשְׁפָּט).
[^jeremia-7-5-b]: Verwijzing b: Jer. 5:28. Jeremia 5:28: Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de nooddruftigen niet.
[^jeremia-7-6-c]: Verwijzing c: Jes. 10:1; idem v. 2. Jesaja 10:1: Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en de schrijvers, die moeite voorschrijven; Jesaja 10:2: Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht van de ellendigen van Mijn volk te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!
[^jeremia-7-6-d]: Verwijzing d: Jes. 59:7. Jesaja 59:7: Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van de ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.
[^jeremia-7-6-8]: Kanttekening 8: 8 u ten kwade: Waarover u kwalijk zoudt moeten varen.
[^jeremia-7-7-9]: Kanttekening 9: 9 van eeuw tot eeuw: Dat is, van de ene eeuw tot de andere eeuw, dat is altijd.
[^jeremia-7-8-10]: Kanttekening 10: 10 valse woorden: Gelijk boven vers 4. Jeremia 7:4: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn deze!
[^jeremia-7-9-11]: Kanttekening 11: 11 Zult u stelen: Alsof de Heer zei: Schaamt u u niet zo huichelachtig en goddeloos te handelen?
[^jeremia-7-10-12]: Kanttekening 12: 12 dat naar Mijn Naam genoemd is: Hebreeuws, waarover mijn naam genoemd, of uitgeroepen is (שְׁמִ); zo vers 11, 7:14, 7:30, en Jer. 14:9, en Jer. 15:16, enz. Vergelijk de manier van spreken met Jes. 4:1. Jeremia 7:11: Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH. Jeremia 7:14: Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. Jeremia 7:30: Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt YHWH; zij hebben hun verfoeiselen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. Jeremia 14:9: Waarom zoudt U zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? U bent toch in het midden van ons, o YHWH! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet. Jeremia 15:16: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap van mijn hart; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o YHWH, God van de legermachten! Jesaja 4:1: En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.
[^jeremia-7-10-13]: Kanttekening 13: Dat is, het heeft nu geen nood, wij zijn nu vrij en buiten gevaar, zullen voorzeker ontkomen en behouden zijn, nu wij onze tempelgang gedaan hebben.
[^jeremia-7-10-14]: Kanttekening 14: 14 om al deze gruwelen te doen: Dat is, om zo uzelven tot deze boosheid verlof en vrijheid te geven en daarin meer en meer te verharden en voort te gaan. Anders: opdat wij al deze gruwelen mogen doen.
[^jeremia-7-11-15]: Kanttekening 15: 15 in uw ogen: Dat is, houdt u het daarvoor; is het naar uw oordeel zulk een huis, enz.
[^jeremia-7-11-e]: Verwijzing e: Matt. 21:13; Mark. 11:17; Lukas 19:46. Mattheüs 21:13: En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden; maar u hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Marcus 11:17: En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden alle volken? Maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. Lukas 19:46: Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt.
[^jeremia-7-11-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws eigenlijk, doorbrekers, inbrekers; dat is geweldenaars, straatschenders, moordenaars; zie Ps. 17:4. Psalmen 17:4: Aangaande de handelingen van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbrekers;
[^jeremia-7-11-17]: Kanttekening 17: Alsof God zei: Schaamt u u niet zulke gruwelen voor mijn ogen te bedrijven, zo weet ook dat ik het zie en zoeken zal; want, enz.
[^jeremia-7-12-18]: Kanttekening 18: 18 in het eerst: Nadat Jozua het land Kanaän had ingenomen; zie Joz. 18:1. Jozua 18:1: En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
[^jeremia-7-12-19]: Kanttekening 19: Zie Ps. 78:60, en vergelijk 1 Kon. 8:13, met de aantekening. Psalmen 78:60: Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. 1 Koningen 8:13: Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^jeremia-7-12-20]: Kanttekening 20: 20 wat Ik daaraan gedaan heb: Te weten hoe Ik eerst de ark gevankelijk heb laten wegvoeren door de Filistijnen; zie 1 Sam. 4:11; Ps. 78:60, 78:61, en naderhand de tien stammen, onder welke Silo gelegen was, heb laten wegvoeren naar Assyrië. Zie vers 14, 7:15. 1 Samuël 4:11: En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. Psalmen 78:60: Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. Psalmen 78:61: En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijders. Jeremia 7:14: Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb. Jeremia 7:15: En Ik zal u van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broers, het gehele zaad van Efraïm, weggeworpen heb.
[^jeremia-7-12-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 4:11; Ps. 78:60. 1 Samuël 4:11: En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. Psalmen 78:60: Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
[^jeremia-7-13-21]: Kanttekening 21: 21 vroeg op zijnde: Dat is, mijn profeten vroeg en intijds, steeds en doorgaans tot u zendende met een uitnemende vlijtigheid; zie 2 Kron. 36:15; zo onder vers 25, en Jer. 11:7, en verder dikwijls in dit boek. 2 Kronieken 36:15: En YHWH, de God van hun vaderen, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!
[^jeremia-7-13-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 36:15; onder, v. 25. 2 Kronieken 36:15: En YHWH, de God hun vaderen, zond tot hen, door de hand Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende.
[^jeremia-7-13-h]: Verwijzing h: Spreuk. 1:24; Jes. 65:12; Jes. 66:4. Spreuken 1:24: Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; Jesaja 65:12: Ik zal u ook ten zwaarde tellen, dat u allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar u hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar u hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt gekozen wat, waaraan Ik geen lust heb. Jesaja 66:4: Ik zal ook verkiezen het loon hun handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen wat waartoe Ik geen lust had.
[^jeremia-7-14-22]: Kanttekening 22: Door de Babyloniërs.
[^jeremia-7-15-23]: Kanttekening 23: 23 van Mijn aangezicht: Vergelijk 2 Kon. 17:18.
[^jeremia-7-15-24]: Kanttekening 24: 24 van Efraïm: Versta de tien stammen, onder de naam van Efraïm, als de machtigste en aanzienlijkste, dikwijls begrepen, die uit hun land naar Assyrië zijn weggevoerd. Zie 2 Kon. 17:6, 17:23 en 18:11. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 2 Koningen 17:23: Totdat YHWH Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten; zo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op deze dag. 2 Koningen 18:11: En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^jeremia-7-16-25]: Kanttekening 25: 25 U dan: Dit spreekt de Heer tot Jeremia.
[^jeremia-7-16-i]: Verwijzing i: Ex. 32:10; Jer. 11:14; Jer. 14:11. Exodus 32:10: En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. Jeremia 11:14: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. Jeremia 14:11: Verder zei YHWH tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.
[^jeremia-7-16-26]: Kanttekening 26: 26 loop Mij niet aan: Met voorbidden, of voorspreken. Zie Job 21:15; zo onder Jer. 27:18. Job 21:15: Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden? Jeremia 27:18: Maar zo zij profeten zijn, en zo het woord van YHWH bij hen is, laat hen nu bij YHWH van de legermachten voorbidden, opdat de vaten, die in het huis van YHWH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen.
[^jeremia-7-18-k]: Verwijzing k: Jer. 44:19. Jeremia 44:19: Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?
[^jeremia-7-18-27]: Kanttekening 27: 27 kinderen lezen hout op: Zij zijn allemaal dol en razende van afgoderij.
[^jeremia-7-18-28]: Kanttekening 28: 28 gebeelde koeken: Met afgodische figuren, gelijk enige het Hebreeuwse woord verklaren.
[^jeremia-7-18-29]: Kanttekening 29: Dat is, bakken.
[^jeremia-7-18-30]: Kanttekening 30: 30 Melecheth van de hemel: Het Hebreeuwse woord, dat hier in de tekst gelaten is, wordt verscheidenlijk van de geleerden uitgelegd. Sommigen zetten het over: koningin van de hemel, waardoor sommigen de maan, anderen enige grote sterren verstaan. Anderen zetten het over: de werken, of het maaksel van de hemel; dat is, het gehele uitspansel met al het gesternte. Vergelijk onder Jer. 8:2, en Jer. 19:13, en Jer. 44:17, 44:18, 44:29, 44:25. Jeremia 8:2: En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor de gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op wier daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Jeremia 44:17: Maar wij zullen ganselijk doen al wat uit onze mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad. Jeremia 44:18: Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd. Jeremia 44:29: En dit zal u het teken zijn, spreekt YHWH, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat u weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade; Jeremia 44:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.
[^jeremia-7-18-l]: Verwijzing l: Jes. 65:11; Jer. 8:2; Jer. 19:13; Jer. 44:19. Jesaja 65:11: Maar u verlaters van YHWH, u vergeters van de berg Mijn heiligheid, u aanrichters ener tafel voor die bende, en u opvullers van de drank voor dat getal! Jeremia 8:2: En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op van welke daken zij aan al het legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Jeremia 44:19: Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?
[^jeremia-7-18-31]: Kanttekening 31: Of, proevende uitgieten, uitstorten. Zie Ps. 16:4. Zo onder Jer. 19:13, en Jer. 32:29, en Jer. 44:17, 44:18, 44:19, enz. Psalmen 16:4: De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op wier daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Jeremia 32:29: En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op wier daken zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen. Jeremia 44:17: Maar wij zullen ganselijk doen al wat uit onze mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad. Jeremia 44:18: Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd. Jeremia 44:19: Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?
[^jeremia-7-18-32]: Kanttekening 32: 32 verdriet aan te doen: Of, te tergen, tot toorn te verwekken.
[^jeremia-7-19-33]: Kanttekening 33: 33 Doen zij het zichzelven niet aan: Of, is het niet aan, of tegen henzelven.
[^jeremia-7-19-m]: Verwijzing m: Jes. 65:13. Jesaja 65:13: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, maar u zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn.
[^jeremia-7-20-34]: Kanttekening 34: 34 over de mensen en over de beesten: Hebreeuws, over de mens en over het beest.
[^jeremia-7-21-35]: Kanttekening 35: 35 Doet uw brandofferen: De Heer wil zeggen: Offert zoveel als u wilt, en verzadigt u met het vlees van de dankoffers: dat doet u voor uzelven, niet tot mijn dienst, \[vergelijk Hos. 8:13,\] gelijk in het volgende verklaard wordt. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden van Mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren.
[^jeremia-7-21-n]: Verwijzing n: Jes. 1:11; Jer. 6:20; Amos 5:21. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jeremia 6:20: Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Amos 5:21: Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken.
[^jeremia-7-22-36]: Kanttekening 36: 36 niet gesproken: De zin is: Dit is in geen geval het voornaamste geweest, dat Ik hun belast heb, gelijk u huichelaars dit neemt, maar zulk een oprechte gehoorzaamheid, die zij mij niet bewezen hebben en u nog minder doet, gelijk volgt; zie van zulk een gebruik van de woorden, niet, Hos. 6:6, en onder Jer. 16:14. Hosea 6:6: Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd!
[^jeremia-7-23-o]: Verwijzing o: Deut. 6:3. Deuteronomium 6:3: Hoor dan, Israël! en neem waar, dat u ze doet, opdat het u welga, en opdat u zeer vermenigvuldigde (gelijk als u YHWH, uw vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.
[^jeremia-7-23-p]: Verwijzing p: Ex. 19:5; Lev. 26:12. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-7-23-37]: Kanttekening 37: 37 God zijn: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^jeremia-7-23-38]: Kanttekening 38: 38 volk zijn: Zie Deut. 7:6. Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^jeremia-7-24-39]: Kanttekening 39: Zie boven Jer. 3:17. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, omwille van de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
[^jeremia-7-24-q]: Verwijzing q: Jer. 3:17; Jer. 16:12. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, van YHWH troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naams van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. Jeremia 16:12: En u erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, u wandelt, een iedereen naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
[^jeremia-7-24-r]: Verwijzing r: Jer. 2:27; Jer. 32:33. Jeremia 2:27: Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
[^jeremia-7-24-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, geworden, of geweest.
[^jeremia-7-24-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, na, of voor het aangezicht (פָנִֽים); dat is, zij hebben mij de nek of rug toegekeerd, en niet het aangezicht, gelijk boven Jer. 2:27, en onder Jer. 32:33, enz. Jeremia 2:27: Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
[^jeremia-7-25-42]: Kanttekening 42: 42 vroeg op: Dat is, tijdelijk en gestadiglijk zendende. Vergelijk boven vers 13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-7-26-43]: Kanttekening 43: 43 nek verhard: Zie Ex. 32:9; zo onder Jer. 17:23, en Jer. 19:15; Neh. 9:17, 9:29. Exodus 32:9: Verder zei YHWH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. Jeremia 19:15: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen. Nehemia 9:17: En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten. Nehemia 9:29: En U hebt tegen hen betuigd, om hen te doen terugkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelfde hebben zij gezondigd, door die een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.
[^jeremia-7-26-s]: Verwijzing s: Neh. 9:17; idem v. 29; Jer. 17:23; Jer. 19:15. Nehemia 9:17: En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten. Nehemia 9:29: En U hebt tegen hen betuigd, om hen te doen terugkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelfde hebben zij gezondigd, door die een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord. Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. Jeremia 19:15: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen.
[^jeremia-7-28-t]: Verwijzing t: Jer. 5:3. Jeremia 5:3: O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
[^jeremia-7-28-44]: Kanttekening 44: 44 de waarheid: Of, trouw, geloof, gelijk boven Jer. 5:1. Jeremia 5:1: Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.
[^jeremia-7-28-45]: Kanttekening 45: Of, afgesneden; dat is, zij gaan allemaal met huichelarij, ontrouw en valsheid om, zij houden hun God geen woord noch geloof.
[^jeremia-7-28-v]: Verwijzing v: Jer. 5:1. Jeremia 5:1: Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.
[^jeremia-7-29-46]: Kanttekening 46: Een teken van grote rouw. Zie Job 1:20; Jes. 15:2, en onder Jer. 16:6. Job 1:20: Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jeremia 16:6: Zodat grote en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-7-29-x]: Verwijzing x: Job 1:20; Jes. 15:2; Jer. 16:6. Job 1:20: Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder; Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jeremia 16:6: Zodat grote en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-7-29-47]: Kanttekening 47: Het Hebreeuwse woord betekent al zulk haar, dat men lang heeft laten groeien en van welks afschering men zich heeft onthouden. Van denzelfden oorsprong komt ook het woord Nazireër, waarvan te zien is Num. 6:2, 6:5; Richt. 13:5. Numeri 6:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich YHWH af te zonderen; Numeri 6:5: Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar van zijn hoofd groeien. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
[^jeremia-7-29-48]: Kanttekening 48: Zie Ps. 12:8. Psalmen 12:8: U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
[^jeremia-7-29-49]: Kanttekening 49: Of, oplopendheid, overlopende toornigheid; dat is, waarop Hij ten hoogste vertoornd en ontsteld is. Of \[gelijk sommigen\] dat zijn toorn verwekt had, in enen zin. Vergelijk Deut. 32:19. Deuteronomium 32:19: Als YHWH het zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochters.
[^jeremia-7-30-50]: Kanttekening 50: Gelijk boven Jer. 4:1. Jeremia 4:1: Zo u u bekeren zult, Israël! spreekt YHWH, bekeer u tot Mij; en zo u uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om.
[^jeremia-7-30-51]: Kanttekening 51: De tempel.
[^jeremia-7-30-52]: Kanttekening 52: 52 dat naar Mijn Naam: Gelijk boven vers 10. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-7-31-y]: Verwijzing y: 2 Kon. 23:10; Jer. 2:23; Jer. 19:5; idem 19:6. 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. Jeremia 2:23: Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait! Jeremia 19:5: Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? Jeremia 19:6: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal.
[^jeremia-7-31-53]: Kanttekening 53: Zie van deze gruwel 2 Kon. 23:10. 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^jeremia-7-31-54]: Kanttekening 54: 54 dal van de zoon van Hinnom: 2 Kon. 23:10 genoemd het dal van de kinderen \[Hebreeuws zonen\] van Hinnom. Zie daar, en onder Jer. 32:35. 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. Jeremia 32:35: En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters de Molech door het vuur te laten gaan; dat Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij deze gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.
[^jeremia-7-31-55]: Kanttekening 55: Maar wel scherpelijk verboden en verfoeid. Zie Lev. 18:21. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^jeremia-7-31-56]: Kanttekening 56: 56 in Mijn hart is opgekomen: Of, op, over mijn hart opgeklommen; menselijk van God gesproken, gelijk wij zeggen: Het is mij nooit in de zin gekomen, het is niet eens in mijn hart opgekomen, in mijn gedachten opgeklommen; versta, dat Ik hun zulke gruwelen zou gebieden, of dezelfde mij laten gevallen; vergelijk boven Jer. 3:16, en onder Jer. 19:5, en Jer. 32:35, en Jer. 51:50; idem Ez. 11:5, en Ez. 14:4, en Ez. 20:32, en Ez. 38:10; Luk. 24:38. Dezelfde manier van spreken wordt wat anders gebruikt onder Jer. 44:21, voor ter harte nemen, of iets dat in het hart opkomt om daarop te letten en dat te straffen. Jeremia 3:16: En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden. Jeremia 19:5: Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? Jeremia 32:35: En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters de Molech door het vuur te laten gaan; dat Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij deze gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen. Jeremia 51:50: U ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt YHWH van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen. Ezechiël 11:5: Zo viel dan de Geest van YHWH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt YHWH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen. Ezechiël 14:4: Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Een ieder man uit het huis van Israël, die de drekgoden in zijn hart opzet, en de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot de profeet, Ik, YHWH zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte van zijn drekgoden; Ezechiël 20:32: Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal in geen geval gebeuren, dat u zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten van de landen zijn, dienende hout en steen. Ezechiël 38:10: Zo zegt de Heer YHWH: Op die dag zal het ook gebeuren, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken, Lukas 24:38: En Hij zei tot hen: Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? Jeremia 44:21: Het roken, dat u in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, u en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk van het land, heeft YHWH daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?
[^jeremia-7-32-57]: Kanttekening 57: 57 zij zullen ze: Dat is, men zal, enz.
[^jeremia-7-32-58]: Kanttekening 58: Deze plaats, die de afgodische Joden door hun gruwelijke afgoderij voor zeer heilig hadden gehouden, zal dan door de dode lichamen van de verslagenen verontreinigd worden; zo onder Jer. 19:11, 19:13. Jeremia 19:11: En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op wier daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.
[^jeremia-7-32-59]: Kanttekening 59: 59 omdat er geen plaats zal zijn: Anders: totdat er geen plaats meer zij.
[^jeremia-7-33-60]: Kanttekening 60: 60 En de dode lichamen: Hebreeuws, het dode lichaam; zo onder Jer. 16:4, en Jer. 34:20, enz. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. Jeremia 34:20: Ja, Ik zal hen overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-7-33-z]: Verwijzing z: Deut. 28:26; Jer. 34:20. Deuteronomium 28:26: En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte van de hemel, en aan de beesten van de aarde tot voedsel zijn; en niemand zal ze afschrikken. Jeremia 34:20: Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-7-33-61]: Kanttekening 61: De vogels of beesten van de dode lichamen verjagen.
[^jeremia-7-34-a]: Verwijzing a: Jes. 24:7; Jer. 16:9; Jer. 25:10; Ez. 26:13; Hosea 2:10. Jesaja 24:7: De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten. Jeremia 16:9: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Jeremia 25:10: En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp. Ezechiël 26:13: Zo zal Ik het gedeun uw liederen doen ophouden, en het geklank uw harpen zal niet meer gehoord worden. Hosea 2:10: En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden.
[^jeremia-7-34-b]: Verwijzing b: Jer. 6:8. Jeremia 6:8: Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken worde, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land.

### Jeremia 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/8.json)

*Verdere profetie over de toekomstige welverdiende schande en benauwdheid van de Joden, zowel doden als levenden, vers 1, enz. verwijt van hun voortdurende domme onboetvaardigheid (met beschaming door het voorbeeld van redeloze beesten), dwaze en valse roem op wijsheid, verkeerde uitleg van de wet, valsheid, spottende vleierijen en onbeschaamdheid van de valse profeten en priesters, algemene overtreding en afgoderij; dit alles zal God zwaar straffen door de Babyloniërs, 4. waarover de profeet bitter treurt en weeklaagt, 18.*

**1** Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zullen[^jeremia-8-1-1] zij de beenderen van de koningen van Juda, en de beenderen van hun vorsten, en de beenderen van de priesters, en de beenderen van de profeten, en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem, uit hun graven uithalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v1)

**2** En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het hele leger van de[^jeremia-8-2-2] hemel, die zij liefgehad, en die zij[^jeremia-8-2-a] gediend, en die zij nagewandeld, en die zij[^jeremia-8-2-3] gezocht hebben, en waarvoor zij zich neergebogen hebben;[^jeremia-8-2-4] zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de[^jeremia-8-2-5] aardbodem zullen zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v2)

**3** En de dood zal voor het leven[^jeremia-8-3-6] gekozen worden, bij het hele overblijfsel van de overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen van de overgeblevenen, waar Ik hen heengedreven zal hebben, spreekt YHWH van de legermachten.[^jeremia-8-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v3)

**4** Zeg verder tot hen: Zo zegt YHWH: Zal men vallen, en niet weer opstaan? Zal men afkeren, en niet terugkeren?[^jeremia-8-4-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v4)

**5** Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met[^jeremia-8-5-9] een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weer te keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v5)

**6** Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken wat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, zoals een[^jeremia-8-6-10] onbesuisd paard in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v6)

**7** Zelfs een ooievaar[^jeremia-8-7-11] aan de hemel weet zijn vastgestelde tijden, en een tortelduif, en kraanvogel, en zwaluw, nemen de tijd van hun aankomst waar; maar Mijn volk[^jeremia-8-7-b] weet het[^jeremia-8-7-12] recht van YHWH niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v7)

**8** Hoe zegt u dan: Wij zijn wijs en de wet van YHWH is bij ons! Zie,[^jeremia-8-8-13] werkelijk tevergeefs werkt de valse pen van de schriftgeleerden.[^jeremia-8-8-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v8)

**9** De[^jeremia-8-9-15] wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie, zij hebben het woord van YHWH verworpen,[^jeremia-8-9-16] wat wijsheid zouden zij dan hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v9)

**10** Daarom zal Ik hun vrouwen aan[^jeremia-8-10-c] anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want[^jeremia-8-10-d] van[^jeremia-8-10-17] de kleinste aan tot de grootste toe[^jeremia-8-10-e] pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v10)

**11** En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v11)

**12** Zijn zij[^jeremia-8-12-18] beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde van hun bezoeking zullen zij struikelen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v12)

**13** Ik zal hen voorzeker wegrapen,[^jeremia-8-13-19] spreekt YHWH; er zijn geen druiven aan de wijnstok,[^jeremia-8-13-20] en geen vijgen aan de[^jeremia-8-13-f] vijgeboom,[^jeremia-8-13-g] ja, het blad is afgevallen;[^jeremia-8-13-21] en[^jeremia-8-13-22] de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v13)

**14** [^jeremia-8-14-23] Waarom blijven wij zitten?[^jeremia-8-14-h] Verzamel u, en laat ons ingaan in de[^jeremia-8-14-24] versterkte steden, en daar[^jeremia-8-14-25] stilzwijgen;[^jeremia-8-14-26] immers heeft ons YHWH, onze God,[^jeremia-8-14-27] doen stilzwijgen, en ons met[^jeremia-8-14-28][^jeremia-8-14-i] gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v14)

**15** [^jeremia-8-15-29][^jeremia-8-15-k] Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van[^jeremia-8-15-30] genezing, maar ziet, er is verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v15)

**16** [^jeremia-8-16-l] Van[^jeremia-8-16-31] Dan af wordt het gesnuif[^jeremia-8-16-32] van zijn paarden gehoord; het hele land beeft van het geluid van de briesingen[^jeremia-8-16-33] van zijn sterken; en zij komen daarheen, dat zij het land opeten en diens volheid, de[^jeremia-8-16-34] stad en die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v16)

**17** [^jeremia-8-17-35] Want ziet, Ik zend[^jeremia-8-17-36] slangen, basilisken onder u, tegen die geen[^jeremia-8-17-37][^jeremia-8-17-m] bezwering is; die zullen u bijten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v17)

**18** Mijn verkwikking is[^jeremia-8-18-38] in droefenis; mijn hart is flauw in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v18)

**19** Zie, de stem van het geschrei van de dochters van mijn volk is[^jeremia-8-19-39] uit zeer ver land: Is dan YHWH niet te Sion,[^jeremia-8-19-40] is haar koning niet bij haar?[^jeremia-8-19-41] Waarom hebben zij Mij[^jeremia-8-19-42] vertoornd met hun gesneden beelden, met[^jeremia-8-19-43] zinloosheden van de vreemden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v19)

**20** De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v20)

**21** Ik ben[^jeremia-8-21-44] gebroken vanwege de breuk van de[^jeremia-8-21-45] dochter van mijn volk; ik ga in[^jeremia-8-21-46] het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v21)

**22** Is er geen[^jeremia-8-22-47][^jeremia-8-22-n] balsem in Gilead? Is er geen[^jeremia-8-22-48] heelmeester daar? Want waarom is de[^jeremia-8-22-49] gezondheid van de dochter van mijn volk niet[^jeremia-8-22-50] gerezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/8.html#v22)

[^jeremia-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 zij de beenderen: De Babyloniërs.
[^jeremia-8-2-2]: Kanttekening 2: 2 die zij liefgehad: Zon, maan, enz.
[^jeremia-8-2-a]: Verwijzing a: Jer. 7:18; Jer. 19:13. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op van welke daken zij aan al het legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.
[^jeremia-8-2-3]: Kanttekening 3: Of, raad gevraagd.
[^jeremia-8-2-4]: Kanttekening 4: 4 zij zullen niet: De voorzegde beenderen.
[^jeremia-8-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, op het aangezicht van de aarde (פְּנֵי); dat is op het open land.
[^jeremia-8-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, zij zullen liever wensen dood te zijn dan te leven; vergelijk Openb. 9:6. Openbaring 9:6: En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten.
[^jeremia-8-3-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-8-4-8]: Kanttekening 8: 8 Zal men vallen: Hebreeuws, zullen zij; te weten de mensen, zo in het volgende, zal hij, enz.; dat is, daar is toch niemand zo onzinnig, dat hij niet graag weer zou willen opstaan als hij gevallen is, en dat hij niet tot de rechte weg zou willen keren als hij afgedwaald is.
[^jeremia-8-5-9]: Kanttekening 9: Of, sterke, doordringende, immer voortgaande, oneindelijke, eeuwige; dat is, een bovenmate hardnekkige afkering. Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 4:1, en Ps. 13:2. Psalmen 4:1: Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. Psalmen 13:2: Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^jeremia-8-6-10]: Kanttekening 10: 10 onbesuisd paard: Dat jaagt, briest, doorbreekt, en overal doorloopt, gelijk een watervloed, waarvan het Hebreeuwse woord eigenlijk gebruikt wordt; zo vergelijk ook de Heilige Schrift het briesen van het paard bij een donder; Job 39:22. Job 39:22: Zult u het paard sterkte geven? Kunt u zijn hals met donder bekleden?
[^jeremia-8-7-11]: Kanttekening 11: 11 aan de hemel: Hebreeuws, in de hemel (שָּׁמַיִם); dat is, in de lucht. Of een ooievaar weet door de hemel; dat is, door de gelegenheid en verandering van lucht. Deze beesten weten door een natuurlijk ingeven, dat zij van God hebben, wat tot hun best dient; vergelijk Jes. 1:3. Jesaja 1:3: Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.
[^jeremia-8-7-b]: Verwijzing b: Jer. 5:4; idem v. 5. Jeremia 5:4: Maar ik zei: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij de weg van YHWH, het recht hun Gods niet weten. Jeremia 5:5: Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.
[^jeremia-8-7-12]: Kanttekening 12: Let niet op wat hun van God in zijn woord is voorgeschreven. Anders: oordeel, gericht, dat zij uit alle tekenen behoorden te merken, dat God voorhad over hen te laten gaan zo zij zich niet bekeerden.
[^jeremia-8-8-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, tot leugen; dat is, tevergeefs; zie 1 Sam. 25:21; of tot valsheid, valselijk. 1 Samuël 25:21: David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, zo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.
[^jeremia-8-8-14]: Kanttekening 14: Die de wet recht behoorden te verstaan en uit te leggen, gaan om met enkel valsheid, zie Ezra 7:6. Deze woorden worden verscheidenlijk overgezet, maar het komt al op een uit, te weten dat zij tevergeefs veel schreven van de wet van de Heer, omdat zij alles tot valsheid en leugen misbruikten en in het minst daarnaar niet deden noch anderen leerden doen. Vergelijk Matt. 23:13; Luk. 11:52; Rom. 2:17, enz. Ezra 7:6: Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Mattheüs 23:13: Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. Lukas 11:52: Wee u, u wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; u bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd. Romeinen 2:17: Zie, u wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,
[^jeremia-8-9-15]: Kanttekening 15: De schriftgeleerden, die zich van wijsheid valselijk beroemen, gelijk in vers 8 gezegd is. Anders: hebben \[deze\] wijzen \[iemand\] beschaamd? zijn \[de mensen\] verschrikt en gevangen geworden? Te weten door hun bestraffingen, zodat zij zich van de boosheid zouden bekeerd hebben? Jeremia 8:8: Hoe zegt u dan: Wij zijn wijs en de wet van YHWH is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen van de schriftgeleerden.
[^jeremia-8-9-16]: Kanttekening 16: 16 wat wijsheid: Hebreeuws, welks \[dings\] wijsheid (חָכְמַֽת).
[^jeremia-8-10-c]: Verwijzing c: Jer. 6:12. Jeremia 6:12: En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met te zamen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van deze lands, spreekt YHWH.
[^jeremia-8-10-d]: Verwijzing d: Jer. 6:13; idem v. 14; idem v. 15. Jeremia 6:13: Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 6:15: Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt YHWH.
[^jeremia-8-10-17]: Kanttekening 17: 17 de kleinste: Zie dezelfde woorden, die hier en in het volgende tot aan Jer. 8:13 staan, boven Jer. 6:13, 6:14, 6:15; uitgenomen enige verandering. Zie de aantekening daar. Jeremia 6:13: Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 6:15: Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt YHWH.
[^jeremia-8-10-e]: Verwijzing e: Jes. 56:11. Jesaja 56:11: En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde.
[^jeremia-8-12-18]: Kanttekening 18: 18 omdat zij gruwel: Of, wanneer zij, enz.
[^jeremia-8-13-19]: Kanttekening 19: Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 26:9. Hebreeuws, verzamelende zal Ik hen verzamelen. Anders: verteren. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-8-13-20]: Kanttekening 20: 20 er zijn geen: Dit kan men zo verstaan, dat zij geheel geen goede werken voortbrachten, ja zelfs geen schijn van die hadden; vergelijk Jes. 5, en Matt. 21:19; of, men kan het met anderen nemen voor de toekomstige algemene verwoesting van het land, of dat het tot een voorteken van die tegenwoordiglijk bereids zo met de landvruchten gesteld was, en wat er nog moet overig zijn, dat de vijand verder alle zou wegnemen. Mattheüs 21:19: En ziende, een vijgeboom aan de weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan dezelfde, dan alleen bladeren; en zei tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde meteen.
[^jeremia-8-13-f]: Verwijzing f: Jes. 5:1. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijn Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
[^jeremia-8-13-g]: Verwijzing g: Matt. 21:19; Lukas 13:6. Mattheüs 21:19: En ziende, een vijgeboom aan de weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan dezelfde, dan alleen bladeren; en zei tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde meteen. Lukas 13:6: En Hij zei deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
[^jeremia-8-13-21]: Kanttekening 21: Of, want.
[^jeremia-8-13-22]: Kanttekening 22: 22 de geboden, die Ik hun gegeven heb: Anderen: en \[de dingen\], die Ik hun gegeven heb; \[te weten landvruchten en andere gaven\] zullen van hen wijken, of voorbijgaan, of, Ik had ze hun wel gegeven, \[maar\] zij zullen van hen wijken.
[^jeremia-8-14-23]: Kanttekening 23: Woorden van het benauwde en vluchtende volk.
[^jeremia-8-14-h]: Verwijzing h: Jer. 4:5. Jeremia 4:5: Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden!
[^jeremia-8-14-24]: Kanttekening 24: 24 vaste steden: Hebreeuws, steden van de vesting.
[^jeremia-8-14-25]: Kanttekening 25: Wachtende op hulp of verlossing, gelijk sommigen dit nemen, ziende op vers 15, of, opdat wij daar stil mogen zijn. Jeremia 8:15: Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.
[^jeremia-8-14-26]: Kanttekening 26: Woorden van de profeet, waarmee hij de woorden van het volk beantwoordt, bespottende \[gelijk sommigen verstaan\] de ijdele hoop van de Joden.
[^jeremia-8-14-27]: Kanttekening 27: 27 doen stilzwijgen: Zodat wij niets hebben te zeggen tegen al deze plagen, alsof ons ongelijk geschiedt.
[^jeremia-8-14-28]: Kanttekening 28: Dat is, een bittere en dodelijke ellende toegeschikt. Zie Ps. 69:22; zo onder Jer. 9:15, en Jer. 23:15. Psalmen 69:22: Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; Jeremia 23:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gehele land.
[^jeremia-8-14-i]: Verwijzing i: Jer. 9:15; Jer. 23:15. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; Jeremia 23:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gehele land.
[^jeremia-8-15-29]: Kanttekening 29: 29 Men wacht: Of, wij wachten, zij wachten, idem, wacht \[vrij\] daar toch, enz. als in enen zin.
[^jeremia-8-15-k]: Verwijzing k: Jer. 14:19. Jeremia 14:19: Hebt U dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt U ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking.
[^jeremia-8-15-30]: Kanttekening 30: Zie Ps. 30:3. Deze en dergelijke manieren van spreken worden gesteld tegen anderen, die van breuk, slagen, wonden, enz. vermelden. Psalmen 30:3: YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
[^jeremia-8-16-l]: Verwijzing l: Jer. 4:15. Jeremia 4:15: Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het gebergte van Efraïm.
[^jeremia-8-16-31]: Kanttekening 31: Zie boven Jer. 4:15. Jeremia 4:15: Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het gebergte van Efraïm.
[^jeremia-8-16-32]: Kanttekening 32: 32 zijn paarden: Van de koning van Babel.
[^jeremia-8-16-33]: Kanttekening 33: Dit kan men verstaan van het gejuich van de sterke helden van zijn heirleger, of het gebries van zijn sterke paarden. Zie Ps. 22:13, en onder Jer. 47:3. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jeremia 47:3: Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven van zijn sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen;
[^jeremia-8-16-34]: Kanttekening 34: Dat is, al wat er in is, vergelijk Ps. 24:1, enz. Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^jeremia-8-17-35]: Kanttekening 35: 35 Want ziet: Woorden van de Heer.
[^jeremia-8-17-36]: Kanttekening 36: De allerschadelijkste vijanden, de Chaldeën, wier macht en wreedheid u niet zult kunnen afwenden of ontgaan.
[^jeremia-8-17-37]: Kanttekening 37: 37 bezwering is: Zie Ps. 58:6. Psalmen 58:6: Opdat zij niet hore naar de stem van de belezers, van degene, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
[^jeremia-8-17-m]: Verwijzing m: Ps. 58:5; idem v. 6. Psalmen 58:5: Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; Psalmen 58:6: Opdat zij niet hore naar de stem van de belezers, van degene, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
[^jeremia-8-18-38]: Kanttekening 38: 38 in droefenis: Of, met; dat is, als ik mijn natuur verkwikken of versterken zou met kost, drank of slaap, zo overvalt mij de droefenis. Anders: als ik mij wil verkwikken, of versterken tegen droefenis, zo wordt mijn hart, enz. in enen zin. De profeet houdt zich alsof hij de toekomstige ellende van zijn volk voor ogen zag.
[^jeremia-8-19-39]: Kanttekening 39: 39 uit zeer: Babel, waar zij heen zouden gevoerd worden. Anders: \[zal gehoord worden\] vanwege \[degenen die\] uit ver land \[komen;\] te weten de Chaldeën. Hebreeuws alsof men zei: land van de verreheden.
[^jeremia-8-19-40]: Kanttekening 40: 40 is haar koning: Is dan de belofte uit, \[mocht iemand zeggen\] die Hij van Zion en zijn volk telkens heeft gedaan?
[^jeremia-8-19-41]: Kanttekening 41: Antwoord van God op de voorgaande vraag.
[^jeremia-8-19-42]: Kanttekening 42: Of, getergd.
[^jeremia-8-19-43]: Kanttekening 43: Afgoderijen van de vreemde heidense volken, of met vreemde goden, zie 2 Kon. 17:15. Hebreeuws, van de vreemden, onbekenden, uitlandsen (נֵכָֽר). 2 Koningen 17:15: Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van die YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.
[^jeremia-8-21-44]: Kanttekening 44: Van hartzeer en innerlijke smart, vergelijk Ps. 51:19. Psalmen 51:19: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^jeremia-8-21-45]: Kanttekening 45: 45 de breuk: Zie boven Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-8-21-46]: Kanttekening 46: Gelijk de rouwdragenden; zie Ps. 35:14. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^jeremia-8-22-47]: Kanttekening 47: Zie Gen. 37:25, en onder Jer. 46:11. Gelijk er menigte van kostelijke specerijen en kruiden in Gilead geweest is, zo dat men ze ook vandaar in andere landen placht te vervoeren, zo schijnt het dat er ook kloeke geneesheren geweest zijn. Maar deze manieren van spreken duiden sommigen klagenderwijze op de verachting van de geestelijke middelen, waardoor zij deze ellenden zouden moeten ontgaan, te weten de ware bekering en navolging van de raad van de getrouwe profeten. Anderen verstaan het als ene bespotting van de ijdele middelen, door welke het volk tevergeefs dit kwaad poogde te ontgaan, beide in een goeden zin, maar op het eerste past hier zeer wel het begin van Jer. 9. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u.
[^jeremia-8-22-n]: Verwijzing n: Gen. 37:25; Jer. 46:11; Jer. 51:8. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u. Jeremia 51:8: Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
[^jeremia-8-22-48]: Kanttekening 48: Chirurgijn of dokter.
[^jeremia-8-22-49]: Kanttekening 49: Of, heling.
[^jeremia-8-22-50]: Kanttekening 50: Of, waarom heeft zij niet toegenomen; dat is, waarom is mijn volk niet gezond geworden, of geheeld, verbeterd? Zie dezelfde manier van spreken 2 Kron. 24:13; Neh. 4:7, en onder Jer. 30:13, 30:17, met de aantekening. 2 Kronieken 24:13: Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn gestalte, en maakten het vast. Nehemia 4:7: En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer; Jeremia 30:13: Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters. Jeremia 30:17: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.

### Jeremia 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/9.json)

*De profeet vervolgt zijn weeklacht, vers 1. en wenst van zijn volk weg te zijn, om de gruwelen die onder hen algemeen waren, zoals overspel, trouweloosheid, liegen en bedriegen, 2, enz. ongehoorzaamheid en afgoderij, 13, 14. daarom moet en zal God hen straffen en zo verschrikkelijk verwoesten dat men het niet genoeg kan beklagen, 7, 9, 10, enz. God waarschuwt tegen ijdel vertrouwen en leert Zijn volk op Hem alleen te vertrouwen en te streven naar wat Hem behaagt, 23. dreigt ten slotte niet alleen de Joden, als misbruikers, maar ook de omliggende heidenen, als verachters van de besnijdenis, 25.*

**1** [^jeremia-9-1-1] Och,[^jeremia-9-1-a] dat mijn hoofd water was, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter van mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v1)

**2** Och, dat ik in de woestijn een[^jeremia-9-2-2] herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen[^jeremia-9-2-b] overspelers, een[^jeremia-9-2-3] trouweloze hoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v2)

**3** En zij[^jeremia-9-3-4] spannen hun tong als hun boog[^jeremia-9-3-c] tot leugen; zij worden geweldig in het land, maar niet[^jeremia-9-3-5] tot waarheid; want zij[^jeremia-9-3-6] gaan voort van[^jeremia-9-3-d] boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v3)

**4** Wees op uw hoede, ieder voor zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elke broer[^jeremia-9-4-7] doet niet dan bedriegen, en elke vriend[^jeremia-9-4-e] wandelt in roddel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v4)

**5** En zij[^jeremia-9-5-8] handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moe met verkeerd te handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v5)

**6** [^jeremia-9-6-9] Uw woning is in het midden van[^jeremia-9-6-10] bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v6)

**7** Daarom zegt YHWH van de legermachten zo: Zie, Ik zal[^jeremia-9-7-12] hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien van de dochter van Mijn volk?[^jeremia-9-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v7)

**8** Hun[^jeremia-9-8-f] tong is een[^jeremia-9-8-13] moordpijl, zij spreekt bedrog;[^jeremia-9-8-14] een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn[^jeremia-9-8-g] mond, maar in zijn[^jeremia-9-8-15] binnenste legt hij[^jeremia-9-8-16] zijn hinderlagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v8)

**9** [^jeremia-9-9-h] Zou Ik hen om deze dingen niet[^jeremia-9-9-17] bezoeken? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v9)

**10** Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de[^jeremia-9-10-18] herdershutten van de woestijn; want zij zijn[^jeremia-9-10-19] afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe[^jeremia-9-10-20] zijn zij weggezworven, doorgegaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v10)

**11** En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning van[^jeremia-9-11-i] de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v11)

**12** Wie is de[^jeremia-9-12-21] wijze man, die dit versta? En tot wie heeft de mond van YHWH gesproken, dat hij[^jeremia-9-12-22] het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v12)

**13** En YHWH zei: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v13)

**14** Maar hebben gewandeld naar het[^jeremia-9-14-23] goeddunken van hun harten, en naar de[^jeremia-9-14-24] Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v14)

**15** Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Zie, Ik zal dit volk spijzen met[^jeremia-9-15-26][^jeremia-9-15-k] alsem, en Ik zal hen drenken met[^jeremia-9-15-l] gallewater;[^jeremia-9-15-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v15)

**16** En Ik zal[^jeremia-9-16-m] hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden,[^jeremia-9-16-27] totdat Ik hen verteerd zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v16)

**17** Zo zegt YHWH van de legermachten: Merk daarop, en roept[^jeremia-9-17-28] klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de[^jeremia-9-17-29] wijze vrouwen, dat zij komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v17)

**18** En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen[^jeremia-9-18-30] neerdalen, en onze oogleden van water stromen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v18)

**19** Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten,[^jeremia-9-19-31] omdat zij onze woningen hebben omgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v19)

**20** Hoor dan het woord van YHWH, u vrouwen! en uw oor ontvange het woord van Zijn mond, en leert uw dochters[^jeremia-9-20-32] weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v20)

**21** [^jeremia-9-21-33] Want de dood is geklommen in onze vensters, hij is in onze paleizen gekomen, om de[^jeremia-9-21-34] kinderen uit te roeien van de wijken, de jongemannen van de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v21)

**22** Spreek: Zo spreekt YHWH: Ja, een dood lichaam van de mens zal[^jeremia-9-22-35] liggen, als mest op het[^jeremia-9-22-36] open veld, en als een[^jeremia-9-22-37] graanschoof achter de maaier,[^jeremia-9-22-38] die niemand opzamelt.[^jeremia-9-22-n] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v22)

**23** Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet[^jeremia-9-23-39] in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;[^jeremia-9-23-o] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v23)

**24** Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik YHWH ben, doende goedertierenheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v24)

**25** Zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik[^jeremia-9-25-40] bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de[^jeremia-9-25-41] voorhuid hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v25)

**26** Over[^jeremia-9-26-42] Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de[^jeremia-9-26-43] hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen[^jeremia-9-26-44] hebben de voorhuid, maar het hele huis van Israël heeft[^jeremia-9-26-p] de[^jeremia-9-26-45] voorhuid van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/9.html#v26)

[^jeremia-9-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, wie zal geven, enz.; ene manier van wensen bij de Hebreën gebruikelijk, zo in het volgende. Zie Deut. 5:29. Deuteronomium 5:29: Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^jeremia-9-1-a]: Verwijzing a: Jes. 22:4; Jer. 4:19. Jesaja 22:4: Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring van de dochters mijn volks. Jeremia 4:19: O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijn harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei.
[^jeremia-9-2-2]: Kanttekening 2: Zie Jes. 24:20. Jesaja 24:20: De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weer opstaan.
[^jeremia-9-2-b]: Verwijzing b: Jer. 5:7; idem v. 8. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. Jeremia 5:8: Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een iedereen naar zijn naasten huisvrouw.
[^jeremia-9-2-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, hoop, of vergadering van de trouwelozen. Anders: \[op\] de verbodsdag; \[dat is, zelfs op de bijzonderste feestdagen\] handelen zij trouweloos; zie Lev. 23:36. Leviticus 23:36: Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^jeremia-9-3-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, treden; gelijk men de voetboog doet als men die spant. Of aldus: Zij spannen hun tong, hun boog is leugen.
[^jeremia-9-3-c]: Verwijzing c: Jes. 59:4; idem v. 13; idem v. 15. Jesaja 59:4: Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. Jesaja 59:13: Het overtreden en het liegen tegen YHWH, en het achterwaarts wijken van onze God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart. Jesaja 59:15: Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en YHWH zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.
[^jeremia-9-3-5]: Kanttekening 5: 5 tot waarheid: Of, in de waarheid of geloof, trouw.
[^jeremia-9-3-6]: Kanttekening 6: 6 gaan voort: Vergelijk Deut. 29:19, met de aantekening. Deuteronomium 29:19: En het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige.
[^jeremia-9-3-d]: Verwijzing d: Jer. 6:7. Jeremia 6:7: Gelijk een bornput zijn water opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.
[^jeremia-9-4-7]: Kanttekening 7: 7 doet niet dan bedriegen: Hebreeuws, ondertredende ondertreedt; dat is, onderdrukt, bedriegt in alle manieren; zie Gen. 27:36, en onder Jer. 17:9. Genesis 27:36: Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden? Jeremia 17:9: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
[^jeremia-9-4-e]: Verwijzing e: Jer. 6:28. Jeremia 6:28: Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers.
[^jeremia-9-5-8]: Kanttekening 8: 8 handelen bedriegelijk: Anders: spotten, drijven de spot; zie het gebruik van het Hebreeuwse woord Gen. 31:7; 1 Kon. 18:27; Job 13:9. Genesis 31:7: Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen. 1 Koningen 18:27: En het geschiedde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roept met luide stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden. Job 13:9: Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult u met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
[^jeremia-9-6-9]: Kanttekening 9: 9 Uw woning: Dit zijn Gods woorden tot Jeremia.
[^jeremia-9-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, van mensen, die met enkel bedriegerij omgaan, daarom al uwe vermaningen bij hen tevergeefs zijn. Bedrog voor bedriegers; zie Job 35:13. Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^jeremia-9-7-12]: Kanttekening 12: Door het vuur van de ellende, plagen en straffen; want zij zijn toch anders tot geen gevoel van hun boosheid te brengen.
[^jeremia-9-7-11]: Kanttekening 11: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-9-8-f]: Verwijzing f: Ps. 120:4; Spreuk. 30:14. Psalmen 120:4: Scherpe pijlen van een machtige, en ook gloeiende jeneverkolen. Spreuken 30:14: Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
[^jeremia-9-8-13]: Kanttekening 13: Anders: een uitgerekte, uitgeschoten pijl.
[^jeremia-9-8-14]: Kanttekening 14: 14 een ieder spreekt: Hebreeuws, hij spreekt; dat is een ieder, of men spreekt.
[^jeremia-9-8-g]: Verwijzing g: Ps. 12:3; Ps. 28:3. Psalmen 12:3: Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. Psalmen 28:3: Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers van de ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
[^jeremia-9-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, in zijn hart.
[^jeremia-9-8-16]: Kanttekening 16: 16 legt hij zijn lagen: Of, legt hij hem lagen. Hebreeuws, lage.
[^jeremia-9-9-h]: Verwijzing h: Jer. 5:9; idem v. 29. Jeremia 5:9: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Jeremia 5:29: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?
[^jeremia-9-9-17]: Kanttekening 17: Met straffen, zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-9-10-18]: Kanttekening 18: Of weiden, waar de herders hun woningen of hutten hebben.
[^jeremia-9-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, het zal zo zekerlijk gebeuren; en zo in het volgende.
[^jeremia-9-10-20]: Kanttekening 20: 20 zijn zij weggezworven: Gelijk onder Jer. 50:3. Jeremia 50:3: Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-9-11-i]: Verwijzing i: Jer. 10:22. Jeremia 10:22: Ziet, er komt een stem van de geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken.
[^jeremia-9-12-21]: Kanttekening 21: 21 wijze man: Alsof hij zei: Zulken zijn er zeer weinig onder het gehele volk, niettegenstaande ik, naast andere dienaren van de Heer, dit geduriglijk door Gods bevel uitroep, tegen de verleidingen van de valse profeten, die niet dan van vrede spreken. Zie boven Jer. 8:11, 8:15. Jeremia 8:11: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 8:15: Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.
[^jeremia-9-12-22]: Kanttekening 22: Of verklare.
[^jeremia-9-14-23]: Kanttekening 23: Gelijk boven Jer. 3:17. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, omwille van de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
[^jeremia-9-14-24]: Kanttekening 24: Zie Richt. 2:11. Richteren 2:11: Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^jeremia-9-15-26]: Kanttekening 26: Dat is, hun bittere en verderflijke ellenden en plagen toezenden; zie boven Jer. 8:14; Deut. 29:18; Ps. 69:22. Jeremia 8:14: Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. Deuteronomium 29:18: Dat onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van YHWH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder u niet zij een wortel, die gal en alsem drage; Psalmen 69:22: Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
[^jeremia-9-15-k]: Verwijzing k: Jer. 23:15. Jeremia 23:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gehele land.
[^jeremia-9-15-l]: Verwijzing l: Jer. 8:14. Jeremia 8:14: Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben.
[^jeremia-9-15-25]: Kanttekening 25: 25 Ik zal dit volk spijzen: Hebreeuws, Ik zal hen spijzigen, dit volk (גּוֹיִם).
[^jeremia-9-16-m]: Verwijzing m: Lev. 26:33. Leviticus 26:33: Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.
[^jeremia-9-16-27]: Kanttekening 27: 27 totdat Ik hen verteerd zal hebben: Gelijk onder Jer. 49:37. Jeremia 49:37: En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht van hun vijanden, en voor het aangezicht dergenen, die hun ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen, de hitte van mijn toorn, spreekt YHWH; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.
[^jeremia-9-17-28]: Kanttekening 28: Dit ziet op de gewoonte van die tijden en plaatsen, dat men in tijd van grote rouw zangers en zangeressen ontbood, die kunstige klaagliederen bewegelijk konden zingen om de mensen tot wenen te verwekken. Zie 2 Kron. 35:25; Job 3:8; Ez. 32:16; Amos 5:16; Matt. 9:23; Mark. 5:38. God wil hierdoor te verstaan geven dat er, alleszins oorzaak van rouw in het land wezen zal, zodat men de ellende van die tijd niet genoeg zal kunnen bewenen. 2 Kronieken 35:25: En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. Job 3:8: Dat hem vervloeken de vervloekers van de dag, die bereid zijn hun rouw te verwekken; Ezechiël 32:16: Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar gehele menigte, spreekt de Heer YHWH. Amos 5:16: Daarom, zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de Heer: Op alle straten zal rouwklage zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen de akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen, die verstand van kermen hebben. Mattheüs 9:23: En als Jezus in het huis van de overste kwam, en zag de pijpers en de woelende schare, Marcus 5:38: En kwam in het huis van de overste van de synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.
[^jeremia-9-17-29]: Kanttekening 29: 29 wijze vrouwen: Die in deze kunst van klaagliederen te zingen wel ervaren zijn; vergelijk onder Jer. 10:9. Jeremia 10:9: Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk van de werkmeester en van de handen van de goudsmid; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk van de wijzen zijn zij al te zamen.
[^jeremia-9-18-30]: Kanttekening 30: Dat is, tranen in overvloed uit onze ogen aflopen, afvallen, afvlieten, nederdalen; zo onder Jer. 13:17, en Jer. 14:17. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat de kudde van YHWH gevankelijk is weggevoerd. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^jeremia-9-19-31]: Kanttekening 31: 31 omdat zij onze woningen hebben omgeworpen: Of, omdat onze woningen \[ons\] hebben uitgeworpen, of weggeworpen.
[^jeremia-9-20-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, weeklage, klaaglied.
[^jeremia-9-21-33]: Kanttekening 33: Of, Zekerlijk; en zo konden deze woorden een formulier zijn van een klaaglied.
[^jeremia-9-21-34]: Kanttekening 34: Van het Hebreeuwse woord, zie Ps. 8:8. Psalmen 8:8: Schapen en ossen, alle die; ook mee de dieren van het veld.
[^jeremia-9-22-35]: Kanttekening 35: Zo wordt het Hebreeuws woord, dat gemeenlijk vallen betekent, ook elders voor liggen genomen. Zie Deut. 21:1; Richt. 4:22, en Richt. 19:26; 1 Sam. 31:8; 2 Kron. 20:24; onder Jer. 51:4; Ez. 6:7, enz. Deuteronomium 21:1: Wanneer in het land, dat YHWH, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft; Richteren 4:22: En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die u zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap van zijn hoofd. Richteren 19:26: En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd. 1 Samuël 31:8: Het geschiedde nu de volgende dag, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa. 2 Kronieken 20:24: Als nu Juda tot de wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen. Jeremia 51:4: Dat de verslagenen liggen in het land van de Chaldeeën, en de doorstokenen op haar straten. Ezechiël 6:7: En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat u weet, dat Ik YHWH ben.
[^jeremia-9-22-36]: Kanttekening 36: 36 open veld: Hebreeuws, aangezicht van het veld.
[^jeremia-9-22-37]: Kanttekening 37: Enige korenaren, die de maaier overslaat en laat vallen, waar men niet meer naar omziet.
[^jeremia-9-22-38]: Kanttekening 38: 38 die niemand opzamelt: Of, niemand zal het \[te weten het dode lichaam\] inzamelen, opnemen, wegnemen, om te begraven. Vergelijk boven Jer. 8:2. Jeremia 8:2: En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
[^jeremia-9-22-n]: Verwijzing n: Jer. 7:33. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van deze volks zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken.
[^jeremia-9-23-39]: Kanttekening 39: 39 in zijn wijsheid: Of, van, over, om; zo in het volgende.
[^jeremia-9-23-o]: Verwijzing o: 1 Kor. 1:31; 2 Kor. 10:17. 1 Korinthiërs 1:31: Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heer. 2 Korinthiërs 10:17: Maar wie roemt, die roeme in de Heer.
[^jeremia-9-25-40]: Kanttekening 40: Gelijk vers 9. Jeremia 9:9: Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
[^jeremia-9-25-41]: Kanttekening 41: 41 voorhuid hebben: Hebreeuws, met de voorhuid; dat is, met de onbesnedene \[gelijk Rom. 2:26; zie verder Job 35:13;\] over de één met de ander, wil de Heer zeggen; mijn volk, dat besneden is, zowel als de onbesneden heidense natiën. Vergelijk onder Jer. 25:17, 25:18, 25:19, 25:20, enz. Sommigen verstaan met, of in de voorhuid; dat is, zodanigen, die wel naar het vlees zijn besneden, maar onbesneden van hart, gelijk in het volgende van Israël gezegd wordt. Romeinen 2:26: Als dan de voorhuid de rechten van de wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden? Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. Jeremia 25:17: En ik nam de beker van de hand van YHWH, en ik gaf te drinken al de volken, tot welke YHWH mij gezonden had; Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage; Jeremia 25:19: Farao, de koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk; Jeremia 25:20: En de gehele gemengde hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van het land van de Filistijnen, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
[^jeremia-9-26-42]: Kanttekening 42: Dat is, de Egyptenaars, enz.
[^jeremia-9-26-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, de hoek; te weten van hun hoofd, dat is, die rondom aan de hoeken van het hoofd zijn beschoren, gelijk de Arabieren. Vergelijk Lev. 19:27, zo onder Jer. 25:23, en Jer. 49:32. Anders: die in de uiterste hoek gelegen zijn; dat is, de heidense volken, die buiten en aan de uiterste hoeken van Kanaän, in het oosten, zuiden, of naar de Rode zee toe, of aan zekeren uitersten hoek van die \[gelijk enige menen\] woonachtig waren. Leviticus 19:27: U zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult u de hoeken uws baards niet verderven. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn; Jeremia 49:32: En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH.
[^jeremia-9-26-44]: Kanttekening 44: 44 hebben de voorhuid: Hebreeuws alsof men zei: Zijn voorhuid.
[^jeremia-9-26-p]: Verwijzing p: Lev. 26:41; Rom. 2:28; idem v. 29. Leviticus 26:41: Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hun ongerechtigheid een welgevallen hebben; Romeinen 2:28: Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 2:29: Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
[^jeremia-9-26-45]: Kanttekening 45: 45 voorhuid van het hart: Dat is, zijn onbesneden van hart, hoewel zij naar het lichaam besneden zijn. Zie boven Jer. 4:4. Jeremia 4:4: Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen.

### Jeremia 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/10.json)

*God verbiedt Zijn volk de heidense vrees voor de hemeltekenen, vers 1, 2. beschrijft uitvoerig en bespot de ijdelheid van de afgoden en de dwaasheid van de afgodische beeldendienst, met tegenstelling van Zijn goddelijke Majesteit en macht, alsmede de dienst die Jakob Hem in het bijzonder verschuldigd was, vers 3, enz. profeteert en beeldt door weeklagen de verwoesting af van Jeruzalem en heel Juda door de Babyloniërs, 17. waarop de profeet, in zijn eigen naam en in naam van de kerk, God bidt om matiging van dit oordeel en straf over de goddeloze vijanden, 23.*

**1** Hoort het woord, dat YHWH[^jeremia-10-1-1] tot u spreekt, o huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH: Leer de weg van de heidenen niet, en ontzet u niet voor de[^jeremia-10-2-3] tekenen van de hemel, omdat zich de heidenen daarvoor ontzetten.[^jeremia-10-2-2][^jeremia-10-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v2)

**3** Want de[^jeremia-10-3-5] voorschriften van de volken zijn zinloosheid; want[^jeremia-10-3-a] het is[^jeremia-10-3-6] hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de handen van de werkmeester met de bijl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v3)

**4** Men[^jeremia-10-4-7] pronkt het op met zilver en met goud; zij[^jeremia-10-4-b] hechten[^jeremia-10-4-8] ze met nagelen en met hameren, opdat[^jeremia-10-4-9] het niet waggele.[^jeremia-10-4-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v4)

**5** Zij zijn gelijk een[^jeremia-10-5-11] palmboom van[^jeremia-10-5-12] dicht werk, maar[^jeremia-10-5-c] kunnen niet spreken; zij[^jeremia-10-5-13] moeten[^jeremia-10-5-d] gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vrees niet voor hen, want zij kunnen[^jeremia-10-5-e] geen[^jeremia-10-5-14] kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v5)

**6** Omdat niemand[^jeremia-10-6-f] U gelijk is, o YHWH! zo bent U groot, en groot is Uw Naam in[^jeremia-10-6-15] mogendheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v6)

**7** [^jeremia-10-7-g] Wie zou U niet vrezen, U Koning van[^jeremia-10-7-16] de heidenen? Want het[^jeremia-10-7-17] komt U toe; omdat toch onder alle[^jeremia-10-7-18] wijzen van de heidenen, en in hun[^jeremia-10-7-19] hele koninkrijk, niemand U gelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v7)

**8** [^jeremia-10-8-20] In één ding zijn zij toch[^jeremia-10-8-21][^jeremia-10-8-h] onvernuftig en zot: een[^jeremia-10-8-22] hout is een onderwijs van de zinloosheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v8)

**9** [^jeremia-10-9-23] Uitgerekt zilver wordt van[^jeremia-10-9-24] Tarsis gebracht, en goud van[^jeremia-10-9-25] Ufaz, tot een werk van de werkmeester en van de handen van de goudsmid; hemelsblauw en purper is[^jeremia-10-9-26] hun kleding, een werk van[^jeremia-10-9-27] de wijzen[^jeremia-10-9-28] zijn zij al samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v9)

**10** Maar God YHWH is[^jeremia-10-10-29] de Waarheid, Hij is de[^jeremia-10-10-30] levende God, en een[^jeremia-10-10-31] eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v10)

**11** [^jeremia-10-11-32](Zo zult u tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v11)

**12** [^jeremia-10-12-33] Die de[^jeremia-10-12-i] aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld[^jeremia-10-12-34] bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel[^jeremia-10-12-k] uitgebreid door Zijn verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v12)

**13** Als Hij Zijn[^jeremia-10-13-35] stem geeft, zo is er een[^jeremia-10-13-36] geluid van wateren in de[^jeremia-10-13-37] hemel, en Hij doet de[^jeremia-10-13-l] dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen[^jeremia-10-13-38] met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn[^jeremia-10-13-39] schatkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v13)

**14** [^jeremia-10-14-40][^jeremia-10-14-m] Een ieder mens is onvernuftig geworden,[^jeremia-10-14-41] zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het[^jeremia-10-14-42] gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is[^jeremia-10-14-43] leugen; en er is geen[^jeremia-10-14-44] geest in[^jeremia-10-14-45] hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v14)

**15** Zinloosheid zijn[^jeremia-10-15-46] zij, een werk van verleidingen; ten tijde[^jeremia-10-15-47] van hun bezoeking zullen zij vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v15)

**16** [^jeremia-10-16-n] Jakobs[^jeremia-10-16-48] deel is niet gelijk[^jeremia-10-16-49] die,[^jeremia-10-16-50] want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is[^jeremia-10-16-o] de[^jeremia-10-16-51] roede van Zijn erfenis; YHWH van[^jeremia-10-16-52] de legermachten is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v16)

**17** [^jeremia-10-17-53] Raap uw kramerij[^jeremia-10-17-54] weg uit het land, u inwoneres van de vesting! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v17)

**18** Want zo zegt YHWH: Zie, Ik zal de inwoners van het land op ditmaal[^jeremia-10-18-55] wegslingeren, en zal[^jeremia-10-18-p] ze benauwen, opdat zij het[^jeremia-10-18-56] vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v18)

**19** [^jeremia-10-19-57]O, wee mij over mijn[^jeremia-10-19-58] breuk! mijn plaag is pijnlijk; en ik[^jeremia-10-19-59] had gezegd:[^jeremia-10-19-60] Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v19)

**20** Mijn tent is verstoord, en al mijn touwen zijn verscheurd; mijn[^jeremia-10-20-61] kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v20)

**21** Want de[^jeremia-10-21-62] herders zijn[^jeremia-10-21-63] onvernuftig geworden, en hebben YHWH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en hun hele[^jeremia-10-21-64] weide[^jeremia-10-21-65] is verstrooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v21)

**22** Zie, er komt een stem van het gerucht, en een groot beven uit het land van[^jeremia-10-22-q] het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van[^jeremia-10-22-r] de draken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v22)

**23** Ik weet, o YHWH![^jeremia-10-23-s] dat bij de mens zijn[^jeremia-10-23-66] weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn[^jeremia-10-23-67] gang richte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v23)

**24** [^jeremia-10-24-68][^jeremia-10-24-t] Straf mij, YHWH! maar[^jeremia-10-24-v] met[^jeremia-10-24-69] mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet[^jeremia-10-24-70] te niet maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v24)

**25** [^jeremia-10-25-71][^jeremia-10-25-x] Stort Uw woede uit over de heidenen, die U[^jeremia-10-25-72] niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob[^jeremia-10-25-y] opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem[^jeremia-10-25-z] verteerd, en zijn woning verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/10.html#v25)

[^jeremia-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 tot u spreekt: Of, over, van, u aangaande gesproken heeft.
[^jeremia-10-2-3]: Kanttekening 3: Zon, maan, sterren, enz. Zie Gen. 1:14, die de heidenen tot afgoden maakten, en hun de regering van de wereld toeschreven, en uit haar loop toekomstige dingen voorzeiden, waarin de Joden hen navolgden, gelijk te zien is boven Jer. 7:18, enz. Genesis 1:14: En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren! Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-10-2-2]: Kanttekening 2: 2 weg van de heidenen: Of, in de weg van de heidenen te gaan, dat is hun afgodische wijze en manier van doen te volgen.
[^jeremia-10-2-4]: Kanttekening 4: Anders: hoewel, niettegenstaande, enz. idem, maar laat de heidenen, enz.
[^jeremia-10-3-5]: Kanttekening 5: De afgoden, afgodische ordinantiën, ceremoniën.
[^jeremia-10-3-a]: Verwijzing a: Jes. 44:14. Jesaja 44:14: Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen van de woud; hij plant een olmboom, en de regen maakt die groot.
[^jeremia-10-3-6]: Kanttekening 6: Vergelijk onder vers 8, of, iemand houwt een boom af uit het woud, tot een werk, enz. Jeremia 10:8: In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs van de ijdelheden.
[^jeremia-10-4-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, hij maakt het schoon, fraai.
[^jeremia-10-4-b]: Verwijzing b: Jes. 41:7. Jesaja 41:7: En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
[^jeremia-10-4-8]: Kanttekening 8: 8 hechten ze met nagelen: De gemaakte houten afgoden maken zij vast aan een wand of pilaar.
[^jeremia-10-4-9]: Kanttekening 9: Beeld, de afgod.
[^jeremia-10-4-10]: Kanttekening 10: 10 niet waggele: Of, niet uitga, of men laat het niet waggelen; dat is, men maakt het zo vast dat het buiten gevaar is van los te worden en te vallen, waarvoor deze houten god zichzelven niet kan bewaren.
[^jeremia-10-5-11]: Kanttekening 11: Stijf, of strak overeind staande, van evendrachtig geslagen platen rechtop gemaakt, alsof zij leven hadden en spreken wilden, maar kunnen geen werk van een levend mens doen, gelijk volgt.
[^jeremia-10-5-12]: Kanttekening 12: 12 dicht werk: Zie Ex. 25:31. Exodus 25:31: U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.
[^jeremia-10-5-c]: Verwijzing c: Ps. 115:5. Psalmen 115:5: Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
[^jeremia-10-5-13]: Kanttekening 13: 13 moeten gedragen worden: Hebreeuws, dragende worden zij gedragen.
[^jeremia-10-5-d]: Verwijzing d: Jes. 46:1; idem v. 7. Jesaja 46:1: Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. Jesaja 46:7: Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
[^jeremia-10-5-e]: Verwijzing e: Jes. 41:23. Jesaja 41:23: Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.
[^jeremia-10-5-14]: Kanttekening 14: 14 geen kwaad doen: Hun vijanden niet beschadigen, noch hun vrienden helpen. Vergelijk Deut. 32:31. Deuteronomium 32:31: Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.
[^jeremia-10-6-f]: Verwijzing f: Ps. 86:8; idem v. 10. Psalmen 86:8: Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken. Psalmen 86:10: Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God.
[^jeremia-10-6-15]: Kanttekening 15: Daar integendeel alle afgoden machteloos zijn.
[^jeremia-10-7-g]: Verwijzing g: Openb. 15:4. Openbaring 15:4: Wie zou U niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U bent alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden.
[^jeremia-10-7-16]: Kanttekening 16: Zelfs regerende over die volken, die U niet kennen maar de afgoden dienen.
[^jeremia-10-7-17]: Kanttekening 17: 17 komt U toe: Of, past U, dat men U vreze.
[^jeremia-10-7-18]: Kanttekening 18: 18 wijzen van de heidenen: Die zich meest van wijsheid plegen te beroemen en toch enkel dwazen zijn, gelijk in vers 8 bewezen wordt. Jeremia 10:8: In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs van de ijdelheden.
[^jeremia-10-7-19]: Kanttekening 19: 19 gehele koninkrijk: Dat is, al hun koninkrijken, die tezamen een afgodisch heidens koninkrijk uitmaken.
[^jeremia-10-8-20]: Kanttekening 20: 20 In een ding: Of, tezamen, allen ineengerekend.
[^jeremia-10-8-21]: Kanttekening 21: Als onvernuftige beesten; zo vers 14, 10:21; zie Ps. 49:11. Jeremia 10:14: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen. Jeremia 10:21: Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben YHWH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun gehele weide is verstrooid. Psalmen 49:11: Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
[^jeremia-10-8-h]: Verwijzing h: Jes. 41:29; Habak. 2:18; Zach. 10:2. Jesaja 41:29: Ziet, zij zijn allemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding. Habakuk 2:18: Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, dat een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? Zacharia 10:2: Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.
[^jeremia-10-8-22]: Kanttekening 22: Door de afgodische beelden en hun dienst worden de mensen tot enkel ijdelheid gevoerd, het zijn niets dan leermeesters van enkel ijdelheid; zie 2 Kon. 17;15, en van het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat onderwijs en tuchtbetekent, Spreuk. 16:22. Spreuken 16:22: Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader van het leven; maar de tucht van de dwazen is dwaasheid.
[^jeremia-10-9-23]: Kanttekening 23: In platen.
[^jeremia-10-9-24]: Kanttekening 24: Over de oceaan; zie 1 Kon. 10:22. 1 Koningen 10:22: Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^jeremia-10-9-25]: Kanttekening 25: Dit houdt men een te wezen met Ofir; waarvan zie 1 Kon. 9:28; anderen houden het voor Fez. 1 Koningen 9:28: En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo.
[^jeremia-10-9-26]: Kanttekening 26: Van de afgodische beelden.
[^jeremia-10-9-27]: Kanttekening 27: Dat is, ervaren, kunstige werklieden, vergelijk boven Jer. 9:17, en Ex. 31:6. Jeremia 9:17: Zo zegt YHWH van de legermachten: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de wijze vrouwen, dat zij komen. Exodus 31:6: En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van een ieder, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.
[^jeremia-10-9-28]: Kanttekening 28: De afgoden.
[^jeremia-10-10-29]: Kanttekening 29: Anders: de Heer is waarachtig God; of, in waarheid; dat is, waarlijk, waarachtiglijk.
[^jeremia-10-10-30]: Kanttekening 30: 30 levende God: Die allereigenlijkst gezegd mag worden te leven, als hebbende van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn onbegrijpelijk, goddelijk leven en wezen in en van zichzelven, en levendmakende wie en wat Hij wil, als zijnde de fontein en auteur van het leven; zie Joh. 5:21, 5:26, enz.; waarom Hij alleen als God behoort gekend en geëerd te worden. Johannes 5:21: Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. Johannes 5:26: Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;
[^jeremia-10-10-31]: Kanttekening 31: 31 eeuwig Koning;: Hebreeuws, Koning van de eeuwigheid (מֶלֶךְ). Vergelijk 1 Tim. 1:17. 1 Timotheüs 1:17: De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^jeremia-10-11-32]: Kanttekening 32: vers 11 is gesteld in de Chaldeeuwse of Babylonische spraak, om de vrome Joden te leren hoe zij, in de gevangenschap van Babel zijnde, hun geloof van de ware God zouden belijden en de afgodendienaars tegenspreken. Jeremia 10:11: (Aldus zult u tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.)
[^jeremia-10-12-33]: Kanttekening 33: 33 Die de aarde gemaakt heeft: Onze God, die wij dienen, van wie vers 10 gesproken is. Jeremia 10:10: Maar YHWH God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen.
[^jeremia-10-12-i]: Verwijzing i: Gen. 1:1; Jer. 51:15. Genesis 1:1: In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Jeremia 51:15: Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand;
[^jeremia-10-12-34]: Kanttekening 34: Of, bevestigd, gevestigd.
[^jeremia-10-12-k]: Verwijzing k: Job 9:8; Ps. 104:2; Jes. 40:22; Jes. 44:22; Jes. 51:13. Job 9:8: Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2: Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Jesaja 40:22: Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; Jesaja 44:22: Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost. Jesaja 51:13: En vergeet YHWH, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk de gansen dag, vanwege de grimmigheid van de benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid van de benauwers?
[^jeremia-10-13-35]: Kanttekening 35: Versta, de donder, gelijk Ps. 29:3, enz., of Gods bevel, gelijk sommigen. Psalmen 29:3: De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^jeremia-10-13-36]: Kanttekening 36: Of, veelheid, menigte.
[^jeremia-10-13-37]: Kanttekening 37: Dat is, de lucht.
[^jeremia-10-13-l]: Verwijzing l: Ps. 135:7. Psalmen 135:7: Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort.
[^jeremia-10-13-38]: Kanttekening 38: 38 met de regen: Zie Job 37:11, en Job 38:25; of tot regen, voor de regen. Job 37:11: Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk van Zijn licht. Job 38:25: Wie deelt voor de stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht van de donderen?
[^jeremia-10-13-39]: Kanttekening 39: Zie Job 38:22, en Ps. 135:7. Job 38:22: Zijt u gekomen tot de schatkameren van de sneeuw, en hebt u de schatkameren van de hagel gezien? Psalmen 135:7: Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort.
[^jeremia-10-14-40]: Kanttekening 40: 40 Een ieder mens: Versta, alle kunstige werkmeesters van de afgodische beelden zij zo dom en onvernuftig geworden als beesten.
[^jeremia-10-14-m]: Verwijzing m: Jer. 51:17; idem v. 18. Jeremia 51:17: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. Jeremia 51:18: IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hun bezoeking zullen zij vergaan.
[^jeremia-10-14-41]: Kanttekening 41: Of, van, door, of, in, vanwege hun kunst van beelden te maken, waarin zij een grote roem meenden te behalen; vergelijk Rom. 1:22. Romeinen 1:22: Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
[^jeremia-10-14-42]: Kanttekening 42: 42 gesneden beeld: Of, gegraven.
[^jeremia-10-14-43]: Kanttekening 43: Of, valsheid; het is enkel bedrog.
[^jeremia-10-14-44]: Kanttekening 44: Dat is, adem, geblaas; zie Job 9:18. Job 9:18: Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
[^jeremia-10-14-45]: Kanttekening 45: De gesneden en gegoten beelden.
[^jeremia-10-15-46]: Kanttekening 46: 46 een werk van verleidingen: Dat is, enkel verleidend werk.
[^jeremia-10-15-47]: Kanttekening 47: 47 hun bezoeking: Als God de afgoden en afgodendienaars tezamen zal straffen en verdelgen.
[^jeremia-10-16-n]: Verwijzing n: Jer. 51:19. Jeremia 51:19: Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^jeremia-10-16-48]: Kanttekening 48: Zo noemt zich de Heer,omdat Hij een God, bondgenoot en Heiland, en vervolgens als een onwaardeerlijk erfdeel van zijn volk geworden is in de Messias; wiens medeërfgenamen zij zijn; Rom. 8:17; vergelijk Ps. 16:5. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Psalmen 16:5: YHWH is het deel van mijn erve, en van mijn beker; U onderhoudt mijn lot.
[^jeremia-10-16-49]: Kanttekening 49: Te weten afgoden.
[^jeremia-10-16-50]: Kanttekening 50: Of, maar.
[^jeremia-10-16-o]: Verwijzing o: Ps. 74:2. Psalmen 74:2: Gedenk aan Uw vergadering, die U van ouds verworven hebt; de roede van Uw erfenis, die U verlost hebt; de berg Sion, waarop U gewoond hebt.
[^jeremia-10-16-51]: Kanttekening 51: Zie Ps. 74:2. Psalmen 74:2: Gedenk aan Uw vergadering, die U van ouds verworven hebt; de roede van Uw erfenis, die U verlost hebt; de berg Sion, waarop U gewoond hebt.
[^jeremia-10-16-52]: Kanttekening 52: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-10-17-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws eigenlijk, verzamel, en verder, neem, of raap weg; zie Ps. 26:9. De woorden staan hier in het vrouwelijk geslacht, waaruit bij velen afgenomen wordt, dat God hier de dochter van Zion, of Jeruzalem aanspreekt, dat zij zonder zich op de vastheid van de stad te verlaten haar goed zou pakken en vluchten, vanwege de nakende overval van de Babyloniërs, waarvan in het volgende, en duidelijk vers 22; vergelijk boven Jer. 6:1, en Jer. 8:14; Ez. 12:3, 12:4. enz.; sommigen verstaan het van Babel. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed; Jeremia 10:22: Ziet, er komt een stem van het gerucht, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken. Jeremia 6:1: Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk. Jeremia 8:14: Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. Ezechiël 12:3: Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn. Ezechiël 12:4: U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.
[^jeremia-10-17-54]: Kanttekening 54: Of, koopmanschap.
[^jeremia-10-18-55]: Kanttekening 55: Door de Babyloniërs als met een slinger uit het land werpen.
[^jeremia-10-18-p]: Verwijzing p: Jer. 6:24. Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-10-18-56]: Kanttekening 56: Dat is, welverdiende straffen ontvangen, of de waarheid van mijn profetieën metterdaad bevinden.
[^jeremia-10-19-57]: Kanttekening 57: 57 O, wee: Woorden van het land, of van het volk van Jeruzalem, enz., gelijk boven Jer. 4:31, of van de profeet, sprekende in de persoon van het volk, alsof het zijn eigen lijden ware, dat hij gevoelt en draagt; vergelijk onder Jer. 14:17. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in de nood van het eerste kind is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars! Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^jeremia-10-19-58]: Kanttekening 58: Gelijk boven Jer. 4:6, en onder Jer. 14:17. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^jeremia-10-19-59]: Kanttekening 59: 59 had gezegd: Te weten bij mijzelf, dat is, gedacht dat het zo zwaar niet vallen zou, of ik zou het kunnen dragen en overkomen, maar het valt geheel anders dan ik mij had ingebeeld.
[^jeremia-10-19-60]: Kanttekening 60: 60 Dit is immers een ziekte: Anders: gewisselijk dit is ene krankte, nochtans moet ik ze dragen, alsof hij zei: Dit is wel terecht een zware krankte, veel zwaarder dan ik gemeend had, evenwel moet ik er aan.
[^jeremia-10-20-61]: Kanttekening 61: Dat is, burgers van de stad Jeruzalem, in wier naam deze klacht gedaan wordt.
[^jeremia-10-21-62]: Kanttekening 62: Kerkelijke en politieke voorstanders.
[^jeremia-10-21-63]: Kanttekening 63: Gelijk boven vers 8, 10:14. Jeremia 10:8: In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs van de ijdelheden. Jeremia 10:14: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
[^jeremia-10-21-64]: Kanttekening 64: 64 niet verstandiglijk gehandeld: Anders: zijn zij niet gelukkig, of voorspoedig geweest.
[^jeremia-10-21-65]: Kanttekening 65: Dat is, kudde van hun weide, de gemeente.
[^jeremia-10-22-q]: Verwijzing q: Jer. 1:14; Jer. 4:6. Jeremia 1:14: En YHWH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-10-22-r]: Verwijzing r: Jer. 9:11. Jeremia 9:11: En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning van de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner.
[^jeremia-10-23-s]: Verwijzing s: Spreuk. 16:1; Spreuk. 20:24. Spreuken 16:1: De mens heeft schikkingen van het hart; maar het antwoord van de tong is van YHWH. Spreuken 20:24: De treden van de man zijn van YHWH; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
[^jeremia-10-23-66]: Kanttekening 66: 66 weg niet is: Dat is, zijn voornemen en doen niet in zijn macht is; zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-10-23-67]: Kanttekening 67: 67 gang richte: Of, trede, stap. Dienvolgens \[wil de profeet zeggen\] verzaken ik en alle gelovigen al onze eigen wijsheid en krachten, bevelende al ons voornemen en doen in deze nood aan uw vaderlijke regering; biddende, omdat U dit land door de koning van Babel wilt straffen, en hij met al zijn regering ook besloten is, dat U hem perk en maat wilt stellen, en uw toorn met barmhartigheid over uw volk matigen, volgens uw genadige verbondsbeloften. Vergelijk boven Jer. 4:27, hierop slaat dit en vers 24. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^jeremia-10-24-68]: Kanttekening 68: 68 Kastijd mij: Zie Ps. 6:2. Psalmen 6:2: O YHWH, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
[^jeremia-10-24-t]: Verwijzing t: Ps. 6:2; Ps. 38:2. Psalmen 6:2: O YHWH, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! Psalmen 38:2: O YHWH! straf mij niet in Uw grote toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
[^jeremia-10-24-v]: Verwijzing v: Jer. 30:11; Jer. 46:28. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jeremia-10-24-69]: Kanttekening 69: 69 met mate: Hebreeuws eigenlijk, met oordeel; dat is, hier, met redenen en discretie, of op een redelijke, of matige wijze, zoals U uw kinderen beloofd hebt, dat U ook volgens uwe gerechtigheid houden zult. Zie onder Jer. 30:11, en Jer. 46:28, en vergelijk Jes. 30:18; Ez. 34:16; het tegendeel is de vernietiging, waarvan in het volgende. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jesaja 30:18: En daarom zal YHWH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. Ezechiël 34:16: Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.
[^jeremia-10-24-70]: Kanttekening 70: 70 te niet maakt: Hebreeuws, vermindert, klein, weinig, of gering maakt; dat is, niet verbrijzelt of vergruist, of zo klein maakt dat ik geen volk meer zij, dat een gevolg is van de uitstorting van de goddelijke toorn, waarvan in vers 25. Dit wordt gesteld tegen de matige kastijding. Jeremia 10:25: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
[^jeremia-10-25-71]: Kanttekening 71: 71 Stort Uw grimmigheid: Alsof hij zei: Wilt U immers uw vollen toorn uitstorten, doe het toch niet over uw eigen volk, maar liever over uwe en uws volks vijanden.
[^jeremia-10-25-x]: Verwijzing x: Ps. 79:6. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^jeremia-10-25-72]: Kanttekening 72: 72 niet kennen: Zie Job 18:21, en Ps. 79:6. Job 18:21: Gewisselijk, zodanige zijn de woningen van de verkeerde, en dit is de plaats van degene die God niet kent. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^jeremia-10-25-y]: Verwijzing y: Jer. 8:16. Jeremia 8:16: Van Dan af wordt het gesnuif zijn paarden gehoord; het gehele land beeft van het geluid van de briesingen zijn sterken; en zij komen daarheen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.
[^jeremia-10-25-z]: Verwijzing z: Jer. 9:16. Jeremia 9:16: En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.

### Jeremia 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/11.json)

*God laat Zijn verbond met Israël door de profeet uitroepen, vers 1, enz. straft de vroegere en tegenwoordige verbondsbreuk van Israël en Juda, door veelvoudige afgoderij, 8. daarom Hij een groot en onvermijdelijk ongeluk over hen wil brengen, 11, 16, 17. verbiedt de profeet voor hen te bidden, 14. klaagt over de huichelachtige godsdiensten en zorgeloosheid van het volk, 15. De profeet klaagt voor God over het moordzuchtige complot van zijn landgenoten van Anathoth tegen hem, en begeert Gods wraak, die God hem voorzegt, 18.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is, van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v1)

**2** [^jeremia-11-2-1] Hoor u de woorden van dit verbond, en spreekt tot de[^jeremia-11-2-2] mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v2)

**3** [^jeremia-11-3-3] Zeg dan tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Vervloekt zij de[^jeremia-11-3-4] man, die niet hoort[^jeremia-11-3-5] de woorden van dit verbond.[^jeremia-11-3-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v3)

**4** Dat Ik uw vaders geboden heb, op de dag als Ik hen uit Egypteland, uit de[^jeremia-11-4-6][^jeremia-11-4-b] ijzeroven, uitvoerde, zeggende:[^jeremia-11-4-c] Weest aan Mijn stem gehoorzaam, en doet[^jeremia-11-4-8] die, naar alles wat Ik u gebiede; zo zult u Mij tot een[^jeremia-11-4-9] volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn;[^jeremia-11-4-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v4)

**5** Opdat Ik de[^jeremia-11-5-d] eed bevestige, die Ik uw vaders gezworen heb, hun te geven een land,[^jeremia-11-5-10] vloeiende van melk en honing, als het is op deze dag. Toen antwoordde ik en zei:[^jeremia-11-5-11] Amen, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v5)

**6** En YHWH zei tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoor de woorden van dit verbond, en doet die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v6)

**7** Want Ik heb uw vaders ernstig betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag[^jeremia-11-7-e],[^jeremia-11-7-14] vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoor naar Mijn stem![^jeremia-11-7-12][^jeremia-11-7-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v7)

**8** Maar zij hebben niet gehoord, noch hun[^jeremia-11-8-f] oor geneigd, maar hebben gewandeld, ieder naar het[^jeremia-11-8-15][^jeremia-11-8-g] goeddunken van[^jeremia-11-8-16] hun boos hart; daarom[^jeremia-11-8-17] heb Ik over hen gebracht al de[^jeremia-11-8-18] woorden van dit verbond, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v8)

**9** Verder zei YHWH tot mij: Er is een[^jeremia-11-9-19] samenzwering bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v9)

**10** Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun[^jeremia-11-10-20] voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en[^jeremia-11-10-21] zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond[^jeremia-11-10-22] gebroken, dat Ik met hun vaders[^jeremia-11-10-23] gemaakt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v10)

**11** Daarom zegt YHWH zo: Zie, Ik zal een[^jeremia-11-11-24] kwaad over hen brengen, waaruit zij niet zullen kunnen[^jeremia-11-11-25] uitkomen; als zij dan tot Mij zullen[^jeremia-11-11-h] roepen, zal Ik naar hen niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v11)

**12** Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan, en roepen tot de goden, die zij gerookt hebben; maar zij zullen hen[^jeremia-11-12-26] geheel niet kunnen verlossen ten tijde van hun[^jeremia-11-12-27] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v12)

**13** Want[^jeremia-11-13-28][^jeremia-11-13-i] naar het getal van uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die[^jeremia-11-13-29] schaamte, altaren om de Baäl te roken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v13)

**14** [^jeremia-11-14-30] U dan, bid[^jeremia-11-14-k] niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v14)

**15** [^jeremia-11-15-31] Wat heeft Mijn[^jeremia-11-15-32] geliefde in[^jeremia-11-15-33] Mijn huis te doen,[^jeremia-11-15-34] omdat zij die[^jeremia-11-15-35] schandelijke daad[^jeremia-11-15-36] met velen doet, en[^jeremia-11-15-37] het heilige vlees van u geweken is?[^jeremia-11-15-38] Wanneer u kwaad doet, dan springt u op van vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v15)

**16** YHWH had uw naam genoemd een groene olijfboom, schoon van[^jeremia-11-16-39] liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot[^jeremia-11-16-40] geroep een[^jeremia-11-16-41] vuur daarom[^jeremia-11-16-42] aangestoken, en zijn[^jeremia-11-16-43] takken[^jeremia-11-16-44] zullen verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v16)

**17** Want YHWH van de legermachten, Die u heeft[^jeremia-11-17-45] geplant, heeft een[^jeremia-11-17-46] kwaad over u uitgesproken; vanwege de boosheid van het huis van Israël en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij[^jeremia-11-17-47] te vertoornen, rokende de Baäl.[^jeremia-11-17-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v17)

**18** YHWH[^jeremia-11-18-48] nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen[^jeremia-11-18-49] hebt U mij hun handelingen doen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v18)

**19** En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt[^jeremia-11-19-50] om te slachten; want ik wist niet, dat zij[^jeremia-11-19-51] gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons[^jeremia-11-19-52] de boom met zijn[^jeremia-11-19-53] vrucht verderven, en laat ons hem uit het[^jeremia-11-19-54] land van de levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v19)

**20** Maar, o YHWH van de legermachten,[^jeremia-11-20-55] U rechtvaardige Rechter, Die de[^jeremia-11-20-56] nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak[^jeremia-11-20-57] van hen zien; want aan U heb ik mijn rechtszaak[^jeremia-11-20-58] ontdekt.[^jeremia-11-20-m] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v20)

**21** Daarom, zo zegt YHWH van de mannen van[^jeremia-11-21-59] Anathoth, die uw[^jeremia-11-21-60] ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van YHWH, opdat u van onze handen niet sterft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v21)

**22** Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten: Zie, Ik zal[^jeremia-11-22-61] bezoeking over hen doen: de jongemannen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en hun dochters zullen van honger sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v22)

**23** En zij zullen geen[^jeremia-11-23-62] overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth,[^jeremia-11-23-63] in het jaar van hun bezoeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/11.html#v23)

[^jeremia-11-2-1]: Kanttekening 1: 1 Hoort u: U Jeremia, en andere van mijn vrome profeten en priesters, die nog onder het volk overig zijt, \[gelijk sommigen dit nemen\] hoort dit en draagt het daarna het volk voor.
[^jeremia-11-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, man (אִישׁ). Zie boven Jer. 4:3; zo onder vers 9. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen. Jeremia 11:9: Verder zei YHWH tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.
[^jeremia-11-3-3]: Kanttekening 3: 3 Zeg dan: U Jeremia.
[^jeremia-11-3-4]: Kanttekening 4: Dat is de mens, of een ieder; gelijk Ps. 1:1, en elders dikwijls. Zie Job 12:10. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Job 12:10: In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mens.
[^jeremia-11-3-5]: Kanttekening 5: 5 niet hoort: Dat is, die de wet van God niet gehoorzaam is.
[^jeremia-11-3-a]: Verwijzing a: Deut. 27:26; Gal. 3:10. Deuteronomium 27:26: Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen. Galaten 3:10: Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen.
[^jeremia-11-4-6]: Kanttekening 6: Zie Deut. 4:20. Deuteronomium 4:20: Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is.
[^jeremia-11-4-b]: Verwijzing b: Deut. 4:20. Deuteronomium 4:20: Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is.
[^jeremia-11-4-c]: Verwijzing c: Lev. 26:3; idem v. 12. Leviticus 26:3: Als u in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult; Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-11-4-8]: Kanttekening 8: Te weten woorden van het verbond, gelijk vers 3, en onder vers 6. Jeremia 11:3: Zeg dan tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden van dit verbond. Jeremia 11:6: En YHWH zei tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden van dit verbond, en doet dezelve.
[^jeremia-11-4-9]: Kanttekening 9: 9 volk zijn: Gelijk boven Jer. 7:23. Jeremia 7:23: Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al de weg, die Ik u gebieden zal, opdat het u welga.
[^jeremia-11-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, woorden, geboden.
[^jeremia-11-5-d]: Verwijzing d: Deut. 7:12. Deuteronomium 7:12: Zo zal het gebeuren, omdat u deze rechten zult horen, en houden, en dezelfde doen, dat YHWH, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;
[^jeremia-11-5-10]: Kanttekening 10: 10 vloeiende van melk en honig: Zie Ex. 3:8. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^jeremia-11-5-11]: Kanttekening 11: Zie Num. 5:22; Deut. 27:15. Numeri 5:22: Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
[^jeremia-11-7-e]: Verwijzing e: Jer. 7:13; idem v. 25. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende.
[^jeremia-11-7-14]: Kanttekening 14: 14 vroeg op zijnde: Zie boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-11-7-12]: Kanttekening 12: 12 ernstiglijk betuigd: Hebreeuws, betuigende betuigd.
[^jeremia-11-7-13]: Kanttekening 13: 13 ten dage: Dat is, van de tijd aan.
[^jeremia-11-8-f]: Verwijzing f: Jer. 7:26. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.
[^jeremia-11-8-15]: Kanttekening 15: Zie Jer. 2:17. Jeremia 2:17: Doet u dit niet zelven, doordien u YHWH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt?
[^jeremia-11-8-g]: Verwijzing g: Jer. 3:17; Jer. 7:24; Jer. 9:14. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, van YHWH troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naams van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. Jeremia 7:24: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. Jeremia 9:14: Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden.
[^jeremia-11-8-16]: Kanttekening 16: 16 hunlieder boos hart: Het boze hart van allen.
[^jeremia-11-8-17]: Kanttekening 17: 17 heb Ik: Dat is, zal Ik zekerlijk over hen brengen.
[^jeremia-11-8-18]: Kanttekening 18: Te weten de bijgevoegde dreigementen, dat is gedreigde straffen; zie daarvan Lev. 26, en Deut. 28.
[^jeremia-11-9-19]: Kanttekening 19: Ligue, samenzwering, om kwaad te doen, regelrecht strijdende tegen het verbond, dat zij met mij gemaakt en bezworen hebben.
[^jeremia-11-10-20]: Kanttekening 20: Die in de woestijn, en verder in de volgende tijden, ongehoorzaam geweest zijn.
[^jeremia-11-10-21]: Kanttekening 21: 21 zij hebben: Als boze nakomelingen van hun boze voorvaders.
[^jeremia-11-10-22]: Kanttekening 22: Of, vernietigd.
[^jeremia-11-10-23]: Kanttekening 23: 23 gemaakt heb: Zie Gen. 15:17, 15:18. Genesis 15:17: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18: Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^jeremia-11-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, straf, ongeluk, ellende, enz. gelijk vers 12. Jeremia 11:12: Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan, en roepen tot de goden, die zij gerookt hebben; maar zij zullen hen geheel niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.
[^jeremia-11-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, zichzelven daaruit redden; vergelijk Micha 2:3. Micha 2:3: Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
[^jeremia-11-11-h]: Verwijzing h: Spreuk. 1:28; Jes. 1:15; Jer. 14:12; Ez. 8:18; Micha 3:4. Spreuken 1:28: Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Jesaja 1:15: En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jeremia 14:12: Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren. Ezechiël 8:18: Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen. Micha 3:4: Alsdan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
[^jeremia-11-12-26]: Kanttekening 26: 26 geheel niet … verlossen: Hebreeuws, verlossende niet verlossen.
[^jeremia-11-12-27]: Kanttekening 27: Dat ik over hen brengen zal, vers 11; zo vers 14, 11:17, 11:23. Jeremia 11:11: Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, waaruit zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen. Jeremia 11:14: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. Jeremia 11:17: Want YHWH van de legermachten, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; vanwege de boosheid van het huis van Israël en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende de Baäl. Jeremia 11:23: En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar van hun bezoeking.
[^jeremia-11-13-28]: Kanttekening 28: Gelijk boven Jer. 2:28. Jeremia 2:28: Waar zijn dan uw goden, die u u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda!
[^jeremia-11-13-i]: Verwijzing i: Jer. 2:28. Jeremia 2:28: Waar zijn dan uw goden, die u u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uw steden zijn uw goden, o Juda!
[^jeremia-11-13-29]: Kanttekening 29: Dat is, de schandelijke afgod Baäl; zie boven Jer. 3:24. Jeremia 3:24: Want de schaamte heeft de arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters.
[^jeremia-11-14-30]: Kanttekening 30: 30 U dan: O Jeremia.
[^jeremia-11-14-k]: Verwijzing k: Jer. 7:16; Jer. 14:11. Jeremia 7:16: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. Jeremia 14:11: Verder zei YHWH tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.
[^jeremia-11-15-31]: Kanttekening 31: 31 Wat heeft: Vergelijk de manier van spreken met 2 Sam. 16:10, en de aantekening daar. 2 Samuël 16:10: Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^jeremia-11-15-32]: Kanttekening 32: Te weten, dit volk, \[het Hebreeuwse woord staat in het mannelijk geslacht, maar de volgende woorden in het vrouwelijke\] dat zich zo noemt, of er op beroemt dat het mijn bemind volk is; of, God noemt hen zo, niettegenstaande hun ondankbaarheid, vanwege zij n verbond, dat Hij met hen en hun vaderen gemaakt, en de weldaden, die Hij hun bewezen had; vergelijk onder Jer. 12:7, 12:8; Rom. 3:3, en Rom. 11:28. Sommigen verstaan hierdoor de profeet Jeremia en andere dienaren van God, die dagelijks in de tempel tot dit boze volk profeteerden; vergelijk boven Jer. 7:2; alsof God zei: Wat hebben mijn knechten meer in de tempel bij dit opstandig volk te doen om hen te onderwijzen, of voor hen te bidden? Zie vers 14. Jeremia 12:7: Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de beminde van Mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven. Jeremia 12:8: Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat. Romeinen 3:3: Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Romeinen 11:28: Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, vanwege de vaderen; Jeremia 7:2: Sta in de poort van het huis van YHWH, en roep daar dit woord uit, en zeg: Hoort het woord van YHWH, o geheel Juda! u, die door deze poorten ingaat, om YHWH aan te bidden. Jeremia 11:14: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.
[^jeremia-11-15-33]: Kanttekening 33: 33 Mijn huis: De tempel; alsof God zei: Wat lopen zij veel in de tempel, daar zij toch zo vol van alle boosheid zij n?
[^jeremia-11-15-34]: Kanttekening 34: Versta, de dochter van mijn volk, of de stad Jeruzalem, dat is de inwoners.
[^jeremia-11-15-35]: Kanttekening 35: 35 schandelijke daad: Anders: grove schandelijkheid, omdat het Hebreeuwse woord, betekenende een gruwelijk feit, of aanslag \[zie Spreuk. 31:16\], hier ene letter meer heeft dan gewoonlijk, dienende tot verzwaring van de betekenis; vergelijk Ps. 3:3. Versta hierdoor de gruwelijke afgoderij, waarvan vers 13, enz. Spreuken 31:16: Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. Psalmen 3:3: Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. Jeremia 11:13: Want naar het getal van uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken.
[^jeremia-11-15-36]: Kanttekening 36: 36 met velen: Te weten met vele afgoden, gelijk boven vers 13; of men kan het duiden op de menigteof grote hoop dergenen, die deze gruwelen bedreven, aldus: Omdat velen van hen deze schandelijke daad bedrijven; sommigen stellen in plaats van met vele, ja zelfs de groten; vergelijk Ez. 8:11, en Ez. 23:39. Jeremia 11:13: Want naar het getal van uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken. Ezechiël 8:11: En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël, met Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk van het reukwerk ging op. Ezechiël 23:39: Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.
[^jeremia-11-15-37]: Kanttekening 37: 37 het heilige vlees: Hebreeuws, het vlees van de heiligheid, of van het heiligdom, zijn van u geweken, of zullen van u wijken (בְשַׂר). Gelijk het woord vlees bij ons in het getal van velen niet gebruikelijk is, zo wordt het ook in de Hebreeuwse Bijbelse tekst niet meer dan eens \[Spreuk. 14:30\] in het getal van velen gebruikt. De zin is: Al uwe offeranden, o Jeruzalem, deugen niet meer, u doet geen heilig offer meer, omdat u alles met uwe boosheid ontheiligt. Sommigen verstaan het aldus: Dat God hen dreige, de tijd is voorhanden dat zij, om hun goddeloosheid gestraft en uit hun land verjaagd zijnde, in de tempel niet meer zullen kunnen komen, noch offeren, noch hun vrolijke maaltijden van het vlees van de offeranden houden, gelijk zij nu deden, maar met een gruwelijke ontheiliging van Gods heilige inzettingen, waarom hen God uit zijn huis en land verstoten zou. Sommigen verstaan door het heilige vlees de oprechte Israëlieten, die uitwendig en inwendig besneden waren. Spreuken 14:30: Een gezond hart is het leven van het vlees; maar nijd is verrotting van de beenderen.
[^jeremia-11-15-38]: Kanttekening 38: 38 Wanneer u kwaad doet: Of, want in uwe boosheid, enz. Anders: wanneer uw kwaad \[dat is, uwe straf, ellende\] \[voorhanden is, of door mijn profeten voorzegd of gedreigd wordt\] dan verheugt u u; dat is, u veracht mijn dreigementen zozeer, dat u ook, als tot mijn spijt, des te meer vreugde bedrijft, om te tonen dat u er niet op past.
[^jeremia-11-16-39]: Kanttekening 39: 39 liefelijke vruchten: Hebreeuws, vrucht van gedaante (פְרִי).
[^jeremia-11-16-40]: Kanttekening 40: Vergelijk Ez. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^jeremia-11-16-41]: Kanttekening 41: Versta, de verwoesting, het verderf en de vertering van land en mensen, door de Babyloniërs.
[^jeremia-11-16-42]: Kanttekening 42: Olijfboom. Anders: een vuur heeft zijn bladeren aangestoken.
[^jeremia-11-16-43]: Kanttekening 43: Of, scheuten, loten, spruiten.
[^jeremia-11-16-44]: Kanttekening 44: Anders: zullen zij verbreken.
[^jeremia-11-17-45]: Kanttekening 45: Als een olijfboom, gelijk in vers 16 gezegd is. Jeremia 11:16: YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.
[^jeremia-11-17-46]: Kanttekening 46: Het verderf door de Babyloniërs.
[^jeremia-11-17-47]: Kanttekening 47: 47 te vertoornen: Of, tot toorn te verwekken.
[^jeremia-11-17-l]: Verwijzing l: Jer. 2:21. Jeremia 2:21: Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok?
[^jeremia-11-18-48]: Kanttekening 48: Als ik in eenvoudigheid mijn beroep waarnam, volgens Gods last, en op geen kwaad dacht.
[^jeremia-11-18-49]: Kanttekening 49: 49 hebt U: Dit spreekt Jeremia tot God, die hij als getuige neemt, dat hij hier van niets spreekt uit menselijke onderstellingen of meningen, maar alleen uit de goddelijke openbaring, door een gezicht. Vergelijk onder Jer. 24:1. Jeremia 24:1: YHWH deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor de tempel van YHWH; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
[^jeremia-11-19-50]: Kanttekening 50: 50 om te slachten: Ter slachting, om geslacht te worden, dat men hem slachte.
[^jeremia-11-19-51]: Kanttekening 51: Dat is, boze aanslagen en praktijken tegen mij voorhanden.
[^jeremia-11-19-52]: Kanttekening 52: 52 de boom: Te weten de profeet Jeremia met zijn leer en profetie.
[^jeremia-11-19-53]: Kanttekening 53: Hebreeuws eigenlijk, brood; dat is voedsel, en verder vrucht, als die tot voedsel dient.
[^jeremia-11-19-54]: Kanttekening 54: Zie Ps. 27:13. Psalmen 27:13: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan.
[^jeremia-11-20-55]: Kanttekening 55: 55 rechtvaardige Rechter: Hebreeuws, rechter van de gerechtigheid, of die gerechtigheid richt (צֶדֶק).
[^jeremia-11-20-56]: Kanttekening 56: De innerlijkste en verborgen gedachten en bewegingen; zie Job 19:27; Ps. 7:10. Job 19:27: Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Psalmen 7:10: Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
[^jeremia-11-20-57]: Kanttekening 57: 57 van hen zien: Die U van hen zult nemen, of aan hen doen.
[^jeremia-11-20-58]: Kanttekening 58: Als mijn advokaat en rechter voorgedragen en bevolen.
[^jeremia-11-20-m]: Verwijzing m: 1 Sam. 16:7; 1 Kron. 28:9; Ps. 7:10; Ps. 26:2; Openb. 2:23. 1 Samuël 16:7: Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan. 1 Kronieken 28:9: En u, mijn zoon Salomo, ken de God uws vaders, en die Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want YHWH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. Psalmen 7:10: Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! Psalmen 26:2: Proef mij, YHWH, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. Openbaring 2:23: En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken.
[^jeremia-11-21-59]: Kanttekening 59: Zie boven Jer. 1:1. Jeremia 1:1: De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^jeremia-11-21-60]: Kanttekening 60: 60 ziel zoeken: Naar uw leven staan; zie Ex. 4:19; 2 Sam. 4:8. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^jeremia-11-22-61]: Kanttekening 61: Dat is, hen straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-11-23-62]: Kanttekening 62: 62 geen overblijfsel: Dat is, niemand zal er van overblijven, zij zullen allen omkomen en uitgeroeid worden. Welverstaande, zo zij zich niet bekeren.
[^jeremia-11-23-63]: Kanttekening 63: 63 het jaar hun bezoeking: Of, \[te weten\] het jaar van hun bezoeking; dat is, van hun straf; zo onder Jer. 23:12, enz. Jeremia 23:12: Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, spreekt YHWH.

### Jeremia 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/12.json)

*De profeet klaagt voor de HEERE over de voorspoed van zijn goddeloze landgenoten en bidt dat Hij hen wegrukt, opdat het land om hun boosheid niet langer zou lijden, vers 1, enz. waartegen de HEERE hem onderwijst en nog zwaarder vervolging voorzegt, 5. klagend over de wanhopige opstandigheid van Zijn eigen erfdeel, dat Hij daarom door de Babyloniërs moet verwoesten en met misgewas straffen, 7. niet willende evenwel de heidense naburige volken ongestraft laten, die bij deze gelegenheid Israël mede te lijf zouden vallen; met belofte van de verlossing van Zijn volk en genade aan de heidenen, die zich met Zijn volk tot Hem zouden bekeren, 14.*

**1** [^jeremia-12-1-1] U zou rechtvaardig zijn, o YHWH! wanneer ik tegen U zou twisten;[^jeremia-12-1-2] ik zal toch van Uw oordelen met U spreken;[^jeremia-12-1-a] waarom is de[^jeremia-12-1-3] weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v1)

**2** U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij[^jeremia-12-2-4] gaan voort, ook[^jeremia-12-2-5] dragen zij vrucht; U bent[^jeremia-12-2-6] wel nabij in hun[^jeremia-12-2-b] mond, maar ver van hun[^jeremia-12-2-7] nieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v2)

**3** [^jeremia-12-3-8] Maar U, o YHWH![^jeremia-12-3-c] ken mij, U ziet mij, en[^jeremia-12-3-d] proeft mijn hart,[^jeremia-12-3-9] dat het met U is.[^jeremia-12-3-10] Ruk ze uit als schapen ter slachting, en[^jeremia-12-3-11] heilig ze tot de dag van de doding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v3)

**4** Hoe lang zal het land[^jeremia-12-4-12] treuren, en het kruid van het hele veld verdorren? Vanwege de boosheid van degenen, die daarin wonen, vergaan de[^jeremia-12-4-e] beesten en het gevogelte; omdat zij[^jeremia-12-4-13] zeggen: Hij ziet ons[^jeremia-12-4-14] einde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v4)

**5** [^jeremia-12-5-15] Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u zich dan[^jeremia-12-5-16] mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van[^jeremia-12-5-17] vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v5)

**6** Want ook uw broers en het huis van uw vader, ook die handelen trouweloos tegen u; ook die roepen u[^jeremia-12-6-18] met volle stem achterna; geloof[^jeremia-12-6-19][^jeremia-12-6-f] hen niet, wanneer zij[^jeremia-12-6-20] vriendelijk tot u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v6)

**7** Ik heb Mijn[^jeremia-12-7-21] huis verlaten, Ik heb Mijn[^jeremia-12-7-22] erfenis laten varen; Ik heb de[^jeremia-12-7-23] geliefde van Mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v7)

**8** Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij[^jeremia-12-8-24] verheven, daarom heb Ik[^jeremia-12-8-25] haar gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v8)

**9** Mijn erfenis is Mij[^jeremia-12-9-26] een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; kom aan, verzamelt, al u gedierte van het veld,[^jeremia-12-9-g] komt om te eten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v9)

**10** Veel[^jeremia-12-10-27][^jeremia-12-10-h] herders hebben Mijn[^jeremia-12-10-28] wijngaard verdorven, zij hebben Mijn[^jeremia-12-10-29] akker vertreden; zij hebben Mijn[^jeremia-12-10-30] gewenste akker gesteld tot een[^jeremia-12-10-31] woeste wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v10)

**11** [^jeremia-12-11-32] Men heeft[^jeremia-12-11-33] hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het hele land is verwoest, omdat er niemand is, die[^jeremia-12-11-34] het ter harte neemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v11)

**12** Op alle[^jeremia-12-12-35] hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het[^jeremia-12-12-36] zwaard van YHWH verteert van het ene einde van het land tot aan het andere einde van het land; er is geen[^jeremia-12-12-37] vrede voor[^jeremia-12-12-38] enig vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v12)

**13** [^jeremia-12-13-39] Zij hebben tarwe[^jeremia-12-13-i] gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich[^jeremia-12-13-40] gepijnigd, maar niet gevorderd;[^jeremia-12-13-41] wordt zo beschaamd[^jeremia-12-13-42] vanwege uw inkomsten, vanwege de hitte van de toorn van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v13)

**14** Zo zegt YHWH: Voor wat betreft al[^jeremia-12-14-43] Mijn boze buren, die Mijn[^jeremia-12-14-44] erfenis[^jeremia-12-14-45] aanroeren, die Ik Mijn volk Israël erfelijk gegeven heb; zie, Ik zal hen uit hun[^jeremia-12-14-46][^jeremia-12-14-k] land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hun midden[^jeremia-12-14-47] uitrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v14)

**15** En het zal gebeuren, nadat Ik[^jeremia-12-15-48] hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik terugkeren, en Mij over hen[^jeremia-12-15-49] ontfermen; en Ik zal hen teruggeven, ieder tot zijn erfenis, en ieder tot zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v15)

**16** En het zal gebeuren, als zij[^jeremia-12-16-50] de wegen van Mijn volk[^jeremia-12-16-51] vlijtig zullen leren,[^jeremia-12-16-52] zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als YHWH leeft! zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden van Mijn volk[^jeremia-12-16-53] gebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v16)

**17** [^jeremia-12-17-l] Maar als zij niet zullen horen, zo zal Ik die natie[^jeremia-12-17-54] ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/12.html#v17)

[^jeremia-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 zoudt rechtvaardig: De zin is: U zoudt in al uw doen rechtvaardig bevonden worden \[gelijk Ps. 51:6\], als ik met U wilde rechten, pleiten of twisten over uwe oordelen, manier of wijze van regering, die U onderhoudt met goddelozen en vromen, waarvan in het volgende; vergelijk Ps. 73:2, 73:3, enz. Psalmen 51:6: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Psalmen 73:2: Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden. Psalmen 73:3: Want ik was nijdig op de dwazen, ziende de vrede van de goddelozen.
[^jeremia-12-1-2]: Kanttekening 2: 2 ik zal nochtans: Of, laat mij nochtans met U pleiten, of rechten; dat is, mijn klachten U voordragen; vergelijk boven Jer. 4:12. Hebreeuws, oordelen, of rechten met U spreken (אֲדַבֵּר). Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.
[^jeremia-12-1-a]: Verwijzing a: Job 21:7; Ps. 73:11; idem v. 12; Habak. 1:3. Job 21:7: Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? Psalmen 73:11: Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? Psalmen 73:12: Ziet, deze zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. Habakuk 1:3: Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.
[^jeremia-12-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, hun voornemen en doen; zie Gen. 6:12. Dit ziet wel in het bijzonder op die van Anathoth, waarvan in Jer. 11, en onder vers 5 gesproken wordt, maar past ook verder op andere dergelijken in het algemeen. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Jeremia 12:5: Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u u dan mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
[^jeremia-12-2-4]: Kanttekening 4: 4 gaan voort: Dat is, schieten op, groeien daarheen, breiden zich uit.
[^jeremia-12-2-5]: Kanttekening 5: 5 dragen zij: Hebreeuws, maken zij; zie Ps. 1:3, en Hos. 8:7. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
[^jeremia-12-2-6]: Kanttekening 6: Zij spreken en roemen van U. Zie Jes. 29:13; Matt. 15:8. Jesaja 29:13: Want de Heer heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; Mattheüs 15:8: Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
[^jeremia-12-2-b]: Verwijzing b: Jes. 29:13. Jesaja 29:13: Want de Heer heeft gezegd: Daarom dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;
[^jeremia-12-2-7]: Kanttekening 7: Zie boven Jer. 11:20. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
[^jeremia-12-3-8]: Kanttekening 8: 8 Maar U: Met deze betrachting richt zich de profeet op, sterkende zichzelven door de goede consciëntie en het geloof van Gods voorzienigheid.
[^jeremia-12-3-c]: Verwijzing c: Ps. 17:3; Ps. 139:1. Psalmen 17:3: U hebt mijn hart geproefd, van de nacht bezocht, U hebt mij getoetst. U vindt niets; wat ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. Psalmen 139:1: Een psalm van David, voor de opperzangmeester. YHWH! U doorgrondt en kent mij.
[^jeremia-12-3-d]: Verwijzing d: Jer. 11:20. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
[^jeremia-12-3-9]: Kanttekening 9: 9 dat het: Of, \[dat\] met U \[is\], of, \[hoe hetzelve\] tegen, of met U \[is\]; dat is, U weet dat ik het oprecht en getrouw met U houd, en mij van valsheid en boosheid afzonder, en dat ik daarom lijden moet. Vergelijk Gen. 5:22; Hos. 9:8; Micha 6:8, met de aantekening. Genesis 5:22: En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Hosea 9:8: De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis van zijn God. Micha 6:8: Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
[^jeremia-12-3-10]: Kanttekening 10: Anders: henlieden ruk U weg; te weten als schapen, onvoorziens, van de kudde om te slachten. Dit gebed van de profeet is inderdaad ene profetie en leer van de haastige en onvoorziene verandering van het tijdelijk geluk van de goddeloze huichelaars en vervolgers van de vrome profeten, voornamelijk van zijn landslieden en Anathoth.
[^jeremia-12-3-11]: Kanttekening 11: 11 heilig ze: Dat is, zonder hen af, schik hen, bereid hen. Vergelijk boven Jer. 6:4. Jeremia 6:4: Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^jeremia-12-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, zo jammerlijk gesteld zijn?
[^jeremia-12-4-e]: Verwijzing e: Jer. 4:25; Jer. 7:20; Jer. 9:10. Jeremia 4:25: Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren weggevlogen. Jeremia 7:20: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van het aarde; en zal branden, en niet uitgeblust worden. Jeremia 9:10: Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-12-4-13]: Kanttekening 13: 13 Hij ziet ons: Te weten de Heer, of Jeremia, die ons dagelijks profeteren van onze nakende verwoesting, maar \[willen zij zeggen\] zij weten er beiden niet van; om welke verachting, hardnekkigheid, zorgeloosheid en heilloze verloochening van Gods voorzienigheid het land zelfs zo jammerlijk verwoest is.
[^jeremia-12-4-14]: Kanttekening 14: 14 einde niet: Hebreeuws, achterste, uiterste, laatste. Zie Deut. 32:20, en Spreuk. 14:12. Deuteronomium 32:20: En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is. Spreuken 14:12: Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste daarvan zijn wegen van de dood.
[^jeremia-12-5-15]: Kanttekening 15: 15 Als u: God wil hier en in het volgende de profeet in zijn bekommernissen sterken en moed geven, alsof Hij zei: Zijt u zo kleinhartig en verlegen omdat uwe landslieden van Anathoth, die als voetknechten zijn, u zo kwalijk bejegenen, hoe zult u het dan kunnen strekken tegen de ongetoomde, trotse groten van Jeruzalem, die als paarden of ruiters zijn? Dit moet u niet verdrieten, want u zult nog al veel zwaarder vervolging moeten uitstaan en overwinnen.
[^jeremia-12-5-16]: Kanttekening 16: Te weten in strijd of twist, dat is, met hen te doen hebben?
[^jeremia-12-5-17]: Kanttekening 17: Daar het water \[om zo te spreken\] in het land stil en zacht gaat, zijnde als vrede en rust te rekenen tegen het toekomende, hoe zult u het dan maken als de wateren aan alle kanten overlopen? Men kan hier door de verheffing van de Jordaan verstaan de trots van Jeruzalems inwoners, of de nakende verwoesting van het gehele land. Van het oplopen van de Jordaan, zie Joz. 3:15; 1 Kron. 12:15; onder Jer. 49:19, en Jer. 50:44. Anders: \[zo zij u moe maken\] in een land van vrede, \[vergelijk Ps. 41:10;\] \[waar\] u u vertrouwt; dat is, in uw vaderland, waar u meent dat u buiten gevaar behoort te zijn; en daar het nog in geen geval zo grof gaat, als het wel te Jeruzalem en ten hove zal doen. Jozua 3:15: En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst aan al haar oevers); 1 Kronieken 12:15: Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners van de laagten, tegen het oosten en tegen het westen. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 50:44: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Psalmen 41:10: Zelfs de man van mijn vrede, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
[^jeremia-12-6-18]: Kanttekening 18: 18 met volle stem: Of, met een volle vergadering, bij hopen, vergelijk Jer. 4:5. Jeremia 4:5: Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden!
[^jeremia-12-6-19]: Kanttekening 19: 19 geloof hen niet: Of, vertrouw hen niet; zie boven Jer. 9:4. Jeremia 9:4: Wacht u, een ieder van zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elk broer doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.
[^jeremia-12-6-f]: Verwijzing f: Spreuk. 26:25. Spreuken 26:25: Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
[^jeremia-12-6-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, goede dingen, gelijk 2 Kon. 25:28, en onder Jer. 52:32. 2 Koningen 25:28: En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. Jeremia 52:32: En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren.
[^jeremia-12-7-21]: Kanttekening 21: 21 huis verlaten: De tempel; dat is, Ik zal het zekerlijk verlaten, en zo in het volgende.
[^jeremia-12-7-22]: Kanttekening 22: Dat is, mijn volk; zie boven Jer. 10:16; zo in vers 8. Jeremia 10:16: Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. Jeremia 12:8: Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.
[^jeremia-12-7-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, de min, of liefde van mijn ziel; dat is, die Ik, gelijk een man zijn vrouw, liefhad (נַפְשִׁ). Vergelijk boven Jer. 11:15; zo onrecht voor ongerechtige; Job 24:20. Jeremia 11:15: Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, omdat zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer u kwaad doet, dan springt u op van vreugde. Job 24:20: De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.
[^jeremia-12-8-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, gegeven; dat is, zij is stout, trots, wild en onbetoomd, brullende tegen mij en mijn bevelen, waarschuwingen en dreigementen, gelijk een leeuw in het woud.
[^jeremia-12-8-25]: Kanttekening 25: En vervolgens van mij verstoten, verworpen en verlaten, gelijk vers 7. Jeremia 12:7: Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de beminde van Mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven.
[^jeremia-12-9-26]: Kanttekening 26: 26 een gesprenkelde vogel: Dat is, als een vreemde onbekende vogel, die \[niet mijn livrei, maar\] vele vreemde verven heeft, waar alle andere vogels zullen naar toe vliegen om die te vernielen. Anders: is \[niet\] mijn erfenis mij een gevingerde, of geklauwde roofvogel, tegen welke de roofvogels rondom \[vliegen\]? Te weten de vijanden van alle kanten; of, o u vogels, \[vliegt\] rondom tegen haar. Vergelijk Jes. 18:6, Ez. 39:17, enz. Jesaja 18:6: Zij zullen te zamen gelaten worden aan de roofvogelen van de bergen, en aan de dieren van de aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren van de aarde zullen daarop overwinteren. Ezechiël 39:17: U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^jeremia-12-9-g]: Verwijzing g: Jer. 7:33. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van deze volks zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken.
[^jeremia-12-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, vorsten van Babel zullen, enz.; vergelijk onder Jer. 49:19, 49:20, met de aantekening. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 49:20: Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!
[^jeremia-12-10-h]: Verwijzing h: Jer. 6:3. Jeremia 6:3: Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iedereen zijn ruimte afweiden.
[^jeremia-12-10-28]: Kanttekening 28: Het Joodse volk, gelijk Jes. 5:1, enz. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.
[^jeremia-12-10-29]: Kanttekening 29: Of, stuk \[land\].
[^jeremia-12-10-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, stuk van de wens, of van de begeerte.
[^jeremia-12-10-31]: Kanttekening 31: 31 woeste wildernis: Hebreeuws, wildernis de woestheid of verwoesting (שְׁמָמָֽה).
[^jeremia-12-11-32]: Kanttekening 32: 32 Men heeft: Hebreeuws, hij heeft gesteld; dat is, een ieder van de vijanden, of men heeft, enz.
[^jeremia-12-11-33]: Kanttekening 33: 33 hem gesteld: Mijn akker.
[^jeremia-12-11-34]: Kanttekening 34: 34 ter hart: Hebreeuws, op, of aan, in het hart legt, of stelt (לֵֽב) \[vergelijk 2 Sam. 13:33, enz.\]; te weten, wat door Jeremia en andere getrouwe profeten door Gods last wordt voorgedragen. 2 Samuël 13:33: Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al de zonen van de koning zijn dood; want Amnon alleen is dood.
[^jeremia-12-12-35]: Kanttekening 35: 35 hoge plaatsen: Daar men anders gemeenlijk placht, en nu ook meende heilig en vrij te zijn.
[^jeremia-12-12-36]: Kanttekening 36: Vergelijk onder Jer. 25:29, en Jer. 47:6. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Jeremia 47:6: O wee, u zwaard van YHWH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!
[^jeremia-12-12-37]: Kanttekening 37: Dat is, rust, welvaart, voor enige levende ziel, of enig mens; zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-12-12-38]: Kanttekening 38: 38 enig vlees: Hebreeuws, allen.
[^jeremia-12-13-39]: Kanttekening 39: 39 Zij hebben: De Joden.
[^jeremia-12-13-i]: Verwijzing i: Lev. 26:16; Deut. 28:38. Leviticus 26:16: Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. Deuteronomium 28:38: U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.
[^jeremia-12-13-40]: Kanttekening 40: Of, wee gedaan, met grote arbeid.
[^jeremia-12-13-41]: Kanttekening 41: 41 wordt zo: Dat is, zo zult u zekerlijk beschaamd worden; vergelijk Ps. 37:3; Spreuk. 3:4. Zo spreekt God in zijn beloften en dreigementen, vermits de zekerheid van die. Psalmen 37:3: Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. Spreuken 3:4: En vind gunst en goed verstand, in de ogen van God en van de mensen.
[^jeremia-12-13-42]: Kanttekening 42: Dat is, vanwege het gebrek van uw inkomsten, die u ziet dat u falen.
[^jeremia-12-14-43]: Kanttekening 43: 43 Mijn boze: Die rondom mijn volk en land wonen, als Syriërs, Ammonieten, Moabieten, Filistijnen, enz. die Israël bij deze gelegenheid dat Ik hen tuchtig, mee mochten op het lijf vallen.
[^jeremia-12-14-44]: Kanttekening 44: Kanaän. Zie boven Jer. 2:7. Jeremia 2:7: En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jeremia-12-14-45]: Kanttekening 45: Zie Gen. 26:11. Genesis 26:11: En Abimelech gebood het gehele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!
[^jeremia-12-14-46]: Kanttekening 46: 46 uitrukken, maar: Door de vijanden, zie onder Jer. 47, Jer. 48, Jer. 49.
[^jeremia-12-14-k]: Verwijzing k: Deut. 30:3; Jer. 32:37. Deuteronomium 30:3: En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uw ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Jeremia 32:37: Ziet, Ik zal hen vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid, en in grote toorn; en Ik zal hen tot deze plaats wederbrengen, en zal hen zeker doen wonen.
[^jeremia-12-14-47]: Kanttekening 47: Dat is, verlossen, uitredden, zodat deze boze naburen hun moed aan Juda niet zullen koelen. Zie gelijk gebruik van enerlei woord boven Jer. 1:17. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
[^jeremia-12-15-48]: Kanttekening 48: 48 hen zal uitgerukt: Die boze naburen.
[^jeremia-12-15-49]: Kanttekening 49: Vergelijk onder Jer. 48:47. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel.
[^jeremia-12-16-50]: Kanttekening 50: 50 de wegen: De zaligmakende godsdienst, die Ik mijn kerk heb voorgeschreven en die bij haar in zwang gaat. Vergelijk Jes. 2:3, enz. Dit ziet op de beroeping van de heidenen. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^jeremia-12-16-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, lerende zullen leren.
[^jeremia-12-16-52]: Kanttekening 52: Dat is, mij recht naar mijn woord kennende en dienende. Vergelijk boven Jer. 4:2, enz. Jeremia 4:2: Maar zweer: Zo waarachtig als YHWH leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.
[^jeremia-12-16-53]: Kanttekening 53: 53 gebouwd worden: Door de predikatie van het Evangelie bekeerd en in mijn kerk ingelijfd zijnde, zullen zij de zegen van mijn genadeverbond met hen genieten. Zie Ef. 2:18, 2:19, 2:20, 2:21, 2:22. Efeziërs 2:18: Want door Hem hebben wij beiden de toegang door een Geest tot de Vader. Efeziërs 2:19: Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods; Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Efeziërs 2:21: Op Welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welke ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.
[^jeremia-12-17-l]: Verwijzing l: Jes. 60:12. Jesaja 60:12: Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden.
[^jeremia-12-17-54]: Kanttekening 54: 54 ten enenmale uitrukken: Hebreeuws, uitrukken, uitrukkende, of uitplukken, uitplukkende. Vergelijk Jes. 60:12. Jesaja 60:12: Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden.

### Jeremia 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/13.json)

*Gods weldadigheid, de ondankbaarheid van het volk en de toekomstige straffen worden afgebeeld door het teken van een linnen gordel, vers 1, enz. en door de gelijkenis van het vullen van alle wijnflessen met wijn, dat God hen met de beker van Zijn toorn allen tezamen dronken zal maken van ellende, 12. nog vermaant God hen door ootmoedige bekering deze straffen te voorkomen, 15. (waarbij de profeet zijn genegenheid toont, 17.) in het bijzonder de koning en koningin, 18. maar wetende dat zij zich even weinig zouden veranderen als een Moor zijn huid en een luipaard zijn vlekken, voorzegt hij hun de uiterste schande en ondergang, 22.*

**1** Zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en[^jeremia-13-1-1] doe die aan uw middel, maar breng hem niet in[^jeremia-13-1-2] het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v1)

**2** En ik kocht een gordel naar het woord van YHWH, en ik deed die aan mijn middel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v2)

**3** Toen kwam het woord van YHWH voor de tweede keer tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v3)

**4** Neem de gordel, die u gekocht hebt, die aan uw middel is, en maak u op, en ga heen naar de[^jeremia-13-4-3] Frath, en versteek die daar in de klove van een steenrots. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v4)

**5** Zo ging ik heen, en verstak die bij de Frath, zoals YHWH mij geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v5)

**6** Het gebeurde nu na verloop van vele dagen, dat YHWH tot mij zei: Maak u op, ga heen naar de Frath, en neem de gordel van daar, die Ik u geboden heb daar te versteken.[^jeremia-13-6-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v6)

**7** Zo ging ik naar de Frath, en groef, en nam de gordel van de plaats, alwaar ik die verstopt had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v7)

**8** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v8)

**9** Zo zegt YHWH: Zo zal Ik verderven de[^jeremia-13-9-5] hoogmoed van Juda, en die grote hoogmoed van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v9)

**10** Ditzelve boze volk,[^jeremia-13-10-6] dat Mijn woorden weigert te horen, dat in[^jeremia-13-10-7] het goeddunken van zijn hart wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neer te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v10)

**11** Want zoals een gordel kleeft aan de middel van een man, zo heb Ik het hele huis van Israël en het hele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt YHWH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een[^jeremia-13-11-8] naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet[^jeremia-13-11-9] gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v11)

**12** Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet[^jeremia-13-12-11] zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?[^jeremia-13-12-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v12)

**13** Maar u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal alle inwoners van dit land, zelfs de koningen, die[^jeremia-13-13-12] op Davids troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met[^jeremia-13-13-13] dronkenschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v13)

**14** En Ik zal[^jeremia-13-14-14] hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen samen, spreekt YHWH; Ik zal niet ontzien noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v14)

**15** Hoor en neemt ter ore,[^jeremia-13-15-15] verheft u niet; want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v15)

**16** Geef[^jeremia-13-16-16] eer aan YHWH, uw God, voordat Hij het[^jeremia-13-16-17] duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de[^jeremia-13-16-18] schemerende bergen; dat u naar[^jeremia-13-16-19][^jeremia-13-16-a] licht wacht, en Hij[^jeremia-13-16-20] het tot een[^jeremia-13-16-b] schaduw van de dood stelle, en tot een donkerheid zette. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v16)

**17** Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen huilen vanwege de[^jeremia-13-17-21] hoogmoed, en mijn[^jeremia-13-17-c] oog zal[^jeremia-13-17-22] bitter tranen, ja, van tranen[^jeremia-13-17-23] neerdalen, omdat de kudde van YHWH als gevangene[^jeremia-13-17-24] is weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v17)

**18** [^jeremia-13-18-25] Zeg tot de koning en tot de[^jeremia-13-18-26] koningin:[^jeremia-13-18-27] Verneder u, zet u neer; want uw[^jeremia-13-18-28] hele hoofdsieraad, de kroon[^jeremia-13-18-29] van uw heerlijkheid, is neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v18)

**19** De steden van[^jeremia-13-19-30] het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het hele Juda is weggevoerd, het is[^jeremia-13-19-31] geheel en al weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v19)

**20** Hef uw ogen op, en zie, die daar van[^jeremia-13-20-32] het noorden komen! waar is de[^jeremia-13-20-33] kudde, die u[^jeremia-13-20-34] gegeven was, de schapen van uw[^jeremia-13-20-35] heerlijkheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v20)

**21** Wat zult[^jeremia-13-21-36] u zeggen, wanneer[^jeremia-13-21-37] Hij bezoeking over u doen zal, daar u hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen,[^jeremia-13-21-d] als een[^jeremia-13-21-38] barende vrouw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v21)

**22** Wanneer u dan in uw[^jeremia-13-22-39] hart zult zeggen:[^jeremia-13-22-e] Waarom zijn mij deze dingen bejegend?[^jeremia-13-22-40] Om de[^jeremia-13-22-41] veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw[^jeremia-13-22-42][^jeremia-13-22-f] zomen ontdekt, en uw hielen[^jeremia-13-22-43] hebben geweld geleden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v22)

**23** [^jeremia-13-23-44] Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn[^jeremia-13-23-45] vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die[^jeremia-13-23-46] geleerd bent kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v23)

**24** Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind van[^jeremia-13-24-47] de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v24)

**25** Dit zal uw lot, het[^jeremia-13-25-48] deel van uw maten zijn van Mij, spreekt YHWH; u, die Mij hebt vergeten, en op[^jeremia-13-25-49] leugen vertrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v25)

**26** Zo zal Ik ook uw[^jeremia-13-26-50] zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v26)

**27** Uw overspelen en uw[^jeremia-13-27-51] hunkeringen, de schandelijkheid van uw hoerdom, op[^jeremia-13-27-52] heuvelen, in het veld; Ik heb uw[^jeremia-13-27-53] gruwelijke dingen gezien; wee u, Jeruzalem![^jeremia-13-27-54] zult u niet rein worden?[^jeremia-13-27-55] Hoe lang nog na deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/13.html#v27)

[^jeremia-13-1-1]: Kanttekening 1: 1 doe die aan: Dat is, omgord uwe lenden daarmede. Zie de uitlegging vers 11. Jeremia 13:11: Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt YHWH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.
[^jeremia-13-1-2]: Kanttekening 2: Opdat het niet verderve; gelijk Ik voor Israël gezorgd heb, dat zij niet mochten verderven of kwalijk varen.
[^jeremia-13-4-3]: Kanttekening 3: De grote rivier Eufraat, waarover de Babyloniërs zouden komen en de Joden daar heen gevankelijk wegvoeren; zie Gen. 2:14. Genesis 2:14: En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^jeremia-13-6-4]: Kanttekening 4: 4 ten einde: Dat is, na verloop van een geruimen tijd.
[^jeremia-13-9-5]: Kanttekening 5: 5 hovaardij van Juda: Of, uitnemendheid, voortreffelijkheid, gelijk het Hebreeuwse woord elders ook genomen wordt; vergelijk onder vers 11. Jeremia 13:11: Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt YHWH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.
[^jeremia-13-10-6]: Kanttekening 6: 6 dat Mijn woorden: Hebreeuws, die weigeren, die wandelen, enz.
[^jeremia-13-10-7]: Kanttekening 7: Zie boven Jer. 3:17. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naam van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
[^jeremia-13-11-8]: Kanttekening 8: Zie Deut. 26:19. Deuteronomium 26:19: Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.
[^jeremia-13-11-9]: Kanttekening 9: Dat is, gehoorzaamd, gelijk dikwijls.
[^jeremia-13-12-11]: Kanttekening 11: 11 zeer wel: Hebreeuws, wetende weten wij niet? Het schijnt dat dit ziet op de beloften van de valse profeten, die het volk wijsmaakten dat zij vrede en overvloed van alles zouden hebben, wat zij graag geloofden; maar God profeteert hun geheel wat anders. Vergelijk Micha 2:11, met de aantekening. Micha 2:11: Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van dit volk.
[^jeremia-13-12-10]: Kanttekening 10: 10 Alle flessen: Hebreeuws, alle fles zal, enz.; dat is, elke fles. Alsof de profeet zei: U verwacht een overvloedig wijnjaar, opdat u u dol en vol mocht zuipen; maar, enz. versta hier, geen leren flessen, maar stenen flessen, of vaten, gelijk afgenomen wordt uit vers 14; vergelijk Klaagl. 4:2. Jeremia 13:14: En Ik zal hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt YHWH; Ik zal niet sparen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. Klaagliederen 4:2: Beth. De kostelijke kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers!
[^jeremia-13-13-12]: Kanttekening 12: 12 Davids troon: Dat is, in huns voorvaders Davids plaats.
[^jeremia-13-13-13]: Kanttekening 13: Gevende hun te drinken uit de drinkbeker van mijn toorn, dat is, hen zo bestraffende dat zij van verbaasdheid en angst niet meer zullen weten wat te doen of te laten dan een dronken mens; zie onder Jer. 25:15, 25:18, 25:27, en Jer. 51:7; Jes. 51:17, 51:21, en Jes. 63:6, enz. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage; Jeremia 25:27: U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden. Jeremia 51:7: Babel was een gouden beker in de hand van YHWH, die de gehele aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden. Jesaja 51:17: Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Jesaja 51:21: Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! Jesaja 63:6: En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.
[^jeremia-13-14-14]: Kanttekening 14: 14 in stukken slaan: Te weten tegen elkaar, als stenen flessen; vergelijk Richt. 7:19; Ps. 2:9. Anders: verstrooien, gelijk de stukken van een fles, die in stukken geslagen wordt, hier en daar verstrooid worden. Richteren 7:19: Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van het leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken. Psalmen 2:9: U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
[^jeremia-13-15-15]: Kanttekening 15: 15 verheft u niet: Door hoogmoed en trotsheid uws harten, verachtende en verwerpende wat in waarheid Gods woord is, en u, zo u u niet intijds bekeert, zekerlijk zo zal treffen, gelijk Ik u in het voorgaande gezegd heb. Sommigen aldus: De Heer heeft gesproken; te weten de volgende woorden.
[^jeremia-13-16-16]: Kanttekening 16: Bekennend zijn bestraffingen en dreigementen rechtvaardig te zijn, en u van harte bekerende; vergelijk Joz. 7:19; Hos. 11:7, en de aantekening daar. Jozua 7:19: Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet. Hosea 11:7: Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.
[^jeremia-13-16-17]: Kanttekening 17: Dat is, deze ellende en plagen u toezend; zie Gen. 15:12. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^jeremia-13-16-18]: Kanttekening 18: 18 schemerende bergen: Hebreeuws, bergen van de schemering (הָרֵי); dat is, die ten tijde van de schemering met duisternis als bedekt worden. Deze gelijkenis schijnt genomen te zijn van degenen, die bij nacht in oneffen bergachtige plaatsen reizen.
[^jeremia-13-16-19]: Kanttekening 19: 19 licht wacht: Dat is, voorspoed, troost en blijdschap, zie Job 18:5, 18:6. Job 18:5: Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk van zijn vuur zal niet glinsteren. Job 18:6: Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
[^jeremia-13-16-a]: Verwijzing a: Jes. 59:9. Jesaja 59:9: Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden.
[^jeremia-13-16-20]: Kanttekening 20: Te weten licht, dat is, dat God, in plaats van licht, u overvalle met ene doodschaduw; zie Ps. 23:4. Psalmen 23:4: Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
[^jeremia-13-16-b]: Verwijzing b: Ps. 44:20. Psalmen 44:20: Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van de draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
[^jeremia-13-17-21]: Kanttekening 21: Dat u tot uw eigen verderf, zo verschrikkelijk trots en hardnekkig zijt, u niet willende buigen noch vernederen voor de Heer, door ware bekering; zie vers 15. Jeremia 13:15: Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want YHWH heeft het gesproken.
[^jeremia-13-17-c]: Verwijzing c: Klaagl. 1:2; idem v. 16. Klaagliederen 1:2: Beth. Zij weent steeds van de nacht, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. Klaagliederen 1:16: Ain. Om van deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
[^jeremia-13-17-22]: Kanttekening 22: 22 bitterlijk tranen: Hebreeuws, tranende tranen.
[^jeremia-13-17-23]: Kanttekening 23: Gelijk boven Jer. 9:18. Jeremia 9:18: En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water stromen.
[^jeremia-13-17-24]: Kanttekening 24: 24 is weggevoerd: Dat is, dat Juda \[zijnde immers het eigen volk van YHWH, dat Hij uit alle natiën voor zich heeft uitgezonderd\] voorzeker zal moeten gevankelijk worden weggevoerd; zo in het volgende.
[^jeremia-13-18-25]: Kanttekening 25: 25 Zeg tot de koning: Woorden van God tot Jeremia, of, gelijk sommigen, van de profeet tot het volk.
[^jeremia-13-18-26]: Kanttekening 26: Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 11:19. 1 Koningen 11:19: En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zus van zijn huisvrouw, de zus van Tachpenes, de koningin.
[^jeremia-13-18-27]: Kanttekening 27: 27 Vernedert u: Of, zet u neder omlaag, te weten in het stof, op de aarde.
[^jeremia-13-18-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, uwe hoofdversierselen, of hoofdsieraden is gedaald; dat is, al uw koninklijk hoofdsieraad is weg en verwisseld met een nederigen staat. Anders: uwe uitnemendheden, hoogheden.
[^jeremia-13-18-29]: Kanttekening 29: 29 uw heerlijkheid: Dat is, uw koninklijke kroon, waarmee u pleegt te pronken.
[^jeremia-13-19-30]: Kanttekening 30: Te weten van Egypte in het zuiden van Kanaän gelegen, waar de Joden gewoon waren en nu ook mochten menen hun toevlucht te nemen, maar tevergeefs; sommigen verstaan de steden van Juda, in het zuideinde gelegen, alsof de profeet zei: Zelfs de uiterste steden van Juda, die het allerverst van Babel afliggen, zijn van mensen ontbloot, dat er niemand uit- of ingaat.
[^jeremia-13-19-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, \[in\] volkomenheden; dat is, geheel en al. Anders: \[de stad\] dergenen die in vrede zaten; dat is, die zorgeloos waren, niets dan vrede verwachtende.
[^jeremia-13-20-32]: Kanttekening 32: 32 noorden komen: Van Babel.
[^jeremia-13-20-33]: Kanttekening 33: Dat is, het volk van de Heer. Zie vers 17. Dit schijnt tot de koning van Juda gesproken te zijn; zij zijn weggevoerd, wil hij zeggen. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat de kudde van YHWH gevankelijk is weggevoerd.
[^jeremia-13-20-34]: Kanttekening 34: 34 gegeven was: Dat is, bevolen en vertrouwd om naar mijn wetten te regeren en te beschermen.
[^jeremia-13-20-35]: Kanttekening 35: Of, sierlijkheid; dat is, waarmee u versierd was.
[^jeremia-13-21-36]: Kanttekening 36: 36 u zeggen: O Juda, of dochter van mijn volk.
[^jeremia-13-21-37]: Kanttekening 37: 37 Hij bezoeking: God, door de Babyloniërs, die zij, door aanzoek van hulp, gewend en aangelokt hadden om heer en meester over Juda te wezen. Vergelijk 2 Kon. 16:7, enz. 2 Koningen 16:7: Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^jeremia-13-21-d]: Verwijzing d: Jer. 6:24. Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-13-21-38]: Kanttekening 38: 38 barende vrouw: Hebreeuws, ene vrouw van de baring, of van het baren (אֵשֶׁת); dat is, die in barensnood is.
[^jeremia-13-22-39]: Kanttekening 39: Dat is, bij uzelven denken.
[^jeremia-13-22-e]: Verwijzing e: Jer. 5:19; Jer. 16:10. Jeremia 5:19: En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons YHWH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Gelijk als u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is. Jeremia 16:10: En het zal gebeuren, als u dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt YHWH al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen YHWH, onze God, gezondigd hebben?
[^jeremia-13-22-40]: Kanttekening 40: 40 Om de: Dit is Gods antwoord op zulke gedachten.
[^jeremia-13-22-41]: Kanttekening 41: Of, grootheid.
[^jeremia-13-22-42]: Kanttekening 42: Dat is, bent u openbaar voor al de wereld te schande gemaakt, door schandelijke vlucht en zeer smadelijke wegvoering in gevangenis en slavernij; manier van spreken, genomen van het hoog opheffen van de vrouwelijke kleren, hetzij door geweld van anderen, of eigen nood, als men zulks moet doen om vaardiger te vluchten, wateren door te gaan, enz. Zie onder vers 26, en Jes. 20:4, en Jes. 47:2, 47:3; idem Ez. 16:37, en Ez. 23:29; Hos. 2:9; Micha 1:11. Jeremia 13:26: Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. Jesaja 20:4: Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. Jesaja 47:2: Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren. Jesaja 47:3: Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met wie u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen. Ezechiël 23:29: Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontdekt worde, en ook uw schandelijkheid en uw hoererijen. Hosea 2:9: En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen van haar boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen. Micha 1:11: Ga door, u inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van u nemen.
[^jeremia-13-22-f]: Verwijzing f: Jes. 47:2; idem v. 3. Jesaja 47:2: Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren. Jesaja 47:3: Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.
[^jeremia-13-22-43]: Kanttekening 43: 43 hebben geweld: Dat is, zijn met geweld ontbloot, of ontschoeid; of uwe hielen zijn geweldzaam gehandeld; dat is, in de stok, of in boeien gedaan, of in gevangenschap weggevoerd.
[^jeremia-13-23-44]: Kanttekening 44: 44 Zal ook een Moorman: Ene vraag, die sterk loochent. Alsof God zei: De Moriaan en luipaard kunnen toch zulks in geen geval doen; vergelijk Ps. 55:20. Psalmen 55:20: God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; omdat bij hen geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen.
[^jeremia-13-23-45]: Kanttekening 45: Die hij de ene bij de andere in menigte samengevoegd op zijn lijf draagt, waar het Hebreeuwse woord eigenlijk op ziet.
[^jeremia-13-23-46]: Kanttekening 46: 46 geleerd zijt: Dat is, gewend, gelijk boven vers 21, en Jer. 2:24; Hos. 10:11, enz. Jeremia 13:21: Wat zult u zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar u hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw? Jeremia 2:24: Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden. Hosea 10:11: Omdat Efraïm een vaars is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
[^jeremia-13-24-47]: Kanttekening 47: Een vollen, gladden, doorgaanden wind; zie boven Jer. 4:12, waartegen een lichte stoppel toch niet vermag te blijven; dit beduidt de verstrooiing van de Joden uit hun land, die zij door de verleiding van de valse profeten hielden voor ongelooflijk en onmogelijk. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken.
[^jeremia-13-25-48]: Kanttekening 48: Dat is, de straf, die Ik u toegemeten heb, naar de eis van mijn rechtvaardigheid en uw verdiensten. Vergelijk 2 Kon. 21:13; Job 20:29; Ps. 11:6; Jes. 65:7; idem Ps. 78:50, met de aantekening. 2 Koningen 21:13: En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid. Job 20:29: Dit is het deel van de goddeloze mens van God, en de erve van zijn redenen van God. Psalmen 11:6: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Jesaja 65:7: Uw ongerechtigheden, en de ongerechtigheden van uw vaderen tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. Psalmen 78:50: Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.
[^jeremia-13-25-49]: Kanttekening 49: Valse profetieën, afgoden, vestingen en ijdele menselijke hulp.
[^jeremia-13-26-50]: Kanttekening 50: Zie boven vers 22, en Ez. 16:37. Jeremia 13:22: Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met wie u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^jeremia-13-27-51]: Kanttekening 51: Zie boven Jer. 5:8. Jeremia 5:8: Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een ieder naar de huisvrouw van zijn naaste.
[^jeremia-13-27-52]: Kanttekening 52: Zie boven Jer. 2:20. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jeremia-13-27-53]: Kanttekening 53: Zie 2 Kron. 15:8, en Ez. 20:7. 2 Kronieken 15:8: Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was. Ezechiël 20:7: En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^jeremia-13-27-54]: Kanttekening 54: 54 zult u niet rein worden: Of, u bent niet rein.
[^jeremia-13-27-55]: Kanttekening 55: 55 Hoe lang nog na deze: Hebreeuws, na wanneer nog? dat is, na hoe langen tijd nog zoudt u u reinigen? Alsof de Heer zei: Hoe lang zou Ik wachten naar uwe reiniging? Het zou toch al tevergeefs zijn, omdat u dagelijks erger wordt, daarom zal Ik met mijn oordeel moeten voortgaan. Vergelijk Hos. 8:5. Hosea 8:5: Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen?

### Jeremia 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/14.json)

*Profetie over de grote droogte en de ellende die in Juda daarop zou volgen, vers 1, enz. een jammerlijk en vurig gebed van de profeet om genade voor Juda, 7. waarop God hem zijn voorbidden met bijgevoegde redenen verbiedt, 10. De profeet verontschuldigt het volk, zoveel hij kan, door de verleiding van de valse profeten, maar het helpt niet, God wil die profeten en het volk tezamen straffen, 13. De profeet wordt bevolen door weeklagen de ellende af te beelden, 17. hij bidt opnieuw zeer jammerlijk voor het volk, 19.*

**1** Het woord van YHWH, dat tot Jeremia gebeurd is, over de[^jeremia-14-1-1] zaken van de grote droogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v1)

**2** [^jeremia-14-2-2] Juda treurt en haar[^jeremia-14-2-3] poorten zijn[^jeremia-14-2-4] verzwakt; zij zijn in[^jeremia-14-2-5] het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei[^jeremia-14-2-6] klimt op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v2)

**3** En hun[^jeremia-14-3-7] voortreffelijken zenden hun[^jeremia-14-3-8] kleinen naar water; zij komen tot de[^jeremia-14-3-9] grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun kruiken leeg weer; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en[^jeremia-14-3-10] bedekken hun hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v3)

**4** Omdat de aarde[^jeremia-14-4-11] gescheurd is, omdat er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v4)

**5** Want ook de[^jeremia-14-5-12] hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v5)

**6** En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij[^jeremia-14-6-13] scheppen de wind gelijk de[^jeremia-14-6-14] draken; hun ogen versmachten, omdat er geen[^jeremia-14-6-a] kruid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v6)

**7** [^jeremia-14-7-15] Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons[^jeremia-14-7-16] getuigen, o YHWH![^jeremia-14-7-17] doe het omwille van Uw Naam; want onze afkeringen zijn[^jeremia-14-7-18] veelvuldig, wij hebben tegen U gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v7)

**8** O Israëls[^jeremia-14-8-19] Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zou U zijn als een[^jeremia-14-8-20] vreemdeling in het land, en als een[^jeremia-14-8-21] reiziger, die slechts inkeert om te overnachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v8)

**9** Waarom zou U zijn als een[^jeremia-14-9-22] versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? U bent toch in het midden van ons, o YHWH! en wij zijn[^jeremia-14-9-23] naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v9)

**10** Zo zegt YHWH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te[^jeremia-14-10-25] zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft YHWH geen welgevallen aan hen,[^jeremia-14-10-26] nu zal Hij aan hun ongerechtigheden[^jeremia-14-10-27] gedenken, en hun zonden[^jeremia-14-10-28] bezoeken.[^jeremia-14-10-24][^jeremia-14-10-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v10)

**11** Verder zei YHWH tot mij:[^jeremia-14-11-c] Bid niet voor dit volk[^jeremia-14-11-29] ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v11)

**12** [^jeremia-14-12-d] Hoewel zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en hoewel zij[^jeremia-14-12-e] brandoffer en voedseloffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door de honger, en door de pest zal Ik[^jeremia-14-12-f] hen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v12)

**13** Toen zei ik: Ach, Adonai YHWH! zie, die[^jeremia-14-13-30] profeten zeggen hun: U zult geen zwaard zien, en u zult geen[^jeremia-14-13-31] honger[^jeremia-14-13-32] hebben; maar[^jeremia-14-13-33] Ik zal u een[^jeremia-14-13-34] gewisse vrede geven in deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v13)

**14** En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam;[^jeremia-14-14-g] Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een[^jeremia-14-14-35] vals visioen, en[^jeremia-14-14-36] waarzegging, en[^jeremia-14-14-37] nietigheid, en bedriegerij van hun harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v14)

**15** Daarom zegt YHWH zo: Voor wat betreft de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; die profeten zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v15)

**16** En het volk, tot wie zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege de honger en het zwaard; en er zal niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters; zo zal Ik hun[^jeremia-14-16-38] boosheid over hen[^jeremia-14-16-39] uitstorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v16)

**17** Daarom zult u dit woord tot hen zeggen:[^jeremia-14-17-h] Mijn ogen zullen van tranen[^jeremia-14-17-40] neerdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de[^jeremia-14-17-41] jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een[^jeremia-14-17-42] grote breuk,[^jeremia-14-17-43] een plaag, die zeer pijnlijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v17)

**18** Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad kom, ziet daar de[^jeremia-14-18-44] zieken van honger! Ja,[^jeremia-14-18-45] zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en[^jeremia-14-18-46] weten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v18)

**19** Hebt U dan Juda[^jeremia-14-19-47] geheel verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt U ons geslagen, dat er[^jeremia-14-19-48] geen genezing voor ons is?[^jeremia-14-19-i] Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v19)

**20** YHWH! wij kennen onze goddeloosheid, en de ongerechtigheid van onze vaders, want wij hebben[^jeremia-14-20-k] tegen U gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v20)

**21** Versmaad ons niet, omwille van Uw Naam;[^jeremia-14-21-49] werp de[^jeremia-14-21-50] troon van Uw heerlijkheid niet neer;[^jeremia-14-21-51] gedenk,[^jeremia-14-21-52] vernietig niet Uw verbond met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v21)

**22** Zijn er onder de[^jeremia-14-22-53] zinloosheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel[^jeremia-14-22-54] druppelen[^jeremia-14-22-55] geven? Bent[^jeremia-14-22-l] U[^jeremia-14-22-56] die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op[^jeremia-14-22-57] U wachten, want U[^jeremia-14-22-58] doet al die dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/14.html#v22)

[^jeremia-14-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws eigenlijk, woorden, of zaken van de ophoudingen, wederhoudingen, afsnijdingen, verhinderingen, afweringen; te weten, van regen en dauw, \[zie boven Jer. 3:3\], waaruit dan droogte moet volgen en duurte, zodat het Hebreeuwse woord daarvoor ook genomen wordt. Vergelijk onder Jer. 17:8, en zie de betekenis van het oorspronkelijke woord Gen. 11:6; Job 42:2, enz. Jeremia 3:3: Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden. Jeremia 17:8: Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Genesis 11:6: En YHWH zei: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? Job 42:2: Ik weet, dat U alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.
[^jeremia-14-2-2]: Kanttekening 2: 2 Juda treurt: Dat is, het volk, of het land Juda; Hij spreekt hier van Juda, als van ene vrouw.
[^jeremia-14-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, steden, en verder de inwoners, of de rechters en het volk, dat in de poorten placht bijeen te komen. Zie Gen. 22:17. Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^jeremia-14-2-4]: Kanttekening 4: Of, flauw, amechtig geworden.
[^jeremia-14-2-5]: Kanttekening 5: 5 zwart gekleed: Of, liggen ter aarde in het zwart, tot teken van rouw; zie Job 5:11, en Ps. 35:14. Job 5:11: Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^jeremia-14-2-6]: Kanttekening 6: 6 klimt op: Neemt toe, wordt groter en groter, vanwege de grote ellende, die men overal in het land ziet, vanwege droogte en gebrek bij groten en kleinen, gelijk volgt.
[^jeremia-14-3-7]: Kanttekening 7: Of, doorluchtigen, heerlijken, enz.; zie Ps. 8:2. Psalmen 8:2: O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
[^jeremia-14-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, dienaren.
[^jeremia-14-3-9]: Kanttekening 9: Of, sloten.
[^jeremia-14-3-10]: Kanttekening 10: Of, bewinden; tot teken van schaamte en rouw; zie 2 Sam. 15:30; zo in vers 4. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende. Jeremia 14:4: Omdat de aarde gescheurd is, omdat er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.
[^jeremia-14-4-11]: Kanttekening 11: 11 gescheurd is: Of, gebarsten, gespleten.
[^jeremia-14-5-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws, de hinde baart, enz.
[^jeremia-14-6-13]: Kanttekening 13: Gelijk boven Jer. 2:24; zich daarmede verkwikkende inplaats van vochtig gras of water. Jeremia 2:24: Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
[^jeremia-14-6-14]: Kanttekening 14: Die zeer sterk uit- en inademen, gelijk sommigen daarvan schrijven.
[^jeremia-14-6-a]: Verwijzing a: Jer. 12:4. Jeremia 12:4: Hoe lang zal het land treuren, en het kruid van de gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; omdat zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.
[^jeremia-14-7-15]: Kanttekening 15: Of, omdat, zekerlijk.
[^jeremia-14-7-16]: Kanttekening 16: Vergelijk Jes. 59:12; Hos. 5:5, en Hos. 7:10. Jesaja 59:12: Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij; Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. Hosea 7:10: Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.
[^jeremia-14-7-17]: Kanttekening 17: 17 doe het: Alsof de profeet zei: Staan onze zonden U in de weg, dat U ons gene weldadigheid kunt bewijzen, zo neem en vind de oorzaak in Uzelven en doe het om uws dierbaren naams wil, opdat uw ondoorgrondelijke barmhartigheid en lankmoedigheid bij de vromen genoemd en uw naam van de vijanden niet gelasterd worde. Dit is de voorbede van de profeet voor het volk.
[^jeremia-14-7-18]: Kanttekening 18: Of, groot.
[^jeremia-14-8-19]: Kanttekening 19: O U enige ware God, in wie alleen uwe kerk haar hoop stelt, en van wie zij in haar noden behoort en pleegt hulp te verwachten en te ontvangen. Zo onder Jer. 17:13, en Jer. 50:7. Vergelijk onder vers 22. Jeremia 17:13: O YHWH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de Springader van het levende water. Jeremia 50:7: Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen YHWH, de Verwachting van hun vaderen. Jeremia 14:22: Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt U die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen.
[^jeremia-14-8-20]: Kanttekening 20: Dat is, U houden alsof U niet meer bewogen was over onze staat als een vreemde, of iemand, die maar door het land passeert enz., daar U immers onder ons uw vaste woning hebt genomen, gelijk volgt.
[^jeremia-14-8-21]: Kanttekening 21: Of, reizende \[man\], wandelaar.
[^jeremia-14-9-22]: Kanttekening 22: 22 versaagd man: Of, verbaasd, die geen raad weet. Anders: afgemat. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^jeremia-14-9-23]: Kanttekening 23: 23 naar Uw Naam: Gelijk boven Jer. 7:10. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-14-10-25]: Kanttekening 25: Nu naar vreemde heidense volken, dan naar allerlei afgoden, om hulp te zoeken. Zie boven Jer. 2:36, enz. Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent.
[^jeremia-14-10-26]: Kanttekening 26: 26 nu zal Hij: Dat is, al haast zal Hij hen straffen. Zie Hos. 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^jeremia-14-10-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 8:1, en vergelijk Hos. 8:13, en Hos. 9:9. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden van Mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
[^jeremia-14-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, straffen. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-14-10-24]: Kanttekening 24: 24 van dit volk: Dit is Gods antwoord op de voorbede van Jeremia.
[^jeremia-14-10-b]: Verwijzing b: Hosea 8:13; Hosea 9:9. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
[^jeremia-14-11-c]: Verwijzing c: Ex. 32:10; Jer. 7:16; Jer. 11:14. Exodus 32:10: En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. Jeremia 7:16: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. Jeremia 11:14: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.
[^jeremia-14-11-29]: Kanttekening 29: 29 ten goede: Tot hun best, dat Ik hen langer zou sparen; versta dit ten aanzien van de onbekeerlijken, waardoor God het gehele volk wil vertonen hoezeer Hij op hen vertoornd was, om de bekeerlijken te bewegen tot boetvaardigheid.
[^jeremia-14-12-d]: Verwijzing d: Spreuk. 1:28; Jes. 1:15; Jer. 11:11; Ez. 8:18; Micha 3:4. Spreuken 1:28: Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Jesaja 1:15: En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jeremia 11:11: Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit dat zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen. Ezechiël 8:18: Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen. Micha 3:4: Alsdan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
[^jeremia-14-12-e]: Verwijzing e: Jer. 6:20; Jer. 7:21; idem 7:22. Jeremia 6:20: Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Jeremia 7:21: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Doet uw brandofferen tot uw slachtofferen, en eet vlees. Jeremia 7:22: Want Ik heb met uw vaderen, op de dag als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken van het brandoffer of slachtoffers.
[^jeremia-14-12-f]: Verwijzing f: Jer. 9:16. Jeremia 9:16: En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.
[^jeremia-14-13-30]: Kanttekening 30: Versta, valse profeten, gelijk volgt. Zie boven Jer. 5:31, en Jer. 6:13. Jeremia 5:31: De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u ten einde van die maken? Jeremia 6:13: Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.
[^jeremia-14-13-31]: Kanttekening 31: 31 zwaard zien: Dat is, geen geweld noch overlast van krijg of oorlog ondervinden, of zulks zal u niet overkomen. Zie Job 7:7, en onder Jer. 42:14. Job 7:7: Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Jeremia 42:14: Zeggende: Nee, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen krijg zullen zien, noch het geluid van de bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven;
[^jeremia-14-13-32]: Kanttekening 32: 32 honger hebben: Dat is, hongersnood.
[^jeremia-14-13-33]: Kanttekening 33: 33 Ik zal u: Alsof God zelf dit gesproken had.
[^jeremia-14-13-34]: Kanttekening 34: 34 gewisse vrede: Hebreeuws, vrede van de waarheid, gewisheid, trouw (שְׁלוֹם); dat is, een ongetwijfelden, gewissen, vasten vrede, dat is, zekeren welstand.
[^jeremia-14-14-g]: Verwijzing g: Jer. 23:21; Jer. 27:15; Jer. 29:8; idem 29:9. Jeremia 23:21: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Jeremia 27:15: Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 29:9: Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt YHWH.
[^jeremia-14-14-35]: Kanttekening 35: 35 vals gezicht: Hebreeuws, gezicht van de valsheid, of van de leugen.
[^jeremia-14-14-36]: Kanttekening 36: Zie Deut. 18:10; Ez. 13:2, 13:3, 13:7, 13:8, 13:9, met de aantekening. Deuteronomium 18:10: Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH. Ezechiël 13:3: Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! Ezechiël 13:7: Ziet u niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: YHWH spreekt, daar Ik niet gesproken heb? Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 13:9: En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering van Mijn volk niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^jeremia-14-14-37]: Kanttekening 37: Van het Hebreeuwse woord elil, dat een nietig ding, of nietigheid betekent, worden de afgoden ook genoemd elilim. Zie Lev. 19:4. Leviticus 19:4: U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^jeremia-14-16-38]: Kanttekening 38: Of, hun kwaad; dat is, de straf van hun boosheid; gelijk boven Jer. 11:12, beide in enen zin. Jeremia 11:12: Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan, en roepen tot de goden, die zij gerookt hebben; maar zij zullen hen geheel niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.
[^jeremia-14-16-39]: Kanttekening 39: Vergelijk boven Jer. 10:25. Jeremia 10:25: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
[^jeremia-14-17-h]: Verwijzing h: Jer. 13:17; Klaagl. 1:16; Klaagl. 2:18. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat van YHWH kudde gevankelijk is weggevoerd. Klaagliederen 1:16: Ain. Om van deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. Klaagliederen 2:18: Tsade. Hun hart schreeuwde tot de Heer: O u muur van de dochter van Sion, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!
[^jeremia-14-17-40]: Kanttekening 40: Gelijk boven Jer. 9:18. Jeremia 9:18: En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water stromen.
[^jeremia-14-17-41]: Kanttekening 41: Dat is, mijn volk, of mijn landslieden. Of, \[gelijk sommigen\] de staat van mijn volk, dat hij, naar de stijl van de vrouw, vanwege haar schoonheid, tederheid en aangenaamheid, ten aanzien van de staat, die hun van God gegeven was; of \[gelijk sommigen\] omdat zij nog nooit ganselijk overwonnen en verwoest waren. Zie 2 Kon. 19:21. Anders: de jonkvrouw, de dochter van mijn volk. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jeremia-14-17-42]: Kanttekening 42: Zie boven Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-14-17-43]: Kanttekening 43: 43 plage, die zeer smartelijk is: Of wonde, die zeer pijnlijk, weedoende, zerig, en verder gevaarlijk is; zo boven Jer. 10:19, onder Jer. 30:12; Nah. 3:19. Jeremia 10:19: O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! Jeremia 30:12: Want zo zegt YHWH: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk. Nahum 3:19: Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wie is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
[^jeremia-14-18-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, ziekten. Zie Job 24:20. Job 24:20: De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijn wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.
[^jeremia-14-18-45]: Kanttekening 45: 45 zowel de profeten als de priesters: Hebreeuws, ook de profeet, ook de priester (נָבִיא).
[^jeremia-14-18-46]: Kanttekening 46: 46 weten niet: Dat is, weten geen raad, weten niet wat zij zullen doen of laten, die het betaamde dit kwaad te verbeteren. Anders: want beiden, profeten en priesters, drijven kramerij tegen het land, en zij het volk merken het niet; te weten dat zij hen met valse profetieën uitputten en bedriegen. Vergelijk boven Jer. 5:31. Jeremia 5:31: De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u ten einde van die maken?
[^jeremia-14-19-47]: Kanttekening 47: 47 ganselijk verworpen: Hebreeuws, verwerpende, verworpen?
[^jeremia-14-19-48]: Kanttekening 48: Of, medicijn, remedie.
[^jeremia-14-19-i]: Verwijzing i: Jer. 8:15. Jeremia 8:15: Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.
[^jeremia-14-20-k]: Verwijzing k: Ps. 106:6; Dan. 9:8. Psalmen 106:6: Wij hebben gezondigd, en ook onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld. Daniël 9:8: O Heer! bij ons is de beschaamdheid van de aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
[^jeremia-14-21-49]: Kanttekening 49: 49 werp de … niet neder: Of, kleinacht niet, laat niet vervallen, of verwelken, onteer niet.
[^jeremia-14-21-50]: Kanttekening 50: Uwen tempel, Jeruzalem, Juda, waar U uwe zitplaats genomen en uwe eer geopenbaard hebt; of, men kan hierdoor verstaan de ark van het verbond, gelijk Ps. 63:3, en Ps. 78:61. Psalmen 63:3: Werkelijk, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer; Psalmen 78:61: En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de wederpartijder.
[^jeremia-14-21-51]: Kanttekening 51: Te weten van uw verbond.
[^jeremia-14-21-52]: Kanttekening 52: 52 vernietig niet: Of, maak niet krachteloos, breek niet, het verbond dat U met ons gemaakt hebt.
[^jeremia-14-22-53]: Kanttekening 53: 53 ijdelheden van de heidenen, die doen regenen: Dat is, kunnen de afgoden regen geven? Zie 1 Kon. 16:13, en 2 Kon. 17:15. Hij wil zeggen: In geen geval. Zie Gen. 18:17. 1 Koningen 16:13: Om al de zonden van Baësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende YHWH, de God van Israël, door hun ijdelheden. 2 Koningen 17:15: Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van wie YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die. Genesis 18:17: En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^jeremia-14-22-54]: Kanttekening 54: Of, regenschuren.
[^jeremia-14-22-55]: Kanttekening 55: Te weten van zichzelven?
[^jeremia-14-22-l]: Verwijzing l: Ps. 135:7; Ps. 147:8; Jes. 30:23; Jer. 5:24; Jer. 10:13. Psalmen 135:7: Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort. Psalmen 147:8: Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten; Jesaja 30:23: Dan zal Hij uw zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het land inkomen, en hetzelfde zal vet en smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden. Jeremia 5:24: En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu YHWH, onze God, vrezen, Die de regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst, bewaart. Jeremia 10:13: Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
[^jeremia-14-22-56]: Kanttekening 56: 56 die niet: Dat is, het is immers ontwijfelbaar waar, dat U die bent, die zulks alleen doet. Zie Gen. 13:9. Genesis 13:9: Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^jeremia-14-22-57]: Kanttekening 57: 57 U wachten: Dat U ons de nodige regen geeft, want U bent onze verwachting \[boven vers 8\], gelijk in alle andere noden, zo ook in deze droogte, waarvan boven in het begin van dit hoofdstuk gesproken is. Jeremia 14:8: O Israëls Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt U zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten?
[^jeremia-14-22-58]: Kanttekening 58: 58 doet al die dingen: Of, U hebt al die dingen gemaakt; regen en droogte, enz. komen van U.

### Jeremia 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/15.json)

*God slaat het gedane voorbidden van de profeet ronduit af en gelast hem integendeel zware plagen aan het volk te verkondigen (in het bijzonder vier soorten), met vermelding van de zonden waardoor zij dit verdiend hadden, vers 1, enz. De profeet klaagt dat iedereen hem vervloekt om deze profetieën, en wordt door God getroost, 10. en het volk weer gedreigd, 13. De profeet klaagt over zijn vervolgers en bidt om behoud in zijn lijden, zich voor God beroepend op zijn onschuld, 15. wordt daarop door God onderwezen en gesterkt, 19.*

**1** [^jeremia-15-1-1] Maar YHWH zei tot mij:[^jeremia-15-1-a] Al[^jeremia-15-1-2] stond[^jeremia-15-1-b] Mozes en[^jeremia-15-1-c] Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn[^jeremia-15-1-3] ziel tot dit volk niet wezen;[^jeremia-15-1-4] drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v1)

**2** En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie[^jeremia-15-2-5] ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie voor gevangenschap bestemd is, naar de gevangenis![^jeremia-15-2-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v2)

**3** Want Ik zal[^jeremia-15-3-6] bezoeking over hen doen met vier[^jeremia-15-3-7][^jeremia-15-3-e] geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te[^jeremia-15-3-8] slepen; en met[^jeremia-15-3-f] het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v3)

**4** En Ik zal[^jeremia-15-4-9] hen overgeven tot een[^jeremia-15-4-10][^jeremia-15-4-g] beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia,[^jeremia-15-4-11] koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v4)

**5** Want wie zou[^jeremia-15-5-12] u[^jeremia-15-5-h] sparen, o Jeruzalem? of wie zou[^jeremia-15-5-13] medelijden met u hebben, of wie zou[^jeremia-15-5-14] aftreden, om u naar[^jeremia-15-5-15] vrede te vragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v5)

**6** U hebt Mij[^jeremia-15-6-i] verlaten, spreekt YHWH; u bent achteruit gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben het berouwen[^jeremia-15-6-16] moe geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v6)

**7** En Ik zal[^jeremia-15-7-k] hen wannen met een wan, in de[^jeremia-15-7-17] poorten van het land;[^jeremia-15-7-18] Ik heb Mijn volk van[^jeremia-15-7-19] kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun[^jeremia-15-7-20] wegen niet teruggekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v7)

**8** [^jeremia-15-8-21] Hun weduwen zijn Mij[^jeremia-15-8-22] meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de[^jeremia-15-8-23] moeder doen komen een[^jeremia-15-8-24] jongeling, een verwoester op de[^jeremia-15-8-25] middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen,[^jeremia-15-8-26] de stad met verschrikkingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v8)

**9** [^jeremia-15-9-27] Zij, die zeven baarde, is[^jeremia-15-9-l] zwak geworden; zij heeft haar[^jeremia-15-9-28] ziel uitgeblazen, haar[^jeremia-15-9-29] zon is ondergegaan, als het nog[^jeremia-15-9-30] dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun[^jeremia-15-9-31] overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht van hun vijanden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v9)

**10** [^jeremia-15-10-32] Wee mij, mijn moeder, dat u mij[^jeremia-15-10-m] gebaard hebt, een man van[^jeremia-15-10-33] twist, en een man van ruzie voor het hele land! Ik heb hun niet op[^jeremia-15-10-34] rente gegeven, ook hebben zij mij niet op rente gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v10)

**11** YHWH zei: Zo niet uw[^jeremia-15-11-36] overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd van het kwaad en in tijd van de benauwdheid, bij de vijand voor u[^jeremia-15-11-38] tussenkome![^jeremia-15-11-35][^jeremia-15-11-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v11)

**12** Zal ook[^jeremia-15-12-n] enig ijzer het ijzer van het noorden of[^jeremia-15-12-39] koper[^jeremia-15-12-40] verbreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v12)

**13** Ik zal uw[^jeremia-15-13-41] vermogen en uw schatten tot een[^jeremia-15-13-o] roof geven,[^jeremia-15-13-42] zonder prijs; en dat om al uw zonden,[^jeremia-15-13-43] en in al uw gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v13)

**14** En Ik zal[^jeremia-15-14-44] u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een[^jeremia-15-14-45][^jeremia-15-14-p] vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v14)

**15** O YHWH! U weet[^jeremia-15-15-46] het,[^jeremia-15-15-47] gedenk aan mij, en[^jeremia-15-15-48] bezoek mij, en[^jeremia-15-15-q] wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg[^jeremia-15-15-49] in Uw geduld over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v15)

**16** Als Uw woorden[^jeremia-15-16-50] gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap van mijn hart; want[^jeremia-15-16-51] ik ben naar Uw Naam genoemd, o YHWH, God van[^jeremia-15-16-52] de legermachten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v16)

**17** Ik heb in de raad van[^jeremia-15-17-53][^jeremia-15-17-r] de bespotters niet[^jeremia-15-17-54] gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw[^jeremia-15-17-55] hand heb ik[^jeremia-15-17-56] alleen gezeten, want U hebt mij[^jeremia-15-17-57] met toorn vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v17)

**18** Waarom is mijn[^jeremia-15-18-s] pijn[^jeremia-15-18-58] steeds durende, en mijn plaag pijnlijk? Zij weigert geheeld te worden; zou U mij[^jeremia-15-18-59] geheel zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet[^jeremia-15-18-60][^jeremia-15-18-t] bestendig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v18)

**19** Daarom zegt YHWH zo: Zo u zult terugkeren, zo zal Ik u doen[^jeremia-15-19-62] terugkeren; u zult voor Mijn aangezicht[^jeremia-15-19-63] staan; en zo u[^jeremia-15-19-64] het kostelijke van het snode uittrekt, zult u als Mijn[^jeremia-15-19-65] mond zijn;[^jeremia-15-19-66] laat hen tot u terugkeren, maar u zult tot hen niet[^jeremia-15-19-67] terugkeren.[^jeremia-15-19-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v19)

**20** Want Ik[^jeremia-15-20-68] heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten[^jeremia-15-20-v] muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v20)

**21** Ja, Ik zal u rukken uit de hand van de bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm van de tirannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/15.html#v21)

[^jeremia-15-1-1]: Kanttekening 1: 1 YHWH: God antwoordt verder op de voorgaande voorbede van Jeremia.
[^jeremia-15-1-a]: Verwijzing a: Ez. 14:14. Ezechiël 14:14: Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden dezelfde waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heer YHWH.
[^jeremia-15-1-2]: Kanttekening 2: 2 stond Mozes: Dat is, al waren zij nu in het leven en baden voor dit volk, zo zou Ik hen toch niet verhoren, gelijk Ik wel eertijds gedaan heb; zie Ex. 32:14; 1 Sam. 7:9, en vergelijk Ez. 14:14, 14:18, 14:20. Exodus 32:14: Toen berouwde YHWH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen. 1 Samuël 7:9: Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel YHWH ten brandoffer; en Samuël riep tot YHWH voor Israël; en YHWH verhoorde hem. Ezechiël 14:14: Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden daarvan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 14:18: Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden. Ezechiël 14:20: Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
[^jeremia-15-1-b]: Verwijzing b: Ex. 32:14. Exodus 32:14: Toen berouwde YHWH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.
[^jeremia-15-1-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 7:9. 1 Samuël 7:9: Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel YHWH ten brandoffer; en Samuël riep tot YHWH voor Israël; en YHWH verhoorde hem.
[^jeremia-15-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, lust, genegenheid, vergelijk Ps. 27:12. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^jeremia-15-1-4]: Kanttekening 4: 4 drijf ze weg: Dat is, profeteer hun in mijn naam dat Ik hen uit mijn huis, stad en land zal verdrijven. Vergelijk boven Jer. 1:10. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^jeremia-15-2-5]: Kanttekening 5: 5 ten dood: Dat is, sterfte, pest, enz. Versta, gesteld of verordineerd of overgegeven \[gelijk vers 4\] is, die zal uitgaan tot, enz. gelijk uit het voorgaande kan worden afgenomen, en zo in het volgende, zo onder Jer. 43:11. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. Jeremia 43:11: En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde.
[^jeremia-15-2-d]: Verwijzing d: Zach. 11:9. Zacharia 11:9: En ik zei: ik zal u niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de één van de anderen vlees verslinden.
[^jeremia-15-3-6]: Kanttekening 6: Anders: Ik zal over hen stellen, als officieren, of opzieners.
[^jeremia-15-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, soorten van plagen, die in het volgende worden opgeteld, vergelijk Ez. 14:21. Ezechiël 14:21: Want zo zegt de Heer YHWH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
[^jeremia-15-3-e]: Verwijzing e: Lev. 26:16. Leviticus 26:16: Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.
[^jeremia-15-3-8]: Kanttekening 8: Tot verscheuring.
[^jeremia-15-3-f]: Verwijzing f: Jer. 7:33. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van deze volks zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken.
[^jeremia-15-4-9]: Kanttekening 9: Of, stellen.
[^jeremia-15-4-10]: Kanttekening 10: Of, omjaging, omdrijving in alle koninkrijken, enz. Zie Deut. 28:25. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.
[^jeremia-15-4-g]: Verwijzing g: Deut. 28:25. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.
[^jeremia-15-4-11]: Kanttekening 11: 2 Kon. 21:11, 21:12, 21:13, enz. 2 Koningen 21:11: Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen; 2 Koningen 21:12: Daarom, zo zegt YHWH, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. 2 Koningen 21:13: En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid.
[^jeremia-15-5-12]: Kanttekening 12: 12 u sparen: Of, zich over u ontfermen?
[^jeremia-15-5-h]: Verwijzing h: Jes. 51:19. Jesaja 51:19: Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten?
[^jeremia-15-5-13]: Kanttekening 13: Of, u beklagen?
[^jeremia-15-5-14]: Kanttekening 14: Gelijk men van de weg afgaat, om een vriend of bekende aan te spreken en te vragen hoe het met hem is; zie Richt. 18:15. Richteren 18:15: Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van de jongeling, de Leviet, in het huis van Micha; en zij vraagden hem naar vrede.
[^jeremia-15-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, naar uw welstand, hoe het u gaat; zie Gen. 43:27. Zij zijn niet waard \[wil de Heer zeggen\] dat men zich met hen zoveel zou bemoeien, dat men eens zou vragen of het hun wèl of kwalijk gaat. Genesis 43:27: En hij vraagde hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zei? Leeft hij nog?
[^jeremia-15-6-i]: Verwijzing i: Jer. 5:7. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.
[^jeremia-15-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, dat Ik de welverdiende straffen langer zou ophouden, uitstellen, minderen of afwenden, gelijk Ik dikwijls gedaan heb, maar nu het moe ben; menselijk God gesproken; vergelijk Gen. 6:6. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^jeremia-15-7-k]: Verwijzing k: Jer. 4:11. Jeremia 4:11: In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren.
[^jeremia-15-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, in het gebied, uiterste grenssteden, sterkten, waarop u u nu verlaat; gelijk men het koren in of voor de deuren wel pleegt te wannen en te schudden, om het kaf en stof bij de wind te verstrooien en uit te wannen; zo enz. Anders: in de steden van het land; dat is, overal.
[^jeremia-15-7-18]: Kanttekening 18: 18 heb Mijn volk: Dat is, Ik zal enz., en zo in vers 8. Jeremia 15:8: Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
[^jeremia-15-7-19]: Kanttekening 19: Of, van alles wat zij hebben, of hun lief is; omdat in het volgende van de weduwen gesproken wordt, en het Hebreeuwse woord niet alleen gebruikt wordt van beroving van kinderen, maar ook van andere dingen. Zie 2 Kon. 2:19; Ez. 36:12, 36:13, 36:14, 36:15, met de aantekening. 2 Koningen 2:19: En de mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning van deze stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar. Ezechiël 36:12: En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze voortaan niet meer beroven. Ezechiël 36:13: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat zij tot u zeggen: U bent een land, dat mensen opeet, en u bent een land, dat uw volken berooft; Ezechiël 36:14: Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 36:15: En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH.
[^jeremia-15-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, hebben zich van hun bozen handel en wandel niet bekeerd. Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-15-8-21]: Kanttekening 21: 21 Hun weduwen: Van het volk.
[^jeremia-15-8-22]: Kanttekening 22: Of, sterker in getal; doordien hune mannen bij menigten zouden omgebracht worden.
[^jeremia-15-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk Jeruzalem. Anders: over de moeder van de jongelingen een verwoester op de middag; dat is, over de vergadering van de jonge manschap.
[^jeremia-15-8-24]: Kanttekening 24: De koning van Babel, wakker en fris zijnde in dit werk, als een jongeling.
[^jeremia-15-8-25]: Kanttekening 25: Vergelijk boven Jer. 6:4. Jeremia 6:4: Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^jeremia-15-8-26]: Kanttekening 26: 26 de stad: Hebreeuws, de stad, en verschrikkingen of verbaasdheden (עִיר). De zin kan zijn: Ik, zal die jongeling haar, te weten de stad, en daar zal enkel schrik zijn, of zodat er grote schrik zal zijn. Of aldus: Ik zal haastiglijk op hen de stad doen vallen en verschrikkingen.
[^jeremia-15-9-27]: Kanttekening 27: Namelijk Jeruzalem, die zoveel volk uitgaf als ene vrouw die zeven, dat is, vele \[zie Gen. 4:15\] kinderen voortbrengt. Genesis 4:15: Maar YHWH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En YHWH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
[^jeremia-15-9-l]: Verwijzing l: Amos 8:9. Amos 8:9: En het zal op die dag gebeuren, spreekt de Heer YHWH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.
[^jeremia-15-9-28]: Kanttekening 28: Is gestorven van hartzeer en jammer, en troosteloos. Vergelijk Job 11:20. Job 11:20: Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel.
[^jeremia-15-9-29]: Kanttekening 29: Dat is, haar vreugde, of bloeiende staat, is veranderd in de uiterste droefenis en ellende, ten tijde als zij nog in haar bloei was of meende te zijn. Vergelijk 2 Sam. 23:4; Amos 8:9; Micha 3:6. 2 Samuël 23:4: En Hij zal zijn gelijk het licht van de morgen, wanneer de zon opgaat, van de morgen zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. Amos 8:9: En het zal op die dag gebeuren, spreekt de Heer YHWH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren. Micha 3:6: Daarom zal het nacht voor u worden vanwege het gezicht, en u zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.
[^jeremia-15-9-30]: Kanttekening 30: 30 dag was: Of, hunlieder dag.
[^jeremia-15-9-31]: Kanttekening 31: Die in het eerst niet zijn omgebracht.
[^jeremia-15-10-32]: Kanttekening 32: 32 Wee mij: De profeet, merkende dat hij Gods oordeel niet kon afbidden, wordt hartelijk bedroefd en klaagt over zijn moeilijken verdrietigen staat onder zijn boze landslieden, waartegen de Heer hem vertroost in vers 11. Jeremia 15:11: YHWH zei: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd van het kwaad en in tijd van de benauwdheid, bij de vijand voor u tussenkome!
[^jeremia-15-10-m]: Verwijzing m: Job 3:1; Jer. 20:14. Job 3:1: Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. Jeremia 20:14: Vervloekt zij de dag, op welke ik geboren ben; de dag, op welke mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!
[^jeremia-15-10-33]: Kanttekening 33: Met wie een ieder twist en krakeelt. Vergelijk 2 Sam. 8:10. 2 Samuël 8:10: Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;
[^jeremia-15-10-34]: Kanttekening 34: Waaruit gemeenlijk twisten en krakelen, schelden en lasteren pleegt te ontstaan. De profeet wil zeggen dat hij hun geen oorzaak heeft gegeven van twist, haat en vloek, als niets met hen te doen hebbende, buiten het woord van de Heer en zijn beroep, waarom hij alleen moest lijden.
[^jeremia-15-11-36]: Kanttekening 36: Of, het overige van u. De zin schijnt te zijn: zo Ik niet zal maken dat het u welga in de overige tijd van uw leven, waarin u zult overblijven, wanneer dit boze volk zal geplaagd worden en omkomen; of, dat Ik het volk een overblijfsel behoud in het midden van de straffen.
[^jeremia-15-11-38]: Kanttekening 38: Of, voorspreek, tusschenspreek, gelijk Jes. 59:16. Of, de vijand u \[ten goede\] doe bejegenen! Dat is, make dat de vijand u vriendelijk behandele. Zie de vervulling hiervan onder Jer. 40:1, 40:2, 40:3, 40:4, enz. Jesaja 59:16: Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. Jeremia 40:1: Het woord, dat van YHWH geschied is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste van de trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd. Jeremia 40:2: Want de overste van de trawanten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken. Jeremia 40:3: En YHWH heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen YHWH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze zaak geschied. Jeremia 40:4: Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.
[^jeremia-15-11-35]: Kanttekening 35: 35 Zo niet: Een afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk. Zie Gen. 14:23, en Deut. 1:35. God zweert Jeremia dat Hij zijn lijden ten beste zal veranderen, zodat hij het ten tijde van de overval van de vijand veel beter zal hebben dan dit boze volk. Sommigen nemen het vragenderwijze, in denzelfden zin. Genesis 14:23: Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! Deuteronomium 1:35: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^jeremia-15-11-37]: Kanttekening 37: Dat is, van de plagen en ellenden.
[^jeremia-15-12-n]: Verwijzing n: Jer. 6:28. Jeremia 6:28: Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers.
[^jeremia-15-12-39]: Kanttekening 39: Of, staal.
[^jeremia-15-12-40]: Kanttekening 40: In geen geval, wil God zeggen. \[Omdat het noordse ijzer veel harder en als staal is, gelijk de landbeschrijvers ook betuigen,\] zijn dan deze mensen, die u dus kwellen, hard, zo ben Ik nog harder, machtig genoeg om hun aanslagen tegen u te breken. Maar sommigen verstaan dat God in vers 12 opnieuw begint te spreken van de aankomst van de Babyloniërs van het noorden, wier macht de Joden met hun tegenweer zo weinig zouden kunnen wederstaan als een gemeen ijzer zwaard een noords stalen zwaard zou kunnen verbreken; beide in een goeden zin. Jeremia 15:12: Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?
[^jeremia-15-13-41]: Kanttekening 41: Dat is, rijkdom.
[^jeremia-15-13-o]: Verwijzing o: Jer. 17:3. Jeremia 17:3: Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, en ook uw hoogten, om de zonde in al uw gebied.
[^jeremia-15-13-42]: Kanttekening 42: 42 zonder prijs: Hebreeuws, niet om prijs, of niet in koop; dat is, om niet; zij zullen alles naar hun lust wegnemen zonder u iets daarvoor te geven.
[^jeremia-15-13-43]: Kanttekening 43: 43 en in al uw gebied: Versta, zal Ik zulks doen, of om uwe zonden, die u in al uw gebied bedreven hebt, gelijk onder Jer. 17:3. Jeremia 17:3: Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, en ook uw hoogten, om de zonde in al uw gebied.
[^jeremia-15-14-44]: Kanttekening 44: 44 u overvoeren: Of, \[de schatten\] \[waarvan in vers 13\] overvoeren tot, enz. Anders: Ik zal uwe vijanden doen overkomen door een land, dat u niet kent; dat is, u zult van hun pas en aankomst niet weten, zij zullen u overkomen door wegen en op ene wijze, die u onbekend zijn. Sommigen verstaan het aldus: Ik zal uwe vijanden over \[u\] doen heengaan, dat is, tirannisch doen behandelen. Vergelijk Job 13:13, en Ps. 129:3. Jeremia 15:13: Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied. Job 13:13: Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. Psalmen 129:3: Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
[^jeremia-15-14-45]: Kanttekening 45: Van oorlog, ellende, plagen, verwoesting. Vergelijk onder Jer. 17:4, en Jer. 43:12, en Deut. 32:22; Job 22:20, met de aantekening. Jeremia 17:4: Zo zult u aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat u niet kent; want u hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden. Jeremia 43:12: En Ik zal een vuur aansteken in de huizen van de goden van Egypte, en hij zal ze verbranden, en gevankelijk wegvoeren; en hij zal Egypteland aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede. Deuteronomium 32:22: Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. Job 22:20: Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^jeremia-15-14-p]: Verwijzing p: Deut. 32:22. Deuteronomium 32:22: Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten.
[^jeremia-15-15-46]: Kanttekening 46: Mijn onschuld, waarvan boven, vers 10. Dit zijn de woorden van de profeet weer tot God. Jeremia 15:10: Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel voor het gehele land! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
[^jeremia-15-15-47]: Kanttekening 47: 47 gedenk aan mij: Ten goede, gelijk Neh. 5:19, en Neh. 13:21. Zie Gen. 8:1. Nehemia 5:19: Gedenk aan mij, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. Nehemia 13:21: Zo betuigde ik tegen hen, en zei tot hen: Waarom overnacht u tegenover de muur? Zo u het weer doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet op de sabbat. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^jeremia-15-15-48]: Kanttekening 48: 48 bezoek mij: Genadiglijk. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-15-15-q]: Verwijzing q: Jer. 11:20. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
[^jeremia-15-15-49]: Kanttekening 49: 49 in Uw lankmoedigheid: Dat is, terwijl U dus lankmoedig met mijn vervolgers handelt, dat U hen niet verhindert, maar uwe straffen uitstelt, zo verhoed nochtans dat zij mij ondertussen om het leven brengen, gelijk zij voorhebben te doen. Of naar uwe lankmoedigheid, als die zal ten einde zijn en U dit volk zult straffen, dan behoud mij. Anders: in, of bij verlenging van uw toorn; dat is, terwijl U dit boze volk een langen tijd zult straffen, zo maak toch onderscheid tussen hen en mij, dat ik niet met hen omkome; vergelijk Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-15-16-50]: Kanttekening 50: 50 gevonden zijn: Dat is, zo haast als zij voorhanden waren, mij geopenbaard werden, of mij door uwe openbaring zijn voorgekomen, heb ik hen met grote ijver aangenomen en zeer vlijtiglijk behartigd. Vergelijk Ez. 2:8, en Ez. 3:1, 3:2, 3:3, met de aantekening, en Openb. 10:9. Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef. Ezechiël 3:1: Daarna zei Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat u vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis van Israël. Ezechiël 3:2: Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten. Ezechiël 3:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honig, vanwege de zoetigheid. Openbaring 10:9: En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
[^jeremia-15-16-51]: Kanttekening 51: 51 ik ben naar Uw Naam: Hebreeuws, uw naam is over mij genoemd, of uitgeroepen, omdat ik uw knecht en profeet ben (שִׁמְ). Zie boven Jer. 7:10. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-15-16-52]: Kanttekening 52: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-15-17-53]: Kanttekening 53: Gelijk de priesters en profeten in die tijd waren.
[^jeremia-15-17-r]: Verwijzing r: Ps. 1:1. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^jeremia-15-17-54]: Kanttekening 54: Vergelijk Ps. 1:1. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^jeremia-15-17-55]: Kanttekening 55: Te weten uw straffende hand, die U over dit volk wilt uitstrekken; of om de wil van uw bevel, omdat ik mij ten enenmale van uwe hand en door uw Geest van de profetie wilde laten regeren en U gehoorzamen. Zie Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^jeremia-15-17-56]: Kanttekening 56: 56 alleen gezeten: Mij afscheidende van de bozen, verdrietig zijnde en wenende over hun boosheid en nakende plagen. Vergelijk boven Jer. 9:2, en Jer. 13:17; idem Ex. 33:7. Jeremia 9:2: Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat de kudde van YHWH gevankelijk is weggevoerd. Exodus 33:7: En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent van de samenkomst. En het geschiedde, dat al wie YHWH zocht, uitging tot de tent van de samenkomst, die buiten het leger was.
[^jeremia-15-17-57]: Kanttekening 57: Een heiligen toorn, die ik uit uwe profetieën geschept heb, over de hardnekkigheid van het volk tegen U en wreveligheid tegen mij. Vergelijk boven Jer. 6:11. Jeremia 6:11: Daarom ben ik vol van de grimmigheid van YHWH, ik ben moe geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die vol is van dagen.
[^jeremia-15-18-s]: Verwijzing s: Jer. 30:15. Jeremia 30:15: Wat krijt u over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.
[^jeremia-15-18-58]: Kanttekening 58: 58 steeds durende: Of, sterk, doordringende. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 13:2. Psalmen 13:2: Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^jeremia-15-18-59]: Kanttekening 59: Of, enigszins. Hebreeuws, zijnde zijn; dat is, U allerwegen tegen mij betonen, alsof U met leugen omringt? omdat U mij zo sterke beloften hebt gedaan \[boven Jer. 1:17, 1:18, 1:19\], en ik nochtans dagelijks van dit volk geplaagd, en in gevaar ben. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. Jeremia 1:19: En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u uit te helpen.
[^jeremia-15-18-60]: Kanttekening 60: 60 bestendig zijn: Die uitdrogen, verlopen of wegzijpelen, zodat hij bedrogen wordt, die daarvan meent te scheppen. Vergelijk Job 6:15. Aldus wordt de profeet met onverduldigheid, verdrietelijkheid, wantrouwen en murmurering, vanwege de boosheid van het volk, bestreden, waarop God hem in het volgende onderwijst en sterkt. Job 6:15: Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door;
[^jeremia-15-18-t]: Verwijzing t: Job 6:15. Job 6:15: Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door;
[^jeremia-15-19-62]: Kanttekening 62: Dat is, u opnieuw herstellen en bevestigen in uw profetischen dienst. Anders: zo u u wenden zult waarheen Ik u wend; dat is, mijn bevelen getrouwelijk verrichte, zo zult u enz.
[^jeremia-15-19-63]: Kanttekening 63: Dat is, mij dienen, mijn knecht en profeet zijn en blijven. Zie 1 Kon. 17:1, en 1 Kon. 18:15, en Deut. 10:8. 1 Koningen 17:1: En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Deuteronomium 10:8: Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^jeremia-15-19-64]: Kanttekening 64: 64 het kostelijke: Of, de kostelijke van de snode; dat is, de godzaligen \[die voor mij zeer dierbaar zijn\] onderscheidt van de goddelozen, hun beiden onderscheidenlijk en vrijmoedig aanzeggende wat Ik u belast. Sommigen verstaan hier het onderscheiden van ware en valse leer, profetie, vertroosting, enz. Het schijnt een gelijkenis te zijn, genomen van het werk van de goudsmeden. Vergelijk boven Jer. 6:29, en zie ook Ps. 12:7. Jeremia 6:29: De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, omdat de bozen niet afgetrokken zijn. Psalmen 12:7: De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
[^jeremia-15-19-65]: Kanttekening 65: 65 mond zijn: Vergelijk boven Jer. 1:9, dat is, mijn rechte profeet en tolk. Jeremia 1:9: En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
[^jeremia-15-19-66]: Kanttekening 66: 66 laat hen: Of, zij zullen tot u terugkeren, raad en troost bij u zoekende. Zie onder Jer. 37:3. Jeremia 37:3: Nochtans zond de koning Zedekia Juchal, de zoon van Selemja, en Sefanja, de zoon van Maaseja, de priester, tot de profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot YHWH, onze God!
[^jeremia-15-19-67]: Kanttekening 67: Dat u door kleinhartigheid of menselijke vrees zoudt bezwijken, hun in hun boosheid toegeven, voegen of bijvallen; idem, raad en troost van hen zoeken.
[^jeremia-15-19-61]: Kanttekening 61: Van deze onverduldigheid en murmureringen, \[waarvan in het voorgaande\] zulks dat ze u van uw plicht en ambt niet afrukken.
[^jeremia-15-20-68]: Kanttekening 68: 68 heb u tegen: Of, en Ik zal u stellen, of Ik stel u; te weten, als opnieuw. Vergelijk Jer. 1:18. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land.
[^jeremia-15-20-v]: Verwijzing v: Jer. 1:18. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land.

### Jeremia 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/16.json)

*God beveelt de profeet vrouw noch kind te hebben in Juda, en noch op rouwmaaltijden noch in vrolijke gastmalen te verschijnen, om de aanstaande ellende daardoor aan het volk af te beelden, vers 1, enz. verhaal van de zonden die de oorzaak van deze plagen waren, 10. Hiertussen voegt God een genadebelofte van de verlossing van Zijn volk, 14. en gaat daarna voort met de dreigementen en het verhaal van de oorzaken, 16. De profeet troost zichzelf en beschaamt de Joden door de toekomstige roeping en bekering van de afgodische heidenen, 19.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v1)

**2** U zult u geen[^jeremia-16-2-1] vrouw nemen, en u zult geen zonen noch dochters[^jeremia-16-2-2] hebben in deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v2)

**3** Want zo zegt YHWH van de zonen en van de dochters, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze winnen in dit land: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v3)

**4** Zij zullen[^jeremia-16-4-3] pijnlijke[^jeremia-16-4-a] doden sterven, zij zullen niet[^jeremia-16-4-b] beklaagd noch[^jeremia-16-4-c] begraven worden, zij zullen tot[^jeremia-16-4-d] mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun[^jeremia-16-4-4][^jeremia-16-4-e] dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v4)

**5** Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis[^jeremia-16-5-5] van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;[^jeremia-16-5-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v5)

**6** Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en[^jeremia-16-6-7] men zal hen niet beklagen, noch zichzelf[^jeremia-16-6-8][^jeremia-16-6-f] insnijden, noch[^jeremia-16-6-9] kaal maken om hunnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v6)

**7** Ook zal men hun niets[^jeremia-16-7-10] uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v7)

**8** Ga ook niet in een huis[^jeremia-16-8-11] van de maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v8)

**9** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal van deze plaats, voor uw ogen en in uw dagen, doen ophouden de[^jeremia-16-9-12] stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.[^jeremia-16-9-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v9)

**10** En het zal gebeuren,[^jeremia-16-10-h] als u dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt YHWH al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen YHWH, onze God, gezondigd hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v10)

**11** Dat u tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt YHWH, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die neergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v11)

**12** En u[^jeremia-16-12-13][^jeremia-16-12-i] erger gedaan hebt dan uw vaders; want zie, u wandelt, ieder naar het goeddunken van zijn[^jeremia-16-12-14][^jeremia-16-12-k] boos hart, om naar Mij niet te[^jeremia-16-12-l] horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v12)

**13** Daarom zal Ik u uit[^jeremia-16-13-m] dit land werpen, in een land, dat u niet[^jeremia-16-13-15] gekend hebt, u noch uw vaders; en daar zult u andere goden dienen, dag en nacht,[^jeremia-16-13-16] omdat Ik u geen genade zal geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v13)

**14** [^jeremia-16-14-17] Daarom,[^jeremia-16-14-n] ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er[^jeremia-16-14-18] niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v14)

**15** Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de Israëlieten heeft opgevoerd uit het land van het[^jeremia-16-15-19] noorden, en uit al de landen waarheen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen teruggeven in hun land, dat Ik hun vaders gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v15)

**16** Zie, Ik zal[^jeremia-16-16-20] zenden tot veel vissers, spreekt YHWH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op elke berg, en van op elke heuvel, ja, uit de[^jeremia-16-16-21] kloven van de steenrotsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v16)

**17** Want Mijn[^jeremia-16-17-22][^jeremia-16-17-o] ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v17)

**18** Daarom zal Ik[^jeremia-16-18-23] eerst hun ongerechtigheid en hun zonde[^jeremia-16-18-24] dubbel vergelden, omdat zij[^jeremia-16-18-25] Mijn land[^jeremia-16-18-p] ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de[^jeremia-16-18-26][^jeremia-16-18-q] dode lichamen van hun gruwelijke dingen vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v18)

**19** O[^jeremia-16-19-27] YHWH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen[^jeremia-16-19-28] erfelijk[^jeremia-16-19-29] bezeten, en zinloosheid, waarin toch niets was, dat nut deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v19)

**20** [^jeremia-16-20-30] Zal een mens zich goden maken?[^jeremia-16-20-31] Zij zijn toch geen goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v20)

**21** Daarom, ziet, Ik zal[^jeremia-16-21-32] hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn[^jeremia-16-21-33] hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn[^jeremia-16-21-r] Naam is[^jeremia-16-21-34] YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/16.html#v21)

[^jeremia-16-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, trouwen; zie Gen. 19:14. Genesis 19:14: Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want YHWH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als jokkende.
[^jeremia-16-2-2]: Kanttekening 2: Die u zoudt mogen genereren; waardoor de ellende van de toekomstige tijden wordt afgebeeld.
[^jeremia-16-4-3]: Kanttekening 3: 3 pijnlijke doden: Hebreeuws, doden van de ziekten, of krankten, pijnlijkheden, dat men ook kan verstaan van dodelijke ziekten (יָמֻתוּ).
[^jeremia-16-4-a]: Verwijzing a: Jer. 15:2. Jeremia 15:2: En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!
[^jeremia-16-4-b]: Verwijzing b: Jer. 25:33. Jeremia 25:33: En de verslagenen van YHWH zullen op die dag liggen van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
[^jeremia-16-4-c]: Verwijzing c: Jer. 14:16. Jeremia 14:16: En het volk, tot dat zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege de honger en het zwaard; en er zal niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters; zo zal Ik hun boosheid over hen uitstorten.
[^jeremia-16-4-d]: Verwijzing d: Jer. 9:22. Jeremia 9:22: Spreek: Zo spreekt YHWH: Ja, een dood lichaam van de mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter de maaier, die niemand opzamelt.
[^jeremia-16-4-4]: Kanttekening 4: 4 dode lichamen: Hebreeuws, dood lichaam, gelijk onder vers 18, en boven Jer. 7:33, enz. Jeremia 16:18: Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun verfoeiselen en van hun gruwelen vervuld. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van dit volk zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken.
[^jeremia-16-4-e]: Verwijzing e: Jer. 7:33; Jer. 15:3; Jer. 34:20. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van deze volks zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken. Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven. Jeremia 34:20: Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-16-5-5]: Kanttekening 5: Of, leedmeesters, van degene, die het bewind en bestuur heeft in de rouwmaaltijden, die zij als leedmaaltijden zouden houden, om droevigen of elkaar te troosten over een dode, maar bedreven daarin allerlei pracht, weelderigheid en overdaad, gelijk afgenomen wordt uit Amos 6:7, alwaar een dergelijk Hebreeuws woord gebruikt wordt, en nergens meer in de Heilige Schrift, waarom het ook verscheidenlijk wordt overgezet. Zie verder van het oogmerk van dit bevel vers 8, en vergelijk Job 27:15; Ps. 78:64; Ez. 24:22; Amos 6:10; in het bijzonder komt dit alles overeen met wat God in Babylonië door de profeet Ezechiël het Joodse volk heeft laten profeteren en met een bijzonder wonderteken afbeelden, ten tijde als Jeruzalem belegerd werd van Nebukadnezar; Ez. 24. Amos 6:7: Daarom zullen zij nu gevankelijk heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken. Jeremia 16:8: Ga ook niet in een huis van de maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken. Job 27:15: Zijn overgeblevenen zullen in de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. Psalmen 78:64: Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet. Ezechiël 24:22: Dan zult u doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult u niet bewinden, en het brood van de mensen zult u niet eten. Amos 6:10: En de naaste vriend zal iedereen van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om de Naam van YHWH te vermelden.
[^jeremia-16-5-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws eigenlijk, verzameld. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-16-6-7]: Kanttekening 7: 7 men zal hen niet beklagen: Hebreeuws, zij zullen hen niet beklagen; dat is, men zal hen niet beklagen, of zij zullen niet beklaagd worden. Zie Job 4:19; zo in het volgende. Job 4:19: Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.
[^jeremia-16-6-8]: Kanttekening 8: Te weten in het vlees van zijn lichaam; gelijk Lev. 19:27, 19:28, en Lev. 21:5, 21:6, tot een teken van rouw. Leviticus 19:27: U zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult u de hoeken uws baards niet verderven. Leviticus 19:28: U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Leviticus 21:5: Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. Leviticus 21:6: Zij zullen hun God heilig zijn, en de Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen van YHWH, het voedsel huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.
[^jeremia-16-6-f]: Verwijzing f: Lev. 19:28; Deut. 14:1. Leviticus 19:28: U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Deuteronomium 14:1: Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
[^jeremia-16-6-9]: Kanttekening 9: Tot gelijk einde, naar de wijze van de heidenen, die de Joden navolgden, tegen Gods bevel. Zie Lev. 21:5; Deut. 14:1, en vergelijk onder Jer. 41:5, en Jer. 47:5, en Jer. 48:37. Leviticus 21:5: Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. Deuteronomium 14:1: Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. Jeremia 41:5: Zo kwamen er mensen van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende de baard afgeschoren, en de kleren gescheurd, en zichzelven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hun hand, om in het huis van YHWH te brengen. Jeremia 47:5: Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult u uzelven insnijdingen maken? Jeremia 48:37: Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.
[^jeremia-16-7-10]: Kanttekening 10: Versta, geen brood; dat is, voedsel, \[dat bij het Hebreeuwse woord gevoegd wordt, Jes. 58:7; Klaagl. 4:4\], die de vrienden en naburen plachten te zenden of te brengen in het sterfhuis, of ter plaatse waar de vrienden tot een leedmaal bijeenkwamen om de treurigen te vertroosten en te verkwikken, etende en drinkende met hen. Zie Deut. 26:14; Ez. 24:17, 24:22. Dit komt met het volgende \[waar van drinken gesproken wordt\] zeer wel overeen. Sommigen verstaan het van het verdelen, of uitbreiden en wringen van de handen, dat men wel gewoon is te doen in grote rouw. Jesaja 58:7: Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Klaagliederen 4:4: Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderen eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. Deuteronomium 26:14: Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben de stem van YHWH, mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat U mij geboden hebt. Ezechiël 24:17: Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten. Ezechiël 24:22: Dan zult u doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult u niet bewinden, en het brood van de mensen zult u niet eten.
[^jeremia-16-8-11]: Kanttekening 11: 11 van de maaltijd: Anders: drinkhuis. Versta, waar men een vrolijken maaltijd of een gastmaal houdt; alsof God zei: U zult met hun droefenis en vreugde niet te doen hebben. Uit het voorgaande en volgende nemen sommigen deze beide bevelen, vers 5, 16:8, als voorzeggingen van zulke menigte van de doden en zulk een algemene ellende, en daarbij zulk een vloek Gods, dat er geen lust, tijd, noch gelegenheid zal zijn van rouw, noch vrolijkheid. Jeremia 16:5: Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; Jeremia 16:8: Ga ook niet in een huis van de maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
[^jeremia-16-9-12]: Kanttekening 12: 12 stem van de vreugde: Die in vrolijke maaltijden en bruiloften placht gehoord te worden.
[^jeremia-16-9-g]: Verwijzing g: Jes. 24:7; idem v. 8; Jer. 7:34; Jer. 25:10; Ez. 26:13. Jesaja 24:7: De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten. Jesaja 24:8: De vreugde van de trommelen rust; het geluid van de vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde van de harp rust. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 25:10: En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp. Ezechiël 26:13: Zo zal Ik het gedeun uw liederen doen ophouden, en het geklank uw harpen zal niet meer gehoord worden.
[^jeremia-16-10-h]: Verwijzing h: Jer. 5:19. Jeremia 5:19: En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons YHWH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Gelijk als u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is.
[^jeremia-16-12-13]: Kanttekening 13: 13 erger gedaan: Hebreeuws, kwalijk gedaan hebt, doende, of meer dan, enz.
[^jeremia-16-12-i]: Verwijzing i: Jer. 7:26. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.
[^jeremia-16-12-14]: Kanttekening 14: Zie boven Jer. 3:17. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naam van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
[^jeremia-16-12-k]: Verwijzing k: Jer. 3:17; Jer. 9:14; Jer. 13:10. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, van YHWH troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naams van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. Jeremia 9:14: Maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten, en naar de Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. Jeremia 13:10: Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijn harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.
[^jeremia-16-12-l]: Verwijzing l: Jer. 11:10; Jer. 13:10; Jer. 17:23. Jeremia 11:10: Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden hun voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb. Jeremia 13:10: Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijn harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.
[^jeremia-16-13-m]: Verwijzing m: Deut. 4:27; Deut. 28:64; idem 28:65. Deuteronomium 4:27: En YHWH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar YHWH u heen leiden zal. Deuteronomium 28:64: En YHWH zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; en daar zult u andere goden dienen, die u niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen. Deuteronomium 28:65: Daartoe zult u onder dezelfde volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want YHWH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel.
[^jeremia-16-13-15]: Kanttekening 15: Dat is, niet gezien, of waarin u niet verkeerd hebt; want anders was hun wel bekend dat er een land was, Chaldea of Babel genoemd; zo elders dikwijls.
[^jeremia-16-13-16]: Kanttekening 16: 16 omdat Ik: Of, alwaar Ik, enz. Anders: zolang Ik u gene genade zal geven; dat is, ten tijde toe, dat Ik u genade zal geven in de ogen van de koning Cyrus, die u zal vrijlaten om weer te keren naar uw land, enz., welke genade Ik u onder de voorgaande koningen van Babel niet heb willen geven; vergelijk Deut. 28:65, 28:66, 28:67. Deuteronomium 28:65: Daartoe zult u onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want YHWH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel. Deuteronomium 28:66: En uw leven zal tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u zult van uw leven niet zeker zijn. Deuteronomium 28:67: 's Morgens zult u zeggen: Och, dat het avond ware; en 's avonds zult u zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits de schrik uws harten, waarmee u zult verschrikt zijn, en vermits het gezicht van uw ogen, dat u zien zult.
[^jeremia-16-14-17]: Kanttekening 17: Vergelijk Hos. 2:13, met de aantekening. Hosea 2:13: Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
[^jeremia-16-14-n]: Verwijzing n: Jer. 23:7; idem v. 8. Jeremia 23:7: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd. Jeremia 23:8: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die het zaad van het huis van Israël heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.
[^jeremia-16-14-18]: Kanttekening 18: 18 niet meer zal: Dat is, niet zozeer en hoog als wel te voren; \[vergelijk de manier van spreken met boven Jer. 3:16; Spreuk. 8:10, en Hos. 6:6\], eensdeels omdat de ellende, die zij van de Babyloniërs zouden lijden, veel groter en gruwelijker zou zijn, \[dat hun God in deze beide verzen inscherpt\] dan die zij van de Egyptenaars hadden geleden, en dienvolgens deze nieuwe verlossing te heerlijker; anderdeels omdat in deze mee gezien wordt op de toekomstige verlossing uit het geestelijke Babel, die de Heiland Christus niet alleen het uitverkoren overblijfsel van de Joden, maar ook de heidenen zou aanbrengen, waarvan in de laatste verzen van Jes. 16 duidelijk gesproken wordt; voor welke overgrote weldaad zij allen hun Zaligmaker zouden dienen en eren, dat door het volgende formulier van de eed ook wordt te kennen gegeven; vergelijk onder Jer. 23:7, 23:8; Jes. 43:18, 43:19, enz. Jeremia 3:16: En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden. Spreuken 8:10: Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud. Hosea 6:6: Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Jeremia 23:7: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd. Jeremia 23:8: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die het zaad van het huis van Israël heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. Jesaja 43:18: Gedenkt van de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. Jesaja 43:19: Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
[^jeremia-16-15-19]: Kanttekening 19: Babel en de geestelijke gevangenis en ellende, daardoor afgebeeld.
[^jeremia-16-16-20]: Kanttekening 20: Dat is, Ik zal hun door mijn goddelijke en rechtvaardige regering vijanden verwekken, die met hen zullen handelen gelijk de vissers met de vis en de jagers met het wild plegen te doen, dat is, jagen, plagen, vangen en wegvoeren; sommigen verstaan door de vissers de Egyptenaars, die \[als in een waterrijk land\] veel met visscherij omgingen; Jes. 19:8. Zie 2 Kon. 23:29, 23:33, enz., en door de jagers, de Babyloniërs. Vergelijk Gen. 10:8, 10:9; anderen verstaan door beiden de Babyloniërs. Vergelijk Habak. 1:14,15. Anders: Ik zal vele, of grote vissers uitzenden, enz. Sommigen verstaan dit van de uitzending van de apostelen tot de bekering van de Joden. Vergelijk Ez. 47:9, 47:10, met de aantekening. Jesaja 19:8: En de vissers zullen treuren, en allen, die de angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen. 2 Koningen 23:29: In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. Genesis 10:8: En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Genesis 10:9: Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH. Ezechiël 47:9: Ja, het zal gebeuren, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen één van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen. Ezechiël 47:10: Ook zal het gebeuren, dat er vissers aan dezelfde zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.
[^jeremia-16-16-21]: Kanttekening 21: Dat zij nergens vrij zullen zijn, zelfs in al zulke verborgen plaatsen, waar men zich anders gemeenlijk placht te bergen.
[^jeremia-16-17-22]: Kanttekening 22: 22 ogen zijn op al hun wegen: Dat is, Ik let op al hun voornemen en doen, menselijk van God gesproken. Hoe zulke manier van spreken ook ten goede gebruikt wordt, zie 1 Kon. 8:29. 1 Koningen 8:29: Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.
[^jeremia-16-17-o]: Verwijzing o: Job 34:21; Spreuk. 5:21; Jer. 32:19. Job 34:21: Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Spreuken 5:21: Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Jeremia 32:19: Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen.
[^jeremia-16-18-23]: Kanttekening 23: 23 eerst hun ongerechtigheid: Aleer Ik hun de genade bewijs, waarvan boven vers 15 gesproken is. Jeremia 16:15: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
[^jeremia-16-18-24]: Kanttekening 24: 24 dubbel vergelden: Dat is, ten volle, gelijk Jes. 40;2, onder Jer. 17:18. Jeremia 17:18: Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking.
[^jeremia-16-18-25]: Kanttekening 25: 25 Mijn land: Kanaän. Zie Ps. 68:10. Psalmen 68:10: U hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en U hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
[^jeremia-16-18-p]: Verwijzing p: Jer. 3:2. Jeremia 3:2: Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar bent u niet beslapen? U hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; zo hebt u het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
[^jeremia-16-18-26]: Kanttekening 26: 26 dode lichamen: Hebreeuws, dood lichaam, gelijk boven vers 4, te weten van de mensen, die zij aan de afgoden geslacht en geofferd hebben. Zie onder Jer. 19:5; Ez. 16:20, 16:21, of \[gelijk sommigen verstaan\] met al hun afgoden en afgodische offeranden, die voor God stonken gelijk een aas, omdat zij onwettelijk en afgodisch waren. Zie Lev. 26:30. Men kan hiermede ook vergelijken Ez. 43:7. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. Jeremia 19:5: Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze hun geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u ze voor hen door het vuur hebt doen gaan? Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^jeremia-16-18-q]: Verwijzing q: Ez. 43:7. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijn troons, en de plaats van de zolen Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hun koningen, op hun hoogten;
[^jeremia-16-19-27]: Kanttekening 27: De profeet, over de gruwelen van het volk verstoord en over Gods zware oordelen benauwd zijnde, richt zich op door zijn geloof en de zekerheid van Gods beloften, alsof hij zei: In alle deze houd ik U nochtans voor mijn enige God, en verfoei alle afgoderij; en of U dan dit volk zult moeten afsnijden en van uw aangezicht wegdoen, zo weet ik dat U de plaats weer heerlijk zult vervullen door de genadige beroeping en bekering van de heidenen, die U, met het uitverkoren overblijfsel van de Joden, beter zullen kennen en dienen dan dit boze volk.
[^jeremia-16-19-28]: Kanttekening 28: Of, ten erve nagelaten. Een zeer langen tijd, van hand tot hand, in onkunde van de ware God en afgoderij geleefd, en daarin hun troost en vermaak genomen, en zulks hun kinderen nagelaten.
[^jeremia-16-19-29]: Kanttekening 29: Zie boven Jer. 14:22. Jeremia 14:22: Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt U die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen.
[^jeremia-16-20-30]: Kanttekening 30: 30 Zal een mens: Dit kan men in het algemeen nemen als ene verfoeiing van alle afgoderij, zowel van de Joden als van de heidenen.
[^jeremia-16-20-31]: Kanttekening 31: 31 Zij zijn toch: Te weten de gemaakte goden; dat is, afgoden. Gelijk boven Jer. 2:11; of \[gelijk sommigen\] daar zij zelf \[te weten de mensen\] geen goden zijn, alsof de profeet zei: Het is het allerzotste ding, dat er zou kunnen zijn, dat een mens, die toch zelf geen god is, zich onderwindt een god te maken. Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^jeremia-16-21-32]: Kanttekening 32: 32 hun bekend maken: Dit afgodische volk.
[^jeremia-16-21-33]: Kanttekening 33: Dat is door mijn oordelen tonen dat Ik de enige almachtige God ben.
[^jeremia-16-21-r]: Verwijzing r: Jer. 33:2. Jeremia 33:2: Zo zegt YHWH, Die het doet, YHWH, Die dat formeert, opdat Hij het bevestige, YHWH is Zijn Naam;
[^jeremia-16-21-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 2:4. Genesis 2:4: Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte.

### Jeremia 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/17.json)

*Wanhopige boosheid en hardnekkigheid van de Joden, blijkend zelfs aan hun kinderen, waarop straffen moeten volgen, vers 1, enz. Vervloekte staat van degene die op mensen vertrouwt, en gezegende staat van degene die op God vertrouwt, 5. God doorgrondt de innerlijke boosheid van het menselijk hart, daarom zullen zij die met arglistige verborgen praktijken onrechtvaardige rijkdom verzamelen, Zijn straf niet ontgaan, 9. de gelukzaligheid van de vromen in Gods genadige tegenwoordigheid en de onzaligheid van de afvalligen, 12. gebed van de profeet om zijn behoud en straf over zijn vervolgers en bespotters, 14. Prediking over de sabbat, 19. enz.*

**1** De zonde van Juda is[^jeremia-17-1-1] geschreven met een[^jeremia-17-1-2] ijzeren griffel, met de punt van een diamant[^jeremia-17-1-3][^jeremia-17-1-4]; gegraven in de[^jeremia-17-1-5] tafel van hun hart, en aan de hoornen van[^jeremia-17-1-6] uw[^jeremia-17-1-7][^jeremia-17-1-a] altaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v1)

**2** [^jeremia-17-2-8] Zoals hun[^jeremia-17-2-9] kinderen aan hun altaren gedenken, en aan hun bossen, bij het groen[^jeremia-17-2-b] geboomte, op de hoge heuvelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v2)

**3** Ik zal Mijn[^jeremia-17-3-10] berg met het veld,[^jeremia-17-3-c] uw vermogen en al uw schatten ten roof geven,[^jeremia-17-3-11] en ook uw hoogten, om de zonde[^jeremia-17-3-12] in al uw gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v3)

**4** Zo zult u[^jeremia-17-4-13] aflaten (en dat[^jeremia-17-4-14] om u zelf) van uw[^jeremia-17-4-15] erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen[^jeremia-17-4-d] dienen in een land, dat u niet kent;[^jeremia-17-4-e] want[^jeremia-17-4-16] u hebt een[^jeremia-17-4-f] vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in[^jeremia-17-4-17] eeuwigheid zal het branden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v4)

**5** Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een[^jeremia-17-5-18] mens vertrouwt, en[^jeremia-17-5-19] vlees tot[^jeremia-17-5-20] zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v5)

**6** Want hij zal zijn als de[^jeremia-17-6-21] heide in de wildernis, die het niet gevoelt,[^jeremia-17-6-22] wanneer het[^jeremia-17-6-23] goede komt; maar[^jeremia-17-6-24] blijft[^jeremia-17-6-25] in dorre plaatsen in de woestijn,[^jeremia-17-6-26] in zout en[^jeremia-17-6-27] onbewoond land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v6)

**7** [^jeremia-17-7-g] Gezegend daarentegen is de man, die op YHWH vertrouwt, en wiens vertrouwen YHWH is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v7)

**8** Want hij zal zijn als een[^jeremia-17-8-h] boom, die aan het water geplant is, en zijn wortels uitschiet aan een rivier, en[^jeremia-17-8-28] gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof[^jeremia-17-8-29] blijft groen; en in een jaar van[^jeremia-17-8-30] droogte zorgt[^jeremia-17-8-31] hij niet, en[^jeremia-17-8-32] houdt niet op van vrucht te[^jeremia-17-8-33] dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v8)

**9** [^jeremia-17-9-34] Sluw is het[^jeremia-17-9-35] hart, meer dan[^jeremia-17-9-36] enig ding, ja,[^jeremia-17-9-37] dodelijk is het, wie zal het kennen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v9)

**10** [^jeremia-17-10-38] Ik, YHWH,[^jeremia-17-10-i] doorgrond het hart,[^jeremia-17-10-39] en proef de nieren;[^jeremia-17-10-40] en dat, om ieder te geven naar zijn[^jeremia-17-10-41] wegen,[^jeremia-17-10-42] naar de vrucht van zijn handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v10)

**11** Gelijk een veldhoen eieren verzamelt, maar broedt[^jeremia-17-11-43] ze niet uit, zo is hij, die rijkdom[^jeremia-17-11-44] verzamelt, maar[^jeremia-17-11-45] niet met recht; in de[^jeremia-17-11-46] helft van zijn dagen zal hij[^jeremia-17-11-47] die moeten verlaten, en in zijn[^jeremia-17-11-48] laatste een dwaas[^jeremia-17-11-49] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v11)

**12** Een troon[^jeremia-17-12-50][^jeremia-17-12-51] van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats van ons[^jeremia-17-12-52] heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v12)

**13** O YHWH,[^jeremia-17-13-53] Israëls Verwachting![^jeremia-17-13-k] allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die[^jeremia-17-13-54] van mij afwijken, zullen in de[^jeremia-17-13-55] aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de[^jeremia-17-13-56][^jeremia-17-13-l] Springader van het levende water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v13)

**14** [^jeremia-17-14-57] Genees mij, YHWH! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want U bent[^jeremia-17-14-58] mijn Lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v14)

**15** Zie, zij[^jeremia-17-15-59] zeggen tot mij:[^jeremia-17-15-m] Waar is het woord van YHWH? Laat het nu komen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v15)

**16** Ik heb toch niet[^jeremia-17-16-60] aangedrongen, meer dan een[^jeremia-17-16-61] herder achter U betaamde; ook heb ik de[^jeremia-17-16-62] dodelijke dag niet begeerd, U weet het;[^jeremia-17-16-63] wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw[^jeremia-17-16-64] aangezicht geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v16)

**17** Wees U mij niet tot een[^jeremia-17-17-65] verschrikking; U bent mijn[^jeremia-17-17-n] Toevlucht op de dag van[^jeremia-17-17-66] het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v17)

**18** [^jeremia-17-18-o] Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de[^jeremia-17-18-67] dag van het kwaad, en verbreek hen met een[^jeremia-17-18-68] dubbele verbreking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v18)

**19** Zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ga heen en sta in de poort van[^jeremia-17-19-69] de kinderen van het volk, waardoor de koningen van Juda ingaan, en waardoor zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v19)

**20** En zeg tot hen: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda, en geheel Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v20)

**21** Zo zegt YHWH: Weest op uw hoede voor uw zielen, en draagt geen last op de sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.[^jeremia-17-21-70][^jeremia-17-21-p] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v21)

**22** Ook zult u geen last uitvoeren uit uw huizen op de sabbatdag, noch enig werk doen; maar u zult de sabbatdag[^jeremia-17-22-71] heiligen, zoals Ik uw[^jeremia-17-22-q] vaders geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v22)

**23** Maar zij hebben niet[^jeremia-17-23-72][^jeremia-17-23-r] gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun[^jeremia-17-23-73] nek verhard,[^jeremia-17-23-74] om niet te horen, en om de[^jeremia-17-23-75] tucht niet aan te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v23)

**24** Het zal dan gebeuren, als u[^jeremia-17-24-76] vlijtig naar Mij zult horen, spreekt YHWH, dat u geen last door de poorten van deze stad op de sabbatdag inbrengt, en u de sabbatdag heiligt, dat u geen werk daarop doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v24)

**25** [^jeremia-17-25-s] Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de[^jeremia-17-25-77] mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal[^jeremia-17-25-78] bewoond worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v25)

**26** En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en voedseloffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v26)

**27** Maar als u naar Mij niet zult horen, om de sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een[^jeremia-17-27-79] vuur in[^jeremia-17-27-80] haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/17.html#v27)

[^jeremia-17-1-1]: Kanttekening 1: Met deze gelijkenis wil God zeggen dat zij geheel innerlijk en vertwijfeld boos, hardnekkig en onbekeerlijk waren; vergelijk boven Jer. 13:23. Jeremia 13:23: Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.
[^jeremia-17-1-2]: Kanttekening 2: 2 ijzeren griffie: Hebreeuws, griffie van het ijzer.
[^jeremia-17-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, nagel.
[^jeremia-17-1-4]: Kanttekening 4: Anders: duurachtigen, en vervolgens, zeer harden steen, of zeer hard ijzer, omdat sommigen menen dat het Hebreeuwse woord schamir komt van bewaren; vergelijk Ez. 3:9. Ezechiël 3:9: Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een opstandig huis zijn.
[^jeremia-17-1-5]: Kanttekening 5: Vergelijk deze manier van spreken met Spreuk. 3:3, met de aantekening. Spreuken 3:3: Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf ze op de tafel uws harten.
[^jeremia-17-1-6]: Kanttekening 6: O u Joden; gelijk zulke veranderingen van personen en ingevoegde aanspraken bij de profeten zeer gebruikelijk zijn.
[^jeremia-17-1-7]: Kanttekening 7: Die u voor de afgoden sticht, en waarvan u de hoornen met het onrein bloed van uw afgodische offeranden in het openbaar besprengt, waarop het woord hoornen kan geduid worden.
[^jeremia-17-1-a]: Verwijzing a: Jer. 11:13. Jeremia 11:13: Want naar het getal uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken.
[^jeremia-17-2-8]: Kanttekening 8: 8 Gelijk hun kinderen: De voorzegde boosheid van de ouders blijkt aan de kinderen, wie zij de afgoderij zo ingeplant hebben, dat zij bij alle gelegenheid, waar zij bij een schonen groenen boom of op een schonen heuvel komen, niets anders in de mond hebben dan de afgoderij, die de ouders op zulke plaatsen bedrijven, en dat zij niets minder willen doen; vergelijk boven Jer. 7:18. Anders: \[zij gedenken\] hun altaren, enz. gelijk zij hun kinderen gedenken; dat is, zij beminnen de afgoderij als hun eigen kinderen; zo zijn zij daarop verzot. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-17-2-9]: Kanttekening 9: Of, bosgoden.
[^jeremia-17-2-b]: Verwijzing b: Jer. 2:20. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jeremia-17-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk Zion, of mijn gebergte; te weten van Juda, en ook het effen veld. Anders, \[omdat het Hebreeuwse woord beide kan betekenen\]: O u bergloper, of u die in het gebergte woont, in het veld zal Ik u vermogen, enz.; dat is, u die u op uw bergachtig land verlatende, geen nood meent te hebben, of u die dagelijks op het gebergte omzwerft en omloopt om uwe afgoderij te bedrijven \[dat met het voorgaande en volgende ook zeer wel overeenkomt\], Ik zal al uw rijkdom de vijand ten roof geven, die alles zo licht zal roven en met gemak wegvoeren, alsof het op het effen veld te doen ware. Zie onder Jer. 20:5, enz. Jeremia 20:5: Ook zal Ik geven al het vermogen van deze stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.
[^jeremia-17-3-c]: Verwijzing c: Jer. 15:13. Jeremia 15:13: Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied.
[^jeremia-17-3-11]: Kanttekening 11: Of, \[te weten\] uw hoogten, daar u al uw vermogen aan uwe afgoden hebt aangewend, en waar uwe zonde voornamelijk in bestaat. Vergelijk Hos. 10:8. Sommigen menen dat deze woorden in het Hebreeuws \[gelijk wel somtijds geschiedt\] omgezet zijn, en zetten het over: om de zonde van uw hoogten, uit vergelijking van boven Jer. 15:13. Hosea 10:8: En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Jeremia 15:13: Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied.
[^jeremia-17-3-12]: Kanttekening 12: 12 in al uw: Vergelijk boven Jer. 15:13. Jeremia 15:13: Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied.
[^jeremia-17-4-13]: Kanttekening 13: Dat is, de landbouw van Kanaän moeten onderlaten het land zal zijn sabbat of rust hebben. Vergelijk Ex. 23:10, 23:11, en Lev. 26:33, 26:34, 26:35. Exodus 23:10: U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en daarvan inkomst verzamelen; Exodus 23:11: Maar in het zevende zult u het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten van het veld eten mogen; zo zult u ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen. Leviticus 26:33: Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. Leviticus 26:34: Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. Leviticus 26:35: Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde.
[^jeremia-17-4-14]: Kanttekening 14: 14 om u zelven: Dat is, door uw eigen schuld.
[^jeremia-17-4-15]: Kanttekening 15: Te weten, dit land Kanaän.
[^jeremia-17-4-d]: Verwijzing d: Deut. 28:68. Deuteronomium 28:68: En YHWH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult die niet meer zien; en daar zult u u aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.
[^jeremia-17-4-e]: Verwijzing e: Jer. 16:13. Jeremia 16:13: Daarom zal Ik u uit dit land werpen, in een land, dat u niet gekend hebt, u noch uw vaders; en daar zult u andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.
[^jeremia-17-4-16]: Kanttekening 16: U hebt mijn zwaren toorn, en daardoor deze plaag veroorzaakt. Vergelijk boven Jer. 15:14. Jeremia 15:14: En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
[^jeremia-17-4-f]: Verwijzing f: Jer. 15:14. Jeremia 15:14: En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
[^jeremia-17-4-17]: Kanttekening 17: Ten aanzien van de onboetvaardigen, die het vuur van mijn toorn zullen gevoelen in alle eeuwigheid; anders, een langen tijd, te weten zeventig jaren, gelijk het woord eeuwigheid somtijds genomen wordt; zie Gen. 13:15; Deut. 15:17, enz. Genesis 13:15: Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Deuteronomium 15:17: Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^jeremia-17-5-18]: Kanttekening 18: 18 mens vertrouwt: Gelijk de afvallige Joden op Egypte en op hun eigen rijkdom vertrouwden. Zie Jes. 31:1; onder vers 11. Jesaja 31:1: Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet. Jeremia 17:11: Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, zo is hij, die rijkdom vergadert, maar niet met recht; in de helft van zijn dagen zal hij die moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.
[^jeremia-17-5-19]: Kanttekening 19: Dat is, een broos, katijvig mens. Zie Ps. 56:5. Psalmen 56:5: In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen?
[^jeremia-17-5-20]: Kanttekening 20: 20 arm stelt: Dat is, sterkte, hulp, bescherming. Zie 2 Kron. 32:8. 2 Kronieken 32:8: Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is YHWH, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda.
[^jeremia-17-6-21]: Kanttekening 21: Of, een tamarisboom, of struik, die somtijds in geheel dorre of droge plaatsen gevonden wordt, waar geen ander geboomte wast, gelijk de kruidbeschrijvers betuigen. Anders: \[een boom\] die geheel ontbloot is; gelijk het Hebreeuwse woord naar zijn eigenlijke betekenis genomen wordt; Ps. 102:18. Psalmen 102:18: Zich gewend zal hebben tot het gebed van degene, die geheel ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;
[^jeremia-17-6-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, ziet; dat is gevoelt, verneemt. Sommigen verstaan dit en de volgende woorden van de goddeloze zelf, die het goede niet zal zien, maar enz., de zin opeen uitkomende, vergelijk Ps. 68:7. Psalmen 68:7: Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
[^jeremia-17-6-23]: Kanttekening 23: 23 goede komt: Dat is, goed weer, regen, tijdige warmte, enz.
[^jeremia-17-6-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, woont; dat is blijft altijd staan.
[^jeremia-17-6-25]: Kanttekening 25: 25 dorre plaatsen: Hebreeuws eigenlijk, verbrande, aangestokene; dat is zeer dorre, droge.
[^jeremia-17-6-26]: Kanttekening 26: Dat is, onvruchtbare. Zie Deut. 29:23, en Ps. 107:34. Hebreeuws, in een land van de zoutigheid (אֶרֶץ). Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Psalmen 107:34: Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
[^jeremia-17-6-27]: Kanttekening 27: 27 onbewoond land: Hebreeuws, en \[alwaar\] u niet zult, of zoudt wonen; of, \[dat\] niet bewoond zal worden, of bewoond wordt, of niet bewoonbaar is; gelijk het Hebreeuwse woord \[dat anders zitten, wonen, blijven betekent\] zo somtijds genomen is als het van plaatsen gebruikt wordt; zie onder Jer. 50:39; Jes. 13:20; Ez. 29:11, enz. Jeremia 50:39: Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht. Jesaja 13:20: Daar zal geen woonplaats zijn in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren. Ezechiël 29:11: Geen mensenvoet zal door hetzelfde doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelfde doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn.
[^jeremia-17-7-g]: Verwijzing g: Ps. 2:12; Ps. 34:9; Spreuk. 16:20; Jes. 30:18. Psalmen 2:12: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. Psalmen 34:9: Teth. Smaakt en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. Spreuken 16:20: Die op het woord verstandig let, zal het goede vinden; en die op YHWH vertrouwt, is welgelukzalig. Jesaja 30:18: En daarom zal YHWH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
[^jeremia-17-8-h]: Verwijzing h: Ps. 1:3. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^jeremia-17-8-28]: Kanttekening 28: 28 gevoelt het niet: Hebreeuws, ziet, gelijk in het voorgaande Jes. 17:6, dat is, hij lijdt daarvan geen schade, verdroogt daarom niet. Jesaja 17:6: Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in de top van de opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt YHWH, de God van Israël.
[^jeremia-17-8-29]: Kanttekening 29: 29 blijft groen: Hebreeuws, is. Zie Ps. 37:18. Psalmen 37:18: Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jeremia-17-8-30]: Kanttekening 30: Zie van het Hebreeuwse woord boven Jer. 14:1. Jeremia 14:1: Het woord van YHWH, dat tot Jeremia geschied is, over de zaken van de grote droogte.
[^jeremia-17-8-31]: Kanttekening 31: 31 zorgt hij niet: Bij gelijkenis gesproken, gelijk tevoren, ziet niet; dat is, gevoelt niet.
[^jeremia-17-8-32]: Kanttekening 32: 32 houdt niet op: Hebreeuws, wijkt niet.
[^jeremia-17-8-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, maken; zie boven Jer. 12:2. Jeremia 12:2: U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.
[^jeremia-17-9-34]: Kanttekening 34: Of, tukachtig, bedriegelijk, achterhoudend, genegen tot overtreding. Het Hebreeuwse woord akob is hetzelfde, waarvan de patriarch Jakob zijn naam gekregen heeft, omdat hij zijn broer in de geboorte bij de hiel had; maar dat het ook de betekenis heeft van list, lage, bedrog, tukken, ondertreding, enz., blijkt niet alleen hier, maar ook boven Jer. 9:4; Gen. 27:36; Joz. 8:13; 2 Kon. 10:19. Jeremia 9:4: Wacht u, iedereen van zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elk broer doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap. Genesis 27:36: Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden? Jozua 8:13: En zij stelden het volk, het gehele leger, dat aan het noorden van de stad was, en zijn lage was aan het westen van de stad. En Jozua ging in dezelfde nacht in het midden van het dal. 2 Koningen 10:19: Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesters tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Maar Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.
[^jeremia-17-9-35]: Kanttekening 35: Van de mens na de val, zolang het door de geest van de wedergeboorte niet is vernieuwd; en zo boos van hart waren de huichelaars en afvallige Joden, die van God afweken en op Hem niet vertrouwden, hoewel zij het niet wilden weten, maar zichzelven in hun boosheid liefkoosden en de bestraffing van de profeten verachtten, waarover God verklaart hun richter te zullen zijn, in vers 10. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen.
[^jeremia-17-9-36]: Kanttekening 36: 36 enig ding: Of, bovenal.
[^jeremia-17-9-37]: Kanttekening 37: Ten dode strekkende, waar de dood aan vast is, ongeneeslijk, vertwijfeld boos. Van het Hebreeuws woord heeft de mens de naam van Enosch, betekenende zijn sterflijken of ellendigen staat, in welke hij door de zonde gevallen is.
[^jeremia-17-10-38]: Kanttekening 38: 38 Ik, YHWH: Of, Ik ben YHWH, \[als zijnde een antwoord op de voorgaande vraag\] die het hart doorgrondt, die de nieren proeft.
[^jeremia-17-10-i]: Verwijzing i: 1 Sam. 16:7; Ps. 7:10. 1 Samuël 16:7: Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan. Psalmen 7:10: Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
[^jeremia-17-10-39]: Kanttekening 39: 39 proef de nieren: Zie Ps. 7:10. Psalmen 7:10: Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
[^jeremia-17-10-40]: Kanttekening 40: 40 en dat: Zo wordt de Hebreeuwse letter vau ook gebruikt voor en dat, of zelfs, boven Jer. 15:12; Ez. 17:9; Joël 2:12; Amos 3:11; Micha 2:10; idem Joz. 9:27; Richt. 7:22, enz. Jeremia 15:12: Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? Ezechiël 17:9: Zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zal hij strekken? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een grote arm, noch door veel volks, om die van zijn wortelen weg te voeren. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. Amos 3:11: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: De vijand! en dat rondom het land! die zal uw sterkte van u nederstorten, en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden. Micha 2:10: Maakt u dan op, en gaat heen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving. Jozua 9:27: Zo gaf Jozua hen over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters van de vergadering, en dat tot het altaar van YHWH, tot deze dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zou. Richteren 7:22: Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de ander, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
[^jeremia-17-10-41]: Kanttekening 41: Dat is, voornemen, handel en wandel. Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-17-10-42]: Kanttekening 42: 42 naar de vrucht: Dat is, naardat zijn werken, handelingen of zijn daden vereisen. Zo onder Jer. 21:14, en Jer. 32:19; vergelijk Spreuk. 1:31, en boven Jer. 6:19. Jeremia 21:14: En Ik zal over u bezoeking doen naar de vrucht van uw handelingen, spreekt YHWH; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. Jeremia 32:19: Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht van zijn handelingen. Spreuken 1:31: Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. Jeremia 6:19: Hoor toe, u aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht van hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.
[^jeremia-17-11-43]: Kanttekening 43: 43 broedt ze niet uit: Hebreeuws, baart niet; omdat het veldhoen gevangen wordt, of omdat het mannetje de eieren, die het vrouwtje verbergt, vindende, ze breekt, vertreedt, of door hitte in stukken wrijft, gelijk de natuurbeschrijvers betuigen, zulks dat vele van de eieren dikwijls verloren gaan. Anders: gelijk een veldhoen \[eieren\] vergadert, die het niet gelegd heeft, enz. Versta, vreemde eieren van andere vogels; waarom de voortkomende jongen deze vreemde moeders zouden verlaten.
[^jeremia-17-11-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, maakt.
[^jeremia-17-11-45]: Kanttekening 45: 45 niet met recht: Dat is, met onrecht.
[^jeremia-17-11-46]: Kanttekening 46: 46 helft van zijn dagen: Vergelijk Ps. 55:24. Psalmen 55:24: Maar U, o God! zult die doen nederdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en van het bedrog zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.
[^jeremia-17-11-47]: Kanttekening 47: 47 die moeten verlaten: Rijkdom.
[^jeremia-17-11-48]: Kanttekening 48: Dat is, einde, op het laatst, ten laatste.
[^jeremia-17-11-49]: Kanttekening 49: Dat is, daarvoor bekend en gehouden worden, gelijk Joh. 15:8; 2 Tim. 2:21, enz. Johannes 15:8: Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt; en u zult Mijn discipelen zijn. 2 Timotheüs 2:21: Als dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik van de Heer, tot elk goed werk toebereid.
[^jeremia-17-12-50]: Kanttekening 50: Waar God zijn eer, genade en macht ten beste van zijn kerk altijd geopenbaard heeft, en dienvolgens de ondankbaarheid van de verachters, die zich op andere hulp verlaten, zwaar zal straffen, gelijk volgt.
[^jeremia-17-12-51]: Kanttekening 51: 51 van het eerste aan: Dat is, van het begin van de stichting.
[^jeremia-17-12-52]: Kanttekening 52: Dat is, van de tempel.
[^jeremia-17-13-53]: Kanttekening 53: Wiens hulp Israël in noden verwacht; gelijk boven Jer. 14:9; zie daar. Jeremia 14:9: Waarom zoudt U zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? U bent toch in het midden van ons, o YHWH! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.
[^jeremia-17-13-k]: Verwijzing k: Ps. 73:27; Jes. 1:28. Psalmen 73:27: Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; U roeit uit, al wie van U afhoereert; Jesaja 1:28: Maar er zal verbreking zijn van de overtreders, en van de zondaars te zamen; en die YHWH verlaten, zullen omkomen.
[^jeremia-17-13-54]: Kanttekening 54: 54 van mij afwijken: Dat is, die afwijken van mij als uw profeet, die in uw naam profeteert. Hebreeuws, mijn afwijkenden, of afvalligen; vergelijk onder Jer. 18:19. Anders: die afwijken; te weten van U. Jeremia 18:19: YHWH! luister naar mij, en hoor naar de stem van mijn twisters.
[^jeremia-17-13-55]: Kanttekening 55: De Heer Christus zegt Luk. 10:20 dat de namen van zijn discipelen in de hemelen geschreven zijn; daartegen wordt hier gezegd dat de afvalligen in de aarde zullen geschreven worden; dat is, alhoewel zij op aarde onder Gods en het zaad van Abraham naar het vlees, en verder in het algemeen uiterlijk in Gods kerk gerekend worden, en daaronder somtijd de meester spelen, dat zij nochtans tot het getal van de uitverkorenen niet behoren en in de hemel gene plaats zullen hebben maar onder die zullen gerekend worden, van wie het deel alleen op aarde is, vergelijk Ps. 69:29; en dat hun gedachtenis onder Gods volk op aarde zal vergaan, gelijk wat geschreven is in de aarde zeer lichtelijk vergaat. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Psalmen 69:29: Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
[^jeremia-17-13-56]: Kanttekening 56: Zie Jer. 2:13. Jeremia 2:13: Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^jeremia-17-13-l]: Verwijzing l: Jer. 2:13. Jeremia 2:13: Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van de levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
[^jeremia-17-14-57]: Kanttekening 57: 57 Genees mij: De profeet, zich ontzettende over de algemene en gruwelijke boosheid van zijn volk, waarmee hij te doen had, en overdenkende zijn tegenwoordige en toekomende gevaren, en ook zijn gebreken en zwakheid, waarvan boven Jer. 15:18, enz. bidt God dat Hij hem oprichte, versterke en beware naar ziel en lichaam. Jeremia 15:18: Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt U mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
[^jeremia-17-14-58]: Kanttekening 58: 58 mijn Lof: Dat is, die ik alleen prijs en roem, als mijn Heiland. Vergelijk Deut. 10:21. Deuteronomium 10:21: Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.
[^jeremia-17-15-59]: Kanttekening 59: 59 zeggen tot mij: Spottende met uwe dreigementen en uwe lankmoedigheid in het uitstellen van de straf. Vergelijk Jes. 5:19; Ez. 12:22, 12:23, 12:25, 12:27, 12:28; 2 Petr. 3:4. Jesaja 5:19: Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen! Ezechiël 12:22: Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan? Ezechiël 12:23: Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht. Ezechiël 12:25: Want Ik ben YHWH, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o opstandig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelfde doen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 12:27: Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn. Ezechiël 12:28: Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Geen van Mijn woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heer YHWH. 2 Petrus 3:4: En zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping.
[^jeremia-17-15-m]: Verwijzing m: Jes. 5:19; 2 Petr. 3:4. Jesaja 5:19: Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heiligen van Israël, dat wij het vernemen! 2 Petrus 3:4: En zeggen: Waar is de belofte Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo gelijk van het begin van de schepping.
[^jeremia-17-16-60]: Kanttekening 60: Alsof de profeet zei: Zij spreken tot mij niets anders dan of ik er op aandreef, haastte, en daarnaar wenste, dat hun het verderf mocht overkomen, daar U, Heer, toch weet dat ik mij niet anders gedragen, noch haastiger gesteld heb dan een profeet toestaat, die U navolgt, alleen hun aanzeggende wat U mij hebt belast. Dit komt met het voorgaande en volgende zeer wel overeen. Anders: Ik heb toch niet aangehouden, dat ik geen herder achter U zou zijn; dat is, ik heb mij niet weigerachtig gesteld om U te volgen. Zie boven Jer. 1:4, enz. Jeremia 1:4: Het woord van YHWH dan geschiedde tot mij, zeggende:
[^jeremia-17-16-61]: Kanttekening 61: Dat is, meer dan betaamde een profeet, weidende en regerende uw volk met uw woord.
[^jeremia-17-16-62]: Kanttekening 62: Dat is, de tijd huns verderfs niet gewenst, of daarnaar verlangd, zie onder Jer. 18:20, of, geen lust gehad van mijzelf, om hun hun ondergang te profeteren, het zijn uw woorden, enz. Het Hebreeuwse woord is hetzelfde, dat vers 9 van het hart van de mens gebruikt is. Jeremia 18:20: Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden. Jeremia 17:9: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
[^jeremia-17-16-63]: Kanttekening 63: 63 wat uit mijn lippen: Hebreeuws, de uitgang van mijn lippen (מוֹצָא).
[^jeremia-17-16-64]: Kanttekening 64: Dat is, ik heb oprecht als in uwe aanwezigheid gesproken, mij verzekerende, dat ik er af- noch toedeed, waarvan U getuige bent.
[^jeremia-17-17-65]: Kanttekening 65: Of, verslagenheid. Anders: verwoesting, verbreking, verstoring; dat U mij zoudt nederslaan, gelijk U mij gedreigd hebt, als ik uwe beroeping zou weigeren te volgen; boven Jer. 1:17. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
[^jeremia-17-17-n]: Verwijzing n: Jer. 16:19. Jeremia 16:19: O YHWH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.
[^jeremia-17-17-66]: Kanttekening 66: Dat is, van de ellende, alsook in vers 18. Jeremia 17:18: Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking.
[^jeremia-17-18-o]: Verwijzing o: Ps. 35:4; Ps. 40:15; Jer. 15:15. Psalmen 35:4: Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. Psalmen 40:15: Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Jeremia 15:15: O YHWH! U weet het, gedenk mijn, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.
[^jeremia-17-18-67]: Kanttekening 67: 67 dag van het kwaad: Zie Ps. 37:13. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
[^jeremia-17-18-68]: Kanttekening 68: 68 dubbele verbreking: Dat is, volkomen. Vergelijk boven Jer. 16:18. Jeremia 16:18: Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hun verfoeiselen en hun gruwelen vervuld.
[^jeremia-17-19-69]: Kanttekening 69: Dit ziet op ene van de voornaamste poorten van de stad, waar het meeste volk bijeenkwam, omdat de koningen door die gewoon waren in en uit te trekken.
[^jeremia-17-21-70]: Kanttekening 70: 70 op uw zielen: Dat is, zo lief als u de zaligheid van uw zielen is. Of, wacht uzelven, of neemt acht op uwe personen, let op uzelven. Vergelijk Deut. 4:15; Jos. 23:11. Deuteronomium 4:15: Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
[^jeremia-17-21-p]: Verwijzing p: Neh. 13:19. Nehemia 13:19: Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag.
[^jeremia-17-22-71]: Kanttekening 71: Zie Ex. 20:8. Exodus 20:8: Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt.
[^jeremia-17-22-q]: Verwijzing q: Ex. 20:8; Ex. 23:12; Ex. 31:13; Ez. 20:12. Exodus 20:8: Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Exodus 23:12: Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevenden dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. Exodus 31:13: U nu, spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: U zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik YHWH ben, Die u heilige. Ezechiël 20:12: Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige.
[^jeremia-17-23-72]: Kanttekening 72: Dat is, gehoorzaamd.
[^jeremia-17-23-r]: Verwijzing r: Jer. 11:10; Jer. 13:10; Jer. 16:12. Jeremia 11:10: Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden hun voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb. Jeremia 13:10: Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijn harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. Jeremia 16:12: En u erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, u wandelt, een iedereen naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
[^jeremia-17-23-73]: Kanttekening 73: 73 nek verhard: Gelijk boven Jer. 7:26. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.
[^jeremia-17-23-74]: Kanttekening 74: 74 om niet te horen: Gelijk boven Jer. 16:12. Jeremia 16:12: En u erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, u wandelt, een iedereen naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.
[^jeremia-17-23-75]: Kanttekening 75: Zie Spreuk. 1:2, en Spreuk. 7:22. Spreuken 1:2: Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand; Spreuken 7:22: Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging van de boeien.
[^jeremia-17-24-76]: Kanttekening 76: Hebreeuws, horende zult horen.
[^jeremia-17-25-s]: Verwijzing s: Jer. 22:4. Jeremia 22:4: Want als u deze zaak ernstiglijk zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende de David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.
[^jeremia-17-25-77]: Kanttekening 77: 77 mannen van Juda: Of, iedereen. Hebreeuws, man (אִישׁ), gelijk boven Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^jeremia-17-25-78]: Kanttekening 78: 78 bewoond worden: Of, zal blijven in eeuwigheid. Vergelijk boven Jer. 7:3, 7:7, enz. Jeremia 7:3: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats. Jeremia 7:7: Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw.
[^jeremia-17-27-79]: Kanttekening 79: De oorlog van de Babyloniërs, waardoor Jeruzalem en geheel Juda zal verwoest worden. Vergelijk boven vers 4. Jeremia 17:4: Zo zult u aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat u niet kent; want u hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.
[^jeremia-17-27-80]: Kanttekening 80: 80 haar poorten: Van Jeruzalem.

### Jeremia 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/18.json)

*Door de gelijkenis van het werk van een pottenbakker stelt God Zijn volk Zijn macht voor om hen te maken of te behouden, en te breken, en vermaant hen daarop tot bekering, vers 1, 2, enz. maar klaagt over hun weerspannigheid en snode ondankbaarheid, zoals niet onder de heidenen noch anderszins te vinden is, daarom Hij hen zal moeten straffen, 12. de profeet klaagt over hun bloeddorstige raadslagen tegen hem en bidt God dat Hij hen daarover straft, 18.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v1)

**2** Maak u op, en ga af in[^jeremia-18-2-1] het huis van de pottenbakker, en daar zal Ik u Mijn woorden doen horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v2)

**3** Zo ging ik af in het huis van de pottenbakker; en ziet, hij[^jeremia-18-3-2] maakte een werk op de[^jeremia-18-3-3] schijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v3)

**4** En de pot, die hij[^jeremia-18-4-4] maakte, werd verdorven,[^jeremia-18-4-5] als leem, in de hand van de pottenbakker; toen maakte hij daarvan[^jeremia-18-4-6] weer een andere pot, zoals het[^jeremia-18-4-7] recht was in de ogen van de pottenbakker te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v4)

**5** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v5)

**6** [^jeremia-18-6-a] Zal Ik u niet kunnen doen, zoals deze pottenbakker, o huis van Israël? spreekt YHWH; zie,[^jeremia-18-6-b] gelijk leem in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, o huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v6)

**7** In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal[^jeremia-18-7-8][^jeremia-18-7-c] uitrukken, en afbreken, en verdoen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v7)

**8** Maar als dat volk, waarover Ik dat gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik[^jeremia-18-8-9] berouw hebben over het[^jeremia-18-8-10] kwaad, dat Ik[^jeremia-18-8-11] het dacht te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v8)

**9** Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v9)

**10** Maar als het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het[^jeremia-18-10-12] goede, waarmee Ik gezegd[^jeremia-18-10-13] had het te zullen weldoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v10)

**11** Nu dan, spreek nu tot de[^jeremia-18-11-14] mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Zie, Ik[^jeremia-18-11-15] formeer een[^jeremia-18-11-16] kwaad tegen u, en denk tegen u een[^jeremia-18-11-17] gedachte;[^jeremia-18-11-e] zo bekeert u nu, ieder van zijn boze weg, en[^jeremia-18-11-18] maakt uw wegen en uw handelingen goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v11)

**12** Maar zij zeggen:[^jeremia-18-12-19][^jeremia-18-12-f] Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, ieder het[^jeremia-18-12-20] goeddunken van zijn boos hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v12)

**13** Daarom, zo zegt YHWH: Vraag nu onder de heidenen; wie heeft zoiets gehoord? De[^jeremia-18-13-21] jonkvrouw van Israël doet een zeer[^jeremia-18-13-22] afschuwelijke zaak.[^jeremia-18-13-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v13)

**14** Zal men[^jeremia-18-14-23] ook om een rotssteen van het veld verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de[^jeremia-18-14-24] vreemde, koude, stromende wateren verlaten worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v14)

**15** Toch heeft Mijn volk Mij[^jeremia-18-15-h] vergeten, zij roken aan de zinloosheid[^jeremia-18-15-25]; want[^jeremia-18-15-26] zij hebben hen doen aanstoten op[^jeremia-18-15-27] hun wegen, op de[^jeremia-18-15-28][^jeremia-18-15-i] oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een[^jeremia-18-15-29] weg, die niet[^jeremia-18-15-30] opgehoogd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v15)

**16** [^jeremia-18-16-31] Om hun land te stellen[^jeremia-18-16-k] tot een[^jeremia-18-16-32] ontzetting, tot eeuwige[^jeremia-18-16-33] aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn[^jeremia-18-16-34] hoofd schudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v16)

**17** [^jeremia-18-17-35] Als een[^jeremia-18-17-l] oostenwind zal Ik hen[^jeremia-18-17-m] verstrooien voor het aangezicht van de[^jeremia-18-17-36] vijand; Ik zal hun de nek en niet het aangezicht laten zien, op de dag van hun[^jeremia-18-17-37] verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v17)

**18** Toen zeiden[^jeremia-18-18-38] zij: Kom aan, laat ons[^jeremia-18-18-39] gedachten tegen Jeremia denken; want[^jeremia-18-18-n] de[^jeremia-18-18-40] wet zal niet vergaan van de priester, noch de raad van de wijze, noch het woord van de profeet; kom aan, en laat ons hem slaan[^jeremia-18-18-41] met de[^jeremia-18-18-o] tong, en laat ons niet luisteren naar enige van zijn woorden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v18)

**19** YHWH! luister naar mij, en hoor naar de stem[^jeremia-18-19-42] van mijn twisters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v19)

**20** [^jeremia-18-20-43] Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben[^jeremia-18-20-44] mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om[^jeremia-18-20-45] goed voor hen te spreken, om Uw woede van hen af te wenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v20)

**21** Daarom,[^jeremia-18-21-46] geef hun zonen de[^jeremia-18-21-p] honger over, en doe[^jeremia-18-21-47] ze wegvloeien door het[^jeremia-18-21-48] geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van[^jeremia-18-21-49] kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen[^jeremia-18-21-50] door de dood omgebracht, en hun jongemannen[^jeremia-18-21-51] met het zwaard geslagen worden in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v21)

**22** Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer U haastig een[^jeremia-18-22-52] bende over hen zult[^jeremia-18-22-53] brengen; omdat zij een[^jeremia-18-22-54] kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken[^jeremia-18-22-55] verborgen voor mijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v22)

**23** Maar U, YHWH! weet al hun raad tegen mij[^jeremia-18-23-56] ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en wis[^jeremia-18-23-57] hun zonde niet uit[^jeremia-18-23-58] van voor Uw aangezicht; maar[^jeremia-18-23-59] laat hen neergeveld worden voor Uw aangezicht; handel[^jeremia-18-23-60] zo met hen, ten tijde van Uw toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/18.html#v23)

[^jeremia-18-2-1]: Kanttekening 1: 1 van de pottenbakker: Hebreeuws, van de formeerder.
[^jeremia-18-3-2]: Kanttekening 2: 2 maakte een werk: Of, hij deed zijn werk, hij arbeidde.
[^jeremia-18-3-3]: Kanttekening 3: Het Hebreeuwse woord staat in het getal van meervoud, omdat er twee raderen of schijven zijn, die de pottenbakkers in hun arbeid gebruiken, het onderste, dat groter is, en het bovenste, dat kleiner is, gelijk sommigen betuigen dat alsnog in de oosterse landen ook gebruikelijk is. Anders: stoelen, vormen.
[^jeremia-18-4-4]: Kanttekening 4: 4 die hij maakte: Anders: dat hij van leem maakte, met zijn handen.
[^jeremia-18-4-5]: Kanttekening 5: 5 als leem: Dat is, gelijk leem in de hand van een pottenbakker somtijds wel pleegt te misvallen.
[^jeremia-18-4-6]: Kanttekening 6: 6 weer een ander vat: Hebreeuws, hij keerde weer en maakte dat een ander vat.
[^jeremia-18-4-7]: Kanttekening 7: 7 recht was: Dat is, zo het hem goeddocht of behaagde.
[^jeremia-18-6-a]: Verwijzing a: Jes. 45:9; Rom. 9:20. Jesaja 45:9: Wee die, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? Romeinen 9:20: Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?
[^jeremia-18-6-b]: Verwijzing b: Jes. 64:8. Jesaja 64:8: Maar nu, YHWH! U bent onze Vader; wij zijn leem, en U bent onze pottenbakker, en wij allen zijn van Uw handen werk.
[^jeremia-18-7-8]: Kanttekening 8: Gelijk boven Jer. 1:10. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^jeremia-18-7-c]: Verwijzing c: Jer. 1:10. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^jeremia-18-8-9]: Kanttekening 9: 9 berouw hebben: Zie Gen. 6:6, zo vers 10. Genesis 6:6: Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. Jeremia 18:10: Maar als het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede, waarmee Ik gezegd had het te zullen weldoen.
[^jeremia-18-8-10]: Kanttekening 10: Dit is, ongeluk, ellende, plagen, zo vers 11. Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
[^jeremia-18-8-11]: Kanttekening 11: Dat volk en koninkrijk.
[^jeremia-18-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, geluk, voorspoed, zegen.
[^jeremia-18-10-13]: Kanttekening 13: Dat volk en koninkrijk.
[^jeremia-18-11-14]: Kanttekening 14: 14 mannen van Juda: Gelijk boven Jer. 17:25, en Jer. 4:3. Jeremia 17:25: Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^jeremia-18-11-15]: Kanttekening 15: Het Hebreeuwse woord is hetzelfde, dat boven een pottenbakker betekende. Alsof de Heer zei: Ik zal een kwaad tegen u bereiden en bakken, enz.
[^jeremia-18-11-16]: Kanttekening 16: Gelijk vers 8. Jeremia 18:8: Maar als datzelve volk, waarover Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik het gedacht te doen.
[^jeremia-18-11-17]: Kanttekening 17: Dat is: Ik heb voorgekomen dat kwaad over u te brengen; vergelijk 2 Sam. 14:14, en onder vers 18. 2 Samuël 14:14: Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. Jeremia 18:18: Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van de priester, noch de raad van de wijze, noch het woord van de profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige van zijn woorden!
[^jeremia-18-11-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 17:13; Jer. 7:3; Jer. 25:5; Jer. 26:13; Jer. 35:15. 2 Koningen 17:13: Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Jeremia 7:3: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats. Jeremia 25:5: Zeggende: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en van de boosheid uw handelingen, en woont in het land, dat YHWH u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw; Jeremia 26:13: Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem van YHWH, uws Gods; zo zal YHWH berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. Jeremia 35:15: En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult u in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar u hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord.
[^jeremia-18-11-18]: Kanttekening 18: 18 maakt uw wegen: Zie boven Jer. 7:3. Jeremia 7:3: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats.
[^jeremia-18-12-19]: Kanttekening 19: 19 Het is buiten hoop: Zie boven Jer. 2:25, en Jer. 6:16. Jeremia 2:25: Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen! Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
[^jeremia-18-12-f]: Verwijzing f: Jer. 2:25. Jeremia 2:25: Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!
[^jeremia-18-12-20]: Kanttekening 20: Gelijk Jer. 3:17. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naam van YHWH wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.
[^jeremia-18-13-21]: Kanttekening 21: Vergelijk boven Jer. 14:17. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^jeremia-18-13-22]: Kanttekening 22: 22 afschuwelijke zaak: Vergelijk boven Jer. 5:30. Jeremia 5:30: Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.
[^jeremia-18-13-g]: Verwijzing g: Jer. 2:10. Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
[^jeremia-18-14-23]: Kanttekening 23: 23 om een rotssteen: Dat is, zal men de lieflijke verkoelende sneeuw van de berg Libanon \[waarbij zich God vergelijkt\] verlaten om een dorren drogen rotssteen van het veld; waarbij de afgoden en de afgoderij vergeleken worden?
[^jeremia-18-14-24]: Kanttekening 24: Die uit andere afgelegen bergachtige plaatsen door verborgen gangen afvlieten en met kanalen afgeleid worden, en ten laatste in of nabij ene stad, een frisse, koele en zeer aangename fontein maken of uitgeven, zodat het zotheid zou zijn die te verlaten en elders ander water te zoeken. Anders: zullen ook de stromen \[te weten die bij de hand of nabij zijn\] verlaten worden \[om\] vreemde, of uitlandse, of schrikkelijk \[gelijk het woord vreemd ook genomen wordt Jes. 28:21\] koude wateren, die onbekend, ongezond en zeer schadelijk mochten zijn? De mening van vers 14 \[dat verscheidenlijk wordt overgezet\] is, dat Gods volk zeer dwaas handelde, verlatende de ware God en godsdienst waarin hun heil bestond, en lopende tot de heidense afgoden om hulp, tot hun eigen verderf. Jesaja 28:21: Want YHWH zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn! Jeremia 18:14: Zal men ook om een rotssteen van het veld verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden?
[^jeremia-18-15-h]: Verwijzing h: Jer. 2:32; Jer. 3:21; Jer. 13:25. Jeremia 2:32: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. Jeremia 3:21: Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen van de kinderen van Israël, omdat zij hun weg verkeerd, en YHWH, hun God, vergeten hebben. Jeremia 13:25: Dit zal uw lot, het deel uw maten zijn van Mij, spreekt YHWH; u, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.
[^jeremia-18-15-25]: Kanttekening 25: De afgoden, gelijk boven Jer. 14:22. Jeremia 14:22: Zijn er onder de ijdelheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt U die niet, o YHWH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen.
[^jeremia-18-15-26]: Kanttekening 26: 26 zij hebben hen: De valse profeten hebben teweeggebracht dat het volk, zich verergerde aan de rechte godsdienst, tot afgoderij geweken is. Vergelijk Mal. 2:8. Maleachi 2:8: Maar u bent van de weg afgeweken, u hebt er velen doen struikelen in de wet, u hebt het verbond met Levi verdorven, zegt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-18-15-27]: Kanttekening 27: 27 hun wegen: Die hun van God waren voorgeschreven.
[^jeremia-18-15-28]: Kanttekening 28: 28 oude paden: Hebreeuws, paden van de eeuwigheid (נְתִיבוֹת); dat is, oudheid, die in voortijden van God waren geleerd, door Mozes verklaard en van de vrome voorvaders bewandeld. Van deze betekenis van het woord Olam zie boven Jer. 2:20, en Jer. 6:16. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende. Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
[^jeremia-18-15-i]: Verwijzing i: Jer. 6:16. Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
[^jeremia-18-15-29]: Kanttekening 29: 29 weg, die: Of, ongebaanden weg, als daar zijn rotsstenen en sneeuwachtige bergen, waarvan in vers 14. Jeremia 18:14: Zal men ook om een rotssteen van het veld verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden?
[^jeremia-18-15-30]: Kanttekening 30: 30 opgehoogd is: Dat is, niet gebaand, waarop het onbekwaam en gevaarlijk is te wandelen.
[^jeremia-18-16-31]: Kanttekening 31: 31 Om hun land: Of, stellende, enz., dat is, deze straffen daardoor veroorzakende en over hun hals halende; of opdat Ik daardoor vertoornd zijnde, hun land, enz. Vergelijk onder Jer. 27:10, 27:15; Klaagl. 2:14; Micha 6:16, met de aantekening. Jeremia 27:10: Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en u omkomt. Jeremia 27:15: Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren. Klaagliederen 2:14: Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. Micha 6:16: Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid van Mijn volk dragen.
[^jeremia-18-16-k]: Verwijzing k: Jer. 12:11; Jer. 19:8; Jer. 49:13; Jer. 50:13. Jeremia 12:11: Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het gehele land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter hart neemt. Jeremia 19:8: En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. Jeremia 49:13: Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. Jeremia 50:13: Vanwege de toorn van YHWH zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.
[^jeremia-18-16-32]: Kanttekening 32: Dat is, stof van schrik en verwondering. Anders: verwoesting, zo onder Jer. 19:8, en Jer. 25:9, en Jer. 29:18, enz. Jeremia 19:8: En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben;
[^jeremia-18-16-33]: Kanttekening 33: Of, schuifelingen, sijfelingen, pijpingen van de eeuwigheid; tekenen van smaadheid en schande; zie 1 Kon. 9:8; onder Jer. 19:8, en Jer. 25:9, 25:18, en Jer. 29:18, enz. 1 Koningen 9:8: En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie ervoor zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Jeremia 19:8: En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage; Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben;
[^jeremia-18-16-34]: Kanttekening 34: 34 hoofd schudden: Zie 2 Kon. 19:21. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jeremia-18-17-35]: Kanttekening 35: 35 Als een oostenwind: Dat is, alsof Ik een oostenwind ware. Of, als \[met\] een oostenwind; die zeer sterk en doordringend was in die landen. Zie Ex. 10:13; Job 27:21. Exodus 10:13: Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gansen nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. Job 27:21: De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.
[^jeremia-18-17-l]: Verwijzing l: Jes. 27:8; Jes. 29:6; Jer. 4:11; idem v. 12; idem v. 13. Jesaja 27:8: Met mate hebt U met hem getwist, wanneer U hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag van de oostenwinds. Jesaja 29:6: U zult van YHWH van de legermachten bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam eens verterenden vuurs. Jeremia 4:11: In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest!
[^jeremia-18-17-m]: Verwijzing m: Jer. 13:24. Jeremia 13:24: Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind van de woestijn.
[^jeremia-18-17-36]: Kanttekening 36: Dat is, mij afkerig en niet goedwillig of gunstig tegen hen tonen, gelijk zij tegen mij ook gedaan hebben. Hebreeuws, Ik zal hun de nek en niet het aangezicht zien, dat enige zo verstaan, dat God hen, vluchtende, van achteren zal nazien of vervolgen (פְנֵי); zie onder Jer. 32:33. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
[^jeremia-18-17-37]: Kanttekening 37: Of, dodelijk ongeval.
[^jeremia-18-18-38]: Kanttekening 38: Tot wie Jeremia dit alles door Gods bevel gesproken had; zie boven vers 11, of, zij hebben gezegd, of zeggen. Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
[^jeremia-18-18-39]: Kanttekening 39: Dat is, aanslagen tegen hem maken, praktijken beramen om hem van kant te helpen. Vergelijk de manier van spreken met vers 11. Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
[^jeremia-18-18-n]: Verwijzing n: Mal. 2:7. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^jeremia-18-18-40]: Kanttekening 40: Of, leer; zie Ps. 1:2. Zij willen zeggen dat Jeremia een vals profeet is, omdat vast allen, die onder Gods volk in aanzien zijn, als priester, oudsten en andere profeten, hem tegenspreken, van wie zij nochtans geloven dat Gods Geest hen moet gehoorzamen; zie Deut. 17:9, 17:10; Mal. 2:7, 2:8; Joh. 7:48, 7:49. Psalmen 1:2: Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. Deuteronomium 17:9: En u zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen. Deuteronomium 17:10: En u zult doen naar het bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die YHWH verkiezen zal, en u zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten. Maleachi 2:8: Maar u bent van de weg afgeweken, u hebt er velen doen struikelen in de wet, u hebt het verbond met Levi verdorven, zegt YHWH van de legermachten. Johannes 7:48: Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeën? Johannes 7:49: Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.
[^jeremia-18-18-41]: Kanttekening 41: 41 de tong: Hem met valse getuigenissen overvallen en als een valsen profeet ter dood helpen. Anders: vanwege de tongen; dat is, om zijn verdrietelijke en onverdragelijke profetieën.
[^jeremia-18-18-o]: Verwijzing o: Jer. 9:8. Jeremia 9:8: Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij zijn lagen.
[^jeremia-18-19-42]: Kanttekening 42: 42 mijn twisters: Dat is, dergenen, die met mij twisten, van wie hij boven geklaagd heeft dat zij van hem afweken, Jer. 17:13. Jeremia 17:13: O YHWH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de Springader van het levende water.
[^jeremia-18-20-43]: Kanttekening 43: 43 Zal dan kwaad: Is dat passend? Heb ik dat met mijn getrouwheid aan hen verdiend? wil de profeet zeggen.
[^jeremia-18-20-44]: Kanttekening 44: 44 mijn ziel: Dat is, een aanslag gemaakt om mij het leven te benemen.
[^jeremia-18-20-45]: Kanttekening 45: 45 goed voor hen: Of, het goede, ten beste, dat is, om voor hen te bidden; zulks dat U mij hebt moeten bevelen dat ik gene voorbeden meer zou doen; zie boven Jer. 7:16, en Jer. 11:14, en Jer. 14:14. Jeremia 7:16: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. Jeremia 11:14: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
[^jeremia-18-21-46]: Kanttekening 46: 46 geef hun zonen: Vergelijk dit gebed met Ps. 69:23, enz., en Ps. 109:6, enz., en zie de aantekening daar. Psalmen 69:23: Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. Psalmen 109:6: Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
[^jeremia-18-21-p]: Verwijzing p: Ps. 109:10. Psalmen 109:10: En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
[^jeremia-18-21-47]: Kanttekening 47: Hun krachten vergaan als water, dat uitgestort is; of hun bloed wegvloeien, enz.; vergelijk 2 Sam. 14:14; Ps. 22:15, en Ps. 63:11; Ez. 35:5. 2 Samuël 14:14: Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. Psalmen 22:15: Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden van mijn ingewand. Psalmen 63:11: Men zal hen storten door het geweld van het zwaard; zij zullen de vossen ten deel worden. Ezechiël 35:5: Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen van Israël doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde huns verderfs, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
[^jeremia-18-21-48]: Kanttekening 48: Of, middel van het zwaard. Hebreeuws, handen van het zwaard (יְדֵי). Zo Job 5:20; zie daar. Job 5:20: In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^jeremia-18-21-49]: Kanttekening 49: Vergelijk boven Jer. 15:7, 15:8. Jeremia 15:7: En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten van het land; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd. Jeremia 15:8: Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.
[^jeremia-18-21-50]: Kanttekening 50: 50 door de dood: Hebreeuws, gedoden van de dood zijn (מָוֶת).
[^jeremia-18-21-51]: Kanttekening 51: 51 met het zwaard: Hebreeuws, geslagenen van het zwaard.
[^jeremia-18-22-52]: Kanttekening 52: Een hoop van rovende en verdervende krijgslieden, te weten de Babyloniërs.
[^jeremia-18-22-53]: Kanttekening 53: Of, gebracht hebben.
[^jeremia-18-22-54]: Kanttekening 54: 54 kuil gegraven: Vergelijk Ps. 7:16, en Ps. 9:16, en Ps. 35:7, en Ps. 57:7, enz. Psalmen 7:16: Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Psalmen 9:16: De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. Psalmen 35:7: Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel. Psalmen 57:7: Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
[^jeremia-18-22-55]: Kanttekening 55: Dat is, in het verborgen gelegd om mij te doen vallen.
[^jeremia-18-23-56]: Kanttekening 56: 56 ten dode: Strekkende om mij te doden.
[^jeremia-18-23-57]: Kanttekening 57: Of, bedek niet genadiglijk; vergelijk Ps. 65:4, met de aantekening. Psalmen 65:4: Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent U.
[^jeremia-18-23-58]: Kanttekening 58: 58 van voor Uw aangezicht: Dat zij niet zou voor U blijven in gedachte en rekening, om gestraft te worden.
[^jeremia-18-23-59]: Kanttekening 59: 59 laat hen neergeveld: Hebreeuws, laat hen nedergevelden, nedergestorten, of nedergestoten; zo dat zij tot aanstoten en struikelen gebracht zijnde, verder nedergestort worden.
[^jeremia-18-23-60]: Kanttekening 60: 60 met hen: Of, tegen hen.

### Jeremia 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/19.json)

*Bij het teken van een pottenbakkerskruik, die de profeet bevolen wordt te breken in het dal van de zoon van Hinnom, stelt God eerst de politieke en kerkelijke regeerders, en daarna het hele volk in de voorhof van de tempel, door de profeet, een zeer gruwelijke verwoesting van Jeruzalem voor ogen, vanwege de gruwelen die zij in dat dal en voorts overal bedreven.*

**1** Zo zegt YHWH: Ga heen en koop een[^jeremia-19-1-1] pottenbakkerskruik,[^jeremia-19-1-2] en neem tot u van de oudsten van het volk, en[^jeremia-19-1-3] van de oudsten van de priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v1)

**2** En ga uit naar het dal van[^jeremia-19-2-4] de zoon van Hinnom, dat voor de deur van[^jeremia-19-2-5] de Zonnepoort is, en roep daar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v2)

**3** En zeg: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal een[^jeremia-19-3-8] kwaad brengen over deze plaats, waarvan een ieder, die het hoort, de[^jeremia-19-3-9] oren[^jeremia-19-3-a] klinken zullen;[^jeremia-19-3-6][^jeremia-19-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v3)

**4** Omdat zij Mij[^jeremia-19-4-b] verlaten, en deze plaats[^jeremia-19-4-10] vervreemd, en aan andere goden daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaders, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met[^jeremia-19-4-c] bloed van de onschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v4)

**5** Want zij hebben de hoogten[^jeremia-19-5-11] van Baäl gebouwd, om hun zonen met[^jeremia-19-5-12] vuur te verbranden, aan Baäl tot[^jeremia-19-5-13] brandoffers; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v5)

**6** Daarom, ziet,[^jeremia-19-6-d] de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v6)

**7** Want Ik zal de[^jeremia-19-7-14] raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats[^jeremia-19-7-15] verijdelen, en zal hen voor het aangezicht van hun vijanden doen vallen door het zwaard, en door de[^jeremia-19-7-16] hand van degenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun[^jeremia-19-7-17] dode lichamen[^jeremia-19-7-e] het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v7)

**8** En Ik zal deze stad zetten tot een[^jeremia-19-8-18] ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v8)

**9** [^jeremia-19-9-f] En Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters doen eten, en zij zullen eten, ieder het vlees van zijn naaste, in de belegering en in de benauwing, waarmee hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v9)

**10** Dan zult[^jeremia-19-10-19] u de[^jeremia-19-10-20] kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die[^jeremia-19-10-21] met u gegaan zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v10)

**11** En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, zoals men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer[^jeremia-19-11-22] geheeld kan worden; en zij[^jeremia-19-11-23] zullen hen in Tofeth[^jeremia-19-11-g] begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v11)

**12** Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt YHWH, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een[^jeremia-19-12-24] Tofeth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v12)

**13** En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, zoals alle plaatsen van Tofeth, onrein worden,[^jeremia-19-13-25] met al de huizen, op wier daken zij aan al het leger[^jeremia-19-13-26][^jeremia-19-13-27] van de hemel gerookt en aan vreemde goden[^jeremia-19-13-h] drankoffers[^jeremia-19-13-28] geofferd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v13)

**14** Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarheen hem YHWH gezonden had, om te profeteren,[^jeremia-19-14-29] stond hij in het voorhof van het huis van YHWH[^jeremia-19-14-30], en zei tot al het volk: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v14)

**15** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal over deze stad, en over al[^jeremia-19-15-31] haar steden, al het[^jeremia-19-15-32] kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun[^jeremia-19-15-33][^jeremia-19-15-i] nek verhard hebben, om Mijn woorden niet[^jeremia-19-15-34] te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/19.html#v15)

[^jeremia-19-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, kruik, kan, of fles, van een formeerder van een potscherf, of aarden vat; dat is, een fles, die van een pottenbakker gemaakt is. Anders: een pottenbakkers aarden fles, zo dat het woord, dat een potscherf of aarden vat betekent, gevoegd wordt bij het woord kruik, en het woord formeerder \[gelijk elders\] alleen voor een pottenbakker gebruikt wordt, de zaak opeen uitkomende.
[^jeremia-19-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, bakbuk, dat ene kruik, fles, of ander drink- \[of watervat, betekent, hebbende de naam van de holle ledigheid, of het ledigen; zie onder vers 7. Wat deze aarden fles betekent zie vers 10, 19:11. Jeremia 19:7: Want Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht van hun vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel geven. Jeremia 19:10: Dan zult u de kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die met u gegaan zijn; Jeremia 19:11: En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.
[^jeremia-19-1-3]: Kanttekening 3: 3 neem tot u: Zie onder vers 10. Jeremia 19:10: Dan zult u de kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die met u gegaan zijn;
[^jeremia-19-2-4]: Kanttekening 4: 4 zoons van Hinnom: Gelijk boven Jer. 7:31. Zie 2 Kon. 23:10. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^jeremia-19-2-5]: Kanttekening 5: Zo genoemd \[naar sommiger gevoelen\] omdat zij was in het oosten van het voorhof van de tempel, waarvan onder vers 14; zie ook Neh. 3:29. Maar anderen verstaan veel meer dat zij zo genoemd is omdat zij stond in het zuiden tegen de hitte van de middagzon, alwaar het dal Hinnoms lag; Joz. 15:8. Jeremia 19:14: Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem YHWH gezonden had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van het huis van YHWH, en zei tot al het volk: Nehemia 3:29: Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort. Jozua 15:8: En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden.
[^jeremia-19-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, plaag en ellende en ongeluk.
[^jeremia-19-3-9]: Kanttekening 9: Zie 2 Kon. 21:12. 2 Koningen 21:12: Daarom, zo zegt YHWH, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.
[^jeremia-19-3-a]: Verwijzing a: 1 Sam. 3:11; 2 Kon. 21:12. 1 Samuël 3:11: En YHWH zei tot Samuël: Zie, Ik doe een ding in Israël, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken. 2 Koningen 21:12: Daarom, zo zegt YHWH, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.
[^jeremia-19-3-6]: Kanttekening 6: 6 koningen van Juda: Dat is, koning met zijn vorsten en regenten, gelijk enige dit verstaan; vergelijk onder Jer. 46:25. Anders kan men het ook passen op de tegenwoordige koning en zijn navolgers, tot de Babylonische gevangenschap toe. Jeremia 46:25: YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^jeremia-19-3-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-19-4-b]: Verwijzing b: Jes. 65:11; Jer. 2:13; idem 2:17; idem 2:19; Jer. 5:7; idem 5:19; Jer. 15:6; Jer. 17:13. Jesaja 65:11: Maar u verlaters van YHWH, u vergeters van de berg Mijn heiligheid, u aanrichters ener tafel voor die bende, en u opvullers van de drank voor dat getal! Jeremia 2:13: Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van de levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Jeremia 2:17: Doet u dit niet zelven, doordien u YHWH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt? Jeremia 2:19: Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat u YHWH, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heer, YHWH van de legermachten. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. Jeremia 5:19: En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons YHWH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Gelijk als u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is. Jeremia 15:6: U hebt Mij verlaten, spreekt YHWH; u bent achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben van de berouwens moe geworden. Jeremia 17:13: O YHWH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten YHWH, de Springader van de levenden waters.
[^jeremia-19-4-10]: Kanttekening 10: Van mij, anderen goden die toeeigenende, en met al zulke gruwelen vervullende, dat Ik hen niet meer voor de mijnen erken.
[^jeremia-19-4-c]: Verwijzing c: Jer. 7:6. Jeremia 7:6: De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen, u ten kwade;
[^jeremia-19-5-11]: Kanttekening 11: Een algemene toenaam van de afgoden; zie Richt. 2:11, welke hier ook de Moloch gegeven wordt. Richteren 2:11: Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^jeremia-19-5-12]: Kanttekening 12: Zie Lev. 18:21. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^jeremia-19-5-13]: Kanttekening 13: Zie boven Jer. 7:31, 7:32. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jeremia 7:32: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
[^jeremia-19-6-d]: Verwijzing d: Jer. 7:32. Jeremia 7:32: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
[^jeremia-19-7-14]: Kanttekening 14: 14 raad van Juda: Waardoor zij het geweld van de Babyloniërs menen te ontgaan.
[^jeremia-19-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, ledigmaken, of ledigen, gelijk een fles wordt geledigd, dat er gene vochtigheid meer in is; de zin is: Ik zal hen geheel radeloos maken, al hun raadslagen tenietmaken. Dit schijnt te zien op de kruik of fles \[waarvan boven vers 1, en onder vers 10\], hebbende de naam van ledigen. Jeremia 19:1: Zo zegt YHWH: Ga heen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten van het volk, en van de oudsten van de priesters. Jeremia 19:10: Dan zult u de kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die met u gegaan zijn;
[^jeremia-19-7-16]: Kanttekening 16: 16 hand dergenen: Dat is, het geweld dergenen, die naar hun leven staan. Zie 2 Sam. 4:8; zo onder vers 9. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. Jeremia 19:9: En Ik zal hunlieden het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters doen eten, en zij zullen eten, een iedereen het vlees van zijn naaste, in de belegering en in de benauwing, waarmee hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen.
[^jeremia-19-7-17]: Kanttekening 17: 17 dode lichamen: Hebreeuws, dood lichaam; als dikwijls.
[^jeremia-19-7-e]: Verwijzing e: Jer. 15:3; Jer. 16:4. Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-19-8-18]: Kanttekening 18: Zie boven Jer. 18:16. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-19-9-f]: Verwijzing f: Lev. 26:29; Deut. 28:53; Klaagl. 4:10. Leviticus 26:29: Want u zult het vlees uw zonen eten, en het vlees uw dochters zult u eten. Deuteronomium 28:53: En u zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uw zonen en uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen Klaagliederen 4:10: Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter mijn volks.
[^jeremia-19-10-19]: Kanttekening 19: Woorden van God tot Jeremia.
[^jeremia-19-10-20]: Kanttekening 20: Waarvan boven vers 1. Jeremia 19:1: Zo zegt YHWH: Ga heen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten van het volk, en van de oudsten van de priesters.
[^jeremia-19-10-21]: Kanttekening 21: 21 met u gegaan zijn: Zie boven vers 1. Jeremia 19:1: Zo zegt YHWH: Ga heen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten van het volk, en van de oudsten van de priesters.
[^jeremia-19-11-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, geheeld, genezen.
[^jeremia-19-11-23]: Kanttekening 23: 23 zullen hen in Tofeth begraven: Zie boven Jer. 7:32. Jeremia 7:32: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
[^jeremia-19-11-g]: Verwijzing g: Jer. 7:32. Jeremia 7:32: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
[^jeremia-19-12-24]: Kanttekening 24: Een onreine afschuwelijke plaats; zie vers 13 en boven Jer. 7:32. Jeremia 19:13: En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op van welke daken zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben. Jeremia 7:32: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn.
[^jeremia-19-13-25]: Kanttekening 25: Anders: om, of vanwege.
[^jeremia-19-13-26]: Kanttekening 26: Omdat zij plat waren. Zie Deut. 22:8, en onder Jer. 32:29. Deuteronomium 22:8: Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. Jeremia 32:29: En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op van welke daken zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen.
[^jeremia-19-13-27]: Kanttekening 27: 27 legermacht van de hemel: Gelijk boven Jer. 8:2. Jeremia 8:2: En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor de gehele legermacht van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor die zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
[^jeremia-19-13-h]: Verwijzing h: Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-19-13-28]: Kanttekening 28: Gelijk boven Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-19-14-29]: Kanttekening 29: 29 stond hij: Of, stelde hij zich, ging, of bleef staan.
[^jeremia-19-14-30]: Kanttekening 30: Dat is, tempel; in welks voorhof de gemeente vergaderde.
[^jeremia-19-15-31]: Kanttekening 31: 31 haar steden: Die onder haar, als hoofdstad van Juda behoren.
[^jeremia-19-15-32]: Kanttekening 32: Gelijk vers 3. Jeremia 19:3: En zeg: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van dat een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;
[^jeremia-19-15-33]: Kanttekening 33: 33 hun nek: Zie boven Jer. 7:26. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders.
[^jeremia-19-15-i]: Verwijzing i: Jer. 7:26; Jer. 17:23. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders. Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.
[^jeremia-19-15-34]: Kanttekening 34: 34 te horen: Dat is, gehoorzamen.

### Jeremia 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/20.json)

*Vanwege de voorgaande profetie wordt Jeremia door de priester Pashur geslagen en gevangengezet, vers 1, 2. losgelaten zijnde, verkondigt hij hem, zijn vrienden en het hele volk Gods verschrikkelijke straffen door de koning van Babel, 3. hij klaagt de HEERE zijn lijden, verdriet en innerlijke strijd, 7. troost zich in Gods bijstand en wraak, tot verheugens toe, 11. verhaalt hoe ongeduldig hij geweest is, 14, enz.*

**1** Als[^jeremia-20-1-1] Pashur, de[^jeremia-20-1-2] zoon van[^jeremia-20-1-3] Immer, de priester (deze nu was[^jeremia-20-1-4] bestelde voorganger in het huis van YHWH), Jeremia hoorde, die woorden profeterende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v1)

**2** Zo[^jeremia-20-2-5] sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de[^jeremia-20-2-6] gevangenis, die is in de[^jeremia-20-2-7] bovenste poort[^jeremia-20-2-8] van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v2)

**3** Maar het gebeurde op de andere dag, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zei Jeremia tot hem: YHWH noemt uw naam niet Pashur, maar[^jeremia-20-3-9] Magor-missabib. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v3)

**4** Want zo zegt YHWH: Zie, Ik[^jeremia-20-4-10] stel u tot een schrik voor uzelf en voor al uw[^jeremia-20-4-11] liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal geheel Juda geven in de hand van de koning van Babel, die hen naar Babel als gevangene zal wegvoeren, en[^jeremia-20-4-12] slaan hen met het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v4)

**5** Ook zal Ik geven al het vermogen van deze stad, en al haar[^jeremia-20-5-13] arbeid, en al haar kostbaarheid, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden, die zullen[^jeremia-20-5-a] ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v5)

**6** En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis! u zult gaan in de gevangenis; en u zult te Babel komen, en daar sterven, en daar begraven worden, u en al uw vrienden, die u[^jeremia-20-6-14] vals geprofeteerd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v6)

**7** YHWH! U hebt mij[^jeremia-20-7-15] overreed, en ik ben overreed geworden; U bent mij te sterk geweest, en hebt[^jeremia-20-7-16] overweldigd; ik ben de hele dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v7)

**8** Want sinds ik[^jeremia-20-8-17] spreke, roep ik uit, ik[^jeremia-20-8-18] roep geweld en verstoring; omdat mij het woord van YHWH de hele dag[^jeremia-20-8-b] tot smaad en tot schimp is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v8)

**9** Daarom zei ik: Ik zal aan Hem niet denken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar[^jeremia-20-9-21] het werd in mijn hart als een[^jeremia-20-9-22] brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik[^jeremia-20-9-23] bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.[^jeremia-20-9-19][^jeremia-20-9-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v9)

**10** Want ik heb gehoord de[^jeremia-20-10-24] naspraak van velen,[^jeremia-20-10-25] van Magor-missabib,[^jeremia-20-10-26] zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven;[^jeremia-20-10-27] al mijn vredegenoten nemen acht op mijn[^jeremia-20-10-28] hinking; zij zeggen: Misschien zal hij[^jeremia-20-10-29] overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v10)

**11** Maar YHWH is[^jeremia-20-11-c] met mij als een verschrikkelijk Held;[^jeremia-20-11-d] daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets uitrichten;[^jeremia-20-11-30] zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet[^jeremia-20-11-31] verstandig gehandeld hebben;[^jeremia-20-11-e] het zal een[^jeremia-20-11-32] eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v11)

**12** U dan, o YHWH van[^jeremia-20-12-33] de legermachten, Die de rechtvaardige[^jeremia-20-12-f] proeft, Die de[^jeremia-20-12-34] nieren en het hart ziet, laat mij Uw[^jeremia-20-12-g] wraak van hen zien, want ik heb U mijn rechtszaak[^jeremia-20-12-35] ontdekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v12)

**13** Zing voor YHWH, prijst YHWH; want Hij heeft de ziel van de armen uit de hand van de boosdoeners verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v13)

**14** [^jeremia-20-14-36][^jeremia-20-14-h] Vervloekt zij de dag, op welke ik geboren ben; de dag, op welke mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v14)

**15** [^jeremia-20-15-i]Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een[^jeremia-20-15-37] jonge zoon geboren,[^jeremia-20-15-38] die hem zeer verblijdde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v15)

**16** Ja, die man zij, als de[^jeremia-20-16-39] steden, die YHWH heeft[^jeremia-20-16-k] omgekeerd, en het heeft Hem niet[^jeremia-20-16-40] berouwd; en hij hore in de[^jeremia-20-16-41] morgenstond een[^jeremia-20-16-42] geroep, en op de[^jeremia-20-16-43] middagtijd een geschrei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v16)

**17** [^jeremia-20-17-44] Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van één, die[^jeremia-20-17-45] eeuwig zwanger is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v17)

**18** [^jeremia-20-18-l] Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te[^jeremia-20-18-46] zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/20.html#v18)

[^jeremia-20-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws, Paschchur.
[^jeremia-20-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, nakomeling.
[^jeremia-20-1-3]: Kanttekening 3: Op wiens geslacht het zestiende lot in de afdeling van de priesters gevallen was. Zie 1 Kron. 24:14. 1 Kronieken 24:14: Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer,
[^jeremia-20-1-4]: Kanttekening 4: Of, een bestelde \[of overste\] een voorganger, dat is, \[gelijk sommigen verklaren\] de tweede na de hoogpriester, gelijk Eleazar was bij zijn vaders Aärons leven, Num. 4:16, gesteld tot opzicht en regering in Gods huis. Numeri 4:16: Het opzicht nu van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zal zijn over de olie van de luchter, en het reukwerk van de welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht van de gehele tabernakel, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.
[^jeremia-20-2-5]: Kanttekening 5: Zie 1 Kon. 20:35. 1 Koningen 20:35: Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van YHWH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.
[^jeremia-20-2-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws eigenlijk, omkering, als strekkende tot omkering van de welstand van de misdadigers. Zie verder 2 Kron. 16:10. Sommigen menen dat deze gevangenis zo genoemd is vanwege de engheid van de plaats, als waarin men zich nauwelijks kon omkeren; zo onder Jer. 29:26. 2 Kronieken 16:10: Maar Asa werd toornig tegen de ziener, en leidde hem in het gevangenhuis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enige uit het volk ter zelfder tijd. Jeremia 29:26: YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzieners zoudt zijn in het huis van YHWH over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok.
[^jeremia-20-2-7]: Kanttekening 7: 7 bovenste poort: Anders: hoge poort; gelijk 2 Kron. 23:20. Vergelijk onder Jer. 26:10. Van deze naam, bovenste, of hoogste, is verscheiden gevoelen. 2 Kronieken 23:20: En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van YHWH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk. Jeremia 26:10: Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van YHWH; en zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort van YHWH.
[^jeremia-20-2-8]: Kanttekening 8: Dat is, staande naar het land van Benjamin toe.
[^jeremia-20-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, schrik, of vrees van rondom, om reden gelijk volgt.
[^jeremia-20-4-10]: Kanttekening 10: 10 stel u: Of, Ik geef u de schrik, of van de vrees over.
[^jeremia-20-4-11]: Kanttekening 11: Of, vrienden; zo vers 6 en elders. Jeremia 20:6: En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis! u zult gaan in de gevangenis; en u zult te Babel komen, en daar sterven, en daar begraven worden, u en al uw vrienden, denwelken u valselijk geprofeteerd hebt.
[^jeremia-20-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, ombrengen; zie Gen. 8:21. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^jeremia-20-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, al wat zij met haar arbeid verkregen heeft.
[^jeremia-20-5-a]: Verwijzing a: Jer. 15:13; Jer. 17:3. Jeremia 15:13: Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied. Jeremia 17:3: Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, en ook uw hoogten, om de zonde in al uw gebied.
[^jeremia-20-6-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, in, of met valsheid.
[^jeremia-20-7-15]: Kanttekening 15: Of, verlokt, bepraat, bekout, gelijk men zegt. Enige verstaan dit van zijn beroep en de last hem gegeven; vergelijk boven Jer. 1:6, 1:7, en zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14:15, en vergelijk onder vers 10. Hetzelfde woord wordt gebruikt van het rechtvaardig oordeel van God, in het overreden van de valse profeten; Ez. 14:9, zie daar. Jeremia 1:6: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Jeremia 1:7: Maar YHWH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken. Richteren 14:15: Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet? Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. Ezechiël 14:9: Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
[^jeremia-20-7-16]: Kanttekening 16: Vergelijk de manier van spreken met vers 10. Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^jeremia-20-8-17]: Kanttekening 17: Profeterende tot het volk.
[^jeremia-20-8-18]: Kanttekening 18: 18 roep geweld: Vergelijk Job 19:7, en de aantekening daar. Job 19:7: Ziet, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht.
[^jeremia-20-8-b]: Verwijzing b: Jes. 57:4. Jesaja 57:4: Over wie maakt u u lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt u niet kinderen van de overtreding, een zaad van de valsheid?
[^jeremia-20-9-21]: Kanttekening 21: 21 het werd in mijn hart: Het woord van de Heer, of zijn last; door de krachtige werking van de Heilige Geest, of daar was, enz.
[^jeremia-20-9-22]: Kanttekening 22: 22 brandend vuur: Zie al zulke gelijkenis Job 32:18; Ps. 39:4. Job 32:18: Want ik ben van de woorden vol; de geest van mijn buik benauwt mij. Psalmen 39:4: Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
[^jeremia-20-9-23]: Kanttekening 23: Of, werd vermoeid van, enz. en kon niet, te weten langer inhouden, of de Geest van de Heer wederstaan, ik moest in mijn dienst voortgaan.
[^jeremia-20-9-19]: Kanttekening 19: 19 zei ik: Bij mijzelf, dat is, ik dacht.
[^jeremia-20-9-20]: Kanttekening 20: Dat is, niet meer van de Heer vermelden, gene melding meer van zijn last maken.
[^jeremia-20-10-24]: Kanttekening 24: 24 de naspraak: Of, naklap, boos gerucht.
[^jeremia-20-10-25]: Kanttekening 25: Zie vers 3. Deze mag men nemen voor een aanleider van wat, waarvan verder in vers 10 gesproken wordt. Anders: schrik, of vrees, \[grijpt mij aan\] van rondom, \[zij zeggen\] enz. Jeremia 20:3: Maar het geschiedde op de andere dag, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zei Jeremia tot hem: YHWH noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib. Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^jeremia-20-10-26]: Kanttekening 26: 26 Geef ons te kennen: Dat is, verneem er naar en let er op, wat u van Jeremia hoort, en breng het ons aan, opdat wij het de oversten, zo kerkelijken als politieken, aanbrengen, om tegen hem te beraadslagen.
[^jeremia-20-10-27]: Kanttekening 27: 27 al mijn vredegenoten: Hebreeuws, alle mensen van mijn vrede, zo onder Jer. 38:22; vergelijk 2 Sam. 8:10; Ps. 41:10. Jeremia 38:22: Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en die zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overweldigd; uw voeten zijn in de modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd! 2 Samuël 8:10: Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Psalmen 41:10: Zelfs de man van mijn vrede, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
[^jeremia-20-10-28]: Kanttekening 28: Of ik mij ergens in mijn ambt of leven mocht vergrijpen of struikelen, en zij mij daarover ten val of in lijden brengen; vergelijk Ps. 35:15, en Ps. 38:18. Psalmen 35:15: Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Psalmen 38:18: Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.
[^jeremia-20-10-29]: Kanttekening 29: 29 overreed worden: Zich met zoete woorden laten misleiden, om het een tegen het ander te zeggen, of anders falen en gelegenheid geven tot zijn verderf.
[^jeremia-20-11-c]: Verwijzing c: Jer. 1:8; idem 1:19; Jer. 15:20. Jeremia 1:8: Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH. Jeremia 1:19: En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u uit te helpen. Jeremia 15:20: Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt YHWH.
[^jeremia-20-11-d]: Verwijzing d: Jer. 17:18. Jeremia 17:18: Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking.
[^jeremia-20-11-30]: Kanttekening 30: 30 zij zijn zeer beschaamd: Profetischerwijze van het toekomende gesproken: zij zullen zekerlijk beschaamd worden; waarover de profeet zich door het geloof zo verheugt, gelijk te zien is vers 13. Verhalende ondertussen hoe hij aan de andere zijde is bestreden door de zwakheid van het vlees. Jeremia 20:13: Zingt YHWH, prijst YHWH; want Hij heeft de ziel van de nooddruftige uit de hand van de boosdoeners verlost.
[^jeremia-20-11-31]: Kanttekening 31: Vergelijk boven Jer. 10:21. Of, omdat zij niet gelukkig, of voorspoedig zijn geweest, of zullen zijn; omdat hun aanslagen zullen falen. Jeremia 10:21: Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben YHWH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun gehele weide is verstrooid.
[^jeremia-20-11-e]: Verwijzing e: Jer. 23:40. Jeremia 23:40: En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.
[^jeremia-20-11-32]: Kanttekening 32: 32 eeuwige schande: Of, een eeuwige schande! als een afgebroken rede, verwonderenderwijze.
[^jeremia-20-12-33]: Kanttekening 33: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-20-12-f]: Verwijzing f: Jer. 11:20; Jer. 12:3. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt. Jeremia 12:3: Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding.
[^jeremia-20-12-34]: Kanttekening 34: Gelijk boven Jer. 11:20; zie daar. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
[^jeremia-20-12-g]: Verwijzing g: Jer. 11:20; Jer. 15:15; Jer. 18:19. Jeremia 11:20: Maar, o YHWH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt. Jeremia 15:15: O YHWH! U weet het, gedenk mijn, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage. Jeremia 18:19: YHWH! luister naar mij, en hoor naar de stem mijn twisters.
[^jeremia-20-12-35]: Kanttekening 35: Als mijn advocaat en voorspreker.
[^jeremia-20-14-36]: Kanttekening 36: Vergelijk deze klacht van de ongeduldigheid met Job 3:3, enz., en zie de aantekening daar. De profeet verhaalt hier hoe ongeduldig hij geweest is, als hem al de wereld vloekte en smaadde, zie boven vers 8, en Jer. 15:10. Job 3:3: De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zei: Een knechtje is ontvangen; Jeremia 20:8: Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij het woord van YHWH de ganse dag tot smaad en tot schimp is. Jeremia 15:10: Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel voor het gehele land! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
[^jeremia-20-14-h]: Verwijzing h: Jer. 15:10. Jeremia 15:10: Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel de gehele land! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
[^jeremia-20-15-i]: Verwijzing i: Job 3:3. Job 3:3: De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zei: Een knechtje is ontvangen;
[^jeremia-20-15-37]: Kanttekening 37: 37 jonge zoon: Hebreeuws, een mannelijk kind, of zoon (בֵּן).
[^jeremia-20-15-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, verblijdende verblijdde hij zich.
[^jeremia-20-16-39]: Kanttekening 39: Dit schijnt te zien op de steden Sodom, Gomorra, enz., Gen. 19.
[^jeremia-20-16-k]: Verwijzing k: Gen. 19.
[^jeremia-20-16-40]: Kanttekening 40: Zie Gen. 6:6. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^jeremia-20-16-41]: Kanttekening 41: Dat is, vroeg, onvoorzien, als hij er niet op verdacht is; vergelijk Hos. 10:15. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^jeremia-20-16-42]: Kanttekening 42: Een gekerm zijn medeburgers of naburen, die omgebracht worden of in levensgevaar zijn, gelijk ten tijde van de overval van de vijand pleegt te gebeuren.
[^jeremia-20-16-43]: Kanttekening 43: Als men placht maaltijd te houden en te rusten.
[^jeremia-20-17-44]: Kanttekening 44: 44 Dat Hij mij: Alsof hij zei: Waarom is dat niet geschied? waarom heeft de Heer mij niet gedood? gelijk in vers 18. Jeremia 20:18: Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?
[^jeremia-20-17-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, ener zwangere van de eeuwigheid (עוֹלָֽם); dat is, altijd zwanger blijvende en nimmermeer barende.
[^jeremia-20-18-l]: Verwijzing l: Job 3:20. Job 3:20: Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitterlijk bedroefden van gemoed?
[^jeremia-20-18-46]: Kanttekening 46: Dat is, ondervinden. Zie Job 7:7. Job 7:7: Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.

### Jeremia 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/21.json)

*De koning Zedekia laat tijdens de belegering de profeet vragen of er hoop en troost bij God is, vers 1, enz. krijgt als antwoord van nee, maar geheel het tegendeel, 3. God geeft nochtans het volk raad wat voor hen het beste is, 8. en het huis van de koning een les, met een scherp dreigement, 11.*

**1** Het woord, dat van YHWH gebeurd is tot Jeremia, als koning Zedekia tot hem zond Pashur, de[^jeremia-21-1-1] zoon van Malchia, en Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v1)

**2** Vraag toch YHWH voor ons, want[^jeremia-21-2-2] Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons; misschien zal YHWH met ons doen[^jeremia-21-2-3] naar al Zijn wonderen, dat[^jeremia-21-2-4] hij van ons optrekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v2)

**3** Toen zei Jeremia tot hen: Zo zult u tot Zedekia zeggen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal de[^jeremia-21-4-5] oorlogswapenen[^jeremia-21-4-6] omwenden, die in uw hand zijn, waarmee u strijdt tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u belegeren, van buiten aan de muur; en Ik[^jeremia-21-4-7] zal ze verzamelen in het midden van deze stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v4)

**5** En Ik Zelf zal tegen u strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, en met woede, en met grote toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v5)

**6** En Ik zal de inwoners van deze stad slaan, zowel[^jeremia-21-6-8] de mensen als de beesten; door een grote pest zullen zij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v6)

**7** En daarna spreekt YHWH, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pest, van het zwaard en van de honger, geven in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun[^jeremia-21-7-9] ziel zoeken; en[^jeremia-21-7-10] hij zal ze[^jeremia-21-7-11] slaan met de scherpte van het zwaard; hij zal ze niet sparen, noch ontzien, noch zich ontfermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v7)

**8** En tot dit volk zult u zeggen: Zo zegt YHWH: Zie, Ik stel voor uw aangezicht de weg van het leven en de weg van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v8)

**9** Die in deze stad[^jeremia-21-9-a] blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pest; maar die er uitgaat en[^jeremia-21-9-12] valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn[^jeremia-21-9-13] ziel zal hem tot een buit zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v9)

**10** Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad[^jeremia-21-10-14] gesteld ten[^jeremia-21-10-15] kwade en niet ten[^jeremia-21-10-16] goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v10)

**11** En voor wat betreft het huis van de koning van Juda, hoort het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v11)

**12** O huis van David! zo zegt YHWH: Richt 's morgens recht, en verlost de beroofde uit de hand van de verdrukker; opdat Mijn toorn niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen.[^jeremia-21-12-17][^jeremia-21-12-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v12)

**13** Zie, Ik[^jeremia-21-13-18] wil aan u,[^jeremia-21-13-19] u inwoneres van het dal, u rots[^jeremia-21-13-20] van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v13)

**14** En Ik zal[^jeremia-21-14-21] over u bezoeking doen[^jeremia-21-14-22] naar de vrucht van uw handelingen, spreekt YHWH; en Ik zal een[^jeremia-21-14-23][^jeremia-21-14-c] vuur aansteken in[^jeremia-21-14-24] haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/21.html#v14)

[^jeremia-21-1-1]: Kanttekening 1: Van de nakomelingen van deze Malchia, op wiens geslacht het vijfde lot in de afdeling van de priesters bij Davids tijd gevallen was, 1 Kron. 24:9, gelijk op het geslacht van Maäseja het vier en twintigste; 1 Kron. 24:18. 1 Kronieken 24:9: Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin, 1 Kronieken 24:18: Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maäzja.
[^jeremia-21-2-2]: Kanttekening 2: Zo onder vers 7, en dikwijls bij deze profeet; anders genoemd Nebukadnezar. Jeremia 21:7: En daarna spreekt YHWH, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van de honger, geven in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte van het zwaard; hij zal ze niet sparen, noch ontzien, noch zich ontfermen.
[^jeremia-21-2-3]: Kanttekening 3: 3 naar al Zijn wonderen: Gelijk hij vóór deze zo dikwijls heeft gedaan, tot bescherming en verlossing van zijn volk.
[^jeremia-21-2-4]: Kanttekening 4: 4 hij van ons optrekke: Nebukadnezar opbreke en de belegering verlate.
[^jeremia-21-4-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, instrumenten, of gereedschap van de krijg.
[^jeremia-21-4-6]: Kanttekening 6: Dat zij u onnut, ja uzelven schadelijk zullen zijn, hoewel u u door die meent te beschermen en de Chaldeën af te keren.
[^jeremia-21-4-7]: Kanttekening 7: 7 zal ze verzamelen: Ik zal de Babyloniërs of Chaldeën laten inkomen, of inlaten, innemen. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 19:15. Richteren 19:15: En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten.
[^jeremia-21-6-8]: Kanttekening 8: 8 zowel de mensen als de beesten: Hebreeuws, en de mens en het beest.
[^jeremia-21-7-9]: Kanttekening 9: 9 ziel zoeken: Dat is, die naar hun leven staan; zie Ex. 4:19; 2 Sam. 4:8. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^jeremia-21-7-10]: Kanttekening 10: 10 hij zal ze slaan: De koning van Babel.
[^jeremia-21-7-11]: Kanttekening 11: 11 met de scherpte: Hebreeuws, aan de mond van het zwaard (פִי).
[^jeremia-21-9-a]: Verwijzing a: Jer. 38:2. Jeremia 38:2: Zo zegt YHWH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven.
[^jeremia-21-9-12]: Kanttekening 12: 12 valt tot de Chaldeeën: Dat is, die zich gewillig tot hem begeeft.
[^jeremia-21-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, leven of persoon, dat is, zijn behoudenis zal hij hebben als tot een buit, die men met gevaar van de vijand haalt, of die iemand onvoorziens in handen valt en waarover men zich verheugt; zo onder Jer. 38:2, en Jer. 45:5. Jeremia 38:2: Zo zegt YHWH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven. Jeremia 45:5: En zoudt u u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt YHWH; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar u zult henentrekken.
[^jeremia-21-10-14]: Kanttekening 14: Zie Lev. 17:10. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^jeremia-21-10-15]: Kanttekening 15: 15 ten kwade: Tot hun straf en verderf.
[^jeremia-21-10-16]: Kanttekening 16: Om hun wel te doen, of te zegenen.
[^jeremia-21-12-17]: Kanttekening 17: Die hem met list of geweld verdrukt.
[^jeremia-21-12-b]: Verwijzing b: Jer. 22:3. Jeremia 22:3: Zo zegt YHWH: Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukkers; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.
[^jeremia-21-13-18]: Kanttekening 18: 18 Ik wil aan u: Of, Ik \[ben\] tegen u, of zal tegen u zijn; dat is, uwe tegenpartij zijn, Ik zal mij tegen u kanten; zo onder Jer. 23:30, 23:31, 23:32; Ez. 13:8, en Ez. 21:3, Ez. 29:3, enz. Elders wordt deze manier van spreken ook in het goede of ten beste genomen, zie Ez. 36:9. Jeremia 23:30: Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste; Jeremia 23:31: Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken; Jeremia 23:32: Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt YHWH, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugens en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk geheel geen nut doen, spreekt YHWH. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 21:3: En zeg tot het land van Israël: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien de rechtvaardige en de goddeloze. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt. Ezechiël 36:9: Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en u zult gebouwd en bezaaid worden.
[^jeremia-21-13-19]: Kanttekening 19: 19 u inwoneres van het dal: Versta, de stad Jeruzalem, waarvan het onderste deel in de laagte lag, het bovenste op de berg Zion, waar Davids stad en slot was.
[^jeremia-21-13-20]: Kanttekening 20: 20 rots van het plein: Alwaar de tempel op het plein van de berg Moria stond; of, voor welke rots buiten een effen veld ligt, gelijk enige dit verstaan.
[^jeremia-21-14-21]: Kanttekening 21: 21 over u bezoeking doen: Dat is, Ik zal u straffen, zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-21-14-22]: Kanttekening 22: 22 naar de vrucht: Gelijk boven Jer. 17:10. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen.
[^jeremia-21-14-23]: Kanttekening 23: 23 vuur aansteken: Zie 2 Kron. 36:19, en onder Jer. 52:13. 2 Kronieken 36:19: En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve. Jeremia 52:13: Zo verbrandde hij het huis van YHWH en het huis van de koning; en ook alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^jeremia-21-14-c]: Verwijzing c: Jer. 17:27. Jeremia 17:27: Maar als u naar Mij niet zult horen, om de sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.
[^jeremia-21-14-24]: Kanttekening 24: 24 haar woud: Jeruzalem, waarvan in vers 13. Door het woud kan men verstaan de schone gebouwen van de stad, die getimmerd waren van hout, dat uit het woud van de Libanon gehouwen was. Vergelijk onder Jer. 22:7, 22:23; of de gehele stad, met het land, zijnde vol volk, als een woud vol bomen. Vergelijk Ez. 20:46, met de aantekening daar. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen? Jeremia 22:7: Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen. Jeremia 22:23: O u, die nu op de Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw! Ezechiël 20:46: Mensenkind, zet uw aangezicht naar de weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.

### Jeremia 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/22.json)

*God zendt de profeet naar het hof om daar te prediken wat zij moesten doen om het goed te hebben, vers 1, enz. en omdat zij het tegendeel deden, dreigt Hij het huis van de koning en Jeruzalem met het uiterste verderf, 6. Profetie over Sallum, 10. Jojakim, 13. en Chonja, 24.*

**1** Zo zegt YHWH: Ga af in het huis van de koning van Juda, en spreek daar dit woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v1)

**2** En zeg: Hoor het woord van YHWH, u koning van Juda, u, die zit op Davids troon, u, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v2)

**3** Zo zegt YHWH: Doe recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de[^jeremia-22-3-b] vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doe[^jeremia-22-3-2][^jeremia-22-3-3] geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.[^jeremia-22-3-1][^jeremia-22-3-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v3)

**4** Want als u[^jeremia-22-4-4] deze zaak[^jeremia-22-4-5] ernstig zult doen,[^jeremia-22-4-c] zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende[^jeremia-22-4-6] voor David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden,[^jeremia-22-4-7] hij, en zijn knechten, en zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v4)

**5** Als u daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt YHWH, dat dit huis tot een woestheid worden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v5)

**6** Want zo zegt YHWH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een[^jeremia-22-6-8] Gilead, een[^jeremia-22-6-9] hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden![^jeremia-22-6-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v6)

**7** Want Ik zal[^jeremia-22-7-d] verdervers tegen u[^jeremia-22-7-11] heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen[^jeremia-22-7-12] uw uitgelezen cederen omhouwen, en[^jeremia-22-7-13] in het vuur werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v7)

**8** Dan zullen[^jeremia-22-8-14] veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste:[^jeremia-22-8-e] Waarom heeft YHWH zo gedaan deze grote stad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v8)

**9** En zij[^jeremia-22-9-15] zullen zeggen: Omdat zij het verbond van YHWH, van hun God, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden neergebogen, en die gediend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v9)

**10** Ween niet over de[^jeremia-22-10-16] dode, en beklaagt hem niet; ween[^jeremia-22-10-17] vrij over die,[^jeremia-22-10-18] die weggegaan is, want hij zal nimmermeer terugkomen, dat hij het land van zijn geboorte zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v10)

**11** Want zo zegt YHWH van[^jeremia-22-11-19] Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer terugkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v11)

**12** Maar in de plaats, waarheen zij hem als gevangene hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v12)

**13** [^jeremia-22-13-20] Wee[^jeremia-22-13-f] die, die zijn huis bouwt[^jeremia-22-13-21] met ongerechtigheid, en zijn opperzalen[^jeremia-22-13-22] met onrecht; die[^jeremia-22-13-23] de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hem zijn[^jeremia-22-13-24] arbeidsloon niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v13)

**14** Die daar zegt: Ik zal mij een[^jeremia-22-14-25] zeer hoog huis bouwen, en[^jeremia-22-14-26] glorierijke opperzalen;[^jeremia-22-14-27] en hij houwt zich vensters uit, en het is[^jeremia-22-14-28] bedekt met ceder, en[^jeremia-22-14-29] aangestreken met[^jeremia-22-14-30] menie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v14)

**15** Zou u[^jeremia-22-15-31] regeren, omdat u zich[^jeremia-22-15-32] mengt met de ceder? Heeft niet uw[^jeremia-22-15-33] vader[^jeremia-22-15-34] gegeten en gedronken, en[^jeremia-22-15-35] recht en gerechtigheid gedaan,[^jeremia-22-15-36] en het ging hem toen wel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v15)

**16** Hij heeft de rechtzaak van de ellendigen en armen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te[^jeremia-22-16-37] kennen? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v16)

**17** Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op[^jeremia-22-17-38] uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en[^jeremia-22-17-39] overlast, om die te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v17)

**18** Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda:[^jeremia-22-18-f] Zij zullen hem niet[^jeremia-22-18-40] beklagen:[^jeremia-22-18-41] Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v18)

**19** Met een[^jeremia-22-19-42] ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal[^jeremia-22-19-g] hem slepen en daarheen[^jeremia-22-19-h] werpen,[^jeremia-22-19-43] verre weg van de poorten van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v19)

**20** [^jeremia-22-20-44] Klim op de[^jeremia-22-20-45] Libanon en[^jeremia-22-20-46] roep, en[^jeremia-22-20-47] verhef uw stem op de Basan; roep ook van de[^jeremia-22-20-48] doorwaadbare plaatsen;[^jeremia-22-20-49] maar al uw liefhebbers zijn[^jeremia-22-20-50] verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v20)

**21** Ik sprak u aan in uw[^jeremia-22-21-51] grote voorspoed, maar u zei: Ik zal[^jeremia-22-21-i] niet horen. Dit is uw[^jeremia-22-21-52] weg van uw[^jeremia-22-21-53] jeugd af, dat u Mijn stem niet hebt gehoorzaamd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v21)

**22** [^jeremia-22-22-54] De wind zal al uw herders weiden, en uw[^jeremia-22-22-55] liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult u zeker beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v22)

**23** O u, die nu op de[^jeremia-22-23-56] Libanon woont, en in de cederen nestelt![^jeremia-22-23-57] hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v23)

**24** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH,[^jeremia-22-24-58] hoewel Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een[^jeremia-22-24-59] zegelring was aan Mijn rechterhand, zo zal Ik[^jeremia-22-24-60] u toch[^jeremia-22-24-61] van daar wegrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v24)

**25** En Ik zal u geven in de hand van degenen, die uw[^jeremia-22-25-62] ziel zoeken, en in de hand van degenen, voor wie u schrikt, namelijk in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v25)

**26** En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin u niet geboren bent, en daar zult u sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v26)

**27** En in het land, waarnaar[^jeremia-22-27-63] hun ziel verlangt om daar weer te komen, daarheen zullen zij niet terugkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v27)

**28** [^jeremia-22-28-64] Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid,[^jeremia-22-28-65] afgodisch beeld? Of is hij een[^jeremia-22-28-66] voorwerp, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad[^jeremia-22-28-67] uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v28)

**29** O land, land, land! hoor het woord van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v29)

**30** [^jeremia-22-30-68] Zo zegt YHWH: Schrijf deze zelfde man[^jeremia-22-30-71] kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn[^jeremia-22-30-72] zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda.[^jeremia-22-30-69][^jeremia-22-30-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/22.html#v30)

[^jeremia-22-3-b]: Verwijzing b: Jer. 7:6. Jeremia 7:6: De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen, u ten kwade;
[^jeremia-22-3-2]: Kanttekening 2: 2 onderdrukt … niet: Of, plaagt, berooft niet.
[^jeremia-22-3-3]: Kanttekening 3: 3 doet geen geweld: Aan hen, of aan iemand.
[^jeremia-22-3-1]: Kanttekening 1: 1 Doet recht: Zie 1 Kon. 10:9. 1 Koningen 10:9: Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
[^jeremia-22-3-a]: Verwijzing a: Jer. 21:12. Jeremia 21:12: O huis van David! zo zegt YHWH: Richt van de morgen recht, en verlost de beroofde uit de hand van de verdrukkers; opdat Mijn toorn niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uw handelingen.
[^jeremia-22-4-4]: Kanttekening 4: 4 deze zaak: Of, dit woord.
[^jeremia-22-4-5]: Kanttekening 5: 5 ernstiglijk zult doen: Hebreeuws, doende doen zult.
[^jeremia-22-4-c]: Verwijzing c: Jer. 17:25. Jeremia 17:25: Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.
[^jeremia-22-4-6]: Kanttekening 6: 6 voor David: Dat is, in Davids plaats.
[^jeremia-22-4-7]: Kanttekening 7: De koning, die er zijn zal.
[^jeremia-22-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, zo van mij gezegend met alles wat gewenst en lieflijk is, dat u het land Gilead gelijk bent; zie Gen. 37:25. Of, \[gelijk sommigen\] u zult mij zijn, enz.; dat is, Ik zal u zo weinig sparen als Ik Gilead gedaan heb; zie 2 Kon. 15:29. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^jeremia-22-6-9]: Kanttekening 9: 9 hoogte van Libanon: Zo verheven in eer en hoogheid, als de spits van Libanon, of de hoogste cederen, die daarop staan. Hebreeuws, hoofd (רֹאשׁ).
[^jeremia-22-6-10]: Kanttekening 10: Een afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk; zie Deut. 1:35. Deuteronomium 1:35: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^jeremia-22-7-d]: Verwijzing d: Jer. 15:6. Jeremia 15:6: U hebt Mij verlaten, spreekt YHWH; u bent achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben van de berouwens moe geworden.
[^jeremia-22-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, daartoe afzonderen, verordineren, beschikken, bereiden, toerusten; zie Jes. 13:3, en vergelijk boven Jer. 6:4. Jesaja 13:3: Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid. Jeremia 6:4: Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^jeremia-22-7-12]: Kanttekening 12: 12 uw uitgelezen cederen: Hebreeuws, de keur van uw cederen; dat is, \[gelijk het volgende uitwijst\] uw beste en uitgelezenste huizen van cederhout getimmerd; vergelijk boven Jer. 21:14, en onder vers 14, 22:15, en de manier van spreken met Gen. 23:6. Jeremia 21:14: En Ik zal over u bezoeking doen naar de vrucht van uw handelingen, spreekt YHWH; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. Jeremia 22:14: Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en glorierijke opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie. Jeremia 22:15: Zoudt u regeren, omdat u u mengt met de ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel? Genesis 23:6: Hoor ons, mijn heer! u bent een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat u uw dode niet zoudt begraven.
[^jeremia-22-7-13]: Kanttekening 13: 13 in het vuur werpen: Of, neervellen ten vuur.
[^jeremia-22-8-14]: Kanttekening 14: Of, natiën.
[^jeremia-22-8-e]: Verwijzing e: Deut. 29:24; 1 Kon. 9:8. Deuteronomium 29:24: En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land zo gedaan? Wat is de ontsteking van deze grote toorn? 1 Koningen 9:8: En wat dit betreft huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis?
[^jeremia-22-9-15]: Kanttekening 15: 15 zullen zeggen: Dat is, men zal antwoorden.
[^jeremia-22-10-16]: Kanttekening 16: Namelijk de vrome koning Josia, die onlangs in de slag tegen Farao Necho gebleven en van het volk zeer beklaagd was, 2 Kon. 23:29; 2 Kron. 35:23, 35:24; deze koning werd weggerukt vóór deze gruwelijke verwoestingen, gelijk voorzegd was, 2 Kon. 22:20. 2 Koningen 23:29: In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 2 Kronieken 35:23: En de schutters schoten de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond. 2 Kronieken 35:24: En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 2 Koningen 22:20: Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer.
[^jeremia-22-10-17]: Kanttekening 17: 17 weent vrij: Hebreeuws, weent wenende.
[^jeremia-22-10-18]: Kanttekening 18: 18 die weggegaan is: Te weten Joahas, die Farao Necho gevankelijk naar Egypte gevoerd had, 2 Kon. 23:33, 23:34, alwaar hij ook gestorven is. Dit duiden sommigen op de koning Jojachin, die daarna gevankelijk gegaan is naar Babel, en daar gestorven, 2 Kon. 24:15, en 2 Kon. 25:29, alsook Zedekia, 2 Kon. 25:7, en zetten het over: de weggaande, of die weggaan zal; maar men heeft te letten op de volgende woorden. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 2 Koningen 23:34: Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; 2 Koningen 25:29: En hij veranderde de kleren van zijn gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^jeremia-22-11-19]: Kanttekening 19: Deze is \[naar sommiger gevoelen\] Joahaz, ook genoemd Jehoahaz, en Johanan, zoon van Josia. Zie 2 Kon. 23:31; 2 Kron. 36:1, 36:2; vergelijk 2 Kon. 15:13, en 2 Kon. 23:31; 1 Kron. 3:15 wordt ook een vierde zoon van Josia met deze naam genoemd. 2 Koningen 23:31: Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 2 Kronieken 36:1: Toen nam het volk van het land Joahaz, de zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijn vaders plaats, te Jeruzalem. 2 Kronieken 36:2: Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. 2 Koningen 15:13: Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. 2 Koningen 23:31: Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 1 Kronieken 3:15: De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum.
[^jeremia-22-13-20]: Kanttekening 20: 20 Wee die: Of, Hei, o u, die, enz. dit, alsook het volgende, ziet op de koning Jojakim \[zie onder vers 18\], die beschuldigd wordt van pracht, overdaad, onrechtvaardigheid, gierigheid en tirannie. Jeremia 22:18: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!
[^jeremia-22-13-f]: Verwijzing f: Lev. 19:13; Deut. 24:14; idem v. 15; Habak. 2:9. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Deuteronomium 24:14: U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broers is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Deuteronomium 24:15: Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot YHWH, en zonde in u zij. Habakuk 2:9: Wee die, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand van het kwaad.
[^jeremia-22-13-21]: Kanttekening 21: 21 met ongerechtigheid: Hebreeuws, met niet gerechtigheid (צֶדֶק); dat is, met gene gerechtigheid, of zonder gerechtigheid.
[^jeremia-22-13-22]: Kanttekening 22: 22 met onrecht: Hebreeuws, met niet recht (מִשְׁפָּט).
[^jeremia-22-13-23]: Kanttekening 23: 23 zijn naasten dienst: Of, zich dient van zijn naaste, gebruikende zijn arbeid, of hem dwingt te dienen; vergelijk onder Jer. 25:14, en Jer. 27:7, en Jer. 30:8, en Jer. 34:9. Jeremia 25:14: Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijn zoons zoon dienen, totdat ook de tijd van zijn eigen land kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. Jeremia 30:8: Want het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen. Jeremia 34:9: Dat een iedereen zijn knecht, en een iedereen zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broer, zou doen dienen.
[^jeremia-22-13-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws eigenlijk, werk, of arbeid; dat is, arbeidsloon, gelijk Num. 22:7, waarzegging, of voorzeggingen, voor, loon van de waarzeggingen; zie verder Lev. 19:13; Jes. 49:4; Ez. 29:20. Numeri 22:7: Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Jesaja 49:4: Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij YHWH, en Mijn werkloon is bij Mijn God. Ezechiël 29:20: Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heer YHWH.
[^jeremia-22-14-25]: Kanttekening 25: 25 zeer hoog huis: Hebreeuws, een huis van de maten (בֵּית); dat is, zonderling of bovenmate hoog of groot; vergelijk Num. 13:32. Numeri 13:32: Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen van Israël, zeggende: Dat land, door dat wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden daarvan gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
[^jeremia-22-14-26]: Kanttekening 26: Waarin men lucht kan scheppen, of waar de wind kan doorwaaien, dat is, wijd, luchtig.
[^jeremia-22-14-27]: Kanttekening 27: 27 hij houwt zich vensteren uit: Anders: die mijn vensters voor zich daar uitscheurt, en dat met ceder beschoten is, en bemaalt het met menie, enz. Verstaande dat Jojakim uit Gods huis heeft laten uitbreken, tot gebruik van zijn gebouw, wat hem beliefde, latende het daarna met allerlei verwen zo overstrijken, dat men het niet kon merken.
[^jeremia-22-14-28]: Kanttekening 28: 28 bedekt met ceder: Zijn huis is overal gezolderd en beschoten met cederen balken en planken.
[^jeremia-22-14-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, gezalfd, of zalvende; dat is, hij laat bestrijken, bemalen of beschilderen.
[^jeremia-22-14-30]: Kanttekening 30: Of, vermiljoen, of purperblauw; sommigen menen dat het eigenlijk is het Indisch blauw, gemaakt van Indische weede, of, \[gelijk sommigen schrijven\] gewassen in het Indisch riet, en in het Hebreeuws schaschar genoemd, van een volk in Indië Sasuri genoemd vanwaar het zou komen. De zin is dat hij zijn huis met allerlei vreemde uitstekende kostelijke verwen en schilderijen versierd heeft. Vergelijk Ez. 23:14, alwaar hetzelfde Hebreeuwse woord gevonden wordt. Ezechiël 23:14: Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan de wand zag, de beelden van de Chaldeeën, geschilderd met menie,
[^jeremia-22-15-31]: Kanttekening 31: Dat is, uw koninkrijk tegen Gods dreigementen vast en bestendig maken.
[^jeremia-22-15-32]: Kanttekening 32: Dat is, aldus om strijd \[gelijk men spreekt\] boven uw vader pronkt en praalt met cederen gebouwen?
[^jeremia-22-15-33]: Kanttekening 33: De vrome koning Josia, gelijk onder vers 18. Jeremia 22:18: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!
[^jeremia-22-15-34]: Kanttekening 34: 34 gegeten en gedronken: Dat is, bekwamelijk en vrolijk geleefd; zie Pred. 3:13. Prediker 3:13: Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave van God.
[^jeremia-22-15-35]: Kanttekening 35: 35 recht en gerechtigheid: Gelijk boven vers 3. Jeremia 22:3: Zo zegt YHWH: Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukkers; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.
[^jeremia-22-15-36]: Kanttekening 36: 36 het ging hem toen wel: Hebreeuws, toen was hem goed, of wel (טוֹב); zo in het volgende. Vergelijk Jes. 3:10, 3:11, alwaar de Hebreeuwse woorden betekenende goed en kwaad, ook zo gebruikt worden, voor wel en kwalijk gaan. Jesaja 3:10: Zegt de rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht van hun werken zullen eten. Jesaja 3:11: Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem gebeuren.
[^jeremia-22-16-37]: Kanttekening 37: Dat is, een bewijs en vrucht van de ware kennis van Mij?
[^jeremia-22-17-38]: Kanttekening 38: 38 uw gierigheid: Of, uw winst.
[^jeremia-22-17-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, loop, gelijk 2 Sam. 18:27; en verder aanloop, versta van geweld, overval, vertreding, verplettering, als hier. 2 Samuël 18:27: Verder zei de wachter: Ik zie de loop van de eerste aan, als de loop van Ahimaäz, Zadoks zoon. Toen zei de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen.
[^jeremia-22-18-f]: Verwijzing f: Jer. 16:4; idem v. 5; idem v. 6. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. Jeremia 16:5: Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; Jeremia 16:6: Zodat grote en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-22-18-40]: Kanttekening 40: Of, luid weeklagen, over zijn dood, zie Gen. 23:2, en van Jojakims vader; 2 Kron. 35:24, 35:25. Genesis 23:2: En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. 2 Kronieken 35:24: En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaderen; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 2 Kronieken 35:25: En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
[^jeremia-22-18-41]: Kanttekening 41: 41 Och mijn broer! of, och zus: Dit zijn formulieren, gebruikelijk in het beklagen van een verstorvene.
[^jeremia-22-19-42]: Kanttekening 42: Dat is, men zal hem onbegraven als eens ezels aas, wegwerpen.
[^jeremia-22-19-g]: Verwijzing g: Jer. 15:3. Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven.
[^jeremia-22-19-h]: Verwijzing h: Jer. 36:30. Jeremia 36:30: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, van de dag in de hitte, en van de nacht in de vorst.
[^jeremia-22-19-43]: Kanttekening 43: 43 verre weg: Buiten dit land, in Babel, of onderweg, als hij naar Babel gevoerd wordt. Vergelijk 2 Kon. 24:6; 2 Kron. 36:6, en onder Jer. 36:30. 2 Koningen 24:6: En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 2 Kronieken 36:6: Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel. Jeremia 36:30: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, van de dag in de hitte, en van de nacht in de vorst.
[^jeremia-22-20-44]: Kanttekening 44: U dochter mijn volks; dat is, u volk van Juda.
[^jeremia-22-20-45]: Kanttekening 45: Deze bergen waren in het noorden en noord-oosten van Kanaän gelegen, naar Assyrië toe.
[^jeremia-22-20-46]: Kanttekening 46: Aan de Assyriërs om hulp; dit is spottenderwijze gesproken, gelijk volgt.
[^jeremia-22-20-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, geef.
[^jeremia-22-20-48]: Kanttekening 48: Of, overvaarten; te weten de rivieren, die men moest overgaan naar Egypte, dat de Egyptenaars u te hulp komen. Hebreeuws, Abarim, dat sommigen nemen voor het gebergte Abarim, waarvan Num. 33:47. Numeri 33:47: En zij verreisden van Almon-diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.
[^jeremia-22-20-49]: Kanttekening 49: Het is tevergeefs, wil de Heer zeggen, want beiden, Assyriërs en Egyptenaars, zijn van de koning van Babel tenonder gebracht, verwoest en machteloos gemaakt. Vergelijk boven Jer. 2:36; Ez. 16:26, 16:28, en Ez. 23:7, 23:8. Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent. Ezechiël 16:26: U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. Ezechiël 16:28: Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadelijk was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden. Ezechiël 23:7: Zo dreef zij haar hoererijen met hen, die allen de keure van de kinderen van Assur waren; en met allen, op die zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich. Ezechiël 23:8: Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.
[^jeremia-22-20-50]: Kanttekening 50: Zie boven Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-22-21-51]: Kanttekening 51: 51 grote voorspoed: Hebreeuws, voorspoedigheden, of gerustheden; dat is, Ik waarschuwde u toen het u nog zeer welging.
[^jeremia-22-21-i]: Verwijzing i: Jer. 5:23; Jer. 7:23; idem 7:24; idem 7:25; idem 7:26; idem 7:27; idem 7:28; Jer. 11:7; idem 11:8; Jer. 13:10; idem 13:11; Jer. 16:12; Jer. 17:23; Jer. 18:12; Jer. 19:15. Jeremia 5:23: Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan; Jeremia 7:23: Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al de weg, die Ik u gebieden zal, opdat het u welga. Jeremia 7:24: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts. Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 7:26: Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders. Jeremia 7:27: Ook zult u al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; u zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. Jeremia 7:28: Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem van YHWH, zijn Gods, niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid van hun mond. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 11:8: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iedereen naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van deze verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. Jeremia 13:10: Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijn harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. Jeremia 13:11: Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt YHWH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. Jeremia 16:12: En u erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, u wandelt, een iedereen naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen. Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. Jeremia 18:12: Maar zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iedereen het goeddunken van zijn boos hart. Jeremia 19:15: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen.
[^jeremia-22-21-52]: Kanttekening 52: Dit is, manier van doen. Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-22-21-53]: Kanttekening 53: 53 van uw jeugd af: Sedert Ik u tot mijn volk heb aangenomen en u mijn wetten gegeven.
[^jeremia-22-22-54]: Kanttekening 54: 54 De wind: Dat is, al uw geestelijke en wereldse regeerders zullen beschaamd staan in hun ijdele inbeeldingen, raadslagen en hoop, enz.; die hen niet meer zullen sterken dan wanneer iemand van de wind meent te leven. Vergelijk Pred. 1:14; Hos. 12:2. Anders: afweiden; dat is, zij zullen verdwijnen als rook voor de wind. Prediker 1:14: Ik zag al de werken aan, die onder de zon gebeuren; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling van de geest. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^jeremia-22-22-55]: Kanttekening 55: Priesters en valse profeten, waarmee u geboeleerd hebt.
[^jeremia-22-23-56]: Kanttekening 56: 56 op de Libanon woont, en in de cederen nestelt: Dat is, nu aldus praalt met gebouwen van cederen, die u van de Libanon haalt. Dit schijnt voornamelijk te zien op het huis van de koning, waarvan in het volgende.
[^jeremia-22-23-57]: Kanttekening 57: 57 hoe begenadigd: Alsof de Heer zei: U zal geheel gene genade noch gunst wedervaren van de Babyloniërs, maar het tegendeel, gelijk volgt. Anders: hoe gunstrijk, of aangenaam zult u zijn? of hoe zult u smeken?
[^jeremia-22-24-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, Chonjah; ook genoemd Jechonia, 1 Kron. 3:16, en Jojachin, 2 Kon. 24:6, 24:8. 1 Kronieken 3:16: De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 2 Koningen 24:6: En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 24:8: Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
[^jeremia-22-24-59]: Kanttekening 59: Dat is, nog zo lief en aangenaam jongeling, met verscheiden weldaden van mij versierd en gekroond, en van Davids zaad, daarom zij meenden dat de opvolging ongetwijfeld zou zijn, en dat zij van Babel geen nood hadden; zie gelijke manier van spreken Hoogl. 8:6; Hagg. 2:24. Hooglied 8:6: Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen van YHWH. Haggai 2:24: Te die dage, spreekt YHWH van de legermachten, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, u zoon van Sealthiël, Mijn knecht! spreekt YHWH, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik gekozen, spreekt de Heer van de legermachten.
[^jeremia-22-24-60]: Kanttekening 60: Hier spreekt God Chonia zelf aan.
[^jeremia-22-24-61]: Kanttekening 61: 61 van daar wegrukken: Dit kan men verstaan van de rechterhand, of van Jeruzalem, uit het koninklijke hof en uit Judea, vermits zijn wegvoering naar Babel, als volgt.
[^jeremia-22-25-62]: Kanttekening 62: 62 uw ziel zoeken: U naar het leven staan, gelijk dikwijls.
[^jeremia-22-27-63]: Kanttekening 63: 63 hun ziel verlangt: Hebreeuws, zij hun ziel opheffen (נַפְשָׁ); dat is, begeerte, lust, verlangen naar hebben. Zie Deut. 24:15; Ps. 24:4; zo onder Jer. 44:14. Deuteronomium 24:15: Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot YHWH, en zonde in u zij. Psalmen 24:4: Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; Jeremia 44:14: Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen.
[^jeremia-22-28-64]: Kanttekening 64: 64 Is dan deze man: Dit wordt vragenderwijze, als in de naam van het volk, voorgesteld, waarop Gods antwoord volgt. Het blijkt dat men veel van hem gehouden heeft vanwege zijn bevalligheid.
[^jeremia-22-28-65]: Kanttekening 65: 65 afgodisch beeld: Of, beeld, dat veracht is en in stukken behoort geslagen te worden, zo dat de stukken verstrooid worden. Van het Hebreeuwse woord, betekenende een afgod of afgodisch beeld, zie 1 Sam. 31:9; 2 Sam. 5:21. 1 Samuël 31:9: En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^jeremia-22-28-66]: Kanttekening 66: 66 vat, waaraan men geen lust heeft: Of, waar niets behagelijks in is; vergelijk onder Jer. 48:38; Hos. 8:8. Jeremia 48:38: Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal luid weeklagen; want Ik heb Moab verbroken als een vat, waar men geen lust aan heeft, spreekt YHWH. Hosea 8:8: Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen lust toe heeft.
[^jeremia-22-28-67]: Kanttekening 67: 67 zijn zaad: Dat is, kinderen, die hij zou mogen krijgen, of gehad heeft, \[gelijk enige besluiten uit Mark. 1:12\], hoewel zij hem in het koninkrijk niet zijn opgevolgd, gelijk onder vers 30 te zien is. Marcus 1:12: En meteen dreef Hem de Geest uit in de woestijn. Jeremia 22:30: Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda.
[^jeremia-22-30-68]: Kanttekening 68: Dit is Gods antwoord op de voorgaande vraag van het volk.
[^jeremia-22-30-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws, geheel ontbloot, of de allerontblootste; te weten van nakomelingen of opvolgers, gelijk sommigen; of gelijk anderen, van land en goed; inplaats dat zij zich inbeelden dat zijn zaad voor altijd zou regeren. Zie hiervan 1 Kron. 3:16. 1 Kronieken 3:16: De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.
[^jeremia-22-30-72]: Kanttekening 72: 72 zittende op de troon van David: Sommigen gevoelen dat na de Babylonische gevangenschap niet Salomo's, maar Nathans \[Salomo's broers\] nakomelingen het bestuur gehad hebben. Anderen verstaan dat Salathiël zijn eigen rechte zoon door geboorte geweest is, maar Zerubbabel, die hem gevolgd is naar de gevangenschap, is niet meer dan een vorst, bestuurder geweest, gelijk te zien is Hagg. 1:1 en in het boek Ezra, en in geen geval koning, zittende op de troon van David. Haggai 1:1: In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, geschiedde het woord van YHWH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende:
[^jeremia-22-30-69]: Kanttekening 69: Tekent het op ter gedachtenis, als een gewis en onwederroepelijk besluit van God.
[^jeremia-22-30-70]: Kanttekening 70: Chonia.

### Jeremia 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/23.json)

*Profetie tegen de slechte herders, met belofte van de vergadering en het herstel van Gods kudde door Christus, onze gerechtigheid, vers 1, enz. uitvoerige profetie tegen de valse profeten en dromers, met getrouwe waarschuwingen en zware dreigementen, 9. tegen degenen die met Jeremia en de last van de HEERE de spot dreven, 33.*

**1** Wee de[^jeremia-23-1-a] herders, die de schapen van Mijn weide[^jeremia-23-1-1] ombrengen en verstrooien! spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v1)

**2** Daarom zegt YHWH, de God van Israël, zo van de herders, die Mijn volk weiden: U hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet[^jeremia-23-2-2] bezocht; zie, Ik zal over u[^jeremia-23-2-3] bezoeken de boosheid van uw handelingen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v2)

**3** En Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen Zelf[^jeremia-23-3-4] verzamelen uit al de landen, waarheen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze teruggeven tot hun[^jeremia-23-3-5] kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v3)

**4** En Ik zal[^jeremia-23-4-b] herders over hen[^jeremia-23-4-6] verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch[^jeremia-23-4-7] gemist worden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v4)

**5** Zie,[^jeremia-23-5-c] de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een[^jeremia-23-5-8] rechtvaardige[^jeremia-23-5-9] Spruit zal verwekken; Die zal[^jeremia-23-5-10] Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en[^jeremia-23-5-11] recht en gerechtigheid doen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v5)

**6** [^jeremia-23-6-d] In[^jeremia-23-6-12] Zijn dagen zal[^jeremia-23-6-13] Juda verlost worden, en Israël[^jeremia-23-6-14] zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn,[^jeremia-23-6-15] waarmee men Hem zal noemen:[^jeremia-23-6-16] YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v6)

**7** Daarom, ziet,[^jeremia-23-7-e] de dagen komen, spreekt YHWH, dat zij[^jeremia-23-7-17] niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v7)

**8** Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die het zaad van het huis van Israël heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen[^jeremia-23-8-18] Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v8)

**9** [^jeremia-23-9-19] Voor wat betreft de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste[^jeremia-23-9-20] gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, wie de wijn[^jeremia-23-9-21] te boven gaat; vanwege YHWH, en vanwege de woorden van Zijn[^jeremia-23-9-22] heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v9)

**10** Want het land is[^jeremia-23-10-f] vol overspelers, want het land treurt vanwege de vloek, de weiden van de[^jeremia-23-10-23] woestijn verdorren, omdat hun[^jeremia-23-10-24] loop boos is, en hun macht[^jeremia-23-10-25] niet recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v10)

**11** Want[^jeremia-23-11-26] zowel profeten als priesters[^jeremia-23-11-27][^jeremia-23-11-g] zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v11)

**12** Daarom zal hun weg hun zijn als zeer[^jeremia-23-12-28][^jeremia-23-12-h] gladde plaatsen in de[^jeremia-23-12-i] donkerheid; zij zullen aangedreven worden en[^jeremia-23-12-29] daarin vallen; want Ik zal een[^jeremia-23-12-30] kwaad over hen brengen[^jeremia-23-12-31] in het jaar van hun bezoeking, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v12)

**13** Ik heb wel[^jeremia-23-13-32] ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria,[^jeremia-23-13-33] die door Baäl profeteerden, en Mijn volk[^jeremia-23-13-34] Israël verleidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v13)

**14** Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik[^jeremia-23-14-35] afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en[^jeremia-23-14-36] gaan om met valsheid, en[^jeremia-23-14-37] sterken de handen van de boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, ieder van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als[^jeremia-23-14-38][^jeremia-23-14-k] Sodom, en[^jeremia-23-14-39] haar inwoners als[^jeremia-23-14-40] Gomorra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v14)

**15** Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Zie, Ik zal hen met[^jeremia-23-15-42][^jeremia-23-15-l] alsem spijzigen, en met[^jeremia-23-15-m] gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de[^jeremia-23-15-43] huichelarij uitgegaan in het hele land.[^jeremia-23-15-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v15)

**16** Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoor niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u[^jeremia-23-16-44] ijdel; zij spreken het visioen van hun harten, niet uit de mond van YHWH.[^jeremia-23-16-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v16)

**17** Zij[^jeremia-23-17-n] zeggen[^jeremia-23-17-46] steeds tot degenen, die Mij[^jeremia-23-17-47] lasteren: YHWH heeft het gesproken, u zult[^jeremia-23-17-48] vrede hebben; en tot al wie naar het goeddunken van zijn hart wandelt, zeggen zij: U zal geen kwaad overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v17)

**18** Want[^jeremia-23-18-49] wie heeft in de raad van YHWH gestaan, en Zijn woord[^jeremia-23-18-50] gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v18)

**19** Zie, een[^jeremia-23-19-o] onweer van YHWH, een woede is uitgegaan, ja, een[^jeremia-23-19-51] pijnlijk onweer, het zal[^jeremia-23-19-52] blijven op het hoofd van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v19)

**20** De toorn van YHWH zal zich niet afwenden, voordat Hij zal hebben gedaan, en voordat Hij zal hebben daargesteld de gedachten van Zijn hart; in[^jeremia-23-20-53] het laatste van de dagen zult u[^jeremia-23-20-54] met verstand daarop letten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v20)

**21** Ik heb die profeten[^jeremia-23-21-p] niet gezonden, toch hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, toch hebben zij geprofeteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v21)

**22** Maar zo zij in Mijn[^jeremia-23-22-55] raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg[^jeremia-23-22-56], en van de boosheid van hun handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v22)

**23** [^jeremia-23-23-57] Ben Ik een God van nabij, spreekt YHWH, en niet een God van verre? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v23)

**24** Zou zich iemand in[^jeremia-23-24-q] verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt YHWH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v24)

**25** Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb[^jeremia-23-25-58] gedroomd, ik heb gedroomd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v25)

**26** [^jeremia-23-26-59] Hoe lang? Is er dan[^jeremia-23-26-60] een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van de bedriegerij van hun hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v26)

**27** Die daar[^jeremia-23-27-61] denken om Mijn volk Mijn Naam te doen[^jeremia-23-27-r] vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; zoals hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v27)

**28** De profeet, bij welke een[^jeremia-23-28-62] droom is, die vertelle de droom; en bij welke Mijn woord is, die spreke Mijn woord[^jeremia-23-28-63] waarachtig;[^jeremia-23-28-64] wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v28)

**29** Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt YHWH, en als een hamer, die een steenrots[^jeremia-23-29-65] te morzel slaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v29)

**30** Daarom, ziet,[^jeremia-23-30-66][^jeremia-23-30-s] Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn[^jeremia-23-30-67] naaste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v30)

**31** Zie, Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die[^jeremia-23-31-68] hun tong nemen, en spreken:[^jeremia-23-31-69] Hij heeft het gesproken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v31)

**32** Zie, Ik wil aan degenen, die[^jeremia-23-32-70] valse dromen profeteren, spreekt YHWH, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugens en met hun[^jeremia-23-32-t] lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk[^jeremia-23-32-71] geheel geen nut doen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v32)

**33** Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u[^jeremia-23-33-72] vragen zal, zeggende: Wat is de last van YHWH? Zo zult u tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik u[^jeremia-23-33-74] verlaten zal, spreekt YHWH.[^jeremia-23-33-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v33)

**34** En voor wat betreft de profeet, of de priester, of het[^jeremia-23-34-75] volk, dat zeggen zal:[^jeremia-23-34-76] De last van YHWH; dat Ik[^jeremia-23-34-77] bezoeking zal doen over die man en over zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v34)

**35** Zo zult u[^jeremia-23-35-78] zeggen, ieder tot zijn naaste, en ieder tot zijn broer: Wat heeft YHWH geantwoord, en wat heeft YHWH gesproken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v35)

**36** Maar de last van YHWH zult u niet meer[^jeremia-23-36-79] gedenken; want voor ieder zal[^jeremia-23-36-80] zijn eigen woord een last zijn, omdat u verkeert de woorden van de levende God, YHWH van de legermachten, onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v36)

**37** Zo zult u zeggen tot de[^jeremia-23-37-81] profeet: Wat heeft u YHWH geantwoord en wat heeft YHWH gesproken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v37)

**38** [^jeremia-23-38-82]Maar omdat u zegt: De last van YHWH; daarom, zo zegt YHWH: Omdat u dit woord zegt: De last van YHWH, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: U zult niet zeggen: De last van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v38)

**39** Daarom, ziet, Ik zal u[^jeremia-23-39-83] ook geheel vergeten, en u, en ook de stad, die Ik u en uw vaders gegeven heb, van Mijn aangezicht[^jeremia-23-39-84] laten varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v39)

**40** En Ik zal u[^jeremia-23-40-85] eeuwige smaad[^jeremia-23-40-86] aandoen, en[^jeremia-23-40-v] eeuwige schande, die niet zal worden vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/23.html#v40)

[^jeremia-23-1-a]: Verwijzing a: Ez. 34:2. Ezechiël 34:2: Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Zo zegt de Heer YHWH: Wee de herderen Israëls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?
[^jeremia-23-1-1]: Kanttekening 1: Of, vernielen, doen omkomen, vergaan, verderven, in het verderf brengen, vergelijk deze profetie met Ez. 34.
[^jeremia-23-2-2]: Kanttekening 2: Geen opzicht op hen gehad, hun welstand niet bezorgd.
[^jeremia-23-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, straffen. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-23-3-4]: Kanttekening 4: Als Ik vooreerst mijn volk uit Babel, en daarna \[dat het voornaamste en daardoor afgebeeld was\] mijn kerk zal vergaderen uit Joden en heidenen door de Messias, die van beiden één schaapsstal zal maken, Joh. 10:16. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.
[^jeremia-23-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, woningen, perken.
[^jeremia-23-4-b]: Verwijzing b: Ez. 34:11; idem v. 12. Ezechiël 34:11: Want zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Ezechiël 34:12: Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, op de dag als hij in het midden zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolke en van de donkerheid.
[^jeremia-23-4-6]: Kanttekening 6: Of, stellen, zetten.
[^jeremia-23-4-7]: Kanttekening 7: 7 gemist worden: Dat is, geen van hen zal er ontbreken. Anders: bezocht, dat is gestraft, geplaagd worden; gelijk boven vers 2. Jeremia 23:2: Daarom zegt YHWH, de God van Israël, zo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid van uw handelingen, spreekt YHWH.
[^jeremia-23-5-c]: Verwijzing c: Jer. 33:14; idem v. 15; Jes. 4:2; Jes. 40:11; Dan. 9:24; Lukas 1:32; idem v. 33. Jeremia 33:14: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. Jeremia 33:15: In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Jesaja 4:2: Te die dage zal van YHWH SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Lukas 1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^jeremia-23-5-8]: Kanttekening 8: Zijnde zonder zonden, onbevlekt, heilig en rechtvaardig, ja onze gerechtigheid, gelijk volgt, die God in Hem voor ons overvloediglijk heeft als doen groenen en bloeien.
[^jeremia-23-5-9]: Kanttekening 9: Of, spruitsel, uitspruitsel, scheut; namelijk, de Messias, onze Heer Jezus Christus, welke, zijnde Gods eeuwige en eniggeboren Zoon, in de volheid van de tijd, door de wonderbare en onbegrijpelijke werking van de Heilige Geest, onze natuur heeft aangenomen, voortspruitende uit Maria \[die van de huize Davids was\] gelijk een nieuw uitspruitsel uit een stam, stomp, of stronk, die vergaan en verstorven scheen te zijn. Vergelijk Jes. 4:2, en Jes. 11:1, en zie onder Jer. 33:15, 33:16; Zach. 3:8, en Zach. 6:12; Hebr. 7:14, alwaar een Grieks woord gebruikt wordt, dat wel eigenlijk en meest past op het opgaan, oprijzen en opschieten van de zon, maar van de Griekse overzetters hier en elders gebruikt is tot vertaling van dit woord spruit, gelijk het ook van de Evangelist Lukas gehouden is, Luk. 1:78, waar Zacharia de Heer Christus noemt de opgang uit de hoogte; zo gebruiken wij ook dit woord opgaan, opkomen, rijzen, niet alleen van de zon en sterren, maar ook van kruiden en gewassen, waarop het Hebreeuwse woord tsemach, spruit, of uitspruitsel eigenlijk ziet; hoewel het Griekse woord Luk. 1:78, daar schijnt te zien op de opgang van de zon in het oosten, gelijk enige afnemen uit Luk. 1:79 daar. Jesaja 4:2: Te die dage zal de SPRUIT van YHWH zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jeremia 33:15: In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Jeremia 33:16: In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID. Zacharia 3:8: Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. Zacharia 6:12: En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen. Hebreeën 7:14: Want het is openbaar, dat onze Heer uit Juda gesproten is; op welke stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap. Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Lukas 1:79: Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede.
[^jeremia-23-5-10]: Kanttekening 10: 10 Koning zijnde regeren: Dezelfde manier van spreken is onder Jer. 37:1. Zie de aantekening daar, en vergelijk Hos. 3:4, 3:5. Jeremia 37:1: En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, welke Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda. Hosea 3:4: Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^jeremia-23-5-11]: Kanttekening 11: 11 recht en gerechtigheid doen: Als een Koning en rechtvaardig Rechter van de gehele wereld, verdoende de goddelozen en behoudende de zijnen. Zie 1 Kon. 10:9. 1 Koningen 10:9: Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
[^jeremia-23-6-d]: Verwijzing d: Deut. 33:28. Deuteronomium 33:28: Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.
[^jeremia-23-6-12]: Kanttekening 12: 12 Zijn dagen: Van de Heer Christus; dat is, in de tijd van het Nieuwe Testament. Zie Hand. 3:24. Handelingen 3:24: En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.
[^jeremia-23-6-13]: Kanttekening 13: Versta door Juda en Israël Gods kerk, ook Jeruzalem genoemd, onder Jer. 33:16, en Jezus Christus' volk; Matt. 1:21. Jeremia 33:16: In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID. Mattheüs 1:21: En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
[^jeremia-23-6-14]: Kanttekening 14: 14 zeker wonen: Gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, en dienvolgens vrede hebbende met God door onze Heer Jezus Christus, enz., Rom. 5:1. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^jeremia-23-6-15]: Kanttekening 15: 15 men Hem zal noemen: Hebreeuws, Hij zal, enz.; dat is, men zal Hem noemen, of Hij zal genoemd worden, \[gelijk elders dikwijls\] te weten van zijn volk, gelijk het volgende woord, onze, verklaart.
[^jeremia-23-6-16]: Kanttekening 16: 16 YHWH: ONZE GERECHTIGHEID: Vergelijk Deut. 6:25; Richt. 6:24, en verder 1 Kor. 1:30; Dan. 9:24; idem onder Jer. 33:16. Hebreeuws, YHWH Tzidkenu; dat van sommige overzetters als een eigen naam zo in de tekst gesteld wordt. Deuteronomium 6:25: En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onze God, gelijk Hij ons geboden heeft. Richteren 6:24: Toen bouwde Gideon daar YHWH een altaar, en noemde het: YHWH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de Abi-ezrieten. 1 Korinthiërs 1:30: Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Jeremia 33:16: In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID.
[^jeremia-23-7-e]: Verwijzing e: Jer. 16:14; idem v. 15. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Jeremia 16:15: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
[^jeremia-23-7-17]: Kanttekening 17: 17 niet meer zullen zeggen: Zie boven Jer. 16:14, 16:15, en de aantekening daar. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Jeremia 16:15: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
[^jeremia-23-8-18]: Kanttekening 18: 18 Ik ze gedreven had: Dat is, de Heer.
[^jeremia-23-9-19]: Kanttekening 19: 19 Aangaande de profeten: Of, om de profeten \[versta, de valse\] wil is mijn hart, enz. Dit zijn de woorden van de profeet.
[^jeremia-23-9-20]: Kanttekening 20: Van droefenis en ontsteltenis; vergelijk Ps. 51:19. Psalmen 51:19: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^jeremia-23-9-21]: Kanttekening 21: 21 te boven gaat: Zodat hij zijn verstand en leden niet recht gebruiken kan.
[^jeremia-23-9-22]: Kanttekening 22: Dat is, zijn heilige woorden, die de valse profeten verachten en voor leugen houden.
[^jeremia-23-10-f]: Verwijzing f: Jer. 5:7; idem 5:8; Jer. 9:2. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. Jeremia 5:8: Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een iedereen naar zijn naasten huisvrouw. Jeremia 9:2: Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop.
[^jeremia-23-10-23]: Kanttekening 23: Of, het vloeken; men kan het duiden op Gods vloek over het land, of op het vloeken en vals zweren van de inwoners; zie boven Jer. 5:2, en Jer. 12:4, en gelijk gebruik van het Hebreeuwse woord Hos. 4:2. Jeremia 5:2: En of zij al zeggen: Zo waarachtig als YHWH leeft! zo zweren zij toch valselijk. Jeremia 12:4: Hoe lang zal het land treuren, en het kruid van het gehele veld verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; omdat zij zeggen: Hij ziet ons einde niet. Hosea 4:2: Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.
[^jeremia-23-10-24]: Kanttekening 24: 24 loop boos is: Dat is, manier van leven, de loop van hun handelingen, of hun overlast; zie van het Hebreeuwse woord boven Jer. 22:17. Jeremia 22:17: Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen.
[^jeremia-23-10-25]: Kanttekening 25: 25 niet recht: Zij misbruiken ze tot enkel onrecht.
[^jeremia-23-11-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, ook profeet, ook priester (נָבִיא).
[^jeremia-23-11-27]: Kanttekening 27: 27 zijn huichelaars: Of, zijn onheilig, profaan, handelen onheiliglijk.
[^jeremia-23-11-g]: Verwijzing g: Jer. 6:13; Jer. 8:10; Jer. 14:18. Jeremia 6:13: Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Jeremia 8:10: Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. Jeremia 14:18: Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad komen, ziet daar de zieken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet.
[^jeremia-23-12-28]: Kanttekening 28: 28 gladde plaatsen: Hebreeuws, slibberigheden, gladdigheden. Zie Ps. 35:6, en Ps. 73:18. Psalmen 35:6: Hun weg zij duister en geheel slibberig; en de Engel van YHWH vervolge hen. Psalmen 73:18: Immers zet U hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen.
[^jeremia-23-12-h]: Verwijzing h: Ps. 35:6; Ps. 73:18. Psalmen 35:6: Hun weg zij duister en geheel slibberig; en de Engel van YHWH vervolge hen. Psalmen 73:18: Immers zet U hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen.
[^jeremia-23-12-i]: Verwijzing i: Jer. 13:16. Jeremia 13:16: Geeft eer YHWH, uw God, voordat dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat u naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw van de dood stelle, en tot een donkerheid zette.
[^jeremia-23-12-29]: Kanttekening 29: 29 daarin vallen: In de donkerheid.
[^jeremia-23-12-30]: Kanttekening 30: 30 kwaad over hen brengen: Van de straf, ongeluk, ellende.
[^jeremia-23-12-31]: Kanttekening 31: 31 in het jaar: Gelijk boven, Jer. 11:23. Jeremia 11:23: En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar van hun bezoeking.
[^jeremia-23-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws eigenlijk, onsmakelijkheid; dat is ongerijmde, dwaze dingen; zie Job 1:22, met de aantekening. Job 1:22: In dit alles zondigde Job niet, en schreef voor God niets ongerijmds toe.
[^jeremia-23-13-33]: Kanttekening 33: 33 door Baäl: Of van.
[^jeremia-23-13-34]: Kanttekening 34: Dat is, de tien stammen.
[^jeremia-23-14-35]: Kanttekening 35: Gelijk boven Jer. 5:30. Jeremia 5:30: Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.
[^jeremia-23-14-36]: Kanttekening 36: 36 gaan om met valsheid: Hebreeuws, wandelen in, of met valsheid.
[^jeremia-23-14-37]: Kanttekening 37: 37 sterken de handen van de boosdoeners: Geven hun goede moed, belovende hun Gods zegen en vrede. Zie onder vers 17, en vergelijk Ez. 13:22. Jeremia 23:17: Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: YHWH heeft het gesproken, u zult vrede hebben; en tot al wie naar het goeddunken van zijn hart wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Ezechiël 13:22: Omdat u het hart van de rechtvaardige door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat u de handen van de goddeloze gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;
[^jeremia-23-14-38]: Kanttekening 38: Dat is, als de inwoners van Sodom eertijds waren, te weten ten hoogste goddeloos.
[^jeremia-23-14-k]: Verwijzing k: Jes. 1:9. Jesaja 1:9: Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.
[^jeremia-23-14-39]: Kanttekening 39: 39 haar inwoners: Van Jeruzalem.
[^jeremia-23-14-40]: Kanttekening 40: Dat is, de inwoners van Gomorra.
[^jeremia-23-15-42]: Kanttekening 42: 42 alsem spijzigen: Gelijk boven Jer. 9:15, zie daar. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;
[^jeremia-23-15-l]: Verwijzing l: Jer. 9:15. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;
[^jeremia-23-15-m]: Verwijzing m: Jer. 8:14; Jer. 9:15. Jeremia 8:14: Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater;
[^jeremia-23-15-43]: Kanttekening 43: Of, onheiligheid, profaanheid.
[^jeremia-23-15-41]: Kanttekening 41: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-23-16-44]: Kanttekening 44: Met valse en ijdele beloften bedriegen zij u, zodat u bedrogen zult uitkomen als u u daarop verlaat. Vergelijk Ps. 62:11. Psalmen 62:11: Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.
[^jeremia-23-16-45]: Kanttekening 45: 45 huns harten: Dat zij zelf versierd en niet van mij ontvangen hebben. Vergelijk Ez. 13:2. Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH.
[^jeremia-23-17-n]: Verwijzing n: Jer. 6:14; Jer. 8:11; Ez. 13:10; Zach. 10:2. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 8:11: En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen dezelfde pleisteren met loze kalk. Zacharia 10:2: Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.
[^jeremia-23-17-46]: Kanttekening 46: Hebreeuws, zij zijn zeggende zeggende.
[^jeremia-23-17-47]: Kanttekening 47: Of, smadelijk verachten, tergen.
[^jeremia-23-17-48]: Kanttekening 48: 48 vrede hebben: Dat is, het zal u welgaan.
[^jeremia-23-18-49]: Kanttekening 49: 49 wie heeft in de raad van YHWH gestaan: Anders dan wij, willen zij zeggen; vergelijk vers 22. Of, zij willen zeggen dat niemand Gods verborgen raad kan weten, en daarom ook Jeremia niet; spottende zo goddeloos met de getrouwe waarschuwingen, die God door zijn profeten hun deed. Sommigen verstaan hier de vergadering van de heilige engelen, met wie God gezegd wordt als te beraadslagen, zie 1 Kon. 22:19, enz. Jeremia 23:22: Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid van hun handelingen. 1 Koningen 22:19: Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al de hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
[^jeremia-23-18-50]: Kanttekening 50: 50 gezien of gehoord: Dat is, vernomen; of wie is het door profetische gezichten geopenbaard? Vergelijk Amos 1:1; Micha 1:1. Amos 1:1: De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving. Micha 1:1: Het woord van YHWH, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
[^jeremia-23-19-o]: Verwijzing o: Jer. 30:23; idem v. 24. Jeremia 30:23: Ziet, een onweer van YHWH, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweer; het zal blijven op het hoofd van de goddelozen. Jeremia 30:24: De hitte van de toorn van YHWH zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijn harten; in het laatste van de dagen zult u daarop letten.
[^jeremia-23-19-51]: Kanttekening 51: 51 pijnlijk onweer: Of, smartelijk, moeilijk, verdrietelijk; idem, aanstaande, aanhoudende; vergelijk onder Jer. 30:23. Jeremia 30:23: Ziet, een onweer van YHWH, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweer; het zal blijven op het hoofd van de goddelozen.
[^jeremia-23-19-52]: Kanttekening 52: Vergelijk 2 Sam. 3:29. Anders: het zal pijnlijk vallen. 2 Samuël 3:29: Het blijve op het hoofd van Joab, en op het gehele huis zijn vaders; en er worde van het huis van Joab niet afgesneden, die een vloed hebbe, en melaats zij, en zich aan de stok houde, en door het zwaard valle, en broodsgebrek hebbe!
[^jeremia-23-20-53]: Kanttekening 53: 53 laatste van de dagen: In de toekomstige tijd, gelijk Gen. 49:1, als deze profetieën zullen vervuld worden, die u nu bespot. Genesis 49:1: Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen wedervaren zal.
[^jeremia-23-20-54]: Kanttekening 54: 54 met verstand: Of, verstand daarvan bekomen. Anders: zult u het duidelijk verstaan. Vergelijk onder Jer. 30:24. Jeremia 30:24: De hitte van de toorn van YHWH zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u daarop letten.
[^jeremia-23-21-p]: Verwijzing p: Jer. 14:14. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.
[^jeremia-23-22-55]: Kanttekening 55: 55 raad hadden gestaan: Waarvan boven vers 18. Jeremia 23:18: Want wie heeft in de raad van YHWH gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
[^jeremia-23-22-56]: Kanttekening 56: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-23-23-57]: Kanttekening 57: 57 Ben Ik een God van nabij: In geen geval, wil de Heer zeggen, maar Ik ben een God van nabij en van verre. Dit wordt in het volgende verklaard.
[^jeremia-23-24-q]: Verwijzing q: Ps. 139:7; Amos 9:2; idem v. 3. Psalmen 139:7: Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvluchten voor Uw aangezicht? Amos 9:2: Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. Amos 9:3: En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.
[^jeremia-23-25-58]: Kanttekening 58: 58 gedroomd, ik heb gedroomd: God heeft mij dit en dat door een droom geopenbaard; zie Gen. 20:3, en Gen. 28:12, en Num. 12:6. Genesis 20:3: Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 28:12: En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan het opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder. Numeri 12:6: En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^jeremia-23-26-59]: Kanttekening 59: 59 Hoe lang: Zullen zij zo spreken en mijn volk bedriegen?
[^jeremia-23-26-60]: Kanttekening 60: 60 een droom: Versta een goddelijken droom. Dit woord is hier uit het voorgaande en volgende ingevoegd.
[^jeremia-23-27-61]: Kanttekening 61: Voorhebben en bedenken dat zij mijn volk mogen brengen tot een goddeloze onachtzaamheid en onwetendheid van mij, mijn woord, wil en werken.
[^jeremia-23-27-r]: Verwijzing r: Richt. 3:7; Richt. 8:33; idem 8:34. Richteren 3:7: En de kinderen van Israël deden, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en vergaten YHWH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen. Richteren 8:33: En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God. Richteren 8:34: En de kinderen van Israël dachten niet aan YHWH, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.
[^jeremia-23-28-62]: Kanttekening 62: 62 droom is: Ene goddelijke droom, van mij hem toegezonden; sommigen menen: de Heer wil zeggen dat die een valsen en versierden droom heeft, die zal vertellen of voorstellen als zijn eigen versiersel en vond, niet als van God gekomen zijnde.
[^jeremia-23-28-63]: Kanttekening 63: Of, getrouwelijk. Hebreeuws eigenlijk, \[in, of met\] waarheid of getrouwheid.
[^jeremia-23-28-64]: Kanttekening 64: 64 wat heeft het stro met het koren te doen: Dat is, welke gemeenschap hebben valse leer of menschengedichtselen \[die geen nut kunnen doen\] met mijn zaligmakend woord en waarheid? Zie de manier van spreken 2 Sam. 16:10, enz. 2 Samuël 16:10: Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
[^jeremia-23-29-65]: Kanttekening 65: 65 te morzel slaat: Zo in stukken slaat, dat de stukken verstrooid worden, of dat de steenrots als gruis verstrooid wordt, waarop de betekenis van het Hebreeuwse woord ziet. Vergelijk boven Jer. 22:28, en onder Jer. 51:20, met de aantekening. Jeremia 22:28: Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen? Jeremia 51:20: U bent Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven.
[^jeremia-23-30-66]: Kanttekening 66: 66 Ik wil aan de profeten: Gelijk boven Jer. 21:13. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^jeremia-23-30-s]: Verwijzing s: Deut. 18:20; Jer. 14:14; idem v. 15. Deuteronomium 18:20: Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, dezelfde profeet zal sterven. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 14:15: Daarom zegt YHWH zo: Aangaande de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden.
[^jeremia-23-30-67]: Kanttekening 67: Of, metgezel; dat is, die in het geheim en steelsgewijze met elkaar samenspannen en de één de ander leren wat zij tezamen het volk als mijn woord en op mijn naam zullen voorstellen; of die wel weten dat de ware profetieën mijn woord zijn, en ontkennen het evenwel voor het volk, of houden het achter, stelende zo mijn woord uit de harten van de mensen en benemende hun de gedachten, die zij daarvan mogen hebben, opdat het in de wind geslagen worde. Sommigen menen dat dit ziet op de arglistigheid van de valse profeten, die enige woorden en manieren van spreken, die de ware profeten gewoon waren in hun profetieën te gebruiken, hun ontstalen, en tot een dekmantel van hun bedrog in hun valse profetieën gebruikten, en de ware profeten zo, gelijk men zegt, naäapten, waarvan in het volgende.
[^jeremia-23-31-68]: Kanttekening 68: 68 hun tong nemen: Dat is, hun tong stoutelijk hiertoe misbruiken, of, \[met\] hun tongen vangen; dat is, de mensen met zoete woorden verstrikken en overreden, stoutelijk en valselijk zeggende dat het mijn woord is, wat hun eigen versiersel is.
[^jeremia-23-31-69]: Kanttekening 69: 69 Hij heeft het gesproken: Namelijk YHWH: gelijk de ware profeten, bij en in het verhaal van Gods woorden, zeer dikwijls deze woorden plegen te gebruiken: spreekt, of, zegt YHWH. Hebreeuws eigenlijk, het gezegde, of gesprokene van YHWH; Matt. 22:44, uit Ps. 110:1, wordt daarvoor gesteld \[gelijk als hier\] heeft gezegd, of gesproken, of sprak, in deze woorden: YHWH heeft gezegd, of gesproken tot mijn Heer. Alwaar dit woord ook in de Hebreeuwse tekst staat. Mattheüs 22:44: De Heer heeft gezegd tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. Psalmen 110:1: Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten.
[^jeremia-23-32-70]: Kanttekening 70: 70 valse dromen profeteren: Hebreeuws, dromen van de valsheid, of van de leugen, leugendromen.
[^jeremia-23-32-t]: Verwijzing t: Zefan. 3:4. Zefanja 3:4: Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan.
[^jeremia-23-32-71]: Kanttekening 71: 71 geheel geen nut doen: Hebreeuws, nut doende, geen nut doen.
[^jeremia-23-33-72]: Kanttekening 72: 72 vragen zal: Te weten spottenderwijze, en niet uit een heilige bekommering.
[^jeremia-23-33-74]: Kanttekening 74: 74 verlaten zal: Gelijk onder vers 39. Jeremia 23:39: Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, en ook de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.
[^jeremia-23-33-73]: Kanttekening 73: Zo werden de profetieën genoemd, die Gods dreigementen, straffen en plagen inhielden. Zie 2 Kon. 9:25, enz. Alsof zij zeiden: Hebt u al weer wat kwaads in het hoofd? Hebt u niets anders dan zwarigheid te profeteren? 2 Koningen 9:25: Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last opleide, zeggende:
[^jeremia-23-34-75]: Kanttekening 75: Dat is, die van het volk, welke, enz.
[^jeremia-23-34-76]: Kanttekening 76: 76 De last van YHWH: Noemende zo het woord van de Heer, uit enkel spotternij, boosheid en verkeerdheid, alsof er in Gods woord geen getrouw onderwijs en overvloedige troost ware, maar enkel dreigen, vloeken en straffen, om de mensen wanhopend te maken.
[^jeremia-23-34-77]: Kanttekening 77: 77 bezoeking zal doen: Door straf. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-23-35-78]: Kanttekening 78: In godvruchtigen ernst en nederigheid vragende naar het woord van YHWH.
[^jeremia-23-36-79]: Kanttekening 79: Dat is, vermelden, zulke woorden niet meer in de mond voeren, gelijk u nu spottende dagelijks doet.
[^jeremia-23-36-80]: Kanttekening 80: 80 zijn eigen woord een last zijn: Door zijn spotternijen en omkeringen van Gods woord zal hij zichzelven de vloek en het verderf op de hals halen, zo zeker alsof er een uitgedrukte profetie tegen hem geprofeteerd was.
[^jeremia-23-37-81]: Kanttekening 81: Een waren profeet, gelijk Jeremia was.
[^jeremia-23-38-82]: Kanttekening 82: 82 Maar omdat u zegt: Of: Zult u dan nog zeggen de last van YHWH? Blijft u nog even hardnekkig niet vragende naar alle waarschuwingen en dreigementen?
[^jeremia-23-39-83]: Kanttekening 83: 83 ook ganselijk vergeten: Hebreeuws, vergeten vergetende.
[^jeremia-23-39-84]: Kanttekening 84: 84 laten varen: Of, laten heengaan; zulke betekenis van het Hebreeuwse woord is in de heilige Schriftuur algemeen. Anders, \[door verwisseling ener letter in het Hebreeuws\] uit- of wegrukken, wegrijten.
[^jeremia-23-40-85]: Kanttekening 85: 85 eeuwige smaadheid: Hebreeuws, smaadheid van de eeuwigheid, en zo in het volgende (עוֹלָם).
[^jeremia-23-40-86]: Kanttekening 86: Of, op u leggen.
[^jeremia-23-40-v]: Verwijzing v: Jer. 20:11. Jeremia 20:11: Maar YHWH is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.

### Jeremia 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/24.json)

*God toont Jeremia twee vijgenmanden, de ene met zeer goede en de andere met zeer slechte vijgen, vers 1, enz. onderwijst hem daardoor over de genade die Hij sommige gevangenen wilde bewijzen, en de straffen die Hij over de rest wilde laten gaan, 4, 5, enz.*

**1** YHWH deed mij[^jeremia-24-1-1] zien, en ziet, er waren twee vijgenmanden, gezet voor de tempel van YHWH; nadat[^jeremia-24-1-a] Nebukadnezar, koning van Babel, als gevangene had weggevoerd[^jeremia-24-1-2] Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de[^jeremia-24-1-3] timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v1)

**2** In de ene mand waren zeer goede vijgen, als de[^jeremia-24-2-4] eerste rijpe vijgen zijn; maar in de andere mand waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v2)

**3** En YHWH zei tot mij: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v3)

**4** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v4)

**5** Zo zegt YHWH, de God van Israël: Gelijk die goede vijgen, zo zal Ik[^jeremia-24-5-6] kennen de[^jeremia-24-5-7] als gevangene weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land van de Chaldeeën heb weggeschikt,[^jeremia-24-5-8] ten goede.[^jeremia-24-5-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v5)

**6** En Ik zal Mijn[^jeremia-24-6-9] oog op hen stellen ten goede, en zal[^jeremia-24-6-b] hen teruggeven in dit land; en Ik zal[^jeremia-24-6-10] hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v6)

**7** [^jeremia-24-7-c] En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik YHWH ben;[^jeremia-24-7-d] en zij zullen Mij[^jeremia-24-7-11] tot een volk zijn, en Ik zal hun[^jeremia-24-7-12] tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun hele hart bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v7)

**8** [^jeremia-24-8-e] En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want[^jeremia-24-8-13] zo zegt YHWH), zo zal Ik[^jeremia-24-8-14] maken Zedekia, de koning van Juda, en ook zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland[^jeremia-24-8-15] wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v8)

**9** [^jeremia-24-9-f] En Ik zal[^jeremia-24-9-16] hen overgeven tot een beroering ten kwade, aan alle koninkrijken van de aarde; tot smaad, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarheen Ik hen gedreven zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v9)

**10** En Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaders gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/24.html#v10)

[^jeremia-24-1-1]: Kanttekening 1: 1 zien, en ziet: Te weten, een gezicht, of in een gezicht, zulks als volgt. Vergelijk boven Jer. 11:18, en zie Gen. 15:1, en Gen. 46:2; Amos 7:1, 7:4, 7:7, en Amos 8:1. Jeremia 11:18: YHWH nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt U mij hun handelingen doen zien. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2: En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik! Amos 7:1: De Heer YHWH deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin van het opkomen van het nagras; en ziet, het was het nagras, na de afmaaiingen van de koning. Amos 7:4: Verder deed mij de Heer YHWH aldus zien; en ziet, de Heer YHWH riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Amos 7:7: Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heer stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. Amos 8:1: De Heer YHWH deed mij aldus zien; en ziet, een korf met zomervruchten.
[^jeremia-24-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 24:15; 2 Kron. 36:10. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook van de koning moeder, en van de koning vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; 2 Kronieken 36:10: En met de wederkomst van de jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^jeremia-24-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Jer. 22:24. Jeremia 22:24: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
[^jeremia-24-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, de timmerman, of werkmeester, \[betekenende zowel timmerlieden als smeden\] en de smid, of eigenlijk de slotenmaker; anders: portier, idem, rijken koopman, als die vele koopwaren opsluit, of opgesloten te koop houdt. Zo 2 Kon. 24:16, en onder Jer. 29:2. 2 Koningen 24:16: En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel. Jeremia 29:2: (Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, en ook de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);
[^jeremia-24-2-4]: Kanttekening 4: 4 eerste rijpe vijgen zijn: Vergelijk Micha 7:1, met de aantekening. Micha 7:1: Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
[^jeremia-24-5-6]: Kanttekening 6: Voor aangenaam houden, zorg voor hen dragen. Zie Ps. 1:6. Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^jeremia-24-5-7]: Kanttekening 7: 7 gevankelijk weggevoerden van Juda: Hebreeuws, gevankelijke wegvoering, vervoering, vervaring. Gelijk elders dikwijls.
[^jeremia-24-5-8]: Kanttekening 8: 8 ten goede: Deze woorden kunnen in een goeden zin gevoegd worden bij het woord kennen, of bij het woord weggeschikt; want God kent de zijnen ten goede, en Hij had de zijnen \[die Hij onder de gevangenen had\] tot hun best verzonden en gekastijd, zullende daaruit zijn kerk nog weer oprichten en bouwen, gelijk volgt.
[^jeremia-24-5-5]: Kanttekening 5: 5 Gelijk die goede vijgen: Sommigen vullen deze woorden aldus aan: Gelijk deze vijgen \[goed zijn\]; of gelijk \[u\] deze goede vijgen \[kent\], enz. Zo vers 8. Jeremia 24:8: En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt YHWH), zo zal Ik maken Zedekia, de koning van Juda, en ook zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
[^jeremia-24-6-9]: Kanttekening 9: Vergelijk 1 Kon. 8:29; Ps. 32:8; idem onder Jer. 39:12, en Jer. 40:4, gelijk integendeel het oog tegen iemand te zetten of stellen, ten kwade genomen wordt. Zie Amos 9:4. De manier van spreken is in het Hebreeuws enerlei, maar wordt door het bijgevoegde verklaard, en het Hebreeuwse woord verklaard op, over, en ook tegen, naar gelegenheid van zaken. 1 Koningen 8:29: Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Psalmen 32:8: Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. Jeremia 39:12: Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe zo met hem. Jeremia 40:4: Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar. Amos 9:4: En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
[^jeremia-24-6-b]: Verwijzing b: Jer. 16:15. Jeremia 16:15: Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
[^jeremia-24-6-10]: Kanttekening 10: Vergelijk Ps. 28:5. Psalmen 28:5: Omdat zij niet letten op de daden van YHWH, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
[^jeremia-24-7-c]: Verwijzing c: Deut. 30:6; Jer. 32:39; Ez. 11:19; Ez. 36:26; idem 36:27. Deuteronomium 30:6: En YHWH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw gehele hart en met uw gehele ziel, opdat u levet. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. Ezechiël 11:19: En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:27: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.
[^jeremia-24-7-d]: Verwijzing d: Jer. 30:22; Jer. 31:33; Jer. 32:38. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 32:38: Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^jeremia-24-7-11]: Kanttekening 11: 11 tot een volk zijn: Zie Lev. 26:12. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-24-7-12]: Kanttekening 12: 12 tot een God zijn: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^jeremia-24-8-e]: Verwijzing e: Jer. 29:17. Jeremia 29:17: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ziet, Ik zal het zwaard, de honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
[^jeremia-24-8-13]: Kanttekening 13: 13 want aldus zegt YHWH: Of, zekerlijk.
[^jeremia-24-8-14]: Kanttekening 14: 14 maken Zedekia: Of, stellen, toerichten; anders: overgeven, en vers 9 aldus begonnen: Ik zal hen, zeg Ik, overgeven, enz. Vergelijk onder Jer. 29:17. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; Jeremia 29:17: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ziet, Ik zal het zwaard, de honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
[^jeremia-24-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, alsdan zullen wonen; zie 2 Kon. 25:26, en onder Jer. 43, Jer. 44. 2 Koningen 25:26: Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot de meeste, en de oversten van de heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën.
[^jeremia-24-9-f]: Verwijzing f: Deut. 28:25; idem v. 37; 1 Kon. 9:7; 2 Kron. 7:20; Jer. 15:4; Jer. 29:18; Jer. 34:17; Jer. 42:18. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal. 1 Koningen 9:7: Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. 2 Kronieken 7:20: Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben; Jeremia 34:17: Daarom zegt YHWH zo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iedereen voor zijn broer, en een iedereen voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen u, spreekt YHWH, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken van de aarde. Jeremia 42:18: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.
[^jeremia-24-9-16]: Kanttekening 16: Of, stellen, enz.; zie boven Jer. 15:4 en Deut. 28:25. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.

### Jeremia 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/25.json)

*De profeet stelt het volk, op Gods bevel, voor ogen de voortdurende dienst van hem en andere profeten in het vermanen tot bekering, en daartegenover hun voortdurende ongehoorzaamheid, vers 1, enz. daarom God hen (evenals andere volken) zal straffen door de koning van Babel, met zeventigjarige dienstbaarheid, 8. Doch zal Hij dan ook de koning van Babel vergelden naar zijn verdiensten, evenals deze profetieën, 12. bevestiging van deze profetieën door het gezicht van de drinkbeker van de goddelijke toorn, waaruit de volken op hun beurt moeten drinken, 15. Afbeelding van de verschrikkelijkheid van deze straffen, 30.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is over het hele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v1)

**2** [^jeremia-25-2-1] Dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot het hele volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v2)

**3** Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit[^jeremia-25-3-2] is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij gebeurd; en ik heb tot u gesproken,[^jeremia-25-3-3] vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet[^jeremia-25-3-4] gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v3)

**4** Ook heeft YHWH tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten,[^jeremia-25-4-5][^jeremia-25-4-a] vroeg op zijnde en zendende (maar u hebt[^jeremia-25-4-b] niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v4)

**5** Zeggende:[^jeremia-25-5-c] Bekeer u toch, ieder van zijn boze[^jeremia-25-5-6] weg, en van de boosheid van uw handelingen, en[^jeremia-25-5-7] woont in het land, dat YHWH u en uw vaders gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v5)

**6** En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neer te buigen; en vertoornt Mij niet door het werk van uw handen, opdat Ik u geen[^jeremia-25-6-8] kwaad doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v6)

**7** Maar u hebt naar Mij niet gehoord, spreekt YHWH; opdat u Mij vertoornde door het werk van uw handen, u zelf ten kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v7)

**8** Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten: Omdat u Mijn woorden niet hebt gehoord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v8)

**9** Zie, Ik zal[^jeremia-25-9-9] zenden, en nemen alle[^jeremia-25-9-10] geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en[^jeremia-25-9-11] tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn[^jeremia-25-9-12] knecht; en zal ze brengen[^jeremia-25-9-13] over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal[^jeremia-25-9-14] ze verbannen, en zal ze stellen tot een[^jeremia-25-9-15] ontzetting, en tot een[^jeremia-25-9-d] aanfluiting, en tot[^jeremia-25-9-16] eeuwige woestheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v9)

**10** En Ik zal van hen doen vergaan[^jeremia-25-10-e] de[^jeremia-25-10-17] stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van[^jeremia-25-10-18] de molens en het licht van[^jeremia-25-10-19] de lamp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v10)

**11** En dit hele land zal worden tot een woestheid,[^jeremia-25-11-20] tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v11)

**12** Maar het zal gebeuren, als[^jeremia-25-12-f] de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal[^jeremia-25-12-21] dat stellen tot[^jeremia-25-12-22] eeuwige verwoestingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v12)

**13** En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v13)

**14** Want[^jeremia-25-14-23][^jeremia-25-14-g] van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v14)

**15** Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij[^jeremia-25-15-24] gezegd: Neem[^jeremia-25-15-25] deze beker van[^jeremia-25-15-h] de wijn van de woede van Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken, tot wie Ik u zend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v15)

**16** Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het[^jeremia-25-16-26] zwaard, dat Ik onder hen zal zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v16)

**17** En ik nam de beker uit de hand van YHWH, en ik gaf te drinken aan al de volken, tot wie YHWH mij gezonden had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v17)

**18** Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een[^jeremia-25-18-27] woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek,[^jeremia-25-18-28] zoals het is op deze dag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v18)

**19** [^jeremia-25-19-29] Farao, de koning van[^jeremia-25-19-i] Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v19)

**20** En de hele[^jeremia-25-20-30] gemengde hoop, en alle koningen van het land van[^jeremia-25-20-31] Uz; en alle[^jeremia-25-20-32] koningen van de[^jeremia-25-20-k] Filistijnen, en[^jeremia-25-20-33] Askelon, en Gaza, en Ekron, en het[^jeremia-25-20-34] overblijfsel van Asdod; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v20)

**21** [^jeremia-25-21-35][^jeremia-25-21-l] Edom, en[^jeremia-25-21-36][^jeremia-25-21-m] Moab, en de[^jeremia-25-21-37] kinderen[^jeremia-25-21-n] Ammons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v21)

**22** En alle[^jeremia-25-22-38] koningen van[^jeremia-25-22-o] Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van[^jeremia-25-22-39] de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v22)

**23** [^jeremia-25-23-40][^jeremia-25-23-p] Dedan, en Thema, en[^jeremia-25-23-41] Buz, en allen, die aan de[^jeremia-25-23-42][^jeremia-25-23-q] hoeken afgekort zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v23)

**24** [^jeremia-25-24-43] En alle koningen van Arabië; en alle koningen van[^jeremia-25-24-44][^jeremia-25-24-r] de gemengde hoop, die in de[^jeremia-25-24-45] woestijn wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v24)

**25** En alle koningen van[^jeremia-25-25-46] Zimri, en alle koningen van[^jeremia-25-25-47][^jeremia-25-25-s] Elam, en alle koningen van Medië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v25)

**26** En alle koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn,[^jeremia-25-26-48] de één met de anderen; ja, alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. En de koning van[^jeremia-25-26-49] Sesach zal na hen drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v26)

**27** U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drink, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.[^jeremia-25-27-50][^jeremia-25-27-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v27)

**28** En het zal gebeuren, wanneer zij weigeren zullen de beker van uw hand te nemen om te drinken, dat u tot hen zeggen zult: Zo zegt YHWH van de legermachten: U zult zeker drinken![^jeremia-25-28-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v28)

**29** Want ziet, in de[^jeremia-25-29-53][^jeremia-25-29-t] stad, die[^jeremia-25-29-54] naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te[^jeremia-25-29-55] plagen, en zou u[^jeremia-25-29-56] enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik[^jeremia-25-29-57] roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v29)

**30** U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte,[^jeremia-25-30-58][^jeremia-25-30-v] en Zijn stem[^jeremia-25-30-59] verheffen uit de[^jeremia-25-30-60] woning van Zijn heiligheid; Hij zal[^jeremia-25-30-61] verschrikkelijk brullen[^jeremia-25-30-62] over Zijn woonstede; Hij zal een[^jeremia-25-30-63] vreugdegeschrei, als de[^jeremia-25-30-64] druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v30)

**31** [^jeremia-25-31-65] Het geschal zal komen tot aan het einde van de aarde; want YHWH heeft een[^jeremia-25-31-66] twist met de volken, Hij zal[^jeremia-25-31-67] gericht houden met alle[^jeremia-25-31-68] vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v31)

**32** Zo zegt YHWH van de legermachten: Zie, een[^jeremia-25-32-69] kwaad gaat er[^jeremia-25-32-70] uit van volk tot volk, en een groot onweer zal er verwekt worden van de zijden[^jeremia-25-32-71] van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v32)

**33** En de verslagenen van[^jeremia-25-33-72] YHWH zullen op die dag liggen van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; zij zullen niet[^jeremia-25-33-x] beklaagd, noch[^jeremia-25-33-73] opgenomen, noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v33)

**34** [^jeremia-25-34-y] Huil, u[^jeremia-25-34-74] herders! en schreeuwt, en wentelt u[^jeremia-25-34-75] in[^jeremia-25-34-76] de as, u heerlijken van de kudde! want[^jeremia-25-34-77] uw dagen zijn vervuld, dat[^jeremia-25-34-78][^jeremia-25-34-z] men slachten zal, en van uw[^jeremia-25-34-79][^jeremia-25-34-a] verstrooiingen, dan zult u vervallen als een[^jeremia-25-34-80] kostelijk voorwerp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v34)

**35** En de vlucht zal[^jeremia-25-35-81] vergaan van de herder, en de ontkoming van de heerlijken van de kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v35)

**36** Er zal zijn een stem van het geroep van de herders, en een gehuil van de heerlijken van de kudde, omdat YHWH hun weide verstoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v36)

**37** Want de[^jeremia-25-37-82] akkers van de vrede zullen uitgeroeid worden, vanwege de hitte van de toorn van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v37)

**38** [^jeremia-25-38-83] Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn[^jeremia-25-38-84] hutte verlaten;[^jeremia-25-38-85] want hun land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hitte van de verdrukker,[^jeremia-25-38-86] ja, vanwege de hitte van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/25.html#v38)

[^jeremia-25-2-1]: Kanttekening 1: Woord van de Heer.
[^jeremia-25-3-2]: Kanttekening 2: Of, deze drie en twintig jaren.
[^jeremia-25-3-3]: Kanttekening 3: 3 vroeg op zijnde: Dat is, zeer vlijtiglijk, intijds en geduriglijk. Vergelijk boven Jer. 7:13, en hier vers 4. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 25:4: Ook heeft YHWH tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar u hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);
[^jeremia-25-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, gehoorzaamd, gelijk ook in het volgende, en elders dikwijls.
[^jeremia-25-4-5]: Kanttekening 5: 5 vroeg op zijnde: Vergelijk boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-25-4-a]: Verwijzing a: Jer. 7:13; idem 7:25; Jer. 11:7. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!
[^jeremia-25-4-b]: Verwijzing b: Jer. 11:7; idem 11:8; idem 11:10; Jer. 13:10; idem 13:11; Jer. 16:12; Jer. 17:23; Jer. 18:12; Jer. 19:15; Jer. 22:21. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 11:8: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iedereen naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van deze verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. Jeremia 11:10: Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden hun voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb. Jeremia 13:10: Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijn harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. Jeremia 13:11: Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt YHWH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. Jeremia 16:12: En u erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, u wandelt, een iedereen naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen. Jeremia 17:23: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. Jeremia 18:12: Maar zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iedereen het goeddunken van zijn boos hart. Jeremia 19:15: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen. Jeremia 22:21: Ik sprak u aan in uw grote voorspoed, maar u zeide: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat u Mijn stem niet hebt gehoorzaamd.
[^jeremia-25-5-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 17:13; Jer. 18:11; Jer. 35:15; Jona 3:8. 2 Koningen 17:13: Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Jeremia 18:11: Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. Jeremia 35:15: En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult u in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar u hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord. Jona 3:8: Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iedereen van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is.
[^jeremia-25-5-6]: Kanttekening 6: 6 bozen weg: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-25-5-7]: Kanttekening 7: 7 woont in het land: Dat is, zo zult u zekerlijk wonen, Ik zal maken dat u, enz. Zie Ps. 37:3. Psalmen 37:3: Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
[^jeremia-25-6-8]: Kanttekening 8: Versta, kwaad van de straffen, dat is, geen ongeluk of ellende toezend, gelijk dikwijls.
[^jeremia-25-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, door mijn verborgen goddelijke regering zal Ik hen doen vergaderen en opkomen, alsof zij door boden en opzettelijk bevel kwamen aantrekken; vergelijk onder Jer. 49:14. Jeremia 49:14: Ik heb een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.
[^jeremia-25-9-10]: Kanttekening 10: 10 alle geslachten: Dat is, alle natiën, die tegen het noorden wonen. Vergelijk boven Jer. 1:15. Jeremia 1:15: Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt YHWH; en zij zullen komen, en zetten een ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
[^jeremia-25-9-11]: Kanttekening 11: 11 tot Nebukadnezar: Versta, zal Ik zenden, gelijk in het voorgaande; of en Nebukadnezar; te weten, zal Ik nemen, enz.
[^jeremia-25-9-12]: Kanttekening 12: Die Ik voorgenomen heb te gebruiken tot uitvoering van mijn oordelen over vele volken. Vergelijk Jes. 44:28, en Jes. 45:1, zo onder Jer. 27:6, en Jer. 43:10. Vergelijk ook onder Jer. 29:4, 29:7, 29:14, 29:20, en Jer. 51:7. Jesaja 45:1: Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: Jeremia 27:6: En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. Jeremia 43:10: En zeg tot hen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal henenzenden, en Nebukadrezar, de koning van Babel, Mijn knecht, halen, en Ik zal zijn troon zetten boven op deze stenen, die Ik verborgen heb; en hij zal zijn schone tent daarover spannen. Jeremia 29:4: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: Jeremia 29:7: En zoekt de vrede van de stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot YHWH; want in haar vrede zult u vrede hebben. Jeremia 29:14: En Ik zal van u gevonden worden, spreekt YHWH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt YHWH; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren. Jeremia 29:20: U dan, hoort het woord van YHWH, u allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! Jeremia 51:7: Babel was een gouden beker in de hand van YHWH, die de gehele aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden.
[^jeremia-25-9-13]: Kanttekening 13: 13 over dit land: Of, tegen, en zo in het volgende.
[^jeremia-25-9-14]: Kanttekening 14: Zie Deut. 2:34. Deuteronomium 2:34: En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^jeremia-25-9-15]: Kanttekening 15: Of, schrik; anders, verwoesting. Zie boven Jer. 18:16, en onder vers 18. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage;
[^jeremia-25-9-d]: Verwijzing d: Jer. 19:8. Jeremia 19:8: En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen.
[^jeremia-25-9-16]: Kanttekening 16: 16 eeuwige woestheden: Hebreeuws, woestheden van de eeuwigheid (עוֹלָֽם); dat is, langdurige.
[^jeremia-25-10-e]: Verwijzing e: Jes. 24:7; Jer. 7:34; Jer. 16:9; Ez. 26:13. Jesaja 24:7: De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Ezechiël 26:13: Zo zal Ik het gedeun uw liederen doen ophouden, en het geklank uw harpen zal niet meer gehoord worden.
[^jeremia-25-10-17]: Kanttekening 17: 17 stem van de vrolijkheid: Gelijk boven Jer. 7:34. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden.
[^jeremia-25-10-18]: Kanttekening 18: Of, molenstenen. Versta, van de handmolens, die in een zo grote volrijke stad in grote menigte waren. Zie Ex. 11:5, en Deut. 24:6, idem Openb. 18:22. De zin is, dat God al het gerief van leeftocht zou wegnemen. Exodus 11:5: En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. Deuteronomium 24:6: Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand. Openbaring 18:22: En de stem van de citerspelers, en van de zangers, en van de fluiters, en van de bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid van de molen zal in u meer gehoord worden.
[^jeremia-25-10-19]: Kanttekening 19: Of, kaars; waardoor men verstaan kan dat God hun banketten en gastmalen, die zij in de diepe nacht bij grote lampen, of kaarsen en fakkels, hielden, zou doen ophouden; of eenvoudig, dat er gene nachtwaken meer zouden zijn, ten opzien van welke in een zo grote stad, de gehele nacht door, licht placht te zijn; of in het algemeen, dat er geen voorspoed, vreugde, noch troost zou zijn, gelijk zulks in de Heilige Schrift door duisternis, of gebrek van licht, verstaan wordt.
[^jeremia-25-11-20]: Kanttekening 20: 20 tot een ontzetting: Of, tot ontzettens, of schrikkens toe. Zo vers 18. Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage;
[^jeremia-25-12-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 36:22; Ezra 1:1; Jer. 29:10; Dan. 9:2. 2 Kronieken 36:22: Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:1: In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Jeremia 29:10: Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. Daniël 9:2: In het eerste jaar zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal van de jaren, van die het woord van YHWH tot de profeet Jeremia geschied was, in het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.
[^jeremia-25-12-21]: Kanttekening 21: 21 dat stellen: Volk, of land van de Chaldeën.
[^jeremia-25-12-22]: Kanttekening 22: 22 eeuwige verwoestingen: Hebreeuws, verwoestingen van de eeuwigheid (עוֹלָֽם).
[^jeremia-25-14-23]: Kanttekening 23: 23 van hen zullen zich doen dienen: Hebreeuws, hebben zich gediend; dat is, zullen zich zekerlijk van hen laten dienen, gebruikende hen als slaven. De zin is: Gelijk de Chaldeën of Babyloniërs andere grote volken en koningen tenonder gebracht en tot dienstbaarheid gedwongen hebben, zo zal hun opnieuw van al zulke volken en koningen gebeuren, die zo wel machtig en groot zijn als zij; te weten de Perzen en Meden. Zie dezelfde manier van spreken boven Jer. 22:13, en onder Jer. 27:7, en Jer. 30:8; Ez. 34:27, enz. Jeremia 22:13: Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet! Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijn zoons zoon dienen, totdat ook de tijd van zijn eigen land kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. Jeremia 30:8: Want het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen. Ezechiël 34:27: En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen.
[^jeremia-25-14-g]: Verwijzing g: Jer. 27:7. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijn zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijn eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen.
[^jeremia-25-15-24]: Kanttekening 24: In een gezicht.
[^jeremia-25-15-25]: Kanttekening 25: 25 deze beker van de wijn: Of, de beker van de wijn van deze grimmigheid; waarmee afgebeeld werden Gods toorn, oordelen en plagen, die Hij deze volken bereid had en toezenden wil, met last aan Jeremia, om zulks alles voorheen openlijk te verkondigen en aan te zeggen, tot Gods eer, onderwijs en waarschuwing van zijn volk, en overtuiging van de goddelozen. Vergelijk Ps. 75:9; Jes. 51:17; Openb. 16:19. Psalmen 75:9: Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. Jesaja 51:17: Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Openbaring 16:19: En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn gramschap.
[^jeremia-25-15-h]: Verwijzing h: Jer. 13:12. Jeremia 13:12: Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?
[^jeremia-25-16-26]: Kanttekening 26: Dat is, krijg en oorlog, met alle bittere gevolgen van die; vergelijk Ps. 22:21; zo onder vers 27, 25:29. Psalmen 22:21: Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond. Jeremia 25:27: U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-25-18-27]: Kanttekening 27: Gelijk boven vers 9, 25:11. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 25:11: En dit gehele land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren.
[^jeremia-25-18-28]: Kanttekening 28: 28 gelijk het is te deze dage: Vergelijk Deut. 4:20, 4:38, en Deut. 8:18; 1 Kon. 8:24. Hieruit wordt door sommigen afgenomen dat Jeremia dit beschreven heeft ten tijde van de vervulling van deze profetie. Anders, als \[of het ware\] te deze dage; dat is, het zal zo zekerlijk gebeuren, alsof men het nu voor ogen zag. De aandachtige lezer kan ook vergelijken 2 Kron. 29:8. Deuteronomium 4:20: Maar u heeft YHWH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te deze dage is. Deuteronomium 4:38: Om volken, die groter en machtiger waren dan u, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te deze dage is. Deuteronomium 8:18: Maar u zult gedenken YHWH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het te deze dage is. 1 Koningen 8:24: Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te deze dage is. 2 Kronieken 29:8: Daarom is een grote toorn van YHWH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als u ziet met uw ogen.
[^jeremia-25-19-29]: Kanttekening 29: Zie Gen. 12:15, en onder Jer. 46. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^jeremia-25-19-i]: Verwijzing i: Jer. 46.
[^jeremia-25-20-30]: Kanttekening 30: 30 gemengden hoop: Hierdoor verstaan sommigen ene vermenging van allerlei natiën onder en door elkaar wonende, zonder onderscheid of bepaling van steden of bijzondere grenzen. Zo vers 24. Jeremia 25:24: En alle koningen van Arabië; en alle koningen van de gemengde hoop, die in de woestijn wonen;
[^jeremia-25-20-31]: Kanttekening 31: Zie Gen. 10:23, en Job 1:1. Genesis 10:23: En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. Job 1:1: Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
[^jeremia-25-20-32]: Kanttekening 32: Versta, kleine koningen, vorsten, gouverneurs, drosten, of hoofdbaljuwen. Vergelijk Jer. 47, en zie Richt. 3:3. Richteren 3:3: Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath.
[^jeremia-25-20-k]: Verwijzing k: Jer. 47:4. Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van de eilands van Kafthor, verstoren.
[^jeremia-25-20-33]: Kanttekening 33: Steden van de Filistijnen in de Schriftuur bekend.
[^jeremia-25-20-34]: Kanttekening 34: 34 overblijfsel van Asdod: Omdat deze stad voor een goed deel bereids verdorven en verwoest was door een zeer langdurige belegering van de koning van Egypte, Psammetichus, die de vader was van Farao Necho, gelijk sommige historiën vermelden. Zie van Asdod 1 Sam. 5:1. 1 Samuël 5:1: De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod.
[^jeremia-25-21-35]: Kanttekening 35: Zie onder Jer. 49:7, enz. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?
[^jeremia-25-21-l]: Verwijzing l: Jer. 49:7. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?
[^jeremia-25-21-36]: Kanttekening 36: Zie onder Jer. 48.
[^jeremia-25-21-m]: Verwijzing m: Jer. 48.
[^jeremia-25-21-37]: Kanttekening 37: 37 kinderen Ammons: Zie onder Jer. 49:1, enz. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in zijn steden?
[^jeremia-25-21-n]: Verwijzing n: Jer. 49:1. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in daarvan steden?
[^jeremia-25-22-38]: Kanttekening 38: 38 koningen van Tyrus: De enen voor, de anderen na; of, allen regenten, oversten, of overrijken machtigen kooplieden en inwoners, die zich als koningen gedroegen. Zie Jes. 23:8, onder Jer. 47:4, en verder Joz. 19:29. Jesaja 23:8: Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste in het land zijn? Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren. Jozua 19:29: En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
[^jeremia-25-22-o]: Verwijzing o: Jer. 47:4. Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van de eilands van Kafthor, verstoren.
[^jeremia-25-22-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, van het eiland. Zie Ps. 72:10. Anders: de omtrek, die aan de overvaart van de zee is. Vergelijk onder Jer. 49:23. Psalmen 72:10: De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Jeremia 49:23: Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.
[^jeremia-25-23-40]: Kanttekening 40: Volken van steenachtig Arabië, uit Ketura; zie Gen. 25:3, 25:15; Jes. 21:13. Van een anderen Dedan, uit Cham, door Cusch, in Rijk Arabië, of Morenland, zie Gen. 10:7, en van Dedan in Edom, zie onder Jer. 49:8. Genesis 25:3: En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. Genesis 25:15: Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. Jesaja 21:13: De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Jeremia 49:8: Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb.
[^jeremia-25-23-p]: Verwijzing p: Jer. 49:8. Jeremia 49:8: Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb.
[^jeremia-25-23-41]: Kanttekening 41: Zie Gen. 22:21. Genesis 22:21: Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram,
[^jeremia-25-23-42]: Kanttekening 42: 42 hoeken afgekort zijn: Zie boven Jer. 9:26. Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart.
[^jeremia-25-23-q]: Verwijzing q: Jer. 9:26. Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart.
[^jeremia-25-24-43]: Kanttekening 43: 43 En alle koningen van Arabië: Of, te weten, of namelijk, verstaande dat deze gemeend zijn door de afgekorten aan de hoeken, vers 23. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^jeremia-25-24-44]: Kanttekening 44: 44 gemengde hoop: Gelijk boven vers 20. Jeremia 25:20: En de gehele gemengde hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van het land van de Filistijnen, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
[^jeremia-25-24-r]: Verwijzing r: Jer. 49:31. Jeremia 49:31: Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.
[^jeremia-25-24-45]: Kanttekening 45: 45 woestijn wonen: Versta, de Arabieren, die niet in vaste steden maar in tenten woonden; zie onder Jer. 49:31, enz.; Richt. 8:11. Jeremia 49:31: Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen. Richteren 8:11: En Gideon toog opwaarts, de weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
[^jeremia-25-25-46]: Kanttekening 46: Dat is, \[gelijk enige menen\] waar de nakomelingen van Simran woonden, die Abrahams zoon was uit Ketura; Gen. 25:2. Genesis 25:2: En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.
[^jeremia-25-25-47]: Kanttekening 47: Zie Gen. 10:22, en onder Jer. 49:34, enz. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Jeremia 49:34: Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende:
[^jeremia-25-25-s]: Verwijzing s: Jer. 49:34. Jeremia 49:34: Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende:
[^jeremia-25-26-48]: Kanttekening 48: 48 de één met de ander: Hebreeuws, de man aan, bij, of met zijn broer (אִישׁ); dat is, de één zowel als de ander; of die de één aan de ander aan elkaar gelegen zijn.
[^jeremia-25-26-49]: Kanttekening 49: 49 Sesach zal na hen drinken: Hebreeuws, Scheschach; dat is, Babel, of enige andere van de voornaamste steden van het koninkrijk van Babylonië, gelijk afgenomen wordt uit onder Jer. 51:41. De oorsprong van de naam is onzeker. Jeremia 51:41: Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem van de gehele aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!
[^jeremia-25-27-50]: Kanttekening 50: Te weten, uit die beker van de grimmigheid, waarvan boven vers 15. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend;
[^jeremia-25-27-51]: Kanttekening 51: 51 dat u niet weer opstaat: Of, en staat niet weer op.
[^jeremia-25-28-52]: Kanttekening 52: 52 zekerlijk drinken: Hebreeuws, drinkende drinken (שְׁתּוֹת).
[^jeremia-25-29-53]: Kanttekening 53: Namelijk Jeruzalem, genoemd Gods stad.
[^jeremia-25-29-t]: Verwijzing t: 1 Petr. 4:17. 1 Petrus 4:17: Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
[^jeremia-25-29-54]: Kanttekening 54: 54 naar Mijn Naam genoemd is: Hebreeuws, over welke mijn naam genoemd, of uitgeroepen is (שְׁמִ). Vergelijk boven Jer. 7:10. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-25-29-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws eigenlijk, kwaad te doen.
[^jeremia-25-29-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, onschuldig zijnde, of gehouden wordende, onschuldig gehouden worden? dat is, enigszins ongestraft blijven? Vergelijk onder Jer. 30:11, en Jer. 46:28, en Jer. 49:12, en zie 1 Kon. 2:9. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 49:12: Want zo zegt YHWH: Ziet, degenen, van wie het oordeel het niet is de beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult ganselijk drinken. 1 Koningen 2:9: Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.
[^jeremia-25-29-57]: Kanttekening 57: 57 roep het zwaard: Dat is, Ik beschik door mijn goddelijke regering dat het, als op een bijzonder bevel, komen zal. Zo Ez. 38:21. Vergelijk ook Jes. 13:3, en Jes. 46:11, en Jes. 48:15; Ez. 36:29; Amos 5:8, en Amos 9:6; Hagg. 1:11. Hierom wordt het ook het zwaard van de Heer genoemd, als hebbende van hem bevel, onder Jer. 47:6, 47:7. Zie verder 2 Kon. 8:1. Ezechiël 38:21: Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heer YHWH; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broer zijn. Jesaja 13:3: Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid. Jesaja 46:11: Die een roofvogel roept van het oosten, een man van Mijn raad uit ver land; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen. Jesaja 48:15: Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg. Ezechiël 36:29: En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen. Amos 5:8: Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam. Amos 9:6: Die Zijn opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefundeerd; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem; YHWH is Zijn Naam. Haggai 1:11: Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid van de handen. Jeremia 47:6: O wee, u zwaard van YHWH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil! Jeremia 47:7: Hoe zoudt u stil houden? YHWH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft Hij het besteld. 2 Koningen 8:1: Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie hij de zoon levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.
[^jeremia-25-30-58]: Kanttekening 58: 58 brullen uit de hoogte: Als een leeuw; figuurlijk gesproken, om de verschrikkelijke gevolgen van Gods toorn uit te drukken; zie Joël 3:16; Amos 1:2. Joël 3:16: En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn. Amos 1:2: En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.
[^jeremia-25-30-v]: Verwijzing v: Joël 3:16; Amos 1:2. Joël 3:16: En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn. Amos 1:2: En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.
[^jeremia-25-30-59]: Kanttekening 59: Hebreeuws, geven.
[^jeremia-25-30-60]: Kanttekening 60: 60 woning van Zijn heiligheid: Dat is, zijn heilige woning, te weten de hemel.
[^jeremia-25-30-61]: Kanttekening 61: 61 schrikkelijk brullen: Hebreeuws, brullende brullen.
[^jeremia-25-30-62]: Kanttekening 62: 62 over Zijn woonstede: Of, tegen zijn lieflijke woonstede; dat is, de tempel, gelijk Ps. 79:7. Psalmen 79:7: Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
[^jeremia-25-30-63]: Kanttekening 63: Hebreeuws, Hedad; zeer na overeenkomende met Hed; dat is, weerklank; Ez. 7:7. Ezechiël 7:7: De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de beroerte is nabij, en er is geen wederklank van de bergen.
[^jeremia-25-30-64]: Kanttekening 64: Of, Hij zal doen uitroepen, of elkaar doen toeroepen de \[druiven\]treders, of \[persen-\]treders, die ten tijde van de wijnoogst in de arbeid elkaar toeroepen of bij beurten toezingen, tot onderlinge vrolijkheid en verwakkering in het werk, \[zie Jes. 16:9, 16:10\]; zo, wil God zeggen, zal Hij maken dat de Babyloniërs en anderen elkaar lust en moed zullen aanspreken, om als met een algemeen veldgeschrei landen en mensen te overvallen en te verwoesten, zonder zelfs Jeruzalem of de tempel te sparen; vergelijk onder Jer. 48:32, en Jer. 51:14. Sommigen nemen het aldus: Hij zal \[zichzelven\] met een vreugdegeschrei antwoorden; alsof de Heer wilde zeggen, dat Hij niet van doen heeft dan iemand hem tot dit oordeel aandrijve of wakker make, dat Hij vanzelf daartoe genegen en wakker is, zichzelven door zijn ijver daartoe drijft. Jesaja 16:9: Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen; Jesaja 16:10: Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden. Jeremia 48:32: Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst; Jeremia 51:14: YHWH van de legermachten heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkaar een vreugdegeschrei over u toeroepen!
[^jeremia-25-31-65]: Kanttekening 65: 65 Het geschal: Of, een gekraak, groot, of vreeslijk gedruis zal er komen, enz.
[^jeremia-25-31-66]: Kanttekening 66: 66 twist met de volken: Of, pleit, twistzaak.
[^jeremia-25-31-67]: Kanttekening 67: 67 gericht houden: Of, zich in recht begeven, rechten, pleiten.
[^jeremia-25-31-68]: Kanttekening 68: Dat is, mensen. Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-25-32-69]: Kanttekening 69: Van de straf, dat is ongeluk, ellende. Zie Gen. 19:19. Genesis 19:19: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^jeremia-25-32-70]: Kanttekening 70: 70 van volk tot volk: Dat is, van het ene volk tot het andere.
[^jeremia-25-32-71]: Kanttekening 71: 71 van de aarde: Anders: van het land. Zo in vers 33. Jeremia 25:33: En de verslagenen van YHWH zullen op die dag liggen van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
[^jeremia-25-33-72]: Kanttekening 72: Dat is, die door het rechtvaardig oordeel en de regering van de Heer zijn omgekomen.
[^jeremia-25-33-x]: Verwijzing x: Jer. 16:4. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-25-33-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws eigenlijk, verzameld; zie Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-25-34-y]: Verwijzing y: Jer. 4:8; Jer. 6:26. Jeremia 4:8: Hierom, gordt zakken aan, bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van YHWH is niet van ons afgekeerd. Jeremia 6:26: O dochter van Mijn volk! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
[^jeremia-25-34-74]: Kanttekening 74: Regeerders in politie en kerk.
[^jeremia-25-34-75]: Kanttekening 75: 75 in de as: Dit is hier ingevoegd uit boven Jer. 6:26. Jeremia 6:26: O dochter van Mijn volk! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw om een enige zoon, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
[^jeremia-25-34-76]: Kanttekening 76: 76 heerlijken van de kudde: Zo noemt God de voortreffelijksten en machtigsten onder het volk; zo vers 35, 25:36; zie van het Hebreeuwse woord Ps. 8:2. Jeremia 25:35: En de vlucht zal vergaan van de herder, en de ontkoming van de heerlijken van de kudde. Jeremia 25:36: Er zal zijn een stem van het geroep van de herderen, en een gehuil van de heerlijken van de kudde, omdat YHWH hun weide verstoort. Psalmen 8:2: O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
[^jeremia-25-34-77]: Kanttekening 77: 77 uw dagen zijn vervuld: Die u van God verordineerd zijn; zie Ps. 37:13. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
[^jeremia-25-34-78]: Kanttekening 78: 78 slachten zal: Te weten, u, of de één de ander.
[^jeremia-25-34-z]: Verwijzing z: Jes. 65:12; Jer. 12:3. Jesaja 65:12: Ik zal u ook ten zwaarde tellen, dat u allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar u hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar u hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt gekozen wat, waaraan Ik geen lust heb. Jeremia 12:3: Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding.
[^jeremia-25-34-79]: Kanttekening 79: Versta, de dagen van uw verstrooiingen; \[dat is, dat u verstrooid zult worden\] of, uwe verstrooiingen zijn nabij.
[^jeremia-25-34-a]: Verwijzing a: Jer. 9:16; Jer. 13:14; idem 13:24; Jer. 18:17. Jeremia 9:16: En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben. Jeremia 13:14: En Ik zal hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt YHWH; Ik zal niet sparen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. Jeremia 13:24: Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind van de woestijn. Jeremia 18:17: Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht van de vijand; Ik zal hun de nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs.
[^jeremia-25-34-80]: Kanttekening 80: 80 kostelijk vat: Hebreeuws, vat der begeerte, of van de lust, van de wens; dat is, schoon, lustig, kostelijk, gewenst \[zie 2 Kron. 32:27\]; de zin is dat al hun schoonheid en heerlijkheid vergaan zal, gelijk \[bij exempel\] een schoon en kostelijk glas, of iets anders, dat van zeer brekelijke stof gemaakt zijnde, in stukken valt, en nergens meer toe deugt noch weer samengezet of hermaakt kan worden. 2 Kronieken 32:27: Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;
[^jeremia-25-35-81]: Kanttekening 81: 81 vergaan van de herder: Of, verloren zijn voor, enz. dat is, daar zal geen ontvluchten zijn voor de regeerders, noch ontkoming voor de machtigen van het volk. Vergelijk Ps. 142:5; Amos 2:14, 2:15, 2:16, enz. Psalmen 142:5: Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvluchten voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. Amos 2:14: Zodat de snelle niet zal ontvluchten, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:15: En die de boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:16: En de kloekhartigste onder de helden zal op die dag naakt heenvluchten, spreekt YHWH.
[^jeremia-25-37-82]: Kanttekening 82: 82 akkers van de vrede: Of, kooien, herdershutten, lieflijke woningen \[omdat het Hebreeuwse woord zo genomen wordt\] van de vrede; dat is, waar men in vrede tevoren ging weiden, of in alle zekerheid en voorspoed woonde en meende te zullen blijven wonen.
[^jeremia-25-38-83]: Kanttekening 83: 83 Hij heeft: Namelijk YHWH, van wie in het einde van vers 37 gesproken is. Jeremia 25:37: Want de akkers van de vrede zullen uitgeroeid worden, vanwege de hitte van de toorn van YHWH.
[^jeremia-25-38-84]: Kanttekening 84: 84 hutte verlaten: Of, hol. Dit kan men zo verstaan, dat God, als een leeuw uit zijn hol, is uitgegaan als ten roof, om landen en mensen in grote toorn te verderven en als te verscheuren en te verslinden; of, dat Hij de plaats van zijn residentie, Zion en de tempel \[vanwaar Hij als een jonge leeuw de vijanden placht te verschrikken en te verscheuren\], nu verlaten heeft, en het overzulks de vijand licht te doen zal zijn, het Joodse land te vermeesteren, enz.
[^jeremia-25-38-85]: Kanttekening 85: Of, zekerlijk.
[^jeremia-25-38-86]: Kanttekening 86: Of, rovers, dat men op God, en ook op de Babyloniër kan duiden. Hebreeuws, verdrukkende; te weten, zwaard, gelijk onder Jer. 46:16, en Jer. 50:16, of land, of stad, gelijk Zef. 3:1. Sommigen zetten het over: Vanwege de hitte van de duif, omdat het Hebreeuwse woord zulks ook betekent; \[zie Ps. 74:8\], alsof God wilde zeggen: Die tevoren zo lieflijk en minnelijk was als een duif, is nu geworden als een jonge verscheurende leeuw, en dat om de grote zonden van het volk. Sommigen verstaan door de duif de Assyriërs, van wie enige schrijven dat zij in hun banieren het beeld ener duif voerden. Dan moest men door de Assyriërs verstaan de Babyloniërs, als hebbende toen ten tijde de heerschappij over Assyrië. Vergelijk Ezra 6:22. Jeremia 46:16: Hij maakte van de struikelenden veel; ja, de één viel op de ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. Jeremia 50:16: Roeit uit van Babel de zaaier, en die, die de sikkel handelt in de oogsttijd; laat hen vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, een ieder tot zijn volk, en vluchten, een ieder naar zijn land. Zefanja 3:1: Wee van de ijselijke, en van de bevlekte, van de verdrukkende stad! Psalmen 74:8: Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand. Ezra 6:22: En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want YHWH had hen verblijd, en het hart van de koning van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël.

### Jeremia 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/26.json)

*De profeet brengt, op Gods bevel, het hele volk in de voorhof van de tempel, dat God, als zij ongehoorzaam blijven, de tempel zal maken zoals Silo, en het land tot een vloek van alle volken, vers 1, enz. wordt daarover gegrepen en des doods schuldig verklaard, 8. maar als de vorsten enz. daar komen en de aanklacht alsook Jeremia's antwoord gehoord hebben, spreken zij hem vrij, met het voorbeeld van de profeet Micha, 10. Ahikam wordt in het bijzonder geroemd dat hij Jeremia gered heeft, zodat het hem niet verging zoals een andere profeet, genaamd Uria, 20.*

**1** In het begin van het koninkrijk van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH: Sta in het voorhof van het huis van YHWH, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om[^jeremia-26-2-1] aan te bidden in het huis van YHWH, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v2)

**3** Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, ieder van zijn boze weg; zo zou Ik[^jeremia-26-3-2][^jeremia-26-3-a] berouw hebben over het[^jeremia-26-3-3] kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid van hun handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v3)

**4** Zeg dan tot hen: Zo zegt YHWH: Zo u naar Mij niet zult horen, dat u wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v4)

**5** Horende naar de woorden van Mijn knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs[^jeremia-26-5-4][^jeremia-26-5-b] vroeg op zijnde en zendende; maar u niet gehoord hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v5)

**6** Zo zal Ik dit huis stellen als[^jeremia-26-6-5][^jeremia-26-6-c] Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek voor alle volken van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v6)

**7** En de priesters, en de[^jeremia-26-7-6] profeten, en al het volk, hoorden Jeremia deze woorden[^jeremia-26-7-7] spreken in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v7)

**8** Zo gebeurde het, als Jeremia geëindigd had te spreken alles, wat YHWH geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: U zult[^jeremia-26-8-8] de dood sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v8)

**9** Waarom hebt u in de Naam van YHWH geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand woont? En het hele volk werd verzameld tegen Jeremia, in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v9)

**10** Als nu de vorsten van Juda deze[^jeremia-26-10-9] woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van YHWH; en zij zetten zich bij de deur van[^jeremia-26-10-10] de nieuwe poort van[^jeremia-26-10-11] YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v10)

**11** Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een[^jeremia-26-11-12] oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met uw oren gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v11)

**12** Maar Jeremia sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: YHWH heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die u gehoord hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v12)

**13** Nu dan,[^jeremia-26-13-d] maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem van YHWH, van uw God; zo zal het YHWH berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v13)

**14** Maar ik, ziet, ik ben in uw[^jeremia-26-14-13] handen; doe mij, als het[^jeremia-26-14-14] goed, en als het recht is in uw ogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v14)

**15** Maar[^jeremia-26-15-15] weet voorzeker, dat u, zo u mij doodt, zeker onschuldig bloed zult[^jeremia-26-15-16] brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in waarheid, YHWH heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v15)

**16** Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en tot de profeten: Aan deze man is geen oordeel van de dood, want hij heeft tot ons gesproken in de Naam van YHWH, van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v16)

**17** Ook stonden er mannen op, van de[^jeremia-26-17-17] oudsten van het land, en spraken tot de hele gemeente van het volk, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v17)

**18** [^jeremia-26-18-e]Micha, de[^jeremia-26-18-18] Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de[^jeremia-26-18-20] berg van dit huis tot[^jeremia-26-18-21] hoogten van het woud.[^jeremia-26-18-19][^jeremia-26-18-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v18)

**19** Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem[^jeremia-26-19-22] ooit gedood? Vreesde hij niet YHWH, en smeekte[^jeremia-26-19-23] het aangezicht van YHWH, zodat het YHWH[^jeremia-26-19-24] berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een[^jeremia-26-19-25] groot kwaad tegen onze zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v19)

**20** Er[^jeremia-26-20-26] was ook een man, die in de Naam van YHWH profeteerde,[^jeremia-26-20-27] Uria, de zoon van Semaja, van[^jeremia-26-20-28] Kirjath-jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land,[^jeremia-26-20-29] naar al de woorden van Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v20)

**21** En als de koning Jojakim, en ook al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uria dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v21)

**22** Maar de koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, de zoon[^jeremia-26-22-30] van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v22)

**23** Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot de koning Jojakim, en hij[^jeremia-26-23-31] sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de[^jeremia-26-23-32] graven van de kinderen van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v23)

**24** Maar de[^jeremia-26-24-33] hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand van het volk, om hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/26.html#v24)

[^jeremia-26-2-1]: Kanttekening 1: 1 aan te bidden: Hebreeuws eigenlijk, zich te buigen, of neder te bukken. Zie Gen. 24:26. Genesis 24:26: Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^jeremia-26-3-2]: Kanttekening 2: 2 berouw hebben: Zie Gen. 6:6, zo vers 13, 26:19. Genesis 6:6: Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. Jeremia 26:13: Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem van YHWH, uws Gods; zo zal het YHWH berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. Jeremia 26:19: Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet YHWH, en smeekte het aangezicht van YHWH, zodat het YHWH berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen.
[^jeremia-26-3-a]: Verwijzing a: Jer. 18:8. Jeremia 18:8: Maar als datzelve volk, over dat Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelfde gedacht te doen.
[^jeremia-26-3-3]: Kanttekening 3: Van de straf. Zie Gen. 19:19. Genesis 19:19: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^jeremia-26-5-4]: Kanttekening 4: 4 vroeg op zijnde: Zie boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-26-5-b]: Verwijzing b: Jer. 7:13; idem 7:25; Jer. 11:7; Jer. 25:3. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 25:3: Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord.
[^jeremia-26-6-5]: Kanttekening 5: Zie boven Jer. 7:12, 7:14. Jeremia 7:12: Want gaat nu heen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. Jeremia 7:14: Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb.
[^jeremia-26-6-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 4:12; Ps. 78:60; Jer. 7:12; idem v. 14. 1 Samuël 4:12: Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. Psalmen 78:60: Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. Jeremia 7:12: Want gaat nu heen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. Jeremia 7:14: Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb.
[^jeremia-26-7-6]: Kanttekening 6: Versta, de valse profeten, of valse leraars; en zo in het volgende. Zie boven Jer. 2:8. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.
[^jeremia-26-7-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, sprekende.
[^jeremia-26-8-8]: Kanttekening 8: 8 de dood sterven: Hebreeuws, stervende sterven (מוֹת).
[^jeremia-26-10-9]: Kanttekening 9: Of, dingen, zaken.
[^jeremia-26-10-10]: Kanttekening 10: 10 nieuwe poort: Zijnde \[naar sommiger gevoelen\] de grootste van alle, vernieuwd en vermaakt door de koning Jotham, anders genaamd de hoge poort; idem de poort Sur, en fondamentpoort, in het oosten van de tempel; zie 2 Kron. 27:3, en 2 Kon. 11:6, en 2 Kon. 15:35, en vergelijk boven Jer. 20:2. 2 Kronieken 27:3: Dezelfde bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. 2 Koningen 11:6: En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult u waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking. 2 Koningen 15:35: Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH. Jeremia 20:2: Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is.
[^jeremia-26-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, die voor aan het huis van de Heere was.
[^jeremia-26-11-12]: Kanttekening 12: 12 oordeel van de dood: Of, recht; dat is, hij is schuldig ter dood verwezen, of met de dood gestraft te worden; zo onder vers 16; zie Deut. 19:6, en Deut. 21:22; Luk. 24:20. Jeremia 26:16: Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en tot de profeten: Aan deze man is geen oordeel van de dood, want hij heeft tot ons gesproken in de Naam van YHWH, onze God. Deuteronomium 19:6: Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. Deuteronomium 21:22: Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben; Lukas 24:20: En hoe onze overpriesters en oversten Dezelfde overgeleverd hebben tot het oordeel van de dood, en Hem gekruisigd hebben.
[^jeremia-26-13-d]: Verwijzing d: Jer. 7:3. Jeremia 7:3: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats.
[^jeremia-26-14-13]: Kanttekening 13: Dat is, macht of geweld.
[^jeremia-26-14-14]: Kanttekening 14: Dat is, zoals u oordeelt goed en recht te zijn.
[^jeremia-26-15-15]: Kanttekening 15: 15 weet voorzeker: Hebreeuws, wetende weet.
[^jeremia-26-15-16]: Kanttekening 16: 16 brengen op u: Hebreeuws eigenlijk, geven, stellen. Zie Richt. 9:24; Ez. 7:3, 7:4, 7:8. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Ezechiël 7:3: Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
[^jeremia-26-17-17]: Kanttekening 17: 17 oudsten van het land: Dat is, voortreffelijkste, ambtdragende, personen van staat. Zie Num. 11:16, en vergelijk Gen. 50:7. Numeri 11:16: En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en zijn ambtlieden zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. Genesis 50:7: En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land van Egypte;
[^jeremia-26-18-e]: Verwijzing e: Micha 1:1. Micha 1:1: Het woord van YHWH, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
[^jeremia-26-18-18]: Kanttekening 18: Dat is, geboren te Morescheth; dat enige houden voor Marescha, uit Mich. 1:14,15, omdat de oorspronkelijke betekenis van de woorden enerlei schijnt te zijn; zie de aantekening daar, en verder Joz. 15:44. Maar anderen houden Moreschet voor een dorp, niet ver van de stad Merescha, gelegen aan de westelijke grenzen van Juda; of voor een andere stad, gelegen bij Gath, de Filistijnen toebehorende, en misschien van de Benjaminieten ingenomen, 1 Kron. 18:13; zie verder Micha 1:14, en van een anderen profeet Micha; 1 Kon. 22, en 2 Kron. 18. Jozua 15:44: En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; 1 Kronieken 18:13: En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en YHWH behoedde David overal, waar hij heenging. Micha 1:14: Daarom geef geschenken aan Morescheth-gaths; de huizen van Achzib zullen de koningen van Israël tot een leugen zijn.
[^jeremia-26-18-20]: Kanttekening 20: 20 berg van dit huis: Moria, waar de tempel stond.
[^jeremia-26-18-21]: Kanttekening 21: Dat is, tot een geheel wilde, woeste, woudachtige hoogte.
[^jeremia-26-18-19]: Kanttekening 19: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-26-18-f]: Verwijzing f: Micha 3:12. Micha 3:12: Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud.
[^jeremia-26-19-22]: Kanttekening 22: 22 ooit gedood: Of, enkel gedood. Hebreeuws, dodende gedood.
[^jeremia-26-19-23]: Kanttekening 23: Namelijk Hizkia.
[^jeremia-26-19-24]: Kanttekening 24: 24 berouwde over het kwaad: Gelijk boven Jer. 18:8, en elders dikwijls. Jeremia 18:8: Maar als datzelve volk, waarover Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelfde gedacht te doen.
[^jeremia-26-19-25]: Kanttekening 25: 25 groot kwaad tegen onze zielen: Dat is, doen een grote zonde, waarmee wij onszelven het verderf op de hals halen. Vergelijk Num. 16:38, enz. Numeri 16:38: Te weten de wierookvaten van deze, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van YHWH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de kinderen van Israël tot een teken zijn.
[^jeremia-26-20-26]: Kanttekening 26: 26 was ook een man: Of, daar was, of, is ook een man geweest; zodat dit een verhaal is van de profeet Jeremia, dienende tot aanmerking van Gods genadige regering, in het beschermen van Jeremia door Ahikam, zonder welke hij lichtelijk van Jojakim geloond zou zijn geweest gelijk deze Uria.
[^jeremia-26-20-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, Urijahu-Schemajahu. Van deze wordt nergens elders vermeld.
[^jeremia-26-20-28]: Kanttekening 28: Zie Richt. 18:12. Richteren 18:12: En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; ziet, het is achter Kirjath-jearim.
[^jeremia-26-20-29]: Kanttekening 29: 29 naar al de woorden van Jeremia: Dat is, op gelijke wijze, even zo, gelijk Jeremia.
[^jeremia-26-22-30]: Kanttekening 30: Vergelijk 2 Kon. 22:12, 22:14, en onder Jer. 36:12. 2 Koningen 22:12: En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: 2 Koningen 22:14: Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar. Jeremia 36:12: Zo ging hij af in het huis van de koning in de kamer van de schrijver; en ziet, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.
[^jeremia-26-23-31]: Kanttekening 31: 31 sloeg hem met het zwaard: Dat is, deed hem slaan; dat is, ombrengen, en zijn lichaam werpen, enz.
[^jeremia-26-23-32]: Kanttekening 32: 32 graven van de kinderen van het volk: Dat is, in één van de graven van het gemene volk; \[zie Richt. 12:7\]; zonder hem \[gelijk een profeet van YHWH wel waard was\] enige gewone uiterlijke eer te bewijzen. Richteren 12:7: Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^jeremia-26-24-33]: Kanttekening 33: 33 hand van Ahikam: Dat is, hij beschermde Jeremia met zijn macht, aanzien, beleid en gezag, die hij had. Zie van deze Ahikam 2 Kon. 22:12, 22:14, en 2 Kon. 25:22; idem onder Jer. 39:14. 2 Koningen 22:12: En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: 2 Koningen 22:14: Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar. 2 Koningen 25:22: Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. Jeremia 39:14: Zij zonden dan heen en namen Jeremia uit het voorhof van de bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dat hij hem heen uitbracht naar huis; zo bleef hij in het midden van het volk.

### Jeremia 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/27.json)

*De profeet wordt gelast een juk aan de hals te dragen, en evenzo aan vijf naburige koningen er een toe te zenden, met de boodschap dat zij hun halzen met Juda onder het juk van Nebukadnezar zullen moeten buigen, hoe gewilliger hoe beter, zonder te luisteren naar valse profeten, vers 1, 2, enz. Datzelfde houdt hij naderhand de koning Zedekia uitvoerig voor, daarbij profeterend dat de overgebleven vaten van de tempel ook naar Babel zouden worden gevoerd en daar tot de bestemde tijd zouden blijven, 12.*

**1** In[^jeremia-27-1-1] het begin van het koninkrijk van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia, van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v1)

**2** Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en[^jeremia-27-2-2] jukken, en[^jeremia-27-2-a] doe[^jeremia-27-2-3] die aan uw hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v2)

**3** En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van[^jeremia-27-3-4] de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda,[^jeremia-27-3-5] komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v3)

**4** En beveel hun aan hun heren te zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zo zult u tot uw heren zeggen:[^jeremia-27-4-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v4)

**5** Ik heb gemaakt de aarde, de mens en het vee, die op de aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekte arm,[^jeremia-27-5-7] en Ik[^jeremia-27-5-b] geef ze aan wie het[^jeremia-27-5-8] recht is in Mijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v5)

**6** En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand[^jeremia-27-6-9] van Nebukadnezar, de koning van Babel,[^jeremia-27-6-c] Mijn[^jeremia-27-6-10] knecht; zelfs ook het[^jeremia-27-6-11] gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v6)

**7** En alle volken zullen hem, en zijn[^jeremia-27-7-12] zoon, en de zoon[^jeremia-27-7-13] van zijn zoon dienen, totdat ook de tijd[^jeremia-27-7-14] van zijn eigen land kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem[^jeremia-27-7-15] doen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v7)

**8** En het zal gebeuren, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet zal dienen, en[^jeremia-27-8-16] dat zijn hals niet zal geven onder het juk van de koning van Babel; over dat volk zal Ik, spreekt YHWH, bezoeking doen door het zwaard, en door de honger, en door de pest, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn[^jeremia-27-8-17] hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v8)

**9** U dan, hoort niet naar uw[^jeremia-27-9-18] profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw[^jeremia-27-9-19] dromers, en naar uw[^jeremia-27-9-20] bezweerders, en naar uw tovenaars, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v9)

**10** Want zij profeteren u[^jeremia-27-10-21] valsheid,[^jeremia-27-10-22] om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en u omkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v10)

**11** Maar het volk, dat zijn hals zal brengen onder het juk van de koning van Babel, en hem dienen, dat zal Ik in zijn land laten, spreekt YHWH, en het zal dat bouwen en daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v11)

**12** [^jeremia-27-12-23] Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Breng uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult[^jeremia-27-12-24] u leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v12)

**13** Waarom zou u[^jeremia-27-13-25] sterven, u en uw volk door het zwaard, door de honger en door de pest, zoals YHWH gesproken heeft van het volk, dat de koning van Babel niet zal dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v13)

**14** Hoor dan niet naar de woorden van de profeten, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u[^jeremia-27-14-d] valsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v14)

**15** Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren vals in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u[^jeremia-27-15-26] omkomt, u en de profeten, die u profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v15)

**16** Ook sprak ik tot de priesters, en tot[^jeremia-27-16-27] dit hele volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Hoor niet naar de woorden van uw profeten, die u profeteren, zeggende: Zie, de voorwerpen van het huis van YHWH zullen nu[^jeremia-27-16-e] haast uit Babel teruggebracht worden; want zij profeteren u valsheid.[^jeremia-27-16-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v16)

**17** Hoor niet naar hen, maar dient de koning van Babel, zo zult u[^jeremia-27-17-29] leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v17)

**18** Maar zo zij profeten zijn, en zo het woord van YHWH bij hen is, laat hen nu bij YHWH van de legermachten[^jeremia-27-18-30] voorbidden, opdat de voorwerpen, die in het huis van YHWH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v18)

**19** Want zo zegt YHWH van de legermachten, van de[^jeremia-27-19-31] pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige van de voorwerpen, die in deze stad zijn overgebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v19)

**20** Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel[^jeremia-27-20-f] als gevangene wegvoerde, en ook al de[^jeremia-27-20-32] edelen van Juda en Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v20)

**21** Ja, zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, van de voorwerpen, die in het huis van YHWH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v21)

**22** Naar Babel zullen[^jeremia-27-22-g] zij gebracht worden, en daar zullen[^jeremia-27-22-33] zij zijn, tot de dag toe, dat Ik[^jeremia-27-22-34] ze bezoeken zal, spreekt YHWH; dan zal Ik ze opvoeren, en zal[^jeremia-27-22-h] ze teruggeven tot deze plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/27.html#v22)

[^jeremia-27-1-1]: Kanttekening 1: 1 het begin van het koninkrijk van Jojakim: Elf jaren vóór het koninkrijk van Zedekia, als Nebukadnezar nog niet koning van Babel was, gelijk afgenomen wordt uit Jer. 25:1, ontving Jeremia bevel van wat hij doen en zeggen zou ten tijde van de koning Zedekia, gelijk uit het volgende blijkt. Zie vers 3, 27:12. Jeremia 25:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel); Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen. Jeremia 27:12: Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven.
[^jeremia-27-2-2]: Kanttekening 2: Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen onder Jer. 28:10, 28:12, 28:13. Anders betekent het ook disselen, of zelen, waarmee men aan het juk of de dissel gebonden wordt. Zie Lev. 26:13, met de aantekening. Jeremia 28:10: Toen nam de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia, en verbrak het. Jeremia 28:12: Maar het woord van YHWH geschiedde tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia verbroken had), zeggende: Jeremia 28:13: Ga heen en spreek tot Hananja, zeggende: Zo zegt YHWH: Houten jukken hebt u verbroken, nu zult u in plaats van die, ijzeren jukken maken. Leviticus 26:13: Ik ben YHWH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.
[^jeremia-27-2-a]: Verwijzing a: Jer. 28:10. Jeremia 28:10: Toen nam de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia, en verbrak het.
[^jeremia-27-2-3]: Kanttekening 3: 3 die aan uw hals: Dat is, één van die, \[zie Richt. 12:7, en boven Jer. 26:23\], en draag dat, om het volk levendig af te beelden de toekomstige dienstbaarheid onder de koning van Babel; \[zie onder vers 8, 27:12, en Jer. 28:14\], en doe met de andere gelijk volgt. Richteren 12:7: Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead. Jeremia 26:23: Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot de koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen van het volk. Jeremia 27:8: En het zal gebeuren, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk van de koning van Babel; over datzelve volk zal Ik, spreekt YHWH, bezoeking doen door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand. Jeremia 27:12: Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven. Jeremia 28:14: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte van het veld gegeven.
[^jeremia-27-3-4]: Kanttekening 4: Of, gezanten.
[^jeremia-27-3-5]: Kanttekening 5: Of, zullen komen, zijn gekomen, om verbond met hem te maken tegen de Babyloniërs, of hem in zijn rebellie te stijven. Zie 2 Kron. 36:13. 2 Kronieken 36:13: Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot YHWH, de God van Israël.
[^jeremia-27-4-6]: Kanttekening 6: Zie 1 Kron. 18:15. 1 Kronieken 18:15: Joab nu, de zoon van Zeruja, was over de legermacht; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;
[^jeremia-27-5-7]: Kanttekening 7: 7 en Ik geef ze: Of, daarom geef Ik die, of heb ze gegeven, enz.; te weten de aarde.
[^jeremia-27-5-b]: Verwijzing b: Dan. 4:14; idem v. 25. Daniël 4:14: Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt die boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogels van zijn takken; Daniël 4:25: Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, wie Hij wil.
[^jeremia-27-5-8]: Kanttekening 8: 8 recht is in Mijn ogen: Dat is, wie het mij, belieft, of beliefde.
[^jeremia-27-6-9]: Kanttekening 9: In het voorgaande dikwijls genoemd Nebukadrezar.
[^jeremia-27-6-c]: Verwijzing c: Jer. 25:9. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-27-6-10]: Kanttekening 10: Zie boven Jer. 25:9. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-27-6-11]: Kanttekening 11: 11 gedierte van het veld: Manier van spreken, betekenende een volstrekte en volkomen heerschappij. Vergelijk onder Jer. 28:14; Dan. 2:38. Jeremia 28:14: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte van het veld gegeven. Daniël 2:38: En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelfde; u bent dat gouden hoofd.
[^jeremia-27-7-12]: Kanttekening 12: 12 zoon, en zijn zoons: Evilmerodach, van wie zie 2 Kon. 25:27, en onder Jer. 52:31. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigsten van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. Jeremia 52:31: Het geschiedde daarna, in het zeven en dertigste jaar van de gevankelijke wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de vijf en twintigsten van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het eerste jaar van zijn koninkrijk, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, verhief, en hem uit het gevangenhuis uitbracht.
[^jeremia-27-7-13]: Kanttekening 13: 13 zoon dienen: Belsazar. Zie Dan. 5.
[^jeremia-27-7-14]: Kanttekening 14: 14 zijn eigen land kome: Of, de rechte tijd van zijn land. Hebreeuws, de tijd van zijn land, ook, of zelfs, of ja zijn, te weten, lands (אַרְצ); of ook die, te weten, tijd van zijn land, dat zijn land onder het geweld van anderen door Gods regering zal gebracht worden, en de Babylonische monarchie een einde nemen. Vergelijk Dan. 5:26. Daniël 5:26: Dit is de uitlegging van deze woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voltooid.
[^jeremia-27-7-15]: Kanttekening 15: 15 doen dienen: Of, hem dwingen te dienen. Zie boven Jer. 25:14. Jeremia 25:14: Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen.
[^jeremia-27-8-16]: Kanttekening 16: 16 dat zijn hals: Te weten volk of koninkrijk.
[^jeremia-27-8-17]: Kanttekening 17: Dat is, door zijn dienst, of zijn geweld.
[^jeremia-27-9-18]: Kanttekening 18: Versta, valse profeten, en al zulken, die voorgeven dat zij goddelijke openbaringen en dromen hebben. Zie boven Jer. 23:25, enz. Jeremia 23:25: Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.
[^jeremia-27-9-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, dromen; zo onder Jer. 29:8, gelijk, gevankelijke wegvoering of gevangenis voor gevankelijke weggevoerden, gevangenen, onder Jer. 28:4, 28:6, en Jer. 29:1, 29:4; zie Job 35:13. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 28:4: Ook zal Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt YHWH; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken. Jeremia 28:6: En de profeet Jeremia zei: Amen, YHWH doe zo! YHWH bevestige uw woorden, die u geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van het huis van YHWH, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats! Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. Jeremia 29:4: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^jeremia-27-9-20]: Kanttekening 20: Zie Lev. 19:26. Leviticus 19:26: U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
[^jeremia-27-10-21]: Kanttekening 21: Of, ene leugen; zo vers 14, 27:16. Jeremia 27:14: Hoort dan niet naar de woorden van de profeten, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u valsheid. Jeremia 27:16: Ook sprak ik tot de priesters, en tot dit gehele volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Hoort niet naar de woorden van uw profeten, die u profeteren, zeggende: Ziet, de vaten van het huis van YHWH zullen nu haast uit Babel wedergebracht worden; want zij profeteren u valsheid.
[^jeremia-27-10-22]: Kanttekening 22: 22 om u verre uit uw land te brengen: Zie onder vers 15. Jeremia 27:15: Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren.
[^jeremia-27-12-23]: Kanttekening 23: 23 Daarna sprak ik tot Zedekia: Te weten, ten tijde van de koning Zedekia; vergelijk boven vers 1, en onder Jer. 35:1, met de aantekening. Jeremia 27:1: In het begin van het koninkrijk van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van YHWH, zeggende: Jeremia 35:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is van YHWH, in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende:
[^jeremia-27-12-24]: Kanttekening 24: Dat is, levend blijven; zo vers 17. Jeremia 27:17: Hoort niet naar hen, maar dient de koning van Babel, zo zult u leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden?
[^jeremia-27-13-25]: Kanttekening 25: Dat zekerlijk gebeuren zal zo u de koning van Babel niet wilt dienen; zo onder vers 17; vergelijk 2 Sam. 2:22. Jeremia 27:17: Hoort niet naar hen, maar dient de koning van Babel, zo zult u leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden? 2 Samuël 2:22: Toen voer Abner verder voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broer Joab?
[^jeremia-27-14-d]: Verwijzing d: Jer. 14:14; Jer. 23:21; Jer. 29:8. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:21: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen.
[^jeremia-27-15-26]: Kanttekening 26: 26 opdat Ik u uitstote: Dit was wel het oogmerk van de valse profeten niet, maar het zou zekerlijk daarop volgen, wil de Heer zeggen, als zij de valse profeten zouden geloven, die ook met hun valse profetieën onder Gods heilige en rechtvaardige regering stonden. Zie 1 Kon. 22:19, enz. en boven Jer. 18:16. 1 Koningen 22:19: Verder zei hij: Daarom hoort het woord van YHWH: Ik zag YHWH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse legermacht staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-27-16-27]: Kanttekening 27: 27 dit gehele volk: Dat de priesters en valse profeten aanhing.
[^jeremia-27-16-e]: Verwijzing e: Jer. 28:3. Jeremia 28:3: In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelfde naar Babel gebracht.
[^jeremia-27-16-28]: Kanttekening 28: 28 de vaten van het huis van YHWH: Die ten tijde van Jojakim en Jechonia naar Babel gevoerd waren; 2 Kron. 36:7, 36:10. 2 Kronieken 36:7: Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis van YHWH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel. 2 Kronieken 36:10: En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^jeremia-27-17-29]: Kanttekening 29: Gelijk vers 12. Jeremia 27:12: Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven.
[^jeremia-27-18-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, bejegenen, aanlopen, tussenkomen; te weten met voorbiddingen; gelijk boven Jer. 7:16, zie daar. Jeremia 7:16: U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.
[^jeremia-27-19-31]: Kanttekening 31: Zie 2 Kon. 25:16, 25:17. 2 Koningen 25:16: De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis van YHWH gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht. 2 Koningen 25:17: De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met het net.
[^jeremia-27-20-f]: Verwijzing f: 2 Kon. 24:14; idem v. 15. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook van de koning moeder, en van de koning vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;
[^jeremia-27-20-32]: Kanttekening 32: 32 edelen van Juda en Jeruzalem: Hebreeuws, witte; zie Neh. 2:16. Nehemia 2:16: En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^jeremia-27-22-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 25:13; 2 Kron. 36:18. 2 Koningen 25:13: Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. 2 Kronieken 36:18: En alle vaten van het huis van God, de grote en de kleine, en de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van de koning en zijn vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
[^jeremia-27-22-33]: Kanttekening 33: Dat is, blijven; zo onder Jer. 32:5; Ps. 37:18, enz. Jeremia 32:5: En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt YHWH; ofschoon u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.) Psalmen 37:18: Jod. YHWH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
[^jeremia-27-22-34]: Kanttekening 34: 34 bezoeken zal: Dit en het volgende kan men duiden op de genadige bezoeking van de Joden, die God uit de gevangenschap van Babel wilde verlossen en met de vaten doen wederkomen; of ook \[bij gelijkenis van mensen genomen\] van de vaten zelf, wie God, \[om zo te spreken\] deze weldaad zou bewijzen, dat Hij ze uit de handen dergenen, die ze met geweld onderhielden en schandelijk misbruiken, \[Dan. 5:2, 5:3, 5:4\], weer aan hun rechte plaats en tot hun recht gebruik zou brengen. Zo wordt God gezegd het land te bezoeken, Ps. 65:10, enz. Daniël 5:2: Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelfde dronken. Daniël 5:3: Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit. Daniël 5:4: Zij dronken de wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. Psalmen 65:10: U bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt U het grotelijks; de rivier van God is vol waters; wanneer U het zo bereid hebt, maakt U hunlieder koren gereed.
[^jeremia-27-22-h]: Verwijzing h: 2 Kron. 36:22; Jer. 29:10. 2 Kronieken 36:22: Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Jeremia 29:10: Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.

### Jeremia 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/28.json)

*Hananja profeteert valselijk tegen Jeremia, vers 1, enz. waartegen Jeremia zich verdedigt, 5. Hananja verbreekt het juk van de hals van Jeremia, 10. die op Gods bevel een ijzeren in de plaats daarvan maakt, met herhaling van zijn profetie en aanzegging van de dood aan Hananja, in datzelfde jaar, zoals hij daarin ook stierf, 12.*

**1** Verder gebeurde het in[^jeremia-28-1-1] hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in[^jeremia-28-1-2] het vierde jaar, in de vijfde maand,[^jeremia-28-1-3] dat Hananja, zoon van[^jeremia-28-1-4] Azur, de[^jeremia-28-1-5] profeet, die van[^jeremia-28-1-6] Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van YHWH, voor de[^jeremia-28-1-7] ogen van de priesters en van het hele volk, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v1)

**2** Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v2)

**3** In nog[^jeremia-28-3-a] twee[^jeremia-28-3-8] volle jaren zal Ik tot deze plaats teruggeven al de voorwerpen van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en die naar Babel gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v3)

**4** Ook zal Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die als gevangene[^jeremia-28-4-9] weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats teruggeven,[^jeremia-28-4-10] spreekt YHWH; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v4)

**5** Toen sprak de profeet Jeremia tot de profeet Hananja, voor de[^jeremia-28-5-11] ogen van de priesters, en voor de ogen van het hele volk, die in het huis van YHWH stonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v5)

**6** En de profeet Jeremia zei: Amen, YHWH doe zo! YHWH bevestige uw woorden, die u geprofeteerd hebt, dat Hij de voorwerpen van het huis van YHWH, en allen, die als gevangene zijn[^jeremia-28-6-14] weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats![^jeremia-28-6-12][^jeremia-28-6-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v6)

**7** Maar[^jeremia-28-7-15] hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren van het hele volk: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v7)

**8** De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben[^jeremia-28-8-16] tegen veel landen en tegen[^jeremia-28-8-17] grote koninkrijken geprofeteerd, van strijd, en van[^jeremia-28-8-18] kwaad, en van pest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v8)

**9** [^jeremia-28-9-19] De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van die profeet[^jeremia-28-9-20] komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem YHWH in waarheid gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v9)

**10** Toen nam de profeet Hananja[^jeremia-28-10-21] het juk van de hals van de profeet Jeremia, en verbrak het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v10)

**11** En Hananja sprak voor de[^jeremia-28-11-22] ogen van het hele volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Zo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee[^jeremia-28-11-23] volle jaren,[^jeremia-28-11-24] van de hals van al de volken. En de profeet Jeremia[^jeremia-28-11-25] ging zijns weegs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v11)

**12** Maar het woord van YHWH kwam tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia verbroken had), zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v12)

**13** Ga heen en spreek tot Hananja, zeggende: Zo zegt YHWH: Houten[^jeremia-28-13-26] jukken hebt[^jeremia-28-13-27] u verbroken, nu zult[^jeremia-28-13-28] u in plaats van die, ijzeren jukken maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v13)

**14** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het[^jeremia-28-14-29][^jeremia-28-14-b] gedierte van het veld gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v14)

**15** En de profeet Jeremia zei tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! YHWH heeft u niet gezonden, maar u hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v15)

**16** Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik zal u[^jeremia-28-16-30] wegwerpen van de aardbodem; dit jaar zult u sterven, omdat u een[^jeremia-28-16-31][^jeremia-28-16-c] afval gesproken hebt tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v16)

**17** Zo stierf de profeet Hananja in dat jaar, in de[^jeremia-28-17-32] zevende maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/28.html#v17)

[^jeremia-28-1-1]: Kanttekening 1: 1 hetzelfde jaar: Als hij Zedekia, de priesters en het volk vermaand had \[gelijk boven Jer. 27:12, enz.\] hun hals te buigen onder het juk van de koning van Babel. Jeremia 27:12: Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven.
[^jeremia-28-1-2]: Kanttekening 2: 2 vierde jaar: Waarin de koning Zedekia ook een gezant gezonden heeft naar Babel, zie onder Jer. 51:59. Jeremia 51:59: Het woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, als hij van Zedekia, de koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar van zijn regering; en Seraja was een vreemdzaam vorst.
[^jeremia-28-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, Chananja.
[^jeremia-28-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, Azzur.
[^jeremia-28-1-5]: Kanttekening 5: Versta, valse profeet, zo in het volgende.
[^jeremia-28-1-6]: Kanttekening 6: 6 Gibeon was: Ene stad van de priesters, Joz. 21:13, 21:17. Jozua 21:13: Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de doodslager, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; Jozua 21:17: En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden;
[^jeremia-28-1-7]: Kanttekening 7: 7 ogen van de priesters: Dat is, in de aanwezigheid, en telkens in het volgende.
[^jeremia-28-3-a]: Verwijzing a: Jer. 27:16. Jeremia 27:16: Ook sprak ik tot de priesters, en tot dit gehele volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Hoort niet naar de woorden uw profeten, die u profeteren, zeggende: Ziet, de vaten van de huis van YHWH zullen nu haast uit Babel wedergebracht worden; want zij profeteren u valsheid.
[^jeremia-28-3-8]: Kanttekening 8: 8 volle jaren: Hebreeuws, jaren van de dagen. Zie Gen. 41:1, zo onder vers 11. Genesis 41:1: En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier. Jeremia 28:11: En Hananja sprak voor de ogen van het gehele volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Zo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee volle jaren, van de hals van al de volken. En de profeet Jeremia ging zijn weegs.
[^jeremia-28-4-9]: Kanttekening 9: 9 weggevoerd zijn van Juda: Hebreeuws, gevankelijke wegvoering, vervoering, zo onder vers 6, en Jer. 29:1, 29:20, en elders dikwijls. Jeremia 28:6: En de profeet Jeremia zei: Amen, YHWH doe zo! YHWH bevestige uw woorden, die u geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van het huis van YHWH, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats! Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel. Jeremia 29:20: U dan, hoort het woord van YHWH, u allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!
[^jeremia-28-4-10]: Kanttekening 10: 10 spreekt YHWH: Dit sprak hij valselijk. Zie boven Jer. 23:31. Jeremia 23:31: Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt YHWH, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;
[^jeremia-28-5-11]: Kanttekening 11: 11 ogen van de priesters: Gelijk boven vers 1. Jeremia 28:1: Verder geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van YHWH, voor de ogen van de priesters en van het gehele volk, zeggende:
[^jeremia-28-6-14]: Kanttekening 14: Gelijk vers 4. Jeremia 28:4: Ook zal Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt YHWH; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken.
[^jeremia-28-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, het worde waar. Zie Num. 5:22. Numeri 5:22: Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!
[^jeremia-28-6-13]: Kanttekening 13: 13 het huis van YHWH: Dat is, van zijn huis; gelijk dikwijls.
[^jeremia-28-7-15]: Kanttekening 15: 15 hoor nu dit woord: U Hananja.
[^jeremia-28-8-16]: Kanttekening 16: 16 tegen veel landen: Als de zonden de overhand hadden en rijp waren ter straf, is zulks gewoonlijk de last van de profeten geweest; nu doet u \[wil Jeremia zeggen\] het tegendeel, stijvende het volk in boosheid, waar de getrouwe profeten door dreigementen van Gods straffen hen tot bekering zochten te bewegen, met beloften van de genade voor de boetvaardigen.
[^jeremia-28-8-17]: Kanttekening 17: 17 grote koninkrijken geprofeteerd: Of, machtige.
[^jeremia-28-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, allerlei plagen, ongeluk en ellende, die gemeenlijk bij de oorlog zijn, als, honger, verwoesting van landen en mensen, enz.
[^jeremia-28-9-19]: Kanttekening 19: 19 De profeet: Of, aangaande een profeet, enz.
[^jeremia-28-9-20]: Kanttekening 20: Dat is, nakomt, vervuld wordt. Zo Richt. 13:12. Richteren 13:12: Toen zei Manoach: Nu, dat Uw woorden komen; maar wat zal de wijze van het knechtje en zijn werk zijn?
[^jeremia-28-10-21]: Kanttekening 21: 21 het juk van de hals: Zie boven Jer. 27:2. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.
[^jeremia-28-11-22]: Kanttekening 22: 22 ogen van het gehele volk: Gelijk boven vers 1, 28:5. Jeremia 28:1: Verder geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van YHWH, voor de ogen van de priesters en van het gehele volk, zeggende: Jeremia 28:5: Toen sprak de profeet Jeremia tot de profeet Hananja, voor de ogen van de priesters, en voor de ogen van het gehele volk, die in het huis van YHWH stonden;
[^jeremia-28-11-23]: Kanttekening 23: 23 volle jaren: Gelijk boven vers 3. Jeremia 28:3: In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelfde naar Babel gebracht.
[^jeremia-28-11-24]: Kanttekening 24: 24 van de hals van al de volken: Versta, nemende dat van de hals, enz. uit vers 10, zo in vers 12. Jeremia 28:10: Toen nam de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia, en verbrak het. Jeremia 28:12: Maar het woord van YHWH geschiedde tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia verbroken had), zeggende:
[^jeremia-28-11-25]: Kanttekening 25: 25 ging zijn weegs: Verwachtende nadere openbaring en last van God.
[^jeremia-28-13-26]: Kanttekening 26: Dit kan men verstaan, dat Hananja het ene houten juk van Jeremia brekende, daardoor te verstaan wilde geven dat al de andere, waarvan Jer. 27:2, 27:3, enz., van gelijken zouden gebroken worden. Of, men kan het hier overzetten, houten disselen \[zie boven Jer. 27:2\], omdat in het volgende een ander Hebreeuws woord, dat ook een juk betekent, gebruikt wordt. Vergelijk verder Deut. 28:48. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals. Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals. Deuteronomium 28:48: Zo zult u uw vijanden, die YHWH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
[^jeremia-28-13-27]: Kanttekening 27: 27 u verbroken: O Hananja.
[^jeremia-28-13-28]: Kanttekening 28: 28 u in plaats van die ijzeren jukken maken: O Jeremia; dit zijn de woorden, die God tot Jeremia gesproken had om Hananja dezelfde in zijn naam aan te zeggen.
[^jeremia-28-14-29]: Kanttekening 29: 29 gedierte van het veld gegeven: Zie boven Jer. 27:6. Jeremia 27:6: En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.
[^jeremia-28-14-b]: Verwijzing b: Jer. 27:6. Jeremia 27:6: En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.
[^jeremia-28-16-30]: Kanttekening 30: 30 wegwerpen van de aardbodem: Uit het land van de levenden wegnemen \[gelijk de Schrift elders spreekt\] en verzenden naar uwe plaats. Vergelijk Hand. 1:25. Handelingen 1:25: Om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.
[^jeremia-28-16-31]: Kanttekening 31: 31 afval gesproken hebt: Het volk door uw valse profetieën in afvalligheid en boosheid stijvende. Vergelijk Deut. 13:5. Deuteronomium 13:5: En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.
[^jeremia-28-16-c]: Verwijzing c: Deut. 13:5; Jer. 29:32. Deuteronomium 13:5: En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Jeremia 29:32: Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, de Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden van deze volks woon, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volk doen zal, spreekt YHWH; want hij heeft een afval gesproken tegen YHWH.
[^jeremia-28-17-32]: Kanttekening 32: 32 zevende maand: De tweede maand, nadat hem de dood door Jeremia was aangezegd. Zie boven vers 1. Jeremia 28:1: Verder geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van YHWH, voor de ogen van de priesters en van de gansen volks, zeggende:

### Jeremia 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/29.json)

*Jeremia zendt brieven naar Babel aan de Joden die met Jechonja gevankelijk daarheen waren gevoerd, en vermaant dat zij zich daar in rust willen begeven, voor de vrede van Babel bidden, hun valse profeten en dromers niet geloven, noch verlossing verwachten voordat de zeventig jaren om zijn, vers 1, enz. profeteert tegelijk hoe slecht de andere overgeblevenen in Juda het zullen hebben, 16. met een bijzonder harde profetie tegen twee valse profeten in Babel, Achab en Zedekia, 20. Evenzo Semaja, die uit Babel naar Jeruzalem geschreven had dat men Jeremia om zijn schrijven zou straffen, 24.*

**1** Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot[^jeremia-29-1-1] de overige oudsten, die als gevangene waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het hele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem als gevangene had weggevoerd naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v1)

**2** (Nadat de koning[^jeremia-29-2-a] Jechonia, en de koningin, en de[^jeremia-29-2-2] kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, en ook de[^jeremia-29-2-3] timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren[^jeremia-29-2-4] uitgegaan); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v2)

**3** [^jeremia-29-3-5] Door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, de koning van Babel,[^jeremia-29-3-6] zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH van de legermachten,[^jeremia-29-4-7] de God van Israël, tot allen,[^jeremia-29-4-8] die als gevangene zijn weggevoerd, die[^jeremia-29-4-9] Ik als gevangene heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v4)

**5** Bouw huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v5)

**6** Neem vrouwen, en gewint zonen en dochters, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochters aan mannen, dat zij zonen en dochters baren; en wordt daar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v6)

**7** En zoekt de[^jeremia-29-7-10] vrede van de stad, waarheen Ik u als gevangene heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot YHWH; want in haar[^jeremia-29-7-11] vrede zult u vrede hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v7)

**8** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet[^jeremia-29-8-12][^jeremia-29-8-b] bedriegen, en hoort niet naar uw[^jeremia-29-8-13] dromers, die u[^jeremia-29-8-14] doet dromen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v8)

**9** Want zij profeteren u[^jeremia-29-9-15] vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v9)

**10** Want zo zegt YHWH: Zeker, als zeventig jaren[^jeremia-29-10-17] te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u[^jeremia-29-10-18] bezoeken, en Ik zal Mijn[^jeremia-29-10-19] goed woord over u[^jeremia-29-10-20] verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.[^jeremia-29-10-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v10)

**11** Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt YHWH, gedachten van de vrede,[^jeremia-29-11-21] en niet van het kwaad, dat Ik u geve het[^jeremia-29-11-22] einde en de[^jeremia-29-11-23] verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v11)

**12** Dan zult u Mij[^jeremia-29-12-c] aanroepen, en heengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v12)

**13** En u zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met uw hele hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v13)

**14** En Ik zal van u gevonden[^jeremia-29-14-24] worden, spreekt YHWH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u[^jeremia-29-14-d] verzamelen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarheen Ik u gedreven heb, spreekt YHWH; en Ik zal u teruggeven tot de plaats, vanwaar Ik u als gevangene heb doen wegvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v14)

**15** Omdat u zegt: YHWH heeft ons profeten[^jeremia-29-15-25] naar Babel verwekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v15)

**16** Daarom zegt YHWH zo[^jeremia-29-16-26] van de koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze[^jeremia-29-16-27] stad woont, te weten, uw broers, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v16)

**17** Zo zegt YHWH van de legermachten: Zie, Ik zal[^jeremia-29-17-e] het zwaard, de honger en de pest onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de[^jeremia-29-17-28] afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v17)

**18** En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pest; en Ik zal[^jeremia-29-18-29][^jeremia-29-18-f] ze overgeven tot een beroering, aan alle koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een[^jeremia-29-18-30] schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaad, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v18)

**19** Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt YHWH, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond,[^jeremia-29-19-31] vroeg op zijnde en zendende; maar u hebt niet gehoord, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v19)

**20** U dan, hoort het woord van YHWH,[^jeremia-29-20-32] u allen, die als gevangene bent weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v20)

**21** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die u in Mijn Naam[^jeremia-29-21-33] vals profeteren: Zie, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen[^jeremia-29-21-34] slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v21)

**22** En van[^jeremia-29-22-35] hen zal een vloek genomen worden bij al de als gevangene weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegt: YHWH stelle u als Zedekia, en als[^jeremia-29-22-36] Achab, die de koning van Babel aan het vuur[^jeremia-29-22-37] braadde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v22)

**23** Omdat zij een[^jeremia-29-23-38] dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten, en spraken het[^jeremia-29-23-39] woord vals in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v23)

**24** Tot Semaja nu, de[^jeremia-29-24-40] Nechlamiet, zult u spreken, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v24)

**25** Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Omdat u brieven in[^jeremia-29-25-41] uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, de zoon van Maaseja,[^jeremia-29-25-42] de priester, en tot al de priesters, zeggende:[^jeremia-29-25-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v25)

**26** YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester[^jeremia-29-26-44] Jojada, dat u[^jeremia-29-26-45] opzichters zou zijn in het huis van YHWH over elke man, die[^jeremia-29-26-46] onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de[^jeremia-29-26-47][^jeremia-29-26-g] gevangenis en in de[^jeremia-29-26-48] stok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v26)

**27** Nu dan, waarom hebt u Jeremia, de Anathothiet, niet[^jeremia-29-27-49] gescholden, die zich bij u voor een profeet uitgeeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v27)

**28** Want[^jeremia-29-28-50] daarom heeft hij tot ons naar Babel[^jeremia-29-28-51] gezonden, zeggende:[^jeremia-29-28-52] Het zal lang duren; bouw huizen, en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v28)

**29** Zefanja nu, de priester, had deze brief gelezen voor de oren van de profeet Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v29)

**30** [^jeremia-29-30-53] Daarom kwam het woord van YHWH tot Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v30)

**31** Zend heen tot allen, die[^jeremia-29-31-54] als gevangene weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt YHWH van Semaja, de[^jeremia-29-31-55] Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt;[^jeremia-29-31-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v31)

**32** Daarom zegt YHWH zo: Zie, Ik zal[^jeremia-29-32-56] bezoeking doen over Semaja, de Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden van dit volk woont, en zal het goede niet[^jeremia-29-32-57] zien, dat Ik Mijn volk doen zal, spreekt YHWH; want hij heeft een afval[^jeremia-29-32-58] gesproken tegen YHWH.[^jeremia-29-32-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/29.html#v32)

[^jeremia-29-1-1]: Kanttekening 1: 1 de overige oudsten: Hebreeuws, het overige van de oudsten van de gevankelijke wegvoering. Gelijk boven Jer. 28:4, en onder vers 4, 29:22, 29:31. Jeremia 28:4: Ook zal Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt YHWH; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken. Jeremia 29:4: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: Jeremia 29:22: En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; Jeremia 29:31: Zend heen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt YHWH van Semaja, de Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt;
[^jeremia-29-2-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 24:12. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijn regering.
[^jeremia-29-2-2]: Kanttekening 2: Of, hovelingen. Zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-29-2-3]: Kanttekening 3: 3 timmerlieden en smeden: Hebreeuws, timmerman en de smid; zie boven Jer. 24:1. Jeremia 24:1: YHWH deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor de tempel van YHWH; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
[^jeremia-29-2-4]: Kanttekening 4: Zie 2 Kon. 24:12, 24:14. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land.
[^jeremia-29-3-5]: Kanttekening 5: 5 Door de hand van Elasa: Dit hangt aan deze woorden van vers 1, die de profeet Jeremia zond, door de hand, enz., dat is, door de dienst; deze gezanten namen die brief mee. Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
[^jeremia-29-3-6]: Kanttekening 6: Te weten, in de brief, gelijk volgt; zo onder vers 25, 29:28, enz. Jeremia 29:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Omdat u brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, en tot al de priesters, zeggende: Jeremia 29:28: Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.
[^jeremia-29-4-7]: Kanttekening 7: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-29-4-8]: Kanttekening 8: 8 die gevankelijk zijn weggevoerd: Hebreeuws, tot de gehele gevankelijke wegvoering; gelijk vers 1. Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
[^jeremia-29-4-9]: Kanttekening 9: 9 Ik gevankelijk heb doen wegvoeren: De Heer.
[^jeremia-29-7-10]: Kanttekening 10: 10 vrede van de stad: Dat is, welvaart en voorspoed. Zie Gen. 37:14. Genesis 37:14: En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^jeremia-29-7-11]: Kanttekening 11: 11 vrede zult u vrede hebben: Gelijk het haar welgaat, zal het u ook welgaan.
[^jeremia-29-8-12]: Kanttekening 12: Ulieden wijsmakende dat u binnen twee jaren zult verlost worden.
[^jeremia-29-8-b]: Verwijzing b: Jer. 14:14; Jer. 23:21; Jer. 27:15. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:21: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Jeremia 27:15: Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren.
[^jeremia-29-8-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, dromen. Zie boven Jer. 27:9. Jeremia 27:9: Gijlieden dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw guichelaars, en naar uw tovenaars, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen.
[^jeremia-29-8-14]: Kanttekening 14: 14 doet dromen: Die u door uwe ijdelheid en lichtgelovigheid gelegenheid en oorzaak geeft, om u met valse dromen te verleiden.
[^jeremia-29-9-15]: Kanttekening 15: 15 valselijk in Mijn Naam: Hebreeuws, in, of met valsheid.
[^jeremia-29-10-17]: Kanttekening 17: 17 te Babel: Of, aan, met Babel; dat is, als u zeventig jaren daar zult geweest zijn, of, als Babel u zolang in de gevangenschap zal gehouden hebben.
[^jeremia-29-10-18]: Kanttekening 18: Versta, in genade; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-29-10-19]: Kanttekening 19: 19 goed woord over u: Dat is, mijn goede, genadige en troostelijke beloften van uwe verlossing vervullen.
[^jeremia-29-10-20]: Kanttekening 20: Of, bevestigen, daarstellen, doen bestaan.
[^jeremia-29-10-16]: Kanttekening 16: 16 als zeventig jaren: Hebreeuws, aan, of naar de mond van vervuld te worden, of zijn (פִי). Deze plaats is zeer aanmerkelijk voor het gevoelen dergenen, die de zeventigjarige gevangenschap aanvangen te rekenen, niet van de verwoesting van Jeruzalem onder de koning Zedekia, maar van de wegvoering van de koning Jechonia en van vele andere Joden, \[waarvan boven vers 2\], die nu in de gevangenschap waren, als Jeremia deze brief aan hen zond. Vergelijk Ez. 1:2, en Ez. 33:21, en Ez. 40:1, met de aantekening. Jeremia 29:2: (Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, en ook de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); Ezechiël 1:2: Op de vijfden derzelve maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfden van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tienden van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
[^jeremia-29-11-21]: Kanttekening 21: Lichamelijken en geestelijken zegen, en niet het tegendeel; zie Gen. 37:14. Genesis 37:14: En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^jeremia-29-11-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, achterste, laatste; dat is, hier, einde; zie Ps. 37:37, onder Jer. 31:17 en vergelijk 1 Petr. 1:9. Psalmen 37:37: Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn. Jeremia 31:17: En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt YHWH; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale. 1 Petrus 1:9: Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid van de zielen.
[^jeremia-29-11-23]: Kanttekening 23: Dat is, ene uitkomst, die Ik beloofd heb en u van mij verwachten zult, of, het verwachte einde, het einde waarnaar u gewacht hebt, een gewenst einde.
[^jeremia-29-12-c]: Verwijzing c: Dan. 9.
[^jeremia-29-14-24]: Kanttekening 24: 24 gevonden worden: Of, mij gereed, of vindelijke tonen. Vergelijk Ps. 46:2. Psalmen 46:2: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
[^jeremia-29-14-d]: Verwijzing d: Jer. 23:3. Jeremia 23:3: En Ik zal het overblijfsel Mijn schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.
[^jeremia-29-15-25]: Kanttekening 25: 25 naar Babel verwekt: Anders: in Babel, dat is, omdat u u wijsmaakt dat God, niettegenstaande Hij u naar Babel heeft doen wegvoeren, nochtans ook profeten daarheen gestuurd heeft, die u zouden troosten met belofte dat God het koninkrijk van Juda zal staande houden en u binnen twee jaren verlossen en weer te Jeruzalem brengen; daarom zo hoort nu wat de Heer dienaangaande zegt, opdat u de ijdele hoop, die u uw valse profeten geven, mag verlaten, en u houden aan de profetieën, die ik u hier in Gods naam doe en die u in het volgende verhaald worden. Anderen hechten vers 15 aan het voorgaande, aldus: Wanneer u gezegd zult hebben: De Heer heeft ons, enz.; dat is, deze verlossing zal komen, als u met oprechte boetvaardigheid zult bekennen dat ik en andere getrouwe profeten, van God verwekt zijnde, u de rechte waarheid hebben gezegd, dat u naar Babel zoudt moeten gaan, en niet verlost worden vóór de tijd, die God daartoe bestemd heeft. Jeremia 29:15: Omdat u zegt: YHWH heeft ons profeten naar Babel verwekt;
[^jeremia-29-16-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, el, dat somtijds voor van genomen wordt. Zie Job 42:7, en Ps. 2:7, en onder vers 21, 29:31, en Jer. 30:4. Job 42:7: Het geschiedde nu, nadat YHWH die woorden tot Job gesproken had, dat YHWH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. Psalmen 2:7: Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Jeremia 29:21: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die u in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan. Jeremia 29:31: Zend heen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt YHWH van Semaja, de Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt; Jeremia 30:4: En dit zijn de woorden, die YHWH gesproken heeft van Israël en van Juda.
[^jeremia-29-16-27]: Kanttekening 27: Jeruzalem; dat is, die hier gebleven zijn, tot welke u haast in vrede meent weer te komen, zo u de valse profeten wijsmaken.
[^jeremia-29-17-e]: Verwijzing e: Jer. 24:8; idem v. 10. Jeremia 24:8: En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt YHWH), zo zal Ik maken Zedekia, de koning van Juda, en ook zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; Jeremia 24:10: En Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.
[^jeremia-29-17-28]: Kanttekening 28: 28 afschuwelijke vijgen: Zie boven Jer. 24:8, enz. Jeremia 24:8: En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt YHWH), zo zal Ik maken Zedekia, de koning van Juda, en ook zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;
[^jeremia-29-18-29]: Kanttekening 29: 29 overgeven tot een beroering: Zie Deut. 28:25, en boven Jer. 15:4 enz. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft.
[^jeremia-29-18-f]: Verwijzing f: Deut. 28:25; idem v. 37; Jer. 15:4; Jer. 24:9. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
[^jeremia-29-18-30]: Kanttekening 30: Anders: verwoesting, schrikkelijke woestheid.
[^jeremia-29-19-31]: Kanttekening 31: 31 vroeg op zijnde en zendende: Zie boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-29-20-32]: Kanttekening 32: 32 u allen: Hebreeuws, de gehele gevankelijke wegvoering. Gelijk boven vers 1. Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
[^jeremia-29-21-33]: Kanttekening 33: 33 valselijk profeteren: Of, valsheid, leugen.
[^jeremia-29-21-34]: Kanttekening 34: Dat is, laten ombrengen, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jeremia-29-22-35]: Kanttekening 35: 35 hen zal een vloek: Te weten van deze valse profeten zullen de gevangen Joden nog een formulier of gewoonte van vloeken nemen en gebruiken wanneer zij iemand willen vervloeken. Vergelijk onder Jer. 42:18; Jes. 65:15. Jeremia 42:18: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien. Jesaja 65:15: En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heer YHWH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;
[^jeremia-29-22-36]: Kanttekening 36: \[Echab, red.\] In vers 21 genoemd Achab. Jeremia 29:21: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die u in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.
[^jeremia-29-22-37]: Kanttekening 37: Dat is, liet braden of roosten.
[^jeremia-29-23-38]: Kanttekening 38: 38 dwaasheid deden in Israël: Zie Gen. 34:7. Genesis 34:7: En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden.
[^jeremia-29-23-39]: Kanttekening 39: 39 woord valselijk in Mijn Naam: Of, een vals woord, een woord dat valsheid of leugen was; dat is, zij leerden en profeteerden valsheid, misbruikende daartoe mijn naam en last.
[^jeremia-29-24-40]: Kanttekening 40: Dit schijnt een naam te zijn van afkomst of geboorteplaats, maar sommigen menen dat Jeremia, of God zelf hem deze naam spottenderwijze gegeven heeft, vanwege zijn dromen, want chalam betekent dromen, boven vers 8. Onder vers 31, 29:32, is Nechlamiet. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 29:31: Zend heen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt YHWH van Semaja, de Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt; Jeremia 29:32: Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, de Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden van dit volk wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volk doen zal, spreekt YHWH; want hij heeft een afval gesproken tegen YHWH.
[^jeremia-29-25-41]: Kanttekening 41: 41 uw naam: Op uw eigen gezag, niet door mijn last, gelijk u u valselijk beroemt.
[^jeremia-29-25-42]: Kanttekening 42: 42 de priester: De tweede priester; zie 2 Kon. 25:18, en vergelijk boven Jer. 20:1. 2 Koningen 25:18: Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. Jeremia 20:1: Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis van YHWH), Jeremia hoorde, diezelve woorden profeterende,
[^jeremia-29-25-43]: Kanttekening 43: Gelijk boven vers 3. Jeremia 29:3: Door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, de koning van Babel, zeggende:
[^jeremia-29-26-44]: Kanttekening 44: Sommigen menen dat hij verstaat de hogepriester Jojada, \[van wiens voortreffelijke daden te zien is 2 Kon. 11, en 2 Kron. 23\], om, naar de wijze van de valse profeten, hem te vleien. Anderen menen dat het een ander is geweest, die òf dood, òf naar Babel mee weggevoerd was, zulks dat Zefanja naar de orde in zijn plaats opgevolgd is.
[^jeremia-29-26-45]: Kanttekening 45: 45 opzieners zoudt zijn: Of, bevelhebbers.
[^jeremia-29-26-46]: Kanttekening 46: 46 onzinnig is: Dit duidt hij op Jeremia. Vergelijk 2 Kon. 9:11. 2 Koningen 9:11: En als Jehu uitging tot de knechten zijn heren, zei men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zei tot hen: U kent de man en zijn spraak.
[^jeremia-29-26-47]: Kanttekening 47: Van het Hebreeuwse woord zie boven Jer. 20:2. Jeremia 20:2: Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is.
[^jeremia-29-26-g]: Verwijzing g: Jer. 20:1; idem v. 2; idem v. 3. Jeremia 20:1: Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis van YHWH), Jeremia hoorde, diezelve woorden profeterende, Jeremia 20:2: Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Jeremia 20:3: Maar het geschiedde van de anderen daags, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zei Jeremia tot hem: YHWH noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib.
[^jeremia-29-26-48]: Kanttekening 48: Het Hebreeuwse woord tsinok wordt alleen hier gevonden, zodat het onzeker is wat voor een soort van gevangenis, òf ketens en boeien, òf ook doodstraf het eigenlijk betekent. Sommigen vergelijken het met kikkim, dat ook ketens en boeien betekent; anderen menen: het is samengevoegd van tsi, dat is een schip, en janak, dat is zuigen, en zetten het over zuigschip of zuigschuit, zijnde geweest bij de Perzen \[ook misschien bij andere aangelegen volken\] een zeer wrede doodstraf, wanneer een mens tussen twee op elkaar gepaste schuiten gelegd en als ingepakt werd, het hoofd, de handen en voeten alleen buiten stekende, en zo gelaten, onder anderen met honig en melk \[die hij moest inzuigen\] gevoed, steeds met het aangezicht naar de zon gekeerd, van buiten van de vliegen, en van binnen van het gewormte en vuiligheid geplaagd, zeer ernstig ten laatste verging.
[^jeremia-29-27-49]: Kanttekening 49: En verder gestraft naar zijn verdienste.
[^jeremia-29-28-50]: Kanttekening 50: 50 daarom heeft hij: Om te tonen dat hij een profeet is. Of, aldus heeft hij, enz.
[^jeremia-29-28-51]: Kanttekening 51: Te weten een brief als boven.
[^jeremia-29-28-52]: Kanttekening 52: 52 Het zal lang duren: Of, zij \[de gevangenschap\] zal lang duren, langdurig zijn. Hebreeuws, het, of zij, lang, of langdurig.
[^jeremia-29-30-53]: Kanttekening 53: 53 Daarom geschiedde het woord van YHWH tot Jeremia: Hier wordt nu vervolgd wat boven vers 25 was begonnen. Jeremia 29:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Omdat u brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, en tot al de priesters, zeggende:
[^jeremia-29-31-54]: Kanttekening 54: 54 gevankelijk weggevoerd zijn: Hebreeuws, de gevankelijke wegvoering; gelijk boven vers 1. Jeremia 29:1: Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het gehele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.
[^jeremia-29-31-55]: Kanttekening 55: Boven vers 24, Nechelamiet, zie daar. Jeremia 29:24: Tot Semaja nu, de Nechlamiet, zult u spreken, zeggende:
[^jeremia-29-31-h]: Verwijzing h: Jer. 28:15. Jeremia 28:15: En de profeet Jeremia zei tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! YHWH heeft u niet gezonden, maar u hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt.
[^jeremia-29-32-56]: Kanttekening 56: 56 bezoeking doen over Semaja: Door straf. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-29-32-57]: Kanttekening 57: Dat is, niet bevelen en genieten. Zie Job 7:7. Job 7:7: Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^jeremia-29-32-58]: Kanttekening 58: 58 afval gesproken tegen YHWH: Zie boven Jer. 28:16. Jeremia 28:16: Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik zal u wegwerpen van de aardbodem; dit jaar zult u sterven, omdat u een afval gesproken hebt tegen YHWH.
[^jeremia-29-32-i]: Verwijzing i: Jer. 28:16. Jeremia 28:16: Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik zal u wegwerpen van de aardbodem; dit jaar zult u sterven, omdat u een afval gesproken hebt tegen YHWH.

### Jeremia 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/30.json)

*Jeremia ontvangt bevel deze woorden van de HEERE in een boek te schrijven, vers 1, 2. profetie over de lichamelijke verlossing uit Babel en de geestelijke door Christus, alsmede de genade en zegeningen die God aan Zijn kerk zal bewijzen, niettegenstaande hun grote ellende, benauwdheden, breuken en wonden, 3. maar Gods onweer zal blijven over de goddelozen, 23.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v1)

**2** Zo spreekt YHWH, de God van Israël, zeggende:[^jeremia-30-2-1] Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v2)

**3** Want zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik de gevangenis van[^jeremia-30-3-2] Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt YHWH; en Ik zal hen teruggeven in het land, dat Ik hun vaders gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v3)

**4** En dit zijn de woorden, die YHWH gesproken heeft van Israël en van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v4)

**5** Want zo zegt YHWH: Wij horen een stem van de verschrikking; er is vrees en geen vrede.[^jeremia-30-5-3][^jeremia-30-5-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v5)

**6** Vraag toch en ziet, of een man[^jeremia-30-6-5] baart? Waarom zie Ik dan de handen van iedere man op zijn middel, als van[^jeremia-30-6-a] een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in[^jeremia-30-6-6] bleekheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v6)

**7** [^jeremia-30-7-b] O wee![^jeremia-30-7-7] want die[^jeremia-30-7-8] dag is zo groot, dat zijn gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v7)

**8** Want het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik[^jeremia-30-8-9] zijn juk[^jeremia-30-8-10] van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen[^jeremia-30-8-11] zich niet meer van[^jeremia-30-8-12] hem doen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v8)

**9** Maar[^jeremia-30-9-13] zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning[^jeremia-30-9-14][^jeremia-30-9-c] David, die Ik hun verwekken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v9)

**10** U dan, vrees niet,[^jeremia-30-10-d] o Mijn knecht Jakob! spreekt YHWH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal terugkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die[^jeremia-30-10-15] hem verschrikke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v10)

**11** Want Ik ben[^jeremia-30-11-16] met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarheen Ik u verstrooid heb;[^jeremia-30-11-e] maar met u zal Ik geen[^jeremia-30-11-17] voleinding maken; maar Ik zal u straffen met[^jeremia-30-11-18][^jeremia-30-11-f] mate, en[^jeremia-30-11-19] u niet geheel onschuldig houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v11)

**12** Want zo zegt YHWH: Uw[^jeremia-30-12-20] breuk is[^jeremia-30-12-g] dodelijk, uw[^jeremia-30-12-21] plaag is pijnlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v12)

**13** Er is niemand,[^jeremia-30-13-22] die uw zaak oordeelt, aangaande het[^jeremia-30-13-23] gezwel; u hebt geen[^jeremia-30-13-24] heelpleisters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v13)

**14** Al uw[^jeremia-30-14-25][^jeremia-30-14-h] liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met de plaag van een vijand[^jeremia-30-14-26], met de vergelding van een wrede; om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v14)

**15** Wat[^jeremia-30-15-i] krijt u over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw[^jeremia-30-15-k] zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v15)

**16** [^jeremia-30-16-27] Daarom, allen, die u opeten, zullen[^jeremia-30-16-28][^jeremia-30-16-l] opgegeten worden, en al uw tegenstanders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v16)

**17** Want Ik zal u de[^jeremia-30-17-29] gezondheid doen rijzen, en u van uw[^jeremia-30-17-30] plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is[^jeremia-30-17-31] Sion, zeggen[^jeremia-30-17-32] zij; niemand vraagt naar haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v17)

**18** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal[^jeremia-30-18-33] de gevangenis van de tenten van Jakob wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de[^jeremia-30-18-34] stad zal herbouwd worden op haar[^jeremia-30-18-35] hoop, en het[^jeremia-30-18-36] paleis zal[^jeremia-30-18-37] liggen naar zijn wijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v18)

**19** En van[^jeremia-30-19-38] hen zal[^jeremia-30-19-39] dankzegging uitgaan, en een stem[^jeremia-30-19-m] van[^jeremia-30-19-40] de spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet[^jeremia-30-19-41] gering worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v19)

**20** En[^jeremia-30-20-42] zijn zonen zullen zijn als vroeger, en[^jeremia-30-20-43] zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal[^jeremia-30-20-44] bezoeking doen over al zijn onderdrukkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v20)

**21** En[^jeremia-30-21-45] zijn[^jeremia-30-21-46] Heerlijke zal[^jeremia-30-21-47] uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem[^jeremia-30-21-48] doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want[^jeremia-30-21-49] wie is hij, die[^jeremia-30-21-50] met zijn hart borg worde, om tot Mij te naderen? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v21)

**22** En u zult[^jeremia-30-22-n] Mij tot een[^jeremia-30-22-51] volk zijn, en Ik zal u tot een[^jeremia-30-22-52] God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v22)

**23** Zie,[^jeremia-30-23-53] een[^jeremia-30-23-o] onweer van YHWH, een woede is uitgegaan, een[^jeremia-30-23-54] aanhoudend onweer; het zal[^jeremia-30-23-55] blijven op het hoofd van de goddelozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v23)

**24** De hitte van de toorn van YHWH zal zich niet afwenden, voordat Hij gedaan, en voordat Hij daargesteld zal hebben de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u daarop[^jeremia-30-24-56] letten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/30.html#v24)

[^jeremia-30-2-1]: Kanttekening 1: 1 Schrijf u al de woorden: Zie onder Jer. 36:2. Jeremia 36:2: Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag.
[^jeremia-30-3-2]: Kanttekening 2: 2 gevangenis … wederbrengen: Of, de gevangenen wederbrengen.
[^jeremia-30-5-3]: Kanttekening 3: 3 Wij horen: Hier worden de inwoners van Jeruzalem ingevoerd, aldus klagende ten tijde van het innemen van de stad, enz.
[^jeremia-30-5-4]: Kanttekening 4: Of, siddering.
[^jeremia-30-6-5]: Kanttekening 5: Dat is, baren kan, gelijk dikwijls.
[^jeremia-30-6-a]: Verwijzing a: Jer. 4:31; Jer. 6:24. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in van de eerste kinds nood is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars! Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-30-6-6]: Kanttekening 6: Of, geelheid, de geelzucht; dat is, misverwig, gelijk de geelzuchtige mensen en de landvruchten, wanneer ze door veel vocht verrotten en met honigdauw geslagen zijn. Vergelijk Deut. 28:22. Deuteronomium 28:22: YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt.
[^jeremia-30-7-b]: Verwijzing b: Joël 2:11; Zefan. 1:15. Joël 2:11: En YHWH verheft Zijn stem voor Zijn legermacht heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag van YHWH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen? Zefanja 1:15: Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
[^jeremia-30-7-7]: Kanttekening 7: Of, immer, zekerlijk is die dag, enz., of, dat die dag zo groot is.
[^jeremia-30-7-8]: Kanttekening 8: Dat is, de bestemde tijd van het oordeel over Jakobs nakomelingen \[zie Ps. 37:13, en Joël 1:15\], dat zij nooit tevoren zo hard zijn gestraft. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^jeremia-30-8-9]: Kanttekening 9: 9 zijn juk: Van de koning van Babel; zie boven Jer. 27.
[^jeremia-30-8-10]: Kanttekening 10: 10 van uw hals verbreken: Vergelijk boven Jer. 28:11. Jeremia 28:11: En Hananja sprak voor de ogen van het ganse volk, zeggende: Zo zegt YHWH: Zo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee volle jaren, van de hals al van de volken. En de profeet Jeremia ging zijn weegs.
[^jeremia-30-8-11]: Kanttekening 11: 11 zich niet meer: Of, dwingen te dienen; zie boven Jer. 25:14. Jeremia 25:14: Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hun handen.
[^jeremia-30-8-12]: Kanttekening 12: Namelijk Jakob.
[^jeremia-30-9-13]: Kanttekening 13: Jakobs nakomelingen.
[^jeremia-30-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, de Heer Jezus Christus. Zie 2 Sam. 22:51. 2 Samuël 22:51: Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.
[^jeremia-30-9-c]: Verwijzing c: Ez. 34:23; idem 34:24; Ez. 37:24; Hosea 3:5. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 34:24: En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Ezechiël 37:24: En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^jeremia-30-10-d]: Verwijzing d: Jes. 41:13; Jes. 43:5; Jes. 44:1; Jer. 46:28. Jesaja 41:13: Want Ik, YHWH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. Jesaja 43:5: Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Jesaja 44:1: Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb! Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jeremia-30-10-15]: Kanttekening 15: Of, doen sidderen.
[^jeremia-30-11-16]: Kanttekening 16: 16 met u: Zie Gen. 21:22. Genesis 21:22: Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^jeremia-30-11-e]: Verwijzing e: Jer. 4:27; Jer. 5:10; idem 5:18; Jer. 46:28. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); Jeremia 5:10: Beklimt haar muren, en verderft ze (maar maakt geen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn van YHWH niet. Jeremia 5:18: Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt YHWH, geen voleinding met u maken. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jeremia-30-11-17]: Kanttekening 17: 17 voleinding maken: Zie boven Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-30-11-18]: Kanttekening 18: Zie boven Jer. 10:24. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^jeremia-30-11-f]: Verwijzing f: Jes. 27:8; Jer. 10:24. Jesaja 27:8: Met mate hebt U met hem getwist, wanneer U hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag van de oostenwinds. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^jeremia-30-11-19]: Kanttekening 19: 19 u niet geheel onschuldig houden: Hebreeuws, onschuldig houdende zal Ik u niet onschuldig houden; dat is hier, niet ten enenmale of geheellijk ongestraft laten, gelijk onder Jer. 46:28. Vergelijk boven Jer. 25:29. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-30-12-20]: Kanttekening 20: 20 Uw breuk is dodelijk: Gelijk boven Jer. 4:6. Anders: aangaande uwe breuk, zij is dodelijk. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-30-12-g]: Verwijzing g: Jer. 10:19; Jer. 15:18. Jeremia 10:19: O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! Jeremia 15:18: Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt U mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
[^jeremia-30-12-21]: Kanttekening 21: Of, wonde; gelijk boven Jer. 14:17. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^jeremia-30-13-22]: Kanttekening 22: 22 die uw zaak oordeelt: Dat is, die de zaak van uw gezwel zich aantrekt en onderzoekt of en hoe u in deze ellende te helpen bent.
[^jeremia-30-13-23]: Kanttekening 23: Of, de wonde. In deze betekenis wordt het Hebreeuwse woord ook gebruikt Hos. 5:13; Obad. 1:7, en wordt nergens meer in de Heilige Schriftuur gevonden. Anders: tot verbinding, of uitdrukking, dat is, dat uwe wonden verbonden, uitgedrukt, gezuiverd en geheeld mochten worden. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Obadja 1:7: Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overweldigd; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.
[^jeremia-30-13-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, helingen, of genezingen van de opklimming, of opkoming, opgang; dat is, men legt geen pleisters op uwe wonden, dat de gezondheid zou mogen opkomen, opklimmen; dat is, toenemen, of dat er littekens mochten opkomen. Vergelijk Neh. 4:7, en onder vers 17. Anders: opkomingen van genezingen, door omzetting van de woorden, gelijk in het Hebreeuws somtijds geschiedt. Nehemia 4:7: En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer; Jeremia 30:17: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
[^jeremia-30-14-25]: Kanttekening 25: Op welke u u verlaten hebt, gelijk Egyptenaars en anderen.
[^jeremia-30-14-h]: Verwijzing h: Jer. 22:20. Jeremia 22:20: Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.
[^jeremia-30-14-26]: Kanttekening 26: 26 vijands plage: Dat is, zo hard en scherp alsof u een vijand geslagen had; dat men naar het uiterlijke aanzien zou zeggen, een vijand heeft het gedaan; blijvende ondertussen mijn gedachten van de vrede bestendig. Zie vers 16, 30:17, 30:18, enz. Jeremia 30:16: Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. Jeremia 30:17: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar. Jeremia 30:18: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal de gevangenis van de tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
[^jeremia-30-15-i]: Verwijzing i: Jer. 13:17. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat van YHWH kudde gevankelijk is weggevoerd.
[^jeremia-30-15-k]: Verwijzing k: Jer. 5:6. Jeremia 5:6: Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelfde uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
[^jeremia-30-16-27]: Kanttekening 27: Om te tonen dat Ik u eerst om uw zonden wil tot uw best gekastijd heb en het daarna mijn tijd is, dat Ik uw vijanden, die het zo niet gemeend hebben, vergelde en u weer zegene. Vergelijk Jer. 10:25. Jeremia 10:25: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
[^jeremia-30-16-28]: Kanttekening 28: 28 opgegeten worden: Vergelijk Ps. 14:4, en Ps. 79:7, met de aantekening. Psalmen 14:4: Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan. Psalmen 79:7: Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
[^jeremia-30-16-l]: Verwijzing l: Ex. 23:22; Jes. 41:11; Jer. 10:25. Exodus 23:22: Maar zo u Zijn stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uw vijanden vijand, en uw wederpartijders tegenstander zijn. Jesaja 41:11: Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan. Jeremia 10:25: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.
[^jeremia-30-17-29]: Kanttekening 29: 29 gezondheid doen rijzen: Of, een pleister opleggen. Vergelijk boven vers 13, en Jer. 8:22, en onder Jer. 33:6; idem Jer. 46:11. Jeremia 30:13: Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter van mijn volk niet gerezen? Jeremia 33:6: Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u.
[^jeremia-30-17-30]: Kanttekening 30: Of, wonden.
[^jeremia-30-17-31]: Kanttekening 31: Spottenderwijze, alsof zij zeiden: dat is nu die Zion, de kerk van God, waarvan zij altijd zo veel en roemend gesproken, en zo groot gevoel gehad hebben; maar ziet nu eens, enz.
[^jeremia-30-17-32]: Kanttekening 32: 32 niemand vraagt naar haar: Of, zij heeft geen navrager; dat is, niemand bekommert zich met haar.
[^jeremia-30-18-33]: Kanttekening 33: 33 de gevangenis van de tenten Jakobs wenden: Dat is, de gevangenen van mijn volk doen terugkeren tot hun woningen, en verder mijn kerk verlossen uit de geestelijke gevangenschap, door de Messias, en dezelfde bouwen en zegenen.
[^jeremia-30-18-34]: Kanttekening 34: Jeruzalem en Gods kerk, daardoor afgebeeld.
[^jeremia-30-18-35]: Kanttekening 35: Of, heuvel; te weten op de berg Zion, waar zij tevoren in haar bloei stond.
[^jeremia-30-18-36]: Kanttekening 36: Tempel, of koningshof.
[^jeremia-30-18-37]: Kanttekening 37: Of, gelegen zijn; dat is, staan gelijk tevoren op zijn plaats. Vergelijk Hoogl. 5:12. Hooglied 5:12: Zijn ogen zijn als van de duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes van de ringen.
[^jeremia-30-19-38]: Kanttekening 38: Mijn volk of kerk.
[^jeremia-30-19-39]: Kanttekening 39: Voor de lichamelijke en voornamelijk de geestelijke verlossing door de Messias.
[^jeremia-30-19-m]: Verwijzing m: Jer. 31:4. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden.
[^jeremia-30-19-40]: Kanttekening 40: Dat is, die vrolijk zijn of vreugde bedrijven over Gods weldaden; zo onder Jer. 31:4. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden.
[^jeremia-30-19-41]: Kanttekening 41: 41 gering worden: Of, klein; dat is, verkleind, klein geacht, veracht.
[^jeremia-30-20-42]: Kanttekening 42: 42 zijn zonen: Van Jakob, uit vers 18. Jeremia 30:18: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal de gevangenis van de tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
[^jeremia-30-20-43]: Kanttekening 43: 43 zijn gemeente: Namelijk Jakobs gemeente.
[^jeremia-30-20-44]: Kanttekening 44: 44 bezoeking doen: Door straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-30-21-45]: Kanttekening 45: Van Jakob, gelijk in het voorgaande.
[^jeremia-30-21-46]: Kanttekening 46: De Messias, onze Zaligmaker Jezus Christus \[van het Hebreeuwse woord zie Ps. 8:2\], die in het volgende zijn Heerser genoemd wordt; gelijk Micha 5:1. Psalmen 8:2: O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. Micha 5:1: En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid.
[^jeremia-30-21-47]: Kanttekening 47: 47 uit hem zijn: Naar het vlees uit Jakob voortkomen, als volgt.
[^jeremia-30-21-48]: Kanttekening 48: 48 doen naderen: Dat is, Ik zal hem zalven en daartoe beroepen, dat Hij hogepriester en middelaar zij tussen mij en mijn volk.
[^jeremia-30-21-49]: Kanttekening 49: 49 wie is hij: Te weten anders dan de Messias, Jezus Christus, die mijn Zoon is, alleen daartoe bekwaam, van mij geroepen, en zich tot borg gewillig aanbiedende, om mijn volk met mij te verzoenen en voor hen als advocaat bij mij te verschijnen. Vergelijk Ps. 40:7, 40:8, 40:9, en Ps. 110:4; Hebr. 4:15, en Hebr. 5:4, 5:5, 5:6, enz., en Hebr. 7:22, 7:25, en Hebr. 9:14, 9:15, 9:24, enz. Psalmen 40:7: U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. Psalmen 40:8: Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Psalmen 40:9: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van mijn ingewand. Psalmen 110:4: YHWH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. Hebreeën 5:4: En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, zoals als Aäron. Hebreeën 5:5: Zo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Hebreeën 5:6: Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 7:22: Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden. Hebreeën 7:25: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, zo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen? Hebreeën 9:15: En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
[^jeremia-30-21-50]: Kanttekening 50: 50 met zijn hart borg worde: Of: zijn hart borg stelle, verborge, verpande, verplichte, verzekere, dat is, wie zou zo stout durven zijn dat hij zich zou stellen als middelaar tussen Mij en de zondigen mens, dan de Messias, van Denwelken in het voorgaande gesproken wordt? Zo wordt het Hebreeuwse woord ook gebruikt Gen. 43:9 en 44:32, Neh. 5:3, Spr. 20:16 en 27:13, enz. Genesis 43:9: Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben! Genesis 44:32: Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben! Nehemia 5:3: Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in deze honger koren mogen opnemen. Spreuken 20:16: Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden. Spreuken 27:13: Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.
[^jeremia-30-22-n]: Verwijzing n: Jer. 24:7; Jer. 31:1; idem 31:33; Jer. 32:38. Jeremia 24:7: En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik YHWH ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun gehele hart bekeren. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 32:38: Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^jeremia-30-22-51]: Kanttekening 51: 51 volk zijn: Zie Deut. 7:6. Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^jeremia-30-22-52]: Kanttekening 52: 52 God zijn: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^jeremia-30-23-53]: Kanttekening 53: 53 een onweer van YHWH: Zie boven Jer. 23:19. Jeremia 23:19: Ziet, een onweer van YHWH, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweer, het zal blijven op het hoofd van de goddelozen.
[^jeremia-30-23-o]: Verwijzing o: Jer. 23:19; Jer. 25:32. Jeremia 23:19: Ziet, een onweer van YHWH, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweer, het zal blijven op van de goddelozen hoofd. Jeremia 25:32: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk, en een groot onweer zal er verwekt worden van de zijden van de aarde.
[^jeremia-30-23-54]: Kanttekening 54: 54 aanhoudend onweer: Of, dat zich vergadert, of een vergaderd onweer; gelijk wij ook zeggen: daar vergadert zich een groot onweer, wanneer de lucht zwart en dik wordt, in het opstaan van een groot onweer. Anders: een vreeslijk, of verschrikkelijk onweer.
[^jeremia-30-23-55]: Kanttekening 55: Of, pijnlijk, met pijn vallen, beklijven.
[^jeremia-30-24-56]: Kanttekening 56: 56 daarop letten: Of, verstand daarvan bekomen. Vergelijk boven Jer. 23:20. Jeremia 23:20: De toorn van YHWH zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u met verstand daarop letten.

### Jeremia 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/31.json)

*Verdere profetie (onder het voorbeeld van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap) over de vergadering, oprichting en zegeningen van de algemene kerk van de uitverkoren Joden en heidenen, door de Messias Jezus Christus, vers 1, enz. over het nieuwe genadeverbond, 31. Over de vastheid en uitbreiding van de kerk, 35.*

**1** Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik alle geslachten van Israël tot een[^jeremia-31-1-1] God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH: Het volk[^jeremia-31-2-2] van de overgeblevenen van het zwaard heeft[^jeremia-31-2-3] genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om[^jeremia-31-2-4] hem tot rust te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v2)

**3** [^jeremia-31-3-5] YHWH is mij verschenen van[^jeremia-31-3-6] verre tijden! Ja, Ik heb[^jeremia-31-3-7] u liefgehad met[^jeremia-31-3-8] een eeuwige liefde; daarom[^jeremia-31-3-9] heb Ik u getrokken met goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v3)

**4** Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw van Israël! u zult weer versierd zijn met uw[^jeremia-31-4-10] trommelen, en uitgaan met de rei[^jeremia-31-4-a] van[^jeremia-31-4-11] de spelenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v4)

**5** U zult weer[^jeremia-31-5-b] wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en[^jeremia-31-5-12] de vrucht genieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v5)

**6** Want er zal een[^jeremia-31-6-13] dag zijn, waarin de[^jeremia-31-6-14] hoeders op Efraïms gebergte zullen[^jeremia-31-6-15] roepen:[^jeremia-31-6-c] Maak u op, en[^jeremia-31-6-16] laat ons opgaan naar Sion, tot YHWH, onze God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v6)

**7** Want zo zegt YHWH: Roep luide over Jakob met vreugde, en[^jeremia-31-7-18] juicht[^jeremia-31-7-19] vanwege het hoofd van de heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O YHWH![^jeremia-31-7-20] behoud Uw volk, het[^jeremia-31-7-21] overblijfsel van Israël.[^jeremia-31-7-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v7)

**8** Zie, Ik zal ze aanbrengen uit het land van[^jeremia-31-8-22][^jeremia-31-8-d] het noorden, en zal hen verzamelen van de[^jeremia-31-8-23] zijden van de aarde; onder hen zullen zijn[^jeremia-31-8-24] blinden en lammen,[^jeremia-31-8-25] zwangeren en barenden samen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts terugkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v8)

**9** Zij zullen komen met[^jeremia-31-9-26] geween, en met[^jeremia-31-9-27] smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de[^jeremia-31-9-28] waterbeken, in een[^jeremia-31-9-29] rechte weg, waarin zij zich niet zullen[^jeremia-31-9-30] stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn[^jeremia-31-9-31][^jeremia-31-9-e] eerstgeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v9)

**10** Hoort het woord van YHWH, u heidenen! en verkondigt in de eilanden,[^jeremia-31-10-32] die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal[^jeremia-31-10-33] hem weer verzamelen, en hem bewaren als een[^jeremia-31-10-34] herder zijn kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v10)

**11** Want YHWH[^jeremia-31-11-35] heeft Jakob[^jeremia-31-11-36] vrijgekocht, en Hij heeft hem[^jeremia-31-11-37] verlost uit de hand van degene,[^jeremia-31-11-f] die[^jeremia-31-11-38] sterker was dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v11)

**12** Daarom zullen zij komen, en op de[^jeremia-31-12-39] hoogte van Sion juichen, en[^jeremia-31-12-40] toevloeien tot het goed van YHWH[^jeremia-31-12-41], tot het koren, en tot de nieuwe wijn, en tot de olie, en tot de[^jeremia-31-12-42] jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een[^jeremia-31-12-43][^jeremia-31-12-g] gewaterde hof, en zij zullen[^jeremia-31-12-44] voortaan niet meer treurig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v12)

**13** Dan zal zich de[^jeremia-31-13-45] jonkvrouw verblijden in de[^jeremia-31-13-46] rei, daartoe de jongemannen en ouden samen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v13)

**14** En Ik zal de ziel van[^jeremia-31-14-47] de priesters[^jeremia-31-14-48] met vettigheid dronken maken; en Mijn volk[^jeremia-31-14-49] zal met Mijn[^jeremia-31-14-50] goed verzadigd worden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v14)

**15** Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in[^jeremia-31-15-52] Rama, een klage, een[^jeremia-31-15-53] zeer bitter geween;[^jeremia-31-15-54] Rachel weent over[^jeremia-31-15-55] haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.[^jeremia-31-15-56][^jeremia-31-15-51][^jeremia-31-15-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v15)

**16** Zo zegt YHWH: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw[^jeremia-31-16-57] arbeid, spreekt YHWH; want zij zullen uit het land van de vijand terugkomen.[^jeremia-31-16-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v16)

**17** En er is verwachting[^jeremia-31-17-59] voor uw nakomelingen, spreekt YHWH; want[^jeremia-31-17-60] uw kinderen zullen terugkomen tot hun[^jeremia-31-17-61] gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v17)

**18** Ik heb[^jeremia-31-18-62] wel gehoord, dat zich Efraïm[^jeremia-31-18-63] beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben[^jeremia-31-18-64] getuchtigd geworden als een[^jeremia-31-18-65] ongewend kalf.[^jeremia-31-18-i] Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent YHWH, mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v18)

**19** Zeker,[^jeremia-31-19-k] nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben[^jeremia-31-19-66] bekend gemaakt, heb ik op de[^jeremia-31-19-67] heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook[^jeremia-31-19-68] schaamrood geworden, omdat ik de smaad[^jeremia-31-19-69] van mijn jeugd gedragen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v19)

**20** [^jeremia-31-20-70] Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een[^jeremia-31-20-71] troetelkind? Want sinds Ik[^jeremia-31-20-72] tegen hem gesproken heb, denk Ik nog[^jeremia-31-20-73] ernstig aan hem; daarom[^jeremia-31-20-74] rommelt Mijn binnenste over hem; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen[^jeremia-31-20-75], spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v20)

**21** Richt u merktekenen op, stel u[^jeremia-31-21-76] spitse pilaren, zet uw hart op de[^jeremia-31-21-77] baan, op de weg,[^jeremia-31-21-78] die u gewandeld hebt; keer weer, o jonkvrouw van Israël, keer weer tot[^jeremia-31-21-79] deze uw steden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v21)

**22** Hoe lang zult u zich onttrekken[^jeremia-31-22-80], u afkerige dochter?[^jeremia-31-22-81] Want YHWH[^jeremia-31-22-82] heeft wat nieuws op de aarde geschapen:[^jeremia-31-22-83] de vrouw zal de man[^jeremia-31-22-84] omvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v22)

**23** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: YHWH zegene u, u woning van de gerechtigheid, u berg van de heiligheid![^jeremia-31-23-85][^jeremia-31-23-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v23)

**24** En Juda, en ook al zijn[^jeremia-31-24-86] steden, zullen samen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de[^jeremia-31-24-87] kudde reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v24)

**25** Want Ik[^jeremia-31-25-88] heb de[^jeremia-31-25-89] vermoeide ziel[^jeremia-31-25-90] dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel[^jeremia-31-25-91] vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v25)

**26** [^jeremia-31-26-92](Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap[^jeremia-31-26-93] was mij zoet.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v26)

**27** Zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het huis van Israël en het huis van[^jeremia-31-27-94] Juda bezaaien zal met zaad van[^jeremia-31-27-95] mensen en zaad van beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v27)

**28** En het zal gebeuren,[^jeremia-31-28-96] zoals Ik over hen[^jeremia-31-28-97] gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te[^jeremia-31-28-98] bouwen en te planten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v28)

**29** In die dagen zullen zij niet meer zeggen:[^jeremia-31-29-99][^jeremia-31-29-m] De vaders hebben onrijpe[^jeremia-31-29-100] druiven gegeten, en de tanden[^jeremia-31-29-101] van de kinderen zijn stomp geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v29)

**30** Maar ieder zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v30)

**31** Zie,[^jeremia-31-31-n] de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een[^jeremia-31-31-102] nieuw verbond zal[^jeremia-31-31-103] maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v31)

**32** [^jeremia-31-32-104] Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hun[^jeremia-31-32-105] hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren,[^jeremia-31-32-106] welk Mijn verbond zij[^jeremia-31-32-107] vernietigd hebben, hoewel Ik[^jeremia-31-32-108] hen getrouwd had, spreekt YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v32)

**33** Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik[^jeremia-31-33-109] zal Mijn wet in hun[^jeremia-31-33-110] binnenste geven, en zal die in hun[^jeremia-31-33-111] hart schrijven; en Ik zal hun[^jeremia-31-33-o] tot een[^jeremia-31-33-112] God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v33)

**34** En zij zullen[^jeremia-31-34-113] niet meer, ieder zijn naaste, en ieder zijn broer, leren, zeggende: Ken YHWH! want[^jeremia-31-34-p] zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en van hun zonden niet meer[^jeremia-31-34-114] gedenken.[^jeremia-31-34-q] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v34)

**35** Zo zegt YHWH, Die de[^jeremia-31-35-r] zon ten lichte geeft overdag, de[^jeremia-31-35-115] ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte in de[^jeremia-31-35-s] nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van[^jeremia-31-35-116] de legermachten is Zijn Naam: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v35)

**36** Als deze[^jeremia-31-36-117] ordeningen van voor Mijn aangezicht[^jeremia-31-36-118] zullen wijken, spreekt YHWH, zo zal ook het[^jeremia-31-36-119] zaad van Israël ophouden, dat het[^jeremia-31-36-120] geen volk zij voor Mijn aangezicht,[^jeremia-31-36-121] al de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v36)

**37** Zo zegt YHWH: Als de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het hele zaad van Israël verwerpen,[^jeremia-31-37-122] om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v37)

**38** Zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze stad voor YHWH zal herbouwd worden, van de toren[^jeremia-31-38-123] Hananeel af tot aan de[^jeremia-31-38-124] Hoekpoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v38)

**39** En[^jeremia-31-39-125] het meetsnoer zal verder daarnaast[^jeremia-31-39-126] uitgaan tot aan de heuvel[^jeremia-31-39-127] Gareb, en zich naar[^jeremia-31-39-128] Goath omwenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v39)

**40** En het hele dal van[^jeremia-31-40-129] de dode lichamen en van de as, en al de velden tot aan de beek[^jeremia-31-40-130] Kidron, tot aan de hoek van de[^jeremia-31-40-131] Paardenpoort tegen het oosten, zal YHWH een[^jeremia-31-40-132] heiligheid zijn; er zal[^jeremia-31-40-133] niets weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/31.html#v40)

[^jeremia-31-1-1]: Kanttekening 1: 1 God zijn: Gelijk boven Jer. 30:22, en onder vers 33, en Jer. 32:38, enz. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 32:38: Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^jeremia-31-2-2]: Kanttekening 2: 2 van de overgeblevenen van het zwaard: Dat is, dat niet mee omgebracht was, zo van andere vijandelijke volken, als in het bijzonder toen de Levieten door Gods last een grote menigte van hun broers om de afgoderij, die zij met het gouden kalf hadden bedreven, met het zwaard doden. Zie Ex. 32:27, 32:28. Exodus 32:27: En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weer, van poort tot poort in het leger, en een ieder dode zijn broer, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste! Exodus 32:28: En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man.
[^jeremia-31-2-3]: Kanttekening 3: 3 genade gevonden: Om Mozes' voorbede, Ex. 32:30, 32:31, enz.; zo \[wil God zeggen\] zullen nu ook de overgeblevenen van het zwaard van de Babyloniërs genade vinden door de Messias, waarvan in het volgende. Exodus 32:30: En het geschiedde de volgende dag, dat Mozes tot het volk zei: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; maar nu, ik zal tot YHWH opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde. Exodus 32:31: Zo keerde Mozes weer tot YHWH, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.
[^jeremia-31-2-4]: Kanttekening 4: 4 hem tot rust te brengen: Om Israël in het land Kanaän te geleiden.
[^jeremia-31-3-5]: Kanttekening 5: 5 YHWH is mij verschenen: Woorden van de zwakgelovigen, die aldus tegenwerpen: Wel is waar dat God mij in voortijden zeer vriendelijk en weldadig geweest is, maar nu \[willen zij zeggen\] schijnt de liefde verkoud, of verminderd, veranderd te zijn. Hierop antwoordt God met de volgende woorden: Ja Ik heb, enz.
[^jeremia-31-3-6]: Kanttekening 6: 6 verre tijden: Dat is, vanouds, in lang verleden tijden. Sommigen nemen dit voor woorden van de kerke, sprekende van God, en vullen de zin aan met het woord zeggende, aldus: De Heer is mij verschenen van verre tijden \[zeggende\] et c.
[^jeremia-31-3-7]: Kanttekening 7: 7 u liefgehad: Te weten mijn kerk, Zion. Het woord staat in het vrouwelijk geslacht.
[^jeremia-31-3-8]: Kanttekening 8: 8 eeuwige liefde: Hebreeuws, liefde van de eeuwigheid (עוֹלָם). Vergelijk Joh. 13:1. Johannes 13:1: En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, zo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
[^jeremia-31-3-9]: Kanttekening 9: 9 getrokken met goedertierenheid: Of, de goedertierenheid voortaan over u uitgestrekt, of vervolgd, of daarom vervolgd, of continueer Ik de goedertierenheid aan u, en zal bij u doen, gelijk volgt. Vergelijk Ps. 36:11, en Ps. 85:8; Pred. 2:3. Psalmen 36:11: Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart. Psalmen 85:8: Toon ons Uw goedertierenheid, o YHWH, en geef ons Uw heil. Prediker 2:3: Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in de wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat voor de kinderen van de mensen het best ware, dat zij doen zouden onder de hemel, gedurende het getal van de dagen huns levens.
[^jeremia-31-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, vreugde bedrijven, zulks te die tijde zo gebruikelijk was. Zie Ps. 68:26, waardoor hier de geestelijke vreugde van de kerk van God bij de tijd van het Evangelie wordt afgebeeld; zo in het volgende. Psalmen 68:26: De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
[^jeremia-31-4-a]: Verwijzing a: Jer. 30:19. Jeremia 30:19: En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem van de spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.
[^jeremia-31-4-11]: Kanttekening 11: Zie boven Jer. 30:19. Jeremia 30:19: En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem van de spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.
[^jeremia-31-5-b]: Verwijzing b: Jes. 65:21. Jesaja 65:21: En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.
[^jeremia-31-5-12]: Kanttekening 12: 12 de vrucht genieten: Hebreeuws, ontheiligen; dat is, de vruchten vrij gebruiken en eten; zie Deut. 20:6. Deuteronomium 20:6: En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en daarvan vrucht niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete.
[^jeremia-31-6-13]: Kanttekening 13: 13 een dag zijn: Dat is, een tijd van de genade en vreugde.
[^jeremia-31-6-14]: Kanttekening 14: 14 de hoeders: De herders van Gods kerk, predikers van het Evangelie. Hebreeuws, nozerim, met welk woord sommigen menen dat God gezien heeft op de naam van de Nazarenen, die men aan de Christenen gaf; Hand. 24:5. Zie ook Num. 6:2. Handelingen 24:5: Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de gehele wereld, en een oppersten voorstander van de sekte van de Nazarenen. Numeri 6:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich voor YHWH af te zonderen;
[^jeremia-31-6-15]: Kanttekening 15: 15 zullen roepen: Hebreeuws, hebben geroepen, of roepen (קָרְאוּ); dat is, alsdan zullen roepen.
[^jeremia-31-6-c]: Verwijzing c: Jes. 2:2; idem v. 3; Micha 4:2. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van YHWH woord uit Jeruzalem. Micha 4:2: En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van YHWH woord uit Jeruzalem.
[^jeremia-31-6-16]: Kanttekening 16: 16 laat ons opgaan naar Sion: Vergelijk Jes. 2:2, 2:3; Micha 4:2, met de aantekening. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:2: En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^jeremia-31-7-18]: Kanttekening 18: Het Hebreeuwse woord wordt eigenlijk gebruikt van het hunkeren, wensen en briesen van de paarden, maar ook van mensen, hier en Esth. 8:15; Jes. 10:30, en Jes. 24:14, betekenende een klare, heldere, vrolijke stem van zich te geven. Esther 8:15: En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk. Jesaja 10:30: Roep luide met uw stem, u dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth! Jesaja 24:14: Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid van YHWH zullen zij juichen van de zee af.
[^jeremia-31-7-19]: Kanttekening 19: 19 hoofd van de heidenen: Omdat de Joden onder het hoofd van de heidenen, dat is de Babyloniërs, gevangen zijnde, evenwel zekerlijk zouden verlost en van het hoofd van de heidenen niet ondergehouden kunnen worden. Anders: onder het hoofd, of onder de voornaamste heidenen, te weten in Babel en overal, waar de Joden onder de koning van Babel die het hoofd van de heidenen was gevangen waren, gelijk wij allen geestelijk onder de satan, de prins van de wereld en vorst van de duisternis. Anders: in het voorste, vooraan (dat is, op de kruiswegen, de ingangen en uitgangen van de wegen, of straten, gelijk Spreuk. 1:20, 1:21); onder de heidenen; dat is, openlijk, in het openbaar, voor degenen, aan wie het heil van de Heer zal worden geopenbaard. Spreuken 1:20: De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten. Spreuken 1:21: Zij roept in het voorste van de woelingen; aan de deuren van de poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
[^jeremia-31-7-20]: Kanttekening 20: Of, verlost, maakt zalig.
[^jeremia-31-7-21]: Kanttekening 21: 21 het overblijfsel van Israël: Vergelijk Rom. 9:27. Romeinen 9:27: En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
[^jeremia-31-7-17]: Kanttekening 17: 17 Roept luide: Of, zingt triomf, juicht.
[^jeremia-31-8-22]: Kanttekening 22: 22 land van het noorden: Dat is, Babel. Zie boven Jer. 1:14, waar Juda gevangen was; afbeeldende de geestelijke gevangenis. Jeremia 1:14: En YHWH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land.
[^jeremia-31-8-d]: Verwijzing d: Jer. 3:18. Jeremia 3:18: In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
[^jeremia-31-8-23]: Kanttekening 23: 23 de zijden van de aarde: Dat is, de andere landen, waar de tien stammen gevangen waren, als Assyrië, Medië, enz.
[^jeremia-31-8-24]: Kanttekening 24: 24 blinden en lammen: Vergelijk Jes. 35:5, 35:6. Jesaja 35:5: Alsdan zullen van de blinden ogen opengedaan worden, en van de doven oren zullen geopend worden. Jesaja 35:6: Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong van de stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.
[^jeremia-31-8-25]: Kanttekening 25: 25 zwangeren en barenden te zamen: Dat is, zelfs van de allerzwaksten zullen er optrekken van Babel lichamelijk, en versta dit verder geestelijk, beladen met zonden en zeer zwak. Zie Matt. 11:28. Mattheüs 11:28: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^jeremia-31-9-26]: Kanttekening 26: Over hun zonden. Zie Matt. 3:6; Hand. 2:37, enz. Mattheüs 3:6: En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden. Handelingen 2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers?
[^jeremia-31-9-27]: Kanttekening 27: Of, biddingen om genade; te weten tot mij, om vergeving.
[^jeremia-31-9-28]: Kanttekening 28: Zie Matt. 5:6; Joh. 4:14, enz. en Joh. 7:37, enz., idem Ps. 23:2. Mattheüs 5:6: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Johannes 4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Johannes 7:37: En op de laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Psalmen 23:2: Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
[^jeremia-31-9-29]: Kanttekening 29: 29 rechte weg: De zaligmakende leer van het Evangelie.
[^jeremia-31-9-30]: Kanttekening 30: Vergelijk Joh. 8:12, en Joh. 12:35. Johannes 8:12: Jezus dan sprak opnieuw tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. Johannes 12:35: Jezus dan zei tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij u; wandelt, terwijl u het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
[^jeremia-31-9-31]: Kanttekening 31: Zie Ex. 4:22. Exodus 4:22: Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
[^jeremia-31-9-e]: Verwijzing e: Ex. 4:22. Exodus 4:22: Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.
[^jeremia-31-10-32]: Kanttekening 32: 32 verre zijn: Hebreeuws, van verre; vergelijk Spreuk. 7:19. Spreuken 7:19: Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
[^jeremia-31-10-33]: Kanttekening 33: Israël.
[^jeremia-31-10-34]: Kanttekening 34: Zie Joh. 10:11. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
[^jeremia-31-11-35]: Kanttekening 35: Dat is, Christus zal zijn volk zo zekerlijk verlossen alsof het alreeds geschied ware.
[^jeremia-31-11-36]: Kanttekening 36: Of, gerantsoeneerd.
[^jeremia-31-11-37]: Kanttekening 37: Of, gelost, gered.
[^jeremia-31-11-f]: Verwijzing f: Jes. 40:10; Jes. 49:24; idem 49:25. Jesaja 40:10: Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jesaja 49:24: Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? Jesaja 49:25: Maar zo zegt YHWH: Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.
[^jeremia-31-11-38]: Kanttekening 38: 38 sterker was dan hij: Te weten hun vijanden, voornamelijk van de duivel. Vergelijk Jes. 40:10; Matt. 12:29; Joh. 12:31; Kol. 2:15; Hebr. 2:14; 1 Joh. 3:8. Jesaja 40:10: Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Mattheüs 12:29: Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven. Johannes 12:31: Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. Kolossensen 2:15: En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; 1 Johannes 3:8: Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou. Johannes 3:8: De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid; maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is.
[^jeremia-31-12-39]: Kanttekening 39: 39 op de hoogte van Sion: Te weten in de tempel; dat is, in de Christelijke kerk.
[^jeremia-31-12-40]: Kanttekening 40: Bij menigten, als waterstromen. Vergelijk Ps. 34:6; Jes. 2:2; Micha 4:1. Psalmen 34:6: He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Micha 4:1: Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
[^jeremia-31-12-41]: Kanttekening 41: Of, goedheid, zo onder vers 14; dat is, de weldaden en gaven van de Heer Christus, die hier \[gelijk elders dikwijls\] door lichamelijke goederen en gaven worden afgebeeld. Jeremia 31:14: En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt YHWH.
[^jeremia-31-12-42]: Kanttekening 42: 42 jonge schapen en runderen: Hebreeuws, kinderen van de schapen, of geiten, of van klein vee (בְּנֵי).
[^jeremia-31-12-43]: Kanttekening 43: 43 gewaterde hof: Vervuld met geestelijke gaven en vertroostingen van de Heilige Geest.
[^jeremia-31-12-g]: Verwijzing g: Jes. 61:11. Jesaja 61:11: Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, wat in hem gezaaid is, doet uitspruiten; zo zal de Heer YHWH gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken.
[^jeremia-31-12-44]: Kanttekening 44: 44 niet meer treurig zijn: Hebreeuws, zullen niet toedoen, of voortvaren meer, of voortgaan treurig te zijn; te weten uit mistroostigheid over hun zonden.
[^jeremia-31-13-45]: Kanttekening 45: Dat is, jonkvrouwen zullen, enz.
[^jeremia-31-13-46]: Kanttekening 46: Zie boven vers 4. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden.
[^jeremia-31-14-47]: Kanttekening 47: Van de kerkedienaars. Vergelijk Jes. 66:21. Jesaja 66:21: En ook zal Ik uit dezelfde enige tot priesters en tot Levieten nemen, zegt YHWH.
[^jeremia-31-14-48]: Kanttekening 48: Dat is, geestelijke gaven; gelijk de priesters in het Oude Testament het schoon vet vlees van groot en klein geofferd vee plachten te ontvangen. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 36:9, en de aantekening. Psalmen 36:9: Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten.
[^jeremia-31-14-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, zullen, enz.
[^jeremia-31-14-50]: Kanttekening 50: Gelijk boven vers 12. Jeremia 31:12: Daarom zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot het goed van YHWH, tot het koren, en tot de most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
[^jeremia-31-15-52]: Kanttekening 52: Dat is, in de omstreken tussen Rama en Bethlehem, waar Rachel in barenspijn gestorven en begraven was; Gen. 35:16, 35:19, 35:20; 1 Sam. 10:2. Van Rama, zie Joz. 18:21, 18:25; 1 Sam. 1:1, 1:19, en 1 Sam. 17:17, en 1 Sam. 8:4, enz., en 1 Sam. 25:1, enz. Genesis 35:16: En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Genesis 35:19: Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Genesis 35:20: En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op deze dag. 1 Samuël 10:2: Als u heden van mij gaat, zo zult u twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die u bent gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken van de ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor u, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen? Jozua 18:21: De steden nu van de stam van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-Hogla, en Emek-Keziz, Jozua 18:25: Gibeon, en Rama, en Beëroth, 1 Samuël 1:1: Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet. 1 Samuël 1:19: En zij stonden 's morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht van YHWH, en zij keerden weer, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en YHWH gedacht aan haar. 1 Samuël 17:17: En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broers een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers. 1 Samuël 8:4: Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama; 1 Samuël 25:1: En Samuël stierf; en geheel Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.
[^jeremia-31-15-53]: Kanttekening 53: 53 zeer bitter geween: Hebreeuws, geween van de bitterheden.
[^jeremia-31-15-54]: Kanttekening 54: Die overlang dood en begraven was, wordt hier figuurlijk ingevoerd als wenende, dat zij gedaan zou hebben als zij ten tijde van de Babylonische verwoesting en van Herodes' kindermoord geleefd had. Sommigen verstaan door Rachel de moeders daaromtrent wonende, afkomstig van Rachel. Men kan ook verder Rachel nemen als afbeeldende de kerk.
[^jeremia-31-15-55]: Kanttekening 55: 55 haar kinderen: De kinderen van Jozef en Benjamin haar zonen en nakomelingen, eerst vermoord, of weggevoerd naar Babel, daarna ten tijde van de geboorte van Christus van Herodes tirannelijk omgebracht te Bethlehem en in de omliggende streken.
[^jeremia-31-15-56]: Kanttekening 56: 56 omdat zij niet zijn: Hebreeuws, omdat hij niet is, dat is, geen van hen behouden is.
[^jeremia-31-15-51]: Kanttekening 51: 51 Er is een stem gehoord: Zie de voornaamste vervulling van deze profetie Matt. 2:16, 2:17, 2:18. God wil zeggen, dat de grote geestelijke vreugde over de Messias niet wezen zal zonder kruis, maar dat Hij zulks in vreugde weer zal veranderen, als volgt. Mattheüs 2:16: Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enige afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al zijn gebied waren, van twee jaren oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. Mattheüs 2:17: Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: Mattheüs 2:18: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!
[^jeremia-31-15-h]: Verwijzing h: Matt. 2:17; idem v. 18. Mattheüs 2:17: Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: Mattheüs 2:18: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!
[^jeremia-31-16-57]: Kanttekening 57: Uw lijden en bekommernis om kinderen.
[^jeremia-31-16-58]: Kanttekening 58: U zult kinderen genoeg weer bekomen, die lichamelijk uit Babel en geestelijk uit het rijk van de duisternis zullen geroepen en u toegebracht worden.
[^jeremia-31-17-59]: Kanttekening 59: 59 voor uw nakomelingen: Of, in uw einde; dat is, u hebt nog ten laatste veel goeds te verwachten. Hebreeuws, achterste, laatste, uiterste; zie Ps. 37:37, en Ps. 109:13, en boven Jer. 29:11; Amos 4:2. Psalmen 37:37: Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn. Psalmen 109:13: Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. Jeremia 29:11: Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt YHWH, gedachten van de vrede, en niet van het kwaad, dat Ik u geve het einde en de verwachting. Amos 4:2: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen.
[^jeremia-31-17-60]: Kanttekening 60: Vergelijk Jes. 29:23, enz. Jesaja 29:23: Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige Jakobs heiligen, en de God van Israël vrezen.
[^jeremia-31-17-61]: Kanttekening 61: Kanaän en de Christelijke kerk.
[^jeremia-31-18-62]: Kanttekening 62: 62 wel gehoord: Hebreeuws, horende gehoord.
[^jeremia-31-18-63]: Kanttekening 63: Anders, troost.
[^jeremia-31-18-64]: Kanttekening 64: 64 getuchtigd geworden: Dat is, onderwezen, of geleerd van mijn schuldigen plicht.
[^jeremia-31-18-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, ongeleerd; zie boven Jer. 2:24. Versta, niet gewend tot het juk, maar dartel en weelderig. Jeremia 2:24: Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
[^jeremia-31-18-i]: Verwijzing i: Klaagl. 5:21. Klaagliederen 5:21: YHWH, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
[^jeremia-31-19-k]: Verwijzing k: Deut. 30:2. Deuteronomium 30:2: En u zult u bekeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, u en uw kinderen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel.
[^jeremia-31-19-66]: Kanttekening 66: 66 bekend gemaakt: Verlicht zijnde door de Heilige Geest, tot kennis van mijzelf en Gods genade.
[^jeremia-31-19-67]: Kanttekening 67: 67 heup geklopt: Dat is, getreurd of luid weeklagen bedreven, gelijk degenen doen, die hartzeer en grote weedom gevoelen; zo Ez. 21:12. Ezechiël 21:12: Schreeuw en huil, o mensenkind, want hetzelfde zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
[^jeremia-31-19-68]: Kanttekening 68: 68 schaamrood geworden: Of, te schande geworden.
[^jeremia-31-19-69]: Kanttekening 69: 69 mijn jeugd: Die ik mij met mijn grove en menigvuldige zonden, in voortijden, als door jeugdelijke domheid, en bijzonderlijk in de woestijn, idem in mijn bloeienden staat, op de hals heb gehaald. Van Israëls jeugd zie boven Jer. 2:2; Hos. 2:2, en Hos. 11:1, enz. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst; Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
[^jeremia-31-20-70]: Kanttekening 70: 70 Is niet: Hij is het zekerlijk, wil God zeggen; hoewel Ik hem kastijd, want enz.
[^jeremia-31-20-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws, een kind van de vermakingen, of vermakelijkheden, pleisieren (יֶלֶד). Vergelijk Jes. 66:12. Jesaja 66:12: Want zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal de vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid van de heidenen als een overlopende beek; dan zult u zuigen; u zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden.
[^jeremia-31-20-72]: Kanttekening 72: 72 tegen hem: Anders: van hem.
[^jeremia-31-20-73]: Kanttekening 73: 73 denk Ik nog ernstig: Hebreeuws, gedenkende zal Ik zijn gedenken.
[^jeremia-31-20-74]: Kanttekening 74: 74 rommelt Mijn ingewand: Dat is, Ik ben innerlijk over hem bewogen. Zie Jes. 63:15. Jesaja 63:15: Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en van Uw barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.
[^jeremia-31-20-75]: Kanttekening 75: 75 zekerlijk ontfermen: Hebreeuws, ontfermende ontfermen.
[^jeremia-31-21-76]: Kanttekening 76: 76 spitse pilaren: Het Hebreeuwse woord Tamrurim, dat boven (van een anderen oorsprong genomen) vers 15, bitterheden betekende, schijnt hier genomen te zijn van Thamar, dat is een palmboom (waarbij de afgodische beelden vergeleken worden Jer. 10:5), die zijn spits in de hoogte opsteekt, en zo verder te betekenen spits, omhoog opgerichte pilaren, piramiden, hoge steenhopen (gelijk sommigen) of palmtekenen, om de wegen te kennen. God wil zeggen dat zij de weg wel zullen onthouden, die zij gegaan zijn naar Babel, omdat zij vandaar zekerlijk zullen terugkeren tot hun land. Jeremia 31:15: Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Jeremia 10:5: Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.
[^jeremia-31-21-77]: Kanttekening 77: Of, opgehoogden, gebaanden weg, of straat.
[^jeremia-31-21-78]: Kanttekening 78: 78 o jonkvrouw Israëls: Vergelijk boven 14:17, zo Amos 5:2. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is. Amos 5:2: De jonkvrouw Israëls is gevallen, zij zal niet weer opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.
[^jeremia-31-21-79]: Kanttekening 79: 79 deze uw steden: Uit welke u gevankelijk bent weggevoerd.
[^jeremia-31-22-80]: Kanttekening 80: Of, uitdraaien, omdraaien, omgaan, omwenden; dat u u niet recht tot mij bekeert, maar loopt overal, heen en weer, van mij af. Vergelijk Hoogl. 5:6, en Hoogl. 7:1, waar het Hebreeuwse woord ook gevonden wordt. Hooglied 5:6: Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet. Hooglied 7:1: Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, u prinsendochter! de omdraaiingen uw heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
[^jeremia-31-22-81]: Kanttekening 81: Of, omdat, idem, zekerlijk.
[^jeremia-31-22-82]: Kanttekening 82: 82 heeft wat nieuws op de aarde geschapen: Dat is, zal het zekerlijk doen; Hij zal een ongelooflijk en wonderlijk ding werken. Vergelijk Num. 16:30; idem Jes. 43:19. Numeri 16:30: Maar als YHWH wat nieuws zal scheppen, en de aarde haar mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hun is, en zij levend naar het dodenrijk zullen nedervaren; alsdan zult u bekennen, dat deze mannen YHWH getergd hebben. Jesaja 43:19: Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.
[^jeremia-31-22-83]: Kanttekening 83: 83 de vrouw: Of, ene vrouw zal een man, enz.
[^jeremia-31-22-84]: Kanttekening 84: Of, omsingelen, omringen; dat is, (gelijk sommigen verstaan) de kerk van God, die als een zwak vrouwspersoon is, zal haar vijanden, vergeleken bij een sterken man (waarop het Hebreeuwse woord ziet) door de kracht van haar Heer Jezus Christus en het geloof overwinnen; Joh. 16:33; 1 Joh. 5:4. Maar de oude leraars verstaan dit van de moeder van de Heer, Maria (die ook ene vrouw genoemd wordt, Gal. 4:4) die de rechten sterken held en leeuw uit Juda, de Messias, door de verborgen werking van de Heilige Geest, zonder mans toedoen, in haar lichaam heeft ontvangen, omvangen, of omgeven, en gedragen, dat wel met recht ene schepping van een nieuw groot wonder mag genoemd worden, en op het voorgaande en volgende mee niet kwalijk past. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen vijandelijk omsingelen en belegeren, maar ook anders omvangen, omringen, omgeven; zie 1 Kon. 7:15, 7:24; Ps. 7:8, en Ps. 32:10, enz. Men kan het ook verstaan van de kerk, uit Joden en heidenen bekeerd zijnde, dat zij haar bruidegom Christus met grote liefde zal omhelzen. Johannes 16:33: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. 1 Johannes 5:4: Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Johannes 5:4: Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. Galaten 4:4: Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; 1 Koningen 7:15: Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de anderen pilaar. 1 Koningen 7:24: En onder haar rand waren knoppen, dezelfde rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gieting gegoten. Psalmen 7:8: Zo zal de vergadering van de volken U omsingelen; keer dan boven haar weer in de hoogte. Psalmen 32:10: De goddeloze heeft veel smarten, maar die op YHWH vertrouwt, die zal de goedertierenheid omringen.
[^jeremia-31-23-85]: Kanttekening 85: 85 woning van de gerechtigheid: Gelijk onder Jer. 50:7. Versta, de kerk van Jezus Christus. Jeremia 50:7: Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen YHWH, de Verwachting hun vaderen.
[^jeremia-31-23-l]: Verwijzing l: Jer. 50:7. Jeremia 50:7: Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen YHWH, de Verwachting hun vaderen.
[^jeremia-31-24-86]: Kanttekening 86: Dat is, allen, die tot de steden van Juda behoren, zullen in haar steden weer wonen.
[^jeremia-31-24-87]: Kanttekening 87: 87 met de kudde reizen: Dat een teken is van rust en vrede in het land.
[^jeremia-31-25-88]: Kanttekening 88: Dat is, Ik zal het doen, gelijk boven vers 22. Jeremia 31:22: Hoe lang zult u u onttrekken, u afkerige dochter? Want YHWH heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal de man omvangen.
[^jeremia-31-25-89]: Kanttekening 89: 89 vermoeide ziel: Dat is, dorstige (gelijk de dorst door arbeid en vermoeidheid veroorzaakt wordt. Zie Ps. 63:2), te weten naar genade, vergeving van zonden en gerechtigheid. Vergelijk Matt. 5:6 en Matt. 11:28, 11:29. Psalmen 63:2: O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. Mattheüs 5:6: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Mattheüs 11:28: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Mattheüs 11:29: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen.
[^jeremia-31-25-90]: Kanttekening 90: 90 dronken gemaakt: Met geestelijke vertroosting en vreugde; vergelijk boven vers 14. Jeremia 31:14: En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt YHWH.
[^jeremia-31-25-91]: Kanttekening 91: Met geestelijk voedsel en drank verzadigd.
[^jeremia-31-26-92]: Kanttekening 92: Of, hierom. Dit zijn woorden van Jeremia, die hij hier invoegt om zijn geestelijke vreugde te betuigen over deze heerlijke profetie van de Messias, die God hem in de slaap openbaarde.
[^jeremia-31-26-93]: Kanttekening 93: Of, werd.
[^jeremia-31-27-94]: Kanttekening 94: 94 bezaaien zal: Wel enigszins na de gevangenschap van Babel, lichamelijk, maar in het bijzonder mijn kerk met Joden, die bij mensen, en heidenen, die bij beesten schijnen verstaan te worden; gelijk Matt. 15:25, 15:27, allen wedergeboren door het onvergankelijk zaad van het Evangelie, 1 Petr. 1:23. Vergelijk Ez. 36:9, 36:10, 36:37, 36:38; Hos. 2:22, met de aantekening. Mattheüs 15:25: En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heer, help mij! Mattheüs 15:27: En zij zei: Ja, Heer! maar de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Ezechiël 36:9: Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en u zult gebouwd en bezaaid worden. Ezechiël 36:10: En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het gehele huis van Israël, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden. Ezechiël 36:37: Zo zegt de Heer YHWH: Daarenboven zal Ik hierom van het huis van Israël verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen. Ezechiël 36:38: Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun vastgestelde hoogtijden, zo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!
[^jeremia-31-27-95]: Kanttekening 95: 95 mensen en zaad van beesten: Hebreeuws, mens en beest.
[^jeremia-31-28-96]: Kanttekening 96: 96 gelijk als Ik: Gelijk Ik waarlijk mijn dreigementen door straffen heb volvoerd, zo zal Ik ook daarentegen doen in het volbrengen van mijn genadebeloften.
[^jeremia-31-28-97]: Kanttekening 97: 97 gewaakt heb: Of, wakker ben geweest. Vergelijk boven Jer. 1:12, en onder Jer. 32:42. Jeremia 1:12: En YHWH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen. Jeremia 32:42: Want zo zegt YHWH: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, zo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke.
[^jeremia-31-28-98]: Kanttekening 98: 98 bouwen en te planten: Gelijk boven Jer. 24:6. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
[^jeremia-31-29-99]: Kanttekening 99: 99 De vaders hebben: Dat is, onze voorouders hebben in de woestijn en daarna gezondigd, en wij moeten daarom lijden. Dit was het spreekwoord van de spottende huichelaars en onboetvaardige murmurerende Joden, die God van onrecht beschuldigden in zijn dreigementen en straffen en zichzelven rechtvaardigden. Zie Ez. 18:2, 18:3, enz. met de aantekening. Ezechiël 18:2: Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden? Ezechiël 18:3: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo het u meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken!
[^jeremia-31-29-m]: Verwijzing m: Ez. 18:2. Ezechiël 18:2: Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden?
[^jeremia-31-29-100]: Kanttekening 100: En dienvolgens zure, anders genoemd wrange.
[^jeremia-31-29-101]: Kanttekening 101: 101 stomp geworden: Of, worden stomp, eggig. Hebreeuws eigenlijk, zullen, of zouden stomp worden.
[^jeremia-31-31-n]: Verwijzing n: Hebr. 8:8. Hebreeën 8:8: Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;
[^jeremia-31-31-102]: Kanttekening 102: 102 nieuw verbond: Zie Hebr. 8:6, 8:13. Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 8:13: Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.
[^jeremia-31-31-103]: Kanttekening 103: Zie Gen. 15:17, 15:18. Genesis 15:17: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18: Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^jeremia-31-32-104]: Kanttekening 104: 104 Niet naar het verbond: Sommigen verstaan dit van het verbond van de wet of van de werken, geschreven in stenen tafelen, omdat de volgende tegenstelling, en uit vergelijking met 2 Kor. 3:3, 3:6, 3:7, enz. Anderen verstaan het oude verbond van de genade, zoals dat in het Oude Testament vóór de komst van Christus in het vlees is bediend geweest, onder verscheidene schaduwen, met veel mindere klaarheid en sobere gaven van de Heilige Geest, enz. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 3:7: En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden.
[^jeremia-31-32-105]: Kanttekening 105: 105 hun hand aangreep: Om hen door mijn kracht, en zeer vriendelijk, als hand aan hand samengaande, te geleiden.
[^jeremia-31-32-106]: Kanttekening 106: 106 welk Mijn verbond: Of, omdat zij Mijn verbond vernietigd, of gebroken hebben.
[^jeremia-31-32-107]: Kanttekening 107: 107 vernietigd hebben: Zie boven Jer. 11:7, 11:8. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 11:8: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een ieder naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van dit verbond, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.
[^jeremia-31-32-108]: Kanttekening 108: 108 getrouwd had: Of, hunlieder man, of Heer over hen was, mij als hun man, of Heer, gedragen had, hebbende over hen het mannelijk recht, en hen weldoende als een man zijn vrouw. Vergelijk boven Jer. 3:14, en Hos. 2:6, 2:7. Anders: zou Ik hun man, of Heer gebleven zijn? alsof de Heer zei: In geen geval, maar Ik heb hen veracht, gelijk sommigen verstaan dat de apostel dit verklaard heeft; Hebr. 8:9. Jeremia 3:14: Bekeert u, u afkerige kinderen! spreekt YHWH, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. Hosea 2:6: En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelfde niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en keren weer tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu. Hosea 2:7: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hebreeën 8:9: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heer.
[^jeremia-31-33-109]: Kanttekening 109: 109 zal … geven: Hebreeuws, Ik heb gegeven; dat is, Ik zal het zekerlijk doen; gelijk het volgende verklaart.
[^jeremia-31-33-110]: Kanttekening 110: Dat is, hart, gelijk in het volgende verklaard wordt. Vergelijk onder Jer. 32:40, met de aantekening. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.
[^jeremia-31-33-111]: Kanttekening 111: 111 hart schrijven: Vergelijk onder Jer. 32:39, 32:40; Ez. 36:25, 36:26, 36:27, en 2 Kor. 3:3. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:27: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart.
[^jeremia-31-33-o]: Verwijzing o: Jer. 24:7; Jer. 30:22; boven, v. 1. Jeremia 24:7: En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik YHWH ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun gehele hart bekeren. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-31-33-112]: Kanttekening 112: 112 God zijn: Gelijk boven vers 1. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-31-34-113]: Kanttekening 113: 113 niet meer: Hiermede wil God de heiligen kerkedienst en schuldigen plicht van onderling onderwijs en vermaning in geen geval uit het Nieuwe Testament wegnemen, waarvan Hij zelf de oorsprong en insteller is, maar te kennen geven dat de klaarheid van het heilige Evangelie en de werking van de Heilige Geest zodanig zal zijn, dat er geen grote moeite of dwang zal nodig zijn om de gelovigen tot hun plicht aan te drijven, omdat zij van de Heilige Geest geleerd, daartoe gedreven en vuriglijk genegen zullen zijn. Vergelijk deze manier van spreken met Joh. 16:26, 16:27, en 1 Joh. 2:27, en zie Jes. 11:9; Joh. 6:45; 1 Kor. 1:5, 1:7, en 1 Kor. 2:10, enz.; 1 Joh. 2:20. Johannes 16:26: In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; Johannes 16:27: Want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg van Mijn heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. 1 Korinthiërs 1:5: Dat u in alles rijk bent geworden in Hem, in alle rede en alle kennis; 1 Korinthiërs 1:7: Zo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heer Jezus Christus. 1 Korinthiërs 2:10: Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 1 Johannes 2:20: Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen.
[^jeremia-31-34-p]: Verwijzing p: Jes. 54:13; Joh. 6:45. Jesaja 54:13: En al uw kinderen zullen van YHWH geleerd zijn, en de vrede uw kinderen zal groot zijn. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
[^jeremia-31-34-114]: Kanttekening 114: Zie Ps. 79:8; Ez. 18:22; Micha 7:18, met de aantekening. Psalmen 79:8: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. Ezechiël 18:22: Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. Micha 7:18: Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
[^jeremia-31-34-q]: Verwijzing q: Jer. 33:8; Micha 7:18; Hand. 10:43. Jeremia 33:8: En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met die zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met die zij tegen Mij gezondigd en met die zij tegen Mij overtreden hebben. Micha 7:18: Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Handelingen 10:43: Deze geven getuigenis al de profeten, dat een iedereen, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam.
[^jeremia-31-35-r]: Verwijzing r: Gen. 1:16. Genesis 1:16: God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren.
[^jeremia-31-35-115]: Kanttekening 115: Of, vastgestelde perken; dat is, haar verordineerden loop.
[^jeremia-31-35-s]: Verwijzing s: Jes. 51:15. Jesaja 51:15: Want Ik ben YHWH, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^jeremia-31-35-116]: Kanttekening 116: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-31-36-117]: Kanttekening 117: In vers 35 vermeld. Jeremia 31:35: Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam:
[^jeremia-31-36-118]: Kanttekening 118: Dat is, ophouden van haar richting, voor mij.
[^jeremia-31-36-119]: Kanttekening 119: 119 zaad van Israël: Dat is, de kerk.
[^jeremia-31-36-120]: Kanttekening 120: 120 geen volk zij: Dat is, gelijk de voorschreven zaken zullen blijven en bestaan, zo zal er altijd op aarde ene kerk zijn, die mijn volk is. Vergelijk Ps. 72:5, 72:17, en Ps. 89:37, 89:38, en Ps. 102:29. Psalmen 72:5: Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. Psalmen 72:17: Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. Psalmen 89:37: Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38: Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela. Psalmen 102:29: De kinderen van Uw knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.
[^jeremia-31-36-121]: Kanttekening 121: 121 al de dagen: Vergelijk Matt. 28:20. Mattheüs 28:20: En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^jeremia-31-37-122]: Kanttekening 122: 122 om alles: Dat is, om hun zonden wil, omdat die om des Messias' wil vergeven en vergeten zullen zijn, boven vers 34. De Heer wil zeggen dat Hij hen in geen geval daarom zal verwerpen. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.
[^jeremia-31-38-123]: Kanttekening 123: Zie Neh. 3:1, en vergelijk Zach. 2:1, 2:2, 2:3, 2:4, en Zach. 14:10, enz. Nehemia 3:1: En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broers, de priesters, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan de toren Mea, tot aan de toren Hananeël. Zacharia 2:1: Opnieuw hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer. Zacharia 2:2: En ik zei: Waar gaat u heen? En hij zei tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal. Zacharia 2:3: En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet. Zacharia 2:4: En hij zei tot hem: Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten, die in het midden derzelve wezen zal. Zacharia 14:10: Dit gehele land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van de toren van Hananeel, tot aan de wijnbakken van de koning toe.
[^jeremia-31-38-124]: Kanttekening 124: Zie 2 Kon. 14:13. 2 Koningen 14:13: En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
[^jeremia-31-39-125]: Kanttekening 125: 125 het meetsnoer: Anders: haar meetsnoer; te weten van de stad.
[^jeremia-31-39-126]: Kanttekening 126: Hoekpoort.
[^jeremia-31-39-127]: Kanttekening 127: Dat is, van de grindigen, of schurften, zo \[naar sommiger gevoelen\] genoemd, omdat daar de grindige en andere onreine mensen moesten wonen, buiten de stad bij de gerechtplaats; zodat de stad veel wijder en groter zou gebouwd worden dan tevoren.
[^jeremia-31-39-128]: Kanttekening 128: Dit houden sommigen voor een hoge berg in het uiterste deel van de stad van David, tegen het westen en het zuiden.
[^jeremia-31-40-129]: Kanttekening 129: 129 dal van de dode lichamen: Hierdoor kan men verstaan het dal Hinnoms, waar de kinderen tot as verbrand werden (zie boven Jer. 7:31); of ene plaats voor de dode lichamen van de misdadigers; idem, de velden buiten de Mistpoort. De zin is dat de kerk van God zal zijn ter plaatse, waar tevoren allerlei heidense gruwelen en onreinigheden gepleegd zijn. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-31-40-130]: Kanttekening 130: Zie 2 Sam. 15:23. 2 Samuël 15:23: En het gehele land weende met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn.
[^jeremia-31-40-131]: Kanttekening 131: Zie Neh. 3:28. Nehemia 3:28: Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesters, een ieder tegenover zijn huis.
[^jeremia-31-40-132]: Kanttekening 132: 132 een heiligheid zijn: Dat is, zeer heilig.
[^jeremia-31-40-133]: Kanttekening 133: 133 niets weer uitgerukt: Hieruit blijkt dat deze profetie niet gaat op het herbouwde aardse Jeruzalem (dat van de Romeinen is verwoest) maar op het geestelijke, te weten Gods kerk. Vergelijk Ez. 48:35. Ezechiël 48:35: Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: DE YHWH IS ALDAAR.

### Jeremia 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/32.json)

*Jeremia, tijdens de belegering van Jeruzalem om zijn profetieën door de koning Zedekia gevangengezet zijnde, koopt op Gods bevel een akker, neemt getuigen, maakt er een brief en zegel van, en geeft die te bewaren als een teken dat de Joden uit Babel weer in hun land zouden komen, vers 1, 2, enz. Jeremia bidt ootmoedig tot God, met verwondering over Zijn Majesteit en werken, en draagt Hem zijn strijd over deze ongeziene zaak voor, 16. waarop God hem verzekert dat Hij wel eerst Zijn volk zal straffen, over hun grote zonden, maar daarna Zijn belofte zal volbrengen, en voorts Zijn kerk de genade van het nieuwe verbond tijdelijk en eeuwig, lichamelijk en geestelijk zal doen genieten, 26.*

**1** Het[^jeremia-32-1-1] woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v1)

**2** (Het leger nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het[^jeremia-32-2-2] voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v2)

**3** Want Zedekia, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert u, zeggende: Zo zegt YHWH: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze innemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v3)

**4** En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand van[^jeremia-32-4-3] de Chaldeeën niet ontkomen; maar[^jeremia-32-4-a] hij zal[^jeremia-32-4-4] zeker gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en[^jeremia-32-4-5] zijn mond zal tot diens mond spreken, en zijn ogen zullen diens ogen zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v4)

**5** En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij[^jeremia-32-5-6] zijn, totdat Ik hem[^jeremia-32-5-7] bezoek, spreekt YHWH; hoewel u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v5)

**6** Jeremia dan zei: Het woord van YHWH is tot mij gebeurd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v6)

**7** Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn[^jeremia-32-7-8] veld, dat bij[^jeremia-32-7-9] Anathoth is, want u hebt het recht van[^jeremia-32-7-10] losprijs, om te kopen.[^jeremia-32-7-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v7)

**8** Zo kwam Hanameel, de zoon van mijn oom, naar het woord van YHWH, tot mij, in het voorhof van de bewaring, en zei tot mij: Koop toch mijn veld, dat is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want u hebt het erfrecht, en u hebt de losprijs, koop het voor u. Toen merkte ik, dat dit het woord van YHWH was.[^jeremia-32-8-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v8)

**9** Daarom kocht ik van Hanameel, de zoon van mijn oom, het veld, dat bij Anathoth is; en ik[^jeremia-32-9-13] woog hem het geld toe, zeventien zilveren[^jeremia-32-9-14] sikkels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v9)

**10** En ik[^jeremia-32-10-15] onderschreef de[^jeremia-32-10-16] brief en verzegelde die, en deed het[^jeremia-32-10-17] getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v10)

**11** En ik nam de koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de voorschriften, en de[^jeremia-32-11-18] open brief; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v11)

**12** En ik gaf de koopbrief aan[^jeremia-32-12-19] Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, de zoon van mijn oom[^jeremia-32-12-20], en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden[^jeremia-32-12-21] onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de[^jeremia-32-12-22] bewaring zaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v12)

**13** En ik beval Baruch voor hun[^jeremia-32-13-23] ogen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v13)

**14** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief, zo de verzegelden als deze[^jeremia-32-14-24] open brief, en doe ze in een aarden pot, opdat zij vele dagen[^jeremia-32-14-25] mogen bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v14)

**15** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Er zullen[^jeremia-32-15-27] nog huizen, en velden, en wijngaarden in dit land gekocht worden.[^jeremia-32-15-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v15)

**16** Verder, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v16)

**17** Ach, Adonai YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw[^jeremia-32-17-28] uitgestrekte arm; geen ding is U[^jeremia-32-17-29] te wonderlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v17)

**18** [^jeremia-32-18-b] U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt in de[^jeremia-32-18-30] schoot van hun[^jeremia-32-18-31] kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens[^jeremia-32-18-32] Naam is YHWH van de legermachten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v18)

**19** Groot van[^jeremia-32-19-c] raad en machtig van daad; want Uw[^jeremia-32-19-33][^jeremia-32-19-d] ogen zijn open over alle[^jeremia-32-19-34] wegen van de mensenkinderen, om ieder te[^jeremia-32-19-e] geven naar zijn wegen, en naar de[^jeremia-32-19-35] vrucht van zijn handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v19)

**20** U, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland,[^jeremia-32-20-36] tot op deze dag, zo in Israël, als onder[^jeremia-32-20-37] andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is op deze dag! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v20)

**21** En hebt Uw volk Israël[^jeremia-32-21-f] uit Egypteland uitgevoerd, door tekenen en door wonderen, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v21)

**22** En hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaders gezworen had hun te zullen geven, een land[^jeremia-32-22-38] vloeiende van melk en honing; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v22)

**23** Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben Uw stem niet gehoorzaamd, en in Uw wet niet gewandeld; zij hebben[^jeremia-32-23-39] niets gedaan van alles, wat U hun geboden had te doen; daarom hebt U hun al dit[^jeremia-32-23-40] kwaad doen bejegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v23)

**24** Zie, de[^jeremia-32-24-41] wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is[^jeremia-32-24-42] gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pest; en wat U gesproken hebt, is gebeurd, en zie, U ziet het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v24)

**25** Evenwel hebt U tot mij gezegd, Adonai YHWH! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen[^jeremia-32-25-43] betuigen; daar de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v25)

**26** Toen kwam het woord van YHWH tot Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v26)

**27** Zie, Ik ben YHWH, de[^jeremia-32-27-g] God van[^jeremia-32-27-44] alle vlees; zou Mij enig[^jeremia-32-27-45] ding te wonderlijk zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v27)

**28** Daarom zegt YHWH zo: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën, en in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze innemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v28)

**29** En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen[^jeremia-32-29-h] ze verbranden, met de huizen, op wier daken zij aan Baäl gerookt, en aan andere goden drankoffers[^jeremia-32-29-46] geofferd hebben, om Mij te[^jeremia-32-29-47] vertoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v29)

**30** Want de Israëlieten en de kinderen van Juda hebben van hun[^jeremia-32-30-48] jeugd aan[^jeremia-32-30-49] alleen gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen; want de Israëlieten hebben Mij door het werk van hun handen alleen vertoornd, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v30)

**31** Want[^jeremia-32-31-50] tot Mijn toorn en tot Mijn woede is Mij deze stad geweest, van de dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op deze dag toe; opdat Ik haar van Mijn aangezicht wegdeed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v31)

**32** Om al de boosheid van de Israëlieten en van de kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters, en hun profeten, en de[^jeremia-32-32-51] mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v32)

**33** Die Mij de[^jeremia-32-33-52][^jeremia-32-33-i] nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde,[^jeremia-32-33-53][^jeremia-32-33-k] vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om[^jeremia-32-33-54] tucht aan te nemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v33)

**34** Maar zij hebben hun[^jeremia-32-34-55] gruwelijke dingen gesteld in[^jeremia-32-34-56] het[^jeremia-32-34-57] huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v34)

**35** [^jeremia-32-35-58] En zij hebben de[^jeremia-32-35-l] hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de[^jeremia-32-35-59] Molech door het vuur te laten gaan; dat Ik hun niet heb geboden, noch[^jeremia-32-35-60] in Mijn hart is opgekomen, dat zij deze gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v35)

**36** En nu, daarom zegt YHWH, de God van Israël, zo van deze stad, waar u van zegt: Zij is[^jeremia-32-36-61] gegeven in de hand van de koning van Babel, door het zwaard, en door de honger, en door de pest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v36)

**37** Zie, Ik zal[^jeremia-32-37-62][^jeremia-32-37-m] hen verzamelen uit al de landen, waarheen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn woede, en in grote toorn; en Ik zal hen tot deze plaats teruggeven, en zal[^jeremia-32-37-63] hen zeker doen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v37)

**38** [^jeremia-32-38-n] Ja, zij zullen Mij tot een[^jeremia-32-38-64] volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v38)

**39** En Ik zal hun[^jeremia-32-39-65] dezelfde hart en dezelfde[^jeremia-32-39-66] weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten[^jeremia-32-39-67] goede, en ook hun kinderen na hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v39)

**40** En Ik zal een eeuwig verbond met hen[^jeremia-32-40-68] maken, dat Ik[^jeremia-32-40-69] van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v40)

**41** En Ik zal[^jeremia-32-41-70] Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal[^jeremia-32-41-71] hen trouw in dat land[^jeremia-32-41-o] planten, met Mijn hele hart en met Mijn hele ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v41)

**42** Want zo zegt YHWH: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote[^jeremia-32-42-72] kwaad, zo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen[^jeremia-32-42-73] spreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v42)

**43** En er zullen[^jeremia-32-43-74] velden gekocht worden in dit land, waarvan u[^jeremia-32-43-75] zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.[^jeremia-32-43-76] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v43)

**44** Velden[^jeremia-32-44-77] zal men voor geld kopen, en de brieven[^jeremia-32-44-78] onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land[^jeremia-32-44-79] van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/32.html#v44)

[^jeremia-32-1-1]: Kanttekening 1: Dat in vers 7 verhaald wordt. Jeremia 32:7: Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want u hebt het recht van lossing, om te kopen.
[^jeremia-32-2-2]: Kanttekening 2: 2 voorhof van de bewaring: Zo onder vers 8, 32:12 en Jer. 33:1, en Jer. 37:21. Vergelijk Neh. 12:39. Dit was een milder, ruimer en vrijer gevangenis dan het gevangenhuis. Zie onder Jer. 37:15, 37:18, 37:20, 37:21. Jeremia 32:8: Zo kwam Hanameel, mijn ooms zoon, naar het woord van YHWH, tot mij, in het voorhof van de bewaring, en zei tot mij: Koop toch mijn veld, dat is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want u hebt het erfrecht, en u hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat dit het woord van YHWH was. Jeremia 32:12: En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijn ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten. Jeremia 33:1: Verder geschiedde het woord van YHWH ten tweede male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof van de bewaring was opgesloten, zeggende: Jeremia 37:21: Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof van de bewaring, en men gaf hem van de dag een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring. Nehemia 12:39: En van boven de poort van Efraïm, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en de toren Hananeël, en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. Jeremia 37:15: En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt. Jeremia 37:18: Verder zei Jeremia tot de koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat u mij in het gevangenhuis gesteld hebt? Jeremia 37:20: Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weer in het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve. Jeremia 37:21: Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof van de bewaring, en men gaf hem van de dag een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring.
[^jeremia-32-4-3]: Kanttekening 3: 3 Chaldeeën niet ontkomen: Babyloniërs.
[^jeremia-32-4-a]: Verwijzing a: Jer. 34:3. Jeremia 34:3: En u zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en u zult te Babel komen.
[^jeremia-32-4-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, gegeven wordende gegeven worden.
[^jeremia-32-4-5]: Kanttekening 5: 5 zijn mond: Dat is, zij zullen mond voor mond \[gelijk men zegt\] of mondeling met elkaar spreken; vergelijk onder Jer. 34:3, 34:4, en zie de vervulling Jer. 39:5, enz. en Jer. 52:9. Jeremia 34:3: En u zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en u zult te Babel komen. Jeremia 34:4: Maar hoor het woord van YHWH, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt YHWH van u: U zult door het zwaard niet sterven. Jeremia 39:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit. Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.
[^jeremia-32-5-6]: Kanttekening 6: 6 zijn, totdat Ik hem: Dat is, blijven, gelijk boven Jer. 27:22. Jeremia 27:22: Naar Babel zullen zij gebracht worden, en daar zullen zij zijn, tot de dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt YHWH; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze wederbrengen tot deze plaats.
[^jeremia-32-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, de genade, bewijze dat hij door het zwaard niet omkome, maar in vrede sterve en eerlijk begraven worde; zie onder Jer. 34:4, 34:5, en Gen. 21:1. Jeremia 34:4: Maar hoor het woord van YHWH, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt YHWH van u: U zult door het zwaard niet sterven. Jeremia 34:5: U zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-32-7-8]: Kanttekening 8: Van de velden van de Levieten, zie Num. 35:2. Numeri 35:2: Gebied de kinderen van Israël, dat zij van de erfenis van hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult u aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelfde.
[^jeremia-32-7-9]: Kanttekening 9: 9 Anathoth is: Zie boven Jer. 1:1. Jeremia 1:1: De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
[^jeremia-32-7-10]: Kanttekening 10: Zie Ruth 2:20. Ruth 2:20: Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij YHWH, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.
[^jeremia-32-7-11]: Kanttekening 11: 11 om te kopen: Versta hierbij Gods bevel aan Jeremia, van die akker alsdan van hem te kopen, gelijk het volgende uitwijst.
[^jeremia-32-8-12]: Kanttekening 12: 12 woord was: Dat is, dat dit naar het woord van de Heer geschiedde.
[^jeremia-32-9-13]: Kanttekening 13: 13 woog hem het geld toe: Zie Gen. 23:16. Genesis 23:16: En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar.
[^jeremia-32-9-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws, zeven sikkelen en tien van zilver (כֶּסֶף). Van de zilveren sikkel, zie Gen. 20:16. Genesis 20:16: En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^jeremia-32-10-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws eigenlijk, schreef in de brief, dat is, onderschreef; ondertekende gelijk te zien is vers 12. Jeremia 32:12: En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijn ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten.
[^jeremia-32-10-16]: Kanttekening 16: Te weten koopbrief, gelijk volgt.
[^jeremia-32-10-17]: Kanttekening 17: Te weten door onderschrijving of ondertekening, gelijk vers 12; zo onder vers 25, 32:44; waarvoor wij zeggen, getuigen daartoe te nemen. Jeremia 32:12: En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijn ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten. Jeremia 32:25: Evenwel hebt U tot mij gezegd, Heer YHWH! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is. Jeremia 32:44: Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt YHWH.
[^jeremia-32-11-18]: Kanttekening 18: 18 open brief: Gelijk vers 14; waardoor sommigen verstaan een copie of afschrift, uitschrift van de koopbrief; anderen, een patent van bevestiging of openbaar bescheid van de overheid, dienende tot bevestiging van deze koop, in al zijn omstandigheden. Anderen verstaan het van een brief, die diende om de koop een ieder bekend te maken. Jeremia 32:14: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief, zo de verzegelde als deze open brief, en doe ze in een aarden vat, opdat zij vele dagen mogen bestaan.
[^jeremia-32-12-19]: Kanttekening 19: De schrijver en dienaar van de profeet Jeremia; zie onder Jer. 33:4, 33:5, enz. Jeremia 33:4: Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken: Jeremia 33:5: Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeeën, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hunlieder boosheid.
[^jeremia-32-12-20]: Kanttekening 20: Dit is hier bijgevoegd uit vers 7, 32:8, 32:9. Anders: van mijn neef; omdat het Hebreeuwse woord dod ook breder somtijds, en voor een beminden en zeer lieven vriend genomen wordt, gelijk te zien is in Salomo's Hooglied. Jeremia 32:7: Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want u hebt het recht van lossing, om te kopen. Jeremia 32:8: Zo kwam Hanameel, mijn ooms zoon, naar het woord van YHWH, tot mij, in het voorhof van de bewaring, en zei tot mij: Koop toch mijn veld, dat is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want u hebt het erfrecht, en u hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat dit het woord van YHWH was. Jeremia 32:9: Daarom kocht ik van Hanameel, mijn ooms zoon, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen.
[^jeremia-32-12-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, in de koopbrief hadden geschreven, gelijk boven vers 10. Jeremia 32:10: En ik onderschreef de brief en verzegelde die, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had.
[^jeremia-32-12-22]: Kanttekening 22: Of, woonden.
[^jeremia-32-13-23]: Kanttekening 23: Dat is, in hun aanwezigheid, gelijk boven dikwijls.
[^jeremia-32-14-24]: Kanttekening 24: 24 open brief: Zie vers 11. Jeremia 32:11: En ik nam de koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en de open brief;
[^jeremia-32-14-25]: Kanttekening 25: 25 mogen bestaan: Dat is, opdat zij een langen tijd mogen duren.
[^jeremia-32-15-27]: Kanttekening 27: 27 nog huizen: Of, opnieuw.
[^jeremia-32-15-26]: Kanttekening 26: 26 Er zullen: Hieruit blijkt wat God met deze vreemde handel, ten tijde van de belegering van Jeruzalem, voorhad, te weten zijn volk te verzekeren dat de gevangenschap van Babel een einde zou nemen en zij nog weer in hun land komen en dat bezitten, enz.; zie onder vers 43, 32:44. Jeremia 32:43: En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven. Jeremia 32:44: Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt YHWH.
[^jeremia-32-17-28]: Kanttekening 28: 28 uitgestrekte arm: Gelijk Ex. 6:5, enz. Exodus 6:5: Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
[^jeremia-32-17-29]: Kanttekening 29: 29 te wonderlijk: Te weten om te dienen; zo onder vers 27. Hebreeuws eigenlijk, wonderlijker dan U; dat is, zo wonderbaar dat U het niet zoudt kunnen doen als U het belooft; geen ding is U onmogelijk. Vergelijk Gen. 18:14, met de aantekening; Matt. 19:26, en Luk. 1:37. Dit ziet op de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, die bij de mens onmogelijk scheen. Vergelijk Ez. 37:3, 37:11, 37:12, enz. Jeremia 32:27: Zie, Ik ben YHWH, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn? Genesis 18:14: Zou iets voor YHWH te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben! Mattheüs 19:26: En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Lukas 1:37: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Ezechiël 37:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zei: Heer YHWH, U weet het! Ezechiël 37:11: Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het gehele huis van Israël; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Ezechiël 37:12: Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël.
[^jeremia-32-18-b]: Verwijzing b: Ex. 34:7. Exodus 34:7: Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid.
[^jeremia-32-18-30]: Kanttekening 30: 30 schoot van hun: Zie Ps. 79:12. Psalmen 79:12: En geef onze naburen zevenvoudig weer in hun schoot hun smaad, waarmee zij U, o Heer! gesmaad hebben.
[^jeremia-32-18-31]: Kanttekening 31: 31 kinderen na hen: Die de zonden van de vaderen deelachtig zijn en hun voetstappen navolgen. Zie Ex. 20:5, 20:6. Exodus 20:5: U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Exodus 20:6: En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
[^jeremia-32-18-32]: Kanttekening 32: 32 Naam is YHWH van de legermachten: Gelijk boven Jer. 31:35. Zie 1 Kon. 18:15. Jeremia 31:35: Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam: 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-32-19-c]: Verwijzing c: Jes. 28:29. Jesaja 28:29: Zulks komt ook voort van YHWH van de legermachten; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
[^jeremia-32-19-33]: Kanttekening 33: 33 ogen zijn open: Dit betekent somtijds Gods bijzondere voorzorg, gelijk 1 Kon. 8:29, en Ps. 32:8; somtijds Gods voorzienigheid en toezicht op alles wat er omgaat, gelijk hier. Vergelijk Spreuk. 5:21, en Spreuk. 15:3; idem 2 Kon. 16:9. 1 Koningen 8:29: Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Psalmen 32:8: Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. Spreuken 5:21: Want de wegen van een ieder zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Spreuken 15:3: De ogen van YHWH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. 2 Koningen 16:9: Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^jeremia-32-19-d]: Verwijzing d: Job 34:21; Spreuk. 5:21; Jer. 16:17. Job 34:21: Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Spreuken 5:21: Want van een ieder wegen zijn voor de ogen van YHWH, en Hij weegt al zijn gangen. Jeremia 16:17: Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen.
[^jeremia-32-19-34]: Kanttekening 34: 34 wegen van de mensenkinderen: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-32-19-e]: Verwijzing e: Jer. 17:10. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen.
[^jeremia-32-19-35]: Kanttekening 35: 35 vrucht van zijn handelingen: Zie boven Jer. 17:10. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen.
[^jeremia-32-20-36]: Kanttekening 36: 36 tot op deze dag: Waarvan de gedachtenis duurt tot op deze dag.
[^jeremia-32-20-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, mens; dat is, mensen, gelijk dikwijls.
[^jeremia-32-21-f]: Verwijzing f: Ex. 6:6; 2 Sam. 7:23; 1 Kron. 17:21. Exodus 6:6: En Ik zal u tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult bekennen, dat Ik YHWH uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten van de Egyptenaren. 2 Samuël 7:23: En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, dat God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor u deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat U U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende. 1 Kronieken 17:21: En wie is als Uw volk Israël, een enig volk op de aarde, dat God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat U U een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht Uws volks, dat U uit Egypte verlost hebt?
[^jeremia-32-22-38]: Kanttekening 38: 38 vloeiende van melk en honig: Zie Ex. 3:8. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^jeremia-32-23-39]: Kanttekening 39: 39 niets gedaan: Hebreeuws, al wat U, enz. hebben zij niet gedaan; dat is, niets van wat U hun geboden hadt. Zie 1 Kon. 11:34. 1 Koningen 11:34: Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen van zijn leven, om Mijn knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
[^jeremia-32-23-40]: Kanttekening 40: 40 kwaad doen bejegenen: Van de straf.
[^jeremia-32-24-41]: Kanttekening 41: Opgeworpen hoogten, schansen, bolwerken, forten, buiten de stad; zie 2 Sam. 20:15. Sommigen verstaan andere krijgsinstrumenten, opgericht en dienende om muren en grote sterke gebouwen te verbreken en onder de voet te werpen, of uit en van dezelfde met allerlei geweer de vijand te beschadigen. Vergelijk onder Jer. 33:4. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen. Jeremia 33:4: Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
[^jeremia-32-24-42]: Kanttekening 42: 42 gegeven in de hand van de Chaldeeën: Of, wordt gegeven; zo vers 25, 32:36, 32:43; dat is, zij is zo goed \[gelijk men zegt\] als gegeven, zij zal toch zekerlijk gegeven worden; de zaken zijn er zo binnen gesteld, dat men tastelijk merken kan dat uw woord in alles waarachtig is, en verder vervuld zal worden. Jeremia 32:25: Evenwel hebt U tot mij gezegd, Heer YHWH! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is. Jeremia 32:36: En nu, daarom zegt YHWH, de God van Israël, zo van deze stad, waar u van zegt: Zij is gegeven in de hand van de koning van Babel, door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie; Jeremia 32:43: En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.
[^jeremia-32-25-43]: Kanttekening 43: 43 daar de stad: Alsof hij zei: Dit is voor het menselijk vernuft een vreemde en wonderlijke zaak.
[^jeremia-32-27-g]: Verwijzing g: Num. 16:22. Numeri 16:22: Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^jeremia-32-27-44]: Kanttekening 44: Zie Gen. 6:12; Num. 16:22. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Numeri 16:22: Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^jeremia-32-27-45]: Kanttekening 45: 45 te wonderlijk zijn: Zie boven vers 17. Jeremia 32:17: Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk.
[^jeremia-32-29-h]: Verwijzing h: Jer. 21:10. Jeremia 21:10: Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.
[^jeremia-32-29-46]: Kanttekening 46: 46 geofferd hebben: Gelijk boven Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-32-29-47]: Kanttekening 47: Of, te tergen; zo in het volgende.
[^jeremia-32-30-48]: Kanttekening 48: 48 jeugd aan: Zie boven Jer. 2:2. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^jeremia-32-30-49]: Kanttekening 49: 49 alleen gedaan: Dat is, anders niets gedaan dan enz.
[^jeremia-32-31-50]: Kanttekening 50: 50 tot Mijn toorn: Dat is, zij heeft niets anders gedaan dan dat diende om mijn toorn en grimmigheid te verwekken, daarover zijn zij \[gelijk men zegt\] altijd uit geweest, daarop hebben zij toegelegd. Anders: in mijn toorn; dat is, Ik ben op hen vertoornd geweest, enz.
[^jeremia-32-32-51]: Kanttekening 51: 51 mannen van Juda: Hebreeuws, man (אִישׁ); gelijk boven Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^jeremia-32-33-52]: Kanttekening 52: 52 nek hebben toegekeerd: Zie boven Jer. 2:27. Jeremia 2:27: Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.
[^jeremia-32-33-i]: Verwijzing i: Jer. 2:27; Jer. 7:24. Jeremia 2:27: Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. Jeremia 7:24: Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts.
[^jeremia-32-33-53]: Kanttekening 53: 53 vroeg op zijnde: Zie boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-32-33-k]: Verwijzing k: Jer. 7:13; idem 7:25; Jer. 25:3; Jer. 26:5; Jer. 29:19. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:25: Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 25:3: Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord. Jeremia 26:5: Horende naar de woorden Mijn knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende; maar u niet gehoord hebt; Jeremia 29:19: Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt YHWH, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar u hebt niet gehoord, spreekt YHWH.
[^jeremia-32-33-54]: Kanttekening 54: 54 tucht aan te nemen: Zie Spreuk. 1:2, enz. Spreuken 1:2: Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand;
[^jeremia-32-34-55]: Kanttekening 55: 55 verfoeiselen gesteld: Zie boven Jer. 4:1. Jeremia 4:1: Zo u u bekeren zult, Israël! spreekt YHWH, bekeer u tot Mij; en zo u uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om.
[^jeremia-32-34-56]: Kanttekening 56: De tempel.
[^jeremia-32-34-57]: Kanttekening 57: 57 dat naar Mijn Naam genoemd is: Gelijk boven Jer. 7:31. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-32-35-58]: Kanttekening 58: 58 En zij hebben: Zie boven Jer. 7:10, met de aantekening. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-32-35-l]: Verwijzing l: Jer. 19:5. Jeremia 19:5: Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen?
[^jeremia-32-35-59]: Kanttekening 59: Dat is, ten dienste en ter ere van deze afgod. Zie Lev. 18:21. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^jeremia-32-35-60]: Kanttekening 60: 60 in Mijn hart is opgekomen: Zie boven Jer. 7:31. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-32-36-61]: Kanttekening 61: 61 gegeven in de hand van de koning van Babel: Gelijk boven vers 24. Jeremia 32:24: Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pestilentie; en wat U gesproken hebt, is geschied, en zie, U ziet het.
[^jeremia-32-37-62]: Kanttekening 62: 62 vergaderen uit al de landen: Te weten mijn volk.
[^jeremia-32-37-m]: Verwijzing m: Jer. 23:3; Jer. 29:14; Jer. 31:10. Jeremia 23:3: En Ik zal het overblijfsel Mijn schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. Jeremia 29:14: En Ik zal van u gevonden worden, spreekt YHWH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt YHWH; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren. Jeremia 31:10: Hoort van YHWH woord, u heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
[^jeremia-32-37-63]: Kanttekening 63: 63 zeker doen wonen: Hebreeuws, in zekerheid, of in vertrouwen; dat is gerust, zeker en veilig, gelijk elders dikwijls.
[^jeremia-32-38-n]: Verwijzing n: Jer. 24:7; Jer. 30:22; Jer. 31:1; idem 31:33. Jeremia 24:7: En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik YHWH ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun gehele hart bekeren. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-32-38-64]: Kanttekening 64: 64 volk zijn: Gelijk boven Jer. 30:22, en Jer. 31:1, 31:33. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-32-39-65]: Kanttekening 65: 65 enerlei hart: Ik zal door mijn Geest zo in de harten van mijn uitverkorenen werken, dat zij door één geloof en één godsdienst in liefde aan elkaar zullen verbonden en verenigd zijn.
[^jeremia-32-39-66]: Kanttekening 66: 66 weg geven: Dat is, enerlei godsdienst of religie, enerlei manier of wijze van geloof en leven, zie Jes. 30:21, en Jes. 35:8; boven Jer. 6:16; Matt. 22:16; Hand. 9:2, en Hand. 18:25, 18:26, enz. Jesaja 30:21: En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in dezelfde; als u zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand. Jesaja 35:8: En daar zal een verheven baan, en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Jeremia 6:16: Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. Mattheüs 22:16: En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; Handelingen 9:2: En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. Handelingen 18:25: Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes. Handelingen 18:26: En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit.
[^jeremia-32-39-67]: Kanttekening 67: Dat is, tot hun best, heil en zaligheid.
[^jeremia-32-40-68]: Kanttekening 68: Gelijk boven Jer. 31:31, enz. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
[^jeremia-32-40-69]: Kanttekening 69: 69 van achter hen: Dat is, dat Ik hen nimmermeer zal verlaten, maar zal geduriglijk bij hen wonen en hen volgen met mijn weldadigheid; zie boven Jer. 31:33, en vergelijk verder Rom. 8:30; 1 Petr. 1:5, 1:9; 1 Joh. 2:19, 2:20, 2:27, en 1 Joh. 3:9, en 1 Joh. 5:18. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 1 Petrus 1:9: Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid van de zielen. 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. 1 Johannes 2:20: Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven. 1 Johannes 3:9: Een ieder, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 1 Johannes 5:18: Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
[^jeremia-32-41-70]: Kanttekening 70: 70 Mij over hen verblijden: Vergelijk Deut. 30:9. Deuteronomium 30:9: En YHWH, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk van uw hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede; want YHWH zal terugkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft;
[^jeremia-32-41-71]: Kanttekening 71: 71 getrouwelijk in dat land planten: Hebreeuws, in, of met getrouwheid, of waarheid (אֱמֶת).
[^jeremia-32-41-o]: Verwijzing o: Jer. 24:6; Amos 9:15. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Amos 9:15: En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt YHWH, uw God.
[^jeremia-32-42-72]: Kanttekening 72: Te weten van de straf; dat is, ellende, ongeluk, tegenspoed.
[^jeremia-32-42-73]: Kanttekening 73: Dat is, hun beloof, of beloofd heb.
[^jeremia-32-43-74]: Kanttekening 74: 74 velden gekocht worden: Hebreeuws, een veld zal, enz.; dat is, velden, gelijk in vers 44. Jeremia 32:44: Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt YHWH.
[^jeremia-32-43-75]: Kanttekening 75: Dat is, alsdan zult u zeggen, als het zal verwoest zijn; zo onder Jer. 33:10. Jeremia 33:10: Zo zegt YHWH: In deze plaats (waarvan u zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal opnieuw gehoord worden,
[^jeremia-32-43-76]: Kanttekening 76: Gelijk boven vers 24. Jeremia 32:24: Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pestilentie; en wat U gesproken hebt, is geschied, en zie, U ziet het.
[^jeremia-32-44-77]: Kanttekening 77: 77 zal men voor geld kopen: Hebreeuws, zullen zij, enz. gelijk dikwijls.
[^jeremia-32-44-78]: Kanttekening 78: Zie boven vers 10, 32:12. Jeremia 32:10: En ik onderschreef de brief en verzegelde die, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had. Jeremia 32:12: En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijn ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten.
[^jeremia-32-44-79]: Kanttekening 79: Vergelijk boven Jer. 17:26. Jeremia 17:26: En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, in het huis van YHWH.

### Jeremia 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/33.json)

*God profeteert verder over de inneming van Jeruzalem, de wegvoering van het volk en de terugbrenging uit Babel, alsmede een zalige, vrolijke en geruste toestand, vers 1, enz. over de zending van Christus, Zijn eeuwige en vaste Koninkrijk, Priesterschap en begenadigd zaad, 14.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH voor de tweede keer tot Jeremia, als hij[^jeremia-33-1-1] nog in het voorhof van de bewaring was opgesloten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH, Die het[^jeremia-33-2-2] doet, YHWH, Die dat vormt, opdat Hij het bevestige, YHWH is Zijn Naam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v2)

**3** [^jeremia-33-3-3] Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en[^jeremia-33-3-4] vaste dingen, die u niet weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v3)

**4** Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze[^jeremia-33-4-5] stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de[^jeremia-33-4-6] wallen en door het zwaard zijn afgebroken: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v4)

**5** [^jeremia-33-5-7] Er zijn er[^jeremia-33-5-8] wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeeën, maar het is om[^jeremia-33-5-9] die te[^jeremia-33-5-10] vullen met dode lichamen van mensen, die[^jeremia-33-5-11] Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn woede; en[^jeremia-33-5-12] omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al[^jeremia-33-5-13] hun boosheid.[^jeremia-33-5-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v5)

**6** Zie, Ik zal[^jeremia-33-6-15] haar de[^jeremia-33-6-16] gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal[^jeremia-33-6-17] hen genezen, en zal hun[^jeremia-33-6-18] openbaren overvloed van[^jeremia-33-6-19] vrede en waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v6)

**7** En Ik zal de[^jeremia-33-7-a] gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal[^jeremia-33-7-20][^jeremia-33-7-b] ze bouwen als[^jeremia-33-7-21] in het eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v7)

**8** En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal[^jeremia-33-8-c] vergeven al hun ongerechtigheden, waarmee zij tegen Mij gezondigd en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v8)

**9** En[^jeremia-33-9-22] het zal Mij zijn tot een[^jeremia-33-9-23] vrolijke[^jeremia-33-9-24] naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik[^jeremia-33-9-25] hun[^jeremia-33-9-26] beschikke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v9)

**10** Zo zegt YHWH: In deze plaats (waarvan u[^jeremia-33-10-27] zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal opnieuw gehoord worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v10)

**11** [^jeremia-33-11-d] De stem van de vrolijkheid en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van degenen, die zeggen: Loof YHWH van de legermachten,[^jeremia-33-11-28] want YHWH is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem van degenen, die[^jeremia-33-11-29] lof aanbrengen in het huis van YHWH; want Ik zal[^jeremia-33-11-30] de gevangenis van het land wenden,[^jeremia-33-11-31] als in het eerste, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v11)

**12** Zo zegt YHWH van de legermachten: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, en ook in al de steden daarvan, zullen opnieuw woningen zijn van herders, die de kudden doen[^jeremia-33-12-33] legeren.[^jeremia-33-12-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v12)

**13** In de steden van het gebergte, in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden opnieuw onder de handen van[^jeremia-33-13-34] de teller doorgaan, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v13)

**14** Zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het[^jeremia-33-14-35][^jeremia-33-14-e] goede woord[^jeremia-33-14-36] verwekken zal, dat Ik[^jeremia-33-14-37] tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v14)

**15** In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid[^jeremia-33-15-38][^jeremia-33-15-f] doen uitspruiten; en Hij zal[^jeremia-33-15-39] recht en gerechtigheid doen op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v15)

**16** [^jeremia-33-16-40] In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal:[^jeremia-33-16-41] YHWH, onze GERECHTIGHEID. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v16)

**17** Want zo zegt YHWH: Aan David zal niet worden[^jeremia-33-17-42] afgesneden een Man, Die op de troon van het huis van Israël zitte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v17)

**18** Ook zal aan de Levietische priesters, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en voedseloffer aansteke, en slachtoffer bereide[^jeremia-33-18-43] al de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v18)

**19** En het woord van YHWH kwam tot Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v19)

**20** Zo zegt YHWH: Als u Mijn[^jeremia-33-20-44] verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kunt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v20)

**21** Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en[^jeremia-33-21-45] met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v21)

**22** Gelijk het leger van de hemel niet geteld, en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en[^jeremia-33-22-46] de Levieten, die Mij dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v22)

**23** Verder kwam het woord van YHWH tot Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v23)

**24** Hebt u niet[^jeremia-33-24-47] gezien, wat[^jeremia-33-24-48] dit volk[^jeremia-33-24-49] spreekt, zeggende: De[^jeremia-33-24-50] twee geslachten, die YHWH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk[^jeremia-33-24-51] meer is voor hun aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v24)

**25** Zo zegt YHWH: Als Mijn[^jeremia-33-25-52] verbond niet is van dag en nacht; als Ik de[^jeremia-33-25-53] ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v25)

**26** Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar[^jeremia-33-26-54] heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij over hen[^jeremia-33-26-g] ontfermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/33.html#v26)

[^jeremia-33-1-1]: Kanttekening 1: 1 nog in het voorhof: Zie boven Jer. 32:2, 32:3. Jeremia 32:2: (De legermacht nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is. Jeremia 32:3: Want Zedekia, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert u, zeggende: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze innemen;
[^jeremia-33-2-2]: Kanttekening 2: Te weten wat Hij door mij openbaart en belooft aangaande de herstelling van Jeruzalem en zijn kerk; zie Ex. 3:14, 3:15. Anders: haar \[namelijk van Jeruzalem en zijn kerk, waarvan in het voorgaande en volgende gesproken wordt\] maker die haar formeert, of haar formeerder, enz., de zin opeen uitkomende. Exodus 3:14: En God zei tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Zo zult u tot de kinderen van Israël zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot u gezonden! Exodus 3:15: Toen zei God verder tot Mozes: Aldus zult u tot de kinderen van Israël zeggen: YHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
[^jeremia-33-3-3]: Kanttekening 3: 3 Roep tot Mij: Dat is, bid vuriglijk, u mijn volk, of, u Jeremia, die u hier gevangen zit; zie Job 36:13. Job 36:13: En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
[^jeremia-33-3-4]: Kanttekening 4: 4 vaste dingen: Die vast bij mij besloten is, ja in mijn raad als opgesloten zijn, en daarom vast en zeker gaan. Vergelijk Deut. 32:34. Deuteronomium 32:34: Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
[^jeremia-33-4-5]: Kanttekening 5: Niettegenstaande \[wil de Heer zeggen\] dat de staat van deze stad en haar inwoners zo ellendig zal zijn, dat zij buiten alle menselijke mogelijkheid van herstelling zal wezen, nochtans zal Ik haar herstellen gelijk volgt vers 6. Jeremia 33:6: Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.
[^jeremia-33-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, die haast en zekerlijk zullen afgebroken worden, als de Chaldeën van hun opgeworpen wallen of bolwerken door krijgsmiddelen en gewapenderhand \[vergelijk Ez. 26:9\], de stad zullen hebben ingenomen. Vergelijk boven Jer. 32:24. Anders: tot de wallen en tot het zwaard; dat is, de huizen die afgebroken zijn, om bolwerken daarvan tegen de vijand te maken en tegenweer daaruit te doen. Ezechiël 26:9: En hij zal muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn zwaarden afbreken. Jeremia 32:24: Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pestilentie; en wat U gesproken hebt, is geschied, en zie, U ziet het.
[^jeremia-33-5-7]: Kanttekening 7: 7 Er zijn er: Te weten, zegt YHWH, uit vers 4. Jeremia 33:4: Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
[^jeremia-33-5-8]: Kanttekening 8: In de stad Jeruzalem, om die tegen de belegeraars te beschermen, gelijk men tegen tijd van belegering de hoofdsteden met kloeke krijgslieden pleegt te vervullen.
[^jeremia-33-5-9]: Kanttekening 9: Chaldeën, die niets zoeken dan te doden en te moorden. Anderen verstaan de huizen; dat is, \[zo zij verklaren\] huisgezinnen, waarvan in vers 4. Jeremia 33:4: Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
[^jeremia-33-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, te verzadigen, dat zij hun moed koelen door het ombrengen van de Joden. Aangaande zulk een gebruik van het woord vervullen, vergelijk Ex. 15:9; Job 16:10, met de aantekening. Exodus 15:9: De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien. Job 16:10: Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.
[^jeremia-33-5-11]: Kanttekening 11: 11 Ik verslagen heb: Door het zwaard van de Chaldeën verslaan zal, in plaats dat zij de Chaldeën \[om zo te spreken\] tegen mijn dank menen te verslaan.
[^jeremia-33-5-12]: Kanttekening 12: 12 omdat Ik Mijn: Anders: om van welke \[te weten huisgezinnen\] alle boosheid Ik mijn aangezicht van deze stad verborgen heb.
[^jeremia-33-5-13]: Kanttekening 13: Zie Deut. 31:17. Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^jeremia-33-5-14]: Kanttekening 14: 14 hunlieder boosheid: Van de inwoners.
[^jeremia-33-6-15]: Kanttekening 15: 15 haar de: Van de stad Jeruzalem en van mijn kerk.
[^jeremia-33-6-16]: Kanttekening 16: Of, een pleister en medicijn opleggen; zie boven Jer. 30:13, 30:17. Jeremia 30:13: Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters. Jeremia 30:17: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
[^jeremia-33-6-17]: Kanttekening 17: 17 henlieden genezen: De inwoners van Jeruzalem en leden van mijn kerk.
[^jeremia-33-6-18]: Kanttekening 18: Onvoorziens, en daar het buiten alle hoop scheen te zijn.
[^jeremia-33-6-19]: Kanttekening 19: 19 vrede en waarheid: Door de Messias; vergelijk Joh. 1:17. Anders: een bestendigen, vasten, of gewissen vrede. Johannes 1:17: Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
[^jeremia-33-7-a]: Verwijzing a: Jer. 32:44. Jeremia 32:44: Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt YHWH.
[^jeremia-33-7-20]: Kanttekening 20: Zie boven Jer. 31:28. Jeremia 31:28: En het zal gebeuren, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt YHWH.
[^jeremia-33-7-b]: Verwijzing b: Jer. 24:6; Jer. 31:4. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden.
[^jeremia-33-7-21]: Kanttekening 21: 21 in het eerste: Of, in den beginne; zo ook vers 11, dat is, gelijk tevoren. Jeremia 33:11: De stem van de vrolijkheid en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft YHWH van de legermachten, want YHWH is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem dergenen, die lof aanbrengen in het huis van YHWH; want Ik zal de gevangenis van het land wenden, als in het eerste, zegt YHWH.
[^jeremia-33-8-c]: Verwijzing c: Jer. 31:34. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.
[^jeremia-33-9-22]: Kanttekening 22: 22 het zal Mij zijn: Of, zij, namelijk, Jeruzalem en mijn kerk.
[^jeremia-33-9-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, naam van de vrolijkheid (שֵׁם); dat is, die mij zeer aangenaam is en verheugt.
[^jeremia-33-9-24]: Kanttekening 24: Vergelijk Deut. 26:19, met de aantekening. Deuteronomium 26:19: Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.
[^jeremia-33-9-25]: Kanttekening 25: Jeruzalem, mijn kerk.
[^jeremia-33-9-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, make, doe.
[^jeremia-33-10-27]: Kanttekening 27: Gelijk boven Jer. 32:43. Jeremia 32:43: En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.
[^jeremia-33-11-d]: Verwijzing d: Jer. 7:34. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden.
[^jeremia-33-11-28]: Kanttekening 28: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-33-11-29]: Kanttekening 29: 29 lof aanbrengen: Of, dankzegging, lofoffer, dankoffer.
[^jeremia-33-11-30]: Kanttekening 30: 30 de gevangenis van het land: Of, de gevangenen van het land doen terugkeren; zo onder vers 26, en elders dikwijls. Jeremia 33:26: Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij over hen ontfermen.
[^jeremia-33-11-31]: Kanttekening 31: 31 als in het eerste: Dat is, dat zij uit de gevangenschap wedergekomen zijnde, vrediglijk in dit land wonen, gelijk tevoren; vergelijk vers 7. Jeremia 33:7: En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.
[^jeremia-33-12-33]: Kanttekening 33: Of, nederliggen; een teken van vredigen toestand en welbestelde regering in het land, gelijk ook het volgende. Vergelijk boven Jer. 31:24. Jeremia 31:24: En Juda, en ook al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.
[^jeremia-33-12-32]: Kanttekening 32: 32 zullen opnieuw: Hebreeuws, zal ene woning zijn, enz.
[^jeremia-33-13-34]: Kanttekening 34: 34 tellers doorgaan: Dat is, van de vertiender, die het tiende schaap of geit met de roede sloeg en voor de Heer afzonderde. Zie hiervan Lev. 27:32, en Ez. 20:37. Leviticus 27:32: Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal YHWH heilig zijn. Ezechiël 20:37: En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band van het verbond.
[^jeremia-33-14-35]: Kanttekening 35: 35 goede woord: Dat is, genadige en zegenrijke belofte van Christus, in welke alle beloften ja en amen zijn; 2 Kor. 1:20. 2 Korinthiërs 1:20: Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons.
[^jeremia-33-14-e]: Verwijzing e: Jer. 29:10. Jeremia 29:10: Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^jeremia-33-14-36]: Kanttekening 36: 36 verwekken zal: Of, bevestigen, daarstellen; dat is, houden, gelijk wij spreken.
[^jeremia-33-14-37]: Kanttekening 37: 37 tot het huis van Israël: Of, over, van.
[^jeremia-33-15-38]: Kanttekening 38: 38 SPRUIT van de gerechtigheid: Zie boven Jer. 23:5. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
[^jeremia-33-15-f]: Verwijzing f: Jer. 23:5. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
[^jeremia-33-15-39]: Kanttekening 39: 39 recht en gerechtigheid doen op aarde: Gelijk een koning; zie boven Jer. 23:5. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
[^jeremia-33-16-40]: Kanttekening 40: 40 In die dagen: Zie boven Jer. 23:6. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID.
[^jeremia-33-16-41]: Kanttekening 41: Te weten de Heer Christus, die zijn kerk zal roepen; te weten uitwendig door de predikatie van het Evangelie, en inwendig door de krachtige werking van zijn Heilige Geest, en zijn genadewerk in hen voltooien tot het einde toe. Zie boven Jer. 23:6. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID.
[^jeremia-33-17-42]: Kanttekening 42: 42 afgesneden een Man: Zie 1 Kon. 2:4. Met deze en de volgende woorden, die van de staat van het Oude Testament, \[wat betreft het koninkrijk en priesterdom\] ontleend zijn, wordt \[gelijk elders\] te kennen gegeven de bestendigheid en onveranderlijkheid van het koninkrijk en priesterdom van onze Heer Jezus Christus. Zie Luk. 1:32, 1:33; Hebr. 7:1, 7:2, 7:3, 7:11, 7:12, 7:15, 7:16, 7:17, 7:24, 7:28, enz.; die daarenboven onder zich heeft, niet alleen de herders en leraars van zijn kerk, maar ook al derzelver leed, die Hij allen tot koningen en priesters gemaakt heeft, waarom ook zijn kerk een koninklijk priesterdom genoemd wordt. Zie 1 Petr. 2:5, 2:9; Openb. 1:6, en Openb. 5:10; idem Rom. 12:1; Hebr. 13:15, 13:16. 1 Koningen 2:4: Opdat YHWH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun gehele hart en met hun gehele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël. Lukas 1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn. Hebreeën 7:1: Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij terugkeerde van het slaan van de koningen, en hem zegende; Hebreeën 7:2: Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede; Hebreeën 7:3: Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. Hebreeën 7:11: Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelfde heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron? Hebreeën 7:12: Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering van de wet. Hebreeën 7:15: En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat: Hebreeën 7:16: Die dit niet naar de wet van het vleselijk gebod is geworden, maar naar de kracht van het onvergankelijk leven. Hebreeën 7:17: Want Hij getuigt: U bent Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 7:24: Maar Deze, omdat Hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap. Hebreeën 7:28: Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in eeuwigheid geheiligd is. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10: En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
[^jeremia-33-18-43]: Kanttekening 43: 43 al de dagen: Dat is, voor altijd.
[^jeremia-33-20-44]: Kanttekening 44: 44 verbond van de dag: Dat is, de orde, die Ik op de beurten en het gevolg van dag en nacht gesteld heb; vergelijk Gen. 8:22; Ps. 89:37, 89:38, en Ps. 119:89, 119:90, 119:91, en boven Jer. 31:35, 31:36. Genesis 8:22: Voortaan al de dagen van de aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden. Psalmen 89:37: Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Psalmen 89:38: Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela. Psalmen 119:89: Lamed. O YHWH! Uw woord bestaat in eeuwigheid in de hemelen. Psalmen 119:90: Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; U hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; Psalmen 119:91: Naar Uw bepalingen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten. Jeremia 31:35: Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam: Jeremia 31:36: Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt YHWH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
[^jeremia-33-21-45]: Kanttekening 45: 45 met de Levieten: Versta hierbij het verbond met enz.
[^jeremia-33-22-46]: Kanttekening 46: 46 de Levieten: Anders: van de Levieten; te weten het zaad.
[^jeremia-33-24-47]: Kanttekening 47: Dat is, gemerkt of gehoord.
[^jeremia-33-24-48]: Kanttekening 48: 48 dit volk: Te weten de spottende Joden, die Gods beloften verachtten en tegen zijn oordelen morden, of, \[gelijk sommigen\] de goddeloze Chaldeën en andere heidenen, op wie zij voornamelijk de laatste woorden van vers 24 duiden. Jeremia 33:24: Hebt u niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die YHWH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.
[^jeremia-33-24-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, spreken (דִּבְּרוּ); gelijk dikwijls.
[^jeremia-33-24-50]: Kanttekening 50: 50 twee geslachten: Juda en Israël, van wie boven gesproken is. Anderen verstaan Juda en Benjamin.
[^jeremia-33-24-51]: Kanttekening 51: 51 meer is voor hun aangezicht: Of, weer zal worden; omdat zij zo gering en ellendig waren, dat er naar hun oordeel gene hoop was van herstelling, zulks dat er geen andere rekening op te maken was dan dat zij zouden vergaan en teniet worden; vergelijk onder Jer. 48:2, 48:42. Jeremia 48:2: Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook u, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan. Jeremia 48:42: Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH.
[^jeremia-33-25-52]: Kanttekening 52: 52 verbond niet is van dag en nacht: Zie vers 20. Deze dingen herhaalt God tot oprichting en versterking zijn gelovigen, willende zeggen, hoezeer ook deze zaak buiten alle menselijke mogelijkheid mag zijn, dat zij nochtans zo weinig zou falen als het gevolg van dag en nacht op elkaar, enz. Jeremia 33:20: Zo zegt YHWH: Als u Mijn verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd;
[^jeremia-33-25-53]: Kanttekening 53: Zie boven Jer. 31:35, 31:36. Jeremia 31:35: Zo zegt YHWH, Die de zon ten lichte geeft van de dag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte van de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, YHWH van de legermachten is Zijn Naam: Jeremia 31:36: Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt YHWH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
[^jeremia-33-26-54]: Kanttekening 54: Dit is wel eerst vervuld in Zerubbabel en andere volgende regenten van Davids geslacht, maar voornamelijk en geestelijk in onze Heer Jezus Christus, Davids Spruit, en de eeuwige Koning van zijn kerk.
[^jeremia-33-26-g]: Verwijzing g: Jer. 31:20. Jeremia 31:20: Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijn zekerlijk ontfermen, spreekt YHWH.

### Jeremia 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/34.json)

*God laat de koning Zedekia door de profeet aanzeggen wat Jeruzalem en zijn persoon zal overkomen, en welk einde hij zal hebben, vers 1, enz. En omdat het volk met een plechtig verbond alle dienstboden naar de wet had vrijgelaten, maar daarna, toen de Babyloniërs eenmaal van de stad waren opgebroken, weer in dienstbaarheid getrokken hadden, voorzegt God hun dat Hij de vijand zal doen terugkeren, Jeruzalem en het hele land zal verwoesten, en deze verbondsbrekers in het bijzonder zal straffen, 8.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH[^jeremia-34-1-a] (als[^jeremia-34-1-1] Nebukadnezar, koning van Babel, en zijn hele leger, en alle koninkrijken van de aarde, die onder de heerschappij van zijn hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Zedekia, de koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur[^jeremia-34-2-b] verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v2)

**3** En u zult van zijn hand niet ontkomen, maar[^jeremia-34-3-2] zeker[^jeremia-34-3-c] gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw[^jeremia-34-3-3] ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en u zult te Babel komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v3)

**4** Maar hoor het woord van YHWH, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt YHWH van u:[^jeremia-34-4-4] U zult door het zwaard niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v4)

**5** U zult sterven in vrede, en[^jeremia-34-5-5] naar de vuren van uw vaders, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen,[^jeremia-34-5-6] zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v5)

**6** En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v6)

**7** [^jeremia-34-7-7] Als het leger van de koning van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen[^jeremia-34-7-8] Lachis en tegen[^jeremia-34-7-9] Azeka; want deze,[^jeremia-34-7-10] zijnde versterkte steden, waren overgebleven onder de steden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v7)

**8** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH, nadat de koning Zedekia een verbond[^jeremia-34-8-11] gemaakt had met het[^jeremia-34-8-12] hele volk, dat te Jeruzalem was, om[^jeremia-34-8-d] vrijheid[^jeremia-34-8-13] voor hen uit te roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v8)

**9** Dat ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broer, zou[^jeremia-34-9-14] doen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v9)

**10** Nu[^jeremia-34-10-15] hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v10)

**11** Maar zij keerden daarna opnieuw, en deden de knechten en maagden[^jeremia-34-11-16] terugkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v11)

**12** Daarom kwam het woord van YHWH tot Jeremia, van YHWH, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v12)

**13** Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaders, op de dag als Ik hen uit Egypteland, uit[^jeremia-34-13-17] het diensthuis uitvoerde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v13)

**14** [^jeremia-34-14-e] Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, ieder zijn broer, een Hebreër, die u zal[^jeremia-34-14-18] verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v14)

**15** U nu was vandaag[^jeremia-34-15-19] teruggekeerd, en had gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, ieder voor zijn naaste; en u had een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat[^jeremia-34-15-20] naar Mijn Naam genoemd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v15)

**16** Maar u bent weer omgekeerd, en hebt Mijn[^jeremia-34-16-21] Naam ontheiligd, en doen[^jeremia-34-16-22] terugkomen, ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd, die u had laten vrijgaan naar hun[^jeremia-34-16-23] lust; en u hebt hen ten ondergebracht, om u te wezen tot knechten en tot maagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v16)

**17** Daarom zegt YHWH zo: U hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, ieder voor zijn broer, en ieder voor zijn naaste; zie, zo roep Ik uit tegen u, spreekt YHWH, een[^jeremia-34-17-24] vrijheid ten zwaarde, ter pest, en ten honger, en zal u overgeven ter[^jeremia-34-17-25][^jeremia-34-17-f] beroering aan alle koninkrijken van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v17)

**18** En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet[^jeremia-34-18-26] bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden,[^jeremia-34-18-27] met het kalf, dat zij in[^jeremia-34-18-28] tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v18)

**19** De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de[^jeremia-34-19-29] kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v19)

**20** Ja, Ik zal hen overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun[^jeremia-34-20-30] ziel zoeken; en hun[^jeremia-34-20-31][^jeremia-34-20-g] dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v20)

**21** Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het leger van de koning van Babel, die[^jeremia-34-21-32][^jeremia-34-21-h] van u nu zijn opgetogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v21)

**22** Zie, Ik zal[^jeremia-34-22-33] bevel geven, spreekt YHWH, en zal hen weer tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/34.html#v22)

[^jeremia-34-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 25:1; Jer. 52. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tienden van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^jeremia-34-1-1]: Kanttekening 1: Anders in dit boek, en bij Ezechiël meest genoemd Nebukadnezar.
[^jeremia-34-2-b]: Verwijzing b: Jer. 21:10; Jer. 32:29. Jeremia 21:10: Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. Jeremia 32:29: En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op van welke daken zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen.
[^jeremia-34-3-2]: Kanttekening 2: 2 zekerlijk gegrepen: Hebreeuws, grijpende gegrepen worden.
[^jeremia-34-3-c]: Verwijzing c: Jer. 32:4. Jeremia 32:4: En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand van de Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en zijn mond zal tot daarvan mond spreken, en zijn ogen zullen daarvan ogen zien;
[^jeremia-34-3-3]: Kanttekening 3: 3 ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien: Vergelijk boven Jer. 32:4, en onder Jer. 52:9, 52:10, 52:11. Jeremia 32:4: En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand van de Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en zijn mond zal tot diens mond spreken, en zijn ogen zullen diens ogen zien; Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem. Jeremia 52:10: En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla. Jeremia 52:11: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot de dag van zijn dood toe.
[^jeremia-34-4-4]: Kanttekening 4: 4 U zult door het zwaard niet sterven: Vergelijk boven Jer. 32:5, met de aantekening. Jeremia 32:5: En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt YHWH; ofschoon u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.)
[^jeremia-34-5-5]: Kanttekening 5: 5 naar de brandingen: Of, met de brandingen; dat is, gelijk men uwe voorzaten bij hun begrafenis vereerd heeft met vuren of het branden van allerlei kostelijke specerijen, zo zal u ook gebeuren. Zie hiervan 2 Kron. 16:14, met de aantekening. 2 Kronieken 16:14: En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en leiden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een geheel grote branding.
[^jeremia-34-5-6]: Kanttekening 6: 6 Och heer: Vergelijk boven Jer. 22:18, 22:19. Jeremia 22:18: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! Jeremia 22:19: Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^jeremia-34-7-7]: Kanttekening 7: 7 Als de legermacht van de koning van Babel: Hiermede wordt te kennen gegeven de gehoorzaamheid, godzalige vrijmoedigheid en het vertrouwen van Jeremia, die niet geschroomd heeft in zulke gelegenheid van zaken de koning Zedekia aan te zeggen wat hem van God belast was.
[^jeremia-34-7-8]: Kanttekening 8: Zie 2 Kon. 14:19. 2 Koningen 14:19: En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^jeremia-34-7-9]: Kanttekening 9: Zie 1 Sam. 17:1. 1 Samuël 17:1: En de Filistijnen verzamelden hun legermacht ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.
[^jeremia-34-7-10]: Kanttekening 10: 10 vaste steden: Hebreeuws, steden van de vesting.
[^jeremia-34-8-11]: Kanttekening 11: 11 gemaakt had: Zie de manier van dit verbondmaken onder vers 18, 34:19, en vergelijk Gen. 15:17, 15:18. Jeremia 34:18: En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jeremia 34:19: De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan. Genesis 15:17: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18: Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^jeremia-34-8-12]: Kanttekening 12: 12 gehele volk: Versta, allen die dienstboden hadden.
[^jeremia-34-8-d]: Verwijzing d: Ex. 21:2. Exodus 21:2: Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.
[^jeremia-34-8-13]: Kanttekening 13: 13 voor hen uit te roepen: Te weten, alle knechten en maagden, in het zevende jaar, volgens de wet, onder vers 13, 34:14. Dit deed Zedekia om door dit uiterlijk werk van gehoorzaamheid verlossing en overwinning van God te verkrijgen, maar hoe zij het, naar de wijze van de huichelaars, hebben gemeend en onderhouden, wordt in het volgende verhaald. Jeremia 34:13: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, op de dag als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende: Jeremia 34:14: Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, een ieder zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.
[^jeremia-34-9-14]: Kanttekening 14: 14 doen dienen: Zie boven Jer. 22:13. Jeremia 22:13: Wee hem, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^jeremia-34-10-15]: Kanttekening 15: 15 hoorden al de vorsten: Dat is, gehoorzaamden, gelijk meteen opnieuw en elders dikwijls.
[^jeremia-34-11-16]: Kanttekening 16: Tot hun vorigen dienst, zo vers 16. Dit schijnen zij gedaan te hebben omdat de Babyloniërs van Jeruzalem aftrokken tegen de Egyptenaars, zichzelven zinloos inbeeldende dat zij het gevaar alleen waren ontkomen, waar zij integendeel Gods toorn opnieuw verwekten; zie onder vers 21, 34:22. Jeremia 34:16: Maar u bent weer omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een ieder zijn knecht, en een ieder zijn maagd, die u hadt laten vrijgaan naar hun lust; en u hebt hen ten ondergebracht, om u te wezen tot knechten en tot maagden. Jeremia 34:21: Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van de legermacht van de koning van Babel, die van u nu zijn opgetogen. Jeremia 34:22: Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt YHWH, en zal hen weer tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.
[^jeremia-34-13-17]: Kanttekening 17: 17 diensthuis uitvoerde: Hebreeuws, huis van de dienaren (בֵּית).
[^jeremia-34-14-e]: Verwijzing e: Ex. 21:2; Deut. 15:12. Exodus 21:2: Als u een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Deuteronomium 15:12: Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan.
[^jeremia-34-14-18]: Kanttekening 18: 18 verkocht zijn: Of, die zich aan u verkocht zal hebben.
[^jeremia-34-15-19]: Kanttekening 19: Of, hadt u bekeerd; te weten naar het uiterlijk aanzien, zoveel het uiterlijk werk betreft.
[^jeremia-34-15-20]: Kanttekening 20: 20 naar Mijn Naam genoemd is: Zie boven Jer. 7:10. Versta, de tempel. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?
[^jeremia-34-16-21]: Kanttekening 21: 21 Naam ontheiligd: Die u in de eed van het verbond gebruikt hebt.
[^jeremia-34-16-22]: Kanttekening 22: Gelijk vers 11. Jeremia 34:11: Maar zij keerden daarna opnieuw, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.
[^jeremia-34-16-23]: Kanttekening 23: Of, begeerte, wens, welgevallen, wil. Hebreeuws, ziel (נַפְשָׁ); zie Ps. 27:12. Anders: voor henzelven, voor hun personen; dat is, om hun zelfs eigen en vrij te zijn. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast.
[^jeremia-34-17-24]: Kanttekening 24: 24 vrijheid ten zwaarde: Een aardige verandering of omkering van de woorden van vrijheid uit te roepen, tevoren ten goede, maar hier ten kwade; dat is, tot straf, die God door zijn rechtvaardig oordeel over hen wil uitvoeren en onder hen laten woeden. Sommigen stellen, aan het zwaard, enz. Alsof God zei: Ik zal het zwaard, de pestilentie, enz. vrijheid geven om onder u te woeden.
[^jeremia-34-17-25]: Kanttekening 25: 25 beroering allen koninkrijken van de aarde: Zie Deut. 28:25. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.
[^jeremia-34-17-f]: Verwijzing f: Deut. 28:25; Jer. 15:4; Jer. 24:9. Deuteronomium 28:25: YHWH zal u geslagen geven voor het aangezicht uw vijanden; door een weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. Jeremia 15:4: En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;
[^jeremia-34-18-26]: Kanttekening 26: 26 bevestigd hebben de woorden van het verbond: Metterdaad niet volbracht, niet gehouden hebben. Hebreeuws eigenlijk, niet hebben doen rijzen, of opstaan; zie Deut. 27:26, en onder Jer. 35:14. Deuteronomium 27:26: Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen. Jeremia 35:14: De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord.
[^jeremia-34-18-27]: Kanttekening 27: 27 met het kalf: Anders: \[gelijk\] het kalf, enz. dat is, Ik zal hen in stukken doen scheuren door het gevogelte, enz. gelijk vers 20. Jeremia 34:20: Ja, Ik zal hen overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^jeremia-34-18-28]: Kanttekening 28: 28 tweeën hadden gehouwen: Zie Gen. 15:17, 15:18. Genesis 15:17: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Genesis 15:18: Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^jeremia-34-19-29]: Kanttekening 29: Of, hovelingen; zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-34-20-30]: Kanttekening 30: 30 ziel zoeken: Dat is, die naar hun leven staan. Zie Ex. 4:19; 2 Sam. 4:8; zo in vers 21. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. Jeremia 34:21: Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van de legermacht van de koning van Babel, die van u nu zijn opgetogen.
[^jeremia-34-20-31]: Kanttekening 31: 31 dode lichamen: Hebreeuws, dood lichaam; gelijk boven Jer. 7:33. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van dit volk zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken.
[^jeremia-34-20-g]: Verwijzing g: Jer. 7:33; Jer. 16:4; Jer. 19:7. Jeremia 7:33: En de dode lichamen van deze volks zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. Jeremia 19:7: Want Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht hun vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel geven.
[^jeremia-34-21-32]: Kanttekening 32: 32 van u nu zijn opgetogen: Dat is, van Jeruzalem afgetogen, opgetrokken, \[zie boven vers 11, en onder Jer. 37:5, 37:11\], tegen de koning van Egypte, die tot hulp van Zedekia in aantocht was. Jeremia 34:11: Maar zij keerden daarna opnieuw, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden. Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen). Jeremia 37:11: Verder geschiedde het, als de legermacht van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's legermacht;
[^jeremia-34-21-h]: Verwijzing h: Jer. 37:11. Jeremia 37:11: Verder geschiedde het, als het legermacht van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's legermacht;
[^jeremia-34-22-33]: Kanttekening 33: 33 bevel geven: Dat is, Ik zal door mijn voorzienigheid en regering beschikken dat de Chaldeën wederkomen. Vergelijk Lev. 25:21, en boven Jer. 25:29; Amos 6:11, en Amos 9:9. Leviticus 25:21: Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Amos 6:11: Want ziet, YHWH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten. Amos 9:9: Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.

### Jeremia 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/35.json)

*Jeremia verzamelt, op Gods bevel, de Rechabieten en nodigt hen uit tot wijn drinken, vers 1, enz. maar zij weigeren dat, vanwege het verbod van hun vader Jonadab, 6. met welk voorbeeld God Zijn ongehoorzame en onboetvaardige volk beschaamt en hun het verderf voorzegt, 12. maar de Rechabieten belooft Hij Zijn zegen, 18.*

**1** Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van YHWH, in de dagen[^jeremia-35-1-1] van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v1)

**2** Ga heen tot het huis van de[^jeremia-35-2-2] Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van YHWH, in één van[^jeremia-35-2-3] de kamers, en[^jeremia-35-2-4] geef hun wijn te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v2)

**3** Toen nam ik Jaazanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja, en ook zijn broers, en al zijn zonen, en het hele huis van de Rechabieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v3)

**4** En bracht hen in het huis van YHWH, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van[^jeremia-35-4-5] Jigdalia, de man van[^jeremia-35-4-6] God; die is bij de kamer[^jeremia-35-4-7] van de oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelbewaarder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v4)

**5** En ik zette de kinderen van het huis van de Rechabieten[^jeremia-35-5-8] koppen vol wijn en bekers[^jeremia-35-5-9] voor; en ik zei tot hen: Drink wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v5)

**6** Maar zij zeiden: Wij[^jeremia-35-6-10] zullen geen wijn drinken; want Jonadab, de zoon van Rechab,[^jeremia-35-6-11] onze vader, heeft ons[^jeremia-35-6-12] geboden, zeggende: U zult geen wijn drinken, u, noch uw kinderen, tot in[^jeremia-35-6-13] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v6)

**7** Ook zult u geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten, noch[^jeremia-35-7-14] hebben; maar u zult in tenten wonen al[^jeremia-35-7-15] uw dagen; opdat u[^jeremia-35-7-16] veel dagen leeft[^jeremia-35-7-17] in het land, alwaar u als vreemdeling verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v7)

**8** Zo hebben wij de stem van Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v8)

**9** En dat wij geen huizen bouwen tot[^jeremia-35-9-18] onze woning; ook hebben wij geen wijngaard, noch veld, noch zaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v9)

**10** En wij hebben in tenten gewoond; zo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jonadab geboden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v10)

**11** [^jeremia-35-11-19] Maar het is gebeurd, als Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij[^jeremia-35-11-20] zeiden: Kom, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het[^jeremia-35-11-21] leger van de Chaldeeën, en vanwege het leger van de Syriërs;[^jeremia-35-11-22] zo zijn wij te Jeruzalem gebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v11)

**12** Toen kwam het woord van YHWH tot Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v12)

**13** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ga heen en zeg tot de[^jeremia-35-13-23] mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult u geen tucht[^jeremia-35-13-24] aannemen, dat u hoort naar Mijn woorden? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v13)

**14** De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken,[^jeremia-35-14-25] zijn bevestigd; want zij hebben er geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod van hun vader[^jeremia-35-14-26] gehoord; en Ik heb tot u gesproken,[^jeremia-35-14-27][^jeremia-35-14-a] vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v14)

**15** En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen:[^jeremia-35-15-b] Bekeer u toch, ieder van zijn boze[^jeremia-35-15-28] weg, en[^jeremia-35-15-29] maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen,[^jeremia-35-15-30] zo zult u in het land blijven, dat Ik u en uw vaders gegeven heb; maar u hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v15)

**16** Omdat dan de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod van hun vader, dat hij hun geboden heeft,[^jeremia-35-16-31] bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v16)

**17** Daarom zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het[^jeremia-35-17-32] kwaad, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v17)

**18** Tot het huis nu van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Omdat u het gebod van uw vader Jonadab bent gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij u geboden heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v18)

**19** Daarom zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Er zal Jonadab, de zoon van Rechab, niet worden[^jeremia-35-19-33] afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht[^jeremia-35-19-34] sta,[^jeremia-35-19-35] al de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/35.html#v19)

[^jeremia-35-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven Jer. 1:3, en Jer. 21:1, en Jer. 25:1, en Jer. 26:1, en Jer. 27:1, 27:12, en Jer. 28:1, en Jer. 32:1. Uit welke vergelijking blijkt dat in het bijeenbrengen van deze profetieën niet altijd gezien is op de orde van de tijd; vergelijk onder Jer. 45:1; Ez. 30:20. Jeremia 1:3: Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand. Jeremia 21:1: Het woord, dat van YHWH geschied is tot Jeremia, als koning Zedekia tot hem zond Pashur, de zoon van Malchia, en Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, zeggende: Jeremia 25:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel); Jeremia 26:1: In het begin van het koninkrijk van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord van YHWH, zeggende: Jeremia 27:1: In het begin van het koninkrijk van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van YHWH, zeggende: Jeremia 27:12: Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven. Jeremia 28:1: Verder geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van YHWH, voor de ogen van de priesters en van het ganse volk, zeggende: Jeremia 32:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is van YHWH, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar. Jeremia 45:1: Het woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Nerija, als hij die woorden uit de mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: Ezechiël 30:20: Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, dat het woord van YHWH tot mij geschiedde, zeggende:
[^jeremia-35-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, de familie, of het geslacht van de Rechabieten, zo meteen vers 3, zie van deze 1 Kron. 2:55. Jeremia 35:3: Toen nam ik Jaazanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja, en ook zijn broers, en al zijn zonen, en het gehele huis van de Rechabieten; 1 Kronieken 2:55: En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab.
[^jeremia-35-2-3]: Kanttekening 3: Die aan de tempel waren; zie 1 Kon. 6:5. 1 Koningen 6:5: En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^jeremia-35-2-4]: Kanttekening 4: 4 geef hun wijn te drinken: Dat is, presenteer, bied, schenk hun, enz.
[^jeremia-35-4-5]: Kanttekening 5: 5 man van God: Dat is, profeet. Zie Deut. 33:1, en Richt. 13:6. Deze omstandigheden dienden om aan de zaak te meer aanzien en geloof te maken bij de hardnekkige Joden. Deuteronomium 33:1: Dit nu is de zegen, met welke Mozes, de man van God, de kinderen van Israël gezegend heeft, voor zijn dood. Richteren 13:6: Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.
[^jeremia-35-4-6]: Kanttekening 6: Te weten kamer.
[^jeremia-35-4-7]: Kanttekening 7: 7 kamer van de oversten: Of, prinsen, dat is, regeerders; versta van de tempel, of van het heiligdom \[zie Jes. 43:28\], als daar waren de hoofden van de priesters en Levieten, en voornamelijk de hogepriester en de naasten aan hem. Zulke Hebreeuwse woorden worden gebruikt van kerkelijke en politieke diensten. Vergelijk boven Jer. 20:1 en Jer. 29:26; idem Gen. 41:45; Num. 3:32; 1 Kor. 12:28, enz. Jesaja 43:28: Daarom zal Ik de oversten van het heiligdom ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen. Jeremia 20:1: Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis van YHWH), Jeremia hoorde, diezelve woorden profeterende, Jeremia 29:26: YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzieners zoudt zijn in het huis van YHWH over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok. Genesis 41:45: En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. Numeri 3:32: De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht van het heiligdom waarnemen. 1 Korinthiërs 12:28: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^jeremia-35-5-8]: Kanttekening 8: 8 koppen vol wijn: Of, schalen. Het Hebreeuwse woord komt zeer na overeen met een ander, dat een heuvel betekent, en kan daarom hebben de betekenis van een verheven kop, schaal, of beker, enz. Zie Gen. 44:2. Het volgende woord betekent ook bekers, of dergelijke drinkvaten, waarvan het onderscheid nu onzeker is. Genesis 44:2: En mijn beker, de zilveren beker, zult u leggen in de mond van de zak van de kleinste, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, dat hij gesproken had.
[^jeremia-35-5-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, voor het aangezicht van de, enz (פְנֵי); gelijk Gen. 18:8, enz. Genesis 18:8: En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder die boom, en zij aten.
[^jeremia-35-6-10]: Kanttekening 10: 10 zullen geen wijn drinken: Dat is, mogen of moeten geen wijn drinken.
[^jeremia-35-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, voorvader. Omdat velen het daarvoor houden dat hij dezelfde is, die 2 Kon. 10:15, 10:23 vermeld wordt; zijnde geweest een zeer Godvruchtig, aanzienlijk en zeer vermogend persoon, zodat ook Jehu zich in zijn ijver en nieuwen staat door diens gezelschap en aanwezigheid heeft willen sterken. Deze Jonadab, naar sommiger gevoelen, wijselijk overdenkende zijn afkomst, en de verdorvenheid, die al te die tijde in zwang ging, misschien ook door een profetischen geest voorziende de toekomstige straffen en verwoestingen, heeft zijn nakomelingen door deze particuliere of bijzondere bevelen willen inscherpen dat zij, tevreden zijnde met deze genade dat zij tot de gemeenschap Gods en zijn kerk waren aangenomen, voor de rest zich zo ingetogen, nederig en eenvoudig zouden gedragen, dat zij \[als vreemdelingen in Israël, afkomstig van Jethro, Mozes' schoonvader\] de Israëlieten niet mochten onaangenaam of aanstotelijk worden, gelijk het dan vreemdelingen somtijds haast \[gelijk men zegt\] plegen te verkerven; idem dat zij ook niet door gierigheid, of wellust en weelde met anderen bedorven en gestraft mochten worden, of door bezit van huizen en erfenissen vervallen in vertrouwen op tijdelijk goed, en belet worden ten tijde van ballingschap, beroving van goederen, enz. Wat God verder met dit voorbeeld van de Rechabieten heeft voorgehad, blijkt uit deze ganse handel, die Jeremia door zijn last met hen gehad heeft. 2 Koningen 10:15: En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zei tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen. 2 Koningen 10:23: En Jehu kwam met Jonadab, de zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zei tot de dienaren van Baäl: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren van YHWH, maar van de dienaren van Baäl alleen.
[^jeremia-35-6-12]: Kanttekening 12: Of, heeft het ons verboden; zie Lev. 4:2. Leviticus 4:2: Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben;
[^jeremia-35-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, nimmermeer; vergelijk 1 Kor. 8:13. 1 Korinthiërs 8:13: Daarom, als het voedsel mijn broer ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broer niet ergere.
[^jeremia-35-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, bezitten.
[^jeremia-35-7-15]: Kanttekening 15: 15 uw dagen: Dat is, de dagen uws levens; zo in vers 8. Jeremia 35:8: Zo hebben wij de stem van Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochters;
[^jeremia-35-7-16]: Kanttekening 16: 16 veel dagen leeft: Dat is, langen tijd.
[^jeremia-35-7-17]: Kanttekening 17: 17 in het land: Hebreeuws, op het aangezicht van het land (פְּנֵי).
[^jeremia-35-9-18]: Kanttekening 18: 18 onze woning: Of tot ons verblijf.
[^jeremia-35-11-19]: Kanttekening 19: 19 Maar het is geschied: Hier geven zij reden waarom zij in deze ene zaak, \[namelijk dat zij nu niet in hutten woonden, maar zich binnen Jeruzalem hadden begeven\] huns voorvaders bevel, voor deze tijd niet zijn nagekomen; tonende daarmede dat het een menselijke ordinantie was, die zij ter nood en naar gelegenheid van de zaken, zonder tegen hun plicht te doen, wel mochten verlaten, om Gods wet niet te overtreden, zulks ook Jonadabs oogmerk en voor God aangenaam was.
[^jeremia-35-11-20]: Kanttekening 20: Te weten tot elkaar.
[^jeremia-35-11-21]: Kanttekening 21: 21 vanwege de legermacht van de Chaldeeën: Hebreeuws, van, of voor het aangezicht, dat is, om hun te ontgaan, uit vrees van hun overlast en tirannie (פְּנֵי).
[^jeremia-35-11-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, Aram; zie Gen. 10:22. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^jeremia-35-13-23]: Kanttekening 23: 23 mannen van Juda: Hebreeuws, man (אִישׁ). Zie boven Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^jeremia-35-13-24]: Kanttekening 24: Gelijk boven Jer. 32:33. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
[^jeremia-35-14-25]: Kanttekening 25: 25 zijn bevestigd: Hebreeuws, is bevestigd; dat is, elk van zijn woorden is volbracht of gehouden, niettegenstaande zij door nood in een enig stuk nu anders hadden gedaan, waarin zij verontschuldigd zijn; zo vers 16. Vergelijk verder Deut. 27:26, met de aantekening en onder vers 18, idem boven Jer. 34:18, en onder Jer. 44:25. Jeremia 35:16: Omdat dan de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort; Deuteronomium 27:26: Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen. Jeremia 35:18: Tot het huis nu van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Omdat u het gebod van uw vader Jonadab bent gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij u geboden heeft; Jeremia 34:18: En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jeremia 44:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.
[^jeremia-35-14-26]: Kanttekening 26: Dat is, gehoorzaamd.
[^jeremia-35-14-27]: Kanttekening 27: 27 vroeg op zijnde en sprekende: Zie boven Jer. 7:13, en 2 Kron. 36:15. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; 2 Kronieken 36:15: En YHWH, de God van hun vaderen, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
[^jeremia-35-14-a]: Verwijzing a: Jer. 11:7; Jer. 25:3; Jer. 26:5; Jer. 29:19; Jer. 32:33. Jeremia 11:7: Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 25:3: Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord. Jeremia 26:5: Horende naar de woorden Mijn knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende; maar u niet gehoord hebt; Jeremia 29:19: Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt YHWH, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar u hebt niet gehoord, spreekt YHWH. Jeremia 32:33: Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen;
[^jeremia-35-15-b]: Verwijzing b: Jer. 18:21; Jer. 25:5. Jeremia 18:21: Daarom, geef hun zonen de honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door de dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in de strijd. Jeremia 25:5: Zeggende: Bekeert u toch, een iedereen van zijn bozen weg, en van de boosheid uw handelingen, en woont in het land, dat YHWH u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw;
[^jeremia-35-15-28]: Kanttekening 28: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-35-15-29]: Kanttekening 29: 29 maakt uw handelingen goed: Zie boven Jer. 7:3. Jeremia 7:3: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats.
[^jeremia-35-15-30]: Kanttekening 30: 30 zo zult u in het land blijven: Hebreeuws, en blijft, of woont in het land (אֲדָמָה); dat is, zo zult u zekerlijk daarin blijven wonen. Zie Ps. 37:3. Psalmen 37:3: Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
[^jeremia-35-16-31]: Kanttekening 31: 31 bevestigd hebben: Zie boven vers 14. Jeremia 35:14: De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord.
[^jeremia-35-17-32]: Kanttekening 32: Van de straf.
[^jeremia-35-19-33]: Kanttekening 33: 33 afgesneden een man: Vergelijk de manier van spreken met boven Jer. 33:17. Jeremia 33:17: Want zo zegt YHWH: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op de troon van het huis van Israël zitte.
[^jeremia-35-19-34]: Kanttekening 34: Dat is, aan wie Ik deze genade doe, dat hij in mijn huis, dat is onder mijn volk, of in mijn kerk, plaatshebbe en mij naar mijn woord diene. De manier van spreken schijnt genomen te zijn van de priesters en Levieten, die in de tabernakel en tempel voor de Heer stonden te dienen, en verder in het algemeen van dienaren en dienaressen, die steeds omtrent en onder de ogen van hun heren moesten zijn en oppassen. Zie Deut. 1:38, en Deut. 10:8, en 1 Kon. 1:2. Sommigen verstaan dit enkel van de onderhouding en voortduring van dit geslacht van de Rechabieten onder Israël, zolang als de Joodse staat zou duren, uit vergelijking van boven vers 7. Van de priesterlijke of Levietische stand kan het niet worden verstaan, omdat zij uit de stam van Levi niet waren, zelfs geen Israëlieten, maar vreemdelingen, gelijk boven verhaald is, en heidenen van afkomst, waarom zij ook bij sommigen aangemerkt worden als een voorteken van de beroeping van de heidenen, en als een geestelijk priesterdom door het geloof. Deuteronomium 1:38: Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven. Deuteronomium 10:8: Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 1 Koningen 1:2: Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde. Jeremia 35:7: Ook zult u geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten, noch hebben; maar u zult in tenten wonen al uw dagen; opdat u veel dagen leeft in het land, alwaar u als vreemdeling verkeert.
[^jeremia-35-19-35]: Kanttekening 35: 35 al de dagen: Gelijk boven Jer. 33:18. Jeremia 33:18: Ook zal aan de Levietische priesters, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en spijsoffer aansteke, en slachtoffer bereide al de dagen.

### Jeremia 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/36.json)

*Jeremia laat, op Gods bevel, Baruch zijn profetieën op een grote rol schrijven en op de vastendag in het huis van de HEERE aan het hele volk daaruit voorlezen, vers 1, enz. Dit wordt de vorsten van de koning gemeld, die Baruch met de rol terstond ontbieden, en nadat zij zich daaruit hebben laten voorlezen, brengen zij de zaak bij de koning Jojakim, 11. die de rol laat halen, en nadat hij een gedeelte daaruit heeft horen lezen, snijdt hij de rol stuk en werpt die in het vuur en verbrandt die, niettegenstaande dat enige van de vorsten hem daarvan afmaanden, 21. beveelt Jeremia en Baruch te vangen, wat God voorkomt, 26. Jeremia laat al deze en meer dergelijke profetieën, op Gods bevel, weer op een andere rol schrijven, en voorzegt de koning, stad en land hun straffen, 27.*

**1** Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, de[^jeremia-36-1-1] zoon van Josia, de koning van Juda, dat dit woord van YHWH tot Jeremia kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v1)

**2** Neem u een[^jeremia-36-2-a] rol van[^jeremia-36-2-2] het boek, en[^jeremia-36-2-b] schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen[^jeremia-36-2-3] van Josia aan, tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v2)

**3** [^jeremia-36-3-4] Misschien[^jeremia-36-3-5] zullen die van het huis van Juda horen al het[^jeremia-36-3-6] kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v3)

**4** Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija; en Baruch schreef uit de mond van Jeremia alle woorden van YHWH, die Hij tot hem gesproken had, op een rol van het boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v4)

**5** En Jeremia gebood Baruch, zeggende: Ik ben[^jeremia-36-5-7] opgehouden, ik zal in het huis van YHWH niet kunnen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v5)

**6** Zo ga zelf heen, en lees in de rol, waarin u uit mijn mond geschreven hebt, de woorden van YHWH, voor de oren van het volk, in het huis van YHWH, op de[^jeremia-36-6-8] vastendag; en u zult ze ook lezen voor de oren van geheel Juda, die uit hun steden[^jeremia-36-6-9] komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v6)

**7** Misschien zal hun smeking voor het aangezicht van YHWH[^jeremia-36-7-10] neervallen, en zij zullen zich bekeren, ieder van zijn boze weg; want groot is de[^jeremia-36-7-11] toorn en de woede, die YHWH tegen dit volk heeft uitgesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v7)

**8** En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden van YHWH, in het huis van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v8)

**9** Want het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de[^jeremia-36-9-12] negende maand, dat zij een vasten[^jeremia-36-9-13] voor het aangezicht van YHWH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem[^jeremia-36-9-14] kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v9)

**10** Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in het huis van YHWH, in de[^jeremia-36-10-15] kamer van Gemarja, de zoon van Safan,[^jeremia-36-10-16] de schrijver, in het bovenste voorhof, aan de[^jeremia-36-10-17] deur van de nieuwe[^jeremia-36-10-18] poort van het huis van YHWH, voor de oren van het hele volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v10)

**11** Als nu Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van YHWH uit dat boek gehoord had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v11)

**12** Zo ging hij af in het huis van de koning in de kamer van[^jeremia-36-12-19] de schrijver; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en[^jeremia-36-12-20] Elnathan, de zoon van Achbor, en[^jeremia-36-12-21] Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v12)

**13** En Michaja[^jeremia-36-13-22] maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de oren van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v13)

**14** Toen zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin u voor de oren van het volk gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Zo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v14)

**15** En zij zeiden tot hem: Zit toch neer, en[^jeremia-36-15-23] lees ze voor onze oren; en Baruch las voor hun oren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v15)

**16** En het gebeurde, als zij al de woorden hoorden, dat zij[^jeremia-36-16-24] verschrikten, de één tegen de ander; en zij zeiden tot Baruch:[^jeremia-36-16-25] Voorzeker zullen wij al deze woorden de koning bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v16)

**17** En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt u al deze woorden uit zijn mond geschreven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v17)

**18** En Baruch zei tot hen: Uit zijn mond[^jeremia-36-18-26] las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met[^jeremia-36-18-27] inkt in dit[^jeremia-36-18-28] boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v18)

**19** Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia; en niemand wete, waar u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v19)

**20** Zij dan gingen in tot de koning in het voorhof; maar de rol legden zij weg in de[^jeremia-36-20-29] kamer van Elisama, de schrijver;[^jeremia-36-20-30] en zij verklaarden al die woorden voor de oren van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v20)

**21** Toen zond de koning[^jeremia-36-21-31] Jehudi, om de rol te[^jeremia-36-21-32] halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, de schrijver; en Jehudi las ze voor de oren van de koning, en voor de oren van al de vorsten, die[^jeremia-36-21-33] rondom de koning stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v21)

**22** (De koning nu zat in[^jeremia-36-22-34] het winterhuis in de[^jeremia-36-22-35] negende maand;[^jeremia-36-22-36] en er was een vuur voor zijn aangezicht[^jeremia-36-22-37] op de haard aangestoken.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v22)

**23** En het gebeurde, als Jehudi drie[^jeremia-36-23-38] stukken, of vier gelezen had, versneed[^jeremia-36-23-39] hij ze met een[^jeremia-36-23-40] schrijfmes, en wierp ze in het vuur, dat op de haard was, totdat de hele rol verteerd was in het vuur, dat op de haard was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v23)

**24** En zij verschrikten niet, en[^jeremia-36-24-41] scheurden hun kleren niet, de koning noch al zijn[^jeremia-36-24-42] knechten, die al deze woorden gehoord hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v24)

**25** Hoewel ook Elnathan, en Delaja, en Gemarja bij de koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden;[^jeremia-36-25-43] maar hij hoorde niet naar hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v25)

**26** Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon[^jeremia-36-26-44] van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te[^jeremia-36-26-45] vangen. Maar YHWH had hen verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v26)

**27** Toen kwam het woord van YHWH tot Jeremia, nadat de koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit de mond van Jeremia, verbrand had, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v27)

**28** [^jeremia-36-28-46] Neem u weer een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v28)

**29** En[^jeremia-36-29-47] tot Jojakim, de koning van Juda, zult u[^jeremia-36-29-48] zeggen: Zo zegt YHWH: U hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt u daarop geschreven,[^jeremia-36-29-49] zeggende: De koning van Babel zal[^jeremia-36-29-50] zeker komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest[^jeremia-36-29-51] daarin ophouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v29)

**30** Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal[^jeremia-36-30-52] niemand hebben, die op Davids troon zitte; en zijn[^jeremia-36-30-53][^jeremia-36-30-c] dood lichaam zal weggeworpen zijn, overdag in de hitte, en in de nacht in de vorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v30)

**31** En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn[^jeremia-36-31-54] knechten hun ongerechtigheid[^jeremia-36-31-55] bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen[^jeremia-36-31-56] gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v31)

**32** Jeremia dan nam een andere rol, en gaf ze aan de schrijver Baruch, de zoon van Nerija; die schreef daarop, uit de mond van Jeremia, al de woorden van het boek, dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en daartoe werden nog veel dergelijke woorden toegedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/36.html#v32)

[^jeremia-36-1-1]: Kanttekening 1: 1 vierde jaar van Jojakim: Zie boven Jer. 25:1. Jeremia 25:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel);
[^jeremia-36-2-a]: Verwijzing a: Jes. 8:1. Jesaja 8:1: Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^jeremia-36-2-2]: Kanttekening 2: Het woord sepher, dat voor een boek genomen wordt, heeft ook een algemene betekenis van allerlei schriften, brieven, patenten, kaarten, enz.; zie boven Jer. 32:11, 32:12, enz.; Deut. 24:1; 2 Kon. 5:5, 5:6, en kan hier een rol van het boek zoveel zijn als een grote schrijfrol inplaats van een boek, dienende om beschreven en samengerold te worden; zie verder Ezra 6:2. Hiervan komt deze manier van spreken: De hemelen zullen worden samengerold als een boek, Jes. 34:4; Openb. 6:14; vergelijk Jes. 8:1. Jeremia 32:11: En ik nam de koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en de open brief; Jeremia 32:12: En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijn ooms zoon, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten. Deuteronomium 24:1: Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. 2 Koningen 5:5: Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen. 2 Koningen 5:6: En hij bracht de brief tot de koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat u hem ontledigt van zijn melaatsheid. Ezra 6:2: En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS; Jesaja 34:4: En al de legermacht van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun legermacht zal afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom. Openbaring 6:14: En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Jesaja 8:1: Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^jeremia-36-2-b]: Verwijzing b: Jer. 30:2. Jeremia 30:2: Zo spreekt YHWH, de God van Israël, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
[^jeremia-36-2-3]: Kanttekening 3: 3 Josia aan: Zie boven Jer. 1:2. Jeremia 1:2: Tot welke het woord van YHWH geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.
[^jeremia-36-3-4]: Kanttekening 4: Menselijkerwijze van de alwetende God gesproken, om te tonen hoe aangenaam hem de ware bekering is. Vergelijk Deut. 5:29, zo ook meteen in het woord denken, en elders dikwijls. Deuteronomium 5:29: Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te alle dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!
[^jeremia-36-3-5]: Kanttekening 5: 5 zullen die van het huis van Juda horen: Hebreeuws, zullen het huis Juda horen (בֵּית).
[^jeremia-36-3-6]: Kanttekening 6: Van de straf. Dit dient tot bewijs van de vertwijfelde hardnekkigheid van het volk, die nu zover waren vervallen, dat er gene middelen overbleven dan dreigementen van kwaad.
[^jeremia-36-5-7]: Kanttekening 7: Of opgesloten, dat sommigen verstaan van enige gevangenschap, of gevangenneming, uit boven Jer. 33:1, waar hetzelfde Hebreeuwse woord gebruikt wordt. Maar anderen, oordelende dat zulks niet wel overeenkomt met onder vers 19, nemen het voor enig ander beletsel, als door een bijzonder bevel van God, of enige uiterlijke onreinheid van de wet, of een godsdienstige belofte, zie Num. 19:11, enz.; 1 Sam. 21:7; Neh. 6:10. Jeremia 33:1: Verder geschiedde het woord van YHWH ten tweede male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof van de bewaring was opgesloten, zeggende: Jeremia 36:19: Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia; en niemand wete, waar u bent. Numeri 19:11: Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. 1 Samuël 21:7: Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht van YHWH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had. Nehemia 6:10: Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zei hij: Laat ons samenkomen in het huis van God, in het midden van de tempel, en laat ons de deuren van de tempel toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.
[^jeremia-36-6-8]: Kanttekening 8: Die zij buitengewoon door hun eigen goedvinden hadden aangesteld, merkende zonder twijfel uit verscheidene tekenen dat God vertoornd was; zie onder vers 9. Jeremia 36:9: Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor het aangezicht van YHWH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.
[^jeremia-36-6-9]: Kanttekening 9: Te Jeruzalem, op de vastendag; gelijk onder vers 9. Jeremia 36:9: Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor het aangezicht van YHWH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.
[^jeremia-36-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, misschien zullen zij met ootmoedig smeken en bidden voor God nedervallen, of hun smeken Hem voordragen. Men kan het ook aldus nemen dat, gelijk het gebed gezegd wordt op te klimmen, ten aanzien van het geloof, zo ook met recht gezegd wordt voor de Heer neder te vallen, ten aanzien van de nederigheid en bekentenis onzer onwaardigheid. Sommigen nemen vallen voor bevallen, gevallen, welgevallen; dat is, aangenaam zijn, gelijk onder Jer. 37:20. Vergelijk ook Jer. 38:26, en Jer. 42:2, 42:9. Jeremia 37:20: Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weer in het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve. Jeremia 38:26: Zo zult u tot hen zeggen: Ik wierp mijn smeking voor het aangezicht van de koning neder, dat hij mij niet zou weer laten brengen in Jonathans huis, om daar te sterven. Jeremia 42:2: En zij zeiden tot de profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot YHWH, uw God, voor dit gehele overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien; Jeremia 42:9: En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël, tot Welke u mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:
[^jeremia-36-7-11]: Kanttekening 11: 11 toorn en de grimmigheid: De straffen, plagen en ellenden, die Hij hun gedreigd heeft, als zij zich niet bekeren.
[^jeremia-36-9-12]: Kanttekening 12: 12 negende maand: Van het lopende jaar, genoemd \[in het kerkelijke jaar\] de maand Chisleu of Casleu, passende op onze November en December.
[^jeremia-36-9-13]: Kanttekening 13: 13 voor het aangezicht van YHWH uitriepen: Om in zijn huis voor Hem belijdenis te doen van zonden en Hem om genade te bidden, waartoe het vasten een dienstig hulpmiddel was. Maar wat God van het vasten van de goddelozen en huichelaars hield, zie daarvan Jes. 58:3, 58:4, 58:5, enz. Jesaja 58:3: Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en U weet het niet? Ziet, op de dag wanneer u vast, zo vindt u uw lust, en u eist streng al uw arbeid. Jesaja 58:4: Ziet, tot twist en gekijf vast u, en om goddeloos met de vuist te slaan; vast niet gelijk heden, om uw stem te doen horen in de hoogte. Jesaja 58:5: Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt u dat een vasten heten, en een dag YHWH aangenaam?
[^jeremia-36-9-14]: Kanttekening 14: Of, gekomen waren.
[^jeremia-36-10-15]: Kanttekening 15: 15 kamer van Gemarja: Anders: aan, of bij de kamer. Zie van het gebouw van deze kamers, 1 Kon. 6:5, 6:6, met de aantekening. 1 Koningen 6:5: En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom. 1 Koningen 6:6: De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis.
[^jeremia-36-10-16]: Kanttekening 16: Dat is, die de openbare akten van Gods huis en de profetieën, die daar werden gelezen of uitgesproken, optekenend, gelijk enige menen; of van de schriftgeleerden, waarvan te zien is Ezra 7:6. Anders wordt het Hebreeuwse woord genomen vers 12, waar het een staatssecretaris van de koning betekent. Ezra 7:6: Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijn God, over hem, al zijn verzoek. Jeremia 36:12: Zo ging hij af in het huis van de koning in de kamer van de schrijver; en ziet, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.
[^jeremia-36-10-17]: Kanttekening 17: 17 bovenste voorhof: Anders, naar sommiger gevoelen, genoemd het voorhof van de priesters, onderscheiden van het grote voorhof van de gemeente, dat daaraan was. Zie 2 Kron. 4:9. Maar sommigen verstaan dit van het binnenste en bovenste deel van het voorhof van het volk. Het kan zijn dat hij in het venster van ene van de kamers, die in het voorhof waren gelegen, en het volk, dat in het voorhof was, voorgelezen had. 2 Kronieken 4:9: Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.
[^jeremia-36-10-18]: Kanttekening 18: 18 nieuwe poort van het huis van YHWH: Zie boven Jer. 26:10. Jeremia 26:10: Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van YHWH; en zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort van YHWH.
[^jeremia-36-12-19]: Kanttekening 19: Dat is, de secretaris van de koning, en in de schrijverskamer; dat is, in de secretarie, kanselarij, of raadkamer; zie 1 Kon. 4:3. Deze schrijver wordt meteen genoemd Elisama. 1 Koningen 4:3: Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
[^jeremia-36-12-20]: Kanttekening 20: Zie boven Jer. 26:22. Jeremia 26:22: Maar de koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, de zoon van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte;
[^jeremia-36-12-21]: Kanttekening 21: Of deze dezelfde is, die boven vers 10, vermeld is, en vermits zijn aanzien en ervarenheid \[gelijk een kerkelijk geschiedschrijver of schriftgeleerde, gelijk Ezra was\] in deze raad, of raadpleging, op de vastendag, gebruikt is, dan of het een ander is geweest van de vorsten, van wie enige menen dat de voornaamste hier genoemd worden, kan de verstandige lezer nadenken. Jeremia 36:10: Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in het huis van YHWH, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur van de nieuwe poort van het huis van YHWH, voor de oren van het ganse volk.
[^jeremia-36-13-22]: Kanttekening 22: 22 maakte hun bekend al de woorden: Of hij dit gedaan heeft ter goeder mening, om de vorsten in bedenking te geven hoe men Gods toorn zou mogen afwenden, gelijk sommigen daaruit willen afnemen, dat de vorsten zijn bericht gehoord hebbende, zich niet dan beleefd tegenover Baruch hebben gedragen, over de zaken zijn bewogen geweest, en zorg hebben gedragen voor de behoudenis van Jeremia en Baruch, gelijk volgt; dan of hij Jeremia in lijden heeft willen brengen, is onzeker; vergelijk boven Jer. 20:10. Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^jeremia-36-15-23]: Kanttekening 23: 23 lees ze voor onze oren: Lees de rol; dat is, wat u daarin geschreven hebt.
[^jeremia-36-16-24]: Kanttekening 24: 24 de één tegen de ander: Hebreeuws, de man, of een ieder tegen zijn naaste of metgezel (אִישׁ); dat is, zij zagen elkaar met verschriktheid aan, de één zag op de ander.
[^jeremia-36-16-25]: Kanttekening 25: 25 Voorzeker zullen wij al deze woorden: Of, wij moeten ganselijk, enz. Hebreeuws, wij zullen bekendmakende bekendmaken.
[^jeremia-36-18-26]: Kanttekening 26: 26 las hij tot mij al deze woorden: Of, hij riep, hij sprak luide uit zijn mond tot mij; dat is, \[gelijk men spreekt\] hij dicteerde mij van woord tot woord.
[^jeremia-36-18-27]: Kanttekening 27: Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^jeremia-36-18-28]: Kanttekening 28: Dat is, in deze schrijfrol.
[^jeremia-36-20-29]: Kanttekening 29: Van het koninklijk paleis.
[^jeremia-36-20-30]: Kanttekening 30: 30 legden zij weg: Te weten onder iemands hand, gelijk deze manier van spreken gevonden wordt 2 Kron. 12:10; of bewaarden, zij gaven te bewaren; gelijk Lev. 6:4, en onder Jer. 37:21. 2 Kronieken 12:10: En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de trawanten, die de deur van het huis van de koning bewaarden. Leviticus 6:4: Het zal dan gebeuren, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal de roof, die hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; Jeremia 37:21: Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof van de bewaring, en men gaf hem per dag een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring.
[^jeremia-36-21-31]: Kanttekening 31: Van welke boven vers 14. Jeremia 36:14: Toen zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin u voor de oren van het volk gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Zo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen.
[^jeremia-36-21-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, nemen; dat is nemen en brengen, waarvoor wij zeggen, halen. Zie Gen. 12:15. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^jeremia-36-21-33]: Kanttekening 33: 33 omtrent de koning stonden: Of, bezijden, tegenover, om.
[^jeremia-36-22-34]: Kanttekening 34: Gelijk de koningen en andere groten verscheidene vertrekken, zelfs winterhuizen en zomerhuizen, hadden; zie Richt. 3:20; Ezra 6:2; Amos 3:15, met de aantekening. Richteren 3:20: En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel. Ezra 6:2: En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS; Amos 3:15: En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de elpenbenen huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt YHWH.
[^jeremia-36-22-35]: Kanttekening 35: 35 negende maand: Gelijk boven vers 9. Jeremia 36:9: Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor het aangezicht van YHWH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.
[^jeremia-36-22-36]: Kanttekening 36: 36 en er was een vuur: Hebreeuws eigenlijk: en de haard was voor zijn aangezicht aangestoken, of brandende; dat is, een vuur op de haard.
[^jeremia-36-22-37]: Kanttekening 37: 37 op de haard aangestoken: Sommigen verstaan een vuurpan vol gloeiende kolen, waar men hout op aanstak. Het Hebreeuwse woord wordt alleen in deze plaats zo gevonden.
[^jeremia-36-23-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, deuren; dat is kolommen; waarvan wij nu gebruiken, de zijden, of bladen en hoofdstukken van een boek.
[^jeremia-36-23-39]: Kanttekening 39: 39 hij ze: De koning sneed de rol in stukken.
[^jeremia-36-23-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws eigenlijk, een schrijversscheermes; dat is een pennemes, gelijk wij nu spreken.
[^jeremia-36-24-41]: Kanttekening 41: 41 scheurden hun kleren niet: Gelijk men in rouw en harteleed gewoon was te doen; \[zie Gen. 37:29; 2 Kon. 18:37, en 2 Kon. 19:1, en 2 Kon. 22:11\], maar zij voegden zich naar de koning, vergeten hebbende hun voorgaande beweging, vers 16. Genesis 37:29: Als nu Ruben tot de kuil terugkeerde, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren. 2 Koningen 18:37: Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. 2 Koningen 19:1: En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH. 2 Koningen 22:11: Het geschiedde nu, als de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde. Jeremia 36:16: En het geschiedde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de één tegen de ander; en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden de koning bekend maken.
[^jeremia-36-24-42]: Kanttekening 42: Dat is, niemand van zijn officieren en hovelingen, die omtrent hem waren.
[^jeremia-36-25-43]: Kanttekening 43: 43 maar hij hoorde naar hen niet: Of, zo hoorde hij toch niet naar hen.
[^jeremia-36-26-44]: Kanttekening 44: Of, van de koning; dat is, zijn eigen zoon; zo onder Jer. 38:6. Jeremia 38:6: Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
[^jeremia-36-26-45]: Kanttekening 45: Zo wordt het Hebreeuwse woord, dat anders nemen en verder halen betekent, ook gebruikt; Spreuk. 24:11, en onder Jer. 39:5. Spreuken 24:11: Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo u u onthoudt. Jeremia 39:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.
[^jeremia-36-28-46]: Kanttekening 46: 46 Neem u weer een andere rol: Hebreeuws, keer weer, neem; dat is, neem weer, gelijk dikwijls.
[^jeremia-36-29-47]: Kanttekening 47: 47 tot Jojakim: Anders: van, dat is, u zult in uwe profetieën van hem schrijven door mijn last.
[^jeremia-36-29-48]: Kanttekening 48: Versta daarna, in volgenden tijd, zo hij in deze tijd door de raad van de vorsten en Gods voorzorg verborgen was; zie vers 19, 36:26; maar God kon lichtelijk \[als het Hem beliefde\] de hoogmoed van de koning en wreedheid zo bedwingen, dat hij Jeremia voor zijn aangezicht moest leiden en horen spreken. Jeremia 36:19: Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia; en niemand wete, waar u bent. Jeremia 36:26: Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te vangen. Maar YHWH had hen verborgen.
[^jeremia-36-29-49]: Kanttekening 49: Dat is, aldus.
[^jeremia-36-29-50]: Kanttekening 50: 50 zekerlijk komen: Hebreeuws, komende komen (בֹּֽא).
[^jeremia-36-29-51]: Kanttekening 51: 51 daarin ophouden: Hebreeuws, daaruit, of daarvan; dat is, dat er gene meer zijn.
[^jeremia-36-30-52]: Kanttekening 52: 52 niemand hebben: Versta, zoon, die hem in de koninklijke regering opvolgt, zo, te weten dat het de naam van opvolging en regering met recht zou mogen hebben; want zijn zoon Jechonia of Jojachin is maar drie maanden koning geweest, \[dat voor geen zitten gerekend wordt\] en toen naar Babel gevoerd, 2 Kon. 24:8, 24:12, en Zedekia, die in zijn plaats kwam, was niet Jojakims zoon, maar broer, tevoren genoemd Mattanja, 2 Kon. 24:17. 2 Koningen 24:8: Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 2 Koningen 24:17: En de koning van Babel maakte Mattanja, diens oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^jeremia-36-30-53]: Kanttekening 53: 53 dood lichaam zal weggeworpen zijn: Vergelijk boven Jer. 22:19, met de aantekening. Jeremia 22:19: Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^jeremia-36-30-c]: Verwijzing c: Jer. 22:19. Jeremia 22:19: Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^jeremia-36-31-54]: Kanttekening 54: 54 knechten hunlieder ongerechtigheid: Gelijk boven vers 24. Jeremia 36:24: En zij verschrikten niet, en scheurden hun kleren niet, de koning noch al zijn knechten, die al deze woorden gehoord hadden.
[^jeremia-36-31-55]: Kanttekening 55: Dat is, straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-36-31-56]: Kanttekening 56: 56 gesproken heb: En in de vorige rol begrepen was.

### Jeremia 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/37.json)

*Zedekia, hoewel ongehoorzaam zijnde, laat nochtans Jeremia verzoeken om voorbidding bij God, omdat het scheen alsof de Chaldeeën, doordat zij met Farao te maken kregen, de belegering wel geheel zouden verlaten, vers 1, 2, enz. maar krijgt als antwoord dat Farao daaruit zal weggaan en de Chaldeeën zullen terugkeren, de stad zullen innemen en verbranden, al waren zij nog zo weinig en machteloos, 6. Jeremia tracht, bij gelegenheid van het opbreken van de Chaldeeën, de stad uit te gaan, maar wordt gegrepen, voor de vorsten gebracht, geslagen en in een snode gevangenis gezet, 11. waaruit Zedekia hem heimelijk laat halen om iets troostrijks te horen, maar krijgt al het oude bescheid; laat hem nochtans op zijn verzoek in de vorige gevangenis terugbrengen, 16.*

**1** En Zedekia, zoon van Josia, regeerde,[^jeremia-37-1-1] koning zijnde, in plaats van[^jeremia-37-1-2] Chonja, Jojakims zoon, die[^jeremia-37-1-3] Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v1)

**2** Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn[^jeremia-37-2-4] knechten, noch het volk van het land, naar de woorden van YHWH, die Hij sprak door de[^jeremia-37-2-5] dienst van de profeet Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v2)

**3** Toch zond de koning Zedekia Juchal, de zoon van Selemja, en Sefanja, de zoon van Maaseja, de priester, tot de profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot YHWH, onze God![^jeremia-37-3-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v3)

**4** (Want Jeremia was[^jeremia-37-4-7] nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in de[^jeremia-37-4-8] gevangenis niet gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v4)

**5** En[^jeremia-37-5-9] Farao's leger was uit Egypte vertrokken; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van[^jeremia-37-5-10] hen gehoord hadden, zo waren zij[^jeremia-37-5-a] van Jeruzalem[^jeremia-37-5-11] opgetogen). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v5)

**6** Toen kwam het woord van YHWH tot de profeet Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v6)

**7** Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Zie, Farao's leger, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v7)

**8** En de Chaldeeën zullen terugkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v8)

**9** Zo zegt YHWH: Bedriegt uw[^jeremia-37-9-12] zielen niet, zeggende: De Chaldeeën zullen[^jeremia-37-9-13] zeker van ons wegtrekken; want zij zullen niet[^jeremia-37-9-14] wegtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v9)

**10** Want al sloegt u het hele leger van de Chaldeeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen[^jeremia-37-10-15] enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, ieder in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v10)

**11** Verder gebeurde het, als het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen,[^jeremia-37-11-16] vanwege Farao's leger; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v11)

**12** Dat Jeremia uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land[^jeremia-37-12-17] van Benjamin, om van[^jeremia-37-12-18] daar te[^jeremia-37-12-19] scheiden door het midden van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v12)

**13** Als hij in de poort[^jeremia-37-13-20] van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, van wie de naam Jerija was, de zoon van Selemja, de zoon van Hananja; die greep de profeet Jeremia, zeggende: U wilt tot de Chaldeeën[^jeremia-37-13-21] vallen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v13)

**14** En Jeremia zei: Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeeën vallen. Maar[^jeremia-37-14-22] hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremia aan, en bracht hem tot de vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v14)

**15** En de vorsten werden zeer boos op Jeremia en[^jeremia-37-15-23] sloegen hem; en zij stelden hem in[^jeremia-37-15-24] de gevangenis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een[^jeremia-37-15-25] gevangenis gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v15)

**16** Als Jeremia in de[^jeremia-37-16-26] plaats van de kuil, en in de[^jeremia-37-16-27] kotjes gekomen was,[^jeremia-37-16-28] en Jeremia daar[^jeremia-37-16-29] veel dagen gezeten had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v16)

**17** Zo zond de koning Zedekia heen, en[^jeremia-37-17-30] liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei:[^jeremia-37-17-31] Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v17)

**18** Verder zei Jeremia tot de koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat u mij in[^jeremia-37-18-32] de gevangenis gesteld hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v18)

**19** Waar zijn nu uw[^jeremia-37-19-33] profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen u, noch tegen dit land komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v19)

**20** Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning![^jeremia-37-20-34] laat toch mijn smeking voor uw aangezicht neervallen, en breng[^jeremia-37-20-35] mij niet weer in het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v20)

**21** Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij[^jeremia-37-21-36] bestelden Jeremia in het voorhof van de[^jeremia-37-21-37] bewaring,[^jeremia-37-21-b] en men gaf hem overdag een[^jeremia-37-21-38] bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo[^jeremia-37-21-40] bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring.[^jeremia-37-21-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/37.html#v21)

[^jeremia-37-1-1]: Kanttekening 1: 1 koning zijnde: Zie dezelfde manier van spreken boven, Jer. 23:5. Anders: en de koning Zedekia regeerde in plaats, enz. Sommigen houden dat deze manier van spreken hier van Zedekia zo gebruikt wordt, omdat Chonia, \[anders genoemd Jechonia of Jojachin\] zijn voorzaat, niet meer dan drie maanden had geregeerd, en als voor geen koning gehouden was; vergelijk boven Jer. 36:30, met de aantekening. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 36:30: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, overdag in de hitte, en 's nachts in de vorst.
[^jeremia-37-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Jer. 22:24. Jeremia 22:24: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
[^jeremia-37-1-3]: Kanttekening 3: Zie 2 Kon. 24:17. 2 Koningen 24:17: En de koning van Babel maakte Mattanja, diens oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^jeremia-37-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, officieren en hovelingen.
[^jeremia-37-2-5]: Kanttekening 5: 5 dienst van de profeet Jeremia: Hebreeuws, hand (יַד).
[^jeremia-37-3-6]: Kanttekening 6: 6 onze God: Vervolg deze zaak in vers 6. Jeremia 37:6: Toen geschiedde het woord van YHWH tot de profeet Jeremia, zeggende:
[^jeremia-37-4-7]: Kanttekening 7: 7 ingaande en uitgaande: Dat is, hij verkeerde nog vrij onder het volk, doende zijn ambt onverhinderd; vergelijk Deut. 31:2. Deuteronomium 31:2: En zei tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft YHWH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.
[^jeremia-37-4-8]: Kanttekening 8: 8 gevangenhuis niet gesteld: Hebreeuws eigenlijk, huis van de besluiting, of ophouding, bedwang; zo onder vers 15, 37:18, alsof men zei: sluithuis, Jer. 37:15, ook genoemd het huis van de band, dat is, van de banden; alsof men zei: bindhuis. Jeremia 37:15: En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt. Jeremia 37:18: Verder zei Jeremia tot de koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat u mij in het gevangenhuis gesteld hebt?
[^jeremia-37-5-9]: Kanttekening 9: 9 Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen: Van de koning van Egypte, die Zedekia en de Joden tegen Nebukadnezar te hulp hadden geroepen. Van deze naam Farao, zie Gen. 12:15. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^jeremia-37-5-10]: Kanttekening 10: 10 hen gehoord hadden: Van de Egyptenaars.
[^jeremia-37-5-a]: Verwijzing a: Jer. 34:21. Jeremia 34:21: Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het legermacht van de koning van Babel, die van u nu zijn opgetogen.
[^jeremia-37-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, afgetogen, opgebroken, gelijk boven Jer. 34:21, en onder vers 11. Jeremia 34:21: Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van de legermacht van de koning van Babel, die van u nu zijn opgetogen. Jeremia 37:11: Verder geschiedde het, als de legermacht van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's legermacht;
[^jeremia-37-9-12]: Kanttekening 12: 12 zielen niet: Dat is, uzelven; zie onder Jer. 38:17. Jeremia 38:17: Jeremia dan zei tot Zedekia: Zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de God van Israël: Als u gewillig tot de vorsten van de koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en u zult leven, u en uw huis.
[^jeremia-37-9-13]: Kanttekening 13: 13 zekerlijk van ons wegtrekken: Hebreeuws, wegtrekkende wegtrekken.
[^jeremia-37-9-14]: Kanttekening 14: Te weten ten enenmale en zo dat zij de belegering niet zouden hervatten, of u hun wederkomst niet zoudt hebben te verwachten.
[^jeremia-37-10-15]: Kanttekening 15: 15 verwonde mannen over: Of, gestoken.
[^jeremia-37-11-16]: Kanttekening 16: 16 vanwege Farao's legermacht: Gelijk boven vers 5. Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).
[^jeremia-37-12-17]: Kanttekening 17: Zijnde zijn vaderland, waar Anathoth gelegen was.
[^jeremia-37-12-18]: Kanttekening 18: Van Jeruzalem.
[^jeremia-37-12-19]: Kanttekening 19: Of, te ontslibberen, zachtjes te ontgaan, onder de menigte van het volk, die nu naar hun woonplaats, vermits de aftocht van de Babyloniërs, wederkeerden.
[^jeremia-37-13-20]: Kanttekening 20: 20 Benjamin was: Waar men naar het land van Benjamin ging.
[^jeremia-37-13-21]: Kanttekening 21: Dat is, overgaan, afwijken tot de vijand. Hebreeuws, u bent vallende, enz.
[^jeremia-37-14-22]: Kanttekening 22: 22 hij hoorde niet naar hem: Jeria hoorde niet naar Jeremia en geloofde hem niet.
[^jeremia-37-15-23]: Kanttekening 23: 23 sloegen hem: Dat is, zij lieten hem staan en stellen enz.
[^jeremia-37-15-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, huis van de band (בֵּית); zie boven vers 4. Jeremia 37:4: (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.
[^jeremia-37-15-25]: Kanttekening 25: 25 gevangenhuis gemaakt: Hebreeuws, huis van de besluiting (בֵּית); gelijk boven vers 4. Jeremia 37:4: (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.
[^jeremia-37-16-26]: Kanttekening 26: 26 plaats van de kuil: Hebreeuws, huis, dat ook voor plaats genomen wordt (בֵּית). Versta hier, een diepe, vuile, onderaardse gevangenis.
[^jeremia-37-16-27]: Kanttekening 27: 27 kotjes gekomen was: Of, celletjes, kamertjes, die in zulke gevangenissen plegen te zijn.
[^jeremia-37-16-28]: Kanttekening 28: 28 en Jeremia: Of, zo bleef Jeremia daar vele dagen; daarna, enz.
[^jeremia-37-16-29]: Kanttekening 29: 29 veel dagen gezeten had: Dat is, een geruimen tijd.
[^jeremia-37-17-30]: Kanttekening 30: 30 liet hem halen: Hebreeuws, nam hem; dat is, liet hem vandaar nemen en tot zich brengen; zie Gen. 12:15, en boven Jer. 36:21, en onder Jer. 38:14, en Jer. 40:1, 40:2, enz. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Jeremia 36:21: Toen zond de koning Jehudi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, de schrijver; en Jehudi las ze voor de oren van de koning, en voor de oren van al de vorsten, die omtrent de koning stonden. Jeremia 38:14: Toen zond de koning Zedekia heen, en liet de profeet Jeremia tot zich halen, in de derde ingang, die aan het huis van YHWH was; en de koning zei tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij. Jeremia 40:1: Het woord, dat van YHWH geschied is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste van de trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd. Jeremia 40:2: Want de overste van de trawanten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.
[^jeremia-37-17-31]: Kanttekening 31: 31 Is er ook een woord van YHWH: Heeft u God enige nieuwe profetieën geopenbaard wat betreft deze onze ellendige toestand? Hieruit blijkt dat de koning Jeremia voor een waarachtigen profeet van God hield; desniettegenstaande liet hij toe dat men hem zo kwalijk behandelde; zie onder Jer. 38:5, en vergelijk Mark. 6:20, enz. Jeremia 38:5: En de koning Zedekia zei: Ziet, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen. Marcus 6:20: Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem graag.
[^jeremia-37-18-32]: Kanttekening 32: 32 gevangenhuis gesteld hebt: Gelijk boven vers 4. Jeremia 37:4: (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.
[^jeremia-37-19-33]: Kanttekening 33: Versta, valse.
[^jeremia-37-20-34]: Kanttekening 34: 34 laat toch mijn smeking: Dat is, laat mij toch met smeken voor u nedervallen; of laat mijn smeken voor of bij u gelden, bevallen, aangenaam zijn; zie boven Jer. 36:7. Jeremia 36:7: Misschien zal hunlieder smeking voor het aangezicht van YHWH nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die YHWH tegen dit volk heeft uitgesproken.
[^jeremia-37-20-35]: Kanttekening 35: 35 breng mij niet weer: Dat is, laat mij niet wederbrengen; of, doe mij niet terugkeren.
[^jeremia-37-21-36]: Kanttekening 36: 36 bestelden Jeremia: Of, gaven te bewaren, bevalen. Vergelijk boven Jer. 36:20. Jeremia 36:20: Zij dan gingen in tot de koning in het voorhof; maar de rol leiden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de oren van de koning.
[^jeremia-37-21-37]: Kanttekening 37: 37 voorhof van de bewaring: Zie boven Jer. 32:2. Jeremia 32:2: (De legermacht nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is.
[^jeremia-37-21-b]: Verwijzing b: Jer. 32:2. Jeremia 32:2: (Het legermacht nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is.
[^jeremia-37-21-38]: Kanttekening 38: 38 bol broods uit de Bakkerstraat: Zie Richt. 8:5, met de aantekening. Richteren 8:5: En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna.
[^jeremia-37-21-40]: Kanttekening 40: 40 bleef Jeremia: Of, zat.
[^jeremia-37-21-39]: Kanttekening 39: 39 op was: Of, ten einde was, verteerd was.

### Jeremia 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/38.json)

*Jeremia, profeterend in de gevangenis evengoed als tevoren, wordt door de vorsten, met toestemming van de koning, in een diepe modderige kuil geworpen, vers 1, enz. maar door Ebed-Melech, met instemming van de koning, daar weer uitgetrokken, 7. Zedekia ontbiedt Jeremia opnieuw en krijgt geheel hetzelfde antwoord, 14. beveelt de profeet wat hij de vorsten zal zeggen, als zij hem na dit gesprek vragen, 24. De profeet blijft gevangen totdat Jeruzalem was ingenomen, 28.*

**1** Als Sefatja, de zoon van Matthan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia, de woorden[^jeremia-38-1-1] hoorden, die Jeremia tot[^jeremia-38-1-2] al het volk sprak, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal[^jeremia-38-2-3] leven, want hij zal zijn[^jeremia-38-2-4] ziel tot een[^jeremia-38-2-5] buit hebben, en zal leven.[^jeremia-38-2-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v2)

**3** Zo zegt YHWH: Deze stad zal[^jeremia-38-3-6] zeker gegeven worden in de hand van het leger van de koning van Babel, dat zal ze innemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v3)

**4** Zo zeiden de vorsten tot de koning: Laat toch deze man gedood worden; want zo maakt hij de handen van de soldaten, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van het hele[^jeremia-38-4-7] volk slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt[^jeremia-38-4-8] de[^jeremia-38-4-9] vrede van dit volk niet, maar het[^jeremia-38-4-10] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v4)

**5** En de koning Zedekia zei: Zie, hij is in uw hand; want de[^jeremia-38-5-11] koning zou geen ding tegen u vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v5)

**6** Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de[^jeremia-38-6-12] kuil van Malchia, de zoon[^jeremia-38-6-13] van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met touwen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het[^jeremia-38-6-14] slijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v6)

**7** Als nu Ebed-melech, de[^jeremia-38-7-15] Moorman, één[^jeremia-38-7-16] van de kamerlingen, die toen in het huis van de koning was, hoorde, dat zij Jeremia in de kuil gedaan hadden (de koning nu zat in[^jeremia-38-7-17] de poort van Benjamin); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v7)

**8** Zo ging Ebed-melech uit het huis van de koning uit, en hij sprak tot de koning, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v8)

**9** Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan de profeet Jeremia, die zij in de kuil geworpen hebben; daar hij toch[^jeremia-38-9-18] in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege de honger, omdat geen brood meer in de stad is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v9)

**10** Toen gebood de koning de Moorman Ebed-melech, zeggende: Neem van hier dertig mannen[^jeremia-38-10-19] onder uw hand, en[^jeremia-38-10-20] haal de profeet Jeremia op uit de kuil, voordat hij sterft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v10)

**11** Zo nam Ebed-melech de mannen onder zijn hand, en ging in het huis van de koning tot onder de schatkamer, en nam van daar[^jeremia-38-11-21] enige oude[^jeremia-38-11-22] verscheurde en oude[^jeremia-38-11-23] versleten lompen; en hij liet ze met touwen af tot Jeremia in de kuil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v11)

**12** En Ebed-melech, de Moorman, zei tot Jeremia: Leg nu deze oude verscheurde en versleten lompen onder de[^jeremia-38-12-24] oksels van uw[^jeremia-38-12-25] armen, van[^jeremia-38-12-26] onder aan de touwen. En Jeremia deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v12)

**13** En zij trokken Jeremia bij de touwen, en haalden hem op uit de kuil; en Jeremia bleef in het voorhof van de[^jeremia-38-13-27] bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v13)

**14** Toen zond de koning Zedekia heen, en[^jeremia-38-14-28] liet de profeet Jeremia tot zich halen, in de[^jeremia-38-14-29] derde ingang, die aan het huis van YHWH was; en de koning zei tot Jeremia: Ik zal u[^jeremia-38-14-30] een ding vragen, verheel geen ding voor mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v14)

**15** En Jeremia zei tot Zedekia: Als ik het u verklaren zal, zult u mij niet[^jeremia-38-15-31] zeker doden? En als ik u raad zal geven, u zult toch naar mij niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v15)

**16** Toen zwoer de koning Zedekia aan Jeremia in het verborgene, zeggende: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die ons deze[^jeremia-38-16-32][^jeremia-38-16-b] ziel gemaakt heeft: Als ik u zal doden, of als ik u zal overgeven in de hand van deze mannen, die uw[^jeremia-38-16-33] ziel[^jeremia-38-16-34] zoeken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v16)

**17** Jeremia dan zei tot Zedekia: Zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de God van Israël: Als u gewillig tot de vorsten van de koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw[^jeremia-38-17-37] ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en u zult leven, u en uw[^jeremia-38-17-38] huis.[^jeremia-38-17-35][^jeremia-38-17-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v17)

**18** Maar als u tot de vorsten van de koning van Babel niet zult uitgaan, zo zal deze stad gegeven worden in de hand van de Chaldeeën, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult u van hun hand niet ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v18)

**19** En de koning Zedekia zei tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden, die tot de Chaldeeën[^jeremia-38-19-39] gevallen zijn, dat[^jeremia-38-19-40] zij mij misschien in[^jeremia-38-19-41] hun hand overgeven, en zij de spot met mij drijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v19)

**20** En Jeremia zei: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem van YHWH, naar die ik tot u spreek; zo[^jeremia-38-20-42] zal het u welgaan, en uw[^jeremia-38-20-43] ziel zal leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v20)

**21** Maar als u weigert uit te gaan, zo is dit het woord, dat YHWH mij heeft doen[^jeremia-38-21-44] zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v21)

**22** Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn[^jeremia-38-22-45] overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en[^jeremia-38-22-46] die zullen zeggen: Uw[^jeremia-38-22-47] vredegenoten hebben u[^jeremia-38-22-48] aangehitst, en hebben u[^jeremia-38-22-49] overweldigd; uw voeten zijn in de[^jeremia-38-22-50] modder gezonken; zij zijn[^jeremia-38-22-51] achteruit gekeerd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v22)

**23** [^jeremia-38-23-52] Zij zullen dan al uw vrouwen en al uw[^jeremia-38-23-53] zonen tot de Chaldeeën uitvoeren; ook zult u zelf van hun hand niet ontkomen; maar u zult door de hand van de koning van Babel gegrepen worden, en u zult deze stad met vuur[^jeremia-38-23-54] verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v23)

**24** Toen zei Zedekia tot Jeremia: Dat niemand wete van deze woorden, zo zult u niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v24)

**25** En als de vorsten zullen horen, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen, en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt u tot de koning gesproken? verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v25)

**26** Zo zult u tot hen zeggen: Ik[^jeremia-38-26-55] wierp mijn smeking voor het aangezicht van de koning neer, dat hij mij niet zou weer laten brengen in Jonathans[^jeremia-38-26-56] huis, om daar te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v26)

**27** Als dan al de vorsten tot Jeremia kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun,[^jeremia-38-27-57] naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij[^jeremia-38-27-58] lieten van hem af, omdat de zaak niet was[^jeremia-38-27-59] gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v27)

**28** En Jeremia bleef in het voorhof van de bewaring tot op de dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij[^jeremia-38-28-60] was er nog, als Jeruzalem was ingenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/38.html#v28)

[^jeremia-38-1-1]: Kanttekening 1: Zie het vervolg van deze redenen, vers 4. Jeremia 38:4: Zo zeiden de vorsten tot de koning: Laat toch deze man gedood worden; want aldus maakt hij de handen van de krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van het ganse volk slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt de vrede van dit volk niet, maar het kwaad.
[^jeremia-38-1-2]: Kanttekening 2: 2 al het volk sprak: Die tot hem in het voorhof kwamen, en vandaar zijn woorden onder al het volk verspreidden.
[^jeremia-38-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, levend blijven; God zal maken dat de Chaldeën hem zullen sparen, en het leven \[gelijk men zegt\] schenken.
[^jeremia-38-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, zijn leven; zie Gen. 19:17. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^jeremia-38-2-5]: Kanttekening 5: 5 buit hebben: Gelijk boven Jer. 21:9. Jeremia 21:9: Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.
[^jeremia-38-2-a]: Verwijzing a: Jer. 21:9. Jeremia 21:9: Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.
[^jeremia-38-3-6]: Kanttekening 6: 6 zekerlijk gegeven worden: Hebreeuws, gegeven wordende gegeven worden.
[^jeremia-38-4-7]: Kanttekening 7: Zie 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^jeremia-38-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, welvaart, behoudenis; zie Gen. 37:14. Genesis 37:14: En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.
[^jeremia-38-4-9]: Kanttekening 9: 9 van dit volk: Of, voor dit volk geen vrede, maar kwaad.
[^jeremia-38-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, verderf, ongeluk.
[^jeremia-38-5-11]: Kanttekening 11: 11 koning zou geen ding tegen u vermogen: Dat is, ik. Anders: de koning is die niet, \[die\] iets tegen u zou vermogen.
[^jeremia-38-6-12]: Kanttekening 12: 12 kuil van Malchia: Zoekende hem in het geheim om hals te brengen.
[^jeremia-38-6-13]: Kanttekening 13: Of, van de koning; gelijk boven Jer. 36:26. Jeremia 36:26: Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te vangen. Maar YHWH had hen verborgen.
[^jeremia-38-6-14]: Kanttekening 14: Vergelijk Ps. 69:3, en Ps. 40:3. Psalmen 69:3: Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Psalmen 40:3: En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
[^jeremia-38-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, Kuschi; een vreemdeling, maar vromer dan Jeremia's eigen landslieden; zie Gen. 2:13, en Gen. 10:6. Genesis 2:13: En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gehele land Cusch omloopt. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^jeremia-38-7-16]: Kanttekening 16: 16 van de kamerlingen: Hebreeuws, een man, een kamerling, of hoveling (אִישׁ); zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-38-7-17]: Kanttekening 17: 17 poort van Benjamin: Misschien om gericht te houden, dat men toen gewoon was te houden in de stadspoorten. Zie Gen. 22:17, en vergelijk onder vers 10; misschien ook, om in de belegering iets te bezichtigen, of ergens order op te stellen. Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Jeremia 38:10: Toen gebood de koning de Moorman Ebed-melech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uw hand, en haal de profeet Jeremia op uit de kuil, voordat hij sterft.
[^jeremia-38-9-18]: Kanttekening 18: 18 in zijn plaats: Daar hij was; vergelijk 2 Sam. 2:23, met de aantekening. Alsof hij zei: Hij was toch zo goed als dood, waartoe hem dan dus wredelijk het leven te nemen? 2 Samuël 2:23: Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.
[^jeremia-38-10-19]: Kanttekening 19: 19 onder uw hand: Hebreeuws, in uwe hand (יָדְ); dat is, neem hen met u, onder uw beleid, bevel, tot uw dienst. Zie van deze manier van spreken 2 Sam. 8:10; zo in vers 11. 2 Samuël 8:10: Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; Jeremia 38:11: Zo nam Ebed-melech de mannen onder zijn hand, en ging in het huis van de koning tot onder de schatkamer, en nam van daar enige oude verscheurde en oude versleten lompen; en hij liet ze met zelen af tot Jeremia in de kuil.
[^jeremia-38-10-20]: Kanttekening 20: 20 haal de profeet Jeremia op uit de kuil: Hebreeuws, doe opkomen, opklimmen.
[^jeremia-38-11-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, oude van de verscheurde, enz. dat is, enige van de oudste, enz. Vergelijk de manier van spreken met Richt. 5:29; Spreuk. 14:1; Ez. 28:7, enz. Richteren 5:29: De wijsten van haar staatsvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij haar redenen aan zichzelf: Spreuken 14:1: Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid van uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
[^jeremia-38-11-22]: Kanttekening 22: Te weten van uitgetrokken, afgelegde kleren, gelijk sommigen menen, omdat het Hebreeuwse woord van trekken en slepen komt, of versleepte, overhoop, of hier en daar verworpen lompen.
[^jeremia-38-11-23]: Kanttekening 23: 23 versleten lompen: Of, verrotte, vervuilde, vergane. Vergelijk Jes. 51:6, waar een gelijk woord gebruikt wordt van het vergaan van de hemelen. Jesaja 51:6: Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
[^jeremia-38-12-24]: Kanttekening 24: Anders, ellebogen, gelijk Ez. 13:18. Ezechiël 13:18: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen van de armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, om de zielen te jagen! Zult u de zielen van Mijn volk jagen, en zult u u de zielen in het leven behouden?
[^jeremia-38-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, handen (יָדֶי); een deel voor het geheel, gelijk elders.
[^jeremia-38-12-26]: Kanttekening 26: 26 onder aan de zelen: Dit deed deze vrome man opdat Jeremia zich door de zelen of koorden niet zou kwetsen. Het is opmerkelijk dat het de Heilige Geest beliefd heeft dit werk, ter ere van Ebedmelech, zo omstandiglijk te beschrijven.
[^jeremia-38-13-27]: Kanttekening 27: 27 voorhof van de bewaring: In de plaats waar hij tevoren geweest was. Vergelijk boven vers 9. Jeremia 38:9: Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan de profeet Jeremia, die zij in de kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege de honger, omdat geen brood meer in de stad is.
[^jeremia-38-14-28]: Kanttekening 28: 28 liet de profeet Jeremia: Hebreeuws, nam tot zich; gelijk boven Jer. 37:17. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^jeremia-38-14-29]: Kanttekening 29: 29 derden ingang: Of, vorstelijksten, voornaamsten. Dit kan men verstaan van de galerij, door welke de koning opging in het huis van YHWH; zie 1 Kon. 10:5, met de aantekening. 1 Koningen 10:5: En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van YHWH, zo was in haar geen geest meer.
[^jeremia-38-14-30]: Kanttekening 30: 30 een ding vragen: Of, naar het woord vragen: te weten van YHWH; zie Ez. 3:17, en Ez. 33:7, en boven Jer. 37:17. Ezechiël 3:17: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Ezechiël 33:7: U nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^jeremia-38-15-31]: Kanttekening 31: 31 zekerlijk doden: Hebreeuws, dodende doden (הָמֵת).
[^jeremia-38-16-32]: Kanttekening 32: 32 ziel gemaakt heeft: Zie Jes. 57:16. Jesaja 57:16: Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet geduriglijk toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
[^jeremia-38-16-b]: Verwijzing b: Jes. 57:16. Jesaja 57:16: Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet geduriglijk toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
[^jeremia-38-16-33]: Kanttekening 33: 33 ziel zoeken: Dat is, naar uw leven staan. Zie Ex. 4:19, en 2 Sam. 4:8. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning op deze dag wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^jeremia-38-16-34]: Kanttekening 34: Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk. Versta daarop: zo doe mij God zo en zo, enz. Zie Gen. 14:23. Genesis 14:23: Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^jeremia-38-17-37]: Kanttekening 37: 37 ziel leven: Dat is, gijzelf, uw persoon zal levend blijven, waarover u zich zult hebben te verheugen, zo vers 20; zie Gen. 12:5, en vergelijk Gen. 19:20. Jeremia 38:20: En Jeremia zei: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem van YHWH, naar die ik tot u spreek; zo zal het u welgaan, en uw ziel zal leven. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Genesis 19:20: Ziet toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
[^jeremia-38-17-38]: Kanttekening 38: Dat is, huisgezin, vrouwen, kinderen, enz.
[^jeremia-38-17-35]: Kanttekening 35: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-38-17-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, uitgaande uitgaan zult.
[^jeremia-38-19-39]: Kanttekening 39: 39 gevallen zijn: Gelijk boven Jer. 37:13. Jeremia 37:13: Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selemja, de zoon van Hananja; die greep de profeet Jeremia, zeggende: U wilt tot de Chaldeeën vallen!
[^jeremia-38-19-40]: Kanttekening 40: 40 zij mij misschien: De Chaldeën.
[^jeremia-38-19-41]: Kanttekening 41: 41 derzelver hand overgeven: Afgevallen Joden.
[^jeremia-38-20-42]: Kanttekening 42: 42 zal het u welgaan: Hebreeuws, u zal wel zijn, of het zal u goed zijn.
[^jeremia-38-20-43]: Kanttekening 43: 43 ziel zal leven: Gelijk boven vers 17. Jeremia 38:17: Jeremia dan zei tot Zedekia: Zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de God van Israël: Als u gewillig tot de vorsten van de koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en u zult leven, u en uw huis.
[^jeremia-38-21-44]: Kanttekening 44: Dat is, in een profetisch gezicht geopenbaard heeft.
[^jeremia-38-22-45]: Kanttekening 45: En tevoren met Chonia of Jojachin niet zijn weggevoerd. Zie 2 Kon. 24:14, 24:15. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;
[^jeremia-38-22-46]: Kanttekening 46: 46 die zullen zeggen: Uwe vrouwen zullen tot uw verwijt zeggen.
[^jeremia-38-22-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, mannen uws vredes; dat is uw vrienden of bondgenoten; zo boven Jer. 20:10. Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
[^jeremia-38-22-48]: Kanttekening 48: Om te rebelleren. Zie 2 Kon. 24:20; 2 Kron. 36:13, en boven Jer. 27:3. 2 Koningen 24:20: Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. 2 Kronieken 36:13: Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot YHWH, de God van Israël. Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen.
[^jeremia-38-22-49]: Kanttekening 49: Verrukkende u, door hun raad en ophitsing van uw plicht. Vergelijk Obad. v. 7. Obadja 1:7: Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overweldigd; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.
[^jeremia-38-22-50]: Kanttekening 50: 50 modder gezonken: U hebt u in zwarigheid gebracht, waaruit u u niet kunt redden. Het kan zijn dat met deze woorden gezien wordt op wat de koning aan Jeremia had laten gebeuren, boven vers 6. Jeremia 38:6: Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
[^jeremia-38-22-51]: Kanttekening 51: 51 achterwaarts gekeerd: U bent afgeweken van de koning van Babel, tegen uw eed, 2 Kron. 36:13; vergelijk deze klacht over Zedekia met Jes. 8:21. Enige verstaan het van zijn vredegenoten, die hem verlaten hebben. 2 Kronieken 36:13: Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot YHWH, de God van Israël. Jesaja 8:21: En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal gebeuren, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;
[^jeremia-38-23-52]: Kanttekening 52: 52 Zij zullen dan al uw vrouwen: Het voorzegde wordt tot versterking wederhaald.
[^jeremia-38-23-53]: Kanttekening 53: Van de dochters, zie onder Jer. 41:10, met de aantekening, en Jer. 43:6. Jeremia 41:10: En Ismaël voerde het gehele overblijfsel van het volk, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten de dochters van de koning, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste van de trawanten, aan Gedalia, de zoon van Ahikam, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde ze gevankelijk weg, en toog heen, om over te gaan tot de kinderen Ammons. Jeremia 43:6: De mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en de dochters van de koning, en alle ziel, die Nebuzaradan, de overste van de trawanten, bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, gelaten had, ook de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Nerija;
[^jeremia-38-23-54]: Kanttekening 54: Dat is, maken, of ene oorzaak daarvan zijn, dat zij verbrand wordt, zie boven Jer. 21:10, en Jer. 32:29, en Jer. 34:2, 34:22. Anders: deze stad zal door het vuur verbranden, of verbrand worden; hoewel het Hebreeuwse woord in zulke betekenis nergens zo meer wordt gevonden. Jeremia 21:10: Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. Jeremia 32:29: En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op de daken waarvan zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen. Jeremia 34:2: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Zedekia, de koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt YHWH: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. Jeremia 34:22: Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt YHWH, en zal hen weer tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.
[^jeremia-38-26-55]: Kanttekening 55: 55 wierp mijn smeking voor het aangezicht van de koning neder: Zie boven Jer. 36:7; dat is, ik bad en verzocht ootmoediglijk. Jeremia 36:7: Misschien zal hunlieder smeking voor het aangezicht van YHWH nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die YHWH tegen dit volk heeft uitgesproken.
[^jeremia-38-26-56]: Kanttekening 56: Zie boven Jer. 37:15. Jeremia 37:15: En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.
[^jeremia-38-27-57]: Kanttekening 57: 57 naar al deze woorden: Dat is, op dezelfde manier als de koning hem bevolen had.
[^jeremia-38-27-58]: Kanttekening 58: 58 lieten van hem af: Zonder meer met hem te spreken, of hem iets te doen. Hebreeuws, zij zwegen, of hielden zich stil van hem af; vergelijk 1 Kon. 22:3, en verder Ps. 28:1, en Job 13:13. 1 Koningen 22:3: Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië. Psalmen 28:1: Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen. Job 13:13: Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
[^jeremia-38-27-59]: Kanttekening 59: Dat is, bekend of ruchtbaar geworden; zij hadden niets daarvan vernomen, en dienvolgens hadden zij geen stof om Jeremia verder te onderzoeken.
[^jeremia-38-28-60]: Kanttekening 60: 60 was er nog: Zie onder Jer. 39:14. Jeremia 39:14: Zij zonden dan heen en namen Jeremia uit het voorhof van de bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dat hij hem heen uitbracht naar huis; zo bleef hij in het midden van het volk.

### Jeremia 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/39.json)

*Jeruzalem wordt door de Chaldeeën ingenomen, vers 1, enz. Zedekia gevangen en blind gemaakt, zijn zonen en alle edelen van Juda gedood, de stad verbrand, het voornaamste volk weggevoerd, 5. Nebukadrezars opdracht over Jeremia, 11. overeenkomstig die wordt hij uit de gevangenis verlost, 13. Gods belofte aan Ebed-Melech, 15, enz.*

**1** In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de[^jeremia-39-1-a] tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn leger,[^jeremia-39-1-1] tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v1)

**2** In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad[^jeremia-39-2-2] doorgebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v2)

**3** En alle vorsten van de koning van Babel trokken heen in, en[^jeremia-39-3-3] hielden bij de[^jeremia-39-3-4] middelste poort; namelijk Nergal-sarezer[^jeremia-39-3-5] Samgar-nebu, Sarsechim[^jeremia-39-3-6] Rab-saris, Nergal-sarezer[^jeremia-39-3-7] Rab-mag, en al de[^jeremia-39-3-8] overige vorsten van de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v3)

**4** En het gebeurde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de soldaten hen zagen, zo vluchtten zij, en trokken bij nacht uit de stad, door de weg[^jeremia-39-4-9] van de hof van de koning, door de[^jeremia-39-4-10] poort tussen de twee muren; en[^jeremia-39-4-11] hij trok uit door de weg van[^jeremia-39-4-12] het vlakke veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v4)

**5** Maar het leger van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en[^jeremia-39-5-13] vingen hem, en brachten hem omhoog tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar[^jeremia-39-5-14] Ribla, in het land van Hamath; die sprak[^jeremia-39-5-15] oordelen tegen hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v5)

**6** En de koning van Babel[^jeremia-39-6-16] slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle[^jeremia-39-6-17] edelen van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v6)

**7** En hij[^jeremia-39-7-18] verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v7)

**8** En de Chaldeeën verbrandden het huis van de koning en de[^jeremia-39-8-19] huizen van het volk met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v8)

**9** Het overige nu van het volk, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot[^jeremia-39-9-20] hem gevallen waren, met het overige van het volk, die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan, de overste van[^jeremia-39-9-21] de lijfwachten, als gevangene naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v9)

**10** Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, enige overig in het land van Juda; en hij[^jeremia-39-10-22] gaf hun op die dag wijngaarden en akkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v10)

**11** Maar van[^jeremia-39-11-23] Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven[^jeremia-39-11-24] in de hand van Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v11)

**12** Neem hem, en[^jeremia-39-12-25] stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar zoals hij tot u[^jeremia-39-12-26] spreken zal, doe zo met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v12)

**13** Zo zond Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, en ook Nebuschazban[^jeremia-39-13-27] Rab-saris en Nergal-sarezer Rab-mag, en al de oversten van de koning van Babel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v13)

**14** Zij zonden dan heen en namen Jeremia uit het voorhof van de[^jeremia-39-14-28] bewaring, en gaven hem over aan[^jeremia-39-14-29] Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dat hij hem heen uitbracht naar huis; zo[^jeremia-39-14-30] bleef hij in het midden van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v14)

**15** Het woord van YHWH was ook tot Jeremia gebeurd, als hij in het voorhof van de bewaring besloten was, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v15)

**16** Ga heen, en spreek tot Ebed-melech, de Moorman, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn woorden[^jeremia-39-16-31] brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen op die dag[^jeremia-39-16-32] voor uw aangezicht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v16)

**17** Maar Ik zal u op die dag redden, spreekt YHWH; en u zult niet overgegeven worden in de hand van de mannen, voor wie u vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v17)

**18** Want Ik zal u[^jeremia-39-18-33] zeker bevrijden, en u zult door het zwaard niet vallen; maar u zult uw[^jeremia-39-18-34] ziel tot een buit hebben, omdat u op Mij[^jeremia-39-18-35] vertrouwd hebt, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/39.html#v18)

[^jeremia-39-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 25:1; Jer. 52:4. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tienden van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tienden van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^jeremia-39-1-1]: Kanttekening 1: 1 tegen Jeruzalem: Of, bij, tot; dat is, \[gelijk men nu zegt\] voor Jeruzalem.
[^jeremia-39-2-2]: Kanttekening 2: Vergelijk 2 Kon. 25:4, en onder Jer. 52:7. Versta de uiterste muur van de stad. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden in de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. Jeremia 52:7: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit in de nacht, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door de weg van het vlakke veld.
[^jeremia-39-3-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, zaten, zetten zich, of bleven; dat is, zij hielden stil, bleven daar staan, te weten bij of voor de poort van de middelmuur, die de bovenste stad van de onderste onderscheidde.
[^jeremia-39-3-4]: Kanttekening 4: 4 middelste poort: Hebreeuws, poort van de middens (שַׁעַר).
[^jeremia-39-3-5]: Kanttekening 5: Dit vertalen sommigen thesaurier, of schatmeester; dat anderen duiden op Sarezer.
[^jeremia-39-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, opperste kamerling, of hoveling; dat is hofmeester, gelijk enige menen.
[^jeremia-39-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, veldmaarschalk, of veldoverste, gelijk anderen; vergelijk onder vers 12. Jeremia 39:12: Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe zo met hem.
[^jeremia-39-3-8]: Kanttekening 8: 8 overige vorsten van de koning van Babel: Hebreeuws, al het overblijfsel; dat is hier al de anderen, de gehele rest.
[^jeremia-39-4-9]: Kanttekening 9: 9 van de hof van de koning: Die aan of bij het hof van de koning was; vergelijk 2 Kon. 9:27. 2 Koningen 9:27: Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Slaat hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
[^jeremia-39-4-10]: Kanttekening 10: 10 poort tussen de twee muren: Zie 2 Kon. 25:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden in de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld.
[^jeremia-39-4-11]: Kanttekening 11: 11 hij toog uit door de weg: Namelijk de koning.
[^jeremia-39-4-12]: Kanttekening 12: 12 vlakke veld: Of, van de woestijn; deze woestijn, of deze vlakke velden, was gelegen tussen Jeruzalem en Jericho, of de Jordaan. Zie 2 Sam. 15:23, en hier vers 5. 2 Samuël 15:23: En het gehele land weende met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn. Jeremia 39:5: Maar het leger van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.
[^jeremia-39-5-13]: Kanttekening 13: 13 vingen hem: Zie van het Hebreeuws woord boven Jer. 36:26, hoewel het hier ook slechtelijk kan worden overgezet: en zij namen hem, enz., maar zulks is in deze zaak zoveel als bij ons: zij vingen hem. Jeremia 36:26: Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te vangen. Maar YHWH had hen verborgen.
[^jeremia-39-5-14]: Kanttekening 14: 14 naar Ribla: Zie 2 Kon. 23:33. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
[^jeremia-39-5-15]: Kanttekening 15: 15 oordelen tegen hem uit: Of, vonnissen, in het getal van velen, waarvoor 2 Kon. 25:6, oordeel, in het getal van enen staat; zie de aantekening daar, en vergelijk boven Jer. 1:16, en Jer. 4:12; zo onder Jer. 52:9. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. Jeremia 1:16: En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken van hun handen. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.
[^jeremia-39-6-16]: Kanttekening 16: 16 slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen: Dat is, liet slachten.
[^jeremia-39-6-17]: Kanttekening 17: 17 edelen van Juda: Hebreeuws, witten; zie Neh. 2:16. Nehemia 2:16: En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.
[^jeremia-39-7-18]: Kanttekening 18: 18 verblindde de ogen van Zedekia: Of, hij maakte blind; doende de ogen hem uitsteken, of immers zo bederven dat hij blind was; gelijk men houdt dat nog heden ten dage enige natiën in het oosten de gevangenen in de oorlog de ogen wel bederven en het gezicht geheel benemen, zonder de ogen uit te steken.
[^jeremia-39-8-19]: Kanttekening 19: 19 huizen van het volk: Hebreeuws, het huis (בֵּית); dat is, de huizen van de ingezetenen, maar voornamelijk van de groten. Zie 2 Kon. 25:9. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^jeremia-39-9-20]: Kanttekening 20: 20 hem gevallen waren: Die tot de koning van Babel of deze Nebuzaradan waren overgegaan, of overgevallen. Zie 2 Kon. 25:11. 2 Koningen 25:11: Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg.
[^jeremia-39-9-21]: Kanttekening 21: Zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-39-10-22]: Kanttekening 22: 22 gaf hun op die dag wijngaarden en akkers: Om te bouwen.
[^jeremia-39-11-23]: Kanttekening 23: 23 Jeremia had Nebukadrezar: Van wiens profetieën de koning zonder twijfel, door de overlopers of anders, vernomen had, vergelijk onder Jer. 40:2, 40:3, enz. Jeremia 40:2: Want de overste van de trawanten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken. Jeremia 40:3: En YHWH heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen YHWH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze zaak geschied.
[^jeremia-39-11-24]: Kanttekening 24: 24 in de hand van Nebuzaradan: Dit kan men verstaan van schriftelijken last of commissie, of slechtelijk nemen door, of aan hem.
[^jeremia-39-12-25]: Kanttekening 25: 25 stel uw ogen op hem: Dat is, draag zorg voor hem, pas wel op hem. Zie boven Jer. 24:6. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.
[^jeremia-39-12-26]: Kanttekening 26: 26 spreken zal: Dat is, van u begeren zal.
[^jeremia-39-13-27]: Kanttekening 27: Zie van deze namen boven vers 3. Jeremia 39:3: En alle vorsten van de koning van Babel togen heen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-sarezer Samgar-nebu, Sarsechim Rab-saris, Nergal-sarezer Rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.
[^jeremia-39-14-28]: Kanttekening 28: 28 voorhof van de bewaring: Zie boven Jer. 38:28, maar naderhand werd hij gehaald uit het midden van de gevangenen, die op de weg waren om naar Babel gevoerd te worden. Jeremia 38:28: En Jeremia bleef in het voorhof van de bewaring tot op de dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij was er nog, als Jeruzalem was ingenomen.
[^jeremia-39-14-29]: Kanttekening 29: Zie 2 Kon. 25:22. 2 Koningen 25:22: Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan.
[^jeremia-39-14-30]: Kanttekening 30: 30 bleef hij in het midden van het volk: Of, woonde, verkerende onder het volk, en wonende in zijn eigen huis, want hij is daarna eerst tot Gedalia te Mizpa gekomen; zie onder Jer. 40:4, 40:5, 40:6, alwaar verhaald wordt dat Jeremia, omdat hij zich tot Gedalia nog niet had begeven, met andere gevangenen al een stuk weegs was weggevoerd. Jeremia 40:4: Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het gehele land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar. Jeremia 40:5: En omdat hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. Jeremia 40:6: Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten.
[^jeremia-39-16-31]: Kanttekening 31: 31 brengen over deze stad: Dat Ik bedreigd en voorzegd heb, zal Ik volbrengen.
[^jeremia-39-16-32]: Kanttekening 32: 32 voor uw aangezicht zijn: Dat is, mijn woorden zullen vervuld worden voor uwe ogen, dat u het aanziet.
[^jeremia-39-18-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, bevrijdende bevrijden.
[^jeremia-39-18-34]: Kanttekening 34: Dat is, leven, gelijk boven Jer. 38:2. Jeremia 38:2: Zo zegt YHWH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven.
[^jeremia-39-18-35]: Kanttekening 35: Dat Ik u zou beschermen tegen al de vijanden van mijn knecht Jeremia, die u om mijnentwil hebt bijgestaan en verlost uit zijn nood. Zie boven Jer. 38:7, 38:8, enz. Jeremia 38:7: Als nu Ebed-melech, de Moorman, één van de kamerlingen, die toen in het huis van de koning was, hoorde, dat zij Jeremia in de kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de poort van Benjamin); Jeremia 38:8: Zo ging Ebed-melech uit het huis van de koning uit, en hij sprak tot de koning, zeggende:

### Jeremia 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/40.json)

*Als inleiding op Jeremia's verdere profetieën tot de overgebleven Joden, wordt hier verhaald hoe hij, uit het midden van de gevangenen gehaald en zeer gunstig bejegend zijnde, zich begeven heeft bij Gedalja te Mizpa, vers 1, enz. waar alle gevluchte en in het land overgelaten Joden zich voegen, en door Gedalja getroost en vermaand worden, 7. sommigen van hen (in het bijzonder Johanan) waarschuwen Gedalja voor Ismaël, maar hij gelooft hen niet, 13.*

**1** Het[^jeremia-40-1-1] woord, dat van YHWH gebeurd is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, hem[^jeremia-40-1-2] had laten gaan van[^jeremia-40-1-3] Rama; als hij hem had[^jeremia-40-1-4] laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden van alle[^jeremia-40-1-5] gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel als gevangene werden weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v1)

**2** Want de overste van de lijfwachten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit[^jeremia-40-2-7] kwaad over deze plaats gesproken.[^jeremia-40-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v2)

**3** En YHWH heeft het doen komen, en gedaan, zoals Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen YHWH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze[^jeremia-40-3-8] zaak gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v3)

**4** [^jeremia-40-4-9] Nu dan, zie, ik heb u vandaag losgemaakt van de ketenen, die aan uw[^jeremia-40-4-10] hand waren; als het[^jeremia-40-4-11] goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn[^jeremia-40-4-12] oog op u stellen; maar als het[^jeremia-40-4-13] kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het hele land is[^jeremia-40-4-14] voor uw aangezicht, waarheen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v4)

**5** En omdat[^jeremia-40-5-15] hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de lijfwachten gaf hem[^jeremia-40-5-16] reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v5)

**6** Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te[^jeremia-40-6-17] Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v6)

**7** Toen nu alle[^jeremia-40-7-18] oversten van de legers, die in het veld waren, zij en hun[^jeremia-40-7-19] mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de[^jeremia-40-7-20] armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel als gevangene waren weggevoerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v7)

**8** Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk,[^jeremia-40-8-21] Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon van een Maachathiet, zij en hun mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v8)

**9** En Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vrees niet van de Chaldeeën te dienen;[^jeremia-40-9-22] blijf in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u welgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v9)

**10** En ziet, ik woon te Mizpa, om te[^jeremia-40-10-23] staan voor het aangezicht van de Chaldeeën, die tot ons zullen komen; u dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw kruiken, en woont in uw steden, die u hebt[^jeremia-40-10-24] ingenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v10)

**11** Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die[^jeremia-40-11-25] landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel[^jeremia-40-11-26] gelaten had; en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over[^jeremia-40-11-27] hen gesteld had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v11)

**12** Zo keerden al de Joden weer uit al de plaatsen, waarheen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v12)

**13** Maar Johanan, de zoon van Kareah, en[^jeremia-40-13-28] alle oversten van de legers, die in het veld waren, kwamen tot Gedalia te Mizpa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v13)

**14** En zeiden tot hem:[^jeremia-40-14-29] Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u[^jeremia-40-14-30] aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v14)

**15** Johanan toch, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch heengaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en geheel Juda, die tot u verzameld zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v15)

**16** Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, zei tot Johanan, de zoon van Kareah: Doe deze zaak niet, want u spreekt vals[^jeremia-40-16-31] van Ismaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/40.html#v16)

[^jeremia-40-1-1]: Kanttekening 1: 1 Het woord: De woorden van deze profetie volgen eerst Jer. 42:7, enz. maar hier wordt in het volgende ingevoegd een verhaal van de geschiedenissen, die tot de voorzegde profetie de aanleiding hebben gegeven. Jeremia 42:7: En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat het woord van YHWH tot Jeremia geschiedde.
[^jeremia-40-1-2]: Kanttekening 2: 2 had laten gaan: En de andere dingen ook geschied waren, die onder, na Jeremia's loslating, worden verhaald, te weten dat Gedalia verraderlijk was omgebracht en de Joden naar Egypte wilden trekken.
[^jeremia-40-1-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Kon. 15:17. 1 Koningen 15:17: Want Baësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
[^jeremia-40-1-4]: Kanttekening 4: 4 had laten halen: Hebreeuws, genomen had. Zie boven Jer. 37:17; zo meteen vers 2. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Jeremia 40:2: Want de overste van de trawanten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.
[^jeremia-40-1-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, gevangenis, of gevankelijke wegvoering; gelijk elders dikwijls.
[^jeremia-40-2-7]: Kanttekening 7: Ongeluk, ellende, kwaad van de straf.
[^jeremia-40-2-6]: Kanttekening 6: 6 YHWH, uw God: Aldus spreekt een heiden, tot beschaming van de Joden. Hieruit blijkt dat de koning van Babel verstaan had wat Jeremia geprofeteerd had; vergelijk boven Jer. 39:11. Jeremia 39:11: Maar van Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, de overste van de trawanten, zeggende:
[^jeremia-40-3-8]: Kanttekening 8: 8 deze zaak geschied: Of, dit woord aan u geschied; dat is, dit woord van de Heer aan u vervuld; vergelijk boven Jer. 39:16. Jeremia 39:16: Ga heen, en spreek tot Ebed-melech, de Moorman, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen op die dag voor uw aangezicht zijn.
[^jeremia-40-4-9]: Kanttekening 9: 9 Nu dan: Omdat u bevonden bent een waarachtig profeet te zijn.
[^jeremia-40-4-10]: Kanttekening 10: Anders: handen.
[^jeremia-40-4-11]: Kanttekening 11: 11 goed is in uw ogen: Dat is, als het u behaagt.
[^jeremia-40-4-12]: Kanttekening 12: 12 oog op u stellen: Zie boven Jer. 39:12. Jeremia 39:12: Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe zo met hem.
[^jeremia-40-4-13]: Kanttekening 13: 13 kwaad is in uw ogen: Dat is, u mishaagt, niet bevalt.
[^jeremia-40-4-14]: Kanttekening 14: 14 voor uw aangezicht: Dat is, staat voor u open; zie Gen. 13:9. Genesis 13:9: Is niet het gehele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
[^jeremia-40-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk, Gedalia die meteen genoemd wordt, die zo haast niet weer hier zal komen, dat u daarnaar zoudt dienen te wachten, want hij heeft te Mizpa nog veel te doen. Anders: en omdat hij \[namelijk Jeremia\] nog niet was teruggekeerd, \[zei hij, namelijk Nebuzaradan verder\] of keert, enz. met welke weinige tussen ingevoegde woorden zou worden aangewezen, hoe het is bijgekomen dat Jeremia onder andere gevangenen mee geraakt en weggevoerd is, te weten omdat hij zich tevoren nog niet begeven had tot Gedalia, als hij uit het voorhof van de gevangenis verlost was, maar was gebleven onder het volk, en zo mee naast anderen gevonden en tot hiertoe gebracht; daarom slaat hem Nebuzaradan nu voor dat hij tot Gedalia zou mogen trekken, om onder zijn bescherming verzekerd te zijn. Anders: omdat hij \[te weten Zedekia; door verachting gesproken\] niet meer zal terugkeren, enz.
[^jeremia-40-5-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeuwse woord betekent zulks eigenlijk; maar wordt algemeen genomen voor dagelijks onderhoud, dat men iemand toelegt, onder Jer. 52:34; zie verder Spreuk. 15:17. Jeremia 52:34: En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van de koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, tot op de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven. Spreuken 15:17: Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.
[^jeremia-40-6-17]: Kanttekening 17: Gelegen in het land Benjamins, gelijk sommigen menen. Zie Richt. 10:17. Richteren 10:17: En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa.
[^jeremia-40-7-18]: Kanttekening 18: 18 oversten van de heiren: Dat is, kapiteins, hoplieden; telkens in het volgende; vergelijk dit verhaal met 2 Kon. 25:23, enz., die in het veld waren; dat is, in het veld zich onthielden. 2 Koningen 25:23: Toen nu al de oversten van de heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, zij en hun mannen.
[^jeremia-40-7-19]: Kanttekening 19: Dat is, de krijgslieden, die zij bij zich hadden; zo vers 8. Jeremia 40:8: Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon eens Maachathiets, zij en hun mannen.
[^jeremia-40-7-20]: Kanttekening 20: 20 armsten van het land: Hebreeuws, armoede, of dunheid van het land (אָרֶץ). Zie 2 Kon. 24:14. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land.
[^jeremia-40-8-21]: Kanttekening 21: Zie 2 Kon. 25:23. 2 Koningen 25:23: Toen nu al de oversten van de heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, zij en hun mannen.
[^jeremia-40-9-22]: Kanttekening 22: Of, woont.
[^jeremia-40-10-23]: Kanttekening 23: Dat is, om hen te dienen; zie Deut. 1:38, en 1 Kon. 1:2. Deuteronomium 1:38: Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven. 1 Koningen 1:2: Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.
[^jeremia-40-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, genomen tot uwe woonplaatsen.
[^jeremia-40-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, in de omstreken daaromtrent gevlucht waren.
[^jeremia-40-11-26]: Kanttekening 26: 26 gelaten had: Of, gesteld, toegelaten. Hebreeuws eigenlijk gegeven.
[^jeremia-40-11-27]: Kanttekening 27: De overgelatenen.
[^jeremia-40-13-28]: Kanttekening 28: 28 alle oversten: Uitgenomen Ismaël, van wie in het volgende.
[^jeremia-40-14-29]: Kanttekening 29: 29 Weet u wel: Hebreeuws, weet u wetende.
[^jeremia-40-14-30]: Kanttekening 30: 30 om u aan het leven te slaan: Hebreeuws, om u te slaan aan de ziel (הַכֹּתְ); dat is, u om het leven te brengen. Zie Deut. 19:6, met de aantekening zo in vers 15. Deuteronomium 19:6: Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. Jeremia 40:15: Johanan nochtans, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch heengaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en geheel Juda, die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan?
[^jeremia-40-16-31]: Kanttekening 31: Of, tegen. Dit was een teken van Gedalia's vroomhartigheid: maar hij had de waarheid van de zaak wel behoorlijk mogen onderzoeken, en op zijn hoede zijn, om het onheil te voorkomen, dat hem daarna van deze verrader is overkomen. Zie het volgende hoofdstuk.

### Jeremia 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/41.json)

*Gedalja en meer anderen, zowel Joden als Chaldeeën, worden onder schijn van vriendschap vermoord door Ismaël, vers 1, enz. die de rest van het volk gevangen meent te voeren naar de Ammonieten, maar zij worden uit zijn hand verlost door Johanan, 10. die met het hele overblijfsel voornemens is naar Egypte te trekken, 16.*

**1** Maar het gebeurde in de[^jeremia-41-1-1][^jeremia-41-1-a] zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van[^jeremia-41-1-2] koninklijk zaad, en de[^jeremia-41-1-3] oversten van de koning, te weten tien[^jeremia-41-1-4] mannen, met hem kwamen tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij[^jeremia-41-1-5] aten daar brood samen, te Mizpa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v1)

**2** En Ismaël, de zoon van Nethanja, maakte zich op, en ook de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard; zo doodde[^jeremia-41-2-6] hij hem, die de koning van Babel over het land gesteld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v2)

**3** Ook sloeg Ismaël al de Joden, die met hem, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en de Chaldeeën, de soldaten, die daar gevonden werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v3)

**4** Het gebeurde nu op de tweede dag, nadat hij Gedalia gedood had, en niemand[^jeremia-41-4-7] het wist; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v4)

**5** Zo kwamen er mensen van[^jeremia-41-5-8] Sichem, van[^jeremia-41-5-9] Silo, en van[^jeremia-41-5-10] Samaria, tachtig man, hebbende de baard afgeschoren, en de kleren gescheurd, en zichzelf[^jeremia-41-5-11] gesneden; en voedseloffer en wierook waren in hun[^jeremia-41-5-12] hand, om in het huis van YHWH te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v5)

**6** En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa hun tegemoet,[^jeremia-41-6-13] al gaande en huilend; en het gebeurde, als hij hen aantrof dat hij zei: Kom tot Gedalia, de zoon van Ahikam! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v6)

**7** Maar het gebeurde, als zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen keelde,[^jeremia-41-7-14] en wierp hen in het midden van[^jeremia-41-7-15] de kuil, hij en de mannen, die met hem waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v7)

**8** Maar onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honing. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het[^jeremia-41-8-16] midden van hun broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v8)

**9** De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen, die hij aan de[^jeremia-41-9-17] zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, die de koning Asa maakte[^jeremia-41-9-18] vanwege Baësa, de koning van Israël; deze vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v9)

**10** En Ismaël voerde het hele overblijfsel van het volk, dat te Mizpa was, als gevangene, te weten de dochters van de[^jeremia-41-10-19] koning, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, aan Gedalia, de zoon van Ahikam, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde ze als gevangene weg, en trok heen, om over te gaan tot de kinderen[^jeremia-41-10-20] Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v10)

**11** Toen nu Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v11)

**12** Zo namen zij al de[^jeremia-41-12-21] mannen, en trokken heen, om met Ismaël, de zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij[^jeremia-41-12-22] Gibeon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v12)

**13** En het gebeurde, als al het volk, dat met Ismaël was, Johanan zag, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, die met hem waren, zo werden zij verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v13)

**14** En al het volk, dat Ismaël van Mizpa als gevangene had weggevoerd, wendde zich om; en zij keerden zich en gingen over tot Johanan, de zoon van Kareah. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v14)

**15** Maar Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht, met acht mannen, en hij trok tot de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v15)

**16** Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, en ook al de oversten van de legers, die met hem waren, het hele overblijfsel van het volk, dat hij teruggebracht had van Ismaël, de zoon van Nethanja,[^jeremia-41-16-23] van Mizpa, (nadat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, geslagen had) te weten de[^jeremia-41-16-24] mannen, die soldaten waren, en de vrouwen, en kinderen, en[^jeremia-41-16-25] kamerlingen, die hij van[^jeremia-41-16-26] Gibeon had teruggebracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v16)

**17** En zij trokken heen, en[^jeremia-41-17-27] sloegen zich neer te[^jeremia-41-17-28] Geruth-chimham, dat bij Bethlehem is, om voort te trekken, dat zij in Egypte kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v17)

**18** [^jeremia-41-18-29] Voor het aangezicht van de Chaldeeën; want zij vreesden voor hun aangezicht, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalia, de zoon van Ahikam, geslagen had, die de koning van Babel over het land gesteld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/41.html#v18)

[^jeremia-41-1-1]: Kanttekening 1: 1 zevende maand: Na de handel \[gelijk enige menen\] van Gedalia met de vorsten, waarvan in Jer. 40 gesproken is; of nadat Gedalia gewaarschuwd was, òf nadat hij over het land gesteld was.
[^jeremia-41-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 25:25. 2 Koningen 25:25: Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; en ook de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren.
[^jeremia-41-1-2]: Kanttekening 2: 2 koninklijk zaad: Hebreeuws, van het zaad van het koninkrijk (זֶּרַע); gelijk 2 Kon. 11:1; Ez. 17:13; Dan. 1:3. Hieruit is af te nemen dat (het) deze Ismaël verdroten heeft, dat er iemand anders in Juda het bewind van zaken zou hebben dan hij. Zie 2 Kon. 25:25. 2 Koningen 11:1: Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om. Ezechiël 17:13: Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen van het land heeft hij weggenomen; Daniël 1:3: En de koning zei tot Aspenaz, de overste van zijn kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enige uit de kinderen van Israël, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen; 2 Koningen 25:25: Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; en ook de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren.
[^jeremia-41-1-3]: Kanttekening 3: 3 oversten van de koning: Die onder de groten waren geweest bij de koning Zedekia; sommigen verstaan tien oversten van de koning van de Ammonieten. Zie boven Jer. 40:14. Jeremia 40:14: En zeiden tot hem: Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet.
[^jeremia-41-1-4]: Kanttekening 4: Elk de zijnen bij zich hebbende, gelijk uit het volgende is af te nemen.
[^jeremia-41-1-5]: Kanttekening 5: 5 aten daar brood te zamen: Dat is, zij hielden maaltijd, aten en dronken met elkaar \[zie Gen. 31:54\], om Gedalia onder schijn van vriendschap te vermoorden, gelijk Absalom zijn broer Ammon deed; 2 Sam. 13:28, 13:29. Genesis 31:54: Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. 2 Samuël 13:28: Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult u hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper. 2 Samuël 13:29: En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen van de koning op, en reden een ieder op zijn muildier, en vloden.
[^jeremia-41-2-6]: Kanttekening 6: Ismaël met de zijnen.
[^jeremia-41-4-7]: Kanttekening 7: 7 het wist: Versta, dat het buiten nog niet bekend was geworden.
[^jeremia-41-5-8]: Kanttekening 8: Zie Richt. 8:31. Richteren 8:31: En zijn bijwijf, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
[^jeremia-41-5-9]: Kanttekening 9: Zie Joz. 18:1. Jozua 18:1: En de gehele vergadering van de kinderen van Israël verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
[^jeremia-41-5-10]: Kanttekening 10: Zie 1 Kon. 16:24. 1 Koningen 16:24: En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
[^jeremia-41-5-11]: Kanttekening 11: 11 zichzelven gesneden: Of, zichzelven insnijding gemaakt hebbende; te weten in hun vlees, met messen of priemen; hebbende deze verboden wijze \[van baardscheren en insnijdingen van het vlees te maken\] van de heidenen aangenomen, of willende in slechte eenvoudigheid buitengewone droefenis betonen over de buitengewoon erbarmelijke toestand van Gods volk; vergelijk boven Jer. 16:6. Jeremia 16:6: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-41-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, hadden zij meegenomen, hadden zij bij zich. Zie 2 Sam. 8:10; om hun genegenheid te tonen, ter plaatse waar men placht te offeren, die nu verbrand was; 2 Kon. 25:9. 2 Samuël 8:10: Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten; 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^jeremia-41-6-13]: Kanttekening 13: 13 al gaande en wenende: Hebreeuws, gaande met gaan en wenende, veinzende met hen te treuren over de algemene ellenden (הֹלֵךְ); gelijk hij integendeel tevoren goede sier maakte met Gedalia, als hij hem wilde vermoorden.
[^jeremia-41-7-14]: Kanttekening 14: 14 en wierp hen: Dit is hier ingevoegd uit vers 9. Anders: hen keelde bij, of omtrent het midden, enz. Jeremia 41:9: De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, die de koning Asa maakte vanwege Baësa, de koning van Israël; deze vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen.
[^jeremia-41-7-15]: Kanttekening 15: Of, bak, poel, put, groef, waterbak.
[^jeremia-41-8-16]: Kanttekening 16: 16 midden van hun broers: Dat is, met en onder de anderen van hun landslieden en bloedverwanten.
[^jeremia-41-9-17]: Kanttekening 17: 17 zijde van Gedalia geslagen had: Hebreeuws, aan de hand (יָד); dat is, naast hem; hand voor zijde; zie 2 Sam. 18:4; Spreuk. 8:3. Anders: om Gedalia's wil; of \[die\] onder de hand \[dat is beleid\] van Gedalia waren. 2 Samuël 18:4: Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. Spreuken 8:3: Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid:
[^jeremia-41-9-18]: Kanttekening 18: 18 vanwege Baësa: Dat is, uit vrees van Baësa. Hebreeuws, van, of voor het aangezicht (פְּנֵי). Dit heeft Asa vermoedelijk gedaan als hij deze stad Mizpa verbouwde en vastmaakte met de stenen van Rama, waarmee Baësa Rama had gezocht vast te maken. Zie 1 Kon. 15:22. Waartoe deze kuil eigenlijk heeft gediend is onzeker, tot fortificatie of tot watering, voor mensen en beesten, bij nood, enz. 1 Koningen 15:22: Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-benjamins, en Mizpa.
[^jeremia-41-10-19]: Kanttekening 19: Gelijk onder Jer. 43:6. Sommigen verstaan hierdoor enige jonge dochters van koninklijken bloede of staatjonkvrouwen, die Nebukadnezar mag hebben laten blijven, of eerst verborgen geweest zijnde, tevoorschijn komende, aan Gedalia mee bevolen zijn. Vergelijk boven Jer. 38:22, met de aantekening. Jeremia 43:6: De mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en de dochters van de koning, en alle ziel, die Nebuzaradan, de overste van de trawanten, bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, gelaten had, ook de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Nerija; Jeremia 38:22: Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en die zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overweldigd; uw voeten zijn in de modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd!
[^jeremia-41-10-20]: Kanttekening 20: Vergelijk boven Jer. 40:14, en onder vers 15. Jeremia 40:14: En zeiden tot hem: Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet. Jeremia 41:15: Maar Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht, met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Ammons.
[^jeremia-41-12-21]: Kanttekening 21: Hun bijhebbende krijgsvolk.
[^jeremia-41-12-22]: Kanttekening 22: 22 Gibeon is: Vergelijk 2 Sam. 2:13, met de aantekening. 2 Samuël 2:13: Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde van de vijvers, en die aan de overzijde van de vijvers.
[^jeremia-41-16-23]: Kanttekening 23: 23 van Mizpa: Dit kan men verstaan van het volk, dat Ismaël van Mizpa had weggevoerd.
[^jeremia-41-16-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, mannen krijgslieden. Vergelijk Richt. 4:4. Anders: mannelijke, of kloeke krijgslieden. Richteren 4:4: Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël.
[^jeremia-41-16-25]: Kanttekening 25: Of, hovelingen. Zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-41-16-26]: Kanttekening 26: 26 Gibeon had wedergebracht: Zie boven vers 12. Jeremia 41:12: Zo namen zij al de mannen, en togen heen, om met Ismaël, de zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij Gibeon is.
[^jeremia-41-17-27]: Kanttekening 27: 27 sloegen zich neder: Hebreeuws, zaten, of bleven.
[^jeremia-41-17-28]: Kanttekening 28: Dat is, woonplaats, herberg, of omtrek van de vreemdelingschap, waar Chimham als vreemdeling verkeerd of gewoond had; zijnde hem deze plaats \[gelijk sommigen menen\] bij Bethlehem, van David, uit zijn eigen goed geschonken, tot ene beloning van de weldaden, die hij van zijn vader Barsillai ontvangen had ten tijde van zijn vluchten voor Absalom. Zie 2 Sam. 19:38, enz. 2 Samuël 19:38: Toen zei de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat u op mij begeren zult, zal ik u doen.
[^jeremia-41-18-29]: Kanttekening 29: 29 Voor het aangezicht van de Chaldeeën: Dat is, uit vrees, gelijk boven vers 9, vrezende dat de koning deze moord aan hen allen zou willen wreken. Jeremia 41:9: De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, die de koning Asa maakte vanwege Baësa, de koning van Israël; deze vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen.

### Jeremia 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/42.json)

*Johanan en het hele volk begeren van Jeremia dat hij God voor hen om raad vraagt, met sterke beloften van gehoorzaamheid, vers 1, enz. Jeremia profeteert hun op Gods bevel het behoud in Judea, maar het verderf in Egypte, met verwijt van hun huichelarij en koppigheid, 7.*

**1** Toen traden toe alle oversten van de legers, Johanan, de zoon van Kareah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, en al het volk, van de kleinste tot de grootste toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v1)

**2** En zij zeiden tot de profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw[^jeremia-42-2-1] aangezicht neervallen, en bid voor ons tot YHWH, uw God, voor dit hele overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, zoals uw ogen ons zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v2)

**3** Dat ons YHWH, uw God, bekend make de weg, die wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v3)

**4** En de profeet Jeremia zei tot hen: Ik heb[^jeremia-42-4-2] het gehoord; zie, ik zal tot YHWH, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal gebeuren, het hele woord, dat YHWH u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet één woord onthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v4)

**5** Toen zeiden zij tot Jeremia: YHWH zij[^jeremia-42-5-3] tussen ons tot een[^jeremia-42-5-4] waarachtig en zeker Getuige: als wij niet naar alle woord, waarmee YHWH, uw God, u tot ons zal zenden, zo zullen doen![^jeremia-42-5-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v5)

**6** Hetzij dan goed of[^jeremia-42-6-6] kwaad, wij zullen aan de stem van YHWH, onze God, tot Wie wij u zenden, gehoorzaam zijn;[^jeremia-42-6-a] opdat het ons welga, wanneer wij aan de stem van YHWH, onze God, zullen gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v6)

**7** En het gebeurde na verloop van tien dagen, dat het woord van YHWH tot Jeremia kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v7)

**8** Toen riep hij Johanan, de zoon van Kareah, en alle oversten van de legers, die met hem waren, en al het volk, van de kleinste af tot de grootste toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v8)

**9** En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël, tot Wie u mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht[^jeremia-42-9-7] neer te werpen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v9)

**10** Als u in dit land zult[^jeremia-42-10-8] blijven wonen, zo zal Ik u[^jeremia-42-10-9][^jeremia-42-10-b] bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb[^jeremia-42-10-10] berouw over het[^jeremia-42-10-11] kwaad, dat Ik u aangedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v10)

**11** Vrees niet voor het aangezicht van de koning van Babel, voor wie u vreest; vrees niet voor hem, spreekt YHWH; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v11)

**12** En Ik zal u barmhartigheid[^jeremia-42-12-12] geven, dat hij zich over u erbarme, en u weer in uw[^jeremia-42-12-13] land brenge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v12)

**13** Maar zo u zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat u aan de stem van YHWH, uw God, niet gehoorzaam bent, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v13)

**14** Zeggende: Nee, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij[^jeremia-42-14-14] geen strijd zullen zien, noch het geluid van de bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v14)

**15** Nu dan, daarom hoort het woord van YHWH, u overblijfsel van Juda! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Als u geheel uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren;[^jeremia-42-15-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v15)

**16** Zo zal het gebeuren, dat het zwaard, waar u voor vreest, u daar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar u voor zorgt, zal u daar in Egypte achter aankleven, en u zult daar sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v16)

**17** [^jeremia-42-17-16] Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest; en zij zullen[^jeremia-42-17-17] niemand hebben, die overblijve of ontkome[^jeremia-42-17-18] van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v17)

**18** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn woede is[^jeremia-42-18-c] uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn woede over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen[^jeremia-42-18-d] tot een[^jeremia-42-18-19] vervloeking,[^jeremia-42-18-e] en tot een[^jeremia-42-18-f] ontzetting, en tot[^jeremia-42-18-g] een vloek, en tot smaad, en zult[^jeremia-42-18-20] deze plaats niet meer zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v18)

**19** YHWH heeft[^jeremia-42-19-21] tegen u gesproken, u overblijfsel van Juda! Ga niet in Egypte;[^jeremia-42-19-22] weet zeker, dat ik vandaag[^jeremia-42-19-23] tegen u betuigd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v19)

**20** Zeker, u hebt[^jeremia-42-20-24] uw zielen verleid; want u hebt mij tot YHWH, uw God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot YHWH, onze God, en naar alles, wat YHWH, onze God, zal zeggen, zo maak het ons bekend, en wij zullen het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v20)

**21** Nu heb ik het u vandaag bekend gemaakt; maar u hebt niet gehoord naar de stem van YHWH, uw God,[^jeremia-42-21-25] noch naar alles, waarmee Hij mij tot u gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v21)

**22** Zo weet nu[^jeremia-42-22-26] zeker, dat u door het zwaard, door de honger en door de pest sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft heen te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/42.html#v22)

[^jeremia-42-2-1]: Kanttekening 1: Zie van deze manier van spreken boven Jer. 36:7. De zin is: Laat onze ootmoedige bede voor u gelden, plaats bij u hebben, verwerp ze niet; vergelijk ook onder vers 9. Jeremia 36:7: Misschien zal hunlieder smeking voor het aangezicht van YHWH nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die YHWH tegen dit volk heeft uitgesproken. Jeremia 42:9: En hij zei tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël, tot Welke u mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:
[^jeremia-42-4-2]: Kanttekening 2: Dat is, wel verstaan; zie Gen. 11:7, in de aantekening, of, ik hoor; dat is, ik ben bereid uwe begeerte te voldoen. Genesis 11:7: Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore.
[^jeremia-42-5-3]: Kanttekening 3: Of, tegen ons, onder ons.
[^jeremia-42-5-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, getuige van de waarheid en gewis, of getrouw (אֱמֶת).
[^jeremia-42-5-5]: Kanttekening 5: 5 zo zullen doen: Afgebroken manier van eedzweren, als bov. 38:16, zie daar. Jeremia 38:16: Toen zwoer de koning Zedekia aan Jeremia in het verborgene, zeggende: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die ons deze ziel gemaakt heeft: Als ik u zal doden, of als ik u zal overgeven in de hand van deze mannen, die uw ziel zoeken!
[^jeremia-42-6-6]: Kanttekening 6: Te weten in onze ogen; dat is het bevalle ons wel of kwalijk, het kome met onze zin en vernuft overeen of niet, het ga ons mee of tegen, het zij lief of lastig en leed.
[^jeremia-42-6-a]: Verwijzing a: Jer. 7:23. Jeremia 7:23: Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoort naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al de weg, die Ik u gebieden zal, opdat het u welga.
[^jeremia-42-9-7]: Kanttekening 7: 7 neder te werpen: Vergelijk boven vers 2. Jeremia 42:2: En zij zeiden tot de profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot YHWH, uw God, voor dit gehele overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;
[^jeremia-42-10-8]: Kanttekening 8: 8 blijven wonen: Anders: stil blijven, of wederkerende \[te weten van uw voornemen\] zult blijven. Hebreeuws, blijvende zult blijven, of wonende zult wonen.
[^jeremia-42-10-9]: Kanttekening 9: 9 bouwen en niet afbreken: Zie Ps. 28:5. Psalmen 28:5: Omdat zij niet letten op de daden van YHWH, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
[^jeremia-42-10-b]: Verwijzing b: Jer. 24:6; Jer. 31:4; Jer. 33:7. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Jeremia 31:4: Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden. Jeremia 33:7: En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.
[^jeremia-42-10-10]: Kanttekening 10: Zie Gen. 6:6. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^jeremia-42-10-11]: Kanttekening 11: Van de straf.
[^jeremia-42-12-12]: Kanttekening 12: 12 barmhartigheid geven: Te weten voor het aangezicht van de koning van Babel; zie dezelfde manier van spreken Gen. 43:14, en vergelijk 1 Kon. 8:50; Ezra 7:28; Neh. 1:11; Ps. 106:46; Dan. 1:9. Genesis 43:14: En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw anderen broer en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd! 1 Koningen 8:50: En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; Ezra 7:28: En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en van zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand van YHWH, mijn God, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken. Nehemia 1:11: Och, YHWH, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed van Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man. Ik nu was de schenker van de koning. Psalmen 106:46: Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. Daniël 1:9: En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van de overste van de kamerlingen.
[^jeremia-42-12-13]: Kanttekening 13: 13 in uw land brenge: Dat is, in uw land met vrede late wonen, om uwe velden, akkers, wijnbergen, enz. te gebruiken, dat u in de verleden tijd van oorlog hebt moeten verlaten en niet kunnen gebruiken; zie boven Jer. 40:11, 40:12. Jeremia 40:11: Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen gesteld had; Jeremia 40:12: Zo keerden al de Joden weer uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten.
[^jeremia-42-14-14]: Kanttekening 14: 14 krijg zullen zien: Vergelijk boven Jer. 14:13. Jeremia 14:13: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, die profeten zeggen hun: U zult geen zwaard zien, en u zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewissen vrede geven in deze plaats.
[^jeremia-42-15-15]: Kanttekening 15: 15 ganselijk uw aangezichten zult stellen: Hebreeuws, stellende zult stellen; dat is, uwe ogen ten enenmale op Egypte slaan, ganselijk en vastelijk gezind zult zijn daarheen te gaan; telkens in het volgende; vergelijk 1 Kon. 2:15. 1 Koningen 2:15: Hij zei dan: U weet, dat het koninkrijk van mij was, en het gehele Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en van mijn broer geworden is; want het is van YHWH hem geworden.
[^jeremia-42-17-16]: Kanttekening 16: 16 Zo zullen al de mannen zijn: Dat is, zo zal het hun gaan.
[^jeremia-42-17-17]: Kanttekening 17: 17 niemand hebben: Hebreeuws, geen overige noch ontkomene hebben. Versta, behalve enige weinigen, Jer. 44:14, 44:28. Jeremia 44:14: Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen. Jeremia 44:28: Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het gehele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.
[^jeremia-42-17-18]: Kanttekening 18: 18 van het kwaad: Of, vanwege. Hebreeuws, van het aangezicht van het kwaad (פְּנֵי).
[^jeremia-42-18-c]: Verwijzing c: Jer. 7:20. Jeremia 7:20: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van het aarde; en zal branden, en niet uitgeblust worden.
[^jeremia-42-18-d]: Verwijzing d: Jes. 65:15. Jesaja 65:15: En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heer YHWH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;
[^jeremia-42-18-19]: Kanttekening 19: Of, zwering, dat men iemand met eedzweren vervloekende, uw voorbeeld daartoe gebruiken zal, wensende dat het hem zo mag gaan als het u gegaan is. Vergelijk boven Jer. 29:22, en onder Jer. 44:12, en Jes. 65:15. Jeremia 29:22: En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; Jeremia 44:12: En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door de honger zullen zij verteerd worden, van de kleinste tot de grootste toe; door het zwaard en door de honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid. Jesaja 65:15: En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heer YHWH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;
[^jeremia-42-18-e]: Verwijzing e: Jer. 18:16; Jer. 19:8; Jer. 25:9; Jer. 29:18. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. Jeremia 19:8: En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben;
[^jeremia-42-18-f]: Verwijzing f: Jer. 24:9; Jer. 25:18; Jer. 26:6; Jer. 29:18. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage; Jeremia 26:6: Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek alle volken van de aarde. Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben;
[^jeremia-42-18-g]: Verwijzing g: Jer. 24:9; Jer. 29:18. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; Jeremia 29:18: En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben;
[^jeremia-42-18-20]: Kanttekening 20: 20 deze plaats niet meer zien: Het Joodse land.
[^jeremia-42-19-21]: Kanttekening 21: 21 tegen u gesproken: Of, over, van u.
[^jeremia-42-19-22]: Kanttekening 22: 22 weet zekerlijk: Hebreeuws, wetende zult u weten.
[^jeremia-42-19-23]: Kanttekening 23: 23 tegen u betuigd heb: Of, onder u; dat is, dat ik u ernstiglijk als voor de Heer vermaand en gewaarschuwd heb, (waarvan) God en u zelf getuigen zult zijn. Ik betuig mijn plicht gedaan te hebben.
[^jeremia-42-20-24]: Kanttekening 24: 24 uw zielen verleid: Dat is, u hebt uzelven bedrogen, menende door uwe huichelarij God te buigen naar uw zin. Anders: u hebt \[mij\] verleid, of doen dolen tegen uwe zielen; dat is, tot uw eigen verderf; of door \[wat in\] uwe zielen \[was\], dat is, anders tot mij sprekende dan uwe harten dachten te doen, handelende als huichelaars tegen mij.
[^jeremia-42-21-25]: Kanttekening 25: 25 noch naar alles: Of, noch iets van hetgeen waarom Hij, enz. Nu hadden zij, boven vers 5, het tegendeel met een sterken eed beloofd. Jeremia 42:5: Toen zeiden zij tot Jeremia: YHWH zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: als wij niet naar alle woord, waarmee u YHWH, uw God, tot ons zal zenden, zo zullen doen!
[^jeremia-42-22-26]: Kanttekening 26: 26 weet nu zekerlijk: Hebreeuws, wetende zult u weten.

### Jeremia 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/43.json)

*De oversten en alle trotsen onder het volk beschuldigen Jeremia over zijn profetie van leugen, trekken naar Egypte en voeren hem en Baruch met zich daarheen, vers 1, 2, enz. Jeremia profeteert te Tachpanhes, met een goddelijk teken, de verwoesting van Egypte door Nebukadrezar, 8.*

**1** En het gebeurde, als Jeremia geëindigd had tot het hele volk te spreken al de woorden van YHWH, hun God, waarmee YHWH, hun God, hem tot hen gezonden had, te weten[^jeremia-43-1-1] al die woorden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v1)

**2** Zo sprak Azaria, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en al de trotse mannen,[^jeremia-43-2-2] zeggende tot Jeremia: U spreekt leugen; YHWH, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: U zult niet gaan in Egypte, om daar als vreemdelingen te verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v2)

**3** Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand van de Chaldeeën, dat zij ons doden en ons als gevangene naar Babel wegvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v3)

**4** Zo gehoorzaamde Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, en al het volk, de stem van YHWH niet, om in het land van Juda te blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v4)

**5** Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers namen het hele overblijfsel van Juda, die van al de heidenen, waar zij waren heengedreven, teruggekeerd waren, om in het land van Juda te wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v5)

**6** De mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en de dochters van de[^jeremia-43-6-3] koning, en alle[^jeremia-43-6-4] ziel, die Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, gelaten had, ook de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Nerija; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v6)

**7** En zij trokken in Egypteland, want zij waren aan de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot[^jeremia-43-7-5] Tachpanhes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v7)

**8** Toen kwam het woord van YHWH tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v8)

**9** Neem grote stenen in uw hand, en verberg ze in de klei in de[^jeremia-43-9-6] ticheloven, die bij de[^jeremia-43-9-7] deur van[^jeremia-43-9-8] Farao's huis te Tachpanhes is, voor de ogen van de Joodse mannen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v9)

**10** En zeg tot hen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal henenzenden, en Nebukadrezar, de koning van Babel,[^jeremia-43-10-a] Mijn[^jeremia-43-10-9] knecht,[^jeremia-43-10-10] halen, en Ik zal zijn troon zetten boven op deze stenen, die[^jeremia-43-10-11] Ik verborgen heb; en hij zal[^jeremia-43-10-12] zijn schone tent daarover spannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v10)

**11** En hij zal komen en Egypteland[^jeremia-43-11-13] slaan:[^jeremia-43-11-b] wie[^jeremia-43-11-14] ten dood, ten dode; en wie voor gevangenschap bestemd is, naar de gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v11)

**12** En Ik zal een[^jeremia-43-12-15] vuur aansteken in de[^jeremia-43-12-16] huizen van de goden van Egypte, en hij zal[^jeremia-43-12-17] ze verbranden, en als gevangene wegvoeren; en hij zal[^jeremia-43-12-18] Egypteland aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v12)

**13** En hij zal de[^jeremia-43-13-19] opgerichte beelden van[^jeremia-43-13-20] Beth-semes,[^jeremia-43-13-21] dat in Egypteland is, verbreken; en hij zal de huizen van de goden van Egypte met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/43.html#v13)

[^jeremia-43-1-1]: Kanttekening 1: 1 die woorden: In Jer. 42 verhaald.
[^jeremia-43-2-2]: Kanttekening 2: 2 zeggende tot Jeremia: In het getal van velen.
[^jeremia-43-6-3]: Kanttekening 3: Zie boven Jer. 41:10. Jeremia 41:10: En Ismaël voerde het gehele overblijfsel van het volk, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten de dochters van de koning, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste van de trawanten, aan Gedalia, de zoon van Ahikam, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde ze gevankelijk weg, en toog heen, om over te gaan tot de kinderen Ammons.
[^jeremia-43-6-4]: Kanttekening 4: Dat is, mensen, personen. Zie Gen. 12:5. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^jeremia-43-7-5]: Kanttekening 5: Zie boven Jer. 2:16. Deze plaats wordt gehouden voor dezelfde stad, die bij de heidense schrijvers genoemd is Daphne. Jeremia 2:16: Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid.
[^jeremia-43-9-6]: Kanttekening 6: Of, tichelrij, tichelhuis.
[^jeremia-43-9-7]: Kanttekening 7: Of, de ingang.
[^jeremia-43-9-8]: Kanttekening 8: 8 Farao's huis te Tachpanhes is: Zie Gen. 12:15; deze schijnt geweest te zijn Farao Hofra, gelijk onder Jer. 44:30. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Jeremia 44:30: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.
[^jeremia-43-10-a]: Verwijzing a: Jer. 25:9; Jer. 27:6. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 27:6: En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.
[^jeremia-43-10-9]: Kanttekening 9: Zie boven Jer. 25:9. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-43-10-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, nemen; zie boven Jer. 37:17. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^jeremia-43-10-11]: Kanttekening 11: 11 Ik verborgen heb: Door de dienst van mijn knecht Jeremia.
[^jeremia-43-10-12]: Kanttekening 12: 12 schone tent daarover spannen: Of, koninklijke tent, paviljoen. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden en schijnt de naam te hebben van zonderlinge schoonheid.
[^jeremia-43-11-13]: Kanttekening 13: Gelijk onder Jer. 46:13, enz. Jeremia 46:13: Het woord, dat YHWH tot de profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypteland te slaan.
[^jeremia-43-11-b]: Verwijzing b: Jer. 15:2; Zach. 11:9. Jeremia 15:2: En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis! Zacharia 11:9: En ik zei: ik zal u niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de één van de anderen vlees verslinden.
[^jeremia-43-11-14]: Kanttekening 14: 14 ten dood, ten dode: Versta, gesteld en verordineerd is; zie boven Jer. 15:2, 15:3. Jeremia 15:2: En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis! Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven.
[^jeremia-43-12-15]: Kanttekening 15: 15 vuur aansteken: Dat is, verwoesting, verstoring aanrichten; vergelijk boven Jer. 15:14. Jeremia 15:14: En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.
[^jeremia-43-12-16]: Kanttekening 16: 16 huizen van de goden van Egypte: Dat is, afgodische tempels.
[^jeremia-43-12-17]: Kanttekening 17: Nebukadnezar zal de afgoden van de Egyptenaars en hun huizen of tempels verbranden, en de Egyptenaars gevankelijk wegvoeren.
[^jeremia-43-12-18]: Kanttekening 18: 18 Egypteland aantrekken: Dat is, de rijkdom en roof van Egypte tot zijn gerief en voordeel tot en met zich nemen, zo licht, zoetjes en gemakkelijk als een herder zijn herdersrok aantrekt, om zich daarmede te bedekken en te bewinden tegen de koude; hij zal geladen bedekt en als rondom bewonden zijn met de roof.
[^jeremia-43-13-19]: Kanttekening 19: 19 opgerichte beelden: Gelijk 1 Kon. 14:23. 1 Koningen 14:23: Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder alle groenen boom.
[^jeremia-43-13-20]: Kanttekening 20: Dat is, van het zonnehuis, genoemd bij de heidense schrijvers Heliopolis; dat is Zonnestad, alwaar men gruwelijke afgoderij bedreef. Deze stad meent men dat bij de Hebreën ook On genoemd is; Gen. 41:45, 41:50. Genesis 41:45: En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. Genesis 41:50: En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar van de honger aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde.
[^jeremia-43-13-21]: Kanttekening 21: 21 dat in Egypteland is: Een ander Bethsemes was er in Israël aan de grenzen van de Filistijnen, 1 Sam. 6:12. 1 Samuël 6:12: De koeien nu gingen recht in die weg, op de weg naar Beth-semes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechterhand noch ter linkerhand; en de vorsten van de Filistijnen gingen daarachter tot aan de landpale van Beth-semes.

### Jeremia 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/44.json)

*Jeremia stelt het volk in Egypte de voorgaande zonden en straffen van Juda voor ogen, vers 1, enz. profeteert hun evenzo het verderf in Egypte, 11. De wanhopige koppigheid van de Joden tegen deze profetie, 15. waarover de profeet hen andermaal zwaar dreigt en als teken voorzegt wat de koning van Egypte zal overkomen, 20.*

**1** Het[^jeremia-44-1-1] woord, dat tot Jeremia kwam aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te[^jeremia-44-1-2] Migdol woonden, en te[^jeremia-44-1-3] Tachpanhes, en te[^jeremia-44-1-4] Nof, en in het land[^jeremia-44-1-5] Pathros, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: U hebt gezien al het[^jeremia-44-2-7] kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid op deze dag, en niemand woont daarin;[^jeremia-44-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v2)

**3** Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, u, noch uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v3)

**4** En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten,[^jeremia-44-4-8] vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doe[^jeremia-44-4-9] toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v4)

**5** Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij aan andere goden niet roken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v5)

**6** Daarom is Mijn woede en Mijn toorn[^jeremia-44-6-a] uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, zoals het is op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v6)

**7** En nu, zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de God van Israël: Waarom doet u zulk een groot[^jeremia-44-7-10] kwaad tegen uw[^jeremia-44-7-11] zielen,[^jeremia-44-7-12] opdat u zich de man en de vrouw, het[^jeremia-44-7-13] kind en de zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat u zich geen overblijfsel overlaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v7)

**8** Tergende Mij door de werken van uw handen, rokende aan andere goden in het land van Egypte, alwaar u gekomen bent, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat[^jeremia-44-8-14] u uzelf uitroeit, en opdat u wordt tot een vloek, en tot een smaad onder alle volken van de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v8)

**9** Hebt u vergeten de[^jeremia-44-9-15] boosheden van uw vaders, en de boosheden van de koningen van Juda, en de boosheden van hun vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden van uw vrouwen, die[^jeremia-44-9-16] zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v9)

**10** Zij zijn tot op deze dag nog niet[^jeremia-44-10-17] verbrijzeld van hart, en zij hebben[^jeremia-44-10-18] niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn voorschriften, die Ik voor uw aangezicht en voor het[^jeremia-44-10-19] aangezicht van uw vaders gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v10)

**11** Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn[^jeremia-44-11-20] aangezicht tegen u stellen ten kwade, en om geheel Juda uit te roeien.[^jeremia-44-11-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v11)

**12** En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun[^jeremia-44-12-21] aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het[^jeremia-44-12-c] zwaard zullen zij vallen, door de honger zullen zij verteerd worden, van de kleinste tot de grootste toe; door het zwaard en door de honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een[^jeremia-44-12-22] vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v12)

**13** Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door de honger en door de pest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v13)

**14** Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, niemand zal hebben, die[^jeremia-44-14-23] ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van[^jeremia-44-14-24] Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die[^jeremia-44-14-25] ontkomen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v14)

**15** Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen aan andere goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, en ook al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v15)

**16** Voor wat betreft het woord, dat u tot ons in de Naam van YHWH gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v16)

**17** Maar wij zullen[^jeremia-44-17-26] geheel doen al wat[^jeremia-44-17-27] uit[^jeremia-44-17-28] onze mond is uitgegaan, rokende[^jeremia-44-17-29][^jeremia-44-17-d] aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren[^jeremia-44-17-30] vrolijk, en zagen[^jeremia-44-17-31] geen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v17)

**18** Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankoffers te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v18)

**19** Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankoffers offeren, maken wij haar gebeelde[^jeremia-44-19-32] koeken, om haar[^jeremia-44-19-33] af te beelden, en offeren wij haar drankoffers,[^jeremia-44-19-34] zonder onze mannen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v19)

**20** Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem[^jeremia-44-20-35] dat geantwoord hadden, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v20)

**21** Het roken, dat u in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, u en uw vaders, uw koningen en uw vorsten, en het volk van het land, heeft YHWH daaraan niet gedacht, en[^jeremia-44-21-36] is het niet in Zijn hart opgekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v21)

**22** Zodat YHWH niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid van uw handelingen, vanwege de gruwelijke dingen, die u deed; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot[^jeremia-44-22-37] ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, zoals het is op deze dag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v22)

**23** Vanwege dat u gerookt hebt, en dat u tegen YHWH gezondigd hebt, en aan de stem van YHWH niet gehoorzaam bent geweest, en in Zijn wet en in Zijn voorschriften, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad overkomen, zoals het is op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v23)

**24** Verder zei Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort het woord van YHWH, u geheel Juda, die in Egypteland bent! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v24)

**25** Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Voor wat betreft u en uw vrouwen,[^jeremia-44-25-38] zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen[^jeremia-44-25-39] vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben,[^jeremia-44-25-40] geheel houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende;[^jeremia-44-25-41] nu, zij hebben uw geloften[^jeremia-44-25-42] volkomen bevestigd en uw geloften[^jeremia-44-25-43] volkomen gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v25)

**26** Daarom hoort het woord van YHWH, u geheel Juda, die in Egypteland woont! Zie, Ik zweer bij Mijn grote Naam, zegt YHWH, zo Mijn Naam met de mond[^jeremia-44-26-44] van enig man van Juda in geheel Egypteland meer zal genoemd worden, die zegt: Zo waarachtig als Adonai YHWH leeft![^jeremia-44-26-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v26)

**27** Zie, Ik zal over hen[^jeremia-44-27-46][^jeremia-44-27-e] waken ten kwade en niet ten goede; en alle[^jeremia-44-27-47] mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v27)

**28** Maar die[^jeremia-44-28-48] van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda,[^jeremia-44-28-49] weinig in getal; en het hele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen[^jeremia-44-28-50] zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen[^jeremia-44-28-51] weten, wiens woord bestaan zal,[^jeremia-44-28-52] het Mijn of het hunne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v28)

**29** En[^jeremia-44-29-53] dit zal u het teken zijn, spreekt YHWH, dat Ik in deze plaats[^jeremia-44-29-54] over u bezoeking zal doen; opdat u weet, dat Mijn woorden[^jeremia-44-29-55] zeker over u bestaan zullen ten kwade; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v29)

**30** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal Farao[^jeremia-44-30-56] Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand van degenen, die zijn[^jeremia-44-30-57] ziel zoeken, zoals Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/44.html#v30)

[^jeremia-44-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de Heer.
[^jeremia-44-1-2]: Kanttekening 2: 2 Migdol woonden: Zie Ex. 14:2. Exodus 14:2: Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij terugkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult u u legeren aan de zee.
[^jeremia-44-1-3]: Kanttekening 3: Gelijk boven Jer. 43:7. Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren aan de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.
[^jeremia-44-1-4]: Kanttekening 4: Zie Jes. 19:13. Jesaja 19:13: De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uiterste hoek van zijn stammen.
[^jeremia-44-1-5]: Kanttekening 5: Zie Gen. 10:14. Genesis 10:14: En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.
[^jeremia-44-2-7]: Kanttekening 7: Van de straf.
[^jeremia-44-2-6]: Kanttekening 6: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-44-4-8]: Kanttekening 8: 8 vroeg op zijnde en zendende: Zie boven Jer. 7:13. Jeremia 7:13: En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt;
[^jeremia-44-4-9]: Kanttekening 9: 9 toch deze gruwelijke zaak niet: Hebreeuws, de zaak van deze gruwel.
[^jeremia-44-6-a]: Verwijzing a: Jer. 7:20; Jer. 42:18. Jeremia 7:20: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van het aarde; en zal branden, en niet uitgeblust worden. Jeremia 42:18: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.
[^jeremia-44-7-10]: Kanttekening 10: Van de schuld, dat is, zonde.
[^jeremia-44-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, tot uw eigen verderf, tegen uzelven, tegen uw leven, enz. Vergelijk Num. 16:38. Numeri 16:38: Te weten de wierookvaten van deze, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van YHWH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de kinderen van Israël tot een teken zijn.
[^jeremia-44-7-12]: Kanttekening 12: 12 opdat u zich de man en de vrouw: Dit alles, wil de Heer zeggen, zult u veroorzaken door deze uwe boosheid; u gedraagt u anders niet dan of gijzelf lust daartoe hadt om u zulks op de hals te halen; zo in het volgende. Vergelijk boven Jer. 18:16. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-44-7-13]: Kanttekening 13: 13 kind en de zuigeling: Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 8:3. Psalmen 8:3: Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^jeremia-44-8-14]: Kanttekening 14: 14 uzelven uitroeit: Of, u \[allen overblijfsel\] uitroeit.
[^jeremia-44-9-15]: Kanttekening 15: 15 boosheden van uw vaderen: Anders: kwaden; dat is, plagen, zo in het volgende. Maar vergelijk vers 10. Jeremia 44:10: Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht van uw vaderen gegeven heb.
[^jeremia-44-9-16]: Kanttekening 16: 16 zij gedaan hebben: Namelijk de vaders, koningen, enz. Anders: de plagen, die zij \[de vijanden\] geoefend hebben in uw land, het kwaad, dat zij daar bedreven hebben.
[^jeremia-44-10-17]: Kanttekening 17: 17 verbrijzeld van hart: Dat is, zij zijn niet vermurwd, noch gebroken van hart, zij hebben geen hartelijk berouw en leedwezen gehad, noch om genade gebeden; zie Ps. 51:19. Psalmen 51:19: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^jeremia-44-10-18]: Kanttekening 18: 18 niet gevreesd: Vergelijk Spreuk. 28:14, en boven Jer. 3:8. Spreuken 28:14: Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen. Jeremia 3:8: En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde, maar ging heen, en hoereerde zelve ook.
[^jeremia-44-10-19]: Kanttekening 19: 19 aangezicht van uw vaderen gegeven heb: Dat is, die Ik u en uw vaderen duidelijk en in het openbaar voorgelegd heb, opdat u uw wandel daarnaar zoudt richten.
[^jeremia-44-11-20]: Kanttekening 20: 20 aangezicht tegen u stellen: Te weten mijn toornig aangezicht; alsof God zei: Gelijk zij hun aangezicht hardnekkiglijk stellen tegen al mijn geboden, zo zal Ik mijn aangezicht tegen hen stellen tot hun verderf; vergelijk Lev. 17:10, en Ps. 21:10. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Psalmen 21:10: U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^jeremia-44-11-b]: Verwijzing b: Jer. 21:10; Amos 9:4. Jeremia 21:10: Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. Amos 9:4: En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
[^jeremia-44-12-21]: Kanttekening 21: 21 aangezichten gesteld hebben: Zie boven Jer. 42:15. Jeremia 42:15: Nu dan, daarom hoort het woord van YHWH, u overblijfsel van Juda! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Als u ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren;
[^jeremia-44-12-c]: Verwijzing c: Jer. 42:15; idem v. 16; idem v. 17; idem v. 22. Jeremia 42:15: Nu dan, daarom hoort van YHWH woord, u overblijfsel van Juda! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Als u ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; Jeremia 42:16: Zo zal het gebeuren, dat het zwaard, waar u voor vreest, u daar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar u voor zorgt, zal u daar in Egypte achter aankleven, en u zult daar sterven. Jeremia 42:17: Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen. Jeremia 42:22: Zo weet nu zekerlijk, dat u door het zwaard, door de honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft heen te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren.
[^jeremia-44-12-22]: Kanttekening 22: Zie boven Jer. 42:18. Jeremia 42:18: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.
[^jeremia-44-14-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws, geen ontkome of overgeblevene, gelijk boven Jer. 42:17. Jeremia 42:17: Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen.
[^jeremia-44-14-24]: Kanttekening 24: 24 waarnaar hun ziel verlangt: Hebreeuws, waarnaar zij hun ziel opheffen (נַפְשָׁ); zie boven Jer. 22:27. Jeremia 22:27: En in het land, naar dat hun ziel verlangt om daar weer te komen, daarheen zullen zij niet wederkomen.
[^jeremia-44-14-25]: Kanttekening 25: 25 ontkomen zullen: Hebreeuws, de ontkomenen; te weten enige vromen, die tegen hun dank in Egypte gevoerd zijn; of anders, die het God zal believen genadiglijk te bekeren en over te laten, om getuigen te zijn van de waarheid van deze zijn profetieën. Vergelijk onder vers 28. Jeremia 44:28: Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het gehele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.
[^jeremia-44-17-26]: Kanttekening 26: 26 ganselijk doen: Of, zekerlijk. Hebreeuws, doende doen.
[^jeremia-44-17-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, woord, ding, zaak (דָּבָר).
[^jeremia-44-17-28]: Kanttekening 28: 28 uit onze mond is uitgegaan: Dat is, wij zullen onze geloften volbrengen, zie Num. 30:2; Richt. 11:36, en onder vers 25. Numeri 30:2: Wanneer een man YHWH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen. Richteren 11:36: En zij zei tot hem: Mijn vader! hebt u uw mond opengedaan tot YHWH, doe mij, gelijk als uit uw mond gegaan is; aangezien u YHWH volkomen wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons. Jeremia 44:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.
[^jeremia-44-17-29]: Kanttekening 29: 29 Melecheth van de hemel: Zie boven de aantekening Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-44-17-d]: Verwijzing d: Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-44-17-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, goed; dat is, vrolijk (טוֹבִים). Zie Richt. 16:25. Richteren 16:25: En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^jeremia-44-17-31]: Kanttekening 31: 31 zagen geen kwaad: Dat is, ons wedervoer geen ongeluk of tegenspoed; zie Job 7:7. Job 7:7: Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
[^jeremia-44-19-32]: Kanttekening 32: Zie boven Jer. 7:18. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^jeremia-44-19-33]: Kanttekening 33: 33 af te beelden: Te weten zonderling en met moeite. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk smart en verdriet aandoen; waarvan verder de afgodische beelden de naam hebben, omdat zij de mensen in smart en verdriet brengen; \[zie 1 Sam. 31:9, en 2 Sam. 5:21\], en verder het woord, dat hier staat, genomen wordt voor zonderling afbeelden, en tot een afgod formeren; vergelijk Job 10:8. Anders, om haar te vereren; idem tot verdriet, bekommernis, en verder tot medelijden te bewegen. 1 Samuël 31:9: En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op. Job 10:8: Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij.
[^jeremia-44-19-34]: Kanttekening 34: 34 zonder onze mannen: Dat is, zonder wil en toelating, of gezelschap en hulp onzer mannen; alsof haar dat verschonen kon; door haar mannen versta haar echte mannen; gelijk vers 15, 44:25. Jeremia 44:15: Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, en ook al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende: Jeremia 44:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.
[^jeremia-44-20-35]: Kanttekening 35: 35 zulks geantwoord hadden: Hebreeuws, een, of het woord (דָּבָר).
[^jeremia-44-21-36]: Kanttekening 36: 36 is het niet in Zijn hart opgekomen: Dat is, heeft Hij het niet ter harte genomen, zodat Hij u daarom dus zwaar gestraft heeft; vergelijk boven Jer. 7:31. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-44-22-37]: Kanttekening 37: Zie boven Jer. 18:16. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-44-25-38]: Kanttekening 38: 38 zij hebben toch met uw mond gesproken: De vrouwen, zie boven vers 15, enz. Alsof de Heer zei: U bent deze zaak tezamen wel eens, de één zegt het, de ander doet het, u helpt elkaar. Anders: U en uwe vrouwen, u hebt, enz. Jeremia 44:15: Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, en ook al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:
[^jeremia-44-25-39]: Kanttekening 39: Dat is, metterdaad volbracht.
[^jeremia-44-25-40]: Kanttekening 40: 40 ganselijk houden: Hebreeuws, doende doen; dat is, zonder fout in het werk stellen, volbrengen.
[^jeremia-44-25-41]: Kanttekening 41: 41 zij hebben uw geloften: Uwe vrouwen.
[^jeremia-44-25-42]: Kanttekening 42: 42 volkomenlijk bevestigd: Hebreeuws, bevestigende bevestigd. Zie boven Jer. 35:14, met de aantekening. Jeremia 35:14: De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord.
[^jeremia-44-25-43]: Kanttekening 43: 43 volkomenlijk gehouden: Hebreeuws, doende gedaan.
[^jeremia-44-26-44]: Kanttekening 44: 44 man van Juda in geheel Egypteland: Dat is, mensen; zie Job 12:10, zo in vers 27. Job 12:10: In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mensen. Jeremia 44:27: Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.
[^jeremia-44-26-45]: Kanttekening 45: Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk; zie Deut. 1:35. Deuteronomium 1:35: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^jeremia-44-27-46]: Kanttekening 46: 46 waken ten kwade: Of, wakker zijn; zie boven Jer. 1:11, 1:12. Jeremia 1:11: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede. Jeremia 1:12: En YHWH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
[^jeremia-44-27-e]: Verwijzing e: Jer. 31:28. Jeremia 31:28: En het zal gebeuren, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt YHWH.
[^jeremia-44-27-47]: Kanttekening 47: 47 mannen van Juda: Hebreeuws, alle man (אִישׁ); zie boven Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^jeremia-44-28-48]: Kanttekening 48: 48 van het zwaard ontkomen: Hebreeuws, ontkomenen van het zwaard (חֶרֶב).
[^jeremia-44-28-49]: Kanttekening 49: 49 weinig in getal: Hebreeuws, mensen van getal; zie Gen. 34:30; en vergelijk boven vers 14. Genesis 34:30: Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. Jeremia 44:14: Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen.
[^jeremia-44-28-50]: Kanttekening 50: Anders: waren, verstaande de ontkomenen.
[^jeremia-44-28-51]: Kanttekening 51: Dat is, ervaren, vernemen, ondervinden; zo in vers 29. Jeremia 44:29: En dit zal u het teken zijn, spreekt YHWH, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat u weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade;
[^jeremia-44-28-52]: Kanttekening 52: 52 het Mijn of het hunne: Hebreeuws, van mij, of van hen; dat is, dat van mij is uitgegaan, of wat dat van hen is uitgegaan.
[^jeremia-44-29-53]: Kanttekening 53: 53 dit zal u het teken zijn: Dat in vers 30 verhaald wordt. Jeremia 44:30: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.
[^jeremia-44-29-54]: Kanttekening 54: 54 over u bezoeking zal doen: Dat is, u straffen zal; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-44-29-55]: Kanttekening 55: 55 zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade: Hebreeuws, bestaande, of oprijzende bestaan zullen.
[^jeremia-44-30-56]: Kanttekening 56: Bij de heidense schrijver genoemd Apries, bij anderen Vafres. Deze was een kindskind van Farao Necho, gelijk Herodotus in zijn tweede boek betuigt.
[^jeremia-44-30-57]: Kanttekening 57: 57 ziel zoeken: Die naar zijn leven staan; zie Ex. 4:19; 2 Sam. 4:8. Herodotus schrijft dat hij van zijn eigen onderdaan Amasis overwonnen zijnde, ten laatste de Egyptenaars, die tegen hem waren opgestaan, is overgeleverd en van henlieden verworgd. Enige menen dat deze Apries de profeet Jeremia heeft laten ombrengen, misschien om deze profetie, en ter begeerte van deze boze Joden, aan wie hij hem mag hebben overgeleverd om te stenigen. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.

### Jeremia 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/45.json)

*Baruch, weemoedig en kleinhartig zijnde over deze profetieën, wordt door God via de profeet daarover berispt en getroost.*

**1** Het woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Nerija, als hij[^jeremia-45-1-1] die woorden uit de mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de[^jeremia-45-1-2] zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/45.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH, de God van Israël, van u, o Baruch! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/45.html#v2)

**3** U zegt:[^jeremia-45-3-3] Wee nu mij, want YHWH heeft[^jeremia-45-3-4] droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moe van mijn zuchten, en vind geen rust! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/45.html#v3)

**4** Zo zult u tot hem zeggen: Zo zegt YHWH: Zie, dat Ik gebouwd heb,[^jeremia-45-4-5] breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/45.html#v4)

**5** En zou u zich grote dingen zoeken[^jeremia-45-5-6]? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een[^jeremia-45-5-7] kwaad over[^jeremia-45-5-8] alle vlees, spreekt YHWH; maar Ik zal u uw[^jeremia-45-5-9] ziel tot een[^jeremia-45-5-a] buit geven, in alle plaatsen, waar u zult henentrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/45.html#v5)

[^jeremia-45-1-1]: Kanttekening 1: 1 die woorden: Zie boven Jer. 36:2, 36:4, enz. Jeremia 36:2: Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag. Jeremia 36:4: Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija; en Baruch schreef uit de mond van Jeremia alle woorden van YHWH, die Hij tot hem gesproken had, op een rol van het boek.
[^jeremia-45-1-2]: Kanttekening 2: 2 vierde jaar van Jojakim: Hier blijkt duidelijk dat in het stellen en vergaderen deze profetieën de orde van de tijd niet overal gevolgd is; vergelijk boven Jer. 35:1, en zo in Jer. 46, enz. Jeremia 35:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is van YHWH, in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende:
[^jeremia-45-3-3]: Kanttekening 3: 3 Wee nu mij: Uit het volgende antwoord kan men afnemen dat Baruch, als een godzalig man, al deze profetieën van de verwoesting van Jeruzalem en het gehele land, enz. gelovende, daarover zeer bedroefd en benauwd is geweest, maar ondertussen, uit menselijke zwakheid, te zeer bevreesd en bekommerd over de staat van het Joodse volk in het algemeen en voor zijn eigen persoon in het bijzonder, waarover hij van God berispt en niettemin getroost wordt.
[^jeremia-45-3-4]: Kanttekening 4: 4 droefenis tot mijn smart gedaan: Want van de vromen waren weinig, de boosheid had de overhand, en de tegenwoordige ellenden waren verschrikkelijk, maar de toekomende nog veel meer.
[^jeremia-45-4-5]: Kanttekening 5: 5 breek Ik af: Dat is, Ik ga het afbreken, Ik zal het haast doen; zo in het volgende.
[^jeremia-45-5-6]: Kanttekening 6: 6 grote dingen zoeken: Dat is, een gerusten, voorspoedigen en bloeienden staat voor het Joodse volk en voor uzelven begeren?
[^jeremia-45-5-7]: Kanttekening 7: Van de straf.
[^jeremia-45-5-8]: Kanttekening 8: 8 alle vlees: Dat is, een algemene ellende, over allerlei stand van mensen. Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^jeremia-45-5-9]: Kanttekening 9: 9 ziel tot een buit geven: Dat is, uw leven, gelijk boven Jer. 21:9. Alsof God zei: Laat u mijn genade, met deze weldaad, genoeg wezen, dat u, als in een algemenen zondvloed, behouden wordt. Jeremia 21:9: Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.
[^jeremia-45-5-a]: Verwijzing a: Jer. 21:9; Jer. 38:2; Jer. 39:18. Jeremia 21:9: Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn. Jeremia 38:2: Zo zegt YHWH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven. Jeremia 39:18: Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en u zult door het zwaard niet vallen; maar u zult uw ziel tot een buit hebben, omdat u op Mij vertrouwd hebt, spreekt YHWH.

### Jeremia 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/46.json)

*Titel van de volgende profetieën, vers 1. profetie over de nederlaag van de koning van Egypte, Farao Necho, 2. en verder over de gehele verwoesting van Egypte door Nebukadrezar, met een bijgevoegde belofte, 13. Gods volk wordt getroost in hun kastijdingen, 27.*

**1** Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia gebeurd is tegen de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v1)

**2** [^jeremia-46-2-1] Tegen Egypte; tegen het leger van Farao Necho, koning van Egypte,[^jeremia-46-2-2] dat aan de rivier[^jeremia-46-2-3] Frath,[^jeremia-46-2-4] bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel,[^jeremia-46-2-5] sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v2)

**3** Rust het schild en het grote schild toe, en[^jeremia-46-3-6] nadert tot de strijd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v3)

**4** [^jeremia-46-4-7] Span de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen;[^jeremia-46-4-a] veegt de speren, trekt de pantsiers aan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v4)

**5** Waarom[^jeremia-46-5-8] zie Ik, dat zij versaagd en achteruit gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en[^jeremia-46-5-9] nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v5)

**6** De[^jeremia-46-6-10] snelle ontvlucht niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan de[^jeremia-46-6-11] oever van de rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v6)

**7** Wie is deze, die optrekt als een[^jeremia-46-7-12] stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v7)

**8** [^jeremia-46-8-13] Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde[^jeremia-46-8-14] bedekken, ik zal de[^jeremia-46-8-15] stad, en die daarin wonen, verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v8)

**9** Trek op, u paarden! en[^jeremia-46-9-16] raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de[^jeremia-46-9-17] Moren, en de Puteërs, die het schild[^jeremia-46-9-18] handelen, en de Lydiërs, die de[^jeremia-46-9-b] boog handelen[^jeremia-46-9-19] en spannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v9)

**10** Maar deze dag is van YHWH, van YHWH van[^jeremia-46-10-20] de legermachten, een dag van de wraak, dat Hij zich wreke van Zijn tegenstanders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, YHWH van de legermachten, heeft een[^jeremia-46-10-21] slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier[^jeremia-46-10-22] Frath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v10)

**11** Ga heen op naar[^jeremia-46-11-23][^jeremia-46-11-c] Gilead, en[^jeremia-46-11-24] haal[^jeremia-46-11-25] balsem, u[^jeremia-46-11-26] jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen[^jeremia-46-11-27] heling voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v11)

**12** De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw hulpgeroep; want zij hebben zich gestoten, held[^jeremia-46-12-28] tegen held, zij zijn beiden samen gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v12)

**13** [^jeremia-46-13-29] Het woord, dat YHWH tot de profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypteland te[^jeremia-46-13-30] slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v13)

**14** Verkondig in Egypte, en doet het horen te[^jeremia-46-14-31] Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zeg: Stel[^jeremia-46-14-32] er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft[^jeremia-46-14-33] verteerd, wat rondom u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v14)

**15** Waarom[^jeremia-46-15-34] zijn uw sterken weggeveegd? Zij[^jeremia-46-15-35] stonden niet, omdat hen YHWH[^jeremia-46-15-36] voortdreef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v15)

**16** Hij[^jeremia-46-16-37] maakte van de struikelenden veel; ja,[^jeremia-46-16-38] de één viel op de ander; zodat zij[^jeremia-46-16-39] zeiden: Sta op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land van onze geboorte[^jeremia-46-16-40],[^jeremia-46-16-41] vanwege het[^jeremia-46-16-42] verdrukkende zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v16)

**17** Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een[^jeremia-46-17-43] geluid; hij heeft de[^jeremia-46-17-44] gezetten tijd laten voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v17)

**18** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten; hij zal[^jeremia-46-18-45] voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v18)

**19** Maak voor u[^jeremia-46-19-46] gereedschap van de wegvoering,[^jeremia-46-19-47] u inwoneres, u dochter van Egypte! want[^jeremia-46-19-48] Nof zal ter verwoesting worden, en zal[^jeremia-46-19-49] verbrand worden, dat er niemand in woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v19)

**20** Egypte is een zeer schone[^jeremia-46-20-50] vaars; de[^jeremia-46-20-51] slachter[^jeremia-46-20-52] komt, hij komt van het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v20)

**21** Zelfs haar[^jeremia-46-21-53] gehuurden in haar midden zijn als[^jeremia-46-21-54] gemeste kalveren; maar die[^jeremia-46-21-55] hebben zich ook gewend, zij zijn samen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag van hun[^jeremia-46-21-56] verderf is over hen gekomen, de tijd van hun[^jeremia-46-21-57] bezoeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v21)

**22** [^jeremia-46-22-58] Haar stem zal gaan als van een slang; want[^jeremia-46-22-59] zij zullen met krijgsmacht daarheen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v22)

**23** Zij hebben haar[^jeremia-46-23-60] woud afgehouwen, spreekt YHWH, hoewel het niet is te[^jeremia-46-23-61] onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men[^jeremia-46-23-62] hen niet tellen kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v23)

**24** De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand van het[^jeremia-46-24-63] volk van het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v24)

**25** YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Zie, Ik zal bezoeking doen over de[^jeremia-46-25-64] menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar[^jeremia-46-25-65] koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v25)

**26** En Ik zal hen geven in de hand van degenen, die hun[^jeremia-46-26-66] ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van zijn knechten. Maar daarna[^jeremia-46-26-67] zal[^jeremia-46-26-68] zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v26)

**27** Maar[^jeremia-46-27-d] u, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw[^jeremia-46-27-69] zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal terugkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem[^jeremia-46-27-70] verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v27)

**28** U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een[^jeremia-46-28-71] voleinding maken met al de heidenen, waarheen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u[^jeremia-46-28-e] straffen met[^jeremia-46-28-72] mate, en u[^jeremia-46-28-73] niet geheel onschuldig houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/46.html#v28)

[^jeremia-46-2-1]: Kanttekening 1: 1 Tegen Egypte: Of, van Egypte, of de Egyptenaars.
[^jeremia-46-2-2]: Kanttekening 2: Of, die, te weten Farao Necho.
[^jeremia-46-2-3]: Kanttekening 3: Eufraat. Zie Gen. 2:14; zo in het volgende. Genesis 2:14: En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^jeremia-46-2-4]: Kanttekening 4: 4 bij Karchemis: Of, te Karchemis; verstaande zulks van de koning Farao Necho zelf, hebbende zijn leger daaromtrent; zo het onzeker is of hij ten tijde van Josia, die hij overwon, deze stad die Sanherib de Syriërs afgenomen had na de overwinning heeft ingenomen, dan of hij nu opnieuw met zijn leger daarvoor is geweest om die te winnen, òf van die tijd af de belegering voortgezet heeft; zie 2 Kon. 23:29; en 2 Kron. 35:20; idem, Jes. 10:9. 2 Koningen 23:29: In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 2 Kronieken 35:20: Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia toog uit hem tegemoet. Jesaja 10:9: Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus?
[^jeremia-46-2-5]: Kanttekening 5: Bij het leven van zijn vader Nabopolassar, nadat Jeremia zulks alles tevoren geprofeteerd had, gelijk volgt; na welke nederlaag de koning van Egypte tehuis bleef, hoewel hij ten tijde van Zedekia nog een tocht voornam, maar tevergeefs; zie 2 Kon. 24:7, en boven Jer. 37:5, 37:11. 2 Koningen 24:7: De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van de koning van Egypte was. Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen). Jeremia 37:11: Verder geschiedde het, als de legermacht van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's legermacht;
[^jeremia-46-3-6]: Kanttekening 6: 6 nadert tot de strijd: Om slag te leveren. Aldus spreekt de profeet de Egyptische krijgslieden aan, bespottenderwijze, alsof hij zei: Bereidt u vrij op het best dat u mag, het zal maar tevergeefs zijn, u zult evenwel geslagen worden. Vergelijk onder Jer. 51:11. Jeremia 51:11: Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; YHWH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van YHWH, de wraak van Zijn tempel.
[^jeremia-46-4-7]: Kanttekening 7: 7 Spant de paarden aan: Te weten, aan de wagens, van die de wagenruiters in die tijd plachten te vechten, zie 2 Sam. 10:18. Hebreeuws, bindt. Vergel. Gen. 46:29 en Ex. 14:6, 1 Kon. 18:44 etc., alwaar hetzelfde Hebreeuwse woord gebruikt wordt. Anders, zadelt de peerden. 2 Samuël 10:18: Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf. Genesis 46:29: Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals. Exodus 14:6: En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. 1 Koningen 18:44: En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.
[^jeremia-46-4-a]: Verwijzing a: Jer. 51:11. Jeremia 51:11: Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; YHWH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van YHWH, de wraak Zijn tempels.
[^jeremia-46-5-8]: Kanttekening 8: 8 zie Ik: In het profetisch gezicht, dat hem God dienaangaande vertoonde.
[^jeremia-46-5-9]: Kanttekening 9: 9 nemen de vlucht: Hebreeuws, vluchtende vlucht.
[^jeremia-46-6-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, lichte; te weten op de voeten; gelijk 2 Sam. 2:18; dat is, snel in het lopen. God wil zeggen dat hen noch snelheid noch sterkte zal helpen. Anders: de snelle zal niet ontvluchten, en de held zal niet ontkomen. 2 Samuël 2:18: Nu waren daar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als één van de reeën, die in het veld zijn.
[^jeremia-46-6-11]: Kanttekening 11: 11 aan de oever: Hebreeuws, aan de hand, of zijde (יַד); zie boven Jer. 41:9. Jeremia 41:9: De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, die de koning Asa maakte vanwege Baësa, de koning van Israël; deze vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen.
[^jeremia-46-7-12]: Kanttekening 12: Deze gelijkenissen zien op de gelegenheid van Egypteland, dat vele rivieren of waterstromen had. Versta hierdoor de menigte van zijn krijgslieden, met welke Farao zeer prachtig aankwam.
[^jeremia-46-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, de Egyptenaars.
[^jeremia-46-8-14]: Kanttekening 14: Met de menigte van mijn krijgsvolk, als met een wolk.
[^jeremia-46-8-15]: Kanttekening 15: Als men dit duidt op Karchemis, waarvan boven vers 2, zo heeft hij deze stad nog niet ingehad, maar nu gemeend te vermeesteren. Anderen verstaan door de stad, in het algemeen, steden en inwoners; zo onder Jer. 47:2. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Jeremia 47:2: Zo zegt YHWH: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid daarvan, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners van het land zullen huilen;
[^jeremia-46-9-16]: Kanttekening 16: Alsof u dol en onzinnig was.
[^jeremia-46-9-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, Chusch; zie hiervan, en van de Puteërs en Lydiërs, Gen. 10:6, 10:13; deze waren gehuurd door de koning van Egypte; zie vers 16, 46:17, 46:21. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. Genesis 10:13: En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, Jeremia 46:16: Hij maakte van de struikelenden veel; ja, de één viel op de ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. Jeremia 46:17: Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft de gezetten tijd laten voorbijgaan. Jeremia 46:21: Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd van hun bezoeking.
[^jeremia-46-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, voeren, daarmede omgaan.
[^jeremia-46-9-b]: Verwijzing b: Jes. 66:19. Jesaja 66:19: En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.
[^jeremia-46-9-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws eigenlijk, treden; zie Ps. 7:13. Psalmen 7:13: Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid.
[^jeremia-46-10-20]: Kanttekening 20: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-46-10-21]: Kanttekening 21: Of slachtmaal; dat is, Hij zal zijn vijanden laten slachten, en dit zijn rechtvaardig oordeel zal voor hem zo aangenaam zijn als een slachtoffer, want zijn naam zal daardoor verheerlijkt worden. Vergelijk Jes. 34:6; Ez. 39:17, enz. met de aantekening. Jesaja 34:6: Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Ezechiël 39:17: U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^jeremia-46-10-22]: Kanttekening 22: Want Karchemis was tegen het noorden van Egypte af gelegen.
[^jeremia-46-11-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 37:25, met de aantekening. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
[^jeremia-46-11-c]: Verwijzing c: Jer. 8:22. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter mijn volks niet gerezen?
[^jeremia-46-11-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, neem. Zie boven Jer. 37:17. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^jeremia-46-11-25]: Kanttekening 25: Om de geslagen wonden te genezen. Vergelijk boven Jer. 8:22, en onder Jer. 51:8. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter van mijn volk niet gerezen? Jeremia 51:8: Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
[^jeremia-46-11-26]: Kanttekening 26: 26 jonkvrouw, dochter van Egypte: Dat is, u volk of inwoners van Egypte, die met uwe menigte, macht, weelde en onoverwinnelijkheid praalt, alsof u niemand zou kunnen overweldigen of schofferen, gelijk een jonge dochter praalt met haar schoonheid en maagdelijken staat. Vergelijk 2 Kon. 19:21. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jeremia-46-11-27]: Kanttekening 27: Of, pleister. Hebreeuws, opgang, rijzing, opkomen, enz., \[zie boven Jer. 30:13, 30:17\] zodat al uw medicineren niet helpen zal. Jeremia 30:13: Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters. Jeremia 30:17: Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt YHWH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.
[^jeremia-46-12-28]: Kanttekening 28: 28 gestoten, held tegen held: Of, is gestruikeld over de ander. Hebreeuws, held tegen held hebben zich gestoten, of held over held zijn gestruikeld.
[^jeremia-46-13-29]: Kanttekening 29: 29 Het woord: Dit is nu ene profetie van Nebukadnezars optocht naar Egypte. Vergelijk Jes. 19:1, enz., en Ez. 29,30,32. Jesaja 19:1: De last van Egypte. Ziet, YHWH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.
[^jeremia-46-13-30]: Kanttekening 30: 30 Egypteland te slaan: Dat is, het land te overweldigen en de inwoners te verslaan. Vergelijk boven Jer. 43:11, en onder Jer. 47:1, enz. Jeremia 43:11: En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde. Jeremia 47:1: Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; voordat Farao Gaza sloeg.
[^jeremia-46-14-31]: Kanttekening 31: Zie van deze plaatsen boven Jer. 44:1. Jeremia 44:1: Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:
[^jeremia-46-14-32]: Kanttekening 32: 32 Stelt er u naar: Tot tegenweer, gelijk boven vers 4. Jeremia 46:4: Spant de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan!
[^jeremia-46-14-33]: Kanttekening 33: Zal het zekerlijk doen; of gelijk het zwaard van de Babyloniërs verslonden heeft wat rondom u is, zo zal het nu uwe beurt zijn.
[^jeremia-46-15-34]: Kanttekening 34: 34 zijn uw sterken: Hebreeuws staat het woord sterken, \[in het getal van velen\] weggevaagd \[in het getal van enen\], dat is, elk van uw sterke krijgslieden; zo in het volgende.
[^jeremia-46-15-35]: Kanttekening 35: 35 stonden niet: Dat is, zij konden en durfden niet blijven staan tegen de Babyloniërs.
[^jeremia-46-15-36]: Kanttekening 36: Of, aanstoot, nederstiet.
[^jeremia-46-16-37]: Kanttekening 37: 37 maakte van de struikelenden veel: Hebreeuws, Hij vermenigvuldigde de struikelende.
[^jeremia-46-16-38]: Kanttekening 38: 38 de één viel op: Hebreeuws, de man op, of met zijn naaste (אִישׁ).
[^jeremia-46-16-39]: Kanttekening 39: Die Farao uit andere landen waren te hulp gekomen, zeiden zo tot elkaar; vergelijk Jes. 13:14. Jesaja 13:14: En iedereen zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; iedereen zal naar zijn volk omzien, en iedereen zal naar zijn land vluchten.
[^jeremia-46-16-40]: Kanttekening 40: 40 land van onze geboorte: Dat is, ons vaderland.
[^jeremia-46-16-41]: Kanttekening 41: Of, slechtelijk, voor, van. Hebreeuws, van het aangezicht (פְּנֵי).
[^jeremia-46-16-42]: Kanttekening 42: 42 verdrukkende zwaard: Anders: vanwege het zwaard van het verdrukkende land. Zie boven Jer. 25:38. Jeremia 25:38: Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hitte van de verdrukker, ja, vanwege de hitte van Zijn toorn.
[^jeremia-46-17-43]: Kanttekening 43: Dat is, een pocher en snorker, die ene grote beweging en gewoel maakt, maar het heeft met hem inderdaad niets te beduiden; hij heeft zijn tijd zorgelooslijk verzuimd, hij is te laat op; dat moeten wij nu mee ontgelden. Anders: is verwoest, of geruineerd. Hebreeuws, een groot gedruis, of ene verwoesting, die met groot gedruis of gekraak geschiedt.
[^jeremia-46-17-44]: Kanttekening 44: 44 gezetten tijd: Of, bekwamen tijd, om te krijgen, of dit onheil, volgende de gedane waarschuwing, voor te komen.
[^jeremia-46-18-45]: Kanttekening 45: 45 als Thabor onder de bergen: Dat is, gelijk de berg Thabor boven andere bergen, en de berg Karmel in zee uitsteekt, zo zal Nebukadnezar al zijn vijanden teboven gaan, en hen onder zich brengen. Anderen nemen het als een afgebroken rede van eedzwering in deze zin; zo zeker als die bergen vast en wel geworteld zijn, zal ook dit mijn werk volbracht worden. Van Thabor, zie Richt. 4:6, van Karmel, 1 Kon. 18:19. Richteren 4:6: En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? 1 Koningen 18:19: Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.
[^jeremia-46-19-46]: Kanttekening 46: 46 gereedschap van de wegvoering: Dat is, pak en zak \[gelijk men zegt\] en maak uw bagage gereed, die u van doen mag hebben, als u gaan zult in gevangenschap. Vergelijk Ez. 12:4, enz. Ezechiël 12:4: U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.
[^jeremia-46-19-47]: Kanttekening 47: Die u zo zeker en vast meent te wonen; vergelijk Jes. 47:8, en onder Jer. 48:18. Jesaja 47:8: Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen. Jeremia 48:18: Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, u inwoneres, u dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.
[^jeremia-46-19-48]: Kanttekening 48: Gelijk boven vers 14. Jeremia 46:14: Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is.
[^jeremia-46-19-49]: Kanttekening 49: 49 zal verbrand worden: Anders: zal verwoest, of bedorven worden.
[^jeremia-46-20-50]: Kanttekening 50: Dat is, gelijk een jong koekalf, een jonge vaars, vet, dartel en weelderig.
[^jeremia-46-20-51]: Kanttekening 51: Of, kerver, houwer. Hebreeuws, de kerving, snijding, versnijding; dat is, de kerver, die wij noemen slachter of houwer. Zie Job 35:13, en Job 33:6. Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. Job 33:6: Zie, ik ben van God, gelijk u; uit het leem ben ik ook afgesneden.
[^jeremia-46-20-52]: Kanttekening 52: 52 komt, hij komt: Of, de slachter van het noorden, die komt, die komt; dat is, zal gewisselijk en haast komen.
[^jeremia-46-21-53]: Kanttekening 53: Die soldaten, die Egypte \[die jonge vaars, die weelderige dochter\] om geld of soldij gehuurd en aangenomen heeft, die onder haar krijgsvolk zijn.
[^jeremia-46-21-54]: Kanttekening 54: 54 gemeste kalveren: Hebreeuws, kalveren van de mesting.
[^jeremia-46-21-55]: Kanttekening 55: 55 hebben zich ook gewend: Dat is, zullen zich omwenden, en zo in het volgende.
[^jeremia-46-21-56]: Kanttekening 56: Of, van ondergang, dodelijk ongeval.
[^jeremia-46-21-57]: Kanttekening 57: Dat is, straf; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-46-22-58]: Kanttekening 58: 58 Haar stem zal gaan als van een slang: Dat is, Egypte zal niet meer zo blazen en snorken als tevoren, maar wel klein piepen en ootmoedig spreken, als de Babyloniërs hen zullen overkomen. Vergelijk Jes. 29:4. Jesaja 29:4: Dan zult u vernederd worden, u zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.
[^jeremia-46-22-59]: Kanttekening 59: De Babyloniërs.
[^jeremia-46-23-60]: Kanttekening 60: Dat is, de steden en dorpen, idem het volk, of de krijgslieden van Egypte, die vanwege de dichte menigte van de mensen bij een woud vol bomen worden vergeleken; vergelijk Jes. 10:18, 10:19. Jesaja 10:18: Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbaar veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. Jesaja 10:19: En de overgebleven bomen van zijn woud zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.
[^jeremia-46-23-61]: Kanttekening 61: Te weten het getal van de bomen, dat is van de mensen.
[^jeremia-46-23-62]: Kanttekening 62: 62 hen niet tellen kan: Hebreeuws, zij hebben geen getal; zo Richt. 6:5. Richteren 6:5: Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
[^jeremia-46-24-63]: Kanttekening 63: Dat is, van de Babyloniërs.
[^jeremia-46-25-64]: Kanttekening 64: Of, gemeen volk. Het Hebreeuwse woord Amon wordt ook zo in dit boek genomen, onder Jer. 52:15, voor Hamon; dat is, menigte, hoop volks, of schare, die door gewoel en menigte gedruis maakt; vergelijk Ez. 30:15, gelijk dan de stad No, dat is, naar het algemeen gevoelen, Alexandrië, een zeer vermaarde volkrijke zee- en koopstad in Egypte was. Anders betekent Amon een voeder, voedsterheer, of voedsterling, die iemand voedt en opkweekt, of van iemand gevoed wordt; waarom sommigen hier overzetten: De voedsterheer, of de voedsterlingen; dat is, zich generen van No, gelijk zulks ook met waarheid van grote koopsteden gezegd mag worden, dat vele mensen daarvan leven; vergelijk Nah. 3:8. Jeremia 52:15: Van de armsten nu van het volk en het overige van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg. Ezechiël 30:15: En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien. Nahum 3:8: Bent u beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom heen water heeft, waarvan de voormuur de zee is, haar muur is van zee.
[^jeremia-46-25-65]: Kanttekening 65: Dat is, niet alleen deze koning, maar ook zijn navolgers, of de vorsten en regenten van Egypte, die op hun koning vertrouwden, en mee als kleine koningen in zo een machtig koninkrijk waren; vergelijk boven Jer. 19:3, en verder Gen. 14:1, en Deut. 33:5; idem Joz. 12:9, enz. Jeremia 19:3: En zeg: Hoort het woord van YHWH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, waarvan een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen; Genesis 14:1: En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van Elam, en van Tideal, de koning van de volken; Deuteronomium 33:5: En Hij was koning in Jeschurun, als de hoofden van het volk zich vergaderden, samen met de stammen van Israël. Jozua 12:9: De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
[^jeremia-46-26-66]: Kanttekening 66: 66 hunlieder ziel zoeken: Dat is, die naar hun leven staan; gelijk boven dikwijls.
[^jeremia-46-26-67]: Kanttekening 67: Namelijk de dochter van Egypte, dat is Egypteland. Zie vers 24, en vers 11 met de aantekening. Jeremia 46:24: De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand van het volk van het noorden. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u.
[^jeremia-46-26-68]: Kanttekening 68: 68 bewoond worden: Vergelijk Ez. 29:11, 29:13, 29:14, en zie het tegendeel van Babel, onder Jer. 50:39. Ezechiël 29:11: Geen mensenvoet zal door hetzelve doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn. Ezechiël 29:13: Maar zo zegt de Heer YHWH: Ten einde van veertig jaren zal Ik de Egyptenaars vergaderen uit de volken, waarhenen zij verstrooid zijn geworden. Ezechiël 29:14: En Ik zal de gevangenis van de Egyptenaren wenden, en hen wederbrengen in het land van Pathros, in het land huns koophandels; en daar zullen zij een nederig koninkrijk zijn. Jeremia 50:39: Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.
[^jeremia-46-27-d]: Verwijzing d: Jes. 41:13; Jes. 43:5; Jes. 44:1; Jer. 30:10. Jesaja 41:13: Want Ik, YHWH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. Jesaja 43:5: Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. Jesaja 44:1: Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb! Jeremia 30:10: U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt YHWH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.
[^jeremia-46-27-69]: Kanttekening 69: Dat is nakomelingen.
[^jeremia-46-27-70]: Kanttekening 70: Of, sidderen, beven.
[^jeremia-46-28-71]: Kanttekening 71: 71 voleinding maken: Zie boven Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^jeremia-46-28-e]: Verwijzing e: Jer. 10:24; Jer. 30:11. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^jeremia-46-28-72]: Kanttekening 72: Zie boven Jer. 10:24. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^jeremia-46-28-73]: Kanttekening 73: 73 niet geheel onschuldig houden: Hebreeuws, onschuldig houdende, niet onschuldig houden; gelijk boven Jer. 30:11; dat is, ten enenmale ongestraft laten. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.

### Jeremia 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/47.json)

*Profetie tegen de Filistijnen, Tyriërs, Sidoniërs en anderen die aan de zee gelegen waren.*

**1** Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia kwam, tegen de Filistijnen; voordat[^jeremia-47-1-1] Farao[^jeremia-47-1-2] Gaza[^jeremia-47-1-3] sloeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH: Zie, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de[^jeremia-47-2-5] volheid daarvan, de[^jeremia-47-2-6] stad en die daarin wonen; en de[^jeremia-47-2-7] mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners van het land zullen huilen;[^jeremia-47-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v2)

**3** Vanwege het geluid van het geklater van de[^jeremia-47-3-8] hoeven van[^jeremia-47-3-9] zijn[^jeremia-47-3-10][^jeremia-47-3-a] sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn[^jeremia-47-3-b] wielen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de[^jeremia-47-3-11] handen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v3)

**4** Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren,[^jeremia-47-4-12] om[^jeremia-47-4-c] Tyrus en Sidon elke overgebleven helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van[^jeremia-47-4-13][^jeremia-47-4-14] het eiland van Kafthor, verstoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v4)

**5** [^jeremia-47-5-15] Kaalheid is op Gaza gekomen;[^jeremia-47-5-16][^jeremia-47-5-d] Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel van hun dal; hoe lang zult u uzelf[^jeremia-47-5-e] insnijdingen maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v5)

**6** O wee, u[^jeremia-47-6-17] zwaard van YHWH![^jeremia-47-6-18] Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees[^jeremia-47-6-19] stil! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v6)

**7** [^jeremia-47-7-20] Hoe zou u stil houden? YHWH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft[^jeremia-47-7-21] Hij het besteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/47.html#v7)

[^jeremia-47-1-1]: Kanttekening 1: Sommigen menen dat Farao Necho al bij het leven van Josia het land van de Filistijnen zou hebben ingenomen en behouden tot de aankomst van Nebukadnezar, voordat hij de eerste maal optrok naar Karchemis, waarvan hier geprofeteerd wordt; zie boven Jer. 46:2. Zo zou Jeremia dit geprofeteerd hebben ten tijde als Josia nog in bloei was. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^jeremia-47-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Jer. 25:20, en Richt. 1:18, en Richt. 16:1, en Amos 1:6. Jeremia 25:20: En de gansen gemengden hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van het land van de Filistijnen, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod; Richteren 1:18: Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale. Richteren 16:1: Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag daar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in. Amos 1:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren.
[^jeremia-47-1-3]: Kanttekening 3: Vergelijk boven Jer. 46:13. Jeremia 46:13: Het woord, dat YHWH tot de profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypteland te slaan.
[^jeremia-47-2-5]: Kanttekening 5: 5 volheid daarvan: Dat is, al wat er in is; vergelijk Ps. 24:1, en Ps. 89:12, en Ps. 104:24. Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 89:12: De hemel is van U, ook is de aarde van U; de wereld en haar volheid, die hebt U gegrond. Psalmen 104:24: Hoe groot zijn Uw werken, o YHWH! U hebt ze alle met wijsheid gemaakt; de aarde is vol van Uw goederen.
[^jeremia-47-2-6]: Kanttekening 6: 6 stad en die daarin wonen: Gelijk boven Jer. 46:8. Jeremia 46:8: Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven.
[^jeremia-47-2-7]: Kanttekening 7: 7 mensen zullen schreeuwen: Hebreeuws, mens en inwoner.
[^jeremia-47-2-4]: Kanttekening 4: 4 wateren komen op van het noorden: Versta, het groot en verschrikkelijk Babylonisch leger \[zie deze manier van spreken Jes. 8:7\], gelijk doorgaans in deze profetieën door het noorden Babel verstaan wordt; vergelijk in het bijzonder boven Jer. 25:9, enz., hoewel enige menen \[uit vers 1\], dat Farao Necho dit alles gedaan heeft als hij uit Syrië van het noorden na de dood en de nederlaag van Josia wederkwam naar het zuiden. Jesaja 8:7: Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 47:1: Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; voordat Farao Gaza sloeg.
[^jeremia-47-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, van de klauwen.
[^jeremia-47-3-9]: Kanttekening 9: Van de vijand.
[^jeremia-47-3-10]: Kanttekening 10: 10 sterke paarden: Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 22:13; zo boven Jer. 8:16, en onder Jer. 50:11. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jeremia 8:16: Van Dan af wordt het gesnuif van zijn paarden gehoord; het gehele land beeft van het geluid van de briesingen van zijn sterken; en zij komen daarheen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. Jeremia 50:11: Omdat u u verblijd hebt, omdat u van vreugde hebt opgesprongen, u plunderaars van Mijn erfenis! omdat u geil geworden bent als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;
[^jeremia-47-3-a]: Verwijzing a: Jer. 4:13; Jer. 6:23. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Jeremia 6:23: Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!
[^jeremia-47-3-b]: Verwijzing b: Jes. 5:28. Jesaja 5:28: Van welke pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hun paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind.
[^jeremia-47-3-11]: Kanttekening 11: 11 slappigheid van de handen: Dat is, vermits hun moedeloosheid; zie 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^jeremia-47-4-12]: Kanttekening 12: 12 om Tyrus en Sidon: Anders, om met, of naast Tyrus \[Hebreeuws, Tsor\], en Sidon, allen overgeblevenen helper uit te roeien. Vergelijk boven Jer. 25:22, en Jer. 27:3; Ez. 26, Ez. 27, Ez. 28; en zie van deze beide steden Gen. 10:15; Joz. 19:29. Hebreeuws, allen overgeblevene die helpt. Jeremia 25:22: En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn. Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen. Genesis 10:15: En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Jozua 19:29: En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,
[^jeremia-47-4-c]: Verwijzing c: Jer. 25:22. Jeremia 25:22: En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn.
[^jeremia-47-4-13]: Kanttekening 13: Dat is omtrek, aan of over de Middellandse zee gelegen. Hiervan is verscheiden gevoelen; het kan zijn dat dit land tussen Egypte van Patros af, en het land van de Filistijnen, gelegen is geweest; Ps. 72:10. Psalmen 72:10: De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^jeremia-47-4-14]: Kanttekening 14: Zie Gen. 10:14; Deut. 2:23; Amos 9:7. Genesis 10:14: En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. Deuteronomium 2:23: Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond. Amos 9:7: Zijt u Mij niet als de kinderen van de Moren, o kinderen van Israël? spreekt YHWH. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?
[^jeremia-47-5-15]: Kanttekening 15: 15 Kaalheid is op Gaza gekomen: Dat is, de inwoners van Gaza zullen zich kaal scheren tot teken van rouw. Zo van het insnijden; zie boven Jer. 16:6. Jeremia 16:6: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-47-5-16]: Kanttekening 16: 16 Askelon is uitgeroeid: Gelegen in de laagte aan de zee; zie Richt. 14:19. Richteren 14:19: Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijn vaders huis.
[^jeremia-47-5-d]: Verwijzing d: Jer. 25:20. Jeremia 25:20: En de gansen gemengden hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van de Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
[^jeremia-47-5-e]: Verwijzing e: Deut. 14:1; Jer. 16:6. Deuteronomium 14:1: Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. Jeremia 16:6: Zodat grote en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^jeremia-47-6-17]: Kanttekening 17: 17 zwaard van YHWH: Vergelijk boven Jer. 25:29; Ez. 21:8, 21:9, enz. Sommigen nemen dit als ene klacht van de Filistijnen over hun ellende. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Ezechiël 21:8: Opnieuw geschiedde het woord van YHWH tot mij, zeggende: Ezechiël 21:9: Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
[^jeremia-47-6-18]: Kanttekening 18: 18 Hoe lang zult u niet stil houden: Dat is, hoe lang zal het duren voordat u stilhoudt?
[^jeremia-47-6-19]: Kanttekening 19: 19 Vaar in uw schede: Hebreeuws, wordt verzameld, verzamel u; dat is, geef u weer in het deksel van uw schede. Van het gebruik van dit woord, zie Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-47-7-20]: Kanttekening 20: 20 Hoe zoudt u stil houden: Dit zijn de woorden van de profeet.
[^jeremia-47-7-21]: Kanttekening 21: 21 Hij het besteld: De Heer heeft het zwaard daar zijn plaats en tijd verordineerd om te woeden. Vergelijk Ez. 25:16; Micha 6:9, en Zef. 2:5, 2:6. Ezechiël 25:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen. Micha 6:9: De stem van YHWH roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft! Zefanja 2:5: Wee de inwoneren van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, land van de Filistijnen! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. Zefanja 2:6: En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herders, en betuiningen van de kudden.

### Jeremia 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/48.json)

*Profetie tegen de Moabieten, vanwege hun veelvoudige zonden, in het bijzonder hun ondraaglijke trots en verachting van God en Zijn volk, met een bijgevoegde belofte.*

**1** [^jeremia-48-1-1] Tegen[^jeremia-48-1-a] Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over[^jeremia-48-1-2] Nebo, want zij[^jeremia-48-1-3] is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de[^jeremia-48-1-4] stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v1)

**2** Moabs roem van[^jeremia-48-2-5] Hesbon is er niet meer;[^jeremia-48-2-6] zij hebben kwaad tegen haar[^jeremia-48-2-7] gedacht, zeggende: Kom, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen[^jeremia-48-2-8] volk meer zij; ook u, o[^jeremia-48-2-9] Madmen! zult neergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v2)

**3** Er is een stem van het gekrijt van Horonaim; verstoring en een grote[^jeremia-48-3-10] breuk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v3)

**4** Moab is[^jeremia-48-4-11] verbroken;[^jeremia-48-4-12] haar kleine kinderen hebben een hulpgeroep laten horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v4)

**5** Want[^jeremia-48-5-b] in de opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in de afgang van[^jeremia-48-5-13] Horonaim hebben Moabs tegenstanders een[^jeremia-48-5-14] jammergeschrei gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v5)

**6** Vlucht, redt uw[^jeremia-48-6-15] ziel! en wordt als de[^jeremia-48-6-16][^jeremia-48-6-c] heide in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v6)

**7** Want om uw vertrouwen op uw[^jeremia-48-7-17] werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en[^jeremia-48-7-18] Kamos zal heen uitgaan[^jeremia-48-7-19] in gevangenis,[^jeremia-48-7-20] zijn[^jeremia-48-7-d] priesters en zijn vorsten samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v7)

**8** Want de[^jeremia-48-8-21] verstoorder zal komen over elke stad, dat niet één stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het[^jeremia-48-8-22] effen veld vernietigd worden; want YHWH heeft het gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v8)

**9** [^jeremia-48-9-23] Geef Moab veren, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand daarin woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v9)

**10** Vervloekt zij, die het werk van YHWH[^jeremia-48-10-24] bedriegelijk[^jeremia-48-10-25] doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het[^jeremia-48-10-26] bloed onthoudt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v10)

**11** Moab is van zijn jeugd aan[^jeremia-48-11-27] gerust geweest, en hij heeft op zijn[^jeremia-48-11-28][^jeremia-48-11-e] heffe stil gelegen, en is van kruik in kruik niet[^jeremia-48-11-29] geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem[^jeremia-48-11-30] gebleven, en zijn reuk niet veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v11)

**12** Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik hem[^jeremia-48-12-31] vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn kruiken legen, en hun[^jeremia-48-12-32] flessen in stukken[^jeremia-48-12-33] slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v12)

**13** En Moab zal beschaamd worden vanwege[^jeremia-48-13-34] Kamos, zoals het huis van Israël beschaamd is geworden vanwege[^jeremia-48-13-35] Beth-El,[^jeremia-48-13-36] hun vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v13)

**14** Hoe zult u zeggen: Wij zijn[^jeremia-48-14-f] helden en[^jeremia-48-14-37] dappere mannen ten strijde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v14)

**15** Moab[^jeremia-48-15-38] is verstoord, en[^jeremia-48-15-39] uit zijn steden[^jeremia-48-15-40] opgegaan, en het beste van zijn jongemannen is ter[^jeremia-48-15-41] slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v15)

**16** Moabs[^jeremia-48-16-42] verderf is nabij om te komen, en zijn[^jeremia-48-16-43] kwaad haast zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v16)

**17** Beklaagt hem, u allen, die rondom hem bent, en allen, die zijn[^jeremia-48-17-44] naam kent; zeg: Hoe is[^jeremia-48-17-45] de sterke staf, de sierlijke stok verbroken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v17)

**18** Daal neer uit uw heerlijkheid, en woon in[^jeremia-48-18-46] dorst, u[^jeremia-48-18-47] inwoneres, u dochter van[^jeremia-48-18-48] Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v18)

**19** Sta aan de weg, en zie toe, u inwoneres van[^jeremia-48-19-49] Aroër! Vraag de vluchtende man en de ontkomen vrouw; zeg:[^jeremia-48-19-50] Wat is er gebeurd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v19)

**20** Moab is beschaamd, want[^jeremia-48-20-51] hij is[^jeremia-48-20-52] verslagen;[^jeremia-48-20-g] huil en krijt! verkondig te[^jeremia-48-20-53] Arnon, dat Moab verstoord is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v20)

**21** En het[^jeremia-48-21-54] oordeel is gekomen over het[^jeremia-48-21-55] vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v21)

**22** En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v22)

**23** En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v23)

**24** En over Kerioth, en over[^jeremia-48-24-56] Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v24)

**25** Moabs[^jeremia-48-25-57] hoorn is afgesneden, en zijn[^jeremia-48-25-58] arm verbroken, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v25)

**26** Maak hem[^jeremia-48-26-59] dronken, omdat hij zich[^jeremia-48-26-60] groot gemaakt heeft tegen YHWH; zo zal Moab met de handen[^jeremia-48-26-61] klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter[^jeremia-48-26-62] belaching zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v26)

**27** Want is u niet Israël[^jeremia-48-27-63] ter belaching geweest? Was hij onder de[^jeremia-48-27-64] dieven gevonden, dat u zich zo bewoogt[^jeremia-48-27-65], van de tijd af, dat uw woorden van hem waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v27)

**28** Verlaat de steden, en woont in de[^jeremia-48-28-66] steenrots, u inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de[^jeremia-48-28-67] doorgangen van de mond van een hol nestelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v28)

**29** [^jeremia-48-29-68] Wij hebben Moabs[^jeremia-48-29-h] hoogmoed gehoord (hij is zeer hoogmoedig), zijn trotsheid, en zijn hoogmoed, en zijn hoogmoed, en de hoogheid van zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v29)

**30** Ik ken[^jeremia-48-30-69] zijn toorn, spreekt YHWH,[^jeremia-48-30-70] maar niet zo; zijn[^jeremia-48-30-71] grendels doen het zo niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v30)

**31** Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om geheel Moab zal Ik krijten; over de mensen van[^jeremia-48-31-72] Kir-Heres[^jeremia-48-31-73] zal men zuchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v31)

**32** [^jeremia-48-32-74] Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw[^jeremia-48-32-75] wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de[^jeremia-48-32-76] verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v32)

**33** Zodat de[^jeremia-48-33-i] blijdschap en verheuging uit het[^jeremia-48-33-77] vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land,[^jeremia-48-33-78] weggenomen is; want Ik[^jeremia-48-33-79] heb de wijn doen ophouden uit de[^jeremia-48-33-80] kuipen; men zal geen druiven treden met[^jeremia-48-33-81] vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen[^jeremia-48-33-82] vreugdegeschrei zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v33)

**34** Vanwege Hesbons hulpgeroep tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem[^jeremia-48-34-83] verheven, van[^jeremia-48-34-k] Zoar tot aan Horonaim, die[^jeremia-48-34-84] driejarige vaars; want ook de wateren van[^jeremia-48-34-85] Nimrim zullen tot verwoestingen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v34)

**35** En Ik zal in Moab[^jeremia-48-35-86] doen ophouden, spreekt YHWH, die, die op de hoogte[^jeremia-48-35-87] offert, en die zijn goden rookt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v35)

**36** Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als[^jeremia-48-36-88] de fluiten; ook zal Mijn hart over de mensen van Kir-Heres getier maken als de fluiten,[^jeremia-48-36-89] omdat het[^jeremia-48-36-90] overschot,[^jeremia-48-36-91] dat hij gemaakt had, verloren[^jeremia-48-36-92] is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v36)

**37** Want[^jeremia-48-37-93] alle[^jeremia-48-37-l] hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn[^jeremia-48-37-m] insnijdingen, en op de middel is een zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v37)

**38** Op alle[^jeremia-48-38-94] daken van Moab, en op al haar straten is[^jeremia-48-38-95] overal luid weeklagen; want Ik heb Moab verbroken als een[^jeremia-48-38-96] voorwerp, waar men geen lust aan heeft, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v38)

**39** Hoe is[^jeremia-48-39-97] hij[^jeremia-48-39-98] verslagen![^jeremia-48-39-99] zij huilen; hoe heeft Moab de[^jeremia-48-39-100] nek[^jeremia-48-39-101] met schaamte gewend! Zo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belaching en tot een ontzetting worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v39)

**40** Want zo zegt YHWH: Zie, hij zal[^jeremia-48-40-103] snel vliegen als een[^jeremia-48-40-n] adelaar, en hij zal zijn vleugels over Moab uitbreiden.[^jeremia-48-40-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v40)

**41** [^jeremia-48-41-104] Elk één van de steden is gewonnen, en elk één van[^jeremia-48-41-105] de vestingen is ingenomen; en[^jeremia-48-41-106] het hart van Moabs helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in[^jeremia-48-41-107] nood is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v41)

**42** Want Moab zal vernietigd worden,[^jeremia-48-42-108] dat hij geen volk zij, omdat hij zich[^jeremia-48-42-109] groot gemaakt heeft tegen YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v42)

**43** De[^jeremia-48-43-110] vrees, en de kuil, en de strik, over u, u inwoner van Moab! spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v43)

**44** Die[^jeremia-48-44-111] van de vrees ontvlucht, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hun bezoeking brengen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v44)

**45** Die voor de macht van de vijand vluchtten,[^jeremia-48-45-112] bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een[^jeremia-48-45-113][^jeremia-48-45-o] vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam[^jeremia-48-45-114] van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van[^jeremia-48-45-115] de kinderen van het krijgsrumoer verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v45)

**46** [^jeremia-48-46-116] Wee u, Moab! het volk van[^jeremia-48-46-117] Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v46)

**47** Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs[^jeremia-48-47-118] gevangenis[^jeremia-48-47-119] wenden, spreekt YHWH.[^jeremia-48-47-120] Tot hiertoe is Moabs oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/48.html#v47)

[^jeremia-48-1-1]: Kanttekening 1: 1 Tegen Moab: Of, van Moab. Vergelijk Jes. 15, Jes. 16; Ez. 25:9; Amos 2:1, boven Jer. 25:21, en Jer. 27:3. Ezechiël 25:9: Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad van het land, Beth-jesimoth, Baäl-meon, en tot Kiriathaim toe; Amos 2:1: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrand heeft. Jeremia 25:21: Edom, en Moab, en de kinderen Ammons; Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen.
[^jeremia-48-1-a]: Verwijzing a: Jer. 25:21; Jer. 27:3. Jeremia 25:21: Edom, en Moab, en de kinderen Ammons; Jeremia 27:3: En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen.
[^jeremia-48-1-2]: Kanttekening 2: Deze stad en de volgende waren allen over de Jordaan in het land van de Moabieten gelegen. Zie Num. 32:34, enz. Numeri 32:34: En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër,
[^jeremia-48-1-3]: Kanttekening 3: 3 is verstoord: Dat is, zal zekerlijk verstoord worden, zo in het volgende.
[^jeremia-48-1-4]: Kanttekening 4: 4 de stad van het hoge vertrek: Dit duiden sommigen op Hesbon, gelegen op een grote hoge berg, waarvan de Moabieten zich meest beroemden, gelijk volgt, of één van de voornaamste sterkten. Anderen verstaan Bamoth, uit Jes. 15:2, en hier onder vers 35; anderen de rotssteen Sela, uit vers 28. Sommigen houden het Hebreeuwse woord Misgab in de tekst. Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jeremia 48:35: En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt YHWH, die, die op de hoogte offert, en die zijn goden rookt. Jeremia 48:28: Verlaat de steden, en woont in de steenrots, u inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van de mond eens hols nestelt.
[^jeremia-48-2-5]: Kanttekening 5: 5 Hesbon is er niet meer: Een koninklijke stad, Deut. 2:24, enz., van de kinderen Rubens herbouwd, Num. 32:37. Anders: daar is geen roem Moabs \[meer;\] te Hesbon hebben zij, enz. Deuteronomium 2:24: Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. Numeri 32:37: En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,
[^jeremia-48-2-6]: Kanttekening 6: 6 zij hebben kwaad: De vijanden hebben besloten Hesbon te vernielen.
[^jeremia-48-2-7]: Kanttekening 7: Dit wordt in het Hebreeuws aardiglijk gepast op het woord Hesbon. Hebreeuws, Chesbon, dat is, gedachte, en Chaschab is denken, praktizeren. Zo wordt in het volgende op de stad Madmen gepast tiddommi. Madmena, wordt Jes. 25:10, \[alwaar ook van Moab gesproken wordt\] genomen voor mest, drek, en het Hebreeuwse woord, waarvan dit tiddommi komt, heet afgehouwen, nedergehouwen, uitgeroeid worden. Jesaja 25:10: Want de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.
[^jeremia-48-2-8]: Kanttekening 8: 8 volk meer zij: Vergelijk boven, Jer. 33:24, en onder vers 42. Jeremia 33:24: Hebt u niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die YHWH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht. Jeremia 48:42: Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH.
[^jeremia-48-2-9]: Kanttekening 9: Zie van een ander Madmena, Jes. 10:31. Jesaja 10:31: Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen.
[^jeremia-48-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, verwoesting, moord, enz. Zie boven Jer. 4:6, 4:20. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk. Jeremia 4:20: Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het gehele land is verstoord; haastig zijn mijn tenten verstoord, mijn gordijnen in een ogenblik!
[^jeremia-48-4-11]: Kanttekening 11: Vergelijk boven Jer. 17:18, en Jer. 22:20, enz. Jeremia 17:18: Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking. Jeremia 22:20: Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.
[^jeremia-48-4-12]: Kanttekening 12: 12 haar kleine kinderen: In het vrouwelijk geslacht. In deze profetie wordt van Moab somtijds in het vrouwelijk, somtijds in het mannelijk geslacht gesproken; zo in Jer. 49 van Ammon, Edom, enz., en verder van Babel, Medië, enz.; somtijds kan er gezien worden op het land, somtijds op het volk; ook wordt het Hebreeuwse woord, dat land of aarde betekent, in beiderlei geslachten gebruikt, maar meest in het vrouwelijk; vergelijk onder Jer. 51:28. Jeremia 51:28: Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het gehele land van haar heerschappij.
[^jeremia-48-5-b]: Verwijzing b: Jes. 15:5. Jesaja 15:5: Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.
[^jeremia-48-5-13]: Kanttekening 13: Waar men van Luhith afgaat naar Horonaïm, gelegen in de laagte, dicht bij Luhith.
[^jeremia-48-5-14]: Kanttekening 14: 14 jammergeschrei gehoord: Hebreeuws, geschrei ener breuk, of van de verbreking; dat is, een moord, of jammergeschrei van de Moabieten, roepende tot elkaar gelijk volgt; zo Jes. 15:5. Anders: de vijanden, die inbreuk riepen, heeft men gehoord. Jesaja 15:5: Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei.
[^jeremia-48-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, behoudt uzelven, gelijk men zegt, of uwe personen.
[^jeremia-48-6-16]: Kanttekening 16: 16 heide in de woestijn: Zo dor, woest, bloot en eenzaam als de heide of een tamarisstruik in de wildernis. Zie boven Jer. 17:6. Hebreeuws, Aroër, dat ook wel past op de stad Aroër, waarvan onder vers 19. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Jeremia 48:19: Sta aan de weg, en zie toe, u inwoneres van Aroër! Vraag de vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?
[^jeremia-48-6-c]: Verwijzing c: Jer. 17:6. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^jeremia-48-7-17]: Kanttekening 17: Zo gebruiken wij ook het woord werken, voor allerlei gebouwen, dienende tot verstingen; waarop Moab, als bewonende voor het merendeel een plat en effen land, zeer schijnt toegelegd te hebben, en daarop tegen allen aanval vertrouwt, gelijk hier staat.
[^jeremia-48-7-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, Chemosch, de afgod van de Moabieten. Zie Num. 21:29, gelijk ook van de Ammonieten; Richt. 11:24. Numeri 21:29: Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. Richteren 11:24: Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.
[^jeremia-48-7-19]: Kanttekening 19: 19 in gevangenis: Of, onder de gevangenen, of die gevankelijk worden weggevoerd; zo onder vers 11; vergelijk Jes. 46:2, met de aantekening. Jeremia 48:11: Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd. Jesaja 46:2: Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben de last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.
[^jeremia-48-7-20]: Kanttekening 20: 20 zijn priesters en zijn vorsten te zamen: Zijn, te weten van de afgod Kamos; dat is, die deze afgod eerden en aanhingen als hun heer en koning, die zijn vorsten ook worden bijgevoegd. Zo onder Jer. 49:3. Vergelijk Hos. 10:5, en Ez. 43:7. Jeremia 49:3: Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Hosea 10:5: De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal over hetzelfde treuren, en ook zijn Chemarim (die zich over hetzelfde verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelfde is weggevaren. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^jeremia-48-7-d]: Verwijzing d: Jer. 49:3. Jeremia 49:3: Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jeremia-48-8-21]: Kanttekening 21: 21 verstoorder zal komen over elke stad: De koning van Babel.
[^jeremia-48-8-22]: Kanttekening 22: 22 effen veld verdelgd worden: Of, platteland.
[^jeremia-48-9-23]: Kanttekening 23: 23 Geeft Moab vederen: Spottenderwijze gesproken. In plaats van tegenweer te doen, \[wil de profeet zeggen\], zullen zij in alle snelheid zoeken te ontvluchten, gelijk een vogel.
[^jeremia-48-10-24]: Kanttekening 24: 24 het werk van YHWH: Te weten de uitroeiing van de Moabieten, de Babyloniërs van God opgelegd en bevolen.
[^jeremia-48-10-25]: Kanttekening 25: 25 bedriegelijk doet: Hebreeuws, \[met\] bedrog (רְמִיָּה); dat is, tragelijk, zo dat hij de last van zijn meester niet voldoet. Vergelijk Spreuk. 10:4, en Spreuk. 12:24, 12:27. Spreuken 10:4: Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand van de vlijtigen maakt rijk. Spreuken 12:24: De hand van de vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder belasting wezen. Spreuken 12:27: Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed van de mens is van de vlijtige.
[^jeremia-48-10-26]: Kanttekening 26: 26 bloed onthoudt: Van de Moabieten, dat hij dat door het zwaard niet zou vergieten. Vergelijk boven Jer. 47:6, 47:7. Jeremia 47:6: O wee, u zwaard van YHWH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil! Jeremia 47:7: Hoe zoudt u stil houden? YHWH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft Hij het besteld.
[^jeremia-48-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, zeker en zorgeloos, levende op zijn gemak en in weelde, vergelijk Amos 6:1, niet vrezende voor enige overlast. Vergelijk Spreuk. 1:32, 1:33, en boven Jer. 46:27, alwaar het volk van God een andere gerustheid beloofd wordt. Amos 6:1: Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen van de volken, en tot die die van het huis van Israël komen. Spreuken 1:32: Want de afkering van de slechten zal hen doden, en de voorspoed van de zotten zal hen verderven. Spreuken 1:33: Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad. Jeremia 46:27: Maar u, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.
[^jeremia-48-11-28]: Kanttekening 28: Of, droesem, moer.
[^jeremia-48-11-e]: Verwijzing e: Zefan. 1:12. Zefanja 1:12: En het zal gebeuren te die tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: YHWH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.
[^jeremia-48-11-29]: Kanttekening 29: 29 niet geledigd: Dat is, niet afgelaten, afgestoken van het ene vat in het andere; ene gelijkenis van de wijn genomen. De zin is dat Moab, van de beginne af in zijn land gebleven zijnde, rijk, weelderig, machtig en trots geworden is, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^jeremia-48-11-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, gestaan.
[^jeremia-48-12-31]: Kanttekening 31: 31 vreemde gasten zal toeschikken: Of, omlopers, wandelaars, die hem zullen doen omlopen, en zwerven in vreemde landen. Vergelijk boven Jer. 2:20, met de aantekening. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^jeremia-48-12-32]: Kanttekening 32: Versta, wijnflessen. Zie boven Jer. 13:12. Jeremia 13:12: Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?
[^jeremia-48-12-33]: Kanttekening 33: Of, strooien. Zie Richt. 7:19. Richteren 7:19: Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van het leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.
[^jeremia-48-13-34]: Kanttekening 34: Zie boven vers 7. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jeremia-48-13-35]: Kanttekening 35: Dat is, over het afgodische gouden kalf van Bethel en de afgoderij, die zij daarmede bedreven. Zie 1 Kon. 12:28, 12:29, enz. 1 Koningen 12:28: Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29: En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
[^jeremia-48-13-36]: Kanttekening 36: 36 hunlieder vertrouwen: Dat is, waarop zij hun vertrouwen stelden.
[^jeremia-48-14-f]: Verwijzing f: 1 Kon. 12:29. 1 Koningen 12:29: En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
[^jeremia-48-14-37]: Kanttekening 37: 37 dappere mannen ten strijde: Hebreeuws, mannen van de dapperheid, of kloekheid.
[^jeremia-48-15-38]: Kanttekening 38: 38 is verstoord: Dat is, daar toch Moab haast moet verstoord worden, en zo in het volgende.
[^jeremia-48-15-39]: Kanttekening 39: 39 zijn steden: Hebreeuws, haar. Zie vers 4. Jeremia 48:4: Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.
[^jeremia-48-15-40]: Kanttekening 40: Dat is, opgebroken, weggetogen. Anders, hun steden zijn in rook opgegaan; dat is, brand. Of, \[de verstoorder\] heeft hun steden beklommen.
[^jeremia-48-15-41]: Kanttekening 41: 41 slachting afgegaan: Om geslacht te worden. Vergelijk onder Jer. 50:27. Jeremia 50:27: Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking!
[^jeremia-48-16-42]: Kanttekening 42: Gelijk boven Jer. 46:21. Jeremia 46:21: Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd van hun bezoeking.
[^jeremia-48-16-43]: Kanttekening 43: 43 kwaad haast zeer: Van de straf, dat is, ondergang.
[^jeremia-48-17-44]: Kanttekening 44: 44 naam kent: Die weet, hoe beroemd en vermaard hij geweest is. Zie Gen. 6:4. Genesis 6:4: In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^jeremia-48-17-45]: Kanttekening 45: 45 de sterke staf: Hebreeuws, de staf van de sterkte, stok van de sierlijkheid, of van het sieraad (עֹז); dat is, dat machtig en heerlijk volk of koninkrijk.
[^jeremia-48-18-46]: Kanttekening 46: Dat is, in dorre plaatsen, in gebrek van alles.
[^jeremia-48-18-47]: Kanttekening 47: Vergelijk boven Jer. 46:19, met de aantekening. Jeremia 46:19: Maak voor u gereedschap van de gevankelijke wegvoering, u inwoneres, u dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in woont.
[^jeremia-48-18-48]: Kanttekening 48: Ook ene stad van de Moabieten, gelegen op een berg; zie Jes. 15:2. Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden.
[^jeremia-48-19-49]: Kanttekening 49: Gelegen aan de beek Arnon; Deut. 2:36. Deuteronomium 2:36: Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; YHWH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.
[^jeremia-48-19-50]: Kanttekening 50: 50 Wat is er geschied: Omdat u dus verbaasd vlucht? Een levendige beschrijving van wat in zulken tijd omgaat en daar gebeuren zou.
[^jeremia-48-20-51]: Kanttekening 51: 51 hij is: Hebreeuws, zij.
[^jeremia-48-20-52]: Kanttekening 52: Of, verschrikt, ontzet.
[^jeremia-48-20-g]: Verwijzing g: Jes. 16:7. Jesaja 16:7: Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.
[^jeremia-48-20-53]: Kanttekening 53: Ene stad, gelegen aan het gebergte, waar de oorsprong van de beide beken van Arnon was, hebbende denzelfden naam.
[^jeremia-48-21-54]: Kanttekening 54: 54 oordeel is gekomen: Dat is, de straf; zie Deut. 19:6; Spreuk. 19:29; zo onder vers 47. Deuteronomium 19:6: Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. Spreuken 19:29: Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor de rug van de zotten. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel.
[^jeremia-48-21-55]: Kanttekening 55: 55 vlakke land: Dat is, platteland; zulk een omtrek was in Moab zo genoemd; de volgende namen zijn alle namen van steden van de Moabieten; men houdt dat de Moabieten dezelfde alle, òf met geweld, òf met toestemming van de koning van Assyrië weer hebben ingenomen, nadat de stammen in Assyrië waren weggevoerd; want zij waren bij Davids tijd tenonder gebracht zijnde \[2 Sam. 8:2\], en daarna rebellerende, weer overheerd van Joram, enz.; 2 Kon. 3:4, enz. 2 Samuël 8:2: Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken. 2 Koningen 3:4: Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.
[^jeremia-48-24-56]: Kanttekening 56: Niet van de Edomieten \[gelijk onder Jer. 49:13, en elders dikwijls\] maar van de Moabieten. Sommigen houden het voor Bezer; Joz. 21:36. Jeremia 49:13: Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. Jozua 21:36: En van de stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden;
[^jeremia-48-25-57]: Kanttekening 57: 57 hoorn is afgesneden: Zie Deut. 33:17, en in het bijzonder Ps. 75:11. Deuteronomium 33:17: Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Psalmen 75:11: En ik zal alle hoornen van de goddelozen afhouwen; de hoornen van de rechtvaardige zullen verhoogd worden.
[^jeremia-48-25-58]: Kanttekening 58: 58 arm verbroken: Zie Job 22:8, en in het bijzonder Ps. 37:17. Job 22:8: Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin. Psalmen 37:17: Want de armen van de goddelozen zullen verbroken worden; maar YHWH ondersteunt de rechtvaardigen.
[^jeremia-48-26-59]: Kanttekening 59: U Babyloniërs, te weten uit de beker van Gods toorn; zie boven Jer. 25:15, 25:16; Jes. 63:6. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Jeremia 25:16: Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden. Jesaja 63:6: En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.
[^jeremia-48-26-60]: Kanttekening 60: 60 groot gemaakt heeft tegen YHWH: Tegen God en zijn volk met woorden en werken gesnoefd heeft. Vergelijk Ps. 35:26, 35:27, met de aantekening en onder vers 42. Psalmen 35:26: Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 35:27: Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij YHWH, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht! Jeremia 48:42: Want Moab zal verdelgd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH.
[^jeremia-48-26-61]: Kanttekening 61: 61 klappen in zijn uitspuwsel: Gelijk onzinnige dronkaards, die ter aarde nederstortende met de handen klappen en plassen in hun eigen uitspuwsel. Anders: zich omwentelen.
[^jeremia-48-26-62]: Kanttekening 62: 62 belaching zijn: Gelijk hij tevoren Gods volk placht te belachen, gelijk volgt.
[^jeremia-48-27-63]: Kanttekening 63: 63 belaching geweest: Ja vrij, wil de Heer zeggen. Versta, gelijk Israël werd gestraft en gevankelijk weggevoerd.
[^jeremia-48-27-64]: Kanttekening 64: 64 dieven gevonden: Op de daad van een diefstal ontdekt en betrapt, die men placht te bespotten? Zie boven Jer. 2:26, en Job 30:5. Jeremia 2:26: Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, zo zijn die van het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten; Job 30:5: Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),
[^jeremia-48-27-65]: Kanttekening 65: Of, schudde van vreugde, als u van hem redenen hieldt, spottende met zijn ellende, gelijk Edom met Juda.
[^jeremia-48-28-66]: Kanttekening 66: Dit houden sommigen voor een forteres, gelegen in het zuideinde aan de woestijn van Moab, die ook vermeld is Jes. 16:1, en gemeend boven vers 1. Anderen nemen het in het algemeen van steenrotsen of klippen. Jesaja 16:1: Zendt de lammeren van de heerser van het land van Sela af, naar de woestijn heen, tot de berg van de dochter van Sion. Jeremia 48:1: Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt.
[^jeremia-48-28-67]: Kanttekening 67: 67 doorgangen van de mond: Dat is, aan de zijden, in de kloven, spleten, gaten.
[^jeremia-48-29-68]: Kanttekening 68: 68 Wij hebben Moabs hovaardij gehoord: Vergelijk Jes. 16:6, 16:7. Jesaja 16:6: Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn toorn, zijn zo zijn grendelen niet. Jesaja 16:7: Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.
[^jeremia-48-29-h]: Verwijzing h: Jes. 16:6. Jesaja 16:6: Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn toorn, zijn zo zijn grendelen niet.
[^jeremia-48-30-69]: Kanttekening 69: Of, oplopende, overlopenden toorn.
[^jeremia-48-30-70]: Kanttekening 70: 70 maar niet zo: Vergelijk Jes. 16:6. Zulke manier van spreken gebruikt men ook in onze taal van iemand, die met al zijn voornemen vermetelijk meent door te dringen, zo niet, hij zal er zo niet mee door, het laat zich zo niet doen, leugens willen het hem niet doen, enz. Anders, \[omdat de Hebreeuwse woorden ken en baddim ook andere betekenis toelaten\] aldus: Maar daar is gene vastheid, zijn grendels \[waarop hij zich verliet\] maken gene vastheid; beide in een goeden zin, te weten dat Moab met al zijn pracht en ijdelen troost bedrogen zal uitkomen. Jesaja 16:6: Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn toorn, zijn zo zijn grendelen niet.
[^jeremia-48-30-71]: Kanttekening 71: 71 grendelen doen het zo niet: Dat is, zijn ijdele vergeefse raadslagen, al zijn ingebeeld toevoorzicht. Vergelijk Ps. 7:15. Psalmen 7:15: Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
[^jeremia-48-31-72]: Kanttekening 72: Sommigen houden dit voor een anderen stadsnaam in Moab, zo genoemd omdat ze een tichelstenen muur had. Vergelijk Jes. 16:7, 16:11. Jesaja 16:7: Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken. Jesaja 16:11: Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres.
[^jeremia-48-31-73]: Kanttekening 73: 73 zal men zuchten: Of, mompelen, binnensmonds spreken, piepen, gelijk men wel doet in een onverwacht ongeval, droefenis, verwondering, enz. Anders, zal \[mijn hart\] zuchten.
[^jeremia-48-32-74]: Kanttekening 74: 74 Boven het geween van Jaëzer: Dat is, nog meer dan Jesaja geweend heeft over Jaeëzer. Zie Jes. 16:9. Anders, uit, of met het geween van Jaëzer; dat is gelijk Jesaja gedaan heeft, ik zal mijn geween uit het zijne nemen, mij naast hem daarin voegen, enz. Jesaja 16:9: Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen;
[^jeremia-48-32-75]: Kanttekening 75: Of, jonge scheuten, loten, planten, gelijk men met edele wijnstokken pleegt te doen; aldus spreekt de profeet omdat in de omtrek van de stad Sibma veel schone wijngaarden waren, en niet ver vandaar lag Jaeëzer aan de beek Arnon, die vandaar voortliep door de zee, dat is het meer, van Jaeëzer, tussen Jaeëzer en Aroër. En over dit meer in het noordoosten stellen sommigen ook vele wijnbergen, waarvan de planten van Sibma daarheen mogen overgebracht zijn, of anders het land uitgevoerd.
[^jeremia-48-32-76]: Kanttekening 76: De Babyloniër.
[^jeremia-48-33-i]: Verwijzing i: Jes. 16:10. Jesaja 16:10: Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.
[^jeremia-48-33-77]: Kanttekening 77: 77 vruchtbare veld: Hebreeuws, Karmel. Zie boven Jer. 2:7. Jeremia 2:7: En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelfde en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jeremia-48-33-78]: Kanttekening 78: 78 weggenomen is: Hebreeuws, verzameld; zie Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^jeremia-48-33-79]: Kanttekening 79: 79 heb de wijn doen ophouden: Dat is, Ik zal maken dat er geen wijn is. Dit zijn Gods woorden.
[^jeremia-48-33-80]: Kanttekening 80: Of, wijnbakken; zie Joël 3:13. Joël 3:13: Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.
[^jeremia-48-33-81]: Kanttekening 81: Hebreeuws, Hedad; zie boven Jer. 25:30. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^jeremia-48-33-82]: Kanttekening 82: 82 vreugdegeschrei zijn: Maar veeleer een moordgeschrei gelijk.
[^jeremia-48-34-83]: Kanttekening 83: Hebreeuws, gegeven.
[^jeremia-48-34-k]: Verwijzing k: Jes. 15:5; idem v. 6. Jesaja 15:5: Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. Jesaja 15:6: Want de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; want het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente.
[^jeremia-48-34-84]: Kanttekening 84: 84 driejarige vaarze: Van welke stad de inwoners zo lijvig, vet, dartel en weelderig zijn als een jonge gladde driejarig vaars. Vergelijk Jes. 15:5, en boven Jer. 46:20. Jesaja 15:5: Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. Jeremia 46:20: Egypte is een zeer schone vaarze; de slachter komt, hij komt van het noorden.
[^jeremia-48-34-85]: Kanttekening 85: Zie Jes. 15:6. Enige stellen de stad Nimrim met deze wateren bij de Dode zee, tussen de beek Arnon en de beek Zered, in het zuideinde van Moab. Vergelijk ook Num. 32:3, 32:36; Joz. 13:27. Jesaja 15:6: Want de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; want het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente. Numeri 32:3: Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; Numeri 32:36: En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien. Jozua 13:27: En in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde van de zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.
[^jeremia-48-35-86]: Kanttekening 86: 86 doen ophouden: Dat is, maken dat zij er niet meer zijn.
[^jeremia-48-35-87]: Kanttekening 87: 87 hoogte offert: De afgodische tempel van Baäl Peor was op een hoge berg, aan welks voet de stad Bamoth Baäl lag, dat is Baäls hoogten.
[^jeremia-48-36-88]: Kanttekening 88: 88 de fluiten: Of, pijpen, waar men klaagliederen op speelde.
[^jeremia-48-36-89]: Kanttekening 89: Zo worden de Hebreeuwse woorden elders ook bekwamelijk genomen voor omdat, of omdat; zie Gen. 38:26; Num. 10:31, en Num. 14:43; Ps. 42:7. Zie ook Ps. 45:3, 45:8. Genesis 38:26: En Juda kende ze, en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer. Numeri 10:31: En hij zei: Verlaat ons toch niet; want omdat u weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn. Numeri 14:43: Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en u zult door het zwaard vallen; want, omdat u u afgekeerd hebt van YHWH, zo zal YHWH met u niet zijn. Psalmen 42:7: O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik U uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. Psalmen 45:3: U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Psalmen 45:8: U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
[^jeremia-48-36-90]: Kanttekening 90: Of, overvloed; te weten van allerlei rijkdom, die hij verkregen had.
[^jeremia-48-36-91]: Kanttekening 91: 91 hij gemaakt had: Namelijk Moab.
[^jeremia-48-36-92]: Kanttekening 92: Hebreeuws, verloren zijn; te weten de overvloediglijk verkregen of overvloeiende goederen, dat in de zin van deze woorden is ingesloten.
[^jeremia-48-37-93]: Kanttekening 93: 93 alle hoofden zijn kaal: Hebreeuws, alle kop, is kaalheid, idem baard, enz. Dit waren alle tekenen van rouw en harteleed. Zie boven Jer. 16:6, en Gen. 37:34. Jeremia 16:6: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^jeremia-48-37-l]: Verwijzing l: Jes. 15:2; idem v. 3. Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jesaja 15:3: Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween.
[^jeremia-48-37-m]: Verwijzing m: Jer. 47:5. Jeremia 47:5: Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult u uzelven insnijdingen maken?
[^jeremia-48-38-94]: Kanttekening 94: 94 daken van Moab: Die in die landen plat waren. Zie Deut. 22:8. Deuteronomium 22:8: Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^jeremia-48-38-95]: Kanttekening 95: 95 overal luid weeklagen: Hebreeuws, hij geheel.
[^jeremia-48-38-96]: Kanttekening 96: Gelijk boven Jer. 22:28. Jeremia 22:28: Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?
[^jeremia-48-39-97]: Kanttekening 97: Moab. Hebreeuws, zij.
[^jeremia-48-39-98]: Kanttekening 98: Dat is, in stukken geslagen, verpletterd, of verschrikt, ontzet.
[^jeremia-48-39-99]: Kanttekening 99: 99 zij huilen: Anders aldus: huilt, of zij huilen, \[zeggende\] hoe is zij verslagen? of, hoe is zij verslagen? \[hoe\] huilen zij.
[^jeremia-48-39-100]: Kanttekening 100: 100 nek met: Vluchtende voor de vijand.
[^jeremia-48-39-101]: Kanttekening 101: 101 schaamte gewend: Anders: hij is beschaamd, of hoe is hij beschaamd?
[^jeremia-48-40-103]: Kanttekening 103: 103 snel vliegen als een adelaar: Zie Ps. 18:11, en vergelijk boven Jer. 4:13, en onder vers 22; Ez. 17:3; Hos. 8:1. Psalmen 18:11: En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Jeremia 48:22: En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim, Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
[^jeremia-48-40-n]: Verwijzing n: Jer. 4:13. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest!
[^jeremia-48-40-102]: Kanttekening 102: 102 hij zal: De vijand, de Babyloniër, zal u haastig overkomen.
[^jeremia-48-41-104]: Kanttekening 104: 104 Elk één van de steden is gewonnen: Hebreeuws, de steden is gewonnen; of ingenomen; dat is, elk van de steden zal, enz., gelijk volgt. Anders: Kerijoth, gelijk boven vers 24. Jeremia 48:24: En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
[^jeremia-48-41-105]: Kanttekening 105: 105 vastigheden is ingenomen: Of, burchten, sloten.
[^jeremia-48-41-106]: Kanttekening 106: 106 het hart van Moabs helden: Zo onder Jer. 49:22. Jeremia 49:22: Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.
[^jeremia-48-41-107]: Kanttekening 107: 107 nood is: Van baren, kindsnoden; gelijk boven Jer. 22:23, en onder Jer. 49:22, enz. Jeremia 22:23: O u, die nu op de Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw! Jeremia 49:22: Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.
[^jeremia-48-42-108]: Kanttekening 108: 108 dat hij geen volk zij: Gelijk boven Jer. 33:24, en vers 2. Jeremia 33:24: Hebt u niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die YHWH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht. Jeremia 48:2: Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook u, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan.
[^jeremia-48-42-109]: Kanttekening 109: 109 groot gemaakt heeft tegen YHWH: Zie boven vers 26. Jeremia 48:26: Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen YHWH; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.
[^jeremia-48-43-110]: Kanttekening 110: Hier zijn drie woorden in het Hebreeuws die elkaar zeer gelijken, pachad, pachath en pach; waarvan wij de aardigheid in onze taal niet kunnen navolgen; zo Jes. 24:17. Jesaja 24:17: De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land!
[^jeremia-48-44-111]: Kanttekening 111: 111 van de vreze ontvliedt: Hebreeuws, van het aangezicht van de vrees (פְּנֵי).
[^jeremia-48-45-112]: Kanttekening 112: 112 bleven staan in de schaduw van Hesbon: Dat is, namen hun toevlucht in de koninklijke stad Hesbon, menende daar geborgen en beschermd te zijn.
[^jeremia-48-45-113]: Kanttekening 113: 113 vuur is uitgegaan van Hesbon: Zie Num. 21:28. De zin is: Gelijk in die tijd de overheersing van het land van Hesbon begon, zo zal het nu ook gebeuren, zodat zich daar niemand zal kunnen bergen. Numeri 21:28: Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon.
[^jeremia-48-45-o]: Verwijzing o: Num. 21:28. Numeri 21:28: Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon.
[^jeremia-48-45-114]: Kanttekening 114: 114 van tussen Sihon: Dat is, uit het midden van de stad, die Sihon de Moabieten eertijds benomen had; Num. 21:26. Numeri 21:26: Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
[^jeremia-48-45-115]: Kanttekening 115: 115 kinderen van het gedruis verteerd: Van de Moabieten, die zo groot gewoel maakten en zo hoog pochten en snorkten. Vergelijk boven Jer. 46:17, met de aantekening. Jeremia 46:17: Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft de gezette tijd laten voorbijgaan.
[^jeremia-48-46-116]: Kanttekening 116: 116 Wee u, Moab: Zie Num. 21:29, en boven vers 7. Numeri 21:29: Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jeremia-48-46-117]: Kanttekening 117: 117 Kamos is verloren: Zie boven vers 7, 48:13. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 48:13: En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis van Israël beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen.
[^jeremia-48-47-118]: Kanttekening 118: Of, gevangenen wederbrengen.
[^jeremia-48-47-119]: Kanttekening 119: Dit mag wel enigszins mee passen op enige tijdelijke of lichamelijke herstelling, maar ziet voornamelijk op de geestelijke verlossing, welke zij door de predikatie van het Evangelie naast andere volken zouden deelachtig worden. Vergelijk onder Jer. 49:6, 49:39. Jeremia 49:6: Maar daarna zal Ik de gevangenis van de kinderen Ammons wenden, spreekt YHWH. Jeremia 49:39: Maar het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt YHWH.
[^jeremia-48-47-120]: Kanttekening 120: 120 Tot hiertoe is Moabs oordeel: Dat is, \[gelijk wij spreken\] zoveel is gesproken van Moabs straf. Zie boven vers 21. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath,

### Jeremia 49

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/49.json)

*Profetie tegen de Ammonieten, vers 1, enz. Edomieten, 7. Damascus en de Syriërs, 23. Kedar en Hazor, 28. en tegen Elam, met een bijgevoegde belofte, 34.*

**1** [^jeremia-49-1-1] Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen[^jeremia-49-1-2] kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan[^jeremia-49-1-3] Malcham erfgenaam van[^jeremia-49-1-4][^jeremia-49-1-a] Gad, en waarom woont[^jeremia-49-1-5] zijn volk in[^jeremia-49-1-6] diens steden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v1)

**2** Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik over[^jeremia-49-2-7][^jeremia-49-2-b] Rabba van de kinderen Ammons een[^jeremia-49-2-8] oorlogsgeschreeuw zal doen horen, en zij zal tot een[^jeremia-49-2-9] woeste hoop worden, en haar[^jeremia-49-2-10] bijbehorende plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal[^jeremia-49-2-11] erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v2)

**3** Huil, o[^jeremia-49-3-12] Hesbon! want[^jeremia-49-3-13] Ai is verstoord; krijt, u[^jeremia-49-3-14] dochters van Rabba, gordt[^jeremia-49-3-15] zakken aan,[^jeremia-49-3-c] drijft luid weeklagen, en loopt om bij de[^jeremia-49-3-16] tuinen; want[^jeremia-49-3-17] Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn[^jeremia-49-3-d] priesters en zijn vorsten samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v3)

**4** Wat roemt u op[^jeremia-49-4-18] uw dalen? Uw[^jeremia-49-4-19] dal is weggevloten, u[^jeremia-49-4-20] afkerige dochter! die op haar[^jeremia-49-4-21][^jeremia-49-4-e] schatten vertrouwt[^jeremia-49-4-f],[^jeremia-49-4-22] zeggende: Wie zou tegen mij komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v4)

**5** Zie, Ik zal vrees over u brengen, spreekt de Heere, YHWH van de legermachten, van allen,[^jeremia-49-5-23] die rondom u zijn, en u zult, ieder[^jeremia-49-5-24] voor zich heen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolende[^jeremia-49-5-25] verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v5)

**6** Maar daarna zal Ik de gevangenis van de kinderen Ammons[^jeremia-49-6-26] wenden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v6)

**7** Tegen[^jeremia-49-7-27] Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te[^jeremia-49-7-29] Theman? Is de raad vergaan van de[^jeremia-49-7-30] verstandigen? Is hun wijsheid[^jeremia-49-7-31] onnut geworden?[^jeremia-49-7-28][^jeremia-49-7-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v7)

**8** Vlucht, wendt u,[^jeremia-49-8-32] woont in diepe plaatsen, u inwoners van[^jeremia-49-8-33][^jeremia-49-8-h] Dedan! want Ik[^jeremia-49-8-34] heb Ezau's[^jeremia-49-8-35] verderf over hem gebracht, de tijd,[^jeremia-49-8-36] dat Ik hem bezocht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v8)

**9** [^jeremia-49-9-i] Zo er[^jeremia-49-9-37] wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij[^jeremia-49-9-38] niet verdorven hebben[^jeremia-49-9-39] zoveel hun genoeg was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v9)

**10** Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broers, en zijn buren, en[^jeremia-49-10-40] hij is er niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v10)

**11** Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v11)

**12** Want zo zegt YHWH: Zie, degenen van wie het oordeel het niet is de[^jeremia-49-12-42] beker te drinken, zullen[^jeremia-49-12-43] geheel drinken; en zou u[^jeremia-49-12-44] enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult geheel drinken.[^jeremia-49-12-41][^jeremia-49-12-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v12)

**13** Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat[^jeremia-49-13-46] Bozra worden zal tot een[^jeremia-49-13-47] ontzetting, tot een smaad, tot een woestheid, en tot een vloek; en al[^jeremia-49-13-48] haar steden zullen worden tot[^jeremia-49-13-49] eeuwige woestheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v13)

**14** Ik heb een[^jeremia-49-14-50][^jeremia-49-14-k] gerucht gehoord van YHWH, en er is een[^jeremia-49-14-51] gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Verzamelt u, en komt aan tegen[^jeremia-49-14-52] haar, en maakt u op ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v14)

**15** Want zie, Ik heb u klein[^jeremia-49-15-53] gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v15)

**16** Uw[^jeremia-49-16-54] schrikkelijkheid heeft u[^jeremia-49-16-55] bedrogen, en de[^jeremia-49-16-l] trotsheid van uw hart, u, die woont in de kloven van[^jeremia-49-16-56] de steenrotsen, die[^jeremia-49-16-57] u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zou u[^jeremia-49-16-m] uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar neerstoten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v16)

**17** Zo zal Edom worden tot een[^jeremia-49-17-58] ontzetting;[^jeremia-49-17-n] al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en[^jeremia-49-17-59] fluiten over al haar plagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v17)

**18** [^jeremia-49-18-o] Zoals de[^jeremia-49-18-60] omkering van Sodom en Gomorra en haar[^jeremia-49-18-61] buren,[^jeremia-49-18-62] zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen[^jeremia-49-18-63] mensenkind daarin verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v18)

**19** [^jeremia-49-19-p] Zie, zoals een[^jeremia-49-19-64] leeuw van de[^jeremia-49-19-q] verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de[^jeremia-49-19-65] sterke woning; want Ik zal[^jeremia-49-19-66] hem[^jeremia-49-19-67] in een ogenblik[^jeremia-49-19-68] daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar[^jeremia-49-19-69] bestellen; want wie is Mij gelijk, en[^jeremia-49-19-r] wie zou Mij[^jeremia-49-19-70] dagvaarden, en wie is die[^jeremia-49-19-71] herder, die[^jeremia-49-19-72] voor Mijn aangezicht bestaan zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v19)

**20** Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn[^jeremia-49-20-73] gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van[^jeremia-49-20-74] Theman:[^jeremia-49-20-75] Zo de[^jeremia-49-20-76] geringsten van de kudde[^jeremia-49-20-77] hen niet zullen neertrekken! Als[^jeremia-49-20-78] hij hun woning niet[^jeremia-49-20-79] boven hen zal verwoesten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v20)

**21** De aarde heeft gebeefd van het geluid van hun val, van het hulpgeroep, waarvan het geluid gehoord is bij de Schelfzee[^jeremia-49-21-80]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v21)

**22** Zie, hij zal opkomen[^jeremia-49-22-s] en[^jeremia-49-22-81] snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugels over Bozra uitbreiden; en het[^jeremia-49-22-82] hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een[^jeremia-49-22-t] vrouw, die in nood is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v22)

**23** Tegen[^jeremia-49-23-83][^jeremia-49-23-v] Damascus. Beschaamd is[^jeremia-49-23-84] Hamath en[^jeremia-49-23-85] Arpad; omdat zij een boos[^jeremia-49-23-86] gerucht gehoord hebben, zijn zij[^jeremia-49-23-87] gesmolten; bij de[^jeremia-49-23-88] zee is bezorgdheid, men kan er niet[^jeremia-49-23-89] rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v23)

**24** Damascus is[^jeremia-49-24-90] slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van[^jeremia-49-24-x] een barende[^jeremia-49-24-91] vrouw hebben haar bevangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v24)

**25** [^jeremia-49-25-92] Hoe is de[^jeremia-49-25-93] beroemde stad niet gelaten, de stad[^jeremia-49-25-94] van Mijn vrolijkheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v25)

**26** [^jeremia-49-26-95] Daarom zullen haar jongemannen[^jeremia-49-26-96] vallen op haar straten; en al haar soldaten zullen op die dag neergehouwen worden, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v26)

**27** En Ik zal een[^jeremia-49-27-97][^jeremia-49-27-y] vuur aansteken in de muur van Damascus, en het zal[^jeremia-49-27-98] Benhadads paleizen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v27)

**28** [^jeremia-49-28-99] Tegen[^jeremia-49-28-100] Kedar, en tegen de koninkrijken van[^jeremia-49-28-101] Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel,[^jeremia-49-28-102] sloeg, zegt YHWH zo: Maak u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het[^jeremia-49-28-103] oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v28)

**29** Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen:[^jeremia-49-29-104] Schrik van rondom! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v29)

**30** Vlucht, zwerft[^jeremia-49-30-105] fluks heen weg,[^jeremia-49-30-106] woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt YHWH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een[^jeremia-49-30-107] raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v30)

**31** Maak u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in[^jeremia-49-31-108] zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen[^jeremia-49-31-109] deuren noch grendel heeft, die alleen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v31)

**32** En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in[^jeremia-49-32-110] alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort[^jeremia-49-32-111][^jeremia-49-32-z] zijn; en Ik zal hun verderf van al[^jeremia-49-32-112] zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v32)

**33** En Hazor zal worden tot een[^jeremia-49-33-113][^jeremia-49-33-a] drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid;[^jeremia-49-33-114] niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v33)

**34** Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia gebeurd is[^jeremia-49-34-115] tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v34)

**35** Zo zegt YHWH van de legermachten: Zie, Ik zal verbreken[^jeremia-49-35-116] Elams boog, het[^jeremia-49-35-117] voornaamste van hun geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v35)

**36** En Ik zal de[^jeremia-49-36-118] vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al die winden[^jeremia-49-36-119] verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarheen Elams verdrevenen niet zullen[^jeremia-49-36-120] komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v36)

**37** En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht van hun vijanden, en voor het aangezicht van degenen, die[^jeremia-49-37-121] hun ziel zoeken, en zal een[^jeremia-49-37-122] kwaad over hen brengen, de hitte van Mijn toorn, spreekt YHWH; en Ik zal het zwaard achter hen zenden,[^jeremia-49-37-123] totdat Ik hen verteerd zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v37)

**38** En Ik zal Mijn[^jeremia-49-38-124] troon in Elam stellen; en zal de koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v38)

**39** Maar het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat Ik Elams[^jeremia-49-39-b] gevangenis[^jeremia-49-39-125] wenden zal, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/49.html#v39)

[^jeremia-49-1-1]: Kanttekening 1: 1 de kinderen Ammons: Vergelijk Ez. 21:28, en Ez. 25:2; Amos 1:13; Zef. 2:8, 2:9. Ezechiël 21:28: En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heer YHWH, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren; Ezechiël 25:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelfde; Amos 1:13: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden. Zefanja 2:8: Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen diens landpale. Zefanja 2:9: Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen van Mijn volk zullen ze beroven, en het overige van Mijn volk zal ze erfelijk bezitten.
[^jeremia-49-1-2]: Kanttekening 2: Dat Ammon dus zijn land bezit, alsof hij erfgenaam daarvan ware? wil de Heer zeggen.
[^jeremia-49-1-3]: Kanttekening 3: 3 Malcham erfgenaam: Of, hunlieder Melech, versta, de afgod van de Ammonieten, anders genoemd Milcom en Molech, Lev. 18:21, en 1 Kon. 11:5, 11:7. Zie daar, en vergelijk boven Jer. 48:7, en onder vers 3, en Richt. 11:24. Sommigen zetten het over: hun koning, te weten van de Ammonieten, dat men ook van de afgod kan verstaan, want zij noemden hun afgoden hun koningen. Vergelijk Ez. 43:7; Amos 5:26, met de aantekening. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! 1 Koningen 11:5: Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten. 1 Koningen 11:7: Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:3: Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Richteren 11:24: Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten; Amos 5:26: Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt.
[^jeremia-49-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, het land, dat de stam van Gad van God door Mozes was toebedeeld en ingegeven. Zie Num. 32:33, 32:34; Deut. 3:12, 3:16. Vergelijk de manier van spreken met Richt. 11:23, 11:24, en hier in vers 2. Numeri 32:33: Zo gaf Mozes hunlieden, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelfde in het gebied, de steden van het land rondom. Numeri 32:34: En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër, Deuteronomium 3:12: Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. Deuteronomium 3:16: Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale van de kinderen Ammons; Richteren 11:23: Zo heeft nu YHWH, de God van Israël, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zoudt u hunlieder erfgenaam zijn? Richteren 11:24: Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. Jeremia 49:2: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik over Rabba van de kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen horen, en zij zal tot een woesten hoop worden, en haar onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt YHWH.
[^jeremia-49-1-a]: Verwijzing a: Amos 1:13. Amos 1:13: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden.
[^jeremia-49-1-5]: Kanttekening 5: 5 zijn volk: Van de afgod Malcom. Vergelijk boven Jer. 48:46. Jeremia 48:46: Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.
[^jeremia-49-1-6]: Kanttekening 6: 6 diens steden: Namelijk Gads steden, gelijk als de Moabieten de rest hadden ingenomen. Zie boven Jer. 48:21. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath,
[^jeremia-49-2-7]: Kanttekening 7: 7 Rabba van de kinderen Ammons: De hoofdstad van de Ammonieten. Zie 2 Sam. 11:1, en 2 Sam. 12:29, 12:30, 12:31; idem Amos 1:14. 2 Samuël 11:1: En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem. 2 Samuël 12:29: Toen verzamelde David al dat volk, en toog naar Rabba; en hij krijgde tegen haar, en nam ze in. 2 Samuël 12:30: En hij nam de kroon haars konings van zijn hoofd af, waarvan het gewicht was een talent gouds, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad. 2 Samuël 12:31: Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem. Amos 1:14: Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijd, met een onweer op de dag van de wervelwind.
[^jeremia-49-2-b]: Verwijzing b: Amos 1:14. Amos 1:14: Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijds, met een onweer op de dag van de wervelwinds.
[^jeremia-49-2-8]: Kanttekening 8: 8 krijgsgeschrei zal doen horen: Versta, een veldgeschrei van krijgslieden, of een trompetten- of bazuinengeklank.
[^jeremia-49-2-9]: Kanttekening 9: 9 woeste hoop worden: Hebreeuws, hoop van de verwoesting (שְׁמָמָה); dat is, Rabba zal overhoop liggen als een steenhoop; vergelijk Deut. 13:16. Deuteronomium 13:16: En al haar roof zult u verzamelen in het midden van haar straat, en YHWH, uw God, die stad en al haar roof ganselijk met vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwig, zij zal niet weer gebouwd worden.
[^jeremia-49-2-10]: Kanttekening 10: 10 onderhorige plaatsen: Hebreeuws, dochters; dat is, de kleine steden en dorpen, die onder haar behoren of sorteren. Zie 2 Kon. 19:21. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^jeremia-49-2-11]: Kanttekening 11: 11 erven degenen: Zie op vers 1. Maar omdat men nergens leest dat de tien weggevoerde stammen weer in hun tijdelijk bezit gebracht zijn \[hoewel enige burgers van de stammen met Juda zijn teruggekeerd\] moet dit geestelijk verstaan worden zo, dat God wel vooreerst het recht van de erfenis, dat Hij zijn volk gegeven had, tegen de Ammonieten, als onrechtvaardige bezitters, heeft uitgevoerd, deze uit zijn volks land verdrijvende, en Israël daardoor voor de rechte erfgenaam van die verklarende; maar daarna zijn rechte Israël tot hun volkomen bezit gebracht, in hun hoofd, de Messias, wiens koninkrijk Hij alle volken heeft onderworpen, en zijn gelovigen hem tot broers en medeërfgenamen gegeven. Zie Ps. 2:8; Rom. 8:17, enz., en Openb. 11:15, en vergelijk Jes. 11:14; Ez. 25:14, met de aantekening. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden? Psalmen 2:8: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Openbaring 11:15: En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heer en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. Jesaja 11:14: Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. Ezechiël 25:14: En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; zo zullen zij Mijn wraak gewaar worden, spreekt de Heer YHWH.
[^jeremia-49-3-12]: Kanttekening 12: Als een naburige stad, die Gad ook toebehoorde; Joz. 21:39. Jozua 21:39: Hesbon en haar voorsteden, Jaëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier.
[^jeremia-49-3-13]: Kanttekening 13: 13 Ai is verstoord: Een ander Ai, gelijk Joz. 7.
[^jeremia-49-3-14]: Kanttekening 14: 14 dochters van Rabba: Daardoor kan men hier verstaan de vrouwen en jonge dochters te Rabba wonende. Vergelijk Luk. 23:28. Lukas 23:28: En Jezus, Zich tot haar kerende, zei: U dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.
[^jeremia-49-3-15]: Kanttekening 15: 15 zakken aan: Zie Gen. 37:34. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^jeremia-49-3-c]: Verwijzing c: Jes. 32:12; Jer. 4:8; Jer. 6:26. Jesaja 32:12: Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken. Jeremia 4:8: Hierom, gordt zakken aan, bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van YHWH is niet van ons afgekeerd. Jeremia 6:26: O dochter van Mijn volk! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
[^jeremia-49-3-16]: Kanttekening 16: Of, heiningmuren; gelijk verbaasde en benauwde mensen, niet wetende waar u schuilen of heen vluchten zult.
[^jeremia-49-3-17]: Kanttekening 17: 17 Malcham zal wandelen in gevangenis: Zie gelijke manier van spreken van Kamos, de afgod van de Moabieten, boven Jer. 48:7, en Amos 1:15. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Amos 1:15: En hunlieder koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt YHWH.
[^jeremia-49-3-d]: Verwijzing d: Jer. 48:7. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jeremia-49-4-18]: Kanttekening 18: Of, diepten, diepe plaatsen, waarin u meent besloten en verzekerd te zijn.
[^jeremia-49-4-19]: Kanttekening 19: 19 dal is weggevloten: Dat is, uwe laagten, valleien en diepten strekken u niet voor valleien, dat u u daarin zoudt kunnen bergen; of al het gewas van de dalen is zo licht als water vervloten; of de inwoners van de valleien zijn als water verlopen. Dal noch berg kan u helpen, wil God zeggen.
[^jeremia-49-4-20]: Kanttekening 20: 20 afkerige dochter: Zie Amos 1:13, en Zef. 2:8. Zij waren wel van Lots afkomst, \[daarom had hen God ook eertijds verschoond\], maar daarna zijn ze zeer bittere vijanden van Gods volk geworden, en als zodanigen scherp gestraft. Amos 1:13: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden. Zefanja 2:8: Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen daarvan landpale.
[^jeremia-49-4-21]: Kanttekening 21: 21 schatten vertrouwt: Anders: verborgen, verholen plaatsen.
[^jeremia-49-4-e]: Verwijzing e: Jer. 48:7. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^jeremia-49-4-f]: Verwijzing f: Jer. 21:13. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^jeremia-49-4-22]: Kanttekening 22: 22 Wie zou tegen mij komen: Dat is, wie zou zo stout of machtig zijn, dat hij mij zou durven aantasten. Vergelijk boven Jer. 21:13. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^jeremia-49-5-23]: Kanttekening 23: 23 die rondom u zijn: Of, van alle plaatsen rondom u.
[^jeremia-49-5-24]: Kanttekening 24: 24 voor zich heen: Hebreeuws, voor zijn aangezicht (פָנָי); dat is, voor zich heen, in het wild, waar hij slechts kan heenvluchten.
[^jeremia-49-5-25]: Kanttekening 25: Dat is, zich over hem ontfermen, dat hij hem op- of inneme en herberge.
[^jeremia-49-6-26]: Kanttekening 26: Gelijk boven Jer. 48:47, en onder vers 39. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel. Jeremia 49:39: Maar het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt YHWH.
[^jeremia-49-7-27]: Kanttekening 27: Dat is, nakomelingen van Ezau.
[^jeremia-49-7-29]: Kanttekening 29: Theman en Dedan waren twee steden van de Edomieten, op bergen gelegen, aan het oosteinde van Ezau's gebergte, achter het zuideinde van de Dode Zee, naar uitwijzen van enige kaarten. Theman was Ezau's zoonszoon, uit Elifaz, waarvan deze stad zonder twijfel de naam heeft. Zie Gen. 36:10, 36:11. Genesis 36:10: Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw. Genesis 36:11: En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
[^jeremia-49-7-30]: Kanttekening 30: Anders, \[hun\] kinderen.
[^jeremia-49-7-31]: Kanttekening 31: 31 onnut geworden: Het Hebreeuwse woord betekent gemeenlijk overtollig, overig en geil worden; en hier verder onnut, vergeefs, ijdel, of ondienstig worden.
[^jeremia-49-7-28]: Kanttekening 28: 28 Is er dan geen wijsheid meer: Vergelijk Obad. v. 8, 1:9. Obadja 1:8: Zal het niet op die dag zijn, spreekt YHWH, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? Obadja 1:9: Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door de moord worde uitgeroeid.
[^jeremia-49-7-g]: Verwijzing g: Obad. v. 8. Obadja 1:8: Zal het niet op die dag zijn, spreekt YHWH, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?
[^jeremia-49-8-32]: Kanttekening 32: 32 woont in diepe plaatsen: Hebreeuws, verdiept u om te wonen, of met wonen, of blijven. Versta, om u te bergen. Zo onder vers 30. Jeremia 49:30: Vliedt, zwerft fluks heen weg, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt YHWH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht.
[^jeremia-49-8-33]: Kanttekening 33: Zie op vers 7 van een omtrek in Arabië, zo genoemd. Zie boven, Jer. 25:23, en Gen. 25:3. Het kan zijn dat beide, de stad in Edom en het land in Arabië, één oorsprong hebben, omdat zij niet ver van elkaar gelegen waren. Vergelijk boven Jer. 25:23. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden? Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn; Genesis 25:3: En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^jeremia-49-8-h]: Verwijzing h: Jer. 25:23. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^jeremia-49-8-34]: Kanttekening 34: 34 heb Ezau's: Dat is, Ik zal het zekerlijk doen.
[^jeremia-49-8-35]: Kanttekening 35: 35 verderf over hem gebracht: Of, ondergang.
[^jeremia-49-8-36]: Kanttekening 36: 36 dat Ik hem bezocht heb: Dat is, de tijd van zijn bezoeking, gelijk God elders spreekt, dat is, van zijn straf. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-49-9-i]: Verwijzing i: Obad. v. 5. Obadja 1:5: Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe bent u uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg was? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?
[^jeremia-49-9-37]: Kanttekening 37: Of, druivensnijders.
[^jeremia-49-9-38]: Kanttekening 38: 38 verdorven hebben: Dat is, u ontnomen of gestolen hebben, \[vergelijk Obad. v. 5\], dat gemeenlijk met verderven en verwoesten van huis of goed geschiedt. Obadja 1:5: Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe bent u uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg was? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?
[^jeremia-49-9-39]: Kanttekening 39: 39 zoveel hun genoeg was: Hebreeuws, hunlieder genoegzaamheid, latende wat over \[wil de Heer zeggen\] of niet meer nemende dan zij bekwamelijk konden wegbrengen of mededragen; maar Ik zal anders met hem handelen, hem bloot en kaal makende, dat hij niets overhebbe, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jeremia-49-10-40]: Kanttekening 40: 40 hij is er niet meer: Sommigen hechten deze woorden aan vers 11, met enige bijvoeging, aldus: Hij is er niet \[die zegt\]; dan is de zin van het volgende klaar; te weten dat er niemand zal zijn, die zich over zijn wezen of weduwen zal ontfermen. Anderen verstaan dat God met de volgende woorden Ezau spottenderwijze aanspreekt, alsof Hij zei: U behoeft niet te denken dat uwe wezen en weduwen bij mij gunst zullen vinden; laat u hen na, Ik zal mijn oordelen verder vervolgen over uw zaad en alles wat er van u zou mogen overblijven. Jeremia 49:11: Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.
[^jeremia-49-12-42]: Kanttekening 42: 42 beker te drinken: van Mijn toorn.
[^jeremia-49-12-43]: Kanttekening 43: 43 ganselijk drinken: Hebreeuws, drinkende drinken (שְׁתּוֹת); dat is, zullen het niet ontgaan, zij zullen moeten gestraft worden.
[^jeremia-49-12-44]: Kanttekening 44: 44 enigszins onschuldig gehouden worden: Hebreeuws, onschuldig zijnde, of gehouden wordende, onschuldig worden gehouden; dat is, enigszins ongestraft blijven; zie 1 Kon. 2:9, en boven Jer. 25:29. 1 Koningen 2:9: Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-49-12-41]: Kanttekening 41: Dat is, die het zo niet verdiend hebben als u; te weten de vromen onder mijn eigen volk; vergelijk boven Jer. 25:29, en zie Deut. 19:6. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Deuteronomium 19:6: Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.
[^jeremia-49-12-45]: Kanttekening 45: 45 ganselijk drinken: Hebreeuws, drinkende drinken (שְׁתּוֹת).
[^jeremia-49-13-46]: Kanttekening 46: De hoofdstad van de Edomieten, in de Schriftuur dikwijls vermeld.
[^jeremia-49-13-47]: Kanttekening 47: Of, eenzaamheid, verwoesting; gelijk boven Jer. 25:9, 25:18, enz. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 25:18: Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te deze dage;
[^jeremia-49-13-48]: Kanttekening 48: 48 haar steden: Plaatsen die onder Bozra behoren.
[^jeremia-49-13-49]: Kanttekening 49: 49 eeuwige woestheden: Hebreeuws, woestheden van de eeuwigheid (עוֹלָֽם).
[^jeremia-49-14-50]: Kanttekening 50: Of, rumoer, tijding. Hebreeuws eigenlijk, ene horing gehoord; vergelijk Obad. v. 1, 1:2, 1:3, enz., van YHWH; dat is, de Heer heeft mij deze tijding geopenbaard, of, welk gerucht de Heer beschikt heeft, verwekkende de koning van Babel tegen Edom. Obadja 1:1: Het gezicht van Obadja. Zo zegt de Heer YHWH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde. Obadja 1:2: Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, u bent zeer veracht. Obadja 1:3: De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven van de steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?
[^jeremia-49-14-k]: Verwijzing k: Obad. v. 1. Obadja 1:1: Het gezicht van Obadja. Zo zegt de Heer YHWH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.
[^jeremia-49-14-51]: Kanttekening 51: 51 gezant geschikt: Dat is, Ik heb het door mijn goddelijke voorzienigheid beschikt dat zij, als op een bijzonder bevel of mijn aanmaning, zullen doen gelijk volgt; vergelijk boven Jer. 25:9, met de aantekening. Of, (gelijk sommigen) de koning van Babel heeft een ambassadeur uitgezonden om de volken tegen Edom op te maken, enz.; dat van God zo beschikt is. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-49-14-52]: Kanttekening 52: Bozra of Edom; gelijk hier doorgaans van deze volken en landen nu in het vrouwelijk, dan in het mannelijk geslacht gesproken wordt; vergelijk boven Jer. 48:4. Jeremia 48:4: Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.
[^jeremia-49-15-53]: Kanttekening 53: 53 gemaakt onder de heidenen: Hebreeuws, gegeven, gesteld; dat is, Ik heb verordineerd dat u tot zulken ellendigen en verachten staat zult gebracht worden, dat u met geen andere volken zult mogen vergeleken worden.
[^jeremia-49-16-54]: Kanttekening 54: Waarmee u anderen voor u deedt schrikken, gruwen, beven en schudden, vermits uw trots en uw vreeslijk bergachtig land, dat niemand dorst genaken.
[^jeremia-49-16-55]: Kanttekening 55: Want u hebt u daarop tevergeefs verlaten.
[^jeremia-49-16-l]: Verwijzing l: Jer. 48:29. Jeremia 48:29: Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijn harten hoogheid.
[^jeremia-49-16-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws, steenrots of klip.
[^jeremia-49-16-57]: Kanttekening 57: 57 u houdt op de hoogte van de heuvelen: Hebreeuws, houdt de hoogte van de heuvels.
[^jeremia-49-16-m]: Verwijzing m: Obad. v. 4. Obadja 1:4: Al verhieft u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^jeremia-49-17-58]: Kanttekening 58: Anders, verwoesting.
[^jeremia-49-17-n]: Verwijzing n: Jer. 50:13. Jeremia 50:13: Vanwege de toorn van YHWH zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.
[^jeremia-49-17-59]: Kanttekening 59: 59 fluiten over al haar plagen: Of, sijfelen, schuifelen, pijpen, enz. Zie boven Jer. 18:16. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-49-18-o]: Verwijzing o: Gen. 19:25; Jer. 50:40; Amos 4:11. Genesis 19:25: En Hij keerde deze steden om, en die gehele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. Jeremia 50:40: Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Amos 4:11: Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH.
[^jeremia-49-18-60]: Kanttekening 60: 60 omkering van Sodom en Gomorra: Vergelijk onder Jer. 50:40. Jeremia 50:40: Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren.
[^jeremia-49-18-61]: Kanttekening 61: Adama en Zeboïm, en de omliggende plaatsen, de gehele aangelegen omtrek.
[^jeremia-49-18-62]: Kanttekening 62: 62 zal het zijn: Te weten met Edom. Dit andere lid van deze vergelijking is tot aanvulling van de zin ingevoegd, gelijk sommigen ook doen in het begin van vers 19. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-49-18-63]: Kanttekening 63: 63 daar wonen: In het land van de Edomieten, dat van de Babyloniërs overheerd zijnde, verder van tijd tot tijd zo zal worden verwoest, dat het ten laatste geheel verwoest en onbewoond zij.
[^jeremia-49-19-p]: Verwijzing p: Jer. 50:44. Jeremia 50:44: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-49-19-64]: Kanttekening 64: Die zijn gewoonlijke legerplaats moet verlaten en met grimmigheid al brullende in haast opklimmen naar het gebergte, wanneer de Jordaan aan alle kanten overloopt en de leeuwen vandaar jaagt. \[Zie boven Jer. 12:5, en vergelijk Zach. 11:3\]. Zo zal de koning van Babel met verstoord gemoed optrekken naar het gebergte van de Edomieten. Of, gelijk een leeuw opklimt vermits de opzwelling van de Jordaan, \[zo zal hij opkomen\] tegen, enz., in denzelfden zin. Vergelijk onder Jer. 50:44, van Cyrus' aankomst tegen Babel. Anders, \[want deze plaats wordt verscheidenlijk overgezet en verklaard\] gelijk een leeuw zal hij optrekken van de hovaardige of stoute Jordaan tegen, enz.; dat is, Nebukadnezar zal optrekken naar Edom als hij het Joodse land zal hebben overheerd, dat de Edomieten zich niet konden inbeelden, maar waren vrolijk over de ellenden van Juda. Jeremia 12:5: Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u u dan mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan? Zacharia 11:3: Er is een stem van het gehuil van de herderen, omdat hun heerlijkheid verwoest is; een stem van het gebrul van de jonge leeuwen, omdat de hoogmoed van de Jordaan verwoest is. Jeremia 50:44: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-49-19-q]: Verwijzing q: Jer. 12:5. Jeremia 12:5: Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u u dan mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan?
[^jeremia-49-19-65]: Kanttekening 65: 65 sterke woning: Of, ruw, hard; dat is, het bergachtige land van de Edomieten. Anders: lieflijke woning van de sterke; verstaan dat hier gesproken wordt van de stoute aanslagen van de Edomieten, die opgeblazener dan de Jordaan waren in het vijandelijk optrekken tegen Gods volk en huis, maar tevergeefs en met een bespottelijke uitkomst.
[^jeremia-49-19-66]: Kanttekening 66: Edom.
[^jeremia-49-19-67]: Kanttekening 67: 67 in een ogenblik: Dat is, plotseling, onvoorziens; zo is het Hebreeuwse woord genomen Spreuk. 12:19. Anders: wanneer Ik \[hem\] zal hebben laten rusten; dat is, nadat Edom lang in rust zal hebben gezeten, zal Ik hem, enz. Spreuken 12:19: Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.
[^jeremia-49-19-68]: Kanttekening 68: 68 daaruit doen lopen: Hebreeuws, uit hen; dat is, uit de omtrek of het land van Idumea. Zie boven vers 14, zo in de volgende woorden. Jeremia 49:14: Ik heb een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.
[^jeremia-49-19-69]: Kanttekening 69: Of, last, commissie, bevel geven over hen. Versta, de koning Nubakadnezar, die God daarom zijn knecht noemt. Zie boven Jer. 25:9. Anders: wie uitgelezen is, die, enz.; dat is, het zal mij niet ontbreken aan dienstige instrumenten, die Ik neem vanwaar het mij belieft, om die stoute Edom te bedwingen en uit te roeien. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-49-19-r]: Verwijzing r: Job 41:1; Jer. 50:44; idem v. 45. Job 41:1: Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? Jeremia 50:44: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 50:45: Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Babel heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over het land van de Chaldeeën: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Zo hij de woning boven hen niet zal verwoesten!
[^jeremia-49-19-70]: Kanttekening 70: In recht betrekken, of mij tijd, termijn stellen, dat Ik tegen hem zou moeten pleiten? Of, wie zal mij maat en tijd stellen in mijn werken? Zie Job 9:19, met de aantekening. Job 9:19: Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
[^jeremia-49-19-71]: Kanttekening 71: Dat is, koning, regent, of voorstander. Vergelijk 2 Sam. 5:2, en boven Jer. 6:3, en Jer. 10:21, en Jer. 12:10, enz. 2 Samuël 5:2: Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël. Jeremia 6:3: Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden. Jeremia 10:21: Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben YHWH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun gehele weide is verstrooid. Jeremia 12:10: Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis.
[^jeremia-49-19-72]: Kanttekening 72: 72 voor Mijn aangezicht bestaan zou: Anders tegen, in enen zin, dat is, wat koning of monarch zou mijn tegenpartij kunnen zijn?
[^jeremia-49-20-73]: Kanttekening 73: Dat is, voornemen, besluit, dat Hij gemaakt heeft. Vergelijk onder vers 30. Jeremia 49:30: Vliedt, zwerft fluks heen weg, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt YHWH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht.
[^jeremia-49-20-74]: Kanttekening 74: Zie boven vers 7. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?
[^jeremia-49-20-75]: Kanttekening 75: 75 Zo de …: Dit zijn twee afgebroken redes, in het eedzweren gebruikelijk. Zie Deut. 1:35. Deuteronomium 1:35: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^jeremia-49-20-76]: Kanttekening 76: 76 geringsten van de kudde: De minste van Nebukadnezars krijgslieden. Vergelijk boven Jer. 6:3. Jeremia 6:3: Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden.
[^jeremia-49-20-77]: Kanttekening 77: 77 hen niet zullen nedertrekken: Dat is, hun vestingen ter aarde slechten. Vergelijk 2 Sam. 17:13, of, hun lichamen langs de aarde slepen, gelijk boven Jer. 15:3, en Jer. 22:19. 2 Samuël 17:13: En als hij zich in een stad zal begeven, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje daar gevonden worde. Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven. Jeremia 22:19: Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
[^jeremia-49-20-78]: Kanttekening 78: De vijand, of een ieder van hen, of als men, enz.
[^jeremia-49-20-79]: Kanttekening 79: 79 boven hen zal verwoesten: Gelijk men zegt dat een huis iemand boven zijn hoofd wordt afgebroken of afgebrand. Vergelijk 1 Kon. 16:18, met de aantekening. Anders, met hen. 1 Koningen 16:18: En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis van de koning, en verbrandde boven zich het huis van de koning met vuur, en stierf;
[^jeremia-49-21-80]: Kanttekening 80: Dat is, de Rode Zee; de zin is dat hun gekrijt zeer ver vandaar zal gehoord worden, omdat de Schelfzee van Edom ver afgelegen was in het zuiden, aan Egypte. Anders aldus: Het geluid van het gekrijt is gehoord bij de Schelfzee.
[^jeremia-49-22-s]: Verwijzing s: Jer. 48:40. Jeremia 48:40: Want zo zegt YHWH: Ziet, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.
[^jeremia-49-22-81]: Kanttekening 81: 81 snel vliegen: Gelijk boven Jer. 48:40. Versta Nebukadnezar. Jeremia 48:40: Want zo zegt YHWH: Ziet, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.
[^jeremia-49-22-82]: Kanttekening 82: 82 hart van Edoms helden: Gelijk boven Jer. 48:41. Jeremia 48:41: Elk één van de steden is gewonnen, en elk één van de vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.
[^jeremia-49-22-t]: Verwijzing t: Jer. 48:41. Jeremia 48:41: Elk één van de steden is gewonnen, en elk één van de vastigheden is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is.
[^jeremia-49-23-83]: Kanttekening 83: Zie Gen. 14:15, en 2 Sam. 8:5. Genesis 14:15: En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 2 Samuël 8:5: En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^jeremia-49-23-v]: Verwijzing v: Jes. 17:1. Jesaja 17:1: De last van Damascus. Ziet, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.
[^jeremia-49-23-84]: Kanttekening 84: Zie Num. 13:21, en Num. 34:8. Numeri 13:21: Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. Numeri 34:8: Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze landpale zullen zijn naar Zedad.
[^jeremia-49-23-85]: Kanttekening 85: Deze stad wordt ook bij Hamath genoemd 2 Kon. 18:34, zie daar. 2 Koningen 18:34: Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
[^jeremia-49-23-86]: Kanttekening 86: 86 gerucht gehoord hebben: Gelijk boven vers 14. Jeremia 49:14: Ik heb een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.
[^jeremia-49-23-87]: Kanttekening 87: Dat is, versaagd en moedeloos geworden. Zie Deut. 1:28. Deuteronomium 1:28: Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien.
[^jeremia-49-23-88]: Kanttekening 88: 88 zee is bekommernis: Dit is, bij diegenen, die aan de zee wonen, genoemd de zee van Syrië en Fenicië, waar Damascus en Hamath ook niet ver van lagen. Anders, \[gelijk die\] in de zee \[in\] bekommernis is \[en\] niet rusten kan.
[^jeremia-49-23-89]: Kanttekening 89: Of, stil zijn.
[^jeremia-49-24-90]: Kanttekening 90: 90 slap geworden: Vergelijk 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^jeremia-49-24-x]: Verwijzing x: Jer. 4:31; Jer. 6:24; Jer. 30:6. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in van de eerste kinds nood is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars! Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw. Jeremia 30:6: Vraagt toch en ziet, of een man baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?
[^jeremia-49-24-91]: Kanttekening 91: 91 hebben haar bevangen: Hebreeuws, heeft.
[^jeremia-49-25-92]: Kanttekening 92: 92 Hoe is de: Woorden van een Damascener of Syriër, die aldus klagende wordt ingevoerd, alsof hij zei: Ach, die stad behoorde de vijand toch gelaten en verschoond te hebben, enz.
[^jeremia-49-25-93]: Kanttekening 93: 93 beroemde stad: Hebreeuws, stad van de roem, of lof (עִיר); vergelijk onder Jer. 51:41. Jeremia 51:41: Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem van de gehele aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!
[^jeremia-49-25-94]: Kanttekening 94: 94 Mijn vrolijkheid: Dat is, waarover ik mij verheugde.
[^jeremia-49-26-95]: Kanttekening 95: Opdat men zekerlijk wete dat Damascus niet verschoond of gelaten en overgezien zal worden.
[^jeremia-49-26-96]: Kanttekening 96: 96 vallen op haar straten: Of, liggen, zijnde verslagen.
[^jeremia-49-27-97]: Kanttekening 97: 97 vuur aansteken: Van plagen en ellenden, oorlog en verwoesting; zie Job 15:34. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken.
[^jeremia-49-27-y]: Verwijzing y: Amos 1:4; idem v. 14. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. Amos 1:14: Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijds, met een onweer op de dag van de wervelwinds.
[^jeremia-49-27-98]: Kanttekening 98: 98 Benhadads paleizen: Van de machtige vermaarde koning van Syrië. Zie 1 Kon. 15:18, 15:20, en 1 Kon. 20:1, enz. Versta, de paleizen van de koningen van Syrië, zo Amos 1:4. 1 Koningen 15:18: Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning, en gaf ze in de hand van zijn knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende: 1 Koningen 15:20: En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maächa, en het gehele Cinneroth, met het gehele land Nafthali. 1 Koningen 20:1: En Benhadad, de koning van Syrië, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
[^jeremia-49-28-99]: Kanttekening 99: Of, van.
[^jeremia-49-28-100]: Kanttekening 100: Vermeld boven Jer. 2:10; zie daar. Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
[^jeremia-49-28-101]: Kanttekening 101: Hebreeuws, Chatsor; zie Jos. 11:10,11, en Jos. 15:23,25, en Jos. 19:36; 1 Kon. 9:15; 2 Kon. 15:29; uit vergelijking van welke plaatsen blijkt dat er verscheidene steden van deze naam geweest zijn, zo in het noorden als in het zuiden van Kanaän, maar hier verstaan sommigen, dat gemeend worden de omstreken in woest Arabië, waarheen de Hazorieten zich begeven hebben nadat Jozua die stad verbrand, en ook naderhand Barak Jabin verslagen had. Dat met de bijvoeging van Kedar en de kinderen van het Oosten niet kwalijk overeenkomt; vergelijk boven Jer. 25:24. 1 Koningen 9:15: Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis van YHWH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. Jeremia 25:24: En alle koningen van Arabië; en alle koningen van de gemengde hoop, die in de woestijn wonen;
[^jeremia-49-28-102]: Kanttekening 102: Gelijk boven Jer. 46:2. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, die aan de rivier Frath, bij Karchemis was, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^jeremia-49-28-103]: Kanttekening 103: Zie Richt. 6:3. Richteren 6:3: Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.
[^jeremia-49-29-104]: Kanttekening 104: 104 Schrik van rondom: Gelijk boven Jer. 6:25, en hier boven vers 5. Anders: een schrik rondom tegen hen uitroepen. Jeremia 6:25: Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op de weg; want het zwaard van de vijand is er, schrik van rondom! Jeremia 49:5: Ziet, Ik zal vreze over u brengen, spreekt de Heer, YHWH van de legermachten, van allen, die rondom u zijn, en u zult, een ieder voor zich heen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolende vergaderen.
[^jeremia-49-30-105]: Kanttekening 105: 105 fluks heen weg: Hebreeuws, zeer.
[^jeremia-49-30-106]: Kanttekening 106: 106 woont in diepe plaatsen: Gelijk boven vers 8. Jeremia 49:8: Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb.
[^jeremia-49-30-107]: Kanttekening 107: 107 raadslag tegen u beraadslaagd: Boven vers 20. Jeremia 49:20: Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!
[^jeremia-49-31-108]: Kanttekening 108: 108 zekerheid woont: Dat is, zeker en zorgeloos is.
[^jeremia-49-31-109]: Kanttekening 109: 109 deuren noch grendel heeft: Omdat deze Arabieren in tenten woonden, gene huizen hadden en geen vijand vreesden. Zie Richt. 8:11, met de aantekening, en vergelijk Num. 23:9; Deut. 33:28; Micha 7:14. Richteren 8:11: En Gideon toog opwaarts, de weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. Numeri 23:9: Want van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. Deuteronomium 33:28: Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. Micha 7:14: U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
[^jeremia-49-32-110]: Kanttekening 110: 110 alle winden: Hebreeuws, allen wind (רוּחַ); dit is in alle hoeken van de wereld, zo onder vers 36; Ez. 5:10, en Ez. 17:21, enz. Jeremia 49:36: En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien. Ezechiël 17:21: Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, gesproken heb.
[^jeremia-49-32-111]: Kanttekening 111: 111 hoeken afgekort zijn: Zie boven Jer. 9:26. Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart.
[^jeremia-49-32-z]: Verwijzing z: Jer. 9:26; Jer. 25:23. Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^jeremia-49-32-112]: Kanttekening 112: 112 zijn zijden aanbrengen: Kedars, of Hazors zijden, of passages.
[^jeremia-49-33-113]: Kanttekening 113: Gelijk boven Jer. 9:11. Jeremia 9:11: En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning van de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner.
[^jeremia-49-33-a]: Verwijzing a: Jer. 9:11; Jer. 10:22. Jeremia 9:11: En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning van de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner. Jeremia 10:22: Ziet, er komt een stem van de geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken.
[^jeremia-49-33-114]: Kanttekening 114: 114 niemand zal daar wonen: Gelijk boven vers 18. Jeremia 49:18: Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.
[^jeremia-49-34-115]: Kanttekening 115: 115 tegen Elam: Of, van Elam, aangaande Elam, dat is, de Perzen, of een zeker volk in Perzië. Zie boven Jer. 25:25, en Jes. 21:2. Jeremia 25:25: En alle koningen van Zimri, en alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië; Jesaja 21:2: Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^jeremia-49-35-116]: Kanttekening 116: 116 Elams boog: Dat is, van de Elamieten, zo in het volgende. Vergelijk Jes. 22:6. Jesaja 22:6: Want Elam heeft de pijlkoker genomen, de man is op de wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild.
[^jeremia-49-35-117]: Kanttekening 117: 117 voornaamste van hunlieder geweld: Of, het begin; dat is, waarin hun voornaamste krijgsmacht bestaat, of waardoor zij begonnen hebben machtig te worden, te weten dat zij kloeke boogschutters waren. Sommigen menen dat zij daarom ook, naast andere volken, van Nebukadnezar in zijn heirkracht tegen Juda en Jeruzalem gebruikt zijn, en Gods volk zeer getiranniseerd hebben, en dat dit daarom hier tegen hen geprofeteerd is, gelijk zij ook de Tyriërs gediend hebben, Ez. 27:10. Maar wanneer deze profetie vervuld is, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen menen dat het geschied is door de Schytische volken, omtrent die tijd als Nebukadnezar overal bezig was om Juda en andere volken te overmeesteren, en verder daarna; zie Ez. 38:2. Anderen, dat het is vervuld als Alexander de Grote de koning van Perzië overwonnen en de monarchie aan zich gebracht had, en verder na zijn dood. Het is altijd zeker, dat zij de waarheid van deze profetie verscheidenlijk hebben ondervonden. Ezechiël 27:10: Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw legermacht, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad. Ezechiël 38:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,
[^jeremia-49-36-118]: Kanttekening 118: 118 vier winden: Dat is, de vijanden van alle kanten.
[^jeremia-49-36-119]: Kanttekening 119: Gelijk boven vers 32. Jeremia 49:32: En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH.
[^jeremia-49-36-120]: Kanttekening 120: 120 zullen komen: Hebreeuws, zal, dat is, van hun verdreven volk zal er overal zijn (גּוֹי).
[^jeremia-49-37-121]: Kanttekening 121: 121 hun ziel zoeken: Dat is, die hen naar het leven staan; gelijk boven dikwijls zie Ex. 4:19, en 2 Sam. 4:8. Exodus 4:19: Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 2 Samuël 4:8: En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft YHWH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.
[^jeremia-49-37-122]: Kanttekening 122: 122 kwaad over hen brengen: Van de straf.
[^jeremia-49-37-123]: Kanttekening 123: 123 totdat Ik hen verteerd zal hebben: Gelijk boven Jer. 9:16, en Jer. 14:12. Jeremia 9:16: En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben. Jeremia 14:12: Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren.
[^jeremia-49-38-124]: Kanttekening 124: 124 troon in Elam stellen: Van het gericht, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
[^jeremia-49-39-b]: Verwijzing b: Jer. 48:47. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel.
[^jeremia-49-39-125]: Kanttekening 125: 125 wenden zal: Zie boven vers 6, en Jer. 48:47, en vergelijk Hand. 2:9. Jeremia 49:6: Maar daarna zal Ik de gevangenis van de kinderen Ammons wenden, spreekt YHWH. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel. Handelingen 2:9: Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.

### Jeremia 50

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/50.json)

*Uitvoerige profetie over de verwoesting van de stad Babel en het land van de Chaldeeën, door de Perzen en Meden, vanwege hun afgoderij, tirannie en hoogmoed; met tussengevoegde schone beloften over de verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap, en van de algemene kerk uit de geestelijke gevangenschap door de Messias.*

**1** Het woord, dat YHWH gesproken heeft tegen Babel, tegen het land van de Chaldeeën, door de[^jeremia-50-1-1] dienst van de profeet Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v1)

**2** Verkondig onder de heidenen, en doet horen, en[^jeremia-50-2-2] werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zeg: Babel[^jeremia-50-2-3] is ingenomen,[^jeremia-50-2-4][^jeremia-50-2-a] Bel is beschaamd,[^jeremia-50-2-5] Merodach is verpletterd,[^jeremia-50-2-6] haar[^jeremia-50-2-7] afgoden zijn beschaamd, haar[^jeremia-50-2-8] afgoden zijn verpletterd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v2)

**3** Want een volk komt tegen haar op van het[^jeremia-50-3-9] noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de[^jeremia-50-3-10] mensen aan tot de beesten toe zijn[^jeremia-50-3-11] zij weggezworven, doorgegaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v3)

**4** In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van[^jeremia-50-4-12] Israël komen, zij en de kinderen van Juda samen; wandelende en[^jeremia-50-4-13] huilend zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v4)

**5** Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun[^jeremia-50-5-14] aangezichten zijn;[^jeremia-50-5-15] zij zullen komen en YHWH toegevoegd worden,[^jeremia-50-5-16] met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v5)

**6** Mijn volk waren verloren schapen, hun[^jeremia-50-6-17] herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun[^jeremia-50-6-18] legering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v6)

**7** Allen, die hen vonden,[^jeremia-50-7-19] aten hen op, en hun tegenstanders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de[^jeremia-50-7-20][^jeremia-50-7-b] gerechtigheid,[^jeremia-50-7-21] ja, tegen YHWH, de Verwachting van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v7)

**8** [^jeremia-50-8-c] Vlucht weg uit het midden van Babel, en gaat uit het land van de Chaldeeën; en wees als de[^jeremia-50-8-22] bokken[^jeremia-50-8-23] voor de kudde heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v8)

**9** Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar[^jeremia-50-9-24] rusten; van daar zal zij ingenomen worden;[^jeremia-50-9-25] hun pijlen zullen zijn als die van een kloeke held[^jeremia-50-9-26], geen zal[^jeremia-50-9-27] leeg terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v9)

**10** En Chaldea zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen[^jeremia-50-10-28] verzadigd worden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v10)

**11** Omdat u zich verblijd hebt, omdat u van vreugde hebt opgesprongen,[^jeremia-50-11-29] u plunderaars[^jeremia-50-11-30] van Mijn erfenis! omdat u[^jeremia-50-11-31] geil geworden bent als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke[^jeremia-50-11-32] paarden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v11)

**12** Zo is uw[^jeremia-50-12-33] moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; zie, zij is geworden de[^jeremia-50-12-34] achterste van de heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v12)

**13** Vanwege de toorn van YHWH zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden;[^jeremia-50-13-d] al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en[^jeremia-50-13-35] fluiten over al haar plagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v13)

**14** Rust u tegen Babel rondom, u allen, die de boog[^jeremia-50-14-36] spant! schiet[^jeremia-50-14-37] in haar, en spaart de[^jeremia-50-14-38] pijlen niet; want zij heeft tegen YHWH gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v14)

**15** Juich over haar rondom, zij heeft haar[^jeremia-50-15-39] hand gegeven; haar fundamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is de wraak van YHWH, wreekt u aan haar,[^jeremia-50-15-40] doet haar, zoals zij gedaan heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v15)

**16** Roeit uit van Babel de[^jeremia-50-16-41] zaaier, en die, die[^jeremia-50-16-42] de sikkel handelt in de oogsttijd;[^jeremia-50-16-43] laat hen vanwege het[^jeremia-50-16-44] verdrukkende zwaard, zich keren, ieder tot zijn volk, en vluchten, ieder naar zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v16)

**17** Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft[^jeremia-50-17-45] opgegeten, was de koning van[^jeremia-50-17-46] Assur, en deze de laatste, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de[^jeremia-50-17-47] beenderen verbrijzeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v17)

**18** Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal[^jeremia-50-18-48] bezoeking doen over de koning van Babel en over zijn land, zoals Ik bezoeking gedaan heb over de[^jeremia-50-18-e] koning van Assur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v18)

**19** En Ik zal Israël[^jeremia-50-19-49] weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de[^jeremia-50-19-50] Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v19)

**20** In die dagen en in die tijd, spreekt YHWH, zal Israëls ongerechtigheid[^jeremia-50-20-51] gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze van hen vergeven, die Ik zal doen[^jeremia-50-20-52] overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v20)

**21** [^jeremia-50-21-53] Tegen het land[^jeremia-50-21-54] Merathaim, trek daartegen op, en tegen de inwoners van[^jeremia-50-21-55] Pekod; verwoest en[^jeremia-50-21-56] verban achter hen, spreekt YHWH, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v21)

**22** Er is een oorlogsgeschreeuw in het land, en een grote[^jeremia-50-22-57] breuk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v22)

**23** [^jeremia-50-23-58] Hoe is de[^jeremia-50-23-59] hamer van de hele aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een[^jeremia-50-23-60] ontzetting onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v23)

**24** [^jeremia-50-24-61] Ik heb u een strik gesteld, daarom bent u ook[^jeremia-50-24-62] gevangen, o Babel![^jeremia-50-24-63] dat u het niet wist; u bent[^jeremia-50-24-64] gevonden, en ook gegrepen, omdat u zich tegen YHWH in[^jeremia-50-24-65] strijd gemengd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v24)

**25** YHWH heeft Zijn[^jeremia-50-25-66] schatkamer opengedaan, en de[^jeremia-50-25-67] instrumenten van Zijn toorn voortgebracht; want dat is een[^jeremia-50-25-68] werk van de Heere, YHWH van de legermachten, in het land van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v25)

**26** Kom aan tegen[^jeremia-50-26-69] haar van het[^jeremia-50-26-70] uiterste, opent haar schuren,[^jeremia-50-26-71] vertreedt haar als korenhopen, en[^jeremia-50-26-72] verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v26)

**27** [^jeremia-50-27-73] Dood met het zwaard al haar[^jeremia-50-27-74] stieren, laat[^jeremia-50-27-75] ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun[^jeremia-50-27-76] dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v27)

**28** Er is een stem van[^jeremia-50-28-77] de gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak van YHWH, onze God, de wraak van Zijn[^jeremia-50-28-78] tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v28)

**29** Laat u horen tegen Babel, u[^jeremia-50-29-79] schutters! u allen, die de boog[^jeremia-50-29-80] spant! legert u tegen haar rondom,[^jeremia-50-29-81] laat niemand van hen ontkomen; vergeld haar naar haar werk,[^jeremia-50-29-82] doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trots gehandeld tegen YHWH, tegen de Heilige van[^jeremia-50-29-83] Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v29)

**30** Daarom zullen haar[^jeremia-50-30-f] jongemannen vallen op haar straten, en al haar soldaten op die dag uitgeroeid worden, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v30)

**31** Zie, Ik[^jeremia-50-31-84] wil aan u, u[^jeremia-50-31-85] trotse! spreekt de Heere, YHWH van de legermachten; want uw[^jeremia-50-31-86] dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v31)

**32** Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v32)

**33** Zo zegt YHWH van de legermachten: De Israëlieten en de kinderen van Juda zijn samen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v33)

**34** Maar hun Verlosser is sterk, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; Hij zal hun twist[^jeremia-50-34-87] zeker twisten, opdat Hij het[^jeremia-50-34-88] land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v34)

**35** Het zwaard zal zijn over de Chaldeeën, spreekt YHWH; en over de inwoners van Babel, en over haar vorsten, en over haar wijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v35)

**36** Het zwaard zal zijn over de[^jeremia-50-36-89] leugenaars, dat zij zot worden; het zwaard zal zijn over haar helden, dat zij versagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v36)

**37** Het zwaard zal zijn over[^jeremia-50-37-90] zijn paarden en over zijn wagens, en over de hele[^jeremia-50-37-91] gemengde hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot[^jeremia-50-37-92] vrouwen worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v37)

**38** [^jeremia-50-38-93] Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land[^jeremia-50-38-94] van gesneden beelden, en zij[^jeremia-50-38-95] razen naar de[^jeremia-50-38-96] schrikkelijke afgoden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v38)

**39** Daarom zo zullen de[^jeremia-50-39-97] wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de[^jeremia-50-39-98] jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen[^jeremia-50-39-99] verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden[^jeremia-50-39-100] van geslacht tot geslacht.[^jeremia-50-39-101] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v39)

**40** [^jeremia-50-40-g] Gelijk God Sodom en Gomorra en haar buren heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen[^jeremia-50-40-102] mensenkind in haar verkeren.[^jeremia-50-40-103] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v40)

**41** Zie,[^jeremia-50-41-h] daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en[^jeremia-50-41-104] geweldige koningen zullen van de zijden van[^jeremia-50-41-105] de aarde opgewekt worden.[^jeremia-50-41-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v41)

**42** Boog en speer zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel![^jeremia-50-42-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v42)

**43** De koning van Babel heeft hun gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden;[^jeremia-50-43-i] benauwdheid heeft hem aangegrepen, smart als van een barende vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v43)

**44** [^jeremia-50-44-k] Zie, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik[^jeremia-50-44-108] zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want[^jeremia-50-44-l] wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?[^jeremia-50-44-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v44)

**45** Daarom hoort de[^jeremia-50-45-m] raadslag van YHWH, die Hij over Babel heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over het land van de Chaldeeën: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen neertrekken! Zo hij de woning boven hen niet zal verwoesten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v45)

**46** De[^jeremia-50-46-n] aarde is bevende geworden van het geluid van de inneming van Babel, en het hulpgeroep is gehoord onder de volken.[^jeremia-50-46-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/50.html#v46)

[^jeremia-50-1-1]: Kanttekening 1: 1 dienst van de profeet Jeremia: Hebreeuws, hand (יַד).
[^jeremia-50-2-2]: Kanttekening 2: 2 werpt een banier op: Om elk tot opmerking te verwekken, en in het bijzonder Gods volk, als door een teken of sein bijeen te roepen, en hun deze vreemde en anders ongelofelijke profetie van Babels gewissen val en ondergang, en ook de verlossing van Gods volk, tot zijn eer en aller gelovigen troost, bekend te maken. De manier van spreken is genomen van krijgszaken.
[^jeremia-50-2-3]: Kanttekening 3: 3 is ingenomen: Dat is, zal zo zekerlijk worden ingenomen, alsof het al geschied ware. Zo in het volgende.
[^jeremia-50-2-4]: Kanttekening 4: De voornaamste afgod van de Babyloniërs; zie Jes. 46:1, en onder Jer. 51:44. Jesaja 46:1: Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. Jeremia 51:44: En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.
[^jeremia-50-2-a]: Verwijzing a: Jes. 46:1; Jer. 51:44. Jesaja 46:1: Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. Jeremia 51:44: En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.
[^jeremia-50-2-5]: Kanttekening 5: Dit schijnt ook een naam van een afgod geweest te zijn, hoewel er ook koningen van Babel vermeld worden, die die naam gevoerd hebben \[zie Jes. 39:1\], vermoedelijk ter ere van deze afgod, gelijk de kinderen van Israël de naam van God, Ia en El, veel in hun namen gebruikt hebben, zo deden de Babyloniërs ook met de naam van deze afgoden, Bel en Nebo of Nebu, enz. Jesaja 39:1: In die tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was.
[^jeremia-50-2-6]: Kanttekening 6: Van de stad Babel.
[^jeremia-50-2-7]: Kanttekening 7: 7 afgoden zijn beschaamd: Zie van het Hebreeuwse woord 1 Sam. 31:9, en 2 Sam. 5:21. 1 Samuël 31:9: En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^jeremia-50-2-8]: Kanttekening 8: 8 drekgoden zijn verpletterd: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^jeremia-50-3-9]: Kanttekening 9: Versta de Perzen en Meden, welke noordwaarts van Chaldea gelegen waren, door welke dit oordeel van God over Babylonië begonnen, en verder van tijd tot tijd vervolgd zou worden tot de eindelijke en gehele verwoesting toe.
[^jeremia-50-3-10]: Kanttekening 10: 10 mensen aan tot de beesten toe: Hebreeuws, van de mens tot het beest toe. Manier van spreken, die de uiterste verwoesting betekent; zie boven Jer. 4:25, en Jer. 9:10. Jeremia 4:25: Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren weggevlogen. Jeremia 9:10: Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-50-3-11]: Kanttekening 11: Gelijk boven Jer. 9:10. Jeremia 9:10: Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-50-4-12]: Kanttekening 12: 12 Israëls komen: Voorzoveel als deze belofte de uiterlijke verlossing uit de gevangenschap van Babel mag aangaan, kan men dit verstaan van degenen, die van de tien stammen in het land overgebleven zijnde, daarna met die van Juda en Benjamin gevankelijk zijn weggevoerd naar Babel, en met hen uit de gevangenschap zouden terugkeren. Zie 1 Kron. 9:3, en Neh. 11:3. Aangaande het geestelijke, dat in deze het voornaamste is, zie boven Jer. 3:18, met de aantekening. 1 Kronieken 9:3: Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse; Nehemia 11:3: En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, een ieder op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo). Jeremia 3:18: In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
[^jeremia-50-4-13]: Kanttekening 13: 13 wenende zullen zij heengaan: Vanwege hun onwaardigheid en Gods onverdiende grote genade.
[^jeremia-50-5-14]: Kanttekening 14: 14 aangezichten zijn: Dat is, zij zullen zonder omzien, of recht toe recht aan, \[gelijk men zegt\] naar Zion trekken; waar hun hart is, daarheen zullen zij haasten.
[^jeremia-50-5-15]: Kanttekening 15: 15 zij zullen komen: Anders, \[zeggende\]: Komt, laat ons ons voegen tot de Heer, of vervoegt u tot de Heer.
[^jeremia-50-5-16]: Kanttekening 16: 16 met een eeuwig verbond: Of, het eeuwig verbond zal niet vergeten worden. Hebreeuws, verbond van de eeuwigheid (בְּרִית); zie boven Jer. 31:31, 31:32, 31:33. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^jeremia-50-6-17]: Kanttekening 17: Kerkelijke en politieke regeerders.
[^jeremia-50-6-18]: Kanttekening 18: Gelijk de kudden haar rustplaatsen plegen te hebben, waar zij nederliggen. De zin is dat Gods volk van geestelijke en lichamelijke welvaart en rust beroofd was, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^jeremia-50-7-19]: Kanttekening 19: 19 aten hen op: Vergelijk Deut. 7:16, en Ps. 14:4, zo onder Jer. 51:34. Deuteronomium 7:16: U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Psalmen 14:4: Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan. Jeremia 51:34: Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een leeg vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.
[^jeremia-50-7-20]: Kanttekening 20: 20 woning van de gerechtigheid: Namelijk in Judea en bijzonderlijk Jeruzalem, waar God en zijn volk wonen, en waar God de ware gerechtigheid geopenbaard had. Zie boven Jer. 31:23. Jeremia 31:23: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: YHWH zegene u, u woning van de gerechtigheid, u berg van de heiligheid!
[^jeremia-50-7-b]: Verwijzing b: Jer. 31:23. Jeremia 31:23: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: YHWH zegene u, u woning van de gerechtigheid, u berg van de heiligheid!
[^jeremia-50-7-21]: Kanttekening 21: Of, daar, hoewel, YHWH de verwachting van hun vaderen geweest is; dat is, diegene, op welke hun voorvaders gehoopt hebben \[zie boven Jer. 14:8\], wier voetstappen zij nu niet gevolgd hebben, daarom met recht van hen gestraft en van ons ook geplaagd zijn, willen zij zeggen, spottenderwijze. Jeremia 14:8: O Israëls Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt U zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten?
[^jeremia-50-8-c]: Verwijzing c: Jes. 48:20; Jer. 51:6; Openb. 18:4. Jesaja 48:20: Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme van de gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: YHWH heeft Zijn knecht Jakob verlost! Jeremia 51:6: Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iedereen zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt. Openbaring 18:4: En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^jeremia-50-8-22]: Kanttekening 22: Kloekmoedig en onversaagd daarheen trekkende, gelijk de bokken voor de schapen vooraan treden.
[^jeremia-50-8-23]: Kanttekening 23: 23 voor de kudde heen: Hebreeuws, voor het aangezicht van de kudde (פְנֵי).
[^jeremia-50-9-24]: Kanttekening 24: Of, in orde stellen. Zo vers 14. Jeremia 50:14: Rust u tegen Babel rondom, u allen, die de boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen YHWH gezondigd.
[^jeremia-50-9-25]: Kanttekening 25: 25 hun pijlen: Van de voorzegde verzameling.
[^jeremia-50-9-26]: Kanttekening 26: 26 kloeken helds: Of, ervaren. Anders: van een held, die van kinderen berooft; dat is, die zelfs de jongelingen of jonge manschap neervelt.
[^jeremia-50-9-27]: Kanttekening 27: 27 leeg terugkeren: Geen van hun pijlen zal vergeefs geschoten worden; vergelijk 2 Sam. 1:22, of, \[die\], \[te weten, held\] niet leeg terugkeert, zonder nederlaag van de vijand. 2 Samuël 1:22: Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer.
[^jeremia-50-10-28]: Kanttekening 28: 28 verzadigd worden: Van roof en buit volop hebben.
[^jeremia-50-11-29]: Kanttekening 29: 29 u plunderaars: Of, plunderende, of als u plundert.
[^jeremia-50-11-30]: Kanttekening 30: Van het land Kanaän en van mijn volk.
[^jeremia-50-11-31]: Kanttekening 31: 31 geil geworden zijt: Of, gegroeid zijn, aan het lichaam toegenomen zijt, als een jonge vaars, die in jong teder gras gaat weiden.
[^jeremia-50-11-32]: Kanttekening 32: Gelijk boven Jer. 47:3. Jeremia 47:3: Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven van zijn sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen;
[^jeremia-50-12-33]: Kanttekening 33: 33 moeder zeer beschaamd: Babylon, de hoofdstad van Chaldea.
[^jeremia-50-12-34]: Kanttekening 34: 34 achterste van de heidenen: Dat is, de snoodste, veilste, slechtste onder alle natiën. Hebreeuws, het achterste.
[^jeremia-50-13-d]: Verwijzing d: Jer. 49:17. Jeremia 49:17: Zo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.
[^jeremia-50-13-35]: Kanttekening 35: 35 fluiten over al haar plagen: Of, schuifelen. Zie boven Jer. 18:16. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-50-14-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, treedt.
[^jeremia-50-14-37]: Kanttekening 37: 37 in haar: Of, op, tegen.
[^jeremia-50-14-38]: Kanttekening 38: 38 pijlen niet: Hebreeuws, pijl.
[^jeremia-50-15-39]: Kanttekening 39: 39 hand gegeven: Dat is, zich aan de Perzen en Meden onderworpen. Zie 2 Kron. 30:8, met de aantekening. 2 Kronieken 30:8: Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft YHWH de hand, en komt tot Zijn heiligdom, dat Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient YHWH, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren.
[^jeremia-50-15-40]: Kanttekening 40: 40 doet haar: Gelijk onder vers 29. Jeremia 50:29: Laat u horen tegen Babel, u schutters! u allen, die de boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen YHWH, tegen de Heilige van Israël.
[^jeremia-50-16-41]: Kanttekening 41: Zelfs de landbouwers, die meest weerloos zijn en nochtans zeer nodig in het land.
[^jeremia-50-16-42]: Kanttekening 42: 42 de sikkel handelt: Dat is, de maaier.
[^jeremia-50-16-43]: Kanttekening 43: 43 laat hen vanwege: Of, zij zullen zich keren, vluchten, enz.; te weten, die uit andere landen gekomen waren, om daar \[als in een zeer rijk land\] te verkeren, of die zij in dienstbaarheid getrokken hadden, of hun te hulp mochten gekomen zijn.
[^jeremia-50-16-44]: Kanttekening 44: 44 verdrukkende zwaard: Vergelijk boven Jer. 25:38, en Jer. 46:16, met de aantekening. Jeremia 25:38: Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hunlieder land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hitte van de verdrukker, ja, vanwege de hitte van Zijn toorn. Jeremia 46:16: Hij maakte van de struikelenden veel; ja, de één viel op de ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.
[^jeremia-50-17-45]: Kanttekening 45: Gelijk boven vers 7. Jeremia 50:7: Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen YHWH, de Verwachting van hun vaderen.
[^jeremia-50-17-46]: Kanttekening 46: Dat is, Assyrië, te weten Pul, Tiglath-Pileser en Salmanassar. Zie 2 Kon. 15:19, 15:20, 15:29, en 2 Kon. 16:7, en 2 Kon. 17:3, enz. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20: Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 16:7: Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
[^jeremia-50-17-47]: Kanttekening 47: 47 beenderen verbrijzeld: Hebreeuws alsof men zei: Heeft hem gebeenderd; dat is ten uiterste verdorven en machteloos gemaakt.
[^jeremia-50-18-48]: Kanttekening 48: 48 bezoeking doen: Met straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^jeremia-50-18-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 19:35; idem v. 37; Jes. 37:36; idem v. 38. 2 Koningen 19:35: Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 2 Koningen 19:37: Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. Jesaja 37:36: Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich van de morgen vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Jesaja 37:38: Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^jeremia-50-19-49]: Kanttekening 49: 49 weer tot zijn woning brengen: Dit kan men enigszins duiden op het lichamelijke, maar ziet voornamelijk op de geestelijke verzameling tot Gods kerk door de Messias, gelijk boven dikwijls.
[^jeremia-50-19-50]: Kanttekening 50: 50 op de Karmel en op de Basan: Beide in zeer vette en vruchtbare akkers gelegen, en daarvan vermaard. Van Basan, zie Deut. 32:14, en Ps. 22:13. Van Karmel, zie 1 Kon. 18:19, en een ander Karmel, 1 Sam. 25:2, enz., alwaar Nabal zijn schapen had, zelfs wordt het woord Karmel ook in het algemeen gebruikt tot betekenis van een vruchtbare landouw. Zie boven Jer. 2:7. Deuteronomium 32:14: Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. 1 Koningen 18:19: Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gehele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 1 Samuël 25:2: En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel. Jeremia 2:7: En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwaamt, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^jeremia-50-20-51]: Kanttekening 51: 51 gezocht worden: De Heer wil zeggen dat Hij volkomenlijk met zijn volk zal verzoend zijn door de Messias Jezus Christus. Vergelijk boven jer. 31:34, en Jer. 33:8, enz. Jeremia 33:8: En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, waarmee zij tegen Mij gezondigd en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben.
[^jeremia-50-20-52]: Kanttekening 52: Vergelijk Jes. 10:22; Rom. 9:27, 9:28, 9:29. Jesaja 10:22: Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Romeinen 9:27: En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. Romeinen 9:28: Want Hij voltooit een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heer zal een afgesneden zaak doen op de aarde. Romeinen 9:29: En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Als de Heer Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.
[^jeremia-50-21-53]: Kanttekening 53: Gods bevel aan de koning Cyrus, van zijn optocht tegen Babel. Vergelijk Jes. 45:1, enz. Jesaja 45:1: Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
[^jeremia-50-21-54]: Kanttekening 54: Dit vertalen velen: land van de rebellieën, of rebellen, te weten van de Babyloniërs, die opstandig en bitter tegen God en zijn volk geweest waren. Zie vers 24, 50:29, of de twee rebellen, te weten Assyriërs en Babyloniërs. Anderen houden het voor een eigennaam van zeker land in Assyrië, waar een zeker volk, Mardi genoemd, gewoond heeft, en verstaande dat God hier de koning Cyrus last en bevel geeft, dat hij door Merathaïm en Pekod zal optrekken, en al wat achter deze landen gelegen was verwoesten. Jeremia 50:24: Ik heb u een strik gesteld, daarom bent u ook gevangen, o Babel! dat u het niet wist; u bent gevonden, en ook gegrepen, omdat u u tegen YHWH in strijd gemengd hebt. Jeremia 50:29: Laat u horen tegen Babel, u schutters! u allen, die de boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen YHWH, tegen de Heilige van Israël.
[^jeremia-50-21-55]: Kanttekening 55: Zie Ez. 23:23, waar aan dit landschap ook gedacht wordt. Ezechiël 23:23: De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde mensen, die allen te paard rijden.
[^jeremia-50-21-56]: Kanttekening 56: 56 verban achter hen: Zie Deut. 2:34, zo onder vers 26. Deuteronomium 2:34: En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. Jeremia 50:26: Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.
[^jeremia-50-22-57]: Kanttekening 57: Zie boven Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-50-23-58]: Kanttekening 58: 58 Hoe is: Ene vraag, die uit verwondering voortkomt, gelijk onder Jer. 51:41. Jeremia 51:41: Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem van de gehele aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!
[^jeremia-50-23-59]: Kanttekening 59: 59 hamer van de gehele aarde: De Babyloniër, door wie God zijn oordelen over vele volken had uitgevoerd, die Hij door hem, als met een hamer, geslagen en verpletterd heeft. Vergelijk onder Jer. 51:20, en boven Jer. 25:9; Jes. 41:7. Jeremia 51:20: U bent Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jesaja 41:7: En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
[^jeremia-50-23-60]: Kanttekening 60: 60 ontzetting onder de heidenen: Of, verwoesting.
[^jeremia-50-24-61]: Kanttekening 61: 61 Ik heb u een strik gesteld: Dit is Gods antwoord op de voorgaande vraag, die voortkwam uit verwondering over ene zaak, die de mensen onmogelijk scheen te zijn.
[^jeremia-50-24-62]: Kanttekening 62: 62 gevangen, o Babel: Als een groot wild.
[^jeremia-50-24-63]: Kanttekening 63: 63 dat u het niet wist: Dit is onvoorziens, zonder dat u het dacht of verwachttet, want Cyrus, de rivier de Eufraat afgeleid hebbende over het droge, is onvoorziens in de stad gevallen, bij nacht. Vergelijk onder vers 38; Dan. 5:30. Jeremia 50:38: Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden. Daniël 5:30: In dienzelfden nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.
[^jeremia-50-24-64]: Kanttekening 64: Dat is, betrapt, achterhaald; vergelijk boven Jer. 2:26. Jeremia 2:26: Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, zo zijn die van het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten;
[^jeremia-50-24-65]: Kanttekening 65: 65 in strijd gemengd hebt: Dat is, tegen God gestreden hebt, wiens volk u geplaagd hebt. De manier van spreken wordt zo vol gevonden Deut. 2:9, 2:24, enz. Deuteronomium 2:9: Toen sprak YHWH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. Deuteronomium 2:24: Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd.
[^jeremia-50-25-66]: Kanttekening 66: Dat is, wapenhuis.
[^jeremia-50-25-67]: Kanttekening 67: Dat is, wapenen, die Hij gebruiken zal tot uitvoering van zijn rechtvaardig en verschrikkelijk oordeel over Babel; zo Jes. 13:5; vergelijk Ps. 7:13, 7:14, enz. Jesaja 13:5: Zij komen uit ver land, van het einde van de hemel; YHWH en de instrumenten van Zijn toorn, om dat gehele land te verderven. Psalmen 7:13: Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid. Psalmen 7:14: En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.
[^jeremia-50-25-68]: Kanttekening 68: 68 werk van YHWH: Gelijk boven Jer. 48:10. Jeremia 48:10: Vervloekt zij, die het werk van YHWH bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt!
[^jeremia-50-26-69]: Kanttekening 69: Namelijk Babel, of tegen het, te weten land van de Chaldeën, zo in het volgende.
[^jeremia-50-26-70]: Kanttekening 70: Van de aarde, of van het land, zo dat u van het einde af begint. Anders: van dat, of tegen dat \[hun\] einde voorhanden is, of vanwege het einde. Men kan dit ook vergelijken met onder Jer. 51:31. Jeremia 51:31: De loper zal de loper tegemoet lopen, en de kondschapper de kondschapper tegemoet, om de koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen;
[^jeremia-50-26-71]: Kanttekening 71: 71 vertreedt haar als korenhopen: Gelijk de dorsende ossen het koren treden; vergelijk Jes. 21:10, en onder Jer. 51:33. Anders: werpt hen op als hopen; dat is, maakt grote hopen van de verslagenen; of werpt alles overhoop, maakt ze tot enkel opgeworpen hopen. Jesaja 21:10: O mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van YHWH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd. Jeremia 51:33: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen.
[^jeremia-50-26-72]: Kanttekening 72: 72 verbant ze: Gelijk boven vers 21. Jeremia 50:21: Tegen het land Merathaim, trek daartegen op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt YHWH, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.
[^jeremia-50-27-73]: Kanttekening 73: 73 Doodt met het zwaard: In het Hebreeuws is een woord, alsof men zei: zwaardt; dat is, slaat, doodt met het zwaard.
[^jeremia-50-27-74]: Kanttekening 74: Dat is, rijke, geweldige, stoute pochers. Vergelijk Ps. 22:13, en Ps. 68:31, enz. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Psalmen 68:31: Scheld het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.
[^jeremia-50-27-75]: Kanttekening 75: 75 afgaan ter slachting: Gelijk boven Jer. 48:15. Jeremia 48:15: Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur van zijn jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten.
[^jeremia-50-27-76]: Kanttekening 76: 76 dag is gekomen: Dat is, de tijd van hun straf, hun van God verordineerd; zie Ps. 37:13, zo vers 31. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Jeremia 50:31: Ziet, Ik wil aan u, u trotse! spreekt de Heer, YHWH van de legermachten; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.
[^jeremia-50-28-77]: Kanttekening 77: 77 gevluchten en ontkomenen: Van de Joden, die vandaar zouden ontkomen om Gods wonderwerk te boodschappen.
[^jeremia-50-28-78]: Kanttekening 78: Die God aan de Chaldeën geoefend heeft, omdat zij de tempel verstoord en verbrand hadden; 2 Kon. 25:9, zo onder Jer. 51:11. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. Jeremia 51:11: Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; YHWH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van YHWH, de wraak van Zijn tempel.
[^jeremia-50-29-79]: Kanttekening 79: Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen Gen. 49:23; Job 16:13; zie ook Ps. 18:15. Genesis 49:23: De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; Job 16:13: Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. Psalmen 18:15: En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
[^jeremia-50-29-80]: Kanttekening 80: Hebreeuws, treedt.
[^jeremia-50-29-81]: Kanttekening 81: 81 laat niemand van hen ontkomen: Hebreeuws, hun is, of zij hebben gene ontkoming.
[^jeremia-50-29-82]: Kanttekening 82: 82 doet haar naar alles: Gelijk boven vers 15. Jeremia 50:15: Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is de wraak van YHWH, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft!
[^jeremia-50-29-83]: Kanttekening 83: 83 Heilige van Israël: Zie Ps. 71:22. Psalmen 71:22: Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^jeremia-50-30-f]: Verwijzing f: Jer. 49:26. Jeremia 49:26: Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen op die dag nedergehouwen worden, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-50-31-84]: Kanttekening 84: 84 aan u: Zie boven Jer. 21:13. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^jeremia-50-31-85]: Kanttekening 85: Hebreeuws, trotsheid, hovaardij, hoogmoed. Zie van zulk een gebruik van de Hebreeuwse spraak Job 35:13, de zin is: Die zo trots is, dat hij de trotsheid zelve is of genoemd mag worden; zo in vers 32. Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. Jeremia 50:32: Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren.
[^jeremia-50-31-86]: Kanttekening 86: 86 dag is gekomen: Gelijk boven vers 27. Jeremia 50:27: Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking!
[^jeremia-50-34-87]: Kanttekening 87: 87 zekerlijk twisten: Hebreeuws, twistende twisten; zie Ps. 35:1, zo onder Jer. 51:36. Psalmen 35:1: Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders. Jeremia 51:36: Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.
[^jeremia-50-34-88]: Kanttekening 88: 88 land in rust brenge: Het Joodse land, of zijn kerk, voornamelijk, en verder andere landen, die van Babel zijn geplaagd.
[^jeremia-50-36-89]: Kanttekening 89: Of, leugendichters. Versta, waarzeggers, sterrenkijkers, waar Chaldea vol van was; zo Jes. 44:25. Jesaja 44:25: Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast;
[^jeremia-50-37-90]: Kanttekening 90: 90 zijn paarden en over zijn wagens: Het vrouwelijke geslacht \[hier merendeels gebruikt\] wordt hier twee malen veranderd in het mannelijke; men kan dit duiden op de koning of zijn volk.
[^jeremia-50-37-91]: Kanttekening 91: 91 gemengden hoop: Krijgslieden en ander gemeen volk uit allerlei natiën bestaande.
[^jeremia-50-37-92]: Kanttekening 92: 92 vrouwen worden: Moedeloos en weerloos. Zo onder Jer. 51:30. Vergelijk Jes. 19:16; Nah. 3:13, enz. Jeremia 51:30: Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken. Jesaja 19:16: Op die dag zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand van YHWH van de legermachten, welke Hij tegen hen bewegen zal. Nahum 3:13: Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.
[^jeremia-50-38-93]: Kanttekening 93: 93 Droogte zal zijn over haar wateren: Vergelijk boven de aantekening vers 24. Jeremia 50:24: Ik heb u een strik gesteld, daarom bent u ook gevangen, o Babel! dat u het niet wist; u bent gevonden, en ook gegrepen, omdat u u tegen YHWH in strijd gemengd hebt.
[^jeremia-50-38-94]: Kanttekening 94: 94 van gesneden beelden: Vol van afgoderij, die zij met de gesneden beelden bedrijven.
[^jeremia-50-38-95]: Kanttekening 95: 95 razen naar: Als dolle, onzinnige mensen. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 5:6. Psalmen 5:6: De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid.
[^jeremia-50-38-96]: Kanttekening 96: 96 schrikkelijke afgoden: Hebreeuws, verschrikkingen. Zo worden de afgoden met recht genoemd, omdat sommige schrikkelijk van gedaante zijn, en in het algemeen de afgodendienaren schrik aanbrengen. Gelijk zij elders om gelijke oorzaak smarten genoemd worden. Zie 2 Sam. 5:21. Met denzelfden naam, Emim, zijn eertijds vanwege hun verschrikkelijkheid, enige reuzen genoemd. Zie Gen. 14:5, en Deut. 2:10, met de aantekening. En zodanigen plegen zich wel de macht en heerschappij over anderen aan te nemen, en verder naar de wijze van de heidenen tot afgoden gemaakt te worden. Zulk een is ook zonder twijfel geweest Nimrod de eerste stichter van de Assyrische en Babylonische heerschappij; zie Gen. 6:4, en Gen. 10:8. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op. Genesis 14:5: Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; Deuteronomium 2:10: De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten. Genesis 6:4: In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Genesis 10:8: En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.
[^jeremia-50-39-97]: Kanttekening 97: 97 wilde dieren van de woestijnen: Hebreeuws, Tsijm en Jim; het eerste heeft de naam van dorre woeste plaatsen, het andere van eilanden; zie Jes. 13:21, 13:22, met de aantekening. Jesaja 13:21: Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. Jesaja 13:22: En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.
[^jeremia-50-39-98]: Kanttekening 98: 98 jonge struisen daarin wonen: Hebreeuws, struisdochteren. Anders, jonge uilen.
[^jeremia-50-39-99]: Kanttekening 99: 99 verblijf … hebben: Zie van zulk een gebruik van het Hebreeuwse woord, boven Jer. 17:6. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^jeremia-50-39-100]: Kanttekening 100: 100 bewoond worden: Zie van zulk een gebruik van het Hebreeuwse woord, boven Jer. 17:6. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^jeremia-50-39-101]: Kanttekening 101: 101 van geslacht tot geslacht: Hebreeuws, tot geslacht en geslacht toe.
[^jeremia-50-40-g]: Verwijzing g: Gen. 19:25; Jer. 49:18. Genesis 19:25: En Hij keerde deze steden om, en die gehele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. Jeremia 49:18: Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.
[^jeremia-50-40-102]: Kanttekening 102: Hebreeuws, gelijk de omkering Gods van Sodom, enz.; vergelijk boven Jer. 49:18. Jeremia 49:18: Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.
[^jeremia-50-40-103]: Kanttekening 103: 103 daar wonen: In Babel.
[^jeremia-50-41-h]: Verwijzing h: Jer. 6:22. Jeremia 6:22: Zo zegt YHWH: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde.
[^jeremia-50-41-104]: Kanttekening 104: Zie boven vers 3. Jeremia 50:3: Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-50-41-105]: Kanttekening 105: 105 geweldige koningen: Of, vele.
[^jeremia-50-41-106]: Kanttekening 106: 106 aarde opgewekt worden: Of, van het land; zie boven Jer. 6:22, 6:23, 6:24, alwaar een gelijke profetie is van Babel aankomst tegen Juda, gelijk hier van de Meden en Perzen tegen Babel; zie de aantekening daar. Jeremia 6:22: Zo zegt YHWH: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde. Jeremia 6:23: Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion! Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^jeremia-50-42-107]: Kanttekening 107: 107 het is toegerust als een man ten oorlog: Te weten volk, of een ieder van hen is toegerust, gelijk boven Jer. 6:23, van Babel, tegen de dochter van Zion. Jeremia 6:23: Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!
[^jeremia-50-43-i]: Verwijzing i: Jer. 49:24. Jeremia 49:24: Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen;
[^jeremia-50-44-k]: Verwijzing k: Jer. 49:19. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-50-44-108]: Kanttekening 108: Zie boven Jer. 49:19, en de volgende verzen, tot Jer. 49:22? toe, waar vast met dezelfde woorden geprofeteerd wordt van de optocht van de koning van Babel tegen Edom, die hier staan van Cyrus' optocht tegen Babel, om te kennen te geven dat men Babel weer zou doen gelijk zij anderen volken gedaan had. Zie de aantekening daar en vergelijk Openb. 18:6. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 49:22: Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is. Openbaring 18:6: Vergeldt haar, gelijk als zij u vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.
[^jeremia-50-44-l]: Verwijzing l: Job 41:1; Jer. 49:19. Job 41:1: Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?
[^jeremia-50-44-109]: Kanttekening 109: 109 zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen: Te weten de Babyloniërs uit Babel.
[^jeremia-50-45-m]: Verwijzing m: Jer. 49:20. Jeremia 49:20: Daarom hoort van YHWH raadslag, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!
[^jeremia-50-46-n]: Verwijzing n: Jer. 49:21. Jeremia 49:21: De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de Schelfzee.
[^jeremia-50-46-110]: Kanttekening 110: 110 geluid van de inneming van Babel: Of, gerucht. Hebreeuws, stem (קּוֹל).

### Jeremia 51

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/51.json)

*Verdere profetie over de val en verwoesting van het weelderige, gierige, tirannieke en afgodische Babel, en over de genadige verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap, vers 1, enz. Jeremia beveelt Seraja het boek, waarin hij deze profetieën had geschreven, bij Babel in de rivier de Eufraat te werpen, met een aangebonden steen, als teken van Babels eeuwige verzinking, 59.*

**1** Zo zegt YHWH: Zie, Ik zal een[^jeremia-51-1-1] verdervende[^jeremia-51-1-a] wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in[^jeremia-51-1-2] het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v1)

**2** En Ik zal Babel[^jeremia-51-2-3][^jeremia-51-2-b] wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij[^jeremia-51-2-4] zullen op de dag van[^jeremia-51-2-5] het kwaad van rondom tegen haar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v2)

**3** De[^jeremia-51-3-6] schutter spanne zijn boog tegen die, die[^jeremia-51-3-7] spant, en tegen die, die zich verheft in zijn[^jeremia-51-3-8] pantsier; en ontziet[^jeremia-51-3-9] haar jongemannen niet,[^jeremia-51-3-10] verbant al haar leger; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v3)

**4** Dat de verslagenen[^jeremia-51-4-11] liggen in het land van de Chaldeeën, en de doorstokenen op haar[^jeremia-51-4-c] straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v4)

**5** Want Israël of Juda zal niet in[^jeremia-51-5-12] weduwschap gelaten worden van zijn God, van YHWH van de legermachten[^jeremia-51-5-13] (hoewel[^jeremia-51-5-14] hun land vol van[^jeremia-51-5-15] schuld is), van de[^jeremia-51-5-16] Heilige van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v5)

**6** [^jeremia-51-6-d] Vlucht uit het midden van Babel, en redt, ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar[^jeremia-51-6-17] ongerechtigheid; want dit is de tijd van[^jeremia-51-6-e] de wraak van YHWH, Die haar de[^jeremia-51-6-18] verdienste betaalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v6)

**7** Babel was een gouden[^jeremia-51-7-19] beker in de hand van YHWH, die de hele aarde dronken maakte; de volken hebben van[^jeremia-51-7-20] haar wijn gedronken, daarom zijn de volken[^jeremia-51-7-21] dol geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v7)

**8** Plotseling is Babel[^jeremia-51-8-f] gevallen en verbroken; huil over haar, neemt[^jeremia-51-8-22][^jeremia-51-8-g] balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v8)

**9** Wij hebben Babel[^jeremia-51-9-23] gemeesterd, maar zij is niet genezen;[^jeremia-51-9-h] verlaat haar dan, en[^jeremia-51-9-24] laat ons ieder in zijn land trekken; want haar[^jeremia-51-9-25] oordeel reikt tot aan de hemel, en is[^jeremia-51-9-26] verheven tot aan de[^jeremia-51-9-27] bovenste wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v9)

**10** [^jeremia-51-10-28] YHWH heeft onze[^jeremia-51-10-29] gerechtigheden te voorschijn gebracht; kom en laat ons te Sion het werk van YHWH, van onze God, vertellen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v10)

**11** [^jeremia-51-11-30][^jeremia-51-11-i] Zuiver de pijlen,[^jeremia-51-11-31] rust de schilden volkomen toe; YHWH heeft de geest van[^jeremia-51-11-32] de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de[^jeremia-51-11-k] wraak van YHWH, de wraak van Zijn[^jeremia-51-11-33] tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v11)

**12** Verhef de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de[^jeremia-51-12-34] hinderlagen; want zoals YHWH heeft[^jeremia-51-12-35] voorgenomen, zo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v12)

**13** U, die aan vele[^jeremia-51-13-36] wateren woont, die machtig bent van schatten! uw[^jeremia-51-13-37] einde is gekomen, de[^jeremia-51-13-38] maat van uw gierigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v13)

**14** [^jeremia-51-14-l] YHWH van de legermachten heeft gezworen[^jeremia-51-14-39] bij Zijn ziel: Hoewel Ik u[^jeremia-51-14-40] met mensen als[^jeremia-51-14-41] met kevers vervuld heb, toch zullen zij elkaar een[^jeremia-51-14-42] vreugdegeschrei[^jeremia-51-14-43] over u toeroepen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v14)

**15** [^jeremia-51-15-44] Die de[^jeremia-51-15-m] aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel[^jeremia-51-15-n] uitgebreid door Zijn verstand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v15)

**16** Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een geluid van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v16)

**17** Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v17)

**18** Zinloosheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v18)

**19** Jakobs[^jeremia-51-19-o] deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en[^jeremia-51-19-45] Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v19)

**20** [^jeremia-51-20-46] U bent Mij[^jeremia-51-20-p] een[^jeremia-51-20-47] voorhamer, en[^jeremia-51-20-48] krijgswapenen; en door u[^jeremia-51-20-49] zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v20)

**21** En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan de wagen en zijn[^jeremia-51-21-50] ruiter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v21)

**22** En door u zal Ik in stukken slaan de man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan de oude en de jonge; en door u zal Ik in stukken slaan de jongeling en de jonkvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v22)

**23** En door u zal Ik in stukken slaan de herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan de akkerman en zijn[^jeremia-51-23-51] jukossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v23)

**24** [^jeremia-51-24-52] Maar Ik zal Babel en alle inwoners van[^jeremia-51-24-53] Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor[^jeremia-51-24-54] uw ogen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v24)

**25** Zie, Ik[^jeremia-51-25-55] wil aan u, u verdervende[^jeremia-51-25-56] berg! spreekt YHWH, u, die de hele[^jeremia-51-25-57] aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de[^jeremia-51-25-58] steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg van[^jeremia-51-25-59] de brand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v25)

**26** En zij zullen uit u geen[^jeremia-51-26-60] steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fundamenten;[^jeremia-51-26-61] want u zult[^jeremia-51-26-62] tot eeuwige woestheden zijn, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v26)

**27** Verhef de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen,[^jeremia-51-27-63] heiligt de heidenen tegen haar,[^jeremia-51-27-64] roept tegen haar bijeen de koninkrijken van[^jeremia-51-27-65] Ararat,[^jeremia-51-27-66] Minni en[^jeremia-51-27-67] Askenaz; bestelt een[^jeremia-51-27-68] krijgsoverste tegen haar, brengt paarden omhoog, als[^jeremia-51-27-69] ruige[^jeremia-51-27-70] kevers! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v27)

**28** Heilig tegen haar de heidenen, de koningen van[^jeremia-51-28-71] Medië,[^jeremia-51-28-72] haar landvoogden en al haar overheden, ja, het hele land[^jeremia-51-28-73] van haar heerschappij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v28)

**29** Dan zal het land beven en pijn lijden; want[^jeremia-51-29-74] elk één van de gedachten van YHWH staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v29)

**30** Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn[^jeremia-51-30-75] gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot[^jeremia-51-30-76][^jeremia-51-30-q] vrouwen geworden;[^jeremia-51-30-77] zij hebben hun woningen aangestoken, hun[^jeremia-51-30-78] grendels zijn verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v30)

**31** [^jeremia-51-31-79] De loper zal de loper tegemoet lopen, en de kondschapper de kondschapper tegemoet, om de koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad[^jeremia-51-31-80] van het einde is ingenomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v31)

**32** En dat de[^jeremia-51-32-81] doorwaadbare plaatsen ingenomen, en de[^jeremia-51-32-82] rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat de soldaten verbaasd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v32)

**33** Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men[^jeremia-51-33-84] ze trede; nog een[^jeremia-51-33-85] weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen.[^jeremia-51-33-83][^jeremia-51-33-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v33)

**34** [^jeremia-51-34-87] Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij[^jeremia-51-34-88] opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een lege kruik, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn[^jeremia-51-34-89] balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij[^jeremia-51-34-90] verdreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v34)

**35** Het geweld,[^jeremia-51-35-91] dat mij en mijn[^jeremia-51-35-92] vlees is aangedaan,[^jeremia-51-35-93] zij op Babel![^jeremia-51-35-94] zegt de inwoneres van Sion; en mijn[^jeremia-51-35-95] bloed zij op de inwoners van[^jeremia-51-35-96] Chaldea! zegt Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v35)

**36** Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik zal uw[^jeremia-51-36-98] twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar[^jeremia-51-36-99][^jeremia-51-36-r] zee droog maken, en haar[^jeremia-51-36-100] springader opdrogen.[^jeremia-51-36-97] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v36)

**37** En Babel zal worden tot steenhopen, een woning van de draken, een ontzetting en[^jeremia-51-37-101] aanfluiting, dat er geen inwoner zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v37)

**38** [^jeremia-51-38-102] Zij zullen samen brullen als jonge leeuwen,[^jeremia-51-38-103] briesen als leeuwenwelpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v38)

**39** Als zij[^jeremia-51-39-104] verhit zijn, zal Ik hun[^jeremia-51-39-105] drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij[^jeremia-51-39-106] opspringen; maar zij zullen een[^jeremia-51-39-107] eeuwige slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v39)

**40** Ik zal hen afvoeren als lammeren om te[^jeremia-51-40-108] slachten, als rammen[^jeremia-51-40-109] met bokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v40)

**41** [^jeremia-51-41-110] Hoe is[^jeremia-51-41-111][^jeremia-51-41-s] Sesach zo veroverd, en de[^jeremia-51-41-112][^jeremia-51-41-t] roem van de hele aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een[^jeremia-51-41-113] ontzetting onder de heidenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v41)

**42** [^jeremia-51-42-114] Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid van haar golven is zij bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v42)

**43** Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land,[^jeremia-51-43-115] waarin[^jeremia-51-43-116] niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v43)

**44** En Ik zal bezoeking doen over[^jeremia-51-44-117] Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij[^jeremia-51-44-118] verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem[^jeremia-51-44-119] toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.[^jeremia-51-44-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v44)

**45** Ga uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt ieder zijn ziel, vanwege de[^jeremia-51-45-121] hitte van de toorn van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v45)

**46** En opdat uw hart misschien niet week wordt, en u vreest van[^jeremia-51-46-122] het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het[^jeremia-51-46-123] ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land,[^jeremia-51-46-124] heer over heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v46)

**47** Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de[^jeremia-51-47-125] gesneden beelden van Babel; en haar hele land zal beschaamd worden, en al[^jeremia-51-47-126] haar verslagenen zullen in het midden van haar[^jeremia-51-47-127] liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v47)

**48** En de[^jeremia-51-48-128] hemel en de aarde, en ook al wat daarin is, zullen juichen[^jeremia-51-48-129] over Babel; want van het[^jeremia-51-48-130] noorden[^jeremia-51-48-131] zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v48)

**49** Gelijk Babel geweest is[^jeremia-51-49-132] tot een val van[^jeremia-51-49-133] de verslagenen van Israël, zo zullen[^jeremia-51-49-134] te Babel de verslagenen van het hele land vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v49)

**50** [^jeremia-51-50-135] U ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenk aan YHWH van[^jeremia-51-50-136] verre, en laat Jeruzalem in uw hart[^jeremia-51-50-137] opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v50)

**51** U mag zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat[^jeremia-51-51-139] uitlandsen over de heiligdommen van het huis van YHWH gekomen zijn;[^jeremia-51-51-138] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v51)

**52** [^jeremia-51-52-140] Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik bezoeking doen zal over[^jeremia-51-52-141] haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal[^jeremia-51-52-142] kermen in haar hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v52)

**53** Al klom Babel ten hemel op, en[^jeremia-51-53-143] al maakte zij vast de hoogte van haar vesting, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v53)

**54** Er is een stem van het gekrijt uit Babel, en een grote[^jeremia-51-54-144] breuk uit het land van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v54)

**55** Want YHWH[^jeremia-51-55-145] verstoort Babel, en zal de[^jeremia-51-55-146] grootse stem uit haar doen vergaan; want[^jeremia-51-55-147] hun golven zullen bruisen als[^jeremia-51-55-148] grote wateren; het[^jeremia-51-55-149] geruis van hun geluid[^jeremia-51-55-150] zal zich verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v55)

**56** [^jeremia-51-56-151] Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hun bogen[^jeremia-51-56-152] zijn verbroken; want YHWH, de God van de vergelding, zal[^jeremia-51-56-153] hun zeker betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v56)

**57** En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden[^jeremia-51-57-154] dronken maken; en zij zullen een[^jeremia-51-57-155] eeuwige slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v57)

**58** Zo zegt YHWH van de legermachten: Die[^jeremia-51-58-156] brede[^jeremia-51-58-157] muur van Babel zal ten enemale[^jeremia-51-58-158] ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de[^jeremia-51-58-159] volken[^jeremia-51-58-160] tevergeefs, en de natiën ten[^jeremia-51-58-161] vure zullen gewerkt hebben, dat zij mat worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v58)

**59** Het[^jeremia-51-59-162] woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, als hij[^jeremia-51-59-163] van Zedekia, de koning van Juda, naar Babel trok, in het vierde jaar van zijn regering; en Seraja was een[^jeremia-51-59-164] vreedzaam vorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v59)

**60** Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een[^jeremia-51-60-165] boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v60)

**61** En Jeremia zei tot Seraja: Als u te Babel komt, zo zult u[^jeremia-51-61-166] zien en lezen al deze woorden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v61)

**62** En u zult zeggen: O YHWH, U hebt over deze plaats gesproken, dat U ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van de mens tot op het beest, maar dat zij worden zal[^jeremia-51-62-167] tot eeuwige woestheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v62)

**63** En het zal gebeuren, als u geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult u een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van[^jeremia-51-63-168] de Frath; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v63)

**64** En zult zeggen: Zo zal Babel zinken, en niet weer[^jeremia-51-64-169] opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over[^jeremia-51-64-170] haar zal brengen, en[^jeremia-51-64-171] zij zullen mat worden.[^jeremia-51-64-172] Tot hiertoe zijn de[^jeremia-51-64-173] woorden van Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/51.html#v64)

[^jeremia-51-1-1]: Kanttekening 1: 1 verdervende wind opwekken tegen Babel: Versta, de Meden en Perzen en vergelijk boven Jer. 4:11. Jeremia 4:11: In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren.
[^jeremia-51-1-a]: Verwijzing a: Jer. 4:11. Jeremia 4:11: In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren.
[^jeremia-51-1-2]: Kanttekening 2: 2 hart van degenen: Gelijk wij ook in onze taal zeggen: In het hart van het land. Versta, de inwoners van Babel, die de hoofdstad was van Chaldea en als het midden van het land; zie Deut. 4:11. Deuteronomium 4:11: En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid).
[^jeremia-51-2-3]: Kanttekening 3: 3 wanners toeschikken: Anders, vreemdelingen toeschikken, die hen verstrooien zullen.
[^jeremia-51-2-b]: Verwijzing b: Jer. 4:11; Jer. 15:7. Jeremia 4:11: In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren. Jeremia 15:7: En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten van het land; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd.
[^jeremia-51-2-4]: Kanttekening 4: 4 zullen ten dage: Hebreeuws, zijn geweest. Profetischerwijze gesproken; dat is, zullen haar van alle kanten bestrijden.
[^jeremia-51-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, van haar ongeluk, ongeval, dat over haar bestemd is.
[^jeremia-51-3-6]: Kanttekening 6: 6 schutter spanne zijn boog: Hebreeuws, de treder trede; dat is, de spanner spanne; woorden van God tot de schutters van de Meden en Perzen.
[^jeremia-51-3-7]: Kanttekening 7: Tegen de schutters van Babel.
[^jeremia-51-3-8]: Kanttekening 8: Zijnde zwaarder gewapend dan de schutters.
[^jeremia-51-3-9]: Kanttekening 9: 9 haar jongelingen niet: Van Babel.
[^jeremia-51-3-10]: Kanttekening 10: 10 verbant al haar legermacht: Zie Deut. 2:34, en boven Jer. 50:21. Deuteronomium 2:34: En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. Jeremia 50:21: Tegen het land Merathaim, trek tegen hetzelfde op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt YHWH, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.
[^jeremia-51-4-11]: Kanttekening 11: 11 liggen in het land van de Chaldeeën: Hebreeuws eigenlijk vallen; maar het Hebreeuwse woord wordt ook somtijds voor liggen genomen; zie boven Jer. 9:22, zo onder vers 47, 51:49, enz. Jeremia 9:22: Spreek: Zo spreekt YHWH: Ja, een dood lichaam van de mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter de maaier, die niemand opzamelt. Jeremia 51:47: Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar gehele land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen. Jeremia 51:49: Gelijk Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het gehele land vallen.
[^jeremia-51-4-c]: Verwijzing c: Jer. 49:26. Jeremia 49:26: Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen op die dag nedergehouwen worden, spreekt YHWH van de legermachten.
[^jeremia-51-5-12]: Kanttekening 12: 12 weduwschap gelaten worden van zijn God: Anders, geen weduwnaar, of gene weduwe gelaten worden. Het Hebreeuwse woord alman wordt alleen hier gevonden, betekenende iemand, die in de weduwlijke staat gesteld, of gelaten is, gelijk almana ene weduwe betekent. De manier van spreken ziet op het geestelijk huwelijk, dat God met zijn volk gemaakt had; alsof Hij zei: Al is het dat mijn volk een tijdlang zo gehandeld is alsof het niemand toebehoorde, of haar man en beschermer dood was, en zij van hem en van ieder verstoten en verlaten ware, zo zal nochtans zulks niet altijd duren; Ik zal nog tonen dat zij mijn getrouwde is, en haar zaak ter hand nemen, en het ongelijk, dat haar gedaan is, wreken; vergelijk Joh. 14:18. Johannes 14:18: Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weer tot u.
[^jeremia-51-5-13]: Kanttekening 13: Zie 1 Kon. 18:15. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^jeremia-51-5-14]: Kanttekening 14: 14 hunlieder land: Te weten van Israël en Juda. Anders: omdat hunlieder land; \[te weten van de Chaldeën\], enz.
[^jeremia-51-5-15]: Kanttekening 15: 15 van schuld is: Of, verwoesting, die zij met hun zonde verschuldigd hebben. Anderen duiden dit op de Chaldeën aldus: Want hun \[van de Chaldeën\] land is vol schuld tegen, of vanwege de Heilige van Israël; dat is, om de zonden, die de Chaldeën tegen God gedaan hebben, waarom Hij hen straffen zal; vergelijk boven Jer. 50:19. Jeremia 50:19: En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden.
[^jeremia-51-5-16]: Kanttekening 16: 16 Heilige van Israël: Zie Ps. 71:22. Psalmen 71:22: Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël!
[^jeremia-51-6-d]: Verwijzing d: Jer. 50:8; Openb. 18:4. Jeremia 50:8: Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit van de Chaldeeën land; en weest als de bokken voor de kudde heen. Openbaring 18:4: En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^jeremia-51-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, wacht u dat u niet omkomt in de straf van haar ongerechtigheid. Zie Lev. 5:1; Ps. 31:11, en onder vers 45, en boven Jer. 50:8. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. Psalmen 31:11: Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd. Jeremia 51:45: Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een ieder zijn ziel, vanwege de hitte van de toorn van YHWH. Jeremia 50:8: Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit het land van de Chaldeeën; en weest als de bokken voor de kudde heen.
[^jeremia-51-6-e]: Verwijzing e: Jer. 50:15; idem v. 28. Jeremia 50:15: Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is van YHWH wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft! Jeremia 50:28: Er is een stem van de gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak van YHWH, onze Gods, de wraak Zijn tempels.
[^jeremia-51-6-18]: Kanttekening 18: 18 verdienste betaalt: Zo wordt het Hebreeuwse woord ook genomen Richt. 9:16. Zie verder 2 Kron. 20:11. Richteren 9:16: Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de verdienste van zijn handen gedaan hebt. 2 Kronieken 20:11: Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
[^jeremia-51-7-19]: Kanttekening 19: 19 beker in de hand van YHWH: De zin van deze verbloemde manier van spreken is dat God Babel gebruikt heeft als zijn knecht en instrument om zijn rechtvaardige oordelen over de inwoners van de aarde uit te voeren. Vergelijk boven Jer. 25:9 met de aantekening; idem Jer. 25:15, enz., en Jer. 49:12, en onder vers 20, 51:21, enz. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Jeremia 49:12: Want zo zegt YHWH: Ziet, degenen, wier oordeel het niet is de beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult ganselijk drinken. Jeremia 51:20: U bent Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven. Jeremia 51:21: En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan de wagen en zijn ruiter.
[^jeremia-51-7-20]: Kanttekening 20: 20 haar wijn gedronken: Van Babel.
[^jeremia-51-7-21]: Kanttekening 21: 21 dol geworden: Van de plagen, die hun door de Babyloniërs van Gods hand zijn toegezonden. Vergelijk boven Jer. 25:27. Van het Hebreeuwse woord zie Ps. 5:6. Jeremia 25:27: U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden. Psalmen 5:6: De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid.
[^jeremia-51-8-f]: Verwijzing f: Jes. 21:9; Openb. 14:8; Openb. 18:2. Jesaja 21:9: En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Openbaring 14:8: En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 18:2: En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^jeremia-51-8-22]: Kanttekening 22: 22 balsem tot haar pijn: Zie boven Jer. 8:22. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter van mijn volk niet gerezen?
[^jeremia-51-8-g]: Verwijzing g: Jer. 8:22. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter mijn volks niet gerezen?
[^jeremia-51-9-23]: Kanttekening 23: Het Hebreeuwse woord betekent beide, meesteren, medicineren, geneesmiddelen gebruiken, en genezen of gezondmaken, beide betekenissen worden in vers 9 gebruikt, alsof zij zeiden: Wij hebben ons best gedaan om haar te helpen, maar tevergeefs. Jeremia 51:9: Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons een ieder in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan de hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken.
[^jeremia-51-9-h]: Verwijzing h: Jer. 46:11. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u.
[^jeremia-51-9-24]: Kanttekening 24: 24 laat ons een ieder in zijn land trekken: Gelijk boven Jer. 46:16. Dit zijn woorden van het gehuurde krijgsvolk van de Babyloniërs. Jeremia 46:16: Hij maakte van de struikelenden veel; ja, de één viel op de ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.
[^jeremia-51-9-25]: Kanttekening 25: 25 oordeel reikt tot aan de hemel: Dat is, straf. Zie boven Jer. 48:21. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath,
[^jeremia-51-9-26]: Kanttekening 26: Of, verheft zich.
[^jeremia-51-9-27]: Kanttekening 27: 27 bovenste wolken: Of, dunste.
[^jeremia-51-10-28]: Kanttekening 28: 28 YHWH: Woorden van Gods volk.
[^jeremia-51-10-29]: Kanttekening 29: 29 gerechtigheden hervoor gebracht: Dat is, de rechtvaardigheid onzer zaak tegen Babel. Want ofschoon God met recht zijn volk gestraft heeft, zo was Babel daarom niet onschuldig. Vergelijk Jes. 10:7; Micha 7:9, enz. Jesaja 10:7: Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken. Micha 7:9: Ik zal de toorn van YHWH dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
[^jeremia-51-11-30]: Kanttekening 30: 30 Zuivert de pijlen: Maakt ze schoon, spottenderwijze tot de Babyloniërs gesproken. Vergelijk boven Jer. 46:4, en hier vers 12. Jeremia 46:4: Spant de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan! Jeremia 51:12: Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk YHWH heeft voorgenomen, zo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.
[^jeremia-51-11-i]: Verwijzing i: Jer. 46:4. Jeremia 46:4: Spant de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan!
[^jeremia-51-11-31]: Kanttekening 31: 31 rust de schilden volkomenlijk toe: Hebreeuws eigenlijk, vult, vervult; dat is, maakt ze ten volle gereed, of vat ze met volle hand, of (gelijk sommigen) verzamelt ze, breng ze te volle bijeen; idem, volmaakt ze, of er iets aan scheelde. Anders: vult de pijlkokers.
[^jeremia-51-11-32]: Kanttekening 32: 32 Medie opgewekt: Versta daarbij ook Perzië. Zo onder vers 28. Jeremia 51:28: Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het gehele land van haar heerschappij.
[^jeremia-51-11-k]: Verwijzing k: Jer. 50:28. Jeremia 50:28: Er is een stem van de gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak van YHWH, onze Gods, de wraak Zijn tempels.
[^jeremia-51-11-33]: Kanttekening 33: Zie boven Jer. 50:28. Jeremia 50:28: Er is een stem van de gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak van YHWH, onze God, de wraak van Zijn tempel.
[^jeremia-51-12-34]: Kanttekening 34: Of, lagenleggers, loerder, die op de vijand mogen passen, en die onvoorziens een voordeel afzien (gelijk men zegt): het zal allemaal niet helpen, wil de Heer zeggen, want u zult met al uwe krijgsmaatregelen Gods voornemen en werk niet kunnen beletten.
[^jeremia-51-12-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, ook heeft YHWH gedacht, of voorgenomen, ook heeft Hij gedaan, enz.; dat is, gelijk, zo, enz.; of, Hij heeft het niet alleen voorgenomen, maar ook gedaan; dat is, zal het ook gewisselijk doen. Vergelijk onder vers 49. Jeremia 51:49: Gelijk Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het gehele land vallen.
[^jeremia-51-13-36]: Kanttekening 36: 36 wateren woont: Omdat de grote rivier Eufraat niet alleen aan Babel, maar ook daardoor liep, en rondom vele watergrachten waren. Vergelijk Openb. 17:1, 17:15. Openbaring 17:1: En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren; Openbaring 17:15: En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.
[^jeremia-51-13-37]: Kanttekening 37: 37 einde is gekomen: Dat is, tijd van uw ondergang, die God over u bestemd heeft.
[^jeremia-51-13-38]: Kanttekening 38: 38 maat van uw gierigheid: Hebreeuws, el, of maat. Versta hierdoor het perk, dat God hun onverzadelijke begeerlijkheid gesteld had, dat zij niet zouden kunnen overtreden, maar daarmede zou het uit en ten einde zijn.
[^jeremia-51-14-l]: Verwijzing l: Amos 6:8. Amos 6:8: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt YHWH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
[^jeremia-51-14-39]: Kanttekening 39: 39 bij Zijn ziel: Menselijk van God gesproken, dat is, bij zichzelven, gelijk God spreekt boven Jer. 22:24, en Jer. 49:13. Zie Gen. 22:16. Jeremia 22:24: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. Jeremia 49:13: Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
[^jeremia-51-14-40]: Kanttekening 40: 40 Ofschoon Ik u: Gelijk de Hebreeuwse woorden genomen zijn, boven Jer. 2:22, en Jer. 37:10, zie 1 Sam. 14:39. Anders: zo Ik u \[niet\] vervulde, en zij, enz., verstaande het grote leger van de Meden en Perzen, waarmee God hier zweren zou hen te zullen vervullen. Jeremia 2:22: Want, al wiest u u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heer YHWH. Jeremia 37:10: Want al sloegt u de gehele legermacht van de Chaldeeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een ieder in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden. 1 Samuël 14:39: Want zo waarachtig als YHWH leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij de dood sterven; en niemand uit het gehele volk antwoordde hem.
[^jeremia-51-14-41]: Kanttekening 41: Een soort van ongedierte, hebbende in het Hebreeuws de naam \[gelijk enigen menen\] van het verderven van de vruchten door lekking. Zie Ps. 105:34, onder vers 27; Joël 1:4, en Joël 2:25; Nah. 3:15, 3:16. Sommigen noemen ze kankerwormen, of kruidwormen. Psalmen 105:34: Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; Jeremia 51:27: Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers! Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. Joël 2:25: Zo zal Ik u de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn grote legermacht, die Ik onder u gezonden heb. Nahum 3:15: Het vuur zal u daar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen. Nahum 3:16: U hebt meer handelaars, dan er sterren aan de hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen.
[^jeremia-51-14-42]: Kanttekening 42: Zie hiervan boven Jer. 25:30, en versta dit van de vijanden, die Babel zouden overvallen. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^jeremia-51-14-43]: Kanttekening 43: 43 over u toeroepen: Triomferende over u, of tegen u, een veldgeschrei maken om elkaar tot de aanval en overwinning van u te verwakkeren, al waar u nog zo vol volk.
[^jeremia-51-15-44]: Kanttekening 44: 44 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht: Zie boven Jer. 10:12, 10:13, 10:14, 10:15, 10:16, waar vast dezelfde woorden gevonden worden, die hier staan tot aan vers 20. Zie de aantekening daar. Jeremia 10:12: Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand. Jeremia 10:13: Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. Jeremia 10:14: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen. Jeremia 10:15: IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan. Jeremia 10:16: Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. Jeremia 51:20: U bent Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven.
[^jeremia-51-15-m]: Verwijzing m: Gen. 1:1; Jer. 20:12. Genesis 1:1: In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Jeremia 20:12: U dan, o YHWH van de legermachten, Die de rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.
[^jeremia-51-15-n]: Verwijzing n: Job 9:8; Ps. 104:2; Jes. 40:22; Jes. 44:24; Jes. 51:13; Jer. 10:12. Job 9:8: Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; Psalmen 104:2: Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Jesaja 40:22: Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; Jesaja 44:24: Zo zegt YHWH, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van de buik af: Ik ben YHWH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf; Jesaja 51:13: En vergeet YHWH, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk de gansen dag, vanwege de grimmigheid van de benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid van de benauwers? Jeremia 10:12: Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand.
[^jeremia-51-19-o]: Verwijzing o: Jer. 10:16. Jeremia 10:16: Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^jeremia-51-19-45]: Kanttekening 45: Dit is hier ingevoegd uit boven Jer. 10:16. Anders: en \[Hij\] \[te weten God\] is de roede van zijn \[te weten Jakobs\] erfenis; dat is, die zichzelven zijn volk tot een erfdeel gegeven heeft. Jeremia 10:16: Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^jeremia-51-20-46]: Kanttekening 46: 46 U bent Mij: Gods woorden tot de Babyloniër. Anderen verstaan dit als een aanspraak aan de koning Cyrus, die de Babyloniërs zou overweldigen, en zetten (het) over vers 24: en ik zal, enz. Jeremia 51:24: Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-20-p]: Verwijzing p: Jer. 50:23. Jeremia 50:23: Hoe is de hamer van de gehele aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen.
[^jeremia-51-20-47]: Kanttekening 47: Of, drijfhamer; versta, zulk een hamer Gods, die alles, zelfs de rotsstenen, in stukken en te morzel slaat; vergelijk boven Jer. 23:29. De gelijkenis \[gelijk blijkt uit het volgende\], is genomen van de krijgslieden, bijzonderlijk van de curassiers, die hun vuisthamers of heirhamers plegen te hebben, om de ijzeren wapens daarmede door te houwen en te verbreken, en de vijand neder te vellen. Jeremia 23:29: Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt YHWH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?
[^jeremia-51-20-48]: Kanttekening 48: Of, gereedschap, instrumenten; dat is, u zult een instrument en roede zijn van mijn toorn en rechtvaardig oordeel over vele volken.
[^jeremia-51-20-49]: Kanttekening 49: 49 zal Ik volken in stukken slaan: Hier spreekt God met eigenlijke woorden, te weten in de toekomende tijd, en niet in de verleden tijd, gelijk anders profetischerwijze in deze voorzegging veel geschiedt.
[^jeremia-51-21-50]: Kanttekening 50: Of, die daarop rijdt. Van wagenruiters, die in die tijden van de wagens plachten te vechten; zie 2 Sam. 10:18. 2 Samuël 10:18: Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^jeremia-51-23-51]: Kanttekening 51: Of, koppel, paar ossen. Dat is, de ossen, die in het juk (koppel) samen gaan arbeiden.
[^jeremia-51-24-52]: Kanttekening 52: 52 Maar Ik zal Babel: Alsof de Heer zei: Als Ik de Babyloniërs in al de voorgemelde oordelen, als mijn instrument, zal gebruikt hebben, dan zal Ik niet nalaten te straffen de boosheid, die zij ondertussen daarin gepleegd en bedreven hebben, bijzonderlijk aan mijn volk; vergelijk boven vers 10. Jeremia 51:10: YHWH heeft onze gerechtigheden hervoor gebracht; komt en laat ons te Sion het werk van YHWH, onze God, vertellen!
[^jeremia-51-24-53]: Kanttekening 53: Dat is, van het land van de Chaldeën, of van Chaldea; zo vers 35. Jeremia 51:35: Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem.
[^jeremia-51-24-54]: Kanttekening 54: 54 ulieder ogen: Dit spreekt God tot zijn volk, voor wier ogen Hij dit oordeel over Babel wilde laten gaan.
[^jeremia-51-25-55]: Kanttekening 55: 55 wil aan u: Gelijk boven Jer. 50:31. Jeremia 50:31: Ziet, Ik wil aan u, u trotse! spreekt de Heer, YHWH van de legermachten; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.
[^jeremia-51-25-56]: Kanttekening 56: Zo wordt Babel genoemd vanwege de koninklijke hoogheid en pracht en de gelijkheid, die zij had met een berg, vermits haar hoge dikke muren en hoge koninklijke gebouwen; vergelijk Openb. 17:9. Openbaring 17:9: Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.
[^jeremia-51-25-57]: Kanttekening 57: 57 aarde verderft: Vergelijk Openb. 11:18, en Openb. 13:14. Openbaring 11:18: En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienaren, de profeten, en de heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven. Openbaring 13:14: En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelfde toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde, een beeld zouden maken.
[^jeremia-51-25-58]: Kanttekening 58: 58 steenrotsen afwentelen: Uit uw hoge vestingen nederstorten, dat u daarheen zult tuimelen en rollen, gelijk een vat of iets anders, dat van een klip wordt afgewenteld, in stukken barst en als verbrijzeld wordt.
[^jeremia-51-25-59]: Kanttekening 59: Daar alles als in de as zal liggen, en niets dan enkel as en verbrande steenhopen \[gelijk in afgebrande plaatsen\] overig zullen zijn; zie onder vers 58. Jeremia 51:58: Zo zegt YHWH van de legermachten: Die brede muur van Babel zal ten enemale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gewerkt hebben, dat zij mat worden.
[^jeremia-51-26-60]: Kanttekening 60: 60 steen nemen tot een hoek: Dat is, u zult niet weer gebouwd worden, of zo woest en verdorven zijn, dat men niet één steen onder uw overige steenhopen zal vinden, die bekwaam is tot een hoeksteen of grondsteen.
[^jeremia-51-26-61]: Kanttekening 61: 61 want u zult: Of, maar.
[^jeremia-51-26-62]: Kanttekening 62: 62 eeuwige woestheden zijn: Hebreeuws, woestheden, of verwoesting van de eeuwigheid (שִׁמְמוֹת). Zo onder vers 62. Jeremia 51:62: En u zult zeggen: O YHWH, U hebt over deze plaats gesproken, dat U ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van de mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.
[^jeremia-51-27-63]: Kanttekening 63: 63 heiligt de heidenen tegen haar: Dat is, zondert hen af, bereidt hen, rust toe, tot dit werk van de Heer tegen Babel; vergelijk boven Jer. 6:4, met de aantekening; zo in vers 28. Jeremia 6:4: Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich. Jeremia 51:28: Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het gehele land van haar heerschappij.
[^jeremia-51-27-64]: Kanttekening 64: 64 roept tegen haar bijeen de koninkrijken: Hebreeuws eigenlijk, doet, of laat horen; dat is somtijds, door uitroeping vergaderen.
[^jeremia-51-27-65]: Kanttekening 65: Groot-Armenië; zie Gen. 8:4. Genesis 8:4: En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, op de bergen van Ararat.
[^jeremia-51-27-66]: Kanttekening 66: Klein-Armenië.
[^jeremia-51-27-67]: Kanttekening 67: Zie Gen. 10:3. Welke landen men houdt dat Cyrus ingenomen had voordat hij Babel veroverde; of dat zij ten dele zijn bondgenoten waren. Genesis 10:3: En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
[^jeremia-51-27-68]: Kanttekening 68: 68 krijgsoverste tegen haar: Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Nah. 3:17 gevonden, betekenende \[gelijk sommigen menen\] zulk een kommandeur of overste, die de bevelen van de koning ontvangt en aan het krijgsvolk overdraagt en verklaart. Anderen verstaan de koning Cyrus zelf, of Darius \[naar hun gevoelen\] zijn schoonvader. Nahum 3:17: Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude van de dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, zo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.
[^jeremia-51-27-69]: Kanttekening 69: Of, ruwe, harige, die de haren overeind steken, alsof zij te berge stonden en ijselijk er uitzien; vergelijk Job 4:15; Ps. 119:120, waar hetzelfde woord gebruikt wordt. Hebreeuws, paard als kever, \[die\] ruig is (סוּס). Job 4:15: Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar van mijn vlees te berge rijzen. Psalmen 119:120: Het haar mijn vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
[^jeremia-51-27-70]: Kanttekening 70: Paarden in menigte, als sprinkhanen; zie boven vers 14. Jeremia 51:14: YHWH van de legermachten heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkaar een vreugdegeschrei over u toeroepen!
[^jeremia-51-28-71]: Kanttekening 71: Gelijk boven vers 11. Jeremia 51:11: Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; YHWH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van YHWH, de wraak van Zijn tempel.
[^jeremia-51-28-72]: Kanttekening 72: 72 haar landvoogden: Versta, landvoogden of vorsten van Medië.
[^jeremia-51-28-73]: Kanttekening 73: 73 haar heerschappij: Hebreeuws, zijn; te weten een ieder koning, of de geslachten worden verwisseld, omdat het Hebreeuwse woord, dat een land en de aarde betekent, in beiderlei geslachten gebruikt wordt.
[^jeremia-51-29-74]: Kanttekening 74: 74 elk een van de gedachten van YHWH staat vast: Hebreeuws, de gedachten van de Heer staan vast; dat is, elk van zijn gedachten, dat is, al zijn voornemen.
[^jeremia-51-30-75]: Kanttekening 75: 75 gebleven in de vestingen: Zij zullen geen moed hebben om te veld en de vijand onder de ogen te trekken.
[^jeremia-51-30-76]: Kanttekening 76: 76 vrouwen geworden: Zie boven Jer. 50:37, en vergelijk Jes. 3:12. Jeremia 50:37: Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagens, en over de gehele gemengde hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden. Jesaja 3:12: De drijvers van Mijn volk zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelfde. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden slokken zij in.
[^jeremia-51-30-q]: Verwijzing q: Jer. 50:37. Jeremia 50:37: Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagens, en over de gansen gemengden hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden.
[^jeremia-51-30-77]: Kanttekening 77: 77 zij hebben hun woningen aangestoken: De vijanden, Meden en Perzen.
[^jeremia-51-30-78]: Kanttekening 78: 78 grendels zijn verbroken: Van huizen en kleine poorten, die bij menigte naar de rivier toe waren, Herodotus, lib. 1.
[^jeremia-51-31-79]: Kanttekening 79: 79 De loper zal de loper tegemoet lopen: Gelijk in een onvoorzienen of onverwachten inval en inbreuk van de vijand placht te gebeuren.
[^jeremia-51-31-80]: Kanttekening 80: 80 van het einde is ingenomen: Waar de Perzen en Meden inbraken en de stad innamen, voordat men het in het midden en op het andere einde van de stad \[vermits haar grootheid\] eens wist. Ditzelfde betuigt Herodotus even zo geschied te zijn, gelijk hier geprofeteerd is.
[^jeremia-51-32-81]: Kanttekening 81: 81 veren ingenomen: Omdat Cyrus het water van de Eufraat had afgeleid, zodat het krijgsvolk daardoor in de stad ging. Anders: slechtelijk, passen, passagen.
[^jeremia-51-32-82]: Kanttekening 82: 82 rietpoelen met vuur verbrand zijn: Of, biezen, poelen, uit de rivier hier en daar afgeleid, die de vijand aanmerkelijk hinder hadden kunnen doen. Sommigen verstaan dat het slechtelijk van de waterpoelen bij gelijkenis gesproken is, dat zij uitgedroogd waren, alsof zij met vuur uitgebrand en verdroogd waren.
[^jeremia-51-33-84]: Kanttekening 84: Of, doe treden; dat is, effen, hard en gelijk make om het koren daarop te dorsen, of dat men ze dorsse. Want de dorsende ossen of runderen treden het koren.
[^jeremia-51-33-85]: Kanttekening 85: Te weten, tijd; het zal haast, niet lang uitblijven.
[^jeremia-51-33-83]: Kanttekening 83: 83 De dochter van Babel: Dat is, Babel, die een schone wellustige jonkvrouw gelijk is, zal nu behandeld worden als een dorsvloer en het koren daarop.
[^jeremia-51-33-86]: Kanttekening 86: 86 oogstes overkomen: En vervolgens, de dorstijd; versta, de tijd van haar ongeval, door de Meden en Perzen, die haar als vertreden en uitdorsen zouden, gelijk zij Gods volk en anderen tevoren gedaan hebben. Zie Jes. 21:10. Jesaja 21:10: O mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van YHWH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd.
[^jeremia-51-34-87]: Kanttekening 87: Dat is, een klacht van Gods volk gelijk vers 35 uitwijst. Jeremia 51:35: Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem.
[^jeremia-51-34-88]: Kanttekening 88: Vergelijk Deut. 31:17, met de aantekening; idem Jes. 30:14, en boven Jer. 19:11, en Jer. 50:7. Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Jesaja 30:14: Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht. Jeremia 19:11: En u zult tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven. Jeremia 50:7: Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen YHWH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen YHWH, de Verwachting van hun vaderen.
[^jeremia-51-34-89]: Kanttekening 89: 89 balg gevuld: Of, pens, ingewand. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^jeremia-51-34-90]: Kanttekening 90: Uit mijn land; of hij heeft mij weggespoeld, in éénen zin.
[^jeremia-51-35-91]: Kanttekening 91: 91 dat mij en mijn: Hebreeuws, mijn geweld en van mijn vlees; dat is, het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan; vergelijk boven Jer. 2:2; Richt. 9:24; Obad. v. 10. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Obadja 1:10: Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.
[^jeremia-51-35-92]: Kanttekening 92: 92 vlees is aangedaan: Dat is, mijn broers en bloedverwanten. Vergelijk Rom. 11:14, en Lev. 18:6. Romeinen 11:14: Of ik enigszins mijn vlees tot jaloërsheid verwekken, en enige uit hen behouden mocht. Leviticus 18:6: Niemand zal tot enige nabestaande van zijn vlees naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben YHWH!
[^jeremia-51-35-93]: Kanttekening 93: 93 zij op Babel: Of, is; dat is, ligt; zie Richt. 9:24. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^jeremia-51-35-94]: Kanttekening 94: 94 de inwoneres van Sion: Het volk, dat te Jeruzalem tehuis behoort, of Gods kerk.
[^jeremia-51-35-95]: Kanttekening 95: 95 bloed zij op de inwoners: Vergelijk Matt. 27:25. Mattheüs 27:25: En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.
[^jeremia-51-35-96]: Kanttekening 96: Dat is, van Chaldea, gelijk boven vers 24. Jeremia 51:24: Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-36-98]: Kanttekening 98: 98 twist twisten: Zie boven Jer. 50:34. Jeremia 50:34: Maar hun Verlosser is sterk, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere.
[^jeremia-51-36-99]: Kanttekening 99: 99 zee droog maken: De wateren van de Eufraat, die rondom en in haar midden zijn. Zie van het gebruik van het woord zee, Gen. 1:10, en vergelijk boven Jer. 50:38, met de aantekening. Genesis 1:10: En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. Jeremia 50:38: Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.
[^jeremia-51-36-r]: Verwijzing r: Jer. 50:38. Jeremia 50:38: Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.
[^jeremia-51-36-100]: Kanttekening 100: 100 springader opdrogen: Dat is, de rivier, die uit haar springader voortkomt.
[^jeremia-51-36-97]: Kanttekening 97: Gods antwoord op de voorgaande woorden van zijn volk.
[^jeremia-51-37-101]: Kanttekening 101: Zie 1 Kon. 9:8, boven Jer. 18:16. 1 Koningen 9:8: En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^jeremia-51-38-102]: Kanttekening 102: 102 Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen: De Babyloniërs zullen in hun feestbanket juichen, razen en tieren, als dartele jonge wilde leeuwen; waarop vers 39 past. Of, \[gelijk sommigen\] zij zullen als verhongerde jonge leeuwen brullen en briesen, omdat hun de roof benomen is. Anderen verstaan het van de Perzen en Meden, die over de roof van Babel als leeuwen zouden brullen. Jeremia 51:39: Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-38-103]: Kanttekening 103: 103 briesen als leeuwenwelpen: Of, ruchelen; dat is een onvolkomen gebrul voortbrengen, dat aan het geluid van de ezels gelijk is. Anderen: zich uitschudden, of het haar verschudden; vergelijk Richt. 16:20, met de aantekening. Richteren 16:20: En zij zei: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zei: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat YHWH van hem geweken was.
[^jeremia-51-39-104]: Kanttekening 104: 104 verhit zijn: Van dronkenschap in hun goddeloos banket. Dan zal Ik hun een anderen drank opzetten. Zie de vervulling, naar sommiger gevoelen, Dan. 5.
[^jeremia-51-39-105]: Kanttekening 105: 105 drank opzetten: Hebreeuws, drinkingen, of dronken, elk zijn drank, die Ik een ieder in mijn beker van de toorn bereid heb en hun zal doen drinken.
[^jeremia-51-39-106]: Kanttekening 106: Maar niet van vreugde, maar van schrik en siddering.
[^jeremia-51-39-107]: Kanttekening 107: 107 eeuwigen slaap slapen: Hebreeuws, slaap van de eeuwigheid (עוֹלָם); dat is de lange slaap, de dood sterven, omgebracht worden, en op aarde of in dit leven niet terugkeren. Vergelijk Ps. 76:6, en Pred. 12:5, met de aantekening en onder vers 57, idem Ps. 13:4. Psalmen 76:6: De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. Prediker 12:5: Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op de weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan. Jeremia 51:57: En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten. Psalmen 13:4: Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
[^jeremia-51-40-108]: Kanttekening 108: Dat is, ter slachting, tot de slachtbank, om geslacht te worden, gelijk boven Jer. 11:19, en Jer. 25:34, en Jer. 48:15, en Jer. 50:27. Jeremia 11:19: En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons de boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land van de levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde. Jeremia 25:34: Huilt, u herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, u heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult u vervallen als een kostelijk vat. Jeremia 48:15: Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur van zijn jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten. Jeremia 50:27: Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking!
[^jeremia-51-40-109]: Kanttekening 109: 109 met bokken: Dat is, en als bokken.
[^jeremia-51-41-110]: Kanttekening 110: 110 Hoe is: Gelijk boven Jer. 50:23. Jeremia 50:23: Hoe is de hamer van de gehele aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen.
[^jeremia-51-41-111]: Kanttekening 111: 111 Sesach zo veroverd: Zie boven Jer. 25:26. Jeremia 25:26: En alle koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, de één met de ander; ja, allen koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
[^jeremia-51-41-s]: Verwijzing s: Jer. 25:26. Jeremia 25:26: En alle koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, de één met de anderen; ja, allen koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
[^jeremia-51-41-112]: Kanttekening 112: 112 roem van de gehele aarde ingenomen: Dat is, beroemd door de gehele wereld. Vergelijk boven Jer. 49:25, en Jes. 13:19. Jeremia 49:25: Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad van Mijn vrolijkheid! Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.
[^jeremia-51-41-t]: Verwijzing t: Jes. 13:19. Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.
[^jeremia-51-41-113]: Kanttekening 113: 113 ontzetting onder de heidenen: Dat zich een ieder daarover verwondert en ontzet, gelijk boven vers 37, en dikwijls in het voorgaande. Jeremia 51:37: En Babel zal worden tot steenhopen, een woning van de draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.
[^jeremia-51-42-114]: Kanttekening 114: 114 Een zee is over Babel gerezen: Antwoord op de voorgaande vraag, waarvan de zin is, dat Babel, dat onoverwinnelijk scheen te zijn, door een onwederstaanlijk geweld zou worden overrompeld, te weten door het grote heirleger van de Meden en Perzen, zijnde aangevoerd en gesterkt door Gods machtige hand.
[^jeremia-51-43-115]: Kanttekening 115: Hebreeuws, in welks, of in zijn \[steden\].
[^jeremia-51-43-116]: Kanttekening 116: 116 niemand woont: Hebreeuws, niet alle man (אִישׁ); dat is, niemand, niet een mens.
[^jeremia-51-44-117]: Kanttekening 117: 117 Bel te Babel: Zie boven Jer. 50:2. Jeremia 50:2: Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Merodach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd!
[^jeremia-51-44-118]: Kanttekening 118: 118 verslonden heeft: Hebreeuws, zijn verslinding. Sommigen duiden dit op de offeranden, die men deze afgod moest doen, waarvan men mag lezen de apocriefe stukken van Daniël en Herodotus. Anderen verstaan de roof en de ondergebrachte landen, van welke overwinning zij deze afgod de eer gaven. Vergelijk boven Jer. 49:1; Richt. 11:24. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in zijn steden? Richteren 11:24: Zoudt u niet dengene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al dengene erven, die YHWH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.
[^jeremia-51-44-119]: Kanttekening 119: Als waterstromen, waarvan het Hebreeuwse woord komt. Vergelijk Ps. 34:6, met de aantekening. Psalmen 34:6: He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
[^jeremia-51-44-120]: Kanttekening 120: Dat is, zal zekerlijk vallen, niettegenstaande dat men het houdt voor een eeuwig en onverbrekelijk werk. Zie onder vers 58. Jeremia 51:58: Zo zegt YHWH van de legermachten: Die brede muur van Babel zal ten enemale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gewerkt hebben, dat zij mat worden.
[^jeremia-51-45-121]: Kanttekening 121: 121 vanwege de hitte van de toorn van YHWH: Dat u in hun straffen niet mee omkomt, vergelijk boven vers 6; en opdat u ontgaat de gevaren, waarvan in het volgende. Jeremia 51:6: Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt.
[^jeremia-51-46-122]: Kanttekening 122: Dat is, tijding, die men horen zal van de optocht, de aankomst en de voortgang van de koningen van Medië en Perzië tegen Babel. Hebreeuws eigenlijk, horing.
[^jeremia-51-46-123]: Kanttekening 123: 123 ene jaar: Hebreeuws, in het jaar, en in het jaar (שָּׁנָה); of het jaar door en het jaar door; dat is, in het ene jaar en in het andere jaar, of het ene jaar voor en het andere jaar na, jaar op jaar, het gehele jaar door, zo in het eerste jaar als in het tweede jaar. De geschiedenissen vermelden dat Cyrus in het eerste jaar van zijn optocht nog niet voor Babel gekomen is, maar in het tweede.
[^jeremia-51-46-124]: Kanttekening 124: 124 heer over heer: Of, heerser tegen heerser; te weten de heren van Medië en Perzië zullen zijn over en tegen de Babyloniërs.
[^jeremia-51-47-125]: Kanttekening 125: Of, gegravene.
[^jeremia-51-47-126]: Kanttekening 126: 126 haar verslagenen: Dat is, die van haar volk dodelijk gewond en nedergehouwen zullen zijn.
[^jeremia-51-47-127]: Kanttekening 127: Zie boven vers 4, en zo in het volgende. Jeremia 51:4: Dat de verslagenen liggen in het land van de Chaldeeën, en de doorstokenen op haar straten.
[^jeremia-51-48-128]: Kanttekening 128: 128 hemel en de aarde: Vergelijk Openb. 12:12, en Openb. 18:20, en Openb. 19:1, enz. Openbaring 12:12: Hierom bedrijft vreugde, u hemelen, en u, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grote toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft. Openbaring 18:20: Bedrijft vreugde over haar, u hemel, en u heilige apostelen, en u profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. Openbaring 19:1: En na deze hoorde ik als een grote stem van een grote schare in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heer, onze God.
[^jeremia-51-48-129]: Kanttekening 129: Dat is, over Babels ondergang.
[^jeremia-51-48-130]: Kanttekening 130: Zie boven Jer. 50:3. Jeremia 50:3: Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!
[^jeremia-51-48-131]: Kanttekening 131: 131 zullen haar de verstoorders aankomen: Hebreeuws, zal haar verstoorders, enz.; dat is, allen en ieder van degenen, die haar verstoren zullen.
[^jeremia-51-49-132]: Kanttekening 132: 132 tot een val: Hebreeuws, toevallen; dat is, zij heeft daartoe gewerkt, is daartoe gesteld geweest, het is haar hart en zin geweest, zij heeft daartoe gediend. Of aldus: Gelijk Babel de verslagenen van Israël heeft doen vallen. De zin is enerlei.
[^jeremia-51-49-133]: Kanttekening 133: 133 verslagenen van Israël: Dat het overvol lag van verslagen Joden \[zie boven vers 4, met de aantekening\], zo zal het land van Babel weer vol worden van verslagenen. Hebreeuws, ook \[is\] Babel, ook zullen te Babel, enz.; vergelijk boven vers 12, met de aantekening. Jeremia 51:4: Dat de verslagenen liggen in het land van de Chaldeeën, en de doorstokenen op haar straten. Jeremia 51:12: Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk YHWH heeft voorgenomen, zo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.
[^jeremia-51-49-134]: Kanttekening 134: 134 te Babel: Of, van de Babel, in Babel.
[^jeremia-51-50-135]: Kanttekening 135: 135 U ontkomenen van het zwaard: Aanspraak aan de gevangen overgebleven Joden in Babel.
[^jeremia-51-50-136]: Kanttekening 136: Uit Babylonië; gedenkt alsdan wat Babel aan Jeruzalem gedaan heeft, en hoe het haar vergolden wordt; en verder, stelt uw hart om weer te keren naar Jeruzalem, enz.
[^jeremia-51-50-137]: Kanttekening 137: Vergelijk boven Jer. 3:16, en Jer. 7:31, met de aantekening. Jeremia 3:16: En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt YHWH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van YHWH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^jeremia-51-51-139]: Kanttekening 139: 139 uitlandsen over de heiligdommen: De Babyloniërs, die de tempel verbrand hebben.
[^jeremia-51-51-138]: Kanttekening 138: Als u aan Jeruzalem gedenkt.
[^jeremia-51-52-140]: Kanttekening 140: 140 Daarom ziet: Gods antwoord op de voorgaande klacht van zijn volk.
[^jeremia-51-52-141]: Kanttekening 141: 141 haar gesneden beelden: Babels afgoden zo in het volgende.
[^jeremia-51-52-142]: Kanttekening 142: 142 kermen in haar gehele land: Of, stenen, zuchten; dat is, hun gehele land zal vol zijn van het kermen en krijten van de verwonden, die als verslagenen sterven zullen; vergelijk vers 49. Het Hebreeuwse woord betekent zowel, een dodelijk verwonde als verslagene. Jeremia 51:49: Gelijk Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het gehele land vallen.
[^jeremia-51-53-143]: Kanttekening 143: 143 al maakte zij vast: Anders: al maakte zij haar sterkte vast \[in\] de hoogte; vergelijk boven Jer. 49:16; Obad. v, 4. Jeremia 49:16: Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH. Obadja 1:4: Al verhieft u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-54-144]: Kanttekening 144: 144 breuk uit het land van de Chaldeeën: Dat is, verwoesting, jammer, ellende, enz.; zie Jer. 4:6. Anders: gekraak. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^jeremia-51-55-145]: Kanttekening 145: 145 YHWH verstoort Babel: Als de bewerker van deze krijg, of de opperste krijgsoverste van de Meden en Perzen.
[^jeremia-51-55-146]: Kanttekening 146: 146 grootse stem uit haar doen vergaan: Dat is, de hoge roem, het hoog spreken en pochen van de Babyloniërs, dat zij gewoon waren te gebruiken, als hun monarchie in bloei was. Anders: het groot gedruis; dat is het gewoel, dat binnen Babel was vanwege de veelheid van de volken daarbinnen.
[^jeremia-51-55-147]: Kanttekening 147: 147 hunlieder golven: De Meden en Perzen, die Babel als een zee zullen overlopen; zie boven vers 42. Anders: hoewel hunlieder \[van de Babyloniërs\] golven, enz.; dat is, hoewel zij nu zulk een gewoel maken, enz. Jeremia 51:42: Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid van haar golven is zij bedekt.
[^jeremia-51-55-148]: Kanttekening 148: 148 grote wateren: Of, vele.
[^jeremia-51-55-149]: Kanttekening 149: 149 geruis van hunlieder geluid: Of, gedreun, groot gedruis van hun stem, te weten van de Babyloniërs, die groot getier en geroep maakten over hun ellenden.
[^jeremia-51-55-150]: Kanttekening 150: 150 zal zich verheffen: Hebreeuws, is, of wordt gegeven, uitgegeven; dat is, zal verheven worden, zal zich verheffen, zal zich uitgeven, zodat men hun aankomst van verre zal kunnen horen.
[^jeremia-51-56-151]: Kanttekening 151: 151 Want de verstoorder komt over haar: Of, wanneer de verstoorder, enz., dan zullen, enz.
[^jeremia-51-56-152]: Kanttekening 152: 152 zijn verbroken: Hebreeuws, is verbroken; elk van hun bogen zal verbroken worden.
[^jeremia-51-56-153]: Kanttekening 153: 153 zekerlijk betalen: Hebreeuws, betalende betalen.
[^jeremia-51-57-154]: Kanttekening 154: 154 dronken maken: Uit de beker van mijn toorn.
[^jeremia-51-57-155]: Kanttekening 155: 155 eeuwigen slaap slapen: Zie boven vers 39. Jeremia 51:39: Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-58-156]: Kanttekening 156: Die vijftig koninklijke ellen dik en breed was, zodat er twee wagens naast elkaar bekwamelijk op rijden konden, blijvende nog een goede ruimte tussen beide, gelijk de geschiedenissen betuigen.
[^jeremia-51-58-157]: Kanttekening 157: Hebreeuws, muren, in het getal van velen, omdat die muur zo bovenmate dik was, alsof het vele muren geweest waren; gelijk Behemoth, beesten, genomen wordt voor een groot beest, gelijk een olifant, enz. (חֹמוֹת). Zie Job 40:10; Ps. 73:22. Job 40:10: Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund. Psalmen 73:22: Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
[^jeremia-51-58-158]: Kanttekening 158: 158 ontbloot worden: Te weten tot de fondamenten toe; vergelijk Ps. 137:7. Anders: verbroken. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
[^jeremia-51-58-159]: Kanttekening 159: Wier arbeid de Babyloniërs gebruikt hebben in het maken van deze muur.
[^jeremia-51-58-160]: Kanttekening 160: Of, tot uitlediging; dat is, dat alles weer mocht weggenomen, verdorven en verstrooid worden, wat daartoe aangevoerd en samengebracht was.
[^jeremia-51-58-161]: Kanttekening 161: 161 vure zullen gewerkt hebben: Of, vanwege het vuur; dat is, opdat hun arbeid met vuur mocht verbrand worden; niet dat dit de mening of het oogmerk van de bouwers geweest is, maar dat hun arbeid door Gods regering zo uitgevallen is en daartoe gediend heeft. Vergelijk Hab. 2:13. Habakuk 2:13: Ziet, is het niet van YHWH van de legermachten, dat de volken arbeiden ten vure, en de mensen zich vermoeien tevergeefs?
[^jeremia-51-59-162]: Kanttekening 162: Of, de zaak die, enz.
[^jeremia-51-59-163]: Kanttekening 163: 163 van Zedekia: Of, vanwege. Het Hebreeuwse woord wordt somtijds genomen voor van, vanwege, uit, gelijk te zien is Gen. 4:1, en Gen. 44:4; Ex. 9:29; Ez. 6:9; Micha 3:8, en in deze plaats. Anders, met Zedekia; maar zulks wordt nergens elders in de Schrift vermeld, en het schijnt niet wel gelooflijk dat Zedekia, gerebelleerd hebbende tegen de koning van Babel, zelf in persoon naar Babel zou hebben durven trekken, maar wel, dat hij door deze vreedzame vrome dienaar verzoening en vrede gezocht mag hebben te bemiddelen. Genesis 4:1: En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Genesis 44:4: Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zei: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als u hen zult achterhaald hebben, zo zult u tot hen zeggen: Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden? Exodus 9:29: Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor YHWH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet, dat de aarde van YHWH is! Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen aan Mij gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben. Micha 3:8: Maar waarlijk, ik ben vol krachts van de Geest van YHWH; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.
[^jeremia-51-59-164]: Kanttekening 164: 164 vreedzaam vorst: Hebreeuws, vorst van de rust (מְנוּחָֽה); dat is, een vroom, stil en vreedzaam man, aan wie Jeremia deze zaak heeft mogen vertrouwen, waarmee een ander in die tijd de spot zou hebben gedreven, of zulks geweigerd hebben, als vol gevaar en zwarigheid zijnde. Anders: overste van de rust van de koning; dat is, overstekamerling. Sommigen houden het voor een naam van zekeren omtrek, waarvan te zien is 1 Kron. 2:52. 1 Kronieken 2:52: De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth.
[^jeremia-51-60-165]: Kanttekening 165: Versta, een bijzonder boek, of dubbel, copie, afschrift, dat hij deze Seraja mee gaf.
[^jeremia-51-61-166]: Kanttekening 166: 166 zien en lezen al deze woorden: Of, \[haar, namelijk Babel\] aanzien, of aanschouwen, bezien, om deze profetie met Babels tegenwoordigen staat te vergelijken. Of, als u ze zult zien, enz.
[^jeremia-51-62-167]: Kanttekening 167: 167 eeuwige woestheden: Hebreeuws, woestheden, of verwoestingen van de eeuwigheid, gelijk boven vers 26 (שִׁמְמוֹת). Jeremia 51:26: En zij zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fondamenten; want u zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt YHWH.
[^jeremia-51-63-168]: Kanttekening 168: De rivier Eufraat, die aan en door Babel liep.
[^jeremia-51-64-169]: Kanttekening 169: 169 vanwege het kwaad: Hebreeuws, van het aangezicht van het kwaad (פְּנֵי); dat is, van, of vanwege het kwaad van de straf, van het ongeval, ongeluk, verderf, enz.
[^jeremia-51-64-170]: Kanttekening 170: Babel.
[^jeremia-51-64-171]: Kanttekening 171: 171 zij zullen mat worden: Namelijk de Babyloniërs zullen amechtig machteloos worden en bezwijken, dat zij niet weer zullen kunnen rijzen of opkomen, hoezeer zij ook zich daarom bemoeien.
[^jeremia-51-64-172]: Kanttekening 172: 172 Tot hiertoe: Vergelijk boven Jer. 48:47. Jeremia 48:47: Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt YHWH. Tot hiertoe is Moabs oordeel.
[^jeremia-51-64-173]: Kanttekening 173: 173 woorden van Jeremia: Te weten van Babels straf, of in het algemeen van de profetieën van Jeremia, die in dit boek begrepen en samengebracht zijn. Hieruit wordt bij sommigen afgenomen dat Jer. 52 door enige andere man van God daar bijgevoegd is, als tot een zegel en nadere verklaring van de voorgaande profetieën. Vergelijk de aantekening op Deut. 34.

### Jeremia 52

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jeremia/52.json)

*Herhaling van Zedekia's regering, de belegering, inneming en verwoesting van Jeruzalem, met de oorzaken daarvan, en van wat zich verder daarbij heeft afgespeeld, vers 1, enz. Jojachin wordt door Evil-Merodach uit de gevangenis verlost en vriendelijk behandeld, 31.*

**1** [^jeremia-52-1-1] Zedekia was[^jeremia-52-1-a] één en twintig jaar[^jeremia-52-1-2] oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v1)

**2** En hij deed, dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat Jojakim gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v2)

**3** Want het gebeurde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v3)

**4** En het gebeurde in het[^jeremia-52-4-b] negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn hele leger, en zij sloegen hun kamp op tegen haar, en zij bouwden tegen haar vestingen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v4)

**5** Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v5)

**6** In de vierde maand, op de negende van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v6)

**7** Toen werd de stad doorgebroken, en al de soldaten vluchtten, en trokken uit in de nacht, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij trokken door de weg van het vlakke veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v7)

**8** Maar het leger van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn leger werd van bij hem verstrooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v8)

**9** Zij dan grepen de koning, en voerden hem omhoog tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak[^jeremia-52-9-3] oordelen tegen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v9)

**10** En de koning van Babel[^jeremia-52-10-4] slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v10)

**11** En hij[^jeremia-52-11-5] verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in de[^jeremia-52-11-6] gevangenis, tot de dag van zijn dood toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v11)

**12** Daarna, in de vijfde maand, op de[^jeremia-52-12-7] tiende van de maand (dit jaar was het negentiende jaar van de koning Nebukadrezar, de koning van Babel), als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, die[^jeremia-52-12-8] voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v12)

**13** Zo verbrandde hij het huis van YHWH en het huis van de koning; en ook alle huizen van Jeruzalem[^jeremia-52-13-9] en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v13)

**14** En het hele leger van de Chaldeeën, dat met de overste van de lijfwachten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v14)

**15** Van de[^jeremia-52-15-10] armsten nu van het volk en het overige van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van[^jeremia-52-15-11] de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v15)

**16** Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, enige over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v16)

**17** Verder braken de Chaldeeën de koperen[^jeremia-52-17-c] pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v17)

**18** Ook namen zij de potten en de scheppen, en de messen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en al de koperen voorwerpen,[^jeremia-52-18-12] waar men de dienst mee deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v18)

**19** En de overste van de lijfwachten nam weg de schalen, en de wierookvaten, en de sprengbekkens, en de potten, en de kandelaars, en de rookschalen, en de[^jeremia-52-19-13] kroezen;[^jeremia-52-19-14] wat geheel goud, en wat geheel zilver was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v19)

**20** De twee pilaren, de ene zee, en de twaalf koperen runderen, die[^jeremia-52-20-15] in de plaats van de stellingen waren, die de koning Salomo voor het huis van YHWH gemaakt had; het koper daarvan, te weten van al deze voorwerpen, was zonder gewicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v20)

**21** Voor wat betreft de[^jeremia-52-21-d] pilaren, achttien ellen was de hoogte van een pilaar, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingers, en hij was hol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v21)

**22** En het kapiteel daarop was koper, en de hoogte van het ene kapiteel was[^jeremia-52-22-16] vijf ellen, en een net, en granaatappels op het kapiteel rondom, alles koper; en[^jeremia-52-22-17] deze gelijk had de andere pilaar, met granaatappels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v22)

**23** En de granaatappels waren zes en negentig,[^jeremia-52-23-18] gezet naar de wind; alle granaatappels waren honderd, over het net rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v23)

**24** Ook nam de overste van de lijfwachten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v24)

**25** En uit de stad nam hij een[^jeremia-52-25-19] hoveling, die over de soldaten gesteld was, en[^jeremia-52-25-20] zeven mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de overste schrijver van het leger, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in[^jeremia-52-25-21] het midden van de stad gevonden werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v25)

**26** Als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, deze genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel naar Ribla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v26)

**27** En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land als gevangene weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v27)

**28** Dit is het volk, dat Nebukadrezar als gevangene heeft[^jeremia-52-28-22] weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v28)

**29** In het achttiende jaar van Nebukadrezar, voerde hij als gevangene weg achthonderd twee en dertig[^jeremia-52-29-24] zielen uit Jeruzalem;[^jeremia-52-29-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v29)

**30** In het drie en twintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v30)

**31** [^jeremia-52-31-25][^jeremia-52-31-e] Het gebeurde daarna, in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de[^jeremia-52-31-26] vijf en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel,[^jeremia-52-31-27] in het eerste jaar van zijn koninkrijk, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, verhief, en hem uit de[^jeremia-52-31-28] gevangenis uitbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v31)

**32** En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v32)

**33** En hij veranderde de kleren van zijn gevangenis; en hij at voortdurend brood voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v33)

**34** En voor wat betreft zijn tering, een voortdurende tering werd hem van de koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, tot op de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jeremia/52.html#v34)

[^jeremia-52-1-1]: Kanttekening 1: 1 Zedekia was: Zie 2 Kon. 24:18, 24:19, 24:20, en verder 2 Kon. 25:1, en het volgende; idem boven Jer. 39:1, 39:2, enz., alwaar deze gehele geschiedenis eerst is verhaald, die hier herhaald wordt om redenen op Jer. 51:64 vermeld; zie de aantekeningen op de voorgaande hoofdstukken van het tweede Boek van de Koningen. 2 Koningen 24:18: Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna. 2 Koningen 24:19: En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar alles, wat Jojakim gedaan had. 2 Koningen 24:20: Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 39:1: In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn legermacht, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. Jeremia 39:2: In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad doorgebroken. Jeremia 51:64: En zult zeggen: Zo zal Babel zinken, en niet weer opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia.
[^jeremia-52-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 24:18. 2 Koningen 24:18: Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.
[^jeremia-52-1-2]: Kanttekening 2: 2 een en twintig jaren oud: Hebreeuws, een zoon van een en twintig jaar (בֶּן).
[^jeremia-52-4-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 25:1; Jer. 39:1. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tienden van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 39:1: In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn legermacht, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.
[^jeremia-52-9-3]: Kanttekening 3: 3 oordelen tegen hem: Sententiën of vonnissen over hem en de zijnen, vanwege hun meinedigheid, rebellie en ondankbaarheid; zo boven Jer. 39:5. Jeremia 39:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.
[^jeremia-52-10-4]: Kanttekening 4: 4 slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen: Dat is, liet hen slachten; gelijk doorgaans.
[^jeremia-52-11-5]: Kanttekening 5: 5 verblindde de ogen van Zedekia: Dat is, liet hem de ogen uitsteken, of zo verderven dat hij niet kon zien.
[^jeremia-52-11-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, huis van de bezoeking, of straffen, opzichten, bewaringen, enz. (בית). Waar hij hem liet blijven tot op de dag van zijn dood toe.
[^jeremia-52-12-7]: Kanttekening 7: 7 tiende van de maand: 2 Kon. 25:8 staat dat hij op de zevende van de maand te Jeruzalem gekomen is. De vergelijking van deze verscheidenheid is, dat hij op de zevende in de stad is aangekomen, maar op de tiende begonnen heeft zijn last te verrichten; waarvan in het volgende. 2 Koningen 25:8: Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem.
[^jeremia-52-12-8]: Kanttekening 8: 8 voor het aangezicht van de koning van Babel stond: Die de koning diende, oppaste, steeds omtrent hem was. Zie Deut. 1:38; 1 Kon. 1:2. Hiervoor staat 2 Kon. 25:8, de knecht, of dienaar van de koning van Babel; het ene verklaart het andere. Deuteronomium 1:38: Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven. 1 Koningen 1:2: Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde. 2 Koningen 25:8: Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem.
[^jeremia-52-13-9]: Kanttekening 9: 9 en alle huizen van de groten: Of, te weten zulks dat het voorgaande woord alle verklaard wordt door alle huizen van de groten. Hebreeuws, allen huis van de groten (בֵּית). Anders, elk groot huis; dat is, alle huizen van de groten, of alle grote huizen, de zin opeen uitkomende, want grote huizen behoren gemeenlijk de groten of machtigen toe. Zie 2 Kon. 25:9. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^jeremia-52-15-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, dunheden, of armoede. Zie 2 Kon. 24:14, zo boven Jer. 40:7, en in het begin van vers 16. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land. Jeremia 40:7: Toen nu alle oversten van de heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd; Jeremia 52:16: Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de overste van de trawanten, enige over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.
[^jeremia-52-15-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Amon, waarvoor 2 Kon. 25:11 staat Hamon; dat is, menigte, schare volks, met verwisseling van een letter. Zie zo boven Jer. 46:25. 2 Koningen 25:11: Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg. Jeremia 46:25: YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^jeremia-52-17-c]: Verwijzing c: Jer. 27:19. Jeremia 27:19: Want zo zegt YHWH van de legermachten, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige van de vaten, die in deze stad zijn overgebleven.
[^jeremia-52-18-12]: Kanttekening 12: 12 waar men de dienst mee deed: Hebreeuws, met welke zij dienden; dat is, waar men in het huis van de Heer placht de dienst mee te verrichten, of die men tot de dienst placht te gebruiken.
[^jeremia-52-19-13]: Kanttekening 13: Zie Ex. 25:29; Num. 4:7. Exodus 25:29: U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken. Numeri 4:7: Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.
[^jeremia-52-19-14]: Kanttekening 14: 14 wat geheel goud: Anders: en die geheel goud en die geheel zilver waren. Hebreeuws, goud goud, zilver zilver (זָהָב).
[^jeremia-52-20-15]: Kanttekening 15: 15 in de plaats van de stellingen waren: Dat is, die in die plaats van de tempel stonden, waar de koperen stellingen van de wasvaten waren; deze runderen stonden onder de zee. Zie 1 Kon. 7:25, 7:27. 1 Koningen 7:25: Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelfde; en al hun achterdelen waren inwaarts. 1 Koningen 7:27: Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte.
[^jeremia-52-21-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 7:15; 2 Kon. 25:17; 2 Kron. 3:15. 1 Koningen 7:15: Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de anderen pilaar. 2 Koningen 25:17: De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van de kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met het net. 2 Kronieken 3:15: Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.
[^jeremia-52-22-16]: Kanttekening 16: 16 vijf ellen: 2 Kon. 25:17 staat drie ellen; zie de verklaring daarvan 1 Kon. 7:16. 2 Koningen 25:17: De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met het net. 1 Koningen 7:16: Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel.
[^jeremia-52-22-17]: Kanttekening 17: 17 deze gelijk had de andere pilaar: Of, met de andere pilaar en granaatappelen was het evenzo.
[^jeremia-52-23-18]: Kanttekening 18: 18 naar de wind: Naar de vier winden, zodat er op elke hoek nog een was, en zo met de zes en negentig, honderd samen.
[^jeremia-52-25-19]: Kanttekening 19: Of, kamerling; zie Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^jeremia-52-25-20]: Kanttekening 20: 20 zeven mannen uit degenen: Vergelijk 2 Kon. 25:19, met de aantekening, en vergelijk de manier van spreken met Matt. 18:10. 2 Koningen 25:19: En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de overste schrijver van het heir, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in de stad gevonden werden. Mattheüs 18:10: Ziet toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^jeremia-52-25-21]: Kanttekening 21: 21 midden van de stad gevonden werden: Dat is, binnen de stad.
[^jeremia-52-28-22]: Kanttekening 22: Versta, op verscheidene tijden, gelijk het volgende uitwijst; vergelijk boven Jer. 6:9. Jeremia 6:9: Zo zegt YHWH van de legermachten: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtiglijk nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weer, gelijk een wijnlezer, aan de korven.
[^jeremia-52-29-24]: Kanttekening 24: 24 zielen uit Jeruzalem: Dat is, personen; zie Gen. 12:5. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijn broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^jeremia-52-29-23]: Kanttekening 23: 23 hij gevankelijk weg: Of, men voerde, enz.
[^jeremia-52-31-25]: Kanttekening 25: 25 Het geschiedde daarna: Zie 2 Kon. 25:27, enz. en de aantekening daar. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
[^jeremia-52-31-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 25:27. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigsten van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
[^jeremia-52-31-26]: Kanttekening 26: 26 vijf en twintigste van de maand: 2 Kon. 25:27 staat op de zeven en twintigste; dat men bekwamelijk aldus kan vergelijken, dat hij op de vijf en twintigste is verlost uit de gevangenis, en dat de koning van Babel hem \[nadat ondertussen zijn kleren veranderd waren\] op de zeven en twintigste heeft voor zich laten komen, enz. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
[^jeremia-52-31-27]: Kanttekening 27: 27 in het eerste jaar van zijn koninkrijk: Of, in het jaar als hij koning werd.
[^jeremia-52-31-28]: Kanttekening 28: 28 gevangenhuis uitbracht: Hebreeuws, huis van de besluiting, of van het bedwang (בֵּית); zie boven Jer. 37:4. Jeremia 37:4: (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.

## Klaagliederen

### Klaagliederen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/klaagliederen/1.json)

*De profeet verhaalt met zuchten de voortreffelijkheid en ook de ellendige toestand van de stad Jeruzalem, vers 1 enz. en ook van het Joodse land, 3. Hij erkent dat zij zulke straf met hun zonden wel verdiend hadden, 8, 18. Telkens opnieuw het verhaal van hun ellende hernemend, 9, 10, enz. De profeet bidt God dat Hij de grote ellende van het volk wil aanzien en Zich daarover ontfermen, 20. want zij nergens anders troost konden vinden, 21.*

**1** [^klaagliederen-1-1-1] א Aleph.[^klaagliederen-1-1-2] Hoe zit[^klaagliederen-1-1-3] die stad[^klaagliederen-1-1-4] zo eenzaam, die[^klaagliederen-1-1-5] vol volk was, zij is[^klaagliederen-1-1-6] als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen,[^klaagliederen-1-1-7] een vorstin onder de gewesten, is[^klaagliederen-1-1-8] schatplichtig geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v1)

**2** ב Beth.[^klaagliederen-1-2-9][^klaagliederen-1-2-a] Zij[^klaagliederen-1-2-10] weent[^klaagliederen-1-2-11] steeds[^klaagliederen-1-2-12] in de nacht, en haar tranen lopen over haar wangen; zij heeft geen trooster[^klaagliederen-1-2-13] onder al haar liefhebbers; al haar[^klaagliederen-1-2-14] vrienden hebben trouweloos[^klaagliederen-1-2-15] met haar gehandeld,[^klaagliederen-1-2-16] zij zijn haar tot vijanden geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v2)

**3** ג Gimel.[^klaagliederen-1-3-17] Juda[^klaagliederen-1-3-18] is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid van de dienstbaarheid;[^klaagliederen-1-3-19] zij[^klaagliederen-1-3-20][^klaagliederen-1-3-21] woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers[^klaagliederen-1-3-22] achterhalen[^klaagliederen-1-3-23] ze tussen de engten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v3)

**4** ד Daleth.[^klaagliederen-1-4-24] De wegen Sions[^klaagliederen-1-4-25] treuren, omdat niemand[^klaagliederen-1-4-26] op het feest komt; al[^klaagliederen-1-4-27] haar[^klaagliederen-1-4-28] poorten zijn woest, haar priesters[^klaagliederen-1-4-29] zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en[^klaagliederen-1-4-30] zij zelf is in bitterheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v4)

**5** ה He. Haar tegenstanders zijn[^klaagliederen-1-5-31] tot hoofd geworden, haar vijanden[^klaagliederen-1-5-32] zijn gerust;[^klaagliederen-1-5-33] omdat haar YHWH bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen[^klaagliederen-1-5-34] in de gevangenis[^klaagliederen-1-5-35][^klaagliederen-1-5-36] voor het aangezicht van de tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v5)

**6** ו Vau. En[^klaagliederen-1-6-37] van de dochter van Sion is[^klaagliederen-1-6-38] al haar sieraad weggegaan; haar vorsten[^klaagliederen-1-6-39] zijn als de herten,[^klaagliederen-1-6-40] die geen weide vinden, en[^klaagliederen-1-6-41] zij gaan krachteloos heen voor het aangezicht van de vervolger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v6)

**7** ז Zain. Jeruzalem is,[^klaagliederen-1-7-42] in de dagen van haar ellende en van haar[^klaagliederen-1-7-43] veelvuldige ballingschap, indachtig[^klaagliederen-1-7-44] aan al haar gewenste dingen, die zij[^klaagliederen-1-7-45] van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders[^klaagliederen-1-7-46] zien haar aan, zij spotten[^klaagliederen-1-7-47] met haar rustdagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v7)

**8** ח Cheth. Jeruzalem[^klaagliederen-1-8-48] heeft zwaar gezondigd, daarom is zij[^klaagliederen-1-8-49] als een afgezonderde vrouw geworden;[^klaagliederen-1-8-50] allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat[^klaagliederen-1-8-51][^klaagliederen-1-8-b] zij haar naaktheid gezien hebben;[^klaagliederen-1-8-52] zij zucht ook, en[^klaagliederen-1-8-53] zij is achteruit gekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v8)

**9** ט Teth.[^klaagliederen-1-9-54] Haar onreinheid[^klaagliederen-1-9-55] is in haar zomen, zij heeft niet gedacht[^klaagliederen-1-9-56] aan haar[^klaagliederen-1-9-c] uiterste, daarom is zij[^klaagliederen-1-9-57] wonderbaarlijk omlaag[^klaagliederen-1-9-58] gedaald; zij heeft geen trooster.[^klaagliederen-1-9-59] YHWH,[^klaagliederen-1-9-60] zie mijn ellende aan, want de vijand[^klaagliederen-1-9-61] maakt zich groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v9)

**10** י Jod.[^klaagliederen-1-10-62] De tegenstander heeft zijn hand aan al[^klaagliederen-1-10-63] haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft[^klaagliederen-1-10-64] zij aangezien, dat[^klaagliederen-1-10-65] de heidenen[^klaagliederen-1-10-66] in haar heiligdom gingen,[^klaagliederen-1-10-67] waarvan U geboden had,[^klaagliederen-1-10-68] dat zij in Uw gemeente niet komen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v10)

**11** כ Caph.[^klaagliederen-1-11-69] Al haar volk zucht,[^klaagliederen-1-11-70][^klaagliederen-1-11-d] brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven,[^klaagliederen-1-11-71] om de ziel op te frissen.[^klaagliederen-1-11-72] Zie, YHWH, en aanschouw, dat[^klaagliederen-1-11-73] ik[^klaagliederen-1-11-74] onwaard geworden ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v11)

**12** ל Lamed.[^klaagliederen-1-12-75] Gaat het u niet aan, u allen, die over weg gaat? Aanschouwt het en ziet,[^klaagliederen-1-12-76] of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee YHWH mij bedroefd heeft op de dag van de hitte van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v12)

**13** מ Mem.[^klaagliederen-1-13-77] Van de hoogte heeft[^klaagliederen-1-13-78] Hij[^klaagliederen-1-13-79] een vuur[^klaagliederen-1-13-80] in mijn beenderen gezonden,[^klaagliederen-1-13-81] waarover Hij geheerst heeft;[^klaagliederen-1-13-82] Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid,[^klaagliederen-1-13-83] Hij heeft mij achteruit doen keren, Hij heeft mij woest en ziek[^klaagliederen-1-13-84] gemaakt de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v13)

**14** נ Nun.[^klaagliederen-1-14-85] Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door Zijn[^klaagliederen-1-14-86] hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals[^klaagliederen-1-14-87] geklommen; Hij heeft mijn kracht doen[^klaagliederen-1-14-88] vervallen; YHWH heeft mij[^klaagliederen-1-14-89] in hun handen gegeven,[^klaagliederen-1-14-90] ik kan niet opstaan.[^klaagliederen-1-14-91] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v14)

**15** ס Samech. De Heere heeft al mijn sterken[^klaagliederen-1-15-92] in het midden van mij vertreden;[^klaagliederen-1-15-93] Hij heeft een bijeenkomst[^klaagliederen-1-15-94] over mij uitgeroepen, om mijn[^klaagliederen-1-15-95] jongemannen te verbreken;[^klaagliederen-1-15-96] de Heere heeft de wijnpers van de jonkvrouw, van de dochter van Juda, aangetreden.[^klaagliederen-1-15-97] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v15)

**16** ע Ain. Om van deze dingen wille ween ik;[^klaagliederen-1-16-e] mijn oog, mijn oog[^klaagliederen-1-16-98] stroomt van water, omdat[^klaagliederen-1-16-99] de trooster, die mijn ziel zou[^klaagliederen-1-16-100] opfrissen, verre van mij is;[^klaagliederen-1-16-101] mijn kinderen[^klaagliederen-1-16-102] zijn verwoest,[^klaagliederen-1-16-103] omdat de vijand de overhand heeft.[^klaagliederen-1-16-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v16)

**17** פ Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar;[^klaagliederen-1-17-105] YHWH heeft van Jakob[^klaagliederen-1-17-106] geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenstanders[^klaagliederen-1-17-107] zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen.[^klaagliederen-1-17-108] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v17)

**18** צ Tsade. YHWH is rechtvaardig, want ik ben[^klaagliederen-1-18-109] Zijn mond opstandig geweest;[^klaagliederen-1-18-110] hoor toch, alle volken, en ziet mijn smart;[^klaagliederen-1-18-111] mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn in de gevangenis gegaan.[^klaagliederen-1-18-112] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v18)

**19** ק Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers,[^klaagliederen-1-19-113][^klaagliederen-1-19-f] maar zij hebben mij bedrogen;[^klaagliederen-1-19-114] mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij[^klaagliederen-1-19-115] hun ziel mochten opfrissen.[^klaagliederen-1-19-116] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v19)

**20** ר Resch. Aanzie, YHWH, want mij is bange;[^klaagliederen-1-20-g] mijn binnenste is[^klaagliederen-1-20-117] beroerd, mijn hart[^klaagliederen-1-20-118] heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want[^klaagliederen-1-20-119] ik ben zeer opstandig geweest; van buiten heeft[^klaagliederen-1-20-120] mij het zwaard van kinderen beroofd,[^klaagliederen-1-20-121] van binnen is als de dood.[^klaagliederen-1-20-122] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v20)

**21** ש Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk,[^klaagliederen-1-21-123] dat U het gedaan hebt; als[^klaagliederen-1-21-124] U de dag zult voortgebracht hebben,[^klaagliederen-1-21-125] die U uitgeroepen hebt,[^klaagliederen-1-21-126] zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.[^klaagliederen-1-21-127] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v21)

**22** ת Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, zoals U mij[^klaagliederen-1-22-128] gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is[^klaagliederen-1-22-129] mat.[^klaagliederen-1-22-130] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/1.html#v22)

[^klaagliederen-1-1-1]: Kanttekening 1: De hoofdstukken 1, 2, 4 van dit boek zijn elk van 22 verzen, elk vers beginnende naar de orde van het Hebreeuwse A. B., gelijk dit in meer andere psalmen en gedichten van de Heilige Schriftuur geschiedt. Zie de aantekening Ps. 25, de titel van de psalm.
[^klaagliederen-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 Hoe zit: Alsof hij zei: O wat zijn de oordelen van God wonderlijk en onbegrijpelijk! Hoe ligt die stad zo eenzaam, die eertijds zo volkrijk placht te zijn! Vergelijk onder Klaagl. 4:1. Klaagliederen 4:1: Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen van het heiligdom vooraan op alle straten verworpen!
[^klaagliederen-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 die stad: Die voortreffelijke, wijdvermaarde, machtige, heilige stad, waar die grote koningen, David, Salomo en anderen, eertijds hun hof in grote heerlijkheid gehouden hebben. En van welke God spreekt, Ps. 132:14: Dit is mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb haar begeerd. Zie Ps. 48:2; Hoogl. 6:4; Klaagl. 2:15. Psalmen 132:14: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Psalmen 48:2: YHWH is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid. Hooglied 6:4: U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. Klaagliederen 2:15: Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde?
[^klaagliederen-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 zo eenzaam: Zo woest, zo leeg van burgers en inwoners.
[^klaagliederen-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 vol volks was: Waar eertijds alle huizen bewoond waren, en de straten dagelijks vol van mensen waren, die deze stad uit- en ingingen, komende uit verre en nabijgelegen natiën.
[^klaagliederen-1-1-6]: Kanttekening 6: 6 als een weduwe geworden: Treurende en wenende vanwege haar bedroefden en eenzamen staat, verlaten zijnde van de Heer, haar echten en rechten bruidegom of man; hebbende daarenboven geen koning of koninkrijk.
[^klaagliederen-1-1-7]: Kanttekening 7: 7 een vorstin onder de landschappen: Hebbende vele volken en natiën onder haar gebied, die aan haar jaarlijkse belasting en schattingen moesten betalen. Dit is in het bijzonder ten tijde van David en Salomo geschied; 1 Kron. 18:6; 2 Kron. 8:7. 1 Kronieken 18:6: En David legde bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende. En YHWH behoedde David overal, waar hij heenging. 2 Kronieken 8:7: Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren;
[^klaagliederen-1-1-8]: Kanttekening 8: 8 schatplichtig geworden: Hebreeuws, tot tribuut geworden; dat is, hoe moet zij nu haar nek onder andere heidense natiën buigen en tot een teken van onderdanigheid schatting of tribuut aan dezelfde betalen; zie 2 Kon. 23:24, 23:25; 2 Kron. 36, en Spreuk. 12:14. 2 Koningen 23:24: En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van YHWH gevonden had. 2 Koningen 23:25: En voor hem was geen koning zijn gelijke, die zich tot YHWH, met zijn gehele hart, en met zijn gehele ziel, en met zijn gehele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijn gelijke niet op. Spreuken 12:14: Een ieder wordt van de vrucht van de mond met goed verzadigd; en de vergelding van de handen van de mens zal hij tot zich wederbrengen.
[^klaagliederen-1-2-9]: Kanttekening 9: Te weten de stad Jeruzalem.
[^klaagliederen-1-2-a]: Verwijzing a: Ps. 6:7. Psalmen 6:7: Ik ben moe van mijn zuchten; ik doe mijn bed de gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
[^klaagliederen-1-2-10]: Kanttekening 10: Te weten van hartzeer over haar verloren welstand en de ellende, waar zij in vervallen is.
[^klaagliederen-1-2-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, zij weent wenende; dat is, steeds zonder ophouden.
[^klaagliederen-1-2-12]: Kanttekening 12: 12 in de nacht: Als andere mensen gerustelijk liggen en slapen. Zie Job 7:3. Men kan ook door de nacht verstaan tegenspoed en ellende; zie de aantekening Job 34:25. Job 7:3: Zo zijn mij maanden van de ijdelheid ten erve geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid. Job 34:25: Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen in de nacht om, en zij worden verbrijzeld.
[^klaagliederen-1-2-13]: Kanttekening 13: 13 onder al haar liefhebbers: Te weten die naburige volken, die met haar plachten te handelen. vers 16 klaagt zij dat zij ook van God verlaten is. Klaagliederen 1:16: Ain. Om deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
[^klaagliederen-1-2-14]: Kanttekening 14: De omliggende volken, die met Juda een verbond gemaakt hadden.
[^klaagliederen-1-2-15]: Kanttekening 15: 15 met haar gehandeld: Of bij haar, of tegen haar.
[^klaagliederen-1-2-16]: Kanttekening 16: 16 zij zijn haar tot vijanden geworden: Zie vers 19. Klaagliederen 1:19: Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.
[^klaagliederen-1-3-17]: Kanttekening 17: Dat is, de inwoners van het koninkrijk Juda.
[^klaagliederen-1-3-18]: Kanttekening 18: 18 is in gevangenis gegaan: Anders: verhuisd, zodat de zin zou zijn dat er in de algemene wegvoering van het Joodse volk naar Babylonië nog enige bij oogluiking bij huis en hof gebleven zijn, maar dat zij van de garnizoenen en vreemde soldaten zo zijn geplaagd geweest, dat zij vanzelf hun vaderland, hun huis en hof verlaten hebben, op hoop van de ellende te ontvluchten. Anderen duiden dit op de Joden, die uit Jeruzalem en het land Juda gevlucht waren, uit vrees van de aanstaande ellende en dienstbaarheid, eer nog de Chaldeën Jeruzalem ingenomen hadden.
[^klaagliederen-1-3-19]: Kanttekening 19: 19 de veelheid van de dienstbaarheid: Of grootheid van de dienstbaarheid; dat is, vanwege de grote dienstbaarheid.
[^klaagliederen-1-3-20]: Kanttekening 20: Te weten de Joodse natie. Het Hebreeuwse woord staat in het vrouwelijk geslacht. Zo wordt ook vers 1 de stad Jeruzalem bij ene weduwe vergeleken. Klaagliederen 1:1: Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
[^klaagliederen-1-3-21]: Kanttekening 21: 21 woont onder de heidenen: Dat is, zij is gedwongen te wonen onder de afgodische en van God vreemde volken.
[^klaagliederen-1-3-22]: Kanttekening 22: 22 achterhalen ze: Dat is, bezetten ze, tasten ze aan.
[^klaagliederen-1-3-23]: Kanttekening 23: 23 tussen de engten: Dat is, op zulke plaatsen, waar het allerengst is, waar men noch vooruit noch terug kan. Anderen verstaan dit van de angsten en benauwdheden, waarin zij vervallen waren.
[^klaagliederen-1-4-24]: Kanttekening 24: 24 De wegen Sions: Dat is, de wegen, die naar Jeruzalem gaan, gelegen op de berg Zion.
[^klaagliederen-1-4-25]: Kanttekening 25: Dat is, zij liggen woest, zij worden niet betreden, gelijk zij plachten als de mensen bij menigten te Jeruzalem tot de godsdienst kwamen. De ongevoellijken en onverstandigen dingen worden menselijke gewaarwordingen toegeschreven, zo in vers 4, gelijk elders meer. Klaagliederen 1:4: Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.
[^klaagliederen-1-4-26]: Kanttekening 26: 26 op het feest komt: Te weten op die dingen, die bestemd waren tot de offeranden, in het bijzonder op die hoge feestdagen, op welke een ieder moest verschijnen. Zie Ex. 23:14; Deut. 16:16, en vergelijk hiermede Ps. 42:5. Exodus 23:14: Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden. Deuteronomium 16:16: Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen: Psalmen 42:5: Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
[^klaagliederen-1-4-27]: Kanttekening 27: Te weten van Zion, dat is Jeruzalem.
[^klaagliederen-1-4-28]: Kanttekening 28: 28 poorten zijn woest: Dat is, daar is geen uit- noch ingaan door de stadspoorten, gelijk het voor deze placht te zijn. Of versta dit aldus: Daar wordt noch recht, noch justitie geoefend; want zulks placht in de stadspoorten te gebeuren. Zie Gen. 34:20; Ruth 4:1, 4:10; 2 Sam. 15:2, en 2 Sam. 18:4, en 2 Sam. 19:9; Ps. 9:14. Genesis 34:20: Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende: Ruth 4:1: En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. Ruth 4:10: Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om de naam van de verstorvene over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam van de verstorvene niet worde uitgeroeid van zijn broers, en van de poort van zijn plaats; u bent heden getuigen. 2 Samuël 15:2: Ook maakte zich Absalom 's morgens vroeg op, en stond aan de zijde van de weg van de poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot de koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zei: Uit welke stad bent u? Als hij dan zei: Uw knecht is uit één van de stammen van Israël; 2 Samuël 18:4: Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. 2 Samuël 19:9: En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom; Psalmen 9:14: Wees mij genadig, YHWH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de dood;
[^klaagliederen-1-4-29]: Kanttekening 29: Omdat de godsdienst vervallen en de stad dus ellendiglijk verwoest is.
[^klaagliederen-1-4-30]: Kanttekening 30: 30 zij zelve is in bitterheid: Hebreeuws, haar is bitter; dat is, zij \[te weten de stad Jeruzalem\] is vol grote droefenis, ja de gehele natie van de Joden, van welke staat of ouderdom zij ook zijn, is vol hartzeer en jammer.
[^klaagliederen-1-5-31]: Kanttekening 31: 31 ten hoofd geworden: Dat is, hebben de heerschappij over haar. Vergelijk Deut. 28:13, 28:44; Ps. 18:44, en Ps. 66:12; Jes. 9:13, en Jes. 19:15. Deuteronomium 28:13: En YHWH zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van YHWH, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen; Deuteronomium 28:44: Hij zal u lenen, maar u zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en u zult tot een staart zijn. Psalmen 18:44: U hebt mij uitgeholpen van de twisten van het volk; U hebt mij gesteld tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. Psalmen 66:12: U hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. Jesaja 9:13: Daarom zal YHWH afhouwen uit Israël de kop en de staart, de tak en de bieze, op een dag. Jesaja 19:15: En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, dat het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag.
[^klaagliederen-1-5-32]: Kanttekening 32: 32 zijn gerust: Of, leven gerustelijk, of hebben goede rust.
[^klaagliederen-1-5-33]: Kanttekening 33: 33 omdat haar YHWH bedroefd heeft: Of, want de Heer heeft haar \[te weten de stad Jeruzalem\] bedroefd, enz.
[^klaagliederen-1-5-34]: Kanttekening 34: 34 de veelheid van haar overtredingen: Of grootheid.
[^klaagliederen-1-5-35]: Kanttekening 35: Van de betekenis van dit woord zie Ps. 8:3. Psalmen 8:3: Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^klaagliederen-1-5-36]: Kanttekening 36: 36 gaan heen: Als in triomf, om tot slaven gemaakt te worden, of gelijk men ene kudde beesten, die men geroofd heeft, voor zich heen drijft. Daar wordt niemand aangezien noch verschoond, van wat ouderdom, geslacht, of staat hij zij.
[^klaagliederen-1-6-37]: Kanttekening 37: 37 van de dochter van Sion: Dat is, van het volk van Jeruzalem.
[^klaagliederen-1-6-38]: Kanttekening 38: 38 al haar sieraad weggegaan: Of, al haar heerlijkheid, in het bijzonder de tempel en godsdienst, en ook al die voortreffelijke gaven en weldaden, die zij van God meermalen zeer rijk ontvangen hadden.
[^klaagliederen-1-6-39]: Kanttekening 39: 39 zijn als de herten: Dat is, zij hebben allen moed verloren, zij vluchten en lopen gelijk de herten voor de honden en jagers doen.
[^klaagliederen-1-6-40]: Kanttekening 40: 40 geen weide vinden: Dat is, zij lopen door het land ten enenmale verarmd, ja verhongerd zijnde.
[^klaagliederen-1-6-41]: Kanttekening 41: 41 zij gaan krachteloos heen: Geen kracht noch middel hebbende, om enige tegenstand te doen.
[^klaagliederen-1-7-42]: Kanttekening 42: 42 in de dagen van haar ellende: Te weten nu zij met kruis en tegenspoed benauwd is.
[^klaagliederen-1-7-43]: Kanttekening 43: 43 veelvuldige ballingschap: Anders, haar kermingen; vergelijk Klaagl. 3:19. Klaagliederen 3:19: Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle.
[^klaagliederen-1-7-44]: Kanttekening 44: 44 al haar gewenste dingen: Te weten eer en goed, en ook allerlei zo geestelijke als lichamelijke gaven, die zij overvloediglijk placht te genieten.
[^klaagliederen-1-7-45]: Kanttekening 45: 45 van oude dagen af: Te weten toen zij in haar bloei was. Hebreeuws, die van oude dagen geweest zijn.
[^klaagliederen-1-7-46]: Kanttekening 46: 46 zien haar aan: Zij gaan en gapen haar aan als een monster.
[^klaagliederen-1-7-47]: Kanttekening 47: 47 met haar rustdagen: Dit kan men verstaan van de ganse godsdienst en de ceremoniën, die de Joden hadden, naar de instelling van Gods wet; of van de verwoesting van het Joodse land, dat ten tijde van de Babylonische gevangenschap zijn sabbaten of vierdagen zo hield, gelijk God gedreigd had; Lev. 26:34, 26:43; namelijk dat het land woest en onbebouwd lag. Leviticus 26:34: Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. Leviticus 26:43: Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.
[^klaagliederen-1-8-48]: Kanttekening 48: 48 heeft zwaar gezondigd: Hebreeuws, heeft ene zonde gezondigd (חֵטְא); dat is, zwaar en lang gezondigd. Anders is daar geen mens, die niet zondigt; 1 Kon. 8:46. Zie gelijke manier van spreken Ex. 32:30. 1 Koningen 8:46: Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in het land van de vijand, dat verre of nabij is. Exodus 32:30: En het geschiedde op de andere dag, dat Mozes tot het volk zei: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; maar nu, ik zal tot YHWH opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.
[^klaagliederen-1-8-49]: Kanttekening 49: 49 als een afgezonderde vrouw: Hebreeuws, tot een afgezonderde; dat is, als ene vrouw, die vanwege haar onreinheid van de mensen zich moet onthouden, volgens de wet; Lev. 15:19. Anders: als een omzwervende \[vrouw\], of, men heeft \[het hoofd\] over haar geschud. Zie 2 Kon. 19:21. Leviticus 15:19: Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^klaagliederen-1-8-50]: Kanttekening 50: Dat is, allen die haar in waarde hielden, te weten toen zij de Heer vreesde en heerschappij had over andere volken en natiën.
[^klaagliederen-1-8-51]: Kanttekening 51: 51 haar naaktheid gezien hebben: Beroofd zijnde van haar versierselen, in het bijzonder van alle godzaligheid ontbloot zijnde; vergelijk Jer. 13:22, 13:26; Ez. 16:37; Hos. 2:9; Nah. 3:5. Jeremia 13:22: Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Jeremia 13:26: Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen. Hosea 2:9: En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen van haar boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen. Nahum 3:5: Ziet, Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal de heidenen uw naaktheid, en de koninkrijken uw schande wijzen.
[^klaagliederen-1-8-b]: Verwijzing b: Jes. 47:3. Jesaja 47:3: Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.
[^klaagliederen-1-8-52]: Kanttekening 52: 52 zij zucht ook: Te weten nu zij indachtig wordt hoe lelijk zij God verlaten heeft, hulp zoekende waar gene te vinden was.
[^klaagliederen-1-8-53]: Kanttekening 53: 53 zij is achterwaarts gekeerd: Dat is, zij is beschaamd geworden, omdat zij van de Heer, haar rechten man, verstoten werd.
[^klaagliederen-1-9-54]: Kanttekening 54: 54 Haar onreinheid: Dat is, haar lelijke zonden; ene manier van spreken, genomen van de onreinheid van de vrouwen. Dit zijn de woorden van de godzalige gemeente, belijdende de rechtvaardigheid van God in het straffen van de hardnekkige onboetvaardige zondaars.
[^klaagliederen-1-9-55]: Kanttekening 55: 55 is in haar zomen: Dat is, merkelijk te zien; de tekenen van de schandelijke zonden, die zij begaan heeft, hangen haar nog aan. Zie de aantekening Lev. 18:6, en vergelijk Jer. 13:22, 13:26. Leviticus 18:6: Niemand zal tot enige nabestaande van zijn vlees naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben YHWH! Jeremia 13:22: Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Jeremia 13:26: Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.
[^klaagliederen-1-9-56]: Kanttekening 56: 56 aan haar uiterste: Of, aan haar einde; dat is, zij ging voort in haar goddeloos leven, niet denkende dat haar eens rekening zou afgeëist worden van haar doen en laten, en dat zij alsdan haar straf zou te dragen hebben; zie Sirach 7:38. Jezus Sirach 7:38: In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en u zult in eeuwigheid niet zondigen.
[^klaagliederen-1-9-c]: Verwijzing c: Deut. 32:29. Deuteronomium 32:29: O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
[^klaagliederen-1-9-57]: Kanttekening 57: 57 wonderbaarlijk omlaag gedaald: Dat is, op een schielijke en vreemde manier. Het koninkrijk van Juda is na de dood van de koning Josia in twee en twintig jaren teniet gegaan.
[^klaagliederen-1-9-58]: Kanttekening 58: 58 zij heeft geen trooster: Daar is niemand, die haar met raad of daad bijstand doet, vers 7. Klaagliederen 1:7: Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en van haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
[^klaagliederen-1-9-59]: Kanttekening 59: Dit zijn de woorden van de overgebleven burgers van Jeruzalem, of van het volk van God daar.
[^klaagliederen-1-9-60]: Kanttekening 60: 60 zie mijn ellende aan: Versta hierbij: en verlos mij uit dezelfde. Zie Ps. 31:8; Hand. 7:34. Psalmen 31:8: Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat U mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend; Handelingen 7:34: Ik heb merkelijk gezien de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
[^klaagliederen-1-9-61]: Kanttekening 61: 61 maakt zich groot: Dat is, de vijand verheft zich. Zie de aantekening Ps. 35:26, en Ps. 38:17. Psalmen 35:26: Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 38:17: Want ik zei: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
[^klaagliederen-1-10-62]: Kanttekening 62: 62 De tegenstander: Dit zijn opnieuw woorden van de profeet.
[^klaagliederen-1-10-63]: Kanttekening 63: 63 haar gewenste dingen: Hierdoor moet men in het bijzonder verstaan het heilige gereedschap, of de kostelijke vaten van de tempel, welke de Chaldeën weggevoerd hebben; Jer. 52:17, 52:18. Jeremia 52:17: Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel. Jeremia 52:18: Ook namen zij de potten en de schoffelen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en al de koperen vaten, waar men de dienst mee deed.
[^klaagliederen-1-10-64]: Kanttekening 64: 64 zij aangezien: Te weten de stad Jeruzalem, dat is, de burgers en inwoners van Jeruzalem.
[^klaagliederen-1-10-65]: Kanttekening 65: 65 de heidenen: De Chaldeën eigenlijk.
[^klaagliederen-1-10-66]: Kanttekening 66: 66 in haar heiligdom gingen: Versta hier door het heiligdom niet alleen het Joodse land, dat een heiligdom genoemd wordt, Ex. 15:17, maar ook de heilige tempel, ja het heilige van de heiligen, waar de heidenen ingebroken zijn. Exodus 15:17: Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o YHWH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o YHWH!
[^klaagliederen-1-10-67]: Kanttekening 67: 67 waarvan U geboden hadt: Of, van welke U geboden hadt.
[^klaagliederen-1-10-68]: Kanttekening 68: 68 dat zij in Uw gemeente: Dat is, dat zij onder uw volk niet zouden gerekend wordt; of dat zij geen ambt onder uw volk bedienen zouden. Zie de aantekening Deut. 23:3, en vergelijk Hand. 21:28. Deuteronomium 23:3: Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van YHWH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van YHWH niet komen tot in eeuwigheid. Handelingen 21:28: Roepende: U Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
[^klaagliederen-1-11-69]: Kanttekening 69: 69 Al haar volk zucht: Al het volk van Juda en Jeruzalem, van wat staat of rang het zij.
[^klaagliederen-1-11-70]: Kanttekening 70: 70 brood zoekende: Het woord brood betekent dikwijls al wat de mens tot onderhouding van het lichaam behoeft, in het bijzonder alles wat men eet, zodat brood ook somtijds vlees betekent.
[^klaagliederen-1-11-d]: Verwijzing d: Jer. 52:6. Jeremia 52:6: In de vierde maand, op de negenden van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had;
[^klaagliederen-1-11-71]: Kanttekening 71: 71 om de ziel te verkwikken: Hebreeuws, om de ziel weer te brengen, of te herstellen (נָפֶשׁ); dat is, om haar te verkwikken, zo ook vers 16, 1:19. Vergelijk 1 Sam. 30:12; Ps. 23:3. Klaagliederen 1:16: Ain. Om deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. Klaagliederen 1:19: Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken. 1 Samuël 30:12: Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weer in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken. Psalmen 23:3: Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, vanwege Zijn Naam.
[^klaagliederen-1-11-72]: Kanttekening 72: Van hier af tot het einde van dit hoofdstuk zijn het de woorden van de burgers van Jeruzalem.
[^klaagliederen-1-11-73]: Kanttekening 73: Dat is, een ieder onder ons.
[^klaagliederen-1-11-74]: Kanttekening 74: 74 onwaard geworden ben: Dat is, gering en verachtzaam. Zie de aantekening Ps. 12:9; zo ook boven vers 8. Psalmen 12:9: De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. Klaagliederen 1:8: Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.
[^klaagliederen-1-12-75]: Kanttekening 75: 75 Gaat het u niet aan: Alsof hij zei: Roert u mijn ellendige staat niet? Hebt u geen medelijden met mij? Let er vrij op, en neemt het ter harte. Anders: het gaat u niet aan; dat is, u laat u wel denken dat u dit niet betreft, maar zo u wijs bent, neemt het ter harte, let er wel terdege op, en spiegelt u aan mij.
[^klaagliederen-1-12-76]: Kanttekening 76: 76 of er een smart zij gelijk mijn smart: Vergelijk Ez. 5:9, en Dan. 9:12. Ezechiël 5:9: En Ik zal onder u doen, wat Ik niet gedaan heb, en evenzo Ik voortaan niet doen zal, om al uw gruwelen wil. Daniël 9:12: En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, dat niet geschied is onder de ganse hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
[^klaagliederen-1-13-77]: Kanttekening 77: 77 Van de hoogte: Dat is, van de hemel.
[^klaagliederen-1-13-78]: Kanttekening 78: Te weten de Heer.
[^klaagliederen-1-13-79]: Kanttekening 79: 79 een vuur: Dat is, grote pijnen en smarten, die de mensen als een vuur verteren.
[^klaagliederen-1-13-80]: Kanttekening 80: 80 in mijn beenderen gezonden: Dat is, in de sterkste delen van mijn lichaam, gelijk Ps. 6:3. Zie de aantekening Job 7:15. Psalmen 6:3: Wees mij genadig, YHWH, want ik ben verzwakt; genees mij, YHWH, want mijn beenderen zijn verschrikt. Job 7:15: Zodat mijn ziel de verworging kiest; de dood meer dan mijn beenderen.
[^klaagliederen-1-13-81]: Kanttekening 81: Dat is, welke de Heer, niet enige menselijke kracht, bestiert en zulke kracht geeft, dat het mij verteert.
[^klaagliederen-1-13-82]: Kanttekening 82: 82 Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid: Dat is, Hij heeft mij zo vast in zijn strikken, dat ik er niet uit geraken kan.
[^klaagliederen-1-13-83]: Kanttekening 83: 83 Hij heeft mij achterwaarts doen keren: Dat is, toen ik hem meende te ontvluchten, heeft Hij mij in zijn net gevangen en doen terugkeren.
[^klaagliederen-1-13-84]: Kanttekening 84: 84 gemaakt de hele dag: Hebreeuws, gegeven; dat is, Hij heeft mij alle middelen van verlossing benomen.
[^klaagliederen-1-14-85]: Kanttekening 85: 85 Het juk: Het zware pak van mijn menigvuldige zonden is als met touwen vastgebonden, en de Heer legt mij dat op de hals, dat zo zwaar om te dragen is, dat het mij mijn krachten breekt. Vergelijk Deut. 28:48. De mensen zijnde als muilen en paarden, Ps. 32, zo temt hen het juk en de banden van de tegenspoed. Deuteronomium 28:48: Zo zult u uw vijanden, die YHWH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.
[^klaagliederen-1-14-86]: Kanttekening 86: 86 zij zijn samengevlochten: Te weten mijn overtredingen, die zijn al tezamen als in een bundeltje gevlochten.
[^klaagliederen-1-14-87]: Kanttekening 87: 87 zij zijn op mijn hals: Te weten mijn overtredingen, die zijn al tezamen als in een bundeltje gevlochten.
[^klaagliederen-1-14-88]: Kanttekening 88: Dat is, geleid.
[^klaagliederen-1-14-89]: Kanttekening 89: Hebreeuws, struikelen.
[^klaagliederen-1-14-90]: Kanttekening 90: 90 in hun handen gegeven: Dat is, in de macht van de vijanden.
[^klaagliederen-1-14-91]: Kanttekening 91: 91 ik kan niet opstaan: Dat is, alle kracht en vermogen is mij ten enenmale benomen, naar het oordeel van vlees en bloed; maar wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij U, o mijn God.
[^klaagliederen-1-15-92]: Kanttekening 92: 92 mijn sterken: Dat is, mijn kloeke helden; te weten op welke ik mij het meest verliet.
[^klaagliederen-1-15-93]: Kanttekening 93: 93 in het midden van mij vertreden: Dat is, die in mij woonden.
[^klaagliederen-1-15-94]: Kanttekening 94: 94 Hij heeft een bijeenkomst: Dat is, Hij heeft vele vijanden tegen mij doen samenkomen, om de bloem van mijn volk teniet te maken. Vergelijk Zef. 1:7, 1:8. Zefanja 1:7: Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. Zefanja 1:8: En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van YHWH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen van de koning, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.
[^klaagliederen-1-15-95]: Kanttekening 95: 95 over mij uitgeroepen: Of, tegen mij.
[^klaagliederen-1-15-96]: Kanttekening 96: Eigenlijk keurlingen of uitgelezenen, op wie ik mij nog enigszins had mogen verlaten. Zie Hos. 9:12, 9:13. Hosea 9:12: Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn! Hosea 9:13: Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot de moordenaar.
[^klaagliederen-1-15-97]: Kanttekening 97: 97 de Heer heeft de wijnpers van de jonkvrouw: De Heer heeft haar inwoners door de vijand verpletterd en in stukken gebroken, gelijk de druiven in de pers verbroken worden. Vergelijk Jes. 63:3; Openb. 14:19, 14:20, en Openb. 19:15. Anders: De Heer heeft de dochter van Juda vertreden, \[als in\] een wijnpers. Jesaja 63:3: Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Openbaring 14:19: En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Openbaring 14:20: En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. Openbaring 19:15: En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God.
[^klaagliederen-1-16-e]: Verwijzing e: Jer. 13:17. Jeremia 13:17: Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat van YHWH kudde gevankelijk is weggevoerd.
[^klaagliederen-1-16-98]: Kanttekening 98: 98 Om van deze dingen wille ween ik: Te weten vanwege mijn grote en menigvuldige zonden, weshalve ik nu zo vele en zo grote straffen moet dragen.
[^klaagliederen-1-16-99]: Kanttekening 99: 99 vliet af van water: Of, daar vliet water uit.
[^klaagliederen-1-16-100]: Kanttekening 100: 100 de trooster: Dat is, de Heer zelf, de God aller vertroosting; 2 Kor. 1:3. Of versta door de trooster haar vrienden, die haar troosten zouden; zie vers 2, 1:7. 2 Korinthiërs 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God aller vertroosting; Klaagliederen 1:2: Beth. Zij weent steeds in de nacht, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. Klaagliederen 1:7: Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en van haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
[^klaagliederen-1-16-101]: Kanttekening 101: Hebreeuws, wederbrengen.
[^klaagliederen-1-16-102]: Kanttekening 102: 102 mijn kinderen: Dit is de oorzaak, waarom zij zo grotelijks troost nodig heeft.
[^klaagliederen-1-16-103]: Kanttekening 103: 103 zijn verwoest: Dat is, zij zijn in een ellendigen staat.
[^klaagliederen-1-16-104]: Kanttekening 104: 104 omdat de vijand: Of, want de vijand heeft de overhand; vergelijk boven vers 5. Klaagliederen 1:5: He. Haar tegenstanders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar YHWH bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen in de gevangenis voor het aangezicht van de tegenstanders.
[^klaagliederen-1-17-105]: Kanttekening 105: 105 breidt haar handen uit: Zie Jer. 4:31. Jeremia 4:31: Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van een, die in de nood van het eerste kind is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars!
[^klaagliederen-1-17-106]: Kanttekening 106: 106 YHWH heeft van Jakob: Dat is, God heeft dengenen, die Jeruzalem haten, macht gegeven haar aan alle zijden te benauwen.
[^klaagliederen-1-17-107]: Kanttekening 107: Door geheime ingeving bewogen. En zulks doet Hij door zijn rechtvaardig oordeel, Hij alleen wetende het kwade wel te gebruiken.
[^klaagliederen-1-17-108]: Kanttekening 108: 108 is als een afgezonderde vrouw onder hen: Zie boven vers 8. Klaagliederen 1:8: Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.
[^klaagliederen-1-18-109]: Kanttekening 109: 109 YHWH is rechtvaardig: In al deze dingen moet Ik bekennen dat de Heer rechtvaardiglijk handelt; vergelijk Ps. 119:137; Dan. 9:7. Psalmen 119:137: Tsade. YHWH! U bent rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is recht. Daniël 9:7: Bij U, o Heer! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid van de aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar U ze heengedreven hebt, om hun overtreding, waarmee zij tegen U overtreden hebben.
[^klaagliederen-1-18-110]: Kanttekening 110: 110 Zijn mond opstandig geweest: Zijn geboden, die door de mond van zijn profeten mij zijn aangediend; zie boven vers 5, 1:8. Klaagliederen 1:5: He. Haar tegenstanders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar YHWH bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen in de gevangenis voor het aangezicht van de tegenstanders. Klaagliederen 1:8: Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.
[^klaagliederen-1-18-111]: Kanttekening 111: 111 hoort toch: Dat is, ik wens dat alle volken van de aarde de vreeslijke oordelen van God over mij mochten waarnemen.
[^klaagliederen-1-18-112]: Kanttekening 112: 112 mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen: Dat is, degenen waar de toekomende eeuw van zou geplant worden. Zie Deut. 28, Deut. 29.
[^klaagliederen-1-19-113]: Kanttekening 113: 113 mijn liefhebbers: Dat is, mijn bondgenoten, op wie ik mij had verlaten en bij wie ik hulp en troost placht te zoeken, te weten de Egyptenaars en Assyriërs. Zie Jer. 2:36, en Jer. 22:20. Anderen nemen het in deze zin: Mijn liefhebbers; dat is, degenen, wie de zorg en het opzicht over mij van God bevolen was, te weten mijn priesters en oudsten, die zichzelven niet hebben kunnen redden, want zij zijn versmacht, gelijk zij, enz. Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent. Jeremia 22:20: Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.
[^klaagliederen-1-19-f]: Verwijzing f: Jer. 30:14. Jeremia 30:14: Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.
[^klaagliederen-1-19-114]: Kanttekening 114: 114 zij hebben mij bedrogen: Dat is, ik heb tevergeefs troost bij hen gezocht, zij hebben mij noch met woorden noch met werken bijstand gedaan.
[^klaagliederen-1-19-115]: Kanttekening 115: 115 mijn priesters en mijn oudsten: De regeerders van de kerk en van het land.
[^klaagliederen-1-19-116]: Kanttekening 116: 116 hun ziel mochten verkwikken: Gelijk boven vers 11. Klaagliederen 1:11: Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, YHWH, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.
[^klaagliederen-1-20-g]: Verwijzing g: Jes. 16:11; Jer. 48:36. Jesaja 16:11: Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres. Jeremia 48:36: Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal Mijn hart over de mensen van Kir-Heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is.
[^klaagliederen-1-20-117]: Kanttekening 117: Zie mij aan met uw barmhartige ogen.
[^klaagliederen-1-20-118]: Kanttekening 118: Of, omgeroerd, of bemodderd, of werpt drek op, gelijk een water dat omgeroerd wordt; zie Job 16:16; Ps. 46:4. Job 16:16: Mijn aangezicht is geheel bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood. Psalmen 46:4: Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.
[^klaagliederen-1-20-119]: Kanttekening 119: 119 heeft zich omgekeerd: Van benauwdheid ligt mijn hart in mij en rolt, omdat ik zo grotelijks gerebelleerd heb tegen de Heer mijn God.
[^klaagliederen-1-20-120]: Kanttekening 120: 120 ik ben zeer opstandig geweest: Hebreeuws, opstandig zijnde ben ik opstandig geweest.
[^klaagliederen-1-20-121]: Kanttekening 121: 121 het zwaard: Zie Deut. 32:25; Jer. 14:18, en Jer. 15:7, en Jer. 18:21. Deuteronomium 32:25: Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook de jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met de grijzen man. Jeremia 14:18: Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad komen, ziet daar de zieken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet. Jeremia 15:7: En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten van het land; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd. Jeremia 18:21: Daarom, geef hun zonen de honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door de dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in de strijd.
[^klaagliederen-1-20-122]: Kanttekening 122: 122 van binnen is als de dood: Of, binnenshuis is als de dood; of is de dood zelf. Hebreeuws, in het huis (בַּיִת).
[^klaagliederen-1-21-123]: Kanttekening 123: 123 mijn kwaad: Dat is, mijn ondergang, of mijn geklag, dat ik dagelijks doe vanwege mijn ellende, jammer en verdriet.
[^klaagliederen-1-21-124]: Kanttekening 124: 124 dat U het gedaan hebt: Dat is, dat U mij zulke ellende en zwarigheid hebt opgelegd, o Heer.
[^klaagliederen-1-21-125]: Kanttekening 125: 125 de dag zult voortgebracht hebben: Te weten die dag of tijd van de verstoring van Babel.
[^klaagliederen-1-21-126]: Kanttekening 126: 126 die U uitgeroepen hebt: Dat is, die u door uwe profeten, namelijk Jesaja, Jeremia en anderen, verkondigd hebt, namelijk dat Babel op dezelfde zou verstoord worden.
[^klaagliederen-1-21-127]: Kanttekening 127: 127 zo zullen zij zijn, gelijk ik ben: Dat is, hun ellende zal dan in deze wereld zo groot zijn als de mijne nu is; behalve de straffen en pijnen, die zij in de eeuwigheid te verwachten hebben.
[^klaagliederen-1-22-128]: Kanttekening 128: 128 Laat al hun kwaad: Dat is, voor u ter gedachtenis al hun boosheden; te weten om die te straffen als U op uw troon zult gezeten zijn om recht te doen; vergelijk Ps. 9:8. Psalmen 9:8: Maar YHWH zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
[^klaagliederen-1-22-129]: Kanttekening 129: 129 doe hun: En laat hen niet ongestraft heengaan, gemerkt U mij dus zwaar plaagt vanwege mijn zonden.
[^klaagliederen-1-22-130]: Kanttekening 130: Of, zwak, of flauw, vergelijk boven vers 13;; Job 10:20, 10:21; Jes. 1:5; onder Klaagl. 5:17. Klaagliederen 1:13: Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt de hele dag. Job 10:20: Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke; Job 10:21: Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduwe van de dood; Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt de afval des te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat. Klaagliederen 5:17: Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.

### Klaagliederen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/klaagliederen/2.json)

*Bedroefde klacht over de verwoesting van de stad Jeruzalem en van het Joodse volk, 1, enz. waarbij hij hen opnieuw indachtig maakt aan de oorzaken van deze straffen, 14. De spot van hun vijanden in hun ellende, 15. Vermaning tot oprecht berouw en leedwezen over hun zonden, 18. met ijverig gebed, 19. waarvan hij hun een voorbeeld geeft, 20.*

**1** א Aleph.[^klaagliederen-2-1-1] Hoe heeft de Heere[^klaagliederen-2-1-2] de dochter van Sion[^klaagliederen-2-1-3] in Zijn toorn[^klaagliederen-2-1-4] bewolkt? Hij heeft de[^klaagliederen-2-1-5] heerlijkheid van[^klaagliederen-2-1-6] Israël van de hemel op de aarde neergeworpen; en Hij heeft[^klaagliederen-2-1-7] aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht[^klaagliederen-2-1-8] in de dag van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v1)

**2** ב Beth. De Heere heeft[^klaagliederen-2-2-9] al de woningen van Jakob[^klaagliederen-2-2-10] verslonden, en heeft ze niet gespaard; Hij[^klaagliederen-2-2-11] heeft de vestingen[^klaagliederen-2-2-12] van de dochter van Juda afgebroken[^klaagliederen-2-2-13] in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken;[^klaagliederen-2-2-14] Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v2)

**3** ג Gimel. Hij heeft,[^klaagliederen-2-3-15] in ontsteking van[^klaagliederen-2-3-16] de toorn, de hele hoorn van Israël afgehouwen;[^klaagliederen-2-3-17] Hij heeft Zijn rechterhand achteruit getrokken,[^klaagliederen-2-3-18] toen de vijand kwam, en Hij is[^klaagliederen-2-3-19] tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v3)

**4** ד Daleth. Hij heeft Zijn boog[^klaagliederen-2-4-20] gespannen[^klaagliederen-2-4-21] als een vijand; Hij heeft zich met Zijn[^klaagliederen-2-4-22] rechterhand gesteld als een tegenstander, dat Hij doodde[^klaagliederen-2-4-23] al de begeerlijke dingen van de ogen; Hij heeft Zijn woede[^klaagliederen-2-4-24] in de tent van de dochter van Sion[^klaagliederen-2-4-25] uitgestort als een vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v4)

**5** ה He.[^klaagliederen-2-5-26] De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israël[^klaagliederen-2-5-27] verslonden, Hij heeft al[^klaagliederen-2-5-28] haar paleizen verslonden. Hij heeft[^klaagliederen-2-5-29] haar vestingen verdorven; en Hij heeft bij de dochter van[^klaagliederen-2-5-30] Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.[^klaagliederen-2-5-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v5)

**6** ו Vau. En Hij heeft Zijn hut[^klaagliederen-2-6-32] met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft[^klaagliederen-2-6-33] Zijn vergaderplaats verdorven; YHWH heeft in Sion doen vergeten[^klaagliederen-2-6-34] de hoogtijd en de sabbat, en Hij heeft in de toorn van Zijn toorn[^klaagliederen-2-6-35] de koning en de priester smadelijk verworpen.[^klaagliederen-2-6-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v6)

**7** ז Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom[^klaagliederen-2-7-37] te niet gedaan, Hij heeft de muren[^klaagliederen-2-7-38] van haar paleizen in de hand van de vijand[^klaagliederen-2-7-39] overgegeven;[^klaagliederen-2-7-40] zij hebben in het huis van YHWH een stem[^klaagliederen-2-7-41] verheven als op de dag van een gezette hoogtijd.[^klaagliederen-2-7-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v7)

**8** ח Cheth. YHWH heeft gedacht te verderven[^klaagliederen-2-8-43] de muur van de dochter van Sion; Hij heeft[^klaagliederen-2-8-44] het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand[^klaagliederen-2-8-45] niet afgewend,[^klaagliederen-2-8-46] dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft[^klaagliederen-2-8-47] de voormuur en de muur samen[^klaagliederen-2-8-48] treurig gemaakt, zij zijn[^klaagliederen-2-8-49] verzwakt.[^klaagliederen-2-8-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v8)

**9** ט Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft[^klaagliederen-2-9-51] haar grendels verdorven en gebroken;[^klaagliederen-2-9-52] haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen;[^klaagliederen-2-9-53] er is geen wet; haar[^klaagliederen-2-9-54] profeten vinden ook geen visioen van YHWH.[^klaagliederen-2-9-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v9)

**10** י Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij[^klaagliederen-2-10-56] zwijgen stil,[^klaagliederen-2-10-57] zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben[^klaagliederen-2-10-58] zakken aangegord;[^klaagliederen-2-10-59] de meisjes van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.[^klaagliederen-2-10-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v10)

**11** כ Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn binnenste wordt[^klaagliederen-2-11-61] beroerd;[^klaagliederen-2-11-62] mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de[^klaagliederen-2-11-63] dochter van mijn volk; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de[^klaagliederen-2-11-64] stad in onmacht zinken;[^klaagliederen-2-11-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v11)

**12** ל Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is[^klaagliederen-2-12-66] koren en[^klaagliederen-2-12-67] wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen;[^klaagliederen-2-12-68] als zich hun ziel uitschudt in de schoot van hun moeders.[^klaagliederen-2-12-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v12)

**13** מ Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik[^klaagliederen-2-13-70] bij u vergelijken,[^klaagliederen-2-13-71] u dochter van Jeruzalem? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, u jonkvrouw, dochter van Sion, want[^klaagliederen-2-13-72] uw breuk is zo groot als de zee,[^klaagliederen-2-13-73] wie kan u helen?[^klaagliederen-2-13-74] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v13)

**14** נ Nun. Uw profeten hebben u[^klaagliederen-2-14-75] zinloosheid en[^klaagliederen-2-14-76] ongerijmdheid[^klaagliederen-2-14-77] gezien, en[^klaagliederen-2-14-78] zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard,[^klaagliederen-2-14-79] om uw gevangenis af te wenden, maar[^klaagliederen-2-14-80] zij hebben voor u gezien ijdele[^klaagliederen-2-14-81] lasten en[^klaagliederen-2-14-82] uitstotingen.[^klaagliederen-2-14-83] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v14)

**15** ס Samech. Allen, die over weg gaan,[^klaagliederen-2-15-84] klappen met de handen over u,[^klaagliederen-2-15-85] zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad,[^klaagliederen-2-15-86] waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een[^klaagliederen-2-15-87] vreugde van de hele aarde?[^klaagliederen-2-15-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v15)

**16** פ Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en[^klaagliederen-2-16-89] knersen met de tanden, zij zeggen:[^klaagliederen-2-16-90] Wij hebben haar verslonden;[^klaagliederen-2-16-91] dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden,[^klaagliederen-2-16-92] wij hebben hem gezien.[^klaagliederen-2-16-93] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v16)

**17** ע Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord[^klaagliederen-2-17-94] vervuld, dat Hij[^klaagliederen-2-17-95] bevolen had[^klaagliederen-2-17-96] van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en[^klaagliederen-2-17-97] Hij heeft de vijand over u verblijd,[^klaagliederen-2-17-98] Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd.[^klaagliederen-2-17-99] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v17)

**18** צ Tsade. Hun hart schreeuwde tot de Heere:[^klaagliederen-2-18-100] O[^klaagliederen-2-18-a] u muur van de dochter van Sion,[^klaagliederen-2-18-101] laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust,[^klaagliederen-2-18-102] uw[^klaagliederen-2-18-103] oogappel houde niet op![^klaagliederen-2-18-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v18)

**19** ק Koph. Maak u op,[^klaagliederen-2-19-105] maak geschrei[^klaagliederen-2-19-106] in de nacht in het begin van de nachtwaken,[^klaagliederen-2-19-107] stort[^klaagliederen-2-19-108] uw hart uit voor het aangezicht van de Heere als water; hef uw[^klaagliederen-2-19-109] handen tot Hem op[^klaagliederen-2-19-110] voor de ziel van uw kinderen,[^klaagliederen-2-19-111] die in onmacht gevallen zijn van honger,[^klaagliederen-2-19-112] vooraan op alle straten.[^klaagliederen-2-19-113] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v19)

**20** ר Resch. Zie, YHWH, aanschouw toch, aan wie U zo gedaan hebt;[^klaagliederen-2-20-b] zullen dan de vrouwen[^klaagliederen-2-20-114] haar vrucht eten, de kinderen,[^klaagliederen-2-20-115] die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester[^klaagliederen-2-20-116] in het heiligdom van YHWH gedood worden?[^klaagliederen-2-20-117] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v20)

**21** ש Schin. De jongen en de oude liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen[^klaagliederen-2-21-118] zijn door het zwaard gevallen;[^klaagliederen-2-21-119] U hebt ze in de dag van Uw toorn gedood, U hebt ze geslacht en niet gespaard.[^klaagliederen-2-21-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v21)

**22** ת Thau. U hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag van een gezette hoogtijd[^klaagliederen-2-22-121]; en er is niemand aan de dag van de toorn van YHWH ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.[^klaagliederen-2-22-122] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/2.html#v22)

[^klaagliederen-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 Hoe heeft YHWH: Zie boven Klaagl. 1:1. Klaagliederen 1:1: Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
[^klaagliederen-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 de dochter van Sion: Dat is, het volk van Jeruzalem, dat voor God zo lief en waard placht te zijn, als een dochter haar ouders. Zie Ps. 87:2. Psalmen 87:2: YHWH bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.
[^klaagliederen-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 in Zijn toorn: Zijnde over haar onstoken vanwege haar zonden en menigvuldige overtredingen.
[^klaagliederen-2-1-4]: Kanttekening 4: Of, met ene wolk bedekt; de zin is: In de plaats, waar God de Heer eertijds zijn volk met een dikke wolk ten goede bedekt heeft, daar bedekt Hij hen nu met een dikke wolk van menigerlei ellende.
[^klaagliederen-2-1-5]: Kanttekening 5: 5 heerlijkheid van Israël: Dat is, de heerlijke staat, waarin Hij zijn volk geplant had. Of versta hier door de heerlijkheid van Israël de ark van het verbond; gelijk 1 Sam. 4:21, 4:22. 1 Samuël 4:21: En zij noemde het jongen Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil. 1 Samuël 4:22: En zij zei: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark van God is genomen.
[^klaagliederen-2-1-6]: Kanttekening 6: 6 van de hemel op de aarde nedergeworpen: Dat is, van de hoogste trap van de voortreffelijke heerlijkheid tot de nederigste stand van de ellende; vergelijk Obad. v. 4; Ps. 102:11; Matt. 11:23. Obadja 1:4: Al verhief u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH. Psalmen 102:11: Vanwege Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want U hebt mij verheven, en mij weer nedergeworpen. Mattheüs 11:23: En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot het dodenrijk toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^klaagliederen-2-1-7]: Kanttekening 7: 7 aan de voetbank van Zijn voeten: Dat is, aan zijn tempel en aan de godsdienst, die men daarin oefende; of versta door de voetbank de ark van het verbond; zie 1 Kron. 28:2; zie ook Ex. 25:18, 25:19, 25:20; 2 Sam. 6:2; 2 Kon. 19:15; Ps. 99:5, en Ps. 132:7. 1 Kronieken 28:2: En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoort mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van YHWH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. Exodus 25:18: U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel. Exodus 25:19: En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel zult u de cherubim maken, uit de beide einden daarvan. Exodus 25:20: En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. 2 Samuël 6:2: En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, bij die de Naam wordt aangeroepen, de Naam van YHWH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. 2 Koningen 19:15: En Hizkia bad voor het aangezicht van YHWH, en zei: O YHWH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. Psalmen 99:5: Verheft YHWH, onze God, en buigt u neder voor de voetbank van Zijn voeten; Hij is heilig! Psalmen 132:7: Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
[^klaagliederen-2-1-8]: Kanttekening 8: 8 in de dag van Zijn toorn: Te weten als Hij in zijn toorn Jeruzalem door de Chaldeën heeft laten verdelgen.
[^klaagliederen-2-2-9]: Kanttekening 9: 9 al de woningen Jakobs: Dat is, al de schone behuizingen, waarin Hij zijn volk, te weten de nakomelingen van Jakob, geplaatst had.
[^klaagliederen-2-2-10]: Kanttekening 10: Dat is, schielijk te schande gemaakt, zodat zij schijnen opgeslokt of verslonden te zijn.
[^klaagliederen-2-2-11]: Kanttekening 11: 11 heeft de vastigheden: Dat is, al de bolwerken, kastelen, torens, die in het Joodse land opgericht waren tot bescherming van het land; vergelijk Luk. 19:44. Lukas 19:44: En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt.
[^klaagliederen-2-2-12]: Kanttekening 12: 12 van de dochter van Juda: Dat is, de nakomelingen van Jakob.
[^klaagliederen-2-2-13]: Kanttekening 13: 13 in Zijn toorn: Ontstoken zijnde over zijn volk vanwege hun menigvuldige overtredingen.
[^klaagliederen-2-2-14]: Kanttekening 14: 14 Hij heeft het koninkrijk: Dat is, Hij heeft de gehele natie van de Joden, hoge en lage stadspersonen, als onrein verworpen en overgegeven in de handen van de goddeloze volken om van hen mishandeld en van alle heerlijkheid beroofd te worden; vergelijk Jes. 47:6. Jesaja 47:6: Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u bewees hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de oude maakte u uw juk zeer zwaar.
[^klaagliederen-2-3-15]: Kanttekening 15: 15 in ontsteking van de toorn: Dat is, in zijn grote toorn, gelijk Deut. 29:24. Deuteronomium 29:24: En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land zo gedaan? Wat is de ontsteking van deze grote toorn?
[^klaagliederen-2-3-16]: Kanttekening 16: 16 de hele hoorn: Dat is, al de macht en heerlijkheid van het Joodse volk; zie Deut. 33:17; 1 Sam. 2:1; Jer. 48:25. Deuteronomium 33:17: Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met die zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! 1 Samuël 2:1: Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt van vreugde op in YHWH; mijn hoorn is verhoogd in YHWH; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. Jeremia 48:25: Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt YHWH.
[^klaagliederen-2-3-17]: Kanttekening 17: 17 Hij heeft Zijn rechterhand: Dat is, Hij heeft ons zijn macht, bijstand en gunstige hulp onttrokken.
[^klaagliederen-2-3-18]: Kanttekening 18: 18 toen de vijand kwam: Hebreeuws, van, of voor het aangezicht van de vijand (פְּנֵי). De zin is dat Hij de Israëlieten niet helpen wilde toen zij voor de vijand vluchtten.
[^klaagliederen-2-3-19]: Kanttekening 19: 19 tegen Jakob ontstoken: Tegen de nakomelingen van Jakob, maar in het bijzonder tegen de stam van Juda.
[^klaagliederen-2-4-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, getreden; zie Ps. 7:13. Psalmen 7:13: Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid.
[^klaagliederen-2-4-21]: Kanttekening 21: 21 als een vijand: De zin is: De Heer maakt zijn wapenen nog gereed om ons nog meer te bederven, gelijk de vijanden doen, die elkaar zoeken te beschadigen.
[^klaagliederen-2-4-22]: Kanttekening 22: Te weten tegen Zion.
[^klaagliederen-2-4-23]: Kanttekening 23: 23 al de begeerlijke dingen van de ogen: Zie 1 Kon. 20:6; vergelijk Ez. 24:16, 24:21, 24:25. Versta hier door de begeerlijke dingen van de ogen de jonge manschap, de bloem van het volk, idem, de priesters, de vorsten, en al wat lieflijk en aangenaam was. 1 Koningen 20:6: Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal gebeuren, dat zij al het begeerlijke van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen. Ezechiël 24:16: Mensenkind! zie, Ik zal de lust van uw ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult u niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen. Ezechiël 24:21: Zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid van uw sterkte, de begeerte van uw ogen, en de verschoning van uw ziel; en uw zonen en uw dochters, die u verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen. Ezechiël 24:25: En u, mensenkind! zal het niet zijn, op de dag als Ik van hen zal wegnemen hun sterkte, de vreugde huns sieraads, de lust van hun ogen en het verlangen van hun zielen, hun zonen en hun dochters;
[^klaagliederen-2-4-24]: Kanttekening 24: 24 in de tent van de dochter van Sion: Dat is, in het midden van zijn volk, of in de stad Jeruzalem.
[^klaagliederen-2-4-25]: Kanttekening 25: 25 uitgestort als een vuur: Dat is, zeer overvloedig laten komen; zie de aantekening Ps. 79:6. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^klaagliederen-2-5-26]: Kanttekening 26: 26 De Heer is geworden als een vijand: De mensen kan men enigszins tegenstand doen, maar God in geen geval.
[^klaagliederen-2-5-27]: Kanttekening 27: Zie vers 2. Klaagliederen 2:2: Beth. De Heer heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden van de dochter van Juda afgebroken in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
[^klaagliederen-2-5-28]: Kanttekening 28: 28 haar paleizen: Te weten van dochter Zions, dat is Jeruzalem.
[^klaagliederen-2-5-29]: Kanttekening 29: Zie vers 2. Klaagliederen 2:2: Beth. De Heer heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden van de dochter van Juda afgebroken in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
[^klaagliederen-2-5-30]: Kanttekening 30: 30 zijn vastigheden verdorven: Te weten Israëls. De zin is: De Heer heeft al de sterkten en forteressen verwoest, die gebouwd waren tot bescherming van de Israëlieten.
[^klaagliederen-2-5-31]: Kanttekening 31: 31 het klagen en kermen vermenigvuldigd: Of, de treuring en verdriet; gelijk Jes. 29:2. Jesaja 29:2: Evenwel zal Ik Ariël benauwen, en er zal treuring en verdriet wezen, en die stad zal Mij gelijk Ariël zijn.
[^klaagliederen-2-6-32]: Kanttekening 32: Of, tuin; dat is, tabernakel of tempel. Zie Ps. 76:3, en Ps. 80:13, en Ps. 89:41, enz. en Jes. 5:5. Psalmen 76:3: En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. Psalmen 80:13: Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken? Psalmen 89:41: U hebt al zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen nedergeworpen. Jesaja 5:5: Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^klaagliederen-2-6-33]: Kanttekening 33: 33 met geweld afgerukt: Of, met wrevel. Het Hebreeuwse woord betekent iets met onstuimigheid wegrukken, vergelijk Ps. 80:13, en Ps. 89:41, enz. en Jes. 5:5. Psalmen 80:13: Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken? Psalmen 89:41: U hebt al zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen nedergeworpen. Jesaja 5:5: Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^klaagliederen-2-6-34]: Kanttekening 34: 34 Zijn vergaderplaats: Of de plaats van zijn samenkomst, waar zijn volk placht te vergaderen om de godsdienst te oefenen; te weten de tempel en de synagogen.
[^klaagliederen-2-6-35]: Kanttekening 35: 35 de hoogtijd en de sabbat: Dat is, het houden van de gewone feesten alle jaren en de sabbat alle week.
[^klaagliederen-2-6-36]: Kanttekening 36: 36 de koning en de priester: Dat is, de regeerders van landen en steden, alsook de leraars van de kerk. De zin is: Hij heeft zo de kerkelijke als de burgerlijke staat het onderst boven gekeerd.
[^klaagliederen-2-7-37]: Kanttekening 37: 37 Zijn heiligdom: Dat is zijn tempel.
[^klaagliederen-2-7-38]: Kanttekening 38: 38 te niet gedaan: Anders: verfoeid; alsof het een vervloekte plaats ware geworden, waard dat men er een afgrijzen van heeft. De zin is: Hij kan nu die plaats niet lijden of verdragen, in welke Hij voor deze een lust en welgevallen gehad heeft; vergelijk Ps. 89:40. Psalmen 89:40: U hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.
[^klaagliederen-2-7-39]: Kanttekening 39: 39 haar paleizen: Te weten van de dochter van Zion; dat is Jeruzalem.
[^klaagliederen-2-7-40]: Kanttekening 40: Of, besloten.
[^klaagliederen-2-7-41]: Kanttekening 41: 41 zij hebben in het huis van YHWH: Te weten haar vijanden, en met name de Chaldeën, toen zij de stad en de tempel hadden ingenomen en verwoest, hebben met grote triomf gejuicht, geschreeuwd en geroepen, even gelijk het volk van God placht te doen op de feestdagen, in het bijzonder op de hoge feestdagen, de Heer met vreugdegezang in de tempel lovende; zie Ps. 74:4. Psalmen 74:4: Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.
[^klaagliederen-2-7-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, gegeven.
[^klaagliederen-2-8-43]: Kanttekening 43: 43 heeft gedacht: Dat is, Hij heeft besloten en verordineerd.
[^klaagliederen-2-8-44]: Kanttekening 44: 44 de muur van de dochter van Sion: Dat is, de bescherming van Jeruzalem.
[^klaagliederen-2-8-45]: Kanttekening 45: 45 het richtsnoer: Dat is, Hij heeft ontworpen de zekerheid van de ondergang van de stad Jeruzalem. Zie 2 Kon. 21:13; Jes. 34:11. Het is ene manier van spreken, genomen van de metselaars en timmerlieden. 2 Koningen 21:13: En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid. Jesaja 34:11: Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid.
[^klaagliederen-2-8-46]: Kanttekening 46: 46 niet afgewend: Dat is, niet teruggetogen.
[^klaagliederen-2-8-47]: Kanttekening 47: 47 dat Hij ze niet verslonde: Dat is, Hij heeft niet opgehouden totdat Hij hen ten enenmale verwoest heeft.
[^klaagliederen-2-8-48]: Kanttekening 48: 48 de voormuur en de muur te zamen: Of, voorschans, dwinger, bolwerk, vesting, voorburg, wal, forteres; zie Ps. 122:7. Psalmen 122:7: Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
[^klaagliederen-2-8-49]: Kanttekening 49: 49 treurig gemaakt: Dat is, Hij heeft zelfs de gevoelloze creaturen oorzaak van treuren gegeven.
[^klaagliederen-2-8-50]: Kanttekening 50: Te weten, door een geweldig verderf. Anders: verwoest, geruïneerd.
[^klaagliederen-2-9-51]: Kanttekening 51: 51 in de aarde verzonken: Zo dat de vijanden een vrijen pas daardoor gekregen hebben om in de stad te komen.
[^klaagliederen-2-9-52]: Kanttekening 52: 52 haar grendelen: Dat is, alle sterkten en sloten, zodat zij nu geen geweld kunnen tegenstaan.
[^klaagliederen-2-9-53]: Kanttekening 53: 53 haar koning en haar vorsten …: Dat is, zij moeten nu leven en verkeren onder de volken, die de ware godsdienst vijand zijn.
[^klaagliederen-2-9-54]: Kanttekening 54: 54 er is geen wet: Anders, de wet is niet meer, dat is zij hebben geen gewone godsdienstoefeningen door de dienst van priesters en Levieten. Van de profeten wordt straks gesproken.
[^klaagliederen-2-9-55]: Kanttekening 55: 55 vinden ook geen gezicht van YHWH: Dat is, zij hebben ook zo overvloedige openbaringen niet als zij plachten te hebben; zie Ps. 74:9. Psalmen 74:9: Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
[^klaagliederen-2-10-56]: Kanttekening 56: 56 De oudsten: Dat is, de wijste en statigste onder het volk, die wel eertijds op koetswagens of schone paarden door de stad en over het land plachten te rijden en te reizen.
[^klaagliederen-2-10-57]: Kanttekening 57: 57 zwijgen stil: Als verbaasd en versuft zijnde vanwege hun grote ellende.
[^klaagliederen-2-10-58]: Kanttekening 58: 58 zij werpen stof op hun hoofd: Zij betonen grote tekenen van verslagenheid en van verdriet. Zie Job 2:12. Job 2:12: En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel.
[^klaagliederen-2-10-59]: Kanttekening 59: 59 zakken aangegord: Dat is, rouwklederen, gelijk Joël 1:8, 1:13; Jona 3:5, 3:6; zie de aantekening Gen. 37:34. Joël 1:8: Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege de man van haar jeugd. Joël 1:13: Omgordt u, en rouwklaagt, u priesters! huilt, u dienaren van het altaar! gaat in, overnacht in zakken, u dienaren van mijn God! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods. Jona 3:5: En de mensen van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe. Jona 3:6: Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^klaagliederen-2-10-60]: Kanttekening 60: 60 de jonge dochters van Jeruzalem: Die gemeenlijk plachten omhoog te zien \[Jes. 3:16\], en met haar schoonheid te pronken, die zien nu nederwaarts, als zijnde beschaamd over zichzelven. Jesaja 3:16: Verder zegt YHWH: Daarom dat de dochters van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarheen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
[^klaagliederen-2-11-61]: Kanttekening 61: 61 Mijn ogen: Dat is, ik ween zoveel dat mijn ogen daardoor bijna vergaan zijn. Wij zouden zeggen: Ik schrei mij de ogen uit. Zie Ps. 6:7, 6:8, en de aantekening daar. Psalmen 6:7: Ik ben moe van mijn zuchten; ik doe mijn bed de ganse nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. Psalmen 6:8: Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders.
[^klaagliederen-2-11-62]: Kanttekening 62: Zie boven Klaagl. 1:20. Klaagliederen 1:20: Resch. Aanzie, YHWH, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer opstandig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
[^klaagliederen-2-11-63]: Kanttekening 63: 63 mijn lever: Dat is, mijn inwendige delen zijn versmolten en zij ontvallen mij; of het bloed vliet weg uit mijn leven. Zie Job 16:13. Job 16:13: Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.
[^klaagliederen-2-11-64]: Kanttekening 64: 64 de breuk van de dochter van mijn volk: Dat is, wanneer ik aanmerk de ellendigheden en verbrekingen, die de kerk van God lijdt; zie Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^klaagliederen-2-11-65]: Kanttekening 65: 65 in onmacht zinken: Of, bezwijmen, bezwijken; te weten van honger en dorst en gebrek van alle nooddruft. Zie Jes. 57:16. Jesaja 57:16: Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet geduriglijk toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
[^klaagliederen-2-12-66]: Kanttekening 66: 66 zij tot hun moeders zeggen: Te weten de kleine kinderen.
[^klaagliederen-2-12-67]: Kanttekening 67: Dat is brood, noodwendig voedsel.
[^klaagliederen-2-12-68]: Kanttekening 68: Om ons in onze zwakheid te verkwikken.
[^klaagliederen-2-12-69]: Kanttekening 69: 69 als zich hun ziel uitschudt: De zin is: Als zij hun leven weer overgeven aan hun moeders, omdat die hun geen voedsel geven om hen in het leven te behouden.
[^klaagliederen-2-13-70]: Kanttekening 70: 70 Wat getuigen: Of, wat getuigenis; alsof hij zei: Welk een voorbeeld zal ik u voor ogen zetten, waardoor ik u zou mogen troosten? Ik vind nergens een volk, dat ooit zo hard is gestraft geworden als u gestraft wordt. Anderen nemen het in deze zin: Wat zal ik nemen om te getuigen dat u geen grote redenen hebt om dus te roepen en te tieren. Zie de aantekening Jes. 51:19. Jesaja 51:19: Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten?
[^klaagliederen-2-13-71]: Kanttekening 71: 71 bij u vergelijken: Te weten in deze uwe ellende.
[^klaagliederen-2-13-72]: Kanttekening 72: 72 u dochter van Jeruzalem: Dat is, u volk van God.
[^klaagliederen-2-13-73]: Kanttekening 73: 73 uw breuk: Dat is, uwe ellenden zijn breed, diep, krachtig en schier onbegrijpelijk, gelijk de scheuren of inbreuken, die de zee maakt; u bent zulk een spiegel van Gods hevigen toorn als er nog nooit tevoren in de wereld geweest is.
[^klaagliederen-2-13-74]: Kanttekening 74: 74 wie kan u helen: Welke middelen zijn er in de wereld te vinden om u te redden? Naar het oordeel van een ieder is uw staat hopeloos, daar is geen helpen meer aan.
[^klaagliederen-2-14-75]: Kanttekening 75: Versta dit van de valse profeten, die de boze Joden zichzelven gekozen hadden, of die zichzelven uitgaven voor leidslieden of stuurlieden en onderwijzers, maar niet van God gezonden, noch de rechte profeten zijnde; zie Jer. 2:8, en Jer. 5:31, en Jer. 14:14, en Jer. 23:16, en Jer. 27:10, en Jer. 29:8, 29:9; Ez. 13:2. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. Jeremia 5:31: De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u ten einde van die maken? Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:16: Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Jeremia 27:10: Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en u omkomt. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 29:9: Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt YHWH. Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH.
[^klaagliederen-2-14-76]: Kanttekening 76: Dat is, zodanige dingen, die ganselijk niet strekten ten goede, noch tot godzaligheid; als bij voorbeeld: zij hebben u de vrede en overvloed van alle dingen verkondigd, als God het tegendeel dreigde. Zie Jer. 28:2, 28:3, 28:15, en Jer. 29:8. Jeremia 28:2: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. Jeremia 28:3: In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en die naar Babel gebracht. Jeremia 28:15: En de profeet Jeremia zei tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! YHWH heeft u niet gezonden, maar u hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen.
[^klaagliederen-2-14-77]: Kanttekening 77: Hebreeuws, onsmakelijke dingen. Zie Job 1:22, en Jer. 23:13. Job 1:22: In dit alles zondigde Job niet, en schreef God niets ongerijmds toe. Jeremia 23:13: Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl, profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden.
[^klaagliederen-2-14-78]: Kanttekening 78: Dat is geprofeteerd. Want profetieën zijn goddelijke gezichten aan de profeten geopenbaard.
[^klaagliederen-2-14-79]: Kanttekening 79: 79 zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard: Dat is, zij hebben u uwe zonden en overtredingen niet oprecht voorgedragen, om u in uwe consciëntie te overtuigen.
[^klaagliederen-2-14-80]: Kanttekening 80: 80 om uw gevangenis: Dat is, dat zij u daardoor tot oprecht berouw en leedwezen zouden gebracht hebben, om zo de oordelen van God voor te komen.
[^klaagliederen-2-14-81]: Kanttekening 81: 81 zij hebben voor u gezien: Dat is, zij hebben u, als in Gods naam, geleerd dingen, die vals en nergens toe nut en oorbaarlijk waren.
[^klaagliederen-2-14-82]: Kanttekening 82: Dat is, profetieën; zie Jer. 13:1. Jeremia 13:1: Zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en doe die aan uw lenden, maar breng hem niet in het water.
[^klaagliederen-2-14-83]: Kanttekening 83: De zin is: Naar welke te luisteren de gereedste weg was om u uit uw land te brengen. Want dwalingen te leren en te geloven is de fontein van al de zonden, ter wille waarvan God gemeenlijk de kinderen van de mensen straft.
[^klaagliederen-2-15-84]: Kanttekening 84: Te weten van welke staat of stand zij zijn, maar versta die, welke vreemd zijn van de ware religie.
[^klaagliederen-2-15-85]: Kanttekening 85: 85 klappen met de handen: Tot uw spot. Hebreeuws, met de palmen. Zie de aantekening Job 27:23. Job 27:23: Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.
[^klaagliederen-2-15-86]: Kanttekening 86: 86 zij fluiten: Zie 1 Kon. 9:8; 2 Kon. 19:21; Job 16:9; Jer. 18:16. 1 Koningen 9:8: En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie ervoor zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Job 16:9: Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^klaagliederen-2-15-87]: Kanttekening 87: 87 waar men van zei: Dat is, die men noemde de volmaakte in schoonheid.
[^klaagliederen-2-15-88]: Kanttekening 88: 88 vreugde van de gehele aarde: Vergelijk Ps. 48:2, en Ps. 50:2. Psalmen 48:2: YHWH is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid. Psalmen 50:2: Uit Sion, de volkomenheid van de schoonheid, verschijnt God blinkende.
[^klaagliederen-2-16-89]: Kanttekening 89: Zie Ps. 22:14. Anders: doen hun mond wijd open. Psalmen 22:14: Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
[^klaagliederen-2-16-90]: Kanttekening 90: 90 knersen met de tanden: Of, zij bijten op de tanden.
[^klaagliederen-2-16-91]: Kanttekening 91: 91 Wij hebben haar verslonden: Dat is, wij hebben hen nu tot zulk een staat gebracht, dat zij niet weer opstaan zullen.
[^klaagliederen-2-16-92]: Kanttekening 92: 92 dit is immers de dag: De zin is: Wij hebben lang gewenst deze dag te zien, die wij nu zien en beleven.
[^klaagliederen-2-16-93]: Kanttekening 93: 93 wij hebben hem gezien: Of, wij zien \[hem nu\], te weten met lust en met vreugde.
[^klaagliederen-2-17-94]: Kanttekening 94: 94 YHWH heeft gedaan: De Heer heeft over u laten komen al wat Hij besloten had over u te brengen. Vergelijk Lev. 26:17; Deut. 28:15. Leviticus 26:17: Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en u zult vluchten, als u iemand vervolgt. Deuteronomium 28:15: Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uw God, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
[^klaagliederen-2-17-95]: Kanttekening 95: Aldus wordt het Hebreeuwse woord ook genomen Jes. 10:12; Zach. 4:9. Jesaja 10:12: Want het zal gebeuren, als YHWH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen. Zacharia 4:9: De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien; opdat u weet, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft.
[^klaagliederen-2-17-96]: Kanttekening 96: 96 bevolen had: Dat is, dat Hij door zijn profeten tevoren verkondigd en gedreigd had. Zie Lev. 26, en Deut. 28.
[^klaagliederen-2-17-97]: Kanttekening 97: 97 van oude dagen: Gelijk Klaagl. 1:7. Klaagliederen 1:7: Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en van haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
[^klaagliederen-2-17-98]: Kanttekening 98: 98 Hij heeft de vijand: Hem gevende macht en overwinning over u.
[^klaagliederen-2-17-99]: Kanttekening 99: 99 Hij heeft de hoorn: Dat is, Hij heeft dengenen, die u haten, grote sterkte en macht gegeven. Zie van het woord horen, boven vers 3. Klaagliederen 2:3: Gimel. Hij heeft, in ontsteking van de toorn, de hele hoorn Israëls afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.
[^klaagliederen-2-18-100]: Kanttekening 100: 100 tot YHWH: Te weten toen zij, te weten Gods volk, dus van de Chaldeën werden geplaagd. Anders: tegen de Heer. De zin is: Zij, te weten de boze Chaldeën, die niet u, maar de Heer lasterden. Zie 2 Kon. 19:22; Jes. 36:4. 2 Koningen 19:22: Wie hebt u gehoond en gelasterd? en tegen Wie hebt u de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israël! Jesaja 36:4: En Rabsake zei tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt;
[^klaagliederen-2-18-a]: Verwijzing a: Jer. 14:17; boven, Klaagl. 1:16. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is. Klaagliederen 1:16: Ain. Om van deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
[^klaagliederen-2-18-101]: Kanttekening 101: 101 O u muur van de dochter van Sion: Dit zijn woorden van de profeet, alsof hij zei: O u volk, woonachtig binnen de muren van Zion, of Jeruzalem, op welke zich Juda, als op een sterken muur, verlaten heeft.
[^klaagliederen-2-18-102]: Kanttekening 102: 102 laat dag en nacht tranen afvlieten: Vergelijk boven Klaagl. 1:2, 1:16. Klaagliederen 1:2: Beth. Zij weent steeds 's nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. Klaagliederen 1:16: Ain. Omwille van deze dingen ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
[^klaagliederen-2-18-103]: Kanttekening 103: 103 uw oogappel: Hebreeuws, de dochter van uw oog zwijge niet (בַּת); dat is, uw oogappel. Zie Ps. 17:8. Psalmen 17:8: Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen,
[^klaagliederen-2-18-104]: Kanttekening 104: 104 houde niet op: Te weten van tranen uit te storten.
[^klaagliederen-2-19-105]: Kanttekening 105: 105 Maak u op: Een gebod aan de godzaligen tot bidden.
[^klaagliederen-2-19-106]: Kanttekening 106: 106 maak geschrei in de nacht: Dat is, klaag de Heer openlijk en vrijmoedig uw nood.
[^klaagliederen-2-19-107]: Kanttekening 107: 107 in het begin van de nachtwaken: Hebreeuws, aan het hoofd van de \[nacht\]-wachten (רֹאשׁ); dat is, te dien tijde als de nacht begint.
[^klaagliederen-2-19-108]: Kanttekening 108: Vergelijk Ps. 22:15, en Ps. 42:5, en Ps. 62:9, en Ps. 102:1. Psalmen 22:15: Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden van mijn ingewand. Psalmen 42:5: Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. Psalmen 62:9: Vertrouw op Hem altijd, o u volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela. Psalmen 102:1: Een gebed van de verdrukte, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van YHWH.
[^klaagliederen-2-19-109]: Kanttekening 109: 109 uw hart uit: Dat is, al de zwarigheid, die u in uw hart hebt.
[^klaagliederen-2-19-110]: Kanttekening 110: 110 handen tot Hem op: Hebreeuws, palmen. Zo vers 20, 2:22. Klaagliederen 2:20: Resch. Zie, YHWH, aanschouw toch, aan wie U zo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderen, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom van YHWH gedood worden? Klaagliederen 2:22: Thau. U hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan de dag van de toorn van YHWH ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.
[^klaagliederen-2-19-111]: Kanttekening 111: 111 voor de ziel van uw kinderen: Dat is, voor het leven, gelijk Ps. 6:5. De zin is: Om te bidden dat God uw kleine kinderen wil sparen. Psalmen 6:5: Keer weer, YHWH, red mijn ziel; verlos mij, vanwege Uw goedertierenheid.
[^klaagliederen-2-19-112]: Kanttekening 112: 112 die in onmacht gevallen zijn van honger: Of, die versmacht zijn.
[^klaagliederen-2-19-113]: Kanttekening 113: 113 vooraan op alle straten: Hebreeuws, aan het hoofd van alle straten (רֹאשׁ); dat is aan alle hoeken, wegen en stegen van de stad; vergelijk Jes. 51:20, en onder Klaagl. 4:1. Jesaja 51:20: Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid van YHWH, van de schelding uws Gods. Klaagliederen 4:1: Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen van het heiligdom vooraan op alle straten verworpen!
[^klaagliederen-2-20-b]: Verwijzing b: Klaagl. 4:10. Klaagliederen 4:10: Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter mijn volks.
[^klaagliederen-2-20-114]: Kanttekening 114: 114 aan wie U zo gedaan hebt: Te weten, niet aan de heidenen, maar aan uw eerstgeboren zoon, Ex. 4:22, aan uw uitverkoren volk van Israël; Ex. 19:6; Deut. 4:7, en Deut. 7:6. Exodus 4:22: Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Exodus 19:6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. Deuteronomium 4:7: Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^klaagliederen-2-20-115]: Kanttekening 115: 115 haar vrucht eten: Dat is, haar kinderen, de vrucht van haar buik. De profeet beklaagt hier de wreedheid, die onder Gods volk gebeurde; vergelijk onder Klaagl. 4:10. Klaagliederen 4:10: Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter van mijn volk.
[^klaagliederen-2-20-116]: Kanttekening 116: 116 die men op de handen draagt: Zo ook onder vers 22. Anders: die aan de palm geleid worden. Men leest twee malen dat de moeders in het Joodse land haar kinderen gegeten hebben, te weten, in de belegering van Samaria, 2 Kon. 6:26, en in de belegering van Jeruzalem door Vespasianus en Titus Josefus. Klaagliederen 2:22: Thau. U hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan de dag van de toorn van YHWH ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht. 2 Koningen 6:26: En het geschiedde, als de koning op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning!
[^klaagliederen-2-20-117]: Kanttekening 117: 117 in het heiligdom van de Heer gedood worden: Dat is, in de tempel, in die plaats, Heer, die U zelf tot een heilig gebruik verordineerd hebt.
[^klaagliederen-2-21-118]: Kanttekening 118: 118 mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen: Die zelfs de wrede soldaten plachten te sparen.
[^klaagliederen-2-21-119]: Kanttekening 119: 119 zijn door het zwaard gevallen: Zijn wredelijk omgebracht.
[^klaagliederen-2-21-120]: Kanttekening 120: 120 U hebt ze in de dag Uws toorns gedood,: U, o Heer, in uw rechtvaardigen toorn.
[^klaagliederen-2-22-121]: Kanttekening 121: 121 mijn verschrikkingen: Dat is, al wat mij mocht verschrikken.
[^klaagliederen-2-22-122]: Kanttekening 122: 122 tot een dag: Zie boven Klaagl. 1:15. Klaagliederen 1:15: Samech. De Heer heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heer heeft de wijnpers van de jonkvrouw, van de dochter van Juda, aangetreden.

### Klaagliederen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/klaagliederen/3.json)

*De profeet gaat voort in het beklagen van de ellendige toestand van het Joodse volk, vers 1 enz. en van de spot van de vijanden, 14. Daarna troost hij zich met overdenking van Gods barmhartigheid, gerechtigheid en voorzienigheid, 21, enz. Hij wekt zichzelf en alle mensen op tot boete, geduld en het gebed tot de Heere, 40. met herhaling van hun ellende, 43, enz. en troost van Gods genadige verhoring, 55, enz. vertrouwend dat God wraak over hun vijanden zou doen, 64, enz.*

**1** [^klaagliederen-3-1-1] א Aleph.[^klaagliederen-3-1-2] Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede[^klaagliederen-3-1-3] van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v1)

**2** א Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd[^klaagliederen-3-2-4] in de duisternis, en niet in het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v2)

**3** א Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn[^klaagliederen-3-3-5] hand de hele dag[^klaagliederen-3-3-6] veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v3)

**4** ב Beth.[^klaagliederen-3-4-7] Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn[^klaagliederen-3-4-8] beenderen gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v4)

**5** ב Beth. Hij[^klaagliederen-3-5-9] heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft[^klaagliederen-3-5-10] mij met galle en moeite omringd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v5)

**6** ב Beth.[^klaagliederen-3-6-11] Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen,[^klaagliederen-3-6-12] als degenen, die over lang dood zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v6)

**7** ג Gimel. Hij heeft[^klaagliederen-3-7-13] mij ingemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft[^klaagliederen-3-7-14] mijn koperen boeien verzwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v7)

**8** ג Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw,[^klaagliederen-3-8-15] sluit Hij de oren voor mijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v8)

**9** ג Gimel.[^klaagliederen-3-9-16] Hij heeft mijn wegen toegemuurd met[^klaagliederen-3-9-17] uitgehouwen stenen,[^klaagliederen-3-9-18] Hij heeft mijn paden verkeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v9)

**10** ד Daleth.[^klaagliederen-3-10-19] Hij is mij een loerende beer,[^klaagliederen-3-10-20] een leeuw in verborgen plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v10)

**11** ד Daleth.[^klaagliederen-3-11-21] Hij heeft mijn wegen afgewend;[^klaagliederen-3-11-22] en Hij heeft mij[^klaagliederen-3-11-23] in stukken gebroken;[^klaagliederen-3-11-24] Hij heeft mij woest gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v11)

**12** ד Daleth.[^klaagliederen-3-12-25] Hij heeft Zijn boog[^klaagliederen-3-12-26] gespannen, en[^klaagliederen-3-12-27] Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v12)

**13** ה He. Hij heeft[^klaagliederen-3-13-28] Zijn pijlen[^klaagliederen-3-13-29] in mijn nieren doen ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v13)

**14** ה He. Ik ben[^klaagliederen-3-14-30] al mijn volk[^klaagliederen-3-14-31] tot belaching geworden, hun[^klaagliederen-3-14-32] snarenspel de hele dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v14)

**15** ה He. Hij heeft mij[^klaagliederen-3-15-33] met bitterheden verzadigd,[^klaagliederen-3-15-34] Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v15)

**16** ו Vau.[^klaagliederen-3-16-35] Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld,[^klaagliederen-3-16-36] Hij heeft mij in de as neergedrukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v16)

**17** ו Vau. En U hebt[^klaagliederen-3-17-37] mijn ziel verre van de vrede verstoten,[^klaagliederen-3-17-38] ik heb het goede vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v17)

**18** ו Vau. Toen zei ik:[^klaagliederen-3-18-39] Mijn sterkte is vergaan, en[^klaagliederen-3-18-40] mijn hoop van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v18)

**19** ז Zain.[^klaagliederen-3-19-41] Gedenk aan mijn ellende en aan mijn[^klaagliederen-3-19-42] ballingschap,[^klaagliederen-3-19-43] aan de alsem en galle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v19)

**20** ז Zain. Mijn ziel[^klaagliederen-3-20-44] gedenkt er wel terdege aan, en[^klaagliederen-3-20-45] zij bukt zich neer in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v20)

**21** ז Zain.[^klaagliederen-3-21-46] Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v21)

**22** ח Cheth.[^klaagliederen-3-22-47] Het zijn[^klaagliederen-3-22-a] de goedertierenheden van YHWH, dat wij niet vernield zijn,[^klaagliederen-3-22-48] dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v22)

**23** ח Cheth.[^klaagliederen-3-23-49] Zij[^klaagliederen-3-23-b] zijn elke morgen nieuw,[^klaagliederen-3-23-50] Uw trouw is groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v23)

**24** ח Cheth.[^klaagliederen-3-24-51] YHWH is mijn Deel,[^klaagliederen-3-24-52] zegt mijn ziel,[^klaagliederen-3-24-c] daarom zal ik op Hem hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v24)

**25** ט Teth. YHWH is goed voor hen,[^klaagliederen-3-25-53] die Hem verwachten,[^klaagliederen-3-25-54] voor de ziel, die Hem zoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v25)

**26** ט Teth.[^klaagliederen-3-26-55] Het is goed, dat men hope, en stille zij[^klaagliederen-3-26-56] op het heil van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v26)

**27** ט Teth. Het is goed[^klaagliederen-3-27-57] voor een man,[^klaagliederen-3-27-58] dat hij het juk[^klaagliederen-3-27-59] in zijn jeugd draagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v27)

**28** י Jod.[^klaagliederen-3-28-60] Hij[^klaagliederen-3-28-61] zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat[^klaagliederen-3-28-62] Hij het hem opgelegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v28)

**29** י Jod.[^klaagliederen-3-29-63] Hij steke zijn mond in het stof,[^klaagliederen-3-29-64][^klaagliederen-3-29-d] zeggende: Misschien is er verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v29)

**30** י Jod.[^klaagliederen-3-30-65] Hij geve zijn wang aan degene, die hem slaat,[^klaagliederen-3-30-66] hij worde verzadigd van smaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v30)

**31** כ Caph.[^klaagliederen-3-31-67] Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v31)

**32** כ Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen,[^klaagliederen-3-32-68] naar de grootheid van Zijn goedertierenheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v32)

**33** כ Caph. Want Hij plaagt of bedroeft[^klaagliederen-3-33-69] de mensenkinderen[^klaagliederen-3-33-70] niet van harte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v33)

**34** ל Lamed.[^klaagliederen-3-34-71] Dat men al de gevangenen van de aarde onder Zijn voeten[^klaagliederen-3-34-72] verbrijzelt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v34)

**35** ל Lamed. Dat men het recht van een man[^klaagliederen-3-35-73] buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v35)

**36** ל Lamed. Dat men een mens[^klaagliederen-3-36-74] verongelijkt in zijn[^klaagliederen-3-36-75] rechtszaak;[^klaagliederen-3-36-76] zou[^klaagliederen-3-36-77] het de Heere niet zien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v36)

**37** מ Mem.[^klaagliederen-3-37-78][^klaagliederen-3-37-e] Wie zegt wat, dat gebeurt, zo het de Heere niet beveelt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v37)

**38** מ Mem.[^klaagliederen-3-38-79][^klaagliederen-3-38-f] Ga niet uit[^klaagliederen-3-38-80] de mond van de[^klaagliederen-3-38-81] Allerhoogste het kwade en het goede? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v38)

**39** מ Mem.[^klaagliederen-3-39-82] Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn[^klaagliederen-3-39-83] zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v39)

**40** נ Nun. Laat ons onze[^klaagliederen-3-40-84] wegen onderzoeken en doorzoeken, en[^klaagliederen-3-40-85] laat ons terugkeren tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v40)

**41** נ Nun. Laat ons onze harten opheffen,[^klaagliederen-3-41-86] en ook de handen,[^klaagliederen-3-41-87] tot God in de hemel, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v41)

**42** נ Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn opstandig geweest,[^klaagliederen-3-42-88] daarom hebt U niet gespaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v42)

**43** ס Samech.[^klaagliederen-3-43-89] U hebt ons[^klaagliederen-3-43-90] met toorn bedekt, en U hebt ons[^klaagliederen-3-43-91] vervolgd; U hebt ons gedood. U hebt niet gespaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v43)

**44** ס Samech. U hebt U[^klaagliederen-3-44-92] met een wolk bedekt,[^klaagliederen-3-44-93] zodat er geen gebed doorkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v44)

**45** ס Samech. U hebt ons[^klaagliederen-3-45-94] tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden van[^klaagliederen-3-45-95] de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v45)

**46** פ Pe. Al onze vijanden[^klaagliederen-3-46-96] hebben hun mond tegen ons opgesperd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v46)

**47** פ Pe.[^klaagliederen-3-47-97] De vrees en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.[^klaagliederen-3-47-98] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v47)

**48** פ Pe.[^klaagliederen-3-48-100][^klaagliederen-3-48-99] Met waterbeken loopt mijn oog neer, vanwege de breuk van de dochter[^klaagliederen-3-48-101] van mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v48)

**49** ע Ain. Mijn oog[^klaagliederen-3-49-102] stroomt, en kan niet ophouden, omdat er[^klaagliederen-3-49-103] geen rust is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v49)

**50** ע Ain.[^klaagliederen-3-50-104] Totdat[^klaagliederen-3-50-105] YHWH van de hemel aanschouwe, en[^klaagliederen-3-50-106] het zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v50)

**51** ע Ain.[^klaagliederen-3-51-107] Mijn oog[^klaagliederen-3-51-108] doet mijn ziel moeite[^klaagliederen-3-51-109] aan, vanwege al de dochters van mijn stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v51)

**52** צ Tsade. Die mijn vijanden zijn[^klaagliederen-3-52-110] zonder oorzaak, hebben mij[^klaagliederen-3-52-111] als een vogeltje[^klaagliederen-3-52-112] dapperlijk gejaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v52)

**53** צ Tsade.[^klaagliederen-3-53-113] Zij hebben[^klaagliederen-3-53-114] mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben[^klaagliederen-3-53-115] een steen[^klaagliederen-3-53-116] op mij geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v53)

**54** צ Tsade.[^klaagliederen-3-54-117] De wateren zwommen over mijn hoofd;[^klaagliederen-3-54-118] ik zei:[^klaagliederen-3-54-119] Ik ben afgesneden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v54)

**55** ק Koph. YHWH! Ik heb Uw Naam aangeroepen[^klaagliederen-3-55-120] uit de onderste kuil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v55)

**56** ק Koph.[^klaagliederen-3-56-121] U hebt mijn stem[^klaagliederen-3-56-122] gehoord, verberg Uw oor niet[^klaagliederen-3-56-123] voor mijn zuchten, voor mijn roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v56)

**57** ק Koph. U[^klaagliederen-3-57-124] hebt U genaderd op de dag als ik U aanriep; U hebt gezegd: Vrees niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v57)

**58** ר Resch. YHWH![^klaagliederen-3-58-125] U hebt de twistzaken van mijn ziel getwist,[^klaagliederen-3-58-126] U hebt mijn leven verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v58)

**59** ר Resch. YHWH! U hebt gezien[^klaagliederen-3-59-127] de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft,[^klaagliederen-3-59-128] oordeel mijn rechtzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v59)

**60** ר Resch. U hebt al[^klaagliederen-3-60-129] hun[^klaagliederen-3-60-130] wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v60)

**61** ש Schin. YHWH! U hebt[^klaagliederen-3-61-131] hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v61)

**62** ש Schin.[^klaagliederen-3-62-132] De lippen van degenen, die tegen mij opstaan, en[^klaagliederen-3-62-133] hun dichten tegen mij de hele dag.[^klaagliederen-3-62-134] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v62)

**63** ש Schin. Aanschouw[^klaagliederen-3-63-135] hun zitten en opstaan; ik ben[^klaagliederen-3-63-136] hun snarenspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v63)

**64** ת Thau. YHWH! geef[^klaagliederen-3-64-137] hun weer die vergelding,[^klaagliederen-3-64-138] naar het werk van hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v64)

**65** ת Thau. Geef hun[^klaagliederen-3-65-139] een deksel van het hart; Uw vloek zij over hen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v65)

**66** ת Thau. Vervolg ze met toorn, en vernietig[^klaagliederen-3-66-140] ze van onder de hemel van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/3.html#v66)

[^klaagliederen-3-1-1]: Kanttekening 1: In dit hoofdstuk zijn doorgaans drie verzen na elkaar met dezelfde letter beginnende; zie boven Klaagl. 1:1. Klaagliederen 1:1: Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
[^klaagliederen-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 Ik ben de man: De profeet spreekt hier van zichzelven alleen niet onder de naam van een man, maar van de gehele kerk, die maar één lichaam uitmaakt.
[^klaagliederen-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 Zijn toorn: Te weten van de Heer; vergelijk Jes. 10:5. Jesaja 10:5: Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!
[^klaagliederen-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 in de duisternis: Dat is, in grote ellenden en zwarigheden; zie Gen. 15:12. Zo betekent licht hier grote welstand; zie Ps. 27:1. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Psalmen 27:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is de kracht van mijn leven, voor wie zou ik vervaard zijn?
[^klaagliederen-3-3-5]: Kanttekening 5: 5 Zijn hand: Dat is, plaag, straf. Zie Ps. 32:4. Psalmen 32:4: Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
[^klaagliederen-3-3-6]: Kanttekening 6: Of, omgekeerd; de zin is: Nu slaat Hij mij met die hand, met welke Hij mij tevoren heeft beschut en beschermd. In één woord: Hij stelt zich geheel anders tegen mij dan Hij placht te doen; zie de aantekening Ps. 77:11. Psalmen 77:11: Daarna zei ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand van de Allerhoogste verandert.
[^klaagliederen-3-4-7]: Kanttekening 7: 7 Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt: Dat is, de tekenen van zijn zware hand tegen mij, vanwege mijn zonden, blijken daaraan, dat mijn vlees vergaat en mijn huid verrimpelt.
[^klaagliederen-3-4-8]: Kanttekening 8: 8 beenderen gebroken: Dat is, Hij heeft mij al mijn kracht benomen. Zie ook boven Klaagl. 1:13, en Ps. 6:3, 6:4, en Ps. 32:3, en Ps. 51:10, en Ps. 141:7; Jes. 38:13. Klaagliederen 1:13: Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt de ganse dag. Psalmen 6:3: Wees mij genadig, YHWH, want ik ben verzwakt; genees mij, YHWH, want mijn beenderen zijn verschrikt. Psalmen 6:4: Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, YHWH, hoe lange? Psalmen 32:3: Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de ganse dag. Psalmen 51:10: Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt. Psalmen 141:7: Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond van het graf, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. Jesaja 38:13: Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^klaagliederen-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 heeft tegen mij gebouwd: Dat is, Hij heeft mij rondom bezet en besloten als met bolwerken van de ellenden, zodat ik zijn hand niet kan ontkomen of tegenstaan; zie Job 10:17. Job 10:17: U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.
[^klaagliederen-3-5-10]: Kanttekening 10: 10 galle en moeite omringd: De gal betekent, vanwege haar bitterheid, grote ellenden en kwaad, dat de mensen overkomt, zo vers 19; Jer. 8:14, en Jer. 9:15, en Jer. 23:15; zie Ps. 69:22. Klaagliederen 3:19: Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle. Jeremia 8:14: Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons YHWH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen YHWH gezondigd hebben. Jeremia 9:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; Jeremia 23:15: Daarom zegt YHWH van de legermachten van deze profeten zo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gehele land. Psalmen 69:22: Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
[^klaagliederen-3-6-11]: Kanttekening 11: 11 Hij heeft mij gezet: Dat is, Hij heeft mij in grote zwarigheden gebracht; zie vers 2; Ez. 37:13. Anderen verstaan dit van de gevangenis, waarin Jeremia heeft gesloten gelegen. Anderen verstaan het van de graven. Klaagliederen 3:2: Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. Ezechiël 37:13: En u zult weten, dat Ik YHWH ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
[^klaagliederen-3-6-12]: Kanttekening 12: 12 als degenen: Hebreeuws, als de doden van de eeuwigheid (מֵתֵי); dat is gelijk degenen, die over langen tijd gestorven en nu al vergeten zijn; vergelijk Ps. 88:5, 88:6, 88:7, en Ps. 143:3, en de aantekening daar. Psalmen 88:5: Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; Psalmen 88:6: Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. Psalmen 88:7: U hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Psalmen 143:3: Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.
[^klaagliederen-3-7-13]: Kanttekening 13: 13 mij toegemuurd: Zie Job 19:8; zie ook boven vers 5, en onder vers 9. Job 19:8: Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. Klaagliederen 3:5: Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Klaagliederen 3:9: Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
[^klaagliederen-3-7-14]: Kanttekening 14: 14 mijn koperen boeien verzwaard: Of, mijn stalen boeien. Anders, mijn ijzers; dat is, Hij heeft mijn ellenden, die mij omsingelen, van tijd tot tijd meer en meer vergroot.
[^klaagliederen-3-8-15]: Kanttekening 15: 15 sluit Hij: Of, Hij sluit mijn gebed uit; dat is, Hij neemt mijn gebed niet aan, immers gevoel ik geen verlichting; vergelijk Ps. 22:2, en Ps. 77:8, enz. Psalmen 22:2: Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden van mijn brullen? Psalmen 77:8: Zal dan de Heer in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
[^klaagliederen-3-9-16]: Kanttekening 16: 16 Hij heeft mij wegen toegemuurd: Dat is, Hij heeft mij alle wegen van uitkomst afgestopt met onoverwinnelijke verhindernissen; zie Num. 22:24; Job 19:8, en Hos. 2:5. Numeri 22:24: Maar de Engel van YHWH stond in een pad van de wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan de overzijde. Job 19:8: Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. Hosea 2:5: Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
[^klaagliederen-3-9-17]: Kanttekening 17: 17 uitgehouwen stenen: Of, gesnedene; zie 1 Kron. 22:2; zie ook Jes. 9:9. 1 Kronieken 22:2: En David zei, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land van Israël waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis van God te bouwen. Jesaja 9:9: De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;
[^klaagliederen-3-9-18]: Kanttekening 18: 18 heeft mijn paden verkeerd: Dat is, Hij heeft al mijn aanslagen teniet gemaakt, die ik voorgenomen had tot mijn verlossing. Het is enerlei zin met vers 5, 3:7. Klaagliederen 3:5: Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Klaagliederen 3:7: Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
[^klaagliederen-3-10-19]: Kanttekening 19: 19 Hij is mij een loerende beer: Of, Hij heeft op mij geloerd als een beer, enz.; vergelijk Job 10:16; Jes. 38:13; Hos. 5:14, en Hos. 13:8; Amos 5:19. Job 10:16: Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt U mij; U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij. Jesaja 38:13: Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; gelijk een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Hosea 13:8: Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze daar als een oude leeuw; het wild gedierte van het veld verscheurde hen. Amos 5:19: Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^klaagliederen-3-10-20]: Kanttekening 20: 20 een leeuw in verborgen plaatsen: Een leeuw, schuilende in zijn hol en loerende op de mensen of beesten, die voorbijgaan, om die te betrappen en te verslinden. Zie deze gelijkenis ook Hos. 5:14, en Hos. 13:7. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Hosea 13:7: Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg.
[^klaagliederen-3-11-21]: Kanttekening 21: 21 Hij heeft mijn wegen afgewend: Dat is, Hij heeft mijn daden geheel tot een ander einde gewend dan ik gemeend had. Anders: Als mijn wegen opstandig \[of afwijkende\] zijn, zo verbreekt of verscheurt Hij mij.
[^klaagliederen-3-11-22]: Kanttekening 22: 22 en Hij heeft mij: Dat is, Hij heeft zo de kerkestand als de politie verscheurd en te schande gemaakt.
[^klaagliederen-3-11-23]: Kanttekening 23: 23 in stukken gebroken: Gelijk een schaap, dat in de klauwen van de leeuwen of van de beren vervalt.
[^klaagliederen-3-11-24]: Kanttekening 24: 24 Hij heeft mij woest gemaakt: Dat is, Hij heeft mij beroofd van mijn vrienden, goederen en alle behulpzame middelen, zodat ik niets behouden heb.
[^klaagliederen-3-12-25]: Kanttekening 25: 25 Hij heeft Zijn boog: Dat is, Hij heeft zijn wapenen tegen mij bereid om streng met mij te handelen. Aan God worden hier en elders figuurlijkerwijze, stoffelijke wapenen toegeschreven. Zie Richt. 7:20; Job 16:12; Ps. 21:13; Hab. 3:9, 3:11; Jes. 27:1, en Jes. 34:5, 34:6. Richteren 7:20: Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van YHWH, en van Gideon! Job 16:12: Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. Psalmen 21:13: Want U zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult U het op hun aangezicht toeleggen. Habakuk 3:9: De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. U hebt de rivieren van de aarde gekloofd. Habakuk 3:11: De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarheen, met glans Uw bliksemende spies. Jesaja 27:1: Te die dage zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden. Jesaja 34:5: Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; ziet, het zal tot het oordeel nederdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb. Jesaja 34:6: Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.
[^klaagliederen-3-12-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, getreden; zie Ps. 7:13, en Klaagl. 2:4. Psalmen 7:13: Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid. Klaagliederen 2:4: Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenstander, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen van de ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent van de dochter van Sion uitgestort als een vuur.
[^klaagliederen-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 Hij heeft mij de pijl: Zie Job 16:12, en vergelijk Job 7:20; zie ook Ps. 64:4. Job 16:12: Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. Job 7:20: Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij? Psalmen 64:4: Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
[^klaagliederen-3-13-28]: Kanttekening 28: 28 Zijn pijlen: Hebreeuws, de zonen, of kinderen van zijn pijlkoker (בְּנֵי); zie Job 6:4. Daarom worden de pijlen aldus genoemd omdat zij in de pijlkoker besloten zijn; Ps. 127:4, 127:5, worden ook de zonen bij pijlen vergeleken. Job 6:4: Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, van welke vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. Psalmen 127:4: Gelijk de pijlen zijn in de hand van een held, zodanig zijn de zonen van de jeugd. Psalmen 127:5: Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
[^klaagliederen-3-13-29]: Kanttekening 29: 29 in mijn nieren doen ingaan: Dat is, Hij heeft de pijlen van zijn plagen doen gaan tot in de binnenste delen van mijn lichaam en van mijn ziel. Zie Job 16:13, en Job 19:27; Ps. 139:13. Job 16:13: Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. Job 19:27: Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. Psalmen 139:13: Want U bezit mijn nieren; U hebt mij in mijn moeders buik bedekt.
[^klaagliederen-3-14-30]: Kanttekening 30: 30 al mijn volk: Te weten al dengenen, die mijn vrienden en bekenden geweest zijn; in het bijzonder dengenen, die afgevallen zijn vanwege deze zware ellenden, die U, Heer, ons toeschikt.
[^klaagliederen-3-14-31]: Kanttekening 31: 31 tot belaching geworden: Dat is, een stof van belaching en bespotting.
[^klaagliederen-3-14-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, snarenslaging. De zin is: Zij dichten liedjes van mij en hebben hun genoegen daarin, dat zij mij dagelijks in hun liedjes mijn ellende verwijten en voorwerpen; zie Job 17:6, en Job 30:9, en Ps. 69:13, en onder vers 63; vergelijk Deut. 28:37. Job 17:6: Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. Job 30:9: Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. Psalmen 69:13: Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken. Klaagliederen 3:63: Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal.
[^klaagliederen-3-15-33]: Kanttekening 33: 33 met bitterheden verzadigd: Of met grote bitterheid, of met geheel bitter voedsel; dat is met grote angst, kruis en verdriet; zie boven vers 5, en onder vers 19. Klaagliederen 3:5: Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Klaagliederen 3:19: Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle.
[^klaagliederen-3-15-34]: Kanttekening 34: 34 Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt: Te weten, de Heer heeft mij, door de veelheid van droefenissen en smarten, schier van mijn zinnen en verstand beroofd.
[^klaagliederen-3-16-35]: Kanttekening 35: 35 Hij heeft mijn tanden: Dat is, Hij heeft mij zulk brood te eten gegeven, dat vol zandstenen was, dat mij de tanden gebroken heeft; zie Spreuk. 20:17. Spreuken 20:17: Het brood van de leugen is de mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.
[^klaagliederen-3-16-36]: Kanttekening 36: 36 Hij heeft mij in de as nedergedrukt: Dat is, Hij heeft mij tot de allernederigste en verachtelijkste staat gebracht.
[^klaagliederen-3-17-37]: Kanttekening 37: 37 mijn ziel: Dat is, allen welstand en vreugde hebt U, o Heer, ver van mijn hart weggedaan.
[^klaagliederen-3-17-38]: Kanttekening 38: 38 ik heb het goede vergeten: Hij wil zeggen: Ik heb nu zolang in ellende geleefd, dat ik vergeten heb wat welstand en geneugte is; mij heugen geen goede dagen meer.
[^klaagliederen-3-18-39]: Kanttekening 39: 39 Mijn sterkte: Te weten, om deze ellende langer te kunnen dragen.
[^klaagliederen-3-18-40]: Kanttekening 40: 40 mijn hoop van YHWH: Te weten, dat ik daarvan eenmaal zou kunnen verlost worden, gelijk ik van de Heer gehoopt had.
[^klaagliederen-3-19-41]: Kanttekening 41: 41 Gedenk aan mijn ellende: Anders: gedenkende, of als ik gedacht.
[^klaagliederen-3-19-42]: Kanttekening 42: Vergelijk boven Klaagl. 1:7. Klaagliederen 1:7: Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en van haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.
[^klaagliederen-3-19-43]: Kanttekening 43: 43 aan de alsem en galle: Dat is, aan de bitterheid, die daarin was. Zie vers 5, 3:15. Klaagliederen 3:5: Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Klaagliederen 3:15: He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
[^klaagliederen-3-20-44]: Kanttekening 44: 44 gedenkt er wel terdege aan: Hebreeuws, gedenkende gedenkt er mijn ziel aan (נַפְשִֽׁ); dat is, zij overdenkt en overlegt wel ernstiglijk de ellenden, die mij zijn overkomen vanwege mijn zonden.
[^klaagliederen-3-20-45]: Kanttekening 45: 45 zij bukt zich neder in mij: Zij wordt er door vernederd en gedwee gemaakt.
[^klaagliederen-3-21-46]: Kanttekening 46: 46 Dit zal ik mij ter hart nemen: Alsof hij zei: Als ik deze dingen, \[te weten die straks zullen verhaald worden\] wel overweg, zo zal ik daaruit besluiten dat God mij nog eindelijk zal genadig zijn.
[^klaagliederen-3-22-47]: Kanttekening 47: 47 Het zijn de goedertierenheden van YHWH: Dat is, het is aan de overvloeiende genade van God toe te schrijven.
[^klaagliederen-3-22-a]: Verwijzing a: Jes. 1:9; Habak. 3:13. Jesaja 1:9: Zo niet YHWH van de legermachten ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. Habakuk 3:13: U toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; U doorwondde het hoofd van het huis van de goddelozen, ontblotende de grond tot de hals toe. Sela.
[^klaagliederen-3-22-48]: Kanttekening 48: 48 dat Zijn barmhartigheden: Dat is, dat Hij ons nu nog zijn genade bewijst.
[^klaagliederen-3-23-49]: Kanttekening 49: 49 Zij zijn elke morgen nieuw: Zie Ps. 73:14. De zin is: Wij gevoelen alle dagen nieuwe bewijzen van uw goedertierenheid te onswaarts. Psalmen 73:14: Omdat ik de ganse dag geplaagd ben, en mijn straffing is er elke morgen.
[^klaagliederen-3-23-b]: Verwijzing b: Ps. 30:6. Psalmen 30:6: Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; van de avond overnacht het geween, maar van de morgen is er gejuich.
[^klaagliederen-3-23-50]: Kanttekening 50: 50 Uw trouw is groot: O Heer, uwe trouw is groot in het volbrengen van uw beloften; 1 Kor. 10:13; 2 Tim. 2:13. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 2 Timotheüs 2:13: Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.
[^klaagliederen-3-24-51]: Kanttekening 51: 51 YHWH is mijn Deel: De Heer is het, die mij aan ziel en aan lichaam onderhoudt, zijnde in alle manier voor mij genoegzaam, Gen. 17:1; Ps. 16:5, en Ps. 73:26; Jer. 10:16. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Psalmen 16:5: YHWH is het deel van mijn erve, en van mijn beker; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 73:26: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen van mijn hart, en mijn Deel in eeuwigheid. Jeremia 10:16: Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; YHWH van de legermachten is Zijn Naam.
[^klaagliederen-3-24-52]: Kanttekening 52: 52 zegt mijn ziel: Dat is, ik ben in mijn hart daarvan genoegzaam verzekerd; zie de aantekening Ps. 16:5, en Ps. 18:3, en Ps. 73:25, 73:26; Rom. 8:38. Psalmen 16:5: YHWH is het deel van mijn erve, en van mijn beker; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 18:3: YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn van mijn heil, mijn Vesting. Psalmen 73:25: Wie heb ik naast U in de hemel? Naast U lust mij ook niets op de aarde! Psalmen 73:26: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen van mijn hart, en mijn Deel in eeuwigheid. Romeinen 8:38: Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,
[^klaagliederen-3-24-c]: Verwijzing c: Habak. 2:3. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
[^klaagliederen-3-25-53]: Kanttekening 53: 53 die Hem verwachten: Dat is, die vastelijk zich op Hem verlaten en met waar geloof op Hem vertrouwen.
[^klaagliederen-3-25-54]: Kanttekening 54: 54 van de ziele: Dat is, de mens, die zich van ganser hart benaarstigt om God te genaken door de middelen, die Hij verordineerd heeft om tot zijn kennis te komen.
[^klaagliederen-3-26-55]: Kanttekening 55: 55 Het is goed: Hij is gelukkig, die zijn hoop vast op de Heer gesteld heeft en in stilheid verlossing van de Heer is verwachtende; zie Ps. 37:7; zie ook Jes. 30:7. Anders: het is goed als men smart lijdt, dat men stil zij, enz. Psalmen 37:7: Daleth. Zwijg YHWH, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. Jesaja 30:7: Want Egypte zal zinloos en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn.
[^klaagliederen-3-26-56]: Kanttekening 56: 56 op het heil van YHWH: Dat is, op de verlossing, die de Heer bewijst dengenen, die op Hem vertrouwen.
[^klaagliederen-3-27-57]: Kanttekening 57: 57 voor een man: Dat is, voor iedereen. Anderen verstaan door man een voortreffelijken man.
[^klaagliederen-3-27-58]: Kanttekening 58: 58 dat hij het juk: Dat is, dat hij kruis en tegenspoed lijdt, en zich aan de tucht onderwerpt, opdat zijn boze en verdorven natuur getoomd en getemd worde; vergelijk Ps. 119:71. Psalmen 119:71: Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
[^klaagliederen-3-27-59]: Kanttekening 59: 59 in zijn jeugd draagt: Voordat de zonde te diep in zijn hart wortele en ten enenmale over hem heerse.
[^klaagliederen-3-28-60]: Kanttekening 60: Te weten, die het juk in zijn jeugd heeft leren dragen. Anders: hij zal zitten, enz., of, \[dat\] hij zitte.
[^klaagliederen-3-28-61]: Kanttekening 61: 61 zitte eenzaam: Hij neme het kruis in zijn enigheid stil op, zonder groot gebaar te maken, gedachtig zijnde dat het de Heer hem tot zijn best heeft opgelegd; zie Ps. 39:10. Psalmen 39:10: Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan.
[^klaagliederen-3-28-62]: Kanttekening 62: 62 Hij het hem opgelegd heeft: Te weten de Heer.
[^klaagliederen-3-29-63]: Kanttekening 63: 63 Hij steke zijn mond: Dat is, hij werpe zichzelven zeer deemoediglijk ter aarde voor het aangezicht van God, bekennende dat Hij hem met gerechtigheid al die ellende oplegt; vergelijk 1 Kor. 14:25; Job 42:6; Ps. 22:16, 22:30; het tegendeel zie Ps. 73:8, 73:9. 1 Korinthiërs 14:25: En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar; en zo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is. Job 42:6: Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. Psalmen 22:16: Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof van de dood. Psalmen 22:30: Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Psalmen 73:8: Zij mergelen de mensen uit, en spreken boos van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. Psalmen 73:9: Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
[^klaagliederen-3-29-64]: Kanttekening 64: 64 Misschien is er verwachting: Alsof hij zei: Ofschoon ik geen uitkomst zie, alle middelen mij omstaande en de hand van de Heer dus zwaar op mij zijnde, nochtans zal ik hopen, vertrouwende dat God mij toch eindelijk zijn genade zal laten smaken. Het woord misschien betekent niet altijd twijfeling of onzekerheid, maar ook dikwijls ene vertroosting of aanporring in zwaarwichtige zaken; gelijk Joz. 14:12. Zie de aantekening Joël 2:14. Jozua 14:12: En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft. Joël 2:14: Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God.
[^klaagliederen-3-29-d]: Verwijzing d: Hand. 8:22. Handelingen 8:22: Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.
[^klaagliederen-3-30-65]: Kanttekening 65: 65 Hij geve zijn wang die: Dat is, dat hij met geduld aanneme de slagen en plagen, die hem de mensen onverdiend of zonder wettelijke oorzaak aandoen.
[^klaagliederen-3-30-66]: Kanttekening 66: 66 hij worde zat van smaad: Zie Job 7:4. Het is hier te zeggen, met geduld allerlei kwaad verdragen. Job 7:4: Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^klaagliederen-3-31-67]: Kanttekening 67: 67 Want YHWH: De zin is: Ofschoon God de Heer somtijds een tijdlang zijn goedertierenheid aan zijn kinderen schijnt te onttrekken, nochtans zal zulks niet altijd duren. Zie 1 Kor. 10:13. Zie dergelijke spreuken Ps. 30:6, en Ps. 73:24, en Ps. 126:5, 126:6, en Ps. 130:7, en Ps. 135:14; Jes. 27:6, 27:7, 27:8, en Jes. 54:7, 54:8; Jer. 10:24, en Jer. 30:11, en Jer. 46:28; Hab. 3:2; 2 Kor. 4:17; 1 Petr. 1:6. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. Psalmen 30:6: Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich. Psalmen 73:24: U zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen. Psalmen 126:5: Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Psalmen 126:6: Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven. Psalmen 130:7: Israël hope op YHWH; want bij YHWH is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. Psalmen 135:14: Want YHWH zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten. Jesaja 27:6: In het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. Jesaja 27:7: Heeft Hij hem geslagen, gelijk Hij die geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, gelijk zijn gedoden gedood zijn geworden? Jesaja 27:8: Met mate hebt U met hem getwist, wanneer U hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag van de oostenwind. Jesaja 54:7: Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. Jesaja 54:8: In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt YHWH, uw Verlosser. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Jeremia 46:28: U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt YHWH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden. Habakuk 3:2: YHWH! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o YHWH! behoud dat in het leven in het midden van de jaren, maak het bekend in het midden van de jaren; in de toorn gedenk het ontfermen. 2 Korinthiërs 4:17: Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid; 1 Petrus 1:6: In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
[^klaagliederen-3-32-68]: Kanttekening 68: 68 naar de grootheid van Zijn goedertierenheden: Of, naar de veelheid, z.g.; dat is, zijn goedertierenheid is zonder einde.
[^klaagliederen-3-33-69]: Kanttekening 69: 69 van de mensenkinderen: Hebreeuws, van de man kinderen, mans voor mensen (בְנֵי); zie Job 12:10. Job 12:10: In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mensen.
[^klaagliederen-3-33-70]: Kanttekening 70: 70 niet van hart: Hebreeuws, niet uit zijn hart (לִּבּ); dat is, Hij heeft er geen lust aan, maar de zonden van de mensen zijn de oorzaken daarvan; vergelijk Jes. 28:21. En als Hij zijn kinderen kastijdt, dat doet Hij om hen van zondigen af te trekken. Jesaja 28:21: Want YHWH zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!
[^klaagliederen-3-34-71]: Kanttekening 71: 71 Dat men al de gevangenen van de aarde: De zin is: Ofschoon de Heer dikwijls de tirannen als roeden gebruikt, zo heeft Hij nochtans daar geen welgevallen aan, dat men al degenen, die door de macht en het geweld in de gevangenis geworpen zijn, zou zonder aanzien van personen en daden te schande maken. Zie Ps. 109:16; Zach. 1:15; Luk. 6:36. Psalmen 109:16: Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft de ellendige en de nooddruftige man vervolgd, en de verslagene van hart, om hem te doden. Zacharia 1:15: En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen. Lukas 6:36: Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
[^klaagliederen-3-34-72]: Kanttekening 72: Dat is, vertreedt. Zie voorbeelden hiervan, Joz. 10:24, en vergelijk Job 5:4; Ps. 143:3, en Ps. 44:20. Jozua 10:24: En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zei tot de oversten van het krijgsvolk, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen. Job 5:4: Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser. Psalmen 143:3: Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. Psalmen 44:20: Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van de draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
[^klaagliederen-3-35-73]: Kanttekening 73: Dat is, vertrekt, verwijlt, hetzij door valse getuigen of andere onbetamelijke middelen; zie een voorbeeld Luk. 18:4, en vergelijk Ex. 23:6, 23:7; Deut. 16:19; 2 Kron. 19:6, 19:7. Lukas 18:4: En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zei hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie; Exodus 23:6: U zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak. Exodus 23:7: Zijt verre van valse zaken; en de onschuldige en gerechtige zult u niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen. Deuteronomium 16:19: U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. 2 Kronieken 19:6: En hij zei tot de richters: Ziet wat u doet, want u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor YHWH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. 2 Kronieken 19:7: Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.
[^klaagliederen-3-36-74]: Kanttekening 74: Hetzij door geweld, gezag of arglistigheid. Hebreeuws, verkeert.
[^klaagliederen-3-36-75]: Kanttekening 75: Of rechtvordering, proces.
[^klaagliederen-3-36-76]: Kanttekening 76: 76 zou het: Zou er de Heer geen acht op geven?
[^klaagliederen-3-36-77]: Kanttekening 77: 77 YHWH niet zien: Die rechtvaardig is; zie Ps. 11:7, en vergelijk Ps. 94:5, 94:6, enz. Psalmen 11:7: Want YHWH is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte. Psalmen 94:5: O YHWH! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. Psalmen 94:6: De weduwe en de vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.
[^klaagliederen-3-37-78]: Kanttekening 78: 78 Wie zegt wat: Welk creatuur in de hemel of op de aarde kan met zekerheid zeggen dat zulks zal gebeuren, daar het toch niet kan gebeuren, tenzij dat het de Heer belieft het te doen? De voorzienige regering Gods strekt zich over alle dingen, die er gebeuren in de hemel of op de aarde.
[^klaagliederen-3-37-e]: Verwijzing e: Ps. 33:9. Psalmen 33:9: Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^klaagliederen-3-38-79]: Kanttekening 79: 79 Gaat niet uit: Is het niet God, die alle dingen in zijn raad besluit, ordineert en in het werk stelt?
[^klaagliederen-3-38-f]: Verwijzing f: Jes. 45:7; Amos 3:6. Jesaja 45:7: Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen. Amos 3:6: Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^klaagliederen-3-38-80]: Kanttekening 80: 80 de mond van de Allerhoogste: Dat is, besluit of bevel; zie Gen. 41:40. Genesis 41:40: U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u.
[^klaagliederen-3-38-81]: Kanttekening 81: 81 het kwade en het goede: Hebreeuws, kwaden. De zin is: Alle tegenspoed en voorspoed, die de mens overkomt; zie Amos 3:6. Amos 3:6: Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^klaagliederen-3-39-82]: Kanttekening 82: 82 Wat klaagt dan een levend mens: De zin is: Omdat de mens bij zichzelven genoegzaam overtuigd is waarom God zijn straffen over hem laat komen; te weten om zijn zonden wil; waarom kwelt hij zich en klaagt inplaats van raad te zoeken? Waarom ziet hij meer op zijn ellende dan op de oorzaken derzelve?
[^klaagliederen-3-39-83]: Kanttekening 83: Te weten met welke hij de slaande hand van God op zijn hals gehaald heeft, en hij bidt die af, opdat hij daarvan verlost en bevrijd worde.
[^klaagliederen-3-40-84]: Kanttekening 84: 84 wegen onderzoeken en doorzoeken: Dat is, onze gedachten, woorden en werken, gedenkende wat die wel verdiend hebben naar de weegschaal van Gods rechtvaardig oordeel.
[^klaagliederen-3-40-85]: Kanttekening 85: 85 laat ons terugkeren tot YHWH: Hebreeuws eigenlijk: laat ons terugkeren tot YHWH toe; dat is, laat ons hartelijk berouw hebben vanwege onze menigvuldige zonden en om vergiffenis daarvan bidden, met een vast vertrouwen van het te zullen verkrijgen en met een voornemen van ons leven voortaan te beteren; vergelijk Hos. 14:2; Joël 2:12; 2 Kor. 7:9. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. 2 Korinthiërs 7:9: Nu verblijde ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering; want u bent bedroefd geweest naar God, zodat u in geen ding schade van ons geleden hebt.
[^klaagliederen-3-41-86]: Kanttekening 86: 86 en ook de handen: Anders: tot de wolken; zie de aantekening Job 36:32. Job 36:32: Met handen bedekt Hij het licht, en doet daaraan verbod door dengene, die tussen doorkomt.
[^klaagliederen-3-41-87]: Kanttekening 87: 87 tot God in de hemel: Die alleen kan en wil vergeven de zonden van de boetvaardige zondaren.
[^klaagliederen-3-42-88]: Kanttekening 88: 88 daarom hebt U niet gespaard: Versta hierbij, maar U hebt ons wel dapper gekastijd, te weten zolang wij volhard hebben in onze zonden en overtredingen.
[^klaagliederen-3-43-89]: Kanttekening 89: 89 U hebt ons met toorn bedekt: Eigenlijk naar de Hebreeuwse letter: U hebt ons met toorn, als met ene tent overdekt, of U hebt ons overtent, of overhut; zie Ps. 5:12. Psalmen 5:12: Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat U hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
[^klaagliederen-3-43-90]: Kanttekening 90: Te weten met uw rechtvaardige oordelen, overal waar wij heengingen.
[^klaagliederen-3-43-91]: Kanttekening 91: 91 U hebt niet verschoond: U hebt geen medelijden gehad over ons noch over onze kinderen, zie boven Klaagl. 2:2, 2:17. Klaagliederen 2:2: Beth. De Heer heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden van de dochter van Juda afgebroken in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd. Klaagliederen 2:17: Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd.
[^klaagliederen-3-44-92]: Kanttekening 92: 92 met een wolk bedekt: Als met een scheidsmuur; vergelijk Jes. 59:1, 59:2. Jesaja 59:1: Ziet, de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Jesaja 59:2: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort.
[^klaagliederen-3-44-93]: Kanttekening 93: 93 zodat er geen gebed doorkwam: Zodat ons gebed voor uw aangezicht niet kon komen.
[^klaagliederen-3-45-94]: Kanttekening 94: 94 tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld: Of, tot ene afschuring; dat is, tot zulk ene vuiligheid of onreinigheid, die men afschuurt; dat is, tot zulke mensen, waar men een afkeer of afschuw van heeft; vergelijk 1 Kor. 4:13. 1 Korinthiërs 4:13: Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels van de wereld en aller afschrapsel tot nu toe.
[^klaagliederen-3-45-95]: Kanttekening 95: Over wie wij eertijds geheerst hebben.
[^klaagliederen-3-46-96]: Kanttekening 96: 96 hebben hun mond tegen ons opgesperd: Zij hebben vrijmoedig uitgebazuind al wat zij bedenken konden, dat het enigszins was tot onze oneer strekkende. Zie boven Klaagl. 2:16, en vergelijk Ps. 22:14. Klaagliederen 2:16: Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Psalmen 22:14: Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
[^klaagliederen-3-47-97]: Kanttekening 97: 97 De vreze en de kuil zijn over ons gekomen: Vergelijk Ps. 11:6; Jes. 24:17; Jer. 48:43. De zin is: Wij zijn in een ellendigen staat, in grote schrik en benauwdheid, en wij zien gene uitkomst. Psalmen 11:6: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Jesaja 24:17: De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land! Jeremia 48:43: De vreze, en de kuil, en de strik, over u, u inwoner van Moab! spreekt YHWH.
[^klaagliederen-3-47-98]: Kanttekening 98: 98 de verwoesting en de verbreking: Te weten zijn over ons gekomen.
[^klaagliederen-3-48-100]: Kanttekening 100: Zie Ps. 1:3. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^klaagliederen-3-48-99]: Kanttekening 99: 99 Met waterbeken loopt mijn oog neder: Dat is, daar komt zulk een overvloed van tranen uit mijn ogen, alsof zij geheel in water versmolten waren; vergelijk Klaagl. 1:16. Klaagliederen 1:16: Ain. Omwille van deze dingen ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
[^klaagliederen-3-48-101]: Kanttekening 101: 101 van de dochter van mijn volk: Dat is, van mijn volk, dat ik bemin als mijn dochter, gelijk Klaagl. 1:6; zie ook Klaagl. 2:11, 2:13. Klaagliederen 1:6: Vau. En van de dochter van Sion is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos heen voor het aangezicht van de vervolger. Klaagliederen 2:11: Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter van mijn volk; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de stad in onmacht zinken; Klaagliederen 2:13: Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, u dochter van Jeruzalem? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, u jonkvrouw, dochter van Sion, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?
[^klaagliederen-3-49-102]: Kanttekening 102: Te weten van tranen. Anders: wordt vlietende.
[^klaagliederen-3-49-103]: Kanttekening 103: 103 geen rust is: De grote ellende van de dochter van mijn volk houdt niet op.
[^klaagliederen-3-50-104]: Kanttekening 104: 104 Totdat het: Dat is, totdat YHWH metterdaad doet blijken dat Hij ons gunstig is. Zie boven vers 8; idem vers 43, 3:44, en Klaagl. 2:1. Klaagliederen 3:8: Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. Klaagliederen 3:43: Samech. U hebt ons met toorn bedekt, en U hebt ons vervolgd; U hebt ons gedood. U hebt niet verschoond. Klaagliederen 3:44: Samech. U hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. Klaagliederen 2:1: Aleph. Hoe heeft de Heer de dochter van Sion in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israël van de hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht in de dag van Zijn toorn.
[^klaagliederen-3-50-105]: Kanttekening 105: 105 YHWH van de hemel aanschouwe: Aldus noemt ook de apostel Paulus de Heer Christus; 1 Kor. 15:47. 1 Korinthiërs 15:47: De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel.
[^klaagliederen-3-50-106]: Kanttekening 106: 106 het zie: Te weten mijn ellende.
[^klaagliederen-3-51-107]: Kanttekening 107: 107 Mijn oog: Dat is, de ellende, die ik met mijn ogen aanschouw.
[^klaagliederen-3-51-108]: Kanttekening 108: 108 doet mijn ziele moeite aan: Of, werkt in mijn ziel; dat is, beweegt mijn ziel, of doet mijn ziel wee. Of verteert mijn ziel.
[^klaagliederen-3-51-109]: Kanttekening 109: 109 vanwege al de dochters van mijn stad: Die namelijk van de vijanden zijn geschonden en gevankelijk weggevoerd. Zie onder Klaagl. 5:11. Anders: boven al de dochters van mijn stad; dat is, meer dan enige vrouwspersonen gewoon zijn te doen over wat zij allermeest beminnen. Klaagliederen 5:11: Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.
[^klaagliederen-3-52-110]: Kanttekening 110: 110 zonder oorzaak: Dat is, zonder dat ik hun ooit enig kwaad heb gedaan of gezocht te doen. Of zonder dat zij enig voordeel daarvan hebben te verwachten; zie Ps. 35:7, en Ps. 69:5, en Ps. 109:3, en Ps. 119:161. Psalmen 35:7: Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel. Psalmen 69:5: Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren van mijn hoofd; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven. Psalmen 109:3: En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. Psalmen 119:161: Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
[^klaagliederen-3-52-111]: Kanttekening 111: 111 als een vogeltje: Dat is, gelijk een vogelvanger de vogeltjes zoekt te vangen; vergelijk Ps. 11:1, en Ps. 102:8, en Ps. 124:7; Pred. 9:12. Psalmen 11:1: Een psalm van David, voor de opperzangmeester. Ik betrouw op YHWH; hoe zegt u tot mijn ziel: Zwerft heen naar ulieder gebergte, als een vogel? Psalmen 102:8: Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak. Psalmen 124:7: Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. Prediker 9:12: Dat ook de mens zijn tijd niet weet, gelijk de vissen, die gevangen worden met het boze net; en gelijk de vogels, die gevangen worden met de strik; gelijk die, zo worden de kinderen van de mensen verstrikt, ter bozer tijd, wanneer derzelve haastig over hen valt.
[^klaagliederen-3-52-112]: Kanttekening 112: 112 dapperlijk gejaagd: Te weten om mij ten enenmale ten verderve te brengen. Hebreeuws, jagende gejaagd.
[^klaagliederen-3-53-113]: Kanttekening 113: 113 Zij hebben: Te weten de vijanden, waarvan vers 52 gesproken is. Klaagliederen 3:52: Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
[^klaagliederen-3-53-114]: Kanttekening 114: 114 mijn leven in een kuil uitgeroeid: Dat is, mij in eigen persoon. De zin is: Zij hebben mij niet alleen gevangen genomen, \[hetwel waarlijk geschied is aan de persoon van Jeremia, Jer. 37:16, en Jer. 38:6\], maar zij hebben ook grote wreedheid gebruikt, pogende mij het leven te benemen. Vergelijk Gen. 37:24. Jeremia 37:16: Als Jeremia in de plaats van de kuil, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia daar veel dagen gezeten had; Jeremia 38:6: Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk. Genesis 37:24: En zij namen hem, en wierpen hem in de kuil; maar de kuil was leeg; er was geen water in.
[^klaagliederen-3-53-115]: Kanttekening 115: 115 een steen: Het zij om de mond van het graf toe te sluiten, opdat ik er niet kon uitkomen, of om mij te versmachten en te doden.
[^klaagliederen-3-53-116]: Kanttekening 116: 116 op mij geworpen: Dat is, op het graf, waarin ik lig, of voor de deur van de put, waarin zij mij gesloten hebben. Vergelijk Joz. 10:18; Dan. 6:18; Matt. 27:60. Jozua 10:18: Zo zei Jozua: Wentelt grote stenen voor de mond van de spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren. Daniël 6:18: En er werd een steen gebracht, en op de mond van de kuil gelegd: en de koning verzegelde die met zijn ring, en met de ring van zijn geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden. Mattheüs 27:60: En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg.
[^klaagliederen-3-54-117]: Kanttekening 117: 117 De wateren zwommen over mijn hoofd: Versta hier door de wateren vele en grote ellenden; zie Ps. 69:2, 69:3, en Ps. 124:4, 124:5. De profeet spreekt in de persoon van Gods volk, maar zo dat hij somtijds \[als een lid van Gods volk\] zijn lijden voorstelt, dat hem was overkomen, en de genade, die hem God bewezen had, zijnde een voorbeeld en vertroosting voor Gods volk. Psalmen 69:2: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Psalmen 69:3: Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. Psalmen 124:4: Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. Psalmen 124:5: Toen zouden de onstuimige wateren over onze ziel gegaan zijn.
[^klaagliederen-3-54-118]: Kanttekening 118: 118 ik zei: Ik beeldde mijzelf in en sprak.
[^klaagliederen-3-54-119]: Kanttekening 119: 119 Ik ben afgesneden: Het is ten enenmale met mij gedaan, ik zie geen middel van verlossing, maar veel meer het tegendeel; vergelijk Ps. 31:23, met de aantekening. Psalmen 31:23: Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep.
[^klaagliederen-3-55-120]: Kanttekening 120: 120 uit de onderste kuil: Hebreeuws, uit de kuil van de benedenheden; dat is, toen ik in de uiterste benauwdheid was; zie Ps. 88:7, en Ps. 120:1. Psalmen 120:1: Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^klaagliederen-3-56-121]: Kanttekening 121: 121 U hebt mijn stem gehoord: Dat is, U hebt mij gegeven waar ik U om gebeden heb.
[^klaagliederen-3-56-122]: Kanttekening 122: 122 verberg Uw oor niet: Weiger toch voortaan niet, acht te geven op mijn ijverig en hartgrondelijk gebed.
[^klaagliederen-3-56-123]: Kanttekening 123: 123 voor mijn zuchten: Anders: opdat ik adem mag scheppen.
[^klaagliederen-3-57-124]: Kanttekening 124: Dat is, uw gunstige hulp laten smaken, dat U mij zo duidelijk hebt te kennen gegeven, alsof U met uitgedrukte woorden tot mij gezegd hadt: vrees niet; Jes. 41:10. Jesaja 41:10: Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
[^klaagliederen-3-58-125]: Kanttekening 125: 125 U hebt de twistzaken van mijn ziel getwist: Dat is, U hebt mij beschermd en verlost, als men mij zocht te doden. Vergelijk Jer. 38; zie ook Ps. 35:1. Psalmen 35:1: Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
[^klaagliederen-3-58-126]: Kanttekening 126: 126 U hebt mijn leven verlost: Dat is, U hebt mij verlost uit de handen dergenen, die mij wredelijk zochten te doden.
[^klaagliederen-3-59-127]: Kanttekening 127: 127 de verkeerdheid: Hebreeuws, mijn verkeerdheid; dat is, die mij aangedaan is; Jer. 2:2. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk de weldadigheid van uw jeugd, de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^klaagliederen-3-59-128]: Kanttekening 128: 128 oordeel mijn rechtzaak: Dat is, neem mijn zaak aan en oordeel mij naar mijn oprechtheid, help mij tot mijn recht. Vergelijk Ps. 43:1. Psalmen 43:1: Doe mij recht, o God! en twist U mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van het bedrog en van het onrecht.
[^klaagliederen-3-60-129]: Kanttekening 129: Te weten van mijn vijanden.
[^klaagliederen-3-60-130]: Kanttekening 130: 130 wraak gezien: Dat is, hoe wraakgierig, ja ook hoe bloedgierig zij tegen mij zijn.
[^klaagliederen-3-61-131]: Kanttekening 131: 131 hun smaden gehoord: Dat is, hun spijtige en smadelijke woorden, die zij over mij uitgestort hebben.
[^klaagliederen-3-62-132]: Kanttekening 132: 132 De lippen dergenen: De woorden van mijn vijanden, waarmee zij mij dreigen.
[^klaagliederen-3-62-133]: Kanttekening 133: 133 hun dichten: Dat is, de gedachten van hun boos hart.
[^klaagliederen-3-62-134]: Kanttekening 134: 134 tegen mij de ganse dag: Versta hierbij, hebt U gehoord.
[^klaagliederen-3-63-135]: Kanttekening 135: 135 hun zitten en opstaan: Zie Ps. 1:1, en Ps. 139:2, en vergelijk Jes. 37:28. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Psalmen 139:2: U weet mijn zitten en mijn opstaan; U verstaat van verre mijn gedachten. Jesaja 37:28: Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
[^klaagliederen-3-63-136]: Kanttekening 136: 136 hun snarenspel: Zie boven de aantekening vers 14, en Job 30:9. Klaagliederen 3:14: He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de ganse dag. Job 30:9: Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.
[^klaagliederen-3-64-137]: Kanttekening 137: 137 hun weer die vergelding: Te weten van welke liedjes en snarenspel ik ben, gelijk vers 63. Klaagliederen 3:63: Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
[^klaagliederen-3-64-138]: Kanttekening 138: 138 naar het werk van hun handen: Zie Ps. 28:4, en Ps. 94:2. Psalmen 28:4: Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar het werk van hun handen; doe hun vergelding tot hen terugkeren. Psalmen 94:2: U, Rechter van de aarde! verhef U; breng vergelding weer over de hovaardigen.
[^klaagliederen-3-65-139]: Kanttekening 139: 139 een deksel van het hart: Dat is, zulke bedwelming en mist van het hart, die hen berooft van alle manhaftigheid en moed, zo dat zij ons geen kwaad kunnen doen.
[^klaagliederen-3-66-140]: Kanttekening 140: 140 van onder de hemel van YHWH: Dat is, overal, zo wijd als de hemel strekt, gelijk Ex. 17:14; Deut. 7:24, en Deut. 25:19, en Deut. 29:20; 2 Kon. 14:27. Exodus 17:14: Toen zei YHWH tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. Deuteronomium 7:24: Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat u hun naam van onder de hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, totdat u hen zult hebben verdelgd. Deuteronomium 25:19: Het zal dan gebeuren, als u YHWH, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, om dat erfelijk te bezitten, dat u de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet! Deuteronomium 29:20: YHWH zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn en ijver van YHWH roken over dezelfde man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en YHWH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. 2 Koningen 14:27: En YHWH had niet gesproken, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas.

### Klaagliederen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/klaagliederen/4.json)

*Verdere klacht over de erbarmelijke toestand van het Joodse volk, vers 1 enz. met belijdenis dat het de schuld van hun zonden is, 6. De ellende die de voornaamsten overkomen is, 7. De vrouwen hebben hun kinderen gedood en gekookt, 10. De zonde van de valse profeten en priesters, 13. De vergeefse hoop van het volk, 17. De koning van het Joodse volk gevangen, 20. Voorzegging van de wraak van God over Edom, 21. en vertroosting van het volk van God, 22.*

**1** א Aleph.[^klaagliederen-4-1-1] Hoe is[^klaagliederen-4-1-2] het[^klaagliederen-4-1-3] goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn[^klaagliederen-4-1-4] de stenen van het[^klaagliederen-4-1-5] heiligdom vooraan op alle straten[^klaagliederen-4-1-6] verworpen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v1)

**2** ב Beth.[^klaagliederen-4-2-7] De kostelijke kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat,[^klaagliederen-4-2-8] hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen van een pottenbakker! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v2)

**3** ג Gimel. Zelfs laten de[^klaagliederen-4-3-9] zeekalveren de borsten neer, zij zogen hun welpen; maar de dochter van mijn volk is[^klaagliederen-4-3-10] als een wrede geworden, zoals de struisvogels in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v3)

**4** ד Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte[^klaagliederen-4-4-11] van dorst; de kinderen eisen[^klaagliederen-4-4-12] brood, er is niemand, die het[^klaagliederen-4-4-13] hun mededeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v4)

**5** ה He. Die[^klaagliederen-4-5-14] lekkernijen aten, versmachten nu op de straten;[^klaagliederen-4-5-15] die in[^klaagliederen-4-5-16] karmozijn opgetrokken zijn,[^klaagliederen-4-5-17] omhelzen de mest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v5)

**6** ו Vau. En de[^klaagliederen-4-6-18] ongerechtigheid van de dochter van mijn volk[^klaagliederen-4-6-19] is groter dan de zonden van Sodom, dat als[^klaagliederen-4-6-20] in een ogenblik omgekeerd werd, en[^klaagliederen-4-6-21] geen handen hadden arbeid over haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v6)

**7** ז Zain.[^klaagliederen-4-7-22] Haar[^klaagliederen-4-7-23] bijzondersten[^klaagliederen-4-7-24] waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen,[^klaagliederen-4-7-25] gladder dan een saffier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v7)

**8** ח Cheth. Maar nu is[^klaagliederen-4-8-26] hun gedaante verduisterd[^klaagliederen-4-8-27] van zwartigheid,[^klaagliederen-4-8-28] men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen,[^klaagliederen-4-8-29] zij is verdord, zij is geworden als een hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v8)

**9** ט Teth. De verslagenen van het zwaard zijn[^klaagliederen-4-9-30] gelukkiger dan[^klaagliederen-4-9-31] de verslagenen van de honger; want[^klaagliederen-4-9-32] die[^klaagliederen-4-9-33] stromen daarheen, als doorstoken zijnde,[^klaagliederen-4-9-34] omdat er geen vruchten van de velden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v9)

**10** י Jod.[^klaagliederen-4-10-35] De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar[^klaagliederen-4-10-36] tot voedsel geworden[^klaagliederen-4-10-37] in de verbreking van de dochter van mijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v10)

**11** כ Caph. YHWH heeft Zijn woede[^klaagliederen-4-11-38] volbracht, Hij heeft de hitte van Zijn toorn uitgestort; en[^klaagliederen-4-11-39] Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten verteerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v11)

**12** ל Lamed.[^klaagliederen-4-12-40] De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners van de wereld, dat[^klaagliederen-4-12-41] de tegenstander en vijand[^klaagliederen-4-12-42] tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v12)

**13** מ Mem.[^klaagliederen-4-13-43] Het is vanwege de zonden van haar profeten, en de misdaden van haar priesters,[^klaagliederen-4-13-44] die in het midden van haar het bloed van de rechtvaardigen vergoten hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v13)

**14** נ Nun.[^klaagliederen-4-14-45] Zij[^klaagliederen-4-14-46] zwierven[^klaagliederen-4-14-47] als blinden op de straten, zij waren[^klaagliederen-4-14-48] met bloed besmet, zodat men[^klaagliederen-4-14-49] niet kon zien,[^klaagliederen-4-14-50] of men raakte hun kleren aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v14)

**15** ס Samech.[^klaagliederen-4-15-51] Zij riepen tot hen: Wijk, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan![^klaagliederen-4-15-52] Zeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven;[^klaagliederen-4-15-53] zij zeiden onder de heidenen:[^klaagliederen-4-15-54] Zij[^klaagliederen-4-15-55] zullen er niet langer wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v15)

**16** פ Pe.[^klaagliederen-4-16-56] Het aangezicht van YHWH[^klaagliederen-4-16-57] heeft[^klaagliederen-4-16-58] ze verdeeld. Hij zal ze[^klaagliederen-4-16-59] voortaan niet meer aanzien;[^klaagliederen-4-16-60] zij hebben het aangezicht van de priesters[^klaagliederen-4-16-61] niet geëerd, zij hebben[^klaagliederen-4-16-62] de ouden geen genade bewezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v16)

**17** ע Ain.[^klaagliederen-4-17-63] Nog bezweken ons onze ogen,[^klaagliederen-4-17-64][^klaagliederen-4-17-65] ziende naar onze ijdele[^klaagliederen-4-17-a] hulp; wij gaapten met ons gapen[^klaagliederen-4-17-66] op een volk, dat niet kon verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v17)

**18** צ Tsade.[^klaagliederen-4-18-67] Zij[^klaagliederen-4-18-68] hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden;[^klaagliederen-4-18-69] ons einde is genaderd,[^klaagliederen-4-18-70] onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v18)

**19** ק Koph.[^klaagliederen-4-19-71] Onze vervolgers zijn[^klaagliederen-4-19-72] sneller geweest dan de adelaars[^klaagliederen-4-19-73] van de[^klaagliederen-4-19-74] hemel; zij hebben ons op de bergen hevig vervolgd, in de woestijn hebben zij ons hinderlagen gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v19)

**20** ר Resch. De[^klaagliederen-4-20-75] adem van onze neuzen,[^klaagliederen-4-20-76] de gezalfde van YHWH,[^klaagliederen-4-20-77] is gevangen in hun groeven;[^klaagliederen-4-20-78] van welke wij[^klaagliederen-4-20-79] zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven[^klaagliederen-4-20-80] onder de heidenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v20)

**21** ש Schin.[^klaagliederen-4-21-81] Wees vrolijk, en verblijd u,[^klaagliederen-4-21-82] u dochter Edoms, die[^klaagliederen-4-21-83] in het land[^klaagliederen-4-21-84] Uz woont![^klaagliederen-4-21-85] maar de beker zal ook tot u komen,[^klaagliederen-4-21-86] u zult dronken worden, en[^klaagliederen-4-21-87] ontbloot worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v21)

**22** ת Thau.[^klaagliederen-4-22-88] Uw ongerechtigheid[^klaagliederen-4-22-89] heeft een einde, o u dochter van Sion![^klaagliederen-4-22-90] Hij zal u niet meer als gevangene doen wegvoeren; maar uw[^klaagliederen-4-22-91] ongerechtigheid, o u dochter Edoms![^klaagliederen-4-22-92] zal[^klaagliederen-4-22-93] Hij bezoeken; Hij zal uw zonden[^klaagliederen-4-22-94] ontdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/4.html#v22)

[^klaagliederen-4-1-1]: Kanttekening 1: Dit is ene vraag met droefenis en verwondering, gelijk Klaagl. 1:1. Klaagliederen 1:1: Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is schatplichtig geworden.
[^klaagliederen-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 het goud: Die heerlijke tempel, blinkende van goud, waarmee hij versierd en ten dele overdekt en overtrokken was van binnen. Zie 1 Kon. 6:20, 6:21, enz.; 2 Kron. 3:4, 3:5, 3:6. 1 Koningen 6:20: En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar. 1 Koningen 6:21: En Salomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang heen door met gouden ketenen, en overtoog die met goud. 2 Kronieken 3:4: En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud. 2 Kronieken 3:5: Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk. 2 Kronieken 3:6: Hij overtoog ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parvaim.
[^klaagliederen-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 zo verdonkerd: Doordien de Chaldeën de tempel afbrekende, alles bestoven en verduisterd is geworden. Hebreeuws, bedekt.
[^klaagliederen-4-1-4]: Kanttekening 4: 4 de stenen van het heiligdom: Of, de stenen van de heiligheid; dat is, die aan het gebouw van de tempel geweest zijn, die aardig en kunstiglijk gehouwen en gepolijst waren, 1 Kon. 5:17, 5:18, en 1 Kon. 6:7. Vergelijk hiermede de stenen van de tweede tempel; Matt. 24:2; Luk. 19:44. 1 Koningen 5:17: Als de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen toe, kostelijke stenen, gehouwen stenen, om de grond van dat huis te leggen. 1 Koningen 5:18: En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. 1 Koningen 6:7: Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zoals die toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd. Mattheüs 24:2: En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet een steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Lukas 19:44: En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de enen steen op de anderen steen niet laten; daarom dat u de tijd uw bezoeking niet bekend hebt.
[^klaagliederen-4-1-5]: Kanttekening 5: 5 vooraan op alle straten: Dat is, aan de einden en hoeken van de straten verstrooid, als van geen waarde zijnde; vergelijk boven Klaagl. 2:11, 2:12, 2:19, en Ps. 79. Klaagliederen 2:11: Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter van mijn volk; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de stad in onmacht zinken; Klaagliederen 2:12: Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot hun moeders. Klaagliederen 2:19: Koph. Maak u op, maak geschrei van de nacht in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heer als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.
[^klaagliederen-4-1-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, uitgestort.
[^klaagliederen-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 De kostelijke kinderen van Sion: Dat is, de treffelijkste en geachtste mannen van de stad en van het land; zie dusdanige gelijkenissen Job 28:16, enz. Job 28:16: Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen de kostelijke Schoham, en de Saffier.
[^klaagliederen-4-2-8]: Kanttekening 8: 8 hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen: Hoe zijn zij nu zo onwaard en verachtzaam geworden, gelijk aarden vaten; vergelijk Jes. 30:14. Jesaja 30:14: Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
[^klaagliederen-4-3-9]: Kanttekening 9: Anders, zeehonden. Enige vertalen hier het Hebreeuwse woord draken, maar dat schijnt hier niet wel te passen, omdat er geen soort van aardse draken is, die borsten heeft. Anders betekent het Hebreeuwse woord allerlei kruipende monsterdieren, die op de aarde of in de wateren zijn. De zeekalveren zijn van zulken aard, dat zij in het water en ook op het land leven, en zij leggen haar jongen aan de oever van de wateren, en zij komen tot hen, en geven ze de borst, hen zolang op het land latende liggen, totdat zij het water verdragen kunnen; zie Plin. lib. 9, hoofdstuk 13. Als de profeet hier zegt dat de zeekalveren de borsten nederlaten om hun welpen te zogen, dat is alsof hij zei: De zeekalveren komen vrijmoedig aan de oever van het water en geven haar welpen de borst, die zij daar een tijdlang gerustelijk mogen laten liggen; maar de dochter van mijn volk, dat is de moeders, die onder mijn volk zuigende kinderen hebben, lijden zulken hongersnood, dat zij haar kinderen niet kunnen zogen, en worden ook met haar kleine kinderen zo gehaat, verdreven en vervolgd van de ene plaats tot de andere, dat zij gene plaats noch rust hebben om haar kinderen met vrede te zogen; maar zij is gelijk de struisen \[of uilen\], die van de andere vogels in de wildernissen worden gehaat, gejaagd en vervolgd. Vergelijk Job 30:29. Job 30:29: Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen.
[^klaagliederen-4-3-10]: Kanttekening 10: 10 als een wrede geworden: Hebreeuws, tot een wrede. Anders: moet onbarmhartig zijn. Anders: vanwege de wreden; te weten tirannen, vervolgers.
[^klaagliederen-4-4-11]: Kanttekening 11: 11 van dorst: Omdat zijn moeders borsten droog en zonder melk zijn.
[^klaagliederen-4-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, voedsel, gelijk boven Klaagl. 1:11. Klaagliederen 1:11: Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, YHWH, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.
[^klaagliederen-4-4-13]: Kanttekening 13: Zie Jes. 58:7, van de betekenis van het Hebreeuwse woord. Hier is de zin: Niemand deelt de kinderen brood mee, doordien zij het zelf niet hebben, en daarom moeten de kleine kinderen van honger en van dorst vergaan. Jesaja 58:7: Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt?
[^klaagliederen-4-5-14]: Kanttekening 14: 14 lekkernijen aten: Lekker voedsel, het allerlekkerste.
[^klaagliederen-4-5-15]: Kanttekening 15: 15 die in: Dat is, die op het allerkostelijkst plegen gekleed te gaan.
[^klaagliederen-4-5-16]: Kanttekening 16: 16 karmozijn opgevoed zijn: Zie Jes. 1:18. Jesaja 1:18: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt YHWH; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
[^klaagliederen-4-5-17]: Kanttekening 17: 17 omhelzen de drek: Dat is, die liggen nu en wentelen zich op de mesthopen en in de vuiligheden van de straten, of zij eten drek; vergelijk 2 Kon. 6:25. 2 Koningen 6:25: En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.
[^klaagliederen-4-6-18]: Kanttekening 18: 18 ongerechtigheid van de dochter van mijn volk: Men kan door de woorden ongerechtigheid en zonde hier verstaan òf ongerechtigheid en zonde zelve, òf de straffen van die. Zie Lev. 5:1. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^klaagliederen-4-6-19]: Kanttekening 19: 19 is groter: Zo ten aanzien van de straf zelve als ten aanzien van de duurzaamheid derzelve.
[^klaagliederen-4-6-20]: Kanttekening 20: 20 in een ogenblik omgekeerd werd: Dat is, haastig, plotseling, onvoorziens, gelijk Ps. 6:11; zie Gen. 19:25; Ez. 16:46, 16:47, enz. Psalmen 6:11: Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. Genesis 19:25: En Hij keerde deze steden om, en die gehele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. Ezechiël 16:46: Uw grote zus nu is Samaria, zij en haar dochters, die woont aan uw linkerhand; maar uw zus, die kleiner is dan u, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochters. Ezechiël 16:47: Maar u hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar u hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.
[^klaagliederen-4-6-21]: Kanttekening 21: 21 geen handen: Dat is, mensenhanden hebben geen moeite gehad om Sodom uit te roeien, maar God heeft het gedaan zonder middel van mensen; maar met Jeruzalem is het geheel anders geweest. Anders: daar bleven geen handen aan, of in hen, dat is gene kracht; zij werden in de haast geheel vernield, daartegen in het Joodse land en in Jeruzalem zijn de legers van de Chaldeën lang gebleven, het volk steeds kwellende en plagende; Sodom werd plotseling en als in één ogenblik het onderst boven gekeerd \[Gen. 19\] door de hand van God, zonder dat er legers van soldaten toe zijn gebruikt geworden.
[^klaagliederen-4-7-22]: Kanttekening 22: Te weten van de dochter van mijn volk.
[^klaagliederen-4-7-23]: Kanttekening 23: Dat is, de voortreffelijksten en aanzienlijksten, afgezondersten. Hebreeuws, nezirim, nazireën. Aldus werden die genoemd onder Joden, die een bijzondere manier van leven te onderhouden beloofd hadden, zekere spijzen niet etende, geen wijn of dronken makenden drank nuttigende, en het haar niet afscherende, Num. 6:2, 6:3, 6:4, enz. Zie Richt. 13:5, en Richt. 16:17; 1 Sam. 1:11; Luk. 1:15. Maar somtijds betekent het zodanige personen, die anderen overtreffen in waardigheid en voortreffelijkheid. Aldus wordt Jozef genoemd een afgezonderde onder zijn broers, Gen. 49:26. Numeri 6:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich YHWH af te zonderen; Numeri 6:3: Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. Numeri 6:4: Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Richteren 16:17: Zo verklaarde hij haar zijn gehele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijn moeders buik af; als ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen. 1 Samuël 1:11: En zij beloofde een gelofte, en zei: YHWH van de legermachten, zo U eenmaal de ellende van Uw dienstmaagd aanziet, en mijn gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat YHWH geven al de dagen zijn levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. Lukas 1:15: Want hij zal groot zijn voor de Heer; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf aan. Genesis 49:26: De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijn voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderden zijn broers!
[^klaagliederen-4-7-24]: Kanttekening 24: 24 waren reiner dan de sneeuw: Te weten voordat het Joodse land in deze ellendigen stand vervallen was.
[^klaagliederen-4-7-25]: Kanttekening 25: 25 gladder dan een saffier: Hebreeuws, haar snijding, of polijsting, of gravering, was, als van de saffier, dat is, zo zuiver, alsof zij uit een saffier gesneden waren. Of, zij waren als glad saffier.
[^klaagliederen-4-8-26]: Kanttekening 26: 26 hun gedaante verduisterd: Dat is, hun schoonheid.
[^klaagliederen-4-8-27]: Kanttekening 27: 27 van zwartigheid: Spruitende uit de grote honger, de ziekte, en ook andere ellenden en kwellingen, die zij geleden hebben. Vergelijk Job 30:30. Anders: duisterder dan de zwartigheid zelve. Job 30:30: Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.
[^klaagliederen-4-8-28]: Kanttekening 28: 28 men kent hen niet: Hebreeuws, zij worden niet gekend, enz., zij zijn zo veranderd dat wie hen op de straat ontmoet, die kent hen niet voor die mensen, die zij tevoren waren.
[^klaagliederen-4-8-29]: Kanttekening 29: 29 zij is verdord: Of, zij zijn verdord, zij zijn als een hout, zo dor en zo hard alsof het een stuk hout ware. Zie onder Klaagl. 5:10. Klaagliederen 5:10: Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege de geweldigen storm van de honger.
[^klaagliederen-4-9-30]: Kanttekening 30: 30 gelukkiger dan: Hebreeuws, beter.
[^klaagliederen-4-9-31]: Kanttekening 31: 31 de verslagenen van de honger: Want die door of met het zwaard omgebracht worden, lijden zolang pijn niet als die allengs van honger sterven.
[^klaagliederen-4-9-32]: Kanttekening 32: Te weten die van honger sterven.
[^klaagliederen-4-9-33]: Kanttekening 33: 33 stromen daarheen: Dat is, zij sterven allengskens.
[^klaagliederen-4-9-34]: Kanttekening 34: 34 omdat er geen vruchten van de velden zijn: Dat is, bij gebrek van het voedsel, dat de aarde gewoon is de mensen te geven, zijn zij dor en zo mager geworden, dat hun de beenderen schier het vel doorsteken. Vergelijk Ps. 109:24. Psalmen 109:24: Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
[^klaagliederen-4-10-35]: Kanttekening 35: 35 De handen van de barmhartige vrouwen: Of, de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen met \[haar\] handen gekookt. Zie boven Klaagl. 2:20, 2:22; Lev. 26:29; Deut. 28:53; 2 Kon. 6:29. Klaagliederen 2:20: Resch. Zie, YHWH, aanschouw toch, aan wie U zo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderen, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom van YHWH gedood worden? Klaagliederen 2:22: Thau. U hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan de dag van de toorn van YHWH ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht. Leviticus 26:29: Want u zult het vlees uw zonen eten, en het vlees uw dochters zult u eten. Deuteronomium 28:53: En u zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uw zonen en uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen 2 Koningen 6:29: Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik van de anderen daags tot haar zei: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstopt.
[^klaagliederen-4-10-36]: Kanttekening 36: 36 tot voedsel geworden: Hebreeuws, om te eten, of te spijzen.
[^klaagliederen-4-10-37]: Kanttekening 37: 37 in de verbreking: Dat is, te die tijde als Jeruzalem is uitgeroeid geworden.
[^klaagliederen-4-11-38]: Kanttekening 38: Dat is, Hij heeft niets nagelaten, dat diende tot bewijs van zijn toorn over zijn volk, naar de voorzegging van de profetieën.
[^klaagliederen-4-11-39]: Kanttekening 39: 39 Hij heeft te Sion: Dat is, Hij heeft een verterende vlam in Jeruzalem gezonden, die niet alleen de daken van de huizen, maar ook de fondamenten zelf verteerd heeft, geen overblijfsel daarvan overig latende, noch enige hoop van wederopbouwing.
[^klaagliederen-4-12-40]: Kanttekening 40: 40 De koningen van de aarde: Toen het Joodse land en de stad Jeruzalem in hun bloei waren, werden zij zeer groot geacht en zeer gevreesd van al de omliggende koningen en natiën. Zie Deut. 28, en Ps. 48, de beloften, en ook de dreigementen, die God het Joodse volk doende is.
[^klaagliederen-4-12-41]: Kanttekening 41: 41 de tegenstander en vijand: Te weten van de Joden.
[^klaagliederen-4-12-42]: Kanttekening 42: 42 tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan: Zijnde Jeruzalem niet alleen sterk van ligging en bouw, maar ook had het de Heer vele jaren krachtiglijk beschermd, tot verwondering van de gehele wereld.
[^klaagliederen-4-13-43]: Kanttekening 43: 43 Het is vanwege de zonden haar profeten: De zin is: De oorzaak, die God bewogen heeft aldus met Jeruzalem te handelen, was de grote zonde, die niet alleen het gemene volk begaan had, maar ook de profeten en de priesters, \[versta, de valse profeten en priesters\], die het volk hadden behoren te onderwijzen en in alle gerechtigheid voor te gaan. Zie Jer. 5:31, en Jer. 23:21. Jeremia 5:31: De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u ten einde daarvan maken? Jeremia 23:21: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
[^klaagliederen-4-13-44]: Kanttekening 44: 44 die in het midden van haar: Dat is, die tot zulke hoogte en gruwel van de zonden zijn opgeklommen, dat zij door de magistraten en anders gedood hebben degenen, die rechtvaardiger waren dan zij; Jer. 26:11; Matt. 23:34. Jeremia 26:11: Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als u met uw oren gehoord hebt. Mattheüs 23:34: Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en daaruit zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen daaruit zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
[^klaagliederen-4-14-45]: Kanttekening 45: Te weten die boze mensen, waarvan vers 13 gesproken is. Klaagliederen 4:13: Mem. Het is vanwege de zonden haar profeten, en de misdaden haar priesters, die in het midden van haar het bloed van de rechtvaardigen vergoten hebben.
[^klaagliederen-4-14-46]: Kanttekening 46: Of, zwierden, gingen heen en weer.
[^klaagliederen-4-14-47]: Kanttekening 47: 47 als blinden op de straten: Die noch de waarheid hun van God geopenbaard, noch de straf die hun nakende was, zagen. Zie Jes. 42:18, 42:19. Jesaja 42:18: Hoort, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien. Jesaja 42:19: Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH?
[^klaagliederen-4-14-48]: Kanttekening 48: 48 met bloed besmet: Te weten van de rechtvaardigen, dat zij vergoten hadden.
[^klaagliederen-4-14-49]: Kanttekening 49: 49 niet kon: Nergens kon gaan noch staan. Of, niet voorbij kon, of vermijden kon.
[^klaagliederen-4-14-50]: Kanttekening 50: Doordien deze, te weten, die het rechtvaardig bloed vergoten hadden, hun medeburgers telkens, en zo velen, op de straten ontmoetten. Anderen verstaan vers 14 aldus: Zij te weten de burgers van Jeruzalem, waren vanwege de wreedheid van de vijanden zo verbaasd, dat zij, als blinde mensen, niet wisten waar zij zich keren of wenden zouden. Zij besmetten zich met bloed; omdat zij dus verbaasd waren, zo konden zij niet voorzichtiglijk gaan, maar zij traden, alsof zij blind waren, in het bloed van de doden, zichzelven zo besmettende. Zij roerden met hun kleren aan wat hun niet geoorloofd was, namelijk de dode lichamen, die niemand zonder zich te besmetten aanroeren mocht. Klaagliederen 4:14: Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men niet kon zien, of men raakte hun kleren aan.
[^klaagliederen-4-15-51]: Kanttekening 51: 51 Zij riepen tot hen: De zin schijnt te zijn: Zij, te weten die met bloed besmet waren, riepen tot hen; te weten tot degenen, die hen ontmoetten: Wijkt wijkt, \[zie Lev. 13:45\], aldus vanzelf, door overtuiging van hun eigen consciëntie, bekennende en belijdende dat zij onrein waren; vergelijk Jes. 52:11. Leviticus 13:45: Verder zullen de kleren van de melaatsen, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! Jesaja 52:11: Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt!
[^klaagliederen-4-15-52]: Kanttekening 52: De zin schijnt te zijn: Gelijk de gezonden de aanroering van de melaatsen vermijden, zo willen de vrome en eerbare personen bij de goddeloze mensen niet langer wonen of verkeren, maar zij vluchten hen en trekken van hen weg, zo haastig alsof zij wegvlogen, opdat zij de straffen, hun over het hoofd hangende, niet mee deelachtig zouden worden. Of, men kan het zo verstaan, dat hun hier spottenderwijze wordt toegezegd de goddelijke straf hun verstrooiing en wegzwerving.
[^klaagliederen-4-15-53]: Kanttekening 53: 53 zij zeiden onder de heidenen: Te weten de godzaligen, wonende onder de heidenen, bij wie zij hun toevlucht genomen hadden. Anders: men zei onder de heidenen, enz.; dat is, de heidenen zelf zeiden tot elkaar dat de Joden vanwege hun goddeloosheid noch in hun eigen land noch elders zouden kunnen verblijven.
[^klaagliederen-4-15-54]: Kanttekening 54: Te weten die goddeloze boeven.
[^klaagliederen-4-15-55]: Kanttekening 55: 55 zullen er niet langer wonen: Versta hierbij: Maar de aarde zal hen verslinden, omdat zij zo lelijk met onnozel bloed bevlekt zijn.
[^klaagliederen-4-16-56]: Kanttekening 56: 56 Van YHWH: Dit spreekt de profeet in de persoon van de heidenen.
[^klaagliederen-4-16-57]: Kanttekening 57: Dat is, de toorn van de Heer. Zie de aantekening Lev. 17:10, en Ps. 21:10. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Psalmen 21:10: U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^klaagliederen-4-16-58]: Kanttekening 58: Of, verstrooid; te weten onder de vreemde en wijdgezeten heidenen en natiën.
[^klaagliederen-4-16-59]: Kanttekening 59: 59 niet meer aanzien: Te weten met een blij gelaat, of om hen in genade aan te nemen.
[^klaagliederen-4-16-60]: Kanttekening 60: 60 zij hebben het aangezicht van de priesters: Te weten, de Joden hebben de leraars van de wet, die zij hadden, niet geacht. Anders: \[zij\], te weten de Chaldeën, hebben de priesters niet verschoond.
[^klaagliederen-4-16-61]: Kanttekening 61: 61 niet geëerd: Hebreeuws, niet opgenomen.
[^klaagliederen-4-16-62]: Kanttekening 62: 62 de ouden: Of, de oudsten, dat is, de overheden noch priesters.
[^klaagliederen-4-17-63]: Kanttekening 63: 63 Nog bezweken ons onze ogen: Dat is, niettegenstaande al onze ellenden, gaapten wij nog zeer naar zulke hulp, die ons niet bevorderlijk kon wezen. Anders: \[toen wij nog waren\], te weten in ons vaderland en in goeden welstand.
[^klaagliederen-4-17-64]: Kanttekening 64: Of, vanwege onze ijdele hulp.
[^klaagliederen-4-17-65]: Kanttekening 65: 65 naar onze ijdele hulp: Naar de hulp, die ons uit Egypte en van elders komen zou. Zie Jer. 37:7, 37:9. Jeremia 37:7: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; Jeremia 37:9: Zo zegt YHWH: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.
[^klaagliederen-4-17-a]: Verwijzing a: Ez. 29:16. Ezechiël 29:16: En het zal de huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen, dat van de ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij naar henlieden omzien; maar zij zullen weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^klaagliederen-4-17-66]: Kanttekening 66: 66 op een volk: Te weten op de Egyptenaars.
[^klaagliederen-4-18-67]: Kanttekening 67: Te weten de Chaldeën.
[^klaagliederen-4-18-68]: Kanttekening 68: 68 hebben onze gangen nagespeurd: De zin is: Zij hebben katten of hoogten opgeworpen voor onze stad, uit welke zij in onze stad zien konden, en ons uit die zo benauwen, dat wij onze straten niet vrij gebruiken konden. Vergelijk 2 Kon. 25:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan van de koning hof waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van de vlakken velds.
[^klaagliederen-4-18-69]: Kanttekening 69: 69 ons einde is genaderd: Alsof hij zei: Die bovenverhaalde zwarigheden, die ons overkomen, zijn gewisse tekenen en voorboden, dat wij haast zullen uitgeroeid worden.
[^klaagliederen-4-18-70]: Kanttekening 70: 70 dagen zijn vervuld: Te weten de dagen van ons leven, of de dagen van ons verderf, of de dagen van onze welstand.
[^klaagliederen-4-19-71]: Kanttekening 71: 71 Onze vervolgers: Te weten de Chaldeën.
[^klaagliederen-4-19-72]: Kanttekening 72: 72 sneller geweest: Hebreeuws, lichter. Vergelijk Jer. 4:13. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest!
[^klaagliederen-4-19-73]: Kanttekening 73: 73 van de hemel: Dat is, van de lucht, gelijk Matt. 6, waar staat: De vogels van de hemel; dat is, van de lucht, die in de lucht of in de hoogte vliegen.
[^klaagliederen-4-19-74]: Kanttekening 74: 74 zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd: De zin is: Of wij onze toevlucht tot de bergen namen, of dat wij ons in de bossen verbergden, zo konden onze vijanden ons overal wel vinden.
[^klaagliederen-4-20-75]: Kanttekening 75: 75 adem onzer neuzen: Dat is, hij door wie wij ademhalen, op welke wij ons verlieten en hoopten rust en welvaart door hem te verkrijgen.
[^klaagliederen-4-20-76]: Kanttekening 76: 76 de gezalfde van YHWH: Dat is, onze koning, te weten Zedekia, die van God tot onze koning beschikt was. Sommigen verstaan het van de koning Josia, anderen van Jechonia. Van de zalving van de koningen zie 1 Kon. 1:34. 1 Koningen 1:34: En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!
[^klaagliederen-4-20-77]: Kanttekening 77: 77 is gevangen in hun groeven: Dat is, hij is gevallen in de strikken of lagen zijn vijanden; Jer. 52:8, 52:9. Dat hier de kwaden koning Zedekia die heerlijke titel gegeven wordt, dat moet niemand wonder geven; Saul wordt ook genoemd de gezalfde van de Heer. Dit geschiedt niet ten aanzien van hun persoon, maar ten aanzien van hun ambt, dat zij bedienden. Jeremia 52:8: Maar het legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.
[^klaagliederen-4-20-78]: Kanttekening 78: 78 van welke wij zeiden: Dat is, waarvan wij zulke hoop hadden, dat wij bij onszelven dachten en onszelven inbeeldden.
[^klaagliederen-4-20-79]: Kanttekening 79: 79 Wij zullen onder zijn schaduw leven: Dat is, wij zullen door hem verkwikt worden in de zware hitte van de grote vervolgingen; zie deze zelfde gelijkenis Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel daaraan voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
[^klaagliederen-4-20-80]: Kanttekening 80: 80 onder de heidenen: Te weten, ofschoon wij onder vele vreemde natiën van de heidenen verstrooid worden.
[^klaagliederen-4-21-81]: Kanttekening 81: 81 Wees vrolijk: Dit spreekt de profeet spottenderwijze tot de vijanden van de Joden, alsof hij zei: Neemt uwe geneugte van ons, zolang als God u geweld over ons geeft.
[^klaagliederen-4-21-82]: Kanttekening 82: 82 u dochter Edoms: De zin is: Verblijdt u, al onze vijanden, maar in het bijzonder, u Edomieten, u die zo wreed over ons geweest bent. Ziet Ps. 137:7. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
[^klaagliederen-4-21-83]: Kanttekening 83: 83 in het land: Of, bij het land.
[^klaagliederen-4-21-84]: Kanttekening 84: Van het land zie Gen. 10:23, en Job 1:1. Genesis 10:23: En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. Job 1:1: Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.
[^klaagliederen-4-21-85]: Kanttekening 85: 85 de beker: Te weten de beker van de toorn van God. De zin is: De slaande roede van de hand van de Heer zal niet alleen ons treffen, maar u zult er uw deel ook van hebben. Zie de aantekening Ps. 11:6. Zie ook Jer. 25:15; Micha 7:8; Obad.:16. Psalmen 11:6: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Micha 7:8: Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal YHWH mij een licht zijn. Obadja 1:16: Want gelijk u gedronken hebt op de berg Mijn heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn als of zij er niet geweest waren.
[^klaagliederen-4-21-86]: Kanttekening 86: 86 u zult dronken worden: Dat is, u zult ook Gods straffen overvloediglijk gevoelen.
[^klaagliederen-4-21-87]: Kanttekening 87: 87 ontbloot worden: Dat is, uwe schande en oneer zal voor alle mans ogen openbaar worden. Anders: gelijk de dronken mensen plegen te doen. Zie Gen. 9:21. Genesis 9:21: En hij dronk van die wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijn tent.
[^klaagliederen-4-22-88]: Kanttekening 88: 88 Uw ongerechtigheid: Dat is, de straf uw ongerechtigheid. Zie boven vers 6. Klaagliederen 4:6: Vau. En de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar.
[^klaagliederen-4-22-89]: Kanttekening 89: 89 heeft een einde: Dat is, zij zal voorzeker haast een einde nemen. Zie de aantekening Jes. 40:2. De profeet schijnt hier te zien op de zeventigjarige gevangenschap van de Joden, waarmee de toorn van de Heer voor dat maal gestild was. Jesaja 40:2: Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van YHWH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
[^klaagliederen-4-22-90]: Kanttekening 90: 90 Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren: Te weten de Heer zal u niet geduriglijk noch altijd in deze gevangenis en ballingschap laten blijven, maar Hij zal u eindelijk daaruit verlossen en weer in uw vaderland brengen, en hierna niet opnieuw aldus met zulke gevangenschap of wegvoering straffen, gelijk Hij nu gedaan heeft. Maar versta hierbij, tenzij dat u mij opnieuw met uw gruwelijke en langdurige zonden daartoe dwingt, gelijk geschied is ten tijde als God in zijn rechtvaardigen toorn door Vespasianus en Titus de stad Jeruzalem geheel heeft laten verwoesten, de tempel verbranden, de gehele natie verdelgen, wegvoeren, verkopen en door de gehele wereld verstrooien.
[^klaagliederen-4-22-91]: Kanttekening 91: 91 o u dochter Edoms: U die nu machtig en weelderig bent.
[^klaagliederen-4-22-92]: Kanttekening 92: Te weten in zijn toorn.
[^klaagliederen-4-22-93]: Kanttekening 93: 93 Hij bezoeken; Hij zal: Hebreeuws, Hij heeft bezocht, Hij heeft ontdekt. Profetischerwijze gesproken.
[^klaagliederen-4-22-94]: Kanttekening 94: Dat is, aan de dag brengen door de straffen, waarmee Hij u straffen zal. Daarentegen wordt de Heer gezegd die de zonden te bedekken, wie Hij ze vergeeft; Ps. 32:1. Psalmen 32:1: Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

### Klaagliederen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/klaagliederen/5.json)

*Dit is een ootmoedig gebed waarin de profeet de Heere de grote ellende van het Joodse volk voorhoudt, vers 1 enz. al hun zonden en overtredingen erkennend, 16. En biddend om genade en verlossing, 19.*

**1** [^klaagliederen-5-1-1] Gedenk, YHWH, wat ons gebeurd is, aanschouw het, en zie[^klaagliederen-5-1-2] onze smaad aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v1)

**2** [^klaagliederen-5-2-3] Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de buitenlanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v2)

**3** Wij zijn wezen[^klaagliederen-5-3-4] zonder vader, onze moeders[^klaagliederen-5-3-5] zijn als de weduwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v3)

**4** [^klaagliederen-5-4-6] Ons water moeten wij voor geld drinken;[^klaagliederen-5-4-7] ons hout komt ons op prijs te staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v4)

**5** Wij lijden vervolging[^klaagliederen-5-5-8] op onze halzen;[^klaagliederen-5-5-9] zijn wij moe, men laat ons geen rust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v5)

**6** [^klaagliederen-5-6-10] Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven, en de Assyriër,[^klaagliederen-5-6-11] om met brood verzadigd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v6)

**7** [^klaagliederen-5-7-12] Onze vaders hebben gezondigd,[^klaagliederen-5-7-13][^klaagliederen-5-7-14] en zijn niet meer,[^klaagliederen-5-7-15] en wij dragen hun ongerechtigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v7)

**8** [^klaagliederen-5-8-16] Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun[^klaagliederen-5-8-17] hand rukke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v8)

**9** Wij moeten[^klaagliederen-5-9-18] ons brood[^klaagliederen-5-9-19] met gevaar van ons leven halen,[^klaagliederen-5-9-20] vanwege het zwaard van de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v9)

**10** [^klaagliederen-5-10-21] Onze huid is zwart geworden gelijk een oven,[^klaagliederen-5-10-22] vanwege de geweldige storm van de honger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v10)

**11** Zij hebben de vrouwen te Sion[^klaagliederen-5-11-23] verkracht, en de meisjes in de steden van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v11)

**12** [^klaagliederen-5-12-24] De vorsten zijn door hun hand opgehangen;[^klaagliederen-5-12-25] de gezichten van de ouden zijn niet geëerd geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v12)

**13** [^klaagliederen-5-13-26] Zij hebben de jongemannen weggenomen, om[^klaagliederen-5-13-27] te malen, en[^klaagliederen-5-13-28] de jongens struikelen onder het hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v13)

**14** De[^klaagliederen-5-14-29] ouden houden op van de poort, de jongemannen[^klaagliederen-5-14-30] van hun snarenspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v14)

**15** De vreugde van ons[^klaagliederen-5-15-31] hart houdt op,[^klaagliederen-5-15-32] onze rei is in treurigheid veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v15)

**16** [^klaagliederen-5-16-33] De kroon van ons hoofd is afgevallen; o wee nu over ons, dat wij zo gezondigd hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v16)

**17** Daarom is ons hart[^klaagliederen-5-17-34] mat,[^klaagliederen-5-17-35] om deze dingen zijn onze ogen duister geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v17)

**18** [^klaagliederen-5-18-36] Omwille van de berg Sion, die verwoest is, waar[^klaagliederen-5-18-37] de vossen op lopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v18)

**19** [^klaagliederen-5-19-38] U, o YHWH,[^klaagliederen-5-19-39] zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v19)

**20** Waarom zou U ons[^klaagliederen-5-20-40] steeds[^klaagliederen-5-20-41] vergeten?[^klaagliederen-5-20-42] Waarom zou U ons[^klaagliederen-5-20-43] zo lange tijd verlaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v20)

**21** YHWH,[^klaagliederen-5-21-44] bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn;[^klaagliederen-5-21-45] vernieuw onze dagen[^klaagliederen-5-21-46] als van ouds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v21)

**22** [^klaagliederen-5-22-47] Want zou U ons[^klaagliederen-5-22-48] geheel verwerpen? Zou U zozeer tegen ons toornig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/klaagliederen/5.html#v22)

[^klaagliederen-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat is menselijkerwijze van God gesproken, welke geen ding vergeet; zie Gen. 8:1. Sommigen menen dat dit hoofdstuk een klacht en gebed is, van de profeet de Joden voorgeschreven om dagelijks gesproken en voor God voorgedragen te worden. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^klaagliederen-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 onze smaad aan: Dat is, de smaad, die ons wordt aangedaan. Zie van deze manier van spreken de aantekening Jer. 2:2. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid uw jeugd, van de liefde uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^klaagliederen-5-2-3]: Kanttekening 3: 3 Ons erfdeel: Dat is, onze landerijen en huizen, in het land Kanaän gelegen, zijn ons afgenomen en anderen gegeven, te weten de Chaldeën en Assyriërs.
[^klaagliederen-5-3-4]: Kanttekening 4: 4 zonder vader: Onze vaders zijnde òf door het zwaard gedood, òf aan de pest gestorven, òf in slavernij weggevoerd en in armoede vergaan.
[^klaagliederen-5-3-5]: Kanttekening 5: 5 zijn als de weduwen: Dat is, het gaat hun gelijk het de weduwen pleegt te gaan.
[^klaagliederen-5-4-6]: Kanttekening 6: 6 Ons water: Het water onzer fonteinen en onze waterputten, dat ons eigenlijk toekomt, daar moeten wij geld voor geven. Enige verstaan dit van de tijd gedurende de belegering van de stad Jeruzalem.
[^klaagliederen-5-4-7]: Kanttekening 7: 7 ons hout: Dat is, ons eigen hout, dat in onze bossen gewassen is, moeten wij de vreemdelingen of soldaten afkopen. Versta dit ook van andere behoeften en noodwendigheden, als koren, wijn, kleren, enz.
[^klaagliederen-5-5-8]: Kanttekening 8: 8 op onze halzen: Dat is, van degenen, die ons op de hals liggen, gelijk het sommigen hier overzetten; dat is, van degene, die ons hard persen en onbarmhartig tot de arbeid drijven. Zie het tegendeel Hos. 11:4. Anders: op onze halzen; te weten dragende een zeer zwaar juk van de harde dienstbaarheid op onze halzen. Hosea 11:4: Ik trok ze met mensenzelen, met touwen van de liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe.
[^klaagliederen-5-5-9]: Kanttekening 9: 9 zijn wij moe: Of, wij zijn moe.
[^klaagliederen-5-6-10]: Kanttekening 10: 10 Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven: Dat is, wij hebben met de Egyptenaars vrede en verbond gemaakt, hopende door hen te zullen beschermd of verlost worden.
[^klaagliederen-5-6-11]: Kanttekening 11: 11 om met brood verzadigd te worden: Dat is, dat hij ons slechts zoveel geve, dat wij onze hongerige magen mogen verzadigen.
[^klaagliederen-5-7-12]: Kanttekening 12: 12 Onze vaders hebben gezondigd: Dat is, onze voorouders.
[^klaagliederen-5-7-13]: Kanttekening 13: Alsof zij zeiden: Onze voorouders zijn veel verdragelijker behandeld dan wij, want als zij gezondigd hebben, zo in de woestijn als in het land Kanaän, zo zijn zij daarover met de dood gestraft geworden, òf de vijanden hebben hen gedood, òf de venijnige slangen hebben hen gestoken, òf zij zijn van de aarde verslonden, òf aan de pest gestorven \[zie 1 Kor. 10\]; maar wij moeten de straffen van hun en onze zonden dragen \[zie boven Klaagl. 3:39, en Klaagl. 4:6, 4:22\], niet alleen met ene, maar met verscheidene belegeringen, niet alleen met wegvoering in de Babylonische gevangenschap, maar ook met al de ellenden, die wij daar lijden en uitstaan moeten, zodat het ons beter en verdragelijker ware eens te sterven dan aldus te leven en vele doden te sterven in langdurige ellende. Klaagliederen 3:39: Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Klaagliederen 4:6: Vau. En de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar. Klaagliederen 4:22: Thau. Uw ongerechtigheid heeft een einde, o u dochter van Sion! Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uw ongerechtigheid, o u dochter Edoms! zal Hij bezoeken; Hij zal uw zonden ontdekken.
[^klaagliederen-5-7-14]: Kanttekening 14: 14 zijn niet meer: Dit moet men zo verstaan, dat zij niet meer voorhanden zijn, of dat zij niet meer op aarde zijn; gelijk Job 3:16; Ps. 39:14; Jer. 31:15, en Matt. 2:18; zie de aantekening daar. Job 3:16: Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben. Psalmen 39:14: Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, voordat dat ik heenga, en ik niet meer zij. Jeremia 31:15: Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. Mattheüs 2:18: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!
[^klaagliederen-5-7-15]: Kanttekening 15: 15 en wij dragen hun ongerechtigheden: De zin is: Wij, zijnde het zondig zaad van het zondig geslacht, dragen de straf hun zonden, achtervolgens wat er geschreven staat Ex. 20:5; Jer. 32:18. Dat er staat Ez. 18:20, te weten: de ziel die zondigt zal sterven, is en blijft waar, alsook dat de zoon de ongerechtigheid van de vader niet dragen zal; maar wat hier in vers 7 staat is te verstaan van die zonen of kinderen, die de voetstappen hun vaderen in het zondigen navolgen en zo de maat hun ongerechtigheid opvullen. Exodus 20:5: U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Jeremia 32:18: U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de legermachten! Ezechiël 18:20: De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn. Klaagliederen 5:7: Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
[^klaagliederen-5-8-16]: Kanttekening 16: 16 Knechten heersen over ons: Wij moeten ons niet alleen buigen onder de koning en de groten van het land, maar ook onder hun knechten; zie Spreuk. 30:22. Spreuken 30:22: Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
[^klaagliederen-5-8-17]: Kanttekening 17: Zie de aantekening Ps. 136:24. Psalmen 136:24: En Hij heeft ons onze tegenstanders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid.
[^klaagliederen-5-9-18]: Kanttekening 18: 18 ons brood: Dat is, al wat wij tot onderhouding van ons leven behoeven.
[^klaagliederen-5-9-19]: Kanttekening 19: 19 met gevaar van ons leven: Hebreeuws, op onze ziel dat is, met gevaar van ons leven (נַפְשֵׁ); gelijk 2 Sam. 23:17; 1 Kron. 11:19. 2 Samuël 23:17: En zei: Het zij verre van mij, o YHWH, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed van de mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden. 1 Kronieken 11:19: En hij zei: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.
[^klaagliederen-5-9-20]: Kanttekening 20: 20 vanwege het zwaard van de woestijn: Dat is, vanwege het zwaard van de vijanden, die het gehele land verheerd en tot ene woestijn gemaakt hebben, en daar als straatschenders op ons loeren, als wij daarheen trekken om nooddruft te zoeken en te halen, of om de vruchten in te zamelen.
[^klaagliederen-5-10-21]: Kanttekening 21: 21 Onze huid is zwart geworden gelijk een oven: Dat is, ons lichaam is zwart gelijk een oven, die zwart wordt vanwege de rook; zie Klaagl. 4:8. Klaagliederen 4:8: Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.
[^klaagliederen-5-10-22]: Kanttekening 22: 22 vanwege de geweldigen storm van de honger: Dat is, vanwege de gruwelijken honger; vanwege dat onze lichamen zo verzwakt zijn door de honger. Hebreeuws, voor het aangezicht van de buien, of vlagen, of stormen van de honger (פְּנֵי).
[^klaagliederen-5-11-23]: Kanttekening 23: Zie Gen. 34:2. Genesis 34:2: Sichem nu, de zoon van Hemor de Heviet, de landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze.
[^klaagliederen-5-12-24]: Kanttekening 24: 24 De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen: Zij hebben de allervoortreffelijksten niet meer geacht dan de allergeringsten; zij hebben zowel de één opgehangen als de ander. Het is gelofelijk dat dit velen voortreffelijken personen wedervaren is, als de koning de ogen zijn uitgestoken of verblind geworden.
[^klaagliederen-5-12-25]: Kanttekening 25: 25 de aangezichten van de ouden: Gelijk boven Klaagl. 4:16. Klaagliederen 4:16: Pe. Van YHWH aangezicht heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht van de priesters niet geëerd, zij hebben de ouden geen genade bewezen.
[^klaagliederen-5-13-26]: Kanttekening 26: 26 Zij hebben de jongelingen weggenomen: Te weten de Chaldeën.
[^klaagliederen-5-13-27]: Kanttekening 27: 27 om te malen: Dat is, dat zij malen zouden, niet in windmolens of watermolens, gelijk men nu doet, maar met handmolens, of met het koren in grote mortieren te stampen. Dit was een zware arbeid, die de slaven plachten te doen; zie Ex. 11:5; Richt. 16:21; Jes. 47:2. Exodus 11:5: En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. Richteren 16:21: Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis. Jesaja 47:2: Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren.
[^klaagliederen-5-13-28]: Kanttekening 28: 28 de jongens struikelen onder het hout: Dat is, zij doen de jongens, die nog zwak van leden zijn, zulke zware blokken hout dragen, dat zij er onder bezwijken en nedervallen.
[^klaagliederen-5-14-29]: Kanttekening 29: 29 ouden houden op van de poort: Dat is, de oude grijze en wijze mannen zitten niet meer in de poorten, om het gericht te bedienen en tussen partijen te oordelen, gelijk eertijds placht te gebeuren; zie Gen. 34:20, en Ps. 127:5. Genesis 34:20: Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen hun stad, zeggende: Psalmen 127:5: Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.
[^klaagliederen-5-14-30]: Kanttekening 30: 30 van hun snarenspel: Dat is, de jongelingen hebben noch vreugde noch vermaking meer; zij zingen en kwinkeleren nu niet meer, gelijk zij in tijd van vrede plachten te doen. Zie Amos 8:10. Amos 8:10: En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon, en het einde daarvan als een bitteren dag.
[^klaagliederen-5-15-31]: Kanttekening 31: 31 houdt op: Dat is, heeft een einde genomen.
[^klaagliederen-5-15-32]: Kanttekening 32: 32 onze rei is in treurigheid veranderd: Dat is, in plaats waar wij vrolijk plachten te zijn, hebben wij nu niets dan oorzaak van droefenis; zie Ex. 15:20; Job 30:31; Ps. 68:26. Dat zij hier klagen hun overkomen te zijn, dat dreigt hun God, Jer. 7:34, en Jer. 16:9, en Jer. 25:10. Exodus 15:20: En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Job 30:31: Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem van de wenenden. Psalmen 68:26: De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Jeremia 25:10: En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp.
[^klaagliederen-5-16-33]: Kanttekening 33: 33 De kroon van ons hoofd is afgevallen: Al de eer en heerlijkheid zo van de kerkestand als van de politie is teniet gekomen; zie Job 19:9; zie ook Spreuk. 4:9, en Spreuk. 12:4, en Spreuk. 14:24; Jes. 28:5, en Jes. 62:3; Ez. 16:12; 1 Kor. 11:7; Fil. 4:1; 1 Thess. 2:19. Job 19:9: Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon van mijn hoofd heeft Hij weggenomen. Spreuken 4:9: Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. Spreuken 12:4: Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen. Spreuken 14:24: De kroon van de wijzen is hun rijkdom; de dwaasheid van de zotten is dwaasheid. Jesaja 28:5: Te die dage zal YHWH van de legermachten tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn de overgeblevenen van Zijn volk; Jesaja 62:3: En u zult een sierlijke kroon zijn in de hand van YHWH, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods. Ezechiël 16:12: Evenzo deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. 1 Korinthiërs 11:7: Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. Filippenzen 4:1: Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broers, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heer, geliefden! 1 Thessalonicensen 2:19: Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Zijt u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^klaagliederen-5-17-34]: Kanttekening 34: Of, flauw; te weten, omdat wij U, o Heer, zo gruwelijk vertoornd hebben.
[^klaagliederen-5-17-35]: Kanttekening 35: 35 om deze dingen: Vanwege ons dagelijks huilen over onze zonden en grote ellenden, die ons vanwege onze zonden overkomen zijn, zijn onze ogen verduisterd geworden. Vergelijk 1 Sam. 14:28; Job 17:7; Ps. 6:8, en Ps. 31:10. 1 Samuël 14:28: Toen antwoordde een man uit het volk, en zei: Uw vader heeft het volk moeizaam bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die heden brood eet! Daarom bezwijkt het volk. Job 17:7: Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw. Psalmen 6:8: Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders. Psalmen 31:10: Wees mij genadig, YHWH! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
[^klaagliederen-5-18-36]: Kanttekening 36: 36 Om van de berg van Sion wil: Dit in het bijzonder doet mijn hart wee, dat die plaats waar de godsdienst placht geoefend te worden, ter ere van Gods heilige naam, nu zo woest en verlaten ligt.
[^klaagliederen-5-18-37]: Kanttekening 37: 37 de vossen op lopen: Dat is, dat de arglistige bedriegelijke mensen, naar hun lust, zich daar vermaken en hun moedwil drijven. Vergelijk Ps. 12:9; Jes. 34:11, enz. De arglistige mensen worden ook vossen genoemd, Hoogl. 2:15; Luk. 13:32. Maar hier kan het ook wel naar de letter genomen worden, alsof de profeet zei: Ik bedroef mij hartelijk zeer daarin, dat die schone voortreffelijke stad Jeruzalem, en ook die schone tempel, nu dus verwoest liggen, dat de vossen, die anders voor de mensen vervaard zijn, daar vrij lopen en spelen. Vergelijk hiermede Ps. 102:7, 102:8; Hos. 9:6, en Hos. 10:8, wat betreft gruwelijke verwoestingen. Psalmen 12:9: De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. Jesaja 34:11: Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid. Hooglied 2:15: Vangt u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes. Lukas 13:32: En Hij zei tot hen: Gaat heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en op de derde dag worde Ik voltooid. Psalmen 102:7: Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen. Psalmen 102:8: Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak. Hosea 9:6: Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn. Hosea 10:8: En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
[^klaagliederen-5-19-38]: Kanttekening 38: 38 U, o YHWH: De zin is: Ofschoon er in de wereld, ja ook in uwe kerk, dikwijls verandering voorvalt, zo blijft U nochtans als opperste Rechter op uw rechterstoel vast zittende, in alle eeuwigheid; Ps. 9:8, en Ps. 29:10, en Ps. 102:13, en Ps. 145:13. Psalmen 9:8: Maar YHWH zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte. Psalmen 29:10: YHWH heeft gezeten over de watervloed; ja, YHWH zit, Koning in eeuwigheid. Psalmen 102:13: Maar U, YHWH! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht. Psalmen 145:13: Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.
[^klaagliederen-5-19-39]: Kanttekening 39: 39 zit in eeuwigheid: Anders, blijft.
[^klaagliederen-5-20-40]: Kanttekening 40: Zie Ps. 13:2. Psalmen 13:2: Hoe lang, YHWH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen?
[^klaagliederen-5-20-41]: Kanttekening 41: Vergelijk Gen. 8:1, en Gen. 30:22. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Genesis 30:22: God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.
[^klaagliederen-5-20-42]: Kanttekening 42: Aangezien, Heer, dat U onze God bent en wij uw volk zijn, hoe is uw hand zo zwaar op ons en drukt ons zo hard, alsof wij uw volk niet waren; het schijnt dat U besloten hebt ons altijd te vergeten en steeds in deze ellende te laten steken. Vergelijk Ps. 103:8, 103:9, 103:10, enz. Psalmen 103:8: Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 103:9: Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Psalmen 103:10: Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
[^klaagliederen-5-20-43]: Kanttekening 43: 43 zo langen tijd verlaten: Hebreeuws, in langheid van de dagen.
[^klaagliederen-5-21-44]: Kanttekening 44: 44 bekeer ons tot U: Gelijk Jer. 31:18. De zin is: Geef dat wij recht berouw en leedwezen mogen hebben en betonen over onze lelijke en menigvuldige zonden, met welke wij U vertoornd hebben. Jeremia 31:18: Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent YHWH, mijn God!
[^klaagliederen-5-21-45]: Kanttekening 45: 45 vernieuw onze dagen: Het believe U onze ellendigen en bedroefden staat te veranderen in die welstand, waarin onze vaderen en wij eertijds geleefd hebben onder David, Salomo en anderen onzer koningen.
[^klaagliederen-5-21-46]: Kanttekening 46: 46 als van ouds: Gelijk boven Klaagl. 1:7, en Klaagl. 2:17. Klaagliederen 1:7: Zain. Jeruzalem is, in de dagen haar ellende en haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen. Klaagliederen 2:17: Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn uw tegenstanders verhoogd.
[^klaagliederen-5-22-47]: Kanttekening 47: 47 Want zoudt U ons: Alsof zij zeiden: Heer, het schijnt dat U ons ganselijk verworpen hebt, doordien U ons dus moeizaam en dus lang straft; wij bidden U, ontferm U eindelijk over ons en verminder onze ellenden, omdat wij met hartelijk berouw en leedwezen onze toevlucht tot U nemen.
[^klaagliederen-5-22-48]: Kanttekening 48: 48 ganselijk verwerpen: Hebreeuws, verwerpende verworpen hebben.

## Ezechiël

### Ezechiël 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/1.json)

*Wanneer en waar Ezechiël geprofeteerd heeft, vers 1, enz. God toont hem een zeer wonderbaarlijk visioen, van vier dieren, 4, 5, enz., van vier raderen, 15, en van een troon, waarop de HEERE Zich in de gedaante van een mens vertoonde, als Regent en Rechter van de hele wereld, 26.*

**1** In het[^ezechiel-1-1-1] dertigste jaar, in de[^ezechiel-1-1-2] vierde[^ezechiel-1-1-3] maand, op de vijfde van die maand,[^ezechiel-1-1-4] als ik in het midden[^ezechiel-1-1-5] van de weggevoerden was bij de rivier[^ezechiel-1-1-6][^ezechiel-1-1-a] Chebar, zo gebeurde het, dat de hemelen[^ezechiel-1-1-7] werden geopend, en ik[^ezechiel-1-1-8] visioenen Gods zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v1)

**2** Op de vijfde van die maand (dit was het[^ezechiel-1-2-9] vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v2)

**3** [^ezechiel-1-3-10] Kwam het woord van YHWH uitdrukkelijk tot[^ezechiel-1-3-11] Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en[^ezechiel-1-3-12] de hand van YHWH was daar op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v3)

**4** Toen[^ezechiel-1-4-13] zag ik, en ziet, een stormwind[^ezechiel-1-4-14] kwam van[^ezechiel-1-4-15] het noorden af, een[^ezechiel-1-4-16] grote wolk, en een[^ezechiel-1-4-17] vuur[^ezechiel-1-4-18] daarin vervangen, en een[^ezechiel-1-4-19] glans was rondom die wolk; en uit het midden[^ezechiel-1-4-20] daarvan was als[^ezechiel-1-4-21] de kleur van[^ezechiel-1-4-22] glanzend metaal,[^ezechiel-1-4-23] uit het midden van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v4)

**5** En uit het midden[^ezechiel-1-5-24] daarvan kwam de gelijkenis van[^ezechiel-1-5-25] vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van[^ezechiel-1-5-26] een mens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v5)

**6** [^ezechiel-1-6-b] En elk had[^ezechiel-1-6-27] vier aangezichten; ook had elk van hen[^ezechiel-1-6-28] vier vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v6)

**7** En hun[^ezechiel-1-7-29] voeten waren[^ezechiel-1-7-30] rechte voeten, en hun[^ezechiel-1-7-31] voetplanten waren gelijk de voetplanten van[^ezechiel-1-7-32] een kalf, en[^ezechiel-1-7-33] glinsterden gelijk de kleur van[^ezechiel-1-7-34] glad koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v7)

**8** En[^ezechiel-1-8-c] mensenhanden[^ezechiel-1-8-35] waren[^ezechiel-1-8-36] onder hun vleugels, aan hun[^ezechiel-1-8-37] vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v8)

**9** Hun[^ezechiel-1-9-38] vleugels waren samengevoegd,[^ezechiel-1-9-39] de één aan de ander; zij[^ezechiel-1-9-40] keerden zich niet om, als zij gingen;[^ezechiel-1-9-41] zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v9)

**10** [^ezechiel-1-10-d] De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht van een mens[^ezechiel-1-10-42], en het aangezicht van een leeuw[^ezechiel-1-10-43] hadden[^ezechiel-1-10-44] zij vier aan de rechterzijde; en aan de linkerzijde hadden die vier het aangezicht van een os[^ezechiel-1-10-45]; ook hadden die vier het aangezicht van een adelaar[^ezechiel-1-10-46]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v10)

**11** [^ezechiel-1-11-47] Ook waren hun aangezichten en[^ezechiel-1-11-48] hun vleugels omhoog[^ezechiel-1-11-49] verdeeld;[^ezechiel-1-11-50] elk had er[^ezechiel-1-11-51] twee[^ezechiel-1-11-52] samengevoegd aan de andere,[^ezechiel-1-11-53] en twee bedekten hun lichamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v11)

**12** [^ezechiel-1-12-54] En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de[^ezechiel-1-12-55] geest was om te gaan, gingen zij;[^ezechiel-1-12-56] zij keerden zich niet om, als zij gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v12)

**13** Voor wat betreft de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als[^ezechiel-1-13-57] brandende kolen van het vuur, als de gedaante van[^ezechiel-1-13-58] de fakkelen; dat[^ezechiel-1-13-59] vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had[^ezechiel-1-13-60] een glans, en uit het vuur kwam een[^ezechiel-1-13-61] bliksem voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v13)

**14** De dieren nu liepen en[^ezechiel-1-14-62] keerden weer als de gedaante van een weerlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v14)

**15** Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een[^ezechiel-1-15-63] rad op de aarde[^ezechiel-1-15-64] bij die dieren, naar vier aangezichten daarvan[^ezechiel-1-15-65][^ezechiel-1-15-66]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v15)

**16** [^ezechiel-1-16-e] De gedaante van de wielen en hun maaksel[^ezechiel-1-16-67] was als de kleur van een[^ezechiel-1-16-68] turkoois; en die vier hadden[^ezechiel-1-16-69] dezelfde gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel,[^ezechiel-1-16-70] alsof het was een rad in het midden van een rad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v16)

**17** Als zij gingen, zij gingen[^ezechiel-1-17-71] op hun vier zijden; zij[^ezechiel-1-17-72] keerden zich niet om, als zij gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v17)

**18** En hun[^ezechiel-1-18-73] velgen,[^ezechiel-1-18-74] die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en[^ezechiel-1-18-f] hun velgen waren vol[^ezechiel-1-18-75] ogen rondom aan die vier wielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v18)

**19** [^ezechiel-1-19-76][^ezechiel-1-19-g] Als nu de dieren gingen, gingen de wielen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de wielen opgeheven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v19)

**20** Waarheen de[^ezechiel-1-20-77] geest was om te gaan, gingen[^ezechiel-1-20-78] zij,[^ezechiel-1-20-79] waarheen de geest was om te gaan; en de wielen werden tegenover[^ezechiel-1-20-80] hen opgeheven; want[^ezechiel-1-20-81] de geest van[^ezechiel-1-20-82] de dieren was in de wielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v20)

**21** Als[^ezechiel-1-21-83] die gingen, gingen[^ezechiel-1-21-84] deze; en als die[^ezechiel-1-21-85] stonden, stonden zij; en[^ezechiel-1-21-86] als die van de aarde opgeheven werden, werden de wielen tegenover hen opgeheven; want de[^ezechiel-1-21-87] geest[^ezechiel-1-21-88] van de dieren was in de wielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v21)

**22** En over de hoofden[^ezechiel-1-22-89] van de dieren was de gelijkenis van een uitspansel[^ezechiel-1-22-90], zoals[^ezechiel-1-22-91] de kleur van het[^ezechiel-1-22-92] vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v22)

**23** En onder dat uitspansel waren hun vleugels[^ezechiel-1-23-93] rechtop,[^ezechiel-1-23-94] de één aan de ander;[^ezechiel-1-23-95] ieder had er twee,[^ezechiel-1-23-96] die herwaarts hun lichamen bedekten, en[^ezechiel-1-23-97] ieder had er twee,[^ezechiel-1-23-98] die ze daarheen bedekten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v23)

**24** En als zij gingen, hoorde ik een[^ezechiel-1-24-99] geruis van hun vleugels, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige[^ezechiel-1-24-100], als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij[^ezechiel-1-24-101] stonden, zo lieten zij hun vleugels neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v24)

**25** En er kwam een[^ezechiel-1-25-102] stem van boven het uitspansel, dat boven[^ezechiel-1-25-103] hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugels neergelaten hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v25)

**26** En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon[^ezechiel-1-26-104], als de gedaante van[^ezechiel-1-26-105] een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens[^ezechiel-1-26-106], daarboven[^ezechiel-1-26-107] op zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v26)

**27** En ik zag[^ezechiel-1-27-108] als de kleur van[^ezechiel-1-27-109] glanzend metaal, als de gedaante[^ezechiel-1-27-110] van vuur[^ezechiel-1-27-111] rondom daarbinnen, van de gedaante van Zijn middel en omhoog; en van de gedaante van Zijn middel en naar beneden, zag ik als de gedaante van vuur, en[^ezechiel-1-27-112] glans aan Hem rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v27)

**28** Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen,[^ezechiel-1-28-113] zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van[^ezechiel-1-28-114] de heerlijkheid van YHWH; en[^ezechiel-1-28-h] als ik het zag,[^ezechiel-1-28-115] viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/1.html#v28)

[^ezechiel-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 dertigste jaar: Sommigen rekenen dit jaar van de regering van Nabochodonosor de eerste, anders genaamd Nebopolassar, de vader van Nabochodonosor, of Nebukadnezar de Grote, die Syrië en Judea onder zich gebracht heeft, onder wiens gebied de profeet Ezechiël in die tijd leefde; in welke tijd enigen menen dat ook het wetboek in het achttiende jaar van de koning Josia in de tempel gevonden is; 2 Kon. 22:8, en 2 Kon. 23:2. Anderen hebben andere berekeningen. 2 Koningen 22:8: Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van YHWH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. 2 Koningen 23:2: En de koning ging op in het huis van YHWH, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van de minste tot de meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van YHWH gevonden was.
[^ezechiel-1-1-2]: Kanttekening 2: Die meest met onze Juni overeenkomt en bij de Joden Tamuz genaamd wordt, welverstaande in het kerkelijke jaar; want de vierde wordt in het burgerlijke jaar Tebeth genoemd.
[^ezechiel-1-1-3]: Kanttekening 3: Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende lid.
[^ezechiel-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 als ik in het midden: Want als Jojachin in Babylonië gevankelijk weggevoerd werd, met veel volk, was de profeet Ezechiël ook daaronder. Zie onder Ez. 33:21, en Ez. 40:1. Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
[^ezechiel-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 van de weggevoerden was: Te weten, als gevangene naar Babylonië. Hebreeuws, wegvoering. Zo 2 Kon. 24:15; Ezra 1:11, idem, zo gevangenis voor gevangene; zie Num. 31:12. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; Ezra 1:11: Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem. Numeri 31:12: Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.
[^ezechiel-1-1-6]: Kanttekening 6: Sommigen verstaan een arm van de rivier Eufraat, ook genoemd Chaborra, van zekeren overste Chabor, die de Eufraat zou verdeeld hebben; anderen, ene rivier in Mesopotamië, van de berg Masius in de rivier Eufraat invloeiende naar ene stad van dezelfde naam.
[^ezechiel-1-1-a]: Verwijzing a: Ps. 137:1. Psalmen 137:1: Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.
[^ezechiel-1-1-7]: Kanttekening 7: 7 werden geopend: Te weten op een bovennatuurlijke wijze, waardoor de profeet uit zichzelf opgetrokken zijnde, met een nieuw gezicht begaafd is geweest, om zonder enig beletsel, wat hem vertoond werd te aanschouwen. Vergelijk Openb. 4:1, en Openb. 19:11. Openbaring 4:1: Na deze zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, wat na deze gebeuren moet. Openbaring 19:11: En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.
[^ezechiel-1-1-8]: Kanttekening 8: 8 gezichten van God zag: Dat is, die mij God vertoonde, of waarin God door zekere gedaanten zich van mij in de geest liet aanschouwen. Zo onder Ez. 8:2, en Ez. 40:2. Zie van de gezichten van God Gen. 15:1. Wat dit gezicht betreft, daarover vallen in Gods kerk verscheidene uitleggingen, onder welke hier gevolgd is wat schijnt het bekwaamst te zijn. Ezechiël 8:2: Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante van Zijn lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante ener klaarheid, als de verf van Hasmal. Ezechiël 40:2: In de gezichten van God bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en aan die was als een gebouw van een stad tegen het zuiden. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.
[^ezechiel-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 vijfde jaar van de wegvoering: Als men tot deze vijf jaren nog doet de elf jaren van Jojakims regering, 2 Kon. 23:36, de drie maanden van Joahas, 2 Kon. 23:31, en de laatste veertien jaren van Josia, zo vindt men de dertig met de drie maanden van welke in vers 1 gesproken is. 2 Koningen 23:36: Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma. 2 Koningen 23:31: Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-1-3-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, geschiedende geschiedde.
[^ezechiel-1-3-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, Jechezkel. Deze naam betekent, de sterkte van God, of de gesterkte van God.
[^ezechiel-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 de hand van YHWH was daar op hem: Dat is, de kracht om te profeteren werd hem van God gegeven. Zie 2 Kon. 3:15. Zo onder Ez. 3:22, en Ez. 37:1, en Ez. 40:1. Voor hand staat Geest, onder Ez. 11:5. De zin is enerlei. Want Gods Geest geeft de kracht en de gave om te profeteren, 1 Kor. 12:4, enz. 2 Koningen 3:15: Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand van YHWH op hem kwam. Ezechiël 3:22: En de hand van YHWH was daar op mij, en Hij zei tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken. Ezechiël 37:1: De hand van YHWH was op mij, en YHWH voerde mij uit in de geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; die nu was vol beenderen. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen. Ezechiël 11:5: Zo viel dan de Geest van YHWH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt YHWH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen. 1 Korinthiërs 12:4: En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest;
[^ezechiel-1-4-13]: Kanttekening 13: 13 zag ik: Vergelijk dit gezicht met wat onder Ez. 10 beschreven is.
[^ezechiel-1-4-14]: Kanttekening 14: Te weten niet alleen om de profeet tot aandacht op te wekken, maar ook om de schrikkelijke kracht van de alleropperste rechter, die Hij tegen Jeruzalem door hunne vijanden in het werk stellen zou, af te beelden. Zie van zulke gelijkenis Job 9:17. Job 9:17: Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
[^ezechiel-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 het noorden af: Te weten vanwaar de vijanden van de Joden, dat is de Chaldeën, voortkomen zouden. Vergelijk Jer. 1:13, 1:14, 1:15. Jeremia 1:13: En het woord van YHWH geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is. Jeremia 1:14: En YHWH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land. Jeremia 1:15: Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt YHWH; en zij zullen komen, en zetten een ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
[^ezechiel-1-4-16]: Kanttekening 16: 16 grote wolk: Versta hierdoor de legermacht van de Chaldeën. Zie Jer. 4:13. Vergelijk Ez. 30:18 en Ez. 38:9. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Ezechiël 30:18: En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hovaardij van haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis. Ezechiël 38:9: Dan zult u optrekken, u zult aankomen als een onstuimige verwoesting, u zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; u en al uw benden, en vele volken met u.
[^ezechiel-1-4-17]: Kanttekening 17: 17 vuur daarin: Dat betekent de verbranding van de stad Jeruzalem en de tempel.
[^ezechiel-1-4-18]: Kanttekening 18: Of, zich inwikkelende, te weten in die wolk, of die omvangende, vergelijk Ex. 9:24. Exodus 9:24: En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het gehele Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.
[^ezechiel-1-4-19]: Kanttekening 19: 19 glans was rondom die wolk: Versta hiermede de eer van de gerechtigheid, die God verkrijgt door zijne straffen en oordelen; Ps. 51:6; Jes. 5:16. Psalmen 51:6: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Jesaja 5:16: Maar YHWH van de legermachten zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.
[^ezechiel-1-4-20]: Kanttekening 20: Dat is, van het vuur, gelijk te zien is uit het einde van vers 4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur.
[^ezechiel-1-4-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, oog (עֵין); dat is, kleur of verf, waarop het oog zijne werking heeft, zo Lev. 13:55; Num. 11:7, onder vers 7. Leviticus 13:55: Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, u zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde. Numeri 11:7: Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah. Ezechiël 1:7: En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper.
[^ezechiel-1-4-22]: Kanttekening 22: Velen verstaan hierdoor ene soort van hars, amber, of ember, of brandsteen, bij de Latijnen succinum genaamd. Anderen nemen het voor ene soort van metaal genaamd electrum, bestaande uit goud, waarvan het vijfde deel zilver is, en van kleur als bleek goud. Anderen verstaan het woord van het reinste brandende koper, of staal; enigen nemen het voor de verf van zeer vurige kolen, hebbende de naam \[gelijk sommigen menen\] van haastig doorsnijden, verteren, enz., dat wel past op gloeiend staal en kolen.
[^ezechiel-1-4-23]: Kanttekening 23: 23 uit het midden van het vuur: Dat is, gelijk de gedaante daarvan zich uitgeeft en vertoont, als het midden in het vuur gloeiende ligt.
[^ezechiel-1-5-24]: Kanttekening 24: Te weten van het vuur, in dat was de verf van hasmal. Dat nu de vier dieren daaruit voortkwamen, betekent de helderheid van hun natuur en de vurigheid van hun werking. Hiermede komt overeen de naam serafim, komende van saraf, dat is, branden; Jes. 6:2, 6:6. Jesaja 6:2: De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. Jesaja 6:6: Maar één van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.
[^ezechiel-1-5-25]: Kanttekening 25: 25 vier dieren: Door deze dieren zijn te verstaan de heilige engelen, omdat zij cherubim genaamd worden, onder Ez. 10:15, 10:20. Ezechiël 10:15: En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. Ezechiël 10:20: Dit is het dier, dat ik zag onder de God van Israël bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren.
[^ezechiel-1-5-26]: Kanttekening 26: 26 een mens: Te weten naar het meeste deel van hun lichaam, want zij hadden eens mensen aangezicht, handen en benen, vers 7, 1:8. Bij de mensen worden de engelen vergeleken, omdat zij verstand en wil hebben, maar veel volmaakter dan de mensen; 2 Sam. 14:20; Ps. 103:20; 1 Petr. 1:12. Ezechiël 1:7: En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. 2 Samuël 14:20: Dat ik de gestalte van deze zaak zo omwenden zou, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; maar mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel van God, om te merken alles, wat op de aarde is. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^ezechiel-1-6-b]: Verwijzing b: Ez. 10:14. Ezechiël 10:14: En elk had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een arend.
[^ezechiel-1-6-27]: Kanttekening 27: 27 vier aangezichten: Van welke zie onder vers 10. Ezechiël 1:10: De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier het aangezicht van een arend.
[^ezechiel-1-6-28]: Kanttekening 28: 28 vier vleugelen: Te weten twee om te vliegen, die zij nochtans in dit gezicht naar het uitspansel hebben verheven, en enigszins hunne aangezichten bedekt, betekenende eensdeels hunne snelheid in het uitvoeren van Gods bevelen, anderdeels hun gewillige gedienstigheid en genegenheid tot God hun Heer; en twee andere vleugelen om hun lichaam te bedekken aanwijzende hun eerbied tot God, en de onzichtbaarheid van hun natuur en wezen voor de mens. Jes. 6:2, en Openb. 4:8, worden de engelen zes vleugelen toegeschreven, te weten nog twee boven deze vier, waarmee zij hunne aangezichten bedekken, omdat zij voor de troon van God waren, wiens glans en majesteit zij niet verdragen konden. Jesaja 6:2: De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. Openbaring 4:8: En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.
[^ezechiel-1-7-29]: Kanttekening 29: Dat is, benen of schenkels. Hebreeuws, en hunne voeten, de voet was recht (רַגְלֵי).
[^ezechiel-1-7-30]: Kanttekening 30: 30 rechte voeten: Betekenende de rechtmatigheid van hunne werken.
[^ezechiel-1-7-31]: Kanttekening 31: Versta het deel van het been, dat eigenlijk de voet genaamd wordt.
[^ezechiel-1-7-32]: Kanttekening 32: Die rond en vast zijn, tot een teken van de wakkerheid van de engelen en vaardigheid in het uitvoeren van hun dienst.
[^ezechiel-1-7-33]: Kanttekening 33: Om te tonen dat de werken, die God door de engelen doet, klaar en heerlijk zijn.
[^ezechiel-1-7-34]: Kanttekening 34: 34 glad koper: Of, van gepolijst, geschuurd en gezuiverd koper, betekenende de reinheid van de engelen; vergelijk Openb. 1:15. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^ezechiel-1-8-c]: Verwijzing c: Ez. 10:8. Ezechiël 10:8: Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen hand onder hun vleugelen.
[^ezechiel-1-8-35]: Kanttekening 35: Versta door deze de werken van de heilige engelen, die zij naar het bevel Gods doen, en de bekwaamheid die zij daartoe hebben.
[^ezechiel-1-8-36]: Kanttekening 36: 36 onder hun vleugelen: Te weten om te betekenen dat hunne werken de mensen onzichtbaar en onbekend zijn.
[^ezechiel-1-8-37]: Kanttekening 37: 37 vier zijden: Hebreeuws, vier vierhoeken, of vier vierzijden. Waarmee afgebeeld wordt dat zij in en over al de vier hoeken van de wereld Gods bevelen uitvoeren; vergelijk onder Ez. 43:16, 43:17. Ezechiël 43:16: De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand eromheen, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.
[^ezechiel-1-9-38]: Kanttekening 38: Versta dit van de vleugelen, waarmee zij vlogen; en vergelijk onder vers 11. Ezechiël 1:11: Ook waren hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elk had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.
[^ezechiel-1-9-39]: Kanttekening 39: 39 de één aan de ander: Hebreeuws, de vrouw aan haar zus (אִשָּׁה); dat is, aan elkaar, zo Ex. 26:3, 26:5, 26:6; onder vers 23, en Ez. 3:13. Deze samenvoeging schijnt te betekenen de onderlinge vriendschap en vrede, die onder de heilige engelen is in het uitvoeren van hunne diensten. Exodus 26:3: Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de één aan de andere; opnieuw zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de één aan de andere. Exodus 26:5: Vijftig striklisjes zult u aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult u maken aan het uiterste van de gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het ene aan het andere samenvatten. Exodus 26:6: U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij. Ezechiël 1:23: En onder dat uitspansel waren hun vleugelen rechtop, de één aan de ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze daarheen bedekten. Ezechiël 3:13: En ik hoorde het geluid van de vleugelen van de dieren, die de één de ander raakten, en het geluid van de raderen tegenover hen; en het geluid van een grote ruising.
[^ezechiel-1-9-40]: Kanttekening 40: 40 keerden zich niet om: Dat is, zij weken niet af van de weg, die God hun bevolen had, maar gingen gelijkelijk daarin voort. Zo onder vers 12, 1:17. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen. Ezechiël 1:17: Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-1-9-41]: Kanttekening 41: 41 zij gingen elk recht: Dat is, zij gingen recht heen door, een eenparige streek houdende, naar de plaats, die voor hun aangezicht was en tot welke zij komen moesten. De betekenis is dat de heilige engelen in het werk, hun van God bevolen, zonder enig omzien voortgaan, en door geen beletsel afgekeerd worden.
[^ezechiel-1-10-d]: Verwijzing d: Ez. 10:14; Openb. 4:7. Ezechiël 10:14: En elk had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een arend. Openbaring 4:7: En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden adelaar gelijk.
[^ezechiel-1-10-42]: Kanttekening 42: Te weten van voren. Zie de betekenis boven vers 5. Merk dat elk dier vier aangezichten had, van voren het aangezicht van een mens, van achteren het aangezicht van een adelaar, ter rechterzijde het aangezicht van een leeuw, ter linkerzijde het aangezicht van een os. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-1-10-43]: Kanttekening 43: Te weten om daarmede te betekenen dat de engelen zeer sterk zijn. Van de sterkte van de leeuwen, zie Richt. 14:18; Spreuk. 30:30; van de heilige engelen, 2 Kon. 19:35; Kol. 1:16, die ook sterker zijn dan de duivelen, omdat zij die overwinnen tegen hen strijdende; Dan. 10:13; Openb. 12:7, 12:8, 12:9. Richteren 14:18: Toen zeiden de mannen van de stad tot hem, op de zevende dag, voordat de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zei tot hen: Zo u met mijn kalf niet hadt geploegd, u zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden. Spreuken 30:30: De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal terugkeren; 2 Koningen 19:35: Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. Openbaring 12:7: En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. Openbaring 12:8: En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel. Openbaring 12:9: En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^ezechiel-1-10-44]: Kanttekening 44: Te weten dieren.
[^ezechiel-1-10-45]: Kanttekening 45: 45 ossen aangezicht: Dit betekent de dienstbare volharding van de heilige engelen in het uitvoeren van de lasten hun van God opgelegd.
[^ezechiel-1-10-46]: Kanttekening 46: 46 arends aangezicht: Te weten van achteren, gesteld tegen het aangezicht van de mens, dat voren was. Versta hier door de snelheid en wakkerheid van de engelen in het werken.
[^ezechiel-1-11-47]: Kanttekening 47: 47 Ook waren hun aangezichten: Anders: Dit, of zo waren hunne aangezichten; maar hunne vleugelen waren opwaarts, enz.
[^ezechiel-1-11-48]: Kanttekening 48: 48 hun vleugelen: Versta, de twee vleugelen, waarmee zij vlogen, die zij ophielden alsof zij vliegen wilden.
[^ezechiel-1-11-49]: Kanttekening 49: Dat is, onderscheidenlijk opgeheven en uitgestrekt tot God, die boven de vier dieren op een hoge troon in de gedaante van een mens zat. Waarmee betekend is dat de heilige engelen met al hunne zinnen en genegenheden wakker zijn om de bevelen Gods te ontvangen en uit te voeren.
[^ezechiel-1-11-50]: Kanttekening 50: Te weten van de dieren.
[^ezechiel-1-11-51]: Kanttekening 51: Te weten vleugelen.
[^ezechiel-1-11-52]: Kanttekening 52: Zie boven vers 9 en de aantekening. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-1-11-53]: Kanttekening 53: 53 en twee bedekten hun lichamen: Zie boven de aantekening vers 6. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen.
[^ezechiel-1-12-54]: Kanttekening 54: 54 En zij gingen elk rechtuit: Zie boven vers 9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-1-12-55]: Kanttekening 55: Versta, de Geest en de kracht van God, die van de Vader door de Zoon werkt, Zach. 4:6, en waardoor deze dieren bewogen en geregeerd werden; vergelijk onder Ez. 2:2, en Ez. 3:14, en Ez. 8:3, en Ez. 11:1, 11:5, en Ez. 43:5. Zacharia 4:6: Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord van YHWH tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het gebeuren, zegt YHWH van de legermachten. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak. Ezechiël 3:14: Toen hief de Geest mij op, en nam mij weg, en ik ging heen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes; maar de hand van YHWH was sterk op mij. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt. Ezechiël 11:1: Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van YHWH, die ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk. Ezechiël 11:5: Zo viel dan de Geest van YHWH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt YHWH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen. Ezechiël 43:5: En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis vervuld.
[^ezechiel-1-12-56]: Kanttekening 56: 56 zij keerden zich niet om: Zie boven vers 9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-1-13-57]: Kanttekening 57: 57 brandende kolen van het vuur: Welke niet alleen de profeet toonden dat hier wat goddelijks geschiedde en dat deze dieren geen eigenlijke dieren maar engelen van God waren, dan ook betekenden de brand van de goddelijke wraak, waarvan deze engelen snel en verschrikkelijke uitvoerders zouden wezen; vergelijk Ps. 18:9, en Ps. 140:11, alwaar brandende kolen Gods straffen betekenen. Psalmen 18:9: Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. Psalmen 140:11: Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weer opstaan.
[^ezechiel-1-13-58]: Kanttekening 58: Vergelijk Dan. 10:6. Daniël 10:6: En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk de stem van een menigte.
[^ezechiel-1-13-59]: Kanttekening 59: 59 ging steeds tussen die dieren: Of, deed zichzelf gaan; dat is, ging voort en voort, met steeds nieuwe vlammen vuur uit te schieten. Waarmee kan verstaan worden de gedurige beweging van de engelen om Gods toorn uit te richten, samen met het gestadige voornemen Gods, genegen om de boosheid van de Joden te straffen.
[^ezechiel-1-13-60]: Kanttekening 60: 60 een glans: Betekenende de zuiverheid van Gods gerechtigheid, die in zijne oordelen duidelijk blijkt.
[^ezechiel-1-13-61]: Kanttekening 61: 61 bliksem voort: Versta hierdoor, eensdeels de vreeslijke verschrikkingen, die uit de rechtvaardige straffen Gods over de mensen vallen; anderdeels de onbegrijpelijke snelheid, die de engelen gebruiken in het uitvoeren van die straffen. Vergelijk Matt. 24:27. Mattheüs 24:27: Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, zo zal ook de toekomst van de Zoon van de mensen wezen.
[^ezechiel-1-14-62]: Kanttekening 62: 62 keerden weer: Te weten, niet met zich van enig begonnen werk af te wenden door vermoeidheid, maar met zich weer te vertonen voor God, als hun werk gedaan is, bereid zijnde weer nieuwe bevelen te ontvangen. Van het eerste worden zij vrijgesproken, boven vers 9, 1:12, en dit laatste wordt hun hier toegeschreven. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-1-15-63]: Kanttekening 63: 63 rad op de aarde: Dat, naar sommiger gevoelen, betekende de wereld, die hier op de aarde aan vele veranderingen onderworpen is, gelijk een lopend rad, waarin dikwijls het bovenste onder en het onderste boven komt. Zie onder Ez. 10:13. Ezechiël 10:13: Aangaande de raderen, elk van die werd voor mijn oren genoemd Galgal.
[^ezechiel-1-15-64]: Kanttekening 64: 64 bij die dieren: Versta dat elk dier een rad had, zodat er vier raderen waren. Zie onder vers 16, en Ez. 10:9, 10:12. Ezechiël 1:16: De gedaante van de raderen en hun maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad. Ezechiël 10:9: Toen zag ik, en ziet, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij elke cherub; en de gedaante van de raderen was als de verf van een turkoois-steen. Ezechiël 10:12: Hun gehele lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, samen met de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.
[^ezechiel-1-15-65]: Kanttekening 65: 65 vier aangezichten: Dat is, zijden of hoeken, met welke zij tegen de vier winden van de wereld zagen. Want elk rad was tweevoudig, zijnde een rad in een ander overdwars samengevoegd, zodat die twee samengehechte raderen de vorm van een kloot of kogel hadden, en vier zijden, op welke zij van de engelen naar de vier hoeken van de aarde konden gerold en bewogen worden, nu naar de ene en dan naar de andere hoek.
[^ezechiel-1-15-66]: Kanttekening 66: Te weten, van het rad, of van elk van de dieren.
[^ezechiel-1-16-e]: Verwijzing e: Ez. 10:9; idem v. 10. Ezechiël 10:9: Toen zag ik, en ziet, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij elke cherub; en de gedaante van de raderen was als de verf van een turkoois-steen. Ezechiël 10:10: En aangaande hun gedaanten, die vier hadden enerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.
[^ezechiel-1-16-67]: Kanttekening 67: Of, werk; dat is vorm en fatsoen. Zo is dit woord genomen 1 Kon. 7:17, 7:19, 7:26, 7:33; zo ook hier in het navolgende. 1 Koningen 7:17: De netten waren van nettenwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel. 1 Koningen 7:19: En de kapitelen, die waren op het hoofd van de pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen. 1 Koningen 7:26: Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath. 1 Koningen 7:33: En het werk van die raderen was als het werk van een wagenrad; hun assen, en hun naven, en hun randen, en hun spaken waren alle gegoten.
[^ezechiel-1-16-68]: Kanttekening 68: Zie Hoogl. 5:14. Hooglied 5:14: Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.
[^ezechiel-1-16-69]: Kanttekening 69: 69 enerlei gelijkenis: Waardoor beduid werd dat de wereld overal zichzelf gelijk is, te weten ongestadig en vergankelijk. Sommigen duiden deze gelijkheid op de dieren.
[^ezechiel-1-16-70]: Kanttekening 70: 70 alsof het ware een rad: Zie van vers 15 op de woorden, vier aangezichten. De betekenis hiervan is, hoewel de wereld door Gods beleid zeer wijselijk geregeerd wordt, dat nochtans daarin overal vele dingen, wanneer het God naar zijn rechtvaardig oordeel belieft, in het algemeen en in het bijzonder, zeer haast verward en omgekeerd worden, die Hij wel weet tot zijne eer en de zaligheid van de zijnen terecht te brengen. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten ervan.
[^ezechiel-1-17-71]: Kanttekening 71: 71 op hun vier zijden: Te weten, of naar het voorste deel, waar het aangezicht van de mens was, òf naar het achterste deel, waar het aangezicht van de adelaar stond, òf naar het rechterdeel, dat het aangezicht van de leeuw had, òf naar het linkerdeel, waar het aangezicht van de os stond, zodat er in het gaan gene omkering was, volgende het aangezicht van het dier of de cherub. Hetzelfde wordt ook boven van de dieren gezegd vers 9, 1:12. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-1-17-72]: Kanttekening 72: 72 keerden zich niet om: Zie boven vers 9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-1-18-73]: Kanttekening 73: Hebreeuws, ruggen. Versta, de randen, of het ijzeren beslag van elk rad, die het uiterste en hoogste deel daarvan zijn: betekenende de grootste, hoogste en vreeslijkste dingen van de wereld; en dat deze alle onder Gods macht staan, en van Hem door de dienst van zijn engelen geregeerd worden.
[^ezechiel-1-18-74]: Kanttekening 74: 74 die waren zo hoog: Hebreeuws, en hoogte hadden zij, en vreeslijkheid hadden zij; dat is, zij waren zo hoog, dat zij vreeslijk waren of vrees veroorzaakten.
[^ezechiel-1-18-f]: Verwijzing f: Ez. 10:12. Ezechiël 10:12: Hun gehele lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, samen met de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.
[^ezechiel-1-18-75]: Kanttekening 75: 75 ogen rondom: Deze wijzen ons op de voorzienigheid Gods, die alle dingen op de aarde ziet en regeert. Vergelijk 2 Kron. 16:9; Job 34:21; Ps. 33:18; Jer. 16:17; Zach. 3:9, en Zach. 4:10. 2 Kronieken 16:9: Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie het hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. Job 34:21: Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. Psalmen 33:18: Ziet, het oog van YHWH is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Jeremia 16:17: Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. Zacharia 3:9: Want ziet, aangaande die steen, welke Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op die enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal de ongerechtigheid van dit land op een dag wegnemen. Zacharia 4:10: Want wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen van YHWH, die het gehele land doortrekken.
[^ezechiel-1-19-76]: Kanttekening 76: 76 Als nu de dieren gingen: Dit betekent ons dat de veranderingen, die in deze wereld gebeuren, van God door de dienst van zijn heilige engelen geregeerd worden; waarvan het beleid, hoewel het voor ons ten meestendeel onbegrijpelijk is, nochtans rechtvaardig is.
[^ezechiel-1-19-g]: Verwijzing g: Ez. 10:16. Ezechiël 10:16: En als de cherubs gingen, zo gingen die raderen naast dezelven; en als de cherubs hun vleugelen ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen.
[^ezechiel-1-20-77]: Kanttekening 77: Zie boven vers 12, en de aantekening. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-1-20-78]: Kanttekening 78: Te weten de raderen.
[^ezechiel-1-20-79]: Kanttekening 79: 79 waarhenen de geest: Hij herhaalt dat om de zaak te meer te verklaren en te verzekeren.
[^ezechiel-1-20-80]: Kanttekening 80: Te weten de dieren, met wier opheffing de raderen onder hen ook opgeheven werden.
[^ezechiel-1-20-81]: Kanttekening 81: 81 de Geest: De zin is dat de raderen bewogen en gedreven werden door één Geest, waardoor de dieren bewogen en gedreven waren, namelijk door de Geest van God.
[^ezechiel-1-20-82]: Kanttekening 82: 82 van de dieren was in de raderen: Hebreeuws, van het dier; een enkel getal voor een veelvoudig. Zo onder vers 21, 1:22. Anders: een geest van het leven was in de raderen. Ezechiël 1:21: Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de raderen. Ezechiël 1:22: En over de hoofden van de dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.
[^ezechiel-1-21-83]: Kanttekening 83: 83 die gingen: Te weten dieren. Zo in het volgende.
[^ezechiel-1-21-84]: Kanttekening 84: Te weten raderen; zo vervolgens.
[^ezechiel-1-21-85]: Kanttekening 85: 85 stonden, stonden zij: Dat is, niet meer bewogen werden of voortgingen. Versta hierbij dat de engelen, hun werk uitgericht hebbende, in stilheid andere lasten verwachten, die God hun zou mogen opleggen.
[^ezechiel-1-21-86]: Kanttekening 86: 86 als die van de aarde opgeheven werden: Zie boven op het einde van vers 20. Ezechiël 1:20: Waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de raderen.
[^ezechiel-1-21-87]: Kanttekening 87: Zie vers 12. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-1-21-88]: Kanttekening 88: 88 van de dieren was in de raderen: Hebreeuws, van het dier; gelijk vers 20. Ezechiël 1:20: Waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de raderen.
[^ezechiel-1-22-89]: Kanttekening 89: 89 van de dieren: Hebreeuws, van het dier; gelijk voren.
[^ezechiel-1-22-90]: Kanttekening 90: Wat het uitspansel, van God in de beginne geschapen, eigenlijk is, kan men zien Gen. 1:6. Hier wordt nu gesproken van ene gelijkenis van dit uitspansel, die de profeet in dit gezicht vertoond is geweest, en dienvolgens niet was ene zaak, die in haar natuur en wezen gedurig bleef, maar de gedaante daarvan. Genesis 1:6: En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^ezechiel-1-22-91]: Kanttekening 91: 91 de kleur: Hebreeuws, oog (עֵין). Zie boven vers 4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur.
[^ezechiel-1-22-92]: Kanttekening 92: 92 vreselijke kristal: Of, van vreeslijk ijs. Want het woord kerach wordt meest voor ijs genomen, maar het is hier van de uitleggers kristal overgezet, gelijk het ook is als ijs in een steen verhard, zeer helder, klaar en doorschijnend, zodat de gedaante van dit uitspansel is geweest als een doorschijnend ijs, van zulke nette helderheid, dat het schrikkelijk was om te zien, waarom het hier vreeslijk genaamd wordt. Dit uitspansel was over de hoofden van de dieren of engelen; te verstaan gevende dat de Heer al wat daaronder was, daardoor bekwamelijk kon zien, en dat de engelen zijne majesteit, die daarboven was, enigszins konden aanschouwen.
[^ezechiel-1-23-93]: Kanttekening 93: Dat is, opwaarts verheven. Zie boven vers 6, en vergelijk boven vers 11. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen. Ezechiël 1:11: Ook waren hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elk had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.
[^ezechiel-1-23-94]: Kanttekening 94: 94 de één aan de ander: Hebreeuws, de vrouw aan haar zus (אִשָּׁה). Zie boven vers 9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-1-23-95]: Kanttekening 95: 95 ieder had er twee: Versta dit van de andere twee vleugelen, die elk van deze dieren nederwaarts had hangende tot bedekking van zijn lichaam. Zie boven vers 6. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen.
[^ezechiel-1-23-96]: Kanttekening 96: 96 die herwaarts hun lichamen bedekten: Dat is, waarvan de ene bedekte hun ene zijde, te weten de voorste, en de andere de andere zijde, te weten de achterste. Want deze dieren hadden maar vier vleugelen, waarvan de twee oppersten verheven stonden, waarmee zij vlogen, en de andere twee nederhingen, om daarmede hunne lichamen te bedekken.
[^ezechiel-1-23-97]: Kanttekening 97: 97 ieder had er twee: Het verhaal van een of meer woorden geschiedt naar de wijze van spreken van de Hebreën, wanneer zij enige bedeling maken. Zie Gen. 7:2. Genesis 7:2: Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje.
[^ezechiel-1-23-98]: Kanttekening 98: 98 die ze daarheen bedekten: Dat is, waarvan de andere vleugel de achterste zijde hun lichamen bedekte.
[^ezechiel-1-24-99]: Kanttekening 99: 99 geruis van hun vleugelen: Dit velerlei geluid betekent eensdeels een heilige toestemming en lofzegging van de engelen, anderdeels dat de oordelen van God, die Hij tegen de goddelozen door zijne engelen uitvoert, zeer schrikkelijk zijn, zulks dat een ieder zich daarvoor moet ontzetten.
[^ezechiel-1-24-100]: Kanttekening 100: 100 de stem van de Almachtige: Versta hierbij, wanneer Hij spreekt, uit onder Ez. 10:5. Sommigen verstaan het van het geklater of gerommel van de donder. Zie Ps. 29:3. Ezechiël 10:5: En het geruis van de vleugelen van de cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem van de almachtige God, wanneer Hij spreekt. Psalmen 29:3: De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren.
[^ezechiel-1-24-101]: Kanttekening 101: Zie boven vers 21. Ezechiël 1:21: Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de raderen.
[^ezechiel-1-25-102]: Kanttekening 102: 102 stem van boven het uitspansel: Te weten waardoor de profeet opgewekt werd om toe te luisteren en de bevelen Gods met eerbied en gehoorzaamheid te ontvangen. Vergelijk Ex. 19:16; Openb. 1:10. Exodus 19:16: En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Openbaring 1:10: En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
[^ezechiel-1-25-103]: Kanttekening 103: 103 hun hoofden was: Te weten van de vier dieren.
[^ezechiel-1-26-104]: Kanttekening 104: Deze betekende een koninklijke majesteit en de macht van een oppersten rechter, Gen. 41:40; 1 Kon. 1:13, en 1 Kon. 7:7; Spreuk. 20:8. Genesis 41:40: U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. 1 Koningen 1:13: Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Hebt u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning? 1 Koningen 7:7: Ook maakte hij een voorhuis voor de troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis van het gericht, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. Spreuken 20:8: Een koning, zittende op de troon van het gericht, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
[^ezechiel-1-26-105]: Kanttekening 105: Welks kleur is hemelsblauw, blinkende met gouden stipjes. Zie Job 28:16. Hij betekende een hemelsen troon vol majesteit en heerlijkheid. Vergelijk Ex. 24:10. Job 28:16: Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen de kostelijke Schoham, en de Saffier. Exodus 24:10: En zij zagen de God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid.
[^ezechiel-1-26-106]: Kanttekening 106: Welke was ene afbeelding van de majesteit van God. Vergelijk Jes. 6:1. Sommigen duiden het bijzonderlijk op de majesteit van onze Heer Jezus Christus, waarachtig God en mens in enigheid van de persoon, de enige Middelaar aller gelovigen en Rechter van alle mensen, die onder Ez. 8:6, de tempel zijn heiligdom noemt, en met vers 28, de Heer geheten wordt. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. Ezechiël 8:6: En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-1-26-107]: Kanttekening 107: 107 daarboven op zijnde: Te weten als een eeuwig Koning en overste Rechter; 2 Sam. 7:13; Ps. 45:7; Matt. 25:31; Luk. 1:32, 1:33; Joh. 5:22, 5:27; Hand. 10:42, en Hand. 17:31. 2 Samuël 7:13: Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid. Psalmen 45:7: Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter van de rechtmatigheid. Mattheüs 25:31: En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Lukas 1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Johannes 5:22: Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; Johannes 5:27: En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij van de mensen Zoon is. Handelingen 10:42: En heeft ons geboden het volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden. Handelingen 17:31: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^ezechiel-1-27-108]: Kanttekening 108: 108 als de verf: Namelijk rondom Die, Die boven het uitspansel in de troon zat.
[^ezechiel-1-27-109]: Kanttekening 109: Zie boven vers 4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur.
[^ezechiel-1-27-110]: Kanttekening 110: 110 van vuur: Waarmee betekend werd de eeuwige Godheid, die een verterend vuur genaamd wordt; Deut. 4:24; zie de aantekening daar. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^ezechiel-1-27-111]: Kanttekening 111: 111 rondom daarbinnen: Dat is, rondom binnen de kleur van hasmal; zodat het scheen dat die in de troon zat, van zijne lenden af tot het hoofd toe opwaarts en tot de voeten nederwaarts, omgeven was met brandende hasmal.
[^ezechiel-1-27-112]: Kanttekening 112: 112 glans aan Hem rondom: Dat betekende dat God woont in een licht, tot dat niemand toegaan kan, 1 Tim. 6:16; en dat evenwel een licht van de vertroosting en zaligheid blijft al de zijnen, dat is de ware gelovigen, Ps. 27:1; Jes. 60:20; Micha 7:8. 1 Timotheüs 6:16: Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. Psalmen 27:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn? Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treuring zullen een einde nemen. Micha 7:8: Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal YHWH mij een licht zijn.
[^ezechiel-1-28-113]: Kanttekening 113: 113 zo was de gedaante van de glans rondom: De gelijkenis van de regenboog diende om de majesteit van degene, die op de troon zat, en de eerbied van de profeet tegenover hem te vermeerderen. Men kan daardoor ook verstaan een teken van de genade, die God in het straffen de boetvaardigen bewijzen zou.
[^ezechiel-1-28-114]: Kanttekening 114: 114 heerlijkheid van YHWH: Te weten waarmee God zich in dit gezicht vertoonde, van welke zie ook onder Ez. 3:23, en Ez. 8:4, en Ez. 9:3, enz.; Ex. 16:7; Lev. 9:6; Num. 14:10. Zo is dan hiermede Gods heerlijke aanwezigheid te verstaan, en vervolgens Hijzelf. Ezechiël 3:23: En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid van YHWH stond daar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht. Ezechiël 8:4: En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had. Ezechiël 9:3: En de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van de cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had. Exodus 16:7: En morgen, dan zult u de heerlijkheid van YHWH zien, omdat Hij uw murmureringen tegen YHWH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort? Leviticus 9:6: En Mozes zei: Deze zaak, die YHWH geboden heeft, zult u doen; en de heerlijkheid van YHWH zal u verschijnen. Numeri 14:10: Toen zei de gehele vergadering, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van YHWH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de kinderen van Israël.
[^ezechiel-1-28-h]: Verwijzing h: Dan. 10:9. Daniël 10:9: En ik hoorde de stem Zijn woorden; en toen ik de stem Zijn woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.
[^ezechiel-1-28-115]: Kanttekening 115: 115 viel ik op mijn aangezicht: Te weten ontzet zijnde door die verschrikkelijke vertoning van de goddelijke majesteit, en genegen zijnde om die met aanroeping te vereren. Vergelijk Gen. 17:3. Genesis 17:3: Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

### Ezechiël 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/2.json)

*Wanneer de profeet verschrikt is door het voorgaande visioen, wordt hij door God opgericht, vers 1, 2, en geroepen tot het profetisch ambt onder de kinderen van Israël, met onderwijs en versterking tegen hun hardnekkigheid, 3, en het visioen van een boekrol, die van binnen en van buiten beschreven was, 9.*

**1** [^ezechiel-2-1-1] En Hij zei tot mij:[^ezechiel-2-1-2] Mensenkind,[^ezechiel-2-1-3] sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v1)

**2** [^ezechiel-2-2-a] Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak,[^ezechiel-2-2-4] de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde[^ezechiel-2-2-5] Die, Die tot mij sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v2)

**3** En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de[^ezechiel-2-3-6] Israëlieten, tot de rebellerende[^ezechiel-2-3-7] volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben;[^ezechiel-2-3-b] zij en hun vaders hebben overtreden tegen Mij[^ezechiel-2-3-8] tot op deze zelfde huidige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v3)

**4** En deze kinderen zijn[^ezechiel-2-4-9] hard van aangezicht, en[^ezechiel-2-4-10] stijf van hart; Ik zend u tot hen, en u zult tot hen zeggen:[^ezechiel-2-4-11] Zo zegt Adonai YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v4)

**5** En zij,[^ezechiel-2-5-12] hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een[^ezechiel-2-5-13] opstandig huis),[^ezechiel-2-5-14][^ezechiel-2-5-c] zo zullen zij weten, dat[^ezechiel-2-5-15] een profeet in het midden van hen geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v5)

**6** En u, mensenkind![^ezechiel-2-6-d] vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en[^ezechiel-2-6-16] doornen bij u zijn, en u bij[^ezechiel-2-6-17] schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet,[^ezechiel-2-6-e] en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v6)

**7** Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn[^ezechiel-2-7-18] opstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v7)

**8** Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, zoals dat opstandig huis; open uw mond,[^ezechiel-2-8-f] en[^ezechiel-2-8-19] eet, wat Ik u geef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v8)

**9** Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol van een boek[^ezechiel-2-9-20]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v9)

**10** En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en[^ezechiel-2-10-21] zij was beschreven[^ezechiel-2-10-22] voor en achter; en daarin waren geschreven[^ezechiel-2-10-23] klaagliederen, en zuchting, en wee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/2.html#v10)

[^ezechiel-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 Hij zei tot mij: Te weten Hij, wiens stem hij gehoord had, boven Ez. 1:28; welke zonder twijfel was die op de troon zat, Ez. 1:26. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-2-1-2]: Kanttekening 2: Zo noemt hem de Heer, opdat hij zich niet verheffen zou door de uitnemende openbaring van het voorbeschreven hemels gezicht, maar veel meer vernederen door de bedenking van zijn menselijke zwakheid. Ook diende deze naam de profeet tot vertroosting; alsof God zei: Ik weet dat u een zwak mens bent, en daarom voor mijne majesteit vrezende, ja, dat u ook ontsteld zult zijn door de verachtingen, die u van de Joden zullen wedervaren; maar zie op mij, die u beroep tot dit ambt, en niet op uzelven, die maar een zwak mens zijt.
[^ezechiel-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 sta op uw voeten: Want de profeet lag nedergevallen op zijn aangezicht, verslagen door het vreeslijke gezicht, dat hem vertoond werd.
[^ezechiel-2-2-a]: Verwijzing a: Ez. 3:24; Dan. 10:10. Ezechiël 3:24: Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij, en Hij zei tot mij: Ga, besluit u binnen in uw huis. Daniël 10:10: En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieën, en de palmen mijner handen.
[^ezechiel-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 de Geest: Versta, de Geest van God, die hem bekwaam maakte om te doen wat God hem beva; Jes. 48:16, en Jes. 61:1; zo onder Ez. 3:24. Jesaja 48:16: Nadert u tot Mij, hoort dit: Ik heb van de beginne niet in het verborgene gesproken, maar van die tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heer YHWH, en Zijn Geest heeft Mij gezonden. Jesaja 61:1: De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Ezechiël 3:24: Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij, en Hij zei tot mij: Ga, besluit u binnen in uw huis.
[^ezechiel-2-2-5]: Kanttekening 5: Te weten de Heer, die op de troon zat.
[^ezechiel-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 kinderen van Israël: Versta, de Joden, die uit hun vaderland Judea in Babylonië met Jojachin gevankelijk weggevoerd waren, onder Ez. 3:11; hoewel daaronder ook begrepen kunnen zijn de tien stammen, die uit hun land onder de heidenen verstrooid waren. Sommigen verstaan daarbij ook de Joden, die nog in hun vaderland woonden, tot wie de profeet Jeremia van God gezonden was. Ezechiël 3:11: En ga heen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.
[^ezechiel-2-3-7]: Kanttekening 7: Hier is het woord Goijm, betekenende heidenen; zo schijnt de Heer zijn volk hier te noemen, omdat het zover door de afgoderij van Hem afgeweken was, dat het niet beter was dan de heidenen; hoewel het ook in het goede de Israëlieten toegeschreven wordt; Ex. 19:6; Joz. 3:17, en Joz. 5:8, enz. Exodus 19:6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. Jozua 3:17: Maar de priesters, die de ark van het verbond van YHWH droegen, stonden steevast op het droge, in het midden van de Jordaan; en geheel Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken. Jozua 5:8: En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren.
[^ezechiel-2-3-b]: Verwijzing b: Jer. 3:25. Jeremia 3:25: Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn van de stem van YHWH, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.
[^ezechiel-2-3-8]: Kanttekening 8: 8 tot op deze zelven huidige dag: Hebreeuws, tot op het been, of wezen van diezelfde dag (עֶצֶם); zo Gen. 7:13, en Gen. 17:26; Lev. 23:14, en onder Ez. 24:2, en Ez. 40:1. Genesis 7:13: Even op diezelfde dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, evenzo ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen van zijn zonen met hem in de ark; Genesis 17:26: Even op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. Leviticus 23:14: En u zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat u de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen. Ezechiël 24:2: Mensenkind! schrijf u de naam van de dag op, even van deze zelfde dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op deze zelfde dag. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
[^ezechiel-2-4-9]: Kanttekening 9: 9 hard van aangezicht: Dat is, zonder schaamte. Vergelijk Jer. 3:3, en Jer. 5:3, en onder Ez. 3:7. Jeremia 3:3: Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden. Jeremia 5:3: O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. Ezechiël 3:7: Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het gehele huis van Israël is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij.
[^ezechiel-2-4-10]: Kanttekening 10: 10 stijf van hart: Stijf van hart zijn, die hun hart verstijven of verstokken. Wie deze zijn, zie Ex. 4:21. Exodus 4:21: En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.
[^ezechiel-2-4-11]: Kanttekening 11: 11 Zo zegt de Heer YHWH: Die was gemeenlijk de voorrede van de profeten, als zij iets naar Gods bevel verkondigen moesten. Ezechiël nu tot een profeet beroepen zijnde, wordt hiermede het vermogen gegeven om aldus te spreken, en ook verplicht om niets anders te spreken dan wat God tot hem gesproken had.
[^ezechiel-2-5-12]: Kanttekening 12: 12 hetzij dat zij het horen zullen: De Heer wil dat de profeet alleen ziet op zijn bevel en niet op de uitkomst. Zo onder vers 7, en Ez. 3:11, 3:27. Ezechiël 2:7: Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig. Ezechiël 3:11: En ga heen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. Ezechiël 3:27: Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer YHWH, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een opstandig huis.
[^ezechiel-2-5-13]: Kanttekening 13: 13 opstandig huis: Hebreeuws, een huis van de opstandigheid (בֵּית); te weten tegen de Heer zijn God. Huis voor volk, zo onder vers 6, en Ez. 3:26, 3:27, enz. Idem, kinderen van de opstandigheid; Num. 17:10; een volk van de opstandigheid; Jes. 30:9. Ezechiël 2:6: En u, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en u bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis. Ezechiël 3:26: En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis. Ezechiël 3:27: Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer YHWH, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een opstandig huis. Numeri 17:10: Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven. Jesaja 30:9: Want het is een opstandig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die de wet van YHWH niet horen willen.
[^ezechiel-2-5-14]: Kanttekening 14: 14 zo zullen zij weten: Dat is, overtuigd zijnde dat de Heer hen door zijn dienaar gewaarschuwd heeft en vermaand tot bekering, en zij nochtans hardnekkig gebleven zijnde, geheel gene onschuld hebben.
[^ezechiel-2-5-c]: Verwijzing c: Ez. 33:33. Ezechiël 33:33: Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-2-5-15]: Kanttekening 15: 15 een profeet: Dat is, een persoon onmiddellijk van God gezonden om zijn wil te verkondigen, de vervallen stand van de kerk op te richten, de goddelozen te dreigen, de vromen te vertroosten, toekomende dingen te voorzeggen, voornamelijk van de Messias, en ook politieke of burgerlijke personen van hun ambt te vermanen, enz.
[^ezechiel-2-6-d]: Verwijzing d: Jer. 1:8; idem v. 17; Lukas 12:4. Jeremia 1:8: Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. Lukas 12:4: En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.
[^ezechiel-2-6-16]: Kanttekening 16: 16 doornen bij u zijn: Versta, mensen, die steken en kwaad doen met woorden of werken.
[^ezechiel-2-6-17]: Kanttekening 17: 17 schorpioenen woont: Anders: distelen. Versta, zeer listige en schadelijke mensen, die het verderfelijk venijn hun boosheid behendiglijk weten uit te schieten.
[^ezechiel-2-6-e]: Verwijzing e: Ez. 3:9; 1 Petr. 3:14. Ezechiël 3:9: Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een opstandig huis zijn. 1 Petrus 3:14: Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd;
[^ezechiel-2-7-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, opstandigheid; zo Spreuk. 17:11, en hier in vers 8. Vergelijk Job 24:20, en Job 35:13. Spreuken 17:11: Zekerlijk, de opstandige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden. Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef. Job 24:20: De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
[^ezechiel-2-8-f]: Verwijzing f: Openb. 10:9. Openbaring 10:9: En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
[^ezechiel-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 eet, wat Ik u geef: Met dit teken wordt Ezechiël het profetisch ambt overgegeven, en belast de openbaring van God niet alleen graag te horen, maar ook naarstiglijk te overleggen en getrouwelijk uit te richten. Zo zijn ook andere mannen van God door zekere tekenen in hun ambt ingesteld en bevestigd geweest; zie Ex. 4:2, 4:3, 4:4; Jes. 6:6, 6:7; Jer. 1:9; Openb. 10:8, 10:9, 10:10. Exodus 4:2: En YHWH zei tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zei: Een staf. Exodus 4:3: En Hij zei: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vluchtte van haar. Exodus 4:4: Toen zei YHWH tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand. Jesaja 6:6: Maar één van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. Jesaja 6:7: En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. Jeremia 1:9: En YHWH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en YHWH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Openbaring 10:8: En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, sprak opnieuw met mij, en zei: Ga heen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand van de engel is, die op de zee en op de aarde staat. Openbaring 10:9: En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig. Openbaring 10:10: En ik nam dat boeksken uit de hand van de engel, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.
[^ezechiel-2-9-20]: Kanttekening 20: 20 rol eens boeks: Of, een samengerolde brief. Voortijds werden de schriften of boeken in papieren of perkament aaneengehecht, rondom een stok gewonden en samen ingerold; uit welke oorzaak zij een rol genaamd worden; zie Ps. 40:8; idem Jes. 8:1, en Jes. 34:4; Jer. 36:2; Ezra 6:2. Psalmen 40:8: Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Jesaja 8:1: Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit! Jesaja 34:4: En al de legermacht van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun legermacht zal afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom. Jeremia 36:2: Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag. Ezra 6:2: En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS;
[^ezechiel-2-10-21]: Kanttekening 21: 21 zij was beschreven: Te weten de rol van het boek.
[^ezechiel-2-10-22]: Kanttekening 22: 22 voor en achter: Dat betekende dat de straffen, die God over de Joden zenden wilde, velerhanden waren.
[^ezechiel-2-10-23]: Kanttekening 23: 23 klaagliederen, en zuchting, en wee: Te weten die te kennen gaven de jammerlijke staat, die door Gods rechtvaardig oordeel over de Joden komen zou.

### Ezechiël 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/3.json)

*De profeet eet die boekrol op, op Gods bevel, vers 1, enz. Die hem opnieuw opdraagt, onderricht en sterkt tegen de hardnekkigheid van het volk, 4. Hij toont hem weer zijn heerlijkheid, en bericht hem over het ambt van een getrouw profeet, en het nut daarvan, 12. De heerlijkheid van de HEERE wordt hem opnieuw getoond, 22. God sluit en opent de mond van de profeet, 25, enz.*

**1** Daarna zei Hij tot mij: Mensenkind,[^ezechiel-3-1-1][^ezechiel-3-1-a] eet,[^ezechiel-3-1-2] wat u vinden zult; eet deze[^ezechiel-3-1-3] rol, en ga, spreek tot het[^ezechiel-3-1-4] huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v1)

**2** Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v2)

**3** En Hij zei tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik,[^ezechiel-3-3-5][^ezechiel-3-3-b] en het was in mijn mond als honing, vanwege de zoetigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v3)

**4** En Hij zei tot mij: Mensenkind,[^ezechiel-3-4-c] ga heen, kom tot het huis van Israël, en spreek tot hen met Mijn woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v4)

**5** Want u bent niet gezonden tot een volk,[^ezechiel-3-5-6] diep van spraak en zwaar van[^ezechiel-3-5-7] tong, maar tot het huis van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v5)

**6** Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, van wie de woorden u niet kunt verstaan[^ezechiel-3-6-8]; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had,[^ezechiel-3-6-9] naar u gehoord hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v6)

**7** Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het[^ezechiel-3-7-10] hele huis van Israël is[^ezechiel-3-7-11] stijf van voorhoofd, en[^ezechiel-3-7-12] hard van hart zijn zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v7)

**8** [^ezechiel-3-8-d] Zie, Ik heb uw aangezicht[^ezechiel-3-8-13] stijf gemaakt tegen hun aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v8)

**9** Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een[^ezechiel-3-9-14] diamant, harder dan[^ezechiel-3-9-e] een rots;[^ezechiel-3-9-f] vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten,[^ezechiel-3-9-15] omdat zij een opstandig huis zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v9)

**10** Verder zei Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v10)

**11** En ga heen, kom tot de[^ezechiel-3-11-16] weggevoerden, tot de[^ezechiel-3-11-17] kinderen[^ezechiel-3-11-18] van uw volk, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH, hetzij dat zij horen[^ezechiel-3-11-19][^ezechiel-3-11-g] zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v11)

**12** [^ezechiel-3-12-h] Toen nam de[^ezechiel-3-12-20] Geest mij op, en ik hoorde achter mij[^ezechiel-3-12-21] een stem van grote ruising, zeggende:[^ezechiel-3-12-22] Geloofd zij de heerlijkheid van[^ezechiel-3-12-23] YHWH[^ezechiel-3-12-24] uit Zijn plaats! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v12)

**13** En ik[^ezechiel-3-13-25][^ezechiel-3-13-26] hoorde het geluid van de vleugels van de dieren, die[^ezechiel-3-13-27] de één de ander[^ezechiel-3-13-28] raakten, en[^ezechiel-3-13-29] het geluid van de wielen tegenover[^ezechiel-3-13-30] hen; en het geluid van een grote ruising. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v13)

**14** Toen hief de[^ezechiel-3-14-31] Geest mij op, en[^ezechiel-3-14-32] nam mij weg, en ik ging heen,[^ezechiel-3-14-33] bitter bedroefd[^ezechiel-3-14-34] door de hitte van mijn geest[^ezechiel-3-14-35]; maar de[^ezechiel-3-14-36] hand van YHWH was sterk op mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v14)

**15** En ik kwam tot de[^ezechiel-3-15-37] weggevoerden te[^ezechiel-3-15-38] Tel-abib, die aan de rivier[^ezechiel-3-15-39] Chebar woonden,[^ezechiel-3-15-40] en ik bleef daar zij woonden; ja, ik[^ezechiel-3-15-41] bleef daar[^ezechiel-3-15-42] verbaasd[^ezechiel-3-15-43] in het midden van hen[^ezechiel-3-15-44][^ezechiel-3-15-i] zeven dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v15)

**16** Het gebeurde nu na verloop van zeven dagen, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v16)

**17** [^ezechiel-3-17-k] Mensenkind! Ik heb u tot een[^ezechiel-3-17-45] wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen[^ezechiel-3-17-46] van Mijnentwege waarschuwen.[^ezechiel-3-17-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v17)

**18** [^ezechiel-3-18-l] Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult[^ezechiel-3-18-48] de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddeloze weg[^ezechiel-3-18-49] te waarschuwen, opdat u[^ezechiel-3-18-50] hem in het leven behoudt; die goddeloze zal[^ezechiel-3-18-51] in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn[^ezechiel-3-18-52] bloed zal Ik van uw hand eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v18)

**19** Maar als u de goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel[^ezechiel-3-19-53] bevrijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v19)

**20** [^ezechiel-3-20-m] Als ook een[^ezechiel-3-20-54] rechtvaardige zich van zijn[^ezechiel-3-20-55] gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een[^ezechiel-3-20-56] aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij[^ezechiel-3-20-57] in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft,[^ezechiel-3-20-58] zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v20)

**21** Maar als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij[^ezechiel-3-21-59] niet zondigt; hij zal[^ezechiel-3-21-60] zeker leven, omdat hij[^ezechiel-3-21-61] gewaarschuwd is; en u hebt uw ziel bevrijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v21)

**22** En de hand van YHWH[^ezechiel-3-22-62] was[^ezechiel-3-22-63] daar op mij, en Hij zei tot mij: Maak u op, ga uit in[^ezechiel-3-22-64] de vallei, en Ik zal daar met u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v22)

**23** En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de[^ezechiel-3-23-65] heerlijkheid van YHWH stond daar,[^ezechiel-3-23-n] zoals de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en[^ezechiel-3-23-66] ik viel op mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v23)

**24** [^ezechiel-3-24-o] Toen[^ezechiel-3-24-67] kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en[^ezechiel-3-24-68] Hij sprak met mij, en Hij zei tot mij: Ga, besluit u[^ezechiel-3-24-69] binnen in uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v24)

**25** Want wat u betreft, mensenkind, ziet,[^ezechiel-3-25-70] zij[^ezechiel-3-25-71] zouden[^ezechiel-3-25-72] dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmee binden; daarom zult u niet uitgaan[^ezechiel-3-25-73] in het midden van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v25)

**26** En[^ezechiel-3-26-74] Ik zal uw tong[^ezechiel-3-26-75] aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffende man;[^ezechiel-3-26-p] want zij zijn[^ezechiel-3-26-76] een opstandig huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v26)

**27** Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik[^ezechiel-3-27-77] uw mond opendoen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt Adonai YHWH,[^ezechiel-3-27-78][^ezechiel-3-27-q] wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een opstandig huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/3.html#v27)

[^ezechiel-3-1-1]: Kanttekening 1: Zie boven Ez. 2:8. Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.
[^ezechiel-3-1-a]: Verwijzing a: Jer. 15:16; Ez. 2:8; Openb. 10:9. Jeremia 15:16: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o YHWH, God van de legermachten! Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef. Openbaring 10:9: En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
[^ezechiel-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 wat u vinden zult: Dat is, wat hier voorhanden is, te weten deze ingerolde brief, gelijk de volgende woorden uitdrukken. Zie dezelfde manier van spreken Gen. 19:15, 2 Kon. 19:4; Jer. 15:16. Genesis 19:15: En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt. 2 Koningen 19:4: Misschien zal YHWH, uw God, horen al de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden, met woorden, die YHWH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. Jeremia 15:16: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o YHWH, God van de legermachten!
[^ezechiel-3-1-3]: Kanttekening 3: Zie boven Ez. 2:9. Ezechiël 2:9: Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks.
[^ezechiel-3-1-4]: Kanttekening 4: 4 huis van Israël: Zie boven Ez. 2:3. Ezechiël 2:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen van Israël, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op deze zelfde huidige dag.
[^ezechiel-3-3-5]: Kanttekening 5: 5 en het was in mijn mond als honig: Hiermede geeft hij te verstaan dat de openbaringen Gods hem aangenaam zijn geweest; want hoewel de inhoud daarvan hem bedroefde, nochtans stemde hij het doel van die geheel toe, dat was de rechtvaardigheid van God in het straffen van de zonden bekend te maken; vergelijk Jer. 15:16; Openb. 10:9. Jeremia 15:16: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o YHWH, God van de legermachten! Openbaring 10:9: En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.
[^ezechiel-3-3-b]: Verwijzing b: Ps. 19:11; Ps. 119:103; Openb. 10:10. Psalmen 19:11: Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Psalmen 119:103: Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond! Openbaring 10:10: En ik nam dat boeksken uit de hand van de engel, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.
[^ezechiel-3-4-c]: Verwijzing c: Jer. 1:17. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
[^ezechiel-3-5-6]: Kanttekening 6: 6 diep van spraak: Hebreeuws, diep van lip (שָׂפָה); dat is, van donkere, onbekende en vreemde spraak; want wat diep is, is ook donker; en wat donker is, is niet wel bekend. Zo Jes. 33:19, en hier in vers 6. Jesaja 33:19: U zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, dat men niet verstaan kan. Ezechiël 3:6: Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, van wie de woorden u niet kunt verstaan; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben?
[^ezechiel-3-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, taal. Versta weer ene taal, die vreemd, uitheems en onbekend is, want die valt de onervarenen zwaar. Ex. 4:10, noemt Mozes zichzelf zwaar van tong, omdat hij niet welsprekend was. Exodus 4:10: Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.
[^ezechiel-3-6-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, horen; zie Gen. 11:7. Genesis 11:7: Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore.
[^ezechiel-3-6-9]: Kanttekening 9: 9 naar u gehoord hebben: Dat is, zij zouden zo ongelovig, halsstarrig en ondankbaar niet geweest zijn als heden de Israëlieten wel zijn; gelijk het ook wel gebleken is uit de bekering van de Ninevieten, door de predikatie van Jona. Vergelijk Matt. 11:21, 11:23. Anders: zo dat niet was; te weten dat u hunne spraak niet verstaat en zij de uwe niet, Ik had u tot hen gezonden en zij zouden naar u gehoord hebben. Mattheüs 11:21: Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Mattheüs 11:23: En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot het dodenrijk toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^ezechiel-3-7-10]: Kanttekening 10: 10 gehele huis van Israël: Welverstaande uitgenomen de ware gelovigen en uitverkorenen, hoedanigen waren Jeremia, Baruch, Daniël, zijne metgezellen en vele anderen.
[^ezechiel-3-7-11]: Kanttekening 11: 11 stijf van voorhoofd: Dat is, onbeschaamd; zo boven Ez. 2:4, hard van aangezicht. Ezechiël 2:4: En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer YHWH!
[^ezechiel-3-7-12]: Kanttekening 12: 12 hard van hart: Zo boven Ez. 2:4, stijf, of verstokt van hart. Vergelijk Ex. 4:21; idem Spreuk. 28:14. Ezechiël 2:4: En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer YHWH! Exodus 4:21: En YHWH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. Spreuken 28:14: Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
[^ezechiel-3-8-d]: Verwijzing d: Jer. 1:18; Micha 3:8. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. Micha 3:8: Maar waarlijk, ik ben vol krachts van de Geest van YHWH; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.
[^ezechiel-3-8-13]: Kanttekening 13: 13 stijf gemaakt: Versta, ene stijfte, voortkomende niet uit de verkeerde natuur, die in een wrevelig gemoed bestaat en zich vertoont in een onbeschaamd aangezicht, maar uit Christus' Geest, bestaande in een vast vertrouwen op Gods genadige hulp, verenigd met wakkerheid in het werk en kloekmoedigheid in het uiterlijk gelaat.
[^ezechiel-3-9-14]: Kanttekening 14: Zie van het Hebreeuwse woord schamir, dat velen diamant overzetten; Jer. 17:1. Jeremia 17:1: De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen van uw altaren;
[^ezechiel-3-9-e]: Verwijzing e: Jer. 5:3. Jeremia 5:3: O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
[^ezechiel-3-9-f]: Verwijzing f: Jer. 1:8; idem v. 17; Ez. 2:6; 1 Petr. 3:14. Jeremia 1:8: Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH. Jeremia 1:17: U dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. Ezechiël 2:6: En u, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en u bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis. 1 Petrus 3:14: Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd;
[^ezechiel-3-9-15]: Kanttekening 15: 15 omdat zij een opstandig huis zijn: De Heer geeft reden, waarom Hij zijn profeet met sterkte voorzien had, opdat hij niet zou vrezen, te weten omdat hij met een zeer moedwillig volk te doen had, dat met een onversaagde kloekmoedigheid bejegend moest worden. Anders: hoewel zij een opstandig huis zijn. Zo zou de reden uitgedrukt zijn, waarom de profeet zich zou mogen ontsteld vinden. Hebreeuws, een huis van de opstandigheid (בֵּֽית); zo in het volgende.
[^ezechiel-3-11-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, wegvoering; zie boven Ez. 1:1. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-3-11-17]: Kanttekening 17: Dat is, tot uw volk en natie, namelijk de weggevoerde Joden; vergelijk Gen. 23:11; 2 Kron. 35:5, enz. Genesis 23:11: Nee, mijn heer! hoor mij; de akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode. 2 Kronieken 35:5: En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten;
[^ezechiel-3-11-18]: Kanttekening 18: 18 uws volks: God noemt de Israëlieten niet zijn volk, omdat zij Hem opstandig waren, maar Ezechiëls volk, dat is, die van zijn natie waren; vergelijk Ex. 32:7. Exodus 32:7: Toen sprak YHWH tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.
[^ezechiel-3-11-19]: Kanttekening 19: 19 hetzij dat zij horen zullen: Zie boven Ez. 2:5. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-3-11-g]: Verwijzing g: Ez. 2:5; idem v. 7. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. Ezechiël 2:7: Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig.
[^ezechiel-3-12-h]: Verwijzing h: Ez. 8:3. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-3-12-20]: Kanttekening 20: 20 Geest mij op: Zie boven Ez. 2:2. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak.
[^ezechiel-3-12-21]: Kanttekening 21: 21 een stem van grote ruising: Te weten gemaakt door de dieren, engelen, of cherubim; zie vers 13. Ezechiël 3:13: En ik hoorde het geluid van de vleugelen van de dieren, die de één de ander raakten, en het geluid van de raderen tegenover hen; en het geluid van een grote ruising.
[^ezechiel-3-12-22]: Kanttekening 22: 22 Geloofd zij de heerlijkheid: Vergelijk Jes. 6:3; Luk. 2:13, 2:14; Openb. 4:8. Jesaja 6:3: En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Lukas 2:13: En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van de hemelse legermachten, prijzende God en zeggende: Lukas 2:14: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Openbaring 4:8: En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.
[^ezechiel-3-12-23]: Kanttekening 23: 23 van YHWH: Die boven op de troon zat; zie boven Ez. 1:26. De zin is dat zijne heerlijkheid niet zou verminderd worden door de verwoesting van de stad Jeruzalem en van de tempel, maar veelmeer verheven door de bewijzingen van zijn gerechtigheid tegen de afvallige Joden. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-3-12-24]: Kanttekening 24: 24 uit Zijn plaats: Te weten verhuizende en scheidende. Versta door deze plaats Jeruzalem en voornamelijk de tempel, die God tot zijne woning, als een teken van zijn aanwezigheid onder dat volk gekozen had; 1 Kon. 8:13; 2 Kron. 6:2; Ps. 132:13, 132:14. Deze plaats zou God voor een tijdlang verlaten; Hos. 5:15; Micha 1:3. 1 Koningen 8:13: Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning. 2 Kronieken 6:2: En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning. Psalmen 132:13: Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Hosea 5:15: Ik zal heengaan en keren weer tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. Micha 1:3: Want ziet, YHWH gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten van de aarde.
[^ezechiel-3-13-25]: Kanttekening 25: Dit woord is hier ingevoegd uit vers 12. Ezechiël 3:12: Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid van YHWH uit Zijn plaats!
[^ezechiel-3-13-26]: Kanttekening 26: 26 het geluid van de vleugelen van de dieren: Hebreeuws, stem (קוֹל); zo in het volgende. Dit was een teken dat de heilige engelen met een heerlijk geluid van toestemming de oordelen van de opperste Rechter vereerd en grootgemaakt hebben.
[^ezechiel-3-13-27]: Kanttekening 27: 27 de één de ander: Hebreeuws, de vrouw aan haar zus (אִשָּׁה); dat is, de één de ander. Zie boven Ez. 1:9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-3-13-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, kusten; dat is, aanstieten, aanraakten, of aanroerden.
[^ezechiel-3-13-29]: Kanttekening 29: 29 het geluid van de raderen: Hiermede was te verstaan gegeven dat de ondergang van de Joden haastig komen, en daartoe zeer verschrikkelijk wezen zou.
[^ezechiel-3-13-30]: Kanttekening 30: Te weten de dieren, of de vleugelen van de dieren.
[^ezechiel-3-14-31]: Kanttekening 31: 31 Geest mij op: Te weten de Heilige Geest. Zie boven Ez. 1:12, en Ez. 2:2. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak.
[^ezechiel-3-14-32]: Kanttekening 32: 32 nam mij weg: Te weten uit de plaats, in welke hij het gezicht zag, tot de woning van de gevangenen. Met het gezicht van zijn geest kon ook wel gebeuren de vervoering van zijn lichaam.
[^ezechiel-3-14-33]: Kanttekening 33: 33 bitterlijk bedroefd: Hebreeuws, bitter, dat is innerlijk zeer bedroefd. Zie 2 Kon. 4:27. 2 Koningen 4:27: Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^ezechiel-3-14-34]: Kanttekening 34: 34 door de hitte: Dat is, door de hittige ontsteltenis en verdrietigheid van mijn gemoed, veroorzaakt in mij omdat ik tot deze profetische dienst beroepen werd en zo verschrikkelijke dingen verkondigen moest. Ezechiël bekent zijne zwakheid. Zie gelijke voorbeelden van zwakheid in Mozes; Ex. 3:11, enz., en Ex. 4:1, 4:10; in Jeremia, Jer. 1:6. Exodus 3:11: Toen zei Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen van Israël uit Egypte zou voeren? Exodus 4:1: Toen antwoordde Mozes, en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: YHWH is u niet verschenen! Exodus 4:10: Toen zei Mozes tot YHWH: Och Heer! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Jeremia 1:6: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.
[^ezechiel-3-14-35]: Kanttekening 35: Versta de eigen wil, genegenheid en drijving van de profeet, die hier tegen de kracht van de Heilige Geest gesteld wordt. Zie 2 Kon. 19:7. 2 Koningen 19:7: Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.
[^ezechiel-3-14-36]: Kanttekening 36: 36 de hand van YHWH was sterk op mij: Versta de kracht van de Heer, die de tegenstand van Ezechiëls zwakke natuur heeft overwonnen. Anderen verstaan de Geest van de profetie gelijk boven Ez. 1:3. Zie de aantekening. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-3-15-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws, de wegvoering. Zie boven Ez. 1:1. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-3-15-38]: Kanttekening 38: De woorden betekenen een hoop van groene aren. Vergelijk Ex. 9:31; Lev. 2:14. Dat is, van nieuwe vruchten. Maar Tel Abib wordt hier genomen voor een landstreek zo genaamd, gelegen in Mesopotamië omtrent de rivier Eufraat. Zie Ezra 2:59. Exodus 9:31: Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in de halm. Leviticus 2:14: En zo u YHWH een spijsoffer van de eerste vruchten offert, zult u het spijsoffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. Ezra 2:59: Deze togen ook op van Tel-Melah, Tel-Harsa, Cherub, Addan en Immer; maar zij konden het huis van hun vaderen en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren.
[^ezechiel-3-15-39]: Kanttekening 39: 39 Chebar woonden: Zie boven Ez. 1:1. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-3-15-40]: Kanttekening 40: 40 en ik bleef waar zij woonden: Anders: en \[aan\] Haescher, waar zij woonden. Aldus is Haescher de naam ener andere rivier, genaamd bij de landbeschrijvers Saocora, tussen welke en de rivier Chebar de landstreek Tel Abib zou gelegen zijn.
[^ezechiel-3-15-41]: Kanttekening 41: 41 bleef daar: Het Hebreeuwse woord betekent dikwijls niet alleen wonen, maar ook blijven. Zie 2 Kron. 32:10. 2 Kronieken 32:10: Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarom vertrouwt u, dat u te Jeruzalem blijft in de vesting?
[^ezechiel-3-15-42]: Kanttekening 42: Te weten over de schrikkelijke oordelen van God, die over de Israëlieten zouden vallen, en die ik moest verkondigen.
[^ezechiel-3-15-43]: Kanttekening 43: 43 in het midden van hen: Onder hen.
[^ezechiel-3-15-44]: Kanttekening 44: 44 zeven dagen: Zolang zat hij stil zonder iets te openbaren, òf omdat hij als bedwelmd zijnde, niet wist hoe hij zijn dienst aanvangen zou, òf omdat hij een schroom daarvan had, òf omdat hij nader en breder bevel van God verwachtte.
[^ezechiel-3-15-i]: Verwijzing i: Job 2:13. Job 2:13: Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.
[^ezechiel-3-17-k]: Verwijzing k: Jes. 62:6; Ez. 33:7; 1 Tim. 3:1. Jesaja 62:6: O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O u, die van YHWH doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen! Ezechiël 33:7: U nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. 1 Timotheüs 3:1: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.
[^ezechiel-3-17-45]: Kanttekening 45: 45 wachter gesteld: Zo worden de profeten en andere bedienaars van het Goddelijke Woord genaamd, omdat zij van God gesteld zijn om zijn volk te waarschuwen van alle gevaren, voortkomende uit valse leer of ergerlijken wandel. Zie Jes. 21:11, en Jes. 52:8, en Jes. 56:10, 56:11; Jer. 6:17, onder Ez. 33:2; Hand. 20:28, 20:29. Het is ene gelijkenis, genomen van de wachters, die op hoge torens of elders gesteld worden om de inwoners van de plaats te waarschuwen tegen de aankomst van de vijanden of enig ander onraad, ten einde zij daartegen op hunne hoede zouden wezen. Zie 1 Sam. 14:16; 2 Sam. 13:34; 2 Sam. 18:24; 2 Kon. 9:17. Jesaja 21:11: De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Jesaja 52:8: Er is een stem van uw wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als YHWH Sion wederbrengen zal. Jesaja 56:10: Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. Jesaja 56:11: En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde. Jeremia 6:17: Ik heb ook wachters over u gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid van de bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. Ezechiël 33:2: Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk van het land een man uit hun einden nemen, en die voor zich tot een wachter stellen; Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Handelingen 20:29: Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 1 Samuël 14:16: Als nu de wachters van Saul te Gibeä-benjamins zagen, dat, ziet, de menigte versmolt, en doorging, en geklopt werd; 2 Samuël 13:34: Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volks van de weg achter hem, aan de zijde van het gebergte. 2 Samuël 18:24: David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak van de poort aan de muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen. 2 Koningen 9:17: De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie een hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?
[^ezechiel-3-17-46]: Kanttekening 46: 46 van Mijnentwege: Hebreeuws, van, of uit mij; dat is, van mijnentwege, uit mijnen naam, last en bevel.
[^ezechiel-3-17-47]: Kanttekening 47: Zie van dit woord Ps. 19:12. Psalmen 19:12: Ook wordt Uw knecht daardoor duidelijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
[^ezechiel-3-18-l]: Verwijzing l: Ez. 33:8. Ezechiël 33:8: Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-3-18-48]: Kanttekening 48: 48 de dood sterven: Hebreeuws, stervende zult u sterven (מוֹת). Vergelijk Gen. 2:17, en Gen. 3:4, met de aantekening. Genesis 2:17: Maar van de boom van de kennis van het goed en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u de dood sterven. Genesis 3:4: Toen zei de slang tot de vrouw: Gijlieden zult de dood niet sterven;
[^ezechiel-3-18-49]: Kanttekening 49: 49 goddelozen weg te waarschuwen: Zie Spreuk. 2:12. Spreuken 2:12: Om u te redden van de kwade weg, van de man, die verkeerdheden spreekt;
[^ezechiel-3-18-50]: Kanttekening 50: 50 hem in het leven behoudt: Te weten, niet als God, de enige werkmeester, door zijn eigen kracht, maar als zijn instrument door de bediening van zijn woord, dat de kracht van God genaamd wordt; 1 Kor. 1:18. Zie 1 Kor. 3:5, 3:6, 3:7, 3:8, 3:9. Zo worden de dienaren van God gezegd velen te rechtvaardigen. Dan. 12:3; vissers van de mensen te zijn, Matt. 4:19; een licht en zaligheid van de heidenen; Hand. 13:47; de ogen van de mensen te openen om zich van de duisternis tot het licht te bekeren, enz., Hand. 26:18; zichzelf en die hen horen te behouden, 1 Tim. 4:16; de ziel van de dood te behouden en menigte van de zonden te bedekken, Jak. 5:20; vergelijk Ez. 1:10. 1 Korinthiërs 1:18: Want het woord van het kruis is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God; 1 Korinthiërs 3:5: Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heer aan een ieder gegeven heeft? 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft. 1 Korinthiërs 3:8: En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u. Daniël 12:3: De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig. Mattheüs 4:19: En Hij zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. Handelingen 13:47: Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 26:18: Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen. Jakobus 5:20: Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van de dood zal behouden, en menigte van de zonden zal bedekken. Ezechiël 1:10: De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier het aangezicht van een arend.
[^ezechiel-3-18-51]: Kanttekening 51: 51 in zijn ongerechtigheid sterven: Dat is, om zijne ongerechtigheid; vergelijk Lev. 15:13, onder vers 19, 3:20, en Ez. 18:24. Leviticus 15:13: Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. Ezechiël 3:19: Maar als u de goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.
[^ezechiel-3-18-52]: Kanttekening 52: Zie Gen. 42:22. Genesis 42:22: En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!
[^ezechiel-3-19-53]: Kanttekening 53: Te weten van mijne wraak en straf, die anders over u zou gekomen zijn; gelijk onder vers 21. Ezechiël 3:21: Maar als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en u hebt uw ziel bevrijd.
[^ezechiel-3-20-m]: Verwijzing m: Ez. 18:24; Ez. 33:12; idem 33:13. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. Ezechiël 33:12: U dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid van de rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijn overtreding; en aangaande de goddeloosheid van de goddelozen, hij zal om dezelfde niet vallen, op de dag als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelfde zijn gerechtigheid, op de dag als hij zondigt. Ezechiël 33:13: Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
[^ezechiel-3-20-54]: Kanttekening 54: Te weten in de schijn voor de mensen, niet in de waarheid voor God. Zo is het woord rechtvaardig genomen Spreuk. 18:17, onder Ez. 18:24, 18:26, en Ez. 33:13; Matt. 9:13; Luk. 18:9, 18:14. Idem, geloof voor een schijngeloof, Luk. 8:13; Hand. 8:13, en liefde voor schijnliefde, 1 Joh. 3:18; en kinderen van het koninkrijk voor degenen, die schenen zodanigen te zijn; Matt. 8:12. Spreuken 18:17: Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. Ezechiël 18:26: Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft daarin, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven. Ezechiël 33:13: Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. Mattheüs 9:13: Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Lukas 18:9: En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: Lukas 18:14: Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. Lukas 8:13: En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in de tijd van de verzoeking wijken zij af. Handelingen 8:13: En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich. 1 Johannes 3:18: Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid. Mattheüs 8:12: En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden.
[^ezechiel-3-20-55]: Kanttekening 55: 55 gerechtigheid afkeert: Dat is, schijngerechtigheid, te weten die de uitwendige luister daarvan heeft, maar niet de verborgen wortel; zo onder Ez. 18:24, 18:26, en Ez. 33:13; Matt. 5:20. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. Ezechiël 18:26: Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft daarin, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven. Ezechiël 33:13: Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. Mattheüs 5:20: Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeën, dat u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval zult ingaan.
[^ezechiel-3-20-56]: Kanttekening 56: Dit wordt God gezegd te doen, niet met de mens eigenlijk tot de zonde te bewegen en aan te drijven, maar door hem in de weg van zijn ongerechtigheid te laten, ja aan zijn bozen vrijen wil over te geven, en de gelegenheden te laten voorkomen, waardoor hij zichzelf in het verderf brengt. Anders: zo zal Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leggen; \[dat is, hem om zijne zonde straffen\] hij zal sterven.
[^ezechiel-3-20-57]: Kanttekening 57: 57 in zijn zonde sterven: Dat is, om zijne zonde; zie boven vers 18. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-3-20-58]: Kanttekening 58: 58 zullen niet gedacht worden: Dat is, zullen in gene rekening komen, noch God bewegen om hem van de straf vrij te houden; zo onder Ez. 18:24, en Ez. 33:13. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. Ezechiël 33:13: Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.
[^ezechiel-3-21-59]: Kanttekening 59: 59 hij niet zondigt: Versta dit van de heersende zonde, en waaraan de mens geen oprecht berouw heeft, 1 Joh. 3:6, 3:9; want de ware rechtvaardigen zondigen ook; maar hebben berouw daarvan; Pred. 7:20; Joh. 8:7; 1 Joh. 1:8. 1 Johannes 3:6: Een ieder, die in Hem blijft, die zondigt niet; een ieder, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend. 1 Johannes 3:9: Een ieder, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Prediker 7:20: Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. Johannes 8:7: En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zei tot hen: Die van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar. 1 Johannes 1:8: Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.
[^ezechiel-3-21-60]: Kanttekening 60: 60 zekerlijk leven: Hebreeuws, levende leven (חָיוֹ); zo onder Ez. 18:28. Ezechiël 18:28: Omdat hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.
[^ezechiel-3-21-61]: Kanttekening 61: 61 gewaarschuwd is: Te weten dadelijk, metterdaad, krachtiglijk, werkelijk, en mitsdien zich voor gewaarschuwd houdende, de waarschuwing aannemende, of zich latende waarschuwen, de rechte vrucht van de waarschuwing door Gods genade verkrijgende, waardoor hij het gevaar ontgaat en behouden wordt.
[^ezechiel-3-22-62]: Kanttekening 62: Of, kwam. Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-3-22-63]: Kanttekening 63: 63 daar op mij: Te weten te Tel-Abib. Zie daarvan boven vers 15. Ezechiël 3:15: En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.
[^ezechiel-3-22-64]: Kanttekening 64: Het Hebreeuwse woord betekent een laag veld, dat tussen de bergen ligt en daarvan schijnt afgesneden te zijn. Zie ook onder Ez. 8:4. Ezechiël 8:4: En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.
[^ezechiel-3-23-65]: Kanttekening 65: 65 heerlijkheid van YHWH stond daar: Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-3-23-n]: Verwijzing n: Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-3-23-66]: Kanttekening 66: 66 ik viel op mijn aangezicht: Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-3-24-o]: Verwijzing o: Ez. 2:2. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak.
[^ezechiel-3-24-67]: Kanttekening 67: 67 kwam de Geest in mij: Zie boven Ez. 2:2. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak.
[^ezechiel-3-24-68]: Kanttekening 68: 68 Hij sprak met mij: Te weten de Geest van God. Anderen nemen het op het woord Heer, uit vers 23. Ezechiël 3:23: En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid van YHWH stond daar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^ezechiel-3-24-69]: Kanttekening 69: 69 binnen in uw huis: Hebreeuws, in het midden van uw huis (בֵּיתֶֽ).
[^ezechiel-3-25-70]: Kanttekening 70: De weggevoerde Joden, die in Tel-Abib aan de rivier Chebar woonden. Zie boven vers 15. Ezechiël 3:15: En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.
[^ezechiel-3-25-71]: Kanttekening 71: Te weten, als u tot hen uitgingt. Anders: zij zullen. Hebreeuws, zij hebben dikke touwen aan u gegeven, dat is, gelegd. Maar dat de verleden tijd, naar de profetische wijze van spreken, hier moet genomen zijn voor de toekomende, is af te nemen uit de volgende woorden, die op de toekomende tijd passen.
[^ezechiel-3-25-72]: Kanttekening 72: 72 dikke touwen aan u leggen: Te weten om u te verhinderen dat u niet meer tegen hen en die van Jeruzalem zoudt profeteren. Sommigen verstaan dit bij gelijkenis van de moedwillige hardnekkigheid van de Joden, die de predikatiën van de profeet onvruchtbaar zou maken, ja doen ophouden.
[^ezechiel-3-25-73]: Kanttekening 73: 73 in het midden van hen: Onder hen, gelijk boven vers 15. Ezechiël 3:15: En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.
[^ezechiel-3-26-74]: Kanttekening 74: 74 Ik zal uw tong: De Heer geeft hiermede te verstaan dat Hij de moedwilligheid van de Joden niet bedwingen, maar een tijdlang toelaten zou tot hun meerdere straf.
[^ezechiel-3-26-75]: Kanttekening 75: 75 aan uw gehemelte doen kleven: Dit kan verstaan worden òf van lichamelijke stomheid, òf van onbekwaamheid en verslagenheid van de geest, die God zijn profeet heeft laten overkomen, omdat de Joden zijne predikatiën onwaardig waren. Sommigen verstaan het alsof de Heer zei: Ik zal u niets openbaren in die tijd.
[^ezechiel-3-26-p]: Verwijzing p: Ez. 2:5. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-3-26-76]: Kanttekening 76: 76 een opstandig huis: Zie boven Ez. 2:5; Hebreeuws, een huis van de opstandigheid (בֵּית). Zo in het volgende. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-3-27-77]: Kanttekening 77: 77 mond opendoen: Dat is, door mijnen Geest en mijne kracht u de bekwaamheid wedergeven, om uw profetisch ambt te bedienen.
[^ezechiel-3-27-78]: Kanttekening 78: 78 wie hoort, die hore: Vergelijk boven Ez. 2:5, 2:7. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. Ezechiël 2:7: Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig.
[^ezechiel-3-27-q]: Verwijzing q: Ez. 2:5; idem v. 7. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. Ezechiël 2:7: Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig.

### Ezechiël 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/4.json)

*De profeet krijgt van God de opdracht de toekomstige belegering van Jeruzalem op een tichelsteen af te beelden, vers 1, enz., alsook de tijd van Gods verdraagzaamheid over de afval van Israël en Juda, 4; eveneens de grote hongersnood, die tijdens de belegering binnen Jeruzalem zou zijn, 9, enz.*

**1** En u, mensenkind, neem u een[^ezechiel-4-1-1] baksteen, en leg die voor uw aangezicht, en[^ezechiel-4-1-2] bewerp daarop de stad Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v1)

**2** En[^ezechiel-4-2-3] maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar[^ezechiel-4-2-4][^ezechiel-4-2-a] vestingen, en[^ezechiel-4-2-5] werp tegen haar een[^ezechiel-4-2-6] wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar[^ezechiel-4-2-7] stormrammen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v2)

**3** Verder, neem u zich een ijzeren pan[^ezechiel-4-3-8], en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en[^ezechiel-4-3-9] richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en u zult ze[^ezechiel-4-3-10] belegeren. Dit zij voor het huis van Israël een teken[^ezechiel-4-3-11]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v3)

**4** [^ezechiel-4-4-12] Lig u ook neer op uw[^ezechiel-4-4-13] linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël,[^ezechiel-4-4-14] naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u[^ezechiel-4-4-15] hun ongerechtigheid dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v4)

**5** Want Ik heb u[^ezechiel-4-5-16] gegeven[^ezechiel-4-5-17] de jaren van hun ongerechtigheid, naar het getal van de dagen,[^ezechiel-4-5-18] driehonderd en negentig dagen, dat[^ezechiel-4-5-b] u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v5)

**6** [^ezechiel-4-6-19] Als u nu deze voltooien zult,[^ezechiel-4-6-20] lig voor de tweede keer neer op uw[^ezechiel-4-6-21] rechterzijde, en u zult de ongerechtigheid van het huis van[^ezechiel-4-6-22] Juda dragen[^ezechiel-4-6-23] veertig dagen; Ik heb u gegeven[^ezechiel-4-6-24] elke dag voor elk jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v6)

**7** Daarom zult u[^ezechiel-4-7-25] uw aangezicht richten tegen[^ezechiel-4-7-26] de belegering van Jeruzalem, en uw arm[^ezechiel-4-7-27] zal ontbloot zijn; en u zult tegen haar profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v7)

**8** En ziet,[^ezechiel-4-8-28] Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat u zich niet omkeert[^ezechiel-4-8-29] van uw ene zijde tot uw andere zijde, voordat u de dagen[^ezechiel-4-8-30] van uw[^ezechiel-4-8-31] belegering voltooid hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v8)

**9** En[^ezechiel-4-9-32] neemt u voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en[^ezechiel-4-9-33] heerse, en spelt; en doe die[^ezechiel-4-9-34] in een pot, en maak die u tot brood; naar het getal van de dagen, die u op uw zijde neerliggen zult,[^ezechiel-4-9-35] driehonderd en negentig dagen, zult u dat eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v9)

**10** Uw voedsel nu, dat u eten zult, zal in gewicht zijn twintig[^ezechiel-4-10-36] sikkels per dag;[^ezechiel-4-10-37] van tijd tot tijd zult u die eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v10)

**11** U zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een[^ezechiel-4-11-38] hin; van tijd tot tijd zult u het drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v11)

**12** En u zult[^ezechiel-4-12-39] een gerstekoek eten, en die zult u met mest van de afgang van de mens bakken[^ezechiel-4-12-40][^ezechiel-4-12-41] voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v12)

**13** En YHWH zei: Zo zullen de[^ezechiel-4-13-42] Israëlieten hun brood[^ezechiel-4-13-43][^ezechiel-4-13-c] onrein eten onder de[^ezechiel-4-13-44] heidenen, waarheen Ik hen verdrijven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v13)

**14** Toen zei ik: Ach, Adonai YHWH, zie,[^ezechiel-4-14-45] mijn ziel is niet[^ezechiel-4-14-46] verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen[^ezechiel-4-14-47] kadaver, noch dat[^ezechiel-4-14-48] verscheurd is, gegeten, en geen[^ezechiel-4-14-49] verfoeilijk vlees is in mijn mond gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v14)

**15** En Hij zei tot mij: Zie,[^ezechiel-4-15-50] Ik heb u rundermest gegeven voor mensenpoep, zo zult u uw brood daarmee bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v15)

**16** Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik[^ezechiel-4-16-51][^ezechiel-4-16-d] breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood[^ezechiel-4-16-52] met gewicht en met[^ezechiel-4-16-53] kommer eten, en het water met zekere maat en met[^ezechiel-4-16-54] verbaasdheid drinken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v16)

**17** Opdat[^ezechiel-4-17-55] zij van het brood en van het water gebrek hebben, en[^ezechiel-4-17-56] de één met de ander verbaasd worden, en[^ezechiel-4-17-57] in hun ongerechtigheid uitteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/4.html#v17)

[^ezechiel-4-1-1]: Kanttekening 1: Versta, een platvormige effen tafel van tichelsteen gemaakt, waarop men iets schrijven, graveren of afbeelden kon; gelijk bij ons de schalen tot zulk een einde gebruikt worden.
[^ezechiel-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 ontwerp daarop de stad Jeruzalem: Het woord betekent hier eigenlijk uitdrukken, insnijden, afmalen, graveren met een griffel; vergelijk onder Ez. 23:14. Ezechiël 23:14: Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan de wand zag, de beelden van de Chaldeeën, geschilderd met menie,
[^ezechiel-4-2-3]: Kanttekening 3: 3 maak een belegering tegen haar: Te weten in afbeelding, of schildering.
[^ezechiel-4-2-4]: Kanttekening 4: Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 25:1. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-4-2-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 25:1. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 werp tegen haar: Hebreeuws, stort, of giet uit.
[^ezechiel-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 wal op: Zie 2 Sam. 20:15. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen.
[^ezechiel-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 stormrammen rondom: Te weten waarmee de muren van de steden en sterkten gebroken worden; genaamd bij de Latijnen arietes. Het woord betekent ook hoofdmannen, of krijgsoversten, gelijk 2 Kon. 11:4, 11:19, in welke zin het hier ook van enige genomen wordt, gelijk ook onder Ez. 21:22. 2 Koningen 11:4: In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van YHWH; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van YHWH, en hij toonde hun de zoon van de koning. 2 Koningen 11:19: En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van YHWH, en kwamen door de weg van de poort van de trawanten tot het huis van de koning, en hij zat op de troon van de koningen. Ezechiël 21:22: De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.
[^ezechiel-4-3-8]: Kanttekening 8: 8 een ijzeren pan: Te weten tot een teken van Gods vast en onbeweeglijk voornemen, dat Hij had om Jeruzalem te verderven en niet te sparen.
[^ezechiel-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 richt uw aangezicht tegen haar: Dat is, heb een vast voornemen om die door de belegering uit te roeien; vergelijk de manier van spreken met Lev. 17:10, en zie de aantekening. De profeet wordt hier belast in manier van afbeelding het werk te doen tegen Jeruzalem, dat God zelf voorhad; Jer. 21:10. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Jeremia 21:10: Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt YHWH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.
[^ezechiel-4-3-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws, worde, of zij.
[^ezechiel-4-3-11]: Kanttekening 11: Te weten dat Jeruzalem zal belegerd, ingenomen en verstoord worden.
[^ezechiel-4-4-12]: Kanttekening 12: 12 Lig u ook neder: Te weten tot een teken dat God zolang gelijk stil en slapende geweest was, verdragende de misdaden van zijn volk. Nu houdt men dit van de profeet geschied te zijn, niet dadelijk in zijn persoon, maar in een profetisch gezicht en afbeelding daarvan, die hij in het prediken het volk vertonen moest. Maar enige menen dat ook iets van deze inderdaad het volk vertoond is.
[^ezechiel-4-4-13]: Kanttekening 13: Te weten om daarmede te betekenen, dat deze eerste nederligging was ten aanzien van de kinderen van Israël, \[hoewel sommigen hier niet alleen de tien stammen, maar ook Juda verstaan, vanwege de gemeenschap van hunne zonden, in het bijzonder van de afgoderij\], van wie de hoofdstad Samaria dengenen, die tussen die en de stad Jeruzalem met hunne aangezichten naar het oosten stonden, aan de linkerzijde was, dat is noordwaarts; gelijk Jeruzalem de hoofdstad van de Joden aan de rechterzijde, dat is, zuidwaarts. Of, versta door de linkerzijde dat de Israëlieten de onwaardigsten waren van Gods volk, omdat zij onder Jerobeam van de rechte godsdienst afgevallen waren; zie onder vers 6. Ezechiël 4:6: Als u nu deze voltooien zult, lig ten anderen male neder op uw rechterzijde, en u zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elke dag voor elk jaar.
[^ezechiel-4-4-14]: Kanttekening 14: 14 naar het getal van de dagen: Dit woord is hier ingevoegd uit vers 5. Ezechiël 4:5: Want Ik heb u gegeven de jaren van hun ongerechtigheid, naar het getal van de dagen, driehonderd en negentig dagen, dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult.
[^ezechiel-4-4-15]: Kanttekening 15: 15 hun ongerechtigheid dragen: Te weten niet als Christus, om de schuld en de straf van de ongerechtigheid door voldoening weg te nemen, maar als een goddelijk teken hun door deze afbeelding voorgesteld, beduidende Gods lankmoedigheid, waardoor Hij vele jaren hunne moedwilligheid verdragen had, en de zwaarheid van de straf, die zij nu hadden te verwachten.
[^ezechiel-4-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, bescheiden, bestemd en bevolen, om zoveel dagen, als die jaren zijn, hunne ongerechtigheid te dragen.
[^ezechiel-4-5-17]: Kanttekening 17: 17 de jaren van hun ongerechtigheid: Welke hier door de dagen van de nederligging van de profeet, gelijk volgt, te kennen gegeven worden. Zij zijn in getal drie honderd en negentig, beginnende van de afval van de tien stammen onder Jerobeam; 1 Kon. 12:16; 2 Kron. 10:16; waarop ook meteen gevolgd is de afval van de Joden, 1 Kon. 14:22; 2 Kron. 12:1; en eindigende met de belegering of innemening van de stad Jeruzalem en de verstoring van de tempel, geschied door Nebukadnezar, 2 Kon. 25, 2 Kron. 36; welverstaande, dat onder de voorgemelde drie honderd en negentig jaren ook begrepen zijn de veertig jaren gemeld in vers 6, van welke begin zie daar. Dit is af te nemen uit vers 9, waar de profeet de leeftocht voorgeschreven wordt, alleen voor drie honderd en negentig dagen. Enige beginnen de jaren, door deze dagen betekend, van het zeven en twintigste jaar van de koning Salomo, als hij en het land begonnen in openbare afgoderij te vervallen; 1 Kon. 11:4. 1 Koningen 12:16: Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 2 Kronieken 10:16: Toen het gehele volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk de koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het gehele Israël naar zijn tenten. 1 Koningen 14:22: En Juda deed, wat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. 2 Kronieken 12:1: Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van YHWH verliet, en geheel Israël met hem. Ezechiël 4:6: Als u nu deze voltooien zult, lig ten anderen male neder op uw rechterzijde, en u zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elke dag voor elk jaar. Ezechiël 4:9: En neemt u voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en heerse, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal van de dagen, die u op uw zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult u dat eten. 1 Koningen 11:4: Want het geschiedde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met YHWH, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
[^ezechiel-4-5-18]: Kanttekening 18: 18 driehonderd en negentig dagen: Dit getal wordt zo juist gesteld, omdat de vaste en nauwe belegering van Jeruzalem zoveel tijd duren zou, overeenkomende met de tijd van de jaren, in welke de Israëlieten en Joden zich met de afgoderij besmet hadden, tot een openbaar bewijs van Gods rechtvaardig oordeel. Uit Jer. 52:4, 52:5, 52:6, blijkt, dat er meer dagen zijn verlopen van het begin van de belegering tot het innemen van de stad, maar men moet weten dat de belegering een tijdlang gestaakt is geweest om het optrekken van de Egyptenaren, Jer. 37:5, welke tijd hier van Ezechiël wordt overgeslagen en niet gerekend. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 52:5: Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia. Jeremia 52:6: In de vierde maand, op de negende van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had; Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).
[^ezechiel-4-5-b]: Verwijzing b: Num. 14:34. Numeri 14:34: Naar het getal van de dagen, in welke u dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult gewaar worden Mijn afbreking.
[^ezechiel-4-6-19]: Kanttekening 19: 19 Als u nu deze voltooien zult: Dat is, als u niet ver van het voltooien van deze dagen zult wezen, hebbende daarvan driehonderd en vijftig afgedaan, zodat er maar veertig overblijven.
[^ezechiel-4-6-20]: Kanttekening 20: 20 lig ten anderen male neder: Zie boven vers 4. Deze tweede nederligging was ten aanzien van de zonden van de Joden. Ezechiël 4:4: Lig u ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-4-6-21]: Kanttekening 21: Juda, ten aanzien van Samaria en de Israëlieten, was zuidwaarts gelegen, dat is, aan de rechterzijde van de wereld; zie boven vers 4. De rechterzijde kan ook betekenen de waardigheid, die de Joden boven de Israëlieten hadden, omdat bij hen was de tempel, de godsdienst en het huis van David. Ezechiël 4:4: Lig u ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-4-6-22]: Kanttekening 22: Zie boven vers 4. Ezechiël 4:4: Lig u ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-4-6-23]: Kanttekening 23: 23 veertig dagen: Deze dagen, die veertig jaren betekenden, worden begonnen van het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, in welke de Joden wel het verbond met God vernieuwd hebben, maar zo, dat zij meteen daarna weer tot afgoderij vervallen zijn; zij worden geëindigd met de belegering of verstoring van de stad Jeruzalem en van de tempel, of de laatste vervoering naar Babel, geschied door Nebuzaradan; 2 Kon. 25.
[^ezechiel-4-6-24]: Kanttekening 24: 24 elke dag voor elk jaar: Hebreeuws, een dag voor een jaar, een dag voor een jaar (יוֹם); zie Gen. 7:2, en Lev. 24:8. Genesis 7:2: Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. Leviticus 24:8: Op elke sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht van YHWH toerichten, vanwege de kinderen van Israël, tot een eeuwig verbond.
[^ezechiel-4-7-25]: Kanttekening 25: Zie boven vers 3. Ezechiël 4:3: Verder, neem u zich een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en u zult ze belegeren. Dit zij voor het huis van Israël een teken.
[^ezechiel-4-7-26]: Kanttekening 26: 26 de belegering van Jeruzalem: Dat is, het belegerde Jeruzalem.
[^ezechiel-4-7-27]: Kanttekening 27: 27 zal ontbloot zijn: Tot een teken dat de Chaldeën zeer voortvarend, wakker en bereid zullen zijn, om Jeruzalem met geweld en met louter kracht haastig in te nemen. Vergelijk Jer. 21:5. Jeremia 21:5: En Ik Zelf zal tegen u strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote toorn.
[^ezechiel-4-8-28]: Kanttekening 28: 28 Ik zal dikke touwen aan u leggen: Hij geeft hiermede te verstaan dat zijn besluit, van de stad te verderven, onveranderlijk was, en dat daarom de profeet moest volharden in dit zijn profeteren en in het voorstellen van zijn profetische afbeelding.
[^ezechiel-4-8-29]: Kanttekening 29: 29 van uw ene zijde tot uw andere zijde,: Hebreeuws, van uwe zijde tot uwe zijde.
[^ezechiel-4-8-30]: Kanttekening 30: Zijne wordt ze genaamd, omdat hem de afbeelding en de voorzegging daarvan bevolen was, of omdat ze zijne stad aangingen.
[^ezechiel-4-8-31]: Kanttekening 31: 31 belegering voltooid hebt: Anders, belegeringen; in het getal van velen, uit oorzaak dat er toenmaals twee belegeringen van de stad Jeruzalem geweest zijn. Want als de Chaldeën gehoord hadden dat de koning van Egypte de koning Zedekia te hulp kwam, zijn zij van de belegering afgetrokken, maar als zij vernamen dat hij weer in Egypte gekeerd was, hebben zij de belegering hervat.
[^ezechiel-4-9-32]: Kanttekening 32: 32 neemt u voor u tarwe: Hiermede en met het volgende wordt betekend de grote benauwdheid en hongersnood, die de belegerden overkomen zou.
[^ezechiel-4-9-33]: Kanttekening 33: Anders genaamd geerst of gierst.
[^ezechiel-4-9-34]: Kanttekening 34: 34 in een vat: Dat is, niet elk soort in een onderscheiden vat, maar alle ondereen gemengd in enig vat; dat placht te gebeuren in tijd van nood, als er groot gebrek van broodkoren is.
[^ezechiel-4-9-35]: Kanttekening 35: 35 driehonderd en negentig dagen: Dat is, omtrent de veertien maanden zal de belegering van Jeruzalem duren.
[^ezechiel-4-10-36]: Kanttekening 36: 36 sikkelen daags: Versta gemene of burgerlijke sikkelen, van welke een deed omtrent een oordje van een rijksdaalder, Gen. 20:16; vier van deze maakten het gewicht van een ons; dat is, van een rijksdaalder. Zo was dan het gewicht van twintig sikkelen vijf onsen. Genesis 20:16: En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
[^ezechiel-4-10-37]: Kanttekening 37: 37 van tijd tot tijd: Dat is, telken dage zult u maar zoveel eten, te weten tot een teken van hongersnood, die in Jeruzalem wezen zal. Zo in vers 11, van de dagelijkse drank. Vergelijk 2 Kon. 25:3; Jer. 37:21. Ezechiël 4:11: U zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult u het drinken. 2 Koningen 25:3: Op de negende van de vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had, Jeremia 37:21: Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof van de bewaring, en men gaf hem per dag een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring.
[^ezechiel-4-11-38]: Kanttekening 38: Een maat van natte waren, inhoudende zoveel als in twee en zeventig gemene eierschalen zou mogen gaan. Zie Lev. 19:36. Zo was de maat van de drank zoveel als in twaalf hoendereieren gaan kon. Leviticus 19:36: U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^ezechiel-4-12-39]: Kanttekening 39: 39 een gerstekoek eten: Anders: u zult dat als gerstekoek eten. Versta het voedsel, vermeld vers 9, 4:10. Dat is, in zulken vorm bereid en toegemaakt als gerstekoeken. Ezechiël 4:9: En neemt u voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en heerse, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal van de dagen, die u op uw zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult u dat eten. Ezechiël 4:10: Uw voedsel nu, dat u eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult u die eten.
[^ezechiel-4-12-40]: Kanttekening 40: 40 drek van de afgang van de mens: Dat hun in plaats van hout zou moeten wezen, om daarmede hun voedsel te koken, of ook hunne koeken te bakken op een haard met mensendrek heet gemaakt. Zo wordt betekend dat ze in de belegering groot gebrek van hout zouden hebben, ja ook van vee, omdat de mist daarvan minder verfoeilijk gehouden werd.
[^ezechiel-4-12-41]: Kanttekening 41: 41 voor hun ogen: Hieruit nemen sommigen af dat deze dingen de profeet niet alleen in een gezicht zijn vertoond geweest van God, maar dat hij ook die in ene afbeelding het volk vertoond heeft.
[^ezechiel-4-13-42]: Kanttekening 42: 42 kinderen van Israël: Dat is, de Joden, samen met die van de tien stammen onder hen woonden; zie 2 Kon. 21:2. 2 Koningen 21:2: En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had.
[^ezechiel-4-13-43]: Kanttekening 43: 43 onrein eten: Zo wordt het genoemd om de manier of wijze van de voorgemelde koning of bakking. Vergelijk Deut. 23:12, enz. Deuteronomium 23:12: U zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult u uitgaan naar buiten.
[^ezechiel-4-13-c]: Verwijzing c: Hosea 9:3. Hosea 9:3: Zij zullen in de land van YHWH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten.
[^ezechiel-4-13-44]: Kanttekening 44: Versta, de Chaldeën, onder wie de Joden zouden zijn, als zij van hen belegerd en daarna weggevoerd zouden worden.
[^ezechiel-4-14-45]: Kanttekening 45: 45 mijn ziel: Dat is, mijn persoon. Zie 1 Kon. 19:4. 1 Koningen 19:4: Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
[^ezechiel-4-14-46]: Kanttekening 46: 46 verontreinigd geweest: Te weten met enige ceremoniele onreinheid, die velerlei is geweest, van welke drie soorten hier genoemd worden, waaronder al de andere te verstaan zijn, en die de priesters verboden waren; Lev. 21, Lev. 22.
[^ezechiel-4-14-47]: Kanttekening 47: 47 dood aas: Zie van deze soort van de onreinheid Lev. 11:40. Leviticus 11:40: Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond.
[^ezechiel-4-14-48]: Kanttekening 48: 48 verscheurd is: Zie van deze soort Ex. 22:31. Exodus 22:31: U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen.
[^ezechiel-4-14-49]: Kanttekening 49: 49 verfoeielijk vlees: Hebreeuws, vlees van het verfoeisel, of van de stank (בְּשַׂר); zie Lev. 7:18. Leviticus 7:18: Want zo enigszins van dat vlees zijns dankoffers op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-4-15-50]: Kanttekening 50: 50 Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek: Zo verzacht de Heer zijn voorgaande bevel ten aanzien van de persoon van de profeet, die dit voor de ogen van het volk afbeelden moest, boven vers 12; maar niet ten aanzien van de Joden, die binnen Jeruzalem belegerd zouden worden. Ezechiël 4:12: En u zult een gerstekoek eten, en die zult u met drek van de afgang van de mens bakken voor hun ogen.
[^ezechiel-4-16-51]: Kanttekening 51: 51 breek de staf van het brood: Zie Lev. 26:26. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden.
[^ezechiel-4-16-d]: Verwijzing d: Lev. 26:26; Jes. 3:1; Ez. 5:16; Ez. 14:13. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Jesaja 3:1: Want ziet, de Heer, YHWH van de legermachten, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de stok en de staf, allen stok van het brood, en allen stok van het water; Ezechiël 5:16: Wanneer Ik de boze pijlen van de honger tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik de honger over u vermeerderen, en u de staf van het brood breken. Ezechiël 14:13: Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, moeizaam overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelfde de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
[^ezechiel-4-16-52]: Kanttekening 52: 52 met gewicht: Gelijk God gedreigd had; Lev. 26:26. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden.
[^ezechiel-4-16-53]: Kanttekening 53: 53 kommer eten: Te weten waardoor zij nog meerdere ellende zullen vrezen.
[^ezechiel-4-16-54]: Kanttekening 54: 54 verbaasdheid drinken: Dat is, waardoor zij zo verslagen zullen zijn, dat zij bedwelmd zullen staan gelijk wanhopende mensen.
[^ezechiel-4-17-55]: Kanttekening 55: 55 Opdat zij: Of, zodat zij van het brood, enz. gebrek zullen hebben.
[^ezechiel-4-17-56]: Kanttekening 56: 56 de één met de ander verbaasd worden: Hebreeuws, de man en zijn broer (אִישׁ).
[^ezechiel-4-17-57]: Kanttekening 57: 57 in hun ongerechtigheid uitteren: Vergelijk Lev. 26:39; Ez. 24:23 en Ez. 33:10. Leviticus 26:39: En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden van hun vaderen zullen zij met hen uitteren. Ezechiël 24:23: En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch wenen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een ieder tegen zijn broer zuchten. Ezechiël 33:10: Daarom, u mensenkind! zeg tot het huis van Israël: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Omdat onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij daarin versmachten, hoe zouden wij dan leven?

### Ezechiël 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/5.json)

*De profeet krijgt van God de opdracht zijn hoofd en baard te scheren, het afgeschorene in vieren te verdelen, en met de vier delen verschillend te handelen, vers 1, enz., waarmee de verscheidenheid en verschrikkelijkheid van de plagen wordt afgebeeld, die het Joodse volk zouden overkomen om de zonden die hier verhaald worden, 5, enz.*

**1** En u, mensenkind, neem u een scherp[^ezechiel-5-1-1] mes,[^ezechiel-5-1-2] een scheermes[^ezechiel-5-1-3] van de kappers zult u zich nemen,[^ezechiel-5-1-4] dat u zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard; daarna zult u zich een[^ezechiel-5-1-5] weegschaal nemen, en die haren delen[^ezechiel-5-1-6]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v1)

**2** [^ezechiel-5-2-7] Een derde deel zult u in het midden[^ezechiel-5-2-8] van de stad met[^ezechiel-5-2-9] vuur verbranden,[^ezechiel-5-2-10] nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen,[^ezechiel-5-2-11] slaande met een zwaard daaromheen[^ezechiel-5-2-12], en een derde deel zult u[^ezechiel-5-2-13] in de wind strooien; want Ik zal het[^ezechiel-5-2-14] zwaard achter hen uittrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v2)

**3** U zult ook weinig in getal[^ezechiel-5-3-15] daarvan nemen, en in[^ezechiel-5-3-16] uw slippen binden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v3)

**4** En nog zult u[^ezechiel-5-4-17] van die nemen, en die[^ezechiel-5-4-18] werpen in het midden van het vuur, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een[^ezechiel-5-4-19] vuur tegen[^ezechiel-5-4-20] het hele huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v4)

**5** Zo zegt Adonai YHWH: Dit is Jeruzalem,[^ezechiel-5-5-22] welke Ik in het midden van de heidenen gezet heb, en[^ezechiel-5-5-23] landen rondom haar heen.[^ezechiel-5-5-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v5)

**6** Maar zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid[^ezechiel-5-6-24] meer dan de heidenen, en Mijn voorschriften meer dan de landen, die rondom haar zijn; want zij hebben Mijn rechten verworpen, en in Mijn voorschriften hebben zij[^ezechiel-5-6-25] niet gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v6)

**7** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Omdat u daarom meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn voorschriften niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de[^ezechiel-5-7-27] rechten van de heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;[^ezechiel-5-7-26][^ezechiel-5-7-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v7)

**8** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Zie, Ik wil[^ezechiel-5-8-29] aan u,[^ezechiel-5-8-30] ja Ik, want Ik zal[^ezechiel-5-8-31] gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van[^ezechiel-5-8-32] die heidenen.[^ezechiel-5-8-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v8)

**9** En Ik zal onder u[^ezechiel-5-9-33] doen, wat Ik niet gedaan heb, en evenzo Ik voortaan niet doen zal, omwille van al uw gruwelijke dingen[^ezechiel-5-9-34]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v9)

**10** Daarom zullen de vaders de[^ezechiel-5-10-35][^ezechiel-5-10-b] kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaders eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al[^ezechiel-5-10-36] uw overblijfsel in[^ezechiel-5-10-37][^ezechiel-5-10-c] alle winden verstrooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v10)

**11** Daarom zo[^ezechiel-5-11-38] waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH (omdat u Mijn[^ezechiel-5-11-39] heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeilijke dingen, en met al uw gruwelijke dingen[^ezechiel-5-11-40]), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en[^ezechiel-5-11-d] Mijn[^ezechiel-5-11-41] oog[^ezechiel-5-11-42] u niet sparen zal, en Ik ook niet zal[^ezechiel-5-11-43] sparen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v11)

**12** [^ezechiel-5-12-44][^ezechiel-5-12-e] Een derde deel van u zal van de pest sterven, en zal door honger[^ezechiel-5-12-45] in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal[^ezechiel-5-12-46] in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in[^ezechiel-5-12-47] alle winden verstrooien, en Ik zal[^ezechiel-5-12-48] het zwaard achter hen[^ezechiel-5-12-49] uittrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v12)

**13** Zo[^ezechiel-5-13-50] zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn woede[^ezechiel-5-13-51] op hen doen rusten, en Mij[^ezechiel-5-13-52] troosten; en zij zullen[^ezechiel-5-13-53] weten, dat Ik, YHWH, in Mijn[^ezechiel-5-13-54] ijver gesproken heb, als Ik Mijn woede tegen hen volbracht zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v13)

**14** Daartoe zal[^ezechiel-5-14-55] Ik u ter woestheid en ter[^ezechiel-5-14-56] smaad zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van al degene, die voorbijgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v14)

**15** Zo zal de[^ezechiel-5-15-f] smaad en hoon een onderwijs en ontzetting voor de heidenen zijn[^ezechiel-5-15-57], die rondom u zijn, wanneer Ik over u[^ezechiel-5-15-58] gerichten in toorn, en in woede, en[^ezechiel-5-15-59] in grimmige straffen oefenen zal; Ik, YHWH, heb het gesproken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v15)

**16** Wanneer Ik de[^ezechiel-5-16-60] boze pijlen van de honger tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik de[^ezechiel-5-16-g] honger over u vermeerderen, en[^ezechiel-5-16-61][^ezechiel-5-16-h] u de staf van het brood breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v16)

**17** Ja, honger en[^ezechiel-5-17-62][^ezechiel-5-17-i] boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pest en[^ezechiel-5-17-63] bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, YHWH, heb het gesproken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/5.html#v17)

[^ezechiel-5-1-1]: Kanttekening 1: Het Hebreeuwse woord is voor een mes genomen Joz. 5:2. Jozua 5:2: In die tijd sprak YHWH tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd opnieuw de kinderen van Israël ten tweede maal.
[^ezechiel-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 een scheermes: Dit betekent hier de vijanden van de Joden, die God rechtvaardiglijk gebruikte, om door middel derzelven zijn volk te straffen. Vergelijk Jes. 7:20. Jesaja 7:20: Op die dag zal de Heer door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen.
[^ezechiel-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 van de barbieren zult u zich nemen: Dat is, dat de barbiers gebruiken als zij iemand scheren.
[^ezechiel-5-1-4]: Kanttekening 4: 4 dat u zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard: Dat is, u zult daarmede het haar van uw hoofd en uw baard laten afscheren; zie dezelfde manier van spreken Num. 6:5, en Num. 8:7, en vergelijk Richt. 13:5. Versta nu door het haar van de baard de burgers en inwoners van Jeruzalem, die in zeer groot getal waren, en door de afschering daarvan de uitroeiing van die burgers. Numeri 6:5: Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich YHWH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds groeien. Numeri 8:7: En aldus zult u hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water van de ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun gehele vlees doen gaan, en zij zullen hun kleren wassen, en zich reinigen. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.
[^ezechiel-5-1-5]: Kanttekening 5: 5 weegschaal nemen: Als een teken van Gods rechtvaardigheid.
[^ezechiel-5-1-6]: Kanttekening 6: Vergelijk vers 1 met vers 12. Ezechiël 5:1: En u, mensenkind, neem u een scherp mes, een scheermes van de barbieren zult u zich nemen, dat u zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard; daarna zult u zich een weegschaal nemen, en die haar delen. Ezechiël 5:12: Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-2-7]: Kanttekening 7: 7 Een derde deel: Te weten in drie gelijke delen, betekenende dat de Joden door verscheidene soorten van straffen zouden uitgeroeid worden en omkomen. Zo wie de ene ontkwam, die zou in de andere vervallen. Vergelijk Jes. 24:18; Jer. 15:2. Jesaja 24:18: En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vreze vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten van de aarde zullen beven. Jeremia 15:2: En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!
[^ezechiel-5-2-8]: Kanttekening 8: 8 van de stad: Te weten van de stad Jeruzalem, zo hij die op een tichelsteen afgemaald had, boven Ez. 4:1; daarop nu zou hij dit droevig schouwspel met de verklaring daarvan, het volk dat in Chaldea woonde, waar de profeet was, vertonen. Ezechiël 4:1: En u, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg die voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem.
[^ezechiel-5-2-9]: Kanttekening 9: 9 vuur verbranden: Dat betekende al de straffen, waardoor een derde deel van het volk, gedurende de belegering, in de stad zou omkomen, als door honger, kommer, pest, geschut en dergelijke plagen en ellenden genomen, Job 15:34; zo onder vers 4. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. Ezechiël 5:4: En nog zult u van die nemen, en die werpen in het midden van het vuur, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen het gehele huis van Israël.
[^ezechiel-5-2-10]: Kanttekening 10: 10 nadat de dagen van de belegering vervuld worden: Dat is, u zult dat derde deel niet alles tegelijk verbranden, maar nu en dan tot het einde van de belegering. Anders: als de dagen van de belegering zullen vervuld zijn.
[^ezechiel-5-2-11]: Kanttekening 11: 11 slaande met een zwaard: Hiermede wordt betekend dat een ander deel van de Joden buiten de stad door de vijand verdaan zou worden, te weten als zij tegen hem zouden uitvallen, of ook de vlucht nemende, in zijne handen geraken; 2 Kon. 25:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden in de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld.
[^ezechiel-5-2-12]: Kanttekening 12: Te weten derde deel van het haar.
[^ezechiel-5-2-13]: Kanttekening 13: 13 in de wind strooien: Versta door deze het overige derde deel van de Joden, dat ten dele in de omliggende landen verstrooid is, ten dele gevankelijk gevoerd naar Ribla en Babel, 2 Kon. 25:11, 25:20, 25:21. 2 Koningen 25:11: Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de trawanten, gevankelijk weg. 2 Koningen 25:20: Als Nebuzaradan, de overste van de trawanten, deze genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel, naar Ribla. 2 Koningen 25:21: En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.
[^ezechiel-5-2-14]: Kanttekening 14: Te weten van de vijanden, dat de gevluchte en gevangen Joden hier en daar achtervolgen, plagen en verslinden zou. Hebreeuws, achter hen leeg maken. Zo Ex. 15:9; Lev. 26:33, onder vers 12, en Ez. 12:14. Exodus 15:9: De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien. Leviticus 26:33: Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. Ezechiël 5:12: Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-3-15]: Kanttekening 15: 15 daarvan nemen: Te weten van het laatste derde deel.
[^ezechiel-5-3-16]: Kanttekening 16: 16 uw slippen binden: Tot een teken dat een zeer klein getal van de geringste en eenvoudigste Joden in het land overblijven zou, die Nebuzaradan daar laten zou tot wijngaardeniers en akkerlieden; 2 Kon. 25:12; Jer. 52:16. 2 Koningen 25:12: Maar van de armsten van het land liet de overste van de trawanten enige overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. Jeremia 52:16: Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de overste van de trawanten, enige over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.
[^ezechiel-5-4-17]: Kanttekening 17: 17 van die nemen: Te weten van die weinige overgeblevenen.
[^ezechiel-5-4-18]: Kanttekening 18: 18 werpen in het midden van het vuur: Dat betekende dat van de overgeblevenen onder de regering van Gedalia nog velen ellendiglijk omkomen zouden en verstrooid worden; 2 Kon. 25:25, 25:26; Jer. 41:3. 2 Koningen 25:25: Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; samen met de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren. 2 Koningen 25:26: Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot de meeste, en de oversten van de heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën. Jeremia 41:3: Ook sloeg Ismaël al de Joden, die met hem, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en de Chaldeeën, de krijgslieden, die daar gevonden werden.
[^ezechiel-5-4-19]: Kanttekening 19: 19 vuur tegen: Versta, het vuur van de ellenden en plagen. Zie boven vers 2, zo in het voorgaande van vers 4. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 5:4: En nog zult u van die nemen, en die werpen in het midden van het vuur, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen het gehele huis van Israël.
[^ezechiel-5-4-20]: Kanttekening 20: 20 het gehele huis van Israël: Te weten dat het gehele overblijfsel van Juda en Israël daaronder vermengd, waar ze ook zijn, ten uiterste toe plagen en verderven zal. Zie Jer. 42:16, en Jer. 44:27, 44:28. Jeremia 42:16: Zo zal het gebeuren, dat het zwaard, waar u voor vreest, u daar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar u voor zorgt, zal u daar in Egypte achter aankleven, en u zult daar sterven. Jeremia 44:27: Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. Jeremia 44:28: Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het gehele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.
[^ezechiel-5-5-22]: Kanttekening 22: 22 welke Ik in het midden van de heidenen: Dat is, Ik heb haar meer weldaden bewezen dan aan enige andere steden onder de heidenen, opdat zij deze tot een voorbeeld van deugd en eerbaarheid wezen zou. Vergelijk Deut. 4:6, 4:7, 4:8; Ps. 48:2, 48:3, enz., en Ps. 87:1, 87:2, 87:3, enz. Deuteronomium 4:6: Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Deuteronomium 4:7: Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 4:8: En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gehele wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? Psalmen 48:2: YHWH is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op de berg van Zijn heiligheid. Psalmen 48:3: Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Koning. Psalmen 87:1: Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid. Psalmen 87:2: YHWH bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob. Psalmen 87:3: Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad van God! Sela.
[^ezechiel-5-5-23]: Kanttekening 23: Dat is, heidense landen en volken, die zij moest voorlichten in het goede. Of, en van de landen, die rondom haar zijn.
[^ezechiel-5-5-21]: Kanttekening 21: 21 Dit is Jeruzalem: Te weten de stad, die de profeet op de tichelsteen afgebeeld had, boven Ez. 4:1. En het was de stad, die in Judea was, zelve niet, maar het teken daarvan en de afbeelding. Zie van deze manier van spreken, waardoor het teken de naam draagt van het betekende, Gen. 17:10. Ezechiël 4:1: En u, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg die voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem. Genesis 17:10: Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.
[^ezechiel-5-6-24]: Kanttekening 24: 24 meer dan de heidenen: Zie 2 Kon. 21:9. Vergelijk 2 Kron. 33:9; Jer. 2:10; zie ook op het einde van vers 7. 2 Koningen 21:9: Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël verdelgd had. 2 Kronieken 33:9: Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël verdelgd had. Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij? Ezechiël 5:7: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Omdat u daarom meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn inzettingen niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten van de heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;
[^ezechiel-5-6-25]: Kanttekening 25: 25 niet gewandeld: Wat het zij in de wet of inzettingen van de Heer te wandelen, zie 2 Kron. 6:16. 2 Kronieken 6:16: En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
[^ezechiel-5-7-27]: Kanttekening 27: 27 rechten van de heidenen: Die niet toelieten dat men zijn goden en godsdienst lichtvaardig veranderen zou, Jer. 2:10, 2:11. Men kan dit ook van de natuurlijke en burgerlijke wetten verstaan \[die van God in de harten van alle mensen zijn ingeschreven, Rom. 1:32, en Rom. 2:15\], die vele heidenen beter dan de Joden onderhouden hebben. Onder deze is ook, dat men zijn woord en belofte, die men houden mag, moet houden, dat de Joden niet gedaan hebben; 2 Kon. 24:1, 24:20. Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij? Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet. Romeinen 1:32: Zij, daar zij het recht van God weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, de dood waard zijn) niet alleen die dingen doen, maar ook mee een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. Romeinen 2:15: Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende). 2 Koningen 24:1: In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. 2 Koningen 24:20: Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel.
[^ezechiel-5-7-26]: Kanttekening 26: 26 daarom meer gemaakt hebt: Te weten met zondigen en overtreden. Hebreeuws, om uw vermenigvuldigen; dat is, omdat u vermenigvuldigt, te weten in zonden, of vermenigvuldigd wordt in zonden. Anderen verstaan deze vermenigvuldiging van hun grote menigte en geweldigen rijkdom, waarin zij de omliggende heidenen overtroffen, en evenwel tegen God ondankbaar waren. Vergelijk Deut. 32:15. Deuteronomium 32:15: Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^ezechiel-5-7-a]: Verwijzing a: Lev. 18:14; idem v. 28. Leviticus 18:14: U zult de schaamte van de broer uws vaders niet ontdekken; tot zijn huisvrouw zult u niet naderen; zij is uw moei. Leviticus 18:28: Dat u dat land niet uitspuwe, als u hetzelfde zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft.
[^ezechiel-5-8-29]: Kanttekening 29: Namelijk, o u stad Jeruzalem.
[^ezechiel-5-8-30]: Kanttekening 30: 30 ja Ik: Dit verhaal dient tot verzekering en verzwaring van de straf, die voorzegd wordt.
[^ezechiel-5-8-31]: Kanttekening 31: Dat is, straffen onder u uitvoeren; zo Ps. 119:84, onder Ez. 11:9, en Ez. 25:11. Vergelijk 2 Kron. 20:12, en de aantekening. Psalmen 119:84: Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult U recht doen over mijn vervolgers? Ezechiël 11:9: Ook zal Ik u uit het midden daarvan doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand van de vreemden; en Ik zal recht onder u doen. Ezechiël 25:11: Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. 2 Kronieken 20:12: O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.
[^ezechiel-5-8-32]: Kanttekening 32: 32 die heidenen: Te weten, die u in boosheid teboven gaat, aan wie u met uw doen ergernis gegeven hebt en die, uwe vijanden zijnde, zich verheugen zullen in uw verderf.
[^ezechiel-5-8-28]: Kanttekening 28: 28 Ik wil: Te weten om u te verderven. Anders: Ik \[kom\] tegen u; gelijk Openb. 2:5, 2:16, en Openb. 3:3. Openbaring 2:5: Gedenk dan, waarvan u uitgevallen bent, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastig bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, als u u niet bekeert. Openbaring 2:16: Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Openbaring 3:3: Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
[^ezechiel-5-9-33]: Kanttekening 33: Dat is, zulke straffen zenden, die Ik hier tevoren niet gezonden heb.
[^ezechiel-5-9-34]: Kanttekening 34: 34 uw gruwelen wil: Te weten van afgoderij en andere boosheden tegen de eerste en tweede tafel, alsook tegen de ceremoniele en burgerlijke wetten.
[^ezechiel-5-10-35]: Kanttekening 35: 35 kinderen eten in het midden van u: Te weten uit oorzaak van hun grote honger en gebrek van leeftocht. Zie het dreigement Gods hiervan Lev. 26:29; Deut. 28:53, en de vervulling Klaagl. 2:20, en Klaagl. 4:10. Leviticus 26:29: Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten. Deuteronomium 28:53: En u zult eten de vrucht uws buiks, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen Klaagliederen 2:20: Resch. Zie, YHWH, aanschouw toch, aan wie U zo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderen, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom van YHWH gedood worden? Klaagliederen 4:10: Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter mijns volks.
[^ezechiel-5-10-b]: Verwijzing b: Lev. 26:29; Deut. 28:53; 2 Kon. 6:29; Klaagl. 4:10. Leviticus 26:29: Want u zult het vlees uw zonen eten, en het vlees uw dochters zult u eten. Deuteronomium 28:53: En u zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uw zonen en uw dochters, die u YHWH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen 2 Koningen 6:29: Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik van de anderen daags tot haar zei: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstopt. Klaagliederen 4:10: Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter mijns volks.
[^ezechiel-5-10-36]: Kanttekening 36: 36 uw overblijfsel: Zie boven vers 2. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-10-37]: Kanttekening 37: 37 alle winden verstrooien: Dat is, in alle delen van de wereld. Zo Jer. 49:32, 49:36; onder Ez. 12:14, en Ez. 17:21, en Ez. 37:9; Zach. 2:6. Jeremia 49:32: En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH. Jeremia 49:36: En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 17:21: Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, gesproken heb. Ezechiël 37:9: En Hij zei tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt de Heer YHWH: U geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. Zacharia 2:6: Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt YHWH; want Ik heb u uitgebreid naar de vier winden van de hemel, spreekt YHWH.
[^ezechiel-5-10-c]: Verwijzing c: Jer. 49:32; idem v. 36. Jeremia 49:32: En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH. Jeremia 49:36: En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen.
[^ezechiel-5-11-38]: Kanttekening 38: Vergelijk Num. 14:28; Ruth 3:13; 1 Sam. 14:39, 14:45, en 1 Sam. 19:6; 2 Sam. 22:47; Jer. 46:18. Numeri 14:28: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Ruth 3:13: Blijf deze nacht over; verder in de morgen zal het gebeuren, als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar als het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als YHWH leeft; leg u neder tot de morgen toe. 1 Samuël 14:39: Want zo waarachtig als YHWH leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij de dood sterven; en niemand uit het gehele volk antwoordde hem. 1 Samuël 14:45: Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 1 Samuël 19:6: Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als YHWH leeft, hij zal niet gedood worden! 2 Samuël 22:47: YHWH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils! Jeremia 46:18: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is YHWH van de legermachten; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen!
[^ezechiel-5-11-39]: Kanttekening 39: Dat is, de tempel, waarin de godsdienst geschiedde.
[^ezechiel-5-11-40]: Kanttekening 40: Te weten de grofste afgoderij in de godsdienst, en boosheden in het leven.
[^ezechiel-5-11-d]: Verwijzing d: Ez. 7:4. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-5-11-41]: Kanttekening 41: Omdat de ogen getuigen zijn van het hart, zo wordt hun toegeschreven wat het hart toekomt. Zo wordt het oog hier gezegd niet te sparen, dat is, geen medelijden te hebben en niet genadig te zijn. Zie ook Deut. 7:16, en Deut. 13:8; 1 Sam. 24:11, onder Ez. 7:4, en Ez. 16:5. Deuteronomium 7:16: U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Deuteronomium 13:8: Zo zult u hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet sparen, en u zult u niet ontfermen, noch hem verbergen; 1 Samuël 24:11: Zie, op deze dag hebben uw ogen gezien, dat YHWH u heden in mijn hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zei, dat ik u doden zou; maar mijn hand verschoonde u, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van YHWH. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 16:5: Geen oog had medelijden over u, om u één van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar u bent geworpen geweest op het vlakke van het veld, om de walgelijkheid van uw ziel, op de dag toen u geboren was.
[^ezechiel-5-11-42]: Kanttekening 42: Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende Ez. 7:4. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-5-11-43]: Kanttekening 43: Zie Num. 14:23; Deut. 1:35. Numeri 14:23: Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Deuteronomium 1:35: Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!
[^ezechiel-5-12-44]: Kanttekening 44: 44 Een derde deel: Zie bredere verklaring van vers 12 boven vers 2. Ezechiël 5:12: Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-12-e]: Verwijzing e: Jer. 15:2. Jeremia 15:2: En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt YHWH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!
[^ezechiel-5-12-45]: Kanttekening 45: 45 in het midden van u te niet worden: Dat is, in uw belegerde stad Jeruzalem.
[^ezechiel-5-12-46]: Kanttekening 46: 46 in het zwaard vallen: Te weten van de Chaldeën, die buiten de stad zullen zijn en haar belegeren. Zie van deze manier van spreken, Lev. 26:7. Leviticus 26:7: En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^ezechiel-5-12-47]: Kanttekening 47: 47 alle winden verstrooien: Vergelijk boven vers 10, en de aantekening. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.
[^ezechiel-5-12-48]: Kanttekening 48: 48 het zwaard achter hen: Zie boven vers 2. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-12-49]: Kanttekening 49: Hebreeuws, leeg maken, gelijk boven vers 2. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-5-13-50]: Kanttekening 50: 50 zal Mijn toorn volbracht worden: Dat is, mijne dreigementen, die Ik in mijn rechtvaardige toorn door mijne profeten uitgesproken had, zullen zo vervuld worden. Vergelijk de manier van spreken met Jes. 10:25; Klaagl. 4:11, onder Ez. 7:8, zo in het einde van vers 13. Jesaja 10:25: Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de toorn, en Mijn toorn tot hun vernieling. Klaagliederen 4:11: Caph. YHWH heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hitte van Zijn toorn uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, dat haar fondamenten verteerd heeft. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-5-13-51]: Kanttekening 51: 51 op hen doen rusten: Dat is, mijn moed aan hen koelen en mijne toornigheid zo aan hen verzadigen en genoeg doen, dat Ik gerust zal zijn, ziende hen zo ernstig door mijne straf gesteld, dat Ik niet zal behoeven deze te vernieuwen, Nah. 1:9. Dit is menselijkerwijze van God gesproken, zo onder Ez. 16:42, en Ez. 21:17, en Ez. 24:13. Nahum 1:9: Wat denkt u tegen YHWH? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen. Ezechiël 16:42: Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen. Ezechiël 21:17: En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, YHWH, heb het gesproken. Ezechiël 24:13: In uw onreinigheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en u niet gereinigd bent, zo zult u van uw onreinigheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten.
[^ezechiel-5-13-52]: Kanttekening 52: Dat is, mij wreken en in de verklaring mijner gerechtigheid mijn moed koelen en mij vermaken. Het is menselijkerwijze van God gesproken. Zo Jes. 1:24. Jesaja 1:24: Daarom spreekt de Heer, YHWH van de legermachten, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.
[^ezechiel-5-13-53]: Kanttekening 53: Dat is, metterdaad bevinden, en met hunne schande en schade gewaar worden. Zie Job 5:24, idem onder Ez. 6:7, 6:10, enz. Job 5:24: En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen. Ezechiël 6:7: En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat u weet, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 6:10: En zij zullen weten, dat Ik YHWH ben; Ik heb niet tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen.
[^ezechiel-5-13-54]: Kanttekening 54: 54 ijver gesproken heb: Versta, heftige en jaloerse toornigheid, als van een man, die verongelijkt is van zijne vrouw. Zo Ps. 79:5; Spreuk. 6:34; Jes. 59:17, onder Ez. 16:42, en Ez. 38:19. Psalmen 79:5: Hoe lang, YHWH? Zult U eeuwig toornen? Zal Uw ijver als vuur branden? Spreuken 6:34: Want jaloërsheid is een grimmigheid van de man; en in de dag van de wraak zal hij niet sparen. Jesaja 59:17: Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. Ezechiël 16:42: Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen. Ezechiël 38:19: Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur van Mijn toorn: Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël!
[^ezechiel-5-14-55]: Kanttekening 55: 55 Ik u ter woestheid: Zie Gods dreigement hiervan Lev. 26:31, en de vervulling, Klaagl. 2:2, enz. Leviticus 26:31: En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken. Klaagliederen 2:2: Beth. De Heer heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden van de dochter van Juda afgebroken in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.
[^ezechiel-5-14-56]: Kanttekening 56: 56 smaadheid zetten: Te weten waardoor u veracht, gelasterd en verfoeid zult wezen van de omliggende volken, als zij zeggen zullen dat u waard bent geweest zo behandeld te worden, om de wil van uw grote zonden en gruwelen.
[^ezechiel-5-15-f]: Verwijzing f: Deut. 28:37. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal.
[^ezechiel-5-15-57]: Kanttekening 57: 57 onderwijs en ontzetting: Te weten waardoor de heidenen zal kunnen geleerd worden welk een groot kwaad de zonde is, en hoe vreeslijk het is vanwege haar in Gods handen te vallen.
[^ezechiel-5-15-58]: Kanttekening 58: 58 gerichten in toorn: Dat is, rechtvaardige straffen uitvoeren; zo onder Ez. 25:11. Ezechiël 25:11: Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-5-15-59]: Kanttekening 59: 59 in grimmige straffen oefenen zal: Hebreeuws, in bestraffingen van de grimmigheid.
[^ezechiel-5-16-60]: Kanttekening 60: 60 boze pijlen van de honger: Versta, alle plagen en geselen, waardoor dure tijd en honger veroorzaakt wordt. Zij worden boos genaamd, omdat zij dodelijk zouden wonden en het verderf medebrengen, gelijk de volgende woorden verklaren. Zie Deut. 32:23. Deuteronomium 32:23: Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
[^ezechiel-5-16-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 6:25; Jes. 3:1; Ez. 4:16; Ez. 14:13. 2 Koningen 6:25: En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen. Jesaja 3:1: Want ziet, de Heer, YHWH van de legermachten, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de stok en de staf, allen stok van het brood, en allen stok van het water; Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; Ezechiël 14:13: Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, moeizaam overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelfde de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
[^ezechiel-5-16-61]: Kanttekening 61: 61 u de staf van het brood breken: Zie Lev. 26:26, en boven Ez. 4:16. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;
[^ezechiel-5-16-h]: Verwijzing h: Lev. 26:26; Ez. 4:16; Ez. 14:13. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; Ezechiël 14:13: Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, moeizaam overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelfde de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
[^ezechiel-5-17-62]: Kanttekening 62: 62 boos gedierte: Zie Lev. 26:22. Leviticus 26:22: Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
[^ezechiel-5-17-i]: Verwijzing i: Lev. 26:22. Leviticus 26:22: Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
[^ezechiel-5-17-63]: Kanttekening 63: 63 bloed onder u omgaan: Dat is, doodslagen en moorderijen. Zie Gen. 37:26. Genesis 37:26: Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?

### Ezechiël 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/6.json)

*Profetie over de verwoesting van het land, om de gruwelijke afgoderij van het volk, vers 1, enz. Beloften van genade aan een klein boetvaardig overblijfsel, 8. De profeet krijgt de opdracht door gebaren van ontsteltenis en rouw de zonden en plagen van het volk af te beelden, 11.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v1)

**2** Mensenkind,[^ezechiel-6-2-1] zet uw aangezicht tegen[^ezechiel-6-2-2][^ezechiel-6-2-a] de bergen van Israël, en profeteer daartegen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v2)

**3** En zeg: U bergen van Israël, hoort het woord van Adonai YHWH! Zo zegt Adonai YHWH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de[^ezechiel-6-3-4] beken en tot de dalen: Zie, Ik, Ik breng over u het[^ezechiel-6-3-5] zwaard, en Ik zal uw[^ezechiel-6-3-6] hoogten verderven.[^ezechiel-6-3-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v3)

**4** Daartoe zullen uw[^ezechiel-6-4-7] altaren verwoest, en uw[^ezechiel-6-4-8] zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal[^ezechiel-6-4-9] uw verslagenen neervellen voor het aangezicht van uw[^ezechiel-6-4-10] afgoden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v4)

**5** En[^ezechiel-6-5-11] Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten voor het aangezicht van hun afgoden[^ezechiel-6-5-12] leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v5)

**6** [^ezechiel-6-6-13] In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw afgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen,[^ezechiel-6-6-14] en uw werken uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v6)

**7** En de verslagenen zullen in het midden van u[^ezechiel-6-7-15] liggen, opdat u weet, dat[^ezechiel-6-7-16] Ik YHWH[^ezechiel-6-7-17] ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v7)

**8** Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als u enigen zult hebben,[^ezechiel-6-8-18] die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer u in de landen zult verstrooid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v8)

**9** Dan zullen uw ontkomenen[^ezechiel-6-9-19] Mij gedenken onder de heidenen, waar zij als gevangene zullen geworden zijn, omdat Ik[^ezechiel-6-9-20] verbroken ben door hun[^ezechiel-6-9-21] hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun[^ezechiel-6-9-22] ogen, die hun afgoden nahoereren; en zij[^ezechiel-6-9-23] zullen een[^ezechiel-6-9-24] walging aan zichzelf hebben[^ezechiel-6-9-25] over de boosheden, die zij in al hun gruwelijke dingen gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v9)

**10** En zij[^ezechiel-6-10-26] zullen weten, dat Ik YHWH ben; Ik heb niet[^ezechiel-6-10-27] tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v10)

**11** Zo zegt Adonai YHWH: Sla met uw hand,[^ezechiel-6-11-29] en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelijke dingen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.[^ezechiel-6-11-28][^ezechiel-6-11-30][^ezechiel-6-11-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v11)

**12** Die[^ezechiel-6-12-31] verre af is, zal door de pest sterven, en die[^ezechiel-6-12-32] nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en[^ezechiel-6-12-33] belegerd is, zal door honger sterven; zo zal Ik Mijn woede tegen hen volbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v12)

**13** Dan zult u weten, dat Ik YHWH ben, als hun verslagenen in het midden van hun afgoden rondom hun altaren wezen zullen op[^ezechiel-6-13-34] alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder alle groene boom, en onder alle[^ezechiel-6-13-35] dichte eiken, de plaats, alwaar zij aan al hun afgoden een liefelijke reuk maakten[^ezechiel-6-13-36]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v13)

**14** Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan[^ezechiel-6-14-37] de woestijn naar[^ezechiel-6-14-38] Diblath heen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/6.html#v14)

[^ezechiel-6-2-1]: Kanttekening 1: 1 zet uw aangezicht: Dat is, neem een vast voornemen en maak u gereed om onbeschroomd daartegen te profeteren. Zo onder Ez. 13:17, en Ez. 20:46, en Ez. 21:2, en Ez. 38:2. Ezechiël 13:17: En u, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters uws volks, die profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar; Ezechiël 20:46: Mensenkind, zet uw aangezicht naar de weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden. Ezechiël 21:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël; Ezechiël 38:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,
[^ezechiel-6-2-2]: Kanttekening 2: 2 de bergen Israëls: Te weten, die omtrent en rondom Jeruzalem waren, zie Psalm 125:2. Versta het land en koninkrijk van Juda, dat Israël genaamd wordt, niet alleen omdat de Joden zowel als de Israëlieten van de patriarch Israël, dat is, Jacob afkomstig waren, maar ook om andere oorzaken vermeld in 2 Kron. 15:17 en 21:2. Psalmen 125:2: Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is YHWH rondom Zijn volk, van nu aan tot in eeuwigheid. 2 Kronieken 15:17: De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2: En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^ezechiel-6-2-a]: Verwijzing a: Ez. 36:16. Ezechiël 36:16: Verder geschiedde van YHWH woord tot mij, zeggende:
[^ezechiel-6-3-4]: Kanttekening 4: Of, stromen, vloeden, rivieren, kolken, die hun loop sterkelijk in het land uitspreiden. Zo is het woord genomen Job 6:15, onder Ez. 31:12, en Ez. 35:8. Job 6:15: Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door; Ezechiël 31:12: En vreemden, de tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem. Ezechiël 35:8: En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, in dezelfde zullen de verslagenen van het zwaard liggen.
[^ezechiel-6-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, de oorlog. Zie Lev. 26:6, en 2 Kron. 20:9, en de aantekening. Leviticus 26:6: Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. 2 Kronieken 20:9: Als over ons enig kwaad komt, het zwaard van het oordeel, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.
[^ezechiel-6-3-6]: Kanttekening 6: 6 hoogten verderven: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-6-3-3]: Kanttekening 3: 3 bergen Israëls: Versta de mensen, die op de bergen woonden. Zo moeten in het volgende de woorden, heuvelen, beken, en dalen genomen worden, namelijk voor degenen, die daarop, of daarbij, of daarin hun woningen hadden. Vergelijk Richt. 1:19, Psalm 98:8, onder Ez. 36:1, Micha 6:1, 6:2. Richteren 1:19: En YHWH was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners van het dal te verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden. Psalmen 98:8: Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, Ezechiël 36:1: En u, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: U bergen Israëls! hoort het woord van YHWH. Micha 6:1: Hoort nu, wat YHWH zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. Micha 6:2: Hoort, u bergen! de twist van YHWH, samen met u sterke fondamenten van de aarde! want YHWH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
[^ezechiel-6-4-7]: Kanttekening 7: 7 uw altaren verwoest: Te weten die zij ter ere van hunne afgoden opgericht hadden.
[^ezechiel-6-4-8]: Kanttekening 8: 8 uw zonnebeelden verbroken worden: Zie van deze Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-6-4-9]: Kanttekening 9: Of, uwe dodelijk gewonden. Versta, de Joden, die van hunne vijanden verslagen en vermoord zouden worden, zelfs als zij tot hunne afgoden gevlucht zouden zijn, om in hun nood van die geholpen te worden.
[^ezechiel-6-4-10]: Kanttekening 10: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-6-5-11]: Kanttekening 11: 11 Ik zal de dode lichamen: Dat is, ik zal ze niet alleen laten vermoorden voor hun afgoden, maar zal ook hun dode lichamen, en de stukken ervan laten liggen, en maken verstrooid te worden omtrent hun afgodische altaren, om die ermee te verontreinigen. Want de dode lichamen van de mensen waren zeer verfoeilijk gehouden omtrent de altaren en offeranden.
[^ezechiel-6-5-12]: Kanttekening 12: Hebreeuws eigenlijk, geven.
[^ezechiel-6-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, in alle plaats, waar u zoudt mogen wonen.
[^ezechiel-6-6-14]: Kanttekening 14: Versta, de beelden en afgoden met al hun afgodisch tuig, door mensenhanden gemaakt; zie 2 Kon. 22:17. 2 Koningen 22:17: Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk van hun handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.
[^ezechiel-6-7-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws, vallen (נָפַל); vallen voor liggen; zie Jer. 9:22. Jeremia 9:22: Spreek: Zo spreekt YHWH: Ja, een dood lichaam van de mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter de maaier, die niemand opzamelt.
[^ezechiel-6-7-16]: Kanttekening 16: Zie boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-6-7-17]: Kanttekening 17: 17 dat Ik YHWH ben: Dat is, de enige en ware God, die dit door mijne profeten gesproken heb, en metterdaad betonen zal dat Ik waarachtig en rechtvaardig ben. Zo onder vers 10, en Ez. 11:10, en Ez. 12:15, enz. Ezechiël 6:10: En zij zullen weten, dat Ik YHWH ben; Ik heb niet tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen. Ezechiël 11:10: U zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal Ik u richten, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 12:15: Zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.
[^ezechiel-6-8-18]: Kanttekening 18: 18 het zwaard ontkomen: Hebreeuws, ontkomers van het zwaard (חֶרֶב). Versta degenen, die wel ballingen zouden moeten worden in vreemde landen, maar door Gods genade tot hun best in het leven zouden overblijven, opdat God zich hier altijd een zeker volk in het midden van alle verwoestingen behield.
[^ezechiel-6-9-19]: Kanttekening 19: 19 Mijner gedenken: Te weten die zij, in hun voorspoed zijnde en in wellusten levende, vergeten hadden. God te gedenken is hier tot Hem weer te keren, met verzaking van het voorgaande leven. Vergelijk Jer. 51:50. Jeremia 51:50: U ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt YHWH van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen.
[^ezechiel-6-9-20]: Kanttekening 20: 20 verbroken ben: Dat is, mij bekommerd of gekweld heb. Zo wordt menselijkerwijze van God gesproken, om te tonen dat de zonden van de Joden Hem zeer mishaagden, en de loop van zijn weldaden aan hen verhinderen en afbraken.
[^ezechiel-6-9-21]: Kanttekening 21: 21 hoerachtig hart: Versta dit van het geestelijk hoerdom, dat is afgoderij. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^ezechiel-6-9-22]: Kanttekening 22: 22 hun ogen: Vergelijk onder Ez. 20:24. Ezechiël 20:24: Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de drekgoden van hun vaderen waren.
[^ezechiel-6-9-23]: Kanttekening 23: Dat is, zichzelf met smartelijk verdriet en doorsnijding van het hart verfoeien vanwege hun voorgaande leven, en zich tot God bekeren. Vergelijk onder Ez. 20:43, en Ez. 36:31. Ezechiël 20:43: Daar zult u dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee u u verontreinigd hebt, en u zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die u gedaan hebt. Ezechiël 36:31: Dan zult u gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en u zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
[^ezechiel-6-9-24]: Kanttekening 24: 24 aan zichzelf hebben: Hebreeuws, in hunne aangezichten; dat is, aan zichzelf.
[^ezechiel-6-9-25]: Kanttekening 25: Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen 1 Kon. 21:22; 2 Kon. 7:7, en hier in vers 11. 1 Koningen 21:22: En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en gelijk het huis van Baësa, de zoon van Ahia; om de terging, waarmee u Mij getergd hebt, en dat u Israël hebt doen zondigen. 2 Koningen 7:7: Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevlucht om huns levens wil. Ezechiël 6:11: Zo zegt de Heer YHWH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie vallen.
[^ezechiel-6-10-26]: Kanttekening 26: Zie boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-6-10-27]: Kanttekening 27: 27 niet tevergeefs gesproken: Te weten omdat mijne trouw vereist dat Ik hen zo vermanen en dreigen zou door mijne profeten en mijne gerechtigheid dat Ik hen zo verderven zou door hunne vijanden.
[^ezechiel-6-11-29]: Kanttekening 29: 29 stamp met uw voet: Ook tot een teken van verdriet. Een gelijk teken is, op de dij of heup kloppen; Jer. 31:19; onder Ez. 21:12. Jeremia 31:19: Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb. Ezechiël 21:12: Schreeuw en huil, o mensenkind, want hetzelfde zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
[^ezechiel-6-11-28]: Kanttekening 28: 28 Sla met uw hand: Te weten tot een teken van verdriet en zwarigheid, die u maken zult over de zonden van het volk en de straffen, die daarop volgen zullen. Vergelijk Num. 24:10, en de aantekening. Het handslaan, of klappen maar met andere woorden in het oorspronkelijke is ook gebruikt geweest als teken van verachting. Zie Job 34:37; Klaagl. 2:15; ja zelfs als teken van vreugde, Ps. 47:2, en Ps. 98:8; onder Ez. 25:6; en van verbintenissen; Job 17:3. Numeri 24:10: Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zei tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, u hebt hen nu driemaal gedurig gezegend! Job 34:37: Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God. Klaagliederen 2:15: Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Psalmen 47:2: Al u volken, klapt in de hand; juicht voor God met een stem van vreugdegezang. Psalmen 98:8: Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, Ezechiël 25:6: Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël; Job 17:3: Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
[^ezechiel-6-11-30]: Kanttekening 30: Dat is, vergaan en ontkomen. Zie Gen. 14:10, en de aantekening; Lev. 26:7, en de aantekening. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. Leviticus 26:7: En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^ezechiel-6-11-b]: Verwijzing b: Ez. 21:17. Ezechiël 21:17: En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, YHWH, heb het gesproken.
[^ezechiel-6-12-31]: Kanttekening 31: 31 Die verre af is: Versta, degenen, die in de omliggende landen zouden gevlucht zijn, of hier en daar in bossen en spelonken zich versteken zouden.
[^ezechiel-6-12-32]: Kanttekening 32: 32 die nabij is: Dat is, die in de handen van de Chaldeën vallen zouden.
[^ezechiel-6-12-33]: Kanttekening 33: 33 belegerd is: Te weten in de stad Jeruzalem. Anders: behoed is.
[^ezechiel-6-13-34]: Kanttekening 34: 34 hoge heuvelen: Zie Deut. 12:2; 1 Kon. 14:23; 2 Kon. 16:4. Deuteronomium 12:2: U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groenen boom. 1 Koningen 14:23: Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hoge heuvel, en onder alle groenen boom. 2 Koningen 16:4: Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.
[^ezechiel-6-13-35]: Kanttekening 35: 35 dichte eiken: Dat is, zeer dicht getakte.
[^ezechiel-6-13-36]: Kanttekening 36: 36 liefelijken reuk: Hebreeuws, de reuk van de rust; te weten van offeranden of reukwerk, waarin zij meenden dat hunne afgoden rust, vermaak en welbehagen hadden, en nabootsten zo wat God ingesteld had. Zie Gen. 8:21, en Lev. 26:31. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Leviticus 26:31: En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
[^ezechiel-6-14-37]: Kanttekening 37: Men meent dat deze woestijn gelegen is geweest in het land van de Moabieten, zeer afgrijselijk vanwege haar buitengewone woestheid, waardoor de Israëlieten passeerden als ze eerst in het land Kanaän zouden komen; Num. 33:47; Jer. 48:22. Numeri 33:47: En zij verreisden van Almon-diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo. Jeremia 48:22: En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,
[^ezechiel-6-14-38]: Kanttekening 38: Ene stad in het voorgemelde land van de Moabieten, zo men meent, anders genaamd Diblathaïm; Jer. 48:22. Jeremia 48:22: En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,

### Ezechiël 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/7.json)

*Verdere profetie over de uiteindelijke en zeer verschrikkelijke verwoesting van het hele land van Juda, vers 1, 2, enz.; het deerlijke weeklagen van de ontkomenen, 16. Om hun zonden zullen zij als ontstelde, wanhopige, misdadige mensen, zowel hooggeplaatsten als geringen, moedeloos, troosteloos en radeloos, in gevangenschap worden weggevoerd, wat hun door het teken van een keten wordt afgebeeld, 17, enz.*

**1** Daarna kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v1)

**2** Verder, u mensenkind, zo zegt Adonai YHWH, van[^ezechiel-7-2-1] het land van Israël: Het[^ezechiel-7-2-2] einde is er, het einde[^ezechiel-7-2-3] is gekomen over de vier[^ezechiel-7-2-4] hoeken van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v2)

**3** Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn[^ezechiel-7-3-5] toorn tegen u zenden, en Ik zal u[^ezechiel-7-3-6] richten naar uw[^ezechiel-7-3-7] wegen, en Ik[^ezechiel-7-3-8] zal op u brengen al uw gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v3)

**4** [^ezechiel-7-4-a] En[^ezechiel-7-4-9] Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en[^ezechiel-7-4-10] uw gruwelijke dingen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v4)

**5** Zo zegt Adonai YHWH: Één kwaad, één enig kwaad, ziet, is gekomen;[^ezechiel-7-5-11][^ezechiel-7-5-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v5)

**6** [^ezechiel-7-6-13] Een einde is er gekomen,[^ezechiel-7-6-14] dat einde is gekomen,[^ezechiel-7-6-15] het is[^ezechiel-7-6-16] opgewaakt tegen u; zie,[^ezechiel-7-6-17] het kwaad is gekomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v6)

**7** [^ezechiel-7-7-18] De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag[^ezechiel-7-7-19] van de onrust is nabij, en er is geen[^ezechiel-7-7-20] wederklank van de bergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v7)

**8** Nu zal Ik[^ezechiel-7-8-21] in kort Mijn[^ezechiel-7-8-22] woede over u uitgieten, en Mijn toorn[^ezechiel-7-8-23] tegen u volbrengen, en u richten naar uw[^ezechiel-7-8-24] wegen, en zal op u brengen al uw gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v8)

**9** En Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en[^ezechiel-7-9-25] uw gruwelijke dingen zullen in het midden van u zijn; en u zult weten, dat Ik YHWH ben,[^ezechiel-7-9-26] Die slaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v9)

**10** Zie,[^ezechiel-7-10-27] de dag, ziet,[^ezechiel-7-10-28] de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de[^ezechiel-7-10-29] roede heeft gebloeid,[^ezechiel-7-10-30] de hoogmoed heeft gegroend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v10)

**11** Het[^ezechiel-7-11-31] geweld is opgerezen tot een roede van de goddeloosheid;[^ezechiel-7-11-32] niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun geluid, en geen[^ezechiel-7-11-33][^ezechiel-7-11-34][^ezechiel-7-11-35] klage zal over hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v11)

**12** [^ezechiel-7-12-36] De tijd is gekomen, de dag is genaderd; de koper[^ezechiel-7-12-37] zij niet blij, en de verkoper[^ezechiel-7-12-38] bedrijve geen rouw; want een[^ezechiel-7-12-39] brandende toorn is over de hele menigte[^ezechiel-7-12-40] van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v12)

**13** Want de verkoper zal tot[^ezechiel-7-13-41] het verkochte niet[^ezechiel-7-13-42] terugkeren,[^ezechiel-7-13-43] hoewel hun leven nog onder de levenden was; omdat[^ezechiel-7-13-44] het visioen, aangaande de hele menigte[^ezechiel-7-13-45] van het land, niet zal terugkeren; en niemand[^ezechiel-7-13-46] zal[^ezechiel-7-13-47] door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v13)

**14** Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben[^ezechiel-7-14-48] alles bereid, maar[^ezechiel-7-14-49] niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de hele menigte[^ezechiel-7-14-50] van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v14)

**15** Het zwaard is[^ezechiel-7-15-51] buiten, en de pest, en de honger van[^ezechiel-7-15-52] binnen;[^ezechiel-7-15-53] die op het veld is, zal door[^ezechiel-7-15-54] het zwaard sterven, en die in de stad is, die zal de honger en de pest verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v15)

**16** En hun[^ezechiel-7-16-55] ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven[^ezechiel-7-16-56] van de dalen,[^ezechiel-7-16-57] kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v16)

**17** Alle handen zullen[^ezechiel-7-17-58][^ezechiel-7-17-b] slap worden, en alle knieën[^ezechiel-7-17-59] zullen wegvloeien als water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v17)

**18** Ook zullen zij zakken[^ezechiel-7-18-60][^ezechiel-7-18-c] aangorden,[^ezechiel-7-18-61] huivering zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden[^ezechiel-7-18-62] kaalheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v18)

**19** Zij zullen hun zilver op de straten[^ezechiel-7-19-63] werpen, en hun goud zal tot[^ezechiel-7-19-64] onreinheid zijn;[^ezechiel-7-19-d] hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de[^ezechiel-7-19-65] dag van de toorn van YHWH; hun ziel zullen[^ezechiel-7-19-66] zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want[^ezechiel-7-19-67] het zal de[^ezechiel-7-19-68] aanstoot van hun ongerechtigheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v19)

**20** En[^ezechiel-7-20-69] Hij heeft de schoonheid van Zijn sieraad[^ezechiel-7-20-70] ter[^ezechiel-7-20-71] overtreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden van hun gruwelijke dingen en van hun verfoeilijke dingen gemaakt; daarom heb[^ezechiel-7-20-72] Ik dat hun tot[^ezechiel-7-20-73] onreinheid gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v20)

**21** En Ik zal[^ezechiel-7-21-74] het in de hand van[^ezechiel-7-21-75] de vreemden overgeven ten roof, en de[^ezechiel-7-21-76] goddelozen van de aarde ten buit, en zij zullen het[^ezechiel-7-21-77] ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v21)

**22** Ook zal Ik Mijn aangezicht van[^ezechiel-7-22-78] hen omwenden, en zij zullen Mijn[^ezechiel-7-22-79] verborgen plaats ontheiligen; want[^ezechiel-7-22-80] inbrekers zullen daar[^ezechiel-7-22-81] inkomen en die ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v22)

**23** Maak[^ezechiel-7-23-82] een keten; want het land is vol van[^ezechiel-7-23-83] bloedgerichten, en de stad is vol van[^ezechiel-7-23-84] geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v23)

**24** Daarom zal Ik de[^ezechiel-7-24-85] kwaadste van de heidenen doen komen, die hun huizen[^ezechiel-7-24-86] erfelijk bezitten zullen, en zal de[^ezechiel-7-24-87] hoogmoed[^ezechiel-7-24-88] van de sterken doen ophouden, en die[^ezechiel-7-24-89] hen heiligen, zullen ontheiligd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v24)

**25** De[^ezechiel-7-25-90] ondergang komt; en zij zullen de vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v25)

**26** Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het visioen[^ezechiel-7-26-91] van een profeet zoeken; maar de[^ezechiel-7-26-92] wet zal vergaan van de priester, en de raad van[^ezechiel-7-26-93] de oudsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v26)

**27** De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen[^ezechiel-7-27-94] met verwoesting bekleed zijn, en de handen van[^ezechiel-7-27-95] het volk van het land[^ezechiel-7-27-96] zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen[^ezechiel-7-27-97] naar hun weg, en[^ezechiel-7-27-98] met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/7.html#v27)

[^ezechiel-7-2-1]: Kanttekening 1: 1 het land van Israël: Versta het koninkrijk van Juda, dat in dit boek dikwijls Israël genaamd wordt. Vergel. 2 Kron. 15:17 en 21:2. 2 Kronieken 15:17: De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2: En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^ezechiel-7-2-2]: Kanttekening 2: Te weten van het voorgemeld land. Versta door het woord einde van het land ondergang en verderf. Zie Gen. 6:13, vergelijk Klaagl. 4:18. Genesis 6:13: Daarom zei God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. Klaagliederen 4:18: Tsade. Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen.
[^ezechiel-7-2-3]: Kanttekening 3: 3 is gekomen: Dat is, is zeer nabij, want deze voorzegging geschiedde in het vijfde jaar van het koninkrijk van Zedekia, en in het elfde de vervulling. Zie gelijke manier van spreken 1 Sam. 2:31; Ps. 102:14; Jes. 13:22; Jer. 50:31. 1 Samuël 2:31: Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en de arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal. Psalmen 102:14: U zult opstaan, U zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. Jesaja 13:22: En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, samen met de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden. Jeremia 50:31: Ziet, Ik wil aan u, u trotse! spreekt de Heer, YHWH van de legermachten; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.
[^ezechiel-7-2-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws, vleugelen; dat is, zijden, grenzen of gewesten van het land Juda; als daar waren de west-, oost-, zuid- en noordgrenzen. Christus noemt deze de vier winden, Matt. 24:31. De zin is: Dat geen deel van het land van Gods straf zou vrij wezen. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste daarvan.
[^ezechiel-7-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, mijne straffen, die Ik in mijne toorn tegen u zal uitgieten. Zo Ex. 15:7; Job 20:23; Ps. 78:49. Exodus 15:7: En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. Job 20:23: Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem regenen op zijn voedsel. Psalmen 78:49: Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaads.
[^ezechiel-7-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, straffen; zie Gen. 15:14. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^ezechiel-7-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, werken; zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^ezechiel-7-3-8]: Kanttekening 8: 8 zal op u brengen: Hebreeuws, zal op u geven; dat is brengen, leggen, stellen, zo vers 4; dat is, zal u straffen vanwege al uwe gruwelen en boze werken. Zie gelijke manier van spreken 1 Kon. 8:32; Jer. 26:15; onder vers 8, 7:9, 7:10, en Ez. 11:21, en Ez. 16:43, en Ez. 22:31, en Ez. 23:49. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. 1 Koningen 8:32: Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Jeremia 26:15: Maar weet voorzeker, dat u, zo u mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in waarheid, YHWH heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen. Ezechiël 7:9: En Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, Die slaat. Ezechiël 7:10: Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend. Ezechiël 11:21: Maar wier hart het hart van hun verfoeiselen en van hun gruwelen nawandelt, hun weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 16:43: Daarom dat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heer YHWH; en u zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen. Ezechiël 22:31: Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 23:49: Zo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en u zult de zonden van uw drekgoden dragen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^ezechiel-7-4-a]: Verwijzing a: Ez. 5:11; Ez. 8:18. Ezechiël 5:11: Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen! Ezechiël 8:18: Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.
[^ezechiel-7-4-9]: Kanttekening 9: 9 Mijn oog: Zie boven Ez. 5:11. Ezechiël 5:11: Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen!
[^ezechiel-7-4-10]: Kanttekening 10: 10 uw gruwelen: Dat is, de straffen van uw gruwelen. Want de schuld van de gruwelen was lang tevoren onder hen geweest. Zo ongerechtigheid voor de straf daarvan. Zie Lev. 5:1, en de aantekening. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-7-5-11]: Kanttekening 11: Versta, het kwaad van de straf, Gen. 19:19. Genesis 19:19: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^ezechiel-7-5-12]: Kanttekening 12: 12 enig kwaad: Dat met één slag u geheel en ten enenmale vernielen en uitroeien zal. Vergelijk de manier van spreken met 1 Sam. 26:8; Nah. 1:9. 1 Samuël 26:8: Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweede male doen. Nahum 1:9: Wat denkt u tegen YHWH? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.
[^ezechiel-7-6-13]: Kanttekening 13: 13 Een einde: Zie boven vers 2. Ezechiël 7:2: Verder, u mensenkind, zo zegt de Heer YHWH, van het land van Israël: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken van het land.
[^ezechiel-7-6-14]: Kanttekening 14: 14 dat einde is gekomen: Te weten dat Ik u steeds gedreigd heb door mijne profeten. Een ding is tweemaal gezegd, om de waarheid en zwaarheid daarvan uit te drukken.
[^ezechiel-7-6-15]: Kanttekening 15: Versta, het voornoemde einde. Anders: Hij is opgewaakt, te weten de Heer, en dat om u te straffen.
[^ezechiel-7-6-16]: Kanttekening 16: 16 opgewaakt tegen u: Dat is, bereid en gereed om u te overvallen. Vergelijk 2 Petr. 2:3. 2 Petrus 2:3: En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet.
[^ezechiel-7-6-17]: Kanttekening 17: 17 het kwaad: Te weten waarvan in vers 5 gesproken is. Ezechiël 7:5: Zo zegt de Heer YHWH: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen;
[^ezechiel-7-7-18]: Kanttekening 18: 18 De morgenstond: Dat is, die tijd, in welke u zekerlijk vroeg en haastig zult uitgeroeid worden. Sommigen menen dat hier gezien wordt op de tijd van de openbare burgerlijke straffen, die bij de Israëlieten in de morgenstond geschied zijn, daartoe gebruikende wat staat Ps. 101:8. Psalmen 101:8: Elke morgen zal ik alle goddelozen van het land verdelgen, om uit de stad van YHWH alle werkers van de ongerechtigheid uit te roeien.
[^ezechiel-7-7-19]: Kanttekening 19: 19 dag van de beroerte: Versta een zekeren en bestemden tijd, in welke het land vol beroerte zou zijn door het gewoel en geweld van de oorlog, en door het geklaag en gehuil van de mensen. Hebreeuws, Nabij is de dag, de beroerte (יּוֹם).
[^ezechiel-7-7-20]: Kanttekening 20: Versta, het wedergeluid, komende van het vreugdegeroep, dat gemaakt wordt als men met blijdschap de most en andere vruchten uit het veld inzamelt. Sommigen ook verstaan dit van het blije geluid, dat de afgodendienaars op de bergen bij hunne altaren maakten. Vergelijk Jer. 25:30. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^ezechiel-7-8-21]: Kanttekening 21: 21 in kort: Hebreeuws, van nabij.
[^ezechiel-7-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, de straffen mijner grimmigheid in grote menigte en met geweld over u zenden. Zo onder Ez. 20:8, 20:13. Zie Ps. 79:6. Ezechiël 20:8: Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen van zijn ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. Ezechiël 20:13: Maar het huis van Israël werd opstandig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; die, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zei, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^ezechiel-7-8-23]: Kanttekening 23: 23 tegen u volbrengen: Vergelijk boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-7-8-24]: Kanttekening 24: Dat is, werken, doen en laten, gelijk boven vers 3. Ezechiël 7:3: Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-7-9-25]: Kanttekening 25: 25 uw gruwelen: Zie boven vers 4. Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-7-9-26]: Kanttekening 26: 26 Die slaat: Dat is, die rechtvaardig straft. Zie van dit woord Gen. 8:21. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^ezechiel-7-10-27]: Kanttekening 27: 27 de dag: Dat is, de tijd van de straf en wraak Gods. Zie boven vers 7 en onder vers 12. Ezechiël 7:7: De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de beroerte is nabij, en er is geen wederklank van de bergen. Ezechiël 7:12: De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land.
[^ezechiel-7-10-28]: Kanttekening 28: 28 de morgenstond: Dit woord is hier ingevoegd uit het voorgaande vers 7, of uit het volgende van dit vers. Men kan ook in de plaats daarvan stellen, het kwaad, uit het vers 5.
[^ezechiel-7-10-29]: Kanttekening 29: 29 de roede: Door deze wordt van velen verstaan de koning Nebukadnezar, door wie de Joden zouden gestraft worden, tot welk einde zijne macht toenam en groeide. Vergelijk Jes. 10:5. Jesaja 10:5: Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!
[^ezechiel-7-10-30]: Kanttekening 30: 30 de hovaardij: Versta, de stoute en hardnekkige moedwilligheid van de Joden in het zondigen tegen God, welks oorzaak was van de voornoemde bloeiende roede. Zie vers 11. Ezechiël 7:11: Het geweld is opgerezen tot een roede van de goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn.
[^ezechiel-7-11-31]: Kanttekening 31: Versta, de ongerechtigheid en wrevel, voortkomende uit de gemelde hovaardij, want uit de verachting Gods spruit alle ongerechtigheid en wreedheid, die de mensen tegen elkaar plegen. Deze nu brengt de roede voort, waardoor de goddeloosheid van de mensen naar Gods rechtvaardig oordeel gestraft wordt. Men kan ook hier het geweld verstaan ten aanzien van de Chaldeën, die de Heer in kort opwekken zou, om de boosheden van de Joden te straffen.
[^ezechiel-7-11-32]: Kanttekening 32: 32 van hen: Te weten van de Joden; welverstaande, met uitneming van het overblijfsel, waarvan gesproken is boven Ez. 6:8. Ezechiël 6:8: Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als u enige zult hebben, die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer u in de landen zult verstrooid worden.
[^ezechiel-7-11-33]: Kanttekening 33: 33 hun menigte: Dat is, van het gemene volk.
[^ezechiel-7-11-34]: Kanttekening 34: 34 hun gedruis: Versta de heren en machtigen van het land, die met een gedruis van volk, dat hen vergezelschapt of ten dienste staat, zich voor de gemeente vertonen. Anders: noch van hen, die uit hen zijn; dat is van hunne nakomelingen.
[^ezechiel-7-11-35]: Kanttekening 35: 35 geen klage zal over hen zijn: Dat is, geen rouw als zij gestorven zullen zijn. De zin is dat het verderf zo groot zou wezen, dat er weinigen hiertoe zouden overig zijn; of dat een ieder met zijn eigen verdriet genoeg zou te doen hebben. Zie Jer. 16:4, 16:5, 16:6, 16:7. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. Jeremia 16:5: Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; Jeremia 16:6: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelf insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. Jeremia 16:7: Ook zal men hun niets uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.
[^ezechiel-7-12-36]: Kanttekening 36: 36 De tijd is gekomen: Zie boven vers 7. Ezechiël 7:7: De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de beroerte is nabij, en er is geen wederklank van de bergen.
[^ezechiel-7-12-37]: Kanttekening 37: 37 zij niet blij: Te weten omdat hij het gekochte goed niet zal genieten.
[^ezechiel-7-12-38]: Kanttekening 38: 38 bedrijve geen rouw: Te weten omdat hij door gebrek en armoede zijn land of ander goed heeft moeten verkopen; want zo hij het niet verkocht had, zou hij het evenwel niet hebben kunnen behouden. Zie vers 13. Ezechiël 7:13: Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; omdat het gezicht, aangaande de gehele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.
[^ezechiel-7-12-39]: Kanttekening 39: 39 brandende toorn: Versta, de brandende toorn van de Heer. Zie 2 Kron. 28:13, en onder vers 14. 2 Kronieken 28:13: En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen YHWH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is? Ezechiël 7:14: Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de gehele menigte van het land.
[^ezechiel-7-12-40]: Kanttekening 40: 40 van het land: Te weten van het land Juda.
[^ezechiel-7-13-41]: Kanttekening 41: 41 het verkochte: Hebreeuws, verkoping. Zo boven Ez. 1:1, wegvoering, voor weggevoerde. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-7-13-42]: Kanttekening 42: Gelijk wel in het jubeljaar geschiedde, waarin een ieder, die zijne erve verkocht had, tot dezelfde moest terugkeren; zie Lev. 25:13; maar deze wet zou in de zeventigjarige gevangenschap niet kunnen onderhouden worden. Leviticus 25:13: Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting.
[^ezechiel-7-13-43]: Kanttekening 43: 43 ofschoon hun leven nog onder de levenden ware: Dat is, ofschoon de koper en de verkoper nog leefden.
[^ezechiel-7-13-44]: Kanttekening 44: 44 het gezicht: Dat is, deze profetie, voorzeggende de ondergang van het Joodse Rijk en de zeventigjarige gevangenschap van het volk. Zie van het woord gezicht, Gen. 15:1, en Gen. 46:2. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2: En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^ezechiel-7-13-45]: Kanttekening 45: 45 van het land: Te weten van het land Juda, gelijk in vers 12. Ezechiël 7:12: De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land.
[^ezechiel-7-13-46]: Kanttekening 46: Dat is, niet wederroepen worden van God, of ijdel zijn, maar zal volbracht worden; zo is het woord terugkeren genomen Jes. 55:11; vergelijk ook 2 Sam. 1:22. Jesaja 55:11: Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend. 2 Samuël 1:22: Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer.
[^ezechiel-7-13-47]: Kanttekening 47: De zin is dat de Joden, hoe boos ook en snood zij mochten zijn om Gods wraak achter te houden, die nochtans niet ontgaan zouden. Men kan deze woorden ook aldus vertalen: Niemand, wiens leven is in zijn ongerechtigheid, zal zich versterken; of: Niemand in zijne ongerechtigheid zijnde, zal zijn leven sterven; of: Zich \[in\] zijn leven sterken; dat is, zolang hij in zijne ongerechtigheid voortgaat, zal hij zijn leven van het verderf niet behouden kunnen.
[^ezechiel-7-14-48]: Kanttekening 48: 48 alles bereid: Te weten dat er oorlog nodig en dienstig is.
[^ezechiel-7-14-49]: Kanttekening 49: 49 trekt ten strijde: Te weten omdat hij niet wil door zorgeloosheid, of niet durft door vrees, of niet kan door zwakheid.
[^ezechiel-7-14-50]: Kanttekening 50: 50 van het land: Te weten van het land Juda, gelijk in vers 12, 7:13. Ezechiël 7:12: De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land. Ezechiël 7:13: Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; omdat het gezicht, aangaande de gehele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.
[^ezechiel-7-15-51]: Kanttekening 51: Te weten buiten de stad Jeruzalem.
[^ezechiel-7-15-52]: Kanttekening 52: Te weten binnen de stad Jeruzalem.
[^ezechiel-7-15-53]: Kanttekening 53: 53 die op het veld is: Versta degenen, die uit Jeruzalem vluchten, om in haar verderf niet om te komen.
[^ezechiel-7-15-54]: Kanttekening 54: 54 het zwaard sterven: Te weten de Chaldeën, die de stad zouden belegeren.
[^ezechiel-7-16-55]: Kanttekening 55: 55 ontkomenden zullen wel ontkomen: Versta degenen, die de algemene plaag van de stad en de hand van de Chaldeën ontgaan zullen zijn.
[^ezechiel-7-16-56]: Kanttekening 56: 56 van de dalen: Te weten waarin zij zich verbergen uit vrees voor enige storm en onweer, of van enige grijpvogels.
[^ezechiel-7-16-57]: Kanttekening 57: Het Hebreeuwse woord betekent hier zoveel als een gewoel maken met zuchten, janken en huilen. Vergelijk Jes. 38:14, en Jes. 59:11. Jesaja 38:14: Gelijk een kraan of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o YHWH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg. Jesaja 59:11: Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons.
[^ezechiel-7-17-58]: Kanttekening 58: 58 slap worden: Zie 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^ezechiel-7-17-b]: Verwijzing b: Jes. 13:7; Jer. 6:24. Jesaja 13:7: Daarom zullen alle handen slap worden, en alle mensen hart zal versmelten; Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.
[^ezechiel-7-17-59]: Kanttekening 59: 59 zullen henenvlieten als water: Hebreeuws, heengaan; dat is hunne kracht verliezen, bevende van vrees en niet bekwaam zijnde om te bestaan tegen enig geweld noch om daarvoor te vluchten. Zo onder Ez. 21:7. Van slappe knieën zie ook Job 4:4, en de aantekening. Ezechiël 21:7: En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht u, dat u zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën als water henenvlieten; ziet, het komt, en het zal gebeuren, spreekt de Heer YHWH. Job 4:4: Uw woorden hebben de struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt u vastgesteld;
[^ezechiel-7-18-60]: Kanttekening 60: Zie Gen. 37:34. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^ezechiel-7-18-c]: Verwijzing c: Jes. 15:2; idem v. 3; Jer. 48:37. Jesaja 15:2: Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te wenen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. Jesaja 15:3: Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween. Jeremia 48:37: Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.
[^ezechiel-7-18-61]: Kanttekening 61: 61 gruwen zal ze bedekken: Zie dezelfde manier van spreken Ps. 55:6. Psalmen 55:6: Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;
[^ezechiel-7-18-62]: Kanttekening 62: Te weten omdat ze door de grootheid van hun droefenis het haar van hun hoofd zouden uittrekken, dat de Heer verboden had, Deut. 14:1; niet willende dat zijn volk onmatig en ongemanierden rouw gelijk de heidenen zouden maken, op welk gebod, aangezien deze mensen niet achten zouden, zo schijnt wel dat de bekering bij hen niet geweest is. Deuteronomium 14:1: Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.
[^ezechiel-7-19-63]: Kanttekening 63: Te weten omdat het hun een beletsel mocht worden in de vlucht, of omdat ze wanhopen zouden van hetzelfde langer te zullen kunnen bezitten.
[^ezechiel-7-19-64]: Kanttekening 64: 64 onreinigheid zijn: Dat is, dat zij niet meer zullen achten dan wat naar de wet onrein is en waarvan men zich moest afscheiden en afzonderen. Hebreeuws, afzondering. Zie van die woord 2 Kron. 29:5. 2 Kronieken 29:5: En hij zei tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis van YHWH, van de God van uw vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.
[^ezechiel-7-19-d]: Verwijzing d: Spreuk. 11:4; Zefan. 1:18. Spreuken 11:4: Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood. Zefanja 1:18: Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van YHWH; maar door het vuur Zijn ijvers zal dit gehele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners van deze lands.
[^ezechiel-7-19-65]: Kanttekening 65: 65 dage van de toorn van YHWH: Dat is, als God de Joden door een rechtvaardige toorn zeer zwaar straffen zal.
[^ezechiel-7-19-66]: Kanttekening 66: Het woord ziel is hier genomen voor de lust en de begeerte tot het voedsel. Deze wordt gezegd niet verzadigd te zijn, door gebrek van leeftocht, die ook de allerrijksten overkomen zou. De manier van spreken is ook Jer. 31:25. Jeremia 31:25: Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
[^ezechiel-7-19-67]: Kanttekening 67: Te weten goud en zilver.
[^ezechiel-7-19-68]: Kanttekening 68: Dat is, de aanleiding en oorzaak van hun val en ondergang, omdat zij het kwalijk gekregen en kwalijk gebruikt zullen hebben, en voornamelijk om daarmede hunne afgoden te vereren, onder Ez. 16:17. Zie van het woord aanstoot ook onder Ez. 21:15, en de aantekening. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt met dezelfde gehoereerd. Ezechiël 21:15: Ik heb de punt van het zwaard gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.
[^ezechiel-7-20-69]: Kanttekening 69: Te weten God.
[^ezechiel-7-20-70]: Kanttekening 70: 70 de schoonheid Zijn sieraads: Versta de tempel te Jeruzalem, die niet alleen met goud en velerlei kostelijk tuig en kleinodiën, maar ook met de oefening van de ware godsdienst was versierd geweest.
[^ezechiel-7-20-71]: Kanttekening 71: 71 overtreffelijkheid gezet: Dat is om daardoor, als door een uiterlijk teken, zijn uitnemende heerlijkheid te vertonen, en zijn volk, als zijn waarde bruid, zeer kostelijk versierd, boven alle natiën te verheffen.
[^ezechiel-7-20-72]: Kanttekening 72: Te weten de schoonheid van mijn sieraad.
[^ezechiel-7-20-73]: Kanttekening 73: 73 onreinigheid gesteld: Zie op vers 19. Anders: ter afzondering gemaakt; dat is, verre van hen gemaakt of gedaan. Ezechiël 7:19: Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de dag van de toorn van YHWH; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn.
[^ezechiel-7-21-74]: Kanttekening 74: Te weten die schoonheid van mijn sieraad.
[^ezechiel-7-21-75]: Kanttekening 75: Te weten volken, als van de Chaldeën of Babyloniërs, die de tempel beroofd, verstoord en verbrand hebben; 2 Kon. 25:9, enz.; 2 Kron. 36:18, 36:19. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, samen met alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. 2 Kronieken 36:18: En alle vaten van het huis van God, de grote en de kleine, en de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van de koning en zijn vorsten, dit alles voerde hij naar Babel. 2 Kronieken 36:19: En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten daarvan.
[^ezechiel-7-21-76]: Kanttekening 76: 76 goddelozen van de aarde: Versta dezelfde Chaldeën, bij welke geen vrees voor God, gene gerechtigheid, noch medelijden tegenover de mensen zou zijn.
[^ezechiel-7-21-77]: Kanttekening 77: Te weten met plunderen, moorden, schenden en branden; idem met het goud, zilver, koper en de heilige vaten daaruit te nemen en tot onheilige gebruiken te eigenen; 2 Kon. 25:13, 25:14, 25:15, enz.; Dan. 1:2, en Dan. 5:3. 2 Koningen 25:13: Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van YHWH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van YHWH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. 2 Koningen 25:14: Zij namen ook de potten, en de schoffelen, en de gaffelen, en de rookschalen, en al de koperen vaten, daar men de dienst mee deed. 2 Koningen 25:15: En de overste van de trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was. Daniël 1:2: En YHWH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de vaten van het huis van God; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods. Daniël 5:3: Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.
[^ezechiel-7-22-78]: Kanttekening 78: 78 hen omwenden: Te weten van de Chaldeën, die mijn tempel innemen en schenden zullen. De Heer wil zeggen dat Hij hen zou laten geworden en hun boos bedrijf niet verhinderen of tegenstaan. Anderen verstaan dit van de Israëlieten.
[^ezechiel-7-22-79]: Kanttekening 79: 79 verborgen plaats ontheiligen: Versta het heilige van de heiligen, waar de ark van het verbond was; en wordt een verborgen plaats genaamd, omdat het het binnenste deel van de tempel was, en niemand daarin mocht komen dan de overpriester, en dat eenmaal per jaar.
[^ezechiel-7-22-80]: Kanttekening 80: Zie van dit woord Ps. 17:4. Psalmen 17:4: Aangaande de handelingen van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbrekers;
[^ezechiel-7-22-81]: Kanttekening 81: 81 inkomen en die ontheiligen: Namelijk in Jeruzalem, en vandaar in de tempel en in het heilige van de heiligen.
[^ezechiel-7-23-82]: Kanttekening 82: 82 een keten: Of, koord; te weten tot een teken dat de Joden als misdadigers, die met ketens en koorden gebonden zijnde, naar de gevangenis of richtplaats plegen geleid te worden, ten dele door het zwaard zouden omkomen, ten dele naar Chaldea gevankelijk weggevoerd worden.
[^ezechiel-7-23-83]: Kanttekening 83: Dat is, zonden, die de dood verdiend hebben, anders genaamd gerichten van de dood. Zie Deut. 19:6; Jer. 26:11. Anderen verstaan openbare gerichten, in welke de onschuldigen ter dood veroordeeld zijn van de ongerechtige rechters. Deuteronomium 19:6: Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. Jeremia 26:11: Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als u met uw oren gehoord hebt.
[^ezechiel-7-23-84]: Kanttekening 84: Versta hierdoor allerlei ongerechtigheid bewezen tegen de naaste door openbare verdrukking of geheime bedriegerij om rijkdom op te hopen.
[^ezechiel-7-24-85]: Kanttekening 85: 85 kwaadste van de heidenen doen komen: Dat is, de Chaldeën, die van de machtigste waren onder heidenen en geslagen vijanden van de Joden.
[^ezechiel-7-24-86]: Kanttekening 86: 86 erfelijk bezitten zullen: Het Hebreeuwse woord betekent wel meest iets bezitten uit recht van wettelijke erfenis, maar het is ook genomen voor bezitting in eigendom, hoe en op wat wijze dat die zou mogen verkregen zijn; 1 Kon. 21:15; Hab. 1:6. 1 Koningen 21:15: Het geschiedde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zei: Sta op, bezit de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, erfelijk, die hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood. Habakuk 1:6: Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten van de aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.
[^ezechiel-7-24-87]: Kanttekening 87: Dat is, de hovaardij, stoutmoedigheid, pracht en praal.
[^ezechiel-7-24-88]: Kanttekening 88: 88 van de sterken: Dat is, van de machtigen in het land, machtig in afkomst, staat, rijkdom, of dergelijke.
[^ezechiel-7-24-89]: Kanttekening 89: Te weten de voorgemelde sterken. Die deze nu heiligden, waren de priesters, die voor hen offeranden deden, waardoor zij meenden geheiligd te worden.
[^ezechiel-7-25-90]: Kanttekening 90: Of, uitroeiing, vernieling. Hebreeuws, afsnijding. Vergelijk Jes. 38:12. Jesaja 38:12: Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van de drom; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben.
[^ezechiel-7-26-91]: Kanttekening 91: 91 van een profeet zoeken: Om van hem te verstaan de uitkomst van hun ellende. Maar het zoeken zal wezen zonder vinden, omdat zij de profeten ter rechter tijd niet gehoord hadden.
[^ezechiel-7-26-92]: Kanttekening 92: 92 wet zal vergaan van de priester: Dat is, de gewone kerkelijke personen zullen de ware en onvervalste leer, die alleen recht onderwijzen en troosten kan in allen nood, verliezen en de burgerlijke regenten zullen radeloos worden; en dat alles tot vermeerdering van de straf, die de Joden verdiend hadden. Vergelijk Jes. 29:14. Jesaja 29:14: Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen.
[^ezechiel-7-26-93]: Kanttekening 93: Dat is van de raadsheren, regeerders van het land.
[^ezechiel-7-27-94]: Kanttekening 94: 94 met verwoesting bekleed zijn: Dat is geheel zeer vervuld zijn met ontzetting, verbaasdheid en wanhoop. Zie gelijke manier van spreken Job 8:22, en in de aantekening. Hebreeuws, de vorst zal bekleed zijn, enz.
[^ezechiel-7-27-95]: Kanttekening 95: 95 het volk van het land: Dat is, van het gemene volk. Zo Jer. 44:21; Hag. 2:5. Jeremia 44:21: Het roken, dat u in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, u en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk van het land, heeft YHWH daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen? Haggai 2:5: Maar nu, wees sterk, u Zerubbabel! spreekt YHWH; en wees sterk, u Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al u volk van het land! spreekt YHWH; en werkt, want Ik ben met u, spreekt YHWH van de legermachten;
[^ezechiel-7-27-96]: Kanttekening 96: 96 beroerd zijn: Dat is, door beroering en ontzetting van het hart geheel onbekwaam zijn om iets tot afkering van de vijand uit te richten. Vergelijk 2 Sam. 4:1, en de aantekening. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^ezechiel-7-27-97]: Kanttekening 97: 97 naar hun weg: Dat is, naar de verdiensten van hun werken.
[^ezechiel-7-27-98]: Kanttekening 98: 98 met hun rechten zal Ik ze richten: Dat is, met de straffen, die zij verdiend hebben. Recht voor straf. Zie 2 Kron. 20:12, of naar de wijze, zo zij verdienen. Recht voor wijze. Zie Gen. 40:13. 2 Kronieken 20:12: O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. Genesis 40:13: Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was.

### Ezechiël 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/8.json)

*Wanneer, waar en hoe dit visioen aan de profeet geopenbaard is, vers 1, 2, 3, 4. God voert hem in de tempel te Jeruzalem, en toont hem de gruwelijke afgoderij die de Joden daar bedreven met het beeld der naijver, of tergen van God, 5; met verscheidene kruipende dieren, verfoeilijke beesten en drekgoden, 8. Hij toont hem ook de vrouwen die de afgod Thammuz beweenden, 13; de mannen die de zon aanbaden, 15; welke gruwelen zij alle gering achtten, 17. Daarom wil God hen zonder genade straffen, 18.*

**1** Het gebeurde nu in het[^ezechiel-8-1-1] zesde jaar, in[^ezechiel-8-1-2] de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in[^ezechiel-8-1-3] mijn huis zat, en de[^ezechiel-8-1-4] oudsten van Juda voor mijn aangezicht[^ezechiel-8-1-5] zaten, dat[^ezechiel-8-1-6] de hand van Adonai YHWH daar over mij viel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v1)

**2** Toen[^ezechiel-8-2-7] zag ik, en ziet, een[^ezechiel-8-2-8] gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante van Zijn middel en naar beneden was[^ezechiel-8-2-9] vuur; en van Zijn middel en omhoog, als de gedaante[^ezechiel-8-2-10] van een klaarheid, als de kleur[^ezechiel-8-2-11] van glanzend metaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v2)

**3** En[^ezechiel-8-3-12] Hij stak[^ezechiel-8-3-a] de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij[^ezechiel-8-3-13] het haar van mijn hoofd; en de[^ezechiel-8-3-14] Geest[^ezechiel-8-3-15] voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij[^ezechiel-8-3-16] in de visioenen Gods te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het[^ezechiel-8-3-17] binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van[^ezechiel-8-3-18] een beeld van[^ezechiel-8-3-19] de ijvering, dat[^ezechiel-8-3-20] tot ijver verwekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v3)

**4** En ziet,[^ezechiel-8-4-21] de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in[^ezechiel-8-4-22][^ezechiel-8-4-b] de vallei gezien had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v4)

**5** En[^ezechiel-8-5-23] Hij zei tot mij: Mensenkind, hef nu[^ezechiel-8-5-24] uw ogen op[^ezechiel-8-5-25] naar de weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar de weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden[^ezechiel-8-5-26] aan de poort van het altaar was dit beeld van de ijvering, in de ingang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v5)

**6** En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen,[^ezechiel-8-6-27] de grote gruwelijke dingen, die het huis van Israël hier doet,[^ezechiel-8-6-28] opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar[^ezechiel-8-6-29] u zult nog opnieuw grote gruwelijke dingen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v6)

**7** Zo bracht Hij mij tot de deur van[^ezechiel-8-7-30] het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een[^ezechiel-8-7-31] hol in de wand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v7)

**8** En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet,[^ezechiel-8-8-32] daar was een deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v8)

**9** Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelijke dingen, die zij hier doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v9)

**10** Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was[^ezechiel-8-10-33] alle beeld van kruipende dieren en[^ezechiel-8-10-34] verfoeilijke[^ezechiel-8-10-35] beesten, en van alle[^ezechiel-8-10-36] afgoden van het huis van Israël,[^ezechiel-8-10-37] geheel rondom aan de wand[^ezechiel-8-10-38] gemaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v10)

**11** En[^ezechiel-8-11-39] zeventig mannen uit de oudsten van[^ezechiel-8-11-40] het huis van Israël, met[^ezechiel-8-11-41] Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen,[^ezechiel-8-11-42] stonden[^ezechiel-8-11-43] voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een[^ezechiel-8-11-44] overvloedige wolk van het reukwerk ging op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v11)

**12** Toen zei Hij tot mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël doen[^ezechiel-8-12-45] in de duisternis, een ieder in zijn[^ezechiel-8-12-46] gebeelde binnenkameren? want zij zeggen[^ezechiel-8-12-c]:[^ezechiel-8-12-47] YHWH ziet ons niet, YHWH heeft het land verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v12)

**13** En Hij zei tot mij:[^ezechiel-8-13-48] U zult nog opnieuw grote gruwelijke dingen zien, die zij doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v13)

**14** En Hij bracht mij[^ezechiel-8-14-49] tot de deur van de poort van het huis van YHWH, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten[^ezechiel-8-14-50] vrouwen, bewenende de[^ezechiel-8-14-51] Thammuz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v14)

**15** En Hij zei tot mij: Hebt u, mensenkind, dat gezien? U zult nog opnieuw grotere gruwelijke dingen zien dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v15)

**16** En Hij bracht mij tot het[^ezechiel-8-16-52] binnenste voorhof van het huis van YHWH; en ziet, aan de deur van de tempel van YHWH, tussen[^ezechiel-8-16-53] het voorhuis en tussen[^ezechiel-8-16-54] het altaar, waren ongeveer[^ezechiel-8-16-55] vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar[^ezechiel-8-16-56] de tempel van YHWH, en hun aangezichten[^ezechiel-8-16-57] naar het oosten, en deze[^ezechiel-8-16-58] bogen zich neer naar het oosten voor de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v16)

**17** Toen zei Hij tot mij: Hebt u, mensenkind, dat gezien?[^ezechiel-8-17-59] Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelijke dingen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met[^ezechiel-8-17-60] geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij[^ezechiel-8-17-61] te vertoornen; want zie, zij steken de[^ezechiel-8-17-62] wijnranken aan hun neus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v17)

**18** Daarom zal Ik ook handelen in woede,[^ezechiel-8-18-d] Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen,[^ezechiel-8-18-63][^ezechiel-8-18-e] toch zal Ik hen niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/8.html#v18)

[^ezechiel-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 zesde jaar: Te weten na de wegvoering van Jojachin. Zie boven Ez. 1:2. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin),
[^ezechiel-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 zesde maand: Genaamd bij de Hebreën Elul. Zie Neh. 6:15 en de aantekening. Nehemia 6:15: De muur nu werd volbracht, op de vijf en twintigste van Elul, in twee en vijftig dagen.
[^ezechiel-8-1-3]: Kanttekening 3: 3 mijn huis zat: Te weten in Babylonië of Mesopotamië, onder de weggevoerde Joden.
[^ezechiel-8-1-4]: Kanttekening 4: 4 oudsten van Juda: Dat is, de regeerders van de Joden; zie Ex. 3:16, en Lev. 4:15, en de aantekening. Enige verstaan degenen, die in Jeruzalem woonachtig waren; anderen, die daar onder de weggevoerden woonden; vergelijk onder Ez. 14:1, en Ez. 20:1. Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15: En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH. Ezechiël 14:1: Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neder voor mijn aangezicht. Ezechiël 20:1: En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om YHWH te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
[^ezechiel-8-1-5]: Kanttekening 5: Te weten om enig bericht, raad, onderwijs of troost over de staat van het land Juda en Gods kerk van de profeet te mogen ontvangen; vergelijk Ex. 3:16; 2 Kon. 6:32, en de aantekening. Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; 2 Koningen 6:32: (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar voordat de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt u gezien, hoe die zoon van de moordenaar gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis van de voeten van zijn heer achter hem?
[^ezechiel-8-1-6]: Kanttekening 6: 6 de hand van de Heer YHWH daar over mij viel: Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-8-2-7]: Kanttekening 7: 7 zag ik: Te weten in de geest en in optrekking van de zinnen; zie van de profetische gezichten Gen. 15:1 en Gen. 46:2. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2: En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik!
[^ezechiel-8-2-8]: Kanttekening 8: Te weten van de vorm eens mensen.
[^ezechiel-8-2-9]: Kanttekening 9: Dat betekende Gods wraak en rechtvaardige toorn, die ontstoken was tegen de goddeloosheid. Vergelijk Deut. 4:24. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^ezechiel-8-2-10]: Kanttekening 10: 10 ener klaarheid: Betekende Gods majesteit en aangename vriendelijkheid tegenover degenen, die met gelovigen eerbied zijn woord ontvangen; zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-8-2-11]: Kanttekening 11: 11 van Hasmal: Zie boven Ez. 1:4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur.
[^ezechiel-8-3-12]: Kanttekening 12: 12 Hij stak de gelijkenis van een hand uit: Te weten welke gelijkenis en gedaante beschreven is in vers 2. Ezechiël 8:2: Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante van Zijn lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante ener klaarheid, als de verf van Hasmal.
[^ezechiel-8-3-a]: Verwijzing a: Dan. 5:5. Daniël 5:5: Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover de kandelaar, op de kalk van de wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel van de hand, die daar schreef.
[^ezechiel-8-3-13]: Kanttekening 13: 13 het haar mijns hoofds: Of, haarlokken.
[^ezechiel-8-3-14]: Kanttekening 14: Dat is de Heilige Geest, die hem dit gezicht vertoonden. Zie boven Ez. 1:12. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-8-3-15]: Kanttekening 15: 15 voerde mij op: Dat is geschied in de geest, niet in het lichaam, door optrekking van de zinnen en niet door verandering van de plaatsen. Want de profeet verklaart zichzelf meteen, zeggende: In de gezichten van God. Vergelijk onder Ez. 11:24. Ezechiël 11:24: Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door de Geest van God in Chaldea tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op.
[^ezechiel-8-3-16]: Kanttekening 16: 16 in de gezichten van God te Jeruzalem: Te weten die God door zijn Geest in mijne zinnen wrocht. Zo boven Ez. 1:1, en onder Ez. 40:2. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag. Ezechiël 40:2: In de gezichten van God bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en aan dezelfde was als een gebouw van een stad tegen het zuiden.
[^ezechiel-8-3-17]: Kanttekening 17: Dit woord is in de Hebreeuwse tekst uitgedrukt, onder Ez. 10:3. Zie van dit voorhof 1 Kon. 6:36. Sommigen verstaan dit van het binnenste deel van het grote voorhof, anders genaamd het voorhof van het volk; anderen van de ingang van het grote voorhof. Ezechiël 10:3: De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het huis, als die man inging; en een wolk vervulde het binnenste voorhof. 1 Koningen 6:36: Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^ezechiel-8-3-18]: Kanttekening 18: 18 een beeld: Men houdt dit beeld het beeld van Baäl geweest te zijn, die Achaz een altaar opgericht had. 2 Kon. 16:10, enz. dat Hizkia daarna verstoord maar Manasse weer opgericht heeft; 2 Kon. 21:3. Is daarna weer afgebroken van Josia, en herstel van Joahaz en zijne broers. 2 Koningen 16:10: Toen toog de koning Achaz Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, tegemoet, naar Damascus; en gezien hebbende een altaar, dat in Damascus was, zo zond de koning Achaz aan de priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn gehele maaksel. 2 Koningen 21:3: Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze.
[^ezechiel-8-3-19]: Kanttekening 19: Zo genaamd omdat de afgodendienst, daaraan van de Joden gedaan, God tot ijver verwekte, dat is vergramde en tergde, omdat de eer en de dienst, die zijn volk Hem alleen, als de enige bruidegom dezelfde schuldig was, deze afgoden toegedragen werd. Zie Ex. 20:5 en Lev. 20:5. Exodus 20:5: U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^ezechiel-8-3-20]: Kanttekening 20: 20 tot ijver verwekt: Namelijk de Heer. Het is menselijkerwijze gesproken. Zie Deut. 4:24. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^ezechiel-8-4-21]: Kanttekening 21: 21 de heerlijkheid van de God van Israël was daar: Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-8-4-22]: Kanttekening 22: 22 vallei gezien had: Zie boven Ez. 3:23. Ezechiël 3:23: En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid van YHWH stond daar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^ezechiel-8-4-b]: Verwijzing b: Ez. 3:23. Ezechiël 3:23: En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid van YHWH stond daar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^ezechiel-8-5-23]: Kanttekening 23: 23 Hij zei tot mij: Te weten de Geest, van welke gesproken is boven vers 3. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-8-5-24]: Kanttekening 24: 24 uw ogen op: Te weten de ogen van de geest, niet van het lichaam. Want Ezechiël was binnen Jeruzalem, niet naar het lichaam, maar in de optrekking van de zinnen.
[^ezechiel-8-5-25]: Kanttekening 25: 25 naar de weg van het noorden: Hebreeuws, de weg naar het noorden, of noordwaarts (דֶּרֶךְ).
[^ezechiel-8-5-26]: Kanttekening 26: 26 aan de poort van het altaar: Versta, de poort van de tempel, bij welke het koperen altaar \[anders genaamd het brandofferaltaar\] naar Gods bevel staan moest. Vergelijk 2 Kon. 16:14. 2 Koningen 16:14: Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van YHWH, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts.
[^ezechiel-8-6-27]: Kanttekening 27: 27 de grote gruwelen: Versta de gruwelijke afgodendienst, die zij Baäl daar ter ere deden.
[^ezechiel-8-6-28]: Kanttekening 28: 28 opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga: De zin is dat de gruwelen, die zij bedreven, Hem ene oorzaak zouden geven om van zijn heiligdom te wijken.
[^ezechiel-8-6-29]: Kanttekening 29: 29 u zult nog opnieuw: Hebreeuws, u zult terugkeren, u zult zien, dat is, u zult weer zien. Zie Num. 11:4. Anders, keer u nog weer, \[en\] u zult groter gruwelen zien. Numeri 11:4: En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
[^ezechiel-8-7-30]: Kanttekening 30: Te weten van het binnenste voorhof, daarvan zie boven vers 3. Anderen verstaan het buitenste voorhof. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-8-7-31]: Kanttekening 31: 31 hol in de wand: Versta, een opening in de muur, welke de profeet bevolen wordt te doorgraven en groter te maken, opdat een deur daarvan worden zou, waardoor de profeet mocht ingaan en zien wat daarbinnen geschiedde, dat al in het gezicht van de geest geschied is, en niet door enig werk van het lichaam.
[^ezechiel-8-8-32]: Kanttekening 32: 32 daar was een deur: Of, werd een deur; te weten die de Heer van die opening maakte.
[^ezechiel-8-10-33]: Kanttekening 33: 33 alle beeltenis van kruipende dieren: Dat is, van allerlei soort van de gedaanten, beeltenissen of gestalten. Het woord alle is dikwijls zo genomen. Zie Gen. 7:14, zo hier in het volgende. Genesis 7:14: Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
[^ezechiel-8-10-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws, beesten van de verfoeiing; dat is, die verfoeilijk zijn, te weten niet alleen omdat enige niet mochten gegeten worden, Lev. 11, maar omdat zij allen in het gebruik van hun godsdienstige eer te bewijzen voor God een gruwel waren, Deut. 27:15. Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
[^ezechiel-8-10-35]: Kanttekening 35: Het Hebreeuwse woord betekent viervoetige dieren, niet alleen tamme, maar ook wilde, en voornamelijk die van enige grootte zijn. Zie Gen. 6:7. Genesis 6:7: En YHWH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
[^ezechiel-8-10-36]: Kanttekening 36: 36 drekgoden van het huis van Israël: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-8-10-37]: Kanttekening 37: 37 geheel rondom aan de wand: Hebreeuws, rondom, rondom.
[^ezechiel-8-10-38]: Kanttekening 38: Te weten òf door schilderij, òf door gravering.
[^ezechiel-8-11-39]: Kanttekening 39: 39 zeventig mannen uit de oudsten: Sommigen verstaan door deze de zeventig raadsheren van wie gesproken is Num. 11:16, wier president Jaäzanja zou mogen geweest zijn; maar men kan ook door deze wel verstaan andere personen, die aanzien hadden onder het volk, òf door hun ouderdom, òf betrekking, of enige reden, om welke zij anderen een voorbeeld tot het goede behoorden te zijn. Numeri 11:16: En YHWH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en de ambtlieden daarvan zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.
[^ezechiel-8-11-40]: Kanttekening 40: 40 het huis van Israël: Dat is, van het volk Juda. Zie boven Ez. 7:2. Ezechiël 7:2: Verder, u mensenkind, zo zegt de Heer YHWH, van het land van Israël: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken van het land.
[^ezechiel-8-11-41]: Kanttekening 41: Men leest onder Ez. 11:1 van een anderen Jaäzanja, die de zoon van Azzur was. Ezechiël 11:1: Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van YHWH, die ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk.
[^ezechiel-8-11-42]: Kanttekening 42: Dat is, dienden de afgodische beeltenissen; zie Deut. 10:8. Deuteronomium 10:8: Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag.
[^ezechiel-8-11-43]: Kanttekening 43: 43 voor hun aangezichten: Te weten de afgemaalde beelden.
[^ezechiel-8-11-44]: Kanttekening 44: 44 overvloedige wolk van het reukwerk ging op: Hebreeuws, de overvloedigheid van een wolk (עֲנַֽן); dat is, een overvloedige wolk of nevel.
[^ezechiel-8-12-45]: Kanttekening 45: 45 in de duisternis: Dat is, in geheime en verborgen plaatsen, naar de gruwelen van de heidenen.
[^ezechiel-8-12-46]: Kanttekening 46: 46 gebeelde binnenkameren: Hebreeuws, binnenkamers van zijn afbeelding; dat is, waarin een ieder zijn afgodische schilderijen had, die hij in het verborgene eerde. Dit kan verstaan worden van de kamers van de priesters, die aan de tempel gebouwd waren, 1 Kon. 6:5; of van de geheime plaatsen, die zij in hunne huizen tot de dienst van de afgoden bescheiden hadden. 1 Koningen 6:5: En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom.
[^ezechiel-8-12-c]: Verwijzing c: Ez. 9:9. Ezechiël 9:9: Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is geheel zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De YHWH heeft het land verlaten, en YHWH ziet niet.
[^ezechiel-8-12-47]: Kanttekening 47: 47 YHWH ziet ons niet: Deze onschuld hebben zij voorgewend, als zij reden wilden geven waarom zij de afgoden dienden. Vergelijk 2 Kron. 28:23; Jer. 44:18, enz. Daartoe verklaarden zij aldus dat zij niet vreesden voor Gods toorn, omdat Hij op hen geen acht nam, ja hen niet zag, als verre van hen gescheiden zijnde; vergelijk Ps. 10:4, 10:11, en Ps. 94:7. 2 Kronieken 28:23: Want hij offerde de goden van Damascus, die hem geslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, samen met aan geheel Israël. Jeremia 44:18: Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd. Psalmen 10:4: De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. Psalmen 10:11: Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. Psalmen 94:7: En zeggen: YHWH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
[^ezechiel-8-13-48]: Kanttekening 48: 48 U zult nog opnieuw grote gruwelen zien: Zie boven vers 6. Ezechiël 8:6: En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien.
[^ezechiel-8-14-49]: Kanttekening 49: 49 tot de deur van de poort van het huis van YHWH: Die plaats, waar deze afgoderij gepleegd werd, meent men geweest te zijn bij de poort van het voorhof van de priesters, in de kamers, die voor de priesters aan de tempel gebouwd waren. In deze mochten gene vrouwen komen, maar de profeet heeft haar daarin gezien.
[^ezechiel-8-14-50]: Kanttekening 50: Versta, priesteressen, wier afgodendienst vol oneerlijkheid en onkuisheid was, gedaan ter ere van de afgod Thammuz.
[^ezechiel-8-14-51]: Kanttekening 51: De naam van een heidensen afgod, welke van velen gehouden wordt geweest te zijn de afgod van de Egyptenaars, genaamd Osiris, die de man geweest was van ene Isis, welke deze haar man in Egypte verloren hebbende, hem door ene soort van zeer onkuisen afgodsdienst jaarlijks had doen bewenen. Anderen verstaan de afgod Adonis, met welke de heidenen gelijke afgoderij bedreven hebben.
[^ezechiel-8-16-52]: Kanttekening 52: 52 binnenste voorhof van het huis van YHWH: Zie boven vers 3. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-8-16-53]: Kanttekening 53: 53 het voorhuis: Zie hiervan 1 Kon. 6:3. 1 Koningen 6:3: En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis.
[^ezechiel-8-16-54]: Kanttekening 54: 54 het altaar: Te weten het brandofferaltaar. Anderen verstaan het reukaltaar, dat in het heilige was.
[^ezechiel-8-16-55]: Kanttekening 55: 55 vijf en twintig mannen: Welken enige menen geweest te zijn degenen, waarvan gesproken wordt onder Ez. 11:1, waar zij vorsten van het volk genaamd worden, dat is regeerders en oversten in het land. Ezechiël 11:1: Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van YHWH, die ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk.
[^ezechiel-8-16-56]: Kanttekening 56: 56 de tempel van YHWH: Dat is, naar het heilige en heilige van de heiligen, waarin de ark was, een teken van Gods genadige aanwezigheid onder die volken.
[^ezechiel-8-16-57]: Kanttekening 57: 57 naar het oosten: Dat is, met hun rug naar het westen, even gelijk de heidenen; maar de Joden moesten zich wenden met het aangezicht naar het westen, waar de ark van God was in het heilige van de heiligen.
[^ezechiel-8-16-58]: Kanttekening 58: 58 bogen zich neder naar het oosten voor de zon: Dat is, riepen de zon aan, en bewezen haar godsdienstige eer tegen het uitgedrukte bevel Gods; Deut. 17:2, 17:3, enz. Deuteronomium 17:2: Wanneer in het midden van u, in een van uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van YHWH, uws Gods, overtredende Zijn verbond; Deuteronomium 17:3: Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor de gehele legermacht van de hemel, dat ik niet geboden heb;
[^ezechiel-8-17-59]: Kanttekening 59: 59 Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda: Deze vraag loochent sterkelijk. Zie Gen. 18:17. De zin is dat bij de Joden niets lichter geacht was; hoewel deze gruwelen, tegen de eerste tafel begaan, de allerzwaarste en verschrikkelijkste waren; maar daar was geen gebod zo zwaar, dat de Joden niet licht hielden om te overtreden. Genesis 18:17: En YHWH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
[^ezechiel-8-17-60]: Kanttekening 60: 60 geweld vervuld hebben: Dat is, met verdrukking van de onschuldigen en van de armen, welke geschiedt òf in het algemeen door het gericht, òf in het bijzonder door allerlei soort van onrecht.
[^ezechiel-8-17-61]: Kanttekening 61: 61 te vertoornen: Te weten door gruwelijke afgoderij, waarom zij mij tot ijver verwekken en mijn tempel ontheiligen.
[^ezechiel-8-17-62]: Kanttekening 62: 62 wijnranken aan hun neus: Of, takken, of scheuten. Het Hebreeuwse woord is zo genomen Num. 13:23, en onder Ez. 15:2. Te weten ter ere van de zon, die zij aanroepen omdat zij de vruchten kweekt en rijp maakt. Deze plaats wordt verscheidenlijk verklaard. Numeri 13:23: Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen. Ezechiël 15:2: Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan dat onder het hout van een woud is?
[^ezechiel-8-18-d]: Verwijzing d: Ez. 5:11; Ez. 7:4. Ezechiël 5:11: Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen! Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-8-18-63]: Kanttekening 63: 63 nochtans zal Ik hen niet horen: Te weten omdat hunne gebeden niet uit een oprecht geloof zullen voortkomen, noch met de ware bekering verenigd zijn, maar alleen uit het gevoel van de tegenwoordige nood en vrees van meerdere straf, zonder een vast voornemen van ware betering, uitgedrongen.
[^ezechiel-8-18-e]: Verwijzing e: Spreuk. 1:28; Jes. 1:15; Jer. 11:11. Spreuken 1:28: Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; Jesaja 1:15: En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jeremia 11:11: Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit dat zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.

### Ezechiël 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/9.json)

*God geeft zes mannen opdracht zijn wraak binnen Jeruzalem uit te voeren, vers 1. De heerlijkheid van de HEERE wijkt tot de drempel van de tempel, 3. God gebiedt een man, in linnen gekleed, eerst alle vromen met een bepaald teken te tekenen, 4; de anderen, dat zij al de rest zullen verdelgen, 5. Wanneer dit beschikt is, ontstelt de profeet zich zeer, 8, en ontvangt daarop Gods antwoord, 9. De man, in linnen gekleed, brengt verslag uit van de uitvoering van zijn opdracht, 11.*

**1** Daarna riep[^ezechiel-9-1-1] Hij[^ezechiel-9-1-2] voor mijn oren met luide[^ezechiel-9-1-3] stem, zeggende: Doe de opzichters van de stad naderen, en elk met zijn[^ezechiel-9-1-6] verdervend wapen in zijn hand.[^ezechiel-9-1-4][^ezechiel-9-1-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v1)

**2** En ziet,[^ezechiel-9-2-7] zes mannen kwamen van de[^ezechiel-9-2-8] weg van de Hoge poort, die gekeerd is[^ezechiel-9-2-9] naar het noorden, en[^ezechiel-9-2-10] elk met[^ezechiel-9-2-11] zijn verpletterend wapen in zijn hand; en[^ezechiel-9-2-12] een man in het midden van hen was[^ezechiel-9-2-13] met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker[^ezechiel-9-2-14] was[^ezechiel-9-2-15] aan zijn middel; en zij kwamen in, en stonden bij[^ezechiel-9-2-16] het koperen altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v2)

**3** En[^ezechiel-9-3-17] de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van[^ezechiel-9-3-18] de cherub, waarop[^ezechiel-9-3-19] Hij was, tot de[^ezechiel-9-3-20] dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn middel had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v3)

**4** En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en[^ezechiel-9-4-21] teken een[^ezechiel-9-4-22] teken op de voorhoofden[^ezechiel-9-4-23] van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelijke dingen, die in het midden[^ezechiel-9-4-24] daarvan gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v4)

**5** Maar tot[^ezechiel-9-5-25] die anderen zei Hij voor mijn oren: Ga door, door de stad achter[^ezechiel-9-5-26] hem, en[^ezechiel-9-5-27] slaat, uw oog verschone niet, en spaart niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v5)

**6** [^ezechiel-9-6-28] Dood ouden, jongemannen en maagden, en kinderen en vrouwen, tot verdervens toe; maar nadert aan niemand,[^ezechiel-9-6-29] op wie het teken is, en[^ezechiel-9-6-30] begint[^ezechiel-9-6-31] van Mijn heiligdom. En zij begonnen van[^ezechiel-9-6-32] de oude mannen, die voor het[^ezechiel-9-6-33] huis waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v6)

**7** En Hij zei tot hen:[^ezechiel-9-7-34] Verontreinigt het huis, en vervult[^ezechiel-9-7-35] de voorhoven met verslagenen; ga heen uit. En zij gingen heen uit, en[^ezechiel-9-7-36] zij sloegen in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v7)

**8** Het gebeurde nu, als zij[^ezechiel-9-8-37] hen geslagen hadden, en[^ezechiel-9-8-38] ik overgebleven was, dat ik[^ezechiel-9-8-39] op mijn aangezicht viel, en riep, en zei: Ach, Adonai YHWH, zult U al het overblijfsel[^ezechiel-9-8-40] van Israël verderven, met Uw woede uit te gieten over Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v8)

**9** Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is[^ezechiel-9-9-41] geheel zeer groot, en het land is met[^ezechiel-9-9-42] bloed vervuld, en de stad is vol van[^ezechiel-9-9-43] afwijking;[^ezechiel-9-9-44] want zij zeggen: YHWH heeft het land verlaten, en YHWH ziet niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v9)

**10** Daarom ook, wat Mij betreft,[^ezechiel-9-10-45][^ezechiel-9-10-a] Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal[^ezechiel-9-10-46] hun weg op hun hoofd geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v10)

**11** En ziet, de man, die met linnen bekleed was, die de inktkoker aan zijn middel had, bracht bescheid weer, zeggende:[^ezechiel-9-11-47] Ik heb gedaan,[^ezechiel-9-11-48] zoals U mij geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/9.html#v11)

[^ezechiel-9-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk, de Heer, van wie zie boven Ez. 1:26. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-9-1-2]: Kanttekening 2: 2 voor mijn oren met luide stem: Dat is, dat ik, Ezechiël, dit geroep hoorde. Versta door dit geroep de kracht van Gods voorzienigheid, waardoor Hij de schepselen beweegt om zijn wil en eeuwigen raad uit te voeren.
[^ezechiel-9-1-3]: Kanttekening 3: Te weten tot de heilige engelen, die voor God ten dienste staan om zijne bevelen en oordelen uit te richten; Ps. 103:20; Hebr. 1:14. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Hebreeën 1:14: Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^ezechiel-9-1-6]: Kanttekening 6: 6 verdervend wapen in zijn hand: Hebreeuws, wapen of gereedschap van de verderving; dat is waarmee Hij de inwoners van de stad verderven zou.
[^ezechiel-9-1-4]: Kanttekening 4: 4 de opzieners: Hebreeuws, opzichten; dat is, die opzicht hadden. Versta, zekere heilige engelen, die van God als opzieners van de stad gesteld waren. Want over landen, volken en steden worden zij van Hem verordend niet alleen om die te bewaren, 2 Kon. 6:17; Dan. 10:20, 10:21, maar ook om die te straffen, Gen. 19:12, 19:13; 2 Kon. 19:35. Zij worden vorsten genaamd, Dan. 10:20, 10:21; idem, heerschappijen, overheden, machten, Kol. 1:16; dat is, heerschappers, oversten, machtigen. Zo hier opzichten voor opzieners, bestellers, commissarissen. 2 Koningen 6:17: En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. Daniël 10:20: Toen zei Hij: Weet u, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Maar nu zal Ik terugkeren om te strijden tegen de vorst van de Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen. Daniël 10:21: Maar Ik zal u te kennen geven, wat getekend is in het geschrift van de waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen deze, dan uw vorst Michaël. Genesis 19:12: Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen, die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats; Genesis 19:13: Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht van YHWH, en YHWH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. 2 Koningen 19:35: Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. Daniël 10:20: Toen zei Hij: Weet u, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Maar nu zal Ik terugkeren om te strijden tegen de vorst van de Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen. Daniël 10:21: Maar Ik zal u te kennen geven, wat getekend is in het geschrift van de waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen deze, dan uw vorst Michaël. Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^ezechiel-9-1-5]: Kanttekening 5: 5 van de stad naderen: Namelijk Jeruzalem.
[^ezechiel-9-2-7]: Kanttekening 7: 7 zes mannen kwamen: Dat is, gelijk enige gevoelen, zes engelen in de gedaante van mannen. Vergelijk Gen. 18:2; Mark. 16:5; Hand. 1:10. Sommigen menen dat door deze mannen verstaan en betekend worden de Chaldeën of de oversten van het leger, dat Jeruzalem belegeren zou; anderen de volken en koninkrijken, die de Chaldeën in deze tot hunne hulp zouden hebben. Genesis 18:2: En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. Marcus 16:5: En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. Handelingen 1:10: En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
[^ezechiel-9-2-8]: Kanttekening 8: 8 van de Hoge poort: Zie van deze poort 2 Kon. 15:35; idem, 2 Kron. 27:3; Jer. 26:10. 2 Koningen 15:35: Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de hoge poort aan het huis van YHWH. 2 Kronieken 27:3: Dezelfde bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. Jeremia 26:10: Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van YHWH; en zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort van YHWH.
[^ezechiel-9-2-9]: Kanttekening 9: 9 naar het noorden: Te weten vanwaar de Chaldeën zouden komen, die de stad en de tempel verstoren zouden.
[^ezechiel-9-2-10]: Kanttekening 10: Te weten van die zes mannen.
[^ezechiel-9-2-11]: Kanttekening 11: 11 zijn verpletterend wapen in zijn hand: Hebreeuws, het gereedschap zijn verplettering; dat is het wapentuig, waarmee Hij verpletteren en in stukken slaan zou.
[^ezechiel-9-2-12]: Kanttekening 12: 12 een man in het midden van hen: Te weten onderscheiden van de zes voorgemelde, want die waren gezonden om te verderven, hebbende hun wapentuig daartoe gereed; maar deze om te behouden, hebbende daartoe zijn schrijftuig en bevel om de vromen te tekenen.
[^ezechiel-9-2-13]: Kanttekening 13: 13 met linnen bekleed: Gelijk een priester. Zie Ex. 28:39; Lev. 6:10. Sommigen verstaan door deze man onze enige Overpriester, de Heer Christus Jezus, die van de Vader gezonden is om de zijn uit het verderf van de ziel te verlossen. Dienvolgens wordt Hij hier niet aangezien in zijn goddelijke majesteit en heerlijkheid, die Hij met de Vader en de Heilige Geest gemeen heeft, gelijk boven Ez. 1:26; maar in de stand zijn vernedering en het ambt van zijn Middelaarschap. Exodus 28:39: U zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken. Leviticus 6:10: En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-9-2-14]: Kanttekening 14: Te weten waaruit de schrijver met de pen inkt neemt.
[^ezechiel-9-2-15]: Kanttekening 15: 15 aan zijn lenden: Versta, aan de gordel zijn lenden hangende.
[^ezechiel-9-2-16]: Kanttekening 16: 16 het koperen altaar: Zo genaamd Ex. 38:30; 2 Kon. 16:14. Anders, het altaar van het brandoffer; Ex. 30:28. Van zijne plaats zie Lev. 1:3, 1:5. Bredere beschrijving daarvan, zie 2 Kron. 4:1. Exodus 38:30: En hij maakte daarvan de voeten van de deur van de tent van de samenkomst, en het koperen altaar, en de koperen rooster, die het had, en al het gereedschap van het altaar. 2 Koningen 16:14: Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van YHWH, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts. Exodus 30:28: En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet. Leviticus 1:3: Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH. Leviticus 1:5: Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. 2 Kronieken 4:1: Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte.
[^ezechiel-9-3-17]: Kanttekening 17: 17 de heerlijkheid van de God van Israël: Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-9-3-18]: Kanttekening 18: Versta de cherubim, die over de ark waren, in het allerheiligste, tot een teken van zijn genadige aanwezigheid bij dat volk. Sommigen verstaan de cherubim, die Ezechiël in het gezicht gezien heeft. Vergelijk onder Ez. 10:4, met de aantekening. Zie van de cherubim Gen. 3:24. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH. Genesis 3:24: En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^ezechiel-9-3-19]: Kanttekening 19: 19 Hij was: Te weten de God van Israël. Of zij was, namelijk de heerlijkheid van God.
[^ezechiel-9-3-20]: Kanttekening 20: 20 dorpel van het huis: Dat is, de uitgang van het allerheiligste. Dit betekende dat God van de tempel scheiden wilde.
[^ezechiel-9-4-21]: Kanttekening 21: 21 teken een: Deze tekening is niet lichamelijk geschied door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzichtbaar en inwendig teken aan de geest, dat de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is geschied in een geestelijk gezicht, en dienvolgens niet door een lichamelijke daad. Vergelijk Openb. 7:3. Openbaring 7:3: Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
[^ezechiel-9-4-22]: Kanttekening 22: 22 teken op de voorhoofden: Deze tekening is niet lichamelijk geschied door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzichtbaar en inwendig teken aan de geest, dat de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is geschied in een geestelijk gezicht, en dienvolgens niet door een lichamelijke daad. Vergelijk Openb. 7:3. Openbaring 7:3: Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
[^ezechiel-9-4-23]: Kanttekening 23: 23 van de mensen: Die het overblijfsel waren van Gods volk, schuilende onder dat afvallig geslacht.
[^ezechiel-9-4-24]: Kanttekening 24: 24 van die gedaan worden: Namelijk de stad Jeruzalem.
[^ezechiel-9-5-25]: Kanttekening 25: 25 die anderen: Te weten die zes andere mannen, die bescheiden waren om te verderven, te doden en uit te roeien, van wie zie boven vers 2. Ezechiël 9:2: En ziet, zes mannen kwamen van de weg van de Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elk met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.
[^ezechiel-9-5-26]: Kanttekening 26: Te weten die het schrijftuig aan zijne lenden had en voorging. Zie van deze boven vers 2, en de aantekening. De doding mocht niet gebeuren voordat degenen, die behouden moesten zijn, getekend waren en zo uitgenomen van het algemene verderf. Vergelijk Gen. 19:22. Ezechiël 9:2: En ziet, zes mannen kwamen van de weg van de Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elk met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. Genesis 19:22: Haast, behoud u daarheen; want Ik zal niets kunnen doen, totdat u daarheen ingekomen bent. Daarom noemde men de naam van deze stad Zoar.
[^ezechiel-9-5-27]: Kanttekening 27: Dat is, doodt, verderft en roeit uit. Vergelijk boven Ez. 7:9. Ezechiël 7:9: En Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, Die slaat.
[^ezechiel-9-6-28]: Kanttekening 28: 28 Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderen en:
[^ezechiel-9-6-29]: Kanttekening 29: 29 op denwelken het teken is: Omdat dat van de uiterlijke straf enige getekenden mee geleden hebben, gelijk Jeremia, die in Egypte balling geworden is, en meer anderen, versta dit gelijk voren, van de geestelijke behoudenis ter zaligheid.
[^ezechiel-9-6-30]: Kanttekening 30: Te weten de doding.
[^ezechiel-9-6-31]: Kanttekening 31: 31 van Mijn heiligdom: Dat is, van mijn tempel. Zie 2 Kron. 20:8. 2 Kronieken 20:8: Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende:
[^ezechiel-9-6-32]: Kanttekening 32: 32 oude mannen: Zie van deze boven Ez. 8:11, en de aantekening. Ezechiël 8:11: En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël, met Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk van het reukwerk ging op.
[^ezechiel-9-6-33]: Kanttekening 33: 33 huis waren: Dat is, voor de tempel. Zo in het volgende.
[^ezechiel-9-7-34]: Kanttekening 34: 34 Verontreinigt het huis: Dat geschiedde door de dode lichamen, die daarin verslagen werden. Vergelijk Num. 19:11; 2 Kon. 23:16. Numeri 19:11: Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. 2 Koningen 23:16: En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van YHWH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
[^ezechiel-9-7-35]: Kanttekening 35: 35 de voorhoven met verslagenen: Zie van beide de voorhoven, het binnenste en het buitenste, 1 Kon. 6:36. 1 Koningen 6:36: Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^ezechiel-9-7-36]: Kanttekening 36: 36 zij sloegen in de stad: Dat is, zij maakten een grote slachting van allerlei mensen door de gehele stad. Zie van het woord slaan voor doden genomen, Gen. 8:21. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^ezechiel-9-8-37]: Kanttekening 37: 37 hen geslagen hadden: Te weten de inwoners van Jeruzalem.
[^ezechiel-9-8-38]: Kanttekening 38: 38 ik overgebleven was: Te weten menende alleen overgebleven te zijn. Vergelijk 1 Kon. 19:10; Rom. 11:3. 1 Koningen 19:10: En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de legermachten; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. Romeinen 11:3: Heer! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.
[^ezechiel-9-8-39]: Kanttekening 39: 39 op mijn aangezicht viel: Te weten door grote verslagenheid voor Gods strenge wraak en door medelijden over het verslagen volk. Vergelijk Gen. 17:3. Genesis 17:3: Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:
[^ezechiel-9-8-40]: Kanttekening 40: 40 Israël verderven: Dat is, van Juda en Benjamin, en die van de andere stammen onder die mochten vermengd zijn. Zie 2 Kron. 21:2, en de aantekening. 2 Kronieken 21:2: En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^ezechiel-9-9-41]: Kanttekening 41: 41 geheel zeer groot: Hebreeuws, is zeer zeer groot (גָּדוֹל); dat is bovenmate groot. Vergelijk Gen. 17:6, 17:20, onder Ez. 16:13. Genesis 17:6: En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Genesis 17:20: En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt.
[^ezechiel-9-9-42]: Kanttekening 42: 42 bloed vervuld: Hebreeuws, bloeden (דָּמִים); dat is doodslagen en moorderijen. Zie Gen. 4:10; 1 Kon. 2:33. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. 1 Koningen 2:33: Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid.
[^ezechiel-9-9-43]: Kanttekening 43: Of, verkeerdheid, of omkering, of buiging \[van het recht\].
[^ezechiel-9-9-44]: Kanttekening 44: 44 want zij zeggen: Zie boven Ez. 8:12. Ezechiël 8:12: Toen zei Hij tot mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: De YHWH ziet ons niet, YHWH heeft het land verlaten.
[^ezechiel-9-10-45]: Kanttekening 45: 45 Mijn oog zal niet sparen: Hij spreekt in de toekomende tijd, omdat het voorverhaalde nog niet was geschied inderdaad, maar alleen in een gezicht, dat in de geest van de profeet was ene afbeelding en voorzegging van wat dadelijk op zijn tijd gebeuren zou.
[^ezechiel-9-10-a]: Verwijzing a: Ez. 5:11; Ez. 7:4; Ez. 8:18. Ezechiël 5:11: Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen! Ezechiël 7:4: En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 8:18: Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.
[^ezechiel-9-10-46]: Kanttekening 46: 46 hun weg op hun hoofd geven: Dat is, hen straffen, gelijk zij met al hun boze werken verdiend hebben. Zie 1 Kon. 8:32, en boven Ez. 7:3. 1 Koningen 8:32: Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Ezechiël 7:3: Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-9-11-47]: Kanttekening 47: 47 Ik heb gedaan: Vergelijk Ps. 40:9; Joh. 4:34, en Joh. 5:30, en Joh. 6:38, en Joh. 17:4. Psalmen 40:9: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Johannes 4:34: Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. Johannes 5:30: Ik kan van Mijzelf niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft. Johannes 6:38: Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft. Johannes 17:4: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voltooid het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen;
[^ezechiel-9-11-48]: Kanttekening 48: 48 gelijk als U mij geboden hadt: Anders, naar alles dat, enz.

### Ezechiël 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/10.json)

*Verder visioen van de heerlijkheid van de HEERE, zijnde gelijk het voorgaande, dat de profeet aan de rivier Chebar gezien had, en van de vurige kolen die de man, met linnen bekleed, ontving om over de stad te strooien, vers 1, enz. De heerlijkheid van de HEERE schijnt hier driemaal van plaats veranderd te zijn: ten eerste, van de cherubs tot de drempel van de tempel, 4; ten tweede, vandaar weer op de cherubs, 18; ten derde, op de cherubs tot de Oostpoort, of voorste poort, om uit zijn huis te gaan, 19.*

**1** Daarna[^ezechiel-10-1-1] zag ik, en ziet, boven het[^ezechiel-10-1-2] uitspansel, dat was over het hoofd van[^ezechiel-10-1-3] de cherubs, was als een[^ezechiel-10-1-4] saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis van een troon[^ezechiel-10-1-5];[^ezechiel-10-1-6] en Hij verscheen[^ezechiel-10-1-7] daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v1)

**2** En Hij sprak tot[^ezechiel-10-2-8] de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in[^ezechiel-10-2-9] tot tussen de[^ezechiel-10-2-10] wielen,[^ezechiel-10-2-11] tot onder de cherub, en vul uw vuisten met[^ezechiel-10-2-12] vurige kolen[^ezechiel-10-2-13] van tussen de cherubs, en[^ezechiel-10-2-14] strooi ze over de stad; en[^ezechiel-10-2-15] hij ging in[^ezechiel-10-2-16] voor mijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v2)

**3** De cherubs nu stonden[^ezechiel-10-3-17] aan de rechterzijde[^ezechiel-10-3-18] van het huis, als die man inging; en een[^ezechiel-10-3-19] wolk vervulde het[^ezechiel-10-3-20] binnenste voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v3)

**4** Toen hief zich[^ezechiel-10-4-21] de heerlijkheid van YHWH omhoog[^ezechiel-10-4-22] van boven de[^ezechiel-10-4-23] cherub,[^ezechiel-10-4-24] op de dorpel van het[^ezechiel-10-4-25] huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het[^ezechiel-10-4-26] voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v4)

**5** En het[^ezechiel-10-5-27] geruis van[^ezechiel-10-5-28] de vleugels van[^ezechiel-10-5-29] de cherubs werd gehoord tot[^ezechiel-10-5-30] het uiterste voorhof,[^ezechiel-10-5-31] als de stem van de almachtige God[^ezechiel-10-5-32], wanneer Hij spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v5)

**6** Het gebeurde nu, als[^ezechiel-10-6-33] Hij de man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem[^ezechiel-10-6-34] vuur[^ezechiel-10-6-35] van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging en stond bij[^ezechiel-10-6-36] een rad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v6)

**7** Toen stak[^ezechiel-10-7-37] een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs tot het vuur, dat was tussen de cherubs, en nam daarvan, en gaf het in de vuisten van degene, die met linnen bekleed was; die nam het, en[^ezechiel-10-7-38] ging uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v7)

**8** Want[^ezechiel-10-8-39] er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van de hand van een mens[^ezechiel-10-8-40] onder hun vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v8)

**9** Toen zag ik, en ziet,[^ezechiel-10-9-41] vier wielen waren bij[^ezechiel-10-9-42] de cherubs;[^ezechiel-10-9-43] een rad was bij elke cherub; en de gedaante van de wielen[^ezechiel-10-9-a] was als de kleur van een[^ezechiel-10-9-44] turkoois-steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v9)

**10** En voor wat betreft hun gedaanten, die vier hadden[^ezechiel-10-10-45] dezelfde gelijkenis,[^ezechiel-10-10-46] gelijk of het was geweest een rad in het midden van een rad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v10)

**11** Als[^ezechiel-10-11-47] die gingen, zo gingen[^ezechiel-10-11-48] deze op hun vier zijden;[^ezechiel-10-11-49] zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het[^ezechiel-10-11-50] hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v11)

**12** [^ezechiel-10-12-51] Hun hele[^ezechiel-10-12-52] lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugels, en ook de wielen, waren vol ogen rondom;[^ezechiel-10-12-53] die vier hadden hun wielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v12)

**13** Voor wat betreft de wielen, elk daarvan werd[^ezechiel-10-13-54] voor mijn oren genoemd Galgal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v13)

**14** En[^ezechiel-10-14-55] elk had vier aangezichten; het[^ezechiel-10-14-56] eerste aangezicht was het aangezicht van een cherub[^ezechiel-10-14-57], en het tweede aangezicht was het aangezicht van een mens, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een adelaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v14)

**15** En die cherubs hieven zich omhoog;[^ezechiel-10-15-58] dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v15)

**16** [^ezechiel-10-16-b] En als de cherubs gingen, zo gingen die wielen naast die; en als de cherubs hun vleugels ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich die wielen ook niet om van bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v16)

**17** Als[^ezechiel-10-17-59] die stonden, stonden[^ezechiel-10-17-60] deze, en als die opgeheven werden, hieven zich deze ook op;[^ezechiel-10-17-61][^ezechiel-10-17-c] want de geest van de dieren was in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v17)

**18** Toen ging[^ezechiel-10-18-62] de heerlijkheid van YHWH[^ezechiel-10-18-63] van boven de dorpel van het huis weg, en[^ezechiel-10-18-64] stond boven de cherubs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v18)

**19** En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich van de aarde omhoog[^ezechiel-10-19-65] voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de wielen waren[^ezechiel-10-19-66] tegenover hen; en elk[^ezechiel-10-19-67] stond aan de deur[^ezechiel-10-19-68] van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over[^ezechiel-10-19-69] hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v19)

**20** [^ezechiel-10-20-70] Dit is het dier, dat ik zag[^ezechiel-10-20-71] onder de God van Israël[^ezechiel-10-20-d] bij de rivier Chebar; en ik[^ezechiel-10-20-72] bemerkte, dat het cherubs waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v20)

**21** [^ezechiel-10-21-e] Elk had vier aangezichten, en elk had vier vleugels; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v21)

**22** En voor wat betreft de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelf;[^ezechiel-10-22-73] zij gingen ieder recht uit voor zijn aangezicht heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/10.html#v22)

[^ezechiel-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 zag ik: Te weten in de geest. Want de profeet was in optrekking van de zinnen.
[^ezechiel-10-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Ez. 1:22, en vergelijk daar Ez. 1:26. Ezechiël 1:22: En over de hoofden van de dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-10-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, de gelijkenis van cherubim; zie van deze Gen. 3:24. Zij worden boven Ez. 1:5, dieren genaamd, en waren vier in getal. Zie de aantekening. Genesis 3:24: En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-10-1-4]: Kanttekening 4: Zie boven Ez. 1:26. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-10-1-5]: Kanttekening 5: Zie boven Ez. 1:26. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.
[^ezechiel-10-1-6]: Kanttekening 6: Te weten God, die onder genoemd wordt de Heer, vers 18, en de God van Israël, vers 19. Ezechiël 10:18: Toen ging de heerlijkheid van YHWH van boven de dorpel van het huis weg, en stond boven de cherubs. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen.
[^ezechiel-10-1-7]: Kanttekening 7: 7 op dezelfde: Te weten het uitspansel en de troon. Of, boven dezelfde, te weten cherubim.
[^ezechiel-10-2-8]: Kanttekening 8: 8 de man: Zie van deze boven Ez. 9:2. Als men door Hem hier verstaat de Heer Christus, zo wordt Hij hier aangezien als de rechter van de goddelozen. Ezechiël 9:2: En ziet, zes mannen kwamen van de weg van de Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elk met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.
[^ezechiel-10-2-9]: Kanttekening 9: 9 tot tussen: Hebreeuws, tot de tusschenheden van de wielen; dat is, tot in het midden daarvan, zo in het volgende.
[^ezechiel-10-2-10]: Kanttekening 10: Versta door deze de raderen, waarvan de beschrijving en betekenis zie boven Ez. 1:15. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelfde.
[^ezechiel-10-2-11]: Kanttekening 11: 11 tot onder de cherub: Want de wielen of raderen waren bij de cherubim is.
[^ezechiel-10-2-12]: Kanttekening 12: 12 vurige kolen: Welke afbeeldingen waren van Gods rechtvaardige straffen, zie boven Ez. 1:13, en vergelijk Ps. 18:9. Ezechiël 1:13: Aangaande de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als brandende kolen van het vuur, als de gedaante van de fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. Psalmen 18:9: Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
[^ezechiel-10-2-13]: Kanttekening 13: 13 van tussen de cherubs: Hebreeuws, van de tusschenheden van de cherubim; dat is van de plaats, die tussen de cherubim is.
[^ezechiel-10-2-14]: Kanttekening 14: 14 strooi ze over de stad: Tot een teken dat zij verteerd zal worden door een brand van het zwaard, honger en pest, ja ook met stoffelijk vuur; 2 Kon. 25:9. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, samen met alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^ezechiel-10-2-15]: Kanttekening 15: Namelijk de man met linnen bekleed.
[^ezechiel-10-2-16]: Kanttekening 16: 16 voor mijn ogen: Dat is, dat ik Hem met mijne ogen in dit gezicht aanschouwde.
[^ezechiel-10-3-17]: Kanttekening 17: 17 ter rechterzijde: Dat is, aan de noordzijde, welke zag naar het land van de Chaldeën, tot een teken dat van de tempel en van de Joden verderf vandaar komen zou.
[^ezechiel-10-3-18]: Kanttekening 18: 18 van het huis: Dat is, van de tempel van de Heer, welverstaande in het binnenste voorhof, gelijk blijkt uit de volgende woorden van vers 3. Ezechiël 10:3: De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het huis, als die man inging; en een wolk vervulde het binnenste voorhof.
[^ezechiel-10-3-19]: Kanttekening 19: Welke betekende Gods toorn en de verstoring, die de tempel was nakende. Zo is de wolk hier een teken van Gods toorn en de aanstaande zwarigheden, gelijk Ps. 18:12, 18:13, en niet van zijn genadige bijwoning, gelijk wel Ex. 40:34; Num. 9:15; 1 Kon. 8:10, 8:11. Psalmen 18:12: Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel. Psalmen 18:13: Van de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen. Exodus 40:34: Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Numeri 9:15: En op de dag van het oprichten van het tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld.
[^ezechiel-10-3-20]: Kanttekening 20: 20 binnenste voorhof: Dat was het voorhof van de priesters; zie 1 Kon. 6:36. 1 Koningen 6:36: Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.
[^ezechiel-10-4-21]: Kanttekening 21: 21 de heerlijkheid van YHWH: Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-10-4-22]: Kanttekening 22: 22 van boven: Te weten, waarop de Heer in het heilige van de heiligen zijn gewone woning gehad had; 1 Sam. 4:4; Ps. 80:2; Jes. 37:16. Of, van op deze vier cherubim tot de dorpel van het huis. 1 Samuël 4:4: Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van YHWH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. Psalmen 80:2: O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend. Jesaja 37:16: O YHWH van de legermachten, U, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U Zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde; U hebt de hemel en de aarde gemaakt!
[^ezechiel-10-4-23]: Kanttekening 23: Of, cherubim, want het enkelvoudig getal is hier voor het veelvoudig genomen. Zie boven vers 1, en Ez. 9:3. Ezechiël 10:1: Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, dat was over het hoofd van de cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis van een troon; en Hij verscheen op dezelfde. Ezechiël 9:3: En de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van de cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had.
[^ezechiel-10-4-24]: Kanttekening 24: 24 op de dorpel: Tot een teken dat God van de tempel en van dat volk verhuizen wilde.
[^ezechiel-10-4-25]: Kanttekening 25: Dat is, van het deel van de tempel, genaamd het heilige. Eerst is GOd gescheiden van het allerheiligste, boven Ez. 9:3; nu scheidt Hij ook uit het heilige. Ezechiël 9:3: En de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van de cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had.
[^ezechiel-10-4-26]: Kanttekening 26: 26 het voorhof: Te weten het binnenste, anders genaamd het voorhof van de priesters.
[^ezechiel-10-5-27]: Kanttekening 27: Dit wordt breder bij gelijkenissen beschreven, boven Ez. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^ezechiel-10-5-28]: Kanttekening 28: Zie boven Ez. 1:6. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen.
[^ezechiel-10-5-29]: Kanttekening 29: Te weten die zo deze rechtvaardige verhuizing van de Heer als met lofzegging toestemden, of de verschrikkelijke zwarigheid, die daarop zou volgen als met ontzetting voorzegden.
[^ezechiel-10-5-30]: Kanttekening 30: 30 het uiterste voorhof: Anders genaamd het grote voorhof; zie 1 Kon. 7:9, en de aantekening. 1 Koningen 7:9: Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof.
[^ezechiel-10-5-31]: Kanttekening 31: 31 als de stem: Zie boven Ez. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^ezechiel-10-5-32]: Kanttekening 32: 32 almachtigen Gods: Zie Gen. 17:1. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^ezechiel-10-6-33]: Kanttekening 33: Namelijk de Heer, wiens heerlijkheid beschreven is boven vers 4. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH.
[^ezechiel-10-6-34]: Kanttekening 34: Genaamd boven vers 2, vurige kolen. Het vuur betekent Gods toorn en wraak; zie Job 22:20. Ezechiël 10:2: En Hij sprak tot de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in tot tussen de wielen, tot onder de cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen. Job 22:20: Omdat onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
[^ezechiel-10-6-35]: Kanttekening 35: 35 van tussen de wielen: Zie boven vers 2. Ezechiël 10:2: En Hij sprak tot de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in tot tussen de wielen, tot onder de cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen.
[^ezechiel-10-6-36]: Kanttekening 36: 36 een rad: Te weten van de vier raderen of wielen, die bij de cherubim waren. Anders: bij de raderen. En zo wordt hier het enkelvoudig getal voor het veelvoudig genomen; vergelijk boven vers 4, de aantekening op het woord cherub. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH.
[^ezechiel-10-7-37]: Kanttekening 37: 37 een cherub: Te weten één van die vier, van wie zie boven Ez. 1:5, en de aantekening. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-10-7-38]: Kanttekening 38: 38 ging uit: Te weten om dat te strooien over de stad Jeruzalem; dat hier wel geschied is in een gezicht tot voorzegging van het toekomende, maar weinige jaren hierna inderdaad tot vervulling van het voorzegde.
[^ezechiel-10-8-39]: Kanttekening 39: 39 er werd gezien: Zie boven Ezra 1:8. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen.
[^ezechiel-10-8-40]: Kanttekening 40: Versta evenwel dat zij elk twee handen hadden; een enkel getal voor een veelvoudig. Vergelijk boven vers 4, op het woord cherub, idem onder vers 21. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH. Ezechiël 10:21: Elk had vier aangezichten, en elk had vier vleugelen; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugelen.
[^ezechiel-10-9-41]: Kanttekening 41: 41 vier raderen: Zie boven Ez. 1:15. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelfde.
[^ezechiel-10-9-42]: Kanttekening 42: 42 de cherubs: Welke ook vier waren in getal, boven Ez. 1:5, waar zij dieren genoemd worden. Zie de aantekening. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-10-9-43]: Kanttekening 43: 43 een rad was bij elke cherub: Hebreeuws, een rad bij een cherub, en een rad bij een cherub; dat is bij elke cherub een rad. Zie van deze manier van spreken Gen. 7:2, en Num. 7;11, en Num. 13:2. Genesis 7:2: Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. Numeri 13:2: Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, dat Ik de kinderen van Israël geven zal; van elke stam van zijn vaderen zult u een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.
[^ezechiel-10-9-a]: Verwijzing a: Ez. 1:16. Ezechiël 1:16: De gedaante van de raderen en van hen maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.
[^ezechiel-10-9-44]: Kanttekening 44: Een edelgesteente, waarvan zie boven Ez. 1:16. Ezechiël 1:16: De gedaante van de raderen en hun maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.
[^ezechiel-10-10-45]: Kanttekening 45: 45 enerlei gelijkenis: Welke betekent dat in al Gods werken en wonderbare gelijkheid is van wijze, orde en volmaaktheid.
[^ezechiel-10-10-46]: Kanttekening 46: 46 gelijk of het ware geweest: Zie boven Ez. 1:15, op de woorden vier aangezichten. Idem zie de aantekening in Ez. 1:16. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelfde. Ezechiël 1:16: De gedaante van de raderen en hun maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.
[^ezechiel-10-11-47]: Kanttekening 47: 47 die gingen: Te weten de cherubim, bij wie de raderen waren. Zie boven Ez. 1:9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de een aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-10-11-48]: Kanttekening 48: 48 deze op hun vier zijden: Te weten de raderen. Zie boven Ez. 1:17. Ezechiël 1:17: Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-10-11-49]: Kanttekening 49: 49 zij keerden zich niet om: Zie boven Ez. 1:17. Ezechiël 1:17: Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-10-11-50]: Kanttekening 50: 50 hoofd zag: Versta één van de vier hoofden, die iedere cherub had, welke tegen de vier winden zagen.
[^ezechiel-10-12-51]: Kanttekening 51: 51 Hun gehele: Te weten van de cherubim, wie hier ogen toegeschreven worden, \[hoewel niet in het eerste gezicht, boven Ez. 1\], betekenende de voorzienigheid Gods, waardoor zij verlicht worden en al hun werk wijselijk bestuurd en uitgevoerd wordt. Vergelijk boven Ez. 1:18, waar van de ogen van de raderen gesproken is. Ezechiël 1:18: En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier raderen.
[^ezechiel-10-12-52]: Kanttekening 52: 52 lichaam nu: Hebreeuws, vlees (בְּשָׂרָ). Want het lichaam van de mensen bestaat uit vlees. Zie Job 12:10. Job 12:10: In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mensen.
[^ezechiel-10-12-53]: Kanttekening 53: 53 die vier hadden hun raderen: Te weten cherubim; zie Ez. 1:15; idem hier vers 9. De zin is dat iedere cherub een rad had. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelfde. Ezechiël 10:9: Toen zag ik, en ziet, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij elke cherub; en de gedaante van de raderen was als de verf van een turkoois-steen.
[^ezechiel-10-13-54]: Kanttekening 54: 54 voor mijn oren genoemd Galgal: Dat is dat ik het hoorde, werd elk rad genoemd galgal, dat is wiel, of kogel, of kloot, of aldus: Daar werd tot hen geroepen: o wiel, of het wiel, enz.
[^ezechiel-10-14-55]: Kanttekening 55: 55 elk had vier aangezichten: In dit gezicht is enig onderscheid in de orde en benaming van het gezicht, boven Ez. 1; hoewel het inderdaad hetzelfde geweest is; zie onder vers 15, 10:22. Ezechiël 10:15: En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. Ezechiël 10:22: En aangaande de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelven; zij gingen ieder recht uit voor zijn aangezicht heen.
[^ezechiel-10-14-56]: Kanttekening 56: 56 eerste aangezicht: Te weten van elk van de cherubim. Nu dit eerste aangezicht van de cherub was, dat voorwaarts uitzag, het tweede, dat naar de rechterhand, het derde, naar de linkerhand, het vierde achterwaarts uitzag. Zulke vier aangezichten hadden zij alle vier. Hebreeuws, het aangezicht van de eerste (פָנִים).
[^ezechiel-10-14-57]: Kanttekening 57: Sommigen menen dat hier in de plaats van een ossen-aangezicht gesteld wordt het aangezicht van de cherub, om te tonen dat zij allen cherubim geweest zijn. Anderen stellen andere redenen.
[^ezechiel-10-15-58]: Kanttekening 58: 58 dit was hetzelfde dier: Of, dit waren even de dieren; een enkelvoudig getal voor een veelvoudig. Hij spreekt van de vier dieren, waarvan te zien is boven Ez. 1:5. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-10-16-b]: Verwijzing b: Ez. 1:19. Ezechiël 1:19: Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven.
[^ezechiel-10-17-59]: Kanttekening 59: 59 die stonden: Te weten de cherubim.
[^ezechiel-10-17-60]: Kanttekening 60: Te weten de raderen; zo in het volgende.
[^ezechiel-10-17-61]: Kanttekening 61: 61 want de geest van de dieren was in hen: Te weten de Heilige Geest; zie boven Ez. 1:12. Anders: de Geest van het leven. Ezechiël 1:12: En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.
[^ezechiel-10-17-c]: Verwijzing c: Ez. 1:20. Ezechiël 1:20: Waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de raderen.
[^ezechiel-10-18-62]: Kanttekening 62: 62 de heerlijkheid van YHWH: Dat is, God, die heerlijk is. Zie boven Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^ezechiel-10-18-63]: Kanttekening 63: 63 van boven de dorpel van het huis weg: Te weten waarop zij tevoren van de cherubim gekomen was. Zie boven vers 4, en de aantekening. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH.
[^ezechiel-10-18-64]: Kanttekening 64: Of, stelde hen.
[^ezechiel-10-19-65]: Kanttekening 65: 65 voor mijn ogen: Dat is, dat ik het aanzag, te weten met de ogen mijns geestes, zijnde in optrekking van de zinnen.
[^ezechiel-10-19-66]: Kanttekening 66: 66 tegenover hen: Of, naast hen.
[^ezechiel-10-19-67]: Kanttekening 67: Of, bleef staan.
[^ezechiel-10-19-68]: Kanttekening 68: 68 van de Oostpoort: Of, voorste poort. Sommigen verstaan door deze poort de poort van het voorhof van de priesters; anderen de poort van het voorhof van het volk. Dit betekende dat God eindelijk ten enenmale uit zijn huis verhuizen zou. Vergelijk boven de aantekening Ez. 9:3, en in vers 4. Ezechiël 9:3: En de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van de cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH.
[^ezechiel-10-19-69]: Kanttekening 69: Namelijk over de cherubim.
[^ezechiel-10-20-70]: Kanttekening 70: 70 Dit is het dier: Zie boven vers 15. Ezechiël 10:15: En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had.
[^ezechiel-10-20-71]: Kanttekening 71: 71 onder de Gods Israëls: Want deze dieren stonden onder het uitspansel, boven dat de heerlijkheid van God zich vertoonde. Zie boven Ez. 1:26, en hier vers 1. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde. Ezechiël 10:1: Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, dat was over het hoofd van de cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis van een troon; en Hij verscheen op dezelfde.
[^ezechiel-10-20-d]: Verwijzing d: Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-10-20-72]: Kanttekening 72: Zulks dat dit gezicht de profeet gediend heeft tot verklaring van het eerste, beschreven boven Ez. 1.
[^ezechiel-10-21-e]: Verwijzing e: Ez. 1:6; idem 1:8; Ez. 10:8; idem 10:14. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. Ezechiël 10:8: Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen hand onder hun vleugelen. Ezechiël 10:14: En elk had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een arend.
[^ezechiel-10-22-73]: Kanttekening 73: 73 zij gingen ieder recht uit: Zie boven Ez. 1:9. Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de een aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.

### Ezechiël 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/11.json)

*God toont de profeet de boosheid van de voornaamste regenten binnen Jeruzalem, die met Gods profetieën de spot dreven, vers 1, enz. De profeet moet profeteren over hun zonden en straffen, 4. Een van de genoemde regenten sterft, waarover de profeet ontsteld wordt, 13. God toont hem de spot die zij te Jeruzalem dreven met hun broeders, die naar Babel waren weggevoerd, aan wie God daarentegen geestelijke en lichamelijke zegen belooft, 14. De heerlijkheid van de HEERE verlaat de stad, 22. God brengt de profeet weer (in een visioen) tot zijn medegevangen broeders in Chaldea, 24.*

**1** Toen hief mij[^ezechiel-11-1-1] de Geest op, en bracht mij tot de[^ezechiel-11-1-2] Oostpoort van het huis van YHWH, die ziet naar het oosten; en ziet, aan de deur van de poort waren[^ezechiel-11-1-3] vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik[^ezechiel-11-1-4] Jaäzanja, de zoon van Azzur, en[^ezechiel-11-1-5] Pelatja, de zoon van Benaja,[^ezechiel-11-1-6] vorsten van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v1)

**2** En[^ezechiel-11-2-7] Hij zei tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwade raad[^ezechiel-11-2-8] raden in deze stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v2)

**3** Die zeggen: Men moet geen[^ezechiel-11-3-9] huizen nabij bouwen;[^ezechiel-11-3-10] deze[^ezechiel-11-3-11] stad[^ezechiel-11-3-12] zou de pot, en wij het vlees zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v3)

**4** Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v4)

**5** Zo[^ezechiel-11-5-13] viel dan de Geest van YHWH op mij, en[^ezechiel-11-5-14] Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt YHWH: Zo zegt u, o huis[^ezechiel-11-5-16] van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen.[^ezechiel-11-5-15][^ezechiel-11-5-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v5)

**6** [^ezechiel-11-6-18] U hebt[^ezechiel-11-6-19] uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en u hebt haar straten met de verslagenen vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v6)

**7** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Uw verslagenen, die u in het midden daarvan neergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden[^ezechiel-11-7-21] daarvan[^ezechiel-11-7-22] doen uitgaan.[^ezechiel-11-7-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v7)

**8** U hebt het[^ezechiel-11-8-23] zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v8)

**9** Ook zal Ik u uit het midden daarvan doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de[^ezechiel-11-9-24] hand van de vreemden; en Ik zal[^ezechiel-11-9-25] recht onder u doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v9)

**10** U zult[^ezechiel-11-10-26] door het zwaard vallen; in[^ezechiel-11-10-27] het gebied van Israël zal Ik u[^ezechiel-11-10-28] richten, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v10)

**11** Deze stad zal u niet tot[^ezechiel-11-11-29] een pot zijn, en u zult in het midden daarvan niet[^ezechiel-11-11-30] tot vlees zijn;[^ezechiel-11-11-31] in het gebied van Israël[^ezechiel-11-11-32] zal Ik u richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v11)

**12** En u zult weten, dat Ik YHWH ben, omdat u in Mijn voorschriften niet gewandeld, en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de[^ezechiel-11-12-33] rechten van de heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v12)

**13** Het gebeurde nu, als ik[^ezechiel-11-13-34] profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen[^ezechiel-11-13-35] viel ik neer op mijn aangezicht, en riep met[^ezechiel-11-13-36] luide stem; en zei: Ach, Adonai YHWH! zult U geheel een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?[^ezechiel-11-13-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v13)

**14** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v14)

**15** Mensenkind,[^ezechiel-11-15-38] het zijn uw[^ezechiel-11-15-39] broers, uw[^ezechiel-11-15-40] broers, de mannen van uw familie[^ezechiel-11-15-41], en het hele huis van Israël, ja, dat[^ezechiel-11-15-42] hele, tot wie de inwoners van[^ezechiel-11-15-43] Jeruzalem gezegd hebben:[^ezechiel-11-15-44] Maak u verre af van YHWH, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v15)

**16** Daarom zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Hoewel[^ezechiel-11-16-45] Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, toch zal Ik hun een[^ezechiel-11-16-46] korte tijd tot een heiligdom zijn,[^ezechiel-11-16-47] in de landen, waarin zij gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v16)

**17** Daarom zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Ja,[^ezechiel-11-17-48] Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, en[^ezechiel-11-17-49] Ik zal u het land van Israël geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v17)

**18** En zij zullen daarheen komen, en al de verfoeilijke dingen daarvan en al de gruwelijke dingen daarvan van daar wegdoen[^ezechiel-11-18-50]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v18)

**19** En Ik zal hun[^ezechiel-11-19-51][^ezechiel-11-19-a] dezelfde[^ezechiel-11-19-52] hart geven, en zal een[^ezechiel-11-19-53] nieuwe geest in het binnenste van u geven; en Ik zal[^ezechiel-11-19-54] het stenen hart uit[^ezechiel-11-19-55] hun vlees[^ezechiel-11-19-56] wegnemen, en zal hun een[^ezechiel-11-19-57] vlesen hart geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v19)

**20** [^ezechiel-11-20-58] Opdat zij wandelen in Mijn voorschriften, en Mijn rechten[^ezechiel-11-20-59] bewaren, en die doen;[^ezechiel-11-20-60] en zij zullen Mij tot een[^ezechiel-11-20-b] volk zijn, en Ik zal hun[^ezechiel-11-20-61] tot een God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v20)

**21** [^ezechiel-11-21-62] Maar van wie het hart het hart van hun verfoeilijke dingen en van hun gruwelijke dingen nawandelt, hun weg zal Ik[^ezechiel-11-21-63][^ezechiel-11-21-64][^ezechiel-11-21-65][^ezechiel-11-21-66] op hun[^ezechiel-11-21-c] hoofd geven, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v21)

**22** Toen hieven de[^ezechiel-11-22-67] cherubs[^ezechiel-11-22-68] hun vleugels op, en de[^ezechiel-11-22-69] wielen tegenover hen; en de[^ezechiel-11-22-70] heerlijkheid van de God van Israël was over hen van boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v22)

**23** En de heerlijkheid van YHWH[^ezechiel-11-23-71] rees op van het midden van de stad, en[^ezechiel-11-23-72] stond op de berg, die tegen het oosten van de stad is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v23)

**24** Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in visioen[^ezechiel-11-24-73] door de Geest van God in Chaldea tot[^ezechiel-11-24-74] de als gevangene weggevoerden; en het visioen, dat ik gezien had, voer[^ezechiel-11-24-75] van mij op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v24)

**25** En ik sprak tot de als gevangene weggevoerden al de[^ezechiel-11-25-76] woorden van YHWH, die Hij mij had doen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/11.html#v25)

[^ezechiel-11-1-1]: Kanttekening 1: 1 de Geest op: Versta, de Geest van God, die hem dit gezicht vertoonde; zie boven Ez. 8:3. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-11-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Ez. 10:19. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen.
[^ezechiel-11-1-3]: Kanttekening 3: 3 vijf en twintig mannen: Men meent deze geweest te zijn dezelfde van wie gesproken is boven Ez. 8:16. Zoveel is het, dat zij van groot aanzien onder het volk geweest zijn, en voornamelijk wier namen hier uitgedrukt worden. Zij komen hier uit het huis van de Heer, van de afgodendienst, die zij daar de zon bewezen hadden, en spreken tezamen van de versterking van de stad. Ezechiël 8:16: En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis van YHWH; en ziet, aan de deur van de tempel van YHWH, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar de tempel van YHWH, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.
[^ezechiel-11-1-4]: Kanttekening 4: Onderscheid deze van een anderen Jaäzanja, de zoon van Safan, boven Ez. 8:11. Ezechiël 8:11: En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël, met Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk van het reukwerk ging op.
[^ezechiel-11-1-5]: Kanttekening 5: Die ook te onderscheiden is van anderen van deze naam; 1 Kron. 3:21, en 1 Kron. 4:42. 1 Kronieken 3:21: De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja. 1 Kronieken 4:42: Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Uzziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden.
[^ezechiel-11-1-6]: Kanttekening 6: 6 vorsten van het volk: Dat is, voortreffelijke personen, die in de regering van het land uitstekende, bij het volk aanzienlijk waren, en dienvolgens een voorbeeld van de godvruchtigheid allen billijk moesten geweest zijn; vergelijk Ex. 3:16; Lev. 4:15; 2 Kon. 23:1, en de aantekening. Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: De YHWH, de God uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15: En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH. 2 Koningen 23:1: Toen zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem.
[^ezechiel-11-2-7]: Kanttekening 7: 7 Hij zei tot mij: Te weten de Geest, die hem voerde. Waaruit blijkt dat het woord niet van de wind moet verstaan worden. Anderen verstaan door deze sprekenden persoon de Heer, die zich over de cherubim vertoonde, boven Ez. 10:19. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen.
[^ezechiel-11-2-8]: Kanttekening 8: 8 raden in deze stad: Te weten van de stad niet over te geven in de hand van de Chaldeën, tegen de raad van de profeet Jeremia, maar die te beschermen.
[^ezechiel-11-3-9]: Kanttekening 9: 9 nabij bouwen: Te weten nabij de stad, dat is, in de voorstad.
[^ezechiel-11-3-10]: Kanttekening 10: 10 deze stad: Dat is, Jeruzalem.
[^ezechiel-11-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, de Chaldeën, komende om deze stad te belegeren, zouden in de huizen van de voorstad bekwamelijk mogen wonen, en als een vuur, de stad als een pot zijnde, doen zieden, en ons, die daarin zouden zijn, als het vlees door honger verteren, vergelijk onder Ez. 24:3, enz. Zij spotten met de profetie van Jer. 1:13, die zij met hun raad zoeken te schande en leugenachtig te maken. Anders, \[ons verderf\] is niet nabij, laat ons huizen bouwen; te weten om hier te blijven wonen, en zo zij deze stad de pot en wij het vlees. Want wij zijn het vlees in de pot, wij moeten daarin blijven, zodat Jeremia tegen zichzelf profeteert als hij ons spreekt van weggevoerd te zullen worden. Ezechiël 24:3: En gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. Jeremia 1:13: En van YHWH woord geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.
[^ezechiel-11-3-12]: Kanttekening 12: 12 de pot: Te weten waarvan Jeremia geprofeteerd heeft, Jer. 1.
[^ezechiel-11-5-13]: Kanttekening 13: 13 viel dan de Geest van YHWH op mij: Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-11-5-14]: Kanttekening 14: 14 Hij zei tot mij: Zie boven vers 2. Ezechiël 11:2: En Hij zei tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwade raad raden in deze stad.
[^ezechiel-11-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, Juda. Zie 2 Kron. 15:17 en 2 Kron. 21:2 met de aantekening. 2 Kronieken 15:17: De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. 2 Kronieken 21:2: En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
[^ezechiel-11-5-15]: Kanttekening 15: 15 Zo zegt u: Te weten gelijk recht tevoren, vers 3, verhaald is. Ezechiël 11:3: Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.
[^ezechiel-11-5-17]: Kanttekening 17: 17 van de dingen: Hebreeuws, de opklimmingen uws geestes; dat is, dat in de gedachten uws harten opkomt. Zie van gelijke manier van spreken Jer. 7:31. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^ezechiel-11-6-18]: Kanttekening 18: 18 U hebt: Te weten vorsten en regeerders van de stad, van wie zie boven vers 1. Ezechiël 11:1: Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van YHWH, die ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk.
[^ezechiel-11-6-19]: Kanttekening 19: 19 uw verslagenen: Dat is, die u door allerlei soort van ongerechtigheid in de stad verdrukt hebt. Vergelijk boven Ez. 7:23, en Ez. 9:9. Ezechiël 7:23: Maak een keten; want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld. Ezechiël 9:9: Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is geheel zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De YHWH heeft het land verlaten, en YHWH ziet niet.
[^ezechiel-11-7-21]: Kanttekening 21: Te weten de stad Jeruzalem. Anders: zal hij, zal men, doen uitgaan. Versta, de vijand.
[^ezechiel-11-7-22]: Kanttekening 22: 22 doen uitgaan: Namelijk door middel van de Chaldeën, die hen gevankelijk nemen en naar hunne verdiensten straffen zouden. Zie vers 8, 11:9, 11:10, 11:11. Ezechiël 11:8: Gijlieden hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 11:9: Ook zal Ik u uit het midden van die doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand van de vreemden; en Ik zal recht onder u doen. Ezechiël 11:10: U zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal Ik u richten, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 11:11: Deze stad zal u niet tot een pot zijn, en u zult in het midden van die niet tot vlees zijn; in de landpale Israëls zal Ik u richten.
[^ezechiel-11-7-20]: Kanttekening 20: 20 Uw verslagenen: Dat de Joden zeiden tot bespotting van de woorden van Jeremia, keert Ezechiël tegen hen, alsof hij zei: Zeker is de stad Jeruzalem de pot, maar het vlees daarin ziedende, zijn degenen, die u daarin wredelijk verdrukt hebt, om wier oorzaak en al uw goddeloosheden, Gods toorn u en uws gelijken nog gruwelijker verslinden zal.
[^ezechiel-11-8-23]: Kanttekening 23: 23 zwaard gevreesd: Dat is, de oorlog. Zie Lev. 26:6. Leviticus 26:6: Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
[^ezechiel-11-9-24]: Kanttekening 24: 24 van de vreemden: Namelijk, van de Chaldeën.
[^ezechiel-11-9-25]: Kanttekening 25: 25 recht onder u doen: Zie boven Ez. 5:8. Ezechiël 5:8: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Ik wil aan u, ja Ik, want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van die heidenen.
[^ezechiel-11-10-26]: Kanttekening 26: 26 door het zwaard vallen: Dat is door de oorlog omkomen. Zie Lev. 26:7. Leviticus 26:7: En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^ezechiel-11-10-27]: Kanttekening 27: 27 landpale Israëls: Namelijk in Ribla. Zie van deze stad 2 Kon. 23:33, en 2 Kon. 25:6. Zij lag in het land van Hamath, dat benoorden was aan de grenzen van Palestina; Num. 34:8; Joz. 13:5. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. Numeri 34:8: Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze landpale zullen zijn naar Zedad. Jozua 13:5: Daartoe het land van de Giblieten, en de gehele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath.
[^ezechiel-11-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, straffen; vergelijk Gen. 15:14; zo hier in vers 11. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Ezechiël 11:11: Deze stad zal u niet tot een pot zijn, en u zult in het midden van die niet tot vlees zijn; in de landpale Israëls zal Ik u richten.
[^ezechiel-11-11-29]: Kanttekening 29: 29 een pot zijn: Te weten om daarin te zieden, dat is daarin te blijven, en uw meeste straf, dit leven aangaande, te dragen.
[^ezechiel-11-11-30]: Kanttekening 30: 30 niet tot vlees zijn: Dit woord moet hier uit het voorgaande lid weer bijgesteld zijn.
[^ezechiel-11-11-31]: Kanttekening 31: 31 in de landpale Israëls: Gelijk boven in vers 10. Ezechiël 11:10: U zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal Ik u richten, en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-11-11-32]: Kanttekening 32: 32 zal Ik u richten: Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 25:21; Jer. 52:10. 2 Koningen 25:21: En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd. Jeremia 52:10: En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla.
[^ezechiel-11-12-33]: Kanttekening 33: 33 rechten van de heidenen: Of, wijzen. Versta hun afgodische rechten, die God hun verboden had, enigszins na te volgen; Lev. 18:3, en Lev. 20:23; Deut. 12:29, 12:30, en Deut. 18:14; boven Ez. 5:7, worden de Joden bestraft omdat zij naar de rechten van de heidenen niet leefden. Maar zie daarvan de aantekening daar. Leviticus 18:3: U zult niet doen naar de werken van het Egyptische land, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen. Leviticus 20:23: En wandelt niet in de inzettingen van het volk, dat Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden. Deuteronomium 12:29: Wanneer YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar die u heengaat, om die erfelijk te bezitten; en u die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen; Deuteronomium 12:30: Wacht u, dat u niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat u niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, zo zal ik ook doen. Deuteronomium 18:14: Want deze volken, die u zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, YHWH, uw God, heeft u zulks niet toegelaten. Ezechiël 5:7: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Omdat u daarom meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn inzettingen niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten van de heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;
[^ezechiel-11-13-34]: Kanttekening 34: Het schijnt dat dit profeteren van Ezechiël en het sterven van Pelatja eerst in het gezicht geschied is, en daarna inderdaad, zo dat Ezechiël de Israëlieten, die in Chaldea waren, dadelijk verkondigd heeft wat hij gezien en in de geest gedaan had, en dat de dood van Pelatja dan ook dadelijk geschied is, tot de bevestiging van deze voorzegging.
[^ezechiel-11-13-35]: Kanttekening 35: 35 viel ik neder op mijn aangezicht: Te weten uit verslagenheid en om voor het overblijfsel van het volk te bidden; vergelijk Num. 14:5. Numeri 14:5: Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de gehele gemeente van de vergadering van de kinderen van Israël.
[^ezechiel-11-13-36]: Kanttekening 36: 36 luide stem: Hebreeuws, groter.
[^ezechiel-11-13-37]: Kanttekening 37: 37 zult U geheel een voleinding maken: De profeet ziet niet eigenlijk in deze klacht op Pelatja, die een goddeloos mens was, maar op de weinigen, die nog overig waren, denkende, als de Heer zo voortging, dat Hij haast een einde zou maken, daar Hij nochtans beloofd had een overblijfsel te behouden. Zie van deze manier van spreken Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^ezechiel-11-15-38]: Kanttekening 38: 38 het zijn: Versta, degenen, die met Jojachin door de raad van Jeremia als ballingen in Chaldea verhuisd waren; 2 Kon. 24:12, enz. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijn regering.
[^ezechiel-11-15-39]: Kanttekening 39: 39 broers, uw: Dat is, uwe bloedvrienden en nabestaanden; zie Gen. 24:27. Genesis 24:27: En hij zei: Geloofd zij YHWH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, YHWH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijns heren broers.
[^ezechiel-11-15-40]: Kanttekening 40: 40 broers, de mannen: Deze herhaling geschied om de ijver Gods en de gewichtigheid van de zaak uit te drukken.
[^ezechiel-11-15-41]: Kanttekening 41: 41 uw familie: Hebreeuws, uw lossing; dat is, die uit kracht van hunne familie het recht hebben om uwe goederen te lossen, en dus uw nabestaanden bloedvrienden zijn. Zie Lev. 25:25. Leviticus 25:25: Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broers lossen.
[^ezechiel-11-15-42]: Kanttekening 42: 42 gehele, tot welke de inwoners van Jeruzalem: Te weten dat waarin Chaldea was, meest behorende tot de stam van Juda.
[^ezechiel-11-15-43]: Kanttekening 43: 43 gezegd hebben: Te weten hen bespottende, omdat zij hun vaderland verlaten hadden en als ballingen in Chaldea woonden; daar zij nog andere bezaten, en gebruikten het land, dat God hun vaderen tot een erfelijk goed gegeven had.
[^ezechiel-11-15-44]: Kanttekening 44: 44 Maakt u verre af van YHWH: Alsof zij zeiden: Wij zijn alleen Gods volk, die zijn land, dat Hij onze vaderen gegeven heeft, bewonen. Wij hebben met u, die van ons gescheiden bent, niet te doen, en u zult geen deel met ons hebben in dit land, dat u verlaten hebt.
[^ezechiel-11-16-45]: Kanttekening 45: 45 Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb: Te weten die Hij in vers 15 de broers van de profeet en het huis van Israël genoemd had; zo in het volgende. Ezechiël 11:15: Mensenkind, het zijn uw broers, uw broers, de mannen van uw familie, en het gehele huis van Israël, ja, dat gehele, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van YHWH, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven.
[^ezechiel-11-16-46]: Kanttekening 46: 46 weinig tijds: Of, Ik ben hun een weinig \[tijds\] tot een heiligdom geworden. Anders: Ik zal hen tot een klein heiligdom zijn; te weten inplaats van de zichtbare tempel in Jeruzalem, die een teken was van mijne aanwezigheid, zal Ik nu hun voor een kleinen tijd bij zijn, zonder dat uitwendige teken, met mijn Geest en genade onder hen wonende, hunne gebeden verhorende en hen beschermende. Anders: een heiligdom van de weinigheid, dat is, van weinigen. Vergelijk Jes. 8:14. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem.
[^ezechiel-11-16-47]: Kanttekening 47: 47 in de landen: Te weten van Chaldea en anderen, waarin zij verstrooid zijn.
[^ezechiel-11-17-48]: Kanttekening 48: 48 Ik zal u vergaderen uit de volken: Dat vervuld is als de Joden wedergekomen zijn uit de Babylonische gevangenschap naar hun vaderland, en nog volmaakter als de Heer Christus zijne gemeente door de dienst van de apostelen uit alle volken vergaderd heeft.
[^ezechiel-11-17-49]: Kanttekening 49: 49 Ik zal u het land van Israël geven: Te weten na de gevangenschap van zeventig jaren.
[^ezechiel-11-18-50]: Kanttekening 50: Dat is, afgoden, die men verfoeien en waarvan men een gruwel moet hebben.
[^ezechiel-11-19-51]: Kanttekening 51: Dat is, dat niet dubbel of vals is, maar oprecht, ongeveinsd, mij alleen aanhangende, en niet verdeeld tussen mij en de afgoden. Zie verder Jer. 32:39, met de aantekening. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, samen met hun kinderen na hen.
[^ezechiel-11-19-a]: Verwijzing a: Jer. 32:39; Ez. 36:26. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, samen met hun kinderen na hen. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
[^ezechiel-11-19-52]: Kanttekening 52: 52 hart geven: Dat is, wil, genegenheid, beweging. Zo is het woord hart meest genomen als het bij het woord geest gesteld wordt; dat dan betekent de zin, het verstand en de gedachten van de mensen; Ps. 51:12; onder Ez. 18:31, en Ez. 36:26. Psalmen 51:12: Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Ezechiël 18:31: Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor u overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël? Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
[^ezechiel-11-19-53]: Kanttekening 53: 53 nieuwen geest in het binnenste van u geven: Dat is, andere zinnen en gedachten dan tevoren in u waren. Versta ene verandering van de geest, niet in wezen, maar in hoedanigheden en krachten. Vergelijk de voor aangewezen plaatsen, idem Rom. 7:6, en Rom. 12:2; 2 Kor. 4:13; Ef. 4:23; Kol. 3:10. Romeinen 7:6: Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, omdat wij die gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren; zo dat wij dienen in nieuwigheid van de geest, en niet in de oudheid van de letter. Romeinen 12:2: En wordt deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. 2 Korinthiërs 4:13: Omdat wij nu dezelfde Geest van het geloof hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook; Efeziërs 4:23: En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, Kolossensen 3:10: En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Degene, Die hem geschapen heeft;
[^ezechiel-11-19-54]: Kanttekening 54: 54 het stenen hart: Hebreeuws, het hart van de steen (לֵב); dat is een stenen, of stenig hart. Het hart van de onherboren mens wordt hier bij een steen vergeleken, ten aanzien van zijn natuurlijke hardheid. De gelijkenis bestaat verder hierin, dat, gelijk een steen uit zijne natuur de kracht niet heeft om zich in vlees te veranderen, ook zo een onherboren mens uit zijn eigen onherboren natuur de kracht niet heeft om zich tot God te bekeren; maar gelijk God uit stenen Abrahams kinderen kan verwekken, Matt. 3:9; zo kan Hij ook steenachtige harten door zijn heiligmakenden Geest vermurwen. Mattheüs 3:9: En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
[^ezechiel-11-19-55]: Kanttekening 55: 55 hun vlees: Dat is, hun lichaam, waarin de ziel woont. Zie Job 12:10. Job 12:10: In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mensen.
[^ezechiel-11-19-56]: Kanttekening 56: Te weten mits uit de ziel de kwade hoedanigheden en krachten, waarmee zij door hun bedorven natuur mij wederstaan, uit te roeien en van hen door de Geest van de wedergeboorte weg te doen, opdat zij mij niet meer wederstreven.
[^ezechiel-11-19-57]: Kanttekening 57: 57 vlesen hart geven: Hebreeuws, een hart van het vlees, dat is, een hart van vlees (לֵב). Het hart van een herboren mens wordt hier bij vlees vergeleken, dat niet hard is als een steen, maar buigzaam en gedwee is, en zich gewillig van Gods Geest laat leiden. Zodanig is het hart van de mens, nadat God het stenen hart weggenomen en een nieuw hart gegeven heeft.
[^ezechiel-11-20-58]: Kanttekening 58: 58 Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen: Hij zegt niet: opdat zij kunnen, of mogen wandelen, enz. maar Hij spreekt van de dadelijke gehoorzaamheid, die de wedergeborenen tegen God bewijzen.
[^ezechiel-11-20-59]: Kanttekening 59: Dit woord ziet op de zekere volstandigheid dergenen, die tot God waarlijk bekeerd zijn.
[^ezechiel-11-20-60]: Kanttekening 60: 60 en zij zullen Mij tot een volk zijn: Zie Lev. 26:12. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^ezechiel-11-20-b]: Verwijzing b: Jer. 24:7; Jer. 30:22; Jer. 31:1; Jer. 32:38. Jeremia 24:7: En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik YHWH ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun gehele hart bekeren. Jeremia 30:22: En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 32:38: Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^ezechiel-11-20-61]: Kanttekening 61: 61 tot een God zijn: Zie Gen. 17:7, en Lev. 18:2. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Leviticus 18:2: Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Ik ben YHWH, uw God!
[^ezechiel-11-21-62]: Kanttekening 62: 62 Maar van wie hart: Anders: maar aangaande die, wier hart het hart van hun verfoeiselen en hunne gruwelen nawandelt.
[^ezechiel-11-21-63]: Kanttekening 63: 63 het hart: Dat is, dat zij menen dat hunne afgoden begeren en wensen.
[^ezechiel-11-21-64]: Kanttekening 64: 64 verfoeiselen en hun gruwelen: Dat is, afgoden.
[^ezechiel-11-21-65]: Kanttekening 65: Vergelijk 1 Kon. 11:5. 1 Koningen 11:5: Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten.
[^ezechiel-11-21-66]: Kanttekening 66: 66 op hun hoofd geven: Zie boven Ez. 9:10. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
[^ezechiel-11-21-c]: Verwijzing c: boven, Ez. 9:10. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
[^ezechiel-11-22-67]: Kanttekening 67: Zie boven Ez. 1:5, op het woord dieren. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;
[^ezechiel-11-22-68]: Kanttekening 68: 68 hun vleugelen op: Te weten waarmee zij vlogen; zie boven Ez. 1:6. Ezechiël 1:6: En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugelen.
[^ezechiel-11-22-69]: Kanttekening 69: 69 raderen tegenover hen: Zie boven Ez. 1:15. Ezechiël 1:15: Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelfde.
[^ezechiel-11-22-70]: Kanttekening 70: 70 heerlijkheid van de God van Israël: Zie boven Ez. 1:28; zo in vers 23. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 11:23: En de heerlijkheid van YHWH rees op van het midden van de stad, en stond op de berg, die tegen het oosten van de stad is.
[^ezechiel-11-23-71]: Kanttekening 71: 71 rees op van het midden van de stad: Vergelijk boven Ez. 10:4. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH.
[^ezechiel-11-23-72]: Kanttekening 72: 72 stond op de berg: Dat is, bleef of ging staan, stelde zich op de berg. Versta de Olijfberg, van welke zie 2 Sam. 15:30; Zach. 14:4; Matt. 24:3. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende. Zacharia 14:4: En Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft daarvan naar het zuiden. Mattheüs 24:3: En als Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding van de wereld?
[^ezechiel-11-24-73]: Kanttekening 73: 73 door de Geest van God: Dat is, dat mij van de Geest van God gewezen was. Vergelijk boven Ez. 4:4. De zin is, dat dit hem al geschied is in het gezicht zijns geestes en niet dadelijk in zijn lichaam, dat nu vast in Chaldea bleef. Ezechiël 4:4: Lig u ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-11-24-74]: Kanttekening 74: 74 de gevankelijk weggevoerden: Hebreeuws, gevankelijke wegvoering. Zo in vers 25. Zie boven Ez. 1:1. Ezechiël 11:25: En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden van YHWH, die Hij mij had doen zien. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag.
[^ezechiel-11-24-75]: Kanttekening 75: 75 van mij op: Dat is, hield op, of verdween.
[^ezechiel-11-25-76]: Kanttekening 76: 76 woorden van YHWH: Of, zaken, dingen.

### Ezechiël 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/12.json)

*De profeet krijgt van God de opdracht het heimelijke vluchten en de wegvoering in gevangenschap van koning Zedekia en het volk (op weinigen na) in zijn persoon af te beelden, vers 1, enz., en ook zijn brood te eten en water te drinken met kommer en angst, de Joden tot een teken, 17. God verwerpt het spottende spreekwoord van de Joden, en voorzegt daartegen een spoedige en zekere vervulling van zijn profetieën, 21.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v1)

**2** Mensenkind! u[^ezechiel-12-2-1] woont in het midden van[^ezechiel-12-2-2] een[^ezechiel-12-2-a] opstandig huis, die ogen hebben om te zien, en[^ezechiel-12-2-3] niet zien,[^ezechiel-12-2-b][^ezechiel-12-2-c] oren hebben om te horen, en[^ezechiel-12-2-4] niet horen, want zij zijn een opstandig huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v2)

**3** [^ezechiel-12-3-5] Daarom u,[^ezechiel-12-3-6] mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag[^ezechiel-12-3-7] voor hun ogen; en u zult vertrekken[^ezechiel-12-3-8] van uw plaats tot een[^ezechiel-12-3-9] andere plaats voor hun ogen;[^ezechiel-12-3-10] misschien zullen zij het[^ezechiel-12-3-11] merken,[^ezechiel-12-3-12] hoewel zij een opstandig huis zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v3)

**4** U zult dan uw[^ezechiel-12-4-13] gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen,[^ezechiel-12-4-14] als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna zult u in[^ezechiel-12-4-15] de avond uitgaan voor hun ogen,[^ezechiel-12-4-16] zoals zij uitgaan, die vertrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v4)

**5** [^ezechiel-12-5-17] Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw[^ezechiel-12-5-18] gereedschap uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v5)

**6** [^ezechiel-12-6-19] Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult[^ezechiel-12-6-20] u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u aan het huis van Israël tot een wonderteken gegeven[^ezechiel-12-6-21]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v6)

**7** En ik deed zo, zoals mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna in de avond[^ezechiel-12-7-22] doorgroef ik mij de wand[^ezechiel-12-7-23] met de hand; ik[^ezechiel-12-7-24] bracht het uit in donker, en ik droeg het op de schouder voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v7)

**8** En 's morgens kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v8)

**9** Mensenkind, heeft niet het huis van Israël, het opstandig huis, tot u gezegd:[^ezechiel-12-9-25] Wat doet u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v9)

**10** Zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Deze last is tegen de[^ezechiel-12-10-27] vorst te Jeruzalem, en het hele huis van Israël, dat in het midden van[^ezechiel-12-10-28] hen is.[^ezechiel-12-10-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v10)

**11** Zeg: Ik ben uw[^ezechiel-12-11-29] wonderteken; zoals ik[^ezechiel-12-11-30] gedaan heb, zo zal[^ezechiel-12-11-31] hun gedaan worden; zij zullen door[^ezechiel-12-11-32] wegvoering in de[^ezechiel-12-11-33] gevangenis heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v11)

**12** En de[^ezechiel-12-12-34] vorst, die in het midden van[^ezechiel-12-12-35] hen is, zal[^ezechiel-12-12-36] het gereedschap op de schouder dragen[^ezechiel-12-12-37] in donker, en hij zal[^ezechiel-12-12-d] uitgaan; zij zullen door de[^ezechiel-12-12-38] wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal[^ezechiel-12-12-39] zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v12)

**13** [^ezechiel-12-13-e] Ik zal ook Mijn net over hem[^ezechiel-12-13-40] uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen wordt; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat[^ezechiel-12-13-41] niet zien, hoewel hij daar sterven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v13)

**14** En[^ezechiel-12-14-42] allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn[^ezechiel-12-14-43] benden zal Ik in[^ezechiel-12-14-44] alle winden[^ezechiel-12-14-f] verstrooien; en Ik zal[^ezechiel-12-14-45] het zwaard achter hen uittrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v14)

**15** Zo zullen[^ezechiel-12-15-46] zij weten,[^ezechiel-12-15-47] dat Ik YHWH ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v15)

**16** Maar Ik zal van[^ezechiel-12-16-48] hen[^ezechiel-12-16-49] weinig mensen doen overblijven van het zwaard, van de honger en van de pest; opdat zij al[^ezechiel-12-16-50] hun gruwelijke dingen[^ezechiel-12-16-51] vertellen onder de heidenen, waarheen zij komen zullen, en[^ezechiel-12-16-52] zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v16)

**17** Daarna kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v17)

**18** Mensenkind,[^ezechiel-12-18-53] u zult uw brood eten met beven, en uw water zult u met onrust en met kommer drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v18)

**19** En u zult tot het volk[^ezechiel-12-19-54] van het land zeggen: Zo zegt Adonai YHWH, van de inwoners van Jeruzalem, in het land van Israël: Zij zullen hun brood[^ezechiel-12-19-55] met kommer eten, en hun water zullen zij met[^ezechiel-12-19-g] verbaasdheid[^ezechiel-12-19-56] drinken, omdat[^ezechiel-12-19-57] hun land woest zal worden[^ezechiel-12-19-58] van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v19)

**20** En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v20)

**21** Opnieuw kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v21)

**22** Mensenkind, wat is dit voor een[^ezechiel-12-22-59] spreekwoord,[^ezechiel-12-22-60] dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het[^ezechiel-12-22-61] visioen zal vergaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v22)

**23** Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen:[^ezechiel-12-23-62] De dagen zijn nabij gekomen, en[^ezechiel-12-23-63] het woord van[^ezechiel-12-23-64] ieder visioen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v23)

**24** Want geen[^ezechiel-12-24-65] ijdel visioen zal er meer wezen, noch[^ezechiel-12-24-66] vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v24)

**25** Want Ik ben YHWH, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de[^ezechiel-12-25-67] tijd zal niet meer[^ezechiel-12-25-68] uitgesteld worden; want in[^ezechiel-12-25-69] uw dagen, o opstandig huis, zal Ik een woord spreken, en het doen, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v25)

**26** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v26)

**27** Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het visioen dat hij ziet, is[^ezechiel-12-27-70] voor vele dagen, en[^ezechiel-12-27-71] hij profeteert van tijden, die verre zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v27)

**28** Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Geen van Mijn woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/12.html#v28)

[^ezechiel-12-2-1]: Kanttekening 1: 1 woont in het midden: Te weten in Chaldea onder de Joden, die met de koning Jojachin uit hun vaderland in Babylonië weggevoerd waren, onder wie, hoewel God de zijnen had, boven Ez. 11:16, 11:17, enz.; nochtans blijkt uit deze plaats, dat velen van hen ongelovigen en moedwilligen waren. Ezechiël 11:16: Daarom zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. Ezechiël 11:17: Daarom zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal u vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, en Ik zal u het land van Israël geven.
[^ezechiel-12-2-2]: Kanttekening 2: 2 een opstandig huis: Zie boven Ez. 2:5; zo in het volgende. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-12-2-a]: Verwijzing a: Ez. 2:3; idem 2:5; idem 2:6; idem 2:7; idem 2:8; Ez. 3:26; idem 3:27. Ezechiël 2:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen van Israël, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op deze zelven huidigen dag. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. Ezechiël 2:6: En u, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en u bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis. Ezechiël 2:7: Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig. Ezechiël 2:8: Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, gelijk dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef. Ezechiël 3:26: En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis. Ezechiël 3:27: Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer YHWH, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een opstandig huis.
[^ezechiel-12-2-3]: Kanttekening 3: 3 niet zien: Te weten inwendiglijk door de geest, om te bemerken welke straffen zij zelf geleden hebben en anderen nog te verwachten stonden, ten einde zij zich bekeren zouden. Vergelijk Jes. 6:9, en Jes. 42:18. Jesaja 6:9: Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Jesaja 42:18: Hoort, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien.
[^ezechiel-12-2-b]: Verwijzing b: Jes. 6:9; Jer. 5:21. Jesaja 6:9: Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Jeremia 5:21: Hoort nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
[^ezechiel-12-2-c]: Verwijzing c: Jer. 5:21. Jeremia 5:21: Hoort nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.
[^ezechiel-12-2-4]: Kanttekening 4: 4 niet horen: Dat is, niet geloven of gehoorzaam zijn, naar al de vermaningen en dreigementen, die God door zijne profeten hun gedaan heeft.
[^ezechiel-12-3-5]: Kanttekening 5: 5 Daarom u: Omdat zij niet willen zien of horen, zal Ik hun nog een ander teken voorhouden.
[^ezechiel-12-3-6]: Kanttekening 6: 6 gereedschap van vertrekking: Te weten een maaltje of koffertje, staf, reismantel, schoenen of ander reistuig. Vergelijk Matt. 10:9, 10:10. Anderen verstaan het huisraad, als bedden, bulsters, stoelen, tafels, kisten, kostbaarheden, enz. Mattheüs 10:9: Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard.
[^ezechiel-12-3-7]: Kanttekening 7: 7 voor hun ogen: Dat is, zo dat zij het met hunne ogen aanschouwen. Want de Heer wilde deze weggevoerden, door wat de profeet openbaar doen zou, een zeker teken geven van wat zekerlijk die van Juda en Jeruzalem in korte tijd wedervaren zou, omdat zij niet geloofden dat het kwalijk met hen zou gaan, ja hoopten haast daarheen weer te keren, Jer. 28:3, scheldende de profeet Jeremia, door wiens vermaning zij zich in Chaldea hadden laten wegvoeren. Jeremia 28:3: In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis van YHWH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelfde naar Babel gebracht.
[^ezechiel-12-3-8]: Kanttekening 8: 8 van uw plaats: Te weten waar u woont.
[^ezechiel-12-3-9]: Kanttekening 9: 9 andere plaats: Te weten daar u in die stad niet gewoond hebt; en dat om u alleszins te schikken naar de wijze van doen dergenen die waarlijk verhuizen, en vele woningen plegen te doorlopen, hetwelke het volk tot een teken moest zijn dat de koning Zedekia met de zijnen haast zou moeten verhuizen uit Juda en Jeruzalem en gevankelijk weggevoerd worden naar Babel.
[^ezechiel-12-3-10]: Kanttekening 10: Hij gebruikt dit woord om de profeet in twijfeling te laten van de vruchtbare uitkomst van dit teken, opdat hij leren zou tevreden te zijn met alleen zijn bevel na te komen. Het schijnt ook dat Hij in de profeet wat goede hoop wil opwekken om hem tot naarstigheid op te scherpen.
[^ezechiel-12-3-11]: Kanttekening 11: Te weten hoe Ik hen om hunne opstandigheid straffen wil.
[^ezechiel-12-3-12]: Kanttekening 12: 12 hoewel zij een opstandig huis zijn: Dat is, niettegenstaande zij zeer moedwillig en ongehoorzaam zijn, zodat er niet veel betering van is te verwachten, nochtans zal Ik dit zichtbare teken hun voorstellen tot hunne meerdere overtuiging. Anders: omdat zij een opstandig huis zijn. Zo zou God de reden aanwijzen, om welke van de Joden bekering niet veel te verwachten was. Of, mogelijk zullen zij zien; dat is, in hun hart overtuigd worden, dat zij een opstandig huis zijn; aangezien zulke straffen hun volk zullen overkomen, en zij door de hunne in welke zij staken nog niet gebeterd werden.
[^ezechiel-12-4-13]: Kanttekening 13: Te weten waarvan in vers 3 gesproken is. Ezechiël 12:3: Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn.
[^ezechiel-12-4-14]: Kanttekening 14: 14 als het gereedschap dergenen, die vertrekken: Hebreeuws als het gereedschap van de vertrekkinge, dat is, dat men meeneemt in het vertrekken, verhuizen, of verreizen.
[^ezechiel-12-4-15]: Kanttekening 15: 15 de avond: Het schijnt dat de profeet gelast is eerst zijn gereedschap uit te brengen in een plaats voor zijn huis binnen de muur zijnde, en daarna de muur door te breken en in donker met hetzelfde weg te gaan, tot een teken dat de Joden in het geheim zouden zoeken te ontkomen, en dat de koning Zedekia met zijne krijgslieden van de nacht trekken en vluchten zou, gelijk ook geschied is, 2 Kon. 25:4; Jer. 39:4, en Jer. 52:7. Avond is hier voor de nacht genomen; zie Job 7:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. Jeremia 39:4: En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door de weg van het hof van de koning, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door de weg van het vlakke veld. Jeremia 52:7: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit van de nacht, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door de weg van het vlakke veld. Job 7:4: Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan de schemertijd.
[^ezechiel-12-4-16]: Kanttekening 16: 16 gelijk zij uitgaan, die vertrekken: Hebreeuws, naar de uitgangen van de vertrekking; dat is, naar de wijze van het uitgaan dergenen, die enige reis aannemen.
[^ezechiel-12-5-17]: Kanttekening 17: 17 Doorgraaf u de wand: Te weten om te betekenen dat de koning Zedekia de muren van de stad zou laten breken, om door de breuk met zijne krijgslieden uit het gevaar te komen. Zie de vervulling 2 Kon. 25:4; Jer. 52:7. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. Jeremia 52:7: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit van de nacht, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door de weg van het vlakke veld.
[^ezechiel-12-5-18]: Kanttekening 18: 18 uw gereedschap: Dit is hier ingevoegd uit het voorgaande vierde vers en uit het volgende zevende vers.
[^ezechiel-12-6-19]: Kanttekening 19: 19 Voor hun ogen: Zie boven vers 3. Ezechiël 12:3: Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn.
[^ezechiel-12-6-20]: Kanttekening 20: 20 uw aangezicht zult u bedekken: Dit betekent dat de koning Zedekia zo snel en verslagen zou vluchten om de handen van de Chaldeën te ontkomen, dat hij het land door dat hij vluchtte, kwalijk zou zien. Daarna dat Zedekia zijn gezicht benomen zou worden door de verblinding van zijn ogen, zo dat hij het land van Babel niet zou zien. Zie de vervulling, 2 Kon. 25:7; Jer. 39:7, en Jer. 52:11. Ook is bedekking van het aangezicht een teken geweest van schande en verdriet, die men al heeft, en van zwarigheid, die te verwachten is. Vergelijk 2 Sam. 15:30; Esth. 7:8; Jer. 14:3. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. Jeremia 39:7: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. Jeremia 52:11: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot de dag zijns doods toe. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende. Esther 7:8: Toen de koning wederkwam uit de hof van het paleis in het huis van de maaltijd van de wijn, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zei de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit de mond van de koning, en zij bedekten Hamans aangezicht. Jeremia 14:3: En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten leeg weer; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.
[^ezechiel-12-6-21]: Kanttekening 21: Te weten om te betekenen wat toekomende was, namelijk de ondergang van de koning Zedekia en van de stad Jeruzalem. Zo onder vers 11, Ez. 24:24. Vergelijk Ps. 71:7, met de aantekening. Ezechiël 12:11: Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, zo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan. Ezechiël 24:24: Zo zal u Ezechiël tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult u doen; als dit komt, dan zult u weten, dat Ik de Heer YHWH ben. Psalmen 71:7: Ik ben velen als een wonder geweest; maar U bent mijn sterke Toevlucht.
[^ezechiel-12-7-22]: Kanttekening 22: 22 dergenen, die vertrekken: Hebreeuws, van de vertrekking.
[^ezechiel-12-7-23]: Kanttekening 23: 23 met de hand: Dat is, niet met enige ijzeren instrumenten en openbaar geweld, maar als met een diefelijke behendigheid en stilheid, tot een teken dat de koning Zedekia met zijn gezelschap in het geheim zou zoeken de handen van de Chaldeën te ontvluchten. Zie 2 Kon. 25:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld.
[^ezechiel-12-7-24]: Kanttekening 24: Te weten het reisgereedschap.
[^ezechiel-12-9-25]: Kanttekening 25: 25 Wat doet u: Dat is, wat wil het zijn, dat u aldus op een vreemde manier in haast verhuist?
[^ezechiel-12-10-27]: Kanttekening 27: 27 vorst te Jeruzalem: Dat is, de koning Zedekia. De zin is dat de last, die hij op zijne schouders droeg, een teken was van de last van de grote ellenden, die in het kort over de koning, zijne heren en het gehele volk komen zouden.
[^ezechiel-12-10-28]: Kanttekening 28: Te weten de Joden, die binnen Jeruzalem woonden, of de stad Jeruzalem, in welke Joden en Israëlieten vergaderd waren.
[^ezechiel-12-10-26]: Kanttekening 26: 26 Deze last: Dat is, deze profetie, die u door het teken mijner verhuizing voorgesteld wordt. Zie 2 Kon. 9:25. Of aldus: Deze last is tegen de vorst, tegen Jeruzalem,enz. 2 Koningen 9:25: Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem YHWH deze last opleide, zeggende:
[^ezechiel-12-11-29]: Kanttekening 29: Zie boven vers 6. Ezechiël 12:6: Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven.
[^ezechiel-12-11-30]: Kanttekening 30: 30 gedaan heb: Te weten met dit gereedschap aldus te dragen om te verhuizen.
[^ezechiel-12-11-31]: Kanttekening 31: Namelijk de koning van Juda en zijn volk.
[^ezechiel-12-11-32]: Kanttekening 32: Of vertrekking.
[^ezechiel-12-11-33]: Kanttekening 33: Te weten naar Babel. Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 35.
[^ezechiel-12-12-34]: Kanttekening 34: Namelijk de koning Zedekia, van wie in vers 10 gesproken is. Ezechiël 12:10: Zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Deze last is tegen de vorst te Jeruzalem, en het gehele huis van Israël, dat in het midden van hen is.
[^ezechiel-12-12-35]: Kanttekening 35: 35 hen is: Dat is, van die van Jeruzalem en geheel Juda.
[^ezechiel-12-12-36]: Kanttekening 36: 36 het gereedschap: Te weten dat ter verreizing nodig is, gelijk boven vers 4. Ezechiël 12:4: U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.
[^ezechiel-12-12-37]: Kanttekening 37: 37 in donker: Vergelijk boven vers 4, 12:6, 12:7. Ezechiël 12:4: U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken. Ezechiël 12:6: Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven. Ezechiël 12:7: En ik deed zo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in de avond doorgroef ik mij de wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op de schouder voor hun ogen.
[^ezechiel-12-12-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 25:4. 2 Koningen 25:4: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden van de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan van de koning hof waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van de vlakken velds.
[^ezechiel-12-12-38]: Kanttekening 38: 38 wand graven: Dat is, muur; vergelijk boven vers 5. Ezechiël 12:5: Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.
[^ezechiel-12-12-39]: Kanttekening 39: 39 aangezicht bedekken: Vergelijk boven vers 6. Ezechiël 12:6: Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven.
[^ezechiel-12-13-e]: Verwijzing e: Ez. 17:20. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.
[^ezechiel-12-13-40]: Kanttekening 40: Te weten door de Chaldeeuwse krijgslieden, die hem in de vlucht zijnde najagen en vangen zullen. Zie van de vervulling 2 Kon. 25:5, 25:6, en van de manier van spreken Job 19:6. 2 Koningen 25:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. Job 19:6: Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
[^ezechiel-12-13-41]: Kanttekening 41: 41 niet zien: Te weten omdat door een geveld oordeel de ogen tevoren hem zullen verblind worden; 2 Kon. 25:7. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^ezechiel-12-14-42]: Kanttekening 42: Te weten die de koning Zedekia in zijne vlucht vergezelschapten. Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 25:5. Versta ook de Egyptenaars, die de koning tevoren in de belegering te hulp gekomen waren; Jer. 37:5; idem die na de dood van Gedalia in Egypte gevlucht waren; Jer. 42:16, 42:17, 42:18, en Jer. 43:5, 43:6, 43:7, enz. 2 Koningen 25:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen). Jeremia 42:16: Zo zal het gebeuren, dat het zwaard, waar u voor vreest, u daar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar u voor zorgt, zal u daar in Egypte achter aankleven, en u zult daar sterven. Jeremia 42:17: Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen. Jeremia 42:18: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn grimmigheid over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien. Jeremia 43:5: Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de heiren namen het gehele overblijfsel van Juda, die van al de heidenen, waar zij waren heengedreven, teruggekeerd waren, om in het land van Juda te wonen; Jeremia 43:6: De mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en de dochters van de koning, en alle ziel, die Nebuzaradan, de overste van de trawanten, bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, gelaten had, ook de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Nerija; Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren van de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.
[^ezechiel-12-14-43]: Kanttekening 43: Het woord betekent eigenlijk vleugelen, en hier benden en scharen van krijgsvolk. Zo onder Ez. 17:21, en Ez. 39:4. Ezechiël 17:21: Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, gesproken heb. Ezechiël 39:4: Op de bergen Israëls zult u vallen, u en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte van het veld ter voedsel gegeven.
[^ezechiel-12-14-44]: Kanttekening 44: 44 alle winden verstrooien: Zie boven Ez. 5:10. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.
[^ezechiel-12-14-f]: Verwijzing f: Ez. 5:10; idem v. 12. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien. Ezechiël 5:12: Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-12-14-45]: Kanttekening 45: 45 het zwaard achter hen uittrekken: Zie boven Ez. 5:2. Ezechiël 5:2: Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard rondom hetzelfde, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-12-15-46]: Kanttekening 46: 46 zij weten: Zie boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-12-15-47]: Kanttekening 47: 47 dat Ik YHWH ben: Zie boven Ez. 6:7. Ezechiël 6:7: En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat u weet, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-12-16-48]: Kanttekening 48: Te weten van de Joden en andere Israëlieten, die in Jeruzalem en daar buiten onder elkaar vermengd waren.
[^ezechiel-12-16-49]: Kanttekening 49: 49 weinige mensen: Hebreeuws, mensen van getal; dat is weinige mensen, die men lichtelijk tellen kan; zie Gen. 34:30. Genesis 34:30: Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.
[^ezechiel-12-16-50]: Kanttekening 50: 50 hun gruwelen: Tegen de eerste en de tweede tafel. Zie van dezelfde 2 Kon. 16:3, 16:4, enz. en 2 Kon. 21:2, 21:3, enz.; 2 Kron. 33:2, 33:3, enz. en 2 Kron. 36:14, 36:16. 2 Koningen 16:3: Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor de kinderen van Israël verdreven had. 2 Koningen 16:4: Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte. 2 Koningen 21:2: En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. 2 Koningen 21:3: Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor de legermacht van de hemel, en diende ze. 2 Kronieken 33:2: En hij deed dat kwaad was in de ogen van YHWH, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. 2 Kronieken 33:3: Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte de Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al de legermacht van de hemel, en diende ze; 2 Kronieken 36:14: Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem. 2 Kronieken 36:16: Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid van YHWH tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
[^ezechiel-12-16-51]: Kanttekening 51: Te weten niet slechts alleen met woorden, maar ook metterdaad hun verstrooiing in alle omliggende landen, waardoor zij als op een toneel gesteld zouden worden tot een openbaar bewijs van Gods werk tegen de zonde.
[^ezechiel-12-16-52]: Kanttekening 52: Te weten niet alleen de Joden, bevindende metterdaad dat Ik waarachtig, rechtvaardig en een vijand van de zonden ben, maar ook de heidenen, onderricht zijnde van de Joden en ziende de rechtvaardige plagen, waarmee God hunne zonden strafte.
[^ezechiel-12-18-53]: Kanttekening 53: 53 u zult uw brood eten met beven: Te weten om te betekenen de benauwdheid, vrees en verslagenheid, waartoe de Joden in Jeruzalem en overal in het land gebracht zouden worden; vergelijk boven Ez. 4:16. Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;
[^ezechiel-12-19-54]: Kanttekening 54: 54 van het land: Namelijk van Chaldea. Hij verstaat de Joden en Israëlieten, die daar als gevangenen woonden. Deze was het zeer voordelig te horen, hoe het nog met Jeruzalem gaan zou. Want het was hun leed, verleid zijnde door de valse profeten, dat zij door de raad van Jeremia hun vaderland verlaten en zich hun vijanden overgegeven hadden.
[^ezechiel-12-19-55]: Kanttekening 55: 55 met kommer eten: Dat is, zeer bekommerd, verslagen en verbaasd zijnde over de onverwachte en vreeslijke ellenden, die hen tevens zullen overvallen.
[^ezechiel-12-19-g]: Verwijzing g: Ez. 4:16. Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;
[^ezechiel-12-19-56]: Kanttekening 56: Dat is, opdat zij daaruit verstaan mochten dat niet alleen de stad belegerd, maar ook het gehele land verwoest zou worden.
[^ezechiel-12-19-57]: Kanttekening 57: 57 hun land: Versta, het land van Jeruzalem, te weten waarin deze stad gelegen was, en waarover zij heersten.
[^ezechiel-12-19-58]: Kanttekening 58: 58 van zijn volheid: Dat is, van wat waar het vol van is, zo Ps. 24:1. Versta, allerlei overvloed en rijkdom, die van de vijand weggenomen zou worden. Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, samen met haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^ezechiel-12-22-59]: Kanttekening 59: Het Hebreeuwse woord betekent hier een algemeen zeggen, met weinige woorden veel betekenende, en het merendeel van de mensen zo bekend, dat het hun met de eerste gelegenheid straks op de tong komt. Zie 1 Sam. 10:12, en 1 Sam. 24:14, en onder Ez. 18:2. 1 Samuël 10:12: Toen antwoordde een man van daar, en zei: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten? 1 Samuël 24:14: Gelijk als het spreekwoord van de ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. Ezechiël 18:2: Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden?
[^ezechiel-12-22-60]: Kanttekening 60: Te weten, die onder u met mijne dreigementen de spot houden.
[^ezechiel-12-22-61]: Kanttekening 61: 61 gezicht zal vergaan: De zin van dit spreekwoord is dat zij met de voorzeggingen van de profeten, rakende hun ondergang, niet te doen hadden, omdat God naar zijne lankmoedigheid de tijd van de aankomst hun verderfs, die de profeten kort maakten, verlengen zou, of dat hunne profetieën nimmermeer waarachtig zouden bevonden worden.
[^ezechiel-12-23-62]: Kanttekening 62: 62 De dagen zijn nabij gekomen: Dat is, de tijd van hun ondergang.
[^ezechiel-12-23-63]: Kanttekening 63: 63 het woord: Dat is, de profetie van hunne uitroeiïng door de Chaldeën.
[^ezechiel-12-23-64]: Kanttekening 64: 64 ieder gezicht: Dat is, de inhoud, de uitvoering van elke profetie, rakende uw voorzegd verderf.
[^ezechiel-12-24-65]: Kanttekening 65: 65 ijdel gezicht: Dat is, valse en leugenachtige voorzegging. Zo Klaagl. 2:14, onder Ez. 13:6, 13:7; Zach. 10:2, ijdelheid voor valsheid. Zie Job 31:5. Klaagliederen 2:14: Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. Ezechiël 13:6: Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen. Ezechiël 13:7: Ziet u niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: De YHWH spreekt, daar Ik niet gesproken heb? Zacharia 10:2: Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder. Job 31:5: Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
[^ezechiel-12-24-66]: Kanttekening 66: 66 vleiende waarzegging: Hebreeuws, gladde, of van degene die glad is; te weten van mond, door vleiïng en schoonspreken. Vergelijk Spreuk. 5:3, en Spreuk. 26:28, en de aantekening. Hij spreekt van de valse profeten, die de ware profeten tegenspraken en het volk met zoete en aangename voorzeggingen in hun ongeloof en kwaad leven voedden. Anders, slibberige; dat is twijfelachtige. Spreuken 5:3: Want de lippen van de vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. Spreuken 26:28: Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
[^ezechiel-12-25-67]: Kanttekening 67: 67 zal niet meer: Want de belegering van Jeruzalem door Nebukadnezar is kort daarna gevolgd.
[^ezechiel-12-25-68]: Kanttekening 68: 68 uitgesteld worden: Hebreeuws eigenlijk, vertrokken, of vertogen.
[^ezechiel-12-25-69]: Kanttekening 69: 69 uw dagen: Dat is, in uw leven.
[^ezechiel-12-27-70]: Kanttekening 70: 70 voor vele dagen: Dat is, voor langen tijd, voordat het vervuld zal worden, zodat de straf op onze dagen niet aankomen zal. Zij loochenen niet openbaar de waarheid van de profetie, maar om zichzelf in slaap te wiegen, stellen zij die lang uit.
[^ezechiel-12-27-71]: Kanttekening 71: Zij menen de profeet Ezechiël.

### Ezechiël 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/13.json)

*God beveelt de profeet te profeteren tegen de valse profeten en hun bedrieglijke bepleisteringen, vers 1, enz.; eveneens tegen de valse profetessen en hun armkussens en hoofddoeken, 17.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v1)

**2** Mensenkind, profeteer tegen de[^ezechiel-13-2-1] profeten van Israël,[^ezechiel-13-2-2] die profeteren, en zeg tot degenen, die[^ezechiel-13-2-3] uit hun hart profeteren: Hoor het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v2)

**3** Zo zegt Adonai YHWH: Wee over die dwaze profeten, die[^ezechiel-13-3-4] hun geest nawandelen, en wat zij[^ezechiel-13-3-5] niet gezien hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v3)

**4** Uw profeten, o Israël, zijn[^ezechiel-13-4-6] als vossen in de woeste plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v4)

**5** [^ezechiel-13-5-7] U bent[^ezechiel-13-5-8] in de bressen niet opgetreden, noch hebt[^ezechiel-13-5-9] de muur dichtgemetseld voor het huis van Israël, om in de strijd te staan,[^ezechiel-13-5-10] op de dag van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v5)

**6** [^ezechiel-13-6-11] Zij zien[^ezechiel-13-6-12] zinloosheid en[^ezechiel-13-6-13] leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het[^ezechiel-13-6-14] woord te zullen bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v6)

**7** [^ezechiel-13-7-15]Ziet u niet een[^ezechiel-13-7-16] ijdel visioen, en spreekt[^ezechiel-13-7-17] een leugenachtige voorzegging, als u zegt: YHWH spreekt, daar[^ezechiel-13-7-19] Ik niet gesproken heb?[^ezechiel-13-7-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v7)

**8** Daarom zo zegt Adonai YHWH: omdat u zinloosheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet,[^ezechiel-13-8-20] Ik wil aan u, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v8)

**9** En[^ezechiel-13-9-21] Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die zinloosheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in[^ezechiel-13-9-22] de vergadering van Mijn volk niet zijn, en in het[^ezechiel-13-9-23] schrift[^ezechiel-13-9-24] van het huis van Israël niet geschreven worden, en[^ezechiel-13-9-25] in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik Adonai YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v9)

**10** Daarom, ja,[^ezechiel-13-10-26] daarom dat zij Mijn volk[^ezechiel-13-10-27] verleiden,[^ezechiel-13-10-28] zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en[^ezechiel-13-10-29] dat de één een[^ezechiel-13-10-30] lemen wand bouwt, en ziet,[^ezechiel-13-10-31] de anderen pleisteren[^ezechiel-13-10-32] hem met[^ezechiel-13-10-33] loze kalk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v10)

**11** Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat[^ezechiel-13-11-34] hij omvallen zal; er zal een[^ezechiel-13-11-35] overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v11)

**12** Zie, als die wand zal gevallen zijn,[^ezechiel-13-12-36] zal dan niet tot u[^ezechiel-13-12-37] gezegd worden: Waar is de pleistering, waarmee u gepleisterd hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v12)

**13** Daarom zo zegt Adonai YHWH: Ja, Ik zal[^ezechiel-13-13-38] hem door een grote stormwind in Mijn woede splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn[^ezechiel-13-13-39] woede, om die te verdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v13)

**14** Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem[^ezechiel-13-14-40] ter aarde neerwerpen, dat[^ezechiel-13-14-41] zijn grond zal ontdekt worden; zo zal[^ezechiel-13-14-42] de stad vallen, en[^ezechiel-13-14-43] u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v14)

**15** Zo zal Ik Mijn woede tegen de wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot[^ezechiel-13-15-44] u zeggen: Die wand is er niet meer, en[^ezechiel-13-15-45] die hem pleisterden, zijn[^ezechiel-13-15-46] er niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v15)

**16** Te weten de profeten van Israël, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een visioen[^ezechiel-13-16-47] van de vrede zien, waar geen vrede is, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v16)

**17** En u,[^ezechiel-13-17-48] mensenkind,[^ezechiel-13-17-49] zet uw aangezicht tegen de dochters van uw volk, die profeteren uit haar hart, en[^ezechiel-13-17-50] profeteer tegen haar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v17)

**18** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Wee die[^ezechiel-13-18-51] vrouwen, die kussens naaien voor[^ezechiel-13-18-52] alle okselen van de armen, en maken[^ezechiel-13-18-53] hoofddeksels voor hoofden van elke gestalte, om de[^ezechiel-13-18-55] zielen te jagen! Zult u de[^ezechiel-13-18-56] zielen van Mijn volk jagen, en zult u[^ezechiel-13-18-57] zich de[^ezechiel-13-18-58] zielen[^ezechiel-13-18-59] in het leven behouden?[^ezechiel-13-18-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v18)

**19** En zult u Mij[^ezechiel-13-19-60] ontheiligen bij Mijn volk,[^ezechiel-13-19-a] voor handvollen van gerst, en voor stukken brood,[^ezechiel-13-19-61] om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen[^ezechiel-13-19-62] in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat[^ezechiel-13-19-63] de leugen hoort? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v19)

**20** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik wil aan uw kussens, waarmee u daar de zielen jaagt naar[^ezechiel-13-20-65] de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen[^ezechiel-13-20-66] wegscheuren; en Ik zal die zielen[^ezechiel-13-20-67] losmaken, de zielen, die u jaagt naar de bloemhoven.[^ezechiel-13-20-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v20)

**21** Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw[^ezechiel-13-21-68] hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn[^ezechiel-13-21-69] tot een jacht; en[^ezechiel-13-21-70] u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v21)

**22** Omdat u het hart van de rechtvaardigen door valsheid[^ezechiel-13-22-71] hebt bedroefd gemaakt, daar Ik[^ezechiel-13-22-72] hem geen[^ezechiel-13-22-73] smart aangedaan heb; en omdat u de[^ezechiel-13-22-74] handen van de goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn boze weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v22)

**23** Daarom zult[^ezechiel-13-23-75] u niet meer[^ezechiel-13-23-76] zinloosheid[^ezechiel-13-23-77] zien, noch[^ezechiel-13-23-78] waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/13.html#v23)

[^ezechiel-13-2-1]: Kanttekening 1: 1 profeten van Israël: Te weten, die er in Chaldea waren onder de weggevoerde Joden, die ze wijs maken wilden, dat ze in hun vaderland haast terugkeren zouden; zie van dezelfde ook Jer. 29:8. Zij hadden ook hun metgezellen in Jeruzalem, Jer. 23:16, 23:17. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 23:16: Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Jeremia 23:17: Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De YHWH heeft het gesproken, u zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.
[^ezechiel-13-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, die het profetisch ambt, maar valselijk, zich aantrekken.
[^ezechiel-13-2-3]: Kanttekening 3: 3 uit hun hart profeteren: Hebreeuws, de profeten uit hun hart, dat is, die profeteren wat uit hun eigen goeddunken, oordeel en drijving voortkomt, en niet van God (לִּבָּ). Zulke profeten worden gezegd valse gezichten en de bedriegerij van hun hart te profeteren, Jer. 14:14, van de gezichten van hun hart te spreken, Jer. 23:16; profeten te zijn van de bedriegerij van hun hart, Jer. 23:26; hun geest na te wandelen; hier in vers 3. Zie het tegendeel Num. 16:28, en de aantekening daar. Jeremia 14:14: En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:16: Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Jeremia 23:26: Hoe lang? Is er dan een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij. Ezechiël 13:3: Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! Numeri 16:28: Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat YHWH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.
[^ezechiel-13-3-4]: Kanttekening 4: 4 hun geest nawandelen: Dat is, hun eigen verstand en ingeving volgen in het voorstellen van hun gewaande profetieën. Vergelijk de aantekening op vers 2. Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH.
[^ezechiel-13-3-5]: Kanttekening 5: 5 wat zij niet gezien hebben: Te weten dat hun in enig gezicht van God vertoond zou zijn, om dat uit zijn naam het volk te verkondigen. Het woord zien is dikwijls aldus genomen, gelijk Num. 24:4; Jes. 30:10; Klaagl. 2:14, en hier onder vers 6, 13:7, 13:8. Hiervan worden de profeten zieners genaamd. Zie 1 Sam. 9:9, en 2 Kron. 9:29. Numeri 24:4: De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het gezicht van de Almachtige ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden! Jesaja 30:10: Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen. Klaagliederen 2:14: Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. Ezechiël 13:6: Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen. Ezechiël 13:7: Ziet u niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: De YHWH spreekt, daar Ik niet gesproken heb? Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH. 1 Samuël 9:9: (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) 2 Kronieken 9:29: Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de gezichten van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
[^ezechiel-13-4-6]: Kanttekening 6: 6 als vossen in de woeste plaatsen: Te weten die, in woeste, dorre en verlaten plaatsen zijnde, waar zeer weinig te roven is, zeer gretig zijn om het allerslechtste, waar zij het krijgen kunnen, op te snappen.
[^ezechiel-13-5-7]: Kanttekening 7: Te weten valse profeten.
[^ezechiel-13-5-8]: Kanttekening 8: 8 in de bressen niet opgetreden: Het is ene gelijkenis, genomen van de krijgshandel, waar de kloeke soldaten zich in de bres, die in de stadsmuur van de vijand gemaakt is, moedig stellen, om de vijand daaruit te houden; dat de valse profeten moesten nagevolgd hebben met gebeden tot God en vermaningen tot de gemeente, om de oordelen en straffen Gods af te keren. Zie dezelfde manier van spreken Ps. 106:23, 106:30, en onder Ez. 22:30. Psalmen 106:23: Daarom Hij zei, dat Hij hen verdelgen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf. Psalmen 106:30: Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. Ezechiël 22:30: Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.
[^ezechiel-13-5-9]: Kanttekening 9: 9 de muur toegemuurd: Te weten als hij gebroken was; het is een andere gelijkenis, genomen van de hoven, van wie heiningen en muren, als zij beschadigd zijn van de wilde dieren, moeten voorzien worden tegen nieuwen inval derzelven. Zie van dezelfde gelijkenis onder Ez. 22:30. Ezechiël 22:30: Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.
[^ezechiel-13-5-10]: Kanttekening 10: 10 op de dag van YHWH: Versta de tijd, in welke de Heer de Chaldeën over de Israëlieten uitzenden zou, om hen te verderven. Dag van de Heer voor dag van de straf, of wraak. Zie Job 24:1. Job 24:1: Waarom zouden van de Almachtige de tijden niet verborgen zijn, omdat zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?
[^ezechiel-13-6-11]: Kanttekening 11: Te weten de valse profeten, die Ezechiël in de tweede persoon toegesproken had, vers 5, van wie hij nu spreekt in de derde persoon, alsook boven vers 4. Zie van dergelijke verandering in persoon, Job 18:4. Ezechiël 13:5: U bent in de bressen niet opgetreden, noch hebt de muur toegemuurd voor het huis van Israël, om in de strijd te staan, op de dag van YHWH. Ezechiël 13:4: Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen. Job 18:4: O u, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?
[^ezechiel-13-6-12]: Kanttekening 12: Zie boven Ez. 12:24. Ezechiël 12:24: Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël.
[^ezechiel-13-6-13]: Kanttekening 13: 13 leugenachtige voorzegging: Hebreeuws, voorzegging van de leugen (כָּזָב).
[^ezechiel-13-6-14]: Kanttekening 14: 14 het woord: Of, de zaak, te weten die zij als ene profetie van God voortkomende valselijk uitgegeven hebben.
[^ezechiel-13-7-15]: Kanttekening 15: 15 Ziet u niet: Deze vraag verzekert sterkelijk.
[^ezechiel-13-7-16]: Kanttekening 16: 16 een ijdel gezicht: Hebreeuws, een gezicht van de ijdelheid, zo boven Ez. 12:24. Zie de aantekening. Ezechiël 12:24: Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël.
[^ezechiel-13-7-17]: Kanttekening 17: 17 leugenachtige voorzegging: Hebreeuws, ene voorzegging van de leugen (כָּזָב).
[^ezechiel-13-7-19]: Kanttekening 19: 19 Ik niet gesproken heb: Namelijk Ik de Heer.
[^ezechiel-13-7-18]: Kanttekening 18: Te weten tot het volk.
[^ezechiel-13-8-20]: Kanttekening 20: 20 Ik wil aan u: Te weten om u te straffen. Vergelijk Jer. 21:13, met de aantekening. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^ezechiel-13-9-21]: Kanttekening 21: 21 Mijn hand: Dat is, mijne kracht om te straffen en te verderven; zo Ex. 9:3; Richt. 2:15; 1 Sam. 12:15. Exodus 9:3: Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Richteren 2:15: Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van YHWH tegen hen, ten kwade, gelijk als YHWH gesproken, en gelijk als YHWH gezworen had; en hun was zeer bang. 1 Samuël 12:15: Maar zo u naar de stem van YHWH niet zult horen, maar de mond van YHWH opstandig zijn, zo zal de hand van YHWH, tegen u zijn, als tegen uw vaders.
[^ezechiel-13-9-22]: Kanttekening 22: 22 vergadering Mijns volks: Zo wordt het woord sod genomen, Ps. 89:8, en Ps. 111:1. De zin is dat de valse profeten niet onder Gods uitverkoren volk zouden gerekend, noch zijn geestelijke goederen mee deelachtig worden. Psalmen 89:8: God is grotelijks geducht in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn. Psalmen 111:1: Hallelujah! Aleph. Ik zal YHWH loven van ganser hart; Beth. In de raad en vergadering van de oprechten.
[^ezechiel-13-9-23]: Kanttekening 23: Dat is, in het register van de ware kinderen van God; vergelijk Ex. 32:32, en de aantekening; idem, Ps. 69:29, en de aantekening; Luk. 10:20; Openb. 13:8, en Openb. 17:8, en Openb. 20:15, en Openb. 21:27. Exodus 32:32: Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Psalmen 69:29: Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Openbaring 13:8: En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld. Openbaring 17:8: Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is. Openbaring 20:15: En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek van het leven, die werd geworpen in de poel van het vuur. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^ezechiel-13-9-24]: Kanttekening 24: 24 van het huis van Israël niet geschreven worden: Dat is, van de ware Kerk niet bevonden worden.
[^ezechiel-13-9-25]: Kanttekening 25: 25 in het land van Israël niet komen: Dat is, in het land van Juda niet terugkeren uit de Babylonische gevangenis; gelijk ook die onboetvaardig blijven, niet komen zullen in het hemelse Kanaän.
[^ezechiel-13-10-26]: Kanttekening 26: Deze verdubbeling geschiedt om de zin te meer kracht te geven; zie dergelijke Gen. 7:2, en Gen. 14:10; Num. 3:9; Deut. 16:20; Joël 3:14, en de aantekening. Genesis 7:2: Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. Numeri 3:9: U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen van Israël. Deuteronomium 16:20: Gerechtigheid, gerechtigheid zult u najagen; opdat u leeft, en erfelijk bezit het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Joël 3:14: Menigten, menigten in het dal van de dorswagens; want de dag van YHWH is nabij, in het dal van de dorswagens.
[^ezechiel-13-10-27]: Kanttekening 27: Te weten zo, dat zij mijne dreigementen niet geloofd, mijne godsdiensten niet zuiver gehouden, en mijne wetten, voorschrijvende de manier van het leven, niet gehoorzaamd hebben; Jer. 28:15, 28:16. Jeremia 28:15: En de profeet Jeremia zei tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! YHWH heeft u niet gezonden, maar u hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt. Jeremia 28:16: Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik zal u wegwerpen van de aardbodem; dit jaar zult u sterven, omdat u een afval gesproken hebt tegen YHWH.
[^ezechiel-13-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, hun wijsmakende dat alle dingen wel waren en geen straf was te verwachten; vergelijk Jer. 6:14, en Jer. 28:9, en onder vers 16. Jeremia 6:14: En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. Jeremia 28:9: De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van die profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem YHWH in de waarheid gezonden heeft. Ezechiël 13:16: Te weten de profeten van Israël, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een gezicht van de vrede zien, waar geen vrede is, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-13-10-29]: Kanttekening 29: 29 de één: Te weten valse profeet.
[^ezechiel-13-10-30]: Kanttekening 30: 30 lemen wand bouwt: Dat is, een slecht en zwak schutsel om een huis vrij te houden van geweldigen aanstoot en inbreuk. Versta, de ijdele en vleiende profetieën van de verleiders, die zij het volk voorhielden, opdat zij de dreigementen, die God door de ware profeten liet verkondigen, niet geloven zouden.
[^ezechiel-13-10-31]: Kanttekening 31: 31 de anderen: Te weten valse profeten.
[^ezechiel-13-10-32]: Kanttekening 32: Dat is, hielpen de voorgestelde profetie van de eerste, door ijdele en de mensen aangename schijnredenen te bevestigen en te volmaken.
[^ezechiel-13-10-33]: Kanttekening 33: 33 loze kalk: Versta, een kwalijk gemaakte of getemperde stof van leem of modder, dat lichtelijk afvalt en vergaat; vergelijk onder Ez. 22:28. Ezechiël 22:28: Haar profeten nu pleisteren hen met loze kalk; ziende ijdelheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Zo zegt de Heer YHWH! en YHWH heeft niet gesproken.
[^ezechiel-13-11-34]: Kanttekening 34: Te weten de lemen wand.
[^ezechiel-13-11-35]: Kanttekening 35: 35 overstelpende plasregen zijn: Versta hierdoor, en het volgende, het geweld van de Chaldeën, dat zich over Jeruzalem en het gehele koninkrijk van Juda gruwelijk uitstorten zou. Dezelfde gelijkenissen worden ook elders gebruikt, zie Jes. 25:4; Jer. 47:2; onder Ez. 38:22. Jesaja 25:4: Want U bent de arme een Sterkte geweest, een Sterkte de nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand. Jeremia 47:2: Zo zegt YHWH: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid van hetzelfde, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners van het land zullen huilen; Ezechiël 38:22: En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.
[^ezechiel-13-12-36]: Kanttekening 36: 36 zal dan niet tot u: Deze vraag verzekert sterkelijk.
[^ezechiel-13-12-37]: Kanttekening 37: 37 gezegd worden: Te weten van de mensen, die voorbijgaande, de inval van het huis zien zullen, of die daarvan enige kennis zullen hebben.
[^ezechiel-13-13-38]: Kanttekening 38: Te weten die lemen wand.
[^ezechiel-13-13-39]: Kanttekening 39: 39 om die te verdoen: Hebreeuws, tot vernieling.
[^ezechiel-13-14-40]: Kanttekening 40: 40 ter aarde nederwerpen: Hebreeuws, aan de aarde doen genaken (אָרֶץ).
[^ezechiel-13-14-41]: Kanttekening 41: 41 zijn grond zal ontdekt worden: Dat is, tot de grond tot zal hij uitgeroeid worden. Zie dezelfde manier van spreken Ps. 137:7; Micha 1:6; Habak. 3:13; vergelijk 2 Sam. 22:16. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! Micha 1:6: Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop van het veld, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fondamenten ontdekken. 2 Samuël 22:16: En de diepe kolken van de zee werden gezien, de gronden van de wereld werden ontdekt, door het schelden van YHWH, van het geblaas van de wind van Zijn neus.
[^ezechiel-13-14-42]: Kanttekening 42: 42 de stad: Namelijk, Jeruzalem.
[^ezechiel-13-14-43]: Kanttekening 43: Te weten u Joden.
[^ezechiel-13-15-44]: Kanttekening 44: Versta, degenen, die de valse profeten geloofden en van hun ijdele en toesmekende profetieën alles goeds verwachtten.
[^ezechiel-13-15-45]: Kanttekening 45: 45 is er niet meer: Dat is, hij is omgeworpen.
[^ezechiel-13-15-46]: Kanttekening 46: 46 zijn er niet: Te weten in het leven; zie Gen. 42:13; Spreuk. 12:7. Genesis 42:13: En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, zonen van één man, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is heden bij onze vader; maar de één is niet meer. Spreuken 12:7: De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis van de rechtvaardigen zal bestaan.
[^ezechiel-13-16-47]: Kanttekening 47: 47 van de vrede: Zie boven vers 10. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen dezelfde pleisteren met loze kalk.
[^ezechiel-13-17-48]: Kanttekening 48: 48 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde;
[^ezechiel-13-17-49]: Kanttekening 49: 49 tegen de dochters uws volks: Dat is, tegen de vrouwen van uw landvolk, die zich voor profetessen en waarzegsters uitgevende, de mensen door enkel ijdelheden en leugens wijsmaakten dat God over hen niet vergramd was, gelijk de ware profeten leerden. Daartoe vleiden en stijfden zij de mensen in hunne zonden, hun Gods genade en zegen, hoewel zij in dezelfde zonden voortgingen, toezeggende. Om nu een ieder daarvan te verzekeren, maakten zij, zo enige menen, armkussens en hoofdhuiven, welke zij de persoon, die zij bedrogen, toestelden voor zeker winst, dat deze profetessen daarvan trokken.
[^ezechiel-13-17-50]: Kanttekening 50: 50 profeteer tegen haar: Zie boven vers 2. Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort het woord van YHWH.
[^ezechiel-13-18-51]: Kanttekening 51: 51 kussens naaien: Sommigen verstaan dit niet eigenlijk, maar figuurlijk, van de pluimstrijkerijen en beloften van vrede en rust; anderen verstaan het eigenlijk, dat zij zulke dingen maakten en verkochten, om gebruikt te worden door degenen, die haar profetieën geloofden, tot een teken dat zij zo waarlijk rust en vrede in het land zouden hebben, als hunne armen daarop gemakkelijk zouden leunen en rusten.
[^ezechiel-13-18-52]: Kanttekening 52: 52 alle okselen van de armen: Hebreeuws, alle oksels van de handen (יָדַ); te weten van al degenen, die ze ten voorgemelden einde zouden willen kopen en gebruiken.
[^ezechiel-13-18-53]: Kanttekening 53: Anders: slaaphuiven of overdeksels. Deze dienden tot een teken van altijd vasten en gerusten slaap te zullen hebben.
[^ezechiel-13-18-55]: Kanttekening 55: En zo te vangen; dat is, de mensen in het tijdelijke en eeuwige verderf te brengen, door hen in gruwelijke afgoderij en onboetvaardigheid te stijven. Vergelijk Spreuk. 6:26, en de aantekening. Spreuken 6:26: Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en de huisvrouw van een man jaagt de kostelijke ziel.
[^ezechiel-13-18-56]: Kanttekening 56: 56 zielen Mijns volks: Versta, de redelijke en onsterflijke zielen uw zielen.
[^ezechiel-13-18-57]: Kanttekening 57: Of, voor u; dat is u ten beste.
[^ezechiel-13-18-58]: Kanttekening 58: Dat is, uwe personen; zo Gen. 9:5, op de woorden uw zielen. Genesis 9:5: En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mensen, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mensen eisen.
[^ezechiel-13-18-59]: Kanttekening 59: 59 in het leven behouden: Dat is, voeden en onderhouden, door oneerlijk winst te trekken van uw valse profetieën.
[^ezechiel-13-18-54]: Kanttekening 54: 54 van alle statuur: Dat is, van allen ouderdom, of hoogte. Zij passen haar huichelarij op alle soorten van mensen, kleinen en grote, om een ieder te verleiden en van elk te trekken.
[^ezechiel-13-19-60]: Kanttekening 60: Te weten misbruikende mijnen naam, alsof Ik u last gegeven had door valse profetieën mijn volk te verleiden. Vergelijk Lev. 18:21. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^ezechiel-13-19-a]: Verwijzing a: Micha 3:5. Micha 3:5: Zo zegt YHWH, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen die zo heiligen zij een krijg.
[^ezechiel-13-19-61]: Kanttekening 61: 61 om zielen te doden: Dat is, om door uwe voorzeggingen de dood te verkondigen aan degenen, die niet zullen sterven, omdat zij aan mij geloven en uwe waarzeggingen verfoeien.
[^ezechiel-13-19-62]: Kanttekening 62: 62 in het leven te behouden: Dat is, het leven toe te zeggen aan hen, die niet leven zullen, omdat zij mij afgaan en u aanhangen.
[^ezechiel-13-19-63]: Kanttekening 63: 63 de leugen: Te weten uwe leugens, waarmee u hen bedriegt.
[^ezechiel-13-20-65]: Kanttekening 65: 65 de bloemhoven: Hebreeuws, bloeiende hoven; te weten in welke zij haar afgoden hadden, om die van toekomende dingen te vragen, en hen, die naar de dingen nieuwsgierig waren, daarheen aan te lokken, om hen te verleiden, Jes. 65:3. Anders: opdat zij wegvliegen, te weten los zijnde van uw bedriegelijke kussens. Jesaja 65:3: Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen;
[^ezechiel-13-20-66]: Kanttekening 66: Of, wegrukken.
[^ezechiel-13-20-67]: Kanttekening 67: Te weten uit de netten, waarin u hen jaagt, of uit de kouwen, waarin u hen gevangen houdt, opdat zij het verderf, dat u hun zoekt aan te brengen, nochtans ontkomen.
[^ezechiel-13-20-64]: Kanttekening 64: 64 Ik wil aan uw kussens: Te weten om die te scheuren en te verderven. Vergelijk boven vers 8, en de aantekening. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-13-21-68]: Kanttekening 68: Dat is, geweld en macht. Zie Gen. 16:6. Genesis 16:6: En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^ezechiel-13-21-69]: Kanttekening 69: 69 tot een jacht: Te weten als een prooi, om van u gejaagd te worden.
[^ezechiel-13-21-70]: Kanttekening 70: 70 u zult weten: Te weten u valse profetessen, van wie gesproken is boven vers 17. Ezechiël 13:17: En u, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters uws volks, die profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar;
[^ezechiel-13-22-71]: Kanttekening 71: 71 bedroefd gemaakt: Te weten hem dreigende met het tijdelijke en eeuwige verderf, omdat hij u niet geloofde of volgde.
[^ezechiel-13-22-72]: Kanttekening 72: Te weten, de rechtvaardige, of hetzelfde, te weten hart van de rechtvaardigen.
[^ezechiel-13-22-73]: Kanttekening 73: 73 smart aangedaan heb: Te weten mits hem door mijne straffen te dreigen; ja heb hem meer getroost met de belofte mijner genade.
[^ezechiel-13-22-74]: Kanttekening 74: 74 de handen van de goddeloze gesterkt hebt: Dat is, in zijne afgoderij en onboetvaardigheid gestijfd en moedig gemaakt hebt. Zie van deze manier van spreken ook Richt. 9:24, en de aantekening. Zij wordt ook in het goede genomen, gelijk Richt. 7:11; 1 Sam. 23:16; Jes. 35:3. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Richteren 7:11: En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van de schildwachten, die in het leger waren. 1 Samuël 23:16: Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. Jesaja 35:3: Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.
[^ezechiel-13-23-75]: Kanttekening 75: Te weten valse profetessen.
[^ezechiel-13-23-76]: Kanttekening 76: Zie boven vers 6. Ezechiël 13:6: Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.
[^ezechiel-13-23-77]: Kanttekening 77: Te weten omdat u omkomen zult.
[^ezechiel-13-23-78]: Kanttekening 78: 78 waarzegging gebruiken: Of, met waarzegging omgaan. Hebreeuws, waarzeggende waarzeggen; Deut. 18:10; 2 Kon. 17:17; onder Ez. 21:21. Zie van het woord waarzegging breder Spreuk. 16:10. Deuteronomium 18:10: Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 2 Koningen 17:17: Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van YHWH, om Hem tot toorn te verwekken. Ezechiël 21:21: Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien. Spreuken 16:10: Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

### Ezechiël 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/14.json)

*Sommige oudsten van het volk komen tot de profeet, om God zogenaamd raad te vragen, vers 1. God antwoordt hun door de profeet naar verdienste van hun afgoderij en huichelarij, en dreigt alle zulke vragers, ook de verleide profeten, die de vragers naar hun zin profeteerden, met het verderf, met een belofte voor de boetvaardigen, 2, enz. God verklaart dat de voorbeden, zelfs van de allervroomsten (zoals daar waren Noach, Daniël en Job), Jeruzalem, noch enig volk dat Hij vast besloten heeft te straffen, zouden kunnen helpen, maar alleen hun eigen zielen redden, 12. Hij voorzegt dat enigen zullen overblijven, en tot de andere Joden in Babel ook gevoerd worden, hun tot een voorbeeld en spiegel van Gods rechtvaardigheid, 22.*

**1** Daarna kwamen tot mij mannen uit de[^ezechiel-14-1-1] oudsten van Israël, en[^ezechiel-14-1-2][^ezechiel-14-1-a] zaten neer voor mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v1)

**2** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v2)

**3** Mensenkind, deze mannen hebben hun afgoden in hun hart[^ezechiel-14-3-3] opgezet, en hebben[^ezechiel-14-3-4] de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan[^ezechiel-14-3-5] ernstig van hen gevraagd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v3)

**4** Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Een ieder man uit het huis[^ezechiel-14-4-7] van Israël, die de afgoden in zijn hart opzet, en de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en[^ezechiel-14-4-8] komt tot de profeet, Ik, YHWH zal hem,[^ezechiel-14-4-10] als hij komt, antwoorden[^ezechiel-14-4-11] naar de menigte van zijn afgoden;[^ezechiel-14-4-6][^ezechiel-14-4-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v4)

**5** Opdat Ik het huis van Israël[^ezechiel-14-5-12] in hun hart grijpe, omdat zij allen door hun afgoden van Mij vervreemd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v5)

**6** Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai YHWH: Bekeer u, en keert u af van uw afgoden, en keert uw[^ezechiel-14-6-13] aangezichten af van[^ezechiel-14-6-14] al uw gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v6)

**7** Want[^ezechiel-14-7-15] ieder man uit het huis van Israël, en uit[^ezechiel-14-7-16] de vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn afgoden op in zijn hart, en[^ezechiel-14-7-17] stelt de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot de profeet,[^ezechiel-14-7-18] om Mij door hem te vragen; Ik ben YHWH, hem zal geantwoord worden[^ezechiel-14-7-19] door Mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v7)

**8** En Ik[^ezechiel-14-8-20] zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem stellen tot[^ezechiel-14-8-21] een[^ezechiel-14-8-b] teken en[^ezechiel-14-8-22] tot spreekwoorden, en zal hem[^ezechiel-14-8-23] uitroeien uit het midden van Mijn volk; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v8)

**9** Als nu een profeet[^ezechiel-14-9-24][^ezechiel-14-9-c] overreed zal zijn, en[^ezechiel-14-9-25] iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb die profeet[^ezechiel-14-9-26] overreed, en Ik zal[^ezechiel-14-9-27] Mijn[^ezechiel-14-9-d] hand tegen hem uitstrekken, en zal hem vernietigen uit het midden van Mijn volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v9)

**10** En zij zullen[^ezechiel-14-10-28] hun ongerechtigheid dragen; zoals de ongerechtigheid van de vrager zal zijn; zo zal zijn de ongerechtigheid van de profeten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v10)

**11** Opdat het huis van Israël niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun[^ezechiel-14-11-29] overtredingen; dan zullen zij Mij[^ezechiel-14-11-30] tot een volk zijn, en Ik zal hun[^ezechiel-14-11-31] tot een God zijn, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v11)

**12** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v12)

**13** Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben,[^ezechiel-14-13-32] zwaar overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal daarvan de staf van het brood breken[^ezechiel-14-13-33][^ezechiel-14-13-e], en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v13)

**14** Hoewel deze drie mannen,[^ezechiel-14-14-34] Noach, Daniël en Job, in het midden daarvan waren, zij zouden door[^ezechiel-14-14-35] hun gerechtigheid[^ezechiel-14-14-36] alleen[^ezechiel-14-14-37] hun ziel bevrijden, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v14)

**15** Zo Ik[^ezechiel-14-15-38] het boos gedierte make door het land door te gaan, dat dat van kinderen berove, zodat het woest wordt,[^ezechiel-14-15-39] dat er niemand doorga, vanwege het gedierte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v15)

**16** Die drie mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, zo zij zonen, en zo zij dochters[^ezechiel-14-16-40] bevrijden zouden,[^ezechiel-14-16-41] zij zelf alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v16)

**17** Of als[^ezechiel-14-17-42] Ik het zwaard brenge over dat land, en zeg:[^ezechiel-14-17-43] Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v17)

**18** Hoewel die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelf alleen zouden bevrijd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v18)

**19** Of als Ik de pest in dat land zend, en Mijn woede daarover[^ezechiel-14-19-44] met bloed[^ezechiel-14-19-45] uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v19)

**20** Hoewel Noach, Daniël en Job in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, zo zij een zoon, of zo zij een dochter[^ezechiel-14-20-46] zouden bevrijden, zij zouden alleen hun[^ezechiel-14-20-47] ziel door hun gerechtigheid bevrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v20)

**21** Want zo zegt Adonai YHWH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier[^ezechiel-14-21-49] boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pest gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien![^ezechiel-14-21-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v21)

**22** Maar zie,[^ezechiel-14-22-50] daarin zullen[^ezechiel-14-22-51] ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; zie, zij zullen tot[^ezechiel-14-22-52] u uitkomen,[^ezechiel-14-22-53] en u zult hun[^ezechiel-14-22-54] weg zien, en hun handelingen; en u zult[^ezechiel-14-22-55] vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v22)

**23** Zo zullen zij u troosten, als u hun weg en hun handelingen zien zult; en u zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik[^ezechiel-14-23-56] in haar gedaan heb, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/14.html#v23)

[^ezechiel-14-1-1]: Kanttekening 1: 1 oudsten van Israël: Dat is, regeerders en hoofden van de gemeente, die in Chaldea woonden; zie Ex. 3:16, en Lev. 4:15. Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 4:15: En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de var leggen, voor het aangezicht van YHWH; en hij zal de var slachten voor het aangezicht van YHWH.
[^ezechiel-14-1-2]: Kanttekening 2: 2 zaten neder voor mijn aangezicht: Te weten om door de profeet God raad te vragen van de toekomende stand van zijn volk, zowel in Jeruzalem als daar in Chaldea; zie het volgende vers 3; vergelijk boven Ez. 8:1, en onder Ez. 20:1. Ezechiël 14:3: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Ezechiël 8:1: Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand van de Heer YHWH daar over mij viel. Ezechiël 20:1: En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om YHWH te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
[^ezechiel-14-1-a]: Verwijzing a: Ez. 20:1. Ezechiël 20:1: En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van hen maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om YHWH te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
[^ezechiel-14-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, hebben zij in hun gemoed de hoogste plaats gegeven \[gelijk zij ook buiten het hart op hoogten plegen opgericht te worden\] zodat zij hen boven alle andere dingen, ja ook boven mij hoogachten en vereren; zo in het volgende.
[^ezechiel-14-3-4]: Kanttekening 4: 4 de aanstoot: Versta, de afgoden. Want als zij deze voor hunne aangezichten oprichtten tegen Gods bevel, zo zijn zij hun een oorzaak geweest van veelszins tegen God te zondigen en tot vele gruwelen te vervallen; zo in het volgende. Idem zo worden de afgoden een strik genaamd; Ex. 23:33; Deut. 7:16; Richt. 2:3. Exodus 23:33: Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. Deuteronomium 7:16: U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Richteren 2:3: Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
[^ezechiel-14-3-5]: Kanttekening 5: 5 ernstiglijk van hen gevraagd: Hebreeuws, gevraagd zijnde gevraagd; dat is, met ernst of oprecht. Hij wil zeggen: Nee. Dit kan tezamen niet bestaan, dat men de afgoden zou aanhangen, en evenwel de ware God om raad vragen. Anders: zou Ik enigszins van hen gevraagd worden? Dat is, Ik begeer van zulk een volk niet gevraagd te zijn. De Heer werd om raad gevraagd gewoonlijk door de hogepriester met de efod bekleed zijnde. Zie Num. 27:21, en de aantekening. Richt. 1:1, of door een profeet, 1 Sam. 23:2, 23:6, en 1 Sam. 28:6; 2 Sam. 2:1; 2 Kron. 18:7. Numeri 27:21: En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van YHWH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen van Israël met hem, en de gehele vergadering. Richteren 1:1: En het geschiedde na de dood van Jozua, dat de kinderen van Israël YHWH vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te krijgen? 1 Samuël 23:2: En David vraagde YHWH, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En YHWH zei tot David: Ga heen, en u zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. 1 Samuël 23:6: En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand. 1 Samuël 28:6: En Saul vraagde YHWH; maar YHWH antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten. 2 Samuël 2:1: En het geschiedde daarna, dat David YHWH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in één van de steden van Juda? En YHWH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. 2 Kronieken 18:7: Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo.
[^ezechiel-14-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, Juda. Zie boven Ez. 6:2. Versta, de Joden, die daar in Chaldea woonden. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer daartegen;
[^ezechiel-14-4-8]: Kanttekening 8: 8 komt tot de profeet: Te weten om door hem God raad te vragen.
[^ezechiel-14-4-10]: Kanttekening 10: 10 als hij komt: Anders: in die \[tijd\].
[^ezechiel-14-4-11]: Kanttekening 11: 11 naar de menigte van zijn drekgoden: Dat is, Ik zal hen antwoorden, niet wat zij graag houden zouden, maar gelijk hun grote en menigerlei afgoderij verdiend heeft. Anders: van de menigte van zijn drekgoden; dat is, Ik zal hen anders niet antwoorden, dan wat betreft eensdeels de menigvuldigheid van hun afgoderij, anderdeels de straffen, die zij daardoor verdiend hebben.
[^ezechiel-14-4-6]: Kanttekening 6: 6 Een ieder man: Hebreeuws, man, man (אִישׁ); dat is, een ieder. Zie Lev. 15:2; zo onder vers 7. Leviticus 15:2: Spreekt tot de kinderen van Israël, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn. Ezechiël 14:7: Want ieder man uit het huis van Israël, en uit de vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot de profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben YHWH, hem zal geantwoord worden door Mij;
[^ezechiel-14-4-9]: Kanttekening 9: 9 zal hem: Of, heb hem geantwoord.
[^ezechiel-14-5-12]: Kanttekening 12: 12 in hun hart grijpe: Dat is, Ik zal hen zo antwoorden, dat Ik in het licht brengen zal wat in hun hart verborgen was. Want zij willen zich als godvruchtigen uitgeven, als zij komen om mij raad te vragen, maar Ik zal met mijne antwoorden ontdekken de goddeloosheid, die in hun hart schuilt.
[^ezechiel-14-6-13]: Kanttekening 13: 13 aangezichten af: Versta onder dit woord ook de harten, zonder wier afkering de aangezichten kwalijk afgekeerd kunnen worden. Dit is het tegendeel van de aanstoot recht voor zijn aangezicht te stellen, boven vers 3. Ezechiël 14:3: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
[^ezechiel-14-6-14]: Kanttekening 14: 14 al uw gruwelen: Dat is, niet alleen van uwe afgoderij en zonden, begaan tegen de eerste tafel, maar ook van al uwe schelmerijen, bedreven tegen de tweede tafel van de wet.
[^ezechiel-14-7-15]: Kanttekening 15: 15 ieder man uit het huis van Israël: Hebreeuws, man man, gelijk boven vers 4 (אִישׁ). Ezechiël 14:4: Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Een ieder man uit het huis van Israël, die de drekgoden in zijn hart opzet, en de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot de profeet, Ik, YHWH zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte van zijn drekgoden;
[^ezechiel-14-7-16]: Kanttekening 16: 16 de vreemdeling: Dat is, de Jodengenoot, die zodanig geworden was, òf te voren in Judea, òf daarna in Chaldea, hebbende aangenomen de godsdienst van de Joden, met de onderhouding van zijne ceremoniën. Zie van zulke vreemdelingen Lev. 17:8, en Lev. 25:35. Leviticus 17:8: Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, Leviticus 25:35: En als uw broer zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult u hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.
[^ezechiel-14-7-17]: Kanttekening 17: 17 stelt de aanstoot: Zie boven vers 4. Ezechiël 14:4: Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Een ieder man uit het huis van Israël, die de drekgoden in zijn hart opzet, en de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot de profeet, Ik, YHWH zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte van zijn drekgoden;
[^ezechiel-14-7-18]: Kanttekening 18: 18 om Mij door hem te vragen: Anders: om aan, of van hem mij aangaande te vragen.
[^ezechiel-14-7-19]: Kanttekening 19: 19 door Mij: Dat is, niet alleen door de profeet, die hij vraagt, maar door of van mijzelf, die hem antwoorden zal, niet zozeer met woorden als met slagen en straffen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
[^ezechiel-14-8-20]: Kanttekening 20: 20 zal Mijn aangezicht: Zie Lev. 17:10. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.
[^ezechiel-14-8-21]: Kanttekening 21: 21 een teken: Te weten van mijn rechtvaardige wraak tegen de huichelaars. Want Ik zal met die in het straffen zo vreeslijk en zeldzaam omgaan, dat een ieder daarover verschrikt zal zijn als over een openbaar teken mijner wraak, een ieder door mij voorgesteld tot zijne waarschuwing. Vergelijk Deut. 28:46. Anders: zal hem verwoesten tot een teken; dat is, dat hij tot een teken zij, enz. Deuteronomium 28:46: En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.
[^ezechiel-14-8-b]: Verwijzing b: Deut. 28:37; Ez. 5:15. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal. Ezechiël 5:15: Zo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting de heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toorn, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal; Ik, YHWH, heb het gesproken!
[^ezechiel-14-8-22]: Kanttekening 22: 22 tot spreekwoorden: Zie Deut. 28:37; Job 17:6; zie ook 1 Kon. 9:7, 9:8; 2 Kron. 7:20, 7:21; Ps. 44:14, 44:15, en Ps. 69:12; Jer. 24:9; Hab. 2:6. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal. Job 17:6: Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. 1 Koningen 9:7: Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. 1 Koningen 9:8: En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie daar zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? 2 Kronieken 7:20: Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken. 2 Kronieken 7:21: En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft YHWH aan dit land en aan dit huis zo gedaan? Psalmen 44:14: U stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. Psalmen 44:15: U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. Psalmen 69:12: En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. Jeremia 24:9: En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken van de aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben; Habakuk 2:6: Zouden dan niet al die van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging van de raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee die, die vermeerdert wat het zijne niet is (hoe lange!), en die, die op zich laadt dik slijk.
[^ezechiel-14-8-23]: Kanttekening 23: Zie Lev. 20:3. Leviticus 20:3: En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou.
[^ezechiel-14-9-24]: Kanttekening 24: 24 overreed zal zijn: Te weten van de huichelaars, die hun raad vragen en begeren dat hun wat goeds geprofeteerd worde. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14:15. Richteren 14:15: Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?
[^ezechiel-14-9-c]: Verwijzing c: Ez. 13:1; idem v. 2. Ezechiël 13:1: En van YHWH woord geschiedde tot mij, zeggende: Ezechiël 13:2: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort van YHWH woord.
[^ezechiel-14-9-25]: Kanttekening 25: 25 iets gesproken zal hebben: Te weten dat de vrager graag hoort, maar vals is.
[^ezechiel-14-9-26]: Kanttekening 26: Te weten niet met de profeet enig kwaad in te geven, maar met de huichelarij van de vrager door de lichtvaardigheid van de profeet en gierigheid, die van de profeet en de satan komen, rechtvaardiglijk te straffen; vergelijk 2 Sam. 11:12; 1 Kon. 12:15 en 1 Kon. 22:22; Jer. 4:10 met de aantekening; idem 2 Thess. 2:11, 2:12. 2 Samuël 11:12: Toen zei David tot Uria: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Zo bleef Uria te Jeruzalem, die dag en de andere dag. 1 Koningen 12:15: Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van YHWH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat YHWH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 1 Koningen 22:22: En YHWH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe zo. Jeremia 4:10: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! waarlijk, U hebt dit volk en Jeruzalem grotelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt. 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thessalonicensen 2:12: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
[^ezechiel-14-9-27]: Kanttekening 27: 27 Mijn hand: Te weten tegen die profeet, om hem te straffen; zo Ex. 7:5, Jes. 5:25; Jer. 15:6; onder vers 13 en Ez. 25:7, enz. Exodus 7:5: Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen van Israël uit het midden van hen uitleide. Jesaja 5:25: Daarom is de toorn van YHWH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft daartegen Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Jeremia 15:6: U hebt Mij verlaten, spreekt YHWH; u bent achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben het berouwen moe geworden. Ezechiël 14:13: Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaar overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal daarvan de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie; Ezechiël 25:7: Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u aan de heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-14-9-d]: Verwijzing d: Ez. 13:9. Ezechiël 13:9: En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^ezechiel-14-10-28]: Kanttekening 28: 28 hun ongerechtigheid: Het Hebreeuwse woord betekent hier de straf, die door de ongerechtigheid en misdaad verdiend is. Zie Lev. 5:1. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-14-11-29]: Kanttekening 29: Welke meermalen onreinheden in de Heilige Schrift genoemd worden, gelijk Ezra 9:11, onder Ez. 24:13, en Ez. 36:17, en Ez. 39:24; 1 Thess. 4:7; Jak. 1:21. Ezra 9:11: Die U geboden hadt door de dienst van Uw knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar u inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken van de landen, om hun gruwelen, waarmee zij dat vervuld hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinigheid. Ezechiël 24:13: In uw onreinigheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en u niet gereinigd bent, zo zult u van uw onreinigheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten. Ezechiël 36:17: Mensenkind! het huis van Israël, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinigheid ener afgezonderde vrouw. Ezechiël 39:24: Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen. 1 Thessalonicensen 4:7: Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking. Jakobus 1:21: Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken.
[^ezechiel-14-11-30]: Kanttekening 30: 30 tot een volk zijn: Zie Lev. 26:12. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.
[^ezechiel-14-11-31]: Kanttekening 31: 31 tot een God zijn: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^ezechiel-14-13-32]: Kanttekening 32: 32 zwaar overtredende: Hebreeuws, overtreding overtredende; dat is overtreding begaande.
[^ezechiel-14-13-33]: Kanttekening 33: 33 de staf van het brood breken: Zie Lev. 26:26. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden.
[^ezechiel-14-13-e]: Verwijzing e: Lev. 26:26; Ez. 4:16; Ez. 5:16. Leviticus 26:26: Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. Ezechiël 4:16: Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; Ezechiël 5:16: Wanneer Ik de boze pijlen van de honger tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik de honger over u vermeerderen, en u de staf van het brood breken.
[^ezechiel-14-14-34]: Kanttekening 34: 34 Noach, Daniël en Job: Hij noemt deze drie personen, omdat zij Hem onder anderen aangenaam geweest waren en grote weldaden van Hem ontvangen hadden. Vergelijk Jer. 15:1. Jeremia 15:1: Maar YHWH zei tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
[^ezechiel-14-14-35]: Kanttekening 35: 35 hun gerechtigheid: Te weten aangezien en gewaardeerd in de Middelaar Christus, wiens volmaakte gerechtigheid de onvolmaaktheid, die in aller vromen gerechtigheid is, wegneemt of toedekt, zodat zij met zegening uit genade beloond wordt.
[^ezechiel-14-14-36]: Kanttekening 36: Dat dit woord hier ingevoegd moet zijn, is af te nemen uit vers 16, 14:18. Ezechiël 14:16: Die drie mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo zij zonen, en zo zij dochters bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. Ezechiël 14:18: Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
[^ezechiel-14-14-37]: Kanttekening 37: 37 ziel bevrijden: Dat is hun leven uit het algemeen verderf van het land vrijhouden.
[^ezechiel-14-15-38]: Kanttekening 38: 38 het boos gedierte: Deze plaag wordt het zondige volk gedreigd, Lev. 26:22, boven Ez. 5:17, en dadelijk toegezonden; 2 Kon. 17:25. Leviticus 26:22: Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden. Ezechiël 5:17: Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, YHWH, heb het gesproken! 2 Koningen 17:25: En het geschiedde in het begin van hun woning daar, dat zij YHWH niet vreesden; zo zond YHWH leeuwen onder hen, die enige van hen doodden.
[^ezechiel-14-15-39]: Kanttekening 39: 39 dat er niemand doorga: Hebreeuws, zonder doorganger.
[^ezechiel-14-16-40]: Kanttekening 40: 40 bevrijden zouden: Versta, dat zij hen niet redden zouden; gelijk de volgende woorden uitwijzen; en vergelijk vers 18. Ezechiël 14:18: Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
[^ezechiel-14-16-41]: Kanttekening 41: 41 zij zelven alleen: Hier wordt gesproken van een onwederroepelijk vonnis Gods over de gruwelijke hardnekkigheid en ondankbaarheid van het volk, en dat naar zijn rechtvaardig oordeel; zie onder vers 23. Ezechiël 14:23: Zo zullen zij u vertroosten, als u hun weg en hun handelingen zien zult; en u zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-14-17-42]: Kanttekening 42: 42 het zwaard brenge: Dat is, de oorlog; zie Lev. 26:6. Leviticus 26:6: Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
[^ezechiel-14-17-43]: Kanttekening 43: 43 Zwaard! ga door: God spreekt de levenloze en onvernuftige schepselen toe alsof zij leefden en verstand hadden, om te tonen zijne almogendheid en de heerschappij, die Hij over alle dingen heeft, en dat er niets geschiedt in enige dingen, hoe groot of klein zij mogen zijn, bij geval, maar alles door zijn alomtegenwoordige voorzienigheid; vergelijk Deut. 4:26. Deuteronomium 4:26: Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
[^ezechiel-14-19-44]: Kanttekening 44: 44 met bloed: Dat is, met het doden en ombrengen van vele mensen en beesten. Want bloed wordt voor doding, doodslag, moord dikwijls genomen; zie Gen. 37:26. Zie van de slachting, die God door zijn engel gedaan heeft, 2 Sam. 24:15, 24:16. Genesis 37:26: Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen? 2 Samuël 24:15: Toen gaf YHWH een pestilentie in Israël, van de morgen af tot de gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen. 2 Samuël 24:16: Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde YHWH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van YHWH nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.
[^ezechiel-14-19-45]: Kanttekening 45: Zie boven Ez. 7:8. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-14-20-46]: Kanttekening 46: 46 zouden bevrijden: Hij wil zeggen: Nee zij; zie boven vers 16. Ezechiël 14:16: Die drie mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo zij zonen, en zo zij dochters bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
[^ezechiel-14-20-47]: Kanttekening 47: 47 door hun gerechtigheid bevrijden: Zie boven vers 14. Ezechiël 14:14: Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden daarvan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-14-21-49]: Kanttekening 49: 49 boze gerichten: Of, oordelen; dat is, straffen of plagen; zie Ex. 6:5, en Ex. 7:4, en de aantekening; vergelijk 2 Kron. 20:12. Boos of kwaad worden zij genaamd, omdat zij de mens zwaar, pijnlijk en zeer schadelijk vallen; zie ook van vier soorten van de plagen, genaamd geslachten, hoewel van deze ten dele onderscheiden, Jer. 15:3. Exodus 6:5: Daarom zeg tot de kinderen van Israël: Ik ben YHWH! en Ik zal u uitleiden van onder de lasten van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; Exodus 7:4: Farao nu zal naar u niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen van Israël, uit Egypteland, door grote gerichten. 2 Kronieken 20:12: O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. Jeremia 15:3: Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt YHWH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven.
[^ezechiel-14-21-48]: Kanttekening 48: 48 Hoeveel te meer: De zin is: Als de voorgenoemde mannen in het leven zijnde, als Ik een land maar met ene plaag straf, zichzelf alleen van de straf zouden kunnen vrijhouden, hoeveel te meer zouden zij voor zichzelf alleen dat kunnen doen, als God vier plagen over Jeruzalem tevens zenden zou. Anders: hoeveel temin, te weten zouden zij het volk kunnen bevrijden, wanneer God vier plagen over hen zendt.
[^ezechiel-14-22-50]: Kanttekening 50: 50 daarin zullen: Dat is, in Jeruzalem.
[^ezechiel-14-22-51]: Kanttekening 51: 51 ontkomenen overblijven: Hebreeuws, ene ontkoming; dat is, die het verderf van de vier voorgemelde plagen ontkomen zullen. Ontkoming, voor ontkomenen, gelijk 2 Kon. 19:30; 1 Kron. 4:43; zo het overblijfsel voor overgeblevenen, 2 Kron. 36:20; gevangenis voor gevangenen, Num. 31:12. 2 Koningen 19:30: Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen. 1 Kronieken 4:43: En zij sloegen de overigen van de ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden daar tot op deze dag. 2 Kronieken 36:20: En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren van het koninkrijk van Perzië; Numeri 31:12: Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.
[^ezechiel-14-22-52]: Kanttekening 52: Die hier in Chaldea woont.
[^ezechiel-14-22-53]: Kanttekening 53: Te weten uit Jeruzalem en Judea, herwaarts naar Babel gevankelijk gevoerd zijnde.
[^ezechiel-14-22-54]: Kanttekening 54: 54 weg zien: Dat is, manier van doen, zeden, leven en wandel; waaruit u zult kunnen bemerken wat het voor een volk is, namelijk, geheel verkeerd en verdorven.
[^ezechiel-14-22-55]: Kanttekening 55: 55 vertroost worden over het kwaad: Te weten niet met woorden, die u van hen horen zult, maar met de ellende, boosheid en smaadheid, die u aanzien zult. Want u zult daaruit bemerken dat God meer dan reden heeft gehad, om hen aldus te straffen, zodat u zich over zijne oordelen tevreden zult houden.
[^ezechiel-14-23-56]: Kanttekening 56: 56 in haar gedaan heb: Of, aan, met, of tegen haar, te weten Jeruzalem.

### Ezechiël 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/15.json)

*Door de gelijkenis van het hout van de wijnstok voorzegt God Jeruzalem de uiterste ondergang, vanwege al haar boosheid.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v1)

**2** Mensenkind, wat is het[^ezechiel-15-2-1] hout van de[^ezechiel-15-2-2] wijnstok meer dan alle hout,[^ezechiel-15-2-3] of de wijnrank meer dan dat onder het hout van een woud is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v2)

**3** Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werk te maken?[^ezechiel-15-3-4] Neemt men daarvan[^ezechiel-15-3-5] een pin, om enig voorwerp daaraan te hangen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v3)

**4** Zie, het wordt aan het vuur overgegeven,[^ezechiel-15-4-6] opdat het verteerd wordt; het vuur verteert[^ezechiel-15-4-7] beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand;[^ezechiel-15-4-8] zou het deugen tot een stuk werk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v4)

**5** Zie, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werk gemaakt; hoeveel te min als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werk gemaakt worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v5)

**6** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Gelijk als[^ezechiel-15-6-9] het hout van de wijnstok is onder[^ezechiel-15-6-10] het hout van het woud, dat Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd wordt, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v6)

**7** Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het[^ezechiel-15-7-11] ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v7)

**8** En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaar overtreden hebben[^ezechiel-15-8-12], spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/15.html#v8)

[^ezechiel-15-2-1]: Kanttekening 1: 1 hout van de wijnstok: Te weten nadat het afgehouwen is. Anders: boom.
[^ezechiel-15-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, beter, waardiger, oorbaarlijker. Hij wil zeggen niet; maar is ook slechter, zowel in de vorm, die krom, stomp, knobbelachtig en lelijk is, als in de stof, die onbekwaam is dat daaruit enig houten vat of stuk werks zou mogen gemaakt worden.
[^ezechiel-15-2-3]: Kanttekening 3: 3 of de wijnrank: Anders: of dan een tak, die onder, of in de bomen van een woud is.
[^ezechiel-15-3-4]: Kanttekening 4: 4 Neemt men daarvan: Hebreeuws, nemen zij daarvan; dat is, zal men daarvan bekwame stof kunnen nemen om slechts één houten nagel te maken, aan welke men enige huisraad of werktuig zou mogen hangen?
[^ezechiel-15-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, een houten nagel.
[^ezechiel-15-4-6]: Kanttekening 6: 6 opdat het verteerd worde: Anders: ter vertering, of ter spijs; zo onder vers 6. Ezechiël 15:6: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Gelijk als het hout van de wijnstok is onder het hout van het woud, dat Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.
[^ezechiel-15-4-7]: Kanttekening 7: 7 beide zijn einden: Sommigen verstaan door de einden al de grenzen van het land, die rondom verwoest waren; en door het middelste Jeruzalem.
[^ezechiel-15-4-8]: Kanttekening 8: 8 zou het deugen tot een stuk werks: Deze vraag loochent sterkelijk; want behalve dat het wijnstokhout, onverzeerd zijnde, zeer onbekwaam is om iets daarvan te maken, zo is het nog veel onbekwamer als het door de brand verdorven of beschadigd is.
[^ezechiel-15-6-9]: Kanttekening 9: 9 het hout van de wijnstok: Hierbij zijn de Joden en die van Jeruzalem vergeleken; die God zich tot een eigen volk afgezonderd had, opdat zij goede vruchten zouden dragen. Zie Jes. 5:1, 5:2, enz.; Joh. 15:1, 15:2, enz. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jesaja 5:2: En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. Johannes 15:1: Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
[^ezechiel-15-6-10]: Kanttekening 10: 10 het hout van het woud: Versta, de heidenen en volken, die ongelovig zijn en dienvolgens onvruchtbaar tot alle goede werken. Met deze worden nu de Joden gevoegd in een gelijk oordeel, omdat zij het voordeel, dat zij door Gods genade over hen hadden, door hun moedwillige ondankbaarheid teniet maakten.
[^ezechiel-15-7-11]: Kanttekening 11: 11 het ene vuur: Te weten van de ellenden en plagen. Zie Job 15:34. De zin is dat zij de ene plaag niet zo haast zouden ontgaan zijn, of zij zouden in de andere vallen, als van de honger in de pest, of in het zwaard, of van het zwaard in de gevangenis. Vergelijk Jes. 24:18; Jer. 48:43. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. Jesaja 24:18: En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vreze vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten van de aarde zullen beven. Jeremia 48:43: De vreze, en de kuil, en de strik, over u, u inwoner van Moab! spreekt YHWH.
[^ezechiel-15-8-12]: Kanttekening 12: 12 zwaar overtreden hebben: Hebreeuws, overtreding overtreden hebben; vergelijk boven Ez. 14:13. Ezechiël 14:13: Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaar overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal daarvan de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;

### Ezechiël 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/16.json)

*Door de gelijkenis van een pasgeboren en ellendig verlaten meisje enz. stelt God de Joden voor ogen hun onwaardigheid, en zijn bijzondere liefde en weldadigheid, die Hij hun uit louter genade bewezen heeft, vers 1, 2, 3, enz. Daartegenover hun snode ondankbaarheid en ontrouw, betoond door allerlei gruwelijke afgoderij en heidense verbonden, 15. Voorts de rechtvaardigheid van zijn strenge oordelen over haar, 35, die zij (erger zijnde dan haar zusters, Sodom en Samaria) wel verdiend had, 45; met belofte echter van de genadige herstelling, waaraan zij, met de uitverkoren heidenen, in de Messias deel zouden krijgen, 60.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v1)

**2** Mensenkind, maak[^ezechiel-16-2-1] Jeruzalem haar[^ezechiel-16-2-2] gruwelijke dingen bekend, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v2)

**3** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH tot Jeruzalem: Uw[^ezechiel-16-3-3] handelingen en uw[^ezechiel-16-3-4] afkomst zijn uit het land van de Kanaänieten; uw vader was[^ezechiel-16-3-5] een Amoriet en uw moeder een[^ezechiel-16-3-6] Hethietische. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v3)

**4** En voor wat betreft uw geboorte:[^ezechiel-16-4-7] op de dag als u geboren was,[^ezechiel-16-4-8] werd uw navel[^ezechiel-16-4-9] niet afgesneden; en u was niet met water gewassen,[^ezechiel-16-4-10] toen Ik u aanschouwde; u was ook[^ezechiel-16-4-11] in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v4)

**5** [^ezechiel-16-5-12] Geen oog had medelijden over u, om u een[^ezechiel-16-5-13] van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar u[^ezechiel-16-5-14] bent geworpen geweest op het vlakke van het veld, om de walgelijkheid[^ezechiel-16-5-15] van uw ziel, op de dag toen u geboren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v5)

**6** Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde[^ezechiel-16-6-16] in uw bloed, en Ik zei tot u[^ezechiel-16-6-17] in uw bloed:[^ezechiel-16-6-18] Leef;[^ezechiel-16-6-19] ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v6)

**7** Ik heb u tot[^ezechiel-16-7-20] tien duizend, als het gewas van het veld, gemaakt; en u bent gegroeid, en groot geworden, en bent gekomen tot[^ezechiel-16-7-21] grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gegroeid, maar u was[^ezechiel-16-7-22] naakt en bloot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v7)

**8** Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd[^ezechiel-16-8-23] van de minne;[^ezechiel-16-8-24] zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw[^ezechiel-16-8-25] naaktheid; ja,[^ezechiel-16-8-a] Ik zwoer u, en kwam met u in[^ezechiel-16-8-26] een verbond, spreekt Adonai YHWH en u werd de Mijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v8)

**9** Daarna[^ezechiel-16-9-27] waste Ik u met water, en Ik spoelde[^ezechiel-16-9-28] uw bloed van u af, en[^ezechiel-16-9-29] zalfde u met olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v9)

**10** [^ezechiel-16-10-30] Ik bekleedde u ook met[^ezechiel-16-10-31] gestikt werk, en Ik schoeide u met[^ezechiel-16-10-32] dassenvellen, en omgordde u met[^ezechiel-16-10-33] fijn linnen, en bedekte u met zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v10)

**11** Ook versierde Ik u met sieraad, en deed[^ezechiel-16-11-34] armringen aan uw handen, en een[^ezechiel-16-11-35] keten aan uw[^ezechiel-16-11-36] hals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v11)

**12** Evenzo deed Ik een[^ezechiel-16-12-37] voorhoofdsiersel[^ezechiel-16-12-38] aan uw aangezicht, en[^ezechiel-16-12-39] oorringen aan uw oren, en[^ezechiel-16-12-40] een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v12)

**13** [^ezechiel-16-13-41] Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en[^ezechiel-16-13-42] gestikt werk; u[^ezechiel-16-13-43] at meelbloem, en honing, en olie, en u was[^ezechiel-16-13-44] geheel[^ezechiel-16-13-45] zeer schoon, en was voorspoedig,[^ezechiel-16-13-46] dat u een koninkrijk werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v13)

**14** Daartoe[^ezechiel-16-14-47] ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn[^ezechiel-16-14-48] heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v14)

**15** Maar u hebt[^ezechiel-16-15-49] vertrouwd op uw schoonheid, en hebt[^ezechiel-16-15-50] gehoereerd[^ezechiel-16-15-51] vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was[^ezechiel-16-15-52] zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v15)

**16** En u hebt van uw kleren genomen, en u gemaakt geplekte[^ezechiel-16-16-53] hoogten, en hebt daarop gehoereerd;[^ezechiel-16-16-54] dat is niet gekomen, en zal niet gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v16)

**17** Daartoe hebt u genomen[^ezechiel-16-17-55] de voorwerpen van uw sieraad van[^ezechiel-16-17-56] Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u[^ezechiel-16-17-57] mansbeelden[^ezechiel-16-17-58] gemaakt, en u hebt daarmee[^ezechiel-16-17-59] gehoereerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v17)

**18** En u hebt uw gestikte kleren genomen, en[^ezechiel-16-18-60] hebt ze bedekt; en u hebt[^ezechiel-16-18-61] Mijn olie en Mijn[^ezechiel-16-18-62] reukwerk voor hun aangezichten gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v18)

**19** En Mijn brood, dat Ik u gaf, meelbloem en olie, en honing, waarmee Ik u spijsde, dat hebt u ook voor[^ezechiel-16-19-63] hun aangezichten gesteld tot een liefelijke reuk[^ezechiel-16-19-64]; zo is het gebeurd, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v19)

**20** Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u[^ezechiel-16-20-65] Mij gebaard had, genomen, en hebt ze aan hen geofferd om te verteren[^ezechiel-16-20-66][^ezechiel-16-20-67];[^ezechiel-16-20-68] is het wat kleins van uw hoererijen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v20)

**21** Dat u Mijn kinderen[^ezechiel-16-21-69] geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u ze voor hen door het vuur hebt doen gaan[^ezechiel-16-21-70]?[^ezechiel-16-21-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v21)

**22** Ook hebt u bij al uw gruwelijke dingen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen[^ezechiel-16-22-71] van uw jeugd, als[^ezechiel-16-22-72] u naakt en bloot was, als[^ezechiel-16-22-73] u vertreden was in uw bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v22)

**23** Het is ook gebeurd na al uw boosheid, (wee, wee u, spreekt Adonai YHWH), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v23)

**24** Dat u zich een[^ezechiel-16-24-74] gewelf gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v24)

**25** [^ezechiel-16-25-75] Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en[^ezechiel-16-25-76] hebt met uw[^ezechiel-16-25-77] benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v25)

**26** U hebt ook[^ezechiel-16-26-78] gehoereerd met de[^ezechiel-16-26-79] kinderen van Egypte, uw buren, die[^ezechiel-16-26-80] groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v26)

**27** Zie, daarom[^ezechiel-16-27-81] strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw[^ezechiel-16-27-82] bescheiden deel; en Ik[^ezechiel-16-27-83] gaf u over in de lust van degenen, die u haten,[^ezechiel-16-27-84] van de dochters van de Filistijnen, die vanwege uw schandelijke weg[^ezechiel-16-27-85] beschaamd waren.[^ezechiel-16-27-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v27)

**28** Verder hebt u[^ezechiel-16-28-86] gehoereerd met de[^ezechiel-16-28-87] kinderen van Assur, omdat u[^ezechiel-16-28-88] onverzadigbaar was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v28)

**29** Maar u hebt uw hoererij vermenigvuldigd[^ezechiel-16-29-89] in het land van Kanaän tot in Chaldea; en daarmee ook bent u niet verzadigd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v29)

**30** Hoe[^ezechiel-16-30-90] zwak is uw hart (spreekt Adonai YHWH) als u al deze dingen doet, zijnde het werk van een[^ezechiel-16-30-91] heersende hoerachtige vrouw! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v30)

**31** Als u[^ezechiel-16-31-92] uw gewelf bouwt[^ezechiel-16-31-93] aan het hoofd van iedere weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet bent geweest als[^ezechiel-16-31-94] een hoer, het hoerenloon beschimpende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v31)

**32** O, die[^ezechiel-16-32-95] overspelige vrouw, zij neemt in plaats van[^ezechiel-16-32-96] haar man de[^ezechiel-16-32-97] vreemden aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v32)

**33** [^ezechiel-16-33-98] Men geeft loon aan alle hoeren; maar u geeft[^ezechiel-16-33-99] uw loon aan al[^ezechiel-16-33-100] uw minnaars, en u beschenkt ze, opdat zij tot u[^ezechiel-16-33-101] van rondom[^ezechiel-16-33-102] zouden ingaan[^ezechiel-16-33-103] om uw hoererijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v33)

**34** Zo gebeurt met u in uw hoererijen[^ezechiel-16-34-104] het tegendeel[^ezechiel-16-34-105] van de[^ezechiel-16-34-106] vrouwen, omdat men u niet naloopt, om ontucht te plegen; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v34)

**35** Daarom, o hoer, hoor het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v35)

**36** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat uw[^ezechiel-16-36-107] vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met[^ezechiel-16-36-108] uw minnaars ontbloot is, en met al de afgoden van uw gruwelijke dingen, en na het[^ezechiel-16-36-110] bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt;[^ezechiel-16-36-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v36)

**37** Daarom, zie, Ik zal al uw[^ezechiel-16-37-111] minnaars verzamelen, met die u[^ezechiel-16-37-112] vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom verzamelen tegen u, en Ik zal voor hen[^ezechiel-16-37-113] uw naaktheid ontdekken, dat zij uw hele naaktheid zien zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v37)

**38** Daartoe zal Ik u[^ezechiel-16-38-114] naar de rechten van de overspeelsters en[^ezechiel-16-38-115] van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven[^ezechiel-16-38-116] aan het bloed van de woede en van[^ezechiel-16-38-117] de ijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v38)

**39** En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw gewelf afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw kleren u uittrekken, en uw[^ezechiel-16-39-118] sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v39)

**40** Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v40)

**41** Zij zullen ook uw huizen[^ezechiel-16-41-119] met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler[^ezechiel-16-41-120] vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en u zult ook niet meer hoerenloon geven.[^ezechiel-16-41-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v41)

**42** Zo zal Ik[^ezechiel-16-42-121] Mijn woede op u doen rusten, en[^ezechiel-16-42-122] Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer boos wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v42)

**43** Daarom dat u niet gedacht hebt[^ezechiel-16-43-123] aan de dagen van uw jeugd, en Mij[^ezechiel-16-43-124] tot beroering geweest bent met dit alles, zie, zo zal Ik ook[^ezechiel-16-43-125] uw weg op uw hoofd geven, spreekt Adonai YHWH; en u zult[^ezechiel-16-43-126] die schandelijke daad niet doen boven al uw[^ezechiel-16-43-127] gruwelijke dingen.[^ezechiel-16-43-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v43)

**44** Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een[^ezechiel-16-44-128] spreekwoord gebruiken, zeggende:[^ezechiel-16-44-129] Zo de moeder is, is haar dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v44)

**45** [^ezechiel-16-45-130] U bent de dochter van uw moeder, die de walg had[^ezechiel-16-45-131] van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus van uw zussen[^ezechiel-16-45-132], die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen;[^ezechiel-16-45-133] uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v45)

**46** Uw[^ezechiel-16-46-134] grote zus nu is Samaria, zij en haar[^ezechiel-16-46-135] dochters, die woont[^ezechiel-16-46-136] aan uw linkerhand; maar uw zus, die kleiner is dan u, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v46)

**47** Maar u[^ezechiel-16-47-137] hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelijke dingen gedaan;[^ezechiel-16-47-138] het was wat gerings,[^ezechiel-16-47-139] een verdriet; maar u hebt[^ezechiel-16-47-140] het meer verdorven dan zij, in al uw[^ezechiel-16-47-141] wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v47)

**48** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, als Sodom, uw zus, zij met haar dochters, gedaan heeft, gelijk u gedaan hebt en uw dochters![^ezechiel-16-48-142] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v48)

**49** Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zus Sodom; hoogmoed,[^ezechiel-16-49-143] zatheid van brood en[^ezechiel-16-49-144] stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en behoeftigen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v49)

**50** En zij verhieven zich, en deden[^ezechiel-16-50-145] gruwelijkheid[^ezechiel-16-50-146] voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze[^ezechiel-16-50-147] weg, nadat Ik het gezien had.[^ezechiel-16-50-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v50)

**51** Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden[^ezechiel-16-51-148] niet gezondigd; en u hebt uw gruwelijke dingen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen[^ezechiel-16-51-149] gerechtvaardigd door al uw gruwelijke dingen, die u gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v51)

**52** Draag u dan ook uw schande, u, die voor uw[^ezechiel-16-52-150] zussen[^ezechiel-16-52-151] geoordeeld hebt door uw zonden, die u gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan u; wees u dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat u uw[^ezechiel-16-52-152] zussen gerechtvaardigd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v52)

**53** Als Ik haar[^ezechiel-16-53-153] gevangenen teruggeven zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochters, en de[^ezechiel-16-53-154] gevangenen van Samaria en haar dochters,[^ezechiel-16-53-155] dan zal Ik teruggeven de gevangenen van uw gevangenis in het midden van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v53)

**54** Opdat u uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al wat u gedaan hebt, als u[^ezechiel-16-54-156] haar[^ezechiel-16-54-157] troosten zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v54)

**55** Als uw zussen, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorige staat, en ook Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat, zult u ook en uw dochters terugkeren tot uw vorige staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v55)

**56** Ja, uw zus Sodom[^ezechiel-16-56-158] is in uw mond niet gehoord geweest, op de dag van uw grote hoogmoed[^ezechiel-16-56-159], [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v56)

**57** Voordat uw boosheid[^ezechiel-16-57-160] ontdekt was. Als de tijd was[^ezechiel-16-57-161] van de versmading van de dochters van Syrië, en van al degenen, die rondom[^ezechiel-16-57-162] waren,[^ezechiel-16-57-163] de dochters van de Filistijnen, die u[^ezechiel-16-57-164] verachten[^ezechiel-16-57-165] van rondom, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v57)

**58** Heb u[^ezechiel-16-58-166] uw schandelijke daden en uw gruwelijke dingen gedragen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v58)

**59** Want zo zegt Adonai YHWH: Ik zal u ook doen, zoals u gedaan hebt, die de[^ezechiel-16-59-168] eed veracht hebt, brekende het[^ezechiel-16-59-169] verbond.[^ezechiel-16-59-167][^ezechiel-16-59-g][^ezechiel-16-59-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v59)

**60** Evenwel zal Ik[^ezechiel-16-60-170] gedachtig wezen aan Mijn[^ezechiel-16-60-171] verbond met u, in de dagen van uw jeugd, en Ik zal met u een[^ezechiel-16-60-172] eeuwig verbond oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v60)

**61** Dan zult[^ezechiel-16-61-173] u uw wegen gedenken en beschaamd zijn, als u[^ezechiel-16-61-174] uw zussen, die groter zijn dan u, met degenen, die kleiner zijn dan u,[^ezechiel-16-61-175] aannemen zult; want Ik zal u die geven tot dochters[^ezechiel-16-61-176], maar niet uit[^ezechiel-16-61-177] uw verbond.[^ezechiel-16-61-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v61)

**62** Want Ik zal Mijn[^ezechiel-16-62-178] verbond met u[^ezechiel-16-62-179] oprichten, en u zult weten, dat Ik YHWH ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v62)

**63** Opdat u het gedachtig bent, en u schaamt, en[^ezechiel-16-63-180] niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik[^ezechiel-16-63-181] voor u verzoening doen zal over al wat u gedaan hebt, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/16.html#v63)

[^ezechiel-16-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, de inwoners van Jeruzalem, die hier vervolgens om deze oorzaak in het eenvoudig getal en in het vrouwelijk geslacht toegesproken worden.
[^ezechiel-16-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, gruwelijke werken, voornamelijk door afgoderij bedreven.
[^ezechiel-16-3-3]: Kanttekening 3: Velen verstaan hierdoor al het bedrijf van het gehele Israëlietische volk, in het stuk van de godsdienst; waaronder ook te begrijpen zijn de werken rakende de wandel van het leven. Anderen vertalen dit woord afkomsten, of geslachten, oorsprongen, woningen, of verkeringen.
[^ezechiel-16-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, de beginselen en de oorsprongen van uw voorgemelde handelingen zijn niet uit Abraham en Sara, van wie u u beroemt afkomstig te wezen, maar uit de afgodische en goddeloze heidenen, van wie u het doen nagevolgd hebt, ontaardende van het geloof en de werken van uw vader Abraham; vergelijk Joh. 8:39; Rom. 2:28; en Rom. 9:7, 9:8. Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord hier in het getal van velen gesteld wordt, om aan te wijzen dat de Israëlieten altijd verscheidene afgodische godsdiensten nagevolgd hebben, met één niet tevreden zijnde. Johannes 8:39: Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen. Romeinen 2:28: Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 9:7: Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8: Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.
[^ezechiel-16-3-5]: Kanttekening 5: 5 een Amoriet: Zie van de afkomst van dit volk, Gen. 10:16, en van hun boosheid, Gen. 15:16. Genesis 10:16: En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, Genesis 15:16: En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen.
[^ezechiel-16-3-6]: Kanttekening 6: van de Hethieten afkomst, zie Gen. 10:15, en van hunne boosheid, Gen. 27:46. Genesis 10:15: En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, Genesis 27:46: En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochters Heths! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters Heths, gelijk deze zijn, van de dochters van dit land, waartoe zal mij het leven zijn?
[^ezechiel-16-4-7]: Kanttekening 7: 7 ten dage: Dat is, ten tijde als Ik Abram, die een afgodendienaar was, Joz. 24:2, toen u in zijne lenden was, riep uit Ur in Chaldea om in het land Kanaän te komen, bracht zijn zaad in Egypte, en leidde het door de woestijn in het beloofde land. Vergelijk Hos. 2:2. Jozua 24:2: Toen zei Jozua tot het gehele volk: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Over gene zijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, \[namelijk\] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
[^ezechiel-16-4-8]: Kanttekening 8: 8 werd uw navel: De ellende van het volk van Israël wordt hier beschreven door ene gelijkenis, genomen van een nieuwgeboren kind, dat uit zijn moeder lichaam voortgekomen zijnde van niemand gadegeslagen wordt.
[^ezechiel-16-4-9]: Kanttekening 9: 9 niet afgesneden: Dit betekent dat geen bloot schepsel dit volk van zijn aangeboren ellende, zonde en dood verloste of verlossen kon, om het tot de eeuwige zaligheid te brengen.
[^ezechiel-16-4-10]: Kanttekening 10: 10 toen Ik u aanschouwde: Hebreeuws, met mijn aanschouwen; dat is, zo haast als Ik u aanschouwde. Zo vertalen ook enige de woorden bij, of met mijnen voet; Gen. 30:30. Dat is, zo haast als Ik inkwam. Anders: tot mijn aanschouwen; dat is, tot een welgevallen van mijn aanschouwen, zulks dat u mijn gezicht zoudt aangenaam geweest zijn. Anders: tot verzachting; te weten waardoor de huid van het nieuwgeboren kind zacht, zuiver, net als glad wordt gemaakt, als die na de afwassing met enige stoffen daartoe gebruikelijk, bestreken is geweest. Genesis 30:30: Want het weinige, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?
[^ezechiel-16-4-11]: Kanttekening 11: 11 met zout gewreven: Hebreeuws, gezouten wordende, gezouten worden. Het zout werd in voortijden ook gebruikt tot verstijving van de huid en versterking van de inwendige delen. Dit alles geeft te verstaan dat God in de Israëlieten, als Hij hen voor zijn volk aannam, niets anders gevonden heeft dan ellende, vuilnis en zwakheid, en vervolgens hen gekozen heeft niet uit aanzien van hunne waarde, maar door zijne genade in de beloofden Middelaar.
[^ezechiel-16-5-12]: Kanttekening 12: 12 Geen oog: Te weten niet alleen omdat zij niet wilden, maar ook niet konden. Hebreeuws, geen oog spaarde, of verschoonde over u (עַיִן).
[^ezechiel-16-5-13]: Kanttekening 13: 13 één van deze dingen: Te weten, die aan een zodanig nieuwgeboren kind noodzakelijk tot zijn behoud gedaan moet worden.
[^ezechiel-16-5-14]: Kanttekening 14: 14 geworpen geweest: Dat is, als van allen verlaten en van niemand te helpen dan van God.
[^ezechiel-16-5-15]: Kanttekening 15: 15 om de walgelijkheid van uw ziel: Want arglistig is het hart meer dan enig ding, ja dodelijk is het; Jer. 17:9. Het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God, Rom. 8:7, en hij geheel als een made en worm, Job 25:6, ja lichter dan de ijdelheid, Ps. 62:10. Jeremia 17:9: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Romeinen 8:7: Daarom dat het bedenken van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet; want het kan ook niet. Job 25:6: Hoeveel te min de mens, die een made is, en het kind van de mens, die een worm is! Psalmen 62:10: Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.
[^ezechiel-16-6-16]: Kanttekening 16: 16 in uw bloed: Te weten dat aan uw lijf was toen u eerst ter wereld kwaamt. Dit bloed betekent ons de verdorvenheid van de natuur, in welke wij allen ontvangen en geboren zijn, en die ons de tijdelijken en eeuwigen dood onderworpen maakt.
[^ezechiel-16-6-17]: Kanttekening 17: 17 in uw bloed: Dat is, daar u in uw bloed was.
[^ezechiel-16-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, u zult leven, niettegenstaande u zeer verdorven en ellendig bent. Het is een bevel, inhoudende ene belofte van het leven; van welke manier van spreken zie Ps. 37:3, en Spreuk. 3:25. De Heer wil zeggen: Hoewel u zeer onrein en mismaakt bent, en ligt als in het midden van de dood, nochtans zal Ik maken dat u zult leven. Dit is doorgaans vervuld, volgens het verbond van de genade, dat God met Abraham heeft opgericht. Psalmen 37:3: Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. Spreuken 3:25: Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen, als zij komt.
[^ezechiel-16-6-19]: Kanttekening 19: Dit wordt tweemaal gezegd om te tonen dat God zijne beloften dikwijls heeft vernieuwd en dat zij vast gaan. Zie van deze beloften, Gen. 12:1, 12:2, 12:3, en Gen. 13:15, 13:16, en Gen. 15:1, enz., en Gen. 17:1, 17:2, enz., en Gen. 22:17, enz., en Gen. 24:7, en Gen. 26:3, en Gen. 28:13, enz. Genesis 12:1: YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Genesis 12:2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 12:3: En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 13:15: Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 13:16: En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Genesis 17:2: En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen. Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 24:7: YHWH, de God van de hemel, Die mij uit het huis van mijn vader en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. Genesis 26:3: Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb. Genesis 28:13: En ziet, YHWH stond daarop en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^ezechiel-16-7-20]: Kanttekening 20: 20 tot tien duizend: Dat is, tot een zeer grote menigte. Zie Ex. 1:7, en Ex. 12:37. Een zeker getal voor een onzeker. Exodus 1:7: Zo werden de kinderen van Israël vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. Exodus 12:37: Zo reisden de kinderen van Israël uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderen.
[^ezechiel-16-7-21]: Kanttekening 21: 21 grote sierlijkheid: Hebreeuws, tot een sierlijkheid de sierlijkheden; dat is, tot zeer grote of de allermeeste frisheid. Zie van deze manier van spreken, Lev. 2:3. Versta dit van een geestelijke sierlijkheid en frisheid, waarvan de oorzaak, zie Deut. 7:7, 7:8, en is vervolgens voortgekomen uit de eerste weldaad hier vermeld, begrepen in de belofte van het leven, boven vers 6. Leviticus 2:3: Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Deuteronomium 7:7: YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het weinigste van alle volken. Deuteronomium 7:8: Maar omdat YHWH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u YHWH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef!
[^ezechiel-16-7-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, naaktheid. Versta, de beroving van de oorspronkelijke gerechtigheid en de ledigheid van al het zaligmakend goed. Zie van de geestelijke naaktheid ook Openb. 3:17. Openbaring 3:17: Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.
[^ezechiel-16-8-23]: Kanttekening 23: 23 van de minne: Dat is dat u huwbaar was, of bekwaam om ten huwelijk begeerd te worden. De Heer spreekt hier menselijkerwijze van het geestelijke huwelijk, dat Hij uit enkel genade en liefde aangegaan heeft met het Joodse volk, als Hij dat van alle andere volken van de aarde heeft afgezonderd en daarmede een verbond van de genade in de Messias opgericht.
[^ezechiel-16-8-24]: Kanttekening 24: 24 breidde Ik Mijn vleugel over u uit: Dat is, Ik nam u in mijne bewaring om u tot mijne bruid te nemen; vergelijk Ruth 3:9. Ruth 3:9: En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser.
[^ezechiel-16-8-25]: Kanttekening 25: Of, schaamte.
[^ezechiel-16-8-a]: Verwijzing a: Gen. 22:16; Gen. 24:7. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Genesis 24:7: De YHWH, de God van de hemel, Die mij uit van mijn vader huis en uit het land mijner familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.
[^ezechiel-16-8-26]: Kanttekening 26: 26 een verbond: Te weten het geestelijke huwelijk, dat Ik uw God en u mijn volk zoudt wezen; zie Gen. 17:1, 17:2, enz. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Genesis 17:2: En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen.
[^ezechiel-16-9-27]: Kanttekening 27: 27 wies Ik u met water: Hierdoor verstaan velen de weldaad van de vergeving van de zonden, vloeiende uit het genadeverbond, en die dikwijls door afwassing afgebeeld en uitgedrukt wordt; Ex. 24:8; Lev. 15:13; Ps. 51:4, 51:9; onder Ez. 36:25; Hand. 22:16; 1 Kor. 6:11; Openb. 1:5. Maar versta ook dit en het volgende van de wedergeboorte en heiligmaking, ten aanzien van de kinderen van de belofte en de uitverkorenen, die onder het volk waren. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met u gemaakt heeft over al die woorden. Leviticus 15:13: Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. Psalmen 51:4: Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Psalmen 51:9: Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Handelingen 22:16: En nu, wat vertoeft u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heer. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^ezechiel-16-9-28]: Kanttekening 28: 28 uw bloed: Te weten dat in uwe geboorte aan u gevonden werd.
[^ezechiel-16-9-29]: Kanttekening 29: 29 zalfde u met olie: Te weten om u behagelijk te maken. Vergelijk Esth. 2:12. Dit betekende de geestelijke zalving met olie van de wedergeboorte, waardoor de mens tot een beter leven geheiligd wordt. Zie van deze olie en zalving, 2 Kor. 1:21, 1:22; 1 Joh. 2:20, 2:27. Esther 2:12: Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot de koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet van de vrouwen geschied was; want zo werden vervuld de dagen van haar versieringen, zes maanden met mirreolie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen van de vrouwen; 2 Korinthiërs 1:21: Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. 1 Johannes 2:20: Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^ezechiel-16-10-30]: Kanttekening 30: 30 Ik bekleedde u ook: Dat is, Ik heb u overvloediglijk voorzien, niet alleen naar het lichaam van al wat u nodig was, maar met geestelijke goederen en weldaden zo verrijkt en vervuld, dat u onder andere volken uitsteekt, Gen. 12:2, 12:3; Num. 24:5, 24:6, 24:7, 24:17, 24:18, 24:19; Deut. 4:6, 4:7, 4:8; Ps. 132:13, 132:14, 132:15, enz. en door mijn huwelijk ene koningin geworden bent; zie Ps. 45:10, 45:11, 45:12, 45:13, 45:14, enz. Zie ook onder vers 13. Genesis 12:2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 12:3: En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Numeri 24:5: Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël! Numeri 24:6: Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; YHWH heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water. Numeri 24:7: Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden. Numeri 24:17: Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren. Numeri 24:18: En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; maar Israël zal kracht doen. Numeri 24:19: En er zal een uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen. Deuteronomium 4:6: Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Deuteronomium 4:7: Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 4:8: En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gehele wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? Psalmen 132:13: Want YHWH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Psalmen 132:14: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Psalmen 132:15: Ik zal haar voedsel rijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. Psalmen 45:10: Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. Psalmen 45:11: Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis. Psalmen 45:12: Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heer is, zo buig u voor Hem neder. Psalmen 45:13: En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. Psalmen 45:14: De Dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt.
[^ezechiel-16-10-31]: Kanttekening 31: 31 gestikt werk: Of, borduurwerk; zo onder vers 18. Ezechiël 16:18: En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.
[^ezechiel-16-10-32]: Kanttekening 32: Zie van deze Ex. 25:5. Exodus 25:5: En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout;
[^ezechiel-16-10-33]: Kanttekening 33: 33 fijn linnen: Zie Gen. 41:42. Genesis 41:42: En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
[^ezechiel-16-11-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 24:22. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, van wie gewicht was tien sikkelen gouds.
[^ezechiel-16-11-35]: Kanttekening 35: Zie van dit woord ook Gen. 41:42. Genesis 41:42: En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
[^ezechiel-16-11-36]: Kanttekening 36: Hebreeuws, keel, of gorgel (גְּרוֹנֵֽ).
[^ezechiel-16-12-37]: Kanttekening 37: Zie Gen. 24:22. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, van wie gewicht was tien sikkelen gouds.
[^ezechiel-16-12-38]: Kanttekening 38: 38 aan uw aangezicht: Of, over uw neus, of aan uw voorhoofd. Zie Gen. 24:47. Genesis 24:47: Toen vraagde ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, welke Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;
[^ezechiel-16-12-39]: Kanttekening 39: Zie hetzelfde woord in dezelfde betekenis Gen. 35:4. Genesis 35:4: Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is.
[^ezechiel-16-12-40]: Kanttekening 40: 40 een kroon van de heerlijkheid: Of, ene kroon van het sieraad; dat is een heerlijke of sierlijke kroon. Zie Spreuk. 4:9, en de aantekening. Spreuken 4:9: Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
[^ezechiel-16-13-41]: Kanttekening 41: 41 Zo was u versierd: Door al deze gelijkenissen, genomen van lichamelijken sieraad, nooddruft, schoonheid en voorspoed, wordt afgebeeld de overvloed van de geestelijke gaven, waarmee God het Israëlietische volk boven andere natiën verheven had, als daar waren de geving van de wet, de openbaring van de hemelse leer, de gave van de profetie, het priesterdom, de zuivere godsdienst, de wonderen, de hoop van het toekomende leven, enz.
[^ezechiel-16-13-42]: Kanttekening 42: 42 gestikt werk: Of, borduurwerk.
[^ezechiel-16-13-43]: Kanttekening 43: Versta onder de soorten van leeftocht hier verhaald, al wat nodig is tot onderhouding van het leven en aangenaam tot vermaking daarvan.
[^ezechiel-16-13-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, in zeer zeer.
[^ezechiel-16-13-45]: Kanttekening 45: 45 zeer schoon: Dat is, zeer aangenaam en van alle volken met verwondering aangezien.
[^ezechiel-16-13-46]: Kanttekening 46: 46 dat u een koninkrijk werdt: Dat is, dat u uw eigen koningen gehad hebt, die u regeerden. Of, u hadt voorspoed in het koninkrijk; te weten meest onder de regering van de koningen David en Salomo. De koninklijke hoogheid was de Israëlieten beloofd, Gen. 17:6 en Gen. 49:10. Genesis 17:6: En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Genesis 49:10: De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^ezechiel-16-14-47]: Kanttekening 47: 47 ging van u een naam uit: Zie de belofte hiervan, Gen. 12:2; Deut. 4:6, 4:7, 4:8. De vervulling Num. 23:8, 23:21, enz.; Joz. 2:9; 2 Sam. 7:9; 1 Kon. 10:1, enz. en 1 Kon. 24: enz.; 2 Kron. 32:33. Genesis 12:2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Deuteronomium 4:6: Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! Deuteronomium 4:7: Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Deuteronomium 4:8: En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gehele wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? Numeri 23:8: Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar YHWH niet scheldt? Numeri 23:21: Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. YHWH, zijn God, is met hem, en het geklank van de Koning is bij hem. Jozua 2:9: En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. 1 Koningen 10:1: En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 2 Kronieken 32:33: En Jehizkia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven van de zonen van David; daartoe deden geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
[^ezechiel-16-14-48]: Kanttekening 48: Zie boven vers 10, 16:13. Ezechiël 16:10: Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde. Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt.
[^ezechiel-16-15-49]: Kanttekening 49: 49 vertrouwd op uw schoonheid: Even alsof u die altijd behouden zoudt, hoe u het ook met mij maaktet.
[^ezechiel-16-15-50]: Kanttekening 50: Dat is, afgoderij bedreven, eensdeels in uw afgodendienst, anderdeels in uw snode verbintenissen met de volken. Zie van de geestelijke hoererij door afgodendienst, Lev. 17:7, en Lev. 20:5, en van de ongeoorloofde verbintenissen door God verboden, Ex. 23:32, en Ex. 34:12; Deut. 7:2, 7:3, en van de Joden gemaakt, 2 Kron. 19:2, en 2 Kron. 20:35, enz. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien. Exodus 23:32: U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. Exodus 34:12: Wacht u, dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u. Deuteronomium 7:2: En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Deuteronomium 7:3: U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. 2 Kronieken 19:2: En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zoudt u de goddeloze helpen, en die YHWH haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht van YHWH grote toornigheid. 2 Kronieken 20:35: Maar na deze vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, de koning van Israël; die handelde goddeloos in zijn doen.
[^ezechiel-16-15-51]: Kanttekening 51: 51 vanwege uw naam: Dat is, omdat u de naam hebt van zeer schoon te zijn, en uit zulke oorzaak de wil u gemeen te maken tot verzadiging van uw hoerachtigen aard.
[^ezechiel-16-15-52]: Kanttekening 52: Te weten uwe schoonheid. Vergelijk Jes. 57:5; Jer. 2:20, 2:23, 2:36 en Jer. 3:6. Jesaja 57:5: Die hittig zijt in de eikenbossen, onder alle groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hoge heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende. Jeremia 2:23: Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait! Jeremia 2:36: Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als u van Assur beschaamd bent. Jeremia 3:6: Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op allen hoge berg, en tot onder alle groenen boom, en hoereerde daar.
[^ezechiel-16-16-53]: Kanttekening 53: Versta, altaren in hoge plaatsen de afgoden opgericht, en met bonte of breed geplekte kleren behangen, opdat zij, van verre gezien zijnde, de voorbijgangers tot afgoderij zouden aantrekken. Deze worden hier vergeleken bij de bedden van de hoeren, welke schoon en kostelijk opgepronkt worden, om de minnaars aan te lokken, Spreuk. 7:16; waarom ook deze afgodische plaatsen van de afgodendienaren bedden genaamd worden, Jes. 57:7. Spreuken 7:16: Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hoge en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren.
[^ezechiel-16-16-54]: Kanttekening 54: 54 zulks is niet gekomen: De zin is dat het de Joden zo grof maakten met hunne afgoderij, dat zij huns gelijken niet hadden noch hebben zouden.
[^ezechiel-16-17-55]: Kanttekening 55: 55 de vaten: Het Hebreeuwse woord wordt in het algemeen genomen voor allerlei vatentuig, gereedschap, of huisraad, dat van goud, zilver, enz. gemaakt is. Vergelijk Lev. 15:4. Leviticus 15:4: Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
[^ezechiel-16-17-56]: Kanttekening 56: 56 Mijn goud en van Mijn zilver: Dat is, dat Ik u gegeven had tot noodzakelijk gebruik en matig sieraad. Vergelijk Hos. 2:8. Hosea 2:8: Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
[^ezechiel-16-17-57]: Kanttekening 57: Het schijnt dat hier mansbeelden genaamd worden, en niet vrouwenbeelden, omdat Jeruzalem hier ingevoerd wordt onder de persoon van ene hoer, die zich met alle mannen vermengt. Of, omdat zij enige beelden hebben gehad in de vorm van een man, zeer onkuis en ijselijk afgebeeld.
[^ezechiel-16-17-58]: Kanttekening 58: Te weten van dat goud en zilver.
[^ezechiel-16-17-59]: Kanttekening 59: Te weten met aan die offeranden te doen, hen aan te roepen en alle godsdienstige eer te bewijzen.
[^ezechiel-16-18-60]: Kanttekening 60: Te weten uwe beelden, en dat, om die ook met kostelijk sieraad te vereren, dat mee afgoderij is.
[^ezechiel-16-18-61]: Kanttekening 61: 61 Mijn olie: Die Ik u tot ander gebruik gegeven heb, en onder anderen tot mijn dienst; zie Gen. 28:18; Ex. 27:20, 27:21, en Ex. 30:7; Lev. 2:1, 2:2, en Lev. 8:2, en Richt. 9:9. Genesis 28:18: Toen stond Jakob 's morgens vroeg op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op. Exodus 27:20: U nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot de luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke. Exodus 27:21: In de tent van de samenkomst, van buiten de voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van YHWH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen van Israël. Exodus 30:7: En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij die aansteken. Leviticus 2:1: Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Leviticus 2:2: En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit de meelbloem daarvan, en uit de olie daarvan, met al de wierook daarvan; en de priester zal het gedenkoffer daarvan aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk YHWH. Leviticus 8:2: Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de kleren, en de zalfolie, daartoe de var van het zondoffer, en de twee rammen, en de korf van de ongezuurde broden; Richteren 9:9: Maar de olijfboom zei tot hen: Zou ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?
[^ezechiel-16-18-62]: Kanttekening 62: Van het reukwerk uit verscheidene specerijen tot het gebruik van de godsdienst gemaakt, zie Ex. 30:34, 30:35. Exodus 30:34: Verder zei YHWH tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. Exodus 30:35: En u zult een reukwerk ener zalf daaruit maken, naar het werk van de apothekers, gemengd, rein, heilig.
[^ezechiel-16-19-63]: Kanttekening 63: 63 hun aangezichten: Te weten van de beelden.
[^ezechiel-16-19-64]: Kanttekening 64: 64 liefelijken reuk: Vergelijk Gen. 8:21. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mens; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^ezechiel-16-20-65]: Kanttekening 65: 65 die u Mij gebaard hadt: Te weten die mij toekwamen uit kracht van het verbond, dat Ik met u en uw zaad gemaakt heb. Want hoewel het Joodse volk God verlaten had en waard was van God verlaten te worden, nochtans omdat dit nog niet geschied was, genereerde het kinderen, die Hij ook door de besnijdenis voor de zijnen nog waardigde te kennen, niet willende de kinderen om de misdaad van de ouders straffen. Zo onder Ez. 23:37. Ezechiël 23:37: Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot voedsel.
[^ezechiel-16-20-66]: Kanttekening 66: Te weten de afgoden en beelden.
[^ezechiel-16-20-67]: Kanttekening 67: 67 om te verteren: Dat is opdat zij die met het vuur verslinden zouden.
[^ezechiel-16-20-68]: Kanttekening 68: 68 is het wat kleins van uw hoererijen: Te weten in uwe ogen, of oordeel, dat u zulke gruwelen doet als in het voorgaande en volgende verhaald worden, voortkomende uit uwe hoererij?
[^ezechiel-16-21-69]: Kanttekening 69: 69 geslacht hebt: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk kelen, of de keel afsteken, Lev. 1:5; maar hier wordt het enkel genomen voor doden; mits door het vuur te doen gaan. Zie Lev. 18:21; 2 Kon. 23:10; 2 Kron. 28:3, en onder Ez. 23:37. Leviticus 1:5: Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van YHWH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! 2 Koningen 23:10: Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. 2 Kronieken 28:3: Die rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen van de heidenen, die YHWH voor het aangezicht van de kinderen van Israël uit de bezitting verdreven had. Ezechiël 23:37: Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot voedsel.
[^ezechiel-16-21-70]: Kanttekening 70: 70 voor hen: Dat is, ter ere van de afgoden.
[^ezechiel-16-21-b]: Verwijzing b: Jes. 57:5. Jesaja 57:5: Die hittig zijt in de eikenbossen, onder alle groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen.
[^ezechiel-16-22-71]: Kanttekening 71: 71 uw jonkheid: Zie boven vers 4. Ezechiël 16:4: En aangaande uw geboorten: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
[^ezechiel-16-22-72]: Kanttekening 72: 72 u naakt en bloot was: Zie boven vers 7. Ezechiël 16:7: Ik heb u tot tien duizend, als het gewas van het veld, gemaakt; en u bent gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, maar u was naakt en bloot.
[^ezechiel-16-22-73]: Kanttekening 73: 73 vertreden was in uw bloed: Zie boven vers 6. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef!
[^ezechiel-16-24-74]: Kanttekening 74: Dat is, verheven plaats om daarop uwe afgoderij te bedrijven; vergelijk Lev. 26:30; Jes. 57:7, enz.; Jer. 3:6. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hoge en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Jeremia 3:6: Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op allen hoge berg, en tot onder alle groenen boom, en hoereerde daar.
[^ezechiel-16-25-75]: Kanttekening 75: 75 Aan elk hoofd van de weg: Of, op elke hoofdweg, of vooraan op allen weg; dat is op alle kruiswegen en aanvangen van de straten; zo onder Ez. 21:21. Vergelijk Spreuk. 8:2, en de aantekening, waar de scheidweg een huis van de paden wordt genoemd. Ezechiël 21:21: Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien. Spreuken 8:2: Op de spits van de hoge plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
[^ezechiel-16-25-76]: Kanttekening 76: 76 hebt met uw: Dat is, u hebt u overgegeven tot allerlei soort van allersnoodste en onbeschaamdste afgoderij, van welke volken u ze ontleend zoudt mogen hebben. Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt van de mond en van de benen; van de mond, voor die wijd opensperren om lichtvaardig en onbeschaamd te spreken, Spreuk. 13:3; van de benen, voor open te zetten tot onkuisheid, gelijk hier. Spreuken 13:3: Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
[^ezechiel-16-25-77]: Kanttekening 77: Hebreeuws, voeten (רַגְלַיִ).
[^ezechiel-16-26-78]: Kanttekening 78: Te weten met ongeoorloofde verbonden met hen te maken; vergelijk Jes. 30:2, en Jes. 31:1, tegen het bevel van de Heer, Deut. 17:16. Zo is ook onder vers 28 het woord hoereren genomen. Jesaja 30:2: Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. Jesaja 31:1: Wee dengenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken YHWH niet. Deuteronomium 17:16: Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen terugkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl YHWH u gezegd heeft: U zult voortaan niet terugkeren door deze weg. Ezechiël 16:28: Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadelijk was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden.
[^ezechiel-16-26-79]: Kanttekening 79: 79 kinderen van Egypte: Dat is, Egyptenaars; zo kinderen van Assur voor Assyriërs, onder vers 28; kinderen van Babel, onder Ez. 23:17. Ezechiël 16:28: Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadelijk was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden. Ezechiël 23:17: De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger van de minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.
[^ezechiel-16-26-80]: Kanttekening 80: 80 groot van vlees zijn: Dat is, die zeer geweldig en machtig zijn, zelfs in onkuisheid. Vergelijk onder Ez. 23:20. Ezechiël 23:20: En zij werd verliefd meer dan hun bijwijven, van wie het vlees is als het vlees van de ezelen, en van wie de vloed is als de vloed van de paarden.
[^ezechiel-16-27-81]: Kanttekening 81: 81 strekte Ik Mijn hand over u uit: Te weten om u te straffen, gelijk volgt; zie boven Ez. 14:9. Ezechiël 14:9: Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
[^ezechiel-16-27-82]: Kanttekening 82: 82 bescheiden deel: Te weten van voedsel en drank, en gewoon onderhoud; zie Job 23:12. Job 23:12: Het gebod van Zijn lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen van Zijn mond heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
[^ezechiel-16-27-83]: Kanttekening 83: 83 gaf u over: Zie de verklaring van deze manier van spreken Ps. 27:12. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, samen met die wrevel uitblaast.
[^ezechiel-16-27-84]: Kanttekening 84: 84 van de dochters van de Filistijnen: Dat is, van het volk van de Filistijnen; zie 2 Kon. 19:21. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^ezechiel-16-27-85]: Kanttekening 85: 85 uw schandelijken weg: Hebreeuws, uw weg van schandelijkheid (דַּרְכֵּ).
[^ezechiel-16-27-c]: Verwijzing c: 2 Kron. 28:18. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^ezechiel-16-28-86]: Kanttekening 86: Zie boven vers 26. Ezechiël 16:26: U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
[^ezechiel-16-28-87]: Kanttekening 87: 87 kinderen van Assur: Zie 2 Kon. 16:7; 2 Kron. 28:16. 2 Koningen 16:7: Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. 2 Kronieken 28:16: Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden.
[^ezechiel-16-28-88]: Kanttekening 88: 88 onverzadelijk was: Te weten van hoereren.
[^ezechiel-16-29-89]: Kanttekening 89: 89 in het land van Kanaän tot in Chaldea: Sommigen verstaan dit zo, dat de Joden niet alleen de afgoderij van de Kanaänieten nagevolgd hebben, maar ook die van de Chaldeën, en dat zulks zou mogen geschied zijn van degenen, die met Jechonia naar Babel gevankelijk zijn weggevoerd geweest.
[^ezechiel-16-30-90]: Kanttekening 90: 90 zwak is uw hart: Of, flauw, week, mat; te weten vermoeid en overarbeid zijnde, door die onverzadelijke hoerachtige begeerlijkheid.
[^ezechiel-16-30-91]: Kanttekening 91: 91 heersende hoerachtige vrouw: Dat is, die niet alleen ene hoer is, maar in de hoererij zo overdadig, dartel en moedwillig, dat zij de meesteresse boven allen is.
[^ezechiel-16-31-92]: Kanttekening 92: Zie boven vers 24. Ezechiël 16:24: Dat u u een verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
[^ezechiel-16-31-93]: Kanttekening 93: 93 aan het hoofd van iederen weg: Zie boven vers 25. Ezechiël 16:25: Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
[^ezechiel-16-31-94]: Kanttekening 94: 94 een hoer: Omdat zij geen loon begeert, maar toegeeft. Zie vers 33, 16:34. Ezechiël 16:33: Men geeft loon aan alle hoeren; maar u geeft uw loon aan al uw boelen, en u beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. Ezechiël 16:34: Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, omdat men u niet naloopt, om te hoereren; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden.
[^ezechiel-16-32-95]: Kanttekening 95: 95 overspelige vrouw: Te weten die andere mannen tot zich lokt, zonder enig loon te begeren.
[^ezechiel-16-32-96]: Kanttekening 96: 96 haar man: Die God zelf is, Hos. 2:19; 2 Kor. 11:2. Hosea 2:19: (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult YHWH kennen. 2 Korinthiërs 11:2: Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^ezechiel-16-32-97]: Kanttekening 97: Te weten boelen en hoereerders; dat is, vreemde en valse goden; Ps. 44:21; Jer. 2:25, en Jer. 3:13. Psalmen 44:21: Zo wij de Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid, Jeremia 2:25: Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen! Jeremia 3:13: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen YHWH, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groenen boom, maar u bent Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt YHWH.
[^ezechiel-16-33-98]: Kanttekening 98: 98 Men geeft loon aan alle hoeren: Hebreeuws, zij geven; te weten de hoereerders.
[^ezechiel-16-33-99]: Kanttekening 99: 99 uw loon: Te weten zowel in het bekomen en verkrijgen van de vreemde goden en de wijze om die te dienen, als om afgodische verbonden met de heidenen te maken.
[^ezechiel-16-33-100]: Kanttekening 100: Hebreeuws, liefhebbers, of minnaars; zo in het volgende.
[^ezechiel-16-33-101]: Kanttekening 101: 101 van rondom: Dat is, van alle steden en landen.
[^ezechiel-16-33-102]: Kanttekening 102: 102 zouden ingaan: Zie van deze manier van spreken Gen. 6:4. Genesis 6:4: In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.
[^ezechiel-16-33-103]: Kanttekening 103: 103 om uw hoererijen: Dat is, om met u hoererij te bedrijven.
[^ezechiel-16-34-104]: Kanttekening 104: 104 het tegendeel: Hebreeuws, omkering.
[^ezechiel-16-34-105]: Kanttekening 105: 105 van de vrouwen: Te weten die onkuis zijn en haar lichaam gemeen maken. Want zij begeren hoerenloon te ontvangen en niet te geven.
[^ezechiel-16-34-106]: Kanttekening 106: 106 omdat men u niet naloopt: Hebreeuws, achter u om werd niet gehoereerd; dat is, omdat u niemand vervolgt of naloopt om met u hoererij te bedrijven.
[^ezechiel-16-36-107]: Kanttekening 107: 107 vergif uitgestort is: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk koper, koperroest, kopergroen, Spaansgroen, dat vergiftig is, en wordt hier bij gelijkenis genomen voor de vuilen vloed, die ene hoer met veel hoereren krijgt aan haar lichaam. Waarmee te verstaan gegeven wordt hoe vuil en schandelijk de afgoderij voor God is. Naar anderer gevoelen wijst het woord op de onverzadelijke begeerlijkheid van de hoeren; zie van het Hebreeuwse woord onder Ez. 24:11. Dit vertalen anderen vuiligheid, lelijkheid, schamelheid, of fielterij. Ezechiël 24:11: Stel hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.
[^ezechiel-16-36-108]: Kanttekening 108: 108 uw boelen ontdekt is: Hier wordt verhaald tweeërlei geestelijke hoererij; de eerste met vreemde volken door ongeoorloofde verbonden, als daar waren de Assyriërs, Egyptenaars en Babyloniërs; de andere met de afgoden door valse godsdiensten.
[^ezechiel-16-36-110]: Kanttekening 110: 110 bloed uw kinderen: Hebreeuws, de bloeden (דְמֵי); dat is, doodslagen, zie Gen. 4:10, waardoor u uwe kinderen wredelijk vermoord hebt, de afgoden ter ere. Zie boven vers 20, 16:21. Anders: bij, of omtrent het bloed van uwe kinderen, enz.; dat is, als u uwe kinderen vermoord hebt. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze hun geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u ze voor hen door het vuur hebt doen gaan?
[^ezechiel-16-36-109]: Kanttekening 109: 109 uw gruwelen: De afgoden worden zo genoemd omdat in hun afgodsdienst vele gruwelen gebeuren.
[^ezechiel-16-37-111]: Kanttekening 111: 111 boelen vergaderen: Uit dat de legermacht van de Babyloniërs bestond.
[^ezechiel-16-37-112]: Kanttekening 112: 112 vermengd zijt geweest: Te weten in geestelijke afgoderij, zowel van de goddeloze verbonden als van de valse godsdiensten. Anders: wellust of vermaak genomen, of gedreven hebt, of wellustig geweest zijt, of het zoet gehad hebt.
[^ezechiel-16-37-113]: Kanttekening 113: 113 uw naaktheid ontdekken: Of, uwe schaamte. Dit betekent de snoodste en laagste schande, die men iemand zou mogen voor de mensen aandoen. Vergelijk 2 Sam. 10:4; Jes. 20:4, en Jes. 47:3; Jer. 13:22, 13:26; Nah. 3:5. 2 Samuël 10:4: Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. Jesaja 20:4: Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. Jesaja 47:3: Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. Jeremia 13:22: Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Jeremia 13:26: Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. Nahum 3:5: Ziet, Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal de heidenen uw naaktheid, en de koninkrijken uw schande wijzen.
[^ezechiel-16-38-114]: Kanttekening 114: 114 de rechten van de overspeelsters: Zie van deze rechten Lev. 20:10; Deut. 22:22. Leviticus 20:10: Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster. Deuteronomium 22:22: Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij de getrouwde vrouw van een man, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult u het boze uit Israël wegdoen.
[^ezechiel-16-38-115]: Kanttekening 115: 115 van de bloedvergietsters richten: Zie Gen. 9:6; Ex. 21:12; Matt. 26:52; Openb. 13:10. Genesis 9:6: Wie het bloed van de mens vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Exodus 21:12: Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden. Mattheüs 26:52: Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Openbaring 13:10: Als iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.
[^ezechiel-16-38-116]: Kanttekening 116: 116 het bloed van de grimmigheid: Dat is, de dood, die voortkomen zal uit mijn grimmigheid en ijver.
[^ezechiel-16-38-117]: Kanttekening 117: Zie boven Ez. 4:13. Ezechiël 4:13: En YHWH zei: Zo zullen de kinderen van Israël hun brood onrein eten onder de heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal.
[^ezechiel-16-39-118]: Kanttekening 118: 118 sierlijke juwelen nemen: Hebreeuws, vaten of gereedschappen van uw sieraad, of uw heerlijkheid (תִפְאַרְתֵּ).
[^ezechiel-16-41-119]: Kanttekening 119: 119 met vuur verbranden: Deze straf is hier misschien ook vermeld ten aanzien van de zonde van overspel, die zo door enige oude wetten is gestraft geweest. Vergelijk Gen. 38:24; Lev. 21:9; Jer. 29:22, 29:23; onder Ez. 23:45, 23:47. Zie deze verbranding vervuld, 2 Kon. 25, en 2 Kron. 36, en Jer. 52. Genesis 38:24: En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zei Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde! Leviticus 21:9: Als nu de dochter van enige priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden. Jeremia 29:22: En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: YHWH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; Jeremia 29:23: Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt YHWH. Ezechiël 23:45: Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht van de overspeelsters, en naar het recht van de bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen. Ezechiël 23:47: En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en ze met hun zwaarden nederhouwen; haar zonen en haar dochters zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden.
[^ezechiel-16-41-120]: Kanttekening 120: 120 vrouwen ogen: Dat is, volken. Zo is het Joodse volk in deze hele handel voorgesteld onder de naam van een overspelige vrouw. Zo worden ook door dochters in de Heilige Schrift volken verstaan. Zie boven vers 27. Hier nu wordt gesproken van de omliggende volken, voor wie de Joden in hun ondergang tot een openbaar voorbeeld van Gods wraak, ja velen tot een spot geworden zijn. Zie Ps. 137:7; Klaagl. 1:8, 1:21, en Klaagl. 2:15, 2:16, onder Ez. 25:3, enz., en Ez. 26:2, enz. Ezechiël 16:27: Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in de lust dergenen, die u haten, van de dochters van de Filistijnen, die vanwege uw schandelijken weg beschaamd waren. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! Klaagliederen 1:8: Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd. Klaagliederen 1:21: Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat U het gedaan hebt; als U de dag zult voortgebracht hebben, die U uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben. Klaagliederen 2:15: Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Klaagliederen 2:16: Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Ezechiël 25:3: En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; Ezechiël 26:2: Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!
[^ezechiel-16-41-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 25:9; Jer. 52:13. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, samen met alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de grote verbrandde hij met vuur. Jeremia 52:13: Zo verbrandde hij het huis van YHWH en het huis van de koning; samen met alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de grote verbrandde hij met vuur.
[^ezechiel-16-42-121]: Kanttekening 121: 121 Mijn grimmigheid op u doen rusten: Zie boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-16-42-122]: Kanttekening 122: 122 Mijn ijver zal van u afwijken: Te weten, nadat Ik al mijn schrikkelijke oordelen tegen u zal uitgevoerd hebben, zulks dat Ik mij daarmede tevreden houden zal zonder mij over uwe snoodheid meer te storen. God spreekt van zichzelf menselijkerwijze.
[^ezechiel-16-43-123]: Kanttekening 123: 123 aan de dagen van uw jonkheid: Dat is, aan uwe eerste ellende en mijne weldadigheid daarin tegen u. Zie boven vers 4, enz. Ezechiël 16:4: En aangaande uw geboorten: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
[^ezechiel-16-43-124]: Kanttekening 124: 124 tot beroering geweest zijt met dit alles: Te weten tot toorn. Zo is dit woord voor toornige beroering genomen, Gen. 45:24; Spreuk. 29:9. Zie de aantekening. Genesis 45:24: En hij zond zijn broers heen; en zij vertrokken; en hij zei tot hen: Verstoort u niet op de weg. Spreuken 29:9: Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
[^ezechiel-16-43-125]: Kanttekening 125: 125 uw weg op uw hoofd geven: Zie boven Ez. 9:10. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
[^ezechiel-16-43-126]: Kanttekening 126: 126 die schandelijke: Versta, de vergeting van haar jonkheid, waarvan in het begin van vers 43 gemeld is. Anders, de vermoording van haar kinderen, waarvan zie boven vers 20, 16:21. Sommigen nemen het Hebreeuwse woord in het goede, en vertalen deze woorden aldus: en u hebt niet een gedachte gemaakt, of gehad; dat is niet eens gedacht aan al uwe gruwelen. Ezechiël 16:43: Daarom dat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heer YHWH; en u zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze hun geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u ze voor hen door het vuur hebt doen gaan?
[^ezechiel-16-43-127]: Kanttekening 127: Dat is, gruwelijke afgoderijen.
[^ezechiel-16-43-e]: Verwijzing e: Ez. 9:10; Ez. 11:21. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven. Ezechiël 11:21: Maar van wie hart het hart hun verfoeiselen en hun gruwelen nawandelt, van hen weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-16-44-128]: Kanttekening 128: 128 spreekwoord gebruiken: Zie boven Ez. 12:22. Ezechiël 12:22: Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?
[^ezechiel-16-44-129]: Kanttekening 129: 129 Zo de moeder is, is haar dochter: Dat is de dochter volgt zeer dikwijls de aard en de zeden van haar moeder.
[^ezechiel-16-45-130]: Kanttekening 130: 130 U bent de dochter van uw moeder: Dat is, u aardt naar haar en bent haar in manieren en werken gelijk.
[^ezechiel-16-45-131]: Kanttekening 131: 131 van haar man en van haar kinderen: Dat is, van God, die zij door de afgoderij verliet, en van haar eigen zonen en dochters, die zij de afgoden ter ere vermoordde.
[^ezechiel-16-45-132]: Kanttekening 132: 132 uw zussen: Genaamd Samaria en Sodom in vers 46. Hebreeuws, zus (אֲחוֹת); dat is, van elke van uw zussen, zo in het volgende. Ezechiël 16:46: Uw grote zus nu is Samaria, zij en haar dochters, die woont aan uw linkerhand; maar uw zus, die kleiner is dan u, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochters.
[^ezechiel-16-45-133]: Kanttekening 133: 133 uw moeder was een Hethietische: Zie boven vers 3. Ezechiël 16:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land van de Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.
[^ezechiel-16-46-134]: Kanttekening 134: 134 grote zus nu is Samaria: Samaria, waardoor de tien stammen verstaan zijn, wordt Jeruzalems grote zus genaamd, omdat haar koninkrijk meerder was dan het koninkrijk van Juda, zo Sodom haar kleine zus, omdat haar koninkrijk minder was.
[^ezechiel-16-46-135]: Kanttekening 135: Het woord dochters betekent wel dikwijls de onderhorige plaatsen van de grote steden, \[zie 2 Kon. 19:21\], maar hier kan men het verstaan van de inwoners van deze steden en landen. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^ezechiel-16-46-136]: Kanttekening 136: 136 aan uw linkerhand: Dat is, noordwaarts van u. Want die in Jeruzalem waren, staande met het aangezicht naar het oosten, hadden Samaria aan de linkerhand; dat is benoorden, en Sodom aan de rechterhand, dat is bezuiden.
[^ezechiel-16-47-137]: Kanttekening 137: 137 hebt in haar wegen niet gewandeld: Dat is, haar zonden zijn nog bij de uwe, die veel meerder en gruwelijker zijn, niet te vergelijken.
[^ezechiel-16-47-138]: Kanttekening 138: 138 het was wat gerings: Te weten niets anders te zondigen dan die van Samaria en Sodom gezondigd hadden.
[^ezechiel-16-47-139]: Kanttekening 139: 139 een verdriet: Te weten dat u niet meer zoudt doen dan zij gedaan hebben.
[^ezechiel-16-47-140]: Kanttekening 140: 140 meer verdorven dan zij: Dat is, erger gemaakt en goddelozer geleefd. Zo is het woord verderven, of verdorven maken genomen. Deut. 31:29; Richt. 2:19. Anders noemt dit de Heilige Schriftuur, zijn weg verderven, Gen. 6:12; zijne handelingen, of werken verderven, Zef. 3:7. Deuteronomium 31:29: Want ik weet, dat u het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen van YHWH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken. Richteren 2:19: Maar het geschiedde met het versterven van de richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, die dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van deze hun harden weg. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Zefanja 3:7: Ik zei: Immers zult u Mij vrezen, u zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.
[^ezechiel-16-47-141]: Kanttekening 141: Dat is, werken.
[^ezechiel-16-48-142]: Kanttekening 142: Een afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk.
[^ezechiel-16-49-143]: Kanttekening 143: 143 zatheid van brood: Versta al de zonden, welke uit de overvloed van lichamelijke nooddruft plegen in de goddeloze voort te komen, zo in het volgende: gerust voor het kwaad, dat daaruit komt.
[^ezechiel-16-49-144]: Kanttekening 144: 144 stille gerustheid: Of, gerust stilheid. Anders: overvloedige ledigheid.
[^ezechiel-16-50-145]: Kanttekening 145: Zie hiervan Gen. 13:13, en Gen. 18:20, en Gen. 19:5. Genesis 13:13: En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen YHWH. Genesis 18:20: Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, Genesis 19:5: En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
[^ezechiel-16-50-146]: Kanttekening 146: 146 voor Mijn aangezicht: Zie Gen. 6:11. Genesis 6:11: Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
[^ezechiel-16-50-147]: Kanttekening 147: 147 nadat Ik het gezien had: Te weten hoe gruwelijk zij leefden. Vergelijk Gen. 18:21, en de aantekening. Het is menselijkerwijze van God gesproken. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^ezechiel-16-50-f]: Verwijzing f: Gen. 19:24. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel.
[^ezechiel-16-51-148]: Kanttekening 148: 148 niet gezondigd: Te weten om uwe ondankbaarheid, waardoor u de weldadigheid, die van mij aan u veel meer dan aan Samaria geweest is, smadelijk verworpen hebt; en om uwe zorgeloosheid, waardoor u de straffen, die Ik over Samaria gezonden heb, u tot een voorbeeld en waarschuwing, hebt in de wind geslagen.
[^ezechiel-16-51-149]: Kanttekening 149: 149 gerechtvaardigd door al uw gruwelen: Dat is, verklaard vromer te zijn dan u, omdat zij zo gruwelijk niet gezondigd hebben. Vergelijk Jer. 3:11. Jeremia 3:11: Daarom YHWH tot mij zei: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.
[^ezechiel-16-52-150]: Kanttekening 150: Hebreeuws, zus (אֲחוֹתֵ). Zie boven vers 45. Ezechiël 16:45: U bent de dochter van uw moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus van uw zussen, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
[^ezechiel-16-52-151]: Kanttekening 151: 151 geoordeeld hebt: Dat is, gerechtvaardigd en vromer dan uzelven gesproken hebt, gelijk in vers 51. Anders: die uwe zus, te weten Samaria, veroordeeld hebt, verklarende dat zij om haar afval rechtvaardig van God gestraft en verlaten was. Anders: u die uwe zussen geoordeeld hebt, draag ook uwe schande om uwe zonden, enz. Ezechiël 16:51: Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden niet gezondigd; en u hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die u gedaan hebt.
[^ezechiel-16-52-152]: Kanttekening 152: 152 zussen gerechtvaardigd hebt: Hebreeuws, zus (אֲחוֹתֵ). Zie boven vers 45. Ezechiël 16:45: U bent de dochter van uw moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus van uw zussen, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
[^ezechiel-16-53-153]: Kanttekening 153: 153 gevangenen wederbrengen zal: Hebreeuws, gevangenis, zo in het volgende (שְׁבִיתְ). Zie Num. 31:12. Numeri 31:12: Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de vergadering van de kinderen van Israël, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.
[^ezechiel-16-53-154]: Kanttekening 154: 154 gevangenen van Samaria: Het woord gevangenis wordt genomen voor allerlei plagen en straffen, die de mens overkomen. Zie Job 42:10 en de aantekening. Job 42:10: En YHWH wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en YHWH vermeerderde al wat Job gehad had tot dubbel zoveel.
[^ezechiel-16-53-155]: Kanttekening 155: 155 dan zal Ik wederbrengen: Dat is, nimmermeer. Want Sodom en Samaria waren geheel uitgeroeid zonder enige hoop van in haar vorigen staat hersteld te worden; zo in vers 55. Versta dit met uitneming van degenen, die God uit genade gekozen had, tot een heilig zaad en een overblijfsel van zijn kerk, van welke zie onder vers 60. Ezechiël 16:55: Als uw zussen, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorigen staat, samen met Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorigen staat, zult u ook en uw dochters terugkeren tot uw vorigen staat. Ezechiël 16:60: Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen van uw jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
[^ezechiel-16-54-156]: Kanttekening 156: Te weten Sodom en Samaria.
[^ezechiel-16-54-157]: Kanttekening 157: 157 troosten zult: Dat is, in haar plagen, die zij ontvangen hebben, verlichten, als zij zullen inzien dat gelijke zonden gelijke plagen krijgen. Vergelijk boven Ez. 14:22. Ezechiël 14:22: Maar ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; ziet, zij zullen tot u uitkomen, en u zult hun weg zien, en hun handelingen; en u zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
[^ezechiel-16-56-158]: Kanttekening 158: 158 is in uw mond niet gehoord geweest: Hebreeuws, is niet tot een gehoor of gerucht geweest in uw mond (פִי); dat is, u hebt kwalijk enig gewag gemaakt van het vreselijk exempel mijner wraak, die Ik over de Sodomieten uitgestort heb, ten einde u met vermijding van gelijke zonden, gelijke straffen zoudt mogen ontgaan.
[^ezechiel-16-56-159]: Kanttekening 159: 159 uws grote hoogmoeds: Hebreeuws, uw hoogmoeden; dat is, als u zeer hoogmoedig bent geweest, te weten als u met grote hovaardigheid en stoutmoedigheid alle waarschuwingen mijner profeten versmaad hebt en in uwe gruwelen voortgegaan bent. Anders, uw heerlijkheden, of overtreffelijkheden; dat is, als u in uw hoogsten welstand, weelde en waardigheid was. Het Hebreeuwse woord wordt in het kwade voor hoogmoed, of hovaardij genomen, Lev. 26:19; Job 35:12; boven Ez. 7:24; in het goede voor heerlijkheid, overtreffelijkheid, hoogheid, Ex. 15:7; Job 40:5; Ps. 47:5. Leviticus 26:19: Want Ik zal de hovaardigheid van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. Job 35:12: Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de bozen. Ezechiël 7:24: Daarom zal Ik de kwaadste van de heidenen doen komen, die hun huizen erfelijk bezitten zullen, en zal de hoogmoed van de sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden. Exodus 15:7: En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. Job 40:5: Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! Psalmen 47:5: Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, die Hij heeft liefgehad. Sela.
[^ezechiel-16-57-160]: Kanttekening 160: 160 ontdekt was: Te weten door mijne straffen, die Ik over u gezonden heb. Anders zijn de zonden van Gods volk door de predikatie en vermaningen van de profeten altijd ontdekt geweest.
[^ezechiel-16-57-161]: Kanttekening 161: 161 van de versmading van de dochters van Syrië: Dat is, waardoor u van de Syriërs bent versmaad geweest, als zij uw land afliepen en plunderden; 2 Kon. 16:5, 16:6; 2 Kron. 28:5, 28:6. 2 Koningen 16:5: Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden. 2 Koningen 16:6: In die tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weer aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op deze dag. 2 Kronieken 28:5: Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag. 2 Kronieken 28:6: Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God van hun vaderen, verlaten hadden.
[^ezechiel-16-57-162]: Kanttekening 162: 162 datzelve waren: Te weten land van Syrië.
[^ezechiel-16-57-163]: Kanttekening 163: 163 de dochters van de Filistijnen: Dat is, de Filistijnen; zie 2 Kron. 28:18. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^ezechiel-16-57-164]: Kanttekening 164: Versta, de verachting, die recht tevoren versmading is genaamd geweest. Anders: beroofden en plunderden. Want het Hebreeuwse woord betekent naar veler gevoelen niet alleen verachten, maar ook beroven.
[^ezechiel-16-57-165]: Kanttekening 165: 165 van rondom: Dat is, van alle zijden.
[^ezechiel-16-58-166]: Kanttekening 166: 166 uw schandelijke daden: Hebreeuws, schandelijke daad, schandelijkheid; dat is, straffen daarvan, waardoor uwe boosheid is begonnen ontdekt te worden.
[^ezechiel-16-59-168]: Kanttekening 168: 168 eed veracht hebt: Te weten waardoor u gezworen en u vervloekt hebt, als u het verbond, dat Ik met u gemaakt hebt, kwaamt te breken; Deut. 27:15, enz. Vergelijk Neh. 10:29, en de aantekening. Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Nehemia 10:29: Die hielden zich aan hun broers, hun voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van YHWH, onze Heer, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;
[^ezechiel-16-59-169]: Kanttekening 169: Gemaakt op de berg Sinaï.
[^ezechiel-16-59-167]: Kanttekening 167: 167 Ik zal u ook doen: Dat is, gelijk u het verbond gebroken hebt, zo heb Ik nu ook de vrijheid hetzelfde te doen.
[^ezechiel-16-59-g]: Verwijzing g: Jer. 2:20. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hoge heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^ezechiel-16-59-h]: Verwijzing h: boven, v. 8. Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heer YHWH en u werdt de Mijne.
[^ezechiel-16-60-170]: Kanttekening 170: 170 gedachtig wezen aan Mijn verbond: Zie Gen. 8:1. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^ezechiel-16-60-171]: Kanttekening 171: 171 met u: Dat is, dat Ik met u gemaakt heb ten tijde van Abraham, Izak en Jakob. Want met deze en hunne nakomelingen had God een verbond van de genade opgericht, steunende op de verdiensten van de toekomenden Messias; Gen. 17:2. Genesis 17:2: En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen.
[^ezechiel-16-60-172]: Kanttekening 172: 172 eeuwig verbond oprichten: Te weten hangende van het voorgaande verbond van de genade en ene vernieuwing daarvan zijnde, en mee openstaande voor alle heidenen, die in Christus geloven zouden.
[^ezechiel-16-61-173]: Kanttekening 173: 173 u uw wegen gedenken: Namelijk, o Jeruzalem en Juda.
[^ezechiel-16-61-174]: Kanttekening 174: 174 uw zussen: Versta, degenen die uit de Israëlieten, of de tien stammen, en uit de volken, zo grote, zo kleine, in de Messias geloven, en zich tot de ware kennis van God bekeren zouden.
[^ezechiel-16-61-175]: Kanttekening 175: 175 aannemen zult: Dat is, ontvangen tot de gemeenschap van de kerk.
[^ezechiel-16-61-176]: Kanttekening 176: 176 tot dochters: Te weten als uit u geboren door de prediking van het heilig Evangelie.
[^ezechiel-16-61-177]: Kanttekening 177: 177 uw verbond: Te weten het verbond van de wet, dat Ik met u gemaakt heb, alsof u dat wel onderhouden hadt; maar uit mijn genadeverbond, dat ook mijnen uitverkorenen uit de heidenen betreft.
[^ezechiel-16-61-i]: Verwijzing i: Galat. 4:26. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder.
[^ezechiel-16-62-178]: Kanttekening 178: Versta het verbond van de genade, en vergelijk Jer. 31:32. Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH;
[^ezechiel-16-62-179]: Kanttekening 179: Of bevestigen.
[^ezechiel-16-63-180]: Kanttekening 180: 180 niet meer uw mond opent: Hebreeuws, niet meer opening van de mond hebt (פֶּה); dat is, opdat u niet meer de stoutheid noch de stof hebt om u te ontschuldigen en uwe zonden te sparen. Deze manier van spreken in het goede genomen, is zoveel als de vrijmoedigheid en stof te hebben om iets duidelijk uit te spreken; zie onder Ez. 29:21; Ef. 6:19. Ezechiël 29:21: Te die dage zal Ik de hoorn van het huis van Israël doen uitspruiten, en u opening van de mond geven in het midden van hen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Efeziërs 6:19: En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;
[^ezechiel-16-63-181]: Kanttekening 181: 181 voor u verzoening doen zal: Dat is, u met mij verzoenen zal; zo 2 Kron. 30:18. Of, genadig zijn zal; Deut. 21:8. Zie de aantekening. 2 Kronieken 30:18: Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: YHWH, die goed is, make verzoening voor die. Deuteronomium 21:8: Wees genadig aan Uw volk Israël, dat U, o YHWH! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.

### Ezechiël 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/17.json)

*Door de gelijkenis van een arend, die een cederrank van de Libanon haalt en een nieuwe wijnstok plant, alsook een andere grote arend, naar wie die wijnstok zich neigde, stelt God zijn volk voor: de wegvoering in gevangenschap van koning Jechonia en anderen door de koning van Babel, de aanstelling van Zedekia tot koning in zijn plaats, en diens meinedigheid en afval naar de koning van Egypte, vers 1, 2, 3, enz. Daarom voorzegt God dat hij, door Egypte en zijn eigen volk verlaten, naar Babel in gevangenschap zal worden weggevoerd, 15. Hij belooft echter een andere nieuwe, evangelische cederrank, tot heil van zijn volk, 22.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v1)

**2** Mensenkind, stel een[^ezechiel-17-2-1] raadsel voor, en gebruik een[^ezechiel-17-2-2] gelijkenis[^ezechiel-17-2-3] tot het huis van Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v2)

**3** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Een adelaar, die groot was,[^ezechiel-17-3-5] groot van vleugels, lang van vlerken, vol van veren, die[^ezechiel-17-3-6] verscheidene kleuren had, kwam op de[^ezechiel-17-3-7] Libanon, en nam de[^ezechiel-17-3-8] bovenste tak van een[^ezechiel-17-3-9] ceder.[^ezechiel-17-3-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v3)

**4** Hij plukte de top[^ezechiel-17-4-10] van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van[^ezechiel-17-4-11] koophandel; hij zette hem in[^ezechiel-17-4-12] een stad van[^ezechiel-17-4-13] kooplieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v4)

**5** [^ezechiel-17-5-14] Hij nam ook van[^ezechiel-17-5-15] het zaad van het land, en[^ezechiel-17-5-16] legde het in een zaadakker; hij nam het,[^ezechiel-17-5-17] hij zette het bij vele wateren[^ezechiel-17-5-18] met grote voorzichtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v5)

**6** En[^ezechiel-17-6-19] het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok[^ezechiel-17-6-20], maar nederig van[^ezechiel-17-6-21] stam, ziende met zijn takken[^ezechiel-17-6-22] naar hem, omdat zijn wortels onder hem waren. Zo werd[^ezechiel-17-6-23] hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v6)

**7** Nog was er een[^ezechiel-17-7-24] grote adelaar,[^ezechiel-17-7-25] groot van vleugels en overvloedig van veren; en ziet,[^ezechiel-17-7-26] deze wijnstok voegde[^ezechiel-17-7-27] zijn wortels daarnaar[^ezechiel-17-7-28] toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat[^ezechiel-17-7-29] hij[^ezechiel-17-7-30] hem bevochtigen zou[^ezechiel-17-7-31] naar de bedden[^ezechiel-17-7-32] van zijn planting toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v7)

**8** Hij was in een goede akker bij vele wateren[^ezechiel-17-8-33] geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijke wijnstok worden mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v8)

**9** Zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zal[^ezechiel-17-9-34] hij strekken? Zal[^ezechiel-17-9-35] hij niet[^ezechiel-17-9-36] zijn wortels uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog wordt? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen;[^ezechiel-17-9-37] en dat[^ezechiel-17-9-38] niet door een grote arm, noch door veel volk, om die van zijn wortels weg te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v9)

**10** Ja ziet,[^ezechiel-17-10-39] zal hij geplant zijnde strekken?[^ezechiel-17-10-40] Zal hij niet, als de[^ezechiel-17-10-41] oostenwind hem aanroert,[^ezechiel-17-10-42] geheel verdrogen?[^ezechiel-17-10-43] Op de bedden[^ezechiel-17-10-44] van zijn gewas zal hij verdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v10)

**11** Daarna kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v11)

**12** Zeg nu tot[^ezechiel-17-12-45] dat opstandig huis: Weet u niet, wat[^ezechiel-17-12-46] deze dingen[^ezechiel-17-12-47] zijn? Zeg:[^ezechiel-17-12-48] Zie, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft[^ezechiel-17-12-49] haar koning genomen, en haar[^ezechiel-17-12-50] vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v12)

**13** Daartoe heeft hij van het[^ezechiel-17-13-51] koninklijk zaad genomen, en daarmee[^ezechiel-17-13-a] een verbond gemaakt, en heeft hem tot[^ezechiel-17-13-52] een eed gebracht, en de[^ezechiel-17-13-53] machtigen van het land heeft hij[^ezechiel-17-13-54] weggenomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v13)

**14** Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond[^ezechiel-17-14-55] houdende, bestaan mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v14)

**15** Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte,[^ezechiel-17-15-b] opdat men hem paarden en veel volk bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij[^ezechiel-17-15-56] het verbond breken en ontkomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v15)

**16** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, zo hij niet[^ezechiel-17-16-57] in de plaats van de koning, die hem koning gemaakt heeft, van wie hij de eed veracht, en van wie hij het verbond gebroken heeft,[^ezechiel-17-16-58] bij hem in het midden van Babel[^ezechiel-17-16-59] zal sterven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v16)

**17** Ook zal Farao, door een groot leger en door menigte van krijgsvergadering, met[^ezechiel-17-17-60] hem in oorlog[^ezechiel-17-17-c] niets uitrichten[^ezechiel-17-17-61] als men een[^ezechiel-17-17-d] wal zal[^ezechiel-17-17-62] opwerpen, en als[^ezechiel-17-17-e] men vestingen bouwen zal, om[^ezechiel-17-17-63] vele zielen uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v17)

**18** Want[^ezechiel-17-18-64] hij heeft de[^ezechiel-17-18-65] eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn[^ezechiel-17-18-66] hand gegeven had; omdat hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v18)

**19** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zo waarachtig als Ik leef,[^ezechiel-17-19-67] zo Ik Mijn eed, die hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, het[^ezechiel-17-19-68] niet op zijn hoofd geve! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v19)

**20** En Ik zal[^ezechiel-17-20-69] Mijn[^ezechiel-17-20-f] net over[^ezechiel-17-20-70] hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal[^ezechiel-17-20-71] daar met hem[^ezechiel-17-20-g] rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v20)

**21** Daartoe zullen al[^ezechiel-17-21-72] zijn vluchtelingen met al zijn[^ezechiel-17-21-73] benden[^ezechiel-17-21-74] door het[^ezechiel-17-21-h] zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen[^ezechiel-17-21-75] in alle winden[^ezechiel-17-21-i] verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v21)

**22** Zo zegt Adonai YHWH: Ik zal ook[^ezechiel-17-22-76] van de bovenste tak van de hoge ceder nemen, dat Ik[^ezechiel-17-22-79] zetten zal; van het bovenste van zijn jonge takjes zal Ik[^ezechiel-17-22-80] een tedere afplukken, die Ik op[^ezechiel-17-22-81] een hoge en verheven berg planten zal;[^ezechiel-17-22-77][^ezechiel-17-22-78] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v22)

**23** Op de berg[^ezechiel-17-23-82] van de hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en[^ezechiel-17-23-83] vrucht[^ezechiel-17-23-84] dragen, en hij zal tot een[^ezechiel-17-23-85] heerlijke ceder worden, dat onder hem wonen zal[^ezechiel-17-23-86] alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v23)

**24** Zo zullen alle[^ezechiel-17-24-87] bomen van het veld weten, dat Ik, YHWH, de hoge[^ezechiel-17-24-88] boom vernederd heb,[^ezechiel-17-24-89] de nederige boom verheven heb,[^ezechiel-17-24-90] de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/17.html#v24)

[^ezechiel-17-2-1]: Kanttekening 1: Zie Richt. 14:12. Richteren 14:12: Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.
[^ezechiel-17-2-2]: Kanttekening 2: Of, parabel; dat is een verhaal waarin ene zaak doorgaans met iets anders vergeleken wordt, om die te meer klaarheid en kracht te geven; en kan anders ook genoemd worden een allegorie. Zo onder Ez. 20:49 en Ez. 24:3; Matt. 13:3, 13:13, enz. Hebreeuws, parabel een parabel. Ezechiël 20:49: En ik zei: Ach, Heer YHWH, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen? Ezechiël 24:3: En gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. Mattheüs 13:3: En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. Mattheüs 13:13: Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.
[^ezechiel-17-2-3]: Kanttekening 3: 3 tot het huis van Israël: Of, rakende het huis van Israël.
[^ezechiel-17-3-5]: Kanttekening 5: 5 groot van vleugelen: Dat is, hebbende grote macht, een wijd uitgestrekt koninkrijk en overvloed van allen rijkdom.
[^ezechiel-17-3-6]: Kanttekening 6: 6 die verscheidene verven had: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat met de naald van verscheidene kleuren gemaakt wordt, als geborduurd of gestikt werk, boven Ez. 16:10, 16:13, enz.; maar hier wordt het bij gelijkenis gebruikt van schone gespikkelde en dooreen gekleurde vederen, alsof zij geborduurd waren. Ezechiël 16:10: Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde. Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werd.
[^ezechiel-17-3-7]: Kanttekening 7: Versta het land van Palestina, dat noordwaarts met het gebergte van Libanon begrensd was. Zie 1 Kon. 4:33. 1 Koningen 4:33: Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
[^ezechiel-17-3-8]: Kanttekening 8: 8 oppersten tak: Door deze is betekend de koning Jojachin, ander ook Jechonias genaamd, 1 Kron. 3:16; die van Nebukadnezar gevankelijk naar Babylonië weggevoerd was; 2 Kon. 24:12; 2 Kron. 36:10. 1 Kronieken 3:16: De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 2 Kronieken 36:10: En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
[^ezechiel-17-3-9]: Kanttekening 9: Die ene figuur was van het koninkrijk van de Joden. Vergelijk Num. 24:6; Amos 2:9. Numeri 24:6: Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; YHWH heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water. Amos 2:9: Ik daarentegen heb de Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.
[^ezechiel-17-3-4]: Kanttekening 4: 4 Een adelaar: Versta Nebukadnezar, de koning van Babel, zie onder vers 12. Ezechiël 17:12: Zeg nu tot dat opstandig huis: Weet u niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
[^ezechiel-17-4-10]: Kanttekening 10: 10 zijn jonge takjes: Deze betekenden de vorsten, heren en edellieden, die met de koning Jojachin in de gevangenschap naar Babel gingen; 2 Kon. 24:12. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering.
[^ezechiel-17-4-11]: Kanttekening 11: Hier is in het oorspronkelijke het woord chenaän, dat eigenlijk betekent koopman. Zie Job 40:25, en de aantekening. Versta nu hierdoor Babylonië, alwaar veel koophandel omging uit oorzaak van de menigte van de mensen, die daar woonden en die van alle landen daar verkeerden en handelden. Job 40:25: Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
[^ezechiel-17-4-12]: Kanttekening 12: 12 een stad: Namelijk Babel.
[^ezechiel-17-4-13]: Kanttekening 13: Anders, kruideniers, of drogisten; gelijk 1 Kon. 10:15. Zo zou de stad van Babel genaamd zijn, omdat zij vol was van allerlei specerijen, droge en kostelijke waren, dienende niet alleen tot nooddruft of vermaak, maar ook tot lekkernij en overdadigheid. 1 Koningen 10:15: Behalve dat van de kramers was, en van de handel van de kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de geweldigen van dat land.
[^ezechiel-17-5-14]: Kanttekening 14: Te weten de voorgemelde adelaar, de koning Nebukadnezar.
[^ezechiel-17-5-15]: Kanttekening 15: 15 het zaad van het land: Dat is, van degenen, die in het land Juda geboren waren. Versta, Matthanja, de oom van Jechonia, dat is, zijns vaders Jojakims broer, genaamd van Nebukadnezar Zedekia; 2 Kon. 24:17. 2 Koningen 24:17: En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^ezechiel-17-5-16]: Kanttekening 16: 16 legde het in een zaadakker: Dat is, hij stelde Zedekia tot koning over Juda.
[^ezechiel-17-5-17]: Kanttekening 17: 17 bij vele wateren: Dat is, in een bekwame plaats, waar het wel kon groeien.
[^ezechiel-17-5-18]: Kanttekening 18: 18 met grote voorzichtigheid: Dat is, met wijze en welbedachte voorwaarden. Anders: als een wilgenboom, die graag bij het water wast.
[^ezechiel-17-6-19]: Kanttekening 19: 19 het sproot uit: Te weten dat zaad, de koning Zedekia. De zin is, dat deze koning welvoer en gelukkig was in zijn koninkrijk, zolang als hij de koning van Babel getrouw bleef.
[^ezechiel-17-6-20]: Kanttekening 20: 20 maar nederig: Te weten als die onder het gebied was van de koning van Babel, die hij jaarlijks schatting moest betalen.
[^ezechiel-17-6-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, statuur, hoogte, opstaande gestalte; zo onder Ez. 19:11, en Ez. 31:3, 31:5, 31:10. Ezechiël 19:11: En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte van zijn takken. Ezechiël 31:3: Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken. Ezechiël 31:5: Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
[^ezechiel-17-6-22]: Kanttekening 22: Te weten waarvan hij zijne planting had en onder wiens bescherming hij schuilde.
[^ezechiel-17-6-23]: Kanttekening 23: Namelijk de wijnstok.
[^ezechiel-17-7-24]: Kanttekening 24: 24 grote adelaar: Namelijk Farao, de koning van Egypte. Zie onder vers 15, 17:17. Ezechiël 17:15: Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? Ezechiël 17:17: Ook zal Farao, door een grote legermacht en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
[^ezechiel-17-7-25]: Kanttekening 25: 25 groot van vleugelen: Vergelijk boven de aantekening vers 3. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder.
[^ezechiel-17-7-26]: Kanttekening 26: 26 deze wijnstok: Dat is, de koning Zedekia.
[^ezechiel-17-7-27]: Kanttekening 27: 27 zijn wortelen: Versta door deze de gezanten, die de koning Zedekia naar de koning van Egypte in het geheim zond om een verbond met hem te maken, ten einde dat hij hem helpen zou tegen de koning van Babel, wiens schatplichtige en vazal hij was, en van welke hij nu was afgevallen. Vergelijk onder vers 15; Jer. 2:18. Ezechiël 17:15: Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? Jeremia 2:18: En nu, wat hebt u te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt u te doen met de weg van Assur, om de wateren van de rivier te drinken?
[^ezechiel-17-7-28]: Kanttekening 28: Te weten adelaar, de koning van Egypte.
[^ezechiel-17-7-29]: Kanttekening 29: Versta dezelfde adelaar.
[^ezechiel-17-7-30]: Kanttekening 30: Te weten de voorgemelde wijnstok, de koning Zedekia.
[^ezechiel-17-7-31]: Kanttekening 31: 31 naar de bedden: Dat is naar de ingangen en passages toe, die leidden tot de plaats van zijn planting. Het Hebreeuwse woord is in gelijke betekenis genomen; Richt. 7:3, 7:7. Zie de aantekening. Dit ziet nu op de gewoonte van Egypte, waar men, als de rivier de Nijl overvloeide, waterlopen, groeven en voren maakte om het water door het gehele land uit te laten en naar alle plaatsen te verspreiden. Zo begeerde of verzocht ook de koning Zedekia, dat de koning van Egypte zijn macht en krijgsvolk hem toeschikken zou, om tegen de koning van Babel geholpen te worden. Anders: uit de bedden van zijn planting; te weten zo dat zijn land van de koning van Egypte bevochtigd zijnde, hij alsdan daardoor mocht opwassen. Richteren 7:3: Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven. Richteren 7:7: En YHWH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
[^ezechiel-17-7-32]: Kanttekening 32: 32 zijn planting: Te weten de planting van de wijnstok; dat is, ter plaatse, waar hij geplant was, te weten in Judea.
[^ezechiel-17-8-33]: Kanttekening 33: Te weten van de koning Nebukadnezar.
[^ezechiel-17-9-34]: Kanttekening 34: Te weten de wijnstok, die van de eerste adelaar geplant is.
[^ezechiel-17-9-35]: Kanttekening 35: Te weten de eerste adelaar, de koning Nebukadnezar.
[^ezechiel-17-9-36]: Kanttekening 36: 36 zijn wortelen: Te weten, van de wijnstok. Versta de koning Zedekia, gelijk boven, met al zijne macht en zijn gehele koninkrijk.
[^ezechiel-17-9-37]: Kanttekening 37: 37 en dat: Zo is de letter vau voor en dat genomen; Jer. 17:10. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen.
[^ezechiel-17-9-38]: Kanttekening 38: 38 niet door een grote arm: Dat is, zonder dat een zeer geweldig leger daartoe zal nodig zijn. Want de Heer zal Zedekia tegen zijn om zijne goddeloosheid en meinedigheid.
[^ezechiel-17-10-39]: Kanttekening 39: 39 zal hij geplant zijnde strekken: Deze vraag loochent sterkelijk.
[^ezechiel-17-10-40]: Kanttekening 40: 40 Zal hij niet: Deze vraag verzekert sterkelijk.
[^ezechiel-17-10-41]: Kanttekening 41: 41 de oostenwind: Versta de koning van Babel, die de koning Zedekia, al zijne macht en de stad Jeruzalem zou verderven, gelijk de vruchten van de oostenwind verdorven worden; Gen. 41:6. Genesis 41:6: En ziet, zeven dunne en van de oostenwind verzengde aren schoten na dezelfde uit.
[^ezechiel-17-10-42]: Kanttekening 42: 42 geheel verdrogen: Hebreeuws, verdrogende verdrogen.
[^ezechiel-17-10-43]: Kanttekening 43: 43 Op de bedden: Te weten waarin hij geplant is om wel bevochtigd te worden en wel te groeien. Of, tezamen met de voren, dat is met het land Juda mee, waarin hij staat, zal hij verdorren en vergaan. Of, de voren, da is de middelen, waardoor hij water zal zoeken, dat is hulp uit Egypte te krijgen, zullen mee vergaan.
[^ezechiel-17-10-44]: Kanttekening 44: 44 van zijn gewas: Dat is, waarin hij wast of groeit; zo boven vers 7, de bedden van zijn planting; dat is, waarin hij geplant was. Ezechiël 17:7: Nog was er een grote adelaar, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar dezelfde toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden van zijn planting toe.
[^ezechiel-17-12-45]: Kanttekening 45: 45 opstandig huis: Hebreeuws, dat huis van de opstandigheid (בֵית). Versta, de stam of het koninkrijk van Juda. Zie boven Ez. 2:5. Ezechiël 2:5: En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
[^ezechiel-17-12-46]: Kanttekening 46: 46 deze dingen: Te weten, die Ik u voorgesteld heb van twee adelaars.
[^ezechiel-17-12-47]: Kanttekening 47: Of, beduiden, of betekenen, of te kennen geven.
[^ezechiel-17-12-48]: Kanttekening 48: Hier volgt de verklaring van de voorgestelde gelijkenis.
[^ezechiel-17-12-49]: Kanttekening 49: 49 haar koning: Namelijk Jojachin; 2 Kon. 24:12; 2 Kron. 36:10. Zie boven vers 3. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 2 Kronieken 36:10: En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis van YHWH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder.
[^ezechiel-17-12-50]: Kanttekening 50: Welke boven vers 4, vergeleken worden bij de opperste tedere takken van de Libanon. Ezechiël 17:4: Hij plukte de top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.
[^ezechiel-17-13-51]: Kanttekening 51: 51 koninklijk zaad: Genaamd boven vers 5 het zaad van het land, namelijk van Juda. Hebreeuws, zaad van het koninkrijk (זֶּרַע). Hij bedoelt Zedekia. Zie boven vers 5. Ezechiël 17:5: Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. Ezechiël 17:5: Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.
[^ezechiel-17-13-a]: Verwijzing a: Jer. 34:18. Jeremia 34:18: En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:
[^ezechiel-17-13-52]: Kanttekening 52: 52 tot een eed gebracht: Of, in een eed doen komen; te weten waardoor Zedekia zich vervloekt zo hij zijn woord niet hield en niet getrouw bleef; vergelijk boven Ez. 16:59. Sommigen menen dat deze manier van spreken, in de eed doen komen, ziet op het oude gebruik, waardoor degenen, die met elkaar een verbond maakten, beesten slachtten, die in stukken deelden en dan tussen de gedeelde stukken doorgingen; zie Gen. 15:17. Ezechiël 16:59: Want zo zegt de Heer YHWH: Ik zal u ook doen, gelijk als u gedaan hebt, die de eed veracht hebt, brekende het verbond. Genesis 15:17: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.
[^ezechiel-17-13-53]: Kanttekening 53: 53 machtigen van het land: Te weten die Zedekia met raad en met daad hadden kunnen helpen, om het koninkrijk van Juda tegen de koning van Babel vast te maken en eindelijk van hem te doen afvallen.
[^ezechiel-17-13-54]: Kanttekening 54: Te weten tot pandlieden of gijzelaars.
[^ezechiel-17-14-55]: Kanttekening 55: 55 zijn verbond: Te weten van de koning van Babel. Versta de beloften van onderdanigheid en trouw, die Zedekia en de heren van het land aan de koning van Babel gedaan hadden.
[^ezechiel-17-15-b]: Verwijzing b: Jer. 37:5. Jeremia 37:5: En Farao's legermacht was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).
[^ezechiel-17-15-56]: Kanttekening 56: 56 het verbond: Te weten dat hij met de koning Nebukadnezar gemaakt heeft.
[^ezechiel-17-16-57]: Kanttekening 57: 57 in de plaats van de koning: Waar de koning Nebukadnezar woont, dat is, in Babel, gelijk hier in het einde van vers 16 gezegd wordt. Ezechiël 17:16: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo hij niet in de plaats van de koning, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!
[^ezechiel-17-16-58]: Kanttekening 58: 58 bij hem in het midden van Babel: Dat is, in dezelfde plaats of stad, gelijk straks gezegd is, en dus niet in zijn vaderland.
[^ezechiel-17-16-59]: Kanttekening 59: 59 zal sterven: De zin is: Dat hij daar zekerlijk zou sterven; hoewel hij het land niet zien zou, omdat hem tevoren in Riblath de ogen verblind zouden worden; 2 Kon. 25:6, 25:7; Jer. 32:5, en Jer. 34:3, 34:5, en Jer. 52:11. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. Jeremia 32:5: En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt YHWH; ofschoon u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.) Jeremia 34:3: En u zult van zijn hand niet ontkomen, maar zekerlijk gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en u zult te Babel komen. Jeremia 34:5: U zult sterven in vrede, en naar de brandingen van uw vaderen, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt YHWH. Jeremia 52:11: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot de dag zijns doods toe.
[^ezechiel-17-17-60]: Kanttekening 60: 60 met hem: Dat is met Zedekia, te weten om hem te helpen door zijne macht bij de macht van Zedekia te voegen. Of tegen hem; dat is tegen de koning Nebukadnezar, om hem te wederstaan en van Jeruzalem te verdrijven.
[^ezechiel-17-17-c]: Verwijzing c: Jer. 37:7. Jeremia 37:7: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's legermacht, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte;
[^ezechiel-17-17-61]: Kanttekening 61: 61 als men een wal: Dat de koning van Babel doen zou.
[^ezechiel-17-17-d]: Verwijzing d: Ez. 4:2. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
[^ezechiel-17-17-62]: Kanttekening 62: Hebreeuws, uitstorten; zo 2 Sam. 20:15; 2 Kon. 19:32. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen. 2 Koningen 19:32: Daarom zo zegt YHWH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.
[^ezechiel-17-17-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 25:1; Jes. 29:3; Ez. 4:2. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jesaja 29:3: Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
[^ezechiel-17-17-63]: Kanttekening 63: 63 vele zielen: Dat is, vele mensen.
[^ezechiel-17-18-64]: Kanttekening 64: Namelijk de koning Zedekia.
[^ezechiel-17-18-65]: Kanttekening 65: Of, vloek.
[^ezechiel-17-18-66]: Kanttekening 66: 66 hand gegeven had: Te weten aan de koning van Babel, tot verzekering van te zullen vasthouden aan het verbond, dat hij met hem gemaakt had. Zie van zulke handhaving, gedaan tot verzekering van wat men zegt of belooft, 2 Kon. 10:15; 2 Kron. 30:8; Ezra 10:19. 2 Koningen 10:15: En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zei tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen. 2 Kronieken 30:8: Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft YHWH de hand, en komt tot Zijn heiligdom, dat Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient YHWH, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren. Ezra 10:19: En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld.
[^ezechiel-17-19-67]: Kanttekening 67: 67 Mijn eed: God noemt de eed, die Zedekia aan de koning van Babel gedaan had, zijn eed, omdat hij met aanroeping van zijn naam gedaan was; en in gelijken zin zijn verbond, dat hij met dezelfde koning gemaakt had. Versta onder het woord eed de straf van de verbreking van de eed.
[^ezechiel-17-19-68]: Kanttekening 68: 68 niet op zijn hoofd geve: Dat is met straffen vergeld. Zie 1 Kon. 8:32; zo boven Ez. 9:10, en Ez. 11:21, en Ez. 16:43, en onder Ez. 22:31; een afgebroken manier van eedzweren. 1 Koningen 8:32: Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende de gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven. Ezechiël 11:21: Maar welker hart het hart van hun verfoeiselen en van hun gruwelen nawandelt, hun weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 16:43: Daarom dat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heer YHWH; en u zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen. Ezechiël 22:31: Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-17-20-69]: Kanttekening 69: 69 Mijn net: Zie boven Ez. 12:13, en onder Ez. 32:3. Ezechiël 12:13: Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 32:3: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.
[^ezechiel-17-20-f]: Verwijzing f: Ez. 12:13; Ez. 32:3. Ezechiël 12:13: Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 32:3: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.
[^ezechiel-17-20-70]: Kanttekening 70: Te weten over de koning Zedekia.
[^ezechiel-17-20-71]: Kanttekening 71: 71 daar met hem rechten: Te weten boven het recht, dat Ik over hem heb laten gaan te Riblath, 2 Kon. 25:6, 25:7. Want daarna heeft hij te Babel in de gevangenschap gelegen totdat hij stierf, Jer. 52:11. God wordt gezegd met de mens te richten, of in het recht zich met hem te begeven, als Hij door zijne straffen hem van zijne zonden overtuigt en gelijk in een gericht beschaamd maakt. Zo Jes. 66:16; onder Ez. 20:35, en Ez. 38:22. Zie breder hiervan onder Ez. 20:35. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. Jeremia 52:11: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot de dag zijns doods toe. Jesaja 66:16: Want met vuur, en met Zijn zwaard zal YHWH in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van YHWH zullen vermenigvuldigd zijn. Ezechiël 20:35: Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar rechten, aangezicht aan aangezicht; Ezechiël 38:22: En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. Ezechiël 20:35: Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar rechten, aangezicht aan aangezicht;
[^ezechiel-17-20-g]: Verwijzing g: Jer. 4:12; Jer. 38:25. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. Jeremia 38:25: En als de vorsten zullen horen, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen, en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt u tot de koning gesproken? verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken?
[^ezechiel-17-21-72]: Kanttekening 72: 72 zijn vluchtelingen: Zie van deze 2 Kon. 25:5, en Jer. 52:8. 2 Koningen 25:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. Jeremia 52:8: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid.
[^ezechiel-17-21-73]: Kanttekening 73: Dat is, scharen en hopen van krijgsvolk. Zie boven Ez. 12:14. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-17-21-74]: Kanttekening 74: 74 door het zwaard vallen: Dat is, in de oorlog of door wapenen omkomen. Zie Lev. 26:7. Leviticus 26:7: En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.
[^ezechiel-17-21-h]: Verwijzing h: Ez. 16:40. Ezechiël 16:40: Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
[^ezechiel-17-21-75]: Kanttekening 75: 75 in alle winden: Dat is, in alle hoeken van de wereld. Zie boven Ez. 5:10. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.
[^ezechiel-17-21-i]: Verwijzing i: Ez. 5:10; idem 5:12; Ez. 12:14. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien. Ezechiël 5:12: Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^ezechiel-17-22-76]: Kanttekening 76: 76 van de opperste tak: Dat is van de koninklijke stam; zie boven vers 3. Of aldus: Van de hoge tak van de ceder, of van de opperste tak van de ceder, die hoog was. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder.
[^ezechiel-17-22-79]: Kanttekening 79: 79 zetten zal: Dat is, planten zal.
[^ezechiel-17-22-80]: Kanttekening 80: 80 een tederen afplukken: Men versta hierdoor Zerubbabel en zijne opvolgers, maar in het bijzonder Christus, van wie zij voorbeelden waren. Christus wordt een scheut of spruit genaamd; Jes. 11:1, en Jes. 60:21; Zach. 6:12. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jesaja 60:21: En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. Zacharia 6:12: En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen.
[^ezechiel-17-22-81]: Kanttekening 81: 81 een hoge en verheven berg: Versta het ware Zion, dat is de ware Joodse en Christelijke kerk en gemeente van de heiligen. Zie Jes. 2:2, en Jes. 11:9; onder Ez. 20:40; Micha 4:1. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Ezechiël 20:40: Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, spreekt de Heer YHWH, daar zal Mij het gehele huis van Israël in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen van uw heffingen met al uw geheiligde dingen. Micha 4:1: Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
[^ezechiel-17-22-77]: Kanttekening 77: Dat is van het koninkrijk Juda; zie boven vers 3. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder.
[^ezechiel-17-22-78]: Kanttekening 78: Te weten een scheutje, of rijsje, dat hier meteen een tedere tak genoemd wordt.
[^ezechiel-17-23-82]: Kanttekening 82: 82 van de hoogte van Israël: Dat is, die zeer hoog zal wezen. Versta deze hoogheid zowel van de hoogberoemde en wijduitgebreide vermaardheid van het rijk van Christus, als van de uitnemende hoogheid en waardigheid van de weldaden van Christus, die daarin te bekomen zullen zijn.
[^ezechiel-17-23-83]: Kanttekening 83: Zie van deze vrucht Ps. 85:10 enz.; Jes. 11:2, enz.; Dan. 9:24. Psalmen 85:10: Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer woont. Jesaja 11:2: En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^ezechiel-17-23-84]: Kanttekening 84: Hebreeuws, maken.
[^ezechiel-17-23-85]: Kanttekening 85: 85 heerlijken ceder worden: Versta, geen uiterlijke noch aardse, maar inwendige en hemelse heerlijkheid; van welke zie Ps. 110:1, enz.; Ef. 1:20, enz.; Filipp. 2:9, 2:10, 2:11. Psalmen 110:1: Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Filippensen 2:10: Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filippensen 2:11: En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heer zij, tot heerlijkheid van God de Vader.
[^ezechiel-17-23-86]: Kanttekening 86: 86 alle gevogelte: Dat is, niet alleen Israëlieten en Joden, maar ook heidenen.
[^ezechiel-17-24-87]: Kanttekening 87: 87 bomen van het veld: Dat is, mensen, die zo genoemd worden, omdat zij goede vruchten moeten dragen; Ps. 1:3; Jes. 56:3; Matt. 7:17, 7:18, 7:19. Sommigen verstaan eigenlijk de koningen, die onder andere mensen in hoogheid uitsteken; Dan. 4:20, 4:22. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Jesaja 56:3: En de vreemde, die zich tot YHWH gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: YHWH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom. Mattheüs 7:17: Zo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Mattheüs 7:18: Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. Mattheüs 7:19: Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Daniël 4:20: De boom, die u gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan de hemel reikte, en die over de gehele aarde gezien werd; Daniël 4:22: Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van de aarde.
[^ezechiel-17-24-88]: Kanttekening 88: 88 de hoge boom vernederd heb: Men kan dit lichamelijk verstaan van de Babyloniërs en hunne monarchie, die verstoord is door Cyrus, en geestelijk van de duivel en zijn rijk, dat door Christus verwoest is.
[^ezechiel-17-24-89]: Kanttekening 89: 89 de nederige boom verheven heb: Dit kan ook lichamelijk verstaan worden van de Joden, toen zij wederkeerden uit de Babylonische gevangenschap, en geestelijk van alle uitverkorenen en gelovigen, die door Christus uit het geweld van de duivel verlost zijn.
[^ezechiel-17-24-90]: Kanttekening 90: 90 de groene boom verdroogd: Het voorgaande wordt met andere woorden verhaald.

### Ezechiël 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/18.json)

*God bestraft scherp het spreekwoord van de huichelachtige Joden over de zure druiven, waarmee zij Hem van onrechtvaardigheid en wreedheid beschuldigen, vers 1, 2, enz., terwijl Hij aanwijst hoe Hij handelt met een rechtvaardige vader, 5; met een goddeloze zoon van een rechtvaardige vader, 10; met een rechtvaardige zoon van een goddeloze vader, 14; met een goddeloze die zich bekeert, 19; met een rechtvaardige die afvalt, 24. Hij verdedigt zijn gerechtigheid, 25, en vermaant hen tot bekering, 30.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v1)

**2** [^ezechiel-18-2-1] Wat is u, dat u dit[^ezechiel-18-2-2] spreekwoord gebruikt[^ezechiel-18-2-3] van het land van Israël, zeggende:[^ezechiel-18-2-4] De[^ezechiel-18-2-a] vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de[^ezechiel-18-2-5] tanden van de kinderen zijn stomp geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v2)

**3** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH,[^ezechiel-18-3-6] zo het u meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v3)

**4** Zie, alle[^ezechiel-18-4-7] zielen[^ezechiel-18-4-8] zijn Mijne; gelijk de ziel van de vader, zo ook de ziel van de zoon, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die[^ezechiel-18-4-9] zal sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v4)

**5** Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en[^ezechiel-18-5-10] doet recht en gerechtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v5)

**6** Niet eet[^ezechiel-18-6-11] op de[^ezechiel-18-6-b] bergen, en zijn ogen niet opheft[^ezechiel-18-6-12] tot de afgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw van zijn naaste[^ezechiel-18-6-c][^ezechiel-18-6-13] verontreinigt, noch tot[^ezechiel-18-6-14] de[^ezechiel-18-6-d] afgezonderde vrouw[^ezechiel-18-6-15] nadert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v6)

**7** En niemand[^ezechiel-18-7-16][^ezechiel-18-7-e] verdrukt, de schuldenaar zijn[^ezechiel-18-7-f] pand wedergeeft,[^ezechiel-18-7-17] geen roof rooft, de hongerige zijn brood[^ezechiel-18-7-g] geeft, en de naakte met kleding bedekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v7)

**8** Niet geeft op[^ezechiel-18-8-18][^ezechiel-18-8-h] rente, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert,[^ezechiel-18-8-19] waarachtig recht tussen de één en de ander oefent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v8)

**9** In[^ezechiel-18-9-20] Mijn voorschriften wandelt, en Mijn rechten onderhoudt,[^ezechiel-18-9-21] om trouw te handelen; die rechtvaardige zal[^ezechiel-18-9-22] zeker leven, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v9)

**10** Heeft hij nu een zoon verwekt, die een[^ezechiel-18-10-23] inbreker is, die bloed vergiet, die zijn[^ezechiel-18-10-24] broer doet een van[^ezechiel-18-10-25] deze dingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v10)

**11** En die[^ezechiel-18-11-26] al die dingen niet doet; maar[^ezechiel-18-11-27] eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw van zijn naaste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v11)

**12** Verdrukt de ellendige en de arme,[^ezechiel-18-12-28] rooft veel buit, geeft het pand niet weer, en[^ezechiel-18-12-29] heft zijn ogen op tot de afgoden, doet[^ezechiel-18-12-30] gruwel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v12)

**13** Geef op rente, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelijke dingen heeft hij gedaan; hij zal[^ezechiel-18-13-31] voorzeker gedood worden; zijn[^ezechiel-18-13-32] bloed zal op hem zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v13)

**14** Zie nu, heeft hij een zoon verwekt, die al de zonden van zijn vader, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v14)

**15** [^ezechiel-18-15-33] Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de afgoden van het huis van Israël, de huisvrouw van zijn naaste niet verontreinigt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v15)

**16** En niemand verdrukt,[^ezechiel-18-16-34] het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood de hongerige geeft, en de naakte met kleding bedekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v16)

**17** Zijn[^ezechiel-18-17-35] hand van de ellendige afhoudt, geen rente noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn voorschriften wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader;[^ezechiel-18-17-36] hij zal zeker leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v17)

**18** Zijn vader, omdat hij[^ezechiel-18-18-37] met onderdrukking onderdrukt heeft,[^ezechiel-18-18-38] het goed van de broer geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden van zijn volken; zie daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v18)

**19** Maar[^ezechiel-18-19-39] u zegt[^ezechiel-18-19-i]:[^ezechiel-18-19-40] Waarom draagt de zoon niet de[^ezechiel-18-19-41] ongerechtigheid van de vader? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn voorschriften onderhouden, en die gedaan heeft, zeker leven.[^ezechiel-18-19-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v19)

**20** [^ezechiel-18-20-43] De ziel, die zondigt, die zal sterven;[^ezechiel-18-20-44] de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van[^ezechiel-18-20-45] de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en[^ezechiel-18-20-46] de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v20)

**21** Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn voorschriften onderhoudt, en[^ezechiel-18-21-47] doet recht en gerechtigheid, hij zal[^ezechiel-18-21-48] zeker leven, hij zal niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v21)

**22** [^ezechiel-18-22-49] Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen[^ezechiel-18-22-50] hem niet gedacht worden;[^ezechiel-18-22-51] in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v22)

**23** [^ezechiel-18-23-k] Zou Ik[^ezechiel-18-23-52] enigszins lust hebben aan de dood van de goddelozen, spreekt [^ezechiel-18-23-53] Adonai YHWH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn[^ezechiel-18-23-54] wegen, dat hij[^ezechiel-18-23-55] leve? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v23)

**24** Maar als de[^ezechiel-18-24-56] rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelijke dingen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen[^ezechiel-18-24-57] niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v24)

**25** Nog zegt[^ezechiel-18-25-58] u[^ezechiel-18-25-l]:[^ezechiel-18-25-59] De weg van YHWH[^ezechiel-18-25-60] is niet recht; hoor nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen[^ezechiel-18-25-61] onrecht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v25)

**26** Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft daarin[^ezechiel-18-26-62], hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v26)

**27** Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal[^ezechiel-18-27-63] zijn ziel in het leven behouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v27)

**28** Omdat hij[^ezechiel-18-28-64] toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v28)

**29** Evenwel zegt het huis van Israël: De weg van YHWH is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis van Israël, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht?[^ezechiel-18-29-65] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v29)

**30** Daarom zal Ik u richten, o huis van Israël! een ieder naar[^ezechiel-18-30-66] zijn wegen, spreekt Adonai YHWH,[^ezechiel-18-30-m] keert weer, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een[^ezechiel-18-30-67] aanstoot worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v30)

**31** [^ezechiel-18-31-68] Werp van u weg al uw overtredingen, waardoor u overtreden hebt, en[^ezechiel-18-31-69] maakt u een[^ezechiel-18-31-n] nieuw hart en een nieuwe geest; want waarom zou u sterven, o huis van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v31)

**32** Want[^ezechiel-18-32-70][^ezechiel-18-32-o] Ik heb geen lust aan de dood van de stervenden, spreekt Adonai YHWH; daarom bekeert u en[^ezechiel-18-32-71] leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/18.html#v32)

[^ezechiel-18-2-1]: Kanttekening 1: 1 Wat is u: Dat is, wat reden hebt u om dit spreekwoord te gebruiken? Alsof Hij zei: Ik heb u geen oorzaak daartoe gegeven.
[^ezechiel-18-2-2]: Kanttekening 2: Zie boven Ez. 12:22. Ezechiël 12:22: Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?
[^ezechiel-18-2-3]: Kanttekening 3: 3 van het land van Israël: Dat is, van de inwoners van het land. Zie Gen. 6:11. Genesis 6:11: Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.
[^ezechiel-18-2-4]: Kanttekening 4: 4 De vaders: Dat is, de vaders hebben de zonde gedaan en de kinderen moeten de straf dragen. Aldus hebben de Joden de Heer zeer onbeschaamd van ongerechtigheid beschuldigd.
[^ezechiel-18-2-a]: Verwijzing a: Jer. 31:29. Jeremia 31:29: In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en van de kinderen tanden zijn stomp geworden.
[^ezechiel-18-2-5]: Kanttekening 5: 5 tanden van de kinderen: Dat is, onze tanden.
[^ezechiel-18-3-6]: Kanttekening 6: 6 zo het u: Hij loochent sterkelijk en met een eed dat zij de gelegenheid niet lang zouden hebben om dit lasterlijk spreekwoord te gebruiken; want zij zouden haast met zulke gruwelijke plagen overvallen worden, dat een ieder oordelen, ja hun eigen conscientiën getuigen zouden, dat zij om hun eigen zonden geplaagd werden.
[^ezechiel-18-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, mensen; zie Gen. 12:5. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^ezechiel-18-4-8]: Kanttekening 8: 8 zijn Mijne: Dat is, behoren mij toe; te weten omdat Ik hun Schepper en onderhouder ben. Hieruit besluit God dat Hij niemand met straffen ongelijk kan doen, omdat Hij hun allen goedgedaan heeft met hen te scheppen, en doorgaand goeddoet met hen te onderhouden; maar dat Hij alleen straft die zondigen, en dat niet omdat Hij zijn schepsel, maar de zonde haat, en tegen hem die ze doet een rechtvaardig Rechter is.
[^ezechiel-18-4-9]: Kanttekening 9: 9 zal sterven: Dat is, zal de straf van haar zonden dragen, te weten òf in deze wereld, òf in het toekomende oordeel.
[^ezechiel-18-5-10]: Kanttekening 10: 10 doet recht en gerechtigheid: Dat is, leeft naar de geboden van de eerste en tweede tafel, hetzij in een publiek of privaat leven; zie Gen. 18:19. Genesis 18:19: Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.
[^ezechiel-18-6-11]: Kanttekening 11: 11 eet op de bergen: Te weten van wat aan de afgoden geofferd is, en vervolgens met de afgoderij gene gemeenschap heeft. Want op de bergen, gelijk ook in de bossen en onder de groene bomen, hadden zij hunne altaren, waarop zij de afgoden offeranden deden, 1 Kon. 11:7; Jes. 65:7; Hos. 4:13; van welke zij dan ook een deel aten en met hunne vrienden versmulden, Deut. 32:38; Richt. 9:27; Ps. 106:28; 1 Kor. 8:1, 8:4, enz. 1 Koningen 11:7: Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel van de kinderen Ammons. Jesaja 65:7: Uw ongerechtigheden, en de ongerechtigheden van uw vaderen tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. Hosea 4:13: Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat hun schaduw goed is; daarom hoereren uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel. Deuteronomium 32:38: Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij. Richteren 9:27: En zij togen uit in het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimelech. Psalmen 106:28: Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-peor, en zij hebben de offeranden van de doden gegeten. 1 Korinthiërs 8:1: Aangaande nu de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt hoogmoedig, maar de liefde sticht. 1 Korinthiërs 8:4: Aangaande dan het eten van de dingen, die aan de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.
[^ezechiel-18-6-b]: Verwijzing b: Jes. 57:7; Jes. 65:7. Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hoge en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Jesaja 65:7: Uw ongerechtigheden, en uw vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten.
[^ezechiel-18-6-12]: Kanttekening 12: 12 tot de drekgoden: Te weten om die godsdienstige eer te bewijzen, omdat zij gemeenlijk in hoge plaatsen staan; zo onder vers 15; het tegendeel is zijne ogen op te heffen tot God, die in de hemel is; Ps. 123:1. Ezechiël 18:15: Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis van Israël, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt; Psalmen 123:1: Een lied op Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
[^ezechiel-18-6-c]: Verwijzing c: Lev. 18:20. Leviticus 18:20: En u zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.
[^ezechiel-18-6-13]: Kanttekening 13: Te weten door overspel. Zie deze manier van spreken, aldus vol gesteld, onder Ez. 23:17. Ezechiël 23:17: De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger van de minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.
[^ezechiel-18-6-14]: Kanttekening 14: 14 de afgezonderde vrouw: Dat is, die afgezonderd moest zijn van de bijslaping van haar man, als zij haar maandstonden had, op lijfstraf. Zie Lev. 15:24, en Lev. 18:19, en Lev. 20:18, met de aantekening. Leviticus 15:24: Ook zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. Leviticus 18:19: Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken. Leviticus 20:18: En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein van haar bloed ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
[^ezechiel-18-6-d]: Verwijzing d: Lev. 18:19. Leviticus 18:19: Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken.
[^ezechiel-18-6-15]: Kanttekening 15: Te weten om die te bekennen. Zie Gen. 20:4. Genesis 20:4: Maar Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zei hij: Heer! zult U dan ook een rechtvaardig volk doden?
[^ezechiel-18-7-16]: Kanttekening 16: 16 de schuldenaar zijn pand wedergeeft: Zie de wet hiervan, Ex. 22:26, 22:27. Exodus 22:26: Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; Exodus 22:27: Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!
[^ezechiel-18-7-e]: Verwijzing e: Ex. 22:21; Lev. 19:13; Lev. 25:14. Exodus 22:21: U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Leviticus 25:14: Daarom, wanneer u aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de één de ander verdrukke.
[^ezechiel-18-7-f]: Verwijzing f: Ex. 22:26; Deut. 24:12. Exodus 22:26: Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; Deuteronomium 24:12: Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet nederliggen.
[^ezechiel-18-7-17]: Kanttekening 17: 17 geen roof rooft: Dat is, niemand het zijne, òf door straatschenderij, òf onder de schijn van het recht ontweldigt. Zie dezelfde manier van spreken onder vers 12, 18:16, 18:18, en Ez. 22:29. Ezechiël 18:12: Verdrukt de ellendige en de nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weer, en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel; Ezechiël 18:16: En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood de hongerige geeft, en de naakte met kleding bedekt; Ezechiël 18:18: Zijn vader, omdat hij met onderdrukking onderdrukt heeft, het goed van de broer geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden van zijn volken; ziet daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid. Ezechiël 22:29: Het volk van het land pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij de ellendige en nooddruftige, en de vreemdeling verdrukken zij zonder recht.
[^ezechiel-18-7-g]: Verwijzing g: Deut. 15:7; Jes. 58:7; Matt. 25:35. Deuteronomium 15:7: Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broers, in een uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is; Jesaja 58:7: Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Mattheüs 25:35: Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij geherbergd.
[^ezechiel-18-8-18]: Kanttekening 18: 18 woeker, noch overwinst: Zie van deze woorden woeker en overwinst, Lev. 25:36. Leviticus 25:36: U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.
[^ezechiel-18-8-h]: Verwijzing h: Ex. 22:25; Lev. 25:35; idem v. 36. Exodus 22:25: Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen woeker leggen. Leviticus 25:35: En als uw broer zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult u hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. Leviticus 25:36: U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.
[^ezechiel-18-8-19]: Kanttekening 19: 19 waarachtig recht: Hebreeuws, recht, of gericht van de waarheid doet tussen de man, tegen de man (מִשְׁפַּט); dat is, recht oordeelt en handelt tussen de één en de ander. Dat gebeuren moet niet alleen van degenen, die in een publiek ambt gesteld zijn, maar ook in het private leven.
[^ezechiel-18-9-20]: Kanttekening 20: 20 Mijn inzettingen: Vergelijk 1 Kon. 11:33, en de aantekening. 1 Koningen 11:33: Daarom zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^ezechiel-18-9-21]: Kanttekening 21: 21 om trouwelijk te handelen: Hebreeuws, om waarheid of trouw te doen (אֱמֶת). Zie Spreuk. 12:22. Spreuken 12:22: Valse lippen zijn YHWH een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
[^ezechiel-18-9-22]: Kanttekening 22: 22 gewisselijk leven: Hebreeuws, levende leven (חָיֹה); dat is naar ziel en lichaam behouden worden. Zo onder vers 17, 18:19, 18:21. Ezechiël 18:17: Zijn hand van de ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn inzettingen wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders; hij zal gewisselijk leven. Ezechiël 18:19: Maar u zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid van de vader? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven. Ezechiël 18:21: Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.
[^ezechiel-18-10-23]: Kanttekening 23: 23 inbreker is: Zie Ps. 17:4. Psalmen 17:4: Aangaande de handelingen van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbreker;
[^ezechiel-18-10-24]: Kanttekening 24: Dat is, naaste. Zie 2 Kron. 11:4. 2 Kronieken 11:4: Zo zegt YHWH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden van YHWH, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken.
[^ezechiel-18-10-25]: Kanttekening 25: 25 deze dingen: Hebreeuws, uit één van deze dingen; te weten die verboden zijn. Anders, die zijn broer iets anders doet dan, enz. Te weten van die goede werken, die recht tevoren vermeld zijn. Of van de inzettingen en rechten Gods, van welke in het voorgaande vers 9 gesproken is. Ezechiël 18:9: In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-18-11-26]: Kanttekening 26: 26 al die dingen: Te weten, die geboden zijn. Anders, geen van die dingen doet.
[^ezechiel-18-11-27]: Kanttekening 27: 27 eet ook op de bergen: Zie boven vers 6. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-18-12-28]: Kanttekening 28: 28 rooft veel roofs: Hebreeuws, rooft roven; dat is, doet veel geweld om zijn naaste veel te ontnemen; vergelijk boven vers 7, en onder vers 18. Ezechiël 18:7: En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt; Ezechiël 18:18: Zijn vader, omdat hij met onderdrukking onderdrukt heeft, het goed van de broer geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden van zijn volken; ziet daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid.
[^ezechiel-18-12-29]: Kanttekening 29: 29 heft zijn ogen op tot de drekgoden: Zie boven vers 6. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-18-12-30]: Kanttekening 30: Door gruwel wordt zeer dikwijls in de Heilige Schriftuur verstaan de afgoderij; zie boven Ez. 8:6, en de aantekening. Waarom ook de afgoden gruwelen worden genaamd, 2 Kon. 23:13, en afgoden van de gruwelen, boven Ez. 16:36. Ezechiël 8:6: En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien. 2 Koningen 23:13: De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, die waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel van de Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning. Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden van uw gruwelen, en na het bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt;
[^ezechiel-18-13-31]: Kanttekening 31: 31 voorzeker gedood worden: Hebreeuws, zal stervende gedood worden; of met de dood gedood worden; te weten, òf hier naar het lichaam door middel van mensen, of hierna door Gods rechtvaardig oordeel, naar lichaam en ziel.
[^ezechiel-18-13-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, bloeden; dat is, hij zelf is de oorzaak van zijn dood (דָּמָי). Zie Lev. 20:9. Leviticus 20:9: Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^ezechiel-18-15-33]: Kanttekening 33: 33 Niet eet op de bergen: Zie boven vers 6. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-18-16-34]: Kanttekening 34: 34 het pand niet behoudt: Hebreeuws, geen pand pandt; panden heet hier niet: pand nemen, maar het pand behouden en niet wedergeven, gelijk dit af te nemen is boven uit de tegenstelling van vers 7, alwaar staat: Geeft de schuldenaar zijn pand weer. Ezechiël 18:7: En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt;
[^ezechiel-18-17-35]: Kanttekening 35: Versta, de hand, die geweld en onrecht doet, dat is, die zijne hand afwendt van de armen geweld en onrecht aan te doen; dat boven vers 8, heet, zijne hand van onrecht afkeren. Ezechiël 18:8: Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen de één en de ander oefent;
[^ezechiel-18-17-36]: Kanttekening 36: 36 zal gewisselijk leven: Hebreeuws, zal levende leven (חָיֹה).
[^ezechiel-18-18-37]: Kanttekening 37: 37 met onderdrukking onderdrukt heeft: Dat is, wredelijk verdrukt heeft, te weten met geweld of bedrog. Zie Spreuk. 14:31. Spreuken 14:31: Die de arme verdrukt, smaadt diens Maker; maar die zich van de nooddruftige ontfermt, eert Hem.
[^ezechiel-18-18-38]: Kanttekening 38: 38 het goed van de broer geroofd heeft: Dat is, zijns naasten, gelijk boven vers 10. Hebreeuws, de roof van de broer. Ezechiël 18:10: Heeft hij nu een zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broer doet één van deze dingen;
[^ezechiel-18-19-39]: Kanttekening 39: Namelijk u Joden, die het voorgemelde spreekwoord gebruikt, boven vers 2. God valselijk beschuldigende dat Hij de kinderen om de misdaden van de vaderen straft; u, zeg ik, antwoordt mij aldus, waarom ? enz. Zo voorkomt de profeet hier wat de boze Joden op zijn voorgaande leer antwoordden. Ezechiël 18:2: Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden?
[^ezechiel-18-19-i]: Verwijzing i: Deut. 14:16; 2 Kon. 14:6; 2 Kron. 25:4. Deuteronomium 14:16: En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw, 2 Koningen 14:6: Maar de kinderen van het doodlager doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden. 2 Kronieken 25:4: Maar hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar YHWH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.
[^ezechiel-18-19-40]: Kanttekening 40: Dit zijn de woorden van de Joden, alsof ze zeiden: Waarom zegt u dat, te weten dat de zoon niet draagt de misdaad zijns vaders, omdat het tegendeel aan ons blijkt: die met oorlog, om onze vaderen wille, gestraft worden?
[^ezechiel-18-19-41]: Kanttekening 41: 41 ongerechtigheid van de vader: Ongerechtigheid is hier genomen voor de straf van de ongerechtigheid, zo in het volgende; zie Lev. 5:1. Hebreeuws, draagt niet de zoon in, of van de ongerechtigheid, enz. (בֵּן) en zo in het volgende. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-18-19-42]: Kanttekening 42: 42 Immers zal de zoon: Dit is het wederantwoord en de weerlegging, die God door zijn profeet aan de Joden geeft, verklarende dàt de vrome niet gestraft wordt om de goddeloze, en dat deze zijn eigen straf draagt.
[^ezechiel-18-20-43]: Kanttekening 43: 43 De ziel, die zondigt: Zie boven vers 4. Ezechiël 18:4: Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel van de vader, zo ook de ziel van de zoon, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven.
[^ezechiel-18-20-44]: Kanttekening 44: 44 de zoon zal niet dragen: Versta dit van zulk een zoon, die de ongerechtigheid zijns vaders niet navolgt. Anders blijven vast de dreigementen, die wij lezen Ex. 20:5, en Deut. 5:9. Exodus 20:5: U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Deuteronomium 5:9: U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^ezechiel-18-20-45]: Kanttekening 45: 45 de gerechtigheid van de rechtvaardigen: Dat is, de genadige beloning van de gerechtigheid en goede werken zal hem geworden. Van het woord gerechtigheid, vergelijk Gen. 30:33, en de aantekening; idem zie Ps. 24:5, en Ps. 85:14, en Ps. 112:9; Jes. 58:8. Genesis 30:33: Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. Psalmen 24:5: Die zal de zegen ontvangen van YHWH, en gerechtigheid van de God zijns heils. Psalmen 85:14: De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij zal ze zetten op de weg van Zijn voetstappen. Psalmen 112:9: Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. Jesaja 58:8: Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snel uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid van YHWH zal uw achtertocht wezen.
[^ezechiel-18-20-46]: Kanttekening 46: 46 de goddeloosheid van de goddelozen: Dat is, de rechtvaardige straf, die de goddeloze verdient, zal op hem komen. Zie boven vers 19, het woord ongerechtigheid. Ezechiël 18:19: Maar u zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid van de vader? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven.
[^ezechiel-18-21-47]: Kanttekening 47: 47 doet recht en gerechtigheid: Zie boven vers 5. Ezechiël 18:5: Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;
[^ezechiel-18-21-48]: Kanttekening 48: 48 gewisselijk leven: Hebreeuws, levende leven (חָיֹה).
[^ezechiel-18-22-49]: Kanttekening 49: 49 Al zijn overtredingen: Dat is, gene van zijn overtredingen zullen gedacht worden. Zie van deze manier van spreken 1 Kon. 11:34. 1 Koningen 11:34: Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
[^ezechiel-18-22-50]: Kanttekening 50: Of, tegen hem. Zie Ps. 79:8. De zin is dat zijne overtredingen de Heer niet bewegen zullen om hem te straffen. Het is menselijkerwijze van God gesproken; zo Jes. 64:9; Jer. 14:10; Hebr. 10:17; vergelijk boven Ez. 3:20. Psalmen 79:8: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. Jesaja 64:9: YHWH! wees niet zo zeer toornig, en gedenk niet eeuwig van de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. Jeremia 14:10: Zo zegt YHWH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft YHWH geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken. Hebreeën 10:17: En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-18-22-51]: Kanttekening 51: 51 in zijn gerechtigheid: Versta, niet omdat zijne gerechtigheid zulks uit haar eigen waarde verdient, maar omdat God haar zo uit genade, om de wil van zijn Zoon, beloont; Rom. 4:4. Romeinen 4:4: Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
[^ezechiel-18-23-k]: Verwijzing k: Ez. 33:11. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël?
[^ezechiel-18-23-52]: Kanttekening 52: 52 enigszins lust hebben: Hebr. lustende lust hebben; deze vraag loochent sterkelijk. Zo is de zin, dat hij in geen geval belust is, of door enige lust gedreven, om de goddeloze te doden. Want of hij schoon besloten heeft de onboetvaardige te straffen, nochtans is eigenlijk zijn einde niet het verderf zijns schepsels, maar de openbaring van zijn gerechtigheid, Rom. 9:17. Ten anderen is hier eigenlijk gesproken van de dood van de goddeloze die zich bekeert, en niet van degenen die zich nimmermeer bekeren, gelijk de voorgaande en volgende woorden uitwijzen: alsof God zei, Gijlieden meent dat ik zo belust ben om te vernielen en te doden, dat ik ook de goddeloze, die zich bekeert, niet wil sparen, noch zijn bekering voor aangenaam houden; maar dat is een lastering, en verre van mij. Romeinen 9:17: Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde.
[^ezechiel-18-23-53]: Kanttekening 53: 53 is het niet: Te weten dat Ik lust en welgevallen hieraan heb? Deze vraag verzekert sterkelijk dat de bekering van de goddeloze voor God zo aangenaam is, dat de bekeerde gewisselijk leven zal, en dat Hij in geen geval lust heeft om de bekeerde goddeloze te doden; vergelijk onder vers 32, en Ez. 33:11. Anders: heb Ik niet daarin lust dat hij zich bekere, enz.; Ez. 33:11 zijn de Hebreeuwse woorden wat anders gesteld dan hier. Ezechiël 18:32: Want Ik heb geen lust aan de dood van de stervende, spreekt de Heer YHWH; daarom bekeert u en leeft. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël? Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël?
[^ezechiel-18-23-54]: Kanttekening 54: Te weten boze wegen, dat is, kwaad leven, dat een boze weg genaamd wordt; 1 Kon. 13:33; 2 Kon. 17:13; Jona 3:10, enz. 1 Koningen 13:33: Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten. 2 Koningen 17:13: Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Jona 3:10: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.
[^ezechiel-18-23-55]: Kanttekening 55: Dat is, mijne straffen ontga en behouden worde.
[^ezechiel-18-24-56]: Kanttekening 56: Zie boven Ez. 3:20. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-18-24-57]: Kanttekening 57: 57 niet gedacht worden: Dat is, zullen God niet bewegen om die te belonen en hem van de straf vrij te houden; zie boven Ez. 3:20; vergelijk Hand. 10:4. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Handelingen 10:4: En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
[^ezechiel-18-25-58]: Kanttekening 58: Namelijk u opstandige Joden.
[^ezechiel-18-25-l]: Verwijzing l: Ez. 33:17; idem v. 20. Ezechiël 33:17: Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg van YHWH is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is. Ezechiël 33:20: Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël!
[^ezechiel-18-25-59]: Kanttekening 59: 59 De weg van YHWH: Dat is, de manier van doen, die God gebruikt in het regeren van de mens; zie van het woord weg zo gebruikt, Deut. 32:4, en Ps. 25:10; idem vergelijk Spreuk. 6:6. Deuteronomium 32:4: Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Psalmen 25:10: Caph. Alle paden van YHWH zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. Spreuken 6:6: Ga tot de mier, u luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
[^ezechiel-18-25-60]: Kanttekening 60: 60 is niet recht: Dat is, niet naar de eis van de gerechtigheid gepast of geschikt. Anders: niet recht gemaakt, of effen, of recht gewogen. Zij wilden zeggen dat God gene gelijkheid hield tussen de straffen en de zonden, dat Hij de één zwaarder strafte dan de ander, en dat Hij de één de zonden vergaf en de ander niet, enz. Dit waren gruwelijke lasteringen.
[^ezechiel-18-25-61]: Kanttekening 61: Dat is, niet zo zij behoren, noch recht opgewogen in de weegschaal van de gerechtigheid.
[^ezechiel-18-26-62]: Kanttekening 62: Te weten, zijn boze wegen, van die in ’t voorgaande vers gesproken is.
[^ezechiel-18-27-63]: Kanttekening 63: 63 zijn ziel: Dat is, zichzelf, te weten door in de weg, die ten leven leidt, trouwelijk te volharden. Want het is Gods wil dat degenen, die Hij uit genade om Christus de kroon van de gerechtigheid belooft, daartoe komen door de weg van de gerechtigheid; Ef. 1:4, en Ef. 2:10; Tit. 2:11, 2:12, 2:13, 2:14. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Efeziërs 2:10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen. Titus 2:11: Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen. Titus 2:12: En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Titus 2:13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus; Titus 2:14: Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
[^ezechiel-18-28-64]: Kanttekening 64: Dat is, zorgdraagt dat hij in zijne zonden, die hij nu gevoelt en bekent, niet blijft steken. Zie zeer gelijke betekenis van het woord zien, 1 Kon. 12:16, en boven vers 14. 1 Koningen 12:16: Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. Ezechiël 18:14: Ziet nu, heeft hij een zoon gewonnen, die al de zonden zijn vaders, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet;
[^ezechiel-18-29-65]: Kanttekening 65: 65 De weg van de Heer is niet recht: Zie boven vers 25. Ezechiël 18:25: Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; hoort nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?
[^ezechiel-18-30-66]: Kanttekening 66: 66 zijn wegen: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^ezechiel-18-30-m]: Verwijzing m: Matt. 3:2. Mattheüs 3:2: En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.
[^ezechiel-18-30-67]: Kanttekening 67: Dat is, een oorzaak van uw val en verderf. Vergelijk boven Ez. 7:19, en de aantekening. Ezechiël 7:19: Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de dag van de toorn van YHWH; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn.
[^ezechiel-18-31-68]: Kanttekening 68: 68 Werpt van u weg: Dit bevel en het volgende geven te verstaan wat wij schuldig zijn te doen, en niet wat wij uit onszelven kunnen doen, maar bidden moeten dat wij het door de genade van degene, die het beveelt, mogen doen; Ps. 51:12; Jer. 31:18; Joh. 15:5. Psalmen 51:12: Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. Jeremia 31:18: Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent YHWH, mijn God! Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen.
[^ezechiel-18-31-69]: Kanttekening 69: 69 maakt u een nieuw hart: Vergelijk Efez. 4:23. Efeziërs 4:23: En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds,
[^ezechiel-18-31-n]: Verwijzing n: Jer. 32:39; Ez. 11:19; Ez. 36:26. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, samen met hun kinderen na hen. Ezechiël 11:19: En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
[^ezechiel-18-32-70]: Kanttekening 70: Dat is, Ik heb geen lust dat iemand onboetvaardig sterve en verga, maar dat hij bekeerd zijnde, leve. Vergelijk boven vers 23. Ezechiël 18:23: Zou Ik enigzins lust hebben aan de dood van de goddeloze, spreekt de Heer YHWH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?
[^ezechiel-18-32-o]: Verwijzing o: Ez. 33:11. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël?
[^ezechiel-18-32-71]: Kanttekening 71: Dit bevel begrijpt in zich een sterke belofte, dat zij zekerlijk leven zullen, die zich van harte tot God bekeren; zie Ps. 37:4, en Spreuk. 3:25. Psalmen 37:4: En verlustig u in YHWH, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. Spreuken 3:25: Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen, als zij komt.

### Ezechiël 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/19.json)

*Profetische weeklacht over slecht bewind en de ellendige afloop van de koningen Joahaz, Jojakim en Zedekia, alsook over de ondergang van het hele land van Juda, onder de gelijkenis van een leeuwin, leeuwenwelpen en jonge leeuwen; eveneens een wijnstok met zijn ranken, enz.*

**1** [^ezechiel-19-1-1] Verder, hef u een weeklage op over de[^ezechiel-19-1-2] vorsten van Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v1)

**2** En zeg: Wat was[^ezechiel-19-2-3] uw moeder? Een[^ezechiel-19-2-4] leeuwin,[^ezechiel-19-2-5] onder de leeuwen neerliggende; zij bracht haar[^ezechiel-19-2-6] welpen op in het midden van[^ezechiel-19-2-7] de jonge leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v2)

**3** Zij trok nu[^ezechiel-19-3-8] een van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde[^ezechiel-19-3-9] roof te roven,[^ezechiel-19-3-10] hij at mensen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v3)

**4** Dit hoorden[^ezechiel-19-4-11] de volken van hem, hij werd gegrepen[^ezechiel-19-4-12] in hun groeve;[^ezechiel-19-4-13] en zij brachten hem[^ezechiel-19-4-14] met haken naar[^ezechiel-19-4-a] Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v4)

**5** [^ezechiel-19-5-15] Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, maar haar[^ezechiel-19-5-16] verwachting verloren was, zo nam zij[^ezechiel-19-5-17] een ander van haar welpen, dat zij tot een jonge leeuw stelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v5)

**6** Deze wandelde steeds onder[^ezechiel-19-6-18] de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde[^ezechiel-19-6-19] roof te roven, hij at mensen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v6)

**7** [^ezechiel-19-7-20] Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en[^ezechiel-19-7-21] zijn volheid[^ezechiel-19-7-22] ontzet werd[^ezechiel-19-7-23] van de stem van zijn brulling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v7)

**8** Toen begaven zich de[^ezechiel-19-8-24] volken tegen hem rondom uit de gewesten, en[^ezechiel-19-8-25] zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v8)

**9** En zij stelden hem in gesloten bewaring met[^ezechiel-19-9-26] haken, opdat zij hem brachten tot de koning van Babel;[^ezechiel-19-9-27] zij brachten[^ezechiel-19-9-28] hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord werde op de bergen van Israël.[^ezechiel-19-9-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v9)

**10** [^ezechiel-19-10-29] Uw moeder was als een wijnstok[^ezechiel-19-10-30] in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v10)

**11** En[^ezechiel-19-11-31] hij had[^ezechiel-19-11-32] sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de[^ezechiel-19-11-33] stam van[^ezechiel-19-11-34] elke roede werd hoog tussen de[^ezechiel-19-11-35] dichte takken; en[^ezechiel-19-11-36] hij[^ezechiel-19-11-37] werd gezien door zijn hoogte, met de[^ezechiel-19-11-38] menigte van zijn takken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v11)

**12** Maar hij werd door[^ezechiel-19-12-39] woede uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de[^ezechiel-19-12-40] oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn[^ezechiel-19-12-41] sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het[^ezechiel-19-12-42] vuur heeft ze verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v12)

**13** En nu is hij geplant in[^ezechiel-19-13-43] een woestijn, in een dor en dorstig land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v13)

**14** Daartoe is een vuur uitgegaan[^ezechiel-19-14-44] uit een roede van zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is[^ezechiel-19-14-45] tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/19.html#v14)

[^ezechiel-19-1-1]: Kanttekening 1: 1 hef u een weeklage op: Dit zijn de woorden van God tot de profeet Ezechiël.
[^ezechiel-19-1-2]: Kanttekening 2: 2 vorsten van Israël: Versta, de koningen van Juda, die de koning van Babel onder zijn juk gebracht heeft.
[^ezechiel-19-2-3]: Kanttekening 3: 3 uw moeder: Versta, het huis, de stam, of het koninkrijk van Juda, en voornamelijk Jeruzalem, waar de koningen hun hof en hun stoel hadden, en vanwaar zij voortkomstig waren. Anders: Hoe was uwe moeder ene leeuwin onder de leeuwen nederliggende!
[^ezechiel-19-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, bij ene leeuwin te vergelijken; te weten niet alleen om de koninklijke macht en waardigheid, die bij de stam van Juda was, maar ook om de stoutmoedigheid, fierheid en wreedheid, die deze stam dikwijls in de regering vertoonde.
[^ezechiel-19-2-5]: Kanttekening 5: 5 onder de leeuwen nederliggende: Dat is, in het midden van machtige koningen, wrede volken of koninkrijken wonende; vergelijk Nah. 2:11. Nahum 2:11: Waar is nu de woning van de leeuwen, en die weide van de jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.
[^ezechiel-19-2-6]: Kanttekening 6: Versta door deze de jonge zonen van de koningen, die mettertijd in de plaats van hun vaderen staan te komen. Hier nu wordt gesproken van de zonen van de koning Josia, die van de vroomheid van hun vader geheel ontaard geweest zijn.
[^ezechiel-19-2-7]: Kanttekening 7: 7 jonge leeuwen: Te weten die vrij wat ouder en sterker zijn dan de welpen; gelijk af te nemen is uit vers 3. Ezechiël 19:3: Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.
[^ezechiel-19-3-8]: Kanttekening 8: 8 één van haar welpen: Namelijk Joahaz, die in de plaats van zijn vader koning werd; 2 Kon. 23:30. 2 Koningen 23:30: En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
[^ezechiel-19-3-9]: Kanttekening 9: 9 roof te roven: Joahaz wordt hier beschuldigd van roofgierigheid en overlast, bedreven tegen de bijgelegen volken, als de Egyptenaren, daarna van tirannie, geweld en bloedstorting, ook tegen zijne onderzaten bedreven; vergelijk onder vers 6. Ezechiël 19:6: Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.
[^ezechiel-19-3-10]: Kanttekening 10: 10 hij at mensen op: Vergelijk Deut. 7:16, en Deut. 31:17; Ps. 14:4, en Ps. 27:2. Deuteronomium 7:16: U zult dan al die volken verteren, die YHWH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Psalmen 14:4: Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan. Psalmen 27:2: Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
[^ezechiel-19-4-11]: Kanttekening 11: 11 de volken: Dat is, de Egyptenaars, gelijk te zien is in het einde van vers 4. Ezechiël 19:4: Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.
[^ezechiel-19-4-12]: Kanttekening 12: 12 in hun groeve: Men schrijft dat de leeuwen in verborgen putten en ook met netten plegen gevangen te worden.
[^ezechiel-19-4-13]: Kanttekening 13: 13 en zij brachten hem: Zie 2 Kon. 23:33, 23:34; Jer. 22:11, 22:12. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 2 Koningen 23:34: Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. Jeremia 22:11: Want zo zegt YHWH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen. Jeremia 22:12: Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.
[^ezechiel-19-4-14]: Kanttekening 14: 14 met haken: Dat is, met ketenen, die uit vele schakels als uit haken bestaan.
[^ezechiel-19-4-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 23:33; Jer. 22:11. 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. Jeremia 22:11: Want zo zegt YHWH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.
[^ezechiel-19-5-15]: Kanttekening 15: Te weten de leeuwin, of moeder van deze jongen leeuw, waarvan gesproken is boven vers 2. Ezechiël 19:2: En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen.
[^ezechiel-19-5-16]: Kanttekening 16: 16 verloren was: Te weten van de gevangen leeuw Joahaz weer te krijgen.
[^ezechiel-19-5-17]: Kanttekening 17: 17 een ander van haar welpen: Te weten Jojakim, de broer van Joahaz, de leeuwin van Farao gegeven en toegelaten, om in zijns broers plaats te wezen, 2 Kon. 23:34. 2 Koningen 23:34: Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar.
[^ezechiel-19-6-18]: Kanttekening 18: 18 onder de leeuwen: Versta koningen, of volken, wier wreedheid, gruwzaamheid en moorddadigheid hij navolgde; zie boven vers 2. Ezechiël 19:2: En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen.
[^ezechiel-19-6-19]: Kanttekening 19: 19 roof te roven: Vergelijk boven vers 3. Ezechiël 19:3: Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.
[^ezechiel-19-7-20]: Kanttekening 20: 20 Hij bekende zijn weduwen: Dat is, had vleselijke gemeenschap met de weduwen dergenen, die hij ten onrechte vermoord en geweldiglijk verdrukt had; zie van het woord bekennen zo genomen, Gen. 4:1. Anderen nemen het woord almenoth, dat weduwen betekent, onder Ez. 22:25, voor armenoht; dat is paleizen, 2 Kron. 36:19; of verlaten paleizen, gelijk Jes. 13:22; zie daar de aantekening en dat met deze zin, dat Jojakim ook de goederen van de mensen, ja van de machtigen, die hij verdrukt had, aangetast en geroofd heeft, tot dat einde die beziende en kennis daarvan nemende. Genesis 4:1: En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van YHWH verkregen! Ezechiël 22:25: De verbintenis van haar profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, de schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar. 2 Kronieken 36:19: En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten daarvan. Jesaja 13:22: En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, samen met de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.
[^ezechiel-19-7-21]: Kanttekening 21: 21 zijn volheid: Dat is, dat hetzelfde vervult, of dat daarin is; zo Ps. 24:1; Jes. 6:3, en onder Ez. 32:15. Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, samen met haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Jesaja 6:3: En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Ezechiël 32:15: Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-19-7-22]: Kanttekening 22: 22 ontzet werd: Of, woest en eenzaam.
[^ezechiel-19-7-23]: Kanttekening 23: 23 van de stem van zijn brulling: Dat is, van zijn tirannieke woeding en verwoesting.
[^ezechiel-19-8-24]: Kanttekening 24: 24 volken tegen hem rondom: Zie van deze volken en landen 2 Kon. 24:2. 2 Koningen 24:2: En YHWH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knechten, de profeten.
[^ezechiel-19-8-25]: Kanttekening 25: 25 zij spreidden hun net over hem uit: Zie boven vers 4. Ezechiël 19:4: Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.
[^ezechiel-19-9-26]: Kanttekening 26: Zie boven vers 4. Ezechiël 19:4: Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.
[^ezechiel-19-9-27]: Kanttekening 27: 27 zij brachten: Dat is, hun voornemen was hem te brengen; maar dit hebben zij niet kunnen uitvoeren, omdat hij op de weg gestorven is, gelijk Jeremia voorzegd had; Jer. 22:18, 22:19, en Jer. 36:30. Jeremia 22:18: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! Jeremia 22:19: Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem. Jeremia 36:30: Daarom zegt YHWH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, overdag in de hitte, en in de nacht in de vorst.
[^ezechiel-19-9-28]: Kanttekening 28: 28 hem in vestingen: Dat is, naar Babel, dat zeer sterk was en grote vestingen had; Jer. 51:25, 51:53. Jeremia 51:25: Ziet, Ik wil aan u, u verdervende berg! spreekt YHWH, u, die de gehele aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg van de brand. Jeremia 51:53: Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte van haar sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt YHWH.
[^ezechiel-19-9-a]: Verwijzing a: 2 Kron. 36:6. 2 Kronieken 36:6: Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
[^ezechiel-19-10-29]: Kanttekening 29: 29 Uw moeder: Zie boven vers 2. Ezechiël 19:2: En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen.
[^ezechiel-19-10-30]: Kanttekening 30: 30 in uw stilheid: Dat is, zolang als het koninrijk in vrede en bloei was; of, gelijk anderen, zolang als u de koning van Babel gehoorzaam bleeft. Anders: in uw bloed; dat is, in uw geboorte en eerste voortkomst ter wereld; vergelijk boven Ez. 16:6, en de aantekening. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef!
[^ezechiel-19-11-31]: Kanttekening 31: Te weten de wijnstok.
[^ezechiel-19-11-32]: Kanttekening 32: 32 sterke roeden: Of, takken, of stokken van de sterkte. Versta door deze de koningen en prinsen van koninklijken bloede, uit wie de koningen van Juda gemaakt werden.
[^ezechiel-19-11-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, statuur, of hoogte, gelijk boven Ez. 17:6. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
[^ezechiel-19-11-34]: Kanttekening 34: 34 werd hoog: Te weten zolang als de zegen van de Heer over die wijnstok was.
[^ezechiel-19-11-35]: Kanttekening 35: 35 dichte takken: Versta door deze de menigte van andere heren, vorsten en aanzienlijken van het land.
[^ezechiel-19-11-36]: Kanttekening 36: Te weten elke koning, die hier scepters van de heersers genaamd worden.
[^ezechiel-19-11-37]: Kanttekening 37: 37 werd gezien: Dat is, vermaard en wijdberoemd.
[^ezechiel-19-11-38]: Kanttekening 38: 38 menigte van zijn takken: Versta, het gehele rijk en de macht van het Joodse volk.
[^ezechiel-19-12-39]: Kanttekening 39: Versta de rechtvaardige toorn van God.
[^ezechiel-19-12-40]: Kanttekening 40: Deze betekent hier de koning van Babel met zijn gehele legermacht, gelijk boven Ez. 17:10. Ezechiël 17:10: Ja ziet, zal hij geplant zijnde strekken? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
[^ezechiel-19-12-41]: Kanttekening 41: 41 sterke roeden: Zie op het voorgaande vers.
[^ezechiel-19-12-42]: Kanttekening 42: 42 vuur heeft ze verteerd: Te weten van de goddelijke wraak.
[^ezechiel-19-13-43]: Kanttekening 43: 43 een woestijn: Versta het land van Babylonië, dat, hoewel het in zichzelf waterrijk en vruchtbaar was, nochtans de gevangen Joden was als een dorre en verdrietelijke woestijn, gelijk hun vaderen was geweest de woestijn door welke zij reisden naar het beloofde land. Vergelijk onder Ez. 20:35. Ezechiël 20:35: Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar rechten, aangezicht aan aangezicht;
[^ezechiel-19-14-44]: Kanttekening 44: 44 uit een roede van zijn ranken: Dat is, uit de koning Zedekia, die met zijn rebelleren tegen de koning van Babel, over zich en het gehele Joodse volk een gruwelijk verderf gebracht heeft; 2 Kon. 24:20, en 2 Kon. 25:1. 2 Koningen 24:20: Want het geschiedde, om de toorn van YHWH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-19-14-45]: Kanttekening 45: 45 tot een scepter: Zie boven, vers 11.

### Ezechiël 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/20.json)

*Sommige oudsten van het volk komen opnieuw tot de profeet, om God raad te vragen, vers 1. God laat hun door de profeet zeggen dat Hij door hen niet geraadpleegd wil worden, maar houdt hun zijn grote lankmoedigheid voor, en de voortdurende hardnekkige afgoderijen van hun voorvaderen, in Egypte, 5; in de woestijn, 13; en in Kanaän, 28. Hij belooft echter zijn volk weer te vergaderen en te herstellen door het Evangelie, 33; en profeteert opnieuw, onder de naam van het Zuiderwoud, de verwoesting van Jeruzalem en Juda, 46. De profeet klaagt over de bespotting door zijn landgenoten, 49.*

**1** En het gebeurde in[^ezechiel-20-1-1] het zevende jaar, in[^ezechiel-20-1-2] de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de[^ezechiel-20-1-3] oudsten van Israël kwamen, om YHWH[^ezechiel-20-1-4] te[^ezechiel-20-1-a] vragen; en zij zaten neer voor mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v1)

**2** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v2)

**3** Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Komt u, om Mij te vragen?[^ezechiel-20-3-5] Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v3)

**4** Zou u[^ezechiel-20-4-6][^ezechiel-20-4-b] hun recht geven,[^ezechiel-20-4-7] zou u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de[^ezechiel-20-4-8] gruwelijke dingen van hun vaders bekend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v4)

**5** En zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Op de dag als Ik Israël[^ezechiel-20-5-9] verkoos,[^ezechiel-20-5-c] zo[^ezechiel-20-5-10] hief Ik Mijn hand op tot het[^ezechiel-20-5-11] zaad van het huis van Jakob, en maakte Mijzelf hun in Egypteland[^ezechiel-20-5-12][^ezechiel-20-5-d] bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v5)

**6** Op diezelfde dag hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had,[^ezechiel-20-6-13] vloeiende van melk en honing,[^ezechiel-20-6-14] dat het sieraad is van alle landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v6)

**7** En Ik zei tot hen: Een ieder werpe[^ezechiel-20-7-15] de gruwelijke dingen van zijn ogen weg; en verontreinigt[^ezechiel-20-7-16] u niet met[^ezechiel-20-7-17] de afgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v7)

**8** Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen;[^ezechiel-20-8-18] niemand wierp de gruwelijke dingen van zijn ogen weg, noch verliet de afgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik[^ezechiel-20-8-19] Mijn woede over hen uitgieten zou, om[^ezechiel-20-8-20] Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v8)

**9** Maar Ik[^ezechiel-20-9-21] deed[^ezechiel-20-9-22] het omwille van Mijn Naam, opdat hij niet[^ezechiel-20-9-23] ontheiligd werde voor de ogen van de heidenen, te midden van wie zij waren; aan wie Ik Mij[^ezechiel-20-9-24], voor hun ogen[^ezechiel-20-9-25], bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v9)

**10** En Ik voerde hen[^ezechiel-20-10-e] uit Egypteland, en bracht hen[^ezechiel-20-10-26] in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v10)

**11** [^ezechiel-20-11-27] Daar gaf Ik hun Mijn voorschriften, en maakte hun Mijn rechten bekend,[^ezechiel-20-11-28][^ezechiel-20-11-f] die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v11)

**12** Daartoe ook gaf Ik hun Mijn[^ezechiel-20-12-29][^ezechiel-20-12-g] sabbatten, om een[^ezechiel-20-12-30] teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben,[^ezechiel-20-12-31] Die hen heilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v12)

**13** Maar het huis van Israël werd opstandig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn voorschriften niet, en verwierpen Mijn rechten; die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven; en zij[^ezechiel-20-13-32][^ezechiel-20-13-h] ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zei, Mijn woede te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v13)

**14** Maar Ik[^ezechiel-20-14-33] deed het omwille van Mijn Naam, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor de ogen van wie Ik hen uitvoerde[^ezechiel-20-14-34]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v14)

**15** Evenwel[^ezechiel-20-15-35] hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven[^ezechiel-20-15-36] had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v15)

**16** Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen,[^ezechiel-20-16-37] en in Mijn voorschriften niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart[^ezechiel-20-16-38] wandelde hun afgoden na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v16)

**17** Maar Mijn oog spaarde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding[^ezechiel-20-17-39] met hen maakte in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v17)

**18** Maar Ik zei[^ezechiel-20-18-40] tot hun kinderen in de[^ezechiel-20-18-41] woestijn: Wandel niet in de voorschriften van uw vaders, en onderhoudt[^ezechiel-20-18-42] hun rechten niet, en verontreinigt[^ezechiel-20-18-43] u niet met hun afgoden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v18)

**19** Ik ben YHWH, uw God,[^ezechiel-20-19-44] wandelt in Mijn voorschriften, en onderhoudt Mijn rechten, en doet die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v19)

**20** En[^ezechiel-20-20-45] heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een[^ezechiel-20-20-46] teken zijn tussen Mij en tussen u, opdat u weet, dat Ik, YHWH, uw God ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v20)

**21** Maar die kinderen waren ook opstandig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn voorschriften, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat[^ezechiel-20-21-47] Ik zei,[^ezechiel-20-21-48] Mijn woede te zullen uitgieten over hen,[^ezechiel-20-21-49] volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v21)

**22** Maar[^ezechiel-20-22-50] Ik keerde Mijn hand af, en[^ezechiel-20-22-51] deed het omwille van Mijn Naam, opdat hij voor de ogen van de heidenen niet zou[^ezechiel-20-22-52] ontheiligd worden, voor de ogen van wie Ik hen uitgevoerd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v22)

**23** Ik[^ezechiel-20-23-53] hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v23)

**24** Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn voorschriften verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en[^ezechiel-20-24-54] hun ogen achter de afgoden van hun vaders waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v24)

**25** Daarom gaf Ik hun ook[^ezechiel-20-25-55] besluitingen, die[^ezechiel-20-25-56] niet goed waren, en rechten,[^ezechiel-20-25-57] waarbij zij niet leven zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v25)

**26** En Ik[^ezechiel-20-26-58] verontreinigde hen in hun giften, omdat zij door het[^ezechiel-20-26-i] vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat Ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij[^ezechiel-20-26-59][^ezechiel-20-26-60] zouden[^ezechiel-20-26-61] weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v26)

**27** Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Hiermee nog hebben Mij uw vaders gesmaad, dat[^ezechiel-20-27-62] zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v27)

**28** [^ezechiel-20-28-63] Als Ik hen[^ezechiel-20-28-64] in het land gebracht had, over dat Ik Mijn hand opgeheven had, om het hun te geven, zo zagen zij naar alle hoge heuvel en alle[^ezechiel-20-28-65] dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en zij gaven daar hun[^ezechiel-20-28-66] tergende offergaven, en daar zetten zij hun liefelijke reuk, en daar[^ezechiel-20-28-67] offerden zij hun drankoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v28)

**29** En Ik zei tot hen: Wat is die[^ezechiel-20-29-68] hoogte, waarheen u gaat? Toch is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v29)

**30** Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai YHWH: Bent u verontreinigd geworden[^ezechiel-20-30-71] in de weg van uw vaders, en[^ezechiel-20-30-72] hoereert u achter hun gruwelijke dingen?[^ezechiel-20-30-69][^ezechiel-20-30-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v30)

**31** [^ezechiel-20-31-73] Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw afgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH, zo Ik van u gevraagd[^ezechiel-20-31-74] worde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v31)

**32** Daarom, dat[^ezechiel-20-32-75] in uw geest opgeklommen is,[^ezechiel-20-32-76] zal in geen geval gebeuren, dat u zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten van de landen zijn, dienende[^ezechiel-20-32-77] hout en steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v32)

**33** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH: Zo Ik niet met een[^ezechiel-20-33-78] sterke hand, en uitgestrekte arm[^ezechiel-20-33-79], en met een[^ezechiel-20-33-80] uitgegoten woede[^ezechiel-20-33-81] over u zal regeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v33)

**34** Want Ik zal u[^ezechiel-20-34-82] uit de volken voeren, en u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door een uitgegoten woede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v34)

**35** Daartoe zal Ik u brengen[^ezechiel-20-35-83] in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar[^ezechiel-20-35-84] rechten,[^ezechiel-20-35-85] aangezicht aan aangezicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v35)

**36** Zoals Ik gerecht heb met uw vaders in de woestijn van Egypteland, zo zal Ik met u rechten, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v36)

**37** En Ik zal u onder[^ezechiel-20-37-86] de roede doen doorgaan, en Ik zal[^ezechiel-20-37-87] u brengen[^ezechiel-20-37-88] onder de band van het verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v37)

**38** Daartoe zal Ik,[^ezechiel-20-38-89] die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit u[^ezechiel-20-38-90] uitzuiveren; Ik zal[^ezechiel-20-38-91] hen uit het land waar zij vreemdeling waren[^ezechiel-20-38-92] uitvoeren, en zij zullen in[^ezechiel-20-38-93] het gewest van Israël[^ezechiel-20-38-94] niet terugkeren, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v38)

**39** En u, o huis van Israël, zo zegt Adonai YHWH: Ga heen, dient een ieder zijn afgoden,[^ezechiel-20-39-96] ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer[^ezechiel-20-39-97] Mijn heilige Naam, met[^ezechiel-20-39-98] uw giften en met uw afgoden.[^ezechiel-20-39-95] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v39)

**40** Want[^ezechiel-20-40-99] op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt Adonai YHWH, daar zal Mij[^ezechiel-20-40-100] het hele huis van Israël in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen[^ezechiel-20-40-101] aan hen nemen, en daar zal Ik uw[^ezechiel-20-40-102] hefoffers eisen, en de eerstelingen van uw hefoffers met al uw[^ezechiel-20-40-103] geheiligde dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v40)

**41** Ik zal een welgevallen aan u nemen[^ezechiel-20-41-104] om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u verzamelen zal uit de landen, waarin u zult verstrooid zijn, en Ik zal in u[^ezechiel-20-41-105] geheiligd worden voor de ogen van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v41)

**42** En u zult weten, dat Ik YHWH ben, als Ik u in het gewest van Israël gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om het aan uw vaders te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v42)

**43** Daar[^ezechiel-20-43-106] zult u dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee u zich verontreinigd hebt[^ezechiel-20-43-107], en u zult van u zelf een[^ezechiel-20-43-108] walging hebben over al uw boosheden, die u gedaan hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v43)

**44** Zo zult u weten, dat Ik YHWH ben, als Ik met u gedaan zal hebben,[^ezechiel-20-44-109] omwille van Mijn Naam, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis van Israël, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v44)

**45** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v45)

**46** Mensenkind,[^ezechiel-20-46-110] zet uw aangezicht[^ezechiel-20-46-111] naar de weg van het zuiden, en[^ezechiel-20-46-112] drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het[^ezechiel-20-46-113] woud van het veld in het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v46)

**47** En zeg tot het[^ezechiel-20-47-114] zuiderwoud: Hoor het woord van YHWH: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal[^ezechiel-20-47-115] een vuur in u aansteken, dat in u[^ezechiel-20-47-116] alle[^ezechiel-20-47-k] groene boom en alle dorre boom verteren zal;[^ezechiel-20-47-117] de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden[^ezechiel-20-47-118] alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v47)

**48** En alle[^ezechiel-20-48-119] vlees zal zien, dat Ik, YHWH, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v48)

**49** En ik zei: Ach, Adonai YHWH, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van[^ezechiel-20-49-121] gelijkenissen?[^ezechiel-20-49-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/20.html#v49)

[^ezechiel-20-1-1]: Kanttekening 1: 1 het geschiedde in het zevende jaar: Te weten na de wegvoering van Jojachin; vergelijk boven Ez. 1:2, en Ez. 8:1. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 8:1: Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand van de Heer YHWH daar over mij viel.
[^ezechiel-20-1-2]: Kanttekening 2: 2 vijfde maand: Zie van deze maand Num. 33:38. Numeri 33:38: Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van YHWH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.
[^ezechiel-20-1-3]: Kanttekening 3: 3 oudsten van Israël kwamen: Zie boven Ez. 8:1. Ezechiël 8:1: Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand van de Heer YHWH daar over mij viel.
[^ezechiel-20-1-4]: Kanttekening 4: 4 te vragen: Te weten welke uitkomst het Joodse volk uit al zijne ellenden zou hebben, zowel in Jeruzalem en Judea als daar in het land van Babylonië; en wat hun te doen stond om de straffen, waarmee gedreigd werd, te ontgaan; hoe de Heer gevraagd werd, zie boven Ez. 14:3. Ezechiël 14:3: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
[^ezechiel-20-1-a]: Verwijzing a: Ez. 14:3. Ezechiël 14:3: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
[^ezechiel-20-3-5]: Kanttekening 5: 5 Zo waarachtig als Ik leef: Dat is, Ik wil van u niet gevraagd zijn. Zie van deze eedzwering, Num. 14:23. Numeri 14:23: Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^ezechiel-20-4-6]: Kanttekening 6: 6 recht geven: Hebreeuws, oordelen; dat is hier voorspreken, ontschuldigen, verdedigen, verantwoorden, verweren. Zo onder Ez. 22:2, en Ez. 23:36; vergelijk de aantekening Gen. 15:14, over het woord richten; anders: zult u hen \[niet\] oordelen, of richten? enz. dat is, oordelende bestraffen, gelijk volgt. Ezechiël 22:2: U nu, mensenkind, zoudt u de bloedstad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen. Ezechiël 23:36: En YHWH zei tot mij: Mensenkind! zoudt u Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^ezechiel-20-4-b]: Verwijzing b: Ez. 22:2; Ez. 23:36. Ezechiël 22:2: U nu, mensenkind, zoudt u van het bloedtad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen. Ezechiël 23:36: En YHWH zei tot mij: Mensenkind! zoudt u Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen.
[^ezechiel-20-4-7]: Kanttekening 7: 7 zoudt u hun recht geven: Hij verdubbelt de rede, om die te meer kracht te geven, en wil zeggen, dat hij hen in geen geval moest voorspreken of verdedigen; vergelijk Num. 17:12; Richt. 5:12, 5:27. Numeri 17:12: Toen spraken de kinderen van Israël tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan! Richteren 5:12: Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, u zoon van Abinoam. Richteren 5:27: Tussen haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!
[^ezechiel-20-4-8]: Kanttekening 8: 8 gruwelen van hun vaderen bekend: Te weten die zij met hunne vaderen gemeen hebben; opdat zij verzinnen hoe diep zij in hunne boosheid steken en hoe lang Ik hen daarin verdragen heb.
[^ezechiel-20-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, verklaarde gekozen te hebben uit alle volken en natiën van de aarde, opdat het mij tot een heilig volk zou zijn. Vergelijk Deut. 4:37, en Deut. 7:6, en Deut. 14:2, en Deut. 26:18. Deuteronomium 4:37: En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen gekozen had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd; Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 14:2: Want u bent een heilig volk voor YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een volk van het eigendom te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 26:18: En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden;
[^ezechiel-20-5-c]: Verwijzing c: Ex. 6:7. Exodus 6:7: En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, YHWH!
[^ezechiel-20-5-10]: Kanttekening 10: 10 hief Ik Mijn hand op: Dat is, beloofde met ede dat voor mijn volk te houden, Gen. 22:16; Ex. 6:7. De hand opheffen voor zweren. Het is menselijkerwijze van God gesproken. Zie Gen. 14:22. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Exodus 6:7: En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, YHWH! Genesis 14:22: Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^ezechiel-20-5-11]: Kanttekening 11: 11 zaad van het huis van Jakob: Dat is, nakomelingen. Zie Gen. 9:9. Genesis 9:9: Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;
[^ezechiel-20-5-12]: Kanttekening 12: Te weten door Mozes en Aäron. Zie Ex. 3, Ex. 4, enz.
[^ezechiel-20-5-d]: Verwijzing d: Ex. 3:8; Ex. 4:31. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. Exodus 4:31: En het volk geloofde, en zij hoorden, dat YHWH de kinderen van Israël bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.
[^ezechiel-20-6-13]: Kanttekening 13: 13 vloeiende van melk en honig: Zie Ex. 3:8. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^ezechiel-20-6-14]: Kanttekening 14: 14 dat het sieraad is van alle landen: Zo onder vers 15, en Ez. 26:20. Zie ook van de heerlijkheid van het land Kanaän, Deut. 8:7, en Deut. 32:13; Ps. 106:24. Ezechiël 20:15: Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen; Ezechiël 26:20: Dan zal Ik u doen nederdalen met degenen die in de kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen van de aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in de kuil nederdalen, opdat u niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land van de levenden. Deuteronomium 8:7: Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; Deuteronomium 32:13: Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Psalmen 106:24: Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.
[^ezechiel-20-7-15]: Kanttekening 15: 15 de verfoeiselen van zijn ogen weg: Zo noemt God de beelden en al hun goddeloos tuig, omdat zij verfoeilijk voor hem zijn, en voor alle mensen zijn moeten, waarop nochtans de Israëlieten met vermaking hunne ogen sloegen. Zie 1 Kon. 11:5; 2 Kron. 15:8. 1 Koningen 11:5: Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten. 2 Kronieken 15:8: Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het gehele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van YHWH, dat voor het voorhuis van YHWH was.
[^ezechiel-20-7-16]: Kanttekening 16: 16 verontreinigt u niet: Dat geschiedt met die ter afgoderij op te richten, en hun godsdienstige eer inwendiglijk of uitwendiglijk te bewijzen. Zo onder vers 30, 20:31, en Ez. 23:7, en Ez. 36:25. Afgoderij is geestelijke onreinheid. Vergelijk Gen. 35:2, en 2 Kron. 29:16, enz. Hierom wordt zij ook hoererij, of overspel genaamd. Zie Lev. 17:7. Ezechiël 20:30: Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Bent u verontreinigd geworden in de weg van uw vaderen, en hoereert u achter hun verfoeiselen? Ezechiël 20:31: Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde! Ezechiël 23:7: Zo dreef zij haar hoererijen met dezelfde, die allen de keure van de kinderen van Assur waren; en met allen, op die zij verliefd was, met al hun drekgoden, verontreinigde zij zich. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Genesis 35:2: Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw kleren; 2 Kronieken 29:16: Maar de priesters gingen binnen in het huis van YHWH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis van YHWH al de onreinigheid, die zij in de tempel van YHWH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen aan de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^ezechiel-20-7-17]: Kanttekening 17: 17 de drekgoden van Egypte: Die zeer gruwelijk en belachelijk waren, gelijk de kalven, krokodillen, apen, de ibis, welke men schrijft in Egypte een vogel te zijn als een ooievaar, die de slangen opeet, enz.
[^ezechiel-20-8-18]: Kanttekening 18: 18 niemand wierp de verfoeiselen van zijn ogen weg: Hebreeuws, een ieder verwierpen de verfoelselen van hunne ogen niet (עֵֽינֵי); of en wierpen hen niet weg; zo in de volgende woorden; dat is, niemand, of geen van hen, welverstaande van het merendeel. Zie 1 Kon. 11:34. 1 Koningen 11:34: Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.
[^ezechiel-20-8-19]: Kanttekening 19: 19 Mijn grimmigheid: Zie Ps. 79:6. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^ezechiel-20-8-20]: Kanttekening 20: 20 Mijn toorn: Zie boven Ez. 7:8. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-20-9-21]: Kanttekening 21: 21 deed het: Te weten wat Ik gedaan heb, namelijk hun belovende uit Egypteland te verlossen, Gen. 15:14; Ex. 3:8; vergelijk onder vers 14, 20:22. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. Ezechiël 20:14: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor de ogen van wie Ik hen uitvoerde. Ezechiël 20:22: Maar Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns Naams wil, opdat hij voor de ogen van de heidenen niet zou ontheiligd worden, voor de ogen van wie Ik hen uitgevoerd had.
[^ezechiel-20-9-22]: Kanttekening 22: 22 om Mijns Naams wil: Dat is, niet omdat zij het verdienden of waard waren, maar omdat Ik dat uit loutere genade beloofd had, en wilde in mijn woord waarachtig bevonden worden. Vergelijk onder vers 14, 20:22, 20:44, enz.; Dan. 9:19; Rom. 9:17, 9:23; Ef. 1:6. Ezechiël 20:14: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor de ogen van wie Ik hen uitvoerde. Ezechiël 20:22: Maar Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns Naams wil, opdat hij voor de ogen van de heidenen niet zou ontheiligd worden, voor de ogen van wie Ik hen uitgevoerd had. Ezechiël 20:44: Zo zult u weten, dat Ik YHWH ben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis van Israël, spreekt de Heer YHWH. Daniël 9:19: O Heer, hoor! o Heer, vergeef! o Heer, merk op en doe het, vertraag het niet! Vanwege Uzelf, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd. Romeinen 9:17: Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde. Romeinen 9:23: En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? Efeziërs 1:6: Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde;
[^ezechiel-20-9-23]: Kanttekening 23: 23 ontheiligd wierde: Zie Lev. 18:21, en onder vers 21, 20:24, 20:39, en Ez. 39:7. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:21: Maar die kinderen waren ook opstandig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; die, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat Ik zei, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn. Ezechiël 20:24: Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de drekgoden van hun vaderen waren. Ezechiël 20:39: En u, o huis van Israël, zo zegt de Heer YHWH: Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw drekgoden. Ezechiël 39:7: En Ik zal Mijn heilige Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, de Heilige in Israël.
[^ezechiel-20-9-24]: Kanttekening 24: 24 welke Ik Mij: Namelijk Israëlieten.
[^ezechiel-20-9-25]: Kanttekening 25: 25 hun ogen: Te weten van de heidenen, en voornamelijk van de Egyptenaars, die al Gods wonderwerken hadden gezien; Ex. 14:18; Num. 33:3. Exodus 14:18: En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. Numeri 33:3: Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, op de andere dag van het pascha, togen de kinderen van Israël uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;
[^ezechiel-20-10-e]: Verwijzing e: Ex. 13:18. Exodus 13:18: Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De kinderen van Israël nu togen bij vijven uit Egypteland.
[^ezechiel-20-10-26]: Kanttekening 26: Die zich uitstrekt van de Rode zee tot aan de grenzen van het land Kanaän.
[^ezechiel-20-11-27]: Kanttekening 27: 27 Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen: Te weten aan de berg Sinaï, van welke zie Ex. 19:1; zie ook Lev. 7:38, en Lev. 25:1, en de aantekening. Exodus 19:1: In de derde maand, na het uittrekken van de kinderen van Israël uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinaï. Leviticus 7:38: Die YHWH Mozes op de berg Sinaï geboden heeft, op de dag als Hij de kinderen van Israël gebood, dat zij hun offeranden aan YHWH, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren. Leviticus 25:1: Verder sprak YHWH tot Mozes, aan de berg Sinaï, zeggende:
[^ezechiel-20-11-28]: Kanttekening 28: Zie Lev. 18:5; Deut. 6:25. Leviticus 18:5: Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens dezelfde zal doen, die zal door dezelfde leven; Ik ben YHWH! Deuteronomium 6:25: En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
[^ezechiel-20-11-f]: Verwijzing f: Lev. 18:5; Rom. 10:5; Galat. 3:12. Leviticus 18:5: Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens dezelfde zal doen, die zal door dezelfde leven; Ik ben YHWH! Romeinen 10:5: Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven. Galaten 3:12: Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven.
[^ezechiel-20-12-29]: Kanttekening 29: Zie van dit woord Lev. 25:2. Leviticus 25:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat voor YHWH.
[^ezechiel-20-12-g]: Verwijzing g: Ex. 20:8; Ex. 31:13; Ex. 35:2. Exodus 20:8: Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Exodus 31:13: U nu, spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: U zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik YHWH ben, Die u heilige. Exodus 35:2: Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid zijn, een sabbat van de rust YHWH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.
[^ezechiel-20-12-30]: Kanttekening 30: 30 teken te zijn: Dat is, een ceremonieële afbeelding en beduiding van de geestelijke en eeuwige sabbat. Zo onder vers 20. Ezechiël 20:20: En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een teken zijn tussen Mij en tussen u, opdat u weet, dat Ik, YHWH, uw God ben.
[^ezechiel-20-12-31]: Kanttekening 31: 31 Die hen heilige: Dat is, uit genade afzonderen van andere mensen, opdat Ik hun God zij, en zij mijn volk, dat Ik mij door het bloed van de Messias reinige en door mijn Woord en Geest heilig make. Zie Lev. 20:8, en Lev. 21:8. Leviticus 20:8: En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelfde; Ik ben YHWH, die u heilige. Leviticus 21:8: Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige!
[^ezechiel-20-13-32]: Kanttekening 32: 32 ontheiligden Mijn sabbatten zeer: Te weten mits daarop te doen wat God verboden en te laten wat Hij geboden had.
[^ezechiel-20-13-h]: Verwijzing h: Ex. 16:28. Exodus 16:28: Toen zei YHWH tot Mozes: Hoe lang weigert u te houden Mijn geboden en Mijn wetten?
[^ezechiel-20-14-33]: Kanttekening 33: 33 deed het om Mijns Naams wil: Te weten dat Ik hun naar mijn genadige belofte gedaan heb. Zie boven vers 9. Anders: Ik deed het; te weten mits hen dikwijls te straffen, als zij tegen mij in de woestijn morden en zondigden. Ezechiël 20:9: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen van de heidenen, in wier midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
[^ezechiel-20-14-34]: Kanttekening 34: Te weten uit Egypteland, gelijk boven vers 6. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen.
[^ezechiel-20-15-35]: Kanttekening 35: 35 hief Ik ook Mijn hand op: Zie boven vers 5. Ezechiël 20:5: En zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Op de dag als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis van Jakob, en maakte Mijzelf hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben YHWH, uw God.
[^ezechiel-20-15-36]: Kanttekening 36: 36 vloeiende van melk en honig: Zie boven vers 6. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen.
[^ezechiel-20-16-37]: Kanttekening 37: 37 en in Mijn inzettingen niet wandelden: Of, en in mijne inzettingen, in die niet wandelen; of, en aangaande mijne inzettingen, in die niet wandelden. De zin is enerlei.
[^ezechiel-20-16-38]: Kanttekening 38: 38 wandelde hun drekgoden na: Vergelijk 1 Kon. 11:5. 1 Koningen 11:5: Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel van de Ammonieten.
[^ezechiel-20-17-39]: Kanttekening 39: 39 voleinding met hen maakte: Zie van deze manier van spreken Jer. 4:27; zo boven Ez. 11:13. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); Ezechiël 11:13: Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezicht, en riep met luide stem; en zei: Ach, Heer YHWH! zult U geheel een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?
[^ezechiel-20-18-40]: Kanttekening 40: 40 tot hun kinderen in de woestijn: Dat is, tot de zonen en de dochters dergenen, die Ik krachtiglijk uit Egypteland geleid had.
[^ezechiel-20-18-41]: Kanttekening 41: 41 Wandelt niet: Zie 1 Kon. 15:26. 1 Koningen 15:26: En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
[^ezechiel-20-18-42]: Kanttekening 42: 42 hun rechten niet: Dat is, hunne wijze en manier van doen; vergelijk Gen. 40:13, en de aantekening. Genesis 40:13: Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was.
[^ezechiel-20-18-43]: Kanttekening 43: 43 verontreinigt u niet: Zie boven vers 7. Ezechiël 20:7: En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^ezechiel-20-19-44]: Kanttekening 44: 44 wandelt in Mijn inzettingen: Vergelijk 2 Kron. 6:16, en de aantekening. 2 Kronieken 6:16: En nu, YHWH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
[^ezechiel-20-20-45]: Kanttekening 45: 45 heiligt Mijn sabbatten: Dat is, gebruikt ze tot dat heilig einde, waartoe ik ze geheiligd heb; zie Jer. 17:22. Jeremia 17:22: Ook zult u geen last uitvoeren uit uw huizen op de sabbatdag, noch enig werk doen; maar u zult de sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw vaderen geboden heb.
[^ezechiel-20-20-46]: Kanttekening 46: 46 teken zijn tussen Mij en tussen u: Zie boven vers 12. Ezechiël 20:12: Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige.
[^ezechiel-20-21-47]: Kanttekening 47: 47 Ik zei: Of, Ik dacht. Zeggen voor denken; zie Gen. 20:11. Genesis 20:11: En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
[^ezechiel-20-21-48]: Kanttekening 48: 48 Mijn grimmigheid: Zie boven Ez. 7:8. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-20-21-49]: Kanttekening 49: 49 volbrengende Mijn toorn: Zo boven vers 8. Ezechiël 20:8: Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen van zijn ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.
[^ezechiel-20-22-50]: Kanttekening 50: 50 Ik keerde Mijn hand af: Te weten van mijn toorn over hen te volbrengen.
[^ezechiel-20-22-51]: Kanttekening 51: 51 deed het om Mijns Naams wil: Te weten dat Ik hen niet in de woestijn vernielde.
[^ezechiel-20-22-52]: Kanttekening 52: 52 ontheiligd worden: Zo boven vers 9. Ezechiël 20:9: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen van de heidenen, in wier midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
[^ezechiel-20-23-53]: Kanttekening 53: 53 hief ook Mijn hand tot hen op: Te weten dreigende hen te straffen; vergelijk Ps. 10:12, en de aantekening. Psalmen 10:12: Sta op, YHWH God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
[^ezechiel-20-24-54]: Kanttekening 54: 54 hun ogen: Versta ook hunne harten. Want deze twee dingen volgen elkaar, Job 31:7. Daarom worden zij ook somtijds samengevoegd; Jer. 22:17; boven Ez. 6:9. Job 31:7: Zo mijn gang uit de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft; Jeremia 22:17: Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
[^ezechiel-20-25-55]: Kanttekening 55: Dat is, vastgestelde vonnissen en ordinantiën van mijn rechtvaardig oordeel, inhoudende de straffen, die zij verdiend hadden en ook hebben moeten lijden. Zo is ook het Hebreeuwse woord genomen Job 23:14; Ps. 2:7; zo is het volgende woord rechten genomen voor straffen, die hun om hunne zonden recht toekwamen. Job 23:14: Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem. Psalmen 2:7: Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^ezechiel-20-25-56]: Kanttekening 56: 56 niet goed waren: Dat is hun niet aangenaam of welbekomende, maar zeer kwaad en verderflijk. Zie van deze straffen Num. 16:23, enz., en Num. 21:6, en Num. 25:4, enz. Anderen verstaan door deze kwade inzettingen de afgodische wetten van de heidenen, welke God gezegd wordt aan de Israëlieten gegeven te hebben, omdat Hij door een rechtvaardig oordeel hen daarin heeft laten wandelen tot hun verderf, omdat zij zijn heilige wetten verlieten; vergelijk Ps. 81:12, 81:13; Rom. 1:24, enz. 2 Thess. 2:11. Numeri 16:23: En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: Numeri 21:6: Toen zond YHWH vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël. Numeri 25:4: En YHWH zei tot Mozes: Neem al de hoofden van het volk, en hang ze YHWH tegen de zon, zo zal de hitte van de toorn van YHWH gekeerd worden van Israël. Psalmen 81:12: Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild. Psalmen 81:13: Daarom heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^ezechiel-20-25-57]: Kanttekening 57: 57 waarbij zij niet leven zouden: Dat vervuld is als zij vergaan zijn in de woestijn en daarna.
[^ezechiel-20-26-58]: Kanttekening 58: 58 verontreinigde hen in hun giften: Dat is, Ik verklaarde, bewees en betuigde dat zij onrein, dat is onheilig, gruwelijk en mij onaangenaam waren in het offeren van hunne giften, die zij mij toebrachten. Zie van het woord verontreinigen zo genomen, Lev. 13:3. Leviticus 13:3: En de priester zal de plaag in het vel van het vlees bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan het vel zijns vleses, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.
[^ezechiel-20-26-i]: Verwijzing i: Ez. 16:21. Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan?
[^ezechiel-20-26-59]: Kanttekening 59: 59 door het vuur: Dit is hier ingevoegd uit vers 31. Het is ook uit de tekst gelaten, Lev. 18:21; zie van deze gruwel van de heidenen, Lev. 18:21. Sommigen menen dat de Joden ook deze gruwel de ware God ter ere hebben willen doen. Ezechiël 20:31: Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde! Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH!
[^ezechiel-20-26-60]: Kanttekening 60: 60 al wat de baarmoeder opent: Hebreeuws, alle opening van de baarmoeder; dat is, alle eerstgeborenen; zo Ex. 13:2, enz.; Num. 3:12. Exodus 13:2: Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Numeri 3:12: En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen van Israël genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen van Israël; en de Levieten zullen Mijne zijn.
[^ezechiel-20-26-61]: Kanttekening 61: 61 opdat Ik ze verwoesten zou: Want God had hen gedreigd, als zij de heidense gruwelen navolgden, dat Hij hun land verwoesten zou; Lev. 26:22, 26:31, 26:32, enz. Leviticus 26:22: Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden. Leviticus 26:31: En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken. Leviticus 26:32: Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.
[^ezechiel-20-27-62]: Kanttekening 62: 62 door overtreding: Dat is, een zonderlinge zonde tegen mij begaan hebben; vergelijk de manier van spreken, Lev. 5:15; Num. 5:27; Joz. 7:1. Leviticus 5:15: Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen van YHWH, zo zal hij tot zijn schuldoffer aan YHWH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, ten schuldoffer. Numeri 5:27: Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal gebeuren, als zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, dat vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn. Jozua 7:1: Maar de kinderen van Israël overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van YHWH tegen de kinderen van Israël.
[^ezechiel-20-28-63]: Kanttekening 63: 63 Als Ik hen: Hier wordt verhaald de voorgemelde zonderlinge overtreding.
[^ezechiel-20-28-64]: Kanttekening 64: 64 in het land gebracht had: Dat is, in het land Kanaän, dat Ik hun vaderen beloofd had.
[^ezechiel-20-28-65]: Kanttekening 65: 65 dicht geboomte: Dat is, dat zeer dik en doorvlochten is van takken en bladeren. Vergelijk Lev. 23:40; Neh. 8:16. Leviticus 23:40: En op de eerste dag zult u u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn. Nehemia 8:16: En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.
[^ezechiel-20-28-66]: Kanttekening 66: 66 tergende offeranden: Hebreeuws, de terging van hun offerande; dat is de offeranden, waarmee zij mij tergden en tot toorn verwekten.
[^ezechiel-20-28-67]: Kanttekening 67: 67 offerden zij hun drankofferen: Zie Ps. 16:4. Psalmen 16:4: De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
[^ezechiel-20-29-68]: Kanttekening 68: Wat de afgodische hoogten geweest zijn, zie Lev. 26:30. De Heer, aldus sprekende, vraagt spottenderwijze wat het te beduiden had, dat zij daarheen gingen om te offeren. Want, hoewel hij hun zulks doorgaans door zijne profeten verboden had, zo bleef nochtans met de afgodendienst zelfs de naam van de plaats bij hen in eer en waarde. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-20-30-71]: Kanttekening 71: 71 in de weg van uw vaderen: Dat is, naar, of met de manier van doen van uw vaderen. Zie Spreuk. 6:6. Spreuken 6:6: Ga tot de mier, u luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
[^ezechiel-20-30-72]: Kanttekening 72: 72 hoereert u: Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen aan de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^ezechiel-20-30-69]: Kanttekening 69: 69 Zijt u: Te weten door de eer en de dienst, die u aan de afgoden doet. Zie boven vers 7. Ezechiël 20:7: En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^ezechiel-20-30-70]: Kanttekening 70: 70 verontreinigd geworden: Anders: bent u \[niet\] verontreinigd geworden, enz.
[^ezechiel-20-31-73]: Kanttekening 73: Anders: Want als u uwe gaven offert, \[en\] als u uwe kinderen door het vuur doet doorgaan, enz., zou Ik dan van u gevraagd worden?
[^ezechiel-20-31-74]: Kanttekening 74: Vervul de zin gelijk in andere eedzweringen van God. Zie Num. 14:23. De zin dan is, alsof de Heer zei: Ik begeer van u, die zulke gruwelijke afgodendienaren bent, niet gevraagd te worden. Numeri 14:23: Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^ezechiel-20-32-75]: Kanttekening 75: 75 in uw geest opgeklommen is: Dat is, in de gedachten van uw hart gerezen en opgekomen is, of wat u denkt bij uzelven; vergelijk boven Ez. 11:5, en zie Jer. 7:31. Ezechiël 11:5: Zo viel dan de Geest van YHWH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt YHWH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen. Jeremia 7:31: En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen.
[^ezechiel-20-32-76]: Kanttekening 76: 76 zal in geen geval gebeuren: Hebreeuws, zal zijnde niet zijn, of geschiedende niet gebeuren.
[^ezechiel-20-32-77]: Kanttekening 77: 77 hout en steen: Zo worden de beelden genaamd, Deut. 4:28, en Deut. 29:17; Jer. 2:27, en Jer. 3:9; idem, gebeelde stenen, Lev. 26:1; goud en zilver, Deut. 29:17; Ps. 115:4, enz. Deuteronomium 4:28: En daar zult u goden dienen, die van de mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken. Deuteronomium 29:17: En u hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. Jeremia 2:27: Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons. Jeremia 3:9: Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht van haar hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. Leviticus 26:1: U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 29:17: En u hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. Psalmen 115:4: Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensen handen;
[^ezechiel-20-33-78]: Kanttekening 78: 78 sterke hand: Dat is, sterke en harde plagen. Zie Ex. 3:19, en Ex. 9:3; Job 13:21 met de aantekening. Exodus 3:19: Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Exodus 9:3: Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Job 13:21: Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^ezechiel-20-33-79]: Kanttekening 79: 79 uitgestrekten arm: Dat is, geweldige, wijdlopende en langdurige straffen. Vergelijk Jer. 21:5, en boven Ez. 4:7. Jeremia 21:5: En Ik Zelf zal tegen u strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote toorn. Ezechiël 4:7: Daarom zult u uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en u zult tegen haar profeteren.
[^ezechiel-20-33-80]: Kanttekening 80: 80 uitgegoten grimmigheid: Zie boven Ez. 7:8. Ezechiël 7:8: Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
[^ezechiel-20-33-81]: Kanttekening 81: 81 over u zal regeren: Dat is, uw Heer en Koning zijn, zulks dat het in uwe vrijheid en vermogen niet staan zal van mij af te gaan en mij te verlaten om een anderen overheer te verkiezen.
[^ezechiel-20-34-82]: Kanttekening 82: 82 uit de volken voeren: Velen verstaan door deze, die met de koning Jojachin weggetrokken zijn naar Babel, 2 Kon. 24:12. Hoewel daaronder ook kunnen verstaan worden die door de laatste belegering onder Zedekia in de omliggende landen verstrooid zijn geworden. Vergelijk Jer. 40:11, 40:12. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. Jeremia 40:11: Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen gesteld had; Jeremia 40:12: Zo keerden al de Joden weer uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten.
[^ezechiel-20-35-83]: Kanttekening 83: 83 in de woestijn van de volken: Dat is, in Chaldea en de omliggende landen, waar de Joden als in ene woestijn zouden wezen; vergelijk boven Ez. 19:13, en de aantekening. Ezechiël 19:13: En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land.
[^ezechiel-20-35-84]: Kanttekening 84: Of, pleiten. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk geoordeeld of gerecht te worden voor een rechter; Ps. 109:7; Spreuk. 29:9. Nu is er geen andere opperste Rechter dan God alleen, maar Hij wordt gezegd geoordeeld te worden, als Hij door zijn rechtvaardige straffen de mens zo overtuigt van zijne zonden, dat ook andere mensen oordelen dat de zondaar om dezelfde rechtvaardig gestraft wordt; zie boven Ez. 17:20. Psalmen 109:7: Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. Spreuken 29:9: Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.
[^ezechiel-20-35-85]: Kanttekening 85: 85 aangezicht aan aangezicht: Dat is, in aanwezigheid, mij hun openbarende door straffen, waarvan de gerechtigheid allen zo blijken zal, alsof Ik tegen u in aanwezigheid pleitte; vergelijk Ex. 33:11. Exodus 33:11: En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent.
[^ezechiel-20-37-86]: Kanttekening 86: 86 onder de roede doen doorgaan: Dat is, van de andere afzonderen, en mij tot een heilig volk toeëigenen; zie van deze manier van spreken Lev. 27:32; idem Jer. 33:13. Leviticus 27:32: Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal voor YHWH heilig zijn. Jeremia 33:13: In de steden van het gebergte, in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden opnieuw onder de handen van de tellers doorgaan, zegt YHWH.
[^ezechiel-20-37-87]: Kanttekening 87: 87 u brengen: Te weten die Ik afgezonderd heb.
[^ezechiel-20-37-88]: Kanttekening 88: 88 onder de band van het verbond: Dat is, tot de gehoorzaamheid, die u mij schuldig bent uit kracht van het verbond, dat Ik met u gemaakt heb.
[^ezechiel-20-38-89]: Kanttekening 89: 89 die rebel zijn: Te weten Israël.
[^ezechiel-20-38-90]: Kanttekening 90: Of, uitvagen; dat is afscheiden van degenen, die Ik tot mijn eigendom gekozen heb en die mijn woord gehoorzaam zijn.
[^ezechiel-20-38-91]: Kanttekening 91: 91 uit het land: Dat is, uit het land van Juda. Hij spreekt vande Joden, die nog met Zedekia in Judea waren, en hij noemt dat land, waarvan zij zich beroemden de rechte erfgenamen te zijn, het land van hun vreemdelingschap, omdat het nu meest overheerd was van de koning van Babel, en dat zij door hunne rebellie tegen hem, ja ook zelfs tegen God, hun recht daartoe verloren hadden. Sommigen verstaan door het land van hun vreemdelingschappen het landschap van Chaldea, waar wel enige goddelozen zouden uitgevoerd, maar van God verdaan worden, en in het land van Israël niet komen.
[^ezechiel-20-38-92]: Kanttekening 92: Te weten om gevankelijk gevoerd te worden naar Babel.
[^ezechiel-20-38-93]: Kanttekening 93: 93 in het landschap Israëls: Dat is, in hetzelfde land.
[^ezechiel-20-38-94]: Kanttekening 94: 94 niet wederkomen: Te weten omdat zij in de Babylonische gevangenschap zouden sterven.
[^ezechiel-20-39-96]: Kanttekening 96: Te weten nadat u uit Judea gevankelijk zult weggevoerd zijn.
[^ezechiel-20-39-97]: Kanttekening 97: 97 Mijn heilige Naam: Hebreeuws, de naam mijner heiligheid (שֵׁם).
[^ezechiel-20-39-98]: Kanttekening 98: 98 uw giften en met uw drekgoden: Te weten die u aan uw afgoden geeft en offert, en dat kwanswijs uit een goede bedoeling, tot mijne eer, gelijk u voorgeeft.
[^ezechiel-20-39-95]: Kanttekening 95: 95 Gaat heen: Een bevel spottenderwijze en uit zeer bittere toornigheid gegeven tot een teken, dat Hij dit hardnekkig volk verliet en verwierp; vergelijk Richt. 10:14; 1 Kon. 22:15; Job 38:3, en de aantekening. Richteren 10:14: Gaat heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, ter tijd van uw benauwdheid. 1 Koningen 22:15: Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want YHWH zal ze in de hand van de koning geven. Job 38:3: Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
[^ezechiel-20-40-99]: Kanttekening 99: 99 op Mijn heilige berg: Hebreeuws, in de berg mijner heiligheid (הַר). Versta de heilige kerk, en zie boven Ez. 14:22. Ezechiël 14:22: Maar ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; ziet, zij zullen tot u uitkomen, en u zult hun weg zien, en hun handelingen; en u zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
[^ezechiel-20-40-100]: Kanttekening 100: 100 het gehele huis van Israël: Of, allen, die in het land zijn, enz. Versta, het geestelijk Israël, dat is de vergadering van alle uitverkorenen en ware gelovigen; Rom. 9:6, 9:7, enz., en Rom. 11:26; Gal. 6:16. Romeinen 9:6: Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7: Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 11:26: En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Galaten 6:16: En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^ezechiel-20-40-101]: Kanttekening 101: 101 aan hen nemen: Dat is, aan hunne personen, en dat uit genade, vanwege de Middelaar, in wie zij geloven zullen, en door wiens Geest zij zullen geheiligd en geregeerd worden; Ef. 1:6. Efeziërs 1:6: Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde;
[^ezechiel-20-40-102]: Kanttekening 102: 102 hefofferen eisen: Versta onder de benaming van de godsdienst van het Oude Testament ook de godsdienst van het Nieuwe; vergelijk Jes. 19:19, 19:21; Mal. 1:11. Jesaja 19:19: Op die dag zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. Jesaja 19:21: En YHWH zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen YHWH kennen op die dag; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen YHWH een gelofte beloven en betalen. Maleachi 1:11: Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten.
[^ezechiel-20-40-103]: Kanttekening 103: 103 geheiligde dingen: Te weten die mij geheiligd en toegeëigend zullen worden.
[^ezechiel-20-41-104]: Kanttekening 104: 104 om de liefelijke reuk: Zie Gen. 8:21. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijke reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^ezechiel-20-41-105]: Kanttekening 105: 105 geheiligd worden: Dat is, geëerd en grootgemaakt worden om de genade en weldaad, die Ik aan u zal bewezen hebben. Zie Lev. 10:3. Leviticus 10:3: En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat YHWH gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron zweeg stil.
[^ezechiel-20-43-106]: Kanttekening 106: 106 zult u dan gedenken: Vergelijk boven Ez. 6:9, en de aantekening. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
[^ezechiel-20-43-107]: Kanttekening 107: 107 verontreinigd hebt: Vergelijk boven Ez. 14:11. Ezechiël 14:11: Opdat het huis van Israël niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-20-43-108]: Kanttekening 108: 108 walging hebben: Zie boven Ez. 6:9. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
[^ezechiel-20-44-109]: Kanttekening 109: 109 om Mijns Naams wil: Zie boven vers 9. Ezechiël 20:9: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen van de heidenen, in wier midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
[^ezechiel-20-46-110]: Kanttekening 110: 110 zet uw aangezicht: Dat is, bereid u, schik u, neem vastelijk voor om tegen het zuiden te profeteren. Vergelijk boven Ez. 6:2, en onder Ez. 21:2. Hier beginnen sommigen het volgende hoofdstuk, in welks begin deze figuurlijke profetie duidelijk verklaard wordt. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde; Ezechiël 21:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
[^ezechiel-20-46-111]: Kanttekening 111: 111 naar de weg van het zuiden: Dat is, naar Jeruzalem en Judea; want dit land was ten aanzien van Chaldea, of Mesopotamië, waarin Ezechiël nu was, zuidwaarts gelegen. Vergelijk onder Ez. 21:2. Ezechiël 21:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
[^ezechiel-20-46-112]: Kanttekening 112: 112 drup tegen het zuiden: Zie Deut. 32:2. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
[^ezechiel-20-46-113]: Kanttekening 113: Dat is, het land van Juda, dat zo vol van mensen is geweest als een bos vol staat met bomen.
[^ezechiel-20-47-114]: Kanttekening 114: Dat is, tot de mensen, die in Judea wonen; zie boven Ez. 17:24. Ezechiël 17:24: Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, YHWH, de hoge boom vernederd heb, de nederige boom verheven heb, de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen.
[^ezechiel-20-47-115]: Kanttekening 115: 115 een vuur in u aansteken: Dat is, een geweldige plaag van een gruwzamen oorlog; vergelijk Job 15:34; idem zie Ps. 78:63, en Ps. 83:15. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. Psalmen 78:63: Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen. Psalmen 83:15: Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;
[^ezechiel-20-47-116]: Kanttekening 116: 116 alle groene boom en alle dorre boom verteren zal: Dat is, rechtvaardigen en goddelozen; zie deze verklaring onder Ez. 21:3; boven Ez. 17:24. De vromen worden gezegd groen te zijn, en de bozen dor; Ps. 52:10; Jer. 17:8; Luk. 23:31. Ezechiël 21:3: En zeg tot het land van Israël: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien de rechtvaardige en de goddeloze. Ezechiël 17:24: Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, YHWH, de hoge boom vernederd heb, de nederige boom verheven heb, de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen. Psalmen 52:10: Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd. Jeremia 17:8: Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Lukas 23:31: Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre gebeuren?
[^ezechiel-20-47-k]: Verwijzing k: Lukas 23:31. Lukas 23:31: Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre gebeuren?
[^ezechiel-20-47-117]: Kanttekening 117: 117 de vlammende vlam: Hebreeuws, de vlam van de vlam, of de vlam, de vlam; dat is, de zeer geweldige vlam, of die zeer vlamt. Versta een zeer grote straf; zie Job 15:30. Job 15:30: Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
[^ezechiel-20-47-118]: Kanttekening 118: 118 alle aangezichten: Dat is, alle mensen, van het ene einde van het land tot aan het andere; vergelijk onder Ez. 21:4. Ezechiël 21:4: Omdat Ik dan van u uitroeien zal de rechtvaardige en de goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
[^ezechiel-20-48-119]: Kanttekening 119: 119 vlees zal zien: Dat is, mens; zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^ezechiel-20-49-121]: Kanttekening 121: Zie boven Ez. 17:2. Ezechiël 17:2: Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël,
[^ezechiel-20-49-120]: Kanttekening 120: 120 zij zeggen van mij: Te weten spottende met mijn persoon, dienst en beroeping.

### Ezechiël 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/21.json)

*God beveelt de profeet zeer scherp te profeteren tegen Jeruzalem, de tempel en het hele land, hooggeplaatsten en geringen, over het zwaard van de HEERE, waarover de profeet, het volk tot een teken, moet zuchten en misbaar maken, vers 1, 2, enz. Hij voorzegt dat de koning van Babel zal aarzelen of hij eerst Jeruzalem of het land der Ammonieten zal aantasten, maar dat hij eerst naar Jeruzalem zal trekken, om hun meinedigheid, 24. Profetie tegen het koninkrijk van Juda, en over de komst van Christus, 30; eveneens tegen de Ammonieten, 33.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-21-2-1] zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en[^ezechiel-21-2-2] drup tegen[^ezechiel-21-2-3] de heiligdommen, en profeteer tegen het[^ezechiel-21-2-4] land van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v2)

**3** En zeg tot het land van Israël: Zo zegt YHWH: Zie, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn[^ezechiel-21-3-6] zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien de[^ezechiel-21-3-7] rechtvaardige en de goddeloze.[^ezechiel-21-3-5] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v3)

**4** Omdat Ik dan van u uitroeien zal de rechtvaardige en de goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan[^ezechiel-21-4-8] tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v4)

**5** En alle vlees zal weten, dat Ik, YHWH, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal[^ezechiel-21-5-9] niet meer terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v5)

**6** Maar u, mensenkind,[^ezechiel-21-6-10] zucht; zucht voor[^ezechiel-21-6-11] hun ogen met[^ezechiel-21-6-12] verbreking van de middel en[^ezechiel-21-6-13] met bitterheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v6)

**7** En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht u, dat u zeggen zult: Om het[^ezechiel-21-7-14] gerucht, want het komt! en alle hart[^ezechiel-21-7-15] zal[^ezechiel-21-7-a] versmelten, en alle handen[^ezechiel-21-7-16] zullen[^ezechiel-21-7-b] verslappen, en alle[^ezechiel-21-7-17] geest zal[^ezechiel-21-7-18][^ezechiel-21-7-c] inkrimpen, en alle[^ezechiel-21-7-d] knieën als water[^ezechiel-21-7-19] wegvloeien; zie, het[^ezechiel-21-7-20] komt, en het zal gebeuren, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v7)

**8** Opnieuw kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v8)

**9** Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg:[^ezechiel-21-9-21] Het zwaard,[^ezechiel-21-9-22] het zwaard is[^ezechiel-21-9-23] gescherpt, en ook[^ezechiel-21-9-24] geveegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v9)

**10** Het is gescherpt, opdat het[^ezechiel-21-10-25] een slachting slachte; het is geveegd, opdat het[^ezechiel-21-10-26] een glinster hebbe;[^ezechiel-21-10-27] of wij dan zullen vrolijk zijn?[^ezechiel-21-10-28] het is[^ezechiel-21-10-29] de roede[^ezechiel-21-10-30] van Mijn Zoon,[^ezechiel-21-10-31] die[^ezechiel-21-10-32] alle hout[^ezechiel-21-10-33] versmaadt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v10)

**11** En Hij heeft het te vegen gegeven[^ezechiel-21-11-34][^ezechiel-21-11-35], opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om het in de hand van de moordenaar te geven[^ezechiel-21-11-36]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v11)

**12** Schreeuw en huil, o mensenkind, want het zal zijn tegen Mijn volk[^ezechiel-21-12-37][^ezechiel-21-12-38], het zal zijn tegen al de vorsten van[^ezechiel-21-12-39][^ezechiel-21-12-e] Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom[^ezechiel-21-12-40][^ezechiel-21-12-f] klop op de heup. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v12)

**13** Als[^ezechiel-21-13-41] er[^ezechiel-21-13-g] beproeving was,[^ezechiel-21-13-42] wat was het toen?[^ezechiel-21-13-43] Zou er dan[^ezechiel-21-13-44] ook geen[^ezechiel-21-13-45] versmadende roede[^ezechiel-21-13-46] zijn, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v13)

**14** Daarom u, mensenkind, profeteer, en[^ezechiel-21-14-47] sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden[^ezechiel-21-14-48] voor de derde keer, het is het[^ezechiel-21-14-49] zwaard van degenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard van[^ezechiel-21-14-50] de groten, die verslagen zullen worden, dat[^ezechiel-21-14-51] tot hen in de binnenste kamers indringen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v14)

**15** Ik heb de[^ezechiel-21-15-52] punt van het zwaard gezet tegen al[^ezechiel-21-15-53] hun poorten, opdat het hart[^ezechiel-21-15-54] versmelte, en[^ezechiel-21-15-55] de aanstoten vermenigvuldigen;[^ezechiel-21-15-56] ach, het[^ezechiel-21-15-57] is toegemaakt,[^ezechiel-21-15-58] opdat het glinstere, het[^ezechiel-21-15-59] is ingewonden om te slachten.[^ezechiel-21-15-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v15)

**16** [^ezechiel-21-16-60] Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom,[^ezechiel-21-16-61] waarheen uw aangezicht gesteld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v16)

**17** En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand[^ezechiel-21-17-62] slaan, en[^ezechiel-21-17-63] Mijn woede doen rusten; Ik, YHWH, heb het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v17)

**18** Opnieuw kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v18)

**19** U nu, mensenkind,[^ezechiel-21-19-64] stel u[^ezechiel-21-19-65] twee wegen voor, waardoor het zwaard van de koning van Babel komt; uit[^ezechiel-21-19-66] een land zullen zij beide voortkomen; en kies een[^ezechiel-21-19-67] zijde, kies[^ezechiel-21-19-68] ze aan het hoofd van de weg van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v19)

**20** U zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen[^ezechiel-21-20-69] Rabba van de kinderen van Ammon, of tegen Juda, tot de versterkte stad Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v20)

**21** Want de koning van Babel[^ezechiel-21-21-70] zal aan de[^ezechiel-21-21-71] wegscheiding[^ezechiel-21-21-72] staan, aan[^ezechiel-21-21-73] het hoofd van de twee wegen, om[^ezechiel-21-21-74] waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen[^ezechiel-21-21-75] slijpen; hij zal de[^ezechiel-21-21-76] terafim[^ezechiel-21-21-77] vragen, hij zal de[^ezechiel-21-21-78] lever bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v21)

**22** De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn[^ezechiel-21-22-79] op Jeruzalem, om[^ezechiel-21-22-80] hoofdmannen[^ezechiel-21-22-81] te stellen, om[^ezechiel-21-22-82] de mond te openen in het doodslaan, om[^ezechiel-21-22-83] de stem op te heffen met gejuich, om[^ezechiel-21-22-84] stormrammen te stellen tegen de poorten, om vestingen op te werpen, om bolwerken te bouwen.[^ezechiel-21-22-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v22)

**23** [^ezechiel-21-23-85] Dit zal[^ezechiel-21-23-86] hun[^ezechiel-21-23-87] in hun ogen als een[^ezechiel-21-23-88] ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn[^ezechiel-21-23-89] onder hen; maar hij zal aan de ongerechtigheid gedenken[^ezechiel-21-23-90][^ezechiel-21-23-91],[^ezechiel-21-23-92] opdat[^ezechiel-21-23-93] zij gegrepen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v23)

**24** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Omdat u uw ongerechtigheid[^ezechiel-21-24-94] doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat aan u gedacht wordt, zult u met de[^ezechiel-21-24-95] hand gegrepen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v24)

**25** En u,[^ezechiel-21-25-96] o onheilig,[^ezechiel-21-25-97] goddeloos vorst van Israël, van wie de[^ezechiel-21-25-98] dag komen zal, ten[^ezechiel-21-25-99] tijde van de uiterste ongerechtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v25)

**26** Zo zegt Adonai YHWH: Doe die hoed[^ezechiel-21-26-100] weg, en hef die kroon af, deze zal[^ezechiel-21-26-101] dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die[^ezechiel-21-26-102] nederig is, en vernederen die,[^ezechiel-21-26-103] die hoog is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v26)

**27** Ik zal[^ezechiel-21-27-104] die[^ezechiel-21-27-105] kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja,[^ezechiel-21-27-106] zij zal niet zijn, voordat hij kome, die[^ezechiel-21-27-107] daartoe recht heeft, en die[^ezechiel-21-27-108] Ik geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v27)

**28** En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt Adonai YHWH, van de kinderen van Ammon, en van hun[^ezechiel-21-28-109] smading; zo zeg: Het zwaard,[^ezechiel-21-28-110] het zwaard is[^ezechiel-21-28-111] uitgetrokken, het is ter[^ezechiel-21-28-112] slachting geveegd[^ezechiel-21-28-113] om te verdoen,[^ezechiel-21-28-114] om te glinsteren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v28)

**29** Terwijl[^ezechiel-21-29-115] zij[^ezechiel-21-29-116] u[^ezechiel-21-29-117] zinloosheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op[^ezechiel-21-29-118] de halzen te stellen van degenen,[^ezechiel-21-29-119] die van de goddelozen verslagen zijn,[^ezechiel-21-29-120] van wie de dag gekomen was[^ezechiel-21-29-121] ten tijde van de uiterste ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v29)

**30** [^ezechiel-21-30-122] Keer uw zwaard weer in zijn schede! In de[^ezechiel-21-30-123] plaats, waar u geschapen bent, in het land[^ezechiel-21-30-124] van uw woningen zal Ik u[^ezechiel-21-30-125] richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v30)

**31** En Ik zal over u Mijn toorn uitgieten, Ik zal tegen u door het[^ezechiel-21-31-126] vuur van Mijn toorn blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van[^ezechiel-21-31-127] brandende mensen,[^ezechiel-21-31-128] smeders van het verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v31)

**32** Voor het vuur zult u tot voedsel zijn[^ezechiel-21-32-129], uw[^ezechiel-21-32-130] bloed zal zijn in het midden van het land; aan u zal niet gedacht worden[^ezechiel-21-32-131]; want Ik, YHWH, heb het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/21.html#v32)

[^ezechiel-21-2-1]: Kanttekening 1: 1 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 20:46. Ezechiël 20:46: Mensenkind, zet uw aangezicht naar de weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.
[^ezechiel-21-2-2]: Kanttekening 2: 2 drup tegen: Dat is, stel leer, straf en vermaning voor. Zie Deut. 32:2. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
[^ezechiel-21-2-3]: Kanttekening 3: Versta, de tempel van de Heer, over welke de Joden zo roemden en pochten, alsof hij niet had kunnen uitgeroeid worden, Jer. 7:4. Het getal van velen wordt gebruikt, omdat deze tempel verscheidene delen had; zie Lev. 26:31. Jeremia 7:4: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Van YHWH tempel, van YHWH tempel, van YHWH tempel, zijn deze! Leviticus 26:31: En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
[^ezechiel-21-2-4]: Kanttekening 4: 4 land van Israël: Versta het land van Juda, dat een deel was van het land Kanaän, dat de Heer de Israëlieten tot hun erfdeel beloofd had. Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen hen;
[^ezechiel-21-3-6]: Kanttekening 6: 6 zwaard uit zijn schede trekken: Menselijkerwijze van God gesproken, gelijk ook Lev. 26:33. Zwaard voor de straf van de oorlog, Lev. 26:6. Somtijds schijnt het nog andere straffen te begrijpen, gelijk Job 19:29; gelijk de oorlog ene zee van alle plagen is; zie ook Ps. 22:21. Leviticus 26:33: Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. Leviticus 26:6: Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. Job 19:29: Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden van het zwaard; opdat u weet, dat er een gericht zij. Psalmen 22:21: Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de honds.
[^ezechiel-21-3-7]: Kanttekening 7: Versta, de rechtvaardige in schijn, en niet in waarheid, gelijk boven Ez. 3:20, zie de aantekening. Of de rechtvaardige in vergelijking met de goddeloze, die onrechtvaardiger is. Die minder goddeloos is, wordt gerechtvaardigd van dengene, die goddelozer is; dat is, rechtvaardiger geacht ten aanzien van hem; zie boven Ez. 16:51, 16:52. Zo men het woord rechtvaardig verstaan wil van de waren vrome, zo wordt hij met de goddeloze gestraft, omdat hij bij hem blijft, hoewel de vrome niet vergaat gelijk de goddeloze; vergelijk Openb. 18:4. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 16:51: Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden niet gezondigd; en u hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die u gedaan hebt. Ezechiël 16:52: Draag u dan ook uw schande, u, die voor uw zussen geoordeeld hebt door uw zonden, die u gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan u; wees u dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat u uw zussen gerechtvaardigd hebt. Openbaring 18:4: En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^ezechiel-21-3-5]: Kanttekening 5: 5 Ik wil aan u: Alsof de Heer zei: De Babyloniërs hebben het niet alleen tegen u, maar Ik zelf ben uwe tegenstander, bereid om u te verderven; zie boven Ez. 13:8. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-21-4-8]: Kanttekening 8: 8 tegen alle vlees: Zie boven Ez. 20:47, 20:48. Ezechiël 20:47: En zeg tot het zuiderwoud: Hoor van YHWH woord: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u alle groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe. Ezechiël 20:48: En alle vlees zal zien, dat Ik, YHWH, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden.
[^ezechiel-21-5-9]: Kanttekening 9: 9 niet meer terugkeren: Dat is, niet weer in de schede gestoken worden; dat is niet ophouden te verderven, voordat het mijn volle wraak zal uitgevoerd hebben.
[^ezechiel-21-6-10]: Kanttekening 10: Te weten om af te beelden het gekerm en gehuil, dat de Joden zouden maken, als zij de tijding krijgen zouden van de aankomst van de Chaldeën.
[^ezechiel-21-6-11]: Kanttekening 11: 11 hun ogen: Te weten van het volk, bij dat u woont. Want de daad van de profeet moest de gemeente een zeker voorteken zijn van de straffen, die over de Joden in Judea en Chaldea komen zouden.
[^ezechiel-21-6-12]: Kanttekening 12: 12 verbreking van de lenden: Dat is, met zulke zware ophaling van de adem uit de diepte van het lijf en met zodanigen gang en wringing van de leden, alsof hem de lenden verbroken waren.
[^ezechiel-21-6-13]: Kanttekening 13: 13 met bitterheid: Dat is, met zeer innerlijk smartend verdriet. Vergelijk 2 Kon. 4:27. 2 Koningen 4:27: Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.
[^ezechiel-21-7-14]: Kanttekening 14: Dat is, de zekere tijding van de komst van de Chaldeën, om u te verderven.
[^ezechiel-21-7-15]: Kanttekening 15: 15 zal versmelten: Te weten door vrees. Zie Deut. 1:28 en Joz. 2:11. Deuteronomium 1:28: Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Jozua 2:11: Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder aanwezigheid; want YHWH, ulieder God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde.
[^ezechiel-21-7-a]: Verwijzing a: Jer. 49:23. Jeremia 49:23: Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.
[^ezechiel-21-7-16]: Kanttekening 16: 16 zullen verslappen: Door verbaasdheid en ontsteltenis; zie 2 Sam. 4:1. 2 Samuël 4:1: Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^ezechiel-21-7-b]: Verwijzing b: Jer. 6:24; Ez. 7:17. Jeremia 6:24: Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw. Ezechiël 7:17: Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen henenvlieten als water.
[^ezechiel-21-7-17]: Kanttekening 17: Dat is, moed; zie Spreuk. 15:13. Spreuken 15:13: Een vrolijk hart zal het aangezicht blij maken; maar door de smart van de harten wordt de geest verslagen.
[^ezechiel-21-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, door het gevoel van zijn ellenden benauwd, geperst en geprand zijn. Het tegendeel is als het hart zich wijd uitbreidt; Ps. 119:32. Psalmen 119:32: Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als U mijn hart verwijd zult hebben.
[^ezechiel-21-7-c]: Verwijzing c: Ez. 4:17. Ezechiël 4:17: Opdat zij van het brood en van het water gebrek hebben, en de één met de ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.
[^ezechiel-21-7-d]: Verwijzing d: Ez. 7:17. Ezechiël 7:17: Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen henenvlieten als water.
[^ezechiel-21-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws, heengaan; dat is, hunne kracht verliezen. Zie boven Ez. 7:17. Ezechiël 7:17: Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen henenvlieten als water.
[^ezechiel-21-7-20]: Kanttekening 20: Te weten het gerucht, recht tevoren vermeld.
[^ezechiel-21-9-21]: Kanttekening 21: 21 Het zwaard: Versta door het zwaard de plaag van de oorlog. Zie Lev. 26:6. Leviticus 26:6: Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.
[^ezechiel-21-9-22]: Kanttekening 22: 22 het zwaard: Het woord is verdubbeld om de grootheid en zekerheid van de zaak, die verhaald wordt, samen met de beweging van degene, die het verhaal doet, uit te drukken, alsook om dengenen, wie het verhaal betreft, tot hartelijke beweging te verwekken; vergelijk 2 Kon. 4:19; Jes. 26:5; Jer. 4:19, en onder vers 28. 2 Koningen 4:19: En het zei tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zei tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder. Jesaja 26:5: Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. Jeremia 4:19: O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei. Ezechiël 21:28: En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heer YHWH, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
[^ezechiel-21-9-23]: Kanttekening 23: Te weten om te straffen en te verderven.
[^ezechiel-21-9-24]: Kanttekening 24: Dat is, schoon, net en sierlijk gemaakt.
[^ezechiel-21-10-25]: Kanttekening 25: 25 een slachting slachte: Versta hierdoor de doding en vermoording van de Joden door het zwaard en de wapens van de Chaldeën. Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen Ps. 37:14; Jes. 34:6; Jer. 25:34. Anders betekent het de slachting van de beesten tot voedsel en voeding van de mensen, Gen. 43:16; Spreuk. 9:2, zie de aantekening. Psalmen 37:14: Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn. Jesaja 34:6: Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jeremia 25:34: Huilt, u herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, u heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult u vervallen als een kostelijk vat. Genesis 43:16: Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zei hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten. Spreuken 9:2: Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt.
[^ezechiel-21-10-26]: Kanttekening 26: 26 een glinster hebbe: Dat is bekwaam is om te verschrikken en te vermoorden; vergelijk Deut. 32:41; Job 20:25, en de aantekening. Deuteronomium 32:41: Als Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen terugkeren, en Mijn hateren vergelden. Job 20:25: Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.
[^ezechiel-21-10-27]: Kanttekening 27: 27 of wij dan zullen vrolijk zijn: Sommigen nemen dit voor de woorden van de profeet tot de Joden, met welke hij reden geeft waarom men moest zuchten, gelijk hem belast was, boven vers 6; namelijk omdat er geen oorzaak was van blijdschap, maar wel van zwaar zuchten. Hebreeuws, of wij zullen vrolijk zijn. Ezechiël 21:6: Maar u, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking van de lenden en met bitterheid.
[^ezechiel-21-10-28]: Kanttekening 28: Te weten het voorgemelde zwaard. Dit zijn de woorden van God tot de profeet.
[^ezechiel-21-10-29]: Kanttekening 29: Dat is, de gesel, of straf; zie Job 9:34. Job 9:34: Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
[^ezechiel-21-10-30]: Kanttekening 30: 30 Mijns Zoons: Dat is, waar Ik mijn zoon mee kastijd, te weten mijn volk Israël, dat zo genaamd wordt ten aanzien van het verbond van de genade; zie Ex. 4:22, en de aantekening. Of versta de natuurlijken en eeuwigen Zoon van God, door wie de Vader zijne oordelen uitvoert; Ps. 2:7, 2:8, 2:9, 2:12. Exodus 4:22: Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Psalmen 2:7: Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Psalmen 2:8: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Psalmen 2:9: U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Psalmen 2:12: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^ezechiel-21-10-31]: Kanttekening 31: Te weten de roede.
[^ezechiel-21-10-32]: Kanttekening 32: 32 alle hout: Sommigen, alle geboomte; dat is alle mensen, die in Juda overig waren, hoge en lagen, vorsten en de gemeente; zie onder vers 12. Ezechiël 21:12: Schreeuw en huil, o mensenkind, want het zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
[^ezechiel-21-10-33]: Kanttekening 33: Dat is, zo sterk en taai is, dat zij tegen geen hout, hoe hard dat ook zij, met slaan wordt gebroken. Anders: de stam van mijn zoon versmaadt alle hout; dat is, mijn volk vraagt naar geen vaderlijke kastijding, daarom zal Ik met het zwaard straffen.
[^ezechiel-21-11-34]: Kanttekening 34: Namelijk God.
[^ezechiel-21-11-35]: Kanttekening 35: Te weten het zwaard.
[^ezechiel-21-11-36]: Kanttekening 36: 36 van de doodslager: Dat is, van de koning van Babel en zijn legermacht.
[^ezechiel-21-12-37]: Kanttekening 37: Te weten dat gescherpt en geveegd zwaard.
[^ezechiel-21-12-38]: Kanttekening 38: 38 tegen Mijn volk: Te weten om dat te verdelgen en uit te roeien.
[^ezechiel-21-12-39]: Kanttekening 39: Anders: zij, te weten de voorgemelde vorsten, zullen in het zwaard nedergestoten worden met mijn volk; dat is, zullen in het zwaard vallen en door de oorlog omkomen.
[^ezechiel-21-12-e]: Verwijzing e: Ez. 7:27. Ezechiël 7:27: De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-21-12-40]: Kanttekening 40: 40 klop op de heup: Te weten tot een teken van groot verdriet; zie Jer. 31:19. Jeremia 31:19: Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
[^ezechiel-21-12-f]: Verwijzing f: Ez. 6:11. Ezechiël 6:11: Zo zegt de Heer YHWH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie vallen.
[^ezechiel-21-13-41]: Kanttekening 41: Te weten waardoor Ik mijn volk hier tevoren beproefd heb door de Chaldeën en andere vijanden, die hen zeer geplaagd hebben; 2 Kon. 23:33, en 2 Kon. 24:1, enz.; 2 Kron. 36:3, enz. Anders: als het ene beproeving ware, wat zou het zijn? en zou hij \[evenwel\] niet een versmadende stam zijn? 2 Koningen 23:33: Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds. 2 Koningen 24:1: In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. 2 Kronieken 36:3: Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
[^ezechiel-21-13-g]: Verwijzing g: Jes. 1:5; Jer. 6:28. Jesaja 1:5: Waartoe zoudt u meer geslagen worden? U zoudt van de afvals van de te meer maken; het gehele hoofd is ziek, en het gehele hart is mat. Jeremia 6:28: Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers.
[^ezechiel-21-13-42]: Kanttekening 42: 42 wat was het toen: Dat is, wat heeft het geholpen, te weten tot verbetering van mijn volk? Hij wil zeggen, niet met al.
[^ezechiel-21-13-43]: Kanttekening 43: 43 Zou er dan: Anders: zou het dan (te weten mijn volk) ook \[onder\] de versmadende roede niet zijn!
[^ezechiel-21-13-44]: Kanttekening 44: Te weten aangezien het volk zich hoe langer hoe erger aanstelt.
[^ezechiel-21-13-45]: Kanttekening 45: 45 versmadende roede: Zie boven vers 10. Ezechiël 21:10: Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt.
[^ezechiel-21-13-46]: Kanttekening 46: Door welke zij naar behoren gestraft worden.
[^ezechiel-21-14-47]: Kanttekening 47: 47 sla hand tegen hand: Dat is, sla de handen samen, te weten tot een teken van ontsteltenis en verdriet over de moedwillige verkeerdheid van de Joden en hun verschrikkelijken ondergang. Zo boven Ez. 6:11. Zie de aantekening. Het kan ook zijn dat de profeet dit handklappen bevolen wordt, om te betekenen hoe de Chaldeën elkaar ophitsen zouden om de Joden aan te vallen. Vergelijk vers 17, en onder Ez. 22:13. Ezechiël 6:11: Zo zegt de Heer YHWH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie vallen. Ezechiël 21:17: En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, YHWH, heb het gesproken. Ezechiël 22:13: Ziet dan, Ik heb Mijn hand geslagen, om uw gierigheid, die u bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn.
[^ezechiel-21-14-48]: Kanttekening 48: 48 ten derde male: Dat is, dikwijls gebruikt worden om de Joden te verderven. Of versta dit van drie grote slachtingen, die de Chaldeën onder de Joden gedaan hebben. Zie van de eerste, 2 Kon. 25:5, 25:6, 25:7; Jer. 52:8, 52:9, 52:10, 52:11, van de tweede, 2 Kon. 25:8, 25:9, 25:10, enz.; Jer. 52:12, 52:13, 52:14, enz. en van de derde, die na de dood van Gedalia onder de Joden, die in Egypte gevlucht waren, van de Chaldeën ook gedaan is. Zie Jer. 41, Jer. 42, Jer. 43, Jer. 44, Jer. 45, Jer. 46. 2 Koningen 25:5: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. Jeremia 52:8: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. Jeremia 52:9: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem. Jeremia 52:10: En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla. Jeremia 52:11: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot de dag zijns doods toe. 2 Koningen 25:8: Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem. 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, samen met alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. 2 Koningen 25:10: En de gehele legermacht van de Chaldeeën, dat met de overste van de trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. Jeremia 52:12: Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand (dit jaar was het negentiende jaar van de koning Nebukadrezar, de koning van Babel), als Nebuzaradan, de overste van de trawanten, die voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was; Jeremia 52:13: Zo verbrandde hij het huis van YHWH en het huis van de koning; samen met alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. Jeremia 52:14: En de gehele legermacht van de Chaldeeën, dat met de overste van de trawanten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.
[^ezechiel-21-14-49]: Kanttekening 49: Dat is, dat vele mensen verslaan of ombrengen zal.
[^ezechiel-21-14-50]: Kanttekening 50: Dat is, waarmee niet alleen geringe en gemene mensen, maar ook heren en vorsten verslagen zullen worden. Zie van het woord groten, aldus genomen, 2 Kon. 5:1, en 2 Kon. 10:6, en de aantekening. 2 Koningen 5:1: Naäman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had YHWH de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats. 2 Koningen 10:6: Toen schreef hij ten tweede male tot hen een brief, zeggende: Zo u mijn bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu de konings, zeventig mannen, waren bij de grote stad, die hen opvoedden.)
[^ezechiel-21-14-51]: Kanttekening 51: 51 tot hen in de binnenste kamers: Dat is, tot degenen, die zich in de verborgenste plaatsen versteken zullen om het zwaard te ontgaan; vergelijk 1 Kon. 20:30, en 1 Kon. 22:25. Hebreeuws, dat tot hen in het binnenste inkameren zal, of is inkamerende. 1 Koningen 20:30: En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer. 1 Koningen 22:25: En Micha zei: Zie, u zult het zien, op diezelfde dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.
[^ezechiel-21-15-52]: Kanttekening 52: 52 punt van het zwaard: Of, scherpte, of glans. Anderen vertalen het woord schrik, slachting, of geroep. Het wordt alleen hier gevonden.
[^ezechiel-21-15-53]: Kanttekening 53: 53 tegen al hun poorten: Dat is, tegen hunne steden, sterkten, welke hier in voortijden bestonden in hunne poorten; zie Gen. 22:17. Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^ezechiel-21-15-54]: Kanttekening 54: Dat is, door angst en vrees verga, en alle kracht verlieze. Zo Joz. 2:9, 2:24; Job. 30:22. Jozua 2:9: En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat YHWH u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van deze lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Jozua 2:24: En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, YHWH heeft dat gehele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten.
[^ezechiel-21-15-55]: Kanttekening 55: 55 de aanstoten: Dat is, gelegenheden van vallen, waarin zij zich storten en verderven zullen, zoekende wel de gevaren te ontkomen, en hun leven te behouden; maar zouden zich van het ene ongeluk in het andere vinden; vergelijk boven Ez. 7:19. Ezechiël 7:19: Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de dag van de toorn van YHWH; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn.
[^ezechiel-21-15-56]: Kanttekening 56: Dit zijn de woorden van de profeet, beklagende de ellende van zijn volk.
[^ezechiel-21-15-57]: Kanttekening 57: Te weten het zwaard.
[^ezechiel-21-15-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, ter glinstering; dat is, opdat het bekwaam zij om de moedwillige Joden te verschrikken en te verderven; vergelijk boven vers 10, en onder vers 28. Ezechiël 21:10: Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt. Ezechiël 21:28: En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heer YHWH, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
[^ezechiel-21-15-59]: Kanttekening 59: 59 is ingewonden om te slachten: Dat is, weggelegd om het ter slachting gereed te hebben. Anders: gescherpt.
[^ezechiel-21-15-h]: Verwijzing h: onder, v. 28. Ezechiël 21:28: En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heer YHWH, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
[^ezechiel-21-16-60]: Kanttekening 60: 60 Houd u bijeen: Hebreeuws, houd u bijeen, ga ter rechterhand, schik u, ga ter linkerhand; zie van deze manier van spreken Ps. 45:5. De Heer spreekt hier het zwaard toe, alsof het de krijgsman ware, die het gebruiken moest. Zie Job 14:7. Hij beveelt het dat het zich voege en samen verenige met de andere zwaarden of krijgslieden van zijn bende, om met enen moed en kracht de vijand op het lijf te vallen, hetzij ter rechter- of ter linkerhand. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Job 14:7: Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.
[^ezechiel-21-16-61]: Kanttekening 61: Dat is, tot welk deel of oord van Judea het zou mogen wezen dat u gelast bent om daar moorderij en verwoesting aan te richten. Spaar niets noch iemand.
[^ezechiel-21-17-62]: Kanttekening 62: Te weten om de Chaldeën moed te geven, hen aan te hitsen en op te jagen tot het verderven en uitroeien van de Joodse natie; zie boven de aantekening vers 14. Versta dat dit zo blijken zou door de uitkomst van de zaak, dat het doen van de Chaldeën met Gods rechtvaardigen wil overeenkwam. Ezechiël 21:14: Daarom u, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derde male, het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard van de groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kamers indringen zal.
[^ezechiel-21-17-63]: Kanttekening 63: 63 mijn grimmigheid: Dat is mijn moed aan u koelen en mijn toorn aan u verzadigen; vergelijk boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-21-19-64]: Kanttekening 64: 64 stel u: Te weten op een tafereel af te malen en uit te drukken, gelijk boven Ez. 4:1, 4:2. Ezechiël 4:1: En u, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg die voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
[^ezechiel-21-19-65]: Kanttekening 65: 65 twee wegen: Te weten beide voortkomende uit het land van Babylonië, waarvan de ene was ter rechterhand, om in Judea te komen, de andere ter linkerhand, om te komen in het land van de Ammonieten. Nebukadnezar nu beraadslaagde welk land hij in deze tocht eerst aantasten zou, dat hier met deze twee wegen betekend wordt.
[^ezechiel-21-19-66]: Kanttekening 66: 66 een land: Te weten Babylonië. Of, uit eens land; dat is, van de koning van Babel.
[^ezechiel-21-19-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws, hand; zie Spreuk. 8:3, en de aantekening. Versta, vanwaar de koning van Babel in het Joodse land invallen zou. Spreuken 8:3: Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid:
[^ezechiel-21-19-68]: Kanttekening 68: 68 aan het hoofd van de weg: Dat is, aan het begin van de tweeweg, te weten aan de weg, die naar de stad Jeruzalem loopt. Het is ene profetie, dat Nebukadnezar eerst het Joodse land zou zien aan zich te brengen, om daarna de Ammonieten te overweldigen.
[^ezechiel-21-20-69]: Kanttekening 69: Zie 2 Sam. 11:1. 2 Samuël 11:1: En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.
[^ezechiel-21-21-70]: Kanttekening 70: Te weten als hij met een legermacht uit zijn land zuidwaarts optrekken zal om een krijgstocht te doen. In het Hebreeuws wordt de verleden tijd gebruikt: heeft gestaan, om te tonen de zekerheid van dit verhaal, alsof het al geschied ware.
[^ezechiel-21-21-71]: Kanttekening 71: Hebreeuws, moeder van de weg. Versta, een tweesprong, of tweeweg, die in twee wegen verdeeld wordt. De wegscheiding is ene moeder van de wegen genaamd, omdat daaruit andere wegen voortkomen, gelijk uit ene moeder kinderen.
[^ezechiel-21-21-72]: Kanttekening 72: Te weten, gelijk een die twijfelt welke weg hij ingaan zal, namelijk die ter rechterhand ligt, of die ligt ter linkerhand.
[^ezechiel-21-21-73]: Kanttekening 73: 73 het hoofd: Dat is, het begin, de ingang. Zie Ez. 16:25 en de aantekening. Ezechiël 16:25: Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
[^ezechiel-21-21-74]: Kanttekening 74: 74 waarzegging te gebruiken: Hebreeuws, waarzegging te waarzeggen; dat is waarzegging te gebruiken, of met waarzegging om te gaan; zie van het woord waarzegging, Spreuk. 16:10. De zin is dat hij de kunst van zijn afgodische waarzegging zou in het werk stellen, om te zien welke weg hij ingaan zou. Spreuken 16:10: Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
[^ezechiel-21-21-75]: Kanttekening 75: Te weten ten einde dat ze hem, als hij die naar zijn bijgelovige manier gebruikt zou hebben, te verstaan mochten geven welke weg hij kiezen zou. Anderen vertalen het woord pijlen, messen, welke geveegd en genet werden, als men vele offeranden daarmede gedaan had, uit welke de heidenen hunne waarzeggingen maakten.
[^ezechiel-21-21-76]: Kanttekening 76: Zie Gen. 31:19. Genesis 31:19: Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.
[^ezechiel-21-21-77]: Kanttekening 77: Te weten om raad.
[^ezechiel-21-21-78]: Kanttekening 78: 78 lever bezien: Te weten van hun geslachte beesten. Uit de gestalte nu van de lever oordeelden zij naar hun afgodische bijgelovigheid, wat hun te doen of te laten stond.
[^ezechiel-21-22-79]: Kanttekening 79: 79 op Jeruzalem: Dat is, de waarzegging zal uitwijzen dat Nebukadnezar de rechterhand moest kiezen, om Jeruzalem eerst te belegeren.
[^ezechiel-21-22-80]: Kanttekening 80: Het Hebreeuwse woord is zo genomen 2 Kon. 11:5; maar in het volgende van vers 22 betekent het stormrammen, gelijk ook boven Ez. 4:2. 2 Koningen 11:5: En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning; Ezechiël 21:22: De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
[^ezechiel-21-22-81]: Kanttekening 81: 81 te stellen: Dat is, de belegering tegen Jeruzalem aan te grijpen en te ordineren.
[^ezechiel-21-22-82]: Kanttekening 82: 82 de mond te openen: Dat is, met groot geroep de krijgslieden tot het vermoorden en verderven van de Joden aan te drijven, of tot opening van enig gat in de muur, waardoor zij mochten inbreken. Het volgende woord gejuich kan ook overgezet worden een gebroken geklank.
[^ezechiel-21-22-83]: Kanttekening 83: 83 de stem op te heffen met gejuich: Dat is, met een vreeslijk veldgeschrei de vijanden te verschrikken en de stad aan te vallen.
[^ezechiel-21-22-84]: Kanttekening 84: 84 stormrammen te stellen tegen de poorten: Zie boven Ez. 4:2. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
[^ezechiel-21-22-i]: Verwijzing i: Ez. 4:2; Ez. 17:17. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. Ezechiël 17:17: Ook zal Farao, door een groot legermacht en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
[^ezechiel-21-23-85]: Kanttekening 85: Dat is, deze uwe profetie.
[^ezechiel-21-23-86]: Kanttekening 86: Te weten de Joden.
[^ezechiel-21-23-87]: Kanttekening 87: 87 in hun ogen: Dat is, in hun oordeel. Zie Job 18:3. Job 18:3: Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?
[^ezechiel-21-23-88]: Kanttekening 88: 88 ijdel waarzeggen: Hebreeuws, een waarzeggen van de ijdelheid, of leugen; vergelijk onder vers 29. Ezechiël 21:29: Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid.
[^ezechiel-21-23-89]: Kanttekening 89: Namelijk de Joden met de Egyptenaars, of ook andere omliggende volken, die de Joden met de eed beloofd hadden, dat zij hen tegen de Chaldeën beschermen zouden. Sommigen verstaan het van de eed met welke zij aan de koning van Babel verplicht waren; uit het volgende.
[^ezechiel-21-23-90]: Kanttekening 90: Namelijk de koning van Babel.
[^ezechiel-21-23-91]: Kanttekening 91: Versta, de ontrouw en meinedigheid, die de koning Zedekia in het breken van het verbond, gemaakt met Nebukadnezar, bewezen had.
[^ezechiel-21-23-92]: Kanttekening 92: Namelijk de Joden in Jeruzalem wonende en daaronder behorende.
[^ezechiel-21-23-93]: Kanttekening 93: 93 gegrepen worden: Of gevangen, of ingenomen worden; dat is door wapenen overwonnen, overweldigd en gevankelijk weggevoerd worden.
[^ezechiel-21-24-94]: Kanttekening 94: 94 doet gedenken: Te weten mij en de koning van Babylonië doet u ze gedenken, door in uwe meinedigheid moedwilliglijk en openbaar voort te gaan, en daarin u te versterken door nieuwe verbonden, die u met andere volken tegen de koning van Babel hebt opgericht.
[^ezechiel-21-24-95]: Kanttekening 95: 95 met de hand gegrepen worden: Te weten van Nebukadnezar, dat is door zijn machtige legermacht.
[^ezechiel-21-25-96]: Kanttekening 96: 96 o onheilig: Hij meent Zedekia de koning van Juda.
[^ezechiel-21-25-97]: Kanttekening 97: Te weten, door afgoderij tegen God, meinedigheid tegen koning Nebukadnezar, wreedheid tegen zijn onderzaten, etc.
[^ezechiel-21-25-98]: Kanttekening 98: Te weten van uw straf en ondergang. Zie Job 18:20, en de aantekening, en Ps. 37:13; idem, hieronder vers 29. Job 18:20: Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. Psalmen 37:13: De YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Ezechiël 21:29: Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid.
[^ezechiel-21-25-99]: Kanttekening 99: 99 ten tijde van de uiterste ongerechtigheid: Dat is, als de ongerechtigheid op het hoogste gekomen en vol zal zijn, Gen. 15:16. Hebreeuws, ten tijde van de ongerechtigheid van het einde, of van het uiterste; dat is de uiterste of eindelijke ongerechtigheid; of men kan met sommigen door ongerechtigheid verstaan (gelijk elders) de straf van de ongerechtigheid en van het einde; dat is die een einde met hen zal uitmaken. Zo onder vers 29, en Ez. 35:5. Genesis 15:16: En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Ezechiël 21:29: Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid. Ezechiël 35:5: Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen van Israël doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde huns verderfs, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
[^ezechiel-21-26-100]: Kanttekening 100: Te weten van uw hoofd; zie van deze hoed Ex. 28:4. Exodus 28:4: Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.
[^ezechiel-21-26-101]: Kanttekening 101: 101 dezelfde niet wezen: dat is, uw kroon niet meer wezen, dat is, u zult niet meer koning zijn.
[^ezechiel-21-26-102]: Kanttekening 102: 102 die hoog is: Versta, de koning Jojachin, die in de Babylonische gevangenschap was, van wiens verhoging zie 2 Kon. 25:27, enz. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
[^ezechiel-21-26-103]: Kanttekening 103: 103 die nederig is: Dat is, Zedekia, die nu wel koning was, maar haast zou gevangen, verblind en weggevoerd worden. Zie 2 Kon. 25:6, 25:7. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^ezechiel-21-27-104]: Kanttekening 104: 104 die kroon : Te weten die kroon, van welke in vers 26 gemeld is. Ezechiël 21:26: Zo zegt de Heer YHWH: Doe die hoed weg, en hef die kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die nederig is, en vernederen die, die hoog is.
[^ezechiel-21-27-105]: Kanttekening 105: 105 omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen: Dat is geheel uitroeien, omwerpen en verderven. Hetzelfde wordt driemalen herhaald om de zekerheid van het verhaal en de ijver van de profeet aan te wijzen, alsook om degenen, wie het aanging, sterkelijk te bewegen. Vergelijk Jer. 7:4, en Jer. 22:29. Het Hebreeuwse woord is zo genomen, Jes. 24:1. Jeremia 7:4: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Van YHWH tempel, van YHWH tempel, van YHWH tempel, zijn deze! Jeremia 22:29: O land, land, land! hoor van YHWH woord! Jesaja 24:1: Ziet, YHWH maakt het land leeg, en Hij maakt het woest; en Hij keert daarvan gestalte om, en Hij verstrooit zijn inwoners.
[^ezechiel-21-27-106]: Kanttekening 106: 106 zij zal niet zijn: Dat is, daar zal geen koning zijn uit de stam van Juda.
[^ezechiel-21-27-107]: Kanttekening 107: 107 die daartoe recht heeft: Te weten om de kroon te hebben. Deze is onze Heer Jezus Christus, die de ware zoon en opvolger is van David.
[^ezechiel-21-27-108]: Kanttekening 108: Te weten recht.
[^ezechiel-21-28-109]: Kanttekening 109: Te weten die zij mijn volk aangedaan hebben; van welke zie onder Ez. 25:6; Zef. 2:8. Ezechiël 25:6: Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van hart verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël; Zefanja 2:8: Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen daarvan landpale.
[^ezechiel-21-28-110]: Kanttekening 110: 110 het zwaard: Van gelijke verdubbeling van dit woord zie boven vers 9. Ezechiël 21:9: Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
[^ezechiel-21-28-111]: Kanttekening 111: Hebreeuws, geopend; zie Ps. 37:14. Psalmen 37:14: Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
[^ezechiel-21-28-112]: Kanttekening 112: Te weten van u, o Ammonieten, die u mee van de koning Nebukadnezar afgevallen bent en het verderf niet zult ontgaan, ofschoon Jeruzalem voorgaat.
[^ezechiel-21-28-113]: Kanttekening 113: 113 om te verdoen: Anders: om te vatten, of te houden.
[^ezechiel-21-28-114]: Kanttekening 114: 114 om te glinsteren: Anders: om de glinstering; dat is omdat het zo toebereid is tot glinsterens toe, dat het met de slachting ook grote verschrikking zal aanrichten; vergelijk boven vers 10. Ezechiël 21:10: Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt.
[^ezechiel-21-29-115]: Kanttekening 115: Versta, de valse profeten van de Ammonieten.
[^ezechiel-21-29-116]: Kanttekening 116: Hij spreekt het Ammonietische volk toe.
[^ezechiel-21-29-117]: Kanttekening 117: Dat is, valsheid profeteren, te weten van vrede. Want terwijl zij u zo pluimstrijken, zullen u de Chaldeën overvallen.
[^ezechiel-21-29-118]: Kanttekening 118: 118 de halzen te stellen: Dat is, om vreugde te verwekken over de Joden, die van de Chaldeën verdrukt zijn, even alsof zij deze verdrukking niet hadden te verwachten.
[^ezechiel-21-29-119]: Kanttekening 119: 119 van de goddelozen verslagen: Hebreeuws, van de verslagenen van de goddelozen. Versta, de Joden, die van de Chaldeën vermoord waren.
[^ezechiel-21-29-120]: Kanttekening 120: Te weten de verslagenen.
[^ezechiel-21-29-121]: Kanttekening 121: Zie boven vers 25. Ezechiël 21:25: En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
[^ezechiel-21-30-122]: Kanttekening 122: 122 Keer uw zwaard weer in zijn schede: Dat is, weerstaat de Chaldeeën niet. Want het zal u niet helpen. Anders, zou ik \[het zwaard\] weer in zijn schede keren? Hij wil zeggen, Nee; maar in de plaats, etc.
[^ezechiel-21-30-123]: Kanttekening 123: 123 In de plaats, waar u geschapen bent: Dat is, in uw vaderland, waarin u geboren bent.
[^ezechiel-21-30-124]: Kanttekening 124: 124 uw woningen: Anders: uw handelingen.
[^ezechiel-21-30-125]: Kanttekening 125: Dat is, straffen door het zwaard van de Chaldeën. Zie Gen. 15:14. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen.
[^ezechiel-21-31-126]: Kanttekening 126: 126 vuur Mijner toorn: Vergelijk boven Ez. 20:47, en de aantekening. Ezechiël 20:47: En zeg tot het zuiderwoud: Hoor van YHWH woord: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u alle groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.
[^ezechiel-21-31-127]: Kanttekening 127: 127 brandende mensen: Te weten van toorn en vijandschap. Anders: onvernuftige mensen.
[^ezechiel-21-31-128]: Kanttekening 128: 128 smeders van het verderf: Dat is, die meesters en kunstenaars zijn, om verderving aan te richten.
[^ezechiel-21-32-129]: Kanttekening 129: 129 tot voedsel zijn: Hebreeuws, om te eten; dat is, om u te eten. Gelijk het vuur het hout verslindt, zo zullen de vijanden u verslinden.
[^ezechiel-21-32-130]: Kanttekening 130: Te weten wredelijk overal van de vijanden vergoten.
[^ezechiel-21-32-131]: Kanttekening 131: 131 uw zal niet gedacht worden: Te weten van de mensen. Zo geheel zult u uitgeroeid worden. Vergelijk onder Ez. 25:10. Ezechiël 25:10: Voor die van het oosten, met het land van de kinderen Ammons, dat Ik ter bezitting zal overgeven; opdat van de kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.

### Ezechiël 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/22.json)

*God stelt een register op van de gruwelijke zonden die tegen de eerste en tweede tafel van de wet binnen Jeruzalem in zwang gingen, vers 1, 2, 3, enz. Waarover Hij hun, in zeer hevige toorn, een verschrikkelijke ontzetting voorzegt, en verstrooiing onder de heidenen, 13; en dat Hij hen, omdat zij tot schuim geworden zijn, binnen Jeruzalem, als in een oven, zal smelten door het vuur van zijn toorn, 17. Algemene boosheid van de profeten, priesters, vorsten en het volk, 23.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v1)

**2** U nu, mensenkind, zou u de bloedstad recht geven[^ezechiel-22-2-1]? Zou u[^ezechiel-22-2-2][^ezechiel-22-2-a] ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v2)

**3** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH: O stad,[^ezechiel-22-3-3] die in haar midden bloed vergiet, opdat haar[^ezechiel-22-3-4] tijd kome, en[^ezechiel-22-3-5] afgoden[^ezechiel-22-3-6] tegen zichzelf maakt, om zich te verontreinigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v3)

**4** Door[^ezechiel-22-4-7] uw bloed, dat u vergoten[^ezechiel-22-4-b] hebt, bent u schuldig geworden, en met uw afgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich verontreinigd[^ezechiel-22-4-c], en hebt uw[^ezechiel-22-4-8] dagen doen naderen, en bent tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u aan de heidenen overgegeven tot een smaad, en aan alle landen tot een spot[^ezechiel-22-4-9][^ezechiel-22-4-d]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v4)

**5** Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, u[^ezechiel-22-5-10] onreine van naam en[^ezechiel-22-5-11] vol van onrust! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v5)

**6** Zie, de vorsten van Israël zijn in u[^ezechiel-22-6-12] geweest, een ieder naar zijn[^ezechiel-22-6-13] kracht, om bloed te vergieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v6)

**7** Vader en moeder[^ezechiel-22-7-14] hebben zij in u[^ezechiel-22-7-15] licht geacht; met de vreemdeling hebben zij in het midden van u door[^ezechiel-22-7-16] verdrukking gehandeld; zij hebben in u de wees en de weduwe[^ezechiel-22-7-17] verdrukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v7)

**8** Mijn heilige dingen hebt u veracht, en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v8)

**9** [^ezechiel-22-9-18] Roddelaars zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de[^ezechiel-22-9-e] bergen[^ezechiel-22-9-19] gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v9)

**10** Men heeft de[^ezechiel-22-10-20] schaamte van de vader in u[^ezechiel-22-10-f] ontbloot; die[^ezechiel-22-10-g] onrein was door[^ezechiel-22-10-21] afzondering, hebben zij in u[^ezechiel-22-10-22] verkracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v10)

**11** Daartoe heeft de één[^ezechiel-22-11-h] gruwel gedaan met de huisvrouw van zijn naaste[^ezechiel-22-11-i], en een ander heeft de vrouw van zijn[^ezechiel-22-11-k] zoon met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zus, de dochter van zijn vader, verkracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v11)

**12** Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten;[^ezechiel-22-12-23] rente en overwinst hebt u genomen, en u hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door[^ezechiel-22-12-24] verdrukking; maar u hebt Mij vergeten, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v12)

**13** Zie dan, Ik heb Mijn[^ezechiel-22-13-25] hand[^ezechiel-22-13-m] geslagen, om uw gierigheid, die u bedreven hebt, en om uw[^ezechiel-22-13-26] bloed,[^ezechiel-22-13-27] die in het midden van u geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v13)

**14** Zal uw hart[^ezechiel-22-14-28] bestaan? zullen uw handen sterk zijn, in de dagen, als Ik met u[^ezechiel-22-14-29] handelen zal? Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal[^ezechiel-22-14-n] het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v14)

**15** En Ik zal u[^ezechiel-22-15-o] verstrooien onder de heidenen, en u verspreiden in de landen, en uw ontreinigheid uit u[^ezechiel-22-15-30] verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v15)

**16** Zo zult u in u[^ezechiel-22-16-31] ontheiligd zijn voor de ogen van de heidenen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v16)

**17** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v17)

**18** Mensenkind,[^ezechiel-22-18-32] die van het huis van Israël zijn Mij tot[^ezechiel-22-18-33][^ezechiel-22-18-p] schuim geworden; zij zijn allen[^ezechiel-22-18-34] koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden van de oven; zilverschuim zijn zij geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v18)

**19** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Omdat u allen tot schuim geworden bent, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem[^ezechiel-22-19-35] verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v19)

**20** Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden van een oven[^ezechiel-22-20-36] verzameld wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; zo zal Ik u verzamelen in Mijn toorn, en in Mijn woede daar laten, en smelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v20)

**21** Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur van Mijn toorn, dat u in het midden van[^ezechiel-22-21-37] haar zult gesmolten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v21)

**22** Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, zo zult u in het midden van haar gesmolten worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, Mijn woede over u uitgegoten heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v22)

**23** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v23)

**24** Mensenkind, zeg tot[^ezechiel-22-24-38] haar; U bent een land, dat niet[^ezechiel-22-24-39] gereinigd is,[^ezechiel-22-24-40] dat zijn plasregen niet heeft gehad op de dag van[^ezechiel-22-24-41] de toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v24)

**25** [^ezechiel-22-25-42] De samenzwering van haar profeten[^ezechiel-22-25-43] is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de[^ezechiel-22-25-44][^ezechiel-22-25-q] zielen op, de schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen[^ezechiel-22-25-45] vermenigvuldigen zij in het midden van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v25)

**26** Haar priesters doen Mijn wet[^ezechiel-22-26-46] geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het[^ezechiel-22-26-r] verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe[^ezechiel-22-26-47] verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen[^ezechiel-22-26-48] ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v26)

**27** Haar[^ezechiel-22-27-s] vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om[^ezechiel-22-27-49] zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v27)

**28** Haar profeten nu[^ezechiel-22-28-50][^ezechiel-22-28-t] pleisteren hen met loze kalk;[^ezechiel-22-28-v] ziende[^ezechiel-22-28-51] zinloosheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Zo zegt Adonai YHWH! en YHWH heeft niet gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v28)

**29** Het volk van het[^ezechiel-22-29-52] land pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook[^ezechiel-22-29-53] onderdrukken zij de ellendige en arme, en de vreemdeling verdrukken zij[^ezechiel-22-29-54] zonder recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v29)

**30** Ik zocht nu een man[^ezechiel-22-30-55] uit hen, die de[^ezechiel-22-30-56] muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de[^ezechiel-22-30-x] bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v30)

**31** Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun[^ezechiel-22-31-57][^ezechiel-22-31-y] hoofd gegeven, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/22.html#v31)

[^ezechiel-22-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, die vol van doodslag en moord is. Hebreeuws, stad van de bloeden (עִיר); zo onder Ez. 24:6, Nah. 3:1. Zie Gen. 37:26. Ezechiël 24:6: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van de bloedstad, de pot, welks schuim in hem is, en van welke zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen. Nahum 3:1: Wee van de bloedstad, die geheel vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. Genesis 37:26: Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^ezechiel-22-2-2]: Kanttekening 2: 2 recht geven: Zie boven Ez. 20:4. Ezechiël 20:4: Zoudt u hun recht geven, zoudt u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hun vaderen bekend;
[^ezechiel-22-2-a]: Verwijzing a: Ez. 20:4; Ez. 23:36. Ezechiël 20:4: Zoudt u hun recht geven, zoudt u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hun vaderen bekend; Ezechiël 23:36: En YHWH zei tot mij: Mensenkind! zoudt u Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen.
[^ezechiel-22-3-3]: Kanttekening 3: 3 die in haar midden bloed vergiet: Dat is, van wie inwoners bloed vergieten, of in welke men bloed vergiet, en zo in het volgende.
[^ezechiel-22-3-4]: Kanttekening 4: 4 tijd kome: Van de straf en van het verderf; hun einde, dat zij zich door hunne zonden op de hals halen, en dat over hen van God rechtvaardiglijk is bestemd. Zie boven Ez. 7:7, 7:10, met de aantekening; zo in het volgende, dagen en jaren. Enerlei zaak wordt met verscheidene woorden verklaard. Vergelijk verder Micha 6:16, en boven Ez. 12:23, 12:24, 12:25, 12:27. Ezechiël 7:7: De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de beroerte is nabij, en er is geen wederklank van de bergen. Ezechiël 7:10: Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend. Micha 6:16: Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in hun raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid Mijns volks dragen. Ezechiël 12:23: Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht. Ezechiël 12:24: Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël. Ezechiël 12:25: Want Ik ben YHWH, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o opstandig huis, zal Ik een woord spreken, en het doen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 12:27: Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.
[^ezechiel-22-3-5]: Kanttekening 5: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-22-3-6]: Kanttekening 6: 6 tegen zichzelf: Of, bij haar, in haar, voor haar.
[^ezechiel-22-4-7]: Kanttekening 7: 7 uw bloed: Dit wordt door de bijgevoegde woorden verklaard; zo onder vers 13. Ezechiël 22:13: Ziet dan, Ik heb Mijn hand geslagen, om uw gierigheid, die u bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn.
[^ezechiel-22-4-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 21:16. 2 Koningen 21:16: Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^ezechiel-22-4-c]: Verwijzing c: Ez. 20:30; idem v. 31. Ezechiël 20:30: Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Bent u verontreinigd geworden in de weg uw vaderen, en hoereert u achter hun verfoeiselen? Ezechiël 20:31: Ja, met het offeren uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde!
[^ezechiel-22-4-8]: Kanttekening 8: 8 dagen doen naderen: Zie op vers 3. Ezechiël 22:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelf maakt, om zich te verontreinigen!
[^ezechiel-22-4-9]: Kanttekening 9: 9 overgegeven tot een smaad: Of, gesteld, gemaakt, een smaad bij, of voor, onder, enz. (zie Deut. 28:37). Dat is, Ik zal het zekerlijk doen, gelijk Ik het bereids begonnen heb te doen. Deuteronomium 28:37: En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u YHWH leiden zal.
[^ezechiel-22-4-d]: Verwijzing d: Ez. 5:14. Ezechiël 5:14: Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van al degene, die voorbijgaat.
[^ezechiel-22-5-10]: Kanttekening 10: 10 onreine van naam: Dat is, die een schandelijken naam hebt, zijnde overal befaamd en vermaard van de boosheid, die men in u bedrijft.
[^ezechiel-22-5-11]: Kanttekening 11: 11 vol van onrust: Of, overvloedige, inwoeling, beroering; binnen welke zulk een gestadig gewoel is, om allerlei gruwelijke boosheid en vijandelijkheid uit te denken, waarmee u overal te schande wordt. Dit wordt in het volgende verklaard.
[^ezechiel-22-6-12]: Kanttekening 12: Of, zijn, en zo in het volgende; dat is, zij zijn of hebben zich daartoe begeven, daarop toegelegd, daarvan hun werk gemaakt, in plaats dat zij zulks behoorden gestraft te hebben.
[^ezechiel-22-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, arm; dat is, naar zijn vermogen, elk om het zeerst; die het niet doet, die ontbreekt het aan de macht, niet aan de wil (זְרֹע). Zie Job 22:8. Job 22:8: Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
[^ezechiel-22-7-14]: Kanttekening 14: 14 hebben zij: Dat is, men heeft enzovoorts.
[^ezechiel-22-7-15]: Kanttekening 15: 15 licht geacht: Dat is klein geacht, veracht, versmaad.
[^ezechiel-22-7-16]: Kanttekening 16: 16 verdrukking gehandeld: Hem verdrukkende door overlast en geweld, of met bedrog en list.
[^ezechiel-22-7-17]: Kanttekening 17: Of, beroofd.
[^ezechiel-22-9-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, mannen, of mensen van de achterklaps; die met hun lopen en aandragen de naaste in lijden en verderf hebben gebracht; zie Lev. 19:16. Leviticus 19:16: U zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben YHWH!
[^ezechiel-22-9-e]: Verwijzing e: Ez. 18:6; idem v. 11. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert; Ezechiël 18:11: En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten;
[^ezechiel-22-9-19]: Kanttekening 19: Zie boven Ez. 18:6; dat is, daar zijn in u zulken geweest en zijn er nog, die zulks doen. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-22-10-20]: Kanttekening 20: 20 schaamte van de vader: Dat is, gruwelijke bloedschande begaan; zie Lev. 18:6. Leviticus 18:6: Niemand zal tot enige nabestaande zijns vleses naderen, om de schaamte te ontdekken; Ik ben YHWH!
[^ezechiel-22-10-f]: Verwijzing f: Lev. 18:8. Leviticus 18:8: U zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.
[^ezechiel-22-10-g]: Verwijzing g: Lev. 18:19; Ez. 18:6. Leviticus 18:19: Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinigheid niet naderen, om haar schaamte te ontdekken. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-22-10-21]: Kanttekening 21: Zie Lev. 15:24. Leviticus 15:24: Ook zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.
[^ezechiel-22-10-22]: Kanttekening 22: Of, onteerd, beslapen. Hebreeuws, vernederd; zo in vers 11. Ezechiël 22:11: Daartoe heeft de een gruwel gedaan met zijns naasten huisvrouw, en een ander heeft zijns zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zus, zijns vaders dochter; verkracht.
[^ezechiel-22-11-h]: Verwijzing h: Lev. 18:20. Leviticus 18:20: En u zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.
[^ezechiel-22-11-i]: Verwijzing i: Jer. 5:8. Jeremia 5:8: Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren een iedereen naar zijns naasten huisvrouw.
[^ezechiel-22-11-k]: Verwijzing k: Lev. 18:15. Leviticus 18:15: U zult de schaamte uw schoondochter niet ontdekken; zij is uws zoons huisvrouw; u zult haar schaamte niet ontdekken.
[^ezechiel-22-12-23]: Kanttekening 23: 23 woeker en overwinst: Zie van woeker en overwinst Lev. 25:36. Leviticus 25:36: U zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.
[^ezechiel-22-12-24]: Kanttekening 24: Mits hem onrechtvaardige winst afdringende, afpersende, of, zich met list en handelingen bevoordelende; want het Hebreeuwse woord wordt van beide gebruikt.
[^ezechiel-22-13-25]: Kanttekening 25: 25 hand geslagen: Te weten de ene tegen, of in de andere; een teken van ontsteltenis en de onverdragelijkheid van deze boosheid, voornemen van straf en aanhitsing van de vijand; vergelijk boven Ez. 21:14, met de aantekening daar. Ezechiël 21:14: Daarom u, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derde male, het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard van de grote, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kamers indringen zal.
[^ezechiel-22-13-m]: Verwijzing m: Ez. 21:17. Ezechiël 21:17: En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, YHWH, heb het gesproken.
[^ezechiel-22-13-26]: Kanttekening 26: Gelijk boven vers 4. Ezechiël 22:4: Door uw bloed, dat u vergoten hebt, bent u schuldig geworden, en met uw drekgoden, die u gemaakt hebt, hebt u u verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en zijt tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u de heidenen overgegeven tot een smaad, en allen landen tot een spot.
[^ezechiel-22-13-27]: Kanttekening 27: Gierigheid en moorderij.
[^ezechiel-22-14-28]: Kanttekening 28: In geen geval wil God zeggen, maar hart en moed zullen u alsdan voorzeker ontvallen, en uwe handen zullen slap worden.
[^ezechiel-22-14-29]: Kanttekening 29: 29 handelen zal: Naar mijne gerechtigheid en uwe verdiensten.
[^ezechiel-22-14-n]: Verwijzing n: Ez. 17:24. Ezechiël 17:24: Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, YHWH, de hoge boom vernederd heb, de nederigen boom verheven heb, de groenen boom verdroogd, en de drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen.
[^ezechiel-22-15-o]: Verwijzing o: Ez. 12:14; idem v. 15. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. Ezechiël 12:15: Zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.
[^ezechiel-22-15-30]: Kanttekening 30: Of, doen vergaan, dat is, Ik zal maken dat uwe inwoners die onreinheid zullen moeten laten, als zij uit hun land zullen verdreven en gevankelijk weggevoerd zijn. Vergelijk onder Ez. 23:27. Ezechiël 23:27: Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, samen met uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en u zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.
[^ezechiel-22-16-31]: Kanttekening 31: 31 ontheiligd zijn: Als een onheilige, veile, verachte stad behandeld zijnde, vermits uwe verwoesting. Anders: u zult u ten erve geven; of, ten erve genomen worden; dat is, vreemde heidenen zullen u bezitten en over u heersen.
[^ezechiel-22-18-32]: Kanttekening 32: 32 die van het huis van Israël: Hebreeuws, het huis van Israël is mij, enz (בֵֽית).
[^ezechiel-22-18-33]: Kanttekening 33: 33 schuim geworden: Zie Jes. 1:22; Jer. 6:28, 6:29, 6:30, met de aantekening. Jesaja 1:22: Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water. Jeremia 6:28: Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers. Jeremia 6:29: De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, omdat de bozen niet afgetrokken zijn. Jeremia 6:30: Men noemt ze een verworpen zilver; want YHWH heeft hen verworpen.
[^ezechiel-22-18-p]: Verwijzing p: Jes. 1:22. Jesaja 1:22: Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.
[^ezechiel-22-18-34]: Kanttekening 34: 34 koper, of tin, of ijzer, of lood: Inplaats dat zij fijn goud en zilver behoorden te zijn, dat is, oprecht, heilig en vroom.
[^ezechiel-22-19-35]: Kanttekening 35: Als in een smeltoven. Dit wordt in het volgende verklaard. Vergelijk boven Ez. 11:7. Ezechiël 11:7: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Uw verslagenen, die u in het midden van die nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden van die doen uitgaan.
[^ezechiel-22-20-36]: Kanttekening 36: 36 vergaderd wordt: Hebreeuws, \[na\] de vergadering van zilver, enz (כֶּסֶף).
[^ezechiel-22-21-37]: Kanttekening 37: 37 haar zult gesmolten worden: Van de stad Jeruzalem; zo in vers 22. Vergelijk vers 19. Ezechiël 22:22: Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, zo zult u in het midden van haar gesmolten worden; en u zult weten, dat Ik, YHWH, Mijn grimmigheid over u uitgegoten heb. Ezechiël 22:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u allen tot schuim geworden bent, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen.
[^ezechiel-22-24-38]: Kanttekening 38: Jeruzalem en het land Juda, gelijk volgt.
[^ezechiel-22-24-39]: Kanttekening 39: 39 gereinigd is: Van goddelozen en goddeloosheid; u bent door mijn oordelen en straffen niet verbeterd.
[^ezechiel-22-24-40]: Kanttekening 40: 40 dat zijn plasregen: Of, dat niet beregend is; dat is, dat niet gezuiverd is door mijne straffen; gelijk de plasregen het land pleegt te zuiveren en de vuiligheid weg te spoelen. Anders: \[dat\] niet beregend zal worden; dat is, u zult door mijne oordelen bedorven en verteerd worden, en niet verlicht of verkwikt.
[^ezechiel-22-24-41]: Kanttekening 41: Dat is, mijner straffen.
[^ezechiel-22-25-42]: Kanttekening 42: 42 De verbintenis: Of, samenspanning, samenzwering; dat is, conspiratie. De valse profeten hebben zich samen verbonden tegen de vrome profeten en degenen, die hun zijn toegedaan, om die te verwoesten. Vergelijk Jer. 20:2, en Jer. 26:8, 26:9, en Jer. 29:25, 29:26; Klaagl. 4:13. Jeremia 20:2: Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Jeremia 26:8: Zo geschiedde het, als Jeremia geëindigd had te spreken alles, wat YHWH geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: U zult de dood sterven! Jeremia 26:9: Waarom hebt u in de Naam van YHWH geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand woont? En het gehele volk werd vergaderd tegen Jeremia, in het huis van YHWH. Jeremia 29:25: Zo spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Omdat u brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, en tot al de priesters, zeggende: Jeremia 29:26: De YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzieners zoudt zijn in het huis van YHWH over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok. Klaagliederen 4:13: Mem. Het is vanwege de zonden haar profeten, en de misdaden haar priesters, die in het midden van haar het bloed van de rechtvaardigen vergoten hebben.
[^ezechiel-22-25-43]: Kanttekening 43: 43 haar profeten: Jeruzalem, enzovoorts.
[^ezechiel-22-25-44]: Kanttekening 44: 44 zielen op: Dat is, mensen, \[zie Gen. 12:5\], mits zich bloot en kaal makende door hun verleidende profetieën voor welke zij duur geloond willen zijn; en de vrome mensen brengen zij om al het hunne, door valse beschuldigingen en kwade praktijken. Vergelijk Micha 3:11; Matt. 23:14. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Micha 3:11: Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op YHWH, zeggende: Is YHWH niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. Mattheüs 23:14: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen.
[^ezechiel-22-25-q]: Verwijzing q: Matt. 23:14. Mattheüs 23:14: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen.
[^ezechiel-22-25-45]: Kanttekening 45: Berovende haar van de mannen, die zij met hun valse aanklachten om het leven doen brengen.
[^ezechiel-22-26-46]: Kanttekening 46: 46 geweld aan: Onbeschroomd haar inbrekende, en naar hun lust trekkende; vergelijk Zef. 3:3, 3:4. Zefanja 3:3: Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen. Zefanja 3:4: Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan.
[^ezechiel-22-26-r]: Verwijzing r: Lev. 10:10; Ez. 44:23. Leviticus 10:10: En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine; Ezechiël 44:23: En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.
[^ezechiel-22-26-47]: Kanttekening 47: 47 verbergen zij hun ogen: Dat is, zij onttrekken zich van de onderhouding mijner sabbaten, alsof zij mijne ordinantie daarvan niet eens wisten.
[^ezechiel-22-26-48]: Kanttekening 48: Dat is, onteerd en niets geacht, alsof Ik geen God ware; zo handelen zij met mij, en zijn de oorzaak dat het anderen nadoen.
[^ezechiel-22-27-s]: Verwijzing s: Micha 3:11; Zefan. 3:3. Micha 3:11: Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op YHWH, zeggende: Is YHWH niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. Zefanja 3:3: Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen.
[^ezechiel-22-27-49]: Kanttekening 49: 49 zielen te verderven: Dat is, mensen, gelijk vers 25. Ezechiël 22:25: De verbintenis haar profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, de schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar.
[^ezechiel-22-28-50]: Kanttekening 50: 50 pleisteren hen met loze kalk: Zie boven Ez. 13:10. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de een een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen hem pleisteren met loze kalk.
[^ezechiel-22-28-t]: Verwijzing t: Ez. 13:10. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen dezelfde pleisteren met loze kalk.
[^ezechiel-22-28-v]: Verwijzing v: Ez. 21:29. Ezechiël 21:29: Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid.
[^ezechiel-22-28-51]: Kanttekening 51: 51 ijdelheid en hun leugen voorzeggende: Of, valsheid; valselijk voorgevende dat hun God dit en dat door gezichten heeft geopenbaard. Zie boven Ez. 13:6. Ezechiël 13:6: Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.
[^ezechiel-22-29-52]: Kanttekening 52: 52 pleegt enkel verdrukking: Hebreeuws, verdrukken, verdrukking of \[met\] verdrukking, en roven roverij; dat is, het gehele land is vol van bedriegerij en geweld.
[^ezechiel-22-29-53]: Kanttekening 53: 53 onderdrukken zij de ellendige en nooddruftige: Of, kwellen, plunderen, beroven.
[^ezechiel-22-29-54]: Kanttekening 54: 54 zonder recht: Of, ten onrechte, tegen alle reden, zonder mate, of zonder dat hem recht gedaan wordt; te weten van de overheid. Hebreeuws, door, of in, met, niet recht oordeel, enz (מִשְׁפָּֽט).
[^ezechiel-22-30-55]: Kanttekening 55: 55 uit hen: Dat is, onder hen.
[^ezechiel-22-30-56]: Kanttekening 56: 56 muur mocht toemuren: Zie boven Ez. 13:5, met de aantekening. Ezechiël 13:5: U bent in de bressen niet opgetreden, noch hebt de muur toegemuurd voor het huis van Israël, om in de strijd te staan, op de dag van YHWH.
[^ezechiel-22-30-x]: Verwijzing x: Ps. 106:23. Psalmen 106:23: Daarom Hij zei, dat Hij hen verdelgen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
[^ezechiel-22-31-57]: Kanttekening 57: 57 hun hoofd gegeven: Zie boven Ez. 9:10. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
[^ezechiel-22-31-y]: Verwijzing y: Ez. 9:10; Ez. 11:21; Ez. 16:43. Ezechiël 9:10: Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven. Ezechiël 11:21: Maar van wie hart het hart hun verfoeiselen en hun gruwelen nawandelt, van hen weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 16:43: Daarom u niet gedacht hebt aan de dagen uw jonkheid, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heer YHWH; en u zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.

### Ezechiël 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/23.json)

*Onder de namen van twee vrouwen, Ohola en Oholiba, stelt God uitvoerig de hoererijen en overspeligheden van Samaria en Jeruzalem, of Israël en Juda, voor, vers 1, 2, enz.; eveneens 36, enz. Daarom moesten deze beide onverzadelijke overspeligen geoordeeld en behandeld worden naar het recht dat daarop staat, 22, enz.; eveneens 45, enz.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v1)

**2** Mensenkind! daar waren[^ezechiel-23-2-1] twee vrouwen, dochters van één moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v2)

**3** Deze[^ezechiel-23-3-2] hoereerden in[^ezechiel-23-3-a] Egypte; in haar[^ezechiel-23-3-3] jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepels van haar maagdom[^ezechiel-23-3-4] betast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v3)

**4** Haar[^ezechiel-23-4-5] namen nu waren:[^ezechiel-23-4-6] Ohola, de[^ezechiel-23-4-7] grootste, en[^ezechiel-23-4-8] Oholiba, haar zus; en zij werden[^ezechiel-23-4-9] de Mijne, en baarden zonen en dochters; dit waren[^ezechiel-23-4-10] haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v4)

**5** Ohola nu hoereerde, zijnde[^ezechiel-23-5-11] onder Mij; en zij werd verliefd op haar[^ezechiel-23-5-12] minnaars, op de[^ezechiel-23-5-13] Assyriërs, die[^ezechiel-23-5-14] nabij waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v5)

**6** Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, allemaal[^ezechiel-23-6-15] gewenste jongemannen, ruiteren, rijdende op paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v6)

**7** Zo[^ezechiel-23-7-16] dreef zij haar hoererijen daarmee, die allen de besten van[^ezechiel-23-7-17] de kinderen van Assur waren; en[^ezechiel-23-7-18] met allen, op wie zij verliefd was, met al hun afgoden, verontreinigde zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v7)

**8** Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit[^ezechiel-23-8-19] Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepels van haar maagdom[^ezechiel-23-8-20] betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v8)

**9** Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars over, in de hand van de kinderen[^ezechiel-23-9-b] van Assur, op wie zij verliefd was[^ezechiel-23-9-21]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v9)

**10** Deze[^ezechiel-23-10-22] ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochters namen zij weg,[^ezechiel-23-10-23] maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een[^ezechiel-23-10-24] naam onder de vrouwen, nadat men[^ezechiel-23-10-25] gerichten over haar geoefend had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v10)

**11** Als haar zus,[^ezechiel-23-11-26] Oholiba, dit zag, zo verdierf zij haar minne nog meer dan[^ezechiel-23-11-27] zij, en haar hoererijen meer dan de hoererijen van haar zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v11)

**12** Zij werd verliefd op de kinderen[^ezechiel-23-12-28][^ezechiel-23-12-c] van Assur, de vorsten en overheden, die[^ezechiel-23-12-29] nabij waren, bekleed met[^ezechiel-23-12-30] volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, allemaal[^ezechiel-23-12-31] gewenste jongemannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v12)

**13** Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij[^ezechiel-23-13-32] hadden beiden dezelfde weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v13)

**14** Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij[^ezechiel-23-14-33] geschilderde mannen aan de[^ezechiel-23-14-34] wand zag, de beelden van de Chaldeeën, geschilderd met[^ezechiel-23-14-35] menie, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v14)

**15** Gegord met een gordel aan hun middel, hebbende[^ezechiel-23-15-36] overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis van de kinderen van Babel, van Chaldea, het[^ezechiel-23-15-37] land van hun geboorte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v15)

**16** Zo werd zij daarop[^ezechiel-23-16-38] verliefd[^ezechiel-23-16-39] met het opzien van haar ogen, en zij zond boden tot hen, naar Chaldea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v16)

**17** De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het bed van de minne[^ezechiel-23-17-40], en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van[^ezechiel-23-17-41] hen[^ezechiel-23-17-42] afgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v17)

**18** Zo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, zoals Mijn ziel was afgetrokken van haar[^ezechiel-23-18-43] zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v18)

**19** Maar zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar[^ezechiel-23-19-44] jeugd, als zij gehoereerd had in het land van[^ezechiel-23-19-45] Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v19)

**20** En zij werd verliefd meer dan hun bijvrouwen[^ezechiel-23-20-46],[^ezechiel-23-20-47] van wie het vlees is als het vlees van de ezels, en van wie de vloed is als de vloed van de paarden[^ezechiel-23-20-48]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v20)

**21** Zo hebt u[^ezechiel-23-21-49] weer opgehaald de schandelijke daad van uw jeugd, als die van Egypte uw tepels betastten, vanwege de borsten van uw jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v21)

**22** Daarom, o Oholiba! zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal uw[^ezechiel-23-22-50] minnaars, waarvan uw ziel is[^ezechiel-23-22-51] afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v22)

**23** De kinderen van Babel en alle Chaldeeën,[^ezechiel-23-23-52] Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongemannen, die alle vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en beroemde mensen, die allen te paard rijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v23)

**24** Die zullen tegen u komen[^ezechiel-23-24-53] met karren, wagens en wielen, en met een vergadering van volken, grote schilden, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom[^ezechiel-23-24-54] tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het[^ezechiel-23-24-55] gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun[^ezechiel-23-24-56] rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v24)

**25** En Ik zal Mijn[^ezechiel-23-25-57] ijver tegen u zetten, dat zij in woede met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren[^ezechiel-23-25-58] afnemen, en[^ezechiel-23-25-59] het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochters wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v25)

**26** Zij zullen u ook uw kleren[^ezechiel-23-26-d] uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v26)

**27** Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen[^ezechiel-23-27-60] ophouden, en ook uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en u zult uw ogen naar[^ezechiel-23-27-61] hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v27)

**28** Want zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal u overgeven in de hand van degenen, die u haat, in de hand van degenen, van wie uw ziel is afgetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v28)

**29** Die zullen met u handelen uit haat, en al uw[^ezechiel-23-29-62] arbeid wegnemen, en u[^ezechiel-23-29-e] naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, en ook uw schandelijkheid en uw hoererijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v29)

**30** Deze dingen[^ezechiel-23-30-63] zal men u doen, omdat u de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat u zich met hun afgoden verontreinigd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v30)

**31** In de weg van uw zus hebt u gewandeld[^ezechiel-23-31-64], daarom zal Ik haar[^ezechiel-23-31-65] beker in uw hand geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v31)

**32** Zo zegt Adonai YHWH: U zult de beker van uw zus drinken, die diep en wijd is; u zult tot[^ezechiel-23-32-66] belaching en spot worden; de beker houdt[^ezechiel-23-32-67] veel in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v32)

**33** Van dronkenschap en[^ezechiel-23-33-68] jammer zult u vol worden;[^ezechiel-23-33-69] de beker van uw zus Samaria is een beker van de verwoesting en van de eenzaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v33)

**34** U zult hem drinken en uitzuigen, en[^ezechiel-23-34-70] zijn scherven zult u brijzelen, en uw[^ezechiel-23-34-71] borsten zult u afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v34)

**35** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Omdat u Mij vergeten, en Mij achter uw[^ezechiel-23-35-72] rug geworpen hebt, zo draagt u ook uw[^ezechiel-23-35-73] schandelijkheid en uw hoererijen.[^ezechiel-23-35-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v35)

**36** En YHWH zei tot mij: Mensenkind! zou u[^ezechiel-23-36-74] Ohola en Oholiba[^ezechiel-23-36-75][^ezechiel-23-36-g] recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v36)

**37** Want zij hebben overspel gedaan, en er is[^ezechiel-23-37-76] bloed in haar handen; en zij hebben met haar afgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die[^ezechiel-23-37-77] zij Mij gebaard hadden, voor hen[^ezechiel-23-37-78][^ezechiel-23-37-h] door het vuur laten doorgaan, tot[^ezechiel-23-37-79] voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v37)

**38** Nog hebben zij[^ezechiel-23-38-80] Mij dit gedaan; zij hebben[^ezechiel-23-38-81] Mijn heiligdom op diezelfde dag verontreinigd, en Mijn[^ezechiel-23-38-i] sabbatten ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v38)

**39** Want als zij hun kinderen voor hun afgoden geslacht hadden[^ezechiel-23-39-82][^ezechiel-23-39-k], zo kwamen zij op die dag in Mijn[^ezechiel-23-39-83] heiligdom, om dat te ontheiligen; en zie,[^ezechiel-23-39-l] zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v39)

**40** Dit is er ook, dat[^ezechiel-23-40-84] zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot wie als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor wie u zich waste, uw ogen blankette en u met sieraad versierde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v40)

**41** En u zat op een heerlijk bed, voor dat een tafel gereedgemaakt was,[^ezechiel-23-41-m] en op dat u[^ezechiel-23-41-85] Mijn reukwerk en Mijn olie gezet had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v41)

**42** Als nu het geruis van de[^ezechiel-23-42-86] menigte daarop stil was, zo[^ezechiel-23-42-87] zonden zij tot mannen uit de[^ezechiel-23-42-88] menigte van de mensen, en daar werden wijnzuipers[^ezechiel-23-42-89] aangebracht uit de woestijn; die deden[^ezechiel-23-42-90] armringen aan[^ezechiel-23-42-91] haar handen, en een[^ezechiel-23-42-92] sierlijke kroon op haar hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v42)

**43** Toen[^ezechiel-23-43-93] zei Ik van deze, die van[^ezechiel-23-43-94] overspelerijen verouderd was:[^ezechiel-23-43-95] Nu zullen zij de hoererijen van deze hoer plegen, en die ook.[^ezechiel-23-43-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v43)

**44** En men ging tot haar in, zoals men ingaat tot een vrouw, die een hoer is; zo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die[^ezechiel-23-44-97] schandelijke vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v44)

**45** [^ezechiel-23-45-98] Rechtvaardige mannen dan, die zullen[^ezechiel-23-45-99][^ezechiel-23-45-n] haar richten naar het recht van de overspeelsters, en naar het[^ezechiel-23-45-100] recht van de bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en[^ezechiel-23-45-101] bloed is in haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v45)

**46** Want zo zegt Adonai YHWH: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.[^ezechiel-23-46-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v46)

**47** En de vergadering zal ze met[^ezechiel-23-47-o] stenen stenigen, en ze met hun zwaarden neerhouwen; haar zonen en haar dochters zullen zij doden, en haar huizen met vuur[^ezechiel-23-47-p] verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v47)

**48** Zo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v48)

**49** Zo zullen zij uw[^ezechiel-23-49-103] schandelijkheid op u leggen, en u zult de[^ezechiel-23-49-104] zonden van uw afgoden dragen; en u zult weten, dat Ik Adonai YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/23.html#v49)

[^ezechiel-23-2-1]: Kanttekening 1: Versta, Juda en de tien stammen, beide afkomstig uit Israël. Vergelijk Jer. 3:7, 3:8, 3:10, en boven Ez. 16:44, 16:45. Jeremia 3:7: En Ik zei, nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zus Juda. Jeremia 3:8: En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde, maar ging heen, en hoereerde zelve ook. Jeremia 3:10: En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar gehele hart, maar valselijk, spreekt YHWH. Ezechiël 16:44: Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter. Ezechiël 16:45: U bent de dochter uw moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus uw zusen, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
[^ezechiel-23-3-2]: Kanttekening 2: Dat is, bedreven afgoderij. Zie Lev. 17:7, en boven Ez. 20:8, en onder vers 8, 23:19, enz. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Ezechiël 20:8: Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijn ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. Ezechiël 23:8: Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort. Ezechiël 23:19: Maar zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte.
[^ezechiel-23-3-a]: Verwijzing a: Ez. 20:8. Ezechiël 20:8: Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijn ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.
[^ezechiel-23-3-3]: Kanttekening 3: Als Ik hen eerst tot mijn volk aannam; zie Jer. 2:2; Hos. 2:2, met de aantekening. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid uw jeugd, van de liefde uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
[^ezechiel-23-3-4]: Kanttekening 4: Of, gehandeld. Hebreeuws, zij handelden, of betastten; dat is, men deed het, het werd gedaan. Hun afgodische handelingen worden zo op verbloemde wijze verhaald. Zo onder vers 8, enz. Anders: bedorven, of verbroken. Ezechiël 23:8: Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.
[^ezechiel-23-4-5]: Kanttekening 5: Versta, figuurlijke namen.
[^ezechiel-23-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, hunne tent, of tabernakel; zo noemt God de tien stammen, en Samaria \[hunne hoofdstad, Jes. 7:9, gelijk volgt\] omdat zij zich van Juda, Gods tempel en waren dienst hadden afgezonderd, en een godsdienst afzonderlijk op zichzelf aangesteld. Zie 1 Kon. 12:16, 12:28, 12:29, enz. Jesaja 7:9: Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Als u niet gelooft, zekerlijk, u zult niet bevestigd worden. 1 Koningen 12:16: Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 1 Koningen 12:28: Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29: En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan.
[^ezechiel-23-4-7]: Kanttekening 7: Zo worden de tien stammen genoemd vanwege hun macht en aanzien.
[^ezechiel-23-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, mijne tent is in, of onder haar. Zo noemt God Jeruzalem en Judea, omdat zijn tempel en godsdienst daar waren, die Hij zelf had verordineerd.
[^ezechiel-23-4-9]: Kanttekening 9: Of, waren mijne. Hebreeuws, Mij, dat is, Ik trouw deze, of had ze getrouwd, en een huwelijksverbond met haar gemaakt. Zie boven Ez. 16:8, 16:20; want deze namen geeft haar God van wat onder het staande huwelijk gebeurd is. Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heer YHWH en u werdt de Mijne. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,
[^ezechiel-23-4-10]: Kanttekening 10: Versta, eigenlijke en niet figuurlijke namen.
[^ezechiel-23-5-11]: Kanttekening 11: 11 onder Mij: Dat is, hoewel zij mijn getrouwde vrouw en onder mijn beheer was, zo werd zij mij nochtans ontrouw en boeleerde met anderen, in mijne plaats, gelijk het Hebreeuwse woord ook kan worden overgezet, maar niet zonder al zulke vervulling van de zin.
[^ezechiel-23-5-12]: Kanttekening 12: De heidense volken, met wie zij verbond maakte en hunne afgoden aannam; zie vers 7, 23:30, enz. Ezechiël 23:7: Zo dreef zij haar hoererijen met dezelfde, die allen de keure van de kinderen van Assur waren; en met allen, op die zij verliefd was, met al van hen drekgoden, verontreinigde zij zich. Ezechiël 23:30: Deze dingen zal men u doen, omdat u de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat u u met hun drekgoden verontreinigd hebt.
[^ezechiel-23-5-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, Assur.
[^ezechiel-23-5-14]: Kanttekening 14: 14 nabij waren: Zie 2 Kon. 15:19; Jes. 7:8, 7:17, 7:18; Hos. 8:9, 8:10, enz. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. Jesaja 7:8: Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. Jesaja 7:17: Maar YHWH zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van die dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door de koning van Assyrië. Jesaja 7:18: Want het zal op die dag gebeuren, dat YHWH zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn. Hosea 8:9: Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelf is; die van Efraïm hebben boelen om hoerenloon gehuurd. Hosea 8:10: Omdat zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten.
[^ezechiel-23-6-15]: Kanttekening 15: 15 gewenste jongelingen: Hebreeuws, jongelingen van de begeerte, of van de wens; dat is, begeerlijke, gewenste, en zo, lieflijke, aangename, enz.; zo vers 12, 23:23. Ezechiël 23:12: Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, allemaal gewenste jongelingen. Ezechiël 23:23: De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die alle vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde mensen, die allen te paard rijden.
[^ezechiel-23-7-16]: Kanttekening 16: 16 dreef zij haar hoererijen: Hebreeuws eigenlijk, gaf, of overgaf zij haar hoererijen aan hen; dat is zij stelde zich als een onbeschaamde hoer.
[^ezechiel-23-7-17]: Kanttekening 17: 17 kinderen van Assur: Dat is, Assyriërs; zie boven Ez. 16:26; zo vers 23, en kinderen van Babel, vers 15, 23:23. Ezechiël 16:26: U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. Ezechiël 23:23: De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die alle vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde mensen, die allen te paard rijden. Ezechiël 23:15: Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis van de kinderen van Babel, van Chaldea, het land hun geboorte; Ezechiël 23:23: De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die alle vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde mensen, die allen te paard rijden.
[^ezechiel-23-7-18]: Kanttekening 18: 18 met allen: Of, de woorden een weinig verzet zijnde, aldus: En zij verontreinigde zich met al hun drekgoden, en met allen, op welke zij verliefd was.
[^ezechiel-23-8-19]: Kanttekening 19: Gelijk boven vers 3. Men kan dit voornamelijk duiden op de afgoderij van de gouden kalven, eerst in de woestijn, daarna te Dan en Bethel opgericht, en op de verbonden, met Egypte gemaakt; zie 2 Kon. 17:4. Ezechiël 23:3: Deze hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis.
[^ezechiel-23-8-20]: Kanttekening 20: Gelijk boven vers 3. Ezechiël 23:3: Deze hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast.
[^ezechiel-23-9-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 17; 2 Kon. 18.
[^ezechiel-23-9-21]: Kanttekening 21: 21 verliefd was: En nochtans van dezelfde naderhand was afgevallen; 2 Kon. 17:4. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis.
[^ezechiel-23-10-22]: Kanttekening 22: 22 ontdekten haar schaamte: Zie boven Ez. 16:37. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^ezechiel-23-10-23]: Kanttekening 23: Het voornaamste lichaam van het volk; vergelijk onder vers 25. Ezechiël 23:25: En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochters wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden.
[^ezechiel-23-10-24]: Kanttekening 24: 24 een naam onder de vrouwen: Dat is, zij werd vermaard als een bijzonder voorbeeld en spiegel van Gods rechtvaardig oordeel, onder alle volken.
[^ezechiel-23-10-25]: Kanttekening 25: 25 gerichten over haar geoefend had: Dat is, haar gestraft om haar trouweloosheid, tegen God en haar bondgenoten begaan.
[^ezechiel-23-11-26]: Kanttekening 26: Jeruzalem en Juda, gelijk boven vers 4. Ezechiël 23:4: Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zus; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochters; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.
[^ezechiel-23-11-27]: Kanttekening 27: 27 nog meer dan zij: Zij maakte het erger dan Ohola, dat is, de tien stammen, zich niet spiegelende aan hun voorbeeld. Vergel. dit met Jer. 3:8, 3:9, 3:10, 3:11, boven Ez. 16:47, 16:51. Jeremia 3:8: En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde, maar ging heen, en hoereerde zelve ook. Jeremia 3:9: Ja, het geschiedde, vanwege het gerucht haar hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. Jeremia 3:10: En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar gehele hart, maar valselijk, spreekt YHWH. Jeremia 3:11: Daarom YHWH tot mij zei: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda. Ezechiël 16:47: Maar u hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar u hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen. Ezechiël 16:51: Samaria ook heeft naar de helft uw zonden niet gezondigd; en u hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die u gedaan hebt.
[^ezechiel-23-12-28]: Kanttekening 28: 28 kinderen van Assur: Zie boven Ez. 16:28. Ezechiël 16:28: Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadelijk was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden.
[^ezechiel-23-12-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 16:7. 2 Koningen 16:7: Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.
[^ezechiel-23-12-29]: Kanttekening 29: 29 nabij waren: Gelijk boven vers 5. Ezechiël 23:5: Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren;
[^ezechiel-23-12-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, volkomenheid; te weten van sieraad.
[^ezechiel-23-12-31]: Kanttekening 31: 31 gewenste jongelingen: Gelijk boven vers 6. Ezechiël 23:6: Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, allemaal gewenste jongelingen, ruiteren, rijdende op paarden.
[^ezechiel-23-13-32]: Kanttekening 32: 32 hadden beiden enerlei weg: Juda ging dezelfde gangen, die Israël gegaan was. Zie Gen. 6:12, onder vers 31. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Ezechiël 23:31: In de weg uw zus hebt u gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven.
[^ezechiel-23-14-33]: Kanttekening 33: 33 geschilderde mannen: Hebreeuws, mannen van het afgemaalde, of geschilderde, of gedrukte, gegraveerde; zie boven Ez. 8:10. Ezechiël 8:10: Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis van Israël, geheel rondom aan de wand gemaald.
[^ezechiel-23-14-34]: Kanttekening 34: Te weten in hun eigen land, gelijk de uitlandse schilderijen, in het bijzonder van prachtige natiën overal plegen omgevoerd en nageschilderd te worden, om de nieuwsgierigheid en pracht van vele mensen te voldoen.
[^ezechiel-23-14-35]: Kanttekening 35: Zie Jer. 22:14. Jeremia 22:14: Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en glorierijke opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.
[^ezechiel-23-15-36]: Kanttekening 36: 36 overvloedig geverfde hoeden: Of, geverfde overvloedige, of zeer nederhangende, zwaaiende.
[^ezechiel-23-15-37]: Kanttekening 37: 37 land van hun geboorte: Vanwaar zij in Juda gevoerd waren, of immers gemaald, òf geschilderd naar het kleed, dat men in Babel droeg.
[^ezechiel-23-16-38]: Kanttekening 38: Gelijk onkuise vrouwen op vreemde prachtige schilderijen ontstoken en verzot worden, zo ging het Juda met de schilderijen van de Chaldeën. Zie een begin en vonk van zulks 2 Kon. 20:12, 20:13, enz., boven Ez. 16:29. 2 Koningen 20:12: In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was. 2 Koningen 20:13: En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gehele schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn gehele heerschappij, dat hij hun niet toonde. Ezechiël 16:29: Maar u hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaän tot in Chaldea; en daarmede ook bent u niet verzadigd geworden.
[^ezechiel-23-16-39]: Kanttekening 39: 39 met het opzien van haar ogen: Dat is, zo haast als hij ze met ogen aanzag, ontbrandde zij met een heidense, vleselijke en afgodische toegenegenheid.
[^ezechiel-23-17-40]: Kanttekening 40: 40 leger van de minne: Dat is, om bij haar te slapen; dat is, verbond met haar te maken.
[^ezechiel-23-17-41]: Kanttekening 41: Zij vervreemdde van de Chaldeën en week van hen af, lust krijgende tot Egypte. Zie vers 21. Ezechiël 23:21: Zo hebt u weer opgehaald de schandelijke daad uw jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten uw jeugd.
[^ezechiel-23-17-42]: Kanttekening 42: Of, week af, scheidde zich, begaf zich af van hen; naar de aard van de onkuise brand zo vers 18, 23:22, 23:28. Ezechiël 23:18: Zo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, gelijk als Mijn ziel was afgetrokken van haar zus. Ezechiël 23:22: Daarom, o Oholiba! zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal uw boelen, van welke uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen. Ezechiël 23:28: Want zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal u overgeven in de hand dergenen, die u haat, in de hand dergenen, van wie uw ziel is afgetrokken.
[^ezechiel-23-18-43]: Kanttekening 43: Israël, of de tien stammen, boven genoemd Ohola.
[^ezechiel-23-19-44]: Kanttekening 44: Of, in welke, of, hoe.
[^ezechiel-23-19-45]: Kanttekening 45: Gelijk boven vers 3. Ezechiël 23:3: Deze hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast.
[^ezechiel-23-20-46]: Kanttekening 46: 46 hun bijwijven: Egyptenaars, dat is, zij gedroeg zich veel onmatiger en zotter dan andere volken, die vanouds met Egypte waren verenigd geweest. Sommigen verstaan hier de Babyloniërs en Chaldeën.
[^ezechiel-23-20-47]: Kanttekening 47: Egyptenaars, (zie boven Ez. 16:26) die bovenmate zeer genegen en sterk waren tot lichamelijke en geestelijke hoererij. Ezechiël 16:26: U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw naburen, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
[^ezechiel-23-20-48]: Kanttekening 48: Of, hengsten.
[^ezechiel-23-21-49]: Kanttekening 49: 49 weer opgehaald: Hebreeuws, bezocht; welk woord in onze taal somtijds ook in die betekenis gebruikt wordt, als men spreekt van dit of dat eens weer te bezoeken, beproeven, onderleggen.
[^ezechiel-23-22-50]: Kanttekening 50: Zie boven Ez. 16:37. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^ezechiel-23-22-51]: Kanttekening 51: Versta, van de Chaldeën, gelijk boven vers 17. Ezechiël 23:17: De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger van de minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.
[^ezechiel-23-23-52]: Kanttekening 52: Dit zijn namen van landen of omstreken, behorende onder Babel, en waarvan de inwoners in het leger van de Babyloniërs mee gebruikt zijn tegen Juda en Jeruzalem; vergelijk verder Jer. 50:21, met de aantekening. Sommigen houden het voor namen van vorsten of krijgsoversten.
[^ezechiel-23-24-53]: Kanttekening 53: Of, strijdwagens, slagwagens, en dan het volgende woord rijwagens. In het Hebreeuws staan deze woorden allen in het enkelvoudig getal, kar, wagen, wiel, rondas, schild, helm, naar het gebruik van deze spraak.
[^ezechiel-23-24-54]: Kanttekening 54: 54 tegen u zetten: Dat is, u belegeren.
[^ezechiel-23-24-55]: Kanttekening 55: 55 het gericht stellen: Dat is, Ik zal hun het recht voorleggen, dat zij over u gebruiken zullen; Ik zal hen gebruiken als uitvoerders van mijne gerichten over u, Ik zal hen zo regeren, dat zij u uw verdiend loon zullen geven.
[^ezechiel-23-24-56]: Kanttekening 56: Of, wijze, gewoonte, manieren van doen; zoals wij afvalligen en meinedigen, idem overspeleressen, plegen te straffen; zie daarvan het volgende.
[^ezechiel-23-25-57]: Kanttekening 57: Mijn ernstige en rechtvaardige wraak over uwe ontrouw, tegen mij begaan.
[^ezechiel-23-25-58]: Kanttekening 58: Of, wegdoen; dat is, afsnijden, gelijk de Egyptenaars de overspeleressen plachten te doen; waardoor verder verstaan wordt alle soorten van wreedheid, die de vijanden aan hen zouden bewijzen.
[^ezechiel-23-25-59]: Kanttekening 59: 59 het laatste van u: Dat is, dat laatst van u overig is, uw overblijfsel. Anders: uw laatste zal zijn dat u door het zwaar vallen zult; dat is, het einde, of, eindelijk zult u, enz., zo in het volgende.
[^ezechiel-23-26-d]: Verwijzing d: Ez. 16:39. Ezechiël 16:39: En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw kleren u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
[^ezechiel-23-27-60]: Kanttekening 60: Vergelijk boven Ez. 22:15. Ezechiël 22:15: En Ik zal u verstrooien onder de heidenen, en u verspreiden in de landen, en uw ontreinigheid uit u verteren.
[^ezechiel-23-27-61]: Kanttekening 61: Te weten de Egyptenaars.
[^ezechiel-23-29-62]: Kanttekening 62: 62 al uw arbeid: Dat is, al wat u met uw arbeid verkregen hebt, al uw goed.
[^ezechiel-23-29-e]: Verwijzing e: Ez. 16:39. Ezechiël 16:39: En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw kleren u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
[^ezechiel-23-30-63]: Kanttekening 63: 63 zal men u doen: Of, zal Ik u doen, zullen zij u doen, omdat het Hebreeuwse woord \[gelijk elders\] zonder bepaling van personen gesteld is.
[^ezechiel-23-31-64]: Kanttekening 64: 64 weg van uw zus: Gelijk boven vers 13. Ezechiël 23:13: Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden enerlei weg.
[^ezechiel-23-31-65]: Kanttekening 65: De beker mijns toorns, die zij gedronken heeft; dat is, Ik zal u met gelijke straffen straffen, omdat u gelijke zonden gedaan hebt. Zie Ps. 11:6, en Job 21:20; Jer. 25:15, enz. Psalmen 11:6: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Job 21:20: Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid van de Almachtige! Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van het wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend;
[^ezechiel-23-32-66]: Kanttekening 66: 66 belaching en spot worden: Gelijk degenen, die zich vol gezopen hebben, plegen te worden.
[^ezechiel-23-32-67]: Kanttekening 67: 67 veel in: Hebreeuws, is veel in het houden, of om te houden; dat is, daar mag veel drank in, gelijk wij spreken.
[^ezechiel-23-33-68]: Kanttekening 68: Het woord jammer of droefenis dient tot verklaring; alsof God zei: U zult dronken en vol worden, maar het zal van droefenis en ellende zijn.
[^ezechiel-23-33-69]: Kanttekening 69: 69 de beker: Anders: van, of met de beker, enz., die enz.
[^ezechiel-23-34-70]: Kanttekening 70: Gelijk de dronken mensen, als razende, toornig en ontsteld zijnde, de drinkvaten wel in stukken smijten; zo zult u u bovenmate verdrietig en ontsteld bevinden over mijne straffen.
[^ezechiel-23-34-71]: Kanttekening 71: Met welke u geestelijken hoerdom gepleegd hebt; dat is, u zult uzelf vanwege uwe zonden verfoeien, door het gevoel van de schrikkelijke straffen, die u daarom overkomen.
[^ezechiel-23-35-72]: Kanttekening 72: 72 rug geworpen hebt: Zie 1 Kon. 14:9. 1 Koningen 14:9: Maar kwaad gedaan hebt, doende van de meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;
[^ezechiel-23-35-73]: Kanttekening 73: 73 uw schandelijkheid: Dat is, de straf daarvan, zo onder vers 49. Ezechiël 23:49: Zo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en u zult de zonden uw drekgoden dragen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^ezechiel-23-35-f]: Verwijzing f: Jer. 2:32; Jer. 3:21; Jer. 13:25; Jer. 18:15; Ez. 22:12. Jeremia 2:32: Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. Jeremia 3:21: Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen van de kinderen van Israël, omdat zij hun weg verkeerd, en YHWH, hun God, vergeten hebben. Jeremia 13:25: Dit zal uw lot, het deel uw maten zijn van Mij, spreekt YHWH; u, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt. Jeremia 18:15: Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken van de ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is; Ezechiël 22:12: Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt u genomen, en u hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar u hebt Mijner vergeten, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-23-36-74]: Kanttekening 74: 74 Ohola en Oholiba: Zie boven vers 4. Ezechiël 23:4: Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zus; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochters; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.
[^ezechiel-23-36-75]: Kanttekening 75: 75 recht geven: Zie boven Ez. 20:4, en Ez. 22:2. Ezechiël 20:4: Zoudt u hun recht geven, zoudt u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hun vaderen bekend; Ezechiël 22:2: U nu, mensenkind, zoudt u van het bloedtad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.
[^ezechiel-23-36-g]: Verwijzing g: Ez. 20:4; Ez. 22:2. Ezechiël 20:4: Zoudt u hun recht geven, zoudt u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hun vaderen bekend; Ezechiël 22:2: U nu, mensenkind, zoudt u van het bloedtad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.
[^ezechiel-23-37-76]: Kanttekening 76: 76 bloed in haar handen: In het bijzonder van haar eigen kinderen. Zie boven Ez. 16:36, en onder vers 45. Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uw gruwelen, en na het bloed uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Ezechiël 23:45: Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht van de overspeelsters, en naar het recht van de bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen.
[^ezechiel-23-37-77]: Kanttekening 77: 77 Mij gebaard hadden: Als zijnde Abrahams zaad en mijne bondgenoten, idem, geboren, staande nog mijne huwelijk met hunlieden. Zie boven Ez. 16:20. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,
[^ezechiel-23-37-78]: Kanttekening 78: 78 door het vuur: Zie boven Ez. 16:20, 16:21, 16:36, 16:45, met de aantekening, idem Ez. 20:31. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan? Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uw gruwelen, en na het bloed uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Ezechiël 16:45: U bent de dochter uw moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus uw zusen, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet. Ezechiël 20:31: Ja, met het offeren uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde!
[^ezechiel-23-37-h]: Verwijzing h: Ez. 16:21; Ez. 20:26; idem 20:31. Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan? Ezechiël 20:26: En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat Ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 20:31: Ja, met het offeren uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw drekgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik van u gevraagd worde!
[^ezechiel-23-37-79]: Kanttekening 79: Te weten van het vuur, dat is, om door het vuur verteerd te worden. Vergelijk boven Ez. 16:20, en Ez. 21:32, met de aantekening. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 21:32: Het vuur zult u tot voedsel zijn, uw bloed zal zijn in het midden van het land; uw zal niet gedacht worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken.
[^ezechiel-23-38-80]: Kanttekening 80: 80 Mij dit gedaan: Of, tegen mij.
[^ezechiel-23-38-81]: Kanttekening 81: 81 Mijn heiligdom: Anders: mijne heiligdommen; dat is de tempel, waarin het heilige en allerheiligste waren.
[^ezechiel-23-38-i]: Verwijzing i: Ez. 22:8. Ezechiël 22:8: Mijn heilige dingen hebt u veracht, en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd.
[^ezechiel-23-39-82]: Kanttekening 82: 82 geslacht hadden: Of, gekeeld; te weten ter ere van de afgoden; zie boven Ez. 16:20, 16:36, met de aantekening; idem Jes. 57:5. Ezechiël 16:20: Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uw gruwelen, en na het bloed uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Jesaja 57:5: Die hittig zijt in de eikenbossen, onder alle groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen.
[^ezechiel-23-39-k]: Verwijzing k: Ez. 16:21. Ezechiël 16:21: Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan?
[^ezechiel-23-39-83]: Kanttekening 83: Als willende mij nog kwanswijs ook enigszins dienen en eren. Vergelijk 2 Kon. 21:4, 21:5; Jer. 7:9, 7:10, en Jer. 11:15; boven Ez. 8:3, 8:6, en onder Ez. 43:8. 2 Koningen 21:4: En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten. 2 Koningen 21:5: Daartoe bouwde hij altaren voor al het legermacht van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van YHWH. Jeremia 7:9: Zult u stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die u niet kent? Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? Jeremia 11:15: Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, omdat zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer u kwaad doet, dan springt u op van vreugde. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt. Ezechiël 8:6: En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien. Ezechiël 43:8: Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.
[^ezechiel-23-39-l]: Verwijzing l: 2 Kon. 21:4. 2 Koningen 21:4: En hij bouwde altaren in het huis van YHWH, waarvan YHWH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.
[^ezechiel-23-40-84]: Kanttekening 84: 84 gezonden hebben tot mannen: Om ongeoorloofde verbonden te maken met heidense volken, om welke aan te lokken en te behandelen. God verhaalt, dat zij gelijke kunsten, werken, manieren en wijzen van doen gebruikt hebben, als de erge snode hoeren plegen te doen. Vergelijk Spreuk. 7:16, 7:17, enz. Spreuken 7:16: Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; Spreuken 7:17: Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;
[^ezechiel-23-41-m]: Verwijzing m: Spreuk. 7:17. Spreuken 7:17: Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;
[^ezechiel-23-41-85]: Kanttekening 85: 85 Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt: Dat Ik u had gegeven, waarmee Ik u, als uw rechte man, begaafd en versierd had, en dat u tot mijne eer schuldig was te gebruiken. Vergelijk Hos. 2:7, 2:8, en boven Ez. 16:16, 16:17, 16:18, 16:19. Hosea 2:7: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hosea 2:8: Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. Ezechiël 16:16: En u hebt van uw kleren genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet gebeuren. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt met dezelfde gehoereerd. Ezechiël 16:18: En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. Ezechiël 16:19: En Mijn brood, dat Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmee Ik u spijsde, dat hebt u ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-23-42-86]: Kanttekening 86: 86 daarop stil was: Te weten op het voorzegde bed, dat is, als deze zussen haar verbondshandelingen met die grote uitlandse meesters bestierd hadden, zonden zij naar anderen. Anders, en in hen \[namelijk Judea en Israël\] was ene stem van een vrolijke menigte; dat is, men hoorde er vreugde \[als in hoerenhuizen\] over de heidense verbonden, en met de menigte, of vermits de menigte van de mensen; \[dat is, van het gemeen gepeupel\] werden Sabeërs aangebracht, enz.
[^ezechiel-23-42-87]: Kanttekening 87: 87 zonden zij: Te weten, Ohola en Oholiba. Dit is hier ingevoegd tot aanvulling van de zin, uit vers 40. Ezechiël 23:40: Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot wie als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor wie u u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierde;
[^ezechiel-23-42-88]: Kanttekening 88: 88 menigte van de mensen: Dat is, van het gemene volk, of slechte mensen.
[^ezechiel-23-42-89]: Kanttekening 89: Of, dronkaards, dronken mensen. Anders, Sabeërs, omdat het Hebreeuwse woord beide zou kunnen betekenen, en van de woestijn mee vermeld wordt, zodat men hierdoor allerlei gespuis van vele natiën, als Sabeërs \[van wie zie Job 1:15\]; Arabieren, Moren, enz. \[zijnde ook tot drinken en zuipen genegen\] kan verstaan, tegen wie deze twee overspelige zussen zich als snode vuile hoeren mee gedragen hebben. Job 1:15: Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^ezechiel-23-42-90]: Kanttekening 90: Of, armgesmijden, braceletien.
[^ezechiel-23-42-91]: Kanttekening 91: 91 haar handen: Te weten van deze hoeren.
[^ezechiel-23-42-92]: Kanttekening 92: 92 sierlijke kroon op haar hoofden: Hebreeuws, kroon van het sieraad (עֲטֶרֶת).
[^ezechiel-23-43-93]: Kanttekening 93: 93 zei Ik van deze: Dat is, Ik dacht; menselijk gesproken, om de ongetemde boosheid van het volk uit te drukken.
[^ezechiel-23-43-94]: Kanttekening 94: 94 verouderd was: Of, versleten. Dit kan men duiden op Ohola, als van wie de hoererij al onder Jerobeam, na Salomo's dood, begonnen was; of van Oholiba, die het langst in haar land gebleven is, of van elk van deze beide. Anders: en Ik zei deze oude \[haar\] overspelerijen aan; dat is, Ik bestrafte haar daarover door mijne profeten, maar tevergeefs, gelijk volgt.
[^ezechiel-23-43-95]: Kanttekening 95: 95 Nu zullen zij hoereren: Alsof de Heer zei: Nu schijnt dat, niettegenstaande haar ouderdom, haar hoererij opnieuw weer beginnen zal. Anders: nu zullen zij de hoererijen van deze \[hoeren\] uithoereren, en zij zelf \[ook\]; dat is, nu zullen zij immers eens moe worden en ophouden, zo die van buiten komen om met deze hoeren te hoereren, als deze hoeren zelf; maar neen, het tegendeel is gebleken. Anders: \[dat\] zij nu met deze, dan met die hoereren. Deze woorden worden, vanwege de kortheid, verscheidenlijk overgezet.
[^ezechiel-23-43-96]: Kanttekening 96: 96 en die ook: Of, en \[ook\] van de andere. Het zal nu weer aangaan. Of, gelijk anderen, het zal eens ophouden met deze beide.
[^ezechiel-23-44-97]: Kanttekening 97: 97 schandelijke vrouwen: Hebreeuws, vrouwen van de schandelijkheid.
[^ezechiel-23-45-98]: Kanttekening 98: 98 Rechtvaardige mannen dan: Dit kan men in het algemeen nemen, alsof de Heer zei: Alle eerlievende rechtvaardige mannen zullen deze hoeren moeten veroordelen. Of, men kan het duiden op de Assyriërs en Babyloniërs, die rechtvaardigen genoemd worden, omdat zij de uitvoerders geweest zijn van Gods gerechtigheid over Israël en Juda, en zelfs gelegenheid en reden daartoe hadden, vanwege hunne meinedigheid en rebellie; zie vers 46. Ezechiël 23:46: Want zo zegt de Heer YHWH: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.
[^ezechiel-23-45-99]: Kanttekening 99: Of, veroordelen.
[^ezechiel-23-45-n]: Verwijzing n: Ez. 16:38. Ezechiël 16:38: Daartoe zal Ik u naar de rechten van de overspeelsters en van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de grimmigheid en van de ijvers.
[^ezechiel-23-45-100]: Kanttekening 100: 100 recht van de bloedvergietsters: Zie boven Ez. 16:38. Ezechiël 16:38: Daartoe zal Ik u naar de rechten van de overspeelsters en van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de grimmigheid en van de ijvers.
[^ezechiel-23-45-101]: Kanttekening 101: 101 bloed is in haar handen: Gelijk boven vers 37. Ezechiël 23:37: Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot voedsel.
[^ezechiel-23-46-102]: Kanttekening 102: 102 Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen: Of, men zal, zij zullen, gelijk boven Ez. 16:40. Ezechiël 16:40: Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
[^ezechiel-23-47-o]: Verwijzing o: Ez. 16:38; idem v. 40. Ezechiël 16:38: Daartoe zal Ik u naar de rechten van de overspeelsters en van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de grimmigheid en van de ijvers. Ezechiël 16:40: Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
[^ezechiel-23-47-p]: Verwijzing p: Ez. 16:41. Ezechiël 16:41: Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en u zult ook niet meer hoerenloon geven.
[^ezechiel-23-49-103]: Kanttekening 103: 103 op u leggen: Dat is, op uw hoofd, vergeldende en straffende u naar uwe verdiensten.
[^ezechiel-23-49-104]: Kanttekening 104: 104 zonden van uw drekgoden dragen: Dat is, de straffen van de zonden met uwe drekgoden begaan, gelijk boven vers 35. Ezechiël 23:35: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt u ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.

### Ezechiël 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/24.json)

*Jaar, dag en maand van de aankomst van de Babyloniërs voor Jeruzalem, vers 1, 2. Door de gelijkenis van een heet kokende pot met stukken vlees en beenderen wordt de verschrikkelijke ellende afgebeeld die Jeruzalem vanwege haar boosheid zou overkomen, 3. Die zo erg zou zijn, dat zij zelfs over de verwoesting van de tempel (waarvan zij zoveel werk maakten) geen rouw zouden kunnen bedrijven, wat de profeet bevolen wordt af te beelden in zijn eigen persoon, doordat hem verboden wordt rouw te dragen over zijn vrouw, wier dood God hem voorzegt, 15, 16, enz.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, in[^ezechiel-24-1-1] het negende jaar, in de[^ezechiel-24-1-2] tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-24-2-3] schrijf u de naam van de dag op,[^ezechiel-24-2-4] juist van deze zelfde dag; de koning van Babel[^ezechiel-24-2-5] legt zich voor Jeruzalem, juist op deze zelfde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v2)

**3** En[^ezechiel-24-3-6] gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Zet een[^ezechiel-24-3-7][^ezechiel-24-3-a] pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v3)

**4** Doe[^ezechiel-24-4-8] zijn[^ezechiel-24-4-9] stukken samen[^ezechiel-24-4-10] daarin, alle goede stukken, de[^ezechiel-24-4-11] dij en de schouder, vul hem met het beste van de beenderen.[^ezechiel-24-4-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v4)

**5** Neem het beste van de kudde, en stook ook een[^ezechiel-24-5-14] brandstapel van de beenderen daaronder; doe[^ezechiel-24-5-15] hem[^ezechiel-24-5-16] wel doorkoken; ook zullen[^ezechiel-24-5-17] zijn beenderen[^ezechiel-24-5-18] daarin[^ezechiel-24-5-19] gekookt worden.[^ezechiel-24-5-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v5)

**6** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Wee de bloedstad, de pot, waarvan het schuim in hem is, en waarvan zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat[^ezechiel-24-6-23] het lot over[^ezechiel-24-6-24] hem niet vallen.[^ezechiel-24-6-20][^ezechiel-24-6-21][^ezechiel-24-6-22][^ezechiel-24-6-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v6)

**7** Want[^ezechiel-24-7-25] haar bloed is in het midden van haar; op een[^ezechiel-24-7-26] gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om het met stof te bedekken[^ezechiel-24-7-27]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v7)

**8** [^ezechiel-24-8-28] Opdat Ik de woede doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik ook haar bloed op een[^ezechiel-24-8-29][^ezechiel-24-8-30] gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v8)

**9** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Wee de bloedstad! Ik zal ook de[^ezechiel-24-9-32] brandstapel groot maken![^ezechiel-24-9-31][^ezechiel-24-9-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v9)

**10** [^ezechiel-24-10-33] Draag veel hout toe, steek het vuur aan,[^ezechiel-24-10-34] verteer het vlees, en[^ezechiel-24-10-35] kruid het met specerijen, en laat de beenderen[^ezechiel-24-10-36] verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v10)

**11** Stel[^ezechiel-24-11-37] hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet wordt, en zijn roest verbrande, en zijn onreinheid in het midden van hem[^ezechiel-24-11-38] versmelte, zijn schuim verteerd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v11)

**12** [^ezechiel-24-12-39] Met zinloosheden heeft zij Mij moe gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v12)

**13** In uw onreinheid is schandelijkheid, omdat Ik u[^ezechiel-24-13-40] gereinigd heb, en u niet gereinigd bent, zo zult u van uw onreinheid niet meer gereinigd worden, voordat Ik Mijn woede op u zal hebben doen[^ezechiel-24-13-41] rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v13)

**14** Ik, YHWH, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet[^ezechiel-24-14-d] sparen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u[^ezechiel-24-14-e] richten, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v14)

**15** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v15)

**16** Mensenkind! zie, Ik zal de[^ezechiel-24-16-42] lust van uw ogen van u wegnemen door een[^ezechiel-24-16-43] plaag; toch zult u niet rouwklagen, noch huilen, en uw tranen zullen niet voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v16)

**17** [^ezechiel-24-17-44] Houd stil van kermen, u zult geen[^ezechiel-24-17-45] dodenrouw maken, bind uw[^ezechiel-24-17-46] hoed op u, en doe uw[^ezechiel-24-17-47] schoenen aan uw voeten; en de bovenste[^ezechiel-24-17-48] lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten[^ezechiel-24-17-49]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v17)

**18** Dit sprak ik tot het volk in de morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in de avond; en ik deed in de morgenstond, zoals mij geboden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v18)

**19** En het volk zei tot mij: Zult u ons niet te kennen geven,[^ezechiel-24-19-50] wat ons deze dingen zijn, dat u zo doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v19)

**20** En ik zei tot hen: Het woord van YHWH is tot mij gebeurd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v20)

**21** Zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal Mijn[^ezechiel-24-21-51] heiligdom[^ezechiel-24-21-52] ontheiligen, de[^ezechiel-24-21-53] heerlijkheid van uw sterkte, de[^ezechiel-24-21-54] begeerte van uw ogen, en de[^ezechiel-24-21-55] verschoning van uw ziel; en uw zonen en uw dochters, die u verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v21)

**22** Dan zult u doen, zoals ik[^ezechiel-24-22-56] gedaan heb; de bovenste lip zult u niet bewinden, en het brood van de mensen zult u niet eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v22)

**23** En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch huilen, maar u zult in uw ongerechtigheden[^ezechiel-24-23-57][^ezechiel-24-23-f] versmachten, en ieder tegen zijn broer[^ezechiel-24-23-58] zuchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v23)

**24** Zo zal u Ezechiël[^ezechiel-24-24-g] tot een[^ezechiel-24-24-59] wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult u doen; als dit komt, dan zult u weten, dat Ik Adonai YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v24)

**25** En u, mensenkind! zal[^ezechiel-24-25-60] het niet zijn, op de dag als Ik van hen zal wegnemen hun[^ezechiel-24-25-61] sterkte, de[^ezechiel-24-25-62] vreugde van hun sieraad, de lust van hun ogen en het[^ezechiel-24-25-63] verlangen van hun zielen, hun zonen en hun dochters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v25)

**26** Dat op diezelfde dag een[^ezechiel-24-26-64] ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v26)

**27** Op diezelfde dag zal uw mond bij die, die ontkomen is,[^ezechiel-24-27-65] opengedaan worden, en u zult spreken, en niet meer[^ezechiel-24-27-66] stom zijn; zo zult u hun tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/24.html#v27)

[^ezechiel-24-1-1]: Kanttekening 1: 1 negende jaar: Na de gevankelijke wegvoering van de koning Jechonia, beschreven 2 Kon. 24:12, 24:13, 24:14, 24:15, 24:16; \[vergelijk boven Ez. 1:2; onder Ez. 33:21, en Ez. 40:1\]; in wiens plaats Nebukadnezar Zedekia tot koning maakte; en in het negende jaar van deze Zedekia, in de tiende maand op de tiende dag van de maand werd Jeruzalem belegerd; zie 2 Kon. 25:1; Jer. 39:1, en Jer. 52:4. 2 Koningen 24:12: Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijn regering. 2 Koningen 24:13: En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis van YHWH, en de schatten van het huis van de koning; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van YHWH gemaakt had, gelijk als YHWH gesproken had. 2 Koningen 24:14: En hij voerde geheel Jeruzalem weg, samen met al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land. 2 Koningen 24:15: Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de koning moeder, en van de koning vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel; 2 Koningen 24:16: En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van ons gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van ons gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 39:1: In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn legermacht, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-24-1-2]: Kanttekening 2: 2 tiende maand: In het kerkelijke jaar genoemd Tebeth, in het maatschappelijke jaar Thamuz.
[^ezechiel-24-2-3]: Kanttekening 3: 3 schrijf u de naam van de dag op: Ter gedachtenis, om vergeleken te worden met de uitkomst, waarvan te zien is 2 Kon. 25:1; Jer. 52:4. Die was omtrent twee jaren vóór het innemen en verwoesten van Jeruzalem, waarvan hier geprofeteerd wordt. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. Jeremia 52:4: En het geschiedde in het negende jaar zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-24-2-4]: Kanttekening 4: 4 even van deze zelfde dag: Hebreeuws, de kracht, of het been van de dag, dat is, het wezen van de dag, en \[gelijk wij zeggen\] even, of juist diezelfde dag (עֶצֶם). Zie boven Ez. 2:3, met de aantekening. Ezechiël 2:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen van Israël, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op deze zelven huidigen dag.
[^ezechiel-24-2-5]: Kanttekening 5: 5 legt zich voor Jeruzalem: Of, is genaderd, heeft zich vervoegd. Het Hebreeuwse woord wordt veel gebruikt voor leunen, steunen, ondersteunen, idem van het opleggen van de handen, dat alles met enige samenvoeging, genaking, of nadering geschiedt; en in zake van belegering zeggen wij, voor ene stad liggen, zich daarvoor leggen, enz.
[^ezechiel-24-3-6]: Kanttekening 6: 6 gebruik een gelijkenis: Hebreeuws alsof men zei: parabel een parabel. Zie boven Ez. 17:2. Ezechiël 17:2: Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël,
[^ezechiel-24-3-7]: Kanttekening 7: 7 pot toe: Betekenende de belegerde stad Jeruzalem, gelijk vers 6. Zie Jer. 1:13, en boven Ez. 11:3 met de aantekening. Ezechiël 24:6: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van het bloedtad, de pot, welks schuim in hem is, en van welke zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen. Jeremia 1:13: En van YHWH woord geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is. Ezechiël 11:3: Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.
[^ezechiel-24-3-a]: Verwijzing a: Jer. 1:13. Jeremia 1:13: En van YHWH woord geschiedde ten tweede male tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.
[^ezechiel-24-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk van de pot; dat is, al zulke stukken vlees, als in de pot behoren te zijn.
[^ezechiel-24-4-9]: Kanttekening 9: 9 stukken te zamen daarin: Betekenende de inwoners, in het bijzonder de rijke, vette, weelderige burgers en grote van Jeruzalem.
[^ezechiel-24-4-10]: Kanttekening 10: 10 alle goede stukken: Hebreeuws, alle, of elk goed, of beste stuk (טוֹב).
[^ezechiel-24-4-11]: Kanttekening 11: 11 dij en de schouder: Of, lenden, heup, achterbout.
[^ezechiel-24-4-12]: Kanttekening 12: 12 keur van de beenderen: Dat is, uitgelezenste beenderen, als mergbenen, of bonken.
[^ezechiel-24-5-14]: Kanttekening 14: Of, een vuur van beenderen. \[Vergelijk Jes. 30:33, en onder vers 9\], betekenende de zware en gedurige ellenden van het volk, die zij in de belegering van zwaard, honger en pestilentie en daarna zouden lijden; gelijk een vuur van beenderen zeer heet is en de beenderen hard en duurzaam zijn. Sommigen duiden het op het wegwerpen van de dode lichamen en beenderen, die onbegraven op het open veld zouden blijven liggen, als God hen dikwijls gedreigd had, zodat er genoeg zouden te bekomen zijn om vuur daarvan te stoken, door welke straffen zij nochtans niet zouden worden gebeterd of bekeerd, gelijk volgt. Jesaja 30:33: Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van YHWH zal hem aansteken als een zwavelstroom. Ezechiël 24:9: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van het bloedtad! Ik zal ook de brandstapel groot maken!
[^ezechiel-24-5-15]: Kanttekening 15: De pot.
[^ezechiel-24-5-16]: Kanttekening 16: 16 wel opzieden: Hebreeuws, zied zijne zoden.
[^ezechiel-24-5-17]: Kanttekening 17: 17 zijn beenderen: Van de pot, gelijk vers 4. Ezechiël 24:4: Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder, vul hem met de keur van de beenderen.
[^ezechiel-24-5-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, in zijn \[van de pot\] midden.
[^ezechiel-24-5-19]: Kanttekening 19: 19 gekookt worden: Of, zieden. Hebreeuws, zijn gekookt, of gezoden.
[^ezechiel-24-5-13]: Kanttekening 13: 13 keur van de kudde: Dat is, het uitgelezenste schaap, of geit, neem het beste van het kleine vee daartoe.
[^ezechiel-24-6-23]: Kanttekening 23: 23 Trek stuk bij stuk daaruit: Hebreeuws, bij, of naar zijne stukken, naar zijne stukken breng hem uit; het lot is over hem niet gevallen. Dit betekent het doden en wegwerpen van velen, en het uitvoeren van de rest in de gevangenschap van Babel, zonder verschoning of onderscheid. Zie boven Ez. 11:7. Ezechiël 11:7: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Uw verslagenen, die u in het midden van die nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden van die doen uitgaan.
[^ezechiel-24-6-24]: Kanttekening 24: 24 hem niet vallen: Welke stukken u eerst, of laatst, of niet, zoudt hebben uit de pot te trekken; zij moeten allen voort, de één dood, de ander het land uit.
[^ezechiel-24-6-20]: Kanttekening 20: Gelijk boven Ez. 22:2, en onder vers 9. Ezechiël 24:9: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van het bloedtad! Ik zal ook de brandstapel groot maken!
[^ezechiel-24-6-21]: Kanttekening 21: De Heer wil zeggen dat de inwoners van Jeruzalem door al dat zieden en koken evenwel niet zijn gezuiverd; dat is bekeerd, maar bij hunne boosheid hardnekkig gebleven.
[^ezechiel-24-6-22]: Kanttekening 22: Anders, roest, gelijk onder vers 11; alwaar ook een ander woord is, dat roest betekent. Het woord, dat hier gebruikt wordt en ook onder vers 11,12, schijnt te betekenen het schuim, dat niet afgegaan, afgeschuimd of verzoden zijnde, aan de rand van de pot beklijft, en tot enkel taaie vuiligheid of slijm wordt. Ezechiël 24:11: Stel hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde. Ezechiël 24:11: Stel hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.
[^ezechiel-24-6-b]: Verwijzing b: Ez. 22:2. Ezechiël 22:2: U nu, mensenkind, zoudt u van het bloedtad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.
[^ezechiel-24-7-25]: Kanttekening 25: 25 haar bloed: Van Jeruzalem, afgebeeld door deze pot.
[^ezechiel-24-7-26]: Kanttekening 26: 26 gladde steenrots: Hebreeuws, gladdigheid, glans, of spits, uitstekendheid ener steenrots, alwaar zij, als voor Gods ogen, het bloed van haar kinderen, de afgoden ter ere, heeft gestort en in het openbaar laten liggen, om God te tergen, gelijk volgt (דָמָ). Vergelijk de manier van spreken met onder Ez. 26:4, 26:14. Ezechiël 26:4: Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot een gladde steenrots maken. Ezechiël 26:14: Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-24-7-27]: Kanttekening 27: 27 stof te bedekken: Dit ziet op de wet Lev. 17:13; Deut. 12:16, 12:24. Leviticus 17:13: Een ieder ook van de kinderen van Israël en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal daarvan bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken. Deuteronomium 12:16: Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. Deuteronomium 12:24: U zult dat niet eten; op de aarde zult u het uitgieten als water;
[^ezechiel-24-8-28]: Kanttekening 28: 28 Opdat Ik de grimmigheid doe opgaan: Dat is, om mijne grimmigheid en wraak over zulke gruwelen op het hoogste te tonen.
[^ezechiel-24-8-29]: Kanttekening 29: 29 wraak te oefenen: Hebreeuws, wraak te wreken (נָקָם).
[^ezechiel-24-8-30]: Kanttekening 30: God wil zeggen dat Hij hun ook in het openbaar zal straffen, dat er de tekenen zullen zijn voor alle mans ogen.
[^ezechiel-24-9-32]: Kanttekening 32: 32 brandstapel groot maken: Vergelijk boven vers 5. Dat is, een groot vuur onder Jeruzalem \[deze pot\] stoken, gelijk volgt. Ezechiël 24:5: Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden.
[^ezechiel-24-9-31]: Kanttekening 31: Gelijk boven vers 6. Ezechiël 24:6: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van het bloedtad, de pot, welks schuim in hem is, en van welke zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen.
[^ezechiel-24-9-c]: Verwijzing c: Nahum 3:1; Habak. 2:12. Nahum 3:1: Wee van het bloedtad, die geheel vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. Habakuk 2:12: Wee die, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!
[^ezechiel-24-10-33]: Kanttekening 33: 33 Draag veel houts toe: Hebreeuws, vermenigvuldig de houten, of houteren; een levendige vertoning van de ellende van de belegerden van Jeruzalem.
[^ezechiel-24-10-34]: Kanttekening 34: 34 verteer het vlees: Of, maak het gaar, doorkook het, kook het volkomenlijk.
[^ezechiel-24-10-35]: Kanttekening 35: 35 kruid het met specerijen: Hebreeuws, specerij van de specerijen, opdat de vijanden \[gelijk sommigen verstaan\] appetijt en lust daartoe krijgen.
[^ezechiel-24-10-36]: Kanttekening 36: Of, aanbranden.
[^ezechiel-24-11-37]: Kanttekening 37: De pot, dat is: Jeruzalem zal niet alleen van inwoners ontbloot worden, maar de stad ook verbrand, opdat de plaats van die gruwelijke onreinheid ten enenmale uitgezuiverd worde.
[^ezechiel-24-11-38]: Kanttekening 38: Of, wegvliete, afgestort worde.
[^ezechiel-24-12-39]: Kanttekening 39: Drijvende zulk een gedurig gewoel in haar afgoderijen, heidense verbonden, inwendigen overlast, leugen, huichelarij en allerlei boze handelingen, met welke zij haar vervallen staat heeft willen ondersteunen en het gedreigde verderf afweren, in plaats van zich tot mij te bekeren, waartoe Ik hen door mijne profeten met zulke verdraagzaamheid vermaand, en met zware dreigementen zo getrouwelijk en veelvoudig gewaarschuwd heb, dat Ik daarvan als moe ben geworden, zo zij in het minst daardoor niet gebeterd, maar telkens niet dan te hardnekkiger geworden is, gelijk in het volgende verhaald wordt. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden, komende, naar het meeste gevoelen, van een woord dat ijdelheid, onrechtigheid, leugen, boosheid, ondeugd, ook afgoderij betekent. Anders: \[met\] ijdelheden heeft zij \[zich\] moe gemaakt.
[^ezechiel-24-13-40]: Kanttekening 40: 40 gereinigd heb: Door de vermaningen, waarschuwingen en dreigementen mijner profeten tevergeefs gezocht heb te reinigen, zo zal Ik nu een anderen weg met u ingaan.
[^ezechiel-24-13-41]: Kanttekening 41: Zie boven Ez. 5:13. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-24-14-d]: Verwijzing d: Ez. 5:11. Ezechiël 5:11: Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen!
[^ezechiel-24-14-e]: Verwijzing e: Ez. 23:24. Ezechiël 23:24: Die zullen tegen u komen met karren, wagens en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten.
[^ezechiel-24-16-42]: Kanttekening 42: 42 lust van uw ogen: Of, wens; dat is uw huisvrouw, zie vers 18. Waardoor de tempel en de stad Jeruzalem werden afgebeeld. Ezechiël 24:18: Dit sprak ik tot het volk in de morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in de avond; en ik deed in de morgenstond, gelijk mij geboden was.
[^ezechiel-24-16-43]: Kanttekening 43: Dat is, een haastigen, van God buitengewoon toegeschikten, dood.
[^ezechiel-24-17-44]: Kanttekening 44: 44 Houd stil van kermen: Dat is, kerm niet, maar zwijg stil.
[^ezechiel-24-17-45]: Kanttekening 45: 45 dodenrouw maken: Dat is, geen rouwtekens tonen, gelijk men over verstorven vrienden in die tijd placht te doen.
[^ezechiel-24-17-46]: Kanttekening 46: 46 hoed op u: Of, huif, muts, zet op uw hoofd \[gelijk onder vers 23\]. Het Hebreeuwse woord heeft de naam van versieren. Integendeel plegen de rouwdragenden met het blote hoofd te gaan, en as of stof daarop te spreiden; Lev. 10:6, en Lev. 21:10; 1 Sam. 4:12; 2 Sam. 15:32; Jes. 61:3; Klaagl. 2:10. Ezechiël 24:23: En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch wenen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een iedereen tegen zijn broer zuchten. Leviticus 10:6: En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: U zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw kleren verscheuren, opdat u niet sterft, en grote toorn over de gehele vergadering kome; maar uw broers, het gehele huis van Israël, zullen deze brand, die YHWH aan gestoken heeft, bewenen. Leviticus 21:10: En hij, die de hogepriester onder zijn broers is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn kleren scheuren. 1 Samuël 4:12: Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo dezelfde dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. 2 Samuël 15:32: En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij daar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd. Jesaja 61:3: Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van de lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting van YHWH, opdat Hij verheerlijkt worde. Klaagliederen 2:10: Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.
[^ezechiel-24-17-47]: Kanttekening 47: 47 schoenen aan uw voeten: Daar de rouwenden ongeschoeid of barvoets plachten te gaan; 2 Sam. 15:30. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iedereen zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^ezechiel-24-17-48]: Kanttekening 48: Of knevelbaard niet verhullen, bewimpelen, gelijk die plachten te doen, die in rouw waren over een groot ongeval; zie Lev. 13:45; Micha 3:7. Sommigen verstaan niet alleen de bovenste lip, maar verder de mond en de kin, met de gehele plaats van de baard. Leviticus 13:45: Verder zullen de kleren van de melaatsen, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! Micha 3:7: En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.
[^ezechiel-24-17-49]: Kanttekening 49: 49 brood niet eten: Versta, leedspijs, leed- of rouwmaal eten met de vrienden en naburen; zie Jer. 16:7. Jeremia 16:7: Ook zal men hun niets uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.
[^ezechiel-24-19-50]: Kanttekening 50: 50 wat ons deze dingen zijn: Dat is, wat zij ons betekenen, wat u ons door deze vreemde manier van doen wilt te verstaan geven. Het woord zijn is hier bijgevoegd naar de aard van de Hebreeuwse taal, gelijk elders dikwijls. Zo onder Ez. 37:18. Ezechiël 37:18: En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult u ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?
[^ezechiel-24-21-51]: Kanttekening 51: De tempel.
[^ezechiel-24-21-52]: Kanttekening 52: In handen van de Chaldeeën overleveren, om verstoord te worden, als een gemene onheilige plaats.
[^ezechiel-24-21-53]: Kanttekening 53: 53 heerlijkheid van uw sterkte: Of, hoogheid, uitnemendheid van uw sterkte, dat is, dat heerlijk gebouw van de tempel, waarop u u zozeer verlaat, menende dat Ik daarom Jeruzalem sparen zal. Sommigen verstaan Jeruzalem of het koninkrijk.
[^ezechiel-24-21-54]: Kanttekening 54: 54 begeerte van uw ogen: Versta, al dezelfde tempel, in welks aanschouwing zij hun lust en vermaak plachten te nemen, en waarnaar zij nu zozeer verlangden. Sommigen verstaan hunne vrouwen, uit vers 16. Ezechiël 24:16: Mensenkind! zie, Ik zal de lust uw ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult u niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen.
[^ezechiel-24-21-55]: Kanttekening 55: 55 verschoning van uw ziel: Welken tempel u zo liefhebt, dat het u hartelijk deren en wee zou doen, als men hem zou verwoesten. Sommigen verstaan hier de kinderen en naaste vrienden, die zij, gaande met Jojachin in de gevangenschap, te Jeruzalem gelaten hadden.
[^ezechiel-24-22-56]: Kanttekening 56: 56 gedaan heb: U zult alsdan geen rouwteken kunnen tonen, vanwege de vloek Gods, en uwe verbaasdheid over de verschrikkelijke algemene ellenden en verwoestingen, die tempel, stad, land en het gehele volk zullen overkomen. Vergelijk hiermede zonderling Jer. 16:5, 16:6, 16:7, 16:8, met de aantekening daar. Jeremia 16:5: Want zo zegt YHWH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt YHWH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; Jeremia 16:6: Zodat grote en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelf insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. Jeremia 16:7: Ook zal men hun niets uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder. Jeremia 16:8: Ga ook niet in een huis van het maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
[^ezechiel-24-23-57]: Kanttekening 57: Of, uitteren, versmelten, vanwege Gods vloed over u, gelijk onder Ez. 33:10. Ezechiël 33:10: Daarom, u mensenkind! zeg tot het huis van Israël: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Omdat onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelfde versmachten, hoe zouden wij dan leven?
[^ezechiel-24-23-f]: Verwijzing f: Ez. 4:17. Ezechiël 4:17: Opdat zij van het brood en van het water gebrek hebben, en de één met de ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.
[^ezechiel-24-23-58]: Kanttekening 58: Of, beren, tieren, uit onverduldigheid en mistroostigheid.
[^ezechiel-24-24-g]: Verwijzing g: Ez. 12:6. Ezechiël 12:6: Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven.
[^ezechiel-24-24-59]: Kanttekening 59: 59 wonderteken zijn: Zie boven Ez. 12:6. Ezechiël 12:6: Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u de huize Israëls tot een wonderteken gegeven.
[^ezechiel-24-25-60]: Kanttekening 60: 60 zal het niet zijn: Dat is, het zal voorzeker zo gebeuren. Dit voorzegt God tot meerdere bevestiging van deze profetieën. Zie de vervulling onder Ez. 33:21, 33:22. Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van ons gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Ezechiël 33:22: Nu was de hand van YHWH op mij geweest van de avond, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij van de morgen tot mij kwam. Zo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
[^ezechiel-24-25-61]: Kanttekening 61: De tempel, enz., gelijk boven vers 21, dat is, ten tijde als Jeruzalem ingenomen en de tempel met de stad verwoest zullen worden, en al het volk jammerlijk behandeld naar deze profetieën. Ezechiël 24:21: Zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uw sterkte, de begeerte uw ogen, en de verschoning uw ziel; en uw zonen en uw dochters, die u verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.
[^ezechiel-24-25-62]: Kanttekening 62: 62 vreugde huns sieraads: Dat is, in welks sieraad zij zich verheugen.
[^ezechiel-24-25-63]: Kanttekening 63: 63 verlangen van hun zielen: Hebreeuws, de opheffing; dat is, datgene waarnaar zij hartelijk verlangen, gelijk men omhoog naar iets reikt en langt, dat men graag zou bereiken willen. Zie Ps. 24:4. Psalmen 24:4: Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
[^ezechiel-24-26-64]: Kanttekening 64: 64 ontkomene tot u zal komen: Die het ontlopen is en door mijne regering tot u zal komen, om u de tijding te brengen.
[^ezechiel-24-27-65]: Kanttekening 65: 65 opengedaan worden: Alsof God zei: U hebt nu mijn volk genoeg voorzegd van de aanstaande ellenden, rust nu een tijdlang in stilte, totdat alles duidelijk zal vervuld en voor ogen zijn, dan zult u weer spreken, tot hunne vertroosting en onderwijzing, om zo hun en mijner gehele kerk op verscheidene wijzen tot een wonderlijk voorteken te zijn van grote toekomstige zaken.
[^ezechiel-24-27-66]: Kanttekening 66: 66 stom zijn: Vergelijk onder Ez. 33:22, en boven Ez. 3:26, met de aantekening. Ezechiël 33:22: Nu was de hand van YHWH op mij geweest van de avond, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij van de morgen tot mij kwam. Zo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. Ezechiël 3:26: En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis.

### Ezechiël 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/25.json)

*Profetieën tegen de Ammonieten en Moabieten, vanwege hun blijdschap over de verwoesting van de tempel en de ellende van Gods volk, vers 1, 2, enz.; 8, 9, enz.; tegen de Edomieten en Filistijnen, vanwege hun wraakzucht en wreedheid tegen Gods volk, 12, enz.; 15, enz.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-25-2-1][^ezechiel-25-2-a] zet uw aangezicht tegen de[^ezechiel-25-2-2] kinderen van Ammon, en profeteer daartegen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v2)

**3** En zeg tot de kinderen van Ammon: Hoort het woord van Adonai YHWH: Zo zegt Adonai YHWH: Omdat u gezegd hebt:[^ezechiel-25-3-3] Heah! over Mijn heiligdom, als[^ezechiel-25-3-4] het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v3)

**4** Daarom, ziet, Ik zal u aan[^ezechiel-25-4-5] die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun[^ezechiel-25-4-6] burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v4)

**5** En Ik zal[^ezechiel-25-5-7] Rabba tot een[^ezechiel-25-5-8] kamelenstal maken, en[^ezechiel-25-5-9] de kinderen van Ammon tot een[^ezechiel-25-5-10] schaapskooi; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v5)

**6** Want zo zegt Adonai YHWH: Omdat u met de hand[^ezechiel-25-6-11] geklapt, en met de voet gestampt hebt, en[^ezechiel-25-6-12] van harte verblijd bent geweest in al uw[^ezechiel-25-6-13] plundering, over het land van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v6)

**7** Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u[^ezechiel-25-7-14] uitstrekken, en u aan de heidenen ten buit geven, en zal u[^ezechiel-25-7-15] uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u vernietigen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v7)

**8** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat[^ezechiel-25-8-16][^ezechiel-25-8-b] Moab en[^ezechiel-25-8-17] Seïr zeggen: Zie, het huis van Juda is[^ezechiel-25-8-18] gelijk al de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v8)

**9** Daarom, ziet, Ik zal de[^ezechiel-25-9-19] zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn[^ezechiel-25-9-20] grenzen af zijn, het sieraad van het[^ezechiel-25-9-21] land, Beth-jesimoth,[^ezechiel-25-9-22] Baäl-meon, en tot Kiriathaim toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v9)

**10** Voor die van[^ezechiel-25-10-23] het oosten,[^ezechiel-25-10-24] met het land van de kinderen van Ammon, dat Ik ter[^ezechiel-25-10-25] bezitting zal overgeven; opdat aan de kinderen van Ammon onder de heidenen niet meer gedacht wordt[^ezechiel-25-10-c]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v10)

**11** Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v11)

**12** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat[^ezechiel-25-12-26] Edom met[^ezechiel-25-12-27] enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en[^ezechiel-25-12-28] zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich[^ezechiel-25-12-29] aan hen gewroken hebben: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v12)

**13** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Ik zal ook Mijn hand[^ezechiel-25-13-30] uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit[^ezechiel-25-13-31] haar uitroeien; en zal haar tot een woestheid stellen van[^ezechiel-25-13-32] Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v13)

**14** En Ik zal Mijn wraak[^ezechiel-25-14-33] doen aan Edom,[^ezechiel-25-14-34] door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn woede handelen; zo zullen zij Mijn wraak bemerken, spreekt Adonai YHWH.[^ezechiel-25-14-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v14)

**15** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat de[^ezechiel-25-15-37] Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en[^ezechiel-25-15-38] van harte wraak[^ezechiel-25-15-39] geoefend hebben door[^ezechiel-25-15-40] plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;[^ezechiel-25-15-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v15)

**16** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-25-16-42] strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de[^ezechiel-25-16-43] Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen.[^ezechiel-25-16-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v16)

**17** En Ik zal grote wraak met[^ezechiel-25-17-45] grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn wraak aan hen gedaan zal hebben.[^ezechiel-25-17-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/25.html#v17)

[^ezechiel-25-2-1]: Kanttekening 1: 1 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer daartegen;
[^ezechiel-25-2-a]: Verwijzing a: Jer. 49:1. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in daarvan steden?
[^ezechiel-25-2-2]: Kanttekening 2: 2 kinderen Ammons: Zie Jer. 49:1, enz., en boven Ez. 21:28, enz. Ammonieten, Moabieten, Edomieten en Filistijnen waren alle vijanden van Gods volk; Ammon en Moab, in het oosten over de Jordaan, Edom in het zuiden, de Filistijnen in het westen langs de Middellandse zee. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden? Ezechiël 21:28: En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heer YHWH, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
[^ezechiel-25-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, uw lust daarin geschept en daarover gejuicht hebt. Zie Job 39:28; Ps. 35:21, met de aantekening; zo onder Ez. 26:2. Job 39:28: In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de krijg van verre, de donder van de vorsten en het gejuich. Psalmen 35:21: En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Ezechiël 26:2: Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!
[^ezechiel-25-3-4]: Kanttekening 4: 4 ontheiligd werd: Gelijk boven Ez. 24:21. Ezechiël 24:21: Zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid van uw sterkte, de begeerte van uw ogen, en de verschoning van uw ziel; en uw zonen en uw dochters, die u verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.
[^ezechiel-25-4-5]: Kanttekening 5: 5 die van het oosten: Hebreeuws, de kinderen van het oosten (בְנֵי). Hierdoor verstaan sommigen de Chaldeën of Babyloniërs; maar omdat de Heilige Schrift doorgaans zegt dat de Chaldeën van het noorden zouden komen, zo verstaan het anderen van de oosterse natiën, die oostwaarts aan Ammon grensden, als de Arabieren, die zich in tenten onthielden, Kedarenen, enz., hebbende menigte van kamelen en vee, genegen om goede weiden te zoeken, en in de Schriftuur onder die van het oosten gemeenlijk begrepen. Deze \[zovelen als er van Nebukadnezar waren overgelaten of overzien\] zouden het land van de Ammonieten, van de Chaldeën verstoord en de inwoners weggevoerd zijnde, tot gerief voor hun vee hebben ingenomen en bezeten. Zie Gen. 29:1; Richt. 6:3, en Richt. 8:11; Job 1:3; Jes. 60:6, 60:7; Jer. 49:28, 49:29, 49:31, 49:32, met de aantekening. Genesis 29:1: Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land van de kinderen van het Oosten. Richteren 6:3: Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. Richteren 8:11: En Gideon toog opwaarts, de weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. Job 1:3: Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. Jesaja 60:6: Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedige lof van YHWH boodschappen. Jesaja 60:7: Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken. Jeremia 49:28: Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt YHWH zo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. Jeremia 49:29: Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! Jeremia 49:31: Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen. Jeremia 49:32: En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt YHWH.
[^ezechiel-25-4-6]: Kanttekening 6: Of, sloten, paleizen, statige gebouwen, magnifieke huizen.
[^ezechiel-25-5-7]: Kanttekening 7: De koninklijke hoofdstad van de Ammonieten. Zie 2 Sam. 11:1. 2 Samuël 11:1: En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.
[^ezechiel-25-5-8]: Kanttekening 8: Voor de kamelen van die van het Oosten.
[^ezechiel-25-5-9]: Kanttekening 9: 9 de kinderen Ammons: Dat is, hun land.
[^ezechiel-25-5-10]: Kanttekening 10: Voor de schapen van die van het Oosten.
[^ezechiel-25-6-11]: Kanttekening 11: Van grote vreugde en vermaak over de ellenden van de Joden, alsof zij zeiden: Heah, zo zo, dat is toch te goed, dat gaat wel; vergelijk vers 3, en boven Ez. 6:11. Ezechiël 25:3: En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; Ezechiël 6:11: Zo zegt de Heer YHWH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pestilentie vallen.
[^ezechiel-25-6-12]: Kanttekening 12: 12 van harte verblijd: Of, met lust. Zie Ps. 27:12. Zo vers 15. Of aldus: En verblijd zijt geweest in al uw gretige plundering. Hebreeuws, in, of met de ziel (נֶפֶשׁ). Vergelijk onder Ez. 36:5. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, samen met die wrevel uitblaast. Ezechiël 25:15: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap; Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het gehele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!
[^ezechiel-25-6-13]: Kanttekening 13: Of, spijt; idem, versmading; gelijk boven Ez. 16:57, en onder vers 15. Ezechiël 16:57: Aleer uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was van de versmading van de dochters van Syrië, en van al degenen, die rondom datzelve waren, de dochters van de Filistijnen, die u verachten van rondom, Ezechiël 25:15: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;
[^ezechiel-25-7-14]: Kanttekening 14: Zie boven Ez. 14:9. Zo onder vers 3, 25:16. Ezechiël 14:9: Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël. Ezechiël 25:3: En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; Ezechiël 25:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen.
[^ezechiel-25-7-15]: Kanttekening 15: 15 uit de volken uitroeien: Dat u voor geen volk noch land meer zult gerekend worden.
[^ezechiel-25-8-16]: Kanttekening 16: Zie Jer. 48:1, enz. Jeremia 48:1: Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt.
[^ezechiel-25-8-b]: Verwijzing b: Jer. 48:1. Jeremia 48:1: Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van de hoge vertreks is beschaamd en verschrikt.
[^ezechiel-25-8-17]: Kanttekening 17: Dat is, het land Edom, en verder de Edomieten, Ezau's nakomelingen, op welke dit land vervallen was van Seïrs nakomelingen. Zie Gen. 36:20; zo onder Ez. 35:2, enz., en verder van Edom, Jer. 49:7; Obad. 1:1, enz. Genesis 36:20: Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, Ezechiël 35:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer daartegen, Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden? Obadja 1:1: Het gezicht van Obadja. Zo zegt de Heer YHWH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.
[^ezechiel-25-8-18]: Kanttekening 18: 18 gelijk al de heidenen: Dat is, zij hebben zich ingebeeld dat zij een bijzonder eigendom en volk van God waren, en een voortocht bij hem hadden boven andere natiën, maar het blijkt nu wel anders, omdat zij niet meer van de Babyloniërs verschoond worden dan anderen; spottende zo met Gods verbond en zijne kerk, ja met de God van Israël zelf.
[^ezechiel-25-9-19]: Kanttekening 19: 19 zijde van Moab openen: Dat is, Ik zal die van het Oosten \[gelijk volgt vers 10\] in de beste en sterkste plaatsen en omstreken van het land een open intocht bereiden. Ezechiël 25:10: Voor die van het oosten, met het land van de kinderen Ammons, dat Ik ter bezitting zal overgeven; opdat aan de kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.
[^ezechiel-25-9-20]: Kanttekening 20: 20 grenzen af zijn: Hebreeuws, uiterste, of einde.
[^ezechiel-25-9-21]: Kanttekening 21: Dit waren van de voornaamste steden van de Moabieten, tussen de beek Arnon en de Jordaan gelegen.
[^ezechiel-25-9-22]: Kanttekening 22: 22 en tot Kiriathaïm toe: Of, en Kiriathaïm.
[^ezechiel-25-10-23]: Kanttekening 23: Zie vers 4. God wil zeggen, gelijk Hij Ammons land aan die van het Oosten heeft overgegeven, zo zal Hij ook het land van de Moabieten voor hen openen. Ezechiël 25:4: Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.
[^ezechiel-25-10-24]: Kanttekening 24: 24 met het land van de kinderen Ammons: Of, boven, naast.
[^ezechiel-25-10-25]: Kanttekening 25: 25 bezitting zal overgeven: Voor die van het Oosten, gelijk vers 4. Ezechiël 25:4: Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.
[^ezechiel-25-10-c]: Verwijzing c: Ez. 21:32. Ezechiël 21:32: Het vuur zult u tot voedsel zijn, uw bloed zal zijn in het midden van het land; uw zal niet gedacht worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken.
[^ezechiel-25-12-26]: Kanttekening 26: Boven genaamd Seïr, vers 8. Ezechiël 25:8: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen;
[^ezechiel-25-12-27]: Kanttekening 27: 27 enkel wraakgierigheid: Hebreeuws, gedaan, of gehandeld heeft in, of met wreken van wraak, of met wraak te wreken (נָקָם). Vergelijk vers 15. Ezechiël 25:15: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;
[^ezechiel-25-12-28]: Kanttekening 28: 28 zij zich zeer schuldig gemaakt hebben: De Edomieten.
[^ezechiel-25-12-29]: Kanttekening 29: 29 hen gewroken hebben: Aan de Joden, uit de oude haat, die zij van hun voorvader Ezau geërfd hebben. Zie Gen. 27:41; 2 Kron. 28:17; Ps. 137:7; Amos 1:11; Obad. 1:11, enz. Genesis 27:41: En Ezau haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden. 2 Kronieken 28:17: Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! Amos 1:11: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt. Obadja 1:11: Op de dag als u tegenover stondt, op de dag als de uitlanders zijn legermacht gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één van hen.
[^ezechiel-25-13-30]: Kanttekening 30: 30 uitstrekken tegen Edom: Gelijk boven vers 7. Ezechiël 25:7: Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u de heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-25-13-31]: Kanttekening 31: Het land van Edom, of Idumea.
[^ezechiel-25-13-32]: Kanttekening 32: 32 Theman af: Zie Jer. 49:7. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?
[^ezechiel-25-14-33]: Kanttekening 33: Hebreeuws, geven, leggen, stellen, tegen, of aan, onder, op, enz., gelijk vers 17. Ezechiël 25:17: En Ik zal grote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn wraak aan hen gedaan zal hebben.
[^ezechiel-25-14-34]: Kanttekening 34: 34 door de hand van Mijn volk Israël: Dat is, \[gelijk sommigen dit verklaren\] door dezelfde hand, met welke Ik mijn volk van Juda geslagen heb \[namelijk de legermacht van de Babyloniërs\] zal Ik mijne wraak ook aan u uitvoeren. Zie Jer. 49:19, met de aantekening. Maar anderen nemen het geestelijk, door de hand; dat is, door het middel, de dienst, of de macht mijner kerk in hun Hoofd Jezus Christus, die de vijanden van zijn volk zal dempen. Vergelijk Jes. 11:14; Jer. 49:2; Obad. 1:19, met de aantekening. Van enige lichamelijke wraken, die de Joden of Israëlieten aan Edom in volgende tijden zouden hebben gedaan, leest men niets dan wat in het tweede boek van de Machabeën, hoofdstuk 10:15,16, en vervolgens verhaald wordt. Jeremia 49:19: Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jesaja 11:14: Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. Jeremia 49:2: Daarom ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik over Rabba van de kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen horen, en zij zal tot een woesten hoop worden, en haar onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt YHWH. Obadja 1:19: En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead. 2 Makkabeeën 10:15: En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen sterkten in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.
[^ezechiel-25-14-35]: Kanttekening 35: 35 tegen Edom: Of, in, met, Edom.
[^ezechiel-25-15-37]: Kanttekening 37: 37 van harte wraak: Of, met lust; gelijk vers 6. Ezechiël 25:6: Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël;
[^ezechiel-25-15-38]: Kanttekening 38: 38 geoefend hebben: Hebreeuws, gewroken.
[^ezechiel-25-15-39]: Kanttekening 39: Of, spijt, versmading; gelijk vers 6. Ezechiël 25:6: Want zo zegt de Heer YHWH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land van Israël;
[^ezechiel-25-15-40]: Kanttekening 40: 40 eeuwige vijandschap: Hebreeuws, vijandschap van de eeuwigheid, of oudheid (עוֹלָֽם).
[^ezechiel-25-15-36]: Kanttekening 36: Zie 2 Kron. 28:18; Joël 3:4; Amos 1:6, 1:7, 1:8. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar. Joël 3:4: En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen. Amos 1:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren. Amos 1:7: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. Amos 1:8: En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt de Heer YHWH.
[^ezechiel-25-16-42]: Kanttekening 42: Dit schijnt de naam geweest te zijn van een streek in het land van de Filistijnen, maar daardoor worden de Filistijnen in het algemeen verstaan, gelijk 1 Sam. 30:14, 30:16; zie daar, idem Zef. 2:5. Maar in het Hebreeuws passen de woorden Cherethim en uitroeien aardiglijk op elkaar, alsof men zei: Ik zal die uitroeiers uitroeien. 1 Samuël 30:14: Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op wat van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 1 Samuël 30:16: En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de gehele aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al de grote buit, die zij genomen hadden uit het land van de Filistijnen, en uit het land van Juda. Zefanja 2:5: Wee de inwoneren van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.
[^ezechiel-25-16-43]: Kanttekening 43: 43 zeehaven verdoen: Zie Jer. 47:7; Zef. 2:5, 2:6. Jeremia 47:7: Hoe zoudt u stil houden? YHWH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft Hij het besteld. Zefanja 2:5: Wee de inwoneren van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. Zefanja 2:6: En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herders, en betuiningen van de kudden.
[^ezechiel-25-16-41]: Kanttekening 41: 41 strek Mijn hand uit: Gelijk boven vers 7. Ezechiël 25:7: Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u de heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-25-17-45]: Kanttekening 45: 45 gedaan zal hebben: Hebreeuws, gegeven, enz., gelijk vers 14. Ezechiël 25:14: En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; zo zullen zij Mijn wraak gewaar worden, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-25-17-44]: Kanttekening 44: 44 grimmige straffingen: Hebreeuws, straffingen van de grimmigheid.

### Ezechiël 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/26.json)

*De tijd van deze profetie, vers 1, over de verwoesting van de stad Tyrus door de Chaldeeën, omdat zij zich verheugde over de verwoesting van Jeruzalem, 2. Beschrijving van de schrik, ontzetting en weeklacht die er zullen zijn over de spoedige en onverwachte verwoesting van Tyrus, 15.*

**1** En het gebeurde in[^ezechiel-26-1-1] het elfde jaar, op de eerste van[^ezechiel-26-1-2] de maand, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v1)

**2** Mensenkind! daarom dat[^ezechiel-26-2-3] Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft:[^ezechiel-26-2-4] Heah! zij is verbroken, de[^ezechiel-26-2-5] poort van de[^ezechiel-26-2-6] volken; zij is tot mij omgewend; ik zal[^ezechiel-26-2-7] vervuld worden,[^ezechiel-26-2-8] zij is verwoest! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v2)

**3** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-26-3-9] wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen,[^ezechiel-26-3-10] alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v3)

**4** [^ezechiel-26-4-11] Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar[^ezechiel-26-4-12] stof van haar wegvagen, en zal haar tot een[^ezechiel-26-4-13] gladde steenrots maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v4)

**5** Zij zal in het[^ezechiel-26-5-14] midden van de zee zijn tot uitspreiding van[^ezechiel-26-5-15] netten; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai YHWH; en zij zal de heidenen ten roof worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v5)

**6** En haar[^ezechiel-26-6-16] dochters, die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v6)

**7** Want zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning van de koningen, van het noorden tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagens, en met ruiteren, en krijgsvergaderingen, en veel volk.[^ezechiel-26-7-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v7)

**8** Hij zal uw[^ezechiel-26-8-18] dochters op het veld met het zwaard doden, en hij zal[^ezechiel-26-8-19] vestingen tegen u maken, en een[^ezechiel-26-8-20] wal tegen u opwerpen, en[^ezechiel-26-8-21] grote schilden tegen u opheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v8)

**9** En hij zal[^ezechiel-26-9-22] muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn[^ezechiel-26-9-23] zwaarden afbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v9)

**10** Vanwege de menigte van zijn paarden zal hun stof u bedekken; uw muren zullen beven vanwege het geluid van de ruiteren,[^ezechiel-26-10-24] en[^ezechiel-26-10-25] wielen, en wagens, als hij door uw poorten zal intrekken,[^ezechiel-26-10-26] gelijk door de ingangen van een doorgebrokene stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v10)

**11** Hij zal met de[^ezechiel-26-11-27][^ezechiel-26-11-a] hoeven van zijn paarden al uw straten vertreden; uw volk zal hij met het zwaard doden, en[^ezechiel-26-11-28] elk één van de kolommen van uw vestingen zal ter aarde neerstorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v11)

**12** En zij zullen uw vermogen roven, en uw koopmanswaren plunderen, en uw muren afbreken, en uw[^ezechiel-26-12-29] kostelijke huizen omwerpen; en uw stenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in het midden van de wateren[^ezechiel-26-12-30] werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v12)

**13** Zo zal Ik het[^ezechiel-26-13-b] gedeun van uw[^ezechiel-26-13-31] liederen doen ophouden, en het geklank van uw[^ezechiel-26-13-32] harpen zal niet meer gehoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v13)

**14** Ja, Ik zal u maken tot een[^ezechiel-26-14-33] gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult[^ezechiel-26-14-34] niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v14)

**15** Zo zegt Adonai YHWH tot Tyrus:[^ezechiel-26-15-35] Zullen niet de[^ezechiel-26-15-36] eilanden van het geluid van uw val beven, als de[^ezechiel-26-15-37] dodelijk verwonde zal[^ezechiel-26-15-38] kermen, wanneer men in het midden van u[^ezechiel-26-15-39] schrikkelijk zal moorden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v15)

**16** En alle vorsten van[^ezechiel-26-16-40] de zee zullen[^ezechiel-26-16-41] afdalen van hun tronen, en hun mantels van zich doen, en hun[^ezechiel-26-16-42] gestikte kleren uittrekken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij neerzitten, en telken ogenblik sidderen, en over u ontzet zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v16)

**17** En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen:[^ezechiel-26-17-43] Hoe bent u[^ezechiel-26-17-44] uit de zeeën vergaan, u welbewoonde, u beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hun schrik gaven aan allen, die in haar[^ezechiel-26-17-45] woonden![^ezechiel-26-17-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v17)

**18** Nu zullen de eilanden sidderen op de dag van uw val; ja, de eilanden, die in de zee zijn, zullen beroerd worden vanwege uw[^ezechiel-26-18-46] uitgang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v18)

**19** Want zo zegt Adonai YHWH: Als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik een[^ezechiel-26-19-47] afgrond over u zal doen opkomen, en de[^ezechiel-26-19-48] grote wateren u zullen overdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v19)

**20** Dan zal Ik u doen neerdalen met degenen die in de[^ezechiel-26-20-49] kuil neerdalen tot het[^ezechiel-26-20-50] oude volk, en zal u doen neerliggen in de[^ezechiel-26-20-51] onderste plaatsen van de aarde, in de[^ezechiel-26-20-52] woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in de kuil neerdalen, opdat u niet bewoond wordt; en Ik zal het[^ezechiel-26-20-53] sieraad herstellen in het land van de[^ezechiel-26-20-54] levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v20)

**21** Maar u zal Ik tot een[^ezechiel-26-21-55] grote schrik stellen, en u zult er[^ezechiel-26-21-56] niet meer zijn; als u[^ezechiel-26-21-57] gezocht wordt, zo zult u niet meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/26.html#v21)

[^ezechiel-26-1-1]: Kanttekening 1: 1 elfde jaar: Na de gevankelijke wegvoering van de koning Jechonia. Zie boven Ez. 24:1. Ezechiël 24:1: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende:
[^ezechiel-26-1-2]: Kanttekening 2: Welke maand dit geweest zij, is onzeker. Uit vers 2 kan men het houden voor de eerste maand na het innemen van Jeruzalem, dat geschiedde op de negende van de vierde maand, in het elfde jaar van de koning Zedekia; Jer. 52:6. Ezechiël 26:2: Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest! Jeremia 52:6: In de vierde maand, op de negende van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had;
[^ezechiel-26-2-3]: Kanttekening 3: 3 Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Dat is, inwoners van de stad Tyrus. Hebreeuws, Tsor. Zie Joz. 19:29; 1 Kon. 5:1, en verder Ps. 83:8, en Ps. 87:4; Jes. 23:1, enz.; Jer. 47:4; Joël 3:4, enz.; Amos 1:9, 1:10; Zach. 9:2, 9:3; Matt. 11:21, 11:22. Jozua 19:29: En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, 1 Koningen 5:1: En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had. Psalmen 83:8: Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. Psalmen 87:4: Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Jesaja 23:1: De last van Tyrus. Huilt, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden. Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren. Joël 3:4: En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen. Amos 1:9: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers. Amos 1:10: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren. Zacharia 9:2: En ook zal Hij Hamath daarmee bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is; Zacharia 9:3: En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk van de straten; Mattheüs 11:21: Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Mattheüs 11:22: Maar Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan u.
[^ezechiel-26-2-4]: Kanttekening 4: Gelijk boven Ez. 25:3. Ezechiël 25:3: En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen;
[^ezechiel-26-2-5]: Kanttekening 5: 5 poort van de volken: Hebreeuws, deuren; dat is, waar de volken van alle kanten introkken, om hun koophandel te drijven. Vergelijk Jes. 23:3, en onder Ez. 27:3. Jesaja 23:3: En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst van de rivier; en zij was de markt van de heidenen. Ezechiël 27:3: En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen van de zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heer YHWH: O Tyrus! u zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.
[^ezechiel-26-2-6]: Kanttekening 6: 6 zij is tot mij omgewend: Dat is, hun handel zal nu tot mij komen.
[^ezechiel-26-2-7]: Kanttekening 7: 7 vervuld worden: Met koopmanschap en rijkdom.
[^ezechiel-26-2-8]: Kanttekening 8: 8 zij is verwoest: Alsof zij zeiden: Het is met hen gedaan; of, \[nu, omdat\] zij verwoest is.
[^ezechiel-26-3-9]: Kanttekening 9: 9 wil aan u: Gelijk boven Ez. 13:8. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-26-3-10]: Kanttekening 10: 10 alsof Ik de zee: Vergelijk onder vers 19. Anders: gelijk de zee zich verheft met haar golven; zulks waren de Tyriërs gewoon te zien, als gelegen zijnde in de zee. Ezechiël 26:19: Want zo zegt de Heer YHWH: Als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik een afgrond over u zal doen opkomen, en de grote wateren u zullen overdekken.
[^ezechiel-26-4-11]: Kanttekening 11: 11 Die zullen de muren van Tyrus verderven: Heidenen, of volken; zie vers 7. Ezechiël 26:7: Want zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning van de koningen, van het noorden tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagens, en met ruiteren, en krijgsvergaderingen, en veel volks.
[^ezechiel-26-4-12]: Kanttekening 12: 12 stof van haar wegvagen: Als wanneer men het stof van een steenklip wegveegt, zodat men de blote klip kan zien, die tevoren met stof bedekt of bestoven was. Aldus heeft het God beliefd de verwoesting van de stad Tyrus met verbloemde woorden zeer levendig af te beelden.
[^ezechiel-26-4-13]: Kanttekening 13: 13 gladde steenrots maken: Hebreeuws, stellen tot gladdigheid ener steenrots. Vergelijk boven Ez. 24:7. Dit ziet op de gelegenheid van de stad, die op ene steenrots gebouwd was, en daarvan de naam Tsor \[dat is, rots\] had. God wil zeggen dat Hij het gebouw als stof zal doen verstuiven, dat er niets dan de gladde, kale, blote rots gezien worde, waarop de prachtige stad gebouwd was. Zo vers 14. Ezechiël 24:7: Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om het met stof te bedekken. Ezechiël 26:14: Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-26-5-14]: Kanttekening 14: 14 midden van de zee zijn: Want Tyrus lag rondom in de zee, van het vasteland afgezonderd; zie 1 Kon. 5:1, en onder vers 17, en Ez. 27:34, en Ez. 28:2. 1 Koningen 5:1: En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had. Ezechiël 26:17: En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe bent u uit de zeeën vergaan, u welbewoonde, u beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden! Ezechiël 27:34: Ten tijde, dat u uit de zeeën verbroken bent in de diepte van de wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw gehele gemeente in het midden van u gevallen. Ezechiël 28:2: Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u nochtans uw hart, als Gods hart.
[^ezechiel-26-5-15]: Kanttekening 15: Of, visgaren, want; zij zal als een blote waard zijn, waar de vissers hunne netten zullen uitspreiden om te drogen.
[^ezechiel-26-6-16]: Kanttekening 16: Dat is, de steden en dorpen, die onder hen behoren; dat is de inwoners van die. Zie 2 Kon. 19:21; zo vers 8. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Ezechiël 26:8: Hij zal uw dochters op het veld met het zwaard doden, en hij zal sterkten tegen u maken, en een wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u opheffen.
[^ezechiel-26-7-17]: Kanttekening 17: 17 koning van de koningen: Die monarch, de grootste en machtigste van de aardse koningen; vergelijk Gen. 9:25, en Hoogl. 1:1, en zie Dan. 2:37. Genesis 9:25: En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers! Hooglied 1:1: Het Hooglied, dat van Salomo is. Daniël 2:37: U, o koning! bent een koning van de koningen; want de God van de hemel heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;
[^ezechiel-26-8-18]: Kanttekening 18: 18 dochters op het veld: Gelijk vers 6. Ezechiël 26:6: En haar dochters, die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-26-8-19]: Kanttekening 19: 19 sterkten tegen u maken: Gelijk boven Ez. 4:2; zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 25:1. Ezechiël 4:2: En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. 2 Koningen 25:1: En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gehele legermacht, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
[^ezechiel-26-8-20]: Kanttekening 20: 20 wal tegen u opwerpen: Zie 2 Sam. 20:15. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen.
[^ezechiel-26-8-21]: Kanttekening 21: Dat is, tegen u strijden, of soldaten met rondassen, of rondassiers, op en tegen u doen aanvallen; want de schilden worden in het strijden opgeheven, of opgelicht, om zich daarmede tegen de vijand te bedekken.
[^ezechiel-26-9-22]: Kanttekening 22: 22 muurbrekers tegen uw muren stellen: Hebreeuws, zulk een krijgsinstrument, dat verdelgt wat voor, of tegen zich is.
[^ezechiel-26-9-23]: Kanttekening 23: 23 zwaarden afbreken: Of, houwmessen, hakmessen, van de koning Nebukadnezar.
[^ezechiel-26-10-24]: Kanttekening 24: 24 van zijn paarden: Van Nebukadnezar.
[^ezechiel-26-10-25]: Kanttekening 25: 25 wielen, en wagens: Of, raderen.
[^ezechiel-26-10-26]: Kanttekening 26: 26 gelijk door: Of, gelijk men pleegt in te trekken in een doorgebroken, of gespleten, verscheurde stad; dat is, waarvan de poorten zo verdorven en open zullen zijn door het geweld van de belegeraars, dat zij er ruim genoeg en bij menigten, als door grote bressen, kunnen doortrekken; of, gelijk men stormenderhand door de gemaakte bressen invalt, zo zal hij tot u intrekken en alles ombrengen, zie vers 15; de bressen zullen hem in plaats van poorten zijn. Ezechiël 26:15: Zo zegt de Heer YHWH tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?
[^ezechiel-26-11-27]: Kanttekening 27: 27 hoeven van zijn paarden: Hebreeuws, klauw.
[^ezechiel-26-11-a]: Verwijzing a: Jes. 5:28; Jer. 47:3. Jesaja 5:28: Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hun paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind. Jeremia 47:3: Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven zijn sterke paarden, vanwege het geraas zijn wagens, en het bulderen zijn raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen;
[^ezechiel-26-11-28]: Kanttekening 28: 28 elk één van de kolommen: Hebreeuws, de kolommen, of pilaren van uw sterkte \[waardoor het schijnt dat sterke torens of andere vestingen verstaan worden, die zij tot tegenweer hadden opgericht\] zullen nederdalen, te gronde gaan (עֻזֵּ); dat is, elk van die. Sommigen verstaan het van de prachtige beelden, triumftekenen, enz. tot ene vertoning van hun grootheid opgericht.
[^ezechiel-26-12-29]: Kanttekening 29: 29 kostelijke huizen omwerpen: Hebreeuws, huizen van uw begeerte; dat is, kostelijke, gewenste, lieflijke.
[^ezechiel-26-12-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, leggen, stellen.
[^ezechiel-26-13-b]: Verwijzing b: Jes. 24:7; idem v. 8; Jer. 7:34; Jer. 16:9. Jesaja 24:7: De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten. Jesaja 24:8: De vreugde van de trommelen rust; het geluid van de vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde van de harp rust. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.
[^ezechiel-26-13-31]: Kanttekening 31: 31 liederen doen ophouden: Dat is, al uwe vrolijkheid zal uit zijn. Zie Jes. 24:8; Jer. 7:34, en Jer. 16:9. Jesaja 24:8: De vreugde van de trommelen rust; het geluid van de vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde van de harp rust. Jeremia 7:34: En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.
[^ezechiel-26-13-32]: Kanttekening 32: Anders: cithers.
[^ezechiel-26-14-33]: Kanttekening 33: 33 gladde steenrots: Zie boven vers 4, 26:5. Ezechiël 26:4: Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot een gladde steenrots maken. Ezechiël 26:5: Zij zal in het midden van de zee zijn tot uitspreiding van netten; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH; en zij zal de heidenen ten roof worden.
[^ezechiel-26-14-34]: Kanttekening 34: 34 niet meer gebouwd worden: Dat is, niet als tevoren; u zult nimmermeer wederkomen tot uw vorigen wereldlijken bloei, staat en heerlijkheid, en mettertijd geheel vergaan; vergelijk Jes. 23:15, 23:17, en onder vers 21, en Ez. 27:36; idem Ezra 3:7; Neh. 13:16; Matt. 15:21; Mark. 7:24; Hand. 12:20, en Hand. 21:3, 21:7. Men houdt dat zij onder de koning Cyrus wat weer gerezen is, en ten tijde van Alexander de Grote is het zeker dat zij van vermogen was, als hij haar zeven maanden belegerde en innam; maar ten huidigen dage betuigen velen dat er nauwelijks enige overblijfselen van de herbouwde stad Palae-Tyrus gezien worden; niettemin heeft zij geestelijke beloften gehad voor de uitverkorenen onder de Messias, Ps. 97:4; Jes. 23:18. God \[aan wie alles van eeuwigheid bekend is\] voegt hier \[gelijk elders dikwijls\] het begin en het einde tezamen. Jesaja 23:15: En het zal gebeuren op die dag, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, gelijk de dagen van een koning; maar ten einde van zeventig jaren zal in Tyrus als een hoerenlied zijn: Jesaja 23:17: Want het zal gebeuren ten einde van zeventig jaren, dat YHWH Tyrus zal bezoeken, en dat zij terugkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. Ezechiël 26:21: Maar u zal Ik tot een grote schrik stellen, en u zult er niet meer zijn; als u gezocht wordt, zo zult u niet meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 27:36: De handelaars onder de volken fluiten u aan; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. Ezra 3:7: Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook voedsel en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van de Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen. Nehemia 13:16: Daar waren ook Tyriërs binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op de sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem. Mattheüs 15:21: En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. Marcus 7:24: En van daar opstaande, ging Hij weg naar het gebied van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn. Handelingen 12:20: En Herodes had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gevoed werd van het land van de koning. Handelingen 21:3: En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zou daar de last ontladen. Handelingen 21:7: Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemais, en de broers gegroet hebbende, bleven een dag bij hen. Psalmen 97:4: Zijn bliksemen verlichten de wereld; de aarde ziet ze en het beeft. Jesaja 23:18: En haar koophandel en haar hoerenloon zal YHWH heilig zijn, het zal niet ten schat vergaderd noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor YHWH wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij durig deksel hebben.
[^ezechiel-26-15-35]: Kanttekening 35: 35 Zullen niet: Voorzeker ja, wil de Heer zeggen.
[^ezechiel-26-15-36]: Kanttekening 36: 36 eilanden van het geluid: Dat is, inwoners over zee, die met u gehandeld hebben en van u verrijkt zijn; vergelijk onder Ez. 27:35, en zie Ps. 72:10. Ezechiël 27:35: Alle inwoners van de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht. Psalmen 72:10: De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^ezechiel-26-15-37]: Kanttekening 37: 37 dodelijk verwonde: Vergelijk onder Ez. 30:24. Ezechiël 30:24: En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.
[^ezechiel-26-15-38]: Kanttekening 38: Of, huilen, zuchten.
[^ezechiel-26-15-39]: Kanttekening 39: 39 schrikkelijk zal moorden: Hebreeuws, doding, of \[met\] doding doden (הָרֵֽג); dat is, een moord aanrichten, alles vermoorden.
[^ezechiel-26-16-40]: Kanttekening 40: 40 zee zullen: Die aan de zee wonen, met u gehandeld en op u gesteund hebben; vergelijk onder Ez. 27:35. Ezechiël 27:35: Alle inwoners van de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.
[^ezechiel-26-16-41]: Kanttekening 41: 41 afdalen van hun tronen: Tot een teken van ontzetting en rouw, idem, vrees voor hun eigen staat, door uw voorbeeld.
[^ezechiel-26-16-42]: Kanttekening 42: 42 gestikte kleren: Of, geborduurde. Hebreeuws, hun stiksels, of borduursels.
[^ezechiel-26-17-43]: Kanttekening 43: 43 Hoe bent u: Ene vraag, die voortkwam uit verwondering en deernis.
[^ezechiel-26-17-44]: Kanttekening 44: 44 uit de zeeën vergaan: Waar u rondom in laagt, vergelijk onder Ez. 27:3, 27:4. Anders: u die bewoond was van de zeeën; dat is, zeevarend volk, handelaars, die van over zee kwamen, om in u te wonen; dat is, een langen tijd, hun handelshalve, in u te verkeren; vergelijk Hand. 2:5; Jak. 4:13, en hier in het einde van vers 17; woonden, dat is lang verkeerden, naar de wijze van de kooplieden, handelsreizigers, enz. Ezechiël 27:3: En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen van de zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heer YHWH: O Tyrus! u zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid. Ezechiël 27:4: Uw gebied is in het hart van de zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt. Handelingen 2:5: En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volk dergenen, die onder de hemel zijn. Jakobus 4:13: Welaan nu u, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Ezechiël 26:17: En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe bent u uit de zeeën vergaan, u welbewoonde, u beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden!
[^ezechiel-26-17-45]: Kanttekening 45: Dat is, die met haar uitnemende macht, pracht en heerlijkheid een schrik aanjaagden allen dengenen, die bij haar van andere plaatsen kwamen verkeren; vergelijk Jes. 23:8, en onder Ez. 32:23, enz. Jesaja 23:8: Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste in het land zijn? Ezechiël 32:23: Welker graven gesteld zijn in de zijden van de kuil, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land van de levenden.
[^ezechiel-26-17-b]: Verwijzing b: Openb. 18:9. Openbaring 18:9: En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien;
[^ezechiel-26-18-46]: Kanttekening 46: Dat is, omdat uw volk in gevangenschap zal moeten, of uitgang, dat is einde, deerlijken uitgang, gelijk wij hetzelfde woord in onze taal ook zo gebruiken.
[^ezechiel-26-19-47]: Kanttekening 47: Versta, het Babylonische leger; zie boven vers 3. Ezechiël 26:3: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen.
[^ezechiel-26-19-48]: Kanttekening 48: 48 grote wateren: Of, vele.
[^ezechiel-26-20-49]: Kanttekening 49: 49 kuil nederdalen: Dat is, in het graf, gelijk dikwijls; dat u zult zijn als de doden, begravenen en vergetenen.
[^ezechiel-26-20-50]: Kanttekening 50: 50 oude volk: Hebreeuws, volk van de eeuwigheid (עַם); dat is, oudheid; versta, die vanouds af, in voortijden, van het begin van de wereld onder hen gevaren zijn. Zie van het woord Olam, Jer. 2:20; zo in het volgende. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op allen hoge heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende.
[^ezechiel-26-20-51]: Kanttekening 51: 51 onderste plaatsen van de aarde: Hebreeuws, de aarde van de benedenheden (אֶרֶץ). Zo onder Ez. 32:18, enz. Ezechiël 32:18: Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochters van de prachtige heidenen) in de onderste plaatsen van de aarde, bij degenen, die in de kuil zijn nedergedaald.
[^ezechiel-26-20-52]: Kanttekening 52: 52 woeste plaatsen: Hetzelfde wordt met andere woorden gezegd.
[^ezechiel-26-20-53]: Kanttekening 53: 53 sieraad herstellen: Dat is, mijn land Kanaän, Jeruzalem en mijn volk van Juda \[over wier ellende en verwoesting u zegt, Heah! vers 2\], die zal Ik verlossen, en in zulk een staat herstellen, dat zij het sieraad en de heerlijkheid van de gehele aarde zullen zijn, tot een voorbeeld van wat Ik mijn gehele kerk door de Messias zal doen op de aarde en in het hemels Kanaän; zie Ps. 48:3; boven Ez. 20:6, en onder Ez. 37:11, enz.; Ef. 5:27; Openb. 21:2. Ezechiël 26:2: Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest! Psalmen 48:3: Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Koning. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen. Ezechiël 37:11: Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het gehele huis van Israël; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^ezechiel-26-20-54]: Kanttekening 54: 54 land van de levenden: Dat is, op de aarde, onder de mensen die leven; zie Ps. 27:13. Psalmen 27:13: Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van YHWH zou zien in het land van de levenden, ik ware vergaan.
[^ezechiel-26-21-55]: Kanttekening 55: 55 grote schrik stellen: Hebreeuws, verschrikkingen, beroerten, verbaasdheden; dat is, Ik zal u zo toerichten, dat een ieder zal schrikken als hij daarvan hoort en daaraan denkt.
[^ezechiel-26-21-56]: Kanttekening 56: 56 niet meer zijn: Zie boven vers 14. Ezechiël 26:14: Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-26-21-57]: Kanttekening 57: 57 gezocht wordt: Vergelijk Ps. 37:35, 37:36, enz. Psalmen 37:35: Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Psalmen 37:36: Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.

### Ezechiël 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/27.json)

*Een profetisch klaaglied over Tyrus, met beschrijving van haar heerlijkheid, weelde, en het gemak dat vele volken door allerlei handel van haar hadden, vers 1, 2, enz.; en daartegenover van haar verschrikkelijke val, alsook de schade, ontzetting, rouw en bespotting die daarover zal zijn bij de volken en hun koningen, 26, enz.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v1)

**2** U dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v2)

**3** En zeg tot Tyrus, die daar woont aan[^ezechiel-27-3-1] de ingangen van de zee,[^ezechiel-27-3-2] handelende met de volken in vele[^ezechiel-27-3-3] eilanden: Zo zegt Adonai YHWH: O Tyrus! u zegt: Ik ben[^ezechiel-27-3-a] volmaakt in schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v3)

**4** Uw gebied is in het hart van de zeeën[^ezechiel-27-4-4]; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v4)

**5** Zij hebben al uw[^ezechiel-27-5-5] denningen uit dennebomen van[^ezechiel-27-5-6] Senir gebouwd; zij hebben[^ezechiel-27-5-7] cederen van de Libanon[^ezechiel-27-5-8] gehaald, om[^ezechiel-27-5-9] masten voor u te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v5)

**6** Zij hebben uw riemen[^ezechiel-27-6-b] uit eiken van Basan gemaakt;[^ezechiel-27-6-10] uw planken hebben zij gemaakt van welbetreden elpenbeen[^ezechiel-27-6-11][^ezechiel-27-6-12], uit de eilanden van[^ezechiel-27-6-13] de Chittieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v6)

**7** [^ezechiel-27-7-14] Fijn linnen met[^ezechiel-27-7-15] stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een[^ezechiel-27-7-16] zeil was;[^ezechiel-27-7-17] hemelsblauw en purper, uit de eilanden van[^ezechiel-27-7-18] Elisa, was uw deksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v7)

**8** De inwoners van[^ezechiel-27-8-19] Sidon en[^ezechiel-27-8-20] Arvad waren uw roeiers; uw[^ezechiel-27-8-21] wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw[^ezechiel-27-8-22] schippers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v8)

**9** De oudsten van[^ezechiel-27-9-23] Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw[^ezechiel-27-9-24] breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om[^ezechiel-27-9-25] onderlinge handel met u te drijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v9)

**10** Perzen, en[^ezechiel-27-10-26] Lydiërs, en[^ezechiel-27-10-27] Puteërs waren in uw leger, uw[^ezechiel-27-10-28] soldaten; schild en helm[^ezechiel-27-10-29] hingen zij in u op, die[^ezechiel-27-10-30] maakten uw sieraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v10)

**11** De kinderen van Arvad en uw leger waren rondom op uw muren, en de[^ezechiel-27-11-31] Gammadieten waren op uw[^ezechiel-27-11-32] torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v11)

**12** [^ezechiel-27-12-33] Tarsis[^ezechiel-27-12-34] dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed;[^ezechiel-27-12-35] met zilver, ijzer, tin, en lood[^ezechiel-27-12-36] handelden zij[^ezechiel-27-12-37] op uw markten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v12)

**13** [^ezechiel-27-13-38] Javan, Tubal en Mesech waren uw[^ezechiel-27-13-39] kooplieden; met[^ezechiel-27-13-40] mensenzielen en koperen voorwerpen dreven zij onderlinge handel met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v13)

**14** Uit het[^ezechiel-27-14-41] huis van[^ezechiel-27-14-42] Togarma[^ezechiel-27-14-43] leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v14)

**15** [^ezechiel-27-15-44] De kinderen van[^ezechiel-27-15-45] Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel van uw[^ezechiel-27-15-46] hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout[^ezechiel-27-15-47] gaven zij u weer tot een verering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v15)

**16** [^ezechiel-27-16-48] Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid van uw[^ezechiel-27-16-49] werken; met smaragden, purper, en[^ezechiel-27-16-50] gestikt werk, en zijde, en[^ezechiel-27-16-51] Ramoth, en[^ezechiel-27-16-52] Cadkod, handelden zij op uw markten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v16)

**17** [^ezechiel-27-17-53] Juda en het land van Israël waren uw kooplieden; met tarwe van[^ezechiel-27-17-54] Minnit en[^ezechiel-27-17-55] Pannag, en honing, en olie, en[^ezechiel-27-17-56] balsem, dreven zij onderlinge handel met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v17)

**18** [^ezechiel-27-18-57] Damascus dreef koophandel met u,[^ezechiel-27-18-58] om de veelheid van uw werken,[^ezechiel-27-18-59] vanwege de veelheid van allerlei goed;[^ezechiel-27-18-60] met wijn van[^ezechiel-27-18-61] Chelbon en witte wol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v18)

**19** Ook[^ezechiel-27-19-62] leverden[^ezechiel-27-19-63] Dan en[^ezechiel-27-19-64] Javan, de[^ezechiel-27-19-65] omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlinge koophandel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v19)

**20** [^ezechiel-27-20-66] Dedan handelde met u met[^ezechiel-27-20-67] kostelijk gewand tot[^ezechiel-27-20-68] wagens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v20)

**21** [^ezechiel-27-21-69] Arabië en alle vorsten van[^ezechiel-27-21-70] Kedar waren de kooplieden van uw[^ezechiel-27-21-71] hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmee handelden zij met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v21)

**22** De kooplieden van[^ezechiel-27-22-72] Scheba en Raema waren uw kooplieden; met[^ezechiel-27-22-73] alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v22)

**23** [^ezechiel-27-23-74] Haran, en[^ezechiel-27-23-75] Kanne, en[^ezechiel-27-23-76] Eden, de kooplieden van[^ezechiel-27-23-77] Scheba,[^ezechiel-27-23-78] Assur[^ezechiel-27-23-79] en Kilmad, handelden met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v23)

**24** Die waren uw kooplieden met[^ezechiel-27-24-80] volkomen sieradiën, met[^ezechiel-27-24-81] pakken van hemelsblauw en[^ezechiel-27-24-82] gestikt werk, en met[^ezechiel-27-24-83] schatkisten van schone kleren; gebonden met koorden, en in[^ezechiel-27-24-84] ceder gepakt,[^ezechiel-27-24-85] onder uw koopmanschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v24)

**25** De[^ezechiel-27-25-86] schepen van[^ezechiel-27-25-87] Tarsis zongen van u,[^ezechiel-27-25-88] vanwege de onderlinge koophandel met u; en u was[^ezechiel-27-25-89] vervuld, en zeer verheerlijkt in het[^ezechiel-27-25-90] hart van de zeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v25)

**26** Die u[^ezechiel-27-26-91] roeien, hebben u in[^ezechiel-27-26-92] grote wateren gevoerd; de[^ezechiel-27-26-93][^ezechiel-27-26-c] oostenwind heeft u verbroken in het hart van de zeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v26)

**27** [^ezechiel-27-27-d] Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlinge handel met u drijven, en al uw soldaten, die in u zijn, zelfs met uw hele gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart van de zeeën, op de dag van uw val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v27)

**28** Van het geluid van het geschreeuw van uw schippers zullen de[^ezechiel-27-28-94] voorsteden[^ezechiel-27-28-e] beven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v28)

**29** En allen, die de riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen neerklimmen; op het land zullen zij staan blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v29)

**30** En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitter schreeuwen; en zij zullen[^ezechiel-27-30-95] stof op hun hoofden[^ezechiel-27-30-96] werpen, zij zullen zich[^ezechiel-27-30-97] wentelen in de as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v30)

**31** En zij zullen zich over u[^ezechiel-27-31-98] geheel[^ezechiel-27-31-f] kaal maken, en[^ezechiel-27-31-99] zakken aangorden; en zullen over u huilen met[^ezechiel-27-31-100] bitterheid van de ziel, en bittere klaagzang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v31)

**32** En zij zullen[^ezechiel-27-32-101] in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de[^ezechiel-27-32-102] uitgeroeide in het midden van de zee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v32)

**33** Als uw marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt u vele volken verzadigd; met de veelheid van uw goederen en uw onderlinge koophandel, hebt u de koningen van de aarde rijk gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v33)

**34** Ten tijde, dat u uit de zeeën verbroken bent in de diepte van de wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw hele gemeente in het midden van u gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v34)

**35** Alle inwoners van[^ezechiel-27-35-103] de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen[^ezechiel-27-35-104] staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van[^ezechiel-27-35-105] aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v35)

**36** De handelaars onder de volken fluiten[^ezechiel-27-36-106] u aan; u bent een[^ezechiel-27-36-107] grote[^ezechiel-27-36-g] schrik geworden, en zult er niet[^ezechiel-27-36-108] meer zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/27.html#v36)

[^ezechiel-27-3-1]: Kanttekening 1: 1 de ingangen van de zee: Dat is, waar men uit de zee aanvaart, en waar de zee rondom aanstaat. Zie 1 Kon. 5:1. 1 Koningen 5:1: En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had.
[^ezechiel-27-3-2]: Kanttekening 2: 2 handelende met de volken: Of, die de voornaamste is onder de volken in het handelen, of koophandel drijven. Hebreeuws eigenlijk, de handelaren van de volken.
[^ezechiel-27-3-3]: Kanttekening 3: Zie Ps. 72:10. Psalmen 72:10: De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^ezechiel-27-3-a]: Verwijzing a: Ez. 28:12. Ezechiël 28:12: Mensenkind! hef een klaaglied op over de koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heer YHWH: U verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
[^ezechiel-27-4-4]: Kanttekening 4: 4 in het hart van de zeeën: Dat is, in het midden, \[gelijk vers 32,\] of recht in de zee; vergelijk Deut. 4:11; zo onder vers 25, 27:26, 27:27, en Ez. 28:2, 28:8. Ezechiël 27:32: En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden van de zee? Deuteronomium 4:11: En u naderde en stondt beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). Ezechiël 27:25: De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege de onderlinge koophandel met u; en u was vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart van de zeeën. Ezechiël 27:26: Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart van de zeeën. Ezechiël 27:27: Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw gehele gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart van de zeeën, op de dag van uw val. Ezechiël 28:2: Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u nochtans uw hart, als Gods hart. Ezechiël 28:8: Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en u zult sterven de dood eens verslagenen in het hart van de zeeën.
[^ezechiel-27-5-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, twee tafelen, waardoor de overloop van de schepen of scheepsdenning \[gelijk men zegt\] verstaan wordt. Het Hebreeuwse woord staat in het getal van tweeën, gelijk de overloop van de schepen veel in tweeën gedeeld is, afgaande aan beide zijden. \[red.: een denning is een vloer in het ruim van een schip\].
[^ezechiel-27-5-6]: Kanttekening 6: 6 van Senir: Wassende op dat gebergte; zie Deut. 3:9. Deuteronomium 3:9: (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
[^ezechiel-27-5-7]: Kanttekening 7: Hebreeuws, ceder; zie Richt. 9:15. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.
[^ezechiel-27-5-8]: Kanttekening 8: Hebreeuws, genomen; dat is genomen en gebracht of gehaald. Zie Gen. 12:15, en Jer. 37:17. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^ezechiel-27-5-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, mastboom.
[^ezechiel-27-6-b]: Verwijzing b: Jes. 2:13. Jesaja 2:13: En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;
[^ezechiel-27-6-10]: Kanttekening 10: 10 uw berderen: Hebreeuws, uw berd, of bank, of men zou het kunnen overzetten bankwerk.
[^ezechiel-27-6-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws, ene dochter van de treden, of gangen; dat is, dat lang in de aarde gelegen, en waar men, vervolgens, lang over gegaan heeft, dat voor het rechte elpenbeen gehouden wordt, Plin.lib. 8, cap. 3; zie van deze manier van spreken Job 5:7; Jes. 5:1 (בַּת). Anders: uwe \[scheeps\]banken, \[waarop men roeide, of waar de reizigers op zaten tot pracht\] hebben die van de vereniging van de Assyriërs \[of, Aschurieten, zie 2 Sam. 2:9 met de aantekening\] gemaakt van elpenbeen, enz., omdat de Hebreeuwse woorden Aschur en Asschur elkaar zeer nakomen. Job 5:7: Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen. Jesaja 5:1: Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. 2 Samuël 2:9: En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over geheel Israël.
[^ezechiel-27-6-12]: Kanttekening 12: Zie 1 Kon. 10:18. 1 Koningen 10:18: Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog die met dicht goud.
[^ezechiel-27-6-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 10:4. Sommigen verstaan de natiën, die westwaarts van Palestina gelegen waren. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^ezechiel-27-7-14]: Kanttekening 14: 14 Fijn linnen: Zie Gen. 41:42. Genesis 41:42: En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;
[^ezechiel-27-7-15]: Kanttekening 15: Of borduursel.
[^ezechiel-27-7-16]: Kanttekening 16: Of, vaan, vlag.
[^ezechiel-27-7-17]: Kanttekening 17: 17 hemelsblauw en purper: Dat is, kleren van die kleur.
[^ezechiel-27-7-18]: Kanttekening 18: Zie Gen. 10:4. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^ezechiel-27-8-19]: Kanttekening 19: Zie Gen. 10:15. Genesis 10:15: En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^ezechiel-27-8-20]: Kanttekening 20: Zie Gen. 10:18. Zo vers 11. Genesis 10:18: En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid. Ezechiël 27:11: De kinderen van Arvad en uw legermacht waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.
[^ezechiel-27-8-21]: Kanttekening 21: Die kloek, ervaren en bedreven waren in de zeevaart; zo vers 9. Ezechiël 27:9: De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.
[^ezechiel-27-8-22]: Kanttekening 22: Of, matrozen, stuurlieden; zo in het volgende.
[^ezechiel-27-9-23]: Kanttekening 23: Zie 1 Kon. 5:18. 1 Koningen 5:18: En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen.
[^ezechiel-27-9-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, breuk, spleet, scheur; dat is, om uw kostelijke gebouwen en huizen te verbeteren. Of, gelijk sommigen, om de gaten te stoppen, de schepen te herstellen of te breeuwen.
[^ezechiel-27-9-25]: Kanttekening 25: 25 onderlingen handel: Hebreeuws, om uwe menging te mengen, dat is, om zich met u in koophandel te begeven. De Hebreeuwse woorden, zijnde van éénen oorsprong, worden gebruikt van trafiek, koopmanschap, iets met elkaar te verhandelen, contracteren, borg worden, enz., zo in het volgende.
[^ezechiel-27-10-26]: Kanttekening 26: Zie Gen. 10:13. Hebreeuws, Lud en Put. Genesis 10:13: En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
[^ezechiel-27-10-27]: Kanttekening 27: Zie Gen. 10:6. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^ezechiel-27-10-28]: Kanttekening 28: Die u zo voor uw garnizoen als anders tot hulp van vrienden, vrees van vijanden, en tot pracht, in uw dienst zeer statelijk onderhieldt.
[^ezechiel-27-10-29]: Kanttekening 29: 29 hingen zij in u op: Tot pronk en sieraad, gelijk men nog hedendaags met schone wapenen doet.
[^ezechiel-27-10-30]: Kanttekening 30: 30 maakten uw sieraad: Of, brachten uw sieraad aan. Hebreeuws eigenlijk, gaven, hebben gegeven; dat is, zij maakten u sierlijk, versierden u, dienden tot uw sieraad.
[^ezechiel-27-11-31]: Kanttekening 31: Deze worden bij sommigen gesteld in de omtrek van Fenicië, of zekere stad daar, genaamd Gammale, met verwisseling van de letter d in een l. Zie Plin. lib. 2. h. 91, niet ver van Tyrus, noordwaarts. Hebreeuws, Gammadim. Sommigen gissen dat het komt van het woord Gomed, Richt. 3:16, betekenende een el, of kubiek, elleboog, waarvan deze de naam zouden hebben gehad, als kloeke schutters, of wachters, garden, die de vestingen bewaarden, zijnde sterk van ellebogen, armen en vuisten, en zo tot zulks bekwaam en dienstig. Richteren 3:16: En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.
[^ezechiel-27-11-32]: Kanttekening 32: Dat is, stadssterkten en vestingen.
[^ezechiel-27-12-33]: Kanttekening 33: Zie Gen. 10:4. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^ezechiel-27-12-34]: Kanttekening 34: 34 dreef koophandel: Of, was zo uwe handelares. Zo vers 16, 27:18. Ezechiël 27:16: Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid van uw werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten. Ezechiël 27:18: Damascus dreef koophandel met u, om de veelheid van uw werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol.
[^ezechiel-27-12-35]: Kanttekening 35: 35 allerlei goed: Hebreeuws, alle; dat is, allerlei rijkdom, bezittingen, goederen, gelijk vers 33, zo vers 18, 27:22. Ezechiël 27:33: Als uw marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt u vele volken verzadigd; met de veelheid van uw goederen en uw onderlingen koophandel, hebt u de koningen van de aarde rijk gemaakt. Ezechiël 27:18: Damascus dreef koophandel met u, om de veelheid van uw werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol. Ezechiël 27:22: De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-12-36]: Kanttekening 36: 36 handelden zij: Of, stelden zich in, begaven zich, vervoegden zich. Hebreeuws, gaven, of hebben zij gegeven. En telkens in het volgende.
[^ezechiel-27-12-37]: Kanttekening 37: Dit is hier ingevoegd uit vers 16, 27:19. Zo in het volgende vers 14. Ezechiël 27:16: Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid van uw werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten. Ezechiël 27:19: Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel. Ezechiël 27:14: Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.
[^ezechiel-27-13-38]: Kanttekening 38: 38 Javan, Tubal en Mesech: Dat is, de nakomelingen van deze drie. Zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^ezechiel-27-13-39]: Kanttekening 39: Of, kramers, handelsreizigers, veehandelaars.
[^ezechiel-27-13-40]: Kanttekening 40: Dat is, personen of mensen. Zie Gen. 12:5, en Openb. 18:13. Versta, om die tot slaven te verkopen, of anders te verhandelen. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Openbaring 18:13: En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen van de mensen.
[^ezechiel-27-14-41]: Kanttekening 41: Dat is, geslacht of volk.
[^ezechiel-27-14-42]: Kanttekening 42: Zie Gen. 10:3. Genesis 10:3: En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
[^ezechiel-27-14-43]: Kanttekening 43: 43 leverden zij: Of, brachten zij, handelden zij met enz. gelijk vers 12, enz. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-15-44]: Kanttekening 44: 44 De kinderen: Dat is, nakomelingen.
[^ezechiel-27-15-45]: Kanttekening 45: Zie Gen. 10:7; Jer. 25:23. Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Jeremia 25:23: Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
[^ezechiel-27-15-46]: Kanttekening 46: Dat is, die u tot uw koophandel en trafiek aan de hand hadt, of met welke u handelt in kopen en verkopen, waarin het hand geven, of kloppen in de hand, het toeslaan van de koop, gebruikelijk was, als ook in andere onderhandelingen; vergelijk onder vers 21. Ezechiël 27:21: Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden van uw hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.
[^ezechiel-27-15-47]: Kanttekening 47: 47 gaven zij u weer: Of, brachten. Hebreeuws, brachten zij weer uwe verering; dat is, u tot ene verering; of \[gelijk sommigen\] in betaling.
[^ezechiel-27-16-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws, Aram; zie Gen. 10:22. Versta de Syriërs. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^ezechiel-27-16-49]: Kanttekening 49: Of, maakselen; dat is, allerlei koopwaar, die in u bereid werd om te verhandelen. Zo vers 18. Ezechiël 27:18: Damascus dreef koophandel met u, om de veelheid van uw werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol.
[^ezechiel-27-16-50]: Kanttekening 50: 50 gestikt werk: Of, geborduurd, borduursel.
[^ezechiel-27-16-51]: Kanttekening 51: Zie Job 28:18. Job 28:18: De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek van de wijsheid is meerder dan van de Robijnen.
[^ezechiel-27-16-52]: Kanttekening 52: Zie Jes. 54:12. Jesaja 54:12: En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw gehele landpale van aangename stenen.
[^ezechiel-27-17-53]: Kanttekening 53: Vergelijk 1 Kon. 5:9, Hand. 12:20. 1 Koningen 5:9: Mijn knechten zullen het afbrengen van de Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die u aan mij ontbieden zult, en zal het daar los maken, en u zult het wegnemen; u zult ook mijn wil doen, dat u mijn huis voedsel geeft. Handelingen 12:20: En Herodes had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gevoed werd van het land van de koning.
[^ezechiel-27-17-54]: Kanttekening 54: Zie Richt. 11:33. Richteren 11:33: En hij sloeg hen van Aroër af tot daar u komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de kinderen Ammons te ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël.
[^ezechiel-27-17-55]: Kanttekening 55: Dat sommigen houden voor balsem, anderen voor Fenicië.
[^ezechiel-27-17-56]: Kanttekening 56: Zie Gen. 37:25; Jer. 8:22. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. Jeremia 8:22: Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter mijns volks niet gerezen?
[^ezechiel-27-18-57]: Kanttekening 57: Zie Gen. 14:15; 2 Sam. 8:5. Genesis 14:15: En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 2 Samuël 8:5: En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^ezechiel-27-18-58]: Kanttekening 58: Of, met, in.
[^ezechiel-27-18-59]: Kanttekening 59: Gelijk vers 16. Ezechiël 27:16: Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid van uw werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-18-60]: Kanttekening 60: 60 allerlei goed: Gelijk boven vers 12. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-18-61]: Kanttekening 61: Dat sommigen houden voor Chalibon in Syrië.
[^ezechiel-27-19-62]: Kanttekening 62: Of, handelden, gelijk vers 12. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-19-63]: Kanttekening 63: Nakomelingen van Dan, wonende te Dan, aan het gebergte van Libanon; zie Richt. 18:29. Richteren 18:29: En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam huns vaders Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad te voren Laïs was.
[^ezechiel-27-19-64]: Kanttekening 64: Zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^ezechiel-27-19-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws, Muzzal; dat is, die gedaan dat is, gedreven is om te reizen, af en aan, die omgejaagd, omgedreven wordt; te weten door begeerte aan winst, gelijk kooplieden en kramers. Sommigen houden het voor een eigen naam ener natie.
[^ezechiel-27-20-66]: Kanttekening 66: Dat is, de nakomelingen van Dedan; zie Gen. 25:3. Genesis 25:3: En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.
[^ezechiel-27-20-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws, kleren van de vrijheid; dat is, die vrije personen en geen knechten of slaven gebruiken, dat is, sierlijke, kostelijke.
[^ezechiel-27-20-68]: Kanttekening 68: Of, rijtuig, zadeltuig.
[^ezechiel-27-21-69]: Kanttekening 69: Dat is, de Arabieren.
[^ezechiel-27-21-70]: Kanttekening 70: Zie Gen. 25:13; Jer. 2:10. Genesis 25:13: En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?
[^ezechiel-27-21-71]: Kanttekening 71: Zie boven vers 15. Ezechiël 27:15: De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel van uw hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weer tot een verering.
[^ezechiel-27-22-72]: Kanttekening 72: 72 Scheba en Raema: Zie van deze beide Gen. 10:7. Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^ezechiel-27-22-73]: Kanttekening 73: 73 alle hoofdspecerij: Dat is, allerlei voornaamste en uitnemende specerijen. Zo in het volgende. Vergelijk boven vers 12. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-27-23-74]: Kanttekening 74: Zie Gen. 11:31. Genesis 11:31: En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar.
[^ezechiel-27-23-75]: Kanttekening 75: Dat sommigen houden voor Kalne, Gen. 10:10. Genesis 10:10: En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^ezechiel-27-23-76]: Kanttekening 76: Zie Gen. 2:8. Genesis 2:8: Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had.
[^ezechiel-27-23-77]: Kanttekening 77: Sommigen houden dit voor Seba in woest Arabië, aan Mesopotamië. Zie Job 1:15. Job 1:15: Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
[^ezechiel-27-23-78]: Kanttekening 78: Dat is, de Assyriërs. Zie Gen. 10:22. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^ezechiel-27-23-79]: Kanttekening 79: Dit houden sommigen voor een landschap in het bovenste van Medië, tussen Assyrië en Parthië gelegen.
[^ezechiel-27-24-80]: Kanttekening 80: 80 volkomen sieradiën: Zie boven Ez. 23:12. Of, allerlei sortering, of in het gros. Hebreeuws, volkomenheden, volmaaktheden. Ezechiël 23:12: Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, allemaal gewenste jongelingen.
[^ezechiel-27-24-81]: Kanttekening 81: 81 pakken van hemelsblauw: Of, balen, gevouwen stukken. Hebreeuws alsof men zei: vouwselen, inwindselen. Anders: mantels, rokken, tabbaarden.
[^ezechiel-27-24-82]: Kanttekening 82: 82 gestikt werk: Of, geborduurd.
[^ezechiel-27-24-83]: Kanttekening 83: 83 schatkisten van schone kleren: Of, koffers.
[^ezechiel-27-24-84]: Kanttekening 84: 84 ceder gepakt: Hebreeuws, gecederd; dat is, in cederen kisten gedaan, gelegd, of ingemaakt. Of, van cederen gemaakte kisten, cederkisten.
[^ezechiel-27-24-85]: Kanttekening 85: 85 onder uw koopmanschap: Of, op uwe beurs.
[^ezechiel-27-25-86]: Kanttekening 86: Dat is, het zeevarende volk, of de passagiers.
[^ezechiel-27-25-87]: Kanttekening 87: De stad Tharsis, of de Oceaan. Zie 1 Kon. 10:22. 1 Koningen 10:22: Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
[^ezechiel-27-25-88]: Kanttekening 88: Of, \[op\] uwe markten.
[^ezechiel-27-25-89]: Kanttekening 89: Te weten met allerlei rijkdom.
[^ezechiel-27-25-90]: Kanttekening 90: 90 hart van de zeeën: Gelijk boven vers 4, en in het volgende. Ezechiël 27:4: Uw gebied is in het hart van de zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.
[^ezechiel-27-26-91]: Kanttekening 91: Dat is, uwe regenten, koningen en vorsten, die uwe leidslieden zijn, gelijk de roeiers in de schepen.
[^ezechiel-27-26-92]: Kanttekening 92: 92 grote wateren gevoerd: Of, geweldige; dat is, in groot gevaar en nood van schipbreuk. Vergelijk 2 Sam. 22:17. Of, u bent tot zulk ene hoogte opgeklommen, dat uw val des te zwaarder zal zijn, waartoe u de aanleiding hebt gegeven door uw grote pracht, gelijk schepen, in zware ruime wateren met hoge zeilen gevoerd, te lichter van de storm worden getroffen en verbroken. 2 Samuël 22:17: Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^ezechiel-27-26-93]: Kanttekening 93: Zie Ex. 10:13; Job 27:21; Ps. 48:8, en boven Ez. 17:10. Exodus 10:13: Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die gansen nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. Job 27:21: De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. Psalmen 48:8: Met een oostenwind verbreekt U de schepen van Tharsis. Ezechiël 17:10: Ja ziet, zal hij geplant zijnde strekken? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
[^ezechiel-27-26-c]: Verwijzing c: Ez. 17:10. Ezechiël 17:10: Ja ziet, zal hij geplant zijnde strekken? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
[^ezechiel-27-27-d]: Verwijzing d: Openb. 18:9. Openbaring 18:9: En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien;
[^ezechiel-27-28-94]: Kanttekening 94: 94 voorsteden beven: Anders: gedreven baren van de zee.
[^ezechiel-27-28-e]: Verwijzing e: Ez. 26:10; idem v. 15. Ezechiël 26:10: Vanwege de menigte zijn paarden zal u van hen stof bedekken; uw muren zullen beven vanwege het gedruis van de ruiteren, en wielen, en wagens, als hij door uw poorten zal intrekken, gelijk door de ingangen ener doorgebrokene stad. Ezechiël 26:15: Zo zegt de Heer YHWH tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?
[^ezechiel-27-30-95]: Kanttekening 95: 95 stof op hun hoofden: Zie 2 Sam. 1:2. 2 Samuël 1:2: Zo geschiedde het op de derde dag, dat, ziet, uit de legermacht van Saul, een man kwam, wiens kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.
[^ezechiel-27-30-96]: Kanttekening 96: Hebreeuws, doen opkomen, opbrengen, opwerpen.
[^ezechiel-27-30-97]: Kanttekening 97: 97 wentelen in de as: Gelijk Jer. 6:26. Jeremia 6:26: O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
[^ezechiel-27-31-98]: Kanttekening 98: 98 geheel kaal maken: Hebreeuws eigenlijk, kaalheid, of zich \[met\] kaalheid kaal maken. Zie Jer. 16:6. Jeremia 16:6: Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelf insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^ezechiel-27-31-f]: Verwijzing f: Jer. 48:37. Jeremia 48:37: Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak.
[^ezechiel-27-31-99]: Kanttekening 99: 99 zakken aangorden: Zie Gen. 37:34. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^ezechiel-27-31-100]: Kanttekening 100: 100 bitterheid van de ziel: Dat is, bitter verdriet van het hart.
[^ezechiel-27-32-101]: Kanttekening 101: 101 in hun gekerm: Anders, hunne kinderen zullen, enz.
[^ezechiel-27-32-102]: Kanttekening 102: Te weten, stad.
[^ezechiel-27-35-103]: Kanttekening 103: Vergelijk boven Ez. 26:15. Ezechiël 26:15: Zo zegt de Heer YHWH tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?
[^ezechiel-27-35-104]: Kanttekening 104: 104 staan de haren te berge: Gelijk onder Ez. 32:10. Ezechiël 32:10: En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals.
[^ezechiel-27-35-105]: Kanttekening 105: Tonende grote verschriktheid in hun gelaat.
[^ezechiel-27-36-106]: Kanttekening 106: 106 u aan: Of, over u. Zie 1 Kon. 9:8; Jer. 18:16. 1 Koningen 9:8: En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie daar zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
[^ezechiel-27-36-107]: Kanttekening 107: 107 grote schrik geworden: Hebreeuws, verschrikkingen; zo onder Ez. 28:19. Ezechiël 28:19: Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
[^ezechiel-27-36-g]: Verwijzing g: Ez. 26:21. Ezechiël 26:21: Maar u zal Ik tot een grote schrik stellen, en u zult er niet meer zijn; als u gezocht wordt, zo zult u niet meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-27-36-108]: Kanttekening 108: 108 meer zijn tot in eeuwigheid: Vergelijk boven Ez. 26:14, met de aantekening. Ezechiël 26:14: Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.

### Ezechiël 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/28.json)

*Profetie over de ondergang van de koning van Tyrus, om zijn trots en hoogmoed, vers 1, 2, enz. Profetisch klaaglied over hem, door vergelijking van zijn vroegere heerlijkheid en toekomstige ondergang, 11. Profetie tegen Sidon, 21; met een belofte van de herstelling van de kerk, 25.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v1)

**2** Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt Adonai YHWH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u toch uw hart, als Gods hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v2)

**3** Zie, u bent wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v3)

**4** Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt u vermogen voor u verkregen; ja, u hebt goud en zilver verkregen in uw schatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v4)

**5** Door de grootheid van uw wijsheid in uw koophandel hebt u uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v5)

**6** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Omdat u uw hart gesteld hebt als Gods hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v6)

**7** Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid van uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v7)

**8** Ter groeve zullen zij u doen neerdalen; en u zult sterven de dood van een verslagene in het hart van de zeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v8)

**9** Zult u dan enigszins, voor het aangezicht van uw moordenaar, zeggen: Ik ben God? daar u een mens bent en geen God, in de hand van degene, die u verslaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v9)

**10** U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v10)

**11** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v11)

**12** Mensenkind! hef een klaaglied op over de koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt Adonai YHWH: U verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v12)

**13** U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk van uw trommelen en van uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werd, waren zij bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v13)

**14** U was een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u zo gezet; u was op Gods heilige berg; u wandelde in het midden van de vurige stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v14)

**15** U was volkomen in uw wegen, van de dag af, dat u geschapen bent, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v15)

**16** Door de veelheid van uw koophandel hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en u hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, u overdekkende cherub! verdoen uit het midden van de vurige stenen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v16)

**17** Uw hart verheft zich over uw schoonheid; u hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde heengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht van de koningen gesteld, om op u te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v17)

**18** Vanwege de veelheid van uw ongerechtigheden, door het onrecht van uw koophandel, hebt u uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v18)

**19** Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v19)

**20** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v20)

**21** Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v21)

**22** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v22)

**23** Want Ik zal de pest in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v23)

**24** En het huis van Israël zal geen smartende doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die hen beroven; en zij zullen weten, dat Ik Adonai YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v24)

**25** Zo zegt Adonai YHWH: Als Ik het huis van Israël zal verzameld hebben uit de volken, waaronder zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen van de heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v25)

**26** En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die hen beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, YHWH, hun God ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/28.html#v26)

### Ezechiël 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/29.json)

*De tijd van deze profetie, vers 1; tegen Farao en heel Egypte, 2; met belofte van een kleine herstelling, 13; opdat Gods volk niet meer op Egypte vertrouwt, noch zich door meinedigheid in lijden brengt, 16. De tijd van de volgende profetie, 17, waarin God koning Nebukadnezar het land Egypte geeft als loon voor zijn dienst tegen Tyrus, 18. Herstelling van Israël, 21.*

**1** In[^ezechiel-29-1-1] het[^ezechiel-29-1-2] tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand, kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-29-2-3] zet uw aangezicht tegen[^ezechiel-29-2-4] Farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het hele Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v2)

**3** Spreek en zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zie,[^ezechiel-29-3-5] Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote[^ezechiel-29-3-6][^ezechiel-29-3-a] zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn[^ezechiel-29-3-8] rivier is de mijne, en ik heb die voor mij[^ezechiel-29-3-9] gemaakt.[^ezechiel-29-3-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v3)

**4** Maar Ik zal[^ezechiel-29-4-10] haken in uw kaken doen, en de[^ezechiel-29-4-11] vis van uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, en al de vis van uw rivieren zal aan uw schubben kleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v4)

**5** En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al de vis van uw rivieren; op het open veld zult u[^ezechiel-29-5-12] vallen; u zult niet verzameld noch bijeengebracht worden[^ezechiel-29-5-13];[^ezechiel-29-5-14] aan het gedierte van de aarde en aan het gevogelte van de hemel heb Ik u tot voedsel gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v5)

**6** En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik YHWH ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf geweest zijn[^ezechiel-29-6-15][^ezechiel-29-6-b]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v6)

**7** Als zij u bij uw hand grepen, zo werd u gebroken[^ezechiel-29-7-16], en spleet hun alle[^ezechiel-29-7-17] zijden; en als zij op u leunden, zo werd u verbroken, en[^ezechiel-29-7-18] liet alle middel op zichzelf staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v7)

**8** Daarom zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal het[^ezechiel-29-8-19] zwaard over u brengen, en Ik zal uit u mens en beest uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v8)

**9** En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben; omdat[^ezechiel-29-9-20] hij zegt:[^ezechiel-29-9-21] De rivier is van mij, en ik heb die gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v9)

**10** Daarom, zie, Ik[^ezechiel-29-10-22] wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot[^ezechiel-29-10-23] woeste wilde eenzaamheden, van de[^ezechiel-29-10-24] toren[^ezechiel-29-10-25] van Syene af, tot aan de grens van[^ezechiel-29-10-26] Morenland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v10)

**11** Geen mensenvoet zal daar doorgaan, en geen beestenvoet zal daar doorgaan, en het zal veertig jaren[^ezechiel-29-11-27] onbewoond zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v11)

**12** Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in[^ezechiel-29-12-28] het midden van de verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden van de verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal[^ezechiel-29-12-29] hen verspreiden in de landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v12)

**13** Maar zo zegt Adonai YHWH: Ten einde van[^ezechiel-29-13-30] veertig jaren zal Ik de Egyptenaars verzamelen uit de volken, waarheen zij verstrooid zijn geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v13)

**14** En Ik zal de gevangenis van de Egyptenaren wenden, en hen teruggeven in het land[^ezechiel-29-14-31] van Pathros, in het land[^ezechiel-29-14-32] van hun koophandel; en daar zullen zij een[^ezechiel-29-14-33] nederig koninkrijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v14)

**15** En het zal nederiger zijn dan de andere koninkrijken, en zich niet meer verheffen boven de heidenen; want Ik zal hen verminderen, dat zij niet zullen heersen over de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v15)

**16** En het zal voor het huis van Israël niet meer zijn tot een vertrouwen, dat aan de ongerechtigheid doet gedenken[^ezechiel-29-16-34], wanneer[^ezechiel-29-16-35] zij naar[^ezechiel-29-16-c] hen omzien; maar zij zullen weten, dat Ik Adonai YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v16)

**17** Verder gebeurde het[^ezechiel-29-17-36] in het zeven en twintigste jaar, in[^ezechiel-29-17-37] de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v17)

**18** Mensenkind! Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger een grote dienst doen dienen tegen[^ezechiel-29-18-38] Tyrus; alle[^ezechiel-29-18-39] hoofden zijn[^ezechiel-29-18-40] kaal geworden, en[^ezechiel-29-18-41] alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn leger heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor de dienst, die hij tegen haar gediend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v18)

**19** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal[^ezechiel-29-19-42] daarvan[^ezechiel-29-19-43] menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v19)

**20** Tot[^ezechiel-29-20-44] zijn arbeidsloon, omdat hij tegen[^ezechiel-29-20-45] haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij[^ezechiel-29-20-46] voor Mij[^ezechiel-29-20-47] gewerkt hebben, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v20)

**21** Op die dag zal Ik de[^ezechiel-29-21-48] hoorn van het huis van Israël doen uitspruiten, en u[^ezechiel-29-21-49] opening van de mond geven in het midden van[^ezechiel-29-21-50] hen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/29.html#v21)

[^ezechiel-29-1-1]: Kanttekening 1: 1 tiende jaar: Na de gevankelijke wegvoering van Jechonia of Jojachin. Vergelijk boven Ez. 1:2, en onder Ez. 33:21, enz. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
[^ezechiel-29-1-2]: Kanttekening 2: 2 tiende maand: In het kerkelijk jaar genoemd Tebeth, in het burgerlijk Tamus.
[^ezechiel-29-2-3]: Kanttekening 3: 3 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer daartegen;
[^ezechiel-29-2-4]: Kanttekening 4: Deze houden sommigen geweest te zijn Farao Hofra. Zie Jer. 44:30, met de aantekening. Uit welke plaats afgenomen wordt dat hij schijnt geleefd te hebben ten tijde als de Joden, na Jeruzalems verwoesting door Nebukadnezar, vluchtten in Egypte. Anders was Farao een algemene naam van de koningen van Egypte. Zie Gen. 12:15. Jeremia 44:30: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
[^ezechiel-29-3-5]: Kanttekening 5: 5 Ik wil aan u: Gelijk boven Ez. 28:22. Zo onder vers 10, en Ez. 30:22, enz. Ezechiël 28:22: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Ezechiël 29:10: Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van de toren van Syene af, tot aan de landpale van Morenland. Ezechiël 30:22: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Ik wil aan Farao, de koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, zowel de sterken als de verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.
[^ezechiel-29-3-6]: Kanttekening 6: Zie Ps. 74:13, 74:14; Jes. 27;1, en Jes. 51:9, en onder Ez. 32:2. Sommigen verstaan hier een krokodil. Psalmen 74:13: U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken. Psalmen 74:14: U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen. Jesaja 51:9: Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Ezechiël 32:2: Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hunlieder rivieren.
[^ezechiel-29-3-a]: Verwijzing a: Ps. 74:13; idem v. 14; Jes. 27:1; Jes. 51:9. Psalmen 74:13: U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken. Psalmen 74:14: U hebt de koppen van de Leviathans verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen. Jesaja 27:1: Te die dage zal YHWH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden. Jesaja 51:9: Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt?
[^ezechiel-29-3-8]: Kanttekening 8: 8 rivier is de mijne: Nijl, daarover heb ik alleen te gebieden, zij is alleen tot mijn voordeel en verzekering; niemand anders heeft er gezag over, of kan haar mij benemen of ontwenden.
[^ezechiel-29-3-9]: Kanttekening 9: Zo bestemd en verdeeld, tot gerief en sterkte van mijn koninkrijk.
[^ezechiel-29-3-7]: Kanttekening 7: 7 rivieren ligt: Versta, de verscheidene armen en stromen van de grote en vermaarde rivier de Nijl, waardoor hij meende zo verzekerd te zijn, dat geen vijand, ja zelfs geen god \[gelijk Herodot. lib. 2, schrijft\] hem uit zijn rijk kon verdrijven.
[^ezechiel-29-4-10]: Kanttekening 10: 10 haken in uw kaken doen: Vergelijk Amos 4:2. Amos 4:2: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen.
[^ezechiel-29-4-11]: Kanttekening 11: 11 vis van uw rivieren: Dat is, uwe onderdanen zal Ik met u uittrekken \[gelijk de kleine vissen hangen aan de schubben van zulke grote\] en u tezamen ter plaatse voeren en trekken, waar u zult varen, als volgt: Ik zal mijn oordeel eensdeels door de Cyreners \[gelijk sommigen uit Herodot,lib. 2 menen\] daarna door Nebukadnezar uitvoeren, van welke in het volgende vermeld is, vers 19, enz. en Ez. 30:24, 30:25, enz.; vergelijk jer. 43:10, en Jer. 46:2, enz., en zie ook Jer. 44:30. De orde van deze geschiedenissen is bij de uitleggers wat duister, omdat Farao Hofra gehouden is voor een kindskind van Farao Necho, die Nebukadnezar, bij het leven \[gelijk men houdt\] zijns vaders, Nebukadnezars de eerste, \[anders genoemd Nabopolassar\] heeft overwonnen, en daarna Egypte verwoest, blijvende de zaak zelve en de waarheid van Gods Woord buiten allen twijfel. Gelijk God in zijne genadebeloften het begin, vervolg en einde dikwijls samenvoegt en ondereen vermengt, zo doet Hij ook in zijne strafprofetieën, omdat alles Hem van eeuwigheid bekend is, en het ene zo zeker als het andere; waarop in de schriften van de profeten zonderling dient gelet te worden. Vergelijk Jer. 46:2,13, met de aantekening op de beide verzen daar. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Ezechiël 30:24: En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt. Ezechiël 30:25: Ja, Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarheen vallen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Jeremia 44:30: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen de legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda.
[^ezechiel-29-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, geslagen worden en omkomen. Zie Gen. 14:10. Of vallen voor liggen; gelijk elders. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^ezechiel-29-5-13]: Kanttekening 13: 13 verzameld noch vergaderd worden: Ter begrafenis, zo elders.
[^ezechiel-29-5-14]: Kanttekening 14: 14 aan het gedierte van de aarde: Vergelijk Ps. 74:14, enz. Psalmen 74:14: U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
[^ezechiel-29-6-15]: Kanttekening 15: 15 rietstaf geweest zijn: Hen opruiende tot rebellie tegen de Chaldeën, met belofte van grote hulp, die zij niet hebben gehouden. Zie 2 Kon. 18:21. 2 Koningen 18:21: Zie nu, vertrouwt u zich op die gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.
[^ezechiel-29-6-b]: Verwijzing b: 2 Kon. 18:21; Jes. 36:6. 2 Koningen 18:21: Zie nu, vertrouwt u u op die gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen. Jesaja 36:6: Zie, u vertrouwt op die gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.
[^ezechiel-29-7-16]: Kanttekening 16: Of, gekrookt; hen niet alleen niet ondersteunende, maar ook kwetsende en steunende.
[^ezechiel-29-7-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws, zijde; of de gehele zijde. Anders: schouder; hier wordt van lenen, of leunen en steunen gesproken.
[^ezechiel-29-7-18]: Kanttekening 18: 18 liet alle lenden op zichzelf staan: Hebreeuws, deedt hun alle lenden staan; dat is, u verliet hen, liet hen staan op zichzelf, en bestaan zo zij het best konden, zonder hen te helpen of te ondersteunen, tegen uw beloften en hunne hoop of verwachting. Of aldus: En zoudt u hun alle lenden doen slaan? dat is, staande of overeind houden.
[^ezechiel-29-8-19]: Kanttekening 19: 19 het zwaard: Vijandelijke oorlogen, moord en verwoestingen.
[^ezechiel-29-9-20]: Kanttekening 20: Farao.
[^ezechiel-29-9-21]: Kanttekening 21: 21 De rivier is mijn: Gelijk boven vers 3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-29-10-22]: Kanttekening 22: 22 wil aan u en aan uw rivier: Gelijk boven vers 3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-29-10-23]: Kanttekening 23: 23 woeste wilde eenzaamheden: Hebreeuws, woestheden van de woestheid, van de eenzaamheid, of wildernis, dat is, ten uiterste woest maken (שְׁמָמָה).
[^ezechiel-29-10-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, Migdol; dat sommigen voor de stad Migdol, waarvan zie Jer. 44:1, en Jer. 46:14. Jeremia 44:1: Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende: Jeremia 46:14: Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is.
[^ezechiel-29-10-25]: Kanttekening 25: 25 Syrene af: Hebreeuws, Seveneh; dat is, van het ene einde van het land tot het andere, gelijk enige dit verklaren. Maar Syene was een vermaarde stad in Egypte, gelegen juist onder de Kreeftscirkel, of tropicus Cancri, Plin.lib. 2 cap. 83. Enige menen dat het nu genoemd is Asna.
[^ezechiel-29-10-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, Cusch. Zie Gen. 2:13, en Gen. 10:6. Dat Morenland aan Egypte grenst, wordt gehouden buiten twijfel. Zie Jes. 18:1, 18:2, en vergelijk onder Ez. 30:4. Genesis 2:13: En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het gehele land Cusch omloopt. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. Jesaja 18:1: Wee het land, dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde van de rivieren van Morenland is; Jesaja 18:2: Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat heen, u snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven. Ezechiël 30:4: En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen haar menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.
[^ezechiel-29-11-27]: Kanttekening 27: 27 onbewoond zijn: Zie van het Hebreeuwse woord Jer. 17:6. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.
[^ezechiel-29-12-28]: Kanttekening 28: 28 midden van de verwoeste landen: Dat is, in zulken staat als andere verwoeste landen en steden plegen te zijn, zo onder Ez. 30:7. Ezechiël 30:7: En zij zullen verwoest worden in het midden van de verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden van de verwoeste steden.
[^ezechiel-29-12-29]: Kanttekening 29: 29 verspreiden in de landen: Of, wannen, verschudden. Zo onder Ez. 30:23. Ezechiël 30:23: En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.
[^ezechiel-29-13-30]: Kanttekening 30: 30 veertig jaren: Na deze verwoesting, als de monarchie van de Babyloniërs naar het einde zal gaan.
[^ezechiel-29-14-31]: Kanttekening 31: Zie Gen. 10:14. Genesis 10:14: En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.
[^ezechiel-29-14-32]: Kanttekening 32: Dat is, daar zij hun handel plegen te drijven met kopen en verkopen. Anders, verkering, woning. De zin is: Hun vaderland.
[^ezechiel-29-14-33]: Kanttekening 33: 33 nederig koninkrijk zijn: Onder de monarchie van de Perzen. Vergelijk boven Ez. 17:14. Ezechiël 17:14: Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.
[^ezechiel-29-16-34]: Kanttekening 34: 34 ongerechtigheid doet gedenken: Die zij in het handelen met de Egyptenaars begaan, en anderszins vanouds af vandaar gehaald hebben. Zie boven Ez. 21:24, met de aantekening, en verder Ez. 18:22, 18:24, en Ez. 23:19, 23:20, 23:21. Ezechiël 21:24: Daarom zegt de Heer YHWH zo: Omdat u uw ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat aan u gedacht wordt, zult u met de hand gegrepen worden. Ezechiël 18:22: Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. Ezechiël 23:19: Maar zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte. Ezechiël 23:20: En zij werd verliefd meer dan hun bijwijven, van wie het vlees is als het vlees van de ezelen, en van wie de vloed is als de vloed van de paarden. Ezechiël 23:21: Zo hebt u weer opgehaald de schandelijke daad van uw jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten van uw jeugd.
[^ezechiel-29-16-35]: Kanttekening 35: 35 henlieden omzien: Of, als zij naar hen omzagen; te weten naar de Egyptenaars; niet op mij, maar op Egypte vertrouwende, en zo van mij afwijkende; waardoor zij mij oorzaak zouden geven om het een met het ander tezamen hunlieden te gedenken en te straffen. Zie Gen. 8:1. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.
[^ezechiel-29-16-c]: Verwijzing c: Klaagl. 4:17. Klaagliederen 4:17: Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.
[^ezechiel-29-17-36]: Kanttekening 36: 36 zeven en twintigste jaar: Zie vers 1. Ezechiël 29:1: In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand, geschiedde het woord van YHWH tot mij, zeggende:
[^ezechiel-29-17-37]: Kanttekening 37: 37 eerste maand: Nisan, in het kerkelijk jaar; Thisri in het burgerlijke.
[^ezechiel-29-18-38]: Kanttekening 38: Zie boven Ez. 26, Ez. 27, Ez. 28.
[^ezechiel-29-18-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, hoofdzijde.
[^ezechiel-29-18-40]: Kanttekening 40: 40 kaal geworden: Dat is, zijn krijgsvolk is bloot, berooid, vermoeid en uitgemergeld geworden door de belegering van Tyrus, als hebbende geduurd, naar het vermelden van de oude historiën \[Joseph. cont. App. lib. 1,\] dertien jaar lang.
[^ezechiel-29-18-41]: Kanttekening 41: 41 alle zijden zijn uitgeplukt: Of, alle schouders zijn gestroopt, door het dragen van lasten.
[^ezechiel-29-19-42]: Kanttekening 42: Van Egypteland.
[^ezechiel-29-19-43]: Kanttekening 43: Of, gemene volk, of overvloed, rijkdom; ziet van het Hebreeuwse woord Ps. 37:16; Jer. 46:25; zo onder Ez. 30:4, 30:10, 30:15, en Ez. 31:2, 31:18; en Ez. 32:12, 32:16, enz. Psalmen 37:16: Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. Jeremia 46:25: YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen. Ezechiël 30:4: En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen haar menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden. Ezechiël 30:10: Zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. Ezechiël 30:15: En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien. Ezechiël 31:2: Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid? Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 32:12: Ik zal uw menigte vellen door de zwaarden van de helden, die al te zamen de tirannigste van de heidenen zijn; die zullen de hovaardij van Egypte verstoren, en haar gehele menigte zal verdelgd worden. Ezechiël 32:16: Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-29-20-44]: Kanttekening 44: Vergelijk Jer. 22:3. Jeremia 22:3: Zo zegt YHWH: Doet recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.
[^ezechiel-29-20-45]: Kanttekening 45: 45 haar gediend heeft: De stad Tyrus.
[^ezechiel-29-20-46]: Kanttekening 46: 46 voor Mij: Niet dat het oogmerk van Nebukadnezar en zijn krijgsvolk geweest is, de ware God van Israël in deze te gehoorzamen \[die boos genoemd worden, onder Ez. 30:12\], maar omdat God hen door zijn verborgen regering tot uitvoering van dit zijn oordeel gebruikt heeft als tot zijn dienst; zie Jer. 25:9. Hoewel het zou kunnen wezen dat Nebukadnezar van Ezechiëls profetie \[als in Babylonië geschied zijnde\] vernomen hebbende door Gods bestuur, zijn voornemen te stijver vervolgd hebbe. Vergelijk Jer. 40:2, 40:3. Ezechiël 30:12: En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand van de bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand van de vreemden: Ik, YHWH, heb het gesproken. Jeremia 25:9: Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. Jeremia 40:2: Want de overste van de trawanten liet Jeremia halen, en zei tot hem: YHWH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken. Jeremia 40:3: En YHWH heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen YHWH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze zaak geschied.
[^ezechiel-29-20-47]: Kanttekening 47: Zie van zulk een gebruik van het Hebreeuwse woord Ruth 2:19; Spreuk. 31:13. Ruth 2:19: Toen zei haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt u heden opgelezen, en waar hebt u gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wie zij gewrocht had, en zei: De naam van de man, bij welke ik heden gewrocht heb, is Boaz. Spreuken 31:13: Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust haar handen.
[^ezechiel-29-21-48]: Kanttekening 48: 48 hoorn van het huis van Israël: Dat is, de eer en het aanzien mijner kerk, opnieuw \[als een kruid uit de aarde\] doen rijzen in het midden van de gevangenschap, zulks dat u vrijuit van mij en mijne werken, zelfs in Babel, zult durven spreken en mijnen lof verbreiden; waartoe God ontwijfelijk gebruikt heeft zo de vervulling van zulke profetieën als de aangenaamheid, hoogheid en vermaardheid van Daniël en de zijnen. Zie Dan. 2:46, en Dan. 3:29, en Dan. 4:37, en Dan. 5:29. Of, men kan het in het algemeen nemen als ene profetei van de genade, die God zijne kerk gewoon is te bewijzen na grote verdrukkingen, gelijk deze in Babel geweest was. Waardoor Hij hun oorzaak geeft zijn heilige naam openlijk te roemen. Daniël 2:46: Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniël; en hij zei, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. Daniël 3:29: Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan. Daniël 4:37: Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning van de hemel, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. Daniël 5:29: Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.
[^ezechiel-29-21-49]: Kanttekening 49: 49 opening van de mond geven: Zie Ps. 51:17; Spreuk. 31:8, en boven Ez. 16:63, en onder Ez. 33:22; Ef. 6:19, met de aantekening. Psalmen 51:17: Heer, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. Spreuken 31:8: Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden. Ezechiël 16:63: Opdat u het gedachtig bent, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al wat u gedaan hebt, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 33:22: Nu was de hand van YHWH op mij geweest 's avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij 's morgens tot mij kwam. Zo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. Efeziërs 6:19: En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;
[^ezechiel-29-21-50]: Kanttekening 50: De Babyloniërs.

### Ezechiël 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/30.json)

*Nog twee profetieën: de ene over de verwoesting van heel Egypte, en al haar omliggende helpers en bondgenoten, vers 1, 2, 3, 4, enz.; de andere over het verbreken van de arm van haar koning, en de versterking van de arm van de koning van Babel tegen hem, alsook over de verstrooiing van de Egyptenaren onder de volken, 20.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v1)

**2** Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Huil: Ach die[^ezechiel-30-2-1] dag! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v2)

**3** Want de dag is nabij, ja, de dag van YHWH is nabij, een[^ezechiel-30-3-2] wolkige dag, het zal van[^ezechiel-30-3-3] de heidenen tijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v3)

**4** En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote[^ezechiel-30-4-4] smart zijn in[^ezechiel-30-4-5] Morenland, als de verslagenen[^ezechiel-30-4-6] zullen vallen in Egypte; want zij zullen haar menigte wegnemen[^ezechiel-30-4-7][^ezechiel-30-4-8], en haar fundamenten zullen verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v4)

**5** Morenland, en[^ezechiel-30-5-9] Put, en Lud, en al de[^ezechiel-30-5-10] gemengde hoop, en[^ezechiel-30-5-11] Cub, en de[^ezechiel-30-5-12] kinderen van het land van het verbond zullen met[^ezechiel-30-5-13] hen vallen door het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v5)

**6** Zo zegt YHWH: Ja, zij zullen vallen, die Egypte[^ezechiel-30-6-14] ondersteunen, en de[^ezechiel-30-6-15] hoogmoed van haar sterkte zal neerdalen; van de toren[^ezechiel-30-6-17] van Syene af zullen[^ezechiel-30-6-18] zij daarin door het zwaard vallen, spreekt Adonai YHWH.[^ezechiel-30-6-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v6)

**7** En zij zullen verwoest worden in[^ezechiel-30-7-19] het midden van de verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden van de verwoeste steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v7)

**8** En zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik[^ezechiel-30-8-20] een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v8)

**9** Op die dag zullen er boden van voor Mijn[^ezechiel-30-9-21] aangezicht in schepen uitvaren, om het[^ezechiel-30-9-22] zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart[^ezechiel-30-9-23] bij hen zijn,[^ezechiel-30-9-24] als in de dag van Egypte; want ziet,[^ezechiel-30-9-25] het komt aan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v9)

**10** Zo zegt Adonai YHWH: Ja, Ik zal de[^ezechiel-30-10-26] menigte van Egypte doen ophouden, door de[^ezechiel-30-10-27] hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v10)

**11** Hij, en zijn volk met hem, de[^ezechiel-30-11-28][^ezechiel-30-11-a] tirannigste van de heidenen[^ezechiel-30-11-29] zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte[^ezechiel-30-11-30] uittrekken, en het land met verslagenen vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v11)

**12** En Ik zal de[^ezechiel-30-12-31] rivieren tot droogte maken, en het land[^ezechiel-30-12-32] verkopen in de hand van[^ezechiel-30-12-33] de bozen; en Ik zal het land met zijn[^ezechiel-30-12-34] volheid verwoesten door de hand van de vreemden: Ik, YHWH, heb het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v12)

**13** Zo zegt Adonai YHWH: Ik zal ook de[^ezechiel-30-13-35] afgoden verdoen, en de[^ezechiel-30-13-36] nietige afgoden doen ophouden uit[^ezechiel-30-13-37] Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vrees in Egypteland stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v13)

**14** En Ik zal[^ezechiel-30-14-38] Pathros verwoesten, en een vuur leggen in[^ezechiel-30-14-39] Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in[^ezechiel-30-14-40] No. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v14)

**15** En Ik zal Mijn woede[^ezechiel-30-15-41] uitgieten over[^ezechiel-30-15-42] Sin, de vesting van Egypte; en Ik zal de[^ezechiel-30-15-43] menigte van No uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v15)

**16** En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal[^ezechiel-30-16-44] zeer grote pijn hebben, en No[^ezechiel-30-16-45] zal gespleten worden, en Nof[^ezechiel-30-16-46] zal dagelijks zeer bang zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v16)

**17** De jongemannen van[^ezechiel-30-17-47] Aven en[^ezechiel-30-17-48] Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de[^ezechiel-30-17-49] dochters zullen gaan in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v17)

**18** En te[^ezechiel-30-18-50] Tachpanhes zal de dag[^ezechiel-30-18-51] verduisterd worden, als Ik het[^ezechiel-30-18-52] juk van Egypte daar zal verbreken, en de hoogmoed van haar sterkte[^ezechiel-30-18-53] in[^ezechiel-30-18-54] haar zal ophouden; haar zal een[^ezechiel-30-18-55] wolk bedekken, en haar[^ezechiel-30-18-56] dochters zullen gaan in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v18)

**19** Zo zal Ik[^ezechiel-30-19-57] gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v19)

**20** Ook[^ezechiel-30-20-58] gebeurde het[^ezechiel-30-20-59] in het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v20)

**21** Mensenkind! Ik heb de[^ezechiel-30-21-60] arm van Farao, de koning van Egypte, verbroken; en ziet,[^ezechiel-30-21-61] hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om die te verbinden, om die te sterken, dat hij het zwaard houde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v21)

**22** Daarom zegt Adonai YHWH zo: Zie, Ik[^ezechiel-30-22-62] wil aan Farao, de koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, zowel de sterken als de verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.[^ezechiel-30-22-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v22)

**23** En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal[^ezechiel-30-23-64] hen verspreiden in de landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v23)

**24** En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en[^ezechiel-30-24-65] Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal[^ezechiel-30-24-66] kermen,[^ezechiel-30-24-67] gelijk een dodelijk verwonde kermt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v24)

**25** Ja, Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, maar Farao's armen zullen[^ezechiel-30-25-68] daarheen vallen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel zal hebben gegeven, en hij het over Egypteland zal hebben uitgestrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v25)

**26** En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/30.html#v26)

[^ezechiel-30-2-1]: Kanttekening 1: Tijd van straffen en plagen. Zie Ps. 37:13; Joël 1:15, met de aantekening. Psalmen 37:13: De YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^ezechiel-30-3-2]: Kanttekening 2: 2 wolkige dag: Hebreeuws, dag van de wolk (יוֹם). Zie Joël 2:2, met de aantekening. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
[^ezechiel-30-3-3]: Kanttekening 3: 3 van de heidenen tijd: Dat is, de tijd, die tot hunne straf bestemd is. Of, de tijd waarin de heidenen Egypte zullen verwoesten; vergelijk boven Ez. 22:3, met de aantekening. Ezechiël 22:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelf maakt, om zich te verontreinigen!
[^ezechiel-30-4-4]: Kanttekening 4: Van allerlei jammer zal hun zo bang worden als een barende vrouw. Zo vers 9. Ezechiël 30:9: Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan!
[^ezechiel-30-4-5]: Kanttekening 5: Gelijk boven Ez. 29:10, en onder vers 5, 30:9. Hebreeuws, Cusch. Ezechiël 29:10: Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van de toren van Syene af, tot aan de landpale van Morenland. Ezechiël 30:5: Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land van het verbond zullen met hen vallen door het zwaard. Ezechiël 30:9: Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan!
[^ezechiel-30-4-6]: Kanttekening 6: 6 verslagenen zullen vallen: Hebreeuws, de verslagene zal, enz.
[^ezechiel-30-4-7]: Kanttekening 7: De Chaldeën.
[^ezechiel-30-4-8]: Kanttekening 8: 8 van hen menigte: Versta, de overvloed, of de menigte van Egypte, als bov. Ez. 29:19 en ond. vers 10. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Ezechiël 30:10: Zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.
[^ezechiel-30-5-9]: Kanttekening 9: 9 Morenland, en Put, en Lud: Gelijk boven Ez. 27:10; dat is, de Moren, Puteërs en Lydiërs. Ezechiël 27:10: Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw legermacht, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.
[^ezechiel-30-5-10]: Kanttekening 10: 10 gemengde hoop: Zie Jer. 25:20. Jeremia 25:20: En de gansen gemengden hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van de Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
[^ezechiel-30-5-11]: Kanttekening 11: Dit wordt gehouden voor een omstreek in Lybië, nabij Egypte gelegen.
[^ezechiel-30-5-12]: Kanttekening 12: 12 kinderen van het land van het verbond: Dat is, de andere bondgenoten van de Egyptenaars, of een zeker nabijgelegen volk, dat in nauwe verbintenis en gemeenschap stond met Egypte. Sommigen verstaan de Joden, als bewoond hebbende het land Kanaän dat hun door Gods verbond gegeven was die in Egypte mee gediend mogen hebben in de oorlog tegen zijn vijand, zie Jer. 43:7, en Jer. 44:27, en vergelijk de manier van spreken, kinderen van het land, met Job 1:3, en boven Ez. 16:28, en zie de aantekening daar. Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren van de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes. Jeremia 44:27: Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. Job 1:3: Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. Ezechiël 16:28: Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadelijk was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden.
[^ezechiel-30-5-13]: Kanttekening 13: De Egyptenaars.
[^ezechiel-30-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, al hunne helpers, gelijk vers 8. Ezechiël 30:8: En zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden.
[^ezechiel-30-6-15]: Kanttekening 15: Of, hoogmoed, pracht, hoogheid; idem, uitstekendheid, uitnemendheid; zo onder vers 18. Ezechiël 30:18: En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hovaardij haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
[^ezechiel-30-6-17]: Kanttekening 17: Zie boven, Ez. 29:10. Ezechiël 29:10: Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van de toren van Syene af, tot aan de landpale van Morenland.
[^ezechiel-30-6-18]: Kanttekening 18: In Egypte.
[^ezechiel-30-6-16]: Kanttekening 16: Van Egypte.
[^ezechiel-30-7-19]: Kanttekening 19: 19 midden van de verwoeste landen: Zie boven Ez. 29:12. Ezechiël 29:12: Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in het midden van de verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden van de verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.
[^ezechiel-30-8-20]: Kanttekening 20: Van oorlog, ellende en plagen, (zie Job 15:34; Jer. 49:27, boven Ez. 28:18, en Amos 1:4, enz.) waardoor Egypte zal verteerd worden, zo onder vers 14, 30:16. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. Jeremia 49:27: En Ik zal een vuur aansteken in de muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren. Ezechiël 28:18: Vanwege de veelheid uw ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt u uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. Ezechiël 30:14: En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No. Ezechiël 30:16: En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.
[^ezechiel-30-9-21]: Kanttekening 21: 21 Mijn aangezicht: Dat is, Ik zal beschikken dat de tijding van de Chaldeën inval in Egypte overgebracht worde in Morenland; God spreekt hier als rechter, zittende op zijn rechterstoel in Egypte, en dit gehele werk regerende.
[^ezechiel-30-9-22]: Kanttekening 22: 22 zorgeloze Morenland: Hebreeuws, Cusch van de zekerheid, of van het vertrouwen; dat is, dat zekere en zorgeloze Morenland; dat is de Moren.
[^ezechiel-30-9-23]: Kanttekening 23: 23 bij hen zijn: Te weten bij de Moren, gelijk boven vers 4. Ezechiël 30:4: En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen van hen menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.
[^ezechiel-30-9-24]: Kanttekening 24: 24 als in de dag van Egypte: Gelijk er was in Egypte, als het verwoest werd, boven vers 4. Of, \[gelijk sommigen\] als God de eerstegeborenen in Egypte sloeg, Ex. 12:29, 12:30. Ezechiël 30:4: En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen van hen menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden. Exodus 12:29: En het geschiedde ter middernacht, dat YHWH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. Exodus 12:30: En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.
[^ezechiel-30-9-25]: Kanttekening 25: 25 het komt aan: Dat is, het zal gewisselijk komen, of, zij \[de voorzegde pijn\] zal hun aankomen.
[^ezechiel-30-10-26]: Kanttekening 26: Of, gedruis, gewoel; zie boven Ez. 29:19, en hier vers 4. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Ezechiël 30:4: En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen van hen menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.
[^ezechiel-30-10-27]: Kanttekening 27: 27 door de hand van Nebukadrezar: Dat is, door de macht, of de dienst.
[^ezechiel-30-11-28]: Kanttekening 28: 28 tirannigste van de heidenen: Gelijk boven Ez. 28:7. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
[^ezechiel-30-11-a]: Verwijzing a: Ez. 28:7. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
[^ezechiel-30-11-29]: Kanttekening 29: 29 aangevoerd worden: Door mijn verborgen regering; zie boven Ez. 29:19, 29:20. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Ezechiël 29:20: Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-30-11-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, ledigen, of leeg, ijdel maken, gelijk boven Ez. 28:2. Ezechiël 28:2: Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u nochtans uw hart, als Gods hart.
[^ezechiel-30-12-31]: Kanttekening 31: Zie boven Ez. 29:3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-30-12-32]: Kanttekening 32: Dat is, overleveren, geven, gelijk de verkochte waar geleverd wordt in de hand en macht van de koper; zie Ps. 44:13, en boven Ez. 29:19. Psalmen 44:13: U verkoopt Uw volk om geen waardij; en U verhoogt hun prijs niet. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht.
[^ezechiel-30-12-33]: Kanttekening 33: Van de Chaldeën, die wel in deze, als Gods dienaren en uitvoerders van zijn oordelen waren, maar van zichzelf boos, en niets voorhebbende dan hun boze lusten van schade en overlast te voldoen, van wie de boosheid God gebruikte om zijn heilige en onstraffelijke oordelen over de Egyptenaars uit te voeren; vergelijk boven Ez. 29:20, en zie 2 Sam. 12:12. Ezechiël 29:20: Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewrocht hebben, spreekt de Heer YHWH. 2 Samuël 12:12: Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon.
[^ezechiel-30-12-34]: Kanttekening 34: De gaven, met welke God Egypte begaafd, verrijkt en versierd had; vergelijk Ps. 24:1. Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, samen met haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^ezechiel-30-13-35]: Kanttekening 35: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-30-13-36]: Kanttekening 36: 36 nietige afgoden: Hebreeuws, Elilim; dat is louter nietigheden, zie Lev. 19:4. Leviticus 19:4: U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben YHWH, uw God!
[^ezechiel-30-13-37]: Kanttekening 37: Zie Jes. 19:13; Jer. 44:1, en onder vers 16. Jesaja 19:13: De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uitersten hoek zijn stammen. Jeremia 44:1: Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende: Ezechiël 30:16: En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.
[^ezechiel-30-14-38]: Kanttekening 38: Zie Gen. 10:14; Jer. 44:1, en boven Ez. 29:14. Genesis 10:14: En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. Jeremia 44:1: Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende: Ezechiël 29:14: En Ik zal de gevangenis van de Egyptenaren wenden, en hen wederbrengen in het land van Pathros, in het land huns koophandels; en daar zullen zij een nederig koninkrijk zijn.
[^ezechiel-30-14-39]: Kanttekening 39: Zie Num. 13:22; Ps. 78:12. Numeri 13:22: En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. Psalmen 78:12: Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
[^ezechiel-30-14-40]: Kanttekening 40: Zie Jer. 46:25. Jeremia 46:25: De YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^ezechiel-30-15-41]: Kanttekening 41: Zie Job 12:21; Ps. 79:6. Job 12:21: Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^ezechiel-30-15-42]: Kanttekening 42: Dat sommigen houden voor Pelusium, in het uiterste van Egypte, overeenkomende met de namen van de woestijn Sin en de berg Sinaï.
[^ezechiel-30-15-43]: Kanttekening 43: 43 menigte van No: Vergelijk Jer. 46:25. Jeremia 46:25: De YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^ezechiel-30-16-44]: Kanttekening 44: 44 zal zeer grote pijn hebben: Hebreeuws alsof men zei: zal pijn lijdende pijn lijden.
[^ezechiel-30-16-45]: Kanttekening 45: 45 zal gespleten worden: Hebreeuws, zal zijn om gespleten te worden.
[^ezechiel-30-16-46]: Kanttekening 46: 46 dagelijks zeer bang zijn: Hebreeuws, bangheden dagelijks, of bij dag, overdag zijn. Anders: door de dagelijkse benauwers.
[^ezechiel-30-17-47]: Kanttekening 47: Dit houdt men voor On, dat sommigen menen Heliopolis; dat is, Zonnestad te zijn; zie Gen. 41:45. Genesis 41:45: En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^ezechiel-30-17-48]: Kanttekening 48: Dit houdt men voor Bubastis of Bubastus, waar de afgodin Diana geëerd werd.
[^ezechiel-30-17-49]: Kanttekening 49: Dit is hier ingevoegd uit de tegenstelling. Hebreeuws, zij. Anders: deze steden zullen, enz.; dat is, de inwoners van deze steden, of de onderhorige, aanliggende steden en dorpen, gelijk in vers 18. Ezechiël 30:18: En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hovaardij haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
[^ezechiel-30-18-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws hier, Thechaphneches. Zie Jer. 2:16, en Jer. 43:7, 43:8, met de aantekening. Jeremia 2:16: Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid. Jeremia 43:7: En zij togen in Egypteland, want zij waren van de stem van YHWH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes. Jeremia 43:8: Toen geschiedde van YHWH woord tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende:
[^ezechiel-30-18-51]: Kanttekening 51: 51 verduisterd worden: Of, verhouden, belet.
[^ezechiel-30-18-52]: Kanttekening 52: 52 juk van Egypte: Of, de dissels, zelen, waar men het juk mee of aan vastmaakt, versta de last van de dienstbaarheid, die zij anderen volken oplegden, en zie Jer. 27:2. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.
[^ezechiel-30-18-53]: Kanttekening 53: Als boven vers 6. Ezechiël 30:6: Zo zegt YHWH: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij haar sterkte zal nederdalen; van de toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-30-18-54]: Kanttekening 54: Tachpanhes.
[^ezechiel-30-18-55]: Kanttekening 55: 55 wolk bedekken: Zie boven vers 3. Ezechiël 30:3: Want de dag is nabij, ja, de dag van YHWH is nabij, een wolkige dag, het zal van de heidenen tijd zijn.
[^ezechiel-30-18-56]: Kanttekening 56: Als vers 17. Anderen verstaan de onderhorige steden en dorpen, dat is de inwoners van die. Zie 2 Kon. 19:21. Ezechiël 30:17: De jongelingen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^ezechiel-30-19-57]: Kanttekening 57: 57 gerichten oefenen: Gelijk boven Ez. 28:22. Ezechiël 28:22: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
[^ezechiel-30-20-58]: Kanttekening 58: 58 gebeurde het: Anders, was het gebeurd.
[^ezechiel-30-20-59]: Kanttekening 59: 59 elfde jaar: Na Jojachins of Jechonia's wegvoering. Zie boven Ez. 1:2, en onder Ez. 33:21. Hieruit werd afgenomen dat in het beschrijven en samenvoegen van deze profetie niet gevolgd is de orde van de tijd, maar de samenvoeging en gelijkheid van de zaken. Vergelijk Jer. 35:1, en boven Ez. 29:17. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van ons gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Jeremia 35:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is van YHWH, in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: Ezechiël 29:17: Verder gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij geschiedde, zeggende:
[^ezechiel-30-21-60]: Kanttekening 60: 60 arm van Farao … verbroken: Dat is, Ik heb hem zwak en machteloos gemaakt door de nederlaag van Farao Necho bij Carchemis, Jer. 46:2, enz., \[waarop dit enigen duiden\] na welke de koningen van Egypte niets bijzonders hebben kunnen uitrichten. Vergelijk de volgende figuurlijke woorden met Jer. 46:11. Anderen duiden het op Farao Hofra en zijne nederlaag van de Cyreners. Jeremia 46:2: Tegen Egypte; tegen het legermacht van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. Jeremia 46:11: Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u.
[^ezechiel-30-21-61]: Kanttekening 61: De arm van Farao.
[^ezechiel-30-22-62]: Kanttekening 62: 62 Ik wil aan Farao: Zie boven Ez. 29:3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-30-22-63]: Kanttekening 63: 63 de sterken: Dat is, al zijne macht, zo die hij nog overig heeft, als die alreeds vervallen is.
[^ezechiel-30-23-64]: Kanttekening 64: 64 verspreiden in de landen: Gelijk boven Ez. 29:12, en onder vers 26. Ezechiël 29:12: Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in het midden van de verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden van de verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen. Ezechiël 30:26: En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-30-24-65]: Kanttekening 65: 65 Mijn zwaard in zijn hand geven: Gelijk boven Ez. 21:9, en hier in vers 25, en onder Ez. 32:10; zie Jer. 47:6. Ezechiël 21:9: Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt YHWH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd. Ezechiël 30:25: Ja, Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarheen vallen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt. Ezechiël 32:10: En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haar over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals. Jeremia 47:6: O wee, u zwaard van YHWH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!
[^ezechiel-30-24-66]: Kanttekening 66: Of, zuchten, huilen, stenen voor het aangezicht van de koning van Babel; zie van het Hebreeuwse woord Job 24:12. Job 24:12: Uit de stad zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; nochtans beschikt God niets ongerijmds.
[^ezechiel-30-24-67]: Kanttekening 67: 67 gelijk een dodelijk verwonde kermt: Hebreeuws, zal kermen de kermingen, of zuchtingen, van een dodelijke verwonde; vergelijk boven Ez. 26:15. Ezechiël 26:15: Zo zegt de Heer YHWH tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?
[^ezechiel-30-25-68]: Kanttekening 68: 68 daarheen vallen: Al zijn macht en moed zal hem begeven.

### Ezechiël 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/31.json)

*De tijd van deze profetie, vers 1, waarin God koning Farao en zijn volk de hoogte, heerlijkheid en pracht voor ogen stelt van de koning en het koninkrijk van Assyrië, onder de gelijkenis van een hoge, schone cederboom, 2, 3, enz.; en diens val, vanwege trots en hoogmoed, 10, 11, enz.; alle anderen tot een voorbeeld, 14; en dat het Farao en zijn volk evenzo zal vergaan, 10, 18.*

**1** Het gebeurde ook in het[^ezechiel-31-1-1] elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v1)

**2** Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn[^ezechiel-31-2-2] menigte:[^ezechiel-31-2-3] Wie bent u gelijk in uw grootheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v2)

**3** Zie,[^ezechiel-31-3-4] Assur was[^ezechiel-31-3-5] een[^ezechiel-31-3-a] ceder op de Libanon, schoon van takken,[^ezechiel-31-3-6] schaduwachtig van loof, en hoog van[^ezechiel-31-3-7] stam, en zijn top was tussen dichte takken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v3)

**4** De[^ezechiel-31-4-8] wateren[^ezechiel-31-4-9] maakten hem groot,[^ezechiel-31-4-10] de afgrond maakte hem hoog;[^ezechiel-31-4-11] die ging met zijn stromen rondom zijn[^ezechiel-31-4-12] planting, en[^ezechiel-31-4-13] zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v4)

**5** Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden veelvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de[^ezechiel-31-5-14] grote wateren, als hij[^ezechiel-31-5-15] uitschoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v5)

**6** [^ezechiel-31-6-16] Alle[^ezechiel-31-6-b] vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn[^ezechiel-31-6-17] schaduw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v6)

**7** Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v7)

**8** De[^ezechiel-31-8-18] cederen in[^ezechiel-31-8-c] Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten;[^ezechiel-31-8-19] geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v8)

**9** Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid van zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v9)

**10** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Omdat u zich verheven hebt over[^ezechiel-31-10-21] uw stam, ja, hij[^ezechiel-31-10-22] stak zijn top op boven het[^ezechiel-31-10-23] midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;[^ezechiel-31-10-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v10)

**11** Daarom gaf Ik hem in de hand van[^ezechiel-31-11-24] de machtigste van de heidenen,[^ezechiel-31-11-25] dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v11)

**12** En vreemden, de[^ezechiel-31-12-26][^ezechiel-31-12-d] tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem;[^ezechiel-31-12-27] zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen[^ezechiel-31-12-28] van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v12)

**13** Alle[^ezechiel-31-13-29] vogels van de hemel woonden op zijn[^ezechiel-31-13-30] omgevallen stam, en alle dieren van het veld waren op zijn scheuten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v13)

**14** Opdat zich[^ezechiel-31-14-31] geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken[^ezechiel-31-14-32] boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water[^ezechiel-31-14-33] drinken,[^ezechiel-31-14-34] op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het[^ezechiel-31-14-35] onderste van de aarde, in het midden van[^ezechiel-31-14-36] de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v14)

**15** Zo zegt Adonai YHWH: Op de dag als hij naar het dodenrijk neerdaalde, maakte Ik een treuren; Ik[^ezechiel-31-15-39] bedekte om zijnentwil de[^ezechiel-31-15-40] afgrond, en[^ezechiel-31-15-41] weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil[^ezechiel-31-15-42] zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden.[^ezechiel-31-15-37][^ezechiel-31-15-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v15)

**16** Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen[^ezechiel-31-16-e] beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed neerdalen, met degenen, die in de kuil neerdalen; en alle bomen van[^ezechiel-31-16-43] Eden, het uitgelezene en het beste van Libanon, alle bomen, die water[^ezechiel-31-16-44] drinken,[^ezechiel-31-16-45] troostten zich in het onderste van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v16)

**17** Die daalden ook met hem neer naar het dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn[^ezechiel-31-17-46] arm geweest waren, die onder zijn[^ezechiel-31-17-47] schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v17)

**18** Wie bent[^ezechiel-31-18-48] u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult neergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van[^ezechiel-31-18-49][^ezechiel-31-18-f] de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard.[^ezechiel-31-18-50] Dat is Farao, en zijn hele[^ezechiel-31-18-51] menigte, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/31.html#v18)

[^ezechiel-31-1-1]: Kanttekening 1: 1 elfde jaar: Na de wegvoering van Jojachin; zie boven Ez. 1:2, enz. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin),
[^ezechiel-31-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, al zijn volk.
[^ezechiel-31-2-3]: Kanttekening 3: 3 Wie bent u gelijk: Alsof God zei: Beeldt u u in dat er uws gelijke nooit geweest is en dat u daarom niets kan deren? Let eens op de grote monarch van Assyrië, hoe die gevaren is, en maakt uwe rekening; vergelijk Jes. 23:13. Jesaja 23:13: Ziet, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.
[^ezechiel-31-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, de koning van Assyrië.
[^ezechiel-31-3-5]: Kanttekening 5: 5 een ceder op de Libanon: Dat is, was gelijk een cederboom; door deze gehele figuurlijke rede wordt beduid de grootheid, heerlijkheid en macht van de Assyrische monarchie. Zie Richt. 9:15; vergelijk Ps. 80:11; boven Ez. 17:3, 17:22, 17:23; Dan. 4:10, enz. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Psalmen 80:11: De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de oppersten tak van een ceder. Ezechiël 17:22: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal ook van de oppersten tak van de hoge ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijn jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hoge en verhevenen berg planten zal; Ezechiël 17:23: Op de berg van de hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijn takken zullen zij wonen. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot.
[^ezechiel-31-3-a]: Verwijzing a: Dan. 4:10. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot.
[^ezechiel-31-3-6]: Kanttekening 6: 6 schaduwachtig van loof: Of, schaduwende, schaduw makende, \[met zijne\] struiken, of takken; idem een schaduwmakend woud, of bos, zo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van woud en struiken, takken, of loof.
[^ezechiel-31-3-7]: Kanttekening 7: Gelijk boven Ez. 17:6. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
[^ezechiel-31-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, de gelegenheid en toevloeiing, die Ik hem beschikte van alles wat tot wasdom van zijn staat mocht dienen; vergelijk boven Ez. 17:5, 17:8, en Ez. 19:10, enz. en onder vers 5, 31:7. Ezechiël 17:5: Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. Ezechiël 17:8: Hij was in een goede akker bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht. Ezechiël 19:10: Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. Ezechiël 31:5: Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. Ezechiël 31:7: Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.
[^ezechiel-31-4-9]: Kanttekening 9: 9 maakten hem groot: Of, brachten, kweekten hem op.
[^ezechiel-31-4-10]: Kanttekening 10: 10 de afgrond maakte hem hoog: Dat is, diepe wateren, grote diepten.
[^ezechiel-31-4-11]: Kanttekening 11: 11 die ging met zijn stromen rondom: Afgrond, of diepte.
[^ezechiel-31-4-12]: Kanttekening 12: Gelijk boven Ez. 17:7. Ezechiël 17:7: Nog was er een grote adelaar, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar dezelfde toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijn planting toe.
[^ezechiel-31-4-13]: Kanttekening 13: 13 zond zijn waterleidingen uit: Dat is, deelde van zijn overvloed anderen koningen mee, die minder waren dan hij, en door hem welvoeren.
[^ezechiel-31-5-14]: Kanttekening 14: 14 grote wateren: Zie vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld.
[^ezechiel-31-5-15]: Kanttekening 15: Zijne scheuten uitwierp en zich uitbreidde. Vergelijk boven Ez. 17:6; of, als hij uitbotte, botten kreeg. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
[^ezechiel-31-6-16]: Kanttekening 16: 16 Alle vogels van de hemel: Hebreeuws, alle vogels nestelden, en zo alle dieren wierpen jongen, of teelden: dat is, allerlei, of vele volken waren onder zijn gebied en heerschappij (גּוֹיִם); zo Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
[^ezechiel-31-6-b]: Verwijzing b: Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
[^ezechiel-31-6-17]: Kanttekening 17: Beschutting, of protectie nemende tot hem hunne toevlucht; vergelijk Ps. 91:1; zo onder vers 17. Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden.
[^ezechiel-31-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, de andere koningen en prinsen, hoewel ook groot en heerlijk zijnde, gelijk de cederen van een paradijs, gelijk het eerste was, konden zijn glans niet verdonkeren of verbergen; gelijk de zon het schijnsel van andere sterren bij dag verduistert, zo verduisterde hij allen glans van anderen. Vergelijk boven Ez. 28:13, en onder vers 9, 31:16. Ezechiël 28:13: U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uw trommelen en uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werdt, waren zij bereid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde.
[^ezechiel-31-8-c]: Verwijzing c: Gen. 2:8. Genesis 2:8: Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had.
[^ezechiel-31-8-19]: Kanttekening 19: 19 geen boom in Gods hof: Hebreeuws, alle boom was niet, enz., dat is, geen boom was, enz. Zie 1 Kon. 11:34; zo onder vers 14. 1 Koningen 11:34: Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-31-10-21]: Kanttekening 21: Vergelijk vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-31-10-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws, gaf; vergelijk \[aangaande het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat naar gelegenheid van de zaken velerlei betekenissen lijdt\] 2 Sam. 18:9, en boven Ez. 27:12, enz.; zo vers 14. 2 Samuël 18:9: Absalom nu ontmoette voor het aangezicht van de knechten van David; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een grote eik, zo werd zijn hoofd vast aan de eik, dat hij hangen bleef tussen de hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-31-10-23]: Kanttekening 23: 23 midden van de dichte takken: Hebreeuws, alsof men zei, de tusschenheid; dat is, stak uit onder, en verhief zich boven andere koningen, heren, vorsten, enz. Vergelijk boven Ez. 19:11. Ezechiël 19:11: En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijn takken.
[^ezechiel-31-10-20]: Kanttekening 20: 20 u u verheven hebt: Dit kan men nemen voor ene aanspraak aan de Assyriër, van welke God meteen \[gelijk elders\] weer spreekt in de derde persoon; of als een afgebroken rede tot Farao, waarvan de voltooiing volgt onder vers 18. Alsof God zei: Omdat u u zo verheft, zie toch eens wat de Assyriër ook deed en hoe Ik hem daarover gestraft hebt, enz. Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-31-11-24]: Kanttekening 24: In de macht van de koning van Babel, Berodach, of Merodach Baladan, en verder Nebukadnezar, die de Assyrische monarchie (waarin Esarhaddon, Sanheribs zoon, voor de laatste koning gehouden wordt) tot de Babyloniërs overgebracht; zie 2 Kon. 19:37, en van die Berodach, 2 Kon. 20:12. 2 Koningen 19:37: Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 20:12: In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was.
[^ezechiel-31-11-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, doende zou hij het hem doen, of handelende met hem handelen, of deed, handelde hij met hem, gelijk sommigen; enigen verklaren deze manier van spreken aldus, naar zijn verdienste, of naar zijn welgevallen, naar behoren.
[^ezechiel-31-12-26]: Kanttekening 26: 26 tirannigste van de heidenen: Gelijk boven Ez. 28:7. Hier volgt een figuurlijke beschrijving van de ondergang van de Assyrische monarchie. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
[^ezechiel-31-12-d]: Verwijzing d: Ez. 28:7; Ez. 30:11. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ezechiël 30:11: Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste van de heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.
[^ezechiel-31-12-27]: Kanttekening 27: 27 zijn takken vielen op de bergen: Gelijk in het grote nederlagen overal, op bergen en in dalen vol van verslagenen en plundering placht te zijn.
[^ezechiel-31-12-28]: Kanttekening 28: 28 van het land: Of, van de aarde.
[^ezechiel-31-13-29]: Kanttekening 29: 29 vogels van de hemel: Hebreeuws, allen vogel, alle dier, enz. Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.
[^ezechiel-31-13-30]: Kanttekening 30: 30 omgevallen stam: Of, gevallenen. Hebreeuws, val; dat is, de andere volken namen zijn rijk in, bezaten het en spotten met hem.
[^ezechiel-31-14-31]: Kanttekening 31: 31 geen waterrijke bomen verheffen: Hebreeuws, alle bomen van de wateren, of van de wateren zich niet, enz. Vergelijk boven vers 8, en zo in het volgende. De zin is dat God dit voorbeeld aan die grote monarch heeft willen stellen, tot een waarschuwing van alle groten en machtigen op aarde, en hier voornamelijk voor Farao, opdat zich niemand tegen Hem verhovaardige en goddeloos worde, om niet door gelijke zonden in gelijke straffen te vallen, die hij met geen menselijke macht zal kunnen afweren. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.
[^ezechiel-31-14-32]: Kanttekening 32: 32 boven het midden van de dichte takken: Gelijk boven vers 10. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
[^ezechiel-31-14-33]: Kanttekening 33: Dat is, met allen overvloed door mijn zegen vervuld zijn en geen gebrek lijden. Zo vers 16. Vergelijk boven vers 4, 31:8. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.
[^ezechiel-31-14-34]: Kanttekening 34: 34 op zichzelf staan: Deze manier van spreken is ook in onze taal gebruikelijk, voor op zichzelf vertrouwen, of het hoofd stoutelijk op en omhoog steken, waarvan het tegendeel is nederig voor God te wandelen. Vergelijk de manier van spreken onder Ez. 33:26. Ezechiël 33:26: U staat op ulieder zwaard; u doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt u het land erfelijk bezitten?
[^ezechiel-31-14-35]: Kanttekening 35: 35 onderste van de aarde: Hebreeuws, de onderste aarde, of de aarde die beneden is (אֶרֶץ). Zo vers 10, 31:18. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Omdat u u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte; Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-31-14-36]: Kanttekening 36: Dat is, onder de gemene, of slechte mensen. Zie Ps. 4:3. Psalmen 4:3: U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
[^ezechiel-31-15-39]: Kanttekening 39: 39 bedekte om zijnentwil: Dat is, Ik stelde hem in zulk een stand, dat hij was alsof hij rouw bedreef; \[zo onder bewonden\]. Zie 2 Sam. 15:30. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iedereen zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.
[^ezechiel-31-15-40]: Kanttekening 40: Zie boven vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld.
[^ezechiel-31-15-41]: Kanttekening 41: 41 weerde de stromen van die: Ik onttrok mijn tijdelijken zegen.
[^ezechiel-31-15-42]: Kanttekening 42: Alsof alle cederen \[dat is, groten\] in rouw stonden; zie Ps. 35:14. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
[^ezechiel-31-15-37]: Kanttekening 37: 37 dodenrijk nederdaalde: Zie van het Hebreeuwse woord Scheol Gen. 37:35; zo vers 16, 31:17, 31:18, en onder Ez. 32:21, 32:22, en het volgende daar. Uit vergelijking van welke plaatsen \[gelijk ook vers 14\] blijkt dat het hier genomen wordt voor het graf, met de aanklevende ellendige en smadelijke toestand van de verstorven goddelozen in het dodenrijk. Genesis 37:35: En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden. Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 32:21: De machtigste van de helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden van het dodenrijk; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard; Ezechiël 32:22: Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-31-15-38]: Kanttekening 38: 38 maakte Ik een treuren: Dit is een figuurlijke beschrijving van de algemene schrik, die God door dit zijn oordeel over de Assyriërs gemaakt heeft bij al de groten en de volken, die door zijn rijkdom \[gelijk boven\] waren welgevaren. Vergelijk boven Ez. 27:29, en de volgende verzen daar. Ezechiël 27:29: En allen, die de riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.
[^ezechiel-31-16-e]: Verwijzing e: Jes. 14:9. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan.
[^ezechiel-31-16-43]: Kanttekening 43: Zie boven vers 8, 31:9. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.
[^ezechiel-31-16-44]: Kanttekening 44: Gelijk boven vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-31-16-45]: Kanttekening 45: 45 troostten zich: Figuurlijk gesproken, alsof men zei: het viel hun troostelijk, dat zij zulk een grote metgezel in hun lijden hadden. Vergelijk Jes. 14:8, 14:9, 14:10, met de aantekening; idem, boven Ez. 14:22, en Ez. 16:54, en onder Ez. 32:31, enz. Jesaja 14:8: Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan. Jesaja 14:10: Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. Ezechiël 14:22: Maar ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; ziet, zij zullen tot u uitkomen, en u zult hun weg zien, en hun handelingen; en u zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar. Ezechiël 16:54: Opdat u uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al wat u gedaan hebt, als u haar troosten zult. Ezechiël 32:31: Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn gehele menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn gehele legermacht, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-31-17-46]: Kanttekening 46: 46 arm geweest waren: Dat is sterkte, die hem gestijfd en gesteund hadden, of aldus, met zijn arm; \[dat is, zijn koninkrijk\] onder welks schaduw zij, enz.
[^ezechiel-31-17-47]: Kanttekening 47: Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.
[^ezechiel-31-18-48]: Kanttekening 48: 48 u zo gelijk: O Farao, u die meent dat uws gelijke niet zij. Zie boven vers 2. Ezechiël 31:2: Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid?
[^ezechiel-31-18-49]: Kanttekening 49: 49 onbesnedenen zult u liggen: Zie boven Ez. 28:10. Ezechiël 28:10: U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-31-18-f]: Verwijzing f: Ez. 28:10. Ezechiël 28:10: U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-31-18-50]: Kanttekening 50: 50 Dat is Farao: Alsof God zei: Zie daar een levendig beeld van deze trotse koning Farao; even zo vast en zeker is zijn staat als van de Assyriër, er zo zal hij met al zijn hoogmoed varen.
[^ezechiel-31-18-51]: Kanttekening 51: Versta dit van rijkdom, of volk; of met al zijn gewoel, rumoer of gedruis. Zie boven Ez. 29:19. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht.

### Ezechiël 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/32.json)

*De tijd van deze profetieën, vers 1, 17, die een klaaglied bevatten over Farao's verschrikkelijke val, vanwege zijn hoogmoed, wreedheid, voortdurend onrustig woelen, en het beroeren van andere volken, 2; eveneens een verbloemde beschrijving van zijn ondergang en die van zijn volk, en de nederdaling tot het gezelschap van andere onbesneden, trotse en tirannieke regenten en volken, 18.*

**1** Het gebeurde ook in[^ezechiel-32-1-1] het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v1)

**2** Mensenkind! hef een[^ezechiel-32-2-2] klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U[^ezechiel-32-2-3] was een jonge leeuw[^ezechiel-32-2-4] onder de heidenen gelijk; en u was als een[^ezechiel-32-2-5][^ezechiel-32-2-a] zeedraak in de zeeën, en brak voort in uw rivieren[^ezechiel-32-2-6][^ezechiel-32-2-7], en[^ezechiel-32-2-8] beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hun rivieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v2)

**3** Zo zegt Adonai YHWH: Ik zal daarom Mijn[^ezechiel-32-3-9][^ezechiel-32-3-b] net over u uitspreiden door een vergadering van[^ezechiel-32-3-10] vele volken; die zullen u optrekken in[^ezechiel-32-3-11] Mijn garen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v3)

**4** Dan zal Ik u[^ezechiel-32-4-12] laten op het land, Ik zal u wegwerpen op het[^ezechiel-32-4-13] open veld; en Ik zal al het gevogelte van de hemel op u doen wonen, en[^ezechiel-32-4-14] het gedierte van de hele aarde van u verzadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v4)

**5** En Ik zal uw vlees heengeven op de bergen, en de dalen met uw[^ezechiel-32-5-15] hoogheid vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v5)

**6** En Ik zal het land, waarin u[^ezechiel-32-6-16] zwemt, van[^ezechiel-32-6-17] uw bloed[^ezechiel-32-6-18] drenken tot aan de bergen; en de stromen zullen van u vervuld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v6)

**7** En als Ik u zal[^ezechiel-32-7-19] uitblussen, zal Ik de[^ezechiel-32-7-c] hemel[^ezechiel-32-7-20] bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v7)

**8** Alle[^ezechiel-32-8-21] lichtende lichten aan de hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land[^ezechiel-32-8-22] maken, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v8)

**9** Daartoe zal Ik het hart van vele volken[^ezechiel-32-9-23] verdrietig maken, als Ik uw[^ezechiel-32-9-24] verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die u niet gekend hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v9)

**10** En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan[^ezechiel-32-10-25], als Ik[^ezechiel-32-10-26] Mijn zwaard zal[^ezechiel-32-10-27] zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen[^ezechiel-32-10-28] elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn[^ezechiel-32-10-29] ziel, op de dag van uw val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v10)

**11** Want zo zegt Adonai YHWH: Het zwaard van de koning van Babel zal u overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v11)

**12** Ik zal uw[^ezechiel-32-12-30] menigte vellen door de zwaarden van de helden, die al samen de[^ezechiel-32-12-31][^ezechiel-32-12-d] tirannigste van de heidenen zijn; die zullen de[^ezechiel-32-12-32] hoogmoed van Egypte verstoren, en haar hele[^ezechiel-32-12-e] menigte zal vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v12)

**13** En Ik zal haar[^ezechiel-32-13-33] beesten verdoen van bij de grote wateren; en geen mensenvoet[^ezechiel-32-13-34] zal[^ezechiel-32-13-35] ze meer beroeren, en geen beestenklauwen zullen ze beroeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v13)

**14** Dan zal Ik[^ezechiel-32-14-36] hun wateren doen[^ezechiel-32-14-37] zinken, en Ik zal hun rivieren doen gaan als olie, spreekt Adonai YHWH: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v14)

**15** Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal[^ezechiel-32-15-38] woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; zo zullen zij weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v15)

**16** [^ezechiel-32-16-39] Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk[^ezechiel-32-16-40] zingen; de[^ezechiel-32-16-41] dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar hele menigte, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v16)

**17** Verder gebeurde het in het twaalfde[^ezechiel-32-17-42] jaar, op de vijftiende van de maand[^ezechiel-32-17-43], dat het woord van YHWH tot mij kwam, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v17)

**18** Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en[^ezechiel-32-18-44] doe ze neerdalen, (haar en de dochters van[^ezechiel-32-18-45] de prachtige heidenen) in de[^ezechiel-32-18-46] onderste plaatsen van de aarde, bij degenen, die in de kuil zijn neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v18)

**19** [^ezechiel-32-19-47] Boven wie bent[^ezechiel-32-19-48] u liefelijk! Daal neer, en[^ezechiel-32-19-49] leg u bij de[^ezechiel-32-19-50] onbesnedenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v19)

**20** In het midden van de verslagenen van het zwaard zullen[^ezechiel-32-20-51] zij vallen;[^ezechiel-32-20-52] zij is aan het zwaard overgegeven;[^ezechiel-32-20-53] trek haar heen met al haar menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v20)

**21** De[^ezechiel-32-21-54] machtigste van de helden zullen hem, met zijn helpers,[^ezechiel-32-21-55] toespreken, uit het midden van het dodenrijk; zij zijn neergedaald,[^ezechiel-32-21-56] de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v21)

**22** Daar is[^ezechiel-32-22-57] Assur met haar hele hoop,[^ezechiel-32-22-58] zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v22)

**23** Van wie de graven gesteld zijn in de zijden van de kuil, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een[^ezechiel-32-23-59] schrik gaven in het land van de[^ezechiel-32-23-60] levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v23)

**24** Daar is[^ezechiel-32-24-61] Elam met haar hele menigte rondom haar graf;[^ezechiel-32-24-62] zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn neergedaald tot de[^ezechiel-32-24-63] onderste plaatsen van de aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land van de levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v24)

**25** In het midden van de verslagenen hebben zij[^ezechiel-32-25-64] haar een slaapplaats gesteld onder haar hele menigte, rondom[^ezechiel-32-25-65] hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik[^ezechiel-32-25-66] van hen gegeven is in het land van de levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald;[^ezechiel-32-25-67] hij is[^ezechiel-32-25-68] geleid in het midden van de verslagenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v25)

**26** Daar is[^ezechiel-32-26-69] Mesech, en Tubal, met haar hele menigte; rondom[^ezechiel-32-26-70] hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hun schrik gegeven hebben in het land van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v26)

**27** Maar zij liggen niet met de[^ezechiel-32-27-71] helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die naar het[^ezechiel-32-27-72] dodenrijk zijn neergedaald met hun[^ezechiel-32-27-73] krijgswapenen, en van wie de zwaarden men gelegd heeft[^ezechiel-32-27-74] onder hun hoofden; van wie de ongerechtigheid toch op hun beenderen is[^ezechiel-32-27-75][^ezechiel-32-27-76], omdat van de helden schrik in het land van de levenden geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v27)

**28** [^ezechiel-32-28-77] U ook zult verbroken worden in het midden van de onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v28)

**29** Daar is[^ezechiel-32-29-78] Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hun macht geleid zijn bij de verslagenen van het zwaard; die liggen met de onbesnedenen en met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v29)

**30** Daar zijn de[^ezechiel-32-30-79] geweldigen van[^ezechiel-32-30-80] het Noorden, zij allen, en alle[^ezechiel-32-30-81] Sidoniërs, die met de verslagenen zijn neergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik,[^ezechiel-32-30-82] die[^ezechiel-32-30-83] uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v30)

**31** [^ezechiel-32-31-84] Farao zal hen zien, en zich[^ezechiel-32-31-85] troosten over zijn hele menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn hele leger, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v31)

**32** Want Ik[^ezechiel-32-32-86] heb ook Mijn schrik gegeven in het land van de levenden; daarom zal hij geleid worden in het midden van de onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Farao en zijn hele menigte, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/32.html#v32)

[^ezechiel-32-1-1]: Kanttekening 1: 1 twaalfde jaar: Na Jojachins wegvoering, boven Ez. 1:2. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin),
[^ezechiel-32-2-2]: Kanttekening 2: 2 klaaglied op over Farao: Gelijk onder vers 16. Ezechiël 32:16: Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-32-2-3]: Kanttekening 3: 3 was een jongen leeuw: Eer uwe macht verminderd was; zie boven Ez. 30:21. Ezechiël 30:21: Mensenkind! Ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om die te verbinden, om die te sterken, dat hij het zwaard houde.
[^ezechiel-32-2-4]: Kanttekening 4: 4 onder de heidenen: Hebreeuws, van de heidenen, of natiën, dat is, u was onder of tegen hen als een jonge leeuw, fier en wreed. Vergelijk boven Ez. 19:2, enz. Ezechiël 19:2: En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen.
[^ezechiel-32-2-5]: Kanttekening 5: 5 zeedraak in de zeeën: Gelijk boven Ez. 29:3; dat is, u was wreed, vreselijk en woelende te land en te water. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-32-2-a]: Verwijzing a: Ez. 29:3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^ezechiel-32-2-6]: Kanttekening 6: 6 braakt voort: U deed u hiervoor en snoefde met uw koninkrijk als zijnde machtig en rijk door goede gelegenheid van wateren.
[^ezechiel-32-2-7]: Kanttekening 7: Of, met.
[^ezechiel-32-2-8]: Kanttekening 8: 8 beroerde het water: Of, vertraptet het water, te weten van andere volken; dat is, hun land en handelingen, u hebt u overal in gestoken, en andere volken beroerd, die opruiende tot rebellie, en hen daarin stijvende.
[^ezechiel-32-3-9]: Kanttekening 9: 9 net over u uitspreiden: Zie boven Ez. 12:13, en Ez. 17:20; Hos. 7:12, met de aantekening. Ezechiël 12:13: Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft. Hosea 7:12: Wanneer zij zullen heengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogels van de hemel doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.
[^ezechiel-32-3-b]: Verwijzing b: Ez. 12:13; Ez. 17:20. Ezechiël 12:13: Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.
[^ezechiel-32-3-10]: Kanttekening 10: 10 vele volken: Die in het leger van de Babyloniërs zullen zijn.
[^ezechiel-32-3-11]: Kanttekening 11: 11 Mijn garen: Of, met mijn garen, dat Ik over u uitgespreid heb om u te vangen.
[^ezechiel-32-4-12]: Kanttekening 12: 12 laten op het land: Vergelijk boven Ez. 29:5, met de aantekening. Ezechiël 29:5: En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al de vis van uw rivieren; op het open veld zult u vallen; u zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte van de aarde en aan het gevogelte van de hemel heb Ik u tot voedsel gegeven.
[^ezechiel-32-4-13]: Kanttekening 13: 13 open veld: Hebreeuws, aangezicht van het veld (פְּנֵי).
[^ezechiel-32-4-14]: Kanttekening 14: 14 het gedierte van de gehele aarde van u verzadigen: Vergelijk onder Ez. 39:17, enz. Ezechiël 39:17: U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^ezechiel-32-5-15]: Kanttekening 15: 15 hoogheid vervullen: Dit kan men verstaan van Farao zelf in zijn hoogmoed, vergeleken bij het grote lichaam van een zeedraak, vers 2, of \[gelijk anderen\] zijn verslagen menigte, waarin hij zijne hoogheid tevoren stelde. Ezechiël 32:2: Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hunlieder rivieren.
[^ezechiel-32-6-16]: Kanttekening 16: Met uwe regering nu zo heerst, als een zeedraak in zee.
[^ezechiel-32-6-17]: Kanttekening 17: 17 uw bloed: Van uw eigen en van uw verslagen volk.
[^ezechiel-32-6-18]: Kanttekening 18: 18 drenken tot aan de bergen: Of, te drinken geven.
[^ezechiel-32-7-19]: Kanttekening 19: Gelijk men een kaars, lamp, of vuur uitblust; vergelijk Job 18:5, 18:6, met de aantekening; idem, 2 Sam. 14:7, en 2 Sam. 21:17. Job 18:5: Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren. Job 18:6: Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. 2 Samuël 14:7: En zie, het gehele geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef die hier, die zijn broer geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broers, die hij doodgeslagen heeft, doden, en ook de erfgenaam verdelgen; zo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op de aardbodem. 2 Samuël 21:17: Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg de Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: U zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat u de lamp van Israël niet uitblust.
[^ezechiel-32-7-c]: Verwijzing c: Jes. 13:10; Joël 2:31. Jesaja 13:10: Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Joël 2:31: De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt.
[^ezechiel-32-7-20]: Kanttekening 20: Dat is, de wereld door dit mijn oordeel met schrik vervullen, en alles als in rouw zetten; vergelijk Jes. 13:10; Joël 2:30, 2:31, en boven Ez. 31:15; idem Gen. 15:12, met de aantekening. Jesaja 13:10: Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Joël 2:30: En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. Joël 2:31: De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Ezechiël 31:15: Zo zegt de Heer YHWH: Op de dag als hij naar het dodenrijk nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil de afgrond, en weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^ezechiel-32-8-21]: Kanttekening 21: 21 lichtende lichten aan de hemel: Hebreeuws, lichten van het licht (אוֹר).
[^ezechiel-32-8-22]: Kanttekening 22: 22 maken, spreekt de Heer YHWH: Of, brengen. Hebreeuws, geven, stellen.
[^ezechiel-32-9-23]: Kanttekening 23: 23 verdrietig maken: Of, onlustig, pijnlijk, door de tijding van de val van deze grote koning, en integendeel van de verheffing en grootheid van de Babyloniërs. Het Hebreeuwse woord \[anders toorn betekenende\] wordt ook voor verdriet, pijnlijkheid, treurigheid, onlust genomen, Ps. 6:8, en Ps. 10:14, en Ps. 31:10; Pred. 7:3; Jer. 7:19. Psalmen 6:8: Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders. Psalmen 10:14: U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees. Psalmen 31:10: Wees mij genadig, YHWH! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. Prediker 7:3: Het treuren is beter dan het lachen; want door het verdriet van het aangezicht wordt het hart gebeterd. Jeremia 7:19: Doen zij Mij verdriet aan? spreekt YHWH. Doen zij het zichzelf niet aan, tot beschaming huns aangezichts?
[^ezechiel-32-9-24]: Kanttekening 24: 24 verbreking onder de heidenen zal brengen: Zie Jer. 4:6; dat is, hier, de tijding van uw ondergang. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^ezechiel-32-10-25]: Kanttekening 25: 25 haar over u te berge staan: Gelijk boven Ez. 27:35. Ezechiël 27:35: Alle inwoners van de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.
[^ezechiel-32-10-26]: Kanttekening 26: 26 Mijn zwaard: Gelijk boven Ez. 30:24. Ezechiël 30:24: En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.
[^ezechiel-32-10-27]: Kanttekening 27: Of, zwingen, u door mijn zwaard slaande en nedervellende als voor hunne ogen, dat hun een grote schrik zal aanbrengen, gelijk volgt.
[^ezechiel-32-10-28]: Kanttekening 28: 28 elk ogenblik sidderen: Hebreeuws, zullen in ogenblikken.
[^ezechiel-32-10-29]: Kanttekening 29: Dat is, leven, of persoon, voor zichzelf; vrezende dat het hen of hun leven ook gelden zal; zie Gen. 19:17, en Gen. 12:5. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^ezechiel-32-12-30]: Kanttekening 30: 30 menigte vellen: Vergelijk boven Ez. 29:19. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal zijn menigte wegvoeren, en zijn buit buiten, en zijn roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht.
[^ezechiel-32-12-31]: Kanttekening 31: 31 tirannigste van de heidenen zijn: Gelijk boven Ez. 28:7. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid van uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
[^ezechiel-32-12-d]: Verwijzing d: Ez. 28:7; Ez. 31:12. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ezechiël 31:12: En vreemden, de tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.
[^ezechiel-32-12-32]: Kanttekening 32: 32 hovaardij van Egypte: Of, pracht, heerlijkheid, uitnemendheid, gelijk boven dikwijls.
[^ezechiel-32-12-e]: Verwijzing e: Ez. 31:2; idem v. 18; onder, v. 16. Ezechiël 31:2: Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid? Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 32:16: Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-32-13-33]: Kanttekening 33: 33 beesten verdoen: Hebreeuws, beest, of groot vee, zodat er geen meer aan de grote wateren zullen gaan weiden.
[^ezechiel-32-13-34]: Kanttekening 34: Vergelijk boven Ez. 29:11. Ezechiël 29:11: Geen mensenvoet zal door hetzelfde doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelfde doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn.
[^ezechiel-32-13-35]: Kanttekening 35: 35 zal ze meer beroeren: De wateren. Vergelijk boven vers 2. Ezechiël 32:2: Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hunlieder rivieren.
[^ezechiel-32-14-36]: Kanttekening 36: 36 hunlieder wateren: Van de andere volken, die van Farao beroerd waren, boven vers 2. Ezechiël 32:2: Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hunlieder rivieren.
[^ezechiel-32-14-37]: Kanttekening 37: Dat is, Ik zal de beroerten stillen en de landen in rust brengen, als Ik dit woelwater zal hebben uitgeroeid, gelijk de wateren bestillen en zacht en klaar gaan als het onweer over en de beroerde vuiligheid nedergezonken is. Vergelijk onder Ez. 34:18. Ezechiël 34:18: Is het u te weinig, dat u de goede weide afweidt? Zult u nog het overige van uw weide met uw voeten vertreden? En zult u de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?
[^ezechiel-32-15-38]: Kanttekening 38: 38 woest zijn geworden: Dat is, ontbloot van alles, waarmee het van God tevoren vervuld en versierd was. Vergelijk boven Ez. 19:7. Ezechiël 19:7: Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem van zijn brulling.
[^ezechiel-32-16-39]: Kanttekening 39: 39 Dat is het klaaglied: In het voorgaande verhaald; zie boven vers 2. Ezechiël 32:2: Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hunlieder rivieren.
[^ezechiel-32-16-40]: Kanttekening 40: Het woord zingen is in de zaak zelve ingesloten, \[zie 2 Kron. 35:25\], gelijk het voorgaande Hebreeuwse woord ook een klaaglied betekent, waarvan de klaagliederen van Jeremia de titel voeren. 2 Kronieken 35:25: En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.
[^ezechiel-32-16-41]: Kanttekening 41: 41 dochters van de heidenen: Gelijk de vrouwen in die tijd plachten triomf- en klaagliederen te zingen; zie Jer. 9:17. Jeremia 9:17: Zo zegt YHWH van de legermachten: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.
[^ezechiel-32-17-42]: Kanttekening 42: Zie boven vers 1. Ezechiël 32:1: Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij geschiedde, zeggende:
[^ezechiel-32-17-43]: Kanttekening 43: Versta, van dezelfde twaalfde maand, gelijk vers 1 is uitgedrukt. Ezechiël 32:1: Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij geschiedde, zeggende:
[^ezechiel-32-18-44]: Kanttekening 44: 44 doe ze nederdalen: Dat is, profeteer haar dat zij uit haar staat en ten grave, enz. zal nederdalen; zie Jer. 1:10; Ez. 3:18. Sommigen verstaan het alsof God zei: Geleid haar ten grave, volg haar, gelijk men een lijk doet, met rouwen en weeklagen, tot een teken dat zij zekerlijk er onder zal. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-32-18-45]: Kanttekening 45: 45 prachtige heidenen: Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 8:2. Psalmen 8:2: O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
[^ezechiel-32-18-46]: Kanttekening 46: 46 onderste plaatsen van de aarde: Hebreeuws, de aarde, of het land van de benedenheden (אֶרֶץ); vergelijk Klaagl. 3:55; boven Ez. 26:20, en Ez. 31:14; zo onder vers 24. Klaagliederen 3:55: Koph. YHWH! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit de onderste kuil. Ezechiël 26:20: Dan zal Ik u doen nederdalen met degenen die in de kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen van de aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in de kuil nederdalen, opdat u niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land van de levenden. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen. Ezechiël 32:24: Daar is Elam met haar gehele menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen van de aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land van de levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in de kuil zijn nedergedaald.
[^ezechiel-32-19-47]: Kanttekening 47: 47 Boven wie: Dat is, wie overtreft u al in lieflijkheid of aangenaamheid? De zin is: Meent u dat u schoner en aangenamer bent dan alle andere koningen, dat Ik u meer zou hebben te sparen dan hen? neen \[wil God zeggen\], u moet er ook onder, zowel als zij.
[^ezechiel-32-19-48]: Kanttekening 48: 48 u liefelijk: Koning van Egypte.
[^ezechiel-32-19-49]: Kanttekening 49: 49 leg u: Hebreeuws eigenlijk, wees neergelegd, of gelegen.
[^ezechiel-32-19-50]: Kanttekening 50: Zie boven Ez. 28:10, en Ez. 31:18, en zo van het volgende. Ezechiël 28:10: U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-32-20-51]: Kanttekening 51: Of, liggen, te weten van de Egyptenaars.
[^ezechiel-32-20-52]: Kanttekening 52: 52 zij is aan het zwaard overgegeven: Egypte. Anders: het zwaard is gesteld, of besteld; te weten om haar te slaan; vergelijk boven Ez. 30:24, 30:25. Ezechiël 30:24: En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt. Ezechiël 30:25: Ja, Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarheen vallen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.
[^ezechiel-32-20-53]: Kanttekening 53: 53 trek haar heen: Anders: zij zullen haar trekken, slepen; te weten naar onderen, in het graf, en verder in de plaats van de verstorven goddelozen.
[^ezechiel-32-21-54]: Kanttekening 54: 54 machtigste van de helden: Andere koningen en potentaten, die tevoren zijn omgekomen en in dezelfde plaats heen onder gevaren.
[^ezechiel-32-21-55]: Kanttekening 55: Hem, met zijn volk, als verwelkomende, en zich door zijn aankomst en gezelschap troostende, gelijk van Farao gezegd wordt, onder vers 31; een figuurlijke bespotting. Vergelijk Jes. 14:9. Ezechiël 32:31: Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn gehele menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn gehele legermacht, spreekt de Heer YHWH. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwam; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan.
[^ezechiel-32-21-56]: Kanttekening 56: 56 de onbesnedenen liggen er: Anders: zij liggen met de onbesnedenen.
[^ezechiel-32-22-57]: Kanttekening 57: 57 Assur met haar gansen hoop: Versta, Assyrië; dat is, de Assyriërs, en voornamelijk de koning; zie boven Ez. 31:3, enz. Ezechiël 31:3: Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.
[^ezechiel-32-22-58]: Kanttekening 58: 58 zijn graven zijn rondom hem: Van de koning van Assyrië.
[^ezechiel-32-23-59]: Kanttekening 59: 59 schrik gaven: Door hun trots, macht, geweld en overlast; zo in volgende en boven Ez. 26:17. Ezechiël 26:17: En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe bent u uit de zeeën vergaan, u welbewoonde, u beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden!
[^ezechiel-32-23-60]: Kanttekening 60: 60 land van de levenden: Dat is, hier op aarde, in dit leven. Zie Job 28:13, en Ps. 27;13, zo in het volgende. Job 28:13: De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.
[^ezechiel-32-24-61]: Kanttekening 61: Versta, Perzië en Medië, of een bijzonder landschap daarin, \[zie Gen. 10:22, en Gen. 14:11\], en voornamelijk de koning daarvan. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Genesis 14:11: En zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra, en al hun voedsel, en trokken weg.
[^ezechiel-32-24-62]: Kanttekening 62: 62 zij zijn allen verslagen: De Elamieten.
[^ezechiel-32-24-63]: Kanttekening 63: 63 onderste plaatsen van de aarde: Gelijk boven vers 18. Ezechiël 32:18: Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochters van de prachtige heidenen) in de onderste plaatsen van de aarde, bij degenen, die in de kuil zijn nedergedaald.
[^ezechiel-32-25-64]: Kanttekening 64: Namelijk Elam.
[^ezechiel-32-25-65]: Kanttekening 65: 65 hem zijn haar graven: De Elamietische koning.
[^ezechiel-32-25-66]: Kanttekening 66: 66 van hen gegeven is: Hebreeuws, hunlieder schrik gegeven is, of was.
[^ezechiel-32-25-67]: Kanttekening 67: 67 hij is: De Elamiet, of Elamietische koning.
[^ezechiel-32-25-68]: Kanttekening 68: Hebreeuws, gegeven.
[^ezechiel-32-26-69]: Kanttekening 69: 69 Mesech, en Tubal: Zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^ezechiel-32-26-70]: Kanttekening 70: 70 hem zijn haar graven: De koning van die landen.
[^ezechiel-32-27-71]: Kanttekening 71: Die overwinnend geweest zijnde, met eer en pracht begraven worden; deze daarentegen zijn met schande verslagen en weggestopt. Anders: zouden zij \[de Egyptenaars\] niet liggen bij de helden, enz.? Immers ja. Want waarom zouden zij het beter hebben dan zulke helden, die ook al heen onder gevaren zijn?
[^ezechiel-32-27-72]: Kanttekening 72: 72 dodenrijk zijn nedergedaald: Dat is, ten grave met hunne wapenen, maar verder, naar de ziel, in de plaats van de verdoemden.
[^ezechiel-32-27-73]: Kanttekening 73: Tot een teken van hunne dapperheid; als nog hedendaags wel gebruikelijk is in het begraven.
[^ezechiel-32-27-74]: Kanttekening 74: 74 men gelegd heeft onder hun hoofden: Hebreeuws, zij geleid hebben, gelijk dikwijls, dat is, wie men, naar de gewoonte van die tijd en die landen, de zwaarden onder het hoofd legde, na hun dood, tot een teken van hun dapperheid (רָאשֵׁי).
[^ezechiel-32-27-75]: Kanttekening 75: 75 ongerechtigheid nochtans: Dat is, straf van hun ongerechtigheid; zie Lev. 5:1, en boven Ez. 18:20. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. Ezechiël 18:20: De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zijn.
[^ezechiel-32-27-76]: Kanttekening 76: 76 beenderen is: Die niemand vermits hunne macht en vreeslijkheid, in hun leven heeft durven roeren, moeten in en na hun dood de straf van hun ongerechtigheid dragen, verrottende naar het lichaam en naar de ziel lijdende, met andere onbesnedenen en goddelozen.
[^ezechiel-32-28-77]: Kanttekening 77: 77 U ook zult verbroken worden: U koning Farao.
[^ezechiel-32-29-78]: Kanttekening 78: Judea.
[^ezechiel-32-30-79]: Kanttekening 79: Of, stadhouders, leenmannen, vorsten, prinsen; zie Joz. 13:21. Hebreeuws eigenlijk, overgotene, of gezalfde. Jozua 13:21: En alle steden van de vlakken lands, en het gehele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelke Mozes geslagen heeft, samen met de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners van het land.
[^ezechiel-32-30-80]: Kanttekening 80: Van Syrië en daaromtrent, als Tyriërs en Sidoniërs, \[gelijk volgt\], die allen noordwaarts van Egypte af gelegen waren.
[^ezechiel-32-30-81]: Kanttekening 81: Hebreeuws, Sidoniër. Zie boven Ez. 28:21. Ezechiël 28:21: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
[^ezechiel-32-30-82]: Kanttekening 82: Die zij anderen hebben aangedaan.
[^ezechiel-32-30-83]: Kanttekening 83: 83 uit hun macht voortkwam: Of, vanwege hunne macht. Omdat zij hen door dezelfde niet hebben kunnen behouden.
[^ezechiel-32-31-84]: Kanttekening 84: 84 Farao zal henlieden zien: Vergelijk boven vers 21. Ezechiël 32:21: De machtigste van de helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden van het dodenrijk; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard;
[^ezechiel-32-31-85]: Kanttekening 85: Als hebbende metgezellen in zijne ellende en schande. Zie boven Ez. 31:16. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde.
[^ezechiel-32-32-86]: Kanttekening 86: 86 heb ook Mijn schrik gegeven: Alsof de Heer zei: Het zal mijn tijd ook eens worden, dat Ik de wereld door mijne oordelen verschrik, dan zal Ik mijn schrikkelijke oordelen over Farao en zijn volk gewisselijk uitvoeren. Anders: als Ik mijnen schrik, enz., dan zal hij, enz.

### Ezechiël 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/33.json)

*Door de gelijkenis van een getrouwe wachter in het land stelt God de profeet zijn plicht voor, en die van alle getrouwe leraren, vers 1, 2, enz. Hij toont de morrenden en huichelaars onder de gevangen Joden, dat Hij goed en rechtvaardig handelt met boetvaardigen en afvalligen, en verdedigt de rechtvaardigheid van zijn wegen tegen hun beschuldigingen, 10. De profeet ontvangt het bericht van de verovering en verwoesting van de stad Jeruzalem, en profeteert hoe het de overgeblevenen in het land zal vergaan, 21. Gods oordeel over de huichelachtige vleiers en bespotters van de profeten, 30.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v1)

**2** Mensenkind! spreek tot de[^ezechiel-33-2-1] kinderen van uw volk, en zeg tot hen:[^ezechiel-33-2-2] Wanneer Ik het[^ezechiel-33-2-3] zwaard over enig land breng, en het volk van het land een man uit hun[^ezechiel-33-2-4] einden nemen, en die voor zich tot een wachter stellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v2)

**3** En hij het zwaard ziet[^ezechiel-33-3-5] komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v3)

**4** En een, die het geluid van de bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op[^ezechiel-33-4-6] zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v4)

**5** Hij hoorde het geluid van de bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn[^ezechiel-33-5-7] ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v5)

**6** Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een[^ezechiel-33-6-8] ziel uit hen weg;[^ezechiel-33-6-9] die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn[^ezechiel-33-6-10] bloed zal Ik van de hand van de wachter eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v6)

**7** U nu, o mensenkind![^ezechiel-33-7-11] Ik heb u tot een[^ezechiel-33-7-a] wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v7)

**8** Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand[^ezechiel-33-8-12] eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v8)

**9** Maar als u de goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van die bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v9)

**10** Daarom, u mensenkind! zeg tot het huis van Israël: U spreekt zo, zeggende: Omdat onze overtredingen en onze zonden[^ezechiel-33-10-13] op ons zijn, en wij daarin versmachten, hoe zouden wij dan[^ezechiel-33-10-15] leven?[^ezechiel-33-10-14][^ezechiel-33-10-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v10)

**11** Zeg tot hen:[^ezechiel-33-11-c] Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH,[^ezechiel-33-11-16] zo Ik lust heb in de[^ezechiel-33-11-17] dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve.[^ezechiel-33-11-18] Bekeer u, bekeer u van uw boze wegen, want[^ezechiel-33-11-19] waarom zou u sterven, o huis van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v11)

**12** U dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen van uw volk:[^ezechiel-33-12-d] De gerechtigheid van[^ezechiel-33-12-20] de rechtvaardigen zal[^ezechiel-33-12-21] hem niet redden op de dag van zijn[^ezechiel-33-12-22] overtreding; en voor wat betreft de goddeloosheid van de goddelozen, hij zal daarom niet[^ezechiel-33-12-23] vallen, op de dag als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door zijn gerechtigheid, op de dag als hij zondigt.[^ezechiel-33-12-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v12)

**13** Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij[^ezechiel-33-13-25] zeker leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v13)

**14** Als Ik ook tot de goddeloze zeg: U zult[^ezechiel-33-14-26] de dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v14)

**15** Geef de goddeloze het[^ezechiel-33-15-27] pand weer,[^ezechiel-33-15-28] betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de voorschriften van het leven, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zeker[^ezechiel-33-15-29] leven, hij zal niet sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v15)

**16** Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen[^ezechiel-33-16-30] hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zeker leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v16)

**17** [^ezechiel-33-17-31] Nog zeggen de kinderen van uw volk:[^ezechiel-33-17-e] De weg van YHWH is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v17)

**18** Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v18)

**19** En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v19)

**20** Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht;[^ezechiel-33-20-32] Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v20)

**21** En het gebeurde in het twaalfde jaar[^ezechiel-33-21-33] van onze gevankelijke wegvoering, in de[^ezechiel-33-21-34] tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een[^ezechiel-33-21-35] tot mij[^ezechiel-33-21-f] kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende:[^ezechiel-33-21-g] De[^ezechiel-33-21-36] stad is geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v21)

**22** Nu was de[^ezechiel-33-22-37] hand van YHWH op mij geweest 's avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat[^ezechiel-33-22-38] hij 's morgens tot mij kwam. Zo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer[^ezechiel-33-22-39] stom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v22)

**23** Toen kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v23)

**24** Mensenkind! de[^ezechiel-33-24-40] inwoners van die woeste plaatsen in het land van Israël spreken, zeggende: Abraham was één[^ezechiel-33-24-41] enig man, en bezat dit land erfelijk; maar wij zijn met velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v24)

**25** Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: U eet vlees met het[^ezechiel-33-25-43][^ezechiel-33-25-h] bloed, en[^ezechiel-33-25-44] heft uw ogen op tot uw afgoden, en vergiet bloed;[^ezechiel-33-25-45] en zou u het land erfelijk bezitten?[^ezechiel-33-25-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v25)

**26** U[^ezechiel-33-26-46] staat op uw zwaard; u doet gruwel, en[^ezechiel-33-26-47] verontreinigt, een ieder de huisvrouw van zijn naaste; en zou u het land erfelijk bezitten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v26)

**27** Zo zult u tot hen zeggen: Adonai YHWH zegt zo: Zo waarachtig als Ik leef, als niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet die, die in[^ezechiel-33-27-49] het open veld is, aan het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de[^ezechiel-33-27-50] grotten zijn, door de pest zullen sterven![^ezechiel-33-27-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v27)

**28** Want Ik zal het land tot[^ezechiel-33-28-51] een verwoesting en een schrik stellen, en de hoogmoed van zijn sterkte zal ophouden; en de[^ezechiel-33-28-52] bergen van Israël zullen woest zijn, dat er niemand overga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v28)

**29** Dan zullen zij weten, dat Ik YHWH ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v29)

**30** En u, o mensenkind! de kinderen van uw volk spreken steeds van u bij de[^ezechiel-33-30-53] wanden en in de deuren van de huizen; en de één spreekt met de ander, ieder met zijn broer, zeggende: Kom toch en hoort, wat het woord zij, dat van YHWH voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v30)

**31** En zij[^ezechiel-33-31-i] komen tot u, gelijk het volk[^ezechiel-33-31-54] pleegt te komen, en[^ezechiel-33-31-55] zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij[^ezechiel-33-31-56] maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v31)

**32** En zie, u bent hun als een[^ezechiel-33-32-57] lied van de liefde, als een, die schoon van stem is, of die wel[^ezechiel-33-32-58] speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v32)

**33** Maar als dat[^ezechiel-33-33-59] komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een[^ezechiel-33-33-60] profeet in het midden van hen geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/33.html#v33)

[^ezechiel-33-2-1]: Kanttekening 1: 1 kinderen uws volks: Zie boven Ez. 3:11. Ezechiël 3:11: En ga heen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.
[^ezechiel-33-2-2]: Kanttekening 2: 2 Wanneer Ik: Hebreeuws, een land, wanneer Ik het zwaard over, tegen, of in hetzelfde zal brengen (אֶרֶץ).
[^ezechiel-33-2-3]: Kanttekening 3: 3 het zwaard: Dat is, oorlog, vijandelijken inval, met de aankleve van die, door mijn rechtvaardig oordeel toeschik.
[^ezechiel-33-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, slechtelijk zoveel als uit, of onder hen, of uit hunne frontieren, uiterste grenzen, waar de wachters gemeenlijk gesteld worden om op alle aankomsten te letten. Zie verscheiden gebruik van deze manier van spreken Gen. 47:2; Richt. 18:2; 1 Kon. 12:31; idem Gen. 19:4; Jes. 56:11, in de aantekening. Genesis 47:2: En hij nam een deel van zijn broers, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht. Richteren 18:2: Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten daar. 1 Koningen 12:31: Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. Genesis 19:4: Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het gehele volk, van het uiterste einde af. Jesaja 56:11: En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde.
[^ezechiel-33-3-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws, komende.
[^ezechiel-33-4-6]: Kanttekening 6: 6 op zijn hoofd: Dat is, hij is de oorzaak en draagt de schuld van zijn eigen verderf. Vergelijk Lev. 20:9, met de aantekening, en zo in het volgende. Leviticus 20:9: Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^ezechiel-33-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, leven, of persoon, zichzelf. Zie Gen. 12:5, en Gen. 19:17, met de aantekening. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt.
[^ezechiel-33-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, een persoon, of iemand, gelijk boven.
[^ezechiel-33-6-9]: Kanttekening 9: 9 die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen: Ik heb hem wel door mijn verborgen regering deze straf rechtvaardig toegeschikt, maar dat zal de trouweloze wachter niet ontschuldigen.
[^ezechiel-33-6-10]: Kanttekening 10: Gelijk boven Ez. 3:18. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^ezechiel-33-7-11]: Kanttekening 11: 11 Ik heb u: Vergelijk deze plaats met boven Ez. 3:17, enz. en zie de aantekening daar. Ezechiël 3:17: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^ezechiel-33-7-a]: Verwijzing a: Ez. 3:17. Ezechiël 3:17: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^ezechiel-33-8-12]: Kanttekening 12: Of, zoeken.
[^ezechiel-33-10-13]: Kanttekening 13: 13 op ons zijn: Dat is, wij dragen de straffen van die; vergelijk boven Ez. 32:27; zie Lev. 5:1. Ezechiël 32:27: Maar zij liggen niet met de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die naar het dodenrijk zijn nedergedaald met hun krijgswapenen, en van wie men de zwaarden gelegd heeft onder hun hoofden; van wie de ongerechtigheid nochtans op hun beenderen is, omdat de schrik van de helden in het land van de levenden geweest is. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-33-10-15]: Kanttekening 15: Gelijk U ons belooft, maar \[willen zij zeggen\] wij bevinden het tegendeel inderdaad; zo morden zij over Gods plagen, zonder te letten op hunne bekering, waarop de beloften van het leven gingen.
[^ezechiel-33-10-14]: Kanttekening 14: Volgens Gods dreigementen; vergelijk boven Ez. 24:23; zie daar. Ezechiël 24:23: En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch wenen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een ieder tegen zijn broer zuchten.
[^ezechiel-33-10-b]: Verwijzing b: Ez. 24:23. Ezechiël 24:23: En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch wenen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een iedereen tegen zijn broer zuchten.
[^ezechiel-33-11-c]: Verwijzing c: Ez. 18:23; idem v. 32. Ezechiël 18:23: Zou Ik enigzins lust hebben aan de dood van de goddelozen, spreekt de Heer YHWH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? Ezechiël 18:32: Want Ik heb geen lust aan de dood van de stervenden, spreekt de Heer YHWH; daarom bekeert u en leeft.
[^ezechiel-33-11-16]: Kanttekening 16: 16 zo Ik lust heb: Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk; zie Num. 14:23. Numeri 14:23: Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!
[^ezechiel-33-11-17]: Kanttekening 17: 17 dood van de goddelozen: Gelijk u meent en klaagt dat Ik belust ben om u te doden, ofschoon u u van uwe boosheid bekeerde, alsof het evenveel bij mij is of u u bekeert of niet, hoe u het ook maakt, wel of kwalijk, u moet er evenzeer aan, gelijk goddelozen murmureerders en huichelaars plegen te spreken; vergelijk boven Ez. 18:23, met de aantekening. Ezechiël 18:23: Zou Ik enigzins lust hebben aan de dood van de goddeloze, spreekt de Heer YHWH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?
[^ezechiel-33-11-18]: Kanttekening 18: 18 Bekeert u: Dat is de zaak \[wil God zeggen\] daar schort het u, dat u al in uwe goddeloosheid blijft, en evenwel tegen mijne plagen mort, in plaats dat u u moest bekeren.
[^ezechiel-33-11-19]: Kanttekening 19: 19 waarom zoudt u sterven: Alsof God zei: Hoe blijft u zo dwaas, dat u zich uw eigen verderf op de hals haalt door uw onbekeerlijkheid? Zo u zo wilt voortgaan, kan u toch niet anders overkomen als dat u in uw verkeerdheid zal sterven en verderven. Bedenkt dit toch eens terdege, tot uw eigen beste.
[^ezechiel-33-12-d]: Verwijzing d: Ez. 18:24. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.
[^ezechiel-33-12-20]: Kanttekening 20: Zie boven Ez. 3:20, en Ez. 18:24, met de aantekening. Ezechiël 3:20: Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 18:24: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.
[^ezechiel-33-12-21]: Kanttekening 21: 21 hem niet redden: De voorzegde genoemde en gehouden rechtvaardige.
[^ezechiel-33-12-22]: Kanttekening 22: Of, zijns afvals.
[^ezechiel-33-12-23]: Kanttekening 23: Dat is, omkomen door mijne straffen, waarvan hier eigenlijk gesproken wordt; zie Gen. 14:10. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
[^ezechiel-33-12-24]: Kanttekening 24: Vermeld in dit vers.
[^ezechiel-33-13-25]: Kanttekening 25: 25 zekerlijk leven zal: Hebreeuws, levende leven (חָיֹה); onder voorwaarde van oprechtheid en volharding tot het einde.
[^ezechiel-33-14-26]: Kanttekening 26: 26 de dood sterven: Hebreeuws, stervende sterven (מוֹת); zo u u niet bekeert.
[^ezechiel-33-15-27]: Kanttekening 27: 27 pand weer: Gelijk boven Ez. 18:7. Ezechiël 18:7: En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt;
[^ezechiel-33-15-28]: Kanttekening 28: 28 betaalt hij het geroofde: Zie Ex. 22:1, 22:4; Lev. 6:2, 6:4; Num. 5:6, 5:7. Exodus 22:1: Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. Exodus 22:4: Als de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven. Leviticus 6:2: Als een mens gezondigd, en tegen YHWH door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van wat hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt; Leviticus 6:4: Het zal dan gebeuren, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal de roof, die hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; Numeri 5:6: Spreek tot de kinderen van Israël: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen YHWH, zo is diezelve ziel schuldig. Numeri 5:7: En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weer uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelfder vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het die geven, aan wie hij zich verschuldigd heeft.
[^ezechiel-33-15-29]: Kanttekening 29: 29 zekerlijk leven: Hebreeuws, levende leven (חַיִּים). Zo in vers 16. Ezechiël 33:16: Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.
[^ezechiel-33-16-30]: Kanttekening 30: 30 hem niet gedacht worden: Zie Ps. 79:8. Psalmen 79:8: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
[^ezechiel-33-17-31]: Kanttekening 31: 31 Nog zeggen de kinderen uws volks: Vergelijk boven Ez. 18:25, met de aantekening. Ezechiël 18:25: Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; hoort nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?
[^ezechiel-33-17-e]: Verwijzing e: Ez. 18:25; idem v. 29; onder, v. 20. Ezechiël 18:25: Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; hoort nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht? Ezechiël 18:29: Evenwel zegt het huis van Israël: De weg van YHWH is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis van Israël, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht? Ezechiël 33:20: Nog zegt u: De weg van YHWH is niet recht; Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël!
[^ezechiel-33-20-32]: Kanttekening 32: 32 Ik zal u richten: Dit is een kort en bondig goddelijk besluit van dit gehele dispuut tussen God en zijn onboetvaardig murmurerende volk.
[^ezechiel-33-21-33]: Kanttekening 33: 33 van ons gevankelijke wegvoering: Met Jojachin of Jechonia. Vergelijk boven Ez. 1:2, en Ez. 24:1, en onder Ez. 40:1; Jer. 29:10, met de aantekening. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 24:1: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende: Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen. Jeremia 29:10: Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^ezechiel-33-21-34]: Kanttekening 34: 34 tiende maand: In het kerkelijk jaar genoemd Tebeth, passende op onze December en Januari; nadat Jeruzalem op de negende van de vierde maand van het vorige jaar door de koning van Babel, in het negentiende jaar van zijn regering, was gewonnen, en zijn overste Nebuzaradan op de zevende van de vijfde maand daar binnen was getogen; 2 Kon. 25:3, 25:8; Jer. 39:2. 2 Koningen 25:3: Op de negende van de vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had, 2 Koningen 25:8: Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de trawanten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem. Jeremia 39:2: In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad doorgebroken.
[^ezechiel-33-21-35]: Kanttekening 35: 35 tot mij kwam: Volgens Gods voorzegging, boven Ez. 24:26. Ezechiël 24:26: Dat tenzelfden dage een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen?
[^ezechiel-33-21-f]: Verwijzing f: Ez. 24:26. Ezechiël 24:26: Dat tenzelfden dage een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen?
[^ezechiel-33-21-g]: Verwijzing g: 2 Kon. 25.
[^ezechiel-33-21-36]: Kanttekening 36: 36 stad is geslagen: Jeruzalem is ingenomen en verwoest, en velen van de inwoners zijn omgebracht; zo 1 Sam. 30:1; 2 Sam. 15:14; 2 Kon. 3:19; 1 Kron. 20:1, en onder Ez. 40:1; vergelijk Jer. 43:11, en Jer. 46:13, en Jer. 47:1, enz. 1 Samuël 30:1: Het geschiedde nu, als David en zijn mannen de derde dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelfde met vuur verbrand hadden; 2 Samuël 15:14: Zo zei David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vluchten, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte van het zwaard. 2 Koningen 3:19: En u zult alle vaste steden, en alle uitgelezene steden slaan, en zult alle goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken lands zult u met stenen verderven. 1 Kronieken 20:1: Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst van het jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze. Ezechiël 40:1: In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op diezelfde dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen. Jeremia 43:11: En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde. Jeremia 46:13: Het woord, dat YHWH tot de profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypteland te slaan. Jeremia 47:1: Het woord van YHWH, dat tot de profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; voordat Farao Gaza sloeg.
[^ezechiel-33-22-37]: Kanttekening 37: 37 hand van YHWH op mij geweest van de avond: Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-33-22-38]: Kanttekening 38: 38 hij van de morgen: De voorzegde boodschapper.
[^ezechiel-33-22-39]: Kanttekening 39: Gelijk hem ook van de Heer was voorzegd, boven Ez. 24:27; vergelijk Ez. 3:26, met de aantekening. Ezechiël 24:27: Ten zelven dage zal uw mond bij die, die ontkomen is, opengedaan worden, en u zult spreken, en niet meer stom zijn; zo zult u hun tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 3:26: En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een opstandig huis.
[^ezechiel-33-24-40]: Kanttekening 40: 40 inwoners van die woeste plaatsen: Die overgebleven zijn in het verwoeste Kanaän, nadat Jeruzalem verheerd, het meeste volk weggevoerd en het land verwoest was door de Babyloniërs.
[^ezechiel-33-24-41]: Kanttekening 41: 41 enig man: Alsof zij zeiden: God heeft Abraham dit land niet beloofd om zijnentwil, want hij had zo groot land niet nodig, en heeft het ook nooit geheel bewoond, maar om zijne kinderen en nakomelingen, die wij nu zijn. \[Vergelijk Jes. 51:2; Joh. 8:33, enz.\] En of wij nu wel minder zijn in getal dan tevoren, evenwel zijn wij de rechte erfgenamen en zullen er wil inblijven. Zo vertwijfeld hardnekkig waren deze mensen, niettegenstaande zij Gods straffende hand voor ogen zagen. Jesaja 51:2: Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die u gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. Johannes 8:33: Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U dan: U zult vrij worden?
[^ezechiel-33-25-43]: Kanttekening 43: Tegen de wet; Gen. 9:4; Lev. 7:26, en Lev. 17:10, en Lev. 19:26; Deut. 12:16. Genesis 9:4: Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 7:26: Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Leviticus 19:26: U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen. Deuteronomium 12:16: Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water.
[^ezechiel-33-25-h]: Verwijzing h: Gen. 9:4; Lev. 3:17. Genesis 9:4: Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. Leviticus 3:17: Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten.
[^ezechiel-33-25-44]: Kanttekening 44: 44 heft uw ogen op tot uw drekgoden: Zie boven Ez. 18:6. Ezechiël 18:6: Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;
[^ezechiel-33-25-45]: Kanttekening 45: 45 en zoudt u het land erfelijk bezitten: In geen geval, wil God zeggen: Ik heb u het land beloofd met voorwaarde van gehoorzaamheid, maar uwe ongehoorzaamheid is openbaar, gelijk het voorgaande en volgende uitwijst.
[^ezechiel-33-25-42]: Kanttekening 42: 42 U eet vlees: Of, zoudt u, enz. of omdat u bloed eet, en zo in de volgende woorden.
[^ezechiel-33-26-46]: Kanttekening 46: 46 staat op ulieder zwaard: Of, hebt gestaan; dat is, vertrouwd op uwe strijdbaarheid, menende u daardoor in het land staande te houden; of u bent steeds gereed met uwe zwaarden, als degenen, die hunne naasten geweld willen aandoen; vergelijk de manier van spreken met boven Ez. 31:14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen.
[^ezechiel-33-26-47]: Kanttekening 47: Door onkuisheid en overspel.
[^ezechiel-33-27-49]: Kanttekening 49: 49 open veld is: Hebreeuws, aangezicht van het veld (פְּנֵי).
[^ezechiel-33-27-50]: Kanttekening 50: 50 spelonken zijn: Waar zij zich menen te bergen en te verzekeren; zie Richt. 6:2, met de aantekening. Richteren 6:2: Als nu de hand van de Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen van Israël, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.
[^ezechiel-33-27-48]: Kanttekening 48: 48 Zo waarachtig als Ik leef: Manier van eedzweren, gelijk boven vers 11. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël?
[^ezechiel-33-28-51]: Kanttekening 51: 51 verwoesting en een schrik stellen: Of, tot de uiterste, of tot enkel verwoesting, of ontzetting. Of tot verwoestingen, of ja verwoesting; zo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van verwoesten, en zich ontzetten, schrikken; zo onder Ez. 35:3, 35:7. Ezechiël 35:3: En zeg tot hetzelfde: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een strik. Ezechiël 35:7: En Ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelfde uitroeien die, die er doorgaat, en die, die terugkeert.
[^ezechiel-33-28-52]: Kanttekening 52: 52 bergen Israëls: Israëls bergachtig land.
[^ezechiel-33-30-53]: Kanttekening 53: 53 wanden en in de deuren van de huizen: Gelijk naburen, aan de wanden van de huizen en in de deuren, met elkaar een praatje plegen te houden.
[^ezechiel-33-31-i]: Verwijzing i: Ez. 14:1; Ez. 20:1. Ezechiël 14:1: Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neder voor mijn aangezicht. Ezechiël 20:1: En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van hen maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om YHWH te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
[^ezechiel-33-31-54]: Kanttekening 54: 54 pleegt te komen: Met menigte in de heilige vergaderingen om Gods woord te horen. Hebreeuws, gelijk de inkomst van het volk (עָם).
[^ezechiel-33-31-55]: Kanttekening 55: 55 zitten voor uw aangezicht: Vergelijk boven Ez. 8:1. Ezechiël 8:1: Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand van de Heer YHWH daar over mij viel.
[^ezechiel-33-31-56]: Kanttekening 56: 56 maken liefkozingen met hun mond: Dat is, zij vleien u, roemende uwe profetieën met huichelachtige gemaakte gebaren, vanwege hun sierlijkheid, alsof zij zeiden: Ei, o, hoe schoon, hoe fraai spreekt hij, enz. Anders: zij maken dezelfde \[woorden\] lieflijk met hun mond; dat is, zij bekennen met de mond dat uwe woorden lieflijk zijn, maar enz., de zin op een uitkomende.
[^ezechiel-33-32-57]: Kanttekening 57: 57 lied van de minnen: Of, boelenlied, dat lieflijk luidt, of vol lieflijkheid is.
[^ezechiel-33-32-58]: Kanttekening 58: Op instrumenten van muziek, gelijk Ps. 33:3. Psalmen 33:3: Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
[^ezechiel-33-33-59]: Kanttekening 59: 59 komt (zie, het zal komen!: Dat u hun van mijnentwege hebt geprofeteerd.
[^ezechiel-33-33-60]: Kanttekening 60: Een waarachtig profeet van God gezonden.

### Ezechiël 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/34.json)

*Profetie tegen de slechte herders van Gods volk, vers 1, 2, enz. God belooft zijn schapen zelf op te zoeken, te redden en goed te weiden, met onderscheid tussen schaap en schaap, rammen en bokken, 10. Daartoe zal Hij de Opperste Herder en Vorst van zijn Kerk verwekken en zenden, Jezus Christus, onder wie zijn schapen gezegend en gelukzalig zullen zijn, 23.*

**1** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v1)

**2** Mensenkind! profeteer tegen de[^ezechiel-34-2-a] herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de[^ezechiel-34-2-1] herders: Zo zegt Adonai YHWH: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden![^ezechiel-34-2-2] zullen niet de herders de schapen weiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v2)

**3** U eet het[^ezechiel-34-3-3] vette, en bekleedt u met de wol, u[^ezechiel-34-3-4] slacht het gemeste, maar de schapen weidt u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v3)

**4** De[^ezechiel-34-4-5] zwakke sterkt u niet, en het zieke heelt u niet, en het gebrokene verbindt u niet, en het weggedrevene brengt u niet weer, en het[^ezechiel-34-4-6] verlorene zoekt u niet; maar u heerst over hen[^ezechiel-34-4-b] met[^ezechiel-34-4-7] strengheid en met hardheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v4)

**5** Zo zijn zij verstrooid, omdat[^ezechiel-34-5-8] er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden, omdat zij verstrooid waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v5)

**6** Mijn schapen dolen op alle bergen en op alle hoge heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid[^ezechiel-34-6-9] op de hele aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v6)

**7** Daarom, u herders! hoort het woord van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v7)

**8** Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH,[^ezechiel-34-8-10] zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen voor al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v8)

**9** Daarom, u herders! hoort het woord van YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v9)

**10** Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-34-10-11] wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand[^ezechiel-34-10-12] eisen, en zal ze van het weiden van de schapen doen[^ezechiel-34-10-13] ophouden, zodat de herders zichzelf niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot voedsel zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v10)

**11** Want zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v11)

**12** [^ezechiel-34-12-14] Gelijk een herder zijn kudde opzoekt,[^ezechiel-34-12-15] op de dag als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolk en van de donkerheid[^ezechiel-34-12-16]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v12)

**13** En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal[^ezechiel-34-13-c] ze verzamelen uit de landen, en brengen ze in hun[^ezechiel-34-13-17] land; en Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v13)

**14** Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de[^ezechiel-34-14-18] hoge bergen van Israël zal hun kooi zijn; daar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v14)

**15** Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v15)

**16** Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik teruggeven, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het[^ezechiel-34-16-19] vette en het sterke zal Ik vernietigen, Ik zal ze weiden met[^ezechiel-34-16-20] oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v16)

**17** Want u, o Mijn schapen! Adonai YHWH zegt zo: Zie, Ik zal richten tussen[^ezechiel-34-17-21] klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v17)

**18** Is het u te weinig, dat u de goede weide afweidt? Zult u nog het overige van uw weide met uw voeten vertreden? En zult u de bezonken wateren[^ezechiel-34-18-22] drinken, en de[^ezechiel-34-18-23] overgelatene met uw voeten vermodderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v18)

**19** [^ezechiel-34-19-24] Mijn schapen dan, zullen zij[^ezechiel-34-19-25] afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v19)

**20** Daarom zegt Adonai YHWH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het[^ezechiel-34-20-27] vette klein vee, en tussen het magere klein vee.[^ezechiel-34-20-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v20)

**21** Omdat u al de zwakken met de zijde en met de schouder[^ezechiel-34-21-28] verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat u ze naar buiten toe verstrooid hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v21)

**22** Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v22)

**23** En Ik zal één enige[^ezechiel-34-23-d] Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk[^ezechiel-34-23-29][^ezechiel-34-23-e] Mijn knecht[^ezechiel-34-23-f] David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v23)

**24** En Ik, YHWH, zal hun tot een[^ezechiel-34-24-30] God zijn; en Mijn knecht David zal[^ezechiel-34-24-31][^ezechiel-34-24-g] Vorst zijn in[^ezechiel-34-24-32] het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v24)

**25** En Ik zal een[^ezechiel-34-25-33] verbond van[^ezechiel-34-25-34] de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen[^ezechiel-34-25-35] zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v25)

**26** Want Ik zal hen, en de plaatsen rondom Mijn heuvel[^ezechiel-34-26-36], stellen tot een[^ezechiel-34-26-37] zegen; en Ik zal de plasregen doen neerdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v26)

**27** En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn[^ezechiel-34-27-38] inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik de[^ezechiel-34-27-39] disselbomen van hun juk zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand van degenen, die zich van hen[^ezechiel-34-27-40] deden dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v27)

**28** En zij zullen de heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte van de aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v28)

**29** En Ik zal hun een[^ezechiel-34-29-41] plant van[^ezechiel-34-29-42] naam verwekken; en zij zullen niet meer[^ezechiel-34-29-43] weggeraapt worden door honger in het land, en[^ezechiel-34-29-h] de[^ezechiel-34-29-44] smaad van de heidenen niet meer dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v29)

**30** Maar zij zullen weten, dat Ik, YHWH, hun God,[^ezechiel-34-30-45] met hen ben, en[^ezechiel-34-30-46] dat zij Mijn volk zijn, het[^ezechiel-34-30-47] huis van Israël, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v30)

**31** U nu, o[^ezechiel-34-31-i] Mijn schapen, schapen van Mijn weide! u bent[^ezechiel-34-31-48] mensen; maar Ik ben uw God, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/34.html#v31)

[^ezechiel-34-2-a]: Verwijzing a: Jer. 23:1. Jeremia 23:1: Wee de herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt YHWH.
[^ezechiel-34-2-1]: Kanttekening 1: Kerkelijke en staatkundige regeerders van mijn volk; vergelijk deze profetie met Jer. 23.
[^ezechiel-34-2-2]: Kanttekening 2: 2 zullen niet de herders de schapen weiden: Behoren zij niet met hun eerlijk onderhoud tevreden zijnde voornamelijk op hunne kudde te passen? Immers ja, ganselijk, wil God zeggen.
[^ezechiel-34-3-3]: Kanttekening 3: Gelijk van de schapen komt melk, boter, kaas, enz.; vergelijk Zach. 11:16. Zacharia 11:16: Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en hun klauwen zal hij verscheuren.
[^ezechiel-34-3-4]: Kanttekening 4: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 31:54. Genesis 31:54: Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^ezechiel-34-4-5]: Kanttekening 5: Versta, schapen, en zo in het volgende.
[^ezechiel-34-4-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, vergaande, verloren gaande; dat is, dat verbijstert, verdwaalt en in gevaar is van te vergaan. Vergelijk Deut. 26:5. Deuteronomium 26:5: Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
[^ezechiel-34-4-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 5:3. 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heern, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^ezechiel-34-4-7]: Kanttekening 7: 7 strengheid en met hardheid: Vergelijk 1 Petr. 5:3; idem Ex. 1:13, 1:14; onder vers 27, en Jer. 22:13, enz. 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde. Exodus 1:13: En de Egyptenaars deden de kinderen van Israël dienen met hardheid; Exodus 1:14: Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid. Ezechiël 34:27: En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen. Jeremia 22:13: Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^ezechiel-34-5-8]: Kanttekening 8: 8 geen herder is: Die hen recht weidde en bezorgde; noch geestelijk, door gezonde en heilzame lering, noch lichamelijk, door vaderlijke en vrome regering, maar in alles was het tegendeel; waardoor het volk in geloof en leven geheel bedorven, en zo in Gods zwaren toorn vervallen, en verder met allerlei ellenden zo ernstig geplaagd is; van welk alles de boze herders de grootste schuld hebben, gelijk volgt.
[^ezechiel-34-6-9]: Kanttekening 9: 9 op de gansen aardbodem: Of, in het gehele land.
[^ezechiel-34-8-10]: Kanttekening 10: 10 zo Ik niet: Dit is een bijzonderlijke afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk \[gelijk elders dikwijls\] die men aanvullen moet uit vers 10. Alsof de Heer zei: Zo Ik hen niet straffe! Mij niet tegen hen stelle enz. Zie Num. 14:23. Zulks is ook in onze taal \[en andere\] zeer gebruikelijk bij goede en kwade mensen. Zo ik dit of dat doe, zo ik dit of dat niet doe, enz. zo moet, enz. Vergelijk ook Gen. 14:23, enz. Ezechiël 34:10: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelf niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot voedsel zullen zijn. Numeri 14:23: Zo zij het land, dat Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! Genesis 14:23: Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
[^ezechiel-34-10-11]: Kanttekening 11: Zie boven Ez. 13:8. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-34-10-12]: Kanttekening 12: Gelijk boven Ez. 3:18. Zie Gen. 42:22. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Genesis 42:22: En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!
[^ezechiel-34-10-13]: Kanttekening 13: Dat is, Ik zal hen van hun staat afzetten, omdat zij slechts de blote naam, maar niet de daad van herders hebben.
[^ezechiel-34-12-14]: Kanttekening 14: 14 Gelijk een herder zijn kudde opzoekt: Hebreeuws, naar de opzoeking van een herder, gelijk elders.
[^ezechiel-34-12-15]: Kanttekening 15: 15 ten dage: Ten tijde als de kudde jammerlijk verstrooid is, en Hij komt om bezoeking te doen en te zien wie er ontbreekt en waar zij mogen zijn, om dezelfde weer bijeen te brengen.
[^ezechiel-34-12-16]: Kanttekening 16: 16 op de dag van de wolke en van de donkerheid: Dat is, ten tijde van de droevige ellenden, waarmee Ik hen rechtvaardiglijk bezocht heb. Vergel. Joël 2:2 met de aantekening. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
[^ezechiel-34-13-c]: Verwijzing c: Ez. 28:25. Ezechiël 28:25: Zo zegt de Heer YHWH: Als Ik het huis van Israël zal vergaderd hebben uit de volken, onder die zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen van de heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob gegeven heb.
[^ezechiel-34-13-17]: Kanttekening 17: Lichamelijk uit Babel, enz. in het land Kanaän en geestelijk tot mijne kerk door de Messias, enz.
[^ezechiel-34-14-18]: Kanttekening 18: 18 hoge bergen Israëls: Hebreeuws, op de bergen van de hoogte Israëls (הָרֵי).
[^ezechiel-34-16-19]: Kanttekening 19: 19 het vette en het sterke: Dat is, die door hun rijkdom en macht weelderig en dartel zijn geworden, rebellerende tegen mij gelijk Deut. 32:15, en hunne broers onderdrukkende. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 22:30; Jes. 5:17, en Jes. 10:16; Amos 4:1, met de aantekening, enz. Psalmen 22:30: Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Jesaja 5:17: En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen van de vetten eten. Jesaja 10:16: Daarom zal de Heer YHWH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur. Amos 4:1: Hoort dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; u, die tot hunlieder heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.
[^ezechiel-34-16-20]: Kanttekening 20: Of, Ik zal ze recht, bescheidenlijk weiden. Vergelijk Jer. 10:24. Jeremia 10:24: Kastijd mij, YHWH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt.
[^ezechiel-34-17-21]: Kanttekening 21: 21 klein vee en klein vee: Versta, van schapen of geiten. Zie Num. 15:11; Deut. 14:4, en Deut. 17:1, enz. De mening is: Ik zal de oprechte gelovigen van de huichelaars, die in mijne kerk zijn, onderscheiden, en hen van het geweld van de valse broers verlossen. Zo onder vers 22. Vergelijk boven Ez. 20:37, 20:38; Matt. 25:32, enz. Numeri 15:11: Zo zal gedaan worden met de enen os, of met de enen ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten. Deuteronomium 14:4: Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten; Deuteronomium 17:1: U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel. Ezechiël 34:22: Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. Ezechiël 20:37: En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band van het verbond. Ezechiël 20:38: Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit u uitzuiveren; Ik zal hen uit het land van hun vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israëls niet wederkomen, en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Mattheüs 25:32: En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
[^ezechiel-34-18-22]: Kanttekening 22: 22 bezonkene wateren: Hebreeuws, de zinking, of het gezonkene van de wateren; dat is, klare wateren, waarvan de vuiligheid neergezet en op de grond gezonken is; vergelijk boven Ez. 32:14. Ezechiël 32:14: Dan zal Ik hunlieder wateren doen zinken, en Ik zal hunlieder rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heer YHWH:
[^ezechiel-34-18-23]: Kanttekening 23: Als u genoeg gedronken hebt van het klare water, dan de rest vuil maken voor een ander; alsof de Heer zei: Het is onverdragelijk dat u, mijnen zegen zo overvloediglijk genietende, daarmede nog niet tevreden bent, maar moet daarenboven uw arme en zwakke medebroers het weinige, dat voor hen zou zijn, bederven en onnut maken.
[^ezechiel-34-19-24]: Kanttekening 24: 24 Mijn schapen dan: Met verfoeiing van de onbillijkheid gesproken.
[^ezechiel-34-19-25]: Kanttekening 25: 25 wat met uw voeten vertreden is: Hebreeuws, de vertreding van uw voeten (רַגְלֵי). Idem, de vermoddering van uw voeten.
[^ezechiel-34-20-27]: Kanttekening 27: 27 vette klein vee: Zie boven vers 16. Ezechiël 34:16: Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.
[^ezechiel-34-20-26]: Kanttekening 26: Of, van.
[^ezechiel-34-21-28]: Kanttekening 28: Hebreeuws, stoot; dat is, kwetst met drukken en dringen, dat zij bij u niet kunnen duren.
[^ezechiel-34-23-d]: Verwijzing d: Jes. 40:11; Joh. 10:11. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
[^ezechiel-34-23-29]: Kanttekening 29: 29 knecht David: De Messias, onze Heer Jezus Christus, Davids Zoon naar het vlees, en de knecht van de Vader naar zijn Middelaarsambt. Zie Jes. 42:1, en verder 2 Sam. 22:51; Jer. 23:5, en Jer. 30:9, en vergelijk Jes. 40:11, onder Ez. 37:24; Joh. 10:11, enz.; Hebr. 13:20; 1 Petr. 2:25, en 1 Petr. 5:4. Jesaja 42:1: Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. 2 Samuël 22:51: Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 30:9: Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Ezechiël 37:24: En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Hebreeën 13:20: De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwig testament, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heer Jezus Christus, 1 Petrus 2:25: Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^ezechiel-34-23-e]: Verwijzing e: Jes. 42:1; Jes. 50:10; Jes. 52:13; Jes. 53:11. Jesaja 42:1: Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Jesaja 50:10: Wie is er onder u, die YHWH vreest, die naar de stem Zijn Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam van YHWH, en steune op zijn God. Jesaja 52:13: Ziet, Mijn Knecht zal verstandig handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. Jesaja 53:11: Om de arbeid Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
[^ezechiel-34-23-f]: Verwijzing f: Jer. 30:9. Jeremia 30:9: Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal.
[^ezechiel-34-24-30]: Kanttekening 30: Dat is, Heiland. Zie Gen. 17:7; Lev. 18:2, en dat door zijn Zoon, die Hij ons tot een profeet, priester en koning gegeven heeft. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Leviticus 18:2: Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Ik ben YHWH, uw God!
[^ezechiel-34-24-31]: Kanttekening 31: Of, prins. Vergelijk Joz. 5:14, 5:15; Jes. 9:5; Hand. 5:31. Jozua 5:14: En Hij zei: Nee, maar Ik ben de Vorst van de legermacht van YHWH: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zei tot Hem: Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht? Jozua 5:15: Toen zei de Vorst van de legermacht van YHWH tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig. En Jozua deed zo. Jesaja 9:5: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Handelingen 5:31: Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden.
[^ezechiel-34-24-g]: Verwijzing g: Jes. 55:4. Jesaja 55:4: Ziet, Ik heb hem tot een getuige van de volken gegeven, een vorst en gebieder van de volken.
[^ezechiel-34-24-32]: Kanttekening 32: 32 midden van hen: Vergelijk Matt. 18:20, en Matt. 28:20; Openb. 1:13. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. Mattheüs 28:20: En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. Openbaring 1:13: En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;
[^ezechiel-34-25-33]: Kanttekening 33: Zie Jer. 31:31. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
[^ezechiel-34-25-34]: Kanttekening 34: Zie Gen. 37:14; Richt. 6:24, en vergelijk Jes. 11:6, 11:9, en Jes. 35:9; Jer. 33:6, 33:9, onder Ez. 37:26; Hos. 2:18. Genesis 37:14: En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord terug. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem. Richteren 6:24: Toen bouwde Gideon daar YHWH een altaar, en noemde het: YHWH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de Abi-ezrieten. Jesaja 11:6: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de gehele berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Jesaja 35:9: Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. Jeremia 33:6: Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. Jeremia 33:9: En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke. Ezechiël 37:26: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. Hosea 2:18: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
[^ezechiel-34-25-35]: Kanttekening 35: Hebreeuws, in zekerheid, of vertrouwen, gelijk vers 27, 34:28, en elders dikwijls. Ezechiël 34:27: En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen. Ezechiël 34:28: En zij zullen de heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte van de aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.
[^ezechiel-34-26-36]: Kanttekening 36: Te weten woestijn en wouden, waarin mijne schapen legeren, waarop het voorgaande en volgende schijnt te zien; of dezelfde, te weten schapen.
[^ezechiel-34-26-37]: Kanttekening 37: Dat is, met mijn goddelijken zegen zo overvloediglijk begenadigen, dat zij als louter zegen en een voorbeeld daarvan zullen zijn. Vergelijk Gen. 12:2, met de aantekening. De geestelijke zegeningen worden hier door lichamelijke afgebeeld. Vergelijk Joël 2:23. Genesis 12:2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Joël 2:23: En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in YHWH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen nederdalen, de vroegen regen en de spaden regen in de eerste maand.
[^ezechiel-34-27-38]: Kanttekening 38: 38 inkomst geven: Vergelijk Lev. 26:4. Leviticus 26:4: Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven;
[^ezechiel-34-27-39]: Kanttekening 39: Zie Jer. 27:2, en versta hier het geestelijke juk van de slavernij onder de Satan en de zonde. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.
[^ezechiel-34-27-40]: Kanttekening 40: 40 deden dienen: Of, die hen dwongen te dienen; zie Jer. 22:13, en Jer. 25:14, met de aantekening. Jeremia 22:13: Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet! Jeremia 25:14: Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen.
[^ezechiel-34-29-41]: Kanttekening 41: De Heer Jezus Christus; vergelijk Jer. 23:5, met de aantekening. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
[^ezechiel-34-29-42]: Kanttekening 42: 42 van naam: Dat is, vermaarde, beroemde. Vergelijk de manier van spreken met Gen. 6:4. Of, een plant tot enen naam; dat is, die tot een naam \[dat is, roem\] zal zijn. Vergelijk Deut. 26:19; Jer. 33:9, en onder Ez. 39:13, met de aantekening. Genesis 6:4: In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. Deuteronomium 26:19: Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft. Jeremia 33:9: En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke. Ezechiël 39:13: Ja, al het volk van het land zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, op de dag als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-34-29-43]: Kanttekening 43: 43 weggeraapt worden: Hebreeuws eigenlijk, verzameld; zie van zulk een gebruik van het Hebreeuwse woord Ps. 26:9. Anders: verteerd. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^ezechiel-34-29-h]: Verwijzing h: Ez. 36:6. Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt;
[^ezechiel-34-29-44]: Kanttekening 44: 44 smaad van de heidenen: Of, schande, schaamroodheid, die u van de heidenen is aangedaan; vergelijk onder Ez. 36:6, 36:7, 36:15. Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt; Ezechiël 36:7: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen! Ezechiël 36:15: En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-34-30-45]: Kanttekening 45: 45 met hen ben: Zie Gen. 21:22. Genesis 21:22: Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, samen met Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^ezechiel-34-30-46]: Kanttekening 46: 46 dat zij Mijn volk zijn: Versta, \[uit het voorgaande\] zij \[de schapen\] zullen weten dat zij mijn volk zijn; zie Deut. 7:6. Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^ezechiel-34-30-47]: Kanttekening 47: 47 huis van Israël: Mijn ware kerk; zie Gal. 6:16, enz. Galaten 6:16: En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^ezechiel-34-31-i]: Verwijzing i: Joh. 10:11. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
[^ezechiel-34-31-48]: Kanttekening 48: Opdat de grote ongelijkheid, die daar is tussen die grote God en ons nietige mensen, ons niet afschrikke, noch de consciëntie en bevinding van ons onvermogen ons versaagd make, zo verzekert ons God hier met een zeer lieflijke aanspraak, dat Hij, niettegenstaande zulks alles, dat beloofde genadewerk aan zijne schapen zal voltooien, alsof Hij zei: Weest getroost en goedsmoeds, u mijn lieve schaapjes, Ik ben en blijf uw Heiland. Vergelijk Joh. 10:28, 10:29. Johannes 10:28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Johannes 10:29: Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader.

### Ezechiël 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/35.json)

*Profetie over de uiterste verwoesting van de Edomieten, om hun voortdurende bittere haat en lasteringen tegen Gods volk, en hun vreugde over diens ellende.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-35-2-1] zet uw aangezicht tegen[^ezechiel-35-2-2] het gebergte Seïr, en profeteer daartegen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v2)

**3** En zeg daartoe: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-35-3-3] wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn[^ezechiel-35-3-4] hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een[^ezechiel-35-3-5] verwoesting en een strik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v3)

**4** Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en u zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v4)

**5** Omdat u een[^ezechiel-35-5-6] eeuwige[^ezechiel-35-5-a] vijandschap hebt, en hebt de Israëlieten doen[^ezechiel-35-5-7] wegvloeien door[^ezechiel-35-5-8] het geweld van het zwaard, ten tijde[^ezechiel-35-5-9] van hun verderf, ten tijde van[^ezechiel-35-5-10] de uiterste ongerechtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v5)

**6** Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH; Ik zal u voorzeker ten[^ezechiel-35-6-11] bloede bereiden, en het[^ezechiel-35-6-12] bloed zal u vervolgen; zo u het[^ezechiel-35-6-13] bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v6)

**7** En Ik zal het gebergte Seïr tot de[^ezechiel-35-7-14] uiterste verwoesting stellen; en Ik zal daaruit uitroeien die,[^ezechiel-35-7-15] die er doorgaat, en die, die terugkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v7)

**8** En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen;[^ezechiel-35-8-16] uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen,[^ezechiel-35-8-17] daarin zullen de verslagenen van het zwaard[^ezechiel-35-8-18] liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v8)

**9** [^ezechiel-35-9-19] Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet[^ezechiel-35-9-20] bewoond worden; zo zult u weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v9)

**10** Omdat u zegt: Die[^ezechiel-35-10-21] twee volken en die twee landen zullen mij geworden,[^ezechiel-35-10-b] en[^ezechiel-35-10-22] wij zullen ze[^ezechiel-35-10-23] erfelijk bezitten, hoewel YHWH daar was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v10)

**11** Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai YHWH: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw afgunst,[^ezechiel-35-11-24] die u uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij[^ezechiel-35-11-25] hen bekend worden, wanneer Ik u zal[^ezechiel-35-11-26] gericht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v11)

**12** En u zult weten,[^ezechiel-35-12-27] dat Ik, YHWH, al uw lasteringen gehoord heb, die u tegen de bergen van Israël gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons tot voedsel gegeven.[^ezechiel-35-12-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v12)

**13** Zo hebt u zich met uw mond tegen Mij[^ezechiel-35-13-29] groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij[^ezechiel-35-13-30] vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v13)

**14** Zo zegt Adonai YHWH: Gelijk het hele land verblijd is,[^ezechiel-35-14-32] zo zal Ik u de verwoesting aandoen.[^ezechiel-35-14-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v14)

**15** [^ezechiel-35-15-33] Gelijk u zich verblijd hebt over de[^ezechiel-35-15-34] erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en[^ezechiel-35-15-35] geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/35.html#v15)

[^ezechiel-35-2-1]: Kanttekening 1: 1 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde;
[^ezechiel-35-2-2]: Kanttekening 2: Het bergachtige land van de Edomieten, Ezau's nakomelingen. Zie boven Ez. 25:8, 25:12, enz. Ezechiël 25:8: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen; Ezechiël 25:12: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:
[^ezechiel-35-3-3]: Kanttekening 3: 3 wil aan u: Gelijk boven Ez. 13:8. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-35-3-4]: Kanttekening 4: 4 hand tegen u uitstrekken: Zie boven Ez. 14:9. Ezechiël 14:9: Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, YHWH, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
[^ezechiel-35-3-5]: Kanttekening 5: 5 en een schrik: Of, tot de uiterste verwoesting, of ontzetting, of verwoesting en verwoesting, gelijk boven Ez. 33:28, en hier onder vers 7. Ezechiël 33:28: Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij van zijn sterkte zal ophouden; en de bergen Israëls zullen woest zijn, dat er niemand overga. Ezechiël 35:7: En Ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelfde uitroeien die, die er doorgaat, en die, die terugkeert.
[^ezechiel-35-5-6]: Kanttekening 6: 6 eeuwige vijandschap: Hebreeuws, vijandschap van de eeuwigheid (עוֹלָם); te weten tegen mijn volk; vergelijk boven Ez. 25:12, enz.; Amos 1:11. Ezechiël 25:12: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: Amos 1:11: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt.
[^ezechiel-35-5-a]: Verwijzing a: Ez. 25:15. Ezechiël 25:15: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van hart wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;
[^ezechiel-35-5-7]: Kanttekening 7: Of, gestort; dat is, hun bloed, als water door moorderijen vergoten, doen wegvloeien; vergelijk Ps. 63:11, en Jer. 18:21, met de aantekening. Psalmen 63:11: Men zal hen storten door het geweld van het zwaard; zij zullen de vossen ten deel worden. Jeremia 18:21: Daarom, geef hun zonen de honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door de dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in de strijd.
[^ezechiel-35-5-8]: Kanttekening 8: 8 geweld van het zwaard: Hebreeuws, de handen van het zwaard (יְדֵי). Zie Job 5:20. Job 5:20: In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^ezechiel-35-5-9]: Kanttekening 9: Of, ondergangs, door de Chaldeën, die de Edomieten geholpen of aangehitst hebben om Jeruzalem in de grond uit te roeien. Zie Ps. 137:7. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
[^ezechiel-35-5-10]: Kanttekening 10: 10 uiterste ongerechtigheid: Hebreeuws, ongerechtigheid van het einde, of van het uiterste (עֲוֺן); zie boven Ez. 21:25. Ezechiël 21:25: En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
[^ezechiel-35-6-11]: Kanttekening 11: 11 ten bloede bereiden: Dat is, om gedood of vermoord te worden; zie Gen. 4:10, en boven Ez. 16:36, en Ez. 21:32. Of, Ik zal u tot bloed maken; dat is, u zo toerichten, dat het land vol van uw eigen bloed, en om zo te spreken niet dan louter bloed zal zijn. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden van uw gruwelen, en na het bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Ezechiël 21:32: Het vuur zult u tot voedsel zijn, uw bloed zal zijn in het midden van het land; aan u zal niet gedacht worden; want Ik, YHWH, heb het gesproken.
[^ezechiel-35-6-12]: Kanttekening 12: 12 het bloed zal u vervolgen: Dat is, doodslag en moord, en verder de moordenaars. Of, het bloed zal u navolgen, als overal gestort zijnde en vloeiende.
[^ezechiel-35-6-13]: Kanttekening 13: 13 het bloed \[niet\] hebt gehaat: Dat is, moord en doodslag van mijn volk met lust hebt aangezien en bevorderd.
[^ezechiel-35-7-14]: Kanttekening 14: 14 uiterste verwoesting: Of, enkel verwoesting, gelijk vers 3, hoewel de Hebreeuwse woorden zijnde van één oorsprong een weinig verschillen. Ezechiël 35:3: En zeg tot hetzelfde: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een strik.
[^ezechiel-35-7-15]: Kanttekening 15: 15 die, die er doorgaat: Ik zal het zo woest maken, dat er niemand wonen noch in- of uitgaan zal.
[^ezechiel-35-8-16]: Kanttekening 16: 16 uw heuvelen: O Edom.
[^ezechiel-35-8-17]: Kanttekening 17: 17 in dezelfde: Of, op bij.
[^ezechiel-35-8-18]: Kanttekening 18: Gelijk boven Ez. 6:6. Ezechiël 6:6: In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgedelgd worden.
[^ezechiel-35-9-19]: Kanttekening 19: 19 eeuwige verwoestingen: Hebreeuws, verwoestingen van de eeuwigheid (עוֹלָם).
[^ezechiel-35-9-20]: Kanttekening 20: 20 bewoond worden: Anders: terugkeren. De zin is, dat zij niet herbouwd zullen worden om te bewonen.
[^ezechiel-35-10-21]: Kanttekening 21: 21 twee volken: Juda en de tien stammen.
[^ezechiel-35-10-b]: Verwijzing b: Ps. 83:13. Psalmen 83:13: Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.
[^ezechiel-35-10-22]: Kanttekening 22: 22 wij zullen ze erfelijk bezitten: Zie onder Ez. 36:5. Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!
[^ezechiel-35-10-23]: Kanttekening 23: 23 ofschoon YHWH daar ware: Of, ofschoon YHWH daar geweest is; dat is gewoond heeft. De zin is: Over God, overal, gelijk goddeloze vijanden spreken zij zullen voor ons zijn, wij zijn er nu de naasten toe, niemand zal het ons kunnen ontnemen. Anders: waar de Heer geweest is, verstaande dit van Juda, waar de tempel van de Heer geweest was; vergelijk onder Ez. 36:2, met de aantekening. Ezechiël 36:2: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!
[^ezechiel-35-11-24]: Kanttekening 24: 24 die u uit: Of, gelijk u met, of tegen hen gehandeld hebt.
[^ezechiel-35-11-25]: Kanttekening 25: 25 bij hen: Bij mijn volk, die alsdan zullen bevinden dat Ik hun vriend ben, als Ik hunne doodvijanden zal hebben uitgeroeid.
[^ezechiel-35-11-26]: Kanttekening 26: 26 gericht hebben: Dat is, gestraft.
[^ezechiel-35-12-27]: Kanttekening 27: 27 dat Ik, YHWH: Of, dat Ik YHWH \[ben, en dat\] Ik, enz.
[^ezechiel-35-12-28]: Kanttekening 28: 28 ter voedsel gegeven: Zie Deut. 31:17. Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^ezechiel-35-13-29]: Kanttekening 29: 29 groot gemaakt: Dat is, stout en trots tegen mij gesproken, mij met pochen en snorken als bespot. Zie van deze manier van spreken Ps. 35:26. Psalmen 35:26: Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
[^ezechiel-35-13-30]: Kanttekening 30: Dat is, veel gesnaters tegen mij gevoerd. Het Hebreeuwse woord athar of gnathar heeft de betekenis van menigte, of overvloed van woorden, of zaken, meest in het goede, wanneer het genomen wordt van veel smeken, en ernstig of heftig hebben; (waarin menigte van woorden gebruikt wordt) of overvloed van allerlei zegen. Zie Gen. 25:21; Ex. 8:8, enz.; Jer. 33:6; maar hier van de trotse snaters en gesnaps, gelijk wanneer iemand (gelijk men zegt) de vlag voert. Zo is het boven Ez. 8:11 gebruikt van de overvloed van het afgodische reukwerk. Genesis 25:21: En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. Exodus 8:8: En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bidt vuriglijk tot YHWH, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij YHWH offeren. Jeremia 33:6: Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. Ezechiël 8:11: En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël, met Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk van het reukwerk ging op.
[^ezechiel-35-14-32]: Kanttekening 32: Dit woord is hier tot aanvulling van de zin ingevoegd uit vers 15. Ezechiël 35:15: Gelijk u u verblijd hebt over de erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-35-14-31]: Kanttekening 31: 31 Gelijk het gehele land verblijd is: Gelijk het gehele land van de Edomieten zich verheugd heeft over Israëls verwoesting, zo zal Ik hun gehele land daarom ook weer verwoesten. Zie vers 15. Anders: als de gehele aarde verblijd is \[dan\] zal Ik, enz.; dat is, als er overal blijdschap zal wezen over de weldaden, die Ik mijn volk zal bewijzen, voornamelijk door de Messias, dan zult u geplaagd en verwoest zijn. Ezechiël 35:15: Gelijk u u verblijd hebt over de erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^ezechiel-35-15-33]: Kanttekening 33: 33 Gelijk u u verblijd hebt: Hebreeuws, naar uwe blijdschap (שִׂמְחָתְ). Vergelijk boven vers 11, en elders dikwijls. Ezechiël 35:11: Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw nijdigheid, die u uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben.
[^ezechiel-35-15-34]: Kanttekening 34: 34 over de erfenis van het huis van Israël: Over de verwoesting van het land Kanaän, dat ik Israël (en niet u) ten erve gegeven heb.
[^ezechiel-35-15-35]: Kanttekening 35: 35 geheel Edom: Gelijk het gehele land Edom over Israëls ellende gejuicht heeft, gelijk in vers 14 gezegd is. Ezechiël 35:14: Zo zegt de Heer YHWH: Gelijk het gehele land verblijd is, zo zal Ik u de verwoesting aandoen.

### Ezechiël 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/36.json)

*In de toespraak tot de bergen van Israël profeteert God dat Hij in grote ijver wraak zal nemen op de vijanden van zijn Kerk, die haar bespot, verdrukt en verwoest hebben, vers 1, enz.; en dat Hij haar heerlijk zal herstellen, vermenigvuldigen en zegenen, 8. Hij verklaart dat Hij hen om hun zonden, ter ere van zijn heilige Naam, heeft moeten straffen en tuchtigen, 16; maar dat Hij hen om zijns Naams wil, uit louter genade, opnieuw grotelijks zal begenadigen, reinigen, door zijn Heilige Geest heiligen, en met allerlei zegeningen vervullen en eeuwig zalig maken, 21, enz.*

**1** En u, mensenkind! profeteer[^ezechiel-36-1-1] tot de[^ezechiel-36-1-a] bergen van Israël, en zeg: U bergen van Israël! hoort het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v1)

**2** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat de[^ezechiel-36-2-2] vijand van u zegt:[^ezechiel-36-2-3] Heah! zelfs de[^ezechiel-36-2-4] eeuwige hoogten zijn ons als erfenis geworden![^ezechiel-36-2-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v2)

**3** Daarom profeteer en zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Daarom, omdat men[^ezechiel-36-3-5] u van rondom verwoest en[^ezechiel-36-3-6] opgeslokt heeft,[^ezechiel-36-3-7] opdat u voor het[^ezechiel-36-3-8] overblijfsel van de heidenen als erfenis zou zijn, en u[^ezechiel-36-3-9] gebracht bent op de[^ezechiel-36-3-10] klapachtige lip en in opspraak van het volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v3)

**4** Daarom, u bergen van Israël! hoort het woord van Adonai YHWH: Zo zegt Adonai YHWH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenen, die rondom zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v4)

**5** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Zo Ik niet[^ezechiel-36-5-12] in het vuur van Mijn ijver gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het hele Edom; die[^ezechiel-36-5-13] Mijn land[^ezechiel-36-5-14] zichzelf als erfenis gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met[^ezechiel-36-5-15] begerige plundering, opdat de[^ezechiel-36-5-16] landerij[^ezechiel-36-5-17] daarvan ten roof zou zijn![^ezechiel-36-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v5)

**6** Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn woede gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt;[^ezechiel-36-6-18][^ezechiel-36-6-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v6)

**7** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: Ik heb[^ezechiel-36-7-19] Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v7)

**8** Maar u, o bergen van Israël! u zult[^ezechiel-36-8-20] weer uw takken geven, en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want[^ezechiel-36-8-21] zij naderen te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v8)

**9** Want ziet, Ik ben bij[^ezechiel-36-9-22] u, en Ik zal u[^ezechiel-36-9-23] aanzien, en u zult gebouwd en bezaaid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v9)

**10** En Ik zal[^ezechiel-36-10-24] mensen op u vermenigvuldigen, het[^ezechiel-36-10-25] hele huis van Israël, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v10)

**11** Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik[^ezechiel-36-11-26] zal het beter maken dan in uw beginselen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v11)

**12** En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze[^ezechiel-36-12-27] voortaan niet meer beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v12)

**13** Zo zegt Adonai YHWH: Omdat zij tot u[^ezechiel-36-13-28] zeggen: U bent een land, dat mensen opeet, en u bent een land, dat[^ezechiel-36-13-29] uw volken[^ezechiel-36-13-30] berooft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v13)

**14** Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer[^ezechiel-36-14-31] doen struikelen, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v14)

**15** En Ik zal maken, dat men de[^ezechiel-36-15-32] schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v15)

**16** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v16)

**17** Mensenkind! het huis van Israël, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij het met hun[^ezechiel-36-17-33] weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een[^ezechiel-36-17-34] afgezonderde vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v17)

**18** Daarom[^ezechiel-36-18-35] goot Ik Mijn woede over hen uit, vanwege het bloed, dat zij[^ezechiel-36-18-36] in het land vergoten hadden, en om hun[^ezechiel-36-18-37] afgoden, waarmee zij dat verontreinigd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v18)

**19** En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v19)

**20** Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarheen zij getogen waren,[^ezechiel-36-20-d] ontheiligden zij[^ezechiel-36-20-38] Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze zijn het volk van YHWH, en zijn uit[^ezechiel-36-20-39] Zijn land uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v20)

**21** Maar Ik[^ezechiel-36-21-40] spaarde hen om Mijn heilige Naam, die het huis van Israël ontheiligde onder de heidenen, waarheen zij gekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v21)

**22** Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai YHWH: Ik doe het niet om uwentwil, u huis van Israël! maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenen, waarheen u gekomen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v22)

**23** Want Ik zal Mijn grote Naam[^ezechiel-36-23-41] heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die u in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, spreekt Adonai YHWH, als Ik aan u voor[^ezechiel-36-23-42] hun ogen zal[^ezechiel-36-23-43] geheiligd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v23)

**24** Want Ik zal[^ezechiel-36-24-44] u uit de heidenen[^ezechiel-36-24-45] halen, en zal u uit al de landen verzamelen; en Ik zal u in uw land brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v24)

**25** Dan zal Ik rein[^ezechiel-36-25-46] water op u sprenkelen, en u zult rein worden; van al uw[^ezechiel-36-25-47] onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v25)

**26** En Ik zal u een[^ezechiel-36-26-48][^ezechiel-36-26-e] nieuw hart geven, en zal een nieuwe[^ezechiel-36-26-f] geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v26)

**27** En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn voorschriften zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v27)

**28** En u zult wonen in het land, dat Ik uw vaders gegeven heb, en u zult Mij tot een[^ezechiel-36-28-49] volk zijn, en Ik zal u tot een[^ezechiel-36-28-50] God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v28)

**29** En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden; en Ik zal[^ezechiel-36-29-51] roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen[^ezechiel-36-29-g] honger op u leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v29)

**30** En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst van het veld vermenigvuldigen; opdat u de smaad van de honger niet meer ontvangt onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v30)

**31** Dan zult u[^ezechiel-36-31-52][^ezechiel-36-31-h] gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en u zult een[^ezechiel-36-31-i] walging van[^ezechiel-36-31-53] u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v31)

**32** Ik doe het niet om[^ezechiel-36-32-54] uwentwil, spreekt Adonai YHWH, het zij u bekend! Schaam u en wordt schaamrood van uw wegen, u huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v32)

**33** Zo zegt Adonai YHWH: Op de dag als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen[^ezechiel-36-33-55] bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v33)

**34** En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v34)

**35** En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van[^ezechiel-36-35-56][^ezechiel-36-35-k] Eden; en de eenzame, en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v35)

**36** Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, YHWH, de verstoorde plaatsen bebouw,[^ezechiel-36-36-57] en het verwoeste beplant.[^ezechiel-36-36-l] Ik, YHWH, heb het gesproken en zal het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v36)

**37** Zo zegt Adonai YHWH: Daarenboven zal Ik hierom van het huis van Israël verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze[^ezechiel-36-37-59] vermenigvuldigen van mensen, als schapen.[^ezechiel-36-37-58] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v37)

**38** Gelijk de geheiligde[^ezechiel-36-38-60] schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun vastgestelde hoogtijden, zo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/36.html#v38)

[^ezechiel-36-1-1]: Kanttekening 1: 1 tot de bergen Israëls: Gelijk boven Ez. 6:2. God spreekt de bergen, dat is het bergachtige land \[gelijk vers 6\] van Israël aan, tot onderwijs van de mensen \[om wier zonden wil zij woest lagen en bespot werden\] en om te tonen dat de goddeloze beschimpingen van zijn land en volk hem zelven raakten; vergelijk Joël 2:18, en zie verder van zulke aanspraken, boven Ez. 14:17. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde; Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt; Joël 2:18: Zo zal YHWH ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen. Ezechiël 14:17: Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
[^ezechiel-36-1-a]: Verwijzing a: Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde;
[^ezechiel-36-2-2]: Kanttekening 2: 2 vijand van u zegt: Zie onder vers 5. Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!
[^ezechiel-36-2-3]: Kanttekening 3: Zie Job 39:28, en Ps. 35:21, en vergelijk boven Ez. 25:3, en Ez. 26:2. Job 39:28: In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de krijg van verre, de donder van de vorsten en het gejuich. Psalmen 35:21: En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! Ezechiël 25:3: En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; Ezechiël 26:2: Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!
[^ezechiel-36-2-4]: Kanttekening 4: 4 eeuwige hoogten: Hebreeuws, hoogten van de eeuwigheid (עוֹלָם); dat is, oude vermaarde bergen, idem, vaste, durige, enz. Vergelijk Deut. 33:15; Hab. 3:6, met de aantekening. Men zou dit anders ook kunnen duiden op de berg Sion en Moria, waar Davids slot en de tempel geweest waren. Vergelijk Ps. 78:69, en boven Ez. 35:10. Aldus zou dit een goddeloze roem zijn over God en de verstoring van zijn heiligdom, genoemd God eeuwige woonstede, als zijnde nu in van de vijanden macht en bezit vervallen. In het volgende, zijn, Hebreeuws, is, versta, elk van hen hoogten. Deuteronomium 33:15: En van het voornaamste van de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen; Habakuk 3:6: Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn van Hem. Psalmen 78:69: En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. Ezechiël 35:10: Omdat u zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon YHWH daar ware;
[^ezechiel-36-2-b]: Verwijzing b: Ez. 35:10. Ezechiël 35:10: Omdat u zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon YHWH daar ware;
[^ezechiel-36-3-5]: Kanttekening 5: 5 u van rondom verwoest: U bergen van Israël, omsingeld van Ammonieten, Moabieten, Edomieten, Filistijnen, Tyriërs, Sidoniërs, Syriërs, enz.
[^ezechiel-36-3-6]: Kanttekening 6: 6 opgeslokt heeft: Vergelijk Ps. 56:2. Psalmen 56:2: Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de hele dag dringt mij de bestrijder.
[^ezechiel-36-3-7]: Kanttekening 7: 7 opdat u: Of, zodat u geworden bent, enz.
[^ezechiel-36-3-8]: Kanttekening 8: 8 overblijfsel van de heidenen: De anderen, de rest, die van de algemene verwoestingen overig zijn, of zouden mogen overblijven; zo vers 4, 36:5; vergelijk ook vers 36. Ezechiël 36:4: Daarom, u bergen Israëls! hoort het woord van de Heer YHWH: Zo zegt de Heer YHWH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenen, die rondom zijn; Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn! Ezechiël 36:36: Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, YHWH, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, YHWH, heb het gesproken en zal het doen.
[^ezechiel-36-3-9]: Kanttekening 9: 9 gebracht zijt: Hebreeuws, opgebracht.
[^ezechiel-36-3-10]: Kanttekening 10: 10 klapachtige lip: Hebreeuws, lip van de tong (שְׂפַת); dat is, alsof men zei, tongachtige lip, dat is klachtige, kakelachtige lip; zulks dat een ieder de mond van u vol heeft en bespottelijk van u spreekt, bijspreuken van u maakt.
[^ezechiel-36-5-12]: Kanttekening 12: 12 in het vuur Mijns ijvers: Of, in mijn vurige ijver; te weten voor mijn land en volk; en tegen mijne en hunne vijanden. Vergelijk boven vers 1, en onder vers 6; boven Ez. 5:13; Deut. 4:24, met de aantekening. Ezechiël 36:1: En u, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: U bergen Israëls! hoort het woord van YHWH. Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt; Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^ezechiel-36-5-13]: Kanttekening 13: 13 Mijn land: Kanaän; zie Ps. 68:10; Hos. 9:3; zo onder vers 20. Psalmen 68:10: U hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en U hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. Hosea 9:3: Zij zullen in het land van YHWH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. Ezechiël 36:20: Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze zijn het volk van YHWH, en zijn uit Zijn land uitgegaan.
[^ezechiel-36-5-14]: Kanttekening 14: Zie boven Ez. 35:10. Ezechiël 35:10: Omdat u zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon YHWH daar ware;
[^ezechiel-36-5-15]: Kanttekening 15: 15 begerige plundering: Hebreeuws, plundering, of versmading van de ziel (נֶפֶשׁ); dat is, verachtende of plunderende mijn volk en land met een innerlijken lust en vurige genegenheid of begeerte, zonder enig medelijden. Zie Ps. 27:12. Psalmen 27:12: Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, samen met die wrevel uitblaast.
[^ezechiel-36-5-16]: Kanttekening 16: Het Hebreeuwse woord betekent voorsteden, landen, of velden, vrije levendige ruimten, plaatsen voor, of buiten en omtrent de steden, of andere gebouwen gelegen, hoeven, uithoven, erven, enz.; omdat zij daarvan afgezonderd zijn, waarop het oorspronkelijke Hebreeuwse woord ziet, betekenende ook anders uitwerping, uitdrijving, waarom anderen dit aldus overzetten: Om hetzelfde \[land\] ten roof uit te zetten. Hebreeuws, om, of opdat, daarvan landerij, of uitzetting, uitwerping, ten roof \[zou zijn\].
[^ezechiel-36-5-17]: Kanttekening 17: 17 daarvan ten rove zou zijn: Van mijn land Kanaän.
[^ezechiel-36-5-11]: Kanttekening 11: 11 Zo Ik niet: Zie boven Ez. 34:8, met de aantekening en vervul deze rede uit vers 7. Ezechiël 34:8: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet; Ezechiël 36:7: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen!
[^ezechiel-36-6-18]: Kanttekening 18: 18 smaad van de heidenen: Gelijk boven Ez. 34:29, en onder vers 15. Ezechiël 34:29: En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen. Ezechiël 36:15: En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-36-6-c]: Verwijzing c: Ez. 34:29. Ezechiël 34:29: En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen.
[^ezechiel-36-7-19]: Kanttekening 19: 19 Mijn hand opgeheven: Dat is, bij mijzelf gezworen; gelijk mensen bij God zweren met opheffing of opsteking van de hand. Zie Gen. 14:22. Genesis 14:22: Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^ezechiel-36-8-20]: Kanttekening 20: 20 uw takken geven: Dat is, weer groenen en vruchtbaar worden.
[^ezechiel-36-8-21]: Kanttekening 21: 21 zij naderen te komen: De Israëlieten zullen haast wederkomen uit de gevangenschap; waarop het voornaamste zal volgen, de verlossing en oprichting van de algemene kerk door de Messias.
[^ezechiel-36-9-22]: Kanttekening 22: O u bergen van Israël, om u te redden en goed te doen. Anders: Ik \[wil\] aan u. Welke manier van spreken hier niet \[gelijk elders, zie Jer. 21:13, en boven Ez. 13:8\] in het kwade, of vijandelijk, maar in het goede en vriendelijk moest genomen worden; gelijk men ook wel somtijds doet in onze taal, wanneer men vijandelijk aan iemand wil, of ook ten beste, om iemand of iets te redden, enz. Jeremia 21:13: Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen? Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-36-9-23]: Kanttekening 23: Of, mijn aangezicht tot u wenden, of keren; dat is, mij uwer genadiglijk aannemen, zendende u de Messias, op wiens komst en weldaden aan zijne kerk deze profetie meest ziet, gelijk in het vervolg blijkt.
[^ezechiel-36-10-24]: Kanttekening 24: 24 mensen op u vermenigvuldigen: Hebreeuws, mens, en zo in vers 11, mens en beest. Vergelijk onder vers 37, 36:38; Jer. 31:27, met de aantekening. Ezechiël 36:11: Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 36:37: Zo zegt de Heer YHWH: Daarenboven zal Ik hierom van het huis van Israël verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen. Ezechiël 36:38: Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun vastgestelde hoogtijden, zo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Jeremia 31:27: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
[^ezechiel-36-10-25]: Kanttekening 25: 25 gehele huis van Israël: Mijn gehele kerk, het gehele lichaam, onder één hoofd, de Messias; zie Ef. 2:12, 2:13, 2:19, 2:20, 2:21, 2:22; Kol. 2:19, en vergelijk onder Ez. 37:16, 37:17, 37:19, 37:24, enz. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:19: Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods; Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. Kolossensen 2:19: En het Hoofd niet behoudende, uit dat het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom. Ezechiël 37:16: U nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen van Israël, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gehele huis van Israël, zijn metgezellen. Ezechiël 37:17: Doe u ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand. Ezechiël 37:19: Zo spreek tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelfde met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand. Ezechiël 37:24: En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
[^ezechiel-36-11-26]: Kanttekening 26: 26 zal het beter maken: Daarom wordt het nieuwe verbond een beter verbond, en de tijd van de Messias tijden van de verbetering, of herstelling genoemd, Hebr. 8:6, en Hebr. 9:10, enz. Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 9:10: Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd.
[^ezechiel-36-12-27]: Kanttekening 27: 27 voortaan niet meer beroven: Hebreeuws, niet toedoen haar meer, of voortaan te beroven; te weten van alles wat hun lief is, kinderen, mensen in het algemeen, landvruchten, enz.; zie Jer. 15:7; zo onder vers 13, 36:14, 36:15. De zin is, dat het land niet meer zo zou gesteld zijn als tevoren, toen de mensen door krijg, honger en pestilentie daarin vergingen, u van hen en zij van u beroofd werden; waarom de smaadredenen van het land gebruikt werden, die in het volgende verhaald worden. God spreekt het land aan, alsof dat zulks had gedaan, met een verbloemde rede, en ten aanzien van het zeggen van de vijanden, die het hielden voor een vervloekt land, waarin niemand kon welvaren of met vrede wonen. Vergelijk Num. 13:32. Jeremia 15:7: En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten van het land; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd. Ezechiël 36:13: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat zij tot u zeggen: U bent een land, dat mensen opeet, en u bent een land, dat uw volken berooft; Ezechiël 36:14: Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 36:15: En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Numeri 13:32: Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen van Israël, zeggende: Dat land, door dat wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden van hetzelfde gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.
[^ezechiel-36-13-28]: Kanttekening 28: Door schimp en spot.
[^ezechiel-36-13-29]: Kanttekening 29: 29 uw volken: Van de twaalf stammen; zo in vers 14, 36:15, en onder Ez. 37:22. Ezechiël 36:14: Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 36:15: En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 37:22: En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
[^ezechiel-36-13-30]: Kanttekening 30: Zie op vers 12. Ezechiël 36:12: En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze voortaan niet meer beroven.
[^ezechiel-36-14-31]: Kanttekening 31: 31 doen struikelen: En dienvolgens beroven; zie boven vers 12. Ezechiël 36:12: En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze voortaan niet meer beroven.
[^ezechiel-36-15-32]: Kanttekening 32: 32 schimp van de heidenen: Gelijk boven vers 6. Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt;
[^ezechiel-36-17-33]: Kanttekening 33: 33 weg en met hun handelingen: Zie Gen. 6:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.
[^ezechiel-36-17-34]: Kanttekening 34: 34 afgezonderde vrouw: Zie Lev. 15:19, 15:24, met de aantekening. Leviticus 15:19: Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:24: Ook zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.
[^ezechiel-36-18-35]: Kanttekening 35: 35 goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit: Zie Ps. 79:6. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^ezechiel-36-18-36]: Kanttekening 36: 36 in het land vergoten hadden: Of, op de aarde.
[^ezechiel-36-18-37]: Kanttekening 37: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-36-20-d]: Verwijzing d: Jes. 52:5; Rom. 2:24. Jesaja 52:5: En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt YHWH, omdat Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelfde heersen, het doen huilen, spreekt YHWH, en Mijn Naam geduriglijk de gansen dag gelasterd wordt; Romeinen 2:24: Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
[^ezechiel-36-20-38]: Kanttekening 38: 38 Mijn heilige Naam: Hebreeuws, de naam mijner heiligheid (שֵׁם); en zo in het volgende. De reden is omdat de Israëlieten zelf de oorzaak waren dat God hen uit zijn land verstoten had; dat de vijanden duidden tot Gods oneer, alsof Hij niet machtig genoeg was geweest om zijn land en volk te bewaren, of niet getrouw in zijne beloften. Daarbij kwam dit, dat zij overal, waar zij kwamen, zo zich gedroegen, dat God van hen niet dan oneer behaalde; waardoor Hij veroorzaakt werd dit alles om zijns naams wil te redden, waarvan in het volgende.
[^ezechiel-36-20-39]: Kanttekening 39: 39 Zijn land uitgegaan: Gelijk boven vers 5. Anders: zij zijn de één voor de ander na uit hun land uitgegaan; dat is, hebben het moeten ruimen elk voor zich, eerst Israël, daarna Juda; het is wat vreemds met dit volk en land. Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!
[^ezechiel-36-21-40]: Kanttekening 40: 40 verschoonde hen: Of, Ik verschoonde mijn heilige naam.
[^ezechiel-36-23-41]: Kanttekening 41: Vergelijk boven Ez. 28:22. Ezechiël 28:22: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
[^ezechiel-36-23-42]: Kanttekening 42: 42 hun ogen: Anders: uwe ogen.
[^ezechiel-36-23-43]: Kanttekening 43: 43 geheiligd zijn: Of, mij geheiligd hebben; dat is, mijne heiligheid, macht en trouw aan u zal hebben bewezen.
[^ezechiel-36-24-44]: Kanttekening 44: 44 u uit de heidenen: Eerst, en eensdeels, u Joden met weinig Israëlieten, uit Babel enz.; maar zulks zal een voorbeeld zijn van het groot geestelijk genadewerk, dat Ik doen zal ten tijde van de Messias en van het Nieuwe Testament, vergaderende mijn algemene kerk uit de gehele wereld, en die zegenende, gelijk volgt. Vergelijk boven Ez. 11:17. Ezechiël 11:17: Daarom zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Ja, Ik zal u vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, en Ik zal u het land van Israël geven.
[^ezechiel-36-24-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws, nemen; zie Jer. 37:17; zo onder Ez. 37:21. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Ezechiël 37:21: Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal de kinderen van Israël halen uit het midden van de heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;
[^ezechiel-36-25-46]: Kanttekening 46: 46 water op u sprengen: Het dierbaar bloed van het onbevlekte Lam Jezus Christus zal Ik u door mijn Woord en mijnen Geest toepassen, tot reiniging van uw zielen. Zie 1 Petr. 1:2, 1:19; Ef. 5:26; Hebr. 9:14; 1 Joh. 1:7, enz. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 1 Petrus 1:19: Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
[^ezechiel-36-25-47]: Kanttekening 47: Vergelijk onder Ez. 37:23, en Ez. 43:7. Ezechiël 37:23: En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in die zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^ezechiel-36-26-48]: Kanttekening 48: 48 nieuw hart geven: Zie hiervan boven Ez. 11:19. Ezechiël 11:19: En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;
[^ezechiel-36-26-e]: Verwijzing e: Jer. 32:39; Ez. 11:20. Jeremia 32:39: En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, samen met hun kinderen na hen. Ezechiël 11:20: Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelfde doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
[^ezechiel-36-26-f]: Verwijzing f: Ez. 11:19. Ezechiël 11:19: En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;
[^ezechiel-36-28-49]: Kanttekening 49: 49 volk zijn: Zie Deut. 7:6. Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^ezechiel-36-28-50]: Kanttekening 50: 50 God zijn: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^ezechiel-36-29-51]: Kanttekening 51: 51 roepen tot het koren: Allerlei zegen door mijn krachtige werking beschikken, dat elders Gods gebieden genoemd wordt; \[zie Lev. 25:21\]; gelijk de Heer ook gezegd wordt de plagen te roepen; zie Ps. 105:16; Jer. 25:29, met de aantekening. Door deze lichamelijke zegeningen worden meest \[gelijk elders\] de geestelijke afgebeeld, zo nochtans dat de godzaligheid ook de belofte heeft van dit leven, \[zie Joël 2:23; 1 Tim. 4:8\], maar zonder strijd en kruis uit te sluiten \[zie Ps. 37:1\], waarvan onder Ez. 38. Leviticus 25:21: Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Psalmen 105:16: Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf van het brood. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Joël 2:23: En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in YHWH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen nederdalen, de vroege regen en de spade regen in de eerste maand. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven. Psalmen 37:1: Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
[^ezechiel-36-29-g]: Verwijzing g: Ez. 34:29. Ezechiël 34:29: En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen.
[^ezechiel-36-31-52]: Kanttekening 52: 52 gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen: Zie boven Ez. 6:9, met de aantekening. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
[^ezechiel-36-31-h]: Verwijzing h: Ez. 16:61; idem v. 63. Ezechiël 16:61: Dan zult u uw wegen gedenken en beschaamd zijn, als u uw zusen, die groter zijn dan u, met degenen, die kleiner zijn dan u, aannemen zult; want Ik zal u dezelfde geven tot dochters, maar niet uit uw verbond. Ezechiël 16:63: Opdat u het gedachtig bent, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al wat u gedaan hebt, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-36-31-i]: Verwijzing i: Ez. 6:9; Ez. 20:43. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben. Ezechiël 20:43: Daar zult u dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee u u verontreinigd hebt, en u zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die u gedaan hebt.
[^ezechiel-36-31-53]: Kanttekening 53: 53 u zelf hebben: Hebreeuws, uwe aangezichten, gelijk boven Ez. 6:9. Ezechiël 6:9: Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.
[^ezechiel-36-32-54]: Kanttekening 54: U hebt het in het minst niet verdiend; maar Ik doe het uit loutere genade om de eer van mijn heilige naam. Dit wil God ernstiglijk hebben dat zij weten, en met schaamachtige bekentenis van hun onwaardigheid bekennen zullen; vergelijk 1 Kor. 1:29, 1:30, 1:31; Ef. 2:8, 2:9. 1 Korinthiërs 1:29: Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. 1 Korinthiërs 1:30: Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 1 Korinthiërs 1:31: Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heer. Efeziërs 2:8: Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Efeziërs 2:9: Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
[^ezechiel-36-33-55]: Kanttekening 55: Met inwoners bezetten.
[^ezechiel-36-35-56]: Kanttekening 56: Dat is, lusthof, paradijs; vergelijk boven Ez. 28:13, met de aantekening. Ezechiël 28:13: U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk van uw trommelen en van uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werdt, waren zij bereid.
[^ezechiel-36-35-k]: Verwijzing k: Jes. 51:3; Ez. 28:13. Jesaja 51:3: Want YHWH zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als de hof van YHWH; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van het gezang. Ezechiël 28:13: U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uw trommelen en uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werdt, waren zij bereid.
[^ezechiel-36-36-57]: Kanttekening 57: Of, de verstoorde \[steden\] bebouwd, beplant heb.
[^ezechiel-36-36-l]: Verwijzing l: Ez. 17:24; Ez. 22:14; Ez. 37:14. Ezechiël 17:24: Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, YHWH, de hoge boom vernederd heb, de nederigen boom verheven heb, de groenen boom verdroogd, en de drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen. Ezechiël 22:14: Zal uw hart bestaan? zullen uw handen sterk zijn, in de dagen, als Ik met u handelen zal? Ik, YHWH, heb het gesproken, en zal het doen. Ezechiël 37:14: En Ik zal Mijn Geest in u geven, en u zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en u zult weten, dat Ik, YHWH, dit gesproken en gedaan heb, spreekt YHWH.
[^ezechiel-36-37-59]: Kanttekening 59: 59 van mensen: Of, als \[met\] menschenkudden.
[^ezechiel-36-37-58]: Kanttekening 58: 58 verzocht worden: Of, mij verzoeken, of vragen laten; dat is, hiertoe gewillig voorstellen, hierin mij laten vinden, \[vergelijk Jes. 65:1\], dat Ik \[terwijl de genade overvloedig en de ruimte groot is, zulks dat er maar mensen schijnen te ontbreken, die ze genieten\] deze weldaad nog daartoe doe, dat Ik mijne kerk met gelovige mensen, als schapen, uit de Joden en voornamelijk uit de heidenen, vervul. Vergelijk Hoogl. 8:8, enz.; Jes. 49:19, 49:20, en Jes. 54:2, enz. en boven vers 10; Joh. 10:16. Jesaja 65:1: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. Hooglied 8:8: Wij hebben een kleine zus, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zus doen in die dag, als men van haar spreken zal? Jesaja 49:19: Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken. Jesaja 49:20: Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag. Jesaja 54:2: Maak de plaats van uw tenten wijd, en dat men de gordijnen van uw woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in. Ezechiël 36:10: En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het gehele huis van Israël, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.
[^ezechiel-36-38-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws, schapen van de heiligheden. Versta, het offervee, dat bij grote menigte tegen de jaarlijkse feesten binnen Jeruzalem ten offer gebracht werd.

### Ezechiël 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/37.json)

*Onder het visioen van de opstanding der doden verzekert God zijn volk dat Hij hen zeker uit de gevangenschap van Babel, waar zij nu als doden en begravenen waren, zal verlossen, en in hun land zal terugbrengen, vers 1, enz. Hij profeteert voorts, onder het teken van het samenvoegen van twee houten in één hand, dat Hij zijn algemene Kerk uit Joden en heidenen zal vergaderen en verenigen onder één Koning en Herder, de Messias Jezus Christus, zijn eeuwig genadeverbond met hen zal sluiten, en eeuwig onder hen zal wonen, 15, 16, enz.*

**1** De[^ezechiel-37-1-1] hand van YHWH was op mij, en YHWH voerde mij uit in de[^ezechiel-37-1-2] geest, en[^ezechiel-37-1-3] zette mij neer in het midden van een vallei; die nu was vol beenderen[^ezechiel-37-1-4]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v1)

**2** En[^ezechiel-37-2-5] Hij deed mij daarbij voorbijgaan[^ezechiel-37-2-6] geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op de[^ezechiel-37-2-7] grond van de vallei; en ziet, zij waren zeer dor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v2)

**3** En[^ezechiel-37-3-8] Hij zei tot mij: Mensenkind![^ezechiel-37-3-9] zullen deze beenderen levend worden? En ik zei: Adonai YHWH, U weet het![^ezechiel-37-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v3)

**4** Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en[^ezechiel-37-4-11] zeg daartoe: U dorre beenderen! hoort het woord van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v4)

**5** Zo zegt Adonai YHWH tot deze beenderen: Zie, Ik zal de[^ezechiel-37-5-12] geest in u brengen, en u zult levend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v5)

**6** En Ik zal zenuwen op u[^ezechiel-37-6-13] leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en de geest in u geven, en u zult levend worden; en u zult weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v6)

**7** Toen profeteerde ik, zoals mij bevolen was, en er werd een[^ezechiel-37-7-14] geluid, als ik profeteerde, en ziet een[^ezechiel-37-7-15] beroering! en de beenderen naderden, elk been tot[^ezechiel-37-7-16] zijn been. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v7)

**8** En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen daarop, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven daarover, maar er was geen[^ezechiel-37-8-17] geest in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v8)

**9** En Hij zei tot mij:[^ezechiel-37-9-18] Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt Adonai YHWH: U geest! kom aan van de vier[^ezechiel-37-9-19] winden, en blaas[^ezechiel-37-9-20] in deze gedoden, opdat zij levend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v9)

**10** En ik profeteerde, zoals Hij mij bevolen had. Toen kwam de[^ezechiel-37-10-21] geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een[^ezechiel-37-10-22] geheel zeer groot leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v10)

**11** Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen[^ezechiel-37-11-23] zijn het hele huis van Israël; zie, zij zeggen:[^ezechiel-37-11-24] Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn[^ezechiel-37-11-25] afgesneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v11)

**12** Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël.[^ezechiel-37-12-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v12)

**13** En u zult weten, dat Ik YHWH ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v13)

**14** En Ik zal Mijn Geest in u geven, en u zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en u zult weten,[^ezechiel-37-14-27] dat Ik, YHWH, dit gesproken en gedaan heb, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v14)

**15** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v15)

**16** U nu, mensenkind! neem u een[^ezechiel-37-16-28] hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten,[^ezechiel-37-16-29] zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van[^ezechiel-37-16-30] het hele huis van Israël, zijn metgezellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v16)

**17** [^ezechiel-37-17-31] Doe u ze dan naderen, het één tot het ander tot één enig hout; en zij zullen tot één worden in uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v17)

**18** En wanneer de[^ezechiel-37-18-32] kinderen van uw volk tot u zullen spreken, zeggende: Zult u ons niet te kennen geven,[^ezechiel-37-18-33] wat u deze dingen zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v18)

**19** Zo spreek tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal het[^ezechiel-37-19-34] hout van Jozef, dat in Efraïms[^ezechiel-37-19-35] hand geweest is, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal ze met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot één enig hout; en zij zullen[^ezechiel-37-19-36] één worden in Mijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v19)

**20** De houten nu, waarop u zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn[^ezechiel-37-20-37] voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v20)

**21** Spreek dan tot hen: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik zal de Israëlieten halen[^ezechiel-37-21-39] uit het midden van de heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze verzamelen van rondom, en brengen hen in hun[^ezechiel-37-21-40] land;[^ezechiel-37-21-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v21)

**22** En Ik zal ze maken tot één enig volk in het land, op de bergen van Israël; en zij zullen allen samen[^ezechiel-37-22-a] één enige[^ezechiel-37-22-41] Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken[^ezechiel-37-22-42] verdeeld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v22)

**23** En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun[^ezechiel-37-23-43] afgoden, en met hun[^ezechiel-37-23-44] gruwelen, en met[^ezechiel-37-23-45] al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben[^ezechiel-37-23-46], en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v23)

**24** En[^ezechiel-37-24-b] Mijn[^ezechiel-37-24-47] Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen samen één[^ezechiel-37-24-48] Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn voorschriften bewaren en die doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v24)

**25** En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hun Vorst zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v25)

**26** En Ik zal een[^ezechiel-37-26-49][^ezechiel-37-26-c] verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal[^ezechiel-37-26-50] ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn[^ezechiel-37-26-51][^ezechiel-37-26-d] heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v26)

**27** En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een[^ezechiel-37-27-e] God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v27)

**28** En de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, Die Israël[^ezechiel-37-28-52] heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/37.html#v28)

[^ezechiel-37-1-1]: Kanttekening 1: 1 hand van YHWH was op mij: Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-37-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, in een gezicht met optrekking van mijnen geest. Anders: zij \[de hand van de Heer\] voerde mij uit door de Geest van de Heer.
[^ezechiel-37-1-3]: Kanttekening 3: 3 zette mij neder: Hebreeuws, deed mij rusten.
[^ezechiel-37-1-4]: Kanttekening 4: Versta, dorre dode beenderen van verstorven mensen, gelijk volgt. Door dit gezicht en het volgende teken van twee stukjes hout, heeft God willen verzekeren de vervulling van de genadebeloften, die in het voorgaande wijdlopig gedaan zijn, zo van de lichamelijke verlossing uit Babel als van de geestelijke door de Messias en de vergadering van de algemene kerk uit Joden en heidenen, dat alles het begrip en vermogen van de mens teboven ging, om zijn volk te leren dat het Hem \[als de almachtige God\] zo licht is zulks alles te volbrengen als doden op te wekken en levend te maken, \[waarvan God hier een levendig beeld tot het geloof van zijn kerk, voorstelt\] en twee stukjes hout samen te voegen.
[^ezechiel-37-2-5]: Kanttekening 5: 5 Hij deed mij: Namelijk de Heer; anders mocht de profeet een natuurlijken schrik daarvan gehad hebben, en gevreesd hebben voor ceremonieële onreinheid.
[^ezechiel-37-2-6]: Kanttekening 6: 6 geheel rondom: Hebreeuws, rondom, rondom.
[^ezechiel-37-2-7]: Kanttekening 7: 7 grond van de vallei: Hebreeuws, aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-37-3-8]: Kanttekening 8: 8 Hij zei tot mij: De Heer.
[^ezechiel-37-3-9]: Kanttekening 9: 9 zullen deze beenderen levend worden: Alsof God zei: Zouden zij wel kunnen levend worden? weet u daartoe enig natuurlijk, begrijpelijk middel, raad, of vermogen? lijkt het u wel menselijk, mogelijk te zijn? Vergelijk deze vraag met Job 6:5, 6:6. Anders was de zaak van de toekomstige algemene verrijzenis van de doden onder Gods volk bekend en buiten twijfel; zie Matt. 22:29, enz.; Hebr. 11:13, 11:14, 11:35. Job 6:5: Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? Job 6:6: Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte van de dooier? Mattheüs 22:29: Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht van God. Hebreeën 11:13: Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Hebreeën 11:14: Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:35: De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.
[^ezechiel-37-3-10]: Kanttekening 10: 10 U weet het!: Alsof de profeet zei: Ik weet uwe macht wel, maar wat U hier nu met deze beenderen voorhebt, en aan dezelfde zult willen doen, dat is U bekend en mij van U nog niet geopenbaard; anders had de profeet in het algemeen het geloof van de vrome voorvaderen; zie Gen. 23:4, en Gen. 50:25; Ex. 13:19; Jes. 26:19, enz.; zonder dat de gelovigen de ellendigste van alle mensen geweest zouden zijn, 1 Kor. 15:19; zie verder Joh. 11:24. Genesis 23:4: Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. Genesis 50:25: En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren! Exodus 13:19: En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen van Israël bezworen, zeggende: God zal u voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met u op van hier! Jesaja 26:19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. 1 Korinthiërs 15:19: Als wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. Johannes 11:24: Martha zei tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.
[^ezechiel-37-4-11]: Kanttekening 11: 11 zeg tot dezelfde: Vergelijk deze aanspraak met boven Ez. 36:1, en Ez. 14:17, met de aantekening; idem Rom. 4:17. Ezechiël 36:1: En u, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: U bergen Israëls! hoort het woord van YHWH. Ezechiël 14:17: Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten; Romeinen 4:17: (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
[^ezechiel-37-5-12]: Kanttekening 12: 12 geest in u brengen: Dat is, de ziel, in elk lichaam; zo vers 8, 37:10. Zie Num. 16:22. Ezechiël 37:8: En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelfde, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelfde, maar er was geen geest in hen. Ezechiël 37:10: En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een geheel zeer groot leger. Numeri 16:22: Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult U U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen?
[^ezechiel-37-6-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws, geven.
[^ezechiel-37-7-14]: Kanttekening 14: Dit waren tekenen en boden van Gods tegenwoordige majesteit en krachtige werking, gelijk in het volgende de wind.
[^ezechiel-37-7-15]: Kanttekening 15: Of, schudding, beving, beweging. Anders: \[aard\]beving, waarvan het Hebreeuwse woord veel gebruikt wordt; maar ook van andere beroerten, gelijk onder Ez. 38:19, 38:20; Nah. 3:2. Ezechiël 38:19: Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner toorn: Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël! Ezechiël 38:20: Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen van de zee, en het gevogelte van de hemel, en het gedierte van het veld, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, en alle mensen, die op de aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen. Nahum 3:2: Er is het geklap van de zweep, en het geluid van het bulderen van de raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.
[^ezechiel-37-7-16]: Kanttekening 16: 16 zijn been: Zodat de beenderen, die in het leven bij elkaar in elk lichaam geweest waren, in dit gezicht weer samenkwamen; een levendige afbeelding van wat God zal werken in de opstanding van de doden.
[^ezechiel-37-8-17]: Kanttekening 17: 17 geest in hen: Gelijk boven vers 5. Ezechiël 37:5: Zo zegt de Heer YHWH tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en u zult levend worden.
[^ezechiel-37-9-18]: Kanttekening 18: 18 Profeteer tot de geest: Dat is, verkondig in mijnen naam dat Ik door mijn goddelijke kracht de zielen zal wederbrengen in deze dode lichamen, enz. Sommigen verstaan door het woord geest de wind, en zo in het volgende van vers 9. Niet dat de wind de doden het leven of de ziel kan inblazen of geven; maar dat het God belieft de wind te gebruiken tot een voorbode van zijn krachtige werking, om de gelijkheid, die er enigszins is tussen de werking Gods en de kracht van de wind, en het geblaas van de wind, \[waarvan in het volgende\] en het geblaas of adem, dat de ziel voortbrengt in de levende. Vergelijk Hand. 2:2, en Joh. 20:22, enz. Ezechiël 37:9: En Hij zei tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt de Heer YHWH: U geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. Handelingen 2:2: En er geschiedde haastig uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. Johannes 20:22: En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.
[^ezechiel-37-9-19]: Kanttekening 19: Dat is, van de vier hoeken of delen van de wereld. Zie boven Ez. 5:10. Ezechiël 5:10: Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.
[^ezechiel-37-9-20]: Kanttekening 20: 20 in deze gedoden: Of, op, of blaas deze gedoden aan.
[^ezechiel-37-10-21]: Kanttekening 21: 21 geest in hen: Dat is, ziel, gelijk boven vers 5. Ezechiël 37:5: Zo zegt de Heer YHWH tot deze beenderen: Ziet, Ik zal de geest in u brengen, en u zult levend worden.
[^ezechiel-37-10-22]: Kanttekening 22: 22 geheel zeer groot leger: Hebreeuws, zeer zeer.
[^ezechiel-37-11-23]: Kanttekening 23: 23 zijn het gehele huis van Israël: Dat is, zij zijn een teken of afbeelding van het huis van Israël, of zij beduiden dat en hun tegenwoordigen staat in Babel.
[^ezechiel-37-11-24]: Kanttekening 24: 24 Onze beenderen zijn verdord: Daar is zo weinig hoop van onze verlossing uit Babel en de wederkomst in ons land, als er is dat dode, begraven en verrotte mensen en hun verdorde beenderen weer zouden levend worden. Deze redenen van ongeloof en mistroostigheid waren de aanleiding, en geven het oogmerk te kennen van het voorgaande gezicht.
[^ezechiel-37-11-25]: Kanttekening 25: Gelijk takken, die afgesneden zijn en van de wortel geen sap kunnen trekken, moetende dienvolgens vergaan.
[^ezechiel-37-12-26]: Kanttekening 26: God herhaalt hier sommierlijk de lichamelijke en geestelijke beloften, die in de voorgaande h.h. wijdlopig zijn gedaan, gebruikende daartoe figuurlijke manieren van spreken, die uit het voorgaande gezicht en hun eigen woorden genomen zijn.
[^ezechiel-37-14-27]: Kanttekening 27: 27 dat Ik, YHWH: Anders: dat Ik YHWH \[ben\], Ik heb het gesproken en zal het doen.
[^ezechiel-37-16-28]: Kanttekening 28: Ene roede, of plat hout; vergelijk Num. 17:2, enz. Numeri 17:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis van hun vaderen, twaalf staven; eens iegelijken naam zult u schrijven op zijn staf.
[^ezechiel-37-16-29]: Kanttekening 29: 29 zijn metgezellen: Versta, Benjamin en Levi. Zie 2 Kron. 11:12, 11:13. 2 Kronieken 11:12: En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze geheel zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne. 2 Kronieken 11:13: Daartoe de priesters en de Levieten, die in het gehele Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun gebied.
[^ezechiel-37-16-30]: Kanttekening 30: 30 gehele huis van Israël: Versta, de tien stammen, die zich aan Efraïm \[als de machtigste\] gehouden hadden, en daaronder dikwijls verstaan worden.
[^ezechiel-37-17-31]: Kanttekening 31: 31 Doe u ze dan naderen: Dat is, breng hen nabij en tot elkaar, dat zij één worden.
[^ezechiel-37-18-32]: Kanttekening 32: 32 kinderen uws volks: Zie boven Ez. 3:11. Ezechiël 3:11: En ga heen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.
[^ezechiel-37-18-33]: Kanttekening 33: 33 wat u deze dingen zijn: Dat is, wat zij beduiden of betekenen, en wat U daarmede meent, wat daardoor te verstaan zij; zie boven Ez. 24:19. Ezechiël 24:19: En het volk zei tot mij: Zult u ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat u aldus doet?
[^ezechiel-37-19-34]: Kanttekening 34: 34 hout van Jozef: Dat is, Jozefs nakomelingen, of de Efraïmieten met hun bijgevoegde stammen, die door dit hout samen betekend werden.
[^ezechiel-37-19-35]: Kanttekening 35: 35 hand geweest is: Dat is, de tien stammen, waarvan Efraïm het hoofd tevoren geweest was, toebehoorde.
[^ezechiel-37-19-36]: Kanttekening 36: 36 een worden in Mijn hand: Gelijk de verdeeldheid en vijandschap tussen Juda en Efraïm \[waarvan Samaria de hoofdstad was\] als ene afbeelding was van de twee vijandelijke gedeelten van de mensen, namelijk Joden en heidenen, zo was de vereniging van dezelfde een afbeelding of voorbeeld van de vereniging van de algemene kerk, of van alle uitverkorenen in de gehele wereld, uit Joden en heidenen, door enen Geest en één geloof, onder een Hoofd, Koning en Zaligmaker, welke is onze Heer Jezus Christus, de beloofde Messias. Of nu wel enige van de tien stammen zich met Juda gevoegd hebben, en zo samen uit Babel zijn opgetogen \[1 Kron. 9:3\], zo heeft nochtans de rechte geestelijke vereniging haar aanvang genomen ten tijde van de Heer Christus en van zijne apostelen, \[zie Joh. 4:9, 4:21, 4:23, 4:35, 4:39, 4:41; Hand. 2:9, 2:10, 2:11, en Hand. 8:5, 8:14, en Hand. 9:31\], en is verder vervolgd onder de Joden, en voornamelijk onder de heidenen, en zal duren tot aan het einde van de wereld, totdat geheel geestelijk Israël is beroepen, in Gods hand, \[dat is, in de Heer Christus, die in dezen de knecht van de Vader is, in wiens hand Hij alles heeft overgegeven en tot wie Hij alle uitverkorenen trekt\] in één lichaam of ééne kerk verenigd en behouden. Zie Matt. 28:19; Hand. 1:8; Rom. 11:25, 11:26; Ef. 2:13, enz. 1 Kronieken 9:3: Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse; Johannes 4:9: Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. Johannes 4:21: Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Johannes 4:23: Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden. Johannes 4:35: Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn al wit om te oogsten. Johannes 4:39: En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. Johannes 4:41: En er geloofden er veel meer omwille van Zijn woord; Handelingen 2:9: Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. Handelingen 2:10: En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; Handelingen 2:11: Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken. Handelingen 8:5: En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. Handelingen 8:14: Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord van God aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes; Handelingen 9:31: De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees voor de Heer, en de vertroosting van de Heilige Geest, werden vermenigvuldigd. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Handelingen 1:8: Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde. Romeinen 11:25: Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. Romeinen 11:26: En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus.
[^ezechiel-37-20-37]: Kanttekening 37: 37 voor hunlieder ogen: Gelijk de profeet dikwijls belast werd, wat hun van God was geopenbaard het volk zo levendig en als metterdaad af te beelden en voor ogen te stellen. Vergelijk boven Ez. 12:3, 12:4, enz., met de aantekening; Jer. 27:2, enz. Ezechiël 12:3: Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn. Ezechiël 12:4: U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken. Jeremia 27:2: Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.
[^ezechiel-37-21-39]: Kanttekening 39: 39 uit het midden van de heidenen: Of, van tussen.
[^ezechiel-37-21-40]: Kanttekening 40: Het geestelijk Kanaän, Jeruzalem, de berg Zion, dat is, in Gods kerk, eerst de strijdende, daarna de triomferende, \[zie Gal. 4:25, 4:26; Hebr. 12:22\] afgebeeld door het aardse, waar God de Joden eerst weer inbracht uit Babel. Galaten 4:25: Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons aller moeder. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^ezechiel-37-21-38]: Kanttekening 38: Gelijk boven Ez. 36:24. Ezechiël 36:24: Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.
[^ezechiel-37-22-a]: Verwijzing a: Joh. 10:16. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.
[^ezechiel-37-22-41]: Kanttekening 41: 41 Koning tot koning hebben: De Messias, onze Heer Jezus Christus.
[^ezechiel-37-22-42]: Kanttekening 42: 42 verdeeld zijn: Hebreeuws alsof men zei: Gehalveerd zijn.
[^ezechiel-37-23-43]: Kanttekening 43: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-37-23-44]: Kanttekening 44: Zie boven Ez. 20:7. Ezechiël 20:7: En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de drekgoden van Egypte; Ik, YHWH, ben uw God.
[^ezechiel-37-23-45]: Kanttekening 45: 45 al hun overtredingen: Of, enige.
[^ezechiel-37-23-46]: Kanttekening 46: 46 gezondigd hebben: Namelijk in Babel, Egypte, enz. Zie Jer. 44:8; boven Ez. 14:3, en Ez. 20:30, 20:39, enz. Jeremia 44:8: Tergende Mij door de werken van uw handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar u gekomen bent, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat u uzelven uitroeit, en opdat u wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken van de aarde? Ezechiël 14:3: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Ezechiël 20:30: Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Bent u verontreinigd geworden in de weg van uw vaderen, en hoereert u achter hun verfoeiselen? Ezechiël 20:39: En u, o huis van Israël, zo zegt de Heer YHWH: Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw drekgoden.
[^ezechiel-37-24-b]: Verwijzing b: Jes. 40:11; Jer. 30:9; Ez. 34:23. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Jeremia 30:9: Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.
[^ezechiel-37-24-47]: Kanttekening 47: 47 Knecht David: Zie boven Ez. 34:23. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.
[^ezechiel-37-24-48]: Kanttekening 48: 48 Herder hebben: Zie Joh. 10:16. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.
[^ezechiel-37-26-49]: Kanttekening 49: 49 verbond van de vrede: Zie boven Ez. 34:25. Ezechiël 34:25: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.
[^ezechiel-37-26-c]: Verwijzing c: Ps. 89:4; Ez. 34:25. Psalmen 89:4: Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen: Ezechiël 34:25: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.
[^ezechiel-37-26-50]: Kanttekening 50: Inbrengen, plaatsen, endoen blijven en beklijven in mijne kerk. Hebreeuws, geven.
[^ezechiel-37-26-51]: Kanttekening 51: Deze manier van spreken is genomen van de staat van het Oude Testament, \[gelijk elders dikwijls\] betekenende de genaderijke inwoning Gods onder en in zijne kerk, met zijn woord, Geest, gunst en zegen; zie Lev. 26:12; 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Ef. 2:21, 2:22; Openb. 21:3. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.
[^ezechiel-37-26-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 6:16. 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^ezechiel-37-27-e]: Verwijzing e: Ez. 11:20; Ez. 14:11. Ezechiël 11:20: Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelfde doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. Ezechiël 14:11: Opdat het huis van Israël niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-37-28-52]: Kanttekening 52: Zie boven Ez. 20:12. Ezechiël 20:12: Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige.

### Ezechiël 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/38.json)

*Profetie over Gogs grote toerusting en zekere optocht tegen Israël, alsook zijn verschrikkelijke nederlaag door Gods ijver en machtige hand.*

**1** Verder kwam het woord van YHWH tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v1)

**2** Mensenkind![^ezechiel-38-2-1] zet uw aangezicht tegen[^ezechiel-38-2-2][^ezechiel-38-2-a] Gog,[^ezechiel-38-2-3] het land van Magog, de[^ezechiel-38-2-4] hoofdvorst van[^ezechiel-38-2-5] Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v2)

**3** En zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-38-3-6] wil aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v3)

**4** En Ik zal u[^ezechiel-38-4-7] omwenden, en[^ezechiel-38-4-8][^ezechiel-38-4-b] haken in uw kaken leggen, en Ik zal u[^ezechiel-38-4-9] uitvoeren, en ook uw hele leger, paarden en ruiteren, die allemaal[^ezechiel-38-4-10] volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met groot schild en schild, die allemaal zwaarden handelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v4)

**5** [^ezechiel-38-5-11] Perzen, Moren en Puteers met hen, die allemaal schild en helm voeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v5)

**6** [^ezechiel-38-6-12] Gomer en al zijn benden, en het huis van[^ezechiel-38-6-13] Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v6)

**7** [^ezechiel-38-7-14] Wees bereid en maakt u gereed, u en uw hele vergadering, die tot u verzameld zijn; en wees u hun tot een[^ezechiel-38-7-15] wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v7)

**8** Na vele dagen zult u[^ezechiel-38-8-16] bezocht worden; in[^ezechiel-38-8-17] het laatste van de jaren zult u komen in het[^ezechiel-38-8-18] land, dat teruggebracht is van het zwaard, dat verzameld is uit vele volken, op de bergen van Israël, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als dat land uit de volken zal uitgevoerd zijn[^ezechiel-38-8-19], en[^ezechiel-38-8-20] zij allemaal zeker zullen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v8)

**9** Dan zult u optrekken, u zult aankomen als een onstuimige verwoesting, u zult zijn als een[^ezechiel-38-9-c] wolk, om het land te bedekken; u en al uw benden, en vele volken met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v9)

**10** Zo zegt Adonai YHWH: Op die dag zal het ook gebeuren, dat[^ezechiel-38-10-21] er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v10)

**11** En zult[^ezechiel-38-11-22] zeggen: Ik zal optrekken naar[^ezechiel-38-11-23] dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v11)

**12** Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw[^ezechiel-38-12-24] hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en bezittingen[^ezechiel-38-12-25] verkregen heeft, wonende in[^ezechiel-38-12-26] het midden van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v12)

**13** [^ezechiel-38-13-27] Scheba, en Dedan, en de kooplieden van[^ezechiel-38-13-28] Tarsis, en alle hun jonge[^ezechiel-38-13-29] leeuwen zullen tot u zeggen: Komt u, om buit te buiten? hebt u uw vergadering verzameld, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en bezittingen weg te nemen, om een grote buit te buiten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v13)

**14** Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt Adonai YHWH: Zult u het, op die dag, als Mijn volk Israël zeker woont, niet[^ezechiel-38-14-30] bemerken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v14)

**15** U[^ezechiel-38-15-31] zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, u en vele volken met u; die allemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig leger; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v15)

**16** En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal[^ezechiel-38-16-32] geheiligd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v16)

**17** Zo zegt Adonai YHWH: Bent u die, waarvan Ik in verleden dagen gesproken heb, door de dienst van Mijn knechten, de[^ezechiel-38-17-35] profeten van Israël, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen[^ezechiel-38-17-37] hen zou aanbrengen?[^ezechiel-38-17-33][^ezechiel-38-17-34][^ezechiel-38-17-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v17)

**18** Maar het zal gebeuren op die dag, op de dag als Gog tegen het land van Israël zal aankomen, spreekt Adonai YHWH, dat Mijn woede in Mijn[^ezechiel-38-18-38] neus zal opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v18)

**19** Want Ik[^ezechiel-38-19-39] heb gesproken in Mijn[^ezechiel-38-19-40][^ezechiel-38-19-d] ijver, in het vuur van Mijn toorn:[^ezechiel-38-19-41] Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v19)

**20** Zodat van Mijn[^ezechiel-38-20-42] aangezicht beven zullen de vissen van de zee, en het gevogelte van de hemel, en het gedierte van het veld, en al het kruipend gedierte, dat op het aarde kruipt, en alle mensen, die op de aardbodem[^ezechiel-38-20-43] zijn; en de bergen zullen neergeworpen worden, en de[^ezechiel-38-20-44] steile plaatsen zullen neervallen, en alle[^ezechiel-38-20-45] muren zullen ter aarde neervallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v20)

**21** Want Ik zal het zwaard over hem[^ezechiel-38-21-46] roepen[^ezechiel-38-21-47] op al Mijn bergen, spreekt Adonai YHWH; het zwaard van[^ezechiel-38-21-48] een ieder zal tegen zijn broer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v21)

**22** En Ik zal met hem rechten, door pest en door[^ezechiel-38-22-49] bloed; en Ik zal een overstelpende plasregen[^ezechiel-38-22-50], en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v22)

**23** Zo zal Ik Mij[^ezechiel-38-23-51] groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/38.html#v23)

[^ezechiel-38-2-1]: Kanttekening 1: 1 zet uw aangezicht: Zie boven Ez. 6:2. Ezechiël 6:2: Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israëls, en profeteer tegen dezelfde;
[^ezechiel-38-2-2]: Kanttekening 2: Door deze Gog kan men vooreerst en eensdeels verstaan de koningen van Syrië en Klein-Azië, bijzonderlijk de beruchte tiran Antiochus Epifanes, die ten tijde van de Maccabeën het Joodse volk gruwelijk heeft getiranniseerd, en allerlei volk in zijne legers gevoerd; te meer, omdat de wrede Scyten afkomstig van Magog of Tartaren, enz. niet lang vóór de tijd van deze profetieën Euseb. in Chron. gelijk Nebukadnezar elders bezig was \[zie Jer. 49:35\], waren doorgedrongen tot in Syrië en aan het Joodse land en de stad Scytopolis, dat is, stad van de Scyten, Plin. lib. 5, cap. 18, de naam hebben gegeven, en de afgodische stad Hierapolis, de naam van Magog, Plin. lib. 5, cap. 23, naar hun voorvader en hun land \[Gen. 10:2\]; en buiten dat, de naam van de koning Gug, of Gyg, dat is, Gyges, overeenkomende met Gog, daar welbekend was, en Antiochus deze zijn vreemde voorzaten in wreedheid geheel gelijk. Ten tweede en voornamelijk moet men door Gog en Magog verder verstaan alle vijanden van de kerk van het Nieuwe Testament, en bijzonderlijk de Anti-christ met zijn gansen aanhang, die in Scytische wreedheid en bloedige vervolgingen van de kerk die allen teboven gaat. Vergelijk Openb. 20:8, enz. Sommigen verstaan bijzonderlijk de Turk. Jeremia 49:35: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ziet, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. Openbaring 20:8: En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; waarvan het getal is als het zand aan de zee.
[^ezechiel-38-2-a]: Verwijzing a: Openb. 20:8. Openbaring 20:8: En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; van wie getal is als het zand aan de zee.
[^ezechiel-38-2-3]: Kanttekening 3: 3 het land van Magog: Of, Gog van het land van Magog, of uit het land Magog.
[^ezechiel-38-2-4]: Kanttekening 4: Anders, vorst en hoofd, of vorst van het hoofd, of van de hoofden van, enz. Het is zoveel als souverein, monarch, grote chan.
[^ezechiel-38-2-5]: Kanttekening 5: 5 Mesech en Tubal: Zie van deze beide Gen. 10:2, en boven Ez. 27:13. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. Ezechiël 27:13: Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.
[^ezechiel-38-3-6]: Kanttekening 6: 6 Ik wil aan u: Zie boven Ez. 13:8. Ezechiël 13:8: Daarom zo zegt de Heer YHWH: omdat u ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-38-4-7]: Kanttekening 7: Wenden en keren, gelijk men een paard met de toom, of de vissen met haken en angels, omwendt.
[^ezechiel-38-4-8]: Kanttekening 8: 8 haken in uw kaken leggen: Zie boven Ez. 29:4. Ezechiël 29:4: Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en de vis van uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, en al de vis van uw rivieren zal aan uw schubben kleven.
[^ezechiel-38-4-b]: Verwijzing b: Ez. 29:4; Ez. 39:2. Ezechiël 29:4: Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en de vis uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uw rivieren optrekken, en al de vis uw rivieren zal aan uw schubben kleven. Ezechiël 39:2: En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israëls.
[^ezechiel-38-4-9]: Kanttekening 9: Door mijn verborgen regering zult u daaraan willen en moeten, opdat Ik eer aan u behale; vergelijk onder vers 16, 38:17. Ezechiël 38:16: En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden. Ezechiël 38:17: Zo zegt de Heer YHWH: Bent u die, van welke Ik in verleden dagen gesproken heb, door de dienst Mijner knechten, de profeten van Israël, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?
[^ezechiel-38-4-10]: Kanttekening 10: 10 volkomen wel gekleed zijn: Hebreeuws, geklede, of beklede van de volkomenheid; dat is, bovenmate en wel toegerust en van alles wel voorzien.
[^ezechiel-38-5-11]: Kanttekening 11: 11 Perzen, Moren en Puteërs: Gelijk boven Ez. 27:10. Ezechiël 27:10: Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw legermacht, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.
[^ezechiel-38-6-12]: Kanttekening 12: Zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^ezechiel-38-6-13]: Kanttekening 13: Zie Gen. 10:3, boven Ez. 27:14. Genesis 10:3: En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. Ezechiël 27:14: Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.
[^ezechiel-38-7-14]: Kanttekening 14: 14 Zijt bereid en maakt u gereed: Dit is ene beschimping van Gogs grote toerusting.
[^ezechiel-38-7-15]: Kanttekening 15: Wees als hunlieder wachter, pas op hen, doe uw best om hun kloekelijk voor te gaan en te beschermen; spottenderwijze gesproken.
[^ezechiel-38-8-16]: Kanttekening 16: 16 bezocht worden: Dat is, gestraft, zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^ezechiel-38-8-17]: Kanttekening 17: 17 laatste van de jaren: Ten tijde die van mijne profeten is voorzegd, na de verlossing uit Babel, en in het bijzonder na de komst van de Messias.
[^ezechiel-38-8-18]: Kanttekening 18: 18 dat wedergebracht is: Dat is, welks inwoners wedergebracht zullen zijn, enz., dat is verlost uit Babel, zo in het volgende; en in het bijzonder alle gelovigen, die door de Messias ten tijde van het Nieuwe Testament geestelijk zullen verlost zijn, en in Gods kerk, door de bergen van Israël afgebeeld met een geestelijk vertrouwen wonen en uit vele vervolgingen behouden zijn.
[^ezechiel-38-8-19]: Kanttekening 19: 19 hetzelfde land: Dat is, inwoners, zonder achterdenken en in vrede zullen leven in hun land; vergelijk vers 11. Ezechiël 38:11: En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.
[^ezechiel-38-8-20]: Kanttekening 20: 20 zij allemaal zeker zullen wonen: Dat is, inwoners, zonder achterdenken en in vrede zullen leven in hun land; vergelijk vers 11. Ezechiël 38:11: En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.
[^ezechiel-38-9-c]: Verwijzing c: Ez. 30:18. Ezechiël 30:18: En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hovaardij haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
[^ezechiel-38-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, woorden, dingen; maar het Hebreeuwse woord wordt ook elders voor raadslagen genomen; zie 1 Kon. 1:7, met de aantekening. 1 Koningen 1:7: En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia.
[^ezechiel-38-11-22]: Kanttekening 22: Bij uzelven, dat is denken en voornemen.
[^ezechiel-38-11-23]: Kanttekening 23: Waar geen bemuurde vaste steden in zijn, gelijk volgt; waar men in rust, in stilte zonder kwaad achterdenken leeft, gelijk vers 8. Ezechiël 38:8: Na vele dagen zult u bezocht worden; in het laatste van de jaren zult u komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelfde land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.
[^ezechiel-38-12-24]: Kanttekening 24: 24 hand te wenden: Dat is, uwe macht uit te strekken; zo 2 Sam. 8:3; zie daar. 2 Samuël 8:3: David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.
[^ezechiel-38-12-25]: Kanttekening 25: 25 verkregen heeft: Hebreeuws eigenlijk, is makende.
[^ezechiel-38-12-26]: Kanttekening 26: 26 midden van het land: Of, op de hoogte. Hebreeuws, de navel. Zie Richt. 9:37. Richteren 9:37: Maar Gaäl voer verder voort te spreken en zei: Zie daar volk, afkomende uit het midden van het land, en één hoop komt van de weg van de eik Meonenim.
[^ezechiel-38-13-27]: Kanttekening 27: 27 Scheba, en Dedan: Zie van beiden Gen. 10:7; idem boven Ez. 27:15, 27:20, 27:22. Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. Ezechiël 27:15: De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel van uw hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weer tot een verering. Ezechiël 27:20: Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens. Ezechiël 27:22: De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.
[^ezechiel-38-13-28]: Kanttekening 28: Gelijk boven Ez. 27:12, 27:25. Zie Gen. 10:4. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. Ezechiël 27:25: De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege de onderlinge koophandel met u; en u was vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart van de zeeën. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
[^ezechiel-38-13-29]: Kanttekening 29: Versta, scherpe en gewinzuchtige kooplieden en handelaars, die naar de roof haken als jonge leeuwen, die zullen zich bij u voegen en u volgen, om mededeel aan de buit van Israël te hebben.
[^ezechiel-38-14-30]: Kanttekening 30: 30 gewaar worden: Dat is, mijn toorn en straf ondervinden of ervaren? uit vergelijking van vers 16, 38:18; ja gewisselijk, wil de Heer zeggen, u zult ervaren wat het is, mijn gerust en stil volk te storen. Ezechiël 38:16: En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden. Ezechiël 38:18: Maar het zal gebeuren op die dag, op de dag als Gog tegen het land van Israël zal aankomen, spreekt de Heer YHWH, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.
[^ezechiel-38-15-31]: Kanttekening 31: 31 zult dan komen: Of, zult u niet komen? enz., vragenderwijze, gelijk in het einde van Ez. 28:14, zo in het volgende. Ezechiël 28:14: U was een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u zo gezet; u was op Gods heilige berg; u wandelde in het midden van de vurige stenen.
[^ezechiel-38-16-32]: Kanttekening 32: 32 geheiligd worden: Gelijk boven Ez. 28:22; vergelijk onder vers 23, en Ez. 39:27, enz. Ezechiël 28:22: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Ezechiël 38:23: Zo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 39:27: Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen van hun vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;
[^ezechiel-38-17-35]: Kanttekening 35: 35 profeten van Israël: Als, voornamelijk door Ezechiël hier, Dan. 8 en Dan. 11, en vele andere tevoren, in het Oude Testament; gelijk verder in gelijkvormigheid van die, door de apostelen Paulus en Johannes n het Nieuwe Testament geschied is, enz. Zie Openb. 10:7. Openbaring 10:7: Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienaren, de profeten, verkondigd heeft.
[^ezechiel-38-17-37]: Kanttekening 37: 37 hen zou aanbrengen: Israël, mijn volk.
[^ezechiel-38-17-33]: Kanttekening 33: 33 Bent u die: Dat is, u bent zekerlijk diezelfde, en daarom zult u zo doen, en het zal u eindelijk zo gaan, als Ik besloten en door mijne dienaren geprofeteerd heb, onder verscheidene titels en benamingen van de vijanden mijner kerk.
[^ezechiel-38-17-34]: Kanttekening 34: 34 dienst Mijner knechten: Hebreeuws, hand (יַד).
[^ezechiel-38-17-36]: Kanttekening 36: 36 die in die dagen geprofeteerd hebben: Anders: die in de dagen van die jaren geprofeteerd hebben.
[^ezechiel-38-18-38]: Kanttekening 38: 38 neus zal opkomen: Of, aangezicht, gelaat. Menselijk van God gesproken om zijn ijver en toorn uit te drukken.
[^ezechiel-38-19-39]: Kanttekening 39: 39 heb gesproken: Anders: Ik zal spreken.
[^ezechiel-38-19-40]: Kanttekening 40: Over en voor mijn volk, en tegen zijne vijanden.
[^ezechiel-38-19-d]: Verwijzing d: Ez. 36:5; idem v. 6. Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van de gansen harten, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn! Ezechiël 36:6: Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt;
[^ezechiel-38-19-41]: Kanttekening 41: 41 Zo er niet: Een afgebroken rede, in het eedzweren gebruikelijk; zie boven Ez. 34:8. Ezechiël 34:8: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet;
[^ezechiel-38-20-42]: Kanttekening 42: Dat is, verschrikkelijke aanwezigheid, of toornigheid \[zie Ps. 21:10\], die ik door mijne oordelen over deze vijanden zal bewijzen, waardoor zich alles \[om zo te spreken\] zal ontzetten en schrikken wat er is. Figuurlijke manier van spreken. Psalmen 21:10: U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd Uws toornigen aangezichts; YHWH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
[^ezechiel-38-20-43]: Kanttekening 43: 43 aardbodem zijn: Hebreeuws, aangezicht (פָּנַ).
[^ezechiel-38-20-44]: Kanttekening 44: 44 steile plaatsen: Of, trappen, ophangen, hoge torens.
[^ezechiel-38-20-45]: Kanttekening 45: 45 muren zullen: Hebreeuws, muur zal, enz. (חוֹמָה)
[^ezechiel-38-21-46]: Kanttekening 46: Dat is, krijg, moord en verwoesting zal Ik over Gog beschikken. Zie Jer. 25:29. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^ezechiel-38-21-47]: Kanttekening 47: 47 op al Mijn bergen: Of, voor, dat is, ten beste, om de wil mijner bergen, dat is, mijner kerk.
[^ezechiel-38-21-48]: Kanttekening 48: 48 ieder zal tegen zijn broer zijn: Van de vijanden. Dit ziet op de vijandschap en oorlogen, die tussen de koningen van Syrië gerezen zijn, waardoor zij elkaar bedorven en verwoest hebben; evenzo hebben dikwijls de dienaren van de Antichrist gedaan, tot verlossing en rust van Gods kerk. Vergelijk verder de historiën Richt. 7:22; 2 Kron. 20:23. Richteren 7:22: Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette YHWH het zwaard van de één tegen de anderen, en dat in het gehele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath. 2 Kronieken 20:23: Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de één de ander ten verderve.
[^ezechiel-38-22-49]: Kanttekening 49: Dat is, doodslag en moord.
[^ezechiel-38-22-50]: Kanttekening 50: 50 plasregen, en grote hagelstenen: Zie Ps. 11:6, en boven Ez. 13:11, met de aantekening. Psalmen 11:6: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn. Ezechiël 13:11: Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.
[^ezechiel-38-23-51]: Kanttekening 51: 51 groot maken: Dat is, bewijzen dat Ik de God van Israël, de enige ware, almachtige, getrouwe en rechtvaardige God ben, die mijn volk wel om de wil van hun zonden kastijd, maar niet verlaat, maar eindelijk verlost, en al hunne vijanden demp, en maak dat men mij daarvoor kenne en roeme. Vergelijk boven vers 16, en Openb. 15:3, 15:4. Ezechiël 38:16: En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden. Openbaring 15:3: En zij zongen het gezang van Mozes, de dienaar van God, en het gezang van het Lam, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heer, U almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, U Koning van de heiligen! Openbaring 15:4: Wie zou U niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U bent alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden.

### Ezechiël 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/39.json)

*Verdere profetie over Gods oordeel over Gog en Magog, vers 1, enz. De grootte van zijn nederlaag wordt door verscheidene omstandigheden levendig afgebeeld, 9. God wil bekendmaken dat Hij zijn volk om hun zonden gestraft heeft, 23; maar het genadig weer, tot de laatste toe, zal vergaderen, herstellen, zijn Geest over hen uitgieten, en hun eeuwige gunst bewijzen, 25.*

**1** Verder, u mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt Adonai YHWH: Zie, Ik[^ezechiel-39-1-1] wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v1)

**2** En Ik zal u[^ezechiel-39-2-2] omwenden, en een[^ezechiel-39-2-3] zeshaak[^ezechiel-39-2-a] in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v2)

**3** Maar Ik zal uw[^ezechiel-39-3-4] boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v3)

**4** Op de bergen van Israël zult u[^ezechiel-39-4-5] vallen, u en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de[^ezechiel-39-4-6] roofvogelen, aan het gevogelte van[^ezechiel-39-4-7] alle vleugel, en aan het gedierte van het[^ezechiel-39-4-b] veld tot voedsel gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v4)

**5** Op het[^ezechiel-39-5-8] open veld zult u vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v5)

**6** En Ik zal een[^ezechiel-39-6-9] vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker[^ezechiel-39-6-10] wonen; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v6)

**7** En Ik zal Mijn[^ezechiel-39-7-11] heilige Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heilige Naam niet meer laten[^ezechiel-39-7-12] ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik YHWH ben, de Heilige in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v7)

**8** Zie,[^ezechiel-39-8-13] het komt en zal gebeuren, spreekt Adonai YHWH; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v8)

**9** En de inwoners van de steden van Israël zullen[^ezechiel-39-9-14] uitgaan, en[^ezechiel-39-9-15] vuur stoken en branden van de wapenen, zo[^ezechiel-39-9-16] van schilden als grote schilden, van bogen en van pijlen, zo van handstokken[^ezechiel-39-9-17] als van speren; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v9)

**10** Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v10)

**11** En het zal op die dag gebeuren, dat Ik aan Gog daar een grafstede in Israël zal geven, het[^ezechiel-39-11-18] dal van de doorgangers naar het oosten van de zee; en dat zal de doorgangers de[^ezechiel-39-11-19] neus stoppen; en daar zullen zij begraven Gog en zijn hele menigte, en zullen het noemen:[^ezechiel-39-11-20] Het dal van Gogs menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v11)

**12** Het huis van Israël nu[^ezechiel-39-12-21] zal hen begraven, om het land te[^ezechiel-39-12-22] reinigen, zeven maanden lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v12)

**13** Ja, al het volk van het[^ezechiel-39-13-23] land zal begraven, en het zal hun tot een[^ezechiel-39-13-24] naam zijn, op de dag als Ik zal[^ezechiel-39-13-25] verheerlijkt zijn, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v13)

**14** Ook zullen[^ezechiel-39-14-26] zij mannen[^ezechiel-39-14-27] uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op de[^ezechiel-39-14-28] aardbodem zijn overgelaten, om die te reinigen; na verloop van zeven maanden zullen zij onderzoek doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v14)

**15** En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij[^ezechiel-39-15-30] oprichten; totdat de doodgravers het zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.[^ezechiel-39-15-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v15)

**16** Ook zo zal de naam van[^ezechiel-39-16-31] de[^ezechiel-39-16-32] stad Hamona zijn. Zo zullen zij het land reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v16)

**17** U dan, mensenkind! zo zegt Adonai YHWH: Zeg tot het gevogelte van[^ezechiel-39-17-33] alle vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Verzamel u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn[^ezechiel-39-17-34] slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen van Israël, en eet vlees, en drinkt bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v17)

**18** Het vlees van de helden zult u eten, en het bloed van de vorsten van de aarde drinken;[^ezechiel-39-18-35] van de rammen, van de lammeren, en bokken, en stieren, die allemaal[^ezechiel-39-18-36] gemesten van Basan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v18)

**19** En u zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v19)

**20** En u zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rijpaarden en wagenpaarden,[^ezechiel-39-20-37] van helden en[^ezechiel-39-20-38] alle soldaten, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v20)

**21** En Ik zal Mijn eer[^ezechiel-39-21-39] zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik[^ezechiel-39-21-40] aan hen gelegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v21)

**22** En[^ezechiel-39-22-41] die van het huis van Israël zullen weten, dat Ik, YHWH, hun God ben, van die dag af en voortaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v22)

**23** En de heidenen zullen weten, dat die van het huis van Israël als gevangene zijn weggevoerd[^ezechiel-39-23-42] om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen[^ezechiel-39-23-43] verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand van hun tegenstanders, zodat zij[^ezechiel-39-23-44] allemaal door het zwaard gevallen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v23)

**24** Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v24)

**25** Daarom zo zegt Adonai YHWH: Nu zal Ik Jakobs[^ezechiel-39-25-46] gevangenen teruggeven, en zal Mij ontfermen over het hele huis van Israël, en Ik zal ijveren over Mijn[^ezechiel-39-25-47] heilige Naam;[^ezechiel-39-25-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v25)

**26** Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun[^ezechiel-39-26-48] overtreding, waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land[^ezechiel-39-26-49] zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v26)

**27** Als Ik hen zal hebben teruggebracht uit de volken, en hen verzameld zal hebben uit de landen van hun vijanden, en Ik aan hen[^ezechiel-39-27-50] geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v27)

**28** Dan zullen zij weten, dat Ik, YHWH, hun God ben, omdat Ik ze als gevangene heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weer verzameld in hun land, en heb daar niemand van hen meer[^ezechiel-39-28-51] overgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v28)

**29** En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen,[^ezechiel-39-29-52] wanneer Ik Mijn[^ezechiel-39-29-53][^ezechiel-39-29-c] Geest over het huis van Israël zal hebben uitgegoten, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/39.html#v29)

[^ezechiel-39-1-1]: Kanttekening 1: 1 wil aan u, o Gog: Zie boven Ez. 38:2, 38:3. Ezechiël 38:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, Ezechiël 38:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal!
[^ezechiel-39-2-2]: Kanttekening 2: Gelijk boven Ez. 38:4. Ezechiël 38:4: En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, samen met uw gehele legermacht, paarden en ruiteren, die allemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die allemaal zwaarden handelen;
[^ezechiel-39-2-3]: Kanttekening 3: 3 zeshaak in u slaan: Hebreeuws eigenlijk alsof men zei: Ik zal u zessen, dat verscheidenlijk wordt overgezet. Wat hier in de tekst gesteld is, is genomen uit vergelijking met Ez. 38:4; waar God zei: Ik zal u omwenden en haken in uwe kaken, of kieuwen doen. Waarop Hij hier schijnt te willen zeggen: Ik zal u als met zes haken, of een zeshakigen haak, zo vasthouden, voeren en omleiden naar mijnen wil, dat u mij niet zult ontkomen, of buiten de cirkel mijner regering springen, maar uwe straf ontvangen ter plaatse, waarheen Ik u, als een veroordeelden misdadiger, zal voeren; gelijk men bij de heidenen wel gewoon was de misdadiger met een ingeslagen haak te voeren of voort te trekken. Sommigen vertalen het: Ik zal u zesvoudig straffen, te weten met de zes plagen, die Ez. 38:22 verhaald zijn. Anders: Ik zal maar het zesde deel van u, of een deel van zessen overlaten, of, bij zessen slaan; of, Ik zal u zo behandelen, gelijk men de zesde \[idem, tiende, twintigste, enz.\] van de gevangenis in de oorlog wel placht te doen, dat is, doden, enz. Ezechiël 38:4: En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, samen met uw gehele legermacht, paarden en ruiteren, die allemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die allemaal zwaarden handelen; Ezechiël 38:22: En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.
[^ezechiel-39-2-a]: Verwijzing a: Ez. 38:4. Ezechiël 38:4: En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, samen met uw gehele legermacht, paarden en ruiteren, die allemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die allemaal zwaarden handelen;
[^ezechiel-39-3-4]: Kanttekening 4: 4 boog uit uw linkerhand slaan: Dat is, Ik zal u alle krijgsmacht en moed benemen, uwe wapenen verijdelen, of u als ontwapenen, en zo voor uw vijand vellen.
[^ezechiel-39-4-5]: Kanttekening 5: Of, liggen, gelijk elders.
[^ezechiel-39-4-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, roofvogel.
[^ezechiel-39-4-7]: Kanttekening 7: 7 allen vleugel: Dat is, allerlei, gelijk onder vers 17. Ezechiël 39:17: U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^ezechiel-39-4-b]: Verwijzing b: Ez. 33:27. Ezechiël 33:27: Zo zult u tot hen zeggen: De Heer YHWH zegt zo: Zo waarachtig als Ik leef, als niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet die, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!
[^ezechiel-39-5-8]: Kanttekening 8: 8 open veld zult u vallen: Hebreeuws, aangezicht van het veld (פְּנֵי).
[^ezechiel-39-6-9]: Kanttekening 9: 9 vuur zenden in Magog: Van de oorlog, de plagen en ellenden, voortkomende uit het vuur van mijn toorn, boven Ez. 38:18, 38:19. Zie Amos 1:4, enz. Ezechiël 38:18: Maar het zal gebeuren op die dag, op de dag als Gog tegen het land van Israël zal aankomen, spreekt de Heer YHWH, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen. Ezechiël 38:19: Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner toorn: Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël! Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
[^ezechiel-39-6-10]: Kanttekening 10: 10 eilanden zeker wonen: Zie Ps. 72:10. Psalmen 72:10: De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.
[^ezechiel-39-7-11]: Kanttekening 11: 11 heilige Naam: Hebreeuws, naam mijner heiligheid, zo in het volgende, dat is, mijzelf met mijne macht, gerechtigheid, goedheid, heerlijkheid, enz (שֵׁם).
[^ezechiel-39-7-12]: Kanttekening 12: Zie Lev. 18:21; boven Ez. 20:9. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:9: Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen van de heidenen, in wier midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
[^ezechiel-39-8-13]: Kanttekening 13: 13 het komt en zal gebeuren: Zekerlijk, zonder fout, zal dit alles vervuld worden.
[^ezechiel-39-9-14]: Kanttekening 14: Om de buit van de verslagenen te verzamelen.
[^ezechiel-39-9-15]: Kanttekening 15: 15 vuur stoken en branden: Dit is hier ingevoegd uit het volgende, en men moet dit lange branden en vuur stoken, alsook de volgende grote ruimte van de plaats van de begrafenis voor Gog en zijn hoop, idem de moeite en langen tijd van het begraven, nemen als een figuurlijke afmaling van de grootheid en verschrikkelijkheid van de nederlaag.
[^ezechiel-39-9-16]: Kanttekening 16: 16 schilden als rondassen: Hebreeuws, schild, rondas, enz. in het getal van één.
[^ezechiel-39-9-17]: Kanttekening 17: 17 handstokken als van spiesen: Of, slangen.
[^ezechiel-39-11-18]: Kanttekening 18: 18 dal van de doorgangers: Van deze plaats wordt nergens meer in de Heilige Schrift vermeld. Enige menen dat de naam aan deze plaats gegeven is van de doorgangers, onder vers 14, 39:15, of het kan ene vallei geweest zijn, waar de gewone pas was langs de zee Cinnereth, of Gennesareth, naar Syrië, enz., in het noordoosten; of bij de Dode zee naar Egypte, Arabië, enz. in het zuidoosten van Kanaän. De lezer kan hiermede vergelijken Joël. 2:20. Sommigen verstaan de laagten in Gilead in het oosten over de Jordaan, waar de kooplieden veel doorreisden en handelden; zie Gen. 37:25. Ezechiël 39:14: Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op de aardbodem zijn overgelaten, om die te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen. Ezechiël 39:15: En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers het zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte. Joël 2:20: En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan. Genesis 37:25: Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.
[^ezechiel-39-11-19]: Kanttekening 19: 19 de neus stoppen: Neus en mond, vanwege de stank of sterken reuk; vergelijk Joël 2:20. Anders, \[dan pas, of het gezicht\] stoppen, sluiten, vanwege de menigte van de doden; of \[gelijk sommigen\] de mond stoppen, zodat zij Israël niet meer in het doorgaan zouden bespotten. Joël 2:20: En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
[^ezechiel-39-11-20]: Kanttekening 20: 20 Het dal van Gogs menigte: Hebreeuws, Ge Hamon Gog.
[^ezechiel-39-12-21]: Kanttekening 21: 21 zal hen begraven: Hebreeuws, zullen zij.
[^ezechiel-39-12-22]: Kanttekening 22: Van de dode lichamen, die naar de wet van de ceremoniën de aarde verontreinigden en daarom begraven moesten worden. Zie Deut. 21:23. Deuteronomium 21:23: Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^ezechiel-39-13-23]: Kanttekening 23: 23 zal begraven: Hebreeuws, zullen.
[^ezechiel-39-13-24]: Kanttekening 24: 24 naam zijn: Dat is, roem en eer. Vergelijk boven Ez. 34:29, en de aantekening daar. Ezechiël 34:29: En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen.
[^ezechiel-39-13-25]: Kanttekening 25: 25 verheerlijkt zijn: Of, mij zal verheerlijkt hebben; te weten door mijn oordeel over deze vijanden mijner kerk.
[^ezechiel-39-14-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws, mannen, of mensen van de gestadigheid, of gedurigheid; dat is, die steeds rondom in het land trekken, om orde te stellen op de begraving van allen, die hier of daar mogen zijn overgebleven, na de algemene begrafenis van de zeven maanden, gelijk volgt.
[^ezechiel-39-14-27]: Kanttekening 27: Want zij waren naar de wet onrein, die met doden te doen hadden; Num. 19:11, enz. Numeri 19:11: Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.
[^ezechiel-39-14-28]: Kanttekening 28: 28 aardbodem zijn overgelaten: Anders: die met de doorgangers begraven degenen, die op de aardbodem zijn overgelaten; verstaande dat zij ook de reizende man daartoe mee zouden gebruiken, bij gelegenheid.
[^ezechiel-39-15-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, bouwen (בָנָה); opdat de doodgravers dat ziende, het voorzegde been mogen begraven.
[^ezechiel-39-15-29]: Kanttekening 29: 29 en als iemand een mensenbeen ziet: Hebreeuws, en hij ziet; dat is, \[in zulke samenvoeging van woorden\] als iemand, of één van hen ziet, enz. Anders: en de doorgangers, die door het land doorgaan, als iemand van hen, enz., zo zal hij, enz.
[^ezechiel-39-16-31]: Kanttekening 31: Die in of aan dat dal zal gelegen zijn, waarin de begravers, gedurende die tijd, bijeenkwamen. Anders: de stad \[Jeruzalem\] zal een naam \[hebben\] van de menigte; te weten van deze verslagenen.
[^ezechiel-39-16-32]: Kanttekening 32: 32 Hamona zijn: Dat is, menigte, gelijk boven vers 11. Ezechiël 39:11: En het zal op die dag gebeuren, dat Ik aan Gog daar een grafstede in Israël zal geven, het dal van de doorgangers naar het oosten van de zee; en datzelve zal de doorgangers de neus stoppen; en daar zullen zij begraven Gog en zijn gehele menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.
[^ezechiel-39-17-33]: Kanttekening 33: 33 allen vleugel: Dat is, allerlei; gelijk boven vers 4. Dit dient al wijder tot afbeelding van deze grote nederlaag. Vergelijk boven vers 9, en verder Jes. 18:6; Jer. 12:9, enz. Ezechiël 39:4: Op de bergen Israëls zult u vallen, u en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte van het veld tot voedsel gegeven. Ezechiël 39:9: En de inwoners van de steden van Israël zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; Jesaja 18:6: Zij zullen te zamen gelaten worden de roofvogelen van de bergen, en de dieren van de aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren van de aarde zullen daarop overwinteren. Jeremia 12:9: Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al u gedierte van het veld, komt om te eten!
[^ezechiel-39-17-34]: Kanttekening 34: Zie Jes. 34:6; Jer. 46:10; Zef. 1:7, 1:8, met de aantekening, en van het Hebreeuwse woord, Gen. 31:54. Of, slachtmaal, slachtmaaltijd, uit Openb. 19:17, en hier, onder vers 20. Jesaja 34:6: Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jeremia 46:10: Maar deze dag is van YHWH, van YHWH van de legermachten, een dag van de wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heer, YHWH van de legermachten, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. Zefanja 1:7: Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. Zefanja 1:8: En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van YHWH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen van de koning, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding. Genesis 31:54: Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. Openbaring 19:17: En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal van de grote God; Ezechiël 39:20: En u zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rijpaarden en wagenpaarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-39-18-35]: Kanttekening 35: 35 van de rammen: Dat is, uitgelezenste van allerlei staat of rang, die tegen Gods volk gestreden hebben; vergelijk Jes. 34:6. Jesaja 34:6: Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten.
[^ezechiel-39-18-36]: Kanttekening 36: 36 gemesten van Basan zijn: Of, vetaards; dat is, gelijk vette gemeste beesten van Basan. Vergelijk Ps. 22:13, met de aantekening. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
[^ezechiel-39-20-37]: Kanttekening 37: Idem, muilen, ezels, enz. Vergelijk de aantekening 2 Sam. 8:4. 2 Samuël 8:4: En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over.
[^ezechiel-39-20-38]: Kanttekening 38: 38 alle krijgslieden: Dat is, allerlei, of alle deze, o vele dappere mannen van oorlog. Hebreeuws, heldkrijgsman.
[^ezechiel-39-21-39]: Kanttekening 39: 39 zetten onder de heidenen: Dat is, duidelijk doen blijken. Hebreeuws eigenlijk, geven; maar het Hebreeuwse woord wordt zo naar gelegenheid van zaken verscheidenlijk gebruikt. Zie verder vers 23. Ezechiël 39:23: En de heidenen zullen weten, dat die van het huis van Israël gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand van hun wederpartijders, zodat zij allemaal door het zwaard gevallen zijn;
[^ezechiel-39-21-40]: Kanttekening 40: 40 aan hen gelegd heb: Mits hen \[de vijanden\] te doden. Zie Gen. 37:22. Of, mijne plagen, die Ik hun heb aangedaan. Zie Job 13:21. Genesis 37:22: Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen. Job 13:21: Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
[^ezechiel-39-22-41]: Kanttekening 41: 41 die van het huis van Israël: Hebreeuws, het huis van Israël zullen, enz., zo in het volgende.
[^ezechiel-39-23-42]: Kanttekening 42: 42 om hun ongerechtigheid: Dat bij de heidenen zal strekken tot mijne eer, omdat Ik door de rechtvaardige straf van mijn volk mijne heiligheid en gerechtigheid bewezen heb, gelijk daarna mijne waarheid en trouw door hun genadige verlossing.
[^ezechiel-39-23-43]: Kanttekening 43: 43 verborgen heb: Zie Deut. 31:17. Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen het ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?
[^ezechiel-39-23-44]: Kanttekening 44: Een grote menigte, in alle omstreken van het land, van allerlei stand of rang.
[^ezechiel-39-25-46]: Kanttekening 46: 46 gevangenen wederbrengen: Hebreeuws, gevangenis (שבית).
[^ezechiel-39-25-47]: Kanttekening 47: 47 heilige Naam: Hebreeuws, naam mijner heiligheid (שֵׁם).
[^ezechiel-39-25-45]: Kanttekening 45: 45 Nu zal Ik Jakobs: Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^ezechiel-39-26-48]: Kanttekening 48: Dat is, hun straf; vergelijk Lev. 5:1, enz. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-39-26-49]: Kanttekening 49: 49 zeker woonden: Toen het hun welging, bij goede dagen, als het hun betaamde dankbaar tegenover mij te zijn.
[^ezechiel-39-27-50]: Kanttekening 50: 50 geheiligd zal zijn: Gelijk boven Ez. 38:16. Ezechiël 38:16: En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.
[^ezechiel-39-28-51]: Kanttekening 51: Niet één van de mijnen, van mijn uitverkoren volk, heb Ik onverlost gelaten of vergeten en overgezien, maar hun allen tezamen, en een ieder in het bijzonder, getrouwelijk mijn heil bewezen.
[^ezechiel-39-29-52]: Kanttekening 52: 52 wanneer Ik: Of, want, of omdat Ik mijnen Geest zal hebben uitgegoten, enz.
[^ezechiel-39-29-53]: Kanttekening 53: Zie Joël 2:28; Hand. 2:17, waaruit blijkt dat deze en andere dergelijke genadebeloften zien op de algemene kerk van Jezus Christus; gelijk de straffen van de vijanden van het Oude en Nieuwe Testament door elkaar in de profetische Schriften gesprengd en gemengd worden, zo ook de beloften, aan beide kerken gedaan. En gelijk de vijanden van het Oude en Nieuwe Testament één lichaam uitmaken, zo maken ook de gelovigen of de kerken van beiden één lichaam, en behoren tot één schaapstal, \[niettegenstaande de verscheidenheid van de bediening, enz.\] waarvan het Hoofd en de Herder is de Heer Christus, de ware Messias. Zie Joh. 10:16; Rom. 4:16, 4:17, 4:23, 4:24; Ef. 2:12, 2:13, 2:19, enz. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Romeinen 4:16: Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen; Romeinen 4:17: (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Romeinen 4:23: Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; Romeinen 4:24: Maar ook om onzentwil, welke het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heer, uit de doden opgewekt heeft; Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:19: Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods;
[^ezechiel-39-29-c]: Verwijzing c: Joël 2:28; Hand. 2:17. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.

### Ezechiël 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/40.json)

*Tijd en wijze van dit visioen, vers 1, 2. Een man bericht de profeet over het doel van het visioen, 3; over de muur die er rondom liep, en de maten, 5; over de poorten en voorhoven, te weten: het buitenste voorhof met zijn toebehoren, waar het volk placht te vergaderen, 6; het binnenste of middelste voorhof, met zijn toebehoren, waar het gereedschap van de Levieten was en de offers bereid werden, 28; het derde of binnenste voorhof, of voorhof van de priesters, waar het brandofferaltaar stond, 44; het voorhuis van de tempel, 48.*

**1** In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke[^ezechiel-40-1-1] wegvoering, in het[^ezechiel-40-1-2] begin van het jaar, op de tiende van de maand[^ezechiel-40-1-3], in het veertiende jaar, nadat de[^ezechiel-40-1-4] stad[^ezechiel-40-1-a] geslagen was;[^ezechiel-40-1-5] even op die dag, was de[^ezechiel-40-1-6] hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij[^ezechiel-40-1-7] daarheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v1)

**2** In de[^ezechiel-40-2-8] visioenen Gods bracht[^ezechiel-40-2-9] Hij mij in het land van Israël, en[^ezechiel-40-2-10] Hij zette mij op een zeer hoge[^ezechiel-40-2-11] berg; en daaraan was als een gebouw van een stad tegen[^ezechiel-40-2-12] het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v2)

**3** Als Hij mij daarheen[^ezechiel-40-3-13] gebracht had, ziet, zo was er een[^ezechiel-40-3-14] man, van wie de gedaante was als de gedaante van[^ezechiel-40-3-15] koper; en in zijn[^ezechiel-40-3-16] hand was een[^ezechiel-40-3-17] linnen snoer, en een[^ezechiel-40-3-18] meetriet; en hij stond[^ezechiel-40-3-19] in de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v3)

**4** En die man sprak tot mij:[^ezechiel-40-4-20] Mensenkind![^ezechiel-40-4-21] zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u herwaarts gebracht; verkondig daarna aan het huis van Israël alles, wat u ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v4)

**5** En ziet, er was een[^ezechiel-40-5-22] muur buiten aan het huis,[^ezechiel-40-5-23] rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen,[^ezechiel-40-5-24] elke el van één el en een[^ezechiel-40-5-25] handbreed, en hij meette de[^ezechiel-40-5-26] breedte van het gebouw een riet, en de[^ezechiel-40-5-27] hoogte een riet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v5)

**6** Toen kwam hij tot de[^ezechiel-40-6-28] poort, die[^ezechiel-40-6-29] zag de weg naar het oosten, en hij ging bij die[^ezechiel-40-6-30] trappen op, en meette de dorpel van de poort een riet de breedte, en de andere dorpel een riet de breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v6)

**7** En[^ezechiel-40-7-31] elk kamertje een riet de lengte, en een riet de breedte; en[^ezechiel-40-7-32] tussen de kamertjes vijf ellen; en de[^ezechiel-40-7-33] dorpel van de[^ezechiel-40-7-34] poort, bij het voorhuis van de poort van binnen, een riet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v7)

**8** [^ezechiel-40-8-35] Ook meette hij het voorhuis van de poort van[^ezechiel-40-8-36] binnen, een riet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v8)

**9** Toen meette hij het andere voorhuis van de poort, acht ellen, en[^ezechiel-40-9-37] haar posten twee ellen;[^ezechiel-40-9-38] en het voorhuis van de poort was van binnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v9)

**10** En de kamertjes van de poort, de weg naar het oosten, waren[^ezechiel-40-10-39] drie van deze, en drie van de andere zijde; die drie hadden dezelfde maat; ook hadden de posten, van deze en van de andere zijde, dezelfde maat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v10)

**11** Verder meette hij de wijdte van de deur van de poort tien ellen; de lengte van de poort dertien ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v11)

**12** En er was een[^ezechiel-40-12-40] ruim[^ezechiel-40-12-41] voor aan de kamertjes, van een el van deze, en een ruim van een el van de andere zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v12)

**13** Toen meette hij de poort van het dak[^ezechiel-40-13-42] van het ene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v13)

**14** Ook[^ezechiel-40-14-43] maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot de post van[^ezechiel-40-14-44] de voorhof, rondom de poort heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v14)

**15** En van[^ezechiel-40-15-45] het voorste deel van de[^ezechiel-40-15-46] poort van de ingang, tot aan het voorste deel van het[^ezechiel-40-15-47] voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v15)

**16** En er waren[^ezechiel-40-16-48] gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; zo ook aan de[^ezechiel-40-16-49] voorhuizen;[^ezechiel-40-16-50] de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren[^ezechiel-40-16-51] palmbomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v16)

**17** Verder bracht hij mij in het[^ezechiel-40-17-52] buitenste voorhof, en ziet, er waren kamers, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom heen,[^ezechiel-40-17-53] dertig kamers waren er op het plaveisel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v17)

**18** Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de[^ezechiel-40-18-54] lengte van de poorten; dit was het[^ezechiel-40-18-55] benedenste plaveisel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v18)

**19** En hij meette de breedte, van het[^ezechiel-40-19-56] voorste deel van de benedenste poort af,[^ezechiel-40-19-57] voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, naar het oosten en naar het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v19)

**20** Voor wat betreft de poort nu, die de weg naar het noorden[^ezechiel-40-20-58] zag, aan het buitenste voorhof, hij meette haar lengte en haar breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v20)

**21** En haar kamertjes, drie van deze en drie van de andere zijde; en haar posten en haar voorhuizen[^ezechiel-40-21-59] waren naar de maat van de eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte[^ezechiel-40-21-60] van vijf en twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v21)

**22** En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en[^ezechiel-40-22-61] men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren[^ezechiel-40-22-62] voor daaraan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v22)

**23** De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij meette van poort tot poort honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v23)

**24** Daarna voerde hij mij de weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort de weg naar het zuiden; en hij meette haar posten, en haar voorhuizen,[^ezechiel-40-24-63] naar deze maten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v24)

**25** En zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen,[^ezechiel-40-25-64] zoals deze vensters; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v25)

**26** En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor daaraan; en zij had palmbomen, één van deze, en één van de andere zijde aan haar posten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v26)

**27** Ook was er een poort in het binnenste voorhof, de weg naar het zuiden; en hij meette van poort tot poort, de weg naar het zuiden, honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v27)

**28** Verder bracht hij mij door de zuiderpoort tot het[^ezechiel-40-28-65] binnenvoorhof; en hij meette de zuiderpoort[^ezechiel-40-28-66] naar deze maten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v28)

**29** En haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v29)

**30** En er waren voorhuizen rondom heen; de[^ezechiel-40-30-67] lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v30)

**31** En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v31)

**32** Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, de weg naar het oosten; en hij meette de poort, naar deze maten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v32)

**33** Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensters ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v33)

**34** En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v34)

**35** Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij meette naar deze maten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v35)

**36** Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v36)

**37** En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v37)

**38** Haar[^ezechiel-40-38-68] kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar[^ezechiel-40-38-69] waste men het[^ezechiel-40-38-70] brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v38)

**39** En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van de andere zijde, om daarop te slachten het[^ezechiel-40-39-71] brandoffer, en het[^ezechiel-40-39-72] zondoffer, en het schuldoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v39)

**40** Ook waren er aan de[^ezechiel-40-40-73] zijde van buiten van de opgang, aan de deur van de noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis van de poort was, twee tafelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v40)

**41** [^ezechiel-40-41-74] Vier tafelen van deze, en vier tafelen van de andere zijde, aan de zijde van de poort, acht tafelen, waarop[^ezechiel-40-41-75] men slachtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v41)

**42** Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; daarop nu legde men het gereedschap heen, waarmee[^ezechiel-40-42-76] men het brandoffer en slachtoffer slachtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v42)

**43** De[^ezechiel-40-43-77] haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt[^ezechiel-40-43-78] in het huis rondom heen; en op de tafelen was het offervlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v43)

**44** En van buiten de binnenste poort waren de kamers van[^ezechiel-40-44-79] de zangers, in het[^ezechiel-40-44-80] binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel[^ezechiel-40-44-81] daarvan was de weg naar het[^ezechiel-40-44-82] zuiden; één was er aan de zijde van de[^ezechiel-40-44-83] oostpoort, ziende de weg naar het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v44)

**45** En hij sprak tot mij: Deze[^ezechiel-40-45-84] kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de[^ezechiel-40-45-86] taak van het huis waarnemen.[^ezechiel-40-45-85] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v45)

**46** Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de[^ezechiel-40-46-87] taak van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen[^ezechiel-40-46-88] van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH[^ezechiel-40-46-89] naderen, om Hem te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v46)

**47** En hij meette het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het[^ezechiel-40-47-90] altaar was[^ezechiel-40-47-91] voor aan het[^ezechiel-40-47-92] huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v47)

**48** Toen bracht hij mij tot het voorhuis van het huis, en hij meette elke post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van de andere zijde; en de breedte van de poort, drie ellen van deze, en drie ellen van de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v48)

**49** De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, waarbij men daarin opging[^ezechiel-40-49-93]; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze, en één van de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/40.html#v49)

[^ezechiel-40-1-1]: Kanttekening 1: Met de koning Jojachin; zie boven Ez. 1:2, en Ez. 24:1, en Ez. 33:21. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), Ezechiël 24:1: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende: Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
[^ezechiel-40-1-2]: Kanttekening 2: 2 begin van het jaar: Hebreeuws, het hoofd van het jaar (רֹאשׁ); dat de Joden houden voor het begin van het burgerlijke jaar. Anderen verstaan het van het kerkelijke jaar.
[^ezechiel-40-1-3]: Kanttekening 3: Versta, de eerste maand.
[^ezechiel-40-1-4]: Kanttekening 4: Jeruzalem. Zie boven Ez. 33:21, en Ez. 24:1, 24:2, met de aantekening daar. Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. Ezechiël 24:1: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende: Ezechiël 24:2: Mensenkind! schrijf u de naam van de dag op, even van deze zelfde dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op deze zelfde dag.
[^ezechiel-40-1-a]: Verwijzing a: Ez. 33:21. Ezechiël 33:21: En het geschiedde in het twaalfde jaar van ons gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
[^ezechiel-40-1-5]: Kanttekening 5: 5 even op diezelfde dag: Zie boven Ez. 2:3, en Ez. 24:2, met de aantekening. Hebreeuws, in het been, of in de kracht van de dag (עֶצֶם). Ezechiël 2:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen van Israël, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op deze zelfde huidige dag. Ezechiël 24:2: Mensenkind! schrijf u de naam van de dag op, even van deze zelfde dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op deze zelfde dag.
[^ezechiel-40-1-6]: Kanttekening 6: 6 hand van YHWH op mij: Zie boven Ez. 1:3. Ezechiël 1:3: Geschiedde het woord van YHWH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van YHWH was daar op hem.
[^ezechiel-40-1-7]: Kanttekening 7: Te weten in het land Israël; versta in een gezicht, gelijk volgt.
[^ezechiel-40-2-8]: Kanttekening 8: 8 gezichten van God: Zie boven Ez. 1:1, en Ez. 8:3. Ezechiël 1:1: In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten van God zag. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-40-2-9]: Kanttekening 9: 9 Hij mij in het land van Israël: De Heer.
[^ezechiel-40-2-10]: Kanttekening 10: 10 Hij zette mij op een zeer hoge: Vergelijk Openb. 21:10. Zie van het Hebreeuwse woord boven Ez. 37:1. Openbaring 21:10: En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God. Ezechiël 37:1: De hand van YHWH was op mij, en YHWH voerde mij uit in de geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; die nu was vol beenderen.
[^ezechiel-40-2-11]: Kanttekening 11: Het is aanmerkelijk dat noch berg, noch stad, zo hier als in het volgende, genoemd wordt, maar alleen door het woord als, bedektelijk, als met de vinger, op Zion of Maria, en Jeruzalem gewezen, dat dienen kon om onze gedachten te meer van het aardse Zion en Jeruzalem af te trekken, en te leiden tot het hemelse en geestelijke, te weten Gods kerk, onze aller moeder, Gal. 4:26, waarvan de naam zal zijn: YHWH is daar; onder Ez. 48:35. Tot gelijk einde kon strekken het onderscheid, dat er is tussen dit gehele gebouw en de voorgaanden tempel van Salomo en de andere, die na de wederkomst uit Babel gebouwd is. Waarom ook nergens in Ezra, Nehemia, Haggaï en Zacharia gevonden wordt dat men in de wederopbouwing van de tempel of van de stad zich zou hebben geschikt naar dit verborgen gezicht, dat zelfs verscheidene Joodse rabbijnen moeten bekennen te zien op de tijd van de Messias. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons aller moeder. Ezechiël 48:35: Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: YHWH IS DAAR.
[^ezechiel-40-2-12]: Kanttekening 12: Ezechiël, staande in het noorden, \[waar de tempel geweest was. Zie Ps. 48:3\], zag ene stad voor zich in het zuiden. Psalmen 48:3: Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Koning.
[^ezechiel-40-3-13]: Kanttekening 13: 13 daarheen gebracht had: Of, had doen ingaan, ingebracht had.
[^ezechiel-40-3-14]: Kanttekening 14: Men kan hierdoor, met de meeste uitleggers, verstaan de Heer Christus, als de opperste stichter van zijn huis, die hier niet verschijnt in schrikkelijke majesteit, als een rechter, maar lieflijk als een bouwmeester; of immers een engel, die het de Zoon van God geliefd heeft daartoe te gebruiken. Vergelijk boven Ez. 1:26, en Ez. 9:2, en Ez. 10:2; Zach. 6:12, enz.; Openb. 11:1; idem onder Ez. 43:6, alwaar het schijnt dat deze man onderscheiden wordt van de Heer sprekende uit de tempel. Ezechiël 1:26: En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde. Ezechiël 9:2: En ziet, zes mannen kwamen van de weg van de Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elk met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. Ezechiël 10:2: En Hij sprak tot de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in tot tussen de wielen, tot onder de cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen. Zacharia 6:12: En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen. Openbaring 11:1: En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. Ezechiël 43:6: En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.
[^ezechiel-40-3-15]: Kanttekening 15: Of, staal, zijnde schoon en net, hard en duurzaam. Vergelijk Openb. 1:15; idem boven Ez. 1:7, en verder Ps. 45:3, en Ps. 102:27, 102:28, maar hier niet als een brandende hasmal, boven Ez. 1:4, 1:27. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Ezechiël 1:7: En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper. Psalmen 45:3: U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Psalmen 102:27: Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Psalmen 102:28: Maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Ezechiël 1:27: En ik zag als de verf van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante van Zijn lenden en opwaarts; en van de gedaante van Zijn lenden en nederwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom.
[^ezechiel-40-3-16]: Kanttekening 16: Als hebbende het beleid en de bediening van dit geestelijk gebouw.
[^ezechiel-40-3-17]: Kanttekening 17: 17 linnen snoer: Als een landmeter; want toen placht men met snoeren of koorden het land af te meten en te delen. Zie onder Ez. 47:3, 47:13, met de aantekening, en vergelijk Openb. 21:15; Zach. 2:1 wordt het genoemd een meetsnoer. Ezechiël 47:3: Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen. Ezechiël 47:13: Zo zegt de Heer YHWH: Dit zal de landpale zijn, naar die u het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen van Israël: Jozef twee snoeren. Openbaring 21:15: En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur. Zacharia 2:1: Opnieuw hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer.
[^ezechiel-40-3-18]: Kanttekening 18: Gelijk een bouwmeester, om dit nieuwe gebouw juist af te meten, dat men te dien einde veel met rieten \[zijnde daartoe zeer bekwaam\] gewoon was te doen, waarvoor wij het woord meetroede zouden kunnen gebruiken. Zie Openb. 11:1. Zo moet Gods huis naar zijn raad en woord gesticht en gericht worden, als naar de enige regelmaat en het souvereine richtsnoer aller stichting; zie hierop de manier van spreken Jes. 28:10; Gal. 6:16; Filipp. 3:16, en daarvan worden de boeken van de Heilige Schriftuur kanoniek genoemd. Vergelijk Ex. 25:9, 25:40; Hand. 7:44; Hebr. 8:5. Verder kan men, aangaande de gehele metingen van dit geestelijke gebouw vergelijken Ef. 3:17, 3:18, 3:19. Openbaring 11:1: En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. Jesaja 28:10: Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Galaten 6:16: En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over die zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods. Filippensen 3:16: Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelfde regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. Exodus 25:9: Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakel, en een voorbeeld van al zijn gereedschap wijzen zal, even zo zult u dat maken. Exodus 25:40: Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Handelingen 7:44: De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had; Hebreeën 8:5: Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is. Efeziërs 3:17: Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en u in de liefde geworteld en gegrond bent; Efeziërs 3:18: Opdat u ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, Efeziërs 3:19: En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al de volheid Gods.
[^ezechiel-40-3-19]: Kanttekening 19: 19 in de poort: Als Heer van het huis en erfgenaam van alles, openende en sluitende; of immers, als last van die hebbende. Zie Joh. 10:2, 10:3; Hebr. 1:2, en Hebr. 3:3, 3:6; Openb. 3:7. Anders: bij de poort, of in ene poort. Johannes 10:2: Maar die door de deur ingaat, is een herder van de schapen. Johannes 10:3: Deze doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit. Hebreeën 1:2: Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; Hebreeën 3:3: Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis. Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. Openbaring 3:7: En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:
[^ezechiel-40-4-20]: Kanttekening 20: Zie boven Ez. 2:1. Ezechiël 2:1: En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.
[^ezechiel-40-4-21]: Kanttekening 21: 21 zie met uw ogen: Dat is, let met zonderlinge aandacht op alles wat u ziet en hoort, opdat u het volk van God getrouwelijk mag voordragen, gelijk volgt. Vergelijk Matt. 10:27; Luk. 12:3; Hand. 20:20, 20:27; 1 Kor. 11:23, enz., en verder in het algemeen, 1 Kor. 12:7; zo onder Ez. 43:10, 43:11. Mattheüs 10:27: Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken. Lukas 12:3: Daarom, al wat u in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat u in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. Handelingen 20:20: Hoe ik niets achtergehouden heb van wat nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen; Handelingen 20:27: Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad van God. 1 Korinthiërs 11:23: Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam; 1 Korinthiërs 12:7: Maar aan een ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat oorbaar is. Ezechiël 43:10: U mensenkind; wijs de huize Israëls dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten. Ezechiël 43:11: En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en die doen.
[^ezechiel-40-5-22]: Kanttekening 22: 22 muur buiten aan het huis: In het vierkant omsingelende de gehele plaats van al dit gebouw. Vergelijk Jes. 26:1; Zach. 2:4, 2:5. Zie van de omgang van deze muur, onder Ez. 42:15, 42:16, 42:17, 42:18, 42:19, 42:20. Jesaja 26:1: Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Zacharia 2:4: En hij zei tot hem: Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten, die in het midden van haar wezen zal. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Ezechiël 42:15: Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zo bracht hij mij uit, de weg naar de poort, die de weg naar het oosten zag, en hij mat ze rondom heen. Ezechiël 42:16: Hij mat de oostzijde met het meetriet; vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. Ezechiël 42:17: Hij mat de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. Ezechiël 42:18: De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet. Ezechiël 42:19: Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijfhonderd rieten, met het meetriet. Ezechiël 42:20: Hij mat het aan de vier zijden; het had een muur rondom heen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige.
[^ezechiel-40-5-23]: Kanttekening 23: 23 rondom heen: Hebreeuws, rondom, rondom, en zo in het volgende.
[^ezechiel-40-5-24]: Kanttekening 24: 24 elke el: De maat van elke el was een gewone el en een handbreed, zodat het meetriet was van zes gewone ellen en zes handbreedten.
[^ezechiel-40-5-25]: Kanttekening 25: Gerekend op de breedte van vier samengevoegde vingers of drie duimen.
[^ezechiel-40-5-26]: Kanttekening 26: 26 breedte van het gebouw: Dat is, de dikte van deze muur.
[^ezechiel-40-5-27]: Kanttekening 27: De laagte van deze buitenmuur nemen sommigen als een afbeelding, ten eerste van Christus' uiterste vernedering, van welke Hij is voortgegaan en gewassen, totdat Hij, het werk van onze verlossing volbracht hebbende, is verhoogd en ingegaan in het heilige van de heiligen. Zie Joh. 3:30; Filipp. 2:7, enz.; Hebr. 9:11, 9:12, 9:24; ten tweede van de eerste aanvang, en zo het volgende van de voortgang en wasdom van het Christendom, en verscheidene maten van de gaven aller leden van Christus, in dit leven, totdat Hij hen voert met Hem in de hemelse plaatsen, die Hij hun bereid heeft. Zie Luk. 17:5; Rom. 1:17; 1 Kor. 13:9, 13:10, 13:12; Ef. 4:12, 4:13, 4:14, 4:16; Openb. 22:11. Johannes 3:30: Hij moet groeien, maar ik minder worden. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; Lukas 17:5: En de apostelen zeiden tot de Heer: Vermeerder ons het geloof. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. Efeziërs 4:12: Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 4:13: Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus; Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; Efeziërs 4:16: Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van elk deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Openbaring 22:11: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.
[^ezechiel-40-6-28]: Kanttekening 28: Versta, de eerste poort.
[^ezechiel-40-6-29]: Kanttekening 29: 29 zag de weg naar het oosten: Hebreeuws, waarvan het aangezicht \[was\] van de weg enz (פָּנָי).
[^ezechiel-40-6-30]: Kanttekening 30: 30 trappen op: Hoeveel die geweest mogen zijn, wordt hier niet vermeld, als wel van de anderen in het volgende geschiedt.
[^ezechiel-40-7-31]: Kanttekening 31: 31 elk kamertje: Hebreeuws, het kamertje; dat is, elk van de kamertjes, of celletjes, die aan beide zijden in het noorden en zuiden, tussen de eerste en tweede poort tegenover elkaar waren, tot enig verblijf van de poort- en dorpelwachters, en degenen die van buiten inkwamen. Dat enige houden voor ene afbeelding van de aankomst, ingang, inschrijving en opneming van de leden van Christus in zijn huis, of, \[om zo te spreken\] onder zijn dak, hoede en bescherming op aarde, en daarna in de hemelse woonsteden. Zie Ps. 22:31, en Ps. 87:4, 87:5, 87:6; Jes. 54:3, enz., en Jes. 60:4, enz.; Matt. 25:10; Luk. 16:9; Hand. 2:41, 2:42, enz. Psalmen 22:31: Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten. Psalmen 87:4: Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Psalmen 87:5: En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. Psalmen 87:6: YHWH zal hen rekenen in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is daar geboren. Sela. Jesaja 54:3: Want u zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen. Jesaja 60:4: Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. Mattheüs 25:10: Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Lukas 16:9: En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten. Handelingen 2:41: Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 2:42: En zij waren volhardende in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking van het brood, en in de gebeden.
[^ezechiel-40-7-32]: Kanttekening 32: 32 tussen de kamertjes: Dat is, de plaats of het ruim, spatie tussen de kamertjes.
[^ezechiel-40-7-33]: Kanttekening 33: 33 dorpel van de poort: Dat is, beide dorpels \[gelijk sommigen\] gelijk vers 6. Ezechiël 40:6: Toen kwam hij tot de poort, welke zag de weg naar het oosten, en hij ging bij haar trappen op, en mat de dorpel van de poort een riet de breedte, en de andere dorpel een riet de breedte.
[^ezechiel-40-7-34]: Kanttekening 34: 34 voorhuis van de poort: Of, portaal, en zo in het volgende, gelijk sommigen dit nemen.
[^ezechiel-40-8-35]: Kanttekening 35: 35 Ook mat hij het voorhuis: Anders: en als hij gemeten had, enz., en dan vers 9, zo mat hij, enz. Ezechiël 40:9: Toen mat hij het andere voorhuis van de poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis van de poort was van binnen.
[^ezechiel-40-8-36]: Kanttekening 36: Of, inwendig, inwaarts.
[^ezechiel-40-9-37]: Kanttekening 37: 37 haar posten: Te weten van de poort, of zijne, te weten van het voorhuis of portaal.
[^ezechiel-40-9-38]: Kanttekening 38: 38 en het voorhuis van de poort: Anders: te weten het voorhuis van de poort van binnen.
[^ezechiel-40-10-39]: Kanttekening 39: 39 drie van deze: Hebreeuws, drie van hier en drie van hier; dat is, van daar, waarvan de zin is, naar de aard van de Hebreeuwse spraak, zulks als in de tekst staat en zo in het volgende.
[^ezechiel-40-12-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, grens, paal.
[^ezechiel-40-12-41]: Kanttekening 41: 41 voor aan de kamertjes: Hebreeuws, voor het aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-40-13-42]: Kanttekening 42: 42 van het ene kamertje af: Anders: van het dak van de kamertjes af tot haar \[van de poorten\] dak toe.
[^ezechiel-40-14-43]: Kanttekening 43: 43 maakte hij: Dat is, hij mat, gelijk velen dit hier verstaan, zo het gebouw al gemaakt of gereed was. Zie boven vers 5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
[^ezechiel-40-14-44]: Kanttekening 44: De voorhoven van de Heer, waarin Gods volk zich placht te onthouden, \[die er verscheidene geweest zijn voor deze tempel, gelijk in het volgende verhaald wordt,\] houden enige als ene afbeelding van de uitbreiding van de kerk van het Nieuwe Testament in vele bijzondere kerken door de gehele wereld vergaderd, maar allen behorende tot het lichaam van de algemene kerk en gemeenschap hebbende aan de Heer Christus en zijne weldaden, door de tempel afgebeeld. Zie Ps. 65:5, en Ps. 84:3, en Ps. 87:4, 87:5, 87:6, en Ps. 100:4, enz.; Jes. 54:2, 54:3, enz., en Jes. 60:4, enz., en Jes. 62:9. Psalmen 65:5: Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. Psalmen 84:3: Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van YHWH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. Psalmen 87:4: Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. Psalmen 87:5: En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. Psalmen 87:6: YHWH zal hen rekenen in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is daar geboren. Sela. Psalmen 100:4: Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam. Jesaja 54:2: Maak de plaats van uw tenten wijd, en dat men de gordijnen van uw woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in. Jesaja 54:3: Want u zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen. Jesaja 60:4: Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. Jesaja 62:9: Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen YHWH prijzen; en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven Mijns heiligdoms.
[^ezechiel-40-15-45]: Kanttekening 45: 45 voorste deel van de poort: Hebreeuws, aangezicht (פְּנֵי); en zo in het volgende.
[^ezechiel-40-15-46]: Kanttekening 46: 46 van de ingang: Of, waar men aankomt.
[^ezechiel-40-15-47]: Kanttekening 47: 47 van de binnenpoort: Of, \[namelijk tot aan\] de binnenpoort.
[^ezechiel-40-16-48]: Kanttekening 48: 48 gesloten vensters: Versta, met glas, of eng, nauw \[alsof zij gesloten waren\] maar zo dat zij inwendig schoon licht gaven, \[vergelijk 1 Kon. 6:4,\] afbeeldende het ware licht, dat de Heer Christus in zijne kerk zou inbrengen door zijn Woord en Geest. Zie Jes. 42:6, 42:7, en Jes. 49:6, en Jes. 60:19, 60:20; Joh. 1:7, 1:8, en Joh. 8:12; Openb. 21:23, 21:24, enz. 1 Koningen 6:4: En hij maakte vensteren aan het huis van gesloten uitzichten. Jesaja 42:6: Ik, YHWH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen. Jesaja 42:7: Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Jesaja 49:6: Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde. Jesaja 60:19: De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treuring zullen een einde nemen. Johannes 1:7: Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden. Johannes 1:8: Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou. Johannes 8:12: Jezus dan sprak opnieuw tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in haar zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 21:24: En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer in haar.
[^ezechiel-40-16-49]: Kanttekening 49: Anders, galerijen, bogen.
[^ezechiel-40-16-50]: Kanttekening 50: 50 de vensters: Anders, \[aan\] de vensters nu, enz. en aan de posten waren palmbomen.
[^ezechiel-40-16-51]: Kanttekening 51: Afbeeldende de geestelijk sierlijken, altijd groenenden, vruchtbaren en onverwinnelijken staat van de kerk. Zie Ps. 92:13; Hoogl. 7:7, 7:8; Openb. 7:9. Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Hooglied 7:7: Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druiftrossen. Hooglied 7:8: Ik zei: Ik zal op de palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druiftrossen aan de wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen. Openbaring 7:9: Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen.
[^ezechiel-40-17-52]: Kanttekening 52: 52 buitenste voorhof: Dat sommigen noemen het voorhof van de vrouwen.
[^ezechiel-40-17-53]: Kanttekening 53: 53 dertig kamers: In het huis van mijn vader zijn vele woningen, zegt de Heer Christus. Joh. 14:2, en op aarde beschikt Hij de zijnen plaats en berging tegen onweer, regen en hitte van de zon, dat is bestendigen troost in alle kruis. Zie Jes. 4:5, 4:6, en Jes. 32:2, enz. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Jesaja 4:5: En YHWH zal over alle woning van de berg van Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk van de dag, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs van de nacht; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. Jesaja 4:6: En daar zal een hut zijn tot een schaduw van de dag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen. Jesaja 32:2: En die man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.
[^ezechiel-40-18-54]: Kanttekening 54: 54 lengte van de poorten: Of, langs de poorten heen.
[^ezechiel-40-18-55]: Kanttekening 55: 55 benedenste plaveisel: Of, laag. Anders: tegenover de lengte van de poorten; \[daar was\] het lage plaveisel. Dit verstaan sommigen zo, dat dit plaveisel in het midden verheven en hoog opgaande was, en de zijden laag afgaande, om alle onreinheid bekwamelijk af te spoelen.
[^ezechiel-40-19-56]: Kanttekening 56: 56 voorste deel: Hebreeuws, aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-40-19-57]: Kanttekening 57: 57 voor aan het binnenste voorhof: Hebreeuws, voor het aangezicht, of, \[gelijk sommigen\] tot aan het aangezicht (פְנֵי); dat is, tot aan het voorste van het binnenste voorhof.
[^ezechiel-40-20-58]: Kanttekening 58: Hebreeuws, waarvan het aangezicht was, enz., zo vers 22. Ezechiël 40:22: En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan haar.
[^ezechiel-40-21-59]: Kanttekening 59: 59 waren naar de maat van de eerste poort: Hebreeuws, was; te weten elk van die.
[^ezechiel-40-21-60]: Kanttekening 60: 60 van vijf en twintig ellen: Hebreeuws, vijf en twintig in de el.
[^ezechiel-40-22-61]: Kanttekening 61: 61 men ging daarin: Hebreeuws, zij gingen, of, zij zouden opgaan; dat is, men ging op, gelijk elders dikwijls. Vergelijk onder vers 38, 40:41, 40:42. Ezechiël 40:38: Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar wies men het brandoffer. Ezechiël 40:41: Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde van de poort, acht tafelen, waarop men slachtte. Ezechiël 40:42: Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; op die nu legde men het gereedschap heen, waarmee men het brandoffer en slachtoffer slachtte.
[^ezechiel-40-22-62]: Kanttekening 62: 62 voor aan dezelfde: Hebreeuws, voor het aangezicht van die (פָּנָי). Zo vers 26. Ezechiël 40:26: En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelfde; en zij had palmbomen, één van deze, en een van gene zijde aan haar posten.
[^ezechiel-40-24-63]: Kanttekening 63: 63 naar deze maten: Dat is, gelijk de voorzegde andere maten waren.
[^ezechiel-40-25-64]: Kanttekening 64: 64 gelijk deze vensteren: Gelijk de andere vensters waren.
[^ezechiel-40-28-65]: Kanttekening 65: Versta, het tweede of middelste voorhof, tot onderscheiding van het binnenste of derde, vers 44. Ezechiël 40:44: En van buiten de binnenste poort waren de kamers van de zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel daarvan was de weg naar het zuiden; een was er aan de zijde van de oostpoort, ziende de weg naar het noorden.
[^ezechiel-40-28-66]: Kanttekening 66: 66 naar deze maten: Dat is, gelijk de andere waren; gelijk boven en in het volgende.
[^ezechiel-40-30-67]: Kanttekening 67: 67 lengte was vijf en twintig ellen: Sommigen verzetten deze woorden, en lezen vijftig voor vijf ellen, aldus: De lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen, uit vergelijking van vers 21, 40:25, 40:33, 40:36. Ezechiël 40:21: En haar kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde; en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat van de eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen. Ezechiël 40:25: En zij had vensteren, ook aan haar voorhuizen, rondom heen, gelijk deze vensteren; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. Ezechiël 40:33: Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensteren ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. Ezechiël 40:36: Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensteren rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen.
[^ezechiel-40-38-68]: Kanttekening 68: 68 kamers nu en haar deuren: Hebreeuws, kamer, deur; dat is, elk ene.
[^ezechiel-40-38-69]: Kanttekening 69: 69 wies men: Hebreeuws, wiesen, spoelden zij, of zouden zij wassen; vergelijk boven vers 22, en zie Ex. 29:17; Lev. 1:9, 1:13, en Lev. 8:11, 8:21, en Lev. 9:14; afbeeldende de heilige doop, samen met de geestelijke reiniging en zuivering, die zij dagelijks allen nodig hebben, die God welgevallig zullen dienen; waarvan dikwijls in de Schriftuur gesproken wordt; zie Hand. 22:16; 1 Kor. 6:11; 2 Tim. 2:21; Tit. 3:5; Hebr. 10:22, 10:23; Jak. 4:8, enz. Ezechiël 40:22: En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelfde. Exodus 29:17: En de ram zult u in zijn delen delen; en u zult zijn ingewand en zijn schenkelen wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen. Leviticus 1:9: Maar zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Leviticus 1:13: Maar het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Leviticus 8:11: En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, samen met het wasvat en zijn voet, om die te heiligen. Leviticus 8:21: Maar het ingewand en de schenkelen wies hij met water; en Mozes stak die hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer was het voor YHWH, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Leviticus 9:14: En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar. Handelingen 22:16: En nu, wat vertoeft u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heer. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; 2 Timotheüs 2:21: Als dan iemand zichzelf van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik van de Heer, tot elk goed werk toebereid. Titus 3:5: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Hebreeën 10:23: Laat ons de onwankelbare belijdenis van de hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw); Jakobus 4:8: Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, u zondaars, en zuivert de harten, u dubbelhartigen!
[^ezechiel-40-38-70]: Kanttekening 70: Zie Gen. 8:20; Lev. 6:9, met de aantekening. Versta hier, het vlees, dat geofferd zou worden. Genesis 8:20: En Noach bouwde YHWH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. Leviticus 6:9: Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is dat, wat door de branding op het altaar de ganse nacht tot aan de morgen opvaart; alwaar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
[^ezechiel-40-39-71]: Kanttekening 71: Dat is, het vee, dat tot deze offeranden gebruikt werd.
[^ezechiel-40-39-72]: Kanttekening 72: Hebreeuws, zonde, idem, schuld (חַטָּאת); gelijk in het volgende dikwijls; zie Lev. 4:3. Door dit slachten, en verder door de offeranden, aangemerkt in het algemeen werd afgebeeld, ten eerste het enige slacht- en welriekend zoenoffer van onze Hogepriester Jezus Christus, in het heilige Evangelie voorgedragen en door de heilige Sacramenten, voornamelijk het heilig Avondmaal, betekend en verzegeld; ten tweede, het werk van de heilige kerkedienst, waardoor de mensen geestelijk voor God als geslacht en bereid worden tot een aangenaam offer; ten derde, de geestelijke slachting, doding en kruisiging van onszelven, dat is, de oude mens, en de dankbaarheid van de gelovigen, die zij zelf, als geestelijke priesters, ja een koninklijk priesterdom, hun Zaligmaker schuldig zijn en opofferen; zie Ps. 40:7, 40:8, 40:9; Jes. 53:7, 53:10; 1 Kor. 11:24, 11:25; Gal. 3:1; Hebr. 10:1, 10:4, 10:5, enz. Verder Jes. 66:20; Mal. 1:11, en Mal. 3:3, 3:4; Rom. 6:6, en Rom. 12:1, en Rom. 15:15, 15:16; Filipp. 2:17; Kol. 3:5; Hebr. 13:15, 13:16, enz.; 1 Petr. 2:9; Openb. 1:6. Leviticus 4:3: Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer. Psalmen 40:7: U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. Psalmen 40:8: Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Psalmen 40:9: Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Jesaja 53:7: Als het geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Jesaja 53:10: Maar het behaagde YHWH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van YHWH zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. 1 Korinthiërs 11:24: En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:25: Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Galaten 3:1: O u uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u van de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Hebreeën 10:1: Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. Hebreeën 10:4: Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Hebreeën 10:5: Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid; Jesaja 66:20: En zij zullen al uw broers uit alle heidenen YHWH ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt YHWH, gelijk als de kinderen van Israël het spijsoffer in een rein vat brengen in het huis van YHWH. Maleachi 1:11: Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten. Maleachi 3:3: En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij YHWH spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. Maleachi 3:4: Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem YHWH zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren. Romeinen 6:6: Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Romeinen 15:15: Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broers, u als opnieuw dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is; Romeinen 15:16: Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest. Filippensen 2:17: Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. Kolossensen 3:5: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^ezechiel-40-40-73]: Kanttekening 73: 73 zijde van buiten van de opgang: Hebreeuws, schouder (כָּתֵף); dat ook voor zijde genomen wordt; zo in het volgende.
[^ezechiel-40-41-74]: Kanttekening 74: 74 Vier tafelen van deze: Zie vers 39, 40:40. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer. Ezechiël 40:40: Ook waren er aan de zijde van buiten van de opgang, aan de deur van de noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis van de poort was, twee tafelen.
[^ezechiel-40-41-75]: Kanttekening 75: 75 men slachtte: Vergelijk boven vers 22, 40:38. Ezechiël 40:22: En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelfde. Ezechiël 40:38: Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar wies men het brandoffer.
[^ezechiel-40-42-76]: Kanttekening 76: 76 men het brandoffer en slachtoffer slachtte: Vergelijk boven vers 22, 40:38, 40:41. Ezechiël 40:22: En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelfde. Ezechiël 40:38: Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar wies men het brandoffer. Ezechiël 40:41: Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde van de poort, acht tafelen, waarop men slachtte.
[^ezechiel-40-43-77]: Kanttekening 77: Vergelijk Ps. 68:14, met de aantekening. Anders, haken, te weten om de beesten daaraan op te hangen, de huid af te trekken, om verder in stukken te houwen, enz. Psalmen 68:14: Al laagt u tussen twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, en waarvan de vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.
[^ezechiel-40-43-78]: Kanttekening 78: 78 in het huis rondom heen: Of, van binnen.
[^ezechiel-40-44-79]: Kanttekening 79: De Levieten, die gesteld waren om God in zijn huis met zingen en spelen te loven. Zie 1 Kron. 6:31, en 1 Kron. 16:4, en 1 Kron. 23:5, 23:30, 23:31. Door deze en andere diensten, die in het volgende, in de beschrijving van dit nieuwe huis van de Heer, vermeld worden, werden afgebeeld de verscheidene bedieningen, die in de kerk van het Nieuwe Testament zouden zijn, alsook in het algemeen verscheidene oefeningen van de godzaligheid, bij de lidmaten van de kerk, die haar voorgangers en herders zouden helpen en gehoorzaam navolgen. Zie Rom. 12:6, 12:7, 12:8; 1 Kor. 12:5, enz.; Ef. 4:11, 4:12, en Ef. 5:19; 1 Tim. 3; Tit. 1, Tit. 2; Hebr. 13:7, 13:17, enz. 1 Kronieken 6:31: Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van YHWH, nadat de ark tot rust gekomen was. 1 Kronieken 16:4: En hij stelde voor de ark van YHWH sommigen uit de Levieten tot dienaren, en dat, om YHWH, de God van Israël, te vermelden, en te loven, en te prijzen. 1 Kronieken 23:5: En vier duizend poortwachters, en vier duizend lofzangers van YHWH, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei David, om lof te zingen. 1 Kronieken 23:30: En om elke morgen te staan, om YHWH te loven en te prijzen; en evenzo 's avonds; 1 Kronieken 23:31: En tot al het offeren van de brandofferen van YHWH, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht van YHWH; Romeinen 12:6: Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 1 Korinthiërs 12:5: En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer; Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Efeziërs 4:12: Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 5:19: Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heer in uw hart; Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^ezechiel-40-44-80]: Kanttekening 80: 80 binnenste voorhof: Versta, het allerbinnenste of derde voorhof, dat aan het voorhuis van deze tempel was.
[^ezechiel-40-44-81]: Kanttekening 81: Te weten kamers.
[^ezechiel-40-44-82]: Kanttekening 82: 82 een was er aan de zijde van de oostpoort: Anders: een andere \[rij van kamers\] enz.
[^ezechiel-40-44-83]: Kanttekening 83: 83 ziende de weg naar het noorden: Hebreeuws, het aangezicht van de weg enz (פְנֵי).
[^ezechiel-40-45-84]: Kanttekening 84: Dat is, kamers, elk van deze kamers, gelijk enige dit verstaan; zo in vers 46. Vergelijk onder Ez. 42:1, 42:4, 42:5. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 42:1: Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; de weg naar de weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kamers, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren: Ezechiël 42:4: En voor de kamers was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren daarvan waren tegen het noorden. Ezechiël 42:5: De bovenste kamers nu waren nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan die), dan de onderste en dan de middelste van het gebouw.
[^ezechiel-40-45-86]: Kanttekening 86: 86 wacht van het huis waarnemen: Dat is, de dienst van Gods huis; vergelijk Lev. 8:35; Num. 3:7; onder Ez. 44:8, 44:14, 44:15. Sommigen verstaan hier en in vers 46, uit vergelijking van onder Ez. 44:10, 44:14, de Levieten, gerekend onder de priesters of hun naam, omdat zij aan de priesters gegeven en bijgevoegd waren tot hun behulp; zie Num. 3:6, 3:7, 3:8, 3:9, enz. en Num. 18:2, 18:3, 18:4; 1 Kron. 23:27, 23:28; of priesters genoemd, \[gelijk ook 2 Kon. 23:9,\] omdat zij tevoren priesters geweest waren, maar afgezet, gelijk van enige gezegd wordt, onder Ez. 44:12, 44:13, 44:14. Het schijnt altijd klaar te zijn, dat hier onderscheid gemaakt wordt tussen de wacht van het huis en de wacht van het altaar, gelijk in vers 46 te zien is; gelijk onder Ez. 44:14, 44:15 tussen de wacht en van het huis en van het heiligdom. Leviticus 8:35: U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. Numeri 3:7: En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen; Ezechiël 44:8: En u hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar u hebt uzelven enige tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom. Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH; Ezechiël 40:46: Maar de kamer, van wie voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 44:10: Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen; Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. Numeri 3:6: Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; Numeri 3:7: En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen; Numeri 3:8: En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de wacht van de kinderen van Israël waarnemen, om de dienst van het tabernakel te bedienen. Numeri 3:9: U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen van Israël. Numeri 18:2: En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis. Numeri 18:3: En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht van de gehele tent; maar tot het gereedschap van het heiligdom en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als u. Numeri 18:4: Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent van de samenkomst waarnemen, in allen dienst van de tent; en een vreemde zal tot u niet naderen. 1 Kronieken 23:27: Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven; 1 Kronieken 23:28: Omdat hun standplaats was aan de hand van de zonen van Aäron in de dienst van het huis van YHWH, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis van God; 2 Koningen 23:9: Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van YHWH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers. Ezechiël 44:12: Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht van hun drekgoden, en de huize Israëls tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heer YHWH, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. Ezechiël 44:13: En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben. Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, van wie voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH;
[^ezechiel-40-45-85]: Kanttekening 85: 85 voorste deel: Hebreeuws, aangezicht, zo in vers 46 (פָּנֶי). Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen.
[^ezechiel-40-46-87]: Kanttekening 87: 87 wacht van het altaar waarnemen: Dat is, de bediening van het brandofferaltaar; waardoor sommigen \[gelijk in vers 45\] verstaan de dienst van de Levieten, die zij aan de priesters in het offeren moesten doen bij het brandofferaltaar. Maar de aandachtige lezer kan vergelijken onder Ez. 44:15. Ezechiël 40:45: En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH;
[^ezechiel-40-46-88]: Kanttekening 88: Zie van deze breder onder Ez. 44:15. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH;
[^ezechiel-40-46-89]: Kanttekening 89: Dit naderen en genaken tot YHWH \[waarvan ook in het volgende dikwijls vermeld wordt\] was ene afbeelding van de nadering van Jezus Christus, onze Middelaar, tot de Vader voor ons, en verder van de voorbidding van de herders voor hunne kudde en van alle gelovigen \[als geestelijke priesters\] in het algemeen, met hunne gebeden en godsdiensten, in Christus' naam. Zie Jer. 30:21; Rom. 1:9, 1:10; Ef. 1:16, 1:17; Kol. 4:12; Hebr. 10:19, 10:22, enz., en Hebr. 13:17. Jeremia 30:21: En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt YHWH. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 1:10: Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Efeziërs 1:16: Houde niet op voor u te danken, gedenkende uw in mijn gebeden; Efeziërs 1:17: Opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u geve de Geest van de wijsheid en van de openbaring in Zijn kennis; Kolossensen 4:12: U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienaar van Christus, te alle tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God. Hebreeën 10:19: Omdat wij dan, broers, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^ezechiel-40-47-90]: Kanttekening 90: Het brandofferaltaar.
[^ezechiel-40-47-91]: Kanttekening 91: 91 voor aan het: Hebreeuws, voor het aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-40-47-92]: Kanttekening 92: Dat is, de tempel, zo in het volgende. Zie Ez. 41:1. Ezechiël 41:1: Verder bracht hij mij tot de tempel; en hij mat de posten, zes ellen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van gene zijde, de breedte van de tent.
[^ezechiel-40-49-93]: Kanttekening 93: Zonder te melden hoeveel, gelijk boven vers 6. Ezechiël 40:6: Toen kwam hij tot de poort, welke zag de weg naar het oosten, en hij ging bij haar trappen op, en mat de dorpel van de poort een riet de breedte, en de andere dorpel een riet de breedte.

### Ezechiël 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/41.json)

*De maten, gedeelten of delen, kamers en sieraad van de tempel, of van het heilige en allerheiligste, met het reukaltaar.*

**1** Verder bracht[^ezechiel-41-1-1] hij mij tot de tempel; en hij meette de posten, zes ellen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van de andere zijde, de breedte van[^ezechiel-41-1-2] de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v1)

**2** En de breedte van[^ezechiel-41-2-3] de deur, tien ellen, en de zijden van de deur, vijf ellen van deze, en vijf ellen van de andere zijde; ook meette hij[^ezechiel-41-2-4] de lengte daarvan,[^ezechiel-41-2-5] veertig ellen, en de breedte twintig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v2)

**3** Daarna ging hij in naar[^ezechiel-41-3-6] binnen, en meette de post van de deur, twee ellen; en de deur zes ellen, en de breedte van de deur zeven ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v3)

**4** Ook meette hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen[^ezechiel-41-4-7] voor aan de tempel; en hij zei tot mij: Dit is de[^ezechiel-41-4-8] heiligheid van de heiligheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v4)

**5** En hij meette de wand van het[^ezechiel-41-5-9] huis zes ellen; en de breedte van[^ezechiel-41-5-10] elke zijkamer, vier ellen, rondom het huis heen rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v5)

**6** De zijkamers nu waren[^ezechiel-41-6-11] zijkamer boven zijkamer, drie,[^ezechiel-41-6-12] en dat dertig keer, en zij kwamen in de[^ezechiel-41-6-13] wand, die aan het huis was, tot die zijkamers rondom heen, opdat zij vastgehouden mochten worden;[^ezechiel-41-6-14] want zij werden niet vastgehouden in[^ezechiel-41-6-15] de wand van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v6)

**7** En het was voor de zijkamers omhoog naar boven al[^ezechiel-41-7-16] wijder, en gaf zich rondom; want het huis was[^ezechiel-41-7-17] omsingeld omhoog naar boven, rondom het huis heen; daarom was de breedte van het huis naar boven; en zo[^ezechiel-41-7-18] ging het onderste op naar het bovenste door het middelste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v7)

**8** En ik zag de hoogte van het huis rondom heen. De fundamenten van de zijkamers waren van een[^ezechiel-41-8-19] vol riet, zes ellen, de el tot de[^ezechiel-41-8-20] oksel toe genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v8)

**9** De breedte van de wand, die tot de[^ezechiel-41-9-21] zijkamers was naar buiten, was vijf ellen; en dat leeg gelaten was, was de[^ezechiel-41-9-22] plaats van de[^ezechiel-41-9-23] zijkamers, die aan het huis waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v9)

**10** En[^ezechiel-41-10-24] tussen de kamers was een[^ezechiel-41-10-25] breedte van twintig ellen, rondom het huis, rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v10)

**11** [^ezechiel-41-11-26] De deuren nu van de zijkamers waren naar het leeg gelatene toe, de ene deur de weg naar het noorden, en de andere deur naar het zuiden; en de breedte van de leeg gelaten plaats was vijf ellen rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v11)

**12** Verder van[^ezechiel-41-12-27] het gebouw, dat voor aan de afgesneden plaats was in de hoek van de weg naar[^ezechiel-41-12-29] het westen, was de breedte zeventig ellen, en van de wand van het gebouw was de breedte vijf ellen rondom heen, en de lengte daarvan negentig ellen.[^ezechiel-41-12-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v12)

**13** [^ezechiel-41-13-30] Verder meette hij het[^ezechiel-41-13-31] huis, de lengte honderd ellen;[^ezechiel-41-13-32] ook de afgesneden plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v13)

**14** En de breedte van[^ezechiel-41-14-33] het voorste deel van het huis, en van de afgesneden plaats tegen het oosten, honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v14)

**15** Ook meette hij de lengte van het gebouw[^ezechiel-41-15-34] voor aan de afgesneden plaats dat daarachter was, en de galerijen daarvan van deze en van de andere zijde[^ezechiel-41-15-35], honderd ellen; met de binnenste tempel, en de voorhuizen van de voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v15)

**16** De dorpelen, en[^ezechiel-41-16-36] de gesloten vensters en de galerijen rondom die[^ezechiel-41-16-37] drie, tegenover de dorpel, waren[^ezechiel-41-16-38] beschoten met hout rondom heen, en van[^ezechiel-41-16-39] de aarde tot aan de vensters; de vensters waren[^ezechiel-41-16-40] bedekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v16)

**17** Tot wat boven de deur was,[^ezechiel-41-17-41] en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan de hele wand rondom heen in het binnenste en buitenste,[^ezechiel-41-17-42] al bij maten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v17)

**18** En het was gemaakt[^ezechiel-41-18-43] met cherubs en[^ezechiel-41-18-44] palmbomen; zodat er een palmboom was tussen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezichten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v18)

**19** Namelijk, het aangezicht van een mens[^ezechiel-41-19-45] tegen de palmboom van deze, en het aangezicht van een jonge leeuw tegen de palmboom van de andere zijde; gemaakt in het hele huis rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v19)

**20** Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan de wand van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v20)

**21** De[^ezechiel-41-21-46] posten van de tempel waren vierkant; en voor wat betreft het[^ezechiel-41-21-47] voorste deel van het heiligdom, de[^ezechiel-41-21-48] ene gedaante was als de andere gedaante. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v21)

**22** De hoogte van het houten altaar was drie ellen, en zijn[^ezechiel-41-22-50] lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn[^ezechiel-41-22-51] wanden waren van hout. En[^ezechiel-41-22-52] hij sprak tot mij: Dit is de[^ezechiel-41-22-53] tafel, die voor het aangezicht van YHWH zal zijn.[^ezechiel-41-22-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v22)

**23** De tempel nu en het heiligdom hadden beide twee[^ezechiel-41-23-54] deuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v23)

**24** En er waren twee bladen aan de deuren; te weten twee bladen, die[^ezechiel-41-24-55] men omdraaien kon; twee aan de ene deur, en twee bladen aan de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v24)

**25** En daaraan, namelijk aan de deuren van de tempel, waren cherubs en palmbomen gemaakt, zoals er aan de wanden gemaakt waren; en het[^ezechiel-41-25-56] hout aan[^ezechiel-41-25-57] het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v25)

**26** [^ezechiel-41-26-58] En aan de gesloten vensters waren ook palmbomen van deze en van de andere zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkamers van het huis, en aan de dikke planken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/41.html#v26)

[^ezechiel-41-1-1]: Kanttekening 1: 1 hij mij tot de tempel: De man, van wie boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^ezechiel-41-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, \[naar sommiger gevoelen\] zo breed als de tent van de samenkomst of tabernakel was, die van Mozes door Gods bevel was opgericht, alwaar de breedte was van acht berderen, elk van anderhalf el of kubiet, makende tezamen twaalf ellen. Zie Ex. 26:22, 26:23, 26:24, 26:25, met de aantekening. Exodus 26:22: Maar aan de zijde van het tabernakel tegen het westen zult u zes berderen maken. Exodus 26:23: Ook zult u twee berderen maken tot de hoekberderen van het tabernakel, aan de beide zijden. Exodus 26:24: En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde dezelfde samengevoegd zijn, met een ring; zo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn. Exodus 26:25: Zo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, opnieuw twee voeten onder een berd.
[^ezechiel-41-2-3]: Kanttekening 3: 3 deur, tien ellen: Of, van de ingang; te weten van het heilige.
[^ezechiel-41-2-4]: Kanttekening 4: 4 de lengte: Of, \[gelijk sommigen\] ene lengte; idem in het volgende, ene breedte, dat in de zin met deze woorden de lengte en breedte enerlei kan zijn, als er een andere lengte en breedte volgt, gelijk hier vers 4. Ezechiël 41:4: Ook mat hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan de tempel; en hij zei tot mij: Dit is de heiligheid van de heiligheden.
[^ezechiel-41-2-5]: Kanttekening 5: Van de tempel.
[^ezechiel-41-3-6]: Kanttekening 6: Naar het heilige van de heiligen, of allerheiligste, gelijk vers 4. Ezechiël 41:4: Ook mat hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan de tempel; en hij zei tot mij: Dit is de heiligheid van de heiligheden.
[^ezechiel-41-4-7]: Kanttekening 7: 7 voor aan de tempel: Hebreeuws, tegen, of vooraan, het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-41-4-8]: Kanttekening 8: 8 heiligheid van de heiligheden: Dat is, het heilige van de heiligen, of het allerheiligste. Zie Ex. 26:33, en aangaande de manier van spreken Lev. 2:3, en vergelijk Hoogl. 1:1. Het gebouw van het heilige en allerheiligste wordt hier wel vermeld, maar niet wat er in geweest is \[gelijk wel bekend was van Mozes' tabernakel en Salomo's tempel\] behalve het houten altaar, onder vers 22, staande voor het allerheiligste. Exodus 26:33: En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Leviticus 2:3: Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH. Hooglied 1:1: Het Hooglied, dat van Salomo is. Ezechiël 41:22: De hoogte van het houten altaar was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor het aangezicht van YHWH zal zijn.
[^ezechiel-41-5-9]: Kanttekening 9: 9 zes ellen: In de dikte, gelijk enige dit nemen, en de zaak zelve schijnt uit te wijzen.
[^ezechiel-41-5-10]: Kanttekening 10: Deze zijkamers waren buiten aangetimmerd, rondom de tempel. Vergelijk 1 Kon. 6:5, 6:6, 6:8, 6:10, en die de aantekening daar. 1 Koningen 6:5: En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkameren rondom. 1 Koningen 6:6: De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis. 1 Koningen 6:8: De deur van de middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde. 1 Koningen 6:10: Hij bouwde ook de kamers aan het gehele huis, van vijf ellen in haar hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederenhout.
[^ezechiel-41-6-11]: Kanttekening 11: 11 zijkamer boven zijkamer: Dat is, \[naar het algemeen gevoelen\] elk kamergebouw had drie verdiepingen, en overzulks drie kamers, de ene boven de andere.
[^ezechiel-41-6-12]: Kanttekening 12: 12 en dat dertig malen: Of, \[gelijk anderen\] drie en dertig malen; dat is, zulke kamers waren er dertig, of \[gelijk anderen\] drie en dertig, verdeeld in tien, of, \[gelijk anderen\] elf kamergebouwen, elk gebouw hebbende drie kamers boven elkaar.
[^ezechiel-41-6-13]: Kanttekening 13: Versta, een bijzonderen muur, die aan de muur van de tempel was, gemaakt voor deze kamers, gelijk sommigen verklaren; hoewel anderen menen dat zij op de balken gerust hebben, die op de inkortingen van de muur van de tempel onder elke verdieping kwamen te liggen, zonder in de muur van de tempel vast te zijn. Vergelijk 1 Kon. 6:6, met de aantekening. 1 Koningen 6:6: De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis.
[^ezechiel-41-6-14]: Kanttekening 14: 14 want zij werden niet vastgehouden: Of, maar.
[^ezechiel-41-6-15]: Kanttekening 15: 15 in de wand van het huis: Of, aan.
[^ezechiel-41-7-16]: Kanttekening 16: Of aldus: En daar was een verwijding en omwending \[of omgang, dat is, wenteltrap, gelijk enige menen, uit vergelijking van 1 Kon. 6:8\] opwaarts naar boven tot de zijkamers; want de omwending van het huis \[ging\] opwaarts naar boven rondom heen om het huis, enz. Anders: want \[de wand\] was hoe langer hoe breder, aangezien hij boven heen met zijkamers omgeven was, enz. 1 Koningen 6:8: De deur van de middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde.
[^ezechiel-41-7-17]: Kanttekening 17: Met dit kamergebouw.
[^ezechiel-41-7-18]: Kanttekening 18: 18 ging het onderste op: Dat is, nam allengskens toe, wies in breedte, dat de zijkamers al breder of wijder werden, vermits de inkortingen van de muur van deze kamers, of van de tempel, gelijk vers 6 is aangetekend. Anders: men ging op \[van\] het onderste, of, de onderste, te weten kamer, enz. Ezechiël 41:6: De zijkameren nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen, en zij kwamen in de wand, die aan het huis was, tot die zijkamers rondom heen, opdat zij vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in de wand van het huis.
[^ezechiel-41-8-19]: Kanttekening 19: 19 vol riet: Hebreeuws, de volheid van een riet.
[^ezechiel-41-8-20]: Kanttekening 20: 20 oksel toe genomen: Anders was elke el van het meetriet een gemene kubiet of elleboog, en maar een handbreed meer, boven Ez. 40:5. Anders: zes ellen, tot aan het einde. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
[^ezechiel-41-9-21]: Kanttekening 21: 21 zijkameren was naar buiten: Hebreeuws, zijkamer.
[^ezechiel-41-9-22]: Kanttekening 22: 22 plaats van de zijkameren: Of, het ruim. Hebreeuws eigenlijk, huis; dat ook elders voor plaatsen genomen wordt. Zie 2 Sam. 15:17, enz. 2 Samuël 15:17: Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.
[^ezechiel-41-9-23]: Kanttekening 23: 23 die aan het huis waren: Of, die naar binnen waren.
[^ezechiel-41-10-24]: Kanttekening 24: 24 tussen de kamers: Dat is, tussen de andere kamers en deze zijkamers.
[^ezechiel-41-10-25]: Kanttekening 25: 25 breedte van twintig ellen: Dat is, ene ruimte, plaats.
[^ezechiel-41-11-26]: Kanttekening 26: 26 De deuren nu van de zijkameren: Hebreeuws, de deur, of ingang, opening van de zijkamers; dat is, van elk.
[^ezechiel-41-12-27]: Kanttekening 27: Hierdoor verstaan enige het muurwerk in het oosten, zuiden en noorden, met een achtermuur in het westen, door welke een gedeelte van het voorhof afgesneden en afgezonderd was; vergelijk onder Ez. 42:1. Ezechiël 42:1: Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; de weg naar de weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kamers, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren:
[^ezechiel-41-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, de zee, gelijk doorgaans (יָּם).
[^ezechiel-41-12-28]: Kanttekening 28: 28 voor aan de afgesneden plaats was: Hebreeuws, voor het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-41-13-30]: Kanttekening 30: Of, zo, enz.
[^ezechiel-41-13-31]: Kanttekening 31: De tempel.
[^ezechiel-41-13-32]: Kanttekening 32: 32 ook de afgesneden plaats: Of, zodat, enz.
[^ezechiel-41-14-33]: Kanttekening 33: 33 voorste deel van het huis: Hebreeuws, aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-41-15-34]: Kanttekening 34: 34 voor aan: Of, tegenover. Hebreeuws, aan, of tegen het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-41-15-35]: Kanttekening 35: Of, afgezonderde wandelplaatsen, wandelingen, met pilaren afgepaald.
[^ezechiel-41-16-36]: Kanttekening 36: 36 de gesloten vensters: Zie boven Ez. 40:16. Ezechiël 40:16: En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; zo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.
[^ezechiel-41-16-37]: Kanttekening 37: Of, welke die drie stukken rondom hadden, te weten \[gelijk enige\] het afgesnedene, de tempel, het buitenste voorhof. Anders: in hun drie rijen. Vergelijk onder Ez. 42:3. Ezechiël 42:3: Tegenover de twintig ellen, die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat het buitenste voorhof had, was galerij tegen galerij, in drie rijen.
[^ezechiel-41-16-38]: Kanttekening 38: 38 beschoten met hout: Hebreeuws, overdeksel, overtreksel, beschot.
[^ezechiel-41-16-39]: Kanttekening 39: Of, grond; zo vers 20. Ezechiël 41:20: Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan de wand van de tempel.
[^ezechiel-41-16-40]: Kanttekening 40: Of, overdekt, overtrokken.
[^ezechiel-41-17-41]: Kanttekening 41: Of, namelijk.
[^ezechiel-41-17-42]: Kanttekening 42: 42 alles bij maten: Dat is, het was alles juist en wel gemeten.
[^ezechiel-41-18-43]: Kanttekening 43: Dat is, gedaante van cherubim, dat is engelen. Zie boven Ez. 10:15, 10:20. Ezechiël 10:15: En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. Ezechiël 10:20: Dit is het dier, dat ik zag onder de God van Israël bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren.
[^ezechiel-41-18-44]: Kanttekening 44: Zie boven Ez. 40:16. Ezechiël 40:16: En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; zo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.
[^ezechiel-41-19-45]: Kanttekening 45: 45 mensen aangezicht: Tot een teken dat de engelen met al hun engelenverstand, wil, toegenegenheid en vriendelijken dienst, op Christus' bevel, in zijn huis, omtrent de palmbomen \[dat is, de rechtvaardigen\] steeds tegenwoordig zijn, en dat als jonge leeuwen, vrijmoedig en met de kracht, die zij van God ontvangen hebben, beschermen. Vergelijk boven Ez. 1:5, 1:10, en zie Hebr. 1:14, enz.; en verder dat alle gelovigen in het algemeen navolgers moeten zijn van de deugden van de heilige engelen, en een ieder in het bijzonder, in zijn beroep, van hun gewillige en vurige gehoorzaamheid in het uitvoeren van Gods bevelen, en zo het huis van God geestelijk versieren, totdat zij in de hemel worden gelijk als engelen van God, zie boven Ez. 1:9, 1:11; Luk. 15:7, 15:10; Hebr. 12:22; Openb. 19:10, en Openb. 22:9, enz. Ezechiël 1:5: En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens; Ezechiël 1:10: De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier het aangezicht van een arend. Hebreeën 1:14: Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Ezechiël 1:9: Hun vleugelen waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. Ezechiël 1:11: Ook waren hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elk had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen. Lukas 15:7: Ik zeg u, dat er zo blijdschap zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben. Lukas 15:10: Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar, die zich bekeert. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 19:10: En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uw broers, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. Openbaring 22:9: En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uw broers, van de profeten, en dergenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God.
[^ezechiel-41-21-46]: Kanttekening 46: 46 posten van de tempel: Hebreeuws, de post; dat is, elke post van het heilige, door de naam van de tempel hier onderscheiden van het allerheiligste, dat hier genoemd wordt heiligdom of het heilige, gelijk ook Lev. 4:6, en Lev. 16:2, 16:3, 16:17, 16:27, zie de aantekening daar; zo ook Ps. 20:3, enz. Leviticus 4:6: En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige. Leviticus 16:2: YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. Leviticus 16:3: Hiermede zal Aäron in het heilige gaan: met een var, een jong rund ten zondoffer, en een ram ten brandoffer. Leviticus 16:17: En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelf, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël. Leviticus 16:27: Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. Psalmen 20:3: Hij zend uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.
[^ezechiel-41-21-47]: Kanttekening 47: 47 voorste deel van het heiligdom: Hebreeuws, aangezicht, waar het altaar voor de voorhang van het allerheiligste stond, waarvan in het volgende (פְנֵי).
[^ezechiel-41-21-48]: Kanttekening 48: 48 gedaante was als de andere gedaante: Deze gelijkheid van gedaante wordt op verscheidene zaken geduid, maar het naaste schijnt te zijn dat men het versta van de gelijkheid in de posten of stijlen, en de cherubim en palmbomen, waarvan in de voorgaande woorden en vers 20 gesproken wordt. Ezechiël 41:20: Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan de wand van de tempel.
[^ezechiel-41-22-50]: Kanttekening 50: 50 lengte twee ellen: Versta, het bovenste berd of blad, waar men het reukwerk op stelde.
[^ezechiel-41-22-51]: Kanttekening 51: 51 wanden waren van hout: Dat is, zijden.
[^ezechiel-41-22-52]: Kanttekening 52: 52 hij sprak tot mij: Te weten de man, die de profeet geleidde en alles hem vertoonde; zie boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^ezechiel-41-22-53]: Kanttekening 53: Een zeer lieflijke naam van dit reukaltaar, te kennen gevende dat de Heer Christus niet alleen ons altaar, maar ook onze waard en tafel is, nodigende, onthalende en verzadigende alle rechte gelovige aanbidders met de genietingen en gemeenschap van zijn heilzame verdiensten, hier aanvankelijk en hierna volkomenlijk. Vergelijk Ps. 16:1, en Ps. 23:5, en Ps. 36:9, met de aantekening; Spreuk. 9:2, enz.; idem Mal. 1:7, 1:12, met de aantekening; Matt. 8:11, en Matt. 22:2, enz.; Luk. 22:29, 22:30; Openb. 3:20. Psalmen 16:1: Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. Psalmen 23:5: U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Psalmen 36:9: Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten. Spreuken 9:2: Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt. Maleachi 1:7: U brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmee verontreinigen wij U? Daarmede, dat u zegt: De tafel van YHWH is verachtelijk. Maleachi 1:12: Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van YHWH is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk. Mattheüs 8:11: Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Mattheüs 22:2: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; Lukas 22:29: En Ik verordineer u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft; Lukas 22:30: Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Openbaring 3:20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.
[^ezechiel-41-22-49]: Kanttekening 49: 49 altaars was drie ellen: Hierdoor wordt verstaan het reukaltaar, staande voor het heilige van de heiligen, meteen genoemd het heiligdom. In Salomo's tempel en Mozes' tabernakel was dit altaar met fijn goud overtrokken. Zie Ex. 30:1, 30:2; 2 Kron. 4:19. De maten van dit waren in deze nieuwe tempel groter dan tevoren, afbeeldende de voorbidding van onze advokaat, de Heer Christus, die voor zijns Vaders aangezicht steeds voor ons verschijnt, niet alleen voor de gelovigen Joden, maar ook alle gelovige heidenen in alle hoeken van de wereld, samen met de gebeden, die wij in Christus' naam doen en die voor Gods aangezicht opklimmen. Zie hiervan Ps. 141:2; 1 Joh. 2:1, 2:2; Openb. 5:8, enz. Exodus 30:1: U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken. Exodus 30:2: Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn. 2 Kronieken 4:19: Ook maakte Salomo alle vaten, die voor het huis van God waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbroden zijn; Psalmen 141:2: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer. 1 Johannes 2:1: Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; 1 Johannes 2:2: En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld. Openbaring 5:8: En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen.
[^ezechiel-41-23-54]: Kanttekening 54: Hierdoor kan men met sommigen verstaan de Heer Christus, voorgedragen in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament, door welke deuren wij allen met een oprecht geloof moeten ingaan tot de zalige gemeenschap van Christus en van zijne kerk. De christelijke lezer kan vergelijken Joh. 10:7, 10:9; Hand. 14:27; 1 Kor. 16:8, 16:9; 2 Kor. 2:12; Kol. 4:3; Openb. 3:8, enz. Johannes 10:7: Jezus dan zei opnieuw tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur van de schapen. Johannes 10:9: Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. Handelingen 14:27: En daar gekomen zijnde, en de Gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof geopend had. 1 Korinthiërs 16:8: Maar ik zal te Efeze blijven tot de pinkster dag. 1 Korinthiërs 16:9: Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders. 2 Korinthiërs 2:12: Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broer, niet vond; Kolossensen 4:3: Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; Openbaring 3:8: Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want u hebt kleine kracht, en u hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.
[^ezechiel-41-24-55]: Kanttekening 55: 55 omdraaien kon: Of, omslaan, omvouwen, omkeren.
[^ezechiel-41-25-56]: Kanttekening 56: Dat is, balken, dikke planken, gelijk in vers 26. Ezechiël 41:26: En aan de gesloten vensteren waren ook palmbomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkameren van het huis, en aan de dikke planken.
[^ezechiel-41-25-57]: Kanttekening 57: 57 voorste deel: Hebreeuws, aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-41-26-58]: Kanttekening 58: 58 En aan de gesloten vensteren: Of aldus: En \[er waren\] gesloten vensters en palmbomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkamers, enz.

### Ezechiël 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/42.json)

*Beschrijving van het buitenste voorhof, waarin het achterste van de tempel stond, met de kamers daarvan, vers 1, enz.; het gebruik van die kamers, 13; afmeting van de gehele buitenmuur, 15.*

**1** Daarna bracht[^ezechiel-42-1-1] hij mij uit tot het buitenste voorhof; de[^ezechiel-42-1-2] weg naar de weg van het noorden; en hij bracht mij tot de[^ezechiel-42-1-3] kamers, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v1)

**2** [^ezechiel-42-2-4] Voor aan de lengte van de honderd ellen[^ezechiel-42-2-5] naar de deur van het noorden; en de breedte was vijftig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v2)

**3** Tegenover de twintig ellen, die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat het buitenste voorhof had, was[^ezechiel-42-3-6] galerij tegen galerij, in drie rijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v3)

**4** En[^ezechiel-42-4-7] voor de kamers was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren daarvan[^ezechiel-42-4-8] waren tegen het noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v4)

**5** De bovenste kamers nu waren[^ezechiel-42-5-9] nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan deze[^ezechiel-42-5-10]),[^ezechiel-42-5-11] dan de onderste en dan de middelste van het gebouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v5)

**6** Want zij waren wel van drie rijen, maar hadden geen pilaren zoals de pilaren van de voorhoven; daarom[^ezechiel-42-6-12] waren zij benauwder dan de onderste en dan de middelste van de aarde af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v6)

**7** De[^ezechiel-42-7-13] muur nu, die naar buiten tegenover de kamers was, de weg naar het buitenste voorhof,[^ezechiel-42-7-14] voor aan de kamers, de lengte van die was vijftig ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v7)

**8** Want de lengte van de kamers, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet,[^ezechiel-42-8-15] voor aan de tempel waren honderd ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v8)

**9** Van[^ezechiel-42-9-16] onder deze kamers nu was de[^ezechiel-42-9-17] ingang van het oosten, als iemand daartoe ingaat, uit het buitenste voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v9)

**10** [^ezechiel-42-10-18] Aan de breedte van de muur van de voorhof, de weg naar het oosten,[^ezechiel-42-10-19] voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren[^ezechiel-42-10-20] kamers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v10)

**11** En de[^ezechiel-42-11-21] weg[^ezechiel-42-11-22] daarvoor heen was als de gedaante van de kamers, die de weg naar het noorden waren,[^ezechiel-42-11-23] naar de lengte daarvan, zo naar de breedte daarvan; en al haar uitgangen waren ook naar de wijzen daarvan en naar de deuren daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v11)

**12** En zoals de deuren van de kamers, die de weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van de weg, de weg voor aan de rechte muur[^ezechiel-42-12-24], de weg naar het oosten, als men daar ingaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v12)

**13** Toen zei hij tot mij: De kamers van het noorden, en de kamers van het zuiden, die[^ezechiel-42-13-26] voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn[^ezechiel-42-13-27] heilige kamers, waarin de priesters, die tot YHWH naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; daar zullen zij de[^ezechiel-42-13-28] allerheiligste dingen henenleggen,[^ezechiel-42-13-29] en het[^ezechiel-42-13-30] voedseloffer, en het[^ezechiel-42-13-31] zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig.[^ezechiel-42-13-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v13)

**14** Als de priesters[^ezechiel-42-14-32] ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet[^ezechiel-42-14-33] weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar[^ezechiel-42-14-34] daar[^ezechiel-42-14-35] hun kleren henenleggen, waarin zij gediend hebben, want die zijn een[^ezechiel-42-14-36] heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot[^ezechiel-42-14-37] wat voor het volk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v14)

**15** Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zo bracht hij mij uit, de weg naar de poort, die de weg naar het oosten[^ezechiel-42-15-38] zag, en hij[^ezechiel-42-15-39] meette ze rondom heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v15)

**16** Hij meette de oostzijde[^ezechiel-42-16-40] met het meetriet; vijfhonderd rieten,[^ezechiel-42-16-41] met het meetriet,[^ezechiel-42-16-42] rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v16)

**17** Hij meette de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v17)

**18** De zuidzijde meette hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v18)

**19** Hij ging om naar de[^ezechiel-42-19-43] westzijde, en hij meette vijfhonderd rieten, met het meetriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v19)

**20** Hij meette het aan de vier zijden; het had een muur rondom heen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het[^ezechiel-42-20-44] heilige en onheilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/42.html#v20)

[^ezechiel-42-1-1]: Kanttekening 1: 1 hij mij: Die man, boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^ezechiel-42-1-2]: Kanttekening 2: 2 buitenste voorhof: Versta, het achterste buitenvoorhof, in het westen, waar het achterste deel van de tempel in stond, en waarvan een gedeelte was afgesneden. Vergelijk boven Ez. 41:12, met de aantekening. Ezechiël 41:12: Verder van het gebouw, dat voor aan de afgesneden plaats was in de hoek van de weg naar het westen, was de breedte zeventig ellen, en van de wand van het gebouw was de breedte vijf ellen rondom heen, en de lengte daarvan negentig ellen.
[^ezechiel-42-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws, kamer; dat is, kamers, kamergebouw, rij van kamers, gelijk onder vers 4, 42:5. Vergelijk boven Ez. 40:45, 40:46, waar het getal van een ook staat, maar wordt daar door het getal van velen niet verklaard, gelijk wel in het volgende geschiedt, en daarom in Ez. 40 uit deze plaats schijnt verklaard te moeten worden; hoewel sommigen hier ook het getal van een in de tekst houden, zowel als in Ez. 40. Ezechiël 42:4: En voor de kamers was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren daarvan waren tegen het noorden. Ezechiël 42:5: De bovenste kamers nu waren nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan deze), dan de onderste en dan de middelste van het gebouw. Ezechiël 40:45: En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen.
[^ezechiel-42-2-4]: Kanttekening 4: 4 Voor aan de lengte: Hebreeuws, tegen het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-42-2-5]: Kanttekening 5: Anders, was.
[^ezechiel-42-3-6]: Kanttekening 6: 6 tegen galerij: Hebreeuws, tegen het aangezicht (פְּנֵֽי).
[^ezechiel-42-4-7]: Kanttekening 7: 7 voor de kamers: Hebreeuws, voor het aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-42-4-8]: Kanttekening 8: 8 dezelfde waren tegen het noorden: Wandelingen of galerijen.
[^ezechiel-42-5-9]: Kanttekening 9: Of enger. Hebreeuws, korter.
[^ezechiel-42-5-10]: Kanttekening 10: 10 hoger waren dan deze: Of, overtroffen deze. Hebreeuws, mochten meer dan deze, overweldigden die. Anders: aten van deze; dat is, door haar hoogte benamen zij de opperste kamers een goed gedeelte van haar ruimte, alsook het gezicht in de tempel, en maakten ze zo nauw, dat zij tot woning ondienstig waren, naar sommiger gevoelen.
[^ezechiel-42-5-11]: Kanttekening 11: 11 dan de onderste en dan de middelste van het gebouw: Anders: uit de onderste, en uit de middelste was het gebouw; dat is, de onderste en middelste waren alleen bekwaam tot woning.
[^ezechiel-42-6-12]: Kanttekening 12: 12 waren zij: Hebreeuws, was het.
[^ezechiel-42-7-13]: Kanttekening 13: 13 muur nu: Versta, een scheidsmuur, makende een afschutsel en bijzondere afsluiting. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 62:4. Zo vers 10, 42:12. Psalmen 62:4: Hoe lang zult u kwaad aanstichten tegen een man? U allen zult gedood worden; u zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur. Ezechiël 42:10: Aan de breedte van de muur van het voorhof, de weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kamers. Ezechiël 42:12: En gelijk de deuren van de kamers, die de weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van de weg, de weg voor aan de rechte muur, de weg naar het oosten, als men daar ingaat.
[^ezechiel-42-7-14]: Kanttekening 14: 14 voor aan de kamers: Hebreeuws, tegen het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-42-8-15]: Kanttekening 15: 15 voor aan de tempel waren honderd ellen: Hebreeuws, aan, of voor het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-42-9-16]: Kanttekening 16: 16 Van onder deze kamers: Of, van de plaats.
[^ezechiel-42-9-17]: Kanttekening 17: 17 ingang van het oosten: Anders: als hij, die mij van het oosten ingebracht had uit de plaats van deze kamers tot de andere \[kamers\] uit het buitenste voorhof inging; \[en dan verder in vers 10\] zo waren er aan de breedte, enz. Ezechiël 42:10: Aan de breedte van de muur van het voorhof, de weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kamers.
[^ezechiel-42-10-18]: Kanttekening 18: 18 Aan de breedte: Of in, op, de dikte.
[^ezechiel-42-10-19]: Kanttekening 19: 19 voor aan de afgesneden plaats: Hebreeuws, tegen het aangezicht, en zo meteen opnieuw (פְּנֵי).
[^ezechiel-42-10-20]: Kanttekening 20: Versta, andere kamers, of \[gelijk sommigen\] deze voorzegde kamers.
[^ezechiel-42-11-21]: Kanttekening 21: Of wijze, gelegenheid.
[^ezechiel-42-11-22]: Kanttekening 22: 22 daarvoor heen: Hebreeuws, voor haar aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-42-11-23]: Kanttekening 23: 23 naar de lengte daarvan: Dat is, zij waren gelijk die, in lengte, breedte, uitgangen, fatsoen en deuren.
[^ezechiel-42-12-24]: Kanttekening 24: 24 voor aan de rechte muur: Hebreeuws, in het aangezicht van de rechte \[of, strak opgaande, schone\] muur (פְנֵי). Anders: van de weg recht, of, straks voor aan de muur.
[^ezechiel-42-13-26]: Kanttekening 26: 26 voor aan de afgesneden plaats zijn: Hebreeuws, tegen het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-42-13-27]: Kanttekening 27: 27 heilige kamers: Hebreeuws, kamers van de heiligheid.
[^ezechiel-42-13-28]: Kanttekening 28: 28 allerheiligste dingen zullen eten: Hebreeuws, de heiligheden van de heiligheden, zo in het volgende; zie Lev. 2:3. Leviticus 2:3: Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^ezechiel-42-13-29]: Kanttekening 29: 29 en het: Of, namelijk.
[^ezechiel-42-13-30]: Kanttekening 30: Zie Lev. 2.
[^ezechiel-42-13-31]: Kanttekening 31: Zie Ez. 40:39. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.
[^ezechiel-42-13-25]: Kanttekening 25: 25 hij tot mij: Die man, boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^ezechiel-42-14-32]: Kanttekening 32: 32 ingegaan zullen zijn: In het heiligdom.
[^ezechiel-42-14-33]: Kanttekening 33: 33 uitgaan in het buitenste voorhof: Te weten in of met de heilige kleren, in welke zij gediend hebben.
[^ezechiel-42-14-34]: Kanttekening 34: In deze heilige kamers.
[^ezechiel-42-14-35]: Kanttekening 35: 35 kleren henenleggen: Onze Hogepriester Christus is bekleed met welriekende kleren van het heil en zijn verdiensten, met de mantel van de gerechtigheid, waarmee Hij zijne kerk kleedt en dekt; Ps. 45:9; Jes. 61:10, en Jes. 63:1. Zijne dienaren, die tot de Heer naderen, moeten bekleed zijn met al zulke deugden in het bijzonder, als tot hun ambt vereist worden; zie 1 Tim. 4:12; Tit. 2:7. Van de geestelijke kleren van de gehele kerk, zie Ps. 45:14; Hoogl. 4:11; Matt. 22:11; Rom. 13:14; 2 Kor. 5:3; Gal. 3:27; Ef. 4:24; Kol. 3:10; Openb. 3:4, 3:5, 3:18, en Openb. 16:15, en Openb. 19:8, enz. Psalmen 45:9: Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden. Jesaja 61:10: Ik ben zeer vrolijk in YHWH, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid. Titus 2:7: Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid; Psalmen 45:14: De Dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. Hooglied 4:11: Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uw kleren is als de reuk van Libanon. Mattheüs 22:11: En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij daar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; Romeinen 13:14: Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. 2 Korinthiërs 5:3: Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. Galaten 3:27: Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. Efeziërs 4:24: En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Kolossensen 3:10: En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Degene, Die hem geschapen heeft; Openbaring 3:4: Maar u hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn. Openbaring 3:5: Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 3:18: Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag. Openbaring 16:15: Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie. Openbaring 19:8: En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen.
[^ezechiel-42-14-36]: Kanttekening 36: Dat is, zeer heilig. Versta, de kleren, of kamers, die beide heilig waren, daarom moesten zij de heilige kleren van hun dienst daar afleggen en laten.
[^ezechiel-42-14-37]: Kanttekening 37: 37 wat voor het volk is: Dat is, in deze plaatsen in het buitenste voorhof, \[gelijk in het voorgaande gezegd\], dat voor het gemene volk is, zullen zij met andere kleren moeten komen.
[^ezechiel-42-15-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, waarvan het aangezicht \[was\] enz (פָּנָי).
[^ezechiel-42-15-39]: Kanttekening 39: 39 mat ze rondom heen: Versta, de oostpoort mat hij met de muur in zijn vierkant, die rondom de gehele plaats van dit gehele nieuwe gebouw ging, in het oosten, noorden, zuiden en westen; dat is, hij mat de gehele omgang van het oosten af. Zie boven Ez. 40:5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
[^ezechiel-42-16-40]: Kanttekening 40: Hebreeuws, wind \[zo in het volgende\] dat is, de zijde, die tegen de oostenwind gelegen was (רוּחַ).
[^ezechiel-42-16-41]: Kanttekening 41: 41 met het meetriet: Of, naar, van, en zo in het volgende.
[^ezechiel-42-16-42]: Kanttekening 42: Langs heen de gehele zijde. Zo in het volgende.
[^ezechiel-42-19-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws, van de zee (יָּם).
[^ezechiel-42-20-44]: Kanttekening 44: 44 heilige en onheilige: Hebreeuws, heiligheid. Versta, tussen het geestelijke of kerkelijke en wereldlijke of burgerlijke, dat is, tussen het gehele heilig begrijp \[zie onder Ez. 43:12\], en de stad met haar toebehoren. Zie onder Ez. 48:15, gelijk er ook nog onderscheid was tussen het heiligdom en de plaatsen van het volk. Zie boven vers 14. Ezechiël 43:12: Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn gehele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis. Ezechiël 48:15: Maar de vijf duizend, dat is wat overgelaten is in de breedte, voor aan de vijf en twintig duizend, dat zal onheilig zijn, voor de stad, tot bewoning en tot voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan zijn. Ezechiël 42:14: Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in die zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is.

### Ezechiël 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/43.json)

*De heerlijkheid van de HEERE komt van het oosten in deze nieuwe tempel, en vervult die, vers 1, 2, enz. De HEERE spreekt de profeet aan, en belooft dat Hij eeuwig daar onder zijn volk zal wonen, en hen van zonden (die Hem uit de oude tempel hadden doen verhuizen) zal reinigen, 7. Hij gebiedt de profeet dit hele gebouw aan het volk nauwkeurig voor te dragen, opdat zij zich bekeren en aan dit genadewerk van God deel mogen krijgen, 10. Algemene wet over de heiligheid van deze hele plaats, 12. De maten, inwijding en het gebruik van het brandofferaltaar, 13.*

**1** Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die de weg naar het oosten zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v1)

**2** En ziet, de[^ezechiel-43-2-1] heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn[^ezechiel-43-2-2] stem was als het[^ezechiel-43-2-a] geruis van[^ezechiel-43-2-3] vele wateren, en de aarde werd[^ezechiel-43-2-4] verlicht van Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v2)

**3** En[^ezechiel-43-3-5] zo was de gedaante van het visioen, dat ik zag, zoals[^ezechiel-43-3-b] het visioen, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te[^ezechiel-43-3-6] verderven; en het waren visioenen, als het visioen, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik[^ezechiel-43-3-7] viel op mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v3)

**4** En de heerlijkheid van YHWH kwam in het[^ezechiel-43-4-8] huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten[^ezechiel-43-4-9] zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v4)

**5** En de[^ezechiel-43-5-10] Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis[^ezechiel-43-5-11] vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v5)

**6** En ik hoorde[^ezechiel-43-6-12] Een, Die met mij sprak, uit het huis; en[^ezechiel-43-6-13] de man was bij mij, staande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v6)

**7** En[^ezechiel-43-7-14] Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de[^ezechiel-43-7-15] plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de Israëlieten, in[^ezechiel-43-7-16] eeuwigheid; en[^ezechiel-43-7-17] die van het huis van Israël zullen Mijn[^ezechiel-43-7-18] heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun[^ezechiel-43-7-19] hoererij en met de[^ezechiel-43-7-20][^ezechiel-43-7-c] dode lichamen van hun koningen,[^ezechiel-43-7-21] op hun hoogten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v7)

**8** Als zij[^ezechiel-43-8-22] hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar één[^ezechiel-43-8-23] wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelijke dingen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v8)

**9** [^ezechiel-43-9-24] Nu zullen zij hun hoererij en de[^ezechiel-43-9-25] dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v9)

**10** U mensenkind; wijs aan het huis van Israël dit huis[^ezechiel-43-10-26], opdat zij[^ezechiel-43-10-27] schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het[^ezechiel-43-10-28] patroon afmeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v10)

**11** En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het[^ezechiel-43-11-29] huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn instellingen, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en[^ezechiel-43-11-30] schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn hele vorm en al zijn instellingen bewaren, en die doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v11)

**12** Dit is de wet van het huis: op de[^ezechiel-43-12-31] hoogte van de berg zal zijn hele grens, rondom heen, een[^ezechiel-43-12-32] heiligheid van de heiligheden zijn; zie, dit is de wet van het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v12)

**13** En dit zijn de maten van[^ezechiel-43-13-33] het altaar naar de[^ezechiel-43-13-34] ellen, zijnde de el een el en een handbreed; het[^ezechiel-43-13-35] voetstuk van een[^ezechiel-43-13-36] el, en een el de[^ezechiel-43-13-37] breedte; en zijn[^ezechiel-43-13-38] einde aan zijn[^ezechiel-43-13-39] rand rondom een span; en dit is de[^ezechiel-43-13-40] rug van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v13)

**14** Van het voetstuk nu op de aarde tot aan het onderste[^ezechiel-43-14-41] afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v14)

**15** En de[^ezechiel-43-15-42] Harel vier ellen; en van de Ariël verder omhoog, de vier[^ezechiel-43-15-43] hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v15)

**16** De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier[^ezechiel-43-16-44] zijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v16)

**17** En het[^ezechiel-43-17-45] afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft van een el; en het[^ezechiel-43-17-46] voetstuk daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v17)

**18** En Hij zei tot mij: Mensenkind! zo zegt Adonai YHWH: Dit zijn de instellingen van het altaar, op de dag als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprenkelen.[^ezechiel-43-18-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v18)

**19** En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad[^ezechiel-43-19-48] van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt Adonai YHWH), om Mij te dienen, geven een stier, een[^ezechiel-43-19-49] jong rund, als zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v19)

**20** En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het[^ezechiel-43-20-50] ontzondigen, en het verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v20)

**21** Daarna zult u de stier van het zondoffer nemen; en hij zal hem verbranden in een[^ezechiel-43-21-51] bestelde plaats van het[^ezechiel-43-21-52] huis buiten het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v21)

**22** En op de tweede dag zult u een volkomen geitenbok offeren als zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij dat ontzondigd hebben met de stier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v22)

**23** Als u een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult u een stier, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v23)

**24** En u zult ze offeren voor het aangezicht van YHWH; en de priesters zullen[^ezechiel-43-24-53] zout daarop werpen, en zullen ze offeren als brandoffer voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v24)

**25** Zeven dagen zult u dagelijks een bok van het zondoffer bereiden;[^ezechiel-43-25-54] ook zullen zij een stier, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v25)

**26** Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn[^ezechiel-43-26-55] handen vullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v26)

**27** Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters[^ezechiel-43-27-56] uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/43.html#v27)

[^ezechiel-43-2-1]: Kanttekening 1: Die tevoren uit de tempel was verhuisd. Zie boven, Ez. 1:28 en 10:4, 10:18, 10:19 met de aantekeningen; en vergelijk Mal. 3:1. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH. Ezechiël 10:18: Toen ging de heerlijkheid van YHWH van boven de dorpel van het huis weg, en stond boven de cherubs. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen. Maleachi 3:1: Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten.
[^ezechiel-43-2-2]: Kanttekening 2: Of, geluid, gedruis.
[^ezechiel-43-2-a]: Verwijzing a: Ez. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun eens legermachten; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^ezechiel-43-2-3]: Kanttekening 3: 3 vele wateren: Of, grote; vergelijk boven Ez. 1:24, waar de majesteit van God, als een rechter, zich vertoonde, gelijk hier integendeel tot een teken van genade en weldadigheid, als die wederkwam om in zijn huis te wonen, en dat volkomenlijk te herstellen en te zegenen; zie het volgende. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^ezechiel-43-2-4]: Kanttekening 4: 4 werd verlicht: Hebreeuws, gaf licht, of, blonk; vergelijk Openb. 18:1, en Openb. 21:23, en zie Jes. 60:19, 60:20, enz.; Matt. 4:16; Hand. 13:47; 2 Kor. 3:18, en 2 Kor. 4:6, enz. Enige verstaan dat het licht gesteld wordt tegen de wolk van het Oude Testament. Zie 1 Kon. 8:10, 8:11, 8:12. Openbaring 18:1: En na deze zag ik een anderen engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Jesaja 60:19: De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want YHWH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treuring zullen een einde nemen. Mattheüs 4:16: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, dezelfde is een licht opgegaan. Handelingen 13:47: Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. 2 Korinthiërs 4:6: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. 1 Koningen 8:12: Toen zei Salomo: YHWH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
[^ezechiel-43-3-5]: Kanttekening 5: 5 zo was de gedaante van het gezicht: Of, het was als de gedaante van het gezicht.
[^ezechiel-43-3-b]: Verwijzing b: Ez. 1:4; Ez. 8:4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Ezechiël 8:4: En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.
[^ezechiel-43-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, toen mij God zond om het verderf van Jeruzalem in zijn naam te verkondigen, waarop het verderf zekerlijk zou volgen. Zie boven Ez. 9, Ez. 10, en vergelijk Jer. 1:10. De profeet wil zeggen dat dezelfde God zich hier openbaarde in genade, die zich daar vertoond had in grote toorn. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^ezechiel-43-3-7]: Kanttekening 7: 7 viel op mijn aangezicht: Zie boven Ez. 1:28; zo onder Ez. 44:4. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.
[^ezechiel-43-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, de tempel.
[^ezechiel-43-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, waarvan het aangezicht was van de weg, enz., gelijk hij door de oostpoort uit de vorige oude tempel gescheiden was \[zie boven Ez. 10:19\], om daarna in de nieuwe te gaan wonen (פָּנָי). Zie 2 Kor. 5:17; Openb. 21:5; idem Hagg. 2:7, 2:8, 2:9; ook kan de Christelijke lezer vergelijken Luk. 1:78, 1:79. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van YHWH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen. 2 Korinthiërs 5:17: Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Openbaring 21:5: En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de legermachten: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt YHWH van de legermachten. Haggai 2:9: Van Mij is het zilver, en van Mij is het goud, spreekt YHWH van de legermachten. Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Lukas 1:79: Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede.
[^ezechiel-43-5-10]: Kanttekening 10: 10 de Geest: Zie boven Ez. 2:2, en Ez. 3:12, en Ez. 8:3, met de aantekening. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak. Ezechiël 3:12: Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid van YHWH uit Zijn plaats! Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt.
[^ezechiel-43-5-11]: Kanttekening 11: Vergelijk Ex. 40:34, 40:35; 1 Kon. 8:10, 8:11; Jes. 6:1, en Jes. 24:23, en Jes. 35:2, en Jes. 60:1, 60:2, en Jes. 66:18, 66:19; onder Ez. 44:4; Hab. 2:14; Hagg. 2:8, 2:10; Zach. 2:5; Matt. 17:5; Joh. 1:14, en Joh. 12:41; 1 Kor. 15:28; 2 Thess. 1:10; 2 Petr. 1:16, 1:17, 1:18; Openb. 15:8, en Openb. 21:23, en Openb. 22:5. Exodus 40:34: Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. Exodus 40:35: Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van YHWH de tabernakel vervulde. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. Jesaja 24:23: En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als YHWH van de legermachten regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn. Jesaja 35:2: Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid van YHWH, het sieraad onzes Gods. Jesaja 60:1: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van YHWH gaat over u op. Jesaja 60:2: Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal YHWH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Jesaja 66:18: Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien. Jesaja 66:19: En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht. Habakuk 2:14: Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid van YHWH bekennen, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt YHWH van de legermachten. Haggai 2:10: De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt YHWH van de legermachten; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt YHWH van de legermachten. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Mattheüs 17:5: Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 12:41: Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. 1 Korinthiërs 15:28: En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 2 Thessalonicensen 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1:17: Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. 2 Petrus 1:18: En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren. Openbaring 15:8: En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid van God, en uit Zijn kracht; en niemand kon in de tempel ingaan, totdat de zeven plagen van de zeven engelen geëindigd waren. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5: En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^ezechiel-43-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk YHWH, wiens heerlijkheid de tempel vervulde, in vers 5, en die in vers 7 tot de profeet spreekt. Vergelijk boven Ez. 1:28, en Ez. 2:1. Ezechiël 43:5: En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis vervuld. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten; Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 2:1: En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.
[^ezechiel-43-6-13]: Kanttekening 13: 13 de man: Anders, een man. Zie boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^ezechiel-43-7-14]: Kanttekening 14: YHWH, die uit het huis met mij sprak, gelijk in vers 6 gezegd is. Ezechiël 43:6: En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.
[^ezechiel-43-7-15]: Kanttekening 15: Vergelijk Lev. 26:11, 26:12; Jes. 60:13, en zie Joh. 14:23; 1 Kor. 3:16, 3:17, en 1 Kor. 6:19; Openb. 21:3, en Openb. 22:3, enz. Leviticus 26:11: En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Jesaja 60:13: De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 1 Korinthiërs 3:17: Zo iemand de tempel van God schendt, die zal God schenden; want de tempel van God is heilig, welke u bent. 1 Korinthiërs 6:19: Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen;
[^ezechiel-43-7-16]: Kanttekening 16: Zie Jer. 31:32, 31:33, 31:36, en Jer. 32:40, en Jer. 33:20, 33:21, 33:25, 33:26, enz. Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:36: Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt YHWH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Jeremia 33:20: Zo zegt YHWH: Als u Mijn verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd; Jeremia 33:21: Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren. Jeremia 33:25: Zo zegt YHWH: Als Mijn verbond niet is van dag en nacht; als Ik de ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb; Jeremia 33:26: Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hun ontfermen.
[^ezechiel-43-7-17]: Kanttekening 17: 17 die van het huis van Israël zullen …: Hebreeuws, het huis van Israël zullen, enz (בֵּֽית). Samengevat: door de genadige inwoning Mijns Heiligen Geestes zal Ik maken, dat Mijn geestelijke Israël \[dat is, Mijn kerk\] Mij heiliglijk zal dienen en vreemd zijn van alles wat ertegen strijdt, in het bijzonder alle afgoderij, waarvan enige soorten in het volgende worden verhaald, uit de gruwelen die Gods volk in Kanaän bedreven had. Dit kan men wel enigszins duiden \[met sommigen\] op de tijd van Ezra en Nehemia na de verlossing uit Babel \[hoewel die mannen van God met vele grove abuizen van het volk steeds hebben moeten strijden, en de Joden naderhand van tijd tot tijd schrikkelijker zijn vervallen, als bij de komst van Christus gebleken is\], maar het ziet alles voornamelijk op de tijd van de Messias, en de uitzending van Zijn Geest, en zal volkomenlijk worden vervuld in het andere leven, in het hemels Kanaän, Openb. 21:27 en 22:3, enz. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen;
[^ezechiel-43-7-18]: Kanttekening 18: 18 Mijn heilige Naam: Hebreeuws, naam mijner heiligheid (שֵׁם); zo in het volgende.
[^ezechiel-43-7-19]: Kanttekening 19: Dat is, afgoderij, alle bijgeloof, eigenwillige menselijke vonden en inzettingen in de godsdienst. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
[^ezechiel-43-7-20]: Kanttekening 20: 20 dode lichamen: Dat is, gelijk enige menen, met de lichamen van enige gestorven koningen, die omtrent de tempel begraven waren. Anderen verstaan de lichamen van de mensen, die zij ter ere hun afgoden geslacht en geofferd hebben, welke afgoden zij, op heidense wijze, hunne koningen plachten te noemen, in het bijzonder die Molech, of Milcom, of Malcam, of Melech, enz. die daarvan de naam had, want Melech betekent koning; zie Lev. 18:21; Jer. 48:7, en Jer. 49:1; Amos 1:15 en Amos 5:26, met de aantekening. Sommigen nemen het van de afgoden zelf, die met recht dode lichamen genoemd worden, omdat zij geen leven hebben, en als een aas voor God stinken; zie Lev. 26:30; Jer. 15:18, met de aantekening. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden? Amos 1:15: En hunlieder koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt YHWH. Amos 5:26: Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Jeremia 15:18: Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt U mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
[^ezechiel-43-7-c]: Verwijzing c: Jer. 16:18. Jeremia 16:18: Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hun verfoeiselen en hun gruwelen vervuld.
[^ezechiel-43-7-21]: Kanttekening 21: 21 op hun hoogten: Of, en hun hoogten, zulks dat de hoogten gelijk dikwijls voor een bijzondere soort van afgoderij genomen worden.
[^ezechiel-43-8-22]: Kanttekening 22: 22 hun dorpel stelden aan Mijn dorpel: Dat is, onbeschaamd in mijn huis invoerden en bedreven allerlei afgoderij, bijgeloof en menselijke inzettingen, willende zo mij en de duivel samen dienen, tempel aan of in tempel bouwen, als tot mijn spijt. Vergelijk hiermede boven Ez. 8, en in het bijzonder Ez. 8:7, 8:8, 8:9, 8:10, enz., en verder 2 Kon. 16:14, en 2 Kon. 21:7, en boven Ez. 23:39. Ezechiël 8:7: Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in de wand. Ezechiël 8:8: En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Ezechiël 8:10: Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis van Israël, geheel rondom aan de wand gemaald. 2 Koningen 16:14: Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van YHWH was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van YHWH, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts. 2 Koningen 21:7: Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan YHWH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid. Ezechiël 23:39: Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.
[^ezechiel-43-8-23]: Kanttekening 23: Zie boven Ez. 8:8, 8:9. Anders: en stelden een wand tussen mij en tussen hen; dat is, scheidden zich van mij af door hunne gruwelen; zie Jes. 59:2. Ezechiël 8:8: En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Jesaja 59:2: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort.
[^ezechiel-43-9-24]: Kanttekening 24: Ten tijde van de nieuwe tempel, als Ik mijn volk de voorzegde genade zal bewijzen door de Messias.
[^ezechiel-43-9-25]: Kanttekening 25: 25 dode lichamen: Gelijk boven vers 7. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^ezechiel-43-10-26]: Kanttekening 26: 26 dit huis: Dat is, het gezicht van de gedaante van dit huis, en maak hun bekend het oogmerk en de verklaring van die. Zie boven Ez. 40:4. Ezechiël 40:4: En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u herwaarts gebracht; verkondig daarna de huize Israëls alles, wat u ziet.
[^ezechiel-43-10-27]: Kanttekening 27: 27 schaamrood worden: Door betrachting van hunne onwaardigheid \[gelijk volgt\], en deze mijn grote onverdiende onbegrijpelijke genade, die Ik mijn volk beloof en zo zekerlijk in het toekomende zal bewijzen, als Ik u dit nieuwe gebouw heb vertoond, en zij het model daarvan door u zullen ontvangen, en uit alles duidelijk kunnen merken dat het niet uw verzinsel, maar mijn werk is.
[^ezechiel-43-10-28]: Kanttekening 28: 28 het patroon: Of, de gestalte, hebbende zijn behoorlijke proportie, fatsoen, of, vorm, maten, etc. \[vergelijk 2 Kron. 24:13\] zoals u het nu gezien hebt. 2 Kronieken 24:13: Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn gestalte, en maakten het vast.
[^ezechiel-43-11-29]: Kanttekening 29: 29 zo maak hun bekend: De verborgenheid van de Heer is voor degenen die Hem vrezen, om hun die bekend te maken, Ps. 25:14; maar niet voor de honden en varkens, Matt. 7:6. Psalmen 25:14: Samech. De verborgenheid van YHWH is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^ezechiel-43-11-30]: Kanttekening 30: 30 schrijf het voor hun ogen: Dat is, maal of teken het hun af en beschrijf het, opdat zij door ware bekering levende stenen van dit gebouw en mijn geestelijk huis mee mogen zoeken te zijn, enz.; zie Ef. 2:20, 2:21, 2:22, en 1 Petr. 2:4, 2:5. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. 1 Petrus 2:4: Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^ezechiel-43-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, hoofd (רֹאשׁ). Sommigen houden dat God aldus wijst op het Jeruzalem, dat boven is, Gal. 4:26; vergelijk Ps. 15:1; Matt. 5:14; Hebr. 12:22. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. Psalmen 15:1: Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? Mattheüs 5:14: U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^ezechiel-43-12-32]: Kanttekening 32: 32 heiligheid van de heiligheden: Dat is, zeer heilig, een zeer heilige plaats, omdat nu de heerlijkheid van de Heer alles geheiligd, of de Vader en de Zoon door de Heilige Geest daar hunne woning zullen hebben genomen, heiligende alle uitverkorenen, maar de strijdende aanvankelijk, bij trappen en maten, maar de triomferende volkomenlijk.
[^ezechiel-43-13-33]: Kanttekening 33: Versta, het brandofferaltaar, afbeeldende de Heer Christus, met zijn enig zoenoffer, waarmee alle gelovigen in de vier hoeken van de wereld gemeenschap hebben; idem, in en op welke zij hun geestelijke offeranden voor God opofferen. Zie Hebr. 13:10, en 1 Petr. 2:5. Hebreeën 13:10: Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^ezechiel-43-13-34]: Kanttekening 34: Zie boven Ez. 40:5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
[^ezechiel-43-13-35]: Kanttekening 35: Of, schoot; dat is, voet of bodem, die onder rondom ging, en alles, wat daarop rustte, als in zijn schoot ontving, vestigde en ondersteunde. Zie vers 14 en vers 17. Ezechiël 43:14: Van de boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.
[^ezechiel-43-13-36]: Kanttekening 36: Versta, in hoogte.
[^ezechiel-43-13-37]: Kanttekening 37: Dat is, dikte.
[^ezechiel-43-13-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, grens; dat is, het uiterste van deze boezem.
[^ezechiel-43-13-39]: Kanttekening 39: Hebreeuws, lip (שְׂפָתָ).
[^ezechiel-43-13-40]: Kanttekening 40: 40 rug van het altaar: Dat is, het onderste deel, het steunsel van al de rest, als wanneer iemand op de rug ligt.
[^ezechiel-43-14-41]: Kanttekening 41: Dat is, uitstekende, rondom gaande en als uitspringende lijst. Hebreeuws, behulp.
[^ezechiel-43-15-42]: Kanttekening 42: Dat is, de haardstede, rooster, of plaats, boven op het altaar, waar het hout en de offeranden gelegd en verbrand werden, genoemd Harel, dat is, Gods berg, vanwege de hoogte \[gelijk enige menen\] omdat men bij trappen daarop ging, onder vers 17, en Ariël, dat is, Gods leeuw, omdat hij de offeranden verteerde, gelijk een sterke leeuw alles verslindt wat hem voorkomt. Zie Jes. 29:1, en vergelijk Ex. 27:4, met de aantekening. Zo is ons altaar de Heer Christus in de waarheid als een berg van God, waar alle gelovige Joden en heidenen uit alle hoeken van de wereld hunne toevlucht nemen en opgaan, en de leeuw Gods, uit Juda, die alles, wat ons vijandelijk is, verteert; zie Jes. 2:2, 2:3, en Jes. 60:7, en Jes. 63:1, enz.; Openb. 5:5. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten. Jesaja 29:1: Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten. Exodus 27:4: U zult het een rooster maken van koperen netwerk; en u zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en daartoe zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Jesaja 60:7: Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Openbaring 5:5: En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.
[^ezechiel-43-15-43]: Kanttekening 43: Vergelijk Ex. 27:2, met de aantekening. Exodus 27:2: En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken.
[^ezechiel-43-16-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, vier vierzijden, of vier vierhoeken, of vierkantigheden; gelijk boven Ez. 1:8, zie daar. Zo in vers 17. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.
[^ezechiel-43-17-45]: Kanttekening 45: 45 het afzetsel: Of, elk afzetsel.
[^ezechiel-43-17-46]: Kanttekening 46: Gelijk boven vers 13. Ezechiël 43:13: En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar.
[^ezechiel-43-18-47]: Kanttekening 47: 47 van het altaar: Die het altaar aangaan, die men in de making en bediening daarvan moest onderhouden.
[^ezechiel-43-19-48]: Kanttekening 48: Zie boven Ez. 40:46, en onder Ez. 44:15, enz. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH;
[^ezechiel-43-19-49]: Kanttekening 49: 49 een jong rund: Hebreeuws, een zoon van het rund (בֶּן); zo in het volgende.
[^ezechiel-43-20-50]: Kanttekening 50: 50 ontzondigen, en het verzoenen: Omdat noch altaar, noch offerande, enige ceremoniële reinheid van zichzelf hadden, noch de onreinen aanbrengen konden, zo moest eerst alles door bloed daartoe gereinigd en ingewijd worden, afbeeldende de geestelijke reiniging van onze conscientiën, godsdiensten en van de hemelse dingen, door het dierbaar bloed van onze Heer Christus, tot welks toepassing of toeëigening de dienaren van Christus, als zijne instrumenten, ons dienstig zijn door de zuivere predikatie van het heilige Evangelie van de gekruisigde Christus en de bediening van de heilige sacramenten, gebeden, enz., gelijk de Levietische priesters deden in het ceremonieel; zie Hebr. 9:9 tot Hebr. 9:24 toe; 2 Kor. 3:6, en 2 Kor. 4:5, 4:7; Gal. 3:1, enz.; vergelijk boven Ez. 40:49. Hebreeën 9:9: Welke was een afbeelding voor die tegenwoordige tijd, in welke gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 4:5: Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, de Heer; en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil. 2 Korinthiërs 4:7: Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons; Galaten 3:1: O u uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Ezechiël 40:49: De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij die men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze, en een van gene zijde.
[^ezechiel-43-21-51]: Kanttekening 51: Of, bevolene.
[^ezechiel-43-21-52]: Kanttekening 52: 52 buiten het heiligdom: Vergelijk Hebr. 13:11, 13:12. Hebreeën 13:11: Want van die dieren het bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, van die lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Hebreeën 13:12: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.
[^ezechiel-43-24-53]: Kanttekening 53: 53 zout daarop werpen: Vergelijk Lev. 2:13; Num. 18:19; 2 Kron. 13:5; verder Matt. 5:13; Mark. 9:49, 9:40; Kol. 4:6. Leviticus 2:13: En alle offerande uws spijsoffers zult u met zout zouten, en het zout van het verbond van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult u zout offeren. Numeri 18:19: Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u. 2 Kronieken 13:5: Staat het u niet toe te weten, dat YHWH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond? Mattheüs 5:13: U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. Marcus 9:49: Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. Marcus 9:40: Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. Kolossensen 4:6: Uw woord zij te alle tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u iedereen moet antwoorden.
[^ezechiel-43-25-54]: Kanttekening 54: 54 zullen zij een var: Anders: gelijk zij, enz. zullen bereid hebben.
[^ezechiel-43-26-55]: Kanttekening 55: 55 handen vullen: Dat is, hem inwijden of heiligen, tot het heilig gebruik. Vergelijk Lev. 7:37, en Lev. 8:33, enz. Anders: zij zullen \[iedereen\] zijne handen vullen; dat is zichzelf heiligen, en tot het offeren op het altaar inwijden. Leviticus 7:37: Dit is de wet van het brandoffer, van de spijsoffers, van het zondoffer, van de schuldoffers, van de vuloffers en van de dankoffers; Leviticus 8:33: Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen.
[^ezechiel-43-27-56]: Kanttekening 56: 56 uw brandofferen en uw dankofferen: Zie boven Ez. 40:39, en hier boven vers 20. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer. Ezechiël 43:20: En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het ontzondigen, en het verzoenen.

### Ezechiël 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/44.json)

*Bijzonder gebruik van de Oostpoort van het heiligdom, voor de vorst, vers 1, enz. De HEERE, wiens heerlijkheid in de tempel was, spreekt de profeet opnieuw aan, vermaant hem tot opmerkzaamheid, met opdracht om zijn volk te straffen over het eerdere aanstellen van onwettige en onbekwame dienaren in zijn huis, 4; wie daarvan geheel geweerd moeten worden, 9; wie in hun dienst vernederd zullen worden, 10. De kinderen van Zadok worden in hun dienst bevestigd, over hun ambt onderwezen, en van hun onderhoud verzekerd, 15.*

**1** Toen deed hij mij terugkeren de weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v1)

**2** En YHWH zei tot mij: Deze poort zal toegesloten[^ezechiel-44-2-1] zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand daardoor ingaan, omdat YHWH, de God van Israël[^ezechiel-44-2-2], daardoor is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v2)

**3** De[^ezechiel-44-3-3] vorst, de vorst, die zal[^ezechiel-44-3-4] daarin zitten, om[^ezechiel-44-3-5] brood te eten voor het aangezicht van YHWH; door de weg van het voorhuis van de poort zal hij ingaan, en door de weg daarvan zal hij uitgaan[^ezechiel-44-3-6][^ezechiel-44-3-7]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v3)

**4** Daarna bracht hij mij[^ezechiel-44-4-8] de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis van YHWH vervuld; toen[^ezechiel-44-4-9] viel ik op mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v4)

**5** En YHWH zei tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle voorschriften van het huis van YHWH, en van al zijn wetten; en zet uw hart op de ingang van het huis, met alle[^ezechiel-44-5-10] uitgangen van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v5)

**6** En zeg tot die opstandigen, tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai YHWH: Het is te veel voor u, vanwege al uw gruwelijke dingen, o huis van Israël.[^ezechiel-44-6-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v6)

**7** Omdat u[^ezechiel-44-7-12] vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en[^ezechiel-44-7-13] onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te[^ezechiel-44-7-14] ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn[^ezechiel-44-7-15] brood, het[^ezechiel-44-7-16] vette en het bloed offerde, en[^ezechiel-44-7-17] zij Mijn verbond verbraken, naast al[^ezechiel-44-7-18] uw gruwelijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v7)

**8** En u hebt de[^ezechiel-44-8-19] taak van Mijn[^ezechiel-44-8-20] heilige dingen niet waargenomen; maar[^ezechiel-44-8-21] u hebt uzelf enige tot wachters van Mijn wacht gesteld in Mijn heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v8)

**9** [^ezechiel-44-9-22] Zo zegt Adonai YHWH: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enige vreemde, die in het midden van de Israëlieten is.[^ezechiel-44-9-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v9)

**10** [^ezechiel-44-10-24] Maar de[^ezechiel-44-10-25] Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun[^ezechiel-44-10-26] afgoden achterna, zullen wel hun[^ezechiel-44-10-27] ongerechtigheid dragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v10)

**11** Toch zullen zij in Mijn heiligdom[^ezechiel-44-11-28] bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v11)

**12** Omdat zij[^ezechiel-44-12-29] hen gediend hebben voor het aangezicht van hun afgoden, en voor het huis van Israël tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn[^ezechiel-44-12-30] hand tegen hen opgeheven, spreekt Adonai YHWH, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v12)

**13** En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn[^ezechiel-44-13-31] heilige dingen, tot de[^ezechiel-44-13-32] allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun[^ezechiel-44-13-33] gruwelijke dingen, die zij gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v13)

**14** Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de[^ezechiel-44-14-34] taak van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v14)

**15** Maar de[^ezechiel-44-15-35] Levietische priesters, de[^ezechiel-44-15-36] kinderen van Zadok, die de[^ezechiel-44-15-37] taak van Mijn heiligdom hebben waargenomen, als de Israëlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt Adonai YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v15)

**16** Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn[^ezechiel-44-16-38] tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen[^ezechiel-44-16-39] Mijn wacht waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v16)

**17** En het zal gebeuren, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij[^ezechiel-44-17-40] linnen kleren zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v17)

**18** Linnen[^ezechiel-44-18-41] huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun middel zijn; zij zullen zich niet gorden in[^ezechiel-44-18-42] het zweet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v18)

**19** En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun kleren, waarin zij gediend hebben, uittrekken, en die henenleggen in de heilige[^ezechiel-44-19-43] kamers; en zullen andere kleren aantrekken, opdat zij het volk niet[^ezechiel-44-19-44] heiligen met hun kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v19)

**20** En zij zullen hun[^ezechiel-44-20-45] hoofd niet glad[^ezechiel-44-20-46] afscheren, ook de lokken niet[^ezechiel-44-20-47] lang laten groeien;[^ezechiel-44-20-48] behoorlijk zullen zij hun hoofden scheren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v20)

**21** Ook zal[^ezechiel-44-21-49] geen priester[^ezechiel-44-21-50] wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v21)

**22** [^ezechiel-44-22-51] Ook zullen zij zich geen[^ezechiel-44-22-a] weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar meisjes van het zaad van het huis van Israël, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v22)

**23** En zij zullen Mijn volk[^ezechiel-44-23-52] onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v23)

**24** En over een[^ezechiel-44-24-53] rechtszaak zullen zij[^ezechiel-44-24-54] staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij[^ezechiel-44-24-55] zullen Mijn wetten en Mijn voorschriften op al Mijn[^ezechiel-44-24-56] vastgestelde hoogtijden houden, en Mijn[^ezechiel-44-24-57] sabbatten heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v24)

**25** Ook zal[^ezechiel-44-25-58] geen van hen tot een dode mens ingaan, dat hij onrein wordt; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broer of om een zus, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v25)

**26** En na[^ezechiel-44-26-59] zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v26)

**27** En op de dag als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v27)

**28** [^ezechiel-44-28-60] Dit nu zal hun tot een erfenis zijn:[^ezechiel-44-28-b] Ik ben hun Erfenis; daarom zult u hun geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v28)

**29** Het voedseloffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al[^ezechiel-44-29-61] het verbannene in Israël het hunne zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v29)

**30** En[^ezechiel-44-30-c] de[^ezechiel-44-30-62] eerstelingen van alle eerste[^ezechiel-44-30-63] vruchten van[^ezechiel-44-30-64] alles, en alle[^ezechiel-44-30-65] hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen van de priesters zijn; ook zult u[^ezechiel-44-30-66] de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de[^ezechiel-44-30-67] zegen op uw huis te doen rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v30)

**31** [^ezechiel-44-31-68][^ezechiel-44-31-d] Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/44.html#v31)

[^ezechiel-44-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, blijven. Zie Jer. 27:22. Zo in het volgende. Jeremia 27:22: Naar Babel zullen zij gebracht worden, en daar zullen zij zijn, tot de dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt YHWH; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze wederbrengen tot deze plaats.
[^ezechiel-44-2-2]: Kanttekening 2: 2 dezelfde is ingegaan: Zie boven Ez. 43:2, 43:4. Ezechiël 43:2: En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid. Ezechiël 43:4: En de heerlijkheid van YHWH kwam in het huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten zag.
[^ezechiel-44-3-3]: Kanttekening 3: Of, overste, waardoor men met sommigen hier kan verstaan de hogepriester, (zie Jer. 35:4,) afbeeldende onze Heer Christus, als de enige Hogepriester, Vorst, Prins en Koning (boven Ez. 34:22, 34:23) van zijn kerk. Of \[gelijk anderen\] de Heer Christus zelf, die de Heer van dit geestelijk huis is en alleen bekwaam om tot God voor ons te naderen en voor zijn aangezicht te verschijnen, (zie Jer. 30:21,) die alleen de Vader kent en openbaart, alleen sluit en opent, de enige poort en deur van de hemel, die alleen de weg en ingang in het heiligdom voor ons heeft geopend en bereid, en ter rechterhand van de majesteit van God als Koning gezeten is, nemende zijne vreugde in zijn genadewerk en geestelijk gebouw, op welke dit gehele gezicht voornamelijk slaat; vergelijk Matt. 3:17, en Matt. 11:27; Joh. 1:18, en Joh. 3:13, en Joh. 10:9; Hebr. 6:19, 6:20, en Hebr. 8:1, 8:2, en Hebr. 9:8, en Hebr. 10:19, 10:20; Openb. 3:7, en Openb. 5:5, enz., idem Jes. 53:11. Jeremia 35:4: En bracht hen in het huis van YHWH, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man van God; welke is bij de kamer van de oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelbewaarder. Ezechiël 34:22: Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Jeremia 30:21: En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt YHWH. Mattheüs 3:17: En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 11:27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 3:13: En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is. Johannes 10:9: Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. Hebreeën 6:19: Welke wij hebben als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: Hebreeën 8:2: Een Dienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welke de Heer heeft opgericht, en geen mens. Hebreeën 9:8: Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; Hebreeën 10:19: Omdat wij dan, broers, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, Hebreeën 10:20: Op een versen en levenden weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; Openbaring 3:7: En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: Openbaring 5:5: En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. Jesaja 53:11: Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
[^ezechiel-44-3-4]: Kanttekening 4: 4 in dezelfde: Anders: aan dezelfde.
[^ezechiel-44-3-5]: Kanttekening 5: 5 brood te eten voor het aangezicht van YHWH: Dat is, maaltijd te houden, \[gelijk tevoren geschiedde van de offeranden\] en verder gemeenzaam voor het aangezicht van de Heer te verkeren. Vergelijk Ex. 29:32; Lev. 8:31, en Lev. 24:9, en verder Gen. 31:54. Deze omstandigheden schijnen onderscheid te maken tussen deze vorst en de vorst, waarvan onder Ez. 45, Ez. 46. Maar beide vorsten \[de hogepriester en de koning\] kunnen aangemerkt worden als afbeeldende, elk in het zijne, en naar de natuur van de zaken, de Heer Christus; zie de voorgaande aantekening. Exodus 29:32: Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de korf zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. Leviticus 8:31: En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet hetzelfde daar, samen met het brood, dat in de korf van het vuloffer is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten. Leviticus 24:9: En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting. Genesis 31:54: Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte.
[^ezechiel-44-3-6]: Kanttekening 6: 6 de weg van hetzelfde: Of, zijns weegs.
[^ezechiel-44-3-7]: Kanttekening 7: Dit duiden sommigen op Christus' wederkomst tot het oordeel; vergelijk Hand. 1:11; Hebr. 9:28. Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. Hebreeën 9:28: Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
[^ezechiel-44-4-8]: Kanttekening 8: 8 voor aan het huis: Hebreeuws, tegen het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-44-4-9]: Kanttekening 9: 9 viel ik op mijn aangezicht: Gelijk boven Ez. 43:3. Ezechiël 43:3: En zo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^ezechiel-44-5-10]: Kanttekening 10: Of, voortgangen.
[^ezechiel-44-6-11]: Kanttekening 11: 11 Het is te veel voor u: Dat is, u hebt het te veel gemaakt, het is te hoog en te grof geweest, laat het genoeg zijn, u zult moeten afhouden van, enz. Vergelijk Num. 16:3; 1 Kon. 19:4, met de aantekening. Zo onder Ez. 45:9. Met deze ingevoegde bestraffing heeft God zijn volk, aan wie de profeet dit gezicht belast was bekend te maken, opnieuw willen inscherpen hun gruwelijke zonden, vanwege welke Hij de vorige tempel, stad en land verlaten had, opdat zij door ware bekering en geloof mochten zoeken gemeenschap te hebben met dit nieuwe onverdiende genadewerk, dat God door de Messias zou aanstellen, en dat door dit gezicht was afgebeeld. Numeri 16:3: En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze gehele vergadering, zij allen, zijn heilig, en YHWH is in het midden van hen; waarom dan verheft u u over de gemeente van YHWH? 1 Koningen 19:4: Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Ezechiël 45:9: Zo zegt de Heer YHWH: Het is te veel voor u, u vorsten van Israël! doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heer YHWH.
[^ezechiel-44-7-12]: Kanttekening 12: 12 vreemden hebt ingebracht: Hebreeuws, kinderen of zonen van de vreemden of uitlandsen (בְּנֵֽי); dat is die geen Israëlieten, noch Gods bondgenoten, noch leden van zijn volk waren; zie 2 Sam. 22:45, met de aantekening. Zo vers 9, of, die niet van het priesterlijk geslacht waren, gelijk Lev. 22:10 \[zie de aantekening daar\] en daarenboven goddeloos, gelijk volgt. 2 Samuël 22:45: Vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. Ezechiël 44:9: Zo zegt de Heer YHWH: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enige vreemde, die in het midden van de kinderen van Israël is. Leviticus 22:10: Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.
[^ezechiel-44-7-13]: Kanttekening 13: 13 onbesnedenen van vlees: Dit nemen enige als twee soorten van onduchtige bedienaars van het heiligdom, zijnde sommigen Israëlieten, maar goddeloos, anderen uitlanders en geen Israëlieten, geheel vreemd van God en zijn volk. Anderen verstaan hier zodanigen, die noch van binnen enige godzaligheid hadden, noch van buiten enige schijn daarvan, zijnde goddeloos van hart en wandel; zie Deut. 10:16; Jer. 4:4, en Jer. 9:25, 9:26, met de aantekening. Deuteronomium 10:16: Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Jeremia 4:4: Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. Jeremia 9:25: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben; Jeremia 9:26: Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het gehele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart.
[^ezechiel-44-7-14]: Kanttekening 14: Door hunne onwaardigheid, afgoderijen, bijgelovigheden en menselijke inzettingen; vergelijk 2 Kon. 23:5; 2 Kron. 34:5, en boven Ez. 43:7, 43:8, met de aantekening. 2 Koningen 23:5: Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, samen met, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al de legermacht van de hemel rookten. 2 Kronieken 34:5: En de beenderen van de priesters verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten; Ezechiël 43:8: Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.
[^ezechiel-44-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, voedsel. Versta, het geofferde; zie Lev. 3:11, en Lev. 21:8; Num. 28:2; Mal. 1:12. Leviticus 3:11: En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Leviticus 21:8: Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben YHWH, die u heilige! Numeri 28:2: Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn voedsel voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult u waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd. Maleachi 1:12: Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van YHWH is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk.
[^ezechiel-44-7-16]: Kanttekening 16: 16 het vette en het bloed: Vergel. onder vers 15 en Lev. 3:16, 3:17; maar dit hadden zij geofferd door onwettelijke en goddeloze priesters. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH; Leviticus 3:16: En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer, tot een liefelijken reuk; alle vet zal van YHWH zijn. Leviticus 3:17: Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten.
[^ezechiel-44-7-17]: Kanttekening 17: 17 zij Mijn verbond verbraken: De vreemde priesters, doende tegen al mijne ordinantiën, en zo het verbond van het priesterdom inbrekende en vernietigende.
[^ezechiel-44-7-18]: Kanttekening 18: 18 uw gruwelen: Boven de andere gruwelen die u zelf bedreeft; anders: om, ter oorzaak van, vermits, enz.
[^ezechiel-44-8-19]: Kanttekening 19: Vergelijk boven Ez. 40:45, met de aantekening. Ezechiël 40:45: En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen.
[^ezechiel-44-8-20]: Kanttekening 20: 20 heilige dingen: Hebreeuws, mijner heiligheden.
[^ezechiel-44-8-21]: Kanttekening 21: Die gijzelf daartoe gekozen hebt, buiten en tegen mijn last.
[^ezechiel-44-9-22]: Kanttekening 22: 22 Zo zegt de Heer YHWH: Hier volgen nu de wetten van reformatie in de kerkelijke diensten, aanwijzende wie daartoe onduchtig of duchtig zijn; vergelijk de apostolische bevelen, in het bijzonder in de brieven aan Timotheüs en Titus; idem Openb. 2, Openb. 3, enz.
[^ezechiel-44-9-23]: Kanttekening 23: 23 Geen vreemde: Hebreeuws, alle kind, of zoon eens vreemden zal niet, enz.; dat is, geen van hen; geen die onduchtig is in geloof of leer en leven.
[^ezechiel-44-10-24]: Kanttekening 24: Of, ja ook, zelfs, enz.
[^ezechiel-44-10-25]: Kanttekening 25: Hierdoor verstaan sommigen de priesters uit de Levieten, zijnde van Ithamar en Abjathar afkomstig, uit vers 13, en de tegenstelling van vers 15, en boven Ez. 40:46, en Ez. 43:19; zie 1 Kon. 2:27. Dit is ene afbeelding van de tucht, die in Gods kerk moet geoefend worden over al zulke bedienaars van Gods huis, die van de ware godsdienst en religie afwijkende, voor God en zijn kerk ontrouw zijn geworden, wanneer zij zich daarvan komen te bekeren; vergelijk 2 Kon. 23:9, met de aantekening daar. Ezechiël 44:13: En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer YHWH; Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 43:19: En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heer YHWH), om Mij te dienen, geven een var, een jong rund, ten zondoffer. 1 Koningen 2:27: Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij priester van YHWH niet was, om te vervullen het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had. 2 Koningen 23:9: Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van YHWH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers.
[^ezechiel-44-10-26]: Kanttekening 26: 26 drekgoden achterna: Zie Lev. 26:30. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
[^ezechiel-44-10-27]: Kanttekening 27: 27 ongerechtigheid dragen: Dat is, straf van hun ongerechtigheid; zie Lev. 5:1. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.
[^ezechiel-44-11-28]: Kanttekening 28: 28 bedienaars zijn: Van slechtere en mindere diensten dan zij tevoren bedienden, \[dat is, zij zullen gedegradeerd worden;\] 1 Kron. 23:28, 23:29; idem Num. 3:7, 3:8, en onder vers 14. 1 Kronieken 23:28: Omdat hun standplaats was aan de hand van de zonen van Aäron in de dienst van het huis van YHWH, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis van God; 1 Kronieken 23:29: Te weten tot het brood van de toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting; Numeri 3:7: En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen; Numeri 3:8: En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de wacht van de kinderen van Israël waarnemen, om de dienst van het tabernakel te bedienen. Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.
[^ezechiel-44-12-29]: Kanttekening 29: Het volk.
[^ezechiel-44-12-30]: Kanttekening 30: 30 hand tegen hen opgeheven: Dit is, Ik heb gezworen; zie Gen. 14:22. Genesis 14:22: Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^ezechiel-44-13-31]: Kanttekening 31: 31 heilige dingen: Hebreeuws, heiligheden.
[^ezechiel-44-13-32]: Kanttekening 32: 32 allerheiligste dingen: Of, in de allerheiligste plaatsen. Hebreeuws, heiligheden van de heiligheden.
[^ezechiel-44-13-33]: Kanttekening 33: Dat is, de straf van die, gelijk boven vers 10. Ezechiël 44:10: Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;
[^ezechiel-44-14-34]: Kanttekening 34: 34 wacht van het huis: Vergelijk boven Ez. 40:45, met de aantekening, en hier boven vers 11. Ezechiël 40:45: En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen. Ezechiël 44:11: Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen;
[^ezechiel-44-15-35]: Kanttekening 35: 35 Levietische priesters: Anders, de priesters en de Levieten. Vergelijk boven Ez. 40:45, 40:46, met de aantekening. Ezechiël 40:45: En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de wacht van het huis waarnemen. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot YHWH naderen, om Hem te dienen.
[^ezechiel-44-15-36]: Kanttekening 36: 36 kinderen van Zadok: Dat is, nakomelingen van Zadok, die afkomstig was van Aäron door Eleazar en Pinehas, \[aan wie een eeuwig priesterdom was toegezegd, Num. 25:13\] en die in Abjathars plaats hogepriester werd. Zie 1 Kon. 2:27, 2:35, met de aantekening. Zadok heet zoveel als rechtvaardig zijn, of een gerechtvaardigde. Deze kinderen van Zadok worden hier gesteld als een voorbeeld van alle wettelijke, waardige en bekwame dienaren van de kerk van Christus \[van de Koning van de gerechtigheid en Hogepriester naar de ordening of wijze van Melchizedek\] die hier van God in hun dienst vastgesteld, vereerd en gezegend worden. Numeri 25:13: En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond van het eeuwige priesterdom, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen van Israël. 1 Koningen 2:27: Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij priester van YHWH niet was, om te vervullen het woord van YHWH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had. 1 Koningen 2:35: En de koning zette Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over de legermacht; en Zadok, de priester, zette de koning in de plaats van Abjathar.
[^ezechiel-44-15-37]: Kanttekening 37: 37 wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen: Hun bevolen dienst getrouwelijk en bestendiglijk hebben verricht, of rein en zuiver zijn gebleven in het geloof en de ware godsdienst.
[^ezechiel-44-16-38]: Kanttekening 38: Zie boven Ez. 41:22. Ezechiël 41:22: De hoogte van het houten altaar was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor het aangezicht van YHWH zal zijn.
[^ezechiel-44-16-39]: Kanttekening 39: 39 Mijn wacht waarnemen: Zie Lev. 8:35; Num. 3:7. Leviticus 8:35: U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van YHWH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. Numeri 3:7: En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van het tabernakel te bedienen;
[^ezechiel-44-17-40]: Kanttekening 40: 40 linnen kleren zullen aantrekken: Dat rein, luchtig, blank, lieflijk en niet moeilijk, lastig of hinderlijk is en in de dienst, als wel in een wollen kleed. Zie van de priesterlijke kleren boven Ez. 42:14, en vergelijk Matt. 17:2, en Matt. 28:3; Openb. 4:4, en Openb. 7:13. Ezechiël 42:14: Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in die zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is. Mattheüs 17:2: En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht. Mattheüs 28:3: En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. Openbaring 4:4: En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleren, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. Openbaring 7:13: En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleren, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?
[^ezechiel-44-18-41]: Kanttekening 41: Het Hebreeuwse woord heeft de naam van versieren; en het dekken van het hoofd wordt genomen voor een teken van onderwerping en onderdanigheid, 1 Kor. 11:10. Zo is het sieraad van de leraren, hun Hoofd Christus onderdanig en onderworpen te zijn; vergelijk Ex. 28:40, en Ex. 39:28. 1 Korinthiërs 11:10: Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen. Exodus 28:40: Voor de zonen van Aäron zult u ook rokken maken, en u zult voor hen gordels maken; ook zult u voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad. Exodus 39:28: En de hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;
[^ezechiel-44-18-42]: Kanttekening 42: Of, met zweet; dat is, zo, of met zulke begording of kleding, dat zij daarvan zouden zweten, of, \[gelijk sommigen\] aan zweterige plaatsen van het lichaam, waar de mens gemeenlijk het meest zweet. Anders: naar het zweet, dit houden sommigen als ene afbeelding van de wakkerheid en kuisheid van het hart, die bij de bedienaars van Gods kerk in het verrichten van de dienst moet zijn.
[^ezechiel-44-19-43]: Kanttekening 43: 43 heilige kamers: Hebreeuws, kamers van de heiligheid. Zie boven Ez. 42:14. Ezechiël 42:14: Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, in die zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is.
[^ezechiel-44-19-44]: Kanttekening 44: 44 heiligen met hun kleren: Door het aanroeren van de heilige kleren, die met de heilige olie gezalfd en alleen voor de priesters waren, geheiligd tot de godsdienst, welke heiliging met de andere niet mocht gemeen gemaakt worden; zie Ex. 29:37, en Ex. 30:29; idem onder Ez. 46:20. Sommigen nemen het alsof God zijne dienaren daarmede wil verbieden een huichelachtigen schijn van heiligheid voor de gemeente te voeren, en integendeel bevelen gemeenzaamheid met de broers; vergelijk Matt. 6:5, 6:6, 6:16, 6:17, 6:18. Exodus 29:37: Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn. Exodus 30:29: U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn. Ezechiël 46:20: En hij zei tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het spijsoffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen. Mattheüs 6:5: En wanneer u bidt, zo zult u niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen graag, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Mattheüs 6:6: Maar u, wanneer u bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. Mattheüs 6:16: En wanneer u vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de huichelaars; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Mattheüs 6:17: Maar u, als u vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; Mattheüs 6:18: Opdat het van de mensen niet gezien worde, als u vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
[^ezechiel-44-20-45]: Kanttekening 45: 45 hoofd niet glad: Niet geheel kaal scheren noch het haar lang laten groeien, maar matiglijk korten, afsnijden of scheren, vergelijk Lev. 21:5; betekenende eerbaarheid, zedigheid en matigheid in de uiterlijke wandel. Leviticus 21:5: Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.
[^ezechiel-44-20-46]: Kanttekening 46: Te weten met een scheermes, gelijk enige dit nemen.
[^ezechiel-44-20-47]: Kanttekening 47: 47 lang laten groeien: Hebreeuws, laten uitschieten, uitslaan, voortschieten; dat is, lang laten groeien.
[^ezechiel-44-20-48]: Kanttekening 48: 48 behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren: Hebreeuws, bescherende zullen zij bescheren. Anders: ganselijk, of in alle manieren afsnijden, en dan in het voorgaande, bescheren. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier gevonden.
[^ezechiel-44-21-49]: Kanttekening 49: 49 zal geen priester: Hebreeuws, alle priesters zullen niet, enz.; dat is, geen van hen zal, enz.
[^ezechiel-44-21-50]: Kanttekening 50: 50 wijn drinken: Dat is, hij zal zijn dienst met een nuchter, aandachtig, opmerkend en heilig gemoed verrichten, en alles vermijden wat hem daarin zou mogen hinderen. Vergelijk Lev. 10:9; 1 Tim. 3:3; Tit. 1:7; idem Matt. 24:48, 24:49, enz. Leviticus 10:9: Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten; 1 Timotheüs 3:3: Niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; Mattheüs 24:48: Maar zo die kwade dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; Mattheüs 24:49: En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
[^ezechiel-44-22-51]: Kanttekening 51: 51 geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen: nemen; Vergelijk Lev. 21:13, enz. Deze ordinantie wil zeggen dat Gods dienaren stichtelijk en de Heer zullen huwelijken, vermijdende wat de eer en waardigheid van hun dienst zou mogen verduisteren, of een onstichtelijke huishouding veroorzaken; vergelijk 1 Tim. 3:2, 3:4; idem 1 Kor. 7:39, en 1 Kor. 9:5. Leviticus 21:13: Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren; 1 Timotheüs 3:4: Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer. 1 Korinthiërs 9:5: Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zus zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broers van de Heer, en Cefas?
[^ezechiel-44-22-a]: Verwijzing a: Lev. 21:13; idem v. 14. Leviticus 21:13: Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen. Leviticus 21:14: Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.
[^ezechiel-44-23-52]: Kanttekening 52: 52 onderscheid leren: Vergelijk Lev. 10:10, en boven Ez. 22:26; Mal. 2:7; 1 Tim. 6:20; 2 Tim. 1:13, en 2 Tim. 2:15, 2:16; Tit. 1:9; Openb. 2:2, 2:14, 2:15, 2:16, 2:20, enz. Leviticus 10:10: En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine; Ezechiël 22:26: Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap; 2 Timotheüs 1:13: Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. 2 Timotheüs 2:15: Benaarstig u, om uzelven voor God beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord van de waarheid recht snijdt. 2 Timotheüs 2:16: Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. Titus 1:9: Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, zowel om te vermanen door de gezonde leer, als om de tegensprekers te weerleggen. Openbaring 2:2: Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw volharding, en dat u de kwaden niet kunt dragen; en dat u beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; Openbaring 2:14: Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. Openbaring 2:15: Zo hebt ook u, die de lering van de Nikolaïeten houden; dat Ik haat. Openbaring 2:16: Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Openbaring 2:20: Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u de vrouw Jezabel, die zich zelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienaren verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.
[^ezechiel-44-24-53]: Kanttekening 53: Vergelijk Deut. 17:8, 17:9, enz.; 2 Kron. 19:10, 19:11. Dit ziet op de kerkelijke rechtspraak, of de oordelen, die in Gods huis bij kerkelijke vergaderingen naar Gods Woord moeten gehouden worden, tot onderrichting van de conscientiën in zaken van geloof en leven, wegneming en voorkoming van ergernissen en behoudenis van vrede en enigheid onder broers. Deuteronomium 17:8: Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u u opmaken en opgaan naar de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; Deuteronomium 17:9: En u zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen. 2 Kronieken 19:10: En in alle geschil, dat van uw broers, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan YHWH, en een grote toornigheid over u en over uw broers zij; doet zo, en u zult niet schuldig worden. 2 Kronieken 19:11: En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak van YHWH; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak van de koning; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en YHWH zal met de goede zijn.
[^ezechiel-44-24-54]: Kanttekening 54: 54 staan om te richten: Of, bij recht blijven staan; dat is, bestendiglijk volharden in wat recht en mijnen woorde overeenkomstig is. Vergelijk 2 Kon. 23:3, en de manier van spreken gebruikt, Deut. 25:8. 2 Koningen 23:3: De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van YHWH, om YHWH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser hart en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het gehele volk stond in dit verbond. Deuteronomium 25:8: Dan zullen hem de oudsten van zijn stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen;
[^ezechiel-44-24-55]: Kanttekening 55: 55 zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen: Vergelijk 1 Tim. 6:13, 6:14, enz. 1 Timotheüs 6:13: Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 1 Timotheüs 6:14: Dat u dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus;
[^ezechiel-44-24-56]: Kanttekening 56: 56 Mijn vastgestelde hoogtijden houden: Anders: in, of met al mijne bijeenkomsten; dat is, zowel het een als het ander, wat van mij is ingesteld, dat zullen zij onderhouden, bijzonder wat betreft de vergaderingen van de gelovigen de openbaren godsdienst in dezelfde.
[^ezechiel-44-24-57]: Kanttekening 57: 57 sabbatten heiligen: Zie Ex. 20:8; idem Hebr. 4:9, 4:10, 4:11. Exodus 20:8: Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Hebreeën 4:9: Er blijft dan een rust over voor het volk van God. Hebreeën 4:10: Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne. Hebreeën 4:11: Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld van de ongelovigheid valle.
[^ezechiel-44-25-58]: Kanttekening 58: 58 zal geen van hen: Hebreeuws, hij zal niet, enz. dat is, geen van de priesters. Vergelijk Lev. 21:1, 21:2, 21:3, 21:4, enz. Deze ordinantie beveelt al zulke matigheid in rouw, dat de godsdienst geëerbiedigd en de band van de natuur en van de geest onder de Christenen niet veracht, en ook de hoop van het eeuwige leven niet verduisterd worden; met bekentenis van onze zwakheid en gebrekkelijkheid in deze, waarvan wij vergeving door Christus moeten verzoeken. Vergelijk 1 Thess. 4:13, enz., Joh. 11:33, 11:35; Hand. 9:39. Leviticus 21:1: Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Leviticus 21:2: Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broer. Leviticus 21:3: En over zijn zus, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen. Leviticus 21:4: Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen. 1 Thessalonicensen 4:13: Maar, broers, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Johannes 11:33: Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in de geest, en ontroerde Zichzelven; Johannes 11:35: Jezus weende. Handelingen 9:39: En Petrus stond op, en ging met hen; welke zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en kleren, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.
[^ezechiel-44-26-59]: Kanttekening 59: 59 zijn reiniging: Van de priester, die verontreinigd was over een dode, vergelijk Num. 6:9, enz., en Num. 19:11, 19:12, enz. Numeri 6:9: En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastig gestorven was, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd bescheren; op de zevende dag zal hij het bescheren. Numeri 19:11: Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. Numeri 19:12: Op de derde dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar als hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn.
[^ezechiel-44-28-60]: Kanttekening 60: 60 Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Vergelijk deze wetten met Num. 18:8, 18:20, 18:24; Deut. 10:9, en Deut. 12:12, en Deut. 14:27, en Deut. 18:1, 18:2, en Deut. 26:12; onder dezelfde wordt de kerkendienaren van God verordineerd hun behoorlijk onderhoud. Zie Matt. 10:10; Luk. 10:7; 1 Kor. 9:4, 9:6, 9:7, enz., en zeer duidelijk vers 13, 44:14, daar. Numeri 18:8: Verder sprak YHWH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen van Israël heb Ik ze u gegeven, vanwege de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting. Numeri 18:20: Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Numeri 18:24: Want de tiende van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven. Deuteronomium 10:9: Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als YHWH, uw God, tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 12:12: En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met u. Deuteronomium 14:27: Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult u niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u. Deuteronomium 18:1: De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten. Deuteronomium 18:2: Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broers; YHWH is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft. Deuteronomium 26:12: Wanneer u zult geëindigd hebben alle tiende van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tiende; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. Lukas 10:7: En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis. 1 Korinthiërs 9:4: Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken? 1 Korinthiërs 9:6: Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken? 1 Korinthiërs 9:7: Wie dient ooit in de krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk van de kudde? Ezechiël 44:13: En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben. Ezechiël 44:14: Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.
[^ezechiel-44-28-b]: Verwijzing b: Num. 18:20; Deut. 18:1. Numeri 18:20: Ook zei YHWH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen van Israël. Deuteronomium 18:1: De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten.
[^ezechiel-44-29-61]: Kanttekening 61: Hebr. ban; zie Lev. 27:21. Leviticus 27:21: Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal YHWH heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal van de priester zijn.
[^ezechiel-44-30-c]: Verwijzing c: Ex. 13:2; Ex. 22:29; idem 22:30; Num. 18:11. Exodus 13:2: Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29: Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene uw zonen zult u Mij geven. Exodus 22:30: Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult u ze Mij geven. Numeri 18:11: Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hun gave, met alle beweegofferen van de kinderen van Israël; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.
[^ezechiel-44-30-62]: Kanttekening 62: 62 eerstelingen van alle eerste: Hebreeuws, het eerste, het voornaamste van alle eerstelingen van alles. Zie Ex. 13:2, en Ex. 22:29, 22:30; Num. 18:11. Exodus 13:2: Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 22:29: Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven. Exodus 22:30: Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult u ze Mij geven. Numeri 18:11: Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegofferen van de kinderen van Israël; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.
[^ezechiel-44-30-63]: Kanttekening 63: Of, van wat eerst voortkomt.
[^ezechiel-44-30-64]: Kanttekening 64: Dat is, allerlei, en zo in het volgende.
[^ezechiel-44-30-65]: Kanttekening 65: Of, alle offerande, enz.
[^ezechiel-44-30-66]: Kanttekening 66: 66 eerstelingen van uw deeg: Vergel. Num. 15:20, Neh. 10:37, enz. Numeri 15:20: De eerstelingen uws deegs, een koek zult u tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer van de dorsvloers zult u dat offeren. Nehemia 10:37: En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tiende onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tiende zouden hebben in alle steden van onze landbouwerij;
[^ezechiel-44-30-67]: Kanttekening 67: 67 zegen op uw huis te doen rusten: Vergelijk Deut. 14:29, en zie het tegendeel boven Ez. 5:13. Deuteronomium 14:29: Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u YHWH, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat u doen zult. Ezechiël 5:13: Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, YHWH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.
[^ezechiel-44-31-68]: Kanttekening 68: 68 Geen aas: Hebreeuws, allen aas, enz. zullen zij de priesters niet, enz. dat is, geen aas, niets verscheurds; vergelijk Ex. 22:31; Lev. 22:4, 22:8; boven Ez. 4:14, betekenende dat de kerkedienaars onstraffelijk en heilig moeten zijn, niet genegen tot de verdervende toorn, roverij, onrechtvaardige winst, enz. vergelijk Matt. 23:25; 1 Tim. 3:3; dat ook allen gelovigen \[als geestelijke priesters\] bevolen moet zijn, gelijk deze wet ook geheel Israël gegeven is; Ex. 22:31. Exodus 22:31: U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen. Leviticus 22:4: Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; samen met die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat. Leviticus 22:8: Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden; Ik ben YHWH! Ezechiël 4:14: Toen zei ik: Ach, Heer, YHWH, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeilijk vlees is in mijn mond gekomen. Mattheüs 23:25: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbeker, en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. 1 Timotheüs 3:3: Niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Exodus 22:31: U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen.
[^ezechiel-44-31-d]: Verwijzing d: Lev. 22:8. Leviticus 22:8: Het dode aas, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden; Ik ben YHWH!

### Ezechiël 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/45.json)

*Afzondering van een bepaald gedeelte van het nieuwe erfland, voor het heiligdom, de priesters, Levieten, de stad en de vorst, vers 1, enz. Belofte en vermaning voor de vorsten van Israël, over recht en gerechtigheid, 8, 9, enz. Verordeningen van velerlei offers, voor het volk en de vorst, zowel gewone als op feesten, 15.*

**1** [^ezechiel-45-1-1] Als u nu het land[^ezechiel-45-1-2] zult doen vallen in erfenis, zo zult u een[^ezechiel-45-1-3] hefoffer voor YHWH offeren, tot[^ezechiel-45-1-4] een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend[^ezechiel-45-1-5] meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal[^ezechiel-45-1-6] in zijn[^ezechiel-45-1-7] hele grenzen rondom heilig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v1)

**2** [^ezechiel-45-2-8] Hiervan[^ezechiel-45-2-9] zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd[^ezechiel-45-2-10] met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een[^ezechiel-45-2-11] buitenruim rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v2)

**3** Zo zult u meten[^ezechiel-45-3-12] van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend en daarin zal het heiligdom zijn met het[^ezechiel-45-3-13] heilige van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v3)

**4** Dat zal een[^ezechiel-45-4-14] heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesters, die het heiligdom bedienen, die naderen om YHWH te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v4)

**5** Verder zullen de Levieten, die dienaren van het huis,[^ezechiel-45-5-15] ook de lengte hebben van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend, hun tot een bezitting, voor twintig kamers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v5)

**6** En tot bezitting[^ezechiel-45-6-16] van de stad zult u geven de breedte van vijf duizend en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het[^ezechiel-45-6-17] heilig hefoffer; voor het hele huis van Israël zal het zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v6)

**7** De[^ezechiel-45-7-18] vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van de andere zijde van het heilige hefoffer en van de bezitting van de stad[^ezechiel-45-7-19][^ezechiel-45-7-20], voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting van de stad; van de westzijde naar het westen, en van de oostzijde naar het oosten; en de lengte zal zijn tegenover een van de delen, van de westergrens tot de oostergrens toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v7)

**8** [^ezechiel-45-8-21] Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer[^ezechiel-45-8-22] verdrukken, maar aan het huis van Israël het land laten[^ezechiel-45-8-23], naar hun stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v8)

**9** Zo zegt Adonai YHWH: Het is te veel voor u, u vorsten van Israël! doe geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neem uw[^ezechiel-45-9-25] uitstotingen op van Mijn volk, spreekt Adonai YHWH.[^ezechiel-45-9-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v9)

**10** Een[^ezechiel-45-10-26] rechte[^ezechiel-45-10-a] waag, en een rechte[^ezechiel-45-10-27] efa, en een rechte[^ezechiel-45-10-28] bath zult u hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v10)

**11** Een efa en een bath[^ezechiel-45-11-29] zullen van[^ezechiel-45-11-30] dezelfde mate zijn, dat een bath het tiende deel van een[^ezechiel-45-11-31] homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de[^ezechiel-45-11-32] homer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v11)

**12** En de[^ezechiel-45-12-33][^ezechiel-45-12-b] sikkel zal zijn van twintig[^ezechiel-45-12-34] gera; twintig sikkels, vijf en twintig sikkels en vijftien sikkels, zal u een[^ezechiel-45-12-35] pond zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v12)

**13** Dit is het[^ezechiel-45-13-36] hefoffer, dat u offeren zult: het[^ezechiel-45-13-37] zesde deel van een efa van een homer tarwe; ook zult u het zesde deel van een efa geven van een homer gerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v13)

**14** Voor wat betreft de inzetting van olie, van een bath olie; u zult offeren het tiende deel van een bath uit een[^ezechiel-45-14-38] kor, dat is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v14)

**15** Verder een lam uit de kudde, uit de tweehonderd, uit het[^ezechiel-45-15-39] waterrijke land van Israël, tot voedseloffer, en tot brandoffer, en tot dankoffers om verzoening over hen te doen, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v15)

**16** Al het volk van het land[^ezechiel-45-16-40] zal in dit hefoffer zijn,[^ezechiel-45-16-41] voor de vorst in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v16)

**17** En het zal de vorst[^ezechiel-45-17-42] opleggen te offeren de brandoffers, en het voedseloffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten,[^ezechiel-45-17-43] op alle vastgestelde hoogtijden van het huis van Israël; hij zal het zondoffer, en het voedseloffer, en het brandoffer, en de dankoffers[^ezechiel-45-17-44] doen, om verzoening te doen voor het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v17)

**18** [^ezechiel-45-18-45] Zo zegt Adonai YHWH: In de eerste maand, op de eerste van de maand, zult u een volkomen stier, een[^ezechiel-45-18-46] jong rund, nemen; en u zult het heiligdom ontzondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v18)

**19** En de priester zal van het bloed van het zondoffer nemen, en doen het aan[^ezechiel-45-19-47] de posten van het huis, en aan de vier hoeken van het afzetsel van het altaar, en aan de posten van de poorten van het binnenste voorhof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v19)

**20** Zo zult u ook doen op de zevende in die maand;[^ezechiel-45-20-48] vanwege de afdwalende, en vanwege de slechte; zo zult u het huis verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v20)

**21** [^ezechiel-45-21-c] In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, zal u het pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde broden[^ezechiel-45-21-49] zal men eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v21)

**22** En de vorst zal op dezelfde dag voor zichzelf, en voor al het volk van het land, bereiden een stier[^ezechiel-45-22-50] van het zondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v22)

**23** En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer voor YHWH bereiden, van zeven stieren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v23)

**24** Ook zal hij een voedseloffer bereiden, een efa tot een stier, en een efa tot een ram; en een[^ezechiel-45-24-51] hin olie tot een efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v24)

**25** [^ezechiel-45-25-d] In de zevende maand, op de vijftiende dag van de maand zal hij op het[^ezechiel-45-25-52] feest[^ezechiel-45-25-53] evenzo doen, zeven dagen lang; zoals het zondoffer, zoals het brandoffer, en zoals het voedseloffer, en zoals de olie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/45.html#v25)

[^ezechiel-45-1-1]: Kanttekening 1: 1 u nu het land: Omdat niet alleen de vorige tempel verbrand, maar ook de stad en het gehele land verwoest en het volk van God weggevoerd was, en in het voorgaande van de nieuwe tempel gehandeld is, zo wordt nu in het volgende gesproken van het land en volk, met hun vorst; afbeeldende een gehele en volkomen herstelling van deze geestelijke republiek onder de Messias.
[^ezechiel-45-1-2]: Kanttekening 2: 2 zult doen vallen in erfenis: Dat is, door het vallen of werpen van het lot zult delen onder u; zie Ps. 16:5, 16:6, met de aantekening, zo onder Ez. 46:14, 46:22, en Ez. 48:29; in allen gevallen zie de manier van spreken op de loting, hoewel het lot noch hier noch in het volgende uitdrukkelijk vermeld wordt. Het is aanmerkelijk dat de stammen hun gebied niet bij loting, gelijk in het boek Jozua, maar door Gods bijzondere ordinantie in Ez. 48 worden toegelegd; vergelijk Matt. 25:34. Psalmen 16:5: YHWH is het deel mijner erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6: De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. Ezechiël 46:14: En u zult ten spijsoffer daarop doen, elke morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer YHWH, tot eeuwige inzettingen, geduriglijk. Ezechiël 46:22: In de vier hoeken van het voorhof waren voorhofjes met schoorstenen, van veertig ellen de lengte, en dertig de breedte; dezelfde vier hoekhofjes hadden enerlei maat. Ezechiël 48:29: Dit is het land, dat u zult doen vallen in erfenis, voor de stammen van Israël, en dit zullen hun delen zijn, spreekt de Heer YHWH. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^ezechiel-45-1-3]: Kanttekening 3: 3 hefoffer YHWH offeren: Of gave. Hebreeuws, ene heffing heffen, waarmee gezien wordt op de hefoffers van de wet, die van de rest als opgeheven of opgenomen en de Heer opgedragen en geheiligd werden.
[^ezechiel-45-1-4]: Kanttekening 4: 4 heilige plaats: Te weten, afzonderende dezelfde van de rest van het land tot een heilig gebruik; of, men kan \[met sommigen\] deze woorden voegen bij het woord offeren aldus: U zult de Heer offeren van het land een heilig deel, zo vers 4. Hebreeuws, ene heiligheid. Ezechiël 45:4: Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesters, die het heiligdom bedienen, die naderen om YHWH te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom.
[^ezechiel-45-1-5]: Kanttekening 5: Dit ingevoegde woord genomen uit boven Ez. 42:15, 42:16, 42:17, 42:18, 42:19, 42:20, en hier vers 2, waar naar de eerste maat van de rieten, de ellen in het bijzonder gespecificeerd worden, voor het leeg, of de vrije buitenruimte. Ezechiël 42:15: Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zo bracht hij mij uit, de weg naar de poort, die de weg naar het oosten zag, en hij mat ze rondom heen. Ezechiël 42:16: Hij mat de oostzijde met het meetriet; vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. Ezechiël 42:17: Hij mat de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. Ezechiël 42:18: De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet. Ezechiël 42:19: Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijfhonderd rieten, met het meetriet. Ezechiël 42:20: Hij mat het aan de vier zijden; het had een muur rondom heen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige. Ezechiël 45:2: Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom.
[^ezechiel-45-1-6]: Kanttekening 6: 6 in zijn gehele grenzen rondom: Dat is, zo wijd en ver als het reikt.
[^ezechiel-45-1-7]: Kanttekening 7: 7 heilig zijn: Hebreeuws, ene heiligheid. Zie boven Ez. 43:12. Ezechiël 43:12: Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn gehele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.
[^ezechiel-45-2-8]: Kanttekening 8: Deze stof, die hier begonnen en vers 9 afgebroken is, wordt in Ez. 48:8, enz. vervolgd. Men kan het in het geheel bekwamelijk aldus met sommigen verstaan dat dit afgezonderd gedeelte van het land, van vijf en twintig duizend in lengte en breedte, en zo verder, aan zijne vier hoeken, verder is afgedeeld in drie delen; de eerste tien duizend in breedte, voor het heiligdom met zijn buitenruimte en de woningen van de priesters; de tweede tien duizend voor de Levieten; de overschietende vijf duizend voor de stad; en wat er verder oostwaarts en westwaarts, tussen de zuidelijke grenzen van Juda en de noordelijke grenzen van Benjamin overschoot, voor de dienaren van de stad \[onder Ez. 48:18, 48:19\], en verder voornamelijk voor de vorst; waarop in het volgende dient gelet. Ezechiël 45:9: Zo zegt de Heer YHWH: Het is te veel voor u, u vorsten van Israël! doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 48:8: Aan de landpale nu van Juda, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, zal het hefoffer zijn, dat u zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van één van de andere delen, van de oosterhoek tot de westerhoek toe; en het heiligdom zal in het midden daarvan zijn. Ezechiël 48:18: En het overgelatene in de lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tien duizend oostwaarts, en tien duizend westwaarts; en het zal tegenover het heilig hefoffer zijn; en de inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen, die de stad dienen. Ezechiël 48:19: En die de stad dienen, zullen haar dienen uit alle stammen van Israël.
[^ezechiel-45-2-9]: Kanttekening 9: 9 zullen tot het heiligdom zijn: Hebreeuws, zal.
[^ezechiel-45-2-10]: Kanttekening 10: 10 met vijfhonderd: Of, door, bij; dat is, \[naar sommiger gevoelen\] vijfhonderd rieten in lengte, met gelijke vijfhonderd in breedte; of vijfhonderd overeenkomende met andere vijfhonderd in het vierkant rondom gemeten; vergelijk onder Ez. 48:20. Ezechiël 48:20: Het gehele hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend meetrieten, met vijf en twintig duizend; vierkant zult u het heilig hefoffer offeren, met de bezitting van de stad.
[^ezechiel-45-2-11]: Kanttekening 11: 11 buitenruim rondom: Zie van het Hebreeuwse woord \[dat anders voorstad wordt overgezet, als er van steden gesproken wordt\] boven Ez. 36:5. Ezechiël 36:5: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het gehele Edom; die Mijn land zichzelf ten erve gegeven hebben met blijdschap van het gehele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!
[^ezechiel-45-3-12]: Kanttekening 12: 12 van deze maat: Dat is, met of naar deze maat.
[^ezechiel-45-3-13]: Kanttekening 13: 13 heilige van de heiligen: Hebreeuws, heiligheid van de heiligheden; zie Ex. 26:33, 26:34; Lev. 4:6, met de aantekening. Exodus 26:33: En u zult de voorhang onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. Exodus 26:34: En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen. Leviticus 4:6: En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht van YHWH, voor de voorhang van het heilige.
[^ezechiel-45-4-14]: Kanttekening 14: 14 heilige plaats zijn van het land: Gelijk vers 1. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.
[^ezechiel-45-5-15]: Kanttekening 15: 15 de lengte hebben: Zie onder Ez. 48:13. Ezechiël 48:13: Verder zullen de Levieten tegenover de landpale van de priesters hebben de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; de gehele lengte zal zijn vijf en twintig duizend, en de breedte tien duizend.
[^ezechiel-45-6-16]: Kanttekening 16: 16 stad zult u geven: Die niet genoemd wordt. Zie boven Ez. 40:2. Ezechiël 40:2: In de gezichten van God bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en aan dezelfde was als een gebouw van een stad tegen het zuiden.
[^ezechiel-45-6-17]: Kanttekening 17: 17 heilig hefoffer: Hebreeuws, hefoffer van de heiligheid; waarvan boven vers 1, zo in het volgende. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.
[^ezechiel-45-7-18]: Kanttekening 18: 18 vorst nu zal zijn deel hebben: Door deze vorst, van wie in dit hoofdstuk en Ez. 46 veel wordt gesproken, verstaan sommigen \[gelijk boven Ez. 44:3\], de hogepriester, of onze Heer Christus de Messias zelf, die niet alleen in zijn huis woont en dat met zijne heerlijkheid vervult, maar ook rondom hetzelfde zich \[om zo te spreken\] legert, om dat als koning te beschermen, en die als onze hogepriester en borg al onze schuld op zich genomen hebbende, voor dezelfde \[alsof het zijn eigen ware\] betaald, en zichzelf voor ons \[alsof het was voor zichzelf, omdat Hij in onze plaats stond\] vrijwillig opgeofferd heeft; idem die niet alleen een koning of vorst is, maar ook een broer en medegenoot van de gelovigen, die Hij zijne medeërfgenamen maakt, zijnde steeds in het midden van hen en met hen, tot aan de voleinding van de wereld, biddende voor hen als hun Middelaar, hebbende alleen de macht en het recht zijns weegs in en uit te gaan, zijn leven te laten en weer te nemen, de poort van het heiligdom te openen en te sluiten, enz. Anderen verstaan hier een aardsen Christelijken vorst of regent, en daardoor verder alle Christelijke regenten en overheden, die God zijne kerk in het Nieuwe Testament, naar verscheidene profetieën van het Oude Testament, zou verlenen, van wie de eerste en voornaamste zorg moet wezen voor de welstand van Gods kerk, die zij met hunne beschutting als omringen moeten, in de oefening van de ware godsdienst en de achting van de kerkedienst het volk met hun voorbeeld voorgaan, ook zich in deze houden en gedragen als broers, medegenoten en medeleden van de kerk; verder recht en gerechtigheid aanstellen en handhaven, alle onrecht, overlast, tirannie en geweld afschaffen en de onderdanen een gerust en stil leven verzorgen, totdat de volmaakte gerechtigheid, heiligheid en vrede in het andere leven daarop volgen. Ezechiël 44:3: De vorst, de vorst, die zal in dezelfde zitten, om brood te eten voor het aangezicht van YHWH; door de weg van het voorhuis van de poort zal hij ingaan, en door de weg van hetzelfde zal hij uitgaan.
[^ezechiel-45-7-19]: Kanttekening 19: 19 voor aan het heilig hefoffer: Hebreeuws, voor, of tegen het aangezicht, zo in het volgende (פְּנֵי).
[^ezechiel-45-7-20]: Kanttekening 20: 20 westerhoek westwaarts: Hebreeuws, hoek van de zee, naar de zee toe, zo in het volgende, zee voor het westen (יָם).
[^ezechiel-45-8-21]: Kanttekening 21: 21 Dit land aangaande: Anders, hij zal het in het land hebben tot, enz., of, van het land zal hij \[dit\] hebben, enz.
[^ezechiel-45-8-22]: Kanttekening 22: Vergelijk Ps. 72:2, 72:4, 72:14; Jes. 11:3, 11:4, 11:5, enz., en Jes. 29:18, 29:19, 29:20, en Jes. 42:1, 42:3, 42:4, en Jes. 60:17, 60:18; Zef. 3:13. Psalmen 72:2: Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht. Psalmen 72:4: Hij zal de ellendigen van het volk richten; hij zal de kinderen van de nooddruftigen verlossen, en de verdrukker verbrijzelen. Psalmen 72:14: Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen. Jesaja 11:3: En Zijn rieken zal zijn in de vrees voor YHWH; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. Jesaja 11:4: Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Jesaja 11:5: Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel van Zijn lendenen zijn. Jesaja 29:18: En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 29:19: En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in YHWH; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen. Jesaja 29:20: Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met de bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn; Jesaja 42:1: Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Jesaja 42:3: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Jesaja 42:4: Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. Jesaja 60:17: Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzieners vreedzaam maken, en uw drijvers rechtvaardigen. Jesaja 60:18: Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpale; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof. Zefanja 3:13: De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.
[^ezechiel-45-8-23]: Kanttekening 23: 23 laten, naar hun stammen: Hebreeuws eigenlijk, geven.
[^ezechiel-45-9-25]: Kanttekening 25: 25 uitstortingen op van Mijn volk: Dat u hen uit het hunne verdrijft en uitstoot, trekkende dat aan u; zulk een overlast zult u van hen wegnemen, hen daarvan ontlasten. Zie gelijke manier van spreken Jes. 57:14. Jesaja 57:14: En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, neemt de aanstoot uit de weg Mijns volks.
[^ezechiel-45-9-24]: Kanttekening 24: 24 Het is te veel voor u: Zie boven Ez. 44:6. Sommigen verstaan dit alsof God zei: U hebt land, meer dan genoeg voor u, aan wat Ik u toegelegd heb, daarom enz. Anderen houden het voor een verbloemde bestraffing van de overleden koningen van Juda, tot wie God spreekt alsof zij tegenwoordig waren; of van de antichristische kerkelijke en burgerlijke tirannen, die Gods volk zeer lang zouden plagen. Ezechiël 44:6: En zeg tot die opstandigen, tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer YHWH: Het is te veel voor u, vanwege al uw gruwelen, o huis van Israël.
[^ezechiel-45-10-26]: Kanttekening 26: 26 rechte waag: Hebreeuws, waag, of weegschalen van de gerechtigheid, en zo in het volgende (צֶדֶק); gelijk Lev. 19:35, 19:36. Leviticus 19:35: U zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat. Leviticus 19:36: U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^ezechiel-45-10-a]: Verwijzing a: Lev. 19:35; idem v. 36. Leviticus 19:35: U zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat. Leviticus 19:36: U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^ezechiel-45-10-27]: Kanttekening 27: Zie Lev. 5:11. Leviticus 5:11: Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.
[^ezechiel-45-10-28]: Kanttekening 28: 28 bath zult u hebben: Zie 1 Kon. 7:26. 1 Koningen 7:26: Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^ezechiel-45-11-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws, zal.
[^ezechiel-45-11-30]: Kanttekening 30: 30 enerlei mate: Een efa in droge en een bath in natte waren.
[^ezechiel-45-11-31]: Kanttekening 31: De grootste maat van droge waren. Anders ook genoemd kor. Zie 1 Kon. 4:22 en onder, vers 14. 1 Koningen 4:22: Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; Ezechiël 45:14: Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; u zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, dat is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.
[^ezechiel-45-11-32]: Kanttekening 32: Als zijnde de grootste maat, naar welke de anderen moesten geregeld zijn.
[^ezechiel-45-12-33]: Kanttekening 33: 33 sikkel zal zijn van twintig: Zie Gen. 23:15, en Gen. 24:22. Genesis 23:15: Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds.
[^ezechiel-45-12-b]: Verwijzing b: Ex. 30:13; Lev. 27:25; Num. 3:47. Exodus 30:13: Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer YHWH. Leviticus 27:25: Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. Numeri 3:47: U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera.
[^ezechiel-45-12-34]: Kanttekening 34: Zie Lev. 27:25. Het is bij ons zoveel \[gelijk het sommigen bekwamelijk op onze munt gepast hebben\] als een halve braspenning, van welke twintig een oordje rijksdaalders maken, zoveel als een algemene of burgerlijke sikkel bedroeg, van welke hier gesproken wordt. Leviticus 27:25: Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera.
[^ezechiel-45-12-35]: Kanttekening 35: 35 pond zijn: Hebreeuws, maneh, dat is mina. Zie 1 Kon. 10:17; 2 Kron. 9:16; Ezra 2:69, met de aantekening. De zin is, dat zestig sikkels een pond of mina van goud of zilver zouden maken. Dit wordt gehouden, bij sommigen, voor een nieuwe ordinantie, omdat de oude mina maar vijftig sikkelen van het heiligdom en honderd algemene hield; maar hier staat van zestig sikkelen, dat zoveel meer zou moeten zijn in het heilige en burgerlijke. Enige menen dat er zodanige drie verscheidene soorten van munt zouden geweest zijn, die tezamen een pond of mijne zou maken. God wil zeggen dat de gerechtigheid in alles strikt en op het nauwste zal worden onderhouden. 1 Koningen 10:17: Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon. 2 Kronieken 9:16: Ook driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van de Libanon. Ezra 2:69: Zij gaven naar hun vermogen tot de schat van het werk, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.
[^ezechiel-45-13-36]: Kanttekening 36: Of, de offeranden die, enz. Hebreeuws, de heffing die u zult heffen. Dit verstaan sommigen van wat het volk het gehele jaar door zou opbrengen tot de gewone offeranden van de tempel. \[Anderen duiden het op de inwijding van de tempel\]. Van de offeranden in het algemeen, zie boven Ez. 40:39. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.
[^ezechiel-45-13-37]: Kanttekening 37: 37 zesde deel van een efa: Hebreeuws alsof men zei: zessen; dat is het zesde deel geven; gelijk vertienen, het tiende deel geven.
[^ezechiel-45-14-38]: Kanttekening 38: Zie boven vers 11. Ezechiël 45:11: Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer.
[^ezechiel-45-15-39]: Kanttekening 39: 39 waterrijke land van Israël: Dat is, uit het beste en vetste weiden. Anders: boven de wijn, of de drank van Israël; dat is, die Israël zou opbrengen tot drankoffers; vergelijk vers 17. Ezechiël 45:17: En het zal de vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle vastgestelde hoogtijden van het huis van Israël; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis van Israël.
[^ezechiel-45-16-40]: Kanttekening 40: 40 in dit hefoffer zijn: Of, zullen tot dit hefoffer, \[waarvan in het voorgaande gesproken\] \[gehouden, of verplicht zijn\].
[^ezechiel-45-16-41]: Kanttekening 41: 41 voor de vorst in Israël: Of, om de wil van de vorst. Sommigen verstaan het zo, dat zij met deze contributie vervullen zouden wat anders de vorst zou doen. Vergelijk 2 Kron. 31:3, met de aantekening. Anders: met de vorst; idem, tot de vorst toe, zulks dat de vorst daartoe niet gehouden is, als wiens bijzondere offeranden in het volgende verhaald worden. Men zou het ook kunnen nemen als een inhoud of titel van het volgende, en daarbij voegen aldus: Aangaande de vorst in Israël, of van de vorst, enz.; \[gelijk zulke titels bij de profeten gevonden worden\], die zal doen gelijk volgt. 2 Kronieken 31:3: Ook het deel van de koning van zijn bezittingen tot de brandofferen, tot de brandofferen van de morgen en van de avond, en de brandofferen van de sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van de vastgestelde hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet van YHWH.
[^ezechiel-45-17-42]: Kanttekening 42: 42 de vorst opleggen: Hebreeuws, op de vorst zal zijn; dat is, het zal zijn plicht zijn.
[^ezechiel-45-17-43]: Kanttekening 43: 43 op alle vastgestelde hoogtijden van het huis van Israël: Of, in alle vastgestelde bijeenkomsten.
[^ezechiel-45-17-44]: Kanttekening 44: Of, bereiden; dat is geven, aanbrengen, laten toemaken.
[^ezechiel-45-18-45]: Kanttekening 45: 45 Zo zegt de Heer YHWH: De volgende nieuwe ordinantie hebben enige wel aangemerkt, dat Mozes nergens tevoren gegeven was, gelijk ook buiten dat, het onderscheid dat er is tussen verscheidene nieuwe offeranden en ceremoniën, die hier worden vermeld, en de oude voorgaande, uit de vergelijking duidelijk kan worden afgeleid, tot een teken van de afschaffing van de ceremoniën en van het vorige priesterdom door de komst en het enig volkomen offer van de Messias, dat hier door vele offeranden wordt afgebeeld naar de stijl van het Oude Testament en de eis van die tijd, als de klaarheid van het licht en de tijd van de herstelling nog niet gekomen was. Zie Gal. 3:23, 3:24, 3:25, en Gal. 4:1, 4:2, 4:3; idem Hebr. 9:8, 9:10. Galaten 3:23: Maar voordat het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. Galaten 3:24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Galaten 3:25: Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. Galaten 4:1: Maar ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienaar, hoewel hij een heer is van alles; Galaten 4:2: Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van de vader te voren gesteld. Galaten 4:3: Zo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld. Hebreeën 9:8: Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; Hebreeën 9:10: Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd.
[^ezechiel-45-18-46]: Kanttekening 46: 46 jong rund, nemen: Hebreeuws, kind, of zoon van een rund (בֶּן).
[^ezechiel-45-19-47]: Kanttekening 47: Hebreeuws, post, en zo in het volgende.
[^ezechiel-45-20-48]: Kanttekening 48: 48 vanwege de afdwalende: Dat is, voor zodanigen, die door enige afdwaling, of slechtheid, onwetendheid, onverstand, het huis van de Heer mogen hebben ontsticht of verontreinigd, maar niet door moedwil en met opgeheven hand, afbeeldende deze ordinantie, hoe men de zwakken gevallen boetvaardigen zal te hulp komen en oprichten, door middel van een welgeregelde en Christelijke tucht; vergelijk Matt. 16:19, en Matt. 18:18, 18:21, enz.; Joh. 20:23; Rom. 14:4, 14:10, 14:13; Gal. 6:1, enz.; Jak. 5:19, 5:20; 1 Joh. 5:16, enz. Mattheüs 16:19: En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Mattheüs 18:18: Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Mattheüs 18:21: Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heer! hoe dikwijls zal mijn broer tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? Johannes 20:23: Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden. Romeinen 14:4: Wie bent u, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; maar hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. Romeinen 14:10: Maar u, wat oordeelt u uw broer? Of ook u, wat veracht u uw broer? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. Romeinen 14:13: Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat u de broer geen aanstoot of ergernis geeft. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt. Jakobus 5:19: Broeders, als iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, Jakobus 5:20: Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van de dood zal behouden, en menigte van de zonden zal bedekken. 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broer ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelfde zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^ezechiel-45-21-c]: Verwijzing c: Ex. 12:3; Ex. 23:15; Lev. 23:5; Num. 9:3; Num. 28:16; idem 28:17; Deut. 16:1. Exodus 12:3: Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tiende van deze maand neme een iedereen een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 23:15: Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Leviticus 23:5: In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Numeri 9:3: Op de veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult u dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult u dat houden. Numeri 28:16: En in de eerste maand, op de veertienden dag van de maand, is het pascha YHWH. Numeri 28:17: En op de vijftienden dag van die maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden. Deuteronomium 16:1: Neemt waar de maand Abib, dat u YHWH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u YHWH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.
[^ezechiel-45-21-49]: Kanttekening 49: 49 zal men eten: Hebreeuws, zal gegeten worden.
[^ezechiel-45-22-50]: Kanttekening 50: 50 van het zondoffer: Een var tot een zondoffer. Hebreeuws, een var van de zonde (חַטָּֽאת); dat is, van het zondoffer, gelijk doorgaans in deze stof. Zie Lev. 4:3. Leviticus 4:3: Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^ezechiel-45-24-51]: Kanttekening 51: 51 hin olie tot een efa: Zie Lev. 19:36. Leviticus 19:36: U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!
[^ezechiel-45-25-d]: Verwijzing d: Lev. 23:33; Num. 29:12; Deut. 16:13. Leviticus 23:33: En YHWH sprak tot Mozes, zeggende: Numeri 29:12: Ook op de vijftienden dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u YHWH een feest vieren. Deuteronomium 16:13: Het feest van de loofhutten zult u u zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.
[^ezechiel-45-25-52]: Kanttekening 52: Versta, het feest van de loofhutten, of tenten. Merk, dat aan het pinksterfeest hier niet gedacht wordt; vergelijk Zach. 14:16, 14:19. Zacharia 14:16: En het zal gebeuren, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden de Koning, YHWH van de legermachten, en om te vieren het feest van de loofhutten. Zacharia 14:19: Dit zal de zonde van de Egyptenaren zijn, samen met de zonde van alle heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten.
[^ezechiel-45-25-53]: Kanttekening 53: 53 evenzo doen: Hebreeuws, naar, of gelijk die; dat is, zoals hij op het voorgaande feest gedaan zal hebben met al deze offeranden, die tevoren verhaald zijn en hier kortelijk worden aangeroerd.

### Ezechiël 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/46.json)

*Verordeningen over de godsdienst van de vorst in het bijzonder, en van het volk van het land en de vorst samen, vers 1, 2, enz.; eveneens over het voortdurend brandoffer, 13; en over de geschenken van de vorst aan zijn zonen en aan zijn knechten, 16. Beschrijving van de keukens voor de priesters en Levieten, 19.*

**1** Zo zegt Adonai YHWH: De poort van[^ezechiel-46-1-1] het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de[^ezechiel-46-1-2] zes werkdagen gesloten zijn; maar op de[^ezechiel-46-1-3] sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op de dag van de[^ezechiel-46-1-4] nieuwe maan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v1)

**2** En de vorst zal ingaan door de weg van het voorhuis van die poort van buiten, en zal staan aan de post van de poort; en de priesters zullen zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden, en hij zal[^ezechiel-46-2-5] aanbidden aan de dorpel van de poort, en daarna uitgaan; maar de poort zal niet[^ezechiel-46-2-6] gesloten worden tot op de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v2)

**3** [^ezechiel-46-3-7] Ook zal het volk van het land aanbidden voor de deur van die poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v3)

**4** [^ezechiel-46-4-8] Het brandoffer nu, dat de vorst aan YHWH zal offeren, zal op de sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v4)

**5** En het voedseloffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het voedseloffer een gave[^ezechiel-46-5-9] van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v5)

**6** Maar op de dag van de[^ezechiel-46-6-10] nieuwe maan, een stier, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren[^ezechiel-46-6-11], en een ram; volkomen zullen zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v6)

**7** En als voedseloffer zal hij bereiden een efa tot de stier, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand[^ezechiel-46-7-12] bekomen zal; en een hin olie tot een efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v7)

**8** En als de vorst ingaat, zal hij door de weg van het voorhuis van de poort ingaan, en door de weg daarvan weer uitgaan[^ezechiel-46-8-13][^ezechiel-46-8-14]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v8)

**9** Maar als het volk van het land voor het aangezicht van YHWH komt, op de vastgestelde hoogtijden, die door de weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door de weg van de zuiderpoort weer uitgaan; en die door de weg van de zuiderpoort ingaat, zal door de weg van de noorderpoort weer uitgaan; hij zal niet[^ezechiel-46-9-15] terugkeren door de weg van de poort, waardoor hij is ingegaan, maar[^ezechiel-46-9-16] recht voor zich heen uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v9)

**10** De vorst nu zal in[^ezechiel-46-10-17] het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij[^ezechiel-46-10-18] uitgaan, zullen zij samen uitgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v10)

**11** Verder op de feesten, en op de vastgestelde hoogtijden zal het voedseloffer zijn, een efa tot een stier, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een[^ezechiel-46-11-19] gave van zijn hand; en olie, een hin tot een efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v11)

**12** En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankoffers tot een vrijwillig offer voor YHWH, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankoffers doen, zoals hij zal gedaan hebben op de sabbatdag; en als hij weer uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v12)

**13** Verder zult u een volkomen[^ezechiel-46-13-20] eenjarig lam dagelijks bereiden als brandoffer voor YHWH;[^ezechiel-46-13-21] elke morgen zult u dat bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v13)

**14** En u zult als voedseloffer daarop doen, elke morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een voedseloffer voor YHWH, tot[^ezechiel-46-14-22] eeuwige voorschriften, steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v14)

**15** Zij zullen dan het lam, en het voedseloffer, en de olie elke morgen bereiden tot een voortdurend brandoffer[^ezechiel-46-15-23]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v15)

**16** Zo zegt Adonai YHWH: Wanneer de vorst aan iemand van zijn[^ezechiel-46-16-24] zonen een geschenk zal geven van zijn erfenis, dat zullen zijn zonen[^ezechiel-46-16-25] hebben; het zal hun bezitting zijn in erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v16)

**17** Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het[^ezechiel-46-17-26] vrijjaar toe; dan zal het tot de vorst terugkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v17)

**18** En de vorst zal niets nemen van de erfenis van het volk, om hen van hun bezitting te[^ezechiel-46-18-27] beroven; van zijn bezitting zal hij zijn zonen erf nalaten; opdat niet Mijn volk, ieder uit zijn erfenis, verstrooid wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v18)

**19** Daarna bracht hij mij door de ingang, die aan de zijde van de poort was, tot de[^ezechiel-46-19-28] heilige kamers,[^ezechiel-46-19-29] de priesters toebehorende, die naar het noorden zagen, en zie, daar was een plaats aan beide zijden,[^ezechiel-46-19-30] naar het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v19)

**20** En hij zei tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het[^ezechiel-46-20-31] schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het voedseloffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof,[^ezechiel-46-20-32] om het volk te heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v20)

**21** Toen bracht hij mij in het buitenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken van de voorhof; en ziet,[^ezechiel-46-21-33] in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v21)

**22** In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes[^ezechiel-46-22-34] met schoorstenen, van veertig ellen de lengte, en dertig de breedte; deze vier hoekhofjes hadden dezelfde maat[^ezechiel-46-22-35]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v22)

**23** En er was rondom daarin[^ezechiel-46-23-36] een[^ezechiel-46-23-37] ringmuur, rondom deze vier; en er[^ezechiel-46-23-38] waren[^ezechiel-46-23-39] keukens gemaakt beneden aan de[^ezechiel-46-23-40] ringmuren rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v23)

**24** En hij zei tot mij: Dit zijn de[^ezechiel-46-24-41] keukens, alwaar de dienaren van het huis het[^ezechiel-46-24-42] slachtoffer van het volk zullen koken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/46.html#v24)

[^ezechiel-46-1-1]: Kanttekening 1: 1 binnenste voorhof: Waar het brandofferaltaar was.
[^ezechiel-46-1-2]: Kanttekening 2: 2 zes werkdagen gesloten zijn: Vergelijk Ex. 20:9. Sommigen menen dat hierdoor afgebeeld is, dat wij in dit leven maar van verre en als door een spiegel in een duistere rede zien, maar aangezicht aan aangezicht zullen zien in het ander leven, op de eeuwige rust- en sabbatdag; 1 Kor. 13:12; Hebr. 4:9, 4:10, 4:11. Exodus 20:9: Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen; 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. Hebreeën 4:9: Er blijft dan een rust over voor het volk van God. Hebreeën 4:10: Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne. Hebreeën 4:11: Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld van de ongelovigheid valle.
[^ezechiel-46-1-3]: Kanttekening 3: 3 sabbatdag zal zij geopend worden: Vergelijk Ex. 20:10, 20:11; verder Kol. 2:16, 2:17. Exodus 20:10: Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH uws Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Exodus 20:11: Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevende dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde dezelfde. Kolossensen 2:16: Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; Kolossensen 2:17: Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
[^ezechiel-46-1-4]: Kanttekening 4: 4 nieuwe maan: Vergelijk Jes. 66:23. Jesaja 66:23: En het zal gebeuren, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt YHWH.
[^ezechiel-46-2-5]: Kanttekening 5: 5 aanbidden aan de dorpel van de poort: Hebreeuws, zich nederbuigen; zie Gen. 24:26, zo in vers 3. Genesis 24:26: Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH; Ezechiël 46:3: Ook zal het volk van het land aanbidden voor de deur van die poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht van YHWH.
[^ezechiel-46-2-6]: Kanttekening 6: 6 gesloten worden tot op de avond: Vergelijk Matt. 25:10, 25:11, 25:12. Mattheüs 25:10: Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Mattheüs 25:11: Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open! Mattheüs 25:12: En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet.
[^ezechiel-46-3-7]: Kanttekening 7: 7 Ook zal het volk van het land aanbidden: Of, want het volk, enz., of opdat het volk van het land aanbidde, enz.
[^ezechiel-46-4-8]: Kanttekening 8: 8 Het brandoffer nu: Vergelijk deze nieuwe ordinantie met de oude, Num. 28:9, 28:10. De oude was veel minder, omdat de genade van het Nieuwe Testament \[gelijk sommigen aanmerken\] veel heerlijker is dan de voorgaande en zich veel wijder uitstrekt. Numeri 28:9: Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tiende meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, samen met zijn drankoffer. Numeri 28:10: Het is het brandoffer van de sabbat op elke sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.
[^ezechiel-46-5-9]: Kanttekening 9: 9 zijn hand zijn: Dat is, naar zijn vermogen, naardat de Heer hem gezegend zal hebben, of hij van de Heer ontvangen hebbe; vergelijk vers 7, 46:11, en Deut. 16:17. Ezechiël 46:7: En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot de var, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa. Ezechiël 46:11: Verder op de feesten, en op de vastgestelde hoogtijden zal het spijsoffer zijn, een efa tot een var, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave van zijn hand; en olie, een hin tot een efa. Deuteronomium 16:17: Een ieder, naar de gave van zijn hand, naar de zegen van YHWH, uws Gods, die Hij u gegeven heeft.
[^ezechiel-46-6-10]: Kanttekening 10: 10 nieuwe maan: Vergelijk deze nieuwe ordinantie met Num. 28:11, enz. De oude was meerder, omdat het licht \[gelijk sommigen dit duiden\] toen veel minder was. Numeri 28:11: En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
[^ezechiel-46-6-11]: Kanttekening 11: 11 een jong rund: Hebreeuws, een zoon eens runds (בֶּן).
[^ezechiel-46-7-12]: Kanttekening 12: 12 bekomen zal: Of, verkregen hebben; vergelijk boven vers 5, en de manier van spreken met Num. 6:21; idem Lev. 5:11, en Lev. 12:8, en Lev. 14:21, en Lev. 25:28, enz. Ezechiël 46:5: En het spijsoffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa. Numeri 6:21: Dit is de wet van de Nazireërs, die zijn offerande YHWH voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, zo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireërschap. Leviticus 5:11: Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Leviticus 12:8: Maar als haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn. Leviticus 14:21: Maar als hij arm is, en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij een lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe een tiende meelbloem, met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie; Leviticus 25:28: Maar als zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van de koper daarvan tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren.
[^ezechiel-46-8-13]: Kanttekening 13: 13 door daarvan weg: Of, zijns weegs.
[^ezechiel-46-8-14]: Kanttekening 14: Of, voortgaan.
[^ezechiel-46-9-15]: Kanttekening 15: 15 terugkeren door de weg van de poort: Dit vergelijken sommigen met Luk. 17:32; 1 Kor. 9:24; Filipp. 3:13, 3:14; idem Gal. 4:9, en Gal. 5:7; 2 Petr. 2:20, 2:21, 2:22. Lukas 17:32: Gedenkt aan de vrouw van Lot. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. Filippensen 3:13: Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Filippensen 3:14: Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus. Galaten 4:9: En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert u u opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, welke u opnieuw van voren aan wilt dienen? Galaten 5:7: U liept wel; wie heeft u verhinderd de waarheid niet gehoorzaam te zijn? 2 Petrus 2:20: Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in dezelfde opnieuw ingewikkeld zijnde, van dezelfde overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 2 Petrus 2:21: Want het ware hun beter, dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, die gekend hebbende, weer afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was. 2 Petrus 2:22: Maar hun is overkomen, wat met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is teruggekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.
[^ezechiel-46-9-16]: Kanttekening 16: 16 recht voor zich heen uitgaan: Anders: zij zullen recht tegenover hem uitgaan.
[^ezechiel-46-10-17]: Kanttekening 17: 17 midden van hen ingaan: Te weten onder het volk van het land.
[^ezechiel-46-10-18]: Kanttekening 18: Anders, voortgaan, en zo meteen opnieuw.
[^ezechiel-46-11-19]: Kanttekening 19: 19 gave zijn hand: Gelijk boven vers 5, 46:7. Ezechiël 46:5: En het spijsoffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa. Ezechiël 46:7: En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot de var, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa.
[^ezechiel-46-13-20]: Kanttekening 20: 20 eenjarig lam: Hebreeuws, een zoons zijns jaars.
[^ezechiel-46-13-21]: Kanttekening 21: 21 elke morgen zult u dat bereiden: Hebreeuws, in de morgen, in de morgen (בֹּקֶר); dat is, elke morgen, zo in het volgende; vergelijk deze ordinantie met Num. 28:3, 28:4. Hier wordt aan het avondoffer niet gedacht; vergelijk Hebr. 9:26. Numeri 28:3: En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van de dag, tot een gedurig brandoffer. Numeri 28:4: Het ene lam zult u bereiden van de morgen; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. Hebreeën 9:26: (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande.
[^ezechiel-46-14-22]: Kanttekening 22: 22 eeuwige inzettingen: Hebreeuws, inzettingen van de eeuwigheid (עוֹלָם).
[^ezechiel-46-15-23]: Kanttekening 23: 23 gedurig brandoffer: Hebreeuws, brandoffer \[eigenlijk, opklimming\] van de gedurigheid (עוֹלַת).
[^ezechiel-46-16-24]: Kanttekening 24: 24 zonen een geschenk: Of, kinderen. Aangaande de Heer Christus, die geeft zijn uitverkorenen en waren kinderen bestendige en eeuwige gaven, een eeuwigdurend erfdeel, en dat van zijn eigen, want al wat de Vader heeft is het zijne, Joh. 16:15, en Hij is erfgenaam van alles, Hebr. 1:2, doende met het zijne zoals Hij wil, Matt. 20:15; maar de anderen, die ook wel mee in zijn huis dienen als knechten, geeft Hij tijdelijke gaven; vergelijk Matt. 7:22, 7:23, en Matt. 13:21, 13:23, en Matt. 25:14, enz.; Luk. 19:13, enz., en zie Joh. 8:35, enz. Voor Christelijke regenten kan het ook ene leer wezen van milddadigheid en beloning van goede diensten, idem van gerechtigheid tegenover hunne onderdanen; en verder in het algemeen de leer van rechtvaardige eigen bezittingen, enz. Johannes 16:15: Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. Hebreeën 1:2: Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; Mattheüs 20:15: Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Mattheüs 7:22: Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? Mattheüs 7:23: En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Mattheüs 13:21: Maar hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd. Mattheüs 13:23: Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud. Mattheüs 25:14: Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienaren riep, en gaf hun zijn goederen over. Lukas 19:13: En geroepen hebbende zijn tien dienaren, gaf hij hun tien ponden, en zei tot hen: Doet handeling, totdat ik kome. Johannes 8:35: En de dienaar blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig.
[^ezechiel-46-16-25]: Kanttekening 25: Dat is, het zal zijn zonen blijven, zij zullen het houden; zo in het volgende.
[^ezechiel-46-17-26]: Kanttekening 26: Anders genoemd het jubeljaar; zie Lev. 25:10, enz. Leviticus 25:10: En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.
[^ezechiel-46-18-27]: Kanttekening 27: Of, verstoten.
[^ezechiel-46-19-28]: Kanttekening 28: 28 heilige kamers: Hebreeuws, kamers van de heiligheid.
[^ezechiel-46-19-29]: Kanttekening 29: 29 de priesters toebehorende: Of, tot de priesters.
[^ezechiel-46-19-30]: Kanttekening 30: 30 naar het westen: Hebreeuws, naar de zee (יָֽמָּ).
[^ezechiel-46-20-31]: Kanttekening 31: 31 schuldoffer en het zondoffer zullen koken: Dat is, het vlees van die offeranden, zo vers 24. Hebreeuws, schuld en zonde (חַטָּאת); zie Lev. 4:3. Hierdoor werd afgebeeld het werk van de dienst in alle gewone kerken en kudden van Christus, waar de getrouwe leraars en herders zichzelf en Christus' zaligmakende leer van het Evangelie, en die het volk bereiden, opdragen en toepassen, tot voedsel van de zielen, naast de bediening van de heilige sacramenten en Christelijke kerkregering, volgens de vermaningen, Hand. 20:28; 1 Petr. 5:2, enz.; zie ook Matt. 24:45; Joh. 21:15, 21:16, 21:17; 1 Tim. 3:13, en 1 Tim. 4:16; Openb. 2, Openb. 3. Ezechiël 46:24: En hij zei tot mij: Dit zijn de keukens, alwaar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk zullen koken. Leviticus 4:3: Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 1 Petrus 5:2: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuile winst, maar met een volvaardig gemoed; Mattheüs 24:45: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16: Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heer, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17: Hij zei tot hem ten derde maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derde maal tot hem zei: Hebt u Mij lief, en zei tot Hem: Heer! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen. 1 Timotheüs 3:13: Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelf een goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, dat is in Christus Jezus. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^ezechiel-46-20-32]: Kanttekening 32: 32 het volk te heiligen: Dat is, waardoor het volk zou geheiligd worden; dat niet moest zijn, omdat God voornamelijk de priesters tot de zaken van zijn heiligen dienst gekozen en geheiligd had; vergelijk boven Ez. 44:19. Ezechiël 44:19: En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun kleren, in die zij gediend hebben, uittrekken, en dezelfde henenleggen in de heilige kamers; en zullen andere kleren aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun kleren.
[^ezechiel-46-21-33]: Kanttekening 33: 33 in elke hoek van het voorhof: Hebreeuws, een voorhof in een hoek van het voorhof, een voorhof in een hoek van het voorhof; dat is, in elke hoek van het grote voorhof was een klein voorhof.
[^ezechiel-46-22-34]: Kanttekening 34: 34 met schoorstenen: Of, rookplaatsen. Hebreeuws alsof men zei: geschoorsteend, of gerookt; dat is, met schoorstenen of rookgaten gemaakt. Anders: aangehecht, gelijk de keukens veel aan het gebouw worden aangehecht; maar dit kan geen plaats hebben zonder verwisseling van een letter in het Hebreeuwse woord.
[^ezechiel-46-22-35]: Kanttekening 35: Versta, de voorgemelde vier keukens, die in de hoeken van het voorhof waren. Hebreeuws, hoekige, of gehoekte.
[^ezechiel-46-23-36]: Kanttekening 36: Keukens, hoekhofjes.
[^ezechiel-46-23-37]: Kanttekening 37: Het Hebreeuwse woord betekent elders een rij, of een verheven gebouw, dat langs heen omgaat als in een rij. Sommigen verstaan het niet van een muur, maar van een verheven afdak, tot beschutting van het koken.
[^ezechiel-46-23-38]: Kanttekening 38: Of, het was gemaakt \[met\] enz.
[^ezechiel-46-23-39]: Kanttekening 39: 39 keukens gemaakt: Of, kookplaatsen.
[^ezechiel-46-23-40]: Kanttekening 40: 40 ringmuren rondom: Anders: onder de portalen, of voorhofjes; verstaande dat men onder, als in kelders, kookte en boven at.
[^ezechiel-46-24-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws, het huis, of de plaats van de kokenden, dergenen die koken (בֵּית).
[^ezechiel-46-24-42]: Kanttekening 42: 42 slachtoffer van het volk: Dat is, het vlees van de slachtoffers, gelijk vers 20. Ezechiël 46:20: En hij zei tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het spijsoffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen.

### Ezechiël 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/47.json)

*Het visioen van de heilige wateren, die uit de nieuwe tempel vloeiden, vers 1, enz. Beschrijving van de grenzen van het nieuwe erfland, 13, uit te delen voor Israël en de vreemdelingen, 21.*

**1** Daarna bracht hij mij weer tot de deur van[^ezechiel-47-1-1] het huis, en ziet, er stroomden[^ezechiel-47-1-2] wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het[^ezechiel-47-1-3] voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis,[^ezechiel-47-1-4] van het zuiden van[^ezechiel-47-1-5] het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v1)

**2** En hij bracht mij uit door de weg van de noorderpoort, en voerde mij om door de weg van buiten, tot de buitenpoort, de weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v2)

**3** Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij meette duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren[^ezechiel-47-3-6] raakten tot aan de enkelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v3)

**4** Toen meette hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij meette nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de middel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v4)

**5** Verder meette hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge[^ezechiel-47-5-7] wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v5)

**6** En hij zei tot mij: Hebt u[^ezechiel-47-6-8] het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weer tot aan de oever van de beek.[^ezechiel-47-6-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v6)

**7** Als ik keerde terug, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel[^ezechiel-47-7-10][^ezechiel-47-7-a] geboomte, van deze en van de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v7)

**8** Toen zei hij tot mij: Deze wateren stromen uit naar het[^ezechiel-47-8-11] voorste Galilea, en dalen af in[^ezechiel-47-8-12] het vlakke veld; daarna komen zij in de[^ezechiel-47-8-13] zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de[^ezechiel-47-8-14] wateren gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v8)

**9** Ja, het zal gebeuren, dat alle[^ezechiel-47-9-15] levende ziel, die[^ezechiel-47-9-16] er wemelt, overal, waarheen een[^ezechiel-47-9-17] van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer[^ezechiel-47-9-18] veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en[^ezechiel-47-9-19] zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarheen deze beek zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v9)

**10** Ook zal het gebeuren, dat[^ezechiel-47-10-20] er vissers[^ezechiel-47-10-21] daaraan zullen staan, van[^ezechiel-47-10-22] En-gedi aan tot[^ezechiel-47-10-23] En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van[^ezechiel-47-10-24] de netten;[^ezechiel-47-10-25] haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de[^ezechiel-47-10-26] grote zee, zeer[^ezechiel-47-10-27] veelvuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v10)

**11** Maar[^ezechiel-47-11-28] haar modderige plaatsen en haar[^ezechiel-47-11-29] moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot[^ezechiel-47-11-30] zout overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v11)

**12** Aan de beek nu, aan haar[^ezechiel-47-12-31] oever, zal van deze en van de andere zijde opgaan[^ezechiel-47-12-32] allerlei spijsgeboomte, waarvan het blad niet zal afvallen[^ezechiel-47-12-33], noch de vrucht daarvan[^ezechiel-47-12-34] vergaan;[^ezechiel-47-12-35] in zijn maanden zal[^ezechiel-47-12-36] het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn[^ezechiel-47-12-37] wateren stromen uit het[^ezechiel-47-12-38] heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot voedsel, en zijn blad tot[^ezechiel-47-12-39][^ezechiel-47-12-b] heling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v12)

**13** Zo zegt Adonai YHWH: Dit zal de grens zijn, waarnaar u het land als erfenis zult nemen, naar de twaalf stammen van Israël: Jozef[^ezechiel-47-13-41][^ezechiel-47-13-42] twee snoeren.[^ezechiel-47-13-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v13)

**14** En u zult dat erven,[^ezechiel-47-14-43] de één zowel als de[^ezechiel-47-14-c] ander; over dat Ik[^ezechiel-47-14-44] Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaders zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis[^ezechiel-47-14-45] vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v14)

**15** Dit nu zal de grens van het land zijn: aan de noordzijde, van de[^ezechiel-47-15-46] grote zee af, de weg van Hethlon, waar men komt te Zedad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v15)

**16** Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de grens van Damascus en tussen de grens van Hamath is;[^ezechiel-47-16-47] Hazar Hattichon, dat aan de grens van[^ezechiel-47-16-48] Havran is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v16)

**17** Zo zal de grens van de zee af zijn, Hazar-enon, de grens van Damascus, en het noorden naar het noorden, en de grens van Hamath; en dat zal de noordzijde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v17)

**18** De oostzijde nu zult u meten van tussen Havran, en van tussen Damascus, en van tussen Gilead, en van tussen het land van Israël[^ezechiel-47-18-49] aan de Jordaan, van de grens af tot de[^ezechiel-47-18-50] Oostzee toe; en dat zal de oostzijde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v18)

**19** En de zuidzijde[^ezechiel-47-19-51] naar het zuiden van[^ezechiel-47-19-52] Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, verder naar de[^ezechiel-47-19-53] beek heen, tot aan de[^ezechiel-47-19-54] grote zee; en dat zal de zuidzijde naar het zuiden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v19)

**20** En de[^ezechiel-47-20-55] westzijde, de grote zee, van de grens af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westzijde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v20)

**21** Ditzelve land nu zult u zich uitdelen naar de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v21)

**22** Maar het zal gebeuren, dat u het zult doen vallen in erfenis[^ezechiel-47-22-56][^ezechiel-47-22-57] voor u, en voor de[^ezechiel-47-22-58] vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen u zijn, als een ingezetene onder de Israëlieten; zij zullen met u in erfenis[^ezechiel-47-22-59] vallen, in het midden van de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v22)

**23** Ook zal het gebeuren, in de stam, bij welke de vreemdeling verkeert,[^ezechiel-47-23-60] daar zult u hem zijn erfenis geven, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/47.html#v23)

[^ezechiel-47-1-1]: Kanttekening 1: Van de nieuwe tempel en het heiligdom, \[gelijk vers 12\], dat wel tevoren binnen Jeruzalem geweest, maar nu verstoord was; vergelijk Jes. 2:3; Micha 4:2; Zach. 14:8; idem Luk. 24:47, 24:49; Hand. 1:8, en Hand. 2:2, 2:4, en Openb. 22:1, alwaar vermeld wordt dat deze heilzame stromen uit Jeruzalem en Zion, uit de tempel en uit de troon van God en van het Lam zijn voortgekomen. Ezechiël 47:12: Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren stromen uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot voedsel, en zijn blad tot heling. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:2: En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen 's zomers en 's winters zijn. Lukas 24:47: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van de zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. Lukas 24:49: En ziet, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte. Handelingen 1:8: Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 2:2: En er geschiedde haastig uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Openbaring 22:1: En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.
[^ezechiel-47-1-2]: Kanttekening 2: 2 wateren uit: Afbeeldende de gezonde en zaligmakende leer van het Evangelie, met de overvloedige gaven van de Heilige Geest, onder het Nieuwe Testament. Vergelijk Jes. 11:9, en Jes. 12:3, en Jes. 35:7, en Jes. 41:18, en Jes. 44:3, en Jes. 55:1; Jer. 31:9; Joël 2:28, en Joël 3:18; Zach. 14:8, idem Joh. 7:38; Openb. 22:1. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Jesaja 12:3: En u zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen van het heil; Jesaja 35:7: En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. Jesaja 41:18: Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Jesaja 55:1: O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! Jeremia 31:9: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Joël 3:18: En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen 's zomers en 's winters zijn. Johannes 7:38: Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. Openbaring 22:1: En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.
[^ezechiel-47-1-3]: Kanttekening 3: 3 voorste deel: Hebreeuws, aangezicht (פְנֵי).
[^ezechiel-47-1-4]: Kanttekening 4: 4 van het zuiden: Of, tegen, aan het zuiden; dat is de zuidzijde.
[^ezechiel-47-1-5]: Kanttekening 5: Versta, het brandofferaltaar, dat voor het heilige stond; waarvan zie boven Ez. 43:13, enz., een voorbeeld van onze Heer Christus en van zijn enig offer aan het kruis; alwaar Hij ons de gaven van de Heilige Geest verdiend heeft, die Hij ons van de Vader toezendt; afgebeeld \[gelijk sommigen houden\] door het water, dat uit zijne zijde vloot; Joh. 19:34, 19:35. Ezechiël 43:13: En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar. Johannes 19:34: Maar één van de krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en meteen kwam er bloed en water uit. Johannes 19:35: En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, wat waar is, opdat ook u geloven mag.
[^ezechiel-47-3-6]: Kanttekening 6: 6 raakten tot aan de enkelen: Hebreeuws, \[het waren\] wateren van de enkels, en zo in het volgende, wateren van de knieën, wateren van de lenden, afbeeldende de voorgang, lopenden wasdom van de openbaring van het heilige Evangelie, samen met de verscheidene mate van de gaven van de Heilige Geest in dit, en de volkomenheid in het andere leven.
[^ezechiel-47-5-7]: Kanttekening 7: 7 wateren, waar men door zwemmen moest: Hebreeuws, wateren van de zwemming.
[^ezechiel-47-6-8]: Kanttekening 8: 8 gezien, mensenkind: Dat is, op alles gelet? waarmee de profeet vermaand werd op alles naarstiglijk acht te nemen.
[^ezechiel-47-6-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws, lip (שְׂפַת); en zo in vers 7. Ezechiël 47:7: Als ik terugkeerde, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.
[^ezechiel-47-7-10]: Kanttekening 10: Afbeeldende de menigte van de uitverkorenen, die door de kracht van deze wateren in Gods huis overal zouden groeien en vruchtbaar zijn in alle goede werken, tot Gods eer en stichting van de naaste, gelijk vers 12 breder wordt verhaald. Zie Ps. 1:3, en Ps. 92:13; Jes. 44:3, 44:4, en Jes. 55:11, 55:13; Jer. 17:8; Joh. 15:2, enz.; 1 Kor. 3:6, 3:7, enz. Ezechiël 47:12: Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren stromen uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot voedsel, en zijn blad tot heling. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Jesaja 44:4: En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. Jesaja 55:11: Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend. Jesaja 55:13: Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal voor YHWH wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden. Jeremia 17:8: Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.
[^ezechiel-47-7-a]: Verwijzing a: Openb. 22:2. Openbaring 22:2: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom van het leven, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de heidenen.
[^ezechiel-47-8-11]: Kanttekening 11: 11 voorste Galilea: Of, Oost-Galilea; waardoor enige verstaan een gedeelte van Galilea, liggende over de Jordaan, waar Chorazim ook gelegen was, aan de oostzijde van de Galilese zee, of de zee Gennezareth, waar de Jordaan doorliep. Maar dit dient bijzonderlijk vergeleken te worden met Jes. 8:23, en Jes. 9:1; Matt. 4:12, 4:13, 4:14, 4:15, alwaar verhaald wordt dat het licht van het Evangelie mee eerst is opgegaan in deze streken. Zie verder van tweeërlei Galilea's, 1 Kon. 9:11. Anders kon het ook in het algemeen genomen worden voor de ooststreken, of grenzen, idem de omstreek van Gilgal, uit Joz. 18:17, vergeleken met Joz. 15:7; ook gelegen in het oosten van Jeruzalem, maar daarheen ging men door de vlakken velden van Jericho, Jer. 52:7, 52:8; idem 2 Sam. 2:29, en 2 Sam. 17:26, en verder over de Jordaan naar de vlakke velden van Moab, waarvan in het volgende. Jesaja 8:23: Maar het land, dat benauwd was, zal niet geheel verduisterd worden; gelijk als Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, zo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar de weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea van de heidenen. Jesaja 9:1: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen. Mattheüs 4:12: Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea; Mattheüs 4:13: En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Mattheüs 4:14: Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: Mattheüs 4:15: Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken; 1 Koningen 9:11: (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea. Jozua 18:17: En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover de opgang naar Adummim, en zij gaat af aan de steen van Bohan, de zoon van Ruben; Jozua 15:7: Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel. Jeremia 52:7: Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit 's nachts, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan het hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door de weg van het vlakke veld. Jeremia 52:8: Maar de legermacht van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn legermacht werd van bij hem verstrooid. 2 Samuël 2:29: Abner dan en zijn mannen gingen diezelfde ganse nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het gehele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim. 2 Samuël 17:26: Israël nu en Absalom legerden zich in het land van Gilead.
[^ezechiel-47-8-12]: Kanttekening 12: 12 vlakke veld: Van de Moabieten; zie Num. 22:1; Deut. 1:1; en Deut. 3:17, en Deut. 34:1, 34:8. Numeri 22:1: Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. Deuteronomium 1:1: Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab. Deuteronomium 3:17: Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, samen met de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten. Deuteronomium 34:1: Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Deuteronomium 34:8: En de kinderen van Israël beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het wenen, van de rouw over Mozes, werden voltooid.
[^ezechiel-47-8-13]: Kanttekening 13: De Dode zee, of Zoutzee, waar Sodom en Gomorra eertijds geweest waren, en waar Engedi en En-eglaïm lagen, waarvan vers 10. Zie verder Gen. 14:3. Ezechiël 47:10: Ook zal het gebeuren, dat er vissers aan dezelfde zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig. Genesis 14:3: Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
[^ezechiel-47-8-14]: Kanttekening 14: 14 wateren gezond: Van deze Dode zee, die tevoren dodelijk waren.
[^ezechiel-47-9-15]: Kanttekening 15: 15 levende ziel: Dat is, alle dieren, die leven en gevoelen, en daarom zich bewegen. Zie Gen. 1:20. Genesis 1:20: En God zei: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
[^ezechiel-47-9-16]: Kanttekening 16: Zie Gen. 1:20. Genesis 1:20: En God zei: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel!
[^ezechiel-47-9-17]: Kanttekening 17: 17 één van de twee beken zal komen: Hebreeuws, de twee beken zal komen (יָבוֹא); dat is, een van beide. Het schijnt dat deze wateren zich in het voortlopen in tweeën gedeeld hebben, hoewel zulks hier niet wordt vermeld; zie Zach. 14:8. Maar anders kan men met sommigen het getal van tweeën voor het getal van velen nemen, \[gelijk elders ook wel gebruikelijk is\] en vertalen het stromen. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen 's zomers en 's winters zijn.
[^ezechiel-47-9-18]: Kanttekening 18: 18 veel vis zijn: Of, grote, treffelijke, zo vers 10. Versta, de menigte van de uitverkorenen, die door de predikatie van het heilige Evangelie en krachtige werking van de Heilige Geest zekerlijk zouden bekeerd worden. Ezechiël 47:10: Ook zal het gebeuren, dat er vissers aan dezelfde zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.
[^ezechiel-47-9-19]: Kanttekening 19: 19 zij zullen gezond worden: Dat is, andere wateren, door het invloeien van deze.
[^ezechiel-47-10-20]: Kanttekening 20: Dat is, leraars van het Nieuwe Testament, die als instrumenten van de krachtigen werkenden Heilige Geest, door het net van het Evangelie de mensen uit hun zondigen en dodelijken staat zouden optrekken tot de gemeenschap van de Heer Christus en van zijne weldaden. Zie Matt. 4:19, en Matt. 13:47; Luk. 5:10. Mattheüs 4:19: En Hij zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. Mattheüs 13:47: Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Lukas 5:10: En evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult u mensen vangen.
[^ezechiel-47-10-21]: Kanttekening 21: 21 dezelfde zullen staan: Dode zee.
[^ezechiel-47-10-22]: Kanttekening 22: Tevoren genoemd Hazezon Thamar, gelegen aan de Dode zee; zie Gen. 14:7; 1 Sam. 24:1; 2 Kron. 20:2, met de aantekening. Genesis 14:7: Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 1 Samuël 24:1: En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi. 2 Kronieken 20:2: Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi.
[^ezechiel-47-10-23]: Kanttekening 23: Ook gelegen aan de Dode zee, waar de Jordaan in dezelfde loopt.
[^ezechiel-47-10-24]: Kanttekening 24: Of, visgaren, gelijk boven Ez. 26:5. Ezechiël 26:5: Zij zal in het midden van de zee zijn tot uitspreiding van netten; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer YHWH; en zij zal de heidenen ten roof worden.
[^ezechiel-47-10-25]: Kanttekening 25: 25 haar vis zal naar zijn aard wezen: Van de vissers, die ze zullen vangen, of van de voorzeide wateren.
[^ezechiel-47-10-26]: Kanttekening 26: 26 grote zee: De Middellandse, zo onderscheiden van de binnenlandse zeeën of meren; zo vers 15, 47:20. Ezechiël 47:15: Dit nu zal de landpale van het land zijn: aan de noorderhoek, van de grote zee af, de weg van Hethlon, waar men komt te Zedad. Ezechiël 47:20: En de westerhoek, de grote zee, van de landpale af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.
[^ezechiel-47-10-27]: Kanttekening 27: Of, groot, heerlijk, gelijk vers 9. Ezechiël 47:9: Ja, het zal gebeuren, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen één van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.
[^ezechiel-47-11-28]: Kanttekening 28: 28 haar modderige plaatsen: Namelijk van de Dode zee. Hierdoor kan men verstaan het onderscheid, dat er zou zijn tussen de uitverkorenen, die de voorzegde genade zouden deelachtig worden, en de verworpenen, die in hunne vuiligheid zouden blijven liggen en verloren gaan; zie Hand. 13:48; 2 Kor. 15, 2 Kor. 16, enz. Handelingen 13:48: Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heer; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven.
[^ezechiel-47-11-29]: Kanttekening 29: 29 zullen niet gezond worden: Anders: die niet gezond zullen worden, enz.
[^ezechiel-47-11-30]: Kanttekening 30: 30 zout overgegeven: Zie Deut. 29:23; Ps. 107:34; Jer. 17:6; Hebr. 6:8. Sommigen hechten vers 11 aan het voorgaande en een anderen zin aldus: Haar modderige en haar moerassige plaatsen, zeg ik, die niet gezond waren, die het zout waren overgegeven; versta, zullen alle gezond en visrijk worden. Anders: haar modderige plaatsen en haar moerassen, die niet gezond waren, zijn gegeven tot zout; dat is, tot enige dienst en nuttigheid; waarvan de aandachtige lezer kan oordelen. Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Psalmen 107:34: Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Hebreeën 6:8: Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, waarvan het einde is tot verbranding. Ezechiël 47:11: Maar haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.
[^ezechiel-47-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, lip (שְׂפָת).
[^ezechiel-47-12-32]: Kanttekening 32: 32 allerlei spijsgeboomte: Hebreeuws, alle geboomte van het voedsel; dat is, allerlei vruchtdragend geboomte, dat tot voedsel bekwaam, of eetbaar is; zie boven vers 7. Ezechiël 47:7: Als ik terugkeerde, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.
[^ezechiel-47-12-33]: Kanttekening 33: 33 blad niet zal afvallen: Zie Ps. 1:3. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^ezechiel-47-12-34]: Kanttekening 34: Of, ophouden, verteerd worden.
[^ezechiel-47-12-35]: Kanttekening 35: 35 in zijn maanden: Dat is, alle maanden zal dat geboomte nieuwe vrucht dragen; vergelijk Openb. 22:2. Openbaring 22:2: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom van het leven, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de heidenen.
[^ezechiel-47-12-36]: Kanttekening 36: Of, uitnemende, gelijk de eerste rijpe vruchten, die zeer aangenaam zijn; zie Micha 7:1. Micha 7:1: Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
[^ezechiel-47-12-37]: Kanttekening 37: Waar het aan wast, en waar het van bevochtigd wordt.
[^ezechiel-47-12-38]: Kanttekening 38: Zie boven vers 1. Daarom zal zijn vrucht vast en zeker gaan. Ezechiël 47:1: Daarna bracht hij mij weer tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis, van het zuiden van het altaar.
[^ezechiel-47-12-39]: Kanttekening 39: Of, stamping, stoting, gelijk men bladeren en kruiden pleegt te stoten, om in dranken of pleisters te gebruiken.
[^ezechiel-47-12-b]: Verwijzing b: Openb. 22:2. Openbaring 22:2: In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom van het leven, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de heidenen.
[^ezechiel-47-13-41]: Kanttekening 41: Een voor Manasse, en een voor Efraïm. Zie Gen. 48:5; 1 Kron. 5:1, 5:2; onder Ez. 48:4, 48:5. Genesis 48:5: Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon. 1 Kronieken 5:1: De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 1 Kronieken 5:2: Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.) Ezechiël 48:4: En aan de landpale van Nafthali, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Manasse een. Ezechiël 48:5: En aan de landpale van Manasse, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Efraïm een.
[^ezechiel-47-13-42]: Kanttekening 42: Dat is, delen, die men met snoeren placht af te meten; zie Ps. 16:5, 16:6. Psalmen 16:5: YHWH is het deel mijner erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6: De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
[^ezechiel-47-13-40]: Kanttekening 40: 40 Dit zal de landpale zijn: Vergelijk met deze gebieden Num. 34, en Joz. 15; tot Joz. 20, en zie de aantekening daar. Uit de vergelijking zal het onderscheid blijken, dat tussen beiden is, dat ons verder aanleiding kan geven tot de betrachting van het geestelijk Israël en hemels Kanaän.
[^ezechiel-47-14-43]: Kanttekening 43: 43 de één zowel als de ander: Hebreeuws, de man gelijk zijn broer (אִישׁ); dat is, de één zal zowel, of zoveel erven als de ander, want er zal ruimte genoeg in het hemelse Kanaän, of het huis van onze hemelse Vader, voor alle gelovigen door Christus bereid zijn, Joh. 14:2, zie verder in Ez. 48. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
[^ezechiel-47-14-c]: Verwijzing c: Gen. 12:7; Gen. 17:8; Gen. 26:3; Gen. 28:13. Genesis 12:7: Zo verscheen YHWH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar YHWH, Die hem verschenen was. Genesis 17:8: En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. Genesis 26:3: Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb. Genesis 28:13: En ziet, YHWH stond op dezelfde en zei: Ik ben YHWH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.
[^ezechiel-47-14-44]: Kanttekening 44: 44 hand heb opgeheven: Dat is, gezworen; zie Gen. 14:22. Genesis 14:22: Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
[^ezechiel-47-14-45]: Kanttekening 45: Te weten door het lot, dat is, u zult het bij loting delen; zo boven Ez. 45:1, onder vers 22, tot een teken dat het een genadegeschenk Gods en een kinderlijk erf was; maar zie boven Ez. 45:1. Als men houdt dat het zoveel is, alsof het woord lot in de tekst ware uitgedrukt, zo kan men de loting duiden op het bijzondere deel van elk, want de gemene gebieden van de stammen worden in Ez. 48 van God uitgedrukt. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer aan YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn. Ezechiël 47:22: Maar het zal gebeuren, dat u hetzelfde zult doen vallen in erfenis voor u, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen u zijn, als een inboorling onder de kinderen van Israël; zij zullen met u in erfenis vallen, in het midden van de stammen van Israël. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer aan YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.
[^ezechiel-47-15-46]: Kanttekening 46: 46 grote zee af: Gelijk boven vers 10; maar in deze kwartieren ook genoemd de zee van Fenicië, of Syrië. Ezechiël 47:10: Ook zal het gebeuren, dat er vissers aan dezelfde zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.
[^ezechiel-47-16-47]: Kanttekening 47: 47 Hazar Hattichon: Of, de dorpen die in het midden zijn, die, enz.
[^ezechiel-47-16-48]: Kanttekening 48: 48 Havran is: Hebreeuws, Chavran, ook een streek, gelegen aan het oosteinde van de Libanon, over de Jordaan, waar die haar oorsprong neemt.
[^ezechiel-47-18-49]: Kanttekening 49: 49 aan de Jordaan: Waar de Jordaan haar oorsprong neemt.
[^ezechiel-47-18-50]: Kanttekening 50: 50 Oostzee toe: Dat is, de Zoutzee of Dode zee.
[^ezechiel-47-19-51]: Kanttekening 51: Anders: naar Theman, dat is, Edom, waar een Theman gelegen was; zie Jer. 49:7; de zin opeen uitkomende, omdat Edom in het zuiden van Kanaän lag. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?
[^ezechiel-47-19-52]: Kanttekening 52: Gelegen tegenover het oosteinde van Edom, in de woestijn Tsin, of Kades, waar de stad Kades ook van enige kaarten gesteld wordt, bij het twistwater, of de wateren van Meriba, waar Mirjam, Aärons zus, gestorven en begraven is; zie Num. 20:1, 20:13, 20:14, enz., en Num. 27:14; zo onder Ez. 48:28. Numeri 20:1: Als de kinderen van Israël, de gehele vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. Numeri 20:13: Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen van Israël met YHWH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd. Numeri 20:14: Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van Edom, welke zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite, die ons ontmoet is; Numeri 27:14: Aangezien u Mijn mond opstandig bent geweest in de woestijn Zin, in de twisting van de vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin. Ezechiël 48:28: Aan de landpale nu van Gad, aan de zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee.
[^ezechiel-47-19-53]: Kanttekening 53: De rivier Sichor; zie Joz. 13:3, en Joz. 15:47; 1 Kron. 13:5, met de aantekening. Jozua 13:3: Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Jozua 15:47: Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale. 1 Kronieken 13:5: David dan vergaderde geheel Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark van God te brengen van Kirjath-jearim.
[^ezechiel-47-19-54]: Kanttekening 54: 54 grote zee: De Middellandse zee, gelijk boven vers 10, en hier in vers 20. Ezechiël 47:10: Ook zal het gebeuren, dat er vissers aan dezelfde zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig. Ezechiël 47:20: En de westerhoek, de grote zee, van de landpale af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.
[^ezechiel-47-20-55]: Kanttekening 55: Hebreeuws, hoek van de zee (יָם); zie Gen. 12:8. Genesis 12:8: En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar voor YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan.
[^ezechiel-47-22-56]: Kanttekening 56: Voorzegde land.
[^ezechiel-47-22-57]: Kanttekening 57: 57 vallen in erfenis: Door het lot, gelijk boven vers 14, en Ez. 45:1. Ezechiël 47:14: En u zult dat erven, de één zowel als de ander; waarover Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis vallen. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer aan YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.
[^ezechiel-47-22-58]: Kanttekening 58: Door deze nieuwe ordinantie wordt te kennen gegeven dat de Christelijke kerk, die de weldaden van de Heer Christus zou deelachtig zijn en het hemels Kanaän erven, niet alleen zou bestaan uit Joden, maar ook, naar de menigvuldige profetieën van het Oude Testament, uit heidenen, of alle natiën zonder onderscheid. Zie Hand. 15:7, 15:8, 15:9; Rom. 3:29, en Rom. 4:11, enz., en Rom. 10:12, en Rom. 15:9, enz.; 1 Kor. 12:13; Gal. 3:28, 3:29; Ef. 3:6; Kol. 1:12, en Kol. 3:11; Openb. 7:9, 7:10, enz. Handelingen 15:7: En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zei tot hen: Mannen broers, u weet, dat God van over langen tijd onder ons mij gekozen heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en geloven. Handelingen 15:8: En God, de Kenner van de harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende de Heilige Geest, gelijk als ook ons; Handelingen 15:9: En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. Romeinen 3:29: Is God een God van de Joden alleen? en is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de heidenen; Romeinen 4:11: En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Romeinen 10:12: Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heer van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. 1 Korinthiërs 12:13: Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt. Galaten 3:28: Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus. Galaten 3:29: En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Efeziërs 3:6: Namelijk dat de heidenen zijn mee-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie; Kolossensen 1:12: Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht; Kolossensen 3:11: Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen. Openbaring 7:9: Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 7:10: En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam.
[^ezechiel-47-22-59]: Kanttekening 59: 59 vallen, in het midden van de stammen van Israël: Dit is, hun lot hebben zowel als u, het lot zal mee voor hen geworpen worden.
[^ezechiel-47-23-60]: Kanttekening 60: Alwaar hij zich tot de gehoorzaamheid van het Evangelie en de ware gemeente van de Heer Christus \[die het geestelijk Israël en het zaad van Abraham is\] zal mogen begeven, zal hij onder het gehele lichaam van de kerk gerekend worden, en een erfgenaam Gods en medeërfgenaam van de Heer Christus zijn.

### Ezechiël 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/ezechiel/48.json)

*Uitdeling van het nieuwe erfland onder de twaalf stammen van Israël, zodanig dat de plaats (waarover in hoofdstuk 45 begonnen is te spreken) die afgezonderd was voor het heiligdom, de priesters, Levieten, stad en de vorst, kwam te liggen tussen de zeven noordelijke en vijf zuidelijke stammen, vers 1, enz. De maat en poorten van de nieuwe stad, met de namen van de poorten en van de stad, 30.*

**1** Dit nu zijn de namen van[^ezechiel-48-1-1] de stammen.[^ezechiel-48-1-2] Van het einde naar het noorden, aan de[^ezechiel-48-1-3] zijde van de weg van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-enan, de grens van Damascus, naar het noorden aan de zijde van Hamath (ook zal[^ezechiel-48-1-4] hij de[^ezechiel-48-1-5] ooster[^ezechiel-48-1-6] hoek en westzijde hebben), zal Dan een[^ezechiel-48-1-7] snoer hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v1)

**2** En aan de grens van Dan, van de oostzijde tot de westzijde toe, Aser één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v2)

**3** En aan de grens van Aser, van de oostzijde af tot de westzijde toe, Nafthali één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v3)

**4** En aan de grens van Nafthali, van de oostzijde tot de westzijde toe, Manasse één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v4)

**5** En aan de grens van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde toe, Efraïm één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v5)

**6** En aan de grens van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde toe, Ruben één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v6)

**7** En aan de grens van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde toe, Juda één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v7)

**8** Aan de grens nu van Juda, van de oostzijde tot de westzijde toe, zal[^ezechiel-48-8-8] het hefoffer zijn, dat u zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van een van de andere delen, van de oostzijde tot de westzijde toe; en het heiligdom zal in het midden daarvan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v8)

**9** Het hefoffer, dat u aan YHWH zult offeren, zal wezen de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v9)

**10** En daarin zal het heilig hefoffer zijn voor de priesters, naar het noorden de lengte van vijf en twintig duizend, en naar het westen de breedte van tien duizend, en naar het oosten de breedte van tien duizend, en naar het zuiden de lengte van vijf en twintig duizend; en het heiligdom van YHWH zal in het midden daarvan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v10)

**11** Het zal zijn voor de priesters, die geheiligd[^ezechiel-48-11-9] zijn uit de kinderen van Zadok, die Mijn wacht hebben waargenomen; die niet gedwaald hebben, als de Israëlieten dwaalden;[^ezechiel-48-11-10] zoals de andere Levieten gedwaald hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v11)

**12** En het geofferde van het hefoffer van het land zal hun[^ezechiel-48-12-11] een heiligheid van de heiligheden zijn, aan de grens van de Levieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v12)

**13** Verder zullen de Levieten tegenover de grens van de priesters hebben de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; de hele lengte zal zijn vijf en twintig duizend, en de breedte tien duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v13)

**14** En zij zullen daarvan niet verkopen, noch de[^ezechiel-48-14-12] eerstelingen van het land verwisselen, noch overdragen; want het is een heiligheid voor YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v14)

**15** Maar de vijf duizend, dat is wat overgelaten is in de breedte,[^ezechiel-48-15-13] voor aan de vijf en twintig duizend, dat zal[^ezechiel-48-15-14] onheilig zijn, voor de stad, tot bewoning en tot voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v15)

**16** En dit zullen haar maten zijn: de noordzijde, vier duizend en vijfhonderd meetrieten; en de zuidzijde vier duizend en vijfhonderd en van de oostzijde vier duizend en vijfhonderd; en de westzijde vier duizend en vijfhonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v16)

**17** De voorsteden nu van de stad zullen zijn, naar het noorden tweehonderd en vijftig, en naar het zuiden tweehonderd en vijftig, en naar het oosten tweehonderd en vijftig, en naar het westen tweehonderd en vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v17)

**18** En het overgelatene in de lengte, tegenover het[^ezechiel-48-18-15] heilig hefoffer, zal zijn tien duizend naar het oosten, en tien duizend naar het westen; en het zal tegenover het heilig hefoffer zijn; en de inkomst daarvan zal wezen tot[^ezechiel-48-18-16] onderhoud voor degenen, die de stad dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v18)

**19** En die de stad[^ezechiel-48-19-17] dienen, zullen[^ezechiel-48-19-18] haar dienen uit alle stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v19)

**20** Het hele hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend[^ezechiel-48-20-19] meetrieten, met vijf en twintig duizend;[^ezechiel-48-20-20] vierkant zult u het heilig hefoffer offeren,[^ezechiel-48-20-21] met de bezitting van de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v20)

**21** En het overgelatene zal voor de vorst zijn, van deze en van de andere zijde van het heilige hefoffer, en van de bezitting van de[^ezechiel-48-21-22] stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten van het hefoffer, tot aan de ooster grens en westerlandpale, voor aan de vijf en twintig duizend aan de[^ezechiel-48-21-23] westerlandpale, tegenover de andere delen, dat zal voor de vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom van het huis, zal in het midden daarvan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v21)

**22** Van de bezitting nu van de Levieten, en van de bezitting van de stad af, zijnde in het midden van wat van de vorsten zal zijn; wat tussen de grens van Juda, en tussen de grens van Benjamin is, zal van de vorsten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v22)

**23** Voor wat betreft het overige van de stammen; van de oostzijde tot de westzijde toe, Benjamin een snoer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v23)

**24** En aan de grens van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde toe, Simeon één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v24)

**25** En aan de grens van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde toe, Issaschar één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v25)

**26** En aan de grens van Issaschar, van de oostzijde tot aan de westzijde toe, Zebulon één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v26)

**27** En aan de grens van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde toe, Gad één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v27)

**28** Aan de grens nu van Gad, aan de zuidzijde[^ezechiel-48-28-24] naar het zuiden, daar zal de grens zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v28)

**29** Dit is het land, dat u zult doen vallen[^ezechiel-48-29-25] in erfenis, voor de stammen van Israël, en dit zullen[^ezechiel-48-29-26] hun delen zijn, spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v29)

**30** Verder zullen dit de uitgangen van de stad zijn: van de noordzijde,[^ezechiel-48-30-27] vier duizend en vijfhonderd[^ezechiel-48-30-28] maten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v30)

**31** En de[^ezechiel-48-31-29] poorten van de stad zullen zijn naar de namen van de stammen van Israël; drie poorten naar het noorden; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v31)

**32** En aan de oostzijde, vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk, een poort van Jozef, een poort van Benjamin, een poort van Dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v32)

**33** De zuidzijde ook vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar, een poort van Zebulon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v33)

**34** De[^ezechiel-48-34-30] westzijde, vier duizend en vijfhonderd; haar poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v34)

**35** Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn:[^ezechiel-48-35-31] YHWH IS DAAR. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/ezechiel/48.html#v35)

[^ezechiel-48-1-1]: Kanttekening 1: Zoals zij de één aan de ander hunne erfenis zullen hebben.
[^ezechiel-48-1-2]: Kanttekening 2: 2 Van het einde noordwaarts: Hier begint de beschrijving van het eerste deel, dat Dan zou bezitten.
[^ezechiel-48-1-3]: Kanttekening 3: 3 zijde van de weg van Hethlon: Hebreeuws, hand (יַד); zo meteen opnieuw.
[^ezechiel-48-1-4]: Kanttekening 4: Dan, uit het volgende.
[^ezechiel-48-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, wat van de voorzegde noordelijke landpale af, tussen de ooster- en westerlandpale in de breedte gelegen is; zo in het volgende.
[^ezechiel-48-1-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws, van de zee, zo in het volgende (יָּם). Aan de zuiderhoek werd niet gedacht, behalve in het heilig afgezonderd deel, en in het algemeen van geheel Israël \[achter Gad, vers 28; dat sommigen houden voor een teken van de uitbreiding van het rijk van Christus, tot aan het einde van de aarde. Ezechiël 48:28: Aan de landpale nu van Gad, aan de zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee.
[^ezechiel-48-1-7]: Kanttekening 7: 7 snoer hebben: Dat is, deel. Dit is hier en vers 23 ingevoegd tot aanvulling van de zin, uit Ez. 47:13, en moet in het volgende ook daarop verstaan worden. Hier \[en in het volgende\] gelijk ook boven Ez. 47:14, blijkt opnieuw een aanmerkelijk onderscheid tussen het voorgaande oud vleselijk en dit nieuw geestelijk Israël. Want tevoren waren de erfdelen zeer ongelijk; hier is gelijkheid in de gemeenschap van alle heiligen en geestelijke kinderen van Abraham, hebbende elke stam evenveel, \[niettegenstaande enig bijzonder onderscheid in de plaatsing\] en zijn geheel anders geplaatst dan tevoren. Ook is de orde van de opnoeming van de stammen, \[die in het noorden van de geringe en tevoren zeer zondige Dan wordt aangevangen\] aanmerkelijk; Openb. 7:5, enz. wordt Dan uitgelaten, zie daar. Ezechiël 48:23: Aangaande verder het overige van de stammen; van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Benjamin een snoer. Ezechiël 47:13: Zo zegt de Heer YHWH: Dit zal de landpale zijn, waarnaar u het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen van Israël: Jozef twee snoeren. Ezechiël 47:14: En u zult dat erven, de één zowel als de ander; waarover Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis vallen. Openbaring 7:5: Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;
[^ezechiel-48-8-8]: Kanttekening 8: 8 hefoffer zijn: Zie boven Ez. 45:1, 45:2, enz., met de aantekening daar. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer aan YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn. Ezechiël 45:2: Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom.
[^ezechiel-48-11-9]: Kanttekening 9: 9 zijn uit de kinderen van Zadok: Hebreeuws, is; dat is, elk van hen, die geheiligd is.
[^ezechiel-48-11-10]: Kanttekening 10: 10 gelijk als de andere Levieten gedwaald hebben: Of, als, dat is, wanneer de \[andere\] Levieten dwaalden.
[^ezechiel-48-12-11]: Kanttekening 11: 11 heiligheid van de heiligheden zijn: Zie Lev. 2:3. Leviticus 2:3: Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuurofferen van YHWH.
[^ezechiel-48-14-12]: Kanttekening 12: 12 eerstelingen van het land: Dat is wat God gegeven en geheiligd is, gelijk de eerste landvruchten hem plachten geheiligd te worden.
[^ezechiel-48-15-13]: Kanttekening 13: 13 voor aan de vijf en twintig duizend: Hebreeuws, aan het aangezicht (פְּנֵי).
[^ezechiel-48-15-14]: Kanttekening 14: 14 onheilig zijn: Dat is, een algemene plaats tot algemeen burgerlijk gebruik, zijnde onheilig in vergelijking van de andere, die God bijzonderlijk tot de godsdienst en voor de geheiligde personen geheiligd en afgezonderd had. Vergelijk Deut. 20:6; Jer. 31:5. Dit kon hier dienen tot afbeelding van het onderscheid, dat er is tussen kerkelijke of geestelijke en wereldlijke of politieke zaken. Anders wordt de stad ook genomen als beduidende het hemels Jeruzalem, of de kerk, gelijk onder vers 31, enz. en vers 35, en elders dikwijls, en in die verstande wordt zij de heilige stad genoemd, Openb. 21:2, enz. Tenzij men het zo wilde nemen, dat deze stad \[dat is de kerk\] op aarde zal zijn in plaatsen, die tevoren onrein en onheilig waren, zie Jer. 31:40. Maar vergelijk boven Ez. 42:20 met de aantekening. Deuteronomium 20:6: En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en de vrucht daarvan niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete. Jeremia 31:5: U zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. Ezechiël 48:31: En de poorten van de stad zullen zijn naar de namen van de stammen van Israël; drie poorten noordwaarts; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi. Ezechiël 48:35: Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: YHWH IS ALDAAR. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Jeremia 31:40: En het gehele dal van de dode lichamen en van de as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal voor YHWH een heiligheid zijn; er zal niets weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. Ezechiël 42:20: Hij mat het aan de vier zijden; het had een muur rondom heen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige.
[^ezechiel-48-18-15]: Kanttekening 15: 15 heilig hefoffer: Hebreeuws, hefoffer van de heiligheid; zo in het volgende.
[^ezechiel-48-18-16]: Kanttekening 16: 16 onderhoud voor degenen: Hebreeuws, brood (לֶחֶם); dat is, tot onderhoud, leeftocht.
[^ezechiel-48-19-17]: Kanttekening 17: 17 dienen, zullen: Hebreeuws, dient.
[^ezechiel-48-19-18]: Kanttekening 18: 18 haar dienen uit alle stammen van Israël: Anders: zullen dat \[overig deel\] bouwen, of bearbeiden, onderhouden, of: zullen uit alle stammen van Israël dezelfde \[Israël\] dienen; dat is, die in de stad dienen, zullen allen anderen Israëlieten bevorderlijk en gedienstig zijn in het verrichten van hun zaken; of, men zal de dienaren uit alle stammen nemen.
[^ezechiel-48-20-19]: Kanttekening 19: Te weten in de lengte, met even veel in de breedte; vergelijk de manier van spreken met boven Ez. 45:2. Ezechiël 45:2: Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom.
[^ezechiel-48-20-20]: Kanttekening 20: Aangaande de vierkantheid, kan men dit vergelijken met Openb. 21:16. Anders: het vierde deel zult u van het heilig hefoffer offeren tot de bezitting van de stad, nemende de plaats van het heiligdom voor het eerste deel, die van de priesters voor het tweede, die van de Levieten voor het derde, en die van de stad voor het vierde. Openbaring 21:16: En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte van die waren even gelijk.
[^ezechiel-48-20-21]: Kanttekening 21: 21 met de bezitting van de stad: Dat is, de stad daarin mee \[naar sommiger verklaring\] begrepen zijnde.
[^ezechiel-48-21-22]: Kanttekening 22: 22 voor aan de vijf en twintig: Hebreeuws, tegen, of aan, voor het aangezicht (פְּנֵי); zo in het volgende.
[^ezechiel-48-21-23]: Kanttekening 23: 23 andere delen: Of, \[voorgemelde\]. Anders: tegenover de delen van de vorst, en het zal een heilig hefoffer zijn, enz.
[^ezechiel-48-28-24]: Kanttekening 24: Of, naar Theman heen; zie van deze plaatsen boven Ez. 47:19. Ezechiël 47:19: En de zuiderhoek zuidwaarts van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.
[^ezechiel-48-29-25]: Kanttekening 25: 25 in erfenis: In het Hebreeuws is de manier van spreken wat duister, en schijnt verklaard te zijn door een andere, boven Ez. 45:1, en Ez. 47:14, 47:22, gebruikt, die hier ook vanwege de klaarheid in de tekst gesteld is. Hebreeuws eigenlijk van de erfenis, of vanwege de erfenis, dat men kan verstaan, òf van het uitdelen van de gemene erfenis van elke stam aan de particuliere onderhorigen, òf van het werpen van het lot over de bijzondere erfenis, zijnde de zin enerlei; anders: van de beek \[Sichor\] af, dat is, van de landpale van Egypte af. Ezechiël 45:1: Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer aan YHWH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn. Ezechiël 47:14: En u zult dat erven, de één zowel als de ander; waarover Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis vallen. Ezechiël 47:22: Maar het zal gebeuren, dat u hetzelfde zult doen vallen in erfenis voor u, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen u zijn, als een inboorling onder de kinderen van Israël; zij zullen met u in erfenis vallen, in het midden van de stammen van Israël.
[^ezechiel-48-29-26]: Kanttekening 26: 26 hun delen zijn: Van de stammen.
[^ezechiel-48-30-27]: Kanttekening 27: 27 vier duizend en vijfhonderd: Zie boven vers 16, alwaar verklaard schijnt te worden wat men hier door deze uitgangen zal verstaan, te weten de omvang van de vier delen van de stad, uit welke men naar de respectieve poorten uitging, zover als elk deel zich uitstrekte, aan welks uiteinde de poorten waren. Anderen verstaan door de uitgangen de poorten zelf. Ezechiël 48:16: En dit zullen haar maten zijn: de noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd meetrieten; en de zuiderhoek vier duizend en vijfhonderd en van de oosterhoek vier duizend en vijfhonderd; en de westerhoek vier duizend en vijfhonderd.
[^ezechiel-48-30-28]: Kanttekening 28: Dat is, meetrieten. Zie boven Ez. 40:5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet.
[^ezechiel-48-31-29]: Kanttekening 29: 29 poorten van de stad: Waardoor men kan verstaan dat een open ingang in Gods kerk of het nieuwe Jeruzalem zal zijn, niet alleen voor de uitverkorenen uit Israël, maar ook uit de heidenen of alle natiën, uit de vier hoeken van de wereld. Vergelijk Mal. 1:11; Matt. 8:11; Luk. 13:29; Openb. 21:12, 21:13, 21:14, 21:21, 21:25, en Openb. 7:9, 7:10. Maleachi 1:11: Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten. Mattheüs 8:11: Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Lukas 13:29: En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk van God. Openbaring 21:12: En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten van de kinderen van Israël. Openbaring 21:13: Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten. Openbaring 21:14: En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en in dezelfde de namen van de twaalf apostelen van het Lam. Openbaring 21:21: En de twaalf poorten waren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat van de stad was zuiver goud; gelijk doorzichtig glas. Openbaring 21:25: En haar poorten zullen niet gesloten worden overdag; want daar zal geen nacht zijn. Openbaring 7:9: Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 7:10: En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam.
[^ezechiel-48-34-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws, hoek van de zee, gelijk boven dikwijls (יָמָּ).
[^ezechiel-48-35-31]: Kanttekening 31: 31 DE YHWH IS ALDAAR: En dienvolgens heil en zaligheid. Hebreeuws YHWH SCHAMMAH. Zie Jer. 3:17; Joël 3:21; Zach. 2:10, 2:11; Openb. 21:3, 21:22, en Openb. 22:3, 22:4, enz. Jeremia 3:17: In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van YHWH; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om de Naam van YHWH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. Joël 3:21: En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en YHWH zal wonen op Sion. Zacharia 2:10: Juich en verblijd u, u dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt YHWH. Zacharia 2:11: En vele heidenen zullen op die dag aan YHWH toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en u zult weten, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 21:22: En ik zag geen tempel in dezelfde; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen; Openbaring 22:4: En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.

## Daniël

### Daniël 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/1.json)

*Bij welke gelegenheid Daniël en zijn metgezellen aan het hof van de koning te Babel gekomen zijn, vers 1 enz. Hoe godzalig zij zich daar gedragen hebben, 8. Hoe wonderlijk God hen bijgestaan heeft, 17. En de uitnemende wijsheid waarmee de HEERE hen begiftigd heeft, vooral Daniël, boven alle wijzen en sterrenkijkers van de Chaldeeën, 19 en 20.*

**1** In[^daniel-1-1-1] het derde jaar[^daniel-1-1-2] van het[^daniel-1-1-a] koninkrijk[^daniel-1-1-3] van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van[^daniel-1-1-4] Babel,[^daniel-1-1-5] te Jeruzalem, en belegerde haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v1)

**2** En YHWH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en[^daniel-1-2-6] een deel van de voorwerpen van het huis van God; en hij[^daniel-1-2-7] bracht[^daniel-1-2-8] ze in het land van Sinear, in het huis van zijn god; en de voorwerpen bracht hij[^daniel-1-2-9] in het schathuis[^daniel-1-2-10] van zijn god. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v2)

**3** En de koning zei tot Aspenaz,[^daniel-1-3-11] de overste van zijn[^daniel-1-3-12] kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enige uit de Israëlieten, te weten,[^daniel-1-3-13] uit het koninklijk zaad, en uit de[^daniel-1-3-14] prinsen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v3)

**4** Jongemannen, aan die[^daniel-1-4-15] geen gebrek was, maar[^daniel-1-4-16] knap qua uiterlijk, en[^daniel-1-4-17] vernuftig in alle wijsheid, en ervaren[^daniel-1-4-18] in wetenschap, en[^daniel-1-4-19] kloek van verstand, en in die[^daniel-1-4-20] bekwaamheid was,[^daniel-1-4-21] om te staan in het paleis van de koning; en dat men hen onderwees in[^daniel-1-4-22] de boeken en[^daniel-1-4-23] taal van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v4)

**5** En de koning[^daniel-1-5-24] verordende hun, wat[^daniel-1-5-25] men ze dag bij dag geven zou van[^daniel-1-5-26] de stukken van het voedsel van de koning, en van de wijn[^daniel-1-5-27] van zijn drank, en dat[^daniel-1-5-28] men hen drie jaar zo grootbracht, en dat zij ten einde daarvan zouden[^daniel-1-5-29] staan voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v5)

**6** Daaronder nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misael en Azarja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v6)

**7** En de overste van de[^daniel-1-7-30] kamerlingen gaf hun[^daniel-1-7-31] andere namen, en[^daniel-1-7-32] Daniël noemde hij[^daniel-1-7-33] Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v7)

**8** [^daniel-1-8-34] Daniël nu[^daniel-1-8-35] nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou[^daniel-1-8-36] ontreinigen met de stukken van het voedsel van de koning, noch met de wijn[^daniel-1-8-37] van zijn drank; daarom verzocht hij van de overste van de kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v8)

**9** En God[^daniel-1-9-38] gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van de overste van de kamerlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v9)

**10** Want de overste van de kamerlingen zei tot Daniël:[^daniel-1-10-39] Ik vrees mijn heer, de koning, die uw voedsel, en uw drank verordend heeft;[^daniel-1-10-40] want waarom zou hij uw gezichten droeviger zien, dan van de jongemannen, die in gelijkheid met u zijn? Zo zou u mijn hoofd bij de koning[^daniel-1-10-44] schuldig maken.[^daniel-1-10-41][^daniel-1-10-42][^daniel-1-10-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v10)

**11** [^daniel-1-11-45] Toen zei Daniël[^daniel-1-11-46] tot Melzar, die de overste van de[^daniel-1-11-47] kamerlingen gesteld had over Daniël, Hananja, Misael en Azarja: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v11)

**12** [^daniel-1-12-48] Beproef toch[^daniel-1-12-49] uw knechten tien dagen lang, en men geve ons[^daniel-1-12-50] van het gezaaide te[^daniel-1-12-51] eten, en water te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v12)

**13** En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante van de jongemannen, die de stukken van het voedsel van de koning eten; en doe met uw knechten,[^daniel-1-13-52] naar dat u zien zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v13)

**14** Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v14)

**15** Ten einde nu van de tien dagen, zag men, dat hun gedaanten[^daniel-1-15-53] schoner waren, en zij vetter waren van vlees[^daniel-1-15-54] dan al de jongemannen, die de stukken van het voedsel van de koning aten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v15)

**16** Toen gebeurde het, dat Melzar de stukken van hun voedsel wegnam, en ook[^daniel-1-16-55] de wijn van hun drank, en hij gaf hun van het gezaaide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v16)

**17** Aan deze vier jongemannen nu gaf God[^daniel-1-17-56] wetenschap en verstand in alle[^daniel-1-17-57] boeken, en wijsheid; maar[^daniel-1-17-58] Daniël gaf Hij verstand in allerlei[^daniel-1-17-59] visioenen en dromen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v17)

**18** Ten einde nu[^daniel-1-18-60] van de dagen, waarvan de koning gezegd[^daniel-1-18-61] had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste van de kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v18)

**19** [^daniel-1-19-62] En de koning sprak met hen; maar er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hananja, Misael en Azarja; en[^daniel-1-19-63] zij stonden voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v19)

**20** En in alle zaken[^daniel-1-20-64] van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij[^daniel-1-20-65] hen tienmaal[^daniel-1-20-66] boven al de[^daniel-1-20-67] tovenaars en sterrekijkers, die in zijn hele koninkrijk waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v20)

**21** En[^daniel-1-21-68] Daniël[^daniel-1-21-69] bleef[^daniel-1-21-70] tot[^daniel-1-21-71] het eerste jaar van de koning Kores toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/1.html#v21)

[^daniel-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 het derde jaar: Te weten toen het derde jaar ten einde ging, en het vierde begon, toen Jojakim volstrekt koning wilde zijn, zich onttrekkende aan de gehoorzaamheid, die hij tevoren aan Nebukadnezar beloofd had, Jer. 25:1. Anders, na het derde jaar. Vergelijk 2 Kon. 24:1. Jeremia 25:1: Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het gehele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel); 2 Koningen 24:1: In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.
[^daniel-1-1-2]: Kanttekening 2: Hij is geweest een zoon van Josia, de broer van Zedekia, de laatste koning van Juda.
[^daniel-1-1-a]: Verwijzing a: 2 Kon. 24:2; idem v. 3; 2 Kron. 36:6. 2 Koningen 24:2: En YHWH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst Zijn knechten, de profeten. 2 Koningen 24:3: Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel van YHWH tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had; 2 Kronieken 36:6: Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
[^daniel-1-1-3]: Kanttekening 3: Hij wordt door Jozefus en anderen genoemd Nebukadnezar de Grote, vanwege zijn groot koninkrijk en groot gebied. Zijn vader heette ook Nebukadnezar.
[^daniel-1-1-4]: Kanttekening 4: Zie Jes. 13:19. Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.
[^daniel-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 te Jeruzalem: Of, voor, of naar Jeruzalem toe, te weten om de belegering te bereiden, doende in het vierde jaar wat Jeremia voorzegd had, Jer. 1, enz.
[^daniel-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 een deel van de vaten van het huis van God: De rest werd door Gods beschikking in de tempel bewaard tot de wegvoering van de koning Jechonia, Jer. 27:18, 27:19, 27:20. Ja, ook bleven er nog enige tot de verwoesting van de stad toe. Jeremia 27:18: Maar zo zij profeten zijn, en zo het woord van YHWH bij hen is, laat hen nu bij YHWH van de legermachten voorbidden, opdat de vaten, die in het huis van YHWH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen. Jeremia 27:19: Want zo zegt YHWH van de legermachten, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige van de vaten, die in deze stad zijn overgebleven. Jeremia 27:20: Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel gevankelijk wegvoerde, samen met al de edelen van Juda en Jeruzalem;
[^daniel-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 bracht ze: Te weten de vaten, die hij naar de wijze van de heidenen, eerst zijn afgod heeft aangeboden, en daarna in het schathuis weggelegd, gelijk volgt. Vergelijk 2 Kron. 36:7. Anders is het waarachtig dat hij ook Jojakim met vele anderen gevankelijk gezonden heeft naar Babel. Zie het volgende, en onder Dan. 2:25. 2 Kronieken 36:7: Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis van YHWH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel. Daniël 2:25: Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
[^daniel-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 in het land van Sinear: Anders: naar het land Sinear, het huis van zijn God. Van Sinear, zie Gen. 10:10, en Gen. 11:2. Genesis 10:10: En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Genesis 11:2: Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden daar.
[^daniel-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 in het schathuis: Dat binnen Babylonië was; zie 2 Kron. 36:7. 2 Kronieken 36:7: Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis van YHWH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
[^daniel-1-2-10]: Kanttekening 10: 10 zijns gods: Te weten van Bel, de grote afgod van de Babyloniërs, van de Assyriërs en van de Perzen. Zie Jes. 46:1, en Dan. 4:8. Jesaja 46:1: Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. Daniël 4:8: Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar de naam mijns gods, in wie ook de geest van de heilige goden is; en ik vertelde de droom voor hem, zeggende:
[^daniel-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 de overste: Of, zijn grote hofmeester.
[^daniel-1-3-12]: Kanttekening 12: Of, hovelingen, eigenlijk gesnedenen; zie Gen. 37:36; 2 Kon. 20:18. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten. 2 Koningen 20:18: Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel.
[^daniel-1-3-13]: Kanttekening 13: 13 uit het koninklijk zaad: Hebreeuws, uit het zaad van het rijk (זֶּרַע); dat is, uit, of van de jongelingen, die uit koninklijk zaad geboren waren; zie Jer. 39:7; Jer. 41:1. Jeremia 39:7: En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. Jeremia 41:1: Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijken zade, en de oversten van de koning, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten daar brood te zamen, te Mizpa.
[^daniel-1-3-14]: Kanttekening 14: Of, vorsten, of oversten. Enige onder de rabbijnen menen dat het woord Parthemin betekent de gouverneurs, wonende en regerende omtrent de rivier Perath, of Frat, (Eufraat). Anderen onder de Joden menen dat dit woord zoveel betekent als grote vorsten en heerschappers.
[^daniel-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 geen gebrek ware: Te weten geen gebrek noch smet van het lichaam, maar volmaakt van lijf en van leden.
[^daniel-1-4-16]: Kanttekening 16: 16 schoon van aangezicht: Hebreeuws, goed van aanzien (טוֹבֵי).
[^daniel-1-4-17]: Kanttekening 17: 17 vernuftig in alle wijsheid: Of, verstandig in alle wijsheid; niet dat zij toen ten tijde alle wijsheid, enz. moesten hebben, maar zij moesten van goeden aard en verstand wezen, om zulks mettertijd te kunnen begrijpen en leren.
[^daniel-1-4-18]: Kanttekening 18: 18 in wetenschap: Of, in kennis. Hebreeuws, kenners van de kennis (דַעַת).
[^daniel-1-4-19]: Kanttekening 19: 19 kloek van verstand: Hebreeuws, verstand hebbende in wetenschap.
[^daniel-1-4-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, kracht (כֹּחַ); dat is, aard, vernuft, verstand.
[^daniel-1-4-21]: Kanttekening 21: 21 om te staan: Dat is, om te dienen; zie Deut. 1:38, en 1 Kon. 10:8. Dit was van de profeet Jesaja voorzegd, Jes. 39:7. Voor de koning staan kan hier ook verstaan worden, om voortreffelijke ambten in toekomende tijden te bedienen. Deze jongelingen liet de koning tot dit einde aldus opleiden, op hoop dat hij de Joden door hen, als zij tot hunne jaren zouden gekomen zijn, te beter in gehoorzaamheid zou kunnen houden. Deuteronomium 1:38: Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk dezelfde, want hij zal het Israël doen erven. 1 Koningen 10:8: Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen! Jesaja 39:7: Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel.
[^daniel-1-4-22]: Kanttekening 22: 22 de boeken: Het Hebreeuwse woord betekent alles, waarin iets geschreven of verhaald wordt, een boek, een brief, een register, enz. Tevoren waren deze jongelingen door hun godzalige ouders en leermeesters onderwezen geweest in Gods wetboek; nu zouden zij onderwezen worden in de boeken van de Chaldeën, die vol van ijdele kunsten en afgodische bijgelovigheden waren; en zo werden zij gebracht in het grootste gevaar naar ziel en lichaam.
[^daniel-1-4-23]: Kanttekening 23: Of, taal. Hebreeuws, tong (לְשׁוֹן).
[^daniel-1-5-24]: Kanttekening 24: 24 verordende hun: Of, stelde, verordende, bestelde.
[^daniel-1-5-25]: Kanttekening 25: 25 wat men ze dag bij dag geven zou: Hebreeuws, het woord (דְּבַר), of de zaak van de dag op zijn dag, gelijk Ex. 5:13. Exodus 5:13: En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.
[^daniel-1-5-26]: Kanttekening 26: 26 de stukken van het voedsel van de koning: Brokken, portie, gerechten, of overschot.
[^daniel-1-5-27]: Kanttekening 27: 27 zijns dranks: Hebreeuws, zijn dranken, of drinkingen; dat is van zulke wijnen of drank, als hij zelf dronk.
[^daniel-1-5-28]: Kanttekening 28: 28 drie jaren zo optoog: In welke tijd vermoedelijk zij de taal, de religie en de wetten van de Chaldeën zouden kunnen leren.
[^daniel-1-5-29]: Kanttekening 29: 29 staan voor het aangezicht van de koning: Dat is, dienen; zie Deut. 10:8, en 1 Kon. 17:1, en de aantekening. Deuteronomium 10:8: Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 1 Koningen 17:1: En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
[^daniel-1-7-30]: Kanttekening 30: 30 gaf hun: Te weten uit bevel van de koning, gelijk te zien is onder Dan. 5:12. Hebreeuws, stelde. Daniël 5:12: Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en van de aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, die de koning de naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.
[^daniel-1-7-31]: Kanttekening 31: 31 andere namen: Aldus heeft ook Farao Jozefs naam veranderd, Gen. 41:45; en Farao Necho, Eljakim, 2 Kon. 23:24, en 2 Kon. 24:17. Het schijnt dat dit placht te gebeuren tot een teken van heerschappij over zulke personen; ook schijnt het hier geschied te zijn aan Daniël en zijne metgezellen, uit haat van de namen van de ware God, die in de namen van deze jongelingen waren, te weten El en Jah, en opdat zij zo de ware God des te eerder vergeten en de namen van de afgoden zich algemeen en gemeenzaam zouden maken, hun gevende namen van de afgoden in plaats van de ware God. Want naar sommiger gevoelen is Daniël zoveel als God is mijn rechter; Chananjah: God heeft mij genade gedaan; Misaël betekent zoveel als een die de Heer aangrijpt; Azarjah: de hulp van de Heer, of, die God helpt; maar Beltsazar betekent een die Bels schatten weglegt en bewaart; Sadrach, een die invloeiingen krijgt van de koning van de planeten; dat is, van de zon; Mesach, een die de godin Sacha toebehoort; Abed-Nego, betekent een dienaar van Nego, de afgod van het vuur. Het heeft, buiten twijfel, deze godzalige jongelingen zeer verdroten, dat men hen gedwongen heeft de namen van de afgoden te dragen, in plaats van die troostelijke namen van de ware God, die hun godzalige ouders hun gegeven hadden. Genesis 41:45: En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. 2 Koningen 23:24: En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van YHWH gevonden had. 2 Koningen 24:17: En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.
[^daniel-1-7-32]: Kanttekening 32: Hebreeuws, hij stelde voor Daniël, en zo in het volgende. Daniël wordt eerst genoemd, als zijnde uit koninklijken stam, òf omdat hij zijne metgezellen in wijsheid en verstand overtrof; òf omdat er in dit boek voornamelijk van hem gesproken wordt.
[^daniel-1-7-33]: Kanttekening 33: Naar de naam van de afgod Bel; zie Dan. 4:8; tussen deze naam van Daniël en die van de koning van Babel is maar één letter onderscheid: Daniël werd genoemd Beltschazar, en de koning Belschazar, onder Dan. 5:1. Daniël 4:8: Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar de naam mijns gods, in wie ook de geest van de heilige goden is; en ik vertelde de droom voor hem, zeggende: Daniël 5:1: De koning Belsazar maakte een grote maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.
[^daniel-1-8-34]: Kanttekening 34: 34 Daniël nu: Wat Daniël gedaan heeft moet men verstaan, dat zijne metgezellen ook gedaan hebben, gelijk blijkt vers 11, 1:12. Daniël 1:11: Toen zei Daniël tot Melzar, die de overste van de kamerlingen gesteld had over Daniël, Hananja, Misael en Azarja: Daniël 1:12: Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.
[^daniel-1-8-35]: Kanttekening 35: 35 nam voor in zijn hart: Hebreeuws, zette, of legde op zijn hart (לִבּ).
[^daniel-1-8-36]: Kanttekening 36: Dat is, zijne consciëntie besmetten met onrein voedsel te eten; want de Chaldeën aten van verscheidene spijzen, als van varkens, hazen en verscheidene soorten van vissen en vogels, die de kinderen Israël te eten van God verboden waren, Lev. 11; Deut. 14. En zij besmetten ook de geoorloofde spijzen met afgodische ceremoniën en aanroepingen van hun goden, Dan. 5:4; 1 Kor. 10:7. Immers kon Daniël zulks niet doen zonder zijne naasten te ergeren. Zie Matt. 18:7. Daniël 5:4: Zij dronken de wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. 1 Korinthiërs 10:7: En wordt geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. Mattheüs 18:7: Wee de wereld vanwege de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt!
[^daniel-1-8-37]: Kanttekening 37: 37 zijns dranks: Te weten van de koning, dat is, van de wijn waar de koning zelf van dronk. Maar in het Hebreeuws staat het veelvoudig getal, zijn dranken, waaruit, naar sommiger mening, af te leiden is dat de koning van verscheidene soorten van wijnen dronk, die ook Daniël en zijn metgezellen voorgesteld werden.
[^daniel-1-9-38]: Kanttekening 38: 38 gaf Daniël genade en barmhartigheid: Hebreeuws, stelde Daniël ter goedertierenheid en ter barmhartigheden (חֶסֶד). Zie dergelijke manier van spreken, en van dergelijke genade van God, 1 Kon. 8:50; Ps. 106:46. Zie ook Neh. 1:11. De zin is: God gaf dat Daniël en zijne metgezellen niet gedwongen werden het voedsel van de koning te eten; maar Aspenaz zag het door de vingers, als de bottelier of spijsmeester hun moes of hofspijs te eten gaf. 1 Koningen 8:50: En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; Psalmen 106:46: Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. Nehemia 1:11: Och, YHWH, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed van Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man. Ik nu was schenker van de koning.
[^daniel-1-10-39]: Kanttekening 39: 39 Ik vreze mijn heer: Hij geeft hier te kennen dat hij Daniël en zijn metgezellen wel zou toelaten wat zij van hem begeerden, tenware dat hij gevreesd had in gevaar van zijn leven te komen, als de koning gemerkt had dat hunne gestalte ware vervallen, en dat hij de oorzaak daarvan zou onderzocht hebben.
[^daniel-1-10-40]: Kanttekening 40: 40 want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien: Alsof hij zei: Waarom zou ik de oorzaak daarvan zijn, dat de koning zou zien dat uwe aangezichten droeviger, jammerlijker, mismaakter, ontstelder, magerder of treuriger zouden zijn? Vergelijk Gen. 40:6, en de aantekening daar. Genesis 40:6: En Jozef kwam 's morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.
[^daniel-1-10-44]: Kanttekening 44: 44 schuldig maken: Hebreeuws, verschulden; dat is, mijn leven in gevaar brengen.
[^daniel-1-10-41]: Kanttekening 41: 41 die in gelijkheid met u zijn: Te weten van drie jaren, dat is, die ook, gelijk u, drie jaren lang aldus moeten opgeleid worden. Anderen verstaan het aldus: Die u in ouderdom gelijk zijn. Hebreeuws, naar uwe gelijkheid, of naar uwe blijdschap, dat zou zijn, die blij van gelaat zijn, gelijk u nu bent en niet droevig.
[^daniel-1-10-42]: Kanttekening 42: 42 Zo zoudt u: De zin is: Dusdoende zoudt u maken dat ik van de koning aan het leven zou gestraft worden; anders, wil hij zeggen, zou ik graag u uwe begeerte toelaten.
[^daniel-1-10-43]: Kanttekening 43: 43 mijn hoofd bij de koning: Dat is, mijn leven.
[^daniel-1-11-45]: Kanttekening 45: 45 Toen zei Daniël: Te weten toen hij merkte dat de overste van de kamerlingen zulks door de vingers zag, als hij maar buiten gevaar en verwijt mocht blijven.
[^daniel-1-11-46]: Kanttekening 46: 46 tot Melzar: Anders, tot de bezorger, uitdeler, bottelier, keukenmeester, schaffer.
[^daniel-1-11-47]: Kanttekening 47: 47 gesteld had: Te weten om hun voedsel en drank te geven en zorg te dragen over hunne opvoeding.
[^daniel-1-12-48]: Kanttekening 48: 48 Beproef toch: Anders: verzoek het toch met uwe knechten.
[^daniel-1-12-49]: Kanttekening 49: 49 uw knechten: Dat is, ons, mij Daniël en mijne metgezellen.
[^daniel-1-12-50]: Kanttekening 50: 50 van het gezaaide: Hebreeuws, van het zaad; dat is, van wat uit gezaaid zaad van de aarde voortkomt, als allerlei moeskruid, idem gerst, erwten, bonen, rijst, gierst, enz. Natuurlijkerwijze is vlees en wijn voedzamer dan moes en water, maar vermoedelijk zullen Daniël en zijne metgezellen gezien hebben op wat er geschreven staat, Deut. 8:3: De mens leeft niet van het brood alleen, maar, enz. Deuteronomium 8:3: En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat.
[^daniel-1-12-51]: Kanttekening 51: Hebreeuws, en wij zullen eten (נֹאכְלָה), enz.
[^daniel-1-13-52]: Kanttekening 52: 52 naar dat u zien zult: Dat is, naar gelegenheid van zaken, naardat u raadzaam zult vinden als u ene proef aan ons zult gedaan hebben.
[^daniel-1-15-53]: Kanttekening 53: 53 schoner waren: Hebreeuws, goed, of goeder (טוֹב); dat is, levendiger, beter van kleur, schoner.
[^daniel-1-15-54]: Kanttekening 54: 54 dan al de jongelingen: Dat is, dan de jongelingen, die van het beste en voedzaamste voedsel gegeten hadden. Niet het heerlijke voedsel en drank, maar Gods zegen maakt schoon en vet; vergelijk Richt. 13:4. Zie hiervan Gods belofte Ex. 23:25, en vergelijk verder Ps. 104:13, 104:14, 104:15, en Ps. 145:15, 145:16; Hebr. 11:37, 11:38; Matt. 4:4. Richteren 13:4: Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins. Exodus 23:25: En u zult YHWH uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de ziekten uit het midden van u weren. Psalmen 104:13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken. Psalmen 104:14: Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. Psalmen 104:15: En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt. Psalmen 145:15: Ain. Aller ogen wachten op U; en U geeft hun hun voedsel op zijn tijd. Psalmen 145:16: Pe. U doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen. Hebreeën 11:37: Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; Hebreeën 11:38: (Welker de wereld niet waard was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen van de aarde. Mattheüs 4:4: Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond van God uitgaat.
[^daniel-1-16-55]: Kanttekening 55: 55 de wijn huns dranks: Dat is, die zij drinken zouden, zie vers 8. Daniël 1:8: Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van het voedsel van de koning, noch met de wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van de overste van de kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.
[^daniel-1-17-56]: Kanttekening 56: 56 wetenschap en verstand: Te weten in de vrije kunsten, in staatkundige zaken en in natuurlijke dingen; maar niet in de kunst van toverij, welke God verboden heeft; Deut. 18:11. Deuteronomium 18:11: Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.
[^daniel-1-17-57]: Kanttekening 57: Zie boven vers 4. Daniël 1:4: Jongelingen, aan die geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in die bekwaamheid ware, om te staan in het paleis van de koning; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak van de Chaldeeën.
[^daniel-1-17-58]: Kanttekening 58: Daarom heeft God Daniël enige bijzondere gaven boven zijne metgezellen gegeven, om hem daardoor in aanzien te brengen, want Hij wilde hem boven zijne metgezellen in voortreffelijke zaken gebruiken.
[^daniel-1-17-59]: Kanttekening 59: 59 gezichten en dromen: Van gezichten, zie Gen. 15:1, en Gen. 46:2; Num. 12:6; en van dromen, Gen. 20:3; maar somtijds worden gezichten en dromen voor één genomen, gelijk Job 33:15. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Genesis 46:2: En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik! Numeri 12:6: En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Genesis 20:3: Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Job 33:15: In de droom, door het gezicht van de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimering op het leger;
[^daniel-1-18-60]: Kanttekening 60: 60 van de dagen: Te weten die drie jaren, waarvan vers 5 gesproken is. Daniël 1:5: En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken van het voedsel van de koning, en van de wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren zo optoog, en dat zij ten einde van die zouden staan voor het aangezicht van de koning.
[^daniel-1-18-61]: Kanttekening 61: 61 dat men hen zou inbrengen: Of, dat hij, te weten de overste van de kamerlingen, hen zou inbrengen; te weten in het paleis.
[^daniel-1-19-62]: Kanttekening 62: 62 En de koning sprak met hen: Of, als de koning met hen sprak, zo is er niemand, enz.
[^daniel-1-19-63]: Kanttekening 63: 63 zij stonden voor het aangezicht van de koning: Dat is, als de koning hunne wijsheid hoorde, heeft hij geoordeeld dat zij waard waren in het getal van zijn officieren aangenomen te worden en hem in grootwichtige zaken te dienen; zie vers 4. Daniël 1:4: Jongelingen, aan die geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in die bekwaamheid ware, om te staan in het paleis van de koning; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak van de Chaldeeën.
[^daniel-1-20-64]: Kanttekening 64: 64 van verstandige wijsheid: Hebreeuws, van wijsheid van de verstandigheid (חָכְמַת).
[^daniel-1-20-65]: Kanttekening 65: Of, veelmaal. Hebreeuws, tien handen (יָדוֹת). Zie Gen. 43:34; zie ook 2 Sam. 19:43. Genesis 43:34: En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. 2 Samuël 19:43: En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan de koning, en ook aan David, wij, meer dan u; waarom hebt u ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onze koning weer te halen? Maar het woord van de mannen van Juda was harder dan het woord van de mannen van Israël.
[^daniel-1-20-66]: Kanttekening 66: 66 boven al: Dat is, voortreffelijker, verstandiger, dan al de tovenaars.
[^daniel-1-20-67]: Kanttekening 67: 67 tovenaars en sterrekijkers: Zie Gen. 41:8, en Ex. 7:11. Genesis 41:8: En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde. Exodus 7:11: Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
[^daniel-1-21-68]: Kanttekening 68: Hier wordt Daniël alleen genoemd, niet zijne metgezellen, omdat doorgaans in dit boek zal gesproken worden van wat God door Daniël heeft gedaan en voorzegd.
[^daniel-1-21-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws, was, alhoewel niet altijd in even groot aanzien en hoogachting in de hoven van de koningen, gelijk blijkt Dan. 5:13, 5:16. Daniël 5:13: Toen werd Daniël voor de koning ingebracht. De koning antwoordde en zei tot Daniël: Zijt u die Daniël, één uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft? Daniël 5:16: Maar van u heb ik gehoord, dat u uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, als u dit schrift zult kunnen lezen, en de uitlegging daarvan mij bekend maken, u zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en u zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
[^daniel-1-21-70]: Kanttekening 70: Het woord tot, sluit niet altijd de toekomende tijd uit, zo dat het hier niet te zeggen is, dat hij zulks niet zou gebleven zijn ten tijde van de koning Cores. Wij lezen Dan. 10:1, dat hem in het derde jaar van deze koning nog grote dingen van God zijn geopenbaard geworden. In zulk ene betekenis moet ook het woord tot genomen worden, 2 Sam. 6:23; Ps. 110:1; Matt. 1:25. Daniël 10:1: In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht. 2 Samuël 6:23: Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot de dag van haar dood toe. Psalmen 110:1: Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Mattheüs 1:25: En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
[^daniel-1-21-71]: Kanttekening 71: 71 het eerste jaar van de koning Kores toe: Daniël heeft over de zeven en zeventig jaren geleefd in het hof van de koningen te Babel, eerst onder Nebukadnezar de Grote; daarna onder Evilmerodach zijn zoon, en onder Belsazar. In het eerste jaar van Cores \[die koning van Perzië zijnde, ook koning van Babel geworden is\], zijn de Joden uit hun zeventig jarige gevangenschap ontslagen. Zolang en nog daarna heeft God Daniël in het leven gespaard, opdat hij zijn volk zou voorstaan, onderwijzen en troosten de ganse tijd van hun gevangenschap; een bewijs van Gods zonderlinge zorg over zijn volk.

### Daniël 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/2.json)

*De koning Nebukadnezar droomt een droom, die hij vergeten is, en hij verlangt die van de wijzen van de Chaldeeën te weten, vers 1 enz. Daar zij dat niet kunnen doen, worden zij ter dood veroordeeld, 12. De droom wordt aan Daniël in een gezicht geopenbaard, nadat hij en zijn metgezellen God de HEERE ijverig gebeden hadden, 17. Daarvoor danken zij God, 23. En Daniël maakt de koning de droom bekend, met de uitlegging daarvan, 25. Daarom wordt Daniël door de koning verhoogd, 46.*

**1** [^daniel-2-1-1] In het tweede jaar nu[^daniel-2-1-2] van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar[^daniel-2-1-3] dromen; daarvan werd zijn geest[^daniel-2-1-4] verslagen, en zijn slaap[^daniel-2-1-5] werd in hem gebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v1)

**2** Toen[^daniel-2-2-6] zei de koning, dat men roepen zou[^daniel-2-2-7] de tovenaars, en de sterrekijkers, en de[^daniel-2-2-8] bezweerders, en[^daniel-2-2-9] de Chaldeeën, om de koning zijn dromen[^daniel-2-2-10] te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v2)

**3** En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld[^daniel-2-3-11] om die droom te weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v3)

**4** Toen spraken[^daniel-2-4-12] de Chaldeeën, tot de koning[^daniel-2-4-13] in het Syrisch:[^daniel-2-4-14] O koning, leef in[^daniel-2-4-15] eeuwigheid! Zeg[^daniel-2-4-16] uw knechten de droom,[^daniel-2-4-17] zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v4)

**5** De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën:[^daniel-2-5-18] De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt,[^daniel-2-5-19][^daniel-2-5-a] u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een[^daniel-2-5-20] mesthoop gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v5)

**6** Maar als u de droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult u geschenken en[^daniel-2-6-21] gaven, en[^daniel-2-6-22] grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij de droom en zijn uitlegging te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v6)

**7** Zij antwoordden voor de tweede keer, en zeiden: De koning zegge zijn knechten de droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v7)

**8** De koning antwoordde en zei: Ik weet[^daniel-2-8-23] zeker, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat[^daniel-2-8-25] de zaak mij ontgaan is.[^daniel-2-8-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v8)

**9** Als u mij[^daniel-2-9-26] die droom niet te kennen geeft, uw[^daniel-2-9-27] vonnis is dezelfde; daarom hebt u een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen[^daniel-2-9-28] bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij de droom, dan zal ik weten, dat u mij de uitlegging daarvan zult te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v9)

**10** De Chaldeeën antwoordden[^daniel-2-10-29] voor de koning, en zeiden:[^daniel-2-10-30] Er is geen mens[^daniel-2-10-31] op de aardbodem, die het woord van de[^daniel-2-10-32] koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning,[^daniel-2-10-33] grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v10)

**11** Want de zaak die de koning begeert,[^daniel-2-11-34] is te zwaar; en er is niemand anders, die dat voor de koning te kennen kan geven, dan[^daniel-2-11-35] de goden, van wie de woning bij het vlees niet is[^daniel-2-11-36]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v11)

**12** [^daniel-2-12-37] Daarom werd de koning boos en zeer toornig, en[^daniel-2-12-38] zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v12)

**13** Die[^daniel-2-13-39] wet dan ging uit, en[^daniel-2-13-40] de wijzen werden gedood;[^daniel-2-13-41] men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v13)

**14** [^daniel-2-14-42] Toen bracht Daniël een raad en oordeel in, aan Arioch,[^daniel-2-14-43] de overste van de lijfwachten van de koning, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v14)

**15** [^daniel-2-15-44] Hij antwoordde en zei tot Arioch,[^daniel-2-15-45] de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden?[^daniel-2-15-47] Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen.[^daniel-2-15-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v15)

**16** [^daniel-2-16-48] En Daniël ging in, en verzocht van de koning, dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v16)

**17** Toen ging Daniël naar zijn huis, en[^daniel-2-17-49] hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v17)

**18** Opdat zij[^daniel-2-18-50] van de God van de[^daniel-2-18-51] hemel barmhartigheden verzochten over dit geheim, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v18)

**19** Toen werd aan[^daniel-2-19-52] Daniël in een nachtgezicht het geheim geopenbaard; toen[^daniel-2-19-53] loofde Daniël de God van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v19)

**20** Daniël[^daniel-2-20-54] antwoordde en zei:[^daniel-2-20-55] De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want[^daniel-2-20-56] Zijn is de wijsheid en de kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v20)

**21** Want[^daniel-2-21-57] Hij verandert de tijden en tijdstippen; Hij[^daniel-2-21-58] zet de koningen af, en Hij[^daniel-2-21-59] bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap aan hen,[^daniel-2-21-60] die verstand hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v21)

**22** Hij[^daniel-2-22-b] openbaart[^daniel-2-22-61] diepe en verborgen dingen;[^daniel-2-22-62] Hij weet, wat in het duister is, want[^daniel-2-22-63] het licht woont bij Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v22)

**23** Ik dank en ik loof U, o God van mijn vaders! omdat U mij wijsheid en[^daniel-2-23-64] kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want U hebt[^daniel-2-23-65] ons[^daniel-2-23-66] de zaak van de koning bekend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v23)

**24** Daarom ging Daniël in tot Arioch, die de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging heen en zei zo tot hem:[^daniel-2-24-67] Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor de koning, en ik zal de koning[^daniel-2-24-68] de uitlegging te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v24)

**25** Toen bracht Arioch[^daniel-2-25-69] met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de[^daniel-2-25-70] als gevangene weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v25)

**26** De koning[^daniel-2-26-71] antwoordde en[^daniel-2-26-72] zei tot Daniël, wiens naam Beltsazar was:[^daniel-2-26-73] Bent u machtig mij bekend te maken de droom, die ik gezien heb, en zijn uitlegging? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v26)

**27** Daniël antwoordde voor de koning, en zei: Het geheim, dat de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars,[^daniel-2-27-74] en de waarzeggers de koning niet te kennen geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v27)

**28** Maar er is een God in de hemel, Die geheimen openbaart,[^daniel-2-28-75] Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal[^daniel-2-28-76] in het laatste van de dagen; uw droom, en de visioenen van uw hoofd op uw leger,[^daniel-2-28-77] zijn deze: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v28)

**29** U, o koning! op uw bed zijnde, klommen uw gedachten op, wat[^daniel-2-29-78] hierna[^daniel-2-29-79] gebeuren zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er gebeuren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v29)

**30** Mij nu, mij is het geheim geopenbaard,[^daniel-2-30-80] niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar[^daniel-2-30-81] daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en[^daniel-2-30-82] opdat u de gedachten van uw hart zou weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v30)

**31** U, o koning![^daniel-2-31-83] zag, en ziet, er was[^daniel-2-31-84] een[^daniel-2-31-85] groot beeld (dit beeld was voortreffelijk, en[^daniel-2-31-86] de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en[^daniel-2-31-87] zijn gedaante was schrikkelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v31)

**32** Het hoofd van dit beeld was[^daniel-2-32-88] van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn[^daniel-2-32-89] buik en zijn dijen van koper; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v32)

**33** Zijn benen van ijzer; zijn voeten[^daniel-2-33-90] deels van ijzer, en deels van leem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v33)

**34** [^daniel-2-34-91] Dit zag u, totdat[^daniel-2-34-92] er een steen[^daniel-2-34-93] afgehouwen werd[^daniel-2-34-94] zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v34)

**35** Toen werden[^daniel-2-35-95] samen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van[^daniel-2-35-96] de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo[^daniel-2-35-97] dat hij de hele aarde vervulde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v35)

**36** Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen[^daniel-2-36-98] wij voor de koning zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v36)

**37** U, o koning! bent[^daniel-2-37-99] een koning van de koningen; want de God van de hemel heeft u[^daniel-2-37-100] een koninkrijk,[^daniel-2-37-101] macht, en sterkte, en eer gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v37)

**38** En[^daniel-2-38-102] overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel[^daniel-2-38-103] in uw hand gegeven; en Hij heeft u[^daniel-2-38-104] gesteld tot een heerser over die allen;[^daniel-2-38-105] u bent[^daniel-2-38-106] dat gouden hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v38)

**39** En[^daniel-2-39-107] na u zal[^daniel-2-39-108] een ander koninkrijk opstaan,[^daniel-2-39-109] lager dan het uwe; daarna[^daniel-2-39-110] een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal[^daniel-2-39-111] over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v39)

**40** En[^daniel-2-40-112] het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt;[^daniel-2-40-113] gelijk nu het ijzer, dat dat alles verbreekt, zo zal het vermalen en verbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v40)

**41** En dat u gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal[^daniel-2-41-114] een gedeeld koninkrijk zijn,[^daniel-2-41-115] maar daar zal van de vastheid van het ijzer in zijn, in welk opzicht u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v41)

**42** En[^daniel-2-42-116] de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal[^daniel-2-42-117] ten dele hard zijn, en ten dele broos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v42)

**43** En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad[^daniel-2-43-118] vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, zoals zich ijzer met leem niet vermengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v43)

**44** Maar in de dagen van[^daniel-2-44-119] die koningen zal de God van de[^daniel-2-44-120] hemel een Koninkrijk verwekken,[^daniel-2-44-c] dat in de eeuwigheid niet zal verstoord worden; en[^daniel-2-44-121] dat Koninkrijk[^daniel-2-44-122] zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal[^daniel-2-44-123] al die koninkrijken[^daniel-2-44-124] vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v44)

**45** [^daniel-2-45-125] Daarom hebt u gezien, dat[^daniel-2-45-126] uit de berg[^daniel-2-45-127] een steen[^daniel-2-45-128] zonder handen[^daniel-2-45-129] afgehouwen is geworden,[^daniel-2-45-130] die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat[^daniel-2-45-131] hierna gebeuren zal; de droom nu[^daniel-2-45-132] is zeker, en zijn uitlegging is zeker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v45)

**46** [^daniel-2-46-133] Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en[^daniel-2-46-134] aanbad Daniël; en hij zei, dat men hem met voedseloffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v46)

**47** De koning[^daniel-2-47-135] antwoordde Daniël en zei: Het is[^daniel-2-47-136] de waarheid,[^daniel-2-47-137] dat uw God een God van de goden is, en een Heere van de koningen, en Die de geheimen openbaart, omdat u dit geheim hebt kunnen openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v47)

**48** [^daniel-2-48-138] Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het hele gewest van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v48)

**49** [^daniel-2-49-139] Toen verzocht Daniël van de koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego[^daniel-2-49-140] over[^daniel-2-49-141] de bediening van het gewest van Babel;[^daniel-2-49-142] maar Daniël bleef aan de poort van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/2.html#v49)

[^daniel-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 tweede jaar: Dat is niet te verstaan van het tweede jaar, waarin Nebukadnezar heeft begonnen te regeren, want Daniël wordt hier met de wijzen te Babel gezocht om gedood te worden, onder welke hij niet is gerekend geworden, dan nadat hij drie jaren in het hof van Nebukadnezar was opgevoed en in de schrift van de Chaldeën onderwezen geweest. Men kan dit verstaan van het tweede jaar van de absolute regering van Nebukadnezar, zijn vader dood zijnde, en hij nu alleen regerende over de gehele monarchie van Babylonië, nadat hij overwinnend uit Egypte en het Joodse land was wedergekomen, en nu in vrede daarover regeerde.
[^daniel-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 van het koninkrijk van Nebukadnezar: Niet van het rijk van Cyrus, maar van Nebukadnezar; want dit wordt hier alleen tot onderscheiding bijgevoegd, omdat van de koning Cyrus in Dan. 1:21 was gewag gemaakt, dat niemand mene dat deze geschiedenis voorgevallen is in Cyrus' rijk. Daniël 1:21: En Daniël bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe.
[^daniel-2-1-3]: Kanttekening 3: Aldus spreekt de profeet, omdat ofschoon het maar een droom geweest is, toch worden daarin vele delen of stukken verhaald, gelijk vers 31, enz. te zien is. Anders: dromen; dat is, een bijzonderen en voortreffelijken droom. Daniël 2:31: U, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
[^daniel-2-1-4]: Kanttekening 4: Hieruit heeft de koning vernomen en kunnen oordelen, dat het een buitengewone droom was, die God hem had ingegeven, gelijk van Jozef, Gen. 37; van de schenkers en bakkers, Gen. 40:6; van Farao, Gen. 41; van Abimelech, Gen. 20:3; van Laban, Gen. 31; zie de aantekening Gen. 40:6, en zie van het Hebreeuwse woord Richt. 13:25; vergelijk Gen. 41:8. Genesis 40:6: En Jozef kwam van de morgen tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld. Genesis 20:3: Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. Genesis 40:6: En Jozef kwam van de morgen tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld. Richteren 13:25: En de Geest van YHWH begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol. Genesis 41:8: En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.
[^daniel-2-1-5]: Kanttekening 5: 5 werd in hem gebroken: Of, als zijn slaap in hem was; dat is, toen hij nog sliep.
[^daniel-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 zei de koning: Dat is, gebood; gelijk Dan. 1:3. Daniël 1:3: En de koning zei tot Aspenaz, de overste van zijn kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enige uit de kinderen van Israël, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;
[^daniel-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 de tovenaars: Zie de aantekening Gen. 41:8. Genesis 41:8: En het geschiedde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.
[^daniel-2-2-8]: Kanttekening 8: Zie Ex. 7:11. Exodus 7:11: Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
[^daniel-2-2-9]: Kanttekening 9: Dit was in die tijden een erenaam, alsof zij al de wijsheid en wetenschap alleen gehad hadden, en dat in andere landen of mensen gene wijsheid ware te vinden geweest.
[^daniel-2-2-10]: Kanttekening 10: 10 te kennen te geven: Versta hierbij: en daarna uit te leggen, vers 5. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-2-3-11]: Kanttekening 11: 11 om die droom te weten: Dit is een kort-afgebroken rede in verbaasdheid gesproken, die op deze of dergelijke wijze kan vol gemaakt worden: en ik ben begerig om die droom te weten.
[^daniel-2-4-12]: Kanttekening 12: 12 de Chaldeeën: Onder deze naam moet men hier verstaan al die soorten van tovenaars, waar vers 2 van gesproken is. Daniël 2:2: Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning.
[^daniel-2-4-13]: Kanttekening 13: 13 in het Syrisch: Hebreeuws, in het Aramisch. Want Aram is Syrië; zie de aantekening 2 Sam. 8:5. De Syrische taal was ook de taal van de Chaldeën en van de Babyloniërs en zij was in die tijden zeer algemeen in al de Oosterse landen. 2 Samuël 8:5: En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^daniel-2-4-14]: Kanttekening 14: 14 O koning: Van vers 4 tot het einde van Dan. 7 is de tekst Chaldeeuws of Babylonisch. Daniël 2:4: Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
[^daniel-2-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, lang en gelukkig. Vergelijk 1 Kon. 1:31, met de aantekening. Hebreeuws, in eeuwigheden. 1 Koningen 1:31: Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!
[^daniel-2-4-16]: Kanttekening 16: 16 uw knechten de droom: Dat is ons, die uwe knechten zijn.
[^daniel-2-4-17]: Kanttekening 17: 17 zo zullen wij de uitlegging te kennen geven: Deze belofte is al te stout, te beloven de uitlegging van een droom voordat zij hem gehoord hadden.
[^daniel-2-5-18]: Kanttekening 18: 18 De zaak is mij ontgaan: Dat is, ik heb vergeten wat ik gedroomd heb, gelijk vers 8. Anders: daar gaat een bevel van mij uit, te weten wat hier volgt, tenzij dat u, enz. en zo vers 8. Daniël 2:8: De koning antwoordde en zei: Ik weet vastelijk, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat de zaak mij ontgaan is. Daniël 2:8: De koning antwoordde en zei: Ik weet vastelijk, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat de zaak mij ontgaan is.
[^daniel-2-5-19]: Kanttekening 19: 19 u zult in stukken gehouwen worden: Chaldeeuws, u zult \[tot\] stukken gemaakt worden; dat is, u zult in stukken gekapt of gehouwen worden. Dit was in zichzelf een geheel onrechtvaardige begeerte, en zulk een dreigement geheel tirannisch; want welk mens is er, die van een ander mens zijn droom kan weten? Nochtans, omdat deze sterrenkijkers zich beroemden uit de loop van de hemel verborgen dingen, ook toekomenden te kunnen weten en voorzeggen, zo eist de koning hier niets meer van hen, dan zijzelf vermaten te kunnen doen, God deze zaak zo door zijne voorzienigheid besturende, opdat de ijdelheid van hun hoge beroeming zou openbaar worden.
[^daniel-2-5-a]: Verwijzing a: Dan. 3:29. Daniël 3:29: Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan.
[^daniel-2-5-20]: Kanttekening 20: 20 drekhoop gemaakt worden: Of, mesthoop, privaat, zo Dan. 3:29, en Ezra 6:11. Daniël 3:29: Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan. Ezra 6:11: Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-2-6-21]: Kanttekening 21: Het Chaldeeuwse woord betekent een overvloedige of overdadige verering als men geen geld spaart. Hieruit blijkt hoe groot de begeerte van de koning was om deze droom te weten.
[^daniel-2-6-22]: Kanttekening 22: 22 grote eer van mij ontvangen: Of, veel heerlijkheid; te weten verhoging van bezoldigingen, privilegiën, vrijheden, vereringen.
[^daniel-2-8-23]: Kanttekening 23: Chaldeeuws, uit vaste; dat is, zekerlijk, voorzeker.
[^daniel-2-8-25]: Kanttekening 25: 25 de zaak mij ontgaan is: Chaldeeuws, het woord; zie boven de aantekening vers 5. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-2-8-24]: Kanttekening 24: 24 de tijd uitkoopt: Dat is, uitstel zoekt, tijd zoekt te winnen en mijn begeerte uit te stellen zolang als het u goeddunken zal.
[^daniel-2-9-26]: Kanttekening 26: 26 die droom niet te kennen geeft: Versta hierbij, met zijne uitlegging.
[^daniel-2-9-27]: Kanttekening 27: 27 vonnis is enerlei: Chaldeeuws, wet; vergelijk Esth. 4:11. Alsof de koning zei: U weet wel wat vonnis er alreeds over u uitgesproken is, te weten dat u zult in stukken gehouwen worden, vers 5, daarom hebt u, enz. Esther 4:11: Alle knechten van de koning, en het volk, van de landschappen van de koning, weten wel dat al wie tot de koning ingaat in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning de gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot de koning in te komen. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-2-9-28]: Kanttekening 28: 28 totdat de tijd verandere: Dat is, totdat ik met langheid van tijd vergeet u aan te porren, en u middelerwijl ontkomen mocht.
[^daniel-2-10-29]: Kanttekening 29: 29 voor de koning: Dat is, in de aanwezigheid van de koning, of voor het aangezicht van de koning, gelijk vers 11. Daniël 2:11: Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dat voor de koning te kennen kan geven, dan de goden, van wie de woning bij het vlees niet is.
[^daniel-2-10-30]: Kanttekening 30: 30 Er is geen mens: Zij brengen drie redenen van verontschuldiging bij: 1. dat het de mens onmogelijk is; 2. dat nooit een koning zulks geëist heeft; 3. dat het alleen de goden toekomt te weten wat de koning van hen begeerde te weten.
[^daniel-2-10-31]: Kanttekening 31: 31 op de aardbodem: Chaldeeuws, op het droge; gelijk Gen. 1:10. Genesis 1:10: En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
[^daniel-2-10-32]: Kanttekening 32: 32 woord zou kunnen te kennen geven: Dat is, wat de koning begeert te weten.
[^daniel-2-10-33]: Kanttekening 33: 33 grote of heerser: Het Chaldeeuws woord betekent een die groot is in macht of eer, of enige andere zaak.
[^daniel-2-11-34]: Kanttekening 34: 34 is te zwaar: Chaldeeuws, is te dierbaar, te kostelijk, dat is, zij wordt onder de mensen niet gevonden.
[^daniel-2-11-35]: Kanttekening 35: 35 de goden: Dat is gesproken naar de wijze van de heidenen, die vele goden hadden.
[^daniel-2-11-36]: Kanttekening 36: 36 bij het vlees niet is: Dat is, bij de mensen, die met vlees en bloed bekleed zijn.
[^daniel-2-12-37]: Kanttekening 37: 37 Daarom werd de koning toornig: Eensdeels, omdat zij de begeerte van de koning niet konden voldoen; anderdeels, omdat zij de koning genoegzaam van tirannie beschuldigden, omdat hij zulke onmogelijke, ongehoorde, ja goddelijke dingen van hen wilde weten.
[^daniel-2-12-38]: Kanttekening 38: Dat is, gebood.
[^daniel-2-13-39]: Kanttekening 39: 39 wet dan ging uit: Vonnis, oordeel, sententie.
[^daniel-2-13-40]: Kanttekening 40: 40 de wijzen werden gedood: Enige van de wijzen. Daniël heeft verhinderd dat zij allen zijn gedood geworden, maar het vonnis was aan enige al ten uitvoer gebracht eer Daniël tevoorschijn kwam.
[^daniel-2-13-41]: Kanttekening 41: 41 men zocht ook Daniël en zijn metgezellen: Hieruit is af te nemen dat Daniël en zijne metgezellen niet zijn geweest in het gezelschap van de Chaldeeuwse tovenaars, toen die voor de koning kwamen.
[^daniel-2-14-42]: Kanttekening 42: 42 Toen bracht Daniël een raad en oordeel in: Anders: toen antwoordde Daniël aan Arioch met raad en wijsheid. Anders: toen schortte Daniël het besluit en de last, welke aan Arioch gegeven was. Anders: toen antwoordde Daniël een raad en voorzichtigheid, dat is, een voorzichtigen raad.
[^daniel-2-14-43]: Kanttekening 43: 43 de overste van de trawanten van de koning: Zie de aantekening Gen. 37:36. Genesis 37:36: En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de trawanten.
[^daniel-2-15-44]: Kanttekening 44: 44 Hij antwoordde en zei tot Arioch: Dat is, hij sprak, of hij hief zijne rede op. Aldus wordt het woord antwoorden dikwijls genomen; zie Richt. 18:14. Richteren 18:14: Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.
[^daniel-2-15-45]: Kanttekening 45: 45 de bevelhebber van de koning: Chaldeeuws, heerser. Dat hier zoveel is als een geweldhebber of overste van de garde van de koning, gelijk vers 10. Daniël 2:10: De Chaldeeën antwoordden voor de koning, en zeiden: Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.
[^daniel-2-15-47]: Kanttekening 47: 47 Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen: Hieruit blijkt dat Daniël niet is ontboden geweest met de tovenaars, enz. De Heer heeft niet gewild dat zijne dienaren onder de dienaren van de duivel gemengd of gerekend zouden worden, tot verkleining of verdonkering van de eer van zijn heilige majesteit.
[^daniel-2-15-46]: Kanttekening 46: 46 Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden: Dat is, welke reden is er, dat men dus haastig met het doden van de wijzen voortvaart? En zou het uitvoeren van dit vonnis niet nog wat kunnen of mogen opgeschort worden? Chaldeeuws, waarom haast deze wet, of dit vonnis van het aangezicht van de koning?
[^daniel-2-16-48]: Kanttekening 48: 48 En Daniël ging in: Versta dit zo, dat Daniël in het paleis van de koning gegaan is, en door één van de voornaamste hovelingen verzocht heeft, dat hem een zekere tijd mocht gesteld worden om de koning de droom en de uitlegging te kennen te geven, maar zelf is hij voor ditmaal tot de koning niet ingegaan en heeft hem niet gesproken; want vers 25 staat, dat Daniël door Arioch tot de koning is gebracht. Daniël 2:25: Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
[^daniel-2-17-49]: Kanttekening 49: 49 hij gaf de zaak zijn metgezellen: Te weten tot dat einde, opdat zij met hem God zouden bidden, dat Hij hem de droom en de uitlegging zou willen openbaren; zie vers 23, 2:30. Ofschoon Daniël zijne metgezellen in wijsheid en verstand verre teboven ging, zo veracht hij hen nochtans niet, maar hij verzoekt dat zij hunne gebeden, tot de zijne zouden willen voegen, gelijk Paulus ook gedaan heeft; Rom. 15:30; 2 Kor. 1:11; Filipp. 1:19. Daniël 2:23: Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat U mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want U hebt ons de zaak van de koning bekend gemaakt. Daniël 2:30: Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat u de gedachten uws harten zoudt weten. Romeinen 15:30: En ik bid u, broers, door onze Heer Jezus Christus, en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; 2 Korinthiërs 1:11: Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde. Filippensen 1:19: Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid strekken zal, door uw gebed en ondersteuning van de Geest van Jezus Christus.
[^daniel-2-18-50]: Kanttekening 50: 50 van de God van de hemel: Chaldeeuws, van het aangezicht van de hemel.
[^daniel-2-18-51]: Kanttekening 51: 51 barmhartigheden verzochten: Alhoewel deze mannen zo uitnemend waren in godzaligheid, zo wenden zij gene verdiensten voor, om welke zij de openbaring van deze verborgenheden zouden verdienen.
[^daniel-2-19-52]: Kanttekening 52: 52 in een nachtgezicht: In de slaap, of wakker zijnde.
[^daniel-2-19-53]: Kanttekening 53: 53 loofde Daniël de God van de hemel: Hebreeuws, zegende, gelijk Gen. 14:20, en elders. Genesis 14:20: En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^daniel-2-20-54]: Kanttekening 54: 54 antwoordde en zei: Zie boven vers 15. Daniël 2:15: Hij antwoordde en zei tot Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen.
[^daniel-2-20-55]: Kanttekening 55: 55 De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid: Dat is, God de Heer, gelijk Ps. 7:18, en Ps. 113:2, en Ps. 115:1, en Ps. 116:4. Psalmen 7:18: Ik zal YHWH loven naar Zijn gerechtigheid, en de Naam van YHWH, van de Allerhoogste, psalmzingen. Psalmen 113:2: De Naam van YHWH zij geprezen, van nu aan tot in eeuwigheid. Psalmen 115:1: Niet ons, o YHWH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid, omwille van Uw waarheid. Psalmen 116:4: Maar ik riep de Naam van YHWH aan, zeggende: Och YHWH! bevrijd mijn ziel.
[^daniel-2-20-56]: Kanttekening 56: 56 Zijn is de wijsheid en de kracht: Zodat zijn voornemen op geen enkele wijze kan tegenstaan of belet worden.
[^daniel-2-21-57]: Kanttekening 57: 57 Hij verandert de tijden en stonden: Dat is, Hij ordineert, bestuurt en regeert al de zaken, die in de wereld gebeuren, naar zijn believen en goddelijke almacht; zo dat alle ding, persoon en wat het wezen mag, zijn zekeren bestemden tijd van God verordineerd is, wanneer, hoe, door wie, dit of dat onfeilbaarlijk gebeuren zal, ofschoon het alle mensen en duivels zochten te verhinderen; vergelijk Pred. 3:1. Prediker 3:1: Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd.
[^daniel-2-21-58]: Kanttekening 58: 58 zet de koningen af: Of, verzet. Chaldeeuws, die de koningen overzet; te weten van een hoge tot een nederen staat, ja ook van het leven in het graf. Anders: Hij doet hen voorbijgaan, Hij neemt hen weg. Zie de voorbeelden van Nebukadnezar en Belsazar, in dit boek, en vergelijk met deze plaats Job 12:18. Job 12:18: De band van de koningen maakt Hij los, en Hij bindt de gordel aan hun lenden.
[^daniel-2-21-59]: Kanttekening 59: 59 bevestigt de koningen: Of, zet in; te weten in hun koninklijke waardigheid; zie Ps. 75:7, en Job 34:24. Psalmen 75:7: Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; Job 34:24: Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.
[^daniel-2-21-60]: Kanttekening 60: 60 die verstand hebben: Chaldeeuws, die verstand kennen, of weten; zie Jak. 1:5, 1:17. Jakobus 1:5: En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die iedereen mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Jakobus 1:17: Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^daniel-2-22-b]: Verwijzing b: Job 32:8. Job 32:8: Zekerlijk de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige, maakt henlieden verstandig.
[^daniel-2-22-61]: Kanttekening 61: 61 diepe en verborgen dingen: Dat is, wat de mensen niet zouden kunnen verstaan of doorgronden, tenware Hij hun verstand door de werking van zijn Heilige Geest verlicht.
[^daniel-2-22-62]: Kanttekening 62: 62 Hij weet, wat in het duister is: De zin is, daar is geen ding zo verborgen, of het is voor zijne ogen openbaar; zie Hebr. 4:13. Ja, Hij weet ook alle toekomende dingen. Hebreeën 4:13: En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Degene, met Welke wij te doen hebben.
[^daniel-2-22-63]: Kanttekening 63: 63 het licht woont bij Hem: De Heilige Schrift getuigt dat God het licht zelf is, 1 Joh. 1:5; dat Hij in het licht is, 1 Joh. 1:7; dat Hij woont in het licht waar niemand toe komen kan; 1 Tim. 6:16; zodat voor zijne ogen geen ding duister of verborgen is. 1 Johannes 1:5: En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en geheel geen duisternis in Hem is. 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 1 Timotheüs 6:16: Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.
[^daniel-2-23-64]: Kanttekening 64: 64 kracht gegeven hebt: Versta hier door kracht of sterkte, couragie of moed, om het wrede voornemen van de koning te stuiten. Sommigen verstaan hier door de kracht het vermogen of de macht, om de droom van de koning en zijne beduiding te verstaan. Want Daniël had geen uitwendige kracht van wapenen, gelijk de koningen en prinsen van deze wereld hebben.
[^daniel-2-23-65]: Kanttekening 65: Te weten mij en mijnen metgezellen.
[^daniel-2-23-66]: Kanttekening 66: 66 de zaak van de koning bekend gemaakt: Dat is, de droom van de koning en zijne uitlegging.
[^daniel-2-24-67]: Kanttekening 67: 67 Breng de wijzen van Babel niet om: Daniëls mening is dat de wijzen in geen geval daarmede de dood verdiend hadden, omdat zij de koning de droom niet zeggen of uitleggen konden. Maar hij verschoont hen daarin niet, dat zij tovenaars, enz waren, en te dien aanzien waard waren aan het leven gestraft te worden; de koning integendeel liet hun ambt goed blijven, en hij strafte hen omdat zij het niet ter deeg konden, naar zijne gedachte.
[^daniel-2-24-68]: Kanttekening 68: 68 de uitlegging te kennen geven: De droom en de uitlegging van de droom, want zulks verzocht de koning.
[^daniel-2-25-69]: Kanttekening 69: 69 met haast: Of, op het spoedigste. Chaldeeuws, met beroering, want in de haast is beroering. Het kan ook wel genomen worden naar de letter, zo namelijk, dat Arioch in zijn gemoed is ontroerd geweest, omdat hij de koning zou kunnen verblijden, en omdat hij nu zou ontslagen worden van de last, wat betreft het doden van de wijzen.
[^daniel-2-25-70]: Kanttekening 70: 70 gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden: Chaldeeuws, kinderen van de gevangenis, of gevankelijke wegvoering, gelijk onder Dan. 5:13. Daniël 5:13: Toen werd Daniël voor de koning ingebracht. De koning antwoordde en zei tot Daniël: Zijt u die Daniël, één uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?
[^daniel-2-26-71]: Kanttekening 71: Antwoorden, voor een rede aanvangen, of spreken; zie boven vers 20; Spreuk. 15:1, 15:28, en Spreuk. 16:1. Daniël 2:20: Daniël antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht. Spreuken 15:1: Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet de toorn oprijzen. Spreuken 15:28: Het hart van de rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond van de goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten. Spreuken 16:1: De mens heeft schikkingen van het hart; maar het antwoord van de tong is van YHWH.
[^daniel-2-26-72]: Kanttekening 72: 72 zei tot Daniël: Te weten, nadat Daniël tot hem was ingebracht.
[^daniel-2-26-73]: Kanttekening 73: 73 Zijt u machtig mij bekend te maken de droom: Dat is, hebt u de wetenschap en het verstand?
[^daniel-2-27-74]: Kanttekening 74: 74 de waarzeggers de koning: Versta hier, zulke personen, die de Latijnen haruspices noemen, die uit de ingewanden van de opgeofferde beesten zich vermaten toekomstige dingen te kunnen voorzeggen. Chaldeeuws eigenlijk, snijders, omdat zij de geofferde beesten opensneden, tot zulk een einde als straks gezegd is; zie Ez. 21:21. Ezechiël 21:21: Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.
[^daniel-2-28-75]: Kanttekening 75: 75 Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt: Het heeft God de Heer niet beliefd de koning Nebukadnezar door Daniël te openbaren wat er in alle bijzondere vorstendommen, of alle hoeken van de wereld gebeuren zou; maar alleen welke gelegenheid het hebben zou met de vier monarchieën in het algemeen.
[^daniel-2-28-76]: Kanttekening 76: 76 in het laatste van de dagen: Chaldeeuws, in navolging van de dagen; dat is hierna, in volgende tijden, gelijk onder vers 29, 2:45; vergelijk ook Gen. 49:1, en Jer. 23:20. Daniël 2:29: U, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna gebeuren zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er gebeuren zal. Daniël 2:45: Daarom hebt u gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna gebeuren zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker. Genesis 49:1: Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen wedervaren zal. Jeremia 23:20: De toorn van YHWH zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u met verstand daarop letten.
[^daniel-2-28-77]: Kanttekening 77: 77 zijn deze: Chaldeeuws, is dit; dat is, het betekent dat het gebeuren zal in toekomende tijden.
[^daniel-2-29-78]: Kanttekening 78: Te weten lang na uw dood.
[^daniel-2-29-79]: Kanttekening 79: 79 gebeuren zou: Te weten van uwe monarchie, of zij in uwe nakomelingen zal blijven, of dat zij aan een ander geslacht of volk zal overgesteld worden.
[^daniel-2-30-80]: Kanttekening 80: 80 niet door wijsheid: Daniël wil in geen geval hebben dat men hem die eer zou geven, alsof hij door zijne wijsheid de koning zijn droom zou kunnen openbaren; maar hij wil dat men daarvan al de eer aan God zal toeschrijven.
[^daniel-2-30-81]: Kanttekening 81: Of, om dergenen wil die, enz. Of, daarom opdat. Chaldeeuws, ter oorzake opdat zij de koning bekend zouden maken. Waarvan de zin zou zijn, naar sommiger gevoelen: Dat is mij geopenbaard, vanwege de Joden, uwe gevangenen, waar ik er een van ben, in deze gevangenschap of ballingschap; door wier gebeden God geopenbaard heeft de droom van de koning en de uitlegging daarvan, opdat zij enige troost daardoor van u zouden verkrijgen, die door mij de droom en zijne uitlegging uwe majesteit zullen bekend maken.
[^daniel-2-30-82]: Kanttekening 82: 82 opdat u de gedachten uws harten zoudt weten: Dat is, opdat u weten mag wat het is, waar u zozeer over bekommerd bent.
[^daniel-2-31-83]: Kanttekening 83: Chaldeeuws, was ziende, niet met de vleselijke ogen, maar al slapende en in de droom.
[^daniel-2-31-84]: Kanttekening 84: 84 een …: In de gedaante van een man, voorstellende de staatkundige regering onder verscheidene monarchieën, die op elkaar zouden volgen.
[^daniel-2-31-85]: Kanttekening 85: 85 groot beeld: In dikte, hoogte, breedte, afbeeldende de grote macht en voortreffelijkheid van deze koninkrijken.
[^daniel-2-31-86]: Kanttekening 86: 86 de glans daarvan was uitnemend: Dat is, het blonk en het had een schoon schijnsel en glans in de ogen van de mensen.
[^daniel-2-31-87]: Kanttekening 87: 87 zijn gedaante was schrikkelijk: Of, en het was verschrikkelijk aan te zien.
[^daniel-2-32-88]: Kanttekening 88: 88 goed goud: Door de verscheidenheid van de stof, waar dit beeld van gemaakt was, werd afgebeeld de verscheidene gelegenheid en staat van de koninkrijken, die dit beeld representeerde, waarvan het Babylonische het beste geweest is alhoewel boos en wreed genoeg.
[^daniel-2-32-89]: Kanttekening 89: 89 buik en zijn dijen van koper: Chaldeeuws, ingewanden.
[^daniel-2-33-90]: Kanttekening 90: 90 eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem: Chaldeeuws, van hen van het ijzer, en van hen van het leem; dat is, geen zuiver ijzer, maar ijzer met leem of klei vermengd.
[^daniel-2-34-91]: Kanttekening 91: 91 Dit zaagt u: Dit beeld zaagt u staan. Zie de verklaring van vers 34, 2:35 onder vers 44. Daniël 2:34: Dit zaagt u, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. Daniël 2:35: Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de gehele aarde vervulde. Daniël 2:44: Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
[^daniel-2-34-92]: Kanttekening 92: 92 een steen: Dat is, Christus, met zijn geestelijk lichaam, dat zijne kerk is, vers 35, 2:44. Daniël 2:35: Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de gehele aarde vervulde. Daniël 2:44: Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
[^daniel-2-34-93]: Kanttekening 93: 93 afgehouwen werd: Of, uitgehouwen; te weten van, of uit een berg, onder vers 45. Daniël 2:45: Daarom hebt u gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna gebeuren zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.
[^daniel-2-34-94]: Kanttekening 94: 94 zonder handen: Of, niet door handen; dat is, niet door enige menselijke hulp of kracht.
[^daniel-2-35-95]: Kanttekening 95: 95 te zamen vermaald: Dat is, het gehele beeld, bestaande uit ijzer, leem, enz.
[^daniel-2-35-96]: Kanttekening 96: 96 de dorsvloeren van de zomer: Waar het koren gedorst zijnde, het kaf van de wind weggewaaid en hier en daar verstrooid wordt; zo zijn al deze monarchieën, die zo heerlijk en bestendig schenen, verdwenen en tot niet gekomen.
[^daniel-2-35-97]: Kanttekening 97: 97 dat hij de gehele aarde vervulde: Dat is, hij breidde zich uit door en gansen aardbodem; betekenende de uitbreiding van Christus' rijk over de gehele wereld. Naar de loop van de natuur kan geen steen, die uit een berg gehouwen is, groeien of groter worden dan hij is. Zo betekent dan de grote wasdom van deze steen dat de wasdom en vermenigvuldiging van Christus' kerk geheel bovennatuurlijk is.
[^daniel-2-36-98]: Kanttekening 98: 98 wij voor de koning zeggen: Aldus spreekt Daniël, als sprekende niet alleen in zijn naam, maar het woord tegelijk voerende in de naam van zijn metgezellen en van alle Joden, vanwege wie hem die verborgenheid was geopenbaard; zie boven vers 30. Daniël 2:30: Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat u de gedachten uws harten zoudt weten.
[^daniel-2-37-99]: Kanttekening 99: 99 een koning van de koningen: Dat is, de grootste koning op aarde, aan wie andere koningen onderworpen zijn en gehoorzamen, gelijk Jeremia voorzegt, Jer. 25:15, enz., en Jer. 27 doorgaans; zie ook Ez. 29:19. En van deze manier van spreken zie Gen. 9:25. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken, tot welke Ik u zend; Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht. Genesis 9:25: En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers!
[^daniel-2-37-100]: Kanttekening 100: 100 een koninkrijk: Te weten de Babylonische monarchie, die in die tijd met groot geweld heerste over alle andere koninkrijken en landen.
[^daniel-2-37-101]: Kanttekening 101: 101 macht, en sterkte, en eer gegeven: Ten aanzien van uw grote en machtige legermachten en rijkdommen.
[^daniel-2-38-102]: Kanttekening 102: Dat is, in alle omliggende koninkrijken en landen, die bewoond worden, gelijk Gen. 41:54. Genesis 41:54: En de zeven jaren van de honger begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in geheel Egypteland was brood.
[^daniel-2-38-103]: Kanttekening 103: 103 in uw hand gegeven: Dat is, Hij heeft u heerschappij over hen allen gegeven.
[^daniel-2-38-104]: Kanttekening 104: 104 gesteld tot een heerser: Chaldeeuws, doen heersen; zo onder vers 48. Daniël 2:48: Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het gehele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
[^daniel-2-38-105]: Kanttekening 105: 105 u bent: Dat is, u en uwe nakomelingen worden betekend door het gouden hoofd. Want men moet dit hier verstaan gesproken te zijn, niet zozeer van de personen, als van hunne monarchieën en staten.
[^daniel-2-38-106]: Kanttekening 106: 106 dat gouden hoofd: Dat is, een koninkrijk, bloeiende boven alle andere koninkrijken van zijn tijd in rijkdom en macht; zie onder Dan. 3:1. Daniël 3:1: De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.
[^daniel-2-39-107]: Kanttekening 107: 107 na u: O koning Nebukadnezar. Maar onder hem wordt ook begrepen zijn zoon Evilmerodach en zijn kleinzoon Belsazar, want deze beiden zijn ook monarchen van Babel geweest. Zie Jer. 27:7; Dan. 5. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen.
[^daniel-2-39-108]: Kanttekening 108: 108 een ander koninkrijk opstaan: De monarchie van de Meden en Perzen onder de koning Cores, afgebeeld door de borst en armen van zilver boven vers 32. Daniël 2:32: Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
[^daniel-2-39-109]: Kanttekening 109: 109 lager dan het uwe: Of, benedener dan u; dat is, dan uwe monarchie, gelijk het zilver lager van waarde is dan het goud. Het Perzische rijk was groot van rijkdom; zie Jes. 45:3. Nochtans kan ook te dezen aanzien de Perzische monarchie slechter geweest zijn dan de Babylonische. Jesaja 45:3: En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat u mag weten, dat Ik YHWH ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël;
[^daniel-2-39-110]: Kanttekening 110: 110 een ander: Versta, de monarchie van de Grieken, afgebeeld door de buik en de dijen, vers 32. Daniël 2:32: Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
[^daniel-2-39-111]: Kanttekening 111: 111 over de gehele aarde: Dat is, over een groot deel van de aarde, te weten over Chaldea en de rijken daaronder behorende. Zo Luk. 2:1, de gehele wereld, dat is, al degenen, die onder het Romeinse rijk stonden, dat een groot deel van de wereld was. Dat nu de derde monarchie, namelijk van de Grieken, gezegd wordt van koper te zijn, daarmede wordt aangewezen dat deze monarchie harder zou wezen dan de vorige, want koper is harder dan goud en zilver. Dit komt wel overeen met de monarchie van Alexander, die door de wapenen de Perzische monarchie heeft tenonder gebracht, en zijne nakomelingen, \[die sommigen onder deze monarchie mee begrijpen\] die wrede vervolgers van de kerk van God geweest zijn, gelijk de boeken van de Machabeën getuigen. Lukas 2:1: En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
[^daniel-2-40-112]: Kanttekening 112: 112 het vierde koninkrijk zal hard zijn: Welks schenkels zijn van ijzer enz. vers 33. Velen duiden dit op de Romeinse monarchie; maar anderen menen dat men door het vierde koninkrijk moet verstaan het rijk van de Seleuciden en Lagiden, navolgers van Alexander de Grote, koningen van Klein-Azië, Syrië, Egypte, nadat zijn koninkrijk verdeeld en als teniet gelopen was, van welke de Joden, ten tijde van de Machabeën, zeer jammerlijk zijn geplaagd geweest; zie onder Dan. 8, Dan. 11. Maar vergelijk in het bijzonder onder Dan. 8:21, 8:22, met de aantekening. Daniël 2:33: Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem. Daniël 8:21: Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning. Daniël 8:22: Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht.
[^daniel-2-40-113]: Kanttekening 113: 113 gelijk nu het ijzer: Anders: gelijk het ijzer verbreekt, zal het alles vermalen en verbreken. Aangaande de monarchie van de koningen, hunne tirannie is genoegzaam bekend; van de Seleuciden en Lagiden wreedheid, zie de boeken van de Machabeën, en vergelijk onder Dan. 7:23, en Dan. 8:24. Daniël 7:23: Hij zei aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de gehele aarde opeten, en het zal die vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Daniël 8:24: En zijn kracht zal sterk worden, maar niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, samen met het heilige volk verderven;
[^daniel-2-41-114]: Kanttekening 114: 114 een gedeeld koninkrijk zijn: De monarchie van Alexander de Grote is wel in vier koninkrijken verdeeld \[zie onder Dan. 8:22\], maar hier worden alleen de twee voornaamste \[Egypte en Syrië\] door de twee schenkels, naar sommiger gevoelen, afgebeeld, vers 33, omdat deze de kerk van God meest vervolgd hebben. Daarna is het verdeeld geworden in vele landschappen, dat door de tenen wordt afgebeeld. Maar anderen verstaan dit van de Romeinse monarchie, en bij de voeten en tenen, dezelfde monarchie naderhand in het Oosterse en Westerse koninkrijk verdeeld. Daniël 8:22: Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht. Daniël 2:33: Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.
[^daniel-2-41-115]: Kanttekening 115: 115 maar daar zal van de vastheid van het ijzer in zijn: Alsof hij zei: Ofschoon het verdeeld zal wezen, zo zal het evenwel sterk en machtig zijn, want deze koningen hebben bezeten Syrië, Klein-Azië en Egypte, met andere daartoe behorende landen. Evenzo is ook macht gebleven bij de monarchie van de Romeinen, waarvan anderen dit verstaan.
[^daniel-2-42-116]: Kanttekening 116: 116 de tenen van de voeten: Chaldeeuws, de vingers van de voeten.
[^daniel-2-42-117]: Kanttekening 117: 117 ten dele hard zijn: Dit wordt gezegd ten aanzien van het Joodse volk, dat somtijds van de koningen van Syrië en van Egypte hard is geslagen geworden, alsook wel van de Romeinen hard geperst en gedrukt; hoewel de Joden ook somtijds voortreffelijke overwinningen hebben bevochten, gelijk in de boeken van de Machabeën te zien is.
[^daniel-2-43-118]: Kanttekening 118: Dat is, verhuwelijken zullen. Dit passen sommigen op de Romeinen, door huwelijken verstaande, eensdeels staatkundige verbintenissen, anderdeels eigenlijke huwelijken. Op de Seleuciden en Lagiden past het ook wel, want deze familiën hebben meermalen hunne vredeshandelingen met huwelijken bevestigd, gelijk in Dan. 11:6, 11:7 gezegd wordt, maar tevergeefs. Ptolomeus Filadelfus heeft zijne dochter Bernice aan Antiochus Theus, de zoon van Soteris, en Antiochus de Grote heeft zijne dochter Cleopatra aan Ptolomeus Epifanes gehuwd, maar de vriendschap is daarom niet te bestendiger geweest; maar integendeel hebben die koningen, door deze huwelijken, gelegenheid gezocht te bedriegen en in het land te vallen. Daniël 11:6: Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkaar bevrienden, en de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; maar zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden. Daniël 11:7: Maar uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen van de koning van het Noorden, en hij zal daartegen doen, en hij zal ze bemachtigen.
[^daniel-2-44-119]: Kanttekening 119: 119 die koningen zal de God van de hemel: Chaldeeuws, in hunne dagen, \[namelijk\] van de koningen; dat is, niet lang na de verdelging van het laatste onder die koninkrijken, te weten nadat Egypte door de keizer Augustus verheerd zou worden. Maar anderen nemen het voor de tijd van de Romeinse monarchie zelve, welke ten tijde van Augustus al die andere koninkrijken onder zich had, en onder wier hoogste bloei Christus gekomen is.
[^daniel-2-44-120]: Kanttekening 120: 120 een Koninkrijk verwekken: Te weten het koninkrijk van Christus, zijnde een geestelijk koninkrijk, voortgeplant door de predikatie van het heilige Evangelie. Hierop heeft Johannes de Doper gezien, ja Jezus Christus ook, zeggende: Het koninkrijk van de hemelen is nabij.
[^daniel-2-44-c]: Verwijzing c: Dan. 4:3; idem 4:34; Dan. 6:27; Dan. 7:14; idem 7:27; Micha 4:7; Lukas 1:33. Daniël 4:3: Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. Daniël 4:34: Ten einde van deze dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde de Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte de Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; Daniël 6:27: Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Daniël 7:27: Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de koninkrijken onder de gansen hemel, zal gegeven worden de volk van de heiligen van de hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen. Micha 4:7: En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en YHWH zal Koning over hen zijn op de berg van Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^daniel-2-44-121]: Kanttekening 121: 121 dat Koninkrijk: Te weten van de koning Christus. Anders: en de regering daarvan, zal, enz.
[^daniel-2-44-122]: Kanttekening 122: 122 zal aan geen ander volk overgelaten worden: Dat is, het zal niet veranderd worden gelijk andere aardse koningen; geen sterker zal hen overweldigen; de poorten van het dodenrijk vermogen niets tegen Christus, Matt. 16:18. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen dezelfde niet overweldigen.
[^daniel-2-44-123]: Kanttekening 123: 123 al die koninkrijken: Niet alleen die vier, maar ook alle andere, die na deze zullen opkomen.
[^daniel-2-44-124]: Kanttekening 124: Hij zal ze verbrijzelen \[vergelijk Jer. 44:10\], tot oprechte bekering en gehoorzaamheid van het Evangelie. Of, Hij zal ze verpletteren met een ijzeren scepter. Zie Ps. 2:9, 2:10; Jes. 60:12, en 2 Kor. 10:4, 10:5, 10:6. Jeremia 44:10: Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht van uw vaderen gegeven heb. Psalmen 2:9: U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Psalmen 2:10: Nu dan, u koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, u rechters van de aarde! Jesaja 60:12: Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5: Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6: En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^daniel-2-45-125]: Kanttekening 125: 125 Daarom hebt u gezien: Dat is, om u dit bekend te maken is u in de droom getoond, dat, enz.
[^daniel-2-45-126]: Kanttekening 126: 126 uit de berg: Onze Koning Christus, die naar zijn goddelijke natuur van de Vader van eeuwigheid geboren is \[waarop sommigen menen dat hier ook gezien wordt\] en uit de hemel gezegd wordt nedergedaald te zijn, Joh. 3:13; 1 Kor. 15:47, zal naar zijn menselijke natuur uit het koninkrijk van Juda \[gelijk koninkrijken bij bergen in de Schriftuur worden vergeleken\] en verder uit de maagd Maria \[die van Davids geslacht is\] zonder toedoen van de man door de werking van de Heilige Geest \[Luk. 1:34, 1:35\] voortkomen, en de voorzeide koninkrijken verbrijzelen, en Davids koninkrijk in een geestelijk en eeuwig veranderen. Vergelijk de manier van spreken met Jes. 51:1. Johannes 3:13: En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is. 1 Korinthiërs 15:47: De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel. Lukas 1:34: En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne? Lukas 1:35: En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Jesaja 51:1: Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid najaagt, u, die YHWH zoekt! aanschouwt de rotssteen, waar u uit gehouwen bent, en de holligheid van de bornput, waar u uit gegraven bent.
[^daniel-2-45-127]: Kanttekening 127: 127 een steen: Door deze steen is te verstaan Jezus Christus; vergelijk Ps. 118:22; Jes. 28:16. Sommigen menen dat tegelijk door de steen wordt te kennen gegeven dat de persoon en het rijk van Christus in het eerst slecht en van klein aanzien bij de mensen op aarde wezen zou, gelijk een steen gering is, vergeleken bij goud of zilver, die in dat beeld waren. Psalmen 118:22: De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Jesaja 28:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.
[^daniel-2-45-128]: Kanttekening 128: 128 zonder handen: Anderen vertalen de woorden van de tekst aldus: die in geen handen is; dat is, dat Christus niet door menselijke wegen en macht tot de regering van zijn rijk zal gebracht worden, noch menselijkerwijze het zal bedienen, maar alleen naar zijn en zijns Vaders welbehagen en wil, door werking van de Heilige Geest.
[^daniel-2-45-129]: Kanttekening 129: 129 afgehouwen is geworden: Dat is, die onvoorziens aan de mensen zal verschijnen, zittende in duisternis en in de schaduw van de dood. Christus zegt Luk. 17:20: Het koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gebaar; dat is, het komt niet met uiterlijken glans van menselijke majesteit, waaruit het de wereld zou kunnen kennen. Lukas 17:20: En gevraagd zijnde van de Farizeën, wanneer het Koninkrijk van God komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gelaat.
[^daniel-2-45-130]: Kanttekening 130: 130 die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde: Dat is, die te schande maakte alle koninkrijken, die hem tegenstaan; want hier worden genoemd al de delen van het beeld, dat aan de koning is vertoond geworden.
[^daniel-2-45-131]: Kanttekening 131: 131 hierna gebeuren zal: Zie boven vers 28. Daniël 2:28: Maar er is een God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
[^daniel-2-45-132]: Kanttekening 132: 132 is gewis: Met dusdanige vrijmoedigheid hebben ook de leraars van het Nieuwe Testament gesproken; vergelijk 1 Tim. 1:15, en 1 Tim. 3:16, en 1 Tim. 4:8, 4:9; 2 Tim. 1:11, en Tit. 3:8, enz. 1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. 1 Timotheüs 3:16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven. 1 Timotheüs 4:9: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard. 2 Timotheüs 1:11: Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen; Titus 3:8: Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn de mensen.
[^daniel-2-46-133]: Kanttekening 133: 133 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht: Tevoren beval hij dat men Daniël doden zou, vers 13; nu doet hij hem grote eer aan. De natuurlijke mens, aan welke zijde hij valt, kan geen maat houden. Daniël 2:13: Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden.
[^daniel-2-46-134]: Kanttekening 134: 134 aanbad Daniël: Als hierdoor verstaan wordt, gelijk sommigen gevoelen, een burgerlijke of hoofse eerbied, zo heeft de koning zulks doende niet gezondigd; gelijk ook Daniël niet, zulks toelatende. Het betaamt ons dit gevoelen van de heilige profeet Daniël te hebben, dat hij alle goddelijke eer heeft geweigerd aan te nemen, veel meer zal hij de koning bestraft hebben, als hij zou gemerkt hebben dat de koning zulks wilde doen. Gelijk de heidenen wel plegen; vergelijk Hand. 14:11, enz. Handelingen 14:11: En de scharen, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn de mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen.
[^daniel-2-47-135]: Kanttekening 135: 135 antwoordde Daniël: Welverstaande, nadat Daniël hem had vermaand dat hij alleen de ware God zou aanbidden, en hem alleen de eer geven van deze openbaring. Of, antwoorden is hier te zeggen spreken.
[^daniel-2-47-136]: Kanttekening 136: 136 de waarheid: Chaldeeuws, uit de waarheid.
[^daniel-2-47-137]: Kanttekening 137: 137 dat ulieder God een God van de goden is: Dat is, dat de God, die u eert en aanbidt, is een waarachtig God, te eren en te achten boven alle goden. De belijdenis is goed en waarachtig. Maar dit is maar een haast oplopende beweging geweest in deze koning, gelijk in Farao, Ex. 9:28. Het hart van Nebukadnezar was nog niet terdege aangeroerd, gelijk straks hierna gebleken is, toen hij dat grote gouden beeld heeft opgericht en het van een ieder wilde aangebeden hebben. Exodus 9:28: Bidt vuriglijk tot YHWH (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten, en u zult niet langer blijven.
[^daniel-2-48-138]: Kanttekening 138: 138 Toen maakte de koning Daniël groot: Sommigen menen dat dit geschied is wel twee jaren eer Jechonia is gevangen geworden, om de godzalige Joden des te gewilliger te maken in de Babylonische gevangenschap te gaan, ziende dat hunne edelen daar in zulke eer en hoge ambten waren.
[^daniel-2-49-139]: Kanttekening 139: 139 Toen verzocht Daniël van de koning: Dit verzocht Daniël ten beste van de kerk van de Joden, opdat die het des te verdragelijker in de Babylonische gevangenschap mochten hebben.
[^daniel-2-49-140]: Kanttekening 140: Daniël was als gouverneur-generaal, de drie jongelingen stonden onder hem als onder-gouverneurs, of als rentmeesters van de schattingen, inkomsten en vruchten van de landen en landerijen.
[^daniel-2-49-141]: Kanttekening 141: 141 de bediening van het landschap van Babel: Hetzij over de landbouwerij of andere zaken van de koning.
[^daniel-2-49-142]: Kanttekening 142: 142 maar Daniël bleef aan de poort van de koning: Hebbende last dat zonder zijn verlof niemand tot de koning mocht ingaan; wie de koning te spreken had, moest zich eerst bij Daniël aangeven. Door deze gelegenheid, die zonder twijfel Daniël wel heeft weten waar te nemen, heeft hij de zaken van de Joden bij de koning grotelijks weten te bevorderen.

### Daniël 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/3.json)

*Nebukadnezar richt een beeld op en wil dat het door iedereen aangebeden wordt, vers 1 enz. Daar de metgezellen van Daniël dit weigeren en de dreigementen van de koning verachten, worden zij in de vurige oven geworpen op de aanklacht van de Chaldeeën, 8. Doch zij worden op wonderbaarlijke wijze door God bewaard en verlost, maar zij die het vuur stookten, verbranden, 22, 23 enz. Hierover ontstelt de koning uitermate zeer, 24, en hij prijst God vanwege Zijn trouw en mogendheid, 28.*

**1** De koning Nebukadnezar[^daniel-3-1-1] maakte een beeld van goud,[^daniel-3-1-2] waarvan de hoogte zestig ellen was, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest van Babel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v1)

**2** En de koning Nebukadnezar zond heen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de voormannen, en al de heerschappers van de gewesten, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v2)

**3** Toen verzamelden zich[^daniel-3-3-3] de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de voormannen, en al de heerschappers van de gewesten, tot inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v3)

**4** En[^daniel-3-4-4] een heraut riep met kracht:[^daniel-3-4-5] Men zegt u aan,[^daniel-3-4-6] u volken, u natiën, en tongen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v4)

**5** Ten tijde als u horen zult het geluid[^daniel-3-5-7] van de hoorn, van de[^daniel-3-5-8] pijp, van de citer, van[^daniel-3-5-9] de vedel, van de psalteren,[^daniel-3-5-10] van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, zo zult u neervallen, en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v5)

**6** En wie niet neervalt en aanbidt, die zal op dat moment in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v6)

**7** Daarom in die tijd, als al die volken hoorden het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de[^daniel-3-7-11] vedel, van de psalteren, en allerlei soorten van de muziek, alle volken, natiën, en tongen neervallende, aanbaden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v7)

**8** [^daniel-3-8-12] Daarom naderden[^daniel-3-8-13] even in die tijd Chaldeeuwse mannen,[^daniel-3-8-14] die de Joden openlijk beschuldigden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v8)

**9** [^daniel-3-9-15] Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning![^daniel-3-9-16] leef in de eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v9)

**10** U, o koning! heb een bevel[^daniel-3-10-17] gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, neervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v10)

**11** En wie niet neerviel, en aanbad, die zou in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v11)

**12** Er zijn Joodse mannen,[^daniel-3-12-18] die u over[^daniel-3-12-19] de bediening van het gewest van Babel gesteld hebt,[^daniel-3-12-20] Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld;[^daniel-3-12-21] uw goden eren[^daniel-3-12-22][^daniel-3-12-23] zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, dat u opgericht hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v12)

**13** Toen zei Nebukadnezar in toorn en woede, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor de koning gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v13)

**14** Nebukadnezar antwoordde en zei tot hen:[^daniel-3-14-24] Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat u mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v14)

**15** Nu dan, zo u gereed bent, dat u ten tijde, als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soort van de muziek, neervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo[^daniel-3-15-25] is het wel; maar zo u het niet aanbidt; op dat moment zult u geworpen worden in het midden van de oven van het brandende vuur; en[^daniel-3-15-26] wie is de God, Die u uit mijn handen[^daniel-3-15-27] verlossen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v15)

**16** Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning[^daniel-3-16-28] Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v16)

**17** [^daniel-3-17-29] Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven van het brandende vuur, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v17)

**18** [^daniel-3-18-30] Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat u hebt opgericht, zullen aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v18)

**19** Toen werd Nebukadnezar vol woede, en[^daniel-3-19-31] de gedaante van zijn aangezicht veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zei, dat men de oven[^daniel-3-19-32] zevenmaal meer heet zou maken dan[^daniel-3-19-33] men die pleegt heet te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v19)

**20** [^daniel-3-20-34] En tot de sterkste mannen van kracht,[^daniel-3-20-35] die in zijn leger waren, zei hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in de oven van het brandende vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v20)

**21** Toen werden die mannen[^daniel-3-21-36] gebonden in hun[^daniel-3-21-37] mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere kleren, en zij wierpen hen in het midden van de oven van het brandende vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v21)

**22** Daarom dan, omdat[^daniel-3-22-38] het woord van de koning aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben[^daniel-3-22-39] de vonken van het vuur die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego[^daniel-3-22-40] opgeheven hadden, gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v22)

**23** Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van de oven van het brandende vuur,[^daniel-3-23-41] gebonden zijnde, gevallen waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v23)

**24** [^daniel-3-24-42] Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en[^daniel-3-24-43] hij stond op[^daniel-3-24-44] met haast, antwoordde en zei tot zijn[^daniel-3-24-45] raadsheren: Hebben[^daniel-3-24-46] wij niet drie mannen in het midden van het vuur, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot de koning:[^daniel-3-24-48] Het is zeker, o koning![^daniel-3-24-47] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v24)

**25** Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is[^daniel-3-25-49] gelijk een zoon van de goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v25)

**26** [^daniel-3-26-50] Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van de oven van het brandende vuur, antwoordde en sprak: U Sadrach, Mesach en Abed-nego,[^daniel-3-26-51] u knechten van de allerhoogste God! ga uit en komt hier![^daniel-3-26-53] Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego[^daniel-3-26-54] uit het midden van het vuur.[^daniel-3-26-52] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v26)

**27** [^daniel-3-27-55] Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren van de koning, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen[^daniel-3-27-56] niet geheerst had, en dat[^daniel-3-27-57] het haar van hun hoofd niet[^daniel-3-27-58] verbrand was, en hun mantels[^daniel-3-27-59] niet veranderd waren, ja, dat de reuk van het[^daniel-3-27-60] vuur daardoor niet gegaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v27)

**28** Nebukadnezar[^daniel-3-28-61] antwoordde en zei: Geloofd zij[^daniel-3-28-62] de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die[^daniel-3-28-63] Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen[^daniel-3-28-65] overgegeven hebben,[^daniel-3-28-66] opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.[^daniel-3-28-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v28)

**29** Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die[^daniel-3-29-67] lastering spreekt[^daniel-3-29-68] tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego,[^daniel-3-29-69][^daniel-3-29-a] in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een mesthoop gesteld worde; want er is geen ander God,[^daniel-3-29-70] Die zo verlossen kan.[^daniel-3-29-71] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v29)

**30** Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het gewest van Babel.[^daniel-3-30-72] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/3.html#v30)

[^daniel-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 maakte een beeld van goud: Hieruit blijkt genoegzaam dat de belijdenis, die hij Dan. 2:47 gedaan heeft, geen oprechte bestendige belijdenis geweest is; zie de aantekening daar. Daniël 2:47: De koning antwoordde Daniël en zei: Het is de waarheid, dat ulieder God een God van de goden is, en een Heer van de koningen, en Die de verborgenheden openbaart, omdat u deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.
[^daniel-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 welks hoogte was: Uit het vervolg van de historie schijnt dat de koning uit raad en aandrijven van de voornaamsten onder de Chaldeën dit beeld heeft opgericht; vergelijk Dan. 6:4, 6:5, 6:6. Zij hebben dit behendig bedacht uit haat, in het bijzonder tegen Daniëls metgezellen, benijdende de aanzienlijkheid en hoge staten, die zij bedienden, opdat zij, dit weigerende, niet alleen van hunne waardigheden beroofd, maar ook aan het leven mochten gestraft worden. Want om andere Babyloniërs halve, die vanzelf genoegzaam tot afgoderij geneigd waren, was het niet nodig dat men hen met zulk een wreed dreigement tot deze afgoderij zou dwingen. De tijd, wanneer dit beeld is opgericht, wordt hier niet uitgedrukt, maar het is wel te vermoeden dat het enige tijd nadat hij die droom gehad heeft geschied is. Daniël 6:4: Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk. Daniël 6:5: Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, omdat hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. Daniël 6:6: Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.
[^daniel-3-3-3]: Kanttekening 3: 3 de stadhouders: De koning heeft al deze hoge officieren geschreven en gewild dat zij daar zouden tegenwoordig zijn, eensdeels ter ere van dit beeld, anderdeels opdat alle onderzaten hun voorbeeld des te vrijwilliger zouden navolgen, ook om de Joden, die weigerlijk zouden wezen, een schrik aan te jagen.
[^daniel-3-4-4]: Kanttekening 4: 4 een heraut riep met kracht: Of, uitroeper, afkondiger, die openlijk vanwege de Heer iets afkondigde.
[^daniel-3-4-5]: Kanttekening 5: 5 Men zegt u aan: Of, zij zeggen u aan; te weten de koning en zijne raden.
[^daniel-3-4-6]: Kanttekening 6: 6 u volken, u natiën, en tongen: Dat is, u volken, van wat tong of taal dat u bent.
[^daniel-3-5-7]: Kanttekening 7: 7 van de hoorn, van de pijp: Chaldeeuws, karna, in het Latijn cornu.
[^daniel-3-5-8]: Kanttekening 8: 8 van de citer: Chaldeeuws, kytros, of katros.
[^daniel-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 vedel, van de psalteren: Chaldeeuws, sabbechia, bij de Grieken en Latijnen sambuca genoemd, enige zetten het over een harp, anderen een hakkebord.
[^daniel-3-5-10]: Kanttekening 10: 10 van het akkoordgezang: Chaldeeuws, sumfoniah. Dat sommigen menen met het Grieks overeen te komen, betekenende een gezang van vele stemmen samen wel overeenstemmende. Maar anderen menen dat het is een Chaldeeuwse naam van een zeker muziekinstrument, als orgel, klavecimbaal, in die tijd bekend.
[^daniel-3-7-11]: Kanttekening 11: 11 van de psalteren: Na psalteren staat vers 5, van het accoordgezang, dat hier nagelaten is. Daniël 3:5: Ten tijde als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, zo zult u nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht;
[^daniel-3-8-12]: Kanttekening 12: 12 Daarom naderden: Hier wordt te kennen gegeven dat die boze officieren van de koning geloerd hebben op deze gelegenheid, om de Joden, maar in het bijzonder de drie jongelingen, in hun net te krijgen. Zie vers 1. Daniël 3:1: De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.
[^daniel-3-8-13]: Kanttekening 13: 13 even ter zelfder tijd: Te weten straks, zo haast als zij zagen dat de drie jongelingen het gouden beeld niet aanbaden, niet zo lang kunnende wachten, totdat deze afgodische ceremonie geëindigd was.
[^daniel-3-8-14]: Kanttekening 14: 14 die de Joden openlijk beschuldigden: Chaldeeuws, die de beschuldigingen van de Joden uitriepen; dat is, die de Joden met een groot geroep bij de koning aanklaagden, maar in het bijzonder de drie jongelingen, waar het hun meest om te doen was, omdat zij tot hoge staten verheven waren.
[^daniel-3-9-15]: Kanttekening 15: 15 Zij antwoordden en zeiden: Dat is, zij spraken; zo meermalen.
[^daniel-3-9-16]: Kanttekening 16: 16 leef in eeuwigheid: Zie boven Dan. 2:4. Daniël 2:4: Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
[^daniel-3-10-17]: Kanttekening 17: Chaldeeuws, gesteld; dat is laten uitgaan.
[^daniel-3-12-18]: Kanttekening 18: 18 die u over: Alsof zij zeiden: Inplaats daar zij u alle gehoorzaamheid behoorden te bewijzen, vanwege de menigvuldige eer, genaden en weldaden, die zij van u ontvangen hebben, zo zijn zij u allerongehoorzaamst.
[^daniel-3-12-19]: Kanttekening 19: 19 de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt: Of, werk, of zaken.
[^daniel-3-12-20]: Kanttekening 20: 20 Sadrach, Mesach en Abed-nego: Waarom beschuldigen zij ook tegelijk Daniël niet? Of hij is hier niet bij geweest, zijnde ergens ver van de hand om grootwichtige zaken van de koning te verrichten; of was hij hier tegenwoordig, zo wisten zij wel dat hij bij de koning zo heel groot was, dat zij hem tevergeefs zouden beschuldigd hebben. Zo hebben zij dan van hem stilgezwegen, tenminste voor een tijd, zoekende deze drie mannen vooreerst van kant te helpen, die zich uit deze algemene bijeenkomst niet hebben kunnen of mogen weghouden.
[^daniel-3-12-21]: Kanttekening 21: 21 uw goden: Gelijk 1 Kon. 11:33. Anders: uw god, dat is, dit beeld, waar u een god van maakt. Of waarin, of waardoor u uw god aanbidt. 1 Koningen 11:33: Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.
[^daniel-3-12-22]: Kanttekening 22: Of, dienen.
[^daniel-3-12-23]: Kanttekening 23: 23 zij niet: Te weten die drie jongelingen. In deze historie wordt nergens gezegd dat de andere Joden zijn aangeklaagd en gestraft geworden. Sommigen menen dat deze boze Chaldeën zo blij waren als zij die drie jongelingen in hun net hadden gekregen, dat zij op de rest niet letten.
[^daniel-3-14-24]: Kanttekening 24: 24 Is het met opzet: Alsof hij zei: Doet u dit in goeden ernst en met voorbedachten rade, of spot en gekt u met mij, en met deze mijn god? Anders: is het waar?
[^daniel-3-15-25]: Kanttekening 25: 25 zo is het wel;: De zin is: Als u nu nog mijn bevel gehoorzaamt, ik zal u genadig zijn. Dergelijke onvolmaakte rede vindt men Luk. 13:9. Anders in het begin van vers 15 aldus: Nu ziet, weest u gereed, enz. bevelsgewijze. Lukas 13:9: En als hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar als niet, zo zult u hem namaals uithouwen. Daniël 3:15: Nu dan, zo u gereed bent, dat u ten tijde, als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soort van de muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo u het niet aanbidt; ter zelfder ure zult u geworpen worden in het midden van de oven van het brandende vuur; en wie is de God, Die u uit mijn handen verlossen zou?
[^daniel-3-15-26]: Kanttekening 26: 26 wie is de God: Hieronder begrijpt hij ook de ware God; zodat dit een gruwelijke godslastering is. Vergelijk hiermede de woorden van Senacherib, 2 Kon. 19, en van de Farizeën, Matt. 27:43. Mattheüs 27:43: Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, als Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
[^daniel-3-15-27]: Kanttekening 27: 27 verlossen zou: Of, verlossen zal.
[^daniel-3-16-28]: Kanttekening 28: 28 Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden: De zin is: Wij zouden u tevergeefs antwoorden, want u hebt vastelijk besloten ons te doden als wij uwe goden niet aanbidden, en wij hebben een vast voornemen die te versmaden; omdat dan u van uw voornemen, en wij van het onze niet te brengen zijn, zo is het tevergeefs dat wij veel woorden gebruiken, daar zal geen voordeel van komen. Zie gelijke betekenis van het Hebreeuwse woord Ezra 6:9, en Ezra 7:20. Ezra 6:9: En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; Ezra 7:20: Het overige nu, dat nodig zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult u geven uit het schathuis van de koning.
[^daniel-3-17-29]: Kanttekening 29: 29 Zal het zo zijn, onze God: Te weten dat wij in deze vurige oven zullen geworpen worden. Of aldus: Zie, onze God die wij eren, is machtig, enz.
[^daniel-3-18-30]: Kanttekening 30: 30 Maar zo niet: Als het onze God niet belieft ons te verlossen, zo zullen wij evenwel deze afgoderij niet begaan, ja zelfs niet met het uiterlijk gelaat; liever willen wij sterven.
[^daniel-3-19-31]: Kanttekening 31: 31 de gedaante zijns aangezichts veranderde: Chaldeeuws, het beeld; dat is, het gelaat van zijn aangezicht, datgene waaraan men de mens kent.
[^daniel-3-19-32]: Kanttekening 32: Chaldeeuws, een zevenmaal boven dan het gezien was die heet te maken. De oven was al heet gemaakt, gelijk af te nemen is uit vers 6, maar dat was niet genoeg, hij moest zevenmaal heter gemaakt worden. Daniël 3:6: En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal op dat moment in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden.
[^daniel-3-19-33]: Kanttekening 33: 33 dan men die pleegt heet te maken: Anders: dan het behoorlijk was die te heten. Dit beval die wrede en in zijn afgodischen ijver brandende koning, om anderen hierdoor een schrik aan te jagen en te maken dat zij hem gehoorzamen zouden.
[^daniel-3-20-34]: Kanttekening 34: 34 En tot de sterkste mannen van kracht: Chaldeeuws, tot de mannen, de mannen van de sterkte, of kracht, dat is, tot de sterkste mannen.
[^daniel-3-20-35]: Kanttekening 35: 35 die in zijn legermacht waren: Of, die in zijn gevolg, of garde, waren. Eertijds plachten de koningen de executiën van hunne bevelen te laten gebeuren door hunne soldaten, of trawanten; zie 2 Sam. 1:15. 2 Samuël 1:15: En David riep één van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.
[^daniel-3-21-36]: Kanttekening 36: Om des te bekwamer in te werpen.
[^daniel-3-21-37]: Kanttekening 37: Dat is, opperklederen, die buiten twijfel schoon en sierlijk waren, gelijk zulken mannen betaamde te dragen. Hier wordt aangewezen dat deze uitvoerders van het bevel van de koning zo ijverig geweest zijn om de wrede koning te gehoorzamen, dat zij hun de kleren, hoe schoon en kostelijk dat zij geweest zijn, niet hebben afgenomen, maar zij hebben ze meteen met de mannen in het vuur geworpen.
[^daniel-3-22-38]: Kanttekening 38: 38 het woord van de koning aandreef: Dat is, het bevel.
[^daniel-3-22-39]: Kanttekening 39: 39 de vonken van het vuur die mannen: De zin is dat de spranken, of het uiterste van de vlam, of rook en damp, die sterke kerels, die het vuur stookten, heeft verbrand, maar dat die drie jongelingen in het midden van de vlam, van de kolen en van de gloed, onbezeerd zijn gebleven; de almogende kracht van de voorzienigheid van de Heer heeft gemaakt dat die verbrand werden, die de koning wilde sparen, en die hij wilde verbrand hebben, werden gespaard. Vergelijk onder Dan. 6:25. Daniël 6:25: Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in de kuil van de leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op de grond van de kuil, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.
[^daniel-3-22-40]: Kanttekening 40: 40 opgeheven hadden: Of, opgenomen hadden. Chaldeeuws, hadden doen opgaan; dat is, die hen eerst omhoog geheven hadden, om in de vurige oven te werpen. Want omdat de oven hoger of verhevener was dan de aarde, zo moesten de dienaren deze jongelingen eerst omhoog heffen en dan in het vuur laten vallen, of werpen.
[^daniel-3-23-41]: Kanttekening 41: 41 gebonden zijnde: Gelijk de profeet zegt dat zij gebonden zijnde in de oven vielen of geworpen werden, zo geeft hij te kennen dat zij zich voor het vuur nergens konden wachten, en daarom natuurlijkerwijze noodzakelijk straks hadden moeten verbranden. Sommige overzetters voegen hierbij de lofzang, die deze mannen in de oven gezongen zouden hebben. Maar deze wordt in de Hebreeuwse Bijbel niet gevonden, en is daarom apocrief.
[^daniel-3-24-42]: Kanttekening 42: 42 Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar: Te weten toen hij vier mannen in de oven zag wandelen.
[^daniel-3-24-43]: Kanttekening 43: 43 hij stond op: Tevoren zat hij als een koning in zijn stoel, om de marteling van de drie jongelingen aan te zien.
[^daniel-3-24-44]: Kanttekening 44: 44 met haast: Of, met beroering.
[^daniel-3-24-45]: Kanttekening 45: Anders: gouverneurs, of bijstanders, of lijfwachten.
[^daniel-3-24-46]: Kanttekening 46: 46 wij niet drie mannen in het midden van het vuur: Te weten ik, op ulieder verzoek en met ulieder raad.
[^daniel-3-24-48]: Kanttekening 48: 48 Het is gewis: Zij moeten, zowel als de koning, van de waarheid getuigenis geven.
[^daniel-3-24-47]: Kanttekening 47: 47 gebonden zijnde: Zij werden wel, met koorden gebonden zijnde, in de vurige oven geworpen; maar die zijn straks in stukken gebrand, of van de engel losgemaakt en ontbonden.
[^daniel-3-25-49]: Kanttekening 49: 49 gelijk eens zoons van de goden: Of, gelijk een zoon van God; dat is, voortreffelijk schoon, uitstekende in schoonheid, alsof hij niet van menselijke, maar van goddelijke afkomst ware. vers 28 noemt hij hem recht, een engel van God. Hoe de engelen genoemd worden zonen van God, zie de aantekening Job 1:6, en Job 38:7. Deze engel heeft God de Heer deze drie mannen bijgevoegd tot hun troost en tot verlichting en verkwikking, opdat zij in het midden van het vuur en van de vlam niet bezwijken zouden; vergelijk 2 Kon. 6:15; Ps. 34:8, en Ps. 91:11. Sommigen menen dat het de Heer Christus zelf geweest is, die deze jongelingen verschenen is. Daniël 3:28: Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God. Job 1:6: Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Job 38:7: Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten. 2 Koningen 6:15: En de dienaar van de man van God stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een legermacht omringde de stad met paarden en wagens. Toen zei zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen. Psalmen 34:8: Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 91:11: Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
[^daniel-3-26-50]: Kanttekening 50: 50 Toen naderde Nebukadnezar: Hij die tevoren deze drie jongelingen bevolen had tot hem te brengen, vers 13, die gaat nu zelf met verslagenheid en verbaasdheid van het gemoed tot hen. Daniël 3:13: Toen zei Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor de koning gebracht.
[^daniel-3-26-51]: Kanttekening 51: 51 u knechten: Wiens knechten waren dan de Chaldeën en Nebukadnezar zelf? Knechten van de valse goden en afgoden, die zij zichzelf verzonnen en gemaakt hadden.
[^daniel-3-26-53]: Kanttekening 53: 53 Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego: God heeft gewild dat deze mannen niet zouden uitgaan totdat de koning het hun gelastte, door wiens bevel zij in de vurige oven geworpen waren, opdat het wonderwerk te meer mocht bekend zijn en de koning ten volle overtuigd.
[^daniel-3-26-54]: Kanttekening 54: 54 uit het midden van het vuur: God had wel het vuur kunnen uitblussen, maar het heeft hem belieft het nog te laten branden, opdat zijne macht des te langer voor de ogen van alle mensen zou blijken.
[^daniel-3-26-52]: Kanttekening 52: 52 van de allerhoogste God: Aldus noemt hij de ware God niet zozeer uit rechte mening van zijn gemoed, als uit verslagenheid van het hart, door aanschouwen van het grote wonder. Wie hij tevoren het allergrootste ongelijk aangedaan had, die doet hij nu de grootste eer aan. Dezelfde mond, die hen tevoren had verwezen, ontschuldigt hen nu.
[^daniel-3-27-55]: Kanttekening 55: 55 Toen vergaderden de stadhouders: Dat is, zij kwamen nader bij elkaar, spraken van dit wonder dat zij daar zagen. Het heeft God beliefd dat de vorsten van de Chaldeën dit wonder terdeeg zouden zien, om elk bij de hunnen daarvan te mogen spreken, dat meer kracht had dan dat al de Joden daarvan gesproken en bij de heidenen getuigenis gegeven hadden.
[^daniel-3-27-56]: Kanttekening 56: 56 niet geheerst had: Dat is, geen macht gehad had.
[^daniel-3-27-57]: Kanttekening 57: 57 het haar huns hoofds: Of, geen haar.
[^daniel-3-27-58]: Kanttekening 58: 58 verbrand was: Of, verzengd.
[^daniel-3-27-59]: Kanttekening 59: 59 niet veranderd waren: Dat is, dat er niet een nop of wolletje aan was, dat van het vuur gekwetst was of zijne kleur veranderd had.
[^daniel-3-27-60]: Kanttekening 60: 60 daardoor niet gegaan was: Hetzij door hunne lichamen of door hunne kleren; de zin is: zij roken niet eens naar de brand, of het vuur.
[^daniel-3-28-61]: Kanttekening 61: 61 antwoordde en zei: Dat is, sprak.
[^daniel-3-28-62]: Kanttekening 62: 62 de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego: Chaldeeuws, geloofd zij deze God van Sadrach, enz. Waarom zegt hij niet: mijn God zij geloofd? Omdat hij zijn valse goden nog niet wilde verlaten, om de ene ware God, die een jaloërs God is, alleen te dienen.
[^daniel-3-28-63]: Kanttekening 63: 63 Zijn engel gezonden: Dat deze heidense koning hier weet te spreken van de engel van de Heer, dat zal hij vermoedelijk gehoord en geleerd hebben uit de mond van de drie jongelingen, nadat zij uit de oven verlost zijnde, met hem gesproken en hem alles verteld hadden; vergelijk deze historie met Dan. 6:23. Daniël 6:23: Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.
[^daniel-3-28-65]: Kanttekening 65: 65 overgegeven hebben: Te weten ten vure.
[^daniel-3-28-66]: Kanttekening 66: 66 opdat zij geen god eerden noch aanbaden: De koning prijst wel deze jongelingen hierin, dat zij zo standvastig bij hunne, dat is bij de ware God gebleven zijn, maar hij had hen behoren na te volgen in het eren van deze ware God.
[^daniel-3-28-64]: Kanttekening 64: Dat is, niet geacht noch gehoorzaamd hebben; namelijk omdat het streed met Gods bevel, die de afgoderij verbiedt. Zie dergelijke manier van spreken Ezra 6:11. Ezra 6:11: Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-3-29-67]: Kanttekening 67: 67 lastering spreekt: Of, dwaling, of vergrijping spreekt; dat is, een ijdel, lichtvaardig en dwalend woord spreekt, die zich met woorden tegen de God van Sadrach, enz., vergrijpt; hoeveel meer die een smadelijk of lasterlijk woord zouden gesproken hebben?
[^daniel-3-29-68]: Kanttekening 68: 68 tegen de God: Hij doet de ware God die eer nog niet, die hij zijn beeld of afgod gedaan heeft, bevelende alle volken en natiën het aan te bidden. Van de ware God gebiedt hij alleen, dat men geen kwaad van Hem spreken en Hem niet lasteren zou; ook noemt hij de ware God niet zijn God, maar de god van Sadrach, enz. Waaruit af te nemen is dat Nebukadnezar zijne afgoden niet verlaten heeft, maar de schrik en vrees hebben hem deze belijdenis uitgeperst. Dit blijkt ook uit Dan. 4; want toen hij opnieuw een droom had, heeft hij de Chaldeën en tovenaars opnieuw aangezocht om de uitlegging daarvan te hebben.
[^daniel-3-29-69]: Kanttekening 69: 69 in stukken gehouwen worde: Zie boven Dan. 2:5. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-3-29-a]: Verwijzing a: Dan. 2:5. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-3-29-70]: Kanttekening 70: 70 zijn huis tot een drekhoop gesteld worde: Zie boven Dan. 2:5. Daniël 2:5: De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.
[^daniel-3-29-71]: Kanttekening 71: 71 Die zo verlossen kan: Namelijk, zo wonderlijk, zo snel, zo machtig. Anders: die verlossen kan gelijk deze.
[^daniel-3-30-72]: Kanttekening 72: 72 Toen maakte de koning: Anders: toen herstelde de koning Sadrach, enz., te weten in hun vorige staten en waardigheden, elk in de provincie waar hij tevoren gewoond en gebied gehad had. Dit was zoveel, alsof de koning drie voortreffelijke leraars had uitgezonden, om door het gehele land te verkondigen de krachten en wonderen van de ware God aan hen bewezen.

### Daniël 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/4.json)

*Nebukadnezar verkondigt aan alle volken en doet een openbare belijdenis voor hen van de wonderen die God aan hem gedaan heeft, vers 1 enz. Met dat doel verhaalt hij de droom die hij gehad heeft, 4, en hoe Daniël die in grote verbaasdheid heeft uitgelegd, 18, 19, 20 enz. Daniël vermaant de koning tot boete, 27. Hoe de uitkomst de waarheid van de uitlegging van Daniël bevestigd heeft, 28 enz. Waarover de koning God de HEERE wederom prijst en looft, 37.*

**1** [^daniel-4-1-1] De koning Nebukadnezar[^daniel-4-1-2] aan alle volken, natiën en tongen, die op de hele aardbodem wonen:[^daniel-4-1-3] uw vrede worde vermenigvuldigd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v1)

**2** [^daniel-4-2-4] Het behaagt mij te verkondigen[^daniel-4-2-5] de tekenen en wonderen, die[^daniel-4-2-6] de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v2)

**3** Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen![^daniel-4-3-a] Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is[^daniel-4-3-7] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v3)

**4** Ik, Nebukadnezar,[^daniel-4-4-8] gerust zijnde[^daniel-4-4-9] in mijn huis, en welvarend in mijn paleis[^daniel-4-4-10], [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v4)

**5** Zag[^daniel-4-5-11] een droom, die mij bevreesd maakte, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de visioenen van mijn hoofd beroerden mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v5)

**6** Daarom is er een bevel van mij[^daniel-4-6-12] gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel,[^daniel-4-6-13] opdat zij mij de uitlegging van die droom zouden bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v6)

**7** Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers; en ik zei de droom voor hen;[^daniel-4-7-14] maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v7)

**8** [^daniel-4-8-15] Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam[^daniel-4-8-16] Beltsazar is, naar de naam[^daniel-4-8-17] van mijn god, in wie ook[^daniel-4-8-18] de geest van de heilige goden is; en ik vertelde de droom voor hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v8)

**9** Beltsazar,[^daniel-4-9-19] u overste van de[^daniel-4-9-20] tovenaars! omdat ik weet,[^daniel-4-9-21] dat de geest van de heilige goden in u is, en geen geheim u[^daniel-4-9-22] zwaar is, zo zeg de visioenen van mijn droom, die ik gezien heb,[^daniel-4-9-23] te weten zijn uitlegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v9)

**10** De visioenen nu van mijn hoofd op mijn bed waren deze: Ik zag, en ziet,[^daniel-4-10-24] er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v10)

**11** De boom[^daniel-4-11-25] werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en[^daniel-4-11-26] hij werd gezien tot aan het einde[^daniel-4-11-27] van de hele aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v11)

**12** [^daniel-4-12-28] Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel daaraan[^daniel-4-12-29] voor allen;[^daniel-4-12-30] onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel[^daniel-4-12-31] woonden in zijn takken, en[^daniel-4-12-32] alle vlees werd daarvan gevoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v12)

**13** [^daniel-4-13-33] Ik zag verder in de visioenen van mijn hoofd, op mijn bed; en ziet,[^daniel-4-13-34] een wachter, namelijk[^daniel-4-13-35] een heilige,[^daniel-4-13-36] kwam af van de hemel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v13)

**14** Roepende met kracht, en zo zeggende: Houw die boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegvluchten, en de vogels van zijn takken;[^daniel-4-14-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v14)

**15** [^daniel-4-15-38] Maar laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras van het veld; en laat[^daniel-4-15-39] hem in de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte[^daniel-4-15-40] in het kruid van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v15)

**16** [^daniel-4-16-41] Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde het hart van een beest gegeven, en laat[^daniel-4-16-42] zeven tijden over hem voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v16)

**17** Deze zaak[^daniel-4-17-43] is in het besluit van de wachters,[^daniel-4-17-44] en deze begeerte is in het woord van[^daniel-4-17-45] de heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze aan wie Hij wil, ja, zet daarover de laagste onder de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v17)

**18** Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; u nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van die, omdat[^daniel-4-18-46] al de wijzen van mijn koninkrijk mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar u kunt wel, omdat[^daniel-4-18-47] de geest[^daniel-4-18-48] van de heilige goden in u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v18)

**19** [^daniel-4-19-49] Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten[^daniel-4-19-50] beroerden hem. De koning antwoordde en zei: Beltsazar![^daniel-4-19-51] laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer! de droom[^daniel-4-19-52] wedervare uw vijanden, en zijn uitlegging uw tegenstanders! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v19)

**20** [^daniel-4-20-53] De boom, die u gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en[^daniel-4-20-54] wiens hoogte tot aan de hemel reikte, en[^daniel-4-20-55] die over de hele aarde gezien werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v20)

**21** [^daniel-4-21-56] En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar voedsel aan was voor allen, onder wie het gedierte van het[^daniel-4-21-57] veld woonde, en in wiens takken de vogels van de hemel[^daniel-4-21-58] nestelden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v21)

**22** [^daniel-4-22-59] Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want[^daniel-4-22-60] uw grootheid is zo gegroeid,[^daniel-4-22-61] dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van het aardrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v22)

**23** [^daniel-4-23-62]Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van de hemel afkomende, die zei: Houw deze boom af, en verderft hem; maar laat[^daniel-4-23-63] de stam met zijn wortels in de aarde, en[^daniel-4-23-64] met een ijzeren en koperen band in het tedere gras van het veld, en in de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en dat[^daniel-4-23-65] zijn deel zij met het gedierte van het veld, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v23)

**24** Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit van de Allerhoogste, dat over mijn heer, de koning, komen zal: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v24)

**25** Te weten,[^daniel-4-25-b] men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en[^daniel-4-25-66] men zal u het kruid, als de[^daniel-4-25-67] ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan,[^daniel-4-25-68] totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, aan wie Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v25)

**26** [^daniel-4-26-69] Dat er ook gezegd is,[^daniel-4-26-70] dat men de stam met de wortels van die boom laten zou;[^daniel-4-26-71] uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat u zult bekend hebben, dat[^daniel-4-26-72] de Hemel heerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v26)

**27** Daarom, o koning![^daniel-4-27-73] laat mijn raad u behagen, en[^daniel-4-27-74] breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen[^daniel-4-27-75] aan de ellendigen,[^daniel-4-27-76] of er verlenging van uw vrede mocht wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v27)

**28** [^daniel-4-28-77] Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v28)

**29** [^daniel-4-29-78] Want op het einde van twaalf maanden,[^daniel-4-29-79] toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v29)

**30** [^daniel-4-30-80] Sprak de koning, en zei:[^daniel-4-30-81] Is dit niet[^daniel-4-30-82] het grote Babel,[^daniel-4-30-83] dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte van mijn macht, en[^daniel-4-30-85] ter ere van mijn heerlijkheid![^daniel-4-30-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v30)

**31** [^daniel-4-31-86] Dit woord nog zijnde in de mond van de koning, viel er een stem[^daniel-4-31-87] uit de hemel:[^daniel-4-31-88] U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk[^daniel-4-31-89] is van u gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v31)

**32** En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras[^daniel-4-32-90] te smaken geven, als de ossen, en er zullen[^daniel-4-32-91] zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v32)

**33** [^daniel-4-33-92] Op dat moment werd dat woord volbracht[^daniel-4-33-93] over Nebukadnezar, want[^daniel-4-33-94] hij werd uit de mensen verstoten, en[^daniel-4-33-95] hij at gras als de ossen, en[^daniel-4-33-96] zijn lichaam werd van de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat[^daniel-4-33-97] zijn haar[^daniel-4-33-98] wies als de veren van de adelaars, en zijn nagelen als van de vogels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v33)

**34** Ten einde[^daniel-4-34-99] van deze dagen nu,[^daniel-4-34-100] hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want[^daniel-4-34-101] mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde de Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte de Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v34)

**35** En[^daniel-4-35-102] al de inwoners van de aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil[^daniel-4-35-103] met het leger van de hemel en de inwoners van de aarde, en er is niemand, die Zijn hand[^daniel-4-35-104] afslaan, of tot Hem zeggen kan:[^daniel-4-35-105] Wat doet U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v35)

**36** Ter zelfder tijd[^daniel-4-36-106] kwam mijn verstand weer in mij; ook kwam de heerlijkheid van mijn koninkrijk, mijn majesteit en[^daniel-4-36-107] mijn glans weer op mij; en mijn[^daniel-4-36-108] raadsheren en mijn[^daniel-4-36-109] geweldigen[^daniel-4-36-110] zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid[^daniel-4-36-111] toegevoegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v36)

**37** [^daniel-4-37-112] Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en[^daniel-4-37-113] verheerlijk de Koning van de hemel, omdat[^daniel-4-37-114] al Zijn werken waarheid, en[^daniel-4-37-115] Zijn paden[^daniel-4-37-116] gerichten zijn; en[^daniel-4-37-117] Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/4.html#v37)

[^daniel-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 koning Nebukadnezar: Hier beginnen wij dit hoofdstuk met meer andere overzetters, alhoewel sommigen het eerst met vers 4 beginnen. Wanneer nu dit plakkaat zij afgekondigd, kan men zo geheel zeker niet zeggen; het schijnt dat het geschied is nadat Nebukadnezar verscheidene landen en koninkrijken overwonnen hebbende, \[alsook ten laatste Egypte\] opnieuw te Babel gekomen was, na welke tijd, tot het einde van zijn regering, ten hoogste tien jaren verlopen zijn, gelijk af te nemen is uit Ez. 29:17. Zodat dan dit plakkaat gepubliceerd is op het einde van het leven van Nebukadnezar, omtrent twee jaren vóór zijn dood. Daniël 4:4: Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende, Ezechiël 29:17: Verder gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van YHWH tot mij geschiedde, zeggende:
[^daniel-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 aan alle volken: Te weten die onder mijn gebied staan, gelijk Dan. 2:39; zie de aantekening daar. Daniël 2:39: En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de gehele aarde.
[^daniel-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 uw vrede worde vermenigvuldigd: Versta hier en elders meer, door de vrede alle heil en welvaart; vergelijk 1 Tim. 1:2; gelijk ook 1 Petr. 1:2, en 2 Petr. 1:2, en Jud. v.2. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 2 Petrus 1:2: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onze Heer; Judas 1:2: Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
[^daniel-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 Het behaagt mij te verkondigen: Of, het belieft mij; dat is, ik zie het voor goed aan. Dit zouden de Hebreën zeggen: het is goed in mijne ogen, Chaldeeuws, het is voor mij schoon.
[^daniel-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 de tekenen en wonderen: Te weten de zending van die droom, samen met de dingen die daardoor werden te kennen gegeven.
[^daniel-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 de allerhoogste God: Te weten de God van Israël, die een God van de goden is. Gelijk de koning zijn onderzaten deze God aanprijst, zo had hij dezelfde, ja dezelfde alleen, ook zelf behoren te omhelzen voor zijn God, verlatende alle andere valse goden; maar het blijkt dat hij het niet volkomenlijk noch oprecht gedaan heeft.
[^daniel-4-3-a]: Verwijzing a: Ps. 93:1; idem v. 2; Dan. 6:27. Psalmen 93:1: De YHWH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; YHWH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. Psalmen 93:2: Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af. Daniël 6:27: Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.
[^daniel-4-3-7]: Kanttekening 7: 7 van geslacht tot geslacht: Chaldeeuws, met geslacht en geslacht.
[^daniel-4-4-8]: Kanttekening 8: 8 gerust zijnde: Of, rust hebbende, triomferende over al mijne vijanden, zelfs ook over Egypte. Het schijnt dat hij zeggen wil: Daar was geen gelegenheid of aanleiding, of oorzaak, om mij aldus te doen dromen, daarom kan ik wel afnemen dat deze droom van God kwam. Anders: in voorspoed zijnde, gelijk Ps. 30:4, zie daar de aantekening. Psalmen 30:4: YHWH! U hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; U hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben nedergedaald.
[^daniel-4-4-9]: Kanttekening 9: 9 in mijn huis: Dit huis of paleis van de koning was in de stad Babel, vers 29. Daniël 4:29: Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,
[^daniel-4-4-10]: Kanttekening 10: Groeiende en bloeiende als een schone en vruchtbare boom, geen tegenspoed hebbende.
[^daniel-4-5-11]: Kanttekening 11: 11 een droom: Buiten twijfel is deze droom de koning zo aangenaam, dat hij wel gevoeld heeft dat het geen algemene of gewone droom geweest is, gelijk de mensen dagelijks wel hebben, spruitende uit deze of die oorzaken; maar dat het een goddelijke droom was. Daarom heeft hij de uitlegging van dezelfde begeerd te weten.
[^daniel-4-6-12]: Kanttekening 12: Of, gezet, gegeven, aangeslagen.
[^daniel-4-6-13]: Kanttekening 13: 13 opdat zij mij: Hieruit blijkt dat deze koning nog niet van harte tot de ware God bekeerd was, anders zou hij deze mensen geen raad gevraagd hebben. Zie de aantekening Dan. 3:29, 3:30. Daniël 3:29: Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan. Daniël 3:30: Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel.
[^daniel-4-7-14]: Kanttekening 14: 14 zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend: Dan. 2:4 zeggen zij: Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij zijne uitlegging te kennen geven; maar ofschoon nu de koning hun zijn droom vertelt, zo kunnen zij hem evenwel de uitlegging niet zeggen, waaruit blijkt dat hunne kunst niets dan ijdel bedrog geweest is, en het is gebleken dat Daniël door het ingeven van de Geest van God de dromen heeft uitgelegd. Daniël 2:4: Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.
[^daniel-4-8-15]: Kanttekening 15: 15 Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam: Te weten toen nu de koning raad noch troost bij zijne Chaldeën vond. Het schijnt wel, als hij bij hen \[bij wie hij tevoren geen troost gevonden had\] de uitlegging van zijn droom had kunnen vinden, dat hij Daniël geen raad zou gevraagd hebben, die hem nochtans tevoren zijn droom gezegd en de uitlegging gedaan had.
[^daniel-4-8-16]: Kanttekening 16: 16 Beltsazar is: Aangaande de naam Beltsazar, zie de aantekening Dan. 1:7. Daniël 1:7: En de overste van de kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
[^daniel-4-8-17]: Kanttekening 17: 17 mijns gods: De koning noemt zijn afgod zijn god; waaruit opnieuw blijkt dat hij nu nog in deze tijd tot de ware God niet bekeerd was. En versta hier de afgod Bel, van welke zie breder boven Dan. 1:2, en Jes. 46:1. Daniël 1:2: En YHWH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de vaten van het huis van God; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods. Jesaja 46:1: Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.
[^daniel-4-8-18]: Kanttekening 18: 18 de geest van de heilige goden is: Dat is, een hemelse en van boven komende wijsheid en wetenschap, om te verklaren verborgen dingen en te voorzeggen toekomende dingen.
[^daniel-4-9-19]: Kanttekening 19: 19 u overste van de tovenaars: Dit is wel in deze mening van de heidense koning een zeer voortreffelijke eretitel geweest, maar inderdaad was het de schandelijkste titel, die Daniël kon gegeven worden, want hij wilde in geen geval gerekend wezen onder het getal van de Chaldeeuwse tovenaars, die toch bedriegers waren. Maar hij kon het niet keren, dat de koning hem de titel gaf. Zie boven Dan. 2:48. Daniël 2:48: Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het gehele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
[^daniel-4-9-20]: Kanttekening 20: 20 omdat ik weet: Of, die ik weet.
[^daniel-4-9-21]: Kanttekening 21: 21 dat de geest van de heilige goden in u is: Wist hij dit, waarom heeft hij dan niet eerst en vooral zijne toevlucht tot Daniël genomen, maar is eerst tot de Chaldeën gegaan? Hieruit blijkt opnieuw dat hij niet waarlijk tot de ware God is bekeerd geweest.
[^daniel-4-9-22]: Kanttekening 22: 22 zwaar is: Of, u bezwaart, of u moeilijk is, of u perst, of drukt, benauwt, kwelt; te weten vanwege zijne zwarigheid en moeilijkheid. De zin is: Het is u een kleine moeite of zwarigheid verborgen dingen uit te leggen.
[^daniel-4-9-23]: Kanttekening 23: 23 te weten zijn uitlegging: Dat de Chaldeeuwse letter vau hier door te weten moet overgezet worden, blijkt daaraan, dat de koning hier van Daniël niet verzocht dat hij hem de droom zou te kennen geven, en ook de uitlegging van dezelfde, gelijk Dan. 2, \[want hij zelf vertelt Daniël de droom, gelijk ook onder vers 18\], maar hij verzoekt alleen de uitlegging van dezelfde; daarom spreekt ook Daniël niet van de droom, maar hij zegt de koning alleen de uitlegging van dezelfde. Maar als men hier overzette: en zijne uitlegging, zo zou het schijnen dat de koning hier van Daniël begeert te weten zowel de droom als zijne uitlegging. Daniël 4:18: Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; u nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van die, omdat al de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar u kunt wel, omdat de geest van de heilige goden in u is.
[^daniel-4-10-24]: Kanttekening 24: 24 er was een boom in het midden van de aarde: Zie deze gelijkenis ook Ez. 31:3. Ezechiël 31:3: Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.
[^daniel-4-11-25]: Kanttekening 25: 25 werd groot en sterk: Anders: was groot.
[^daniel-4-11-26]: Kanttekening 26: 26 hij werd gezien tot aan het einde: Chaldeeuws, en zijn gezicht was tot, enz.; dat is, hij werd gezien. Zo ook vers 20. Daniël 4:20: De boom, die u gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan de hemel reikte, en die over de gehele aarde gezien werd;
[^daniel-4-11-27]: Kanttekening 27: 27 van de gehele aarde: Te weten zo wijd en zo ver als de Babylonische monarchie strekte.
[^daniel-4-12-28]: Kanttekening 28: 28 Zijn loof was schoon: Of, zijne bladeren. Anders: zijne takken. Chaldeeuws, zijn loof, of zijn tak; dat is, elk van zijne bladen of takken.
[^daniel-4-12-29]: Kanttekening 29: 29 voor allen: Dat is, voor allerlei gedierte.
[^daniel-4-12-30]: Kanttekening 30: 30 onder hem vond het gedierte van het veld schaduw: Of, onder die, of onder dezelfde, te weten boom. Anders, onder hen, te weten takken.
[^daniel-4-12-31]: Kanttekening 31: 31 woonden in haar takken: Dat is, onthielden zich, schuilden en namen hunne toevlucht voor de hitte van de zon en van het onweer.
[^daniel-4-12-32]: Kanttekening 32: 32 alle vlees: Dat is, alle dieren, of beesten, alle levende zielen op aarde.
[^daniel-4-13-33]: Kanttekening 33: 33 Ik zag verder: Chaldeeuws, ik was ziende, zo ook vers 10. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot.
[^daniel-4-13-34]: Kanttekening 34: 34 een wachter: Aldus noemt hij de engel, die hem verschenen is. De engelen worden daarom wachters of wakers genoemd, omdat zij met geen slaap bevangen worden, gelijk wel de mensen, die met vlees en bloed beladen zijn. II. Omdat zij zonder opgehouden altijd op de dienst van God en de bewaring zijn kinderen passen; ten welke aanzien hun vele ogen worden toegeschreven, Ez. 1. Zie Ps. 91:11, en Ps. 103:20. Psalmen 91:11: Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord.
[^daniel-4-13-35]: Kanttekening 35: 35 een heilige: Dit wordt hier bijgevoegd tot onderscheiding van de kwade engelen.
[^daniel-4-13-36]: Kanttekening 36: 36 kwam af van de hemel: Te weten van God gezonden zijnde.
[^daniel-4-14-37]: Kanttekening 37: Te weten tot de andere engelen, die van God tot uitvoering van dit oordeel bescheiden waren.
[^daniel-4-15-38]: Kanttekening 38: 38 Maar laat de stam met zijn wortelen in de aarde: Alhoewel God de Heer deze koning zeer zwaar gestraft heeft vanwege zijne hovaardij, zo doet Hij hem nog die genade, dat Hij hem niet ten enenmale uitroeit, maar laat de stronk of stam nog blijven, om weer op te groeien en tot zijn vorigen staat te komen.
[^daniel-4-15-39]: Kanttekening 39: 39 hem in de dauw van de hemel nat gemaakt worden: Te weten die, die door de boom beduid wordt.
[^daniel-4-15-40]: Kanttekening 40: 40 in het kruid van de aarde: Dat is, van, gelijk Lev. 22:4. Leviticus 22:4: Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; samen met die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat.
[^daniel-4-16-41]: Kanttekening 41: 41 Zijn hart worde veranderd: Chaldeeuws, dat zij zijn hart van de mensen veranderen. Hij is niet in een beest veranderd naar het lichaam; maar hij is zo onvernuftig en onverstandig geworden, alsof hij een beest ware geworden. Sommigen menen dat hij met een bozen geest is bezeten geweest, en dat hij daarom van de mensen is verstoten, of verlaten zou zijn geweest; vergelijk Mark. 5:2. Marcus 5:2: En zo Hij uit het schip gegaan was, meteen ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;
[^daniel-4-16-42]: Kanttekening 42: 42 zeven tijden over hem voorbijgaan: Enige verstaan hier door deze zeven tijden zeven weken. Anderen zeven maanden. Maar het is meer te geloven dat het zeven jaren geweest zijn; gelijk onder Dan. 11:13. Daniël 11:13: Want de koning van het Noorden zal terugkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden van de jaren, zal hij snel komen met een grote heirkracht, en met groot goed.
[^daniel-4-17-43]: Kanttekening 43: 43 is in het besluit van de wachters: Welverstaande voorzoveel als de engelen de uitvoering bevolen was, want eigenlijk te spreken is het God, die dit besluit gemaakt heeft; de wachters, dat is de engelen, zijn alleen uitvoerders van het bevel van de Heer.
[^daniel-4-17-44]: Kanttekening 44: 44 en deze begeerte is in het woord van de heiligen: Hij wil zeggen dat al de heilige engelen eendrachtig begeren en wensen dat het goddelijk besluit, aangaande de nederhouwing van deze boom, mocht voltrokken worden.
[^daniel-4-17-45]: Kanttekening 45: 45 de levenden bekennen: De mensen op aarde.
[^daniel-4-18-46]: Kanttekening 46: 46 al de wijzen: Dat is, geen onder de wijzen.
[^daniel-4-18-47]: Kanttekening 47: 47 de geest: De inspiratie, inblazing, ingeving.
[^daniel-4-18-48]: Kanttekening 48: 48 van de heilige goden in u is: Hij spreekt als een heidens mens.
[^daniel-4-19-49]: Kanttekening 49: 49 Toen ontzette zich Daniël: Dat is, hij was als buiten zichzelf, door verbaasdheid stilzwijgende, vernemende de zware straf, die de koning \[wiens onderzaat hij was\] boven het hoofd was hangende; zie Jer. 29:7. Jeremia 29:7: En zoekt de vrede van de stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot YHWH; want in haar vrede zult u vrede hebben.
[^daniel-4-19-50]: Kanttekening 50: 50 beroerden hem: Of, verschrikten, of bedroefden hem, zo straks opnieuw.
[^daniel-4-19-51]: Kanttekening 51: 51 laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren: Alsof de koning zei: Heb goede moed, en zeg mij maar de rechte uitlegging van deze droom, al is zij zodanig niet als ik en u wel wensen zouden.
[^daniel-4-19-52]: Kanttekening 52: 52 wedervare uw hateren: Of, treffe, of zij. Daniël wenst dat die gruwelijke straf, waarmee de koning gedreigd werd, van hem mocht afgewend worden.
[^daniel-4-20-53]: Kanttekening 53: 53 De boom: Dit is de uitlegging van het eerste deel van de droom, verhaald boven vers 10, 4:11. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot. Daniël 4:11: De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en hij werd gezien tot aan het einde van de gehele aarde;
[^daniel-4-20-54]: Kanttekening 54: 54 wiens hoogte tot aan de hemel reikte: Dat is, die alles vervulde.
[^daniel-4-20-55]: Kanttekening 55: 55 die over de gehele aarde gezien werd: Zie boven vers 11. Daniël 4:11: De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en hij werd gezien tot aan het einde van de gehele aarde;
[^daniel-4-21-56]: Kanttekening 56: 56 En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren: De zin is: gelijk een schone, grote, vruchtbare boom de dieren, die onder hem schuilen, en de vogels, die in zijne takken zitten of nestelen, bedekt en met zijne vruchten spijst; zo beschut en beschermt een goed en voortreffelijk koning zijne onderzaten als onder zijne takken, en door goede orde en politie maakt hij dat een ieder door zijne nering gerustelijk zijn brood wint.
[^daniel-4-21-57]: Kanttekening 57: Zie boven vers 12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.
[^daniel-4-21-58]: Kanttekening 58: Dat is, zaten, woonden, rustten.
[^daniel-4-22-59]: Kanttekening 59: 59 Dat bent u: Die boom bent u. Het teken wordt gegeven de naam van het betekende ding.
[^daniel-4-22-60]: Kanttekening 60: 60 uw grootheid is zo gewassen: Daar waren in die tijd nog wel enige koningen in de wereld, maar hunne macht was nergens naar te vergelijken bij de macht en heerschappij van deze koning.
[^daniel-4-22-61]: Kanttekening 61: 61 dat zij reikt aan de hemel: Dat is, dat zij zich wijd en breed uitstrekt; een overtollige manier van spreken.
[^daniel-4-23-62]: Kanttekening 62: 62 Dat nu de koning: Dit is de uitlegging van het tweede deel van de droom, vers 13, enz. Daniël 4:13: Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel,
[^daniel-4-23-63]: Kanttekening 63: 63 de stam met zijn wortelen in de aarde: Dat is, de stam, samen met de wortels, opdat hij op zijn tijd opnieuw mag opschieten.
[^daniel-4-23-64]: Kanttekening 64: 64 met een ijzeren en koperen band: Tot een teken dat hij als met geweld in die lagen staat zou vastgehouden worden, totdat zeven tijden over hem zouden gegaan zijn.
[^daniel-4-23-65]: Kanttekening 65: 65 zijn deel zij met het gedierte van het veld: Te weten het deel van degene, die door die boom beduid werd.
[^daniel-4-25-b]: Verwijzing b: Dan. 5:20. Daniël 5:20: Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van de troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.
[^daniel-4-25-66]: Kanttekening 66: 66 men zal u het kruid: Chaldeeuws, zij zullen, voor men zal. Deze manier van spreken is zeer gemeen bij de Chaldeën en Hebreën, gelijk vers 26. Daniël 4:26: Dat er ook gezegd is, dat men de stam met de wortelen van die boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat u zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.
[^daniel-4-25-67]: Kanttekening 67: 67 te smaken geven: Dat is, te eten geven.
[^daniel-4-25-68]: Kanttekening 68: 68 totdat u bekent: Als God de Heer met hoogste gestrengheid tegen deze koning had willen handelen, Hij had oorzaak genoeg om hem en zijne gedachtenis ten enenmale te verdelgen; maar in het midden van zijn gestrengheid bewijst God nog genade.
[^daniel-4-26-69]: Kanttekening 69: 69 Dat er ook gezegd is: Chaldeeuws, en dat zij gezegd hebben. Zij, te weten de wachters. Maar inderdaad is er maar een engel of wachter geweest; zie vers 13, enz. Daniël 4:13: Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel,
[^daniel-4-26-70]: Kanttekening 70: 70 dat men de stam: Hier is de uitlegging van het derde deel van de droom, verhaald boven vers 15. Daniël 4:15: Maar laat de stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras van het veld; en laat hem in de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid van de aarde.
[^daniel-4-26-71]: Kanttekening 71: 71 uw koninkrijk zal u bestendig zijn: Versta hierop, is, of betekent dit; gelijk boven Dan. 2:43, enz. Daniël 2:43: En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
[^daniel-4-26-72]: Kanttekening 72: 72 de Hemel heerst: Dat is, de God van de hemel, gelijk Matt. 21:25, en Luk. 15:18, 15:21. De zin is hier, dat God de hemel en de aarde regeert en het opperste gebied over en in dezelfde heeft. Mattheüs 21:25: De doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelf en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? Lukas 15:18: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u; Lukas 15:21: En de zoon zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u, en ben niet meer waard uw zoon genaamd te worden.
[^daniel-4-27-73]: Kanttekening 73: 73 laat mijn raad u behagen: Chaldeeuws, mijn raad zij schoon bij u.
[^daniel-4-27-74]: Kanttekening 74: 74 breek uw zonden af door gerechtigheid: Alsof hij zei: U hebt nu lang genoeg met allerlei ongerechtigheid gezondigd, \[zie onder Dan. 5:19\], omdat u dan God de Heer zo genadiglijk tevoren waarschuwt, voorkom zijn oordeel en straffen met boetvaardigheid, breek, of snijd af, of ruk af \[gelijk Gen. 27:40; Ex. 32:2\] door gerechtigheid, \[of aalmoezen; want dat betekent het Chaldeeuwse woord ook\] uwe ongerechtigheid, en oefen genade over Gods volk, dat verdrukt wordt door de strengheid van uw heerschappij. Daniël 5:19: En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hem; die hij wilde, doodde hij, en die hij wilde, behield hij in het leven, en die hij wilde, verhoogde hij, en die hij wilde, vernederde hij. Genesis 27:40: En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. Exodus 32:2: Aäron nu zei tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, van uw zonen, en van uw dochters zijn; en brengt ze tot mij.
[^daniel-4-27-75]: Kanttekening 75: 75 aan de ellendigen: Of, aan de bedrukten, of aan de armen.
[^daniel-4-27-76]: Kanttekening 76: 76 of er verlenging van uw vrede mocht wezen: Anders: of er misschien verlenging mocht wezen, enz. Het woord misschien betekent niet altijd twijfeling. Vergelijk Joz. 14:12; 1 Sam. 14:6; Hand. 8:22, en zie de aantekening daar. De zin is hier: Als u mijn raad volgt \[te weten die ik u geef, vers 27\], zo hebt u te hopen dat God, zich over u ontfermende, uw vrede, rust, welstand zal verlengen. Anders: zie, dit zal ene verlenging van uw voorspoed \[of rust\] zijn. Jozua 14:12: En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft. 1 Samuël 14:6: Jonathan nu zei tot de jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting van deze onbesnedenen overgaan; misschien zal YHWH voor ons werken; want bij YHWH is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen. Handelingen 8:22: Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd. Daniël 4:27: Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.
[^daniel-4-28-77]: Kanttekening 77: 77 Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar: Te weten wat God door die droom en Daniël door de uitlegging van dezelfde voorzegd had.
[^daniel-4-29-78]: Kanttekening 78: 78 op het einde van twaalf maanden: Zolang heeft de goddelijke lankmoedigheid de straf nog uitgesteld, om hem tijd van bekering te geven.
[^daniel-4-29-79]: Kanttekening 79: 79 toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde: Het schijnt dat de koning boven op het platte dak van zijn paleis gewandeld heeft, vanwaar hij al de gedeelten van de stad kon overzien.
[^daniel-4-30-80]: Kanttekening 80: 80 Sprak de koning: Chaldeeuws, antwoordde de koning. Het schijnt dat de koning de droom en zijne beduiding, hem door Daniël aangediend, straks vergeten of lichtvaardiglijk in de wind geslagen had, misbruikende de lankmoedigheid Gods over hem. Vergelijk Rom. 2:4. Romeinen 2:4: Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?
[^daniel-4-30-81]: Kanttekening 81: 81 Is dit niet: Alsof hij zei: Wie zal deze grote en machtige stad durven bestrijden? Wie zal mij daaruit kunnen verdrijven? Het schijnt dat de koning, ziende op de woorden van de profeet Daniël \[die hem voorzegd had dat hij van zijn koninklijken stoel zou afgestoten worden\], de stad Babel nog veel sterker heeft bevestigd dan zij tevoren was, ja, dat hij haar zo sterk gemaakt heeft dat hij haar achtte onwinbaar te zijn. Maar het is gelijk er staat Ps. 18:28; Spreuk. 16:18; Jak. 4:6, en 1 Petr. 5:5. Psalmen 18:28: Want U verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert U. Spreuken 16:18: Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid van de geest voor de val. Jakobus 4:6: Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 1 Petrus 5:5: Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^daniel-4-30-82]: Kanttekening 82: 82 het grote Babel: Babel was \[gelijk Herodotus schrijft lib. 1\], in het rond vierhonderd tachtig stadiën, dat is, vijftien gewone Duitse mijlen, elk van een uur gaans. Aristoteles zegt, Polit, lib. 3, cap. 2, dat Babylon zo groot was, dat als het van de vijanden aan het ene einde al drie dagen was ingenomen geweest, die aan het andere einde doende waren, zulks eerst op de derde dag daarna vernomen hebben.
[^daniel-4-30-83]: Kanttekening 83: 83 dat ik gebouwd heb: Dit is een ijdele en valse roem, tot schande van zijn voorzaten strekkende; want Babel is straks na de overstroming gebouwd geweest, Gen. 10:10. En het is van tijd tot tijd vergroot en versterkt geworden onder de regering van verscheidene koningen, die daar hebben hof gehouden. Deze Nebukadnezar heeft het alleen sterker gemaakt en met meer huizen vergroot. Zie Josef. Lib. 10, Antiq. Iudaic. cap. 11. Genesis 10:10: En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^daniel-4-30-85]: Kanttekening 85: 85 ter ere mijner heerlijkheid: Of, tot ere mijner majesteit, maar niet ter ere Gods.
[^daniel-4-30-84]: Kanttekening 84: 84 door de sterkte mijner macht: Wat heeft er dan God toe gedaan?
[^daniel-4-31-86]: Kanttekening 86: 86 Dit woord nog zijnde in de mond van de koning: Dat is, voordat hij nog terdeeg die hovaardige woorden uitgesproken had.
[^daniel-4-31-87]: Kanttekening 87: 87 uit de hemel: Opdat deze hovaardige koning, samen met al zijne hovelingen en trawanten, zouden zien en vernemen dat er een veel machtiger Koning in de hemel was dan hij. Vergelijk Ps. 2, Ps. 4, Ps. 5.
[^daniel-4-31-88]: Kanttekening 88: 88 U, o koning Nebukadnezar: Alsof God de Heer zei: U verlaat u op uw koninklijke macht, maar u zult binnenkort bevinden dat die van geen waarde is, Ik zal u terneder stoten en zal u het koninkrijk van zeven jaren lang afnemen; zie de vervulling vers 33. Daniël 4:33: Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat zijn haar wies als de vederen van de adelaars, en zijn nagelen als van de vogels.
[^daniel-4-31-89]: Kanttekening 89: 89 is van u gegaan: Of, het gaat van u weg, of het zal van u weggaan, het is van u geweken, dit is in mijn raad zo besloten.
[^daniel-4-32-90]: Kanttekening 90: 90 te smaken geven: Dat is, te eten geven.
[^daniel-4-32-91]: Kanttekening 91: 91 zeven tijden over u voorbijgaan: Zie boven de aantekening vers 16. Daniël 4:16: Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.
[^daniel-4-33-92]: Kanttekening 92: 92 Ter zelfder ure: Te weten in welke de stem uit de hemel gevallen was; vergelijk Ps. 33:8, 33:9. Psalmen 33:8: Laat de gehele aarde voor YHWH vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. Psalmen 33:9: Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^daniel-4-33-93]: Kanttekening 93: 93 over Nebukadnezar: Of, aan.
[^daniel-4-33-94]: Kanttekening 94: 94 hij werd uit de mensen verstoten: Hij werd niet alleen van zijn koninklijken troon en uit zijn koninklijk paleis verstoten, maar ook uit het gezelschap en de bijwoning van alle mensen. Zie onder vers 34. Daniël 4:34: Ten einde van deze dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde de Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte de Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;
[^daniel-4-33-95]: Kanttekening 95: 95 hij at gras als de ossen: Te weten die tevoren allerlei kostelijk voedsel en lekkerlijk toebereide gerechten op zijne tafel te hebben gewoon was.
[^daniel-4-33-96]: Kanttekening 96: 96 zijn lichaam: In plaats van het dak van zijn kostelijk en koninklijk paleis, waarin hij zich verhovaardigd had, ligt hij nu dag en nacht onder de blauwe hemel in het koude veld, zonder huis of hut.
[^daniel-4-33-97]: Kanttekening 97: 97 zijn haar: Niet alleen het haar van zijn hoofd, maar al de haren van zijn lichaam.
[^daniel-4-33-98]: Kanttekening 98: 98 wies als de veren van de adelaars,: Dat is, zo lang werd als die van de adelaars, enz.; want hij had geen acht op zijn lichaam, hij dacht niet op het scheren van zijn haar, noch op het korten van zijn nagelen, want hij was van zijn verstand beroofd; daarom zijn zijne haren en nagels zo gewassen dat hij meer de gruwelijke en wilde vogels en gedierten gelijk scheen, dan de mensen.
[^daniel-4-34-99]: Kanttekening 99: 99 van deze dagen nu: Zie boven vers 16, 4:32. Daniël 4:16: Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. Daniël 4:32: En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te smaken geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil.
[^daniel-4-34-100]: Kanttekening 100: 100 hief ik, Nebukadnezar: De orde van de woorden zou, naar de zin, deze zijn: Mijn verstand kwam weer in mij, toen hief ik, enz.
[^daniel-4-34-101]: Kanttekening 101: 101 mijn verstand kwam weer in mij: Hieruit blijkt dat hij van zijn verstand een tijdlang is beroofd geweest; en heeft zijne ogen niet opwaarts ten hemel geslagen, totdat God hem als uit deze dolle uitzinnige slaap gered heeft; toen eerst heeft hij gedacht dat God een rechtvaardig rechter was, en hij heeft zich voor Hem verdeemoedigd met verslagenheid en nederigheid van het hart.
[^daniel-4-35-102]: Kanttekening 102: 102 al de inwoners van de aarde: Hoe sterk en machtig de mensen zijn, zo zijn zij in geen enkele manier met God te vergelijken, zij zijn ijdel en broos, hun rijk en regering vergaan haast, maar God is en blijft een Heer en Koning in eeuwigheid.
[^daniel-4-35-103]: Kanttekening 103: 103 met het leger van de hemel: Dat is, met de engelen, ook met de zon, maan, sterren en het gehele gebouw van de hemel en van de wolken. Zie de aantekening Gen. 2:1. Genesis 2:1: Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht.
[^daniel-4-35-104]: Kanttekening 104: Verhinderen, weren, ophouden, afkeren kan.
[^daniel-4-35-105]: Kanttekening 105: 105 Wat doet U: Of, wat hebt u gedaan?
[^daniel-4-36-106]: Kanttekening 106: 106 kwam mijn verstand weer in mij: Dit was het grootste en voornaamste dat hij verloren had, waar de koninklijke waardigheid niet bij te vergelijken was.
[^daniel-4-36-107]: Kanttekening 107: 107 mijn glans weer op mij: Te weten de glans, of vorige schone gestalte van zijn aangezicht. Zie Dan. 2:31. Daniël 2:31: U, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.
[^daniel-4-36-108]: Kanttekening 108: Of, regenten, of vorsten.
[^daniel-4-36-109]: Kanttekening 109: Of edelen, of de groten van het land.
[^daniel-4-36-110]: Kanttekening 110: 110 zochten mij: Het schijnt dat de koning van zijne raden is afgezet en verstoten geworden, toen zij zagen dat hij uitzinnig was; maar dat zij hem weer gezocht en aangenomen hebben, toen zij zagen dat hij opnieuw tot zijn verstand gekomen was.
[^daniel-4-36-111]: Kanttekening 111: Te weten van God en de vorsten van het rijk.
[^daniel-4-37-112]: Kanttekening 112: 112 Nu prijs ik, Nebukadnezar: Te weten nadat ik al het bovenverhaalde heb beleefd en bevonden. Anders: daarom prijs ik, enz.
[^daniel-4-37-113]: Kanttekening 113: 113 verheerlijk de Koning van de hemel: Dat nochtans deze koning niet ganselijk tot de ware God is bekeerd geweest, blijkt boven vers 8, waar hij Bel zijn God noemt: Niemand kan twee heren tegelijk dienen, Matt. 6:24. Daniël 4:8: Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar de naam mijns gods, in wie ook de geest van de heilige goden is; en ik vertelde de droom voor hem, zeggende: Mattheüs 6:24: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon.
[^daniel-4-37-114]: Kanttekening 114: 114 al Zijn werken waarheid: Dat is, alles wat Hij belooft, voorzegt en dreigt, dat is waar, zeker en vast; daar is niets berispelijks in.
[^daniel-4-37-115]: Kanttekening 115: 115 Zijn paden: Dat is, zijne handelingen, werken en daden.
[^daniel-4-37-116]: Kanttekening 116: 116 gerichten zijn: Zij bestaan niet alleen in het gericht, maar zij zijn zelf een regel en richtsnoer van alle gerichten; zijne handelingen stellen het gericht.
[^daniel-4-37-117]: Kanttekening 117: 117 Hij is machtig te vernederen degenen: Hier bekent de koning openlijk zijne zonde van de hovaardij, waarmee hij die straf wel verdiend had.

### Daniël 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/5.json)

*Belsazar, die in zijn goddeloze maaltijd de God van Israël bespot en de vaten van Zijn tempel misbruikt, vers 1 enz. wordt hevig verschrikt door een geschrift aan de wand, dat zijn wijzen noch lezen, noch verstaan konden, 5 enz. Daniël wordt op raad van de oude koningin geroepen, 10 enz. Hij veracht de geschenken van de koning en geeft hem een goede les, 17, 18 enz. Daarna leest Daniël het geschrift en wijst aan dat het de ondergang van de koning beduidde, 24 enz., die ook diezelfde nacht daarop gevolgd is, 30.*

**1** De koning[^daniel-5-1-1] Belsazar[^daniel-5-1-2] maakte[^daniel-5-1-3] een grote maaltijd voor[^daniel-5-1-4] zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn[^daniel-5-1-5] voor die duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v1)

**2** Als Belsazar[^daniel-5-2-6] de wijn geproefd had, zei hij,[^daniel-5-2-7] dat men de gouden en zilveren voorwerpen voorbrengen zou, die[^daniel-5-2-8] zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn[^daniel-5-2-9] vrouwen en zijn[^daniel-5-2-10] bijvrouwen daaruit dronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v2)

**3** Toen bracht men[^daniel-5-3-11] voor de gouden voorwerpen,[^daniel-5-3-12] die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was,[^daniel-5-3-13] weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijvrouwen dronken daaruit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v3)

**4** [^daniel-5-4-14] Zij dronken de wijn, en prezen[^daniel-5-4-15] de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v4)

**5** Op dat moment kwamen er[^daniel-5-5-16] vingers van de hand van een mens[^daniel-5-5-17] voort, die schreven tegenover[^daniel-5-5-18] de kandelaar,[^daniel-5-5-19] op de kalk van de wand van het koninklijk paleis, en[^daniel-5-5-20] de koning zag het deel van de hand, die daar schreef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v5)

**6** Toen veranderde zich[^daniel-5-6-21] de gelaatskleur van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen[^daniel-5-6-22] werden los, en zijn knieën stootten[^daniel-5-6-23] tegen elkaar aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v6)

**7** Zodat de koning[^daniel-5-7-24] met kracht riep dat[^daniel-5-7-25] men de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning[^daniel-5-7-26] antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en de uitlegging daarvan mij te kennen zal geven, die zal[^daniel-5-7-27] met purper gekleed worden, met een gouden[^daniel-5-7-28] keten om zijn hals, en[^daniel-5-7-29] hij zal de derde heerser[^daniel-5-7-30] in dit koninkrijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v7)

**8** Toen kwamen al de wijzen van de koning in; maar[^daniel-5-8-31] zij konden dit schrift niet lezen, noch de koning de uitlegging daarvan bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v8)

**9** Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en[^daniel-5-9-32] zijn gelaatskleur werd aan hem veranderd, en[^daniel-5-9-33] zijn geweldigen werden verbaasd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v9)

**10** [^daniel-5-10-34] Om deze woorden van de koning en van zijn geweldigen, ging[^daniel-5-10-35] de koningin in het huis van de maaltijd. De koningin sprak en zei:[^daniel-5-10-36] O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw gelaatskleur niet veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v10)

**11** Er is een man in uw koninkrijk, in wie de geest van de heilige goden is, want[^daniel-5-11-a] in de dagen[^daniel-5-11-37] van uw vader is bij hem gevonden[^daniel-5-11-38] licht, en verstand, en wijsheid,[^daniel-5-11-39] gelijk de wijsheid van de goden is; daarom[^daniel-5-11-40] stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot[^daniel-5-11-41] een overste van de tovenaars, van de sterrekijkers, van de Chaldeeën, en van[^daniel-5-11-42] de waarzeggers, uw vader, o koning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v11)

**12** Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van één, die dromen uitlegt, en van de aanwijzing van raadselen, en van[^daniel-5-12-43] één, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, die de koning de naam van[^daniel-5-12-44] Beltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v12)

**13** Toen werd Daniël voor de koning ingebracht. De koning[^daniel-5-13-45] antwoordde en zei tot Daniël:[^daniel-5-13-46] Bent u die Daniël, één uit de als gevangene weggevoerden van Juda, die de koning,[^daniel-5-13-47] mijn vader, uit Juda gebracht heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v13)

**14** [^daniel-5-14-48] Ik heb toch van u gehoord, dat de geest van de goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v14)

**15** Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en de uitlegging daarvan mij bekend te maken; maar[^daniel-5-15-49] zij kunnen de uitlegging[^daniel-5-15-50] van deze woorden niet te kennen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v15)

**16** Maar van u heb ik gehoord, dat u uitleggingen kunt[^daniel-5-16-51] geven, en knopen ontbinden; nu, als u dit schrift zult kunnen lezen, en de uitlegging daarvan mij bekend maken,[^daniel-5-16-52] u zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en u zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v16)

**17** Toen antwoordde Daniël, en zei voor de koning:[^daniel-5-17-53] Heb uw gaven voor uzelf, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal toch het schrift voor de koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v17)

**18** [^daniel-5-18-54] Wat u betreft, o koning! de allerhoogste God heeft[^daniel-5-18-55] uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en[^daniel-5-18-56] grootheid, en[^daniel-5-18-57] eer, en heerlijkheid gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v18)

**19** En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen[^daniel-5-19-58] voor hem; die hij wilde, doodde hij, en die hij wilde, behield hij in het leven, en die hij wilde, verhoogde hij, en die hij wilde, vernederde hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v19)

**20** Maar[^daniel-5-20-59] toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd tot hoogmoed,[^daniel-5-20-60] werd hij van de troon van zijn koninkrijk afgestoten, en men nam de eer van hem weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v20)

**21** [^daniel-5-21-b] En[^daniel-5-21-61] hij werd van de kinderen van de mensen verstoten, en[^daniel-5-21-62] zijn hart werd de beesten gelijk gemaakt, en[^daniel-5-21-63] zijn woning was bij de woudezelen;[^daniel-5-21-64] men gaf hem gras te smaken gelijk de ossen; en zijn lichaam werd van de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken van de mensen, en daarover stelt, wie Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v21)

**22** En u, Belsazar, zijn[^daniel-5-22-65] zoon! heb uw hart niet vernederd, alhoewel u dit[^daniel-5-22-66] alles wel geweten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v22)

**23** Maar u hebt u verheven tegen de Heere van de hemel, en men heeft de voorwerpen[^daniel-5-23-67] van Zijn huis voor u gebracht, en u, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijvrouwen hebben wijn daaruit gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen,[^daniel-5-23-68] die niet zien, noch horen,[^daniel-5-23-69] noch weten, hebt u geprezen; maar die God,[^daniel-5-23-70] in Wiens hand[^daniel-5-23-71] uw adem is, en bij Wie[^daniel-5-23-72] al uw paden zijn, hebt u niet verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v23)

**24** [^daniel-5-24-73] Toen is dat deel van de[^daniel-5-24-74] hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v24)

**25** Dit nu is het schrift, dat daar getekend is:[^daniel-5-25-75] MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v25)

**26** Dit is de uitlegging van deze woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en[^daniel-5-26-76] Hij heeft het voltooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v26)

**27** [^daniel-5-27-77] TEKEL; u bent in weegschalen gewogen; en[^daniel-5-27-78] u bent te licht gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v27)

**28** [^daniel-5-28-79] PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is de Meden en de Perzen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v28)

**29** Toen beval Belsazar,[^daniel-5-29-80] en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid[^daniel-5-29-81] van hem,[^daniel-5-29-82] dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v29)

**30** [^daniel-5-30-83] In die nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën[^daniel-5-30-84], gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/5.html#v30)

[^daniel-5-1-1]: Kanttekening 1: Te weten kleinzoon van Nebukadnezar de Grote, de zoon van Evilmerodach. Van die tijd af te rekenen dat de Joden in de Babylonische gevangenschap gebracht zijn tot het einde van de Babylonische monarchie, hebben deze drie koningen te Babel geregeerd: Nebukadnezar de Grote, Evilmerodach zijn zoon, en Belsazar, de zoon van Evilmerodach; zie en vergelijk hiermede 2 Kon. 25:27; Jer. 27:5, 27:6, 27:7. Maar anderen stellen na deze Belsazar enen Nabonides, die van Daniël zou genoemd zijn Darius de Meder, onder Dan. 6:1, en het koninkrijk ontvangen hebben, door vrijwillige verkiezing van de Babyloniërs, enz.; waarvan de verstandige lezer kan oordelen en letten op Jer. 27:7, enz.; idem onder vers 28, en Dan. 6:1,29, en Dan. 8:3, 8:20, en Dan. 9:1, en Dan. 10:1, en Dan. 11:1, 11:2. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. Jeremia 27:5: Ik heb gemaakt de aarde, de mens en het vee, die op de aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welke het recht is in Mijn ogen. Jeremia 27:6: En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. Daniël 6:1: Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. Daniël 5:28: PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is de Meden en de Perzen gegeven. Daniël 6:1: Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde. Daniël 8:3: En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor die vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de één was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op. Daniël 8:20: De ram met de twee hoornen, die u gezien hebt, zijn de koningen van de Meden en van de Perzen. Daniël 9:1: In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het zaad van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën; Daniël 10:1: In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht. Daniël 11:1: Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, de Meder, om hem te versterken en te stijven. Daniël 11:2: En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.
[^daniel-5-1-2]: Kanttekening 2: Sommigen houden het daarvoor, dat deze maaltijd gehouden is gedurende de belegering van de stad Babel door de Perzen, om te betonen dat hij de vijand, die toen voor Babel lag, weinig of niet achtte.
[^daniel-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 een grote maaltijd: Chaldeeuws, maakte veel, of groot voedsel, of brood, gelijk Pred. 10:19. Prediker 10:19: Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.
[^daniel-5-1-4]: Kanttekening 4: 4 duizend geweldigen: Dat is, al de vorsten, prinsen, groten, voortreffelijken en voornaamste heren en officieren van zijn rijk, die velen in getal waren.
[^daniel-5-1-5]: Kanttekening 5: 5 voor die duizend: Dat is, in aanwezigheid derzelven; vergelijk Esth. 1:3. Esther 1:3: In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten van de landschappen waren voor zijn aangezicht;
[^daniel-5-2-6]: Kanttekening 6: 6 de wijn geproefd had: Dat is, toen hij vrolijk geworden was van de wijn. Chaldeeuws, in de proef, of smaak van de wijn.
[^daniel-5-2-7]: Kanttekening 7: 7 dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou: Dit bestraft Daniël onder vers 23. Het schijnt wel dat Nebukadnezar die geroofde vaten had doen opsluiten in zijne schatkamers, zonder dezelfde te bezigen. Men leest ook nergens dat Evilmerodach dezelfde gebruikt heeft; maar Belsazar doet dit, als God bespottende. Daniël 5:23: Maar u hebt u verheven tegen de Heer van de hemel, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en u, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelfde gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt u geprezen; maar die God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wie al uw paden zijn, hebt u niet verheerlijkt.
[^daniel-5-2-8]: Kanttekening 8: 8 zijn vader Nebukadnezar uit de tempel: Dat is, zijn grootvader, en zo in het volgende. De Oosterse volken noemen al de voorouders vaders; gelijk zij ook zonen noemen de neven of nakomelingen.
[^daniel-5-2-9]: Kanttekening 9: 9 vrouwen en zijn bijwijven: Of, bedgenoten. Enigen menen dat het Chaldeeuwse woord betekent koninklijke of vorstelijke vrouwen.
[^daniel-5-2-10]: Kanttekening 10: 10 uit dezelfde dronken: Chaldeeuws, in dezelfde dronken; te weten de wijn, die in dezelfde geschonken was, zo vers 3. Daniël 5:3: Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.
[^daniel-5-3-11]: Kanttekening 11: 11 de gouden vaten: Het kan wel zijn dat er ook zilveren vaten gebracht zijn, maar dat de profeet hier alleen de schoonste en kostelijkste noemt.
[^daniel-5-3-12]: Kanttekening 12: 12 die men uit de tempel van het huis van God: Aldus pocht deze koning, en is moedig op de kerkroof van zijn vader.
[^daniel-5-3-13]: Kanttekening 13: 13 weggevoerd had: Zie de historie 2 Kon. 24 en 2 Kon. 25.
[^daniel-5-4-14]: Kanttekening 14: 14 Zij dronken de wijn: Hier wordt aangewezen dat de overdaad in wijn deze afgodendienaars heeft verwekt om de ware God te vergeten, ja te lasteren, en hun valse goden te loven en te prijzen voor de roof uit het huis van God, die zij misbruikten.
[^daniel-5-4-15]: Kanttekening 15: 15 de gouden: Nooit zijn enige afgodendienaars onder de heidenen zo verblind geweest, dat zij gemeend hebben dat het wezen Gods uit goud, zilver, enz., was bestaande, maar zij hebben in de gedaante van de beelden hunne goden geëerd en aangebeden.
[^daniel-5-5-16]: Kanttekening 16: 16 vingeren van eens mensen hand: Niet een gehele hand, maar vingers, of wat meer van de hand, vers 24; het waren de vingeren Gods, die genoemd worden vingeren van eens mensen hand, omdat zij in de ogen van de koning waren als vingers van een mens, die genoegzaam waren om de koning en allen die dezelfde zagen verschrikt en verbaasd te maken. Daniël 5:24: Toen is dat deel van de hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.
[^daniel-5-5-17]: Kanttekening 17: Te weten uit de muur, of uit de hemel wonderbaarlijk.
[^daniel-5-5-18]: Kanttekening 18: 18 de kandelaar: Die vermoedelijk gehangen heeft in het midden van de zaal of eetkamer, waar deze grote maaltijd gehouden werd, dat te geloven is, dat geduurd zou hebben tot diep in de nacht, had God het niet verstoord.
[^daniel-5-5-19]: Kanttekening 19: 19 op de kalk van de wand: Dat is, op de gewitten, gekalkten, of gepleisterden wand.
[^daniel-5-5-20]: Kanttekening 20: 20 de koning zag het deel van de hand: Dit dient tot bevestiging van dit wonder. Had alleen iemand van de aanwezende personen dit gezien, die het de koning had te kennen gegeven, zo mocht hij aan de zekerheid van dit wonder getwijfeld hebben, denkende dat iemand in het geheim, of met kunst, dit aan de wand geschreven had; maar toen hij zelf de vingers zag gaan, zo had hij geen reden om te twijfelen; maar hij werd in zijn eigen consciëntie overtuigd dat het een teken uit de hemel was, God hem verschrikkende, die hij tevoren gehoond had, vers 2. Daniël 5:2: Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelfde dronken.
[^daniel-5-6-21]: Kanttekening 21: 21 de glans van de koning: Chaldeeuws, de glansen. Dat men kan verstaan van zijn gehele glans. Vergelijk Dan. 4:36, zo ook hieronder vers 9, 5:10. De zin is dat al de vreugde schielijk in droefenis veranderde. De koning wist nog niet wat dit schrift beduidde, goed of kwaad. Maar zijn eigen consciëntie heeft hem betuigd dat het de dreigende hand van de Heer was, vanwege zijn goddeloos leven, handel en wandel. Daniël 4:36: Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weer in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weer op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd. Daniël 5:9: Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd. Daniël 5:10: Om deze woorden van de koning en zijn geweldigen, ging de koningin in het huis van de maaltijd. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.
[^daniel-5-6-22]: Kanttekening 22: 22 werden los: Dat is, zijne kracht bezweek, òf werden losgemaakt, òf werden gelost; dat is, gelijk anderen, men moest hem ontgorden, gelijk men hen doet die bezwijmen, of in flauwte en onmacht vallen.
[^daniel-5-6-23]: Kanttekening 23: 23 tegen elkaar aan: Chaldeeuws, deze aan die; dat is, de één aan de ander, te weten uit schrik en vrees.
[^daniel-5-7-24]: Kanttekening 24: 24 met kracht riep: Of, met macht; dat is, overluid, dat het alle man bescheidenlijk hoorde. Het betaamde wel de waardigheid van de koninklijke persoon niet aan de tafel luide te roepen, maar hiermede wordt aangewezen de bangheid en schrik, die de koning omvangen had.
[^daniel-5-7-25]: Kanttekening 25: 25 de sterrekijkers: Versta onder deze drie soorten ook die allen, die genoemd staan Dan. 1:20, en Dan. 2:2, 2:27, zie daar. Daniël was in vergetenheid gesteld, onaangezien hij enige jaren hier tevoren aan de grootvader van deze koning zijn droom had uitgelegd, Dan. 2. Daniël 1:20: En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn gehele koninkrijk waren. Daniël 2:2: Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning. Daniël 2:27: Daniël antwoordde voor de koning, en zei: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers de koning niet te kennen geven;
[^daniel-5-7-26]: Kanttekening 26: Dat is, ving aan te spreken, gelijk elders meer.
[^daniel-5-7-27]: Kanttekening 27: 27 purper gekleed worden: Dit is zoveel te zeggen, als dat de koning die, die dit schrift kon lezen en uitleggen, zou rekenen of stellen onder het getal van zijn vorsten en van de groten van zijn rijk; want eertijds droegen de vorsten en de statelijksten aan de hoven van de koningen zodanige kleren, zij en geen andere personen.
[^daniel-5-7-28]: Kanttekening 28: 28 keten om zijn hals: Anders: gouden halsbanden, of gouden ketens, want de Chaldeeuwse tekst wordt verscheidenlijk gelezen.
[^daniel-5-7-29]: Kanttekening 29: 29 hij zal de derde heerser: Anders: hij zal over het derde deel van het koninkrijk heersen; zo onder Dan. 6:2, en in vers 16, 5:29. Daniël 6:2: En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het gehele koninkrijk zijn zouden; Daniël 5:16: Maar van u heb ik gehoord, dat u uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, als u dit schrift zult kunnen lezen, en daarvan uitlegging mij bekend maken, u zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en u zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn. Daniël 5:29: Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.
[^daniel-5-7-30]: Kanttekening 30: 30 in dit koninkrijk zijn: Te weten in het koninkrijk van Babel.
[^daniel-5-8-31]: Kanttekening 31: 31 zij konden dit schrift niet lezen: God heeft hun ogen en verstand verblind, want het was in het Chaldeeuws, dat is in hunne moedertaal geschreven, gelijk blijkt vers 25, enz. Vergelijk hiermede Jes. 29:10, en 2 Kor. 3:14. Al hadden zij dit schrift kunnen lezen, ja al hadden zij het duizend maal gelezen en herlezen, zo zouden zij de zin daarvan niet verstaan hebben. Daniël 5:25: Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN. Jesaja 29:10: Want YHWH heeft over u uitgegoten een geest van de diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind. 2 Korinthiërs 3:14: Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van het Oude Testament, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
[^daniel-5-9-32]: Kanttekening 32: 32 zijn glans werd aan hem veranderd: Zie boven vers 6. Daniël 5:6: Toen veranderde zich de glans van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen werden los, en zijn knieën stieten tegen elkaar aan.
[^daniel-5-9-33]: Kanttekening 33: 33 zijn geweldigen werden verbaasd: Omdat deze mee schuld hadden aan verscheidene zonden van de koning, daarom moesten zij ook de straf mee dragen. Ook heeft God de Heer gewild dat hun dit mee aan het hart zou treffen, opdat door hen dit wonder in alle koninkrijken en landen zou verkondigd worden.
[^daniel-5-10-34]: Kanttekening 34: 34 Om deze woorden van de koning: Dat is, toen zij gehoord had de woorden van de koning en van de vorsten, en wat daar geschied was.
[^daniel-5-10-35]: Kanttekening 35: 35 de koningin in het huis van de maaltijd: Niet van de huisvrouw van de koning Belsazar \[want vers 2 staat, dat zijne vrouwen mee op de maaltijd gekomen waren\], daarom moest men dit verstaan van de nagelaten weduwe van de koning Nebukadnezar, de grootmoeder van Belsazar, of zijne moeder. Daniël 5:2: Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelfde dronken.
[^daniel-5-10-36]: Kanttekening 36: 36 O Koning: Anders: de koning leve in eeuwigheid. Chaldeeuws, in eeuwigheden. Van deze manier van groeten, zie boven Dan. 2:4, en Dan. 3:9. Daniël 2:4: Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. Daniël 3:9: Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning! leef in eeuwigheid!
[^daniel-5-11-a]: Verwijzing a: Dan. 2:47; idem v. 48. Daniël 2:47: De koning antwoordde Daniël en zei: Het is de waarheid, dat ulieder God een God van de goden is, en een Heer van de koningen, en Die de verborgenheden openbaart, omdat u deze verborgenheid hebt kunnen openbaren. Daniël 2:48: Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het gehele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
[^daniel-5-11-37]: Kanttekening 37: 37 uws vaders: Dat is, uw grootvader. Zie boven vers 2. Daniël 5:2: Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelfde dronken.
[^daniel-5-11-38]: Kanttekening 38: 38 licht, en verstand, en wijsheid: Of, verlichting; dat is wijsheid, kennis, wetenschap om verborgen dingen te openbaren.
[^daniel-5-11-39]: Kanttekening 39: 39 gelijk de wijsheid van de goden is: Dat is, meer dan menselijke wijsheid, zodanige namelijk, die met de wijsheid van de goden te vergelijken is.
[^daniel-5-11-40]: Kanttekening 40: 40 stelde hem de koning Nebukadnezar: Zie boven Dan. 2:48. Daniël 2:48: Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het gehele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
[^daniel-5-11-41]: Kanttekening 41: 41 een overste van de tovenaars: Zie boven Dan. 4:9. Daniël 4:9: Beltsazar, u overste van de tovenaars! omdat ik weet, dat de geest van de heilige goden in u is, en geen verborgenheid u zwaar is, zo zeg de gezichten mijns drooms, die ik gezien heb, te weten zijn uitlegging.
[^daniel-5-11-42]: Kanttekening 42: 42 uw vader, o koning: Dit diende tot vermeerdering van Daniëls gezag, want Nebukadnezar is geacht geweest te zijn een wijs en zeer verstandig man.
[^daniel-5-12-43]: Kanttekening 43: 43 die knopen ontbindt: Dat is, die ingewikkelde en verwarde dingen ontknoopt, of die zware en moeilijke kwestiën, die met banden van de donkerheid als vast toegeknoopt zijn, kan beantwoorden en uitleggen; zie Dan. 4:9. Sommigen zetten het begin van vers 12 aldus over: Omdat een voortreffelijke geest, met wetenschap en verstand, die \[te weten geest\] dromen en aanwijzing \[of, voorstelling\] van raadselen uitlegt, en die knopen ontbindt, enz., of, dromen uitleggende en raadselen aanwijzende, enz. Daniël 4:9: Beltsazar, u overste van de tovenaars! omdat ik weet, dat de geest van de heilige goden in u is, en geen verborgenheid u zwaar is, zo zeg de gezichten mijns drooms, die ik gezien heb, te weten zijn uitlegging. Daniël 5:12: Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en van de aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, die de koning de naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.
[^daniel-5-12-44]: Kanttekening 44: Chaldeeuws, stelde.
[^daniel-5-13-45]: Kanttekening 45: Dat is, hief aan te spreken, en zo elders meer.
[^daniel-5-13-46]: Kanttekening 46: 46 Zijt u die Daniël: Dit vraagt de koning met verwondering. Hij kent Daniël niet, die nochtans van zijn grootvader gesteld was tot een heerser over de gehele provincie van Babel, Dan. 2:48. Maar daarna schijnt hij van Belsazar teruggesteld en vergeten te zijn, zodat deze koning hem niet kent. Het kan wel wezen dat enige staatzuchtigen hem uit alle bedieningen te stoten gewerkt hebben, en dat hij niet veel tegenweer gedaan heeft om daarin te blijven, wetende hoe besmettelijk de hoven van de koningen zijn. Daniël 2:48: Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het gehele landschap van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel.
[^daniel-5-13-47]: Kanttekening 47: 47 mijn vader: Dat is, mijn grootvader Nebukadnezar.
[^daniel-5-14-48]: Kanttekening 48: 48 Ik heb toch van u gehoord: Hij had wel wat van Daniël horen spreken, maar tot nog toe had hij het niet geacht, maar nu in de nood wordt Daniël gezocht om raad en troost te geven.
[^daniel-5-15-49]: Kanttekening 49: 49 zij kunnen de uitlegging: Te weten de wijzen en sterrenkijkers. Ook konden de koning en zijne vorsten het niet lezen. Zie verder boven vers 8; maar Daniël heeft het gelezen door het ingeven van God, die gewild heeft dat Daniël, die men als vergeten had, nu hierdoor opnieuw in kennis zou komen. Daniël 5:8: Toen kwamen al de wijzen van de koning in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch de koning daarvan uitlegging bekend maken.
[^daniel-5-15-50]: Kanttekening 50: 50 van deze woorden niet te kennen geven: Chaldeeuws, van dat woord. Zo onder vers 26. Daniël 5:26: Dit is de uitlegging van deze woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voltooid.
[^daniel-5-16-51]: Kanttekening 51: Chaldeeuws, uitleggen.
[^daniel-5-16-52]: Kanttekening 52: 52 zult met purper bekleed worden: De koning belooft grote dingen, weinig wetende hoe nabij zijn ondergang was, en tot hem mocht gesproken worden, als tot die dwaas: deze nacht zal uwe ziel van u genomen worden, Luk. 12:20. Lukas 12:20: Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, wiens zal het zijn?
[^daniel-5-17-53]: Kanttekening 53: 53 Heb uw gaven voor uzelven: Aldus spreekt Daniël, opdat hij niet schijne uit staat of geldgierigheid te profeteren; hoogheden, rijkdommen en andere vergankelijke dingen, waarnaar de wereldse mensen gemeenlijk zozeer dorsten, konden deze heilige man niet zeer vermaken. Zie een gelijk voorbeeld in Elisa, 2 Kon. 5:16. 2 Koningen 5:16: Maar hij zei: Zo waarachtig als YHWH leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, maar hij weigerde het.
[^daniel-5-18-54]: Kanttekening 54: 54 Wat u betreft: Eer Daniël het schrift leest en uitlegt, zo geeft hij de koning te kennen waarom God hem dit teken van de schrijvende vingers vertoond had, namelijk om hem zijne ondankbaarheid en zijn godlasterlijke kerkroverij indachtig te maken.
[^daniel-5-18-55]: Kanttekening 55: 55 uw vader Nebukadnezar: Dat is, grootvader, want Evilmerodach was Belsazars vader.
[^daniel-5-18-56]: Kanttekening 56: Of, zo men nu spreekt, heerlijkheid.
[^daniel-5-18-57]: Kanttekening 57: Of, heerlijkheid en sierlijkheid.
[^daniel-5-19-58]: Kanttekening 58: 58 voor hem: Chaldeeuws, van voor hem.
[^daniel-5-20-59]: Kanttekening 59: 59 toen zich zijn hart verhief: Of, toen zijn hart verheven werd.
[^daniel-5-20-60]: Kanttekening 60: 60 werd hij van de troon zijns koninkrijks afgestoten: Zie Job 12:18. Daniël herhaalt hier die gedenkwaardige geschiedenis, om de koning indachtig te maken zijne traagheid en vergeetzaamheid in het gedenken van dat grote wonderwerk, dat de Heer aan Nebukadnezar, zijn grootvader, bewezen had. Job 12:18: De band van de koningen maakt Hij los, en Hij bindt de gordel aan hun lenden.
[^daniel-5-21-b]: Verwijzing b: Dan. 4:25. Daniël 4:25: Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, wie Hij wil.
[^daniel-5-21-61]: Kanttekening 61: 61 hij werd van de kinderen van de mensen verstoten: Zie Dan. 4:25. Daniël 4:25: Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, wie Hij wil.
[^daniel-5-21-62]: Kanttekening 62: 62 zijn hart: Anders: hij stelde zijn hart met de beesten; dat is, hij is een tijdlang zonder kennis en zonder verstand geweest; verstaande dat Hij, te weten de Heer, het hart van de koning dat van de beesten heeft gelijk gemaakt.
[^daniel-5-21-63]: Kanttekening 63: 63 zijn woning: Hij die tevoren zijn hof gehouden had in de beroemdste stad en in het schoonste paleis van de wereld, moet nu met de beesten verkeren.
[^daniel-5-21-64]: Kanttekening 64: 64 men gaf hem gras te smaken: De zin is dat hij gras at.
[^daniel-5-22-65]: Kanttekening 65: Dat is kleinzoon. Het schijnt dat Evilmerodach, de vader van Belsazar, een vromer heer geweest is en dat hij het wonderwerk, aan Nebukadnezar geschied, wel ter harte heeft genomen. Vergelijk 2 Kon. 25:27, 25:28. 2 Koningen 25:27: Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief. 2 Koningen 25:28: En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren.
[^daniel-5-22-66]: Kanttekening 66: 66 alhoewel u dit alles wel geweten hebt: En daarom wat hem wedervaren is, wel had behoren ter harte te nemen.
[^daniel-5-23-67]: Kanttekening 67: 67 Zijn huis voor u gebracht: Dat is, van zijn tempel.
[^daniel-5-23-68]: Kanttekening 68: 68 die niet zien: Vergelijk Ps. 115:5, enz. en Ps. 135:15, enz. Psalmen 115:5: Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; Psalmen 135:15: De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
[^daniel-5-23-69]: Kanttekening 69: 69 noch weten: Of, noch verstaan.
[^daniel-5-23-70]: Kanttekening 70: 70 in Wiens hand: Dat is, die u het leven heeft gegeven, en zolang laat behouden als het hem belieft.
[^daniel-5-23-71]: Kanttekening 71: 71 uw adem is: Of, uwe ziel; dat is uw leven.
[^daniel-5-23-72]: Kanttekening 72: 72 al uw paden zijn: Dat is, al uw voornemen, al uwe werken en daden, zonder wie u niets kunt uitrichten.
[^daniel-5-24-73]: Kanttekening 73: 73 Toen is dat deel van de hand: Te weten toen nu uwe hovaardij tegen God op het hoogste gekomen was en uwe trotsheid tegen de mensen onverdragelijk geworden was, en u nu de maat van uw zonden tot boven toe hadt vervuld.
[^daniel-5-24-74]: Kanttekening 74: 74 van Hem gezonden: Chaldeeuws, van voor hem; te weten van God, het is geen gespook, maar de hand van God.
[^daniel-5-25-75]: Kanttekening 75: 75 MENE, MENE, TEKEL, UPHARSiN: Dat is, Hij heeft geteld, Hij heeft geteld; Hij heeft opgewogen, en zij verdelen het. Anders: hij is geteld, hij is geteld; hij is opgewogen, en zij verdelen te weten hem; dat is hij wordt verdeeld, of hij is verdeeld. Anders: telt, telt, weegt op, en zij verdelen. Het woord Mene staat er tweemaal, tot meerdere vastheid en verzekering van de dreigementen Gods.
[^daniel-5-26-76]: Kanttekening 76: 76 Hij heeft het voltooid: Te weten zo, dat nu de dagen van uw koninkrijk voorzeker een einde nemen. En nu is de dag verschenen in welke u rekenschap van uw doen en laten zult moeten geven. Anders, en Hij heeft het overgegeven, te weten uw koninkrijk, aan de Perzen en Meden.
[^daniel-5-27-77]: Kanttekening 77: Tekel, is maar te zeggen: Hij heeft opgewogen, de andere woorden voegt er de profeet bij, tot bredere verklaring van het woord Tekel. De zin is: Gelijk de geldhandelaars hunne schalen en gewichten hebben, om te beproeven of het geld zijn behoorlijk gewicht heeft; zo heeft ook God u gewogen in zijn goddelijke weegschaal, en u bent te licht bevonden. Wat deze gelijkenis betreft, zie Ps. 62:10. Psalmen 62:10: Immers zijn de gemene mensen ijdelheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.
[^daniel-5-27-78]: Kanttekening 78: 78 u bent te licht gevonden: Dat is, u bent bevonden te zijn als een penning, die te licht is en daarom niet ontvangbaar. Anders: u bent gebrekkelijk bevonden, te weten in uw volle gewicht; dat is, u hebt u niet gedragen naar eis van uw koninklijk ambt en waardigheid.
[^daniel-5-28-79]: Kanttekening 79: Aan de wand stond Ufarsin, dat is, en zij verdelen het; zij, te weten de Meden en Perzen, als dienaren van God in deze verdeling. Maar hier stelt de profeet Peres, dat is, Hij verdeelt: Hij, te weten God. En de zin is: Het koninkrijk is van u genomen, en aan anderen gegeven, te weten de Meden en de Perzen.
[^daniel-5-29-80]: Kanttekening 80: 80 en zij bekleedden Daniël met purper: De koning heeft aldus willen betonen en doen blijken, niet alleen dat hij zijne belofte wilde houden, vers 16, maar ook betonen dat hij onverschrokken was. Daniël 5:16: Maar van u heb ik gehoord, dat u uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, als u dit schrift zult kunnen lezen, en daarvan uitlegging mij bekend maken, u zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en u zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
[^daniel-5-29-81]: Kanttekening 81: 81 van hem: Of, over, voor hem.
[^daniel-5-29-82]: Kanttekening 82: 82 dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was: Het is vermoedelijk dat wel Daniël ongaarne deze zware last op zich genomen heeft, nochtans heeft hij het gedaan, om door dat middel zijn ellendige landslieden te mogen behulpzaam zijn, in de aanstaande verandering van de monarchie.
[^daniel-5-30-83]: Kanttekening 83: 83 In diezelfde nacht: Vergelijk Ps. 37:9, 37:10, 37:35, enz.; Jes. 21:9, en Jes. 47:11; Jer. 25:12, enz., en Jer. 51:39. Psalmen 37:9: Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die YHWH verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalmen 37:10: Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en u zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. Psalmen 37:35: Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Jesaja 21:9: En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jesaja 47:11: Daarom zal er over u een kwaad komen, u zult de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, dat u niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, dat u het niet weten zult. Jeremia 25:12: Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, samen met over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 51:39: Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH.
[^daniel-5-30-84]: Kanttekening 84: Te weten van Gobrya en Gadata, of van de soldaten van Cyrus, van deze twee heren daartoe aangevoerd zijnde, toen Babel werd ingenomen. Vergelijk Jes. 21:5; Jer. 51:39. Maar anderen menen dat hij gedood is door ene geheime verbintenis van zijne groten, van wie een, alhier Darius genaamd, koning gemaakt is, en dat bij dezelfde tijd Babylon van Cyrus is ingenomen geweest. Zie boven vers 1. Jesaja 21:5: Bereid de tafel, zie toe, u wachter! eet, drink; maakt u op, u vorsten, bestrijkt het schild! Jeremia 51:39: Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt YHWH. Daniël 5:1: De koning Belsazar maakte een grote maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.

### Daniël 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/6.json)

*Nadat Darius het rijk van Babel ontvangen heeft, neemt hij zich voor Daniël boven zijn honderdtwintig landvorsten te verheffen, vers 1 enz. Daar dezen hierover met afgunst ontstoken zijn, 5, bewegen zij de koning een afgodisch besluit te maken, dat in dertig dagen niemand iets zou bidden dan van de koning, op straffe van in de kuil van de leeuwen geworpen te worden, 8. Daar Daniël dit bevel overtreedt, wordt hij in de kuil van de leeuwen geworpen, 11, 12 enz., maar door God wonderbaarlijk bewaard en verlost, 22, 23 enz. Wanneer zijn vijanden in de kuil van de leeuwen geworpen zijn, worden zij terstond door de leeuwen vernield, 25, weshalve God geprezen wordt, 26.*

**1** [^daniel-6-1-1] Darius, de Meder nu,[^daniel-6-1-2] ontving het koninkrijk,[^daniel-6-1-3] ongeveer twee en zestig jaar oud zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v1)

**2** [^daniel-6-2-4] En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders,[^daniel-6-2-5] die over het hele koninkrijk zijn zouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v2)

**3** En daarover drie[^daniel-6-3-6] vorsten, van wie Daniël de eerste[^daniel-6-3-7] zou zijn, aan wie die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v3)

**4** [^daniel-6-4-8] Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en[^daniel-6-4-9] de koning dacht hem te stellen over het hele koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v4)

**5** [^daniel-6-5-10] Toen zochten de vorsten en de stadhouders[^daniel-6-5-11] gelegenheid te vinden, tegen Daniël[^daniel-6-5-12] vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch[^daniel-6-5-13] misdaad vinden, omdat hij getrouw was, en geen[^daniel-6-5-14] vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v5)

**6** Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël[^daniel-6-6-15] geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden[^daniel-6-6-16] in de wet van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v6)

**7** [^daniel-6-7-17] Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders[^daniel-6-7-18] met hopen tot de koning, en zeiden zo tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v7)

**8** Al de vorsten van het[^daniel-6-8-19] rijk, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen[^daniel-6-8-20] een verzoek zal doen van[^daniel-6-8-21] enige god of mens, behalve van u, o koning! die zal in de kuil van de leeuwen geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v8)

**9** Nu, o koning! u zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen,[^daniel-6-9-22] dat niet veranderd worde,[^daniel-6-9-23][^daniel-6-9-a] naar de wet[^daniel-6-9-24] van de Meden en van de Perzen, die[^daniel-6-9-25] niet mag wederroepen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v9)

**10** [^daniel-6-10-26] Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v10)

**11** Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn[^daniel-6-11-27] opperzaal open vensters[^daniel-6-11-28][^daniel-6-11-b] tegen Jeruzalem aan), en hij knielde[^daniel-6-11-29][^daniel-6-11-c] drie keer per dag op zijn knieën, en hij bad, en[^daniel-6-11-30] deed belijdenis voor zijn God,[^daniel-6-11-31] geheel zoals hij voorheen gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v11)

**12** Toen kwamen die mannen[^daniel-6-12-32] met hopen, en zij vonden Daniël biddende en smekende[^daniel-6-12-33] voor zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v12)

**13** Toen kwamen zij nader, en spraken voor de koning van het gebod van de koning: Heb u niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enige god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in de kuil van de leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zei:[^daniel-6-13-34] Het is een vaste rede, naar de wet van de Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v13)

**14** Toen antwoordden zij, en zeiden voor de koning:[^daniel-6-14-35] Daniël,[^daniel-6-14-36] één van de als gevangene weggevoerden uit[^daniel-6-14-37] Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat u getekend hebt; maar hij bidt[^daniel-6-14-38] drie keer per dag zijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v14)

**15** Toen de koning deze rede hoorde,[^daniel-6-15-39] was hij zeer bedroefd bij zichzelf, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen; ja, tot de ondergang van de zon toe[^daniel-6-15-40] bemoeide hij zich, om hem te redden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v15)

**16** [^daniel-6-16-41] Toen kwamen die mannen[^daniel-6-16-42] met hopen tot de koning, en zij zeiden tot de koning:[^daniel-6-16-43] Weet, o koning! dat van de Meden en van de[^daniel-6-16-44] Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v16)

**17** Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in de kuil van de leeuwen; en de koning antwoordde en zei tot Daniël:[^daniel-6-17-45] Uw God, Die u steeds eert,[^daniel-6-17-46] Die verlosse u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v17)

**18** En er werd[^daniel-6-18-47] een steen gebracht, en op de mond van de kuil gelegd: en[^daniel-6-18-48] de koning verzegelde die met zijn ring, en met de ring van zijn geweldigen,[^daniel-6-18-49] opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v18)

**19** Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchter, en liet[^daniel-6-19-50] geen vreugdespel voor zich brengen; en[^daniel-6-19-51] zijn slaap week verre van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v19)

**20** Toen stond de koning in de vroege morgenstond met het licht op, en hij ging[^daniel-6-20-52] met haast heen tot de kuil van de leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v20)

**21** Als hij nu tot de kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met een droeve stem; de koning[^daniel-6-21-53] antwoordde en zei tot Daniël: O Daniël, u knecht van de levende God! heeft ook uw God, Die u steeds eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?[^daniel-6-21-54][^daniel-6-21-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v21)

**22** Toen sprak Daniël tot de koning: O koning,[^daniel-6-22-56] leef in eeuwigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v22)

**23** Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten,[^daniel-6-23-57] dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem[^daniel-6-23-58] onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u[^daniel-6-23-59] geen misdaad gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v23)

**24** Toen werd de koning[^daniel-6-24-60] bij zichzelf[^daniel-6-24-61] zeer vrolijk, en zei, dat men Daniël uit de kuil[^daniel-6-24-62] trekken zou. Toen Daniël uit de kuil opgetrokken was, zo werd er[^daniel-6-24-63] geen schade aan hem gevonden,[^daniel-6-24-64] omdat hij in zijn God geloofd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v24)

**25** Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël[^daniel-6-25-65] overluid beschuldigd hadden, en[^daniel-6-25-66] zij wierpen in de kuil van de leeuwen hen, hun[^daniel-6-25-67] kinderen, en hun vrouwen; en[^daniel-6-25-68] zij kwamen niet op de grond van de kuil, of de leeuwen[^daniel-6-25-69] heersten over hen, zij[^daniel-6-25-70] vermorzelden ook al hun beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v25)

**26** Toen schreef de koning Darius aan[^daniel-6-26-71] alle volken, natiën en tongen, die op de hele aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v26)

**27** Van mij is een bevel gegeven, dat men in de hele heerschappij van mijn koninkrijk beve en siddere voor het aangezicht[^daniel-6-27-72] van de God van Daniël; want Hij is[^daniel-6-27-73] de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en[^daniel-6-27-74][^daniel-6-27-d] Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij[^daniel-6-27-75] is tot het einde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v27)

**28** Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde; Die heeft Daniël uit[^daniel-6-28-76] het geweld van de leeuwen verlost.[^daniel-6-28-77] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v28)

**29** Deze Daniël nu[^daniel-6-29-78] had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en[^daniel-6-29-79] in het koninkrijk van Kores, de Perziaan.[^daniel-6-29-80] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/6.html#v29)

[^daniel-6-1-1]: Kanttekening 1: Chaldeeuws, Dariaves; hij wordt de Meder genoemd, om hem te onderscheiden van Darius de Perzer, van wie zie Ezra 4:5, 4:24. Ezra 4:5: En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. Ezra 4:24: Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
[^daniel-6-1-2]: Kanttekening 2: 2 ontving het koninkrijk: Of, nam in, nam aan, kreeg, te weten naar veler gevoelen, van de hand van Cyrus, want toen Cyrus, met hulp van Darius zijn schoonvader, het rijk van Babylon had ingenomen, zo heeft hij het Darius overgegeven, en hij is naar Perzië getrokken om zijne zaken daar verder te verrichten en in orde te stellen. Maar toen Darius omtrent een jaar over het rijk van Babel geregeerd had, heeft Cyrus de regering van het Babylonische rijk weer tot zich genomen. Maar van het gevoelen van anderen zie boven Dan. 5:1, 5:30. Daniël 5:1: De koning Belsazar maakte een grote maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. Daniël 5:30: In diezelfde nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.
[^daniel-6-1-3]: Kanttekening 3: 3 omtrent twee en zestig jaren oud zijnde: Chaldeeuws, een zoon van omtrent twee en zestig jaren.
[^daniel-6-2-4]: Kanttekening 4: 4 het dacht Darius goed: Zie Dan. 4:2. Daniël 4:2: Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.
[^daniel-6-2-5]: Kanttekening 5: 5 die over het gehele koninkrijk zijn zouden: Te weten om het wel en bekwamelijk te regeren, een ieder in zijne provincie, waarin hij van de koning zou gesteld worden.
[^daniel-6-3-6]: Kanttekening 6: Of, oppervorsten, of overvorsten, presidenten.
[^daniel-6-3-7]: Kanttekening 7: 7 de eerste zou zijn: Dat is, de voornaamste, gelijk blijkt vers 4. Anders, waar Daniël een van was. Daniël 6:4: Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.
[^daniel-6-4-8]: Kanttekening 8: 8 Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders: Chaldeeuws, toen was Daniël overtreffende over de presidenten en de vorsten, Daniël overtreft hen allen in wijsheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, matigheid en andere deugden.
[^daniel-6-4-9]: Kanttekening 9: 9 de koning dacht: Het schijnt dat Darius, nu oud zijnde en aanmerkende die voortreffelijke gaven met welke Daniël boven alle andere vorsten begaafd was, meende hem stadhouder te maken over het koninkrijk van Babel. Hieruit is gesproten de haat van de vorsten tegen Daniël.
[^daniel-6-5-10]: Kanttekening 10: 10 Toen zochten de vorsten en de stadhouders: Uit nijdigheid, die ene moeder is van doodslag.
[^daniel-6-5-11]: Kanttekening 11: 11 gelegenheid te vinden: Of, oorzaak, of aanleiding.
[^daniel-6-5-12]: Kanttekening 12: 12 vanwege het koninkrijk: Chaldeeuws, van de zijde van het koninkrijk; dat is, in de bediening, die hem van de koning was opgelegd; zij letten naarstiglijk op al zijn handel en wandel, of hij zijn ambt wel en getrouwelijk bediende, of dat hij zich ergens in vergreep. Maar dit was tevergeefs, zij konden in hem niets vinden, gelijk straks gezegd wordt.
[^daniel-6-5-13]: Kanttekening 13: 13 misdaad vinden: Of, misslag, of corruptie.
[^daniel-6-5-14]: Kanttekening 14: Of, dwaling, fout.
[^daniel-6-6-15]: Kanttekening 15: 15 geen gelegenheid vinden: Zo oprecht, vlijtig, voorzichtig en getrouw gedroeg zich Daniël in die hoge bediening, dat zijne vijanden zelfs de moed verloren gaven, om iets te kunnen uitvinden, dat enige schijn van misdaad hebben zou.
[^daniel-6-6-16]: Kanttekening 16: 16 in de wet zijns Gods: In de godsdienst, die hem in de wet van de Heer voorgeschreven is.
[^daniel-6-7-17]: Kanttekening 17: 17 Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders: Te weten als zij meenden middel gevonden te hebben om Daniël te betrappen in zijn godsdienst.
[^daniel-6-7-18]: Kanttekening 18: 18 met hopen tot de koning: Anders: met gedruis. En zo hier onder vers 12, 6:16; zie de aantekening Ps. 2:1. Daniël 6:12: Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniël biddende en smekende voor zijn God. Daniël 6:16: Toen kwamen die mannen met hopen tot de koning, en zij zeiden tot de koning: Weet, o koning! dat de wet van de Meden en van de Perzen is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden. Psalmen 2:1: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
[^daniel-6-8-19]: Kanttekening 19: 19 de overheden en stadhouders: Of, magistraten.
[^daniel-6-8-20]: Kanttekening 20: 20 een verzoek zal doen: Chaldeeuws, ene begeerte begeren zal, of verzoek verzoeken zal.
[^daniel-6-8-21]: Kanttekening 21: 21 van enige god of mens: De groten aan het hof van Darius zijn met zulk een nijdigheid tegen Daniël ingenomen, dat zij alle godzaligheid en godsdienst overhoop werpen, opdat zij Daniël van kant zouden mogen helpen, want dit is eigenlijk met dit plakkaat hun oogmerk geweest. Zij verbieden dengenen, die in nood waren, God aan te roepen; zij verbieden ook de zieken hulp bij de dokter te zoeken, dat ten enenmale tegen de natuur was; nochtans heeft de koning dit getekend, vers 10, enz. Daniël 6:10: Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.
[^daniel-6-9-22]: Kanttekening 22: 22 dat niet veranderd worde: Of, opdat het niet veranderd worde.
[^daniel-6-9-23]: Kanttekening 23: 23 naar de wet: Of, volgens het recht van de Meden, enz. Vergelijk Esth. 1:19, en Esth. 8:8. Esther 1:19: Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij. Esther 8:8: Schrijft dan u voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in de naam van de koning, en verzegelt het met de ring van de koning; want het schrift, dat in de naam van de koning geschreven, en met de ring van de koning verzegeld is, is niet te wederroepen.
[^daniel-6-9-a]: Verwijzing a: Esth. 1:19; Esth. 8:8. Esther 1:19: Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij. Esther 8:8: Schrijft dan u voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in van de koning naam, en verzegelt het met van de koning ring; want het schrift, dat in van de koning naam geschreven, en met van de koning ring verzegeld is, is niet te wederroepen.
[^daniel-6-9-24]: Kanttekening 24: 24 van de Meden en van de Perzen: Die beide volken worden hier bij elkaar gevoegd, omdat zij in die tijd gelijkelijk van Cyrus en Darius werden geregeerd, naar sommiger gevoelen. Anderen houden het daarvoor, dat dit geschied is te Susan, ene provincie van Perzië, Dan. 8:2; \[hoewel toenmaals aan de Chaldeën onderworpen\] alwaar het recht van de Meden en Perzen werd onderhouden. Daniël 8:2: En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in de burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan de vloed Ulai was.
[^daniel-6-9-25]: Kanttekening 25: 25 niet mag wederroepen worden: Chaldeeuws, die niet passeert, of voorbijgaat; dat is, die niet veranderd wordt; zo onder vers 13. Vergelijk deze manier van spreken met Matt. 24:35, en met Mark. 13:31. Daniël 6:13: Toen kwamen zij nader, en spraken voor de koning van het gebod van de koning: Hebt u niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enige god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in de kuil van de leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zei: Het is een vaste rede, naar de wet van de Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden. Mattheüs 24:35: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. Marcus 13:31: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan.
[^daniel-6-10-26]: Kanttekening 26: Of, ten dezen aanzien, of in alle manier. De zin is: de koning maakte gene zwarigheid dit plakkaat te ondertekenen, menende het te zijn een bewijs dat zij hem zo gehoorzaam waren, dat zij liever al hunne goden verloochenen en verzaken wilden dan hem te vertoornen.
[^daniel-6-11-27]: Kanttekening 27: Of, eetzaal, of zomerhuis.
[^daniel-6-11-28]: Kanttekening 28: 28 tegen Jeruzalem aan): Dit doet Daniël, achtervolgens wat er staat 1 Kon. 8:44; zie de aantekening daar, en Ps. 5:8, met de aantekening. 1 Koningen 8:44: Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Psalmen 5:8: Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vreze.
[^daniel-6-11-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 8:44. 1 Koningen 8:44: Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
[^daniel-6-11-29]: Kanttekening 29: 29 drie tijden 's daags: Te weten 's morgens voordat hij enige zaken bij de hand nam; 's middags toen hij inkwam om te eten; en 's avonds voordat hij te bed ging. Zie de aantekening Ps. 55:18. Liever wilde Daniël sterven dan deze zijn gewoonlijken godsdienst nalaten. Psalmen 55:18: 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
[^daniel-6-11-c]: Verwijzing c: Ps. 55:18. Psalmen 55:18: Van de avonds, en van de morgen, en van de middag zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
[^daniel-6-11-30]: Kanttekening 30: 30 deed belijdenis voor zijn God: Of, loofde, dankte.
[^daniel-6-11-31]: Kanttekening 31: Of, in alle manieren, alleszins.
[^daniel-6-12-32]: Kanttekening 32: 32 met hopen: Of, met gedruis; gelijk vers 7. Vergelijk Ps. 10:8, 10:9. Daniël 6:7: Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot de koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! Psalmen 10:8: Hij zit in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. Psalmen 10:9: Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net.
[^daniel-6-12-33]: Kanttekening 33: 33 voor zijn God: Dat is, openlijk, voor het aangezicht van God.
[^daniel-6-13-34]: Kanttekening 34: 34 Het is een vaste rede: De zaak is waar, het is een zekere en vaste zaak. Zij hadden de koning verstrikt voordat hij wist of merkte dat het hun om Daniël te doen was.
[^daniel-6-14-35]: Kanttekening 35: Zie de arglistigheid van deze boeven: hadden zij eerst laten blijken dat het hun om Daniël te doen was, zo zouden zij in gevaar en vrees gestaan hebben dat de koning hen niet zou gehoord hebben, maar nu openbaren zij zichzelf.
[^daniel-6-14-36]: Kanttekening 36: 36 één van de gevankelijk weggevoerden uit Juda: Dit voegen zij hierbij om Daniël vanwege zijn land en staat \[zijnde een gevangen Jood\] bij de koning hatelijk te maken, alsof zij zeiden: Dat een Babyloniër, Perziaan, of Meder dus ongehoorzaam ware, hij zou een zware straf verdienen: hoeveel meer een gevangen Jood.
[^daniel-6-14-37]: Kanttekening 37: 37 heeft, o koning: Alsof zij zeiden: Hij heeft uwe majesteit klein, ja van geen waarde geacht, en hij heeft uwe wet niet gehoorzaamd; staat u dat te lijden, heer koning?
[^daniel-6-14-38]: Kanttekening 38: 38 op drie tijden 's daags zijn gebed: Te weten gelijk hij gewoon was te doen eer dit plakkaat afgekondigd was. Zie boven vers 11. Daniël 6:11: Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor deze gedaan had.
[^daniel-6-15-39]: Kanttekening 39: 39 was hij zeer bedroefd bij zichzelf: Chaldeeuws eigenlijk, hij was zeer kwaad, of, was het zeer kwaad bij hem; dat is, hij werd zeer bedroefd, en hij was zeer moeilijk in zichzelf. Nu verstond hij eerst waartoe zijn plakkaat strekte, namelijk om Daniël van kant te helpen.
[^daniel-6-15-40]: Kanttekening 40: 40 bemoeide hij zich: Of, was hij arbeidende, of bekommerd, of bezig.
[^daniel-6-16-41]: Kanttekening 41: 41 Toen kwamen die mannen: Te weten toen zij zagen dat de koning wankelde en zijn best deed om Daniël uit hunne handen te verlossen en voor het werpen in de kuil van de leeuwen te bevrijden.
[^daniel-6-16-42]: Kanttekening 42: 42 met hopen tot de koning: Dus sterk kwamen zij, op hun verzoek des te groter aanzien en vermogen bij de koning hebben zou.
[^daniel-6-16-43]: Kanttekening 43: 43 Weet, o koning: Dit spreken zij als dreigende, want de koning wist wel wat de wetten van de Meden en van de Perzen medebrachten, alsook wat er in zijne plakkaten stond.
[^daniel-6-16-44]: Kanttekening 44: 44 wet is: Het was hun niet te doen om het recht of de wet van de Perzen staande te houden, maar om Daniël van kant te helpen. Ook was dit een goddeloos recht of wet, want een besluit niet te willen veranderen als de rede zulks vereist, is tirannie; of, de koning en zijn raad zulke volkomen wijsheid en bestendige rechtvaardigheid toe te schrijven, dat zij in het maken van wetten of besluiten van de gerechtigheid niet konden afwijken of missen, is hen tot goden maken.
[^daniel-6-17-45]: Kanttekening 45: 45 Uw God, Die u geduriglijk eert: Hier wenst Darius dat God zijn getrouwen dienaar Daniël wilde verlossen, bevindende dat hij \[alhoewel hij tevoren bestemd had, dat men van niemand iets dan van hem zou verzoeken\] niet machtig was Daniël te helpen. Te gelijk geeft hier Darius genoegzaam te kennen dat het hem van hart leed was, dat hij Daniël moest laten werpen in de kuil van de leeuwen, maar dat hij het niet kon verhinderen, zijnde daartoe gedwongen van de vorsten van het rijk.
[^daniel-6-17-46]: Kanttekening 46: 46 Die verlosse u: Of, die zal u verlossen.
[^daniel-6-18-47]: Kanttekening 47: 47 een steen gebracht: In de tekst staat opzettelijk uitgedrukt dat het een, of een enige steen was, te weten een grote steen, om de mond, deur, of ingang van de kuil dicht en vast toe te stoppen, opdat Daniël elk middel, van daaruit te kunnen komen, zou benomen wezen; want Daniël was vanwege zijne profetieën en uitleggingen van de dromen, in groot vertrouwen, en door de bediening van zijn grote ambten, bij iedereen in groot aanzien. Het schijnt dat die booswichten straks gemerkt hebben, dat de leeuwen zich van Daniël hebben onthouden, daarom hebben zij deze grote steen en het zegel van de koning, en hun aller zegel, daarop gezet.
[^daniel-6-18-48]: Kanttekening 48: 48 de koning verzegelde dezelfde met zijn ring: Dit is zo, door Gods wonderbaarlijken raad geschied, opdat de verlossing van Daniël des te openbaarder zou blijken.
[^daniel-6-18-49]: Kanttekening 49: 49 opdat de wil aangaande Daniël: Of, opdat er niets, of geen ding zou veranderd worden, aangaande Daniël. Want zij vertrouwden de koning niet, omdat hij al zoveel moeite had aangewend om Daniël te verlossen.
[^daniel-6-19-50]: Kanttekening 50: 50 geen vreugdespel voor zich brengen: Of, geen vermakelijk spel, of muziekspel, of muziekinstrumenten. Anders: hij liet geen tafel, of voedsel, voor zich brengen. De zin is, hij onthield zich van alle dingen, die vermakelijk waren en die hem het verdriet hadden kunnen benemen of verlichten; zulk een zorg en bekommernis had hij over Daniël.
[^daniel-6-19-51]: Kanttekening 51: 51 zijn slaap week verre van hem: Dat is, hij kon ook in geen geval slapen, zo bekommerd was hij, omdat men hem zo had bedrogen en gedwongen Daniël in de kuil van de leeuwen te werpen. Zie wat de consciëntie in de mensen kan werken! zie Rom. 2:14, 2:15. Romeinen 2:14: Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die van de wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet; Romeinen 2:15: Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).
[^daniel-6-20-52]: Kanttekening 52: 52 met haast heen: Anders: met beroering. Zie boven de aantekening Dan. 2:25. Daniël 2:25: Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken.
[^daniel-6-21-53]: Kanttekening 53: 53 antwoordde en zei tot Daniël: Dat is, sprak, zo doorgaans.
[^daniel-6-21-54]: Kanttekening 54: 54 van de levende God: Zie de aantekening Jer. 10:10. Jeremia 10:10: Maar YHWH God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen.
[^daniel-6-21-55]: Kanttekening 55: 55 heeft ook uw God: Aan deze twijfeling blijkt genoegzaam dat de koning Darius tot de ware God nog niet bekeerd is geweest; want die waarlijk aan God geloven, twijfelen in het minst aan zijne almacht niet.
[^daniel-6-22-56]: Kanttekening 56: 56 leef in eeuwigheid: Anders: de koning leve in eeuwigheid; dat is, God verlene de koning een lang leven.
[^daniel-6-23-57]: Kanttekening 57: 57 dat zij mij niet beschadigd hebben: Aangaande de geestelijke bewaring, vergelijk Ps. 91:13, en 1 Petr. 5:7. Psalmen 91:13: Op de felle leeuw en de adder zult u treden, u zult de jonge leeuw en de draak vertreden. 1 Petrus 5:7: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^daniel-6-23-58]: Kanttekening 58: 58 onschuld in mij gevonden is: Of, oprechtheid, of zuiverheid. Hoewel de Heer door de godzaligheid van de vromen bewogen wordt hun wel te doen, aangezien Hij zelf zich door een genadige belofte daartoe als verbonden heeft, en dat de rechtvaardigheid vereist dat Hij zijn genadige belofte volbrengt, 1 Tim. 4:8; 2 Thess. 1:5, 1:7; Hebr. 6:10; nochtans volgt daaruit in geen geval dat de godzaligheid van de mensen zulks verdient. Want door een genadige belofte ergens toe verbonden te zijn, en door verdienste daartoe eigenlijk verbonden te zijn, kunnen tezamen niet bestaan. Zie Rom. 11:6. Zodat Daniël hier zijne gerechtigheid niet roemt, maar hij geeft te kennen dat hem God verlost heeft, om te doen blijken dat die godsdienst hem behaagde, die hij \[ook met verlies van zijn leven\] wilde behouden. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven. 2 Thessalonicensen 1:5: Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, waarvoor u ook lijdt; 2 Thessalonicensen 1:7: En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht; Hebreeën 6:10: Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. Romeinen 11:6: En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer.
[^daniel-6-23-59]: Kanttekening 59: 59 geen misdaad gedaan: Chaldeeuws, gene verderving. Anders: en ook voor u, o koning, heb ik geen leed gedaan, of geen schade, dat de koning òf door mijne onvoorzichtigheid, òf door mijne ongetrouwheid, ergens enige schade zou geleden hebben. Daniël heeft wel het goddeloze plakkaat van de koning overtreden, maar dat heeft hij niet gedaan uit kleinachting van de koning, maar omdat hij de opperste Koning eerst en vooral moest gehoorzamen. Men moet God vrezen, en de koning eren; 1 Petr. 2:17. 1 Petrus 2:17: Eert iedereen; hebt de broerschap lief; vreest God; eert de koning.
[^daniel-6-24-60]: Kanttekening 60: 60 bij zichzelf: Of, over zichzelf, of daarover.
[^daniel-6-24-61]: Kanttekening 61: 61 zeer vrolijk: Chaldeeuws, zeer goed. Zie de aantekening Richt. 16:25. Richteren 16:25: En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
[^daniel-6-24-62]: Kanttekening 62: 62 trekken zou: Vermoedelijk is Daniël met koorden daaruit getrokken, gelijk met Jeremia geschied is, Jer. 38.
[^daniel-6-24-63]: Kanttekening 63: 63 geen schade aan hem gevonden: Of, verzering, kwetsing, leed.
[^daniel-6-24-64]: Kanttekening 64: 64 omdat hij in zijn God geloofd had: Dat is, omdat hij op zijn God vertrouwd had. Daniël zal wel niet geweten hebben dat hem God door zulk een wonder zou verlossen, maar hij heeft geloofd en vertrouwd dat God hem niet verlaten zou. Zie Filipp. 1:21. Wat het geloof in de almachtige God vermag, zie ook Hebr. 11:7, tot het einde van het hoofdstuk. Filippensen 1:21: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij winst. Hebreeën 11:7: Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is.
[^daniel-6-25-65]: Kanttekening 65: 65 overluid beschuldigd hadden: Zie boven Dan. 3:8. Daniël 3:8: Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;
[^daniel-6-25-66]: Kanttekening 66: 66 zij wierpen in de kuil van de leeuwen hen: Zo vallen zij in de put, die zij voor Daniël gegraven hadden. Zie Esth. 7:10, wat Haman wedervaren is. Zie ook Ps. 7:16, 7:17, en Ps. 9:16, 9:17; Spreuk. 26:27, en Pred. 10:8. Esther 7:10: Zo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de grimmigheid van de koning werd gestild. Psalmen 7:16: Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Psalmen 7:17: Zijn moeite zal op zijn hoofd terugkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. Psalmen 9:16: De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. Psalmen 9:17: YHWH is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen! Higgajon, Sela. Spreuken 26:27: Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij terugkeren. Prediker 10:8: Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.
[^daniel-6-25-67]: Kanttekening 67: 67 kinderen, en hun vrouwen: Chaldeeuws, zonen. Onder de naam van zonen worden dikwijls in de Heilige Schrift ook de dochters begrepen.
[^daniel-6-25-68]: Kanttekening 68: 68 zij kwamen niet op de grond van de kuil: Dat is, voordat zij op het onderste van de kuil, of op de vloer of bodem van de kuil gekomen waren. Zie gelijke straf van God Dan. 3:22. Zie ook Amos 5:19. Daniël 3:22: Daarom dan, omdat het woord van de koning aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken van het vuur die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood. Amos 5:19: Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^daniel-6-25-69]: Kanttekening 69: 69 heersten over hen: Of, hadden de overhand over hen, of overweldigden hen, of waren meesters over hen.
[^daniel-6-25-70]: Kanttekening 70: 70 vermorzelden ook al hun beenderen: Of, vermaalden.
[^daniel-6-26-71]: Kanttekening 71: 71 alle volken, natiën en tongen: Te weten staande onder zijn gebied, gelijk vers 27 uitgedrukt wordt; zie Dan. 2:39, en Dan. 4:1. Daniël 6:27: Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. Daniël 2:39: En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de gehele aarde. Daniël 4:1: De koning Nebukadnezar aan alle volken, natiën en tongen, die op de gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!
[^daniel-6-27-72]: Kanttekening 72: 72 van de God van Daniël: De ware God \[die aller gelovigen God is\] wordt genoemd de God van Daniël, gelijk Hij genoemd wordt de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, omdat Daniël Hem ijverig heeft geëerd en gediend.
[^daniel-6-27-73]: Kanttekening 73: 73 de levende God: Zie boven vers 21. Daniël 6:21: Als hij nu tot de kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met een droeve stem; de koning antwoordde en zei tot Daniël: O Daniël, u knecht van de levende God! heeft ook uw God, Die u geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?
[^daniel-6-27-74]: Kanttekening 74: 74 Zijn koninkrijk is niet verderfelijk: Zie Ps. 93:2, en Dan. 4:3. Psalmen 93:2: Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af. Daniël 4:3: Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.
[^daniel-6-27-d]: Verwijzing d: Dan. 2:44; Dan. 4:3; Dan. 7:14; idem 7:27; Lukas 1:33. Daniël 2:44: Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Daniël 4:3: Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Daniël 7:27: Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de koninkrijken onder de gansen hemel, zal gegeven worden de volk van de heiligen van de hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^daniel-6-27-75]: Kanttekening 75: 75 is tot het einde toe: Of, duurt. Hiermede wordt God onderscheiden van alle schepselen of creaturen, die altegaar vergankelijk of verderflijk zijn.
[^daniel-6-28-76]: Kanttekening 76: 76 het geweld van de leeuwen: Chaldeeuws, de hand; dat is uit de macht, uit het geweld van de leeuwen. Zo staat er Gen. 9:5: van de hand aller gedierten; en Job 5:20: van de hand van het zwaard. Zie dergelijke voorbeelden meer in de aantekening daar. Genesis 9:5: En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mensen, van de hand eens iegelijken zijns broers zal Ik de ziel van de mensen eisen. Job 5:20: In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^daniel-6-28-77]: Kanttekening 77: Al de voorgaande treffelijke eer, die Darius de ware God geeft, is geen bewijs dat hij die voor de enige ware God heeft aangenomen, anders zou hij alle valse godsdiensten hebben afgeschaft; maar het is alleen een eerlijke belijdenis van de ware God, waartoe hij gedrongen werd door de grote wonderen, die hij voor zijne ogen zag, zonder dat hij nochtans de afgoden heeft verlaten.
[^daniel-6-29-78]: Kanttekening 78: 78 had voorspoed: Omdat de godzaligheid de belofte heeft, niet alleen van het toekomende, maar ook van het tegenwoordige leven, 1 Tim. 4:8, naardat God in zijn onfeilbare wijsheid oordeelt zijn kinderen goed te wezen. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven.
[^daniel-6-29-79]: Kanttekening 79: 79 in het koninkrijk van Kores: Zie Dan. 1:21. Daniël 1:21: En Daniël bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe.
[^daniel-6-29-80]: Kanttekening 80: De gehele Ps. 37 past wel op de historie van dit zesde hoofdstuk.

### Daniël 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/7.json)

*Daniël ziet in een gezicht vier dieren uit de zee opkomen, vers 1 enz. En de Oude van dagen, Die aan de Zoon des mensen een eeuwig rijk overgeeft, 9. Daniël ontvangt de uitlegging van dat gezicht, 15, waarover hij zeer ontroerd wordt, 28.*

**1** [^daniel-7-1-1] In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel,[^daniel-7-1-2] zag Daniël een droom, en visioenen van zijn hoofd, op zijn bed; toen[^daniel-7-1-3] schreef hij die droom,[^daniel-7-1-4] en hij zei[^daniel-7-1-5] de hoofdsom[^daniel-7-1-6] van de zaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v1)

**2** Daniël antwoordde en zei: Ik zag in mijn visioen bij nacht, en ziet,[^daniel-7-2-7] de vier winden van de hemel braken voort[^daniel-7-2-8] op de grote zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v2)

**3** En er klommen[^daniel-7-3-9] vier grote dieren op[^daniel-7-3-10] uit de zee,[^daniel-7-3-11] het ene van het andere[^daniel-7-3-12] verscheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v3)

**4** Het eerste was[^daniel-7-4-13] als een leeuw, en[^daniel-7-4-14] het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugels uitgeplukt[^daniel-7-4-15] waren, en[^daniel-7-4-16] het werd van de aarde opgeheven, en[^daniel-7-4-17] op de voeten gesteld,[^daniel-7-4-18] als een mens, en[^daniel-7-4-19] daaraan werd het hart van een mens gegeven[^daniel-7-4-20][^daniel-7-4-21]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v4)

**5** Daarna, ziet,[^daniel-7-5-22] het andere dier, het tweede, was gelijk[^daniel-7-5-23] een beer, en[^daniel-7-5-24] stelde zich aan de ene zijde, en het had[^daniel-7-5-25] drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en[^daniel-7-5-26] men zei zo tot dit dier: Sta op,[^daniel-7-5-27] eet veel vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v5)

**6** Daarna[^daniel-7-6-28] zag ik, en ziet, er was[^daniel-7-6-29] een ander dier, gelijk[^daniel-7-6-30] een luipaard, en het had[^daniel-7-6-31] vier vleugels van een vogel op zijn rug; ook had dit dier[^daniel-7-6-32] vier hoofden, en[^daniel-7-6-33] daaraan werd de heerschappij gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v6)

**7** Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet,[^daniel-7-7-34] het vierde dier[^daniel-7-7-35] was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had[^daniel-7-7-36] grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en[^daniel-7-7-37] vertrad het overige met zijn voeten; en[^daniel-7-7-38] het was verscheiden van al de dieren, die voor dit dier geweest waren; en het had[^daniel-7-7-39] tien hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v7)

**8** [^daniel-7-8-40] Ik nam acht op de hoornen, en ziet,[^daniel-7-8-41] een andere kleine hoorn kwam op daartussen, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt daarvoor; en ziet,[^daniel-7-8-42] in die hoorn waren ogen als mensenogen, en[^daniel-7-8-43] een mond, grote dingen sprekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v8)

**9** Dit zag[^daniel-7-9-44] ik, totdat er tronen gezet werden, en[^daniel-7-9-45] de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed[^daniel-7-9-46] wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd[^daniel-7-9-47] als zuivere wol;[^daniel-7-9-48] Zijn troon was[^daniel-7-9-49] vuurvonken, de wielen daarvan een brandend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v9)

**10** [^daniel-7-10-50] Een vurige rivier vloeide, en ging[^daniel-7-10-51] van voor Hem uit,[^daniel-7-10-52][^daniel-7-10-a] duizendmaal duizenden dienden Hem, en[^daniel-7-10-53] tien duizendmaal tien duizenden[^daniel-7-10-54] stonden voor Hem;[^daniel-7-10-55] het gericht zette zich, en[^daniel-7-10-56] de[^daniel-7-10-b] boeken werden geopend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v10)

**11** [^daniel-7-11-57] Toen zag ik toe[^daniel-7-11-58] vanwege de stem van de grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe,[^daniel-7-11-59] totdat het dier gedood, en[^daniel-7-11-60] zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven[^daniel-7-11-61] om van het vuur verbrand te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v11)

**12** [^daniel-7-12-62] Voor wat betreft de overige dieren,[^daniel-7-12-63] men nam hun heerschappij weg,[^daniel-7-12-64] want verlenging van het leven was hun[^daniel-7-12-65] gegeven[^daniel-7-12-66] tot tijd en tijdstip toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v12)

**13** [^daniel-7-13-67] Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet,[^daniel-7-13-68] er kwam Één met de wolken van de[^daniel-7-13-69] hemel, als de zoon van een mens, en[^daniel-7-13-70] Hij kwam tot de Oude van dagen, en[^daniel-7-13-71] zij deden Hem daarvoor naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v13)

**14** En[^daniel-7-14-72] Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en[^daniel-7-14-73] het Koninkrijk, dat Hem[^daniel-7-14-74] alle volken, natiën en tongen eren zouden;[^daniel-7-14-c] Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij,[^daniel-7-14-75] die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk[^daniel-7-14-76] zal niet verdorven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v14)

**15** [^daniel-7-15-77] Mij Daniël werd mijn geest[^daniel-7-15-78] doorstoken in het midden[^daniel-7-15-79] van het lichaam, en de visioenen van mijn hoofd verschrikten mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v15)

**16** Ik naderde[^daniel-7-16-80] tot één van degenen, die daar stonden, en verzocht van hem[^daniel-7-16-81] de zekerheid over dit alles; en hij zei ze mij, en[^daniel-7-16-82] gaf mij de uitlegging[^daniel-7-16-83] van deze zaken te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v16)

**17** Deze grote dieren, die vier zijn,[^daniel-7-17-84] zijn[^daniel-7-17-85] vier koningen,[^daniel-7-17-86] die uit[^daniel-7-17-87] de aarde opstaan zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v17)

**18** Maar de heiligen[^daniel-7-18-88] van de hoge plaatsen[^daniel-7-18-89] zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in de eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v18)

**19** [^daniel-7-19-90] Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, dat verscheiden was[^daniel-7-19-91] van al de andere, zeer gruwelijk, waarvan de tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v19)

**20** En[^daniel-7-20-92] voor wat betreft de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de andere, die opkwam, en waarvoor drie afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens[^daniel-7-20-93] aanzien[^daniel-7-20-94] groter was,[^daniel-7-20-95] dan van zijn metgezellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v20)

**21** [^daniel-7-21-96] Ik had gezien, dat die hoorn[^daniel-7-21-97] strijd voerde[^daniel-7-21-98] tegen de heiligen, en dat hij[^daniel-7-21-99] die overweldigde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v21)

**22** Totdat de[^daniel-7-22-100] Oude van dagen[^daniel-7-22-101] kwam, en[^daniel-7-22-102] het gericht gegeven werd[^daniel-7-22-103] aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen[^daniel-7-22-104] het Rijk bezaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v22)

**23** [^daniel-7-23-105] Hij zei zo: Het vierde dier zal[^daniel-7-23-106] het vierde rijk op aarde zijn,[^daniel-7-23-107] dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal[^daniel-7-23-108] de hele aarde opeten, en het zal die[^daniel-7-23-109] vertreden, en het zal ze verbrijzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v23)

**24** Wat betreft nu de tien hoornen:[^daniel-7-24-110] uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en[^daniel-7-24-111] een ander zal[^daniel-7-24-112] na hen opstaan; en[^daniel-7-24-113] dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal[^daniel-7-24-114] drie koningen vernederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v24)

**25** En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en[^daniel-7-25-115] het zal de[^daniel-7-25-116] heiligen van de hoge[^daniel-7-25-117] plaatsen verstoren, en[^daniel-7-25-118] het zal menen de[^daniel-7-25-119] tijden en[^daniel-7-25-120] de wet te veranderen, en[^daniel-7-25-121] zij zullen in zijn hand overgegeven worden[^daniel-7-25-122] tot een tijd, en tijden, en[^daniel-7-25-123] een gedeelte van een tijd.[^daniel-7-25-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v25)

**26** Daarna zal[^daniel-7-26-124] het gericht zitten, en men zal[^daniel-7-26-125] zijn heerschappij wegnemen,[^daniel-7-26-126] hem vernietigende en verdoende,[^daniel-7-26-127] tot het einde toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v26)

**27** [^daniel-7-27-128] Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de[^daniel-7-27-129] koninkrijken onder de hele hemel,[^daniel-7-27-130] zal gegeven worden[^daniel-7-27-131] aan het volk van de heiligen van de hoge plaatsen, wiens Rijk een eeuwig Rijk zijn zal[^daniel-7-27-132]; en[^daniel-7-27-133] alle heerschappijen zullen[^daniel-7-27-134] Hem eren en gehoorzamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v27)

**28** [^daniel-7-28-135] Tot hiertoe is het einde van deze rede. Wat mij Daniël betreft,[^daniel-7-28-136] mijn gedachten verschrikten mij zeer, en[^daniel-7-28-137] mijn gelaatskleur veranderde aan mij; maar[^daniel-7-28-138] ik bewaarde dat woord in mijn hart.[^daniel-7-28-139] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/7.html#v28)

[^daniel-7-1-1]: Kanttekening 1: 1 het eerste jaar van Belsazar: In Dan. 7 wordt voorgesteld dezelfde profetie van de vier monarchieën \[maar met een ander gezicht\] die in Dan. 2 voorgedragen is.
[^daniel-7-1-2]: Kanttekening 2: 2 zag Daniël een droom: Tot hiertoe zijn verhaald de gezichten, die de koningen van Babel gehad hebben, welke Daniël heeft uitgelegd; nu volgen de gezichten, die Daniël zelf gehad heeft.
[^daniel-7-1-3]: Kanttekening 3: 3 schreef hij die droom: Opdat hij nimmermeer in vergeting komen zou, want dit werd Daniël niet voor zichzelf geopenbaard, maar tot stichting en onderwijzing van de gehele gemeente.
[^daniel-7-1-4]: Kanttekening 4: 4 hij zei: Welverstaande, eerst tot de Joden, maar tot dienst van de kerk, zo van het Oude als van het Nieuwe Testament.
[^daniel-7-1-5]: Kanttekening 5: 5 de hoofdsom: Chaldeeuws, het hoofd.
[^daniel-7-1-6]: Kanttekening 6: 6 van de zaken: Of, van de woorden, te weten die hij in dat gezicht gezien of gehoord had.
[^daniel-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 de vier winden van de hemel braken voort: Een voorbeeld van krijg en oorlog, dat namelijk het ene koninkrijk tegen het andere zou opstaan, het ene zoekende het andere te onderdrukken en te verdelgen, dat alles niet bij geval geschiedt, maar gelijk God de Heer zulks in zijn raad besloten en verordineerd had.
[^daniel-7-2-8]: Kanttekening 8: 8 op de grote zee: Dat is, op de aarde, in deze wereld. De zin is dat de wereld zijn zal als een onstuimige zee, die met verscheidene winden \[tegen elkaar aanstotende\] zou beroerd worden, alsof al de wolken en winden tezamen tegen elkaar aanliepen, alles in roer stellende. Zie Openb. 17:1, 17:15. Openbaring 17:1: En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren; Openbaring 17:15: En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.
[^daniel-7-3-9]: Kanttekening 9: 9 vier grote dieren op: De vier monarchieën worden betekend door de grote dieren, vers 17, gelijk ook door het grote beeld, Dan. 2. De grote koninkrijken of monarchieën worden bij felle beesten vergeleken, omdat gemeenlijk grote rijken grote wreedheid aanrichten, met moorden, branden, roven en andere wreedheden en ongeregeldheden. Vergelijk Jes. 5:29. Daniël 7:17: Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. Jesaja 5:29: Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.
[^daniel-7-3-10]: Kanttekening 10: 10 uit de zee: Dat is uit de aarde, in de wereld, die groot, wijd en breed is, en nimmermeer stil, maar altijd woelende, gelijk de onstuimige zee. Daar geschiedt nimmermeer verandering van rijken en landen, dan met grote beroerten en bloedstortingen.
[^daniel-7-3-11]: Kanttekening 11: 11 het ene van het andere: Chaldeeuws, die van die.
[^daniel-7-3-12]: Kanttekening 12: Te weten in de manier van regering en andere dingen meer, gelijk dit ook is afgebeeld geworden door de verscheidene soorten van metalen in de beeltenis, die Nebukadnezar is vertoond geworden, Dan. 2.
[^daniel-7-4-13]: Kanttekening 13: 13 als een leeuw: Hierdoor wordt de moed, dapperheid en roofgierigheid van de Babylonische monarchie afgebeeld, in het bijzonder van Nebukadnezar de Grote, die Dan. 2 bij een gouden hoofd, en Dan. 4 bij een grote boom vergeleken wordt. Zie deze gelijkenis ook Jes. 5:29, en Jer. 4:7. Vergelijk ook Nah. 2:11, 2:12. Jesaja 5:29: Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. Jeremia 4:7: De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in woont. Nahum 2:11: Waar is nu de woning van de leeuwen, en die weide van de jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte. Nahum 2:12: De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.
[^daniel-7-4-14]: Kanttekening 14: 14 het had arendsvleugelen: Hiermede werd afgebeeld Nebukadnezars snelheid in de krijg. Zie Jes. 5:26; Jer. 4:13, en Jer. 48:40; Ez. 17:3; Hab. 1:8. Jesaja 5:26: Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Jeremia 48:40: Want zo zegt YHWH: Ziet, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de oppersten tak van een ceder. Habakuk 1:8: Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten.
[^daniel-7-4-15]: Kanttekening 15: 15 zijn vleugelen uitgeplukt waren: Dat is, landen en steden, de macht en heerlijkheid van het rijk, door de Meden en Perzen hem afgenomen werden, gelijk Jer. 50:21 voorzegd was. Anderen verstaan door de vleugels de moed en de dapperheid van de Babyloniërs, die alle andere natiën in moed en dapperheid plachten te overtreffen. Jeremia 50:21: Tegen het land Merathaim, trek tegen hetzelfde op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt YHWH, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.
[^daniel-7-4-16]: Kanttekening 16: 16 het werd van de aarde opgeheven: Dat is, zijne macht, heerschappij en gebied \[waardoor het zich boven alle andere mensen verhief\] werd hem benomen. Want de Assyriërs en Chaldeën zijn niet ten enenmale uit de aarde uitgeroeid. Anders: met welke het van de aarde opgeheven werd.
[^daniel-7-4-17]: Kanttekening 17: 17 op de voeten gesteld: Dat is, de Chaldeën, die tevoren als met arendsvleugelen hoog in de lucht vlogen en alle andere natiën verachtten, moesten daarna als andere gemene mensen op de aarde gaan, ja anderen dienen, niet meer zijnde als leeuwen, maar als andere bijzondere personen, van hunne macht beroofd zijnde.
[^daniel-7-4-18]: Kanttekening 18: 18 als een mens: Dat is, als andere mensen, die geen heerschappij noch gebied over land en mensen hadden.
[^daniel-7-4-19]: Kanttekening 19: 19 aan hetzelfde: Te weten dier, dat is, de Chaldeën en Babyloniërs, als zij nu bloot en zonder vederen waren.
[^daniel-7-4-20]: Kanttekening 20: 20 eens mensen hart: Dat is een versaagd hart, als van een arm verslagen mensenhart, inplaats van een onversaagd leeuwenhart. Xenophon getuigt dat Cores de Babyloniërs de wapenen heeft doen afleggen, het land doen bouwen, belasting doen betalen en de Perzen doen eren en gehoorzamen, gelijk hunne heren, en hun garnizoenen hunne soldijen betalen. Vergelijk Jer. 51:30. Jeremia 51:30: Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.
[^daniel-7-4-21]: Kanttekening 21: Te weten van God.
[^daniel-7-5-22]: Kanttekening 22: 22 het andere dier: Dat is, een ander dier dan het Chaldeeuwse bij een leeuw vergeleken, zie vers 4, namelijk de monarchie van de Perzen, die straks de Chaldeeuwse monarchie gevolgd is; bij zilver vergeleken, Dan. 2:32. Daniël 7:4: Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelfde werd eens mensen hart gegeven. Daniël 2:32: Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;
[^daniel-7-5-23]: Kanttekening 23: 23 een beer: Hiermede wordt het rijk van de Perzen afgebeeld, omdat zij wreed, woest, wild, gruwzaam en verschrikkelijk waren, gelijk de wilde woudberen, niet van zulken hoge en edelen aard als de leeuw, vers 4. Zie boven Dan. 2:39. Maar de Heer heeft hunne wreedheid bedwongen, ten aanzien van zijn volk. Daniël 7:4: Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelfde werd eens mensen hart gegeven. Daniël 2:39: En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de gehele aarde.
[^daniel-7-5-24]: Kanttekening 24: 24 stelde zich aan de ene zijde: Dat is, het Perzische rijk heeft eerst aan de ene zijde van de wereld begonnen, te weten in het oosten, zijnde klein in het eerst, besloten tussen zijn bergen, een natie die niet zeer groot geacht was. Evenwel slokte hij het eerst de Meden in, daarna ook de Babyloniërs, en maakte er ééne heerschappij van. Anders: dat ene heerschappij heeft opgericht.
[^daniel-7-5-25]: Kanttekening 25: 25 drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden: Dat is, naar de uitlegging van enige, drie grote tanden, als ribben. Sommigen verstaan door deze drie ribben die volken, die van de Perzen aan het westen, noorden en zuiden, zijn ondergebracht, Dan. 8:4; ja die zij als verscheurd en verslonden hebben door hun grote krijgsmacht. Sommigen menen dat door deze drie ribben betekend worden de overgrote wreedheid van dit dier, namelijk van de Perzische monarchie. Daniël 8:4: Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
[^daniel-7-5-26]: Kanttekening 26: 26 men zei aldus tot hetzelfde: De zin is dat God de Perzen, door zijn geheime raad daartoe verwekt en gedreven heeft, dat zij vele volken door krijgsmacht dwingen en ten onderbrengen zouden. Vergelijk Jes. 21:2. Chaldeeuws, en zij zeiden, te weten de engelen, door het bevel van God. Jesaja 21:2: Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^daniel-7-5-27]: Kanttekening 27: 27 eet veel vlees: Hiermede wordt aangewezen de grote wreedheid en bloeddorstigheid van de Perzen, dat Thomyris, de koningin van Scytië, de koning Cyrus verweten heeft, toen zij hem in een veldslag overwonnen en zijn hoofd afgehouwen en in een kuip vol mensenbloed gestoken hebbende, overluid riep: Verzadig u nu met bloed, daar u zozeer naar gedorst hebt. Justin. lib. 3, en Oros. lib. 2.
[^daniel-7-6-28]: Kanttekening 28: 28 zag ik: Dit is, mij werd in een gezicht gewezen.
[^daniel-7-6-29]: Kanttekening 29: 29 een ander dier,: Namelijk de monarchie van Alexander de Grote, of het Macedonische, of het Griekse rijk of monarchie.
[^daniel-7-6-30]: Kanttekening 30: 30 een luipaard: De pardus of pardel is listig en snel, Jer. 5:6; Hos. 13:7; Hab. 1:8. Zo waren de aanslagen van de koning Alexander de Grote listig, en hij was snel en moedig in het innemen van landen en steden. Jeremia 5:6: Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelfde uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden. Hosea 13:7: Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg. Habakuk 1:8: Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten.
[^daniel-7-6-31]: Kanttekening 31: 31 vier vleugels eens vogels op zijn rug: Hiermede wordt ook te kennen gegeven de snelle voorgang van Alexander de Grote. Vergelijk Dan. 8:5. Maar sommigen verstaan door de vier vleugelen op de rug de vier vorsten, die na de dood van Alexander zijne rijken onder zich verdeeld hebben, Dan. 8:8. Daniël 8:5: Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen. Daniël 8:8: En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel.
[^daniel-7-6-32]: Kanttekening 32: 32 vier hoofden: Deze vier hoofden betekenen ook de verdeling van de monarchie van Alexander, onder vier voorname heren of hoofden van zijn leger, die, nadat zij lang met elkaar om de heerschappijen gestreden hadden, zo hebben zij eindelijk die onder zich verdeeld, zo dat Seleucus voor zijn deel heeft gekregen Groot-Azië; Antigonus Klein-Azië; Cassander, \[welke Antipater opgevolgd is\] is geworden koning van Macedonië; Ptolemoeus, de zoon van Lagus, heeft Egypte tot zijn deel gekregen.
[^daniel-7-6-33]: Kanttekening 33: 33 hetzelfde werd de heerschappij gegeven: Te weten Alexander de Grote werd van God de heerschappij gegeven, zo dat hij met kleine legers zeer grote overwonnen heeft.
[^daniel-7-7-34]: Kanttekening 34: 34 het vierde dier: Enige verstaan hier door het vierde dier de monarchie van de Romeinen, en passen daarop al wat in dit hoofdstuk van het vierde dier gezegd wordt. Maar anderen duiden het op het rijk van de Seleuciden en Lagiden, die de rijken van Alexander de Grote onder zich verdeeld en lange jaren ingehouden hebben, zij en hunne nakomelingen, die de Joden zeer jammerlijk geplaagd hebben, gelijk in de historie van de Machabeën te lezen is.
[^daniel-7-7-35]: Kanttekening 35: 35 was schrikkelijk en gruwelijk: Doordien het alle omliggende natiën grote schrik en bangheid, schade en verderf heeft aangebracht, dat waarachtig is zo van de Romeinen als van de Seleuciden in het bijzonder Antiochus Epifanes.
[^daniel-7-7-36]: Kanttekening 36: 36 grote ijzeren tanden: Dat is, grote veldlegers en machtige oversten, samen met allerlei krijgsinstrumenten en gereedschap. Zie boven Dan. 2:40, daar wordt het genoemd hard als ijzer. Daniël 2:40: En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, zo zal het vermalen en verbreken.
[^daniel-7-7-37]: Kanttekening 37: De zin is: Die het niet ten enenmale verscheurde, die beschadigde het ten hoogste, en bracht hen onder zijne voeten en maakte hen dienstbaar.
[^daniel-7-7-38]: Kanttekening 38: 38 het was verscheiden van al de dieren,: Het kon vanwege zijne wreedheid en grootheid, noch met de vorige, noch met enig ander dier vergeleken worden, daarom geeft het de profeet hier geen naam. Die dit op het Romeinse rijk duiden, verstaan het woord verscheiden, van de verscheidene wijzen op welke het Romeinse rijk werd geregeerd, eerst door koningen, daarna door consuls, daarna door tienmannen, daarna opnieuw door consuls; ten laatste door cesars of keizers.
[^daniel-7-7-39]: Kanttekening 39: 39 tien hoornen: Sommigen, die dit van het Romeinse rijk verstaan, nemen tien voor velen, gelijk Gen. 31:41. Anderen verstaan precies tien koningen, of rijken, of provinciën, omdat het Romeinse rijk verscheidene koningen gehad, en ook verscheidene koninkrijken onder zich gebracht heeft; of, gelijk sommigen, omdat het Romeinse rijk daarna in verscheidene bijzondere koninkrijken is verdeeld. Anderen duiden het op de Seleuciden, en noemen tien koningen \[nochtans eensdeel uit de Lagiden, anderdeels uit de Seleuciden\] die elkaar gevolgd zijn en de Joodse kerk zeer geplaagd hebben. Zij worden met recht bij horens vergeleken, omdat gelijk de gehoornde beesten andere beesten of mensen met hunne hoornen aanlopen, stoten en kwetsen, zo hebben ook die koningen vele mensen, in het bijzonder Gods kerk, veel leed gedaan. Genesis 31:41: Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochters, en zes jaren om uw kudde; en u hebt mijn loon tien malen veranderd.
[^daniel-7-8-40]: Kanttekening 40: 40 Ik nam acht: Zo betaamt het ons ook op deze profetieën wel te letten, opdat wij ze mogen verstaan. Vergelijk Matt. 24:15. Mattheüs 24:15: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
[^daniel-7-8-41]: Kanttekening 41: Anders: de laatste hoorn die klein was. Velen verstaan door deze kleinen hoorn de Roomsen Antichrist, die, bij de scheuring van het Romeinse rijk van kleine beginselen is opgekomen, en zulks alles gedaan heeft, gelijk hier en vers 24, 7:25 voorzegd wordt. Anderen verstaan Antiochus Epifanes, die de geringste onder die hoornen, dat is koningen was. Zie onder Dan. 11:21. Enige verstaan de Turk, enz. Daniël 7:24: Wat betreft nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen. Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd. Daniël 11:21: Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
[^daniel-7-8-42]: Kanttekening 42: 42 in dienzelven hoorn: Versta dit zo dat degene, die door deze hoorn beduid wordt, zich, zoveel de uitwendigen schijn belangt, zeer beleefdelijk heeft weten aan te stellen, maar dat hij inderdaad een geveinsde boef was.
[^daniel-7-8-43]: Kanttekening 43: 43 grote dingen: Lasterlijke en smadelijke redenen tegen God en zijn heilige kerk. Zie onder vers 25. Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd.
[^daniel-7-9-44]: Kanttekening 44: 44 totdat er tronen gezet werden: Dat is, totdat de tijd gekomen was, dat God gericht over die tirannen gehouden, hen gestraft en zijn volk van hunne tirannie verlost heeft. Anders: totdat zij \[te weten de engelen\] de tronen \[te weten van de koningen van de aarde\] hebben heengeworpen. Anderen nemen het in deze zin: Totdat die koningen hunne tronen, of koninklijke stoelen, verlatende, voor God weken, toen God nakende was ten gericht, totdat Hij zijn troon boven alle andere zou oprichten.
[^daniel-7-9-45]: Kanttekening 45: 45 de Oude van dagen Zich zette: Dit is ene omschrijving van de eeuwigen waren God, die vóór alle eeuwigheid geweest is, nu is, en in alle eeuwigheid zijn zal; zo ook vers 13, 7:22. Daniël 7:13: Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. Daniël 7:22: Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
[^daniel-7-9-46]: Kanttekening 46: 46 wit was als de sneeuw: Koningen en vorsten droegen eertijds witte kleren; zie Gen. 41:42, en Esth. 8:15. Zodat het hier betekent de majesteit van God. Genesis 41:42: En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; Esther 8:15: En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.
[^daniel-7-9-47]: Kanttekening 47: 47 als zuivere wol: Afbeeldende de reinheid Gods. Vergelijk Ps. 51:6; Rom. 3:4. Psalmen 51:6: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Romeinen 3:4: Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^daniel-7-9-48]: Kanttekening 48: 48 Zijn troon: Eigenlijk te spreken heeft God noch troon, noch stoel, en wordt Hij met geen raderen voortgetrokken; maar het heeft Hem belieft zich zijn profeten in verscheidene gedaanten te vertonen, om hun enig bewijs van zijn aanwezigheid te geven.
[^daniel-7-9-49]: Kanttekening 49: Of, vuurspranken, afbeeldende de toorn en het strenge gericht van God. Want gelijk het vuur alles verslindt, zo is ook God een verterend vuur voor de goddelozen.
[^daniel-7-10-50]: Kanttekening 50: 50 Een vurige rivier vloeide: Of, ene rivier van vuur. Dit betekent de grootheid en strengheid van de oordelen van God, om alle vijanden snel en met geweld te overrompelen en te verteren. Gelijk niemand de loop van de rivier kan afstoppen of ophouden, maar men moet ze haar gang laten gaan; zo is er geen creatuur zo machtig, die de oordelen van God kan ophouden of verhinderen. Vergelijk Ps. 50:3, en Ps. 97:3. Psalmen 50:3: Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. Psalmen 97:3: Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn tegenstanders rondom aan brand.
[^daniel-7-10-51]: Kanttekening 51: 51 van voor Hem uit: Of, van zijne aanwezigheid; te weten van de aanwezigheid van de Rechter, die op de troon zat.
[^daniel-7-10-52]: Kanttekening 52: 52 duizendmaal duizenden dienden Hem: Vergelijk 2 Kon. 6:17; Ps. 34:8, en Ps. 68:18; Matt. 26:53; Hebr. 12:22; Openb. 5:11; een zeker getal wordt gezet voor een ontelbaar groot getal. 2 Koningen 6:17: En Elisa bad, en zei: YHWH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En YHWH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. Psalmen 34:8: Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 68:18: Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heer is onder hen, een Sinaï in heiligheid! Mattheüs 26:53: Of meent u, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 5:11: En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
[^daniel-7-10-a]: Verwijzing a: Openb. 5:11. Openbaring 5:11: En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
[^daniel-7-10-53]: Kanttekening 53: 53 tien duizendmaal tien duizenden: Dit getal is honderdmaal groter dan het vorige. Het getal van de engelen is voor ons ontelbaar. Zie Hebr. 12:22. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^daniel-7-10-54]: Kanttekening 54: 54 stonden voor Hem: Passende op zijn dienst. Zie Ps. 103:20. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord.
[^daniel-7-10-55]: Kanttekening 55: 55 het gericht zette zich: Dat is, de Rechter, te weten die heilige engelen. Zie Dan. 4:17. Versta ook, de gelovigen met hun Hoofd Christus. Zie onder vers 22; Ps. 50:6. Daniël 4:17: Deze zaak is in het besluit van de wachters, en deze begeerte is in het woord van de heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze aan wie Hij wil, ja, zet daarover de laagste onder de mensen. Daniël 7:22: Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten. Psalmen 50:6: En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
[^daniel-7-10-56]: Kanttekening 56: 56 de boeken werden geopend: Dat is, alles werd nauw onderzocht, wat tot beschuldiging en ontschuldiging kon bijgebracht worden; opdat men daaruit nam wat die vervolgers aan het volk van God begaan hadden, om daaruit een vonnis te scheppen, menselijkerwijze gesproken. Zie Ps. 139:16; Openb. 20:12. Enige verstaan hier door de boeken van een ieder consciëntie. Psalmen 139:16: Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^daniel-7-10-b]: Verwijzing b: Openb. 20:12. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^daniel-7-11-57]: Kanttekening 57: 57 Toen zag ik toe: Dat is, mijne gedachten waren nog denkende op dat gezicht, dat mij vertoond was.
[^daniel-7-11-58]: Kanttekening 58: 58 vanwege de stem van de grote woorden: Dat is, vanwege de gruwelijke godslasteringen en smaadwoorden, die hij tegen God en de kerk uitspreken zou.
[^daniel-7-11-59]: Kanttekening 59: 59 totdat het dier gedood: Dat is, totdat de macht van deze koningen, samen met hun rijk teniet gebracht was.
[^daniel-7-11-60]: Kanttekening 60: 60 zijn lichaam verdaan werd: Dat is, totdat het koninkrijk van deze koningen geen koninkrijk meer was.
[^daniel-7-11-61]: Kanttekening 61: 61 om van het vuur verbrand te worden: Chaldeeuws, tot de verbranding van het vuur.
[^daniel-7-12-62]: Kanttekening 62: 62 Aangaande ook de overige dieren: Daar is vers 11 gesproken van de ondergang van het vierde rijk; in vers 12 spreekt de profeet van de ondergang van het overblijfsel van de andere rijken. Daniël 7:11: Toen zag ik toe vanwege de stem van de grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. Daniël 7:12: Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.
[^daniel-7-12-63]: Kanttekening 63: 63 men nam hun heerschappij weg: Dat is, de overblijfsels van de voorverhaalde drie rijken zijn met dit vierde rijk ook vervallen.
[^daniel-7-12-64]: Kanttekening 64: 64 want verlenging van het leven: Dit is de reden, waarom die rijken niet eerder zijn tenondergegaan dan met het vierde rijk.
[^daniel-7-12-65]: Kanttekening 65: Te weten van God.
[^daniel-7-12-66]: Kanttekening 66: 66 tot tijd en stonde toe: Zie boven Dan. 2:21. Daniël 2:21: Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;
[^daniel-7-13-67]: Kanttekening 67: 67 zag ik in de nachtgezichten: Met deze herhaling geeft Daniël te kennen, dat hij nauw gelet heeft op wat hem God openbaarde.
[^daniel-7-13-68]: Kanttekening 68: 68 er kwam Een met de wolken van de hemel: Om, nadat Hij op aarde de verborgenheid van onze zaligheid zou verricht hebben, ten hemel opgenomen te worden tot zijn Vader, en aan zijne rechterhand te zitten, te regeren en te oordelen de levenden en de doden.
[^daniel-7-13-69]: Kanttekening 69: 69 als eens mensen zoon: Hierdoor werd de Messias of Christus afgebeeld, gelijk Openb. 1:13, die in het vlees verschijnen zou, maar nog niet verschenen was. Zie Gal. 4:4. En merk, dat hier in de Chaldeeuwsen tekst een woord staat, dat betekent een broos en ziek mens, betekenende dat Christus de menselijke natuur met al haar ziekten zou aannemen, de zonde uitgenomen. Openbaring 1:13: En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Galaten 4:4: Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
[^daniel-7-13-70]: Kanttekening 70: 70 Hij kwam tot de Oude van dagen: Of, daarna kwam Hij. De zin is dat Christus, volbracht hebbende het werk van onze verlossing, tot zijn hemelsen Vader ten hemel is opgevaren. Vergelijk hiermede Joh. 16:16, 16:28, en Hand. 1:9. Johannes 16:16: Een kleinen tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleinen tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader. Johannes 16:28: Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; opnieuw verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader. Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
[^daniel-7-13-71]: Kanttekening 71: 71 zij deden Hem voor Denzelven naderen: Te weten de heilige engelen van God. Te weten om te zitten ter rechterhand zijns Vaders, en van Hem te ontvangen eer, heerlijkheid en heerschappij over alles wat genaamd mag worden, gelijk vers 14, gezegd wordt. Zie ook Hand. 2:34, 2:36; Ef. 1:20; Filipp. 2:9. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Handelingen 2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. Handelingen 2:36: Zo wete dan zekerlijk het gehele huis van Israël, dat God Hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^daniel-7-14-72]: Kanttekening 72: 72 Hem werd gegeven heerschappij: Te weten Christus, als Middelaar, is van de Vader gegeven, enz. Vergelijk dit met Matt. 28:18; Hand. 2:33, 2:34, 2:36; Hebr. 1:3, 1:4. Mattheüs 28:18: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Handelingen 2:33: Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort. Handelingen 2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. Handelingen 2:36: Zo wete dan zekerlijk het gehele huis van Israël, dat God Hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Hebreeën 1:4: Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitmuntender Naam boven hen geërfd heeft.
[^daniel-7-14-73]: Kanttekening 73: 73 het Koninkrijk: Niet een werelds koninkrijk om lichamelijk op aarde te regeren; maar een geestelijk koninkrijk, opdat Hij heerse in het midden van zijn vijanden, zo door de krachtige predikatie van het Evangelie in de harten van de uitverkorenen, als door het bedwingen van de verworpenen, die de uitverkorenen, Christus belijdende, vervolgen. Vergelijk Ps. 110.
[^daniel-7-14-74]: Kanttekening 74: 74 alle volken, natiën en tongen eren zouden: Niet allen hoofd voor hoofd, maar uit alle volken, natiën en tongen van de gehele wereld, een grote menigte; en aangaande zijne vijanden, zal Hij verheerlijkt worden door hun rechtvaardige straf. Ten deze aanzien komt Christus met recht toe, ja Christus alleen en geen schepselen, de titel van Koning van de koningen en Heer van de heren. Vergelijk Ps. 2:8; Ef. 1:21, 1:22; Filipp. 2:9, 2:10, 2:11; Openb. 19:16. Psalmen 2:8: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Efeziërs 1:21: Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Filippensen 2:10: Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filippensen 2:11: En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heer zij, tot heerlijkheid van God de Vader. Openbaring 19:16: En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^daniel-7-14-c]: Verwijzing c: Dan. 2:44; Lukas 1:33. Daniël 2:44: Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^daniel-7-14-75]: Kanttekening 75: 75 die niet vergaan zal: Of, die niet weggenomen zal worden.
[^daniel-7-14-76]: Kanttekening 76: 76 zal niet verdorven worden: Want, ofschoon het hier op aarde wordt bestreden en bevochten van zijne vijanden, zo zal en kan het niet uitgeroeid worden, maar het zal altijd blijven.
[^daniel-7-15-77]: Kanttekening 77: 77 Mij, Daniël: Of, mij Daniël aangaande, mijn geest werd, enz.
[^daniel-7-15-78]: Kanttekening 78: Of, doorboord, doorgraven alsof mijn geest ware doorschoten geweest; namelijk, omdat ik niet wist wat dit gezicht beduidde. Anders: beroerd, ontsteld.
[^daniel-7-15-79]: Kanttekening 79: 79 van het lichaam: Chaldeeuws, van de schede: omdat de ziel van de mens in zijn lichaam bedekt en verborgen is, gelijk een zwaard in de schede.
[^daniel-7-16-80]: Kanttekening 80: 80 naderde tot een dergenen: Te weten tot één van de engelen, van wie vele duizenden waren, die voor de Heer stonden om op zijn dienst te passen, boven vers 10. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
[^daniel-7-16-81]: Kanttekening 81: 81 de zekerheid over dit alles: Of, de gewisheid, dat is, de rechte mening, het ware bericht.
[^daniel-7-16-82]: Kanttekening 82: 82 gaf mij de uitlegging: Dit belooft Christus allen die Hem bidden, Matt. 7:7, 7:8. Mattheüs 7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Mattheüs 7:8: Want een ieder, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden.
[^daniel-7-16-83]: Kanttekening 83: 83 zaken te kennen: Chaldeeuws, van deze woorden; dat is, van de dingen mij in die gezichten vertoond.
[^daniel-7-17-84]: Kanttekening 84: Dat is, betekenen of zijn voorbeelden.
[^daniel-7-17-85]: Kanttekening 85: 85 vier koningen: Dat is, vier koninkrijken of monarchieën. Zie boven vers 3. Daniël 7:3: En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.
[^daniel-7-17-86]: Kanttekening 86: 86 uit de aarde: vers 3 zegt hij, uit de zee. Zie de aantekening daar. Daniël 7:3: En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.
[^daniel-7-17-87]: Kanttekening 87: 87 opstaan zullen: Het ene, namelijk de monarchie van de Chaldeën, was wel al opgestaan, zodat de profeet zegt dat zij opstaan zouden, ten aanzien van de overblijvende drie koninkrijken.
[^daniel-7-18-88]: Kanttekening 88: 88 van de hoge plaatsen: Dat is, die van God verordineerd zijn tot inneming en bezitting van de hogere plaatsen, dat is, van de hemelen, die zij op de vastgestelde tijd zullen innemen en bezitten. Zodat dit is ene beschrijving van de kerk, welke is ene vergadering van de heiligen, tot de hoogten of tot de hoge plaats, dat is, ten eeuwigen leven behorende. Anders: de heiligen van de Allerhoogste zullen, enz. Vergelijk Openb. 1:6, en Openb. 5:10. Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10: En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^daniel-7-18-89]: Kanttekening 89: 89 dat Koninkrijk ontvangen: Te weten dat eeuwige rijk. vers 14, het heilige en geestelijke koninkrijk van Christus op aarde, zal zo haast niet ophouden, of straks zal dat eeuwig, heerlijk en hemels koninkrijk van Christus daarop volgen boven in de hemel. Daniël 7:14: En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
[^daniel-7-19-90]: Kanttekening 90: 90 Toen wenste ik: Dat is, toen was ik begerig om de waarheid te weten van het vierde dier, dat is aangaande het vierde dier.
[^daniel-7-19-91]: Kanttekening 91: 91 van al de andere: Te weten van de andere drie, gelijk vers 23; zie breder tot verklaring over vers 19 de aantekening boven vers 7. Daniël 7:23: Hij zei aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de gehele aarde opeten, en het zal dezelfde vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Daniël 7:19: Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, dat verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten. Daniël 7:7: Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelfde geweest waren; en het had tien hoornen.
[^daniel-7-20-92]: Kanttekening 92: 92 aangaande de tien hoornen: Versta hierbij: begeerde ik de waarheid te weten.
[^daniel-7-20-93]: Kanttekening 93: Of, gestalte.
[^daniel-7-20-94]: Kanttekening 94: 94 groter was: Hiermede wordt te kennen gegeven dat de Roomse Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, de andere koningen in macht en hoogheid overtreffen zou, alhoewel hun begin slecht geweest is, als onwettelijk tot het rijk komende, waarom hij een kleine hoorn genoemd wordt, vers 8. Daniël 7:8: Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelfde, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor dezelfde; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.
[^daniel-7-20-95]: Kanttekening 95: 95 dan van zijn metgezellen: Dat is, dan van de andere hoornen, dat is koningen.
[^daniel-7-21-96]: Kanttekening 96: 96 Ik had gezien: In vers 21, en in vers 22, geeft Daniël reden, waarom hij zo begerig was om te weten de gelegenheid van dit dier en van zijn doen, namelijk omdat de kerk van die tijd af wredelijk zou geplaagd worden, totdat de kerk van God van haar vijanden zou gered worden. Daniël 7:21: Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overweldigde, Daniël 7:22: Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
[^daniel-7-21-97]: Kanttekening 97: 97 krijg voerde: Chaldeeuws, krijg maakte.
[^daniel-7-21-98]: Kanttekening 98: 98 tegen de heiligen: Dat is, tegen het volk van God.
[^daniel-7-21-99]: Kanttekening 99: 99 die overweldigde: Welke zware vervolgingen en ellenden de kerk geleden heeft en nog lijdt van de Roomsen Antichrist, is bekend; van gelijke heeft Antiochus Epifanes en andere Aziatische koningen, van welke anderen dit verstaan, gedaan aan de Joodse kerk of hen. Gods volk werd in het Joodse land, alsook die schone kerken in Azië en in Afrika, zo tenonder gebracht, dat het zich liet aanzien of het met de kerk van God ten enenmale gedaan was, en dat er geen hoop meer was dat zij het hoofd weer zou opheffen; maar dit duurde maar een korte tijd.
[^daniel-7-22-100]: Kanttekening 100: 100 Oude van dagen: Zie boven vers 9. Daniël 7:9: Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, daarvan raderen een brandend vuur.
[^daniel-7-22-101]: Kanttekening 101: Om zijne kerk zijne hulp te betonen. Dit is voornamelijk geschied na de predikatie van het Evangelie, als de kerk heeft begonnen het hoofd boven te krijgen, na vele verschrikkelijke vervolgingen.
[^daniel-7-22-102]: Kanttekening 102: 102 het gericht gegeven werd: Te weten in Christus hun Hoofd, ten welke aanzien de heiligen gezegd worden te zijn richters van de wereld, goedvindende en prijzende het gericht van Christus. Zie Matt. 19:28; 1 Kor. 6:2, 6:3. Mattheüs 19:28: En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. 1 Korinthiërs 6:2: Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtzaken? 1 Korinthiërs 6:3: Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?
[^daniel-7-22-103]: Kanttekening 103: 103 de heiligen van de hoge plaatsen,: Zie boven vers 18. Daniël 7:18: Maar de heiligen van de hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden.
[^daniel-7-22-104]: Kanttekening 104: 104 het Rijk bezaten: Dat is, dat zij een naam in de wereld gekregen hadden, doordien het rijk van Christus in zijne heiligen is vermaard geworden.
[^daniel-7-23-105]: Kanttekening 105: 105 Hij zei aldus: Te weten de engel, die ik gebeden had dat hij mij die gezichten wilde verklaren, vers 16. Daniël 7:16: Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zei ze mij, en gaf mij de uitlegging van deze zaken te kennen.
[^daniel-7-23-106]: Kanttekening 106: 106 het vierde rijk op aarde zijn: Zie boven vers 7. Daniël 7:7: Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelfde geweest waren; en het had tien hoornen.
[^daniel-7-23-107]: Kanttekening 107: 107 dat verscheiden zal zijn van al die rijken: Zie boven vers 7. Daniël 7:7: Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelfde geweest waren; en het had tien hoornen.
[^daniel-7-23-108]: Kanttekening 108: 108 de gehele aarde opeten: Dat is, het voornaamste deel van de koninkrijken, verstaande dit van het Romeinse rijk. Anders: het gehele land; te weten het gehele Joodse land, duidende dit op de Seleuciden. Vergelijk vers 21, 7:25, en versta hier door het land, of de aarde, de inwoners, die verslonden en als opgegeten zouden worden. Daniël 7:21: Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overweldigde, Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd.
[^daniel-7-23-109]: Kanttekening 109: Of, dorsen.
[^daniel-7-24-110]: Kanttekening 110: 110 uit dat koninkrijk: Zie vers 7. Daniël 7:7: Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelfde geweest waren; en het had tien hoornen.
[^daniel-7-24-111]: Kanttekening 111: 111 een ander: Te weten de Roomse Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, de laatste van die tien.
[^daniel-7-24-112]: Kanttekening 112: 112 na hen opstaan: Te weten na die koningen of hoornen.
[^daniel-7-24-113]: Kanttekening 113: Te weten hoorn, of die, te weten koning, en zo in het volgende.
[^daniel-7-24-114]: Kanttekening 114: 114 drie koningen vernederen: Zie boven vers 8. Daniël 7:8: Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelfde, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor dezelfde; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.
[^daniel-7-25-115]: Kanttekening 115: 115 het zal: Te weten die hoorn, of hij zal, te weten de Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, die niet alleen God zouden lasteren, maar ook wrede vervolgers van Gods volk zijn. Zie Dan. 11.
[^daniel-7-25-116]: Kanttekening 116: 116 heiligen van de hoge plaatsen: Gelijk boven vers 18, 7:22. Daniël 7:18: Maar de heiligen van de hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden. Daniël 7:22: Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
[^daniel-7-25-117]: Kanttekening 117: Of, verslijten, of afslijten, dat is, doen verouderen en vergaan, gelijk kleren, die door ouderdom verslijten.
[^daniel-7-25-118]: Kanttekening 118: 118 het zal menen: Of, hij zal onderstaan te veranderen, of het zal denken te veranderen. De zin is: Het zal zo vermetel zijn, dat het voornemen zal, of hopen en vertrouwen zal, de tijden te veranderen, enz.
[^daniel-7-25-119]: Kanttekening 119: Enige verstaan hier door de tijden de sabbat en de andere feestdagen van de Joden, als pinksteren, het feest van de tenten en van de nieuwe maanden, enz. Zie 1 Makk. 1:49; anderen, de rekening van de jaren, die door het Romeinse rijk zou veranderd worden. Dat geschied is eerst door Julius Cesar, daarna door de paus Gregorius de dertiende, om zo zijne macht over de gehele Christenheid te betonen. 1 Makkabeeën 1:49: Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen;
[^daniel-7-25-120]: Kanttekening 120: 120 de wet te veranderen: Al de wetten en ceremoniën van Mozes af te stoten, de gansen godsdienst af te schaffen, om de heidense afgoderij in te voeren, zo men dit verstaat van Antiochus; of versta Gods wetten in het algemeen, zo men dit duidt op de Antichrist.
[^daniel-7-25-121]: Kanttekening 121: 121 zij zullen in zijn hand overgegeven worden: Te weten de heiligen, opdat hij hen dode. Of, de tijden en de wet, om die te veranderen naar zijn goeddunken.
[^daniel-7-25-122]: Kanttekening 122: 122 tot een tijd, en tijden: Enige verstaan hierdoor een jaar, twee jaren en een half jaar; anderen, de tijd van drie jaren en tien dagen; sommigen duizend tweehonderd zestig jaren; anderen, door een tijd, vierhonderd negentig jaren, te rekenen van de wederopbouwing tot de verwoesting van de tempel. Door tijden, een duizend vierhonderd drie en dertig jaren, van de verwoesting van de tempel tot de ontdekking van de Antichrist; door een halven tijd, honderd een en negentig jaren, van de tijd van de ontdekking van de Antichrist tot zijn uitroeiing toe. Anderen hebben andere berekeningen. Vergelijk Dan. 12:7, en Openb. 12:14. Daniël 12:7: En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden. Openbaring 12:14: En van de vrouwe zijn gegeven twee vleugelen van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht van de slang.
[^daniel-7-25-123]: Kanttekening 123: 123 een gedeelte van een tijd: Hiervoor staat tot verklaring Dan. 12:7 een halven tijd, of ene helft; anderen een deel van de bestemden tijd. Daniël 12:7: En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden.
[^daniel-7-25-d]: Verwijzing d: Dan. 11:36; 1 Makk. 1:46. Daniël 11:36: En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God van de goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de toorn voltooid zij, want het is vastelijk besloten, het zal gebeuren.
[^daniel-7-26-124]: Kanttekening 124: 124 het gericht zitten: Zie boven vers 9, 7:10, 7:22. Daniël 7:9: Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, daarvan raderen een brandend vuur. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Daniël 7:22: Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
[^daniel-7-26-125]: Kanttekening 125: 125 zijn heerschappij wegnemen: Of, zij zullen hem, of hun, te weten de Romeinen, of, gelijk anderen, de Seleuciden, de heerschappij benemen, te weten die, welke God tot uitvoerders van zijn oordeel zal stellen.
[^daniel-7-26-126]: Kanttekening 126: 126 hem verdelgende en verdoende: Dat is, hij zal met zijn aanhang van het rijk afgestoten en verdreven worden. Anders: zo dat zij, te weten de heerschappij, weggenomen worde.
[^daniel-7-26-127]: Kanttekening 127: 127 tot het einde toe: Dat is, zijn rijk en zijn aanhang zal eindelijk geheel uitgeroeid en geheel teniet gebracht worden, en nimmermeer weer opstaan.
[^daniel-7-27-128]: Kanttekening 128: 128 Maar het rijk, en de heerschappij: Dat wordt hier gesteld tot troost van de godzaligen, om hun indachtig te maken hoe het in de wereld toegaat, dat God altijd voor zijne kerk zorgdraagt, de zijnen eindelijk een zalige uitkomst gevende. Want te spreken van de toestand van de monarchieën kon de godzaligen weinig troost aanbrengen, tenzij zij ook tegelijk wisten dat God zorg voor hen droeg. Zie Jes. 35:3, 35:4. Jesaja 35:3: Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. Jesaja 35:4: Zegt de onbedachtzamen van hart: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en u verlossen.
[^daniel-7-27-129]: Kanttekening 129: 129 onder de gansen hemel: Dat is, in de gehele wereld, nadat het Evangelie allen creaturen zou gepredikt worden, Mark. 16:15. Marcus 16:15: En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
[^daniel-7-27-130]: Kanttekening 130: 130 zal gegeven worden: Het rijk van Christus, opgericht door de predikatie van het heilige Evangelie, zal de godzaligen gegeven of medegedeeld worden, namelijk als Christus in de harten van de godzaligen bij alle natiën regeren zal. Dit rijk komt wel eigenlijk Christus toe, maar de gelovigen door genadige mededeling; zie 1 Kor. 1:9. 1 Korinthiërs 1:9: God is getrouw, door Welke u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer.
[^daniel-7-27-131]: Kanttekening 131: 131 het volk van de heiligen van de hoge plaatsen: Zie boven vers 18. Daniël 7:18: Maar de heiligen van de hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden.
[^daniel-7-27-132]: Kanttekening 132: 132 een eeuwig Rijk zijn zal: Het zal geen einde hebben, maar het zal eeuwig duren.
[^daniel-7-27-133]: Kanttekening 133: 133 alle heerschappijen: Dat is, enige van allerlei heren en heerlijkheden, die Hij daartoe verkiezen zal. Zo staat er alle voor allerlei; 1 Tim. 2:4, en elders meer. 1 Timotheüs 2:4: Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen.
[^daniel-7-27-134]: Kanttekening 134: 134 Hem eren en gehoorzamen: Te weten de Heer Christus.
[^daniel-7-28-135]: Kanttekening 135: 135 Tot hiertoe is het einde van deze rede: Dat is, hier in het einde van deze woorden, dit is wat mij de engel heeft geopenbaard van de stand van de kerk.
[^daniel-7-28-136]: Kanttekening 136: 136 mijn gedachten verschrikken mij zeer: Dat is, ik was zeer beroerd in mijzelf, namelijk overdenkende de zware vervolgingen, die de kerk van God waren over het hoofd hangende.
[^daniel-7-28-137]: Kanttekening 137: 137 mijn glans veranderde aan mij: Chaldeeuws, mijne glanzen; te weten al die glans of het schoon gelaat van mijn aangezicht. De zin is: Ik werd bleek en ontsteld in mijn aangezicht. Zie boven Dan. 5:6. Daniël 5:6: Toen veranderde zich de glans van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen werden los, en zijn knieën stieten tegen elkaar aan.
[^daniel-7-28-138]: Kanttekening 138: 138 ik bewaarde dat woord: Te weten om hetzelfde aan de kerk van God getrouwelijk mee te delen.
[^daniel-7-28-139]: Kanttekening 139: 139 in mijn hart: Tot hiertoe, te weten van vers 4, heeft Daniël Chaldeeuws gesproken, omdat de boven verhaalde profetieën de Chaldeën of Babyloniërs ook waren aangaande. Maar van hier af tot het einde van dit boek toe, spreekt hij opnieuw Hebreeuws, omdat het de Heilige Geest zo beliefd heeft. Daniël 7:4: Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelfde werd eens mensen hart gegeven.

### Daniël 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/8.json)

*De HEERE vertoont aan Daniël in een gezicht de strijd tussen de ram en de bok, en hetgeen na die strijd zou volgen, vers 1 enz. De engel Gabriël vertroost Daniël en legt hem, op bevel van Christus, dat gezicht uit, 15. Daniël is hierover zeer ontsteld, 27.*

**1** In het derde jaar van het koninkrijk van de koning[^daniel-8-1-1] Belsazar, verscheen[^daniel-8-1-2] mij een visioen, mij Daniël, na wat mij[^daniel-8-1-3] in het eerste verschenen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v1)

**2** En ik[^daniel-8-2-4] zag een visioen, (het gebeurde nu, toen ik het zag, dat ik[^daniel-8-2-5] in de burg Susan[^daniel-8-2-6] was, die in het gewest[^daniel-8-2-7] Elam is) ik zag dan in een visioen, dat ik aan de vloed[^daniel-8-2-8] Ulai was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v2)

**3** En ik hief[^daniel-8-3-9] mijn ogen op, en ik zag, en ziet,[^daniel-8-3-10] een ram stond[^daniel-8-3-11] voor die vloed,[^daniel-8-3-12] die had twee hoornen, en[^daniel-8-3-13] die twee hoornen waren hoog, en[^daniel-8-3-14] de één was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste[^daniel-8-3-15] op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v3)

**4** Ik zag, dat[^daniel-8-4-16] de ram met de hoornen[^daniel-8-4-17] tegen het westen stootte, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en[^daniel-8-4-18] geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die[^daniel-8-4-19] uit zijn hand verloste; maar[^daniel-8-4-20] hij deed naar zijn welgevallen, en[^daniel-8-4-21] hij maakte zich groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v4)

**5** Toen ik dit overlegde, ziet, er[^daniel-8-5-22] kwam een geitenbok[^daniel-8-5-23] van het westen[^daniel-8-5-24] over de hele aardbodem,[^daniel-8-5-25] en roerde de aarde niet aan; en die bok had[^daniel-8-5-26] een aanzienlijke hoorn[^daniel-8-5-27] tussen zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v5)

**6** En hij kwam tot de ram,[^daniel-8-6-28] die de twee hoornen had, die ik had zien staan voor de vloed; en[^daniel-8-6-29] hij liep op hem aan[^daniel-8-6-30] in de woede van zijn kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v6)

**7** En[^daniel-8-7-31] ik zag hem,[^daniel-8-7-32] nakende aan de ram, en[^daniel-8-7-33] hij verbitterde zich tegen hem, en[^daniel-8-7-34] hij stootte de ram, en[^daniel-8-7-35] hij brak zijn beide hoornen; en[^daniel-8-7-36] in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en[^daniel-8-7-37] hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn[^daniel-8-7-38] hand verloste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v7)

**8** En[^daniel-8-8-39] de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar[^daniel-8-8-40] toen hij sterk geworden was,[^daniel-8-8-41] brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke,[^daniel-8-8-42] naar de vier winden van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v8)

**9** En[^daniel-8-9-43] uit één van die kwam voort[^daniel-8-9-44] een kleine hoorn, die uitnemend groot werd,[^daniel-8-9-45] tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen[^daniel-8-9-46] het sierlijke land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v9)

**10** En hij werd groot[^daniel-8-10-47] tot aan het leger van de[^daniel-8-10-48] hemel; en hij wierp er sommigen van dat leger, namelijk[^daniel-8-10-49] van de sterren, ter aarde neer, en[^daniel-8-10-50] hij vertrad ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v10)

**11** Ja,[^daniel-8-11-51] hij maakte zich groot[^daniel-8-11-52] tot aan[^daniel-8-11-53] de Vorst van dat leger, en[^daniel-8-11-54] van Hem werd weggenomen[^daniel-8-11-55] het voortdurende offer, en[^daniel-8-11-56] de woning van Zijn heiligdom werd neergeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v11)

**12** En[^daniel-8-12-57] het leger werd in de afval overgegeven tegen het voortdurende offer; en[^daniel-8-12-58] hij wierp[^daniel-8-12-59] de waarheid ter aarde; en[^daniel-8-12-60] deed het, en het gelukte wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v12)

**13** Daarna hoorde ik[^daniel-8-13-61] een heilige spreken; en[^daniel-8-13-62] de heilige zei[^daniel-8-13-63] tot de onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal[^daniel-8-13-64] dat visioen[^daniel-8-13-65] van het voortdurende[^daniel-8-13-66] offer en van de verwoestende afval zijn,[^daniel-8-13-67] dat zo het heiligdom als het leger ter vertreding zal overgegeven worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v13)

**14** En[^daniel-8-14-68] hij zei[^daniel-8-14-69] tot mij:[^daniel-8-14-70] Tot twee duizend en driehonderd avonden[^daniel-8-14-71] en morgens; dan zal het heiligdom[^daniel-8-14-72] gerechtvaardigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v14)

**15** En het gebeurde, toen ik dat visioen[^daniel-8-15-73] zag, ik Daniël,[^daniel-8-15-74] zo zocht ik het verstand daarvan, en ziet, er stond[^daniel-8-15-75] voor mij[^daniel-8-15-76] als de gedaante van een man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v15)

**16** En ik hoorde[^daniel-8-16-77] tussen Ulai[^daniel-8-16-78] de stem van een mens, die riep en zei[^daniel-8-16-a]:[^daniel-8-16-79] Gabriël! geef deze het visioen te verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v16)

**17** En[^daniel-8-17-80] hij kwam naast waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en[^daniel-8-17-81] viel op mijn aangezicht. Toen zei hij tot mij:[^daniel-8-17-82] Versta, u mensenkind! want dit visioen zal[^daniel-8-17-83] zijn tot de tijd van het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v17)

**18** Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht ter aarde;[^daniel-8-18-84] toen roerde hij mij aan,[^daniel-8-18-85] en hij stelde mij op mijn standplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v18)

**19** En[^daniel-8-19-86] hij zei: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er gebeuren zal ten einde[^daniel-8-19-87] van deze toorn; want op de vastgestelde tijd zal het einde zijn.[^daniel-8-19-88] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v19)

**20** De ram[^daniel-8-20-89] met de twee hoornen, die u gezien hebt,[^daniel-8-20-90] zijn de koningen van de Meden en van de Perzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v20)

**21** Die[^daniel-8-21-91] harige bok nu,[^daniel-8-21-92] is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is[^daniel-8-21-93] de eerste koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v21)

**22** Dat er nu[^daniel-8-22-94] vier aan zijn plaats stonden,[^daniel-8-22-95] toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen[^daniel-8-22-96] uit dat volk ontstaan, maar[^daniel-8-22-97] niet met zijn kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v22)

**23** Maar[^daniel-8-23-98] op het laatste van hun koninkrijk, als het de afvalligen[^daniel-8-23-99] op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal[^daniel-8-23-100] er een koning[^daniel-8-23-101] staan,[^daniel-8-23-102] stijf van aangezicht, en[^daniel-8-23-103] raadselen verstaande; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v23)

**24** En[^daniel-8-24-104] zijn kracht zal sterk worden, maar[^daniel-8-24-105] niet door zijn kracht; en hij zal[^daniel-8-24-106] het wonderlijk verderven, en[^daniel-8-24-107] zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal[^daniel-8-24-108] de sterken, en ook[^daniel-8-24-109] het heilige volk verderven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v24)

**25** En[^daniel-8-25-110] door zijn[^daniel-8-25-111] kloekheid[^daniel-8-25-112] zo zal hij de bedriegerij[^daniel-8-25-113] doen strekken[^daniel-8-25-114] in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart[^daniel-8-25-115] verheffen; en[^daniel-8-25-116] in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan[^daniel-8-25-117] tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal[^daniel-8-25-118] zonder hand verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v25)

**26** [^daniel-8-26-119] Het visioen nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u,[^daniel-8-26-120] sluit dit visioen toe, want[^daniel-8-26-121] er zijn nog vele dagen toe.[^daniel-8-26-122] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v26)

**27** Toen werd ik, Daniël,[^daniel-8-27-123] zwak, en[^daniel-8-27-124] was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed het werk van de[^daniel-8-27-125] koning; en ik was ontzet[^daniel-8-27-126] over dit visioen; maar[^daniel-8-27-127] niemand merkte het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/8.html#v27)

[^daniel-8-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, werd van mij gezien.
[^daniel-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 mij een gezicht: Hebreeuws, aan mij.
[^daniel-8-1-3]: Kanttekening 3: 3 in het eerste verschenen was: Het gezicht, dat Dan. 7 beschreven staat, is het eerste dat Daniël is geopenbaard geweest, namelijk, in het eerste jaar van Belsazar. Dat is geweest drie jaren vóór de ondergang van de Babylonische monarchie, naar sommiger rekening, die menen dat Belsazar maar vijf jaren geregeerd heeft; maar anderen zijn van gevoelen dat dit geschied is veertig jaren vóór het einde van de Babylonische monarchie, rekenende dat Belsazar zeventien jaren geregeerd heeft. Josef. lib. 10, Antiq. cap. 13.
[^daniel-8-2-4]: Kanttekening 4: 4 in een gezicht: Dit verstaan enige zo, dat Daniël in die tijd in een gezicht, maar niet met zijn lichaam, in Perzië te Susan aan de rivier Ulai was, maar lichamelijk te Babel in Chaldea, waar hij aan het hof van de koning zijn ambt waarnam, vers 27. Zo bleef wel Ezechiël met het lichaam in Babel, maar werd in gezichten in het land van Israël gevoerd, Ez. 8:3, en Ez. 40:2. Het gevoelen van anderen, zie boven Dan. 6:9. Daniël 8:27: Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed het werk van de koning; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het. Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt. Ezechiël 40:2: In de gezichten van God bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en daaraan was als een gebouw van een stad tegen het zuiden. Daniël 6:9: Nu, o koning! u zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet van de Meden en van de Perzen, die niet mag wederroepen worden.
[^daniel-8-2-5]: Kanttekening 5: 5 in de burg Susan: Hier plachten de koningen van Perzië hun hof te houden. Zie Neh. 1:1, en Esth. 1:2. Nehemia 1:1: De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; Esther 1:2: In die dagen, als de koning Ahasveros op de troon zijns koninkrijks zat, die op de burg Susan was;
[^daniel-8-2-6]: Kanttekening 6: Dat is: mij docht dat ik te Susan was; of, ik was te Susan in een visioen.
[^daniel-8-2-7]: Kanttekening 7: 7 Elam is: Onder Elam wordt Perzië verstaan. Zie de aantekening Gen. 10:22; Jes. 21:2. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. Jesaja 21:2: Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^daniel-8-2-8]: Kanttekening 8: 8 Ulai was: Ene rivier, voorbij de stad Susan lopende, in de Latijnse historiën genaamd Euleus.
[^daniel-8-3-9]: Kanttekening 9: 9 mijn ogen op: Versta, in gezicht.
[^daniel-8-3-10]: Kanttekening 10: 10 een ram stond: Hierdoor werd beduid het rijk van de Meden en Perzen, vers 20, dat Dan. 7 door de beer is afgebeeld geweest. Daniël 8:20: De ram met de twee hoornen, die u gezien hebt, zijn de koningen van de Meden en van de Perzen.
[^daniel-8-3-11]: Kanttekening 11: 11 voor die vloed: Dat is, aan de oever van de rivier Ulai.
[^daniel-8-3-12]: Kanttekening 12: 12 twee hoornen: Dit betekent de koninkrijken van de Meden en Perzen, die ineengesmolten zijn, en het waren machtige koninkrijken in Azië, maar nog machtiger toen zij Babylonië overwonnen hebben.
[^daniel-8-3-13]: Kanttekening 13: 13 die twee hoornen waren hoog: Dit betekent de grote macht van de Perzen en Meden.
[^daniel-8-3-14]: Kanttekening 14: 14 de hoogste kwam: Te weten het Perzische, dat groter en machtiger werd dan het rijk van de Meden.
[^daniel-8-3-15]: Kanttekening 15: 15 laatste op: Het rijk van de Meden was wel het oudste en het voortreffelijkste in het eerst, maar naderhand is het Perzische rijk veel machtiger geworden onder de regering van Kores, toen hij geworden was koning van Perzië, Medië, Babylonië, enz.
[^daniel-8-4-16]: Kanttekening 16: 16 de ram met de hoornen: Te weten de ram met de twee horens, betekenende de Meden en Perzen, die allerlei volken op aarde bekrijgden en onder hun gebied brachten.
[^daniel-8-4-17]: Kanttekening 17: 17 tegen het westen stiet: Hebreeuws, tegen de zee (יָמָּ). Zie Gen. 12:8. Dit betekende dat de Meden en Perzen de volken, in dat gewest gelegen, onder hunne heerschappij brengen zouden, gelijk Babylonië, Syrië, Cappadocië, Klein-Azië en Griekenland. Van gelijke hebben zij gedaan in de andere gedeelten van de wereld. Dit is het wat Dan. 7:5, wordt te kennen gegeven door de drie ribben, die de beer in zijn muil had tussen zijne tanden. Zie de aantekening daar. Genesis 12:8: En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar YHWH een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. Daniël 7:5: Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zei aldus tot dit dier: Sta op, eet veel vlees.
[^daniel-8-4-18]: Kanttekening 18: 18 geen dieren: Dat is, geen koninkrijken of volken.
[^daniel-8-4-19]: Kanttekening 19: 19 uit zijn hand verloste: Dat is, uit zijn geweld.
[^daniel-8-4-20]: Kanttekening 20: 20 hij deed naar zijn welgevallen: De zin is: Het ging de Perzen naar hun wens. Versta dit niet alleen van de koning Cyrus gesproken te zijn, maar ook van zijne opvolgers. De koning van Perzië is in die tijden geweest de grootste en machtigste koning op aarde.
[^daniel-8-4-21]: Kanttekening 21: 21 hij maakte zich groot: Of, hij deed grote dingen. Zie de aantekening Ps. 35:26. Zo onder vers 8. Versta wat in vers 4 en elders van de voorspoed en grote overwinningen van de Perzen gesproken wordt zo, dat zij nochtans ook dikwijls neerlagen gehad hebben, als in het bijzonder Xerxes in Griekenland en elders, maar evenwel hebben hunne vijanden eindelijk de nek onder hen moeten buigen. Psalmen 35:26: Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Daniël 8:8: En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel. Daniël 8:4: Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
[^daniel-8-5-22]: Kanttekening 22: 22 een geitenbok: Hebreeuws, een bok van de geiten; dat is, een jonge bok. Hierdoor wordt beduid het rijk van de Grieken of Macedoniërs, onder vers 21, van wie generaal was Alexander de Grote, die nog maar een en twintig jaren oud was toen hij Darius de koning van de Perzen heeft aangetast; het rijk van Macedonië was ook nergens naar in grootheid, sterkte en vermogen, met het Perzische rijk te vergelijken. Daniël 8:21: Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
[^daniel-8-5-23]: Kanttekening 23: 23 van het westen: Dat is, uit Griekenland, liggende westwaarts van Azië.
[^daniel-8-5-24]: Kanttekening 24: 24 over de ganse aardbodem: Dat is, hij nam geheel Azië in, alsook dat gehele land waar Daniël was, toen hij dit gezicht had. Aldus plegen de heilige schrijvers te spreken van het land waarin zij zijn, of in dat geschiedt wat zij verhalen. Zo Mark. 15:33, en elders. Marcus 15:33: En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
[^daniel-8-5-25]: Kanttekening 25: 25 roerde de aarde niet aan: Dat is, hij kwam met zijn leger zo snel aan, alsof hij gevlogen had, alsof hij de aarde met zijne voeten niet had aangeroerd. Hij heeft in zes jaren tijds onder zijne heerschappij gebracht, Illyrië, Tracië, geheel Griekenland, de Perzen, Meden, Babyloniërs, Egyptenaars, Tyriërs en vele andere volken, te lang hier te vertellen.
[^daniel-8-5-26]: Kanttekening 26: 26 een aanzienlijken hoorn: Hebreeuws, een hoorn van het gezicht (קֶרֶן); dat is een grote hoorn, die licht te zien was. Dit was Alexander de Grote, die van de Grieken veldoverste was. Hij wordt vers 8 genoemd een grote hoorn. Hij heeft zo grote victoriën bevochten, als ooit een koning gedaan heeft. Hij is het, die eerst de monarchie van de Grieken gesticht heeft. Daniël 8:8: En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel.
[^daniel-8-5-27]: Kanttekening 27: 27 tussen zijn ogen: Niet boven op het hoofd, gelijk andere bokken, maar tussen zijne ogen, gelijk de eenhoorn, om meerder geweld te kunnen doen en om te gewisser te kunnen treffen waar hij op mikte.
[^daniel-8-6-28]: Kanttekening 28: 28 die de twee hoornen had: Hebreeuws, de heer van de twee horens. Zie de aantekening Gen. 14:13. Genesis 14:13: Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^daniel-8-6-29]: Kanttekening 29: 29 hij liep op hem aan: Hij liep op hem aan, of tegen, of tot hem aan. De zin is, dat Alexander de Grote de Perzen en Meden dapperlijk de krijg heeft aangedaan, en hen zo aangetast heeft dat hij hun gehele rijk en macht benomen heeft.
[^daniel-8-6-30]: Kanttekening 30: 30 in de grimmigheid van zijn kracht: De toorn is de wetsteen van de kracht.
[^daniel-8-7-31]: Kanttekening 31: 31 ik zag hem: Hier laat de Heer zijn profeet zien de victoriën van Alexander de Grote, die bijna geheel het Oosten onder zijn gebied gebracht heeft, nadat hij Darius overwonnen had.
[^daniel-8-7-32]: Kanttekening 32: 32 nakende aan de ram: Dat is, tot dicht aan de ram. Het rijk van Darius was wijd van Macedonië gelegen, en het had veel sterke voorschansen en vele steden, die onwinbaar schenen te zijn. Zodat het scheen onmogelijk te wezen, dat de bok aan de ram zou kunnen komen, die met zulke sterkten en vastigheden omsingeld was.
[^daniel-8-7-33]: Kanttekening 33: 33 hij verbitterde zich tegen hem: Versta dit van de moedige aanslagen van Alexander de Grote.
[^daniel-8-7-34]: Kanttekening 34: 34 stiet de ram: Hebreeuws, sloeg. Hij heeft Darius in twee grote veldslagen overwonnen, nadat eerst de macht van de Perzen wel dapper in Klein-Azië verzwakt was.
[^daniel-8-7-35]: Kanttekening 35: 35 hij brak zijn beide hoornen: Dat is, hij benam de Perzen en Meden al hunne macht.
[^daniel-8-7-36]: Kanttekening 36: 36 in de ram was geen kracht: Darius heeft wel een machtig leger op de been gebracht, zijne soldaten blinkende van goud, zilver en kostelijk gesteente, maar dit alles was maar een sierlijke pronk en pracht, geen bestendige macht om geweld te doen.
[^daniel-8-7-37]: Kanttekening 37: 37 hij wierp hem ter aarde: Darius is van zijn eigen volk omgebracht, maar Alexander heeft al de heerlijkheid en koninklijke waardigheid van de Perzen als onder zijne voeten vertreden.
[^daniel-8-7-38]: Kanttekening 38: 38 hand verloste: Dat is, macht, geweld.
[^daniel-8-8-39]: Kanttekening 39: 39 de geitenbok: Het rijk van de Grieken, onder het beleid van Alexander, is, door de overwinning van de Perzische monarchie, groot en machtig geworden.
[^daniel-8-8-40]: Kanttekening 40: 40 toen hij sterk geworden was: Of, zo haast als hij sterk geworden was, of toen hij op het sterkste was, hebbende geheel het Oosten onder zijne heerschappij gebracht.
[^daniel-8-8-41]: Kanttekening 41: 41 brak die grote hoorn: Of, werd die grote hoorn \[het rijk van Alexander de Grote beduidende\] gebroken, vers 22. Hij is gestorven aan een hete koorts, of door dronkenschap, of, zo anderen schrijven, vergeven zijnde, in het 32e of 33e jaar van zijn leven, nadat hij omtrent zeven jaren lang als monarch geregeerd had. Maar met hem heeft zijn monarchie geen einde genomen, maar zij is in vieren verdeeld geworden onder zijne veldoversten, dat door de vier aanzienlijke horens wordt te kennen gegeven. Zie onder vers 22. Daniël 8:22: Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht. Daniël 8:22: Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht.
[^daniel-8-8-42]: Kanttekening 42: 42 naar de vier winden van de hemel: Dat is, tegen de vier gewesten van de wereld, te weten Macedonië tegen het westen, Klein-Azië tegen het noorden, Syrië tegen het oosten, Egypte tegen het zuiden. Zijnde deze koninkrijken elk met hunne aanhangselen, afdelingen van de monarchie van Alexander de Grote.
[^daniel-8-9-43]: Kanttekening 43: 43 uit één van die: Te weten uit Seleucus Nicanor, de koning in Syrië.
[^daniel-8-9-44]: Kanttekening 44: 44 een kleine hoorn: Te weten Antiochus Epifanes, vanwege zijne wreedheid genoemd Epimanes, dat is, de dolle. Zie van deze breder boven Dan. 7:8. Hij wordt Dan. 11:21, genoemd de verachte, omdat hij de jongste onder zijne broers was, en er geen waarschijnlijkheid was, dat hij immermeer tot het rijk zou komen, want zijn oudste broer leefde nog, en die had zonen. Maar Antiochus Epifanes te Rome in gijzeling gehouden zijnde, en daar vernomen hebbende zijns broers dood, is hij in het geheim van Rome ontkomen, en hij heeft zijns broers zonen verdreven, en zelfs het rijk van Syrië ingenomen. Daniël 7:8: Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op daartussen, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt daarvoor; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. Daniël 11:21: Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
[^daniel-8-9-45]: Kanttekening 45: 45 tegen het zuiden, en tegen het oosten: Hij overwon Ptolomeus, de koning van Egypte, in het zuiden, en de koning van Armenië in het oosten, en een deel van Perzië; 1 Makk. 3:31, en ook het Joodse land. 1 Makkabeeën 3:31: Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de schattingen van die landen te ontvangen, en veel geld te vergaderen.
[^daniel-8-9-46]: Kanttekening 46: 46 het sierlijke land.: Aldus wordt het Joodse land genoemd. Zie 2 Sam. 1:19; Ps. 48:3, en Jer. 3:19; Ez. 20:6, 20:15; Dan. 11:16. Anderen houden het Hebreeuwse woord Zebi in de tekst, betekenende sieraad, heerlijkheid, gelijk Ez. 20:6, en Dan. 11:16. Het Joodse land wordt genoemd het heerlijke land, of het land van het sieraad, niet zozeer vanwege de voortreffelijkheid en schoonheid van de landouw, als ten aanzien van de onwaardeerlijke heerlijkheid van de kerk van God in het Joodse land. 2 Samuël 1:19: O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! Psalmen 48:3: Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings. Jeremia 3:19: Ik zei wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de legermachten van de heidenen? Maar Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en u zult van achter Mij niet afkeren. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen. Ezechiël 20:15: Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen; Daniël 11:16: Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen. Ezechiël 20:6: Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, dat het sieraad is van alle landen. Daniël 11:16: Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen.
[^daniel-8-10-47]: Kanttekening 47: 47 tot aan de legermacht van de hemel: Of, tegen de legermacht van de hemel; dat is, hij kwam zo wijd, dat hij zelfs het volk van God aantastte, dat hier genoemd wordt de legermacht van de hemel, omdat de namen van de kinderen van God in de hemel geschreven staan. Luk. 10:20, en hun burgerschap in de hemel is, Filipp. 3:20. Onder vers 24 wordt Gods kerk \[dat toen de Joden waren\] genoemd het volk van de heiligen, of het heilige volk, en vers 7, 8:18, de heiligen van de hoogten. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Daniël 8:24: En zijn kracht zal sterk worden, maar niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, samen met het heilige volk verderven; Daniël 8:7: En ik zag hem, nakende aan de ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet de ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn hand verloste. Daniël 8:18: Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
[^daniel-8-10-48]: Kanttekening 48: 48 en hij wierp er sommigen van die legermacht: Ter aarde werpen, is hier te zeggen, doden.
[^daniel-8-10-49]: Kanttekening 49: 49 van de sterren: Dat is, van degenen, die onder de regenten, zo in de kerkelijke als maatschappelijke stand uitmuntten, en in hunne bedieningen in getrouwheid als de sterren aan de hemel uitgemunt hebben.
[^daniel-8-10-50]: Kanttekening 50: 50 vertrad ze: Alsof hij zei: Het zal hem niet genoeg zijn, dat hij die schoonschijnende sterren zal doden, maar hij zal hen nog daarenboven vertreden als het slijk van de straten.
[^daniel-8-11-51]: Kanttekening 51: 51 hij maakte zich groot: Of, het vergrootte zich. Anders: het wilde zich verheffen.
[^daniel-8-11-52]: Kanttekening 52: 52 tot aan: Of, tegen, en zo vers 12. Daniël 8:12: En de legermacht werd in de afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
[^daniel-8-11-53]: Kanttekening 53: 53 de Vorst diens heirs: Dat is, tegen God de Heer die genoemd werd een vorst van de vorsten, vers 25, en die het Hoofd van zijn heilige kerk is. Daniël 8:25: En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen strekken in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal zonder hand verbroken worden.
[^daniel-8-11-54]: Kanttekening 54: 54 van Denzelven: Van dienzelven, te weten hoorn, dat is, door Antiochus Epifanes, werd het offer weggenomen, zo dat het volk van God werd verboden te offeren. Zie 1 Makk. 1:47. 1 Makkabeeën 1:47: En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten van het land;
[^daniel-8-11-55]: Kanttekening 55: 55 het gedurig offer: Zie Ex. 29:38, enz.; Num. 28:3, en door het offer kan hier verstaan worden de gehele Godsdienst. Exodus 29:38: Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, van de dag, geduriglijk. Numeri 28:3: En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van de dag, tot een gedurig brandoffer.
[^daniel-8-11-56]: Kanttekening 56: 56 de woning van Zijn heiligdom: Hier wordt voorzegd dat Antiochus de tempel zou beroven, verbreken en verbranden, als willende God de Heer beroven van de enige plaats in de gehele wereld, die Hij had uitverkoren tot zijn uiterlijken godsdienst.
[^daniel-8-12-57]: Kanttekening 57: 57 de legermacht: Dat is velen van Gods volk werden rechtvaardig overgegeven in de afval, zo dat zij de ganse godsdienst verzaakten en tot de heidense afgoderij vervielen, door aandrijving van Antiochus. Zie 1 Makk. 1:12, enz., en 1 Makk. 2:15. Anders: En de legermacht werd \[hem\] overgegeven vanwege de overtreding tegen het gedurig offer. De legermacht, \[te weten de legermacht van de Heer, of van de hemel, gelijk vers 10, hem,\] te weten Antiochus, om de overtreding begaan tegen de godsdienst. Anders: de legermacht werd hem gegeven tegen het dagelijks offer \[dat is, tegen de godsdienst\], vanwege de verderving; dat is, een heirkracht werd hem gegeven om Gods wraak uit te voeren aan de overtreders van de godsdienst. 1 Makkabeeën 1:12: In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn. 1 Makkabeeën 2:15: En daar kwamen enige vanwege de koning, in de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren. Daniël 8:10: En hij werd groot tot aan de legermacht van de hemel; en hij wierp er sommigen van die legermacht, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
[^daniel-8-12-58]: Kanttekening 58: 58 hij wierp: Te weten hoorn, of \[hij\] te weten Antiochus.
[^daniel-8-12-59]: Kanttekening 59: 59 de waarheid ter aarde: Dat is, de ware godsdienst en goddelijke leer van de wet.
[^daniel-8-12-60]: Kanttekening 60: 60 deed het: Aldus voorzegt de profeet dat Antiochus Epifanes of Epimanes zijn boze gedachten en goddeloze voornemens, naar zijn welgevallen, een tijdlang zou uitrichten. Zie Josef. lib. 10; Antiq. Judaic. cap. 14.
[^daniel-8-13-61]: Kanttekening 61: 61 een heilige spreken: Te weten een heilige engel, die van dit gezicht met een anderen engel sprak tot onderwijzing van Daniël; want de engelen wensen in te zien de verborgenheden Gods, 1 Petr. 1:12. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^daniel-8-13-62]: Kanttekening 62: 62 de heilige zei: Diezelfde engel.
[^daniel-8-13-63]: Kanttekening 63: 63 tot de onbenoemde: Te weten tot de Heer Christus, de Zoon van God, die daar in de gedaante van een man verscheen; anderen: tot dengene, die verborgen dingen vertellen kan, Joh. 1:18; anderen: tot de wonderbaarlijke teller, en die duiden dit ook op Christus, die alles weet. Anderen houden het Hebreeuwse woord Palmoni in de tekst, dat naar hunne mening ene verkorting is van deze twee woorden Peloni Almoni, waarvan zie de aantekening Ruth 4:1; 1 Sam. 21:4, en 2 Kon. 6:2. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Ruth 4:1: En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. 1 Samuël 21:4: En de priester antwoordde David, en zei: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouwen onthouden hebben. 2 Koningen 6:2: Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zei: Gaat heen.
[^daniel-8-13-64]: Kanttekening 64: 64 dat gezicht: Dat is, wat door dit gezicht beduid wordt.
[^daniel-8-13-65]: Kanttekening 65: 65 van het gedurig offer: Of, van het gedurige offer; dat is, aangaande het gedurige offer.
[^daniel-8-13-66]: Kanttekening 66: 66 en van de verwoestende afval zijn: Anders: veroorzakende verwoestenden afval, of, en de verwoestende overtreding; want het was vanwege de zonden dat Antiochus, de verwoester, over het land kwam. Of, hoe lang zal de overtreding verwoesten?
[^daniel-8-13-67]: Kanttekening 67: 67 dat zo het heiligdom als de legermacht: De zin is: Hoe lang zal de godsdienst en alle godzaligheid aldus vertreden worden onder deze wrede tiran Antiochus? Want legermacht betekent hier Gods volk, gelijk boven vers 10, en Dan. 11:12, en heiligdom \[Hebreeuws, heiligheid\] de tempel, en zo vers 14. Daniël 8:10: En hij werd groot tot aan de legermacht van de hemel; en hij wierp er sommigen van die legermacht, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze. Daniël 11:12: Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden neervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden. Daniël 8:14: En hij zei tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
[^daniel-8-14-68]: Kanttekening 68: 68 hij zei: Niet de vragende engel, maar de ongenoemde, te weten Christus, waarvan vers 13 gesproken is. Daniël 8:13: Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zei tot de onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van de verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als de legermacht ter vertreding zal overgegeven worden?
[^daniel-8-14-69]: Kanttekening 69: 69 tot mij: Niet tot de engel die daar vraagde, want hij vraagde niet zozeer om zijnentwil, als vanwege Daniël en de kerk. Zie 1 Petr. 1:12. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^daniel-8-14-70]: Kanttekening 70: 70 Tot twee duizend en driehonderd: Dat zijn, zes jaren, drie maanden en achttien dagen, want in het lopende jaar 143 van het rijk van de Seleuciden, is de verwoesting of afval van de ware godsdienst begonnen, 1 Makk. 1:21, en in het jaar 149 als Antiochus stierf, \[1 Makk. 6:16\] is zij opgehouden. Anderen rekenen deze jaren aldus: In het jaar 142 de zesde dag van de zesde maand, toen de hogepriester Onias \[anders Menelaus genoemd\] zijn dienst Antiochus aanbood \[Josef. Antiq.lib. 12, cap. 6\], toen begon de verwoesting, en in het 148ste jaar, de vijf en twintigste dag van de negende maand, reinigde Judad Maechabeus de tempel, 1 Makk. 4:52. Dit zijn juist zes jaren, drie maanden en achttien dagen. 1 Makkabeeën 1:21: En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weer in het honderdendrieënveertigste jaar; 1 Makkabeeën 6:16: En de koning Antiochus stierf daar, in het honderdnegenenveertigste jaar. 1 Makkabeeën 4:52: En zij stonden 's morgens vroeg op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar;
[^daniel-8-14-71]: Kanttekening 71: 71 avonden en morgens: Dat is, dagen, want uit avond en morgen bestaat de gewone dag.
[^daniel-8-14-72]: Kanttekening 72: 72 gerechtvaardigd worden: Dat is, van God voor rechtvaardig verklaard en gehouden worden; dat is, erkend en aangenomen voor zijn huis, dat Hij tevoren door zijn rechtvaardig oordeel had verstoten en laten ontheiligen; of zal gerechtvaardigd worden; dat is, zal van het onrecht en afgodisch misbruik bevrijd en in zijn wettelijk en rechtmatig gebruik hersteld worden.
[^daniel-8-15-73]: Kanttekening 73: 73 zag, ik Daniël: Of, gezien had.
[^daniel-8-15-74]: Kanttekening 74: 74 zo zocht ik het verstand daarvan: Het was Daniël niet geheel onbekend, maar hij verstond nog niet genoegzaam waartoe dit hem en de gehele gemeente van de gelovigen dienstig was.
[^daniel-8-15-75]: Kanttekening 75: 75 voor mij: Voor mij, of over mij, of als tegenover mij, gelijk Gen. 2:18. Genesis 2:18: Ook had YHWH God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
[^daniel-8-15-76]: Kanttekening 76: 76 als de gedaante van een man: Sommigen verstaan dit van de engel Gabriël, die in het volgende bevel ontvangt van de Heer Christus. Anderen menen dat het de Heer Christus zelf geweest is, die zich in de gedaante van een man geopenbaard en de engel Gabriël bevel gegeven heeft.
[^daniel-8-16-77]: Kanttekening 77: 77 tussen Ulai: Of, te Ulai, of in het midden van Ulai; dat is, tussen de beide oevers van de rivier Ulai.
[^daniel-8-16-78]: Kanttekening 78: 78 eens mensen stem: Of, een menselijke stem. Dit was de stem van Christus, die over de engel te gebieden had.
[^daniel-8-16-a]: Verwijzing a: Dan. 9:21; Lukas 1:26. Daniël 9:21: Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snel gevlogen, mij aanrakende, omtrent de tijd van de avondoffers. Lukas 1:26: En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;
[^daniel-8-16-79]: Kanttekening 79: Gabriël is de naam van een heilige engel, en wordt van sommigen uitgelegd: een man van God; van anderen, de kracht van de sterke God. Zie ook onder Dan. 9:21, en Luk. 1:26. Daniël 9:21: Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snel gevlogen, mij aanrakende, omtrent de tijd van de avondoffers. Lukas 1:26: En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;
[^daniel-8-17-80]: Kanttekening 80: 80 hij kwam naast waar ik stond: Te weten de engel Gabriël.
[^daniel-8-17-81]: Kanttekening 81: 81 viel op mijn aangezicht: Zie de aantekening Ez. 1:28. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van YHWH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.
[^daniel-8-17-82]: Kanttekening 82: 82 u mensenkind: Alleen worden Daniël en Ezechiël \[zijnde in goddelijke gezichten\] aldus genoemd. Zie Ez. 2:1. Anders: u zoon van Adam. Ezechiël 2:1: En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.
[^daniel-8-17-83]: Kanttekening 83: 83 zijn tot de tijd van het einde: Dat is, zal vervuld worden in die tijd, als de Messias, \[die in de laatste dagen is geopenbaard geworden, 1 Petr. 1:20,\] en het einde van de wet, Rom. 10:4, zullen gekomen zijn. Of, gelijk sommigen: Dit gezicht heeft nog een verder verstand dan enkel op Antiochus Epifanes, waardoor ook wordt gemeend nog een andere grote vijand van Gods kerk aan het einde van de wereld. Anders: zal zijn ter bepaalder, of precieser, of precieselijk bestemden tijd; waarvan de zin zou zijn, dit is geen ijdele bespiegeling, maar het gezicht zal zijne kracht hebben en ten tijde van God bestemd voltrokken worden. 1 Petrus 1:20: Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iedereen, die gelooft.
[^daniel-8-18-84]: Kanttekening 84: 84 toen roerde hij mij aan: Te weten om mij te wekken en te versterken. Vergelijk 1 Kon. 19:5, 19:7. Anders: zo naderde hij tot mij, of, zo kwam hij tot mij. 1 Koningen 19:5: En hij legde zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zei tot hem: Sta op, eet; 1 Koningen 19:7: En de engel van YHWH kwam ten anderen male weer, en roerde hem aan, en zei: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.
[^daniel-8-18-85]: Kanttekening 85: 85 en hij stelde mij op mijn standplaats: Of, hij richtte mij op, dat ik stond.
[^daniel-8-19-86]: Kanttekening 86: 86 hij zei: Te weten de engel Gabriël.
[^daniel-8-19-87]: Kanttekening 87: 87 van deze toorn: Dat is, van de ellende en van de jammers, welke God over de Joden gebracht heeft, of brengen zal, door hunne zonden tot toorn verwekt zijnde.
[^daniel-8-19-88]: Kanttekening 88: 88 op de vastgestelde tijd zal het einde zijn: Dat is, de volvoering zal gebeuren op de vastgestelde tijd. Anders: op de vastgestelde tijd zal \[de straf\] een einde nemen.
[^daniel-8-20-89]: Kanttekening 89: 89 met de twee hoornen: Hebreeuws, de heer van de twee horens. Zie Gen. 14:13. Genesis 14:13: Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^daniel-8-20-90]: Kanttekening 90: 90 zijn de koningen van de Meden en van de Perzen: Of, de koningen van de Perzen en Meden zijn de ram, dat is, zij worden betekend of afgebeeld door die ram, gelijk boven Dan. 2:38, zo ook vers 21. De zin is: Het zal gebeuren, dat het gehele koninkrijk van de Babyloniërs van de Meden en Perzen zal ingenomen worden. Daniël 2:38: En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over die allen; u bent dat gouden hoofd. Daniël 8:21: Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
[^daniel-8-21-91]: Kanttekening 91: 91 harige bok nu: Of, ruigen, ruw van huis, Gen. 27:11. Dat is, die vreeslijke, of schrikkelijke bok. Genesis 27:11: Toen zei Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broer Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.
[^daniel-8-21-92]: Kanttekening 92: 92 is de koning van Griekenland: Dat is, betekent het koninkrijk van Javan, dat is van Griekenland, versta daaronder ook Macedonië. Zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^daniel-8-21-93]: Kanttekening 93: 93 de eerste koning: Te weten Alexander de Grote, en versta dit zo, dat hij de eerste koning van de Grieken zou zijn, die de Perzen en Meden met krijg overwinnen zou. Hieruit besluiten sommigen dat het derde koninkrijk, boven Dan. 2 en Dan. 7, niet kan geduid worden alleen op de regering van Alexander de Grote, maar ook op zijne opvolgers, de Lagiden en de Seleuciden. Hierop kan de verstandige lezer letten.
[^daniel-8-22-94]: Kanttekening 94: 94 vier aan zijn plaats stonden: Te weten horens, dat is koninkrijken, welke waren Egypte, Syrië, Macedonië, Klein-Azië.
[^daniel-8-22-95]: Kanttekening 95: 95 toen hij verbroken was: Dat is, als Alexander de Grote zal gestorven zijn. Zie boven vers 8. Daniël 8:8: En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel.
[^daniel-8-22-96]: Kanttekening 96: 96 uit dat volk ontstaan: Te weten uit de Grieken. Dat is niet te verstaan van het geslacht of de kinderen van Alexander en Hercules, samen met hunne moeders en zijn gehele geslacht, omgekomen; en zijn koninkrijk is verscheurd, en vier koningen van andere stammen hebben zijne rijken onder zich gedeeld.
[^daniel-8-22-97]: Kanttekening 97: 97 niet met zijn kracht: Dat is, niet zo machtig als Alexander de Grote, met wie zij niet zijn te vergelijken.
[^daniel-8-23-98]: Kanttekening 98: 98 op het laatste huns koninkrijks: Hebreeuws, in de voortgang, of in het gevolg van hun koninkrijk. Zie boven Dan. 2:28. Te weten als hun koninkrijk zal beginnen af te nemen door de groeiende en dagelijks aanwassende hoge macht van de Romeinen. Anderen verstaan hier door het laatste van hun koninkrijk, hunne heerschappij over de Joden in het Joodse land, want hunne regering in Syrië heeft nog lang geduurd. Maar Antiochus Epifanes is de laatste geweest, die over Judea geheerst heeft. Daniël 2:28: Maar er is een God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
[^daniel-8-23-99]: Kanttekening 99: 99 op het hoogste gebracht zullen hebben: Dat is, de maat van hun zonden zullen volbracht hebben, dat is, als vele Joden van de ware godsdienst zullen afgeweken zijn, waarvan te lezen is 1 Makk. 1:12, enz., en 1 Makk. 2:15. Hebreeuws, als het de afvalligen volkomen zullen gemaakt hebben. Van deze afvalligen zie boven vers 12. 1 Makkabeeën 1:12: In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn. 1 Makkabeeën 2:15: En daar kwamen enige vanwege de koning, in de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren. Daniël 8:12: En de legermacht werd in de afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
[^daniel-8-23-100]: Kanttekening 100: 100 een koning: Versta dit van Antiochus Epifanes, die het rijk met list heeft ingenomen. Zie onder Dan. 11:21. Daniël 11:21: Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
[^daniel-8-23-101]: Kanttekening 101: Dat is, regeren.
[^daniel-8-23-102]: Kanttekening 102: 102 stijf van aangezicht: Zie de aantekening Deut. 28:50. Deuteronomium 28:50: Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht van de ouden niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn.
[^daniel-8-23-103]: Kanttekening 103: 103 raadselen verstaande: Zie de aantekening Ps. 78:2. Antiochus Epifanes is geweest een man zonder schaamte of eer, durvende doen wat hem in de zin kwam, een loze boef, haast duistere dingen kunnende vatten en kunnende zelfs verborgen bedriegerij zeer behendiglijk bedenken. Psalmen 78:2: Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
[^daniel-8-24-104]: Kanttekening 104: 104 zijn kracht zal sterk worden: Te weten Antiochus Epifanes.
[^daniel-8-24-105]: Kanttekening 105: 105 niet door zijn kracht: Maar door toelating van God, willende de zonden van zijn volk door hem, als een roede, tehuis zoeken. Zie boven vers 12. Anderen verstaan dit zo, dat hij het doen zou niet door kracht, maar door arglistigheid, bedrog, verraderij en moorderij. Zie vers 25. Hij heeft, gelijk sommigen schrijven, de ombrenging van zijn vader en ook van zijn eigen broers in een oproer weten te bestellen, en hij heeft het rijk van zijn broer Seleucus afhandig gemaakt en voor zichzelf genomen. Hoe hij door hulp en bedrog van de Joodse hogepriesters en de afval veler Joden het Joodse land overheerd heeft, zie het eerste boek van de Machabeën en Josefus. Daniël 8:12: En de legermacht werd in de afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel. Daniël 8:25: En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen strekken in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal zonder hand verbroken worden.
[^daniel-8-24-106]: Kanttekening 106: 106 wonderlijk verderven: Hebreeuws, hij zal wonderen verderven. Antiochus Epifanes heeft allerwege groot verderf gedaan, maar in het bijzonder in het Joodse land en aan de tempel te Jeruzalem. Zie 1 Makk. 1:22. 1 Makkabeeën 1:22: En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte.
[^daniel-8-24-107]: Kanttekening 107: 107 zal geluk hebben: Te weten in het uitrichten van zijn boze aanslagen.
[^daniel-8-24-108]: Kanttekening 108: Sommigen verstaan hier door de sterkte de Egyptenaars. Zie 1 Makk. 1:20. Maar anderen verstaan hierdoor de godvruchtigen onder de Joden, die vers 10 genoemd zijn, de legermacht van de hemel; anderen, niet alleen de Egyptenaars, of Joden, maar ook naburige natiën, die hij bekrijgen zou. 1 Makkabeeën 1:20: En daar vielen vele gewonden, en zij namen in de sterke steden in het land van Egypte, en hij kreeg de roof van Egypte. Daniël 8:10: En hij werd groot tot aan de legermacht van de hemel; en hij wierp er sommigen van die legermacht, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
[^daniel-8-24-109]: Kanttekening 109: 109 het heilige volk verderven: Dat is, de Joden. Zie 1 Makk. 1:25. Hebreeuws, het volk van de heiligheid (עַם). 1 Makkabeeën 1:25: En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.
[^daniel-8-25-110]: Kanttekening 110: 110 door zijn: Of, na, of, vermits, of boven.
[^daniel-8-25-111]: Kanttekening 111: Het Hebreeuwse woord betekent verstand, of verstandigheid, vernuft, naarstigheid, gauwigheid en kloekbeleid.
[^daniel-8-25-112]: Kanttekening 112: 112 zo zal hij de bedriegerij: Dat is, door zijne arglistigheid zal hij er velen bedriegen, te weten die van Azië, Syrië en Egypte, die hij met geschenken en gaven heeft aan de hand gekregen en gehouden.
[^daniel-8-25-113]: Kanttekening 113: 113 doen strekken: Of, gelukken.
[^daniel-8-25-114]: Kanttekening 114: 114 in zijn hand: Of, onder zijne hand.
[^daniel-8-25-115]: Kanttekening 115: Hebreeuws, grootmaken. De zin is: Nadat hij vele grote zaken gelukkig en naar zijn wens zal hebben uitgericht, zo zal zijn hart daarom zich verhovaardigen.
[^daniel-8-25-116]: Kanttekening 116: 116 in stille rust: Dat is, terwijl de mensen zonder enig achterdenken van kwaad zullen zijn, en menen dat alle dingen stil en wel zijn, zo zal hij daarop loeren en hij zal er velen onvoorziens overvallen. Anders: door gerustigheid, dat is, makende bedriegelijken vrede, om deze en die zo te bedriegen. Zie 1 Makk. 1:31. 1 Makkabeeën 1:31: En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem.
[^daniel-8-25-117]: Kanttekening 117: 117 tegen de Vorst van de vorsten: Dat is, tegen de God van Israël. Zie boven vers 11. Daniël 8:11: Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning van Zijn heiligdom werd nedergeworpen.
[^daniel-8-25-118]: Kanttekening 118: 118 zonder hand verbroken worden: Maar door een verschrikkelijke ziekte, komende van God de Heer. Zie 1 Makk. 6:8, enz., en 2 Makk. 9:5, enz. 1 Makkabeeën 6:8: En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit verdriet in een ziekte is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had. 2 Makkabeeën 9:5: Maar de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzichtbare plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn van de ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen;
[^daniel-8-26-119]: Kanttekening 119: 119 Het gezicht nu van avond en morgen: Zie boven vers 14. Daniël 8:14: En hij zei tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
[^daniel-8-26-120]: Kanttekening 120: 120 sluit dit gezicht toe: Dat is, verberg het, verzegel het, houd het geheim, te weten, dat het niet bekend worde onder de ongelovigen en vijanden van Gods kerk; zulke honden en zwijnen zouden daardoor meer verbitterd en razender gemaakt worden. Vergelijk Jes. 8:16; Openb. 10:4. Maar het wordt Daniël niet verboden de godzalige Joden dit te openbaren tot hun troost, gelijk Dan. 12:4. Maar alles met overleg. Jesaja 8:16: Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. Openbaring 10:4: En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. Daniël 12:4: En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
[^daniel-8-26-121]: Kanttekening 121: 121 er zijn nog vele dagen: Te weten voordat deze profetie vervuld zal worden. Daar zijn over de drie honderd jaren verlopen van de dood van Belsazar, of het begin van de monarchie van de Perzen over Babel \[toen Daniël dit profeteerde\] tot de dood van Antiochus Epifanes.
[^daniel-8-26-122]: Kanttekening 122: Tot hiertoe is verklaard het eerste deel van Dan. 8, namelijk, de profetie van het rijk van de Perzen en Meden, van Alexander de Grote en dergenen, die hem in het rijk gevolgd zijn.
[^daniel-8-27-123]: Kanttekening 123: Of, ik werd ziek gemaakt, enz.
[^daniel-8-27-124]: Kanttekening 124: 124 was enige dagen ziek: Te weten van schrik en verbaasdheid.
[^daniel-8-27-125]: Kanttekening 125: Dat is, ik bediende het ambt, dat mij de koning had opgelegd. Zie boven de aantekening vers 2. Daniël 8:2: En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in de burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan de vloed Ulai was.
[^daniel-8-27-126]: Kanttekening 126: 126 over dit gezicht: Of, vanwege dit gezicht, dat Daniël zo verschrikt had, dat het uit zijn zin niet kon gaan.
[^daniel-8-27-127]: Kanttekening 127: 127 niemand merkte het: De zin is: Al was ik hierover zozeer ontsteld, nochtans bedwong ik mij zo, dat niemand uit mijn gelaat mijne verslagenheid of verbaasdheid kon merken; of, dat niemand merkte waarvan ik ziek geworden was, of dat ik zulk een gezicht gehad had, achtervolgens het bevel, dat God hem gegeven had, vers 26. Daniël 8:26: Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.

### Daniël 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/9.json)

*Daniël bidt de HEERE om de herbouw van Jeruzalem, vers 1 enz. De HEERE verhoort hem en onderricht hem, 20. Tegelijk openbaart Hij hem door Gabriël de tijd van de zeventig weken, aan het einde waarvan niet alleen aan de Joden, maar ook aan het gehele menselijke geslacht de ware geestelijke verlossing door Christus de Vorst zou worden aangebracht, 24 enz. Ook spreekt de engel over de verschrikkelijke verdelging die over het ondankbare en halsstarrige Joodse volk komen zou, 26, 27.*

**1** In[^daniel-9-1-1] het eerste jaar van[^daniel-9-1-2] Darius,[^daniel-9-1-3] de zoon van Ahasveros, uit het zaad van de Meden,[^daniel-9-1-4] die koning[^daniel-9-1-5] gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v1)

**2** In het eerste jaar van zijn regering,[^daniel-9-2-6] merkte ik, Daniël,[^daniel-9-2-7] in de boeken, dat het getal van de jaren, waarvan het woord van YHWH[^daniel-9-2-8] tot de profeet Jeremia gebeurd was,[^daniel-9-2-9] in het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v2)

**3** En[^daniel-9-3-10] ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en[^daniel-9-3-11] zak, en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v3)

**4** Ik bad dan tot YHWH, mijn God, en[^daniel-9-4-12] deed belijdenis, en zei:[^daniel-9-4-13] Och Heere! U grote en[^daniel-9-4-14] verschrikkelijke God,[^daniel-9-4-a] Die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die[^daniel-9-4-15] Hem liefhebben en Zijn geboden houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v4)

**5** [^daniel-9-5-16][^daniel-9-5-b] Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld, en[^daniel-9-5-17] gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw[^daniel-9-5-18] rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v5)

**6** En wij hebben[^daniel-9-6-19] niet gehoord naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het[^daniel-9-6-20] volk van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v6)

**7** [^daniel-9-7-21] Bij U, o Heere! is[^daniel-9-7-22] de gerechtigheid, maar[^daniel-9-7-23] bij ons de beschaamdheid van de aangezichten, zoals het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar U ze heengedreven hebt, om hun overtreding, waarmee zij tegen U overtreden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v7)

**8** O YHWH! bij ons is de beschaamdheid van de aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze[^daniel-9-8-24] vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v8)

**9** [^daniel-9-9-c] Bij[^daniel-9-9-25] de Heere, onze God, zijn[^daniel-9-9-26] de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v9)

**10** En wij hebben de stem van YHWH, van onze God, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten,[^daniel-9-10-27] door de hand van Zijn knechten, de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v10)

**11** Maar geheel Israël[^daniel-9-11-28] heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij van Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons[^daniel-9-11-29] uitgestort die[^daniel-9-11-d] vloek, en die eed,[^daniel-9-11-30] die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht van God, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v11)

**12** En Hij heeft Zijn woorden[^daniel-9-12-31] bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters,[^daniel-9-12-32] die ons richtten, en brachten over ons[^daniel-9-12-33] een groot kwaad, dat niet gebeurd is onder de hele hemel, gelijk aan Jeruzalem gebeurd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v12)

**13** Zoals[^daniel-9-13-34] in de wet van Mozes geschreven is, zo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht van YHWH, van onze God, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandig acht gevende[^daniel-9-13-35] op Uw waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v13)

**14** [^daniel-9-14-36] Daarom heeft YHWH over[^daniel-9-14-37] het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want YHWH, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, omdat wij van Zijn stem niet gehoorzaamden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v14)

**15** [^daniel-9-15-e] En nu, o Heere, onze God![^daniel-9-15-38][^daniel-9-15-f] Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en[^daniel-9-15-39] hebt U een Naam gemaakt, zoals hij is te deze dage;[^daniel-9-15-40] wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v15)

**16** O Heere![^daniel-9-16-41] naar al Uw gerechtigheden,[^daniel-9-16-42] laat toch Uw toorn en Uw woede afgekeerd worden van[^daniel-9-16-43] Uw stad Jeruzalem,[^daniel-9-16-44] Uw heilige berg; want vanwege onze zonden en vanwege de ongerechtigheden van onze vaders, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid[^daniel-9-16-45] bij allen, die rondom ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v16)

**17** En nu, o onze God! hoor naar[^daniel-9-17-46] het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht[^daniel-9-17-47] lichten[^daniel-9-17-48] over Uw heiligdom, dat verwoest is;[^daniel-9-17-49] omwille van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v17)

**18** [^daniel-9-18-50] Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie[^daniel-9-18-51] onze verwoestingen, en de stad,[^daniel-9-18-52] die naar Uw Naam genoemd is; want[^daniel-9-18-53] wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neer[^daniel-9-18-54] op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v18)

**19** O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Vanwege Uzelf, o mijn God! Want[^daniel-9-19-55] Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v19)

**20** Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde van mijn volk van Israël, en mijn smeking[^daniel-9-20-56] neerwierp voor het aangezicht van YHWH, van mijn God,[^daniel-9-20-57] omwille van de heilige berg van mijn God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v20)

**21** Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam[^daniel-9-21-58] de man[^daniel-9-21-59] Gabriël, die ik[^daniel-9-21-60] in het begin in een visioen gezien had,[^daniel-9-21-61] snel gevlogen,[^daniel-9-21-62] mij aanrakende, ongeveer de tijd[^daniel-9-21-63] van het avondoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v21)

**22** En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zei: Daniël! nu ben ik[^daniel-9-22-64] uitgegaan, om u[^daniel-9-22-65] de zin te doen verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v22)

**23** [^daniel-9-23-66] In het begin van uw smekingen is[^daniel-9-23-67] het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent[^daniel-9-23-68] een zeer gewenst man; versta dan[^daniel-9-23-69] dit woord, en[^daniel-9-23-70] merk op dit visioen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v23)

**24** [^daniel-9-24-71] Zeventig[^daniel-9-24-72] weken[^daniel-9-24-73] zijn bestemd[^daniel-9-24-74] over uw volk, en over uw heilige stad,[^daniel-9-24-75] om de overtreding te sluiten, en[^daniel-9-24-76] om de zonden te verzegelen, en[^daniel-9-24-77] om de ongerechtigheid te verzoenen, en[^daniel-9-24-78] om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het visioen, en[^daniel-9-24-79] de profeet te verzegelen, en om[^daniel-9-24-80] de heiligheid van de[^daniel-9-24-81] heiligheden te zalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v24)

**25** [^daniel-9-25-82] Weet dan, en versta:[^daniel-9-25-83] van de uitgang van het woord, om te doen terugkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op[^daniel-9-25-84] Messias,[^daniel-9-25-85] de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken;[^daniel-9-25-86] de straten, en de grachten zullen opnieuw gebouwd worden, maar[^daniel-9-25-87] in benauwdheid van de tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v25)

**26** En[^daniel-9-26-88] na die twee en zestig weken zal de Messias[^daniel-9-26-89] uitgeroeid worden,[^daniel-9-26-90] maar het zal niet voor Hem zelf zijn; en[^daniel-9-26-91] een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en[^daniel-9-26-92] zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er strijd zijn,[^daniel-9-26-93] en vast besloten verwoestingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v26)

**27** En hij zal[^daniel-9-27-94] velen het verbond versterken[^daniel-9-27-95] één week; en[^daniel-9-27-96] in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het voedseloffer[^daniel-9-27-97] doen ophouden, en[^daniel-9-27-98][^daniel-9-27-g] over de gruwelijke[^daniel-9-27-99] vleugel zal een verwoester zijn, ook[^daniel-9-27-100] tot de voleinding toe,[^daniel-9-27-101] die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/9.html#v27)

[^daniel-9-1-1]: Kanttekening 1: 1 het eerste jaar van Darius: Zie boven Dan. 6:1. Daniël 6:1: Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.
[^daniel-9-1-2]: Kanttekening 2: Verscheidene koningen van de Perzen hebben deze naam gehad.
[^daniel-9-1-3]: Kanttekening 3: 3 uit het zaad van de Meden: Dat is uit het geslacht, uit de natie van de Meden. Dit wordt hier bijgevoegd tot onderscheiding van Darius, de koning in Perzië, in wiens tweede jaar de tempel is volbouwd geworden; Ezra 4:24. Ezra 4:24: Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
[^daniel-9-1-4]: Kanttekening 4: 4 die koning: Of, in dat, te weten jaar, hij koning geworden was.
[^daniel-9-1-5]: Kanttekening 5: 5 gemaakt was: Zie boven Dan. 6:1. Daniël 6:1: Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.
[^daniel-9-2-6]: Kanttekening 6: 6 merkte ik, Daniël: Of, verstond ik Daniël, uit, enz.
[^daniel-9-2-7]: Kanttekening 7: 7 in de boeken: Te weten in de schriften van de profeet Jeremia. Ofschoon Daniël zulk een wijs en voortreffelijk profeet was, zo heeft hij evenwel niet nagelaten de heilige Schrift te lezen, gelijk de geestdrijvers en verachters van Gods Woord dat nalaten.
[^daniel-9-2-8]: Kanttekening 8: 8 tot de profeet Jeremia geschied was: Zie Jer. 25:11, 25:12, en Jer. 27:7, en Jer. 29:10. Jeremia 25:11: En dit gehele land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren. Jeremia 25:12: Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt YHWH, hun ongerechtigheid bezoeken, samen met over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. Jeremia 27:7: En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. Jeremia 29:10: Want zo zegt YHWH: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.
[^daniel-9-2-9]: Kanttekening 9: 9 in het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem: Dat is, dat wanneer de verwoesting van Jeruzalem een einde zou nemen, zeventig jaar was.
[^daniel-9-3-10]: Kanttekening 10: 10 ik stelde mijn aangezicht: Hebreeuws, ik gaf mijn aangezicht (פָּנַ).
[^daniel-9-3-11]: Kanttekening 11: 11 en zak, en as: Dat is, in een zakkleed en in de as.
[^daniel-9-4-12]: Kanttekening 12: 12 deed belijdenis: Te weten van mijn eigen zonden en van de zonden van mijn volk, onder vers 20. Daniël 9:20: Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht van YHWH, mijns Gods, omwille van de heilige berg van mijn God;
[^daniel-9-4-13]: Kanttekening 13: 13 Och Heer: Vergelijk dit gebed met het gebed van Nehemia, Neh. 1:5, en Neh. 9:32. Nehemia 1:5: En ik zei: Och, YHWH, God van de hemel, U, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. Nehemia 9:32: Nu dan, o onze God, U grote, U machtige, en U vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw gehele volk, van de dagen van de koningen van Assur af tot op deze dag.
[^daniel-9-4-14]: Kanttekening 14: 14 verschrikkelijke God: Te weten de goddelozen.
[^daniel-9-4-a]: Verwijzing a: Deut. 7:9. Deuteronomium 7:9: U zult dan weten, dat YHWH, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt die, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.
[^daniel-9-4-15]: Kanttekening 15: 15 Hem liefhebben: Verandering van persoon voor, die U liefhebben en uwe geboden houden.
[^daniel-9-5-16]: Kanttekening 16: 16 Wij hebben gezondigd: Zie meer dergelijke belijdenissen, Ps. 106:6. Psalmen 106:6: Wij hebben gezondigd, samen met onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld.
[^daniel-9-5-b]: Verwijzing b: Ps. 106:6; Jes. 64:5; idem v. 6. Psalmen 106:6: Wij hebben gezondigd, samen met onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld. Jesaja 64:5: U ontmoet de vrolijke, en die gerechtigheid doet dengenen, die van Uw gedenken op Uw wegen; zie, U was toornig, omdat wij gezondigd hebben; in dezelfde is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden. Jesaja 64:6: Maar wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons heen weg als een wind.
[^daniel-9-5-17]: Kanttekening 17: Van trap tot trap opklimmende, en niet rustende totdat wij tot de hoogste trap van de zonden gekomen waren.
[^daniel-9-5-18]: Kanttekening 18: Versta hier, en elders meer, door rechten of oordelen, die wetten waarmee een ieder gegeven wordt wat hem toekomt, en het gelijke van het ongelijke onderscheiden wordt.
[^daniel-9-6-19]: Kanttekening 19: 19 niet gehoord naar Uw dienaren: Dat is, niet gehoorzaamd.
[^daniel-9-6-20]: Kanttekening 20: 20 van het land: Te weten van het Joodse land.
[^daniel-9-7-21]: Kanttekening 21: 21 Bij U, o Heer: Dat is, aan uwe zijde, U komt de lof van de gerechtigheid toe. Of, uwe is, enz.
[^daniel-9-7-22]: Kanttekening 22: Zie Deut. 6:25. Deuteronomium 6:25: En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van YHWH, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
[^daniel-9-7-23]: Kanttekening 23: 23 maar bij ons de beschaamdheid van de aangezichten: Met deze woorden bekent de profeet, dat de oordelen van God over zijn volk rechtvaardig zijn. Vergelijk Jer. 7:19. Jeremia 7:19: Doen zij Mij verdriet aan? spreekt YHWH. Doen zij het zichzelf niet aan, tot beschaming huns aangezichts?
[^daniel-9-8-24]: Kanttekening 24: 24 omdat wij tegen U gezondigd hebben: Of, die wij tegen U gezondigd hebben.
[^daniel-9-9-c]: Verwijzing c: Ps. 130:3; idem v. 7; Klaagl. 3:22. Psalmen 130:3: Zo U, YHWH! de ongerechtigheden gadeslaat; YHWH! wie zal bestaan? Psalmen 130:7: Israël hope op YHWH; want bij YHWH is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. Klaagliederen 3:22: Cheth. Het zijn de goedertierenheden van YHWH, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
[^daniel-9-9-25]: Kanttekening 25: 25 de Heer, onze God: Dat is, aan de barmhartigheid van de Heer en genadige vergeving alleen, hangt ten enenmale al onze behoudenis; want bij ons is niets dan oorzaak van verderving te vinden.
[^daniel-9-9-26]: Kanttekening 26: 26 de barmhartigheden en vergevingen: Hij gebruikt deze woorden in het veelvoudig getal, om te betekenen de menigvuldige genaden van de Heer in het vergeven van de veelvuldige zonden.
[^daniel-9-10-27]: Kanttekening 27: 27 door de hand van Zijn knechten, de profeten: Dat is, door de dienst van zijn dienaren.
[^daniel-9-11-28]: Kanttekening 28: 28 heeft Uw wet overtreden: Hebreeuws, hebben overtreden, ziende op de zin.
[^daniel-9-11-29]: Kanttekening 29: 29 uitgestort die vloek: Of, gedropen.
[^daniel-9-11-d]: Verwijzing d: Lev. 26:14; Deut. 27:15; Deut. 28:15; Deut. 29:20; Deut. 30:17; Deut. 31:17; Deut. 32:19; Klaagl. 2:17. Leviticus 26:14: Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Deuteronomium 28:15: Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. Deuteronomium 29:20: De YHWH zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal van YHWH toorn en ijver roken over dezelfde man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en YHWH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. Deuteronomium 30:17: Maar als uw hart zich zal afwenden, en u niet horen zult, en u gedreven zult worden, dat u u voor andere goden buigt, en dezelfde dient; Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Deuteronomium 32:19: Als YHWH zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochters. Klaagliederen 2:17: Ain. De YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn uw tegenstanders verhoogd.
[^daniel-9-11-30]: Kanttekening 30: 30 die geschreven is in de wet van Mozes: Zie Lev. 26:14, enz.; Deut. 27:15, enz., en Deut. 28:15, enz., en Deut. 29:20, en Deut. 30:17, enz., en Deut. 31:17, 31:18, en Deut. 32:19, enz.; Klaagl. 2:17. Leviticus 26:14: Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Deuteronomium 28:15: Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. Deuteronomium 29:20: YHWH zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn en ijver van YHWH roken over dezelfde man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en YHWH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. Deuteronomium 30:17: Maar als uw hart zich zal afwenden, en u niet horen zult, en u gedreven zult worden, dat u u voor andere goden buigt, en dezelfde dient; Deuteronomium 31:17: Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Deuteronomium 31:18: Ik dan zal Mijn aangezicht op die dag ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden. Deuteronomium 32:19: Als YHWH het zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochters. Klaagliederen 2:17: Ain. YHWH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd.
[^daniel-9-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws, verwekt, of doen opstaan.
[^daniel-9-12-32]: Kanttekening 32: 32 die ons richtten: Dat is, die ons regeerden.
[^daniel-9-12-33]: Kanttekening 33: 33 een groot kwaad: Te weten het kwaad van de straf, dat is, een groot ongeluk, dat in de Klaagliederen van Jeremia in het brede verhaald wordt. Zie daar Klaagl. 1:12, en Klaag. 2:13, enz. Klaagliederen 1:12: Lamed. Gaat het u niet aan, u allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee YHWH mij bedroefd heeft op de dag van de hitte van Zijn toorn.
[^daniel-9-13-34]: Kanttekening 34: 34 in de wet van Mozes geschreven is: Zie boven vers 11. Daniël 9:11: Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht van God, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben.
[^daniel-9-13-35]: Kanttekening 35: 35 op Uw waarheid: Dat is, op de zekerheid van uw dreigementen.
[^daniel-9-14-36]: Kanttekening 36: 36 Daarom heeft YHWH: Of, daarom is YHWH wakker geweest met dit kwaad. De zin is: Hij heeft doen blijken dat Hij niet sliep en zijne dreigementen niet vergeten had. Terwijl de zondaren in hunne zonden gerust slapen, zo waakt de Heer al vast over hunne straf. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen waken, maar ook vervroegen, verwakkeren, verhaasten, gelijk Jer. 1:12. Zie de aantekening daar. Jeremia 1:12: En YHWH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.
[^daniel-9-14-37]: Kanttekening 37: 37 het kwade gewaakt: Zie vers 13. Daniël 9:13: Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, zo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht van YHWH, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandig acht gevende op Uw waarheid.
[^daniel-9-15-e]: Verwijzing e: Ps. 105:7; Ps. 106:47. Psalmen 105:7: Hij is YHWH, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde. Psalmen 106:47: Verlos ons, YHWH, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij de Naam van Uw heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
[^daniel-9-15-38]: Kanttekening 38: 38 Die Uw volk: Tot dat einde heeft God de kinderen van Israël verlost uit Egypteland, om hun daardoor van zijnentwege te verzekeren, dat Hij hun God wilde zijn en blijven; zie Lev. 22:33; Ps. 81:11; Jes. 63:16. Daarom is het geen wonder dat de gelovigen zo dikwijls voor God deze zijne weldaad voorhouden, zo om hun geloof te sterken als om de Heer te bewegen aan zijn oude barmhartigheid te gedenken. Zie Ex. 32:11; Neh. 1:10, en Neh. 9:10; Ps. 77:8. Leviticus 22:33: Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben YHWH! Psalmen 81:11: Ik ben de Heer, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. Jesaja 63:16: U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. Exodus 32:11: Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Nehemia 1:10: Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand. Nehemia 9:10: En U hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want U wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en U hebt U een Naam gemaakt, als het is te deze dage. Psalmen 77:8: Zal dan de Heer in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
[^daniel-9-15-f]: Verwijzing f: Ex. 32:11. Exodus 32:11: Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?
[^daniel-9-15-39]: Kanttekening 39: 39 hebt U een Naam gemaakt: De zin is: U hebt ons verlost en beschermd om uws naams wil, om uwe macht bekend te maken; Ps. 106:8. Wend daarom uw toornig gemoed van ons, opdat uwe eer niet gekwetst worde. Zie Ex. 32:12; Ps. 115:1. Psalmen 106:8: Maar Hij verloste hen vanwege Zijn Naam, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte. Exodus 32:12: Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen. Psalmen 115:1: Niet ons, o YHWH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, vanwege Uw goedertierenheid, vanwege Uw waarheid.
[^daniel-9-15-40]: Kanttekening 40: 40 wij hebben gezondigd: Dit moet men zo niet verstaan, alsof God onze gebeden verhoorde en ons weldeed omdat wij gezondigd hebben en goddeloos geweest zijn, want daarom is God op ons vertoornd en daarom straft Hij ons; maar alsdan verhoort Hij onze gebeden, als wij onze zonden belijden en onze onwaardigheid bekennen. Vergelijk Ps. 25:11, en Ps. 106:4, 106:5, 106:6. Psalmen 25:11: Lamed. Vanwege Uw Naam, YHWH! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. Psalmen 106:4: Gedenk mijner, o YHWH! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; Psalmen 106:5: Opdat ik aanschouwe het goede van Uw uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Psalmen 106:6: Wij hebben gezondigd, samen met onze vaderen, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld.
[^daniel-9-16-41]: Kanttekening 41: 41 naar al uw gerechtigheden: De zin is: Heer, dat U uwe dreigementen hebt waar gemaakt, ons verlatende en onze vijanden sterkte tegen ons gevende, enz., dat is alles geschied naar uwe gerechtigheid, want wij hebben het met onze zonden duizendmaal over verdiend; maar, Heer, vergeet ook dat deel van uw gerechtigheid niet, waardoor U allen boetvaardigen houdt wat U hun uit genade beloofd hebt. Gelijk God maar één is, zo is er ook maar ééne gerechtigheid of rechtvaardigheid in God, maar er zijn velerlei betoningen daarvan, en onder anderen betoont Hij dezelfde, wanneer Hij de boetvaardigen houdt wat Hij hun uit genade beloofd heeft. Vergelijk Neh. 1:8, 1:9, en Neh. 9:8; Ps. 51:16. Nehemia 1:8: Gedenk toch het woord, dat U Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. Nehemia 1:9: En u zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik gekozen heb, om Mijn Naam daar te doen wonen. Nehemia 9:8: En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat U zoudt geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het zijn zade zoudt geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U rechtvaardig bent. Psalmen 51:16: Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
[^daniel-9-16-42]: Kanttekening 42: 42 laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid: Dat is, laat toch ophouden die zware straffen, die U rechtvaardiglijk over Jeruzalem en het gehele Joodse volk hebt uitgestort om hunne zonden te straffen. Zie Micha 7:9; Openb. 15:7. Anders: uw toorn en uwe grimmigheid wende zich af van, enz. Micha 7:9: Ik zal van YHWH toorn dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid. Openbaring 15:7: En één van de vier dieren gaf de zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van de toorn van God, Die in alle eeuwigheid leeft.
[^daniel-9-16-43]: Kanttekening 43: 43 Uw stad Jeruzalem: Alsof hij zei: Dit is uw stad, die U u gekozen hebt uit al de steden van de ganse aardbodem, wend daarom uw toorn van haar af.
[^daniel-9-16-44]: Kanttekening 44: 44 Uw heilige berg: Hebreeuws, de berg uwe heiligheid (הַר). Zie Ps. 2:6. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.
[^daniel-9-16-45]: Kanttekening 45: 45 bij allen: Hebreeuws, bij al onze rondommigheden; dat is, bij allen die rondom ons gelegen zijn. Vergelijk Klaagl. 1:8, enz., en Klaagl. 2:15, 2:16, en Klaagl. 3:14, en Ps. 44:14, 44:15, 44:16, 44:17, en Ps. 79:4, en Ps. 89:42, 89:51. Klaagliederen 1:8: Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd. Klaagliederen 2:15: Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Klaagliederen 2:16: Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Klaagliederen 3:14: He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de ganse dag. Psalmen 44:14: U stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. Psalmen 44:15: U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. Psalmen 44:16: Mijn schande is de ganse dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij; Psalmen 44:17: Om de stem van de honers en van de lasteraars, vanwege de vijand en de wraakgierige. Psalmen 79:4: Wij zijn onze naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp degenen, die rondom ons zijn. Psalmen 89:42: Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest. Psalmen 89:51: Gedenk, YHWH! aan de smaad van Uw knechten, die ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.
[^daniel-9-17-46]: Kanttekening 46: 46 het gebed Uws knechts: Dat is, naar mijn gebed, die uw knecht ben.
[^daniel-9-17-47]: Kanttekening 47: Dat is, aanschouw uw heiligdom met een vriendelijk en gunstig gelaat. Van deze manier van spreken, zie Num. 6:25. Numeri 6:25: YHWH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
[^daniel-9-17-48]: Kanttekening 48: 48 over Uw heiligdom: Dat is, over uw tempel, of veel meer, over de binnenste plaats van de tempel, waar God op de ark of cherubim zat.
[^daniel-9-17-49]: Kanttekening 49: 49 omwille van de Heer: Dat is, doe het niet om onze waardigheid, maar omwille van de Heer Christus. Zo staat er Jes. 10:27: Het juk zal afgescheurd worden omwille van de Gezalfde, of omwille van de Messias. En Ps. 80:16: Vanwege de Zoon; en ook Ps. 84:10. Jesaja 10:27: En het zal gebeuren ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, vanwege de Gezalfde. Psalmen 80:16: En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de zoon, die U U gesterkt hebt! Psalmen 84:10: O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.
[^daniel-9-18-50]: Kanttekening 50: 50 Neig Uw oor, mijn God: Vergelijk de woorden, die de koning Hizkia gebruikt, Jes. 37:17. Jesaja 37:17: O YHWH! neig Uw oor en hoor, YHWH! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om de levende God te honen.
[^daniel-9-18-51]: Kanttekening 51: 51 onze verwoestingen: Dat is, hoe jammerlijk wij verwoest zijn.
[^daniel-9-18-52]: Kanttekening 52: 52 die naar Uw Naam genoemd is: Dat is, die de stad van de Heer genoemd wordt; zie Deut. 28:10; Amos 9:12; 1 Kon. 14:21. Hebreeuws, over welke uw naam is \[of wordt\] aangeroepen, of uitgeroepen (שִׁמְ). Deuteronomium 28:10: En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van YHWH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. Amos 9:12: Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet. 1 Koningen 14:21: Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die YHWH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische.
[^daniel-9-18-53]: Kanttekening 53: 53 wij werpen onze smekingen: Zie van deze manier van spreken Jer. 36:7; Ps. 141:2. Jeremia 36:7: Misschien zal hunlieder smeking voor het aangezicht van YHWH nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die YHWH tegen dit volk heeft uitgesproken. Psalmen 141:2: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
[^daniel-9-18-54]: Kanttekening 54: 54 op onze gerechtigheden: Dat is, steunende op onze rechtvaardige daden, of werken, of vanwege.
[^daniel-9-19-55]: Kanttekening 55: 55 Uw stad, en Uw volk: Zie boven vers 18. Daniël 9:18: Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
[^daniel-9-20-56]: Kanttekening 56: Gelijk boven vers 18. Daniël 9:18: Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
[^daniel-9-20-57]: Kanttekening 57: 57 omwille van de heilige berg van mijn God;: Hebreeuws, over, of voor de berg van de heiligheid van mijnen God (הַר); dat is, opdat Gods kerk in haar vorigen stand mag hersteld worden.
[^daniel-9-21-58]: Kanttekening 58: 58 de man: Zie boven Dan. 8:15. Daniël 8:15: En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand daarvan, en ziet, er stond voor mij als de gedaante van een man.
[^daniel-9-21-59]: Kanttekening 59: Zie van de naam en persoon van deze engel, boven Dan. 8:16. Daniël 8:16: En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zei: Gabriël! geef deze het gezicht te verstaan.
[^daniel-9-21-60]: Kanttekening 60: 60 in het begin in een gezicht gezien had: Of, tevoren, of in het eerste, te weten in het gezicht van de ram met twee horens en van de bok, Dan. 8.
[^daniel-9-21-61]: Kanttekening 61: 61 snel gevlogen: Hebreeuws, met vermoeidheid; niet dat de engelen kunnen vermoeid of moe worden, maar het wordt zo gezegd om uit te drukken zulk ene snelheid als, naar ons begrip, vermoeidheid moet veroorzaken. Anders: in de vlucht.
[^daniel-9-21-62]: Kanttekening 62: 62 mij aanrakende: Bij dit aanraken, of aanroeren van de engel heeft God de profeet gesterkt. Zie onder Dan. 10:19. Daniël 10:19: En Hij zei: Vrees niet, u zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zei: Mijn Heer spreke, want U hebt mij versterkt.
[^daniel-9-21-63]: Kanttekening 63: 63 van het avondoffer: Dat is, in het laatste vierendeel van de dag, op welk uur het avondoffer placht geofferd te worden; toen de tempel en Joodse godsdienst nog in wezen waren; zie Ex. 28:39, 28:41; Num. 28:4. In deze tijd bad ook Elia, 1 Kon. 18:36, enz., zie ook Hand. 3:1. Hieruit nemen sommigen af dat Daniël hier geopenbaard is in welke tijd van de dag Christus zichzelf voor onze zonden zou opofferen. Exodus 28:39: U zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de hoed van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken. Exodus 28:41: En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Numeri 28:4: Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. 1 Koningen 18:36: Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: YHWH, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. Handelingen 3:1: Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar de tempel, omtrent het uur van het gebed, zijnde de negende ure;
[^daniel-9-22-64]: Kanttekening 64: Te weten uit de hemel, van God gezonden zijnde.
[^daniel-9-22-65]: Kanttekening 65: 65 de zin te doen verstaan: Hebreeuws, het verstand; namelijk om u te onderrichten van de wederopbouwing van de stad Jeruzalem en de herstelling van de staat van het Joodse volk.
[^daniel-9-23-66]: Kanttekening 66: 66 In het begin van uw smekingen: Dat is, van die tijd af, dat u hebt begonnen te bidden voor de verlossing van Israël, heb ik bevel ontvangen van u te antwoorden.
[^daniel-9-23-67]: Kanttekening 67: 67 het woord uitgegaan: Dat is, het bevel.
[^daniel-9-23-68]: Kanttekening 68: 68 een zeer gewenst man;: Hebreeuws, begeerten; dat is, een man van de begeerten; zie onder Dan. 10:11; dat is, een man die men zeer begeert, een man voor God en de mensen aangenaam; zo staat er Dan. 10:3: brood van de begeerten, en vaten van de begeerten, 2 Kron. 20:25, en kleren van de begeerten, Gen. 27:15. Sommigen menen dat Daniël genoemd wordt een man van de begeerten, omdat hij meer dan ooit enig man begeerd en gewenst heeft de verlossing van zijn volk, wederopbouwing van de tempel en de godsdienst, gelijk zulks af te nemen is uit zijn gebed en zijn vasten, Dan. 10. Daniël 10:11: En Hij zei tot mij: Daniël, u zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende. Daniël 10:3: Begeerlijk voedsel at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij geheel niet, totdat die drie weken van de dagen vervuld waren. 2 Kronieken 20:25: Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel bezittingen en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden de buit drie dagen, want daarvan was veel. Genesis 27:15: Daarna nam Rebekka de kostelijke kleren van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.
[^daniel-9-23-69]: Kanttekening 69: 69 dit woord: Of, deze zaak.
[^daniel-9-23-70]: Kanttekening 70: 70 merk op dit gezicht: Of, leer dit gezicht, dat is, deze profetie, die ik u zal te kennen geven, wel terdege verstaan.
[^daniel-9-24-71]: Kanttekening 71: Daniël had maar gebeden om de verlossing van zijn volk uit Babel, de Heer geeft hem dat niet alleen, maar oneindig meer, want Hij openbaart hem daarenboven de tijd, wanneer niet alleen de Joden, maar ook zijn gehele volk uit de macht van de duivel en van de eeuwige verdoemenis door de Messias zou verlost worden.
[^daniel-9-24-72]: Kanttekening 72: Versta hier jaarweken, gelijk Lev. 25:8; elke week van zeven jaren, tezamen makende vier honderd en negentig jaren; waar nu deze vier honderd en negentig jaren beginnen en waar zij eindigen, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen beginnen ze van het eerste jaar van de monarchie van Cyrus, en eindigen ze in de dood van Christus; dat wel de eenvoudigste mening schijnt te zijn, uit Jes. 44:28, en Jes. 45:13; 2 Kron. 36:22, 36:23; Ezra 1:1, enz.; maar anderen beginnen ze van het zevende jaar van Artaxerxes Longimanus, en eindigen ze ook in de dood van Christus. Anderen beginnen ze van het tweede jaar van Darius Nothus, en eindigen ze in de verstoring van Jeruzalem door Titus. Van welk alles de verstandige lezer zal mogen oordelen. Leviticus 25:8: U zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn. Jesaja 44:28: Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond. Jesaja 45:13: Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt YHWH van de legermachten. 2 Kronieken 36:22: Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 2 Kronieken 36:23: Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? YHWH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. Ezra 1:1: In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^daniel-9-24-73]: Kanttekening 73: 73 zijn bestemd: Te weten van God. Hebreeuws, zijn afgehouwen, of afgesneden; dat is bescheiden, besloten.
[^daniel-9-24-74]: Kanttekening 74: 74 over uw volk: Gedurende welke uw volk en uw heilige stad zal overkomen wat ik u straks zal openbaren.
[^daniel-9-24-75]: Kanttekening 75: 75 om de overtreding te sluiten: Of, om op te sluiten, of om te bedwingen de overtreding. Anders: dat Hij, te weten Christus\] de overtreding besluit; dat is, dat hij voor de zonden van het volk genoeg doe, opdat dezelfde als in een kerker besloten worden, dat zij niet meer voor Gods aangezicht komen.
[^daniel-9-24-76]: Kanttekening 76: 76 om de zonden te verzegelen: Dat is, om te bedekken de zonden van de uitverkorenen, dat zij voor het aangezicht van God niet komen. Dit heeft Christus door zijn dood teweeg gebracht. Anders: om de zonden te verdelgen.
[^daniel-9-24-77]: Kanttekening 77: 77 om de ongerechtigheid te verzoenen: Te weten door de offerande van Christus aan het kruis.
[^daniel-9-24-78]: Kanttekening 78: 78 om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen: Hebreeuws, ene gerechtigheid van de eeuwigheden (צֶדֶק), door welke alleen zij, die ooit gerechtvaardigd zijn en rechtvaardig zullen worden, moeten gerechtvaardigd worden voor God, Hebr. 9:12. Deze gerechtigheid is gelegen in de vergeving van de zonden en toerekening van de gerechtigheid van Jezus Christus. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
[^daniel-9-24-79]: Kanttekening 79: 79 de profeet te verzegelen: Dat is, de profetie, te weten de profetieën van de profeten van Christus' lijden en de heerlijkheid daarop volgende, 1 Petr. 1:11, welke God de profeten door gezichten heeft geopenbaard. 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^daniel-9-24-80]: Kanttekening 80: 80 de heiligheid van de heiligheden: Dat is, de Heer Christus, die daar is het waarachtige heilige van de heiligen, omdat in Hem al de schatten van heiligheid, rechtvaardigheid, en ook van wijsheid en kennis van God verborgen zijn, ons ten goede; en dat Hij is de ware ark van het verbond, door welke God de woorden van het leven tot de wereld spreekt; de rechte genadestoel, door welke wij de verzoening hebben, enz.
[^daniel-9-24-81]: Kanttekening 81: 81 te zalven: Te weten met de Heilige Geest; dat is als in te wijden en te bereiden tot zijn zaligmakend ambt.
[^daniel-9-25-82]: Kanttekening 82: 82 Weet dan, en versta: Onze Heer Jezus Christus doet even deze zelfde vermaning, wat deze profetie betreft; Matt. 24:15. Mattheüs 24:15: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
[^daniel-9-25-83]: Kanttekening 83: 83 van de uitgang van het woord: Dat is, van die tijd af, dat er een bevel zal uitgaan dat men het volk, \[te weten het Joodse volk\] wederbrengen, dat is loslaten zal uit de Babylonische gevangenschap, en hetzelfde Jeruzalem herbouwen zal. Versta hier door het woord het bevel, gelijk vers 23, te weten het bevel van Cyrus, naar sommiger gevoelen. Zie 2 Kron. 36:22, 36:23, en Ezra 1:1, en boven de aantekening vers 24, van het begin van de zeventig weken. Anders: om weer te brengen; dat is, om weer ter hand te stellen; te weten de vaten van de tempel, die uit de tempel naar Babel gevoerd waren. Anders: om te herstellen, namelijk de staat van de kerk en van de regering. Daniël 9:23: In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht. 2 Kronieken 36:22: Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 2 Kronieken 36:23: Zo zegt Kores, koning van Perzië: YHWH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? YHWH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. Ezra 1:1: In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^daniel-9-25-84]: Kanttekening 84: Dat is, tot op Christus, het Hebreeuwse woord Messias, \[dat even hetzelfde, dat Christus betekent, namelijk een gezalfde\] staat ook Joh. 1:42, en Joh. 4:25. Johannes 1:42: Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus. Johannes 4:25: De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.
[^daniel-9-25-85]: Kanttekening 85: 85 de Vorst: Of, leidsman, gelijk Jes. 55:4, of hertog, gelijk 2 Sam. 7:8, en 2 Kon. 20:5. Jesaja 55:4: Ziet, Ik heb hem tot een getuige van de volken gegeven, een vorst en gebieder van de volken. 2 Samuël 7:8: Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël. 2 Koningen 20:5: Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger Mijns volks: Zo zegt YHWH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van YHWH;
[^daniel-9-25-86]: Kanttekening 86: 86 de straten: Hebreeuws, de straat en de gracht. Anders: uitgehouwen gracht. Versta dit van de stadsgrachten.
[^daniel-9-25-87]: Kanttekening 87: 87 in benauwdheid van de tijden: Want al wat onder Ezra aan de muren gebouwd was, dat werd kort daarna door de vijanden van de Joden weer omvergeworpen, en de poorten met vuur verbrand. En onder Nehemia moesten zij bouwen met de troffel in de ene en het geweer in de andere hand, Neh. 4:17; waarom de Joden zich zozeer haastten, dat zij het gebouw van de muur optrokken in twee en vijftig dagen. Nehemia 4:17: Die aan de muur bouwden, en die de last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.
[^daniel-9-26-88]: Kanttekening 88: 88 na die twee en zestig weken: Namelijk na de negen en zestigste week, want de zeven voorgenoemde weken moeten bij deze twee en zestig weken gevoegd worden.
[^daniel-9-26-89]: Kanttekening 89: 89 uitgeroeid worden: Het Hebreeuwse woord betekent somtijds zoveel als een misdadiger om het leven brengen. Zie Lev. 17:4. Leviticus 17:4: En dezelfde aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offerande voor YHWH voor de tabernakel van YHWH te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelfde man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden;
[^daniel-9-26-90]: Kanttekening 90: 90 maar het zal niet voor Hem zelven zijn: Dat is, niet tot zijn voordeel, maar tot voordeel van zijne uitverkorenen; of niet vanwege zijn zonden. Anders, maar Hij zal gene \[schuld\] hebben, of maar zonder zijne \[misdaad\]. Of, zonder enige \[schuld\]. Anders, en zal geen \[helper\] hebben. Zie Dan. 11:44. Anders, en niet meer zijn; te weten onder de mensen, opgenomen zijnde ter rechterhand van de Vader. Vergelijk Gen. 5:24. Daniël 11:44: Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen. Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
[^daniel-9-26-91]: Kanttekening 91: 91 een volk van de vorsten: Dat is, de legermacht van de Romeinen.
[^daniel-9-26-92]: Kanttekening 92: 92 zijn einde zal zijn met een overstromende vloed: Te weten het einde, dat de Romeinse vorst het Joodse volk zal aanbrengen. Of, het laatste dat hij het Joodse volk zal aandoen.
[^daniel-9-26-93]: Kanttekening 93: 93 vastelijk besloten verwoestingen: De zin is: Zij zijn vastelijk besloten, en de tijd is precies bestemd, wanneer zij komen en wanneer zij ophouden zullen. Sommigen verstaan dit aldus: Totdat Gods oorlog tegen zijn volk een einde hebbe, zijn de verwoestingen precies bestemd.
[^daniel-9-27-94]: Kanttekening 94: 94 velen het verbond versterken: Of, voortreffelijken; te weten de uitverkorenen en gelovigen.
[^daniel-9-27-95]: Kanttekening 95: 95 een week: Dat is, zeven jaren, in het midden van welke de Heer Christus is gedood, en in de overige tijd hebben de apostelen de Joden met het Evangelie van Christus bediend.
[^daniel-9-27-96]: Kanttekening 96: 96 in de helft van de week: Te weten in het midden van die zeventigste week.
[^daniel-9-27-97]: Kanttekening 97: 97 doen ophouden: Te weten door zijn dood, die een offerande en slachtoffer is, waardoor alle heiligen in eeuwigheid geheiligd worden, voor welke al de Levietische offeranden verdwenen zijn, gelijk de schaduw voor de zon. Want hoewel zij nog een weinig tijds na de hemelvaart van Christus geduurd hebben, zo heeft nochtans met de dood van Christus straks al haar wettelijkheid en nuttigheid opgehouden.
[^daniel-9-27-98]: Kanttekening 98: 98 over de gruwelijken: Hebreeuws, over de vleugel van de verfoeiselen, of verfoeiingen. Versta, het verfoeilijke heidense Romeinse krijgsvolk, \[Matt. 24:15\], waarover een krijgsoverste zal zijn, die deze verwoesting zal aanrichten naar Gods rechtvaardig oordeel. Mattheüs 24:15: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
[^daniel-9-27-g]: Verwijzing g: Matt. 24:15; Mark. 13:14; Lukas 21:20. Mattheüs 24:15: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Marcus 13:14: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen. Lukas 21:20: Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem van legermachten omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
[^daniel-9-27-99]: Kanttekening 99: Of, benden. Zie Ez. 12:14. Ezechiël 12:14: En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
[^daniel-9-27-100]: Kanttekening 100: 100 tot de voleinding toe: Zie de aantekening Jer. 4:27. Jeremia 4:27: Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^daniel-9-27-101]: Kanttekening 101: 101 die vastelijk besloten zijnde: Zie Jes. 28:22. Jesaja 28:22: Nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van de Heer YHWH van de legermachten gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het gehele land.

### Daniël 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/10.json)

*Terwijl Daniël zichzelf met vasten en bidden voor God verootmoedigt, ziet hij een gezicht, vers 1 enz. Daar hij hierdoor zeer verschrikt is, wordt hij door de engel gesterkt en getroost, 10. En hem wordt te kennen gegeven wat het Joodse volk in toekomende tijden zou overkomen, 14. Hierover wordt hij opnieuw zeer verschrikt en ontsteld, 15. Doch hij wordt door de engel weer versterkt, 19, die hem te kennen geeft hoe de vorst van Griekenland, Alexander de Grote, komen zou, 20.*

**1** [^daniel-10-1-1] In het derde jaar[^daniel-10-1-2] van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd[^daniel-10-1-3] Beltsazar,[^daniel-10-1-4] een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid,[^daniel-10-1-5] maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand[^daniel-10-1-6] van het visioen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v1)

**2** In die dagen[^daniel-10-2-7] was ik, Daniël, treurende[^daniel-10-2-8] drie weken van de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v2)

**3** [^daniel-10-3-9] Begeerlijk voedsel at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook[^daniel-10-3-10] zalfde ik mij geheel niet, voordat die drie weken van de dagen vervuld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v3)

**4** En[^daniel-10-4-11] op de vier en twintigste dag[^daniel-10-4-12] van de eerste maand, zo was ik[^daniel-10-4-13] aan de oever van de grote rivier, die is[^daniel-10-4-14][^daniel-10-4-a] Hiddekel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v4)

**5** En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was[^daniel-10-5-15] een Man[^daniel-10-5-16] met linnen bekleed, en Zijn middel was[^daniel-10-5-b] omgord met fijn goud van[^daniel-10-5-17] Ufaz. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v5)

**6** En Zijn lichaam was gelijk[^daniel-10-6-18] een turkoois, en Zijn aangezicht[^daniel-10-6-19] gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen[^daniel-10-6-20] gelijk vurige fakkelen, en Zijn[^daniel-10-6-21] armen en Zijn voeten[^daniel-10-6-22] gelijk de kleur van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk[^daniel-10-6-23] de stem van een menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v6)

**7** En ik, Daniël,[^daniel-10-7-24] alleen zag dat visioen, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat visioen niet; maar[^daniel-10-7-25] een grote verschrikking viel op hen, en zij vluchtten, om zich te versteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v7)

**8** Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote visioen, en er bleef in mij[^daniel-10-8-26][^daniel-10-8-c] geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v8)

**9** En ik hoorde de stem van Zijn woorden; en toen ik de stem van Zijn woorden hoorde,[^daniel-10-9-27] zo viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v9)

**10** En ziet,[^daniel-10-10-28] een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog[^daniel-10-10-29] op mijn knieën, en de palmen van mijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v10)

**11** En Hij zei tot mij: Daniël,[^daniel-10-11-30] u zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en[^daniel-10-11-31] sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij[^daniel-10-11-32] sprak, stond ik bevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v11)

**12** Toen zei Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van de eerste dag aan, dat u uw hart begaaft,[^daniel-10-12-33] om te verstaan en om uzelf[^daniel-10-12-34] te verootmoedigen, voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en[^daniel-10-12-36] omwille van uw woorden ben Ik gekomen.[^daniel-10-12-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v12)

**13** Maar[^daniel-10-13-37] de vorst van het[^daniel-10-13-38] koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij[^daniel-10-13-39] één en twintig dagen; en ziet,[^daniel-10-13-40] Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v13)

**14** Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw[^daniel-10-14-41] volk bejegenen zal[^daniel-10-14-42] in het vervolg van de dagen,[^daniel-10-14-43] want het visioen is nog voor vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v14)

**15** En toen Hij[^daniel-10-15-44] deze woorden met mij sprak,[^daniel-10-15-45] sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en[^daniel-10-15-46] ik werd stom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v15)

**16** En zie, Één, de mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zei tot Die,[^daniel-10-16-48] Die tegenover mij stond: Mijn Heere! vanwege het visioen keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude.[^daniel-10-16-47][^daniel-10-16-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v16)

**17** En hoe kan de knecht[^daniel-10-17-50] van deze mijn Heere spreken met die mijn Heere? Want[^daniel-10-17-51] wat mij betreft, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen[^daniel-10-17-52] adem is in mij overgebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v17)

**18** Toen raakte[^daniel-10-18-53] mij opnieuw aan[^daniel-10-18-54] Één, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v18)

**19** En Hij zei: Vrees niet,[^daniel-10-19-55] u zeer gewenste man! vrede zij u,[^daniel-10-19-56] wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak,[^daniel-10-19-57] werd ik versterkt, en zei: Mijn Heere spreke, want U hebt mij versterkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v19)

**20** Toen zei Hij:[^daniel-10-20-58] Weet u, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Maar nu zal Ik terugkeren[^daniel-10-20-59] om te strijden tegen[^daniel-10-20-60] de vorst van de Perzen; en als Ik zal[^daniel-10-20-61] uitgegaan zijn, ziet, zo zal[^daniel-10-20-62] de vorst van Griekenland komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v20)

**21** Maar Ik zal u te kennen geven,[^daniel-10-21-63] wat getekend is in het geschrift van de waarheid; en er is[^daniel-10-21-64] niet één,[^daniel-10-21-65] die zich met Mij versterkt[^daniel-10-21-66] tegen deze, dan uw vorst[^daniel-10-21-67] Michaël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/10.html#v21)

[^daniel-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 In het derde jaar: Te weten in het derde jaar nadat hij het rijk van Babylonië had ingenomen, gelijk Jesaja voorzegd had, Jes. 45:1. Jesaja 45:1: Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:
[^daniel-10-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, Coresch.
[^daniel-10-1-3]: Kanttekening 3: Zie Dan. 1:7, in de aantekening. Daniël 1:7: En de overste van de kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.
[^daniel-10-1-4]: Kanttekening 4: 4 een zaak: Of, een woord.
[^daniel-10-1-5]: Kanttekening 5: 5 maar in een gezette grote tijd: Of, maar de bestemde tijd was lang. De zin is: Het zal nog lang aanlopen voordat het zal vervuld worden. Zie onder vers 14, namelijk van het derde jaar van Cyrus af tot aan de jongste dag, gelijk af te nemen is uit Dan. 12:2. Alhoewel sommigen, dit duidende op de Joodse natie alleen, deze lange gezette tijd duiden op het einde van de vervolgingen van Antiochus. Anders: en daar was een grote legermacht. Dan zou de zin wezen: En Daniël zag in dit gezicht een grote legermacht van de engelen. Anders: daar zal een grote strijd zijn. Zie de aantekening Job 7:1, en Job 14:14; Jes. 40:2. Daniël 10:14: Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk bejegenen zal in het vervolg van de dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen. Daniël 12:2: En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Job 7:1: Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloners? Job 14:14: Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou. Jesaja 40:2: Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van YHWH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
[^daniel-10-1-6]: Kanttekening 6: 6 van het gezicht: Waarin hem deze zaak geopenbaard werd. De zin is: Hij verstond zeer wel wat hem in dit gezicht geopenbaard werd.
[^daniel-10-2-7]: Kanttekening 7: 7 was ik, Daniël, treurende: Anders, was ik, Daniël, treurende geweest, te weten omdat het aangevangen werk van het gebouw van de tempel door de vijanden van de Joden verhinderd was. Zie Ezra 4:4. Ezra 4:4: Evenwel maakte het volk van het land de handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;
[^daniel-10-2-8]: Kanttekening 8: 8 drie weken van de dagen: Dat is, drie volle weken. Zie de aantekening Gen. 29:14. Deze weken worden hier genoemd weken van de dagen, om die te onderscheiden van de jaarweken, waarvan te zien boven Dan. 9:24. Genesis 29:14: Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^daniel-10-3-9]: Kanttekening 9: 9 Begeerlijk voedsel at ik niet: Dat is, ik at geen lekker voedsel, of ik had geen lekker voedsel gegeten. Hebreeuws, voedsel, of brood van de begeerten (לֶחֶם).
[^daniel-10-3-10]: Kanttekening 10: 10 zalfde ik mij geheel niet: Hebreeuws, zalvende zalfde ik mij niet, gelijk dit bij de Oosterse volken zeer gebruikelijk was, voornamelijk als zij vrolijk waren. Zie Ruth 3:3; Ps. 23:5, en Ps. 104:15. Ruth 3:3: Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. Psalmen 23:5: U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Psalmen 104:15: En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
[^daniel-10-4-11]: Kanttekening 11: 11 op de vier en twintigste dag: Namelijk van hetzelfde derde jaar, vers 1. Daniël 10:1: In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.
[^daniel-10-4-12]: Kanttekening 12: 12 eerste maand: Genoemd Abib, of Nisan, overeenkomende ten dele met onze Maart, ten dele met onze April, zijnde bij de Hebreën de eerste maand van de lente, op welke tijd in het Joodse land, alsook in Egypte, men de gerstenoogst placht te hebben, waarom zij ook genoemd werd de maand van de eerste vruchten.
[^daniel-10-4-13]: Kanttekening 13: 13 aan de oever: Hebreeuws, aan de hand, of aan de zijde (יַד).
[^daniel-10-4-14]: Kanttekening 14: Ene rivier in Assyrië, anders Tygris genoemd. Zie Gen. 2:14. Genesis 2:14: En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^daniel-10-4-a]: Verwijzing a: Gen. 2:14. Genesis 2:14: En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
[^daniel-10-5-15]: Kanttekening 15: Te weten Christus, gelijk enige afnemen uit Dan. 12:6, 12:7; Openb. 1:13, 1:14, 1:15, en Openb. 10:5; die in die tijd in de gedaante van een man verschenen is. Daniël 12:6: En hij zei tot de Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen? Daniël 12:7: En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden. Openbaring 1:13: En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Openbaring 1:14: En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Openbaring 10:5: En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel.
[^daniel-10-5-16]: Kanttekening 16: 16 met linnen bekleed: Te weten met kostelijk lijnwaad, gelijk de koningen en priesters plegen te dragen; zie Lev. 6:10, en Lev. 16:4. Leviticus 6:10: En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. Leviticus 16:4: Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
[^daniel-10-5-b]: Verwijzing b: Openb. 1:13; idem v. 14; idem v. 15. Openbaring 1:13: En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Openbaring 1:14: En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^daniel-10-5-17]: Kanttekening 17: Zie van Ufaz, Jer. 10:9. Sommigen verstaan door dit goud, de heiligheid, reinheid en heerlijkheid van Christus, waarmee Hij versierd en als omgord is. Jeremia 10:9: Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk van de werkmeesters en van de handen van de goudsmid; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk van de wijzen zijn zij al te zamen.
[^daniel-10-6-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws, Tharsis. Anders beryllus thalassius, die \[gelijk enige menen\] hemelsblauw is, naar sommiger gevoelen betekenende dat Christus de Heer van de hemel is; 1 Kor. 15:47. 1 Korinthiërs 15:47: De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel.
[^daniel-10-6-19]: Kanttekening 19: Gelijk de bliksem schijnt van het ene einde van de wereld tot het andere, zo ook Christus de Heer, die overal tegenwoordig is. Vergelijk Matt. 24:27. Mattheüs 24:27: Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, zo zal ook de toekomst van de Zoon van de mensen wezen.
[^daniel-10-6-20]: Kanttekening 20: 20 ogen gelijk vurige fakkelen: Daar is niets zo verborgen of de scherpziende en vurige ogen van Christus dringen er door, vergelijk Openb. 1:14, en Openb. 19:12. Openbaring 1:14: En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; Openbaring 19:12: En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hij Zelf.
[^daniel-10-6-21]: Kanttekening 21: 21 Zijn armen en Zijn voeten: Met zijne armen en handen zijne vijanden verbrekende, en met zijne voeten hen vertredende, gelijk Openb. 1:15. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^daniel-10-6-22]: Kanttekening 22: 22 de verf van gepolijst koper: Hebreeuws, Gelijk de ogen van de gepolijsten, of, gegladden kopers (עֵינָי). Oog voor verf is ook Lev. 13:55, Num. 11 vers 7. Zie ook Ez. 1:4. Door het gepolijste of blinkende koper wordt Christus' macht betekend, zijn vijanden verslaand en verpletterend, als aarden potten. Vergel. Ps. 2:9, Openb. 1:15. Leviticus 13:55: Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, u zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde. Numeri 11:7: Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van de bedolah. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Psalmen 2:9: U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^daniel-10-6-23]: Kanttekening 23: 23 van een menigte: Of, de stem van een gedruis, of bruisen van de zee, of grote wateren. Want het Hebreeuws woord betekent zowel een gedruis, als ene menigte, Openb. 1:15; en wordt van Christus gezegd dat zijne stem was als het geruis van vele wateren; zij wordt wijd en breed gehoord en zij bekeert vele mensen. Vergelijk Ez. 1:24. Openbaring 1:15: En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
[^daniel-10-7-24]: Kanttekening 24: 24 Daniël, alleen: God heeft Daniël alleen de ogen geopend. Zulks is ook geschied met Paulus; Hand. 9:7. Handelingen 9:7: En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
[^daniel-10-7-25]: Kanttekening 25: 25 viel op hen: Zonder twijfel toen zij die grote stem hoorden.
[^daniel-10-8-26]: Kanttekening 26: De schoonheid van mijn aangezicht. De zin is dat hij door schrik en vrees werd als een dode man, die gene schoonheid heeft, zijnde zijne gedaante geheel veranderd en verdorven.
[^daniel-10-8-c]: Verwijzing c: Dan. 7:28. Daniël 7:28: Tot hiertoe is het einde van deze rede. Wat mij Daniël betreft, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; maar ik bewaarde dat woord in mijn hart.
[^daniel-10-9-27]: Kanttekening 27: 27 diepen slaap: Gelijk boven Dan. 8:18. Daniël 8:18: Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
[^daniel-10-10-28]: Kanttekening 28: 28 een hand: Te weten de hand van de engel Gabriël. Zie Dan. 8:18, en Dan. 9:21. Daniël 8:18: Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats. Daniël 9:21: Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snel gevlogen, mij aanrakende, omtrent de tijd van het avondoffer.
[^daniel-10-10-29]: Kanttekening 29: 29 op mijn knieën: Hij wil zeggen dat hij zo zwak was, dat hij op zijne voeten niet staan kon, maar dat hij als op handen en voeten kroop of steunde.
[^daniel-10-11-30]: Kanttekening 30: 30 u zeer gewenste man: Of, u allergewenste man. Zie boven Dan. 9:23. Daniël 9:23: In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
[^daniel-10-11-31]: Kanttekening 31: 31 sta op uw standplaats: Dat is, sta aan, of op uwe plaats waar u straks gestaan hebt. Zie Neh. 8:8. Nehemia 8:8: Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.
[^daniel-10-11-32]: Kanttekening 32: Of, gesproken had.
[^daniel-10-12-33]: Kanttekening 33: 33 om te verstaan: Of, om aan te merken, gelijk vers 11, namelijk om te verstaan wat gelegenheid het in toekomende tijden met de kerk van God hebben zou, zo de zeventig weken voltooid en de tempel, samen met de stad Jeruzalem, nog niet opgebouwd werden. Daniël 10:11: En Hij zei tot mij: Daniël, u zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.
[^daniel-10-12-34]: Kanttekening 34: 34 te verootmoedigen: Of, te kwellen, namelijk met vasten en treuren. Zie Lev. 16:29. Leviticus 16:29: En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^daniel-10-12-36]: Kanttekening 36: 36 omwille van uw woorden: Te weten om u te onderrichten van de toekomende staat van uw volk, gelijk u begeerd hebt.
[^daniel-10-12-35]: Kanttekening 35: 35 zijn uw woorden gehoord: Dat is, uw gebed verhoord, te weten waarmee u begeerd hebt te verstaan de staat van uw volk. Vergelijk met vers 14. Daniël 10:14: Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk bejegenen zal in het vervolg van de dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.
[^daniel-10-13-37]: Kanttekening 37: 37 vorst van het koninkrijk van Perzië: Dat is, naar sommiger gevoelen een kwade engel. Vergelijk Ef. 6:12. Maar anderen verstaan door deze vorst Cambyzes, die in het afwezen van zijn vader het rijk regeerde, terwijl zijn vader Cyrus in andere landen krijg voerde. Efeziërs 6:12: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
[^daniel-10-13-38]: Kanttekening 38: 38 stond tegenover Mij: Dat is, hij stond tegen mij, en ik heb hem tegenstand gedaan, omdat hij kwade aanslagen tegen uw volk voorhad, namelijk tot verhindering van de bouw van de stad en van de tempel, dat God voor een korte tijd heeft toegelaten, om zijn volk des te meer tot ijver in het gebed op te scherpen en tot rechte boetvaardigheid.
[^daniel-10-13-39]: Kanttekening 39: 39 een en twintig dagen: Dat is, drie weken lang. Zie boven vers 2, 10:3. De zin is, dat is de oorzaak waarom ik niet eer tot u gekomen ben, gelijk ik gedaan zou hebben als ik hierdoor niet was verhinderd geweest. Daniël 10:2: In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken van de dagen. Daniël 10:3: Begeerlijk voedsel at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij geheel niet, totdat die drie weken van de dagen vervuld waren.
[^daniel-10-13-40]: Kanttekening 40: Enige verstaan door Michaël de Heer Christus zelf, die zijne dienaren bijstaat en hun kracht en sterkte geeft. Anderen menen dat Michaël de naam van een aartsengel is, betekenende, wie is gelijk God? Daarom houden verscheidenen Michaël voor een geschapen engel, omdat hier staat: Één van de eerste vorsten, en verklaren dat aldus: Één van de engelen, die tot vorsten gesteld zijn over de volken, dat op Christus niet past, die het hoofd van de engelen is.
[^daniel-10-14-41]: Kanttekening 41: 41 uw volk: Dat is, uw landslieden, de Joden.
[^daniel-10-14-42]: Kanttekening 42: 42 in het vervolg van de dagen: Of, in het laatste van de dagen, in toekomende tijden. Zie boven Dan. 2:28. Daniël 2:28: Maar er is een God in de hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
[^daniel-10-14-43]: Kanttekening 43: 43 het gezicht is nog voor vele dagen: Anders: want daar is nog een gezicht \[voorhanden\] van dezelfde dagen. Versta hier nog een als behalve die gezichten, die u tevoren gezien hebt, Dan. 7, Dan. 8.
[^daniel-10-15-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws, naar deze woorden; dat is, zo en zo.
[^daniel-10-15-45]: Kanttekening 45: 45 sloeg ik: Hebreeuws, gaf ik.
[^daniel-10-15-46]: Kanttekening 46: 46 ik werd stom: Of, ik was stom.
[^daniel-10-16-48]: Kanttekening 48: 48 tegenover mij stond: Versta hierbij: en met mij sprak.
[^daniel-10-16-47]: Kanttekening 47: 47 de mensenkinderen gelijk: Hebreeuws, naar de gelijkenis van de mensenkinderen. Zie van deze persoon breder boven vers 5, 10:7. Daniël 10:5: En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz. Daniël 10:7: En ik, Daniël, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; maar een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.
[^daniel-10-16-49]: Kanttekening 49: 49 keren zich mijn weeën over mij: Of, mijne weeën overvallen mij. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk die weeën, bange smarten en pijnen van de barende vrouwen. Zie de aantekening 1 Sam. 4:19. Anders: mijne ingewanden keerden zich in mij om. 1 Samuël 4:19: En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar.
[^daniel-10-17-50]: Kanttekening 50: 50 deze mijn Heer: Te weten die zo voortreffelijk, heerlijk en aanzienlijk is.
[^daniel-10-17-51]: Kanttekening 51: 51 wat mij betreft: Hebreeuws aldus, en ik, van nu staat gene kracht in mij.
[^daniel-10-17-52]: Kanttekening 52: Vergelijk Gen. 7:22; Jes. 2:22; wat betreft het woord adem. Genesis 7:22: Al wat een adem van de geest van het leven in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven. Jesaja 2:22: Laat u dan af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
[^daniel-10-18-53]: Kanttekening 53: 53 opnieuw aan: Of, nog meer aan. Hebreeuws, en hij voegde er bij, en raakte aan mij.
[^daniel-10-18-54]: Kanttekening 54: Dat is, dezelfde Engel die eens mensen gedaante had aangenomen, vers 16.
[^daniel-10-19-55]: Kanttekening 55: 55 u zeer gewenste man: Zie boven Dan. 9:23. Daniël 9:23: In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
[^daniel-10-19-56]: Kanttekening 56: 56 sterk, ja, wees sterk: Of, verman u, ja verman u.
[^daniel-10-19-57]: Kanttekening 57: 57 werd ik versterkt: Dat is, ik greep een moed, ik vermande mij.
[^daniel-10-20-58]: Kanttekening 58: 58 Weet u: Te weten om aan te wijzen wat uw volk zal overkomen, gelijk voorzegd is boven vers 14. Daniël 10:14: Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk bejegenen zal in het vervolg van de dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.
[^daniel-10-20-59]: Kanttekening 59: 59 om te strijden: Dat is, om het kwade voornemen tegen de kerk van God tegen te staan.
[^daniel-10-20-60]: Kanttekening 60: 60 de vorst van de Perzen: Zie boven vers 13. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië.
[^daniel-10-20-61]: Kanttekening 61: 61 uitgegaan zijn: Te weten uit Perzië.
[^daniel-10-20-62]: Kanttekening 62: 62 de vorst van Griekenland: Dat is, naar sommiger gevoelen, een kwade engel. Maar anderen verstaan door deze vorst Alexander de Grote.
[^daniel-10-21-63]: Kanttekening 63: 63 wat getekend is: Dat is, wat in de onveranderlijke raad van God besloten is.
[^daniel-10-21-64]: Kanttekening 64: 64 niet een: Geen mens.
[^daniel-10-21-65]: Kanttekening 65: 65 Mij versterkt: Dat is, die mij helpt.
[^daniel-10-21-66]: Kanttekening 66: Te weten gouverneurs van Perzië, of in deze zaak.
[^daniel-10-21-67]: Kanttekening 67: Zie vers 13. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië.

### Daniël 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/11.json)

*Profetie aangaande Alexander de Grote, alsook van enige koningen van Egypte en van Syrië, vers 1 enz. In het bijzonder van de wreedheid en goddeloosheid van een koning boven alle anderen, 36. Eveneens van enige andere vijanden van Gods volk, bijna tot aan de voleinding van de wereld toe, 40 enz.*

**1** [^daniel-11-1-1] Ik nu,[^daniel-11-1-2] ik stond in het eerste jaar van Darius, de[^daniel-11-1-3] Meder, om hem te versterken en te stijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v1)

**2** En nu, ik zal u[^daniel-11-2-4] de waarheid te kennen geven; zie, er zullen[^daniel-11-2-5] nog drie koningen in Perzië[^daniel-11-2-6] staan, en[^daniel-11-2-7] de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan[^daniel-11-2-8] al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij[^daniel-11-2-9] ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v2)

**3** Daarna zal[^daniel-11-3-10] er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en[^daniel-11-3-11] hij zal doen naar zijn welgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v3)

**4** En als hij zal[^daniel-11-4-12] staan, zal zijn rijk gebroken, en[^daniel-11-4-13] in de vier winden van de hemel verdeeld worden,[^daniel-11-4-14] maar niet aan zijn nakomelingen, ook[^daniel-11-4-15] niet naar zijn heerschappij, waarmee hij heerste; want zijn rijk zal[^daniel-11-4-16] uitgerukt worden, en dat[^daniel-11-4-17] voor anderen, dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v4)

**5** En[^daniel-11-5-18] de koning van het Zuiden, die[^daniel-11-5-19] één van zijn vorsten is, zal sterk worden; maar[^daniel-11-5-20] een ander zal sterker worden[^daniel-11-5-21] dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v5)

**6** [^daniel-11-6-22] Op het einde nu van sommige jaren, zullen[^daniel-11-6-23] zij zich met elkaar bevrienden, en[^daniel-11-6-24] de dochter van de koning van het[^daniel-11-6-25] Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden,[^daniel-11-6-26] om redelijke voorwaarden te maken; maar[^daniel-11-6-27] zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal[^daniel-11-6-28] hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar[^daniel-11-6-29] zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en[^daniel-11-6-30] die haar gegenereerd heeft, en[^daniel-11-6-31] die haar gesterkt heeft in die tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v6)

**7** Maar[^daniel-11-7-32] uit de spruit van haar wortels zal er een opstaan in zijn staat, die zal[^daniel-11-7-33] met legermacht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen[^daniel-11-7-34] van de koning van het Noorden, en hij[^daniel-11-7-35] zal daartegen doen, en hij zal ze bemachtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v7)

**8** Ook zal hij[^daniel-11-8-36] hun goden, met hun vorsten, met[^daniel-11-8-37] hun gewenste voorwerpen van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren[^daniel-11-8-38] staande blijven boven de koning van het Noorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v8)

**9** Zo zal[^daniel-11-9-39] de koning van het[^daniel-11-9-40] Zuiden in het koninkrijk komen, en[^daniel-11-9-41] hij zal opnieuw in zijn land trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v9)

**10** Maar[^daniel-11-10-42] zijn zonen zullen zich in[^daniel-11-10-43] strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote legers verzamelen; en[^daniel-11-10-45][^daniel-11-10-44] één van hen zal snel komen, en als een vloed[^daniel-11-10-46] overstromen en doortrekken; en[^daniel-11-10-47] hij zal opnieuw komen, en zich in de strijd mengen, tot aan[^daniel-11-10-48] zijn sterke plaats toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v10)

**11** En[^daniel-11-11-49] de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen de koning van het Noorden,[^daniel-11-11-50] die ook een grote menigte oprichten zal, maar[^daniel-11-11-51] die menigte zal in zijn hand gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v11)

**12** [^daniel-11-12-52] Als die menigte zal weggenomen zijn, zal[^daniel-11-12-53] zijn hart zich verheffen, en hij zal er[^daniel-11-12-54] enige tien duizenden neervellen; evenwel[^daniel-11-12-55] zal hij niet gesterkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v12)

**13** Want[^daniel-11-13-56] de koning van het Noorden zal terugkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en[^daniel-11-13-57] aan het einde van de tijden van de jaren,[^daniel-11-13-58] zal hij snel komen met een grote legermacht, en met groot goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v13)

**14** Ook zullen er in die tijden[^daniel-11-14-59] velen opstaan[^daniel-11-14-60] tegen de koning van het Zuiden; en[^daniel-11-14-61] de scheurmakers van uw volk[^daniel-11-14-62] zullen verheven worden,[^daniel-11-14-63] om het visioen[^daniel-11-14-64] te bevestigen, maar zij[^daniel-11-14-65] zullen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v14)

**15** En[^daniel-11-15-66] de koning van het Noorden zal komen, en[^daniel-11-15-67] een wal opwerpen,[^daniel-11-15-68] en versterkte steden innemen; en de[^daniel-11-15-69] armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk,[^daniel-11-15-71] ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.[^daniel-11-15-70] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v15)

**16** Maar[^daniel-11-16-72] hij, die[^daniel-11-16-73] tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan[^daniel-11-16-74] in het land van het sieraad, en[^daniel-11-16-75] de verderving zal in zijn hand wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v16)

**17** En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht van zijn hele rijk[^daniel-11-17-76] te komen, en[^daniel-11-17-77] hij zal redelijke voorwaarden medebrengen, en[^daniel-11-17-78] hij zal het doen; want hij zal[^daniel-11-17-79] hem[^daniel-11-17-80] een dochter van de vrouwen geven,[^daniel-11-17-81] om haar te verderven, maar[^daniel-11-17-82] zij zal niet vast staan, en zij zal[^daniel-11-17-83] voor hem niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v17)

**18** Daarna zal hij zijn aangezicht[^daniel-11-18-84] tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; maar[^daniel-11-18-85] een overste zal[^daniel-11-18-86] zijn smaad[^daniel-11-18-87] tegen hem doen ophouden, behalve dat hij[^daniel-11-18-88] zijn smaad op hem zal doen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v18)

**19** En hij zal zijn aangezicht keren naar de vestingen[^daniel-11-19-89] van zijn land, en hij zal aanstoten, en[^daniel-11-19-90] vallen, en niet gevonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v19)

**20** En[^daniel-11-20-91] in zijn staat zal[^daniel-11-20-92] er een opstaan, doende[^daniel-11-20-93] een geldeiser doortrekken,[^daniel-11-20-94] in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal[^daniel-11-20-95] in enige dagen gebroken worden, toch[^daniel-11-20-96] niet door toornvlagen, noch door oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v20)

**21** Daarna zal[^daniel-11-21-97] er een verachte in zijn staat staan, die men de koninklijke waardigheid[^daniel-11-21-98] niet zal geven; maar hij zal[^daniel-11-21-99] in stilheid komen, en het koninkrijk[^daniel-11-21-100] door vleierijen bemachtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v21)

**22** En[^daniel-11-22-101] de armen van de overstroming[^daniel-11-22-102] zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook[^daniel-11-22-103] de vorst van het verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v22)

**23** En na de vereniging[^daniel-11-23-104] met hem[^daniel-11-23-105] zal hij bedrog plegen, en[^daniel-11-23-106] hij zal optrekken, en[^daniel-11-23-107] hij zal met weinig volk gesterkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v23)

**24** Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen[^daniel-11-24-108] van het gewest komen, en[^daniel-11-24-109] hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders van zijn vaders, niet gedaan hebben;[^daniel-11-24-110] roof, en buit, en goederen, zal hij[^daniel-11-24-111] onder hen[^daniel-11-24-112] uitstrooien, en hij zal tegen[^daniel-11-24-113] de vestingen zijn gedachten denken, maar[^daniel-11-24-114] tot een zekere tijd toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v24)

**25** En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken[^daniel-11-25-115] tegen de koning van het Zuiden, met een grote legermacht; en de koning van het[^daniel-11-25-116] Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige legermacht; maar[^daniel-11-25-117] hij zal niet bestaan, want[^daniel-11-25-118] zij zullen gedachten tegen hem denken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v25)

**26** En die[^daniel-11-26-119] de stukken[^daniel-11-26-120] van zijn voedsel zullen eten, zullen hem[^daniel-11-26-121] breken, en de legermacht[^daniel-11-26-122] daarvan[^daniel-11-26-123] zal overstromen, en[^daniel-11-26-124] vele verslagenen zullen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v26)

**27** En[^daniel-11-27-125] het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan één tafel zullen zij[^daniel-11-27-126] leugen spreken; en[^daniel-11-27-127] het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben[^daniel-11-27-128] op de vastgestelde tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v27)

**28** En[^daniel-11-28-129] hij zal in zijn land[^daniel-11-28-130] terugkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn[^daniel-11-28-131] tegen het heilig verbond; en[^daniel-11-28-132] hij zal het doen, en terugkeren[^daniel-11-28-133] in zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v28)

**29** [^daniel-11-29-134] Ter bestemder tijd zal hij terugkeren, en[^daniel-11-29-135] tegen het Zuiden komen, maar[^daniel-11-29-136] het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v29)

**30** Want er zullen schepen van[^daniel-11-30-137] Chittim[^daniel-11-30-138] tegen hem komen,[^daniel-11-30-139] daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal[^daniel-11-30-140] terugkeren, en gram worden tegen[^daniel-11-30-141] het heilig verbond, en[^daniel-11-30-142] hij zal het doen; want[^daniel-11-30-143] wederkerende zal[^daniel-11-30-144] hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v30)

**31** En er zullen[^daniel-11-31-145] armen[^daniel-11-31-146] uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen,[^daniel-11-31-147] en de vesting, en zij zullen[^daniel-11-31-148] het voortdurende offer wegnemen, en[^daniel-11-31-149] een verwoestende gruwel[^daniel-11-31-150] stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v31)

**32** En[^daniel-11-32-151] die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij[^daniel-11-32-152] doen huichelen door vleierijen; maar het volk,[^daniel-11-32-153] die hun God kennen, zullen zij[^daniel-11-32-154] grijpen, en[^daniel-11-32-155] zullen het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v32)

**33** En[^daniel-11-33-156] de leraars van het volk zullen er[^daniel-11-33-157] velen onderwijzen, en zij[^daniel-11-33-158] zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving,[^daniel-11-33-159] vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v33)

**34** [^daniel-11-34-160] Als zij nu zullen vallen, zullen zij[^daniel-11-34-161] met een kleine hulp geholpen worden; maar velen zullen zich[^daniel-11-34-162] door vleierijen[^daniel-11-34-163] tot hen vervoegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v34)

**35** En van de leraars zullen er[^daniel-11-35-164] sommigen vallen,[^daniel-11-35-165] om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken,[^daniel-11-35-166] tot de tijd van het einde toe;[^daniel-11-35-167] want het zal nog zijn voor een bestemde tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v35)

**36** [^daniel-11-36-168] En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot[^daniel-11-36-169] maken boven allen God, en hij zal[^daniel-11-36-170] tegen de God van de goden[^daniel-11-36-a] wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn,[^daniel-11-36-171] totdat de toorn voltooid zij,[^daniel-11-36-172] want het is vast besloten,[^daniel-11-36-173] het zal gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v36)

**37** En[^daniel-11-37-174] op de goden van zijn vaders zal hij geen acht geven, noch[^daniel-11-37-175] op de begeerte van de[^daniel-11-37-176] vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v37)

**38** En hij zal[^daniel-11-38-177] de god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk de god, welke[^daniel-11-38-178] zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en[^daniel-11-38-179] met gewenste dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v38)

**39** En hij[^daniel-11-39-180] zal de bolwerken van de vestingen maken met de vreemde god;[^daniel-11-39-181] aan hen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen[^daniel-11-39-182] over velen, en hij zal het land uitdelen[^daniel-11-39-183] om prijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v39)

**40** En[^daniel-11-40-184] op de tijd van het einde,[^daniel-11-40-185] zal de koning van het Zuiden tegen hem[^daniel-11-40-186] met hoornen stoten; en[^daniel-11-40-187] de koning van het Noorden zal[^daniel-11-40-188] tegen hem aanstormen, met wagens, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal[^daniel-11-40-189] ze overstromen en[^daniel-11-40-190] doortrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v40)

**41** En hij zal komen[^daniel-11-41-191] in het land van het sieraad, en[^daniel-11-41-192] vele landen zullen neergeworpen worden; maar deze zullen[^daniel-11-41-193] zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en[^daniel-11-41-194] de eerstelingen van de kinderen Ammons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v41)

**42** En hij zal zijn hand[^daniel-11-42-195] aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte[^daniel-11-42-196] niet ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v42)

**43** En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en[^daniel-11-43-197] die van Libye, en de Moren[^daniel-11-43-198] zullen in zijn gangen wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v43)

**44** Maar[^daniel-11-44-199] de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote woede om velen te vernietigen en te[^daniel-11-44-200] verbannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v44)

**45** En[^daniel-11-45-201] hij zal de tenten[^daniel-11-45-202] van zijn paleis planten tussen de zeeën[^daniel-11-45-203] aan de berg van het heilige sieraad; en hij zal[^daniel-11-45-204] tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/11.html#v45)

[^daniel-11-1-1]: Kanttekening 1: 1 Ik nu: Dit spreekt nog de engel, die in Dan. 10 had aangevangen met Daniël te spreken.
[^daniel-11-1-2]: Kanttekening 2: 2 ik stond: Hebreeuws, mijn staan was (עָמְדִ).
[^daniel-11-1-3]: Kanttekening 3: Te weten om Darius bijstand te doen en zijn rijk vast staande te houden.
[^daniel-11-2-4]: Kanttekening 4: 4 de waarheid: De rechte en ware vertelling van de toekomende stand van het Perzische rijk en van uw volk.
[^daniel-11-2-5]: Kanttekening 5: 5 nog drie koningen: Te weten na Cores. Deze drie zijn \[gelijk sommigen menen\] Cambyzes, Smerdis, Darius Hystaspes en de vierde is Xerxes. Anderen (die Smerdis voorbijgaan, omdat hij onwettelijk onder de valse naam van Smerdis de zoon van Cambyzes het koninkrijk ingenomen en maar zeven maanden geregeerd heeft) tellen deze koningen aldus: Cambyzes, Darius, Xerxes, die de laatste is van de drie, de vierde van Cyrus af te rekenen, die de eerste monarch in Perzië was.
[^daniel-11-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, met macht regeren over de gehele monarchie: de engel wil niet zeggen, dat er geen koningen meer in Perzië zouden volgen, maar dat de koningen die na die vier zouden komen, van tijd tot tijd kleiner van moed en macht zouden zijn, en dat Alexander het leed van Xerxes Griekenland aangedaan, zou wreken.
[^daniel-11-2-7]: Kanttekening 7: Te weten Xerxes, de zoon van Darius Hystaspes, die al de koningen van de Perzen in rijkdom is teboven gegaan; eerst genoemd een schrik, daarna een spot van Griekenland.
[^daniel-11-2-8]: Kanttekening 8: 8 al de anderen: Te weten koningen van Perzië.
[^daniel-11-2-9]: Kanttekening 9: Te weten al zijne onderzaten, onder zich hebbende honderd zeven en twintig provinciën, Esth. 1:1. Esther 1:1: Het geschiedde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahasveros, die regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).
[^daniel-11-3-10]: Kanttekening 10: 10 geweldig koning: Te weten Alexander de Grote, die de Perzische monarchie onder zijn gebied gebracht heeft, samen met nog andere koninkrijken meer.
[^daniel-11-3-11]: Kanttekening 11: 11 naar zijn welgevallen: Dat is hij zal gelukkig en voorspoediglijk uitrichten alles wat hij in handen nemen zal, want God was met hem, besloten hebbende hem tot een monarch te verheffen. Zie Dan. 7:6, en Dan. 8:5. Daniël 7:6: Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelfde dier vier hoofden, en aan hetzelfde werd de heerschappij gegeven. Daniël 8:5: Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de ganse aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.
[^daniel-11-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, als hij zal gekomen zijn tot zijn hoogste geweld en bloei.
[^daniel-11-4-13]: Kanttekening 13: 13 vier winden van de hemel: Zie boven Dan. 8:8. Daniël 8:8: En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel.
[^daniel-11-4-14]: Kanttekening 14: 14 niet aan zijn nakomelingen: Dat is, niet aan zijne kinderen, noch bloedverwanten of nakomelingen. Alexander de Grote heeft twee zonen nagelaten, te weten Alexander uit zijne huisvrouw Roxane, en Hercules uit Barsine, welke beiden door Cassander gedood zijn, opdat hij het rijk van Macedonië, na de dood van Alexander de Grote, mocht innemen.
[^daniel-11-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, niet met zulke macht en heerschappij als hij geheerst en geregeerd heeft.
[^daniel-11-4-16]: Kanttekening 16: 16 uitgerukt worden: Het is in vier delen verscheurd geworden.
[^daniel-11-4-17]: Kanttekening 17: De zin is dat de monarchie van Alexander, na zijn dood zou verscheurd en verdeeld worden, en dat zijne kinderen of nakomelingen, gelijk in het voorgaande gezegd is, geen deel daarvan krijgen zouden, maar vier vorsten, die van zijn bloede niet waren, zouden het onder zich delen.
[^daniel-11-5-18]: Kanttekening 18: 18 koning van het Zuiden: Dat is, de koning van Egypte, te weten Ptolomeus, de zoon van Lagus.
[^daniel-11-5-19]: Kanttekening 19: 19 één van zijn vorsten: Te weten één van de vorsten van Alexander de Grote. En versta hier door vorsten landvoogden of stadhouders.
[^daniel-11-5-20]: Kanttekening 20: 20 een ander: Te weten Seleucus Nicanor, koning van Syrië en Babylonië.
[^daniel-11-5-21]: Kanttekening 21: 21 dan hij: Te weten dan Ptolomeus Lagus.
[^daniel-11-6-22]: Kanttekening 22: 22 Op het einde nu van sommige jaren: Te weten nadat zij enige jaren tegen elkaar zullen geoorloogd hebben; te weten omtrent zeventig jaren na de dood van Alexander de Grote, naar sommiger rekening.
[^daniel-11-6-23]: Kanttekening 23: 23 zij zich met elkaar bevrienden: Te weten de koning van Egypte Ptolomeus Filadelfus, de zoon van Ptolomeus Lagus, en de koning van Syrië, Antiochus Theos, de neef of zoonszoon van Seleucus Nicanor.
[^daniel-11-6-24]: Kanttekening 24: 24 de dochter van de koning van het Zuiden: Genaamd Berenice, de dochter van Ptolomeus Filadelfus.
[^daniel-11-6-25]: Kanttekening 25: 25 zal komen tot de koning van het Noorden: Dat is, zal trouwen met Antiochus Theos; dat is Antiochus de god, koning van het noorden; dat is, van Azië, en van Syrië, aan het noorden gelegen, ten aanzien van het Joodse land.
[^daniel-11-6-26]: Kanttekening 26: 26 om billijke voorwaarden te maken: Hebreeuws, om billijkheden, of richtigheden te maken; dat is, om de zaken te beslechten en effen te maken. Anderen nemen het op het huwelijk van Berenice en Antiochus Theos, waarvan de engel zou spreken naar hunlieder mening, hoewel het inderdaad geen billijk werk was, maar een gruwelijke bloedschande, want de huisvrouw, die Antiochus Theos toen al had, was de zus van Berenice, bij welke hij twee kinderen had, daarom heeft de Heer dit huwelijk vervloekt, en in stede van vrede is er een bloedige oorlog uit ontstaan.
[^daniel-11-6-27]: Kanttekening 27: 27 zij zal de macht van de arm niet behouden: Dat is, Berenice zal niet zijn als een sterke arm, om te maken dat de vrede tussen die beide koningen bestendig blijve. Anders: Maar de arm zal de kracht niet behouden. Zie boven Dan. 2:43. Daniël 2:43: En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
[^daniel-11-6-28]: Kanttekening 28: 28 hij, noch zijn arm: Te weten Ptolomeus, koning van het zuiden met Berenice zijne dochter, die hij gebruikt als een arm, om een vasten vrede te maken. Anderen verstaan door hij, Antiochus Theos, en door zijn arm zijne kracht.
[^daniel-11-6-29]: Kanttekening 29: 29 zij zal overgegeven worden: Te weten Berenice, en het gezelschap dat met haar gekomen was, samen met haar vader en haar man, die haar gesterkt en groot gemaakt heeft, verstotende haar zus Laodice, die hij tevoren getrouwd had; zij zullen allemaal van de Heer gestraft en in de handen van hunne vijanden overgeleverd worden. Laodice heeft haar zoon Seleucus Callinicus opgeruid, dat hij de stad, in welke Berenice was, belegerd heeft; die overwonnen hebbende, heeft hij Berenice met al haar gezelschap gedood. Ook is Antiochus Theos door venijn van Laodice ellendig omgebracht. Zie Appianus van de Syrische oorlogen.
[^daniel-11-6-30]: Kanttekening 30: 30 die haar gegenereerd heeft: Anders: en die van haar geboren is, te weten haar jongste zoon, die toen nog een kind was, maar hij is evenwel mee omgebracht.
[^daniel-11-6-31]: Kanttekening 31: 31 die haar gesterkt heeft in die tijden: Te weten Antiochus Theos, die Berenice verheven heeft tot de koninklijke macht en grootheid, verstotende haar zus Laodice, zijn eerste huisvrouw, die hem daarom heeft doen vergeven.
[^daniel-11-7-32]: Kanttekening 32: 32 uit de spruit van haar wortelen: De zin is: In de staat, dat is in het rijk van Ptolomeus Filadelfus, zal Ptolomeus Euergetes zijn zoon opvolgen als een spruit of tak uit zijn stronk, uit welke Berenice ook gesproten is, want Ptolomeus Euergetes was de broer van Berenice, die in zijns vaders Ptolomeus Filadelfus staat opgevolgd zijnde, de dood van zijn zus gewroken heeft aan Seleucus Callinicus, de koning in Syrië.
[^daniel-11-7-33]: Kanttekening 33: 33 met heirkracht komen: Om te wreken de dood van zijn zus Berenice.
[^daniel-11-7-34]: Kanttekening 34: 34 konings van het Noorden: Te weten van Seleucus Callinicus, die koning van Syrië was.
[^daniel-11-7-35]: Kanttekening 35: 35 zal tegen dezelfde doen: Dat is, hij zal uitrichten wat hij voornemen zal te doen; hij zal de dood van zijn zus Berenice wreken aan de koning van Syrië, hem afnemende het grootste deel van zijn koninkrijk.
[^daniel-11-8-36]: Kanttekening 36: 36 hun goden: Te weten, de afgoden van de Syriërs. Meermalen wordt het woord goden gebruikt voor afgoden, of beelden van de afgoden. Vergelijk Ex. 12:12. Exodus 12:12: Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH!
[^daniel-11-8-37]: Kanttekening 37: 37 hun gewenste vaten: Hebreeuws, vaten van hun begeerten.
[^daniel-11-8-38]: Kanttekening 38: 38 staande blijven: Groter en machtiger zijnde dan de koning tegen het noorden. Zie het volbrengen van deze voorzeggingen in Polyb. in het 5 boek Appian. van de Syrische oorlogen, en Josef. in het 5 boek tegen Appian. Anders: hij zal enige jaren langer bestendig blijven dan de koning van het noorden. Enige schrijven dat deze Ptolomeus geregeerd heeft zes en twintig jaren lang.
[^daniel-11-9-39]: Kanttekening 39: 39 de koning van het Zuiden: Ptolomeus Euergetes.
[^daniel-11-9-40]: Kanttekening 40: 40 in het koninkrijk komen: Te weten in het koninkrijk van Seleucus Callinicus, de koning van het noorden.
[^daniel-11-9-41]: Kanttekening 41: 41 hij zal opnieuw: Daartoe genoodzaakt zijnde door oproeren, die in zijn land opgerezen waren; anders was er grote mogelijkheid dat hij het gehele koninkrijk van Syrië zou hebben in genomen gehad. Inst. lib. 27. Anderen zetten vers 9 aldus over: En men zal in het koninkrijk van de koning van het zuiden komen, weshalve hij terugkeren zal. Daniël 11:9: Zo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal opnieuw in zijn land trekken.
[^daniel-11-10-42]: Kanttekening 42: 42 zijn zonen: Te weten de zonen van Seleucus Callinicus, koning van het noorden. De zonen van deze waren Seleucus Ceraunus en Antiochus de Grote.
[^daniel-11-10-43]: Kanttekening 43: 43 in strijd mengen: Tegen Ptolomeus Euergetes. Het woord strijd, dat hier ingevoegd is, is genomen uit vers 25. Daniël 11:25: En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; maar hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.
[^daniel-11-10-45]: Kanttekening 45: 45 zal snel komen: Hebreeuws, zal komende komen (בָא); te weten om tegen Ptolomeus Euergetes te oorlogen, als hij het minst dat vermoedde. Appian.
[^daniel-11-10-44]: Kanttekening 44: 44 één van hen: Te weten Antiochus de Grote, nadat zijn broer Seleucus Ceraunus zou omgekomen zijn door vergif in het tweede jaar van zijn regering, gelijk sommigen schrijven.
[^daniel-11-10-46]: Kanttekening 46: 46 overstromen en doortrekken: Dat is, doorbreken, overstromen, te weten tot aan Egypteland trekkende door Syrië en het Joodse land tot Rafiam toe, weer innemende die plaatsen, die zijn vader door de koning van Egypte waren afgenomen geweest.
[^daniel-11-10-47]: Kanttekening 47: 47 hij zal opnieuw komen: Te weten in Egypte, tegen Ptolomeus Filopator, de zoon van Ptolomeus Euergetes. Hij is met een machtige legermacht weer te velde gekomen, en nadat hij de koning van Egypte geslagen had, is er geschied wat hier volgt op het einde van vers 10. Daniël 11:10: Maar zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en één van hen zal snel komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal opnieuw komen, en zich in de strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.
[^daniel-11-10-48]: Kanttekening 48: 48 zijn sterke plaats toe: Te weten de vaste stad van de koning van Egypte genoemd Rabbattamessana of Rafiam aan de grenzen van Egypte gelegen, welke vaste stad hij Ptolomeus zal afnemen. Polyb. lib. 5.
[^daniel-11-11-49]: Kanttekening 49: 49 de koning van het Zuiden: Ptolomeus Filopator de zoon van Euergetes, zal tegen Antiochus de Grote met bitteren toorn ontstoken worden.
[^daniel-11-11-50]: Kanttekening 50: 50 ook een grote menigte oprichten zal: Dat is, die ook een grote legermacht te velde brengen zal.
[^daniel-11-11-51]: Kanttekening 51: 51 die menigte: De menigte van Antiochus, of het leger zal door Filopator overwonnen worden. Lees Polyb. in het 5 boek, Strab. in het 16 boek Geogra.
[^daniel-11-12-52]: Kanttekening 52: 52 Als die menigte: Dat is, als de heirkracht van Antiochus de Grote zal verslagen zijn. Zie het derde boek van de Maccabeën, en Josef. in het 12 boek van de Joodse oudheid, hoofdstuk 3. Deze slag, in welke Antiochus overwonnen is, is geschied bij Rafiam, Polyb. lib. 5.
[^daniel-11-12-53]: Kanttekening 53: 53 zijn hart zich verheffen: Te weten het hart van Ptolomeus Filopator.
[^daniel-11-12-54]: Kanttekening 54: 54 enige tien duizenden neervellen: Dat is, vele duizenden, zo van de legermacht zijns vijands, alsook van de Joden.
[^daniel-11-12-55]: Kanttekening 55: 55 zal hij niet gesterkt worden: Omdat hij uit hoogmoed zijn vijand Antiochus verachten en de overwinning niet vervolgen zal. Ook zal hij kort daarna sterven.
[^daniel-11-13-56]: Kanttekening 56: 56 de koning van het Noorden: Antiochus de Grote.
[^daniel-11-13-57]: Kanttekening 57: 57 aan het einde van de tijden van de jaren: Dat is, na die tijden, na enige jaren, te weten als Ptolomeus Filopator zal gestorven zijn, en zijn zoon Epifanes, nog een kind zijnde, in zijne plaats zal gekomen zijn, welke hij in zijn land vallen zal.
[^daniel-11-13-58]: Kanttekening 58: 58 zal hij snel komen: Anders, zal hij elke reis komen, of nu en dan komen, of dikwijls komen. Hebreeuws, zal hij komende komen (יָבוֹא).
[^daniel-11-14-59]: Kanttekening 59: 59 velen opstaan: Te weten Joden, of andere omliggende koningen en volken met Antiochus aanspannende.
[^daniel-11-14-60]: Kanttekening 60: 60 tegen de koning van het Zuiden: Tegen Ptolomeus, zich voegende bij Antiochus.
[^daniel-11-14-61]: Kanttekening 61: 61 de scheurmakers uws volks: Hebreeuws, de kinderen van de verbreker (בְנֵי); of doorbrekers van uw volk; o Daniël, dat is, uit de Joden, die met hunne handelingen de republied als in stukken scheuren. Sommigen verstaan dit van de priester Onias en zijn aanhang, die naar Egypte zijn getrokken, en hebben daar een tempel en altaar opgericht, voorgevende dat zij dat deden om te bevestigen het gezicht of de profetie van Jesaja, Jes. 19:19, 19:21: Op die dag zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, enz. Jesaja 19:19: Op die dag zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. Jesaja 19:21: En YHWH zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen YHWH kennen op die dag; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen YHWH een gelofte beloven en betalen.
[^daniel-11-14-62]: Kanttekening 62: 62 zullen verheven worden: Namelijk tot eer, of zullen zich verheffen, dat is, opwerpen, om scheuring aan te richten.
[^daniel-11-14-63]: Kanttekening 63: 63 om het gezicht: Dat is, opdat God aldus deze profetie van Daniël bevestigt, de harten van zijn uitverkorenen des te meer van de overige delen van die verzekerd worden. Anderen verstaan het van hun voornemen om de profetie van Jes. 19:19, 19:21 naar hunne beduiding te vervullen. Jesaja 19:19: Op die dag zal YHWH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor YHWH. Jesaja 19:21: En YHWH zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen YHWH kennen op die dag; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen YHWH een gelofte beloven en betalen.
[^daniel-11-14-64]: Kanttekening 64: 64 te bevestigen: Hebreeuws, te doen staan (יַֽעַמְדוּ).
[^daniel-11-14-65]: Kanttekening 65: 65 zij zullen vallen: Hebreeuws, struikelen, aanstoten; dat is, zij zullen teniet komen.
[^daniel-11-15-66]: Kanttekening 66: 66 de koning van het Noorden: Antiochus de Grote zal komen tegen Ptolomeus Epifanes. En hier wordt gesproken van de tweede tocht van Antiochus tegen Epifanes.
[^daniel-11-15-67]: Kanttekening 67: 67 een wal opwerpen: Zie de aantekening 2 Sam. 20:15; Jer. 32:24, en Jer. 33:4. De zin is, hij zal ze belegeren en innemen. 2 Samuël 20:15: En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neder te vellen. Jeremia 32:24: Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pestilentie; en wat U gesproken hebt, is geschied, en zie, U ziet het. Jeremia 33:4: Want zo zegt YHWH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
[^daniel-11-15-68]: Kanttekening 68: 68 en vaste steden innemen: Hebreeuws, ene stad van de vastigheden (עִיר); dat is, enige stad hoe vast ze zij, zal hij innemen.
[^daniel-11-15-69]: Kanttekening 69: 69 armen van het Zuiden: Dat is, de kloeke veldoversten en kapiteins van de koning van het zuiden, dat is van Egypte. Van het woord \[armen\] voor oversten; zie Ez. 31:17, enz. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder naar het dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden.
[^daniel-11-15-71]: Kanttekening 71: De zin is: Dat noch de oversten noch de soldaten van de koning van Egypte, zullen iets tegen Antiochus de Grote vermogen.
[^daniel-11-15-70]: Kanttekening 70: 70 noch zijn uitgelezen volk: Hebreeuws, noch het volk van zijn uitgelezenen (עַם).
[^daniel-11-16-72]: Kanttekening 72: Te weten Antiochus, de koning van het noorden.
[^daniel-11-16-73]: Kanttekening 73: 73 hem komt: Tegen Ptolomeus Epifanes.
[^daniel-11-16-74]: Kanttekening 74: 74 in het land van het sieraad: Dat is, in het Joodse land. Zie de aantekening boven Dan. 8:9. Anderen: in het land Zebi. Daniël geeft met deze woorden te verstaan dat Antiochus niet alleen Egypte zou aantasten, maar ook Judea, dat hij de Joden tevoren zegt, opdat zij zouden weten dat het alles geschiedt door de voorzienigheid van God. Daniël 8:9: En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
[^daniel-11-16-75]: Kanttekening 75: 75 de verderving zal in zijn hand wezen: Dat is, hij zal het gehele Joodse land kunnen verderven. Of de zin is: Hij zal kunnen doen en volbrengen wat hij wil. Zo wordt het woord voleinding somtijds genomen voor vervulling en volbrenging, maar meest betekent het een uiterste verderving. Zie Gen. 18:21. Zie de vervulling van deze profetie bij Josefus lib. 12. Antiq.cap. 3, en Polyb.lib. 11. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^daniel-11-17-76]: Kanttekening 76: 76 te komen: Te weten tegen Ptolomeus Epifanes, de koning van Egypte.
[^daniel-11-17-77]: Kanttekening 77: 77 hij zal billijke voorwaarden medebrengen: Hebreeuws: En billijkheden met hem; of: en daar zal gerechtigheid met hem zijn. Zie voren vers 6. Daniël 11:6: Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkaar bevrienden, en de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; maar zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.
[^daniel-11-17-78]: Kanttekening 78: 78 hij zal het doen: Hij zal het doen, of hij zal ze doen; dat is, hij zal ze voltooien, te weten de beloofde voorwaarden, maar niet oprecht, maar arglistig, totdat hij gelegenheid zou vinden om zijn bedrog in het werk te stellen.
[^daniel-11-17-79]: Kanttekening 79: Te weten Ptolomeus Epifanes, de koning van Egypte.
[^daniel-11-17-80]: Kanttekening 80: 80 een dochter van de vrouwen geven: Dat is, ene huisvrouw onder de vrouwen in schoonheid uitstekende, te weten zijn eigen dochter Cleopatra. Anders: ene dochter \[zijne\] vrouwen; dat is, ene dochter van ene van zijne vrouwen, dat is, ene van zijne dochters.
[^daniel-11-17-81]: Kanttekening 81: 81 om haar te verderven: Dat was wel eigenlijk zijn voornemen niet, maar het zou er wel lichtelijk uit ontstaan zijn, als zij haars vaders raad gevolgd en haar man door vergif of anders omgebracht had. Anders: haar arglistiglijk verdervende, namelijk haar bevelende dat zij haar man moest van kant helpen; opdat hij dan, als voogd over zijne dochter, Egypte mocht innemen.
[^daniel-11-17-82]: Kanttekening 82: 82 zij zal niet vast staan: Zij zal in dat boos voornemen, dat haar vader van haar begeerde, en dat zij, zo het schijnt, hem eerst beloofd had, niet voortvaren; zodat Antiochus van zijne eigen dochter is bedrogen geworden.
[^daniel-11-17-83]: Kanttekening 83: 83 zij zal voor hem niet zijn: Dat is, zij zal Antiochus de Grote, haars vaders, bozen wil niet doen, maar zij al haar man getrouw blijven. Dit alles zo geschied te zijn, betuigt Livinus in het derde boek. Decad. 4.
[^daniel-11-18-84]: Kanttekening 84: 84 tot de eilanden keren: Die het Romeinse gebied onderworpen waren, als Cyprus, Phocea, Samus, Rhodus, Colofon, Eubea, enz.; of, eilanden kan hier ook wel betekenen vergelegen landen over zee.
[^daniel-11-18-85]: Kanttekening 85: 85 een overste: Te weten één van de veldoversten van de Romeinen, genoemd Marcus Acilius, alsook Lucius Scipio Nasica. Van het woord overste zie Richt. 11:6; hier betekent het een consul van de Romeinen. Richteren 11:6: En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.
[^daniel-11-18-86]: Kanttekening 86: 86 zijn smaad: Versta, die smaad, die Antiochus de Romeinen aangedaan heeft, vallende in hun land, en enige plaatsen van hetzelfde innemende; ook enige van hunne bondgenoten beschadigende.
[^daniel-11-18-87]: Kanttekening 87: 87 tegen hem doen ophouden: Dat is, tegen het volk van Rome, dat deze overste vertegenwoordigde.
[^daniel-11-18-88]: Kanttekening 88: 88 zijn smaad op hem zal doen terugkeren: Dat is, de Romeinse overste zal daarmede niet tevreden zijn, dat hij zal doen ophouden de smaad, die Antiochus het volk van Rome en het gehele Romeinse rijk, samen met hun vrienden, heeft aangedaan, hem weer afgenomen hebbende die landen, die hij van de Romeinen en hunne vrienden genomen had; maar hij zal nog daarenboven die smaad over Antiochus brengen, dat hij hem van een groot deel van zijn rijk berovende, en een zware belasting hem opleggende, hem dwingen zal dat hij zich binnen zijne grenzen zal moeten houden, namelijk aan de overzijde van de berg Taurus. Zie hiervan breder Liv.lib. 8. Decat. 4. Appia. in Syriacis en Memmon in het 13e en 14e boek.
[^daniel-11-19-89]: Kanttekening 89: 89 zijns lands: Te weten naar Syrië, waarheen hij vluchten zal, en zich onthouden binnen zijne sterkten, uit vrees van de Romeinen, die hem dapper vervolgden met hunne legermachten.
[^daniel-11-19-90]: Kanttekening 90: Hij zal van zijn eigen onderzaten, ja boeren omgebracht worden, willende een tempel van de afgod Bel in Elam beroven, of zo anderen schrijven, de tempel van Dyndimeus Jovis, of Jovis Dodoneus. Deze geschiedenissen worden breder beschreven door Justinus in het 32e boek, en door Polyb. in het 5e, Strabo in het 16e Geogra. Vergelijk de schandelijke ondergang van Antiochus de Grote met wat er geschreven staat Ps. 52:9, en Jes. 14:16, enz. Psalmen 52:9: Ziet de man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. Jesaja 14:16: Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
[^daniel-11-20-91]: Kanttekening 91: 91 in zijn staat: Zie boven vers 7. Daniël 11:7: Maar uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen van de koning van het Noorden, en hij zal tegen dezelfde doen, en hij zal ze bemachtigen.
[^daniel-11-20-92]: Kanttekening 92: 92 een opstaan: Te weten Seleucus Filopator, anders Soter genaamd, een zoon van de voorgaande Antiochus de Grote.
[^daniel-11-20-93]: Kanttekening 93: 93 een geldeiser doortrekken: Of, geldvorderaar, pander, schatter, Hebreeuws, drijver. Dat is geweest Heliodorus, die het gehele Joodse land doortrekkende, de onderzaten veel geld, voor zijn koning, heeft afgeperst. Zie 2 Makk. 3.
[^daniel-11-20-94]: Kanttekening 94: 94 in koninklijke heerlijkheid: Of, voor de koninklijke majesteit.
[^daniel-11-20-95]: Kanttekening 95: 95 in enige dagen: Of, in weinige dagen. Hij is gebroken, dat is omgekomen, kort nadat hij had gepoogd de tempel te Jeruzalem te beroven, 2 Makk. 4.
[^daniel-11-20-96]: Kanttekening 96: 96 niet door toornvlagen: Niet door openbaren toorn, maar door geheime lagen van Heliodorus, die hem behendiglijk vergeven heeft, zijn broer Antiochus Epifanes ten gevalle.
[^daniel-11-21-97]: Kanttekening 97: 97 een verachte: Antiochus Epifanes, die te Rome in gijzeling zijnde, in het geheim ontlopen is. Hij werd van de vleiers genoemd Antiochus Epifanes; dat is, de edele; maar anderen noemden hem met meerdere reden Epimanes; dat is, de dolle, of, razende. Zie zijne zotte daden in de historie van Polybius.
[^daniel-11-21-98]: Kanttekening 98: 98 niet zal geven: Of, niet zou geven; niet had behoren te geven, want het rijk kwam niet hem toe, maar Demetrius de zoon van zijn verstorven broer Seleucus. Anders: denwelken zij \[te weten de staten van het rijk\] de eer van het koninkrijk niet gegeven hebben.
[^daniel-11-21-99]: Kanttekening 99: 99 in stilheid komen: Niet met geweld als een vijand, maar als een vriend, om als voogd het rijk te regeren, totdat Demetrius, de zoon van zijn verstorven broer Seleucus Filopator, zou groot geworden zijn.
[^daniel-11-21-100]: Kanttekening 100: 100 door vleierijen bemachtigen: Of, met gladde woorden, gelijk onder vers 32, 11:34. Zie de aantekening Ps. 35:6, en Ps. 73:18, en Jer. 23:12. Daniël 11:32: En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. Daniël 11:34: Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; maar velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen. Psalmen 35:6: Hun weg zij duister en geheel slibberig; en de Engel van YHWH vervolge hen. Psalmen 73:18: Immers zet U hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen. Jeremia 23:12: Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, spreekt YHWH.
[^daniel-11-22-101]: Kanttekening 101: 101 de armen van de overstroming: Of, de overstromende armen; dat is, de veldoversten en kapiteins van de koning in Egypte, die als een vloed in Syrië plachten te vallen, zullen van Antiochus Epifanes in de strijd verslagen worden. Sommigen verstaan de armen van de rivier de Nijl.
[^daniel-11-22-102]: Kanttekening 102: 102 overstroomd worden: Dat is, overwonnen worden.
[^daniel-11-22-103]: Kanttekening 103: 103 de vorst van het verbond: Dat is, de vorst met wie het verbond gemaakt was, te weten Trifon, één van de voornaamste heren van Egypte, die met Antiochus Epifanes een verbond gemaakt heeft, en hem raad gaf dat hij zijne legermachten zou achterlaten, en met de kroon van Egypte \[zo de koning Ptolomeus Filometro toen nog een kind was\] in een verbond treden en de voogdij over Filometor, de zoon van zijne zus Cleopatra, aannemen zou; maar hij, dit teweeggebracht hebbende, heeft onder dat deksel zelf het rijk ingenomen, eerst de voornoemde Trifon van kant geholpen hebbende. Anderen vertalen en verklaren deze woorden zo: Daartoe zal hij een wederpartijder van het verbond zijn, hij, te weten Antiochus. Het Hebreeuwse woord wordt, naar sommiger gevoelen, somtijds in deze betekenis genomen. Zie Dan. 10:13. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië.
[^daniel-11-23-104]: Kanttekening 104: 104 met hem: Te weten met dezelfde Trifon; of, gelijk anderen dat nemen, met Ptolomeus Filometor, de koning van Egypte.
[^daniel-11-23-105]: Kanttekening 105: 105 zal hij bedrog plegen: Nemende wel met zich weinig krijgsvolk, maar kloeke, getrouwe, welgeoefende helden, en door hen zich van de voornaamste sterkten van Egypte verzekerende.
[^daniel-11-23-106]: Kanttekening 106: 106 hij zal optrekken: Te weten dieper en verder in Egypte.
[^daniel-11-23-107]: Kanttekening 107: 107 hij zal met weinig volks: Of, hij zal zich met weinig volks versterken. Dit heeft Antiochus uit arglistigheid gedaan, om de Egyptenaars des te behendiger te bedriegen, en zo met gemak, zonder groot geweld, dagelijks dieper en dieper in te kruipen, en zowel de sterkten als de onderzaten aan de hand te krijgen; hij voor zijn persoon te Memfis blijvende, dat de koninklijke stad was, vanwaar hij het oog overal kon hebben.
[^daniel-11-24-108]: Kanttekening 108: 108 van het landschap komen: Te weten van Egypte.
[^daniel-11-24-109]: Kanttekening 109: 109 hij zal doen: Te weten het land van Egypte onder zijn geweld brengende.
[^daniel-11-24-110]: Kanttekening 110: 110 roof, en buit, en goederen: Anders: hij zal roven en buiten, en hij zal goederen of rijkdommen onder hen uitstrooien.
[^daniel-11-24-111]: Kanttekening 111: 111 onder hen: Te weten onder degenen, die hij in de voornaamste steden en sterkten van het land zal leggen om zo dezelfde tot zich te trekken en aan zijne zijde te houden.
[^daniel-11-24-112]: Kanttekening 112: Dat is, met grote overvloed genieten laten.
[^daniel-11-24-113]: Kanttekening 113: 113 de vastigheden zijn gedachten denken: Die hij nog niet genoegzaam bezitten, of in zijne verzekering zal hebben in Egypteland. Wat hier van Antiochus voorzegd wordt, is geschied omtrent het honderd zeven en dertigste jaar van de regering van de Seleuciden.
[^daniel-11-24-114]: Kanttekening 114: 114 tot een zekeren tijd toe: Te weten totdat Filometor, de wettelijke koning, tot zijn mannelijke jaren zal gekomen zijn, want alstoen hebben de Egyptenaars het krijgsvolk en de garnizoenen van deze Antiochus uit hun land verdreven, en hebben zichzelf in vrijdom gesteld.
[^daniel-11-25-115]: Kanttekening 115: 115 tegen de koning van het Zuiden: Te weten tegen Ptolomeus Filometor, de koning van Egypte. Dit is nu de tweede tocht, die Antiochus Epifanes tegen Egypte doen zou, welks beleid en voortgang de engel hier te kennen geeft.
[^daniel-11-25-116]: Kanttekening 116: 116 zal zich in de strijd mengen: Dat is, hij zal krijg voeren, te weten tegen Antiochus; zie Livius in het 45e boek.
[^daniel-11-25-117]: Kanttekening 117: 117 hij zal niet bestaan: Te weten Filometor.
[^daniel-11-25-118]: Kanttekening 118: 118 zij zullen gedachten tegen hem denken: De zin is: zijne raadsheren en hovelingen, vers 26, \[door geschenken en beloften van grote dingen, door Antiochus ingenomen zijnde\] zullen Filometor, hun jongen onbedreven koning, door hun trouwelozen raad bedriegen, en zij zullen Antiochus aanhangen, uit vrees dat hij, meester geworden zijnde, hen niet te schande make en verdelge. Daniël 11:26: En die de stukken van zijn voedsel zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht daarvan zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.
[^daniel-11-26-119]: Kanttekening 119: 119 de stukken: Zie Dan. 1:5. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en daar gevonden. Zie de aantekening daar. De zin is: Die zijn brood eten, te weten zijne raadsheren en dienaren. Daniël 1:5: En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken van het voedsel van de koning, en van de wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren zo optoog, en dat zij ten einde van die zouden staan voor het aangezicht van de koning.
[^daniel-11-26-120]: Kanttekening 120: 120 zijn voedsel zullen eten: Te weten Ptolomeus Filometor.
[^daniel-11-26-121]: Kanttekening 121: Dat is, onderdrukken, te weten door kwade raad.
[^daniel-11-26-122]: Kanttekening 122: 122 de heirkracht daarvan: Te weten Antiochus tegen Filometor.
[^daniel-11-26-123]: Kanttekening 123: 123 zal overstromen: Of, zal overvloeien, of als een vloed inbreken.
[^daniel-11-26-124]: Kanttekening 124: 124 vele verslagenen zullen vallen: In het leger van de koning Filometor, 1 Makk. 1:19. 1 Makkabeeën 1:19: En hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte.
[^daniel-11-27-125]: Kanttekening 125: 125 van beide deze koningen: Te weten nadat zij tezamen zullen vrede gemaakt hebben voor de tweede reis.
[^daniel-11-27-126]: Kanttekening 126: 126 leugen spreken;: Zij zullen wel elkaar uiterlijk veel grote vriendschap bewijzen, en alle goede diensten beloven, in het bijzonder over tafel zijnde en goede sier makende, maar zij zullen het niet menen, het zal uit een geveinsd hart komen.
[^daniel-11-27-127]: Kanttekening 127: 127 het zal niet gelukken: Hunne beloften zullen ijdel en van geen waarde zijn. De beloften en contracten van vrede zullen niet bestendig zijn. Of, het zal geen voortgang hebben, dat zij listiglijk tegen elkaar bedacht hebben, want God zal een anderen weg ingaan.
[^daniel-11-27-128]: Kanttekening 128: 128 op de vastgestelde tijd: Op die tijd, die God bestemd en verordineerd heeft, die door menselijken wil niet kan veranderd worden. Zie vers 29. Daniël 11:29: Ter bestemder tijd zal hij terugkeren, en tegen het Zuiden komen, maar het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.
[^daniel-11-28-129]: Kanttekening 129: 129 hij zal in zijn land terugkeren: Te weten de koning Antiochus Epifanes.
[^daniel-11-28-130]: Kanttekening 130: 130 met groot goed: Te weten met grote buit en geroofde goederen, zo in Egypte als elders.
[^daniel-11-28-131]: Kanttekening 131: 131 tegen het heilig verbond: Dat is, tegen de Joden, met welke God een heilig verbond gemaakt heeft. Hebreeuws, tegen het verbond van de heiligheid (בְּרִית).
[^daniel-11-28-132]: Kanttekening 132: 132 hij zal het doen: Te weten dat hij voorhad; dat is, hij zal de Joden plagen. Zie 1 Makk. 1:22,23, enz., en 2 Makk. 5:11, enz. 1 Makkabeeën 1:22: En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte. 2 Makkabeeën 5:11: De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo geschied waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.
[^daniel-11-28-133]: Kanttekening 133: 133 in zijn land: Te weten in Syrië.
[^daniel-11-29-134]: Kanttekening 134: 134 Ter bestemder tijd: Te weten, gelijk enige menen, na twee jaren, als Filometor met zijn broer Physcon verzoend was en hulp van de Romeinen verkregen had.
[^daniel-11-29-135]: Kanttekening 135: 135 tegen het Zuiden komen: Te weten tegen Ptolomeus Filometor, de koning in Egypte, die hij belegeren zal.
[^daniel-11-29-136]: Kanttekening 136: 136 het zal niet zijn gelijk de eerste: Dat is, het zal Antiochus niet gelukken, gelijk het hem de eerste en laatst voorgaande reis gelukt is. Zie boven vers 22, 11:25, de reden als volgt vers 30. De zin is, Antiochus zal over Ptolomeus Filometor zulke overwinningen in Egypte niet meer bevechten, gelijk hij in twee voorgaande ondernemingen gedaan heeft. Daniël 11:22: En de armen van de overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond. Daniël 11:25: En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; maar hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. Daniël 11:30: Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal terugkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond.
[^daniel-11-30-137]: Kanttekening 137: Dat is, van Cilicië, waar de Romeinen gewoonlijk een vloot schepen hielden om over de Middellandse zee te heersen. Zie van Chittim, Gen. 10:4, en Num. 24:24. Ptolomeus Filometor, van Antiochus overheerd zijnde, heeft hulp aan de Romeinen verzocht en verkregen. Genesis 10:4: En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. Numeri 24:24: En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.
[^daniel-11-30-138]: Kanttekening 138: 138 tegen hem komen: Te weten tegen Antiochus.
[^daniel-11-30-139]: Kanttekening 139: 139 daarom zal hij met smart bevangen worden: Omdat hij door de Romeinen zal gedwongen worden met zijn leger uit Egypte te trekken. C. Popilius Laenas, veldoverste van de Romeinen, heeft Antiochus zover gebracht, dat hij hem harde voorwaarden heeft voorgeslagen, en rondom hem met zijn staf in het zand een ring makende, belastte hem te besluiten en ronduit te antwoorden, of hij Egypte verlaten wilde of niet, voordat hij uit die ring of cirkel treden zou.
[^daniel-11-30-140]: Kanttekening 140: Te weten naar Syrië, zijn land, als hij Egypte zal moeten verlaten.
[^daniel-11-30-141]: Kanttekening 141: 141 het heilig verbond: Zie boven vers 28. Daniël 11:28: En hij zal in zijn land terugkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en terugkeren in zijn land.
[^daniel-11-30-142]: Kanttekening 142: 142 hij zal het doen: Te weten dat hij voorgenomen en in zijn toorn besloten had te doen, namelijk hij zal Jeruzalem overvallen, de tempel en de stad uitplunderen en de godsdienst afschaffen. Zie hiervan breder Josefus in het eerste boek van de Joodse oorlogen, hoofdstuk 1.
[^daniel-11-30-143]: Kanttekening 143: Niet in eigen persoon, maar hij zal er Apollinius heen schikken; zie 1 Makk. 1:30, en 2 Makk. 5:24. 1 Makkabeeën 1:30: Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte. 2 Makkabeeën 5:24: En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.
[^daniel-11-30-144]: Kanttekening 144: 144 hij acht geven: Dat is, hij zal hen tot zich trekken, versterken en helpen, om zo de macht van de vrome Joden te breken door de trouweloze Joden, gelijk daar waren Jason, Menelaus, en hunne aanhangers.
[^daniel-11-31-145]: Kanttekening 145: Dat is, krijgsoversten met hunne soldaten, gelijk boven vers 22, om door deze de Joden te dwingen. Anders: en de armen zullen hem bijstaan. Daniël 11:22: En de armen van de overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond.
[^daniel-11-31-146]: Kanttekening 146: 146 uit hem ontstaan,: Dat is, uit zijn bevel ontstaan; dat is, gesteld worden, of gezonden worden binnen Jeruzalem en het Joodse land.
[^daniel-11-31-147]: Kanttekening 147: 147 de sterkte: Dat is, de sterke stad Jeruzalem. Anders: zij zullen ontwijden \[Jeruzalem\] de sterkte; dat is, Jeruzalem, dat de sterkte van het Joodse volk is. Zie 1 Makk. 1:23, en 2 Makk. 5:15,16. 1 Makkabeeën 1:23: En hij ging met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar van het licht, en alle gereedschap, en de tafel van de toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af. 2 Makkabeeën 5:15: En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de gehele aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.
[^daniel-11-31-148]: Kanttekening 148: 148 het gedurige offer wegnemen: Dat is, het dagelijkse offer. Zo is ook te verstaan, wat de apostel zegt: Wees gedurig in het gebed, dat niet te zeggen is, dat men niet anders doen moet dan bidden, maar dat men de dagelijkse oefening van het gebed nimmermeer moet verlaten. Zie boven Dan. 8:11. Daniël 8:11: Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning van Zijn heiligdom werd nedergeworpen.
[^daniel-11-31-149]: Kanttekening 149: 149 een verwoestenden gruwel: Dat is, soldaten, die alles verwoesten en de Joden tot afgoderij dwingen zullen. Zie hiervan breder 1 Makk. 1:23, enz., en Josef. Anderen verstaan hierdoor, een afgodisch beeld, dat Antiochus op het altaar van God heeft laten stellen; 1 Makk. 1:58,63. 1 Makkabeeën 1:23: En hij ging met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar van het licht, en alle gereedschap, en de tafel van de toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af. 1 Makkabeeën 1:58: En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van de verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren.
[^daniel-11-31-150]: Kanttekening 150: Hebreeuws, geven; versta, dat Antiochus' krijgsoversten dit doen zouden.
[^daniel-11-32-151]: Kanttekening 151: 151 die goddeloos handelen: Of, de overtreders van het verbond, namelijk de afvallige Joden, die het verbond Gods zullen verachten, welke de engel vers 30 genoemd heeft verlaters van het heilige verbond. Daniël 11:30: Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal terugkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond.
[^daniel-11-32-152]: Kanttekening 152: 152 doen huichelen: Of, doen veinzen, opdat zo door hen de vromen mochten ontdekt en in het net gebracht worden. Anders: zal hij ontheiligen; dat is, hij zal hen ten enenmale slecht en goddeloos maken, hen dagelijks meer en meer in hunne huichelarij versterkende.
[^daniel-11-32-153]: Kanttekening 153: 153 hun God kennen: Dat is, die de ware God kennen en eren, gelijk velen ten tijde van Judas Machabeus en zijne broers geweest zijn.
[^daniel-11-32-154]: Kanttekening 154: Versta hierbij, en de tirannen overleveren.
[^daniel-11-32-155]: Kanttekening 155: 155 zullen het doen: Dat is, zij zullen het uitrichten naar hun wil. Of, zij zullen naar hun wil met hen handelen. Zie 1 Makk. 1:55. 1 Makkabeeën 1:55: En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad.
[^daniel-11-33-156]: Kanttekening 156: 156 de leraars van het volk: Of, de verstandigen onder het volk, gelijk onder Dan. 12:3. De zin is: Ofschoon er velen, zelfs ook enige priesters, van de ware godsdienst afwijken, zo zullen er nochtans altijd enige leraars en godvruchtige, in Gods Woord ervaren personen zijn, die de zwakken zullen onderwijzen en versterken in het midden van de zware vervolgingen. Daniël 12:3: De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig.
[^daniel-11-33-157]: Kanttekening 157: Te weten in de ware religie, uit de boeken van de Heilige Schriftuur.
[^daniel-11-33-158]: Kanttekening 158: 158 zullen vallen door het zwaard en door vlam: Dat is, zo de leraars als hunne discipelen, die volstandig bij de ware religie blijven, zullen van Antiochus en zijne aanhangers wredelijk vervolgd worden. Zie 1 Makk. 1:40, enz., en 1 Makk. 2, 1 Makk. 3, 1 Makk. 4, en 2 Makk. 5, 2 Makk. 6, 2 Makk. 7, 2 Makk. 8. Josefus lib. 12, Antiq. Judaci, hoofdstuk 6,7. Vergelijk Hebr. 11:35, 11:36, 11:37, 11:38. 1 Makkabeeën 1:40: En de inwoners van Jeruzalem vloden om hunnentwil; Hebreeën 11:35: De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. Hebreeën 11:36: En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis; Hebreeën 11:37: Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; Hebreeën 11:38: (Welker de wereld niet waard was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen van de aarde.
[^daniel-11-33-159]: Kanttekening 159: 159 vele dagen: Of, enige dagen, zo Dan. 8:27. Dat is, een tijdlang van God verordineerd. Daniël 8:27: Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed van de koning werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.
[^daniel-11-34-160]: Kanttekening 160: 160 Als zij nu zullen vallen: Dat is, als de vervolging op het heetst zal wezen.
[^daniel-11-34-161]: Kanttekening 161: 161 met een kleine hulp geholpen worden: Te weten door de Machabeën. Zie 1 Makk. 2:39, enz., en 1 Makk. 3, 1 Makk. 4, 1 Makk. 5, en 2 Makk. 8, en Josefus lib. 12, Antiq. Judaci hoofdstuk 7, 8, 9, 10, 11, 12. Die kloeke helden hebben met weinig volk de kerk van God gered uit de handen van Antiochus en andere tirannen. 1 Makkabeeën 2:39: En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt.
[^daniel-11-34-162]: Kanttekening 162: 162 door vleierijen: Gelijk boven vers 21, 11:32. Zie de aantekening vers 21. Maar hier betekent het huichelarij, geveinsdheid, schoon gelaat. Daniël 11:21: Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen. Daniël 11:32: En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. Daniël 11:21: Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.
[^daniel-11-34-163]: Kanttekening 163: 163 tot hen vervoegen: Te weten wanneer het de Joden opnieuw zal beginnen wel te gaan.
[^daniel-11-35-164]: Kanttekening 164: Zie boven vers 33. Daniël 11:33: En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
[^daniel-11-35-165]: Kanttekening 165: 165 om hen te louteren en te reinigen: Dit is het oogmerk dat de Heer zal voorhebben. Anders: opdat hen \[God\] smelte; dat is beproeve, gelijk men het goud en zilver beproeft in de smeltoven; zie Dan. 12:10. Daniël 12:10: Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
[^daniel-11-35-166]: Kanttekening 166: 166 tot de tijd van het einde toe: Dat is, totdat de tijd van de vervolging, van God bestemd, zal vervuld wezen.
[^daniel-11-35-167]: Kanttekening 167: 167 want het zal nog zijn voor een bestemden tijd: Anders: want nog op de vastgestelde tijd \[zal het einde wezen\]. Anders: want de bestemde tijd zal nog komen. Vergelijk Matt. 24:6, en de volgende tot Matt. 24:14, en zie boven de aantekening vers 27. Mattheüs 24:6: En u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten gebeuren, maar nog is het einde niet. Mattheüs 24:14: En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis alle volken; en dan zal het einde komen. Daniël 11:27: En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben op de vastgestelde tijd.
[^daniel-11-36-168]: Kanttekening 168: 168 En die koning: Van hier af tot het einde van dit hoofdstuk verstaan enige dat de engel spreekt van de Antichrist van het Nieuwe Testament, of immers van Antiochus Epifanes, aangemerkt als een voorbeeld van de Antichrist, in zijn opkomst, hoogmoed, handelingen, afgoderij en tirannie. Want vele dingen, die hierna verhaald worden, in het bijzonder vers 42, 11:43, passen naar sommiger gevoelen niet op de koning Antiochus; want nadat hij door de Roomse gezant Popilius gedwongen werd uit Egypte te vertrekken, boven vers 30, heeft hij naderhand nooit in Egypte durven komen. Enige duiden het op de Turk, anderen op het Romeinse Rijk, en menen dat de dingen, die hier gezegd worden te verstaan zijn, sommigen van de Romeinse keizers, sommigen van de Roomse pausen, die, in het Romeinse Rijk opgerezen zijnde, mettertijd de keizers zelf vreeslijk geworden zijn. Daniël 11:42: En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. Daniël 11:43: En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen. Daniël 11:30: Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal terugkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond.
[^daniel-11-36-169]: Kanttekening 169: 169 boven allen God: Zie 2 Thess. 2:4, waar de apostel deze woorden aldus uitdrukt: Boven al dat God of goddelijke majesteit genoemd wordt. 2 Thessalonicensen 2:4: Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is.
[^daniel-11-36-170]: Kanttekening 170: 170 tegen de God van de goden: Die alleen is de enige ware God. Anders: ook boven de God van de goden, hij zal wonderlijke dingen spreken.
[^daniel-11-36-a]: Verwijzing a: Dan. 7:25. Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in daarvan hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd.
[^daniel-11-36-171]: Kanttekening 171: 171 totdat de toorn voltooid zij: Dat is, totdat de toorn van God tegen zijn volk ophoude, of totdat hij zal gedaan hebben wat God in zijn toorn door hem zijn volk wil aangedaan hebben.
[^daniel-11-36-172]: Kanttekening 172: 172 want het is vastelijk besloten: Of, want dat juist besloten is, zal gebeuren; niemand kan het besluit of voornemen Gods verhinderen of terughouden.
[^daniel-11-36-173]: Kanttekening 173: 173 het zal gebeuren: Hebreeuws, het is geschied; dat is, het zal zekerlijk gebeuren; de verleden tijd voor de toekomenden, om te tonen de zekerheid van deze profetie. Anderen: Als wat precies bestemd is, zal geschied zijn.
[^daniel-11-37-174]: Kanttekening 174: 174 op de goden van zijn vaderen: Verachtende de religie van zijn voorvaderen, zal hij alle man belasten zijne instellingen aan te nemen. Verstaat men dit op Antiochus te passen, zo zie 1 Makk. 1:43; als op de paus, zo is het openbaar. 1 Makkabeeën 1:43: Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw.
[^daniel-11-37-175]: Kanttekening 175: 175 op de begeerte van de vrouwen: Verstaat men dit van Antiochus, zo is dit de zin: Hij zal zelf zijne vrouwen \[van welke ene de God van Israël op haar wijze eerde\] niet toelaten dat zij enige andere god zullen eren dan zijn Jupiter Olimpius, of de begeerte van de vrouwen; dat is, de gewenste en begeerlijkste vrouwen. Of, hij heeft wel willen schijnen niet te vragen naar vrouwen, maar ondertussen gruwelijke hoererij bedreven. Maar verstaat men dit van de Antichrist, zo is dit de zin, dat hij zijne geestelijkheid het huwelijk verbieden zal, en in geen geval toelaten de kloosterbeloften te breken, bedrijvende ondertussen allerlei schandelijke onreinheid. Zie 1 Tim. 4:3. 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^daniel-11-37-176]: Kanttekening 176: 176 hij zal ook op geen God acht geven: Alsof de engel zei: Hij zal geheel goddeloos zijn; hij zal zo hovaardig zijn dat hij zichzelf zal verheffen boven alle mensen, ja ook boven alles wat God is of genoemd wordt; doende alles wat hij doet tot zijn eigen eer en voordeel. Dit past ook bekwamelijker op de paus. Vergelijk 2 Thess. 2:3, 2:4. 2 Thessalonicensen 2:3: Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 2 Thessalonicensen 2:4: Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is.
[^daniel-11-38-177]: Kanttekening 177: 177 de god Mauzzim: De zin is: Antiochus zal vast overal een nieuwen godsdienst invoeren; en wat betreft de God van de sterkten, \[vergelijk Jer. 16:19\], of, de God van grote kracht, de God van Israël, hij zal in zijne plaats, te weten in de tempel te Jeruzalem, eren een god, te weten die god, welke zijne vaders niet gekend hebben, namelijk Jovis Olympius, die zal hij eren met goud, enz.; zie 2 Makk. 6:2. Wil men dit op de Antichrist passen \[wiens voorbeeld Antiochus geweest is\], dat kan ook bekwamelijk gebeuren. Anderen: en wat betreft de God van de sterkten, in zijne plaats zal hij eren, zal hij eren, zeg ik, een God welke zijne vaders, enz. Wat de God van de sterkten belangt, zie boven vers 31; voor de God van de sterkten hebben enige het Hebreeuwse woord Maüzzim, of Maozim in de tekst gehouden. Jeremia 16:19: O YHWH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed. 2 Makkabeeën 6:2: En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel te Garizin te noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius. Daniël 11:31: En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.
[^daniel-11-38-178]: Kanttekening 178: 178 zijn vaders niet gekend hebben: Antiochus' voorouders hebben Jovis Olympius niet geëerd, maar Apollinus, Diana, Atargatides, gelijk Strabo getuigt in het zestiende boek Geogra. Zo heeft ook de paus, in de plaats, dat is in de kerk of gemeente, van de ware God ingevoerd te eren een valsen god, die zijne voorouders niet geëerd hebben, namelijk een versierden Christus, een hostie of een stukje brood, dat hij versiert met goud, zilver en kostelijke parels.
[^daniel-11-38-179]: Kanttekening 179: 179 met gewenste dingen: Dat is, met allerlei kleinodiën.
[^daniel-11-39-180]: Kanttekening 180: 180 zal de vastigheden: Of, hij zal de zeer sterke vastigheden een vreemden god bevelen. De zin is: Antiochus' meeste vastheid en sterkte zal gelegen zijn om te doen eren die vreemde god, te weten Jovis Olympius, als zijnde patroon of beschermer van de stad Jeruzalem en het Joodse land. Dit wordt gesteld tegen het begin van vers 38, waar de ware God genoemd wordt de God van de sterkten, hier en ook daar is het woord Maüzzim. Daniël 11:38: En hij zal de god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk de god, welke zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.
[^daniel-11-39-181]: Kanttekening 181: Dat is, degenen, die hij weten zal hem en zijn afgod toegedaan te zijn; die hij voor zijne vrienden kennen zal; hij meent de afvalligen, die het heidendom zullen bijvallen, als men dit op Antiochus duidt. Van de Roomse Antichrist is de zaak klaar. Anders, die \[die\], te weten afgod, kennen, dat is, aannemen en eren.
[^daniel-11-39-182]: Kanttekening 182: 182 over velen: Of, overtreffelijken, overvoortreffelijken. De zin is: Hij zal hen tot hoge staten bevorderen en hun het gebied over vele anderen geven.
[^daniel-11-39-183]: Kanttekening 183: 183 om prijs: Of, om winst, of om loon; dat is, dengenen, die hem geschenken en gaven geven. Al het voorgaande kan bekwamelijk op de paus gepast worden, gelijk ook de volgende verzen.
[^daniel-11-40-184]: Kanttekening 184: 184 op de tijd van het einde: Dat is, als de tijd, van God bestemd, zal verschenen wezen. Vergelijk boven vers 35. Sommigen verstaan hier door de tijd van het einde het einde van het rijk van Antiochus, of de vervolging van het volk van God. Maar zie boven Dan. 9:27. Daniël 11:35: En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd. Daniël 9:27: En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.
[^daniel-11-40-185]: Kanttekening 185: 185 de koning van het Zuiden: De Saracenen, die eerst op het Romeinse rijk geweld gedaan hebben. Anderen duiden het op Ptolomeus Filometor koning in Egypte.
[^daniel-11-40-186]: Kanttekening 186: 186 met hoornen stoten: Gelijk de stieren, bokken en andere gehoornde beesten doen. Vergelijk Dan. 8:6, 8:7. De zin is: Hij zal een harden krijg tegen hem voeren. Daniël 8:6: En hij kwam tot de ram, die de twee hoornen had, die ik had zien staan voor de vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid van zijn kracht. Daniël 8:7: En ik zag hem, nakende aan de ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet de ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn hand verloste.
[^daniel-11-40-187]: Kanttekening 187: 187 de koning van het Noorden: Sommigen verstaan hier de Turk, die het Saraceense rijk onder zich gebracht hebbende, met nog veel meerder geweld op het Romeinse rijk aangevallen is. Anderen duiden het op Antiochus Epifanes.
[^daniel-11-40-188]: Kanttekening 188: 188 tegen hem aanstormen: Dat is, als een stormwind op hem aankomen, of overkomen, of op hem aanlopen.
[^daniel-11-40-189]: Kanttekening 189: Dat is, als met een watervloed haastiglijk wegspoelen.
[^daniel-11-40-190]: Kanttekening 190: Of, voorbijgaan, gelijk vers 10 en elders. Daniël 11:10: Maar zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en één van hen zal snel komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal opnieuw komen, en zich in de strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.
[^daniel-11-41-191]: Kanttekening 191: 191 in het land van het sieraad: Of, in het sierlijke land; dat is, in het Joodse land, dat is, in de kerk van God, door hetzelfde afgebeeld. Zie de aantekening Dan. 8:9. Dit voorzegt de engel de Joden tot hun best, opdat zij indachtig zijnde dat hun dit alles overkwam door Gods voorzienige regering, zich daarin des te beter zouden kunnen schikken; en evenzo de kerk van het Nieuwe Testament in de vervolging van de Antichrist. Daniël 8:9: En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
[^daniel-11-41-192]: Kanttekening 192: 192 vele landen: Zie wat er volgt vers 42, 11:43. Daniël 11:42: En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. Daniël 11:43: En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.
[^daniel-11-41-193]: Kanttekening 193: 193 zijn hand ontkomen: Dat is van Antiochus, gelijk sommigen dit nemen, niet verdorven worden, maar zij zullen van hem vriendelijk aangenomen worden, namelijk daarom, omdat zij vijanden van de Joden waren en hun telkens krijg aandeden. Sommigen verstaan dit van enige kerken van het Nieuwe Testament, die het geweld van de Antichrist zouden ontgaan, of hem niet onderworpen worden.
[^daniel-11-41-194]: Kanttekening 194: 194 de eerstelingen van de kinderen Ammons: Anders: de voornaamste. Hebreeuws, het begin van de kinderen van Ammon (בְּנֵי).
[^daniel-11-42-195]: Kanttekening 195: 195 aan de landen leggen: Om die met geweld zich te onderwerpen.
[^daniel-11-42-196]: Kanttekening 196: 196 niet ontkomen: Hebreeuws, het zal niet zijn ter ontkoming. De zin is: Het zal ook al zijn moedwil en wrevel onderworpen wezen, gelijk vers 43 breder volgt. Daniël 11:43: En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.
[^daniel-11-43-197]: Kanttekening 197: 197 die van Libye, en de Moren: Hebreeuws, Lubbim en Cushim.
[^daniel-11-43-198]: Kanttekening 198: 198 zullen in zijn gangen wezen: Of, zullen zijne gangen vergezelschappen; maar naar de letter is het: Zullen in zijne gangen wezen; dat is, zij zullen hem ten dienste staan en alle gehoorzaamheid bewijzen. De manier van spreken is genomen van de slaven en dienaren, die achter of omtrent hunne heren gaan en staan, om bij alle gelegenheid op hun bevel te passen. Die volken hebben van allen kanten met Antiochus \[op wie sommigen dit duiden\] Egypte aangevallen, van hem met grote bezoldigingen daartoe gekocht zijnde, want daar tevoren hadden zij Ptolomeus Filometor hulp gedaan. Of, in zijne gangen; dat is, hij zal door hun land passeren, hij zal voortgaan, of zijne voortgangen zullen zijn in zijne landen, waardoor sommigen Oost- en West-Indië verstaan, omdat het kennelijk is dat de Moren eertijds wijd en breed in Oost-Indië geregeerd hebben, en ook van Afrika lichtelijk in Amerika tegenover liggende, hebben kunnen overtrekken.
[^daniel-11-44-199]: Kanttekening 199: 199 de geruchten van het Oosten: De vervulling van deze zaak zal van God op zijn tijd worden geopenbaard. Sommigen duiden het op Antiochus Epifanes als een voorbeeld van de Antichrist. Maar velen verstaan het eigenlijk van de Antichrist.
[^daniel-11-44-200]: Kanttekening 200: Zie de aantekening Deut. 2:34. Deuteronomium 2:34: En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven.
[^daniel-11-45-201]: Kanttekening 201: 201 hij zal de tenten: De zin is: Als hij bezig zal zijn om het volk van God uit te roeien, zo zal zijn ondergang komen, en niemand zal hem kunnen redden, maar hij zal een ellendig einde hebben.
[^daniel-11-45-202]: Kanttekening 202: 202 van zijn paleis: Dat is, van zijn hof. Maar sommigen duiden dit op het afgodisch efodstuig van de Antichrist. Vergelijk Richt. 17:5, enz. en Hos. 3:4, met de aantekening. Verstaande zijn afgodische geestelijkheid en onreine afgoderij, waarvan Antiochus met zijn heidense afgoderij een voorbeeld was. 203 aan de berg van het heilige sieraad; Of, op de berg, of tegen de berg, te weten de berg Zion, dat is Gods kerk. Richteren 17:5: En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware. Hosea 3:4: Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
[^daniel-11-45-203]: Kanttekening 203: 203 aan de berg: Of, op de berg, of, tegen de berg, te weten de berg Zions, dat is Gods Kerk.
[^daniel-11-45-204]: Kanttekening 204: 204 tot zijn einde komen: Te weten tot het einde van zijn staat, dat over hem van God bestemd is.

### Daniël 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/daniel/12.json)

*De verlossing van Gods volk, vers 1 enz. Hoe lang de moeilijkheden nog zouden duren, 4. Daniël verlangt dit te weten, 6. De engel geeft het hem te kennen, 7. Maar hij verstond het niet, 8. Hem wordt bevolen zich gerust te houden, 13.*

**1** En[^daniel-12-1-1] in die tijd zal[^daniel-12-1-2] Michaël[^daniel-12-1-3] opstaan, die grote vorst, die[^daniel-12-1-4] voor de kinderen van uw volk staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk[^daniel-12-1-5] verlost worden, al wie gevonden wordt[^daniel-12-1-6] geschreven te zijn in het boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v1)

**2** En[^daniel-12-2-7] velen van die, die[^daniel-12-2-8] in het stof van de[^daniel-12-2-9] aarde slapen, zullen ontwaken,[^daniel-12-2-a] deze ten eeuwigen leven, en anderen tot versmaadheden, en tot eeuwige[^daniel-12-2-10] afgrijzing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v2)

**3** [^daniel-12-3-11] De leraars nu zullen[^daniel-12-3-12][^daniel-12-3-b] blinken, als de glans[^daniel-12-3-13] van het uitspansel, en die er[^daniel-12-3-14] velen rechtvaardigen, zoals de sterren,[^daniel-12-3-15] altijd en eeuwig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v3)

**4** En u, Daniël![^daniel-12-4-16] sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot[^daniel-12-4-17] de tijd van het einde; velen zullen[^daniel-12-4-18] het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v4)

**5** En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden[^daniel-12-5-19] twee anderen, de één aan deze zijde van de[^daniel-12-5-20] oever van de rivier, en de ander aan de overzijde van de oever van[^daniel-12-5-21] de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v5)

**6** En[^daniel-12-6-22] hij zei tot de[^daniel-12-6-23] Man,[^daniel-12-6-c] bekleed met linnen,[^daniel-12-6-24] Die boven op het water van de rivier was: Tot hoe lang zal het zijn,[^daniel-12-6-25] dat er een einde van deze wonderen zal wezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v6)

**7** En[^daniel-12-7-d] ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat[^daniel-12-7-26] na een bestemde tijd, bestemde tijden, en[^daniel-12-7-27] een helft, en als[^daniel-12-7-28] Hij zal voltooid hebben[^daniel-12-7-29] te verstrooien[^daniel-12-7-30] de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v7)

**8** Dit hoorde ik, maar[^daniel-12-8-31] ik verstond het niet; en ik zei:[^daniel-12-8-32] Mijn Heere! wat zal[^daniel-12-8-33] het einde zijn van deze dingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v8)

**9** En Hij zei: Ga heen, Daniël! want[^daniel-12-9-34] deze woorden zijn toegesloten en verzegeld[^daniel-12-9-35] tot de tijd van het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v9)

**10** [^daniel-12-10-36] Velen zullen[^daniel-12-10-37] er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden;[^daniel-12-10-38] maar de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de[^daniel-12-10-39] verstandigen zullen het verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v10)

**11** En van die tijd af, dat[^daniel-12-11-40] het voortdurende offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal[^daniel-12-11-41] gesteld zijn,[^daniel-12-11-42] zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v11)

**12** Welgelukzalig is hij, die verwacht en[^daniel-12-12-43] raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v12)

**13** Maar u, ga heen[^daniel-12-13-44] tot het einde, want u zult[^daniel-12-13-45] rusten, en[^daniel-12-13-46] zult opstaan[^daniel-12-13-47] in uw lot,[^daniel-12-13-48] in het einde van de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/daniel/12.html#v13)

[^daniel-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 in die tijd: Te weten als Antiochus de Joden \[en de Antichrist de kerk van het Nieuwe Testament\] op het heftigst zal kwellen en bestrijden.
[^daniel-12-1-2]: Kanttekening 2: Zie boven Dan. 10:13. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië.
[^daniel-12-1-3]: Kanttekening 3: Of, zich opmaken om zijne kerk te verlossen, eerst van de vervolgingen van Antiochus, en ten laatste ook van de vervolgingen van de Antichrist.
[^daniel-12-1-4]: Kanttekening 4: 4 voor de kinderen uws volks staat: Dat is, die voor de kerk van God staat, haar beschuttende en beschermende tegen al haar vijanden.
[^daniel-12-1-5]: Kanttekening 5: 5 verlost worden: Dat is, beginnen verlost te worden, en de zaligheid en het heil Gods zal aankomen en eindelijk meer en meer vervuld worden door de Heer Christus, tot de opstanding van de doden toe.
[^daniel-12-1-6]: Kanttekening 6: 6 geschreven te zijn in het boek: Dat is, die in de onveranderlijke raad van God bestemd is om deze verlossing deelachtig te wezen; het is ene manier van spreken, genomen van de mensen, onder wie het gebruikelijk is dat van degenen, die in ene stad het burgerrecht ontvangen, de namen in een boek opgetekend worden; zie Ex. 32:32; Ps. 69:29, en Ez. 13:9. Exodus 32:32: Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Psalmen 69:29: Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Ezechiël 13:9: En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^daniel-12-2-7]: Kanttekening 7: 7 velen van die: Dat is, de veelheid, of allen, gedeeld in twee hopen, zijnde in beide hopen velen, gelijk in het volgende verklaard wordt. Dit moet men verstaan van de algemene opstanding van de doden ten jongsten dage.
[^daniel-12-2-8]: Kanttekening 8: 8 in het stof van de aarde: Hebreeuws, in de aardbodem van het stof.
[^daniel-12-2-9]: Kanttekening 9: Te weten de slaap van de dood. Zie 1 Thess. 4:14, 4:16. 1 Thessalonicensen 4:14: Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem. 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^daniel-12-2-a]: Verwijzing a: Matt. 25:46; Joh. 5:29. Mattheüs 25:46: En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Johannes 5:29: En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis.
[^daniel-12-2-10]: Kanttekening 10: Of, walging, of verfoeiing. Zie de aantekening Jes. 66:24. Jesaja 66:24: En zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de mensen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen.
[^daniel-12-3-11]: Kanttekening 11: 11 De leraars: Of, de onderwijzers, de verstandigen, de kloekmakers; zie boven Dan. 11:33. Daniël 11:33: En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
[^daniel-12-3-12]: Kanttekening 12: Of, glinsteren.
[^daniel-12-3-b]: Verwijzing b: Matt. 13:43. Mattheüs 13:43: Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore.
[^daniel-12-3-13]: Kanttekening 13: 13 van het uitspansel: Dat is, van de hemel, van het firmament, van de sterren van de hemel. Zie Gen. 1:6. Genesis 1:6: En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!
[^daniel-12-3-14]: Kanttekening 14: Of, rechtvaardig maken; te weten door hunne leer en onderwijzing. Zie de aantekening Ez. 3:18. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^daniel-12-3-15]: Kanttekening 15: 15 altijd en eeuwig: Dit voegt de engel hierbij tot troost van de godzaligen, die hier op aarde aan veel kruis en vervolging onderworpen zijn.
[^daniel-12-4-16]: Kanttekening 16: 16 sluit deze woorden toe: Zie boven Dan. 8:26. Daniël 8:26: Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.
[^daniel-12-4-17]: Kanttekening 17: 17 de tijd van het einde: Hebreeuws, tot de tijd van het einde, gelijk vers 9; dat is, totdat de tijd zal gekomen zijn, in welke het God zal believen dit volkomener te openbaren. Daniël 12:9: En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde.
[^daniel-12-4-18]: Kanttekening 18: Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk omlopen, omtrekken, heen en weer lopen, om iets naarstiglijk te onderzoeken en uit te vinden. Zie Job 1:7. Alsof de engel zei: Alhoewel er nu weinigen zijn, die begerig zijn om te weten de toekomende staat van de kerk, zo zal dan nog de tijd komen, dat er velen zullen pogen naar de kennis van deze heilige dingen, en zullen ook in kennis toenemen. Job 1:7: Toen zei YHWH tot de satan: Van waar komt u? En de satan antwoordde YHWH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
[^daniel-12-5-19]: Kanttekening 19: 19 twee anderen: Te weten engelen, die begerig zijn zulke dingen in te zien, 1 Petr. 1:12. Deze twee engelen waren anderen dan die engel, die tot nog toe met Daniël gesproken heeft, ook anderen dan van wie boven Dan. 10:5 gesproken is. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. Daniël 10:5: En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.
[^daniel-12-5-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws, lip (שְׂפַת).
[^daniel-12-5-21]: Kanttekening 21: Te weten van de rivier Hiddekel; zie boven Dan. 10:4. Daniël 10:4: En op de vier en twintigste dag van de eerste maand, zo was ik aan de oever van de grote rivier, welke is Hiddekel.
[^daniel-12-6-22]: Kanttekening 22: Te weten één van hen, of zij beiden, de één voor, de ander na.
[^daniel-12-6-23]: Kanttekening 23: Zie boven Dan. 10:9. Daniël 10:9: En ik hoorde de stem van Zijn woorden; en toen ik de stem van Zijn woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.
[^daniel-12-6-c]: Verwijzing c: Dan. 10:5. Daniël 10:5: En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.
[^daniel-12-6-24]: Kanttekening 24: 24 Die boven op het water van de rivier was: Dat is, die geweld heeft over alle heidenen, want door wateren worden dikwijls volken betekend in de Heilige Schrift.
[^daniel-12-6-25]: Kanttekening 25: 25 dat er een einde van deze wonderen zal wezen: Wanneer zullen dan deze dingen, welke in ons verstand wonderlijk zijn, een einde nemen?
[^daniel-12-7-d]: Verwijzing d: Openb. 10:5; idem v. 6. Openbaring 10:5: En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel. Openbaring 10:6: En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;
[^daniel-12-7-26]: Kanttekening 26: 26 na een bestemden tijd: Zie de aantekening Dan. 7:25. Daniël 7:25: En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd.
[^daniel-12-7-27]: Kanttekening 27: 27 een helft: Of, een deel; te weten van de bestemde tijd.
[^daniel-12-7-28]: Kanttekening 28: 28 Hij zal voltooid hebben: Te weten God de Heer.
[^daniel-12-7-29]: Kanttekening 29: 29 te verstrooien: Dat is, zijn volk en kerk zo vernederd en verzwakt zal hebben, dat zij zal schijnen schier geheellijk tenonder gebracht te zijn.
[^daniel-12-7-30]: Kanttekening 30: 30 de hand van het heilige volk: Dat is, alle macht en vermogen van het volk. Vergelijk Deut. 32:36. Anderen verstaan hier door de hand, die hand door welke het heilige volk was gedrukt geworden, namelijk de macht van Antiochus Epifanes, van zijn krijgsvolk en zijne nakomelingen; dat alsdan die grote vervolgingen op het hoogste gelopen zouden zijn; vergelijk Dan. 7:26, en dat zich God opmaken zou om zijn volk te verlossen. Zie boven vers 1, vergelijk Dan. 7:26. Deuteronomium 32:36: Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is. Daniël 7:26: Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe. Daniël 12:1: En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Daniël 7:26: Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.
[^daniel-12-8-31]: Kanttekening 31: 31 ik verstond het niet: Te weten wat dat te zeggen was, een bestemde tijd, bestemde tijden, en ene helft, enz.
[^daniel-12-8-32]: Kanttekening 32: 32 Mijn Heer: Aldus noemt hij Christus, met wie hij sprak.
[^daniel-12-8-33]: Kanttekening 33: 33 het einde: Hebreeuws, het laatste. Daniël begeert duidelijk de tijd te mogen weten, wanneer de kerk van God van die zware vervolging zou verlost en de ware godsdienst zou hersteld worden.
[^daniel-12-9-34]: Kanttekening 34: 34 deze woorden zijn toegesloten en verzegeld: Vergelijk boven Dan. 8:26. Daniël 8:26: Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.
[^daniel-12-9-35]: Kanttekening 35: 35 tot de tijd van het einde: Dan zal deze gehele profetie open en klaar wezen, maar vóór die tijd kan de rechte mening daarvan niet vastelijk noch zekerlijk in al haar delen geweten worden.
[^daniel-12-10-36]: Kanttekening 36: 36 Velen zullen: Ene wederhaling van de voorzegging van de ellenden, die de kerk van God zouden overkomen. Zie Dan. 11:35. Daniël 11:35: En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.
[^daniel-12-10-37]: Kanttekening 37: 37 gereinigd en wit gemaakt en gelouterd worden: Of, gezuiverd worden. Onze Heer Christus gebruikt hier drie woorden bij gelijkenis; het eerste is genomen van de zuivering van het koren; gelijk het koren met de wan van het kaf gezuiverd wordt, zo de gelovigen met de wan van de vervolging; het tweede woord is genomen van de vollers, die het laken schoon en wit vollen; de derde gelijkenis is genomen van de goudsmeden, die het goud en zilver in hun smeltoven louteren en het schuim uitzuiveren. Zie Dan. 11:35. Daniël 11:35: En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.
[^daniel-12-10-38]: Kanttekening 38: 38 maar de goddelozen: De zin is: De goddelozen zullen afwijken en voortvaren in hunne goddeloosheid, en zullen deze verborgenheden niet verstaan, hoe dikwijls en hoe duidelijk hun die zullen mogen uitgelegd worden. Vergelijk Openb. 22:11. Openbaring 22:11: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.
[^daniel-12-10-39]: Kanttekening 39: Of, de leraars; gelijk boven Dan. 11:33. Daniël 11:33: En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
[^daniel-12-11-40]: Kanttekening 40: 40 het gedurig offer zal weggenomen: Zie Dan. 11:31. Daniël 11:31: En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.
[^daniel-12-11-41]: Kanttekening 41: 41 gesteld zijn: Zie hiervan ook Dan. 11:31. Daniël 11:31: En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.
[^daniel-12-11-42]: Kanttekening 42: 42 zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen: Dat zijn drie jaren, zeven maanden en dertien dagen, als men dit op de vervolging van Antiochus Epifanes duidt, en natuurlijke of gewone dagen hier verstaat. Maar enige onder de geleerden nemen deze dagen voor jaardagen.
[^daniel-12-12-43]: Kanttekening 43: 43 raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen: Of, reikt, bereikt, komt, tot dertienhonderd vijf en dertig dagen. Hier zijn vijf en veertig dagen meer dan vers 11 en dit is de zin, gelijk sommigen menen, dat de staat van het Joodse volk veel beter wezen zal als er nog vijf en veertig dagen boven de drie jaren, zeven maanden en dertien dagen zullen verlopen zijn, want alsdan zou het Joodse volk van die wrede tiran Antiochus Epifanes geheel vrij en ontlast worden; hij is gestorven in het begin van het honderd negen en veertigste jaar van het rijk van de nakomelingen van Seleucus, 1 Makk. 6:8,16. Daniël 12:11: En van die tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. 1 Makkabeeën 6:8: En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit verdriet in een ziekte is vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.
[^daniel-12-13-44]: Kanttekening 44: 44 tot het einde: Te weten tot het einde van uw leven; stel al uwe zaken daartoe; bestel uw huis, want u zult haast sterven.
[^daniel-12-13-45]: Kanttekening 45: Te weten in de aarde, na uw dood, u zult verlost en ontslagen worden van alle moeite en rusten van uw arbeid, uwe ziel zal opgenomen worden in de schoot van Abraham.
[^daniel-12-13-46]: Kanttekening 46: 46 zult opstaan: Te weten in de opstanding van de doden ten jongsten dage.
[^daniel-12-13-47]: Kanttekening 47: 47 in uw lot: Dat is, in uw deel, te weten in het deel van uw hemels erfgoed, dat u bereid en verordend is, met alle uitverkoren kinderen van God, naar het goede welbehagen van God.
[^daniel-12-13-48]: Kanttekening 48: 48 in het einde van de dagen: Dat is, op het einde van de wereld, als uwe ziel met het lichaam verenigd zijnde, zal opgenomen worden in de vreugde van het eeuwige leven, om en door de verdiensten van Jezus Christus, de ware Messias, die geprezen moet zijn in eeuwigheid; Amen Rom. 9:5. Romeinen 9:5: Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees betreft, Dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen.

## Hosea

### Hosea 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/1.json)

*Wanneer Hosea geprofeteerd heeft, vers 1. op Gods bevel beeldt hij Israëls geestelijke hoererij en Gods oordelen af, door het trouwen van Gomer, 2. en verwekt bij haar Jizreël, 4. Lo-Ruchama, 6, en Lo-Ammi, 8. Evenwel belooft God Zijn kerk door de Messias heerlijk weer op te richten uit Joden en heidenen, 10.*

**1** Het woord van YHWH, dat gebeurd is tot[^hosea-1-1-1] Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia,[^hosea-1-1-2] koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v1)

**2** Het begin[^hosea-1-2-3] van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en[^hosea-1-2-5] kinderen van de hoererijen; want het land hoereert[^hosea-1-2-6] geheel[^hosea-1-2-7] van achter YHWH.[^hosea-1-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v2)

**3** Zo[^hosea-1-3-8] ging hij heen, en nam[^hosea-1-3-9] Gomer, een dochter van[^hosea-1-3-10] Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v3)

**4** En YHWH zei tot[^hosea-1-4-11] hem: Noem zijn naam[^hosea-1-4-12] Jizreël, want nog een korte tijd, zo zal Ik de[^hosea-1-4-13] bloedschulden van[^hosea-1-4-14] Jizreël bezoeken over het huis van[^hosea-1-4-15] Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v4)

**5** En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls[^hosea-1-5-16] boog verbreken zal, in het[^hosea-1-5-17] dal van Jizreël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v5)

**6** En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en[^hosea-1-6-18] Hij zei tot hem: Noem haar naam[^hosea-1-6-19] Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal[^hosea-1-6-20] ze zeker wegvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v6)

**7** Maar over het huis[^hosea-1-7-21] van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door YHWH,[^hosea-1-7-22] hun God, en Ik zal ze niet verlossen door[^hosea-1-7-23] boog, noch door zwaard, noch door strijd, door paarden noch door ruiteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v7)

**8** Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v8)

**9** En[^hosea-1-9-24] Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook[^hosea-1-9-25] de uwe niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v9)

**10** Toch zal het getal van[^hosea-1-10-26] de Israëlieten zijn als het[^hosea-1-10-a] zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden;[^hosea-1-10-b] en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: U bent Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v10)

**11** [^hosea-1-11-27] En de kinderen van Juda, en de Israëlieten zullen[^hosea-1-11-c] samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het[^hosea-1-11-28] land optrekken;[^hosea-1-11-29] want de dag van Jizreël zal groot zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v11)

**12** [^hosea-1-12-30] Zeg tot uw broers:[^hosea-1-12-31] Ammi, en tot uw[^hosea-1-12-32] zussen:[^hosea-1-12-33] Ruchama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/1.html#v12)

[^hosea-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 Hosea, de zoon van Beëri: In het Nieuwe Testament, in het Grieks genoemd Osee, Rom. 9:25. Dezelfde naam had ook eerst Jozua, Num. 13:16; idem de laatste koning van Israël, 2 Kon. 17:1, 17:6. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Numeri 13:16: Dit zijn de namen van de mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. 2 Koningen 17:1: In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^hosea-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 koningen van Juda: Hieruit blijkt dat deze profeet een zeer lange tijd, te weten tenminste, naar sommiger gevoelen, omtrent drie en veertig jaren geprofeteerd heeft. En of hij wel onder de andere koningen, die in Israël deze Jerobeam \[niet de zoon van Nebat maar van Joas, een kindskind van Jehu\] gevolgd zijn, ook geprofeteerd heeft, zo wordt nochtans deze alleen hier genoemd, omdat hij een en veertig jaar geregeerd heeft, en om te tonen dat de goddelijkheid van deze profetie, als welke al geschied is ten tijde als het koninkrijk van de tien stammen nog in bloei was. Zie 2 Kon. 14:25, en verder de historiën van de regering van deze koningen van Juda, 2 Kon. 15 tot 2 Kon. 21, en 2 Kron. 26 tot 2 Kron. 33, en vergelijk Amos 1:1. 2 Koningen 14:25: Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, van God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. Amos 1:1: De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
[^hosea-1-2-3]: Kanttekening 3: 3 van het woord van YHWH door Hosea: Of, van het spreken, van de spraak; dat is, als de Heer eerst met, door en tot Hosea begon te spreken, sprak Hij dit tot hem, en door hem tot het volk. Anders: in Hosea; \[en zo elders\] om nader te tonen dat het volgende niet geschied is inderdaad, maar door een gezicht in de geest, inwendiglijk, bij manier van parabel of gelijkenis, de profeet van God is geopenbaard, en naderhand het volk zo, als een profetisch gezicht voorgedragen. Zie van zulke profetische gezichten, Gen. 15:1, en vergelijk onder Hos. 3:1, enz.; idem Ez. 4:4, en Ez. 8:2, en Ez. 11:24, 11:25, enz. Genesis 15:1: Na deze dingen geschiedde het woord van YHWH tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. Hosea 3:1: En YHWH zei tot mij: Ga opnieuw heen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk YHWH de kinderen van Israël bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen van de druiven. Ezechiël 4:4: Lig u ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen. Ezechiël 8:2: Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante van Zijn lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante van een klaarheid, als de verf van Hasmal. Ezechiël 11:24: Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door de Geest van God in Chaldea tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op. Ezechiël 11:25: En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden van YHWH, die Hij mij had doen zien.
[^hosea-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 kinderen van de hoererijen: Omdat hier gezegd wordt: Neem een hoer met hoerenkinderen, en daarna dat de profeet die kinderen bij die hoer gewonnen heeft, daaruit blijkt dat het niet zo inderdaad geschied is.
[^hosea-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 hoereert ganselijk: Hebreeuws, hoererende hoereert; dat is, doet doorgaans niets anders. Zie van geestelijke hoererij Lev. 17:7. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.
[^hosea-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 van achter YHWH: Dat is, zo dat de inwoners van het land de Heer niet meer navolgen, maar van Hem afwijken, en de afgoden onzinnig nalopen; vergelijk onder Hos. 4:12. Hosea 4:12: Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.
[^hosea-1-2-4]: Kanttekening 4: 4 neem u een vrouw van de hoererijen: Dat is, ganselijk tot hoererij begeven. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 5:7. Psalmen 5:7: U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van het bedrog heeft YHWH een gruwel.
[^hosea-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 ging hij heen: Dit alles is de profeet in een gezicht vertoond, en het volk \[gelijk op vers 2 is aangetekend\] voorgesteld, tot een spiegel en levendige afbeelding van hun goddeloos wezen, in vers 2 vermeld. Hosea 1:2: Het begin van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter YHWH. Hosea 1:2: Het begin van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter YHWH.
[^hosea-1-3-9]: Kanttekening 9: Gelijk Gomer in het Hebreeuws somtijds de betekenis heeft van volheid, of volmaaktheid, somtijds van vertering; zo had God dit volk alles goeds gedaan, maar zij verteerden alles, en ook zichzelven, door afgoderij en andere zonden, waarom zij eindelijk door Gods plagen zouden verteerd worden.
[^hosea-1-3-10]: Kanttekening 10: Sommigen nemen dit voor een mansnaam, anderen voor de geboorteplaats. Het woord betekent twee klompen vijgen, waardoor beduid kan worden de geilheid, wellustigheid en dartelheid van het volk. Enige menen dat deze naam ziet op de woestijn Dibla, vermeld Ez. 6:14, \[zie de aantekening daar\] om te tonen de genade, die God zijn volk bewezen heeft, hen voerende uit de woestijn in Kanaän. \[Vergelijk Ez. 16:5, 16:7; Hoogl. 3:6\]; Num. 33:46, wordt vermeld Diblathaim. Zie verder Jer. 2:2, 2:6. Ezechiël 6:14: Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath heen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik YHWH ben. Ezechiël 16:5: Geen oog had medelijden over u, om u één van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar u bent geworpen geweest op het vlakke van het veld, om de walgelijkheid van uw ziel, op de dag toen u geboren was. Ezechiël 16:7: Ik heb u tot tien duizend, als het gewas van het veld, gemaakt; en u bent gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, maar u was naakt en bloot. Hooglied 3:6: Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder van de kruideniers? Numeri 33:46: En zij verreisden van Dibon-gad, en legerden zich in Almon-diblathaim. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Jeremia 2:6: En zeiden niet: Waar is YHWH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?
[^hosea-1-4-11]: Kanttekening 11: Hosea.
[^hosea-1-4-12]: Kanttekening 12: Deze naam moet onderscheiden worden van Israël, en dit ziet op de plaats Jizreël. Zie het volgende en verder Hos. 2:21, 2:22, met de aantekening. Hosea 2:21: En de aarde zal het koren verhoren, en ook de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!
[^hosea-1-4-13]: Kanttekening 13: 13 bloedschulden van Jizreël: Hebreeuws, bloeden (דְּמֵי); dat is, bloedschulden, doodslagen, moorderijen, \[zie Gen. 37:26\], die daar opgelegd en bedreven zijn. Genesis 37:26: Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^hosea-1-4-14]: Kanttekening 14: 14 bezoeken over het huis: Met straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^hosea-1-4-15]: Kanttekening 15: Die veel bloed vergoten had in het dal Jizreël, op het bevel van de Heer, maar niet uit een oprecht hart om Achabs afgoderij uit te roeien, gelijk hem God bevolen had \[zo hij zelf 2 Kon. 10:28, 10:29, 10:31 wordt gezegd aangehangen te hebben de afgoderij van Jerobeam, en niet gewandeld te hebben in de wet van de Heer met zijn gehele hart\] maar om het koninkrijk. Waarom God zulks houdt voor een moorderij; vergelijk het voorbeeld van Baësa, 1 Kon. 15:29, en 1 Kon. 16:7, die Jerobeams huis, naar Gods woord verdelgde, maar niet uit vroomheid. 2 Koningen 10:28: Zo verdelgde Jehu Baäl uit Israël. 2 Koningen 10:29: Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren. 2 Koningen 10:31: Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet van YHWH, van God van Israël, met zijn gehele hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed. 1 Koningen 15:29: Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet; 1 Koningen 16:7: Zo geschiedde ook het woord van YHWH, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen van YHWH, Hem tot toorn verwekkende door het werk van zijn handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij het verslagen had.
[^hosea-1-5-16]: Kanttekening 16: 16 boog verbreken zal: Dat is, de macht van de schutterij, of de krijgsmacht; vergelijk Ps. 78:9; dienvolgens zal Israël de vijand ten roof moeten worden. Zie 2 Sam. 1:18; Jer. 49:35 met de aantekening. Psalmen 78:9: (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.) 2 Samuël 1:18: Als hij gezegd had, dat men de kinderen van Juda de boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek van de Oprechten. Jeremia 49:35: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ziet, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hun geweld.
[^hosea-1-5-17]: Kanttekening 17: 17 dal van Jizreël: Zie van dit dal Richt. 6:33. Het schijnt dat Israël hier een grote nederlaag gehad heeft, ten tijde als Salmanassar tegen hen optoog. Zie 2 Kon. 17:4, enz. Anders: om het dal Jizreëls; dat is, om de moorderij daar bedreven. Richteren 6:33: Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis.
[^hosea-1-6-18]: Kanttekening 18: 18 Hij zei tot hem: De Heer tot Hosea.
[^hosea-1-6-19]: Kanttekening 19: Dat is, niet ontfermde.
[^hosea-1-6-20]: Kanttekening 20: 20 zekerlijk wegvoeren: Hebreeuws, wegvoerende, of opnemende, \[dat is, opnemende en wegvoerende\] wegvoeren; vergelijk onder Hos. 5:14. Deze woorden worden verscheidenlijk overgezet, vermits de verscheidene betekenissen van het Hebreeuwse woord, dat niet alleen opnemen, wegnemen, wegvoeren, enz., maar ook vergeven betekent. \[Zie Ps. 25:18; Jes. 2:9\]. Dit is vervuld, eerst door Tiglath-Pilezer, daarna door Salmanassar, koningen van Assyrië. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Psalmen 25:18: Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. Jesaja 2:9: Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult U het hun niet vergeven.
[^hosea-1-7-21]: Kanttekening 21: 21 Juda zal Ik Mij ontfermen: Dat is, mijn kerk, of mijn volk, hier bijzonderlijk afgebeeld door Juda, als hebbende de rechte godsdienst, en niet door Israël, die de waren godsdienst verlaten hadden; waarom in het volgende ook van het huis van Juda gezegd wordt, de Heer hun God. Vergelijk onder vers 9, en Hos. 12:1; anders worden Juda en Israël \[tezamen afbeeldende de algemene kerk uit Joden en heidenen\] samengevoegd. Zie onder vers 11, enz.; idem Hos. 3:5. Hosea 1:9: En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. Hosea 12:1: Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. Hosea 1:11: En de kinderen van Juda, en de kinderen van Israël zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^hosea-1-7-22]: Kanttekening 22: 22 YHWH, hun God: Dat is, door mijn eeuwigen eniggeboren Zoon Jezus Christus, die Ik tot een Heiland, Behouder, Zaligmaker, Hoofd en Koning van zijn volk verordineerd heb; vergelijk Gen. 19:24; Jes. 10:27, en Jer. 23:4, 23:5, enz. Anders: door YHWH hun God; dat is, door mijzelf, Ik zal het zelf doen, te weten hen lichamelijk verlossen uit Babel, en geestelijk door de Messias, uit de gevangenis van de duivel, enz. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Jesaja 10:27: En het zal gebeuren ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, vanwege de Gezalfde. Jeremia 23:4: En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt YHWH. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
[^hosea-1-7-23]: Kanttekening 23: 23 boog, noch door zwaard: Gelijk de verlossing van Juda uit de Babylonische gevangenschap door mijn zonderlinge genade en regering beschikt en bestuurd zal worden, en niet door menselijk geweld, zo zal de verlossing door Christus een geheel hemels en geestelijk heil zijn, waarvoor zij niemand dan mij zullen hebben te danken. Vergelijk Micha 5:9, met de aantekening. Sommigen duiden het ook op de wonderlijke regering van God, door welke Hij Juda heeft verlost van de twee koningen, Pekah, koning van Israël, en Rezin, koning van Syrië. Zie Jes. 7:1,enz.; 2 Kon. 15:29, 15:30, en 2 Kon. 16:9. Micha 5:9: En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen. Jesaja 7:1: Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 15:30: En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 2 Koningen 16:9: Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^hosea-1-9-24]: Kanttekening 24: 24 Hij zei: De Heer.
[^hosea-1-9-25]: Kanttekening 25: 25 de uwe niet zijn: Dat is, Ik zal ulieder God niet zijn, gelijk dit sommigen aldus aanvullen: zo zal Ik \[ook\] ulieder \[God\] niet zijn, gelijk God elders dikwijls spreekt. Vergelijk boven vers 7 met de aantekening, en zie Gen. 17:7, en Deut. 7:6. Door de geboorte van deze drie kinderen menen sommigen afgebeeld te zijn drieërlei staat van het volk van Israël, telkens meer vervallende in zonden en zwaarder van God gestraft. Hosea 1:7: Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door YHWH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.
[^hosea-1-10-26]: Kanttekening 26: 26 kinderen van Israël zijn als het zand van de zee: Wie Ik in toekomenden tijden zal genadig zijn. Hier spreekt God van het genade werk, dat Hij voorhad aan zijn volk te bewijzen bij de tijd van het Nieuwe Testament, te weten aan Joden en heidenen, het Israël Gods; zie Rom. 9:24, 9:26; Gal. 3:28, 3:29, en Gal. 6:16; want nu het vleselijk Israël, zowel als de heidenen, Gods volk niet meer waren, zo moesten zij beiden door loutere en vrije genade aangenomen worden, welke God hier hun beiden toezegt. Romeinen 9:24: Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Romeinen 9:26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genaamd worden. Galaten 3:28: Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus. Galaten 3:29: En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Galaten 6:16: En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over hen zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^hosea-1-10-a]: Verwijzing a: Gen. 32:12. Genesis 32:12: U hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!
[^hosea-1-10-b]: Verwijzing b: Rom. 9:25; idem v. 26. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Romeinen 9:26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levenden Gods genaamd worden.
[^hosea-1-11-27]: Kanttekening 27: 27 En de kinderen van Juda: Hoewel sommigen dit enigszins verstaan van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, wanneer de verstrooide en overgebleven vrome Israëlieten, door al de geleden plagen bijkans teniet geworden zijnde, zich zeer graag zouden voegen bij de optrekkende Joden, zo ziet het nochtans eigenlijk op de verzamelingen van de kerk van het Nieuwe Testament uit Joden en heidenen, onder één Hoofd Jezus Christus door geloof en ware bekering. Vergelijk Jer. 23:6, enz., en Jer. 31:5, 31:6, 31:9, en Jer. 50:4, enz. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 31:5: U zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. Jeremia 31:6: Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maakt u op, en laat ons opgaan naar Sion, tot YHWH, onze God! Jeremia 31:9: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene. Jeremia 50:4: In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt YHWH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij heengaan, en YHWH, hun God, zoeken.
[^hosea-1-11-c]: Verwijzing c: Jes. 11:13; Jer. 3:18; Ez. 37:16; idem v. 22; Efez. 2:14; idem v. 15; idem v. 16. Jesaja 11:13: En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. Jeremia 3:18: In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb. Ezechiël 37:16: U nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen van Israël, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gehele huis van Israël, zijn metgezellen. Ezechiël 37:22: En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. Efeziërs 2:14: Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van de afscheidsels gebroken hebbende, Efeziërs 2:15: Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet van de geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; Efeziërs 2:16: En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelfde gedood hebbende.
[^hosea-1-11-28]: Kanttekening 28: 28 land optrekken: Van hun lichamelijke gevangenschap, en eigenlijk uit de geestelijke gevangenschap zich begeven tot Gods kerk.
[^hosea-1-11-29]: Kanttekening 29: 29 want de dag van Jizreël zal groot zijn: Of, omdat de dag van Jizreël groot zal geweest zijn. Versta, Israëls nederlaag en verwoesting, waarvan boven vers 5. De zin is dat dit oordeel van God en al de volgende of gevolgde straffen hen daartoe zullen bewegen. Sommigen verstaan door Jizreëls dag de dag van Israëls verlossing, die heerlijk zal zijn, gesteld tegen de dag van hun nederlaag in Jizreël, en daarom ook genoemd Jizreëls dag; dat is Israëls dag. Vergelijk onder Hos. 2:21. Deze verklaring komt met het voorgaande wel overeen. Zo wordt iemands dag in de Schriftuur genoemd, de tijd in welke iemand iets bijzonders goeds of kwaads van God naar zijn bestemden raad wordt toegeschikt. Hosea 1:5: En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. Hosea 2:21: En de aarde zal het koren verhoren, en ook de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
[^hosea-1-12-30]: Kanttekening 30: 30 Zegt tot uw broers: O u gelovige overgeblevenen van Israël, zegt tot de Joden, en u beiden verder tot de heidenen, door één geloof in één lichaam onder één Hoofd Jezus Christus samengevoegd. Zie Jes. 19:23, 19:24; Rom. 9:25, 9:26. vers 12 hechten sommigen aan Hos. 2. Jesaja 19:23: Te die dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs de Heer dienen. Jesaja 19:24: Te die dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Romeinen 9:26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genaamd worden. Hosea 1:12: Zegt tot uw broers: Ammi, en tot uw zussen: Ruchama.
[^hosea-1-12-31]: Kanttekening 31: Dat is, \[o\] mijn volk. Vergelijk boven vers 7, 1:9; 1 Petr. 2:10. Hosea 1:7: Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door YHWH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren. Hosea 1:9: En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. 1 Petrus 2:10: U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden.
[^hosea-1-12-32]: Kanttekening 32: Gelovige vrouwen in Juda en onder de heidenen.
[^hosea-1-12-33]: Kanttekening 33: Dat is \[o\] ontfermde. Vergelijk boven vers 6. Hosea 1:6: En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.

### Hosea 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/2.json)

*God beveelt de gelovigen die in Israël overgebleven waren, te twisten met de hele afvallige hoop van hun medebroeders, en hun Gods straffen voor ogen te stellen, vanwege hun gruwelijke afgoderij en ondankbaarheid, vers 1, enz. belooft daarna Zijn kerk te herstellen en overvloedig te zegenen in de tijd van de Messias, 14, enz.*

**1** [^hosea-2-1-1] Twist tegen uw[^hosea-2-1-2] moeder, twist, omdat zij Mijn[^hosea-2-1-3] vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze[^hosea-2-1-4] haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v1)

**2** Opdat Ik ze niet naakt[^hosea-2-2-5] uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij[^hosea-2-2-6] geboren werd; ja,[^hosea-2-2-7] make ze als een woestijn, en zette ze als een[^hosea-2-2-8] dor land, en dode ze door[^hosea-2-2-9] dorst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v2)

**3** (En Mij haar[^hosea-2-3-10] kinderen niet ontferme, omdat zij[^hosea-2-3-11] kinderen van de hoererijen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v3)

**4** Want hun moeder hoereert, die hen ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn[^hosea-2-4-12] minnaars nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn[^hosea-2-4-13] drank geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v4)

**5** Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur[^hosea-2-5-14] maken, dat zij haar[^hosea-2-5-15] paden niet zal vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v5)

**6** En zij zal haar minnaars[^hosea-2-6-16] nalopen, maar hen niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en keren weer tot mijn vorige[^hosea-2-6-17] Man, want toen was mij beter dan nu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v6)

**7** Zij[^hosea-2-7-18] bekent toch niet, dat Ik haar het[^hosea-2-7-19] koren, en de nieuwe wijn, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl[^hosea-2-7-20] gebruikt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v7)

**8** Daarom zal Ik terugkomen, en[^hosea-2-8-21] Mijn koren wegnemen[^hosea-2-8-22] op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn op zijn gezetten tijd; en Ik zal[^hosea-2-8-23] wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v8)

**9** En nu zal Ik haar[^hosea-2-9-24] dwaasheid ontdekken voor de ogen haar minnaars; en niemand zal[^hosea-2-9-a] haar uit Mijn hand verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v9)

**10** En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar[^hosea-2-10-25] feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v10)

**11** En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een[^hosea-2-11-26] hoerenloon, dat mij mijn[^hosea-2-11-27] minnaars gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een[^hosea-2-11-b] woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v11)

**12** En Ik zal over haar[^hosea-2-12-28] bezoeken de dagen van de[^hosea-2-12-29] Baäl, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar[^hosea-2-12-30] voorhoofdsiersel, en haar[^hosea-2-12-31] halssieraad, en is haar minnaars nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v12)

**13** [^hosea-2-13-32] Daarom, ziet, Ik zal[^hosea-2-13-33] haar lokken, en[^hosea-2-13-34] zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar[^hosea-2-13-35] hart spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v13)

**14** [^hosea-2-14-36] En Ik zal haar geven haar wijngaarden van[^hosea-2-14-37] daar af, en het dal[^hosea-2-14-38] Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v14)

**15** En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn[^hosea-2-15-39] Baäl! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v15)

**16** En Ik zal de namen van de Baäls van haar[^hosea-2-16-40] mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v16)

**17** En Ik zal op die dag een verbond[^hosea-2-17-41] voor hen maken met het[^hosea-2-17-c] wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de[^hosea-2-17-42] oorlog van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen[^hosea-2-17-43] neerliggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v17)

**18** En Ik zal u Mij[^hosea-2-18-44] ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen[^hosea-2-18-45] in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v18)

**19** (En Ik zal u Mij[^hosea-2-19-46] ondertrouwen in[^hosea-2-19-47] geloof;[^hosea-2-19-d] en u zult YHWH kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v19)

**20** (En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt YHWH; Ik zal de hemel[^hosea-2-20-48] verhoren, en die zal de aarde verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v20)

**21** En de aarde zal het koren verhoren, en ook de nieuwe wijn en de olie; en die zullen[^hosea-2-21-49] Jizreël verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v21)

**22** En Ik zal ze Mij op de aarde[^hosea-2-22-50] zaaien, en zal Mij ontfermen over[^hosea-2-22-51] Lo-ruchama; en Ik[^hosea-2-22-e] zal zeggen tot[^hosea-2-22-52] Lo-ammi:[^hosea-2-22-53] U bent Mijn volk; en[^hosea-2-22-54] dat zal zeggen:[^hosea-2-22-55] O, mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/2.html#v22)

[^hosea-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 Twist tegen ulieder: Of, pleit, richt; dat is, u vrome profeten en gelovige Israëlieten, die nog onder het volk overig zijt, bestraft ernstiglijk en scherpelijk de uiterste boosheid van het volk, met voorstelling van mijn toorn en nakende straffen.
[^hosea-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, het volk van Israël, de republiek van de tien stammen, of de synagoge Israëls, zo onder vers 4, en Hos. 4:5. Vergelijk Jes. 50:1, enz. Hosea 2:4: Want hun moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. Hosea 4:5: Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. Jesaja 50:1: Zo zegt YHWH: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wie Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.
[^hosea-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 omdat zij Mijn vrouw niet is: Zij houdt mij geen geloof, kent mij niet voor haar man, zo zal Ik haar ook niet meer kennen, tenzij dat zij zich bekeert, gelijk volgt: anders zal Ik doen, gelijk vers 2, enz. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
[^hosea-2-1-4]: Kanttekening 4: 4 hoererijen van haar aangezicht: Dat is, de uiterlijke tekenen van haar hoerachtige en overspelig hart, als daar zijn blanketsels van het aangezicht en sieraad van de borsten, enz. Dit alles beduidt de openbare, onbeschaamde en ongebonden afgoderij. Vergelijk Jer. 4:30; Ez. 16:11, 16:17, 16:18, en Ez. 23:40, enz.; idem Spr. 7:16. Jeremia 4:30: Wat zult u dan doen, u verwoeste? Al kleedde u u met scharlaken, al versierde u u met gouden sieraad, al scheurde u uw ogen met blanketsel, zo zoudt u u toch tevergeefs oppronken; de boelen versmaden u, zij zullen uw ziel zoeken. Ezechiël 16:11: Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt met die gehoereerd. Ezechiël 16:18: En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. Ezechiël 23:40: Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot wie als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor wie u u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierde; Spreuken 7:16: Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
[^hosea-2-2-5]: Kanttekening 5: Of, doen stropen, uittrekken, ontkleden; dat is, beroof van alle lichamelijke en geestelijke sieraad, waarmee Ik haar zo heerlijk versierd had. Zie Ez. 16:10, 16:11, 16:12, 16:13, en Ez. 23:26. Ezechiël 16:10: Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde. Ezechiël 16:11: Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals. Ezechiël 16:12: Evenzo deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. Ezechiël 16:13: Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honig, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werdt. Ezechiël 23:26: Zij zullen u ook uw kleren uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen.
[^hosea-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 geboren werd: Dat is, toen Ik hen eerst tot mijn volk aannam, in Egypte, waar zij in jammerlijke dienstbaarheid staken; ja dat Ik hen nog ellendiger maakte door mijn rechtvaardige oordelen. Vergelijk Ez. 16:4, enz., en Ez. 23:2. Ezechiël 16:4: En aangaande uw geboorten: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden. Ezechiël 23:2: Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochters van een moeder.
[^hosea-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 make ze als een woestijn: Hebreeuws, stelle ze.
[^hosea-2-2-8]: Kanttekening 8: 8 dor land: Hebreeuws, het land van de dorheid, of dorstigheid (אָרֶץ).
[^hosea-2-2-9]: Kanttekening 9: Vergelijk Jes. 5:13; Amos 8:11, 8:13. Jesaja 5:13: Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst. Amos 8:11: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer YHWH, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden van YHWH. Amos 8:13: Te die dage zullen de schone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten;
[^hosea-2-3-10]: Kanttekening 10: 10 kinderen niet ontferme: De leden van het volk Israël.
[^hosea-2-3-11]: Kanttekening 11: 11 kinderen van de hoererijen zijn: Onherboren, onrein, onheilig; \[vergelijk Joh. 8:44\], als in onecht en in een afgodisch huwelijk gewonnen, omdat de moeder een overspeelster en mij ontrouw geworden is, gelijk volgt. Johannes 8:44: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
[^hosea-2-4-12]: Kanttekening 12: 12 boelen nagaan: Afgoden, en verder afgodische volken, waar ik wel bij was. Zie Deut. 8:12, 8:14, 8:19; Jer. 44:17. Deuteronomium 8:12: Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, Deuteronomium 8:14: Uw hart zich alsdan verheffe, dat u vergeet YHWH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft; Deuteronomium 8:19: Maar als het geschiedt, dat u YHWH, uw God, ganselijk vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor hen buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat u voorzeker zult vergaan. Jeremia 44:17: Maar wij zullen ganselijk doen al wat uit onze mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.
[^hosea-2-4-13]: Kanttekening 13: 13 drank geven: Hebreeuws alsof men zei: dranken, drinkingen.
[^hosea-2-5-14]: Kanttekening 14: Hebreeuws alsof men zei: muren toemuren.
[^hosea-2-5-15]: Kanttekening 15: 15 paden niet zal vinden: Dat is, Ik zal hen van alle kanten zo benauwen, dat zij dit hoereren wel zullen afleren, of moeten laten aanstaan. Vergelijk Job 3:23, en Job 19:8; Klaagl. 3:7, 3:9; idem Ez. 16:41, en Ez. 23:22, 23:23, 23:24. Job 3:23: Aan de man, wiens weg verborgen is, en die God overdekt heeft? Job 19:8: Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. Klaagliederen 3:7: Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. Klaagliederen 3:9: Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. Ezechiël 16:41: Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en u zult ook niet meer hoerenloon geven. Ezechiël 23:22: Daarom, o Oholiba! zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik zal uw boelen, van welke uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen. Ezechiël 23:23: De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde mensen, die allen te paard rijden. Ezechiël 23:24: Die zullen tegen u komen met karren, wagens en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten.
[^hosea-2-6-16]: Kanttekening 16: Als tegen mijn dank willende doordringen.
[^hosea-2-6-17]: Kanttekening 17: De Heer.
[^hosea-2-7-18]: Kanttekening 18: 18 bekent toch niet: Of, weet, erkent; dat is, zij wil het niet weten, of bekennen, het is een moedwillige onwetendheid; of zij neemt het niet ter harte.
[^hosea-2-7-19]: Kanttekening 19: 19 koren, en de most: Allerlei zegen.
[^hosea-2-7-20]: Kanttekening 20: 20 gebruikt hebben: Of, \[waarvan\] zij een Baäl gemaakt hebben. Hebreeuws, gedaan, gemaakt, bereid. God wil zeggen dat zij al zijn schone gaven schandelijk ter afgoderij misbruikt hebben. Van Baäl zie Richt. 2:11, en vergelijk Ez. 7:20, en Ez. 16:16, 16:17, 16:18, 16:19, onder Hos. 8:4, en Hos. 12:2. Richteren 2:11: Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls. Ezechiël 7:20: En Hij heeft de schoonheid van Zijn sieraad ter overtreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden van hun gruwelen en van hun verfoeiselen gemaakt; daarom heb Ik dat hun tot onreinigheid gesteld. Ezechiël 16:16: En u hebt van uw kleren genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet gebeuren. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt met die gehoereerd. Ezechiël 16:18: En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. Ezechiël 16:19: En Mijn brood, dat Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmee Ik u spijsde, dat hebt u ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heer YHWH. Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de gehele dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-2-8-21]: Kanttekening 21: 21 Mijn koren wegnemen: Vergelijk Ez. 16:17, 16:18, 16:19, met de aantekening. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt met die gehoereerd. Ezechiël 16:18: En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. Ezechiël 16:19: En Mijn brood, dat Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmee Ik u spijsde, dat hebt u ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heer YHWH.
[^hosea-2-8-22]: Kanttekening 22: 22 op zijn tijd: Als Ik dat beloofd had en placht te geven; of in de oogst, als het rijp zal zijn, en u het koren en de most enz. meent in te zamelen.
[^hosea-2-8-23]: Kanttekening 23: 23 wegrukken Mijn wol en Mijn vlas: Dat is, hun ontnemen; alsof de Heer zei: Het is aan hen kwalijk besteed, zij zijn het niet waard, daarom zal Ik het redden uit de handen van deze misbruikers, die het ten onrechte bezitten.
[^hosea-2-9-24]: Kanttekening 24: 24 dwaasheid ontdekken: Of, schandelijkheid. Zie Gen. 34:7; Jer. 13:22; Ez. 16:36, 16:37. Genesis 34:7: En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden. Jeremia 13:22: Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Ezechiël 16:36: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden van uw gruwelen, en na het bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met wie u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^hosea-2-9-a]: Verwijzing a: Hosea 5:14. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.
[^hosea-2-10-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws, feest, nieuwe maand, sabbat, vastgestelde hoogtijd; dat is, zij zullen geen uiterlijken vorm van godsdienst hebben \[gelijk onder Hos. 3:4\], en dienvolgens gene vreugde noch troost in het houden van de feestdagen. Hosea 3:4: Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
[^hosea-2-11-26]: Kanttekening 26: Dat is, beloning mijner afgoderij; vergelijk onder Hos. 9:1, met de aantekening. Hosea 9:1: Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want u hoereert van uw God af; u hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van de korens.
[^hosea-2-11-27]: Kanttekening 27: 27 boelen gegeven hebben: Dat is, afgoden van Baäl, enz.
[^hosea-2-11-b]: Verwijzing b: Ps. 80:13; Jes. 5:5. Psalmen 80:13: Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken? Jesaja 5:5: Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.
[^hosea-2-12-28]: Kanttekening 28: 28 bezoeken de dagen van de Baäls: Dat is, zal hen straffen om hun langdurige en menigvuldige afgoderij.
[^hosea-2-12-29]: Kanttekening 29: 29 waarin zij die gerookt heeft: Of, die zij rookte; dat is placht te roken; of omdat zij die gerookt hebben.
[^hosea-2-12-30]: Kanttekening 30: Of, oorringen; zie Gen. 24:22, gelijk de hoeren voor de boelen plegen te pronken, zo Israël in het plegen van zijn afgoderij; vergelijk boven vers 1. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds. Hosea 2:1: Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.
[^hosea-2-12-31]: Kanttekening 31: Of, juwelen, baggen, kostelijke halsketens, enz. Zie Spr. 25:12; Hoogl. 7:1. Spreuken 25:12: Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud. Hooglied 7:1: Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, u prinsendochter! de omdraaiingen van uw heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
[^hosea-2-13-32]: Kanttekening 32: 32 Daarom, ziet: Opdat zij niet ten enenmale vervallen en verloren ga, dat gebeuren zou als Ik hun met mijn barmhartigheid niet voorkwam, hen eerst met plagen verootmoedigende en daarna door de predikatie van het heilige Evangelie oprichtende en door mijn Heilige Geest krachtiglijk lerende en troostende. Vergelijk Jer. 16:14; Micha 2:12, 2:13, enz. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Micha 2:12: Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen. Micha 2:13: De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en daardoor uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht heengaan; en YHWH in hun spits.
[^hosea-2-13-33]: Kanttekening 33: Of, overreden. Dit ziet op de lieflijke predikatie van het Evangelie en overreding van de uitverkorenen tot bekering en geloof. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14:15, en Jer. 20:7, en vergelijk Jes. 50:4, enz.; Matt. 3:4, 3:5, 3:6, 3:11, enz., en Matt. 11:28. Richteren 14:15: Daarna geschiedde het op de zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet? Jeremia 20:7: YHWH! U hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; U bent mij te sterk geweest, en hebt overweldigd; ik ben de gehele dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij. Jesaja 50:4: De Heer YHWH heeft Mij een tong van de geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. Mattheüs 3:4: En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. Mattheüs 3:5: Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan; Mattheüs 3:6: En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden. Mattheüs 3:11: Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. Mattheüs 11:28: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^hosea-2-13-34]: Kanttekening 34: 34 zal haar voeren in de woestijn: De zin schijnt te zijn: Ik zal ze eerst plagen en daarna, enz. Waarom sommigen dit aldus overzetten: Als Ik ze in de woestijn zal hebben doen wandelen, gelijk God Israël in voortijden eerst voerde in de woestijn en daarna in het beloofde land.
[^hosea-2-13-35]: Kanttekening 35: 35 hart spreken: Dat is, vriendelijk, troostelijk. Zie Gen. 34:3. Genesis 34:3: En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.
[^hosea-2-14-36]: Kanttekening 36: 36 En Ik zal haar geven: Dit zijn geestelijke beloften van het genadeverbond, gegrond in de enige Verlosser, Middelaar en Messias, onze Heer Jezus Christus, in wie wij door het geloof uit loutere genade vrede hebben met God, gerustheid van de consciëntie, een zekere toevlucht, een zalige bescherming, overvloed van alle geestelijke gaven, met een bestendigen troost, en in het geheel de gewisse genade van dit en de eeuwige heerlijkheid van het toekomende leven. Dit is de inhoud van de volgende verzen van Hos. 2, onder lichamelijke beloften, naar de stijl van het Oude Testament, behorende tot de algemene kerk van de Joden en heidenen. Vergelijk Jes. 65:9, en onder Hos. 12:10. Jesaja 65:9: En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen daar wonen. Hosea 12:10: Maar Ik ben YHWH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst;
[^hosea-2-14-37]: Kanttekening 37: 37 van daar af: Van de woestijn af, als zij die zullen doorgegaan zijn, dat is hun voorgaand lijden een einde zal nemen; gelijk ten tijde als zij de woestijn doorgegaan zijnde, eerst voor de mond van Kanaän kwamen, enz.
[^hosea-2-14-38]: Kanttekening 38: Zie van dit dal Joz. 7:24, 7:26; het was gelegen vooraan in het beloofde land bij de stad Jericho, en zo een deur van de hoop, of verwachting, dat God zijn volk, door Jozua tot daartoe gebracht hebbende, verder zijn beloften zou volvoeren en hen in volkomen bezit van Kanaän stellen; gelijk de gelovigen in deze vallei van het kruis, door de genade van de Heer Christus, een begin van het eeuwige leven en een open deur hebben van de levende hoop van het volkomen bezit van de eeuwige heerlijkheid. Zie Hebr. 6:18, 6:19, 6:20, enz., en vergelijk Jes. 65:10. Jozua 7:24: Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Jozua 7:26: En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich YHWH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam van die plaats het dal van Achor, tot deze dag toe. Hebreeën 6:18: Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; Hebreeën 6:19: Welke wij hebben als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Jesaja 65:10: En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.
[^hosea-2-15-39]: Kanttekening 39: Willende kwanswijs God nog door de Baäl vereren. Vergelijk Ex. 3:2, 3:4, 3:5, en Richt. 2:11. Het woord Baäl betekent wel heer en meester, maar omdat zij het gewoonlijk de afgoden op zijn heidens gewoon waren te geven, zo verfoeit God die titel. Exodus 3:2: En de Engel van YHWH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. Exodus 3:4: Toen YHWH zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik! Exodus 3:5: En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land. Richteren 2:11: Toen deden de kinderen van Israël, dat kwaad was in de ogen van YHWH, en zij dienden de Baäls.
[^hosea-2-16-40]: Kanttekening 40: 40 zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden: De Baäls, dat is mijn kerk zal van alle besmetting van afgoderij en bijgeloof gezuiverd zijn.
[^hosea-2-17-41]: Kanttekening 41: 41 voor hen maken: Dat is, tot hun best.
[^hosea-2-17-c]: Verwijzing c: Job 5:23; Jes. 11:6; Ez. 14:21; Ez. 34:25. Job 5:23: Want met de stenen van het veld zal uw verbond zijn, en het gedierte van het veld zal met u bevredigd zijn. Jesaja 11:6: En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. Ezechiël 14:21: Want zo zegt de Heer YHWH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien! Ezechiël 34:25: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.
[^hosea-2-17-42]: Kanttekening 42: 42 krijg van de aarde verbreken: Dat is, krijgswapenen, instrumenten van oorlog en vijandelijkheid. Vergelijk Jes. 11:9; Micha 5:9, enz. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de gehele berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Micha 5:9: En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen.
[^hosea-2-17-43]: Kanttekening 43: Dat is, doen slapen. Zie Ps. 3:6. Psalmen 3:6: Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want YHWH ondersteunde mij.
[^hosea-2-18-44]: Kanttekening 44: 44 ondertrouwen in eeuwigheid: Vergelijk Ef. 5:25, enz., waar de apostel de verborgenheid van dit geestelijke huwelijk \[in de Heilige Schrift dikwijls vermeld\] aanwijst; en zie verder het Hooglied van Salomo. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;
[^hosea-2-18-45]: Kanttekening 45: 45 gerechtigheid en in gericht: Of, met, door; dat is, gerechtigheid en barmhartigheid zullen elkaar in dit genadewerk vriendelijk ontmoeten en kussen. De aandachtige lezer kan deze woorden vergelijken met Ps. 85:10, 85:11, 85:12, 85:13, 85:14; Jes. 1:27, en Jes. 45:8, 45:23, 45:24, 45:25; Jer. 23:6, en Jer. 33:14, 33:15, 33:16; Rom. 3:22, 3:23, 3:24, 3:25, 3:26, enz. Psalmen 85:10: Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer woont. Psalmen 85:11: De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen. Psalmen 85:12: De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van de hemel nederzien. Psalmen 85:13: Ook zal YHWH het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. Psalmen 85:14: De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij zal ze zetten op de weg Zijn voetstappen. Jesaja 1:27: Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid. Jesaja 45:8: Drupt, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, YHWH, heb ze geschapen. Jesaja 45:23: Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. Jesaja 45:24: Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in YHWH zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn. Jesaja 45:25: Maar in YHWH zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het gehele zaad van Israël. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 33:14: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. Jeremia 33:15: In die dagen, en te van die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. Jeremia 33:16: In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: YHWH, onze GERECHTIGHEID. Romeinen 3:22: Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 3:23: Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid van God; Romeinen 3:24: En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Romeinen 3:26: Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.
[^hosea-2-19-46]: Kanttekening 46: Merk, dat deze genadebelofte in vers 18, 2:19 driemaal wordt verhaald, tot onze troost en verzekering. Hosea 2:18: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. Hosea 2:19: (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult YHWH kennen.
[^hosea-2-19-47]: Kanttekening 47: Of, trouw.
[^hosea-2-19-d]: Verwijzing d: Jer. 31:33; idem v. 34. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.
[^hosea-2-20-48]: Kanttekening 48: 48 verhoren, en die zal de aarde verhoren: Figuurlijke manieren van spreken, door welke God te kennen geeft dat alle creaturen zijn kerk ter zaligheid moeten dienen, wanneer Hij met hen verzoend en tevreden is; vergelijk Rom. 8:20, 8:21, 8:22, 8:28. Romeinen 8:20: Want het schepsel is aan de ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar vanwege die, die het aan de ijdelheid onderworpen heeft; Romeinen 8:21: Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid van de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Romeinen 8:22: Want wij weten, dat het gehele schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe. Romeinen 8:28: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
[^hosea-2-21-49]: Kanttekening 49: 49 Jizreël verhoren: Dat is, Gods volk, zo genoemd, niet alleen omdat zij die plaats bewoond en daar geleden hebben, \[gelijk boven Hos. 1:5\], maar in het bijzonder om de betekenis van deze naam Jizreël, dat is, gezaaide Gods, of zaad Gods, waarop vers 22 slaat, dat is, Gods kerk, in het bijzonder van het Nieuwe Testament; zie Rom. 9:24, 9:25, enz. Hosea 1:5: En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! Romeinen 9:24: Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
[^hosea-2-22-50]: Kanttekening 50: Zie Ps. 22:31, enz.; Jer. 31:27; Matt. 13:3; 1 Petr. 1:23. Psalmen 22:31: Het zaad zal Hem dienen; het zal YHWH aangeschreven worden tot in geslachten. Jeremia 31:27: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten. Mattheüs 13:3: En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.
[^hosea-2-22-51]: Kanttekening 51: Dat is, niet ontfermde; gelijk boven Hos. 1:6. Hosea 1:6: En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.
[^hosea-2-22-e]: Verwijzing e: Hosea 1:10; Rom. 9:26; 1 Petr. 2:10. Hosea 1:10: Nochtans zal het getal van de kinderen van Israël zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levenden Gods. Romeinen 9:26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levenden Gods genaamd worden. 1 Petrus 2:10: U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden.
[^hosea-2-22-52]: Kanttekening 52: Dat is, niet mijn volk, gelijk boven Hos. 1:9. Hosea 1:9: En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uw niet zijn.
[^hosea-2-22-53]: Kanttekening 53: 53 U bent Mijn volk: Hebreeuws, Ammi-atta; dat is, u bent mijn volk.
[^hosea-2-22-54]: Kanttekening 54: 54 dat zal zeggen: Te weten volk.
[^hosea-2-22-55]: Kanttekening 55: 55 O, mijn God: Of, \[U bent\] mijn God; vergelijk Zach. 13:9. Zacharia 13:9: En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: YHWH is mijn God.

### Hosea 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/3.json)

*Door het trouwen en lange stilzitten van een overspeelster beveelt God de profeet de toekomstige langdurige verlaten staat van Israël af te beelden, waarop ten slotte hun bekering tot Christus zal volgen.*

**1** En YHWH zei tot mij: Ga opnieuw heen, houd van een vrouw, die, geliefd zijnde door[^hosea-3-1-2] haar vriend, toch overspel doet;[^hosea-3-1-3] zoals YHWH van de Israëlieten houdt, maar zij zien om naar andere goden, en houden van de flessen van de druiven.[^hosea-3-1-1][^hosea-3-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/3.html#v1)

**2** En ik kocht ze mij voor vijftien[^hosea-3-2-5] zilverlingen, en een[^hosea-3-2-6] homer[^hosea-3-2-7] gerst, en een halven homer gerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/3.html#v2)

**3** En ik zei tot haar: U zult[^hosea-3-3-8] vele dagen[^hosea-3-3-9] na mij[^hosea-3-3-a] blijven zitten (u zult niet ontucht plegen, noch een andere man geworden), en[^hosea-3-3-10] ik ook na u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/3.html#v3)

**4** Want de Israëlieten zullen[^hosea-3-4-11] vele dagen blijven zitten,[^hosea-3-4-b] zonder[^hosea-3-4-12] koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder[^hosea-3-4-13] opgericht beeld, en zonder[^hosea-3-4-14] efod en[^hosea-3-4-15] terafim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/3.html#v4)

**5** Daarna zullen zich de Israëlieten bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en[^hosea-3-5-16][^hosea-3-5-c] David, hun Koning; en zij zullen[^hosea-3-5-17] vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid,[^hosea-3-5-d] in het[^hosea-3-5-18] laatste van de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/3.html#v5)

[^hosea-3-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, echte man, gelijk Jer. 3:20. Hierdoor heeft God de tien stammen willen afbeelden de liefde, die Hij hun toedroeg en bewees, en daartegen hun ontrouw en ondankbaarheid, die zij met hun schandelijk geestelijk overspel van de afgoderij tegen hem bewezen, gelijk de volgende woorden verklaren. Jeremia 3:20: Waarlijk, gelijk een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt YHWH.
[^hosea-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 gelijk YHWH de kinderen van Israël bemint: Hebreeuws, naar de liefde van de Heer \[met welke Hij liefheeft\] enz. gelijk elders.
[^hosea-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 zei tot mij: Te weten in een gezicht. Vergelijk boven Hos. 1, Hos. 2, Hos. 3.
[^hosea-3-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, wijnflessen; waardoor God hun verwijt de dronkenschap, die zij pleegden in hun maaltijden, die zij ter ere van de afgoden hielden in alle overdaad, dronkenschap en wellustigheid, naar de wijze van de heidenen. Zie onder Hos. 4:18. Hosea 4:18: Hun zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; haar schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.
[^hosea-3-2-5]: Kanttekening 5: Zie Gen. 20:16, zijnde dit de helft van de prijs van een dienaar of dienstmaagd, die van een os gestoten waren, Ex. 21:32; ook van de lossing van een vrouw, Lev. 27:4, en dus een slechte en geringe prijs. Genesis 20:16: En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd. Exodus 21:32: Als de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden. Leviticus 27:4: Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkelen.
[^hosea-3-2-6]: Kanttekening 6: Anders ook genoemd Cor. Zie 1 Kon. 4:22. 1 Koningen 4:22: Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;
[^hosea-3-2-7]: Kanttekening 7: Dat een teken kan zijn dat zij bij gerstebrood zou leven, dat is haar weelderigen en wellustigen stand in een zeer soberen veranderd worden; gelijk ze ook om weinig geld gekocht was, dat de onwaardigheid en nietigheid van Israël kan betekenen, gelijk God hen voor zich kocht en loste.
[^hosea-3-3-8]: Kanttekening 8: 8 vele dagen: Dat is, een lange tijd.
[^hosea-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 na mij blijven zitten: Wachtende totdat ik u trouw. \[Vergelijk Deut. 21:11, en de manier van spreken met Ex. 24:14, ook Ruth 3:18\]. Ondertussen zal ik uw boetvaardigheid, in uw eenzamen toestand verwachten. Deuteronomium 21:11: En u onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en u lust tot haar gekregen zult hebben, dat u ze u ter vrouwe neemt; Exodus 24:14: En hij zei tot de oudsten: Blijft u ons hier, totdat wij weer tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot hen komen. Ruth 3:18: Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voltooid hebbe.
[^hosea-3-3-a]: Verwijzing a: Deut. 21:11. Deuteronomium 21:11: En u onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en u lust tot haar gekregen zult hebben, dat u ze u ter vrouwe neemt;
[^hosea-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 ik ook na u: Dat is, ik beloof ook u mijn trouw en zal naar u wachten. Zie de beduiding hiervan in het volgende. Deze afgebroken woorden worden, vermits hun kortheid en duisterheid, verscheidenlijk vervuld en verklaard; het eenvoudigste staat in de tekst. Vergelijk Jes. 30:18. Jesaja 30:18: En daarom zal YHWH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.
[^hosea-3-4-11]: Kanttekening 11: 11 vele dagen blijven zitten: Te weten van de tijd af, dat Salmanassar de tien stammen \[door deze overspelige vrouw afgebeeld\] uit hun land in Assyrië zal hebben weggevoerd en in verscheidene plaatsen verstrooid, tot de tijd van hun bekering toe, gelijk in vers 5 verklaard wordt. Deze tijd van bekering nemen sommigen in de komst van Christus en de predikatie van het Evangelie door de apostelen; anderen duiden dit op de volgende en tegenwoordige toestand van het gehele Joodse volk tot op de tijd van hun laatste bekering, uit Rom. 11:25; het een sluit het andere niet uit. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Romeinen 11:25: Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^hosea-3-4-b]: Verwijzing b: Hosea 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^hosea-3-4-12]: Kanttekening 12: Te weten uit hun broers. De zin hiervan is dat zij een lange tijd geen vorm van burgerlijke regering of republiek, noch van algemenen openbaren godsdienst, \[hetzij ware of valse\] zouden hebben; gelijk het nog ten huidigen dage met hen gesteld is in alle plaatsen, waar zij verstrooid op de aarde wonen.
[^hosea-3-4-13]: Kanttekening 13: 13 opgericht beeld: Als daar waren de gouden kalven te Dan en Bethel, idem de Baäls.
[^hosea-3-4-14]: Kanttekening 14: Zie van efod Ex. 28:6. Jerobeam heeft ongetwijfeld met zijn nieuwe priesters ook nieuwe priesterlijke kledingen verordineerd, om het volk van Jeruzalem af te houden. Zie van afgodische efods buiten Gods ordinantie gemaakt Richt. 17:5, enz. Exodus 28:6: En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk. Richteren 17:5: En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.
[^hosea-3-4-15]: Kanttekening 15: Die zij naar de wijze van de heidenen hadden, om die raad te vragen; zie Gen. 31:19; Ez. 21:21; Zach. 10:2. Genesis 31:19: Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had. Ezechiël 21:21: Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien. Zacharia 10:2: Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.
[^hosea-3-5-16]: Kanttekening 16: 16 David, hun koning: Namelijk de Heer Christus, hun Messias, David genoemd, omdat Hij zijn zoon naar het vlees zou zijn en David zijn voorbeeld geweest was; zo Jer. 30:9; Ez. 34:23, en Ez. 37:24. Gelijk Hij naar de Geest God en de Heer van David en zijn volk was. Jeremia 30:9: Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:24: En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.
[^hosea-3-5-c]: Verwijzing c: Jer. 30:9; Ez. 34:23; Ez. 37:22. Jeremia 30:9: Maar zij zullen dienen YHWH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:22: En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israëls; en zij zullen allen te zamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.
[^hosea-3-5-17]: Kanttekening 17: 17 vrezende komen tot YHWH: Hebreeuws, zullen vrezen tot, enz. Dat is, vrezende aankomen, uit bekentenis van hun onwaardigheid, ontzetting over de onverdiende grote goedheid Gods, die hun in het Evangelie zal worden voorgedragen, en bekommernis om deze genadetijd tijdelijk waar te nemen en recht te gebruiken. Vergelijk onder Hos. 11:10, 11:11; Micha 7:17, ook Jes. 13:8. Hosea 11:10: Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Hosea 11:11: Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH. Micha 7:17: Zij zullen het stof likken, als de slang; als kruipende dieren van de aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot YHWH, onze God, en zullen voor U vrezen. Jesaja 13:8: En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iedereen zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.
[^hosea-3-5-d]: Verwijzing d: Jes. 2:2; Micha 4:1. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Micha 4:1: Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
[^hosea-3-5-18]: Kanttekening 18: 18 laatste van de dagen: Dat is, na een lange tijd, in het Nieuwe Testament, als de Messias zal verschenen zijn; want deze manier van spreken ziet juist niet op de allerlaatste tijd, die voor de voleinding van de wereld zal gaan. Zie Gen. 49:1; Jes. 2:2; Micha 4:1; Hebr. 1:1, enz. met de aantekening daar. Genesis 49:1: Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen wedervaren zal. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot hem zullen alle heidenen toevloeien. Micha 4:1: Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Hebreeën 1:1: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;

### Hosea 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/4.json)

*God scheldt en dreigt Israël heftig, vanwege de algemene boosheid en hardnekkigheid van het volk, de profeten en de priesters, vers 1, enz. in het bijzonder hun gruwelijke ongebonden geestelijke en lichamelijke hoererijen, 12. waarschuwt Juda dat zij Israëls voorbeeld niet navolgen, met voorzegging van het verderf dat hun boven het hoofd hing, 12.*

**1** Hoort het woord van YHWH, u Israëlieten! want YHWH heeft een[^hosea-4-1-1][^hosea-4-1-a] twist met de inwoners van het[^hosea-4-1-2] land, omdat er[^hosea-4-1-3] geen trouw, en geen goedertierenheid, en geen kennis van God in het land is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v1)

**2** [^hosea-4-2-4] Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en[^hosea-4-2-5] bloedschulden raken aan bloedschulden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v2)

**3** Daarom zal het[^hosea-4-3-6] land treuren, en een ieder die daarin woont,[^hosea-4-3-7] verwelken, met het gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel; ja, ook de vissen van de zee zullen[^hosea-4-3-8] weggeraapt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v3)

**4** Maar[^hosea-4-4-9] niemand twiste noch bestraffe iemand; want[^hosea-4-4-10] uw volk is als die met de[^hosea-4-4-11] priester twisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v4)

**5** Daarom zult[^hosea-4-5-12] u vallen bij[^hosea-4-5-13] dag, ja, zelfs de[^hosea-4-5-14] profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw[^hosea-4-5-15] moeder uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v5)

**6** Mijn volk[^hosea-4-6-16] is uitgeroeid, omdat het zonder[^hosea-4-6-17] kennis is; omdat[^hosea-4-6-18] u de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat u Mij het priesterambt niet zult bedienen; omdat u de wet van uw God vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen[^hosea-4-6-19] vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v6)

**7** [^hosea-4-7-20] Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun[^hosea-4-7-21] eer in schande veranderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v7)

**8** [^hosea-4-8-22] Zij eten de[^hosea-4-8-23] zonde van Mijn volk, en[^hosea-4-8-24] verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v8)

**9** Daarom,[^hosea-4-9-25][^hosea-4-9-b] gelijk het volk, zo zal de[^hosea-4-9-26] priester zijn; en Ik zal[^hosea-4-9-27] zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v9)

**10** [^hosea-4-10-c] En zij zullen eten, maar niet verzadigd worden, zullen ontucht plegen, maar niet[^hosea-4-10-28] uitbreken in menigte; want zij hebben[^hosea-4-10-29] nagelaten YHWH in acht te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v10)

**11** Hoererij, en wijn, en nieuwe wijn[^hosea-4-11-30] neemt het hart weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v11)

**12** Mijn volk vraagt zijn[^hosea-4-12-31] hout, en zijn[^hosea-4-12-32] stok zal het hem bekend maken; want[^hosea-4-12-d] de[^hosea-4-12-33] geest van de hoererijen verleidt hen, dat[^hosea-4-12-34] zij van onder hun God weghoereren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v12)

**13** Op de[^hosea-4-13-35] hoogten van[^hosea-4-13-e] de bergen offeren zij, en op de[^hosea-4-13-f] heuvelen roken zij, onder een eik, en populier,[^hosea-4-13-g] en[^hosea-4-13-36] iepeboom, omdat van die schaduw[^hosea-4-13-37] goed is; daarom ontucht plegen uw dochters, en uw[^hosea-4-13-38] bruiden bedrijven overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v13)

**14** [^hosea-4-14-39] Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen, omdat zij ontucht plegen, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want[^hosea-4-14-40] zij zelf scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft, zal[^hosea-4-14-41] omgekeerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v14)

**15** [^hosea-4-15-42] Zo u, o Israël! wilt ontucht plegen, dat immers Juda niet schuldig wordt; kom toch niet te[^hosea-4-15-43] Gilgal, en gaat niet op naar[^hosea-4-15-44] Beth-aven, en zweer[^hosea-4-15-45] niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v15)

**16** Want Israël is[^hosea-4-16-46] onbandig, als een onbandige koe;[^hosea-4-16-47] nu zal[^hosea-4-16-48] hen YHWH weiden, als een[^hosea-4-16-49] lam in de ruimte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v16)

**17** [^hosea-4-17-50] Efraïm is[^hosea-4-17-51] vergezeld met de[^hosea-4-17-52] afgoden;[^hosea-4-17-53] laat hem varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v17)

**18** Hun[^hosea-4-18-54] dronkenschap is[^hosea-4-18-55] afvallig; zij[^hosea-4-18-56] doen niet dan ontucht plegen;[^hosea-4-18-57] haar[^hosea-4-18-58] schilden[^hosea-4-18-59] (het is een schande!) houden van[^hosea-4-18-60] het woord: Geef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v18)

**19** Een[^hosea-4-19-61] wind heeft[^hosea-4-19-62] haar[^hosea-4-19-63] gebonden in zijn vleugels, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun[^hosea-4-19-64] offergaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/4.html#v19)

[^hosea-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 twist met de inwoners van het land: Of, pleit, proces, niet alleen van woorden, maar ook van daden, dat is straffen; gelijk blijkt vers 2, 4:3, zie boven Hos. 2:2; 1 Sam. 25:38, 25:39; Amos 7:4. Hosea 4:2: Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden. Hosea 4:3: Daarom zal het land treuren, en een iedereen, die daarin woont, kwelen, met het gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel; ja, ook de vissen van de zee zullen weggeraapt worden. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst; 1 Samuël 25:38: En het geschiedde omtrent na tien dagen, zo sloeg YHWH Nabal, dat hij stierf. 1 Samuël 25:39: Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zei hij: Gezegend zij YHWH, Die de twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat YHWH het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David zond heen, en liet met Abigaïl spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. Amos 7:4: Verder deed mij de Heer YHWH aldus zien; en ziet, de Heer YHWH riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands.
[^hosea-4-1-a]: Verwijzing a: Micha 6:2. Micha 6:2: Hoort, u bergen! de twist van YHWH, en ook u sterke fondamenten van de aarde! want YHWH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
[^hosea-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 trouw, en geen weldadigheid: Of, waarheid. God wil zeggen dat zij geheel niet deugen, noch in woorden noch in werken, en zo genoeg bleek dat zij hem niet recht kenden.
[^hosea-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 kennis van God in het land is: Versta, rechte, ware en zaligmakende kennis van God, gericht naar zijn Woord, vergezelschapt met geloof en liefde van God en van de naaste; vergelijk Jer. 9:24, en Jer. 22:16, en Jer. 31:34; 1 Joh. 2:4, enz. Jeremia 9:24: Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik YHWH ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt YHWH. Jeremia 22:16: Hij heeft de rechtzaak van de ellendige en nooddruftige gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt YHWH. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. 1 Johannes 2:4: Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet;
[^hosea-4-2-4]: Kanttekening 4: Of, vloeken en liegen, enz. breken door; dat is, nemen de overhand, gelijk een watervloed doorbreekt, met geweld van veel water; idem, gelijk geweldenaars en vijanden door de bressen inbreken, zo breken zij met allerlei gruwelen stoutelijk door, zonder schroom van Gods wetten en ordinantiën. Een ander gebruik van het Hebreeuwse woord zie onder vers 10. Hosea 4:10: En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten YHWH in acht te nemen.
[^hosea-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 bloedschulden raken aan bloedschulden: Hebreeuws, bloeden raken aan bloeden (דָמִים); dat is, de ene moord of doodslag volgt op de andere. Zie boven Hos. 1:4. Hosea 1:4: En YHWH zei tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.
[^hosea-4-3-6]: Kanttekening 6: 6 land treuren: Om de inwoners de gruwelijkheid van hun zonden en derzelver verdiensten voor ogen te stellen, moet het land, en al wat er in is, lijden; telkens bij de profeten.
[^hosea-4-3-7]: Kanttekening 7: Of, kwijnen, flauw, of amechtig worden.
[^hosea-4-3-8]: Kanttekening 8: 8 weggeraapt worden: Hebreeuws eigenlijk, verzameld, dat is, vergaan, sterven, samengeraapt en weggeworpen worden, als een stinkend aas; zie van het Hebreeuwse woord Ps. 26:9. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^hosea-4-4-9]: Kanttekening 9: 9 niemand twiste noch bestraffe iemand: Alsof zij zeiden: Niemand is zo stout, dat hij zich tegen ons reppe en ons doen bestraffe. God verhaalt hier de eigen woorden, die onder het volk zouden omgaan, voorzeggende de profeet, wat hem en andere mannen van God van de regenten, valse profeten en afgodische priesters en hun aanhang zou bejegenen, te weten dat zij hun strafpredikatiën zouden verbieden, en dengenen, die hun daden zouden willen bestraffen, hun vonnis zouden maken, en hen als onrustige mensen en oproermakers straffen.
[^hosea-4-4-10]: Kanttekening 10: 10 uw volk is: O Hosea, waar u mee te doen hebt.
[^hosea-4-4-11]: Kanttekening 11: 11 priester twisten: De zonder enige achting en met opgeblazenheid dengenen lastig en hard vallen, die van Godswege en ambtshalve schuldig is hun zonden te bestraffen, en wiens straf en onderwijs zij eerbiediglijk behoren op te nemen; vergelijk Deut. 17:12. Deuteronomium 17:12: De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar YHWH, uw God, te dienen, of naar de rechter, dezelfde man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen.
[^hosea-4-5-12]: Kanttekening 12: 12 u vallen: Een ieder afvallig en wederstrevig Israëliet zal aanstoten, sneuvelen, omkomen; vergelijk onder Hos. 5:5, en Hos. 14:2. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid.
[^hosea-4-5-13]: Kanttekening 13: 13 dag, ja: Door deze woorden, bij dag bij nacht, kan men verstaan de gedurig nakende ellenden, die de ene op de andere elkaar zouden volgen, als dag en nacht, zonder ophouden en rust. Anders: heden deze dag; dat is, binnen korte tijd, haast; vergelijk Spr. 12:16. Of, u zult vallen terwijl het nog dag zal zijn; dat is, als u zult menen in bloei te zijn en geen nood te hebben; vergelijk Jer. 15:9; Amos 8:9 met de aantekening. En de valse profeten, die u verleiden, zullen vallen bij nacht, of in de nacht, dat is, zijnde in duisternis, onwetendheid, zonder gezicht en kennis van het verderf, dat u en henzelf zal treffen als zij het niet eens denken, belovende zichzelven en u vrede; vergelijk Micha 3:5, 3:6, 3:7. Sommigen menen dat het daarop ziet, dat de profeten wel gewoon waren bij nacht gezichten te ontvangen van God, Gen. 46:2; Zach. 1:8, en dat de valse profeten, zich daarop zinloos ook beroemende, gezegd zouden worden in de nacht te vallen. Spreuken 12:16: De toorn van de dwaas wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande. Jeremia 15:9: Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hun vijanden, spreekt YHWH. Amos 8:9: En het zal op die dag gebeuren, spreekt de Heer YHWH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren. Micha 3:5: Zo zegt YHWH, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen die zo heiligen zij een krijg. Micha 3:6: Daarom zal het nacht voor u worden vanwege het gezicht, en u zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden. Micha 3:7: En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn. Genesis 46:2: En God sprak tot Israël in gezichten van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik! Zacharia 1:8: Ik zag in de nacht, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden.
[^hosea-4-5-14]: Kanttekening 14: 14 profeet zal met u vallen bij nacht: Versta, de valse verleidende profeten, die het volk door beloften van vrede in hun boosheid stijfden.
[^hosea-4-5-15]: Kanttekening 15: 15 moeder uitroeien: Het koninkrijk van de tien stammen, het Israëlietische volk, of kerk, synagoge; gelijk boven Hos. 2:1. Hosea 2:1: Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.
[^hosea-4-6-16]: Kanttekening 16: 16 is uitgeroeid: Dat is, zal zekerlijk worden uitgeroeid. Hebreeuws, mijn volk zijn, of worden uitgeroeid (עַמִּ).
[^hosea-4-6-17]: Kanttekening 17: 17 kennis is: Gelijk boven vers 1; vergelijk Jes. 5:13. Hosea 4:1: Hoort het woord van YHWH, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is; Jesaja 5:13: Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
[^hosea-4-6-18]: Kanttekening 18: 18 u de kennis verworpen hebt: Aanspraak aan de afgodische priesters en andere kerkelijke personen, die Gods woord het volk behoren rein en zuiver te leren; zie Deut. 33:10; Mal. 2:7. Deuteronomium 33:10: Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat geheel verteerd zal worden, op Uw altaar. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^hosea-4-6-19]: Kanttekening 19: Gelijk Gods gedenken ten goede zijn gunst en zegen betekent, zo beduidt hier zijn vergeten zijn ongenade en verlating, dat Hij de mens ongezegend laat heengaan en aan allerlei ellende overgeeft.
[^hosea-4-7-20]: Kanttekening 20: 20 Gelijk zij meerder geworden zijn: Of, naar hun vermeerdering, of grootheid; dat is, hoe meer zij in getal, menigte, eer en grootheid gewassen en toegenomen zijn; zijnde een bijzonder koninkrijk geworden, en hebbende een nieuw bijzonder priesterdom opgericht, waarop de volgende woorden schijnen te zien, voornamelijk op het priesterdom, \[waarvan in vers 8\] hoe ondankbaarder zij tegen mij geworden zijn en hoe gruwelijker gezondigd hebben. Vergelijk de manier van spreken met onder Hos. 11:2. Hosea 4:8: Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid. Hosea 11:2: Maar gelijk zij henlieden riepen, zo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesnedenen beelden.
[^hosea-4-7-21]: Kanttekening 21: 21 eer in schande veranderen: Koninklijke en priesterlijke.
[^hosea-4-8-22]: Kanttekening 22: De priesters.
[^hosea-4-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, de zondoffers; zie Lev. 4:3. De zin is: Hun oogmerk is niet dat het volk van de offeranden, en verder van zonden en van de verdiensten van de zonden, idem van de Messias en de ware gerechtigheid mocht worden onderwezen en voor God behagelijk offeren, maar alleen dat zijzelf slechts genoeg mochten hebben om te eten, te teren en te smeren. Leviticus 4:3: Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer.
[^hosea-4-8-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws, zij verheffen zijn ziel (נַפְשֽׁ); dat is, een ieder van hen verheft zijn ziel; dat is, verlangt met grote begeerte daarnaar dat het volk veel mag zondigen, en vervolgens vele zondoffers aanbrengen, opdat hij zich daarvan mag mesten; hoe meer het volk zondigt, hoe liever het hun is, wil de profeet zeggen. Van de Hebreeuwse manier van spreken, zie Ps. 24:4. Psalmen 24:4: Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
[^hosea-4-9-25]: Kanttekening 25: 25 gelijk het volk: Dat is, omdat de één niet beter is dan de ander, zo zal het de één ook gaan als de ander, zij zullen in ééne straf worden ingewikkeld; zie Jes. 24:2; Matt. 15:14. Jesaja 24:2: En gelijk het volk, zo zal de priester wezen; gelijk de knecht, zo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, zo haar vrouw; gelijk de koper, zo de verkoper; gelijk de lener, zo de ontlener; gelijk de woekeraar, zo die, van welke hij woeker ontvangt. Mattheüs 15:14: Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
[^hosea-4-9-b]: Verwijzing b: Jes. 24:2. Jesaja 24:2: En gelijk het volk, zo zal de priester wezen; gelijk de knecht, zo zijn heer; gelijk de dienstmaagd, zo haar vrouw; gelijk de koper, zo de verkoper; gelijk de lener, zo de ontlener; gelijk de woekeraar, zo die, van welke hij woeker ontvangt.
[^hosea-4-9-26]: Kanttekening 26: 26 priester zijn: Of, regent, of beiden tezamen, degenen die in kerk en staat de voornaamste zijn. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 41:45. Genesis 41:45: En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.
[^hosea-4-9-27]: Kanttekening 27: 27 zijn wegen: Het wezen en doen van de priester straffen. Zie Gen. 6:12, en Gen. 21:1. Of, zijn; dat is, van een ieder van hen. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^hosea-4-10-c]: Verwijzing c: Micha 6:14. Micha 6:14: U zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en u zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
[^hosea-4-10-28]: Kanttekening 28: 28 uitbreken in menigte;: Dat is, niet vermenigvuldigd worden. Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 28:14, en Gen. 30:30; idem Job 1:10, met de aantekening. Genesis 28:14: En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Genesis 30:30: Want het weinige, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en YHWH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? Job 1:10: Hebt U niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijn handen hebt U gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in de lande.
[^hosea-4-10-29]: Kanttekening 29: 29 nagelaten YHWH in acht te nemen: Mits verlatende en niet bewarende de wegen van de Heer en Hem niet voor ogen hebbende.
[^hosea-4-11-30]: Kanttekening 30: 30 neemt het hart weg: Hebreeuws, zal nemen; dat is, een ieder van deze, \[te weten hoererij en dronkenschap\] beneemt de mens het verstand en oordeel, en maakt hem dienvolgens zo dol en dwaas, dat hij doet gelijk volgt. Zie Jes. 28:7; Openb. 17:2, en Spr. 9:4. Jesaja 28:7: En ook dwalen deze van de wijn, en zij dolen van de sterken drank; de priester en de profeet dwalen van de sterken drank; zij zijn verslonden van de wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht. Openbaring 17:2: Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. Spreuken 9:4: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
[^hosea-4-12-31]: Kanttekening 31: Dat is, houten afgod om raad en hoe het hem in het toekomende gaan zal, en die meent hij dat het hem zal kunnen voorzeggen.
[^hosea-4-12-32]: Kanttekening 32: 32 stok zal het hem bekend maken: Of, staf, dat is zijn afgod, waarop hij zich als op een staf verlaat. Sommigen verstaan hierdoor het hout waar de afgod Baäl van gemaakt is, \[zie Deut. 28:36\]. Anderen menen dat het ziet op de manier van waarzeggen, door een stok of roede, idem, van degenen, die op vogelgeschrei acht gaven, dragende een stok in de hand. Deuteronomium 28:36: YHWH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaderen; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen.
[^hosea-4-12-d]: Verwijzing d: Hosea 5:4. Hosea 5:4: Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest van de hoererijen is in het midden van hen, en YHWH kennen zij niet.
[^hosea-4-12-33]: Kanttekening 33: 33 geest van de hoererijen verleidt hen: Dat is, de duivel, die een onreine geest genoemd wordt, Zach. 13:2; Matt. 12:43; of hun verkeerde zin, hun verdorven genegenheid tot geestelijk en lichamelijk hoereren, waartoe hen de boze geest of duivel aandrijft; zo onder Hos. 5:4. Vergelijk Rom. 1:24, 1:28, enz. Zacharia 13:2: En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen van de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en de onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen. Mattheüs 12:43: En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. Hosea 5:4: Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest van de hoererijen is in het midden van hen, en YHWH kennen zij niet. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; Romeinen 1:28: En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
[^hosea-4-12-34]: Kanttekening 34: 34 van onder hun God weghoereren: Of, van in plaats hun God; dat is, zo, dat zij zich onder God, als hun Heer en echten man, niet willende buigen, of Hem niet onderworpen zijn, de afgoden in alle ongebondenheid nalopen, of, zo dat zij, in plaats van hun God, vreemde goden kiezen en die aanhangen; vergelijk boven Hos. 1:2; idem Ez. 23:5, met de aantekening. Deze manieren van spreken zijn aanmerkelijk, als uitdrukkende de aard en de eigenschap van de afgoderij. Hosea 1:2: Het begin van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter YHWH. Ezechiël 23:5: Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren;
[^hosea-4-13-35]: Kanttekening 35: 35 hoogten van de bergen offeren zij: Naar de wijze van de heidenen; zie Deut. 12:2, met de aantekening daar. Deuteronomium 12:2: U zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder elke groene boom.
[^hosea-4-13-e]: Verwijzing e: Jes. 57:7. Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren.
[^hosea-4-13-f]: Verwijzing f: Ez. 20:28. Ezechiël 20:28: Als Ik hen in het land gebracht had, over dat Ik Mijn hand opgeheven had, om hetzelfde hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en zij gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijken reuk, en daar offerden zij hun drankofferen.
[^hosea-4-13-g]: Verwijzing g: Jes. 1:29. Jesaja 1:29: Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt.
[^hosea-4-13-36]: Kanttekening 36: Of, olmboom. Anders: lindeboom.
[^hosea-4-13-37]: Kanttekening 37: 37 goed is: Dat is fijn, aangenaam, verheugende; of ook, enige donkerheid veroorzakende, die hun ter afgoderij en onkuisheid dienstig was; vergelijk Jes. 57:5, 57:7; Jer. 3:6; Ez. 6:13; gelijk dan de geestelijke hoererij de lichamelijke naar zich trekt, door een rechtvaardig oordeel van God; zie Num. 25:1, 25:2, enz.; Rom. 1:24, hierop ziet het volgende woord, daarom. Jesaja 57:5: Die hittig zijt in de eikenbossen, onder elke groene boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen. Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Jeremia 3:6: Verder zei YHWH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op elke hoge berg, en tot onder elke groene boom, en hoereerde daar. Ezechiël 6:13: Dan zult u weten, dat Ik YHWH ben, als hun verslagenen in het midden van hun drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder elke groene boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten. Numeri 25:1: En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 25:2: En zij nodigden het volk tot de slachtofferen van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;
[^hosea-4-13-38]: Kanttekening 38: 38 bruiden bedrijven overspel: Of, schoondochters.
[^hosea-4-14-39]: Kanttekening 39: 39 Ik zal over uw dochters: Dat is, Ik zal hen nu door straffen niet bedwingen, maar hen in deze gruwelen laten voortgaan, tot hun en ulieder schande en verderf, gelijk sommigen dit nemen; een teken van Gods grootste ongenade. Zie Ps. 89:32, 89:33, 89:34, en Ps. 94:12, 94:13. Of, Ik zal de jonge dochters en bruiden, of zoons jonge vrouwen, zozeer \[vergelijk 1 Sam. 15:22; Jer. 7:22; idem onder Hos. 6:6\] en moeizaam niet straffen, omdat de ouders en mannen met hun goddeloos voorbeeld de jonge dochters en vrouwen zulks leren. Anders: en zou Ik over uw jonge dochters, enz., en dat zij zichzelven afscheiden, enz. Alsof God zei: Ik kan zulk volk niet ongestraft laten, dat zult u zelf moeten bekennen, dat met het besluit van vers 14 ook wel overeenkomt. Vergelijk Jer. 5:9, 5:29, en Jer. 9:9, enz. Psalmen 89:32: Als zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden; Psalmen 89:33: Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. Psalmen 89:34: Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet falen. Psalmen 94:12: Welgelukzalig is de man, o YHWH! die U tuchtigt, en die U leert uit Uw wet, Psalmen 94:13: Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt. 1 Samuël 15:22: Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Jeremia 7:22: Want Ik heb met uw vaderen, op de dag als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken van het brandoffer of slachtoffers. Hosea 6:6: Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Hosea 4:14: Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen, omdat zij hoereren, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelven scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden. Jeremia 5:9: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? Jeremia 5:29: Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? Jeremia 9:9: Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt YHWH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
[^hosea-4-14-40]: Kanttekening 40: 40 want zij zelven scheiden zich af: De ouders en mannen scheiden zich bij troepen af en gaan, onder deksel van afgoderij, zich voegen bij de snoodste hoeren, om kwanswijs met die te offeren, ondertussen gruwelijke ontucht bedrijvende, waarom het hun te doen is.
[^hosea-4-14-41]: Kanttekening 41: 41 omgekeerd worden: Of, verward, verstrikt, verbijsterd, gegeseld, gestraft, omgeworpen worden. Het Hebreeuwse woord wordt alleen hier en Spr. 10:8, 10:10 gevonden, betekenende \[gelijk uit de omstandigheid van deze drie plaatsen blijkt\] een bijzondere soort van straffen, of in het algemeen, ondergang en verstoring. Spreuken 10:8: Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden. Spreuken 10:10: Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
[^hosea-4-15-42]: Kanttekening 42: 42 Zo u, o Israël: Alsof God, verdrietig en walgend zijnde over Israël, \[vergelijk onder vers 17\] zei: Wil dan Israël verloren gaan, en zich niet laten raden, ziet u toch toe, o Juda, dat u hun voorbeeld niet navolgt. Het is een beklag over Israëls hardnekkigheid, met een zeer bewegelijke vermaning aan Juda. Hosea 4:17: Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen.
[^hosea-4-15-43]: Kanttekening 43: Zie Joz. 5:9. Het schijnt dat hier gruwelijke afgoderij aangesteld en bedreven is, omdat deze plaats vermaard was van de eerste besnijdenis en het eerste pasen in Kanaän, waarom God over de schandelijke verontreiniging van deze plaats ten hoogste is vertoornd geweest. Zie onder Hos. 9:15, en Hos. 12:12; Amos 4:4 en Amos 5:5. Jozua 5:9: Verder sprak YHWH tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam van die plaats Gilgal, tot op deze dag. Hosea 9:15: Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden. Amos 4:4: Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van de overtredens veel, en brengt uw offers in de morgen, uw tienden om de drie dagen! Amos 5:5: Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.
[^hosea-4-15-44]: Kanttekening 44: Dat is, huis van de nietigheid, ijdelheid, boosheid, ongerechtigheid, of van de afgod. Daar was wel een plaats nabij Bethel, genaamd Beth-Aven, plaats, die eigenlijk Bethel genaamd was, dat is, Gods huis. Maar van God genoemd Beth-Aven, ten aanzien van het gouden kalf, dat Jerobeam daar had opgericht, en de afgoderij die daar bedreven werd; zie 1 Kon. 12:29, en onder Hos. 5:8 en Hos. 10:5. Deze plaats was ook tevoren zeer vermaard vanwege Gods bijzondere openbaring aan de patriarch Jakob, Gen. 28:19, en Gen. 35:6, 35:7, enz. Beide deze plaatsen waren nabij Juda gelegen, zodat het niet zonder gevaar was van te vervallen in gemeenschap van de afgoderij, waarvan de beginselen openbaar waren; waarom God Juda hier zeer ernstiglijk waarschuwt. 1 Koningen 12:29: En hij zette het een te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. Hosea 5:8: Blaast de bazuin te Gibeä, de trompet te Rama; roept luide te Beth-aven; achter u, Benjamin! Hosea 10:5: De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal daarover treuren, en ook zijn Chemarim (die zich daarover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij daarvan is weggevaren. Genesis 28:19: En hij noemde de naam van die plaats Beth-el; daar toch de naam van die stad te voren was Luz. Genesis 35:6: Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was. Genesis 35:7: En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor het aangezicht van zijn broer vluchtte.
[^hosea-4-15-45]: Kanttekening 45: Zo waarachtig als YHWH leeft: Te weten huichelend, afgodisch, op dezelfde manier, gelijk de afgodische Israëlieten doen, die mijn naam met hun afgoden vermengen, om de afgoderij daarmee te bedekken en een schijn van ware godsdienstigheid te geven; dat een gruwel was bij God, die alleen oprecht als God wil geëerd en gediend zijn, naar zijn voorschrift. Vergelijk boven Hos. 2:15 met de aantekening, en aangaande het woord niet, vergelijk de aantekening op vers 16, en Zef. 1:5. Hosea 2:15: En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl! Hosea 4:16: Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte. Zefanja 1:5: En die zich nederbuigen op de daken voor de legermacht van de hemel, en die zich nederbuigende zweren bij YHWH, en zweren bij Malcham;
[^hosea-4-16-46]: Kanttekening 46: 46 onbandig, als een onbandige koe: Of, wederstrevig, gaande in het wild, niet willende geleid zijn op de rechte wegen en blijvende in goede weide, maar onbedwongen, ongebonden, zonder juk, perk, of bestuur, door dik en dun \[gelijk men zegt\] heenlopen, waarom hun de Heer zal doen als volgt.
[^hosea-4-16-47]: Kanttekening 47: 47 nu zal: Dat is, in korte tijd, al haast. Zie onder Hos. 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^hosea-4-16-48]: Kanttekening 48: 48 hen YHWH weiden: De Israëlieten.
[^hosea-4-16-49]: Kanttekening 49: 49 lam in de ruimte: Gelijk een jong en dom lam, dat in de ruimte gaat, lichtelijk verbijstert, hier en daar in valt, of de wilden dieren in de mond loopt; zo zal Ik dit volk, dat zo graag ongebonden en in het ruime heenloopt, in de ruimte voeren; dat is uit hun land en weide wegvoeren, en in al de vier winden verstrooien onder de heidenen. Sommigen nemen het zo, dat God Israël eerst wilde als een lam vet weiden; dat is weelderig en rijk maken, en dan als uit de weide halen, om gevoerd te worden ter slachting.
[^hosea-4-17-50]: Kanttekening 50: Dat is, de tien stammen, waarvan Efraïm de voornaamste was en het koninkrijk had; zie Ps. 78:9; zo onder Hos. 5:3, 5:5, 5:9, 5:11, 5:13, 5:14, enz.; die hier ook door Israël verstaan worden. Psalmen 78:9: (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.) Hosea 5:3: Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen; dat u, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. Hosea 5:9: Efraïm zal tot verwoesting worden, op de dag van de straf; onder de stammen van Israël heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is. Hosea 5:11: Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.
[^hosea-4-17-51]: Kanttekening 51: Dat is, zo vastgekoppeld aan de afgoden, gelijk de ene metgezel aan de ander.
[^hosea-4-17-52]: Kanttekening 52: Zie van het Hebreeuwse woord 2 Sam. 5:21. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^hosea-4-17-53]: Kanttekening 53: 53 laat hem varen: Vergelijk boven vers 15, met de aantekening, en Matt. 15:14. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Mattheüs 15:14: Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
[^hosea-4-18-54]: Kanttekening 54: De dronkenschap, die zij bij hun afgoderij en onkuisheid plegen.
[^hosea-4-18-55]: Kanttekening 55: Dat is, zij worden in hun zuipen en zwelgen niet dan te oproeriger en ongebondener in geestelijke en lichamelijke hoererij. Het een drijft en stijft hen in het ander. Anders: hun wijn, of dronkenschap, is afgaande, of stinkende; dat is, hun afgodische dronkengelagen zijn vol stank en onreinheid, waarin zij zich als beesten omwentelen. Vergelijk de manier van spreken met Spr. 20:1. Spreuken 20:1: De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.
[^hosea-4-18-56]: Kanttekening 56: 56 doen niet dan hoereren: Hebreeuws, hoererende hoereren zij.
[^hosea-4-18-57]: Kanttekening 57: Dit haar staat in het vrouwelijk geslacht, ziende \[zo het schijnt\] op de onbandige koe, vers 16, of de overspelige vrouw, of hoer, uit Hos. 3:1, en Hos. 1:2, enz., zo in vers 19. Men kan het ook bekwamelijk duiden op Efraïm of Israël zelf, naar de aard van de Hebreeuwse taal, en zo ook vers 19. Hosea 4:16: Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte. Hosea 3:1: En YHWH zei tot mij: Ga opnieuw heen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk YHWH de kinderen van Israël bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen van de druiven. Hosea 1:2: Het begin van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter YHWH. Hosea 4:19: Een wind heeft haar gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden. Hosea 4:19: Een wind heeft haar gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden.
[^hosea-4-18-58]: Kanttekening 58: Dat is, hun schuts- en beschermheren, hun regenten, gelijk Ps. 47:10, zie de aantekening daar. Psalmen 47:10: De edelen van de volken zijn verzameld tot het volk van de God van Abraham; want de schilden van de aarde zijn van God. Hij is zeer verheven!
[^hosea-4-18-59]: Kanttekening 59: 59 (het is een schande!: Het is een schandelijke zaak voor de regenten van Gods volk; met verfoeiing gesproken.
[^hosea-4-18-60]: Kanttekening 60: 60 het woord: Geeft: God wil zeggen dat de regenten dit woord geeft dagelijks gebruikten en in de mond hadden, onbeschaamdelijk de mensen vermanende \[daar het schandelijk genoeg is, de aangebodene te ontvangen\] tot het aanbrengen of geven van geschenken. Het is al, geeft, geeft, of brengt aan, te weten geschenken, gelijk sommigen, wijn om te zuipen. Vergelijk Micha 7:3; zie dergelijke woorden, inzake van onverzadelijkheid, Spr. 30:15. Of aldus: Hun wijn wijkt af; zij bedrijven hoererij; geeft, hebben zij lief, hun beschermers zijn een schande. Micha 7:3: Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijn ziel, en zij draaien ze dicht ineen. Spreuken 30:15: De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
[^hosea-4-19-61]: Kanttekening 61: Versta door dezenwind de Assyriërs, die snel en onverhinderd, als een doorbrekende stormwind, de tien stammen gevankelijk uit hun land zouden wegvoeren; dat eerst door Tiglai-Pilezer en daarna volkomenlijk geschied is door Salmanassar. Zie 2 Kon. 15:29, en 2 Kon. 18:9, 18:10, 18:11, enz., en vergelijk onder Hos. 13:15; Ps. 55:9; Jer. 4:11, 4:12, en Jer. 51:1, enz. God wordt ook gezegd te varen op de vleugelen van de wind; 2 Sam. 22:11; Ps. 104:3. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 2 Koningen 18:9: Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 2 Koningen 18:10: En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 2 Koningen 18:11: En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. Hosea 13:15: Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er zal een oostenwind komen, een wind van YHWH, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen; diezelve zal de schat van alle gewenste huisraad roven. Psalmen 55:9: Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van de drijvenden wind, van de storm. Jeremia 4:11: Te van die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter Mijns volks; niet om te wannen, noch om te zuiveren. Jeremia 4:12: Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. Jeremia 51:1: Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. 2 Samuël 22:11: En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen van de wind. Psalmen 104:3: Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt.
[^hosea-4-19-62]: Kanttekening 62: Te weten deze koe, of hoer, of overspelige vrouw, of Israël, of Efraïm.
[^hosea-4-19-63]: Kanttekening 63: 63 gebonden in zijn vleugelen: Dat is, zal hen zekerlijk binden en lichtelijk wegvoeren, profetischerwijze gesproken.
[^hosea-4-19-64]: Kanttekening 64: Versta, de afgodische en hoerse offeranden, als boven vermeld.

### Hosea 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/5.json)

*Verdere strafprediking over Gods oordelen door de vijanden over alle standen van Israël, en mede over Juda, vanwege tirannie, allerlei geweld en afgoderij, met ontzegging van alle goddelijke en menselijke hulp in hun noden, vers 1, enz. met een bijgevoegde profetie over hun toekomstige bekering, 15.*

**1** Hoor dit, u[^hosea-5-1-1] priesters! en merk op, u huis van Israël! en neem ter ore, u huis van de koning! want[^hosea-5-1-2] u gaat dit oordeel aan, omdat u een[^hosea-5-1-3] strik bent geworden te[^hosea-5-1-4] Mizpa, en een uitgespannen net op[^hosea-5-1-5] Thabor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v1)

**2** En die afwijken,[^hosea-5-2-6] verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een[^hosea-5-2-7] tuchtmeester zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v2)

**3** Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen;[^hosea-5-3-8] dat u, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v3)

**4** Zij[^hosea-5-4-9] stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want[^hosea-5-4-a] de[^hosea-5-4-10] geest van de hoererijen is in het midden van hen, en YHWH[^hosea-5-4-11] kennen zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v4)

**5** [^hosea-5-5-b] Daarom[^hosea-5-5-12] zal Israël hoogmoed in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen[^hosea-5-5-13] vallen door hun ongerechtigheid; ook[^hosea-5-5-14] zal Juda met hen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v5)

**6** Met hun[^hosea-5-6-15] schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om YHWH te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen[^hosea-5-6-16] onttrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v6)

**7** Zij hebben trouweloos gehandeld tegen YHWH; want zij hebben[^hosea-5-7-17] vreemde kinderen gewonnen;[^hosea-5-7-18] nu zal hen de[^hosea-5-7-19] nieuwe maand verteren met hun[^hosea-5-7-20] delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v7)

**8** [^hosea-5-8-21] Blaas de bazuin te[^hosea-5-8-22] Gibeä, de trompet te Rama; roep luide[^hosea-5-8-23] te Beth-aven;[^hosea-5-8-24] achter u, Benjamin! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v8)

**9** Efraïm zal tot verwoesting worden, op de dag van[^hosea-5-9-25] de straf; onder de stammen van Israël[^hosea-5-9-26] heb Ik bekend gemaakt, dat[^hosea-5-9-27] zeker is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v9)

**10** De vorsten van Juda zijn geworden, zoals die het[^hosea-5-10-28] gebied verrukken; Ik zal Mijn toorn, als[^hosea-5-10-29] water, over hen uitgieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v10)

**11** Efraïm is verdrukt, hij is[^hosea-5-11-30] verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het[^hosea-5-11-31] gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v11)

**12** Daarom zal Ik Efraïm zijn als een[^hosea-5-12-32] mot, en de huize van Juda als een[^hosea-5-12-33] verrotting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v12)

**13** Als Efraïm zijn[^hosea-5-13-34] ziekte zag, en Juda zijn[^hosea-5-13-35] gezwel, zo trok Efraïm tot[^hosea-5-13-36] Assur, en[^hosea-5-13-37] hij zond tot de koning[^hosea-5-13-38] Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen.[^hosea-5-13-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v13)

**14** Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal[^hosea-5-14-40] verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en[^hosea-5-14-c] er zal geen redder zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v14)

**15** Ik zal heengaan en keren weer tot Mijn[^hosea-5-15-41] plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn[^hosea-5-15-42] aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij[^hosea-5-15-43] vroeg zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/5.html#v15)

[^hosea-5-1-1]: Kanttekening 1: De profeet schijnt hier de drie standen van het koninkrijk van Israël onderscheidenlijk aan te spreken: de kerkelijke, de oudsten van het volk en de koning. Maar sommigen menen dat het huis van Israël hier de tien stammen betekent, en door de koning de koning van Juda verstaan wordt.
[^hosea-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 u gaat dit oordeel aan: Hebreeuws, tot, of voor u \[is\] dit oordeel: te weten Gods (מִּשְׁפָּט); dat is, deze straf gaat u aan; zie Jer. 48:21. Anders: u betaamt het gericht, of recht; dat is, u behoorde recht te doen; en dan verder, maar u bent een strik. Vergelijk Micha 3:1, en Mal. 2:1, 2:4. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, Micha 3:1: Verder zei ik: Hoort nu, u hoofden Jakobs, en u oversten van het huis van Israël! Betaamt het u niet het recht te weten? Maleachi 2:1: En nu, u priesters! tot u wordt dit gebod gezonden; Maleachi 2:4: Dan zult u weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt YHWH van de legermachten.
[^hosea-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 strik zijt geworden: Dat is, als een strik; idem, als een net.
[^hosea-5-1-4]: Kanttekening 4: Daar waren verscheidene hoogten en plaatsen van deze naam aan beide zijden van de Jordaan: van Mizpa in Gilead, zie Richt. 10:17, met de aantekening. Dit kan men aldus nemen dat de afgodische regenten en priesters van de tien stammen aan beide zijden van de Jordaan op de hoogten wachten hebben besteld om te loeren op allen, die naar Jeruzalem mochten trekken om de waren godsdienst te oefenen, om die te vermoorden; waarop ook het begin van Joz. 5:2 kan zien. Vergelijk onder Hos. 6:9, met de aantekening en Hos. 7:1; idem, 1 Kon. 15:17, en de aantekening daar. Anderen verstaan het zo, dat zij met allerlei listen en vonden de ingezetenen gezocht hebben te trekken tot hun aangestelde afgoderij, om die als voor God behagelijk te doen goedvinden, handelende zo met de mensen gelijk de vogelvangers en jagers met de vogels en het wild op deze beide hoge bergen plegen te doen. Richteren 10:17: En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen van Israël vergaderd, en legerden zich te Mizpa. Jozua 5:2: In die tijd sprak YHWH tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd opnieuw de kinderen van Israël ten tweede maal. Hosea 6:9: Gelijk de benden van de straatschenders op iemand wachten, zo is het gezelschap van de priesters; zij moorden op de weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden. Hosea 7:1: Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten. 1 Koningen 15:17: Want Baësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
[^hosea-5-1-5]: Kanttekening 5: Van de berg Thabor zie Richt. 8:18. Richteren 8:18: Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die u te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk u, zo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
[^hosea-5-2-6]: Kanttekening 6: 6 verdiepen zich om te slachten: Wanneer de uitgezonden afvallige Israëlieten van de hoogten van de voorschreven bergen enige vrome voorbijgangers hebben gezien, dan begeven zij zich in de laagten om die onvoorziens te vangen en te vermoorden. Sommigen zetten het aldus over: Zij verdiepen zich om de afgaanden of afwijkenden \[te weten van het afgodisch Israël naar Juda en Jeruzalem\] te kelen; de zin opeen uitkomende. Anderen verstaan het van diep te zondigen door het moorden van de vromen, en zetten het over: verdiepen, of vermenigvuldigen het slachten; \[dat van het voorzegde weinig verscheelt\] of, van de diepe praktijken en arglistige vonden om het slachten van de afgodische offeranden \[dat God voor onnut slachten, kelen van de beesten houdt, Jes. 66:3\], goed te maken bij het volk, waarvan in de voorgaande aantekening. Het Hebreeuwse woord wordt van beide gebruikt; van zich in diepe plaatsen te begeven, versteken, verbergen, gelijk Jer. 49:8, 49:30, en van diep zondigen, gelijk Jes. 31:6, onder Hos. 9:9, en van beide tezamen \[zo het schijnt\] Jes. 29:15, met welke plaatsen deze beide verzen, vers 2, 5:3, ook bekwamelijk kunnen worden vergeleken. Jesaja 66:3: Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Jeremia 49:8: Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb. Jeremia 49:30: Vliedt, zwerft fluks heen weg, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt YHWH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht. Jesaja 31:6: Bekeert u tot Hem, van Denwelken de kinderen van Israël diep afgeweken zijn. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. Jesaja 29:15: Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor YHWH, hun raad verbergende; en waarvan de werken in duisterheid gebeuren, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons? Hosea 5:2: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn. Hosea 5:3: Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen; dat u, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is.
[^hosea-5-2-7]: Kanttekening 7: 7 tuchtmeester zijn: Hebreeuws, tucht; dat is, tuchter, tuchtmeester, welk woord voor tuchtigen met woorden en slagen gebruikt wordt. Zie Spr. 7:22. Anders: hoewel Ik hun allen een tuchtmeester geweest ben; dat is, hen anders onderwezen en geleerd heb door mijn profeten. Spreuken 7:22: Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging van de boeien.
[^hosea-5-3-8]: Kanttekening 8: 8 dat u, o Efraïm: Alsof God zei: U zult mij uw hoerdom niet verduisteren met ontkennen of bemantelen, Ik heb u al te veel op de daad betrapt.
[^hosea-5-4-9]: Kanttekening 9: 9 stellen hun handelingen niet aan: Of, hun handelingen geven het niet dat zij, enz. Of, zij begeven zich niet \[met\] hun handelingen, om, enz. Beide manieren van spreken zijn ook in onze taal gebruikelijk. Anders: hun werken zullen het niet toelaten dat zij, enz. Vergelijk Ps. 36:3, 36:5, en Ps. 55:20, en Ps. 64:6. Psalmen 36:3: Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. Psalmen 36:5: Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. Psalmen 55:20: God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; omdat bij hen geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen. Psalmen 64:6: Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
[^hosea-5-4-a]: Verwijzing a: Hosea 4:12. Hosea 4:12: Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.
[^hosea-5-4-10]: Kanttekening 10: 10 geest van de hoererijen: Zie boven Hos. 4:12. Hosea 4:12: Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.
[^hosea-5-4-11]: Kanttekening 11: 11 kennen zij niet: Hoewel zij hun afgoderij met zijn naam zoeken te bemantelen. Zie boven Hos. 4:1, 4:15. Hosea 4:1: Hoort het woord van YHWH, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is; Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^hosea-5-5-b]: Verwijzing b: Hosea 7:10. Hosea 7:10: Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.
[^hosea-5-5-12]: Kanttekening 12: 12 zal Israël: Anders: getuigt, of antwoordt. Zo onder Hos. 7:10. De zin is: Hun stoute en hardnekkige verachting van alle getrouwe vermaningen en waarschuwingen mijner profeten is zo openbaar, dat zij niet kan worden geloochend, en zal tegen hen staan en als onder hun ogen, of hen in het aangezicht beschamen en tegen getuigen in mijn gericht, tot hun overtuiging, en een bewijs dat zij met groot recht van mij gestraft zijn; vergelijk Jes. 59:12; Jer. 14:7; Amos 6:8; Zef. 2:10. En een gelijke manier van spreken van het tegendeel, Gen. 30:33. Anders: Israëls heerlijkheid, hoogheid, uitnemendheid, enz.; dat is, de zegen, door welke Ik hen zozeer verhoogd heb, zal hen overtuigen van hun ondankbaarheid. Hosea 7:10: Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze. Jesaja 59:12: Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij; Jeremia 14:7: Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o YHWH! doe het vanwege Uw Naam; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd. Amos 6:8: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt YHWH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren. Zefanja 2:10: Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van YHWH van de legermachten. Genesis 30:33: Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
[^hosea-5-5-13]: Kanttekening 13: 13 vallen door hun ongerechtigheid: Zie boven Hos. 4:5, en onder Hos. 14:2. Hosea 4:5: Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid.
[^hosea-5-5-14]: Kanttekening 14: 14 zal Juda met hen vallen: Hebreeuws, is gevallen.
[^hosea-5-6-15]: Kanttekening 15: Om God door offeranden te paaien en hulp van Hem te verkrijgen, maar tevergeefs. Vergelijk 2 Kon. 23:21, 23:22, 23:26. 2 Koningen 23:21: En de koning gebood het gehele volk, zeggende: Houdt voor YHWH, uw God, pascha, gelijk in dit boek van het verbond geschreven is. 2 Koningen 23:22: Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen van de richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda. 2 Koningen 23:26: Nochtans keerde zich YHWH van de brand van Zijn grote toorn niet af, waarmee Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmee Manasse Hem getergd had.
[^hosea-5-6-16]: Kanttekening 16: Of, losgemaakt, vrijgemaakt, niet meer met hen willende te doen hebben, omdat zij hem met hun gruwelen lastig en verdrietig waren.
[^hosea-5-7-17]: Kanttekening 17: 17 vreemde kinderen gewonnen: Uithuwelijken met heidense vrouwen, tegen Gods uitgedrukt bevel; vergelijk Ezra 9:1, 9:2; Neh. 13:23; Mal. 2:11; aan zulke huwelijken was dit mee vast, dat de kinderen in afgoderij werden opgevoed. Ezra 9:1: Als nu deze dingen voltooid waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Ezra 9:2: Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken van deze landen; ja, de hand van de vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. Nehemia 13:23: Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Maleachi 2:11: Juda handelt trouweloos, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid van YHWH, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.
[^hosea-5-7-18]: Kanttekening 18: 18 nu zal hen: Al haast, of daarom.
[^hosea-5-7-19]: Kanttekening 19: 19 nieuwe maand verteren: Dat is, de afgoderij, die zij op de nieuwe maanden bedrijven. Sommigen nemen het als een gelijkenis van woeker of maandgeld, dat haastig oploopt en de schuldenaar verteert. Anderen nemen een maand voor een korte tijd, gelijk Zach. 11:8, of voor een gezetten zekeren tijd. Zacharia 11:8: En ik heb drie herders in een maand afgesneden; want mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van mij.
[^hosea-5-7-20]: Kanttekening 20: Of, portiën, dat is, al hun goed, bezittend land; vergelijk Ps. 16:5 met de aantekening. Sommigen verstaan de offeranden, die in vele delen verdeeld werden. Psalmen 16:5: YHWH is het deel mijner erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot.
[^hosea-5-8-21]: Kanttekening 21: 21 Blaast de bazuin: Hier stelt hun God levendig voor ogen de nakende aankomst van de vijand, wanneer men gewoon is in de naastliggende plaatsen alarm te maken.
[^hosea-5-8-22]: Kanttekening 22: Gibeä en Rama lagen beide in Benjamin aan de grenzen van Efraïm; zie Richt. 19:13. Deze grens-plaatsen zijn ontwijfelijk sterk en wel bezet, en dienvolgens hun toeverlaat geweest. Te Gibeä had Saul gewoond, Samuël was geboren te Rama, 1 Sam. 1 en 1 Sam. 10:26; zie ook 1 Kon. 15:17, 15:21, 15:22. Richteren 19:13: Verder zei hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot één van die plaatsen naderen, en te Gibeä of te Rama overnachten. 1 Samuël 10:26: En Saul ging ook naar zijn huis te Gibeä, en van de legermacht gingen met hem, waarvan het hart God geroerd had. 1 Koningen 15:17: Want Baësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda. 1 Koningen 15:21: En het geschiedde, als Baësa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza. 1 Koningen 15:22: Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmee Geba-benjamins, en Mizpa.
[^hosea-5-8-23]: Kanttekening 23: Zie boven Hos. 4:15. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^hosea-5-8-24]: Kanttekening 24: 24 achter u, Benjamin: Hierop kan men verstaan, is de vijand, of daar is het te doen; te weten in Efraïm is de vijand doende, en daar begint hij te verwoesten, waarvan in vers 9. Benjamin lag tussen Juda en Efraïm; waarvan sommigen deze woorden nemen als een beschrijving van de gelegenheid van Juda, als gelegen in het zuiden achter Benjamin; en dat zo Juda ook in alarm zou geraken, met trompetten en roepen, gelijk de andere voorzegde plaatsen. Of, men kan het eenvoudig aldus nemen: achter u Benjamin; dat is, Benjamin blaze ook alarm, na, of achter u, om te kennen te geven dat de alarmen van de ene plaats zouden voortgaan tot de andere en elkaar volgen. Hosea 5:9: Efraïm zal tot verwoesting worden, op de dag van de straf; onder de stammen van Israël heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is.
[^hosea-5-9-25]: Kanttekening 25: Of, bestraffing, dat is, ten tijde als Ik het oordeel \[waarvan boven vers 1\] over hen spreken en uitvoeren zal. Hosea 5:1: Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.
[^hosea-5-9-26]: Kanttekening 26: 26 heb Ik bekend gemaakt: Of, maak Ik bekend; dat is, ik voorzeg openlijk wat zeker en gewis is en zonder fout gebeuren zal, opdat zij mogen weten, wanneer het geschiedt, dat Ik de Heer ben. Anders: Ik heb de trouw bekend gemaakt; dat is, mijn trouw aan Israël betoond door veelvuldige waarschuwingen van hun aanstaande verwoesting, als zij zich niet bekeren.
[^hosea-5-9-27]: Kanttekening 27: 27 gewis is: Anders: dat zij gewis is, zij; te weten de voorzegde en gedreigde straf.
[^hosea-5-10-28]: Kanttekening 28: 28 gebied verrukken: Dat God scherpelijk vervloekt en verboden had, Deut. 19:14, en Deut. 27:17; Job 24:2; Spr. 22:28. Evenzo deden de regenten van Juda ten tijde van Achaz, als zij de grenzen van de reinen godsdienst, van God gesteld en van de vrome koningen bewaard, verrukten, en de grenzen van hun ambt tebuiten gingen, en alles verder in verwarring brachten, dat op de verwarring van de religie door Gods rechtvaardig oordeel placht te volgen; zie 2 Kon. 16, en zulks trekt met zich een zondvloed van Gods toorn, die alles overloopt en in verderf stelt. Deuteronomium 19:14: U zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u YHWH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. Deuteronomium 27:17: Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. Job 24:2: Zij tasten het gebied aan; de kudden roven zij, en weiden ze. Spreuken 22:28: Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
[^hosea-5-10-29]: Kanttekening 29: 29 water, over hen uitgieten: Zie Ps. 79:6. Psalmen 79:6: Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
[^hosea-5-11-30]: Kanttekening 30: 30 verpletterd met recht: Of, verkneuzeld, in stukken gebroken, of gestoten. Hebreeuws, een gepletterde van het recht. De eenvoudigste zin van deze woorden schijnt te zijn, dat hun dit alles rechtvaardiglijk zal overkomen naar hun verdiensten; waarop de volgende woorden bekwamelijk passen. Sommigen nemen het aldus, dat Efraïm, die tevoren over anderen gewoon was te richten, zal moeten lijden dat andere over hem recht spreken en hem in het gericht verpletteren.
[^hosea-5-11-31]: Kanttekening 31: Van zijn koning Jerobeam, die de stichter van de gruwelijke afgoderij en van alle gevolgde ongebondenheid geweest is, en die zijn opvolgers hebben nagevolgd. Het is hun genoeg geweest dat hun koning zulks gebood, daarop zijn zij onbeschroomd en met lust voortgegaan, zonder op God en de waarschuwing van zijn profeten te letten. Anderen aldus: Hij heeft gewilligelijk gewandeld, of hij heeft willen wandelen naar het gebod, of bevel. Hebreeuws, hij heeft gewild, hij heeft gewandeld, enz. Zie Ps. 45:5. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^hosea-5-12-32]: Kanttekening 32: Zie Job 13:28; Ps. 39:12; Spr. 12:4, en Spr. 14:30; Jes. 50:9, en Jes. 51:8. Job 13:28: En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet. Psalmen 39:12: Kastijdt U iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet U zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. Spreuken 12:4: Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen. Spreuken 14:30: Een gezond hart is het leven van het vlees; maar nijd is verrotting van de beenderen. Jesaja 50:9: Ziet, de Heer YHWH helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten. Jesaja 51:8: Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.
[^hosea-5-12-33]: Kanttekening 33: Of, vervulling, wormstekigheid; dat is, gelijk de kleren door de motten en andere dingen door verrotting of de worm allengskens worden verteerd, zo zal Ik deze beide volken door mijn straffen allengskens verteren, dat aan beiden, eerst aan Israël, daarna aan Juda, zo geschied is.
[^hosea-5-13-34]: Kanttekening 34: 34 ziekte zag: Al dit voorzegde kwaad en nakend gevaar gevoelde of merkte.
[^hosea-5-13-35]: Kanttekening 35: Vergelijk Obad. v. 7. Obadja 1:7: Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overweldigd; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.
[^hosea-5-13-36]: Kanttekening 36: Tot Pul, de koning van Assyrië, om die van vijand tot vriend en helper te maken, door geschenken; omdat dit schijnt te zien op de geschiedenis van de koning Menahem, 2 Kon. 15:19, enz. Zie verder onder Hos. 7:11, enz. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. Hosea 7:11: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur.
[^hosea-5-13-37]: Kanttekening 37: 37 hij zond tot de koning: Dit duiden sommigen op Juda, uit vergelijking met het voorgaande \[zie 2 Kon. 16:7\] en vers 14. 2 Koningen 16:7: Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.
[^hosea-5-13-38]: Kanttekening 38: Vergelijk onder Hos. 10:6, uit welke plaats afgenomen wordt dat dit een naam moet geweest zijn van zekeren koning in Assyrië, \[gelijk ook sommige kroniekschrijvers hebben\] of in het algemeen een naam, die de Joden en Israëlieten die uitlandsen koningen gewoon waren te geven, waarvan de hulp en bescherming zij, uit mistrouwen op God, verzochten; Jareb is in het Hebreeuws zoveel als: hij zal twisten, richten, pleiten; dat is, de zaak voor ons opnemen en uitvoeren. Vergelijk Richt. 6:31, 6:32, met de aantekening. Hosea 10:6: Ja, datzelfde zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag. Richteren 6:31: Joas daarentegen zei tot allen, die bij hem stonden: Zult u voor de Baäl twisten; zult u hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog deze morgen gedood worden! Als hij een god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen. Richteren 6:32: Daarom noemde hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.
[^hosea-5-13-39]: Kanttekening 39: 39 van u niet helen: Zo dat Hij het van u wegneemt, dat u het kwijt wordt. Anders: zal de wonde \[van niemand\] uit, of van u helen.
[^hosea-5-14-40]: Kanttekening 40: 40 verscheuren en heengaan: Of, roven. Vergelijk onder Hos. 6:1. Hosea 6:1: Komt en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.
[^hosea-5-14-c]: Verwijzing c: Hosea 2:9. Hosea 2:9: En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen haar boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.
[^hosea-5-15-41]: Kanttekening 41: Menselijk van God gesproken, die gezegd wordt neder te dalen wanneer Hij iets bijzonders op aarde werkt, of zijn oordelen uitvoert, en weer in zijn plaats te keren en zich stil te houden, als Hij de mensen in ellende laat of niet verlost, totdat zij zich bekeren, en zijn tijd daar is. Vergelijk Gen. 11:7; Jes. 18:4 en Jes. 26:21. Genesis 11:7: Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak zijns naasten niet hore. Jesaja 18:4: Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op de regen, als een wolk van de dauws in de hitte van de oogst; Jesaja 26:21: Want ziet, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.
[^hosea-5-15-42]: Kanttekening 42: 42 aangezicht zoeken: Zie 2 Kron. 7:14, en 2 Kron. 11:16. 2 Kronieken 7:14: En Mijn volk, over wie Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen. 2 Kronieken 11:16: Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om YHWH, de God van Israël, te zoeken, dat zij YHWH, de God van hun vaderen, offerande deden.
[^hosea-5-15-43]: Kanttekening 43: 43 vroeg zoeken: Dat is, met grote vlijt, ijver en tijdig. Zie Job 7:21, en Job 8:5; Ps. 5:4; Spr. 7:15, met de aantekening en vergelijk Jer. 29:12, 29:13, 29:14; Dan. 9, en de boeken Ezra en Nehemia, en verder de tijd van het Nieuwe Testament, voornamelijk Matt. 11:12, enz. Job 7:21: En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. Job 8:5: Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Psalmen 5:4: 's Morgens, YHWH, zult U mijn stem horen; 's morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. Spreuken 7:15: Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. Jeremia 29:12: Dan zult u Mij aanroepen, en heengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. Jeremia 29:13: En u zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met uw gehele hart. Jeremia 29:14: En Ik zal van u gevonden worden, spreekt YHWH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt YHWH; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren. Mattheüs 11:12: En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.

### Hosea 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/6.json)

*De boetvaardige Israëlieten worden ingevoerd, elkaar vermanend tot bekering, met vertrouwen op Gods genade, vers 1, enz. Gods klacht over Israëls onbestendigheid in het goede en hardnekkigheid in het kwade, 4.*

**1** [^hosea-6-1-1] Kom en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons[^hosea-6-1-2] genezen; Hij heeft[^hosea-6-1-3] geslagen, en Hij zal ons[^hosea-6-1-4] verbinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v1)

**2** Hij zal ons na twee dagen[^hosea-6-2-5] levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht[^hosea-6-2-6] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v2)

**3** Dan zullen wij[^hosea-6-3-7] kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn[^hosea-6-3-8] uitgang is[^hosea-6-3-9] bereid als de[^hosea-6-3-10] dageraad; en Hij zal[^hosea-6-3-11] tot ons komen als een[^hosea-6-3-12] regen, als de[^hosea-6-3-13] spade regen en vroege regen[^hosea-6-3-14] van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v3)

**4** [^hosea-6-4-15] Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw goedertierenheid is als een[^hosea-6-4-16] morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v4)

**5** Daarom heb Ik[^hosea-6-5-17] hen behouwen door de profeten; Ik heb[^hosea-6-5-18] ze gedood door de redenen van Mijn mond; en[^hosea-6-5-19] uw oordelen zullen[^hosea-6-5-20] voortkomen aan het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v5)

**6** [^hosea-6-6-21] Want[^hosea-6-6-a] Ik heb lust tot goedertierenheid, en[^hosea-6-6-22] niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v6)

**7** Maar zij[^hosea-6-7-b] hebben het[^hosea-6-7-23] verbond overtreden als[^hosea-6-7-24] Adam;[^hosea-6-7-25] daar hebben zij trouweloos tegen Mij gehandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v7)

**8** [^hosea-6-8-26] Gilead is een stad van werkers van de ongerechtigheid; zij is[^hosea-6-8-27] betreden van bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v8)

**9** Gelijk de[^hosea-6-9-28] benden van de straatschenders op iemand[^hosea-6-9-29] wachten, zo is het gezelschap van[^hosea-6-9-30] de priesters; zij moorden op de weg naar[^hosea-6-9-31] Sichem, werkelijk, zij doen[^hosea-6-9-32] schandelijke daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v9)

**10** Ik zie een[^hosea-6-10-33] afschuwelijke zaak in het huis van Israël; daar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v10)

**11** Ook heeft[^hosea-6-11-34] hij u, o Juda! een[^hosea-6-11-35] oogst gezet, als Ik de[^hosea-6-11-36] gevangenen van Mijn volk[^hosea-6-11-37] wederbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/6.html#v11)

[^hosea-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 en laat ons terugkeren tot YHWH: Sommigen hechten deze woorden aan het laatste van Hos. 5, als zijnde een onderlinge aanspraak tot bekering, die de gelovigen alsdan tot elkaar zullen gebruiken.
[^hosea-6-1-2]: Kanttekening 2: Dat Assur en Jareb niet doen konden, boven Hos. 5:14; zie verder Ps. 30:3. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Psalmen 30:3: YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
[^hosea-6-1-3]: Kanttekening 3: Vergelijk Ez. 7:9, met de aantekening. Ezechiël 7:9: En Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, Die slaat.
[^hosea-6-1-4]: Kanttekening 4: Zie Job 5:18; Ps. 147:3. Job 5:18: Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. Psalmen 147:3: Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
[^hosea-6-2-5]: Kanttekening 5: 5 levend maken: Want zij, \[Efraïm en Juda, boven Hos. 5:14\] waren als doden en begravenen, ten tijde als zij naar Assyrië en Babel waren weggevoerd; \[gelijk wij allen geestelijk dood waren door de zonde\] zulks dat de verlossing was gelijk een opwekking uit de doden; zie Ez. 37, Jes. 26:19, met de aantekening. Gelijk nu de verlossing uit Babel een voorbeeld was van onze geestelijke verlossing door Christus, zo kunnen deze schone Evangelische woorden van vers 3, en vers 3 verder bekwamelijk geduid worden op de verrijzenis van onze Zaligmaker en Hoofd Jezus Christus op de derde dag, en op de heerlijke vruchten, die het gehele lichaam van Christus, dat is, zijn kerk, daarvan geniet. Zie Rom. 6:8, 6:11; Kol. 2:13, en Kol. 3:1, 3:2, 3:3, enz. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Jesaja 26:19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. Hosea 6:3: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Hosea 6:3: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Romeinen 6:8: Als wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; Romeinen 6:11: Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer. Kolossensen 2:13: En Hij heeft u, als u dood was in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mee levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; Kolossensen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Kolossensen 3:2: Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Kolossensen 3:3: Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
[^hosea-6-2-6]: Kanttekening 6: Als nieuwgeboren kinderen, een nieuw mens, nieuwe creaturen, zullen wij in zijn huis onder zijn vaderlijke gunst gelukzalig leven en met vreugde wandelen in nieuwheid van het leven, heiligheid en gerechtigheid, hier, en hierna in eeuwigheid. Zie Gen. 17:1; Ps. 4:7; Ez. 16:6, met de aantekening; idem, Luk. 1:75; Rom. 6:4, 6:8, 6:11; 2 Kor. 5:15, 5:17; Gal. 6:15; Ef. 2:15, en Ef. 4:24; 1 Thess. 4:17, en 1 Thess. 5:10; 1 Petr. 2:2. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Psalmen 4:7: Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht Uws aangezichts, o YHWH! Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! Lukas 1:75: In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Romeinen 6:8: Als wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; Romeinen 6:11: Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer. 2 Korinthiërs 5:15: Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 2 Korinthiërs 5:17: Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Galaten 6:15: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Efeziërs 2:15: Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet van de geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; Efeziërs 4:24: En de nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. 1 Thessalonicensen 4:17: Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. 1 Thessalonicensen 5:10: Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelve mag opwassen;
[^hosea-6-3-7]: Kanttekening 7: Zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5. De zin is: Wij zullen door de genade van de Heer alsdan hem en zijn Messias kennen, en vuriglijk ijveren en zorg daarvoor dragen, dat wij in kennis mogen toenemen en groeien, totdat wij eindelijk na deze de volmaaktheid bekomen. Zie boven Hos. 2:19; 1 Kor. 13:9, 13:10, en vergelijk hiermee hun vorigen staat, boven Hos. 4:1, 4:6, en Hos. 5:4. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Hosea 2:19: (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult YHWH kennen. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. Hosea 4:1: Hoort het woord van YHWH, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is; Hosea 4:6: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; omdat u de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat u Mij het priesterambt niet zult bedienen; omdat u de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten. Hosea 5:4: Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest van de hoererijen is in het midden van hen, en YHWH kennen zij niet.
[^hosea-6-3-8]: Kanttekening 8: Dat is opgang, als wanneer de zon gelijk een bruidegom uit zijn slaapkamer uitgaat, \[Ps. 19:6\]. Versta, de aankomst van God tot de verlossing van zijn volk uit de Babylonische gevangenschap, en de Heer Christus tot onze geestelijke verlossing. Psalmen 19:6: En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^hosea-6-3-9]: Kanttekening 9: Of, gericht, geschikt.
[^hosea-6-3-10]: Kanttekening 10: Zo aangenaam en lieflijk, idem zo zeker en vast, als het aanbreken van de dag en het rijzen van de zon, na de nachtelijke duisternis.
[^hosea-6-3-11]: Kanttekening 11: 11 tot ons komen: Of, voor ons, tot ons best.
[^hosea-6-3-12]: Kanttekening 12: Dat is, na een langdurige droogte, wanneer men zeer naar regen verlangd heeft. Vergelijk Deut. 32:2; Job 29:23; Ps. 72:6, en Ez. 34:26. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Job 29:23: Want zij wachtten naar mij, gelijk naar de regen, en sperden hun mond open, als naar de spaden regen. Psalmen 72:6: Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen. Ezechiël 34:26: Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.
[^hosea-6-3-13]: Kanttekening 13: 13 spade regen en vroege regen: Zie Deut. 11:14. De zin is dat God niet zal falen om zijn weldadigheid aan zijn kerk te bewijzen en te vervolgen, telkens op zijn tijd, en voornamelijk zijn genadewerk door Christus. Deuteronomium 11:14: Zo zal Ik de regen uws lands geven op zijn tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat u uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.
[^hosea-6-3-14]: Kanttekening 14: 14 van het land: Of, van de aarde.
[^hosea-6-4-15]: Kanttekening 15: 15 Wat zal Ik u doen: Alsof de Heer zei: Hoe kan ik u anders doen dan Ik u dagelijks dreig? Hoe zou Ik u kunnen sparen? Hier komt God weer tot de straf-predikatie, gelijk het gevolg van de tekst uitwijst.
[^hosea-6-4-16]: Kanttekening 16: Die haast opkomt en weer vergaat. Vergelijk onder Hos. 13:3. God wil zeggen dat zij somtijds zich hielden en een schijn gaven alsof zij zich wilden bekeren, maar dat zelfs die schijn meteen weer verdween; zo ver was het vandaar, dat zij zich dadelijk zouden bekeren. Hosea 13:3: Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd.
[^hosea-6-5-17]: Kanttekening 17: 17 behouwen door de profeten: Dat is, hardelijk en scherpelijk bestraft en gescholden, gebruikende \[gelijk men zegt\] een scherpe harde bijl tot een harden kwast.
[^hosea-6-5-18]: Kanttekening 18: Dat is, allen troost en hulp ontzegt, en integendeel het oordeel van de dood, of van een dodelijk verderf aangezegd. Zie Jer. 1:10, enz. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^hosea-6-5-19]: Kanttekening 19: 19 uw oordelen: Versta, de oordelen, vonnissen, of straffen, die Ik over u, o Efraïm en Juda, wil laten gaan. Hebreeuws, uw oordelen zal, enz.; dat is, elk oordeel, dat u door uw veelvoudig en langdurig zondigen voor en na verdiend hebt.
[^hosea-6-5-20]: Kanttekening 20: 20 voortkomen aan het licht: Dat is, zullen ten laatste uitbreken, voor de dag komen en in het openbaar voor al de wereld over uw openbare zonden geoefend en voor rechtvaardig bekend worden. Vergelijk de manier van spreken met Job 12:22, en Job 28:11; Micha 7:9; Zef. 3:5. Dit schijnt de eenvoudigste overzetting van deze woorden te zijn. Anders: en, of, opdat uw oordelen licht zal voortkomen. Job 12:22: Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en de schaduwe van de dood brengt Hij voort in het licht. Job 28:11: Hij bindt de rivieren toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. Micha 7:9: Ik zal de toorn van YHWH dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid. Zefanja 3:5: De rechtvaardige YHWH is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; elke morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; maar de verkeerde weet van geen schaamte.
[^hosea-6-6-21]: Kanttekening 21: 21 Want Ik heb lust tot weldadigheid: Alsof God zei: U zoudt mogen zeggen dat u immers niet nalaat in het offeren, volgens mijn gebod; maar \[wil God zeggen\] het is u genoeg bekend wat Ik dienaangaande u geboden en geleerd heb, gelijk volgt. Vergelijk Micha 6:6, 6:7, 6:8. Micha 6:6: Waarmee zal ik YHWH tegenkomen, en mij bukken voor de hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Micha 6:7: Zou YHWH een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Micha 6:8: Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
[^hosea-6-6-a]: Verwijzing a: Matt. 9:13; Matt. 12:7. Mattheüs 9:13: Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 12:7: Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^hosea-6-6-22]: Kanttekening 22: 22 niet tot offer: Dat is, meer dan tot offer, niet tot offer alleen, gelijk in het volgende lid gezegd wordt; \[vergelijk Gen. 32:28; 1 Sam. 15:22; Spr. 8:10; Jer. 7:22, en Jer. 16:14 met de aantekening\] of eenvoudig niet tot offer; te weten een huichelachtig offer, het uiterlijk offer in zichzelf, zonder geloof en boetvaardigheid, \[vergelijk Ps. 50:12, 50:13, 50:14, 50:15; Jes. 1:11, enz.\] en dan verder, meer dan, in het volgende, dat is, en niet tot brandoffers, in gelijk verstande, gelijk tevoren; \[vergelijk Luk. 18:14\], zodat het volgende verklaard wordt door het voorgaande. Beide manieren van spreken zijn in de Schriftuur van deze stof gebruikelijk; want somtijds wordt het uitwendige \[als ook in zijn graad van God ingesteld zijnde\] met het inwendige vergeleken, somtijds in zich alleen en zonder het inwendige aangemerkt en kortweg verworpen, ja zeer heftig gescholden, als een trouweloze verbondbreking, gelijk hier ook in het volgende. Genesis 32:28: Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 1 Samuël 15:22: Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Spreuken 8:10: Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud. Jeremia 7:22: Want Ik heb met uw vaderen, op de dag als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken van het brandoffer of slachtoffers. Jeremia 16:14: Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Psalmen 50:12: Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid. Psalmen 50:13: Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? Psalmen 50:14: Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 50:15: En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Lukas 18:14: Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
[^hosea-6-7-b]: Verwijzing b: Hosea 8:1. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
[^hosea-6-7-23]: Kanttekening 23: 23 verbond overtreden: Wat Ik met hen en zij met mij gemaakt hadden, door tussenkomen van offeranden. Zie Ps. 50:5. Psalmen 50:5: Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
[^hosea-6-7-24]: Kanttekening 24: Volgende de voetstappen van hun eerste vader, die, hoewel overvloediglijk van mij begaafd en gezegend zijnde, nochtans mijn gebod overtrad en van mij afviel. Vergelijk Job 31:22, en Jes. 43:27, met de aantekening. Anders, als mensen; dat is, als lichtvaardige mensen plegen te doen. Of, als eens mensen, te weten verbond; dat is, alsof zij met een gewoon mens en niet met mij, de almachtigen en rechtvaardigen God, te doen hadden. Job 31:22: Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af! Jesaja 43:27: Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden.
[^hosea-6-7-25]: Kanttekening 25: 25 daar hebben zij trouweloos: Dat is, daarin, in de wezenlijkheid van het verbond en de godsdienst mij bespottende met hun huichelachtige offers, die zij mij hebben willen opdringen, alsof zij daarmee aan het verbond hadden voldaan. Anders, raad, te weten in mijn heilig land, dat Ik hun had gegeven om mij daarin te dienen en gehoorzaam te zijn.
[^hosea-6-8-26]: Kanttekening 26: 26 Gilead is een stad: Dit wordt bij sommigen gehouden voor Ramoth Gileads, in de stam van Gad, zijnde een stad van de Levieten, en verordineerd tot een vrijstad, aan de oostzijde van de Jordaan, maar onder deksel van die, geworden een spelonk van moedwillige doodslagers en moordenaars. Zie Deut. 4:43; Joz. 20:8, en Joz. 21:38. Nochtans wordt in sommige kaarten een stad met de naam van Gilead gesteld aan het gebergte Gilead, waar Laban Jakob achterhaalde, waarvan de verstandige lezer kan oordelen. Sommigen zetten het over: Elke stad van Gilead \[is een stad\] van, enz. Of, Gilead is \[als\] een stad, enz. Dat is, het gehele land Gilead is als een enige stad, verenigd in boosheid, en daarom gestraft. Zie 2 Kon. 15:25, 15:29; 1 Kron. 5:25, 5:26. Deuteronomium 4:43: Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. Jozua 20:8: En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse. Jozua 21:38: Van de stam van Gad nu, de vrijstad van de doodslager, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden; 2 Koningen 15:25: En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis van de koning, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen van de Gileadieten; zo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 1 Kronieken 5:25: Maar zij hebben tegen de God hun vaderen overtreden, en de goden van de volken van het land nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd. 1 Kronieken 5:26: Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^hosea-6-8-27]: Kanttekening 27: 27 betreden van bloed: Dat is, vol van moorderijen, zodat de voetstappen van het bloed \[om zo te spreken\] overal staan. Dit schijnt de eenvoudigste zin van deze woorden te zijn. Vergelijk onder Hos. 12:12; 2 Kon. 21:16. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden. 2 Koningen 21:16: Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^hosea-6-9-28]: Kanttekening 28: 28 benden van de straatschenders: Of, stropende benden, struikrovers, enz., die in die landen, vermits de gebergten en woestijnen, vele waren, in het bijzonder bij de vervallen staat van het land.
[^hosea-6-9-29]: Kanttekening 29: Om de reizenden man af te zetten, te moorden en te plunderen.
[^hosea-6-9-30]: Kanttekening 30: Of, regeerders van de officieren, zo kerkelijke als burgerlijke. Zie boven Hos. 4:9. Hosea 4:9: Daarom, gelijk het volk, zo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden.
[^hosea-6-9-31]: Kanttekening 31: Ook een stad van de Levieten en een vrijstad, aan de westzijde van de Jordaan in Kanaän; Joz. 21:21. Zie verder van Sichems gelegenheid, Richt. 8:31, en Richt. 9:25 met de aantekening. Waaruit blijkt dat daar de rovers op de hoogten van de bergen plachten te loeren op degenen, die op de heerstraten voorbij reisden. Zo deden nu de priesters, gestijfd door de goddeloze regenten. Een gruwelijk gevolg van afgoderij. Vergelijk boven Hos. 5:1, 5:2, met de aantekening. Anders \[naar\] de wijze van Sichem, idem, met \[een\] schouder; dat is, eendrachtiglijk. Zie Zef. 3:9. Jozua 21:21: En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van de doodslager, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden; Richteren 8:31: En zijn bijwijf, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. Richteren 9:25: En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten van de bergen lage leiden, en al wie voorbij hen op de weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd. Hosea 5:1: Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. Hosea 5:2: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn. Zefanja 3:9: Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen de Naam van YHWH aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.
[^hosea-6-9-32]: Kanttekening 32: 32 schandelijke daden: Dat is, zij vergrijpen zich niet uit roekeloosheid, haastigheid of onbedachtzaamheid, maar bedrijven zulke gruwelijke schelmstukken met voorbedacht opzet, waar het Hebreeuwse woord op ziet.
[^hosea-6-10-33]: Kanttekening 33: 33 afschuwelijke zaak: Vergelijk Jer. 5:30, en Jer. 18:13, en Jer. 23:14. Jeremia 5:30: Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land. Jeremia 18:13: Daarom, zo zegt YHWH: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft zoiets gehoord? De jonkvrouw Israëls doet een zeer afschuwelijke zaak. Jeremia 23:14: Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen van de boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iedereen van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.
[^hosea-6-11-34]: Kanttekening 34: 34 hij u, o Juda: Namelijk Efraïm.
[^hosea-6-11-35]: Kanttekening 35: 35 oogst gezet: Het schijnt dat God hier wil zeggen, dat de tien stammen \[van waarvan de goddeloosheid in het voorgaand gesproken is\] een kwaad zaad van de afgoderij onder die van Juda gezaaid, of een plant, tak, loot, afzetsel daarvan medegedeeld hebben, waarvan Juda niets dan verdriet en ellende heeft ingeoogst; gelijk gebeurd is ten tijde van de koning Achaz, wanneer God, op Juda vertoornd zijnde, hen voor Pekah, de zoon van Remalia, koning van Israël, liet vallen, zodat er honderd twintig duizend van Juda doodgeslagen en twee honderd duizend vrouwen, zonen en dochters gevankelijk werden weggevoerd naar Samaria, met grote roof. Zo strafte God Juda door Israël zelf, wiens voorbeeld zij in afgoderij begonnen na te volgen. Zie 2 Kron. 28:5, 28:6, enz., en vergelijk de manier van spreken met Jer. 51:33; Joël 3:13; Openb. 14:15. 2 Kronieken 28:5: Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag. 2 Kronieken 28:6: Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God hun vaderen, verlaten hadden. Jeremia 51:33: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. Joël 3:13: Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is groot. Openbaring 14:15: En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden.
[^hosea-6-11-36]: Kanttekening 36: 36 gevangenen Mijns volks: Hebreeuws, gevangenis mijns volks (שְׁבוּת); te weten van Juda.
[^hosea-6-11-37]: Kanttekening 37: Door de vermaning van de profeet Obed, die de Israëlieten, bij de stad Samaria raadde, dat zij de gevangenen van Juda wel behandelen en weer los naar hun woonplaatsen zouden laten gaan. Want ofschoon God vertoornd was op Juda, omdat zij Israëls afgodische wegen mee begonnen in te gaan, zo was nochtans zijn toorn meer ontstoken over Israël, niettegenstaande deze overwinning, die God hun, voor deze tijd, om Juda door Israël zelf te tuchtigen, had verleend. Zie 2 Kron. 28:9, enz. Sommigen menen, omdat het wenden van de gevangenis, of het wederbrengen van de gevangenen van Gods volk, dikwijls gebruikt wordt van de verlossing en de genadetijd van de Messias, dat God daarvan hier ook profeteert, en zetten het aldus over: Nochtans, of evenwel zal Juda u \[o Israël, hoezeer u ook nu vervallen en bedorven bent\] een oogst, of plant zetten, te weten van bekering en geloof, als Ik de gevangenen van mijn volk zal wederbrenge, of doen terugkeren, door de predikatie van het Evangelie, die uit Juda en Zion door Christus en zijn apostelen, enz. zal uitgaan. Zie Jes. 2:3, enz., en vergelijk Joh. 4:4, 4:5, 4:20, 4:29, 4:30, 4:39, 4:41, 4:42, enz. 2 Kronieken 28:9: Daar nu was een profeet van YHWH, wiens naam was Oded; die ging uit, de legermacht tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Ziet, door de grimmigheid van YHWH, de God van uw vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan de hemel raakt. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Johannes 4:4: En Hij moest door Samaria gaan. Johannes 4:5: Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf. Johannes 4:20: Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en u zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. Johannes 4:29: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? Johannes 4:30: Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem. Johannes 4:39: En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. Johannes 4:41: En er geloofden er veel meer vanwege Zijn woord; Johannes 4:42: En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker van de wereld.

### Hosea 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/7.json)

*God klaagt verder over de algemene hartstocht voor allerlei grove zonden, die zowel aan het hof onder de groten als onder de gewone man de overhand hadden, namelijk valsheid, stelen, roven, boosheid, leugen, goddeloze verbintenissen, dronkenschap, spotternij en heidense verbonden, vers 1, enz. vergezeld van een domme hovaardij, verstoktheid en ongevoeligheid, 3. Voorzegt hun Zijn rechtvaardige straffen, 12. verdere klacht over hun huichelarij en onbekeerlijkheid, 13, 14, enz.*

**1** Terwijl Ik Israël[^hosea-7-1-1] genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid[^hosea-7-1-2] ontdekt, en ook de boosheden van[^hosea-7-1-3] Samaria; want zij werken[^hosea-7-1-4] valsheid; en de dief[^hosea-7-1-5] gaat er in, de[^hosea-7-1-6] bende van de straatschenders stroopt daar buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v1)

**2** En[^hosea-7-2-7] zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al van hun boosheid gedachtig ben; nu[^hosea-7-2-8] omsingelen hen hun handelingen, zij zijn[^hosea-7-2-9] voor Mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v2)

**3** Zij[^hosea-7-3-10] verblijden de koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v3)

**4** Zij bedrijven al samen overspel, zij zijn gelijk een[^hosea-7-4-11] bakoven, die heet gemaakt is van de bakker; die ophoudt van wakker te[^hosea-7-4-12] zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v4)

**5** [^hosea-7-5-13] Het is de dag van onze koning; de vorsten maken[^hosea-7-5-14] hem[^hosea-7-5-15] ziek door verhitting van de wijn; hij[^hosea-7-5-16] strekt zijn hand voort met de spotters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v5)

**6** [^hosea-7-6-17] Want zij[^hosea-7-6-18] voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun hinderlagen; hun[^hosea-7-6-19] bakker slaapt de hele nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v6)

**7** Zij zijn allen samen[^hosea-7-7-20] verhit als een bakoven, en zij verteren hun[^hosea-7-7-21] rechters; al hun koningen[^hosea-7-7-22] vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij[^hosea-7-7-23] roept. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v7)

**8** Efraïm, die[^hosea-7-8-24][^hosea-7-8-a] verwart zich met de volken; Efraïm[^hosea-7-8-25] is een[^hosea-7-8-26] koek, die[^hosea-7-8-27] niet is omgekeerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v8)

**9** [^hosea-7-9-28] Vreemden verteren[^hosea-7-9-29] zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de[^hosea-7-9-30] grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v9)

**10** [^hosea-7-10-b] Daarom zal de[^hosea-7-10-31] hoogmoed van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v10)

**11** Want Efraïm is als een[^hosea-7-11-32] botte duif, zonder[^hosea-7-11-33] hart; zij roepen[^hosea-7-11-34] Egypte aan, zij gaan heen tot[^hosea-7-11-35] Assur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v11)

**12** Wanneer zij zullen heengaan, zal Ik Mijn[^hosea-7-12-36] net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogels van de hemel doen[^hosea-7-12-37] neerdalen. Ik zal[^hosea-7-12-38] ze tuchtigen,[^hosea-7-12-39] zoals gehoord is in hun vergadering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v12)

**13** Wee hen, want zij zijn van Mij[^hosea-7-13-40] afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben[^hosea-7-13-41] tegen Mij overtreden! Ik[^hosea-7-13-42] zou hen wel verlossen, maar zij spreken[^hosea-7-13-43] leugens tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v13)

**14** Zij roepen ook niet tot Mij met hun[^hosea-7-14-44] hart, wanneer zij huilen op hun legers;[^hosea-7-14-45] om koren en nieuwe wijn[^hosea-7-14-46] verzamelen zij zich, maar[^hosea-7-14-47] zij wederstreven tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v14)

**15** Ik[^hosea-7-15-48] heb hen wel getuchtigd, en hun armen[^hosea-7-15-49] gesterkt; maar zij denken[^hosea-7-15-50] kwaad tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v15)

**16** Zij[^hosea-7-16-51] keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn[^hosea-7-16-c] als een[^hosea-7-16-52] bedriegelijke boog; hun[^hosea-7-16-53] vorsten vallen door het zwaard; vanwege de[^hosea-7-16-54] toorn hun tong; dit is hun[^hosea-7-16-55] bespotting in[^hosea-7-16-56] Egypteland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/7.html#v16)

[^hosea-7-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, bezig ben door Mijn profeten om de tien stammen tot bekering te vermanen, en hen tot geestelijken en lichamelijken welstand te brengen. Zie Ps. 30:3, en onder Hos. 11:3. Psalmen 30:3: YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. Hosea 11:3: Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.
[^hosea-7-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, zo bevindt zich, dat de wortel en oorsprong aller boosheid en ongebondenheid tegen de eerste en tweede tafel, is in de stam van Efraïm, en voornamelijk in het hof van de koning te Samaria. Of, hun boosheid wordt ontdekt, door hun wederstrevigheid tegen al mijn vermaningen, zulks dat zij zich ongeneeslijk tonen.
[^hosea-7-1-3]: Kanttekening 3: Zie 1 Kon. 16:24. 1 Koningen 16:24: En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
[^hosea-7-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, allerlei afgoderij en huichelarij, zijnde enkel bedrog en valsheid, waardoor zij het verbond met Mij breken; zie Ps. 44:18, 44:21; handelende ook valselijk met de naaste; zie Lev. 19:11. Psalmen 44:18: Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond. Psalmen 44:21: Zo wij de Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid, Leviticus 19:11: U zult niet stelen, en u zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iedereen tegen zijn naaste.
[^hosea-7-1-5]: Kanttekening 5: 5 gaat er in: Stelen, roven en moorden is binnen en buiten vrij, en heeft de overhand, zodat beide tafelen van Gods wet verbroken zijn.
[^hosea-7-1-6]: Kanttekening 6: 6 bende van de straatschenders: Zie boven Hos. 5:1, 5:2. Hosea 5:1: Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. Hosea 5:2: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
[^hosea-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 zij zeggen niet in hun hart: Dat is, zij denken niet eens dat Ik zulks alles zie en zoeken zal.
[^hosea-7-2-8]: Kanttekening 8: 8 omsingelen hen hun handelingen: Als touwen, hen benauwende en verstrikkende, zodat zij niet zullen kunnen ontkomen, of als dienaren van justitie, om hen als misdadigers te vangen en voor het gericht te stellen, waarvan zij nu \[dat is, al haast\] de waarheid zullen bevinden.
[^hosea-7-2-9]: Kanttekening 9: 9 voor Mijn aangezicht: Naakt en bloot, zij zijn Mij alle bekend, en Ik zal ze ter hand nemen, om daarop te letten en recht te doen.
[^hosea-7-3-10]: Kanttekening 10: 10 verblijden de koning met hun boosheid: De goddeloosheid van de koning en zijn vorsten was zo groot, dat zij vreugde en vermaak namen in de gruwelijke boosheid van de priesters en van het volk, als dienende tot stijving van de afgoderij, waarin zij de vastheid van hun staat stelden; zulks het volk wetende, maakten het zo, gelijk hun koning het graag had, hoe erger hoe liever.
[^hosea-7-4-11]: Kanttekening 11: Zij zijn zo verhit in de afgoderij en de aanklevende zonden, als een brandende of gloeiende oven, en evenwel zo ongevoelig en zo zorgeloos daarover, als de slapende bakker. Zie vers 6. Hosea 7:6: Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lage; hun bakker slaapt de gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.
[^hosea-7-4-12]: Kanttekening 12: Of, wakker te maken; dat is, hij slaapt zelf, en laat alles slapen en in rust, totdat men het brood in de oven zal steken, wanneer het deeg genoeg gerezen en doorzuurd is. Zo laten zij de zuurdesem van de boosheid voortgaan en de oven van de afgoderij heet worden, totdat alles naar hun zin, op het allerergste gesteld is. Vergelijk Matt. 16:12; Luk. 12:1. Anderen aldus: Die heet gemaakt wordt van de bakker als hij ophoudt van op te wekken; \[te weten, degenen die bakken zullen\] nadat men het deeg heeft gekneed, totdat het doorzuurd is. Mattheüs 16:12: Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van de zuurdesem van het brood, maar van de leer van de Farizeën en Sadduceën? Lukas 12:1: Daarentussen als vele duizenden van de schare bijeenvergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor de zuurdesem van de Farizeën, welke is geveinsdheid.
[^hosea-7-5-13]: Kanttekening 13: 13 Het is de dag onzes konings: Dit kan men nemen als woorden van de vorsten en hovelingen. Anders: \[op\] de dag van onze koning, maken de vorsten hem ziek. Door de dag van de koning kan men verstaan de dag zijn geboorte, gelijk Gen. 40:20, of kroning, of een feestdag van hem aangesteld tot de dienst van de kalven; zie 1 Kon. 12:32, 12:33, en vergelijk Joh. 1:4 met de aantekening, Matt. 14:6. Genesis 40:20: En het geschiedde op de derden dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden zijn knechten. 1 Koningen 12:32: En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftienden dag van de maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had. 1 Koningen 12:33: En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftienden dag van de achtste maand, van de maand, die hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij voor de kinderen van Israël een feest, en offerde op dat altaar, rokende. Johannes 1:4: In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht van de mensen. Mattheüs 14:6: Maar als de dag van de geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.
[^hosea-7-5-14]: Kanttekening 14: 14 hem ziek: De koning; uit het voorgaande en volgende. Anders: maken zichzelven ziek.
[^hosea-7-5-15]: Kanttekening 15: 15 door verhitting van de wijn: Dat is, door hete wijnteugen, of door het zuipen van heten wijn. Anders: \[met\] flessen van wijn.
[^hosea-7-5-16]: Kanttekening 16: 16 strekt zijn hand voort met de spotters: Als hij ziek is van de wijn, dan slaat hij op met spotters en pretmakers, die hem de tijd en de wijnkrankte zullen verdrijven; of wanneer hij dronken is, zo doet hij zulks, zodat het hof vol van ijdelheid en goddeloosheid is. Van spotters, zie Ps. 1:1; Spr. 1:22, en Spr. 9:7, enz. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Spreuken 1:22: U slechten! hoe lang zult u de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Spreuken 9:7: Wie de spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
[^hosea-7-6-17]: Kanttekening 17: Of, zekerlijk, gewisselijk.
[^hosea-7-6-18]: Kanttekening 18: 18 voeren hun hart aan: Hebreeuws eigenlijk, doen hun hart naderen; dat is, zij geven zich daarop, drijven, vieren, stoken en hitsen, zichzelven aan, om in het geheim lagen te leggen dengenen, die hen tegen zijn, en die door streken in lijden, verdriet en om het leven te brengen, hetzij dat zij hun goddeloosheid niet toestaan, of anders een haat op hen hebben.
[^hosea-7-6-19]: Kanttekening 19: 19 bakker slaapt de gansen nacht: Hierdoor verstaan sommigen de koning, die het beleid en bestuur van alle boze vonden zijn vorsten en raadsheren beveelt, en als hij de uitvoering daarvan in vollen zwang ziet, zijn pleizier en lust daarin schept; of, terwijl hij slaapt, zo zijn zijn vorsten met hun helpers doende, om tegen hem samen te spannen; \[waarvan in vers 7\] en voordat de koning daarop denkt, zulks in het werk stellen, zettende alles \[om zo te spreken\] in vuur en vlam. Hosea 7:7: Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.
[^hosea-7-7-20]: Kanttekening 20: 20 verhit als een bakoven: In boosheid en goddeloosheid.
[^hosea-7-7-21]: Kanttekening 21: Dat is, hun koningen, vorsten en regenten, gelijk de volgende woorden verklaren, en onder vers 16; vergelijk Richt. 2:16. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland. Richteren 2:16: En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;
[^hosea-7-7-22]: Kanttekening 22: Dat is, worden om het leven gebracht, de één zweert samen tegen de ander, en slaat hem dood; zie Gen. 14:10, en de historie hiervan 2 Kon. 15:8, enz. tot 2 Kon. 15:32, zo onder vers 16. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 2 Koningen 15:8: In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden. 2 Koningen 15:32: In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland.
[^hosea-7-7-23]: Kanttekening 23: Die Mij kent, en om genade en hulp aanzoekt; vergelijk onder vers 10, 7:13, 7:14. Hosea 7:10: Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze. Hosea 7:13: Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij. Hosea 7:14: Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.
[^hosea-7-8-24]: Kanttekening 24: 24 verwart zich met de volken: Door heidense huwelijken, gemeenschap van afgoderij en andere zonden, idem ongeoorloofde verbonden. Zie boven Hos. 5:7, 5:13, en onder vers 11, enz. Hosea 5:7: Zij hebben trouweloos gehandeld tegen YHWH; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Hosea 7:11: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur.
[^hosea-7-8-a]: Verwijzing a: Ps. 106:35. Psalmen 106:35: Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.
[^hosea-7-8-25]: Kanttekening 25: 25 is een: Dat is, gelijk een koek.
[^hosea-7-8-26]: Kanttekening 26: Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 18:6. Genesis 18:6: En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^hosea-7-8-27]: Kanttekening 27: 27 niet is omgekeerd: En daarom half gaar, die de hongerige Assyriërs evenwel zullen verslinden; of aan de ene zijde verbrand, aan de andere rauw of ongaar, en dus onsmakelijk en bedorven, niet veel deugende \[gelijk men zegt\] noch om te houden, noch om weg te werpen, gelijk een koek moet worden, wanneer zij op het vuur of de kolen verzuimd en niet waargenomen wordt. Deze gelijkenis wordt verscheidenlijk verklaard, en op Efraïm gepast. Uit het voorgaande en navolgende schijnt dat God wil zeggen: Efraïm heeft zijn eigen geestelijke en lichamelijke welvaart verwaarloosd, en naar buiten tot de afgodische heidenen lopende, om bij hen zijn behoudenis te zoeken, is hij door hun gemeenschap zo bedorven, dat hij nauwelijks enig fatsoen, of reuk en smaak \[gelijk men zegt\] meer had, als een koek die half rauw, half verbrand, of geheel doorbrand en verschrokt is. Sommigen duiden het op de onbekeerlijkheid, niettegenstaande Gods straffen, waarvan vers 10. Hosea 7:10: Daarom zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot YHWH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.
[^hosea-7-9-28]: Kanttekening 28: 28 Vreemden verteren: Zie voorbeelden 2 Kon. 15:19, 15:20; idem daar 2 Kon. 15:29. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20: Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^hosea-7-9-29]: Kanttekening 29: 29 zijn kracht: Van Efraïm.
[^hosea-7-9-30]: Kanttekening 30: 30 grauwigheid op hem verspreid: Dat is, hij wordt zwak en machteloos, en heeft er geen gevoel van, gelijk oude mensen die overal grauwe haar krijgen; nochtans blijft hij even stout en hardnekkig, gelijk volgt.
[^hosea-7-10-b]: Verwijzing b: Hosea 5:5. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.
[^hosea-7-10-31]: Kanttekening 31: 31 hovaardij van Israël: Omdat zij in deze hun ellendigen toestand nog zo ongevoelig, hoogmoedig en stout tegen Mij zijn. Zie boven Hos. 5:5, met de aantekening. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.
[^hosea-7-11-32]: Kanttekening 32: 32 botte duif: Dat is, domme, slechte, simpele duiven, omdat men ze verlokken, verleiden en bepraten kan gelijk men wil, stellende zich alleszins tot een spot. Dit wordt in het volgende verklaard.
[^hosea-7-11-33]: Kanttekening 33: Dat is, verstand. Zie Job 9:4. Job 9:4: Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
[^hosea-7-11-34]: Kanttekening 34: 34 Egypte aan: Zie 2 Kon. 17:3, 17:4, en boven Hos. 5:13, en onder Hos. 8:9, en Hos. 12:2. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Hosea 8:9: Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben boelen om hoerenloon gehuurd. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-7-11-35]: Kanttekening 35: Dat is, Assyrië, of de koning van Assyrië.
[^hosea-7-12-36]: Kanttekening 36: 36 net over hen uitspreiden: Dat is, Ik zal hen vangen, verstrikken en vernietigen door hun tractaten of handelingen met Egypte en Assur, gelijk men de vogels beslaat, vangt en verstrikt door het net. Vergelijk Job 19:6; Ez. 12:13, en Ez. 17:20 en Ez. 19:8 en Ez. 32:3, met de aantekening. Job 19:6: Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. Ezechiël 12:13: Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. Ezechiël 17:20: En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft. Ezechiël 19:8: Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen. Ezechiël 32:3: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.
[^hosea-7-12-37]: Kanttekening 37: Daar zij omhoog menen te vliegen.
[^hosea-7-12-38]: Kanttekening 38: Met straffen en plagen; zie Spr. 7:22. Spreuken 7:22: Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging van de boeien.
[^hosea-7-12-39]: Kanttekening 39: 39 gelijk gehoord is in hun vergadering: Hebreeuws, naar de horing, of het gehoor van, of aan, in hun vergadering; dat is, gelijk Ik hun openlijk in Mijn wet en door Mijn profeten in hun bijeenkomsten voor de gemeente heb aangezegd en gedreigd, zie 2 Kon. 17:13. 2 Koningen 17:13: Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;
[^hosea-7-13-40]: Kanttekening 40: Hier en daar afgodische en vleselijke hulp zoekende, zwervende als een verbijsterde vogel, die nergens rust vindt.
[^hosea-7-13-41]: Kanttekening 41: 41 tegen Mij overtreden: Of, zijn van Mij afgevallen, zie 1 Kon. 8:50, en 1 Kon. 12:19; idem Jer. 2:8, 2:29, en vergelijk onder Hos. 8:1, en Hos. 14:10. 1 Koningen 8:50: En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; 1 Koningen 12:19: Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. Jeremia 2:29: Waarom twist u tegen Mij? U hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt YHWH. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden. Hosea 14:10: Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want de wegen van YHWH zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.
[^hosea-7-13-42]: Kanttekening 42: 42 Ik zou hen wel verlossen: Of, Ik heb hen wel verlost, of Ik verlos hen wel, of als Ik hen verlos, enz., zo, enz. Zie 2 Kon. 14:25, 14:26, 14:27, 14:28. 2 Koningen 14:25: Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. 2 Koningen 14:26: Want YHWH zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had. 2 Koningen 14:27: En YHWH had niet gesproken, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas. 2 Koningen 14:28: Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damascus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
[^hosea-7-13-43]: Kanttekening 43: Wat hen goeds van Mij geschiedt, daarvan geven zij valselijk hun afgoden de eer. Of, zij beloven wel bekering en dankbaarheid, maar denken het niet.
[^hosea-7-14-44]: Kanttekening 44: Hun bidden en kermen tot Mij is enkel huichelarij; het is maar een gehuil, uit verdriet, murmurering en ongeduldigheid, zonder geloof en bekering. Sommigen menen dat het volgende woord legeren of bedden, ziet op plaatsen \[gelijk hoogten, tempels, enz.\] hun afgoderij, die een geestelijk overspel is; zie Jes. 57:7, 57:8, met de aantekening, waarop het volgende woord verzamelen, niet kwalijk past; vergelijk ook Ez. 23:41. Jesaja 57:7: U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. Jesaja 57:8: En achter de deur en posten zet u uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt u u, en klimt op; u maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enige uit dezelve, u hebt hun leger lief in elke plaats, die u ziet. Ezechiël 23:41: En u zat op een heerlijk bed, voor dat een tafel gereedgemaakt was, en op dat u Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt.
[^hosea-7-14-45]: Kanttekening 45: 45 om koren en most: Anders: \[wanneer\] zij zich om koren en most verzamelen \[en\] tot Mij keren.
[^hosea-7-14-46]: Kanttekening 46: 46 verzamelen zij zich: Om zulks van Mij te verkrijgen, maar metterdaad bewijzen zij allen opstandigheid tegen Mij. Anders: maken zij zichzelven insnijdingen, te weten in hun vlees, naar de wijze van de heidenen en afgodendienaars; zie 1 Kon. 18:28 met de aantekening. 1 Koningen 18:28: En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.
[^hosea-7-14-47]: Kanttekening 47: 47 wederstreven tegen Mij: Anders: zij wijken van Mij af, of, wijken af tegen Mij, te weten rebellerende, omdat zij evenzeer blijven hangen aan hun afgoderij, zelfs wanneer zij koren en most van Mij kwanswijs (=schijnbaar, quasi \[red.\]) verzoeken.
[^hosea-7-15-48]: Kanttekening 48: 48 heb hen wel getuchtigd: Met woorden en slagen. Anders: Ik bind en sterk hun armen, te weten gelijk een goed chirurgijn en dokter pleegt te doen; vergelijk vers 1. Hosea 7:1: Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten.
[^hosea-7-15-49]: Kanttekening 49: Dat is, matiglijk gekastijd, gevende hun nog kracht om de kastijding te verdragen, of zo: dat Ik hen niet verteerde; of, als Ik bezig was om hen te genezen door Mijn heilzame tucht, zo voegde Ik Mij naar hun vermogen, ondersteunende hen met nodige krachten, en hun zwakheden dragende; of, Ik kastijdde hen wel, maar onderhield hun staat, dat zij niet te gronde gingen.
[^hosea-7-15-50]: Kanttekening 50: 50 kwaad tegen Mij: Mijn goeddoen vergelden zij Mij, \[in plaats van met dankbaarheid\] met kwade handelingen tegen Mij; overdenkende hoe zij hun bouwvalligen staat, zonder Mij en tegen al Mijn waarschuwingen en dreigementen, evenwel, als tot Mijn hoon en spijt, nog zouden mogen vastmaken door afgodische, vleselijke en heidense hulp, daar zij Mij schuldig waren te danken voor al wat dat er nog van hun staat overig en behouden is. Waarop het volgende mee ziet.
[^hosea-7-16-51]: Kanttekening 51: 51 keren zich: Zij lopen vast overal, hier en daar, maar tot Mij, bij wie hun heil te zoeken is, komen zij niet; vergelijk onder Hos. 11:7. Of, zij tonen somtijds een schijn van bekering, maar zij bekeren zich niet inderdaad; vergelijk boven Hos. 6:4, met de aantekening. Anders: eenvoudig aldus: Zij bekeren zich niet tot de Allerhoogste. Hosea 11:7: Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem. Hosea 6:4: Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat.
[^hosea-7-16-c]: Verwijzing c: Ps. 78:57. Psalmen 78:57: En zij weken terug, en handelden trouweloos, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.
[^hosea-7-16-52]: Kanttekening 52: 52 bedrieglijke boog: Hebreeuws, boog van het bedrog (רְמִיָּה); zie Ps. 78:57 met de aantekening. De zin is: Daar zij zich tot Mij behoorden te bekeren, gaan zij geheel andere wegen; daarom varen zij ook, gelijk volgt. Psalmen 78:57: En zij weken terug, en handelden trouweloos, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.
[^hosea-7-16-53]: Kanttekening 53: 53 vorsten vallen door het zwaard: Zie boven vers 7. Hosea 7:7: Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.
[^hosea-7-16-54]: Kanttekening 54: 54 toorn van hun tong: Dat is, omdat zij Mijn profeten, en vervolgens Mijzelf, met bitterheid en toornigheid bejegenen; vergelijk Ps. 73:9, of, omdat zij elkaar schelden, bitter en scherp toespreken, zo spant samen de één tegen de ander, en brengen zij elkaar om hals, gelijk boven vers 7. Psalmen 73:9: Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt op de aarde. Hosea 7:7: Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.
[^hosea-7-16-55]: Kanttekening 55: Dat is, de oorzaak hun bespotting.
[^hosea-7-16-56]: Kanttekening 56: Waar zij hulp zoeken en groot vertrouwen menen te hebben.

### Hosea 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/8.json)

*God verkondigt Israël de komst van de vijand, die hen zal vervolgen, uitroeien, wegvoeren en hun landvruchten zal verteren, omdat zij God, Zijn verbond, wet en alle heilzame leringen, kortom het goede, hebben vergeten, verlaten en veracht, een eigen koninkrijk zonder God hebben opgericht, allerlei afgoderij, huichelachtige godsdienst, en in het bijzonder de verfoeilijke kalverdienst en heidense verbonden hebben gesticht en gezocht, vers 1, enz. God dreigt ook Juda, 14.*

**1** De[^hosea-8-1-1] bazuin aan uw mond;[^hosea-8-1-2] hij[^hosea-8-1-3] komt als een[^hosea-8-1-4][^hosea-8-1-a] adelaar tegen het[^hosea-8-1-5] huis van YHWH; omdat zij Mijn[^hosea-8-1-b] verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet[^hosea-8-1-6] afvallig geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v1)

**2** Dan[^hosea-8-2-7] zullen zij tot Mij[^hosea-8-2-8] roepen: Mijn God![^hosea-8-2-9] wij, Israël, kennen U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v2)

**3** Israël heeft het[^hosea-8-3-10] goede verstoten; de[^hosea-8-3-11] vijand zal hem vervolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v3)

**4** Zij hebben koningen gemaakt, maar niet[^hosea-8-4-12] uit Mij; zij hebben[^hosea-8-4-13] vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun[^hosea-8-4-14] goud hebben zij voor zichzelf[^hosea-8-4-15] afgoden gemaakt,[^hosea-8-4-16] opdat zij uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v4)

**5** Uw kalf, o Samaria! heeft u[^hosea-8-5-17] verstoten;[^hosea-8-5-18] Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de[^hosea-8-5-19] reinigheid niet[^hosea-8-5-20] verdragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v5)

**6** Want[^hosea-8-6-21] dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal[^hosea-8-6-22] tot stukken worden, het kalf van Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v6)

**7** Want zij hebben[^hosea-8-7-23] wind gezaaid, en zullen een[^hosea-8-7-24] wervelwind maaien;[^hosea-8-7-25] het zal geen staande koren hebben, het[^hosea-8-7-26] uitspruitsel zal geen meel[^hosea-8-7-27] maken; of het misschien maakte,[^hosea-8-7-28] vreemden zullen het verslinden.[^hosea-8-7-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v7)

**8** Israël is verslonden;[^hosea-8-8-30] nu zijn zij onder de heidenen geworden, zoals een[^hosea-8-8-31] voorwerp, waar men geen lust toe heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v8)

**9** Want zij zijn opgetogen[^hosea-8-9-32] naar Assur, een[^hosea-8-9-33] woudezel, die alleen voor zichzelf is; die van Efraïm hebben[^hosea-8-9-34] minnaars om hoerenloon gehuurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v9)

**10** [^hosea-8-10-35] Omdat zij dan onder de heidenen minnaars om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik[^hosea-8-10-36] die nu ook verzamelen; ja,[^hosea-8-10-37] zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de[^hosea-8-10-38] last van de[^hosea-8-10-39] koning van de vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v10)

**11** Omdat Efraïm de altaren[^hosea-8-11-40] vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v11)

**12** Ik schrijf hem de[^hosea-8-12-41] voortreffelijkheden Van mijn[^hosea-8-12-42] wet voor;[^hosea-8-12-43] maar die zijn geacht als wat[^hosea-8-12-44] vreemds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v12)

**13** Voor wat betreft de offergaven[^hosea-8-13-45] Van mijn gaven, zij offeren vlees, en[^hosea-8-13-46] eten het, maar YHWH heeft[^hosea-8-13-47] aan hen geen[^hosea-8-13-48] welgevallen. Nu zal Hij van hun ongerechtigheid[^hosea-8-13-49] gedenken, en hun zonden[^hosea-8-13-50] bezoeken; zij zullen weer[^hosea-8-13-51] in Egypte keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v13)

**14** Want Israël heeft zijn[^hosea-8-14-52] Maker vergeten, en[^hosea-8-14-53] tempelen gebouwd, en Juda heeft[^hosea-8-14-54] versterkte steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een[^hosea-8-14-55] vuur zenden in zijn steden, dat zal[^hosea-8-14-56] haar paleizen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/8.html#v14)

[^hosea-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 bazuin aan uw: Dit is een haastige en onvolkomen manier van spreken, die men pleegt te gebruiken in een onvoorzienen haastigen overval. Men kan dit nemen als woorden van God tot de profeet, die Hij gebiedt zijn stem als een bazuin te verheffen, vermits de ongevoeligheid en hardnekkigheid van het volk, gelijk Jes. 58:1, enz. Of, als een afbeelding van de aanstaanden nood en aankomst van de vijand, wanneer men gewoon is alarm te maken; zie boven Hos. 5:8. Jesaja 58:1: Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden. Hosea 5:8: Blaast de bazuin te Gibeä, de trompet te Rama; roept luide te Beth-aven; achter u, Benjamin!
[^hosea-8-1-2]: Kanttekening 2: Hebreeuws, gehemelte.
[^hosea-8-1-3]: Kanttekening 3: 3 hij komt: Te weten, de vijand, de koning van Assyrië.
[^hosea-8-1-4]: Kanttekening 4: 4 adelaar tegen: Vergelijk Jer. 48:40, met de aantekening. Jeremia 48:40: Want zo zegt YHWH: Ziet, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden.
[^hosea-8-1-a]: Verwijzing a: Deut. 28:49. Deuteronomium 28:49: YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, gelijk als een adelaar vliegt; een volk, welks spraak u niet zult verstaan;
[^hosea-8-1-5]: Kanttekening 5: 5 huis van YHWH: Te weten, Israël, of de tien stammen, \[gelijk het volgende uitwijst\] die die naam mee voerden, en Gods volk wilden geacht zijn. Sommigen menen dat God hier van Juda spreekt, en verstaan de tempel van Jeruzalem, en door de vijand Nebukadnezar.
[^hosea-8-1-b]: Verwijzing b: Hosea 6:7. Hosea 6:7: Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouweloos tegen Mij gehandeld.
[^hosea-8-1-6]: Kanttekening 6: 6 afvallig geworden: Zie boven Hos. 7:13. Hosea 7:13: Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij.
[^hosea-8-2-7]: Kanttekening 7: 7 zij tot Mij: Te weten, die van Israël, gelijk het volgende verklaart.
[^hosea-8-2-8]: Kanttekening 8: Mijn God: Niet uit geloof en bekering, maar alleen uit gevoel van de voorzegde en gedreigde ellende.
[^hosea-8-2-9]: Kanttekening 9: 9 wij, Israël, kennen U: Wij voeren immers de naam van uw volk Israël, en hebben uw woord gehoord en doen belijdenis van uw dienst; vergelijk Matt. 7:21, 7:22; Luk. 13:26, 13:27. Anderen aldus: Wij kennen U, \[wij zijn\] Israël; in een zin. Mattheüs 7:21: Niet een iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal ingaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 7:22: Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? Lukas 13:26: Alsdan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw aanwezigheid gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd. Lukas 13:27: En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar u bent; wijkt van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid!
[^hosea-8-3-10]: Kanttekening 10: 10 goede verstoten: Al mijn heilzame leringen en vermaningen, waarvan de navolging hun geestelijke en lichamelijke behoudenis zou geweest zijn.
[^hosea-8-3-11]: Kanttekening 11: 11 vijand zal hem vervolgen: Van wie vers 1 gesproken is. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
[^hosea-8-4-12]: Kanttekening 12: 12 uit Mij: Dat is, zonder mij in het opwerpen en maken van hun koningen raad te vragen, of mijn bevel te verwachten; alhoewel anders de scheiding van de tien stammen van Juda niet zonder Gods rechtvaardig bestuur en regering geschied is; zie 1 Kon. 11:31, enz.; onder Hos. 13:11, en vergelijk Jes. 30:1, en Jes. 54:15. 1 Koningen 11:31: En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. Hosea 13:11: Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn toorn. Jesaja 30:1: Wee de kinderen, die afvallen, spreekt YHWH, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen; Jesaja 54:15: Ziet, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, maar niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen.
[^hosea-8-4-13]: Kanttekening 13: 13 vorsten gesteld: De woorden koningen en vorsten, worden hier verwisseld, gelijk boven Hos. 7:7, 7:16. Hosea 7:7: Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland.
[^hosea-8-4-14]: Kanttekening 14: 14 niet gekend: Niet dat de alwetenden God dit enigszins onbekend zou geweest zijn, maar deze manier van spreken wil zeggen dat God hun maken van koningen niet voor goed heeft gekend. Vergelijk Ps. 1:6, met de aantekening. Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^hosea-8-4-15]: Kanttekening 15: 15 afgoden gemaakt: Zie van het Hebreeuwse woord 2 Sam. 5:21, en versta hier, de gouden kalven te Dan en Bethel en andere afgodische beelden, gelijk onder Hos. 13:2, en Hos. 14:9. 2 Samuël 5:21: En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op. Hosea 13:2: En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen. Hosea 14:9: Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden.
[^hosea-8-4-16]: Kanttekening 16: 16 opdat zij uitgeroeid worden: Hebreeuws, opdat hij uitgeroeid werd; dat is, elk van hen, of Israël. De zin is dat zij door deze afgoderij hun eigen verderf hebben veroorzaakt. Vergelijk Jer. 18:16; Micha 6:16, met de aantekening. Jeremia 18:16: Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. Micha 6:16: Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid Mijns volks dragen.
[^hosea-8-5-17]: Kanttekening 17: 17 kalf, o Samaria: Uw afgodische kalverdienst, die uw koningen, o Samaria \[die binnen u hun hof houden\] gesticht en gevoed hebben.
[^hosea-8-5-18]: Kanttekening 18: 18 u verstoten: Te weten u Israëlieten. De zin is, gelijk zij het goede van zich verstoten hebben, \[boven vers 3,\] zo zal het kwaad, dat zij gekozen hebben, te weten de afgoderij, hun uit hun land verstoten; dat is, de oorzaak daarvan zijn. Anders: uw kalf heeft \[u\] verlaten. Moetende zelf als in gevangenschap het land uitgevoerd worden. Zie onder Hos. 10:6. Of aldus, Hij \[de Heer\] heeft uw kalf, o Samaria, verstoten, gelijk u zijn goed verstoten hebt, zo verstoot Hij uw kwaad. Hosea 8:3: Israël heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen. Hosea 10:6: Ja, datzelfde zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
[^hosea-8-5-19]: Kanttekening 19: Vergelijk Jer. 13:27. Jeremia 13:27: Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult u niet rein worden? Hoe lang nog na deze?
[^hosea-8-5-20]: Kanttekening 20: Of, vermogen. Het kan ook een afgebroken rede zijn, uit verdriet en toornigheid, aldus: Hoelang zullen zij gene reinheid kennen; te weten bekomen, doen, plegen?
[^hosea-8-6-21]: Kanttekening 21: 21 dat is ook uit Israël: Te weten, gouden kalf, \[in het begin van het voorgaande en in het einde van vers 6 vermeld\] is van Israël afgekomen, zij hebben het van mij niet geleerd, maar het is een vond en werk van hun eigen goddeloosheid, gelijk eertijds het kalf in de woestijn een vond geweest is van hun voorvaders. Hosea 8:6: Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
[^hosea-8-6-22]: Kanttekening 22: 22 stukken worden: Of, klein schaafsel, gruis, morsel. Dit schijnt te zien op de vermaling van het gouden kalf, Ex. 32:20, alsof God zei: Wat een fijne god is dat, die zichzelven niet beter kan behouden. Exodus 32:20: En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de kinderen van Israël drinken.
[^hosea-8-7-23]: Kanttekening 23: 23 wind gezaaid: Dat is, afgoderij en heidense verbonden hebben zij nagejaagd, daarom zullen zij de vrucht hun werken genieten; zodanig hun doen is, zodanige straf zal er op volgen. Vergelijk Job 4:8, met de aantekening en onder Hos. 12:2. Job 4:8: Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-8-7-24]: Kanttekening 24: 24 wervelwind maaien: Dat is, Gods schrikkelijke en onvermijdelijke lage. Zie Job 9:17; Ps. 83:16; Spr. 1:27; Jer. 4:13; Amos 1:14, met de aantekening. Job 9:17: Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. Psalmen 83:16: Vervolg hen zo met Uw onweer, en verschrik hen met Uw draaiwind. Spreuken 1:27: Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Amos 1:14: Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijd, met een onweer op de dag van de wervelwind.
[^hosea-8-7-25]: Kanttekening 25: 25 het zal geen staande koren hebben: Te weten zaad, of hij, te weten Israël. Gelijk zij met ijdelheid hebben omgegaan, zo zal al hun arbeid ijdel zijn, of niets voortbrengen; of, wat er van mag voortkomen, zal voor de vijand zijn.
[^hosea-8-7-26]: Kanttekening 26: Of, gewas, zonder iets van voortkomt.
[^hosea-8-7-27]: Kanttekening 27: Dat is, geven, daar zal geen meel van komen, en zo in het volgende, en onder Hos. 9:16; zie Ps. 1:3. Hosea 9:16: Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
[^hosea-8-7-28]: Kanttekening 28: Of, uitlandse, dat is heidense vijanden.
[^hosea-8-7-29]: Kanttekening 29: Dat is, zal zekerlijk van de vijanden verteerd worden, waarvan de beginselen klaar zijn.
[^hosea-8-8-30]: Kanttekening 30: 30 nu zijn zij onder de heidenen geworden: Zij zijn al veracht bij de omliggende heidenen, en zullen het al haast nog meer worden. Vergelijk vers 10. Hosea 8:10: Omdat zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten.
[^hosea-8-8-31]: Kanttekening 31: Gelijk Jer. 22:28. Zie daar; idem Ps. 31:13, en vergelijk Jes. 30:14. Jeremia 22:28: Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen? Psalmen 31:13: Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat. Jesaja 30:14: Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet een scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht.
[^hosea-8-9-32]: Kanttekening 32: Om hun staat door gunst en hulp van de koning van Assyrië te bevestigen. Zie 2 Kon. 15:19, 15:20. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20: Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land.
[^hosea-8-9-33]: Kanttekening 33: Dat is, wilden, wreden en onbeleefden, rovende voor zichzelven, niet zoekende dan zijn eigen voordeel, om een ander zich niet bekommerende; zie Job 24:5, en Job 39:8. Sommigen duiden het op Israël, overal om hulp en verbond lopende, als een onbetemde wilde woudezel, die overal op de lucht gaat en dommelijk voeder zoekt, maar dikwijls niet vindt, en zelf anderen ten roof wordt. Vergelijk Jer. 2:24. Job 24:5: Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot voedsel, en voor de jongeren. Job 39:8: Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost? Jeremia 2:24: Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden.
[^hosea-8-9-34]: Kanttekening 34: 34 boelen om hoerenloon gehuurd: Dat is, helpers en bondgenoten, verlatende hun rechte man, Heer en bondgenoot, namelijk God. Hebreeuws, liefden, minnen, of boelerijen; dat is, boelen, minnaars; zie Job 35:13, en Jer. 27:9. Job 35:13: Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. Jeremia 27:9: Gijlieden dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw guichelaars, en naar uw tovenaars, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen.
[^hosea-8-10-35]: Kanttekening 35: 35 Omdat zij dan: Of, schoon zij, hoewel zij, maar ofschoon zij, enz., zo zal Ik hen \[toch\] verzamelen, enz., gelijk de Hebreeuwse woorden genomen zijn, onder Hos. 9:16. Alsof de Heer zei: Zij mogen zoveel helpers huren als zij willen, het zal hun toch niet helpen. Hosea 9:16: Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.
[^hosea-8-10-36]: Kanttekening 36: 36 die nu ook verzamelen: Die heidense helpers, die zij gehuurd hebben, zal Ik tegen henzelven verzamelen om inplaats van hulp, hen te bederven; vergelijk Ez. 16:37. Anders: Ik zal hen \[de Israëlieten\] verzamelen, te weten om hun de vijanden over te geven en het land uit te drijven, gelijk dit woord somtijds ook voor verzamelen ter straf gebruikt wordt; zie Ps. 26:9. Ezechiël 16:37: Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen. Psalmen 26:9: Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^hosea-8-10-37]: Kanttekening 37: 37 zij hebben al een weinig begonnen: De boelen, die zij gezocht en gehuurd hebben, tot hun hulp, hebben hen al begonnen te plagen, maar dat is maar een weinig ten aanzien van de rest, die volgen zal. Anders: dat zij weinig smart zullen hebben van, enz.; dat is, het volgende lijden zal zo groot zijn, dat zij weinig gedenken zullen aan deze last.
[^hosea-8-10-38]: Kanttekening 38: 38 last van de koning: Dat is, de belasting, die de koning van Assyrië Israël had opgelegd; zie 2 Kon. 15:19, 15:20, en 2 Kon. 17:3. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20: Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.
[^hosea-8-10-39]: Kanttekening 39: 39 van de vorsten: Van de grote koning van Assyrië, die vele vorsten en prinsen onder zich heeft; vergelijk 2 Kon. 18:19, 18:24; Jes. 10:8; Ez. 31. 2 Koningen 18:19: En Rabsake zei tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt? 2 Koningen 18:24: Hoe zoudt u dan het aangezicht van een enige vorst van de geringste knechten mijns heren afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. Jesaja 10:8: Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?
[^hosea-8-11-40]: Kanttekening 40: 40 vermenigvuldigd heeft tot zondigen: Omdat zij enkel de gruwelijke zonde van de afgoderij hebben willen bedrijven, zonder maat en einde, zo zal Ik hen ook daarin laten voortgaan, en zo zonde op zonde doen hopen, tot hun rechtvaardige straf; of, Ik zal hen onder de heidenen wegvoeren, waar zij dan de afgodische altaren genoeg of de volheid zullen hebben, en tot allerlei afgoderij gedwongen worden. Zie Jer. 5:19, en onder Hos. 9:3, en van het woord zonde, in zake van afgoderij, 1 Kon. 12:30, en 1 Kon. 13:34 met de aantekening en 1 Kon. 14:16, en 1 Kon. 15:30, 15:34, en 1 Kon. 16:2. Jeremia 5:19: En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons YHWH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Gelijk als u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is. Hosea 9:3: Zij zullen in het land van YHWH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. 1 Koningen 12:30: En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe. 1 Koningen 13:34: En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van de aardbodem. 1 Koningen 14:16: En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen. 1 Koningen 15:30: Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij YHWH, de God van Israël, getergd had. 1 Koningen 15:34: En hij deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, en wandelde in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. 1 Koningen 16:2: Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
[^hosea-8-12-41]: Kanttekening 41: Dat is, de uitnemende, grote, heerlijke en voortreffelijke leringen van mijn woord heb Ik hun niet alleen mondelijk, maar ook schriftelijk in overvloed laten voordragen, door onderhouding van welke zij groot en machtig zouden worden. Vergelijk Jes. 42:21. Jesaja 42:21: YHWH had lust aan hem, om Zijn gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.
[^hosea-8-12-42]: Kanttekening 42: 42 wet voor: Of, leer; zie Ps. 1:2. Psalmen 1:2: Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
[^hosea-8-12-43]: Kanttekening 43: 43 die zijn geacht: Voortreffelijke leringen van mijn woord.
[^hosea-8-12-44]: Kanttekening 44: Zij verwerpen ze, alsof al mijn leringen hen in het minst niet aangingen, of zij daarmee niet te doen hadden; wat hunzelven lust, wat zij zelf verzinnen en bedenken, of van de heidenen aannemen, dat alleen behaagt hun.
[^hosea-8-13-45]: Kanttekening 45: 45 Mijner gaven: Dat is, de vrijwillige dankoffers, die zij mij menen te offeren \[van de gaven, die Ik hun in waarheid gegeven heb,\] om kwanswijs te betonen dat zij immers naar mij nog vragen en mij niet verachten.
[^hosea-8-13-46]: Kanttekening 46: 46 maar YHWH: Veranderende mijn offeranden in onheilige mestbanketten, zij zijn niet tot mijn dienst, maar voor hun mond en buik; vergelijk Jer. 7:21. Jeremia 7:21: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Doet uw brandofferen tot uw slachtofferen, en eet vlees.
[^hosea-8-13-47]: Kanttekening 47: 47 aan hen geen: Te weten, aan de offeraars, waarvan de boosheid Hij gedenken wil, gelijk volgt. Anders: daaraan, of aan die; te weten offeranden. Vergelijk Ez. 20:40, en Ez. 43:27; Amos 5:22. Ezechiël 20:40: Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg Israëls, spreekt de Heer YHWH, daar zal Mij het gehele huis van Israël in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen uw heffingen met al uw geheiligde dingen. Ezechiël 43:27: Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtsten dag en voortaan gebeuren, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heer YHWH. Amos 5:22: Want ofschoon u Mij brandofferen offert, en ook uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.
[^hosea-8-13-48]: Kanttekening 48: Want zij offeren niet ter plaatse, die van God daartoe is verordineerd, te weten binnen Jeruzalem in de tempel, maar tegen Gods gebod, waar het hun belieft, tot verachting Gods, en verder zonder geloof en bekering.
[^hosea-8-13-49]: Kanttekening 49: Betonende zulks door straffen. Zo Jer. 14:10, en onder Hos. 9:9; zie Gen. 8:1, en zie het tegendeel Ps. 79:8; Jer. 31:34; Ez. 18:22, enz. Jeremia 14:10: Zo zegt YHWH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft YHWH geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Psalmen 79:8: Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Ezechiël 18:22: Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.
[^hosea-8-13-50]: Kanttekening 50: Te weten met straffen; zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^hosea-8-13-51]: Kanttekening 51: 51 Egypte keren: Dat is, in Assyrië, waar zij behandeld zullen worden gelijk voormaals in Egypte, zij zullen weer gevoerd worden in een nieuw Egypte; vergelijk onder Hos. 9:3, naar Egypte, om met de Egyptenaar te handelen, verlatende de koning van Assyrië, die daarover verstoord zijnde, hen verderven zal. Zie 2 Kon. 17:3, 17:4, 17:5; \[aldus zou men door hun ongerechtigheid verstaan de meinedigheid en trouweloosheid begaan tegen de Assyriër; vergelijk Ez. 21:23, en Ez. 29:16,\] dan zullen er sommigen naar Egypte trekken om de verwoesting van de Assyriërs te ontgaan; zie onder Hos. 9:6. Hosea 9:3: Zij zullen in het land van YHWH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. 2 Koningen 17:5: Want de koning van Assyrië toog op in het gehele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. Ezechiël 21:23: Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn onder hen; maar hij zal de ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden. Ezechiël 29:16: En het zal de huize Israëls niet meer zijn tot een vertrouwen, dat de ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij naar henlieden omzien; maar zij zullen weten, dat Ik de Heer YHWH ben. Hosea 9:6: Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.
[^hosea-8-14-52]: Kanttekening 52: 52 Maker vergeten: Te weten God, die hen niet alleen geschapen, maar ook tot zijn volk gemaakt, bereid en zo grootgemaakt heeft; zie Job 8:17, en Ps. 100:3; Jes. 51:13, en Jes. 54:5. Job 8:17: Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats. Psalmen 100:3: Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide. Jesaja 51:13: En vergeet YHWH, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk de gansen dag, vanwege de grimmigheid van de benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid van de benauwers? Jesaja 54:5: Want uw Maker is uw Man, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de ganse aardbodem genaamd worden.
[^hosea-8-14-53]: Kanttekening 53: 53 tempelen gebouwd: Afgodische tempelen, tot de kalvendienst, te Dan en Bethel en elders, om daardoor zijn staat vast te maken, het volk van Gods tempel te Jeruzalem af te houden, en te naderen tot de vriendschap en gemeenschap met de afgodische heidenen; vergelijk Ez. 20:32. Anders: paleizen; zie Jes. 9:9. Ezechiël 20:32: Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal in geen geval gebeuren, dat u zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten van de landen zijn, dienende hout en steen. Jesaja 9:9: De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;
[^hosea-8-14-54]: Kanttekening 54: 54 vaste steden vermenigvuldigd: Om zich daardoor te verzekeren tegen de aankomst van de vijand, waarvan de profeten zoveel spraken; zie Jes. 22:8, 22:9, enz. Jesaja 22:8: En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en op die dag zult u zien naar de wapenen in het huis van het woud. Jesaja 22:9: En u zult bezien de reten van de stad van David, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van de onderste vijver vergaderen.
[^hosea-8-14-55]: Kanttekening 55: 55 vuur zenden in zijn steden: Dat is, vijandelijken oorlog, met de gevolgen van die, allerlei plagen en ellenden; zie Job 15:34, en Amos 1:4, enz. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
[^hosea-8-14-56]: Kanttekening 56: 56 paleizen verteren: In elk van de steden van het land van Juda. In het Hebreeuws staat, haar, in het enkelvoudig getal en het vrouwelijk geslacht, ziende op het land, of elke stad.

### Hosea 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/9.json)

*God verwijt Israël de afgodische vreugde in de oogsttijd, vers 1. die Hij hun wel zal doen vergaan, door de toekomstige honger, wegvoering naar Assyrië, het ontberen van de openbare godsdienst, treuren en verwoesting van hun land, 2. tegenstelling van valse en ware profeten, 7. verdere klacht over Israëls diepe verdorvenheid, naar het voorbeeld van hun ondankbare afgodische voorvaderen, 9. God dreigt hun onvruchtbaarheid en kindermoord, 11. Gebed van de profeet om vermindering van de straf, 14. verder verhaal van hun afgoderij, met aanzegging van Gods toorn en straffen, 15.*

**1** Verblijd u niet, o Israël! tot[^hosea-9-1-1] opspringens toe, zoals de[^hosea-9-1-2] volken; want u hoereert van uw God af; u hebt[^hosea-9-1-3] hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van het koren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v1)

**2** De dors vloer en de wijnkuip zal hen[^hosea-9-2-4] niet voeden; en de nieuwe wijn zal[^hosea-9-2-5] hun[^hosea-9-2-6] liegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v2)

**3** Zij zullen in het land van YHWH[^hosea-9-3-7] niet blijven; maar Efraïm zal weer[^hosea-9-3-8] tot Egypte[^hosea-9-3-9] keren, en zij zullen in[^hosea-9-3-10] Assyrië het[^hosea-9-3-11] onreine eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v3)

**4** Zij[^hosea-9-4-12] zullen[^hosea-9-4-13] YHWH geen[^hosea-9-4-14] drankoffers doen van wijn, ook zouden zij Hem niet[^hosea-9-4-15] zoet zijn, hun offergaven zouden hun zijn als[^hosea-9-4-16] treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun[^hosea-9-4-17] ziel zijn, het zal in het huis van YHWH[^hosea-9-4-18] niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v4)

**5** Wat zult u dan doen op een[^hosea-9-5-19] gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag van YHWH? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v5)

**6** Want ziet,[^hosea-9-6-20] zij gaan daarheen vanwege de[^hosea-9-6-21] verstoring;[^hosea-9-6-22] Egypte zal ze verzamelen,[^hosea-9-6-23] Mof zal[^hosea-9-6-24] ze begraven;[^hosea-9-6-25] begeerte zal er zijn naar hun zilver,[^hosea-9-6-26] netelen zullen hen erfelijk bezitten,[^hosea-9-6-27] doornen zullen in hun[^hosea-9-6-28] tenten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v6)

**7** De dagen van de bezoeking zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen[^hosea-9-7-29] het bemerken; de[^hosea-9-7-30] profeet is een dwaas, de[^hosea-9-7-31] man van de geest is onzinnig; om de grootheid van uw ongerechtigheid is de[^hosea-9-7-32] haat ook groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v7)

**8** [^hosea-9-8-33] De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de[^hosea-9-8-34] profeet is een vogelvangersstrik,[^hosea-9-8-35] op al[^hosea-9-8-36] zijn wegen, een[^hosea-9-8-37] haat in het huis[^hosea-9-8-38] van zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v8)

**9** Zij hebben zich[^hosea-9-9-39] zeer diep verdorven, als in de dagen van[^hosea-9-9-40] Gibeä; Hij zal van hun ongerechtigheid[^hosea-9-9-41] gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v9)

**10** Ik vond Israël als[^hosea-9-10-42] druiven in de woestijn, Ik zag uw vaders als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in[^hosea-9-10-43][^hosea-9-10-a] tot Baäl-peor, en[^hosea-9-10-44] zonderden zich af tot die[^hosea-9-10-45] schaamte, en werden[^hosea-9-10-46] geheel verfoeilijk naar hun wellust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v10)

**11** Voor wat betreft Efraïm, hun[^hosea-9-11-47] heerlijkheid zal[^hosea-9-11-48] wegvluchten als een vogel;[^hosea-9-11-49] van de geboorte, en van[^hosea-9-11-50] moeders buik, en van de ontvangenis af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v11)

**12** Hoewel zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven,[^hosea-9-12-51] dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v12)

**13** Efraïm is, zoals Ik[^hosea-9-13-52] Tyrus aanzag, die[^hosea-9-13-53] geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen[^hosea-9-13-54] moeten uitbrengen tot de[^hosea-9-13-55] moordenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v13)

**14** [^hosea-9-14-56] Geef hun, YHWH! Wat zult U geven? Geef hun een[^hosea-9-14-57][^hosea-9-14-b] misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v14)

**15** [^hosea-9-15-58] Al hun boosheid is te[^hosea-9-15-c] Gilgal,[^hosea-9-15-59] want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit[^hosea-9-15-60] Mijn huis uitdrijven, Ik zal[^hosea-9-15-61] ze voortaan niet meer liefhebben; al hun[^hosea-9-15-d] vorsten zijn[^hosea-9-15-62] afvalligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v15)

**16** Efraïm is[^hosea-9-16-63] geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht[^hosea-9-16-64] voortbrengen; ja, hoewel zij genereerden, zo zal Ik toch de[^hosea-9-16-65] gewenste vruchten van hun buik doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v16)

**17** [^hosea-9-17-66] Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen[^hosea-9-17-67] omzwervende zijn onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/9.html#v17)

[^hosea-9-1-1]: Kanttekening 1: 1 opspringens toe: Of, tot verheugens toe, tot vrolijkheid toe; zie dezelfde manier van spreken Job 3:22. Het Hebreeuwse woord ziet op de uiterlijke gebaren en bewijs van vreugde. Job 3:22: Die blij zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
[^hosea-9-1-2]: Kanttekening 2: Die ten tijde van een goede oogst gewoon waren grote vreugde te bedrijven ter ere van hun afgoden, die zij hielden voor de bewerkers van die; vergelijk Ps. 4:8, en hier het volgende; idem Joël 1:12. Psalmen 4:8: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Joël 1:12: De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
[^hosea-9-1-3]: Kanttekening 3: 3 hoerenloon lief: Dat is, u verheugt u over de oogst als over een beloning, die uw boelen, de afgoden, u zouden hebben gegeven vanwege uw geestelijke hoererij, dat is afgoderij; en op alle plaatsen, waar u koren stapelt en dorst en waar u de wijn perst, dankt u uw afgoden voor wat Ik u gegeven heb. Vergelijk boven Hos. 2:4, 2:7, 2:8, 2:11. Hosea 2:4: Want hun moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. Hosea 2:7: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hosea 2:8: Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. Hosea 2:11: En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten.
[^hosea-9-2-4]: Kanttekening 4: 4 niet voeden: Hoewel zij zichzelven ander beloven.
[^hosea-9-2-5]: Kanttekening 5: Of, tegen haar, onder haar; te weten, deze hoer, of overspeelster; of Efraïm, Israël.
[^hosea-9-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, hun hoop, die zij daarvan hebben, zal falen en hen bedriegen, zij zullen niet genieten, het zal voor de vijand zijn, en zij moeten het land uit, gelijk volgt. Vergelijk boven Hos. 8:7, en de manier van spreken met Hab. 3:17; Jes. 52:11, en Job 40:28, en zie de aantekening daar. Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. Habakuk 3:17: Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk van de olijfboom liegen zal, en de velden geen voedsel voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; Jesaja 52:11: Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt! Job 40:28: Zie, zijn hoop zal falen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden?
[^hosea-9-3-7]: Kanttekening 7: 7 land niet blijven: Namelijk Kanaän, dat Gods land en erfenis dikwijls genoemd wordt; zie Ps. 68:10, en Joël 1:6, en Joël 3:2, enz. Psalmen 68:10: U hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en U hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. Joël 1:6: Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. Joël 3:2: Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
[^hosea-9-3-8]: Kanttekening 8: 8 Egypte keren: Zie boven Hos. 8:13. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren.
[^hosea-9-3-9]: Kanttekening 9: 9 en zij zullen: Of, maar; als men het verstaat van hulp in Egypte te zoeken tegen de Assyriër. Alsof God zei: Zij mogen naar Egypte lopen zoveel zij willen, zij zullen evenwel naar Assyrië moeten.
[^hosea-9-3-10]: Kanttekening 10: Waarheen zij gevankelijk zullen worden weggevoerd.
[^hosea-9-3-11]: Kanttekening 11: 11 onreine eten: Dat God in zijn wet verboden had te eten, en waarvan zij etende, naar de wet van de ceremoniën onrein werden. Vergelijk Ez. 4:12, 4:13; Dan. 1:8, en hier vers 4. Ezechiël 4:12: En u zult een gerstekoek eten, en die zult u met drek van de afgang van de mens bakken voor hun ogen. Ezechiël 4:13: En YHWH zei: Zo zullen de kinderen van Israël hun brood onrein eten onder de heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal. Daniël 1:8: Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de voedsel van de koning, noch met de wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van de overste van de kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. Hosea 9:4: Zij zullen YHWH geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in het huis van YHWH niet komen.
[^hosea-9-4-12]: Kanttekening 12: Wanneer zij in Assyrië zullen zijn weggevoerd en eten wat onrein is, van welke ellendigen toestand van de Israëlieten in het voorgaande en vers 5 gesproken wordt. Hosea 9:5: Wat zult u dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag van YHWH?
[^hosea-9-4-13]: Kanttekening 13: 13 YHWH: Als zijnde buiten zijn land en plaats, enz., die God tot offeren verordineerd had, en verder geen gelegenheid of middel hebbende om de Heer wat reins te offeren, gelijk blijkt uit de voorgaande en volgende woorden.
[^hosea-9-4-14]: Kanttekening 14: 14 drankofferen doen van wijn: Hebreeuws, uitstorten, uitgieten, of uitspreiden van wijn (יַיִן); dat is, drankoffers van wijn offeren. Zie Ps. 16:4. Psalmen 16:4: De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
[^hosea-9-4-15]: Kanttekening 15: 15 zoet zijn: Dat is, aangenaam of behagelijk, gelijk Jer. 6:20; Mal. 3:4. Jeremia 6:20: Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Maleachi 3:4: Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem voor YHWH zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.
[^hosea-9-4-16]: Kanttekening 16: Hebreeuws, brood van de treurenden, of rouwenden; dat is, leedspijs, die men eet in sterfhuizen; zulks alles was naar de wet van de ceremoniën onrein (לֶחֶם). Zie Lev. 21:1, enz. en Lev. 22:4, enz.; Num. 19:14; Deut. 26:14, enz. Ook waren zij gehouden te offeren met vreugde, Deut. 12:6, 12:7; waarom sommigen door brood of voedsel de offeranden verstaan; zie Lev. 3:11, en Lev. 21:6; Num. 28:2; Ez. 44:7. Leviticus 21:1: Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Leviticus 22:4: Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat. Numeri 19:14: Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn. Deuteronomium 26:14: Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben van de stem van YHWH, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat U mij geboden hebt. Deuteronomium 12:6: En daarheen zult u brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen. Deuteronomium 12:7: En daar zult u voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u YHWH, uw God, gezegend heeft. Leviticus 3:11: En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Leviticus 21:6: Zij zullen hun God heilig zijn, en de Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen van YHWH, het voedsel huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn. Numeri 28:2: Gebied de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn voedsel voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult u waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd. Ezechiël 44:7: Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelen.
[^hosea-9-4-17]: Kanttekening 17: 17 ziel zijn: Dat is, hun voedsel, hun eten en drinken, hun maaltijden, zullen alsdan, in hun ballingschap, wezen over hun doden, die zij verloren hebben, of als over hun doden, \[vergelijk Ez. 24:17,\] omdat zij in gedurigen rouw zullen leven, en overzulks onrein zijn. Zo wordt het woord ziel genomen voor een dood lichaam of een dode, Ps. 16:10; Lev. 19:28; zie de aantekening daar. Anders: voor hun eigen personen, of voor henzelven; \[gelijk het Hebreeuwse word ook genomen wordt\] dat is, zij eten en drinken voor zichzelven, maar niet mij ter ere \[gelijk boven Hos. 8:13\]; omdat enige verstaan dat in vers 4 niet gesproken wordt van de staat van de ballingschap, maar van wat de Israëlieten nu deden en tot de ballingschap toe doen zouden. Vergelijk Zach. 7:5, 7:6. Ezechiël 24:17: Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten. Psalmen 16:10: Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Leviticus 19:28: U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Hosea 9:4: Zij zullen YHWH geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in het huis van YHWH niet komen. Zacharia 7:5: Spreek tot het gehele volk van dit land, en tot de priesters, zeggende: Toen u vastte en rouwklaagde, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt u Mij, Mij enigszins gevast? Zacharia 7:6: Of als u at, en als u dronk, was u het niet, die daar at, en u, die daar dronk?
[^hosea-9-4-18]: Kanttekening 18: 18 niet komen: Dat is, zulks, als zijnde onrein, mag men in Gods huis niet brengen, noch daarvan offeren.
[^hosea-9-5-19]: Kanttekening 19: 19 gezetten hoogtijdsdag: Wanneer men naar mijn gebod voor mij moest offeren met vreugde, daar u zonder offer en in rouw zult zitten buiten uw land; zie Num. 10:10, en Deut. 12:12, enz., en vergelijk boven Hos. 3:4, en de aantekening op vers 4. Numeri 10:10: Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God! Deuteronomium 12:12: En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met u. Hosea 3:4: Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Hosea 9:4: Zij zullen YHWH geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in het huis van YHWH niet komen.
[^hosea-9-6-20]: Kanttekening 20: 20 gaan daarheen: Dat is, zullen voorzeker uit hun land moeten weggaan; of zij gaan heen, dat is zij gaan verloren, of verdwijnen.
[^hosea-9-6-21]: Kanttekening 21: Die de Assyriër zou aanrichten.
[^hosea-9-6-22]: Kanttekening 22: 22 Egypte zal ze verzamelen: Uit deze woorden schijnt afgenomen te kunnen worden dat er een gedeelte van Israël voor de Assyriër zou vluchten naar Egypte, menende daar wel ontvangen en geholpen te zullen worden, omdat zij de Assyriër verlatende met de koning van Egypte gehandeld hadden; zie boven Hos. 8:13, maar hoe zij daarover zouden varen, wordt hun hier geprofeteerd. Sommigen gissen dat zij eerst tot die van Juda, daarna met hen naar Egypte getogen zijn. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren.
[^hosea-9-6-23]: Kanttekening 23: 23 Mof zal: De stad Memfis in Egypte, anders \[naar sommiger gevoelen\] ook genoemd Nof, Jes. 19:13; zie de aantekening daar. Jesaja 19:13: De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uitersten hoek van zijn stammen.
[^hosea-9-6-24]: Kanttekening 24: En vervolgens zullen zij in hun land niet terugkeren, maar in ballingschap omkomen.
[^hosea-9-6-25]: Kanttekening 25: 25 begeerte zal er zijn naar hun zilver: Men zal hun geld zoeken en roven. Of, de pleizierige \[plaatsen\], of gewenste \[schatten\] van hun zilver, die zal de netel erfelijk bezitten; begeerte voor begeerlijke dingen, die uit zilver waren, of met zilver sieraad gepronkt.
[^hosea-9-6-26]: Kanttekening 26: 26 netelen zullen hen erfelijk bezitten: Hebreeuws, netel; dat is, hun land en woonplaatsen zullen lang woest liggen en onbewoond blijven. Vergelijk Jes. 32:13, en Jes. 34:13, en onder Hos. 10:8. Door de mensen versta, hun land of plaatsen waar zij gewoond hebben; zie Richt. 11:23; Jer. 49:1 met de aantekening. Jesaja 32:13: Op het land mijns volks zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad. Jesaja 34:13: En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning van de draken zijn, een zaal voor de jongen van de struisen. Hosea 10:8: En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Richteren 11:23: Zo heeft nu YHWH, de God van Israël, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zoudt u hun erfgenaam zijn? Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in zijn steden?
[^hosea-9-6-27]: Kanttekening 27: Hebreeuws, doorn, of distel; vergelijk Job 31:40; Jes. 5:6, en Jes. 7:24. Job 31:40: Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde. Jesaja 5:6: En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. Jesaja 7:24: Dat men met pijlen en met de boog daar zal moeten gaan; want het gehele land zal doornen en distelen zijn.
[^hosea-9-6-28]: Kanttekening 28: 28 tenten zijn: Ter plaatse waar hun heerlijke woningen zullen geweest zijn.
[^hosea-9-7-29]: Kanttekening 29: 29 gewaar worden: Of, weten, bekennen; dat is, alsdan daaraan gedenken en bevinden dat hun de waarheid gezegd is en dat hun valse profeten hen bedrogen hebben. Waarvan in het volgende.
[^hosea-9-7-30]: Kanttekening 30: 30 profeet is een dwaas: De valse profeten, die aan het volk vrede en voorspoed profeteren.
[^hosea-9-7-31]: Kanttekening 31: 31 man van de geest is onzinnig: De profeet, die zich valselijk beroemt van Gods Geest gedreven te worden, of geestelijke gezichten en openbaringen van God te hebben; vergelijk Ez. 13:3. Hier zegt God zelf van de valse profeten wat de verleiders en wereldse mensen ten onrechte plegen te zeggen van God ware profeten; zie 2 Kon. 9:11, en Jer. 29:26, enz. Anders: de man van de wind; dat is, die met ijdelheid en leugen omgaat. Vergelijk Micha 2:11. Ezechiël 13:3: Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! 2 Koningen 9:11: En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zei men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zei tot hen: U kent de man en zijn spraak. Jeremia 29:26: YHWH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzieners zoudt zijn in het huis van YHWH over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok. Micha 2:11: Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van dit volk.
[^hosea-9-7-32]: Kanttekening 32: 32 haat ook groot: Dit kan men verstaan van Efraïms grote haat of wederstand, wreveligheid, opstandigheid tegen God en zijn heilig woord, of van Gods haat, die tegen Efraïm groot is, die Hij betonen zal in de voorgemelde dagen van de bezoeking en vergelding, en waaruit ook voortkomt dat Hij hen straft door valse profeten.
[^hosea-9-8-33]: Kanttekening 33: 33 De wachter van Efraïm: De ware profeten, die God onder de tien stammen heeft verwekt, houden bestendiglijk en vast aan mijnen God en zijn reinen dienst; gelijk Elia, Elisa en anderen gedaan hebben, en ik ook doe. Zie van deze titel van de profeten Ez. 3:17, en vergelijk verder Jer. 12:3, en onder Hos. 12:1; idem de manier van spreken, met God te wandelen, Gen. 5:22. Zie de aantekening daar. Anders: Is er een wachter Efraïms met mijnen God, de profeet is een strik van een vogelvanger op al zijn wegen. Anders: Efraïms wachter \[behoorde\] met mijnen God \[te zijn\], maar, enz. Anders: hij \[de valse profeet, waarvan in vers 7\] houdt wacht tegen Efraïm \[die\] met mijnen God \[is\]; dat is, hij loert op de Israëlieten, die het met God en zijn reinen godsdienst nog houden. Zie 1 Kon. 19:18, waarop het volgende ook niet kwalijk past. Vergelijk boven Hos. 5:1, 5:2 en de aantekening daar. Ezechiël 3:17: Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Jeremia 12:3: Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding. Hosea 12:1: Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. Genesis 5:22: En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Hosea 9:7: De dagen van de bezoeking zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man van de geest is onzinnig; om de grootheid van uw ongerechtigheid is de haat ook groot. 1 Koningen 19:18: Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Hosea 5:1: Hoort dit, u priesters! en merkt op, u huis van Israël! en neemt ter oren, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. Hosea 5:2: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
[^hosea-9-8-34]: Kanttekening 34: Versta, de valse profeten, waarvan in het voorgaande is gesproken.
[^hosea-9-8-35]: Kanttekening 35: Dit kan men duiden op het geestelijk vangen en verstrikken van de zielen, en van het lichamelijk loeren, betrappen, vangen en moorden van de vromen, gelijk in de voorgaande aantekening is vermeld.
[^hosea-9-8-36]: Kanttekening 36: 36 zijn wegen: Op alle straten en wegen in Israël; of, in al zijn eigen doen en handel is de valse profeet niets anders dan een strik, enz.
[^hosea-9-8-37]: Kanttekening 37: Die met recht van God en alle vromen gehaat is, en niet dan Gods haat tegen Israël \[boven Hos. 8:1, genoemd het huis van de Heer\] door al zijn verleiding en goddelozen handel verwekt en veroorzaakt. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
[^hosea-9-8-38]: Kanttekening 38: 38 zijns Gods: Efraïm, of van de getrouwe wachter, van wie in het begin van vers 8 gesproken is. Hosea 9:8: De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.
[^hosea-9-9-39]: Kanttekening 39: 39 zeer diep verdorven: Hebreeuws, zij hebben verdiept, zij hebben verdorven; zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5, en van het Hebreeuwse woord boven Hos. 5:2. Psalmen 45:5: En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Hosea 5:2: En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.
[^hosea-9-9-40]: Kanttekening 40: Gelijk die van Benjamin te Gibeä tot gruwelijke boosheid vervallen waren, en een iedereen in Israël deed wat hij wilde; zie de historie, Richt. 19, en vergelijk onder Hos. 10:9. Hosea 10:9: Sinds de dagen van Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibeä, tegen de kinderen van de verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
[^hosea-9-9-41]: Kanttekening 41: Gelijk boven Hos. 8:13, zie daar. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren.
[^hosea-9-10-42]: Kanttekening 42: 42 druiven in de woestijn: Dat is, toen Ik Israël eerst tot mijn volk aannam, waren zij mij zo aangenaam als een wandelaar druiven zijn, die hij vindt in een woestijn, en zo zoet als de eerste rijpe vijgen aan de vijgeboom; vergelijk Micha 7:1. Micha 7:1: Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
[^hosea-9-10-43]: Kanttekening 43: De afgod van de Moabieten, om met hem geestelijk overspel of hoererij te bedrijven, waarop de lichamelijke ontucht gevolgd is. Zie Num. 25:1, 25:2, 25:3, enz. en de navolging van dit voorbeeld van hun voorvaders; 1 Kon. 18:31, 18:32, enz. Numeri 25:1: En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 25:2: En zij nodigden het volk tot de slachtofferen van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. Numeri 25:3: Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. 1 Koningen 18:31: En Elia nam twaalf stenen, naar het getal van de stammen van de kinderen van Jakob, tot welke het woord van YHWH geschied was, zeggende: Israël zal uw naam zijn. 1 Koningen 18:32: En hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam van YHWH; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.
[^hosea-9-10-a]: Verwijzing a: Num. 25:3; Ps. 106:28. Numeri 25:3: Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van YHWH tegen Israël. Psalmen 106:28: Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-peor, en zij hebben de offeranden van de doden gegeten.
[^hosea-9-10-44]: Kanttekening 44: 44 zonderden zich af: Met een bijzondere afgodische voorbereiding tot de religieuzen dienst van deze afgod. Het Hebreeuwse woord is hetzelfde, waarvan de nazireërs, dat is de afgezonderden, hun naam hadden; zie Num. 6:2, enz. Numeri 6:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich voor YHWH af te zonderen;
[^hosea-9-10-45]: Kanttekening 45: Die schandelijken afgod Baäl; zie Jer. 3:24, 3:25. Jeremia 3:24: Want de schaamte heeft de arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters. Jeremia 3:25: Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen YHWH, onze God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn van de stem van YHWH, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.
[^hosea-9-10-46]: Kanttekening 46: 46 geheel verfoeilijk naar hun boelerij: Hebreeuws, verfoeiselen, of verfoeilijkheden. Anders: daar waren verfoeilijkheden naar hun begeerte. Alle verfoeilijkheden gingen daar in zwang, naar hun wil en lust, naar dat hun vuile lust en wens opgaf. Sommigen nemen het alsof God tegen elkaar stelde, dat zij bij Hem daardoor zo verfoeilijk werden als Hij hen tevoren zeer bemind had.
[^hosea-9-11-47]: Kanttekening 47: Dat is, hun koninkrijk, gezegende staat, en voornamelijk de menigte van hun kinderen, waarmee zij versierd en verheerlijkt zijn, gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Ps. 127:5; Spr. 17:6. Psalmen 127:5: Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort. Spreuken 17:6: De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en het sieraad van de kinderen zijn hun vaderen.
[^hosea-9-11-48]: Kanttekening 48: 48 wegvlieden als een vogel: Dat is, zij zullen snel daarvan beroofd worden, en die zo weinig weer kunnen verkrijgen als een ontvlogen vogel.
[^hosea-9-11-49]: Kanttekening 49: 49 van de geboorte: Dat is, zo haast zij zullen geboren zijn, of terwijl zij gedragen worden, of zo haast zij zullen ontvangen zijn.
[^hosea-9-11-50]: Kanttekening 50: 50 moeders buik: Van de invoeging van dit woord, zie Richt. 13:5, en Job 3:10. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit van de Filistijnen hand. Job 3:10: Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
[^hosea-9-12-51]: Kanttekening 51: 51 dat zij onder de mensen: Of, dat zij geen mensen zullen zijn, of dat hun geen mens overblijve. Vergelijk Spr. 30:14. Spreuken 30:14: Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
[^hosea-9-13-52]: Kanttekening 52: 52 Tyrus aanzag: Hebreeuws, Tsor; zie van deze stad Joz. 19:29, en 1 Kon. 5:1; Jer. 23, Ez. 27. Jozua 19:29: En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, 1 Koningen 5:1: En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had.
[^hosea-9-13-53]: Kanttekening 53: 53 geplant is in een liefelijke woonplaats: Dit schijnt te zien op de vastheid, lieflijkheid en voorspoed in deze beide vergeleken plaatsen.
[^hosea-9-13-54]: Kanttekening 54: 54 moeten uitbrengen: Hebreeuws, alsof men zei: \[Is, of is gesteld, geschikt gereed\] om uit te brengen, \[vergelijk Jes. 38:20 met de aantekening\]; dat is, zal ze uit zijn schone woonplaatsen zelf moeten uitbrengen, enz. Jesaja 38:20: YHWH was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis van YHWH.
[^hosea-9-13-55]: Kanttekening 55: De Assyriërs, hun vijanden; vergelijk Deut. 28:41, en Job 27:14. Deuteronomium 28:41: Zonen en dochters zult u verwekken, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan. Job 27:14: Als zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.
[^hosea-9-14-56]: Kanttekening 56: 56 Geef hun, YHWH: De profeet, zeer ontsteld en benauwd zijnde over deze verschrikkelijke aanstaande ellenden van het volk, weet niets anders van de Heer te begeren dan dat zij liever geen kinderen mochten hebben, dan dat die, groot gemaakt zijnde, van de vijand zouden vermoord worden. Vergelijk Luk. 23:29. Anders: geef hun wat U geven zult; dat is, zulks als hun zonden verdienen en uw gerechtigheid vereist. Lukas 23:29: Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
[^hosea-9-14-57]: Kanttekening 57: 57 misdragende baarmoeder: Hebreeuws, van kinderen berovende.
[^hosea-9-14-b]: Verwijzing b: Lukas 23:29. Lukas 23:29: Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
[^hosea-9-15-58]: Kanttekening 58: 58 Al hun boosheid is te Gilgal: Dat is, de voornaamste afgoderij wordt daar bedreven, of, wat er overal van afgoderij in het land is, brengen zij daar tezamen; daar integendeel de gedachtenis van de weldaden, die hun God eenmaal in deze plaats bewezen had, hen van alle afgoderij behoorde af te schrikken; zie boven Hos. 4:15, en onder Hos. 12:12. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden.
[^hosea-9-15-c]: Verwijzing c: Hosea 4:15; Hosea 12:12. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden.
[^hosea-9-15-59]: Kanttekening 59: 59 want daar heb Ik ze gehaat: Of, gewisselijk.
[^hosea-9-15-60]: Kanttekening 60: 60 huis uitdrijven: Dat is, uit mijn land, of uit mijn huisgezin, dat zij niet meer mijn kinderen noch knechten zullen zijn.
[^hosea-9-15-61]: Kanttekening 61: 61 voortaan niet meer liefhebben: Hebreeuws, niet toedoen, of voortvaren hen lief te hebben; dat is, Ik zal hun niet langer weldoen.
[^hosea-9-15-d]: Verwijzing d: Jes. 1:23. Jesaja 1:23: Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak van de weduwen komt voor hen niet.
[^hosea-9-15-62]: Kanttekening 62: Of, wederstrevig, onbandig.
[^hosea-9-16-63]: Kanttekening 63: Gelijk een kruid van de hitte van de zon gelijk als geslagen of anders gekwetst wordt, dat het niet kan groeien noch bloeien; \[vergelijk Ps. 102:5\], zo is Efraïm van boven \[van God\] geslagen, dat zijn wortel onder verdord is. Vergelijk Job 18:16; Amos 2:9; Jona 4:7, en zie het tegendeel Job 29:19. Psalmen 102:5: Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. Job 18:16: Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. Amos 2:9: Ik daarentegen heb de Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd. Jona 4:7: Maar God beschikte een worm des anderen daags in het opgaan van de dageraad; die stak de wonderboom, dat hij verdorde. Job 29:19: Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak.
[^hosea-9-16-64]: Kanttekening 64: Hebreeuws, maken, gelijk boven Hos. 8:7; zie daar. Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
[^hosea-9-16-65]: Kanttekening 65: 65 gewenste vruchten: Hebreeuws, de begeerten van hun buik (בִטְנָֽ); dat is, hun gewenste lijfsvruchten.
[^hosea-9-17-66]: Kanttekening 66: 66 Mijn God zal ze verwerpen: Wie ik dien, en aan wie ik mij houd, gelijk boven vers 8. Hosea 9:8: De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.
[^hosea-9-17-67]: Kanttekening 67: 67 omzwervende zijn onder de heidenen: Vergelijk Gen. 4:12, 4:14; 1 Kon. 14:15; Spr. 27:8, en boven Hos. 7:13. Genesis 4:12: Als u de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; u zult zwervende en dolende zijn op aarde. Genesis 4:14: Zie, U hebt mij heden verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal gebeuren, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. 1 Koningen 14:15: YHWH zal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde van de rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, YHWH tot toorn verwekkende. Spreuken 27:8: Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, zo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. Hosea 7:13: Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij.

### Hosea 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/10.json)

*God klaagt over Israëls ondankbaarheid, afgoderij (in het bijzonder met de gouden kalveren), meinedigheid, goddeloosheid, verkeerdheid en ijdel vertrouwen op hun praktijken en helden; alles tegen Zijn getrouwe vermaningen in. Daarom voorzegt Hij hun de vernieling van al het afgodische gereedschap, de wegvoering van de gouden kalveren tot hun schande en schaamte, alsmede de ondergang van hun koning en weelderige staat, met de uiterste benauwdheid en troosteloosheid in al deze naderende ellende, die hun door vijandige volken, door Zijn rechtvaardig oordeel, zou overkomen.*

**1** Israël[^hosea-10-1-1] is een uitgeledigde wijnstok,[^hosea-10-1-2] hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid van zijn vrucht heeft hij de[^hosea-10-1-a] altaren vermenigvuldigd; naar de[^hosea-10-1-3] goedheid van zijn land, hebben zij de opgerichte beelden[^hosea-10-1-4] goed gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v1)

**2** [^hosea-10-2-5] Hij heeft hun hart[^hosea-10-2-6] verdeeld, nu zullen zij[^hosea-10-2-7] verwoest worden; Hij zal hun altaren[^hosea-10-2-8] doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v2)

**3** Want[^hosea-10-3-9] nu zullen zij zeggen: Wij hebben[^hosea-10-3-10][^hosea-10-3-b] geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning[^hosea-10-3-11] doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v3)

**4** Zij hebben[^hosea-10-4-12] woorden gesproken,[^hosea-10-4-13] vals zwerende in het verbond maken; daarom zal het[^hosea-10-4-14] oordeel als een[^hosea-10-4-15] vergiftig kruid[^hosea-10-4-16] groenen, op de voren van de velden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v4)

**5** De[^hosea-10-5-17] inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het[^hosea-10-5-18] kalf van[^hosea-10-5-19] Beth-aven; want[^hosea-10-5-20] zijn volk[^hosea-10-5-21] zal erover treuren, en ook zijn[^hosea-10-5-22] Chemarim (die zich erover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat[^hosea-10-5-23] zij ervan is weggevaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v5)

**6** Ja,[^hosea-10-6-24] dat zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning[^hosea-10-6-25] Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn[^hosea-10-6-26] raadslag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v6)

**7** De koning van[^hosea-10-7-27] Samaria is afgehouwen, als[^hosea-10-7-28] schuim op het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v7)

**8** En de hoogten van[^hosea-10-8-29] Aven, Israëls[^hosea-10-8-30] zonde, zullen vernietigd worden;[^hosea-10-8-31] doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en[^hosea-10-8-c] zij zullen zeggen tot de bergen:[^hosea-10-8-32] Bedek ons! en tot de heuvelen: Val op ons! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v8)

**9** [^hosea-10-9-33] Sinds de dagen van[^hosea-10-9-d] Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij[^hosea-10-9-34] staande gebleven; de strijd te Gibeä, tegen de[^hosea-10-9-35] kinderen van de verkeerdheid, zal[^hosea-10-9-36] ze niet aangrijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v9)

**10** [^hosea-10-10-37] Het is in Mijn lust, dat Ik ze[^hosea-10-10-38] zal binden; en volken zullen tegen hen verzameld worden,[^hosea-10-10-39] als Ik ze binden zal in hun twee[^hosea-10-10-40] voren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v10)

**11** Omdat Efraïm een[^hosea-10-11-41] getemde jonge koe is,[^hosea-10-11-42] gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de[^hosea-10-11-43] schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm[^hosea-10-11-44] berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal[^hosea-10-11-45] voor zich eggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v11)

**12** [^hosea-10-12-46] Zaai u[^hosea-10-12-47] tot gerechtigheid, maait[^hosea-10-12-48] tot goedertierenheid;[^hosea-10-12-49][^hosea-10-12-e] ploegt u een braakland; omdat het tijd is YHWH te zoeken, totdat Hij kome, en over u de[^hosea-10-12-50] gerechtigheid[^hosea-10-12-51] regene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v12)

**13** [^hosea-10-13-52] U hebt goddeloosheid geploegd,[^hosea-10-13-53] verkeerdheid gemaaid, en de[^hosea-10-13-54] vrucht van de leugen gegeten; want u hebt vertrouwd op uw[^hosea-10-13-55] weg, op de veelheid van uw helden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v13)

**14** Daarom zal er een groot[^hosea-10-14-56] geluid ontstaan onder uw[^hosea-10-14-57] volken, en al uw vestingen[^hosea-10-14-58] zullen verstoord worden, zoals[^hosea-10-14-59] Salman[^hosea-10-14-60] Beth-arbel verstoorde op de dag van[^hosea-10-14-61] de oorlog; de[^hosea-10-14-62] moeder werd verpletterd met de zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v14)

**15** Zo heeft[^hosea-10-15-63] Beth-el u gedaan, vanwege de[^hosea-10-15-64] boosheid van uw boosheid; Israëls[^hosea-10-15-65] koning is in de[^hosea-10-15-66] dageraad[^hosea-10-15-67] ten enenmale uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/10.html#v15)

[^hosea-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 is een uitgeledigde wijnstok: Of, was, te weten door de schatting van de koning Menahem, die duizend talenten zilver van zijn onderdanen genomen heeft voor de koning van Assyrië, Pul, zie 2 Kon. 15:19, 15:20, waarop sommigen dit duiden. Vergelijk boven Hos. 7:9. Anderen verstaan het van de onzinnige verkwisting hun middelen in allerlei afgoderij, \[waarvan in het volgende\] en zetten het aldus over \[menende de eigenschap van de Hebreeuwse woorden wat nader te komen\]: Israël is een wijnstok, uitledigende de vrucht die hij voor zich brengt, of weglegt; dat is, die zichzelven door zijn afgoderij berooft van wat hij door mijn zegen ontvangt. Of, nader aldus: Israël ledigt de wijnstok uit, hij legt de vrucht voor zich weg; te weten tot afgodisch gebruik. 2 Koningen 15:19: Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 2 Koningen 15:20: Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. Hosea 7:9: Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.
[^hosea-10-1-2]: Kanttekening 2: 2 hij brengt weer vrucht voor zich: Dat is, hij begint weer te bekomen, door mijn zegen, die hij nochtans schandelijk misbruikt. Anders: hij maakt de vrucht zichzelven gelijk, de vrucht is gelijk de boom, gelijk hij van anderen wordt beroofd en uitgeput, zo put hij zichzelven ook uit van zijn eigen middelen.
[^hosea-10-1-a]: Verwijzing a: Hosea 8:11. Hosea 8:11: Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.
[^hosea-10-1-3]: Kanttekening 3: Dat is vruchtbaarheid, goede inkomst, die Ik hun genadiglijk verleen.
[^hosea-10-1-4]: Kanttekening 4: 4 goed gemaakt: Dat is schoon en kostelijk; hoe meer Ik hen zegen, hoe darteler en weelderiger zij in afgoderij worden, waaraan zij hun vermogen ten koste leggen. Vergelijk boven Hos. 2:7, en Hos. 4:7. Hosea 2:7: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hosea 4:7: Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun eer in schande veranderen.
[^hosea-10-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk God, van wie in het volgende duidelijk gesproken wordt. Dit schijnt het eenvoudigste te wezen.
[^hosea-10-2-6]: Kanttekening 6: Door de geest van de twist en de tweedracht, waardoor zij elkaar vernielen; zie boven Hos. 7:7, en vergelijk Richt. 9:23, en de aantekening daar. Hosea 7:7: Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept. Richteren 9:23: Zo zond God een bozen geest tussen Abimelech en tussen de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech;
[^hosea-10-2-7]: Kanttekening 7: 7 verwoest worden: Dit wordt in het volgende verklaard. Anders: schuldig bevonden worden.
[^hosea-10-2-8]: Kanttekening 8: Gelijk men een misdadiger de nek doorhouwt, of onthalst.
[^hosea-10-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, al haast, binnen korte tijd \[gelijk in vers 2 en boven Hos. 2:9, en Hos. 4:16 en Hos. 8:10, 8:13; Jes. 49:19; Jer. 14:10; Amos 6:7; Micha 4:10, en Micha 7:10\] als hun land, koninkrijk en koning verwoest zullen zijn, dan zullen zij, gevoelende de waarheid van Gods dreigementen, en overtuigd zijnde van hun moedwillige boosheid, zichzelven moeten veroordelen. Vergelijk onder Hos. 13:10. Hosea 10:2: Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren. Hosea 2:9: En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen van haar boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen. Hosea 4:16: Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte. Hosea 8:10: Omdat zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Jesaja 49:19: Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken. Jeremia 14:10: Zo zegt YHWH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft YHWH geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken. Amos 6:7: Daarom zullen zij nu gevankelijk heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken. Micha 4:10: Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de hand van uw vijanden. Micha 7:10: En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is YHWH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk van de straten. Hosea 13:10: Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten?
[^hosea-10-3-10]: Kanttekening 10: 10 geen koning: Vergelijk onder vers 7, 10:15. Hosea 10:7: De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^hosea-10-3-b]: Verwijzing b: Hosea 3:4. Hosea 3:4: Want de kinderen van Israël zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
[^hosea-10-3-11]: Kanttekening 11: Al hebben wij een koning, wat hulp of voordeel zouden wij van hem kunnen verwachten, daar God onze tegenpartij geworden is? Zij willen zeggen, niet met al.
[^hosea-10-4-12]: Kanttekening 12: 12 woorden gesproken: Dit kan men verstaan van hoge, bittere en trotse woorden van de één tegen de ander in hun onderlinge samenzweringen, òf, tegen God en zijn profeten. \[Vergelijk boven Hos. 7:16, en de aantekening; idem Mal. 3:13\], òf, van hun menigerlei samensprekingen en beraadslagingen \[gelijk woorden ook voor raadslagen genomen worden. Zie 1 Kon. 1:7; Ez. 38:10 met de aantekening\] tot stijving van hun afgoderij en van hun staat tegen God, door handelingen met heidense koningen en verbonden, die zich lichtelijk met hoge woorden bezwoeren, en ze weer lichtelijk braken, waarop de volgende woorden zien. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland. Maleachi 3:13: Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt YHWH; maar u zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken? 1 Koningen 1:7: En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia. Ezechiël 38:10: Zo zegt de Heer YHWH: Te dien dage zal het ook gebeuren, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken,
[^hosea-10-4-13]: Kanttekening 13: 13 valselijk zwerende: Gelijk zij zonder twijfel gedaan hebben, als zij zich aan de koning van Assyrië verbonden, en kort daarna weer van hem afvielen tot de koning van Egypte; 2 Kon. 17:3, 17:4. Anders: zinloos, of tevergeefs vloekende, zichzelven verzwerende, gelijk goddeloze mensen plegen te doen; zie boven Hos. 4:2. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. Hosea 4:2: Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.
[^hosea-10-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, hun straf, mijn oordeel over hen; zie Jer. 48:21, en boven Hos. 6:5. Jeremia 48:21: En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, Hosea 6:5: Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht.
[^hosea-10-4-15]: Kanttekening 15: 15 vergiftig kruid: Zie Ps. 69:22. Psalmen 69:22: Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
[^hosea-10-4-16]: Kanttekening 16: De straffen zullen zo overvloedig komen en toenemen als een boos onkruid wast in het veld.
[^hosea-10-5-17]: Kanttekening 17: 17 inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn: Hebreeuws, de inwoners zullen verschrikt worden over, of vrezen voor, enz.; dat is, elk van de Samaritaanse inwoners zal verbaasd en ontzet zijn.
[^hosea-10-5-18]: Kanttekening 18: Versta, het gouden kalf van Bethel. Hebreeuws, kalven, of vaarskalven; dat is, dat grote kalf, gelijk behemoth; beesten, dat is, een groot beest gelijk een olifant, enz., want in het volgende wordt van dit kalf gesproken in het enkelvoud, en dat op het kostelijkste moet gemaakt en versierd zijn geweest, omdat zij er zozeer over verschrikt en bedroefd zijn geweest, en dat het tot een geschenk voor de koning van Assyrië is weggevoerd. Anders zou dit kalf door verachting vaarskalven kunnen genoemd zijn of, omdat zij er meer dan een mogen gemaakt hebben, het ene van tijd tot tijd kostelijker en schoner dan het andere, uit vers 1. Hosea 10:1: Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid van zijn vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
[^hosea-10-5-19]: Kanttekening 19: Dat is Bethel, als onder vers 15. Zie boven, Hos 4:15. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^hosea-10-5-20]: Kanttekening 20: Het volk van het kalf, dat is, dat het kalf als een god eerde en aanhing. Vergelijk Jer. 48:7, en Jer. 49:3. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:3: Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^hosea-10-5-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws, heeft getreurd, of treurt; dat is zal treuren, uit het voorgaande en volgende.
[^hosea-10-5-22]: Kanttekening 22: Versta, de afgodische papen van het kalf of priesters; van deze chemarim, zie 2 Kon. 23:5. 2 Koningen 23:5: Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al de legermacht van de hemel rookten.
[^hosea-10-5-23]: Kanttekening 23: 23 omdat zij daarvan is weggevaren: Omdat de heerlijkheid van het kalf van hem weggevaren is; of, zij treuren over de heerlijkheid van het kalf, omdat het kalf is weggevaren in gevangenschap, gelijk volgt. Vergelijk Jer. 48:7. Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen.
[^hosea-10-6-24]: Kanttekening 24: Te weten kalf.
[^hosea-10-6-25]: Kanttekening 25: Zie boven Hos. 5:13. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen.
[^hosea-10-6-26]: Kanttekening 26: Dat hij zich met Egypte heeft menen te sterken tegen de Assyriër, of, in het algemeen, vanwege al zijn afgodische vonden en vleselijke handelingen, waardoor hij zich meende als tegen Gods dank \[om zo te spreken\] op de benen te houden, en in het bijzonder, de raad van Jerobeam van de twee kalven, welke afgoderij hij tot bevestiging van zijn staat uitgedacht had; 1 Kon. 12:27, 12:28, 12:29, en 2 Kon. 17:21. 1 Koningen 12:27: Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis van YHWH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren. 1 Koningen 12:28: Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 1 Koningen 12:29: En hij zette het een te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. 2 Koningen 17:21: Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter YHWH, en hij deed ze een grote zonde zondigen.
[^hosea-10-7-27]: Kanttekening 27: 27 Samaria is afgehouwen: Of, aangaande Samaria, hun koning is afgehouwen, afgesneden, uitgeroeid, of vergaan; dat is, zal zekerlijk uitgeroeid worden. Zie 2 Kon. 17:4, en onder vers 15. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^hosea-10-7-28]: Kanttekening 28: 28 schuim op het water: Dat in het bruisen en zieden van de wateren zich opdoet en verheft, alsof het iets ware, zijnde toch nietig en haast verdwijnende; zo zal de koning met al zijn pracht en hoogmoed vergaan, en zeer veil en verachtelijk in gevangenschap worden weggestoken, alsof hij voor de ogen van zijn volk, gelijk een schuim, verdwenen was, en meteen het vertrouwen, dat Samaria op hun koning had.
[^hosea-10-8-29]: Kanttekening 29: Dat is, Beth-Aven, boven Hos.10:5. Dat is, Bethel. Hosea 10:5: De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal daarover treuren, en ook zijn Chemarim (die zich daarover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij daarvan is weggevaren.
[^hosea-10-8-30]: Kanttekening 30: Dat is, welke hoogten de voornaamste stof, idem een aanleiding of aanritsing zijn van Israëls gruwelijke afgoderij en allerlei andere zonden, die zij daar in hun tempels bij hun altaren, idem onder al de groene bomen en in bossen, bedrijven. Vergelijk Deut. 9:21; Jes. 27:9, en zie boven Hos. 4:13; Lev. 26:30; Ez. 6:13, en Ez. 20:29 met de aantekening. Deuteronomium 9:21: Maar uw zonde, het kalf, dat u hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet. Jesaja 27:9: Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij zijn zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. Hosea 4:13: Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Ezechiël 6:13: Dan zult u weten, dat Ik YHWH ben, als hun verslagenen in het midden van hun drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder alle groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten. Ezechiël 20:29: En Ik zei tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen u gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe.
[^hosea-10-8-31]: Kanttekening 31: 31 doornen en distelen: Vergelijk boven Hos. 9:6. Hosea 9:6: Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.
[^hosea-10-8-c]: Verwijzing c: Jes. 2:19; Lukas 23:30; Openb. 6:16; Openb. 9:6. Jesaja 2:19: Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Lukas 23:30: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 6:16: En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam. Openbaring 9:6: En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten.
[^hosea-10-8-32]: Kanttekening 32: 32 Bedekt ons: Woorden van wanhopende mensen, die vanwege het gevoel en de schrik van de tegenwoordige en toekomende oordelen van God, en ook het oordeel van hun eigen conscientiën, verbaasd en troosteloos zijnde, niet anders wensen dan maar al evenveel hoe, dood, of uit de weg te zijn, hoewel tevergeefs. Vergelijk Jes. 2:19; Luk. 23:30; Openb. 6:16. Jesaja 2:19: Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Lukas 23:30: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 6:16: En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.
[^hosea-10-9-33]: Kanttekening 33: 33 Sinds de dagen van Gibeä: Of, meer dan in de dagen van Gibeä. Zie boven Hos. 9:9 met de aantekening. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
[^hosea-10-9-d]: Verwijzing d: Hosea 9:9. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
[^hosea-10-9-34]: Kanttekening 34: 34 staande gebleven: Of slechtelijk, daar hebben zij gestaan. Men kan dit verstaan van de verschrikkelijke hardnekkigheid van de Gibeanieten en de anderen van Benjamins stam, die in hun goddeloosheid onbeschaamd bleven staan, stelden zich ten krijg als mannen \[zo zij meenden\] tegen hun broers, maar werden ten laatste bijkans ten enenmale uitgeroeid; of men kan het zo nemen \[dat Israël in het algemeen betreft, en met de volgende woorden het eenvoudigst schijnt overeen te komen\] dat zij te dien tijde door Gods genade nog overeind zijn gebleven, en niet geheel uitgeroeid, hoewel zij van beide zijden in gevaar waren van door elkaar geheel vernield te worden.
[^hosea-10-9-35]: Kanttekening 35: 35 kinderen van de verkeerdheid: Zie 2 Sam. 3:34, en versta, de Gibeanieten met alle andere Benjaminieten. 2 Samuël 3:34: Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen weende het gehele volk nog meer over hem.
[^hosea-10-9-36]: Kanttekening 36: 36 niet aangrijpen: Dat is, zij zullen het nu zo goed niet hebben, hun straf zal nu veel zwaarder vallen, zij zullen nu niet blijven staan, gelijk te dien tijde.
[^hosea-10-10-37]: Kanttekening 37: 37 Het is in Mijn lust: Dat is, Ik heb het besloten en heb lust of begeerte dat Ik het uitvoer, en zal het ook doen. Vergelijk Deut. 28:63; Jes. 1:24, en zie een gelijke manier van spreken Job 10:7. Deuteronomium 28:63: En het zal gebeuren, gelijk als YHWH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich YHWH over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. Jesaja 1:24: Daarom spreekt de Heer, YHWH van de legermachten, de Machtige Israëls: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden. Job 10:7: Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
[^hosea-10-10-38]: Kanttekening 38: Alsof de Heer zei: Omdat zij zich onder mijn juk niet wilden buigen, noch aan mijn wetten gebonden, noch van mij gedwongen zijn tot hun best, zo zal Ik hen nu door vreemde volken, als misdadigers ter straf, of als ossen, samenbinden en onder een vreemd juk brengen. Zie verder op vers 11. Anders, tuchtigen. Hosea 10:11: Omdat Efraïm een vaars is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
[^hosea-10-10-39]: Kanttekening 39: 39 als Ik ze binden zal: Of, als men hen binden zal, of met, mits, hen te binden, of hen bindende; dat is, deze volken zullen hen binden, door mijn rechtvaardig oordeel.
[^hosea-10-10-40]: Kanttekening 40: Gelijk Efraïm en Juda zich samengekoppeld hebben als een paar ossen, gaande naast elkaar onder hun eigen juk in gelijke voren van de afgoderij en andere zonden, zo zal Ik hen ook door hun vijanden samenkoppelen ter straf, om onder een ander juk te gaan ploegen, enz. Anders, in hun beide woningen, te weten Efraïm en Juda. Of, om hun twee ongerechtigheden, ziende op de kalven van Dan en Bethel.
[^hosea-10-11-41]: Kanttekening 41: 41 vaars is: Dat is, gelijk een jonge, dartele, weelderige koe, die liever het koren treedt \[gelijk in het dorsen gebruikelijk was; zie Deut. 25:4\] en daarvan eet, dan dat zij onder het juk zou gaan ploegen en hijgen; \[zo wil God zeggen\] is Efraïm genegen om in weelde te leven naar zijn eigen lust en begeerte, maar niet onder mijn bedwang. Deuteronomium 25:4: Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst.
[^hosea-10-11-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws, geleerd \[zie Jer. 2:24\] liefhebbende te dorsen. Zie een gelijke samenvoeging van twee woorden, boven Hos. 9:9. Anders aldus: Zo Efraïm een vaars gewend ware geweest mij liefhebbende, om te dorsen, toen Ik naast zijn schonen hals ging, zo zou Ik Efraïm hebben doen rijden, enz., zie het einde van de volgende aantekening. Jeremia 2:24: Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden. Hosea 9:9: Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
[^hosea-10-11-43]: Kanttekening 43: Dat is, zijn \[van het kalf\] schonen, vetten, gladden hals. Hebreeuws, goedheid; dat is, Ik zal hem onder het juk brengen, dat hem die vettigheid en schoonheid van de hals wel vergaan zal gelijk de ploegende ossen. Anderen nemen het zo, dat God Efraïms schonen hals een lange tijd is als voorbijgegaan, heeft overgezien en verschoond, maar dat Hij nu aan hem zal doen gelijk volgt. Sommigen nemen ook verder het volgende: Ik heb Efraïm doen rijden, Juda ploegen, Jakob eggen, enz.; alsof God hem verhaalde zijn weldaden aan hem bewezen.
[^hosea-10-11-44]: Kanttekening 44: Dat is, Ik zal hen allemaal straffen, genoeg bedwingen en betemmen, maar Efraïm zal het kwaadste hebben, Juda en de rest van het volk ook kwaad genoeg, maar dragelijker dan de tien stammen, gelijk voor de beesten ploegen en eggen \[dat is, de kluiten breken\] wel lastig is, maar daarenboven de akkerman op de rug te hebben, of van een straffen ruiter bereden te worden, veel harder is.
[^hosea-10-11-45]: Kanttekening 45: 45 voor zich eggen: Dat is, zoveel als eenvoudiglijk eggen , zijnde het woordje hem, of voor hem, of zich, als een overtollig bijvoegsel naar het gebruik van de Hebreeuwse taal, gelijk ook dikwijls in de onze. Anders, hem, te weten Juda, verstaande dat Efraïm, als de machtigste, Juda nu en dan overmeesterd en bedwongen heeft. Zie 2 Kon. 14:13, 2 Kron. 28:6, en boven, Hos. 6:11 met de aantekeningen. Of, \[volgens sommigen\] Jacob \[dat is, Israël of Efraïm\] zal hem \[Juda\] de kluiten moeten breken. 2 Koningen 14:13: En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen. 2 Kronieken 28:6: Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij YHWH, de God van hun vaderen, verlaten hadden. Hosea 6:11: Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen Mijns volks wederbracht.
[^hosea-10-12-46]: Kanttekening 46: 46 Zaait u: Versta hierop: Dat is het, dat Ik u steeds door mijn profeten heb laten voordragen. Vergelijk 2 Kon. 17:13. Aangaande de manieren van spreken, van zaaien en maaien, vergelijk boven Hos. 8:7, en zie Job 4:8. De zin is: Tracht naar ware bekering, naar een oprecht geloof en ongeveinsde liefde, opdat het u naar ziel en lichaam welga. 2 Koningen 17:13: Als nu YHWH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. Job 4:8: Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien die.
[^hosea-10-12-47]: Kanttekening 47: Of, in.
[^hosea-10-12-48]: Kanttekening 48: Anders, naar.
[^hosea-10-12-49]: Kanttekening 49: 49 braakt u een braakland: Zie Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^hosea-10-12-e]: Verwijzing e: Jer. 4:3. Jeremia 4:3: Want zo zegt YHWH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Braakt u een braakland, en zaait niet onder de doornen.
[^hosea-10-12-50]: Kanttekening 50: Dat is, de vrucht van de gerechtigheid; u overvloediglijk begenadigende met zijn tijdelijke en eeuwigen verbondszegen, die Hij beloofd heeft dengenen, die in geloof en liefde wandelen. Vergelijk Ps. 24:5; Ez. 18:20, en de aantekening daar. Tenware dat men dit eenvoudig moch duiden op de genadetijd van de Messias die onze gerechtigheid is voor God. Vergelijk Jer. 23:6; Dan. 9:24, enz. en boven Hos. 2:18. Psalmen 24:5: Die zal de zegen ontvangen van YHWH, en gerechtigheid van de God zijns heils. Ezechiël 18:20: De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zijn. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Hosea 2:18: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
[^hosea-10-12-51]: Kanttekening 51: Anders: leer. Vergelijk Joël 2:23. Joël 2:23: En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in YHWH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen nederdalen, de vroegen regen en de spaden regen in de eerste maand.
[^hosea-10-13-52]: Kanttekening 52: 52 U hebt goddeloosheid geploegd: De Heer wil zeggen dat al zijn vermaningen en bevelen van hen veracht zijn, en dat zij regelrecht daartegen zijn aangegaan.
[^hosea-10-13-53]: Kanttekening 53: Het Hebreeuwse woord, dat verkeerdheid, of onrechtvaardigheid, schalkheid, ondeugd betekent, heeft hier een letter meer dan gewoon, dat hier van sommigen met het woord enkel wordt uitgedrukt; vergelijk Ps. 3:3. Men kan hierdoor verstaan de straf van de verkeerdheid, als ongerechtigheid voor straf van de ongerechtigheid, Lev. 5:1; Ps. 31:11; zonde voor straf van de zonde, Zach. 14:19, enz. Of door het maaien hier en in vers 12 verstaan, de aanwas, het vervolg of de voortduring en gestadigen voortgang in het kwaad en goed. Psalmen 3:3: Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. Leviticus 5:1: Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. Psalmen 31:11: Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd. Zacharia 14:19: Dit zal de zonde van de Egyptenaren zijn, en ook de zonde van alle heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten. Hosea 10:12: Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; omdat het tijd is YHWH te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.
[^hosea-10-13-54]: Kanttekening 54: 54 vrucht van de leugen: Omdat u met leugens hebt omgegaan, en u daarop verlaten, zo ontvangt u daarvan de rechtvaardige straf en beloning, als een vrucht van uw werken, van de afgoderij en heidense verbonden; of u eet leugenvrucht; dat is, u komt bedrogen uit, u bekomt niet wat u verwacht hebt, uw arbeid of vertrouwen liegt u. Vergelijk boven Hos. 9:2. Hosea 9:2: De dors vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most zal hun liegen.
[^hosea-10-13-55]: Kanttekening 55: Die u ingegaan bent om uw rijk te bevestigen, te weten afgoderij, met allerlei goddeloosheid en vleselijk vertrouwen op uzelven en de verbonden met uw boelen.
[^hosea-10-14-56]: Kanttekening 56: Of, rumoer, oproer, gekraak, groot geroep, als in tijden van grote overval van de vijand placht te gebeuren.
[^hosea-10-14-57]: Kanttekening 57: Van de tien stammen.
[^hosea-10-14-58]: Kanttekening 58: 58 zullen verstoord worden: Hebreeuws, zal verstoord worden; dat is, elk in het bijzonder.
[^hosea-10-14-59]: Kanttekening 59: Anders genaamd Salmaneser, of Salmanasser, die wrede en trotse tiran van Assyrië; zie 2 Kon. 17:3, enz. en 2 Kon. 18:9, 18:34, 18:35, en 2 Kon. 19:11, 19:12, 19:13. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 18:9: Het geschiedde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 2 Koningen 18:34: Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered? 2 Koningen 18:35: Welke zijn ze onder alle goden van de landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat YHWH Jeruzalem uit mijn hand redden zou? 2 Koningen 19:11: Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt u gered worden? 2 Koningen 19:12: Hebben de goden van de volken, die mijn vaders verdorven hebben, hen gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? 2 Koningen 19:13: Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
[^hosea-10-14-60]: Kanttekening 60: Het is onzeker waar deze plaats gelegen was. Sommigen houden het voor een stad in Israël over de Jordaan, Josephus lib. antiq. 12 cap. 18 en lib. 14 cap. 32 noemt een stad Arbela gelegen in Galilea, die mee schijnt vermeld te zijn 1 Makk. 9:2; anderen voor een landschap in Assyrië, hebbende de naam van de stad Arbela, daaromtrent Alexander de Grote de Perzische koning Darium overwon, en de Perzische monarchie eindigde. Deze historie van Salman en Beth-Arbel is te dier tijd zonder twijfel onder het volk zeer bekend geweest. 1 Makkabeeën 9:2: En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden zich te Masaloth, dat in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielen vele zielen van mensen.
[^hosea-10-14-61]: Kanttekening 61: In die tocht, waarvan kortelijk gesproken wordt 2 Kon. 17:3, 17:4, enz. en 2 Kon. 19:13, gelijk enige menen. 2 Koningen 17:3: Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. 2 Koningen 19:13: Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva?
[^hosea-10-14-62]: Kanttekening 62: Zie Gen. 32:11. Genesis 32:11: Ruk mij toch uit mijns broers hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!
[^hosea-10-15-63]: Kanttekening 63: Dat is, al die gruwelijke afgoderij met andere zonden, te Bethel of Beth-Aven (als boven, vers 5 of Aven vers 8) bedreven, zijn de oorzaak van deze uw plagen. Hosea 10:5: De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal daarover treuren, en ook zijn Chemarim (die zich daarover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij daarvan is weggevaren. Hosea 10:8: En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
[^hosea-10-15-64]: Kanttekening 64: 64 boosheid van uw boosheid: Dat is, omdat uw boosheid zo veelvoudig en verschrikkelijk groot is.
[^hosea-10-15-65]: Kanttekening 65: Op wie zij vertrouwen; zie boven vers 7, en de aantekening. Hosea 10:7: De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.
[^hosea-10-15-66]: Kanttekening 66: Dat is, vroeg, of haastiglijk, gelijk de dageraad of morgenrood met het rijzen van de zon vergaat, of onvoorziens, gelijk wanneer iemand in de morgenstond overvallen wordt; dit kan men ook vergelijken met Ez. 7:7, 7:10; zie de aantekening daar. Ezechiël 7:7: De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de beroerte is nabij, en er is geen wederklank van de bergen. Ezechiël 7:10: Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend.
[^hosea-10-15-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws, uitgeroeid, of afgehouwen, afgesneden wordende, is hij uitgeroeid, enz. dat is, zal zekerlijk, enz.

### Hosea 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/11.json)

*Gods liefde en vriendelijkheid jegens Israël van Egypte af, (waaronder een profetie over Christus verborgen is) met een tegenstelling van hun ongehoorzaamheid, afgoderij, ondankbaarheid en hardnekkigheid, verzen 1, 2, 3, 4, 7. Daarom zullen zij naar Assyrië gevoerd en getiranniseerd worden, 5, 6. belofte van genadige matiging van de straf en Israëls bekering tot Christus, door de prediking van het Evangelie, 8, enz.*

**1** Als Israël[^hosea-11-1-1] een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en[^hosea-11-1-a] Ik[^hosea-11-1-2] heb Mijn[^hosea-11-1-3] zoon uit Egypte geroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v1)

**2** Maar zoals zij hen riepen, zo gingen zij van[^hosea-11-2-5] hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesnedenen beelden.[^hosea-11-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v2)

**3** Ik toch[^hosea-11-3-6] leerde Efraïm gaan;[^hosea-11-3-7] Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik[^hosea-11-3-8] ze genas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v3)

**4** Ik trok ze met[^hosea-11-4-9] menselijke touwen, met touwen van de liefde, en was hun, als degenen, die het[^hosea-11-4-10] juk van op hun kaken oplichten, en Ik reikte[^hosea-11-4-11] hem voer toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v4)

**5** [^hosea-11-5-12] Hij zal in[^hosea-11-5-13] Egypteland niet terugkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v5)

**6** En het[^hosea-11-6-14] zwaard zal in[^hosea-11-6-15] zijn steden blijven, en zijn[^hosea-11-6-16] grendels verteren, en opeten, vanwege hun[^hosea-11-6-17] beraadslagingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v6)

**7** Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering[^hosea-11-7-18] van Mij;[^hosea-11-7-19] zij roepen[^hosea-11-7-20] het wel tot de Allerhoogste,[^hosea-11-7-21] maar niet één verhoogt[^hosea-11-7-22] Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v7)

**8** [^hosea-11-8-23] Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als[^hosea-11-8-24][^hosea-11-8-b] Adama, u stellen als Zeboim? Mijn[^hosea-11-8-25] hart is in Mij omgekeerd,[^hosea-11-8-26] al Mijn berouw is samen ontstoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v8)

**9** Ik zal de hitte van Mijn toorn niet uitvoeren; Ik zal niet[^hosea-11-9-27] terugkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben[^hosea-11-9-28] God en geen mens, de[^hosea-11-9-29] Heilige in het midden van u, en Ik zal[^hosea-11-9-30] in de stad niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v9)

**10** Zij zullen[^hosea-11-10-31] YHWH achterna wandelen, Hij zal[^hosea-11-10-32] brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de[^hosea-11-10-33] kinderen[^hosea-11-10-34] van de zee af al bevende aankomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v10)

**11** Zij zullen bevende aankomen als een[^hosea-11-11-35] vogeltje uit[^hosea-11-11-36] Egypte, en als een[^hosea-11-11-37] duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen[^hosea-11-11-38] wonen in hun huizen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/11.html#v11)

[^hosea-11-1-1]: Kanttekening 1: 1 een kind: zie van het Hebreeuwse woord Jer. 1:6. De zin is: Als Ik Israël eerst tot mijn volk aannam en met hen mijn vebond maakte. Vergelijk Jer. 2:2, en zie de aantekening daar. Jeremia 1:6: Toen zei ik: Ach, Heer YHWH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk de weldadigheid van uw jeugd, de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^hosea-11-1-a]: Verwijzing a: Matt. 2:15. Mattheüs 2:15: En was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat van de Heer gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
[^hosea-11-1-2]: Kanttekening 2: 2 heb Mijn: En voerde hem door mijn goddelijke kracht uit de slavernij van Egypte, door de woestijn, naar het beloofde land.
[^hosea-11-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk Israël, dat God dikwijls, maar bijzonderlijk Ex. 4:22, door Mozes, in de aanspraak aan Farao, zijn zoon, ja zijn eerstgeboren zoon noemt; welke plaats hiermee dient vergeleken. Maar dat onder deze woorden verder een profetie verborgen is van de eniggeboren Zoon van de Vader onze Heer Jezus Christus, die het Hoofd is van zijn geestelijk Israël of kerk, blijkt Matt. 2:15. Anders: omdat Israël een kind was, dat Ik liefhad, zo heb Ik mijnen Zoon uit Egypte geroepen. Of: Hoewel Israël een kind is, nochtans heb Ik hem lief; daarom heb Ik, enz., verstaande het eerste lid van Israëls domme onverstandigheid, en het tweede van Christus alleen, wie de Vader uit Egypte geroepen heeft om in Judea het werk onzer verlossing te verrichten. Anderen aldus: Omdat Hij is een kind van Israël, en Ik hem liefheb; daarom heb Ik mijnen Zoon uit Egypte geroepen. Verstaande beide leden van vers 1 van Christus. Exodus 4:22: Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt YHWH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Mattheüs 2:15: En was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat van de Heer gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
[^hosea-11-2-5]: Kanttekening 5: 5 hun aangezicht weg: Van het aangezicht van de profeten, die hen tot God riepen.
[^hosea-11-2-4]: Kanttekening 4: 4 gelijk zij henlieden riepen: Dit is hier ingevoegd tot aanvulling van de zin, passende op het volgende woordje, zo. Zie Ps. 48:6. De zin is: Hoe meer Mozes en andere vrome dienaren van God de Israëlieten riepen om bij hun goede God te blijven, en Hem aan te hangen, hoe meer zij daarentegen, onder de ogen van de vrome profeten, afweken tot alle afgoderij, kerende God en zijn profeten de rug en het dove oor toe, gelijk men zegt. Vergelijk onder vers 7, en boven Hos. 4:7. Psalmen 48:6: Gelijk zij het zagen, zo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg. Hosea 11:7: Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem. Hosea 4:7: Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun eer in schande veranderen.
[^hosea-11-3-6]: Kanttekening 6: 6 leerde Efraïm gaan: Dat is, Ik leerde hen de voeten zetten, gelijk een moeder haar kind doet.
[^hosea-11-3-7]: Kanttekening 7: 7 Hij nam ze op Zijn armen: Dit zijn de woorden van de profeet, die hij tussen Gods woorden invoegt, uit verwondering over Gods vriendelijkheid en goedertierenheid, alsof hij zei: Immers is het waar, dat Hij hen, als een vader, of moeder een kind, \[zie vers 1,\] in het bijzonder als het moe is van het gaan, op de armen gedragen heeft; zie Ex. 19:4; Deut. 1:31, en Deut. 32:11, 32:12; Jes. 63:9, en van Mozes, Num. 11:12. Anders: ik nam hen, of nemende henlieden bij hun \[Hebreeuws zijn\] armen; omdat er in het volgende dergelijke verwisseling van het veelvoudig en enkelvoudig getal van Efraïm gebruikt wordt. Hosea 11:1: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. Exodus 19:4: Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. Deuteronomium 1:31: En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat YHWH uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwaamt aan deze plaats. Deuteronomium 32:11: Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; Deuteronomium 32:12: Zo leidde hem YHWH alleen, en er was geen vreemd god met hem. Jesaja 63:9: In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds. Numeri 11:12: Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaderen gezworen hebt?
[^hosea-11-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, in al hun noden en zwarigheden zeer lieflijk en gemeenzaamlijk bijstond en verloste; zie Ps. 30:3, en vergelijk boven Hos. 7:1, en Ex. 15:26. Psalmen 30:3: YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. Hosea 7:1: Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten. Exodus 15:26: En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van YHWH uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben YHWH, uw Heelmeester!
[^hosea-11-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, menselijke, waar men mensen mee trekt, lijdelijke, lieflijke en zachte zelen, om hen niet te kwetsen of te bezeren. Vergelijk de manier van spreken met 2 Sam. 7:14; Jes. 8:1. Deze woorden drukken de lieflijkheid, vriendelijkheid en lankmoedigheid Gods in het leiden van zijn volk zeer levendig uit. 2 Samuël 7:14: Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. Jesaja 8:1: Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit!
[^hosea-11-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, de halster of muilband, die op de muilen van de beesten blijft zolang zij arbeiden, en die men oplicht of afneemt als zij rust en voeder zullen nemen. Zo \[wil God zeggen\] heb Ik met Israël gehandeld, gevende hem verlichting, rust en hun voeder, gelijk volgt.
[^hosea-11-4-11]: Kanttekening 11: 11 hem voeder toe: Efraïm. Hebreeuws, Ik deed voedsel, of eten tot hem neigen (אוֹכִֽיל); dat is, gelijk wij zeggen: Ik reikte het hem toe. Niettegenstaande zulks alles zijn zij zo ongehoorzaam geweest, gelijk in het voorgaande en volgende verhaald is: daarom, enz. gelijk volgt.
[^hosea-11-5-12]: Kanttekening 12: 12 Hij zal: Efraïm.
[^hosea-11-5-13]: Kanttekening 13: 13 Egypteland niet terugkeren: Of zij wel zouden mogen wensen liever in Egypte weer te keren, gelijk zij zich daarheen zullen begeven om hulp en toevlucht tegen de Assyriër te zoeken, zo zal het hun toch zo niet gelukken, maar de tien stammen zullen in het algemeen van de Assyriër uit hun land worden weggevoerd, en veel zwaarder geplaagd dan tevoren in Egypte; zie boven Hos. 8:13, en Hos. 9:6, en de aantekening daar, en vergelijk boven Hos. 10:9. Hosea 8:13: Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar YHWH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. Hosea 9:6: Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn. Hosea 10:9: Sinds de dagen van Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibeä, tegen de kinderen van de verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
[^hosea-11-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, krijg, en alle gevolgen van die; zie Lev. 26:7, en Ps. 22:21. Leviticus 26:7: En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. Psalmen 22:21: Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond.
[^hosea-11-6-15]: Kanttekening 15: 15 zijn steden blijven: Efraïm.
[^hosea-11-6-16]: Kanttekening 16: 16 grendelen verteren: Anders: ledematen, te weten zijns lands leden en delen, als een wild dier, verteren en verslinden, of, zijn ranken \[gelijk Ez. 17:6,\] dat is, de dorpen, gelegen buiten de steden, zijnde ten aanzien van de steden gelijk takken van de bomen. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
[^hosea-11-6-17]: Kanttekening 17: Zie boven Hos. 10:6. Hosea 10:6: Ja, datzelfde zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
[^hosea-11-7-18]: Kanttekening 18: 18 van Mij: Hebreeuws, aan mijn afkering; dat is, aan de afkering, of afwijking, waarmee zij van mij steeds afwijken, of die zij tegen mij betonen. Anders: hangen; \[te weten, in onzekerheid en twijfelachtigheid om \[hun\] afkering van mij; dat is, zij weten niet waarheen zich te keren, nu hier dan daar lopende om hulp. Beiden in een goede zin.
[^hosea-11-7-19]: Kanttekening 19: 19 zij roepen: De profeten, vergelijk boven vers 2, en Hos. 7:16. Hosea 11:2: Maar gelijk zij henlieden riepen, zo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesnedenen beelden. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland.
[^hosea-11-7-20]: Kanttekening 20: 20 het wel tot de Allerhoogste: Mijn volk. Anders: zij roepen Hem wel naar boven.
[^hosea-11-7-21]: Kanttekening 21: 21 niet een verhoogt: Dat is, niemand. Zie van dergelijk gebruik van het Hebreeuwse woord Ezra 4:3. Anders: tezamen verhoogt het \[volk\] \[Hem\] niet. Versta, in hun bijeenkomsten eren zij God niet. Ezra 4:3: Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het voor YHWH, de God van Israël, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.
[^hosea-11-7-22]: Kanttekening 22: De Allerhoogste, dat hij Hem eer zou geven, zich bekerende, en troost en hulp bij Hem zoekende, of Hem voor zijn weldaden dankende. Anders: verhoogt, of verheft \[zich\]; dat is, niemand heft zich eens op, geeft zich eens daarnaar dat hij zou horen of luisteren, gelijk opmerkenden plegen te doen, tonende met uiterlijke gebaren van het lichaam de beweging huns harten.
[^hosea-11-8-23]: Kanttekening 23: 23 Hoe zou Ik u overgeven: Alsof God zei: U hadt wel verdiend, dat Ik u geheel en ten enenmale zou uitroeien, gelijk Ik Sodom, Gomorra, enz. gedaan heb; Gen. 19:24; Deut. 29:23; maar mijn barmhartigheid en trouw, die Ik u in de Messias \[waarvan in het volgende\] beloofd heb, laten het niet toe. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;
[^hosea-11-8-24]: Kanttekening 24: Versta, en de andere naburige steden.
[^hosea-11-8-b]: Verwijzing b: Gen. 19:24. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel.
[^hosea-11-8-25]: Kanttekening 25: 25 hart is in Mij omgekeerd: Menselijkerwijze van God gesproken, om enigszins uit te drukken de grootheid en onbegrijpelijkheid zijn barmhartigheid. Zie Gen. 34:30; 1 Kon. 3:26; Klaagl. 1:20. Genesis 34:30: Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis. 1 Koningen 3:26: Maar de vrouw, waarvan de zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het in geen geval; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. Klaagliederen 1:20: Resch. Aanzie, YHWH, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer opstandig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.
[^hosea-11-8-26]: Kanttekening 26: 26 al Mijn berouw is te zamen ontstoken: Hebreeuws alsof men zei: Mijn berouwingen, of berouwenissen, of troostelijkheden, zijn tezamen ontbrand. Anders: mijn ingewand. God wordt gezegd berouw te hebben als Hij de verdiende en gedreigde straffen ophoudt, verzacht of wegneemt, en kan verder door berouw het medelijden en het ingewand, dat van medelijden beroerd en ontstoken is, verstaan worden. Zie Gen. 6:6, en Gen. 43:30. Genesis 6:6: Toen berouwde het YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. Genesis 43:30: En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende daar.
[^hosea-11-9-27]: Kanttekening 27: Dat is, Ik zal nu niet opnieuw zo aan Efraïm doen, dat Ik hem geheel zou vernielen, gelijk Ik eenmaal de voorzegde steden gedaan heb. Vergelijk Jes. 12:6, en Jes. 54:5; Ez. 16:53 met de aantekening daar. Jesaja 12:6: Juich en zing vrolijk, u inwoners van Sion! want de Heilige van Israël is groot in het midden van u. Jesaja 54:5: Want uw Maker is uw Man, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de gehele aardbodem genaamd worden. Ezechiël 16:53: Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochters, en de gevangenen van Samaria en haar dochters, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uw gevangenis in het midden van haar.
[^hosea-11-9-28]: Kanttekening 28: 28 God en geen mens: Waarachtig en onveranderlijk in mijn beloften; Num. 23:19; Mal. 3:6, enz. Numeri 23:19: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? Maleachi 3:6: Want Ik, YHWH, word niet veranderd; daarom bent u, o kinderen van Jakob! niet verteerd.
[^hosea-11-9-29]: Kanttekening 29: Zie Ps. 71:22, en dienvolgens zal Ik mij nog een volk onder u overig behouden, dat Ik heilig om mij te dienen, enz. Vergelijk Ez. 16:60. Psalmen 71:22: Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël! Ezechiël 16:60: Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uw jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
[^hosea-11-9-30]: Kanttekening 30: 30 in de stad niet komen: Als een vijand, die in een stad invalt en alles daarin vernielt; of gelijk Ik eertijds in de stad Sodom kwam om die te vernielen, gelijk vers 8, dat op de voorgaande woorden: Ik zal niet terugkeren, of opnieuw keren, enz., zeer wel past. Zie de aantekening. Anders: Ik zal in de stad niet komen; dat is, in geen stoffelijke plaatsen meer wonen, maar in uw harten. Vergelijk Joh. 4:21. Hosea 11:8: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Johannes 4:21: Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden.
[^hosea-11-10-31]: Kanttekening 31: 31 YHWH achterna wandelen: Jezus Christus, de Messias, hun Hoofd en Koning. Vergelijk boven Hos. 3:5. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen.
[^hosea-11-10-32]: Kanttekening 32: 32 brullen als een leeuw: Door de openbare, klare en heldere predikatie van het Evangelie, waardoor Hij zijn uitverkorenen \[gelijk een leeuw zijn jongen\] bijeen zal roepen, gelijk volgt. Vergelijk Jes. 27:13; Amos 3:8; idem, waardoor Hij niet alleen de zijnen zijn genadewerk zal verkondigen, maar ook zijn en zijn kerken vijanden, zijn wraak en overwinning, voornamelijk van alle geestelijke vijanden, die Hij, als de rechte leeuw van Juda, zal overwinnen en in triomf voeren. Zie Gen. 49:9; Kol. 2:15; Openb. 5:5, en vergelijk verder Jes. 31:4, 31:5; Joël 3:16; Amos 1:2. Jesaja 27:13: En het zal op die dag gebeuren, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen YHWH aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem. Amos 3:8: De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heer YHWH heeft gesproken, wie zou niet profeteren? Genesis 49:9: Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Kolossensen 2:15: En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft daardoor over hen getriomfeerd. Openbaring 5:5: En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. Jesaja 31:4: Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer ook een volle menigte van de herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; zo zal YHWH van de legermachten nederdalen, om te strijden voor de berg van Sion en voor haar heuvel. Jesaja 31:5: Gelijk vliegende vogels, zo zal YHWH van de legermachten Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen. Joël 3:16: En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn. Amos 1:2: En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.
[^hosea-11-10-33]: Kanttekening 33: Dat is, uitverkorenen, die hem de Vader gegeven heeft; Joh. 17:6; Hebr. 2:13. Johannes 17:6: Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en U hebt hen Mij gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. Hebreeën 2:13: En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.
[^hosea-11-10-34]: Kanttekening 34: 34 van de zee af: Hebreeuws, zullen sidderen, of beven van de zee \[of, het westen\] af (יָּֽם); dat is sidderende aankomen tot zijn en zijn kerken gemeenschap. Vergelijk Jes. 24:14, en Jes. 49:12, boven Hos. 3:5, en zie de aantekening. Zo in vers 11. Aangaande de manier van spreken, sidderen, of beven, voor sidderende gaan, komen, enz. Vergelijk 1 Sam. 13:7, en 1 Sam. 16:4. Jesaja 24:14: Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid van YHWH zullen zij juichen van de zee af. Jesaja 49:12: Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 11:11: Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH. 1 Samuël 13:7: De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. 1 Samuël 16:4: Samuël nu deed, wat YHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?
[^hosea-11-11-35]: Kanttekening 35: Dat snel vliegt naar zijn aas, of nest, of de strik ontvliedt.
[^hosea-11-11-36]: Kanttekening 36: Dat is, in alle plaatsen, waar zij verstrooid zijn, zullen zij zich met ijver begeven tot die, die hen verlost uit geestelijk Egypte en Assyrië, dat is, de slavernij van de duivel en van de zonde. Vergelijk Jes. 27:13; Zach. 10:10. Jesaja 27:13: En het zal op die dag gebeuren, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen YHWH aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem. Zacharia 10:10: Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen.
[^hosea-11-11-37]: Kanttekening 37: Zie Jes. 60:8. Jesaja 60:8: Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?
[^hosea-11-11-38]: Kanttekening 38: 38 wonen in hun huizen: Dat is, \[naar de stijl van de profeten\]. Ik zal hen planten in mijn kerk, en door Christus geven rust en vrede in hun conscientiën, en na dit leven, hun plaats in de hemelse woonsteden. Zie boven Hos. 2:13, 2:17, met de aantekening en onder Hos. 12:10. Hosea 2:13: Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. Hosea 2:17: En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. Hosea 12:10: Maar Ik ben YHWH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst;

### Hosea 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/12.json)

*Klacht over Efraïm en Juda, vers 1, enz. door voorstellingen van Gods weldaden aan hun voorvader Jakob, en voorts aan hen allen bewezen, worden zij vermaand tot bekering, 4, enz. Evenzo, 13, 14. hun onrechtvaardigheid en bedrog in alle koophandel, trots, onbeschaamdheid en afgoderij verwekken Gods zware toorn, 8, 9, 12, 15. Hiertussen wordt een belofte van genade ingevoegd, 10, 11.*

**1** [^hosea-12-1-1] Die van Efraïm hebben[^hosea-12-1-2] Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar[^hosea-12-1-3] Juda heerste nog[^hosea-12-1-4] met God, en was met de[^hosea-12-1-5] heiligen getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v1)

**2** Efraïm weidt zich met[^hosea-12-2-6] wind, en jaagt de[^hosea-12-2-7] oostenwind na; de hele dag vermenigvuldigt hij[^hosea-12-2-8] leugen en[^hosea-12-2-9] verwoesting; en zij maken verbond met[^hosea-12-2-10] Assur, en de[^hosea-12-2-11] olie wordt naar Egypte gevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v2)

**3** Ook heeft YHWH een[^hosea-12-3-12] twist met Juda,[^hosea-12-3-13] en Hij zal[^hosea-12-3-14] bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v3)

**4** In[^hosea-12-4-15] moeders[^hosea-12-4-a] buik[^hosea-12-4-16] hield hij[^hosea-12-4-17] zijn broer bij de[^hosea-12-4-18] hiel; en in[^hosea-12-4-19] zijn kracht[^hosea-12-4-20] gedroeg hij zich vorstelijk[^hosea-12-4-b] met God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v4)

**5** Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de[^hosea-12-5-21] Engel, en[^hosea-12-5-22] overweldigd Hem;[^hosea-12-5-23] hij huilde en smeekte Hem.[^hosea-12-5-c] Te Beth-el vond hij[^hosea-12-5-24] Hem, en daar sprak Hij met[^hosea-12-5-25] ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v5)

**6** [^hosea-12-6-26] Namelijk, YHWH, de God van[^hosea-12-6-27] de legermachten; YHWH is Zijn[^hosea-12-6-28] gedenknaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v6)

**7** [^hosea-12-7-29] U dan, bekeer u[^hosea-12-7-30] tot[^hosea-12-7-31] uw God, bewaar goedertierenheid en recht, en[^hosea-12-7-32] wacht steeds op uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v7)

**8** [^hosea-12-8-33] In de hand van[^hosea-12-8-34] de koopman is een[^hosea-12-8-35] bedriegelijke weegschaal, hij houdt ervan te[^hosea-12-8-36] verdrukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v8)

**9** Nog zegt Efraïm:[^hosea-12-9-37] Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed[^hosea-12-9-38] verkregen; in al[^hosea-12-9-39] mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die[^hosea-12-9-40] zonde zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v9)

**10** [^hosea-12-10-41] Maar Ik ben YHWH, uw God,[^hosea-12-10-42][^hosea-12-10-d] van Egypteland af;[^hosea-12-10-43] Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van[^hosea-12-10-44] de samenkomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v10)

**11** En Ik zal spreken[^hosea-12-11-45] tot de profeten, en Ik zal het visioen vermenigvuldigen; en door de[^hosea-12-11-46] dienst van de profeten zal[^hosea-12-11-47] Ik gelijkenissen voorstellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v11)

**12** Zeker is[^hosea-12-12-48][^hosea-12-12-e] Gilead[^hosea-12-12-49] ongerechtigheid, zij zijn[^hosea-12-12-50] enkel zinloosheid; te[^hosea-12-12-51][^hosea-12-12-f] Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als[^hosea-12-12-52] steenhopen op de voren van de velden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v12)

**13** [^hosea-12-13-53][^hosea-12-13-g] Jakob[^hosea-12-13-54] vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël[^hosea-12-13-55] diende om een[^hosea-12-13-h] vrouw, en hoedde om een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v13)

**14** Maar YHWH voerde[^hosea-12-14-56] Israël op uit Egypte door een[^hosea-12-14-57] profeet, en door een[^hosea-12-14-58] profeet werd hij gehoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v14)

**15** Efraïm daarentegen heeft[^hosea-12-15-59] Hem zeer bitter vertoornd; daarom zal Hij[^hosea-12-15-60] zijn bloed op hem[^hosea-12-15-61] laten, en[^hosea-12-15-62] zijn Heere zal hem zijn[^hosea-12-15-63] smaad vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/12.html#v15)

[^hosea-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 van Efraïm: Hebreeuws, Efraïm hebben mij, enz., dat is, die van Efraïm, de Efraïmieten, waardoor de tien stammen, of Israël, \[gelijk volgt\] verstaan worden.
[^hosea-12-1-2]: Kanttekening 2: 2 Mij omsingeld met leugen: Het zijn zo stoute huichelaars geweest, dat zij mij al hun afgoderij als met geweld hebben willen overdringen, alsof zij die tot mijn eer en dienst pleegden, en de ware religie hadden. Sommigen houden dit voor een klacht van de profeet over zijn wedervaren bij zijn boze landslieden; gelijk Gods woorden en die van de profeten somtijds onder elkaar vermengd worden.
[^hosea-12-1-3]: Kanttekening 3: 3 Juda heerste nog: Sommigen verstaan dat hier gesproken wordt van die tijd, als de tien stammen zich eerst van Juda afzonderden, en een geruimen tijd daarna. Anders: Maar Juda is nog heersende, enz. Hoewel Juda ook zeer vervallen was, en daarover van God door deze profeet in verscheidene plaatsen scherpelijk bestraft wordt, zo hadden zij nochtans, boven het wettelijk koninkrijk, ook het wettelijk priesterdom, en de uiterlijke godsdienst, die van God was verordineerd, zulks dat de vromen onder de tien stammen somtijds in het geheim naar Jeruzalem reisden, om de ware godsdienst te oefenen, gelijk boven in verscheidene plaatsen is aangemerkt. Maar bij de tien stammen was niets van dit alles; zie 2 Kron. 12:12, en 2 Kron. 13:6, enz., en 2 Kron. 15:3, met de aantekening. 2 Kronieken 12:12: En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn van YHWH van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen. 2 Kronieken 13:6: Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer. 2 Kronieken 15:3: Israël nu is vele dagen geweest zonder de ware God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet.
[^hosea-12-1-4]: Kanttekening 4: 4 met God: Zich aan God onderwerpende, en aan Hem en zijn dienst vasthoudende, dat waarlijk heersen en regeren is, gelijk het tegendeel, wat de wereld meent vrijheid en heerschappij te zijn, de snoodste slavernij is. Vergelijk de manier van spreken met boven Hos. 9:8, en de aantekening. Anders kan men deze woorden \[ten aanzien van het koninkrijk\] ook vergelijken met boven Hos. 8:4, \[zie daar\] en onder Hos. 13:10, 13:11. Hosea 9:8: De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods. Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. Hosea 13:10: Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten? Hosea 13:11: Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid.
[^hosea-12-1-5]: Kanttekening 5: 5 heiligen getrouw: Dat is, volgende de voetstappen van de heilige voorvaders, en horende naar de vrome profeten en priesters, die onder hen waren. Sommigen verstaan hier de drie personen van de heilige Drievuldigheid, uit vergelijking van de voorgaande woorden, en Joz. 24:19. Jozua 24:19: Toen zei Jozua tot het volk: U zult YHWH niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.
[^hosea-12-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, verlaat zich op ijdelheid, te weten afgoderij en heidense verbonden, waarmee zij zullen varen gelijk iemand, die van de wind meent te leven. Vergelijk Jer. 22:22; Micha 2:11, en boven Hos. 8:7; idem Jes. 44:20, met de aantekening. Jeremia 22:22: De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult u zekerlijk beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid. Micha 2:11: Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van dit volk. Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. Jesaja 44:20: Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?
[^hosea-12-2-7]: Kanttekening 7: 7 oostenwind na: Dat is, wat hem hard en schadelijk zal zijn, gelijk de oostenwind in die landen was. Zie Ex. 10:13; Job 27:21, en onder Hos. 13:15. Exodus 10:13: Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en YHWH bracht een oostenwind in dat land, die gehele dag en die ganse nacht; het geschiedde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. Job 27:21: De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. Hosea 13:15: Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er zal een oostenwind komen, een wind van YHWH, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen; diezelve zal de schat van alle gewenste huisraad roven.
[^hosea-12-2-8]: Kanttekening 8: Valse religie, huichelarij, liegen en bedriegen, tegen God en de naaste.
[^hosea-12-2-9]: Kanttekening 9: Dat is, wat zijn verwoesting zal veroorzaken; of hij pleegt dagelijks verwoesting en verderf van zijn naaste; of hij heeft zulks gedaan zolang zijn koninkrijk geduurd heeft.
[^hosea-12-2-10]: Kanttekening 10: Dat is, de Assyriërs, de koning van Assyrië. Zie boven Hos. 5:13, en Hos. 7:11, en onder Hos. 14:4. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Hosea 7:11: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur. Hosea 14:4: Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.
[^hosea-12-2-11]: Kanttekening 11: 11 olie wordt naar Egypte gevoerd: Dat is, die kostelijke balsem, die men in die landen bereidde, wordt tot de koning van Egypte gevoerd, tot een geschenk om zijn gunst te verkrijgen. Vergelijk 2 Kon. 17:4; Jes. 57:9, en zie van zulke olie Ps. 133:2, enz. 2 Koningen 17:4: Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. Jesaja 57:9: En u trekt met olie tot de koning, en u vermenigvuldigt uw welriekende zalven; en u zendt uw gezanten verre weg, en vernedert u tot het dodenrijk toe. Psalmen 133:2: Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom van zijn kleren.
[^hosea-12-3-12]: Kanttekening 12: 12 twist met Juda: Of, pleit, proces, rechtzaak, vanwege hun zonden. Vergelijk boven Hos. 4:1. Hosea 4:1: Hoort het woord van YHWH, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;
[^hosea-12-3-13]: Kanttekening 13: 13 en Hij zal: Hebreeuws, en om bezoeking te doen; dat is, Hij is gereed, daartoe gesteld om, enz. Vergelijk de manier van spreken met boven Hos. 9:13. Of, en om te bezoeken; dat is, en dat, opdat Hij bezoeke, enz., gelijk elders. Anders: maar over Jakob; \[dat is, de tien stammen\] zal Hij, enz., verstaande dat God met Juda nog twist, en hun een tijdlang nog zal waarschuwen, maar de tien stammen niet langer wil sparen noch overzien; zo het duister is, of Jakob het volk van Juda, of de tien stammen, of beide betekent, waarvan verscheiden gevoelen is. Vergelijk boven Hos. 10:11, enz., in alle gevalle worden Jakobs verbasterde nakomelingen hier zwaar gedreigd. Hosea 9:13: Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot de moordenaar. Hosea 10:11: Omdat Efraïm een vaars is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
[^hosea-12-3-14]: Kanttekening 14: 14 bezoeking doen over Jakob: Door straffen. Zie Gen. 21:1. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^hosea-12-4-15]: Kanttekening 15: 15 moeders buik: Van de invoeging van dit woord, zie Richt. 13:5; Job 3:10, en boven Hos. 9:11. Richteren 13:5: Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Job 3:10: Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen. Hosea 9:11: Aangaande Efraïm, hun heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.
[^hosea-12-4-a]: Verwijzing a: Gen. 25:26. Genesis 25:26: En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte.
[^hosea-12-4-16]: Kanttekening 16: De patriarch Jakob, hun voorvader, van wie hier enige wonderlijke geschiedenissen en bijzondere weldaden Gods, aan hem en door hem aan hen allen bewezen, verhaald worden, om deze zijn lafaardige kinderen vanwege hun ondankbaarheid te beschamen.
[^hosea-12-4-17]: Kanttekening 17: Ezau.
[^hosea-12-4-18]: Kanttekening 18: Tot een teken dat God Jakob het recht van de eerstgeboorte door loutere genade toegelegd had, dat hij door het recht van de natuur niet kon hebben.
[^hosea-12-4-19]: Kanttekening 19: 19 zijn kracht: Die hem God gegeven had om deze kamp uit te staan.
[^hosea-12-4-20]: Kanttekening 20: 20 gedroeg hij zich vorstelijk met God: In zijn worsteling met de Zoon van God. Zie de historie, Gen. 32:24, enz. en de aantekening. Genesis 32:24: Maar Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.
[^hosea-12-4-b]: Verwijzing b: Gen. 35:9; idem v. 10. Genesis 35:9: En God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem. Genesis 35:10: En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.
[^hosea-12-5-21]: Kanttekening 21: De Zoon van God, die in vers 4 God is genoemd, en in het volgende YHWH, de God van de legermachten. Zie Gen. 48:16. Hosea 12:4: In moeders buik hield hij zijn broer bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God. Genesis 48:16: Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land!
[^hosea-12-5-22]: Kanttekening 22: 22 overweldigd Hem;: Hij overweldigd, of had de overhand in de kamp met deze engel, te weten Gods Zoon, die zich van Jakob liet overwinnen, niet door enige onvermogendheid, of gebrek van krachten, maar om een zeer lieflijke en troostelijke verborgenheid daardoor te beduiden, van de strijd en overwinning van de kinderen van God.
[^hosea-12-5-23]: Kanttekening 23: 23 hij weende en smeekte Hem: Namelijk Jakob, weende en bad ernstiglijk om een zegen, vernemende dat hij met God te doen had. Dit wenen wordt wel in Mozes' historie niet vermeld, maar hier, tot verklaring van de Geest van de Heer bijgevoegd.
[^hosea-12-5-c]: Verwijzing c: Gen. 28:12; idem 28:19; Gen. 35:7; idem 35:14; idem 35:15. Genesis 28:12: En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan de opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neder. Genesis 28:19: En hij noemde de naam van die plaats Beth-el; daar toch de naam van die stad te voren was Luz. Genesis 35:7: En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broers aangezicht vluchtte. Genesis 35:14: En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover. Genesis 35:15: En Jakob noemde de naam van die plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el.
[^hosea-12-5-24]: Kanttekening 24: De Zoon van God vond Jakob daar, en verscheen hem. Zie Gen. 35:9, enz., en zo in het volgende: sprak Hij, te weten dezelfde Zoon van God. Genesis 35:9: En God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.
[^hosea-12-5-25]: Kanttekening 25: Die wij in de lenden van Jakob en onzer voorouders waren; zulks dat het ons mee betreft, wat God daar gesproken en te die tijde bij onze voorvaders gedaan heeft. Zie Ps. 66:6. Psalmen 66:6: Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
[^hosea-12-6-26]: Kanttekening 26: Omdat de Zoon van God in het voorgaande onder de naam van de engel, en verder door het woord hem, enz., is gemeend, zo wordt dit tot verklaring van zijn goddelijke majesteit hier bijgevoegd; dat nu de Hebreeuwse letter Vau dikwijls zo voor namelijk, te weten, gebruikt wordt, is bekend, en hier, op het voorgaande \[gelijk de rechtzinnige godvruchtige lezer zal kunnen oordelen\] wel passende.
[^hosea-12-6-27]: Kanttekening 27: Zie 1 Kon. 18:15, en vergelijk Gen. 22:11, en Gen. 48:16; Ps. 24:10; Jes. 6:1, 6:2, 6:3, 6:5, en Jes. 9:6, en Jes. 25:6, enz. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen! Genesis 22:11: Maar de Engel van YHWH riep tot hem van de hemel, en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! Genesis 48:16: Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! Psalmen 24:10: Wie is Hij, deze Koning van de ere? YHWH van de legermachten, Die is de Koning van de ere. Sela. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. Jesaja 6:2: De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. Jesaja 6:3: En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de legermachten! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol! Jesaja 6:5: Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, YHWH van de legermachten gezien. Jesaja 9:6: Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal zulks doen. Jesaja 25:6: En YHWH van de legermachten zal op deze berg alle volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.
[^hosea-12-6-28]: Kanttekening 28: Of, gedenkteken. Hebreeuws, gedachtenis; dat is, YHWH is de naam, met welke \[als betekenende het eeuwig, zelfstandig, onveranderlijk, enz. wezen Gods\] Hij onder zijn volk bekend, en aan Hem, en ook aan zijn eigenschappen, gedacht wordt. Zie Gen. 2:4, en vergelijk Ex. 3:14, 3:15, met de aantekening. Sommigen duiden dit op Jakob aldus: YHWH \[was\] zijn \[namelijk Jakobs\] gedenkteken. Genesis 2:4: Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als YHWH God de aarde en de hemel maakte. Exodus 3:14: En God zei tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Zo zult u tot de kinderen van Israël zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot u gezonden! Exodus 3:15: Toen zei God verder tot Mozes: Aldus zult u tot de kinderen van Israël zeggen: YHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
[^hosea-12-7-29]: Kanttekening 29: 29 U dan: Dit is, Efraïm.
[^hosea-12-7-30]: Kanttekening 30: Hier is in het Hebreeuws de letter Beth, voor de letter Lamed, of de woorden el of gnad, dat is, tot; gelijk in de manier van spreken, 1 Kon. 2:33: Hun bloed zal terugkeren op heth hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad. Alwaar de letter Beth tweemaal gevoegd bij het woord terugkeren hetzelfde betekent, dat het voorgaande woordje gnal, dat is, op, of tot, gelijk ook anders het woordje in, zelfs ook in onze en andere talen genomen wordt voor tot, naar toe, als het gevoegd wordt bij woorden, die betekenen zich ergens heen begeven, gaan, reizen, wenden, keren; als, gaan in zee, in het veld, in de woestijn, in een stad, landschap, enz.; dat is, tot, daarheen, enz. Zulks dat het onnodig schijnt, met sommigen, vermits de letter Beth, hier over te zetten, bekeert u met, of door uw God; dat is, met of door de genade of hulp van uw God; waarvan de verstandige lezer kan oordelen, en vergelijk de aantekening Joël 2:12. 1 Koningen 2:33: Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van YHWH tot in eeuwigheid. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
[^hosea-12-7-31]: Kanttekening 31: 31 uw God,: Die uw voorvader, en, door hem, u van de eerste aan zo grote genade bewezen heeft, gelijk voorzegd.
[^hosea-12-7-32]: Kanttekening 32: 32 wacht geduriglijk op uw God: Verlatende al uw afgoden en ijdel vleselijk vertrouwen, zo zult u God zijn eer geven,, en van Hem niet verlaten worden.
[^hosea-12-8-33]: Kanttekening 33: 33 In van de: In plaats van recht en weldadigheid \[wil de Heer zeggen\] gaan onrecht en bedriegerij in zwang.
[^hosea-12-8-34]: Kanttekening 34: 34 koopmans hand: Zie deze betekenis van het Hebreeuwse woord Kanaän, of Kenaän, Job 40:25. Hebreeuws, de koopman, in zijn hand is, enz (יָד). Anders: \[hij is\] een Kanaäniet! Alsof de profeet zei: Die bastaard, hij gedraagt zich niet als een kind van Jakob, maar hij aardt, of slacht en gelijkt meer een heiden en Chams gebroedsel. Job 40:25: Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden?
[^hosea-12-8-35]: Kanttekening 35: 35 bedriegelijke weegschaal: Hebreeuws, weegschalen van het bedrog (מִרְמָה); zie Lev. 19:13, 19:35; Deut. 25:13; 1 Thess. 4:6. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Leviticus 19:35: U zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat. Deuteronomium 25:13: U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine. 1 Thessalonicensen 4:6: Dat niemand zijn broer vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heer is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.
[^hosea-12-8-36]: Kanttekening 36: Zo door arglistige en onrechtvaardige handelingen in zijn handel, alsook door moedwillige roverij en geweld.
[^hosea-12-9-37]: Kanttekening 37: 37 Evenwel ben ik rijk geworden: Alsof zij zeiden: De profeten mogen zeggen wat zij willen, wij varen nochtans wel; daarom moet ons doen God zo niet mishagen als zij ons willen wijsmaken. Dit was een soort van die onbeschaamde huichelarij, waarmee zij God en zijn profeten omsingelden \[boven vers 1\] en tergden, misbruikende zo schandelijk de grote lankmoedigheid van de Heer. Vergelijk Amos 6:13. Hosea 12:1: Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. Amos 6:13: U, die blij bent over een nietig ding; u, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?
[^hosea-12-9-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws, gevonden, gelijk Gen. 26:12; Ezra 7:16; Spr. 8:9, enz. Genesis 26:12: En Izak zaaide in datzelfde land, en hij vond in datzelfde jaar honderd maten; want YHWH zegende hem. Ezra 7:16: En ook al het zilver en goud, dat u vinden zult in het gehele landschap van Babel, met de vrijwillige gave van het volk en van de priesters, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is; Spreuken 8:9: Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
[^hosea-12-9-39]: Kanttekening 39: Waarmee ik mij bemoeid heb om rijk te worden, of in mijn rijkdom, die ik met mijn arbeid verkregen heb. Anders: al mijn arbeid is mij niet genoeg, \[gelijk het Hebreeuwse woord vinden, gevonden worden, somtijds gebruikt wordt; zie Num. 11:22\], wij begeren nog al meer te hebben, wij moeten zo nog al voortgaan, \[hij heeft\] ongerechtigheid \[dat is, straf van ongerechtigheid zal die overkomen\] die zonde \[heeft\], wij worden niet gestraft \[zouden wij willen zeggen\] daarom is bij ons gene zonde. Numeri 11:22: Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?
[^hosea-12-9-40]: Kanttekening 40: 40 zonde zij: Alsof zij zeiden: Het blijkt uit onze voorspoed, dat wij zo grotelijks niet zondigen in onze middelen, die wij gebruiken om rijk te worden, wat mogen dan deze onrustige mensen \[de profeten\] dus roepen en tieren over onze handel?
[^hosea-12-10-41]: Kanttekening 41: 41 Maar Ik ben YHWH, uw God: Om de gelovigen en uitverkorenen door de scherpe strafpredikatiën niet mismoedig te maken, zo voegt God \[naar zijn wijze\] deze vertroostingen hierbij, om de zijnen te verzekeren dat Hij, niettegenstaande dit alles, zijn genadeverbond in de Messias met zijn uitverkoren Israël getrouwelijk zal onderhouden. Maar anderen nemen vers 11, 12:12 als een verhaal van Gods weldadigheid in verleden tijden, en nu nog aan zijn volk bewezen, om hen te overtuigen dat Hij de enige auteur van al hun welstand is, en dat zij zich in geen geval op hun vermogen hebben te beroemen, gelijk zij nochtans zo trotselijk deden, gelijk in het voorgaande gezegd is. Hosea 12:11: En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door de dienst van de profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden.
[^hosea-12-10-42]: Kanttekening 42: 42 van Egypteland af: Dat is, van die tijd af dat Ik u uit Egypte door Mozes uitgevoerd, mijn verbond met u gemaakt en u mijn wetten gegeven heb, dat God elders hun jeugd noemt. Zie Jer. 2:2, enz. boven Hos. 2:14. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk de weldadigheid van uw jeugd, de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Hosea 2:14: En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen van haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland.
[^hosea-12-10-d]: Verwijzing d: Jes. 43:11. Jesaja 43:11: Ik, Ik ben YHWH, en er is geen Heiland behalve Mij.
[^hosea-12-10-43]: Kanttekening 43: 43 Ik zal u nog in tenten doen wonen: Deze beloften, ziende op de genadetijd van het Nieuwe Testament, zijn voorgesteld met manieren van spreken, genomen van de staat van het Oude Testament. Vergelijk boven Hos. 2:13, 2:17; Hos. 11:11, met de aantekening. Hosea 2:13: Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. Hosea 2:17: En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen. Hosea 11:11: Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH.
[^hosea-12-10-44]: Kanttekening 44: Gelijk Ik u in de woestijn lieflijk in uw tenten deed legeren rondom de tent van de samenkomst, waar u bijeenkwaamt om mijnen wil te verstaan en mij te dienen, zo zal Ik u ook nog bij de tijd van het Nieuwe Testament in mijn kerk doen legeren bij de predikatie van mijn Evangelie, waar u zult samenkomen tot mijn dienst. Anders: als in de dagen van de gezetten hoogtijd; te weten het loofhuttenfeest, wanneer u u voor een tijd ophieldt in hutten, om uw wandeling in de woestijn te betrachten en over mijn weldaden vrolijk te zijn. Of, men kan verstaan in het algemeen van alle hoogtijden, in welke zij, vanwege de grote menigte van volk, ook tenten moesten opslaan buiten de stad.
[^hosea-12-11-45]: Kanttekening 45: 45 tot de profeten: Of, door de profeten; dat is, Ik zal mij opnieuw zeer heerlijk openbaren door de overvloedige predikatie van het Evangelie, die u gebeuren zal door de profeet aller profeten, de Messias, zijn apostelen en andere leraars van het Nieuwe Testament, met uitzending van de gaven van mijnen Geest. Vergelijk Joël 2:28, 2:29; Hand. 2:16, 2:17, 2:18, enz. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Joël 2:29: Ja, ook over de dienaren, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten. Handelingen 2:16: Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël: Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Handelingen 2:18: En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
[^hosea-12-11-46]: Kanttekening 46: 46 dienst van de profeten: Hebreeuws, hand (יַד).
[^hosea-12-11-47]: Kanttekening 47: 47 gelijkenissen voorstellen: Gemeenzaam en duidelijk leren. Vergelijk Matt. 13:34, 13:35, enz. Mattheüs 13:34: Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet. Mattheüs 13:35: Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld.
[^hosea-12-12-48]: Kanttekening 48: Zie boven Hos. 6:8 met de aantekening. Hier keert de profeet weer tot de voorgaande strafpredikatie. Men kan deze woorden ook aldus nemen: Is Gilead ongerechtigheid? alsof zij de profeet voorwierpen: zoudt u dat durven zeggen? waarop dan de profeet in het volgende antwoordde. Hosea 6:8: Gilead is een stad van werkers van de ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.
[^hosea-12-12-e]: Verwijzing e: Hosea 6:8. Hosea 6:8: Gilead is een stad van werkers van de ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.
[^hosea-12-12-49]: Kanttekening 49: Dat is, niet dan ongerechtigheid, enkel ongerechtigheid, vol van wrevel en boosheid. Anders: afgoderij, omdat het Hebreeuwse woord somtijds voor een afgod, afgoderij, afgodendienst, genomen wordt. Zie 1 Sam. 15:23; Jes. 66:3. 1 Samuël 15:23: Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. Jesaja 66:3: Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen.
[^hosea-12-12-50]: Kanttekening 50: 50 enkel ijdelheid: Hebreeuws, alleen; dat is, zij zijn niet dan tot alle afgoderij genegen; of gewisselijk zij zijn ijdelheid.
[^hosea-12-12-51]: Kanttekening 51: 51 Gilgal offeren zij ossen: Zie boven Hos. 4:15. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^hosea-12-12-f]: Verwijzing f: Hosea 4:15; Hosea 9:15. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 9:15: Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen.
[^hosea-12-12-52]: Kanttekening 52: Dat is, van hun afgodische altaren is het land overal vol.
[^hosea-12-13-53]: Kanttekening 53: Hier wordt hun opnieuw voor ogen gesteld de sobere en kommerlijke toestand van hun voorvader Jakob, om te tonen wat van hen allen zou geworden zijn, als niet God zulks alles door zijn bijzondere genade ten beste gewend, en bij hen gedaan had gelijk volgt. Vergelijk Deut. 26:5, enz. met de aantekening daar. Deuteronomium 26:5: Dan zult u voor het aangezicht van YHWH, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd daar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.
[^hosea-12-13-g]: Verwijzing g: Gen. 28:5. Genesis 28:5: Zo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-aram, tot Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, de broer van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.
[^hosea-12-13-54]: Kanttekening 54: 54 vluchtte toch naar het veld van Syrië: Voor zijn broers Ezau; zie Gen. 27:42, 27:43, en Gen. 28:5, enz. Dit schijnt de eenvoudigste overzetting en zin van deze woorden te zijn. Veld, dat is land, gelijk Obad. v. 19. Genesis 27:42: Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zei tot hem: Zie, uw broer Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal. Genesis 27:43: Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied u naar Haran, tot Laban, mijn broer. Genesis 28:5: Zo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-aram, tot Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, de broer van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder. Obadja 1:19: En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead.
[^hosea-12-13-55]: Kanttekening 55: 55 diende om een vrouw: Jakob diende Laban om Lea en Rachel.
[^hosea-12-13-h]: Verwijzing h: Gen. 29:20; idem v. 28. Genesis 29:20: Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad. Genesis 29:28: En Jakob deed zo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.
[^hosea-12-14-56]: Kanttekening 56: 56 Israël op uit Egypte: Het volk van Israël, Israëls of Jakobs nakomelingen.
[^hosea-12-14-57]: Kanttekening 57: 57 profeet, en door een: De grote profeet Mozes.
[^hosea-12-14-58]: Kanttekening 58: 58 profeet werd hij gehoed: God hoedde hen en bewaarde hen door Mozes, als een herder zijn schapen. Dit wordt gesteld tegen Jakobs hoeden van de schapen, waarvan in vers 13. Hosea 12:13: Jakob vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.
[^hosea-12-15-59]: Kanttekening 59: 59 zeer bitterlijk vertoornd: Hebreeuws, \[met\] bitterheden. Anders \[met\] hoogten, of spitse, hoge, afgodische pilaren, of pilaarbeelden. Zie van het Hebreeuwse woord Tamrurim, Jer. 31:21. Jeremia 31:21: Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op de weg, die u gewandeld hebt; keer weer, o jonkvrouw Israëls, keer weer tot deze uw steden!
[^hosea-12-15-60]: Kanttekening 60: 60 bloed op hem: Hebreeuws, bloeden (דָמָי); dat is, doodslagen en moorderijen van de onschuldigen en derzelver straffen. Zie Gen. 4:10, en Gen. 37;26, en Richt. 9:24, of, bloed op hem laten; dat is, hen in hun onreinheid en zonden laten, zonder hen daarvan te zuiveren. Vergelijk Ez. 16:6, 16:9; Joël 3:21. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! Ezechiël 16:9: Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie. Joël 3:21: En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en YHWH zal wonen op Sion.
[^hosea-12-15-61]: Kanttekening 61: Of, over hem uitspreiden.
[^hosea-12-15-62]: Kanttekening 62: 62 zijn Heer: God, die hij niet gekend, gevreesd en gediend heeft. Zie Mal. 1:6. Maleachi 1:6: Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heer, waar is Mijn vreze? zegt YHWH van de legermachten tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam?
[^hosea-12-15-63]: Kanttekening 63: 63 smaad vergelden: Die hij Hem, zijn profeten en allen vromen heeft aangedaan.

### Hosea 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/13.json)

*Efraïms aanzien en heerlijkheid sterft en verdwijnt door afgoderij, vers 1, enz. Afbeelding van Gods verschrikkelijke toorn over Efraïms snode ondankbaarheid tegen hun enige en goedige Heiland, van het eerste af, 4. de oorzaak van Israëls verderf en aanstaande noden is afgoderij, ijdel vertrouwen en domme onboetvaardigheid, 9. Evangelische genadebelofte voor Efraïm, na voorgaande verwoesting, 14.*

**1** [^hosea-13-1-1] Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich[^hosea-13-1-2] verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de[^hosea-13-1-3] Baäl en is[^hosea-13-1-4] gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v1)

**2** En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een[^hosea-13-2-5] gegoten beeld gemaakt,[^hosea-13-2-6] afgoden[^hosea-13-2-7] naar hun verstand, die allemaal[^hosea-13-2-8][^hosea-13-2-a] smedenwerk zijn; waarvan zij[^hosea-13-2-9] toch zeggen:[^hosea-13-2-10] De mensen, die offeren, zullen de[^hosea-13-2-11] kalveren[^hosea-13-2-12] kussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v2)

**3** Daarom zullen zij zijn[^hosea-13-3-13] als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de[^hosea-13-3-14] schoorsteen wordt weggestormd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v3)

**4** [^hosea-13-4-15] Ik ben toch YHWH, uw God,[^hosea-13-4-b] van Egypteland af;[^hosea-13-4-16] daarom zou u geen God kennen[^hosea-13-4-c] dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v4)

**5** Ik heb u[^hosea-13-5-17] gekend in de[^hosea-13-5-18] woestijn, in een zeer heet land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v5)

**6** Daarna zijn zij, naardat hun[^hosea-13-6-19][^hosea-13-6-d] weide was, verzadigd geworden; als zij verzadigd zijn geworden, heeft zich hun[^hosea-13-6-20] hart verheven; daarom hebben zij Mij[^hosea-13-6-e] vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v6)

**7** Daarom werd Ik hun als een felle[^hosea-13-7-21] leeuw; als een luipaard[^hosea-13-7-22] loerde Ik op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v7)

**8** Ik[^hosea-13-8-23] ontmoette hen als een[^hosea-13-8-24] beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het[^hosea-13-8-25] slot van hun harten; en Ik verslond[^hosea-13-8-26] ze daar als een oude leeuw;[^hosea-13-8-27] het wild gedierte van het veld verscheurde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v8)

**9** [^hosea-13-9-28] Het heeft u bedorven, o Israël! want in[^hosea-13-9-29] Mij[^hosea-13-9-30] is uw hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v9)

**10** [^hosea-13-10-32] Waar is uw[^hosea-13-10-33] koning[^hosea-13-10-34] nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw[^hosea-13-10-35] richters, waar u van zei: Geef mij een koning en vorsten?[^hosea-13-10-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v10)

**11** Ik gaf u een[^hosea-13-11-37][^hosea-13-11-f] koning in Mijn[^hosea-13-11-38] toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid.[^hosea-13-11-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v11)

**12** [^hosea-13-12-40] Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd.[^hosea-13-12-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v12)

**13** [^hosea-13-13-42] Smarten van een barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs[^hosea-13-13-43] kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.[^hosea-13-13-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v13)

**14** [^hosea-13-14-45] Maar Ik[^hosea-13-14-46] zal hen van het geweld van het dodenrijk[^hosea-13-14-g] verlossen, Ik zal ze vrijmaken van[^hosea-13-14-47] de dood: o dood! waar zijn[^hosea-13-14-48] uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw[^hosea-13-14-49] verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,[^hosea-13-14-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v14)

**15** Want[^hosea-13-15-51] hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er[^hosea-13-15-52] zal een[^hosea-13-15-53] oostenwind komen, een wind[^hosea-13-15-54] van YHWH, opkomende[^hosea-13-15-55] uit de woestijn; en[^hosea-13-15-56] zijn[^hosea-13-15-57] springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal[^hosea-13-15-58] verdrogen; die zal de schat van[^hosea-13-15-59] alle gewenste huisraad roven.[^hosea-13-15-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/13.html#v15)

[^hosea-13-1-1]: Kanttekening 1: 1 Efraïm sprak: Anders: als Efraïm bevende, of \[met\] beven sprak, verhief hij \[zichzelven\] in Israël. De zin op een uitkomende. Hebreeuws, als Efraïm sprak, beving; dat is, de stam van Efraïm was in voortijden volgens de zegen van de patriarch Jakob \[Gen. 48:19, 48:20\] van zulk een aanzien en macht in Israël, dat een ieder, om zo te spreken, beefde als hij met hevigheid iets dreef, zulks dat hij ook ten tijde van Rehabeam het koninkrijk van de tien stammen eerst aan zich trok, door de eerste koning Jerobeam, die uit Efraïm was. Zie Richt. 8:1, 8:2, enz. en Richt. 12:1, 12:2, dnz. idem 1 Kon. 11:26, enz. en 1 Kon. 12:20. Genesis 48:19: Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broer groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. Genesis 48:20: Zo zegende hij ze op die dag, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. Richteren 8:1: Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. Richteren 8:2: Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? Richteren 12:1: Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom bent u doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden. Richteren 12:2: En Jeftha zei tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb u geroepen, maar u hebt mij uit hun hand niet verlost. 1 Koningen 11:26: Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen de koning. 1 Koningen 12:20: En het geschiedde, als geheel Israël hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij heen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over geheel Israël koning maakten; niemand volgde het huis van David, dan de stam van Juda alleen.
[^hosea-13-1-2]: Kanttekening 2: 2 verheven in Israël: Te weten tot het koninkrijk. Van het Hebreeuwse woord, dat verheffen betekent, komt een ander, dat een prins, vorst, regent, die over anderen verheven is, beduidt, waarop hier gezien wordt.
[^hosea-13-1-3]: Kanttekening 3: Baäls afgoderij. Zie boven Hos. 2:7, 2:12. Hosea 2:7: Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hosea 2:12: En Ik zal over haar bezoeken de dagen van de Baäl, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt YHWH.
[^hosea-13-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, heeft allen aanzien verloren, is in een zeer ellendigen en verachtelijken staat vervallen, bij God en de mensen, binnen en buiten; \[vergelijk de manier van spreken met Ps. 31:13, en Ps. 88:4, 88:5, 88:6, en Ps. 143:3; Jes. 59:10; Amos 2:2; Ef. 2:1; Openb. 3:1, en Openb. 20:5\]. Zelfs is de koninklijke waardigheid van hem genomen. Zie 1 Kon. 14:10, 14:11, en 1 Kon. 15:27, 15:28, 15:29, 15:30, en vergelijk vers 3. Psalmen 31:13: Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat. Psalmen 88:4: Want mijn ziel is van de tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. Psalmen 88:5: Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; Psalmen 88:6: Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. Psalmen 143:3: Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. Jesaja 59:10: Wij tasten naar de wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden. Amos 2:2: Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid van de bazuin. Efeziërs 2:1: En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Openbaring 3:1: En schrijf aan de engel van de Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat u de naam hebt, dat u leeft, en u bent dood. Openbaring 20:5: Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 1 Koningen 14:10: Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij. 1 Koningen 14:11: Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want YHWH heeft het gesproken. 1 Koningen 15:27: En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden. 1 Koningen 15:28: En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 1 Koningen 15:29: Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het gehele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord van YHWH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet; 1 Koningen 15:30: Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij YHWH, de God van Israël, getergd had. Hosea 13:3: Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd.
[^hosea-13-2-5]: Kanttekening 5: 5 gegoten beeld gemaakt: Versta, een afgodische kalfsbeeld \[waarvan in het volgende\] en dergelijke anderen, naardat hun zin en lust opgaf, maar in geen geval naar Gods zin. Zie van het woord zonde, inzake van afgoderij, boven Hos. 8:11. Hosea 8:11: Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.
[^hosea-13-2-6]: Kanttekening 6: Zie boven Hos. 8:4. Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
[^hosea-13-2-7]: Kanttekening 7: 7 naar hun verstand: Die meesterlijk en kunstiglijk fatsoenerende en oppronkende. Vergelijk Jer. 10:3, 10:14, enz. Jeremia 10:3: Want de inzettingen van de volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de handen van de werkmeester met de bijl. Jeremia 10:14: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.
[^hosea-13-2-8]: Kanttekening 8: 8 smedenwerk zijn: Een bespotting van de ijdelheid, dwaasheid en nietigheid van deze afgoderij. Vergelijk boven Hos. 8:6, enz. Hosea 8:6: Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
[^hosea-13-2-a]: Verwijzing a: Hosea 8:6. Hosea 8:6: Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
[^hosea-13-2-9]: Kanttekening 9: 9 zij nochtans zeggen: De afgodische priesters en regenten. Anders: zij zeggen tot hen, die van Efraïm tot het andere Israëlietische volk.
[^hosea-13-2-10]: Kanttekening 10: 10 De mensen: Hebreeuws, de offerande van de, of van de mensen. De zin is, degenen, die onder de mensen voor God willen offeren moeten deze kalven \[als hun goden\] eren. Zie 1 Kon. 12:28, en vergelijk de manier van spreken met Jes. 29:19, alwaar staat: De nooddruftige, of behoeftige van de, of van de mensen; dat is onder de mensen, die onder de mensen behoeftig zijn, behoeftige mensen; idem, ellendige van de schapen, Zach. 11:7, 11:11. Dat is, ellendige schapen, of ellendigste onder de schapen, en dergelijke veel. 1 Koningen 12:28: Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. Jesaja 29:19: En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in YHWH; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen. Zacharia 11:7: Daarom heb ik deze slachtschapen geweid, omdat zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, de één heb ik genoemd LIEFELIJKHEID, en de andere heb ik genoemd SAMENBINDERS; en ik heb die schapen geweid. Zacharia 11:11: Dus werd het op die dag vernietigd, en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het het woord van YHWH was.
[^hosea-13-2-11]: Kanttekening 11: Te Dan en Bethel eerst opgericht, en daarna misschien in meer andere plaatsen. Zie 1 Kon. 12:28, gelijk zij van tijd tot tijd in afgoderij zijn toegenomen. 1 Koningen 12:28: Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.
[^hosea-13-2-12]: Kanttekening 12: Met een religieuzen of godsdienstigen kus. Vergelijk Gen. 41:40; 1 Kon. 19:18; Job 31:27, en zie de aantekening daar. Genesis 41:40: U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. 1 Koningen 19:18: Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Job 31:27: En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
[^hosea-13-3-13]: Kanttekening 13: 13 als een morgenwolk: Dat is, zij zullen zo haast en licht met hun gansen bloei vergaan en verstrooid worden, gelijk deze gelijkenissen medebrengen. Vergelijk boven Hos. 6:4. Hosea 6:4: Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat.
[^hosea-13-3-14]: Kanttekening 14: 14 schoorsteen wordt weggestormd: Of, venster, enig ander rookgat of opening, waardoor de rook wordt uitgelaten.
[^hosea-13-4-15]: Kanttekening 15: 15 Ik ben toch YHWH, uw God: Gelijk boven Hos. 12:10. Hosea 12:10: Maar Ik ben YHWH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst;
[^hosea-13-4-b]: Verwijzing b: Jes. 43:11; Hosea 12:10. Jesaja 43:11: Ik, Ik ben YHWH, en er is geen Heiland behalve Mij. Hosea 12:10: Maar Ik ben YHWH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst;
[^hosea-13-4-16]: Kanttekening 16: 16 daarom zoudt u geen God kennen dan Mij alleen: Of, en u kende geen god, enz. Versta, te die tijde, als u nog in afgoderij niet was vervallen.
[^hosea-13-4-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 22:32; Ps. 18:32. 2 Samuël 22:32: Want wie is God, behalve YHWH, en wie is een rotssteen, behalve onze God? Psalmen 18:32: Want wie is God, behalve YHWH? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
[^hosea-13-5-17]: Kanttekening 17: 17 gekend in de woestijn: Dat is, liefgehad en bezorgd, gelijk Amos 3:2. Zie Ps. 1:6. Amos 3:2: Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^hosea-13-5-18]: Kanttekening 18: 18 heet land: En vervolgens, dor, onvruchtbaar, bovenmate verdrietelijk. Zie Deut. 8:15, en Deut. 32:10. Hebreeuws, land van de hittigheden, of dorrigheden (אֶרֶץ). Deuteronomium 8:15: Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Deuteronomium 32:10: Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
[^hosea-13-6-19]: Kanttekening 19: 19 weide was: Nadat zij uit de woestijn in de vette landstreek van Gilead en verder in het land Kanaän, overvloed van alles bekomen en genoten hebben. Zie Deut. 8:7, 8:8, 8:9, 8:10, en Deut. 32:13, 32:14. Deuteronomium 8:7: Want YHWH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; Deuteronomium 8:8: Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig; Deuteronomium 8:9: Een land, waarin u brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen u koper uithouwen zult. Deuteronomium 8:10: Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u YHWH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Deuteronomium 32:13: Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 32:14: Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken.
[^hosea-13-6-d]: Verwijzing d: Deut. 32:15. Deuteronomium 32:15: Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils.
[^hosea-13-6-20]: Kanttekening 20: 20 hart verheven: Waarvan hen God tevoren gewaarschuwd, en meteen daarom gestraft had. Zie Deut. 8:11 en Deut. 32:15, 32:19, 32:20, enz. Deuteronomium 8:11: Wacht u, dat u YHWH, uw God, niet vergeet, dat u niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; Deuteronomium 32:15: Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen zijns heils. Deuteronomium 32:19: Als YHWH het zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochters. Deuteronomium 32:20: En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.
[^hosea-13-6-e]: Verwijzing e: Hosea 8:14. Hosea 8:14: Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.
[^hosea-13-7-21]: Kanttekening 21: Dat is, Ik onthaalde hen hard en verschrikkelijk; gelijk eerst dikwijls geschied is ten tijde van de richters, door verscheidene omliggende vijanden, daarna als zij van Juda gescheiden waren, door de Assyriër Tiglat-Pilezer, enz. Zie 2 Kon. 15:29. Maar sommigen nemen vers 7 en het volgende in de toekomende tijd, als een voorzegging van de toekomstige verwoesting door Salmanasser. Vergelijk boven Hos. 5:14; Klaagl. 3:10. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. Hosea 13:7: Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg. Hosea 5:14: Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en het huis van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. Klaagliederen 3:10: Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
[^hosea-13-7-22]: Kanttekening 22: 22 loerde Ik op de weg: Vergelijk Jer. 5:6. Jeremia 5:6: Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie daaruit uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
[^hosea-13-8-23]: Kanttekening 23: 23 ontmoette hen: Of, zal hen ontmoeten, en zo in het volgende.
[^hosea-13-8-24]: Kanttekening 24: Vergelijk 2 Sam. 17:8; Spr. 17:12. 2 Samuël 17:8: Verder zei Husai: U kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet overnachten met het volk. Spreuken 17:12: Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.
[^hosea-13-8-25]: Kanttekening 25: 25 slot huns harten: Dat is, hun borst, of hartedeksel, om hun hartebloed te zuigen of te drinken, gelijk verscheurende wilde beesten plegen te doen.
[^hosea-13-8-26]: Kanttekening 26: 26 daar als een oude leeuw: Op de plaats, gelijk men spreekt, of ter plaatse waar zij de vorenverhaalde boosheid bedreven, in Kanaän, of Gilead. Sommigen duiden het voornamelijk op Tiglat-Pilezers inval, 2 Kon. 15:29. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
[^hosea-13-8-27]: Kanttekening 27: 27 het wild gedierte van het veld verscheurde hen: Anders: \[of als\] een \[ander\] wild dier van het veld, \[dat\] hen in tweeën spleet, of kloof. Versta, de wrede heidense vijanden, door wie God aldus met hen gehandeld heeft, of nog handelen wilde.
[^hosea-13-9-28]: Kanttekening 28: 28 Het heeft u bedorven: Te weten uw afgoderij en moedwillige boosheid, waarvan vers 2, 13:6, gesproken is. Anders: hij heeft u bedorven; namelijk Efraïm \[van wie in het voorgaande en volgende gesproken wordt\] heeft Israël \[dat is, de tien stammen\] in het verderf gebracht, door zijn koning \[waarvan in vers 10, en waarop dit ook sommigen duiden. Vergelijk onder Hos. 14:5, 14:6, alwaar hem, Hos. 14:5, staat, en wie het is, in vers 6 verklaard wordt, namelijk Israël. Vergelijk ook boven vers 5, 13:6, zo elders\]. Jerobeam, die met zijn vorsten de tijd van twee en twintig jaren, die hij geregeerd heeft, \[1 Kon. 14:20\] de gruwelijke afgoderij met alle handelingen en geweld gedreven, gevorderd heeft, waardoor niet alleen Efraïm zelf \[gelijk boven vers 1\] gestorven is, maar ook geheel Israël met hem, door zijn Baäls- en kalvendienst, en ook allerlei andere daaraan klevende goddeloosheid, in de dood en het verderf gestort heeft; zie 1 Kon. 14:15, 14:16, en 1 Kon. 15:30, en 2 Kon. 17:21, 17:22, enz., dat niet anders kon uitvallen. Want bij de ware God alleen \[gelijk hier en boven vers 4 beduid wordt\] is alle heil en hulp te zoeken en te vinden, die zij verlatende en elders heil en hulp zoekende, samen bedorven en verloren zijn. Anders: Het is uw verderf, of het heeft u bedorven, o Israël, dat u tegen mij, tegen uw hulp, \[gerebelleerd hebt\]; welke overzetting \[die hier verscheiden valt, in een goede zin\] ook eenvoudig en onstraffelijk is. Hosea 13:2: En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen. Hosea 13:6: Daarna zijn zij, naardat hun weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten. Hosea 13:10: Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten? Hosea 14:5: Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Hosea 14:5: Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. Hosea 13:6: Daarna zijn zij, naardat hun weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten. Hosea 13:5: Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land. Hosea 13:6: Daarna zijn zij, naardat hun weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten. 1 Koningen 14:20: De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. Hosea 13:1: Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de Baäl en is gestorven. 1 Koningen 14:15: YHWH zal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde van de rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, YHWH tot toorn verwekkende. 1 Koningen 14:16: En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen. 1 Koningen 15:30: Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij YHWH, de God van Israël, getergd had. 2 Koningen 17:21: Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter YHWH, en hij deed ze een grote zonde zondigen. 2 Koningen 17:22: Zo wandelden de kinderen van Israël in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af; Hosea 13:4: Ik ben toch YHWH, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt u geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.
[^hosea-13-9-29]: Kanttekening 29: En ziet in uw Baäls, gouden kalven, koningen, vorsten, helden, vastigheden, verbonden, overvloed en rijkdom, enz., waarin u, naar Efraïms voorbeeld en raad, uw heil gesteld hebt.
[^hosea-13-9-30]: Kanttekening 30: 30 is uw hulp: Hebreeuws eigenlijk, in mij, in uw hulp. Van zulke overtolligheid van de Hebreeuwse letter Beth, zie Ps. 54:6. Of aldus: Maar in mij is \[dat\] tot uw hulp \[dient of strekken kan\]. Psalmen 54:6: Ziet, God is mij een Helper; de Heer is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
[^hosea-13-10-32]: Kanttekening 32: Op wie u u verlaten hebt, menende dat hij u genoeg behouden zou. Zo bespot de Heer hun ijdel vertrouwen, sprekende van het toekomende alsof het tegenwoordig ware. Vergelijk boven Hos. 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^hosea-13-10-33]: Kanttekening 33: Aldus wordt het Hebreeuwse woord Epho ook gebruikt voor nu, of dan, tot aanvulling van een rede, Job 9:24, en Job 17:15, en Job 19:6; Jes. 19:12, en Jes. 22:1. Anders: Ik zal, of zou uw koning zijn, waar is \[een ander?\] dat hij u, enz., of die u behoude, enz., of Ik zal er zijn, \[maar\] waar is uw koning, enz. Alsof God zei: Ik ben en blijf eeuwig dezelfde, \[zie Ex. 3:14\], waarom u bij mij uw hulp en heil behoorde gezocht te hebben; maar u hebt vertrouwd op uw koning, die nu nergens voorhanden is. Vergelijk boven Hos. 10:15. Job 9:24: De aarde wordt gegeven in de hand van de goddelozen; Hij overdekt het aangezicht van haar rechteren; zo niet, wie is Hij dan? Job 17:15: Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? Job 19:6: Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. Jesaja 19:12: Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat YHWH van de legermachten beraadslaagd heeft tegen Egypte. Jesaja 22:1: De last van het dal van het gezicht. Wat is u nu, dat u altegader op de daken klimt? Exodus 3:14: En God zei tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Zo zult u tot de kinderen van Israël zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot u gezonden! Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^hosea-13-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, regenten, die de koning zouden bijstaan om u te beschermen.
[^hosea-13-10-35]: Kanttekening 35: Ten tijde van de profeet Samuël. Zie 1 Sam. 8:5; tenzij die van Efraïm dergelijke woorden, volgens hun trotsheid, mochten hebben gebruikt ten tijde van Rehabeam, als zij zich van Juda afscheurden en een eigen koning over de tien stammen maakten, dat God door zijn verborgen raad zo geschikt heeft, en verklaard dat Hij het gedaan heeft \[1 Kon. 11:31, 11:35\], hoewel de schuld van het volk daarom niet te minder is geweest. 1 Samuël 8:5: En zij zeiden tot hem: Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. 1 Koningen 11:31: En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt YHWH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. 1 Koningen 11:35: Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
[^hosea-13-10-31]: Kanttekening 31: 31 Waar is uw: Zie van het Hebreeuwse woord, vers 14. Hosea 13:14: Maar Ik zal hen van het geweld van het dodenrijk verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,
[^hosea-13-11-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Sam. 8:7, 8:8; 1 Kon. 11:33; boven Hos. 8:4. 1 Samuël 8:7: Maar YHWH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. 1 Samuël 8:8: Naar de werken, die zij gedaan hebben, van die dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; zo doen zij u ook. 1 Koningen 11:33: Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
[^hosea-13-11-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 8:5; 1 Sam. 15:23; 1 Sam. 16:1. 1 Samuël 8:5: En zij zeiden tot hem: Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. 1 Samuël 15:23: Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u van YHWH woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. 1 Samuël 16:1: Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.
[^hosea-13-11-38]: Kanttekening 38: 38 hem weg in Mijn verbolgenheid: Saul; zie 1 Sam. 15:23, en 1 Sam. 16:1, en 1 Sam. 31:4, 31:6. Sommigen zetten het over: Ik zal \[hem\] wegnemen, enz., duidende dit op de laatste koning van de tien stammen, Hosea, die van Salmanasser is overheerd, en in welke het koninkrijk van Israël een einde heeft genomen, 2 Kon. 17. Vergelijk boven Hos. 10:3, 10:7, 10:15. Anderen verstaan het in het algemeen van de koningen van de tien stammen, met welke God hier te doen heeft, \[vergelijk boven Hos. 7:16, en Hos. 8:4\], en zetten het over: Ik geef een koning, enz. en neem \[hem\] enz. 1 Samuël 15:23: Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van YHWH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. 1 Samuël 16:1: Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 1 Samuël 31:4: Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. 1 Samuël 31:6: Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen? Hosea 10:7: De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland. Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
[^hosea-13-11-36]: Kanttekening 36: Saul. Sommigen duiden het op de eerste koning van de tien stammen, Jerobeam, die uit Efraïm was en Israël bedorven heeft, gelijk boven is aangetekend.
[^hosea-13-12-40]: Kanttekening 40: Als in een bundel of zak geknoopt, verzegeld en \[om zo te spreken\] in Gods griffie of schatkamer opgelegd, om op zijn tijd te voorschijn gehaald, ontdekt, geoordeeld en gestraft te worden. Vergelijk Job 14:17; Klaagl. 1:14; Deut. 32:34, en zie de aantekening daar. Job 14:17: Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en U pakt mijn ongerechtigheid opeen. Klaagliederen 1:14: Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; YHWH heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan. Deuteronomium 32:34: Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
[^hosea-13-12-39]: Kanttekening 39: 39 Efraïms ongerechtigheid: Waarvan boven vers 9, enz. Hosea 13:9: Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uw hulp.
[^hosea-13-13-42]: Kanttekening 42: Dat is, als een zeer onvernuftig, of verkeerd, misstaltig kind, dat tot de geboorte niet arbeidt, en zichzelven \[om zo te spreken\] in de weg is.
[^hosea-13-13-43]: Kanttekening 43: 43 want anders: Of aldus: want hij staat niet tijdig of ter rechter tijd, in de voortbreking van de kinderen, dat is, baarmoeder, of arbeid tot de geboorte. Vergelijk 2 Kon. 19:3, en zie de aantekening daar. Sommigen verstaan het van de stoel, waar de barende vrouw op zit. De zin is, dat Efraïm, inplaats dat hij intijds zijn nakend verderf door boetvaardigheid zou voorkomen, blijft, tegen alle vermaningen, waarschuwingen en dreigementen, in zijn boosheid en onboetvaardigheid steken, gelijk een kind in de geboorte, dat zichzelf en zijn moeder om hals brengt, daar toch de kleinste onvernuftige creaturen het gevaar in deze door natuurlijk ingeven weten te ontgaan. 2 Koningen 19:3: En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.
[^hosea-13-13-41]: Kanttekening 41: 41 Smarten van een barende vrouw: Dat is, zeer grote nood en bangheid, gelijk elders dikwijls.
[^hosea-13-14-45]: Kanttekening 45: 45 geweld van het dodenrijk verlossen: Hebreeuws, van de hand van het dodenrijk (יַּד); dat is, van het graf. Zie Job 5:20; Ps. 49:16. De zin is: Ik zal mijn uitverkoren Israël door de Messias Jezus Christus, verlossen van al hun geestelijke vijanden en uit de dood, die het geweld over hen had door de zonde, doen opstaan tot de heerlijkheid van het eeuwige leven. Zie 1 Kor. 15:54, 15:55. Job 5:20: In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. Psalmen 49:16: Maar God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 1 Korinthiërs 15:54: En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 1 Korinthiërs 15:55: Dood, waar is uw prikkel? Dodenrijk, waar is uw overwinning?
[^hosea-13-14-46]: Kanttekening 46: 46 waar zijn: Nergens \[wil God zeggen\]; zij zijn nergens te vinden, als zijnde ten enenmale vernield. Met deze aanspraak bespot God de dood en het graf, als triomferende over hun nederlaag \[vergelijk Jes. 25:8\]. Het Hebreeuwse woord is hier tweemaal \[gelijk ook boven vers 10\] overgezet, waar? uit 1 Kor. 15:55, alwaar de apostel deze plaats zo aantrekt en verklaart, gelijk de Griekse overzetters \[en de Chaldeeuwse ook, vers 10\] hadden gedaan, en sommigen van de Hebreën zelf voor goed kennen. Anderen ook wel aldus: Dood, Ik zal uw pestilentie zijn, graf, Ik zal uw verderf zijn. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Hosea 13:10: Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten? 1 Korinthiërs 15:55: Dood, waar is uw prikkel? Dodenrijk, waar is uw overwinning? Hosea 13:10: Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zeide: Geef mij een koning en vorsten?
[^hosea-13-14-g]: Verwijzing g: Jes. 25:8; 1 Kor. 15:55. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. 1 Korinthiërs 15:55: Dood, waar is uw prikkel? Dodenrijk, waar is uw overwinning?
[^hosea-13-14-47]: Kanttekening 47: 47 uw pestilentiën: Dat is, waar is al uw vergif, of uw sterke pestilentie, waarmee u over mijn volk heerste? Het veelvoudig getal dient tot vergroting of verzwaring, gelijk elders.
[^hosea-13-14-48]: Kanttekening 48: Of, vernieling, verdelging, afsnijding, afhouwing. Een dergelijk Hebreeuws woord is Deut. 32:24; Ps. 91:6; Jes. 28:2. Deuteronomium 32:24: Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen van het stof. Psalmen 91:6: Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op de middag verwoest. Jesaja 28:2: Ziet, de Heer heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort van het verderf; gelijk een vloed van de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.
[^hosea-13-14-49]: Kanttekening 49: Dat is, het zal mij van dit genadebesluit nimmermeer berouwen, Ik zal het zekerlijk volbrengen; wat voor Gods ogen verborgen is, dat is er niet, zo zal er dan geen berouw bij God in deze zijn.
[^hosea-13-14-44]: Kanttekening 44: 44 Maar Ik zal hen: Hier voegt de Heer opnieuw tussen in een schone Evangelische genadebelofte, tot troost van zijn uitverkorenen en boetvaardigen. Vergelijk boven Hos. 12:10, 12:11 met de aantekening. Alsof de Heer zei: De ontrouw en langwijlige onboetvaardigheid van het volk zal evenwel mijn trouw en de waarheid mijner verbondsbeloften niet beletten, noch breken. Zie Rom. 3:3, en Rom. 11:1, enz. Hosea 12:10: Maar Ik ben YHWH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst; Hosea 12:11: En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door de dienst van de profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen. Romeinen 3:3: Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Romeinen 11:1: Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
[^hosea-13-15-51]: Kanttekening 51: Hier keert de profeet weer tot de strafpredikatie. Vergelijk boven Hos. 12:12. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden.
[^hosea-13-15-52]: Kanttekening 52: 52 oostenwind komen: Versta, de Assyriër, of de verwoesting, die hij zou aanrichten. Vergelijk Ez. 19:12, en boven Hos. 4:19, en Hos. 12:2. Ezechiël 19:12: Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd. Hosea 4:19: Een wind heeft haar gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-13-15-53]: Kanttekening 53: 53 van YHWH: Die de Heer door zijn rechtvaardig oordeel tot Efraïms straf verwekken zal, om hem te verstrooien, totdat hen Christus weer vergadere.
[^hosea-13-15-54]: Kanttekening 54: 54 uit de woestijn: En dienvolgens geweldig, onverhinderd en glad doorgaande.
[^hosea-13-15-55]: Kanttekening 55: Van Efraïm, en van de andere stammen, die zijn kwaad voorbeeld navolgden.
[^hosea-13-15-56]: Kanttekening 56: 56 springader zal uitdrogen: Dat is, van al zijn vermogen en rijkdom, die hij door Gods zegen heeft, zal hij beroofd worden, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^hosea-13-15-57]: Kanttekening 57: Te weten, wind, dat is, de vijand, de Assyriër, die bij die oostenwind vergeleken is.
[^hosea-13-15-58]: Kanttekening 58: Gelijk Nah. 2:9. Nahum 2:9: Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde van de voorraad, van de heerlijkheid van allerlei gewenste vaten.
[^hosea-13-15-59]: Kanttekening 59: 59 huisraad roven: Van het Hebreeuwse woord, zie Lev. 15:4, en Ez. 16:17. Leviticus 15:4: Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. Ezechiël 16:17: Daartoe hebt u genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt daarmee gehoereerd.
[^hosea-13-15-50]: Kanttekening 50: 50 hij zal vrucht voortbrengen: Efraïm, hoe ongezien en ongelooflijk het nu schijnt te zijn, zal nochtans in mijn kerk geplant zijnde, als een goede boom, nog goede vruchten voortbrengen, dat is, boetvaardig en gelovig geworden zijnde, goede werken doen. Zie Matt. 3:8, enz. Deze belofte slaat zeer aardiglijk op de gelijkheid van het Hebreeuwse woord Jafri, dat is, hij zal vrucht dragen, of vruchtbaar maken, en van de naam Efraïm. Hij, \[de Messias, Efraïms Verlosser, van wie in het voorgaande gesproken is\] Hij zal \[hem\] \[Efraïm\] vruchtbaar maken. Verstaande ook verder het volgende tot aan het einde van dit hoofdstuk van Christus' geweld en macht tegen zijn en zijn kerke voorzeide vijanden. Mattheüs 3:8: Brengt dan vruchten voort, de bekering waard.

### Hosea 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hosea/14.json)

*Israël wordt vermaand tot ware bekering, en geleerd hoe zij die zullen betuigen, vers 1, enz. met schone beloften over de toekomstige genade en zegeningen onder de Messias, 4. Vermaning tot ijverig opmerken, betrachten en nakomen van deze en alle goddelijke leringen, 10.*

**1** [^hosea-14-1-1] Samaria zal woest worden, want zij is opstandig geweest tegen haar God;[^hosea-14-1-2] zij zullen door het zwaard vallen, hun[^hosea-14-1-3] kinderen zullen[^hosea-14-1-a] verpletterd, en[^hosea-14-1-4] hun zwangere vrouwen[^hosea-14-1-5] zullen opengesneden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v1)

**2** [^hosea-14-2-b] Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God,[^hosea-14-2-6] toe; want u bent[^hosea-14-2-7] gevallen om uw ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v2)

**3** Neem[^hosea-14-3-8] deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem:[^hosea-14-3-9] Neem weg alle ongerechtigheid, en[^hosea-14-3-10] geef het[^hosea-14-3-11] goede, zo zullen wij[^hosea-14-3-12] betalen de[^hosea-14-3-13] stieren van onze[^hosea-14-3-c] lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v3)

**4** [^hosea-14-4-14] Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet[^hosea-14-4-15] rijden op[^hosea-14-4-16] paarden, en tot het[^hosea-14-4-17] werk van onze handen niet meer zeggen: U bent onze[^hosea-14-4-18] God.[^hosea-14-4-19] Immers zal een[^hosea-14-4-20] wees bij U ontfermd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v4)

**5** [^hosea-14-5-21] Ik zal hun afkering[^hosea-14-5-22] genezen, Ik zal[^hosea-14-5-23] hen vrijwillig liefhebben; want Mijn toorn is van[^hosea-14-5-24] hem gekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v5)

**6** [^hosea-14-6-25] Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortels uitslaan als de[^hosea-14-6-26] Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v6)

**7** Zijn scheuten zullen zich[^hosea-14-7-27] uitspreiden, en[^hosea-14-7-28] zijn heerlijkheid zal zijn als van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v7)

**8** [^hosea-14-8-29] Zij zullen terugkeren, zittende onder[^hosea-14-8-30] zijn schaduw; zij zullen ten[^hosea-14-8-31] leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok;[^hosea-14-8-32] zijn herinnering zal zijn als de wijn van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v8)

**9** [^hosea-14-9-33] Efraïm![^hosea-14-9-34] wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb[^hosea-14-9-35] hem verhoord, en zal op hem[^hosea-14-9-36] zien; Ik zal hem zijn als een groenende[^hosea-14-9-37] denneboom; uw[^hosea-14-9-38] vrucht is uit Mij gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v9)

**10** [^hosea-14-10-39] Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die[^hosea-14-10-40] bekenne ze; want de wegen van YHWH[^hosea-14-10-41] zijn[^hosea-14-10-42] recht, en de rechtvaardigen zullen daarin[^hosea-14-10-43] wandelen, maar de[^hosea-14-10-44] overtreders zullen daarin vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hosea/14.html#v10)

[^hosea-14-1-1]: Kanttekening 1: 1 zal woest worden: Zo de hoofdstad als het omliggende land. Zie 1 Kon. 13:32, en 1 Kon. 16:24. Dit vers behoort nog tot het voorgaande hoofdstuk; zie de vervulling van deze profetie, 2 Kon. 17:5, 17:6, enz. 1 Koningen 13:32: Want de zaak zal gewisselijk gebeuren, die hij door het woord van YHWH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria zijn. 1 Koningen 16:24: En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria. 2 Koningen 17:5: Want de koning van Assyrië toog op in het gehele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
[^hosea-14-1-2]: Kanttekening 2: 2 zij zullen door het zwaard vallen: De inwoners.
[^hosea-14-1-3]: Kanttekening 3: Zie van het Hebr. woord Ps. 8:3. Psalmen 8:3: Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^hosea-14-1-a]: Verwijzing a: Hosea 10:14. Hosea 10:14: Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-arbel verstoorde op de dag van de krijgs; de moeder werd verpletterd met de zonen.
[^hosea-14-1-4]: Kanttekening 4: 4 hun zwangere vrouwen: Van Samaria.
[^hosea-14-1-5]: Kanttekening 5: 5 opengesneden worden: Verg. Hos. 13:8. Hosea 13:8: Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze daar als een oude leeuw; het wild gedierte van het veld verscheurde hen.
[^hosea-14-2-b]: Verwijzing b: Hosea 12:7. Hosea 12:7: U dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God.
[^hosea-14-2-6]: Kanttekening 6: Zie van deze manier van spreken, zich tot God toe bekeren, Joel 2:12. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
[^hosea-14-2-7]: Kanttekening 7: Verg. Hos. 4:5, en Hos. 5:5. Hosea 4:5: Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.
[^hosea-14-3-8]: Kanttekening 8: 8 woorden met u: Versta, de belijdenis van uw zonden met vurige en gelovige gebeden om genade, en oprechte beloften van dankbaarheid, waarvan het voorschrift volgt.
[^hosea-14-3-9]: Kanttekening 9: 9 Neem weg alle ongerechtigheid: Dat is, vergeef, reken niet toe. Zie Ps. 25:18, en Ps. 32:1. Psalmen 25:18: Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. Psalmen 32:1: Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
[^hosea-14-3-10]: Kanttekening 10: 10 geef het: Hebr. neem, dat is, neem en geef, neem om ons te geven, of onder ons uit te delen, breng aan. Zie Gen. 12:15, en Gen. 24:22, en Ps. 68:19. Anders: ontvang \[ons\] goediglijk, of neem het goede aan; dat is zie aan, of ontvang genadiglijk onze bekering en goede werken, die wij als wedergeboren kinderen doen. Genesis 12:15: Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds. Psalmen 68:19: U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o YHWH God!
[^hosea-14-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, allerlei geestelijken en lichamelijken zegen, of goeddaden, weldaden; zie Matt. 7:11; vergeleken met Luk. 11:13. Mattheüs 7:11: Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden! Lukas 11:13: Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven dengenen, die Hem bidden?
[^hosea-14-3-12]: Kanttekening 12: Voor uw onverdiende ganade zullen wij u bewijzen onze schuldige dankbaarheid.
[^hosea-14-3-13]: Kanttekening 13: 13 varren onzer lippen: Of aldus: Varren, \[te weten de varren, of jonge ossen\] onzer lippen. Anders: varren \[met\] onze lippen; alsof zij zeiden: Wij weten wel dat U met het slachten en offeren van de beesten niet tevreden bent, daarom zullen wij U offeren de geestelijke offeranden van lof en dankzegging. Zie Ps. 50:14, en Ps. 69:31, 69:32, en Ps. 116:12, 116:13; Hebr. 13:15, enz. Psalmen 50:14: Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 69:31: Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. Psalmen 69:32: En het zal YHWH aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt. Psalmen 116:12: Wat zal ik YHWH vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Psalmen 116:13: Ik zal de beker van de verlossingen opnemen, en de Naam van YHWH aanroepen. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^hosea-14-3-c]: Verwijzing c: Hebr. 13:15. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lofs, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^hosea-14-4-14]: Kanttekening 14: 14 Assur zal ons niet behouden: Wij zullen ons heil en onze welvaart niet meer bij mensen of buiten U zoeken, want zulks is ijdelheid, ja ons verderf; zie Hos. 12:2, enz. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-14-4-15]: Kanttekening 15: Wij zullen ons vertrouwen niet meer stellen op menselijke middelen, niet meer hier en daar reizen om verbond en hulp. Verg. Hos. 5:13, en Hos. 7:11, en Hos. 12:2. Hosea 5:13: Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. Hosea 7:11: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur. Hosea 12:2: Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de ganse dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
[^hosea-14-4-16]: Kanttekening 16: Hber. paard.
[^hosea-14-4-17]: Kanttekening 17: 17 werk onzer handen: De afgodische beelden; zie Hos. 13:1, 13:2, enz. Hosea 13:1: Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de Baäl en is gestorven. Hosea 13:2: En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.
[^hosea-14-4-18]: Kanttekening 18: Of, goden.
[^hosea-14-4-19]: Kanttekening 19: Zo wordt het Hebr. woord ook gebruikt, 1 Sam. 15:20. Anders: watn toch, of dat toch, enz., biddenderwijze. 1 Samuël 15:20: Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem van YHWH gehoord, en heb gewandeld op de weg, op denwelken mij YHWH gezonden heeft; en ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, mee gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen.
[^hosea-14-4-20]: Kanttekening 20: 20 wees bij U ontfermd worden: Een zeer bewegenlijk besluit van dit boetvaardig en gelovig gebed, waarmee zij bekennen dat er voor hen nergens enig heil is dan bij God alleen, aangezien zij op aarde \[als een weeskind\] van alle menselijke hulp verlaten zijn, en vertrouwen dat God zulke weesjes, tot Hem om genade huilende, niet zal verstoten; verg. Klaagl. 5:3, en Ps. 10:14, en Ps. 68:6, en Ps. 146:9; Joh. 14:18. Klaagliederen 5:3: Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. Psalmen 10:14: U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees. Psalmen 68:6: Hij is een Vader van de wezen, en een Rechter van de weduwen; God, in de woonstede Zijn heiligheid. Psalmen 146:9: YHWH bewaart de vreemdelingen; Hij houdt de wees en de weduwe staande; maar de goddelozen weg keert Hij om. Johannes 14:18: Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weer tot u.
[^hosea-14-5-21]: Kanttekening 21: 21 Ik zal hun: Een zeer lieflijk en vaderlijk antwoord en belofte van God, op het voorgaande boetvaardig gebed.
[^hosea-14-5-22]: Kanttekening 22: Vergevende al hun kwaad, en gevende mijn goed, gelijk zij begeerd hebben, vers 3; zie Ps. 30:3. Hosea 14:3: Neem deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen. Psalmen 30:3: YHWH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen.
[^hosea-14-5-23]: Kanttekening 23: 23 vrijwilliglijk liefhebben: Of, mildelijk, uit goeder harte \[gelijk men zegt\]. Verg. Deut. 30:9; Jer. 32:41, 32:42; Joh. 16:26, 16:27, en zie van het Hebr. woord Lev. 7:16; Job 12:21. Deuteronomium 30:9: En YHWH, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk van uw hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede; want YHWH zal terugkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft; Jeremia 32:41: En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn gehele hart en met Mijn gehele ziel. Jeremia 32:42: Want zo zegt YHWH: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, zo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke. Johannes 16:26: In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; Johannes 16:27: Want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan. Leviticus 7:16: En zo het slachtoffer van zijn offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook van de anderen daags gegeten worden. Job 12:21: Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen.
[^hosea-14-5-24]: Kanttekening 24: 24 hem gekeerd: Namelijk Israël, die meteen in het volgende vers genoemd wordt, en zie vers 2. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid.
[^hosea-14-6-25]: Kanttekening 25: 25 Ik zal Israël zijn als de dauw: Deze beloften, afbeeldende, door schone gelijkenissen, de genade van Jezus Christus en de overvloed van de gaven van de Heilige Geest, behoren allen tot het nieuwe genadeverbond, gegrond in de Messias, onze Heer Jezus Christus, in wie alle beloften ja en amen zijn, 2 Kor. 1:20, toebehorende het gehele Israël, dat is, aan de gehele kerk van de gelovige Israëlieten en heidenen. Verg. Hos. 13:14. 2 Korinthiërs 1:20: Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons. Hosea 13:14: Maar Ik zal hen van het geweld van het dodenrijk verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,
[^hosea-14-6-26]: Kanttekening 26: Dat is, de bomen die op de Libanon staan, \[zo in vers 7\], alwaar de welriekende wierook, wast, waarvan men houdt dat deze berg zijn naam heeft; want Lebona heet wierook, en deze berg heet in het Hebr. Lebanon. Hosea 14:7: Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon.
[^hosea-14-7-27]: Kanttekening 27: Hebr. gaan.
[^hosea-14-7-28]: Kanttekening 28: 28 zijn heerlijkheid: Verg. Jes. 60:13; Jer. 11:16; Ez. 31:3, 31:7, 31:8, 31:9. Jesaja 60:13: De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Jeremia 11:16: YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om hem aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden. Ezechiël 31:3: Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken. Ezechiël 31:7: Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid van zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.
[^hosea-14-8-29]: Kanttekening 29: 29 Zij zullen terugkeren: De ware Israëlieten zullen zich bekeren, waartoe zij vermaand zijn, zie vers 2. Anders: zij zullen opnieuw zitten. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid.
[^hosea-14-8-30]: Kanttekening 30: 30 zijn schaduw: Onder de vaderlijke beschutting van de Heer zich verkwikkende en zeker zijnde; zie Ruth 2:12; Ps. 91:1. Ruth 2:12: YHWH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van YHWH, de God van Israël, onder Wiens vleugelen u gekomen bent om toevlucht te nemen! Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
[^hosea-14-8-31]: Kanttekening 31: 31 leven voortbrengen: Dat is, vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen; versta dit in het bijzonder van de geestelijke vruchten, die zij als nieuwe en wedergeboren mensen zullen voortbrengen door de kracht van de Heilige Geest, die ons levend maakt ten goede. Verg. Ps. 72:16, en zie de aantekening daar. Psalmen 72:16: Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde.
[^hosea-14-8-32]: Kanttekening 32: 32 zijn gedachtenis: De bekeerde Israëls gedachtenis; dat is, naam, faam, gerucht, zal zo aangenaam en welriekend zijn als de edelste wijn van Libanon. Anders: zijn welriekendheid, of reuk, omdat het Hebr. woord, betekenende gedachtenis, somtijds voor reuk schijnt genomen te worden, gelijk een lieflijk reukwerk iemand doet gedenken. Zie Jes. 66:3; idem Lev. 2:2, 2:9; Num. 5:26, en Ps. 20:4, met de aantekening. Sommigen duiden het op de gedachtenis van God, die zeer lieflijk en aangenaam zal zijn bij de gelovige, vanwege zijn overgrote genade. Jesaja 66:3: Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Leviticus 2:2: En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Leviticus 2:9: En de priester zal van dat spijsoffer zijn gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk voor YHWH. Numeri 5:26: De priester zal ook van dat spijsoffer, zijn gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven. Psalmen 20:4: Hij gedenke al uw spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.
[^hosea-14-9-33]: Kanttekening 33: Dit kan men nemen als woorden van God, die zich zonderling laat gevallen gelijk iemand die verblijd is, dat Efraïm alle afgoderij verworpen heeft en hem daarmee niet meer lastig valt of omsingelt, gelijk tevoren. Zie Hos. 12:1, enz. Of men kan het nemen voor woorden van de bekeerden Efraïm, aldus: Efraïm zal zeggen enz. Hosea 12:1: Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw.
[^hosea-14-9-34]: Kanttekening 34: 34 wat heb ik meer met de afgoden te doen: Hebr. wat is mij en de afgoden. Zie 2 Sam. 16:10, en van het woord afgoden, in Hos. 8:4. 2 Samuël 16:10: Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want YHWH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? Hosea 8:4: Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
[^hosea-14-9-35]: Kanttekening 35: 35 hem verhoord: Dit schijnt te zien op het gebed in vers 3, 14:4. Anders: Ik zal hem verhoren, of Ik verhoor en aanschouw, of aanzie hem. Hosea 14:3: Neem deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen. Hosea 14:4: Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.
[^hosea-14-9-36]: Kanttekening 36: 36 op hem zien: Mijn ogen zullen steeds op hem zijn, ten goede, Ik zal mijn aangezicht voor hem niet verbergen. Zie Jer. 24:6, gelijk Ik tevoren op hem loerde ten kwade, Hos. 13:7. Anders: Ik heb hem aangezien; te weten genadiglijk, of op hem gelet. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Hosea 13:7: Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg.
[^hosea-14-9-37]: Kanttekening 37: 37 als een groenende denneboom: Die zijn groenigheid, of zijn loof, gelijk de kruidbeschrijvers betuigen de ganse winter door houdt, en met een lieflijke grote schaduw verkwikt; zo wil God zeggen zal Ik hen verkwikken tegen de hitte aller tegenspoeden en vervolgingen.
[^hosea-14-9-38]: Kanttekening 38: 38 uit Mij gevonden: Waarvan in Hos. 13:15. Dat is, door mijn genadige en krachtige werking zult u zeer vruchtbaar zijn ten goede, uw vrucht zal er gewis zijn. Zie Joh. 15:1, enz.; Ps. 1:3, enz.; en verg. in vers 6, 14:7, 14:8, en aangaande het woord gevonden, of niet gevonden worden, verg. Micha 1:13; Zef. 3:13; Mal. 2:6; 1 Petr. 2:22; idem Num. 11:22; Ps. 46:2. Hosea 13:15: Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er zal een oostenwind komen, een wind van YHWH, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen; diezelve zal de schat van alle gewenste huisraad roven. Johannes 15:1: Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Psalmen 1:3: Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Hosea 14:6: Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon. Hosea 14:7: Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. Hosea 14:8: Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon. Micha 1:13: Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van Lachis! (deze is van de dochter van Sion het begin van de zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden. Zefanja 3:13: De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken. Maleachi 2:6: De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. 1 Petrus 2:22: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; Numeri 11:22: Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij? Psalmen 46:2: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
[^hosea-14-10-39]: Kanttekening 39: 39 Wie is wijs: Een schoon besluit van deze profetie, en in het bijzonder van dit hoofdstuk, en van de voorgaande Evangelische leringen en beloften. De zin is: dat de ware wijsheid hierin bestaat, en die wijs willen zijn, dat zij dit moeten verstaan en weten, en zich daarnaar regelen; anders zullen zij dwaas zijn in al hun wijsheid. Zie 1 Kor. 1:18, 1:19, enz., en 1 Kor. 2:2, enz.; en wat deze manier van vragen betreft, verg. Deut. 20:5, 20:6, 20:7, 20:8; Ps. 25:12, en Ps. 34:13, en Ps. 107:43. Anders: klagenderwijze aldus: Wie is wijs en verstaat deze dingen? verstandig en weet ze? alsof de profeet zei: Zeer weinig zijn er, die deze wijsheid hebben. Verg. Jer. 9:12. 1 Korinthiërs 1:18: Want het woord van het kruis is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God; 1 Korinthiërs 1:19: Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken. 1 Korinthiërs 2:2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. Deuteronomium 20:5: Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. Deuteronomium 20:6: En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en zijn vrucht niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete. Deuteronomium 20:7: En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in die strijd sterve, en een ander man haar neme. Deuteronomium 20:8: Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart. Psalmen 25:12: Mem. Wie is de man, die YHWH vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen. Psalmen 34:13: Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Psalmen 107:43: Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandig letten op de goedertierenheden van YHWH. Jeremia 9:12: Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wie heeft de mond van YHWH gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat?
[^hosea-14-10-40]: Kanttekening 40: 40 bekenne ze: Of, weet ze.
[^hosea-14-10-41]: Kanttekening 41: Zijn lering en regering. Zie Gen. 18:19, en Ps. 25:4; idem Deut. 32:4; Ps. 25:10. Genesis 18:19: Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. Psalmen 25:4: Daleth. YHWH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Deuteronomium 32:4: Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Psalmen 25:10: Caph. Alle paden van YHWH zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
[^hosea-14-10-42]: Kanttekening 42: Verg. Ps. 7:11, en Ps. 19:9. Psalmen 7:11: Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt. Psalmen 19:9: De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen.
[^hosea-14-10-43]: Kanttekening 43: Met genoegen lust en vreugde. Zie Ps. 119; Matt. 11:30; 1 Joh. 5:3, enz. Mattheüs 11:30: Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht. 1 Johannes 5:3: Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. Johannes 5:3: Daarin lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering van het water.
[^hosea-14-10-44]: Kanttekening 44: Of, afvalligen, zullen zich daaraan ergeren, stoten, sneuvelen en vervallen. Zie Jes. 8:14, en Hos. 7:13; Luk. 2:34; 2 Kor. 2:16, enz. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Hosea 7:13: Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. 2 Korinthiërs 2:16: Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?

## Joël

### Joël 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/joel/1.json)

*De profeet stelt het volk, op Gods bevel, de gruwelijke landplaag van allerlei ongedierte voor, en vermaant hen tot ontwaken en het overdenken daarvan, verzen 1, 2, enz. evenzo tot treuren en weeklagen, 8. beveelt te vasten en te bidden, 14.*

**1** Het woord van YHWH, dat gebeurd is tot Joël, de zoon van Pethuël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v1)

**2** Hoor dit, u[^joel-1-2-1] oudsten! en neem ter ore, alle inwoners van het land! Is[^joel-1-2-2] dit gebeurd in uw dagen, of ook in de dagen van uw[^joel-1-2-3] vaders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v2)

**3** [^joel-1-3-4] Vertel uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en van die kinderen aan een[^joel-1-3-5] ander geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v3)

**4** Wat de[^joel-1-4-6] rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v4)

**5** Waak op, u dronkenen! en weent, en huilt, alle u wijnzuipers! om de nieuwe wijn, omdat[^joel-1-5-7] hij van uw mond is afgesneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v5)

**6** Want een[^joel-1-6-8] volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn[^joel-1-6-9] tanden zijn leeuwentanden, en het heeft de baktanden van een oude leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v6)

**7** [^joel-1-7-10] Het heeft[^joel-1-7-11] mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot[^joel-1-7-12] schuim; het heeft hem geheel ontbloot en neergeworpen, zijn ranken zijn[^joel-1-7-13] wit geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v7)

**8** [^joel-1-8-14] Kermt, als een jonkvrouw, die met een[^joel-1-8-15] zak omgord is vanwege de[^joel-1-8-16] man van haar jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v8)

**9** [^joel-1-9-17] Voedseloffer en drankoffer is van het huis van YHWH afgesneden; de priesters, het dienaren van YHWH,[^joel-1-9-18] treuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v9)

**10** Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de nieuwe wijn is[^joel-1-10-19] verdroogd, de olie is[^joel-1-10-20] flauw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v10)

**11** [^joel-1-11-21] De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de[^joel-1-11-22] tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v11)

**12** De wijnstok is[^joel-1-12-23] verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de[^joel-1-12-24] vrolijkheid is[^joel-1-12-25] verdord van de mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v12)

**13** [^joel-1-13-26] Omgord u, en rouwklaagt, u priesters! huil, u dienaren van het altaar! ga in, overnacht in zakken, u dienaren van mijn God! want[^joel-1-13-27] voedseloffer en drankoffer is geweerd van het huis van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v13)

**14** [^joel-1-14-28][^joel-1-14-a] Heilig een vasten, roept een[^joel-1-14-29] verbodsdag uit, verzamelt de[^joel-1-14-30] oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, van uw God, en roept tot YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v14)

**15** [^joel-1-15-31] Ach, die dag! want[^joel-1-15-b] de[^joel-1-15-32] dag van YHWH is[^joel-1-15-33] nabij, en zal als een verwoesting komen van de[^joel-1-15-34] Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v15)

**16** Is niet het voedsel voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het[^joel-1-16-35] huis van onze God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v16)

**17** De[^joel-1-17-36] granen zijn onder hun kluiten verrot, de[^joel-1-17-37] schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v17)

**18** O, hoe zucht het[^joel-1-18-38] vee,[^joel-1-18-39] de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de[^joel-1-18-40] schaapskudden verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v18)

**19** Tot U, o YHWH! roep ik; want een[^joel-1-19-41] vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v19)

**20** Ook[^joel-1-20-42] schreeuwt[^joel-1-20-43] elk beest van het veld tot U; want de waterstromen[^joel-1-20-44] zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/1.html#v20)

[^joel-1-2-1]: Kanttekening 1: Die in Juda de regering hebt en ervarenheid van zaken en tijden; zie Ex. 3:16, en Lev. 14:15, met de aantekening. Of slechts, u ouden van jaren, die meer beleefd hebt dan jongen of die van middelmatigen ouderdom zijn. Exodus 3:16: Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: YHWH, de God van uw vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u getrouwelijk bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; Leviticus 14:15: De priester zal ook uit de log van de olie nemen, en zal ze op de linkerhand van de priester gieten.
[^joel-1-2-2]: Kanttekening 2: 2 Is dit geschied: Weet u, gedenkt u, van zulk een plaag, als in het volgende verhaald wordt?
[^joel-1-2-3]: Kanttekening 3: Ex. 10:4, 10:5, 10:6, 10:14, 10:15, wordt ook van een gruwelijke plaag van de sprinkhanen over de Egyptenaars verhaald, maar die duurde zo lang niet, en er waren zoveel soorten niet van dat vernielend gedierte als hier in het land van Juda, het een achter het ander; hoewel de verstoktheid van het volk zo groot was, dat zij weinig gevoel daarvan hadden tot bekering; waarom God hen door deze profeet zoekt op te wekken, gelijk het volgende uitwijst. Exodus 10:4: Want als u weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen. Exodus 10:5: En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt. Exodus 10:6: En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; die uw vaders, noch de vaderen van uw vaders gezien hebben, van die dag af, dat zij op de aardbodem geweest zijn, tot op deze dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao. Exodus 10:14: En de sprinkhanen kwamen op over het gehele Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen van de Egyptenaren, zeer zwaar; voor deze zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na deze zullen er zulke niet wezen; Exodus 10:15: Want zij bedekten het gezicht van het gehele land, zo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het gehele Egypteland.
[^joel-1-3-4]: Kanttekening 4: Verg. Ex. 10:2; Ps. 78:4, 78:6. Exodus 10:2: En opdat u voor de oren van uw kinderen en van uw kleinkinderen mag vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat u weet, dat Ik YHWH ben. Psalmen 78:4: Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden van YHWH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. Psalmen 78:6: Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;
[^joel-1-3-5]: Kanttekening 5: 5 ander geslacht: Dat is, het navolgende geslacht, of hun nakomelingen.
[^joel-1-4-6]: Kanttekening 6: 6 rups heeft overgelaten: Hebr. het overige van de rups; en zo in het volgende. Wanneer deze verschrikkelijke en langdurige plagen van het ongedierte, vergezelschapt met grote droogte, Juda zijn overkomen, is onzeker. Enige passen het op de tijd van Elia en Elisa, of als Joram in Israël en Josafat in Juda regeerden. Zie 1 Kon. 17:1, enz., en 2 Kon. 4:38. Anderen vergelijken het met Jer. 14:1; idem Amos 1:2, en Amos 4:6, 4:7, 4:8, 4:9, enz. Sommigen menen dat door deze schadelijke dieren figuurlijk verstaan worden de Assyriërs en Chaldeën, die het land in de uiterste verwoesting zouden stellen. De profeet spreekt eensdeels in de verleden en tegenwoordigen tijd, anderdeels in de toekomenden; zie onder vers 15, en Joël 2:1, enz., omdat deze plaag enige jaren geduurd heeft, onder Joël 2:25. Maar sommigen menen dat dit oordeel nog toekomstig was, en dat de profeet profetischerwijze daarvan spreekt alsof het voor ogen ware. 1 Koningen 17:1: En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 2 Koningen 4:38: Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en zied moes voor de zonen van de profeten. Jeremia 14:1: Het woord van YHWH, dat tot Jeremia geschied is, over de zaken van de grote droogte. Amos 1:2: En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren. Amos 4:6: Daarom heb Ik u ook reinheid van de tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:7: Daartoe heb Ik ook de regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. Amos 4:8: En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:9: Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Joël 2:1: Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij. Joël 2:25: Zo zal Ik u de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn grote legermacht, die Ik onder u gezonden heb.
[^joel-1-5-7]: Kanttekening 7: 7 hij van uw mond: Doordien alle wijnstokken van het voorzeide gedierten ten enenmale bedorven waren, gelijk volgt in vers 7; verg. Amos 4:9. Joël 1:7: Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. Amos 4:9: Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH.
[^joel-1-6-8]: Kanttekening 8: 8 een volk: Versta, de ontallijke menigte van de voorzeide gedierten, die God, om de zonden van het volk vertoornd zijnde, op zijn eigen heilig land zou laten komen, die oneigenlijk een volk, of natie genoemd worden; zie onder Joël 2:2, en verg. Spr. 30:25, 30:26, en zie de aantekening daar. Van Kanaän, dat God zijn land noemt, zie Hos. 9:3, met de aantekening, zo ook Joël 2:18. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Spreuken 30:25: De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar voedsel. Spreuken 30:26: De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in de rotssteen. Hosea 9:3: Zij zullen in het land van YHWH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. Joël 2:18: Zo zal YHWH ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen.
[^joel-1-6-9]: Kanttekening 9: Dit betekent de gretigheid, vratigheid en sterkte van deze dieren. Verg. Openb. 9:8, 9:9, 9:10. Openbaring 9:8: En zij hadden haar als haar van de vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. Openbaring 9:9: En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis van hun vleugelen was als een gedruis van de wagens, wanneer vele paarden naar de strijd lopen. Openbaring 9:10: En zij hadden staarten de schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.
[^joel-1-7-10]: Kanttekening 10: Verder volk; dat is, dat boos gedierte.
[^joel-1-7-11]: Kanttekening 11: 11 mijn wijnstok: Verg. Hos. 2:8. Aldus spreekt God om te tonen dat Hij ook zijn eigen creaturen en gaven niet verschoont om de zonden van de mensen te straffen. Hosea 2:8: Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
[^joel-1-7-12]: Kanttekening 12: Dat is, hij vergaat, verdwijnt. Of, zwam. Anders: ontpelling, ontschorsing, zodat de schorsen of schellen afgegeten zijn, waardoor de vijgeboom als naakt en bloot en bleek wordt; verg. Jes. 24:7. Jesaja 24:7: De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.
[^joel-1-7-13]: Kanttekening 13: 13 wit geworden: Of, bleek; waar integendeel de sappige ranken groen en schoon zijn.
[^joel-1-8-14]: Kanttekening 14: O Jeruzalem.
[^joel-1-8-15]: Kanttekening 15: 15 zak omgord: Zie Gen. 37:34. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
[^joel-1-8-16]: Kanttekening 16: 16 man van haar jeugd: Dat is, haar bruidegom, of jongen man \[gelijk sommigen\], die gestorven is terwijl zij met hem in ondertrouw stond, of kort daarna; dat is, rouwt, bitterlijk. Verg. Mal. 2:14, 2:15. Maleachi 2:14: U nu zegt: Waarom? Daarom dat YHWH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw van uw jeugd, met die u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is. Maleachi 2:15: Heeft Hij niet maar een gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom maar die ene? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd.
[^joel-1-9-17]: Kanttekening 17: 17 Spijsoffer en drankoffer: Zie Ex. 29:40, en Lev. 2:1; Num. 15:5, 15:7, 15:10, en Num. 28:7. De zin is: dat zulke offeranden zeer weinig gebracht werden in het huis van de Heer door gebrek van voedsel en drank. Zo ook in vers 13. Exodus 29:40: Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. Leviticus 2:1: Als nu een ziel een offerande van spijsoffer aan YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Numeri 15:5: En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult u bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam. Numeri 15:7: En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult u offeren tot een liefelijken reuk voor YHWH. Numeri 15:10: En wijn zult u offeren ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk voor YHWH. Numeri 28:7: En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank aan YHWH offeren. Joël 1:13: Omgordt u, en rouwklaagt, u priesters! huilt, u dienaren van het altaar! gaat in, overnacht in zakken, u dienaren mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
[^joel-1-9-18]: Kanttekening 18: Omdat de godsdienst verlaten werd, en zij dienvolgens gebrek aan onderhoud hadden.
[^joel-1-10-19]: Kanttekening 19: Omdat de wijnstokken verdord en bedorven zijn. Anders: beschaamd, omdat hij zijn vrucht niet voortbrengt. Figuurlijk gesproken.
[^joel-1-10-20]: Kanttekening 20: Gelijk de bomen gezegd worden flauw, ziek, ziek te zijn, als zij niet dragen.
[^joel-1-11-21]: Kanttekening 21: 21 akkerlieden zijn beschaamd: Of, zijt beschaamd, u akkerlieden, huilt, u wijngaardeniers.
[^joel-1-11-22]: Kanttekening 22: 22 om de tarwe en om de gerst: Dit ziet op de akkerlieden, gelijk het volgende, van de wijnstok op de wijngaardeniers.
[^joel-1-12-23]: Kanttekening 23: Of, beschaamd, gelijk vers 10. Joël 1:10: Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.
[^joel-1-12-24]: Kanttekening 24: Die er placht te wezen ten tijde van een goede oogst. Zie Ps. 4:8; Jes. 16:10; Jer. 48:33; Hos. 9:1, met de aantekening. Psalmen 4:8: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Jesaja 16:10: Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden. Jeremia 48:33: Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb de wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn. Hosea 9:1: Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want u hoereert van uw God af; u hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van het koren.
[^joel-1-12-25]: Kanttekening 25: 25 verdord van de mensenkinderen: Of, beschaamd onder, enz., als in het begin van dit vers. Dat is, gelijk het land gesteld is, zo is het ook het hart van de mensen, alles is droevig, droog en verward. De vrolijkheid durft om zo te spreken niet tevoorschijn komen, omdat het overal vol treuren is.
[^joel-1-13-26]: Kanttekening 26: 26 Omgordt u: Te weten, met zakken, tot teken van rouw, gelijk boven in vers 8, en hier meteen in de volgende woorden. Joël 1:8: Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege de man van haar jeugd.
[^joel-1-13-27]: Kanttekening 27: Gelijk boven in vers 9. Joël 1:9: Spijsoffer en drankoffer is van het huis van YHWH afgesneden; de priesters, de dienaren van YHWH, treuren.
[^joel-1-14-28]: Kanttekening 28: 28 Heiligt een vasten: Dat is, voorbereidende door een heilige betrachting van dit zwaar oordeel van God, zo verordineert en stelt zekeren tijd aan, in welke u samenkomende en u uitwendig en inwendig voor de Heer vernedert, uw boetvaardigheid openlijk betuigt en hem om genade bidt. Zo onder Joël 2:12, 2:15. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. Joël 2:15: Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.
[^joel-1-14-a]: Verwijzing a: Joël 2:15. Joël 2:15: Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.
[^joel-1-14-29]: Kanttekening 29: Zie Lev. 23:36. Leviticus 23:36: Zeven dagen zult u aan YHWH vuurofferen offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult aan YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^joel-1-14-30]: Kanttekening 30: Dat is, regeerders; zie in vers 2. Joël 1:2: Hoort dit, u oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners van het land! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen van uw vaderen?
[^joel-1-15-31]: Kanttekening 31: 31 Ach, die dag: Deze en volgende woorden tot aan het einde van dit hoofdstuk, nemen sommigen als een voorschrift \[het volk van God door de profeet voorgesteld\] van een boetvaardige weeklacht tot God over de voorgemelde zware straf, in het einde van het voorgaande vers bijvoegende het woord zeggende. Anderen houden het voor woorden van de profeet zelf, die met deze zijn klacht het volk voorgaat, om hen met zijn voorbeeld op te wekken en te bewegen tot hartelijke betrachting van dit oordeel van God; beide in een goede zin.
[^joel-1-15-b]: Verwijzing b: Jes. 13:6. Jesaja 13:6: Huilt u, want de dag van YHWH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.
[^joel-1-15-32]: Kanttekening 32: 32 dag van YHWH: Dat is, de bestemde tijd, waarin de Heer zijn volk wil straffen. Zo in Joël 2:1, 2:2. Zie Ps. 37:13, en Ez. 30:2. Joël 2:1: Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Ezechiël 30:2: Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Huilt: Ach die dag!
[^joel-1-15-33]: Kanttekening 33: Uit deze woorden leiden sommigen af dat de voren beschreven straf nog toekomstig of aanstaande was, verg. Joël 2:1, enz. Anderen menen dat dit ziet op een ander toekomstig oordeel, dat nog zwaarder zou vallen dan het tegenwoordige, vanwege de ongevoeligheid en onboetvaardigheid van het volk over deze verschrikkelijke plagen van de ongedierten en droogte. Joël 2:1: Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij.
[^joel-1-15-34]: Kanttekening 34: Die alle macht en genoegzaamheid heeft om wel te doen of te straffen, zulks dat niemand deze zijn dag zal kunnen ontgaan, of weren; zie van het Hebr. woord Schaddai, Gen. 17:1, en verg. Jes. 13:6. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Jesaja 13:6: Huilt u, want de dag van YHWH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige.
[^joel-1-16-35]: Kanttekening 35: 35 huis onzes Gods: Omdat er gene dankoffers worden gebracht noch geofferd; waaruit men kan afnemen dat door voedsel, in het voorgaande vermeld, niet alleen gemeen voedsel, maar ook bijzonderlijk de offeranden mogen verstaan worden. Verg. Mal. 1:7, 1:12, en zie Lev. 3:11; Ez. 44:7 met de aantekening. Maleachi 1:7: U brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmee verontreinigen wij U? Daarmee, dat u zegt: De tafel van YHWH is verachtelijk. Maleachi 1:12: Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van YHWH is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk. Leviticus 3:11: En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor YHWH. Ezechiël 44:7: Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelen.
[^joel-1-17-36]: Kanttekening 36: Het zaad, dat gezaaid is, is bedorven in de aarde, door grote hitte, gebrek aan tijdigen regen, of ander schade.
[^joel-1-17-37]: Kanttekening 37: 37 schathuizen zijn verwoest: Waarin de schatten, dat is, landvruchten (gelijk Jer. 41:8, enz.) plegen opgedaan en bewaard te worden; de korenhuizen, schuren, enz. zijn leeg en liggen woest, wil de profeet zeggen. Jeremia 41:8: Maar onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honig. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het midden van hun broers.
[^joel-1-18-38]: Kanttekening 38: 38 zucht het vee: Vanwege gebrek aan voeder. Figuurlijk gesproken, gelijk in vers 20; schreeuwt tot U. Joël 1:20: Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.
[^joel-1-18-39]: Kanttekening 39: 39 de runderkudden zijn bedwelmd: Of, hoe zijn de runderkudden bedwelmd, of, verbijsterd, verbaasd! Verst. de kudden van groot vee.
[^joel-1-18-40]: Kanttekening 40: De kudden van klein vee.
[^joel-1-19-41]: Kanttekening 41: Dat is, de grote hitte en droogte, of de voorgemelde plagen, en het vuur van Gods toorn; zie Job 15:30, 15:34, met de aantekening. Zo in het volgende. Job 15:30: Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. Job 15:34: Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken.
[^joel-1-20-42]: Kanttekening 42: Zie van het Hebr. woord Ps. 42:2, en verg. Job 39:3; Ps. 147:9; Jona 3:8 met de aantekening. Psalmen 42:2: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Job 39:3: Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? Psalmen 147:9: Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen. Jona 3:8: Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is.
[^joel-1-20-43]: Kanttekening 43: 43 elk beest van het veld: Hebr. beesten van het veld schreeuwt; dat is, elk beest, enz.
[^joel-1-20-44]: Kanttekening 44: Of, kolken, grachten.

### Joël 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/joel/2.json)

*De profeet stelt Sion de verschrikkelijkheid van Gods oordeel voor ogen, vers 1, enz. vermaant tot hartelijke vernedering en bekering, 12. beveelt te vasten en te bidden, 15. Belooft daarop Gods zegen en het wegnemen van de plaag, 18. Profeteert verder over tegenwoordige en toekomstige zegeningen, en de zalige staat van de kerk door de komst van de Messias en de uitstorting van de Heilige Geest, 21. met voorzegging van vreselijke beroeringen in de wereld voor de laatste komst van Christus, en van het behoud van de kerk, 30.*

**1** [^joel-2-1-1] Blaas de bazuin te Sion, en[^joel-2-1-2] roept luid op de berg[^joel-2-1-3] Van mijn heiligheid; laat alle inwoners van het[^joel-2-1-4] land beroerd zijn, want[^joel-2-1-a] de[^joel-2-1-5] dag van YHWH komt, want hij is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v1)

**2** Een dag van[^joel-2-2-6] duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de[^joel-2-2-7] dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig[^joel-2-2-8] volk, evenzo van[^joel-2-2-9] ouds niet geweest is, en na[^joel-2-2-10] hetzelfde[^joel-2-2-11] niet meer zal zijn tot in jaren van[^joel-2-2-12] vele geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v2)

**3** Voor hetzelfde verteert een[^joel-2-3-13] vuur, en achter hetzelfde brandt een vlam; het land is[^joel-2-3-14] voor hetzelfde als een[^joel-2-3-15] lusthof, maar achter hetzelfde een[^joel-2-3-16] woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen[^joel-2-3-17] van hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v3)

**4** De[^joel-2-4-18] gedaante dezelfde is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v4)

**5** Zij zullen daarheen springen als een geluid van[^joel-2-5-19] wagens, op de[^joel-2-5-20] hoogten van de bergen; als het geluid van een vuurvlam, die stoppelen[^joel-2-5-21] verteert; als een machtig volk, dat in[^joel-2-5-22] slagorde gesteld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v5)

**6** Van daarvan aangezicht zullen de volken[^joel-2-6-23] in pijn zijn; alle gezichten zullen[^joel-2-6-24] betrekken als een pot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v6)

**7** Als helden zullen zij lopen, als soldaten zullen zij de[^joel-2-7-25] muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, ieder in zijn[^joel-2-7-26] wegen, en zullen hun paden niet[^joel-2-7-27] verdraaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v7)

**8** Ook zullen[^joel-2-8-28] zij de één de ander niet dringen; zij zullen daarheen trekken[^joel-2-8-29] elk in zijn baan; en al vielen zij op een[^joel-2-8-30] geweer, zij zouden niet verwond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v8)

**9** Zij zullen in de stad[^joel-2-9-31] omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensters inkomen als een dief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v9)

**10** [^joel-2-10-32] De[^joel-2-10-b] aarde is beroerd voor[^joel-2-10-33] daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden[^joel-2-10-34] zwart, en de sterren[^joel-2-10-35] trekken haar glans in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v10)

**11** En YHWH verheft Zijn[^joel-2-11-36] stem voor Zijn leger heen; want Zijn leger is zeer groot, want[^joel-2-11-37] Hij is machtig, doende Zijn[^joel-2-11-38] woord; want[^joel-2-11-c] de[^joel-2-11-39] dag van YHWH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v11)

**12** Nu dan ook, spreekt YHWH,[^joel-2-12-d] bekeert u[^joel-2-12-40] tot Mij met uw hele hart,[^joel-2-12-41] en dat met vasten en met geween, en met klaagzang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v12)

**13** En[^joel-2-13-42] scheurt uw hart en[^joel-2-13-43] niet uw kleren, en bekeert u tot YHWH, uw God; want Hij is[^joel-2-13-e] genadig en barmhartig,[^joel-2-13-44] geduldig en[^joel-2-13-45] groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het[^joel-2-13-46] kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v13)

**14** [^joel-2-14-47][^joel-2-14-f] Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een[^joel-2-14-48] zegen achter[^joel-2-14-49] Zich overlaten[^joel-2-14-50] tot voedseloffer en drankoffer voor YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v14)

**15** [^joel-2-15-51] Blaas de bazuin te Sion,[^joel-2-15-52][^joel-2-15-g] heiligt een vasten, roept een[^joel-2-15-53] verbodsdag uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v15)

**16** Verzamelt het volk,[^joel-2-16-54] heiligt de gemeente, verzamelt de[^joel-2-16-55] oudsten, verzamelt de[^joel-2-16-56] kinderen, en die de borsten zuigen; de[^joel-2-16-57] bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar[^joel-2-16-58] slaapkamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v16)

**17** Laat de priesters, het dienaren van YHWH, huilen tussen het[^joel-2-17-59] voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o YHWH! en geef[^joel-2-17-60] Uw erfenis niet over tot een smaad, dat de heidenen over hen zouden[^joel-2-17-61] heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen:[^joel-2-17-h] Waar is hun God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v17)

**18** Zo[^joel-2-18-62] zal YHWH[^joel-2-18-63] ijveren over[^joel-2-18-64] Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v18)

**19** En YHWH zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Zie, Ik[^joel-2-19-65] zend u het koren, en de nieuwe wijn, en de olie, dat u[^joel-2-19-66] daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u[^joel-2-19-67] niet meer overgeven tot[^joel-2-19-68] een smaad onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v19)

**20** En Ik zal[^joel-2-20-69] die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een[^joel-2-20-70] dor en woest land, zijn[^joel-2-20-71] aangezicht naar de[^joel-2-20-72] Oostzee, en zijn[^joel-2-20-73] einde naar de[^joel-2-20-74] achterste zee; en[^joel-2-20-75] zijn stank zal opgaan, en zijn[^joel-2-20-76] vuiligheid zal opgaan; want[^joel-2-20-77] hij heeft grote dingen gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v20)

**21** Vrees niet,[^joel-2-21-78] o land! verheug u, en wees blij; want YHWH[^joel-2-21-79] heeft grote dingen gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v21)

**22** Vrees niet, u[^joel-2-22-80] beesten van het veld! want de weiden van de[^joel-2-22-81] woestijn zullen weer jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de[^joel-2-22-82] wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v22)

**23** En u, kinderen van Sion! verheug u en wees blij in YHWH, uw God; want Hij[^joel-2-23-83] zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen neerdalen, de vroege regen en de spade regen in de[^joel-2-23-84] eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v23)

**24** En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van nieuwe wijn en olie overlopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v24)

**25** Zo zal Ik u de[^joel-2-25-85] jaren[^joel-2-25-86] vergelden, die de[^joel-2-25-i] sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten;[^joel-2-25-87] Mijn groot leger, dat Ik onder u gezonden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v25)

**26** En u zult[^joel-2-26-88] overvloedig en tot verzadiging eten, en prijzen de Naam van YHWH, uw God,[^joel-2-26-89] Die[^joel-2-26-90] wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk[^joel-2-26-91] zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v26)

**27** En u zult[^joel-2-27-92] weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik YHWH,[^joel-2-27-93] uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v27)

**28** En[^joel-2-28-94] daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn[^joel-2-28-95][^joel-2-28-k] Geest zal uitgieten over[^joel-2-28-97] alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen[^joel-2-28-98] profeteren; uw oude zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien;[^joel-2-28-96] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v28)

**29** Ja, ook over de dienaren, en over de dienaressen, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v29)

**30** En Ik zal[^joel-2-30-99] wondertekenen geven[^joel-2-30-100] in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v30)

**31** [^joel-2-31-l] De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v31)

**32** En het zal gebeuren,[^joel-2-32-102] al[^joel-2-32-m] wie de[^joel-2-32-103] Naam van YHWH zal aanroepen, zal[^joel-2-32-104] behouden worden; want op de[^joel-2-32-n] berg[^joel-2-32-105] van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals YHWH[^joel-2-32-106] gezegd heeft;[^joel-2-32-107] en dat, bij de[^joel-2-32-108] overgeblevenen, die YHWH zal[^joel-2-32-109] roepen.[^joel-2-32-101] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/2.html#v32)

[^joel-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 de bazuin te Sion: Om de gemeente bijeen te roepen in het huis van de Heer, tot een vasten en biddag; zie in vers 15, en Lev. 23:2, 23:24. Joël 2:15: Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. Leviticus 23:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: De vastgestelde hoogtijden van YHWH, welke u uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn vastgestelde hoogtijden. Leviticus 23:24: Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een gedachtenis van het geklank, een heilige samenroeping.
[^joel-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 roept luide op de berg: Anders: maakt een gebroken geklank, blaast alarm; \[zie Num. 10:5\], als wanneer de vijand ophanden is. Numeri 10:5: Als u met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.
[^joel-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 Mijner heiligheid: Dat is, mijn heilige berg; zie Ps. 2:6. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.
[^joel-2-1-4]: Kanttekening 4: 4 beroerd zijn: Of, alle inwoners van het land zullen beroerd zijn, of beven.
[^joel-2-1-a]: Verwijzing a: Joël 1:15; Zefan. 1:14; idem v. 15. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Zefanja 1:14: De grote dag van YHWH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van YHWH; de held zal daar bitterlijk schreeuwen. Zefanja 1:15: Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
[^joel-2-1-5]: Kanttekening 5: 5 dag van YHWH komt: Gelijk in Joël 1:15, zie daar. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^joel-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 duisternis en donkerheid: Dat is, een tijd van grote droefenis, benauwdheid, ellende en jammer, die dikwijls in de Schriftuur door duisternis worden betekend; zie Gen. 15:12; hierdoor verstaat de profeet de verschrikkelijke en langdurige honger, veroorzaakt door het ongedierte, waarvan in het voorgaande hoofdstuk en hier opnieuw in het volgende, gesproken wordt, om het volk door levendige voorstelling van de gruwelijkheid van deze plaag te bewegen tot betrachting van Gods toorn en oprechte boetvaardigheid. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^joel-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 dageraad uitgespreid over de bergen: Deze straf zal het gehele land zo haastig overkomen, gelijk het morgenrood zich uitspreidt over de hoogten van de bergen; verg Hos. 10:15, met de aantekening. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^joel-2-2-8]: Kanttekening 8: Zie Joël 1:6. Sommigen verstaan de Assyriërs, of Babyloniërs, maar het voorgaande en volgende spreekt duidelijk van deze boze gedierten, die uitdrukkelijk bij ruiters en krijgslieden worden vergeleken, in vers 4, 2:5, 2:7; zie verder onder vers 20. Maar het kan wel zijn dat deze plagen voorboden en afbeeldingen geweest zijn van de verwoestingen van de Assyriërs en Babyloniërs, gelijk God voort gaat te straffen als de mensen in zonden. Joël 1:6: Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. Joël 2:4: De gedaante daarvan is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen. Joël 2:5: Zij zullen daarheen springen als een gedruis van wagens, op de hoogten van de bergen; als het gedruis van een vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is. Joël 2:7: Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, een ieder in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien. Joël 2:20: En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
[^joel-2-2-9]: Kanttekening 9: 9 van ouds niet geweest is: Of, in voortijden. Van zulk een betekenis is het Hebr. woord Olan; zie Jer. 2:20; en verg. verder bij Joël 1:2 de aantekening daar. Jeremia 2:20: Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeide u: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder alle groenen boom loopt u om, hoererende. Joël 1:2: Hoort dit, u oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners van het land! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen van uw vaderen?
[^joel-2-2-10]: Kanttekening 10: Te weten, na dat voorgeschreven volk.
[^joel-2-2-11]: Kanttekening 11: 11 niet meer zal zijn: Hebr. niet zal toedoen, of voortvaren.
[^joel-2-2-12]: Kanttekening 12: 12 vele geslachten: Hebr. geslacht en geslacht; dat is, in lange tijd, of \[gelijk sommigen\] nimmermeer.
[^joel-2-3-13]: Kanttekening 13: Zie Joël 1:19 met de aantekening. Joël 1:19: Tot U, o YHWH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken.
[^joel-2-3-14]: Kanttekening 14: 14 voor hetzelfde: Voor de aankomst, of als dit boze gedierte aankwam, zo stond het voor hetzelfde als, enz.
[^joel-2-3-15]: Kanttekening 15: Hebr. een, of, de hof van Eden. Zie Gen. 2:8, met de aantekening. Genesis 2:8: Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had.
[^joel-2-3-16]: Kanttekening 16: 16 woeste wildernis: Hebr. woestijn van de wildernis; of van de woeligheid, of ontzetting, \[gelijk sommigen\] waar men van gruwt en schrikt. Zo in Joël 3:19. Joël 3:19: Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
[^joel-2-3-17]: Kanttekening 17: 17 van hetzelfde: Dat is, niets, of \[gelijk anderen\] niemand zal dit voorschreven volk, dat is, dit ongedierte, deze vijand, ontkomen.
[^joel-2-4-18]: Kanttekening 18: 18 gedaante dezelfde is: Of, het aanzien; dat is, zij zien er uit, lopen en rennen of het paarden en ruiters waren. Het schijnt dat zij van een buitengewone schrikkelijke grootte geweest zijn.
[^joel-2-5-19]: Kanttekening 19: 19 gedruis van wagens: Dat is, met zulk gedruis, alsof men een hoop, wagens hoorde op de bergen, waar zij zulk een bulderen en rammelen maken, dat men het verre van daar kan horen.
[^joel-2-5-20]: Kanttekening 20: 20 hoogten van de bergen: Hebr. hoofden.
[^joel-2-5-21]: Kanttekening 21: Dat een groot geruis en gekraak veroorzaakt.
[^joel-2-5-22]: Kanttekening 22: 22 slagorde gesteld is: Zie vers 7, 2:8. Joël 2:7: Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, een ieder in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien. Joël 2:8: Ook zullen zij de één de ander niet dringen; zij zullen daarheen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
[^joel-2-6-23]: Kanttekening 23: 23 in pijn zijn: Uit ontzetting en verslagenheid over deze ongewone schrikkelijke plaag en vrees van hongersnood.
[^joel-2-6-24]: Kanttekening 24: 24 betrekken als een pot: Hebr. vergaderen, of hebben vergaderd; te weten, de verf van een pot, die te vuur gaat en door vlam en rook misverwig is. Anders: hebben de schoonheid ingetrokken, samengetrokken, gelijk de vrees en bangheid van de mensen de sierlijke kleur uit het aangezicht doet vergaan, zodat zij bleek, paars, enz., er uitzien.
[^joel-2-7-25]: Kanttekening 25: 25 muren beklimmen: Hebr. muur, gelijk in vers 9. Joël 2:9: Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.
[^joel-2-7-26]: Kanttekening 26: Als soldaten, oprukkende onder het beleid van hun overste.
[^joel-2-7-27]: Kanttekening 27: Of, hun tochten niet verachteren; gelijk soldaten wel doen, die uit hun gelid of de tochtorde afwijken, of in verwarring geraken.
[^joel-2-8-28]: Kanttekening 28: 28 de één de ander niet dringen: Hebr. de man, of een ieder zijn broer.
[^joel-2-8-29]: Kanttekening 29: 29 elk in zijn baan: Hebr. de man.
[^joel-2-8-30]: Kanttekening 30: Of, een lang, bloot zwaard; zie 2 Kron. 23:10, en Neh. 4:17. De zin is: dat zij met geen tegenweer, al ware het nog zo scherp, zullen kunnen worden afgekeerd, zij zouden \[om zo te spreken\] door blote zwaarden onbeschadigd doordringen. 2 Kronieken 23:10: En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij de koning rondom. Nehemia 4:17: Die aan de muur bouwden, en die de last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.
[^joel-2-9-31]: Kanttekening 31: Of, huppelen, springen.
[^joel-2-10-32]: Kanttekening 32: 32 De aarde is beroerd: Dit zijn figuurlijke manieren van spreken, betekenende algemene en verschrikkelijke verwoestingen en zware oordelen van God, voor welke zich hemel en aarde \[om zo te spreken\] ontzetten; zie Jes. 13:10; Ez. 32:7, en Joël 3:15. Jesaja 13:10: Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ezechiël 32:7: En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 3:15: De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
[^joel-2-10-b]: Verwijzing b: Jes. 13:10; Ez. 32:7. Jesaja 13:10: Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ezechiël 32:7: En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.
[^joel-2-10-33]: Kanttekening 33: 33 daarvan aangezicht: Dat is, vanwege de aankomst en aanwezigheid van de voorschreven legermacht.
[^joel-2-10-34]: Kanttekening 34: Dat is, verdonkerd, gevende geen licht.
[^joel-2-10-35]: Kanttekening 35: 35 trekken haar glans in: Hebr. eigenlijk, hebben verzameld; dat is, ingetrokken, verhouden, zodat zij geen schijnsel geven. Zo in Joël 3:15. Joël 3:15: De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
[^joel-2-11-36]: Kanttekening 36: 36 stem voor Zijn legermacht heen: Gebiedende en moed gevende aan dit zijn leger \[gelijk onder vers 25\] als krijgsoverste, of dondert voor dit zijn heirleger heen; zie Ps. 29. Joël 2:25: Zo zal Ik u de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn grote legermacht, die Ik onder u gezonden heb.
[^joel-2-11-37]: Kanttekening 37: De Heer. Anders: het, te weten, heirleger.
[^joel-2-11-38]: Kanttekening 38: Dat is, uitvoerende wat Hij gesproken en voorzegd heeft; of, het \[voorzegde leger van de Heer\] is machtig, verrichtende zijn \[van de Heer\] bevel.
[^joel-2-11-c]: Verwijzing c: Jer. 30:7; Amos 5:18; Zefan. 1:15. Jeremia 30:7: O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. Amos 5:18: Wee die, die van YHWH dag begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. Zefanja 1:15: Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
[^joel-2-11-39]: Kanttekening 39: 39 dag van YHWH is groot: Gelijk in Joël 1:15. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^joel-2-12-d]: Verwijzing d: Jer. 4:1. Jeremia 4:1: Zo u u bekeren zult, Israël! spreekt YHWH, bekeer u tot Mij; en zo u uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om.
[^joel-2-12-40]: Kanttekening 40: 40 tot Mij met uw gehele hart: Hebr. tot mij toe; gelijk enige dit nemen. Zo wordt het Hebr. woord in deze zaak ook gebruikt; Deut. 4:30; Klaagl. 3:40; Hos. 14:2; Amos 4:6, 4:8, 4:9, 4:11, betekenende \[gelijk sommigen verstaan\] dat God niet tevreden is met een schijn, of vliegende gedachte en een los opzet, of half hart, maar dat Hij wil hebben een oprechte afkering van het kwade en bekering tot Hem en het goede, in geen geval tot afgoden of andere ijdelheden. En zo zouden de volgende woorden, idem het scheuren van de harten, en met uw gehele hart, dienen tot verklaring van de nadruk van dit woord; verg. Hos. 6:4, en Hos. 7:16 met de aantekening. Maar anderen nemen het slechts voor een woord tot. Deuteronomium 4:30: Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot YHWH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Klaagliederen 3:40: Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons terugkeren tot YHWH. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid. Amos 4:6: Daarom heb Ik u ook reinheid van de tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:8: En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:9: Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:11: Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Hosea 6:4: Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat. Hosea 7:16: Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn van hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland.
[^joel-2-12-41]: Kanttekening 41: 41 en dat met vasten en met geween, en met rouwklage: Zo wordt de Hebr. letter Vau ook elders gebruikt, voor en dat, of zelfs. Zie Jer. 17:10, en onder vers 32. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen. Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen.
[^joel-2-13-42]: Kanttekening 42: 42 scheurt uw hart: Verg. Ps. 34:19, en Ps. 51:19. Psalmen 34:19: Koph. YHWH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. Psalmen 51:19: De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^joel-2-13-43]: Kanttekening 43: 43 niet uw kleren: Dat is, niet alleen, zonder de harten te scheuren, niet zozeer, niet voornamelijk; zie Hos. 6:6. Hosea 6:6: Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen.
[^joel-2-13-e]: Verwijzing e: Ex. 34:6; Ps. 86:15; Jona 4:2. Exodus 34:6: Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Psalmen 86:15: Maar U, Heer! bent een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid. Jona 4:2: En hij bad tot YHWH, en zei: Och YHWH! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een genadig en barmhartig God bent, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
[^joel-2-13-44]: Kanttekening 44: Zie Lev. 14:18. Leviticus 14:18: Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand van de priester geweest is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht van YHWH.
[^joel-2-13-45]: Kanttekening 45: 45 groot van goedertierenheid: Of, veelvoudig, overvloedig.
[^joel-2-13-46]: Kanttekening 46: Versta, het kwaad van de straf, dat God afwendt, matigt, enz., wanneer Hij menselijk gezegd wordt berouw te hebben, zie Gen. 6:6, zo in het volgende vers. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^joel-2-14-47]: Kanttekening 47: 47 Wie weet: Hiermee trekt de profeet in geen geval in twijfel of God de oprecht boetvaardige zondaars in genade wil ontvangen, de zonden vergeven en de zaligheid schenken, \[dat de Schriftuur overal buiten twijfel stelt\] maar Hij geeft met deze manier van spreken te kennen dat Hij de hoop heeft en wenst dat zij zich mogen bekeren, en dat God alsdan deze zware tijdelijke plaag zal afwenden, verachten, matigen, enz., gelijk het volgende uitwijst; waarin God met de zijnen handelt naar Zijn Vaderlijk welbehagen, zoals Hij verstaat te dienen tot zijn eer en de zaligheid van de boetvaardigen. Ook gaat de profeet met deze grove zondaars bij trappen, eerst hun hoop gevende van vermindering van de straffen, daarna op het voltooien van de daad van de boetvaardigheid, hen daarvan verzekerende, zie vers 18, 2:19, enz., welke voorzienigheid Gods dienaren in zulk een geval navolgen. Verg. Joz. 14:12; Esth. 4:14; Klaagl. 3:29; Amos 5:15; Jona 3:9; Zef. 2:3. Joël 2:18: Zo zal YHWH ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen. Joël 2:19: En YHWH zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend u het koren, en de most, en de olie, dat u daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen. Jozua 14:12: En nu, geef mij dit gebergte, waarvan YHWH op die dag gesproken heeft; want u hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote vaste steden waren; of YHWH met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als YHWH gesproken heeft. Esther 4:14: Want als u enigszins zwijgen zult in deze tijd, zo zal de Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar u en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of u niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt. Klaagliederen 3:29: Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. Amos 5:15: Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. Jona 3:9: Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen! Zefanja 2:3: Zoekt YHWH, alle u zachtmoedigen van het land, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult u verborgen worden in de dag van de toorn van YHWH.
[^joel-2-14-f]: Verwijzing f: Jona 3:9. Jona 3:9: Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen!
[^joel-2-14-48]: Kanttekening 48: Van gewas en landvruchten, dat niet alles bedorven worde. Zo worden tijdelijke gaven een zegen van de Heer genoemd, Gen. 39:5; Lev. 25:21; Jes. 65:8; Hagg. 2:20; zie ook Gen. 12:2, en Gen. 33:11; 2 Kon. 18:31. Genesis 39:5: En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat YHWH het huis van de Egyptenaar zegende, vanwege Jozef; ja, de zegen van YHWH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld. Leviticus 25:21: Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. Jesaja 65:8: Zo zegt YHWH: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; zo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve. Haggai 2:20: Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot de wijnstok, en de vijgeboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van deze dag af zegenen. Genesis 12:2: En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 33:11: Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. 2 Koningen 18:31: Hoort naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs;
[^joel-2-14-49]: Kanttekening 49: 49 Zich overlaten: Als hij door het land met zijn oordeel zal doortrekken; verg. Ex. 12:12; Amos 5:17; idem Ps. 65:12, met de aantekening. Anders: achter hetzelfde, te weten, heirleger, of tevoren beschreven volk, dat ongedierte, dat door het land doortrekken zal, zulks dat er nog wat overblijve, waarvan men spijsoffer enz. kan offeren. Exodus 12:12: Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH! Amos 5:17: Ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want Ik zal door het midden van u doorgaan; zegt YHWH. Psalmen 65:12: U kroont het jaar van Uw goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.
[^joel-2-14-50]: Kanttekening 50: 50 spijsoffer en drankoffer: Zie Joël 1:9. Joël 1:9: Spijsoffer en drankoffer is van het huis van YHWH afgesneden; de priesters, de dienaren van YHWH, treuren.
[^joel-2-15-51]: Kanttekening 51: 51 Blaast de bazuin te Sion: Zie vers 1. Joël 2:1: Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij.
[^joel-2-15-52]: Kanttekening 52: 52 heiligt een vasten: Zie Joël 1:14. Joël 1:14: Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, uws Gods, en roept tot YHWH.
[^joel-2-15-g]: Verwijzing g: Joël 1:14. Joël 1:14: Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van deze lands, in het huis van YHWH, uws Gods, en roept tot YHWH.
[^joel-2-15-53]: Kanttekening 53: 53 verbodsdag uit: Gelijk in Joël 1:14. Joël 1:14: Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, uws Gods, en roept tot YHWH.
[^joel-2-16-54]: Kanttekening 54: 54 heiligt de gemeente: Zie Ex. 19:10. Exodus 19:10: Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen,
[^joel-2-16-55]: Kanttekening 55: Die met hun goed voorbeeld de jongen behoren voor te gaan, en anders doende en gedaan hebbende, de oorzaak worden van een algemeen verderf.
[^joel-2-16-56]: Kanttekening 56: Zie Ps. 8:3. Dit diende om de ouders door het aanschouwen van hun jonge kinderen \[die ook leden van de gemeente en Gods bondgenoten waren\] te krachtiger van hun schuld te overtuigen en tot deernis en boetvaardigheid bewegen, omdat de onmondige kindertjes, in deze algemene landplaag, door de zware zonden van de ouders veroorzaakt, mee moesten lijden, zelfs ook de beesten, zie Joël 1:18; idem, om God de algemene nood en ellende van de jongen en ouden, alle leden van zijn volk, met boetvaardige bewegingen als voor zijn ogen in zijn huis, te tonen; verg. 2 Kron. 20:13, en Jona 3:7; alwaar ook de beesten in deze tot dergelijk einde betrokken worden. Psalmen 8:3: Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden. Joël 1:18: O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. 2 Kronieken 20:13: En geheel Juda stond voor het aangezicht van YHWH, ook hun kinderen, hun vrouwen en hun zonen. Jona 3:7: En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel van de koning en zijn groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.
[^joel-2-16-57]: Kanttekening 57: Stelt alle ook anderzins geoorloofde, vreugde en vermaak ter zijde, en begeeft u tot vasten en bidden. Verg. 1 Kor. 7:5. 1 Korinthiërs 7:5: Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u u tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u u niet kunt onthouden.
[^joel-2-16-58]: Kanttekening 58: Of, bruidkamer, verdek, vertrek.
[^joel-2-17-59]: Kanttekening 59: 59 voorhuis en het altaar: Zie 1 Kon. 6:3; Joh. 10:23; Hand. 3:11 en Hand. 5:12. 1 Koningen 6:3: En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis. Johannes 10:23: En Jezus wandelde in de tempel, in het voorhof van Salomo. Handelingen 3:11: En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, dat Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde. Handelingen 5:12: En door de handen van de apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Salomo.
[^joel-2-17-60]: Kanttekening 60: 60 geef Uw erfenis: Of, stel uw erfenis niet tot, enz. zo in vers 19. Joël 2:19: En YHWH zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend u het koren, en de most, en de olie, dat u daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.
[^joel-2-17-61]: Kanttekening 61: Gelijk een stad haast gewonnen wordt, die met geen lijftocht is voorzien, zo konden de omliggende heidenen het Joodse volk lichtelijk overmeesteren, wanneer zij in zulk een langdurigen hongersnood en gebrek aan alles zouden blijven en vergaan. Anders: dat de heidenen spreekwoorden van hen zouden gebruiken; omdat het Hebr. woord ook zo elders gebruikt wordt; zie Ez. 17:2, en Ez. 18:2, enz.; omdat de spreekwoorden en spreuken in de redenen uitsteken, en als heerschappij hebben; zie 1 Kon. 4:32. Ezechiël 17:2: Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël, Ezechiël 18:2: Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden? 1 Koningen 4:32: En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.
[^joel-2-17-h]: Verwijzing h: Ps. 42:11; Ps. 79:10; Ps. 115:2. Psalmen 42:11: Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij de gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Psalmen 79:10: Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak van de vergoten bloed van Uw knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden. Psalmen 115:2: Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
[^joel-2-18-62]: Kanttekening 62: 62 zal YHWH: Anders, en de Heer ijverde, enz. en verschoonde, enz., en antwoordde, enz., of heeft geijverd, en zo verder; dat is, Hij heeft al verhoord en mij belast zijn boetvaardig volk aan te zeggen wat volgt; of profetischerwijze, Hij heeft, enz., dat is, Hij zal alsdan gewisselijk, enz.
[^joel-2-18-63]: Kanttekening 63: In medelijden, liefde en weldadigheid aan zijn boetvaardig volk, en wraak over de goddeloze vijanden, om de eer van zijn heilige naam, die bij de vijanden vanwege deze plaag van zijn land en van zijn volk, gelasterd is; gelijk Hij tevoren ijverde over zijn eer, straffende de zonden van zijn volk; zie Deut. 4:24, en Ez. 39:25, enz. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Ezechiël 39:25: Daarom zo zegt de Heer YHWH: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het gehele huis van Israël, en Ik zal ijveren over Mijn heilige Naam;
[^joel-2-18-64]: Kanttekening 64: 64 Zijn land: Gelijk in Joël 1:6, zie daar. Joël 1:6: Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
[^joel-2-19-65]: Kanttekening 65: 65 zend u: Dat is, zal haast geven, beschikken, maken dat u het hebben zult.
[^joel-2-19-66]: Kanttekening 66: 66 daarvan verzadigd zult worden: Dat is, van elk genoeg zult hebben, tot uw levensonderhoud en verkwikking, of vrolijk gebruik.
[^joel-2-19-67]: Kanttekening 67: 67 niet meer overgeven: Versta onder voorwaarde van gehoorzaamheid. Of, verder, voortaan niet stellen, enz. Dat is, Ik zal niet voortvaren aldus te plagen. Verg. dit antwoord van God met het gebed in vers 17. Joël 2:17: Laat de priesters, de dienaren van YHWH, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o YHWH! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God?
[^joel-2-19-68]: Kanttekening 68: 68 smaadheid onder de heidenen: Waarvan vers 17. Verg. Ez. 36:29, 36:30. Joël 2:17: Laat de priesters, de dienaren van YHWH, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o YHWH! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God? Ezechiël 36:29: En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen. Ezechiël 36:30: En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst van het veld vermenigvuldigen; opdat u de smaadheid van de honger niet meer ontvangt onder de heidenen.
[^joel-2-20-69]: Kanttekening 69: Te weten, die voorzegde legermacht van sprinkhanen, enz., die van het noorden in Juda gekomen waren, en verder wel mogen gehouden worden voor afbeeldingen en voorboden van de Assyriërs en Babyloniërs, die van het noorden ook zouden komen, en hier van sommigen door die van het noorden verstaan worden, gelijk in Joël 1:4 is aangetekend. Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
[^joel-2-20-70]: Kanttekening 70: 70 dor en woest land: Hebr. een land van de dorheid en woestheid. Zie Deut. 1:19, en Deut. 8:15. Deuteronomium 1:19: Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die geheel grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, gelijk YHWH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea. Deuteronomium 8:15: Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;
[^joel-2-20-71]: Kanttekening 71: Dat is, het een of voorste deel van dit ongedierte, de voortocht.
[^joel-2-20-72]: Kanttekening 72: De Dode zee, in het zuidoosten van Kanaän. De plaats waar Sodom en Gomorra, enz., vergaan zijn; of de zee Cinnereth, of Genesareth, in het noordoosten. Verg. de profetie van Gog, Ez. 39:11. Ezechiël 39:11: En het zal op die dag gebeuren, dat Ik aan Gog daar een grafstede in Israël zal geven, het dal van de doorgangers naar het oosten van de zee; en datzelfde zal de doorgangers de neus stoppen; en daar zullen zij begraven Gog en zijn gehele menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.
[^joel-2-20-73]: Kanttekening 73: Dat is, achterste deel, achtertocht.
[^joel-2-20-74]: Kanttekening 74: 74 achterste zee: Dat is, in de Middellandse zee. Zie Deut. 11:24, en Zach. 14:8. Deuteronomium 11:24: Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen van de zomers en van de winters zijn.
[^joel-2-20-75]: Kanttekening 75: 75 zijn stank zal opgaan: Versta, de vuile stank van dit heirleger van de sprinkhanen, enz., wanneer zij van God weer zullen vernield worden, en alsdan vergaan en vervuilen, als een stinkend aas. Verg. Jes. 34:3. Jesaja 34:3: En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed.
[^joel-2-20-76]: Kanttekening 76: 76 vuiligheid zal opgaan: Of, zware, vuile sterke reuk.
[^joel-2-20-77]: Kanttekening 77: 77 hij heeft grote dingen gedaan: Te weten, die van het noorden, die voorzegde legermacht, Hebr. hij heeft groot gemaakt, of zich groot gemaakt, of hij heeft het groot gemaakt met, of in doen, of handelen; dat is, hij zal stoutelijk gehandeld, Juda als bespot en grote ellende veroorzaakt hebben, waartegen in het volgende gesteld wordt, dat God ook integendeel recht grote dingen zal doen; vernielende deze grote en machtige legermacht, die Hij zelf tevoren in zijn toorn over Juda gezonden had. Men kan hiermee enigzins vergelijken Ps. 35:26, 35:27; alwaar ook tegen elkaar gesteld worden, dat de vijanden zich tegen David groot maakten, en de vromen daartegen zeggen: De Heer zij groot gemaakt, of worde groot, zij groot; dat is, als groot geroemd. Zie daar. Sommigen duiden dit, zowel als het volgende in vers 21, ook op de Heer. Psalmen 35:26: Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 35:27: Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij YHWH, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht! Joël 2:21: Vrees niet, o land! verheug u, en wees blij; want YHWH heeft grote dingen gedaan.
[^joel-2-21-78]: Kanttekening 78: 78 o land: U inwoners van het land Juda; of, het is een aanspraak aan het land, gelijk in het volgende aan de beesten, gelijk elders dikwijls. Verg. Deut. 32:1, en Joël 1:10; Ez. 21:16, met de aantekening. Deuteronomium 32:1: Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Joël 1:10: Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. Ezechiël 21:16: Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.
[^joel-2-21-79]: Kanttekening 79: 79 heeft grote dingen gedaan: Dat is, zal waarlijk grote dingen doen, die eensdeels in het voorgaande, maar meest in het volgende verhaald zijn. Hebr. gelijk in het voorgaande vers 20. Verg. Jes. 28:29. Joël 2:20: En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan. Jesaja 28:29: Zulks komt ook voort van YHWH van de legermachten; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
[^joel-2-22-80]: Kanttekening 80: 80 beesten van het veld: Verg. Joël 1:18, 1:19, 1:20. Dit is als een antwoord op het schreeuwen van de beesten tot God. Joël 1:18: O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. Joël 1:19: Tot U, o YHWH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken. Joël 1:20: Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.
[^joel-2-22-81]: Kanttekening 81: 81 zullen weer: Hebr. eigenlijk, hebben voortgebracht; en zo in het volgende, dat is, zullen zo zekerlijk voortbrengen, alsof het voor ogen ware.
[^joel-2-22-82]: Kanttekening 82: 82 wijnstok en vijgeboom: Verg. Joël 1:7, 1:11, 1:12, en Lev. 26:4, 26:20. Joël 1:7: Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. Joël 1:11: De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is vergaan. Joël 1:12: De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen. Leviticus 26:4: Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven; Leviticus 26:20: En uw macht zal zinloos verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven.
[^joel-2-23-83]: Kanttekening 83: 83 zal u geven: Hebr. heeft u gegeven die leraar ter gerechtigheid, of van de gerechtigheid; of die leraar \[te weten, de leraar\] van de gerechtigheid; dat is, Hij zal u zekerlijk geven de beloofde Messias, Jezus Christus de opperste profeet en herder van de zielen, die uitwendig zal leren door het Woord van het Evangelie, en inwendig door zijn Geest, krachtiglijk werkende het rechtvaardigmakende geloof in Hem, die alleen onze gerechtigheid is voor God, Jer. 23:6. Aldus stelt God de belofte van de Messias vooraan, als zijnde het fondament van Zions vreugde en van alle verbondszegeningen die in het volgende verhaald worden. Maar zo het Hebr. woord, \[tweemalen in dit vers gebruikt\] niet alleen een leraar betekent, maar ook de vroege regen, \[omdat Gods heilzame weldaden en zijn lering, en de regen in lieflijkheid en nuttigheid elkaar zeer gelijk zijn; zie Deut. 32:2; Hos. 6:3, en Hos. 10:12, met de aantekening\] gelijk hier meteen in ditzelfde vers; zo nemen sommigen dit woord hier in enerlei betekenis, aldus: Hij zal u geven de vroege regen; ja Hij zal u doen nederdalen de vroege regen, en spaden regen recht, of juist te pas, of mildelijk. Verstaande dat de geestelijke beloften eerst beginnen in vers 28. Verg. met deze plaats Ps. 85:11, 85:12, 85:13, 85:14; Jes. 30:19, 30:20, 30:21, 30:23, en Jes. 45:8; Ez. 34:24, 34:25, 34:26, enz., en Ez. 36:24, 36:25, enz., alwaar geestelijke beloften onder de lichamelijke worden vermengd; gelijk zij elders dikwijls door de lichamelijke worden afgebeeld en daarbij vergeleken, zie Ps. 22:27, 22:30, en Ps. 36:9; Hos. 2:21, enz., en Hos. 6:3; Amos 9:13; idem onder Joël 3:18 met de aantekening, waarop de aandachtige lezer in het volgende kan letten. Ook wordt wel somtijds een woord, in een vers in tweeërlei betekenis genomen, gelijk Richt. 10:4. Aijarim, voor ezelsveulens en voor steden. Ps. 74:19, shaijah, voor een wilden hoop, of wild gedierte, dat is de vijanden, en voor een hoop ellendige en vromen mensen; dat is, Gods kerk, Pred. 7:6. Sir, voor een doorn en een pot, Ez. 21:22. Carim, \[naar velen gevoelen\] voor hoplieden, en voor stormrammen, idem, aardiglijk, dood, in verscheidene betekenis, Matt. 8:22, enz. Verder staat het woord Moreh in het tweede lid van dit vers wat anders, en met bijvoeging van geschem, \[dat\] regen, plasregen, stortregen \[betekent\] daar het in het eerste lid alleen staat. Dit kan de Heilige Geest zo beliefd hebben, om de betekenis van het eerste Moreh te onderscheiden van het tweede. Jeremia 23:6: In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Hosea 6:3: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Hosea 10:12: Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; omdat het tijd is YHWH te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Psalmen 85:11: De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen. Psalmen 85:12: De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van de hemel nederzien. Psalmen 85:13: Ook zal YHWH het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. Psalmen 85:14: De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij zal ze zetten op de weg van Zijn voetstappen. Jesaja 30:19: Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; u zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden. Jesaja 30:20: De Heer zal u wel brood van de benauwdheid, en wateren van de verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien; Jesaja 30:21: En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in dezelfde; als u zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand. Jesaja 30:23: Dan zal Hij uw zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het inkomen van het land, en hetzelfde zal vet en smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden. Jesaja 45:8: Drupt, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, YHWH, heb ze geschapen. Ezechiël 34:24: En Ik, YHWH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, YHWH, heb het gesproken. Ezechiël 34:25: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden. Ezechiël 34:26: Want Ik zal dezelfde, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. Ezechiël 36:24: Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Psalmen 22:27: De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen YHWH prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. Psalmen 22:30: Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Psalmen 36:9: Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en U drenkt hen uit de beek van Uw wellusten. Hosea 2:21: En de aarde zal het koren verhoren, en ook de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren. Hosea 6:3: Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om YHWH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. Amos 9:13: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. Joël 3:18: En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren. Richteren 10:4: En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn. Psalmen 74:19: Geef aan het wild gedierte de ziel van Uw tortelduif niet over; vergeet de hoop van Uw ellendigen niet in eeuwigheid. Prediker 7:6: Want gelijk het geluid van de doornen onder een pot is, zo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid. Ezechiël 21:22: De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen. Mattheüs 8:22: Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
[^joel-2-23-84]: Kanttekening 84: 84 eerste maand: Namelijk Nisan, of Abib, verstaande dit van de spade regen, die God vóór de oogst gaf; zie Ex. 34:18. Of, \[gelijk sommigen\] in het eerste met de eerste; dat is, vroeg, tijdelijk, terrechter of bekwamer tijd, met de eerste, als het tijd zal zijn. Exodus 34:18: Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan.
[^joel-2-25-85]: Kanttekening 85: Dat is, de vrucht van de jaren, gelijk het volgende uitwijst. Hier blijkt duidelijk dat deze verschrikkelijke plaag enige jaren geduurd heeft.
[^joel-2-25-86]: Kanttekening 86: Gevende u zulk een overvloed van landvruchten in de volgende tijd, dat de geleden schade vervuld of vergoed zal zijn.
[^joel-2-25-i]: Verwijzing i: Joël 1:4. Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
[^joel-2-25-87]: Kanttekening 87: 87 Mijn groot legermacht: Gelijk in vers 11. Joël 2:11: En YHWH verheft Zijn stem voor Zijn legermacht heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag van YHWH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?
[^joel-2-26-88]: Kanttekening 88: Hebr. eten etende en verzadigd wordende.
[^joel-2-26-89]: Kanttekening 89: Of, omdat Hij, dat Hij, enz.
[^joel-2-26-90]: Kanttekening 90: Hebr. met, of bij u gedaan, of gehandeld heeft wonderlijk doende, of handelende.
[^joel-2-26-91]: Kanttekening 91: 91 zal niet beschaamd worden: Hebr. zullen, enz.; zo in het volgende vers, dat is, Ik zal hen verlossen van deze beschaamdheid, die zij bij de omliggende heidenen, om deze mijn plaag, geleden zullen hebben, en verder in het algemeen \[volgens mijn verbondsbeloften in de\] Messias bezorgen dat mijn kerk nimmermeer in haar boetvaardige gebeden en vertrouwen op mij zal bedrogen worden. Verg. Jes. 29:22, enz. Jesaja 29:22: Daarom zegt YHWH, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob zo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden;
[^joel-2-27-92]: Kanttekening 92: Of, bekennen; dat is ervaren, ondervinden, door de aanwezigheid van de Messias onder u, en de zegeningen die u in Hem genoten hebt en genieten zult; verg. Zef. 3:14, 3:15, 3:16, 3:17; Joh. 1:14; op wiens komst en aanwezigheid de uitzending van de Heilige Geest zal volgen, waarvan in vers 28. Zefanja 3:14: Zing vrolijk, u dochter van Sion, juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde van ganser hart, u dochter van Jeruzalem! Zefanja 3:15: YHWH heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning van Israël, YHWH, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien. Zefanja 3:16: Te die dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden. Zefanja 3:17: YHWH, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;
[^joel-2-27-93]: Kanttekening 93: 93 uw God, ben: Zie Gen. 17:7. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^joel-2-28-94]: Kanttekening 94: 94 zal het gebeuren: In de laatste dagen, na de komst en verschijning van de Messias in het vlees; zie Hand. 2:17. Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^joel-2-28-95]: Kanttekening 95: Dat is, de gaven van mijn Heilige Geest; verg. Ps. 68:19; Ef. 4:8. Psalmen 68:19: U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o YHWH God! Efeziërs 4:8: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^joel-2-28-k]: Verwijzing k: Jes. 44:3; Ez. 39:29; Hand. 2:17. Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Ezechiël 39:29: En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël zal hebben uitgegoten, spreekt de Heer YHWH. Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^joel-2-28-97]: Kanttekening 97: 97 alle vlees: Dat is, allerlei vlees, mensen van allerlei stand of rang, gelijk in het volgende verklaard wordt, idem van allerlei natiën. Verg. Ps. 65:3, met de aantekening daar. Psalmen 65:3: U hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
[^joel-2-28-98]: Kanttekening 98: Dat is, zij zullen de verborgenheden van het heilige Evangelie door de werking en openbaring van de Heilige Geest verstaan en verklaren. Zie Hos. 12:11 met de aantekening. Deze manieren van spreken zijn genomen van de staat van het Oude Testament, alwaar God zich aan de profeten openbaarde door dromen en gezichten; zie Num. 12:6. Hosea 12:11: En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door de dienst van de profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen. Numeri 12:6: En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^joel-2-28-96]: Kanttekening 96: Met veel groter overvloed en meerdere verscheidenheid van gaven dan vóór de komst van de Heer Christus en zijn hemelvaart geschied was. Zie Joh. 7:39; Hand. 2:33. Johannes 7:39: (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) Handelingen 2:33: Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.
[^joel-2-30-99]: Kanttekening 99: 99 wondertekenen geven: De manieren van spreken, die in deze twee verzen gebruikt worden, betekenen de vreemde, verschrikkelijke algemene beroerten, ellenden, verwoestingen en benauwdheden, die de wereld zullen overkomen tot op de toekomst van de Heer Christus om te oordelen de levenden en de doden. Verg. vers 10, en Joël 3:15; Matt. 24:29; Mark. 13:24, 13:25; Luk. 21:25, 21:26, en Openb. 6 tot Openb. 20 toe. Joël 2:10: De aarde is beroerd voor daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in. Joël 3:15: De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. Mattheüs 24:29: En meteen na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Marcus 13:24: Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. Marcus 13:25: En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden. Lukas 21:25: En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; Lukas 21:26: En de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen, die de aarde zullen overkomen; want de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
[^joel-2-30-100]: Kanttekening 100: Of, aan.
[^joel-2-31-l]: Verwijzing l: Joël 3:15. Joël 3:15: De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
[^joel-2-32-102]: Kanttekening 102: Hetzij Joden of heidenen; Rom. 10:12, 10:13. Romeinen 10:12: Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heer van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Romeinen 10:13: Want een ieder, die de Naam van de Heer zal aanroepen, zal zalig worden.
[^joel-2-32-m]: Verwijzing m: Rom. 10:13. Romeinen 10:13: Want een iedereen, die de Naam van de Heern zal aanroepen, zal zalig worden.
[^joel-2-32-103]: Kanttekening 103: 103 Naam van YHWH zal aanroepen: Dat is, die de Heer recht dient, en in al deze zwarigheden zijn toevlucht tot Hem neemt door gelovige gebeden.
[^joel-2-32-104]: Kanttekening 104: 104 behouden worden: Of, uitgered, bevrijd, en vervolgens behouden worden, van zonde, duivel en dood; en, ofschoon hij in lichamelijke ellenden mocht worden betrokken, of om Christus' naam lijden en sterven, zal hij toch hier een genadigen God in de Messias en een bestendigen troost in leven en sterven, en hierna de eeuwige zaligheid hebben.
[^joel-2-32-n]: Verwijzing n: Obad. v. 17. Obadja 1:17: Maar op de berg van Sion zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis van Jakob zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.
[^joel-2-32-105]: Kanttekening 105: Dat is, daar zal behoudenis en zaligheid zijn alleen in de ware kerk, die te die tijde binnen Jeruzalem op de berg Zion tot de godsdienst placht te vergaderen. Zie Ps. 2:6. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.
[^joel-2-32-106]: Kanttekening 106: 106 gezegd heeft: Tot of door mij en andere zijn profeten; \[zo in Joël 3:8\], en dienvolgens zal het zekerlijk zo gebeuren, ofschoon het ten aanzien van de verdiensten en krachten van de mens geheel onmogelijk is. Joël 3:8: En Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen in de hand van de kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want YHWH heeft het gesproken.
[^joel-2-32-107]: Kanttekening 107: 107 en dat: Of, te weten,. Zie van zulk een gebruik van de Hebr. letter Vau, Jer. 17:10; idem Richt. 7:24; 1 Sam. 17:40, en 1 Sam. 28:3, en vers 12. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen. Richteren 7:24: Ook zond Gideon boden in het gehele gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. 1 Samuël 17:40: En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand; zo naderde hij tot de Filistijn. 1 Samuël 28:3: Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
[^joel-2-32-108]: Kanttekening 108: De voorzegde behoudenis en ontkoming zal zijn bij degenen, die God naar de verkiezing van de genade in de algemene verderving, afval en verstoktheid van de wereld, voor zich zal bewaren en doen overblijven; verg. Jes. 10:22; Rom. 9:27, en Rom. 11:4, 11:5, 11:7, enz. Anders: en ook de overgeblevenen; verstaande hier, de gelovige heidenen, en in het voorgaande de gelovige Joden. Jesaja 10:22: Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Romeinen 9:27: En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. Romeinen 11:4: Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. Romeinen 11:5: Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade. Romeinen 11:7: Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
[^joel-2-32-109]: Kanttekening 109: Dat is, naar zijn vrij, genadig welbehagen door zijn Woord en Geest krachtig zal trekken en brengen tot de zalige gemeenschap van de Heer Christus en van zijn kerk, zowel uit Joden als heidenen; zie Joh. 6:44, 6:65, en Joh. 10:16; Hand. 2:39; Rom. 8:30, en Rom. 9:23, 9:24, enz. Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:65: En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal. Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Romeinen 9:23: En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? Romeinen 9:24: Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
[^joel-2-32-101]: Kanttekening 101: Onder al de voorzegde beroerten.

### Joël 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/joel/3.json)

*Profetie over Gods oordeel over de vijanden van Zijn kerk, met een bespotting van hun ijdele aanslagen en toerustingen daartegen, vers 1, enz. Eeuwige gelukzaligheid van de kerk en ondergang van de vijanden, 18.*

**1** [^joel-3-1-1] Want ziet, in die dagen en in die tijd,[^joel-3-1-2] als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v1)

**2** Dan zal Ik alle[^joel-3-2-3] heidenen verzamelen, en zal hen afvoeren in[^joel-3-2-4] het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn[^joel-3-2-5] erfdeel[^joel-3-2-6] Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en[^joel-3-2-7] Mijn land[^joel-3-2-8] gedeeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v2)

**3** En hebben het[^joel-3-3-9] lot over Mijn volk geworpen en een jongetje gegeven om een[^joel-3-3-10] hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v3)

**4** En ook,[^joel-3-4-11] wat hebt u met Mij te doen, u[^joel-3-4-12] Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zou u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, licht, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd teruggeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v4)

**5** Omdat u[^joel-3-5-13] Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn[^joel-3-5-14] beste kleinodiën in uw[^joel-3-5-15] tempels gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v5)

**6** En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van[^joel-3-6-16] de Grieken, opdat u hen verre van hun gebied mocht brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v6)

**7** Zie, Ik zal[^joel-3-7-17] ze opwekken uit de plaats, waarheen u ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding teruggeven op uw hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v7)

**8** En Ik zal uw zonen en uw dochters[^joel-3-8-18] verkopen in de hand van de kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van[^joel-3-8-19] Scheba,[^joel-3-8-20] aan een vergelegen volk;[^joel-3-8-21] want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v8)

**9** [^joel-3-9-22] Roep dit uit onder de heidenen,[^joel-3-9-23] heiligt een strijd; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle soldaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v9)

**10** [^joel-3-10-24] Sla uw spaden tot zwaarden, en uw sikkels tot speren; de zwakke zeg: Ik ben een held. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v10)

**11** Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en verzamelt u![^joel-3-11-25] (O YHWH, doe Uw[^joel-3-11-26] helden daarheen neerdalen!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v11)

**12** [^joel-3-12-27] De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar[^joel-3-12-28] het dal van Josafat; maar daar zal[^joel-3-12-29] Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v12)

**13** [^joel-3-13-30][^joel-3-13-a] Sla de sikkel aan, want de oogst is[^joel-3-13-31] rijp geworden; kom aan, daalt heen af, want de pers is[^joel-3-13-32] vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is[^joel-3-13-33] groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v13)

**14** [^joel-3-14-34] Menigten, menigten in het[^joel-3-14-35] dal van de dorswagen; want de dag van YHWH is[^joel-3-14-36] nabij, in het dal van de dorswagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v14)

**15** [^joel-3-15-b] De[^joel-3-15-37] zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v15)

**16** En YHWH zal uit[^joel-3-16-38] Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de[^joel-3-16-39] Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van[^joel-3-16-40] de Israëlieten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v16)

**17** En[^joel-3-17-41] u zult weten, dat Ik YHWH, uw God ben, wonende op[^joel-3-17-42] Sion, de berg Van mijn heiligheid; en Jeruzalem zal een[^joel-3-17-43] heiligheid zijn,[^joel-3-17-44][^joel-3-17-c] en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v17)

**18** En het zal op die dag gebeuren dat de[^joel-3-18-45] bergen van[^joel-3-18-d] zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een[^joel-3-18-46] fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van[^joel-3-18-47] Sittim bewateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v18)

**19** [^joel-3-19-48] Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een[^joel-3-19-49] woeste wildernis,[^joel-3-19-50] om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v19)

**20** Maar Juda zal[^joel-3-20-51] blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem[^joel-3-20-52] van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v20)

**21** En Ik zal hun[^joel-3-21-53] bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en YHWH zal wonen[^joel-3-21-54] op Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/joel/3.html#v21)

[^joel-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 Want ziet: Hieruit is af te nemen dat deze profetie ook behoort tot de staat van het Nieuwe Testament, waarvan in het einde van het voorgaande hoofdstuk gesproken is, beide \[naar de wijze van de profeten\] met manieren van spreken, die genomen zijn van de staat van het Oude Testament, gelijk te zien is in Joël 2:28, 2:32, en hier in dit vers en de volgende. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen.
[^joel-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden: Dat is, als Ik Mijn kerk door de Messias zal verlossen en haar vijanden straffen, bijzonderlijk en volkomenlijk in de voleinding van de wereld, en wanneer de vijanden zich met alle macht tezamen zullen opmaken om Gods kerk te dempen. Zie onder vers 9, 3:10, 3:11, 3:12, zijnde deze zaak afgebeeld door de verlossing van de Joden uit Babel en Gods wraak over hun vijanden. Joël 3:9: Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden. Joël 3:10: Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held. Joël 3:11: Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en vergadert u! (O YHWH, doe Uw helden daarheen nederdalen!) Joël 3:12: De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar daar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
[^joel-3-2-3]: Kanttekening 3: 3 heidenen vergaderen: Dat is, vijanden Mijner kerk, te rekenen als heidenen; en dienvolgens zowel Joden als heidenen; want de Joden zijn de eerste en bitterste vijanden van Christus en van de kerk van het Nieuwe Testament geweest, Ps. 2:1; Hand. 4:25, 4:26, 4:27, en Hand. 6:12, 6:13, enz. Psalmen 2:1: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? Handelingen 4:25: Die door de mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht? Handelingen 4:26: De koningen van de aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen de Heer, en tegen Zijn Gezalfde. Handelingen 4:27: Want in waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; Handelingen 6:12: En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor de raad; Handelingen 6:13: En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.
[^joel-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 dal van Josafat: Dat is, in de plaats Mijns oordeels, die een dal kan genoemd worden, ten aanzien van de hemel \[gelijk wij gewoon zijn te zeggen: het aardse dal, in dit jammerdal\], waarin God gezegd wordt te wonen en Christus in heerlijkheid zit ter rechterhand van Zijn Vader, en vanwaar Hij Zijn engelen afzendt tot verdelging van de vijanden, vers 11. Maar dit schijnt ganselijk te zien op de historie 2 Kron. 20, alwaar God ten tijde van de vrome koning Josafat een zeer grote menigte van de vijanden, die tegen Juda aankwamen, op de gebeden van de koning en van het volk, voor hun ogen maar zonder hun toedoen, door Zijn macht en de dienst van Zijn engelen, recht gedaan en vernield heeft in het dal Beracha of van de lof; zo genoemd, omdat de kerk daar God loofde en dankte vanwege deze grote en wonderbare nederlaag van hun vijanden. 2 Kron. 20:12, 20:16, 20:22, 20:26, met de aantekening. Zo \[wil de Heer zeggen\] zal Ik in de laatste tijden alle vijanden Mijner kerk, in het aanschouwen derzelve, richten en straffen, waarvoor zij Mij zal loven en danken. De Hebr. naam Jehosafat betekent het oordeel van YHWH; of gericht, of: YHWH oordeelt; en schijnt hier verklaard te worden door de bijgevoegde woorden: Ik zal daar met hen rechten; waarin sommigen het woord Josafat hier niet houden voor een eigennaam, maar zetten het over: dal van het oordeel van de Heer. Anderen menen, dat tussen Jeruzalem en de Olijfberg, waar onze Zaligmaker ten hemel opvoer, een dal is geweest, geheten het dal Josafats; maar daarvan is geen zekerheid. Zie Zach. 14:4, 14:5. Joël 3:11: Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en vergadert u! (O YHWH, doe Uw helden daarheen nederdalen!) 2 Kronieken 20:12: O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. 2 Kronieken 20:16: Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij de opgang van Ziz; en u zult hen vinden in het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël. 2 Kronieken 20:22: Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde YHWH achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen. 2 Kronieken 20:26: En op de vierde dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij YHWH; daarom noemden zij de naam dierzelver plaats het dal van Beracha, tot op deze dag. Zacharia 14:4: En Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft daarvan naar het zuiden. Zacharia 14:5: Dan zult u vluchten door de vallei Mijner bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, gelijk als u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal YHWH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o YHWH!
[^joel-3-2-5]: Kanttekening 5: Zie Deut. 32:9. Deuteronomium 32:9: Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erfenis.
[^joel-3-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, van mijn kerk, van het geestelijke Israël, bestaande uit gelovige Joden en heidenen; Gal. 6:16. Galaten 6:16: En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, daarover zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^joel-3-2-7]: Kanttekening 7: 7 Mijn land: Zie Joël 1:6. Joël 1:6: Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
[^joel-3-2-8]: Kanttekening 8: Te weten, onder elkaar, als een roof; Dan. 11:39. Daniël 11:39: En hij zal de vastigheden van de sterkten maken met de vreemde god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.
[^joel-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 lot over Mijn volk geworpen: De overheerden en gevangenen van mijn volk door het lot elkaar toegedeeld, en tot voldoening van hun goddeloze wellusten, zo onwaardig en snodelijk geacht en behandeld, gelijk volgt.
[^joel-3-3-10]: Kanttekening 10: Sommigen menen dat het Hebr. woord hier betekent voedsel.
[^joel-3-4-11]: Kanttekening 11: 11 wat hebt u met Mij te doen: Dat u mijn volk, heiligdom en land zo vijandelijk hebt behandeld? Hebben Ik of zij u iets misdaan, dat u zoudt mogen voorgeven zulks te willen wreken? In het minste niet, wil God zeggen, het is louter goddeloze haat en vijandschap, die u hebt en voert tegen mij, wie het kwaad raakt en betreft; dat men mijn kerk aandoet. Anders: wat bent u bij mij? of wat wilt u tegen mij? dat is, wat zoudt u dan ook bij mij gelden, omdat u mijn volk zo snood en schandelijk behandelt? of, wat zoudt u toch tegen mij vermogen? Hebr. wat u mensen mij, of met, bij, tegen mij?
[^joel-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 Tyrus en Sidon: Verg. Amos 1:7, 1:8, 1:9. De Tyriërs, Sidoniërs en Filistijnen waren het naast gelegen aan het Joodse land, langs de kusten van de Middellandse zee, en zeer bittere vijanden van Gods volk. Maar onder deze moet men alle vijanden van de kerk verstaan, gelijk ook de straf, die hun voorzegd wordt, de vijanden in het algemeen is rakende; zo worden door Moab alle andere vijanden van de kerk verstaan, Jes. 25:10, en in vers 19, door Egypte en Edom, en door Edom alleen. Zie Obadja enz. Amos 1:7: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. Amos 1:8: En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt de Heer YHWH. Amos 1:9: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers. Jesaja 25:10: Want de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest. Joël 3:19: Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
[^joel-3-5-13]: Kanttekening 13: 13 Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen: Van mijnen tempel, of ook \[gelijk sommigen\] van mijn volk en van mijn land, gelijk God gewoon is te spreken.
[^joel-3-5-14]: Kanttekening 14: 14 beste kleinodiën: De vaten van mijnen tempel of kleinodiën van mijn volk. Dit alles wordt gesproken naar de stijl van het Oude Testament, waardoor afgebeeld wordt allerlei smaad en overlast, die de vijanden Gods kerk, om zijn reinen godsdienst, zouden aandoen; zie vers 1. Joël 3:1: Want ziet, in die dagen en in die tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
[^joel-3-5-15]: Kanttekening 15: 15 tempels gebracht: Van de afgoden, om die met mijn goed te vereren, en mij zo te beschimpen.
[^joel-3-6-16]: Kanttekening 16: Hebr. Jevanim, van Javan. zie Gen. 10:2. Genesis 10:2: De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
[^joel-3-7-17]: Kanttekening 17: 17 opwekken uit de plaats: Gelijk Ik mijn volk uit Babel en andere plaatsen, waar zij verstrooid zullen zijn, zal verlossen, zo zal Ik met mijn kerk in het algemeen alsdan handelen, en haar vijanden straffen.
[^joel-3-8-18]: Kanttekening 18: Ik zal beschikken dat hun dit alles overkome, om mijns volks wil, alsof zij het zelf deden; en verder in het algemeen mijner kerk haar vijanden overgeven, dat zij hen richtte en oordele. Zie vers 11, en Ps. 50:6. Joël 3:11: Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en vergadert u! (O YHWH, doe Uw helden daarheen nederdalen!) Psalmen 50:6: En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
[^joel-3-8-19]: Kanttekening 19: Zie Gen. 10:7. Genesis 10:7: En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.
[^joel-3-8-20]: Kanttekening 20: 20 aan een vergelegen volk: Anders: \[om te voeren\] tot een, enz.
[^joel-3-8-21]: Kanttekening 21: 21 want YHWH heeft het gesproken: Verg. Joël 2:32. Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen.
[^joel-3-9-22]: Kanttekening 22: 22 Roept dit uit onder de heidenen: Dit spreekt God \[spottenderwijze\] tot alle vijanden van zijn kerk, alsof Hij zei: Doet vrij al wat u kunt; brengt al uw macht bijeen, gedraagt u als helden, u zult mee ervaren gelijk volgt; verg. Jes. 8:9, 8:10; Jer. 46:3, 46:4; Ez. 38:7, 38:9, enz. Jesaja 8:9: Vergezelt u te zamen, u volken! maar wordt verbroken; en neemt ter ore, allen u, die in verre landen bent, omgordt u, maar wordt verbroken; omgordt u, maar wordt verbroken! Jesaja 8:10: Beraadslaagt een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, maar het zal niet bestaan; want God is met ons! Jeremia 46:3: Rust het schild en de rondas toe, en nadert tot de strijd! Jeremia 46:4: Spant de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsiers aan! Ezechiël 38:7: Zijt bereid en maakt u gereed, u en uw gehele vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees u hun tot een wacht. Ezechiël 38:9: Dan zult u optrekken, u zult aankomen als een onstuimige verwoesting, u zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; u en al uw benden, en vele volken met u.
[^joel-3-9-23]: Kanttekening 23: 23 heiligt een krijg: Zie Jer. 6:4. Jeremia 6:4: Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^joel-3-10-24]: Kanttekening 24: 24 Slaat uw spaden tot zwaarden: Opdat het u toch aan gene krijgswapenen ontbreke, die u tegen mijn kerk zoudt mogen gebruiken. Zie de belofte van het tegendeel, in Gods kerk, Jes. 2:4; Micha 4:3. Jesaja 2:4: En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. Micha 4:3: En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg niet meer leren.
[^joel-3-11-25]: Kanttekening 25: 25 O YHWH: Een vurig gebed van de profeet uit bekommernis over dit grote geweld aller vijanden, waartegen hij geen troost vindt dan bij God. Verg. Joël 1:19, en zie een dergelijke tussengevoegde aanspraak tot God, Zach. 14:5; Jes. 63:14; Hos. 11:3, enz. Joël 1:19: Tot U, o YHWH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken. Zacharia 14:5: Dan zult u vluchten door de vallei Mijner bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, gelijk als u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal YHWH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o YHWH! Jesaja 63:14: Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest van YHWH rust gegeven. Zo hebt U Uw volk geleid, opdat U U een heerlijken Naam zoudt maken. Hosea 11:3: Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.
[^joel-3-11-26]: Kanttekening 26: 26 helden daarheen nederdalen: De heilige engelen, die ook zo genoemd en vanwege hun macht genoemd worden, Ps. 78:25, en Ps. 103:20, en wier dienst God placht te gebruiken in het beschermen van zijn kerk en het verdelgen van haar vijanden; verg. 2 Kron. 20:22, met de aantekening daar. Sommigen verstaan, om God in het oordeel, naast zijn heiligen, te helpen. Verg. Ps. 50:6; beide is de plicht van de engelen. Dit stelt de profeet tegen de helden van de vijanden, zie vers 9, alsof hij zei: Heer, als de vijanden doen alles wat zij kunnen, doe U dan ook wat U kunt. Anders: daar zal YHWH uw \[een ieder van al deze vijandelijke volken\] helden nederleggen, dat is neervellen. Psalmen 78:25: Ieder at het brood van de Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. 2 Kronieken 20:22: Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde YHWH achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen. Psalmen 50:6: En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela. Joël 3:9: Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.
[^joel-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 De heidenen zullen zich opmaken: Of, laat de volken zich, enz. want enz. of de volken zullen worden opgewekt, en opkomen, of opklimmen, enz.
[^joel-3-12-28]: Kanttekening 28: 28 dal van Josafat: Zie vers 2. Joël 3:2: Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
[^joel-3-12-29]: Kanttekening 29: Als Koning en Rechter van de wereld; zie Ps. 9:5, en Ps. 29:10, en Ps. 55:20. Door mijnen Zoon Jezus Christus; Joh. 5:22; Hand. 17:31. Psalmen 9:5: Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; U hebt gezeten op de troon, o Rechter, van de gerechtigheid. Psalmen 29:10: YHWH heeft gezeten over de watervloed; ja, YHWH zit, Koning in eeuwigheid. Psalmen 55:20: God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; omdat bij hen geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen. Johannes 5:22: Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; Handelingen 17:31: Daarom Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^joel-3-13-30]: Kanttekening 30: 30 Slaat de sikkel aan: Maait af en dorst, dat is, verdelgt hen, werpt hen in het vuur. Dit zijn Gods woorden tot zijn helden, van wie in vers 11. Verg. Matt. 13:30, 13:39; Openb. 14:15, 14:19. Joël 3:11: Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en vergadert u! (O YHWH, doe Uw helden daarheen nederdalen!) Mattheüs 13:30: Laat ze beiden te zamen opwassen tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in bossen, om hetzelfde te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. Mattheüs 13:39: En de vijand, die hetzelfde gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding van de wereld; en de maaiers zijn de engelen. Openbaring 14:15: En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden. Openbaring 14:19: En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God.
[^joel-3-13-a]: Verwijzing a: Openb. 14:15. Openbaring 14:15: En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden.
[^joel-3-13-31]: Kanttekening 31: 31 rijp geworden: Hun zonden zijn rijp ter straf, de maat is vol \[verg. Gen. 15:16, en Gen. 18:21, met de aantekening\] de bestemde dag en tijd van mijn oordeel is daar. Genesis 15:16: En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^joel-3-13-32]: Kanttekening 32: Van druiven, om getreden en geperst te worden; dat is, de grote pers van Gods toorn is vol, waarin alle goddelozen zullen geworpen worden; zie Openb. 14:19, en verg. Jes. 63:3. Openbaring 14:19: En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Jesaja 63:3: Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
[^joel-3-13-33]: Kanttekening 33: Of, veelvoudig, dit verklaart de voorgaande gelijkenissen.
[^joel-3-14-34]: Kanttekening 34: 34 Menigten, menigten: Dat is, \[als met verwondering uitroepende\] o hoezeer grote menigten van mensen zullen er komen, of zich verzamelen! of, hoe vol zal het overal zijn van verslagen, nedergevelde vijanden, ziende op het voorgaande vers, verg. 2 Kron. 20:24, enz.; Jes. 66:24, en zie van zulk een verdubbeling van de woorden Gen. 14:10; Deut. 16:20; Ez. 13:10, in de aantekening. Anders: rumoeren, rumoeren, of gedruis, gedruis, gewoel, gewoel. 2 Kronieken 20:24: Als nu Juda tot de wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen. Jesaja 66:24: En zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de mensen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen. Genesis 14:10: Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. Deuteronomium 16:20: Gerechtigheid, gerechtigheid zult u najagen; opdat u leeft, en erfelijk bezit het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Ezechiël 13:10: Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de een een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen pleisteren hem met loze kalk.
[^joel-3-14-35]: Kanttekening 35: 35 dal van de dorswagens: Versta, het gemelde dal van Josafat, zo genoemd omdat de vijanden van Gods volk daar zouden gedorst, dat is verbroken en vertreden worden. Dit past wel op het voorgaande vers waar God zegt: Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp, waarop het dorsen volgt; en zo wordt het Hebr. woord Charuts gebruikt voor de dorswagen, in die tijd gebruikelijk; Jes. 28:27; Amos 1;3, en in een gelijke zaak als hier Jes. 41:15. Verg. ook hiermee Jes. 25:10; Jer. 51:33; Hab. 3:12. Maar zo het voorschreven woord ook betekent, versneden, en verder beslist \[gelijk men nu ook spreekt\] of juist bestemd, besloten aangenomen, wordt het van sommigen hier overgezet, het dal van de versnijding; dat is, van de uitroeiing, of het dal van het precies bestemd, bescheiden, oordeel, alsof men zei, van het arrest, van het juiste vonnis; ook in de goede zin. Zie deze betekenis van het Hebr. woord Job 14:5; Jes. 10:22, 10:23; Dan. 9:26, 9:27, en Dan. 11:36. Jesaja 28:27: Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; Jesaja 41:15: Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf. Jesaja 25:10: Want de hand van YHWH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest. Jeremia 51:33: Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. Habakuk 3:12: Met toorn tradt U door het land, met toorn dorstet U de heidenen. Job 14:5: Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; Jesaja 10:22: Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Jesaja 10:23: Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heer YHWH van de legermachten doen in het midden van dit gehele land. Daniël 9:26: En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorsten, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Daniël 9:27: En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. Daniël 11:36: En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God van de goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de toorn voltooid zij, want het is vastelijk besloten, het zal gebeuren.
[^joel-3-14-36]: Kanttekening 36: Profetischerwijze, en ten aanzien van God gesproken, alsof de zaak voor de deur was. Verg. Openb. 1:1, en 2 Petr. 3:8, 3:9. Openbaring 1:1: De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; 2 Petrus 3:8: Maar deze een zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. 2 Petrus 3:9: De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enige dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
[^joel-3-15-b]: Verwijzing b: Joël 2:10; idem v. 31. Joël 2:10: De aarde is beroerd voor daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in. Joël 2:31: De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt.
[^joel-3-15-37]: Kanttekening 37: 37 zon en maan zijn zwart geworden: Gelijk in Joël 2:10; zie daar. Alle tekenen \[wil de profeet zeggen\] zijn er, die voor de dag van de Heer zullen voorgaan. Joël 2:10: De aarde is beroerd voor zijn aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
[^joel-3-16-38]: Kanttekening 38: 38 Sion brullen: Uit zijn kerk zijn heilig Evangelie door de gehele wereld laten horen, met verkondiging van zijn verschrikkelijke oordelen over alle ongehoorzamen, dat niet zal gebeuren zonder beroerte van de gehele wereld. Verg. de manier van spreken met Jes. 31:4, 31:5; Hos. 11:10, met de aantekening; idem Hagg. 2:6, 2:7; Hebr. 12:26. Jesaja 31:4: Want zo heeft YHWH tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer ook een volle menigte van de herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; zo zal YHWH van de legermachten nederdalen, om te strijden voor de berg van Sion en voor haar heuvel. Jesaja 31:5: Gelijk vliegende vogels, zo zal YHWH van de legermachten Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen. Hosea 11:10: Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Haggai 2:6: Met het woord, in dat Ik met u een verbond gemaakt heb, als u uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet! Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de legermachten: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Hebreeën 12:26: Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel.
[^joel-3-16-39]: Kanttekening 39: 39 Toevlucht van Zijn volk: In al de voorzegde verschrikkelijke beroerten en oordelen van God.
[^joel-3-16-40]: Kanttekening 40: 40 kinderen van Israël zijn: Dat is, zijn kerk.
[^joel-3-17-41]: Kanttekening 41: 41 u zult weten: Dat is, mijn kerk \[waarvan de gelovigen in die tijd medeleden waren\] zal bevinden, ervaren; verg. Joël 2:27. Joël 2:27: En u zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik YHWH, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.
[^joel-3-17-42]: Kanttekening 42: Gelijk Joël 2:32, en in vers 21. Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen. Joël 3:21: En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en YHWH zal wonen op Sion.
[^joel-3-17-43]: Kanttekening 43: 43 heiligheid zijn: Dat is, geheel heilig, volkomenlijk alsdan geheiligd; zie in vers 21; Openb. 21:2, en ook gezuiverd van het lastig gezelschap aller onheilige bokken en huichelaars, die van Christus niet zijn en zijn Geest niet hebben, gelijk volgt. Joël 3:21: En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en YHWH zal wonen op Sion. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^joel-3-17-44]: Kanttekening 44: 44 en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan: Zie Zach. 14:21; Matt. 7:23, en Matt. 13:30, en Matt. 25:32, 25:46; Openb. 21:27; verder zal zij ook van gene vijanden meer geplaagd zijn. Zacharia 14:21: Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen YHWH van de legermachten heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en daarvan nemen, en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis van YHWH van de legermachten, op die dag. Mattheüs 7:23: En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Mattheüs 13:30: Laat ze beiden te zamen opwassen tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in bossen, om hetzelfde te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. Mattheüs 25:32: En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. Mattheüs 25:46: En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^joel-3-17-c]: Verwijzing c: Openb. 21:27. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^joel-3-18-45]: Kanttekening 45: Door deze en de volgende lieflijke en figuurlijke redenen wordt afgebeeld de zeer gelukzalige stand van de kerk onder het koninkrijk van Christus, in het bijzonder van de triomferende kerk in het koninkrijk van de heerlijkheid, wanneer God zijn genadewerk, in dit leven aangevangen, volkomenlijk zal voltooien, en alles in allen zijn. Verg. Amos 9:13. Amos 9:13: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.
[^joel-3-18-d]: Verwijzing d: Amos 9:13. Amos 9:13: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.
[^joel-3-18-46]: Kanttekening 46: 46 fontein uit het huis van YHWH uitgaan: Zie Jes. 49:10; Ez. 47:1, enz.; Zach. 14:8, met de aantekening, idem Openb. 22:1. Jesaja 49:10: Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden. Ezechiël 47:1: Daarna bracht hij mij weer tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis, van het zuiden van het altaar. Zacharia 14:8: Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen in de zomer en in de winter zijn. Openbaring 22:1: En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.
[^joel-3-18-47]: Kanttekening 47: Gelegen aan de oostzijde van de Jordaan, in de vlakke velden van de Moabieten, tegenover Jericho, nabij de Zoutzee, of Dode zee, \[zie Gen. 14:3\], waarvan de wateren dodelijk waren, en volgens die de aanliggende omstreken droog en onvruchtbaar. Verg. Ez. 47:1, 47:2, 47:3, alwaar gezegd wordt dat de wateren uit het huis van de Heer mee liepen oostwaarts; en zie van de plaats Sittim, \[Hebr.\] Schittim Num. 22:1, verg. met Num. 25:1, en Num. 33:49; Joz. 2:1; Micha 6:5. Anders: het dal van de uitgelezen cederen; dat is, van de kerk. Verg. Ps. 92:13, 92:14, en zie Ex. 25:5; Jes. 41:19. Genesis 14:3: Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. Ezechiël 47:1: Daarna bracht hij mij weer tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis, van het zuiden van het altaar. Ezechiël 47:2: En hij bracht mij uit door de weg van de noorderpoort, en voerde mij om door de weg van buiten, tot de buitenpoort, de weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde. Ezechiël 47:3: Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen. Numeri 22:1: Daarna reisden de kinderen van Israël, en legerden zich in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. Numeri 25:1: En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 33:49: En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden van de Moabieten. Jozua 2:1: Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar. Micha 6:5: Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van YHWH kent. Psalmen 92:13: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. Psalmen 92:14: Die in het huis van YHWH geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods. Exodus 25:5: En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout; Jesaja 41:19: Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom te gelijk;
[^joel-3-19-48]: Kanttekening 48: Zie vers 4. Joël 3:4: En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.
[^joel-3-19-49]: Kanttekening 49: 49 woeste wildernis: Gelijk in Joël 2:3. Joël 2:3: Voor hetzelfde verteert een vuur, en achter hetzelfde brandt een vlam; het land is voor hetzelfde als een lusthof, maar achter hetzelfde een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelfde.
[^joel-3-19-50]: Kanttekening 50: 50 om het geweld: Hebr. om de wrevel, of het geweld van de kinderen van Juda; dat is, die zij aan Juda bewezen hebben. Verg. de manier van spreken met Jer. 2:2, en zie de aantekening daar. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^joel-3-20-51]: Kanttekening 51: 51 blijven in eeuwigheid: Of, bewoond worden. Zie Jer. 17:6. Door Juda, Jeruzalem en Zion, versta Gods kerk. Verg. Joël 2:32. Jeremia 17:6: Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen.
[^joel-3-20-52]: Kanttekening 52: 52 van geslacht tot geslacht: Hebr. tot, of in geslacht en geslacht.
[^joel-3-21-53]: Kanttekening 53: 53 bloed reinigen: Dat is, Ik zal hen volkomenlijk heiligen, hen zuiverende van alle zondige onreinheid, dat Ik tevoren \[in dit leven\] niet volkomenlijk had gedaan. Verg. Ez. 16:6, 16:9; Hos. 12:15, met de aantekening, en zie vers 17. Sommigen duiden het op Gods genade aan de heidenen, die tevoren van Gods verbond vervreemd waren, Ef. 2:12. Anders: Ik zal hun bloed onschuldig verklaren, \[dat\] Ik niet onschuldig verklaard had; dat is, Ik zal alsdan door mijn oordeel doen blijken dat zij onschuldig om het leven zijn gebracht, die om mijnentwil gedood zijn, waar Ik tevoren mijn toorn opgeschort en mij dan stilgehouden had. Verg. Openb. 6:10, en zie vers 19. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! Ezechiël 16:9: Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie. Hosea 12:15: Efraïm daarentegen heeft Hem zeer bitterlijk vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heer zal hem zijn smaad vergelden. Joël 3:17: En u zult weten, dat Ik YHWH, uw God ben, wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Openbaring 6:10: En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? Joël 3:19: Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
[^joel-3-21-54]: Kanttekening 54: 54 wonen op Sion: Verg. Ez. 48:35; Zach. 2:10, 2:11; Openb. 21:3, 21:22, en Openb. 22:3. Ezechiël 48:35: Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: YHWH IS DAAR. Zacharia 2:10: Juich en verblijd u, u dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt YHWH. Zacharia 2:11: En vele heidenen zullen op die dag YHWH toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en u zult weten, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 21:22: En ik zag geen tempel daarin; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen;

## Amos

### Amos 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/1.json)

*Afkomst en tijd van het profeteren van Amos, vers 1. hij verkondigt Gods verschrikkelijke oordelen, 2. over Syrië, 3. over de Filistijnen, 6. over Tyrus, 9. over Edom, 11. en over Ammon, 13. voornamelijk om de vervolging en verdrukking van Zijn volk.*

**1** De[^amos-1-1-1] woorden van Amos, die onder de veehouders[^amos-1-1-2] was van[^amos-1-1-3] Thekoa, die hij[^amos-1-1-4] gezien heeft over Israël, in de dagen van[^amos-1-1-5] Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaar voor[^amos-1-1-6][^amos-1-1-a] de aardbeving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v1)

**2** En hij zei: YHWH zal[^amos-1-2-7][^amos-1-2-b] brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de[^amos-1-2-8] woningen van de herders zullen treuren, en de[^amos-1-2-9] hoogte van Karmel zal verdorren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v2)

**3** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van[^amos-1-3-11] Damascus, en om vier zal Ik[^amos-1-3-12] dat niet afwenden; omdat zij[^amos-1-3-13] Gilead met[^amos-1-3-14] ijzeren dorswagens hebben gedorst.[^amos-1-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v3)

**4** Daarom zal Ik een[^amos-1-4-15] vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v4)

**5** En Ik zal de[^amos-1-5-16] grendel van Damascus[^amos-1-5-c] verbreken, en zal uitroeien de inwoner van[^amos-1-5-17] Bikeat-aven, en die, die de[^amos-1-5-18] scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal als gevangene weggevoerd worden naar[^amos-1-5-19][^amos-1-5-d] Kir, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v5)

**6** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van[^amos-1-6-20][^amos-1-6-e] Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk als gevangene hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan[^amos-1-6-21][^amos-1-6-22] Edom over te leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v6)

**7** Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v7)

**8** En Ik zal de inwoner uitroeien uit[^amos-1-8-23] Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn[^amos-1-8-24] hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van[^amos-1-8-25] de Filistijnen zal vergaan, zegt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v8)

**9** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van[^amos-1-9-26] Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen[^amos-1-9-27] wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het[^amos-1-9-28] verbond van de broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v9)

**10** Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v10)

**11** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van[^amos-1-11-29] Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn[^amos-1-11-30] broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn[^amos-1-11-31] barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn[^amos-1-11-32] toorn altijd behoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v11)

**12** Daarom zal Ik een vuur zenden in[^amos-1-12-33] Theman, dat zal de paleizen van[^amos-1-12-34] Bozra verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v12)

**13** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen van Ammon, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van[^amos-1-13-36] Gilead hebben[^amos-1-13-37] opengesneden, om hun[^amos-1-13-38] gebied te verruimen.[^amos-1-13-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v13)

**14** Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van[^amos-1-14-39] Rabba, dat zal[^amos-1-14-40] haar paleizen verteren; met een[^amos-1-14-41] gejuich op de dag van de strijd, met een[^amos-1-14-42] onweer op de dag van de wervelwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v14)

**15** En hun[^amos-1-15-43] koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten samen, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/1.html#v15)

[^amos-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 woorden van Amos: Of, zaken, dingen.
[^amos-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 veeherderen was: Zie Amos 7:14; het Hebr. woord staat ook in 2 Kon. 3:4, alwaar het van de Moabietische koning gebruikt wordt, voor een veehandelaar. Amos 7:14: Toen antwoordde Amos, en zei tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. 2 Koningen 3:4: Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.
[^amos-1-1-3]: Kanttekening 3: Zie 2 Sam. 14:2. 2 Samuël 14:2: Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;
[^amos-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 gezien heeft over Israël: Dat is, die hem door gezichten van God zijn geopenbaard; zo Micha 1:1; zie Ez. 13:3, enz. Micha 1:1: Het woord van YHWH, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem. Ezechiël 13:3: Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben!
[^amos-1-1-5]: Kanttekening 5: Hieruit blijkt dat deze profeet tenzelfden tijde ook geprofeteerd heeft als als Hosea; zie Hos. 1:1. Hosea 1:1: Het woord van YHWH, dat geschied is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël.
[^amos-1-1-6]: Kanttekening 6: 6 de aardbeving: Verg. Zach. 14:5. De Joden geloven dat deze aardbeving geschied is ten tijde als Uzzia met melaatsheid van God gestraft werd, omdat hij trad in het ambt van de priesters, 2 Kron. 26:19. Anderen menen dat zij geschied is na de dood van deze Jerobeam, voor de verschrikkelijke samenzweringen en moorderijen, die daarna in Israël \[in het bijzonder onder de groten\] gevolgd zijn, en van de profeet Hosea dikwijls vermeld worden. Zacharia 14:5: Dan zult u vluchten door de vallei Mijner bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, gelijk als u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal YHWH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o YHWH! 2 Kronieken 26:19: Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar.
[^amos-1-1-a]: Verwijzing a: Zach. 14:5. Zacharia 14:5: Dan zult u vluchten door de vallei Mijner bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, gelijk als u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal YHWH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o YHWH!
[^amos-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 brullen uit Sion: Zie Jer. 25:30; Joel 3:16 met de aantekening. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde. Joël 3:16: En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn.
[^amos-1-2-b]: Verwijzing b: Jer. 25:30; Joël 3:16. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde. Joël 3:16: En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn.
[^amos-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 woningen van de herderen zullen treuren: Of, weiden, schone akkers, waar de herders hun hutten hebben en het vee gaan weiden; die zullen jammerlijk gesteld zijn, als lijdende om de zonden van de mensen; verg. vers 4, 1:6, 1:7. Uit deze woorden leiden sommigen af dat God hier profeteert van een grote droogte in Israël, die Hij door een profeet in Juda zou laten voorzeggen en uit Zion \[als zijn woonstede\] uitzenden; verg. Amos 3:8. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. Amos 1:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren. Amos 1:7: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. Amos 3:8: De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heer YHWH heeft gesproken, wie zou niet profeteren?
[^amos-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 hoogte van Karmel: Hebr. het hoofd. Van Karmel, zie Jer. 50:19. Jeremia 50:19: En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden.
[^amos-1-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, Syrië en verder de Syriërs. Van Damascus, zie Gen. 14:15; 2 Sam. 8:5. Genesis 14:15: En hij verdeelde zich tegen hen 's nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 2 Samuël 8:5: En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man.
[^amos-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 dat niet afwenden: Te weten, het oordeel, dat in het volgende verhaald wordt, niet langer ophouden of uitstellen. Sommigen nemen het aldus: Om drie, enz. ja om vier zal Ik hen niet vergelden, \[maar\] omdat zij Gilead, enz.; alsof de Heer zei: Vele voorgaande zonden zou Ik nog hebben overzien, en hen om die zo hard niet hebben gestraft, maar nu zij zo tiranniglijk met mijn volk hebben gehandeld, zal Ik met mijn oordeel voortgaan; zo in het volgende. Anders: zal Ik hem niet wederbrengen, te weten, zoverre in mijn gunst, dat Ik hem zou sparen.
[^amos-1-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, Israël, wonende in Gilead, gelegen over de Jordaan, naar Syrië toe; zie Gen. 31:21. Genesis 31:21: En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.
[^amos-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 ijzeren dorswagens hebben gedorst: Verg. 2 Sam. 12:31, en in vers 13. Dit kan men verstaan van Hazaëls en Benhadads wreedheid, \[zie 2 Kon. 8:12, en 2 Kon. 10:32, 10:33, en 2 Kon. 12:18, en 2 Kon. 13:3, 13:7\], welke twee tirannen in het volgende genoemd worden. 2 Samuël 12:31: Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de ticheloven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen Ammons. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem. Amos 1:13: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden. 2 Koningen 8:12: Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. 2 Koningen 10:32: In die dagen begon YHWH Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël: 2 Koningen 10:33: Van de Jordaan af, tegen de opgang van de zon, het gehele land van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van de Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan. 2 Koningen 12:18: Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis van YHWH, en van het huis van de koning, en zond het tot Hazaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem. 2 Koningen 13:3: Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die dagen. 2 Koningen 13:7: Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagens, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.
[^amos-1-3-10]: Kanttekening 10: 10 drie overtredingen: Dat is, om vele grove zonden \[in het bijzonder tegen mijn volk begaan\] die zij van tijd tot tijd hebben opgehoopt, mijn lankmoedigheid schandelijk misbruikende; een zeker getal voor een onzeker; verg. Job 5:19, en Job 33;29, zo vers 6, 1:9, 1:11, 1:13, en Amos 2:4, 2:6. Job 5:19: In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. Amos 1:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren. Amos 1:9: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers. Amos 1:11: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt. Amos 1:13: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van de kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden. Amos 2:4: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet van YHWH verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugens hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld. Amos 2:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de nooddruftige om een paar schoenen.
[^amos-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 vuur in het huis van Hazaël zenden: Plaag van krijg en verwoesting, enz. Zie Jer. 49:27 met de aantekening, zo in het volgende dikwijls. Jeremia 49:27: En Ik zal een vuur aansteken in de muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren.
[^amos-1-5-16]: Kanttekening 16: 16 grendel van Damascus verbreken: Dat is, de macht, sterkte en vastheid van het koninkrijk van Syrië en in het bijzonder van de hoofdstad Damascus. Zie 2 Kon. 16:9, en Jes. 17:1. 2 Koningen 16:9: Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin. Jesaja 17:1: De last van Damascus. Ziet, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.
[^amos-1-5-c]: Verwijzing c: Jes. 17:1; Jer. 49:23. Jesaja 17:1: De last van Damascus. Ziet, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. Jeremia 49:23: Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.
[^amos-1-5-17]: Kanttekening 17: Dit schijnen twee steden of koninklijke lustplaatsen geweest te zijn in Syrië, uit vergelijking van vers 8. Bikeat Aven is te zeggen vallei van de ijdelheid, Beth-Eden, huis van de wellust, of lusthuis; zie van Eden, Gen. 2:8. Amos 1:8: En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt de Heer YHWH. Genesis 2:8: Ook had YHWH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had.
[^amos-1-5-18]: Kanttekening 18: 18 scepter houdt: Dat is, de regent; want zulks was een teken van regering; zie Gen. 49:10; Ez. 19:11, 19:14. Genesis 49:10: De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Ezechiël 19:11: En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte van zijn takken. Ezechiël 19:14: Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede van zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.
[^amos-1-5-19]: Kanttekening 19: Zie 2 Kron. 16:9, en verg. Amos 9:7. 2 Kronieken 16:9: Want YHWH aangaande, Zijn ogen doorlopen de gehele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie het hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. Amos 9:7: Bent u Mij niet als de kinderen van de Moren, o kinderen van Israël? spreekt YHWH. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?
[^amos-1-5-d]: Verwijzing d: 2 Kon. 16:9. 2 Koningen 16:9: Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.
[^amos-1-6-20]: Kanttekening 20: Zie Richt. 16:1. Hieronder worden de andere hoofdsteden van de Filistijnen mee verstaan; zie vers 8. Richteren 16:1: Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag daar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in. Amos 1:8: En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt de Heer YHWH.
[^amos-1-6-e]: Verwijzing e: 2 Kron. 21:16; idem 21:17; 2 Kron. 28:18. 2 Kronieken 21:16: Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. 2 Kronieken 21:17: Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste zijn zonen. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar.
[^amos-1-6-21]: Kanttekening 21: 21 gevankelijk hebben weggevoerd: Hebr. om hen gevankelijk weg te voeren, enz. zie 2 Kron. 21:16, 21:17, en 2 Kron. 28:18; Joel 3:4, 3:6. 2 Kronieken 21:16: Zo verwekte YHWH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. 2 Kronieken 21:17: Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar. Joël 3:4: En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen. Joël 3:6: En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van de Grieken, opdat u hen verre van hun landpale mocht brengen.
[^amos-1-6-22]: Kanttekening 22: 22 met een volkomen wegvoering: Of, \[in\] een volkomen gevangenis, \[hen\] overleverende aan Edom.
[^amos-1-8-23]: Kanttekening 23: Asdod en de andere steden, in dit vers genoemd, waren alle hoofdsteden van de Filistijnen, in de Schrift bekend.
[^amos-1-8-24]: Kanttekening 24: 24 hand wenden tegen Ekron: Dat is, mijn macht uitstrekken. Zie de manier van spreken 2 Sam. 8:3; Ez. 38:12. 2 Samuël 8:3: David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen toog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. Ezechiël 38:12: Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en bezittingen verkregen heeft, wonende in het midden van het land.
[^amos-1-8-25]: Kanttekening 25: 25 zal vergaan: Hebr. zullen; dat is, de overgeblevenen zullen vergaan.
[^amos-1-9-26]: Kanttekening 26: Zie Joz. 19:20, en verder van Tyrus, Jes. 23; Jer. 47:4; Ez. 26, Ez. 27, Ez. 28. Jozua 19:20: En Rabbith, en Kisjon, en Ebez, Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren.
[^amos-1-9-27]: Kanttekening 27: Verg. Joel 3:4, 3:6, met de aantekening. Joël 3:4: En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen. Joël 3:6: En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van de Grieken, opdat u hen verre van hun landpale mocht brengen.
[^amos-1-9-28]: Kanttekening 28: 28 verbond van de broers: Omdat David en Salomo met Hiram, de koning van Tyrus, een verbond hadden gemaakt en elkaar broers genoemd; zie 2 Sam. 5:11; 1 Kon. 5:1, en 1 Kon. 9:13. 2 Samuël 5:11: En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. 1 Koningen 5:1: En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), omdat Hiram David altijd bemind had. 1 Koningen 9:13: Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broer, die u mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op deze dag.
[^amos-1-11-29]: Kanttekening 29: Zie Jes. 21:11; Jer. 49:7; Ez. 25:12; Obad. 1:1. Jesaja 21:11: De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden? Ezechiël 25:12: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: Obadja 1:1: Het gezicht van Obadja. Zo zegt de Heer YHWH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.
[^amos-1-11-30]: Kanttekening 30: 30 broers met het zwaard heeft vervolgd: Dat is, bloedverwant, namelijk Israël of de Israëlieten, afkomstig van Jakob, Ezau's broer, die van de Edomieten vader is geweest; zie Gen. 27:40; Deut. 23:7. Genesis 27:40: En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. Deuteronomium 23:7: De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land.
[^amos-1-11-31]: Kanttekening 31: 31 barmhartigheden verdorven: Dat is, de natuurlijke genegenheid en mededogendheid, die bloedverwanten elkaar behoren toe te dragen en te bewijzen.
[^amos-1-11-32]: Kanttekening 32: 32 toorn altijd behoudt: Die Ezau eerst tegen zijn broer Jakob opgenomen heeft, \[Gen. 27:41\], en schandelijk van de nakomelingen vervolgd en gecontinueerd is. Zie Ps. 137:7, enz. Genesis 27:41: En Ezau haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
[^amos-1-12-33]: Kanttekening 33: Zie Jer. 49:7. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden?
[^amos-1-12-34]: Kanttekening 34: 34 Bozra verteren: Van de Edomieten, gelijk Jes. 34:5, en Jes. 64:1; Jer. 49:22, want het schijnt ganselijk dat er een ander Bozra geweest is, behorende tot Moab, Jer. 48:24. Anders \[naar sommiger gevoelen\] genoemd Bezer, Joz. 21:36, waar vele weiden en schapen waren. Zie Micha 2;12, en verg. 2 Kon. 3:4, tenzij de Edomieten Moabs Bozra, door krijgszuchtigheid als niet ver van hun grenzen gelegen, mochten hebben overmeesterd en aan zich getrokken. Jesaja 34:5: Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; ziet, het zal tot het oordeel nederdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb. Jesaja 64:1: Och, dat U de hemelen scheurde, dat U nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten; Jeremia 49:22: Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is. Jeremia 48:24: En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn. Jozua 21:36: En van de stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden; 2 Koningen 3:4: Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.
[^amos-1-13-36]: Kanttekening 36: 36 Gilead hebben: Zie vers 3. Amos 1:3: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.
[^amos-1-13-37]: Kanttekening 37: Versta onder deze een gruwelijke soort van tirannie al de andere, gelijk in vers 3, en Hos. 14:1. Amos 1:3: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst. Hosea 14:1: Samaria zal woest worden, want zij is opstandig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderen zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.
[^amos-1-13-38]: Kanttekening 38: 38 landpale te verwijden: Omdat het land van de Ammonieten aan Gilead grensde, beide in het oosten over de Jordaan gelegen.
[^amos-1-13-35]: Kanttekening 35: 35 kinderen Ammons: Zie Jer. 49:1; Ez. 25:2. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in de steden daarvan? Ezechiël 25:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen hen;
[^amos-1-14-39]: Kanttekening 39: Zie 2 Sam. 11:1. 2 Samuël 11:1: En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem.
[^amos-1-14-40]: Kanttekening 40: 40 haar paleizen verteren: Van de stad Rabba, van de Ammonieten hoofdstad.
[^amos-1-14-41]: Kanttekening 41: Of, \[bazuinen\] geklank, veldgeschrei, zo in Amos 2:2. Amos 2:2: Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid van de bazuin.
[^amos-1-14-42]: Kanttekening 42: Van oorlog, dat hun door Gods zwaren toorn haastiglijk en schrikkelijk zal overvallen, gelijk een storm, wervel- of draaiwind. Zie Job 9:17; Spr. 1:27, en Spr. 10:25; Hos. 8:7, met de aantekening. Job 9:17: Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. Spreuken 1:27: Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; Spreuken 10:25: Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. Hosea 8:7: Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
[^amos-1-15-43]: Kanttekening 43: Anders, Malcom; dat is, de afgod van de Ammonieten, zal weggevoerd worden in de gevangenis, naar de wijze van de volken, wanneer zij een land overwonnen. Zie Jes. 45:1; Jer. 48:7, en Jer. 49:1, 49:3; Hos. 10:6, met de aantekening. Jesaja 45:1: Zo zegt YHWH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in de steden daarvan? Jeremia 49:3: Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Hosea 10:6: Ja, datzelfde zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.

### Amos 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/2.json)

*Gods oordeel over Moab, vers 1, enz. over Juda, 4. en over Israël, wiens gruwelijke zonden in het bijzonder vermeld worden, zoals onderdrukking van de vromen en armen in het gericht, 6, 7. verfoeilijke onkuisheid, 7. onbeschaamdheid in hun schending en afgoderij, 8. ondankbaarheid tegen Gods weldadigheid van oudsher, 9. onheiligheid en trots tegen nazireeërs en profeten, 12. daarom dreigt God hen met een hard en onvermijdelijk verderf, 13.*

**1** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat[^amos-2-1-2] hij de[^amos-2-1-3] beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrand heeft.[^amos-2-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v1)

**2** Daarom zal Ik een[^amos-2-2-4] vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van[^amos-2-2-5] Kerioth verteren; en Moab zal[^amos-2-2-6] sterven met groot[^amos-2-2-7] geluid, met[^amos-2-2-8] gejuich, met geluid van de bazuin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v2)

**3** En Ik zal de[^amos-2-3-9] rechter uit het midden van[^amos-2-3-10] haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met[^amos-2-3-11] hem doden, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet van YHWH verworpen, en Zijn voorschriften niet bewaard hebben; en hun[^amos-2-4-12] leugens hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v4)

**5** Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v5)

**6** Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen[^amos-2-6-13] van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de[^amos-2-6-14] rechtvaardige voor[^amos-2-6-a] geld verkopen, en de arme om een paar schoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v6)

**7** Die er naar hijgen, dat het[^amos-2-7-15] stof van de aarde op het hoofd van de armen zij, en de[^amos-2-7-16] weg van[^amos-2-7-17] de[^amos-2-7-18] zachtmoedigen verdraaien; en de[^amos-2-7-19] man en zijn vader gaan tot een meisje om[^amos-2-7-20] Mijn heilige Naam te[^amos-2-7-21] ontheiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v7)

**8** En zij[^amos-2-8-22] leggen zich neer bij elk altaar op de[^amos-2-8-23] verpande kleren, en drinken de wijn van[^amos-2-8-24] de geboeten in het huis van hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v8)

**9** Ik daarentegen heb de[^amos-2-9-25][^amos-2-9-b] Amoriet voor hun aangezicht vernietigd,[^amos-2-9-26] wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn[^amos-2-9-27] vrucht van boven, en zijn wortels van onderen vernietigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v9)

**10** Ook heb Ik u uit[^amos-2-10-c] Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat u het land van de Amoriet erfelijk bezat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v10)

**11** En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongemannen tot[^amos-2-11-28] Nazireen;[^amos-2-11-29] is dit niet zo, u Israëlieten? spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v11)

**12** Maar u hebt aan de Nazireen[^amos-2-12-30] wijn te drinken gegeven, en u hebt[^amos-2-12-31] de profeten[^amos-2-12-d] geboden, zeggende:[^amos-2-12-32] U zult niet profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v12)

**13** Zie, Ik zal[^amos-2-13-33] uw plaatsen drukken, zoals een wagen drukt, die vol graanschoven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v13)

**14** [^amos-2-14-34] Zodat de snelle niet zal ontvluchten, en de sterke zijn kracht niet[^amos-2-14-35] verkloeken, en een held zal zijn[^amos-2-14-36] ziel niet bevrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v14)

**15** En die de boog handelt, zal niet[^amos-2-15-37] bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v15)

**16** En de[^amos-2-16-38] moedigste onder de helden zal op die dag[^amos-2-16-39] naakt heenvluchten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/2.html#v16)

[^amos-2-1-2]: Kanttekening 2: Moab, en voornamelijk de koning van de Moabieten.
[^amos-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 beenderen van de koning van Edom: Hiervan wordt nergens elders in de Heilige Schrift vermeld. Sommigen willen het duiden op de historie 2 Kon. 3:27; zie de aantekening daar. Anderen menen dat zekere koning van de Moabieten een koning van Edom heeft laten verbranden tot as, en daarvan een kalk doen maken, waarmee hij de muren van zijn paleis heeft laten bestrijken. In alle gevalle is er een buitengewone, onmenselijke wreedheid gepleegd, die God niet heeft willen ongestraft laten. 2 Koningen 3:27: Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op de muur. Daaruit werd een zeer grote toorn in Israël; daarom trokken zij van hem af, en keerden weer in hun land.
[^amos-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 Om drie overtredingen van Moab: Zie Amos 1:3. Amos 1:3: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.
[^amos-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 vuur in Moab zenden: Gelijk in vers 4, en in vers 5. Amos 2:4: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet van YHWH verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugens hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld. Amos 2:5: Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.
[^amos-2-2-5]: Kanttekening 5: Een stad van de Moabieten. Zie Jer. 48:24. Jeremia 48:24: En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
[^amos-2-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, ondergaan, zijn staat verliezen. Verg. Hos. 13:1, met de aantekening. Maar men kan hier eigenlijk verstaan dat de Moabieten omgebracht zullen worden door de vijand. Hosea 13:1: Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de Baäl en is gestorven.
[^amos-2-2-7]: Kanttekening 7: Van oorlog en vijandelijken overval.
[^amos-2-2-8]: Kanttekening 8: Gelijk in Amos 1:14, zie daar. Amos 1:14: Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijd, met een onweer op de dag van de wervelwind.
[^amos-2-3-9]: Kanttekening 9: Of, regent.
[^amos-2-3-10]: Kanttekening 10: Moabs land, of Kerioth.
[^amos-2-3-11]: Kanttekening 11: Moab, voornamelijk de Moabietische koning.
[^amos-2-4-12]: Kanttekening 12: Afgoden, afgoderij, bijgelovigheid en alle aanklevende ijdelheden.
[^amos-2-6-13]: Kanttekening 13: Van de tien stammen.
[^amos-2-6-14]: Kanttekening 14: De vromen, onschuldigen, die een rechtvaardige zaak heeft, in het gericht verdrukken, en de arme, die niets heeft te geven, maar zelf behoeftig is, om een kleine gift van de rijken, verdoemen en in de macht van zijn wederpartijder overleveren; zie Amos 8:6. Amos 8:6: Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en de nooddruftige om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren verkopen.
[^amos-2-6-a]: Verwijzing a: Amos 8:6. Amos 8:6: Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en de nooddruftige om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren verkopen.
[^amos-2-7-15]: Kanttekening 15: 15 stof van de aarde: Dat is, die niet rusten voordat zij de arme, die toch bereids uitgeput is, als in het stof van de aarde onder hun voeten vertreden en in de uiterste nietigheid als langs de aarde slepen. Verg. de aantekening bij 1 Kon. 16:2, en Job 16:15, enz.; idem Amos 5:11. Of, dat de armen, als schuldigen en misdadigers, met aarde op het hoofd, voor het gericht mogen staan treuren, de rijken \[die geschenken gaven\] ten gevalle. 1 Koningen 16:2: Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden; Job 16:15: Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. Amos 5:11: Daarom, omdat u de arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt u wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt gewenste wijngaarden geplant, maar u zult derzelver wijn niet drinken.
[^amos-2-7-16]: Kanttekening 16: Dat is, het voornemen en doen van degene, die graag in stilheid God zou gehoorzamen, ten ergste duiden, verdraaien, hem in alle manieren beletten, lastig vallen en kwellen; idem heeft hij een goede zaak voor in het gericht, die buigen en verderven zij, wendende zijn recht van hem. Sommigen nemen het zo, dat zij met hun geweld en stoutheid zulk een schrik onder de mensen maakten, dat de vromen voor hen uit de weg moesten wijken, als niet durvende onder hun ogen komen.
[^amos-2-7-17]: Kanttekening 17: Zie Ps. 10:17. Psalmen 10:17: YHWH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
[^amos-2-7-18]: Kanttekening 18: Of, afwenden, buigen.
[^amos-2-7-19]: Kanttekening 19: 19 man en zijn vader: De zoon en de vader.
[^amos-2-7-20]: Kanttekening 20: 20 Mijn heilige Naam: Hebr. naam mijner heiligheid; dat is, mijn heilige naam, naar welke zij genoemd zijn.
[^amos-2-7-21]: Kanttekening 21: Door onbeschaamde onkuisheid te onteren en verachtelijk te maken.
[^amos-2-8-22]: Kanttekening 22: 22 leggen zich neder: Hebr. buigen zich; dat is, zij zijn zo onbeschaamd, dat zij alle boosheid aan de nooddruftige gepleegd hebbende, dan nog in de tempels van hun afgoden durven verschijnen, om daar met hun onrechtvaardige winst te pronken, en daarvan op hun afgodische feestdagen te banketteren, verzwarende hun geweld door afgoderij, en de afgoderij door hun geweld.
[^amos-2-8-23]: Kanttekening 23: 23 verpande kleren: Die aan hen verzet zijn, die zij te pand hebben genomen. Zie Ex. 22:26. Exodus 22:26: Als u enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat;
[^amos-2-8-24]: Kanttekening 24: Dat is, die zij kopen voor de boeten dergenen, die zij onschuldig hebben veroordeeld.
[^amos-2-9-25]: Kanttekening 25: Dat is, Kanaänietische heidense volken, zo somtijds genoemd naar de voornaamste natie, namelijk Amorieten.
[^amos-2-9-b]: Verwijzing b: Num. 21:24; Deut. 2:31; Joz. 24:8. Numeri 21:24: Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale van de kinderen Ammons was vast. Deuteronomium 2:31: En YHWH zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten. Jozua 24:8: Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.
[^amos-2-9-26]: Kanttekening 26: 26 wiens hoogte was: Verbloemde manieren van spreken; zie Num. 13:28, 13:32, 13:33. Numeri 13:28: Behalve dat het een sterk volk is, dat in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien. Numeri 13:32: Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen van Israël, zeggende: Dat land, waardoor wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden ervan gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. Numeri 13:33: Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen.
[^amos-2-9-27]: Kanttekening 27: Manier van spreken, betekenende de uiterste verwoesting. Zie Hos. 9:16. Hosea 9:16: Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.
[^amos-2-10-c]: Verwijzing c: Ex. 12:51. Exodus 12:51: En het geschiedde even tenzelfden dage, dat YHWH de kinderen van Israël uit Egypteland leidde, naar hun heiren.
[^amos-2-11-28]: Kanttekening 28: Zie Num. 6:2. Numeri 6:2: Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich YHWH af te zonderen;
[^amos-2-11-29]: Kanttekening 29: 29 is dit niet zo: Alsof God zei: Immers is dit waar, u kunt het zelf niet ontkennen.
[^amos-2-12-30]: Kanttekening 30: 30 wijn te drinken gegeven: Tegen Gods uitgedrukt bevel, Num. 6:3, om hem te tergen en met alle godzaligheid te spotten. Numeri 6:3: Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.
[^amos-2-12-31]: Kanttekening 31: 31 de profeten geboden: Hebr. aan, over, of tegen de profeten geboden; dat is, hun verboden. Zo wordt het woord gebeiden somtijds gebruikt; zie Gen. 2:16; Lev. 4:2; Deut. 2:37, en Deut. 4:23, met de aantekening. Genesis 2:16: En YHWH God gebood de mens, zeggende: Van allen boom van deze hof zult u vrij eten; Leviticus 4:2: Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van YHWH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; Deuteronomium 2:37: Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de gehele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat YHWH, onze God, ons verboden had. Deuteronomium 4:23: Wacht u, dat u het verbond van YHWH, uw God, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u zich een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat YHWH, uw God, u verboden heeft.
[^amos-2-12-d]: Verwijzing d: Amos 7:12; idem v. 13. Amos 7:12: Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar. Amos 7:13: Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is van de koning heiligdom, en dat is het huis van het koninkrijk.
[^amos-2-12-32]: Kanttekening 32: 32 U zult niet profeteren: Verg. Jes. 30:10; Jer. 11:21; Amos 7:13. Jesaja 30:10: Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen. Jeremia 11:21: Daarom, zo zegt YHWH van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van YHWH, opdat u van onze handen niet sterft. Amos 7:13: Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is het heiligdom van de koning, en dat is het huis van het koninkrijk.
[^amos-2-13-33]: Kanttekening 33: 33 uw plaatsen drukken: Dat is, het land met de inwoners, met mijn straffende hand, door de vijand, zo persen en benauwen, gelijk een volgeladen wagen met koren drukt en perst datgene, of dengene die hij overrijdt. Verg. Amos 6:14. Amos 6:14: Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een volk verwekken, spreekt YHWH, de God van de legermachten; die zullen u drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek van de wildernis.
[^amos-2-14-34]: Kanttekening 34: 34 Zodat de snelle: Hebr. en de toevlucht zal van de snellen, of lichten, \[te weten, op de voeten, gelijk in het volgende vers\] vergaan, of verloren zijn.
[^amos-2-14-35]: Kanttekening 35: Hij zal zijn kracht niet kunnen gebruiken, of zo hij ze aanlegt, het zal tevergeefs zijn.
[^amos-2-14-36]: Kanttekening 36: 36 ziel niet bevrijden: Dat is, leven; zie Gen. 19:17, zo in vers 15. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Amos 2:15: En die de boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.
[^amos-2-15-37]: Kanttekening 37: Of, blijven staan, die anderzins een kloek en dapper krijgsman placht te zijn.
[^amos-2-16-38]: Kanttekening 38: Hebr. de sterkte zijns harten, of die sterk \[is met\] zijn hart. Verg. Ps. 76:6. Psalmen 76:6: De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
[^amos-2-16-39]: Kanttekening 39: 39 naakt heenvluchten: Wapen en kleed wegwerpende, om te lichter op de vlucht te zijn.

### Amos 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/3.json)

*God wil Israël straffen om hun ondankbaarheid, vers 1, enz. bewijst dat Zijn dreigementen en straffen rechtvaardig zijn en zeker komen, 3. verwijt van hun onbeweeglijkheid tegen alle waarschuwingen, 6. God roept de heidenen tot getuigen tegen Israël, 9. zegt hun de komst van de vijand aan, 11. wiens geweld zeer weinigen met groot gevaar zullen ontkomen, 12. voorzegt de uitroeiing van hun afgoderij en pracht, 13.*

**1** Hoor dit woord, dat YHWH tegen u spreekt, u kinderen van Israël! namelijk tegen het hele geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v1)

**2** Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen[^amos-3-2-1] gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v2)

**3** [^amos-3-3-2] Zullen twee samen wandelen,[^amos-3-3-3] tenzij dat zij bijeengekomen zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v3)

**4** [^amos-3-4-4] Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem[^amos-3-4-5] verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v4)

**5** Zal een[^amos-3-5-6] vogel in de[^amos-3-5-7] strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men de strik van de aardbodem opnemen,[^amos-3-5-8] als[^amos-3-5-9] men geheel niet heeft gevangen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v5)

**6** Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere?[^amos-3-6-10] zal er een[^amos-3-6-11][^amos-3-6-a] kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v6)

**7** [^amos-3-7-12] Zeker, Adonai YHWH zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn geheim[^amos-3-7-13] aan Zijn knechten, de profeten,[^amos-3-7-14] geopenbaard hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v7)

**8** De[^amos-3-8-15] leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? Adonai YHWH heeft gesproken, wie zou niet profeteren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v8)

**9** [^amos-3-9-16] Doet het horen in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamel u op de[^amos-3-9-17] bergen van Samaria, en ziet de grote[^amos-3-9-18] onlusten in het midden van haar, en de verdrukten binnen in haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v9)

**10** Want zij[^amos-3-10-19] weten niet te doen, dat recht is, spreekt YHWH; die in hun paleizen schatten verzamelen[^amos-3-10-20] door geweld en verstoring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v10)

**11** Daarom, zo zegt Adonai YHWH: De[^amos-3-11-21] vijand![^amos-3-11-22] en dat rondom het land! die zal[^amos-3-11-23] uw vesting van u neerstorten, en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v11)

**12** Zo zegt YHWH: Gelijk als een herder[^amos-3-12-24] twee poten, of een[^amos-3-12-25] stukje van een oor uit van de leeuwen muil redt, zo zullen de Israëlieten gered worden, die daar[^amos-3-12-26] zitten te Samaria, in de hoek van[^amos-3-12-27] het bed, en op de[^amos-3-12-28] sponde van de koets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v12)

**13** [^amos-3-13-29] Hoor en betuigt in het huis van Jakob, spreekt Adonai YHWH, de God van de legermachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v13)

**14** Dat Ik, op de dag als Ik Israëls overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de[^amos-3-14-30] altaren van[^amos-3-14-31] Beth-el; en de hoornen van het altaar zullen worden afgehouwen, en ter aarde vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v14)

**15** En Ik zal het[^amos-3-15-32] winterhuis met het zomerhuis slaan; en de[^amos-3-15-33] ivoren huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/3.html#v15)

[^amos-3-2-1]: Kanttekening 1: Dat is, tot mijn volk uitverkoren en aangenoemen, bijzonderlijk liefgehad en bezorgd. Verg. Hos. 13:5, en zie Ps. 1:6. Hosea 13:5: Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land. Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^amos-3-3-2]: Kanttekening 2: 2 Zullen twee te zamen wandelen: God stelt hier zijn volk door verscheidene gelijkenissen voor dat de profeten recht hadden om hun straffen, dreigen en allerlei plagen te voorzeggen; en dat tot waarschuwing, om het aanstaande kwaad door bekering te ontgaan: zo het geen ijdele dreigementen waren.
[^amos-3-3-3]: Kanttekening 3: 3 tenzij dat zij bijeengekomen zijn: Anders: tenzij dat zij overeen gekomen zijn. Ik en mijn getrouwe dienaren (wil God zeggen), wij zijn het eens (zie Hos. 9:8; Mal. 2:6), en u zult het met mij en mijn profeten moeten eens worden, zo u wilt dat Ik uw vriend en leidsman zij, anders zal Ik u moeten verlaten. Hosea 9:8: De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods. Maleachi 2:6: De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
[^amos-3-4-4]: Kanttekening 4: 4 Zal een leeuw brullen: God en zijn profeten straffen en dreigen niet zonder grote reden en aanstaanden nood; daarom behoorden de Israëlieten bijtijds op te waken, eer God hun de vijand tot een roof overgaf, welke hen zo zekerlijk was nakende, als het gewis is dat de leeuw iets gevangen heeft als hij brult.
[^amos-3-4-5]: Kanttekening 5: Hebr. geven.
[^amos-3-5-6]: Kanttekening 6: 6 in de strik: De minste ongelukken en tegenspoeden worden door Gods voorzienigheid geregeerd. Daarom behoorden de Israëlieten in alle deze op God te zien, met wie zij te doen hadden, en wiens netten en strikken zij niet zouden kunnen ontgaan, zo zij zich niet bekeerden.
[^amos-3-5-7]: Kanttekening 7: 7 op de aarde vallen: Of, strik van de aarde; dat is, dat op de aarde gelegd of gesteld is.
[^amos-3-5-8]: Kanttekening 8: 8 als men: Of, als het, te weten strik.
[^amos-3-5-9]: Kanttekening 9: Hebr. vangende niet zal gevangen hebben.
[^amos-3-6-10]: Kanttekening 10: En u ontzet u niet over al de dreigementen en strafpredikatiën, die Ik u laat voordragen! Anders: sidderende, of haastig aankome, toelope. Gelijk Hos. 3:5, en Hos. 11:11. Hosea 3:5: Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 11:11: Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH.
[^amos-3-6-11]: Kanttekening 11: 11 een kwaad: Van de straf. Zie Gen. 19:19, en verg. Jes. 45:7. Genesis 19:19: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! Jesaja 45:7: Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen.
[^amos-3-6-a]: Verwijzing a: Jes. 45:7; Klaagl. 3:37; idem v. 38. Jesaja 45:7: Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, YHWH, doe al deze dingen. Klaagliederen 3:37: Mem. Wie zegt wat, dat geschiedt, zo het de Heer niet beveelt? Klaagliederen 3:38: Mem. Gaat niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en het goede?
[^amos-3-7-12]: Kanttekening 12: De twee volgende verzen dienen tot verklaring en toepassing van de voorgaande gelijkenissen.
[^amos-3-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, zijn raad van bijzondere oordelen en landplagen.
[^amos-3-7-14]: Kanttekening 14: 14 geopenbaard hebbe: Om zijn volk tevoren te doen waarschuwen.
[^amos-3-8-15]: Kanttekening 15: 15 leeuw heeft gebruld: De Heer heeft zijn toorn te kennen gegeven, en zijn knechten gelast daarvan te profeteren. Zie Amos 1:2, en Hos. 11:10. Amos 1:2: En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren. Hosea 11:10: Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.
[^amos-3-9-16]: Kanttekening 16: 16 Doet het horen: Hier geeft de Heer te kenne dat Israëls boodheid en ondankbaarheid zo groot en schandelijk was, dat zelfs de heidense natiën, daarover als richters geroepen zijnde, die zouden verfoeien, en God in zijn straffen recht geven. Verg. Micha 1:2, enz. Micha 1:2: Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook derzelver volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel van Zijn heiligheid.
[^amos-3-9-17]: Kanttekening 17: 17 bergen van Samaria: Die er velen, dicht bij de berg, waar Samaria op lag, in het oosten, noorden en zuiden gelegen waren; vanwaar men om zo te spreken alles horen en zien kon, wat er in Samaria omging.
[^amos-3-9-18]: Kanttekening 18: Of, woelingen, rumoeren, verwarring.
[^amos-3-10-19]: Kanttekening 19: 19 weten niet te doen: Verg. Jer. 4:22. Jeremia 4:22: Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.
[^amos-3-10-20]: Kanttekening 20: 20 geweld en verstoring: Verkregen door geweld, overlast en roverij.
[^amos-3-11-21]: Kanttekening 21: Een afgebroken rede, gelijk men ten tijde, wanneer de vijand onvoorziens en haastig aankomt en alles bezet, pleegt te roepen: Vijand, vijand, overal, rondom. Of, versta, daarop zal er komen, en hij zal, enz., te weten, Salmanasser, de koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 17:5, 17:6, en verg. Hos. 8:1. 2 Koningen 17:5: Want de koning van Assyrië toog op in het gehele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. Hosea 8:1: De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van YHWH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
[^amos-3-11-22]: Kanttekening 22: 22 en dat: Zie van zulk een gebruik van de Hebr. letter Vau, voor, en dat, zelfs, Jer. 17:10; Joël 2:12, 2:32, enz. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. Joël 2:32: En het zal gebeuren, al wie de Naam van YHWH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als YHWH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die YHWH zal roepen.
[^amos-3-11-23]: Kanttekening 23: 23 uw sterkte: O Samaria.
[^amos-3-12-24]: Kanttekening 24: 24 Gelijk als een herder twee schenkelen: Met deze gelijkenis geeft God te verstaan dat er zeer weinige, en dat met grote moeite en perikelen, ontkomen zullen.
[^amos-3-12-25]: Kanttekening 25: Het Hebr. woord wordt hier alleen gevonden.
[^amos-3-12-26]: Kanttekening 26: Dit verstaan sommigen van de wellustige en brassende Israëlieten, die zorgeloos leefden en Gods dreigementen van de aanstaande ellende in de wind sloegen. Zie Amos 6:4. Anderen verstaan het van zieken, die te bed mochten liggen, of degenen die zich hier en daar in hoeken en verborgen plaatsen mochten versteken, waarop de vijand in het moorden en plunderen somtijds weinig acht geeft, zulks dat zij wel ontkomen. Amos 6:4: Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal.
[^amos-3-12-27]: Kanttekening 27: Of, bedstede.
[^amos-3-12-28]: Kanttekening 28: 28 sponde van de koets: Of, voet, in de zijde. Hebr. Demeschek, dat nergens meer in de Heilige Schrift gevonden wordt. Sommigen nemen het voor Dammeschek, dat is Damascus, en zetten het over: in een koets van Damascus, of een Damascener of Syrische prachtige koets.
[^amos-3-13-29]: Kanttekening 29: Hier spreekt God zijn profeten en de gelovigen aan, die er nog in Israël overig waren.
[^amos-3-14-30]: Kanttekening 30: Naast het volk, zal Ik alles wat zij tot afgoderij en bijgelovigheid verordineerd hebben, doen uitroeien; al hun afgodisch tuig en gereedschap.
[^amos-3-14-31]: Kanttekening 31: Zie Hos. 4:15 en Hos. 10:15 met de aantekening. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 10:15: Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.
[^amos-3-15-32]: Kanttekening 32: 32 het winterhuis met het zomerhuis slaan: Alles wat zij tot plezier en pracht gebouwd en gebruikt hebben, zal Ik vernielen. Dit ziet op de gewoonte van de groten, die alom in het land schone en kostelijk vertrekken en lusthuizen, idem koniklijke paleizen, gebouwd hadden, om in de zomer zonder belet van hitte, en in de winter zonder belet van koude in allerlei wellust onverhinderd door te brengen. Verg. Richt. 3:20; Jer. 36:22, met de aantekening. Richteren 3:20: En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel. Jeremia 36:22: (De koning nu zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op de haard aangestoken.)
[^amos-3-15-33]: Kanttekening 33: 33 elpenbenen huizen: Zie 1 Kon. 22:39. 1 Koningen 22:39: Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het elpenbenen huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?

### Amos 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/4.json)

*God zweert de groten te Samaria, en het hele volk, dat Hij hen gevankelijk zal laten wegvoeren en verjagen, om hun geweld, drinkgelag, afgoderij en onbekeerlijkheid in vele toegezonden plagen, vers 1, enz. nodigt hen evenwel nog tot bekering, met voorstelling van Zijn Majesteit en macht, 12.*

**1** Hoor dit woord, u[^amos-4-1-1] koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de armen verplettert; u, die tot[^amos-4-1-2] hun heren zegt:[^amos-4-1-3] Breng aan, opdat wij drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v1)

**2** Adonai YHWH heeft gezworen[^amos-4-2-4] bij Zijn heiligheid, dat er,[^amos-4-2-5] ziet, dagen over u zullen komen,[^amos-4-2-6] dat men u zal[^amos-4-2-7] optrekken met haken, en uw[^amos-4-2-8] nakomelingen met visangelen.[^amos-4-2-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v2)

**3** En[^amos-4-3-10] u zult door de[^amos-4-3-11] bressen uitgaan, een[^amos-4-3-12] ieder[^amos-4-3-13] voor zich heen; en u[^amos-4-3-14] zult, wat in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v3)

**4** [^amos-4-4-15] Kom te[^amos-4-4-16] Beth-el, en overtreedt[^amos-4-4-17] te[^amos-4-4-a] Gilgal; maak[^amos-4-4-18] de overtredingen talrijk, en brengt uw offers 's morgens, uw tienden om de[^amos-4-4-19] drie dagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v4)

**5** En[^amos-4-5-20][^amos-4-5-b] rookt van het[^amos-4-5-21] gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want zo[^amos-4-5-22] hebt u het graag, u Israëlieten! spreekt Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v5)

**6** Daarom heb Ik u ook[^amos-4-6-23] reinheid van de tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; toch hebt u zich niet bekeerd[^amos-4-6-24] tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v6)

**7** Daartoe heb Ik ook de[^amos-4-7-25] regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v7)

**8** En twee, drie steden trokken om tot één stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet[^amos-4-8-26] verzadigd; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v8)

**9** Ik heb u geslagen met[^amos-4-9-27][^amos-4-9-c] brandkoren en met honigdauw; de[^amos-4-9-28] veelheid van uw tuinen, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de[^amos-4-9-29][^amos-4-9-d] rups op; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v9)

**10** Ik heb de pest onder u gezonden, naar de[^amos-4-10-30] wijze van Egypte; Ik heb uw jongemannen door het zwaard[^amos-4-10-31] gedood, en uw paarden als gevangene laten wegvoeren; en Ik heb de[^amos-4-10-32] stank van uw legers zelfs in uw neus doen opgaan; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v10)

**11** Ik heb sommigen onder u[^amos-4-11-33] omgekeerd, gelijk God[^amos-4-11-34][^amos-4-11-e] Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een[^amos-4-11-35] vuurbrand, dat uit de brand gered is; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v11)

**12** Daarom zal Ik u[^amos-4-12-36] zo doen, o Israël! omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israël! om uw[^amos-4-12-37] God te ontmoeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v12)

**13** Want zie, Die de bergen vormt, en de[^amos-4-13-f] wind schept, en de mens bekend maakt, wat[^amos-4-13-38] zijn gedachte zij, Die de[^amos-4-13-39] dageraad duisternis maakt, en op de[^amos-4-13-40] hoogten van de aarde treedt, YHWH, God van[^amos-4-13-41] de legermachten, is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/4.html#v13)

[^amos-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 koeien van Basan: Verg. Ps. 22:13, met de aantekening, idem Jes. 28:1; Hos. 4:16, en versta hier, de goddeloze en trotse regeerders en richters, die zich mestten van de geschenken van de rijken, die de armen voor het gericht betrokken en onderdrukken. Zij worden genoemd koeien van Basan, omdat er vette weiden en koeien in Basan waren. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jesaja 28:1: Wee de hovaardige kroon van de dronkenen van Efraïm, waarvan het heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd van de zeer vette vallei, van de geslagenen van de wijn. Hosea 4:16: Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen YHWH weiden, als een lam in de ruimte.
[^amos-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 hun heren zegt: Van de armen rijke schuldheren, of crediteuren, die de behoeftige mensen, als slaven, in hun macht hadden.
[^amos-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 Brengt aan: Brengt ons maar geld of geschenken, opdat wij daarvan mogen zuipen en zwelgen, en maakt u het dan met de armen zoals u wilt. Verg. Hos. 4:18. Hosea 4:18: Hun zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; haar schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.
[^amos-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 bij Zijn heiligheid: Zie Gen. 22:16. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
[^amos-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 dagen over u zullen komen: Dat is, bestemde tijden van plagen. Zie Ps. 37:13; Jer. 50:27, 50:31, en Joel 1:15, met de aantekening. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. Jeremia 50:27: Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking! Jeremia 50:31: Ziet, Ik wil aan u, u trotse! spreekt de Heer, YHWH van de legermachten; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^amos-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 dat men u: Hebr. dat hij; dat is, dat men, of de vijand, enz.
[^amos-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 zal optrekken met haken: Of, wegnemen, wegvoeren, in het volgende met haken. Versta, gelijk men de grote vissen met haken uit de zee optrekt, zal Ik u door de vijand uit uw land wegrukken, hoe node of ongaarne u ook daaruit zoudt willen, Verg. Jer. 16:16; Hab. 1:14, 1:15, en verder Job 40:21; Jes. 37:29; Ez. 19:4, 19:9, en Ez. 29:4. Jeremia 16:16: Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt YHWH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven van de steenrotsen. Habakuk 1:14: En waarom zoudt U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft? Habakuk 1:15: Hij trekt ze allen met de angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich. Job 40:21: Zult u hem een bieze in de neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? Jesaja 37:29: Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, door denwelken u gekomen bent. Ezechiël 19:4: Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland. Ezechiël 19:9: En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot de koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israëls. Ezechiël 29:4: Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en de vis van uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, en al de vis van uw rivieren zal aan uw schubben kleven.
[^amos-4-2-8]: Kanttekening 8: Of, uw laatste, achterste; dat is, die achtergebleven en mogen zijn, of zich achterlijk houden. Zie van het Hebr. woord ziet. Zie Job 40:21. Job 40:21: Zult u hem een bieze in de neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
[^amos-4-2-9]: Kanttekening 9: Die scherp en stekende zijn als doornen, of naar de wijze van die gemaakt, waarop het Hebr. woord ziet. Zie Job 40:21. Job 40:21: Zult u hem een bieze in de neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?
[^amos-4-3-10]: Kanttekening 10: 10 u zult: Koeien van Basan, waarvan in vers 1. Amos 4:1: Hoort dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; u, die tot hun heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.
[^amos-4-3-11]: Kanttekening 11: 11 bressen uitgaan: Van de stadsmuur, die de vijand daarin zal hebben gemaakt, om te zien of u zoudt kunnen ontvluchten; of u zult door de vijand uitgevoerd worden in de gevangenis. Verg. Ez. 12:5, 12:12, enz. Ezechiël 12:5: Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit. Ezechiël 12:12: En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op de schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door de wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.
[^amos-4-3-12]: Kanttekening 12: Koe van Basan, dat is, een iegenlijk van u, u die nu zo weelderig en stout bent.
[^amos-4-3-13]: Kanttekening 13: 13 voor zich heen: Zonder te denken op de anderen, ziende slechts voor uzelven om een heenkomen, gelijk men zegt. Verg. Amos 2:15, 2:16. Of, u zult een voor een gevangen heen voorbijgaan met uw gevangen gereedschap. Amos 2:15: En die de boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:16: En de kloekhartigste onder de helden zal op die dag naakt heenvluchten, spreekt YHWH.
[^amos-4-3-14]: Kanttekening 14: 14 wat in het paleis gebracht is: Dat u in uw paleizen hebt vergaderd door geweld en roverij; zie Amos 3:10. Anders: u zult de paleizen wegwerpen, dat is, verlaten. Amos 3:10: Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt YHWH; die in hun paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.
[^amos-4-4-15]: Kanttekening 15: Een bevel, spottenderwijze gegeven; want aldus bespot de Heer de hittigen brand en de dolheid van de Israëlieten in het bedrijven van de afgoderij, die de afgoden gaven wat met God alleen te Jeruzalem moest geven, en daarenboven veel meer deden ter ere van de afgoden dan God voor zich bevoelen had; verg. Jer. 7:21; Ez. 20:39, met de aantekening. Jeremia 7:21: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Doet uw brandofferen tot uw slachtofferen, en eet vlees. Ezechiël 20:39: En u, o huis van Israël, zo zegt de Heer YHWH: Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw drekgoden.
[^amos-4-4-16]: Kanttekening 16: Zie Hos. 4:15, en Hos. 12:5, en Amos 5:5. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 12:5: Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overweldigde Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-el vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons; Amos 5:5: Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.
[^amos-4-4-17]: Kanttekening 17: 17 te Gilgal: Versta hierop: Komt gaat vrij naar Gilgal, enz.
[^amos-4-4-a]: Verwijzing a: Hosea 12:12. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden.
[^amos-4-4-18]: Kanttekening 18: 18 van het overtreden veel: Hebr. maakt veel, of vermenigvuldigt overtredende, of met overtreden.
[^amos-4-4-19]: Kanttekening 19: 19 drie dagen: Dat is, om alle drie jaren van de dagen; dat is drie volle jaren, naar het bevel Gods, Deut. 14:28; zo wordt dagen voor vele dagen, of een jaar van de dagen voor vele dagen, of een jaar van de dagen \[dat is, een vol jaar\] genomen, Lev. 25:29; Num. 9:22; 1 Sam. 27:7; zie de met de aantekening daar. Sommigen verstaan het van de vrolijke maaltijden, die zij op de drie feesten, pasen, pinksteren en van de loofhutten, hielden van hun tienden, Deut. 14:22. Enige menen dat zij wel alle drie dagen de afgoden deden, wat men voor God slechts deed om de drie jaren. Deuteronomium 14:28: Ten einde van drie jaren zult u voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten; Leviticus 25:29: Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. Numeri 9:22: Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op de tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen van Israël, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. 1 Samuël 27:7: Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden. Deuteronomium 14:22: U zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.
[^amos-4-5-20]: Kanttekening 20: Zie Lev. 2:1, 2:15. Leviticus 2:1: Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Leviticus 2:15: En u zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer.
[^amos-4-5-b]: Verwijzing b: Lev. 2:1; idem 2:15; Lev. 7:13. Leviticus 2:1: Als nu een ziel een offerande van spijsoffer YHWH zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. Leviticus 2:15: En u zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer. Leviticus 7:13: Naast de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers.
[^amos-4-5-21]: Kanttekening 21: Zie Lev. 2:11, en Lev. 7:13. Maar het schijnt dat de Israëlieten een nieuw reukoffer uit zuurdesem hadden verzonnen, doende zo vele zonden tevens. I. Gevende de afgoden wat God toekwam. II. In een andere plaats de te Jeruzalem. III. Nieuwe overtollige diensten tegen Gods wet invoerende, om kwanswijs een ijver te betonen. Leviticus 2:11: Geen spijsoffer, dat u YHWH zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honig zult u YHWH vuuroffer aansteken. Leviticus 7:13: Naast de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers.
[^amos-4-5-22]: Kanttekening 22: 22 hebt u het graag: Hebr. hebt u lief, of bemint u, gelijk elders; alsof God zei: U wilt het toch zo hebben, doet het dan, maar bedenkt hoe het u bekomen is, en verder bekomen zal, gelijk volgt.
[^amos-4-6-23]: Kanttekening 23: 23 reinheid van de tanden: Dat is, gebrek aan voedsel, of honger; want waar niets is te eten, daar kleeft geen voedsel aan de tanden. Verg. 1 Kon. 17:18; Joel 1;1, en zie verder de aantekening. Spr. 14:4; Jes. 3:26. 1 Koningen 17:18: En zij zei tot Elia: Wat heb ik met u te doen, u man van God? Zijt u bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden? Spreuken 14:4: Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van de os is van de inkomsten veel. Jesaja 3:26: En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, leeg gemaakt zijnde, op de aarde zitten.
[^amos-4-6-24]: Kanttekening 24: 24 tot Mij: Hebr. tot mij toe. Zie van deze manier van spreken Joel 2:12, zo in het volgende. Joël 2:12: Nu dan ook, spreekt YHWH, bekeert u tot Mij met uw gehele hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
[^amos-4-7-25]: Kanttekening 25: 25 regen van u geweerd: Die de Heer placht te geven tegen de oogst, om het koren zwaar en rijp te maken. Zie Joel 2:23. Joël 2:23: En u, kinderen van Sion! verheugt u en bent blij in YHWH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen nederdalen, de vroege regen en de spade regen in de eerste maand.
[^amos-4-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, zij konden niet genoeg bekomen tot hun nooddruft.
[^amos-4-9-27]: Kanttekening 27: 27 brandkoren en met honigdauw: Zie van deze beide plagen, Deut. 28:22. Deuteronomium 28:22: YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt.
[^amos-4-9-c]: Verwijzing c: Deut. 28:22. Deuteronomium 28:22: YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt.
[^amos-4-9-28]: Kanttekening 28: 28 veelheid van uw hoven: Hebr. het vermenigvuldigen van uw hoven.
[^amos-4-9-29]: Kanttekening 29: 29 rups op: Zie Joel 1:4. Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
[^amos-4-9-d]: Verwijzing d: Joël 1:4; Joël 2:25. Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. Joël 2:25: Zo zal Ik u de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot legermacht, dat Ik onder u gezonden heb.
[^amos-4-10-30]: Kanttekening 30: 30 wijze van Egypte: Hebr. in, of op, naar de weg van Egypte; dat is, naar de wuijze \[gelijk Gen. 31:35\], zoals Ik de sterfte eertijds gezonden heb in Egypte. Zie Ex. 9:3, 9:6; Ps. 78:50. Anders, opden weg van Egypte; dat is, als u op de weg was om in Egypte hulp te zoeken. Zie Hos. 7:11, 7:12. Genesis 31:35: En zij zei tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet. Exodus 9:3: Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Exodus 9:6: En YHWH deed deze zaak de volgende dag; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de kinderen van Israël stierf niet een. Psalmen 78:50: Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over. Hosea 7:11: Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur. Hosea 7:12: Wanneer zij zullen heengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogels van de hemel doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.
[^amos-4-10-31]: Kanttekening 31: 31 en uw paarden: Hebr. met gevangenis van uw paarden, die rijke en prachtige jonkmannen bij menigte gebruikt hadden.
[^amos-4-10-32]: Kanttekening 32: Zo van de gestorvenen door Gods plaag als van de geslagenen door de vijand.
[^amos-4-11-33]: Kanttekening 33: Uw staat bijkans geheel verwoest. Zie 2 Kon. 13:3, en 2 Kon. 14:26. 2 Koningen 13:3: Daarom ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die dagen. 2 Koningen 14:26: Want YHWH zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had.
[^amos-4-11-34]: Kanttekening 34: 34 Sodom en Gomorra omkeerde: Met andere steden. Zie Gen. 19:24; Jes. 13:19; Jer. 49:18; Hos. 11:8. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. Jeremia 49:18: Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt YHWH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. Hosea 11:8: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.
[^amos-4-11-e]: Verwijzing e: Gen. 19:24. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel.
[^amos-4-11-35]: Kanttekening 35: Gelijk een hout, dat half of bijkans verbrand was, als Ik u genadiglijk uit dat verderf uitrukte en herstelde door Jerobeam, de zoon van Joas. Zie 2 Kon. 14:25, en vrg. Zach. 3:2. 2 Koningen 14:25: Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. Zacharia 3:2: Maar YHWH zei tot de satan: YHWH schelde u, u satan! ja, YHWH schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
[^amos-4-12-36]: Kanttekening 36: 36 zo doen: Om uw zonden en hardnekkigheid \[in het voorgaande verhaald\] zal Ik zo met u handelen, gelijk Ik in vers 2, 4:3, gedreigd heb. Amos 4:2: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. Amos 4:3: En u zult door de bressen uitgaan, een ieder voor zich heen; en u zult, wat in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt YHWH.
[^amos-4-12-37]: Kanttekening 37: 37 om uw God te ontmoeten: Hebr. tot ontmoeting van uw God; dat is, dat u Hem ontmoet met ware bekering, omzijn toorn te stillen; of, bereid u om \[zo u kunt\] tegen Hem aan te gaan, en zijn aankomst, als van uw vijand, af te keren. Verg. Ez. 13:5, en Ez. 22:30, op beide past het volgende, waarin die God beschreven wordt, met wie zij te doen hadden, en die hun dit alles dreigde. Ezechiël 13:5: U bent in de bressen niet opgetreden, noch hebt de muur toegemuurd voor het huis van Israël, om in de strijd te staan, op de dag van YHWH. Ezechiël 22:30: Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.
[^amos-4-13-f]: Verwijzing f: Nahum 1:3. Nahum 1:3: YHWH is lankmoedig, maar van grote kracht, en Hij houdt de schuldige in geen geval onschuldig. Van YHWH weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijn voeten.
[^amos-4-13-38]: Kanttekening 38: 38 zijn gedachte zij: Die het hart van de mens doorgrondt en zijn verborgenste gedachten weet, doende zulks blijken metterdaad, wanneer Hij de geheimste aanslagen en voornemens van de mens dikwijls wonderbaarlijk ontdekt en belet. Of men kan het nemen voor een bewijs van Gods almacht, omdat Hij toekomende dingen, die Hij in zijn raad besloten heeft, de mensen openbaart, en evenwel onverhinderd in het werk stelt. Verg. Jes. 41:22, 41:26. Jesaja 41:22: Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen. Jesaja 41:26: Wie heeft wat verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.
[^amos-4-13-39]: Kanttekening 39: Dat is, licht in duisternis verandert, als het Hem belieft. Zie Amos 5:8. Anders: dageraad \[en\] de duisternis, dat is, dag en nacht maakt. Amos 5:8: Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam.
[^amos-4-13-40]: Kanttekening 40: 40 hoogten van de aarde treedt: Dat is, die verheven is boven alle heerlijkheid en souvereiniteit, alle wereldse hoogheid als onder zijn voeten hebbende. Verg. Micha 1;3.
[^amos-4-13-41]: Kanttekening 41: Zie 2 Kon. 18:15. 2 Koningen 18:15: Zo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis van YHWH, en in de schatten van het huis van de koning.

### Amos 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/5.json)

*Onder een klaaglied voorzegt God Israëls val en de vermindering van hun menigte, omdat zij, vermaand zijnde de machtige en vreselijke God te zoeken en de afgoderij te verlaten, even zeer in gruwelijk onrecht, geweld en menigte van zonden voortgingen, alle bestraffingen hatend, zodat er op Gods oordeel niets is aan te merken, vers 1, enz. vermaant hen dan nog opnieuw tot bekering, 14. maar vanwege hun verstoktheid voorzegt Hij hun de verschrikkelijke en onvermijdelijke dag van Zijn oordelen, waarmee zij nu de spot dreven, 16. verfoeit de hele huichelachtige schijn van hun godsdienstigheid, omdat zij onder dekmantel daarvan niets dan afgoderij pleegden, zoals hun voorvaderen, 21.*

**1** Hoor dit woord, dat Ik over u ophef, een klaaglied, o huis van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v1)

**2** De[^amos-5-2-1] jonkvrouw van Israël[^amos-5-2-2] is gevallen, zij zal niet[^amos-5-2-3] weer opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v2)

**3** Want zo zegt Adonai YHWH: De stad, die[^amos-5-3-4] uitgaat met duizend,[^amos-5-3-5] zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd, zal tien overhouden, in het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v3)

**4** Want zo zegt YHWH tot het huis van Israël: Zoek Mij, en[^amos-5-4-6] leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v4)

**5** Maar zoekt[^amos-5-5-7][^amos-5-5-a] Beth-El niet, en komt niet te[^amos-5-5-8] Gilgal, en gaat niet over[^amos-5-5-9] naar Ber-Seba; want[^amos-5-5-10] Gilgal zal[^amos-5-5-11] voorzeker als gevangene worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot[^amos-5-5-12] niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v5)

**6** Zoek YHWH, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis[^amos-5-6-13] van Jozef als een[^amos-5-6-14] vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het[^amos-5-6-15] blusse in Beth-El; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v6)

**7** [^amos-5-7-16] Die het recht in[^amos-5-7-17] alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde[^amos-5-7-18] doen liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v7)

**8** [^amos-5-8-19] Die het[^amos-5-8-20][^amos-5-8-b] Zevengesternte en de Orion maakt, en de[^amos-5-8-21] doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag[^amos-5-8-22] als de nacht verduistert; Die de[^amos-5-8-c] wateren van de zee[^amos-5-8-23] roept, en giet ze uit op de[^amos-5-8-24] aardbodem, YHWH is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v8)

**9** Die Zich[^amos-5-9-25] verfrist door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een[^amos-5-9-26] vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v9)

**10** Zij haten in[^amos-5-10-27] de poort degene, die bestraft, en hebben een gruwel van die,[^amos-5-10-28] die oprecht spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v10)

**11** Daarom, omdat u de arme[^amos-5-11-29] vertreedt en een[^amos-5-11-30] last koren van hem neemt, zo hebt u wel[^amos-5-11-31] huizen gebouwd van[^amos-5-11-d] gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt[^amos-5-11-32] gewenste wijngaarden geplant, maar u zult van die wijn niet drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v11)

**12** Want Ik weet, dat uw overtredingen veelvuldig, en uw zonden machtig vele zijn;[^amos-5-12-33] zij benauwen de rechtvaardige, nemen[^amos-5-12-34] zoengeld, en[^amos-5-12-35] verstoten de armen in[^amos-5-12-36] de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v12)

**13** Daarom zal de[^amos-5-13-37] verstandige in die[^amos-5-13-38] tijd[^amos-5-13-39] zwijgen, want het zal een[^amos-5-13-40] boze tijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v13)

**14** Zoekt het goede, en niet het boze, opdat u leeft; en zo zal YHWH, de God van de[^amos-5-14-41] legermachten, met u zijn, zoals u[^amos-5-14-42] zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v14)

**15** Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de[^amos-5-15-43] poort, misschien zal YHWH, de God van de[^amos-5-15-44] legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn.[^amos-5-15-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v15)

**16** [^amos-5-16-45] Daarom, zo zegt YHWH, de God van de legermachten, de Heere: Op alle[^amos-5-16-46] straten zal klaagzang zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen de akkerman roepen tot treuren, en[^amos-5-16-47] klaagzang zal zijn bij degenen,[^amos-5-16-48] die verstand van kermen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v16)

**17** Ja, in alle[^amos-5-17-49] wijngaarden zal klaagzang zijn; want Ik zal door het midden van u[^amos-5-17-50] doorgaan; zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v17)

**18** [^amos-5-18-f] Wee die, die de dag[^amos-5-18-52] van[^amos-5-18-51] YHWH begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal[^amos-5-18-53][^amos-5-18-g] duisternis wezen en geen licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v18)

**19** [^amos-5-19-54] Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v19)

**20** [^amos-5-20-55] Zal dan niet de dag van YHWH duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v20)

**21** Ik[^amos-5-21-56] haat, Ik versmaad uw feesten,[^amos-5-21-h] en Ik mag uw[^amos-5-21-57] verbodsdagen niet[^amos-5-21-58] ruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v21)

**22** Want hoewel u Mij brandoffers offert, en ook uw voedseloffers, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het[^amos-5-22-59] dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v22)

**23** Doe het[^amos-5-23-60] getier van uw liederen van Mij weg; ook mag Ik[^amos-5-23-61] van uw luitenspel niet horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v23)

**24** Maar laat het oordeel zich daarheen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.[^amos-5-24-62] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v24)

**25** [^amos-5-25-i] Hebt u Mij veertig jaren in de woestijn slachtoffers en voedseloffer toegebracht, o huis van Israël?[^amos-5-25-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v25)

**26** Ja, u[^amos-5-26-65] droegt de[^amos-5-26-66] tent van uw[^amos-5-26-67] Melech, en de[^amos-5-26-68] Kijun, uw beelden, de ster van uw god, die u uzelf had gemaakt.[^amos-5-26-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v26)

**27** Daarom zal Ik u als gevangene wegvoeren, ver boven Damascus heen, zegt YHWH, Wiens Naam is God van de legermachten.[^amos-5-27-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/5.html#v27)

[^amos-5-2-1]: Kanttekening 1: 1 jonkvrouw Israëls: Versta het koninkrijk en de staat van de tien stammen. Vergelijk 2 Kon. 19:21, Jes. 23:12 en 47:1, Jer. 14:17 etc. met de aantekeningen. 2 Koningen 19:21: Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Jesaja 23:12: En Hij heeft gezegd: U zult niet meer vrolijk huppelen, o u verdrukte maagd, u dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult u daar geen rust hebben. Jesaja 47:1: Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. Jeremia 14:17: Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.
[^amos-5-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, zal zekerlijk al haast vallen, zie Hos. 4:5, en Hos. 5:5, en Hos. 14:2. Hosea 4:5: Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. Hosea 5:5: Daarom zal Israël hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid.
[^amos-5-2-3]: Kanttekening 3: Hebr. niet toedoen op te staan; als wanneer iemand ter aarde is nedergestoten, en niet vanzelf weer kunnende opstaan, van alle anderen verlaten wordt en ter aarde liggen blijft; zo zou Israël tot zijn vorigen bloeienden staat niet wederkomen; ofschoon er enig overblijfsel (gelijk volgt) mag worden gelaten.
[^amos-5-3-4]: Kanttekening 4: 4 uitgaat met duizend: Dat is, die zoveel volk nu ter oorlog uitzendt, waar men met zoveel volk uittrekt, of die zoveel placht uit te leveren.
[^amos-5-3-5]: Kanttekening 5: 5 honderd overhouden: Dat is, er zal nauwelijks van tien een overblijven; zie verder vers 15, en Amos 6:9. Amos 5:15: Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. Amos 6:9: En het zal gebeuren, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen.
[^amos-5-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, u zult bevinden dat u zekerlijk zult leven; zie van zulke beloften Spr. 3:3; Ps. 37:3; Ez. 16:6, met de aantekening. Zo in vers 6. Spreuken 3:3: Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf ze op de tafel uws harten. Psalmen 37:3: Beth. Vertrouw op YHWH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. Ezechiël 16:6: Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! Amos 5:6: Zoekt YHWH, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El;
[^amos-5-5-7]: Kanttekening 7: 7 zoekt Beth-El niet: Om gemeenschap te hebben met de afgoderij die men daar bedrijft. Vergelijk dit met Hos. 4:15 en 12:12. Idem boven, Amos 4:4. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft. Hosea 12:12: Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden. Amos 4:4: Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van de overtredens veel, en brengt uw offers van de morgen, uw tienden om de drie dagen!
[^amos-5-5-a]: Verwijzing a: Amos 4:4. Amos 4:4: Komt te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maakt van de overtredens veel, en brengt uw offers van de morgen, uw tienden om de drie dagen!
[^amos-5-5-8]: Kanttekening 8: Zie Hos. 4:15. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^amos-5-5-9]: Kanttekening 9: Alwaar men ook al enige afgoderij gesticht had, vanwege gezichten van de oudvaderen. Zie Gen. 26:24, 26:25, en vergelijk onder, Amos 8:14. Genesis 26:24: En YHWH verscheen hem in dezelfde nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil. Genesis 26:25: Toen bouwde hij daar een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. En hij sloeg daar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. Amos 8:14: Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weer opstaan.
[^amos-5-5-10]: Kanttekening 10: De afgodische inwoners, en die part en deel hebben aan de afgoderij van Gilgal.
[^amos-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 voorzeker gevankelijk worden weggevoerd: Hebr. zal gevankelijk weggevoerd wordende, gevankelijk worden weggevoerd.
[^amos-5-5-12]: Kanttekening 12: Hebr. Aven, waarvan God Beth-El genoemd heeft Beth Aven, dat is, huis van de nietigheid, of ijdelheid, enz. Zie Hos. 4:15. Hosea 4:15: Zo u, o Israël! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt u toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweert niet: Zo waarachtig als YHWH leeft.
[^amos-5-6-13]: Kanttekening 13: 13 huis van Jozef: Dat is, Israël, of de tien stammen; waarvan Efraïm, uit Jozefs zoon, de voornaamste was. Verg. vers 15. Amos 5:15: Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn.
[^amos-5-6-14]: Kanttekening 14: Gelijk Amos 1:4, enz. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.
[^amos-5-6-15]: Kanttekening 15: 15 in Beth-El: Dit kan men volgens sommigen voegen bij het voorgaande woord, vertere, de zaak op één uitkomende.
[^amos-5-7-16]: Kanttekening 16: Dit kan men passen op die van Beth-El, of die van het huis van Jozef in het algemeen, in het voorgaande vers vermeld. Sommigen nemen het als een verwijtende aanspraak: U die, of u bent degene, die, enz.
[^amos-5-7-17]: Kanttekening 17: 17 in alsem verkeren: Dat is, in enkel bitterheid, doende onrecht en leed aan de onschuldigen, die tot het recht (zijnde in zichzelven zeer zoet en aangenaam) hun toevlucht veiliglijk behoorden te nemen, en daardoor beschermd te zijn. Verg. Amos 6:12. Amos 6:12: Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem.
[^amos-5-7-18]: Kanttekening 18: 18 doen liggen: Als een onwaardig en veracht ding, dat vertreden wordt.
[^amos-5-8-19]: Kanttekening 19: Hierop verstaan sommigen de voorgaande woorden: Zoekt die, die, enz. Anderen hechten het aan het volgende vers, beginnende aldus: diezelve is het die, enz. beide in een goede zin. Verg. Amos 4:13. Amos 4:13: Want zie, Die de bergen formeert, en de wind schept, en de mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die de dageraad duisternis maakt, en op de hoogten van de aarde treedt, YHWH, God van de legermachten, is Zijn Naam.
[^amos-5-8-20]: Kanttekening 20: Zie hiervan en van Orion, Job 9:9. Job 9:9: Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
[^amos-5-8-b]: Verwijzing b: Job 9:9; Job 38:31. Job 9:9: Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; Job 38:31: Kunt u de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen van de Orions losmaken?
[^amos-5-8-21]: Kanttekening 21: Zie Job 3:5, en Ps. 23:4, met de aantekening. Job 3:5: Dat de duisternis en van de dood schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dags! Psalmen 23:4: Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
[^amos-5-8-22]: Kanttekening 22: 22 als de nacht: Of, door de nacht.
[^amos-5-8-c]: Verwijzing c: Amos 9:6. Amos 9:6: Die Zijn opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefundeerd; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem; YHWH is Zijn Naam.
[^amos-5-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, beschikt dat zij als op een uitdrukkelijk bevel uit de zee opklimmen naar boven en de regen maken, die God op de aarde uitstort. Verg. Jer. 25:29, met de aantekening. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten.
[^amos-5-8-24]: Kanttekening 24: 24 op de aardbodem: Hebr. op het aangezicht van de aarde.
[^amos-5-9-25]: Kanttekening 25: Als hebbende een welgevallen aan de werken van Zijn gerechtigheid. Aldus wordt het Hebreeuwse woord ook gebruikt voor zich verkwikken, Job 9:27; 10:20; Ps. 39:14. Vgl. verder Deut. 28:63. Anders: Die de verstoorder, of de verstoorde (die niet was dan enkel verwoesting, ganselijk verwoest), sterkt, of moed, courage geeft over of tegen de of een sterke, dat hij die overwinne en zijn vestingen inneme. Job 9:27: Als mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken; Job 10:20: Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke; Psalmen 39:14: Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, voordat dat ik heenga, en ik niet meer zij. Deuteronomium 28:63: En het zal gebeuren, gelijk als YHWH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich YHWH over u verblijden, u verdoende en u verdelgende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.
[^amos-5-9-26]: Kanttekening 26: Daar het menselijk geheel ongezien en onverwacht was. Die behoorde Israël te vrezen en te zoeken, om zulke Zijn oordelen te ontgaan; maar integendeel, enz., als volgt.
[^amos-5-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, in het gericht, dat men in de poorten hield. Zie Gen. 22:17, Job 5:4, Ps. 127:5, met de aantekeningen. Zo vers 12, en vgl. Jes. 29:21. Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort zijn vijanden erfelijk bezitten. Job 5:4: Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser. Psalmen 127:5: Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelfde gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort. Jesaja 29:21: Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen die strikken, die hen bestraft in de poort; en die de rechtvaardige verdrijven in het woeste.
[^amos-5-10-28]: Kanttekening 28: Of: wat dat oprecht is.
[^amos-5-11-29]: Kanttekening 29: 29 de arme vertreedt: Hebr. op de arme treedt, alsof hij stof en slijk ware. Vgl. Amos 2:7 met de aantekening. Amos 2:7: Die er naar hijgen, dat het stof van de aarde op het hoofd van de armen zij, en de weg van de zachtmoedigen verkeren; en de man en zijn vader gaan tot een jonge dochter om Mijn heilige Naam te ontheiligen.
[^amos-5-11-30]: Kanttekening 30: 30 last koren: Dat is (als sommigen dit bekwamelijk verstaan), zoveel als een mens, of de arme, op zijn schouders kan dragen, wat hij met zijn zuren arbeid verdiend of verkregen heeft, menende daarvan met zijn huisgezin te leven, dat neemt u, wolven, van hem. Anders: met of bij lasten neemt u het koren van hem, door geweld, of afdringende hem zulke ontijdige voldoening als u maar belieft, zonder op enige billijkheid te zien.
[^amos-5-11-31]: Kanttekening 31: 31 gebouwd van gehouwen steen: Versta door veel onrecht, waarvan in het voorgaande en volgende. Vergelijk met dit vers Micha 6:15, Zef. 1:13. Ook Jes. 65:21. Micha 6:15: U zult zaaien, maar niet maaien; u zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken. Zefanja 1:13: Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken. Jesaja 65:21: En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.
[^amos-5-11-d]: Verwijzing d: Zefan. 1:13. Zefanja 1:13: Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
[^amos-5-11-32]: Kanttekening 32: 32 gewenste wijngaarden: Hebr. wijngaarden van de begeerte of van de wens.
[^amos-5-12-33]: Kanttekening 33: 33 zij benauwen: Of: u benauwt, enz.
[^amos-5-12-34]: Kanttekening 34: Of: losgeld, rantsoen, om de schuldige en strafwaardige vrij te laten, tegen Gods wet, Num. 35:31. Of: zij nemen het van de onschuldige, die het hun moet geven, zo hij hun geweld ontgaan wil. Numeri 35:31: En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de moordenaars, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.
[^amos-5-12-35]: Kanttekening 35: Te weten van zijn recht, of: wijzen hem af, doen hem terzijde afgaan, van zijn recht, buigende en verkerende het.
[^amos-5-12-36]: Kanttekening 36: Als vers 10. Amos 5:10: Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van die, die oprecht spreekt.
[^amos-5-13-37]: Kanttekening 37: Die God vreest, en dienvolgens recht wijs is. Of: de onderwijzer, leraar.
[^amos-5-13-38]: Kanttekening 38: 38 te van die tijd: Als God dit boze volk straffen zal.
[^amos-5-13-39]: Kanttekening 39: Niet murmurerende tegen Gods oordelen en straffen, hoewel zij zeer zwaar zullen zijn, maar Hem in alles recht gevende, omdat de zonden van Israël zo veel en gruwelijk waren, als voorzeid. Vgl. Ps. 37: 7. Sommigen verstaan dat God hen straffen zou met het stilzwijgen van de profeten of leraars en andere vromen, die het met God hielden, omdat zij niet wilden onderwezen en gestraft zijn, maar de bestraffers bitterlijk haatten en vervolgden, als vers 10. Vgl. Matt. 7:6. Psalmen 37:7: Daleth. Zwijg YHWH, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. Amos 5:10: Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van die, die oprecht spreekt. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^amos-5-13-40]: Kanttekening 40: 40 boze tijd: Of: tijd van het kwaad, dat is, van de straf, van grote ellende en verwoesting, als Ps. 37:19, Jer. 15:11. Micha 2:3. Sommigen duiden het op de voorgemelde grote boosheid van het volk in die tijd. Psalmen 37:19: Zij zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden. Jeremia 15:11: YHWH zei: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd van het kwaad en in tijd van de benauwdheid, bij de vijand voor u tussenkome! Micha 2:3: Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
[^amos-5-14-41]: Kanttekening 41: 41 met u: Zie Gen. 21:22. Genesis 21:22: Verder geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet.
[^amos-5-14-42]: Kanttekening 42: 42 gelijk als u zegt: Dat is, gelijk u u erop pleegt te roemen, maar ten onrechte, zolang als u u niet bekeert; of: gelijk u voorgeeft te begeren, dat God met u mocht zijn.
[^amos-5-15-43]: Kanttekening 43: Vgl. Joël 2:14 met de aantekening. Joël 2:14: Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God.
[^amos-5-15-44]: Kanttekening 44: Als vers 6. Amos 5:6: Zoekt YHWH, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El;
[^amos-5-15-e]: Verwijzing e: Ps. 34:15; Ps. 97:10; Rom. 12:9. Psalmen 34:15: Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na. Psalmen 97:10: U liefhebbers van YHWH! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijn gunstgenoten; Hij redt hen uit van de goddelozen hand. Romeinen 12:9: De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
[^amos-5-16-45]: Kanttekening 45: Omdat u alle vermaningen en bestraffingen veracht, en geen hoop geeft van bekering.
[^amos-5-16-46]: Kanttekening 46: 46 Op alle straten: Het zal een gemene ellende zijn, en daarom zal het overal vol luid weeklagen, huilen en wenen zijn.
[^amos-5-16-47]: Kanttekening 47: 47 en rouwklage: Of: en ter rouwklage, die verstand van kermen hebben.
[^amos-5-16-48]: Kanttekening 48: 48 die verstand: Zie Jer. 9:17. Jeremia 9:17: Zo zegt YHWH van de legermachten: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.
[^amos-5-17-49]: Kanttekening 49: Waar men over de wijnoogst placht vrolijk te zingen, enz. Zie Ps. 4:8, Jer. 25:30, met de aantekeningen. Psalmen 4:8: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Jeremia 25:30: U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: YHWH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijn heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde.
[^amos-5-17-50]: Kanttekening 50: Of: als Ik zal doorgaan, enz., met Mijn plagen; als Ik de verwoestende vijand door het gehele land zal doen passeren; gelijk God gezegd werd door Egypte te passeren, als Hij de engel zond om de eerstgeborenen te slaan, Ex. 12:12. Exodus 12:12: Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, YHWH!
[^amos-5-18-f]: Verwijzing f: Jes. 5:19. Jesaja 5:19: Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!
[^amos-5-18-52]: Kanttekening 52: Door huichelarij, alsof zij onschuldig waren en Gods straffen niet hadden te vrezen, of door spotternij, alsof zij zeiden: Wij mochten die dag weleens zien, waar blijft hij? Zie Jes. 5:19, Jer. 17:15, met de aantekeningen. Ook Amos 6:3. Jesaja 5:19: Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heiligen van Israël, dat wij het vernemen! Jeremia 17:15: Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord van YHWH? Laat het nu komen! Amos 6:3: U, die de bozen dag verre stelt, en de stoel van het geweld nabij brengt.
[^amos-5-18-51]: Kanttekening 51: 51 de dag van YHWH: De bestemde tijd van Gods oordeel en straf. Zie Joël 1:15. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^amos-5-18-53]: Kanttekening 53: Zie Joël 2:2. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
[^amos-5-18-g]: Verwijzing g: Jer. 30:7; Joël 2:2; Zefan. 1:15. Jeremia 30:7: O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Zefanja 1:15: Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
[^amos-5-19-54]: Kanttekening 54: 54 Als wanneer iemand vluchtte: Zodanig zal de dag van de Heer zijn, dat u de straf niet zult ontgaan, maar van het ene verschrikkelijke gevaar in het andere vallen, totdat u omkomt. Zie Jes. 24:18; Jer. 48:44; Hos. 13:7, 13:8. Jesaja 24:18: En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vreze vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten van de aarde zullen beven. Jeremia 48:44: Die van de vreze ontvliedt, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hun bezoeking brengen, spreekt YHWH. Hosea 13:7: Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg. Hosea 13:8: Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze daar als een oude leeuw; het wild gedierte van het veld verscheurde hen.
[^amos-5-20-55]: Kanttekening 55: 55 Zal dan niet de dag van YHWH duisternis zijn: Ja gewisselijk, wil de profeet zeggen, u mag het loochenen, of u het tegendeel inbeelden zoveel u wilt, het zal nochtans zo zijn.
[^amos-5-21-56]: Kanttekening 56: Zie Jes. 1:11, 1:12, 1:13, 1:14, met de aantekening. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jesaja 1:12: Wanneer u voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven betreden zoudt? Jesaja 1:13: Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen van de vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. Jesaja 1:14: Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moe geworden, die te dragen.
[^amos-5-21-h]: Verwijzing h: Jes. 1:11; Jer. 6:20. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jeremia 6:20: Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.
[^amos-5-21-57]: Kanttekening 57: Zie Lev. 23:36. Leviticus 23:36: Zeven dagen zult u YHWH vuurofferen offeren; op de achtsten dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult YHWH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen.
[^amos-5-21-58]: Kanttekening 58: Gelijk wij ook in onze taal spreken van personen en zaken, waarvan wij een grote afkeer hebben. Anders: op uw verbondsdagen mag, of zal Ik niet rieken; te weten, uw reukwerk, dat u mij alsdan offert, dat anders in recht gebruik een lieflijke reuk was voor de Heer. Zie Lev. 26:31. Leviticus 26:31: En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.
[^amos-5-22-59]: Kanttekening 59: Of, uw vette dankoffers.
[^amos-5-23-60]: Kanttekening 60: 60 getier uw liederen van Mij weg: Het Hebr. woord betekent allerlei gedruis, en ook menigte, overvloed. Het zingen en spelen was mee van God te die tijde in zijn uiterlijken dienst ingesteld, maar van hen \[als de rest\] verdorven door huichelarij en goddeloosheid, en voornamelijk door die snode afgoderij, bij welke zij hun gezang gebruikten. Zie Amos 8:3. Amos 8:3: Maar de gezangen van de tempel zullen op die dag huilen, spreekt de Heer YHWH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen.
[^amos-5-23-61]: Kanttekening 61: Luiten: anders, harpen; spel: of, melodie, gezang.
[^amos-5-24-62]: Kanttekening 62: Dat is, weest overvloedig en ijverig in recht en gerechtigheid, dat is, het wat Ik eis. Anders: Maar het oordeel zal zich, enz.; dat is, mijn straffen zullen u met geweld en menigte overvallen en overal doordringen, om al uw huichelarij, afgoderij en goddeloosheid.
[^amos-5-25-i]: Verwijzing i: Hand. 7:42. Handelingen 7:42: En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het legermacht van de hemel dienden, gelijk geschreven is in het boek van de profeten: Hebt u ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël?
[^amos-5-25-63]: Kanttekening 63: 63 Mij veertig jaren: Geenzins, wil God zeggen, want uw hart is niet bij of met mij geweest, niet oprecht voor mij, in dit alles, maar enz., gelijk volgt. Deze vraag loochent sterkelijk. Verg. Hand. 7:41, 7:42, 7:43. Handelingen 7:41: En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot de afgod, en verheugden zich in de werken hun handen. Handelingen 7:42: En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het legermacht van de hemel dienden, gelijk geschreven is in het boek van de profeten: Hebt u ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël? Handelingen 7:43: Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
[^amos-5-26-65]: Kanttekening 65: Of, hut, gehemelte, deksel. Het Hebr. woord wordt alleen hier zo gevonden. Het schijnt dat de profeet de heidense afgodische namen verwijtend hier gebruikt, om Israël te beschamen.
[^amos-5-26-66]: Kanttekening 66: Dat is, koning; versta de afgod Molech, of Milcom, en zie Jer. 49:1, idem in Amos 7:13. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in daarvan steden? Amos 7:13: Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is van de koning heiligdom, en dat is het huis van het koninkrijk.
[^amos-5-26-67]: Kanttekening 67: Dit houden sommigen voor de naam van een afgod, idem de planeet Saturnus. Maar men kan het ook bekwamelijk met anderen aldus overzetten: en het gereedschap, \[of, stelling, stijlen, het gestoelte\] van uw beelden.
[^amos-5-26-68]: Kanttekening 68: 68 ster uws gods: Dat is, de beeltenis van de ster van uw afgod; verg. Hand. 7:41, 7:42, 7:43; idem Jer. 7:18, met de aantekening. Enige menen dat Molech Saturnus is geweest, en anderen van Baäl, de andere planeten of sterren. Anders: het gesternte van uw goden, enz. Handelingen 7:41: En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot de afgod, en verheugden zich in de werken hun handen. Handelingen 7:42: En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het legermacht van de hemel dienden, gelijk geschreven is in het boek van de profeten: Hebt u ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël? Handelingen 7:43: Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon. Jeremia 7:18: De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.
[^amos-5-26-64]: Kanttekening 64: Dit kan men zo verstaan dat zij \[als moedwillige en ongebonden afgodendienaars\], zulks naar de letter somwijlen mogen hebben gedaan; of zo, dat hun hart niet bij Gods tent \[die zij met het lichaam droegen\] en zijn Godsdienst, maar bij hun afgoden geweest is, die zij in het hart droegen, zulks dat hun uiterlijke huichelende godsdienst voor God niets dan enkel afgoderij is geacht geweest.
[^amos-5-27-69]: Kanttekening 69: 69 ver boven Damascus heen: Tot de uiterste omstreken van Assyrië, ja boven Babylonië. Zie Hand. 7:43; idem 2 Kon. 17:6. Van Damascus, zie Gen. 14:15, en 2 Sam. 8:5. Sommigen duiden het ook op de scherpheid van deze gevangenschap, die veel harder zou zijn dan die van Syrië, onder Hazaël; 2 Kon. 13:3, 13:7. Handelingen 7:43: Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon. 2 Koningen 17:6: In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. Genesis 14:15: En hij verdeelde zich tegen hen van de nacht, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 2 Samuël 8:5: En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 2 Koningen 13:3: Daarom ontstak van YHWH toorn tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die dagen. 2 Koningen 13:7: Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagens, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.

### Amos 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/6.json)

*Wee, en gevangenschap, over de voornaamsten van Sion en Samaria, vanwege hun vleselijke zekerheid, goddeloze dartelheid en overdaad, vers 1, enz. God zweert dat Hij de stad, met alles wat erin is, aan de vijand zal overgeven, en wie overblijft door Zijn plagen zal doen verdwijnen, zonder groten of kleinen te sparen, 7. om Israëls domme verkeerdheid of hardnekkigheid en dwaze hoogmoed zal God een verdrukkende vijand over hen zenden, 12.*

**1** Wee[^amos-6-1-1] de[^amos-6-1-2] gerusten te[^amos-6-1-3] Sion, en de[^amos-6-1-4] zekeren op de berg van Samaria! die de[^amos-6-1-5] voornaamste zijn van de[^amos-6-1-6][^amos-6-1-a] eerstelingen van de volken, en tot die die van het huis van Israël[^amos-6-1-7] komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v1)

**2** Ga over naar[^amos-6-2-8] Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de[^amos-6-2-9] grote stad, en trekt af naar[^amos-6-2-10] Gath van de Filistijnen; of[^amos-6-2-11] zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun gebied groter dan uw gebied? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v2)

**3** U, die de[^amos-6-3-12][^amos-6-3-b] boze dag[^amos-6-3-13][^amos-6-3-c] verre stelt, en de stoel van het[^amos-6-3-14] geweld nabij brengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v3)

**4** Die daar liggen op[^amos-6-4-15] ivoren bedsteden, en[^amos-6-4-16] weelderig zijn op hun koetsen, en eten de[^amos-6-4-17] lammeren van de kudde, en de kalveren uit het[^amos-6-4-18] midden van de meststal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v4)

**5** Die op het[^amos-6-5-19] geklank van[^amos-6-5-d] de luit kwinkeleren, en bedenken zichzelf instrumenten van de[^amos-6-5-20] muziek, zoals David; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v5)

**6** Die wijn[^amos-6-6-21] uit schalen[^amos-6-6-e] drinken, en zich zalven met de[^amos-6-6-22] voortreffelijkste olie, maar[^amos-6-6-23][^amos-6-6-f] geven niets om de[^amos-6-6-24] verbreking[^amos-6-6-25] van Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v6)

**7** Daarom zullen zij[^amos-6-7-26] nu als gevangene heengaan[^amos-6-7-27] onder de voorsten, die in[^amos-6-7-g] gevangenis gaan; en het[^amos-6-7-28] banket van degenen, die[^amos-6-7-29] weelderig zijn, zal[^amos-6-7-30] wegwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v7)

**8** De Adonai YHWH heeft gezworen[^amos-6-8-31] bij Zichzelf (spreekt YHWH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van[^amos-6-8-32] Jakobs hoogmoed, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar[^amos-6-8-33] volheid[^amos-6-8-34] overleveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v8)

**9** En het zal gebeuren, zo er tien mannen in enig huis zullen[^amos-6-9-35] overgelaten zijn, dat[^amos-6-9-36] zij sterven zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v9)

**10** En[^amos-6-10-37] de naaste vriend zal[^amos-6-10-38] ieder van die opnemen, of die[^amos-6-10-39] hem[^amos-6-10-40] verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die[^amos-6-10-41] binnen de zijden van het huis is: Zijn er[^amos-6-10-42] nog meer bij u? En hij zal zeggen:[^amos-6-10-43] Niemand. Dan zal hij zeggen:[^amos-6-10-44] Zwijg! want[^amos-6-10-45] zij waren niet om van YHWH Naam te vermelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v10)

**11** Want zie, YHWH[^amos-6-11-46] geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met[^amos-6-11-47] inwatering, en het kleine huis met spleten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v11)

**12** [^amos-6-12-48] Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen?[^amos-6-12-49] Want u hebt het recht in[^amos-6-12-50] gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in[^amos-6-12-h] alsem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v12)

**13** U, die blij bent over een[^amos-6-13-51] nietig ding; u, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte[^amos-6-13-52] hoornen verkregen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v13)

**14** Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een[^amos-6-14-53] volk verwekken, spreekt YHWH, de God van de legermachten; die zullen u[^amos-6-14-54] drukken, van daar men komt te[^amos-6-14-55] Hamath, tot aan de beek van[^amos-6-14-56] de wildernis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/6.html#v14)

[^amos-6-1-1]: Kanttekening 1: In het veelvoudig getal.
[^amos-6-1-2]: Kanttekening 2: Of, gemakkelijken, die op hun gemak in weelde leven, verg. Jer. 48:11, waar van Moab gezegd wordt dat hij van zijn jeugd af gerust, of op zijn gemak in stilte geweest is, geen overlast lijdende, noch vrezende. Jeremia 48:11: Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.
[^amos-6-1-3]: Kanttekening 3: Dit ging Juda aan, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was, en op Zion het koninklijke slot.
[^amos-6-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, zorgelozen; verg. Richt. 18:27, waar van Laïs gezegd wordt dat het een stil en zeker volk was; en Ez. 30:9, Chus van de zekerheid, of van het vertrouwen; dat is, dat zekere, of zorgeloze Chus, of de zekere Chus; dat is, de zekere zorgeloze Moren. Anders: die op de berg van Samaria vertrouwen; of zich verlaten, en daarop zeker zijn en zorgeloos; de zin opeen uitkomende, maar in de tekst is gelet op de samenvoeging van de beide leden. Richteren 18:27: Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur. Ezechiël 30:9: Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan!
[^amos-6-1-5]: Kanttekening 5: 5 voornaamste zijn: Of, vermaardste, beroemdste. Zie van het Hebr. woord Spr. 4:7. Dit duiden sommigen op de beide bergen van Zion en Samaria, maar het voorgaande slaat op de hoofden van Juda en Israël, die op deze bergen hun residentie hadden, in de beide hoofdsteden, zijnde de voornaamste onder de hoofden van het volk. Spreuken 4:7: De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
[^amos-6-1-6]: Kanttekening 6: 6 eerstelingen van de volken: De twaalf stammen, die God van alle andere volken afgezonderd en tot zijn volk had aangenomen. Zie Ex. 19:5; Jer. 2:3. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Jeremia 2:3: Israël was YHWH een heiligheid, de eerstelingen Zijn inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt YHWH.
[^amos-6-1-a]: Verwijzing a: Ex. 19:5; Jer. 2:3. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Jeremia 2:3: Israël was YHWH een heiligheid, de eerstelingen Zijn inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt YHWH.
[^amos-6-1-7]: Kanttekening 7: Om daar van hun hoofden raad en daad \[gelijk men zegt\] te halen, Juda en Benjamin te Jeruzalem, en de tien stammen te Samaria. Hebr. het huis Israël komen, of zullen komen. God spreekt het wee over deze hoofden, omdat zij zich \[gelijk volgt\] in deze heerlijke plaatsen, \[die zij door Gods goedheid bewoonden\] en deze grote waardigheid, zo ondankbaar tegenover Hem bewezen.
[^amos-6-2-8]: Kanttekening 8: Een zeer oude vermaarde stad in het land Sinear of Chaldea. Zie Gen. 10:10, en Jes. 10:9. Genesis 10:10: En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. Jesaja 10:9: Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus?
[^amos-6-2-9]: Kanttekening 9: 9 grote stad,: Of, machtige, geweldige, heerlijke. Zie van Hamath \[ook een vermaarde koninklijke stad\] Num. 13:21, en 2 Sam. 8:9, enz. Numeri 13:21: Zo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. 2 Samuël 8:9: Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David het gehele legermacht van Hadad-ezer geslagen had;
[^amos-6-2-10]: Kanttekening 10: 10 Gath van de Filistijnen: Ook een koninklijke stad. Zie 1 Sam. 21:10, en 2 Sam. 8:1. 1 Samuël 21:10: En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, de koning van Gath. 2 Samuël 8:1: En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit van de Filistijnen hand.
[^amos-6-2-11]: Kanttekening 11: 11 beter zijn dan deze koninkrijken: Deze woorden, groter, beter, geven te verstaan, dat God hun wil voor ogen stellen, de heerlijkheid van het land, dat Hij hun had ingegeven, waarvoor zij hem dankbaar behoorden te zijn. Anders: en waren zij niet beter? enz., in deze zin, alsof God hun wilde voorstellen dat groter en heerlijker plaatsen dan de hunne al verwoest waren, zulks dat zij zo zeker en zorgeloos niet moesten zijn, zich maar spiegelen aan zulke voorbeelden en zich bekeren.
[^amos-6-3-12]: Kanttekening 12: 12 bozen dag: De nakende tijd van de straf Gods, waarvan in Amos 5:18, 5:19, 5:20. Versta hierop, wee u, uit het voorgaande. Amos 5:18: Wee die, die van YHWH dag begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. Amos 5:19: Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang. Amos 5:20: Zal dan niet van YHWH dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?
[^amos-6-3-b]: Verwijzing b: Amos 5:18. Amos 5:18: Wee die, die van YHWH dag begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.
[^amos-6-3-13]: Kanttekening 13: 13 verre stelt: Als hebbende, òf geheel niet òf immers bij uw tijd, daarvoor niet te vrezen. Verg. Ez. 12:22, en in Amos 9:10; ja u houdt de redenen van de dag van de Heer als een onrein, afschuwelijk en vervoeilijk ding; waarop het Hebr. woord schijnt te zien. Ezechiël 12:22: Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan? Amos 9:10: Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.
[^amos-6-3-c]: Verwijzing c: Ez. 12:27. Ezechiël 12:27: Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.
[^amos-6-3-14]: Kanttekening 14: 14 nabij brengt: Alsof God zei: Is dat niet een grote dwaasheid, dat u op de rechterstoelen uw goddeloosheid pleegt, zulks dat allerlei onrecht nabij u, ja onder en in u is en u aankleeft, en dat u u evenwel wijsmaakt dat de straffen verre zijn, of uitblijven zullen?
[^amos-6-4-15]: Kanttekening 15: 15 elpenbenen bedsteden: Hebr. tands. Zie 1 Kon. 10:18. Verg. de beschrijving van de koninklijke pracht, Esth. 1:6. 1 Koningen 10:18: Nog maakte de koning een grote elpenbenen troon, en hij overtoog dezelfde met dicht goud. Esther 1:6: Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfiersteen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.
[^amos-6-4-16]: Kanttekening 16: 16 weelderig zijn: Of, overdadig, overvloedig. Anders: die zich weeldelijk uitstrekken, uitbreiden, \[gelijk een weelderige wijnstok. Ez. 17:6\], zo in vers 7. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. Amos 6:7: Daarom zullen zij nu gevankelijk heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.
[^amos-6-4-17]: Kanttekening 17: 17 lammeren van de kudde: Te weten, de beste, uit het volgende.
[^amos-6-4-18]: Kanttekening 18: 18 midden van de meststal: Kiezende de vetste, uit de plaats waar men gewoon was te mesten.
[^amos-6-5-19]: Kanttekening 19: Hebr. op, of naar de mond; dat is, naar de wijze en aanleiding van het luiten- of psalterspel, hun stem op het fijnste en vaardigste weten te breken, dat men noemt kwinkeleren, of kwinken, kwinkelen, kwedelen, en bij de muzikanten \[recht naar het Hebr. woord\] heet verminderen.
[^amos-6-5-d]: Verwijzing d: Jes. 5:12. Jesaja 5:12: En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en zij zien niet op het maaksel Zijn handen.
[^amos-6-5-20]: Kanttekening 20: 20 gelijk David: Passende \[naar de wijze van ijdele wereldse mensen\] het geestelijk heilig werk van de koninklijken profeet David op hun vleselijke weelde en dartelheid.
[^amos-6-6-21]: Kanttekening 21: 21 uit schalen drinken: Anders: in, of met bekers van de wijn; dat is, die zich niet laten genoegen met gemene drinkbekers, schalen of koppen, maar grote wijde bekkens of kommen \[gelijk sprengbekkens\] vol wijn storten en uitzuipen.
[^amos-6-6-e]: Verwijzing e: Jes. 5:11. Jesaja 5:11: Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
[^amos-6-6-22]: Kanttekening 22: 22 voortreffelijkste olie: Hebr. de eerstelingen, het eerste, voorste van de oliën; dat is, de allerbeste en kostelijkste olie. Zie Ruth 3:3; Ps. 23:5; Spr. 21:17, met de aantekening. Ruth 3:3: Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. Psalmen 23:5: U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Spreuken 21:17: Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.
[^amos-6-6-23]: Kanttekening 23: 23 bekommeren zich niet: Of, hebben geen smart, weedom, hartzeer. Het Hebr. woord wordt gebruikt van ziekte van het lichaam, en ook smart en bekommering van de geest, beide kan hier plaatshebben, zo het ene gemeenlijk op het andere volgt.
[^amos-6-6-f]: Verwijzing f: Jes. 5:12. Jesaja 5:12: En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van YHWH niet, en zij zien niet op het maaksel Zijn handen.
[^amos-6-6-24]: Kanttekening 24: De bijzondere verdrukkingen van hun broers, en de algemene, zo vroegere als aanstaande, ellenden van Gods volk. Zie Jer. 4:6. Jeremia 4:6: Werpt de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.
[^amos-6-6-25]: Kanttekening 25: Gelijk in Amos 5:6. Amos 5:6: Zoekt YHWH, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El;
[^amos-6-7-26]: Kanttekening 26: 26 nu gevankelijk heengaan: Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3. Hosea 10:3: Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^amos-6-7-27]: Kanttekening 27: 27 onder de voorsten: Hebr. in, of onder het hoofd; dat is, vooraan, in de spits van de gevangenen zult u de eerste en voorste zijn, gelijk u in hoogheid en boosheid de voorgang hebt gehad. De voorste in straffen.
[^amos-6-7-g]: Verwijzing g: Jes. 5:13. Jesaja 5:13: Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en daarvan heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.
[^amos-6-7-28]: Kanttekening 28: 28 banket dergenen: Anders: rouwmaaltijden, die zij met grote pracht, overdaad en wonderlijk bestuur plegen te houden. Zie Jer. 16:4. Jeremia 16:4: Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn.
[^amos-6-7-29]: Kanttekening 29: 29 weelderig zijn: Gelijk in vers 4. Amos 6:4: Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal.
[^amos-6-7-30]: Kanttekening 30: Alle vreugde, dartelheid, pracht en overdaad zal ophouden en hen verlaten, en inplaats van die zal hen ellende en jammer aankleven en volgen.
[^amos-6-8-31]: Kanttekening 31: Hebr. bij zijn ziel; dat is, bij zichzelven. Zie Gen. 22:16, menselijk van God gesproken, ten aanzien van het woord ziel. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
[^amos-6-8-32]: Kanttekening 32: Dat is, Israël, van de Israëlieten.
[^amos-6-8-33]: Kanttekening 33: Alles waarmee Ik de stad vervuld, verrijkt en versierd heb. Verg. Deut. 33:16; Ps. 24:1, enz. Deuteronomium 33:16: En van het uitnemendste van de aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Van Degene, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op de schedel van de afgezonderden van zijn broers! Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^amos-6-8-34]: Kanttekening 34: In de hand van de vijand.
[^amos-6-9-35]: Kanttekening 35: 35 overgelaten zijn: Van de vijand.
[^amos-6-9-36]: Kanttekening 36: 36 sterven zullen: Door de pestilentie, of honger, brand, aardbeving, enz., gelijk van God gedreigd was dat, die de ene plaag ontging, in de andere zou vallen. Zie Amos 5:19, enz. Amos 5:19: Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^amos-6-10-37]: Kanttekening 37: 37 de naaste vriend: Of, neef, bloedverwant, vriend; naar het gebruik van het Hebr. woord.
[^amos-6-10-38]: Kanttekening 38: 38 een iedereen van die opnemen: Hebr. hem; dat is, een voorzeide verstorvene, de één na de ander.
[^amos-6-10-39]: Kanttekening 39: Het lichaam van de verstorvene, om de beenderen uit te brengen, ter begrafenis of om weg te werpen. Verg. Amos 8:3. Amos 8:3: Maar de gezangen van de tempel zullen op die dag huilen, spreekt de Heer YHWH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen.
[^amos-6-10-40]: Kanttekening 40: Dat niet gebruikelijk was, dan in buitengewone toevallen en om bijzondere redenen, gelijk te zien is 1 Sam. 31:12. Maar naar sommiger mening, ook in tijden van zware pest, dat op deze plaats niet kwalijk zou passen. 1 Samuël 31:12: Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de heel nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar.
[^amos-6-10-41]: Kanttekening 41: 41 binnen de zijden van het huis is: Hebr. in; de zin is, in het binneste van het huis.
[^amos-6-10-42]: Kanttekening 42: 42 meer bij u: Doden in het huis?
[^amos-6-10-43]: Kanttekening 43: Of, het einde \[is er\]; dat is, zij zijn nu allemaal weg, daar is geen meer behouden.
[^amos-6-10-44]: Kanttekening 44: Mor niet tegen Gods oordelen, want de verstorvenen waren goddeloos. Verg. Amos 5:13, met de aantekening. Amos 5:13: Daarom zal de verstandige te van die tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.
[^amos-6-10-45]: Kanttekening 45: 45 zij waren niet om van YHWH Naam te vermelden: De verstorvenen. Anders: de naam van YHWH is niet te vermelden, of men moet die niet vermelden. Waarmee te kenne zou gegeven worden de uiterste goddeloosheid van deze mensen, als die op het zwaarste geplaagd zijnde, evenwel niet zouden mogen lijden dat men de Heer gedacht. Sommigen verstaan het van de algemene gewoonte van rouwklagen, of klaagliederen te gebruiken over de doden, in welke de naam van de Heer mocht gedacht worden. Verg. Amos 8:3. Amos 8:3: Maar de gezangen van de tempel zullen op die dag huilen, spreekt de Heer YHWH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen.
[^amos-6-11-46]: Kanttekening 46: 46 geeft bevel: Of, zal gebieden, bevel geven; dat is, door zijn regering beschikken, dat de vijand \[als op zijn bevel\] aankome en sla, enz. Zie vers 14, en Amos 9:9. Amos 6:14: Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een volk verwekken, spreekt YHWH, de God van de legermachten; die zullen u drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek van de wildernis. Amos 9:9: Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.
[^amos-6-11-47]: Kanttekening 47: Hebr. druppen, of droppelen; dat is, inwatering, zodat de straffen gaan zullen over hoge en lage, grote en kleine, als een doordringende en steeds druipende regen, die niet zal zijn te keren. Verg. Amos 5:24. Sommigen duiden het op beide koninkrijken, van Israël en Juda, waarvan Israël door Assyriërs en Juda door de Babyloniërs zou bedorven en verwoest worden. Verg. Jes. 8:14. Amos 5:24: Maar laat het oordeel zich daarheen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem.
[^amos-6-12-48]: Kanttekening 48: 48 Zullen ook paarden rennen op een steenrots: Dit vers kan men met sommigen zo verstaan dat, gelijk zulks op steenrotsen niet past noch wel kan gelukken, Israël ook zo niet wel kon varen, omdat zij verkeerd liepen en ploegden, of omdat al het vermanen en bestraffen aan hen niet dan vergeefs rennen en ploegen op steenrotsen was, want zij bleven verkeerd, gelijk volgt; of, gelijk zulks een omkering zou zijn van alle natuurlijke orde en redegebruik, en niets anders dan de loutere en zeer schandelijke dwaasheid, zo was ook hun doen; omdat zij de heilige en zeer lieflijke ordinantiën Gods van recht en gerechtigheid omkeerden in enkel vergif en bitterheid.
[^amos-6-12-49]: Kanttekening 49: 49 Want u: Of, dat u het recht verkeerd hebt, enz.
[^amos-6-12-50]: Kanttekening 50: 50 gal verkeerd: Zie Ps. 69:22, en verg. Amos 5:7. Psalmen 69:22: Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Amos 5:7: Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.
[^amos-6-12-h]: Verwijzing h: Amos 5:7. Amos 5:7: Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.
[^amos-6-13-51]: Kanttekening 51: 51 nietig ding: Als daar is, met rijkdom en macht, waarvan u u dwaselijk beroemt; want zij zijn u van mij gegeven, en, vermits uw zonden, tegen mijn toorn niet zullen helpen.
[^amos-6-13-52]: Kanttekening 52: 52 hoornen verkregen: Heerlijkheid en macht. Zie Deut. 33:17, en Job 16:15. Deuteronomium 33:17: Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorns; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! Job 16:15: Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.
[^amos-6-14-53]: Kanttekening 53: 53 een volk: De Assyriërs, gelijk de Babyloniërs over Juda.
[^amos-6-14-54]: Kanttekening 54: Of, dringen. Verg. Amos 2:13. Amos 2:13: Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.
[^amos-6-14-55]: Kanttekening 55: Gelegen aan de noordelijke landpale van Kanaän, gelijk de beek of rivier van Egypte of Sichor, in het zuiden. Zie Num. 34:5, 34:8; Joz. 13:3. De zin is: zij zullen u plagen van het ene einde van het land tot het andere. Numeri 34:5: Verder zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee. Numeri 34:8: Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze landpale zullen zijn naar Zedad. Jozua 13:3: Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.
[^amos-6-14-56]: Kanttekening 56: Of, van het vlakke veld.

### Amos 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/7.json)

*Door drie gezichten - het eerste van sprinkhanen, vers 1, enz. het tweede van een verterend vuur, 4. in welke beide straffen God de voorbidding van de profeet aanneemt, en het derde van een paslood of richtsnoer, 7. - wordt afgebeeld dat God, na lang geduld, Israël niet meer wil sparen en de nakomelingen van de koning zal uitroeien, 8. De priester Amazia beklaagt Amos bij de koning van samenzwering en oproer, 10. gebiedt hem dat hij zich van Bethel zal wegpakken naar Juda, 12. maar Amos verdedigt zich met Gods roeping en zegt Amazia en de zijnen Gods oordeel aan, 14.*

**1** Adonai YHWH deed mij zo[^amos-7-1-1] zien; en ziet,[^amos-7-1-2] Hij vormde[^amos-7-1-3] sprinkhanen, in het begin van het opkomen van het nagras; en ziet, het was het nagras, na de afmaaiingen[^amos-7-1-4] van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v1)

**2** En het gebeurde, als[^amos-7-2-5] zij het kruid van het land geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zei: Adonai YHWH![^amos-7-2-7] vergeef toch; wie zou[^amos-7-2-8] er van[^amos-7-2-9] Jakob blijven staan; want hij is[^amos-7-2-10] klein![^amos-7-2-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v2)

**3** [^amos-7-3-11] Toen berouwde dat YHWH; het zal niet[^amos-7-3-12] gebeuren, zei YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v3)

**4** Verder deed mij Adonai YHWH zo zien; en ziet, Adonai YHWH riep uit, dat Hij wilde[^amos-7-4-13] twisten met[^amos-7-4-14] vuur; en het verteerde een[^amos-7-4-15] grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v4)

**5** Toen zei ik: Adonai YHWH! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v5)

**6** Toen berouwde dat YHWH. Ook dit zal[^amos-7-6-16] niet gebeuren, zei Adonai YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v6)

**7** Nog deed Hij mij zo zien; en ziet, de Heere stond op een muur,[^amos-7-7-17] die naar het paslood gemaakt was, en een[^amos-7-7-18] paslood was in Zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v7)

**8** En YHWH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei YHWH: Zie, Ik zal het[^amos-7-8-19] paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal[^amos-7-8-20] het[^amos-7-8-21] voortaan niet meer[^amos-7-8-22] voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v8)

**9** Maar[^amos-7-9-23] Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls[^amos-7-9-24] eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen[^amos-7-9-25] Jerobeams[^amos-7-9-26] huis opstaan met het[^amos-7-9-27] zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v9)

**10** [^amos-7-10-28] Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, de koning van Israël, zeggende: Amos heeft een[^amos-7-10-29] samenzwering tegen u gemaakt, in het midden van het huis van Israël; het land zal al zijn woorden niet kunnen[^amos-7-10-30] verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v10)

**11** Want zo zegt Amos:[^amos-7-11-31] Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal[^amos-7-11-32] voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v11)

**12** Daarna zei Amazia tot Amos: U[^amos-7-12-33] ziener! ga weg,[^amos-7-12-34] vlucht in het land van[^amos-7-12-35] Juda, en[^amos-7-12-36] eet daar brood, en profeteer daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v12)

**13** Maar te Beth-el zult u[^amos-7-13-37] voortaan[^amos-7-13-38] niet meer profeteren; want dat is het heiligdom[^amos-7-13-39] van de koning, en dat is het[^amos-7-13-40] huis van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v13)

**14** Toen antwoordde Amos, en zei tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een[^amos-7-14-41] ossenherder, en[^amos-7-14-42] las[^amos-7-14-43] wilde vijgen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v14)

**15** Maar YHWH nam mij van achter de[^amos-7-15-44] kudde; en YHWH zei tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.[^amos-7-15-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v15)

**16** Nu dan, hoor het woord van YHWH: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch[^amos-7-16-46][^amos-7-16-a] druppen tegen het huis van Izak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v16)

**17** Daarom zegt YHWH zo: Uw vrouw zal in de[^amos-7-17-47] stad ontucht plegen, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door[^amos-7-17-48] het snoer uitgedeeld worden; en u zult in een[^amos-7-17-49] onrein land sterven, en Israël zal[^amos-7-17-50] voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/7.html#v17)

[^amos-7-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, openbaarde mij dit volgende gezicht. Zie Jer. 24:1. Jeremia 24:1: YHWH deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor de tempel van YHWH; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
[^amos-7-1-2]: Kanttekening 2: 2 Hij formeerde: De Heer.
[^amos-7-1-3]: Kanttekening 3: betekenende een grote aanstaande hongersnood, vermits het verderf van de landvruchten door ongedierte, gelijk Joel 1:4, enz. of, \[gelijk sommigen\] de overval van de Assyriërs, die alles, als wilde sprinkhanen, zouden bederven, zo God het niet verhoedde. Joël 1:4: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
[^amos-7-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, nadat de koning had laten maaien, misschien tot voeder voor zijn paarden, of omdat de eerste maaiing hem mag hebben toebehoord. Hebr. scheringen; maar het Hebr. woord wordt zo van afgemaaid gras ook gebruikt; Ps. 72:6. Psalmen 72:6: Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.
[^amos-7-2-5]: Kanttekening 5: 5 zij het kruid van het land: Hebr. hij, te weten, de sprinkhaan, dat is, de voorzeide sprinkhanen.
[^amos-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 vergeef toch: Te weten, de zonden van het volk, en houd op van deze straf, of ga zo niet voort te plagen.
[^amos-7-2-8]: Kanttekening 8: De Israëlieten, Jakobs nakomelingen.
[^amos-7-2-9]: Kanttekening 9: 9 blijven staan: Dat is, overblijven, in het leven kunnen blijven, wanneer het land van vruchten geheel zou beroofd zijn? Anders: hoedanig \[dat is, in wat staat\] zou Jakob \[dan\] staan? Wie zou hij dan wezen? Hoe zou hij er uitzein; of, hoe zou hij kunnen opstaan, weer rijzen? Zie vers 5. Amos 7:5: Toen zei ik: Heer YHWH! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!
[^amos-7-2-10]: Kanttekening 10: Of, gering; dat is, daar is, of zijn, weinig overig.
[^amos-7-2-6]: Kanttekening 6: 6 geheel zouden hebben afgegeten: Hebr. geëindigd, of volbracht zou hebben af te eten. Anders: als zij het geheel afgegeten hadden.
[^amos-7-3-11]: Kanttekening 11: 11 berouwde zulks YHWH: Zie Gen. 6:6. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.
[^amos-7-3-12]: Kanttekening 12: Te weten, dat zij het alles afeten.
[^amos-7-4-13]: Kanttekening 13: Of, pleiten, rechten; en vervolgens straffen. Zie Hos. 4:1, met de aantekening. Hosea 4:1: Hoort van YHWH woord, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;
[^amos-7-4-14]: Kanttekening 14: Van krijg en oorlog, gelijk in Amos 1:4, 1:7, 1:10. Sommigen verstaan het naar de letter van een hemelsen brand, gelijk Sodom en Gomorra overkwam, of anderen gemenen brand, of grote droogte. Zie Joel 1:19, met de aantekening. Amos 1:4: Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. Amos 1:7: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. Amos 1:10: Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren. Joël 1:19: Tot U, o YHWH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken.
[^amos-7-4-15]: Kanttekening 15: 15 grote afgrond: Dat is, diepte van wateren; waarvan Syrië verwoest door Tiglath-Pilezer, de Jordaan. Zie 2 Kon. 15:29; 1 Kron. 5:26. 2 Koningen 15:29: In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het gehele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 1 Kronieken 5:26: Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag.
[^amos-7-6-16]: Kanttekening 16: Dat het gehele land op ditmaal zou verteerd worden door het vuur.
[^amos-7-7-17]: Kanttekening 17: 17 die naar het paslood gemaakt was: Hebr. een muur van het paslood; dat is, die naar het richtsnoer wel gemaakt was. Waardoor men \[met sommigen\] kan verstaan de republiek van Israël, die God door zijn heilige wetten en zijn genadigen zegen wel en heerlijk gesticht en gebouwd had; en door het paslood, dat God nu in zijn hand had, zijn streng en rechtvaardig oordeel, dat Hij na langdurige verdraagzaamheid en verschoning \[waarvan in het voorgaande\] over Israël wilde uitvoeren; omdat zij alles omgekeerd en geschonden hadden, gelijk in Amos 6:12, enz. Verg. Amos 8:2. Amos 6:12: Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem. Amos 8:2: En Hij zei: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een korf met zomervruchten. Toen zei YHWH tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
[^amos-7-7-18]: Kanttekening 18: 18 paslood was in Zijn hand: Het Hebr. woord wordt alleen hier in deze beide verzen gevonden.
[^amos-7-8-19]: Kanttekening 19: Van mijn rechtvaardig oordeel.
[^amos-7-8-20]: Kanttekening 20: Mijn volk.
[^amos-7-8-21]: Kanttekening 21: Hebr. Ik zal niet meer voortgaan, of voortvaren voorbij, of over te gaan.
[^amos-7-8-22]: Kanttekening 22: Dat is, ongestraft laten overzien, sparen, gelijk Ik tot nog toe gedaan heb. Verg. de manier van spreken met Spr. 19:11; Micha 7:18, en zie de aantekening daar. Zo in Amos 8:2. Spreuken 19:11: Het verstand van de mensen vertraagt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan. Micha 7:18: Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Amos 8:2: En Hij zei: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een korf met zomervruchten. Toen zei YHWH tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
[^amos-7-9-23]: Kanttekening 23: 23 Izaks hoogten: Daar zij hun voorvaders en het voorbeeld van hun voorvaders Izak en Jakob, als welke daar in voortijden voor de ware God altaren opgericht en geofferd hadden. Zie Gen. 26:25, en Gen. 35:7. Genesis 26:25: Toen bouwde hij daar een altaar, en riep de Naam van YHWH aan. En hij sloeg daar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. Genesis 35:7: En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broers aangezicht vluchtte.
[^amos-7-9-24]: Kanttekening 24: Afgodische tempels.
[^amos-7-9-25]: Kanttekening 25: Die een zoon was van Joas, zie Amos 1:1. Amos 1:1: De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
[^amos-7-9-26]: Kanttekening 26: 26 huis opstaan: Zijn zoon Zacharia \[die maar zes maanden regeerde\] is van Sallum in het openbaar, in aanwezigheid van het volk verslagen, 2 Kon. 15:10. 2 Koningen 15:10: En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
[^amos-7-9-27]: Kanttekening 27: Het is aanmerkelijk dat de profeet hier tegen het oordeel van God niet meer antwoordt, gelijk hij in de twee voorgaande gezichten zijn voorbede had gedaan en was verhoord.
[^amos-7-10-28]: Kanttekening 28: 28 Toen zond Amazia: Als de profeet deze gezichten het volk had voorgedragen.
[^amos-7-10-29]: Kanttekening 29: 29 verbintenis tegen u gemaakt: En behoort dienvolgens \[wil hij zeggen\] als een samenzweerder gestraft te worden; verder ook als een oproermaker, omdat hij in het openbaar voor al het volk tegen u profeteert.
[^amos-7-10-30]: Kanttekening 30: Het volk \[wil hij zeggen\] zal tot oproer tegen u door hem verwekt worden. De staat van het land en het gezag van de koning vereisen dan dat hierin voorzien worde. Hebr. vatten, houden.
[^amos-7-11-31]: Kanttekening 31: 31 Jerobeam zal door het zwaard sterven: Amos had gesproken van Jerobeams huis, vers 3. Amos 7:3: Toen berouwde zulks YHWH; het zal niet gebeuren, zei YHWH.
[^amos-7-11-32]: Kanttekening 32: Hebr. gevankelijk weggevoerd wordende, gevankelijk worden weggevoerd.
[^amos-7-12-33]: Kanttekening 33: Zie 1 Sam. 9:9. 1 Samuël 9:9: (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)
[^amos-7-12-34]: Kanttekening 34: Hebr. vlied u, of voor u; het woordje u, of voor u, wordt gehouden als overtollig en dienende tot sieraad van de spraak, anderzins moest men het hier nemen, voor u; dat is, tot uw best, om in geen lijden te komen. Verg. Gen. 12:1; Jer. 5:5; Micha 1:11, met de aantekening. Genesis 12:1: YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Jeremia 5:5: Ik zal gaan tot de grote, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd. Micha 1:11: Ga door, u inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van u nemen.
[^amos-7-12-35]: Kanttekening 35: Waar Thekoa was gelegen, het vaderland van de profeet, zie Amos 1:1. Amos 1:1: De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
[^amos-7-12-36]: Kanttekening 36: 36 eet daar brood: Dat is, geneer, onderhoud u daar. Zie Gen. 3:19. Genesis 3:19: In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^amos-7-13-37]: Kanttekening 37: Hebr. niets toedoen, of voortvaren meer te profeteren.
[^amos-7-13-38]: Kanttekening 38: 38 niet meer profeteren: Verg. Amos 2:12. Amos 2:12: Maar u hebt aan de Nazireen wijn te drinken gegeven, en u hebt de profeten geboden, zeggende: U zult niet profeteren.
[^amos-7-13-39]: Kanttekening 39: Dat is, de plaats, die de koning voor zijn heiligdom houdt, daar hij zijn plechtigen godsdienst bij het gouden kalf verricht, waartegen men hier geen profeteren mag lijden. Sommigen verstaan hierdoor de koning Melech, of Molech, de grote afgod en koning van Israël; zie Amos 5:26. Amos 5:26: Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt.
[^amos-7-13-40]: Kanttekening 40: 40 huis van het koninkrijk: Dit kan men verstaan van een koninklijk hof, dat de koning ongetwijfeld te Bethel mee gehad heeft, als hij daar woonde, om zijn afgoderij te plegen: of van de plaats waar het opperste recht en de koninklijke rijksraad geweest zijn; of men kan het zo verstaan, dat geheel Israël hier in de afgodische tempel \[huis voor tempel\] gewoon was te komen, enz.; zulks dat het, naar zijn zin, voor Amos niet alleen niet veilig, maar ook zulke profetieën daar geheel onlijdelijk waren.
[^amos-7-14-41]: Kanttekening 41: Het Hebr. woord komt, naar sommiger gevoelen, van een ander, dat runderen, ossen, of groot vee betekent. Verg. Amos 1:1. Anders: maar ik zocht en las af wilde vijgen; zo het Hebr. woord eigenlijk zoeken betekent, en in het volgende vers staat dat hij achter het kleinvee of de schapen ging. Amos 1:1: De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
[^amos-7-14-42]: Kanttekening 42: Het Hebr. woord wordt alleen hier gevonden. Versta, òf voor zichzelven tot voedsel, òf voor de beesten tot voedsel.
[^amos-7-14-43]: Kanttekening 43: 43 wilde vijgen: Of, vijgmoerbeziën. Zulke bomen waren er bij menigte in Kanaän. Zie 1 Kon. 10:27; Jes. 9:9. 1 Koningen 10:27: En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. Jesaja 9:9: De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;
[^amos-7-15-44]: Kanttekening 44: Het Hebr. woord wordt eigenlijk van kleinvee gebruikt, maar is hier breder genomen.
[^amos-7-15-45]: Kanttekening 45: Die ik meer moet gehoorzamen dan mensen. Verg. Hand. 4:19. Hieruit leiden sommigen af dat Amos niet is gevlucht. De Joden menen dat de koning Jerobeam de aanklacht van Amazia niet heeft aangenomen, maar de profeet laten begaan. Handelingen 4:19: Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt u, of het recht is voor God, u meer te horen dan God.
[^amos-7-16-46]: Kanttekening 46: 46 druppen tegen het huis van Izak: Zie Deut. 32:2; Ez. 21:2, met de aantekening. Deuteronomium 32:2: Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Ezechiël 21:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
[^amos-7-16-a]: Verwijzing a: Ez. 21:2. Ezechiël 21:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
[^amos-7-17-47]: Kanttekening 47: Dat is, òf zij zal zachtmoedigen tot hoererij begeven, òf als een hoer van de vijand misbruikt worden.
[^amos-7-17-48]: Kanttekening 48: 48 snoer uitgedeeld worden: Te weten, voor anderen. Zie Deut. 3:4, en Ps. 16:5. Deuteronomium 3:4: En wij namen te van die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan. Psalmen 16:5: YHWH is het deel mijner erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot.
[^amos-7-17-49]: Kanttekening 49: 49 onrein land sterven: Het afgodisch Assyrië.
[^amos-7-17-50]: Kanttekening 50: Gelijk in vers 11. Amos 7:11: Want zo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.

### Amos 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/8.json)

*Door het gezicht van een korf met zomervruchten wordt afgebeeld dat Israëls einde nabij was, vers 1, enz. om de onderdrukking van de armen, goddeloze gierigheid, bedrieglijke koophandel, schending en afgodisch zweren, 4, enz. (evenzo 14.) zweert God Israël de uiterste algemene ondergang en rouw, 7. met troosteloosheid, vanwege gebrek aan Zijn woord, 11.*

**1** Adonai YHWH deed mij zo[^amos-8-1-1] zien; en ziet, een[^amos-8-1-2] mand met zomervruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v1)

**2** En Hij zei: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een mand met zomervruchten. Toen zei YHWH tot mij: Het[^amos-8-2-3] einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer[^amos-8-2-4] voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v2)

**3** Maar de gezangen van[^amos-8-3-5] de tempel[^amos-8-3-6] zullen op die dag huilen, spreekt Adonai YHWH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle[^amos-8-3-7] plaatsen zal[^amos-8-3-8] men ze stilzwijgend wegwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v3)

**4** Hoor dit, u, die[^amos-8-4-9] de arme[^amos-8-4-10] opslokt! en dat om te[^amos-8-4-11] vernielen de[^amos-8-4-12] ellendigen van het land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v4)

**5** Zeggende: Wanneer zal[^amos-8-5-13] de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij[^amos-8-5-14] koren mogen openen? verkleinende de[^amos-8-5-15] efa, en de[^amos-8-5-16] sikkel vergrotende, en[^amos-8-5-17] verkeerd handelende[^amos-8-5-a] met bedrieglijke weegschalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v5)

**6** Dat wij de armen voor[^amos-8-6-b] geld mogen[^amos-8-6-18] kopen, en de arme om een paar schoenen;[^amos-8-6-19] dan zullen wij[^amos-8-6-20] het kaf van het koren verkopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v6)

**7** YHWH heeft gezworen bij Jakobs[^amos-8-7-21] heerlijkheid:[^amos-8-7-22] Zo Ik[^amos-8-7-23] al hun werken in eeuwigheid zal vergeten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v7)

**8** [^amos-8-8-24] Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja,[^amos-8-8-25] het zal geheel oprijzen als een[^amos-8-8-26] rivier, en het zal heen en weer[^amos-8-8-27] gedreven en verdronken worden, als door de[^amos-8-8-28] rivier van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v8)

**9** En het zal op die dag gebeuren, spreekt Adonai YHWH, dat Ik de zon op de[^amos-8-9-29] middag zal doen[^amos-8-9-30] ondergaan, en het land bij[^amos-8-9-31] lichten dage verduisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v9)

**10** En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle middel een[^amos-8-10-32] zak, en op alle hoofd[^amos-8-10-33] kaalheid brengen; en Ik zal het[^amos-8-10-34] land stellen in rouw, als er is over een enige zoon, en[^amos-8-10-35] daarvan einde als een bitteren dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v10)

**11** Zie, de dagen komen, spreekt Adonai YHWH, dat Ik een honger[^amos-8-11-36] in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de[^amos-8-11-37] woorden van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v11)

**12** En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het[^amos-8-12-38] oosten; zij zullen omlopen om het woord van YHWH te zoeken, maar zullen het niet vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v12)

**13** Op die dag zullen de schone jonkvrouwen en de jongemannen van dorst[^amos-8-13-39] versmachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v13)

**14** Die daar zweren bij de[^amos-8-14-40] schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God[^amos-8-14-41] van Dan leeft, en de[^amos-8-14-42] weg van[^amos-8-14-c] Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weer[^amos-8-14-43] opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/8.html#v14)

[^amos-8-1-1]: Kanttekening 1: Gelijk in Amos 7:1, 7:4, 7:7. Amos 7:1: De Heer YHWH deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin van het opkomen van het nagras; en ziet, het was het nagras, na de afmaaiingen van de koning. Amos 7:4: Verder deed mij de Heer YHWH aldus zien; en ziet, de Heer YHWH riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands. Amos 7:7: Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heer stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.
[^amos-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 korf met zomervruchten: Sommigen verstaan door het Hebr. woord een haak, waar men de vruchten, die in de toppen van de bomen zitten, mee afneemt. Jer. 5:27 wordt het genomen voor een vogelkorf of kooi. Jeremia 5:27: Gelijk een kouw vol is van gevogelte, zo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.
[^amos-8-2-3]: Kanttekening 3: 3 einde is gekomen over Mijn volk Israël: In het Hebr. komt het woord zomer, of zomervrucht, en het woord eide zeer na overeen, zulks dat de naam van het een aan het andere kon doen gedenken. Verg. Jer. 1:11. Jeremia 1:11: Verder geschiedde het woord van YHWH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede.
[^amos-8-2-4]: Kanttekening 4: Zie Amos 7:8. Amos 7:8: En YHWH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei YHWH: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.
[^amos-8-3-5]: Kanttekening 5: Het gezang, of de muziek, die zij in de afgodische tempel te Bethel en elders plachten te gebruiken \[zie Amos 5:23\], zal in gehuil veranderd worden. Zie vers 10. Amos 5:23: Doe het getier van uw liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luitenspel niet horen. Amos 8:10: En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon, en daarvan einde als een bitteren dag.
[^amos-8-3-6]: Kanttekening 6: 6 op die dag huilen: Ten tijde van de straf.
[^amos-8-3-7]: Kanttekening 7: Hebr. plaats.
[^amos-8-3-8]: Kanttekening 8: 8 men ze stilzwijgend wegwerpen: Of, \[men zal horen\] werd weg, zwijg. Of, in alle plaatsen zal hij \[die ze\] weggeworpen heeft, \[zeggen\] zwijgt. Verg. Amos 6:10. De zin is: dat er zulke menigte van doden zal zijn, dat men daarvan geen werk zal maken, noch zich bemoeien met begrafenis, maar men zal hen stil en zonder beweging wegwerpen, of wegstoppen. Amos 6:10: En de naaste vriend zal een ieder van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om de Naam van YHWH te vermelden.
[^amos-8-4-9]: Kanttekening 9: 9 de nooddruftige: Of, \[naar\] de nooddruftige hijgt.
[^amos-8-4-10]: Kanttekening 10: Hebr. opslorpt.
[^amos-8-4-11]: Kanttekening 11: Hebr. doen ophouden, en verder wegdoen, vernielen, wegschaffen, gelijk het Hebr. woord ook gebruikt wordt.
[^amos-8-4-12]: Kanttekening 12: 12 ellendigen van het land: Of, zachtmoedigen, nederigen.
[^amos-8-5-13]: Kanttekening 13: 13 de nieuwe maan overgaan: Wanneer men moest vieren en de godsdienst waarnemen. Zie Num. 10:10, en Num. 28:11, enz. Dit was deze wolven verdrietelijk, dat zij zolang moesten stilstaan. Anders: deze maand, dat er een ander mag komen, waarin alles duurder is; maar het volgende van de sabbat past beter op de nieuwe maand, of maan. Numeri 10:10: Evenzo ten dage van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en in de beginselen van uw maanden, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben YHWH, uw God! Numeri 28:11: En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
[^amos-8-5-14]: Kanttekening 14: 14 koren mogen openen: Dat is, de korenhuizen openen, om koren te koop te houden.
[^amos-8-5-15]: Kanttekening 15: Zie Lev. 5:11; Ez. 45:10, 45:11, gebruikende kleine en valse maat in het uitleveren en verkopen, en nemende integendeel hogen prijs en zwaar geld, gebruikende een zwaar gewicht in het ontvangen van geld, tegen de wet; Deut. 25:13. Leviticus 5:11: Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. Ezechiël 45:10: Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult u hebben. Ezechiël 45:11: Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer. Deuteronomium 25:13: U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine.
[^amos-8-5-16]: Kanttekening 16: 16 sikkel vergrotende: Zie Gen. 23:15, en Gen. 24:22 met de aantekening. Idem Ez. 45:12. De sikkel wordt hier genomen voor het gewicht van de sikkel. Genesis 23:15: Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds. Ezechiël 45:12: En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn.
[^amos-8-5-17]: Kanttekening 17: 17 verkeerd handelende: Dat is, dat wij, de weegschaal vervalsende, daarmede bedriegen mogen. of aldus: verkerende \[de koop\] met bedriegelijke, of valse weegschalen van het bedrog.
[^amos-8-5-a]: Verwijzing a: Hosea 12:8. Hosea 12:8: In van de koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;
[^amos-8-6-b]: Verwijzing b: Amos 2:6. Amos 2:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de nooddruftige om een paar schoenen.
[^amos-8-6-18]: Kanttekening 18: Niet alleen hen van goed beroven, maar ook hun personen ons tot slaven mogen maken, tegen Gods wet, Lev. 25:39, 25:40. Verg ook Amos 2:6. Leviticus 25:39: Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf; Leviticus 25:40: Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. Amos 2:6: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de nooddruftige om een paar schoenen.
[^amos-8-6-19]: Kanttekening 19: 19 dan zullen wij: Of, ja dat wij mogen, enz.
[^amos-8-6-20]: Kanttekening 20: 20 het kaf van het koren verkopen: Hebr. de afval; dat is, het kaf en andere vuiligheid; die van het koren afvalt. Anders: kaf \[voor\] koren.
[^amos-8-7-21]: Kanttekening 21: Of, voortreffelijkheid, hoogheid, uitnemendheid; dat is, bij zichzelven, die Israëls eer en roem was, en behoorde te zijn. Zie Ps. 106:20, met de aantekening. Verg. Amos 4:2, en Amos 6:8, met de aantekening. Psalmen 106:20: En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. Amos 4:2: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. Amos 6:8: De Heer YHWH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt YHWH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
[^amos-8-7-22]: Kanttekening 22: 22 Zo Ik: Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk. Zie Ez. 34:8, enz. Ezechiël 34:8: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet;
[^amos-8-7-23]: Kanttekening 23: 23 al hun werken: Of, enige van \[deze\] hun werken, enz.
[^amos-8-8-24]: Kanttekening 24: 24 Zou het land: Alsof God zei: En zouden zulke zonden niet genoeg zijn om het gehele land met plagen te vernielen en te doen overzwemmen, gelijk de rivier de Nijl Egypteland jaarlijks overloopt? Immers ja. Verg. Amos 9:5. Versta door het land de inwoners, gelijk volgt. Amos 9:5: Want de Heer YHWH van de legermachten is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.
[^amos-8-8-25]: Kanttekening 25: 25 het zal geheel oprijzen: Land. Anders: en zou het \[niet\] geheel, enz., en zo het volgende vragendewijze.
[^amos-8-8-26]: Kanttekening 26: Die opzwelt en overloopt. Of, als de rivier, namelijk de Nijl, gelijk in het volgende.
[^amos-8-8-27]: Kanttekening 27: 27 gedreven en verdronken worden: Gelijk de baren van een holle zee. Anders: weggeraapt worden.
[^amos-8-8-28]: Kanttekening 28: 28 rivier van Egypte: Zie Ez. 29:3. Ezechiël 29:3: Spreek en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
[^amos-8-9-29]: Kanttekening 29: 29 middag zal doen: Als zij zullen menen in hun bloei te zijn, zal Ik hen, met de uiterste ellenden overvallen, betekent door de duisternis, enz. Zie Gen. 15:12, en verg. Jes. 59:9, 59:10; Jer. 15:9; Joel 2:2, 2:30, 2:31, met de aantekening. Genesis 15:12: En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Jesaja 59:9: Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden. Jesaja 59:10: Wij tasten naar de wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden. Jeremia 15:9: Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht van hun vijanden, spreekt YHWH. Joël 2:2: Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Joël 2:30: En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. Joël 2:31: De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van YHWH komt.
[^amos-8-9-30]: Kanttekening 30: Hebr. ingaan; te weten, in haar slaapkamer, dat is, ondergaan. Zie Ps. 19:6. Psalmen 19:6: En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
[^amos-8-9-31]: Kanttekening 31: 31 lichten dage verduisteren: Hebr. dag van het licht.
[^amos-8-10-32]: Kanttekening 32: Zie Gen. 37:34, en verg. Jes. 15:3; Jer. 48:37; Ez. 7:18, enz. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Jesaja 15:3: Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween. Jeremia 48:37: Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de lenden is een zak. Ezechiël 7:18: Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.
[^amos-8-10-33]: Kanttekening 33: Zie Jer. 16:6. Jeremia 16:6: Zodat grote en kleine in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^amos-8-10-34]: Kanttekening 34: 34 het land stellen in rouw: Dat is, Ik zal maken, dat de inwoners van het land over mijn plagen zo bitterlijk zullen treuren, gelijk ouders over de dood van een lieve enige zoon plegen te doen. Zie Jer. 6:26; Zach. 12:10. Jeremia 6:26: O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen. Zacharia 12:10: Maar over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest van de genade en van de gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
[^amos-8-10-35]: Kanttekening 35: 35 daarvan einde: Te weten, van het land, zal Ik stellen, maken, enz. Of aldus: Daarvan einde (Hebr. achterste, uiterste, laatste). Zie Ps. 37:37 , \[zal zijn\] als een bittere dag. Psalmen 37:37: Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.
[^amos-8-11-36]: Kanttekening 36: 36 in het land zal zenden: Of, op de aarde.
[^amos-8-11-37]: Kanttekening 37: 37 woorden van YHWH: Om door dezelfde enige troost en verlichting te verkrijgen, en uit de mond van een profeet te vernemen wanneer er eens een einde zal zijn van al deze ellenden. Verg. Ps. 74:9, met de aantekening. Psalmen 74:9: Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
[^amos-8-12-38]: Kanttekening 38: Hebr. opgang, te weten, van de zon; dit is, oosten.
[^amos-8-13-39]: Kanttekening 39: Of, bezwijken, bezwijmen. Verg. Hos. 2:2. Hosea 2:2: Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
[^amos-8-14-40]: Kanttekening 40: 40 schuld van Samaria: Dat is, bij de afgoden, door welke de Israëlieten zich schuldig maken voor God, te Samaria, Dan, enz., waar deze afgoden waren opgericht. Verg. Deut. 9:21; Jes. 27:9; Hos. 10:8, met de aantekening. Deuteronomium 9:21: Maar uw zonde, het kalf, dat u had gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet. Jesaja 27:9: Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij de zonde daarvan zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. Hosea 10:8: En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
[^amos-8-14-41]: Kanttekening 41: 41 van Dan: Of, o Dan.
[^amos-8-14-42]: Kanttekening 42: 42 weg van Ber-Seba: Dat is, de god, die te Beër-Seba, als god, geërd en gediend wordt, naar de godsdienst, die daar gebruikelijk is; zie Amos 5:5, met de aantekening; weg voor godsdienst, religie, wijze van God te dienen, hier in het kwade, elders in het goede. Zie Jer. 32:29. Amos 5:5: Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet. Jeremia 32:29: En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op de daken waarvan zij aan Baäl gerookt, en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om Mij te vertoornen.
[^amos-8-14-c]: Verwijzing c: Amos 5:5. Amos 5:5: Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.
[^amos-8-14-43]: Kanttekening 43: Gelijk in Amos 5:2. Amos 5:2: De jonkvrouw Israëls is gevallen, zij zal niet weer opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.

### Amos 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/amos/9.json)

*Door een ander gezicht, en de verklaring daarvan, alsmede van Zijn macht en Majesteit, verzekert God Israëls onvermijdelijke uitroeiing en wegvoering, vers 1, enz. vanwege hun afvalligheid, ondankbaarheid en zorgeloosheid, 7, 10. belooft nochtans een uitverkoren overblijfsel te behouden, 8, 9. en het Koninkrijk van Christus op te richten, tot verlossing en een eeuwige vaste gelukzaligheid van alle uitverkoren Joden en heidenen, 11.*

**1** Ik[^amos-9-1-1] zag de Heere[^amos-9-1-2] staan op het[^amos-9-1-3] altaar, en[^amos-9-1-4] Hij zei: Sla die[^amos-9-1-5] knoop, dat de[^amos-9-1-6] posten beven, en[^amos-9-1-7] doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun[^amos-9-1-8] achterste met het[^amos-9-1-9] zwaard doden;[^amos-9-1-10] de vluchtende zal[^amos-9-1-11] onder hen niet ontvluchten, noch de ontkomende onder hen behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v1)

**2** [^amos-9-2-a] Al groeven zij tot in het[^amos-9-2-12] dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen neerdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v2)

**3** En al verstaken zij zich op de hoogte van[^amos-9-3-13] Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar[^amos-9-3-14] halen; en al verborgen zij zich[^amos-9-3-15] van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang[^amos-9-3-16] gebieden, die zal ze bijten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v3)

**4** En al gingen zij in[^amos-9-4-17] gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn[^amos-9-4-18] oog tegen hen[^amos-9-4-b] zetten ten kwade, en niet ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v4)

**5** [^amos-9-5-19] Want Adonai YHWH van de[^amos-9-5-20] legermachten is het, Die[^amos-9-5-21] het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en[^amos-9-5-22] dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v5)

**6** Die Zijn[^amos-9-6-23][^amos-9-6-c] opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn[^amos-9-6-24] benden heeft Hij[^amos-9-6-25] op aarde gefundeerd; Die de[^amos-9-6-d] wateren van de zee[^amos-9-6-26] roept, en giet ze uit op de[^amos-9-6-27] aardbodem; YHWH is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v6)

**7** Bent u Mij niet als de kinderen van[^amos-9-7-28] de Moren, o Israëlieten? spreekt YHWH.[^amos-9-7-29] Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit[^amos-9-7-30] Kafthor, en de[^amos-9-7-31] Syriërs uit[^amos-9-7-32] Kir? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v7)

**8** Zie, de ogen van[^amos-9-8-33] de Heere YHWH zijn tegen dit[^amos-9-8-34] zondig koninkrijk, dat Ik het van de[^amos-9-8-35] aardbodem vernietige; behalve dat Ik het huis van Jakob niet[^amos-9-8-36] geheel zal vernietigen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v8)

**9** Want ziet, Ik[^amos-9-9-37] geef bevel, en Ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, zoals zaad geschud wordt in een[^amos-9-9-38] zeef;[^amos-9-9-39] en niet één[^amos-9-9-40] steentje zal er ter aarde vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v9)

**10** Alle[^amos-9-10-41] zondaars van Mijn volk zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het[^amos-9-10-42] kwaad zal[^amos-9-10-43] tot ons niet naderen, noch[^amos-9-10-44] ons voorkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v10)

**11** [^amos-9-11-e] Op[^amos-9-11-45] die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal[^amos-9-11-46] haar scheuren vertuinen, en[^amos-9-11-47] wat aan haar is afgebroken, weer oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v11)

**12** Opdat[^amos-9-12-48] zij erfelijk bezitten het[^amos-9-12-49] overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die[^amos-9-12-50] naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v12)

**13** Zie, de dagen komen, spreekt YHWH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier[^amos-9-13-51] naderen zal; en de[^amos-9-13-52] bergen zullen van[^amos-9-13-f] zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen[^amos-9-13-53] smelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v13)

**14** En Ik zal de[^amos-9-14-54] gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden[^amos-9-14-55] herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en van die wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en van die vrucht eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v14)

**15** En Ik zal[^amos-9-15-g] ze in hun[^amos-9-15-56] land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hun gegeven heb, zegt YHWH, uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/amos/9.html#v15)

[^amos-9-1-1]: Kanttekening 1: 1 zag de Heer: Te weten, in een gezicht, waarin God de profeet vertoonde dat Hij zijn tempel, tempeldienst, priesters en hoofden van het volk niet wilde sparen, maar met zijn straffen van boven tot beneden, van de hoge en voorste tot de lage en achterste toe doorgaan.
[^amos-9-1-2]: Kanttekening 2: Hebr. gesteld, staande.
[^amos-9-1-3]: Kanttekening 3: Te weten, het brandofferaltaar \[naar het algemeen gevoelen\], dat voor het heilige stond, waardoor God te kennen gaf dat Hij verhuizen wilde. Verg. Ez. 10:4. Hoewel sommigen menen dat dit gezicht te verstaan is van de afgodische tempels en altaren van Israël, als te Bethel, enz. Als de profeet heeft moeten vluchten in het land van Juda \[gelijk in Amos 7:12,\] kan het wel zijn dat hem dit gezicht daar is geopenbaard, tegen Salamo's tempel; maar anderen menen dat de profeet niet is gevlucht, zie Amos 7:15. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van YHWH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van YHWH. Amos 7:12: Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar. Amos 7:15: Maar YHWH nam mij van achter de kudde; en YHWH zei tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël.
[^amos-9-1-4]: Kanttekening 4: 4 Hij zei: De Heer, tot een engel, die zijn oordeel zou uitvoeren, of tot de profeet zelf. Verg. Ez. 9:1, enz., en Ez. 43:3. Ezechiël 9:1: Daarna riep Hij voor mijn oren met luide stem, zeggende: Doet de opzieners van de stad naderen, en elk met zijn verdervend wapen in zijn hand. Ezechiël 43:3: En zo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.
[^amos-9-1-5]: Kanttekening 5: Of, appel, granaatappel, die boven op de spits van de tempel, of de bovendorpel van de poort mag hebben gestaan, gelijk in zulke prachtige gebouwen wel gebruikelijk is.
[^amos-9-1-6]: Kanttekening 6: 6 posten beven: Of, dorpels, om te tonen dat God alles van boven tot onder toe wilde vernielen.
[^amos-9-1-7]: Kanttekening 7: 7 doorkloof ze allen: Anders: verwond die, die hun allen ten hoofd zijn; dat is, de oversten en voornaamsten.
[^amos-9-1-8]: Kanttekening 8: Sommigen verstaan hier de rest van het gemene volk; anderen het overblijfsel, de nakomelingen. Zie Ps. 37:37. Psalmen 37:37: Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.
[^amos-9-1-9]: Kanttekening 9: 9 zwaard doden: Van de Babyloniërs en Assyriërs.
[^amos-9-1-10]: Kanttekening 10: 10 de vliedende: Dat is, die zich meent met de vlucht te behouden, of die anders wel placht te ontvluchten, zal het nu niet kunnen doen, en zo, in het volgende. Zie Amos 2:14, 2:15, 2:16, en Amos 5:19. Amos 2:14: Zodat de snelle niet zal ontvluchten, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:15: En die de boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:16: En de kloekhartigste onder de helden zal op die dag naakt heenvluchten, spreekt YHWH. Amos 5:19: Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang.
[^amos-9-1-11]: Kanttekening 11: 11 onder hen: Of, bij, van hen.
[^amos-9-2-a]: Verwijzing a: Ps. 139:8. Psalmen 139:8: Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar.
[^amos-9-2-12]: Kanttekening 12: Zie Job 26:6; Ps. 139:8, met de aantekening. Met deze drie volgende verzen wil de Heer zeggen dat zij in gene plaatsen zijn straffende hand zullen kunnen ontgaan, zo Hij overal met zijn wezen, almacht en regering tegenwoordig is. Job 26:6: Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. Psalmen 139:8: Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar.
[^amos-9-3-13]: Kanttekening 13: Zie 2 Kon. 19:23. Hebr. hoofd van Karmel. 2 Koningen 19:23: Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.
[^amos-9-3-14]: Kanttekening 14: Hebr. nemen. Zie Jer. 37:17. Jeremia 37:17: Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van YHWH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden.
[^amos-9-3-15]: Kanttekening 15: 15 van voor Mijn ogen: Menende dat Ik hen daar niet zou kunnen zien en vinden.
[^amos-9-3-16]: Kanttekening 16: Dat is, door mijn regering beschikken, dat zij \[als op een bijzonder bevel\] zulks doe; zie Lev. 25:21, en verg. 2 Kon. 18:25, met de aantekening, zo in het volgende van het zwaard, vers 4, en het roepen van de wateren, vers 6. Leviticus 25:21: Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen. 2 Koningen 18:25: Nu, ben ik zonder YHWH opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? YHWH heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. Amos 9:4: En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede. Amos 9:6: Die Zijn opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefundeerd; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem; YHWH is Zijn Naam.
[^amos-9-4-17]: Kanttekening 17: Menende alsdan vrij en het zwaard ontkomen te zijn.
[^amos-9-4-18]: Kanttekening 18: Zie Jer. 24:6, en verg. Lev. 17:10, en Jer. 44:11, met de aantekening. Jeremia 24:6: En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. Leviticus 17:10: En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien. Jeremia 44:11: Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen u stellen ten kwade, en om geheel Juda uit te roeien.
[^amos-9-4-b]: Verwijzing b: Jer. 44:11. Jeremia 44:11: Daarom, zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen u stellen ten kwade, en om geheel Juda uit te roeien.
[^amos-9-5-19]: Kanttekening 19: 19 Want de Heer YHWH van de legermachten: De profeet bevestigt deze profetie met beschrijving van de macht en majesteit van de auteur, opdat zij zich niet mochten inbeelden dat de voorgemelde uitvoering hem onmogelijk was. Verg. Amos 4:13, en Amos 5:8, 5:9. Amos 4:13: Want zie, Die de bergen formeert, en de wind schept, en de mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die de dageraad duisternis maakt, en op de hoogten van de aarde treedt, YHWH, God van de legermachten, is Zijn Naam. Amos 5:8: Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam. Amos 5:9: Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
[^amos-9-5-20]: Kanttekening 20: 20 is het: Of, die zal het land aanroeren, enz. te weten Kanaän, of Juda en Israël.
[^amos-9-5-21]: Kanttekening 21: 21 het land aanroert: Anders: een land; dat is, als Hij enig land met zijn straffende hand of vinger maar aanroert, enz. Verg. Ps. 39:12, met de aantekening. Psalmen 39:12: Kastijdt U iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet U zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
[^amos-9-5-22]: Kanttekening 22: 22 het geheel oprijze: Te weten, land. Zie Amos 8:8. Amos 8:8: Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als een rivier, en het zal heen en weer gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte.
[^amos-9-6-23]: Kanttekening 23: 23 opperzalen in de hemel bouwt: Verg. Ps. 104:3, 104:13, met de aantekening. Hebr. trappen, of opklimmingen, opgangen, daar en bij welke men opklimt tot opperzalen of opperkamers. Psalmen 104:3: Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt. Psalmen 104:13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken.
[^amos-9-6-c]: Verwijzing c: Ps. 104:3; idem v. 13. Psalmen 104:3: Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt. Psalmen 104:13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken.
[^amos-9-6-24]: Kanttekening 24: Of, legermacht, heirtocht, troep, dicht samengevoegde hoop, gelijk 2 Sam. 2:25, of bundel, waardoor men bekwamelijk kan verstaan alle schepselen van God, die Hij als in een bundel of op een troep samengebonden gereed houdt, om overal en voornamelijk op aarde zijn wil te verrichten. Verg. Gen. 2:1; 1 Kon. 18:15, met de aantekening. 2 Samuël 2:25: En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot één hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel. Genesis 2:1: Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun legermacht. 1 Koningen 18:15: En Elia zei: Zo waarachtig als YHWH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!
[^amos-9-6-25]: Kanttekening 25: 25 op aarde gefundeerd: Anders: boven, verstaande door het bundeltje de elementen, waarvan de aarde als een grondvest is.
[^amos-9-6-d]: Verwijzing d: Amos 5:8. Amos 5:8: Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam.
[^amos-9-6-26]: Kanttekening 26: Zie Amos 5:8. Amos 5:8: Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, YHWH is Zijn Naam.
[^amos-9-6-27]: Kanttekening 27: Hebr. aangezicht van de aarde.
[^amos-9-7-28]: Kanttekening 28: Hebr. Cuschiim. God wil zeggen dat Hij Israël wel boven andere volken uit genade verheven had, \[Amos 3:2\], maar dat zij van zichzelven en ten aanzien van hun goddeloosheid en ondankbaarheid nu niet beter en waardiger voor hem waren dan de verachte en vervloekte nakomelingen van Cusch, de zoon van Cham; Gen. 10:6. Amos 3:2: Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän.
[^amos-9-7-29]: Kanttekening 29: 29 Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland: Alsof de Heer zei: Ik heb u \[het is waar\] uit de slavernij van Egypte verlost en Kanaän ingegeven, maar u weet mij daarvoor zo weinig dank, als de Filistijnen en Syriërs, die Ik uit Kaftor en Kir heb uitgevoerd. Of, de Heer wil zeggen dat Hij de verlossing van Israël, vermits hun ondankbaarheid nu niet meer acht, dan of Hij een hoop heidenen, gelijk Moren en Syriërs, verlost had.
[^amos-9-7-30]: Kanttekening 30: Zie Gen. 10:14, alwaar de Filistijnen en Kaftorim gesteld worden onder de nakomelingen van Mizraim, de zoon van Cham, Gen. 10:6, en verg. verder Deut. 2:23, en Jer. 47:4, met de aantekening. Genesis 10:14: En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. Genesis 10:6: En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. Deuteronomium 2:23: Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond. Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren.
[^amos-9-7-31]: Kanttekening 31: Hebr. Aram; dat is, Syrië, en verder de Syriërs. Zie Gen. 10:22. Genesis 10:22: Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
[^amos-9-7-32]: Kanttekening 32: Zie 2 Kon. 16:9, en Amos 1:5, alwaar gezegd wordt dat de Syriërs naar Kir gevankelijk zouden worden weggevoerd. Hier schijnt gesproken te worden van hun verlossing uit Kir, waarvan elders niet vermeld wordt, gelijk bij de profeten verscheidene geschiedenissen worden gevonden, die elders nergens zijn verhaald en in die tijd bekend waren. 2 Koningen 16:9: Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië toog op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin. Amos 1:5: En Ik zal de grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeat-aven, en die, die de scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt YHWH.
[^amos-9-8-33]: Kanttekening 33: 33 Heern YHWH: Dat is, mijn ogen; zie vers 4. Amos 9:4: En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
[^amos-9-8-34]: Kanttekening 34: 34 zondig koninkrijk: Dat ten enenmale tot zonde is overgegeven. Zie Ps. 1:1. Dit schijnt te zien op Israël, of de tien stammen en Juda tezamen, van wie beider koninkrijk verstoord is. Sommigen nemen het aldus: Tgene een zondig koninkrijk, enz., maar met Jakob zal Ik nog genadelijker handelen, dan Ik wel met anderen zal doen. Zie Jer. 30:11. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Jeremia 30:11: Want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet geheel onschuldig houden.
[^amos-9-8-35]: Kanttekening 35: 35 aardbodem verdelge: Hebr. aangezicht van de aarde.
[^amos-9-8-36]: Kanttekening 36: 36 ganselijk zal verdelgen: Hebr. verdelgende zal verdelgen; maar een overblijfsel van de genade behouden, en dat zonderling zegenen, gelijk in vers 11, enz. Amos 9:11: Op die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weer oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;
[^amos-9-9-37]: Kanttekening 37: 37 geef bevel: Zie Amos 6:11. Amos 6:11: Want ziet, YHWH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten.
[^amos-9-9-38]: Kanttekening 38: Of, wan.
[^amos-9-9-39]: Kanttekening 39: 39 en niet een: Of, maar.
[^amos-9-9-40]: Kanttekening 40: 40 steentje zal er ter aarde vallen: Dat is, niets dat enige zwaarte heeft, maar alleen het lichte kaf. De gelijkenis wordt genomen van de steentjes, die altemet onder het koren gevonden worden. Anders: graantje; alsof de Heer zei: Ik zal hen allemaal schudden, daar zal niemand ontgaan, maar Ik zal het door mijn voorzienigheid zo regeren, dat er niet één van mijn uitverkorenen \[vergeleken bij tarwe\] zal verloren gaan.
[^amos-9-10-41]: Kanttekening 41: 41 zondaars Mijns volks: Zie vers 8, en Ps. 1:1. Amos 9:8: Ziet, de ogen van de Heer YHWH zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van de aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis van Jakob niet ganselijk zal verdelgen, spreekt YHWH. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters;
[^amos-9-10-42]: Kanttekening 42: Van de straf.
[^amos-9-10-43]: Kanttekening 43: 43 tot ons niet genaken: Of, omtrent ons.
[^amos-9-10-44]: Kanttekening 44: Of, verrassen, bejegenen. Verg. Amos 5:18, en Amos 6:3, met de aantekening. Amos 5:18: Wee die, die de dag van YHWH begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. Amos 6:3: U, die de boze dag verre stelt, en de stoel van het geweld nabij brengt.
[^amos-9-11-e]: Verwijzing e: Hand. 15:16. Handelingen 15:16: Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal dezelfde weer oprichten.
[^amos-9-11-45]: Kanttekening 45: 45 die dage: Na de voorzeide verstrooiing, enz. zal Ik Davids koninkrijk weer oprichten, veranderende dat in een geestelijk koninkrijk onder de Messias. Zie Hand. 15:16, 15:17; waaruit duidelijk blijkt dat deze en dergelijke profetieën geestelijk te verstaan zijn. Handelingen 15:16: Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal dezelfde weer oprichten. Handelingen 15:17: Opdat de overblijvende mensen de Heer zoeken, en al de heidenen, over welke Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heer, Die dit alles doet.
[^amos-9-11-46]: Kanttekening 46: De hut van David.
[^amos-9-11-47]: Kanttekening 47: 47 wat aan haar is afgebroken: Hebr. haar afbrekingen, verstroringen; dat is, puin, gebroken steen, kalkscherven, gruis, enz.
[^amos-9-12-48]: Kanttekening 48: 48 zij erfelijk bezitten: Het geestelijk Israël, mijn kerk, waarvan Christus het hoofd is.
[^amos-9-12-49]: Kanttekening 49: 49 overblijfsel van Edom: Dat is, alle uitverkorenen uit de heidenen, zelfs uit de allervijandelijkste, afgebeeld door Edom, die door de predikatie van het Evangelie en werking van de Heilige Geest zullen gebracht worden onder de gehoorzaamheid van Christus en tot de gemeenschap van zijn kerk. Zie Jes. 19:25. Jesaja 19:25: Want YHWH van de legermachten zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen, en Israël, Mijn erfdeel!
[^amos-9-12-50]: Kanttekening 50: 50 naar Mijn Naam genoemd worden: Hebr. over welke mijn naam is, of wordt uitgeroepen, of genoemd. Zie deze manier van spreken, Jes. 4:1, en Jer. 7:10, met de aantekening. De zin is: Welke heidenen Ik tot mijn volk en kinderen zal aannemen, en tot mijn gemeenschap beroepen, waarvan zij blij belijdenis zullen doen; verg. Jes. 44:5; Hos. 1:10, en Hos. 2:22; Hand. 2:39; Rom. 9:25, enz. Jesaja 4:1: En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg. Jeremia 7:10: En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? Jesaja 44:5: Deze zal zeggen: Ik ben van YHWH; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben van YHWH, en zich toenoemen met de naam van Israël. Hosea 1:10: Nochtans zal het getal van de kinderen van Israël zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levende God. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
[^amos-9-13-51]: Kanttekening 51: 51 zaadzaaier genaken zal: Hebr. trekt, of die die het zaad trekt, of voortstrekt; dat is, al trekkende in de aarde werpt, of uit de zak trekt, haalt om te zaaien; zie Ps. 126:6. De zin is: Daar zal overvloed van alles zijn. Zie Lev. 26:5, waardoor de rijkdom en overvloed van de geestelijke genade en zegeningen onder het rijk van Christus wordt afgebeeld. Verg. Hos. 2:14, 2:20, 2:21, met de aantekening. Psalmen 126:6: Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven. Leviticus 26:5: En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. Hosea 2:14: En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen van haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland. Hosea 2:20: (En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt YHWH; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. Hosea 2:21: En de aarde zal het koren verhoren, en ook de most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
[^amos-9-13-52]: Kanttekening 52: 52 bergen zullen van zoeten wijn druipen: Zie Joel 3:18. Joël 3:18: En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
[^amos-9-13-f]: Verwijzing f: Joël 3:18. Joël 3:18: En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van YHWH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
[^amos-9-13-53]: Kanttekening 53: Dat is, zullen schijnen te smelten, door het overvloedig uitgeven van wijn, melk, olie, enz., alsof zij daarvan vloeiden.
[^amos-9-14-54]: Kanttekening 54: 54 gevangenis van Mijn volk Israël wenden: Uit de geestelijke gevangenschap en macht van de satan, verlossen door de Heiland Christus.
[^amos-9-14-55]: Kanttekening 55: 55 herbouwen en bewonen: Verg. Jes. 65:21, 65:22, enz. Jesaja 65:21: En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten. Jesaja 65:22: Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten.
[^amos-9-15-g]: Verwijzing g: Jer. 32:41. Jeremia 32:41: En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn gehele hart en met Mijn gehele ziel.
[^amos-9-15-56]: Kanttekening 56: 56 in hun land planten: In mijn kerk, strijdende en triomferende, het hemels Kanaän.

## Obadja

### Obadja 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/obadja/1.json)

**1** Het[^obadja-1-1-1] visioen van[^obadja-1-1-2] Obadja. Zo zegt Adonai YHWH van Edom[^obadja-1-1-a]:[^obadja-1-1-4] Wij hebben een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Sta op, en laat ons opstaan tegen[^obadja-1-1-5] hen ten strijde.[^obadja-1-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v1)

**2** Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, u bent zeer veracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v2)

**3** [^obadja-1-3-6]De trotsheid van uw hart heeft u bedrogen;[^obadja-1-3-7] hij, die daar woont in de kloven van de steenrotsen,[^obadja-1-3-8] in zijn hoge woning; die in zijn hart[^obadja-1-3-9] zegt: Wie zou mij ter aarde neerstoten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v3)

**4** [^obadja-1-4-10][^obadja-1-4-b] Al verhieft u zich gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar neerstoten, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v4)

**5** [^obadja-1-5-11][^obadja-1-5-c] Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe bent u uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel[^obadja-1-5-12] hun genoeg was? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v5)

**6** Hoe zijn[^obadja-1-6-13] Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen[^obadja-1-6-14] schatten opgezocht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v6)

**7** Al uw[^obadja-1-7-15] bondgenoten hebben u tot aan de[^obadja-1-7-16] grens uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u[^obadja-1-7-17] overweldigd;[^obadja-1-7-18] die uw brood[^obadja-1-7-19] eten,[^obadja-1-7-20] zullen een gezwel onder u zetten,[^obadja-1-7-21] er is geen verstand in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v7)

**8** [^obadja-1-8-d] Zal het niet op die dag zijn, spreekt YHWH, dat Ik de wijzen uit[^obadja-1-8-22] Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v8)

**9** Ook zullen uw[^obadja-1-9-23][^obadja-1-9-e] helden, o[^obadja-1-9-24] Theman! versaagd zijn;[^obadja-1-9-25] opdat een ieder uit Ezau's gebergte door de moord wordt uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v9)

**10** Om het geweld,[^obadja-1-10-26] begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u[^obadja-1-10-27] bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.[^obadja-1-10-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v10)

**11** Op de dag als u tegenover[^obadja-1-11-28] stondt, op de dag als[^obadja-1-11-29] de buitenlanders[^obadja-1-11-30] zijn leger gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over[^obadja-1-11-31] Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één[^obadja-1-11-32] van hen.[^obadja-1-11-g] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v11)

**12** Toen zou u niet[^obadja-1-12-33] gezien hebben op de[^obadja-1-12-34] dag van uw broer, de dag van zijn[^obadja-1-12-35] vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, op de dag van hun ondergang; noch[^obadja-1-12-36] uw mond groot gemaakt hebben, op de dag van de benauwdheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v12)

**13** Noch ter poorte van Mijn volk ingegaan zijn, op de dag van hun verderf; noch gezien hebben, ook[^obadja-1-13-37] u, op zijn[^obadja-1-13-38] kwaad, op de dag van zijn verderf; noch uw handen uitgestrekt hebben[^obadja-1-13-39] aan zijn leger, op de dag van zijn verderf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v13)

**14** Noch gestaan hebben op de[^obadja-1-14-40] wegscheiding, om zijn[^obadja-1-14-41] ontkomenen uit te roeien; noch zijn[^obadja-1-14-42] overgeblevenen[^obadja-1-14-43] overgeleverd hebben, op de dag van de benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v14)

**15** Want de[^obadja-1-15-44] dag van YHWH is nabij, over al de heidenen; zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw[^obadja-1-15-45] vergelding zal op uw hoofd terugkeren.[^obadja-1-15-h] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v15)

**16** Want zoals[^obadja-1-16-46] u[^obadja-1-16-47] gedronken hebt op de[^obadja-1-16-48] berg Van mijn heiligheid, zo zullen al de heidenen[^obadja-1-16-49] steeds drinken; ja, zij zullen drinken en[^obadja-1-16-50] opslokken, en zullen zijn[^obadja-1-16-51] als of zij er niet geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v16)

**17** Maar op de berg van Sion zal[^obadja-1-17-52] ontkoming zijn, en[^obadja-1-17-53] hij zal een heiligheid zijn; en[^obadja-1-17-54] die van het huis van Jakob zullen[^obadja-1-17-55] hun erfgoederen erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v17)

**18** En[^obadja-1-18-56] Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en[^obadja-1-18-57] zij zullen tegen[^obadja-1-18-58] hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want YHWH heeft het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v18)

**19** En[^obadja-1-19-59] die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het[^obadja-1-19-60] veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin[^obadja-1-19-61] Gilead. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v19)

**20** En de[^obadja-1-20-62] als gevangene weggevoerden[^obadja-1-20-63] van dit leger van de Israëlieten, wat[^obadja-1-20-64] van de[^obadja-1-20-65] Kanaänieten was, tot[^obadja-1-20-66] Zarfath toe; en de als gevangene weggevoerden van Jeruzalem,[^obadja-1-20-67] wat in[^obadja-1-20-68] Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v20)

**21** En er zullen[^obadja-1-21-69] verlossers op de berg van Sion opkomen, om Ezau's gebergte te[^obadja-1-21-70] richten; en het koninkrijk zal[^obadja-1-21-71] van YHWH zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/obadja/1.html#v21)

[^obadja-1-1-1]: Kanttekening 1: Zie Jes. 1:1. Jesaja 1:1: Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
[^obadja-1-1-2]: Kanttekening 2: Te onderscheiden van die Obadja, die bij Achabs tijd geleefd heeft. Zie 1 Kon. 18:3, en onder vers 11. 1 Koningen 18:3: En Achab had Obadja, de hofmeester, geroepen; en Obadja was YHWH zeer vrezende. Obadja 1:11: Op de dag als u tegenover stondt, op de dag als de uitlanders zijn legermacht gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één van hen.
[^obadja-1-1-a]: Verwijzing a: Jer. 49:14. Jeremia 49:14: Ik heb een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.
[^obadja-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 Wij hebben een gerucht gehoord: Ik en andere profeten, mijn mededienaars. Hiervoor staat Jer. 49:14: Ik heb, enz., alwaar een gelijke profetie over Edom verhaald wordt, bijkans met dezelfde woorden. Zie de aantekening daar en verder Ez. 25:12, enz. en Ez. 35:2, enz., en Amos 1:11, 1:12. Jeremia 49:14: Ik heb een gerucht gehoord van YHWH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde. Ezechiël 25:12: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: Ezechiël 35:2: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer tegen hetzelfde, Amos 1:11: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt. Amos 1:12: Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren.
[^obadja-1-1-5]: Kanttekening 5: Idumea.
[^obadja-1-1-3]: Kanttekening 3: Of, tegen, tot.
[^obadja-1-3-6]: Kanttekening 6: 6 De trotsheid uws harten: Verg. Jer. 49:16. Jeremia 49:16: Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^obadja-1-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, u die, enz. gelijk Jer. 49:16, of, hen die daar, enz. Jeremia 49:16: Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^obadja-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 in zijn hoge woning: Of, zijnde \[te weten de voorzeide steenrotsen\] zijn hoge woning, of, zitplaats. Hebr. de hoogte van zijn woning.
[^obadja-1-3-9]: Kanttekening 9: Dat is, denkt, zich inbeeldt, gelijk Ps. 10:6, enz. Psalmen 10:6: Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
[^obadja-1-4-10]: Kanttekening 10: 10 Al verhieft u u gelijk de adelaar: Verg. Jer. 49:16; Amos 9:2, 9:3, 9:4. Jeremia 49:16: Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH. Amos 9:2: Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. Amos 9:3: En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. Amos 9:4: En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.
[^obadja-1-4-b]: Verwijzing b: Jer. 49:16. Jeremia 49:16: Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zoudt u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^obadja-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 Zo er dieven: Verg. Jer. 49:9. Jeremia 49:9: Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg was?
[^obadja-1-5-c]: Verwijzing c: Jer. 49:9. Jeremia 49:9: Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg was?
[^obadja-1-5-12]: Kanttekening 12: 12 zoveel hun genoeg was: Hebr. hun genoegzaamheid.
[^obadja-1-6-13]: Kanttekening 13: 13 Ezau's goederen nagespeurd: Of, die van Ezau's, dat is, Ezau's nakomelingen, of Ezau's \[plaatsen\] doorgespeurd. Verg. Jer. 49:10. Jeremia 49:10: Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broers, en zijn naburen, en hij is er niet meer.
[^obadja-1-6-14]: Kanttekening 14: 14 schatten opgezocht: Of, verborgen \[plaatsen\]. Het Hebr. woord wordt alleen hier zo gevonden en kan worden vergeleken met een ander, dat van dezelfde oorsprong komt; Ps. 17:14. Psalmen 17:14: Met Uw hand van de mensen, o YHWH! van de mensen, die van de wereld zijn, waarvan het deel in dit leven is, waarvan de buik U vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderen achter.
[^obadja-1-7-15]: Kanttekening 15: Hebr. mensen, of mannen van uw verbond; zo in het volgende: mensen van uw vrede; dat is, met wie u vrede hadt. Zie Ps. 41:10; Jes. 41:11, 41:12; Jer. 20:10, en Jer. 38:22 met de aantekening. Psalmen 41:10: Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Jesaja 41:11: Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan. Jesaja 41:12: U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding. Jeremia 20:10: Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. Jeremia 38:22: Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en dezelfde zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overweldigd; uw voeten zijn in de modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd!
[^obadja-1-7-16]: Kanttekening 16: Bewijzende uw gezanten grote eer, alsof zij het getrouwelijk met u meenden en uw zaken wilden behartigen, maar zij hebben u \[gelijk volgt\] bedrogen; of, zij zijn met u opgetogen ten strijde, maar hebben u aan de landpale verlaten. Anders: hebben u uitgedreven, dat is, helpen uitstoten, zijnde van vrienden vijanden geworden.
[^obadja-1-7-17]: Kanttekening 17: Met hun bedriegelijke aanrading; verg. Jer. 38:22. Jeremia 38:22: Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en dezelfde zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overweldigd; uw voeten zijn in de modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd!
[^obadja-1-7-18]: Kanttekening 18: 18 die uw brood eten: Verg. Ps. 41:10. Hebr. \[uit het voorgaande\] \[mensen, of mannen\] van uw brood; dat is, uw gasten, uw gemeenzaamste vrienden. Psalmen 41:10: Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
[^obadja-1-7-19]: Kanttekening 19: Hier en in het volgende blijkt dat dit een profetie is van het toekomende, hoewel in het voorgaande gesproken is in de verleden tijd, naar de wijze van de profeten, vermits de zekerheid van de zaak.
[^obadja-1-7-20]: Kanttekening 20: 20 een gezwel onder u zetten: Gelijk schalken of vijanden in het geheim iets verbergen ter plaatse, waar iemand gewoon is te zitten, liggen, staan, gaan, of verkeren, om hem buiten zijn weten te kwetsen, verwonden en in het verdriet te brengen. Hierdoor kan men verstaan enig verraad, of bedriegelijke handelingen tot verwarring van hun staat. Anders aldus: Zij hebben uw brood \[tot\] een gezwel onder u gezet; dat is, uw maaltijden, met welke u hen ontvangen hebt, hebben zij tot uw verderf gekeerd.
[^obadja-1-7-21]: Kanttekening 21: 21 er is geen verstand in hem: Te weten, in Edom. Anders: waarvan \[u\] geen verstand \[zult hebben\]. En dienvolgens zult u daarvan niet kunnen genezen worden, of daartegen voorzien, hoe kloek u ook meent te wezen; uw verstand zal u te die tijde benomen zijn, gelijk in het volgende vers gezegd wordt.
[^obadja-1-8-d]: Verwijzing d: Jes. 29:14; Jer. 49:7. Jesaja 29:14: Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijn wijzen zal vergaan, en het verstand zijn verstandigen zal zich verbergen. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden?
[^obadja-1-8-22]: Kanttekening 22: 22 wijzen uit Edom: Regenten of raadslieden. Verg. Jer. 49:7. Jeremia 49:7: Tegen Edom zegt YHWH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden?
[^obadja-1-9-23]: Kanttekening 23: Gelijk bij u alsdan geen verstand noch raad, zo zal er ook geen moed zijn.
[^obadja-1-9-e]: Verwijzing e: Amos 2:14; idem v. 16. Amos 2:14: Zodat de snelle niet zal ontvluchten, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden. Amos 2:16: En de kloekhartigste onder de helden zal op die dag naakt heenvluchten, spreekt YHWH.
[^obadja-1-9-24]: Kanttekening 24: Zie Jer. 40:7. Jeremia 40:7: Toen nu alle oversten van de heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd;
[^obadja-1-9-25]: Kanttekening 25: 25 opdat een ieder uit Ezau's gebergte: Want als de helden versagen, zo wordt alles verslagen en nedergehouwen, zonder tegenstand.
[^obadja-1-10-26]: Kanttekening 26: 26 begaan aan uw broer Jakob: Hebr. om, of vanwege het geweld van uw broer Jakob; dat is, dat u aan hem, \[dat is, zijn nakomelingen, uw bloedverwanten\] gepleegd hebt. Verg. de manier van spreken met Jer. 2:2; Hab. 2:8, 2:17, en zie de aantekening daar, en verder Ps. 137:7; Ez. 25:12, en Ez. 35:5. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Habakuk 2:8: Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed van de mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve. Habakuk 2:17: Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! Ezechiël 25:12: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: Ezechiël 35:5: Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen van Israël doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde huns verderfs, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
[^obadja-1-10-27]: Kanttekening 27: Verg. Job 8:22 met de aantekening. Job 8:22: Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn.
[^obadja-1-10-f]: Verwijzing f: Gen. 27:41; Ez. 35:5; Amos 1:11. Genesis 27:41: En Ezau haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden. Ezechiël 35:5: Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen van Israël doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde huns verderfs, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; Amos 1:11: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt.
[^obadja-1-11-28]: Kanttekening 28: Om uw lust te scheppen in het aanschouwen van de ellende van uw broers.
[^obadja-1-11-29]: Kanttekening 29: 29 de uitlanders: De Babyloniërs met hun krijgsvolk; waaruit men afnemen kan dat Obadja dit geprofeteerd heeft omtrent of na de inneming van Jeruzalem en de wegvoering van het volk naar Babel, ten tijde als Jeremia te Jeruzalem, òf onder de overgebleven Joden in Juda òf in Egypte, en Ezechiël in Babel, onder de gevangen Joden profeteerden.
[^obadja-1-11-30]: Kanttekening 30: 30 legermacht gevangen voerden: Of, vermogen, te weten van Jakob; verg. vers 13, 1:20. Obadja 1:13: Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn legermacht, ten dage zijns verderfs; Obadja 1:20: En de gevankelijk weggevoerden van deze legermacht van de kinderen van Israël, wat van de Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, wat in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.
[^obadja-1-11-31]: Kanttekening 31: 31 Jeruzalem het lot wierpen: Dat is, de buit en de gevangenschap. Zie Joël 3:3. Joël 3:3: En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
[^obadja-1-11-32]: Kanttekening 32: 32 van hen: Als een Chaldeër, vreemde en vijand.
[^obadja-1-11-g]: Verwijzing g: Ps. 137:7. Psalmen 137:7: YHWH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
[^obadja-1-12-33]: Kanttekening 33: 33 gezien hebben: Anders: Maar ziet niet, enz. en zo achtervolgens, te weten, met lust en vermaak. Zo vers 13, zie ook Ps. 22:18. Alsof God zei: Verlustig u dus niet over de ellende van uw broers, wacht wat; de uwe, die veel zwaarder zal vallen, is voor de deur, gelijk volgt in vers 15; het is een verwijtende aanspraak en voorwerping van hun bedreven boosheid, die God zwaar wilde straffen, maar zijn volk daarna genade bewijzen. Obadja 1:13: Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn legermacht, ten dage zijns verderfs; Psalmen 22:18: Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. Obadja 1:15: Want de dag van YHWH is nabij, over al de heidenen; gelijk als u gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd terugkeren.
[^obadja-1-12-34]: Kanttekening 34: 34 dag uws broers: De tijd van zijn bezoeking, of straf, gelijk in het volgende verklaard wordt. Verg. Ps. 37:13. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
[^obadja-1-12-35]: Kanttekening 35: Waarin hij in de hand van de vreemden is overgeleverd en uit zijn land in een vreemd land vervoerd, zodat God zelf zich als vreemd tegen hem hield.
[^obadja-1-12-36]: Kanttekening 36: 36 uw mond groot gemaakt hebben: Dat is, u zoudt de mond zo wijd niet opengesperd en zo niet getrotst hebben met spijt en spot. Verg. Ez. 35:12, 35:13; Ps. 22:14, en Ps. 22:26 met de aantekening daar. Ezechiël 35:12: En u zult weten, dat Ik, YHWH, al uw lasteringen gehoord heb, die u tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons tot voedsel gegeven. Ezechiël 35:13: Zo hebt u u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. Psalmen 22:14: Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. Psalmen 22:26: Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in aanwezigheid dergenen, die Hem vrezen.
[^obadja-1-13-37]: Kanttekening 37: Wie het, als bloedverwant, niet betaamt te doen wat de vreemden en vijanden doen.
[^obadja-1-13-38]: Kanttekening 38: Dat is, ellende, kwaad van de straf. Zie Gen. 19:10. Genesis 19:10: Maar die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.
[^obadja-1-13-39]: Kanttekening 39: 39 aan zijn legermacht: Jakobs legermacht, of vermogen, gelijk vers 11. Zij hebben ongetwijfeld beide gedaan, slaande hun handen aan hun personen, gelijk volgt, en aan hun goederen; verg. Gen. 37:22 met de aantekening daar. Obadja 1:11: Op de dag als u tegenover stondt, op de dag als de uitlanders zijn legermacht gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één van hen. Genesis 37:22: Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen.
[^obadja-1-14-40]: Kanttekening 40: Anders: verscheuring, doorbreking, te weten, van de stad, om te beletten dat er niemand ontkwam.
[^obadja-1-14-41]: Kanttekening 41: 41 ontkomenen uit te roeien: Om de Joden, die door de een of andere weg voor de vijand zochten te vluchten, of al ontkomen waren, de weg te onderscheppen, of de pas te stoppen en hen te vermoorden.
[^obadja-1-14-42]: Kanttekening 42: Die de vijand mag hebben overgezien, of overgelaten, en aan wie u het leven niet gunt.
[^obadja-1-14-43]: Kanttekening 43: 43 overgeleverd hebben: In de hand van de vijand.
[^obadja-1-15-44]: Kanttekening 44: 44 dag van YHWH is nabij: Dat is, de bestemder tijd van hun straf. Zie Joël 1:15; Ps. 37:13 met de aantekening daar. Joël 1:15: Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. Psalmen 37:13: YHWH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
[^obadja-1-15-45]: Kanttekening 45: Zie van het Hebr. woord 2 Kron. 20:11; Ps. 13:6; zo Richt. 9:16, enz. 2 Kronieken 20:11: Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. Psalmen 13:6: Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; Richteren 9:16: Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de verdienste van zijn handen gedaan hebt.
[^obadja-1-15-h]: Verwijzing h: Ez. 35:15. Ezechiël 35:15: Gelijk u u verblijd hebt over de erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben.
[^obadja-1-16-46]: Kanttekening 46: U Joden, zijnde mijn volk en kerk.
[^obadja-1-16-47]: Kanttekening 47: 47 gedronken hebt: Uit de beker mijns toorn zal op hen rusten en blijven liggen.
[^obadja-1-16-48]: Kanttekening 48: 48 berg Mijner heiligheid: Zion (Sion), afbeeldende Gods kerk. Zie Ps. 2:6. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid.
[^obadja-1-16-49]: Kanttekening 49: 49 geduriglijk drinken: Zonder ophouden, mijn toorn zal op hen rusten en blijven liggen.
[^obadja-1-16-50]: Kanttekening 50: Het gehele grondsop. Zie Ps. 75:9. Psalmen 75:9: Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
[^obadja-1-16-51]: Kanttekening 51: 51 als of zij er niet geweest waren: Zij zullen zo drinken, dat zij door mijnen toorn en plagen geheel vernield worden. Maar bij mijn kerk zal Ik doen als volgt. Sommigen verstaan dit vers als zo: Gelijk u \[Edomieten\] van vreugde gedronken hebt over mijn heilige berg, als die verwoest werd, zo zullen de heidenen weer over u drinken, ja u inzwelgen en verslinden, dat het zal zijn alsof er nooit een Edomiet geweest was.
[^obadja-1-17-52]: Kanttekening 52: 52 ontkoming zijn: De verstoring van mijn volk zal niet algemeen zijn, maar Ik zal mijn uitverkoren overblijfsel behouden, en mijn kerk daaruit herstellen en heiligen, enz. onder de Messias.
[^obadja-1-17-53]: Kanttekening 53: 53 hij zal een heiligheid zijn: De berg, dat is, die daarop wonen, Ps. 15:1. Te weten, de kerk zal zeer heilig zijn. Zie Ez. 43:12; Joël 3:17 met de aantekening daar. Psalmen 15:1: Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? Ezechiël 43:12: Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn gehele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis. Joël 3:17: En u zult weten, dat Ik YHWH, uw God ben, wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
[^obadja-1-17-54]: Kanttekening 54: 54 die van het huis van Jakob: Hebr. het huis van Jakob zullen, enz.
[^obadja-1-17-55]: Kanttekening 55: 55 hun erfgoederen erfelijk bezitten: Te weten, hun eigene, die hun van God in de Messias beloofd zijn, de zegen van het verbond, waartoe mee behoort de bezitting van hun vijanden, van de voorzeide volken. Zie Amos 9:12 met de aantekening daar. Amos 9:12: Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet.
[^obadja-1-18-56]: Kanttekening 56: 56 Jakobs huis zal een vuur zijn: De kerk zal, door de kracht van haar Hoofd Jezus Christus, al haar vijanden, door de Edomieten afgebeeld, verteren. Verg. de manier van spreken met Richt. 9:15, 9:20; Jes. 29:6. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Richteren 9:20: Maar als niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech! Jesaja 29:6: U zult van YHWH van de legermachten bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam eens verterenden vuurs.
[^obadja-1-18-57]: Kanttekening 57: 57 zij zullen: Die van het huis van Jakob en Jozef.
[^obadja-1-18-58]: Kanttekening 58: 58 hen ontbranden: De Edomieten. Verg. Ps. 7:14, en Ps. 10:2. Psalmen 7:14: En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. Psalmen 10:2: De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
[^obadja-1-19-59]: Kanttekening 59: 59 die van het zuiden: Hebr. het zuiden zullen, enz. Juda strekte zich in het zuiden van Kanaän tot aan het gebergte van Ezau. De Joden, die in de laagte woonden, grensden aan het land van de Filistijnen, gelegen westwaarts langs de Middellandse zee. Anders aldus: en zij zullen erfelijk bezitten het zuiden \[namelijk\] het gebergte van Ezau, en de laagte \[namelijk\] de Filistijnen, enz. Verg. Deut. 1:7; Joz. 10:40; Richt. 1:9; 2 Kron. 28:18. Het is een profetie \[naar de stijl en staat van het Oude Testament\] van de uitbreiding van het Evangelie van Christus onder de vijandelijke heidenen. Verg. Amos 9:12; Zef. 2:7, 2:9, enz. met de aantekening daar. Deuteronomium 1:7: Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath. Jozua 10:40: Zo sloeg Jozua het gehele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als YHWH, de God van Israël, geboden had. Richteren 1:9: En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaänieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. 2 Kronieken 28:18: Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden daar. Amos 9:12: Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt YHWH, Die dit doet. Zefanja 2:7: En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als YHWH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben. Zefanja 2:9: Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten.
[^obadja-1-19-60]: Kanttekening 60: 60 veld van Efraïm: Dat is, land, gelijk Hos. 12:13. Dat is, de voornaamste van de tien stammen, welke Efraïm was, een verleider van de rest en Samaria de hoofdstad daarvan. Hosea 12:13: Jakob vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.
[^obadja-1-19-61]: Kanttekening 61: Versta, zal Gilead bezitten, gelegen over de Jordaan, toebehorende Ruben, de halve stam van Manasse en Gad.
[^obadja-1-20-62]: Kanttekening 62: 62 gevankelijk weggevoerden: Hebr. gevankelijke wegvoering, vervoering, ballingschap, gelijk dikwijls. Zo in het volgende; dat is, deze weggevoerde legermacht.
[^obadja-1-20-63]: Kanttekening 63: 63 legermacht van de kinderen van Israël: Gelijk boven vers 11, 1:13. Obadja 1:11: Op de dag als u tegenover stondt, op de dag als de uitlanders zijn legermacht gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één van hen. Obadja 1:13: Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn legermacht, ten dage zijns verderfs;
[^obadja-1-20-64]: Kanttekening 64: Versta, zullen erfelijk bezitten wat, enz.
[^obadja-1-20-65]: Kanttekening 65: Van de afgodische en vijandelijke volken.
[^obadja-1-20-66]: Kanttekening 66: 66 Zarfath toe: Zie 1 Kon. 17:9. 1 Koningen 17:9: Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon daar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude.
[^obadja-1-20-67]: Kanttekening 67: Anders: die in Sefarad \[zijn\] zullen de steden, enz.
[^obadja-1-20-68]: Kanttekening 68: 68 Sefarad is: Wat door Sefarad te verstaan is, daarvan is verscheiden gevoelen, enz.
[^obadja-1-21-69]: Kanttekening 69: 69 heilanden op de berg van Sion opkomen: Die enige, grote en volkomen Heiland, Verlosser en Zaligmaker van de kerk, Jezus Christus, die daarvan de naam Jezus draagt, afgebeeld door Jozua en de andere helden, de richters die God zijn volk gaf. Zie Matt. 1:21; Richt. 2:16, en Hebr. 4:8. Zo wordt het veelvoudig getal somtijds genomen voor iets groots en bijzonders. Zie Job 40:10; Spr. 1:20; Ps. 73:22, met de aantekening daar, enz. Ondertussen is het waar dat deze Heiland zijn dienaren gebruikt om zijn heil de mensen te verkondigen tot hun behoudenis, waarvan hun dan, als bedienaars van het heil en instrumenten van de Heilige Geest, wordt toegeschreven dat zij de mensen behouden. Zie 1 Tim. 4:16; Jak. 5:20, en verg. Jer. 1:10; Ez. 3:18; gelijk deze Heiland zijn volk ook dikwijls lichamelijke helden, heilanden en verlossers geeft, die hen uit nood en verdrukking van de tirannen verlossen. Verg. Micha 5:4. Mattheüs 1:21: En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Richteren 2:16: En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden; Hebreeën 4:8: Want als Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag. Job 40:10: Zie nu Behemoth, welke Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, gelijk een rund. Spreuken 1:20: De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten. Psalmen 73:22: Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen. Jakobus 5:20: Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van de dood zal behouden, en menigte van de zonden zal bedekken. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Micha 5:4: En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.
[^obadja-1-21-70]: Kanttekening 70: De vijanden van de kerk naar hun verdiensten te straffen, en Gods volk uit hun hand te verlossen, gelijk de richters van het Oude Testament lichamelijk deden. Zie Gen. 15:14; Richt. 2:16, en versta verder het geestelijk bestraffen en overtuigen van de wereld, enz.; zie Joh. 16:8, enz. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Richteren 2:16: En YHWH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden; Johannes 16:8: En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:
[^obadja-1-21-71]: Kanttekening 71: 71 van YHWH zijn: Of, YHWH toebehoren, YHWH zal het koninkrijk hebben; dat is, Hij zal Koning en Regeerder zijn, te weten, de Heer Christus, die van zijn Vader tot een eeuwigen Koning van zijn kerk en van de gehele wereld gesteld is; Ps. 2:6, 2:8; Luk. 1:33, enz. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid. Psalmen 2:8: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

## Jona

### Jona 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jona/1.json)

*Jona, door God gezonden om te prediken in Ninevé, vlucht naar Tarsis, vers 1 enz. Hij wordt op zee door God vervolgd met een groot onweer, en door het lot ontdekt, 4. En hij wordt door het scheepsvolk, op zijn eigen raad, ten slotte in de zee geworpen, en daarmee wordt het onweer gestild, 12. God beschikt een grote vis, die Jona inslokt, in wiens buik hij drie dagen en drie nachten blijft, 17.*

**1** [^jona-1-1-1] En het woord van YHWH kwam tot[^jona-1-1-2] Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v1)

**2** Maak u op, ga naar de[^jona-1-2-a] grote stad[^jona-1-2-3] Nineve, en[^jona-1-2-4] predik tegen haar;[^jona-1-2-5] want[^jona-1-2-6] hun boosheid is[^jona-1-2-7] opgeklommen voor Mijn aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v2)

**3** Maar Jona maakte zich op om te[^jona-1-3-8] vluchten naar[^jona-1-3-9] Tarsis, van het aangezicht van[^jona-1-3-10] YHWH; en hij kwam af te[^jona-1-3-11] Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht[^jona-1-3-12] daarvan, en ging neer in hetzelfde, om met[^jona-1-3-13] hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v3)

**4** Maar YHWH[^jona-1-4-14] wierp een grote wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip[^jona-1-4-15] dacht te breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v4)

**5** Toen vreesden de[^jona-1-5-16] zeelieden, en riepen ieder tot[^jona-1-5-17] zijn god, en wierpen de[^jona-1-5-18] voorwerpen, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te[^jona-1-5-19] verlichten; maar Jona was neergegaan aan de[^jona-1-5-20] zijden van het schip, en lag neer, en was met een diepe[^jona-1-5-21] slaap bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v5)

**6** En de[^jona-1-6-22] opperschipper naderde tot hem, en zei tot hem:[^jona-1-6-23] Wat is u, u hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons[^jona-1-6-24] gedenken, dat wij niet vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v6)

**7** Verder zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Kom, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten,[^jona-1-7-25] om wiens wil ons dit[^jona-1-7-26] kwaad overkomt. Zo wierpen zij loten, en het lot[^jona-1-7-27] viel op Jona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v7)

**8** Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu,[^jona-1-8-28] om wie de wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw[^jona-1-8-29] werk en vanwaar komt u? Welk is uw land en van welk volk bent u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v8)

**9** En hij zei tot hen: Ik ben een[^jona-1-9-30] Hebreër; en ik vrees YHWH, de God van de hemel, Die de[^jona-1-9-32] zee en het[^jona-1-9-33] droge gemaakt heeft.[^jona-1-9-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v9)

**10** Toen vreesden die mannen met grote vrees, en zeiden tot hem:[^jona-1-10-34] Wat hebt u dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van het aangezicht van YHWH[^jona-1-10-35] vluchtte; want hij had het hun te kennen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v10)

**11** Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil wordt[^jona-1-11-36] van ons? Want de zee[^jona-1-11-37] werd hoe langer hoe onstuimiger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v11)

**12** En hij zei tot hen: Neem mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van u; want ik[^jona-1-12-38] weet, dat deze grote storm u om mijnentwil over komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v12)

**13** Maar de mannen[^jona-1-13-39] roeiden, om het schip weer te brengen aan het[^jona-1-13-40] droge, maar zij konden niet; want de zee[^jona-1-13-41] werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v13)

**14** Toen riepen zij tot YHWH, en zeiden: Och YHWH! laat ons toch niet vergaan om van deze man ziel, en leg[^jona-1-14-42][^jona-1-14-43] geen onschuldig bloed op ons; want U, YHWH! heb gedaan, zoals het U heeft behaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v14)

**15** En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v15)

**16** Daarom vreesden de mannen YHWH met grote vrees; en zij[^jona-1-16-44] slachtten YHWH slachtoffer, en[^jona-1-16-45] beloofden geloften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v16)

**17** YHWH nu[^jona-1-17-46] beschikte een[^jona-1-17-47] grote vis,[^jona-1-17-48] om Jona in te slokken; en Jona was in het binnenste[^jona-1-17-49] van de[^jona-1-17-b] vis, drie dagen en drie nachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/1.html#v17)

[^jona-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 En het woord van YHWH geschiedde: Het woordje en wordt in het Oude Testament naar de aard van de Hebr. spraak veel gebruikt in het begin van enig verhaal, alsook bij de Evangelisten in het Nieuwe Testament; gelijk andere talen ook haar woorden hebben, waarmee zij een rede beginnen, dienende tot sieraad van de spraak.
[^jona-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 tot Jona: Die van Gath-Hefer was, gelegen in de stam Zebulon; zie 2 Kon. 14:25 met de aantekening, uit welke plaats afgeleid wordt, dat hij geprofeteerd heeft omtrent de tijd van de profeten Hosea en Amos, idem van de koning Jerobeam, de tweede van die naam, die een zoon was van Joas, en koning in Israël, als het koninkrijk van de tien stammen nog in tijdelijke welstand was, maar zijn God zeer ondankbaar en tegen alle waarschuwingen en dreigementen hardnekkig; waarom het God beliefd heeft deze profeet naar Nineve te schikken, om door het voorbeeld van de Ninevieten zijn volk te beschamen en te overtuigen. Verg. Matt. 12:41; Luk. 11:32. 2 Koningen 14:25: Hij bracht ook weer de landpale van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van YHWH, van de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. Mattheüs 12:41: De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! Lukas 11:32: De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
[^jona-1-2-a]: Verwijzing a: Gen. 10:11; idem v. 12; Jona 3:3. Genesis 10:11: Uit ditzelfde land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. Genesis 10:12: En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad. Jona 3:3: Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord van YHWH. Nineve nu was een grote stad van God, van drie dagreizen.
[^jona-1-2-3]: Kanttekening 3: De oude koninklijke hoofdstad van Assyrië; zie Gen. 10:11, Gen. 10:12; 2 Kon. 19:36; Nah. 2:8, enz. Genesis 10:11: Uit ditzelfde land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. Genesis 10:12: En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad. 2 Koningen 19:36: Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve. Nahum 2:8: Nineve is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, maar zij zullen vluchten. Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.
[^jona-1-2-4]: Kanttekening 4: 4 predik tegen haar: Hebr. roep, roep uit, dat in het Nieuwe Testament ook dikwijls door prediken verklaard wordt, zelfs van onze Heer Christus in het verhaal van de Ninevieten; Matt. 12:41, enz. Mattheüs 12:41: De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
[^jona-1-2-5]: Kanttekening 5: Of, predikt tot hen, dat hun boosheid, enz.
[^jona-1-2-6]: Kanttekening 6: Van de inwoners.
[^jona-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 opgeklommen voor Mijn aangezicht: Dat is, hun zonden zijn zo veel, zwaar en openbaar, dat Ik die niet langer zal kunnen verdragen, maar moeten straffen, zo zij zich niet bekeren; verg. Gen. 18:21, Gen. 18:21. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^jona-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 te vluchten: Wat hem hiertoe bewogen heeft, zie onder Jona 4:2. Jona 4:2: En hij bad tot YHWH, en zei: Och YHWH! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een genadig en barmhartig God bent, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.
[^jona-1-3-9]: Kanttekening 9: De vermaarde zeehaven en hoofdstad van Cilicië, de geboorteplaats van de apostel Paulus. Zie 1 Kon. 10:22, en Hand. 21:39, en Hand. 22:3. 1 Koningen 10:22: Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. Handelingen 21:39: Maar Paulus zei: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. Handelingen 22:3: Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent;
[^jona-1-3-10]: Kanttekening 10: Voor wiens aangezicht hij, als Gods dienaar, schuldig was te staan \[gelijk de Schrift gemeenlijk spreekt\] om zijn bevelen te ontvangen en te verrichten, zulks hij, hier zoekende te ontgaan, gezegd wordt van Gods aangezicht te vluchten, dat is, deze zijn plicht verlaten. Zie Deut. 10:8; 1 Kon. 17:1, enz. Deuteronomium 10:8: Ter zelver tijd scheidde YHWH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van YHWH te dragen, om voor het aangezicht van YHWH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 1 Koningen 17:1: En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
[^jona-1-3-11]: Kanttekening 11: Anders genoemd Joppe, ook een zeehaven. Zie 2 Kron. 2:16. 2 Kronieken 2:16: En wij zullen hout houwen uit de Libanon, naar al uw nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en u zult het laten ophalen naar Jeruzalem.
[^jona-1-3-12]: Kanttekening 12: Te weten van het schip. Hebr. het loon van hetzelfde, te weten het schip.
[^jona-1-3-13]: Kanttekening 13: Het scheepsvolk.
[^jona-1-4-14]: Kanttekening 14: 14 wierp een grote wind op de zee: Onvoorziens en zo, dat het zeevolk kon merken dat het wat bijzonders, buitengewoons en Goddelijks was.
[^jona-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 dacht te breken: Een algemene manier van spreken, in andere talen ook gebruikelijk; dat is, het scheen niet anders, men meende ganselijk, of de scheepslieden dachten dat het schip gebroken, in stukken geslagen zou worden.
[^jona-1-5-16]: Kanttekening 16: 16 de zeelieden: Of, zeevaarders, als schippers, bootsvolk en reizigers, die in de zoute zee voeren, waarop het Hebr. woord ziet.
[^jona-1-5-17]: Kanttekening 17: 17 zijn god: Dat is, afgod, die hij naar het gebruik van zijn woonplaats gewoon was te dienen.
[^jona-1-5-18]: Kanttekening 18: 18 de vaten: Allerlei roerend goed. Zie van het Hebr. woord, Lev. 15:4. Leviticus 15:4: Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
[^jona-1-5-19]: Kanttekening 19: Of, ontlasten.
[^jona-1-5-20]: Kanttekening 20: 20 de zijden van het schip: Dat is, één van de zijden. Zie Richt. 12:7. Richteren 12:7: Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^jona-1-5-21]: Kanttekening 21: 21 diepen slaap bevangen: Als op gene zwarigheid denkende, of, menende buiten alle gevaar te zijn.
[^jona-1-6-22]: Kanttekening 22: 22 de opperschipper: Of, opperbootsman, hoogbootsman. Het Hebr. woord komt van het hanteren van de touwen of kabels.
[^jona-1-6-23]: Kanttekening 23: 23 Wat is u, u hardslapende: Of, wat bent u \[dus\] met diepen slaap bevangen?
[^jona-1-6-24]: Kanttekening 24: 24 ons gedenken, dat wij niet vergaan: Ten best, om ons te sparen. Anders: zich tegen ons lieflijk, of vriendelijk vertonen.
[^jona-1-7-25]: Kanttekening 25: 25 vanwege wie: Wie onder ons de schuldige man is, vanwege wie ons dit gevaar overkomt; of, wie ons de schuldige man zal kunnen bekendmaken, om verder te zien wat ons te doen staat, of er misschien middel mocht zijn van ons te redden. Anders: waarom.
[^jona-1-7-26]: Kanttekening 26: 26 dit kwaad: Van de straf, dit gevaar, ongeluk, te weten dit onweer. Zie Gen. 19:19. Genesis 19:19: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
[^jona-1-7-27]: Kanttekening 27: 27 en het lot viel op Jona: Door Gods regering. Zie Spr. 16:33, met de aantekening. Spreuken 16:33: Het lot wordt in de schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van YHWH.
[^jona-1-8-28]: Kanttekening 28: 28 vanwege wie: Is het om uzelf, of iemand van de uwen, of om de waardigheid van iemand, aan welke u of iemand van de uwen zich bezondigd heeft? Anders: waarom, ter zake van wat? De Hebr. manier van spreken is vast dezelfde, die in vers 7 gebruikt is. Jona 1:7: Verder zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, vanwege wie ons dit kwaad overkomt. Zo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.
[^jona-1-8-29]: Kanttekening 29: 29 wat is uw werk: Of, bedrijf, handwerk, wat doet u? wat hantering drijft u?
[^jona-1-9-30]: Kanttekening 30: 30 Ik ben een Hebreër: Zie Gen. 10:21. Genesis 10:21: Verder zijn Sem zonen geboren; dezelfde is ook de vader aller zonen van Heber, broer van Jafeth, de grootste.
[^jona-1-9-32]: Kanttekening 32: 32 die de zee: Ook deze, waar wij in varen.
[^jona-1-9-33]: Kanttekening 33: 33 het droge: Dat is, de aarde; zie Gen. 1:9, Gen. 1:10. Genesis 1:9: En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Genesis 1:10: En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
[^jona-1-9-31]: Kanttekening 31: 31 van de hemel: Die zijn troon en woonplaats gezegd wordt te hebben in de hemel, omdat Hij daar zijn goddelijke majesteit vertoont; of die de hemelen gemaakt heeft.
[^jona-1-10-34]: Kanttekening 34: 34 Wat hebt u dit gedaan: Zo wordt het woord wat ook wel in onze taal gebruikt, voor: hoe komt u daartoe, wat is dat gedaan? met ontsteltenis van het gemoed. Anders: wat is dit, dat u gedaan hebt, of waarom hebt u, enz.
[^jona-1-10-35]: Kanttekening 35: 35 aangezicht vluchtte: Gelijk vers 3. Jona 1:3: Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelfde, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH.
[^jona-1-11-36]: Kanttekening 36: 36 van ons: Of, van tegen ons, te weten zo te gaan, of stil worde, \[en\] van ons \[aflate\]; in een zin. Zie van het Hebr. woord Joz. 10:12, en Spr. 26:20. Anders: tegen ons. Verg. Ps. 28:1; zo vers 12. Jozua 10:12: Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! Spreuken 26:20: Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild. Psalmen 28:1: Een psalm van David. Tot U roep ik, YHWH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in de kuil nederdalen. Jona 1:12: En hij zei tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van u; want ik weet, dat deze grote storm u om mijnentwil over komt.
[^jona-1-11-37]: Kanttekening 37: 37 werd hoe langer hoe onstuimiger: Hebr. ging en werd ontstuimig. Of, gaat en wordt, enz., \[als woorden van de zeelieden.\] Dat is, neemt, of nam in onstuimigheid toe, werd van tijd tot tijd onstuimiger, het onweer nam toe. Zie gelijke manier van spreken Gen. 8:3, Gen. 8:5, en Gen. 26:13, Richt. 4:24; 1 Sam. 14:19; 2 Sam. 3:1 en de aantekening, zo vers 13. Genesis 8:3: Daartoe keerden de wateren weer van boven de aarde, heen en weer vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen. Genesis 8:5: En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op de eerste van de maand, werden de toppen van de bergen gezien. Genesis 26:13: En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. Richteren 4:24: En de hand van de kinderen van Israël ging steeds voort, en werd hard over Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid. 1 Samuël 14:19: En het geschiedde, toen Saul nog tot de priester sprak, dat het rumoer, dat in het leger van de Filistijnen was, zeer toenam en vermenigvuldigde; zo zei Saul tot de priester: Haal uw hand in. 2 Samuël 3:1: En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker. Jona 1:13: Maar de mannen roeiden, om het schip weer te brengen aan het droge, maar zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.
[^jona-1-12-38]: Kanttekening 38: 38 ik weet: Door bijzonder ingeven van God en getuigenis van zijn consciëntie.
[^jona-1-13-39]: Kanttekening 39: Hebr. eigenlijk groeven; te weten in de zee, dat is, roeiden, vermits de gelijkheid die er is tussen graven en roeien. Deze mensen zochten Jona te sparen zoveel mogelijk was.
[^jona-1-13-40]: Kanttekening 40: 40 het droge: Dat is, land, gelijk boven vers 9. Jona 1:9: En hij zei tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreze YHWH, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft.
[^jona-1-13-41]: Kanttekening 41: 41 werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen: Zie vers 11. Jona 1:11: Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
[^jona-1-14-42]: Kanttekening 42: Dat is, persoon. Zie Gen. 12:5. Genesis 12:5: En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broers zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
[^jona-1-14-43]: Kanttekening 43: 43 leg geen onschuldig bloed op ons: Dat is, reken ons toch niet toe en straf er ons niet om, als om een doodslag, dat wij deze man \[die ons niets heeft misdaan en van wiens zaken wij niet weten dan wat hij ons zelf heeft gezegd\] moeten overboord werpen; want wij doen het ongaarne en door nood. Het blijkt dat dit alles uw werk en bestuur is, en wij mogen U niet tegenspreken. U hebt in deze zaak gedaan naar uw welbehagen. Zie van de manier van spreken Richt. 9:24. Richteren 9:24: Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden.
[^jona-1-16-44]: Kanttekening 44: 44 slachtten YHWH slachtoffer: Als zij behouden waren overgekomen, dankten zij die God met offeranden, die zij bevonden hadden de bewerker te zijn van dat grote onweer en de stilling van dat, en vervolgens van hun wonderlijke behoudenis.
[^jona-1-16-45]: Kanttekening 45: 45 beloofden geloften: Verg. onder Jona 2:9, met de aantekening. Jona 2:9: Maar ik zal U offeren met de stem van de dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is van YHWH.
[^jona-1-17-46]: Kanttekening 46: Of, had voorbereid, beschikte, te weten door zijn almachtige, wijze, vaderlijke regering; zo onder Jona 4:6, Jona 4:7, Jona 4:8. Het Hebr. woord is hetzelfde, waar men houdt het manna de naam van te hebben, waarmee God Israël spijsde in de woestijn; zie Ex. 16:15. Jona 4:6: En God, YHWH, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over de wonderboom met grote blijdschap. Jona 4:7: Maar God beschikte een worm des anderen daags in het opgaan van de dageraad; die stak de wonderboom, dat hij verdorde. Jona 4:8: En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijn ziel te mogen sterven, en zei: Het is mij beter te sterven dan te leven. Exodus 16:15: Toen het de kinderen van Israël zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft.
[^jona-1-17-47]: Kanttekening 47: 47 grote vis: Namelijk een walvis; Matt. 12:40. Mattheüs 12:40: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^jona-1-17-48]: Kanttekening 48: 48 om Jona in te slokken: Dienvolgens geschiedde het zo, dat hij hem inslokte.
[^jona-1-17-49]: Kanttekening 49: 49 in het ingewand van de vis: Dat is, in de buik of balg. Hierdoor heeft God deze profeet gesteld tot een voorbeeld van onze Heer Jezus Christus; zie Matt. 12:40, en Matt. 16:4; Luk. 11:30. Mattheüs 12:40: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde. Mattheüs 16:4: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg. Lukas 11:30: Want gelijk Jona de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon van de mensen zijn deze geslachte.
[^jona-1-17-b]: Verwijzing b: Matt. 12:40; Matt. 16:4; Lukas 11:30. Mattheüs 12:40: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde. Mattheüs 16:4: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg. Lukas 11:30: Want gelijk Jona de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon van de mensen zijn deze geslachte.

### Jona 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jona/2.json)

*Het gebed van Jona, vers 1 enz. De vis spuwt Jona, op Gods bevel, aan land, 10.*

**1** En Jona bad tot YHWH, zijn God, uit het binnenste van de vis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v1)

**2** En hij[^jona-2-2-1] zei:[^jona-2-2-a] Ik[^jona-2-2-2] riep[^jona-2-2-3] uit mijn benauwdheid tot YHWH, en Hij antwoordde mij; uit de buik van het graf schreide ik, en U hoorde mijn stem.[^jona-2-2-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v2)

**3** Want[^jona-2-3-5] U had mij geworpen in de diepte, in[^jona-2-3-6] het hart van de zeeën, en de stroom omving mij; al Uw[^jona-2-3-b] baren en Uw golven gingen over mij heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v3)

**4** En ik[^jona-2-4-7] zei: Ik ben[^jona-2-4-8] uitgestoten van voor Uw ogen; toch zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen.[^jona-2-4-10][^jona-2-4-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v4)

**5** De wateren hadden mij omgeven tot de[^jona-2-5-11] ziel toe, de afgrond omving mij; het[^jona-2-5-12] wier was aan mijn hoofd gebonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v5)

**6** Ik was neergedaald tot de[^jona-2-6-13] gronden van de bergen; de[^jona-2-6-14] grendels van de aarde waren om mij heen[^jona-2-6-15] in eeuwigheid; maar U hebt mijn leven uit het[^jona-2-6-16] verderf opgevoerd, o YHWH, mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v6)

**7** Als mijn ziel in mij[^jona-2-7-17] overstelpt was,[^jona-2-7-18] dacht ik aan YHWH, en mijn gebed[^jona-2-7-19] kwam tot U, in[^jona-2-7-20] de tempel van Uw heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v7)

**8** Die de[^jona-2-8-21] valse zinloosheden onderhouden,[^jona-2-8-22] verlaten hun goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v8)

**9** Maar ik zal U offeren met de stem[^jona-2-9-c] van[^jona-2-9-23] de dankzegging; wat[^jona-2-9-24] ik beloofd heb, zal ik betalen.[^jona-2-9-25][^jona-2-9-d] Het heil is van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v9)

**10** YHWH nu[^jona-2-10-26] sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het[^jona-2-10-27] droge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/2.html#v10)

[^jona-2-2-1]: Kanttekening 1: 1 En hij zei: Te weten daarna, als hij verlost was. Want het blijkt uit de volgende woorden dat de profeet dit gebed na zijn verlossing bijeengesteld heeft als een kort begrip van zijn inwendigen strijd, en ook van alle heilige gedachten, bewegingen en gebeden, die de Geest van de Heer hem in de tijd van drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis had ingegeven, waaruit hij wel had kunnen afleiden, dat God hem in deze harde kastijding wonderbaarlijk bewaarde, sterkte en eindelijk verlossen zou.
[^jona-2-2-a]: Verwijzing a: Ps. 120:1. Psalmen 120:1: Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot YHWH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
[^jona-2-2-2]: Kanttekening 2: Zie Job 36:13. Job 36:13: En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.
[^jona-2-2-3]: Kanttekening 3: Of, vermits, vanwege.
[^jona-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 van het graf: Dat is, van de walvis, waarin ik, als in een graf, besloten was, en die als mijn graf scheen te zullen zijn.
[^jona-2-3-5]: Kanttekening 5: 5 U hadt mij: Door de hand van de schippers, waarvan U het doen regeerde.
[^jona-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 hart van de zeeën: Dat is, midden in de diepte van de zee. Vergel. Deut. 4:11, Eze. 27:2 met de aantekeningen. Deuteronomium 4:11: En u naderde en stond beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). Ezechiël 27:2: U dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;
[^jona-2-3-b]: Verwijzing b: Ps. 42:8. Psalmen 42:8: De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
[^jona-2-4-7]: Kanttekening 7: 7 ik zei: Te weten bij mijzelf, dat is, dacht. Verg. Ps. 31:23 met de aantekening. Psalmen 31:23: Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.
[^jona-2-4-8]: Kanttekening 8: Of, uitgedreven, uitgeworpen.
[^jona-2-4-10]: Kanttekening 10: 10 weer aanschouwen: Hebr. ik zal toedien of voortvaren te aanschouwen; dat is, weer aanschouwen. Dit bijzonder vertrouwen werkte Gods Geest in de profeet, waardoor hij de overwinning behield over het vlees. Anders: ik zal nochtans voortvaren te zien naar uw heilige tempel; dat is, ik zal evenwel niet laten te wachten op uw hulp, die U mij uit uw tempel, dat is om de Messias' wil, van wie de tempel een voorbeeld was zult toeschikken. Verg. onder vers 9. Jona 2:9: Maar ik zal U offeren met de stem van de dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is van YHWH.
[^jona-2-4-9]: Kanttekening 9: 9 tempel van Uw heiligheid: Dat is, uw heilige tempel, waar God met zijn genade bijzonderlijk tegenwoordig was.
[^jona-2-5-11]: Kanttekening 11: 11 tot de ziel toe: Dat is, zodat zij mij mijn leven dreigden te benemen, mij versmoord zouden hebben, en mijn ziel uit mij doen gaan, tenzij U daarin genadiglijk had voorzien; verg. Ps. 69:2, en zie Gen. 19:17; anders worden door wateren ook noden en benauwdheden verstaan; zie 2 Sam. 22:17. Psalmen 69:2: Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. 2 Samuël 22:17: Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
[^jona-2-5-12]: Kanttekening 12: 12 het wier was aan mijn hoofd gebonden: Of, zeegras was om mijn hoofd gewikkeld, versta, als ik in de zee dreef, of in de buik van de walvis lag, die het wier inslokte.
[^jona-2-6-13]: Kanttekening 13: 13 gronden van de bergen: Hebr. afsnijdingen; dat is, het uiterste, onderste, de wortels of gronden van de bergen of klippen.
[^jona-2-6-14]: Kanttekening 14: 14 grendelen van de aarde: Hebr. de aarde, haar grendelen. Dat is, ik was in de grond van de zee, als in een vaste gevangenis, besloten, en aan alle kanten van de aarde, hoge bergen en klippen omsingeld. Anders, de aarde \[met\] haar grendelen was, etc.
[^jona-2-6-15]: Kanttekening 15: Zulks dat er geen schijn van uitkomen was, tenware U mij wonderbaarlijk had verlost.
[^jona-2-6-16]: Kanttekening 16: Of, groef. Verg. boven vers 3 en zie Ps. 7:16, en Ps. 16:10 met de aanteek. Jona 2:3: Want U hadt mij geworpen in de diepte, in het hart van de zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij heen. Psalmen 7:16: Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. Psalmen 16:10: Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
[^jona-2-7-17]: Kanttekening 17: 17 overstelpt was: Verg. Ps. 61:3, met de aantekening. Psalmen 61:3: Van het einde van het land roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
[^jona-2-7-18]: Kanttekening 18: 18 dacht ik aan YHWH: Gelijk God vergeten goddeloosheid betekent \[zie Ps. 9:18, met de aantekening\], zo is, Hem niet vergeten, maar gedenken, Hem voor ogen houden, dienen, tot Hem toevlucht nemen, op Hem vertrouwen; zie Ps. 20:8, en Ps. 42:7, en Ps. 44:18, en Ps. 77:4, enz. Psalmen 9:18: De goddelozen zullen terugkeren, naar het dodenrijk toe, alle godvergetende heidenen. Psalmen 20:8: Deze vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam van YHWH, onzes Gods. Psalmen 42:7: O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik U uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. Psalmen 44:18: Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond. Psalmen 77:4: Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
[^jona-2-7-19]: Kanttekening 19: 19 kwam tot U: Gelijk Ps. 102:2. Psalmen 102:2: O YHWH! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
[^jona-2-7-20]: Kanttekening 20: 20 tempel van Uw heiligheid: Zie boven vers 4 en verg. 1 Kon. 8:44, met de aantekening. Sommigen verstaan de hemel, en zetten het over paleis van uw heiligheid. Zie Ps. 11:4, mee afgebeeld door de tempel. Jona 2:4: En ik zei: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen. 1 Koningen 8:44: Wanneer Uw volk in de krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot YHWH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Psalmen 11:4: YHWH is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon van YHWH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
[^jona-2-8-21]: Kanttekening 21: 21 valse ijdelheden: Hebr. ijdelheden van de valsheid, of van de leugen, van de nietigheid, vergeefsheid; dat is, die de afgoden in nood aanroepen en danken als hun goed is geschied; zie 2 Kon. 17:15; Ps. 31:7, en Ps. 62:11;Jer. 2:5, Jer. 2:11, met de aantekening. 2 Koningen 17:15: Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van die YHWH hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die. Psalmen 31:7: Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op YHWH. Psalmen 62:11: Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op. Jeremia 2:5: Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelfde geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^jona-2-8-22]: Kanttekening 22: 22 verlaten hun weldadigheid: Dat is, zij gedenken en behartigen de weldadigheid of goedertierenheid niet, die U hun bewezen hebt, maar schrijven het ondankbaar hun afgoden toe; of zij verlaten U, die hun weldoen en de enige ware God bent; zie Ps. 59:11; Jer. 2:2, met de aantekening. Psalmen 59:11: De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien. Jeremia 2:2: Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land.
[^jona-2-9-c]: Verwijzing c: Ps. 50:14; idem 50:23; Ps. 116:7; Hosea 14:2; Hebr. 13:15. Psalmen 50:14: Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 50:23: Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien. Psalmen 116:7: Mijn ziel! keer weer tot uw rust, want YHWH heeft aan u welgedaan. Hosea 14:2: Bekeer u, o Israël! tot YHWH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lofs, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^jona-2-9-23]: Kanttekening 23: Of, van de lof; zie Ps. 50:14, Ps. 50:23, en Ps. 116:17; Hos. 14:3; Hebr. 13:15, enz. Psalmen 50:14: Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 50:23: Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien. Psalmen 116:17: Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en de Naam van YHWH aanroepen. Hosea 14:3: Neem deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden.
[^jona-2-9-24]: Kanttekening 24: 24 beloofd heb: Zie Ps. 50:14, en Ps. 61:6, met de aantekening. Psalmen 50:14: Offert voor God dank, en betaalt de Allerhoogste uw geloften. Psalmen 61:6: Want U, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
[^jona-2-9-25]: Kanttekening 25: 25 Het heil is van YHWH: Anders: al het heil; dat is, alle verlossing, zo van het lichaam als van de ziel, komt alleen van Hem. Zie Ps. 3:9, en Ps. 36:6, Ps. 36:7, Ps. 36:8. Psalmen 3:9: Het heil is van YHWH; Uw zegen is over Uw volk. Sela. Psalmen 36:6: O YHWH! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Psalmen 36:7: Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten. Psalmen 36:8: Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen.
[^jona-2-9-d]: Verwijzing d: Ps. 3:9. Psalmen 3:9: Het heil is van YHWH; Uw zegen is over Uw volk. Sela.
[^jona-2-10-26]: Kanttekening 26: Hebr. eigenlijk, zei. Gods zeggen is zijn gebieden, regeren, beschikken en doen. Zie Gen. 1:3. De zin is: Hij regeerde deze vis zo, dat hij dat deed. Genesis 1:3: En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^jona-2-10-27]: Kanttekening 27: 27 op het droge: Dat is, op het land, gelijk boven Jona 1:9, Jona 1:13. Jona 1:9: En hij zei tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreze YHWH, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft. Jona 1:13: Maar de mannen roeiden, om het schip weer te brengen aan het droge, maar zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.

### Jona 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jona/3.json)

*Jona, opnieuw door God gezonden, predikt de Ninevieten hun ondergang, vers 1 enz. Doordat zij dit geloven, verootmoedigen zij zich voor de HEERE (zowel de koning als de onderdanen) met vasten, bidden, en zij beteren hun leven, 5. Waarop God hen spaart, 10.*

**1** En het woord van YHWH kwam voor de tweede[^jona-3-1-1] keer tot Jona, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v1)

**2** Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u[^jona-3-2-2] spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v2)

**3** Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve,[^jona-3-3-3] naar het woord van YHWH. Nineve nu was een grote stad[^jona-3-3-4] van God,[^jona-3-3-5] van drie dagreizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v3)

**4** En Jona begon in de stad te gaan, één dagreis; en hij predikte, en zei:[^jona-3-4-6] Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden[^jona-3-4-7] omgekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v4)

**5** [^jona-3-5-8] En de[^jona-3-5-a] mensen van Nineve[^jona-3-5-9] geloofden aan God; en zij riepen een[^jona-3-5-10] vasten uit, en bekleedden zich met[^jona-3-5-11] zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v5)

**6** Want[^jona-3-6-12] dit woord[^jona-3-6-13] geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn[^jona-3-6-14] heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neer[^jona-3-6-15] in de as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v6)

**7** En hij[^jona-3-7-16] liet uitroepen, en men[^jona-3-7-17] sprak te Nineve, uit[^jona-3-7-18] bevel van de koning en van zijn groten, zeggende: Laat mens noch[^jona-3-7-20] beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.[^jona-3-7-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v7)

**8** Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en[^jona-3-8-21] zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, ieder van zijn boze[^jona-3-8-22] weg, en van het geweld, dat in hun[^jona-3-8-23] handen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v8)

**9** [^jona-3-9-24][^jona-3-9-b] Wie weet, God mocht Zich wenden, en[^jona-3-9-25] berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v9)

**10** En God zag hun[^jona-3-10-26] werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg; en het berouwde God over het[^jona-3-10-27] kwaad, dat Hij[^jona-3-10-28] gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed[^jona-3-10-29] het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/3.html#v10)

[^jona-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 ten anderen male tot Jona: Zonder welke Jona, die zich dit hoge beroep door zijn vluchten onwaardig had gemaakt, dat niet had mogen bestaan.
[^jona-3-2-2]: Kanttekening 2: Dat is, tevoren bevolen heb, en nu opnieuw weer opleg.
[^jona-3-3-3]: Kanttekening 3: 3 naar het woord van YHWH: Zijnde nu gehoorzaam, wat hij tevoren niet was geweest, en daarom zo hard gekastijd.
[^jona-3-3-4]: Kanttekening 4: 4 stad van God: Of, voor God; dat is, een bovenmate grote stad. Zie zulk een gebruik in de Hebr. spraak, van het woord YHWH, of God, tot betekenis van uitnemendheid bij te voegen, Gen. 13:10. Sommigen vergelijken hiermee de manier van spreken Jes. 22:5; Hand. 7:20, en 2 Kor. 10:4. Dit was een bewijs, dat God naar gene grootheid of heerlijkheid vraagt, \[die Hij zelf de mensen geeft\] als de mensen goddeloos zijn. Van de uitnemende grootheid van deze stad betuigen ook verscheidenen schrijvers. Genesis 13:10: En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de gehele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer YHWH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van YHWH, als Egypteland, als u komt te Zoar. Jesaja 22:5: Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van de Heer, YHWH van de legermachten, in het dal van het gezicht, een dag van ontmuring van de muur, en van geschreeuw naar het gebergte toe. Handelingen 7:20: In welke tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten;
[^jona-3-3-5]: Kanttekening 5: 5 van drie dagreizen: Hebr. een reis van drie dagen.
[^jona-3-4-6]: Kanttekening 6: 6 Nog veertig dagen: Dat is, na die tijd, als die zal zijn verstreken, zal God deze stad uitroeien en verdoen. Voorbehouden in Gods raad de voorwaarde van bekering, gelijk de uitkomst heeft geleerd, en dit prediken van Jona, en ook het uitstel van de voortgezetten tijd bedektelijk gaven te verstaan, en Gods Woord overal betuigt. Dit kan men nemen als een sommier, of kort begrip van Jona's predikatie.
[^jona-3-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, uitgeroeid, verwoest worden. Deze manier van spreken wordt doorgaans in de Heilige Schrift gebruikt, bijzonder van Sodom, Gomorra, enz.
[^jona-3-5-8]: Kanttekening 8: 8 En de mensen van Nineve: In vers 6, vers 7, vers 8, vers 9, vers 10 wordt het geloof en de bekering van de Ninevieten beschreven. Zie daarvan de woorden van de Heer Christus, Matt. 12:41; Luk. 11:32. Jona 3:6: Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. Jona 3:7: En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel van de koning en van zijn groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken. Jona 3:8: Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een ieder van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is. Jona 3:9: Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen! Jona 3:10: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet. Mattheüs 12:41: De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! Lukas 11:32: De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
[^jona-3-5-a]: Verwijzing a: Matt. 12:41; Lukas 11:32. Mattheüs 12:41: De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! Lukas 11:32: De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
[^jona-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 geloofden aan God: Verg. Ex. 14:31; 2 Kron. 20:20 met de aantekening. Exodus 14:31: Ook zag Israël de grote hand, die YHWH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde YHWH, en geloofde in YHWH, en aan Mozes, Zijn knecht. 2 Kronieken 20:20: En zij maakten zich 's morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittrokken, stond Josafat en zei: Hoort mij, o Juda, en u, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in YHWH, uw God, zo zult u bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en u zult voorspoedig zijn.
[^jona-3-5-10]: Kanttekening 10: Zie Joël 1:14 met de aantekening. Joël 1:14: Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van YHWH, uws Gods, en roept tot YHWH.
[^jona-3-5-11]: Kanttekening 11: 11 met zakken: Zie Gen. 37:34; Joël 1:8, Joël 1:13, enz. Genesis 37:34: Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. Joël 1:8: Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege de man van haar jeugd. Joël 1:13: Omgordt u, en rouwklaagt, u priesters! huilt, u dienaren van het altaar! gaat in, overnacht in zakken, u dienaren mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
[^jona-3-6-12]: Kanttekening 12: 12 dit woord: Of, deze zaak, te weten de predikatie van Jona.
[^jona-3-6-13]: Kanttekening 13: 13 geraakte tot de koning van Nineve: Dat is, drong door, kwam voor hem.
[^jona-3-6-14]: Kanttekening 14: 14 zijn heerlijk overkleed: Of, tabbaard, rok, koninklijken mantel, of overkleed. Hetzelfde Hebr. woord wordt gebruikt van de mantel van de profeet Elia, 2 Kon. 2:8, en van de Babylonische mantel, die Achan gestolen had, Joz. 7:21, en betekent anders heerlijkheid. Zie Ez. 17:8; Zach. 11:3, en verg. Gen. 25:25, en Ps. 8:2; Micha 2:8. 2 Koningen 2:8: Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge. Jozua 7:21: Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, waarvan het gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. Ezechiël 17:8: Hij was in een goede akker bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht. Zacharia 11:3: Er is een stem van het gehuil van de herderen, omdat hun heerlijkheid verwoest is; een stem van het gebrul van de jonge leeuwen, omdat de hoogmoed van de Jordaan verwoest is. Genesis 25:25: En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. Psalmen 8:2: O YHWH, onze Heer! hoe heerlijk is Uw Naam op de gehele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. Micha 2:8: Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van de strijd.
[^jona-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 in de as: Of, op. Zie Job 2:8. Job 2:8: En hij nam zich een potscherf, om zich daarmee te schrabben, en hij zat neder in het midden van de as.
[^jona-3-7-16]: Kanttekening 16: 16 liet uitroepen: Anders: riep \[het volk\] bijeen.
[^jona-3-7-17]: Kanttekening 17: 17 men sprak: Hebr. hij zei; dat is men beval, gebood, gelijk elders. Zie Neh. 13:9, Neh. 13:19, en verg. Jona 2:10. Of, hij \[de koning\] zei, dat is liet zeggen, uit bevel van de koning; dat is, zijn bevel en van zijn groten, gelijk volgt. Nehemia 13:9: Verder gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en de wierook. Nehemia 13:19: Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag. Jona 2:10: YHWH nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
[^jona-3-7-18]: Kanttekening 18: Hebr. eigenlijk, smaak, dat is oordeel, goedvinden en vervolgens bevel. Zie van het Hebr. woord Job 12:20. Zo wordt dit woord in Ezra en Daniël dikwijls gebruikt. Job 12:20: Hij beneemt de getrouwen de spraak, en het oordeel van de ouden neemt Hij weg.
[^jona-3-7-20]: Kanttekening 20: 20 noch beest, rund noch schaap: Niet alsof de beesten een redelijke ziel en verstand van bekering hadden, maar omdat zij verscheidenlijk van de mensen worden misbruikt, en om de zonde van de mensen mee moeten lijden, zo heeft men door dit droevig schouwspel de ingezetenen te meer tot deernis en medelijden willen bewegen, enz. Verg. de aantekening op Joël 2:16. Joël 2:16: Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
[^jona-3-7-19]: Kanttekening 19: 19 zijn groten: De raadsheren, vorsten, voornaamsten in de staat. Zie 2 Kon. 10:6, en 2 Kon. 25:9; Jer. 5:5, met de aantekening. 2 Koningen 10:6: Toen schreef hij ten tweede male tot hen een brief, zeggende: Zo u mijn bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu de konings, zeventig mannen, waren bij de groten van de stad, die hen opvoedden.) 2 Koningen 25:9: En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. Jeremia 5:5: Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.
[^jona-3-8-21]: Kanttekening 21: 21 en zullen sterk tot God roepen: Dit bidden en bekeren moet men verstaan van de mensen. Hoewel de beesten op hun wijze somtijds in de Heilige Schrift gezegd worden tot God te roepen. Zie Job 39:3; Ps. 147:9; Joël 1:20, met de aantekening. Job 39:3: Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? Psalmen 147:9: Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen. Joël 1:20: Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.
[^jona-3-8-22]: Kanttekening 22: 22 zijn bozen weg: Dat is, handel en wandel; zie Gen. 6:12, en Spr. 2:12. Genesis 6:12: Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Spreuken 2:12: Om u te redden van de kwade weg, van de man, die verkeerdheden spreekt;
[^jona-3-8-23]: Kanttekening 23: 23 hun handen: Dat is, wat zij gewrocht en bedreven hebben, en waaraan zij schuldig zijn. Hebr. palmen; gelijk Ps. 7:4. Psalmen 7:4: YHWH, mijn God, als ik dat gedaan heb, als er onrecht in mijn handen is;
[^jona-3-9-24]: Kanttekening 24: 24 Wie weet: Verg. Joël 2:14 met de aantekening. Joël 2:14: Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God.
[^jona-3-9-b]: Verwijzing b: Joël 2:14. Joël 2:14: Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God.
[^jona-3-9-25]: Kanttekening 25: 25 en berouw hebben: Zie Gen. 6:6, en Joël 2:13 met de aantekening. Genesis 6:6: Toen berouwde YHWH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. Joël 2:13: En scheurt uw hart en niet uw kleren, en bekeert u tot YHWH, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
[^jona-3-10-26]: Kanttekening 26: 26 hun werken: Met welke zij hun geloof en bekering betuigden.
[^jona-3-10-27]: Kanttekening 27: 27 het kwaad: Van de straf.
[^jona-3-10-28]: Kanttekening 28: 28 gesproken had hun te zullen doen: Dat is, gedreigd had door Jona, in die voege, gelijk vers 4 is aangetekend. Jona 3:4: En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zei: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd.
[^jona-3-10-29]: Kanttekening 29: 29 Hij deed het niet: Verschonende hen voor die tijd; maar daarna tot dezelfde boosheid \[in het bijzonder tegen Gods volk\] weer vervallen zijnde, is deze koninklijke stad en de Assyrische monarchie uitgeroeid. Zie Ez. 31; Nah. 1:1, enz.; Zef. 2:13, enz. Nahum 1:1: De last van Nineve. Het boek van het gezicht van Nahum, de Elkosiet. Zefanja 2:13: Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn.

### Jona 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jona/4.json)

*Jona is hierover zeer verdrietig, en beklaagt zich daarover voor de HEERE, vers 1 enz. Die hem daarover bestraft, en hem door de wonderboom onderwijst en overtuigt, 6 enz.*

**1** Dit[^jona-4-1-1] verdroot Jona met groot verdriet, en[^jona-4-1-2] zijn toorn ontstak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v1)

**2** En hij[^jona-4-2-3] bad tot YHWH, en zei: Och YHWH! was dit mijn[^jona-4-2-4] woord niet, als ik nog in mijn land was?[^jona-4-2-5] Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een[^jona-4-2-a] genadig en barmhartig God bent,[^jona-4-2-6] geduldig en groot van goedertierenheid, en[^jona-4-2-7] berouw hebbende over het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v2)

**3** Nu dan, YHWH! neem toch mijn[^jona-4-3-8] ziel van mij; want[^jona-4-3-9] het is mij beter te sterven dan te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v3)

**4** En YHWH zei: Is uw toorn terecht ontstoken?[^jona-4-4-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v4)

**5** Jona nu[^jona-4-5-11] ging ter stad uit, en zette zich tegen het oosten van de stad; en hij maakte zich daar een afdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat[^jona-4-5-12] van de stad zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v5)

**6** En God, YHWH,[^jona-4-6-13] beschikte een[^jona-4-6-14] wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er[^jona-4-6-15] schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn[^jona-4-6-16] verdriet. En Jona verblijdde zich over de[^jona-4-6-17] wonderboom met grote blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v6)

**7** Maar God[^jona-4-7-18] beschikte een worm op de andere dag in het opgaan van de dageraad; die[^jona-4-7-19] stak de wonderboom, dat hij verdorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v7)

**8** En het gebeurde, als de zon oprees, dat God een[^jona-4-8-20] stille oostenwind beschikte; en de zon[^jona-4-8-21] stak op het hoofd van Jona, dat hij[^jona-4-8-22] amechtig werd; en hij[^jona-4-8-23] wenste van zijn ziel te mogen sterven, en zei:[^jona-4-8-24] Het is mij beter te sterven dan te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v8)

**9** Toen zei God tot Jona:[^jona-4-9-25] Is uw toorn terecht ontstoken over de wonderboom? En hij zei: Terecht is mijn toorn[^jona-4-9-26] ontstoken ter dood toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v9)

**10** En YHWH zei: U ontziet de wonderboom, aan welke u niet hebt gewerkt, noch die[^jona-4-10-28] groot gemaakt; die[^jona-4-10-29] in een nacht werd, en in een nacht verging;[^jona-4-10-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v10)

**11** En Ik zou die grote stad Nineve niet sparen? waarin veel meer dan[^jona-4-11-30] honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen[^jona-4-11-31] onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel[^jona-4-11-32] vee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jona/4.html#v11)

[^jona-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 verdroot Jona: Hebr. en het was, scheen, of deed kwaad aan, of bij Jona, \[met\] grote kwaadheid. Gelijk wij het woord kwaad dikwijls gebruiken inzake van toornigheid en misnoegen, zo wordt het ook bij de Hebreën veel genomen in betekenis van mishagen, droefenis, verdriet, moeilijkheid, enz. Zie Gen. 21:11, en Gen. 40:7; Spr. 15:15; Pred. 7:3. De zin is dat het Jona zeer misviel en kwelde, denkende uit menselijke zwakheid dat Gods eer en waarheid daardoor mocht gekrenkt worden, en hij voor een valse profeet gehouden, terwijl hij uit de tussenkomende bekering en verloop van tijd afnam, of anders door Gods openbaring wist, dat Nineve voor ditmaal zou verschoond worden. Of dit voor, of na het einde van de veertig dagen geschied is, wordt hier niet verhaald. Genesis 21:11: En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon. Genesis 40:7: Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld? Spreuken 15:15: Al de dagen van de bedrukte zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd. Prediker 7:3: Het treuren is beter dan het lachen; want door het verdriet van het aangezicht wordt het hart gebeterd.
[^jona-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 zijn toorn ontstak: Hebr. hem ontstak; te weten de toorn. Zie onder jona. 4:4, vers 9. Jona 4:9: Toen zei God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over de wonderboom? En hij zei: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe.
[^jona-4-2-3]: Kanttekening 3: 3 hij bad tot YHWH: In zijn onverstand en verdriet begeeft hij zich evenwel tot God, van wiens aangezicht hij tevoren gevlucht was.
[^jona-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 was dit mijn woord niet: Dat is, mijn zeggen, te weten bij mijzelf; dat is, dacht ik niet dat het zo gaan mocht? Immers ja, wil hij zeggen; daarom. enz.
[^jona-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 Daarom kwam ik het voor: Jona wil hier zijn vluchten verontschuldigen; waarover hij nochtans van God zo zwaar was gekastijd.
[^jona-4-2-a]: Verwijzing a: Ex. 34:6; Ps. 86:5; Joël 2:13. Exodus 34:6: Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Psalmen 86:5: Want U, YHWH! bent goed, en graag vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, YHWH! Joël 2:13: En scheurt uw hart en niet uw kleren, en bekeert u tot YHWH, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
[^jona-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 lankmoedig en groot van goedertierenheid: Zie Ex. 34:6. Exodus 34:6: Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.
[^jona-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 en berouw hebbende: Gelijk Jona 3:9, Jona 3:10. Jona 3:9: Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen! Jona 3:10: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.
[^jona-4-3-8]: Kanttekening 8: 8 mijn ziel van mij: Zie Gen. 35:18; 1 Kon. 19:4. Genesis 35:18: En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. 1 Koningen 19:4: Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, YHWH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
[^jona-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 het is mij beter te sterven dan te leven: Hebr. mijn dood is beter dan mijn leven; dat is, ik wilde liever sterven dan leven, mijn dood zou mij aangenamer zijn dan mijn leven. Verg. Job 10:1. Job 10:1: Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
[^jona-4-4-10]: Kanttekening 10: 10 Is uw toorn billijk ontstoken: Hebr. is u wel ontstoken? Dit verstaan sommigen alsof God zei: Bent u al billijk of met recht ontstoken? willende zeggen, in geen geval, maar ten onrecht, zonder reden, u bezondigt u. Anderen verstaan het alsof God zei: Bent u zozeer, in ernst, zo dapper of heviglijk ontstoken? uit vergelijking van vers 9, en het meeste gebruik van het Hebr. woord, voor ernstiglijk, wel terecht, volkomen, wel degelijk, gelijk wij ook in onze taal het woord wel zo gebruiken; hij was wel kwaad, of wel degelijk ben ik vertoornd, dat is, zeer. Zie deze betekenis, Deut. 9:21, en Deut. 13:14, en Deut. 17:4, en Deut. 19:18, en Deut. 27:8; 2 Kon. 11:18; Jes. 1:17; Micha 7:5. Beide is een bestraffing van de toorn, het een ziet op de onredelijkheid, het ander op de hevigheid, die, om de onredelijkheid, zondig was. Jona 4:9: Toen zei God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over de wonderboom? En hij zei: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe. Deuteronomium 9:21: Maar uw zonde, het kalf, dat u hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet. Deuteronomium 13:14: Zo zult u onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan; Deuteronomium 17:4: En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; Deuteronomium 19:18: En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broer; Deuteronomium 27:8: En u zult op deze stenen schrijven alle woorden van deze wet, die wel uitdrukkende. 2 Koningen 11:18: Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis van YHWH. Jesaja 1:17: Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe. Micha 7:5: Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
[^jona-4-5-11]: Kanttekening 11: 11 ging ter stad uit: Of, want Jona was de stad uitgegaan, enz.; zulks dat het volgende verhaal een verklaring is van de toestand van wat vooraf in het algemeen van Jona's toornigheid en Gods bestraffing gesproken is.
[^jona-4-5-12]: Kanttekening 12: 12 wat van de stad zou worden: Of, in de stad zou gebeuren, of zij in hun boetvaardigheid de tijd van veertig dagen zouden volharden en of God na die tijd de stad zou sparen, of niet.
[^jona-4-6-13]: Kanttekening 13: Zie boven Jona 1:17. Jona 1:17: YHWH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten.
[^jona-4-6-14]: Kanttekening 14: 14 een wonderboom: Hebr. Kikajon. Van dit gewas is zeer verscheiden gevoelen. De voornaamste uitleggers houden het nu voor de wonderboom, anders genaamd mollenkruid, of kruisboom, die in Egypte veel placht te groeien, en bekend te zijn met de naam van KIKI. Dit wast zeer haastiglijk en hoger op dan de lengte van een man, met grote brede bladeren, zijnde van verkoelende aard. Zie het kruidboek van Dodoneus.
[^jona-4-6-15]: Kanttekening 15: Als nu zijn eigen hut door de hitte van de zon mocht verdroogd en onnut geworden.
[^jona-4-6-16]: Kanttekening 16: 16 zijn verdriet: Om door deze onverwachte verkwikking zijn misnoegen \[waarvan in het begin van dit hfdst. gesproken is\] te verminderen en wat te breken, en verder door het vervolg hem te onderwijzen en op te richten. Hebr. kwaad, of kwaadheid. Zie boven vers 1. Jona 4:1: Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak.
[^jona-4-6-17]: Kanttekening 17: 17 de wonderboom: Vanwege het lieflijk en vermakelijk gerief, dat hij daarvan had, maar niet denkende op het einde, wat God daarmee voorhad.
[^jona-4-7-18]: Kanttekening 18: 18 beschikte een worm: Gelijk vers 6, en meteen weer in vers 8. Jona 4:6: En God, YHWH, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over de wonderboom met grote blijdschap. Jona 4:8: En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijn ziel te mogen sterven, en zei: Het is mij beter te sterven dan te leven.
[^jona-4-7-19]: Kanttekening 19: 19 die stak: Hebr. sloeg; dat is kwetste, stak enz. Verg. Gen. 8:21, en Hos. 9:16, en vers 8. Genesis 8:21: En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Hosea 9:16: Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden. Jona 4:8: En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijn ziel te mogen sterven, en zei: Het is mij beter te sterven dan te leven.
[^jona-4-8-20]: Kanttekening 20: 20 een stillen oostenwind: Of, zwijgenden, doven, waarop het Hebr. woord schijnt te zien; dat is, een zachten oostenwind, die zich niet liet horen noch voelen, en dienvolgens de hitte van de zon niet brak, waarover de zon te meer op zijn hoofd gestoken heeft.
[^jona-4-8-21]: Kanttekening 21: Hebr. sloeg.
[^jona-4-8-22]: Kanttekening 22: 22 amechtig werd: Of, bezweek, na aan het bezwijken en versmachten was.
[^jona-4-8-23]: Kanttekening 23: 23 wenste zijn ziel: Of, begeerde voor zijn ziel; dat is, zichzelven, zijn persoon; verg. Richt. 16:30, enz. Richteren 16:30: En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.
[^jona-4-8-24]: Kanttekening 24: 24 Het is mij beter te sterven dan te leven: Gelijk boven vers 3. Jona 4:3: Nu dan, YHWH! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.
[^jona-4-9-25]: Kanttekening 25: 25 Is uw toorn billijk ontstoken over de wonderboom: Gelijk boven vers 4. Jona 4:4: En YHWH zei: Is uw toorn billijk ontstoken?
[^jona-4-9-26]: Kanttekening 26: 26 ter dood toe: Zie vers 4, met de aantekening. Jona 4:4: En YHWH zei: Is uw toorn billijk ontstoken?
[^jona-4-10-28]: Kanttekening 28: 28 groot gemaakt: Dat is, opgebracht.
[^jona-4-10-29]: Kanttekening 29: 29 in een nacht werd, en in een nacht verging: Hebr. die een zoon, of kind van één nacht geweest, of geworden is, en een zoon van één nacht vergaan is; dat is, die in één nacht verging gelijk hij in één nacht was opgekomen; een Hebr. manier van spreken. Verg. de aantekening. Gen. 5:32, enz. Genesis 5:32: En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth.
[^jona-4-10-27]: Kanttekening 27: 27 U verschoont de wonderboom: Dat is, u zou hem graag hebben verschoond, u had graag gezien dat hij in bloei was gebleven, het deerde u over hem, enz.
[^jona-4-11-30]: Kanttekening 30: 30 honderd en twintig duizend mensen: Hebr. twaalf millioen, of twaalf maal tien duizend.
[^jona-4-11-31]: Kanttekening 31: 31 die geen onderscheid weten: Dat is, kleine, jonge, onmondige kinderen, die nog tot de jaren van het onderscheid niet gekomen zijn, en van veel meerder waardij zijn dan uw wonderboom, waar u zoveel werk van maakt.
[^jona-4-11-32]: Kanttekening 32: 32 veel vee: Dat toch ook veel waardiger is dan die wonderboom. Hierop volgt geen tegenspraak van Jona.

## Micha

### Micha 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/1.json)

*Micha's vaderland, beroep en de tijd van zijn profeteren, vers 1. bekendmaking van Gods komst om zijn volk te oordelen vanwege hun afgoderij, 2. profetie en profetische uitbeelding van de verwoesting en ellende die Israël en Juda in het algemeen, en verschillende plaatsen in het bijzonder, zouden overkomen, en hen reeds drukten, 6.*

**1** Het woord van YHWH, dat gebeurd is tot[^micha-1-1-1] Micha, de[^micha-1-1-2] Morastiet, in de dagen van[^micha-1-1-3] Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij[^micha-1-1-4] gezien heeft over[^micha-1-1-5] Samaria en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v1)

**2** Hoor,[^micha-1-2-6][^micha-1-2-a] u volken allemaal! merk op, u[^micha-1-2-7] aarde, en ook van die[^micha-1-2-8] volheid! Adonai YHWH nu[^micha-1-2-9] zal tot een getuige zijn[^micha-1-2-10] tegen[^micha-1-2-11] u, de Heere uit de[^micha-1-2-12] tempel van Zijn heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v2)

**3** Want zie,[^micha-1-3-b] YHWH[^micha-1-3-13] gaat uit van Zijn[^micha-1-3-c] plaats, en Hij zal neerdalen en[^micha-1-3-14] treden op de[^micha-1-3-d] hoogten van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v3)

**4** En de bergen zullen[^micha-1-4-e] onder Hem[^micha-1-4-15] versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het[^micha-1-4-16] vuur, gelijk[^micha-1-4-17] wateren, die uitgestort worden in de[^micha-1-4-18] laagte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v4)

**5** [^micha-1-5-19] Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis van Israël;[^micha-1-5-20] wie is[^micha-1-5-21] het begin van[^micha-1-5-22] de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v5)

**6** Daarom zal Ik Samaria stellen tot een[^micha-1-6-23] steenhoop van het veld, tot plantingen van een wijngaard; en Ik zal haar[^micha-1-6-24] stenen in[^micha-1-6-25] de vallei storten, en haar fundamenten[^micha-1-6-26] ontdekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v6)

**7** En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar[^micha-1-7-27] hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar[^micha-1-7-28] afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon verzameld, en zij zullen[^micha-1-7-29] tot hoerenloon terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v7)

**8** [^micha-1-8-30] Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen; ik zal[^micha-1-8-31] beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen maken als de[^micha-1-8-32][^micha-1-8-f] draken, en treuren als de jonge struisvogels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v8)

**9** Want haar plagen[^micha-1-9-33] zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan[^micha-1-9-34] Juda;[^micha-1-9-35] hij is geraakt tot aan de poort[^micha-1-9-36] van mijn volk, tot aan Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v9)

**10** [^micha-1-10-g] Verkondigt het niet te[^micha-1-10-37] Gath, weent[^micha-1-10-38] zo jammerlijk niet;[^micha-1-10-39][^micha-1-10-h] wentelt u in het stof[^micha-1-10-40] in het huis van Afra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v10)

**11** [^micha-1-11-41] Ga door, u inwoneres van Safir! met[^micha-1-11-42][^micha-1-11-i] blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet[^micha-1-11-43] uit; klaagzang is te Beth-haezel; hij[^micha-1-11-44] zal zijn stand van u nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v11)

**12** Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege[^micha-1-12-45] de goeds; want een[^micha-1-12-46][^micha-1-12-k] kwaad is van YHWH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v12)

**13** [^micha-1-13-47] Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van[^micha-1-13-48] Lachis! (deze is van de dochter van Sion het[^micha-1-13-49] begin van de zonde) want in u zijn[^micha-1-13-50] Israëls overtredingen gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v13)

**14** Daarom[^micha-1-14-51] geef geschenken[^micha-1-14-52] aan[^micha-1-14-53] Morescheth-gaths; de huizen van[^micha-1-14-54] Achzib zullen de koningen van Israël tot een[^micha-1-14-55] leugen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v14)

**15** Ik zal u nog een[^micha-1-15-56] erfgenaam toebrengen, u inwoneres van[^micha-1-15-57] Maresa![^micha-1-15-58] Hij zal komen tot aan Adullam,[^micha-1-15-59] tot aan de[^micha-1-15-60] heerlijkheid van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v15)

**16** Maak[^micha-1-16-61] u[^micha-1-16-62] kaal en scheer u, om uw[^micha-1-16-63] troetelkinderen;[^micha-1-16-64] verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij[^micha-1-16-65] als gevangene van u zijn weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/1.html#v16)

[^micha-1-1-1]: Kanttekening 1: Die onderscheiden moet worden van die anderen Micha, de zoon van Jimla, die geprofeteerd heeft ten tijde van Achab en Josafat; 1 Kon. 22:8 , enz.; 2 Kron. 18:7 , enz. 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo! 2 Kronieken 18:7 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo.
[^micha-1-1-2]: Kanttekening 2: Zie Jer. 26:18 , alwaar deze profeet en zijn profetie uitdrukkelijk gedacht wordt; zie ook onder vers 14 en 15. Jeremia 26:18 : Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud.
[^micha-1-1-3]: Kanttekening 3: Jotham, Achaz en Jehizkia: Ten tijde van deze koningen heeft Jesaja ook geprofeteerd, Jes. 1:1 . Zie van de regering van deze koningen 2 Kon. 15 tot en met 2 Kon. 21 en 2 Kron. 27 tot en met 2 Kron. 33 . Jesaja 1:1 : Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
[^micha-1-1-4]: Kanttekening 4: gezien heeft: Dat is, welk woord hem van God door gezichten is geopenbaard. Zie Ez. 13:3 ; Amos 1:1 , enz. Ezechiël 13:3 : Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! Amos 1:1 : De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
[^micha-1-1-5]: Kanttekening 5: over Samaria en Jeruzalem: Dat is, het koninkrijk Israël, of van de tien stammen, en het koninkrijk van Juda. Samaria was de koninklijke hoofdstad van Israël, gelijk Jeruzalem van Juda.
[^micha-1-2-6]: Kanttekening 6: u volken allemaal: Hebr. volken, die, of zij alle, gelijk elders; een figuurlijke verdagvaarding van alle volken en creaturen, om te verschijnen en te helpen in het oordeel van God, dat Hij over zijn volk wilde uitspreken. Verg. Deut. 32:1 ; Ps. 50:1 ; Jes. 1:2 ; Jer. 6:18 , 6:19 ; Amos 3:9 . Verg. ook onder Micha 6:1 , 6:2 . Sommigen verstaan door de volken al de stammen van Gods volk, en door de aarde het land Kanaän. Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Psalmen 50:1 : Een psalm van Asaf. De God van de goden, YHWH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang. Jesaja 1:2 : Hoort, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. Jeremia 6:18 : Daarom hoort, u heidenen! en verneem, o u vergadering! wat onder hen is. Jeremia 6:19 : Hoor toe, u aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij. Amos 3:9 : Doet het horen in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van Samaria, en ziet de grote beroerten in het midden van haar, en de verdrukten binnen in haar. Micha 6:1 : Hoort nu, wat YHWH zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. Micha 6:2 : Hoort, u bergen! de twist van YHWH, en ook u sterke fondamenten van de aarde! want YHWH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
[^micha-1-2-a]: Verwijzing a: Deut. 32:1 ; Jes. 1:2 . Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Jesaja 1:2 : Hoort, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want YHWH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.
[^micha-1-2-7]: Kanttekening 7: Anders, land.
[^micha-1-2-8]: Kanttekening 8: Gelijk Ps. 24:1 . Psalmen 24:1 : Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
[^micha-1-2-9]: Kanttekening 9: zal tot een getuige zijn: Of, zij ten getuige.
[^micha-1-2-10]: Kanttekening 10: Of, onder; ziende op de volken in wier aanwezigheid God als tegen zijn volk wilde getuigen.
[^micha-1-2-11]: Kanttekening 11: U van Samaria en Jeruzalem, om u in volle gericht van uw boosheid en de rechtvaardigheid van zijn straffen te overtuigen. Verg. Ps. 50:7 met de aantekening. Psalmen 50:7 : Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
[^micha-1-2-12]: Kanttekening 12: tempel zijn heiligheid: Dat is, zijn heilige tempel, of zijn heilig paleis; zullende \[om zo te spreken\] afkomen uit de hemel, \[waar Hij met zijn heerlijkheid woont\] of uit de tempel van Jeruzalem, \[waar Hij met zijn genadige aanwezigheid woont\] niet om genade te bewijzen, maar om recht te houden. Zie Ps. 11:4 ; Jona 2:4 , Jona 2:7 met de aantekening. Psalmen 11:4 : YHWH is in het paleis Zijn heiligheid, van YHWH troon is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. Jona 2:4 : En ik zei: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen. Jona 2:7 : Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan YHWH, en mijn gebed kwam tot U, in de tempel van Uw heiligheid.
[^micha-1-3-b]: Verwijzing b: Jes. 26:21 . Jesaja 26:21 : Want ziet, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.
[^micha-1-3-13]: Kanttekening 13: gaat uit van zijn plaats: Zie Jes. 26:21 met de aantekening. Jesaja 26:21 : Want ziet, YHWH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.
[^micha-1-3-c]: Verwijzing c: Ps. 115:3 . Psalmen 115:3 : Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
[^micha-1-3-14]: Kanttekening 14: treden op de hoogten van de aarde: Zie Amos 4:13 . Amos 4:13 : Want zie, Die de bergen formeert, en de wind schept, en de mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die de dageraad duisternis maakt, en op de hoogten van de aarde treedt, YHWH, God van de legermachten, is Zijn Naam.
[^micha-1-3-d]: Verwijzing d: Deut. 32:13 ; Deut. 33:29 . Deuteronomium 32:13 : Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; Deuteronomium 33:29 : Welgelukzalig zijt u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door YHWH, het Schild uw hulp, en Die een Zwaard is uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden!
[^micha-1-4-e]: Verwijzing e: Ps. 97:5 ; Amos 9:5 . Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde. Amos 9:5 : Want de Heer YHWH van de legermachten is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.
[^micha-1-4-15]: Kanttekening 15: versmelten, en de dalen gekloofd worden: Als de tegenwoordiogheid en de toorn van deze Rechter niet kunnende verdragen; figuurlijk gesproken, gelijk Ps. 97:5 . Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde.
[^micha-1-4-16]: Kanttekening 16: Versta, smelt.
[^micha-1-4-17]: Kanttekening 17: wateren, die uitgestort worden: Versta, gespleten worden, dat is die in kleine druppelen verdeeld worden en zich als verliezen, wanneer zij van de hoogte omlaag gestort worden. Verg. 2 Sam. 14:14 . 2 Samuël 14:14 : Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote.
[^micha-1-4-18]: Kanttekening 18: Hebr. afgang, nederdaling.
[^micha-1-5-19]: Kanttekening 19: Dit alles: Dat in het voorgaande gezegd is, zal alles gebeuren.
[^micha-1-5-20]: Kanttekening 20: wie is: Dat is, wie zijn de voornaamste auteurs en stichters van de boosheid en afgoderij in Israël? Het zijn voorzeker die van Samaria.
[^micha-1-5-21]: Kanttekening 21: het begin van : Verg. onder vers 13 . Micha 1:13 : Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van Lachis! (deze is van de dochter van Sion het begin van de zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden.
[^micha-1-5-22]: Kanttekening 22: de overtreding van Jakob: Of, afval; dat is, wie zijn de auteurs en stichters van de afgodische hoogten en die het volk daartoe verleiden en met hun kwaad voorbeeld voorgaan in Juda? \[zie Lev. 26:30 ; Ez. 20:29 .\] Het zijn gewisselijk die van Jeruzalem. Leviticus 26:30 : En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Ezechiël 20:29 : En Ik zei tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen u gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe.
[^micha-1-6-23]: Kanttekening 23: steenhoop van het veld: Of, aardhoop; dat is, de stad, die nu zo prachtig en sierlijk gebouwd is, zal Ik maken tot een aardhoop, een veld dat omgewroet, omgearbeid en overhoop geworpen is, om een wijngaard daarin te planten. Verg. Micha 3:12 . Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.
[^micha-1-6-24]: Kanttekening 24: Hun muren en gebouwen.
[^micha-1-6-25]: Kanttekening 25: Omdat Samaria op een berg gelegen was.
[^micha-1-6-26]: Kanttekening 26: De stad omkeren, dat de fundamenten ontbloot worden en niets op zijn plaats blijft. Zie Ez. 13:14 met de aantekening. Ezechiël 13:14 : Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; zo zal de stad vallen, en u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik YHWH ben.
[^micha-1-7-27]: Kanttekening 27: hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden: Het Hebr. woord wordt voor hoerenloon gebruikt, maar staat hier in het getal van velen. Versta hierdoor alle rijkdom en overvloed, die haar God wel gegeven had, maar zij hielden ze voor giften van hun boelen, dat is, van de Baäls of afgoden, en een beloning van hun hoererij, dat is afgoderij, waarvan zij dan weer geschenken en presenten vereerden aan de afgoden, om die en hun tempels op te pronken. Zie hiervan Hos. 2:4 , Hos. 2:7 , Hos. 2:8 , Hos. 2:11 , en Hos. 9:1 . Buiten dat waren zij zo snood dat zij, in plaats van hoerenloon te ontvangen, zelfs hoerenloon gaven om nieuwe afgoden en afgodische verbonden te verkijgen. Zie Ez. 16:31 , Ez. 16:34 , Ez. 16:41 . Hosea 2:4 : Want hun moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. Hosea 2:7 : Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. Hosea 2:8 : Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. Hosea 2:11 : En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten. Hosea 9:1 : Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want u hoereert van uw God af; u hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van het koren. Ezechiël 16:31 : Als u uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende. Ezechiël 16:34 : Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, omdat men u niet naloopt, om te hoereren; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden. Ezechiël 16:41 : Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en u zult ook niet meer hoerenloon geven.
[^micha-1-7-28]: Kanttekening 28: haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid: Zie 2 Sam. 5:21 . 2 Samuël 5:21 : En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op.
[^micha-1-7-29]: Kanttekening 29: tot hoerenloon terugkeren: Dat is, als hoerenloon verdwijnen; gelijk wij zeggen: zo gewonnen, zo geronnen. Of, men kan het duiden op de Assyriërs, die het weer zouden roven en buiten, als een gift en beloning van hun afgoden, of hun hoeren daarvan lonen. Verg. Joël 3:3 . Joël 3:3 : En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
[^micha-1-8-30]: Kanttekening 30: Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen: Woorden van de profeet, gelijk Jes. 21:3 , en Jes. 22:4 ; Jer. 4:19 , en Jer. 9:1 , enz. om het volk te bewegen tot nadenken en bekering. Jesaja 21:3 : Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien. Jesaja 22:4 : Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring van de dochters mijns volks. Jeremia 4:19 : O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei. Jeremia 9:1 : Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.
[^micha-1-8-31]: Kanttekening 31: beroofd en naakt gaan: Of, berooid \[verg. Job 12:17 \] en naakt. Verg. Jes. 20:2 met de aantekening. Job 12:17 : Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig, Jesaja 20:2 : Ter zelfder tijd sprak YHWH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande naakt en barrevoets.
[^micha-1-8-32]: Kanttekening 32: Zie Job 30:29 , en verg. Ps. 102:7 met de aantekening. Job 30:29 : Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen. Psalmen 102:7 : Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen.
[^micha-1-8-f]: Verwijzing f: Job 30:29 . Job 30:29 : Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisen.
[^micha-1-9-33]: Kanttekening 33: zijn dodelijk: Hebr. is. Zo ook in de volgende woorden. Dat is, elk haar \[Samaria\] plagen, zij zijn alle ongeneeslijk, wanhopend.
[^micha-1-9-34]: Kanttekening 34: Tot een teken dat de tien stammen al verwoest waren, en dat de vijand verder doordrong in Juda. Verg. Jes. 8:7 , Jes. 8:8 , 2 Kon. 18:13 . 35 hij is geraakt tot aan de poort De vijand; of het, te weten kwaad, uit vers 12 . Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; Jesaja 8:8 : En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekkingen zijn vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël! 2 Koningen 18:13 : Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in. Micha 1:12 : Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege het goede; want een kwaad is van YHWH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.
[^micha-1-9-35]: Kanttekening 35: De vijand. Of, het , te weten: kwaad , uit vers 12.
[^micha-1-9-36]: Kanttekening 36: mijns volks: Hieruit leiden sommigen af dat deze profeet uit Juda geweest is, waarmee het verhaal overeenkomt, Jer. 26:19 , en boven vers 1 . Jeremia 26:19 : Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet YHWH, en smeekte het aangezicht van YHWH, zodat YHWH berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen. Micha 1:1 : Het woord van YHWH, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
[^micha-1-10-g]: Verwijzing g: 2 Sam. 1:20 . 2 Samuël 1:20 : Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde.
[^micha-1-10-37]: Kanttekening 37: Opdat de Filistijnen daarover niet juichen. Zie 2 Sam. 1:20 , met de aantekening. 2 Samuël 1:20 : Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde.
[^micha-1-10-38]: Kanttekening 38: zo jammerlijk niet: Hebr. wenende weent niet.
[^micha-1-10-39]: Kanttekening 39: wentelt u in het stof: Of, besprengt u met stof, tot een teken van rouw. Verg. Jer. 6:26 ; Ez. 27:30 met de aantekening. Jeremia 6:26 : O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen. Ezechiël 27:30 : En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as.
[^micha-1-10-h]: Verwijzing h: Jer. 6:26 . Jeremia 6:26 : O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enige zoons, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen.
[^micha-1-10-40]: Kanttekening 40: in het huis van Afra: Of, over het huis Afra, om daarvan wil. Men leest wel van Ofra in Manasse en een ander in Benjamin. Zie Richt. 6:11 , maar Afra of Beth-Afra wordt nergens dan hier vermeld, zo ook de volgende plaatsen Safir, Zaänan, Beth-Ezel, Maroth. Waaruit sommigen afleiden dat het verzonnen namen zijn, door welke de profeet enige bijzondere goede plaatsen heeft willen te verstaan geven, ziende op de betekenis van de woorden. Of immers dat hij gezien heeft op de betekenis van de namen van deze plaatsen, gelijk ook onder vers 14 en 15. Beth-Afra is zoveel als huis van het stof, of stofhuis, stoffig huis, alsof de profeet wilde zeggen: Wentel u in het stof, \[om of over die plaats\] die in het stof zal nedergelegd of verwoest worden. Safir is schoon, fraai. Zaänan waar veel vee is, of \[gelijk anderen\] daar veel uitgang is; Beth-haezel, het huis dat nabij, ter zijde, of afgezonderd, bewaard, gespaard is; Maroth bittere \[plaatsen\], of, bitterheden, waardoor men dorre magere plaatsen kan verstaan. Al deze plaatsen voorzegt de profeet de nakende ellenden. Sommige gissen dat Afra Efraïm beduidde; Safir Samaria, , Zaänan Zion , Beth-haezel Beth-El; Maroth Ramoth in Gilead, enz. Richteren 6:11 : Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^micha-1-11-41]: Kanttekening 41: Ga door: Hebr. gaat u door, gaat over, in gevangenschap het land heen uit. Aangaande het overtollig bijvoegsel u , zie Amos 7:12 . Amos 7:12 : Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar.
[^micha-1-11-42]: Kanttekening 42: blote schaamte: Hebr. ontbloot \[aan\] de schaamte. Zie Jes. 47:2 , 47:3 ; Jer. 13:22 met de aantekening daar. Jesaja 47:2 : Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren. Jesaja 47:3 : Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. Jeremia 13:22 : Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.
[^micha-1-11-i]: Verwijzing i: Jes. 47:3 . Jesaja 47:3 : Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.
[^micha-1-11-43]: Kanttekening 43: Met hun vee, om dat naar gewoonte te weiden, gelijk sommigen dit nemen. Of, zal niet kunnen uitgaan, als door de vijand benauwd, of voor hem bevreesd zijnde. Sommigen voegen het bij het volgende aldus: Is niet uitgegaan ter rouwklage van Beth-haezel, als hun naburen niet kunnende beklagen of troosten, omdat ze zelf in het lijden zijn.
[^micha-1-11-44]: Kanttekening 44: zal zijn stand van u nemen: Dat is, God zal zijn bijstand of residentie, verblijf van u wegnemen. Of hij, te weten de vijand, zal door uw ondergang gesterkt worden. Anders, \[dat\] zijn stand van u zal ontvangen, te weten Beth-haezel; dat is, naardat het de voorgemelde schone vette plaatsen gaat, daarnaar zullen de magere naburen ook moeten varen; want als die verwoest worden, zo moeten deze die van hen de leeftocht ontvangen gebrek lijden, waarvan verder in het volgende.
[^micha-1-12-45]: Kanttekening 45: goeds wil: Dat de ingezetenen verloren hebben, door de verwoesting van de vette aangrenzende streken, zelfs tot Jeruzalem toe. Of, dat de vijand die van Maroth zelf benomen heeft.
[^micha-1-12-46]: Kanttekening 46: De straf, te weten de verderving van het land door de Assyriërs.
[^micha-1-12-k]: Verwijzing k: Amos 3:6 . Amos 3:6 : Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat YHWH niet doet?
[^micha-1-13-47]: Kanttekening 47: Span de snelle dieren aan de wagen: Hebr. bind of span , \[het Hebr. woord wordt alleen hier zo gevonden\] de wagen aan, of met het snelle dier, of kameel, of paard, postpaard, loper, of muilezel. Zie 1 Kon. 4:28 . De profeet wil zeggen: haast u vrij om te vluchten voor de aankomst van de Assyriërs, die u zullen komen belegeren, het zal u niet helpen. Zie 2 Kon. 18:14 , 18:17 en 2 Kon. 19:8 . 1 Koningen 4:28 : De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kamelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, een iedereen naar zijn last. 2 Koningen 18:14 : Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de oppersten vijvers, welke is bij de hogen weg van het veld van de voller. 2 Koningen 19:8 : Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.
[^micha-1-13-48]: Kanttekening 48: Zie 2 Kon. 14:19 . 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^micha-1-13-49]: Kanttekening 49: begin van de zonde: Hieruit nemen sommigen af dat deze stad de eerste geweest is in Juda, die de afgoderij van Israël of van de tien stammen heeft nagevolgd, en met haar voorbeeld Jeruzalem, en zo verder de andere, verdorven. Anderen duiden het op de afval van Davids huis, waarin zij de tien stammen gelijk zou geworden zij, omdat zij hun eigen koning Amazia \[die voor de samenzweerders daar binnen gevlucht was\] heeft laten ombrengen. Beide kan onder deze woorden wel begrepen zijn, zo, dat zij eerst afgodisch met de tien stammen geworden zijnde, ook verder hun eigen koning ontrouw is geworden, en hem, de koning van Israël en de samenzweerders ten gevalle, verraderlijk heeft laten vermoorden, omdat de koning van Israël tegen Amazia krijg voerde, en vermoedelijk deze moord \[naar de wijze van het verdorven Israël\] gesticht had. Zie 2 Kon. 14:15 , 14:19 . 2 Koningen 14:15 : Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, de koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 2 Koningen 14:19 : En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar.
[^micha-1-13-50]: Kanttekening 50: Israëls overtredingen gevonden: Dat is, van de tien stammen. Zie de voorgaande aantekening daar.
[^micha-1-14-51]: Kanttekening 51: Zo wordt het Hebr. woord \[dat van\] zenden \[zijn oorsprong heeft\] ook gebruikt 1 Kon. 9:16 . 1 Koningen 9:16 : Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.
[^micha-1-14-52]: Kanttekening 52: Zie Jer. 26:18 . Anders, aan de bezitting; dat is omtrek van Gath. Jeremia 26:18 : Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud.
[^micha-1-14-53]: Kanttekening 53: Een koninklijke stad van de Filistijnen, \[gelijk boven vers 10 \], waarvan de vriendschap en hulp zij zouden zoeken door geschenken, maar tevergeefs, wil de profeet zeggen. Daar was ook een stad Marescha, toebehorende aan Juda, die bij Achzib gesteld wordt, Joz. 15:44 ; ook worden Gath en Marescha bij elkaar gevoegd, 2 Kron. 11:9 . Zie daar. Micha 1:10 : Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra. Jozua 15:44 : En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; 2 Kronieken 11:9 : En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
[^micha-1-14-54]: Kanttekening 54: Zie van Achzib in Juda, Joz. 15:44 , en van een ander in de stam Aser, \[gelegen aan de Middellandse zee, naar sommige kaarten\] Richt. 1:31 . Het kan zijn dat hier door de huizen van Achzib verstaan worden de soldaten, die de koningen van Israël nu en dan gehuurd mogen hebben van de overgebleven Kanaänieten, of dat zij met de ingezetenen van die streken een verbond mogen hebben gemaakt, en nu met hen hadden, om hen bij te staan tegen de Assyriër, maar al tevergeefs. De profeet noemt de stad Achzib alleen om de overeenkomst van de woorden Achzib en Achzab, dat is, leugen, of een leugenaar; gelijk in het volgende Marescha, en erfgenaam. Anderen verstaan, door de koningen van Israël de koningen van Juda, die over Israël of van de tien stammen overblijfsel zouden regeren, maar van de Babyloniërs uitgeroeid worden. Jozua 15:44 : En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
[^micha-1-14-55]: Kanttekening 55: leugen zijn: Dat is, zullen hun bedriegen, bedriegen.
[^micha-1-15-56]: Kanttekening 56: erfgenaam toebrengen: Of, erfelijke bezitter. Versta, de vijand. De profeet ziet op de betekenis van het woord Marescha en Moreschet, die hij \[om enerlei betekenis van\] erfenis schijnt voor een te nemen.
[^micha-1-15-57]: Kanttekening 57: Zie Joz. 15:44 ; 2 Kron. 11:8 , en 2 Kron. 14:9 ; idem Jer. 26:18 ; ook 2 Makk. 12:35 . Jozua 15:44 : En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; 2 Kronieken 11:8 : En Gath, en Maresa, en Zif, 2 Kronieken 14:9 : En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een legermacht van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe. Jeremia 26:18 : Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud. 2 Makkabeeën 12:35 : En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek heen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa.
[^micha-1-15-58]: Kanttekening 58: Hij zal komen tot aan Adullam: De nieuwe bezitter of erfgenaam, de vijand, zal doordringen tot in Juda, waar Adullam gelegen was, eertijds een koninklijke stad. Zie Joz. 12:15 , en Joz. 15:35 ; Neh. 11:30 . Jozua 12:15 : De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een; Jozua 15:35 : Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, Nehemia 11:30 : Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
[^micha-1-15-59]: Kanttekening 59: tot aan : Dit is hier ingevoegd uit vergelijking van boven vers 9 , 1:12 . Micha 1:9 : Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem. Micha 1:12 : Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege het goede; want een kwaad is van YHWH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.
[^micha-1-15-60]: Kanttekening 60: heerlijkheid Israëls: Te weten Jeruzalem, dat de heerlijkheid van geheel Israël was. Omdat deze woorden duister zijn, worden zij verscheidenlijk bij de uitleggers genomen. Anders, hij \[de vijand\] zal komen tot aan Adullum, de heerlijkheid van Israël; dat is, welke stad heerlijk en vermaard is in Israël, diep in het land, waar de spelonk Adullam, Davids toevlucht, nabij gelegen was.
[^micha-1-16-61]: Kanttekening 61: U inwoners van Marescha en de andere vorengemelde plaatsen. Sommigen duiden het op Jeruzalem of Zion, en de wegvoering naar Babel.
[^micha-1-16-62]: Kanttekening 62: kaal en scheer u: Tot teken van grote rouw. Zie Jer. 16:6 . Jeremia 16:6 : Zodat grote en kleine in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.
[^micha-1-16-63]: Kanttekening 63: Hebr. kinderen, of zoner van uw wellusten, of vermakingen; dat is, uw lieve kinderen.
[^micha-1-16-64]: Kanttekening 64: verwijd uw kaalheid: Dat is, maak u zeer kaal, wijd en breed; zo kaal gelijk de adelaar wordt wanneer hij aan het ververen is en al zijn pluimen en veren verliest.
[^micha-1-16-65]: Kanttekening 65: gevankelijk van u zijn weggevoerd: Te weten uw troetelkinderen.

### Micha 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/2.json)

*Wee, harde dienstbaarheid en verdrijving uit Kanaän, over de moedwillige geweldenaars, rovers en straatschenders onder het volk, verzen 1, 2, 3, 5, 8, 9, 10. klaaglied over het vijandig uitdelen van hun land, 4. God scheldt heftig de afkeer van zijn volk tegen de bestraffing van zijn profeten, en hun dwaze voorkeur voor de vleiende valse profeten, 6, 11. Profetie van de verzameling en het herstel van de kerk door haar Koning Christus, 12, 13.*

**1** Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad[^micha-2-1-1] werken op hun[^micha-2-1-2] bedden; in het licht van de[^micha-2-1-3] morgenstond doen zij het, omdat het[^micha-2-1-4] in de macht van hun hand is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v1)

**2** En zij[^micha-2-2-5][^micha-2-2-a] begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de[^micha-2-2-6] man en zijn[^micha-2-2-7] huis, ja, aan[^micha-2-2-8] ieder en zijn[^micha-2-2-9] erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v2)

**3** Daarom, zo zegt YHWH: Zie, Ik denk een[^micha-2-3-10] kwaad over dit geslacht, waaruit[^micha-2-3-11] u uw[^micha-2-3-12] halzen niet zult uittrekken, en zo[^micha-2-3-13] rechtop niet gaan; want het zal een[^micha-2-3-14][^micha-2-3-b] boze tijd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v3)

**4** Op die dag[^micha-2-4-15] zal men een[^micha-2-4-16] spreekwoord over u opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn[^micha-2-4-17] ten enenmale verwoest;[^micha-2-4-18] Hij verwisselt van mijn volk[^micha-2-4-19] deel;[^micha-2-4-20] hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit,[^micha-2-4-21] afwendende onze akkers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v4)

**5** [^micha-2-5-22] Daarom zult[^micha-2-5-23] u niemand hebben, die het snoer[^micha-2-5-c] werpe[^micha-2-5-24] in het lot, in de gemeente van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v5)

**6** [^micha-2-6-25] Profeteer[^micha-2-6-26] u niet,[^micha-2-6-d] zeggen zij,[^micha-2-6-27] laat[^micha-2-6-28] die profeteren; zij profeteren niet als[^micha-2-6-29] die; men[^micha-2-6-30] wijkt niet af[^micha-2-6-31] van smaadheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v6)

**7** O u, die Jakobs huis[^micha-2-7-32] geheten bent! Is dan de[^micha-2-7-33] Geest van YHWH[^micha-2-7-34] verkort? Zijn dat[^micha-2-7-35] Zijn werken? Doen[^micha-2-7-36] Mijn woorden geen goed bij die, die[^micha-2-7-37] recht wandelt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v7)

**8** [^micha-2-8-38] Maar[^micha-2-8-39] gisteren stelde zich Mijn volk op,[^micha-2-8-40] tot vijand,[^micha-2-8-41] tegenover een kleed;[^micha-2-8-42] u stroopt een[^micha-2-8-43] mantel van degenen, die[^micha-2-8-44] zeker voorbijgaan,[^micha-2-8-45] terugkomende van de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v8)

**9** De vrouwen van Mijn volk verdrijft u, elk één uit het huis van[^micha-2-9-46] haar vermakingen; van haar kinderen neemt u[^micha-2-9-47] Mijn sieraad in[^micha-2-9-48] eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v9)

**10** Maak u dan op, en ga[^micha-2-10-49] heen; want[^micha-2-10-50] dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met[^micha-2-10-51] een geweldige verderving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v10)

**11** Zo er iemand is,[^micha-2-11-52] die met[^micha-2-11-53] wind omgaat, en vals liegt, zeggende: Ik zal u[^micha-2-11-54] profeteren voor[^micha-2-11-55] wijn en voor sterke drank! dat is een[^micha-2-11-56] profeet van dit volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v11)

**12** [^micha-2-12-57] Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel verzamelen; Ik zal het samen zetten als schapen van[^micha-2-12-58] Bozra; als een kudde in het midden van[^micha-2-12-59] haar kooi zullen zij van mensen deunen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v12)

**13** De doorbreker[^micha-2-13-60] zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en daardoor uittrekken; en hun[^micha-2-13-61] koning zal voor hun aangezicht heengaan; en YHWH in hun[^micha-2-13-62] spits. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/2.html#v13)

[^micha-2-1-1]: Kanttekening 1: Het Hebr. woord, dat anders werken en doen betekent, wordt hier gebruikt voor overleggen en voornemen om te doen.
[^micha-2-1-2]: Kanttekening 2: Als zij behoorden te rusten, aan God te denken en hun wandel voor Hem te overpeinzen, enz. gelijk Ps. 36:5 . Psalmen 36:5 : Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
[^micha-2-1-3]: Kanttekening 3: morgenstond doen zij het: Haastende en brandende om hun boze lusten te voldoen. Verg. Hos. 7:6 . Hosea 7:6 : Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen; hun bakker slaapt de gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.
[^micha-2-1-4]: Kanttekening 4: in de macht van hun hand is: Omdat het met de justitie en politie zo in het land gesteld is, dat zij het vrij kunnen doen. Zij zijn meesters en doen wat zij maar willen. Verg. de manier van spreken met Neh. 5:5 ; Spr. 3:27 . Anders, want hun hand is tegen God. Nehemia 5:5 : Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broers, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters tot dienaren; ja, er zijn enige van onze dochters onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden. Spreuken 3:27 : Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uw hand is te doen.
[^micha-2-2-5]: Kanttekening 5: begeren akkers: Als zij maar op enig stuk land of op enig huis belust worden, of zin daartoe krijgen, zo nemen zij dat met geweld. Verg. 1 Kron. 21:1 , enz. 1 Kronieken 21:1 : Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde.
[^micha-2-2-a]: Verwijzing a: Jes. 5:8 . Jesaja 5:8 : Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat u alleen inwoners gemaakt wordt in het midden van het land!
[^micha-2-2-6]: Kanttekening 6: Die zij arm maken en bedroeven.
[^micha-2-2-7]: Kanttekening 7: Dat zij de eigenaar ontnemen en tot zich trekken.
[^micha-2-2-8]: Kanttekening 8: een iedereen: Of, de mens .
[^micha-2-2-9]: Kanttekening 9: Die God ganselijk niet de erfgenaam wilde ontwend of vervreemd hebben.
[^micha-2-3-10]: Kanttekening 10: kwaad over dit geslacht: Gelijk zij het kwaad van de zonde moedwilliglijk bedenken, voornemen en doen, zo denk Ik over hen het kwaad van de straf.
[^micha-2-3-11]: Kanttekening 11: Verandering van persoon, door een heftige aanspraak, gelijk onder vers 8 en elders dikwijls. Micha 2:8 : Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van de strijd.
[^micha-2-3-12]: Kanttekening 12: halzen niet zult uittrekken: Omdat het een sterk juk van dankbaarheid zal zijn, waaronder u zult moeten bukken. Verg. Lev. 26:13 , en Jer. 11:11 met de aantekening. Leviticus 26:13 : Ik ben YHWH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan. Jeremia 11:11 : Daarom zegt YHWH zo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit dat zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.
[^micha-2-3-13]: Kanttekening 13: zo rechtop niet gaan: Hebr. \[met, of in\] hoogheid, verhevenheid; dat is, met opgerichte hals, of hoofd, rechtop, omhoog. De zin is: U zult zo fier en stout niet zijn als u nu bent.
[^micha-2-3-14]: Kanttekening 14: boze tijd zijn: Zie Amos 5:13 . Amos 5:13 : Daarom zal de verstandige te die tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.
[^micha-2-3-b]: Verwijzing b: Amos 5:13 . Amos 5:13 : Daarom zal de verstandige te van die tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.
[^micha-2-4-15]: Kanttekening 15: zal men: Hebr. hij zal; dat is, men zal, enz.
[^micha-2-4-16]: Kanttekening 16: spreekwoord over u opnemen: Om u, in uw ellende en weeklagen alom te bespotten; of het volgende ernstig klagen en kermen zal zo algemeen zijn, dat men een algemeen spreekwoord daarvan zal maken, dat Israël zo en zo klaagt.
[^micha-2-4-17]: Kanttekening 17: ten enenmale verwoest: Hebr. verwoestende, of met verwoesten zijn wij verwoest. Dat is, het is geheel met ons uit en gedaan.
[^micha-2-4-18]: Kanttekening 18: Hij verwisselt: Namelijk God, \[door de Assyriër\] geeft het land, dat Hij zijn volk gegeven had, aan vreemden; Hij verandert het van heren en eigenaars.
[^micha-2-4-19]: Kanttekening 19: Zie Ps. 16:5 , 16:6 . Zo van het snoer en lot in vers 5 . Psalmen 16:5 : YHWH is het deel mijner erve, en mijns bekers; U onderhoudt mijn lot. Psalmen 16:6 : De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. Micha 2:5 : Daarom zult u niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente van YHWH.
[^micha-2-4-20]: Kanttekening 20: hoe ontwendt Hij mij: Woorden van verwondering, die kort en afgebroken zijn, zeer levendig afbeeldende het gewoel van het uitdelen van het land, alsof zij het voor ogen zagen gebeuren.
[^micha-2-4-21]: Kanttekening 21: afwendende onze akkers: Te weten tot anderen, of deelt Hij onze velden uit om \[die\] ons weer te geven? In geen geval, willen zij zeggen. Daar is nu geheel geen hoop toe, omdat zij aan vreemde bezitters voor altijd zijn weggeven. Zo gevoelden zij de straf van hun ongerechtigheid en roverij, waarvan vers 1 , 2:2 , gesproken is, gelijk zij hun broers beroofd hadden, zo geschiedt hun opnieuw; zie vers 5 , en verder vers 8 , 2:9 , 2:10 . Micha 2:1 : Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, omdat het in de macht van hun hand is. Micha 2:2 : En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan een iedereen en zijn erfenis. Micha 2:5 : Daarom zult u niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente van YHWH. Micha 2:8 : Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van de strijd. Micha 2:9 : De vrouwen Mijns volks verdrijft u, elk één uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderen neemt u Mijn sieraad in eeuwigheid. Micha 2:10 : Maakt u dan op, en gaat heen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.
[^micha-2-5-22]: Kanttekening 22: Daarom zult: Om de voorgemelde zonden, of omdat uw land al aan vreemden is overgegeven, zodat u daarvan verstoken bent, en geen Jozua u weer opnieuw het land bij loting zal uitdelen. Sommigen duiden het geestelijk op de verwerping uit Gods kerk, waarvan de gemeenschap, door de uitdeling van het land Kanaän, bij loting en door snoeren was afgedeeld.
[^micha-2-5-23]: Kanttekening 23: u niemand hebben: Aanspraak aan een ieder in het bijzonder van die goddeloze geweldenaars, wie het wee is aangezegd, vers 1 . Micha 2:1 : Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, omdat het in de macht van hun hand is.
[^micha-2-5-c]: Verwijzing c: Deut. 32:8 ; idem v. 9 . Deuteronomium 32:8 : Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld naar het getal van de kinderen van Israël. Deuteronomium 32:9 : Want van YHWH deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijn erve.
[^micha-2-5-24]: Kanttekening 24: in het lot: Of, door het lot; dat is, die het lot werpt over uw deel; want daar zal niets voor u onder Gods volk ten beste zijn, geen plaats noch deel.
[^micha-2-6-25]: Kanttekening 25: Dit vers is \[vermits afgebroken woorden\] duister, en wordt verscheidelijk vertaald. Het schijnt dat hier de woorden, of het algemeen zeggen van het goddeloze volk verhaald wordt, waarop een heftige bestraffing volgt in vers 7 . Micha 2:7 : O u, die Jakobs huis geheten bent! Is dan de Geest van YHWH verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij die, die recht wandelt?
[^micha-2-6-26]: Kanttekening 26: profeteert u niet: Hebr. drupt niet. Zo in het volgende. Dat is, profeteert niet. Zie Deut. 32:2 , en verg. Jes. 30:10 , 30:11 ; Jer. 11:21 ; Amos 2:12 , en Amos 7:12 , 7:13 , 7:16 . Dit zijn de woorden van het volk tot de ware profeten. Deuteronomium 32:2 : Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. Jesaja 30:10 : Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen. Jesaja 30:11 : Wijkt af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige van Israël van ons ophouden! Jeremia 11:21 : Daarom, zo zegt YHWH van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van YHWH, opdat u van onze handen niet sterft. Amos 2:12 : Maar u hebt aan de Nazireen wijn te drinken gegeven, en u hebt de profeten geboden, zeggende: U zult niet profeteren. Amos 7:12 : Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar. Amos 7:13 : Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is van de koning heiligdom, en dat is het huis van het koninkrijk. Amos 7:16 : Nu dan, hoor het woord van YHWH: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak.
[^micha-2-6-d]: Verwijzing d: Jes. 30:10 ; Amos 7:16 . Jesaja 30:10 : Die daar zeggen tot de zieners: Ziet niet; en tot de schouwers: Schouwt ons niet, wat recht is; spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen. Amos 7:16 : Nu dan, hoor van YHWH woord: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak.
[^micha-2-6-27]: Kanttekening 27: die : De valse profeten. Verg. onder vers 11 . Micha 2:11 : Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van deze volks.
[^micha-2-6-28]: Kanttekening 28: zij profeteren niet als: De ware profeten.
[^micha-2-6-29]: Kanttekening 29: De andere, te weten de valse; of van die dingen, van welke de vrome profeten drupten.
[^micha-2-6-30]: Kanttekening 30: wijkt niet af: Dat is, deze profeten \[de ware\] houden niet op van lasteren, schelden, beschamen, en alles kwaads te dreigen; zij zijn ondragelijk. Verg. 1 Kon. 22:8 . 1 Koningen 22:8 : Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem YHWH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo!
[^micha-2-6-31]: Kanttekening 31: Of, beschamingen, smaadwoorden, \[dit gestadig of dagelijks beschamen, enz.\] houden niet op. Anderen vertalen dit vers aldus: drupt niet: \[woorden van het volk\] zij zullen \[toch\] druppen; \[maar\] zij zullen niet druppen voor of tot henlieden \[Gods woorden\] dat hij \[Israël\] geen schande zal behalen, \[gelijk de valse profeten profeteerden\], of, opdat zij \[mijn profeten\] geen schande behalen, of hun geen schande overkome. Aldus zou het een dreigement zijn dat God hen, om hun gruwelijke ondankbaarheid, van de ware profeten wilde beroven en zijn dienaren sparen. Verg. Jes. 8:16 ; Matt. 7:6 . Jesaja 8:16 : Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. Mattheüs 7:6 : Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^micha-2-7-32]: Kanttekening 32: geheten zijt: U voert de naam \[wil de Heer zeggen\] en beroemt u daarop, maar ten onrechte; zulke woorden betamen Jakobs huis in geen geval. Verg. Joh. 8:33 , 8:37 , 8:39 , 8:40 , 8:44 . Johannes 8:33 : Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U dan: U zult vrij worden? Johannes 8:37 : Ik weet, dat u Abrahams zaad bent; maar u zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats. Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen. Johannes 8:40 : Maar nu zoekt u Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
[^micha-2-7-33]: Kanttekening 33: Geest van YHWH: De Heilige Geest, door welke de ware profeten gedreven worden; 2 Petr. 1:21 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^micha-2-7-34]: Kanttekening 34: Of, benauwd, zodat Hij zijn dienaren niet recht en wel zou kunnen leiden en regeren? of, hun niet zou mogen profeteren wat Hem belieft? of, dat Hij nu de macht niet meer zou hebben om u over uw boosheid te bestraffen en verder naar uw verdiensten te straffen, dat u Hem aldus verbittert en tergt? Verg. de manier van spreken met Num. 11:23 ; Jes. 50:2 , en Jes. 59:1 . Numeri 11:23 : Maar YHWH zei tot Mozes: Zou dan de hand van YHWH verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet. Jesaja 50:2 : Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. Jesaja 59:1 : Ziet, de hand van YHWH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.
[^micha-2-7-35]: Kanttekening 35: Zijn werken: Te weten Gods werken, dat is, zijn dat de werken, die God u beveelt, of die Hem aangenaam zijn? \[Verg. Joh. 6:29 \]. Dit past zeer wel op het volgende. Anderen duiden het op Jakobs huis, aldus: Zijn dat werken, die Jakobs huis betamen? Johannes 6:29 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
[^micha-2-7-36]: Kanttekening 36: Mijn woorden geen goed bij die: Gods. De zin is: Zijn mijn woorden niet vriendelijk, lieflijk en aangenaam voor en bij de vromen, aan wie zij niet alleen alles goeds beloven, maar ook onderwijzen en bestraffen tot hun best? Was u vroom, zo zouden mijn woorden, en dus ook die van mijn profeten, lieflijk tot en bij u zijn, maar het is uw schuld, dat zij anders moeten profeteren.
[^micha-2-7-37]: Kanttekening 37: recht wandelt: Zie Ps. 7:11 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
[^micha-2-8-38]: Kanttekening 38: Alsof God zei: Hoe zouden mijn woorden vriendelijk kunnen zijn tegen zulk een volk als dit is?
[^micha-2-8-39]: Kanttekening 39: gisteren stelde zich Mijn volk op: Dat is, onlangs, het is nog niet lang geleden, het is heterdaad geschied. Anders, \[die\] gisteren \[dat is tevoren\] mijn volk \[waren\], zijn \[tegen mij\] opgestaan als tegen een vijand.
[^micha-2-8-40]: Kanttekening 40: tot vijand: Dat is, vijandelijk, als vijanden, straatschenders en struikrovers plegen na te doen, loerende op een roof.
[^micha-2-8-41]: Kanttekening 41: tegenover een kleed: Om te zien of hen iemand mocht ontmoeten, die een goed kleed aanhad, om hem dat af te stropen. Hier komt God weer tot wat hij hun vers 1 , 2:2 verweten heeft. Micha 2:1 : Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, omdat het in de macht van hun hand is. Micha 2:2 : En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan een iedereen en zijn erfenis.
[^micha-2-8-42]: Kanttekening 42: u stroopt: Verandering van persoon, gelijk vers 3 . Micha 2:3 : Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
[^micha-2-8-43]: Kanttekening 43: mantel van degenen: Of schoon overkleed. Aangaande het Hebr. woord, verg. Jona 3:6 . Jona 3:6 : Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.
[^micha-2-8-44]: Kanttekening 44: zeker voorbijgaan: Of, met vertrouwen, \[niet denkende op enige vijand, immers op u in het minst geen achterdenken hebbende\] en u geen leed doen.
[^micha-2-8-45]: Kanttekening 45: wederkomende van de strijd: Die op roven en vechten niet meer denken, omdat de strijd geëindigd is; anders: afkerig zijnde van de strijd; dat is, die niet gezind zijn te vechten, of iemand leed te doen, voorbijgaande alleen hun weg op goed vertrouwen; of, daar u van de oorlog afgekeerd bent; dat is, in vrede en zonder oorlog in het land leeft.
[^micha-2-9-46]: Kanttekening 46: Waarin zij \[als de meeste tijd zich binnenshuis houdende\] hun verblijf, pliezier en vrijheid hadden, met hun mannen en kinderen; sommigen verstaan het van de weduwen; anderen van lichtvaardige en wrede echtscheidingen, dat de mannen hun eigen vrouwen door scheidbrieven tirannelijk verstieten en uitdreven.
[^micha-2-9-47]: Kanttekening 47: Mijn sieraad: Als, kleren, leeftocht, erfgoed en wat dies meer zij, dat Ik hun uit zonderlinge vaderlijke voorzorg tot bewijs van mijn goedheid en macht gegeven heb. U maakt hen kaal en bloot, als tot mijn schande. Sommigen duiden het op de verstoring en scheiding van het huwelijk van de ouders; idem, op slavernij, waar God hen uit Egypte verlost, tot een vrij volk en zijn kinderen gemaakt had.
[^micha-2-9-48]: Kanttekening 48: Dat is, u bedrijft deze stukken zonder ophouden en berouw, of u beneemt het hun voor eeuwig en altijd, zodat er geen verhaal op is om weer te krijgen, verg. Jona 2:6 . Jona 2:6 : Ik was nedergedaald tot de gronden van de bergen; de grendelen van de aarde waren om mij heen in eeuwigheid; maar U hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o YHWH, mijn God!
[^micha-2-10-49]: Kanttekening 49: In gevangenschap, het land uit.
[^micha-2-10-50]: Kanttekening 50: dit land zal de rust niet zijn: Dit land, dat ik u tot een rust gegeven had, zal u niet langer kunnen verdragen, vanwege de gruwelen, waarmee u het hebt verontreinigd, maar zal u uitspugen en \[als wraak van u nemende\] u geheel en schrikkelijk verderven. Zie Deut. 12:9 , Ps. 95:11 ; Hebr. 4:5 , 4:6 ; idem Lev. 18:25 , 18:27 , 18:28 ; Ez. 36:14 , 36:17 , enz. Deuteronomium 12:9 : Want u bent tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die YHWH, uw God, u geven zal. Psalmen 95:11 : Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! Hebreeën 4:5 : En in deze plaats opnieuw: Als zij in Mijn rust zullen ingaan! Hebreeën 4:6 : Omdat dan blijft, dat sommigen in dezelfde rust ingaan, en degenen, die het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid, Leviticus 18:25 : Zodat het land onrein is, en Ik over het zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt. Leviticus 18:27 : Want de mensen van deze lands, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelen gedaan; en het land is onrein geworden. Leviticus 18:28 : Dat u dat land niet uitspuwe, als u het zult verontreinigd hebben; gelijk als het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft. Ezechiël 36:14 : Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heer YHWH. Ezechiël 36:17 : Mensenkind! het huis van Israël, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij dat met hun weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinigheid van een afgezonderde vrouw.
[^micha-2-10-51]: Kanttekening 51: geweldige verderving: Of scherpe. Verg. 1 Kon. 2:8 . 1 Koningen 2:8 : En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij YHWH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!
[^micha-2-11-52]: Kanttekening 52: die met: Of, die met wind en valsheid omgaande, liegt, \[zeggende\]: enz.
[^micha-2-11-53]: Kanttekening 53: wind omgaat: Dat is, met ijdele valse profetieën, die de ziel zo weinig kunnen stichten en troosten als het lichaam van wind gevoed kan worden., Verg. Job 6:26 ; Jer. 5:13 ; Jes. 41:29 ; Jer. 22:22 , Anders, met de geest; dat is, zich valselijk beroemt van openbaringen van de Geest van God. Zie Ez. 13:3 , en Hos. 9:7 . Job 6:26 : Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen van de mismoedigen voor wind zijn? Jeremia 5:13 : Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zelven zal zo gebeuren. Jesaja 41:29 : Ziet, zij zijn allemaal ijdelheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding. Jeremia 22:22 : De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult u zekerlijk beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid. Ezechiël 13:3 : Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! Hosea 9:7 : De dagen van de bezoeking zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man van de geest is onzinnig; om de grootheid uw ongerechtigheid is de haat ook groot.
[^micha-2-11-54]: Kanttekening 54: Gelijk vers 6 . Micha 2:6 : Profeteert u niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.
[^micha-2-11-55]: Kanttekening 55: wijn en voor sterken drank: Of, bij de wijn. Verg. onder Micha 3:5 ; Jes. 28:7 , 28:8 , of van wijn, enz.; dat is van een goed wijnjaar, geluk, voorspoed en vrede. Zie Jer. 13:12 , Jer. 23:16 , 23:17 , en Jer. 29:8 , 29:9 ; Hoogl. 2:14 . Micha 3:5 : Zo zegt YHWH, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen die zo heiligen zij een krijg. Jesaja 28:7 : En ook dwalen deze van de wijn, en zij dolen van de sterken drank; de priester en de profeet dwalen van de sterken drank; zij zijn verslonden van de wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht. Jesaja 28:8 : Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zodat er geen plaats schoon is. Jeremia 13:12 : Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt YHWH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden? Jeremia 23:16 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Jeremia 23:17 : Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: YHWH heeft het gesproken, u zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen. Jeremia 29:8 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Jeremia 29:9 : Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt YHWH. Hooglied 2:14 : Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
[^micha-2-11-56]: Kanttekening 56: profeet van deze volks: Dat is, een aangenaam profeet bij dit volk, of voor dit volk.
[^micha-2-12-57]: Kanttekening 57: Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen: Hebr. verzamelende zal ik verzamelen, en zo, vergaderende vergaderen. Deze twee volgende verzen nemen vele uitleggers als een schone Evangelische belofte van de vergadering van de algemene kerk door haar Koning, de Messias Jezus Christus, omdat de profetische stijl, in zulke zaken gebruikelijk, dat schijnt te vereisen, en God dikwijls onder zijn allerzwaarste bestraffingen en dreigementen, tot troost van zijn gelovigen, zeer lieflijke genadebeloften pleegt in te mengen. \[Verg. in het bijzonder Jer. 16:14 , 16:15 ; Hos. 2:13 , enz. Zie ook onder Micha 3:12 en Micha 4:1 , enz.\] De christelijke lezer kan ook hiermee vergelijken Jer. 31:10 ; Hos. 1:11 , en Hos. 3:5 , enz. in het bijzonder Ez. 36:37 , 36:38 ; Zach. 2:4 . Maar anderen, ziende op het voorgaande en volgende, houden het voor een profetie van de belegeringen en benauwingen en verwoesting van de tien stammen en Juda, door de Assyriërs en Babyloniërs, en van de gevankelijke weggevoering van hun beide koningen, Hosea en Zedekia, 2 Kon. 17:4 , enz. en 2 Kon. 18:10 , enz., en 2 Kon. 25:6 , 25:7 , waarvan de verstandige lezer zal kunnen oordelen en zien een dergelijk plaats Zach. 10:3 , 10:4 , 10:5 met de aantekening. Jeremia 16:14 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël uit Egypteland heeft opgevoerd! Jeremia 16:15 : Maar: Zo waarachtig als YHWH leeft, Die de kinderen van Israël heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb. Hosea 2:13 : Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud. Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Jeremia 31:10 : Hoort het woord van YHWH, u heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde. Hosea 1:11 : En de kinderen van Juda, en de kinderen van Israël zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Ezechiël 36:37 : Zo zegt de Heer YHWH: Daarenboven zal Ik hierom van het huis van Israël verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen. Ezechiël 36:38 : Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun vastgestelde hoogtijden, zo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik YHWH ben. Zacharia 2:4 : En hij zei tot hem: Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten, die in het midden derzelve wezen zal. 2 Koningen 17:4 : Maar de koning van Assyrië bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrië, en bond hem in het gevangenhuis. 2 Koningen 18:10 : En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 2 Koningen 25:6 : Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7 : En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. Zacharia 10:3 : Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar YHWH van de legermachten zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard Zijn majesteit in de strijd. Zacharia 10:4 : Van hetzelfde zal de hoeksteen, van hetzelfde zal de nagel, van hetzelfde zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelfde alle drijvers voortkomen. Zacharia 10:5 : En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk van de straten treden in de strijd, en zij zullen strijden; want YHWH zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.
[^micha-2-12-58]: Kanttekening 58: Een veerijke plaats van de Moabieten. Zie 2 Kon. 3:4 , en Jer. 48:24 , met de aantekening. 2 Koningen 3:4 : Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. Jeremia 48:24 : En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.
[^micha-2-12-59]: Kanttekening 59: Of stalling.
[^micha-2-13-60]: Kanttekening 60: zal voor hun aangezicht optrekken: Hebr. is opgetogen, en zo in het volgende; dat is, zal zekerlijk optrekken. God zal alle vijandelijke beletselen van zijn genadewerk uit de weg ruimen, en de baan \[gelijk men zegt\] klaar en de weg openmaken. Maar anderen duiden het op de vijanden, gelijk op vers 12 . is aangetekend waarvan de woorden doorbreker en doorbreken veel gebruikt worden. Zie Ps. 17:4 . Maar wanneer God zijn volk lichamelijk en geestelijk verlost, vernielt Hij ook wel met geweld zijn en zijn kerk lichamelijke en geestelijke vijanden. Zie 2 Sam. 5:20 ; Jes. 28:21 , en Jes. 63:3 , 63:4 , 63:5 , Micha 4:13 . enz. Micha 2:12 : Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen. Psalmen 17:4 : Aangaande de handelingen van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbrekers; 2 Samuël 5:20 : Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam derzelve plaats, Baäl-perazim. Jesaja 28:21 : Want YHWH zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn! Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Jesaja 63:4 : Want de dag van de wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen. Jesaja 63:5 : En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund, Micha 4:13 : Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun winst aan YHWH verbannen, en hun vermogen aan de Heer van de gehele aarde.
[^micha-2-13-61]: Kanttekening 61: koning zal voor hun aangezicht heengaan: Zie vers 12 . Micha 2:12 : Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.
[^micha-2-13-62]: Kanttekening 62: Hebr. hoofd; dat is vooraan; als de voortocht nemende onder zijn volk; verg. Jes. 52:12 . Anderen verstaan dat God, als zijns volk vijanden en tegenpartij geworden zijnde, met de vijand zal zijn, en die als een veldoverste geleiden tegen zijn verworpen volk. ver. Jes. 63:10 ; Jer. 21:5 . Jesaja 52:12 : Want u zult niet met haast uitgaan, noch met de vlucht heengaan; want YHWH zal voor ulieder aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal uw achtertocht wezen. Jesaja 63:10 : Maar zij zijn opstandig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. Jeremia 21:5 : En Ik Zelf zal tegen u strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote toorn.

### Micha 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/3.json)

*Gods oordeel over de regenten, vanwege hun tirannie en schending, vers 1 enz. over de profeten die het volk verleiden en vrede toezeggen, 5. van wie Micha zich afscheidt, terwijl hij met grote vrijmoedigheid de toekomstige verwoesting van Jeruzalem en de tempel profeteert, vanwege de algemene boosheid en verdorvenheid van het volk, de regenten, priesters en profeten, 8.*

**1** Verder zei ik: Hoor nu, u hoofden van Jakob, en u oversten van het huis van Israël! Past het u niet het recht te weten?[^micha-3-1-1][^micha-3-1-2][^micha-3-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v1)

**2** Zij haten het goede, en hebben het kwade lief;[^micha-3-2-4] zij roven hun[^micha-3-2-5] huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v2)

**3** Ja, zij zijn[^micha-3-3-6] het, die het vlees van mijn volk eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen[^micha-3-3-7] verbreken; en[^micha-3-3-8] vaneen leggen, zoals in een pot, en als vlees in het midden van een ketel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v3)

**4** [^micha-3-4-9] Dan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen[^micha-3-4-10] verbergen, zoals zij[^micha-3-4-11] hun handelingen kwaad gemaakt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v4)

**5** Zo zegt YHWH, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden[^micha-3-5-12][^micha-3-5-a] bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen die zo[^micha-3-5-13] heiligen zij een strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v5)

**6** Daarom zal het[^micha-3-6-14] nacht voor u worden vanwege het[^micha-3-6-15] visioen, en u zal duisternis zijn vanwege de[^micha-3-6-16] waarzegging; en de[^micha-3-6-b] zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen[^micha-3-6-17][^micha-3-6-c] zwart worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v6)

**7** En de[^micha-3-7-18] zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al samen de[^micha-3-7-19] bovenste lip bewimpelen; want er zal geen[^micha-3-7-20] antwoord van God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v7)

**8** [^micha-3-8-21] Maar werkelijk, ik ben vol kracht[^micha-3-8-22] van de Geest van YHWH; en vol van[^micha-3-8-23] gericht en[^micha-3-8-24] dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn[^micha-3-8-25] overtreding, en Israël zijn zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v8)

**9** Hoor nu dit, u hoofden van het huis van Jakob, en u oversten van het huis van Israël! die van[^micha-3-9-26] het gericht een[^micha-3-9-27] gruwel hebt, en al wat[^micha-3-9-28] recht is[^micha-3-9-29][^micha-3-9-d] verkeert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v9)

**10** [^micha-3-10-30] Bouwende Sion met[^micha-3-10-31][^micha-3-10-e] bloed, en Jeruzalem met[^micha-3-10-32] onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v10)

**11** [^micha-3-11-33] Haar hoofden rechten om[^micha-3-11-34] geschenken, en haar priesters leren om[^micha-3-11-35] loon, en haar[^micha-3-11-36] profeten waarzeggen om geld; nog[^micha-3-11-37] steunen zij op YHWH, zeggende:[^micha-3-11-38] Is YHWH niet in het midden van ons? Ons zal geen[^micha-3-11-39] kwaad overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v11)

**12** Daarom, om[^micha-3-12-40] uwentwil, zal Sion[^micha-3-12-41] als een[^micha-3-12-42] akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit[^micha-3-12-43] huis tot hoogten van een woud[^micha-3-12-44]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/3.html#v12)

[^micha-3-1-1]: Kanttekening 1: hoofden Jakobs: Dat is, regenten.
[^micha-3-1-2]: Kanttekening 2: oversten van het huis van Israël: Zie Richt. 11:6 . Richteren 11:6 : En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.
[^micha-3-1-3]: Kanttekening 3: Betaamt het u niet het recht te weten: Hebr. en \[is het\] niet ulieder, of aan u? dat is, hoort het, staat het u niet toe? betaamt het u niet? is het niet uw plicht, uws Gods recht te weten? Ganselijk, wil de profeet zeggen; verg. Jer. 5:4 , 5:5 ; zie van zulk vragen Richt. 4:6 , enz. Jeremia 5:4 : Maar ik zei: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij de weg van YHWH, het recht hun Gods niet weten. Jeremia 5:5 : Ik zal gaan tot de grote, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd. Richteren 4:6 : En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^micha-3-2-4]: Kanttekening 4: zij roven: Door deze manier van spreken wordt de uiterste wreedheid, schenderij, schrobberij en tirannie van de regenten over hun onderdanen en medebroers uitgedrukt, met welke zij handelden als leeuwen, beren en wolven.
[^micha-3-2-5]: Kanttekening 5: huid van hen af: Zij villen de arme onderdanen de huid af, zij mergelen en zuigen hen uit, gelijk men van zulke mensen gemeenlijk zegt.
[^micha-3-3-6]: Kanttekening 6: die het vlees mijns volks eten: Anders; dat zij eten, is het vlees van mijn volk, enz. Zie Ps. 14:4 . Psalmen 14:4 : Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen YHWH niet aan.
[^micha-3-3-7]: Kanttekening 7: Of, in stukken klinken. Want het Hebr. woord heeft de betekenis van sterk geluid, gekraak, geklank, naar sommiger gevoelen. De zin is, dat zij al het vermogen van de onderdanen, \[over welke zij als vaders en herders behoorden te zijn\] met openbaar geweld, zonder enige schroom of deernis, verbrijzelen, vernielen en tot zich trekken, doende daarmee als volgt.
[^micha-3-3-8]: Kanttekening 8: vaneen leggen: Hebr. uitbreiden, dat is, zij gaan met de mensen en de roof te werk, alsof zij vlees en benen van geslachte beesten in een pot leggen om te koken. Verg. Ez. 11:6 , 11:7 , met de aantekening. En zie gelijke manier van spreken in de beschrijving van de straf van deze booswichten, Ez. 24:3 , 24:4 , enz. Ezechiël 11:6 : U hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en u hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld. Ezechiël 11:7 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Uw verslagenen, die u in het midden derzelve nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden derzelve doen uitgaan. Ezechiël 24:3 : En gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. Ezechiël 24:4 : Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder, vul hem met de keur van de beenderen.
[^micha-3-4-9]: Kanttekening 9: Alsdan zullen zij roepen tot YHWH: Gelijk de plagen \[in Micha 2:3 , 2:4 , 2:5 , 2:10 , vermeld\] hen zullen treffen, dan zullen zij nog wel zo onbeschaamd zijn dat zij God zullen aanroepen, alsof Hij hen behoorde te helpen; maar zij doen het zonder ware bekering van het hart, alleen uit gevoel van straf, daarom, enz. Micha 2:3 : Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn. Micha 2:4 : Te die dage zal men een spreekwoord over u opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers. Micha 2:5 : Daarom zult u niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente van YHWH. Micha 2:10 : Maakt u dan op, en gaat heen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.
[^micha-3-4-10]: Kanttekening 10: Zie Deut. 31:17 , en Job 13:24 . Deuteronomium 31:17 : Zo zal Mijn toorn op die dag tegen het ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter voedsel zijn, en vele kwade en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwade niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? Job 13:24 : Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
[^micha-3-4-11]: Kanttekening 11: hun handelingen kwaad gemaakt hebben: Of, zich kwalijk gedragen hebben \[in\] hun handelingen, gelijk van de bekeerden gezegd wordt, dat zij hun wegen goed maakten. De zin is: Gelijk zij de arme onderdanen geplaagd hebben en zich over die niet hebben ontfermd, zo zal Ik hun opnieuw doen, enz. Verg. Jak. 2:13 . Jakobus 2:13 : Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
[^micha-3-5-12]: Kanttekening 12: bijten, en roepen vrede uit: Onder voorwensel van liefde en vriendelijkheid, als grijpende wolven, de zielen moorden, door hun valse verleidende profetieën. Verg. Ez. 13:18 , 13:19 en Ez. 22:25 ; Matt. 7:15 . Of, als verhongerde beesten, verscheuren en veslinden wat men hun geeft, en roepen dan van vrede, geluk en voorspoed, als zij de buik vol hebben. Verg. Micha 2:11 ; Jes. 56:10 , Jes. 56:11 ; Ez. 13:3 met de aantekening. Ezechiël 13:18 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen van de armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, om de zielen te jagen! Zult u de zielen Mijns volks jagen, en zult u u de zielen in het leven behouden? Ezechiël 13:19 : En zult u Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort? Ezechiël 22:25 : De verbintenis haar profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, de schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar. Mattheüs 7:15 : Maar wacht u van de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. Micha 2:11 : Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van deze volks. Jesaja 56:10 : Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. Jesaja 56:11 : En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde. Ezechiël 13:3 : Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben!
[^micha-3-5-a]: Verwijzing a: Micha 2:11 . Micha 2:11 : Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet van deze volks.
[^micha-3-5-13]: Kanttekening 13: heiligen zij een krijg: Dat is, tegen die ruien en hitsen zij een ieder op, rusten toe, en nemen oorlog tegen hem aan, of verkondigen en profeteren hem alle kwaad, als zijnde een verachter van God en Zijn Woord, dat zij valselijk voorwenden. Zie van het Hebr. woord Jer. 6:4 . Jeremia 6:4 : Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^micha-3-6-14]: Kanttekening 14: nacht voor u worden: Met deze manier van spreken voorzegt God deze valse profeten niet alleen verblinding van hun verstand \[gelijk sommigen dat nemen\], maar ook zware plagen, van allerlei ongeluk, lijden en droefenis. Zie Gen. 15:12 en Jer. 15:9 ; Joel 2:2 , 2:31 , enz. Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Jeremia 15:9 : Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hun vijanden, spreekt YHWH. Joël 2:2 : Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt.
[^micha-3-6-15]: Kanttekening 15: Dat is, om uw valse profetieën die u u beroemt door mijn openbaringen ontvangen te hebben. Verg. Zach. 13:4 . Of, Zodat u geen gezicht zult hebben; dat is, niet meer kunnen profeteren. Zo in het volgende: zodat u niet zult kunnen waarzeggen; u zult dan wat anders te doen hebben, dan met uw voorzeggingen of waarzeggerij om te gaan, dat zal u dan wel vergaan. Verg. Ez. 12:23 . Zacharia 13:4 : En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iedereen vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen. Ezechiël 12:23 : Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht.
[^micha-3-6-16]: Kanttekening 16: Verg. Ez. 13:6 , 13:7 , enz. en zie van het Hebr. woord Spr. 16:10 . Ezechiël 13:6 : Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: YHWH heeft gesproken, daar YHWH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen. Ezechiël 13:7 : Ziet u niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: YHWH spreekt, daar Ik niet gesproken heb? Spreuken 16:10 : Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
[^micha-3-6-b]: Verwijzing b: Jer. 15:9 ; Amos 8:9 . Jeremia 15:9 : Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hun vijanden, spreekt YHWH. Amos 8:9 : En het zal op die dag gebeuren, spreekt de Heer YHWH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.
[^micha-3-6-17]: Kanttekening 17: zwart worden: Dat is, donker.
[^micha-3-6-c]: Verwijzing c: Joël 2:10 . Joël 2:10 : De aarde is beroerd voor daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
[^micha-3-7-18]: Kanttekening 18: zieners zullen beschaamd: Dat is, die valse profeten, die zich van mijn gezichten valselijk beroemen. Zie van het woord ziener. 1 Sam. 9:9 ; Ez. 13:3 . 1 Samuël 9:9 : (Eertijds zei een ieder aldus in Israël, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot de ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.) Ezechiël 13:3 : Zo zegt de Heer YHWH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben!
[^micha-3-7-19]: Kanttekening 19: bovenste lip: Of, knevelbaard, tot een teken van rouw. Zie Lev. 13:45 ; Ez. 24:17 , 24:22 met de aantekening. Leviticus 13:45 : Verder zullen de kleren van de melaatsen, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! Ezechiël 24:17 : Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult van de mensen brood niet eten. Ezechiël 24:22 : Dan zult u doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult u niet bewinden, en van de mensen brood zult u niet eten.
[^micha-3-7-20]: Kanttekening 20: antwoord Gods zijn: Geen goddelijk gezicht of profetie, dat men God mocht raad vragen of troost bij Hem zoeken in het lijden. Verg. Ps. 74:9 ; Ez. 7:26 ; Amos 8:11 , 8:12 , of geen verhoring; gelijk vers 4 . Psalmen 74:9 : Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang. Ezechiël 7:26 : Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezicht van een profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van de priester, en de raad van de oudsten. Amos 8:11 : Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer YHWH, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden van YHWH. Amos 8:12 : En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord van YHWH te zoeken, maar zullen het niet vinden. Micha 3:4 : Alsdan zullen zij roepen tot YHWH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te die tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
[^micha-3-8-21]: Kanttekening 21: Maar waarlijk: De profeet, verzekerd zijnde van zijn roeping, de waarheid van de goddelijke openbaringen en de gaven van de Heilige Geest, die hem gezonden had, onderscheidt zich van de valse profeten, bevestigt zijn profetieën met het goddelijk gezag, tot onderwijs van de vromen en overtuiging van de opstandigen, en toont zijn vrijmoedigheid en onbeschroomdheid in het straffen van de zonden, niettegenstaande het tegendeel onbeschaamd voorgeven en pluimstrijken van de valse profeten en de opstandigheid van het volk. Verg. Jes. 50:4 , enz.; Jer. 6:11 met de aantekening. Jesaja 50:4 : De Heer YHWH heeft Mij een tong van de geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. Jeremia 6:11 : Daarom ben ik vol van de grimmigheid van YHWH, ik ben moe geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die vol is van dagen.
[^micha-3-8-22]: Kanttekening 22: van de Geest van YHWH: Dat het Hebr. woord Eth voor van somstijd genomen wordt, zie daarvan Jer. 51:59 . Jeremia 51:59 : Het woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, als hij van Zedekia, de koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijn regering; en Seraja was een vreemdzaam vorst.
[^micha-3-8-23]: Kanttekening 23: Om Gods oordeel, volgens zijn last, te verkondigen, gelijk Jer. 6:11 , vol van de grimmigheid van de Heer, enz. Of, \[vol\] van recht; dat is Gods recht, gelijk Jer. 5:4 , 5:5 . Ook kan het zien op de regenten, vers 1 , 3:9 , die het recht behoorden te weten, maar daarvan een gruwel hadden; geheel anders was Gods dienaar gesteld. Jeremia 6:11 : Daarom ben ik vol van de grimmigheid van YHWH, ik ben moe geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die vol is van dagen. Jeremia 5:4 : Maar ik zei: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij de weg van YHWH, het recht hun Gods niet weten. Jeremia 5:5 : Ik zal gaan tot de grote, en met hen spreken, want die weten de weg van YHWH, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd. Micha 3:1 : Verder zei ik: Hoort nu, u hoofden Jakobs, en u oversten van het huis van Israël! Betaamt het u niet het recht te weten? Micha 3:9 : Hoort nu dit, u hoofden van het huis van Jakob, en u oversten van het huis van Israël! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;
[^micha-3-8-24]: Kanttekening 24: Of, macht, kloekmoedigheid, om het kwaad te verdragen en in mijn ambt onverdrietelijk voort te gaan, gelijk volgt.
[^micha-3-8-25]: Kanttekening 25: Met de verdiende straffen.
[^micha-3-9-26]: Kanttekening 26: Of, recht.
[^micha-3-9-27]: Kanttekening 27: gruwel hebt: Of, het gericht gruwelijk maakt; te weten door het goddeloos misbruik van justitie.
[^micha-3-9-28]: Kanttekening 28: recht is: Of, richtig, rechtmatig, billijk.
[^micha-3-9-29]: Kanttekening 29: Hebr. verkeren; dat is, diegenen zijt die verkeren, enz. gelijk elders dikwijls.
[^micha-3-9-d]: Verwijzing d: Amos 5:7 ; Amos 6:12 . Amos 5:7 : Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen. Amos 6:12 : Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem.
[^micha-3-10-30]: Kanttekening 30: Bouwende Sion: Hebr, in het eenvoudig getal; dat is, elk van hen is bouwende. zij bebouwen het met grote huizen en paleizen.
[^micha-3-10-31]: Kanttekening 31: Hebr, bloeden; dat is, moord en doodslag, \[zie Gen. 37:26 ; Ez. 22:27 ; Zef. 3:3 \], en verder, het geld dat zij daardoor, of door het voorstaan en sparen van moordenaars en geweldenaars bekomen. Genesis 37:26 : Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen? Ezechiël 22:27 : Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen. Zefanja 3:3 : Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen.
[^micha-3-10-e]: Verwijzing e: Ez. 22:27 ; Zefan. 3:3 . Ezechiël 22:27 : Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen. Zefanja 3:3 : Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen.
[^micha-3-10-32]: Kanttekening 32: Roverij en allerlei onrechtvaardige middelen. Zie, Jer. 22:13 . Jeremia 22:13 : Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^micha-3-11-33]: Kanttekening 33: Haar hoofden: Zions en Jeruzalems regenten en rechters. God wil zeggen dat alles in burgerlijke en kerkelijke stand bedorven en om geld te koop was. Verg. Jes. 1:23 . Jesaja 1:23 : Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak van de weduwen komt voor hen niet.
[^micha-3-11-34]: Kanttekening 34: Hebr. geschenk.
[^micha-3-11-35]: Kanttekening 35: Laten zich omkopen, om te leren naar de lust van de mensen, daar zij van God hun toegelegd onderhoud hadden, en zonder aanzien van mensen Gods woord behoorden voor te dragen. Zie Mal. 2:6 , 2:7 . Maleachi 2:6 : De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. Maleachi 2:7 : Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^micha-3-11-36]: Kanttekening 36: profeten waarzeggen om geld: De valse, waarvan boven.
[^micha-3-11-37]: Kanttekening 37: steunen zij op YHWH: Niet met een heilig vertrouwen, \[dat met godzaligheid vergezelschapt is\], maar met huichelarij, uit onbeschaamde hoogmoed en ijdele, stoute, vleselijke vermeteldheid. Zie Jes. 48:2 ; Jer. 7:4 , 7:8 , 7:9 , 7:10 . Hoe ondragelijk zulks bij God was, blijkt in vers 12 . Jesaja 48:2 : Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op de God van Israël; YHWH van de legermachten is Zijn Naam. Jeremia 7:4 : Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn deze! Jeremia 7:8 : Ziet, u vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen. Jeremia 7:9 : Zult u stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die u niet kent? Jeremia 7:10 : En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen? Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.
[^micha-3-11-38]: Kanttekening 38: Is YHWH niet in het midden van ons: Dat is toch buiten alle twijfel, willen zij zeggen; niet anders dan of hun God verplicht was, al evenveel hoe zij het maakten.
[^micha-3-11-39]: Kanttekening 39: kwaad overkomen: Dat is, ongeluk, elllende, waarvan de andere profeten zoveel hebben te zeggen. Verg. Amos 9:10 . Amos 9:10 : Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.
[^micha-3-12-40]: Kanttekening 40: Om uw zonden, waarmee u alles vervuld en bedorven hebt.
[^micha-3-12-41]: Kanttekening 41: Zo weinig vraagt God naar Zion, Jeruzalem, ja zijn tempel zelfs, als zij verontreinigd waren.
[^micha-3-12-42]: Kanttekening 42: akker geploegd worden: Dat is, geheel en al verwoest worden. Deze scherpe en verschrikkelijke profetieën heeft de vrome koning Hizkia bij zijn tijd \[in welke Micha profeteerde\] met een boetvaardig hart aangenomen, God om genade gesmeekt, en ontwijfelijk alles gedaan wat hij kon, tot verbetering. Zie Jer. 26:18 , 26:19 , 26:20 , en verg. Micha 1:6 . Jeremia 26:18 : Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud. Jeremia 26:19 : Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet YHWH, en smeekte het aangezicht van YHWH, zodat YHWH berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen. Jeremia 26:20 : Er was ook een man, die in de Naam van YHWH profeteerde, Uria, de zoon van Semaja, van Kirjath-jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jeremia. Micha 1:6 : Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop van het veld, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fondamenten ontdekken.
[^micha-3-12-43]: Kanttekening 43: huizes tot hoogten: Van de tempel.
[^micha-3-12-44]: Kanttekening 44: Gelijk Jer. 26:18 . Op deze verschrikkelijk profetie volgt een bovenmate heerlijke evangelische belofte van de berg van het huis van de Heer, in het begin van het volgende hoofdstuk van gelijke in het einde van het vierde en begin van het vijfde hoofdstuk. Jeremia 26:18 : Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud.

### Micha 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/4.json)

*Profetie van de komst, heerlijkheid, uitbreiding, vredige en gezegende staat van het koninkrijk van de Messias, onder de uitverkoren Joden en heidenen, vers 1 enz. Vertroosting van de Joodse kerk tegen de aanstaande Babylonische gevangenschap, door verzekering van de verlossing en de overwinning over alle vijanden van de kerk, vanwege de tegenwoordigheid en kracht van haar Koning Christus, 9.*

**1** Maar[^micha-4-1-a] in[^micha-4-1-1] het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de[^micha-4-1-2] top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v1)

**2** En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Kom en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v2)

**3** En Hij zal onder[^micha-4-3-3] grote volken richten, en machtige heidenen[^micha-4-3-4] straffen,[^micha-4-3-5] tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun speren tot sikkels; het[^micha-4-3-6] ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v3)

**4** [^micha-4-4-7] Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn[^micha-4-4-b] wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en[^micha-4-4-8] er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van YHWH van de legermachten heeft[^micha-4-4-9] het gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v4)

**5** Want[^micha-4-5-10] alle volken zullen wandelen, elk in de naam[^micha-4-5-11] van zijn god;[^micha-4-5-12] maar wij zullen wandelen in de[^micha-4-5-13] Naam van YHWH, van onze God,[^micha-4-5-14] eeuwig en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v5)

**6** Op die dag, spreekt YHWH, zal Ik haar,[^micha-4-6-15] die hinkende was,[^micha-4-6-c] verzamelen, en haar, die verdreven was, verzamelen, en die Ik[^micha-4-6-16] geplaagd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v6)

**7** En Ik zal[^micha-4-7-d] haar, die hinkende was,[^micha-4-7-17] maken tot een[^micha-4-7-18] overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een[^micha-4-7-19] machtig volk; en YHWH zal[^micha-4-7-20][^micha-4-7-e] Koning over hen zijn op de berg van Sion, van[^micha-4-7-21] nu aan tot in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v7)

**8** En u[^micha-4-8-22] Schaapstoren, u[^micha-4-8-23] Ofel van de dochter van Sion! tot u zal komen, ja, daar zal komen de[^micha-4-8-24] vorige heerschappij, het koninkrijk van[^micha-4-8-25] de dochters van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v8)

**9** Nu, waarom zou[^micha-4-9-26] u[^micha-4-9-27] zo groot geschrei maken? Is er geen[^micha-4-9-28][^micha-4-9-f] koning onder u? Is uw[^micha-4-9-29] Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v9)

**10** Lijd smart en arbeid[^micha-4-10-30] om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want[^micha-4-10-31] nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het[^micha-4-10-32] veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de[^micha-4-10-33] hand van uw[^micha-4-10-34] vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v10)

**11** Nu zijn wel vele heidenen tegen[^micha-4-11-35] u verzameld, die daar zeggen: Laat[^micha-4-11-36] ze ontheiligd worden, en laat ons oog[^micha-4-11-37] schouwen aan Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v11)

**12** Maar[^micha-4-12-38] zij weten de gedachten van YHWH niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen verzameld heeft als[^micha-4-12-39] graanschoven tot de[^micha-4-12-g] dorsvloer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v12)

**13** [^micha-4-13-40] Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw[^micha-4-13-41] hoorn ijzer[^micha-4-13-42] maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun[^micha-4-13-43] winst YHWH verbannen, en hun vermogen de[^micha-4-13-h] Heere van de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v13)

**14** [^micha-4-14-44] Nu,[^micha-4-14-45] rot u met benden, u[^micha-4-14-46] dochter van de bende,[^micha-4-14-47] hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen de[^micha-4-14-48] rechter van Israël met de roede op de wang slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/4.html#v14)

[^micha-4-1-a]: Verwijzing a: Jes. 2:2 . Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien.
[^micha-4-1-1]: Kanttekening 1: laatste van de dagen zal het gebeuren: In de tijd van het Nieuwe Testament, of de komst van de beloofde Messias, onze Heer Jezus Christus; zie Jes. 2:2 , 2:3 , 2:4 , 2:5 ; alwaar deze profetie bijkans met dezelfde woorden is verhaald. Zie de aantekening daar. Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Jesaja 2:4 : En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. Jesaja 2:5 : Komt, u huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht van YHWH.
[^micha-4-1-2]: Kanttekening 2: top van de bergen: Hebr. hoofd.
[^micha-4-3-3]: Kanttekening 3: grote volken richten: Of, velen.
[^micha-4-3-4]: Kanttekening 4: Of, bestraffen.
[^micha-4-3-5]: Kanttekening 5: tot verre toe: Tot aan de einden van de aarde. Zie Ps. 2:8 , met de aantekening. Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting.
[^micha-4-3-6]: Kanttekening 6: ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen: Hebr. volk tegen volk zullen geen zwaard opheffen.
[^micha-4-4-7]: Kanttekening 7: Maar zij zullen zitten: Door deze verbloemde manieren van spreken \[genomen uit 1 Kon. 4:25 \], wordt afgebeeld het geestelijk vertrouwen en de vrede van de conscientiën, die de kerk van Christus heeft door het geloof in Hem; waarvan de staat van Salomo's rijk een voorbeeld was; verg. Ps. 72:7 , enz; Zach. 3:10 . 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo. Psalmen 72:7 : In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. Zacharia 3:10 : Te die dage, spreekt YHWH van de legermachten, zult u een ieder zijn naaste nodigen tot onder de wijnstok en tot onder de vijgeboom.
[^micha-4-4-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 4:25 . 1 Koningen 4:25 : En Juda en Israël woonden zeker, een iedereen onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.
[^micha-4-4-8]: Kanttekening 8: er zal niemand zijn, die ze verschrikke: Verg. Lev. 26:5 , 26:6 ; Jes. 11:6 , enz. Leviticus 26:5 : En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. Leviticus 26:6 : Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. Jesaja 11:6 : En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
[^micha-4-4-9]: Kanttekening 9: Daarom zal het zekerlijk volbracht worden.
[^micha-4-5-10]: Kanttekening 10: alle volken zullen wandelen: Andere volken, die zich tot Christus' gehoorzaamheid niet begeven.
[^micha-4-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, van de afgod; verg. Jona 1:5 . Jona 1:5 : Toen vreesden de zeelieden, en riepen een ieder tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het van dezelfde te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen.
[^micha-4-5-12]: Kanttekening 12: wij zullen wandelen: Die van Christus' kerk zijn, in Hem geloven en Hem volgen.
[^micha-4-5-13]: Kanttekening 13: Naam van YHWH, onzes Gods: Dat is, godsdienst, dienst, aanroeping, geloof, vertrouwen, enz.; zie 1 Kon. 8:16 ; 2 Kon. 2:24 . 1 Koningen 8:16 : Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. 2 Koningen 2:24 : En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van YHWH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelfde twee en veertig kinderen.
[^micha-4-5-14]: Kanttekening 14: eeuwig en altijd: Dit is, in dit en het toekomende leven.
[^micha-4-6-15]: Kanttekening 15: die hinkende was: Die lange tijd in kruis en lijden zal hebben gezeten. Zie Ps. 35:15 ; Jer. 20:10 ; Zef. 3:19 , met de aantekening. De Hebr. woorden, hinkende, verdrevene, staan in het vrouwelijke geslacht. Versta, de dochter van Zion, uit vers 8 , dat is, het overblijfsel van de Joodse kerk. Psalmen 35:15 : Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. Jeremia 20:10 : Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. Zefanja 3:19 : Ziet, Ik zal te die tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het gehele land, waar zij beschaamd zijn geweest. Micha 4:8 : En u Schaapstoren, u Ofel van de dochter van Sion! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk van de dochters van Jeruzalem.
[^micha-4-6-c]: Verwijzing c: Deut. 30:3 ; idem v. 4 ; idem v. 5 . Deuteronomium 30:3 : En YHWH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uw ontfermen; en Hij zal u weer vergaderen uit al de volken, waarheen u YHWH, uw God, verstrooid had. Deuteronomium 30:4 : Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u YHWH, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen. Deuteronomium 30:5 : En YHWH, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en u zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.
[^micha-4-6-16]: Kanttekening 16: geplaagd had: Hebr. kwaad gedaan; dat is, hard behandeld, geplaagd had.
[^micha-4-7-d]: Verwijzing d: Zefan. 3:19 . Zefanja 3:19 : Ziet, Ik zal te die tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het gehele land, waar zij beschaamd zijn geweest.
[^micha-4-7-17]: Kanttekening 17: maken tot een: Hebr. stellen.
[^micha-4-7-18]: Kanttekening 18: Zodat er nog van de Joden, of Israël, een deel geloven en behouden zullen worden door de Messias. Zie Rom. 11:5 . Romeinen 11:5 : Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade.
[^micha-4-7-19]: Kanttekening 19: machtig volk: Door de beroeping en toevoeging van de heidenen; gelijk vers 1 , 4:2 . Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Micha 4:2 : En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^micha-4-7-20]: Kanttekening 20: Koning over hen zijn op de berg van Sion: Of, over henlieden regeren.
[^micha-4-7-e]: Verwijzing e: Dan. 7:14 ; Lukas 1:33 . Daniël 7:14 : En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en Zijn Koninkrijks zal geen einde zijn.
[^micha-4-7-21]: Kanttekening 21: nu aan tot in eeuwigheid: Dat is, van de tijd af, dat de Heer dit genadewerk verricht; dat is, aan zijn koninkrijk zal geen einde zijn, gelijk Luk. 1:33 , zo Jer. 9:6 . Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en van Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Jeremia 9:6 : Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt YHWH.
[^micha-4-8-22]: Kanttekening 22: Hebr. Migdal-eder, dat sommigen houden voor de plaats, vermeld Gen. 35:21 ; waaromtrent de patriarch Jakob zich neersloeg, dichtbij, of binnen Jeruzalem gelegen. Anderen verstaan een toren, die getimmerd was op de Schaapspoort, waarvan Neh. 3:1 , 3:32 ; zie daar, en versta door deze en de volgende plaats, Jeruzalem, en voort Gods kerk, Christus' schaapstal. Genesis 35:21 : Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-eder. Nehemia 3:1 : En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broers, de priesters, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan de toren Mea, tot aan de toren Hananeël. Nehemia 3:32 : En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.
[^micha-4-8-23]: Kanttekening 23: Dat is, heuvel; zie 2 Kron. 27:3 , en 2 Kron. 33:14 ; Neh. 3:26 , 3:27 . Het kan zijn dat de kerk van God, of het geestelijk Jeruzalem, de benaming van deze beide plaatsen heeft, vanwege de sterkte en vastheid van de schaapstal van Christus en de verheffing of uitsteking van de kerk in de wereld. Zie Matt. 5:14 , 5:16 . 2 Kronieken 27:3 : Dezelfde bouwde de hoge poorten aan het huis van YHWH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. 2 Kronieken 33:14 : En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda. Nehemia 3:26 : De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren. Nehemia 3:27 : Daarna verbeterden de Thekoieten een andere maat; tegenover de grote uitstekende toren, en tot aan de muur van Ofel. Mattheüs 5:14 : U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Mattheüs 5:16 : Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
[^micha-4-8-24]: Kanttekening 24: de vorige heerschappij: Het koninkrijk van Christus, het koninkrijk van de hemelen, de kerk, waarvan de Koning Christus is afgebeeld door het voorgaande koninkrijk van David, en bijzonder door het bloeiende en vrederijke koninkrijk van Salomo. Verg. vers 4 met de aantekening. Micha 4:4 : Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van YHWH van de legermachten heeft het gesproken.
[^micha-4-8-25]: Kanttekening 25: dochters van Jeruzalem: Dat is, van het volk, van de inwoners van Jeruzalem, dat is van de kerk.
[^micha-4-9-26]: Kanttekening 26: U hinkende dochter van Zion.
[^micha-4-9-27]: Kanttekening 27: zo groot geschrei maken: Hebr. huilen huilende, of \[met\] geschrei huilen; dat is, zulk een getier van kermen en klagen maken, vanwege het lijden dat u eerst zal overkomen.
[^micha-4-9-28]: Kanttekening 28: Koning onder u: Alsof God zei: Het zal wel niet anders schijnen dan of u geen koning noch raadgever had, wanneer u in de Babylonische gevangeschap zult moeten doorgaan; maar Hij is daarom niet verloren, Hij zal zich op zijn tijd openbaren en zijn rijk onder u herstellen.
[^micha-4-9-f]: Verwijzing f: Jer. 8:19 . Jeremia 8:19 : Ziet, de stem van het geschrei van de dochters mijns volks is uit zeer ver land: Is dan YHWH niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden van de vreemden?
[^micha-4-9-29]: Kanttekening 29: Raadgever vergaan: Verg. Jes. 9:5 op het woord Raad. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst;
[^micha-4-10-30]: Kanttekening 30: om voort te brengen: Gelijk een vrouw, die in arbeid is om een vrucht ter wereld te brengen; u hebt er reden toe, het moet vooreerst zo zijn, maar de uitkomst zal blij zijn; verg. Jes. 26:17 , 26:18 , 26:19 . Jesaja 26:17 : Gelijk een bevruchte vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o YHWH! vanwege Uw aangezicht. Jesaja 26:18 : Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners van de wereld vielen niet neder. Jesaja 26:19 : Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.
[^micha-4-10-31]: Kanttekening 31: nu zult u wel uit de stad heen uitgaan: Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3 . Zo onder Micha 5:3 , en Micha 7:10 . Hosea 10:3 : Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen? Micha 5:3 : En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, Zijn God, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde. Micha 7:10 : En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is YHWH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk van de straten.
[^micha-4-10-32]: Kanttekening 32: veld wonen: Buiten uw land gaan dolen en verstrooid worden.
[^micha-4-10-33]: Kanttekening 33: YHWH verlossen: Tot een bewijs dat uw koning behouden is, en tot een voorbeeld van de geestelijke verlossing en oprichting van het koninkrijk van Christus, die de ware losser en rantsoeneerder van zijn volk is. Zie Gen. 48:16 ; Job 19:25 ; Jes. 59:20 . Genesis 48:16 : Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! Job 19:25 : Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Jesaja 59:20 : En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt YHWH.
[^micha-4-10-34]: Kanttekening 34: hand van uw vijanden: Hebr. palm.
[^micha-4-11-35]: Kanttekening 35: u verzameld: O Zion, of dochter van Zion.
[^micha-4-11-36]: Kanttekening 36: ontheiligd worden: Door bloedvergieten, schenden, plunderen en allerlei verwoesten. Zie Num. 35:33 ; Ps. 106:38 , en verg. Ez. 7:21 met de aantekening. Numeri 35:33 : Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene, die dat vergoten heeft. Psalmen 106:38 : En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed van hun zonen en van hun dochters, die zij aan de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. Ezechiël 7:21 : En Ik zal het in de hand van de vreemden overgeven ten roof, en aan de goddelozen van de aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen.
[^micha-4-11-37]: Kanttekening 37: schouwen aan Sion: Te weten onze wens of lust, in hun ongeluk of verderf. Verg. Ps. 22:18 . Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^micha-4-12-38]: Kanttekening 38: zij weten de gedachten van YHWH niet: De heidenen, Jeruzalems vijanden.
[^micha-4-12-39]: Kanttekening 39: garven tot de dorsvloer: Wanneer Hij de vijanden zal gebruikt hebben om zijn volk door hen te tuchtigen en te verootmoedigen dat Hij dan een schrikkelijk oordeel over die vijanden zal uitvoeren. Verg. Jes. 21:10 , en Jer. 51:33 ; Joel 3:13 , 3:14 met de aantekening daar. Jesaja 21:10 : O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van YHWH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd. Jeremia 51:33 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. Joël 3:13 : Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is groot. Joël 3:14 : Menigten, menigten in het dal van de dorswagens; want de dag van YHWH is nabij, in het dal van de dorswagens.
[^micha-4-12-g]: Verwijzing g: Jer. 51:33 . Jeremia 51:33 : Want zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen.
[^micha-4-13-40]: Kanttekening 40: Maak u op en dors, o dochter van Sion: Om uw verdrukkers en vijanden te vertreden en te vernielen, door de kracht van uw Hoofd en Koning Jezus Christus. Verg. Jes. 41:15 , 41:16 . Jesaja 41:15 : Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf. Jesaja 41:16 : U zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar u zult u verheugen in YHWH; in de Heilige van Israël zult u u roemen.
[^micha-4-13-41]: Kanttekening 41: Dat is, uw macht onverwinnelijk maken. Zie Deut. 33:17 . Deuteronomium 33:17 : Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; met dezelfde zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse!
[^micha-4-13-42]: Kanttekening 42: Hebr. stellen, zo in het volgende.
[^micha-4-13-43]: Kanttekening 43: winst YHWH verbannen: Dit ziet op het gebruik van het verbannen van een natie, als wanneer het volk vernield werd en hun goed de Heer toebehoorde. Zie Deut. 2:34 ; Joz. 6:17 , 6:18 , 6:19 , en verg. verder Zach. 14:20 . Deuteronomium 2:34 : En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. Jozua 6:17 : Maar deze stad zal YHWH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. Jozua 6:18 : Alleen dat u u wacht van het verbannene, opdat u u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelfde beroert. Jozua 6:19 : Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen YHWH heilig zijn; tot de schat van YHWH zullen zij komen. Zacharia 14:20 : Te die dage zal op de bellen van de paarden staan: De HEILIGHEID VAN YHWH. En de potten in het huis van YHWH zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
[^micha-4-13-h]: Verwijzing h: Zach. 4:14 ; Zach. 6:5 . Zacharia 4:14 : Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heer van de gehele aarde staan. Zacharia 6:5 : En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij stonden voor de Heer van de gehele aarde.
[^micha-4-14-44]: Kanttekening 44: Alsof de Heer zei: Maar omdat het voor deze tijd, om uw zonden wil, zo moet gaan, gelijk vers 10 , 4:11 gezegd is, zo zal het al vergeefs zijn, wat u daartegen met al uw gewoel zoudt mogen voornemen, want u moet toch naar Babel. Het is een aanspraak tot de inwoners van Jeruzalem, met wie de profeet in de volgende woorden zich samenvoegt door het woord ons. Maar sommigen houden het voor een spotachtige aanspraak aan de Babyloniërs, alsof God zei: Doet vrij uw best, u krijgers van Babel \[gelijk u dan ook voorzeker doen zult\], evenwel zult u daardoor mijn genadewerk, dat Ik voorheb \[waarvan in het volgende hoofdstuk\], niet kunnen beletten. anders: nu zult u met benden samengehoopt, samengepakt worden, te weten, door de belegering, gelijk volgt. Dit vers hechten sommigen aan het volgende hoofdstuk als het eerste vers daarvan. Micha 4:10 : Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de hand van uw vijanden. Micha 4:11 : Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.
[^micha-4-14-45]: Kanttekening 45: rot u met benden: Dat is, doe uw best, met al uw krijgsmacht.
[^micha-4-14-46]: Kanttekening 46: dochter van de bende: Dat is, u krijgers, die u meent in de krijg zo ervaren en met krijgsvolk zo voorzien te zijn dat u geen vijand hebt te vrezen; of u die gewoon bent met benden en troepen uit te lopen om, als struikrovers en straatschenders, de reizende mensen te beroven, gelijk Micha 2:8 . Zie van het Hebr. woord, betekenende een bende, of troep van soldaten, enz. 2 Sam. 3:22 ; Jer. 18:22 , en verg. Israëls voorbeeld, Hos. 4:2 , en Hos. 6:9 , en Hos. 7:1 . aangaande de manier van spreken, dochter van de bende, verg. Job 5:7 , en Zach. 4:14 . Micha 2:8 : Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van de strijd. 2 Samuël 3:22 : En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een grote roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede. Jeremia 18:22 : Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer U haastig een bende over hen zult brengen; omdat zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten. Hosea 4:2 : Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden. Hosea 6:9 : Gelijk de benden van de straatschenders op iemand wachten, zo is het gezelschap van de priesters; zij moorden op de weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden. Hosea 7:1 : Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten. Job 5:7 : Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen. Zacharia 4:14 : Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heer van de gehele aarde staan.
[^micha-4-14-47]: Kanttekening 47: hij zal een belegering tegen ons stellen: De vijand, de koning van Babel. Dit zijn woorden van de profeet alsof hij zei: Dit zal ons voorzeker overkomen, u doet er tegen wat u wilt of mag.
[^micha-4-14-48]: Kanttekening 48: rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan: Dat is, de regenten, of gouverneurs openbare schande en smaadheid aandoen. Zie 1 Kon. 22:24 ; Job 16:10 ; Ps. 3:8 ; Klaagl. 3:30 met de aantekening. Dit was een teken dat hun aardse koninkrijk een einde zou nemen; waartegen in het volgende de belofte gedaan wordt van een nieuwe hemelse Koning, de Messias. 1 Koningen 22:24 : Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zei: Door wat weg is de geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Psalmen 3:8 : Sta op, YHWH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken. Klaagliederen 3:30 : Jod. Hij geve zijn wang die, die hem slaat, hij worde zat van smaad.

### Micha 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/5.json)

*Profetie van de geboorte van onze Heiland Jezus Christus te Bethlehem, en de bekering van de heidenen, vers 1. van zijn koninklijk weiden en regeren, en de macht en middelen van zijn kerk tegen haar vijanden, 4. van de wonderbaarlijke groei, geduchtheid, zege, zekerheid en heiligheid van de kerk, en Gods wraak over de ongehoorzamen, 7.*

**1** En[^micha-5-1-1] u,[^micha-5-1-2][^micha-5-1-a] Bethlehem Efratha![^micha-5-1-3] bent u klein om te wezen onder de[^micha-5-1-4] duizenden van Juda?[^micha-5-1-5] Uit u zal[^micha-5-1-6] Mij voortkomen,[^micha-5-1-7] Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens[^micha-5-1-8] uitgangen zijn[^micha-5-1-9] van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v1)

**2** Daarom zal[^micha-5-2-10] Hij[^micha-5-2-11] hen[^micha-5-2-12] overgeven, tot de tijd toe, dat zij, die[^micha-5-2-13] baren zal, gebaard hebbe; dan zullen[^micha-5-2-14] de overigen[^micha-5-2-15] Zijn broers zich bekeren[^micha-5-2-16] met de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v2)

**3** En[^micha-5-3-17] Hij zal[^micha-5-3-18] staan, en zal[^micha-5-3-19] weiden in de kracht van[^micha-5-3-20] YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, zijn God, en[^micha-5-3-21] zij zullen wonen,[^micha-5-3-22] want[^micha-5-3-23] nu zal Hij groot[^micha-5-3-24] zijn tot aan de einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v3)

**4** En Deze zal[^micha-5-4-25] Vrede zijn;[^micha-5-4-26] wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem[^micha-5-4-27] stellen[^micha-5-4-28] zeven[^micha-5-4-29] herders, en acht[^micha-5-4-30] vorsten[^micha-5-4-31] uit de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v4)

**5** Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land[^micha-5-5-32] van Nimrod in daarvan[^micha-5-5-33] ingangen. Zo zal[^micha-5-5-34] Hij ons redden van Assur, wanneer dezelfde in ons land zal komen, en wanneer hij in onze gebied zal treden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v5)

**6** En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een[^micha-5-6-35] dauw van YHWH, als druppels op het kruid, dat naar[^micha-5-6-36] geen man wacht, noch mensenkinderen verwacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v6)

**7** Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een[^micha-5-7-37] leeuw onder de beesten van de woud, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; die, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en[^micha-5-7-38] verscheurt hij, dat niemand redde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v7)

**8** Uw[^micha-5-8-39] hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders, en[^micha-5-8-40] al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v8)

**9** En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH, dat Ik uw[^micha-5-9-41][^micha-5-9-b] paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v9)

**10** En Ik zal de steden van uw land uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v10)

**11** En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en u zult geen[^micha-5-11-42] bezweerders hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v11)

**12** En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat u zich niet meer zult neerbuigen voor het[^micha-5-12-43] werk van uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v12)

**13** Verder zal Ik uw[^micha-5-13-44] bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v13)

**14** En Ik zal in toorn en in woede wrake doen aan de heidenen, die niet horen.[^micha-5-14-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/5.html#v14)

[^micha-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, u aangaande.
[^micha-5-1-2]: Kanttekening 2: Bethlehem Efratha: Zie Gen. 35:16 , 35:19 ; Richt. 12:8 , met de aantekening. Hebr. Bethlechem; dat is, broodhuis; gelijk Efrath of Efratha \[welke ook de naam was van Kalebs huisvrouw, 1 Kron. 2:19 , 2:24 \] komt van vruchtbaarheid. Genesis 35:16 : En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. Richteren 12:8 : En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem. 1 Kronieken 2:19 : Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 1 Kronieken 2:24 : En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa.
[^micha-5-1-a]: Verwijzing a: Matt. 2:6 ; Joh. 7:42 . Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit de zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
[^micha-5-1-3]: Kanttekening 3: bent u klein: Dat is, u bent in geen geval klein, Matt. 2:6 . Of \[hoewel\] u klein bent, enz. \[nochtans\] zal, enz. Anders aldus; Het \[is wat\] kleins, of gerings, een kleine zaak, dat u bent onder de duizenden, of voorgangers, vorsten, van Juda. \[Verg. de aantekening van deze plaats, gedaan bij de overpriesters en schriftgeleerden voor de koning Herodes, Matt. 2:6 \]. De zin is: U bent wel klein naar het uiterlijk aanzien, maar u zult tot zeer grote waardigheid verheven worden door de geboorte van de Messias en Zaligmaker Jezus Christus. Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.
[^micha-5-1-4]: Kanttekening 4: duizenden van Juda: Dit ziet op de afdeling van de stammen in hun duizenden, hebbende elke duizend zijn hoofd en overste, of leidsman en voorganger, zie Richt. 6:15 ; 1 Sam. 10:19 , met de aantekening. Idem 1 Kron. 12:20 . Daarom staat bij Matt. 2:6 , onder de vorsten, of voorgangers, leidslieden, hertogen; zijnde daarenboven de twee Hebr. woorden, die duizend en een leidsman, of voorganger betekenen, elkaar zeer na verwant en van één oorsprong. Richteren 6:15 : En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader. 1 Samuël 10:19 : Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht van YHWH, naar uw stammen en naar uw duizenden. 1 Kronieken 12:20 : Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden van de duizenden, die in Manasse waren. Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.
[^micha-5-1-5]: Kanttekening 5: Uit u zal: Naar zijn menselijke natuur en ten aanzien dat het eeuwig en zelfstandig Woord van de Vader vlees zal worden, zo zal hij in u, o Bethlehem, geboren worden, en zo uit u voortkomen, of uitgaan.
[^micha-5-1-6]: Kanttekening 6: Mij voortkomen: Woorden van God de Vader.
[^micha-5-1-7]: Kanttekening 7: Die een Heerser zal zijn in Israël: Hebr. om een heerser te zijn.
[^micha-5-1-8]: Kanttekening 8: uitgangen zijn: Of, hoewel zijn uitgangen, gelijk het woord uitgaan, of voortkomen, in het voorgaande gebruikt is van Christus voortkomst uit Bethlehem naar zijn mensheid, omdat Hij daar uit Maria zou geboren worden; zo wordt hetzelfde Hebr. woord hier nu gebruikt van zijn eeuwige voortkomst of uitgang van de vader, tot betekenis van zijn eeuwige godheid en Goddelijke geboorte van de Vader, en dat in het veelvoudige getal, uitgangen, dat niet vreemd in de Hebr. taal, in het bijzonder tot betekenis van iets groots en iets bijzonders, \[zie Obad. 1:21 ,enz.\], als daar is de eeuwigheid van de Zoon met de Vader en zijn onbegrijpelijke geboorte van dezelfde. Zie Hebr. 1:3 . Obadja 1:21 : En er zullen heilanden op de berg van Sion opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal van YHWH zijn. Hebreeën 1:3 : Die, omdat Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^micha-5-1-9]: Kanttekening 9: van ouds, van de dagen van de eeuwigheid: Dat is, vóór het begin van de schepping, ja van eeuwigheid, of eeuwige tijden af. Verg. Spr. 8:22 , 8:23 , 8:24 , 8:30 , 8:31 ; Joh. 1:1 , en Joh. 17:5 . Dat het Hebr. woord kredem, als het van God gebruikt wordt, somtijds eeuwigheid betekent, zie daarvan Deut. 33:27 met de aantekening. Spreuken 8:22 : YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. Spreuken 8:23 : Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van de aanvang, van de oudheden van de aarde aan. Spreuken 8:24 : Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Spreuken 8:30 : Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, altijd voor Zijn aangezicht spelende; Spreuken 8:31 : Spelende in de wereld van Zijn aarde, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen. Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Johannes 17:5 : En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was. Deuteronomium 33:27 : De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!
[^micha-5-2-10]: Kanttekening 10: God.
[^micha-5-2-11]: Kanttekening 11: De Joden.
[^micha-5-2-12]: Kanttekening 12: Of, laten, onder de heerschappij en macht van hun vijanden, zo Babyloniërs als anderen, totdat hun koning de Messias komt.
[^micha-5-2-13]: Kanttekening 13: baren zal: Totdat de Israëlietische kerk door de predikatie van de apostelen een menigte van geestelijke kinderen zal voortbrengen, zo Joden als in het bijzonder heidenen. Verg. Jes. 54:1 , enz., en Jes. 66:7 , 66:8 ; of \[gelijk sommigen\] totdat de arbeid en kindsnood \[dat is, het lijden van de Joodse kerk\] over is, en blijdschap kome, als wanneer een vrouw verlost is; verg. Micha 4:9 , 4:10 ; Joh. 16:20 , 16:21 . Men kan dit ook eenvoudig duiden op de geboorte van de Messias uit de maagd Maria. Verg. Jes. 7:4 . Jesaja 54:1 : Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH. Jesaja 66:7 : Voordat zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost. Jesaja 66:8 : Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. Micha 4:9 : Nu, waarom zoudt u zo groot geschrei maken? Is er geen koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen? Micha 4:10 : Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de hand van uw vijanden. Johannes 16:20 : Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u zult huilen, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet zal tot blijdschap worden. Johannes 16:21 : Een vrouw, wanneer zij baart, heeft verdriet, omdat haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. Jesaja 7:4 : En zeg tot hem: Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en van de zoon van Remalia;
[^micha-5-2-14]: Kanttekening 14: de overigen: Hebr. het overige zullen, enz.
[^micha-5-2-15]: Kanttekening 15: Zijn broers zich bekeren: De broers van de Heer Christus, namelijk de uitverkorenen uit de heidenen, die zich tot de gemeenschap van Christus en zijn kerk zullen begeven, en met de Joden onder één hoofd door één geloof verenigd worden. Zie Joh. 10:16 ; Ef. 2:11 , 2:12 , enz.; Hebr. 2:11 , 2:12 . Johannes 10:16 : Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Efeziërs 2:11 : Daarom gedenkt, dat u, die eertijds heidenen was in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Hebreeën 2:11 : Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broers te noemen. Hebreeën 2:12 : Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broers verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen.
[^micha-5-2-16]: Kanttekening 16: Anders: tot, de zin overeenkomende.
[^micha-5-3-17]: Kanttekening 17: De voorzeide heerser, de Messias.
[^micha-5-3-18]: Kanttekening 18: Dat is, steeds bezig zijn met verrichting van zijn ambt, als een getrouwe herder, die goede wacht houdt over zijn kudde, en altijd op de been is, gelijk men zegt. Verg. Micha 7:14 ; Zach. 1:8 , en Zach. 3:5 , en de manier van spreken met Zach. 14:4 , 14:12 . Of, Hij zal staan, dat is bestaan, een bestendige heerschappij hebben. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. Zacharia 1:8 : Ik zag in de nacht, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden. Zacharia 3:5 : Daarom zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kleren aan; en de Engel van YHWH stond daarbij. Zacharia 14:4 : En Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de helft daarvan naar het zuiden. Zacharia 14:12 : En dit zal de plage zijn, waarmee YHWH al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; de tong van een ieder zal in hun mond uitteren.
[^micha-5-3-19]: Kanttekening 19: Als een herder zijn kudde, met de staf van zijn Woord en Geest, of weiden, dat is regeren, in een zin. Zie 2 Sam. 5:2 , enz. Waarom ook voor heersen, \[ vers 1 \], staat Matt. 2:6 , weiden. 2 Samuël 5:2 : Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft YHWH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Mattheüs 2:6 : En u Bethlehem, u land Juda! zijt in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal.
[^micha-5-3-20]: Kanttekening 20: Zijn Vaders, die ook zijn eigen kracht is. Zie Joh. 10:38 , en Joh. 14:10 ; waarom hem de hoogheid of voortreffelijkheid van de naam van zijn Vader wordt toegeëigend. Verg. Joh. 5:18 ; Filipp. 2:6 ; Hebr. 1:3 , 1:5 . Johannes 10:38 : Maar als Ik ze doe, en zo u Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat u mag bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem. Johannes 14:10 : Gelooft u niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelfde doet de werken. Johannes 5:18 : Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zei, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven aan God evengelijk makende. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft aan God even gelijk te zijn; Hebreeën 1:3 : Die, omdat Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Hebreeën 1:5 : Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^micha-5-3-21]: Kanttekening 21: zij zullen wonen: Zijn onderdanen of schapen zullen een gerusten, vasten en zekeren staat hebben onder deze heerser en herder. Verg. Micha 4:4 , enz. Micha 4:4 : Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van YHWH van de legermachten heeft het gesproken.
[^micha-5-3-22]: Kanttekening 22: Of, wanneer Hij nu groot zal zijn, enz.
[^micha-5-3-23]: Kanttekening 23: nu zal Hij: Dat is, al haast, ter gezetter tijd. Zie Micha 4:10 . Micha 4:10 : Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de hand uw vijanden.
[^micha-5-3-24]: Kanttekening 24: zijn tot aan de einden van de aarde: Of, worden; anders: groot gemaakt worden; dat is, zijn eer en heerlijkheid zal groeien, uitgebreid en vermaard worden, door de predikatie van het Evangelie en de werking van de Heilige Geest onder de heidenen; of, Hij zal zijn grootheid en heerlijkheid zo bewijzen, tot aan de uiterste einden van de aarde.
[^micha-5-4-25]: Kanttekening 25: Vrede zijn: Dit is een reden, waarom de kerk van Christus zo vast en vredig wonen zal, als in het voorgaande beloofd is; om dat Christus Vrede zal zijn; dat is, zijn geestelijken en goddelijken vrede haar onfeilbaar en in alle manieren geven en beschikken, die haar geen vijand zal kunnen ontnemen, \[verg. Richt. 6:24 , en Joh. 14:27 \], hoewel zij in de wereld veel zal moeten lijden; waartegen zij in het volgende getroost wordt. Richteren 6:24 : Toen bouwde Gideon daar YHWH een altaar, en noemde het: YHWH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de Abi-ezrieten. Johannes 14:27 : Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.
[^micha-5-4-26]: Kanttekening 26: wanneer Assur in ons land zal komen: Hier wordt de kerk ingevoerd, betuigende haar gerustheid en vertrouwen, dat zij op deze haar Koning heeft, tegen alle vijandelijkheid, die haar zal mogen bejegenen. Verg. Jes. 41:25 , en Jes. 59:19 , met de aantekening. De eenvoudigste zin van deze figuurlijke woorden schijnt te zijn: Wanneer de vijanden van de kerk en de kinderen van deze wereld \[afgebeeld door de vijandelijke Assyriërs en Nimrods land\] haar over last zullen doen, \[dat zij van tevoren wel weet dat haar zal wedervaren\] dat zij alsdan van haar Koning \[die, in Micha5:5, gezegd wordt\] van Assur te redden daartegen genoeg, ja overvloediglijk, met tegenweer en wederwraak voorzien zal zijn, om haar geestelijken staat te handhaven en de vijanden te straffen; \[zo wel, alsof zij\] zeven, of acht heirlegers onder zoveel krijgsoversten kon te velde brengen tegen de Assyriërs en Chaldeën\]; en dat vooreerst door het zwaard en het goddelijke Woord, en het middel van de kerkelijke tucht \[welke de geestelijke wapenen van de kerk zijn\] gebruikt van herders en regeerders van de kerk \[waarvan sommigen dit alleen verstaan, alsook van de bekering van de voorzeide vijanden tot de gemeenschap van de kerk en haar kerkelijke en geestelijke weiding en regering\]. Daarna ook, nu en dan, uiterlijk en lichamelijk \[gelijk anderen hier bijvoegen\] wanneer het de Zoon van God believen mag zijn kerk van de overval van de vijanden door zijn helden, die Hij ten beste van zijn volk verwekken kan, te verlossen en de vijanden te verdelgen, zulks Hij zelf ten laatste eens volkomenlijk zal doen. Verg. vers 8 , 5:14 . Jesaja 41:25 : Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt. Jesaja 59:19 : Dan zullen zij de Naam van YHWH vrezen van de nedergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang van de zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest van YHWH de banier tegen hen oprichten. Micha 5:8 : Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. Micha 5:14 : En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.
[^micha-5-4-27]: Kanttekening 27: Of, over hem verwekken, doen opstaan, verkiezen, beroepen, ordineren, te weten, door de regering en het beleid van onze Koning en zijn Geest. Zie Hand. 13:2 , enz., idem Hand. 20:28 ; Ef. 4:11 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over die u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^micha-5-4-28]: Kanttekening 28: Dat is, genoeg, of veel, een zeker getal voor een onzeker. Verg. Pred. 11:2 met de aantekening. Prediker 11:2 : Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want u weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal.
[^micha-5-4-29]: Kanttekening 29: Kerkelijke en politieke regenten, ook krijgsoversten, gelijk het krijgsvolk ook kudden genoemd worden. Zie Jer. 49:19 , 49:20 met de aantekening. Jeremia 49:19 : Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 49:20 : Daarom hoort de raadslag van YHWH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Als hij hun woning niet boven hen zal verwoesten!
[^micha-5-4-30]: Kanttekening 30: Of, voornamen, geweldigen, stadhouders. Zie Ez. 32:30 . Ezechiël 32:30 : Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniërs, die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik, die uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in de kuil zijn nedergedaald.
[^micha-5-4-31]: Kanttekening 31: uit de mensen: Hebr. van de, of een mensen, van de mensen; dat is, naar sommigen gevoelen, uit de gemene mensen. Verg. Ps. 4:3 . Zodat de slechtsten van Gods kerk, door wettelijk beroep en de Geest van de Heer Christus, bekwaam zullen worden tot tegenstand; gelijk God Mozes en Aäron, enz., en Christus zijn apostelen, uit de menigte, en verder de anderen door de apostelen en zijn volk, beroepen en daartoe ingesteld heeft. Zie Hand. 4:13 . Of, men kan het aldus nemen: de vorsten van de mensen; dat is, de treffelijksten en dappersten, die in het midden van ons begaafd zijn met de geest van de dapperheid. Verg. Ps. 149:6 , 149:7 , 149:8 , 149:9 met de aantekening, idem Joh. 16:8 , 16:9 , 16:10 , 16:11 , en 2 Kor. 10:4 , 10:5 . Psalmen 4:3 : U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela. Handelingen 4:13 : Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. Psalmen 149:6 : De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand; Psalmen 149:7 : Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; Psalmen 149:8 : Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien; Psalmen 149:9 : Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah! Johannes 16:8 : En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: Johannes 16:9 : Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; Johannes 16:10 : En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en u zult Mij niet meer zien; Johannes 16:11 : En van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;
[^micha-5-5-32]: Kanttekening 32: Zie Gen. 10:8 , 10:9 , 10:10 . Genesis 10:8 : En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Genesis 10:9 : Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van YHWH. Genesis 10:10 : En het begin zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
[^micha-5-5-33]: Kanttekening 33: Of, openingen, deuren van het land, dat is, frontieren, grenzen, of waar het land open is. Anders: met zijn \[lands eigen\] blote zwaarden, omdat een ander verwant Hebr. woord zo genomen wordt; zie Ps. 55:22 , met de aantekening. Psalmen 55:22 : Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn blote zwaarden.
[^micha-5-5-34]: Kanttekening 34: Hij ons redden van Assur: De heerser, die uit Bethlehem zal voortkomen, zal dat doen, gebruikende daartoe en zegenende de voorzeide middelen.
[^micha-5-6-35]: Kanttekening 35: dauw van YHWH: Omdat uit Jakobs overblijfsel Christus \[naar het vlees\] en zijn apostelen, en verder uit de algemene kerk leraars zouden voortkomen, die door de predikatie van het Evangelie van de zaligmakende genade, vele volken zouden bedruipen en overgieten als met een hemelsen dauw en lieflijke regendroppelen, waarbij de Geest van de Heer \[wiens werk dat alleen is\] zo zou werken in de harten van de uitverkorenen, dat er menigten van gelovigen ter ere Gods zouden opschieten, of geboren worden, groeien, groeien en bloeien, enz. Verg. Ps. 110:3 ; Jes. 26:19 , en Jes. 66:8 , 66:9 ; Ez. 47:7 met de aantekening, enz.; idem 1 Kor. 3:6 , 3:7 . Psalmen 110:3 : Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. Jesaja 26:19 : Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. Jesaja 66:8 : Wie heeft ooit zulks gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. Jesaja 66:9 : Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt YHWH; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God. Ezechiël 47:7 : Als ik terugkeerde, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde. 1 Korinthiërs 3:6 : Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:7 : Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.
[^micha-5-6-36]: Kanttekening 36: geen man wacht: Dat is, zodat dit gewas louter en alleen een werk van God zal zijn van boven. Verg. Job 38:26 , 38:27 , met de aantekening. Job 38:26 : Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; Job 38:27 : Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien.
[^micha-5-7-37]: Kanttekening 37: leeuw onder de beesten van het woud: Vrijmoedig in zijn weg, en zijn vijanden vreeslijk, door de onoverwinnelijke kracht van hun Hoofd Christus \[de leeuw uit Juda, Openb. 5:5 \] en van zijn Geest. Zie Joh. 16:33 ; 1 Joh. 5:4 , 5:5 . Sommigen stellen tegen elkaar de dauw van de kerken, als lieflijk voor de boetvaardigen, en de leeuw, als vreeslijk tegen de onboetvaardigen en hardnekkigen, in het gebruik van de sleutels van het hemelrijk. Openbaring 5:5 : En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. Johannes 16:33 : Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. 1 Johannes 5:4 : Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5:5 : Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
[^micha-5-7-38]: Kanttekening 38: verscheurt hij: Verg. Ps. 7:3 . Psalmen 7:3 : Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
[^micha-5-8-39]: Kanttekening 39: hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders: Dat is, macht, o Jakob, uit het voorgaande. Verg. Gen. 49:8 , en zie Gen. 16:6 . Genesis 49:8 : Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen. Genesis 16:6 : En Abram zei tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
[^micha-5-8-40]: Kanttekening 40: al uw vijanden zullen uitgeroeid worden: Niet alleen de geestelijke, maar ook ten laatste alle lichamelijke, gelijk vers 14 . Micha 5:14 : En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.
[^micha-5-9-41]: Kanttekening 41: paarden uit het midden van u zal uitroeien: De Heer wil hier en in het volgende zeggen dat Hij alles, waarmee zijn volk Hem nu zolang onteerd en vertoornd had, zal wegnemen, te weten de vleselijke arm, allen ijdelen, afgodischen en duivelsen toeverlaat; en zijn kerk zo heiligen, dat zij zich op Hem alleen verlate, Hem alleen godsdienstig ere en diene, en onder zijn bescherming zeker zijnde, door zijn macht en oordelen over al haar vijanden zegeviere. Verg. Hos. 1:7 , en Hos. 14:4 met de aantekening. Hosea 1:7 : Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door YHWH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.
[^micha-5-9-b]: Verwijzing b: Hosea 14:4 . Hosea 14:4 : Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.
[^micha-5-11-42]: Kanttekening 42: guichelaars hebben: Zie Lev. 19:26 . Leviticus 19:26 : U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.
[^micha-5-12-43]: Kanttekening 43: werk van uw handen: De afgodische beelden.
[^micha-5-13-44]: Kanttekening 44: bossen uit het midden van u uitroeien: Ter ere van de afgoden gesticht, en tot afgoderij gebruikt; zie Deut. 12:3 , en Deut. 16:21 , met de aantekening en verg. hiermee Ez. 43:7 , 43:8 , 43:9 . Deuteronomium 12:3 : En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden nederhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats. Deuteronomium 16:21 : U zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar van YHWH, uws Gods, dat u u maken zult. Ezechiël 43:7 : En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten; Ezechiël 43:8 : Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn. Ezechiël 43:9 : Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.
[^micha-5-14-45]: Kanttekening 45: Dat is, gehoorzaam. Verg. Jes. 60:12; Jer. 12:17 . Anders: welke \[te weten, wraak, dat is, dergelijks\] zij niet hebben gehoord; dat is, dergelijks nooit tevoren gehoord is. Jeremia 12:17 : Maar als zij niet zullen horen, zo zal Ik diezelve natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt YHWH.

### Micha 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/6.json)

*Aankondiging van Gods twist met zijn volk, vanwege hun ondankbaarheid tegen zijn voortdurende weldadigheid, vers 1 enz. God verwerpt hun offers en toont wat zijn eis en hun plicht is, 6. en omdat het tegendeel onder hen bekend was, namelijk onrechtvaardigheid, geweld, leugen en bedrog, evenals de afgodische handel van Omri en Achab, dreigt Hij hen met de verwoesting, de honger, reddeloosheid en het zwaard, 10.*

**1** Hoor nu, wat YHWH zegt: Maak u op, twist[^micha-6-1-1] met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v1)

**2** Hoor, u bergen! de twist van YHWH, en ook u[^micha-6-2-2] sterke fundamenten van de aarde! want YHWH[^micha-6-2-a] heeft een[^micha-6-2-3] twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v2)

**3** O Mijn volk![^micha-6-3-4] wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u[^micha-6-3-5] vermoeid? Betuig tegen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v3)

**4** Immers heb Ik u uit[^micha-6-4-b] Egypteland opgevoerd, en u uit het[^micha-6-4-6] diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen[^micha-6-4-7] gezonden Mozes, Aäron en[^micha-6-4-8] Mirjam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v4)

**5** Mijn volk! gedenk toch wat[^micha-6-5-c] Balak, de koning van Moab,[^micha-6-5-9] beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat gebeurd is van[^micha-6-5-10][^micha-6-5-d] Sittim af tot[^micha-6-5-11][^micha-6-5-e] Gilgal toe, opdat u de[^micha-6-5-12] gerechtigheden van YHWH kent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v5)

**6** [^micha-6-6-13] Waarmee zal ik YHWH tegenkomen,[^micha-6-6-14] en mij bukken voor de[^micha-6-6-15] hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandoffers, met[^micha-6-6-16] eenjarige kalveren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v6)

**7** [^micha-6-7-17] Zou YHWH een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken?[^micha-6-7-18] Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v7)

**8** [^micha-6-8-19] Hij heeft u[^micha-6-8-20] bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat[^micha-6-8-f] eist YHWH van u, dan[^micha-6-8-21] recht te doen, en goedertierenheid lief te hebben, en[^micha-6-8-22] ootmoedig te wandelen[^micha-6-8-23] met uw God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v8)

**9** De[^micha-6-9-24] stem van YHWH roept tot de[^micha-6-9-25] stad (want Uw[^micha-6-9-26] Naam ziet[^micha-6-9-27] het wezen): Hoor de[^micha-6-9-28] roede, en[^micha-6-9-29] wie ze besteld heeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v9)

**10** [^micha-6-10-30] Zijn er niet nog, in het huis van iedere[^micha-6-10-31] goddeloze, schatten van[^micha-6-10-32] de goddeloosheid en een[^micha-6-10-33] schaarse[^micha-6-10-34] efa, dat[^micha-6-10-35] te verafschuwen is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v10)

**11** [^micha-6-11-36] Zou ik rein zijn, met een[^micha-6-11-37] goddeloze[^micha-6-11-g] weegschaal en met een zak van bedriegelijke[^micha-6-11-38] weegstenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v11)

**12** Omdat[^micha-6-12-39] haar rijke mensen vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en[^micha-6-12-40] haar tong[^micha-6-12-41][^micha-6-12-h] bedriegelijk is in haar mond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v12)

**13** Zo zal[^micha-6-13-42] Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v13)

**14** U zult[^micha-6-14-i] eten, maar niet verzadigd worden, en uw[^micha-6-14-43] neerdrukking zal in[^micha-6-14-44] het midden van u zijn; en u zult[^micha-6-14-45] aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult[^micha-6-14-46] wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v14)

**15** U zult[^micha-6-15-k] zaaien, maar niet maaien; u zult[^micha-6-15-47] olijven[^micha-6-15-48] treden, maar u met olie niet zalven, en[^micha-6-15-49] nieuwe wijn, maar geen wijn drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v15)

**16** Want de[^micha-6-16-50] voorschriften van[^micha-6-16-l] Omri worden onderhouden, en het hele werk van het huis[^micha-6-16-m] van Achab; en u wandelt in[^micha-6-16-51] van die raadslagen;[^micha-6-16-52] opdat Ik u stelle tot verwoesting, en[^micha-6-16-53] haar inwoners tot[^micha-6-16-54] aanfluiting; zo zult u de[^micha-6-16-55] smaad van Mijn volk dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/6.html#v16)

[^micha-6-1-1]: Kanttekening 1: met de bergen: Sommigen nemen dit, als tegen de bergen, verstaande door de bergen de groten, en door de heuvelen de gemene man; maar het schijnt dat met hier zoveel is alsof de Heer zei: Neem de bergen als te hulp, tot getuigen. Of, doe het, voor, bij, in aanwezigheid, enz., want God gebiedt de profeet in het volgende, de bergen aan te spreken, tot overtuiging en beschaming van de mensen; verg. Deut. 4:26 , en Deut. 32:1 ; idem Micha 1:2 met de aantekening. Deuteronomium 4:26 : Zo roep ik heden de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden. Deuteronomium 32:1 : Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Micha 1:2 : Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook derzelver volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel van Zijn heiligheid.
[^micha-6-2-2]: Kanttekening 2: sterke fondamenten van de aarde: Dat is, u vastgefondeerde aarde; of, u gronden, wortelen, afsnijdingen \[gelijk Jona 2:6 \] van de bergen, rotsen en klippen, die als een vastheid of sterkte van de aarde zijt. Jona 2:6 : Ik was nedergedaald tot de gronden van de bergen; de grendelen van de aarde waren om mij heen in eeuwigheid; maar U hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o YHWH, mijn God!
[^micha-6-2-a]: Verwijzing a: Hosea 4:1 . Hosea 4:1 : Hoort van YHWH woord, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;
[^micha-6-2-3]: Kanttekening 3: twist met Zijn volk: Of, pleit, rechtzaak. Verg. Jes. 1:18 , en Jes. 5:3 , 5:4 , en Jes. 43:26 , met de aantekening. Jesaja 1:18 : Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt YHWH; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Jesaja 5:3 : Nu dan, u inwoners van Jeruzalem, en u mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard. Jesaja 5:4 : Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? Jesaja 43:26 : Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt u uw redenen, opdat u mag gerechtvaardigd worden.
[^micha-6-3-4]: Kanttekening 4: wat heb Ik u gedaan: Verg. Jer. 2:5 , 2:31 . Jeremia 2:5 : Zo zegt YHWH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? Jeremia 2:31 : O geslacht, aanmerkt toch u het woord van YHWH! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van de uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
[^micha-6-3-5]: Kanttekening 5: Of, moe gemaakt, ben Ik u moeilijk, lastig geweest? alsof de Heer zei: U bent immers in uw conscientiën overtuigd, dat Ik u nooit kwaad, maar integendeel alles goeds heb gedaan; wat reden hebt u dan dat u u zo afkerig en wrevelig tegen mij gedraagt?
[^micha-6-4-b]: Verwijzing b: Ex. 12:51 ; Ex. 14:30 . Exodus 12:51 : En het geschiedde even tenzelfden dage, dat YHWH de kinderen van Israël uit Egypteland leidde, naar hun heiren. Exodus 14:30 : Zo verloste YHWH Israël aan die dag uit de hand van de Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee.
[^micha-6-4-6]: Kanttekening 6: Hebr. huis van de dienaren, of slaven, gelijk dikwijls. Zie Ex. 20:2 . Exodus 20:2 : Ik ben YHWH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
[^micha-6-4-7]: Kanttekening 7: heen gezonden Mozes, Aäron: Om u in het geestelijke en lichamelijke te geleiden en te helpen. Zie Jes. 63:11 , 63:12 . Jesaja 63:11 : Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? Jesaja 63:12 : Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte?
[^micha-6-4-8]: Kanttekening 8: Die ook een profetes was. Zie Ex. 15:20 ; Num. 12:2 . Exodus 15:20 : En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Numeri 12:2 : En zij zeiden: Heeft dan YHWH maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En YHWH hoorde het!
[^micha-6-5-c]: Verwijzing c: Num. 22:5 ; Num. 23:7 . Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!
[^micha-6-5-9]: Kanttekening 9: Hoe hij met alle middelen mijn vloek over u zocht te brengen, en hoe Ik die in zulk een heerlijken zegen veranderde. Zie Num. 22:5 , en Num. 23:7 , en Num. 24:1 , 24:14 ; Deut. 23:4 , 23:5 ; Joz. 24:9 , 24:10 ; Openb. 2:14 . Numeri 22:5 : Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. Numeri 23:7 : Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! Numeri 24:1 : Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van YHWH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. Numeri 24:14 : En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Deuteronomium 23:5 : Maar YHWH, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar YHWH, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat YHWH, uw God, u liefhad. Jozua 24:9 : Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. Jozua 24:10 : Maar Ik wilde Bileam niet horen; daarom zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand. Openbaring 2:14 : Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
[^micha-6-5-10]: Kanttekening 10: Sittim af: Waar u zo schandelijk hoereerde met de Baäl=Peor, Num. 25 .
[^micha-6-5-d]: Verwijzing d: Num. 25 .
[^micha-6-5-11]: Kanttekening 11: Gilgal toe: Waar Ik, volgens mijn beloften, u, niettegenstaande uw veelvoudige ondankbaarheid, droogvoets door de Jordaan geleid en in het beloofde land gebracht hebbende, mijn verbond als opnieuw met u bevestigd heb door de besnijdenis. Zie Joz. 3 en Joz. 5:2 . Jozua 5:2 : In die tijd sprak YHWH tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd opnieuw de kinderen van Israël ten tweede maal.
[^micha-6-5-e]: Verwijzing e: Joz. 5 .
[^micha-6-5-12]: Kanttekening 12: gerechtigheden van YHWH kent: Dat is, de rechtvaardige daden, die de Heer voor u gedaan heeft tegen uw vijanden, verlenende u die heerlijke overwinningen, van de koningen van de Midianieten, idem Dihon en Og. Zie Num. 31:7 , 31:8 ; Deut. 2:33 , en Deut. 3:3 . Sommigen verstaan door de gerechtigheden van de Heer zijn grote getrouwheid in het houden van zijn beloften, of zijn oneindige barmhartigheid. verg. Richt. 5:11 ; 1 Sam. 12:7 ; Dan. 9:16 , met de aantekening. Numeri 31:7 : En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als YHWH Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was. Numeri 31:8 : Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor. Deuteronomium 2:33 : En YHWH, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk. Deuteronomium 3:3 : En YHWH, onze God, gaf ook Og, de koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven. Richteren 5:11 : Van het gedruis van de schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt daar te zamen van de gerechtigheid van YHWH, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël; toen ging het volk van YHWH af tot de poorten. 1 Samuël 12:7 : En nu, stelt u hier, dat ik met u rechte, voor het aangezicht van YHWH, over al de gerechtigheden van YHWH, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft. Daniël 9:16 : O Heer! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
[^micha-6-6-13]: Kanttekening 13: Waarmee zal ik YHWH: Hier wordt het volk ingevoerd, als antwoordende op de voorgaande woorden van de profeet, en vragende wat zij dan zouden moeten doen, dat God behagen mocht.
[^micha-6-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, bejegenen, tegemoet gaan. Zo wordt het Hebr. woord genoemn, Deut. 23:4 ; Neh. 13:2 , enz.; of voorkomen, dat is, zijn toorn en straf ontgaan. Deuteronomium 23:4 : Ter oorzake dat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. Nehemia 13:2 : Omdat zij de kinderen van Israël niet waren tegengekomen met brood en met water, ja, Bileam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God de vloek omkeerde in een zegen.
[^micha-6-6-15]: Kanttekening 15: hogen God: Hebr. de God van de hoogheid.
[^micha-6-6-16]: Kanttekening 16: eenjarige kalveren: Hebr. zonen, of kinderen van een jaar.
[^micha-6-7-17]: Kanttekening 17: Zou YHWH een welgevallen hebben aan duizenden van rammen: Dit kan men nemen als het antwoord van de profeet op de voorgaande vraag van het volk, waarop hij met deze manier van vragen wel uitdrukkelijk ontkent dat het met het uiterlijk offeren zou te doen zijn, al deden zij dat nog zoveel.
[^micha-6-7-18]: Kanttekening 18: Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding: Tegenbewijs van het volk, alsof zij zeiden: Is het met beesten te offeren niet te doen, zullen wij dan mensen, ja onze eerstgeboren zonen, offeren? Zouden wij daarmee de vrede met God kunnen maken? Gelijk zij gewoon waren hun kinderen, op zijn heidens, de afgoden te offeren; zie Lev. 18:21 ; 2 Kon. 23:10 ; Jer. 7:31 , en Jer. 19:5 , 19:6 ; Ez. 16:20 , 16:21 , en Ez. 23:39 met de aantekening. Aldus drukt de profeet zeer levendig uit met hoedanige gedachten zij zwanger gingen, en waarin zij \[als huichelaars\] de ware godsdienst en bekering stelden. Leviticus 18:21 : En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben YHWH! 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jeremia 19:5 : Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandofferen; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? Jeremia 19:6 : Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal. Ezechiël 16:20 : Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze dezelfde geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, Ezechiël 16:21 : Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u dezelfde voor hen door het vuur hebt doen gaan? Ezechiël 23:39 : Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.
[^micha-6-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk de Heer.
[^micha-6-8-20]: Kanttekening 20: bekend gemaakt, o mens: Door zijn woord; zodat u gene ontwetendheid kunt voorwenden, en evenwel doet u regelrecht daartegen, \[gelijk hun in het volgende verweten wordt\] en dan wilt u u nog wijsmaken dat God met uw offeren moet tevreden zijn, alsof er dan niets aan schortte en niets anders van u te eisen zij.
[^micha-6-8-f]: Verwijzing f: Deut. 10:12 . Deuteronomium 10:12 : Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God, te dienen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel;
[^micha-6-8-21]: Kanttekening 21: recht te doen: Of, gericht. Zie Gen. 18:19 ; 1 Kon. 10:9 ; Jer. 4:2 met de aantekening. Deze eis Gods was zo klaar en overvloedig in zijn Woord uitgedrukt, dat zij, het tegendeel doende \[gelijk zij deden\] zonder alle onschuld waren. Genesis 18:19 : Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van YHWH houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat YHWH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. 1 Koningen 10:9 : Geloofd zij YHWH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat YHWH Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. Jeremia 4:2 : Maar zweer: Zo waarachtig als YHWH leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.
[^micha-6-8-22]: Kanttekening 22: ootmoediglijk te wandelen: Hebr. ootmoedig zijn wandelen, of zich verootmoedigen \[met wandelen, of wandelende. Zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^micha-6-8-23]: Kanttekening 23: met uw God: Zie Gen. 5:22 . Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^micha-6-9-24]: Kanttekening 24: stem van YHWH roept: Alsof de profeet zei: Dat u nu geheel anders doet dan u wel weet dat God van u eist, en dat u daarmee zijn straffen verdient en veroorzaakt, zulks wordt dagelijks door zijn profeten, en nu door mij, gepredikt en openlijk aangezegd.
[^micha-6-9-25]: Kanttekening 25: Jeruzalem: sommigen duiden het op Samaria uit vers 16 , of op beide deze hoofdsteden. Micha 6:16 : Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid Mijns volks dragen.
[^micha-6-9-26]: Kanttekening 26: Naam ziet: Dat is, U zelf, o Heer, \[vol van heerlijkheid en majesteit\] weet alles. Zie Deut. 28:58 . Deuteronomium 28:58 : Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke Naam, YHWH, uw God;
[^micha-6-9-27]: Kanttekening 27: het wezen): Of, water is, dat is alle ding; of wat er omgaat, hoe het er gesteld is. Anders: ziet naar de wijsheid \[die in de ware bekering bestaat\]. Anders: de wijsheid \[dat is een wijs man\] zal uw naam zien; dat is, zal merken dat U het bent, dat het uw woorden en werken zijn, en zich daarnaar regelen. Zie van het Hebr. woord Job 5:12 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.
[^micha-6-9-28]: Kanttekening 28: Dat is, de profetie van Gods roede, dat is, straffen en plagen. Zie Job 9:34 ; Jes. 10:5 ; Klaagl. 3:1 met de aantekening. Job 9:34 : Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Klaagliederen 3:1 : Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede van Zijn toorn.
[^micha-6-9-29]: Kanttekening 29: wie ze besteld heeft: Dat is, hem die deze roede, of dat \[kwaad\] verordineerd, plaats en tijd bestemd heeft. Of, vragenderwijze: Wie heeft ze besteld? Te weten, anders dan God. Zie gelijke woorden van het zwaard van de Heer, Jer. 47:7 , en verg. Jes. 30:32 met de aantekening. Jeremia 47:7 : Hoe zoudt u stil houden? YHWH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft Hij het besteld. Jesaja 30:32 : En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn (op welke YHWH die zal hebben doen rusten), daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden.
[^micha-6-10-30]: Kanttekening 30: Zijn er niet nog: Of, \[heeft niet\] nog een ieder een goddeloos huis? \[of een huis eens goddelozen? \] \[en\] schatten van de goddeloosheid? of, \[met sommigen\] aldus: Zijn er niet nog, in het huis van de goddelozen, schatten van de goddeloosheid? maar het schijnt dat de profeet ziet op de algemeenheid van de boosheid, dat een ieder doorgaans met onrechtvaardigheid omging. Verg. Micha 7:2 , 7:3 , enz. Maar het Hebr. woord, \[zoals het hier in de Hebr. tekst staat\] kan ook genomen worden voor is, of zijn. Zie dergelijke 2 Sam. 14:19 , in de aantekening, waaruit deze verscheidenheid ontstaat. Micha 7:2 : De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen, een ieder zijn broer, met een jachtgaren. Micha 7:3 : Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving van zijn ziel, en zij draaien ze dicht ineen. 2 Samuël 14:19 : En de koning zei: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer koning, als iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in de mond van uw dienstmaagd gelegd;
[^micha-6-10-31]: Kanttekening 31: goddelozen huis: Na zoveel goddelijke waarschuwingen en kastijdingen, is het nog evenwel overal vol van goddeloosheid en onrecht.
[^micha-6-10-32]: Kanttekening 32: Die met goddeloosheid, schenderij en onrecht verkregen zijn.
[^micha-6-10-33]: Kanttekening 33: Of, scherp, dat is, wat te klein is. Hebr. een efa van de magerheid.
[^micha-6-10-34]: Kanttekening 34: Zie Ex. 16:36 , en Deut. 25:15 , 25:16 ; Ez. 45:10 , 45:11 , enz. Exodus 16:36 : Een gomer nu is het tiende deel van een efa. Deuteronomium 25:15 : U zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; u zult een volkomen en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Deuteronomium 25:16 : Want al wie zulks doet, is YHWH, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet. Ezechiël 45:10 : Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult u hebben. Ezechiël 45:11 : Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer.
[^micha-6-10-35]: Kanttekening 35: te verfoeien is: Of, verfoeid wordt, behoort verfoeid te worden.
[^micha-6-11-36]: Kanttekening 36: Zou ik rein zijn: Dat is, zou iemand kunnen rein zijn, enz.
[^micha-6-11-37]: Kanttekening 37: goddeloze weegschaal: Hebr. weegschalen van de goddeloosheid, en zo weegstenen van het bedrog.
[^micha-6-11-g]: Verwijzing g: Hosea 12:8 . Hosea 12:8 : In van de koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;
[^micha-6-11-38]: Kanttekening 38: Namelijk van gewicht, dat zij in zakken hadden. Zie Lev. 19:36 , en Deut. 25:13 , enz. In geen geval \[wil de Heer zeggen\] zal Ik zulken voor rein houden; maar voor alzulken houden, en zo behandelen, gelijk volgt. Leviticus 19:36 : U zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben YHWH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! Deuteronomium 25:13 : U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine.
[^micha-6-12-39]: Kanttekening 39: haar rijke mensen vol zijn van geweld: Van Jeruzalem, in vers 9 , of aldus, waarvan de, \[namelijk, stad Jeruzalem\] rijken, enz., en waarvan de inwoners, enz. Micha 6:9 : De stem van YHWH roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
[^micha-6-12-40]: Kanttekening 40: haar tong: Van de inwoners.
[^micha-6-12-41]: Kanttekening 41: bedriegelijk is in haar mond: Hebr. bedrog.
[^micha-6-12-h]: Verwijzing h: Jer. 9:8 . Jeremia 9:8 : Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij zijn lage.
[^micha-6-13-42]: Kanttekening 42: u ook krenken: U inwoners van Jeruzalem, of u volk, Ik zal u krenken, ziek, zwak maken, enz.
[^micha-6-14-i]: Verwijzing i: Hosea 4:10 . Hosea 4:10 : En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten YHWH in acht te nemen.
[^micha-6-14-43]: Kanttekening 43: U die nu zo fier daarheen praalt en het hoofd omhoog steekt. Zie Micha 2:3 . Micha 2:3 : Daarom, zo zegt YHWH: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
[^micha-6-14-44]: Kanttekening 44: midden van u zijn: Of, binnen in u, in uw binnenste. Dit kan men duiden op de grote benauwdheid, die zij binnen de stad zouden lijden ten tijde van de Babylonische belegering. Sommigen nemen het alsof God zei: U zelf zult de oorzaak zijn van uw ellenden, en niemand anders: of, u zult voor uw ogen moeten zien, dat u van tijd tot tijd zult vervallen, totdat u te gronde gaat.
[^micha-6-14-45]: Kanttekening 45: Of, verrukken, verroeren, verbrengen, van een plaats in de andere, te weten, vrouw en kinderen, idem, goed en bezittingen, om die te behouden en daarvan te brengen, of te bergen, maar tevergeefs.
[^micha-6-14-46]: Kanttekening 46: Dat is, zoudt mogen verkrijgen en menen al vrij en geborgen te zijn.
[^micha-6-15-k]: Verwijzing k: Deut. 28:38 ; Hagg. 1:6 . Deuteronomium 28:38 : U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. Haggai 1:6 : U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
[^micha-6-15-47]: Kanttekening 47: Hebr. de olijfboom.
[^micha-6-15-48]: Kanttekening 48: Dat is, persen.
[^micha-6-15-49]: Kanttekening 49: Dat is, druiven treden. Verg. Amos 5:11 ; Zef. 1:13 . Amos 5:11 : Daarom, omdat u de arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt u wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt gewenste wijngaarden geplant, maar u zult derzelver wijn niet drinken. Zefanja 1:13 : Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
[^micha-6-16-50]: Kanttekening 50: inzettingen van Omri worden onderhouden: Versta, de afgoderijen die Omri en zijn zoon Achab onder de tien stammen op het allerhoogste hebben bevorderd; zie 1 Kon. 16:16 , 16:25 , 16:30 , 16:31 met de aantekening. 1 Koningen 16:16 : Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook de koning verslagen; daarom maakte het gehele Israël ten zelfden dage Omri, de krijgsoverste, koning over Israël, in het leger. 1 Koningen 16:25 : En Omri deed wat kwaad was in de ogen van YHWH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren. 1 Koningen 16:30 : En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, meer dan allen, die voor hem geweest waren. 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem.
[^micha-6-16-l]: Verwijzing l: 1 Kon. 16:25 ; idem v. 26 . 1 Koningen 16:25 : En Omri deed wat kwaad was in de ogen van YHWH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren. 1 Koningen 16:26 : En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israël had doen zondigen, verwekkende YHWH, de God van Israël, tot toorn, door hun ijdelheden.
[^micha-6-16-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 16:30 . 1 Koningen 16:30 : En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van YHWH, meer dan allen, die voor hem geweest waren.
[^micha-6-16-51]: Kanttekening 51: derzelver raadslagen: Raadslagen van Omri en Achab, om bij alle wegen en met alle handelingen de afgoderij te stijven en de ganse staat van het land daarnaar te vormen.
[^micha-6-16-52]: Kanttekening 52: opdat Ik u stelle tot verwoesting: Waardoor u het zo maakt, dat Ik u zal moeten stellen, enz.; verg. Jer. 18:16 , en Jer. 27:10 , 27:15 , en Jer. 32:31 ; Klaagl. 2:14 ; Ez. 8:6 , enz. met de aantekening. Jeremia 18:16 : Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. Jeremia 27:10 : Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en u omkomt. Jeremia 27:15 : Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren. Jeremia 32:31 : Want tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid is Mij deze stad geweest, van de dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op deze dag toe; opdat Ik haar van Mijn aangezicht wegdeed; Klaagliederen 2:14 : Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. Ezechiël 8:6 : En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelen zien.
[^micha-6-16-53]: Kanttekening 53: haar inwoners: Van Jeruzalem.
[^micha-6-16-54]: Kanttekening 54: Zie 1 Kon. 9:8 . 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis?
[^micha-6-16-55]: Kanttekening 55: smaadheid Mijns volks dragen: Dat is, de straf van de smaadheid en schande, die u mijn volk, \[bijzonderlijk de armen en nooddruftigen\] met de voorzeide schandelijke werken hebt aangedaan. Of, de smadheid van mijn volk; dat is, die mijn volk verdiend heeft. Zo, smaadheid mijner jeugd; dat is, die ik in mijn jeugd verdiend, of op mijn hals gehaald heb; Jer. 31:19 . Jeremia 31:19 : Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.

### Micha 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/micha/7.json)

*Klacht van de kerk over haar klein getal en de algemene verdorvenheid van groten en kleinen, waarom Gods straf voorhanden is, vers 1 enz. zij waarschuwt voor vertrouwen op mensen en stelt haar vertrouwen op God, 5. zij triomfeert door geloof over haar vijandin, 8. God troost haar met zijn toekomstige genadewerk door de Messias, haar herder, hoewel Kanaän woest zal zijn, 11. waarop de kerk Christus met blijdschap aanspreekt, 14. God belooft haar wonderen, 15. zij profeteert van de beschaming van de vijanden van het Evangelie, 16. verwondert zich over Gods genade, en verwacht in geloof de komst van Christus, 18.*

**1** [^micha-7-1-1] Ai mij![^micha-7-1-2] want ik ben,[^micha-7-1-3] als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst gebeurd zijn; er is geen[^micha-7-1-4] druif om te eten;[^micha-7-1-5] mijn ziel begeert[^micha-7-1-6] vroegrijpe vrucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v1)

**2** De[^micha-7-2-7][^micha-7-2-a] goedertierene is vergaan[^micha-7-2-8] uit het land, en er is niemand[^micha-7-2-9] oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op[^micha-7-2-10] bloed, zij jagen, ieder zijn broer, met een[^micha-7-2-11] jachtgaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v2)

**3** [^micha-7-3-12] Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo[^micha-7-3-13] eist de vorst, en de rechter[^micha-7-3-b] oordeelt om[^micha-7-3-14] vergelding; en de[^micha-7-3-15] grote spreekt de[^micha-7-3-16][^micha-7-3-c] verderving van zijn[^micha-7-3-17] ziel, en zij[^micha-7-3-18] draaien ze dicht ineen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v3)

**4** De[^micha-7-4-19] beste van hen is als een[^micha-7-4-20] doorn; de oprechtste is scherper dan[^micha-7-4-21] een doornheg; de[^micha-7-4-22] dag van uw[^micha-7-4-23] wachters,[^micha-7-4-24] uw[^micha-7-4-25] bezoeking,[^micha-7-4-26] is gekomen;[^micha-7-4-27] nu zal[^micha-7-4-28] hun[^micha-7-4-29] verwarring wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v4)

**5** Geloof[^micha-7-5-30] een vriend niet, vertrouwt niet op een[^micha-7-5-31] voornaamste vriend;[^micha-7-5-32] bewaar de deuren van uw mond voor[^micha-7-5-33] haar, die in uw[^micha-7-5-34] schoot[^micha-7-5-35] ligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v5)

**6** Want de[^micha-7-6-d] zoon[^micha-7-6-36] veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man[^micha-7-6-37] vijanden zijn[^micha-7-6-38] zijn huisgenoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v6)

**7** [^micha-7-7-39] Maar ik[^micha-7-7-40] zal uitzien naar YHWH, ik zal[^micha-7-7-41] wachten op de God van mijn heil; mijn God zal mij horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v7)

**8** Verblijd u niet over[^micha-7-8-42] mij, o mijn[^micha-7-8-43] vijandin! wanneer ik[^micha-7-8-44] gevallen ben,[^micha-7-8-45] zal ik weer opstaan; wanneer ik in[^micha-7-8-46] duisternis[^micha-7-8-47] zal gezeten zijn, zal YHWH mij een[^micha-7-8-48] licht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v8)

**9** Ik zal de toorn[^micha-7-9-50] van YHWH[^micha-7-9-49] dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn[^micha-7-9-51] twist[^micha-7-9-e] twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij[^micha-7-9-52] uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn[^micha-7-9-54] gerechtigheid.[^micha-7-9-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v9)

**10** En[^micha-7-10-55] mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij[^micha-7-10-f] zegt: Waar is YHWH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar[^micha-7-10-56] zien;[^micha-7-10-57] nu zal zij worden tot vertreding, als[^micha-7-10-58] slijk van de straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v10)

**11** Op de dag als Hij[^micha-7-11-59] uw[^micha-7-11-60] muren zal[^micha-7-11-g] herbouwen, op die dag zal het[^micha-7-11-61] besluit verre heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v11)

**12** Op die dag zal[^micha-7-12-62] het ook komen tot u toe, van[^micha-7-12-63] Assur af, zelfs tot de[^micha-7-12-64] versterkte steden toe; en van de[^micha-7-12-65] vestingen tot aan de[^micha-7-12-66] rivier, en van[^micha-7-12-67] zee tot zee, en van gebergte tot gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v12)

**13** [^micha-7-13-68] Maar dit land zal worden tot een[^micha-7-13-69] verwoesting, zijn inwoners halve, vanwege de[^micha-7-13-70][^micha-7-13-h] vrucht van hun handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v13)

**14** [^micha-7-14-71] U[^micha-7-14-72][^micha-7-14-i] dan, weid Uw volk met Uw[^micha-7-14-73] staf, de[^micha-7-14-74] kudde van Uw[^micha-7-14-75] erfenis, die[^micha-7-14-76] alleen woont, in het woud, in het midden van[^micha-7-14-77] een vruchtbaar land; laat ze weiden[^micha-7-14-78] in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v14)

**15** Ik zal[^micha-7-15-79] haar[^micha-7-15-k] wonderen doen zien, als in de dagen, toen[^micha-7-15-80] u uit Egypteland uittrokt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v15)

**16** De[^micha-7-16-81] heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn,[^micha-7-16-82] vanwege al hun macht; zij zullen de[^micha-7-16-83] hand op de mond leggen; hun oren zullen[^micha-7-16-84] doof worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v16)

**17** Zij zullen het[^micha-7-17-85][^micha-7-17-l] stof likken, als de slang; als[^micha-7-17-86] kruipende dieren van de aarde, zullen zij[^micha-7-17-87] zich beroeren uit hun sloten; zij zullen[^micha-7-17-88] sidderend komen tot YHWH, onze God, en zullen voor[^micha-7-17-89] U vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v17)

**18** Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid[^micha-7-18-90][^micha-7-18-m] vergeeft, en de overtreding van het[^micha-7-18-91] overblijfsel van Zijn[^micha-7-18-92] erfenis voorbij gaat? Hij[^micha-7-18-93] houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid;[^micha-7-18-94] want Hij heeft lust aan goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v18)

**19** Hij zal Zich onzer[^micha-7-19-95] weer ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden[^micha-7-19-96] dempen; ja, U zult al[^micha-7-19-97] hun zonden in de[^micha-7-19-98] diepten van de zee werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v19)

**20** U zult[^micha-7-20-99] Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid[^micha-7-20-100] geven, die U onze vaders van[^micha-7-20-101] oude dagen af gezworen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/micha/7.html#v20)

[^micha-7-1-1]: Kanttekening 1: Dit is een weeklacht van de profeet, in naam van de kerk, over de algemene boosheid van het volk.
[^micha-7-1-2]: Kanttekening 2: want ik ben: Of, dat ik ben, enz.
[^micha-7-1-3]: Kanttekening 3: als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld: Hebr. als de inzamelingen van de zomervruchten, \[of van de zomer\] en als de nalezingen van de wijnoogst; dat is, het gaat mij als een reiziger, die na de oogst geen rijpe vruchten vindt om zich te verkwikken, dat hem zeer verdrietig valt; zo \[wil de profeet zeggen\] verdriet het mij ten hoogste, dat ik niets goeds onder het volk zie of verneem, gelijk in het volgende verklaard wordt. Verg. hiermee Deut. 32:32 ; Ps. 12:2 , 12:8 , en Ps. 14:2 , 14:3 ; Jes. 24:13 ; Jer. 5:1 ; Ez. 22:30 ; Hos. 11:7 , enz. Deuteronomium 32:32 : Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien. Psalmen 12:2 : Behoud, o YHWH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. Psalmen 12:8 : U, YHWH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. Psalmen 14:2 : YHWH heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht. Psalmen 14:3 : Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een. Jesaja 24:13 : Want in het binnenste van het land, in het midden van deze volken, zal het zo wezen, gelijk de afschudding van de olijfboom, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is. Jeremia 5:1 : Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn. Ezechiël 22:30 : Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand. Hosea 11:7 : Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.
[^micha-7-1-4]: Kanttekening 4: druif om te eten: Of, tros van druiven, gelijk Num. 13:23 , 13:24 . Numeri 13:23 : Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen. Numeri 13:24 : Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van de tros, die de kinderen van Israël van daar afgesneden hadden.
[^micha-7-1-5]: Kanttekening 5: mijn ziel begeert: Anders: \[noch\] vroegrijpe vrucht, \[die\] mijn ziel begeert.
[^micha-7-1-6]: Kanttekening 6: vroegrijpe vrucht: Die zeer aangenaam is en waarnaar men zeer verlangt, en verblijd is als men ze vindt. Zie Jes. 28:4 ; Jer. 24:2 ; Hos. 9:10 met de aantekening. Jesaja 28:4 : En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd van de zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor de zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op. Jeremia 24:2 : In de ene korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in de andere korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. Hosea 9:10 : Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden geheel verfoeilijk naar hun boelerij.
[^micha-7-2-7]: Kanttekening 7: goedertierene is vergaan: Verg. Ps. 12:2 ; Jes. 57:1 met de aantekening daar. Psalmen 12:2 : Behoud, o YHWH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. Jesaja 57:1 : De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.
[^micha-7-2-a]: Verwijzing a: Ps. 12:2 ; Hosea 4:1 . Psalmen 12:2 : Behoud, o YHWH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. Hosea 4:1 : Hoort van YHWH woord, u kinderen van Israël! want YHWH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;
[^micha-7-2-8]: Kanttekening 8: uit het land: Anders: van de aarde.
[^micha-7-2-9]: Kanttekening 9: oprecht onder de mensen: Hebr. recht, of richting. Zie Ps. 7:11 . Hetzelfde woord staat ook in vers 4 . Psalmen 7:11 : Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt. Micha 7:4 : De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag van uw wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hun verwarring wezen.
[^micha-7-2-10]: Kanttekening 10: Hebr. bloeden; dat is, doodslag en moordenarij. Zie Gen. 4:10 , en Gen. 37:26 . Genesis 4:10 : En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. Genesis 37:26 : Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen?
[^micha-7-2-11]: Kanttekening 11: Om hem met handelingen in het net te krijgen, te vangen, en als een roof te verslinden. Verg. Ps. 10:8 , 10:9 , 10:10 , en Ez. 19:3 , 19:6 , enz. Psalmen 10:8 : Hij zit in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. Psalmen 10:9 : Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. Psalmen 10:10 : Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten. Ezechiël 19:3 : Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op. Ezechiël 19:6 : Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.
[^micha-7-3-12]: Kanttekening 12: Om met beide handen wel dapper kwaad te doen: Of, de handen zijn tot kwaad, om goed te doen, \[dat is, iemands zaak te bevorderen\] eist de vorst \[te weten, geschenken\] en de rechter \[te weten, eist\] tot vergelding. Of, ten kwade zijn de handen zeer kloek, enz. Of, opdat beide handen, enz. kwaad mogen doen. Of, beide handen \[zijn er op uit, of zijn bezig\], om dergelijk, \[of\] dapperlijk, meesterlijk, kunstiglijk kwaad te doen, dat is te beschadigen. Zij zijn met al hun verstand leggen zij zich daarop. Van het Hebr. woord, dat hier is overgezet wel dapper, zie Jona 4:4 . Jona 4:4 : En YHWH zei: Is uw toorn billijk ontstoken?
[^micha-7-3-13]: Kanttekening 13: eist de vorst: Te weten, giften, geschenken. Verg. Hos. 4:18 . Hosea 4:18 : Hun zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; haar schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.
[^micha-7-3-b]: Verwijzing b: Micha 3:11 . Micha 3:11 : Haar hoofden rechte om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op YHWH, zeggende: Is YHWH niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.
[^micha-7-3-14]: Kanttekening 14: Dat is, om geschenken.
[^micha-7-3-15]: Kanttekening 15: grote spreekt: Zie 2 Kon. 25:9 . 2 Koningen 25:9 : En hij verbrandde het huis van YHWH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
[^micha-7-3-16]: Kanttekening 16: Dat is, hij durft wel onbeschaamd spreken wat verdriet, schade en jammer hij voorheeft anderen aan te doen; of datgene waardoor hij zijn eigen ziel in het verderf brengt.
[^micha-7-3-c]: Verwijzing c: Micha 2:1 . Micha 2:1 : Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, omdat het in de macht van hun hand is.
[^micha-7-3-17]: Kanttekening 17: Dat is, waar hij lust of begeerte toe heeft, wat hem slechts lust dat durft hij zeggen, bedenken en doen. Zie Ps. 27:12 , en verg. Micha 2:2 . Psalmen 27:12 : Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. Micha 2:2 : En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan iedereen en zijn erfenis.
[^micha-7-3-18]: Kanttekening 18: draaien ze dicht ineen: Te weten, de schenderij. Gelijk men verscheidene kleine koorden of zelen tezamen draait om een dik touw daarvan te maken, zo draaien zij hun schendige praktijken met elkaar vast en dicht ineen, samenspannende met elkaar, en zich verbindende, sterkende, om zonder fout hun boosheid uit te werken. Verg. Pred. 4:12 ; Ps. 129:4 ; Jes. 5:18 . Prediker 4:12 : En als iemand de ene mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. Psalmen 129:4 : YHWH, Die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen. Jesaja 5:18 : Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden van de ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!
[^micha-7-4-19]: Kanttekening 19: beste van hen is: Dat is, die men voor de minste in boosheid zou rekenen.
[^micha-7-4-20]: Kanttekening 20: Zie Ez. 2:6 . Ezechiël 2:6 : En u, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en u bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis.
[^micha-7-4-21]: Kanttekening 21: Verg. Spr. 15:19 . Spreuken 15:19 : De weg van de luiaards is als een doornheg; maar het pad van de oprechten is welgebaand.
[^micha-7-4-22]: Kanttekening 22: De bestemde tijd. Zie Joel 1:15 . Joël 1:15 : Ach, die dag! want de dag van YHWH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
[^micha-7-4-23]: Kanttekening 23: Dat is, profeten; versta, die de profeten, u van God toegezonden, geprofeteerd hebben. Zie Ez. 3:17 . Ezechiël 3:17 : Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
[^micha-7-4-24]: Kanttekening 24: Of, van uw bezoeking; versta de dag van uw bezoeking.
[^micha-7-4-25]: Kanttekening 25: Dat is, straf. Zie Gen. 21:1 . Genesis 21:1 : En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.
[^micha-7-4-26]: Kanttekening 26: is gekomen: Dat is, zal zekerlijk komen, het is ophanden, dat u God bezoeken zal.
[^micha-7-4-27]: Kanttekening 27: nu zal: Dat is, al haast. Zie Hos. 10:3 . Hosea 10:3 : Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben YHWH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
[^micha-7-4-28]: Kanttekening 28: Deze booswichten, die boven beschreven zijn.
[^micha-7-4-29]: Kanttekening 29: verwarring wezen: Gelijk zij alle verwarring hebben ingevoerd en alle boosheid samengedraaid, zo zullen zij nu in de uiterste verwarring en verbijstering wederingewikkeld worden, zulks dat zij van benauwdheid niet zullen weten wat te doen of te laten, waaruit of waarin, gelijk men zegt. Verg. 2 Kron. 36 ; Jer. 39 ; Ez. 4 , en Ez. 24:3 , 24:4 , 24:5 , 24:6 , 24:9 , 24:10 , 24:11 . Ezechiël 24:3 : En gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. Ezechiël 24:4 : Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder, vul hem met de keur van de beenderen. Ezechiël 24:5 : Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden. Ezechiël 24:6 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van de bloedstad, de pot, welks schuim in hem is, en van welke zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen. Ezechiël 24:9 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee van de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken! Ezechiël 24:10 : Draag veel houts toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden. Ezechiël 24:11 : Stel hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.
[^micha-7-5-30]: Kanttekening 30: Gelooft een vriend niet: Of, vertrouwt; geloof en trouw is weg, wil de profeet zeggen. Verg. Jer. 9:4 , 9:5 . Sommigen nemen het als een heilzamen raad, die de profeet de vromen geeft van wat zij hadden te vermijden. Jeremia 9:4 : Wacht u, een ieder van zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elk broer doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap. Jeremia 9:5 : En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moe met verkeerd te handelen.
[^micha-7-5-31]: Kanttekening 31: voornaamsten vriend: Of, leidsman, voorganger, leraar, die met raad en daad voorgaat en bijstaat. Zie Ps. 55:14 ; Spr. 16:28 , en Spr. 17:9 met de aantekening. Psalmen 55:14 : Maar u bent het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! Spreuken 16:28 : Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt de voornaamste vriend. Spreuken 17:9 : Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weer ophaalt, scheidt de voornaamste vriend.
[^micha-7-5-32]: Kanttekening 32: bewaar de deuren uws monds: Dat u de geheimen van uw hart niet openbaart, om niet bedrogen en verraden te worden.
[^micha-7-5-33]: Kanttekening 33: Dat is, uw vrouw; verg. Deut. 13:6 , en zie de aantekening daar. Hebr. de liggende, of liggeres van uw schoot. Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen;
[^micha-7-5-34]: Kanttekening 34: Of, boezem.
[^micha-7-5-35]: Kanttekening 35: Of, slaapt, ligt te slapen; gelijk nederliggen voor slapen genomen wordt, en verder ook voor sterven, of ontslapen; zie Deut. 31:16 . Deuteronomium 31:16 : En YHWH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb.
[^micha-7-6-d]: Verwijzing d: Ez. 22:7 ; Matt. 10:21 ; idem v. 35 ; idem v. 36 ; Lukas 12:53 . Ezechiël 22:7 : Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met de vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u de wees en de weduwe verdrukt. Mattheüs 10:21 : En de één broer zal de anderen broer overleveren tot de dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden. Mattheüs 10:35 : Want Ik ben gekomen, om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. Mattheüs 10:36 : En zij zullen van de mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. Lukas 12:53 : De vader zal tegen de zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.
[^micha-7-6-36]: Kanttekening 36: veracht de vader: Of, onteert, acht klein, of gering.
[^micha-7-6-37]: Kanttekening 37: mans vijanden: Of, eens mensen. Deze plaats heeft de Heer Christus gebruikt, Matt. 10:35 , 10:36 ; hoewel tot een ander einde. Mattheüs 10:35 : Want Ik ben gekomen, om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. Mattheüs 10:36 : En zij zullen de vijanden van de mens worden, die zijn huisgenoten zijn.
[^micha-7-6-38]: Kanttekening 38: zijn huisgenoten: Hebr. mensen, of mensen van zijn huis; dat is, die van zijn eigen huisgezin zijn hem ontrouw, verraden hem.
[^micha-7-7-39]: Kanttekening 39: Maar ik zal: Of, daarom.
[^micha-7-7-40]: Kanttekening 40: uitzien naar YHWH: Of, wacht houden. Verg. Ps. 5:4 met de aantekening. Dit spreekt de profeet in de naam van de kerk, of de kerk zelve, zich oprichtende door geloof op Gods genade en belofte. Psalmen 5:4 : ’s Morgens, YHWH, zult U mijn stem horen; ’s morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
[^micha-7-7-41]: Kanttekening 41: wachten op de God mijns heils: Of, hopen.
[^micha-7-8-42]: Kanttekening 42: Omdat ik in kruis en lijden ben.
[^micha-7-8-43]: Kanttekening 43: U gemeente van de goddelozen, mijn vervolgster. De kerk vergelijkt zichzelf bij een vrouw, en zo ook haar vijanden.
[^micha-7-8-44]: Kanttekening 44: gevallen ben: In kruis en tegenspoed. Zie Spr. 24:16 . Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
[^micha-7-8-45]: Kanttekening 45: zal ik weer opstaan: Of, sta ik, enz. Hebr. eigenlijk, ben ik weer opgestaan, dat is, zal ik zekerlijk weer opstaan, te weten, uit mijn kruis.
[^micha-7-8-46]: Kanttekening 46: Zie Gen. 15:12 . Genesis 15:12 : En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.
[^micha-7-8-47]: Kanttekening 47: zal gezeten zijn: Of, zitte, is mij YHWH een licht.
[^micha-7-8-48]: Kanttekening 48: licht zijn: Zie Ps. 27:1 . Psalmen 27:1 : Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn?
[^micha-7-9-50]: Kanttekening 50: Met een boetvaardig en geduldig hart, gelijk het volgende uitwijst.
[^micha-7-9-49]: Kanttekening 49: Dat is, plagen, kastijden, uit zijn toorn voortkomende; verg. Ez. 7:3 . Ezechiël 7:3 : Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.
[^micha-7-9-51]: Kanttekening 51: twist twiste, en mijn recht uitvoere: Dat is, mijn rechtzaak, mijn proces, dat ik niet tegen God \[voor wie ik mij schuldig ken\] maar tegen mijn vijanden open heb staan. Zie Ps. 35:1 . Psalmen 35:1 : Een psalm van David. Twist, YHWH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
[^micha-7-9-e]: Verwijzing e: Jer. 50:34 . Jeremia 50:34 : Maar hun Verlosser is sterk, YHWH van de legermachten is Zijn Naam; Hij zal hun twist zekerlijk twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere.
[^micha-7-9-52]: Kanttekening 52: brengen aan het licht: Of, hervoorbrengen, uitvoeren, uit de duisternis, gelijk in het voorgaande vers gezegd.
[^micha-7-9-54]: Kanttekening 54: Door welke Hij mij recht zal geven tegen mijn vijandin, mij verlossende en haar straffende; of aan zijn heil, dat Hij mij, naar zijn beloften, getrouwelijk zal bewijzen. Verg. Micha 6:5 met de aantekening. Micha 6:5 : Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van YHWH kent.
[^micha-7-9-53]: Kanttekening 53: mijn lust : Dit is hier ingevoegd om de zin van de Hebr. manier van spreken uit te drukken. Zie Ps. 22:18 ; zo in het volgende vers. Anders: ik zal zijn gerechtigheid aanzien. Psalmen 22:18 : Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
[^micha-7-10-55]: Kanttekening 55: mijn vijandin zal het zien: Anders: U \[o Heer\] zult mijn vijandin aanzien, \[te weten, met een toornig aangezicht\] en haar \[met\] schaamte bedekken.
[^micha-7-10-f]: Verwijzing f: Ps. 79:10 ; Ps. 115:2 ; Joël 2:17 . Psalmen 79:10 : Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak van de vergoten bloed van Uw knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden. Psalmen 115:2 : Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? Joël 2:17 : Laat de priesters, van YHWH dienaren, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o YHWH! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God?
[^micha-7-10-56]: Kanttekening 56: Te weten, mijn begeerte, verwachting; of Gods rechtvaardige wraak. Zie Ps. 54:9 met de aantekening. Psalmen 54:9 : Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.
[^micha-7-10-57]: Kanttekening 57: nu zal zij worden tot vertreding: Dat is, alhaast, het zal niet lang duren, gelijk in Micha 4:10 , en Micha 5:3 . Micha 4:10 : Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u YHWH verlossen uit de hand van uw vijanden. Micha 5:3 : En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, Zijn God, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde.
[^micha-7-10-58]: Kanttekening 58: slijk van de straten: Dat is, tot de uiterste schande en versmaadheid gebracht worden. Zie Job 30:19 ; Jes. 41:25 ; Ps. 40:3 , met de aantekening; idem 2 Sam. 22:43 , en Ps. 18:43 . Job 30:19 : Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. Jesaja 41:25 : Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt. Psalmen 40:3 : En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. 2 Samuël 22:43 : Toen vergruisde ik hen als stof van de aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk van de straten. Psalmen 18:43 : Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als slijk van de straten.
[^micha-7-11-59]: Kanttekening 59: Dit is een aanspraak tot de kerk van Christus.
[^micha-7-11-60]: Kanttekening 60: muren zal herbouwen: Versta heiningmuren. Van het Hebr. woord, zie Ps. 62:4 . Dit is een Evangelische belofte van de herstelling en verzameling van de kerk ten tijde van het Nieuwe Testament door de Messias. Verg. Amos 9:11 ; idem Micha 4:1 , 4:2 , 4:3 , en Micha 5:3 , 5:4 , 5:5 . Psalmen 62:4 : Hoe lang zult u kwaad aanstichten tegen een man? U allen zult gedood worden; u zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur. Amos 9:11 : Te die dage zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weer oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds; Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Micha 4:2 : En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot de berg van YHWH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:3 : En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg niet meer leren. Micha 5:3 : En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, Zijn God, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde. Micha 5:4 : En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. Micha 5:5 : Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in zijn ingangen. Zo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelfde in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.
[^micha-7-11-g]: Verwijzing g: Amos 9:11 . Amos 9:11 : Te die dage zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weer oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;
[^micha-7-11-61]: Kanttekening 61: besluit verre heengaan: Of, inzetting, ordinantie, te weten, Gods, van zijn eniggeboren Zoon, de Messias; dat is, het Evangelie zal wijd en verre uitgebreid worden. Verg. Ps. 2:7 , met de aantekening, en Ps. 110:2 ; Jes. 2:3 , en Micha 4:1 , enz., en zie hier van de verklaring in vers 14 , enz. Anders: de schatting, of het tribuut, of bevel \[de tirannie en overlast van de vijand\] zal verre \[van u\] weggedaan worden. Het Hebr. woord, dat hier en Ps. 2:7 gebruikt wordt van het Evangelische genadebesluit van God, wordt Ez. 20:25 , gebruikt van goddelijke besluiten, of vastgestelde vonnissen van zijn straffen en oordelen, zie daar. Psalmen 2:7 : Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Psalmen 110:2 : YHWH zal de scepter van Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Micha 4:1 : Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. Psalmen 2:7 : Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Ezechiël 20:25 : Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechte, waarbij zij niet leven zouden.
[^micha-7-12-62]: Kanttekening 62: het ook komen tot u toe: Te weten, het voorgemelde besluit. Of, men zal tot u komen, verstaande zulks van de toeloop van de volken tot de kerk van God. Verg. Jes. 19:23 , 19:24 , enz. Anders: Hij \[de\] Messias zal tot u komen, enz. Jesaja 19:23 : Te die dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs de Heer dienen. Jesaja 19:24 : Te die dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land.
[^micha-7-12-63]: Kanttekening 63: Assur af: Noordwaarts van Kanaän gelegen.
[^micha-7-12-64]: Kanttekening 64: vaste steden toe; : Namelijk Egypte, gelegen in het zuiden, zijnde zeer vast door de natuurlijke gelegenheid van wateren en grote arbeid en kunst van de mensen. Hebr. steden van de vesting. Hebr. Mazor, dat enige gelijkheid heeft met Mizraïm, dat is Egypte. Verg. Jes. 19:6 met de aantekening. Jesaja 19:6 : Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.
[^micha-7-12-65]: Kanttekening 65: Hebr. vesting, of vastheid.
[^micha-7-12-66]: Kanttekening 66: Eufraat.
[^micha-7-12-67]: Kanttekening 67: zee tot zee: Hebr. \[tot\] zee van zee; dat is, van de ene zee tot de andere, van het ene gebergte tot het andere; van het noorden tot het zuiden, van het oosten tot het westen. Kanaän had gebergten in het noorden, oosten en zuiden, en de Dode zee was in het oosten, de Middellandse in het westen; door welke ligging en grenzen van Kanaän de uitbreiding van het Evangelie door de gehele wereld en de vereniging van de Joden en heidenen in Christus wordt afgebeeld.
[^micha-7-13-68]: Kanttekening 68: Maar dit land zal worden tot een verwoesting: Of, nadat, of als dit land zal geworden zijn, enz., of evenwel, nochtans zal dit land, versta Kanaän. Dit is eerst geschied ten tijde van de Babylonische verwoesting, en naderhand bij de tijden van het Nieuwe Testament, en gaat voort nog vast ten huidigen dage. Verg. Dan. 9:26 , 9:27 , enz. Daniël 9:26 : En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Daniël 9:27 : En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.
[^micha-7-13-69]: Kanttekening 69: zijn inwoners halve: Of, met zijn inwoners.
[^micha-7-13-70]: Kanttekening 70: vrucht van hun handelingen: Dat is, verdienste, loon. Zie Spr. 1:31 . Spreuken 1:31 : Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
[^micha-7-13-h]: Verwijzing h: Jer. 21:14 . Jeremia 21:14 : En Ik zal over u bezoeking doen naar de vrucht uw handelingen, spreekt YHWH; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.
[^micha-7-14-71]: Kanttekening 71: U dan, : Hier spreekt de kerk \[verheugd zijnde in de geest\] de Messias, de opperste Herder van de kerk, Jezus Christus, aan alsof zij Hem zag staan weiden en zijn herdersambt verrichten; verg. Micha 5:3 ; dit dient tot verklaring en vervolg van vers 11 , 7:12 . Micha 5:3 : En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, Zijn God, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde. Micha 7:11 : Op de dag als Hij uw muren zal herbouwen, op die dag zal het besluit verre heengaan. Micha 7:12 : Te die dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
[^micha-7-14-72]: Kanttekening 72: Dat is, kerk, verstrooid op aarde en gehaat van de kinderen van deze wereld.
[^micha-7-14-i]: Verwijzing i: Micha 5:3 . Micha 5:3 : En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van YHWH, in de hoogheid van de Naam van YHWH, Zijn Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde.
[^micha-7-14-73]: Kanttekening 73: Dat is, Woord en Geest. Verg. Ps. 23:4 . Psalmen 23:4 : Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
[^micha-7-14-74]: Kanttekening 74: De schaapskudde, waarbij de gelovigen hier en elders dikwijls worden vergeleken.
[^micha-7-14-75]: Kanttekening 75: Zie Deut. 32:9 , met de aantekening. Deuteronomium 32:9 : Want het deel van YHWH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erve.
[^micha-7-14-76]: Kanttekening 76: alleen woont: Als een afgezonderd volk van God, niet vermengd met de wereld, ketterijen en secten, \[waarom zij ook dikwijls vervolgd en in eenzaamheid verdreven wordt\] levende nochtans in zekerheid en vertrouwen tegen alle vijanden en de poorten van het dodenrijk, onder bescherming van haar Herder; zie Num. 23:9 ; Deut. 33:28 ; Joh. 15:19 ; 1 Petr. 2:9 ; 1 Joh. 5:19 , en verg. de manier van spreken met Jer. 49:31 . Numeri 23:9 : Want van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. Deuteronomium 33:28 : Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. Johannes 15:19 : Als u van de wereld was, zo zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; 1 Johannes 5:19 : Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze. Jeremia 49:31 : Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.
[^micha-7-14-77]: Kanttekening 77: vruchtbaar land: Hebr. Karmel. Zie Jer. 2:7 , met de aantekening. Jeremia 2:7 : En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel.
[^micha-7-14-78]: Kanttekening 78: Basan en Gilead: Overvloeiende van schone weiden. Zie Deut. 32:14 ; Ps. 22:13 ; Jer. 50:19 , en van Gilead, Gen. 31:21 ; Jer. 22:6 , met de aantekening. Deuteronomium 32:14 : Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt u gedronken. Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. Jeremia 50:19 : En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. Genesis 31:21 : En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. Jeremia 22:6 : Want zo zegt YHWH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!
[^micha-7-15-79]: Kanttekening 79: haar wonderen doen zien: Mijn kudde, dat is kerk, waarvan in het voorgaande vers. Dit is Jezus Christus' antwoord op de voorgaande aanspraak van de kerk.
[^micha-7-15-k]: Verwijzing k: Joël 2:26 ; idem v. 30 . Joël 2:26 : En u zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen de Naam van YHWH, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. Joël 2:30 : En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
[^micha-7-15-80]: Kanttekening 80: u uit Egypteland uittrokt: O Israël.
[^micha-7-16-81]: Kanttekening 81: heidenen zullen het zien: Of, natiën, \[te weten, de vijanden van de kerk\] zullen de heerlijkheid van het koninkrijk van Christus, of van zijn kerk moeten aanschouwen. Sommigen verstaan dit van de uitverkorenen onder de heidenen, die met schaamte en bekentenis hun zonden tot gemeenschap van de kerk zullen aankomen, uit vergelijking met Hos. 3:5 , en Hos. 11:10 , 11:11 ; idem Jes. 45:14 . Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 11:10 : Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Hosea 11:11 : Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH. Jesaja 45:14 : Zo zegt YHWH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.
[^micha-7-16-82]: Kanttekening 82: vanwege al hun macht: Omdat al hun woelen en woeden tegen Gods werk en kerk vergeefs is; of \[gelijk sommigen\] om de geestelijke macht, die God zijn kerk bij de predikatie van het Evangelie zal verlenen. Zie 2 Kor. 10:4 , 10:5 , 10:6 , en verg. Micha 5:5 , 5:8 , enz.; Ps. 149:6 , 149:7 , 149:8 , 149:9 , met de aantekening. 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6 : En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn. Micha 5:5 : Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in zijn ingangen. Zo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelfde in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. Micha 5:8 : Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. Psalmen 149:6 : De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand; Psalmen 149:7 : Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; Psalmen 149:8 : Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien; Psalmen 149:9 : Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!
[^micha-7-16-83]: Kanttekening 83: hand op de mond leggen: Niet kunnende of durvende tegenspreken. Zie Richt. 18:19 ; Job 21:5 . Richteren 18:19 : En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van een man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël? Job 21:5 : Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond.
[^micha-7-16-84]: Kanttekening 84: doof worden: Van wat zij zullen moeten horen en niet kunnen verdragen; of \[gelijk sommigen\] de zaken, die zij zullen horen, zullen zo vreemd, wonderlijk en groot zijn, dat hun de oren van het horen, vermits verwondering \[om zo te spreken\] verdoven zullen.
[^micha-7-17-85]: Kanttekening 85: stof likken, als de slang: Tot een teken van de uiterste vrees en onderwerping, zijnde hun pracht en hoogmoed als ter aarde nedergeworpen, gelijk men in de Oosterse landen zich placht ter aarde neder te buigen, tot een teken van onderwerping en nederigheid. Zie Ps. 72:9 , met de aantekening, en verg. Jes. 49:23 , alwaar evenzo gezegd wordt van de bekeerde heidenen. Psalmen 72:9 : De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^micha-7-17-l]: Verwijzing l: Ps. 72:9 ; Jes. 49:23 . Psalmen 72:9 : De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken. Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^micha-7-17-86]: Kanttekening 86: kruipende dieren van de aarde: Of, slangen, wormen van de aarde, enz. Zie Deut. 32:24 met de aantekening. Deuteronomium 32:24 : Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen van het stof.
[^micha-7-17-87]: Kanttekening 87: zich beroeren uit hun sloten: Dat is, met beroerte, al vrezende, bevende en kruipende uit hun sloten, of vaste, besloten plaatsen voortkomende \[verg. 2 Sam. 22:46 ; Ps. 18:46 , met de aantekening\] gelijk slangen, of andere kruipende dieren, uit haar holen voortkruipen. 2 Samuël 22:46 : Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten. Psalmen 18:46 : Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
[^micha-7-17-88]: Kanttekening 88: met vervaardheid komen tot YHWH, onze God: Hebr. zij zullen vervaard zijn, of vrezen tot de Heer, enz. gelijk Hos. 3:5 ; zie daar, en verg. Hos. 11:10 , 11:11 . Anders: zij zullen vrezen, of vervaard zijn voor de Heer, enz. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 11:10 : Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Hosea 11:11 : Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH.
[^micha-7-17-89]: Kanttekening 89: U vrezen: Versta, \[veranderende de persoon, gelijk elders\] God zelf, de Messias, die de profeet met opheffing van het hart en verwondering aanspreekt, gelijk in het volgende; of de kerk, met de heerlijkheid en macht van haar Hoofd begenadigd zijnde; verg. Jes. 19:16 , 19:17 , 19:18 , enz. met de aantekening. Jesaja 19:16 : Te die dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand van YHWH van de legermachten, welke Hij tegen hen bewegen zal. Jesaja 19:17 : En het land van Juda zal de Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelven bevreesd wezen vanwege de raad van YHWH van de legermachten, die Hij tegen hen beraadslaagd heeft. Jesaja 19:18 : Te die dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak van Kanaän, en zwerende YHWH van de legermachten; een zal genoemd zijn een stad van de verstoring.
[^micha-7-18-90]: Kanttekening 90: Of, wegneemt; zie Ps. 25:18 . Psalmen 25:18 : Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.
[^micha-7-18-m]: Verwijzing m: Ex. 34:6 ; idem v. 7 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid.
[^micha-7-18-91]: Kanttekening 91: overblijfsel van Zijn erfenis: Dat is, zijn uitverkorenen, gelovigen, of kerk; zie vers 14 . Micha 7:14 : U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
[^micha-7-18-92]: Kanttekening 92: Dat is, overziet, niet toerekent, niet aanziet naar zijn gerechtigheid, of in toorn; verg. 2 Sam. 12:13 , met de aantekening. 2 Samuël 12:13 : Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: YHWH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven.
[^micha-7-18-93]: Kanttekening 93: houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid: Verg. Jer. 3:5 , 3:12 , en zie het tegendeel ten aanzien van Gods en zijns volks vijanden, Nah. 1:2 . Jeremia 3:5 : Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren? Zie, u spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand. Jeremia 3:12 : Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt YHWH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt YHWH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. Nahum 1:2 : Een ijverig God en een wreker is YHWH, een wreker is YHWH, en zeer grimmig; een wreker is YHWH aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt de toorn Zijn vijanden.
[^micha-7-18-94]: Kanttekening 94: want Hij heeft lust aan goedertierenheid: Of, maar.
[^micha-7-19-95]: Kanttekening 95: weer ontfermen: Hebr. Hij zal terugkeren, Hij zal zich onzer ontfermen; verg. Ps. 71:20 , en Ps. 85:7 met de aantekening, idem Num. 11:4 ; Ps. 45:5 . Psalmen 71:20 : U, Die mij veel benauwdheden en kwade hebt doen zien, zult mij weer levend maken, en zult mij weer ophalen uit de afgronden van de aarde. Psalmen 85:7 : Zult U ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? Numeri 11:4 : En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^micha-7-19-96]: Kanttekening 96: Of, tenonderbrengen, onderwerpen, zodat zij niet kunnen opkomen of opstaan tegen ons in het gericht; en verder door zijn Geest de heerschappij en tirannie van de zonden \[onder welke wij als dienaren en slaven verkocht waren\] afschaffen, en ons heilig maken en vernieuwen, hier aanvankelijk, hierna volkomenlijk op welke laatste weldaad dit sommigen alleen duiden. Zie Jes. 52:1 ; Rom. 6:7 . Jesaja 52:1 : Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. Romeinen 6:7 : Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
[^micha-7-19-97]: Kanttekening 97: hun zonden: Van de uitverkorenen en gelovigen.
[^micha-7-19-98]: Kanttekening 98: diepten van de zee werpen: Een schone en zeer troostelijke gelijkenis, betekenende dat onze zonden van God niet aangezien, maar in eeuwige vergetenis gesteld, bedekt en als ongeacht en versmoord zullen zijn; verg. Ps. 103:12 ; Jes. 43:25 ; Jer. 31:34 , 31:37 , enz. Psalmen 103:12 : Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broer, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Jeremia 31:37 : Zo zegt YHWH: Als de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het gehele zaad van Israël verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt YHWH.
[^micha-7-20-99]: Kanttekening 99: Jakob de trouw: Dat is, Jakobs en Abrahams nakomelingen; zie Rom. 9:6 , 9:7 , 9:8 . Of, de trouw, of waarheid van Jakob, de goedertierenheid, of weldadigheid van Abraham, dat is, die U hun beloofd hebt. Verg. Jer. 2:2 , en versta hierdoor de Messias, de Middelaar van het genadeverbond, en alles met Hem. Verg. Luk. 1:68 , 1:69 , 1:70 , 1:71 , 1:72 , 1:73 ; Rom. 8:32 ; een heerlijk besluit van de profetie, vol van geloof en verwachting van de Messias. Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. Jeremia 2:2 : Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt YHWH: Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd, van de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. Lukas 1:68 : Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; Lukas 1:69 : En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; Lukas 1:70 : Gelijk Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die van het begin van de wereld geweest zijn; Lukas 1:71 : Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten; Lukas 1:72 : Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond; Lukas 1:73 : En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven. Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
[^micha-7-20-100]: Kanttekening 100: Of, leveren; dat is, daarstellen, metterdaad bewijzen en volbrengen.
[^micha-7-20-101]: Kanttekening 101: oude dagen af gezworen hebt: Hebr. van de dagen van de oudheid; dat is, voor lange tijd.

## Nahum

### Nahum 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nahum/1.json)

*Een beschrijving van de natuur van God, Die tegen Zijn vijanden en de vijanden van Zijn volk sterk en streng is, 2, maar goedertieren tegen de vromen en hen die Hem liefhebben, 7 enz. De profeet dreigt verder de Ninevieten met hun ondergang, 8. Hij troost de vrome Joden door hun te voorzeggen dat hun vijand, de koning van Assyrië, verslagen zou worden, 15.*

**1** [^nahum-1-1-1] De last[^nahum-1-1-2] van Nineve. Het[^nahum-1-1-3] boek van het visioen van Nahum,[^nahum-1-1-4] de Elkosiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v1)

**2** Een[^nahum-1-2-5][^nahum-1-2-a] jaloers God en[^nahum-1-2-6] een wreker is YHWH, een wreker is YHWH, en[^nahum-1-2-7] zeer grimmig; een wreker is YHWH aan Zijn tegenstanders, en[^nahum-1-2-8] Hij behoudt[^nahum-1-2-9] de toorn Zijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v2)

**3** YHWH is[^nahum-1-3-10] geduldig, maar van grote kracht, en[^nahum-1-3-11] Hij houdt de schuldige[^nahum-1-3-12] in geen geval onschuldig. De weg van YHWH is in wervelwind, en in storm, en[^nahum-1-3-13] de wolken zijn het stof van Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v3)

**4** Hij[^nahum-1-4-14] bestraft de zee, en[^nahum-1-4-15] maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren;[^nahum-1-4-16] Basan en Karmel verwelken, ook[^nahum-1-4-17] verwelkt[^nahum-1-4-18] de bloem van Libanon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v4)

**5** [^nahum-1-5-b] De bergen[^nahum-1-5-19] beven voor Hem, en de heuvelen[^nahum-1-5-20] versmelten; en de aarde[^nahum-1-5-21] licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v5)

**6** Wie[^nahum-1-6-22] zal voor Zijn toorn staan, en wie zal voor de hitte van Zijn toorn bestaan? Zijn woede is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.[^nahum-1-6-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v6)

**7** YHWH is goed,[^nahum-1-7-c] Hij is ter sterkte in de dag van de benauwdheid, en[^nahum-1-7-24] Hij kent hen,[^nahum-1-7-25] die op Hem betrouwen.[^nahum-1-7-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v7)

**8** En met een doorgaande vloed zal[^nahum-1-8-27] Hij[^nahum-1-8-28] haar plaats te niet maken; en[^nahum-1-8-29] duisternis zal[^nahum-1-8-30] Zijn vijanden vervolgen.[^nahum-1-8-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v8)

**9** Wat denkt[^nahum-1-9-32] u[^nahum-1-9-33] tegen YHWH?[^nahum-1-9-34] Hij zal[^nahum-1-9-35] zelf een voleinding maken; de benauwdheid[^nahum-1-9-36] zal niet tweemaal op rijzen.[^nahum-1-9-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v9)

**10** Omdat zij in elkaar gevlochten zijn als doornen,[^nahum-1-10-38] en dronken zijn, zoals zij plegen dronken te zijn,[^nahum-1-10-39] zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.[^nahum-1-10-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v10)

**11** Van u[^nahum-1-11-41] is één uitgegaan,[^nahum-1-11-42] die kwaad denkt tegen YHWH,[^nahum-1-11-43] een Belialsraadsman.[^nahum-1-11-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v11)

**12** Zo zegt YHWH: Zijn zij[^nahum-1-12-45] voorspoedig, en zo velen, zo zullen zij ook[^nahum-1-12-46] geschoren worden, en[^nahum-1-12-47] hij zal doorgaan; Ik heb u wel vernederd, maar Ik zal u niet meer drukken.[^nahum-1-12-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v12)

**13** Maar nu zal Ik[^nahum-1-13-49] zijn juk[^nahum-1-13-50] van u breken, en zal[^nahum-1-13-51] uw banden[^nahum-1-13-52] verscheuren.[^nahum-1-13-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v13)

**14** Maar tegen[^nahum-1-14-54] u heeft YHWH bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis van uw god zal Ik uitroeien de gesneden[^nahum-1-14-55][^nahum-1-14-56][^nahum-1-14-57] en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken,[^nahum-1-14-59] als u zult veracht zijn geworden.[^nahum-1-14-58][^nahum-1-14-60] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v14)

**15** [^nahum-1-15-d] Zie op de bergen de voeten[^nahum-1-15-61] van degene, die het goede boodschapt, die[^nahum-1-15-62] vrede doet horen;[^nahum-1-15-63] vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want[^nahum-1-15-64] de Belialsman zal voortaan niet meer[^nahum-1-15-65] door u doorgaan,[^nahum-1-15-66] hij is geheel uitgeroeid.[^nahum-1-15-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/1.html#v15)

[^nahum-1-1-1]: Kanttekening 1: De last: Dit is de algemene titel of opschrift van alle bezwaarlijke profetiën. Zie Jes. 13:1 , en Jes. 15:1 , en Jes. 17:1 , en Jes. 19:1 , en Jes. 21:1 , 21:11 , 21:13 ; Jer. 23:33 , 23:34 ; Hab. 1:1 ; Zach. 9:1 , en Zach. 12:1 ; Mal. 1:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. Jesaja 15:1 : De last van Moab. Zekerlijk, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! Jesaja 17:1 : De last van Damascus. Ziet, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. Jesaja 19:1 : De last van Egypte. Ziet, YHWH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen. Jesaja 21:1 : De last van de woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden heen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land. Jesaja 21:11 : De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? Jesaja 21:13 : De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! Jeremia 23:33 : Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is de last van YHWH? Zo zult u tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik u verlaten zal, spreekt YHWH. Jeremia 23:34 : En aangaande de profeet, of de priester, of het volk, dat zeggen zal: De last van YHWH; dat Ik bezoeking zal doen over die man en over zijn huis. Habakuk 1:1 : De last, welke Habakuk, de profeet, gezien heeft. Zacharia 9:1 : De last van het woord van YHWH over het land Chadrach en Damascus, zijn rust; want YHWH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël. Zacharia 12:1 : De last van het woord van YHWH over Israël. YHWH spreekt, Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en de geest van de mensen in zijn binnenste formeert. Maleachi 1:1 : De last van het woord van YHWH tot Israël, door de dienst van Maleachi.
[^nahum-1-1-2]: Kanttekening 2: van Nineve: Dat is, over, of aangaande de stad Nineve, die eertijds geweest is de hoofdstad van Assyrië; en versta hier, door Nineve, niet alleen de stad zelve, maar ook het gehele koninkrijk van Assyrië.
[^nahum-1-1-3]: Kanttekening 3: boek van het gezicht van Nahum: Dat is, het boek, waarin het gezicht of de profetie, die Nahum geopenbaard is, beschreven staat.
[^nahum-1-1-4]: Kanttekening 4: de Elkosiet: Dat is, die te Elkos geboren is, een dorp gelegen in Galilea, of zo anderen schrijven, in de stam van Simeon, nog in wezen zijnde ten tijde van Hieronymus. Nergens wordt aan deze plaats gedacht in de Heilige Schrift dan hier alleen. Anderen menen dat Elkos is de naam van het geslacht van Nahum.
[^nahum-1-2-5]: Kanttekening 5: ijverig God: Dat is, God is jaloërs, te weten, over zijn eer; zie Jes. 9:6 , niet kunnende lijden dat naast Hem enig afgod geëerd en aangeroepen wordt. Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de legermachten zal zulks doen.
[^nahum-1-2-a]: Verwijzing a: Ex. 20:5 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^nahum-1-2-6]: Kanttekening 6: een wreker is YHWH, een wreker: Die niet ongestraft laat de zonde tegen zijn heilige majesteit begaan, noch de tirannie tegen zijn uitverkoren volk.
[^nahum-1-2-7]: Kanttekening 7: zeer grimmig: Zich zeer vertoornende over degenen, die zijn volk mishandelen of vervolgen. Hebr. een Heer, meester of bezitter van de grimmigheid, of, van de hittige toorn; zie Gen. 14:13 . Genesis 14:13 : Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
[^nahum-1-2-8]: Kanttekening 8: Hij behoudt de toorn : Zie de aantekening bij Ps. 103:9 ; Jer. 3:5. Psalmen 103:9 : Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden.
[^nahum-1-2-9]: Kanttekening 9: Zijn vijanden: Maar over zijn uitverkorenen ontferm Hij zich als een Vader over zijn kinderen. Zie Ps. 103:8 , 103:9 , 103:10 , enz. Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 103:9 : Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Psalmen 103:10 : Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
[^nahum-1-3-10]: Kanttekening 10: Zie Ex. 34:6 , en Num. 14:18 . Exodus 34:6 : Als nu YHWH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: YHWH, YHWH, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Numeri 14:18 : YHWH is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.
[^nahum-1-3-11]: Kanttekening 11: Hij houdt de schuldige : Zie Ex. 34:7 . Anders: Hij zal die \[te weten vijanden\] niet onschuldig houden. Exodus 34:7 : Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid.
[^nahum-1-3-12]: Kanttekening 12: De weg van YHWH is in wervelwind: De zin is, de Heer vertoont zichzelven verschrikkelijk en geweldig; zie Ps. 18:8 . Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
[^nahum-1-3-13]: Kanttekening 13: de wolken zijn het stof van Zijn voeten: Verg. Ps. 104:3 . Psalmen 104:3 : Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen van de wind wandelt.
[^nahum-1-4-14]: Kanttekening 14: scheldt de zee: Dat is, bestraft. De profeet beschrijft de macht, die God heeft over de zee, rivieren en velden. Waarvan zie voorbeelden, Ex. 14:22 ; 2 Kon. 2 , Ps. 66:6 , en Ps. 106:9 , en Ps. 107 , Jes:4, Luk. 8:24 . De zin is: die zulke grote dingen doen kan in de wateren en op de aarde, die kan ook wel, als het Hem belieft, het rijk van de Assuriërs veranderen. Exodus 14:22 : En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Psalmen 66:6 : Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd. Psalmen 106:9 : En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn. Lukas 8:24 : En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte de wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.
[^nahum-1-4-15]: Kanttekening 15: maakt ze droog: Dat is, Hij kan ze droogmaken als het Hem belieft.
[^nahum-1-4-16]: Kanttekening 16: Basan en Karmel kwelen: Zie van Basan Ps. 22:13 , en van Karmel 2 Kon. 19:23 . Psalmen 22:13 : Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. 2 Koningen 19:23 : Door middel van uw boden hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.
[^nahum-1-4-17]: Kanttekening 17: Te weten, van zijn toorn, of vanwege de grote en langwijlige droogte, weshalve de aarde geen vruchten kan voortbrengen. Verg. Joel 1:10 , 1:12 . Joël 1:10 : Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. Joël 1:12 : De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
[^nahum-1-4-18]: Kanttekening 18: de bloem van Libanon: Dat is, de bloemen die op de berg Libanon groeien.
[^nahum-1-5-b]: Verwijzing b: Ex. 19:18 ; Ps. 18:8 ; Ps. 29:5 ; idem 29:6 ; Ps. 68:8 ; Ps. 97:4 ; idem 97:5 ; Ps. 114:4 . Exodus 19:18 : En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op dezelfde nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Psalmen 18:8 : Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. Psalmen 29:5 : De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen van Libanon. Psalmen 29:6 : En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn. Psalmen 68:8 : O God! toen U voor het aangezicht Uws volks uittrokt, toen U daarheen tradt in de woestijn; Sela. Psalmen 97:4 : Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aarde ziet ze en het beeft. Psalmen 97:5 : De bergen smelten als was voor het aangezicht van YHWH, voor het aangezicht van YHWH van de gehele aarde. Psalmen 114:4 : De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.
[^nahum-1-5-19]: Kanttekening 19: beven voor Hem: Of, schudden van Hem.
[^nahum-1-5-20]: Kanttekening 20: Verg. Micha 1:4 ; Amos 9:13 . Micha 1:4 : En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte. Amos 9:13 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.
[^nahum-1-5-21]: Kanttekening 21: licht zich op voor Zijn aangezicht: Gelijk in de aardbevingen pleegt te gebeuren. Anders: de aarde brandt voor zijn aangezicht. De zin is, als het God de Heer beliefde, Hij kon wel de gehele wereld met vuur verbranden, gelijk Hij eertijds Sodom en Gomorra gedaan heeft; of, Hij kan de aarde van droogte en van dorheid doen verbranden en tot as worden. Zie 2 Sam. 5:20 . 2 Samuël 5:20 : Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: YHWH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam derzelve plaats, Baäl-perazim.
[^nahum-1-6-22]: Kanttekening 22: zal voor Zijn toorn staan: Of, kan.
[^nahum-1-6-23]: Kanttekening 23: zal voor de hitte van Zijn toorn bestaan: Of, kan.
[^nahum-1-7-c]: Verwijzing c: Joël 3:16 . Joël 3:16 : En YHWH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar YHWH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de kinderen van Israël zijn.
[^nahum-1-7-24]: Kanttekening 24: Te weten, over degenen, die Hem vrezen en dienen.
[^nahum-1-7-25]: Kanttekening 25: Dat is, Hij heeft hen lief, Hij zorgt voor hen, Hij neemt zich hun aan, gelijk Ps. 1:6 . Psalmen 1:6 : Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^nahum-1-7-26]: Kanttekening 26: Of, die op Hem hopen, die hun toevlucht tot Hem nemen, die zich op Hem verlaten.
[^nahum-1-8-27]: Kanttekening 27: met een doorgaanden vloed: Dat is, door een vijandelijken inval, die overal lopen zal, zal Hij haar plaats teniet maken. Of, en met de doorgaande vloed zal Hij haar \[te weten Nineve's\] plaats ten verderve, \[of tot vernieling\] maken; dat is, Hij zal maken dat de plaats van Nineve het verderf zelf zij, en tot niet gebracht worde, te weten, door de Meden en Chaldeën.
[^nahum-1-8-28]: Kanttekening 28: Te weten, God de Heer.
[^nahum-1-8-29]: Kanttekening 29: haar plaats te niet maken: Dat is, de stad Nineve zelve. Het is een gemene wijze van spreken in de Heilige Schrift, dat de plaats van enig ding wordt gezegd te vergaan als het ding zelf vergaat. Zo Dan. 2:35 ; Openb. 12:8 . Daniël 2:35 : Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelfde gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de gehele aarde vervulde. Openbaring 12:8 : En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel.
[^nahum-1-8-30]: Kanttekening 30: duisternis zal: Duisternis betekent hier allerlei grote jammeren en ellende, gelijk Joel 2:2 ; Micha 7:8 , en elders. Joël 2:2 : Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Micha 7:8 : Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal YHWH mij een licht zijn.
[^nahum-1-8-31]: Kanttekening 31: Zijn vijanden vervolgen: Te weten, van de Heer, of van het volk van God, en versta hier door vijanden de Assyriërs. Anders: en Hij zal de duisternis zijn vijanden doen vervolgen.
[^nahum-1-9-32]: Kanttekening 32: Wat denkt: Of, wat beeldt u zich in tegen de Heer? De zin is: God zal u, o u koning van Assyrië, en u, u machtige stad Nineve, niet altijd zo laten woeden.
[^nahum-1-9-33]: Kanttekening 33: U Assyriërs.
[^nahum-1-9-34]: Kanttekening 34: tegen YHWH: Of, van de Heer.
[^nahum-1-9-35]: Kanttekening 35: Hij zal: Hebr. Hij maakt een voleinding. Dikwijls wordt de tegenwoordige tijd gesteld voor de tijd, die haast volgen zal, gelijk Gen. 13:15 , en Gen. 19:13 , 19:14 , en Gen. 48:21 , en Gen. 50:5 , 50:24 ; Ex. 12:33 ; Jona 1:3 ; Matt. 3:10 , en Matt. 17:11 ; Hand. 27:6, en 1 Kor. 15:35 . Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 19:13 : Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht van YHWH, en YHWH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. Genesis 19:14 : Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want YHWH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als jokkende. Genesis 48:21 : Daarna zei Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land van uw vaderen. Genesis 50:5 : Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen. Genesis 50:24 : En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. Exodus 12:33 : En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! Jona 1:3 : Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelfde, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van YHWH. Mattheüs 3:10 : En ook is al de bijl aan de wortel van de bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Mattheüs 17:11 : Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weer oprichten. 1 Korinthiërs 15:35 : Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?
[^nahum-1-9-36]: Kanttekening 36: zelf een voleinding maken: Zie de aantekening bij Jer. 4:27 . Jeremia 4:27 : Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^nahum-1-9-37]: Kanttekening 37: zal niet tweemaal op rijzen: Of, zal de tweede reis niet komen. De zin is: God zal u, o Nineve, met deze tocht zo onderdrukken, dat Hij niet ten tweede male zal behoeven te komen, Hij zal u eens vooral ten enenmale uitroeien. Anderen nemen het in deze zin: Hij zal zijn volk niet ten enenmale laten plagen.
[^nahum-1-10-38]: Kanttekening 38: zij in elkaar gevlochten zijn als doornen: Te weten, de Assyriërs, met andere koningen en volken. De zin is: Het zal hun gaan als de in elkaar verwarde doornen, welke, als de landman ze niet uit elkaar trekken of scheiden kan, zo werpt hij ze tezamen in het vuur, en verbrandt ze de één met de ander. Anders, want tot de doornen toe zijn zij benauwd; dat is, zo verward dat zij hun toevlucht tot de doornen nemen, om zich daar te verbergen. Het is een teken van grote verwardheid en benauwdheid, als iemand daarheen vlucht, waar hij zich voorzeker kwetsen of bezeren zal. Verg. 1 Sam. 13:6 . 1 Samuël 13:6 : Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.
[^nahum-1-10-39]: Kanttekening 39: en dronken zijn: Hebr. en verzopen zijn na hun wijn, of zuiperij. Of, en als \[van\] hun wijn dronken zijn; dat is, zij worden door een verkeerden geest gedreven, die hen doet zwijmelen alsof zij dronken waren, omdat het hun nu lang alles naar hun wens en wil gegaan is.
[^nahum-1-10-40]: Kanttekening 40: zo worden zij volkomen verteerd: Of, zo zullen zij verteerd \[Hebr.\] opgegeten worden, als geheel, of volkomenlijk droge stoppelen.
[^nahum-1-11-41]: Kanttekening 41: Van u: Of, uit u, o Nineve.
[^nahum-1-11-42]: Kanttekening 42: is een uitgegaan: Voor, zal in het kort uitgaan. Zie Hag. 1:9 . Haggai 1:9 : U ziet om naar veel, maar ziet, u bekomt weinig; en als u het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt YHWH van de legermachten; om Mijns huizes wil, dat woest is, en dat u loopt elk voor zijn eigen huis.
[^nahum-1-11-43]: Kanttekening 43: die kwaad denkt tegen YHWH: Dat is, die vuur en vlam uitspuwt tegen het volk van God.
[^nahum-1-11-44]: Kanttekening 44: een Belialsraadsman: Versta hier Sanherib en Rabsake, dat God hen niet uit hun hand zou kunnen verlossen. Zie 2 Kon. 18:35 ; 2 Kron. 32 en Jes. 36 . En van het woord Belial, zie Deut. 13:13 . 2 Koningen 18:35 : Welke zijn ze onder alle goden van de landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat YHWH Jeruzalem uit mijn hand redden zou? Deuteronomium 13:13 : Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt;
[^nahum-1-12-45]: Kanttekening 45: Zo zegt YHWH: Nu wendt de profeet zijn rede tot die in Jeruzalem, welke hij troost met de profetie van de nederlaag en de ondergang van de Assyriërs.
[^nahum-1-12-46]: Kanttekening 46: Hebr. volkomen, of vrede hebbende; dat is, volkomen in kracht, of voorspoedig, God wil zeggen, of zij wel machtig en menigvuldig zijn, dat zij desniettegenstaande door zijn goddelijke hand zullen neergeveld en vernield worden.
[^nahum-1-12-47]: Kanttekening 47: geschoren worden: De profeet Jesaja gebruikt deze zelfde gelijkenis, Jes. 7:20 . Jesaja 7:20 : Te die dage zal de Heer door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen.
[^nahum-1-12-48]: Kanttekening 48: hij zal doorgaan: Te weten, Sanherib. Zie 2 Kon. 19:35 , 19:36 , 19:37 . 2 Koningen 19:35 : Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel van YHWH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 2 Koningen 19:36 : Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve. 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^nahum-1-13-49]: Kanttekening 49: Maar nu zal Ik: In dit vers spreekt God de Heer nog zijn volk aan, gelijk in Hab. 1:12 . Habakuk 1:12 : Zijt U niet van ouds af YHWH, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o YHWH! tot een oordeel hebt U hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt U hem gegrondvest.
[^nahum-1-13-50]: Kanttekening 50: zijn juk: Te weten, het juk van de koning van Assyrië; dat is slavernij, of dienstbaarheid. Zie van het Hebr. woord Jer. 27:2 . Jeremia 27:2 : Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals.
[^nahum-1-13-51]: Kanttekening 51: van u breken: Hebr. van op u breken; dat is, Ik zal het u van de hals nemen, en u daarvan verlossen.
[^nahum-1-13-52]: Kanttekening 52: uw banden: Dat is, de banden, met welke u de koning van Assyrië is bindende en in dienstbaarheid houdende.
[^nahum-1-13-53]: Kanttekening 53: Zo dat u de koning van Assyrië niet meer zult onderworpen zijn. Verg. Ps. 2:3 , en zie de vervulling 2 Kron. 36:22 ; Ezra 1:1 . Psalmen 2:3 : Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. 2 Kronieken 36:22 : Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, door de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: Ezra 1:1 : In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord van YHWH, uit de mond van Jeremia, verwekte YHWH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn gehele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
[^nahum-1-14-54]: Kanttekening 54: Maar tegen: Of, maar van u heeft de Heer bevolen.
[^nahum-1-14-55]: Kanttekening 55: u heeft YHWH: O u Ninevieten, of, o u koning van Assyrië.
[^nahum-1-14-56]: Kanttekening 56: Te weten, aan de koning van de Meden en van Babylonië, u met uw volk ten enenmale uit te roeien; dit heeft God zo over u besloten te zullen gebeuren.
[^nahum-1-14-57]: Kanttekening 57: dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden: Dat is, u zult zo ganselijk en geheellijk onderdrukt worden, dat er na deze niemand meer uw naam voeren zal; of dat men niet meer van u spreken zal, gelijk men tot nog toe gedaan heeft.
[^nahum-1-14-59]: Kanttekening 59: daar een graf maken: Te weten, in het huis van uw god Nisroch. Zie de voltooiing van deze profetie. 2 Kon. 19:37 , en Jes. 37:38 . 2 Koningen 19:37 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. Jesaja 37:38 : Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
[^nahum-1-14-58]: Kanttekening 58: de gesneden en gegoten beelden: Dat is, uw goden, die u daar pleegt te aanbidden.
[^nahum-1-14-60]: Kanttekening 60: als u zult veracht zijn geworden: Te weten, nadat u met schande en met schade uit het land Juda zult gevlucht zijn, waarover u in grote verachtzaamheid zult komen bij alle natiën.
[^nahum-1-15-d]: Verwijzing d: Jes. 52:7 ; Rom. 10:15 . Jesaja 52:7 : Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; van degene, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; van degene, die tot Sion zegt: Uw God is Koning. Romeinen 10:15 : En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
[^nahum-1-15-61]: Kanttekening 61: op de bergen de voeten: Of, op deze bergen; dat is, in het land Juda, dat een bergachtig land is.
[^nahum-1-15-62]: Kanttekening 62: Of, van een die goede tijding brengt, of, van een Evangelist; versta dit van de blijde tijding aangaande de slachting van het leger van de Assyriërs, en kort daarna van de dood van hun koning. Maar dit past ook op de geestelijke verlossing van de Joden door Christus.
[^nahum-1-15-63]: Kanttekening 63: vrede doet horen: Dat is, overwinning en welstand.
[^nahum-1-15-64]: Kanttekening 64: vier uw vierdagen, o Juda: Alsof Hij zei: Nu mag u, volk van Juda, vrij en frank uw heiligen godsdienst oefenen en uw God loven en danken, dat u een lange tijd herwaarts van de Assyriërs is verhinderd geweest.
[^nahum-1-15-65]: Kanttekening 65: de Belials- man : Zie Hag. 1:11 . Haggai 1:11 : Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid van de handen.
[^nahum-1-15-66]: Kanttekening 66: door u doorgaan: Dat is, hij zal met zijn verderfelijk heirleger niet meer in, noch door uw land trekken, gelijk Joel 3:17 . Joël 3:17 : En u zult weten, dat Ik YHWH, uw God ben, wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
[^nahum-1-15-67]: Kanttekening 67: hij is geheel uitgeroeid: Te weten, zijn leger, waaruit 185.000 man, van de engel, en hij van zijn zonen Adramelech en Sarefar verslagen is.

### Nahum 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nahum/2.json)

*Uitvoeriger voorzegging van de ondergang van de Ninevieten door de Babyloniërs, vanwege hun tirannie tegen het volk van God en andere volken.*

**1** [^nahum-2-1-1] De verstrooier trekt tegen[^nahum-2-1-2] uw aangezicht op,[^nahum-2-1-3] bewaar de vesting;[^nahum-2-1-4] bezichtig de weg;[^nahum-2-1-5] sterk de middel, versterk de kracht zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v1)

**2** Want[^nahum-2-2-6] YHWH heeft de hoogmoed van Jakob afgewend, zoals de hoogmoed van Israël; want[^nahum-2-2-7] de[^nahum-2-2-a] plunderaars[^nahum-2-2-8] hebben ze leeg gemaakt, en zij hebben[^nahum-2-2-9] hun wijnranken verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v2)

**3** [^nahum-2-3-10] De schilden[^nahum-2-3-11] van zijn helden[^nahum-2-3-12] zijn rood gemaakt, de[^nahum-2-3-13] kloeke mannen zijn[^nahum-2-3-14] scharlakenvervig;[^nahum-2-3-15] de wagens zijn in het vuur van de fakkelen, op de dag als hij zich[^nahum-2-3-16] bereidt; en de[^nahum-2-3-17] speren[^nahum-2-3-18] worden geschud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v3)

**4** [^nahum-2-4-19] De wagens[^nahum-2-4-20] razen door de wijken, zij lopen ginds en weer op de straten;[^nahum-2-4-21] hun gedaanten zijn als van de[^nahum-2-4-22] fakkelen, zij lopen door elkaar heen als de bliksemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v4)

**5** [^nahum-2-5-23] Hij zal[^nahum-2-5-24] aan zijn voortreffelijken gedenken, maar[^nahum-2-5-25] zij zullen[^nahum-2-5-26] struikelen in hun tochten;[^nahum-2-5-27] zij zullen haasten[^nahum-2-5-28] naar hun muur, als[^nahum-2-5-29] het beschutsel gereed zal wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v5)

**6** [^nahum-2-6-30] De poorten van de rivieren zullen geopend worden, en[^nahum-2-6-31] het paleis[^nahum-2-6-32] zal versmelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v6)

**7** En[^nahum-2-7-33] Huzab[^nahum-2-7-34] zal als gevangene weggevoerd worden, men zal haar heten[^nahum-2-7-35] voortgaan; en haar maagden zullen haar[^nahum-2-7-36] geleiden, als met een stem van de[^nahum-2-7-37] duiven, trommelende op haar harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v7)

**8** [^nahum-2-8-38] Nineve is wel als een watervijver,[^nahum-2-8-39] van de dagen af dat zij geweest is, maar[^nahum-2-8-40] zij zullen vluchten. Sta, sta! zal men roepen, maar niemand zal omzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v8)

**9** [^nahum-2-9-41] Roof zilver, rooft goud, want er is geen einde[^nahum-2-9-42][^nahum-2-9-43] van de voorraad, van de heerlijkheid van allerlei gewenste voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v9)

**10** [^nahum-2-10-44] Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en[^nahum-2-10-b] haar hart versmelt, en de knieën[^nahum-2-10-45] schudden, en[^nahum-2-10-c] in al de middel is smart, en[^nahum-2-10-46] hun aller gezichten betrekken,[^nahum-2-10-47] als een pot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v10)

**11** [^nahum-2-11-48] Waar is nu de[^nahum-2-11-49] woning van de leeuwen, en die weide van de jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v11)

**12** De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en[^nahum-2-12-50] worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v12)

**13** Zie,[^nahum-2-13-51] Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en[^nahum-2-13-52] Ik zal[^nahum-2-13-53] haar wagens in rook verbranden, en het zwaard zal[^nahum-2-13-54] uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof[^nahum-2-13-55] uitroeien van de aarde, en de stem[^nahum-2-13-56] van uw gezanten zal niet meer gehoord worden.[^nahum-2-13-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/2.html#v13)

[^nahum-2-1-1]: Kanttekening 1: Te weten, Nebukadnezar, de koning van Babel, die veel koninkrijken heeft ingenomen en verstrooid.
[^nahum-2-1-2]: Kanttekening 2: uw aangezicht op: O Nineve.
[^nahum-2-1-3]: Kanttekening 3: bewaar de vesting: Dit en wat er volgt, spreekt de profeet spottenderwijze, willende te kennen geven dat de Assyriërs met al hun tegenweer niets zouden vermogen.
[^nahum-2-1-4]: Kanttekening 4: bezichtig de weg: Merk er wel terdege op, welke weg de vijand komt.
[^nahum-2-1-5]: Kanttekening 5: sterk de lenden: Dat is, uw kracht en macht. Zie Job 40:11 . Job 40:11 : Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in de navel zijns buiks.
[^nahum-2-2-6]: Kanttekening 6: YHWH heeft de hovaardij Jakobs afgewend: Alsof hij zei: O Assur, nu is de tijd, dat de straf van de Heer ook over u komt, aangezien die nu een geruimen tijd over het volk van God gegaan is, waardoor de Heer de hovaardij van Jakob heeft vernederd, gelijk Hij tevoren de hovaardij van Israël vernederd had. Anders: want de Heer is teruggekeerd \[met\] de voortreffelijkheid, of, heerlijkheid van Jakob, dat is, met Christus Jezus, gelijk Amos 8:7 ; te weten, opdat Hij voortaan zijn volk bijsta, en het niet meer door u late verdelgen, maar veel meer dat Hij u vanwege hetzelfde late verdelgen. Zie 2 Sam. 1:19 , van het sieraad of heerlijkheid van Israël. Amos 8:7 : YHWH heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten! 2 Samuël 1:19 : O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!
[^nahum-2-2-7]: Kanttekening 7: de ledigmakers: Dat is, de Assyriërs met hun grote heirlegers, die alles geroofd en leeg gemaakt hebben.
[^nahum-2-2-a]: Verwijzing a: Jes. 10:12 ; Ps. 80:13 . Jesaja 10:12 : Want het zal gebeuren, als YHWH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van de harten van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijn ogen. Psalmen 80:13 : Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken?
[^nahum-2-2-8]: Kanttekening 8: hebben ze leeg gemaakt: De zin is: zij hebben Juda en Israël leeg gemaakt; dat is, zij hebben hun land woest gemaakt en uitgeplunderd.
[^nahum-2-2-9]: Kanttekening 9: hun wijnranken verdorven: Dit kan men bekwamelijk naar de letter verstaan, maar sommigen verstaan hier door de wijnranken de steden en dorpen van het Joodse land; immers werd het Joodse volk meermalen vergeleken bij een wijnstok, zie Micha 7:1 . Anderen verstaan hierdoor zonen en dochters; enige: de vruchten van het land. Micha 7:1 : Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
[^nahum-2-3-10]: Kanttekening 10: De schilden: In dit vers, en daarna, beschrijft de profeet de gestalte en krijgstoerusting dergenen, die met grote machtige heirlegers komen zouden tegen Nineve en de Assyriërs, vijanden van de Israëlieten, om hen te bestrijden en te onderdrukken.
[^nahum-2-3-11]: Kanttekening 11: zijn helden: Te weten, van de vijand, die Nineve belegeren zou.
[^nahum-2-3-12]: Kanttekening 12: zijn rood gemaakt: Van het bloed van de omgebrachte mensen, of versta dit ook van de roodgeverfde kleedren, die velen, in het bijzonder onder de krijgslieden van de Meden, Perzen, Babyloniërs, enz. droegen; zie Ez. 23:14 . Ezechiël 23:14 : Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan de wand zag, de beelden van de Chaldeeën, geschilderd met menie,
[^nahum-2-3-13]: Kanttekening 13: kloeke mannen: Zie van dit woord kloek, Gen. 47:6 , en Ex. 18:21 . Genesis 47:6 : Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb. Exodus 18:21 : Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen.
[^nahum-2-3-14]: Kanttekening 14: Of, karmozijnd.
[^nahum-2-3-15]: Kanttekening 15: de wagens zijn in het vuur van de fakkelen: Dat is, hun wagens varen zo snel en met zulk geweld voort, dat zij over de stenen lopende, vonken vuur geven, waarvan vers 4 breder; en versta hier de legerwagens, die ten strijde bereid waren, in of op welke krijgslieden zaten, daaruit vechtende; zie Joz. 17:16 , en 2 Sam. 10:18 . Jozua 17:16 : Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn. 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^nahum-2-3-16]: Kanttekening 16: Te weten, ten strijde.
[^nahum-2-3-17]: Kanttekening 17: Hebr. de dennebomen. De zin is, gemaakt zijn. Anderen nemen het in deze zin: Die wagens lopen zo snel en met zulk een geweld voort, dat het woud en de bomen, die daarin staan, schudden en beven.
[^nahum-2-3-18]: Kanttekening 18: worden geschud: Of, worden gedrild.
[^nahum-2-4-19]: Kanttekening 19: De wagens: Versta, wagens, met degenen die op de wagens zitten; zie 2 Sam. 10:18 . 2 Samuël 10:18 : Maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf.
[^nahum-2-4-20]: Kanttekening 20: razen door de wijken: Dat is, de wagens zullen met zulke snelheid en rumoer door de straten en stegen van de stad rollen en hollen, en bulderen, alsof de voerlieden en die daarop zitten dol en razend waren.
[^nahum-2-4-21]: Kanttekening 21: hun gedaanten zijn als van de fakkelen: De zin is, het zal schijnen dat er vuur uit hun ogen springt, als zij toornig zijn.
[^nahum-2-4-22]: Kanttekening 22: zij lopen door elkaar heen als de bliksemen: Of, zij zullen doorbreken als de bliksem.
[^nahum-2-5-23]: Kanttekening 23: Hij zal: Te weten, de koning van Assyrië.
[^nahum-2-5-24]: Kanttekening 24: aan zijn voortreffelijken gedenken: Dat is, hij zal zijn vertrouwen op hen stellen. Anders: hij zal zijn geweldigen monsteren.
[^nahum-2-5-25]: Kanttekening 25: zullen struikelen: Dat is, zij zullen zo haastig lopen en met zulke onzinnigheid, dat zij over elkaar zullen tuimelen en vallen.
[^nahum-2-5-26]: Kanttekening 26: in hun tochten: Of, in hun gangen; dat is, op hun straten en stegen, overal waar zij heengaan.
[^nahum-2-5-27]: Kanttekening 27: zij zullen haasten: Te weten, de Assyriërs.
[^nahum-2-5-28]: Kanttekening 28: naar hun muur: Versta, de muren van de stad Nineve.
[^nahum-2-5-29]: Kanttekening 29: het beschutsel gereed zal wezen: Of, het deksel. Versta, een krijgsgetimmer als een galerij, waaronder de soldaten schotvrij waren. Hebr. en het beschutsel zal gereed gemaakt.
[^nahum-2-6-30]: Kanttekening 30: De poorten van de rivieren zullen geopend worden: Dat is, de waterpoorten. Hier wordt gesproken van het water van de Tiger en andere beekjes daarin en daaruit vlietende, en dicht onder de stad Nineve lopende. De zin is: De vijand zal aan die hoek in de stad vallen, waar zij schijnt het allersterkst te wezen, te weten, daar ter plaatse waar de Tiger en andere beken lopen. Diodor. Siculus zegt, lib. 3, Biblioth. cap. 7, dat als de Chaldeën Nineve belegerd hadden, zo is de muur van deze stad, door het hoge oplopen van de Tiger omgeworpen, over een lengte van twintig stadiën, door welke bres de vijanden in de stad vielen.
[^nahum-2-6-31]: Kanttekening 31: het paleis: Of, de tempel, want het Hebr. woord betekent beide, zo een paleis als een tempel, en versta hier de tempel van de Assyrische afgod.
[^nahum-2-6-32]: Kanttekening 32: zal versmelten: Te weten, voor de hitte van het vuur, hetzij van het stoffelijke vuur, of van de brandende toorn van God. Anders: zal wegvlieten. Dit past wel, als men ziet op de grote oploop van het water.
[^nahum-2-7-33]: Kanttekening 33: Verscheidenen verstaan dat Huzzab is de naam van de koningin. Anderen menen dat Huzzab betekent koningin, van Jatzab, bijstaan, omdat zij dagelijks bij de koning stond of kwam; verg. Ps. 45:10 . Anders: die vastgesteld is; dat is, de stad die meent vast te staan. Psalmen 45:10 : Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
[^nahum-2-7-34]: Kanttekening 34: zal gevankelijk weggevoerd worden: Of, zal ontbloot, of, ontdekt worden, te weten van haar juwelen en kostelijk sieraad.
[^nahum-2-7-35]: Kanttekening 35: Of, opgaan, te weten, op de wagen, in welke zij gevankelijk zal weggevoerd worden uit haar land in een ander.
[^nahum-2-7-36]: Kanttekening 36: als met een stem van de duiven: Dat is, al huilende, al wenende, en al zuchtende in haarzelven, niet overluid durvende roepen en huilen, uit vrees van de vijanden.
[^nahum-2-7-37]: Kanttekening 37: trommelende op haar harten: Alsof hij zei: Zij zullen niet op tamboerijnen of trommels spelen, gelijk zij in haar vreugde plachten te doen, maar zij zullen met haar vuisten op haar borsten slaan, tot een teken van de benauwdheid van haar harten.
[^nahum-2-8-38]: Kanttekening 38: Nineve is wel als een watervijver: Dat is, Nineve is van de beginne aan zeer volkrijk geweest. Aldus wordt veel water voor veel volk genomen, Jes. 8:7 ; Openb. 17:15 ; verg. Jona 4:11 . Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Jona 4:11 : En Ik zou die grote stad Nineve niet sparen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?
[^nahum-2-8-39]: Kanttekening 39: van de dagen af dat zij geweest is: Hebr. van de dagen zij, zonder meer.
[^nahum-2-8-40]: Kanttekening 40: zij zullen vluchten: Te weten, de inwoners van Nineve zullen vluchten, als hun stad van hun vijanden zal ingenomen worden.
[^nahum-2-9-41]: Kanttekening 41: Rooft zilver, rooft goud: Versta dit gesproken te zijn tot de vijanden, die Nineve zouden overvallen, hetzij dat men het neemt voor de woorden van de profeet, of van de soldaten, hun kameraden aansprekende.
[^nahum-2-9-42]: Kanttekening 42: voorraads, van de heerlijkheid: Versta hier door voorraad allerlei schatten en kleinodiën, geld, kleren, enz.
[^nahum-2-9-43]: Kanttekening 43: van allerlei gewenste vaten: Dat is, van allerlei schoon huisraad, dat men zou kunnen of mogen wensen. Verg. 2 Kron. 32:27 . 2 Kronieken 32:27 : Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;
[^nahum-2-10-44]: Kanttekening 44: Zij is geledigd: Te weten, Nineve.
[^nahum-2-10-b]: Verwijzing b: Deut. 1:28 ; Deut. 20:8 ; Joz. 2:11 ; Joz. 5:1 ; Joz. 7:5 ; Jes. 13:7 ; Ez. 21:7 . Deuteronomium 1:28 : Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. Deuteronomium 20:8 : Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart zijn broers niet smelte, gelijk zijn hart. Jozua 2:11 : Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder aanwezigheid; want YHWH, ulieder God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde. Jozua 5:1 : En het geschiedde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat YHWH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de kinderen van Israël, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de kinderen van Israël. Jozua 7:5 : En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water. Jesaja 13:7 : Daarom zullen alle handen slap worden, en alle mensen hart zal versmelten; Ezechiël 21:7 : En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht u, dat u zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën als water henenvlieten; ziet, het komt, en het zal gebeuren, spreekt de Heer YHWH.
[^nahum-2-10-45]: Kanttekening 45: Of, tegen elkaar aanslaan of stoten; verg. Jes. 13:7 ; Dan. 5:6 . Jesaja 13:7 : Daarom zullen alle handen slap worden, en het hart van alle mensen zal versmelten; Daniël 5:6 : Toen veranderde zich de glans van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen werden los, en zijn knieën stieten tegen elkaar aan.
[^nahum-2-10-c]: Verwijzing c: Jes. 13:8 ; Jes. 21:3 . Jesaja 13:8 : En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iedereen zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn. Jesaja 21:3 : Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.
[^nahum-2-10-46]: Kanttekening 46: hun aller aangezichten betrekken: Zie de aantekening bij Joel 2:6 . Joël 2:6 : Van zijn aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.
[^nahum-2-10-47]: Kanttekening 47: een pot: Te weten, gelijk een pot of ketel, waar men voedsel in kookt en die over het vuur hangt en berookt.
[^nahum-2-11-48]: Kanttekening 48: Waar is nu : Dit zijn de woorden van de profeet, sprekende in de naam van God, en de overwonnen Assyriërs beschimpende.
[^nahum-2-11-49]: Kanttekening 49: woning van de leeuwen: Aldus noemt de profeet de inwoners van Nineve, die rovers en bloeddorstige mensen geweest zijn, in het bijzonder hun koningen, vorsten en krijgsoversten; zie Ez. 19:2 , 19:3 , met de aantekeningen daar, enz. De apostel noemt ook de keizer Nero een leeuw; 2 Tim. 4:17 . Ezechiël 19:2 : En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen. Ezechiël 19:3 : Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op. 2 Timotheüs 4:17 : Maar de Heer heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelfde zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.
[^nahum-2-12-50]: Kanttekening 50: worgde voor zijn oude leeuwinnen: De aard van de leeuwen is de dieren, die zij gevangen hebben, te stikken en te versmachten.
[^nahum-2-13-51]: Kanttekening 51: Ik wil aan u: Zie de aantekening bij Jer. 21:13 . Anders: Ik \[kom\] tot u, te weten, om u te straffen; Hij wendt zijn aanspraak tot de Ninevieten. Jeremia 21:13 : Ziet, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt YHWH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?
[^nahum-2-13-52]: Kanttekening 52: Ik zal: Dat is, Ik zal uw wagens verbranden, o Nineve, zodat zij in rook zullen verdwijnen. Verg. Richt. 20:40 . Richteren 20:40 : Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand van de stad op naar de hemel.
[^nahum-2-13-53]: Kanttekening 53: haar wagens in rook verbranden: Te weten, van de stad Nineve. Hier is een verandering van persoon, haar voor uw.
[^nahum-2-13-54]: Kanttekening 54: uw jonge leeuwen verteren: O Nineve. En uw roof; dat is, de roof die u, Ninevieten, geroofd hebt.
[^nahum-2-13-55]: Kanttekening 55: uw roof: O Nineve. En uw roof; dat is, de roof die u, Ninevieten, geroofd hebt.
[^nahum-2-13-56]: Kanttekening 56: uitroeien van de aarde: Of, afsnijden.
[^nahum-2-13-57]: Kanttekening 57: uw gezanten zal niet meer gehoord worden: Of, van uw gezanten, door wie u de koningen rondom heen de krijg pleegt aan te zeggen. Zie 2 Kon. 18:17 , enz. 2 Koningen 18:17 : Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zware legermacht naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de opperste vijver, welke is bij de hoge weg van het veld van de voller.

### Nahum 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/nahum/3.json)

*Verdere profetie over de ondergang van de stad Ninevé en van de Assyriërs, naar het voorbeeld van de stad No, die ook verdelgd is geworden om dergelijke zonden als Ninevé begaan had, 8. De profeet voegt daarbij dat hun sterkten en grote macht hen niet zouden helpen, 12.*

**1** Wee[^nahum-3-1-1] van de bloedstad, die geheel vol leugen,[^nahum-3-1-2] en verscheuring is! de roof[^nahum-3-1-3] houdt niet op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v1)

**2** Er is[^nahum-3-2-4] het geklap van de zweep, en het geluid van het bulderen van de wielen; en[^nahum-3-2-5] de paarden stampen, en de wagens[^nahum-3-2-6] springen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v2)

**3** De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende speer, en er zal veelheid van de verslagenen zijn, en een zware menigte van de dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn van de lichamen,[^nahum-3-3-7] men zal over hun lichamen struikelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v3)

**4** [^nahum-3-4-8] Vanwege de grote hoererijen[^nahum-3-4-9] van de zeer bevallige hoer,[^nahum-3-4-10] van de meesteres van de toverijen, die[^nahum-3-4-11] met haar hoererijen volken[^nahum-3-4-12] verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v4)

**5** Zie,[^nahum-3-5-13] Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en[^nahum-3-5-14] Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal de heidenen uw naaktheid, en de koninkrijken uw schande wijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v5)

**6** En Ik zal[^nahum-3-6-15] verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en[^nahum-3-6-16] Ik zal u als een spiegel stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v6)

**7** En het zal gebeuren, dat allen, die u zien,[^nahum-3-7-17] van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is[^nahum-3-7-18] verstoord,[^nahum-3-7-19] wie zal medelijden met haar hebben? Vanwaar zal ik u troosters zoeken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v7)

**8** [^nahum-3-8-20] Bent u beter dan[^nahum-3-8-21] No,[^nahum-3-8-22] de volkrijke,[^nahum-3-8-23] gelegen in de rivieren? die rondom heen water heeft, waarvan de voormuur de zee is[^nahum-3-8-24],[^nahum-3-8-25] haar muur is van[^nahum-3-8-26] zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v8)

**9** Morenland en Egypte waren haar macht, en[^nahum-3-9-27] er was geen einde;[^nahum-3-9-28] Put en Lybea[^nahum-3-9-29] waren tot uw hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v9)

**10** Nog is[^nahum-3-10-30] zij als gevangene gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen[^nahum-3-10-31] op het hoofd van alle straten[^nahum-3-10-32] verpletterd geworden; en over haar[^nahum-3-10-33] geëerden hebben zij[^nahum-3-10-34] het lot geworpen, en al haar grote zijn[^nahum-3-10-35] in boeien gebonden geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v10)

**11** Ook zult[^nahum-3-11-36] u[^nahum-3-11-37] dronken worden,[^nahum-3-11-38] u zult u verbergen; ook zult u een vesting[^nahum-3-11-39] zoeken vanwege de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v11)

**12** [^nahum-3-12-40] Al uw vestingen zijn vijgebomen[^nahum-3-12-41] met de eerste vruchten; als zij geschud worden, zo vallen zij die op de mond,[^nahum-3-12-42] die ze eten wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v12)

**13** Zie, uw volk zal in het midden van u[^nahum-3-13-43] tot vrouwen worden; de poorten van uw land zullen uw vijanden[^nahum-3-13-44] wijd geopend worden;[^nahum-3-13-45] het vuur zal[^nahum-3-13-46] uw grendels verteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v13)

**14** [^nahum-3-14-47] Schep u water ter belegering; versterk uw vestingen;[^nahum-3-14-48] ga in de klei, en treed in het leem; verbeter de ticheloven.[^nahum-3-14-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v14)

**15** [^nahum-3-15-50] Het vuur zal u[^nahum-3-15-51] daar verteren; het zwaard zal u[^nahum-3-15-52] uitroeien, het zal u afeten,[^nahum-3-15-53] als de kevers;[^nahum-3-15-54] vermeerder u als kevers,[^nahum-3-15-55] vermeerder u[^nahum-3-15-56] als sprinkhanen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v15)

**16** U hebt meer[^nahum-3-16-57] handelaars, dan er sterren aan de hemel zijn;[^nahum-3-16-58] de kevers zullen invallen, en er van vliegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v16)

**17** [^nahum-3-17-59] Uw gekroonden[^nahum-3-17-60] zijn als de sprinkhanen, en uw[^nahum-3-17-61] krijgsoversten[^nahum-3-17-62] als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren[^nahum-3-17-63] in de koude van de dagen; wanneer de zon opgaat, zo[^nahum-3-17-64] vliegen zij weg, zo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v17)

**18** [^nahum-3-18-65] Uw herders[^nahum-3-18-66] zullen sluimeren, o koning van Assur![^nahum-3-18-67] uw voortreffelijken zullen[^nahum-3-18-68] zich leggen,[^nahum-3-18-69] uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en[^nahum-3-18-70] niemand zal ze verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v18)

**19** Er is[^nahum-3-19-71] geen samentrekking voor uw breuk, uw plaag[^nahum-3-19-72] is pijnlijk;[^nahum-3-19-73] allen, die het gerucht van u horen, zullen[^nahum-3-19-74] de handen over u klappen; want[^nahum-3-19-75] over wie is uw boosheid niet steeds gegaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/nahum/3.html#v19)

[^nahum-3-1-1]: Kanttekening 1: van de bloedstad: Hier wordt nog steeds gesproken van de stad Nineve; verg. Ez. 22:2 . Hebr. stad van de bloeden. Zo ook Ez. 24:9 . Ezechiël 22:2 : U nu, mensenkind, zoudt u de bloedstad recht geven? Zoudt u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen. Ezechiël 24:9 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken!
[^nahum-3-1-2]: Kanttekening 2: verscheuring is: Het Hebr. woord past eigenlijk op de verscheurende dieren, gelijk Ps. 7:3 . Psalmen 7:3 : Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
[^nahum-3-1-3]: Kanttekening 3: houdt niet op: Hebr. wijkt niet, gelijk Ex. 33:11 , en Jes. 46:7 . De zin is: De Ninevieten varen steeds voort in het begaan van allerlei roverij en geweld. Exodus 33:11 : En YHWH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. Jesaja 46:7 : Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
[^nahum-3-2-4]: Kanttekening 4: het geklap van de zweep: Hebr. de stem van de zweep, en de stem van de beweging van het rad.
[^nahum-3-2-5]: Kanttekening 5: de paarden stampen: Of, van de paarden, de aarde met de voet stampende.
[^nahum-3-2-6]: Kanttekening 6: springen op: Of, opspringende. In dit vers wordt afgemaald de aankomst van het vijandelijk leger, met zeer bekwame en levendige manieren van spreken.
[^nahum-3-3-7]: Kanttekening 7: men zal over hun lichamen struikelen: De zin is: Men zal over de straten niet kunnen gaan, zonder over de dode lichamen te treden.
[^nahum-3-4-8]: Kanttekening 8: Om van de grote hoererijen: Of, om de veelheid van de hoererijen; versta hier zowel geestelijke hoererij, dat is, afgoderij, als vleselijke ontucht.
[^nahum-3-4-9]: Kanttekening 9: van de zeer bevallige hoer: Zo noemt hij de stad Nineve. Hebr. de hoer goed van gunst.
[^nahum-3-4-10]: Kanttekening 10: van de meesteres van de toverijen: Of, van de voorstandster, van de patrones van de toverijen.
[^nahum-3-4-11]: Kanttekening 11: met haar hoererijen: Of, door.
[^nahum-3-4-12]: Kanttekening 12: verkocht heeft: Dat is, tot slaven en lijfeigenen gemaakt heeft.
[^nahum-3-5-13]: Kanttekening 13: Ik wil aan u: Zie boven Nah. 2:13 , en Jes. 47:3 . Nahum 2:13 : Ziet, Ik wil aan u, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal haar wagens in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem van uw gezanten zal niet meer gehoord worden. Jesaja 47:3 : Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.
[^nahum-3-5-14]: Kanttekening 14: Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht: De zin is: Ik zal uw zomen, of lijsten, of slippen laten oplichten tot op uw aangezicht; dat is, Ik zal u de allergrootste schande aandoen. Verg. Jes. 47:3 ; Jer. 13:22 , 13:26 , en Ez. 16:37 . Jesaja 47:3 : Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. Jeremia 13:22 : Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. Jeremia 13:26 : Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. Ezechiël 16:37 : Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^nahum-3-6-15]: Kanttekening 15: verfoeilijke dingen op u werpen: Als slijk en modder, enz., waarmee men openbare en uit de steden gebannen hoeren pleegt te werpen.
[^nahum-3-6-16]: Kanttekening 16: Ik zal u als een spiegel stellen: Dat is, Ik zal u zo straffen en zo ganselijk te schande maken, dat u anderen volken en natiën tot een spiegel en voorbeeld zult wezen, zo dat als zij van een grote straf, die enige natie is overkomen, spreken zullen, u tot een exempel zullen noemen en voorbrengen; anders: als een gaapspel; anders: als drek, als vuiligheid.
[^nahum-3-7-17]: Kanttekening 17: van u wegvlieden zullen en zeggen: Als de walg en een afkeer van u hebbende.
[^nahum-3-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, verwoest, verdelgd, vernield.
[^nahum-3-7-19]: Kanttekening 19: wie zal medelijden met haar hebben: Verg. Jes. 51:19 ; Jer. 15:5 . Jesaja 51:19 : Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten? Jeremia 15:5 : Want wie zou u sparen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen?
[^nahum-3-8-20]: Kanttekening 20: Zijt u beter: Of, zou het u beter gaan dan No?
[^nahum-3-8-21]: Kanttekening 21: Dit is de naam van een stad in Egypte, naderhand Alexandrië genoemd omdat zij van Alexander de Grote is herbouwd, verbeterd en vergroot geworden; zie Jer. 46:25 ; Ez. 30:14 , 30:15 , 30:16 . Jeremia 46:25 : YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen. Ezechiël 30:14 : En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No. Ezechiël 30:15 : En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien. Ezechiël 30:16 : En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.
[^nahum-3-8-22]: Kanttekening 22: de volkrijke: Verg. Jer. 46:25 . Of, de voedster; dat is, die als een moeder en voedster is van geheel Egypte, zijnde een grote, volkrijke en machtige koopstad. Anders: die nerige \[stad\], te weten die met haar koopmanschap vele landen en volken geneerde; anders: No-Amon . Jeremia 46:25 : YHWH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.
[^nahum-3-8-23]: Kanttekening 23: gelegen in de rivieren: Zie Strabonem, lib 17, van Alexandrië.
[^nahum-3-8-24]: Kanttekening 24: voormuur de zee is: Of, voorwerk, vesting. Anders, wiens rijkdom de zee is.
[^nahum-3-8-25]: Kanttekening 25: haar muur is: Of, haar muur bestaat uit de zee.
[^nahum-3-8-26]: Kanttekening 26: Te weten, de Egyptische zee, of, het meer Mareias, of, Mareotis.
[^nahum-3-9-27]: Kanttekening 27: er was geen einde: Dat is, haar bondgenoten en helpers waren ontelbaar.
[^nahum-3-9-28]: Kanttekening 28: Put en Lybea: Dat is, Afrika, of, Mauritanië. Zie Jer. 46:9 . Jeremia 46:9 : Trekt op, u paarden! en raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die de boog handelen en spannen.
[^nahum-3-9-29]: Kanttekening 29: waren tot uw hulp: De zin is: Alle die volken hielpen u, o stad No, maar evenwel konden zij u niet redden of verlossen uit de hand van de koning Nebukadnezar.
[^nahum-3-10-30]: Kanttekening 30: zij gevankelijk gegaan in de gevangenis: Dat is, haar inwoners zijn gevankelijk weggevoerd; dat is, zij zullen gevankelijk weggevoerd worden, zo doorgaans. Dit schijnt geschied te zijn ten tijde als Nebukadnezar Egypte heeft overheerd; zie Jer. 46 .
[^nahum-3-10-31]: Kanttekening 31: op het hoofd van alle straten: Dat is, op de hoeken aller straten.
[^nahum-3-10-32]: Kanttekening 32: verpletterd geworden: Zie voorbeelden van dergelijke wreedheid, 2 Kon. 8:12 ; Ps. 137:9 ; Jes. 13:16 ; Hos. 14:1 . 2 Koningen 8:12 : Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de kinderen van Israël doen zult; u zult hun sterkten in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. Psalmen 137:9 : Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal. Jesaja 13:16 : Ook zullen hun kinderen voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden. Hosea 14:1 : Samaria zal woest worden, want zij is opstandig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderen zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.
[^nahum-3-10-33]: Kanttekening 33: geëerden hebben zij: Of, voortreffelijke, aanzienlijke mensen, of, eerwaardige, eerzamen.
[^nahum-3-10-34]: Kanttekening 34: het lot geworpen: Te weten, als men hen als gevangenen onder de krijgslieden uitdeelde.
[^nahum-3-10-35]: Kanttekening 35: in boeien gebonden geworden: Of, aan ketens, of, aan ijzeren banden.
[^nahum-3-11-36]: Kanttekening 36: O Nineve.
[^nahum-3-11-37]: Kanttekening 37: dronken worden: Te weten, van de beker van de toorn van God; zie Jer. 25:15, 27, enz.
[^nahum-3-11-38]: Kanttekening 38: u zult u verbergen: Te weten, van schaamte, u verstekende en verbergende, dat u de mensen niet zien, in plaatsen waar u pleegt met een opgericht hoofd stout heen te gaan; verg. Hos. 10:8 ; Luk. 23:30 ; Openb. 6:16 . Anders: u zult verborgen zijn; dat is, u zult teniet komen. Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Lukas 23:30 : Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.
[^nahum-3-11-39]: Kanttekening 39: vanwege de vijand: Dat is, om u te verbergen voor uw vijand; of om uw vijand te stuiten.
[^nahum-3-12-40]: Kanttekening 40: Al uw vastigheden zijn vijgebomen: De zin is: Al uw forten zijn zo zwak, dat zij de vijand zonder moeite in de handen zullen vallen als de vijgebomen geschud worden.
[^nahum-3-12-41]: Kanttekening 41: met de eerste vruchten: Anders: en de eerste vruchten, die niet lang duren.
[^nahum-3-12-42]: Kanttekening 42: die ze eten wil: Hebr. van de eter; dat is, die ze begeert te eten.
[^nahum-3-13-43]: Kanttekening 43: tot vrouwen worden: Dat is, verbaasd zijn, huilen en wenen, gelijk de vrouwen, weerloos en machteloos. Verg. Jes. 3:12 ; Jer. 50:37 , en Jer. 51:30 . Jesaja 3:12 : De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelfde. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden slokken zij in. Jeremia 50:37 : Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagens, en over de gehele gemengde hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot wijven worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden. Jeremia 51:30 : Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.
[^nahum-3-13-44]: Kanttekening 44: wijd geopend worden: Hebr. openende geopend worden. Zie vers 2 . Nahum 3:2 : Er is het geklap van de zweep, en het geluid van het bulderen van de raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.
[^nahum-3-13-45]: Kanttekening 45: het vuur: Versta, het vuur van de toorn van God, of het stoffelijke vuur, of het vuur van de oorlog.
[^nahum-3-13-46]: Kanttekening 46: uw grendelen verteren: Dat is, uw vastigheden. Aldus wordt het woord grendels genomen. 1 Sam. 23:7 ; 1 Kon. 4:13 ; 2 Kron. 8:5 , en 2 Kron. 14:7 ; Ps. 147:13 ; Jer. 49:31 , en Jer. 51:30 ; Klaagl. 2:9 ; Amos 1:5 ; Jona 2:6 , en elders meer. 1 Samuël 23:7 : Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehila gekomen was, zo zei Saul: God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is besloten, komende in een stad met poorten en grendelen. 1 Koningen 4:13 : De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen. 2 Kronieken 8:5 : Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen; 2 Kronieken 14:7 : Want hij zei tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben YHWH, onze God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom heen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed. Psalmen 147:13 : Want Hij maakt de grendelen van uw poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u. Jeremia 49:31 : Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt YHWH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen. Jeremia 51:30 : Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken. Klaagliederen 2:9 : Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van YHWH. Amos 1:5 : En Ik zal de grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeat-aven, en die, die de scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt YHWH. Jona 2:6 : Ik was nedergedaald tot de gronden van de bergen; de grendelen van de aarde waren om mij heen in eeuwigheid; maar U hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o YHWH, mijn God!
[^nahum-3-14-47]: Kanttekening 47: Schep u water ter belegering: Of, put water; dat is, doe provisie van water, heb water in voorraad, opdat u het mag genieten in de tijd van de aanstaande belegering. Het is een spotrede. Men kan hier door water \[gelijk elders door brood\] verstaan alle noodwendigheid tot onderhoud voor het leven nodig.
[^nahum-3-14-48]: Kanttekening 48: ga in de klei: Dat is, bereid alles wat tot het metselen van muren en vastigheden nodig is.
[^nahum-3-14-49]: Kanttekening 49: verbeter de ticheloven: Hebr. versterk. Zie Neh. 3:4 , enz. De zin is: Bak vrij, en heb in voorraad een groot getal bakstenen, om uw stadsmuren te verbeteren en te versterken. Nehemia 3:4 : En aan hun hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baëna.
[^nahum-3-15-50]: Kanttekening 50: Het vuur zal u: Gelijk in vers 13 . Nahum 3:13 : Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.
[^nahum-3-15-51]: Kanttekening 51: daar verteren: Te weten, in uw sterkten en vastigheden. Of, als u zult bezig zijn om u te versterken.
[^nahum-3-15-52]: Kanttekening 52: Of, afsnijden.
[^nahum-3-15-53]: Kanttekening 53: als de kevers: De zin is: Gelijk de kevers in een korte tijd het kruid van het veld afeten, zo zullen de vijanden u haast vernielen. Anders: als kevers; dat is, God zal de Assyriërs verteren en te schande maken, gelijk de kevers vernield worden door de regen en koud onweer.
[^nahum-3-15-54]: Kanttekening 54: vermeerder u: Hier spreekt de profeet de koning aan, want het woord staat in het mannelijk geslacht.
[^nahum-3-15-55]: Kanttekening 55: vermeerder u: Hier spreekt hij Nineve aan, want het woord staat in het vrouwelijk geslacht. Aldus zou de rede volkomener zijn: Vermeerder, u o koning, als de kevers; vermeerder u, o Nineve als de sprinkhanen. de zin is: O u koning van Assyrië en u Ninevieten, doet al wat u kunt, het is al tevergeefs, de grote legers zullen u in tijd van nood niet kunnen helpen. Vermeerder u. Hebr. verzwaart u; dat is, brengt een zwaar leger te velde.
[^nahum-3-15-56]: Kanttekening 56: als sprinkhanen: Grote heirlegers worden meermalen bij sprinkhanen en kevers vergeleken, gelijk Richt. 6:5 , en Richt. 7:12 ; Jer. 46:23 . Richteren 6:5 : Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. Jeremia 46:23 : Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt YHWH, hoewel het niet is te onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan.
[^nahum-3-16-57]: Kanttekening 57: Of, kooplieden, die hun handel drijven door de gehele wereld, of omliggende landen. Hebr. u hebt uw handelaars vermenigvuldigd meer dan, enz.
[^nahum-3-16-58]: Kanttekening 58: de kevers zullen invallen: De zin is: De soldaten zullen als kevers bij menigte in uw land vallen, dat plunderen, beroven, bederven, vernielen en daarvan trekken met de buit. Maar anderen verstaan dit zo, dat de kooplieden vluchten en vlieden zullen, als de vreemde kevers in het land komen.
[^nahum-3-17-59]: Kanttekening 59: Uw gekroonden: Aldus noemt de profeet de voortreffelijkste heren en ambtdragende personen van de koning van Assyrië. Anders: uw gehaarde, omdat de grote heren lang haar plachten te dragen.
[^nahum-3-17-60]: Kanttekening 60: zijn als de sprinkhanen: Te weten, in menigte als de sprinkhanen.
[^nahum-3-17-61]: Kanttekening 61: Zie van dit woord Jer. 51:27 . Jeremia 51:27 : Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!
[^nahum-3-17-62]: Kanttekening 62: als de grote kevers: Hebr. als kevers van de kevers. Zo zegt men: Heer van de heren, Koning van de koningen, Lied van de liederen, enz.
[^nahum-3-17-63]: Kanttekening 63: in de koude van de dagen: Dat is, ten tijde van de koude, namelijk 's nachts, als de zon onder is: of op de dag van de koude, dat is, als het koud is.
[^nahum-3-17-64]: Kanttekening 64: vliegen zij weg: Dat is, zij trekken haastig het land uit. Zo wordt vluchten voor haastig komen genomen, Hoogl. 8:14 , en de aantekening daar, en Matt. 10:23 . Hooglied 8:14 : Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen. Mattheüs 10:23 : Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want werkelijk zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon van de mensen zal gekomen zijn.
[^nahum-3-18-65]: Kanttekening 65: Uw herders: Dat is, uw regenten, gelijk Jer. 49:19 , en Jer. 50:6 . Jeremia 49:19 : Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? Jeremia 50:6 : Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.
[^nahum-3-18-66]: Kanttekening 66: zullen sluimeren: Dat is, zij zullen traag en onachtzaam zijn, of zij zullen dood zijn, gelijk Ps. 76:6 . Psalmen 76:6 : De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
[^nahum-3-18-67]: Kanttekening 67: uw voortreffelijken: Dat is, uw krijgsoversten, uw vorsten.
[^nahum-3-18-68]: Kanttekening 68: zich leggen: Dat is, zij zullen tehuis blijven, of, zij zullen terneder gelegd worden; of de zin is: Zij zullen stil zitten, en zij zullen op hun bedden blijven liggen, zorgeloos zijn en hun wellust plegen. Of, zij zullen begraven zijn. Verg. Ps. 94:17 . Psalmen 94:17 : Tenzij YHWH mij een Hulp geweest was, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
[^nahum-3-18-69]: Kanttekening 69: uw volk: De zin is: Uw volk dat veel in getal is, zal op de bergen verspreid worden, gelijk de schapen, die geen herder hebben.
[^nahum-3-18-70]: Kanttekening 70: niemand zal ze verzamelen: Want de herders zullen òf slof en onachtzaam, òf dood zijn.
[^nahum-3-19-71]: Kanttekening 71: geen samentrekking voor uw breuk: Dat is, gene genezing, dat is, uw breuk of kwetsuur kan niet tezamen getrokken noch genezen worden. Als de wonde begint te genezen, zo wordt zij droog, als zij droog wordt, zo rimpelt zij en trekt tezamen.
[^nahum-3-19-72]: Kanttekening 72: is smartelijk: Zie Jer. 14:17 . Zo ook Jer. 10:19 , en Jer. 30:12 ; Micha 1:9 . De zin is: U bent zo geslagen, dat u ongeneeslijk bent. Jeremia 14:17 : Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is. Jeremia 10:19 : O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! Jeremia 30:12 : Want zo zegt YHWH: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk. Micha 1:9 : Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.
[^nahum-3-19-73]: Kanttekening 73: allen, die het gerucht van u horen: Hebr. allen die uw horing horen, dat is, het gerucht van uw breuk, dat is, allen die horen zullen hoe u verstoord en geplaagd bent.
[^nahum-3-19-74]: Kanttekening 74: de handen over u klappen: Tot een teken van vreugde en blijdschap over uw val.
[^nahum-3-19-75]: Kanttekening 75: over wie is uw boosheid niet geduriglijk gegaan: De zin is: Daar is geen volk noch Natie, dat u niet gekweld hebt zonder ophouden; daarom zullen zij allen zich verheugen als zij uw ondergang zullen vernemen, de rechtvaardige oordelen van God prijzende.

## Habakuk

### Habakuk 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/habakuk/1.json)

*Klacht van de profeet over de grote boosheid en ongerechtigheid van het Joodse volk, vers 2. Hij kondigt aan dat vanwege zulke zonden de Chaldeeën met grote macht en snelheid over hen komen, en alles verwoesten zouden, vers 5. Hij bidt de HEERE, dat Hij toch de vijanden, die zwaarder dan de Joden gezondigd hadden, hun moedwil niet laat volbrengen, maar veeleer henzelf wil straffen, 12, enz.*

**1** [^habakuk-1-1-1] De last, die Habakuk, de profeet,[^habakuk-1-1-2] gezien heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v1)

**2** YHWH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang[^habakuk-1-2-3] roep ik geweld, tot U, en U verlost niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v2)

**3** Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de[^habakuk-1-3-4] kwelling? Want verwoesting en geweld is[^habakuk-1-3-5] tegen mij over, en[^habakuk-1-3-6] er is twist, en[^habakuk-1-3-7] er ontstaat ruzie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v3)

**4** Daarom wordt de wet[^habakuk-1-4-8] onderlaten, en het recht[^habakuk-1-4-9] komt nimmermeer voort; want[^habakuk-1-4-10] de goddeloze omringt de rechtvaardige; daarom[^habakuk-1-4-11] komt het recht verdraaid voor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v4)

**5** [^habakuk-1-5-12] Zie onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want[^habakuk-1-5-a] Ik werk een werk[^habakuk-1-5-13] in uw dagen, dat u niet geloven zult,[^habakuk-1-5-14] als het verteld zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v5)

**6** Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en[^habakuk-1-6-15] snel volk, trekkende[^habakuk-1-6-16] door de breedten van de aarde,[^habakuk-1-6-17] om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v6)

**7** Schrikkelijk en vreselijk is[^habakuk-1-7-18] het;[^habakuk-1-7-19] zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelf uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v7)

**8** [^habakuk-1-8-20] Want zijn paarden zijn[^habakuk-1-8-21] lichter dan de luipaarden, en zij zijn[^habakuk-1-8-22] scherper dan[^habakuk-1-8-23] de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen[^habakuk-1-8-24] van verre komen, zij zullen[^habakuk-1-8-25] vliegen[^habakuk-1-8-26] als een adelaar, zich spoedende om te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v8)

**9** [^habakuk-1-9-27] Het zal geheel[^habakuk-1-9-28] tot geweld komen,[^habakuk-1-9-29] wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen[^habakuk-1-9-30] zij brengen naar het oosten; en het zal[^habakuk-1-9-31] de gevangenen verzamelen[^habakuk-1-9-32] als zand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v9)

**10** En[^habakuk-1-10-33] hij zal[^habakuk-1-10-34] de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal[^habakuk-1-10-35] alle vesting belachen; want[^habakuk-1-10-36] hij zal stof verzamelen, en[^habakuk-1-10-37] hij zal ze innemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v10)

**11** [^habakuk-1-11-38] Dan zal[^habakuk-1-11-39] hij[^habakuk-1-11-40] de geest veranderen, en hij zal[^habakuk-1-11-41] doortrekken, en zich[^habakuk-1-11-42] schuldig maken,[^habakuk-1-11-43] houdende deze zijn kracht voor zijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v11)

**12** Bent U niet[^habakuk-1-12-44] van ouds af YHWH, mijn God,[^habakuk-1-12-45] mijn Heilige?[^habakuk-1-12-46] Wij zullen niet sterven; o YHWH![^habakuk-1-12-47] tot een oordeel hebt U hem gesteld, en[^habakuk-1-12-48] o Rots! om[^habakuk-1-12-49] te straffen, hebt U hem gegrondvest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v12)

**13** U bent te rein van ogen, dan dat U[^habakuk-1-13-50] het kwade[^habakuk-1-13-51] zou zien, en[^habakuk-1-13-52] de kwelling[^habakuk-1-13-53] kunt U niet aanschouwen; waarom zou U aanschouwen[^habakuk-1-13-54] die trouweloos handelen? Waarom zou[^habakuk-1-13-55] U zwijgen, als[^habakuk-1-13-56] de goddeloze die verslindt,[^habakuk-1-13-57] die rechtvaardiger is dan hij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v13)

**14** En[^habakuk-1-14-58] waarom zou U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte,[^habakuk-1-14-59] dat geen heerser heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v14)

**15** [^habakuk-1-15-60] Hij trekt[^habakuk-1-15-61] ze allen met de angel[^habakuk-1-15-62] op, hij verzamelt ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net;[^habakuk-1-15-63] daarom verblijdt en verheugt hij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v15)

**16** [^habakuk-1-16-64] Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want[^habakuk-1-16-65] daardoor[^habakuk-1-16-66] is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v16)

**17** [^habakuk-1-17-67] Zal hij dan daarom altijd zijn garen[^habakuk-1-17-68] leeg maken, en zal hij niet sparen, met altijd de volken[^habakuk-1-17-69] te doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/1.html#v17)

[^habakuk-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 De last, welke Habakuk: Zie Jes. 13:1, in het volgende, Habakuk. Hebr. Chabakuk. Jesaja 13:1: De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
[^habakuk-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 gezien heeft: Te weten in een gezicht, zie Jes. 1:1. Jesaja 1:1: Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.
[^habakuk-1-2-3]: Kanttekening 3: Te weten omdat de geweldigen van het land de geringen onderdrukken, of de goddelozen de godzaligen. Zie dergelijke manier van spreken Job 19:7, en Jer. 20:8. Job 19:7: Ziet, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht. Jeremia 20:8: Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij het woord van YHWH de ganse dag tot smaad en tot schimp is.
[^habakuk-1-3-4]: Kanttekening 4: Of, moeite, gelijk Ps. 10:14. Te weten die de bozen de vromen aandoen. Psalmen 10:14: U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees.
[^habakuk-1-3-5]: Kanttekening 5: 5 Want verwoesting: De zin is: Waar ik mij keer of wend, daar zie ik anders niet dan verwoesting en geweld.
[^habakuk-1-3-6]: Kanttekening 6: 6 en er is twist: Te weten onder het Joodse volk, de één twist met de ander; of zij twisten tegen mij en de andere profeten; zie Hos. 4:4; Jer. 15:10. Hosea 4:4: Maar niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met de priester twisten. Jeremia 15:10: Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel voor het gehele land! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
[^habakuk-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 men neemt gekijf op: Dat is, er zijn er vast overal, die twist en gekijf aanrichten, ook om kleine of geringe oorzaken.
[^habakuk-1-4-8]: Kanttekening 8: Of, de wet is gezwakt, de wet van God, en de predikatie derzelve wordt niet meer geacht bij de goddeloze Joden. Zie Ez. 33:32. Zie Jer. 11:12. Ezechiël 33:32: En ziet, u bent hun als een lied van de minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet. Jeremia 11:12: Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan, en roepen tot de goden, die zij gerookt hebben; maar zij zullen hen geheel niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.
[^habakuk-1-4-9]: Kanttekening 9: 9 komt nimmer: Dat is, het wordt nimmermeer uitgesproken, de rechtsgedingen blijven aan de spijker hangen, gelijk men nu spreekt, zij duren vele jaren lang.
[^habakuk-1-4-10]: Kanttekening 10: 10 de goddeloze: Verg. Ps. 12:9, en Ps. 22:13. Psalmen 12:9: De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. Psalmen 22:13: Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
[^habakuk-1-4-11]: Kanttekening 11: 11 komt het recht: De onvrome rechtgeleerden verdraaien het recht; of de rechters worden met giften en gaven omgekocht; of zij verdraaien en verkeren recht door gunst of afgunst. Maar ziet wat zulken wedervaren zal Ps. 125:5. Psalmen 125:5: Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal YHWH weg doen gaan met de werkers van de ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!
[^habakuk-1-5-12]: Kanttekening 12: 12 Ziet onder: Hier antwoordt de Heer de profeet op zijn klacht, en het is zoveel alsof Hij zei: Let hier wel op, of ooit dergelijk groot en verschrikkelijk oordeel gegaan is als die zware ellende en het verderf, dat Ik door de Chaldeën over u, of u boze Joden, zal laten komen. Maar de apostel heeft deze woorden verder uitgestrekt tot de straf van de ongelovige Joden; zie Hand. 13:41. Handelingen 13:41: Ziet, u verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.
[^habakuk-1-5-a]: Verwijzing a: Hand. 13:41. Handelingen 13:41: Ziet, u verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.
[^habakuk-1-5-13]: Kanttekening 13: 13 in ulieder: Dat is, gedurende ulieder leven.
[^habakuk-1-5-14]: Kanttekening 14: 14 als het: Of, als men het vertellen zou. Zo buitengewoon groot zal het wezen.
[^habakuk-1-6-15]: Kanttekening 15: 15 snel volk: Hebr. zich haastende; dat is, een volk, dat snel en haastig voortvaart in zijn zaken. Zie Jes. 5:26, enz. Jesaja 5:26: Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en ziet, haastig, snel zullen zij aankomen.
[^habakuk-1-6-16]: Kanttekening 16: 16 door de: Dat is, wijd en breed door vele landen.
[^habakuk-1-6-17]: Kanttekening 17: 17 om erfelijk te bezitten: Dat is, om landen en steden in te nemen en te gaan bezitten, die andere volken en natiën, en in het bijzonder die de Joden toekomen.
[^habakuk-1-7-18]: Kanttekening 18: Te weten volk.
[^habakuk-1-7-19]: Kanttekening 19: 19 zijn recht: Het doet alles naar zijn lust en welgevallen, en al wat het doet moet recht zijn vanwege zijn hoogheid.
[^habakuk-1-8-20]: Kanttekening 20: 20 Want zijn: Deze woorden zien op het eerste lid van het zevende vs.
[^habakuk-1-8-21]: Kanttekening 21: 21 lichter dan: Dat is, sneller.
[^habakuk-1-8-22]: Kanttekening 22: 22 scherper dan: Van tanden, of van gezicht.
[^habakuk-1-8-23]: Kanttekening 23: 23 de avondwolven: Hebr. de wolven van de avond; dat is, dan de wolven, die 's avonds of bij nacht komen, om de schapen te stelen; verg. Jer. 5:6. Jeremia 5:6: Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie daaruit uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
[^habakuk-1-8-24]: Kanttekening 24: 24 van verre: Te weten uit verre landen.
[^habakuk-1-8-25]: Kanttekening 25: Dat is, haastig en snel voortgaan.
[^habakuk-1-8-26]: Kanttekening 26: 26 als een adelaar: Verg. 2 Sam. 1:23; Job 9:26; Spr. 30:19; Jer. 4:13; Ez. 17:2; Matt. 24:28. 2 Samuël 1:23: Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen. Job 9:26: Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een adelaar naar het aas toevliegt. Spreuken 30:19: De weg van een arend in de hemel; de weg van een slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart van de zee; en de weg van een man bij een maagd. Jeremia 4:13: Ziet, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! Ezechiël 17:2: Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël, Mattheüs 24:28: Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars vergaderd worden.
[^habakuk-1-9-27]: Kanttekening 27: 27 Het zal: Te weten het volk van Chaldea.
[^habakuk-1-9-28]: Kanttekening 28: 28 tot geweld: Dat is, om geweld te doen.
[^habakuk-1-9-29]: Kanttekening 29: 29 wat zij: De zin is: Al wat de Chaldeën zullen zien, dat zullen zij als opslorpen, of opslokken en inzwelgen door de begeerlijkheid van hun ogen, verslindende met hun ogen alles wat zij zien of ontmoeten. Zie dergelijke manier van spreken, Job 39:27. Hebr. het opslorpen van hun aangezicht zal zijn naar het oosten. Anderen: het aanschouwen van hun aangezicht zal zijn alsof iemand de oostenwind tegenkwam, die in het Joodse land zeer heftig en zeer schadelijk is. Job 39:27: Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid van de bazuin.
[^habakuk-1-9-30]: Kanttekening 30: 30 naar het oosten: Dat is, naar Chaldea, vanwaar deze soldaten gekomen waren, want Chaldea ligt noordoostelijk van Judea; daarheen zouden zij hun ogen wenden, om daarheen te keren met buit geladen.
[^habakuk-1-9-31]: Kanttekening 31: 31 de gevangenen: Hebr. de gevangenis, dat is, de menigten van de gevangenen.
[^habakuk-1-9-32]: Kanttekening 32: 32 als zand: Dat is, in ontelbare menigt, gelijk het zand ontelbaar is. Zie Gen. 41:49. Genesis 41:49: Zo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand van de zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.
[^habakuk-1-10-33]: Kanttekening 33: Te weten de konng van het bovengenoemde volk, te weten Nebukadnezar.
[^habakuk-1-10-34]: Kanttekening 34: 34 de koningen: Gelijk onder anderen, de koningen van Egypte, van Tyrus, van Sidon, van Arabië, en in het bijzonder de koning Zedekia, gelijk te lezen is 2 Kon. 25:6, 25:7, en Jer. 25 en Jer. 29. 2 Koningen 25:6: Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 2 Koningen 25:7: En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
[^habakuk-1-10-35]: Kanttekening 35: 35 alle vesting: Dat is, alle vaste plaatsen, hetzij steden, of kastelen, of andere forten.
[^habakuk-1-10-36]: Kanttekening 36: 36 hij zal stof vergaderen: Dat is, hij zal menigte van aarde laten samenvoeren om de grachten en wateren te dempen, of, om hoogten en katten op te werpen. Anderen: hij zal krijgsvolk in zulke menigte als stof vergaderen.
[^habakuk-1-10-37]: Kanttekening 37: 37 hij zal ze innemen: Zie van de grote victoriën van de koning Nebukadnezar Jes. 23, Jer. 25:22 en 47:4; Ez. 26:3, 26:7 en 27:2; Amos 1:9, en elders meer. Jeremia 25:22: En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn. Jeremia 47:4: Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want YHWH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren. Ezechiël 26:3: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen. Ezechiël 26:7: Want zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning van de koningen, van het noorden tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagens, en met ruiteren, en krijgsvergaderingen, en veel volks. Ezechiël 27:2: U dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus; Amos 1:9: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers.
[^habakuk-1-11-38]: Kanttekening 38: 38 Dan zal: Te weten als hij Jeruzalem en andere sterke steden zal ingenomen hebben.
[^habakuk-1-11-39]: Kanttekening 39: Te weten de koning Nebukadnezar.
[^habakuk-1-11-40]: Kanttekening 40: 40 de geest: Dat is, hij zal anders gezind worden dan hij tevoren geweest is; dat is, hij zal door deze zijn voorspoed in verschrikkelijken hoogmoed vervallen. Verg. Jes. 14:13, 14:14; Dan. 4:30. Anders:hij zal veranderen \[als\] een wind. Jesaja 14:13: En zeide in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden. Jesaja 14:14: Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. Daniël 4:30: Sprak de koning, en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
[^habakuk-1-11-41]: Kanttekening 41: Te weten in Chaldea, of naar Babylonië. Anders: hij zal overtreden.
[^habakuk-1-11-42]: Kanttekening 42: 42 schuldig maken: Te weten aan God, door afgoderij, stutheid en vermetelheid.
[^habakuk-1-11-43]: Kanttekening 43: 43 deze zijn: Dat is, schrijvende zichzelven Goddelijke hoogheid en eer toe, vanwege zijn grote victoriën. Verg. onder vers 16. Anders: \[zeggende dat\] deze zijn kracht zij zijns gods; dat is, hij zal het zijn god, te weten, Bel toeschrijven, dat hij die grote dingen heeft uitgericht door zijn krachtige hulp en bijstand. Zie hiervan Dan. 1, Dan. 2, Dan. 3, Dan. 4, Dan. 5. Habakuk 1:16: Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want daardoor is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig.
[^habakuk-1-12-44]: Kanttekening 44: 44 van ouds af: Dat is, van eeuwigheid.
[^habakuk-1-12-45]: Kanttekening 45: 45 mijn Heilige: Onder andere namen, die God gegeven worden, is ook deze, de Heilige van Israël. Zie Ps. 71:22. Zie ook Jes. 12:6, en Jes. 43:3, 43:15 en Jes. 49:7. Psalmen 71:22: Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël! Jesaja 12:6: Juich en zing vrolijk, u inwoners van Sion! want de Heilige van Israël is groot in het midden van u. Jesaja 43:3: Want Ik ben YHWH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats. Jesaja 43:15: Ik ben YHWH, uw Heilige; de Schepper van Israël, ulieder Koning. Jesaja 49:7: Zo zegt YHWH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Die, aan Welke het volk een gruwel heeft, tot de Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de wil van YHWH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft.
[^habakuk-1-12-46]: Kanttekening 46: 46 Wij zullen: Dat is, wij zullen niet ganselijk door de Chaldeën uitgeroeid worden, maar U zult ons door uw krachtige hand verlossen.
[^habakuk-1-12-47]: Kanttekening 47: 47 tot een: Dat is, opdat hij \[te weten de koning te Babel\] uw gerichten volvoere.
[^habakuk-1-12-48]: Kanttekening 48: 48 o Rots: Dat is, o Heer, op wie wij ons verlaten en steunen, als op onze rotssteen. Dit zijn woorden van de profeet in zijn naam en in de naam van het volk. Verg. Deut. 32:4; Ps. 18:3, en Ps. 19:15. Deuteronomium 32:4: Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. Psalmen 18:3: YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting. Psalmen 19:15: Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welgevallig zijn voor Uw aangezicht, o YHWH, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!
[^habakuk-1-12-49]: Kanttekening 49: 49 te straffen: Te weten ons en anderen, of zichzelven, te weten nadat hij , als een roede en staf van uw toorn, ons zal gekastijd hebben. Verg. Ex. 9:16. Exodus 9:16: Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de gehele aarde.
[^habakuk-1-13-50]: Kanttekening 50: 50 het kwade: Te weten dat de Chaldeën ons aandoen.
[^habakuk-1-13-51]: Kanttekening 51: 51 zoudt zien: Gods oog is niet verborgen; Hij ziet het kwaad dat de mensen bedrijven, Ps. 10:14; maar Hij ziet het niet met goede ogen aan, Hij zal het ook niet altijd ongestraft laten. Maar Obad. 1:13, wordt deze manier van spreken genomen voor met lust het kwade, dat de vromen overkomt, aanschouwen. Psalmen 10:14: U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees. Obadja 1:13: Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn legermacht, ten dage zijns verderfs;
[^habakuk-1-13-52]: Kanttekening 52: 52 de kwelling: Dat is, de overlast, te weten overlast, kwelling, moeite, dat is de Chaldeën ons aandoen.
[^habakuk-1-13-53]: Kanttekening 53: 53 kunt U: Zie de aantekening 51.
[^habakuk-1-13-54]: Kanttekening 54: 54 die trouweloos: Te weten, de Chaldeën, die zeer trouweloos en meinedig geweest zijn. Zie Jes. 21:2. Jesaja 21:2: Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^habakuk-1-13-55]: Kanttekening 55: Dat is, de straf nalaten.
[^habakuk-1-13-56]: Kanttekening 56: 56 de goddeloze: Te weten, de Chaldeër.
[^habakuk-1-13-57]: Kanttekening 57: 57 die rechtvaardiger: Te weten, het Joodse volk, vergeleken bij de Chaldeën. Maar versta dit van de godzaligen onder de Joden, welke die zijn waar de profeet voor bidt; want de goddelozen onder de Joden gingen de heidenen in boosheid ver teboven. Zie Jer. 2:10, 2:11. Jeremia 2:10: Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij? Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet.
[^habakuk-1-14-58]: Kanttekening 58: Dat is, waarom zoudt U lijden dat de groten en machtigen van deze wereld de kleinen en onnozelen zouden vangen, doden, oplokken en verdelgen naar hun lust en goeddunken, gelijk de grote vissen de kleine doen, alsof U in de wereld alles liet gaan als bij geval, en alsof U nergens acht op gaf?
[^habakuk-1-14-59]: Kanttekening 59: 59 dat geen: Dat is, geen grote vis, of kruipend dier, dat over hen heerst en hen beschermt tegen het geweld dergenen, die hen verslinden.
[^habakuk-1-15-60]: Kanttekening 60: 60 Hij trekt: Te weten de vijand van wie boven gesproken is, Nebukadnezar.
[^habakuk-1-15-61]: Kanttekening 61: Te weten mensen, of natiën. Of, hij trekt het, enz. te weten mensen en goederen.
[^habakuk-1-15-62]: Kanttekening 62: Of, uit, dat is, hij brengt hen allen onder zijn geweld. Verg. Dan. 4:30. Daniël 4:30: Sprak de koning, en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
[^habakuk-1-15-63]: Kanttekening 63: 63 daarom verblijdt: De zin is: hij heeft niet alleen geen berouw en leedwezen over zijn boosheid, maar hij verblijdt en verheugt zich daarover, als wel gedaan hebbende. Verg. Ef. 4:19. Efeziërs 4:19: Welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven.
[^habakuk-1-16-64]: Kanttekening 64: 64 Daarom offert: Alsof hij zei: Als het de Chaldeër zo wel en naar zijn wens gaat, zo schrijft hij zulks aan God niet toe, maar zijn eigen macht en kloekheid. Zie Jes. 10:13 en Dan. 4:30. Jesaja 10:13: Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen; Daniël 4:30: Sprak de koning, en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!
[^habakuk-1-16-65]: Kanttekening 65: 65 door dezelfde: Te weten, door zijn garen en net.
[^habakuk-1-16-66]: Kanttekening 66: 66 is zijn deel: Dat is, is zijn deel, staat, rang verbeterd en grotelijks vermeerderd.
[^habakuk-1-17-67]: Kanttekening 67: 67 Zal hij dan: De zin is: Omdat hij dus wreed en vermeten is, zult U daarom altijd deze zijn goddeloosheid verdragen en ongestraft laten voorbijgaan? Zult U hem steeds het ene land voor en het andere land na laten overheren en tenonderbrengen?
[^habakuk-1-17-68]: Kanttekening 68: 68 leeg maken: Te weten, om dat weer tot een nieuwe vangst te bereiden en uit te werpen.
[^habakuk-1-17-69]: Kanttekening 69: 69 te doden: Dat is, te verdelgen en uit te roeien, zonder dat U, als een rechtvaardig Rechter, daarop acht zult geven en hem straffen? Het antwoord wordt verzwegen, dat zou wezen: in geen geval, maar U zult hem eindelijk een gebit in de mond werpen en straffen. Dusdanige vragen loochenen sterkelijk.

### Habakuk 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/habakuk/2.json)

*De profeet antwoordt, nadat hij na zijn voorgaande gebed en klacht had afgewacht, vers 1. De HEERE gebiedt hem dat hij de profetie van de ondergang der Chaldeeën aan het Joodse volk duidelijk voor ogen zou stellen, dat die zeker vervuld zou worden, maar dat men dat met geduld moest afwachten, 4. Wat in de daaropvolgende verzen uitvoeriger verklaard wordt, 7, enz., vanwege hun hoogmoed, gierigheid, tirannie, gulzigheid, bloeddorstigheid en afgoderij.*

**1** [^habakuk-2-1-1][^habakuk-2-1-a] Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de vesting, en ik hield wacht om te zien, wat[^habakuk-2-1-2] Hij[^habakuk-2-1-3] in mij[^habakuk-2-1-4] spreken zou, en[^habakuk-2-1-5] wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v1)

**2** Toen antwoordde mij YHWH, en zei: Schrijf[^habakuk-2-2-6] het visioen, en stel het duidelijk op tafelen,[^habakuk-2-2-7] opdat daarin leze die voorbijloopt.[^habakuk-2-2-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v2)

**3** Want[^habakuk-2-3-8] het visioen zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal[^habakuk-2-3-9] Hij[^habakuk-2-3-10] het[^habakuk-2-3-11] op het[^habakuk-2-3-12] einde voortbrengen, en[^habakuk-2-3-13] niet liegen; zo[^habakuk-2-3-14] Hij wacht, verwacht[^habakuk-2-3-15] Hem, want[^habakuk-2-3-16] Hij zal[^habakuk-2-3-17] zeker komen,[^habakuk-2-3-18] Hij zal niet[^habakuk-2-3-19] achterblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v3)

**4** Zie,[^habakuk-2-4-20] zijn[^habakuk-2-4-21] ziel[^habakuk-2-4-22] verheft zich, zij is[^habakuk-2-4-23] niet recht in hem; maar[^habakuk-2-4-24] de rechtvaardige zal[^habakuk-2-4-25] door zijn geloof[^habakuk-2-4-26] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v4)

**5** En ook omdat[^habakuk-2-5-27] hij[^habakuk-2-5-28] trouweloos handelt bij de wijn,[^habakuk-2-5-29] een trots man is, en in zijn woning[^habakuk-2-5-30] niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet[^habakuk-2-5-31] als het graf, en gelijk de dood is, die niet verzadigd wordt, en[^habakuk-2-5-32] tot zich verzamelt al de heidenen, en verzamelt tot zich alle volken.[^habakuk-2-5-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v5)

**6** [^habakuk-2-6-34] Zouden dan niet[^habakuk-2-6-35] zij allen[^habakuk-2-6-36] van hem een spreekwoord opnemen, en[^habakuk-2-6-37] een uitlegging van de raadselen van hem? En[^habakuk-2-6-38] men zal zeggen: Wee die,[^habakuk-2-6-39] die vermeerdert wat het zijne niet is[^habakuk-2-6-40] (hoe lange!), en die, die op zich laadt[^habakuk-2-6-41] dik slijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v6)

**7** [^habakuk-2-7-42] Zullen niet[^habakuk-2-7-43] onvoorziens opstaan, die[^habakuk-2-7-44] u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen[^habakuk-2-7-45] bewegen, en zult u hun niet tot[^habakuk-2-7-46] plundering worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v7)

**8** Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken[^habakuk-2-8-47] u beroven; om het bloed[^habakuk-2-8-48] van de mensen, en het geweld aan[^habakuk-2-8-49] het land,[^habakuk-2-8-50] de stad, en[^habakuk-2-8-51] alle inwoners daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v8)

**9** Wee die,[^habakuk-2-9-52] die met kwade gierigheid giert voor zijn[^habakuk-2-9-53] huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle,[^habakuk-2-9-54] om bevrijd te zijn[^habakuk-2-9-55] uit de hand van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v9)

**10** [^habakuk-2-10-56] U hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis;[^habakuk-2-10-57] uitroeiende vele volken, zo hebt u gezondigd[^habakuk-2-10-58] tegen uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v10)

**11** Want[^habakuk-2-11-59] de steen uit de muur[^habakuk-2-11-60] roept, en[^habakuk-2-11-61] de balk uit het hout antwoordt[^habakuk-2-11-62] die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v11)

**12** Wee die, die de stad[^habakuk-2-12-63] met bloed bouwt, en die de stad[^habakuk-2-12-64] met onrecht[^habakuk-2-12-65] bevestigt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v12)

**13** Zie,[^habakuk-2-13-66] is het niet van YHWH van de legermachten, dat de volken[^habakuk-2-13-67] arbeiden[^habakuk-2-13-68] ten vure, en de mensen zich[^habakuk-2-13-69] vermoeien tevergeefs? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v13)

**14** Want de aarde zal vervuld worden, dat zij[^habakuk-2-14-70] de heerlijkheid van YHWH bekennen,[^habakuk-2-14-71] zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v14)

**15** Wee die,[^habakuk-2-15-72] die zijn[^habakuk-2-15-73] naaste te drinken geeft, u, die uw[^habakuk-2-15-74] wijnfles daarbij voegt, en ook dronken[^habakuk-2-15-75] maakt, opdat u hun naaktheden aanschouwt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v15)

**16** [^habakuk-2-16-76] U zult ook verzadigd worden met schande, voor eer;[^habakuk-2-16-77] drink u ook, en ontbloot de voorhuid;[^habakuk-2-16-78] de beker[^habakuk-2-16-79] van de rechterhand van[^habakuk-2-16-80] YHWH zal zich tot u wenden, en[^habakuk-2-16-81] er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v16)

**17** Want het geweld,[^habakuk-2-17-82] dat tegen Libanon begaan is,[^habakuk-2-17-83] zal u bedekken, en[^habakuk-2-17-84] de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners daarvan.[^habakuk-2-17-85] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v17)

**18** [^habakuk-2-18-86] Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld,[^habakuk-2-18-87] dat een leugenleraar is,[^habakuk-2-18-88] dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v18)

**19** Wee die, die[^habakuk-2-19-89] tot het hout zegt:[^habakuk-2-19-90] Word wakker![^habakuk-2-19-91] en:[^habakuk-2-19-92] Ontwaak! tot de zwijgenden steen. Zou[^habakuk-2-19-93] het[^habakuk-2-19-94] leren? Zie, het is met goud en zilver overtrokken, en er is geheel[^habakuk-2-19-95] geen geest in het midden daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v19)

**20** Maar[^habakuk-2-20-96] YHWH is[^habakuk-2-20-97] in Zijn heilige tempel.[^habakuk-2-20-98] Zwijg voor Zijn aangezicht,[^habakuk-2-20-99] u hele aarde! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/2.html#v20)

[^habakuk-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 stond op mijn wacht: Dat is bij gelijkenis, als van een soldaat of wachter, die op zijn post staat, gesproken, en is dit de zin: Ik heb met verlangen gewacht om te vernemen wat het God de Heer believen zou mij te openbaren en te antwoorden op mijn voorgaande klacht, zie Hab. 1.
[^habakuk-2-1-a]: Verwijzing a: Jes. 21:8. Jesaja 21:8: En hij riep: Een leeuw, Heer! ik sta op de wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij gehele nachten.
[^habakuk-2-1-2]: Kanttekening 2: Te weten de Heer.
[^habakuk-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 in mij: Of, door mij, gelijk 2 Sam. 23:2. Dat is, wat mij de Heer openbaren zou. 2 Samuël 23:2: De Geest van YHWH heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.
[^habakuk-2-1-4]: Kanttekening 4: 4 spreken zou: Dat is, wat Hij mij door een inwendige openbaring zou te kennen geven en bevelen; verg Hos. 1:2. Hosea 1:2: Het begin van het woord van YHWH door Hosea. YHWH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter YHWH.
[^habakuk-2-1-5]: Kanttekening 5: 5 wat ik: Te weten wat ik het volk van God antwoorden zou op de klacht, die ik in zijn naam gedaan heb, Hab. 1:2, enz., waar de profeet als in twist komt met de Heer, klagende over zijn regering, omdat het de vromen zo kwalijk gaande was, en de goddelozen zo wel. Habakuk 1:2: YHWH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en U verlost niet!
[^habakuk-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 het gezicht: Dat is, de profetie van de ondergang van de Babyloniërs, waarvan in de volgende verzen gesproken wordt.
[^habakuk-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 opdat daarin: Hebr. opdat hij lope die daarin leest; di, schrijf het met zo grote letters, dat hij die maar voorbijloopt, het kan lezen. Verg. Deut. 27:8. Deuteronomium 27:8: En u zult op deze stenen schrijven alle woorden van deze wet, die wel uitdrukkende.
[^habakuk-2-2-b]: Verwijzing b: Jes. 30:8. Jesaja 30:8: Nu dan, ga heen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot de laatsten dag, voor altijd, tot in eeuwigheid.
[^habakuk-2-3-8]: Kanttekening 8: 8 het gezicht: Dat is, wat door deze profetie te kennen wordt gegeven zal nog een tijdlang uitblijven.
[^habakuk-2-3-9]: Kanttekening 9: Te weten de Heer.
[^habakuk-2-3-10]: Kanttekening 10: Te weten het gezicht.
[^habakuk-2-3-11]: Kanttekening 11: 11 op het einde: Dat is, ten laatste. Welk einde bij God besloten is.
[^habakuk-2-3-12]: Kanttekening 12: Hebr. uitblazen; dat is, zijn oordelen uitgieten tot straf van de goddelozen. Verg. Ez. 21:31, en zijn beloften volbrengen tot troost en verlossing van de vromen. Ezechiël 21:31: En Ik zal over u Mijn toorn uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur van Mijn toorn blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders van het verderf.
[^habakuk-2-3-13]: Kanttekening 13: 13 niet liegen: Hij zal metterdaad bewijzen en doen blijken dat hij niet gelogen heeft.
[^habakuk-2-3-14]: Kanttekening 14: 14 Hij vertoeft: Als de Heer deze profetie niet straks uitvoert, noch zo haast als u wel wilt. Anders: zo het vertoeft, te weten dit gezicht, of die volvoering daarvan; zie Hebr. 10:37. Hebreeën 10:37: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
[^habakuk-2-3-15]: Kanttekening 15: Te weten de Heer. Of het, te weten het gezicht.
[^habakuk-2-3-16]: Kanttekening 16: 16 Hij zal: Te weten om de vijanden en vervolgers van zijn volk te straffen en zijn volk te redden.
[^habakuk-2-3-17]: Kanttekening 17: 17 gewisselijk komen: Hebr. komende komen; Hebr. 10:37. Hebreeën 10:37: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
[^habakuk-2-3-18]: Kanttekening 18: Te weten de Heer; of \[zij\] te weten de profetie.
[^habakuk-2-3-19]: Kanttekening 19: Of, vertragen, uitblijven, te weten boven de dag van God bestemd.
[^habakuk-2-4-20]: Kanttekening 20: Te weten de ziel van de Chaldeër, en onder zijn naam elke ongelovige. Anders: \[wiens ziel\] zich onttrekt, Zijn \[te weten Gods\] ziel is niet recht met \[of tegen\] hem, \[te weten de afwijkende\] verg. Hebr. 10:38, alwaar de apostel de zin van deze woorden verklaart. Hebreeën 10:38: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
[^habakuk-2-4-21]: Kanttekening 21: Dat is, hart, gemoed.
[^habakuk-2-4-22]: Kanttekening 22: 22 verheft zich: Anders: bobbelt op Al schijnt de goddeloze wat groots te zijn, zo is hij maar als een bobbel, die wel wat schijnt te wezen, maar inderdaad is hij niets, hij verdwijnt haast.
[^habakuk-2-4-23]: Kanttekening 23: 23 niet recht: Maar snood en verkeerd: Zo staat er: Het aangezicht in het gericht te kennen is niet goed; Spr. 24:23; dat is, het is zeer kwaad. Spreuken 24:23: Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
[^habakuk-2-4-24]: Kanttekening 24: 24 de rechtvaardige: Dat is, die voor God rechtvaardig is door Jezus Christus.
[^habakuk-2-4-25]: Kanttekening 25: Of, uit zijn geloof, namelijk zover hij door het geloof zich toepast de beloften van God, aangaande de gerechtigheid van Christus, Joh. 3:36, Rom. 1:17; Gal. 3:11; Hebr. 10:38. Johannes 3:36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Galaten 3:11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Hebreeën 10:38: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
[^habakuk-2-4-26]: Kanttekening 26: Dat is, hij zal, verzoend zijnde met God, troost en blijdschap door de Heilige Geest gevoelen hier in dit tijdelijke leven, en hij zal hiernamaals het eeuwige leven erven.
[^habakuk-2-5-27]: Kanttekening 27: Te weten de Chaldeër; het Nebukadnezar of Belsazar.
[^habakuk-2-5-28]: Kanttekening 28: Of, \[door\] de wijn trouweloos wordt Hebr. de wijn is trouweloos; dat is, dronkenschap maakt hen trouweloos.
[^habakuk-2-5-29]: Kanttekening 29: 29 een trots man: Of hovaardig.
[^habakuk-2-5-30]: Kanttekening 30: 30 niet blijft: Of, niet blijven kan. Hebr. woont niet; dat is, die zich niet laat genoegen aan de koninkrijken en landen, die hij al heeft, maar hij zoekt verder te gaan, nimmermeer land genoeg hebbende; zie Dan. 4:22. Anders: daarom zal hij in zijn woonplaats niet blijven; dat is, daarom zal hij zelf uitgestoten worden uit zijn woning, hij zal in rust en vrede niet blijven. Daniël 4:22: Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van de aarde.
[^habakuk-2-5-31]: Kanttekening 31: 31 als het graf: Of, als het dodenrijk, dat nimmermeer verzadigd noch vervuld is; verg. Jes. 5:14. Jesaja 5:14: Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
[^habakuk-2-5-32]: Kanttekening 32: 32 tot zich: Door heerszucht daartoe aangepord zijnde; zie boven Hab. 1:9. Habakuk 1:9: Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.
[^habakuk-2-5-33]: Kanttekening 33: 33 alle volken: De profeet wil uit het voorgaande besluiten, omdat al deze grote ondeugden tezamen in de koning zijn, zo is er niet aan te twijfelen, of God zal hem in het kort zwaar straffen en nederstoten.
[^habakuk-2-6-34]: Kanttekening 34: Of, zullen niet allen.
[^habakuk-2-6-35]: Kanttekening 35: 35 al dezelfde: Te weten al die heidenen en volken die de koning Nebukadnezar overweldigd en onder zijn gebied gebracht heeft, vers 5. Habakuk 2:5: En ook omdat hij trouweloos handelt bij de wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.
[^habakuk-2-6-36]: Kanttekening 36: 36 van hem een: Dat is, hem belachen en bespotten; te weten als hem God te schande zal gebracht hebben.
[^habakuk-2-6-37]: Kanttekening 37: 37 een uitlegging: Dat is, wat zij eerst bedektelijk en als met verbloemde woorden hem verweten hebben, dat zullen zij daarna met klare en duidelijke woorden doen; verg. Jes. 14:9, 14:10. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan. Jesaja 14:10: Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden.
[^habakuk-2-6-38]: Kanttekening 38: 38 men zal: Te weten een ieder onder de godzaligen, van wie vers 4, gesproken is. Habakuk 2:4: Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
[^habakuk-2-6-39]: Kanttekening 39: 39 die vermeerdert: Dat is, die zich verrijkt met wat het zijne niet is, berovende andere heren en mensen van hun landen en goederen.
[^habakuk-2-6-40]: Kanttekening 40: 40 (hoe lang!): Te weten zal het duren, o Heer, dat U hem hierover niet straffen zoudt? De zin is: U bent zo rechtvaardig, dat U deze goddeloosheid niet lang ongestraft zult kunnen laten. Anders: hoe lang, te weten zal deze zijn onverdragelijke land- en geldroverij duren?
[^habakuk-2-6-41]: Kanttekening 41: 41 dik slijk: Zo noemt de profeet het zilver en goud, en ook alle andere aardse goederen, die deze koning samengeschraapt en vergaderd had.
[^habakuk-2-7-42]: Kanttekening 42: 42 Zullen niet: Deze vraag bevestigt sterkelijk, en is zoveel alsof hij zei: Zekerlijk er zullen er opstaan, die; enz.
[^habakuk-2-7-43]: Kanttekening 43: Of, haastig.
[^habakuk-2-7-44]: Kanttekening 44: 44 u bijten: O koning te Babel; verstaat men dit van Nebukadnezar, zo is het te zeggen, dat hij haast sterven zou, en dat zijn lichaam in het graf van de wormen zou gebeten en gegeten worden. Maar verstaat men dit van Belsazar, zo is dit de zin, dat de vijanden in het kort komen zouden, die het rijk van hem nemen zouden, want hij is haastig in één nacht omgekomen en het rijk is hem en de zijnen benomen. Zie Dan. 5. Zie ook Jes. 13,14 en Jes. 21:2; Jer. 50,51. Zodat bijten hier te zeggen is vijandelijk overvallen en aangrijpen, gelijk de leeuwen en andere wrede beesten doen. Jesaja 21:2: Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.
[^habakuk-2-7-45]: Kanttekening 45: Of, wegstoten, of verstoten; te weten uit, of van uw troon. Anders, die u schudden zullen.
[^habakuk-2-7-46]: Kanttekening 46: 46 plundering worden: Of, enkel plundering, beroving.
[^habakuk-2-8-47]: Kanttekening 47: 47 u beroven: Zich vervoegende bij de Perzen en Meden, en versta hier al die overgebleven volken, of \[zoals de Hebreeuwse woorden luiden\] al het overblijfsel van die volken, die nog overgebleven zouden zijn van de volken, die hij beroofd had, of die nog in vrees stonden door hem beroofd te zullen worden.
[^habakuk-2-8-48]: Kanttekening 48: 48 van de mensen: Te weten dat u zonder reden of oorzaak vergoten hebt. Zie onder vers 17 en Jes. 33:1. Habakuk 2:17: Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve. Jesaja 33:1: Wee u, u verwoester, die niet verwoest bent, en u, die trouweloos handelt, waar men niet trouweloos tegen u gehandeld heeft! Als u het verwoesten zult volbracht hebben, zult u verwoest worden; als u het trouweloos handelen zult voltooid hebben, zal men trouweloos tegen u handelen.
[^habakuk-2-8-49]: Kanttekening 49: 49 het land: Het zij vast overal aan verscheidene landen, of bij name aan het Joodse land gedaan.
[^habakuk-2-8-50]: Kanttekening 50: 50 de stad: Te weten Jeruzalem.
[^habakuk-2-8-51]: Kanttekening 51: 51 alle inwoners derzelve: Verg. Jer. 50:9, 50:10, 50:11, 50:17 en Jer. 51:2, 51:24. Jeremia 50:9: Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal leeg terugkeren. Jeremia 50:10: En Chaldea zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt YHWH. Jeremia 50:11: Omdat u u verblijd hebt, omdat u van vreugde hebt opgesprongen, u plunderaars Mijner erfenis! omdat u geil geworden bent als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden; Jeremia 50:17: Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld. Jeremia 51:2: En Ik zal Babel wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen op de dag van het kwaad van rondom tegen haar zijn. Jeremia 51:24: Maar Ik zal Babel en allen inwoneren van Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt YHWH.
[^habakuk-2-9-52]: Kanttekening 52: 52 die met kwade: Dat is, die schandelijke winst drijft of zoekt, opdat hij zijn vrouw en kinderen rijk make, en ook zijn nakomelingen; verg. Spr. 1 en zie de aantekening Spr. 1:19 daar, en Jer. 22:13. Spreuken 1:19: Zo zijn de paden van een ieder, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen. Jeremia 22:13: Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
[^habakuk-2-9-53]: Kanttekening 53: 53 opdat hij in: Dat is, opdat hij en zijn geslacht hier in deze wereld groot en hoog mogen geacht worden en zekerlijk wonen. Het is een gelijkenis, genomen van de vogels, die hun nesten in de hoogte maken; verg. Obad. 1:4. Obadja 1:4: Al verhieft u u gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt YHWH.
[^habakuk-2-9-54]: Kanttekening 54: 54 om bevrijd: Dit was wel zijn oogmerk, maar hij is in zijn mening bedrogen geweest.
[^habakuk-2-9-55]: Kanttekening 55: 55 uit de hand: Hebr. uit de palm van het kwaad; dat is, van het geweld van het kwaad; zie Job 5:20. Job 5:20: In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard.
[^habakuk-2-10-56]: Kanttekening 56: 56 U hebt: Di, u hebt, alle eer bezijden zettende, rijkdom bijeengeschraapt, en hebt daar grote paleizen mee gebouwd, en die met kostelijk huisraad versierd. Maar alles gereikende tot uw eigen schande; zie vers 11. Habakuk 2:11: Want de steen uit de muur roept, en de balk uit het hout antwoordt die.
[^habakuk-2-10-57]: Kanttekening 57: 57 uitroeiende vele volken: Om u met hun goed te verrijken.
[^habakuk-2-10-58]: Kanttekening 58: 58 tegen uw ziel: Dat is, tegen uzelven.
[^habakuk-2-11-59]: Kanttekening 59: 59 de steen: Dat is, de stenen waar uw paleizen mee gebouwd zijn.
[^habakuk-2-11-60]: Kanttekening 60: 60 roept, en: Dat is, getuigt tegen u, te weten dat u uw paleizen met gestolen en onrechtvaardig goed gebouwd hebt, hij roept wraak voor God.
[^habakuk-2-11-61]: Kanttekening 61: 61 de balk uit het: Of, knoop, of knoest, die in het hout is, of uit het houten verwelfsel. Het Hebreeuwse woord wordt nergens elders dan hier gevonden, daarom kan men niet zekerlijk weten wat het betekent.
[^habakuk-2-11-62]: Kanttekening 62: Te weten steen; dat is, roept en getuigt zowel tegen de Babyloniër, als de stenen doen.
[^habakuk-2-12-63]: Kanttekening 63: 63 met bloed: Hebr. met bloeden; dat is, met doodslag, of met het goed van de gedoden of vermoorden; of, met het zweet en bloed van de onderzaten, Ez. 24:9; Nah. 3:1. Ezechiël 24:9: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Wee de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken! Nahum 3:1: Wee de bloedstad, die geheel vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.
[^habakuk-2-12-64]: Kanttekening 64: 64 met onrecht: Dat is, met goederen, die onrechtvaardig door roof en geweld bijeengeraapt zijn. Verg. Micha 3:10. Micha 3:10: Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.
[^habakuk-2-12-65]: Kanttekening 65: Of, grondvestigt, of fondeert.
[^habakuk-2-13-66]: Kanttekening 66: 66 is het niet: Dat is, geschiedt het niet door de verborgen raad van God?
[^habakuk-2-13-67]: Kanttekening 67: Te weten in het bouwen van huizen en steden.
[^habakuk-2-13-68]: Kanttekening 68: 68 ten vure: Of, voor het vuur; dat is, opdat de huizen en steden die zij bouwen, van het vuur verbrand worden. Zie Jer. 51:58. Jeremia 51:58: Zo zegt YHWH van de legermachten: Die brede muur van Babel zal ten enemale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gewerkt hebben, dat zij mat worden.
[^habakuk-2-13-69]: Kanttekening 69: 69 vermoeien tevergeefs: Of, tot, voor de ijdelheid; dat is tevergeefs, omdat het haast teniet en ten verderve komt wat zij bouwen.
[^habakuk-2-14-70]: Kanttekening 70: 70 de heerlijkheid: Die de Heer bewijzen zal in het straffen van de Chaldeën. Zie Jer. 11:9. Jeremia 11:9: Verder zei YHWH tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.
[^habakuk-2-14-71]: Kanttekening 71: Dat is, zo overvloediglijk gelijk de wateren de bodem of grond van de zee bedekken. Zie de aantekening Jes. 11:9. Jesaja 11:9: Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van YHWH zijn, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken.
[^habakuk-2-15-72]: Kanttekening 72: 72 zijn naaste: Zijn metgezel, zijn vriend.
[^habakuk-2-15-73]: Kanttekening 73: 73 te drinken: Namelijk tot dronkenschap toe.
[^habakuk-2-15-74]: Kanttekening 74: Dat is, de ene fles wijn op de andere ten beste geeft. Anders: die uw vergif daarbij voegt, of daaronder mengt.
[^habakuk-2-15-75]: Kanttekening 75: 75 opdat u: Versta hierbij, en opdat u dan hen tot een spot stelt, als u hen hebt bedrogen en van al hun macht en middelen ontbloot. Het is een gelijkenis, genomen van onkuise daden van de dronkaards.
[^habakuk-2-16-76]: Kanttekening 76: 76 U zult: De zin is: O u Babyloniër, vanwege deze en dergelijke schandelijke stukken, zult u veel meer schande hebben, dan u eer gehad hebt vanwege uw macht en rijkdom.
[^habakuk-2-16-77]: Kanttekening 77: 77 drinkt u ook: Gaat zo maar voort in uw schandelijke daden, maar verwacht wat er op volgen zal.
[^habakuk-2-16-78]: Kanttekening 78: 78 de beker: Dat is, de straf van de Heer; zie Jer. 25, de aantekening Jer. 25:15, 25:27. Jeremia 25:15: Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Jeremia 25:27: U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neder, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.
[^habakuk-2-16-79]: Kanttekening 79: 79 van de rechterhand: Dat is, die in de rechterhand van de Heer is.
[^habakuk-2-16-80]: Kanttekening 80: 80 zal zich tot u: Dat is, de tijd is nu gekomen, dat de beker van de toorn van God, vast omgegaam hebbende, nu tot u gekomen is, u zult nu ook uw beurt hebben en uw aandeel daaruit drinken; ja u zult er zoveel moeten uitdrinken, dat daarop volgen zal een schandelijk uitbraaksel, in plaats van uw heerlijkheid.
[^habakuk-2-16-81]: Kanttekening 81: 81 er zal een: Dat is, u zult tot zulke schande en oneer vervallen, dat elk een gruwel en afkeer zal hebben van uw voortreffelijkheid, gelijk men heeft van een dronkaard, die zich zo volgezopen heeft, dat hij moet overgeven.
[^habakuk-2-17-82]: Kanttekening 82: 82 dat tegen: Dat u tegen Libanon begaan hebt. Libanon betekent hier het Joodse volk, dat aan de berg Libanon woonde. gelijk Jes. 14:8, en Jes. 37:24; zie ook de aant. Ez. 17:3. Maar enige verstaan hier door Libanon de tempel, die van hout uit Libanon gebouwd was. Jesaja 14:8: Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. Jesaja 37:24: Door middel van uw dienaren hebt u YHWH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogte van de bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de opperste tak van een ceder.
[^habakuk-2-17-83]: Kanttekening 83: 83 zal u bedekken: Dat is, overvallen, op het lijf vallen; gelijk u aan de Joden en anderen gedaan hebt, zal u ook gebeuren. Zie breder boven vers 8, en de aanteek. daar. Habakuk 2:8: Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed van de mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve.
[^habakuk-2-17-84]: Kanttekening 84: 84 de verwoesting: De verwoesting van de beesten op de berg Libanon zal de Chaldeën verschrikken; versta door de beesten of wilde dieren, de Joden, die van de Chaldeën niet meer geacht zijn geweest dan beesten, welke zij gevankelijk weggevoerd en gedood, somtijds in hun toorn, somtijds om hun vreugde. Anderen verstaan door de verwoesting van de beesten de verwoestingen door de grote beesten, \[dat tirannen kan betekenen\] aangericht.
[^habakuk-2-17-85]: Kanttekening 85: 85 inwoners derzelve: Te weten zal u, o Chaldeër, dit overkomen.
[^habakuk-2-18-86]: Kanttekening 86: 86 Wat zal het: Hier bestraft de profeet de afgoderij van de Chaldeën, die zich op hun afgoden en beelden verlieten. Van de beelden en afgoden wordt breder gesproken Jes. 40,44,46; Jer. 2:8, 2:11 en Jer. 16:19, en elders meer. Jeremia 2:8: De priesters zeiden niet: Waar is YHWH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. Jeremia 2:11: Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet. Jeremia 16:19: O YHWH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.
[^habakuk-2-18-87]: Kanttekening 87: 87 dat een: Of, dat is de leugenleraar, of leraar van de leugens, Jer. 10:8, 10:14; Zach. 10:2. Jeremia 10:8: In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs van de ijdelheden. Jeremia 10:14: Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen. Zacharia 10:2: Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.
[^habakuk-2-18-88]: Kanttekening 88: 88 dat de formeerder: Dat is, dat hij zo gek is, dat hij wat hij zelf gemaakt heeft, waar leven noch spraak in is, voor zijn god houdt en zijn vertrouwen daarop stelt.
[^habakuk-2-19-89]: Kanttekening 89: 89 tot het hout: Dat is, tot het beeld van hout gemaakt. De zin is: Wee dengene, die de afgoden of hun beelden aanroept.
[^habakuk-2-19-90]: Kanttekening 90: 90 Word wakker: Dat is, sta op om ons te helpen in deze onze nood.
[^habakuk-2-19-91]: Kanttekening 91: Zo spreekt David tot de ware God; Ps. 35:23. Psalmen 35:23: Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en YHWH! tot mijn twistzaak.
[^habakuk-2-19-92]: Kanttekening 92: 92 tot de zwijgenden: Dat is, tot het beeld van steen gemaakt dat stom is.
[^habakuk-2-19-93]: Kanttekening 93: Te weten het houten of stenen beeld; Jes. 44:9. Jesaja 44:9: De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelven zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.
[^habakuk-2-19-94]: Kanttekening 94: 94 het leren: Iemand iets goeds kunnen leren?
[^habakuk-2-19-95]: Kanttekening 95: 95 geen geest in: Of, geen adem, noch van de mensen, ja ook niet van de beesten, veel minder van enige godheid.
[^habakuk-2-20-96]: Kanttekening 96: 96 YHWH is: De ware levende en eeuwige God.
[^habakuk-2-20-97]: Kanttekening 97: 97 in zijn heiligen: Hebr. in de tempel van zijn heiligheid; dat is, in de hemel, gelijk Ps. 11:4, vanwaar Hij alle dingen ziet; of in zijn gemeente, die Hij door Zijn aanwezigheid heiligt door de mededeling van zijn Geest in Christus, en welke is de geestelijke tempel van de Heer. Sommigen verstaan hier ook de tempel te Jeruzalem, die de Heer tot zijn woning had uitverkoren, om daar naar zijn wet geëerd en gediend te worden. Psalmen 11:4: YHWH is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon van YHWH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
[^habakuk-2-20-98]: Kanttekening 98: 98 zwijg voor zijn: Dat is, onderwerp u hem in allen deemoed en nederigheid, en beken de gerechtigheid van zijn goddelijke oordelen. Verg. Job 29:9, en Job 21:5, en Job 39:37; Amos 6:10, en Amos 8:3; Zef. 1:7; Zach. 2:13. Job 29:9: De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond. Job 21:5: Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond. Job 39:37: Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Amos 6:10: En de naaste vriend zal een ieder van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om de Naam van YHWH te vermelden. Amos 8:3: Maar de gezangen van de tempel zullen op die dag huilen, spreekt de Heer YHWH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen. Zefanja 1:7: Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. Zacharia 2:13: Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht van YHWH! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.
[^habakuk-2-20-99]: Kanttekening 99: 99 u gehele aarde: Dat is, al u inwoners van de aarde.

### Habakuk 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/habakuk/3.json)

*Habakuk bidt de HEERE, dat Hij zijn volk wil bewaren in de Babylonische gevangenschap, vers 1, enz. Tot versterking van zijn eigen geloof en dat van het volk verhaalt hij hoe krachtig God zijn volk heeft beschermd, toen Hij het uit Egypte door de woestijn geleid heeft, vers 3. Verder verhaalt hij hoezeer hij verschrikt is geweest, toen hij vernam dat Jeruzalem verwoest zou worden, 16. Maar hij troost zichzelf weer door de overweging van de hulp van God de Almachtige.*

**1** Een gebed van Habakuk, de[^habakuk-3-1-1] profeet, op Sjigjonoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v1)

**2** YHWH! als ik[^habakuk-3-2-2] Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd;[^habakuk-3-2-3] Uw werk, o YHWH! behoud dat in het leven[^habakuk-3-2-4] in het midden van de jaren,[^habakuk-3-2-5] maak het bekend in het midden van de jaren; in de toorn[^habakuk-3-2-6] gedenk de ontferming. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v2)

**3** [^habakuk-3-3-7] God[^habakuk-3-3-8] kwam[^habakuk-3-3-9] van Theman, en[^habakuk-3-3-10] de Heilige van de berg[^habakuk-3-3-11] Paran.[^habakuk-3-3-12] Sela. Zijn[^habakuk-3-3-13] heerlijkheid[^habakuk-3-3-14] bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v3)

**4** En er was een glans[^habakuk-3-4-15] als van het[^habakuk-3-4-16] licht, Hij had hoornen[^habakuk-3-4-17] aan Zijn hand, en[^habakuk-3-4-18] daar was Zijn sterkte verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v4)

**5** [^habakuk-3-5-19] Voor Zijn aangezicht ging de pest, en[^habakuk-3-5-20] de vurige kool ging voor Zijn voeten heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v5)

**6** [^habakuk-3-6-21] Hij stond, en[^habakuk-3-6-22] mat[^habakuk-3-6-23] het land,[^habakuk-3-6-24] Hij zag toe, en[^habakuk-3-6-25] maakte de heidenen los, en[^habakuk-3-6-26] de aloude bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de[^habakuk-3-6-27] eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de[^habakuk-3-6-29] eeuw zijn van Hem.[^habakuk-3-6-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v6)

**7** [^habakuk-3-7-30] Ik zag de tenten[^habakuk-3-7-31] van[^habakuk-3-7-32] Kusan onder de zinloosheid;[^habakuk-3-7-33] de gordijnen van het land van[^habakuk-3-7-34] Midian schudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v7)

**8** Was YHWH ontstoken[^habakuk-3-8-35] tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw toorn tegen de zee, toen U op[^habakuk-3-8-36] Uw paarden reedt?[^habakuk-3-8-37] Uw wagens waren heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v8)

**9** [^habakuk-3-9-38] De naakte grond werd ontbloot[^habakuk-3-9-39] door Uw boog,[^habakuk-3-9-40] om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela.[^habakuk-3-9-41] U hebt de rivieren van de aarde gekloofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v9)

**10** [^habakuk-3-10-42] De bergen zagen U,[^habakuk-3-10-43] en leden smart;[^habakuk-3-10-44] de waterstroom[^habakuk-3-10-45] ging door,[^habakuk-3-10-46] de afgrond gaf zijn stem, hij hief[^habakuk-3-10-47] zijn zijden op in de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v10)

**11** De zon en de maan[^habakuk-3-11-48] stonden stil[^habakuk-3-11-49] in haar[^habakuk-3-11-50] woning; met het licht gingen[^habakuk-3-11-51] Uw pijlen daarheen, met glans[^habakuk-3-11-52] Uw bliksemende speer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v11)

**12** [^habakuk-3-12-53] Met toorn tradt U[^habakuk-3-12-54] door het land, met toorn[^habakuk-3-12-55] dorstet U[^habakuk-3-12-56] de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v12)

**13** U toogt uit tot verlossing van Uw volk,[^habakuk-3-13-57] tot verlossing met Uw Gezalfde; U doorwondde[^habakuk-3-13-58] het hoofd van het huis van[^habakuk-3-13-59] de goddelozen, ontblotende de grond tot de hals toe.[^habakuk-3-13-60] Sela. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v13)

**14** U doorboorde met[^habakuk-3-14-61] zijn staven het hoofd van zijn dorplieden; zij hebben gestormd, om[^habakuk-3-14-62] mij te verstrooien;[^habakuk-3-14-63] die zich verheugden, alsof zij[^habakuk-3-14-64] de ellendigen in het verborgen zouden opeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v14)

**15** U betradt[^habakuk-3-15-65] met Uw paarden de zee;[^habakuk-3-15-66] de geweldige wateren werden één hoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v15)

**16** [^habakuk-3-16-67] Als ik het hoorde, zo werd[^habakuk-3-16-68] mijn buik beroerd;[^habakuk-3-16-69] voor de stem hebben mijn lippen gebeefd;[^habakuk-3-16-70] verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in[^habakuk-3-16-71] mijn plaats.[^habakuk-3-16-72] Zeker, ik zal rusten op de dag van de benauwdheid, als[^habakuk-3-16-73] hij optrekken zal[^habakuk-3-16-74] tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v16)

**17** [^habakuk-3-17-75] Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal,[^habakuk-3-17-76] dat het werk van de[^habakuk-3-17-77] olijfboom liegen zal, en de velden geen[^habakuk-3-17-78] voedsel voortbrengen;[^habakuk-3-17-79] dat men de[^habakuk-3-17-80] kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat[^habakuk-3-17-81] er geen rund in de stallingen wezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v17)

**18** Zo zal[^habakuk-3-18-82] ik toch in YHWH[^habakuk-3-18-83] van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen[^habakuk-3-18-84] in de God van mijn heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v18)

**19** De Adonai YHWH[^habakuk-3-19-85] is mijn Sterkte; en[^habakuk-3-19-86] Hij zal mijn voeten maken[^habakuk-3-19-87] als van de hinden, en[^habakuk-3-19-88] Hij zal mij doen treden op mijn hoogten.[^habakuk-3-19-89] Voor de opperzangmeester op mijn Neginoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/habakuk/3.html#v19)

[^habakuk-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 op Sjigjonoth: Dat is, op menigerlei rijmen-aard gesteld. De zin is, om te zingen op de wijze van de zangen, die men sjigjonoth noemt; zie Ps. 7:1. Enige zetten het over voor de onbekende, of onwetende, dat is, om vergiffenis van God te verzoeken voor de zonden van het volk, welke het door onwetendheid begaan heeft. Maar dit behaagt anderen niet, omdat zulks in deze psalm niet verhandeld wordt. Psalmen 7:1: Davids Schiggajon, dat hij YHWH gezongen heeft, over de woorden van Cusch, de zoon van Jemini.
[^habakuk-3-2-2]: Kanttekening 2: 2 uw rede: Hebr. uw gehoor gehoord hebt; dat is, als ik gehoord heb wat het U beliefd heeft mij te openbaren, namelijk de verschrikkelijke oordelen, waarmee U uw volk bent dreigende. Zie boven Hab. 1:5 enz. Habakuk 1:5: Ziet onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in ulieder dagen, dat u niet geloven zult, als het verteld zal worden.
[^habakuk-3-2-3]: Kanttekening 3: 3 uw werk: Sommigen verstaan hier door het werk het volk en de kerk van God, welke is het voornaamste werk onder al de werken van God, gelijk Ps. 100:3; Jer. 29:23, en Jes. 45:11. Anderen verstaan het aldus: Heer, houd in wezen en in eer wat U onder uw volk gedaan hebt, dat U krachtig en wonderbaar hebt beschut en beschermd, Het komt vast opeen uit. Psalmen 100:3: Weet, dat YHWH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide. Jeremia 29:23: Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt YHWH. Jesaja 45:11: Zo zegt YHWH, de Heilige van Israël, en zijn Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt u Mij van het werk Mijner handen bevel geven?
[^habakuk-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 in het midden van de jaren: Dat is, gedurende de zeventig jaren van de Babylonische gevangenschap van uw volk.
[^habakuk-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 maak het bekend: De zin is, maak door uw woord en predikatie dat uw volk dat wete en versta, en doe het metterdaad blijken onder de heidenen, dat U U over uw volk ontfermt.
[^habakuk-3-2-6]: Kanttekening 6: 6 gedenk van de: Menselijkerwijze van god gesproken. Zie Gen. 8:1, en Gen. 9:15, en Gen. 30:22; Ex. 6:4; dat nu God in zijn toorn indachtig is aan zijn barmhartigheid, blijkt uit vele plaatsen van de Heilige Schrift, gelijk Ex. 32:11, Ex. 32:12; Num. 14:17; Ps. 6:5 en Ps. 9:10, 9:11; en Ps. 25:6, 25:7, en Ps. 51:3 en Ps. 103:6, Ps. 103:7, 103:8, 103:9; Jes. 12:1; Jer. 14:7 Klaagl. 3:55; Dan. 9:6, 9:16 en elders meer. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Genesis 9:15: Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, dat is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven. Genesis 30:22: God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. Exodus 6:4: En ook heb Ik gehoord het gekerm van de kinderen van Israël, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Exodus 32:11: Maar Mozes aanbad het aangezicht van YHWH zijns Gods, en hij zei: O YHWH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? Exodus 32:12: Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen. Numeri 14:17: Nu dan, laat toch de kracht van YHWH groot worden, gelijk als U gesproken hebt, zeggende: Psalmen 6:5: Keer weer, YHWH, red mijn ziel; verlos mij, vanwege Uw goedertierenheid. Psalmen 9:10: En YHWH zal een Vesting zijn voor de verdrukte, een Vesting in tijden van benauwdheid. Psalmen 9:11: En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, YHWH, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken. Psalmen 25:6: Zain. Gedenk, YHWH! van Uw barmhartigheden en van Uw goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. Psalmen 25:7: Cheth. Gedenk niet van de zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, vanwege Uw goedheid, o YHWH! Psalmen 51:3: Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden. Psalmen 103:6: YHWH doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden. Psalmen 103:7: Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, de kinderen van Israël Zijn daden. Psalmen 103:8: Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Psalmen 103:9: Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Jesaja 12:1: En op dezelfde dag zult u zeggen: Ik dank U, YHWH! dat U toornig op mij geweest bent, maar Uw toorn is afgekeerd, en U troost mij. Jeremia 14:7: Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o YHWH! doe het vanwege Uw Naam; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd. Klaagliederen 3:55: Koph. YHWH! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit de onderste kuil. Daniël 9:6: En wij hebben niet gehoord naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk van het land. Daniël 9:16: O Heer! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
[^habakuk-3-3-7]: Kanttekening 7: In dit vers en enige navolgende beschrijft de profeet de majesteit en macht van God, die Hij betoond heeft als Hij zijn wet gegeven heeft; willende daarmee bewijzen dat die machtige God licht is, zijn volk, als het Hem belieft, uit de Babylonische gevangenschap te verlossen.
[^habakuk-3-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, Hij verscheen zijn volk, te weten ten tijde van Mozes, toen Hij zijn wet hun gaf. Hebr. zal komen. Zie Deut. 33:2. Deuteronomium 33:2: Hij zei dan: YHWH is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seïr; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden van de heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.
[^habakuk-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 van Theman: Door Theman verstaan sommigen de berg, die anders Seïr genoemd wordt. Zie Amos 1:12, en Obad. 1:9. Anders: van het zuiden. Amos 1:12: Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren. Obadja 1:9: Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door de moord worde uitgeroeid.
[^habakuk-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 de Heilige: Te weten de heilige Israëls.
[^habakuk-3-3-11]: Kanttekening 11: Zie van Paran Gen. 14:6. Het is een berg gelegen nabij de berg Sinaï, die in de woestijn Paran gelegen is. Zie Num. 10:12, en Num. 12:16, en Num. 13:26. Genesis 14:6: En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. Numeri 10:12: En de kinderen van Israël togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran. Numeri 12:16: Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran. Numeri 13:26: En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, in de woestijn van Paran, naar Kades; en brachten bescheid weer aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hun de vrucht van het land zien.
[^habakuk-3-3-12]: Kanttekening 12: Dat woord vindt men nergens dan in dit lied van Habakuk en in de psalmen van David. Zie Ps. 3:3. Psalmen 3:3: Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
[^habakuk-3-3-13]: Kanttekening 13: Of, zijn majesteit.
[^habakuk-3-3-14]: Kanttekening 14: 14 bedekte de: Dat is te verstaan te dien aanzien, dat de Heer zijn volk, als Hij hun zijn wet gaf, in grote heerlijkheid verschenen is, met donder en bliksem. enz. Zie Ex. 19:16, en 2 Kor. 3:7. Exodus 19:16: En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. 2 Korinthiërs 3:7: En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden.
[^habakuk-3-4-15]: Kanttekening 15: 15 als van het licht: Dat is, als van de zon. De zon wordt het licht genoemd, omdat zij het grootste licht is, dat God geschapen heeft. Zie Job 31:26, en Job 37:21. Hier is door de glans als van het licht te verstaan het schijnsel van de vuurkolom, die de Israëlieten lichtte in de woestijn. Job 31:26: Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; Job 37:21: En nu ziet men het licht niet als het helder is in de hemel, als de wind doorgaat, en die zuivert;
[^habakuk-3-4-16]: Kanttekening 16: 16 Hij had hoornen: Te weten tot een teken van zijn macht. Want door de hoornen wordt dikwijls macht betekend in de Heilige Schrift. Anderen verstaan hier door hoornen zulke stralen, als de klaarschijnende zon uitgeeft, of zulke, als uit het aangezicht van Mozes voortgingen, nadat hij met God gesproken had; zie Ex. 34:29. Exodus 34:29: En het geschiedde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.
[^habakuk-3-4-17]: Kanttekening 17: 17 aan zijn hand: Dat is, aan zijn zijde. Zie Neh. 3:2; 2 Sam. 18:4; Spr. 8:3. De zin is: Aan elke zijde was een hoorn gelijk de hoornbeesten aan elke zijde een hoorn hebben. Anders: daar waren twee hoornen aan zijn zijde. Nehemia 3:2: En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri. 2 Samuël 18:4: Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. Spreuken 8:3: Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid:
[^habakuk-3-4-18]: Kanttekening 18: 18 daar was zijn: Hebr. de verberging van zijn sterkte. De zin is: Door zulk een glans gaf wel de Heer zijn goddelijke macht te kennen, \[verg. Ps. 18:12, 18:13, enz.\] zo nochtans dat Hij de hele glans van zijn majesteit en sterkte niet liet schijnen voor zijn volk, maar Hij liet ze slechts blijken door enige stralen, opdat het volk niet ganselijk zou verbaasd en verslagen worden door het aanschouwen van de majesteit van de Heer. Psalmen 18:12: Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel. Psalmen 18:13: Van de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen.
[^habakuk-3-5-19]: Kanttekening 19: 19 Voor zijn: Dat is, Hij verdelgde de natiën, die zich tegen zijn volk verhieven, met allerlei plagen, te weten de Amorieten, Sihon en Og. enz. Het is een manier van spreken, genomen van de koningen en prinsen van deze wereld, gelijk voor deze veel knechten en lakeien gaan, zo zijn er bij God, als hij toornig is en straffen wil, pestilentiën en vele anders ziekten en plagen. Zie Ex. 9:3, 9:6, 9:23, 9:24; Num. 14:12. Exodus 9:3: Zie, de hand van YHWH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie. Exodus 9:6: En YHWH deed deze zaak des anderen daags; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de kinderen van Israël stierf niet een. Exodus 9:23: Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en YHWH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en YHWH liet hagel regenen over Egypteland. Exodus 9:24: En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het gehele Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is. Numeri 14:12: Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.
[^habakuk-3-5-20]: Kanttekening 20: 20 de vurige kool: Of, karbonkel. Zie Deut. 32:24, en Ps. 78:48. Deuteronomium 32:24: Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen van het stof. Psalmen 78:48: Ook gaf Hij hun vee de hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
[^habakuk-3-6-21]: Kanttekening 21: 21 Hij stond: Te weten God de Heer, vertegenwoordigd door de ark, die veertien jaar lang te Gilgal bleef, totdat de Joden het land van belofte onder zich hadden verdeeld.
[^habakuk-3-6-22]: Kanttekening 22: Wat uit Gods bevel geschied is, dat schrijft hij God zelven toe, want het land is, door Gods bevel, de Israëlieten door het lot uitgedeeld geworden; Num. 32, 34 Joz. 1, 5, 11, 12 en Ps. 78:55. Psalmen 78:55: En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer van hun erfenis, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
[^habakuk-3-6-23]: Kanttekening 23: 23 het land: Te weten het land Kanaän.
[^habakuk-3-6-24]: Kanttekening 24: 24 Hij zag toe: Door een stuurs gezicht heeft God die natiën kunnen verdrijven, hoe vast zij in dat land geworteld zaten.
[^habakuk-3-6-25]: Kanttekening 25: 25 maakte de heidenen: Dat is, Hij verstrooide de heidenen en wierp hen uit, te weten de Kanaänieten, die te voren in het land gewoond hadden.
[^habakuk-3-6-26]: Kanttekening 26: 26 de gedurige: Aldus worden de bergen en heuvelen genoemd, omdat zij altijd vast staande blijven. Zie Ez. 36:2. Ezechiël 36:2: Zo zegt de Heer YHWH: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!
[^habakuk-3-6-27]: Kanttekening 27: 27 hebben zich: Als Hem eerbieding doende.
[^habakuk-3-6-29]: Kanttekening 29: 29 zijn zijn: Of, komen Hem toe.
[^habakuk-3-6-28]: Kanttekening 28: 28 de gangen van de: Of, Hij had eeuwige gangen; Dat is, zijn wegen zijn eeuwigdurende, of de Heer richt uit wat Hij van eeuwigheid besloten had; Hij is alleen eeuwig, en zijn besluiten, naar welke Hij de wereld regeert, zijn van eeuwigheid af.
[^habakuk-3-7-30]: Kanttekening 30: Te weten ik, het volk van Israël. Zie hiervan Ex. 15:14. Of, \[ik zag\] dat is, ik houd het zo zeker, alsof ik het zelf zag. Exodus 15:14: De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.
[^habakuk-3-7-31]: Kanttekening 31: 31 van Kusan: Of, van de Moren. Versta hierbij, en andere volken rondom gelegen; zie Richt. 3:8. Richteren 3:8: Toen ontstak de toorn van YHWH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamië; en de kinderen van Israël dienden Cuschan Rischataim acht jaren.
[^habakuk-3-7-32]: Kanttekening 32: Of, in moeite, of in druk, of tot ijdelheid begeven zijnde; dat is ijdel en tevergeefs het volk van God vervolgende.
[^habakuk-3-7-33]: Kanttekening 33: 33 de gordijnen: Dat is, de tenten, van gordijnen gemaakt. Zie de geschiedenis Richt. 7:21. Richteren 7:21: En zij stonden, een ieder in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het gehele leger, en zij schreeuwden en vloden.
[^habakuk-3-7-34]: Kanttekening 34: Of, werden bewogen, of bevende. Het schijnt dat de profeet hier ziet op de nederlaag van Cuschan-Rischataïm, Richt. 3:10, en van de Midianieten, Richt. 6,7. Richteren 3:10: En de Geest van YHWH was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en YHWH gaf Cuschan Rischataim, de koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.
[^habakuk-3-8-35]: Kanttekening 35: 35 tegen de rivieren: Te weten tegen de Rode zee en de Jordaan, die Hij kloof. De zin is: Het scheen wel dat de Heer tegen de rivieren verstoord was, maar het was Hem te doen om zijn volk daar door te laten gaan.
[^habakuk-3-8-36]: Kanttekening 36: 36 Uw paarden: Versta hier door de paarden de wolken en vuurkolom, die als paarden van de Heer zijn, die Hij beweegt waarheen het Hem belieft, gelijk een ruiter zijn paard doet. Of, op paarden rijden kan hier betekenen spoediglijk voortvaren.
[^habakuk-3-8-37]: Kanttekening 37: 37 Uw wagens: Te weten door welke U uw volk verlossing hebt aangebracht. Het schijnt dat hij ziet op de historie, die geschreven staat Ex. 13:21, en Ex. 14:14. Exodus 13:21: En YHWH toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Exodus 14:14: YHWH zal voor u strijden, en u zult stil zijn.
[^habakuk-3-9-38]: Kanttekening 38: 38 De naakte grond: Of, de naaktheid \[van de zee\], te weten van de Rode zee en van de Jordaan, ontnaakte, of werd naakt, door uw boog. Zie Jes. 63:12; Ps. 114:5. Anders: naakt is uw boog ontwaakt, om uw eden wil \[gedaan in het\] woord, enz. Jesaja 63:12: Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte? Psalmen 114:5: Wat was u, u zee! dat u vloodt? u Jordaan! dat u achterwaarts keerde?
[^habakuk-3-9-39]: Kanttekening 39: 39 door uw boog: Of, met uw boog; dat is, door uw kracht en bevel. Anders: uw boog werd ontbloot.
[^habakuk-3-9-40]: Kanttekening 40: 40 de eden: Versta, de eden en beloften, die de Heer Abraham, Gen. 15:14, 15:18 en Gen. 17:8, en de andere patriarchen gedaan heeft. Daarom staat hier eden, niet eed, omdat God de Heer de eed meermalen vernieuwd heeft. Genesis 15:14: Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. Genesis 15:18: Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:8: En Ik zal u, en uw zaad na u, het land van uw vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
[^habakuk-3-9-41]: Kanttekening 41: 41 U hebt de: Of: U kloof de aarde met de rivieren. Zie Num. 20:10, 20:11 en Num. 21:16; Ps. 78:15, 16 en Ps. 114:5, en 1 Kor. 10:4. Anders: U kloof de rivieren \[tot op\] de aarde, opdat het volk van Israël daar zou kunnen doorgaan. Numeri 20:10: En Mozes en Aäron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoort toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen? Numeri 20:11: Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Numeri 21:16: En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welke YHWH tot Mozes zei: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. Psalmen 78:15: Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. Psalmen 114:5: Wat was u, u zee! dat u vloodt? u Jordaan! dat u achterwaarts keerde? 1 Korinthiërs 10:4: En allen dezelfde geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
[^habakuk-3-10-42]: Kanttekening 42: 42 De bergen: Of, als U de bergen zagen, werden zij bang. Dit verstaan sommigen geschied te zijn toen de wet verkondigd werd, Ex. 19:18, Zie Ps. 114:4, 114:6. Exodus 19:18: En de gehele berg Sinaï rookte, omdat YHWH op hem nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de gehele berg beefde zeer. Psalmen 114:4: De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. Psalmen 114:6: U bergen, dat u opsprong als rammen? u heuvelen! als lammeren?
[^habakuk-3-10-43]: Kanttekening 43: 43 leden smart: Te weten vanwege de vrees, die zij voor U hadden.
[^habakuk-3-10-44]: Kanttekening 44: 44 de waterstroom: Te weten de Jordaan. Anders: de overloping van de wateren.
[^habakuk-3-10-45]: Kanttekening 45: 45 ging door: Dat is, vluchtte daarheen, omdat het water dat van boven nederwaarts kwam staande bleef, maar het water, dat naar beneden liep, nam af en vervlood. Zie Joz. 3:16. Jozua 3:16: Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.
[^habakuk-3-10-46]: Kanttekening 46: 46 de afgrond gaf: De afgrond of diepte van de Rode zee werd gehoord, te weten met geweld en met gedruis nederwaarts lopende, en het ene deel zich van het andere afscheurende.
[^habakuk-3-10-47]: Kanttekening 47: 47 zijn zijden op: Hebr. zijn handen; dat is, de hopen van de wateren, die overeind staande, water als handen aan een lichaam. Maar dit is hier te verstaan alleen van de ene zijde, die als een muur, onbeweeglijk overeind bleef staan, totdat er de Israëlieten waren doorgegaan, de andere zijde liep, nederwaarts, makende zo een droge baan. Anders: de diepte hief haar handen op. Haar handen, dat is, haar grote bergen van water aan de ene en de andere zijde overeind verheven staande, U, o Heer, op hun wijze eerbied en gehoorzaamheid bewijzende.
[^habakuk-3-11-48]: Kanttekening 48: 48 stonden stil: Te weten terwijl Jozua tegen de Amorieten streed, Joz. 10:12. Jozua 10:12: Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon!
[^habakuk-3-11-49]: Kanttekening 49: 49 in haar woning: Dat is, in de hemel.
[^habakuk-3-11-50]: Kanttekening 50: 50 met het licht: Versta hier door het licht de bliksem.
[^habakuk-3-11-51]: Kanttekening 51: 51 uw pijlen: Pijlen is hier te zeggen hagelstenen. Zie Joz. 10:11. Jozua 10:11: Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden.
[^habakuk-3-11-52]: Kanttekening 52: 52 uw bliksemende spies: Dat is, de gruwelijke donderslagen met schrikkelijke bliksemen en hagelstenen vermengd, kwetsende en doodslaande als scherpe spiesen. Anders, en met de glans van uw spiesen.
[^habakuk-3-12-53]: Kanttekening 53: 53 Met toorn: Of, in toorn.
[^habakuk-3-12-54]: Kanttekening 54: 54 door het land: Te weten door het land Kanaän, toen U de Kanaänieten uitdreeft om uw volk daarin te planten.
[^habakuk-3-12-55]: Kanttekening 55: 55 dorstet U: Zie deze manier van spreken en straffen Amos 1:3, en Micha 4:13. Amos 1:3: Zo zegt YHWH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst. Micha 4:13: Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun winst YHWH verbannen, en hun vermogen de Heer van de gehele aarde.
[^habakuk-3-12-56]: Kanttekening 56: 56 de heidenen: Te weten die in het land Kanaän woonden, zijnde zeven in getal.
[^habakuk-3-13-57]: Kanttekening 57: 57 tot verlossing met: Dat is, om te helpen met of door uw gezalfde, dat is, met Christus, wiens voorbeeld Jozua geweest is. Anderen verstaan hier David door de gezalfde, die ook een voorbeeld van Christus was, wiens overwinningen beschreven staan 2 Sam. 5, 8, 18 en elders. Anders: tot verlossing van uw gezalfde, dat is, uw uitverkorene.
[^habakuk-3-13-58]: Kanttekening 58: 58 het hoofd van: Dat is, de vorsten en heren van het volk, dat zich krachtiglijk tegen de Israëlieten stelde, gelijk waren de Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Syriëers, Edomieten enz.
[^habakuk-3-13-59]: Kanttekening 59: 59 de grond tot: Versta hier door de grond het land zelf, dat de Heer van onder tot boven gezuiverd heeft van de vijanden van zijn volk, aangezien zij het zo bedekt hadden en zo daarin geworteld waren, dat het scheen onmogelijk te zijn hen daaruit te roeien; zie boven vers 6. Of de zin is: U hebt uws volk vijanden te schande gemaakt van het hoofd tot de voeten toe, dat is, van de grootste tot de kleinste. Habakuk 3:6: Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn de Zijne.
[^habakuk-3-13-60]: Kanttekening 60: Zie boven vers 3, 3:9. Habakuk 3:3: God kwam van Theman, en de Heilige van de berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en de aarde was vol van Zijn lof. Habakuk 3:9: De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. U hebt de rivieren van de aarde gekloofd.
[^habakuk-3-14-61]: Kanttekening 61: 61 zijn staven: Te weten van de gezalfde, of met uws volks staven of stokken. De zin is: U hebt degenen, die op de dorpen en omliggende plaatsen overig waren en uw volk kwelden, door uw gezalfde zo te schande gemaakt, alsof U hen het hoofd met een boor doorboord hadt. Anders: met hun, te weten met hun eigen staven, dat is, met dezelfde middelen, door welke zij uw volk dachten te verdelgen.
[^habakuk-3-14-62]: Kanttekening 62: 62 mij te verstrooien: Te weten mijn volk, de Israëlieten.
[^habakuk-3-14-63]: Kanttekening 63: 63 die zich verheugden: Hebr. hun verheuging was, enz.
[^habakuk-3-14-64]: Kanttekening 64: 64 de ellendigen: Te weten de ellendige bedrukte, ja, schier verdrukte Israëlieten, die dikwijls uit vrees van de vijanden zich moesten versteken in holen en spelonken ten tijde van de richters, want het scheen dat zij hen met huid en met haar zouden opeten en verslinden.
[^habakuk-3-15-65]: Kanttekening 65: 65 uw paarden: Zie boven vers 8. Habakuk 3:8: Was YHWH ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw toorn tegen de zee, toen U op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.
[^habakuk-3-15-66]: Kanttekening 66: 66 de geweldige: Of, door, of op, de hoop van vele \[of grote\] wateren. Versta dit van de grote hopen wateren van de Rode zee, die als muren overeind stonden, als de Israëlieten daardoor gingen. Verg. Joz. 3:13. Jozua 3:13: Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van YHWH, de Heer van de gehele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op één hoop blijven staan.
[^habakuk-3-16-67]: Kanttekening 67: 67 Als ik het: Als ik hoorde het oordeel van God van de verstoring van de stad Jeruzalem door de Chaldeën, boven vers 2. Habakuk 3:2: YHWH! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o YHWH! behoud dat in het leven in het midden van de jaren, maak het bekend in het midden van de jaren; in de toorn gedenk van de ontfermens.
[^habakuk-3-16-68]: Kanttekening 68: 68 mijn buik beroerd: Dat is, al wat in mij was; of mijn hart; gelijk Spr. 20:27; verg. Jes. 16:11. Anders: zo beefde mijn buik. Spreuken 20:27: De ziel van de mens is een lamp van YHWH, doorzoekende al de binnenkameren van de buik. Jesaja 16:11: Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres.
[^habakuk-3-16-69]: Kanttekening 69: 69 voor de stem: Dat is, als ik die profetie van de verstoring van Jeruzalem van de Heer hoorde; zie boven Hab. 1:6. Habakuk 1:6: Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten van de aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.
[^habakuk-3-16-70]: Kanttekening 70: 70 verrotting kwam: Dat is, het deed mij zeer wee, ja zo wee alsof mijn benen vervuild en vol etter waren geworden.
[^habakuk-3-16-71]: Kanttekening 71: 71 mijn plaats: Dat is, in de plaats waar ik tegenwoordig sta, of stond, toen ik die stem hoorde.
[^habakuk-3-16-72]: Kanttekening 72: 72 Zekerlijk, ik zal: Of, immers. Zie van zulke een betekenis van het Hebr. woord, Hos. 14:4. Of, ik die rusten zal, of opdat ik ruste. Hier richt zich de profeet weer op door betrachting van Gods genadige regering. Hosea 14:4: Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.
[^habakuk-3-16-73]: Kanttekening 73: 73 hij optrekken zal: Te weten de koning van Babel.
[^habakuk-3-16-74]: Kanttekening 74: 74 tegen het volk: Te weten tegen het volk van Juda. Zie de historie 2 Kon. 25.
[^habakuk-3-17-75]: Kanttekening 75: 75 Alhoewel de: De zin is: Alhoewel het Joodse land door de Chaldeën zeer jammerlijk aan alle kanten zal verwoest worden.
[^habakuk-3-17-76]: Kanttekening 76: 76 dat het werk: Dat is, de vrucht.
[^habakuk-3-17-77]: Kanttekening 77: 77 liegen zal: Dat is, niet te voorschijn komen zal, maar de landman in zijn hoop bedriegen zal. Zie dergelijke manier van spreken. Job 40:28, en Jes. 58:11. Job 40:28: Zie, zijn hoop zal falen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? Jesaja 58:11: En YHWH zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken.
[^habakuk-3-17-78]: Kanttekening 78: 78 geen voedsel: Dat is, gene vruchten tot spijs en voedsel van de mensen en van de beesten.
[^habakuk-3-17-79]: Kanttekening 79: Hebr. maken.
[^habakuk-3-17-80]: Kanttekening 80: Of, het vee, versta, klein vee, als schapen en geiten.
[^habakuk-3-17-81]: Kanttekening 81: 81 geen rund: Dat is, geen grote beesten, als ossen en koeien.
[^habakuk-3-18-82]: Kanttekening 82: Ik Habakuk, en alle gelovigen.
[^habakuk-3-18-83]: Kanttekening 83: 83 van vreugde: Vanwege de troost, die de Heer mij toegesproken heeft, van de verlossing van zijn volk. Zie boven Hab. 2:3. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
[^habakuk-3-18-84]: Kanttekening 84: 84 in de God: Of, vanwege God mijnen Heiland, of in de God mijns heils; dat is, die mij heil en zaligheid heeft teweeggebracht. Het Hebr. woord, te weten zaligmaking, of zaligheid, heil en het woord Jezus, hebben één wortel of oorsprong, zodat dit bekwamelijk op Christus gepast wordt.
[^habakuk-3-19-85]: Kanttekening 85: 85 is mijn sterkte: Dat is, die mij sterkte geeft, zijn macht wordt in mijn onmacht volbracht.
[^habakuk-3-19-86]: Kanttekening 86: 86 Hij zal mijn voeten maken: Dat is, Hij zal maken dat ik allen nood en gevaar zal kunnen ontlopen, en ook alle zwarigheid gelukkiglijk zal kunnen overwinnen. Dit staat ook 2 Sam. 22:34; zie daar de aantekening en verg. het met 2 Sam. 1:23. 2 Samuël 22:34: Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en stelt mij op mijn hoogten. 2 Samuël 1:23: Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen.
[^habakuk-3-19-87]: Kanttekening 87: 87 als van de hinden: Te weten, zo snel en zo gauw als de hinden of herten. Zie 2 Sam. 22:34, en verg. dit met Ps. 18:34. 2 Samuël 22:34: Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en stelt mij op mijn hoogten. Psalmen 18:34: Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
[^habakuk-3-19-88]: Kanttekening 88: 88 Hij zal mij doen treden op mijn hoogten: Dat is, Hij zal mij wederbrengen in mijn land te weten in het land van Juda, dat hoog en bergachtig is. Of versta hier door hoogten vast sloten en sterkten.
[^habakuk-3-19-89]: Kanttekening 89: 89 Voor de opperzangmeester op mijn Neginoth: De zin is, dit gebed van Habakuk de opperzangmeester overgegeven, om te zingen in de verzameling van de gemeente op neginoth, of op neginothai. Anderen zetten het over op mijn snarenspel, of op mijn instrument met snaren. Zie hiervan breder Ps. 4:1. Dit laatste lid zou men ook alleen mogen schrijven, na de woorden op mijn hoogte een nieuwen regel beginnende, als eigenlijk tot de psalm niet behoorden, maar aldus: op mijn hoogten. Voor de opperzangmeester op mijn neginoth. Psalmen 4:1: Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth.

## Zefanja

### Zefanja 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zefanja/1.json)

*De Heere voorzegt de ondergang van Jeruzalem en de verwoesting van de hele stam Juda door de Babyloniërs, vanwege hun afgoderij en andere zonden, terwijl Hij hen vermaant tot boete, omdat de wegvoering naar Babel voorhanden was.*

**1** Het woord van YHWH, dat gebeurd is tot[^zefanja-1-1-1] Zefanja, de zoon[^zefanja-1-1-2] van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia;[^zefanja-1-1-3] in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v1)

**2** Ik zal[^zefanja-1-2-4] geheel alles wegrapen[^zefanja-1-2-5] uit dit land, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v2)

**3** Ik zal wegrapen mensen en[^zefanja-1-3-6] beesten; Ik zal wegrapen de vogels van de hemel, en de vissen van de zee, en[^zefanja-1-3-7] de struikelblokken met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v3)

**4** [^zefanja-1-4-8] En Ik zal Mijn hand[^zefanja-1-4-9] uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal[^zefanja-1-4-10] uit deze plaats uitroeien[^zefanja-1-4-11] het overblijfsel van Baäl, en de naam[^zefanja-1-4-12] van de Chemarim[^zefanja-1-4-13] met de priesters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v4)

**5** [^zefanja-1-5-14] En[^zefanja-1-5-15] die zich neerbuigen op[^zefanja-1-5-16] de daken voor[^zefanja-1-5-17] het leger van de hemel, en die zich[^zefanja-1-5-18] neerbuigende zweren bij YHWH, en[^zefanja-1-5-19] zweren[^zefanja-1-5-20] bij Malcham; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v5)

**6** En[^zefanja-1-6-a] die terugkeren van achter YHWH; en die YHWH niet zoeken, en vragen naar Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v6)

**7** [^zefanja-1-7-21] Zwijg[^zefanja-1-7-22] voor het aangezicht van de Heere YHWH; want[^zefanja-1-7-23] de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft[^zefanja-1-7-24] een slachtoffer bereid, Hij heeft[^zefanja-1-7-25] Zijn genodigden[^zefanja-1-7-26] geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v7)

**8** En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van[^zefanja-1-8-27] YHWH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en[^zefanja-1-8-28] over de kinderen van de koning, en over allen,[^zefanja-1-8-29] die zich kleden met vreemde kleding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v8)

**9** Ook zal Ik op diezelfde dag[^zefanja-1-9-30] bezoeking doen[^zefanja-1-9-31] over al wie over de dorpel springt;[^zefanja-1-9-32] die het huis van hun heren[^zefanja-1-9-33] vullen met geweld en bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v9)

**10** En er zal[^zefanja-1-10-34] op die dag, spreekt YHWH, een stem van het gekrijt[^zefanja-1-10-35] zijn van[^zefanja-1-10-36] de Vispoort af, en een gehuil van[^zefanja-1-10-37] het tweede gedeelte, en[^zefanja-1-10-38] een grote breuk[^zefanja-1-10-39] van de heuvelen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v10)

**11** Huil, u inwoners[^zefanja-1-11-40] van de laagte! Want al het volk van[^zefanja-1-11-41] koophandel is[^zefanja-1-11-42] uitgehouwen, al[^zefanja-1-11-43] de gelddragers zijn uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v11)

**12** En het zal gebeuren in die tijd,[^zefanja-1-12-44] Ik zal Jeruzalem[^zefanja-1-12-45] met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over[^zefanja-1-12-46] de mannen,[^zefanja-1-12-47] die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart[^zefanja-1-12-48] zeggen: YHWH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v12)

**13** Daarom zal[^zefanja-1-13-49] hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting;[^zefanja-1-13-50] zij bouwen wel huizen, maar zij[^zefanja-1-13-51] zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen van die wijn niet drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v13)

**14** [^zefanja-1-14-52] De grote dag van YHWH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende;[^zefanja-1-14-53] de stem van[^zefanja-1-14-54] de dag van YHWH;[^zefanja-1-14-55] de held zal daar bitter schreeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v14)

**15** Die dag zal een dag[^zefanja-1-15-56] van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angst, een dag van de woestheid en verwoesting,[^zefanja-1-15-b] een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v15)

**16** [^zefanja-1-16-57] Een dag van de bazuin en van het geklank tegen de versterkte steden en tegen[^zefanja-1-16-58] de hoge hoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v16)

**17** En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan[^zefanja-1-17-59] als de blinden; want zij hebben tegen YHWH gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden[^zefanja-1-17-60] als stof, en hun[^zefanja-1-17-61] vlees[^zefanja-1-17-62] zal worden als mest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v17)

**18** Noch[^zefanja-1-18-c] hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden[^zefanja-1-18-d] op de dag van de toorn van YHWH;[^zefanja-1-18-63] maar door het vuur van Zijn ijver zal dit hele land[^zefanja-1-18-64] verteerd worden; want[^zefanja-1-18-65] Hij zal een voleinding maken, zeker, een haastige, met al de inwoners[^zefanja-1-18-66] van dit land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/1.html#v18)

[^zefanja-1-1-1]: Kanttekening 1: Ook gemeenlijk genoemd Sofonias.
[^zefanja-1-1-2]: Kanttekening 2: Wie deze Cuschi en die hier na hem volgen geweest zijn, is ons nu onbekend, maar zij zijn buiten twijfel in die tijden vermaarde en welbekende mannen geweest; en het schijnt dat hier dit geslachtregister van de voorouders van Zefanja gesteld is, om hem te onderscheiden van Zefanja, de zoon van Manaseja, die ook ten tijde van Josia geleefd heeft. De profeet Zefanja heeft ook geleefd en geprofeteerd ten tijde van Jeremia en van de profetes Hulda; verg. 2 Kon. 22:14 , en 2 Kron. 34:22 , en 2 Kron. 35:25 ; Jer. 1:2 . 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar. 2 Kronieken 34:22 : Toen ging Hilkia heen, en die van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken zulks tot haar. 2 Kronieken 35:25 : En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. Jeremia 1:2 : Tot welke het woord van YHWH geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.
[^zefanja-1-1-3]: Kanttekening 3: in de dagen van Josia: Te weten, nadat Josia de kerkedienst en godsdienst gereformeerd had, gelijk af te leiden is uit vers 4 . Zefanja 1:4 : En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en de naam van de Chemarim met de priesters;
[^zefanja-1-2-4]: Kanttekening 4: ganselijk alles wegrapen: Hebr. wegrapende wegrapen, te weten, door de koning van de Chaldeën. Zie van de betekenis van het woord wegrapen Ps. 26:9 . Psalmen 26:9 : Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
[^zefanja-1-2-5]: Kanttekening 5: uit dit land: Hebr. van op het aangezicht van dit land, te weten, van het land Juda.
[^zefanja-1-3-6]: Kanttekening 6: Hier worden ook de dieren vermengd onder de straffen, die de mensen met hun zonden verdiend hebben, om te doen blijken hoe gruwelijk de zonde voor God is. Verg. Jer. 4:23 , 4:25 , 4:26 , 4:27 , en Jer. 9:10 ; Hos. 4:3 . Jeremia 4:23 : Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet. Jeremia 4:25 : Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren weggevlogen. Jeremia 4:26 : Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege YHWH, vanwege de hitte van Zijn toorn. Jeremia 4:27 : Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); Jeremia 9:10 : Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! Hosea 4:3 : Daarom zal het land treuren, en een ieder, die daarin woont, kwelen, met het gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel; ja, ook de vissen van de zee zullen weggeraapt worden.
[^zefanja-1-3-7]: Kanttekening 7: de ergernissen met de goddelozen: Of, de aanstotingen, te weten, het overblijfsel van de Baäl, vers 4 , gelijk waren afgoden, kapellen en alle gereedschap, behorende tot de afgoderij, want hierdoor werden de godzaligen geërgerd en bedroefd en van de ware godsdienst afgeleid; zie Ez. 14:3 , 14:7 . Zefanja 1:4 : En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en de naam van de Chemarim met de priesters; Ezechiël 14:3 : Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Ezechiël 14:7 : Want ieder man uit het huis van Israël, en uit de vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot de profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben YHWH, hem zal geantwoord worden door Mij;
[^zefanja-1-4-8]: Kanttekening 8: En Ik zal: Anders: dat is, in welke betekenis de letter Vau dikwijls genomen wordt.
[^zefanja-1-4-9]: Kanttekening 9: Te weten, om te slaan.
[^zefanja-1-4-10]: Kanttekening 10: uit deze plaats: Te weten, uit Juda en Jeruzalem.
[^zefanja-1-4-11]: Kanttekening 11: het overblijfsel van Baäl: Dat is, het gereedschap, dienende tot de afgodische dienst van Baäl, welke de vrome koning Josia niet ten enenmale heeft kunnen uitroeien. Maar anderen verstaan dit van het overblijfsel van de afgoderij, die na het wegvoeren van de tien stammen naar Assyrië, onder het volk van God, zelfs in Juda, nog overgebleven was.
[^zefanja-1-4-12]: Kanttekening 12: van de Chemarim: Zie de aantekening bij 2 Kon. 23:5 , wat door de chemarin te verstaan is. 2 Koningen 23:5 : Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al de legermacht van de hemel rookten.
[^zefanja-1-4-13]: Kanttekening 13: met de priesters: Versta hier, die priesters, die zich met afgoderij bezoedeld en ontheiligd hadden in de algemene afval. Zie 2 Kon. 23:9 , en Zef. 3:4 . 2 Koningen 23:9 : Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van YHWH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers. Zefanja 3:4 : Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan.
[^zefanja-1-5-14]: Kanttekening 14: Te weten, Ik zal uitroeien.
[^zefanja-1-5-15]: Kanttekening 15: die zich nederbuigen: Dat is, niet allen degenen, die openbare afgodendienaars waren, maar ook hen, die een vermengde religie hebben en die naast of met hun afgoden ook de ware God dienen willen. Dat God verbiedt 1 Kon. 18:21 , en 2 Kon. 17:33 ; Ez. 20:39 . 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord. 2 Koningen 17:33 : Zij vreesden YHWH, en dienden ook hun goden, naar de wijze van de volken, van die zij die weggevoerd hadden. Ezechiël 20:39 : En u, o huis van Israël, zo zegt de Heer YHWH: Gaat heen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw drekgoden.
[^zefanja-1-5-16]: Kanttekening 16: de daken: Die in Judea en andere landen daar omheen, plat waren; zie de aantekening bij Deut. 22:8 , en op welke zij dikwijls hun afgoderij bedreven; zie 2 Kon. 23:12 , en Jer. 19:13 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. 2 Koningen 23:12 : Verder de altaren die op het dak van de opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en ook de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis van YHWH gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron. Jeremia 19:13 : En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op de daken waarvan zij aan al de legermacht van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.
[^zefanja-1-5-17]: Kanttekening 17: het legermacht van de hemel: Dat is, voor de sterren, zon en maan. Zie de aantekening bij Deut. 4:19 , en Jer. 7:18 , en Jer. 10:2 . Deuteronomium 4:19 : Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, de gehele legermacht van de hemel; en wordt aangedreven, dat u u voor die buigt, en hen dient; die YHWH, uw God, aan alle volken onder de gansen hemel heeft uitgedeeld. Jeremia 7:18 : De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen. Jeremia 10:2 : Zo zegt YHWH: Leert de weg van de heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen van de hemel, omdat zich de heidenen voor dezelfde ontzetten.
[^zefanja-1-5-18]: Kanttekening 18: zweren bij YHWH: Of, de Heer zweren, gelijk 2 Kron. 15:14 ; dat betekent voor God gehoorzaamheid en onderhouding van zijn geboden beloven, en zich voor God heiligen en overgeven. 2 Kronieken 15:14 : En zij zwoeren YHWH met luide stem en met gejuich, evenzo met trompetten en met bazuinen.
[^zefanja-1-5-19]: Kanttekening 19: Zie de aantekening bij Jer. 49:1 . Jeremia 49:1 : Tegen de kinderen Ammons zegt YHWH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden?
[^zefanja-1-5-20]: Kanttekening 20: bij Malcham: Of, Melech, of Moloch, de afgod van de kinderen Ammons. Maar onder deze afgod kan men ook alle andere afgoden verstaan, welke de afgodendienaars noemden hun koningen. Melech betekent in het Hebr. een koning.
[^zefanja-1-6-a]: Verwijzing a: Jes. 1:4 ; Jes. 59:13 ; Jer. 15:6 . Jesaja 1:4 : Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben YHWH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts. Jesaja 59:13 : Het overtreden en het liegen tegen YHWH, en het achterwaarts wijken van onze God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart. Jeremia 15:6 : U hebt Mij verlaten, spreekt YHWH; u bent achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben van de berouwens moe geworden.
[^zefanja-1-7-21]: Kanttekening 21: Dat is, mort niet tegen de Heer, maar bekent dat Hij oprecht oordeelt. Of, houdt u maar stil, u zult in het kort de uitvoering van zijn dreigementen zien.
[^zefanja-1-7-22]: Kanttekening 22: voor het aangezicht van de Heer YHWH: Dat is, vanwege de aanwezigheid van de Heer.
[^zefanja-1-7-23]: Kanttekening 23: de dag van YHWH is nabij: Te weten, de dag van de wraak van de Heer, in welke Hij de goddeloze afgodische Joden straffen zal. Zo vers 14 . Van de dood van de koning Josia af zijn de Joden geduriglijk van de ene ellende in de andere vervallen, totdat hun koningen en zij met hen ten ondergebracht zijn geworden. Zefanja 1:14 : De grote dag van YHWH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van YHWH; de held zal daar bitterlijk schreeuwen.
[^zefanja-1-7-24]: Kanttekening 24: een slachtoffer bereid: Of, een slachtmaaltij, tot welke men vee slachtte. Het Hebr. woord betekent ook een beest, dat geslacht werd om geofferd te worden. En versta hier, door deze slachting, een slachting van de Joden. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 34:6 ; Jer. 46:10 , en Openb. 19:17 . Jesaja 34:6 : Het zwaard van YHWH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want YHWH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. Jeremia 46:10 : Maar deze dag is van YHWH, van YHWH van de legermachten, een dag van de wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heer, YHWH van de legermachten, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. Openbaring 19:17 : En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal van de grote God;
[^zefanja-1-7-25]: Kanttekening 25: Zijn genodigden: Versta door deze genodigde gasten de Chaldeën en andere vijanden van de Joden, die uit hun eigen land naar Jeruzalem komen zouden, om daar alles te vermoorden en te roven. Maar men kan hier ook wel door de genodigden verstaan de vogels van de hemel en de wilde dieren van het veld, die het vlees van de gedode Joden eten zouden, gelijk Deut. 28:26 , en Ez. 39:17 . Deuteronomium 28:26 : En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte van de hemel, en aan de beesten van de aarde tot voedsel zijn; en niemand zal ze afschrikken. Ezechiël 39:17 : U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^zefanja-1-7-26]: Kanttekening 26: Dat is, bereid of afgezonderd. Zie Jer. 12:3 . Jeremia 12:3 : Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding.
[^zefanja-1-8-27]: Kanttekening 27: dat Ik bezoeking zal doen: Voor dat Hij, te weten de Heer. Zo vers 7 . Zefanja 1:7 : Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.
[^zefanja-1-8-28]: Kanttekening 28: over de kinderen van de koning: Zie de vervulling Jer. 39:6 . Jeremia 39:6 : En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.
[^zefanja-1-8-29]: Kanttekening 29: die zich kleden met vreemde kleding: Hebr. die zich kleden met de kleren van een vreemd \[volk\], de heidenen ten gevalle. Anderen verstaan de dartele en brooddronken willen, niet tevreden zijnde met de gewone dracht van de kleren in hun land gebruikelijk, maar willen het alles naar een nieuwe mode en uitlands fatsoen hebben.
[^zefanja-1-9-30]: Kanttekening 30: bezoeking doen: Dat is, Ik zal straffen.
[^zefanja-1-9-31]: Kanttekening 31: over al wie over de dorpel springt: Dat is, die met geweld in het huis van een anderen man invalt, om zijn naaste te beroven. Of, die hun palen overtreden en in het land van hun naasten overtreden. Hos. 5:10 . Of, die met buit en roof geladen zijnde, tehuis komen, en met vreugde daarin springen. Hosea 5:10 : De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die het gebied verrukken; Ik zal Mijn toorn, als water, over hen uitgieten.
[^zefanja-1-9-32]: Kanttekening 32: die het huis van hun heren vullen: Dat is, die mee zulke stukken helpen verrichten, gelijk de dienaren van de grote heren wel plachten de hand mee te slaan aan zulke lelijke stukken die hun heren bedrijven.
[^zefanja-1-9-33]: Kanttekening 33: met geweld en bedrog: Dat is, met rijkdom door geweld en bedrog samengebracht.
[^zefanja-1-10-34]: Kanttekening 34: op die dag: Te weten, als de Chaldeën zullen komen en de stad overvallen.
[^zefanja-1-10-35]: Kanttekening 35: een stem van het gekrijt zijn: Te weten, van de burgers te Jeruzalem, onderstaande uit de inval of overval van de Chaldeën.
[^zefanja-1-10-36]: Kanttekening 36: de Vispoort af: Van deze poort wordt ook gewag gemaakt Neh. 3:3 ; zij was de naaste van al de poorten van Jeruzalem naar de zee, aan die zijde van de stad waar men ging naar Diospoli en Joppe. Nehemia 3:3 : De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.
[^zefanja-1-10-37]: Kanttekening 37: het tweede gedeelte: Anders genoemd de middelstad; zie de aantekening op 2 Kon. 20:4 , en 2 Kon. 22:14 . Anders: de tweede \[poort\]. 2 Koningen 20:4 : Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van YHWH tot hem geschiedde, zeggende: 2 Koningen 22:14 : Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.
[^zefanja-1-10-38]: Kanttekening 38: een grote breuk: Dat is, een grote jammer, ellende, moordgeschrei. Als men met zulk geweld roept en schreeuwt, dat schier de keel scheurt of kraakt, en dat er de lucht van breekt en scheurt.
[^zefanja-1-10-39]: Kanttekening 39: van de heuvelen af: Dat is, van die zijde van de stad waar verscheidene heuvels lagen, naar de drekpoort aan. Zie Jer. 31:39 , en de aantekening daar. Aan welk oord ook de Olijfberg lag. In één woord, de profeet wil in dit vers te kennen geven dat er grote jammer zou wezen aan alle hoeken en kanten van de stad, van welke drie hier genoemd worden, waaronder de anderen verstaan worden. Jeremia 31:39 : En het meetsnoer zal verder naast dezelfde uitgaan tot aan de heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
[^zefanja-1-11-40]: Kanttekening 40: van de laagte: Enige behouden het Hebr. woord machtes in de tekst. Anderen vertalen het in de kramerstraat, of in de apothekers, of kruideniersstraat. Het Hebr. woord betekent eigenlijk een mortier; het schijnt dat het de naam van een zekere straat binnen Jeruzalem geweest is, de mortierstraat genoemd, omdat men daar dagelijks de mortier hoorde klinken, gelijk dan de apothekers en kruideniers die dagelijks gebruikten, om hun kruiden of medicijnen daarin te stoten. Anders: in de holligheid, of holle straat; dat is, waar veel kelders waren, waarin die kooplieden hun waren legden. Hier woonden ook de goudsmeden, gelijk af te leiden is uit Neh. 3:8 , 3:31 , 3:32 . Nehemia 3:8 : Aan zijn hand verbeterde Uzziël, de zoon van Harhoja, één van de goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon van één van de apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan de brede muur. Nehemia 3:31 : Na hem verbeterde Malchia, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis van de tempelknechten en van de kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt. Nehemia 3:32 : En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.
[^zefanja-1-11-41]: Kanttekening 41: koophandel is: Of, kramervolk of handelaars, kooplieden. Anders: het volk van Kanaän, dat voor kooplieden genomen wordt, omdat de Kanaänieten grote koophandel dreven.
[^zefanja-1-11-42]: Kanttekening 42: Of, uitgedelgd; dat is, zullen uitgeroeid worden. Anders: zullen zwijgen, of stil zijn, hetzij dat er geen nering meer wezen zal, of dat zij dood zullen wezen.
[^zefanja-1-11-43]: Kanttekening 43: de gelddragers zijn uitgeroeid: Of, allen die met geld beladen zijn, te weten, de kooplieden en hun schrijvers, kassiers en wisselaars, die geld over en weer dragen om waren te kopen en te betalen.
[^zefanja-1-12-44]: Kanttekening 44: Ik zal Jeruzalem: Te weten, Ik de Heer.
[^zefanja-1-12-45]: Kanttekening 45: met lantaarnen doorzoeken: Dat is, met grote naarstigheid: Ik zal maken dat de Chaldeën en andere vreemde soldaten al de schat en rijkdom zullen zoeken, en alles wegnemen. Of het betekent dat God op het nauwste de zonden van het volk zal bezoeken en straffen.
[^zefanja-1-12-46]: Kanttekening 46: de mannen: Of, die mensen.
[^zefanja-1-12-47]: Kanttekening 47: die stijf geworden zijn op hun droesem: Of, die op hun heffen, of gest liggen; dat is, die gerust en zorgeloos zijn en in vleselijke zekerheid leven. Anders: die met hun hef vermengd zijn; dat is, die allerlei vuiligheid van de zonden en van de ondeugden opwerpen en als uitgisten, gelijk de nieuwe wijn doet; lees Jer. 48:11 . Jeremia 48:11 : Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.
[^zefanja-1-12-48]: Kanttekening 48: YHWH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad: De zin is: God past op de regering van de wereld niet, Hij straft en beloont niemand naar zijn verdiensten.
[^zefanja-1-13-49]: Kanttekening 49: hun vermogen ten roof worden: Dat is, hun rijkdom. Wat deze dreigementen betreft, zie daarvan Lev. 26:32 ; Deut. 28:30 . Leviticus 26:32 : Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken.
[^zefanja-1-13-50]: Kanttekening 50: zij bouwen wel huizen: Zie Amos 5:11 ; Micha 2:2 , 2:4 , en Micha 3:10 , 3:12 . Amos 5:11 : Daarom, omdat u de arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt u wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt gewenste wijngaarden geplant, maar u zult derzelver wijn niet drinken. Micha 2:2 : En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan een iedereen en zijn erfenis. Micha 2:4 : Te die dage zal men een spreekwoord over u opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers. Micha 3:10 : Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht. Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud.
[^zefanja-1-13-51]: Kanttekening 51: zij zullen ze niet bewonen: Dat is, zij zullen ze niet lang bewonen. Zie Deut. 28:30 , 28:39 . Deuteronomium 28:30 : U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet gemeen maken. Deuteronomium 28:39 : Wijngaarden zult u planten, en bouwen, maar u zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.
[^zefanja-1-14-52]: Kanttekening 52: De grote dag van YHWH is nabij: Dat is, de dag in welke de Heer zwaar straffen zal. Zie vers 7 . Zefanja 1:7 : Zwijgt voor het aangezicht van de Heer YHWH; want de dag van YHWH is nabij; want YHWH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.
[^zefanja-1-14-53]: Kanttekening 53: de stem van de dag van YHWH: Verg. Ps. 29:3 , 29:4 , 29:5 ; Jer. 4:19 , enz. Psalmen 29:3 : De stem van YHWH is op de wateren, de God van de ere dondert; YHWH is op de grote wateren. Psalmen 29:4 : De stem van YHWH is met kracht, de stem van YHWH is met heerlijkheid. Psalmen 29:5 : De stem van YHWH breekt de cederen; ja, YHWH verbreekt de cederen van Libanon. Jeremia 4:19 : O mijn ingewand, mijn ingewand! ik heb barenswee, o wanden mijns harten! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei.
[^zefanja-1-14-54]: Kanttekening 54: de held zal: Hoeveel meer de zwakke of kleinhartige mannen, en ook vrouwen en kinderen.
[^zefanja-1-14-55]: Kanttekening 55: daar bitterlijk schreeuwen: Dat is, alsdan, gelijk Ps. 14:5 . Of, daar; dat is te Jeruzalem. Psalmen 14:5 : Daar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen.
[^zefanja-1-15-56]: Kanttekening 56: van de toorn zijn: Te weten, van de toorn van de Heer, gelijk in vers 18 . Dat is, alsdan zal de Heer in zijn toorn vele ellenden en straffen uitgieten. Dit wordt te kennen gegeven met velerlei verscheidene woorden in dit vers. Verg. Jer. 30:5 , 30:6 , 30:7 ; Amos 5:18 , 5:19 , 5:20 , en Joel 2:1 , 2:2 , 2:3 , 2:11 . Zefanja 1:18 : Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van YHWH; maar door het vuur van Zijn ijver zal dit gehele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners van dit land. Jeremia 30:5 : Want zo zegt YHWH: Wij horen een stem van de verschrikking; er is vrees en geen vrede. Jeremia 30:6 : Vraagt toch en ziet, of een man baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid? Jeremia 30:7 : O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. Amos 5:18 : Wee die, die de dag van YHWH begeren! Waartoe toch zal u de dag van YHWH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. Amos 5:19 : Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang. Amos 5:20 : Zal dan niet de dag van YHWH duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij? Joël 2:1 : Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij. Joël 2:2 : Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. Joël 2:3 : Voor hetzelfde verteert een vuur, en achter hetzelfde brandt een vlam; het land is voor hetzelfde als een lusthof, maar achter hetzelfde een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelfde. Joël 2:11 : En YHWH verheft Zijn stem voor Zijn legermacht heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag van YHWH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?
[^zefanja-1-15-b]: Verwijzing b: Joël 2:1 ; idem v. 2 . Joël 2:1 : Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op de berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van YHWH komt, want hij is nabij. Joël 2:2 : Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
[^zefanja-1-16-57]: Kanttekening 57: Een dag van de bazuin en van het geklank: Dat is, een dag in welke de bazuinen en trompetten alarm zullen blazen, vanwege de inval van de vijand.
[^zefanja-1-16-58]: Kanttekening 58: de hoge hoeken: Of, torens, die gemeenlijk aan de hoeken van de kastelen of steden staan, of van de punten. Maar door hoeken worden somtijds de hoofden en voornaamsten onder het volk verstaan; Richt. 20:2 . Richteren 20:2 : En uit de hoeken van het gehele volk stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken.
[^zefanja-1-17-59]: Kanttekening 59: als de blinden: Die niet weten waarheen, of waarnaar, of wat zij het eerst of laatst doen zullen.
[^zefanja-1-17-60]: Kanttekening 60: als stof: Dat is, overvloedig, in grote menigte, gelijk een zaak van geen waarde. Zo wordt stof genomen Matt. 10:14 ; Hand. 13:51 , en Hand. 18:6 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof van uw voeten af. Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelfde, en kwamen te Ikonium. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^zefanja-1-17-61]: Kanttekening 61: Of, lichaam, eigenlijk voedsel; zo wordt het lichaam genoemd, omdat het voedsel van de wormen is.
[^zefanja-1-17-62]: Kanttekening 62: zal worden als drek: De zin is: Hun dode lichamen zullen in de akkers en het land geworpen worden, gelijk men de drek daarop werpt om het te mesten.
[^zefanja-1-18-c]: Verwijzing c: Spr. 11:4 ; Ez. 7:19 . Spreuken 11:4 : Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood. Ezechiël 7:19 : Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de dag van de toorn van YHWH; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hun ongerechtigheid zijn.
[^zefanja-1-18-d]: Verwijzing d: boven, v. 14 ; idem v. 15 ; idem v. 16 . Zefanja 1:14 : De grote dag van YHWH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van YHWH; de held zal daar bitterlijk schreeuwen. Zefanja 1:15 : Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angstes, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid; Zefanja 1:16 : Een dag van de bazuin en van de geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.
[^zefanja-1-18-63]: Kanttekening 63: door het vuur van Zijn ijver: Dat is, door een ijver, die als vuur brandt. Zie Ez. 38:19 . Ezechiël 38:19 : Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur van Mijn toorn: Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël!
[^zefanja-1-18-64]: Kanttekening 64: verteerd worden: Hebr. opgegeten worden; gelijk in Zef. 3:8 . Zefanja 3:8 : Daarom verwacht Mij, spreekt YHWH, op de dag als Ik Mij opmake tot de roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn toorn, de gehele hitte Mijns toorns uit te storten, want dit gehele land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.
[^zefanja-1-18-65]: Kanttekening 65: Hij zal een voleinding maken: Zie Jer. 4:27 . Jeremia 4:27 : Want zo zegt YHWH: Dit gehele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken);
[^zefanja-1-18-66]: Kanttekening 66: van dit land: Te weten, het Joodse land.

### Zefanja 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zefanja/2.json)

*De profeet vermaant de Joden tot bekering, voordat de straffen hen overvallen, in het bijzonder de vromen die nog in het land overgebleven waren, vers 1 enz. Dreigementen over enkele buitenlandse heidense volken, 4 enz. daartussen voorzegt hij de roeping van de heidenen tot de kennis van God en de ware godsdienst.*

**1** [^zefanja-2-1-1] Doorzoek u zelf nauw, ja,[^zefanja-2-1-2] doorzoek nauw, u volk,[^zefanja-2-1-3] dat met geen lust bevangen wordt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v1)

**2** [^zefanja-2-2-4] Voordat het besluit bare (gelijk[^zefanja-2-2-5] kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hitte van de toorn van YHWH over u nog niet komt; terwijl de dag van de toorn van YHWH over u nog niet komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v2)

**3** Zoek YHWH, alle[^zefanja-2-3-6] u zachtmoedigen van het land, die[^zefanja-2-3-7] Zijn recht werken! Zoek gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid,[^zefanja-2-3-8] misschien[^zefanja-2-3-9] zult u verborgen worden in de dag van de toorn van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v3)

**4** [^zefanja-2-4-10] Want Gaza[^zefanja-2-4-11] zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal[^zefanja-2-4-12] men in de middag verdrijven, en[^zefanja-2-4-13] Ekron zal uitgeworteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v4)

**5** Wee de inwoners[^zefanja-2-5-14] van de landstreek van de zee, de volken[^zefanja-2-5-15] van de[^zefanja-2-5-16] Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en[^zefanja-2-5-17] Ik zal u[^zefanja-2-5-18] verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v5)

**6** En[^zefanja-2-6-19] de landstreek van de zee zal wezen tot hutten,[^zefanja-2-6-20] uitgegraven putten van de herder, en betuiningen van de kudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v6)

**7** En[^zefanja-2-7-21] de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van[^zefanja-2-7-22] Juda, dat zij daarin weiden;[^zefanja-2-7-23] 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren,[^zefanja-2-7-24] als YHWH, hun God, hen zal[^zefanja-2-7-25] bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v7)

**8** Ik heb[^zefanja-2-8-26] de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben[^zefanja-2-8-27] zich groot gemaakt tegen zijn gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v8)

**9** Daarom,[^zefanja-2-9-28] zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH van de legermachten, de God van Israël:[^zefanja-2-9-29] Moab zal zeker zijn[^zefanja-2-9-30] als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en[^zefanja-2-9-31] een zoutgroeve, en een verwoesting[^zefanja-2-9-32] tot in eeuwigheid! De overigen van Mijn volk[^zefanja-2-9-33] zullen ze beroven, en het overige van Mijn volk[^zefanja-2-9-34] zal ze erfelijk bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v9)

**10** Dat zullen zij hebben[^zefanja-2-10-35] in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v10)

**11** Vreselijk zal YHWH tegen hen wezen, want Hij zal al de goden van de aarde[^zefanja-2-11-36] doen uitteren; en[^zefanja-2-11-37] ieder uit zijn plaats[^zefanja-2-11-38] zal Hem aanbidden,[^zefanja-2-11-39] al de eilanden van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v11)

**12** [^zefanja-2-12-40] Ook u, Moren! zult de verslagenen[^zefanja-2-12-41] van Mijn zwaard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v12)

**13** [^zefanja-2-13-42] Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal[^zefanja-2-13-43] Assur verdoen; en Hij zal Nineve[^zefanja-2-13-44] stellen tot een verwoesting,[^zefanja-2-13-45] droog als een woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v13)

**14** En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van[^zefanja-2-14-46] de volken; ook de[^zefanja-2-14-47] roerdomp, ook de nachtuil zullen op[^zefanja-2-14-48] haar granaatappels overnachten;[^zefanja-2-14-49] een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal[^zefanja-2-14-50] in de dorpel zijn, als[^zefanja-2-14-51] Hij[^zefanja-2-14-52] haar cederwerk[^zefanja-2-14-53] zal ontbloot hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v14)

**15** [^zefanja-2-15-54]Dit is die stad, die opspringt van vreugde,[^zefanja-2-15-55] die zeker woont, die in haar hart zegt:[^zefanja-2-15-56] Ik ben het, en buiten mij is geen meer;[^zefanja-2-15-57] hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal[^zefanja-2-15-58] ze aanfluiten, hij zal zijn hand[^zefanja-2-15-59] bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/2.html#v15)

[^zefanja-2-1-1]: Kanttekening 1: u zelf nauw: De zin is: Ga in uzelven, en onderzoek al uw doen, opdat u verstaat hoe zwaar u God de Heer vertoornd hebt met uw grote en menigvuldige zonden. Hebr. verzamel u. Het wordt eigenlijk gebruikt voor het verzamelen van de stoppelen of houten, gelijk Ex. 5:7 , 5:12 , en 1 Kon. 17:10 ; dat omdat het niet gebeuren kan dan met naarstig zoeken, zo wordt het ook voor zoeken gebruikt. Exodus 5:7 : U zult voortaan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen. Exodus 5:12 : Toen verstrooide zich het volk in het gehele land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro. 1 Koningen 17:10 : Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort van de stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zei: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke.
[^zefanja-2-1-2]: Kanttekening 2: doorzoek nauw: Benaarstig u ten hoogste, te weten om u met God te verzoenen.
[^zefanja-2-1-3]: Kanttekening 3: dat met geen lust bevangen wordt: Te weten, om u met God te verzoenen; of om wat goeds te doen. Anders: o volk, niet waard begeerd te worden.
[^zefanja-2-2-4]: Kanttekening 4: Voordat het besluit bare: Dat is, eer wat komt, dat van God tegen u besloten is; het besluit van God baart alsdan, als de strafoefening geschiedt. Gelijk de baring niet straks na de ontvangenis volgt, maar op de bestemde tijd, zo wordt Gods besluit uitgevoerd ten tijde, die Hij daartoe bestemd heeft. Verg. Ez. 20:25 . Ezechiël 20:25 : Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechten, waarbij zij niet leven zouden.
[^zefanja-2-2-5]: Kanttekening 5: (gelijk kaf gaat de dag voorbij): Dat is, snel; daarom bekeer u omdat u nog tijd hebt, voordat de dag, die als kaf voorbijvliegt, het besluit bare, dat is, tevoorschijn brenge wat God tegen u besloten heeft. Anders: \[en\] de dag voorbijga als kaf.
[^zefanja-2-3-6]: Kanttekening 6: u zachtmoedigen van het land: Dat is, u, die de Heer vreest in deze verwarde tijden.
[^zefanja-2-3-7]: Kanttekening 7: Zijn recht werken: Te weten, het recht, dat God u gegeven en voorgeschreven heeft. De zin is: U allen, die oprecht en vromelijk geleefd hebt naar de regel van zijn wetten.
[^zefanja-2-3-8]: Kanttekening 8: Zie de aantekening bij Joël 2:14 . Joël 2:14 : Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor YHWH, uw God.
[^zefanja-2-3-9]: Kanttekening 9: zult u verborgen worden: Of, zult u u kunnen verbergen, en volgens die zo zult u van de vijanden niet gekwetst of beschadigd worden. Verg. Ps. 27:5 , en Ps. 32:6 , 32:7 . Psalmen 27:5 : Want Hij versteekt mij in Zijn hut, op de dag van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Psalmen 32:6 : Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. Psalmen 32:7 : U bent mij een Verberging; U behoedt mij voor benauwdheid; U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
[^zefanja-2-4-10]: Kanttekening 10: Want Gaza: De zin is: God zal Gaza, Askelon, Asdod en andere volken, die rondom of omtrent u wonen, vanwege hun zonden, zwaar straffen; zo kunt dan u, Joden, uw rekening wel maken, dat Hij u ook niet sparen zal, tenzij u boete doet. De drie steden, die hier genoemd worden, lagen in het land van de Filistijnen, en het waren hoofdsteden. Zie Joz. 13:3 . Verg. Amos 1:7 . Jozua 13:3 : Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat aan de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. Amos 1:7 : Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren.
[^zefanja-2-4-11]: Kanttekening 11: zal verlaten wezen: De burgers daaruit verdreven of vernield zijnde door de Chaldeën.
[^zefanja-2-4-12]: Kanttekening 12: in de middag verdrijven: Dat is, openlijk, bij schonen lichten dag. Zie Jer. 6:4 . Jeremia 6:4 : Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.
[^zefanja-2-4-13]: Kanttekening 13: Ekron zal uitgeworteld worden: Het luidt in het Hebr. alsof men zei, de gewortelde \[want dat betekent Ekron\] zal uitgeworteld worden, dat is, met de wortel uitgeworteld worden.
[^zefanja-2-5-14]: Kanttekening 14: van de landstreek van de zee: Hebr. van het koord, touw, snoer. Zie Deut. 3:4 ; zo ook hieronder in vers 6 , 2:7 . Hier is een beschrijving van het land van de Filistijnen, palende aan de Middellandse zee. Deuteronomium 3:4 : En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de gehele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan. Zefanja 2:6 : En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herders, en betuiningen van de kudden. Zefanja 2:7 : En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als YHWH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.
[^zefanja-2-5-15]: Kanttekening 15: van de Cheretim: Of, van de Cheretieten; zie Ez. 25:16 . Zie ook 1 Sam. 30:14 . Zij waren dappere krijgslieden, en daarom waren zij, naar sommiger gevoelen, van David tot zijn lijfwachters en hellebaardiers gekozen. Zie 2 Sam. 8:18 , en 2 Sam. 15:18 , en 1 Kron. 18:17 . Ezechiël 25:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen. 1 Samuël 30:14 : Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op wat van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 2 Samuël 8:18 : Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. 2 Samuël 15:18 : En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor het aangezicht van de koning heen. 1 Kronieken 18:17 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand van de koning.
[^zefanja-2-5-16]: Kanttekening 16: Het woord van YHWH: Dat is, de straf, die de Heer u gedreigd heeft in zijn woord, zal u overkomen; u, die anderen tot nog toe geplaagd hebt, zult nu ook geplaagd worden, nadat de Heer zijn volk zal gekastijd hebben.
[^zefanja-2-5-17]: Kanttekening 17: Ik zal u: Te weten, Ik de Heer.
[^zefanja-2-5-18]: Kanttekening 18: Of, verdelgen.
[^zefanja-2-6-19]: Kanttekening 19: de landstreek van de zee: Te weten, het lande van de Filistijnen, aan de zee gelegen.
[^zefanja-2-6-20]: Kanttekening 20: uitgegraven putten: Welke de herders in de dorre heiden graven, om water daarin te vergaderen. De profeet wil in dit vers te kennen geven dat die grote schone kastelen en gebouwen, die daar in die landstreken plachten te staan, zullen afgebroken en verwoest worden, en dat er in plaats daarvan niet dan hutten van de herders zullen staan, en in plaats van rijke voortreffelijke personen, schaapherders en andere gewone mensen wonen zullen, die daar hun huisjes en hutjes zullen opslaan, om voor een tijdlang te verblijven.
[^zefanja-2-7-21]: Kanttekening 21: de landstreek: Dit kan wel enigermate aldus verstaan worden, dat de Joden wederkerende uit de Babylonische gevangenschap, het land van de Filistijnen, dat zij leeg en woest zullen vinden, innemen en bezitten zullen; maar voornamelijk is het geestelijkerwijze te verstaan, zo namelijk dat de Filistijnen en andere natiën van de heidenen zich ten tijde van Christus het volk van God zouden onderwerpen, en in de gemeente van Christus zouden ingelijfd worden. Zie Jes. 11:14 . Jesaja 11:14 : Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.
[^zefanja-2-7-22]: Kanttekening 22: dat zij daarin weiden: Dat is, zij zullen daar hun weide en woning hebben, gelijk de schapen 's nachts hun rust in hun stallen hebben. Anderen verstaan het aldus, dat de Joden Christus aangenomen hebbende, de Filistijnen en anderen het Evangelie zullen prediken, want dat heet ook weiden, gelijk te zien is Joh. 10 , en Joh. 21:15 , 21:16 , 21:17 , en dit is inderdaad zo geschied, als Gaza, Azotes en de omliggende plaatsen, door de predikatie van de apostelen tot Christus zijn bekeerd geworden; Hand. 8:26 , 8:40 , en Hand. 9:32 , 9:35 , 9:36 . Verg. Obad. 1:18 , 1:19 , 1:20 . Johannes 21:15 : Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Johannes 21:16 : Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heer, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. Johannes 21:17 : Hij zei tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zei: Hebt u Mij lief, en zei tot Hem: Heer! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen. Handelingen 8:26 : En een engel van de Heer sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. Handelingen 8:40 : Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam. Handelingen 9:32 : En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden. Handelingen 9:35 : En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, die zich bekeerden tot de Heer. Handelingen 9:36 : En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, dat overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed. Obadja 1:18 : En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want YHWH heeft het gesproken. Obadja 1:19 : En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead. Obadja 1:20 : En de gevankelijk weggevoerden van deze legermacht van de kinderen van Israël, wat van de Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, wat in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.
[^zefanja-2-7-23]: Kanttekening 23: 's avonds: De zin is: Daar zal alsdan zulk een rust en vrede tussen hen wezen, dat zelfs 's avonds en bij nacht, wanneer gemeenlijk de één voor de ander bevreesd is, elk gerustelijk zal wonen en omgaan.
[^zefanja-2-7-24]: Kanttekening 24: als YHWH: Of, want de Heer hun God zal hen bezoeken, en, enz.
[^zefanja-2-7-25]: Kanttekening 25: Te weten, met genade, gelijk Ps. 8:5 . Eerst hen uit de Babylonische gevangenschap verlossende, daarna uit de gevangenschap van de satan, als Christus, geleden hebbende en uit de doden opstaande, ten hemel zal gevaren zijn en de menigte van de gevangenen gevangen zal genomen hebben; Ef. 4:8 . Psalmen 8:5 : Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de zoon van de mensen, dat U hem bezoekt? Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^zefanja-2-8-26]: Kanttekening 26: de beschimping van Moab gehoord: Of, de versmading, of de smaad.
[^zefanja-2-8-27]: Kanttekening 27: zich groot gemaakt: Oorlog tegen hen voerende, en hun een deel van hun land afnemende, pochende dat zij nog meer land hun wilde afnemen. Zie de aantekening bij Ps. 35:26 , en verg. Jer. 48 , en Jer. 49 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
[^zefanja-2-9-28]: Kanttekening 28: zo waarachtig als Ik leef: Hebr. Ik leef.
[^zefanja-2-9-29]: Kanttekening 29: De Moabieten en hun land. Zie Jer. 48:1 , enz. Jeremia 48:1 : Tegen Moab zegt YHWH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt.
[^zefanja-2-9-30]: Kanttekening 30: als Sodom: Te weten, enigermate en een tijdlang zal hun land woest liggen; maar Hij wil niet zeggen dat het zo zal vernield worden, noch dat het in eeuwigheid zo woest zou blijven, gelijk Sodom.
[^zefanja-2-9-31]: Kanttekening 31: een zoutgroeve: Woest en ellendig waar niets groeien zal. Zie Richt. 9:45 ; Ps. 107:34 ; Plin lib 31, Nat. Hist. cap. 7. Richteren 9:45 : Verder streed Abimelech tegen de stad dienzelven gansen dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout. Psalmen 107:34 : Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
[^zefanja-2-9-32]: Kanttekening 32: tot in eeuwigheid: Dat is, een lange tijd. Want deze landen zijn niet altijd dus desolaat gebleven.
[^zefanja-2-9-33]: Kanttekening 33: zullen ze beroven: De zin is: Enigen uit de Ammonieten en uit de Moabieten zullen zich tot de Christelijke godsdienst bekeren, en zij zullen in de schoot van de gemeente ontvangen en aangenomen worden. Verg. vers 7 , en zie de aantekening bij Jes. 11:14 . Zefanja 2:7 : En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als YHWH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben. Jesaja 11:14 : Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.
[^zefanja-2-9-34]: Kanttekening 34: zal ze erfelijk bezitten: Of, zullen ze erven.
[^zefanja-2-10-35]: Kanttekening 35: in plaats van hun hoogmoed: Of, voor hun hoogmoed, vanwege hun hovaardij, die zij het volk van God betoond hebben, toen het in zwarigheid en ellende was.
[^zefanja-2-11-36]: Kanttekening 36: doen uitteren: Dat is, allengskens teniet maken; men zal hun gene offeranden meer brengen. Dit is geschied in de verschijning van Christus, en daarna.
[^zefanja-2-11-37]: Kanttekening 37: ieder: Alsof hij zei: Men zal te die tijde de ware God niet alleen in Judea eren en aanbidden, maar iedere natie in haar land en stad, zonder dat zij naar Jeruzalem zullen behoeven te reizen. Zie Joh. 4:21 . Johannes 4:21 : Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden.
[^zefanja-2-11-38]: Kanttekening 38: zal Hem aanbidden: Zie de aantekening bij Gen. 24:26 . Genesis 24:26 : Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad YHWH;
[^zefanja-2-11-39]: Kanttekening 39: al de eilanden van de heidenen: Dat is, al de heidense natiën, wie en waar die zijn.
[^zefanja-2-12-40]: Kanttekening 40: Ook u, Moren: Of, aldus: Wat ook u, o Moren, betreft, u zult door mijn zwaard geslagen worden. De zin is: U Moren, zult wel eerst verwoest worden, zie 2 Kron. 14:9 ; maar daarna zult u alsmede tot Christus gebracht worden. Zie Zef. 3:10 . Hebr. ook u, Moren, zij zullen, enz. Verg. Micha 1:2 met de aantekening daar. 2 Kronieken 14:9 : En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een legermacht van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe. Zefanja 3:10 : Van de zijden van de rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen. Micha 1:2 : Hoort, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook derzelver volheid! de Heer YHWH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heer uit de tempel van Zijn heiligheid.
[^zefanja-2-12-41]: Kanttekening 41: Mijn zwaard zijn: Hij noemt de koning Nebukadnezar zijn zwaard, gelijk Assur genoemd wordt, de roede of staf van de toorn van God, Jes. 10:5 . Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!
[^zefanja-2-13-42]: Kanttekening 42: Hij zal ook Zijn hand uitstrekken: Te weten, de Heer.
[^zefanja-2-13-43]: Kanttekening 43: Dat is, de Assyriërs.
[^zefanja-2-13-44]: Kanttekening 44: stellen tot een verwoesting: Dat is, maken.
[^zefanja-2-13-45]: Kanttekening 45: droog als een woestijn: Die tevoren waterrijk was; Nah. 2:8 . Nahum 2:8 : Nineve is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, maar zij zullen vluchten. Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.
[^zefanja-2-14-46]: Kanttekening 46: Dat is, van de omliggende natiën, die hun vee daar zullen legeren. Of, gelijk anderen, allerlei lelijke verschrikkelijke beesten, die bij de vergelegen natiën in de grote wildernis gevonden worden. Versta hierbij, in plaats van mensen en allerlei lieflijkheid.
[^zefanja-2-14-47]: Kanttekening 47: Of, putoor.
[^zefanja-2-14-48]: Kanttekening 48: haar granaatappelen: Die boven aan de balken, of op de huizen tot sieraad, plachten geschilderd of gemaakt en gesneden te worden. Verg. Amos 9:1 . Amos 9:1 : Ik zag de Heer staan op het altaar, en Hij zei: Sla die knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vliedende zal onder hen niet ontvluchten, noch de ontkomende onder hen behouden worden.
[^zefanja-2-14-49]: Kanttekening 49: een stem: Of, derzelver stem, te weten, een stem van die afgrijselijke dieren, die hier genoemd staan, en Jes. 13:21 , 13:22 , en Jes. 34:11 , enz. Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. Jesaja 13:22 : En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden. Jesaja 34:11 : Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid.
[^zefanja-2-14-50]: Kanttekening 50: in de dorpel zijn: Of, aan de posten.
[^zefanja-2-14-51]: Kanttekening 51: Te weten, de Heer, of de vijand.
[^zefanja-2-14-52]: Kanttekening 52: haar cederwerk: Hebr. haar cederen, of zijn cederen; dat is, het beschutwerk van cederhout. Of, haar huizen van cederhout gemaakt.
[^zefanja-2-14-53]: Kanttekening 53: zal ontbloot hebben: Of, zal afgerukt hebben.
[^zefanja-2-15-54]: Kanttekening 54: Dit is die stad: Dat is, zo zal het die stad Nineve gaan, die tevoren zo vol vreugde en blijdschap geweest is.
[^zefanja-2-15-55]: Kanttekening 55: die zeker woont: Die gerust is en niemand vreest.
[^zefanja-2-15-56]: Kanttekening 56: Ik ben het: Ik ben alleen de onoverwinnelijke, gene stad is bij mij te vergelijken in hoogheid, sterkte, voortreffelijkheid. Verg. Jes. 47:8 . Jesaja 47:8 : Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.
[^zefanja-2-15-57]: Kanttekening 57: hoe is zij geworden tot woestheid: Zie vers 14 . Zefanja 2:14 : En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.
[^zefanja-2-15-58]: Kanttekening 58: zal ze aanfluiten: Zie 1 Kon. 9:8 ; Klaagl. 2:15 , 2:16 ; Ez. 27:36 ; Micha 6:16 ; Nah. 3:19 . 1 Koningen 9:8 : En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde? Klaagliederen 2:16 : Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. Ezechiël 27:36 : De handelaars onder de volken fluiten u aan; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. Micha 6:16 : Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gehele werk van het huis van Achab; en u wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaadheid Mijns volks dragen. Nahum 3:19 : Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wie is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?
[^zefanja-2-15-59]: Kanttekening 59: Tot een teken van bespotting, of verwondering.

### Zefanja 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zefanja/3.json)

*Klacht van de profeet over de zonden van alle standen van het Joodse volk, met name over hun halsstarrigheid, vers 1 enz. hij dreigt hen met de straf van God, 8. Daarna profeteert hij hoe God de heidenen tot zijn kennis zou brengen, zijn kerk van haar zonden zou reinigen, haar zou beschermen en haar vijanden zou verdelgen, maar haar zou verheerlijken, 9 enz.*

**1** Wee[^zefanja-3-1-1] van de ijselijke, en[^zefanja-3-1-2] van de bevlekte,[^zefanja-3-1-3] van de verdrukkende stad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v1)

**2** Zij hoort naar de[^zefanja-3-2-4] stem niet;[^zefanja-3-2-5] zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op YHWH; tot haar God[^zefanja-3-2-6] nadert zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v2)

**3** [^zefanja-3-3-a] Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn[^zefanja-3-3-7] avondwolven,[^zefanja-3-3-8] die de beenderen niet breken[^zefanja-3-3-9] tot aan de morgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v3)

**4** [^zefanja-3-4-b] Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel[^zefanja-3-4-10] trouweloze mannen; haar priesters[^zefanja-3-4-11] verontreinigen het heilige,[^zefanja-3-4-12] zij doen van de wet geweld aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v4)

**5** [^zefanja-3-5-13] De rechtvaardige YHWH[^zefanja-3-5-14] is in het midden[^zefanja-3-5-15] van haar, Hij doet geen onrecht;[^zefanja-3-5-16] elke morgen[^zefanja-3-5-17] geeft Hij Zijn recht in het licht,[^zefanja-3-5-18] er ontbreekt niet; maar de verkeerde[^zefanja-3-5-19] weet van geen schaamte.[^zefanja-3-5-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v5)

**6** Ik heb de heidenen uitgeroeid,[^zefanja-3-6-20] hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord,[^zefanja-3-6-21] zodat er niemand is, dat er geen inwoner is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v6)

**7** [^zefanja-3-7-22]Ik zei: Immers zult[^zefanja-3-7-24] u Mij vrezen, u zult de tucht aannemen, opdat[^zefanja-3-7-25] haar woning niet uitgeroeid zou worden;[^zefanja-3-7-26] al wat Ik haar bezocht hebbe,[^zefanja-3-7-27] werkelijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.[^zefanja-3-7-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v7)

**8** Daarom[^zefanja-3-8-28] verwacht Mij, spreekt YHWH, op de dag als Ik Mij opmake tot de roof; want[^zefanja-3-8-29] Mijn oordeel is,[^zefanja-3-8-30] de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te verzamelen, om[^zefanja-3-8-31] over hen Mijn toorn, de hele hitte van Mijn toorn[^zefanja-3-8-32] uit te storten, want dit[^zefanja-3-8-33] hele land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v8)

**9** Zeker,[^zefanja-3-9-34] dan[^zefanja-3-9-35] zal Ik tot de volken een reine[^zefanja-3-9-36] spraak wenden; opdat zij allen de Naam van YHWH aanroepen, opdat zij Hem dienen[^zefanja-3-9-37] met een eenparige schouder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v9)

**10** Van de zijden van de rivieren[^zefanja-3-10-38] van de Moren zullen Mijn[^zefanja-3-10-39] ernstige aanbidders,[^zefanja-3-10-40] met de dochter van mijn verstrooiden, Mijn[^zefanja-3-10-41] offergaven brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v10)

**11** Op die dag zult[^zefanja-3-11-42] u[^zefanja-3-11-43] niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmee u tegen Mij overtreden hebt; want dan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw[^zefanja-3-11-44] hoogmoed, en u zult u voortaan niet meer verheffen[^zefanja-3-11-45] omwille van Mijn heilige berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v11)

**12** Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven[^zefanja-3-12-46] een ellendig en[^zefanja-3-12-47] arm volk; die zullen[^zefanja-3-12-48] op de Naam van YHWH betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v12)

**13** [^zefanja-3-13-49] De overgeblevenen van Israël[^zefanja-3-13-50] zullen geen onrecht doen, noch[^zefanja-3-13-51] leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en neerliggen,[^zefanja-3-13-52] en niemand[^zefanja-3-13-53] zal hen verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v13)

**14** Zing vrolijk, u dochter van Sion,[^zefanja-3-14-54] juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde met heel uw hart,[^zefanja-3-14-55] u[^zefanja-3-14-d] dochter van Jeruzalem![^zefanja-3-14-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v14)

**15** YHWH heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning[^zefanja-3-15-56][^zefanja-3-15-57][^zefanja-3-15-58] van Israël, YHWH,[^zefanja-3-15-59] is in het midden van u, u[^zefanja-3-15-60] zult geen kwaad meer zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v15)

**16** Op die dag zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet,[^zefanja-3-16-61] o[^zefanja-3-16-62] Sion! laat uw handen niet slap worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v16)

**17** YHWH, uw God, is in het midden van u,[^zefanja-3-17-63] een Held, Die verlossen zal; Hij zal[^zefanja-3-17-64] over u vrolijk zijn met blijdschap,[^zefanja-3-17-65] Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v17)

**18** [^zefanja-3-18-66] De bedroefden, vanwege de bijeenkomst, zal Ik[^zefanja-3-18-67] verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last[^zefanja-3-18-68] op haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v18)

**19** Zie, Ik zal in die tijd al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal[^zefanja-3-19-69] de hinkenden behoeden, en[^zefanja-3-19-70] de uitgestotenen verzamelen; en[^zefanja-3-19-71] Ik zal ze stellen tot een lof, en[^zefanja-3-19-72] tot een naam,[^zefanja-3-19-73] in het hele land, waar zij beschaamd zijn geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v19)

**20** In die tijd zal Ik[^zefanja-3-20-74] u[^zefanja-3-20-75] herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal;[^zefanja-3-20-76] zeker Ik zal u zetten tot een naam en tot een lof,[^zefanja-3-20-77] onder alle volken van de aarde, als Ik[^zefanja-3-20-78] uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zefanja/3.html#v20)

[^zefanja-3-1-1]: Kanttekening 1: van de ijselijke: Of, vervuilde, lasterlijke, of gierige. Anders: wee de krop, dat is, de stad die een grote krop heeft, die alles verslindt, gelijk de roofvogels, die alles wat zij vinden inslokken, hetzij ruw of rauw.
[^zefanja-3-1-2]: Kanttekening 2: van de bevlekte: Of, roofstad. Het Hebr. woord betekent roven en onderdrukken. Anders: de besmettende stad, te weten met allerlei gruwelijke zonden. Enige hebben hier de duifstad, welke vogel een grote krop heeft en veel voedsel opsnapt.
[^zefanja-3-1-3]: Kanttekening 3: van de verdrukkende stad: Versta, de stad Jeruzalem, wier koningen, vorsten en verscheidene machtige en trotsige burgers en inwoonders, vele mensen grote overlast gedaan hebben. Vergelijk met dit vers het eerste en het vijfde hoofdstuk van de profeet Jesaja.
[^zefanja-3-2-4]: Kanttekening 4: stem niet: De vermaning van de Heer door zijn profeten.
[^zefanja-3-2-5]: Kanttekening 5: zij neemt de tucht niet aan: Zij laat zich niet onderrichten, dat een teken van dwaasheid is; Spr. 1:7 . Verg. Jer. 2:30 , en Jer. 5:3 , en Jer. 7:28 . Spreuken 1:7 : De vrees van YHWH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. Jeremia 2:30 : Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw. Jeremia 5:3 : O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. Jeremia 7:28 : Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem van YHWH, zijns Gods, niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid van hun mond.
[^zefanja-3-2-6]: Kanttekening 6: nadert zij niet: Te weten, van gehele hart; verg. Jes. 29:13 ; maar Hos. 6:1 , vermanen de godzaligen elkaar tot de Heer te keren. Jesaja 29:13 : Want de Heer heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; Hosea 6:1 : Komt en laat ons terugkeren tot YHWH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.
[^zefanja-3-3-a]: Verwijzing a: Spr. 28:15 ; Ez. 22:27 . Spreuken 28:15 : De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weer loopt. Ezechiël 22:27 : Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen.
[^zefanja-3-3-7]: Kanttekening 7: Die 's avonds rondom sluipen, te weten, om op de schapen te loeren; zie Hab. 1:8 . Men kan ook door avond verstaan de nacht, gelijk Zef. 2:7 . Habakuk 1:8 : Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten. Zefanja 2:7 : En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als YHWH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.
[^zefanja-3-3-8]: Kanttekening 8: die de beenderen: Maar meteen hun prooi met vlees en beenderen opvreten, nietmetal, ja zelf de beenderen niet overlatende tot de andere dag 's morgens. Hebr. die niet ontbenen tot 's morgens. Zie Num. 24:8 , en verg. Jer. 5:6 . Numeri 24:8 : God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. Jeremia 5:6 : Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelfde uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
[^zefanja-3-3-9]: Kanttekening 9: tot aan de morgen: Of, op de morgen, of tot op de morgen.
[^zefanja-3-4-b]: Verwijzing b: Jer. 23:11 ; idem v. 32 ; Hosea 9:7 . Jeremia 23:11 : Want zowel profeten als priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt YHWH. Jeremia 23:32 : Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt YHWH, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugens en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk geheel geen nut doen, spreekt YHWH. Hosea 9:7 : De dagen van de bezoeking zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man van de geest is onzinnig; om de grootheid uw ongerechtigheid is de haat ook groot.
[^zefanja-3-4-10]: Kanttekening 10: trouweloze mannen: Hebr. mannen van de trouweloosheden, die God noch de mensen getrouw zijn.
[^zefanja-3-4-11]: Kanttekening 11: verontreinigen het heilige: Dat is, ontheiligen, of ontwijden het heiligdom, of wat aan de Heer geheiligd en geofferd werd; of, zij prediken het woorde Gods niet oprecht en leggen het niet uit in zijn rechte zin.
[^zefanja-3-4-12]: Kanttekening 12: zij doen de wet geweld aan: Zie de aantekening bij Ez. 22:26 ; verg. Matt. 23:16 ; Mark. 7:9 , 7:10 , enz. Ezechiël 22:26 : Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd. Mattheüs 23:16 : Wee u, u blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij de tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud van de tempel, die is schuldig. Marcus 7:9 : En Hij zei tot hen: U doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat u uw inzettingen zoudt onderhouden. Marcus 7:10 : Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
[^zefanja-3-5-13]: Kanttekening 13: De rechtvaardige YHWH: Of, de Heer die rechtvaardig is, is, enz.
[^zefanja-3-5-14]: Kanttekening 14: is in het midden: Ten aanzien dat Hij te Jeruzalem zijn godsdienst had opgericht. Enige menen dat dit de woorden zijn van de Joden, dit aan de profeet voorwerpende op zijn woorden, vers 4 . Zefanja 3:4 : Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen de wet geweld aan.
[^zefanja-3-5-15]: Kanttekening 15: van haar: Te weten, van de stad Jeruzalem.
[^zefanja-3-5-16]: Kanttekening 16: elke morgen: Hebr. in morgen, in morgen; dat is, alle dagen; zie 2 Kron. 36:15 ; Jer. 7:13 , 7:25 , en Jer. 11:7 , en Jer. 25:3 . 2 Kronieken 36:15 : En YHWH, de God van hun vaderen, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Jeremia 7:13 : En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt YHWH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; Jeremia 7:25 : Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. Jeremia 11:7 : Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem! Jeremia 25:3 : Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van YHWH tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord.
[^zefanja-3-5-17]: Kanttekening 17: geeft Hij Zijn recht: Dat is, laat Hij zijn recht openlijk leren, te weten, door zijn profeten, die, buiten twijfel, gedaan hebben wat Paulus zijn discipel Timotheüs vermaant 1 Tim. 4:16 , en 2 Tim. 4:2 . 1 Timotheüs 4:16 : Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen. 2 Timotheüs 4:2 : Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
[^zefanja-3-5-18]: Kanttekening 18: er ontbreekt niet: Te weten, wat ontbreken kan tot onderrichting van dit volk; Jes. 5:4 . Jesaja 5:4 : Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?
[^zefanja-3-5-19]: Kanttekening 19: weet van geen schaamte: Dat is, hij vraagt naar eer noch oneer. Verg. Jer. 3:3 , enz. en Jer. 5:3 . Jeremia 3:3 : Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden. Jeremia 5:3 : O YHWH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.
[^zefanja-3-5-c]: Verwijzing c: Deut. 32:4 . Deuteronomium 32:4 : Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
[^zefanja-3-6-20]: Kanttekening 20: hun hoeken zijn verwoest: Zie Zef. 1:16 ; maar enige verstaan door de hoeken de uiterste grenzen, of palen van het land. Zefanja 1:16 : Een dag van de bazuin en van het geklank tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.
[^zefanja-3-6-21]: Kanttekening 21: zodat er niemand is: Dat is, dat er geen mens in dezelfde te vinden is; verg. Zef. 2:5 , 2:6 , 2:14 , 2:15 . Zefanja 2:5 : Wee de inwoneren van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van YHWH zal tegen u zijn, u Kanaän, land van de Filistijnen! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. Zefanja 2:6 : En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herders, en betuiningen van de kudden. Zefanja 2:14 : En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben. Zefanja 2:15 : Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
[^zefanja-3-7-22]: Kanttekening 22: Ik zei: Dat is, Ik dacht bij mijzelf.
[^zefanja-3-7-24]: Kanttekening 24: u Mij vrezen: O Jeruzalem, zult mij vrezen, u aan de heidenen spiegelende.
[^zefanja-3-7-25]: Kanttekening 25: haar woning: Dat is, de stad Jeruzalem. Anderen verstaan hierdoor de woning de inwoners van de stad Jeruzalem; of haar woning, voor haar woningen.
[^zefanja-3-7-26]: Kanttekening 26: al wat Ik haar bezocht hebbe: Of, \[door\] alles waarmee Ik hen bezocht heb; door hen, verstaan enige de heidenen, andere de Joden.
[^zefanja-3-7-27]: Kanttekening 27: Of, nochtans hebben zij zich gehaast; enz.; dat is, zij hebben zichzelven moedwillig vroeg in het verderf gebracht; of, 's morgens vroeg hebben zij al hun werken bedorven. Of, nochtans hebben zij al hun werken bedorven. Zie van dusdanige samenvoeging van twee woorden, Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^zefanja-3-7-23]: Kanttekening 23: Immers zult: Te weten, aanmerkende de straffen, die de heidenen zijn overkomen. Anderen: vreest mij nochtans, neem de tucht aan, enz.
[^zefanja-3-8-28]: Kanttekening 28: verwacht Mij: Hij spreekt nog de bozen onder de Joden aan. De zin is: Past er vrij op, Ik zal bij u gewisselijk komen, en zal u door de Chaldeën en andere volken bezoeken.
[^zefanja-3-8-29]: Kanttekening 29: Mijn oordeel is: Dat is, het besluit van mijn voornemen.
[^zefanja-3-8-30]: Kanttekening 30: de heidenen te verzamelen: Te weten, de Chaldeën en andere volken. Zie Ez. 16:37 . Ezechiël 16:37 : Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met wie u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw gehele naaktheid zien zullen.
[^zefanja-3-8-31]: Kanttekening 31: over hen Mijn toorn: Te weten, over de Joden, namelijk, over de halsstarrige Joden; zie Zef. 1:18 . Zefanja 1:18 : Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van YHWH; maar door het vuur van Zijn ijver zal dit gehele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners van dit land.
[^zefanja-3-8-32]: Kanttekening 32: uit te storten: Zie Ps. 79:6 , en verg. Ez. 22:31 . Psalmen 79:6 : Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen. Ezechiël 22:31 : Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heer YHWH.
[^zefanja-3-8-33]: Kanttekening 33: gehele land: Te weten, het gehele Joodse land, gelijk in Zef. 1:18 . Maar versta dit hier van het grootste deel van de inwoners van het Joodse land. Zo staat er in Gen. 41:57 : Alle landen kwamen in Egypte tot Jozef; dat is, vele van de inwoners van de omliggende landen. Zefanja 1:18 : Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van YHWH; maar door het vuur van Zijn ijver zal dit gehele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners van dit land. Genesis 41:57 : En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
[^zefanja-3-9-34]: Kanttekening 34: Te weten, nadat Ik die volken en de Joden zo zal bezocht hebben. Anderen verstaan door \[dan\] hier betekent wordt de tijd van de verschijning van de Messias.
[^zefanja-3-9-35]: Kanttekening 35: zal Ik tot de volken: Of, alsdan zal Ik de volken de lippen veranderen in reine \[lippen\]; dat is, Ik zal mijn uitverkorenen onder de heidenen wederbaren door de Heilige Geest, dat hun mond en hart rein zullen zijn; dat zij God rein zullen gevoelen en spreken, Hem heilig dienende; zie Jes. 57:19 . Jesaja 57:19 : Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt YHWH, en Ik zal hen genezen.
[^zefanja-3-9-36]: Kanttekening 36: Hebr. lip.
[^zefanja-3-9-37]: Kanttekening 37: met een eenparigen schouder: Dat is, een manier van spreken, genomen van de lastdragende mensen of beesten. Zie de aantekening bij Hos. 6:9 . Verg. Jer. 32:39 , en zie de vervulling Hand. 1:14 , en Hand. 2:1 , 2:46 , en Hand. 4:32 . Zie ook Joh. 10:16 ; Ef. 2:14 , enz. Hosea 6:9 : Gelijk de benden van de straatschenders op iemand wachten, zo is het gezelschap van de priesters; zij moorden op de weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden. Jeremia 32:39 : En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. Handelingen 1:14 : Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers. Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. Handelingen 2:46 : En dagelijks eendrachtelijk in de tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid van het hart; Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen. Johannes 10:16 : Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Efeziërs 2:14 : Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende,
[^zefanja-3-10-38]: Kanttekening 38: van de Moren: Dat is, van Morenland. Maar verstaat onder de Moren ook andere ver gelegene volken en natiën; Jes. 18:1 , 18:7 , en Jes. 60:4 . Jesaja 18:1 : Wee het land, dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde van de rivieren van Morenland is; Jesaja 18:7 : In die tijd zal aan YHWH van de legermachten een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van de Naam van YHWH van de legermachten, tot de berg Sion. Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.
[^zefanja-3-10-39]: Kanttekening 39: ernstige aanbidders: Zie de aantekening bij Gen. 25:21 , en Ez. 35:13 . Versta hier degenen, die tot de ware God bekeerd zijnde, dagelijks hun gebeden tot God doen zullen. Genesis 25:21 : En Izak bad YHWH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en YHWH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. Ezechiël 35:13 : Zo hebt u u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.
[^zefanja-3-10-40]: Kanttekening 40: met de dochter Mijner verstrooiden: Dat is, en ook de Joden, die in de Babylonische gevangenschap zijn verstrooid geweest, die mij zo lief zijn als een dochter haar moeder is. Verg. Joh. 11:52 . Sommigen overzetters voegen hier in voor met het woord namelijk; in deze zin: Het geschenk, dat men mij brengen zal, zullen zijn de Joden, die verstrooid zijn in de landen, gelegen aan de zijde van de rivieren van de Moren. Johannes 11:52 : En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.
[^zefanja-3-10-41]: Kanttekening 41: offeranden brengen: Te weten, geestelijke offeranden, of geschenken; dat is, zij zullen mij dienen en gehoorzamen. Verg. Jes. 18:7 ; Mal. 1:11 ; Rom. 12:1 . Anders: van de andere zijde van de rivier van de Moren, zullen mij mijn ernstige aanbidders toegebracht worden tot een geschenk. Zie de volvoering van deze profetie Hand. 8:27 , 8:35 , 8:36 . Jesaja 18:7 : In die tijd zal aan YHWH van de legermachten een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van de Naam van YHWH van de legermachten, tot de berg Sion. Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten. Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broers, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Handelingen 8:27 : En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem; Handelingen 8:35 : En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. Handelingen 8:36 : En zo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zei: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?
[^zefanja-3-11-42]: Kanttekening 42: O mijn volk, o mijn kerk.
[^zefanja-3-11-43]: Kanttekening 43: niet beschaamd wezen: De zin is: Omdat u zult geheiligd en van al uw zonden gereinigd zijn, door het bloed en de Geest van de Heer Jezus Christus, zo zult u voor de rechterstoel Gods daarover niet beschaamd worden.
[^zefanja-3-11-44]: Kanttekening 44: Anders: heerlijkheid. Want het Hebr. woord wordt in het goede en in het kwade genomen. En hier schijnt dit de zin te wezen: Daar zullen voortaan geen onder u gevonden worden, die zich zullen verhovaardigen over de uitwendige ceremoniën en die voortreffelijke tempel. \[ Jer. 7:4 ,\] want het rijk Gods en zijn gemeente zal voortaan door de gehele wereld verspreid worden; Joh. 4:21 , 4:23 . Jeremia 7:4 : Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: De tempel van YHWH, de tempel van YHWH, de tempel van YHWH, zijn deze! Johannes 4:21 : Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Johannes 4:23 : Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden.
[^zefanja-3-11-45]: Kanttekening 45: om Mijns heiligen bergs wil: Of, op mijn heilige berg. Hebr. op de berg mijner heiligheid; dat is, omdat u offert in mijn tempel op de berg van de Heer, of vanwege het ijdel vertrouwen op de uiterlijke ceremoniën, zonder te letten op de heiliging van de consciëntie.
[^zefanja-3-12-46]: Kanttekening 46: een ellendig: Ten aanzien dat Ik het wel terdege zal gekastijd en vernederd hebben.
[^zefanja-3-12-47]: Kanttekening 47: arm volk: Dat is, gering en veracht bij de wereld, en door Gods genade nochtans rijk gemaakt in het geloof en andere geestelijke gaven.
[^zefanja-3-12-48]: Kanttekening 48: op de Naam van YHWH betrouwen: Dat is, op de Heer, niet op enige uitwendige dingen, hetzij Jeruzalem, of de tempel, of iets dergelijks; maar alleen op de Heer. Zie Jer. 9:23 , 9:24 . Jeremia 9:23 : Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; Jeremia 9:24 : Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik YHWH ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt YHWH.
[^zefanja-3-13-49]: Kanttekening 49: De overgeblevenen van Israël: Hebr. het overblijfsel van Israël zullen geen onrecht doen; te weten, die de Heer uit de hoop van de verworpen en verloren Joden uitverkoren heeft.
[^zefanja-3-13-50]: Kanttekening 50: zullen geen onrecht doen: Te weten, met opgezetten moedwil, of tegen hun consciëntie. Zie 1 Joh. 3:9 . 1 Johannes 3:9 : Een ieder, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
[^zefanja-3-13-51]: Kanttekening 51: leugen spreken: Dat is, zij zullen zich niet begeven nog gewennen tot liegen en bedriegen, maar zij zullen zich benaarstigen om te doen al wat heilig, oprecht en wel gedaan is.
[^zefanja-3-13-52]: Kanttekening 52: zij zullen weiden en nederliggen: Dat is, God de Heer zal hen beschutten en bewaren voor al het kwaad, dat de boze mensen hun zoeken aan te doen. Verg. Micha 4:4 . Micha 4:4 : Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van YHWH van de legermachten heeft het gesproken.
[^zefanja-3-13-53]: Kanttekening 53: niemand zal hen verschrikken: Dat is, zij zullen zeker en gerust leven. De zin is: De boze boeven zullen hen niet beschadigen, naar hun moedwil.
[^zefanja-3-14-54]: Kanttekening 54: juich, Israël: Het Hebr. woord staat in het meervoudig getal, en Israël in het enkelvoudige.
[^zefanja-3-14-55]: Kanttekening 55: u dochter van Jeruzalem: Dat is, u Israëlieten. Het betekent hetzelfde wat u dochters van Zion betekent, namelijk hier de gemeente van de gelovigen van het Nieuwe Testament.
[^zefanja-3-14-d]: Verwijzing d: Zach. 9:9 . Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen.
[^zefanja-3-14-e]: Verwijzing e: Zach. 9:9 . Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen.
[^zefanja-3-15-56]: Kanttekening 56: Dat is, kastijdingen of straffen vanwege de zonden. Dat is, de oorzaak van de blijdschap, waarvan in vers 14 gesproken wordt. Zefanja 3:14 : Zing vrolijk, u dochter van Sion, juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde van ganser hart, u dochter van Jeruzalem!
[^zefanja-3-15-57]: Kanttekening 57: uw vijand: Te weten, de Assyriërs, Chaldeën, enz., ja ook uw geestelijke vijanden, de duivel en het dodenrijk, heeft Hij onder uw voeten gelegd; 1 Kor. 15:25 , 15:26 , 15:56 , 15:57 . 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. 1 Korinthiërs 15:26 : De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 1 Korinthiërs 15:56 : De prikkel nu van de dood is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet. 1 Korinthiërs 15:57 : Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.
[^zefanja-3-15-58]: Kanttekening 58: Of, weggeruimd, uit de weg geweerd; zie Gen. 24:31 . Genesis 24:31 : En hij zei: Kom in, u, gezegende van YHWH! waarom zoudt u buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kamelen.
[^zefanja-3-15-59]: Kanttekening 59: is in het midden van u: Te weten, om u te beschutten en te beschermen.
[^zefanja-3-15-60]: Kanttekening 60: u zult geen kwaad meer zien: Dat is, Gods, u behoeft geen kwaad meer te vrezen. Want daar is niets, dat ons scheiden kan van de liefde van God, die daar is in Christus Jezus onze Heer; Rom. 8:39 ; zie Lev. 14:36 ; Job 7:7 ; Ps. 80:10 ; Jes. 40:3 , en Jes. 57:14 , en Jes. 62:10 ; Mal. 3:1 . Romeinen 8:39 : Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer. Leviticus 14:36 : En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien. Job 7:7 : Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Psalmen 80:10 : U hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft. Jesaja 40:3 : Een stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Jesaja 57:14 : En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg, neemt de aanstoot uit de weg Mijns volks. Jesaja 62:10 : Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt de weg van het volk; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken! Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten.
[^zefanja-3-16-61]: Kanttekening 61: o Sion: Anders: \[tot\] Zion.
[^zefanja-3-16-62]: Kanttekening 62: laat uw handen niet slap worden: Dat is, geef de moed niet verloren, en vertraag niet in de ijver van de godzaligheid; de reden is vers 15 , namelijk omdat de Heer in het midden van hen was. Zie deze manier van spreken bij 2 Sam. 4:1 en de aantekening daar. Zefanja 3:15 : YHWH heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning van Israël, YHWH, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien. 2 Samuël 4:1 : Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt.
[^zefanja-3-17-63]: Kanttekening 63: een Held: In en door Christus allen overwinnen wij; Rom. 8:37 ; 1 Kor. 15:57 ; 1 Joh. 5:4 , 5:5 . Romeinen 8:37 : Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. 1 Korinthiërs 15:57 : Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus. 1 Johannes 5:4 : Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5:5 : Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
[^zefanja-3-17-64]: Kanttekening 64: over u vrolijk zijn met blijdschap: Vanwege de zonderlinge liefde, die Hij u is toedragende.
[^zefanja-3-17-65]: Kanttekening 65: Hij zal zwijgen in Zijn liefde: Of, stil zijn, of gerust zijn; dat is, Hij zal genoegen hebben in de liefde welke Hij te uwaarts dragen zal, 1 Petr. 2:5 . Of Hij zal u niet meer zo plagen gelijk Hij vóór deze gedaan heeft, omdat Hij u in Christus liefheeft, en u uw zonden vergeeft. 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^zefanja-3-18-66]: Kanttekening 66: De bedroefden: Dat is, die treurig en bedroefd zijn omdat zij in de tempel niet mogen samenkomen, tot oefening van de godsdienst. Verg. Ps. 42:2 , 42:3 , 42:5 . Psalmen 42:2 : Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Psalmen 42:3 : Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
[^zefanja-3-18-67]: Kanttekening 67: zij zijn uit u: Omdat zij ook Gods volk zijn; o uit u; o Jeruzalem, dat is, uit Gods volk.
[^zefanja-3-18-68]: Kanttekening 68: op haar: Te weten, de bedroefde gemeente, namelijk als zij bij die spotvogels moeten verkeren, die God en zijn Woord beschimpen. Zie doorgaans Ps. 42 .
[^zefanja-3-19-69]: Kanttekening 69: de hinkenden behoeden: Dat is, mijn kerk, die nu aanstoot lijdt. Zie de aantekening bij Micha 4:6 , en verg. Ez. 34:16 ; Micha 4:7 . Micha 4:6 : Op die dag, spreekt YHWH, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had. Ezechiël 34:16 : Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel. Micha 4:7 : En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en YHWH zal Koning over hen zijn op de berg van Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.
[^zefanja-3-19-70]: Kanttekening 70: de uitgestotenen verzamelen: Door de uitgestotenen verstaan enige de heidenen, gelijk ook Micha 4:6 ; anderen die, welke in ballingschap vervoerd en verstoten waren. Micha 4:6 : Op die dag, spreekt YHWH, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.
[^zefanja-3-19-71]: Kanttekening 71: Ik zal ze stellen tot een lof: Te weten, mijn volk, de kerk, die Hij straks genoemd heeft de hinkende, of kreupele en uitgestotenen.
[^zefanja-3-19-72]: Kanttekening 72: tot een naam: Dat is, tot eer, gelijk in vers 20 . Zefanja 3:20 : In die tijd zal Ik u herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal u zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken van de aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt YHWH.
[^zefanja-3-19-73]: Kanttekening 73: in het gehele land: Hebr. in het gehele land van hun schaamte. Anders: waarvan de schaamte over de gehele aarde geweest is. In plaatsen waar men hun overal schande en smaad heeft aangedaan, in het bijzonder bij de Assyriërs en Chaldeën, die hun spot met Gods volk dreven.
[^zefanja-3-20-74]: Kanttekening 74: O u Joden.
[^zefanja-3-20-75]: Kanttekening 75: herwaarts brengen: Te weten, in uw land, waar u zozeer naar verlangt.
[^zefanja-3-20-76]: Kanttekening 76: Of, want, of dan.
[^zefanja-3-20-77]: Kanttekening 77: onder alle volken van de aarde: Dat is, te verstaan in dat opzicht, dat de kerk door de gehele wereld zou uitgebreid worden ten tijde van de verschijning van de Messias.
[^zefanja-3-20-78]: Kanttekening 78: uw gevangenissen: Dat is, het groot getal van uw gevangenen. Verg. Amos 9:14 . Amos 9:14 : En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.

## Haggaï

### Haggaï 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/haggai/1.json)

*De profeet bestraft de vorst en het volk te Jeruzalem, omdat zij in mooie huizen woonden, maar de tempel van de Heere onopgebouwd lieten liggen, vers 1 enzovoort. Hij zegt dat God de Heere vanwege deze nalatigheid hun bezigheden in andere zaken niet zegende, 5. Daarom vermaant hij hen de stilgelegde bouw van de tempel te hervatten en te voltooien, 7. Deze vermaning wordt ter harte genomen, 12.*

**1** [^haggai-1-1-1] In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde[^haggai-1-1-2] maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van YHWH,[^haggai-1-1-3] door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de[^haggai-1-1-4] zoon van[^haggai-1-1-5] Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak,[^haggai-1-1-6] de hogepriester, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v1)

**2** Zo spreekt YHWH van de legermachten zeggende:[^haggai-1-2-7] Dit volk zegt:[^haggai-1-2-8] De tijd is niet gekomen, de[^haggai-1-2-9] tijd, dat het huis van YHWH gebouwd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v2)

**3** En het woord van YHWH kwam door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v3)

**4** Is het voor u wel de tijd, dat u woont in uw[^haggai-1-4-10] gewelfde huizen, en zal dit huis[^haggai-1-4-11] woest zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v4)

**5** Nu dan, zo zegt YHWH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen.[^haggai-1-5-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v5)

**6** [^haggai-1-6-a] U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar[^haggai-1-6-13] niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet[^haggai-1-6-14] tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon[^haggai-1-6-15] in een doorgeboorde beurs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v6)

**7** Zo zegt YHWH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen.[^haggai-1-7-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v7)

**8** Klim op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen[^haggai-1-8-17] daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v8)

**9** U[^haggai-1-9-18] ziet om naar veel, maar ziet,[^haggai-1-9-19] u bekomt weinig; en als u het in huis gebracht hebt,[^haggai-1-9-20] zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt YHWH van de legermachten; vanwege Mijn huis, dat woest is, en dat u loopt elk[^haggai-1-9-21] voor zijn eigen huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v9)

**10** Daarom[^haggai-1-10-b] onthouden zich de hemelen over u,[^haggai-1-10-22] dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v10)

**11** Want Ik heb[^haggai-1-11-23] een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de nieuwe wijn, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en[^haggai-1-11-24] over alle arbeid van de handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v11)

**12** [^haggai-1-12-25] Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en[^haggai-1-12-26] al het overblijfsel van het volk, naar de stem van YHWH, hun God,[^haggai-1-12-27] en naar de woorden van de profeet Haggai,[^haggai-1-12-28] zoals hem YHWH, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v12)

**13** Toen sprak Haggai,[^haggai-1-13-29] de bode van YHWH,[^haggai-1-13-30] in de boodschap van YHWH, tot het volk, zeggende:[^haggai-1-13-31] Ik ben met u, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v13)

**14** En[^haggai-1-14-32] YHWH verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van het hele overblijfsel van het volk; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van YHWH van de legermachten, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/1.html#v14)

[^haggai-1-1-1]: Kanttekening 1: In het tweede jaar: Zie de aantekening bij Ezra 4:24 , en Ezra 5:1 . Ezra 4:24 : Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. Ezra 5:1 : Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van de God van Israël profeteerden zij tot hen.
[^haggai-1-1-2]: Kanttekening 2: Hebr. Darjavesch.
[^haggai-1-1-3]: Kanttekening 3: door de dienst: Hebr. door de hand. Zie de aantekening bij Ex. 9:35 ; Hand. 11:30 , en Hand. 7:35 ; verder Haggaï, anders gemeenlijk genoemd Aggeüs. Hebr. Chaggaï. Exodus 9:35 : Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen van Israël niet trekken liet, gelijk als YHWH gesproken had door Mozes. Handelingen 11:30 : Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. Handelingen 7:35 : Deze Mozes, welke zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos.
[^haggai-1-1-4]: Kanttekening 4: zoon van Sealthiël: Zoon is hier te zeggen neef \[sic, red.\], want eigenlijk was hij de zoon van Pedaja, die een zoon van Sealthiël was. Zie 1 Kron. 3:17 , 3:18 , 3:19 . Zerubbabel wordt ook genoemd de zoon van Sealthiël, Ezra 5:2 , Matt. 1:12 . Enige menen dat Zerubbabel van Sealthiël was tot een zoon aangenomen, uit Luk. 3:27 . 1 Kronieken 3:17 : En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; 1 Kronieken 3:18 : De zonen van deze waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 1 Kronieken 3:19 : De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simeï; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hun zus; Ezra 5:2 : Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten van God, die hen ondersteunden. Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel; Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri,
[^haggai-1-1-5]: Kanttekening 5: de vorst van Juda: Dat is, de vorst uit en over de stam van Juda.
[^haggai-1-1-6]: Kanttekening 6: de hogepriester: Hebr. de grote priester, of de grootste priester.
[^haggai-1-2-7]: Kanttekening 7: Dit volk zegt: De Heer zegt hier niet mijn volk, maar dit volk, tonende zijn misnoegen daarover, dat zij, de goddienst verzuimende, zich dagelijks bekommerden met hun eigenbaat zoekende Joden voorwendden, waarom zij de bouw van de tempel uitstelden.
[^haggai-1-2-8]: Kanttekening 8: De tijd is niet gekomen: Dit was de verontschuldiging, welke trage en eigenbaat zoekende Joden voorwendden, waarom zij de bouw van de tempel uitstelden.
[^haggai-1-2-9]: Kanttekening 9: tijd, dat het huis van YHWH gebouwd worde: Hebr. de tijd van het huis van de Heer om gebouwd te worden.
[^haggai-1-4-10]: Kanttekening 10: gewelfde huizen: Hiermee wordt hun verweten dat zij niet alleen huizen ter nooddruft, maar ook tot wellust of plezier voor zichzelven gemaakt hadden, voordat zij het huis van de Heer bouwden.
[^haggai-1-4-11]: Kanttekening 11: woest zijn: David is veel anders geaard geweest; zie 2 Sam. 7:2 ; Ps. 132:3 , 132:4 , 132:5 . 2 Samuël 7:2 : Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen. Psalmen 132:3 : Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme! Psalmen 132:4 : Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering; Psalmen 132:5 : Totdat ik voor YHWH een plaats gevonden zal hebben, woningen voor de Machtige Jakobs!
[^haggai-1-5-12]: Kanttekening 12: Stelt uw hart op uw wegen: Dat is, merkt er wel op, en betracht hoe het u gaat vanwege uw zonden; verg. 1 Kor. 11:30 , 11:31 ; zie deze manier van spreken Ex. 9:21 ; 2 Sam. 18:3 ; Job 1:8 , en Job 2:3 , en Job 22:22 , en Job 34:14 , en hier onder vers 7 . 1 Korinthiërs 11:30 : Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen. 1 Korinthiërs 11:31 : Want als wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Exodus 9:21 : Maar die zijn hart niet zette tot het woord van YHWH, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld. 2 Samuël 18:3 : Maar het volk zei: U zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar u bent nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat u ons uit de stad ter hulpe bent. Job 1:8 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. Job 2:3 : En YHWH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. Job 22:22 : Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. Job 34:14 : Als Hij Zijn hart tegen hem zette, Zijn geest en Zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen; Haggai 1:7 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Stelt uw hart op uw wegen.
[^haggai-1-6-a]: Verwijzing a: Deut. 28:38 ; Micha 6:14 ; idem v. 15 . Deuteronomium 28:38 : U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. Micha 6:14 : U zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en u zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven. Micha 6:15 : U zult zaaien, maar niet maaien; u zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.
[^haggai-1-6-13]: Kanttekening 13: niet tot dronken worden toe: Dat is, u gevoelt de kracht van de wijn zo niet, dat u er vrolijk van zoudt worden; zie Gen. 43:34 ; Hoogl. 5:1 ; Joh. 2:10 . Genesis 43:34 : En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. Hooglied 5:1 : Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! Johannes 2:10 : En zei tot hem: Alle man zet eerst de goede wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan de minderen; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.
[^haggai-1-6-14]: Kanttekening 14: tot uw verwarming: Hebr. om zich te verwarmen; dat is om u te verwarmen; verg. Zef. 2:12 met de aantekening daar. Zefanja 2:12 : Ook u, Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn.
[^haggai-1-6-15]: Kanttekening 15: in een doorgeboorden buidel: Of, in een buidel waar geen bodem in is, of, die hol is; dat is, het verdwijnt, zo dat hij, die het ontvangt, geen nut daarvan heeft, achtervolgens het dreigement van de wet; Deut. 28:15 , enz.; Amos 4:9 ; Micha 6:14 . Deuteronomium 28:15 : Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. Amos 4:9 : Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Micha 6:14 : U zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en u zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
[^haggai-1-7-16]: Kanttekening 16: Stelt uw hart op uw wegen: Gelijk vers 5 . Dit wederhaalt de profeet, opdat zij er immers terdege op letten zouden. Haggai 1:5 : Nu dan, zo zegt YHWH van de legermachten: Stelt uw hart op uw wegen.
[^haggai-1-8-17]: Kanttekening 17: daaraan hebben: Aan deze tempel. Het schijnt dat de profeet hier ziet op het gebed van Salomo en de belofte van God hem gedaan; 1 Kon. 8:18 , 8:19 , enz. 1 Koningen 8:18 : Maar YHWH zei tot David, mijn vader: Omdat dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, u hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is. 1 Koningen 8:19 : Evenwel u zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
[^haggai-1-9-18]: Kanttekening 18: ziet om naar veel: Of, wend uw gezicht naar vele; dat is, u verwacht een overvloedigen oogst.
[^haggai-1-9-19]: Kanttekening 19: u bekomt weinig: Hebr. \[het\] tot weinig.
[^haggai-1-9-20]: Kanttekening 20: zo blaas Ik daarin: Zo dat het verstuift, en u niet ten nutte komt.
[^haggai-1-9-21]: Kanttekening 21: voor zijn eigen huis: Te weten, om dat op te bouwen en te versieren. Zie boven vers 4 . Haggai 1:4 : Is het voor u wel de tijd, dat u woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
[^haggai-1-10-b]: Verwijzing b: Deut. 28:23 . Deuteronomium 28:23 : En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.
[^haggai-1-10-22]: Kanttekening 22: dat er geen dauw is: Versta hierbij, ook geen regen ter bekwamer en gewoner tijd. Dit is wat God dreigt, Lev. 26:19 ; Deut. 28:23 , 28:24 , 28:38 ; Amos 4:7 . Leviticus 26:19 : Want Ik zal de hovaardigheid van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. Deuteronomium 28:23 : En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. Deuteronomium 28:24 : YHWH, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van de hemel zal het op u nederdalen, totdat u verdelgd wordt. Deuteronomium 28:38 : U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. Amos 4:7 : Daartoe heb Ik ook de regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.
[^haggai-1-11-23]: Kanttekening 23: een droogte geroepen: Anders: een woestheid; zie 2 Kon. 8:1 ; Jer. 25:29 . Zie ook Deut. 28:22 ; Joel 1:10 ; Amos 1:2 , en Amos 4:7 , 4:8 , 4:9 . 2 Koningen 8:1 : Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie hij de zoon levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want YHWH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. Jeremia 25:29 : Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de legermachten. Deuteronomium 28:22 : YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt. Joël 1:10 : Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw. Amos 1:2 : En hij zei: YHWH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren. Amos 4:7 : Daartoe heb Ik ook de regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. Amos 4:8 : En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:9 : Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH.
[^haggai-1-11-24]: Kanttekening 24: over allen arbeid van de handen: Dat is, over al de vruchten, die de aarde door de arbeid van de mensen voortbrengt.
[^haggai-1-12-25]: Kanttekening 25: Toen hoorde Zerubbabel: Zie Ezra 5:2 . Ezra 5:2 : Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten van God, die hen ondersteunden.
[^haggai-1-12-26]: Kanttekening 26: al het overblijfsel van het volk: Dat is, al die van de krijg waren overgebleven, \[gedurende welke velen om hals gekomen waren\] en die wedergekomen waren, uit de Babylonische gevangenschap, waar er ook velen gestorven waren.
[^haggai-1-12-27]: Kanttekening 27: en naar de woorden van de profeet Haggai: Anders: dat is.
[^haggai-1-12-28]: Kanttekening 28: gelijk als hem YHWH: Aangezien zij wisten dat hem YHWH gezonden had.
[^haggai-1-13-29]: Kanttekening 29: de bode van YHWH: Of, gezant, ambassadeur.
[^haggai-1-13-30]: Kanttekening 30: in de boodschap van YHWH: Dat is, in de boodschap, die hij in de naam en uit het bevel van de Heer deed aan het volk; of uit kracht van de boodschap, achtervolgens het bevel, dat hij van God ontvangen had.
[^haggai-1-13-31]: Kanttekening 31: Ik ben met u: Of, Ik zal zijn. Daarom hebt goede moed, en vaart kloekelijk voort in het opbouwen van mijn huis. Verg. Ps. 56:10 ; Matt. 28:18 , 28:20 ; Rom. 8:31 . Psalmen 56:10 : Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, op de dag als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is. Mattheüs 28:18 : En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. Romeinen 8:31 : Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
[^haggai-1-14-32]: Kanttekening 32: YHWH verwekte de geest van Zerubbabel: Dat is, de Heer heeft door deze vermaning van zijn profeet de harten van de genoemde personen dagelijks meer en meer verwekt en aangepord om in het aangevangen bouwen voort te varen, totdat het geheel zou voltrokken wezen. Het was ganselijk nodig dat dit volk zou versterkt worden, omdat Tathnaï en andere vijanden van het volk van God, naar hun uiterste vermogen, dit werk zochten te verhinderen. Zie Ezra 5:3 . Ezra 5:3 : Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltooien?

### Haggaï 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/haggai/2.json)

*De profeet vermaant Zerubbabel, Jozua en het volk dat zij ijverig zouden voortgaan met het opbouwen van de tempel, vers 1 enzovoort, terwijl hij hun Gods hulp belooft, 5. Tegelijk voorzegt hij hun dat de Messias in deze tempel persoonlijk zal verschijnen, 7. Daardoor zal de heerlijkheid van deze tempel groter zijn dan die van de eerste, 10. Daarna bestraft hij de huichelarij van hen die op het uiterlijke offer en de plechtigheden vertrouwden, 11. Hij belooft de oprecht vrome Joden dat zij, zoals zij eerder de vloek van de Heere hadden geproefd, voortaan door de Heere gezegend zouden worden, en dat hun vijanden vernietigd zouden worden, 16. Hij profeteert ook van de macht van Christus, en van zijn kracht over allen die zich tegen Hem zouden verzetten, 21.*

**1** Op[^haggai-2-1-1] de vier en twintigste dag van de maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van de koning Darius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v1)

**2** [^haggai-2-2-2] In de zevende maand, op de één en twintigste van de[^haggai-2-2-3] maand, kwam het woord van YHWH[^haggai-2-2-4] door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v2)

**3** Spreek nu tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en tot het overblijfsel van het volk, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v3)

**4** Wie is onder u overgebleven, die dit huis[^haggai-2-4-5] in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoe ziet u het nu? Is dit niet[^haggai-2-4-6] als niets in uw ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v4)

**5** Maar nu, wees sterk, u Zerubbabel! spreekt YHWH; en wees sterk, u Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk,[^haggai-2-5-7] al u volk van het land! spreekt YHWH; en[^haggai-2-5-8] werkt, want Ik ben met u, spreekt YHWH van de legermachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v5)

**6** Met[^haggai-2-6-9] het woord, in dat Ik met u een verbond gemaakt heb, als u uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden[^haggai-2-6-10][^haggai-2-6-11][^haggai-2-6-12] van u; vrees niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v6)

**7** Want zo zegt YHWH van de legermachten: Nog eens, een korte tijd zal het zijn; en Ik zal[^haggai-2-7-14] de hemelen, en[^haggai-2-7-15] de aarde, en[^haggai-2-7-16] de zee, en[^haggai-2-7-17] het droge[^haggai-2-7-18] doen beven.[^haggai-2-7-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v7)

**8** Ja,[^haggai-2-8-19] Ik zal al de heidenen[^haggai-2-8-20] doen beven, en zij zullen komen tot de[^haggai-2-8-21] Wens van alle heidenen, en Ik zal[^haggai-2-8-22] dit huis[^haggai-2-8-23] met heerlijkheid vervullen, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v8)

**9** [^haggai-2-9-24] Van Mij is het zilver, en van Mij is het goud, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v9)

**10** De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt YHWH van de legermachten; en in deze plaats zal Ik[^haggai-2-10-25] vrede geven, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v10)

**11** Op de vier en twintigste[^haggai-2-11-26] dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van YHWH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v11)

**12** Zo zegt YHWH van de legermachten: Vraag nu[^haggai-2-12-27] de priesters de wet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v12)

**13** Zie,[^haggai-2-13-28] iemand draagt[^haggai-2-13-29] heilig vlees in de[^haggai-2-13-30] slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan de wijn, of aan de olie, of aan enige voedsel, zal[^haggai-2-13-31] het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden:[^haggai-2-13-32] Nee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v13)

**14** En Haggai zei: Als iemand, die onrein is[^haggai-2-14-33] van een dood lichaam,[^haggai-2-14-34] iets van die dingen aanroert, zal[^haggai-2-14-35] het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden:[^haggai-2-14-36] Het zal onrein worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v14)

**15** Toen antwoordde Haggai, en zei:[^haggai-2-15-37] Zo is dit volk, en zo is deze natie[^haggai-2-15-38] voor Mijn aangezicht, spreekt YHWH, en zo is al het werk van hun handen; en wat zij[^haggai-2-15-39] daar offeren, dat is onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v15)

**16** En nu,[^haggai-2-16-40] stelt er toch uw hart op, van deze dag af en[^haggai-2-16-41] omhoog,[^haggai-2-16-42] eer er steen op steen gelegd werd aan de tempel van YHWH; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v16)

**17** [^haggai-2-17-43] Eer die dingen gebeurden, kwam iemand tot de korenhoop[^haggai-2-17-44] van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot de wijnbak, om vijftig[^haggai-2-17-45] maten van de pers te scheppen,[^haggai-2-17-46] zo waren er maar twintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v17)

**18** [^haggai-2-18-47] Ik sloeg[^haggai-2-18-48] u met brandkoren, met honigdauw en met hagel,[^haggai-2-18-a] al het werk van uw handen;[^haggai-2-18-49] en u keerde u niet tot Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v18)

**19** [^haggai-2-19-50] Stel er toch uw hart op, van deze dag af[^haggai-2-19-51] en omhoog; van de vier en twintigste dag van de negende maand af, van de dag af,[^haggai-2-19-52] als het fundament aan de tempel van YHWH is gelegd geworden, stelt er uw hart op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v19)

**20** [^haggai-2-20-53] Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot[^haggai-2-20-54] de wijnstok, en de vijgeboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van deze dag af[^haggai-2-20-55] zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v20)

**21** Het woord van YHWH nu kwam voor de tweede keer tot Haggai, op de vier[^haggai-2-21-56] en twintigste van de maand, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v21)

**22** Spreek tot Zerubbabel, de vorst van Juda, zeggende:[^haggai-2-22-57] Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v22)

**23** [^haggai-2-23-58] En Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren, en vernietigen[^haggai-2-23-59] de vastheid van de koninkrijken van de heidenen; en Ik zal de wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen neerstorten,[^haggai-2-23-60] ieder in het zwaard van de ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v23)

**24** Op die dag, spreekt YHWH van de legermachten, zal Ik[^haggai-2-24-61] u nemen, o Zerubbabel, u zoon van Sealthiël, Mijn knecht! spreekt YHWH, en Ik zal u stellen, als[^haggai-2-24-62] een zegelring; want[^haggai-2-24-63] u heb Ik gekozen, spreekt de Heere van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/haggai/2.html#v24)

[^haggai-2-1-1]: Kanttekening 1: de vier en twintigste dag van de maand: Verscheidene overzetters voegen dit eerste vers aan het einde van het eerste hoofdstuk, en daar schijnt het toe te behoren.
[^haggai-2-2-2]: Kanttekening 2: In de zevende maand : Te weten, van het jaar, waarvan in vers 1 gesproken is.
[^haggai-2-2-3]: Kanttekening 3: geschiedde het woord van YHWH: Te weten, tot het Joodse volk en de voornaamsten onder dezelfde. Zo ook onder vers 11 . Haggai 2:11 : Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende:
[^haggai-2-2-4]: Kanttekening 4: door de dienst van de profeet Haggai: Hebr. door de hand van Haggaï, enz. Zo ook in vers 11 . Haggai 2:11 : Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende:
[^haggai-2-4-5]: Kanttekening 5: in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft: Te weten, in die heerlijkheid, waar het in was voordat het van de Chaldeën is verwoest geworden.
[^haggai-2-4-6]: Kanttekening 6: als niets in uw ogen: Namelijk vergeleken bij die tempel, welke Salomo gebouwd heeft; zie Ezra 3:12 . David had gaandeweg een grote schat van goud, zilver, koper en andere bouwstoffen tot de bouw van de tempel vergaderd, en Salomo deed daar nog een grote schat bij, als hij die tempel bouwde; maar de Joden, die eerst uit de Babylonische gevangenschap kwamen, waren arm en hadden geen grote macht om deze nieuwe tempel kostelijk op te bouwen. Anders: is \[dit\] niet bij dat als niets, enz. Ezra 3:12 : Maar velen van de priesters, en de Levieten, en familiehoofden, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luide stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
[^haggai-2-5-7]: Kanttekening 7: al u volk van het land: Dit spreekt hij tot de gemenen onder de Joden.
[^haggai-2-5-8]: Kanttekening 8: Dat is, gaat voort in het bouwen. Zie van het woord werken, Ruth 2:19 ; Spr. 31:13 . Ruth 2:19 : Toen zei haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt u heden opgelezen, en waar hebt u gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wie zij gewrocht had, en zei: De naam van de man, bij welke ik heden gewrocht heb, is Boaz. Spreuken 31:13 : Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust van haar handen.
[^haggai-2-6-9]: Kanttekening 9: het woord: Te weten, met dat woord, waardoor de hemelen gemaakt zijn, Ps. 33:6 , 33:9 ; dat is, met Christus, in welke Ik; dat is, in en door welke Christus Ik een verbond met u gemaakt heb, waarom Christus Mal. 3:1 , de engel van het verbond genoemd wordt, en de apostel zegt 2 Kor. 1:20 , dat de belofte in Christus alleen ja en amen is. Anders: naar het woord, doe Ik met u, enz.; dat is, naar de beloften, die Ik uw vaderen en u gedaan heb, dat Ik wilde zijn hun God en huns zaads God na hen; Gen. 15:18 . Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun legermacht. Psalmen 33:9 : Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten. 2 Korinthiërs 1:20 : Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
[^haggai-2-6-10]: Kanttekening 10: u uit Egypte uittrokt: Te weten, besloten zijnde in de lenden uwers vaderen. Zie gelijke manier van spreken Hand. 7:53 . Handelingen 7:53 : U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden!
[^haggai-2-6-11]: Kanttekening 11: Mijn Geest: Versta, de Heilige Geest, die onze zwakheid mee te hulp komt, Rom. 8:26 . Dit vers heeft een klaar bewijs van de drie personen van de Heilige Drievuldigheid. Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
[^haggai-2-6-12]: Kanttekening 12: staande in het midden van u: Dat is, bij u tegenwoordig zijnde met zijn krachtige werking. Anders: en mijn Geest zal in het midden van u blijven; dat is, Hij zal u in het uitvoeren van het werk van dit gebouw kracht verlenen; daarom vreest niet, de zaak zal een goede voortgang hebben.
[^haggai-2-7-14]: Kanttekening 14: de hemelen: Met de engelen, inwoners van de hemel.
[^haggai-2-7-15]: Kanttekening 15: de aarde: Met de mensen op de aarde.
[^haggai-2-7-16]: Kanttekening 16: de zee: Met die in de eilanden wonen.
[^haggai-2-7-17]: Kanttekening 17: het droge: Met de mensen, die op het hoge droge land wonen.
[^haggai-2-7-18]: Kanttekening 18: doen beven: Al deze schepselen zullen bewogen worden, ten tijde van de geboorte, van het lijden en sterven, van de opstanding en hemelvaart van Christus, en als zijn apostelen dit alles door de gehele wereld zullen gaan prediken.
[^haggai-2-7-13]: Kanttekening 13: Nog eens: Dat is, het zal in korte tijd gebeuren, dat Ik hemel en aarde opnieuw, of ten tweede male bewegen zal. Zie Hebr. 12:26 ; dat ons lang dunkt te wezen, is bij God maar als een ogenblik; Ps. 90:4 , en 2 Petr. 3:8 . Hebreeën 12:26 : Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. Psalmen 90:4 : Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 2 Petrus 3:8 : Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
[^haggai-2-8-19]: Kanttekening 19: Ik zal al de heidenen: Dit is een profetie van de beroeping van de heidenen, als het Evangelie door de gehele wereld zou gepredikt worden.
[^haggai-2-8-20]: Kanttekening 20: doen beven: Of, doen schudden, te weten, zo dat zij tot de Heer komen. Verg. Hos. 3:5 , en Hos. 11:10 , 11:11 met de aantekening. Hosea 3:5 : Daarna zullen zich de kinderen van Israël bekeren, en zoeken YHWH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot YHWH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. Hosea 11:10 : Zij zullen YHWH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Hosea 11:11 : Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt YHWH.
[^haggai-2-8-21]: Kanttekening 21: Wens van alle heidenen: Te weten, Christus, die alle heidenen of natiën zouden wensen te omhelzen, zich tot zijn kerk begevende. Verg. Gen. 49:10 . Anders aldus: En de wens van de heidenen zal komen. Verstaande zulks van de komst van de Messias. Anders: Dan zullen komen de gewensten van alle heidenen; dat is, mijn uitverkorenen, mijn lieve en aangenamen kinderen uit alle volken en natiën, zullen tot mij komen en in mij geloven. Zie Jes. 2:3 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^haggai-2-8-22]: Kanttekening 22: dit huis: Dat is, deze tempel.
[^haggai-2-8-23]: Kanttekening 23: met heerlijkheid vervullen: Want Christus, de koning van de ere. \[ Ps. 24:7 , 24:8 \], de Zaligmaker van de heidenen, \[die groter is dan Salomo, Matt. 12:42 \], zou in eigen persoon lichamelijk verschijnen, prediken en wonderen doen, \[gelijk Maleachi dit duidelijk voorzegt in Mal. 3:1 \], en Hij zal verder in zijn gemeente wonen met zijn Geest en genade. Verg. Ez. 43:5 , 43:7 . Psalmen 24:7 : Heft uw hoofden op, u poorten, en verheft u, u eeuwige deuren, opdat de Koning van de ere inga! Psalmen 24:8 : Wie is de Koning van de ere? YHWH, sterk en geweldig, YHWH, geweldig in de strijd. Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten. Ezechiël 43:5 : En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van YHWH had het huis vervuld. Ezechiël 43:7 : En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;
[^haggai-2-9-24]: Kanttekening 24: Van Mij is het zilver, en van Mij is het goud: Alsof de Heer zei: Als Ik deze nieuwe tempel uitwendig heerlijker hebben wilde van zilver en goud, dat ware mij licht om te doen, want al het zilver en goud van de wereld komt mij toe, en Ik kon het u haast doen hebben, maar Ik wil deze tempel versieren met een veel grotere heerlijkheid, namelijk met de aanwezigheid van de Messias, de Koning aller koningen, en met vele geestelijke gaven, waarmee Ik de kerk van het Nieuwe Testament versieren zal.
[^haggai-2-10-25]: Kanttekening 25: vrede geven: Namelijk door, of in Christus Jezus, de Vredevorst. Zie Rom. 5:1 , en Rom. 14:17 ; Filipp. 4:7 . Zie ook Jes. 11:6 , en Joh. 14:27 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 14:17 : Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Filippensen 4:7 : En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus. Jesaja 11:6 : En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven. Johannes 14:27 : Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.
[^haggai-2-11-26]: Kanttekening 26: van de negende maand : Deze maand wordt Chisleu genoemd, Zach. 7:1 ; ten dele met onze December overeenkomende. Zacharia 7:1 : Het gebeurde nu in het vierde jaar van de koning Darius, dat het woord van YHWH geschiedde tot Zacharia, op de vierde van de negende maand, namelijk in Chisleu.
[^haggai-2-12-27]: Kanttekening 27: de priesters de wet: Welken het toekomt de wet te verklaren. Zie Lev. 10:10 , 10:11 ; Deut. 33:10 , en Mal. 2:7 . Leviticus 10:10 : En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine; Leviticus 10:11 : En om de kinderen van Israël te leren al de inzettingen, die YHWH door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. Deuteronomium 33:10 : Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat geheel verteerd zal worden, op Uw altaar. Maleachi 2:7 : Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^haggai-2-13-28]: Kanttekening 28: iemand draagt: In dit 13e vers stelt de profeet twee vragen voor bij gelijkenis, lerende vooreerst dat de mens uit het aanroeren van iets, dat heilig is, gene heiligheid verkrijgt. In vers 14 leert hij dat een mens, die onrein is, niet alleen gene heiligheid daarvan krijgt, maar integendeel, met zijn aanroeren verontreinigt hij wat heilig is; met welke gelijkenissen de Heer te verstaan geeft de oorzaken waarom Hij nu een geruimen tijd de Joden gekastijd had, en waarom hun offeranden voor God niet aangenaam geweest waren, namelijk omdat zij zo onrein van hart waren als degenen uiterlijk, die door het aanroeren van een dood lichaam zich verontreinigd hadden. Zie Lev. 21:1 ; Num. 5:2 . Leviticus 21:1 : Daarna zei YHWH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.
[^haggai-2-13-29]: Kanttekening 29: heilig vlees: Hebr. vlees van de heiligheid; te weten, vlees, dat de Heer is geheiligd geworden door de offerande. Zie Lev. 7:15 . Leviticus 7:15 : Maar het vlees van het lofoffer zijns dankoffers zal op de dag van zijn offerande gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten.
[^haggai-2-13-30]: Kanttekening 30: slip van zijn kleed: Hebr. vleugel.
[^haggai-2-13-31]: Kanttekening 31: het heilig worden: Anders: hij. Die zin is: Zal er iets anders, dat hij aanroert, door hem geheiligd worden?
[^haggai-2-13-32]: Kanttekening 32: Want het kleed wordt wel door zulke aanroering geheiligd, Lev. 6:27 ; maar niet wat van dat kleed werd aangeraakt. Leviticus 6:27 : Al wat zijn vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult u in de heilige plaats wassen.
[^haggai-2-14-33]: Kanttekening 33: van een dood lichaam: Hebr. van een ziel; zie Lev. 19:28 de aantekening daar, en Num. 19:11 . Leviticus 19:28 : U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Numeri 19:11 : Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.
[^haggai-2-14-34]: Kanttekening 34: iets van die dingen aanroert: Van welke gesproken is in vers 13 . Haggai 2:13 : Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan de wijn, of aan de olie, of aan enige voedsel, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Nee.
[^haggai-2-14-35]: Kanttekening 35: het onrein worden: Te weten, dat het aangeroerd heeft.
[^haggai-2-14-36]: Kanttekening 36: Het zal onrein worden: Zie de wet, Lev. 11:24 , 11:25 , enz., en Lev. 15:4 , enz., Num. 9:10 , en Num. 19:11 , 19:13 . Leviticus 11:24 : En aan deze zult u verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 11:25 : Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. Leviticus 15:4 : Alle leger, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. Numeri 9:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog YHWH het pascha houden. Numeri 19:11 : Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. Numeri 19:13 : Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt de tabernakel van YHWH; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water van de afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.
[^haggai-2-15-37]: Kanttekening 37: Zo is dit volk: De zin is: Evenzo is het met deze natie of met dit volk gesteld, dat alles ontreinigt waar het bij of aan komt, omdat het onrein van conscientie is, blijkende daaruit dat zij mijn bevel, aangaande het opbouwen van de tempel verachten. Verg. Tit. 1:15 . Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^haggai-2-15-38]: Kanttekening 38: voor Mijn aangezicht: De Joden waren wel heilige mensen in hun eigen oordeel, maar niet in de ogen van God.
[^haggai-2-15-39]: Kanttekening 39: daar offeren: Te weten, op het brandofferaltaar, dat vele jaren was opgebouwd geweest voordat de tempel volbouwd is geworden, Ezra 3:2 . God de Heer had wel de offeranden strengelijk bevolen te doen, maar hier verklaart Hij door zijn profeet, dat gelijk al hun andere werken onrein waren, zo ook hun offeranden, \[vanwege welke zij meenden voor God aangenaam te zijn\] zolang zij nalieten het huis van de Heer te bouwen, en omdat zij zelf onrein, dat is goddeloos en huichelachtig waren, en zonder geloof, want alles wat zonder geloof geschiedt, dat is zonde; Rom. 14:23 . Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. Romeinen 14:23 : Maar die twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
[^haggai-2-16-40]: Kanttekening 40: stelt er toch ulieder hart op: De zin schijnt hier te zijn: Vóór deze, toen u versloft hebt de opbouwing van de tempel, bent u van God gestraft geweest met dure tijden, zie vers 18 , maar nu u aan het werk kloekelijk gegaan bent, hebt u de zegen van de Heer gevoeld; daarom neemt ter harte wat in vorige tijden geschied is, opdat u verstaande de oorzaak van de tegenspoed, die u tevoren geperst heeft, nu ook mag verstaan de oorzaak van de zegen Gods, die u nu gevoelt, en hierna gevoelen zult en vaart daarom kloekelijk voort in het opbouwen van het huis van de Heer. Enige overzetters verlichten de duisterheid van dit vers met enige ingevoegde woorden, aldus: En nu, stelt er toch ulieder hart op \[hoe het u gegaan is,\] van deze dag af, enz. Zie Hag. 1:5 , en vers 19 . Haggai 2:18 : Ik sloeg u met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk van uw handen; en u keerde u niet tot Mij, spreekt YHWH. Haggai 1:5 : Nu dan, zo zegt YHWH van de legermachten: Stelt uw hart op uw wegen. Haggai 2:19 : Stelt er toch uw hart op, van deze dag af en opwaarts; van de vier en twintigste dag van de negende maand af, van de dag af, als het fondament aan de tempel van YHWH is gelegd geworden, stelt er uw hart op.
[^haggai-2-16-41]: Kanttekening 41: Dat is, op de dagen, die vóór deze tijd geweest zijn.
[^haggai-2-16-42]: Kanttekening 42: eer er steen op steen gelegd werd: Dat is, voordat de opbouwing van de tempel haar voortgang nam, en u op het fondament \[dat vóór vele jaren gelegd was\] voortgegaan zijt, en op hetzelfde verder gebouwd hebt. Ten tijde van de koning Cyrus hadden zij de fondamenten van de tempel gelegd, maar niet voortgebouwd tot op het tweede jaar van Darius , zie vers 11 . Zie ook Ezra 4:5 , 4:24 . Haggai 2:11 : Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: Ezra 4:5 : En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. Ezra 4:24 : Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.
[^haggai-2-17-43]: Kanttekening 43: Eer die dingen geschiedden: Dat is, voordat men met de bouw van de tempel voortvoer.
[^haggai-2-17-44]: Kanttekening 44: van twintig maten : Dat is, die men meende dat twintig mudden, of schepels, of zakken uitgeven zou, of behoorde uit te geven, naar evenredigheid van het gezaaide.
[^haggai-2-17-45]: Kanttekening 45: maten van de pers te scheppen: Hetzij voeder, of amen, of andere vaten, groot of klein.
[^haggai-2-17-46]: Kanttekening 46: zo waren er maar twintig: De zin is: De oogst van het koren en de wijn was zeer sober en klein, omdat de Heer u zijn zegen onttrokken had, vertoornd zijnde over ulieder slordigheid in het bouwen van zijn huis.
[^haggai-2-18-47]: Kanttekening 47: Ik sloeg: Dit is een breder verhaal van de plagen, die God hun heeft toegezonden vanwege hun slordigheid in het bouwen van de tempel. Verg. Deut. 28:22 , enz. Zie ook 1 Kon. 8:37 , en in het bijzonder Amos 4:6 , 4:7 , 4:8 , 4:9 ; en Hag. 1:11 , en Ps. 78:47 . Deuteronomium 28:22 : YHWH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt. 1 Koningen 8:37 : Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige ziekte wezen zal; Amos 4:6 : Daarom heb Ik u ook reinheid van de tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:7 : Daartoe heb Ik ook de regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. Amos 4:8 : En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Amos 4:9 : Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw hoven, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Haggai 1:11 : Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid van de handen. Psalmen 78:47 : Hij doodde hun wijnstok door de hagel, en hun wilde vijgebomen door vurige hagelsteen.
[^haggai-2-18-48]: Kanttekening 48: u met brandkoren: Dat is, uw vruchten.
[^haggai-2-18-a]: Verwijzing a: Hagg. 1:11 . Haggai 1:11 : Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de most, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid van de handen.
[^haggai-2-18-49]: Kanttekening 49: en u keerde u niet tot Mij: Anders: daar is niemand bij u die tot mij, spreekt de Heer, met verzwijging van het woord keert.
[^haggai-2-19-50]: Kanttekening 50: Stelt er toch uw hart op: Of, stelt nu uw hart, enz. Alsof hij zei: Totdat men is begonnen opnieuw te bouwen aan de tempel, zijn het ellendige bedroefde tijden geweest, maar let er nu eens op, hoe het nu toegaat, nu u kloekelijk aan het bouwen bent.
[^haggai-2-19-51]: Kanttekening 51: en opwaarts: Dat is, die vóór deze tijd geweest zijn.
[^haggai-2-19-52]: Kanttekening 52: als het fondament: Dat is, als men is begonnen te bouwen op het fondament, dat gelegd is geworden in het tweede jaar na de wederkomst uit de Babylonische gevangenschap, als het altaar werd gebouwd. Zie Ezra 3:11 . Maar sommigen nemen deze woorden naar de letter, zijnde in die mening, dat de fondamenten van de tempel, die gelegd waren straks na de wederkomst van het volk uit Babylonië, van de vijanden van dit werk uitgeroeid waren, zo dat men nieuwe fondamenten heeft moeten leggen. Ezra 3:11 : En zij zongen bij beurten, met YHWH te loven en te danken, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich, als men YHWH loofde over de grondlegging van het huis van YHWH.
[^haggai-2-20-53]: Kanttekening 53: Is er nog zaad in de schuur: De zin is: Is er nog zaad overig in de schuur om te zaaien, Ik zal het van deze dag af zegenen, ja tot de bomen toe, die nu in lange tijd geen vruchten gedragen hebben, zal Ik mijnen zegen geven.
[^haggai-2-20-54]: Kanttekening 54: de wijnstok: Al de bomen en vruchten, die hier genoemd staan, plachten overvloedig in het Joodse land te groeien; zie Deut. 8:8 . Deuteronomium 8:8 : Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;
[^haggai-2-20-55]: Kanttekening 55: Dat is, vruchtbaar maken.
[^haggai-2-21-56]: Kanttekening 56: van de maand: Namelijk van de negende maand, te weten, op dezelfde dag als tevoren het woord van de Heer tot Haggaï geschied is; zie ook vers 11 . Haggai 2:11 : Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord van YHWH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende:
[^haggai-2-22-57]: Kanttekening 57: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen: Zie vers 7 . Haggai 2:7 : Want zo zegt YHWH van de legermachten: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
[^haggai-2-23-58]: Kanttekening 58: En Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren: De zin is: Ik zal alle macht en geweld tenietmaken, die zich tegen Christus en zijn rijk verheffen; zie 2 Kor. 10:5 , en 2 Thess. 2:8 . Maar anderen verstaan dit gesproken te zijn van het werk van de wederopbouwing van de tempel, die door gene mensen zou kunnen verhinderd worden; om zo de Joden des te meerdere lust en moed te geven om kloek in dit werk voort te varen. Het kan beide tegelijk wel bestaan. 2 Korinthiërs 10:5 : Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst;
[^haggai-2-23-59]: Kanttekening 59: de vastheid: Dat is, sterkte, macht.
[^haggai-2-23-60]: Kanttekening 60: ieder in het zwaard van de ander: Hebr. de man in het zwaard van zijn broer.
[^haggai-2-24-61]: Kanttekening 61: u nemen: Dit is, figuurlijkerwijze te zeggen: U, o Christus, die naar het vlees in de lenden van Zerubbabel besloten ligt, Matt. 1:12 , 1:13 . Zo wordt Christus, Ez. 34:23 , David genoemd; verg. Hebr. 7:9 . Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel; Mattheüs 1:13 : En Zorobabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor; Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Hebreeën 7:9 : En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;
[^haggai-2-24-62]: Kanttekening 62: een zegelring: Zie Hoogl. 8:6 ; Jer. 22:24 . De zin is: Ik zal u lief en waard hebben, Ik zal u bewaren, gelijk iemand zijn ring bewaart, waar hij zijn geheimste zaken mee verzegelt. Hooglied 8:6 : Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen van YHWH. Jeremia 22:24 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.
[^haggai-2-24-63]: Kanttekening 63: u heb Ik gekozen: Verg. 1 Petr. 1:20 . 1 Petrus 1:20 : Die wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,

## Zacharia

### Zacharia 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/1.json)

*De profeet vermaant de Joden tot ware bekering, opdat zij niet gestraft worden zoals vroeger hun vaderen, vers 1, enz. daarna beschrijft hij twee visioenen, het eerste van een man op een rood paard, die boodschapt dat Jeruzalem weer gebouwd zou worden, 7. het andere van vier horens en vier smeden, die betekenen dat de vijanden van het volk van God verslagen zouden worden, 18, enz.*

**1** In[^zacharia-1-1-1] de achtste maand, in het tweede jaar[^zacharia-1-1-2] van Darius, kwam het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon[^zacharia-1-1-3] van Berechja, de zoon van Iddo,[^zacharia-1-1-4] de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v1)

**2** YHWH is[^zacharia-1-2-5] zeer vertoornd geweest tegen uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v2)

**3** Daarom zeg tot hen: Zo zegt YHWH van de legermachten: Keer weer tot Mij, spreekt YHWH van de legermachten, zo zal Ik weer tot u keren, zegt YHWH van de legermachten.[^zacharia-1-3-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v3)

**4** [^zacharia-1-4-7]Wees niet als uw vaders, tot wie de vorige[^zacharia-1-4-8][^zacharia-1-4-a] profeten riepen, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Bekeer u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij[^zacharia-1-4-9] luisterden niet naar Mij, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v4)

**5** Uw vaders,[^zacharia-1-5-10] waar zijn die? En de profeten,[^zacharia-1-5-11] zullen zij[^zacharia-1-5-12] in eeuwigheid leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v5)

**6** Toch Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten,[^zacharia-1-6-13] geboden had,[^zacharia-1-6-14] hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden:[^zacharia-1-6-15][^zacharia-1-6-b] Zoals YHWH van de legermachten gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, zo heeft Hij met ons gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v6)

**7** Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de[^zacharia-1-7-16] maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van YHWH tot Zacharia, de zoon[^zacharia-1-7-17] van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v7)

**8** Ik zag in de nacht, en ziet,[^zacharia-1-8-18] een Man rijdende[^zacharia-1-8-19] op een rood paard, en[^zacharia-1-8-20] Hij stond tussen de mirten,[^zacharia-1-8-21] die in de diepte waren; en[^zacharia-1-8-22] achter Hem waren[^zacharia-1-8-23] rode, bruine en witte paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v8)

**9** En Ik zei: Mijn Heere![^zacharia-1-9-24] wat zijn deze? Toen zei tot mij de Engel, Die[^zacharia-1-9-25] met mij sprak: Ik zal u tonen,[^zacharia-1-9-26] wat deze zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v9)

**10** Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zei: Deze zijn het, die[^zacharia-1-10-27] YHWH uitgezonden heeft,[^zacharia-1-10-29] om het land te doorwandelen.[^zacharia-1-10-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v10)

**11** En zij[^zacharia-1-11-30] antwoordden[^zacharia-1-11-31] de Engel van YHWH, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben[^zacharia-1-11-32] het land doorwandeld, en ziet,[^zacharia-1-11-33] het hele land[^zacharia-1-11-34] zit en het is stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v11)

**12** Toen antwoordde[^zacharia-1-12-35] de Engel van YHWH, en zei: YHWH van de legermachten! hoe lang zult U Zich niet ontfermen over[^zacharia-1-12-36] Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke U gram geweest bent,[^zacharia-1-12-37] deze zeventig jaren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v12)

**13** En YHWH antwoordde de Engel, Die[^zacharia-1-13-38] met mij sprak,[^zacharia-1-13-39] goede woorden,[^zacharia-1-13-40] troostelijke woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v13)

**14** En de Engel, Die met mij sprak, zei tot mij: Roep uit, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik ijver[^zacharia-1-14-41] over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v14)

**15** En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd[^zacharia-1-15-42] tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig[^zacharia-1-15-43] boos, maar zij hebben ten kwade geholpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v15)

**16** Daarom zegt YHWH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt YHWH van de legermachten, en[^zacharia-1-16-44] het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v16)

**17** [^zacharia-1-17-45]Roep nog, zeggende: Zo zegt YHWH van de legermachten: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden[^zacharia-1-17-47] vanwege het goede; want YHWH zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog[^zacharia-1-17-48] verkiezen.[^zacharia-1-17-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v17)

**18** En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren[^zacharia-1-18-49] vier hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v18)

**19** En ik zei tot de Engel, Die met mij sprak:[^zacharia-1-19-50] Wat zijn deze? En Hij zei tot mij:[^zacharia-1-19-51] Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v19)

**20** En YHWH toonde mij vier[^zacharia-1-20-52] smeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v20)

**21** Toen zei ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om[^zacharia-1-21-53] die te verschrikken, om[^zacharia-1-21-54] de hoornen van de heidenen neer te werpen,[^zacharia-1-21-55] welke de hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/1.html#v21)

[^zacharia-1-1-1]: Kanttekening 1: Dit was twee maanden na dat Haggai had begost te prediken. Hag. 1:1.
[^zacharia-1-1-2]: Kanttekening 2: Des Konings in Persen, zie Ezra 4. op vers 24.
[^zacharia-1-1-3]: Kanttekening 3: Zo wordt hij in ’t Hebreeuws genoemd, maar bij de Grieken Barachias. sommige meenen dat deze dezelfde zy, van welke gesproken wordt, Mat. 23:35. andere houdense voor verschillende. Vergelijk 2.Chro. 24:2. met d’aantekening. Zie breeder van de persoonen in dit vers genoemd Ezra 5:1.
[^zacharia-1-1-4]: Kanttekening 4: Of, van de Profeet.
[^zacharia-1-2-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: met toorn vertoornt.
[^zacharia-1-3-6]: Kanttekening 6: God keert hem tot ons als hij ons doet gevoelen de vrucht onser gebeden: Wy keeren ons tot de Heer, als wy in waren geloof en met hertelijk berouw onser zonden, zijn genade versoeken: Maar dit en hebben wy van ons zelf niet, maar God de Heer moet het ons geven, gelijcker staat Ierem. c. 31:18. Heer, bekeer my, so zal ik bekeerd zijn.
[^zacharia-1-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk in onbekeerlickheid: Zie 2 Kron. 36:15, 16.
[^zacharia-1-4-8]: Kanttekening 8: Die voor de Babylonische gevanckenis geprofeteerd hebben.
[^zacharia-1-4-a]: Verwijzing a: Jes. 31:6. Ierem. 3:12. en 18:11. Ez. 18:30. Hose. 14:2.
[^zacharia-1-4-9]: Kanttekening 9: Zij en luisterden niet na ’t gene dat ik haar door mijn Profeten liet aanseggen.
[^zacharia-1-5-10]: Kanttekening 10: Alsof hij zei, Zij en zijn wel niet meer voor handen, u behoorde u evenwel aan haar te spiegelen. Zie 1 Kor. 10:5, 6.
[^zacharia-1-5-11]: Kanttekening 11: Anders: leven zij in eeuwigheid? Dat wil zeggen: al zijn die voorige Profeten dood, so blijven even-wel haar profetieën voor altijd. zie vers 6, en vergelijk 2 Petr. 1:15. Andre verduitschen en verklaren die woorden zo, als zijnde de woorden van de boose mensen, Maar de Profeten (die haar berispt hebben) hebben die altijd geleeft? Waar zijn die nu ook? Zij zijn immers ook al gestorven.
[^zacharia-1-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: Altijd.
[^zacharia-1-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk dat syse het volk verkondigen zouden.
[^zacharia-1-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: en zijn die straffen haar niet over gekomen, daar mee ik haar gedreygt had? Iase. Daarom hadde u u behooren aan dezelve te spiegelen.
[^zacharia-1-6-15]: Kanttekening 15: Dit hebben zij gesproken door overtuiging harer conscientie, als haar de Heer gestraft heeft zo met andre plagen, als insonderheid met de Babylonische gevanckenis, daar mee hij haar meer-maals gedreycht had. Vergelijk Ps. 106:6.
[^zacharia-1-6-b]: Verwijzing b: Klaagl. 1:18.
[^zacharia-1-7-16]: Kanttekening 16: Meest overeenkomende met onze Ianuario, als hebbende de mane die op het einde van Ianuario komt, en op het begin van Februario. So dat deze profetie omtrent drie maanden op de voorgaande gevolcht is.
[^zacharia-1-7-17]: Kanttekening 17: Hebreeuws: Berechjahu.
[^zacharia-1-8-18]: Kanttekening 18: Dit was de Sone Gods, in de gedaante eenes mans; maar andre menen dat het een geschapen Engel geweest zy. Christus heeft meermaals voor een korte tijt de gedaante eenes mans aangenomen, als Dan. 7:13. Ez. 1:26. en 40:3.
[^zacharia-1-8-19]: Kanttekening 19: Hier mee wordt aangewesen, dat de Sone Godes, als een vuur, zijn vijanden verteert; of, zoals het andre verstaan, de zonden van zijn volk. Zie Jes. 63:1, 2, 3.
[^zacharia-1-8-20]: Kanttekening 20: Of, hij hielt stille onder de myrthen. Door de myrthen worden afgebeeld de gelovige, die voor God groenen, en een lieffeliken reuk geven, Zoals de myrthe-boomen: en door het stille staan van deze man, wordt betekend de gereede, en altijt tegenwoordige hulpe en bijstand van de Heer.
[^zacharia-1-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: in een diepe, vochtige plaats, waar mee afgebeelt wordt de gelegenheid van het Joodse volk, het welk te die tijt ten dele nog in de Babylonische gevanckenis was, ten dele in ’t lant, in grote onruste.
[^zacharia-1-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk achter die man, die op het roode peert satt.
[^zacharia-1-8-23]: Kanttekening 23: Roode, bruine, witte peerden, op de welke Engelen saten, die de Heer Christus dienden, vers 10. En dit betekent allerlei dienaren van de Heer, die hem dienen om zijn oordelen uit te voeren, hetzij om zijn kinderen te verlossen, of om haar vijanden te straffen.
[^zacharia-1-9-24]: Kanttekening 24: Of, wie zijn deze? namelijk die achter u zijn. De betekenis is, Wat heeft het te beduiden, dat deze te peerde achter u staan?
[^zacharia-1-9-25]: Kanttekening 25: Anders: in my, zoals eigenlijk de Hebreeuwse woorden luiden, beteeckenende een inwendige openbaring van de dingen die hij uitwendelijk gezien had. Zo ook hieronder, versen 13, 14. en 2:3. en 4:1, 4, 5. en 5:5, 10. en 6:4. Zie ook Num. 12. vers 2. en 2 Sam. 23:2. Hos. 1:2, etc.
[^zacharia-1-9-26]: Kanttekening 26: Of, Wie deze zijn. Dat wil zeggen: wat zij voor hebben.
[^zacharia-1-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: God de Vader, want de Sone Godes spreekt hier.
[^zacharia-1-10-29]: Kanttekening 29: Om te zien en te merken hoe het over al toe-ging, en de Heer daar van te komen bericht doen. Dit wordt als bij gelijkenis gesproken, ziend op de wijze en het gebruik van de Koningen, die haar dienaren over al uitschikken. Vergelijk Job 1:7. en 2:2. voor God onze Heer is alle ding bekent, Ps. 113:6. Ierem. 23:24. Hebr. 4:13. Nochtans belieft’et hem de Engelen te gebruiken, om van zijn wijsheid en regering te getuigen.
[^zacharia-1-10-28]: Kanttekening 28: Of, uitgesonden had. want zij hadden toen het lant doorgetrokken, en waren weer gekomen.
[^zacharia-1-11-30]: Kanttekening 30: Antwoorden is hier, en elders meer, te zeggen, spreken, of, beginnen te spreken, als onder vers 12. en elders.
[^zacharia-1-11-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: Christus de Heer, die de overste is over alle de Engelen.
[^zacharia-1-11-32]: Kanttekening 32: Namelijk het lant van Chaldaea, anders: de aarde, dat wil zeggen: alle landen.
[^zacharia-1-11-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: alle inwoonders van het lant, als af te nemen is uit vers 15. Of, het gehele lant: uitgesondert het arme Joodse lant, het welk van zijn vijanden jammerlijk wert verwoest en verdorven: Ofte, uitgesondert de Joden, die lange jaren in Babel zijn gevangen geweest, en nog veel aanstoots lijden.
[^zacharia-1-11-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: de Babyloniërs, en andre natien hebben ruste en vrede
[^zacharia-1-12-35]: Kanttekening 35: Christus Jezus, de voor-bidder en middelaar van zijn kerk bij zijn Hemelschen Vader, welke kerk in beroerte en vervolging was terwijle alle andre landen rontom haar in ruste waren.
[^zacharia-1-12-36]: Kanttekening 36: Onder Jeruzalem en Iuda, moetmen hier verstaan de kerk van God, hoewel dat dit ook na de letter te verstaan is.
[^zacharia-1-12-37]: Kanttekening 37: Hier uit nemen sommige af, dat Zacharia dit gesproken heeft korts na het einde van de Babylonische gevanckenis, uit de welke de Joden door het voor-bidden van Christus zijn verlost geworden: de tijt nu vervult zijnde, daar van geschreven staat 2.Chro. 36:14, 15, 21. Ierem. 25:3, 4, 5, 12. en 29:10.
[^zacharia-1-13-38]: Kanttekening 38: Of, in my. Zie hierboven, vers 9. en verstaat, dat de Heer, dat wil zeggen: God de Vader tot de Sone, en de Sone tot de Prophete sprak van de liefde van God tot zijn kerk, en toorn over de vijanden van dezelve, als breeder gezegd wordt versen 14, 15.
[^zacharia-1-13-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: vriendelike, aengename, zoete woorden.
[^zacharia-1-13-40]: Kanttekening 40: Namelijk troostelijk voor zijn kerk.
[^zacharia-1-14-41]: Kanttekening 41: Namelijk om hetzelve te verlossen uit de handen harer vijanden. Zie Jes. 9:7. Zephan. 1:4. en Jer. 31:20. en hieronder, 8:2. of schoon de Heer een tijt lank, zijn hulpe en bijstand aan zijn kerk onthouden had, nochtans beminde hij dezelve als een vader zijn kinderen, of een man zijn vrouwe, en hij heeftse ter bequamer tijt gered uit allen noot en wederweerdigheid.
[^zacharia-1-15-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: tegen de Chaldeen, of Babyloniërs, en haar aanhangers, die nu in ruste en in vrede zitten, midler-wyle dat mijn volk geplaecht wordt. Zie hierboven, vers 11.
[^zacharia-1-15-43]: Kanttekening 43: Namelijk op het Joodse volk: Alsof God zei, zij en zien niet op mijn wille of voornemen, die was, mijn volk vaderlijk te kastijden, om hetzelve tot boete en bekeering te brengen, maar al haar doen en trachten strekt daar heen, om mijn volk geheel en al te verderven en uit te roeyen. zie Jes. 10:7. en 47:6. zie ook Ez. 25:3, 6. Jer. 30:11. Ps. 83:4, 5.
[^zacharia-1-16-44]: Kanttekening 44: Zoals de timmerlieden doen, als zij een nieuw-gebouw zullen maken. De betekenis is, Jeruzalem zal weer herbouwt worden, de vijanden mogen daar tegen doen al wat zij kunnen. Dit is volbracht door het beleid en de aandrijving van Nehemia. Verg. Neh. 2:3, 4, etc. en Hag. 1:13. onder de opbouwing van de Stadt van Jeruzalem, worden ook de godsaligen belooft alle geestelijke genaden en weldaden.
[^zacharia-1-17-45]: Kanttekening 45: Anders: predickt verder.
[^zacharia-1-17-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: van wegen de grote en overvloedigen zegen, die de Heer haar geven zal. Geestelicker wijze dit genomen zijnde, betekent het, dat God zijn kerk zo zou zegenen, en doen aanwassen, dat het Joodse lant te enge zou wesen, om haar te begrijpen, maar dat zij met haar gaven door de gehele wereld zouden verspreydt worden. Vergelijk Jes. 49:18, etc. en ’t geheele Boek van de handelingen van de Apostelen.
[^zacharia-1-17-48]: Kanttekening 48: Namelijk tot zijn volk. De betekenis is, hij zal ze zo overvloedelijk met allerlei goed zegenen, dat het voldoende blijken zal, dat ze God tot zijn volk gekozen heeft: insonderheid zal hij haar zegenen, met her-stelling van de ware Gods-dienst.
[^zacharia-1-17-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: de Steden van Iuda zullen te enge zijn, zij zullen moeten vergroott en uitgesett worden.
[^zacharia-1-18-49]: Kanttekening 49: Beteeckenende de volkeren en natien, die vyantlijk het volk van God bestreden en aan-stieten van alle hoeken en gewesten van de aarde. Zie vers 19.
[^zacharia-1-19-50]: Kanttekening 50: Waar van zijn deze hoornen een teeken? wat beduiden zij?
[^zacharia-1-19-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die betekenen de Babyloniërs, en andre machtige Natien die het met dezelve houden.
[^zacharia-1-20-52]: Kanttekening 52: Of, timmer-lieden. Dit betekent ook de volken en natien, die als mee-arbeyders Godes zijn, die God de Heer uit alle hoeken van de wereld vergaderen zou, om die sterke hoornen, dat wil zeggen: om de vijanden van Godes kerk te breken en te vernielen, omdat zij de opbouw van de Tempel, en de kerk van God verhinderden.
[^zacharia-1-21-53]: Kanttekening 53: Namelijk hoornen, dat wil zeggen: Coninckrijken.
[^zacharia-1-21-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: het gewelt, macht, Koninkrijk, te verstooren.
[^zacharia-1-21-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: die het lant Iuda met krijchs-macht over-vervallen en verheert hebben. Vergelijk Eze. 34:21.

### Zacharia 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/2.json)

*Het derde visioen, namelijk een man met een meetsnoer, die de plaats van het nieuwe Jeruzalem afmeet, verzen 1, 2. alsmede de aanwijzing van de grote menigte van de inwoners van deze stad, en hoe God haar zou beschermen, 3, enz. daarna worden de Joden, die nog in Babylonië gebleven waren, vermaand naar huis te komen, 6. met de belofte dat God hun vijanden zou verdelgen, 9. over de bekering van de heidenen, 11. en de voortdurende zorg van God over zijn volk, 12.*

**1** Opnieuw hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was[^zacharia-2-1-1] een man, en in zijn hand was een meetsnoer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v1)

**2** En ik zei: Waar gaat u heen? En hij zei tot mij:[^zacharia-2-2-2] Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v2)

**3** En ziet,[^zacharia-2-3-3] de Engel, Die[^zacharia-2-3-4] met mij sprak,[^zacharia-2-3-5] ging uit; en[^zacharia-2-3-6] een andere Engel[^zacharia-2-3-7] ging uit, hem tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v3)

**4** En[^zacharia-2-4-8] hij zei[^zacharia-2-4-9] tot hem: Loop, spreek[^zacharia-2-4-10] deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal[^zacharia-2-4-11] dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en[^zacharia-2-4-12] van de beesten, die in het midden daarvan wezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v4)

**5** En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH,[^zacharia-2-5-13] een vurige muur rondom; en[^zacharia-2-5-14] Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v5)

**6** [^zacharia-2-6-15] O,[^zacharia-2-6-16] o, vlucht[^zacharia-2-6-17] toch uit het Noorderland, spreekt YHWH;[^zacharia-2-6-18] want Ik heb u uitgebreid[^zacharia-2-6-19] naar de vier winden van de hemel, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v6)

**7** O, Sion![^zacharia-2-7-20] ontkomt u, die woont bij de dochter van Babel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v7)

**8** Want zo zegt YHWH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden[^zacharia-2-8-22] tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt[^zacharia-2-8-23] Zijn oogappel aan.[^zacharia-2-8-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v8)

**9** [^zacharia-2-9-24] Want ziet,[^zacharia-2-9-25] Ik zal Mijn hand[^zacharia-2-9-26] over hen bewegen, en zij zullen[^zacharia-2-9-27] hun knechten een roof wezen.[^zacharia-2-9-28] Zo zult u weten,[^zacharia-2-9-29] dat YHWH van de legermachten mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v9)

**10** [^zacharia-2-10-30] Juich en verblijd u, u dochter van Sion; want zie, Ik kom, en[^zacharia-2-10-a] Ik zal in het midden van u wonen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v10)

**11** En[^zacharia-2-11-31] vele heidenen zullen[^zacharia-2-11-32] op die dag YHWH toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden[^zacharia-2-11-33] van u wonen; en u zult weten,[^zacharia-2-11-34] dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v11)

**12** Dan zal YHWH[^zacharia-2-12-35] Juda[^zacharia-2-12-36] erven voor Zijn deel,[^zacharia-2-12-37] in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog[^zacharia-2-12-38] verkiezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v12)

**13** [^zacharia-2-13-39] Zwijg,[^zacharia-2-13-40] alle vlees, voor het aangezicht van YHWH! want[^zacharia-2-13-41] Hij is ontwaakt[^zacharia-2-13-42] uit Zijn heilige woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/2.html#v13)

[^zacharia-2-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de Engel, die Christus was, in de gedaante eenes mans, als blijckt hieronder, vers 3. en hierboven, 1:8. Zie Ez. 40. op vers 3. en 41. en 42. Openb. 11:1, 2.
[^zacharia-2-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: om te ordineren hoe groot, wijt, en breedt, dat Jeruzalem wesen zou, ’t welk korts zou herbouwt worden. Zie Ezra 6:3.
[^zacharia-2-3-3]: Kanttekening 3: Zie hierboven, 1:9.
[^zacharia-2-3-4]: Kanttekening 4: Of, in my.
[^zacharia-2-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk van onder de myrten, daar hij gestaan had, c. 1:8. om na bij met my te spreken.
[^zacharia-2-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk één van die geschapene Engelen, die achter Christus stonden, 1:8.
[^zacharia-2-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk uit de hoop van de Engelen na de plaats toe die hij meten zou.
[^zacharia-2-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk Christus de Heer.
[^zacharia-2-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk tot die geschapen Engel.
[^zacharia-2-4-10]: Kanttekening 10: De Prophete verstaat hem zelf, die toen nog een jonk man was, of een jongelink is hier te zeggen een dienaar, zoals dan ook bedaechde persoonen zo genoemd worden, Ex. 33:11. Num. 11:27. 1 Kon. 11:28. 2 Kon. 4:12. en 19:6.
[^zacharia-2-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: zonder mueren, omdat men de zeer grote menigte van de mensen met geen mueren zal konnen omvangen nochte besluiten. Anders: Jeruzalem zal de dorpen bewoonen. Dat wil zeggen: die van Jeruzalem zullen van wegen menigte van de mensen, ook in de dorpen haar moeten metter wooning begeven. Maar men moet dit verstaan gesproken te zijn van de grote menigte van de mensen, die in Christus gelooven, en haar onder zijn geestelijk Rijke begeven zouden, want haar de algemene kerk strekken zou door de gehele wereld: Zie Jes. 54:1, 2, 3. en 60:4, 11.
[^zacharia-2-4-12]: Kanttekening 12: Vergelijk Jer. 31:27.
[^zacharia-2-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: ik zal ze zo beschutten, dat haar vijanden haar niet zullen konnen genaken, en soder iemand is diese zou willen aantasten, die zal als met vuur verteert en vernielt worden. Vergelijk Jes. 26:1. en c. 60:18, 19. Jer. 15:20. Vergelijk ook Ps. 125:2. en 2 Kon. 6:17.
[^zacharia-2-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: Ik zal haar tot eere en heerlickheid gereykken: Ik zal de burgers en inwoonders van die Stadt of gemeente met vele en grote weldaden vereeren en begenadigen.
[^zacharia-2-6-15]: Kanttekening 15: Of, hey, hey, of ho, ho, of ô, ô. Zo ook vers 7.
[^zacharia-2-6-16]: Kanttekening 16: Eene aansprake aan de Joden die nog in Babylonië bleven. De betekenis is, verlaatt haastig het tegenwoordige perykel, en ’t gene dat de Babyloniërs over het hoofd is hangende, en vervoecht u bij Godes gemeente. Zie Jes. 48. op vers 20.
[^zacharia-2-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: uit Babylonië, ’t welk aan het land van Iuda tegen ’t Noorden lach. Zie Jer. 16. op vers 15. en 6. op vers 22.
[^zacharia-2-6-18]: Kanttekening 18: Of, dewyle ik u (die als een vogelken in een kouwe zijt besloten geweest) nu uit die Babylonische gevanckenis heb verlost, zo dat u in het vrye velt moocht reysen, en trekken waar heen het u belieft. Of, Zoals ik u voor deze in de vier winden of gewesten van de wereld verstrooid heb: Zo zal ik u ook weer versamelen en bij elkaar brengen.
[^zacharia-2-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: zo wijt als de vier winden strekken. Anders: als de vier winden van de hemel, of, in de vier winden. Vergelijk Ez. 17:21.
[^zacharia-2-7-20]: Kanttekening 20: De betekenis is, Verlaat Babel, en vervoecht u tot de kerk.
[^zacharia-2-8-22]: Kanttekening 22: Of, tegen de Heidenen. Namelijk tegen de Chaldeen en andre uw vijanden. alsof hij zei, Dewijle God heeft begost zijn genade u te bewijzen, so wil hij voortaan zulks nog meer doen, daarom heeft hij my gezonden om u te beschermen voor ’t gewelt van uw vijanden, dat zij u niet en beschadigen nog op de weg, nog te huis.
[^zacharia-2-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk van de Heer. De betekenis is, Die u beleedicht, of schade aandoet, dat is zo veel alsof hij de Heer zelf beschadichde, ’twelk hij wreken zal. zie Deut. 32. op vers 10. en Ps. 17:8. en Act. 9:4.
[^zacharia-2-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: na dat hij voor-genomen had u te vereerliken door de verlossing uit Babel.
[^zacharia-2-9-24]: Kanttekening 24: Of, werkelijk.
[^zacharia-2-9-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: ik zal ze door mijn kracht te huis zoeken en kastijden.
[^zacharia-2-9-26]: Kanttekening 26: Namelijk over, of, tegen de heidenen, de Babyloniërs, en andre volkeren, die u berooft hebben.
[^zacharia-2-9-27]: Kanttekening 27: Namelijk de Joden, die zij gevanckelijk hebben gehouden gehadt, en die haar tevoren hebben moeten dienen, als haar arme onderdanen. Maar verstaat dit geestelicker-wijze zo, Dat de vijanden van de kerk van God tot Christus bekeerd zijnde, alles wat zij hebben, Christus zullen op-offeren.
[^zacharia-2-9-28]: Kanttekening 28: Dit zijn nog al de woorden van de Heer Christus. En weten is hier te zeggen, metterdaad of bij ervarentheid bevinden.
[^zacharia-2-9-29]: Kanttekening 29: Hij wil zeggen, Ghylieden zult weten en verstaan, dat ik de Sone Godes ben, die tot u gezonden ben, om u dit nu tevoren te verkondigen, en ter bestemder tijt in het werk te stellen. Christus, als Middelaar, wordt van zijn Vader ten besten van zijn kerk gezonden.
[^zacharia-2-10-30]: Kanttekening 30: Dit spreekt Christus tot de gelovige Joden: En is dit de betekenis, alsof Christus zei, Ik zal niet verschijnen in de schaduwen van het Oude Testament, maar lichamelijk. Collos. 2:9. en 1.Timot. 3:16. Ioh. 1:14.
[^zacharia-2-10-a]: Verwijzing a: Lev. 26:12. Ez. 37:27. en 2 Kor. 6:18.
[^zacharia-2-11-31]: Kanttekening 31: Of, volkeren, of, Natien. Het woord vele ziet principalijk op die tijden van de predicatien van de Apostelen. Zie Jes. 2:2, 3.
[^zacharia-2-11-32]: Kanttekening 32: Namelijk op de dag van de geestelijke verlossing van de kerk door Christus, die door de lichamelijke verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevanckenis is afgebeeld geworden.
[^zacharia-2-11-33]: Kanttekening 33: O Zion, ô mijn Gemeente: Ik zal onder u woonen, prediken, en miraculen doen.
[^zacharia-2-11-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: dat ik, die de Sone Godes ben, van de Vader gezonden ben, om u dit te bootschappen, en om in het midden van u te woonen, opdat u met de heidenen my toe-gevoecht zijnde, mijn volk zijt.
[^zacharia-2-12-35]: Kanttekening 35: Namelijk de uitverkorenen uit het Joodse volk, de ware Joden, die in Christus gelooven zullen.
[^zacharia-2-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: voor zijn eigen volk hebben en houden en als zijn eygendom beminnen en bewaren. Anders: dan zal de Heer Iuda zijn erfdeel erffelijk besitten. Zie Deut. 32:9.
[^zacharia-2-12-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: in het lant van de heiligheid. Dat wil zeggen: in het lant Canaan, afbeeldende de kerk van God.
[^zacharia-2-12-38]: Kanttekening 38: Zie hierboven, 1. de aantekening op vers 17.
[^zacharia-2-13-39]: Kanttekening 39: Zie Hab. 2. op vers 20. Zephan. 1:7.
[^zacharia-2-13-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: alle mensen. Zie Ps. 65. de aantekening op vers 3.
[^zacharia-2-13-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: hij heeft zijn goddelike macht geopenbaard door de verlossing van zijn kerk. Anders: als hij ontwaakt zal zijn, namelijk tot verlossing van zijn volk.
[^zacharia-2-13-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: uit de hemel. Zie Ps. 11. op vers 4. en Deut. 26:15.

### Zacharia 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/3.json)

*Het vierde visioen, te weten de hogepriester Jozua, in wiens persoon wordt afgebeeld dat God zijn kerk liefheeft, haar haar zonden vergeeft, haar heiligt, en tegen de duivel beschermt, vers 1, enz. Christus wordt beloofd, die al onze zonden uitdelgt, en de ware vrede meebrengt, 8.*

**1** Daarna toonde[^zacharia-3-1-1] Hij mij[^zacharia-3-1-2] Josua,[^zacharia-3-1-3] de hogepriester, staande[^zacharia-3-1-4] voor het aangezicht van de Engel van YHWH; en[^zacharia-3-1-5] de satan stond[^zacharia-3-1-6] aan zijn rechterhand,[^zacharia-3-1-7] om hem te weerstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v1)

**2** Maar YHWH zei tot de satan: YHWH bestraffe u, u satan! ja, YHWH bestraffe u, Die Jeruzalem[^zacharia-3-2-11] verkiest; is[^zacharia-3-2-12] deze niet[^zacharia-3-2-13] een vuurbrand[^zacharia-3-2-14] uit het vuur gerukt?[^zacharia-3-2-8][^zacharia-3-2-9][^zacharia-3-2-a][^zacharia-3-2-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v2)

**3** Josua nu was bekleed[^zacharia-3-3-15] met vuile kleren, als hij voor het aangezicht[^zacharia-3-3-16] van de Engel stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v3)

**4** Toen[^zacharia-3-4-17] antwoordde[^zacharia-3-4-18] Hij, en sprak[^zacharia-3-4-19] tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doe deze vuile kleren van hem weg. Daarna sprak Hij[^zacharia-3-4-20] tot hem[^zacharia-3-4-b]:[^zacharia-3-4-21] Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u[^zacharia-3-4-22] weggenomen, en Ik zal u[^zacharia-3-4-23] wisselklederen aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v4)

**5** [^zacharia-3-5-24]Daarom zeg Ik: Laat ze een reine[^zacharia-3-5-25] hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd, en zij trokken hem[^zacharia-3-5-26] kleren aan; en de Engel van YHWH[^zacharia-3-5-27] stond daarbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v5)

**6** Toen betuigde de Engel van YHWH Josua, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v6)

**7** Zo zegt[^zacharia-3-7-28] YHWH van de legermachten: Als u in Mijn wegen zult wandelen, en[^zacharia-3-7-29] als u Mijn wacht[^zacharia-3-7-30] zult waarnemen,[^zacharia-3-7-31] zo zult u ook Mijn huis richten, en ook[^zacharia-3-7-32] Mijn voorhoven bewaren; en[^zacharia-3-7-33] Ik zal u wandelingen geven onder deze, die hier staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v7)

**8** Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en[^zacharia-3-8-34] uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn[^zacharia-3-8-35] een wonderteken; want ziet,[^zacharia-3-8-36] Ik zal[^zacharia-3-8-37] Mijn Knecht,[^zacharia-3-8-38] de[^zacharia-3-8-c] SPRUITE, doen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v8)

**9** Want zie, voor wat betreft[^zacharia-3-9-39] die steen, welke Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua,[^zacharia-3-9-40] op die ene steen zullen[^zacharia-3-9-41] zeven ogen wezen; zie,[^zacharia-3-9-42] Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt YHWH van de legermachten, en Ik zal de ongerechtigheid[^zacharia-3-9-43] van dit land[^zacharia-3-9-44] op één dag wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v9)

**10** Op die dag, spreekt YHWH van de legermachten, zult[^zacharia-3-10-45] u ieder zijn naaste nodigen tot onder de wijnstok en tot onder de vijgeboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/3.html#v10)

[^zacharia-3-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de Engel, zie hierboven, c. 2. versen 3, 4.
[^zacharia-3-1-2]: Kanttekening 2: Van deze Iosua wordt ook mentie gemaakt Hag. 1. versen 1, 12. en c. 2:3. Hij wordt alhier gesteld als een beelt van de kerk, omdat hij te die tijt als de voornaemste opsiender of voor-stander van dezelve op aarden geweest is, zijnde hoge-priester: Maar andersins, ten aansien dat hij het volk uit de Babylonische gevanckenis geleid, en de Tempel herbouwt heeft, en Hooge-Priester was, is hij ook geweest een voorbeelt van Jezus Christus, in de name, en in de daadt.
[^zacharia-3-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: de grote Priester (כֹּהֵן).
[^zacharia-3-1-4]: Kanttekening 4: Iosua stont voor die Engel, dat wil zeggen: Christus, als een beschuldichde voor zijn Richter, de Satan zijnde de aanklager. Andre nemen hier staan voor dienen, als Ps. 135:2.
[^zacharia-3-1-5]: Kanttekening 5: Dit betekent een tegen-partijder, of weer-stander. Zie Job 1. op vers 6.
[^zacharia-3-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk aan Iosuae rechter-hant.
[^zacharia-3-1-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: dat hij hem (namelijk Iosua) voor Christus aanklaechde en beschuldichde, als niet weerdich zijnde, dat de Tempel onder zijn beleid zou herbouwt worden. Zie Openb. 12:10. De Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden, luiden zo veel alsof wy zeiden, De tegenstander stont om hem tegen te staan (עֹמֵד). Vergelijckt met de woorden van de text, Ef. 6:12
[^zacharia-3-2-11]: Kanttekening 11: Zie hierboven, 1:17. en 2:16.
[^zacharia-3-2-12]: Kanttekening 12: Namelijk de hoge-Priester Iosua.
[^zacharia-3-2-13]: Kanttekening 13: Zie Jes. 7. op vers 4. Anders: \[als\] een vuurbrandt, uit de vyere gered?
[^zacharia-3-2-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: uit de Babylonische gevanckenis: Of, uit de algemeynen onder-gank gered: opdat ik mijn genade aan hem bewijzen zou? waarom begeert u dan, dat ik hem zou te schande maken? Zie Amos 4:11.
[^zacharia-3-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk de Sone Godes, die hij tevoren de Engel van de Heer genoemd heeft.
[^zacharia-3-2-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: God de Vader.
[^zacharia-3-2-a]: Verwijzing a: Iudae vers 9.
[^zacharia-3-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: dryve u te rugge met uw valse aanklachte, hij make u te schande, verstoote en verdoeme u, en rechtvaardige zijn getrouwen dienaar Iosua. Zie Iudae vers 9.
[^zacharia-3-3-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: met besoetelde, onreyne, bevleckte kleren, daar mee zijn zonden en onreynicheden werden aangewesen, als blijckt uit vers 4.
[^zacharia-3-3-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de Engel van de welke vers 1. gesproken is, die de Heer Christus was.
[^zacharia-3-4-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: sprak.
[^zacharia-3-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk Christus, die de zonden vergeeft, en de onrechtveerdigen rechtvaardig spreekt: zo ook stracx weer, daar na (namelijk na dat zij hem de vuile kleren hadden uitgetrokken) sprak hij, namelijk, Christus.
[^zacharia-3-4-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: tot d’ander Engelen, die zijn dienaren zijn, altijdt veerdich staande om zijn bevelen te verrichten. Hebr. 1:14.
[^zacharia-3-4-20]: Kanttekening 20: Namelijk tot Iosua.
[^zacharia-3-4-b]: Verwijzing b: Micha 7:18.
[^zacharia-3-4-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: hier uit zult u de waarheid van deze zaak vernemen, dat ik uw ongerechtigheden van u heb weg-genomen, die door het vuil kleed vers 3. werden betekend. Vergelijk Jes. 6:7. Ierem. 1:9.
[^zacharia-3-4-22]: Kanttekening 22: Zie 2 Sam. 12. op vers 13.
[^zacharia-3-4-23]: Kanttekening 23: Zo worden genoemd nieuwe, suiverlike, schone kleren, diemen alleen op feest-dagen aan dede. Zie Jud. 14:12. Hier wordt door de wissel-kleren verstaan de gerechtigheid van Christus, ware heiligheid, of geesteliken cieraat. Vergelijk Mat. 22:11. Luk. 15:22.
[^zacharia-3-5-24]: Kanttekening 24: Anders: toen zei ik, namelijk bij my zelf, als zijnde woorden van de Profeet, wenschende dat zulks door de wille van de Heer mochte gebeuren.
[^zacharia-3-5-25]: Kanttekening 25: Van het woord Hoet zie d’aantekening Ex. c. 28. op vers 4. De hoet beduidt het priesterlijk ampt, daar toe de Heer Iosua heeft verordineert en bevesticht, na dat hij hem van zijn zonden gereynigt en geheylicht had. Zie 1 Petr. 2:9.
[^zacharia-3-5-26]: Kanttekening 26: Namelijk wissel-kleren, als vers 4.
[^zacharia-3-5-27]: Kanttekening 27: Namelijk veerdich om het bevel van de Vader uit te voeren.
[^zacharia-3-7-28]: Kanttekening 28: Namelijk God de Vader, die voor de weldaden daar mee hij de mensen begenadicht, danckbaarheid is vereyschende, namelijk geduerige oeffening inde godsvrucht, Luk. 1:74, 75. 1 Petr. 1:15, 16.
[^zacharia-3-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: als u mijn instelligen en geboden neerstelijk zult onderhouden, zoals ik die wil onderhouden hebben.
[^zacharia-3-7-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: zult wachten.
[^zacharia-3-7-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: so zult u ook de opsicht en regering over mijn kerk hebben, zoals het uw voor-ouderen gehadt hebben. Zie 2 Kron. 19:11. de kerk wordt meermaals Godes huis genoemd, als Num. 12:7. Jer. 11:15. en 12:7. Hebr. 3:2.
[^zacharia-3-7-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: u zult in u hoge-priester-ampt geduerichlijk blijven, en d’opsicht over mijn kerk hebben, en behouden. het is even ’t zelve ’t welk hij stracx met andre woorden gezegd heeft.
[^zacharia-3-7-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: na dit leven zal ik u opnemen in het eeuwig leven, en zal u doen wandelen onder de heilige Engelen die hier staan, en andre hemelse scharen. Vergelijk Matt. 22:30. Hebr. 12:22. en 1 Tim. 4:8.
[^zacharia-3-8-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: uw met-gesellen, de priesters onder uw opsicht staande. Ofte in ’t algemeen, de vroome die het met u houden.
[^zacharia-3-8-35]: Kanttekening 35: Of, een wonder. Hebreeuws: mannen van het wonder. Enige verstaan dit zo, dat zij voor een wonder bij de boose mensen gehouden werden, omdat zij het woord van de Heer hoorden. zie Jes. 8. vers 18. Maar sommige verstaan, dat zij voor een wonder werden aangezien, omdat zij zo wonderbaarlijk uit de Babylonische gevanckenis verlost, en in haar lant weer gebracht waren, zijnde hetzelve een teeken van de verlossing door Christus. zie Ps. 71. op vers 7.
[^zacharia-3-8-36]: Kanttekening 36: Namelijk de Vader; wiens woorden hier de Heer Christus verhaalt. zie hierboven, vers 6.
[^zacharia-3-8-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: Christus. Zie Jes. 42. op vers 1. en 52:13. De betekenis is, deze zal ik in de wereld doen verschijnen in de volheid van de tijd, en hij zal mijn wille doen, zoals een getrouwe knecht de wille en het bevel van zijn Heer doet.
[^zacharia-3-8-38]: Kanttekening 38: Namelijk de Messiam, die een Spruite is uit de stamme Isai. Zie Ierem. 23. op vers 5. en 33:15. en Zachar. 6:12. Enige houden het Hebreeuwse woord, zemach in de text.
[^zacharia-3-8-c]: Verwijzing c: Jes. 4:2. en 11:1. Jer. 23:5. en 33:15. Zachar. 6:12.
[^zacharia-3-9-39]: Kanttekening 39: Namelijk Christus, (stracx een spruite genoemd, vers 8) die het fondament en de hoeksteen van zijn kerk is, zoals Christus eertijds door de hoeksteen van de Tempel werd afgebeeld, Ps. 118:22. Jes. 28:16. Zo ook weer hier, toen de Tempel is gefondeert en vernieuwt geworden in de aanwezigheid van Iosua.
[^zacharia-3-9-40]: Kanttekening 40: Ofte, in die steen, namelijk in Christus, zal zijn, voor eerst de volheid van de Godtheid, en daarna overvloet van geestelijke gaven, en verder volkomen zorg voor zijn kerk. Anders: over. versta de grote zorg van de Vader over Christus en zijn rijk.
[^zacharia-3-9-41]: Kanttekening 41: Vergelijk met de woorden van dit vers, de woorden Zachariae hieronder, 4:10. en Openb. 5:6.
[^zacharia-3-9-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: ik zal hem kostelijk uithouwen, gelijckmen een kosteliken steen fraai polijst en glat maakt. Dat wil zeggen: Ik zal hem (namelijk Christus) vercieren met menigerleye geestelijke gaven. Hebreeuws: Ik zal zijn openingen openen, welke woorden enige duiden op het lijden, en op de wonden van onze Heer Jezus Christus, daar mee onze ongerechtigheden zijn uitgedelcht, en de zaligheid verworven is.
[^zacharia-3-9-43]: Kanttekening 43: Namelijk van de kerk van de Joden en heidenen.
[^zacharia-3-9-44]: Kanttekening 44: Namelijk op die dach als Christus zal gekruist worden.
[^zacharia-3-10-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: u zult in vrede leven, en van alles genoeg hebben. Zie 1 Kon. 4:25. Micha 4:4. Maar verstaat dit niet zo zeer van een tijdelijke vrede en welstant, als van een gerustheid van het gemoed, en vrede van de conscientie door ’t geloof, dat God met ons om Christus wille versoent is. Vergelijk Jes. 2:4, 5. en 25:6, 7. Hos. 2:15, 18. en 14:5, 6, 7. Joël 3:18. Amos 9:13, 14, 15. Micha c. 4. vers 4. en 5:4, 5. In welke plaatsen, onder verbloemde redenen, de vrede van de kerk, en eenes yederen litmaats van dezelve wordt afgebeeld.

### Zacharia 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/4.json)

*Het vijfde visioen, namelijk een gouden kandelaar, en twee olijfbomen daarnaast, vers 1, enz. wat de engel duidt op de Heilige Geest, door wiens kracht Zerubbabel de bouw van de tempel zou voltooien, 6, enz. Zacharia bidt om verdere uitleg van dit visioen, en hij krijgt die, 11, enz.*

**1** En de Engel, Die[^zacharia-4-1-1] met mij sprak,[^zacharia-4-1-2] kwam weer; en[^zacharia-4-1-3] Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v1)

**2** En Hij zei tot mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven het hoofd daarvan, en zijn zeven lampen[^zacharia-4-2-4] daarop; die lampen hadden zeven en zeven[^zacharia-4-2-5] pijpen, die boven[^zacharia-4-2-6] zijn hoofd waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v2)

**3** En twee olijfbomen[^zacharia-4-3-7] daarnevens, één aan de rechterzijde van het oliekruikje, en één aan de linkerzijde daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v3)

**4** En[^zacharia-4-4-8] ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die[^zacharia-4-4-9] met mij sprak, zeggende: Mijn Heere![^zacharia-4-4-10] wat zijn deze dingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v4)

**5** Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zei tot mij: Weet u niet,[^zacharia-4-5-11] wat deze dingen zijn? En ik zei: Nee, mijn Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v5)

**6** Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende:[^zacharia-4-6-12] Dit is het woord van YHWH tot Zerubbabel, zeggende:[^zacharia-4-6-13] Niet door kracht noch door geweld, maar[^zacharia-4-6-14] door Mijn Geest[^zacharia-4-6-15] zal het gebeuren, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v6)

**7** [^zacharia-4-7-16] Wie bent u, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult u worden[^zacharia-4-7-17] tot een vlak veld; want hij zal[^zacharia-4-7-18] de hoofdsteen voortbrengen[^zacharia-4-7-19] met[^zacharia-4-7-20] toeroepingen: Genade, genade zij hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v7)

**8** Het woord[^zacharia-4-8-21] van YHWH kwam verder tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v8)

**9** De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien; opdat u weet, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v9)

**10** Want[^zacharia-4-10-22] wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die[^zacharia-4-10-23] zeven verblijden zullen, als zij[^zacharia-4-10-24] het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de[^zacharia-4-10-25] ogen van YHWH,[^zacharia-4-10-26] die het hele land doortrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v10)

**11** Verder antwoordde ik, en zei tot Hem:[^zacharia-4-11-27] Wat zijn die twee olijfbomen, aan de rechterzijde van de kandelaar, en aan zijn linkerzijde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v11)

**12** En andermaal antwoordende, zo zei ik tot Hem: Wat zijn die twee[^zacharia-4-12-28] takjes van de olijfbomen,[^zacharia-4-12-29] welke in de twee gouden kruiken zijn, die[^zacharia-4-12-30] goud van zich[^zacharia-4-12-31] gieten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v12)

**13** En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet u niet, wat[^zacharia-4-13-32] deze zijn? En ik zei: Nee, mijn Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v13)

**14** Toen zei Hij: Deze zijn[^zacharia-4-14-33] de twee[^zacharia-4-14-34] olietakken, welke voor de Heere van de hele aarde staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/4.html#v14)

[^zacharia-4-1-1]: Kanttekening 1: Of, in my.
[^zacharia-4-1-2]: Kanttekening 2: Want na het voorgaande gezicht was hij weg-gegaan voor een tijt lank.
[^zacharia-4-1-3]: Kanttekening 3: Want de Prophete was als in het beswijming, of in slaap gekomen van grote verwondering over die tevoren verhaalde gesichten. Vergelijk Dan. 8:17, 27. en 10:8.
[^zacharia-4-2-4]: Kanttekening 4: Of, die daar boven op waren, namelijk op de kandelaar: of, daar in. Vergelijk Ex. 25:31.
[^zacharia-4-2-5]: Kanttekening 5: Of, kranen, of, buiskens, door de welke de olie kwam uit de olie-kruike in de seven lampen, op elke lampe een pijpe passende.
[^zacharia-4-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk van de Kandelaars: hoofd, Dat is, hoochte.
[^zacharia-4-3-7]: Kanttekening 7: Of, daar bij: of, daar op.
[^zacharia-4-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: Ik sprak weer. zo ook hieronder, versen 11, 12. en elders meer.
[^zacharia-4-4-9]: Kanttekening 9: Of, in my, zo ook vers 5. zie hierboven, 1. op vers 4.
[^zacharia-4-4-10]: Kanttekening 10: Als hierboven, 1:9.
[^zacharia-4-5-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: wat deze zelfde dingen zijn?
[^zacharia-4-6-12]: Kanttekening 12: De betekenis is, Dit is het gene dat afgebeeld wordt door dit gezicht, dat u de Vorst Zerubbabel in mijn name zult aandienen, namelijk, Dat deze schoonen goudenen kandelaar (zonder handen van de mensen gemaakt) betekent, dat de Tempel zal herbouwt en voltrokken worden, zo dat de goudenen kandelaar in dezelve weer zal gebracht worden, zoals hyder tevoren geweest is. God de Heer heeft hier mee de Zerubbabel in zijn ampt en beroep willen sterkenn en troosten, doender uitterlijk geringe middelen voor handen waren tot opbouwing van de Tempel, en tot wederstant van de vijanden, die zulks sochten te verhinderen.
[^zacharia-4-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk niet door menselijke kracht of gewelt.
[^zacharia-4-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: door mijn H. Geest, door welke ik dit krachtelijk werken en uitvoeren zal.
[^zacharia-4-6-15]: Kanttekening 15: Namelijk de opbouwing van de Tempel, alsook de behoudenis, en de zaligheid mijnes volcks. Dit alles kan God, alst hem belieft, alleen doen, zonder de hulpe van mensen, de welke hem nochtans belieft soms daar toe te gebruiken.
[^zacharia-4-7-16]: Kanttekening 16: Dit is een aansprake aan Saneballat en de vijanden van het volk Godes, die ten aansien van de geringheid van dezelve, en Zerubbabels, haar zelf in beeldden, dat zij grote bergen waren, en wederstonden dezelve met al haar vermogen, zoals te zien is Ezrae capp. 3:4, 5. maar de Heer zegt hier, dat zij tegen Zerubbabel niet vermogen en zouden, nochte de bouw van de Tempel niet en zouden kunnen verhinderen. Zo is tot allen tijden te vergeefs geweest het woelen en rasen van de vijanden tegen Christus, en zijn Gemeente hier op aarden. Ofte zo: Wie bent u, ô grote berch, voor het aangezicht Zerubbabels? u zult, etc.
[^zacharia-4-7-17]: Kanttekening 17: Of, tot een valleye.
[^zacharia-4-7-18]: Kanttekening 18: Of, de hoge steen, namelijk van de Tempel. Dat wil zeggen: hij zal ’t gebouw van de Tempel ten einde brengen, vers 9. ja hij zal niet alleen de Tempel weer op-bouwen, maar hij zal ook een Voor-vader van Christus, de ware hoek-steen of hoofd-steen van zijn Gemeente (Ps. 118:22) zijn: want Zerubbabel is geweest een Vorst van het volk Godes, en een voor-beeld van Christus, onze eeuwige Koning, uit de welke ook Christus, na het vlees, afkomstich is, Matt. 1:12.
[^zacharia-4-7-19]: Kanttekening 19: Hebreeuws: \[met\] kraking, als wanneer iemand roept, dat hem de hals kraakt, of dat de lucht schijnt te kraken en te barsten.
[^zacharia-4-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: geluk, geluk zy dezelve, namelijk hoofd-steen, en zo ook de geheelen Tempel, ja ook Christus, en zijn kerk, waar van de Tempel een voorbeelt was. De betekenis is, daar zal een algemene geluk-wensching zijn, zo van de Engelen, als van de gelovigen, ja alle schepselen, die erkennen zullen, dat in hem, namelijk in Christus, zy de volheid aller genaden en gaven, en zij zullen wenschen en begeren, dat de Vader, door zijn genade, het rijke van Christus toch wille voorspoedich maken, Ps. 118. vers 26. Anders: Het is genade genade. Dan is dit de betekenis, ’Tis loutere genade, dat u ons deze Tempel hebt laten herbouwen, ’t en is door onze eigene kracht nog weerdigheid niet geschied. De verdobbeling, of weer-haling van het woord genade betekent zeer grote genade. Vergelijk Jes. 26:3. en 57. vers 19.
[^zacharia-4-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk van de Soon Godes, die 1. vers 12. genoemd wordt de Engel van de Heer, en 3. vers 2. De Heer. Anders: want het woord van de Heer was tot my geschied, zeggend: alsof de Profeet zei, dit spreke ik uit last en bevel van de Heer.
[^zacharia-4-10-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: de dach van de kleine beginselen van de weer-op-bouwing van de Tempel? alsof Christus zei, De Vader heeft dit door zijn almogende voorzienigheid zo geordineert, wie zal het verhinderen? het behaecht hem, wie zal ’t verachten?
[^zacharia-4-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk ogen, van de welke gesproken is hierboven, 3:9. als ook gesproken zal worden hieronder, 5. vers 6. en Openb. 5:6.
[^zacharia-4-10-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: de steen van het tin, of, de tinnen-steen, dat wil zeggen: het meet-snoer, daar een tinnen of looden gewichte aanhangt (אֶבֶן). Zie Jes. 34. d’aantekening op vers 11.
[^zacharia-4-10-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de vaste voorzienigheid van de Heer.
[^zacharia-4-10-26]: Kanttekening 26: Verg. 2.Chro. 16:9.
[^zacharia-4-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: wat beduiden.
[^zacharia-4-12-28]: Kanttekening 28: Of, besyen, of, takken met besyen. Zie de antwoorde op deze vrage onder vers 14.
[^zacharia-4-12-29]: Kanttekening 29: Hebreeuws: welke in, of, aan de hant van de twee goudene kruiken zijn. het Hebreeuws: woord jad betekent soms een ruimte, als Nehem. 7:4. Ps. 104:25. Somtijts een zyde, als 2 Sam. 15:2.
[^zacharia-4-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: olie, die zo helder, geel, en blinckende is, alsof het gout ware: Door deze klare olie worden beduit de gaven van de H. Geest.
[^zacharia-4-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk in de schale, en van haar betekent hier zo veel, als van zelf, zonder hulpe of konste van de mensen.
[^zacharia-4-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk Olijf-boomen, of olijf-takken. Anders: wat deze dingen zijn; dat wil zeggen: wat zij beduiden? zo ook vers 14.
[^zacharia-4-14-33]: Kanttekening 33: Verst. de Heer Christus, de fontein aller geestelicker gaven, hier afgebeeld door deze twee getrouwe dienaren van de Heer, namelijk Zerubbabel en Iosua, ten aansien van zijn Koninklijk en hoge-priesterlijk ampt.
[^zacharia-4-14-34]: Kanttekening 34: Hebreeuws: zonen van de olie, (welke manier van spreken ook gebruikt wordt Gen. 49:22.) Dat wil zeggen: gesalfde, om dat de Koningen, en hoge-priesters plachten ge-olyet, of, gesalft te worden, 1 Sam. 10:1. en 24:7. en Exo. 29:29. en 30:30. Lev. 8:12. Hier mee beantwoort de Engel de Prophete zijn tweede vrage, vers 12. Vergelijk deze plaats, met Openb. 11:4.

### Zacharia 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/5.json)

*Het zesde visioen van de vliegende rol, vers 1, enz. En het zevende, van een vrouw die in een efa zit, 5, enz. wat de straffen betekent die de HEERE over zijn ongehoorzame volk zou brengen, en die hij van zijn boetvaardige volk op de vijanden van zijn kerk wilde wenden: en dat die in eeuwigheid op hen zouden blijven.*

**1** [^zacharia-5-1-1] En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet,[^zacharia-5-1-2] een vliegende[^zacharia-5-1-3] rol. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v1)

**2** En[^zacharia-5-2-4] Hij zei tot mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een vliegende rol,[^zacharia-5-2-5] waarvan de lengte twintig ellen is, en haar breedte tien ellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v2)

**3** Toen zei Hij tot mij:[^zacharia-5-3-6] Dit is de vloek, die uitgaan zal[^zacharia-5-3-7] over het hele land; want een ieder die steelt, zal[^zacharia-5-3-8] van hier, volgens die vloek,[^zacharia-5-3-9] uitgeroeid worden; evenzo een ieder die vals zweert, zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden.[^zacharia-5-3-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v3)

**4** [^zacharia-5-4-11] Ik breng deze vloek voort, spreekt YHWH van de legermachten, dat hij kome[^zacharia-5-4-12] in het huis van de dief, en in het huis van degene, die bij Mijn Naam[^zacharia-5-4-13] vals zweert; en hij zal in het midden[^zacharia-5-4-14] van zijn huis[^zacharia-5-4-15] overnachten, en[^zacharia-5-4-16] hij zal het verteren, met zijn houten en zijn stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v4)

**5** En de Engel,[^zacharia-5-5-17] Die met mij sprak, ging[^zacharia-5-5-18] uit, en zei tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat[^zacharia-5-5-19] er voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v5)

**6** En ik zei: Wat is dat? En Hij zei: Dit is[^zacharia-5-6-20] een efa, die voortkomt. Verder zei Hij:[^zacharia-5-6-21] Dit is het oog over hen in het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v6)

**7** En ziet,[^zacharia-5-7-22] een plaat van[^zacharia-5-7-23] lood werd opgeheven, en er was een vrouw, zittende in het midden van de efa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v7)

**8** En Hij zei:[^zacharia-5-8-24] Deze is de goddeloosheid;[^zacharia-5-8-25] en Hij wierp ze in het midden van de efa; en Hij wierp[^zacharia-5-8-26] het loden gewicht op de mond daarvan.[^zacharia-5-8-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v8)

**9** En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet,[^zacharia-5-9-28] twee vrouwen kwamen voort, en[^zacharia-5-9-29] wind was in haar vleugels, en zij hadden vleugels, als de vleugels van een ooievaar; en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v9)

**10** Toen zei ik tot de Engel, Die met mij sprak: Waarheen brengen zij deze efa? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v10)

**11** En Hij zei tot mij:[^zacharia-5-11-30] Om haar een huis te bouwen[^zacharia-5-11-31] in het land Sinear; dat zij daar gevestigd en gesteld wordt op haar grondvesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/5.html#v11)

[^zacharia-5-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: en ik keerde weer, en ik hief mijn ogen op: ’t welk naar onze manier van spreken is zoals hier in de text staat (עֵינַ).
[^zacharia-5-1-2]: Kanttekening 2: Die snel door het geheele lant vloog, aanwijzende, dat de vloek snel komen zou.
[^zacharia-5-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: een brief die men in elkaar rolt, in de welke geschreven stonden de straffen Godes over de dieven, en misbruickers van zijn naam in het vals sweeren. Van het woord Rolle, Zie Jes. 8. op vers 1. en Ez. 2. op vers 10. en Luk. 4:17.
[^zacharia-5-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk de Engel van de Heer, die met my sprak. Zie c. 1. versen 8, 9.
[^zacharia-5-2-5]: Kanttekening 5: De grote lengte en breedte deze rolle, betekent het groot getal van de zonden van de mensen bedreven, en de grote en langduerige straffen Godes over dezelve. Vergelijk Deut. 27. en 28. en Lev. 28.
[^zacharia-5-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: in deze rolle staat de vloek geschreven, die het gehele lant treffen zal.
[^zacharia-5-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk over het gehele Joodse lant. Ofte, over de gehele aarde. Verstaande dit van de algemene oordelen van God.
[^zacharia-5-3-8]: Kanttekening 8: Anders: een ieder die steelt, zal uitgeroeid worden, zoals aan d’een zijde van de \[rolle geschreven is\]: en een ieder die valschelijk sweert, zal uitgeroeid worden, zoals aan de andere zijde van de \[rolle geschreven is\], onder deze twee soorten van grove misdaden moet men de andere mee verstaan.
[^zacharia-5-3-9]: Kanttekening 9: Anders: Alle dieven zijn hier uit (namelijk uit dit lant) uitgeroeid, naar luit deze \[rolle\]. Of, houdt zich voor onschuldich, namelijk zijn boose daden verbloemende, zijnde zo onbeschaemt in het verdedigen van dezelve, alsof het de ware God noyt gekend en had, sondigende zo tegen de tweede, als tegen de eerste Tafel van de Wet, ’t welk te kennen wordt gegeven met de twee zonden die hier tot een exempel genoemd worden.
[^zacharia-5-3-10]: Kanttekening 10: Het woord, valschelijk, is hier bij gevoecht uit vers 4. omdat het de betekenis hier vereist.
[^zacharia-5-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: ik zal de zonde mijnes volcks naar behooren straffen.
[^zacharia-5-4-12]: Kanttekening 12: Of, over, of, tot.
[^zacharia-5-4-13]: Kanttekening 13: Hebreeuws: tot valsheid, of, in valsheid.
[^zacharia-5-4-14]: Kanttekening 14: Zo van de dief, als van degenen die valschelijk sweert.
[^zacharia-5-4-15]: Kanttekening 15: Of, blijven.
[^zacharia-5-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: hij zal het zo geheel en al te schande maken, dat er niet overig blijven zal. Vergelijk Deut. 28:30. Matt. 24:2. Luk. c. 19. vers 44.
[^zacharia-5-5-17]: Kanttekening 17: Of, die in my sprak.
[^zacharia-5-5-18]: Kanttekening 18: Namelijk uit de hoop van de ruiteren, die achter hem stonden, 1. vers 8.
[^zacharia-5-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: dat u in dit gezicht vertoont wordt. Hier wordt gesproken van de voorsichtige regering Godes, als vers 6.
[^zacharia-5-6-20]: Kanttekening 20: Een mate van drooge waren. Zie d’ aenteek. Ex. 16:36. hier betekent het, naar sommiger gevoelen, de mate van de straf Godes, naar de welke hij de zonden straft naar zijn gerechtigheid.
[^zacharia-5-6-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: Dit is haar ooge in het gehele lant. Dat is: ’T is d’ ooge die acht op haar geeft, waar heen zij haar keeren, of wenden. Door d’ ooge moetmen hier verstaan de voorzichtigheid en zorg Godes. Als hierboven, 3. vers 9. en 4:10. en hieronder, 9:1. Anders: dit is de ooge. Dat wil zeggen: de gestalte van het gehele lant.
[^zacharia-5-7-22]: Kanttekening 22: Hier mee werd afgebeeld het zware en onveranderlijke oordeel van God tegen de Joden.
[^zacharia-5-7-23]: Kanttekening 23: Of, werd verheven, of, wierter gebracht.
[^zacharia-5-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: deze vrouwe is een afbeelding van de godloosen onder de Joden, of van de godloosen in ’t algemeen, die t’samen versamelt gehouden en versegelt worden tot het oordeel van God, daar van stracks gesproken wordt.
[^zacharia-5-8-25]: Kanttekening 25: Of, toen hij ze wierp. Namelijk die vrouwe.
[^zacharia-5-8-26]: Kanttekening 26: Of, klomp loots. Hebreeuws: de steen loots: Verstaat zulk een klomp loots, die plat was, zo gemaakt, dat hij als een decksel op de Epha paste (אֶבֶן).
[^zacharia-5-8-27]: Kanttekening 27: Namelijk van de Epha, zo dat zij daar in vast en dichte besloten, en als gehouden werd, om daar mee aan te wijsen, dat de godloose de straffen Godes niet ontvluchten en zouden.
[^zacharia-5-9-28]: Kanttekening 28: Door het een wijf werd, naar sommiger gevoelen, verstaan de barmhartigheid van God over zijn volk: door het andre de strenge gerechtigheid van God over de vijanden van hetzelve. Deze beide wijven nemen de Epha, dat wil zeggen: de straf van de zonden van het volk van God, en dragense in het lant van de vijanden, opdat die straffen haar op de hals blijven liggen.
[^zacharia-5-9-29]: Kanttekening 29: Dit betekent, dat als de tijt gekomen is, in welke God zijn oordelen wil uitvoeren, dat zulks dan snel, en zonder uitstel gebeuren moet.
[^zacharia-5-11-30]: Kanttekening 30: Beteeckenende, dat de straffen steets op de vijanden blijven zouden.
[^zacharia-5-11-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: in het lant van Babylonië, zie Gen. 10. vers 10. en 11:2. Hier door werd afgebeelt, dat de boose Joden, en verder alle goddeloze, onder de afgodische snoode Babyloniërs zouden gerekent en gestraft worden.

### Zacharia 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/6.json)

*Het achtste visioen van vier wagens, dat aanwijst dat God zijn oordelen zou voltrekken over de vijanden van zijn kerk, vers 1, enz. Een bevel om kronen te maken, waardoor het koninklijke en het priesterlijke ambt van de Heere Christus wordt aangeduid, die de tempel van de HEERE, dat is zijn kerk, zou opbouwen, waartoe ook de heidenen geroepen zouden worden, 9, enz.*

**1** [^zacharia-6-1-1] En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet,[^zacharia-6-1-2] vier wagens gingen er[^zacharia-6-1-3] uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v1)

**2** Aan de eerste wagen waren[^zacharia-6-2-4] rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v2)

**3** En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen[^zacharia-6-3-5] hagelvlekkige paarden, die[^zacharia-6-3-6] sterk waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v3)

**4** En ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die[^zacharia-6-4-7] met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v4)

**5** En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn[^zacharia-6-5-8] de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij[^zacharia-6-5-9] stonden voor[^zacharia-6-5-10] de Heere van de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v5)

**6** [^zacharia-6-6-11] Aan welke wagen de zwarte paarden zijn, die paarden[^zacharia-6-6-12] gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, die achterna; en de hagelvlekkige gaan uit[^zacharia-6-6-13] naar het Zuiderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v6)

**7** En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want[^zacharia-6-7-14] Hij had gezegd: Ga heen, doorwandelt het land. En[^zacharia-6-7-15] zij doorwandelden het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v7)

**8** En[^zacharia-6-8-16] Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn[^zacharia-6-8-17] naar het Noorderland,[^zacharia-6-8-18] hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v8)

**9** En het woord van YHWH kwam tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v9)

**10** [^zacharia-6-10-19] Neem van de als gevangene weggevoerden van[^zacharia-6-10-20] Cheldai, van[^zacharia-6-10-21] Tobia, en van Jedaja, en kom u op die dag, en ga in in het huis van Josia, de zoon van[^zacharia-6-10-22] Zefanja, die uit Babel gekomen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v10)

**11** Te weten, neem zilver en goud, en[^zacharia-6-11-23] maak kronen; en[^zacharia-6-11-24] zet ze op het hoofd van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v11)

**12** En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de legermachten, zeggende: Zie, een Man, Wiens naam is[^zacharia-6-12-27] SPRUITE, Die zal[^zacharia-6-12-28] uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal[^zacharia-6-12-29] de tempel van YHWH bouwen.[^zacharia-6-12-25][^zacharia-6-12-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v12)

**13** Ja, Hij zal de tempel van YHWH bouwen, en Hij zal[^zacharia-6-13-30] het sieraad dragen, en[^zacharia-6-13-31] Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en[^zacharia-6-13-32] de raad van de vrede zal tussen die Beiden wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v13)

**14** En die kronen zullen wezen voor[^zacharia-6-14-33] Chelem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor[^zacharia-6-14-34] Chen, de zoon van[^zacharia-6-14-35] Zefanja, tot een herinnering in de tempel van YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v14)

**15** En[^zacharia-6-15-36] die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen[^zacharia-6-15-37] in de tempel van YHWH, en u zult weten, dat YHWH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren, als u[^zacharia-6-15-38] vlijtig zult horen naar de stem van YHWH, van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/6.html#v15)

[^zacharia-6-1-1]: Kanttekening 1: Hebreeuws: en ik keerde weer, en hief mijn ogen op (עֵינַ).
[^zacharia-6-1-2]: Kanttekening 2: Beteeckenende die vier Engelen, die uitgesonden waren, om haastig het oordeel van God te volvoeren inde vier hoekken van de wereld: de peerden, versen 2, 3. betekenen snelheid. Sommige verstaan dat dit mee ziet op de vier Monarchien.
[^zacharia-6-1-3]: Kanttekening 3: Verst. hier, door bergen van koper, de eeuwige en onbeweeglikke raadt en ’t besluit van de voorzichtigheid Godes, die voor alle eeuwicheden heeft bestemt en besloten watter tot alle tijt gebeuren zal.
[^zacharia-6-2-4]: Kanttekening 4: De verscheydenheid deze verwen betekent, naar sommiger meening, de verschillende werckingen van de goddelikke voorzichtigheid: swart, verdriet: wit, blijdschap: root, bloet-vergieting: hagel-vleckich, onderscheydelikke werckingen.
[^zacharia-6-3-5]: Kanttekening 5: Zie Gen. 31. op vers 10.
[^zacharia-6-3-6]: Kanttekening 6: Ofte, asch-verwige. zo in het volgende.
[^zacharia-6-4-7]: Kanttekening 7: Of, in my.
[^zacharia-6-5-8]: Kanttekening 8: Ofte, de vier geesten. Dat wil zeggen: de vier Engelen, die in alle de vier winden, of hoekken van de wereld, de oordelen van God verrichten zouden.
[^zacharia-6-5-9]: Kanttekening 9: Of, daar zij haar gesteld hadden. Zie 1 Kon. 22:19. en Job. 1:6.
[^zacharia-6-5-10]: Kanttekening 10: Eene beschrijving van de ware God, als elders meer.
[^zacharia-6-6-11]: Kanttekening 11: Anders: die aan deze \[wagen\] zijn, \[en\] de zwarte peerden gaan uit naar, etc. verstaande, dat het eerste lit ziet op de eerste wagen met de roode peerden: maar andere, die dit nemen op de vier Monarchien, menen dat de eerste wagen verswegen wordt, om dat de eerste Monarchie voorby was.
[^zacharia-6-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: naar Babylonië, het land Iuda Noort-waarts liggende.
[^zacharia-6-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: naar het Joodse lant, ’t welk Babylonië tegen ’t Zuiden ligt.
[^zacharia-6-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk de Engel die met my sprak, namelijk Christus.
[^zacharia-6-7-15]: Kanttekening 15: Namelijk alle die peerden.
[^zacharia-6-8-16]: Kanttekening 16: Of, hij dede my roepen.
[^zacharia-6-8-17]: Kanttekening 17: Uit welke hoek de Joden alder-meest zijn gequelt geweest van de Babyloniërs.
[^zacharia-6-8-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: hebben my te vreden gesteld, namelijk doordien zij mijn gerichten tegen de Babyloniërs voltooien, en mijn volk te dege wreken. Vergelijk Ez. 5. op vers 13.
[^zacharia-6-10-19]: Kanttekening 19: Namelijk van de Joden die in Babylonië waren gevanckelijk gevoert geworden van Nebucadnezar; of, van haar kinderen, want vermoedelijk warender weinig, of geen van de weg-gevoerde te deze tijt in het leven. Neemt van dezelve namelijk het gout en zilver dat zij brengen, om in de Tempel te offeren.
[^zacharia-6-10-20]: Kanttekening 20: Vers 14. Chelem genoemd.
[^zacharia-6-10-21]: Kanttekening 21: Hebreeuws: Tobijahu.
[^zacharia-6-10-22]: Kanttekening 22: Namelijk de voornoemde helden, die van de voornaemste waren, die uit de Babylonische gevanckenis weer gekomen waren.
[^zacharia-6-11-23]: Kanttekening 23: Namelijk twee kroonen, een van gout, en een van zilver, d’een beteeckenende het Priesterdom, d’andere het Koninkrijk van Christus.
[^zacharia-6-11-24]: Kanttekening 24: Iosua representeerde de Messiam, die zowel Koning, als Hooge-Priester is.
[^zacharia-6-12-27]: Kanttekening 27: Zie hierboven, 3:8.
[^zacharia-6-12-28]: Kanttekening 28: Namelijk uit Bethlehem, uit de stamme, of wortel Davids, wien hij belooft was, vergelijk Mic. 5:1. Jes. 11:1, etc.
[^zacharia-6-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: de gemeente van de gelovigen, namelijk door de prediking van het H. Euangelij.
[^zacharia-6-12-25]: Kanttekening 25: Ofte, Zie, daar zal een man zijn, of, komen.
[^zacharia-6-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk Christus, ware God, en ware mens, wiens voorbeeld u bent.
[^zacharia-6-13-30]: Kanttekening 30: Of, Majesteit, dat wil zeggen: hij zal Koning en Hooge-priester zijn, waar van Iosua maar een schaduw was. Andre verstaan deze woorden zo: Hij zal zo regeren, dat hyder eere van zal hebben.
[^zacharia-6-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: hij zal heerschen, zittende op zijn throon, etc.
[^zacharia-6-13-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: daar zullen vreedsame raatslagen tussen haar beiden zijn, namelijk tussen die Koning en Hoogen-priester, want hij zal te gelijkke Koning en Hooge-priester zijn, ’twelk door die beide kroonen werd aangewesen. zie Hebr. 2:7. en 3:3. Andre verstaan dit zo, als dat hier voorseit wordt, dat die beide ampten, het Priesterlikke, en het Conincklikke, steets en altijd in de persoone van Christus zouden vereenicht zijn en blijven. Sommige verstaan door die beide, de Joden, en de heidenen, welke Christus in zijn kerk brengen zou, d’een zo wel, als d’andere, Ef. 2:16.
[^zacharia-6-14-33]: Kanttekening 33: Vers 10. Cheldai genoemd.
[^zacharia-6-14-34]: Kanttekening 34: Vers 10. Iosia genoemd.
[^zacharia-6-14-35]: Kanttekening 35: De betekenis is, Na dat men deze kroonen de Hoogen-priester Iosua zal op het hoofd gezet hebben, zoals hierboven, vers 11 bevolen wordt, en als die prophetye zal verricht wesen, so zullen die kroonen hem afgenomen en in de Tempel gelecht worden, de vier mannen, die het zilver en gout daar toe gegeven hebben, ter gedachtenis.
[^zacharia-6-15-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: de heidenen zullen helpen tot de opbouwing van de geestelikke Tempel. Zie Jes. 57:19. Ef. 2:19.
[^zacharia-6-15-37]: Kanttekening 37: Of, aan de geestelikke Tempel, zelf zijnde levendige steenen. Ef. 2:19, etc.
[^zacharia-6-15-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: hoorende zult hooren, naar, etc.

### Zacharia 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/7.json)

*De Joden vragen aan de priesters en profeten of zij de feestdagen, die hun voorouders vroeger uit noodzaak hadden ingesteld, nog verplicht waren te onderhouden, vers 1, enz. De HEERE antwoordt hun door Zacharia dat hij hun zulk vasten niet bevolen heeft, 4. maar wel dat zij recht, gerechtigheid en barmhartigheid tegenover hun naaste zouden beoefenen, 9. Omdat zij dat niet gedaan hadden, was hij genoodzaakt hen te straffen, 11.*

**1** Het gebeurde nu in het vierde jaar van de koning Darius,[^zacharia-7-1-1] dat het woord van YHWH kwam tot Zacharia, op de vierde van de negende maand, namelijk in[^zacharia-7-1-2] Chisleu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v1)

**2** Toen[^zacharia-7-2-3] men naar het huis van[^zacharia-7-2-4] God gezonden[^zacharia-7-2-5] had Sarezer, en Regem-melech,[^zacharia-7-2-6] en zijn mannen, om het aangezicht van YHWH te smeken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v2)

**3** Zeggende tot de priesters, die in het huis van YHWH van de legermachten waren, en[^zacharia-7-3-7] tot de profeten, zeggende: Moet ik[^zacharia-7-3-8] huilen[^zacharia-7-3-9] in de vijfde maand,[^zacharia-7-3-10] mij afzonderende, zoals ik gedaan heb nu zo vele jaren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v3)

**4** Toen kwam het woord van YHWH van de legermachten tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v4)

**5** Spreek tot het hele volk van dit land, en tot de priesters, zeggende: Toen u vastte en rouwklaagde, in de vijfde en[^zacharia-7-5-12] in de zevende maand,[^zacharia-7-5-13] namelijk nu zeventig jaren, hebt u[^zacharia-7-5-14] Mij, Mij[^zacharia-7-5-15] enigszins gevast?[^zacharia-7-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v5)

**6** Of als u at, en als u[^zacharia-7-6-16] dronkt, was u het niet, die daar at, en u, die daar dronkt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v6)

**7** [^zacharia-7-7-17] Zijn het niet de woorden, welke YHWH uitriep[^zacharia-7-7-18] door de dienst van de vorige[^zacharia-7-7-19] profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en haar steden rondom haar; en[^zacharia-7-7-20] het zuiden en de laagte bewoond was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v7)

**8** Verder kwam het woord van YHWH tot Zacharia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v8)

**9** Zo sprak YHWH van de legermachten, zeggende:[^zacharia-7-9-22] Richt[^zacharia-7-9-23] een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden,[^zacharia-7-9-24] de één aan de ander;[^zacharia-7-9-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v9)

**10** En verdrukt[^zacharia-7-10-a] de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt[^zacharia-7-10-25] niet in uw hart[^zacharia-7-10-26] de één van de ander[^zacharia-7-10-27] kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v10)

**11** Maar[^zacharia-7-11-28] zij weigerden op te merken, en[^zacharia-7-11-29] trokken hun schouder terug, en[^zacharia-7-11-30] zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v11)

**12** En zij[^zacharia-7-12-31] maakten hun hart[^zacharia-7-12-32] als een diamant, opdat zij niet hoorden[^zacharia-7-12-33] de wet en de woorden, die YHWH van de legermachten zond[^zacharia-7-12-34] in Zijn Geest, door de dienst van de vorige profeten, waaruit ontstaan is een grote toorn van YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v12)

**13** Daarom is het gebeurd, zoals[^zacharia-7-13-35] Hij geroepen had, maar zij niet gehoord hebben,[^zacharia-7-13-b] zo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt YHWH van de legermachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v13)

**14** Maar Ik heb hen weggestormd onder alle heidenen, welke zij niet kenden; en het land[^zacharia-7-14-36] werd achter hen verwoest,[^zacharia-7-14-37] zodat er niemand doorging, noch keerde terug; want[^zacharia-7-14-38] zij stelden[^zacharia-7-14-39] het gewenste land tot een verwoesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/7.html#v14)

[^zacharia-7-1-1]: Kanttekening 1: Zie hierboven, 1. op vers 1.
[^zacharia-7-1-2]: Kanttekening 2: Deze maant komt meeren-deels met onze November overeen. Zie Nehem. 1. op vers 1.
[^zacharia-7-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: naar de Tempel, daar de Priesters en Profeten waren, als af te nemen is uit vers 3. Anders: Als Bethel, dat wil zeggen: de kerk van God, gezonden had Sarezer.
[^zacharia-7-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk van wegen het volk, als blijckt uit vers 5. ’t welk uit de Babylonische gevanckenis weer-gekomen was: of, so andre menen, van wegen ’t volk dat nog in Babylonië was.
[^zacharia-7-2-5]: Kanttekening 5: Dit zijn buiten allen twijffel, van de alder-treffelickste mannen onder de Joden in die tijden geweest.
[^zacharia-7-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: alsook de andre mannen, die deze in deze legatie bygevoecht waren. of, met haar mannen, dat wil zeggen: met haar dienaren.
[^zacharia-7-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk Haggai, Zacharia, en Maleachi.
[^zacharia-7-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: treuren, droeve zijn, en vasten. De betekenis is, Ismen verbonden die vasten-dach, met weenen en treuren te onderhouden, (nu de Tempel bij na herbouwt is) die voortijts is ingesteld ter gedachtenis van de verwoesting van de Tempel? zie 2 Kon. 25:8, 9. en Ierem. 52:13.
[^zacharia-7-3-9]: Kanttekening 9: Ten deele met Iulio over-een-komende. In deze maant is de Tempel en stadt gedestrueert geworden, 2 Kon. 25:9. en Jer. 52:12.
[^zacharia-7-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: my onthoudende, namelijk van eten en drinkken, en andre verquickingen van het lichaam, en mijn ziel quellende. Zie Joël 2. vers 15, etc.
[^zacharia-7-5-12]: Kanttekening 12: Deze vast-dach was ingesteld ter gedachtenis van Gedalja, die in die maant verraderlijk vermoort was, 2 Kon. 25:25. Jer. 41:2.
[^zacharia-7-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk zo lange als de Babylonische gevanckenis geduert heeft, en daar na tot deze tijt toe.
[^zacharia-7-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: my te gevalle, zo dat het my zou behaecht hebben? of, dat my daar mee enige besondere eere of enige Gods-dienst zou aangedaan zijn? De betekenis is, dat de ware Gods-dienst niet eigenlijk en bestae in ’t vasten, of in eten en drinkken, maar in het onderhouden van de geboden van God
[^zacharia-7-5-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: vastende gevast?
[^zacharia-7-5-11]: Kanttekening 11: Ter gedachtenis van de destructie van de Tempel. Ierem. 52:12.
[^zacharia-7-6-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: hebt u-mensen niet voor u zelf gegeten en gedronkken? Ik en hebber geen voordeel van gehadt, maar u.
[^zacharia-7-7-17]: Kanttekening 17: Alsof hij zei, uw vrage is licht te beantwoorden, leest hetgeen dat de Profeten hier tevoren meer-maals gepredickt hebben, so zult u daar vinden wat ik van ulieder vasten houde. Zie Jes. c. 58. versen 3, 4. maar andre vertalen de woorden van de text zo: \[Soudt\] u niet \[behooren te doen\] de woorden die de Heer uit-geroepen heeft door, etc. Ofte zo: \[En hebt\] u niet \[gehoort\] etc.
[^zacharia-7-7-18]: Kanttekening 18: Hebreeuws: door de hant. als hieronder, vers 12.
[^zacharia-7-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk voor de Babylonische gevangenis: of, toen Jeruzalem nog bloeide.
[^zacharia-7-7-20]: Kanttekening 20: Zie Joz. c. 15. versen 1, 2. De betekenis is, Doe het Koninkrijk van Iuda nog in staat was, en die stammen in haar geheel.
[^zacharia-7-9-22]: Kanttekening 22: De betekenis is, Dit is een recht vasten dat my behaecht. Zie van een recht vasten breeder Jes. 1. versen 16, 17, 18. Mat. c. 23:23.
[^zacharia-7-9-23]: Kanttekening 23: Hebreeuws: een gerichte van de waarheid, of, van de trouwe (אֱמֶת).
[^zacharia-7-9-24]: Kanttekening 24: Hebreeuws: de man met zijn broer, of, met zijn naasten (אִישׁ).
[^zacharia-7-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk tot uw Vaders.
[^zacharia-7-10-a]: Verwijzing a: Ex. 22:22.
[^zacharia-7-10-25]: Kanttekening 25: Want men ook met ghedachten sondicht.
[^zacharia-7-10-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: van de man zijn broers kwaad (רָעַת).
[^zacharia-7-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: qualijk-vaart, schade.
[^zacharia-7-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk uw Vaders, en voor-ouders. Zie hierboven, 1. vers 4.
[^zacharia-7-11-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: zij en wouden het juk van de Heer niet dragen, Hebreeuws: zij gaven een afwijkende schouder (כָתֵף). Zie Neh. 9. op vers 29.
[^zacharia-7-11-30]: Kanttekening 30: Vergelijk Jes. 6:10.
[^zacharia-7-12-31]: Kanttekening 31: Hebreeuws: stelden, setteden.
[^zacharia-7-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: geheel hard en wederspannich. Vergelijk Jer. 48:4. Ez. 11:19. en 36:26. Hebreeuws: als een duerachtigen \[steen\]. Zie de aantekening Ierem. 17. op vers 1.
[^zacharia-7-12-33]: Kanttekening 33: Namelijk de Wet van de Heer.
[^zacharia-7-12-34]: Kanttekening 34: Hier uit blijckt dat zij wederspannich geweest zijn, niet zo zeer tegen de Profeten, als tegen de Geest Godes die in en door de Profeten sprak.
[^zacharia-7-13-35]: Kanttekening 35: Namelijk de Heer, of, de Prophete van de Heer, Zie hierboven, vers 7. en Hose. 11:2. en Micha 3:4
[^zacharia-7-13-b]: Verwijzing b: Iesa 1:15. Ierem. 11:11. en 14:2. Spr. 1:28.
[^zacharia-7-14-36]: Kanttekening 36: En het bleef lange woest liggen, namelijk na dat zij gevanckelijk zijn wechgevoert geworden.
[^zacharia-7-14-37]: Kanttekening 37: Wy zouden, na onze manier van spreken, zeggen, Zo dat er niemand uit nog in gink, En dit duerde zo lange tot dat ik u daar weer inbracht.
[^zacharia-7-14-38]: Kanttekening 38: Namelijk uw Vaders. als hierboven, vers 11. Anders: zo stelden zij het, etc.
[^zacharia-7-14-39]: Kanttekening 39: Namelijk het Joodse lant. De betekenis is, Zij zijn door haar ongehoorzaamheid en opstandigheid, zelf oorsake geweest, dat het Edele lant, ’t welk ik haar ten erfdeele gegeven had, zo jammerlijk is verwoest geworden: Zoals zij dit zelf bekennen Dan. 9:16.

### Zacharia 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/8.json)

*De profeet troost de Joden, die bezig waren met de bouw van de tempel, dat de HEERE God hen rijkelijk zou zegenen, en dat hij zijn vervallen kerk door Christus weer zou opbouwen, vers 1, enz. daarna vermaant hij hen tot godzaligheid, 16. Met de belofte dat zij in plaats van de vorige ellende vreugde zouden hebben, 18. Ten slotte spreekt hij over de roeping van de heidenen tot Christus, 20.*

**1** Daarna kwam het woord van YHWH van de legermachten tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v1)

**2** Zo zegt YHWH van de legermachten: Ik heb[^zacharia-8-2-1] geijverd[^zacharia-8-2-2] over Sion met een grote ijver; ja, met grote woede[^zacharia-8-2-a] heb Ik over haar geijverd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v2)

**3** Zo zegt YHWH: Ik ben teruggekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden[^zacharia-8-3-3] een stad van de waarheid, en de berg van YHWH van de legermachten, een berg van de heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH van de legermachten: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben[^zacharia-8-4-5] vanwege de veelheid van de dagen.[^zacharia-8-4-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v4)

**5** En de straten van die stad zullen vervuld worden met jongetjes en meisjes, spelende op[^zacharia-8-5-6] haar straten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v5)

**6** Zo zegt YHWH van de legermachten: Omdat[^zacharia-8-6-7] het[^zacharia-8-6-8] wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel van dit volk in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt YHWH van de legermachten.[^zacharia-8-6-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v6)

**7** Zo zegt YHWH van de legermachten: Zie, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land van de opgang, en uit het land[^zacharia-8-7-11] van de ondergang van de zon.[^zacharia-8-7-10] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v7)

**8** En Ik zal hen herwaarts brengen,[^zacharia-8-8-12] dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn,[^zacharia-8-8-13] in waarheid en in gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v8)

**9** Zo zegt YHWH van de legermachten: Laat uw handen sterk zijn, u, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten,[^zacharia-8-9-15] die geweest zijn op de dag als de grond van het huis van YHWH van de legermachten gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.[^zacharia-8-9-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v9)

**10** Want[^zacharia-8-10-16] voor die dagen[^zacharia-8-10-17] kwam het loon van de mensen te niet, en het loon[^zacharia-8-10-18] van het[^zacharia-8-10-19] vee was geen; en[^zacharia-8-10-20] de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede[^zacharia-8-10-21] vanwege de vijand, want[^zacharia-8-10-22] Ik zond alle mensen, ieder tegen zijn naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v10)

**11** Maar[^zacharia-8-11-23] nu zal Ik aan het overblijfsel van dit volk niet wezen,[^zacharia-8-11-24] zoals in de vorige dagen, spreekt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v11)

**12** Want[^zacharia-8-12-25] het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel van dit volk dit alles[^zacharia-8-12-26] doen erven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v12)

**13** En het zal gebeuren, zoals u, o huis van Juda! en u, o huis van Israël! geweest bent[^zacharia-8-13-27] een vloek onder de heidenen, zo zal Ik u behoeden, en[^zacharia-8-13-28] u zult een zegening wezen; vrees niet, laat uw handen sterk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v13)

**14** Want zo zegt YHWH van de legermachten: Zoals Ik gedacht heb[^zacharia-8-14-30] u[^zacharia-8-14-31] kwaad te doen, toen Mij uw vaders enorm vertoornden, zegt YHWH van de legermachten, en het heeft Mij niet berouwd.[^zacharia-8-14-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v14)

**15** Zo denk Ik opnieuw in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vrees niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v15)

**16** Dit zijn de dingen, die u doen zult:[^zacharia-8-16-b] spreek de waarheid, ieder met zijn naaste; oordeel de waarheid en een oordeel van de[^zacharia-8-16-32] vrede in uw poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v16)

**17** En[^zacharia-8-17-c] denkt niet de één van de ander kwaad in uw hart; en[^zacharia-8-17-d] hebt een valse eed niet lief; want[^zacharia-8-17-33] al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v17)

**18** Opnieuw kwam het woord van YHWH van de legermachten tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v18)

**19** Zo zegt YHWH van de legermachten: Het vasten van de vierde, en[^zacharia-8-19-35] het vasten van de vijfde, en het vasten[^zacharia-8-19-36] van de zevende, en[^zacharia-8-19-37] het vasten van de tiende maand, zal[^zacharia-8-19-38] het huis van[^zacharia-8-19-39] Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; heb dan de waarheid en de vrede lief.[^zacharia-8-19-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v19)

**20** Zo zegt YHWH van de legermachten: Nog zal het gebeuren, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen;[^zacharia-8-20-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v20)

**21** En de inwoners van de ene stad zullen gaan tot de inwoners van de andere, zeggende:[^zacharia-8-21-41] Laat ons vlijtig heengaan, om te smeken het aangezicht van YHWH, en om YHWH van de legermachten te zoeken;[^zacharia-8-21-42] ik zal ook heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v21)

**22** Zo zullen vele volken, en[^zacharia-8-22-43] machtige heidenen komen, om YHWH van de legermachten te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht van YHWH te smeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v22)

**23** Zo zegt YHWH van de legermachten: Het zal in die dagen gebeuren, dat[^zacharia-8-23-44] tien mannen, uit allerlei tongen van de heidenen, grijpen zullen, ja,[^zacharia-8-23-45] de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende:[^zacharia-8-23-46] Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/8.html#v23)

[^zacharia-8-2-1]: Kanttekening 1: Namelijk om Zion te verlossen van de schande en schade die haar vijanden haar aangedaan hebben, Ik ben met grote toorn ontsteken over degenen diese tyrannichlijk vervolgt en benaeuwt hebben. Namelijk de Babyloniërs. Vergelijk Jes. 9:6. en de aanteeek. daar.
[^zacharia-8-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: over Jeruzalem, gebouwt op de berch Zions.
[^zacharia-8-2-a]: Verwijzing a: Zach. 1:14.
[^zacharia-8-3-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: een Stadt in de welke de lief hebbers van de waarheid en heiligheid woonen zullen: En daar de waarheid zal gepredickt en aangenomen worden. Vergelijk hieronder, versen 8, 16. en Sef. 3:13. 1 Tim. 3. vers 15. Zie het contrarie Jes. 1:21.
[^zacharia-8-4-5]: Kanttekening 5: Van wegen zijn ouderdom.
[^zacharia-8-4-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: ik zal de inwoonders van Jeruzalem zegenen met een grote ouderdom, en met vele kinderen, vers 5. Deze zegen hebben naar de letter genooten Zerubbabel, Iosua, Ezra, Nehemias, en andre godvrezende persoonen. Maar deze tijdelijke beloften en zegeningen moeten insonderheid op de geestelijke weldaden van het rijk van Christus geduidt worden, want de kinderen van God zullen eeuwig in vreuchde in het hemelse Jeruzalem leven.
[^zacharia-8-5-6]: Kanttekening 6: Namelijk Ierusalems.
[^zacharia-8-6-7]: Kanttekening 7: Namelijk ’t welk stracx gezegd is.
[^zacharia-8-6-8]: Kanttekening 8: Ofte, onmogelijk. als Gen. 18:14. Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God.
[^zacharia-8-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: te deze tijt. zo ook hieronder, vers 9, en 23.
[^zacharia-8-7-11]: Kanttekening 11: Hebreeuws: van de ingang. Namelijk van de zon. zie Ps. 19:6.
[^zacharia-8-7-10]: Kanttekening 10: De betekenis is, Ik zal mijn volk versamelen, en t’samen brengen, door de prediking van de H. Euangelij, van alle hoekken en kanten van de gantsche wereld. Vergelijk Matt. 8:11. en Luk. 13:29.
[^zacharia-8-8-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: zij zullen ledematen mijner kerk zijn.
[^zacharia-8-8-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: ik zal haar zeker geven hetgeen ik haar belooft heb, en ik zal ze rechtvaardig maken door Iesum Christum. Vergelijk Hose. 2. versen 19, 20.
[^zacharia-8-9-15]: Kanttekening 15: Anders: dat men van die dach aan, als de grond geleid is aan het huis van de Heer van de heyrscharen, de Tempel zou gebouwt hebben.
[^zacharia-8-9-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: vaart dapper voort met de bouw van de Tempel, besijden stellende uw’ eigen profijt, de quaden raad van de te zeer achterdachtige mensen, of de vrees van de vijanden: hoort en gehoorsaemt de woorden en vermaningen van de Profeten alleen, als daar zijn Haggai, ik Zacharia, en andere. zie Ezra 5:1, 2.
[^zacharia-8-10-16]: Kanttekening 16: Namelijk in de welke nu niet voortgevaren en is met de bouw van de Tempel.
[^zacharia-8-10-17]: Kanttekening 17: Naar de Hebreeuwse letter, was de loon van de mensen niet. De betekenis is, Zoals u trage en spaarzaam was in het opbouwen van de Tempel, zo was ook de Heer trage en spaarzaam in u zijn zegen te geven, maar alle dink was diere, en u werd van uw vijanden jammerlijk geplaecht: Ia ’t was al te vergeefs wat u bij de hant naemt, God vervloekte al uw arbeid. Zie Hag. 1:6, 10. en 2:16, 17.
[^zacharia-8-10-18]: Kanttekening 18: Of, van het dier. Namelijk van het last-dragende vee of dier, als daar zijn peerden, kameels, ezels, ossen, etc. de mensen en verdienden geen gelt met dezelve, daar was niet te doen.
[^zacharia-8-10-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: al haar arbeid was te vergeefs, het lant en droech geen vruchten, of het schoon bearbeydt en gebouwt werd.
[^zacharia-8-10-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: Niemand mocht of konde met vrede uit of in Jeruzalem komen, de loopende en stroopende soldaten, ja zelf enige van uw vijanden, die u uw welvaart misgunden, en niet geern en sagen dat Jeruzalem weer opgebouwt werd, deden u allen hinder en schade, waar zij konden of mochten. Vergelijk hier mee de dreygementen Godes Deut. 28:16, 19. en 2 Kron. 15:5.
[^zacharia-8-10-21]: Kanttekening 21: Of, van wegen de benaeuwing. Het Hebreeuwse woord betekent een vijand, en een vyantlikke benaeuwing.
[^zacharia-8-10-22]: Kanttekening 22: De betekenis is, Ik beschickte door mijn rechtvaardig oordeel, dat de mensen elkaar vervolchden, en verdorven: Ia ik sondtse tegen elkaar aan. De Heer gebruikt dikwijls quade instrumenten, om zijn goed voor-nemen uit te voeren. zie Joël 2:25.
[^zacharia-8-11-23]: Kanttekening 23: Namelijk nu u in de bouw mijnes Tempels kloekelijk voort-vaart, betoonende dat u mijn Gods-dienst ter harten gaat, so zal ik my tegen de overgeblevene zo strenge niet bewijzen.
[^zacharia-8-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk toen de bouw van de Tempel stille bleef staan.
[^zacharia-8-12-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: ’t zal zaat van de vrede zijn (שָּׁלוֹם). Dat wil zeggen: het zal wel gedyen, ’t zal in vrede gesaeit worden, en in vrede opwassen.
[^zacharia-8-12-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: laten genieten, te besitten geven, achtervolgens de belofte van God Deut. 28. versen 8, 11, 12. Ps. 65:10. en 67:7. Joël 2:22.
[^zacharia-8-13-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: met allerlei vloek, jammer, en elende als over-stelpt.
[^zacharia-8-13-28]: Kanttekening 28: Dat is, u zult van my gesegent, en met allerlei goed begenadicht worden. Zie Gen. 12:2. en Vergelijk Hag. 2:19.
[^zacharia-8-14-30]: Kanttekening 30: Die van ’t Joodse volk, zo de Vaderen, als die nog uit de gevanckenis overig waren.
[^zacharia-8-14-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: te plagen.
[^zacharia-8-14-29]: Kanttekening 29: Zie Ez. 18. d’aantekening op versen 19, 20, etc.
[^zacharia-8-16-b]: Verwijzing b: Ef. 4:25.
[^zacharia-8-16-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in uw publijkke tsamen komsten en gerechts-bankken, diemen eertijds in de Stadts-poorten pleecht te houden. zie Gen. 34. op vers 10. Deu. 22:15.
[^zacharia-8-17-c]: Verwijzing c: Zachar. 7:10.
[^zacharia-8-17-d]: Verwijzing d: Zachar. 5:3, 4.
[^zacharia-8-17-33]: Kanttekening 33: Of, Alle deze zijn ’t die ik hate. En daarom, wil de Heer zeggen, behoorde u-mensen dezelve ook te haten.
[^zacharia-8-19-35]: Kanttekening 35: Zie hierboven, c. 7:3.
[^zacharia-8-19-36]: Kanttekening 36: Zie hierboven, c. 7:5.
[^zacharia-8-19-37]: Kanttekening 37: Ingestelt ter gedachtenis dat Jeruzalem is begonnen belegert te worden, Jer. 52:4. zie ook 2 Kon. 25.
[^zacharia-8-19-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: stamme, geslachte Iudae.
[^zacharia-8-19-39]: Kanttekening 39: De betekenis is, Al het leedt ’t welk u tot nog toe gehadt hebt, zal in vreucht verandert worden: namelijk bij so verre u u tot de Heer bekeert, en neerstich zijt in het opbouwen mijnes huis.
[^zacharia-8-19-34]: Kanttekening 34: Ingestelt ter gedachtenis, dat de Stadt is doorgebroken geworden. Jer. c. 52:7.
[^zacharia-8-20-40]: Kanttekening 40: Dit is een prophetye vande roeping en bekeering van de heidenen tot Christus. Zie de vervulling, Act. 2:5, etc. en 8:27. en 10:1.
[^zacharia-8-21-41]: Kanttekening 41: Anders: laat ons gaan. Hebreeuws: laat ons gaande gaan (הָלְכוּ).
[^zacharia-8-21-42]: Kanttekening 42: Zo zal d’een tot d’ander spreken. Anders: laat my ook heen gaan.
[^zacharia-8-22-43]: Kanttekening 43: Of, machtig vele, dat wil zeggen: sterk in getale, grote hoopen.
[^zacharia-8-23-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: vele, als Lev. c. 26:26. Hier mee wordt te verstaan gegeven, dat de heidenen in grote getale, en met grote yver, haar zullen begeven tot de Christelikke kerk, die eertijds alleen bij de Joden was. Vergelijk Jes. 2:3. Micha 4:2.
[^zacharia-8-23-45]: Kanttekening 45: Of, zoom. Hebreeuws: vleugel, namelijk vleugel of slippe van de kleedts.
[^zacharia-8-23-46]: Kanttekening 46: Of, laat ons met u gaan.

### Zacharia 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/9.json)

*Profetie over de uitroeiing van de vijanden van het volk van God, vers 1, enz. en over de verlossing en bescherming van de kerk van God door Christus, hun eeuwige Koning, 8. wiens intocht in de stad Jeruzalem duidelijk beschreven wordt, 9. Vermaning aan de overige Joden, die nog in Babel waren, dat zij vandaar zouden vertrekken en naar Jeruzalem zouden terugkeren, 12. En de HEERE God belooft hun overwinning tegen hun vijanden, alsmede allerlei zegen, 13, enz.*

**1** [^zacharia-9-1-1] De last van het woord van YHWH[^zacharia-9-1-2] over het land[^zacharia-9-1-3] Chadrach en[^zacharia-9-1-4] Damascus,[^zacharia-9-1-5] zijn rust; want[^zacharia-9-1-6] YHWH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v1)

**2** En ook zal[^zacharia-9-2-7] Hij[^zacharia-9-2-8] Hamath[^zacharia-9-2-9] daarmee[^zacharia-9-2-10] bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel[^zacharia-9-2-11] zij[^zacharia-9-2-12] zeer wijs is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v2)

**3** En Tyrus zich vestingen gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft[^zacharia-9-3-13] als stof, en fijn goud als slijk van de straten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v3)

**4** Zie, YHWH zal haar[^zacharia-9-4-14] uit het bezit stoten, en[^zacharia-9-4-15] Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v4)

**5** [^zacharia-9-5-16] Askelon zal het zien, en zal vrezen; evenzo Gaza, en zal[^zacharia-9-5-17] grote smart hebben, en ook Ekron, omdat wat,[^zacharia-9-5-18] waar zij op zagen,[^zacharia-9-5-19] hen heeft te schande gemaakt; en[^zacharia-9-5-20] de koning van Gaza[^zacharia-9-5-21] zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v5)

**6** En[^zacharia-9-6-23] de bastaard zal te Asdod[^zacharia-9-6-24] wonen, en Ik zal[^zacharia-9-6-25] de hoogmoed van de Filistijnen uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v6)

**7** En[^zacharia-9-7-26] Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en[^zacharia-9-7-27] zijn gruwelijke dingen[^zacharia-9-7-28] van tussen zijn tanden; zo zal[^zacharia-9-7-29] hij ook[^zacharia-9-7-30] onze God overblijven; ja, hij zal zijn[^zacharia-9-7-31] als een vorst in Juda,[^zacharia-9-7-32] en Ekron als de Jebusiet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v7)

**8** En Ik zal Mij[^zacharia-9-8-33] rondom[^zacharia-9-8-34] Mijn huis legeren, vanwege[^zacharia-9-8-35] het leger, vanwege de doorgaande, en vanwege de wederkerende, opdat[^zacharia-9-8-36] de drijver niet meer[^zacharia-9-8-37] door hen doorga; want nu heb Ik[^zacharia-9-8-38] het met Mijn ogen[^zacharia-9-8-39] aangezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v8)

**9** Verheug u zeer,[^zacharia-9-9-40] u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Zie,[^zacharia-9-9-41] uw Koning[^zacharia-9-9-42] zal u komen, rechtvaardig, en[^zacharia-9-9-43] Hij is een Heiland;[^zacharia-9-9-44] arm, en rijdende op een ezel,[^zacharia-9-9-45] en op een veulen,[^zacharia-9-9-46] een jong van de ezelinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v9)

**10** En[^zacharia-9-10-47] Ik zal de wagens uit[^zacharia-9-10-48] Efraïm uitroeien, en de paarden[^zacharia-9-10-49] uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de heidenen[^zacharia-9-10-50] vrede spreken; en Zijn heerschappij[^zacharia-9-10-51] zal zijn van zee tot aan zee, en van[^zacharia-9-10-52] de rivier tot aan de einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v10)

**11** U ook aangaande, o Sion![^zacharia-9-11-54] door[^zacharia-9-11-a] het bloed van uw verbond, heb Ik uw gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uitgelaten.[^zacharia-9-11-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v11)

**12** Keer u weer[^zacharia-9-12-55] tot de vesting,[^zacharia-9-12-56] u gebondenen, die daar hoopt![^zacharia-9-12-57] ook vandaag verkondig Ik,[^zacharia-9-12-58] dat Ik u dubbel zal wedergeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v12)

**13** [^zacharia-9-13-59] Als Ik Mij Juda zal[^zacharia-9-13-60] gespannen, en Ik Efraïm de boog[^zacharia-9-13-61] zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen,[^zacharia-9-13-62] o Griekenland! en[^zacharia-9-13-63] u gesteld zal hebben als het zwaard van een held. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v13)

**14** En YHWH zal over hen verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en Adonai[^zacharia-9-14-64][^zacharia-9-14-65] YHWH[^zacharia-9-14-66][^zacharia-9-14-b] zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden[^zacharia-9-14-67] met stormen uit het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v14)

**15** YHWH van de legermachten zal[^zacharia-9-15-68] hen beschutten, en zij zullen[^zacharia-9-15-69] eten, nadat zij[^zacharia-9-15-70] de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken,[^zacharia-9-15-71] en een geluid maken als de wijn; en[^zacharia-9-15-72] zij zullen vervuld worden, zoals het bekken, zoals de hoeken van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v15)

**16** En YHWH, hun God, zal ze op die dag[^zacharia-9-16-73] behouden, als zijnde de kudde van Zijn volk; want[^zacharia-9-16-74] gekroonde stenen zullen[^zacharia-9-16-75] in Zijn land,[^zacharia-9-16-76] als een banier, opgericht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v16)

**17** Want hoe groot zal[^zacharia-9-17-77] zijn[^zacharia-9-17-78] goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen![^zacharia-9-17-79] Het koren zal de jongemannen, en de nieuwe wijn zal de jonkvrouwen[^zacharia-9-17-80] sprekende maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/9.html#v17)

[^zacharia-9-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: een zware en drukkende profetie die het land Chadrach zou overkomen. Zie Jes. 13, de aantekening bij vers 1.
[^zacharia-9-1-2]: Kanttekening 2: Of: in, of: tegen.
[^zacharia-9-1-3]: Kanttekening 3: Het lijkt dat dit het land Syrië bedoelt, omdat hier direct Damascus bij wordt gevoegd, de hoofdstad van Syrië. Sommigen menen dat Chadrach de naam is van een afgod die de Syriërs vereerden. Anderen vertalen het woord als 'land van de eer' of 'het roemrijke land', of: 'het land dat rondom u ligt, Judea'.
[^zacharia-9-1-4]: Kanttekening 4: Hebreeuws: Dammesek. Anderen: ofschoon Damascus zijn rustplaats is.
[^zacharia-9-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: waarop het zich verlaat. Of: hoewel het zich op Damascus verlaat en daar op gerust heeft. Anderen: maar Damascus zal zijn — namelijk de rustplaats van de last — dat wil zeggen: het zal Damascus uiteindelijk toch treffen. Anderen: En Damascus zal zijn rustplaats zijn, dat wil zeggen: Gods toorn zal op Damascus rusten en die stad even weinig ontzien als al de rest.
[^zacharia-9-1-6]: Kanttekening 6: Hebreeuws: YHWH is een oog, dat wil zeggen: YHWH heeft zijn oog op alle andere mensen in welk land zij ook zijn, evengoed als op de Joden (עֵין). En verstaat hier onder het oog van YHWH zijn voorzienigheid, dat wil zeggen: de overal tegenwoordige kracht van YHWH, waardoor hij de hemel en de aarde regeert met alles wat daarin is.
[^zacharia-9-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk YHWH.
[^zacharia-9-2-8]: Kanttekening 8: Zie Num. 13:21.
[^zacharia-9-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk: oog. Anderen: Hamath zal dit afbakenen, dat wil zeggen: Hamath zal aan de grens ervan liggen. Zie Joz. 19:35. Anderen: daardoor, namelijk de rust van de last.
[^zacharia-9-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: hij zal de Syriërs bepalen hoe ver zij mogen gaan en staan, ten bate van zijn kerk. Anderen vatten het zo op: ook zal die last Hamath afbakenen — het is dezelfde betekenis.
[^zacharia-9-2-11]: Kanttekening 11: Namelijk Tyrus, dat wil zeggen: de inwoners van Tyrus; evenzo de Sidoniërs.
[^zacharia-9-2-12]: Kanttekening 12: Naar eigen mening. Zie Ez. 28, de aantekening bij vers 3 e.v.
[^zacharia-9-3-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: in zeer grote overvloed. Vergelijk 1 Kon. 10:27 en 2 Kron. 9:27. Zie ook Ps. 78:27.
[^zacharia-9-4-14]: Kanttekening 14: Of: verarmen — hoewel het tevoren de rijkste en aanzienlijkste stad was.
[^zacharia-9-4-15]: Kanttekening 15: De betekenis is: ook al menen de Tyriërs dat zij onoverwinnelijk zijn omdat zij rondom door de zee worden omgeven, toch zullen zij Gods oordeel niet ontlopen maar door vuur worden verteerd. Dit is vervuld door Alexander de Grote, zoals Curtius lib. 4 en Diodorus Siculus lib. 17 getuigen. Sommigen verstaan onder 'vestingwal' hun machtige vloot.
[^zacharia-9-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: als Askelon de ondergang van Tyrus ziet, zal het bang worden. Askelon en de andere hier genoemde steden lagen in het land van de Filistijnen en staan voor de Filistijnen zelf.
[^zacharia-9-5-17]: Kanttekening 17: Als een vrouw die in barensnood is.
[^zacharia-9-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: waarop zij zich verlieten, namelijk de stad Tyrus, die zij voor onoverwinnelijk hielden.
[^zacharia-9-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: hen in hun hoop heeft teleurgesteld, want Alexander de Grote heeft de stad Tyrus ingenomen en verwoest. Zie een vergelijkbaar voorbeeld in Jes. 20:5-6.
[^zacharia-9-5-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: de vorst. Want het land van de Filistijnen was verdeeld in vijf vorstendommen.
[^zacharia-9-5-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: er zal geen vorst of koning meer in Gaza zijn.
[^zacharia-9-6-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: een vreemde buitenlandse koning met allerlei vreemd, ongebonden en gering volk: zij zullen de huizen, hoven en akkers in bezit nemen.
[^zacharia-9-6-24]: Kanttekening 24: Namelijk als heer en meester van die stad.
[^zacharia-9-6-25]: Kanttekening 25: Hoogmoed, praal, glorie — dat wil zeggen: waarop zij zo trots zijn. Vergelijk Lev. 16:19.
[^zacharia-9-7-26]: Kanttekening 26: Namelijk nadat ik hen gestraft en gekastijd heb en tot mijn volk heb aangenomen, dan zal ik hem — namelijk de Filistijn — reinigen van zijn zonden, met name van de bloedschulden die zij op zich hebben geladen. Hebreeuws: bloeden (דָמָי). Hier belooft God dat hij ook de heidenen tot zijn volk zal aannemen en bij zijn kerk inlijven.
[^zacharia-9-7-27]: Kanttekening 27: Verstaat: de afgoden en hun offers.
[^zacharia-9-7-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: ik zal maken dat zij er niet meer over spreken, Ps. 16:4. Of: ik zal maken dat zij het vlees dat aan hun afgoden geofferd is niet meer eten.
[^zacharia-9-7-29]: Kanttekening 29: Namelijk de Filistijn, het Filistijnse volk. Of: hij ook, dat wil zeggen: niet alleen het gewone volk maar ook de koning zelf.
[^zacharia-9-7-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: tot Gods volk en gemeente van de gelovigen aangenomen worden. Zie Zach. 8:23.
[^zacharia-9-7-31]: Kanttekening 31: Of: als een aanvoerder. Dat wil zeggen: zij zullen in Gods kerk in groot aanzien staan en anderen voorgaan in godsvrucht en een voorbeeld zijn.
[^zacharia-9-7-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die van Ekron zullen ook te Jeruzalem wonen — namelijk in het geestelijke Jeruzalem — zoals de Jebusieten vroeger in de stad Jeruzalem woonden, en de Jebusieten zullen ook tot Gods volk worden aangenomen.
[^zacharia-9-8-33]: Kanttekening 33: Of: rondom, of: bij mijn huis. Namelijk door mijn engelen, Ps. 34:8 en 121:3-4 en 124:1-2,8.
[^zacharia-9-8-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: rondom mijn kerk, 1 Tim. 3:15.
[^zacharia-9-8-35]: Kanttekening 35: Namelijk vanwege het vijandelijke leger of het krijgsvolk, opdat het mijn huis niet aanraakt of beschadigt als het heen en weer trekt. Zie Zach. 2:5.
[^zacharia-9-8-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: de vijand.
[^zacharia-9-8-37]: Kanttekening 37: Namelijk mijn huisgenoten, de gelovigen. Verstaat dit als een geestelijke verlossing van de zwaarte van de wet.
[^zacharia-9-8-38]: Kanttekening 38: Namelijk mijn huis.
[^zacharia-9-8-39]: Kanttekening 39: Verstaat hier een vriendelijke en genadige blik. Zie Deut. 12 bij vers 13. Vergelijk Ex. 3:7; Hand. 7:34.
[^zacharia-9-9-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: u volk van Jeruzalem, ja u volk van God, zowel Joden als heidenen.
[^zacharia-9-9-41]: Kanttekening 41: Namelijk Christus Jezus.
[^zacharia-9-9-42]: Kanttekening 42: Tot uw bestwil, tot uw hulp: zie Jes. 62:11 e.v.; Matt. 21:5.
[^zacharia-9-9-43]: Kanttekening 43: Of: verlosser, die al zijn uitverkorenen zal verlossen van de macht van de duivel, de dood en al hun vijanden. Anderen: die met heil toegerust is. Of: behouden is, namelijk uit zijn lijden, door zijn eigen goddelijke kracht, om zijn kerk zalig te maken. Vergelijk Jes. 53:8; Hebr. 5:7.
[^zacharia-9-9-44]: Kanttekening 44: Eenvoudig, verachtenswaardig, in de gedaante van een knecht, Fil. 2:7 e.v.
[^zacharia-9-9-45]: Kanttekening 45: Of: namelijk.
[^zacharia-9-9-46]: Kanttekening 46: Dit is hetzelfde als wat hij zojuist heeft gezegd. Zie Matt. 21:5; Joh. 12:14.
[^zacharia-9-10-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: ik zal mijn kerk vrede geven, zodat zij geen strijdwagens, paarden of andere wapens meer nodig zal hebben, nu de heidenen met de kerk van Christus zijn verzoend. Zie Jes. 2:2-4; Hos. 2:18; Hand. 10:34 e.v.; Ef. 2:17.
[^zacharia-9-10-48]: Kanttekening 48: Onder de stam Efraïm verstaat hij alle tien stammen van Israël, en daarmee zijn kerk.
[^zacharia-9-10-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: uit de stam Juda.
[^zacharia-9-10-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: vrede leren, namelijk door de prediking van het heilige Evangelie zal hij de vrede — of verzoening met God — verkondigen.
[^zacharia-9-10-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: zij zal zich uitstrekken. Zie Ps. 2:8.
[^zacharia-9-10-52]: Kanttekening 52: Verstaat hier de rivier de Eufraat, en zie Ps. 72, de aantekening bij vers 8, en Ex. 25:31. Door deze bij de Joden bekende plaatsen moet men ook andere verstaan; ja, de bedoeling is dat de heerschappij van Christus zich zou uitbreiden over de gehele aardbodem.
[^zacharia-9-11-54]: Kanttekening 54: Of: in. De betekenis is: in of door de kracht van het bloed van Jezus Christus, waarmee ik het verbond met u heb gesloten en zal bevestigen, heb ik — of zal ik — uw gevangenen, die met de banden der zonden zijn gebonden, bevrijden uit de put, dat wil zeggen: van de macht van het dodenrijk en de duivel, waaronder zij anders hadden moeten versmachten van geestelijke dorst, door het gevoel van de zware toorn van God die op hen lag.
[^zacharia-9-11-a]: Verwijzing a: Matt. 26:28; 1 Kor. 11:25; Hebreeuws: 9:19-21.
[^zacharia-9-11-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: mijn volk, mijn kerk. Dit is hier voor de duidelijkheid toegevoegd uit vers 9.
[^zacharia-9-12-55]: Kanttekening 55: De Joden die nog in Babel waren gebleven, worden uitgenodigd zich naar de stad en de tempel van Jeruzalem te begeven. Tegelijk wordt hier aangeduid dat allen die deel willen hebben aan de verlossing die God door Christus heeft beloofd, en beschut en beschermd willen zijn tegen de macht en listen van de duivel, zich bij de kerk van God moeten voegen — die het ware hemelse Jeruzalem is.
[^zacharia-9-12-56]: Kanttekening 56: Hebreeuws: u gevangenen van de hoop of verwachting, dat wil zeggen: u die de hoop is gegeven, of die de hoop hebt dat u van uw banden verlost zult worden.
[^zacharia-9-12-57]: Kanttekening 57: Zoals ik het al eerder meermalen heb verkondigd, zo verkondig ik u nu ook hetzelfde.
[^zacharia-9-12-58]: Kanttekening 58: De betekenis is: ik zal u veel grotere gaven geven dan de verlossing uit de Babylonische ballingschap — namelijk geestelijke weldaden zoals vergeving van zonden, vernieuwing van het gemoed door de Heilige Geest, en eeuwig leven.
[^zacharia-9-13-59]: Kanttekening 59: Hier wordt het volk van God bescherming en schild beloofd tegen de vijanden die hen zouden aanvallen en bestrijden — maar niet zonder strijd en gevecht, zoals gebleken is in de oorlogen die de Makkabeeën hebben gevoerd tegen de koningen van Azië en Syrië.
[^zacharia-9-13-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: getreden, want de voetbogen werden gespannen door ze te treden. Anderen vertalen de eerste woorden van dit vers als: Nadat ik Juda als een boog heb gespannen en Efraïm als een pijlenkoker heb gevuld.
[^zacharia-9-13-61]: Kanttekening 61: Namelijk met pijlen om tegen de vijanden te strijden.
[^zacharia-9-13-62]: Kanttekening 62: Namelijk tegen de nakomelingen van Alexander de Grote, de koningen van Azië en Syrië, tegen wie God YHWH de Joden wonderbaarlijk heeft beschermd en beschut. Zie de boeken der Makkabeeën en de geschiedschrijving van Josephus.
[^zacharia-9-13-63]: Kanttekening 63: Dochter van Sion.
[^zacharia-9-14-64]: Kanttekening 64: Namelijk over de Joden. Anderen: over Juda en Efraïm. Anderen: tegen hen, namelijk de Grieken.
[^zacharia-9-14-65]: Kanttekening 65: Hebreeuws: zijn pijl.
[^zacharia-9-14-66]: Kanttekening 66: Namelijk vanuit de hemel, tegen de vijanden van zijn volk.
[^zacharia-9-14-b]: Verwijzing b: Nah. 2:5.
[^zacharia-9-14-67]: Kanttekening 67: Of: als een onweer. De betekenis is: hij zal zich met zulke hevigheid op de vijanden van de kerk werpen als de stormen die uit het zuiden komen. Zie Jes. 2, de aantekening bij vers 1, en vergelijk Joz. 10:11 en 2 Sam. 5:24.
[^zacharia-9-15-68]: Kanttekening 68: Namelijk de Joden die strijden tegen de Grieken.
[^zacharia-9-15-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: zij zullen met vrede en vreugde van hun goederen genieten nadat hun vijanden zijn vernietigd.
[^zacharia-9-15-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: de vijanden, die met slingerstenen op hen hebben geworpen. Anderen vertalen deze woorden als: en zij zullen hen met slingerstenen neerhalen. Vroeger plachten de strijders niet alleen met pijlen maar ook met slingers tegen elkaar te vechten. Zie Richt. 20:16.
[^zacharia-9-15-71]: Kanttekening 71: Dit tumult of lawaai zou voortkomen uit een heilige vreugde.
[^zacharia-9-15-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: zij zullen overvloed hebben van allerlei goederen, zoals het sprengbekken bij het altaar vol was van bloed van geslacht vee, en zoals men alle hoeken van het altaar daarmee bestreek of besprenkelde, Lev. 2:2; 7:28,13 en 7:4. Geestelijk verstaan betekent dit: zij zullen God danken voor de weldaden die zij van hem hebben ontvangen. Vergelijk Ef. 5:18-20.
[^zacharia-9-16-73]: Kanttekening 73: Of: verlossen, of: heil schenken, of: zalig maken, als zijnde de herder van zijn volk. Zie Ps. 100:3; Joh. 10.
[^zacharia-9-16-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: zuilen of gedenkpilaren versierd met kransen en kronen. Anderen vatten het zo op: want zij zullen op aarde verheven worden als stenen van een kroon, dat wil zeggen: als kostbare edelstenen die koningen in hun kroon dragen. Hebreeuws: stenen van een kroon.
[^zacharia-9-16-75]: Kanttekening 75: Namelijk in het Joodse land, dat het land van God en het heilige land wordt genoemd.
[^zacharia-9-16-76]: Kanttekening 76: Als teken van overwinning die God zijn volk op hun vijanden had gegeven of zou geven.
[^zacharia-9-17-77]: Kanttekening 77: Namelijk van YHWH; of: van hen, namelijk van de kerk.
[^zacharia-9-17-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: zijn gelukzaligheid. De betekenis is: hoe geweldig zal YHWH zijn kerk zegenen, die vervullende met eer en heerlijkheid!
[^zacharia-9-17-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: God zal hen overvloed van koren en wijn geven, waarover de jongeren zich zullen verheugen en vrolijk zijn. Vergelijk Jes. 9:2; Jer. 48:33.
[^zacharia-9-17-80]: Kanttekening 80: Of: overvloedig vrucht doen voortbrengen, namelijk de vrucht van de lippen. Vergelijk Jes. 57 bij vers 19.

### Zacharia 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/10.json)

*De profeet vermaant de Joden dat zij in al hun noden hun toevlucht tot God zouden nemen, die hun zijn zegen zou geven, vers 1. Omdat hun vaders dat niet gedaan hebben, maar hun toevlucht tot de afgoden genomen hebben, is dat een oorzaak geweest van alle ellende die hun overkomen is, 2. Daarna spreekt de profeet over geestelijke weldaden, en over de overwinning die de HEERE zijn kerk ten tijde van de Messias zou geven, 4, enz.*

**1** [^zacharia-10-1-1] Begeer van YHWH regen, ten tijde[^zacharia-10-1-2] van de spade regen; YHWH maakt de weerlichten;[^zacharia-10-1-3] en Hij zal[^zacharia-10-1-4] hun[^zacharia-10-1-5] regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v1)

**2** [^zacharia-10-2-6] Want de terafim spreken zinloosheid, en de waarzeggers[^zacharia-10-2-7] zien valsheid, en zij spreken[^zacharia-10-2-a] ijdele dromen, zij troosten met[^zacharia-10-2-8] zinloosheid; daarom zijn[^zacharia-10-2-9] zij[^zacharia-10-2-10] heengetogen als schapen,[^zacharia-10-2-11] zij zijn onderdrukt geworden; want er was[^zacharia-10-2-12] geen herder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v2)

**3** Tegen[^zacharia-10-3-13] de herders was Mijn toorn ontstoken, en over[^zacharia-10-3-14] de bokken heb Ik[^zacharia-10-3-15] bezoeking gedaan; maar YHWH van de legermachten zal[^zacharia-10-3-16] Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal[^zacharia-10-3-17] hen stellen,[^zacharia-10-3-18] gelijk het paard van Zijn majesteit in de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v3)

**4** [^zacharia-10-4-19] Daaruit zal[^zacharia-10-4-20] de hoeksteen, daaruit zal[^zacharia-10-4-21] de nagel, daaruit zal de strijdboog, samen zullen daaruit[^zacharia-10-4-22] alle drijvers voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v4)

**5** En[^zacharia-10-5-23] zij zullen zijn als de helden,[^zacharia-10-5-24] die in het slijk van de straten treden in de strijd, en zij zullen strijden; want YHWH zal met hen wezen; en zij zullen die[^zacharia-10-5-25] beschamen,[^zacharia-10-5-26] die op paarden rijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v5)

**6** En Ik zal het huis van Juda versterken, en[^zacharia-10-6-27] het huis van Jozef zal[^zacharia-10-6-28] Ik behouden, en[^zacharia-10-6-29] Ik zal hen weer inzetten; want Ik heb Mij over hen ontfermd, en zij zullen wezen, alsof Ik hen niet verstoten had; want Ik ben YHWH, hun God, en Ik zal ze verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v6)

**7** [^zacharia-10-7-30] En zij zullen zijn[^zacharia-10-7-31] als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verblijden, als van de wijn; en hun kinderen zullen[^zacharia-10-7-32] het zien, en zich verblijden, hun hart zal zich verheugen[^zacharia-10-7-33] in YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v7)

**8** Ik zal[^zacharia-10-8-34] hen toesissen, en zal ze verzamelen,[^zacharia-10-8-35] want Ik zal ze verlossen; en[^zacharia-10-8-36] zij zullen vermenigvuldigd worden, zoals zij te voren vermenigvuldigd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v8)

**9** En[^zacharia-10-9-37] Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen[^zacharia-10-9-38] aan Mij gedenken in verre plaatsen; en zij zullen[^zacharia-10-9-39] leven met hun kinderen, en[^zacharia-10-9-40] terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v9)

**10** Want[^zacharia-10-10-41] Ik zal ze teruggeven uit Egypteland, en Ik zal ze verzamelen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen,[^zacharia-10-10-42] maar het zal hun niet genoeg wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v10)

**11** En[^zacharia-10-11-43] Hij zal door de zee gaan,[^zacharia-10-11-44] die benauwende, en[^zacharia-10-11-45] Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten van de rivieren zullen verdrogen; dan zal[^zacharia-10-11-46] de hoogmoed van Assur neergeworpen worden, en[^zacharia-10-11-47] de scepter van Egypte zal wegwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v11)

**12** En[^zacharia-10-12-48] Ik zal hen[^zacharia-10-12-49] sterken in YHWH, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/10.html#v12)

[^zacharia-10-1-1]: Kanttekening 1: De betekenis is, Als u eenich dink van doen hebt, versoekt zulks van de Heer met uw gebeden, hetzij regen om uw vruchten te doen groeien, of iets dergelijks, maar en loopt niet tot de afgoden, zoals uw vaders gedaan hebben, daarom ickse gestraft heb.
[^zacharia-10-1-2]: Kanttekening 2: Van spaden regen zie Deut. c. 11. op vers 14. en vergelijk Hag. 1:6. en 2:15. Zach. 8:12. Zie ook Joël 2. vers 23. en Spr. 16:15.
[^zacharia-10-1-3]: Kanttekening 3: Of, regen-vlagen, of, plas-regen, regenachtige wolken. Zie Job 38:25.
[^zacharia-10-1-4]: Kanttekening 4: Of, hen, namelijk die hem daarom zullen bidden. Het is een verandering van persoone, haar of hen, voor u.
[^zacharia-10-1-5]: Kanttekening 5: Hebreeuws: Regen (גֶּשֶׁם) van de plas-regens, of, regen, \[ja\] plas-regen, zo staat er Ps. 40:3: slijk van de modders, voor dikken slijk.
[^zacharia-10-2-6]: Kanttekening 6: Of, zeker, gewisselijk, etc. Dit is de reden, waarom de godvrezende van God verzoeken hetgeen haar van nooden is, namelijk om dat d’Afgoden niet dan ijdelheid en zijn. Zie Ps. 115:3, 4, etc. Zie ook Jer. 10:8. Hab. 2:18. van Teraphim zie Gen. 31. op vers 19.
[^zacharia-10-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: hier te zeggen profeteren, of voorseggen, namelijk door de mond harer Profeten.
[^zacharia-10-2-a]: Verwijzing a: Eccl. 5:6.
[^zacharia-10-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk om dat zij de beelden ge-eert, en de waarseggers gelooft hebben.
[^zacharia-10-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk de Joden uw Vaders.
[^zacharia-10-2-10]: Kanttekening 10: Namelijk in de gevanckenis na Babylonië.
[^zacharia-10-2-11]: Kanttekening 11: Of, zij hebben opentlijk betuicht, of gesproken, dat zij geenen herder en hadden.
[^zacharia-10-2-12]: Kanttekening 12: Dewijle nog de Priesters, nog de Regenten haar ampt niet en betrachtten, nog het volk van die Afgoderye af en trokken. Vergelijk Jer. 23:1. Ez. 34:2. Matt. 9:36.
[^zacharia-10-3-13]: Kanttekening 13: Van de welke vers 2. gesproken is.
[^zacharia-10-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: Regenten, of de Rijke, en geweldige, als Jes. 14:9. Ez. 34:17. Dan. c. 8. vers 5.
[^zacharia-10-3-15]: Kanttekening 15: Namelijk in mijn toorn.
[^zacharia-10-3-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: na dat hij zijn volk zal gekastijdt hebben, so zal hij ze toerusten, als een schoon verciert peert, dat wil zeggen: hij zal ze hart en couragie geven, om haar vijanden te konnen wederstaan en te overwinnen. Dit geestelicker wijze verstaan zijnde, betekent dat God zijn kerk begaeft en sterckt met de kracht van zijn Heilige Geest, dat zij de duivel, en andere haar vijanden, dapperen wederstant doen, en onder haar voeten treden kunnen. Rom. 16:20.
[^zacharia-10-3-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: toerusten.
[^zacharia-10-3-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: als zijn heerlijk en verciert peert, op het welke hij in de strijt of krijch zijn eigenen persoon vertrouwt.
[^zacharia-10-4-19]: Kanttekening 19: Van, of uit het huis Iuda. Dat wil zeggen: uit de kerk zelf zal God zijn volk met voorstanders versorgen. Anders: Van hem. Namelijk van de Heer, namelijk tot beschutting van zijn volk.
[^zacharia-10-4-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: de hoek. Zie Zephan. c. 1. d’aantekening op vers 16. en 3:6. De Overste van het volk worden ook 1 Sam. 14:38. en Jes. 19:13. hoeken genoemd.
[^zacharia-10-4-21]: Kanttekening 21: Of, pinne, namelijk met de welke men de tenten uit-spant en vaste maakt, hier beteeckenende Overste, als Jes. c. 22. vers 23, 25. maar hier insonderheid krijchs-overste, als blijckt uit de naastvolgende woorden.
[^zacharia-10-4-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: alle, of, elk drijver.
[^zacharia-10-5-23]: Kanttekening 23: Namelijk die van het huis Iuda, en alle ware ledematen van de kerk. Want deze woorden passen op hetgeen in vers 3 gezegd is.
[^zacharia-10-5-24]: Kanttekening 24: Anders: Die \[haar vijanden\] vertreden zullen in de strijt, als het slijk van de straten.
[^zacharia-10-5-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: te schande maken.
[^zacharia-10-5-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de vijanden van de kerk van God, onaangesien zij te peerde ten stryde wel toegerust zijn.
[^zacharia-10-6-27]: Kanttekening 27: Verst. hier door, voor eerst de tien stammen: Daar na, alle ware Israëlieten, die mee tot de kerk van Christus zullen vergaderd worden.
[^zacharia-10-6-28]: Kanttekening 28: Of, verlossen, als hierboven, 9:16.
[^zacharia-10-6-29]: Kanttekening 29: Het Hebreeuwse woord, hetwelk in de text staat, schijnt uit twee in een gesmoltene woorden te bestaan. Ik zal instellen en wederbrengen. Anders: Ik zal ze gerustelijk zetten, of, doen woonen.
[^zacharia-10-7-30]: Kanttekening 30: Anders: en de Ephraimiten zullen zijn als een heldt.
[^zacharia-10-7-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: dapper, en wel gemoet. Vergelijk Ps. 78:9, etc.
[^zacharia-10-7-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: met blijdschap aanschouwen, hooren, vernemen.
[^zacharia-10-7-33]: Kanttekening 33: Van wegen de Heer, namelijk van wegen zijn genadige bescherming.
[^zacharia-10-8-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: beroepen, en in mijn kerk versamelen door de prediking van het heilig Evangelie, Matt. 11:28. Mark. 16:20. Joh. 7:37. Verstaatmen dit tsissen, of te samen roepen van een vergadering van het volk Gods, om haar vijanden tegen-stant te doen, so is het een bewijs, dat God zeer lichtelijk, alst hem belieft, grote heyrlegers kan doen vergaderen. Zie Jes. 5. d’aantekening op vers 26. en 7:18.
[^zacharia-10-8-35]: Kanttekening 35: Of, als ickse verlossen zal. Namelijk door het bloet en Geest mijnes zoons Jezus Christus.
[^zacharia-10-8-36]: Kanttekening 36: Of, zij zullen vele, of groot worden, Zoals, etc.
[^zacharia-10-9-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: ik zal mijn kerk die door de gehele wereld verstrooid zal zijn, uitbreyden, en vruchtbaar maken, als het gezaeyde zaat. zie Hos. 2. op vers 23. zie de vol-brenging Hand. 2:5. en 8:1, 4. 1 Petr. 1:1.
[^zacharia-10-9-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: in my gelooven, my aanroepen, en dienen: Ia ook mijn name verkondigen. Dit is insonderheid geschiedt ten tyde van de prediking van het heilig Evangelie door d’Apostelen, en haar metgesellen.
[^zacharia-10-9-39]: Kanttekening 39: Dit is te verstaan van een geestelijk leven: Maar sommige nemen het, voor wel en geluckelijk hier op aarden leven.
[^zacharia-10-9-40]: Kanttekening 40: Namelijk tot God door bekeering, of, tot haar aardsche besittingen, verlost zijnde uit de handen harer vijanden.
[^zacharia-10-10-41]: Kanttekening 41: De betekenis is, Zoals ik mijn volk Israël eertijds uit Egypten-lant, en andre landen, daar het een tijt lank in elende is geweest, heb gebracht in ’t lant Canaan, Zo ook zal ic mijn uitverkoren volk uit de blintheid, afgoderye, en dienstbaarheid van de duivel verlossen, in mijn kerk brengen, en eeuwig zalig maken.
[^zacharia-10-10-42]: Kanttekening 42: Anders: maar daar zal niet plaats genoeg voor haar gevonden worden. Namelijk om te woonen, zij zullen te machtig in getale zijn. Van de beteeckenis van het Hebreeuwse woord zie Num. 11. d’aantekening op vers 22. Hos. 12:9.
[^zacharia-10-11-43]: Kanttekening 43: Namelijk de Heer Christus.
[^zacharia-10-11-44]: Kanttekening 44: Hebreeuws: hij zal door de zee gaan \[met\] benautheid, of, benauwing (יָּם). De betekenis is, hij zal de zee benauwen, Zoals hij eertijds de roode zee benauwd heeft. zie Ps. 114:3. Jes. c. 11:15, etc. Dat wil zeggen: God zal zijn uitverkorene een wonderlijken doorgank openen, om uit het geestelijke Egypten van deze wereld in het hemelse Canaan te gaan. Andre, en het \[namelijk mijn volk\] zal door de zee van de benautheid, of van de angst doorgaan, voordat het in het hemelse Canaan zal gesteld worden.
[^zacharia-10-11-45]: Kanttekening 45: Namelijk de Heer. Die zal alle verhindernissen uit de weg nemen.
[^zacharia-10-11-46]: Kanttekening 46: Of, de hoocheid.
[^zacharia-10-11-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: het regiment, alle regering, als Gen. 49:10. want de Assyriers, en Egyptenaars, alsook andre heydensche Natien, die de Gemeente Godes plechten te vervolgen, zullen haar de scepter en regering van Christus onderwerpen.
[^zacharia-10-12-48]: Kanttekening 48: Namelijk God de Vader, zal mijn volk versterken.
[^zacharia-10-12-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: in het geloof aan Jezus Christus, die het hoofd van zijn kerk is.

### Zacharia 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/11.json)

*Een profetie over de verwoesting van de stad Jeruzalem en van het Joodse volk, vers 1. vanwege hun grote ondankbaarheid tegenover Christus, die hen als een goede herder had geweid, 4. maar zij hebben hem voor dertig zilverlingen verkocht, 12. daarom zou de HEERE hun goddeloze leidslieden geven, tot hun verderf, 15.*

**1** Doe uw[^zacharia-11-1-1] deuren open,[^zacharia-11-1-2] o Libanon![^zacharia-11-1-3] opdat het vuur[^zacharia-11-1-4] uw cederen vertere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v1)

**2** Huil,[^zacharia-11-2-5] u dennen! omdat[^zacharia-11-2-6] de cederen gevallen zijn, omdat die heerlijke[^zacharia-11-2-7] bomen verwoest zijn; huil,[^zacharia-11-2-8] u eiken van Basan![^zacharia-11-2-9] omdat het sterke woud[^zacharia-11-2-10] neergevallen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v2)

**3** [^zacharia-11-3-11] Er is een stem van het gehuil van de herders, omdat[^zacharia-11-3-12] hun heerlijkheid verwoest is; een stem van het gebruil[^zacharia-11-3-13] van de jonge leeuwen, omdat[^zacharia-11-3-14] de hoogmoed[^zacharia-11-3-15] van de Jordaan verwoest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v3)

**4** Zo zegt YHWH, mijn God:[^zacharia-11-4-16] Weid[^zacharia-11-4-17] deze slachtschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v4)

**5** Waarvan de bezitters hen doden[^zacharia-11-5-18][^zacharia-11-5-19],[^zacharia-11-5-20] en houden het voor geen schuld; en[^zacharia-11-5-21] een ieder van degenen, die ze verkopen, zegt:[^zacharia-11-5-22] Geloofd zij YHWH, dat ik rijk geworden ben! en[^zacharia-11-5-23] niemand van degenen, die ze weiden, ontziet ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v5)

**6** Zeker, Ik zal niet meer[^zacharia-11-6-24] de inwoners van dit land sparen, spreekt YHWH; maar ziet,[^zacharia-11-6-25] Ik zal[^zacharia-11-6-26] de mensen overleveren,[^zacharia-11-6-27] elk een in de hand van zijn naasten,[^zacharia-11-6-28] en in de hand van zijn koning, en[^zacharia-11-6-29] zij zullen dit land[^zacharia-11-6-30] te morzel slaan, en Ik zal[^zacharia-11-6-31] ze uit hun hand niet verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v6)

**7** [^zacharia-11-7-32] Daarom heb ik[^zacharia-11-7-33] deze slachtschapen geweid,[^zacharia-11-7-34] omdat zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, de één heb ik genoemd[^zacharia-11-7-35] LIEFELIJKHEID, en de andere heb ik[^zacharia-11-7-36] genoemd SAMENBINDERS; en ik heb[^zacharia-11-7-37] die schapen geweid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v7)

**8** En ik heb[^zacharia-11-8-38] drie herders[^zacharia-11-8-39] in één maand[^zacharia-11-8-40] afgesneden; want[^zacharia-11-8-41] mijn ziel was[^zacharia-11-8-42] over hen[^zacharia-11-8-43] verdrietig geworden, en[^zacharia-11-8-44] ook had hun ziel een walg van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v8)

**9** En[^zacharia-11-9-45] ik zei:[^zacharia-11-9-46] ik zal u niet meer[^zacharia-11-9-47] weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en[^zacharia-11-9-48] dat de overgeblevenen de één het vlees van de ander verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v9)

**10** En[^zacharia-11-10-49] ik nam mijn stok[^zacharia-11-10-50] LIEFELIJKHEID, en[^zacharia-11-10-51] ik verbrak die,[^zacharia-11-10-52] te niet doende mijn verbond, dat ik[^zacharia-11-10-53] met al deze volken[^zacharia-11-10-54] gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v10)

**11** Dus werd het op die dag vernietigd, en zo hebben[^zacharia-11-11-55] de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend,[^zacharia-11-11-56] dat dit het woord van YHWH was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v11)

**12** [^zacharia-11-12-57] Want ik had tot hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En[^zacharia-11-12-a] zij hebben[^zacharia-11-12-58] mijn loon[^zacharia-11-12-59] gewogen, dertig zilverlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v12)

**13** Maar YHWH zei tot mij: Werp ze heen[^zacharia-11-13-60] voor de pottenbakker:[^zacharia-11-13-61] een heerlijke prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp[^zacharia-11-13-62] ze in het huis van YHWH, voor de pottenbakker.[^zacharia-11-13-63] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v13)

**14** Toen verbrak ik mijn tweede stok,[^zacharia-11-14-64] SAMENBINDERS,[^zacharia-11-14-65] te niet doende de broerschap tussen Juda en tussen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v14)

**15** Verder zei YHWH tot mij: Neem u[^zacharia-11-15-66] nog het gereedschap van een dwaze herder.[^zacharia-11-15-67] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v15)

**16** Want ziet, Ik zal[^zacharia-11-16-68] een herder verwekken in dit land;[^zacharia-11-16-69] dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken;[^zacharia-11-16-70] het jonge zal hij niet zoeken, en[^zacharia-11-16-71] het verbrokene zal hij niet helen, en[^zacharia-11-16-72] het stilstaande zal hij[^zacharia-11-16-73] niet dragen; maar het vlees van[^zacharia-11-16-74] het vette zal hij eten, en[^zacharia-11-16-75] hun klauwen[^zacharia-11-16-76] zal hij verscheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v16)

**17** [^zacharia-11-17-77][^zacharia-11-17-b] Wee de nietige herder, de verlater van de[^zacharia-11-17-78] kudde! Het zwaard zal[^zacharia-11-17-79] over zijn arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm[^zacharia-11-17-80] zal ten enenmale verdorren, en zijn rechteroog zal[^zacharia-11-17-81] ten enenmale donker worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/11.html#v17)

[^zacharia-11-1-1]: Kanttekening 1: Poorten, vasticheden, sloten, Casteelen. het is een Prophetye, dat de Joden uitgeroeid en verstrooid zouden worden, die Christus en de Predicatie van het H. Euangelij versmaden zouden.
[^zacharia-11-1-2]: Kanttekening 2: De Prophete wende zijn reden tot de bosschen en bergen, hier en in het volgende vers, willende te kennen geven, dat geen ding God, als hij straffen wil, kan hinderen noch tegenstaan. Libanus is een berch gelegen aan het noort-einde van Canaan.
[^zacharia-11-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: opdat uw vijanden, en hier bij namen de Romeynen, uw Steden in nemen, en uw lant verderven.
[^zacharia-11-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de Grootste en treffelickste onder u. zie Jud. 9. op vers 15.
[^zacharia-11-2-5]: Kanttekening 5: Verstaat hierdoor, het gewone volk onder de Joden.
[^zacharia-11-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: de Overste en de voornaemste onder de Joden.
[^zacharia-11-2-7]: Kanttekening 7: Of, \[persoonen\].
[^zacharia-11-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: u machtige inwoonders van Basan. Vergelijk Eze. 27:6.
[^zacharia-11-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk de Libanus.
[^zacharia-11-2-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: neder-ge-daalt is, of, neder ge-komen is. Dat wil zeggen: nedergehouwen, of afgehouwen is.
[^zacharia-11-3-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: men hoort de herders huilen, dat wil zeggen: de Regenten van het volk, zo geestelijke, als wereltlikke persoonen.
[^zacharia-11-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: de voornaemste burgerschap, en vast al het volk, daar in de eere van de Princen is bestaande, Spr. 14:28. Andere verstaan hier door de heerlickheid, de Tempel, andre de geheele Stadt van Jeruzalem: Sommige ook, het geheele Joodse lant: zie Dan. 11:16, 41.
[^zacharia-11-3-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: van de moedige krijgers.
[^zacharia-11-3-14]: Kanttekening 14: Of, de voortreffelickheid.
[^zacharia-11-3-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: van het Joodse land aan de Iordane gelegen.
[^zacharia-11-4-16]: Kanttekening 16: Dit beveelt de Heer de Prophete Zacharia in een gezicht, of in een figure, aenwysende, dat Christus, de ware en overste herder van zijn kerk, van zijn hemelschen Vader bevel ontvangen had, zorg te dragen voor zijn arm volk, ’t welk van de boose Regenten verdrukt werd. Dit bevel wordt ook allen getrouwen Herderen, staande onder haar hoofd Christus, gegeven.
[^zacharia-11-4-17]: Kanttekening 17: Verst. het gewone volk onder de Joden, ’twelk van de machtige werd onderdruckt, en als ter slachting ge-eigent.
[^zacharia-11-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: haar Regenten, de machtige onder het volk, als daar waren de Hooge-priesters, Herodes, de Schrift-geleerde, Pharizeen, Sadduceeën, etc.
[^zacharia-11-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: uitmergelen door haar gierigheid, woeker, onrechtveerdigen handel, en gewelt.
[^zacharia-11-5-20]: Kanttekening 20: Zij en hebben daarover geen wroeging in haar conscientien: Ten wordt haar ook niet ter misdaat gerekent, zij blijven ongestraft. Hebreeuws: zij en worden niet schuldig.
[^zacharia-11-5-21]: Kanttekening 21: Het gewelt drijven van de Grote over de arme is zo algemeen geworden, dat de Grote haar laten dunkken, dat het haar vry staat met de arme te handelen alsof het haar eigene slaven waren, die verkoopende alsof het een vrye en geoorloofde koopmanschap ware.
[^zacharia-11-5-22]: Kanttekening 22: Zij schrijven haar rijkdom de zegen Godes toe, de welke zij haar broers met gewelt en ongerechtigheid afgeperst hadden. Vergelijk Matt. 23:14, 15, etc.
[^zacharia-11-5-23]: Kanttekening 23: Geen van haar herders en verschoontse, noch betoont barmhartigheid aan haar. Zie Ez. 34:2, 3, 4, etc.
[^zacharia-11-6-24]: Kanttekening 24: Verst. dit van die boose mensen, van de welke vers 5. gesproken is, die verre het grootste deel onder de Joden waren: Maar God de Vader wil even wel hebben, dat Christus voor die arme slacht-schapen zou zorg dragen, zoals hij ook gedaan heeft, als hij in het vlees hier op aarden verschenen is.
[^zacharia-11-6-25]: Kanttekening 25: Hebreeuws: ik zal de mensen doen vinden. Zie 2 Sam. 3. op vers 8.
[^zacharia-11-6-26]: Kanttekening 26: Namelijk die godloose Joden.
[^zacharia-11-6-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: ik zal de één door de anderen verslaan en ommebrengen. Dit is geschiedt, want door de inwendige seditien en beroerten, zijnder veel duisenden onder de Joden omgekomen. Zie Iosephum de bello Jud. lib. 6. 1. en 4.
[^zacharia-11-6-28]: Kanttekening 28: Na lange oneenicheden tussen de Hooge-priesters Aristobulus, Alexander en Hyrcanus, zijn de Romeynen in het Joodse lant geroepen en gekomen, die meester over de Joden geworden zijnde, hebben Antipater, en Herodes de Grote, over het zelf tot Koningen gesteld, die vast alle de voornaemste onder de Joden hebben omgebracht. Maar enige verstaan hier door de Koning, de Roomschen Keyser.
[^zacharia-11-6-29]: Kanttekening 29: Namelijk de vijanden van het Joodse volk, hetzij de Romeynen, of andre haar vijanden.
[^zacharia-11-6-30]: Kanttekening 30: Als met hameren.
[^zacharia-11-6-31]: Kanttekening 31: Of, zal het, namelijk het lant.
[^zacharia-11-7-32]: Kanttekening 32: Of, daarom zal ik weiden. het zijn de woorden van Christus.
[^zacharia-11-7-33]: Kanttekening 33: Zie hierboven, vers 4.
[^zacharia-11-7-34]: Kanttekening 34: Of, ô u elendichste van de kudde, verstaande de vrome en godvrezende onder de Joden.
[^zacharia-11-7-35]: Kanttekening 35: Enige houden het Hebreeuwse woord Noham in de text, beteeckenende lieflickheid, aanwijzende, dat de Heer vriendelijk en goedertierentlijk met de armen zondaar is ommegaande.
[^zacharia-11-7-36]: Kanttekening 36: Andre houden het Hebreeuwse woord Chobelim, of hobelim, dat wil zeggen: binders, of banden, t’samen-binders, de staf van de t’samen-binders, beteeckenende dat hij poochde Iuda en Israal t’samen te verbinden. andre zetten ’t over, verdervers.
[^zacharia-11-7-37]: Kanttekening 37: Namelijk die slacht-schapen.
[^zacharia-11-8-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: alle de Herders of Leraren van het Joodse volk, die in drie secten onderscheiden waren, namelijk Pharizeen, Sadduseen, en Esceen. Anders zo: Ik heb de Koningen, Priesters en Profeten van haar genomen. En merckt dat hier Prophetischer wijze gesproken wordt van hetgeen nog gebeuren zou, alsof het alreets geschiedt ware.
[^zacharia-11-8-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: in korter tijt. Vergelijk Hose. 5:7. met de aantekening aldaar.
[^zacharia-11-8-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: overtuicht van valse leer, en dwaling. maar verstaatmen dit van de boose Koningen, Priesters, en Profeten, so is afsnijden hier te zeggen, weeren, of weg-nemen, of te schande maken, verdelgen. En dit is een weldaad die God zijn volk belooft, namelijk dat hij de quade regeerders die zij hadden, weg-nemen zou tot een teekken van zijn liefde tot haar.
[^zacharia-11-8-41]: Kanttekening 41: Hebreeuws: Mijn ziel werd harent-halven verkortet (נַפְשִׁ). Dat wil zeggen: ik en vermocht haar niet, en zij en vermochten my niet.
[^zacharia-11-8-42]: Kanttekening 42: Namelijk over de ondanckbare Joden, of van wegen die valse leraren, etc.
[^zacharia-11-8-43]: Kanttekening 43: Zie Jud. 10. de aantekening op vers 16.
[^zacharia-11-8-44]: Kanttekening 44: Zie Mat. 27:21.
[^zacharia-11-9-45]: Kanttekening 45: Namelijk tot die ondanckbare Joden. of, zoals het andre verstaan, tot het gehele Joodse volk, zoals Mat. 23:37.
[^zacharia-11-9-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: Ik (namelijk Ik Christus) zal geen zorg meer voor u dragen, Ik zal u het Euangelium niet meer prediken, noch prediken laten. hier mee geeft de Heer te kennen, dat hij de Joden, van wegen haar grote ondanckbaarheid, verwerpen, en niet meer voor zijn volk houden en zou. zie Deut. 31:17.
[^zacharia-11-9-47]: Kanttekening 47: De betekenis is, Als mijn tucht versmaat wordt, so weest dan onderworpen aan het verderf, alle elenden, zo van buiten, als van binnens huis. Zie breeder vers 10. en Ierem. 15:2, etc. en Openb. 22:11.
[^zacharia-11-9-48]: Kanttekening 48: Hebreeuws: de vrouwe verslinde het vlees harer vriendinne, of met-gesellinne (בְּשַׂר).
[^zacharia-11-10-49]: Kanttekening 49: Namelijk Ik Christus.
[^zacharia-11-10-50]: Kanttekening 50: Zie hierboven, vers 7.
[^zacharia-11-10-51]: Kanttekening 51: Hier mee te kennen gevende, dat hij ze niet meer met zoetheid weiden noch regeren en wilde, zoals hij wel tevoren gedaan had.
[^zacharia-11-10-52]: Kanttekening 52: ’T welk ik met deze conditie met haar had opgericht, dat zij in mijn geboden wandelen zouden: Ex. 19:5, 6. Lev. 26:3. Deut. c. 28. vers 1.
[^zacharia-11-10-53]: Kanttekening 53: Verst. de twaalf stammen, die als XII verschillende volkeren of Natien waren.
[^zacharia-11-10-54]: Kanttekening 54: Zie van deze manier van spreken Gen. c. 15. op vers 18.
[^zacharia-11-11-55]: Kanttekening 55: Zie hierboven, vers 7.
[^zacharia-11-11-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: dat dit zo geschiedt was, na het woord en de wille van de Heer.
[^zacharia-11-12-57]: Kanttekening 57: Hier geeft de Heer Christus reden, waarom hij de zorg van de Joden te weiden, had afgeleit, en de Herders had verstooten, Ik had, zegt hij, haar vermaant, dat zij my haar loon brengen zouden, dat is, dat zij my vruchten van de bekeering weerdich brengen zouden, als zijnde de loon die ik verdient had met haar te weiden: Zij ter contrarie, uit een bitteren haat die zij my toe-droegen, hebben mijn verrader een loon toe-gewogen, om my door hem t’onder-drukken. zie Matt. 26:15. en 27:9.
[^zacharia-11-12-a]: Verwijzing a: Matt. 26:15. en 27:9.
[^zacharia-11-12-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: de loon die zij my achtten weerdich te zijn.
[^zacharia-11-12-59]: Kanttekening 59: Zie van de manier van het gelt te wegen Gen. 23. op vers 16. Ezra 8:25. Esth. 3. vers 9. Ex. 22:17.
[^zacharia-11-13-60]: Kanttekening 60: Ofte, tot. Dat wil zeggen: dat ze de potte-backer gegeven worden, en zo ook stracx weer onder in dit vers.
[^zacharia-11-13-61]: Kanttekening 61: Hebreeuws: die heerlickheid, of, treffelickheid van de prijs, of, van de weerdye. Verst. dit als spot-wijze gesproken te zijn, en met veronweerding.
[^zacharia-11-13-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: in de Tempel.
[^zacharia-11-13-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: op datmender eenes pottebackers acker voor koopen zou.
[^zacharia-11-14-64]: Kanttekening 64: Zie hierboven, vers 7.
[^zacharia-11-14-65]: Kanttekening 65: Hier mee wordt te kennen gegeven, dat omdat Iuda en Israal Godes genade niet en hadden willen erkennen, als hij ze met elkaar had willen vereenigen, en beide voor zijn volk houden, en als zijn schapen weiden wilde, tot welke einde hij verschillende Profeten tot haar gezonden had: Dat hij zich voortaan met haar niet meer en zou bekommeren, maar latense in die scheuring blijven, en beide gelijckelijk te gronde gaan.
[^zacharia-11-15-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: nog hier en boven: en wijst daar mee, als in een voorbeelt, het geckelijk en zeldzaam regiment van het Joodse volk, na de tijden van Christus, namelijk hoe het onder ’t zelf zou toegaan voor de laatste verstooring van de zelf.
[^zacharia-11-15-67]: Kanttekening 67: Het Hebreeuwse woord betekend soms eenes Herders tassche, 1 Sam. 17:40. soms een kleed, Deut. 22:5. Somtijts allerlei gereetschap, Lev. 15. vers 4, etc.
[^zacharia-11-16-68]: Kanttekening 68: Andre, Herders, versta de Schriftgeleerde en Pharizeen, als ook andre quade leraren, die in de tijd van Christus leven en ’t volk leren zouden. Andre verstaan hier door Herders, die quade Regenten, die het Joodse lant geregeert hebben.
[^zacharia-11-16-69]: Kanttekening 69: Hebreeuws: die afgesneden zijn. Dat wil zeggen: gereet om afgesneden te worden.
[^zacharia-11-16-70]: Kanttekening 70: De jonge en teedere lammeren. Vergelijk dit vers met Ez. 34:2, etc.
[^zacharia-11-16-71]: Kanttekening 71: Het beschadichde, het gequetste.
[^zacharia-11-16-72]: Kanttekening 72: Namelijk de schapen die staande blijven, om dat zij zo swak zijn, dat ze d’andre niet en konnen volgen. Anders: het staande, dat wil zeggen: dat nog gesont en wel te pas is, op zijn beenen overeind staande en gaande.
[^zacharia-11-16-73]: Kanttekening 73: Of, niet vatten, onderhouden, versorgen, voeden.
[^zacharia-11-16-74]: Kanttekening 74: Het vette \[lam\].
[^zacharia-11-16-75]: Kanttekening 75: Namelijk van degenen die staande blijven, en niet en konnen voortgaan, omdat zij swak zijn.
[^zacharia-11-16-76]: Kanttekening 76: Namelijk door hart drijven door berch en dal, door bosschen en steen-klippen. Vergelijk Jer. 23:2. Ez. 34:2, 3, 4.
[^zacharia-11-17-77]: Kanttekening 77: Anders: wee mijn nietigen Herder.
[^zacharia-11-17-b]: Verwijzing b: Jer. 23:1. Ez. 34:2. Ioh. 10:12.
[^zacharia-11-17-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: de hant en straf van de Heer. Anders droochte. zie Deut. 28:22. of, ’t verderf, ondergank, schade.
[^zacharia-11-17-79]: Kanttekening 79: Of, op, of, aan, of, omtrent.
[^zacharia-11-17-80]: Kanttekening 80: Hebreeuws: Verdorrende verdorren.
[^zacharia-11-17-81]: Kanttekening 81: Hebreeuws: doncker wordende doncker worden.

### Zacharia 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/12.json)

*Voorzegging dat de HEERE de vijanden van de christelijke kerk zou verdelgen, maar dat hij de zijnen zou beschutten en beschermen, vers 1, enz. met de verdere belofte dat hij de uitverkoren Joden door de Heilige Geest met geloof en boetvaardigheid zou begiftigen, 10.*

**1** [^zacharia-12-1-1] De last van het woord van[^zacharia-12-1-2] YHWH over Israël. YHWH[^zacharia-12-1-3] spreekt, Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en de geest van de[^zacharia-12-1-4] mens in zijn binnenste[^zacharia-12-1-5] vormt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v1)

**2** Zie, Ik zal[^zacharia-12-2-6] Jeruzalem stellen tot een drinkschaal van[^zacharia-12-2-7] de bedwelming voor alle volken rondom;[^zacharia-12-2-8] ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v2)

**3** En het zal op die dag gebeuren, dat Ik[^zacharia-12-3-9] Jeruzalem stellen zal[^zacharia-12-3-10] tot een lastige steen voor alle volken; allen, die zich daarmee beladen, zullen zeker doorsneden worden;[^zacharia-12-3-11] en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v3)

**4** Op die dag, spreekt YHWH, zal Ik alle paarden[^zacharia-12-4-12] met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar[^zacharia-12-4-13] over het huis van[^zacharia-12-4-14] Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden[^zacharia-12-4-15] van de volken zal Ik met blindheid slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v4)

**5** Dan zullen[^zacharia-12-5-16] de leidslieden van Juda in hun hart zeggen:[^zacharia-12-5-17] De inwoners van Jeruzalem[^zacharia-12-5-18] zullen mij een sterkte zijn[^zacharia-12-5-19] in YHWH van de legermachten, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v5)

**6** Op die dag zal Ik de leidslieden van Juda stellen[^zacharia-12-6-20] als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen aan de rechterzijde en aan de linkerzijde alle volken rondom verteren; en[^zacharia-12-6-21] Jeruzalem zal nog[^zacharia-12-6-22] blijven[^zacharia-12-6-23] in haar plaats te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v6)

**7** En YHWH zal[^zacharia-12-7-24] de tenten van[^zacharia-12-7-25] Juda ten voorste[^zacharia-12-7-26] behouden, opdat[^zacharia-12-7-27] de heerlijkheid[^zacharia-12-7-28] van het huis van David, en[^zacharia-12-7-29] de heerlijkheid van de inwoners van Jeruzalem, zich niet[^zacharia-12-7-30] verheffe tegen Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v7)

**8** Op die dag zal YHWH de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die,[^zacharia-12-8-31] die onder hen struikelen zou, zal op die dag zijn[^zacharia-12-8-32] als David; en[^zacharia-12-8-33] het huis van David zal zijn[^zacharia-12-8-34] als goden;[^zacharia-12-8-35] als de Engel van YHWH[^zacharia-12-8-36] voor hun aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v8)

**9** En het zal op die dag gebeuren, dat Ik zal zoeken te vernietigen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v9)

**10** Maar over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik[^zacharia-12-10-a] uitstorten[^zacharia-12-10-37] de Geest van de genade en van de gebeden; en[^zacharia-12-10-38] zij zullen Mij[^zacharia-12-10-b] aanschouwen,[^zacharia-12-10-39] Die zij doorstoken hebben, en[^zacharia-12-10-40] zij zullen over Hem rouwklagen, als met de klaagzang[^zacharia-12-10-41] over een enige zoon; en[^zacharia-12-10-42] zij zullen over Hem bitter kermen, gelijk men bitter kermt over een eerstgeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v10)

**11** Op die dag zal te Jeruzalem de klaagzang groot zijn, zoals die klaagzang van[^zacharia-12-11-43] Hadadrimmon, in het dal van[^zacharia-12-11-c] Megiddon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v11)

**12** En[^zacharia-12-12-44] het land zal rouwklagen,[^zacharia-12-12-45] elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis van David bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; en het geslacht van het[^zacharia-12-12-46] huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v12)

**13** Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht[^zacharia-12-13-47] van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v13)

**14** Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hun vrouwen bijzonder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/12.html#v14)

[^zacharia-12-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de Profetie.
[^zacharia-12-1-2]: Kanttekening 2: Of, wat betreft Israël, of voor, of aan Israël, Zie hierboven, 9. vers 1. verstaat hier door Israël de Christelikke kerk, of Gemeente uit Joden en Heidenen bestaande, de welke de Apostel noemt het Israël Godes, Gal. 6:16. aan de welke hier de victorie over haar vijanden belooft wordt.
[^zacharia-12-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk zoals hier stracx volcht vers 2.
[^zacharia-12-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: ziel.
[^zacharia-12-1-5]: Kanttekening 5: Of, vormt, een manier van spreken van de potte-backers genomen.
[^zacharia-12-2-6]: Kanttekening 6: Hier betekend Jeruzalem de Christelikke kerk, of Gemeente, als Gal. 4. vers 26. Heb. 12:18, 22.
[^zacharia-12-2-7]: Kanttekening 7: Of, van de beving, of tot een giftige beker, of, tot een tuimelbeker, of slaepbeker, dat wil zeggen: vervult met wijn die slaap aanbrengt, tot een vat uit het welke alle volkeren, die tegen het Israal Godes strijden zullen, een dronk zullen moeten drinkken, die haar in duizeling, of in slaap brengen zal. De betekenis is, De vijanden uit allerlei volken bestaande, die mijn kerk zullen bestrijden en vervolgen, en zullen daar mee niet anders winnen, noch uitrichten, dan dat ickse in ’t vervolgen van de kerk, zal slaan met razernij en waanzin, zodat zij haar zelf zullen te schande maken, en in verderf brengen. Vergelijk Ps. 60:5 Jes. 51:22, 23. Jer. 25:15, 16. met de aantekening aldaar.
[^zacharia-12-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk de schale van de duizeling. Namelijk als de Stadt van Jeruzalem zal belegert worden. als woude de Heer zeggen, niet alleen de heydensche volkeren, maar ook de Joden, die de Christelikke kerk vervolgen zullen, zullen daar over te schande en ten verderve komen. of, en ook zal ze zijn in de belegering tegen Iuda, tegen Jeruzalem.
[^zacharia-12-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de Christelikke kerk.
[^zacharia-12-3-10]: Kanttekening 10: Of, tot een geheel zware steen, De betekenis is, Zoals degenen die haar sterkte daar aan bewijzen willen, dat zij een zware steen opheffen willen, dikwijls door de swaarte van de zelf onderdruckt worden: Zo zullen ook degenen die haar kracht aan Godes kerk versoekken willen, daar over vernielt worden, en gevoelen hoe swaar dat het is tegen de prickel te stooten. Vergelijk Luk. 20:18. Hand. 9:4.
[^zacharia-12-3-11]: Kanttekening 11: Ofte, al versamelden zich tegen haar alle volkeren, etc. Namelijk die mijn kerk bevechten.
[^zacharia-12-4-12]: Kanttekening 12: Of, met verbaastheid slaan. Dat wil zeggen: ik zal haar macht teniet maken. Vergelijk Ps. 76. versen 6, 7. etc.
[^zacharia-12-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: over mijn kerk.
[^zacharia-12-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: ik zal ze gade slaan, medelyden over de zelf hebbende. Vergelijk Ierem. 39:12.
[^zacharia-12-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk van de vijanden mijner kerk.
[^zacharia-12-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: alle voor-standers van de kerk.
[^zacharia-12-5-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de ledematen van de kerk.
[^zacharia-12-5-18]: Kanttekening 18: Of, zijn my een sterkte: Of, dat my de inwoonders van Jeruzalem een sterkken moet hebben.
[^zacharia-12-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: omdat de Heer met haar is, of, om de wille van de Heer.
[^zacharia-12-6-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: als een heert van het vuur (אֵשׁ). Dat wil zeggen: als, of, tot een heert op welke een vuur brandt, ’t welk het hout, dat er op legt, verteert. Zo ook stracx, Hebreeuws: als een fackel van het vuur. De betekenis is, Zij zullen alle haar vijanden over-winnen, ’t welk hier geestelicker wijze te verstaan is, van de victorie van de gelovigen over haar geestelijke vijanden, Vergelijk Ps. 48. en 87. en 125. en 129.
[^zacharia-12-6-21]: Kanttekening 21: De ware burgers van Jeruzalem, de Christelikke kerk.
[^zacharia-12-6-22]: Kanttekening 22: Hebreeuws: zitten, of, woonen (יָשְׁבָה). Dat wil zeggen: blijven.
[^zacharia-12-6-23]: Kanttekening 23: In die plaats daarmen God in waren geloof aanroept, en hem na zijn wille dient, hetzij dan waar hetzij in de gehele wereld.
[^zacharia-12-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de kleine en onvermogende in Iuda, die buiten Jeruzalem woonden, en van het huis Davids niet en waren.
[^zacharia-12-7-25]: Kanttekening 25: Of, ten eerste, of \[als\] eertijds.
[^zacharia-12-7-26]: Kanttekening 26: Of, zalig maken.
[^zacharia-12-7-27]: Kanttekening 27: Ofte, cierlickheid, dat wil zeggen: die van grooteren aansien zijn, dan de andere van Iuda.
[^zacharia-12-7-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: van het geslacht Davids.
[^zacharia-12-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: de rijke en geweldige tegen de gering en verarmde.
[^zacharia-12-7-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: groot en make.
[^zacharia-12-8-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die swak is.
[^zacharia-12-8-32]: Kanttekening 32: Namelijk zo dapper in de strijt, als eertijds David geweest is. Verst. dit van een geestelijke dapperheid, welke de H. Geest in de kinderen van God te wege brengt.
[^zacharia-12-8-33]: Kanttekening 33: Het huis van David, dat wil zeggen: de voorstanders van Godes volk.
[^zacharia-12-8-34]: Kanttekening 34: Anders: als God. and. als Godes \[huis\]. men kan hier door Goden, verstaan de Engelen.
[^zacharia-12-8-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: als Christus, als blijckt uit de navolgende woorden.
[^zacharia-12-8-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: die voor haar aangezicht wandelt, of, heen gaat. Vergelijk Micha 2:13.
[^zacharia-12-10-a]: Verwijzing a: Ez. 39:29. Ioël 2:28.
[^zacharia-12-10-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: de H. Geest, die de uitverkorene betuicht, dat God haar wil genadich zijn: En hij verwecktse ten gebede en smeecking, zodat ze God om genade en vergeving harer zonden bidden. Vergelijk Act. 2:37.
[^zacharia-12-10-38]: Kanttekening 38: Eensdeels met lichamelijke ogen in de tijd zijns lijdens. Zie Joh. 19:37. anderdeels door het geloof, ten aansien van de boetveerdige en gelovige: Act. 2:37. en met schrik, ten aansien van de ongeloovige ten joncksten dage. Openb. 1:7.
[^zacharia-12-10-b]: Verwijzing b: Ioh. 19:37. Openb. 1:7.
[^zacharia-12-10-39]: Kanttekening 39: Dit doorsteken van de zijde van Christus wordt hier gesteld voor de geheele kruicing. Zie Ioh. 19:34, en 37, en of wel maar een soldaat dit gedaan heeft, so wordt het nochtans de gehele Joodse Natie toegeschreven, als die Pilatum gedrongen hebben Christus te doden.
[^zacharia-12-10-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: zij zullen hertelijk bedroefd zijn over haar schrickelikke zonde.
[^zacharia-12-10-41]: Kanttekening 41: Namelijk die gestorven is. zie Jer. 6. op vers 26. en Amos 8:10.
[^zacharia-12-10-42]: Kanttekening 42: Hebreeuws: zullen bitter maken.
[^zacharia-12-11-43]: Kanttekening 43: Waar de Koning Iosias is omgekomen, die zeer is beschreit en beklaecht geworden van zijn goede ondersaten. Zie de historie 2 Kon. 23. versen 29, 30. en 2 Kron. 35:22, 24, 25.
[^zacharia-12-11-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 23:29. 2 Kron. 35:22, 24.
[^zacharia-12-12-44]: Kanttekening 44: Dat is, de inwoonders van het land.
[^zacharia-12-12-45]: Kanttekening 45: Hebreeuws: geslachte geslachte bijzonder. De betekenis is, dat dit zou zijn een bysondere wee-klage onder alle geslachten. het ziet op de wijze van rouw-klagen onder de Joden gebruicklijk.
[^zacharia-12-12-46]: Kanttekening 46: Zie 2 Sam. 5:14. 1 Kron. 3:5, Luk. 3:31.
[^zacharia-12-13-47]: Kanttekening 47: Die, na sommiger gevoelen, een zoon Gersoms was, de zoon van Levi, 1.Chro. 6:16, 17. Deze wordt hier tot een exempel gesteld bij name, maar van alle de andere stammen en geslachten wordt desgelijcx gezegd in ’t volgende vers.

### Zacharia 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/13.json)

*Profetie over de vergeving en afwassing van de zonden door Christus, vers 1. Over de uitroeiing van de afgodische dienst en van de valse leer, 2. Over het lijden en sterven van Christus, 7. Over de ondergang van de goddelozen en de behoudenis van de uitverkorenen, nadat zij door het kruis beproefd en gelouterd zouden zijn, 8, enz.*

**1** [^zacharia-13-1-1] Op die dag zal[^zacharia-13-1-2] er een Fontein[^zacharia-13-1-3] geopend zijn[^zacharia-13-1-4] voor het huis van David, en voor de inwoners van Jeruzalem,[^zacharia-13-1-5] tegen de zonde en tegen[^zacharia-13-1-6] de onreinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v1)

**2** En het zal op die dag gebeuren, spreekt YHWH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land[^zacharia-13-2-7] de namen van[^zacharia-13-2-8] de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook[^zacharia-13-2-9] de profeten, en[^zacharia-13-2-10] de onreine geest[^zacharia-13-2-11] zal Ik uit het land wegdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v2)

**3** En het zal gebeuren, wanneer iemand[^zacharia-13-3-12] meer profeteert,[^zacharia-13-3-13] dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen[^zacharia-13-3-14] zeggen: U zult niet leven, omdat u valsheid gesproken hebt in de Naam van YHWH; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben,[^zacharia-13-3-15] zullen hem doorsteken, wanneer hij[^zacharia-13-3-16] profeteert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v3)

**4** En het zal gebeuren op die dag, dat[^zacharia-13-4-17] die profeten[^zacharia-13-4-18] beschaamd zullen worden, ieder vanwege[^zacharia-13-4-19] zijn visioen, wanneer hij profeteert; en zij zullen[^zacharia-13-4-20] geen haren mantel aandoen, om te liegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v4)

**5** Maar[^zacharia-13-5-21] hij zal zeggen: Ik ben geen profeet,[^zacharia-13-5-22] ik ben een man, die het land bouwt; want[^zacharia-13-5-23] een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v5)

**6** En zo iemand tot hem zegt:[^zacharia-13-6-24] Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmee ik geslagen ben, in het huis[^zacharia-13-6-25] van mijn liefhebbers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v6)

**7** [^zacharia-13-7-26] Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man,[^zacharia-13-7-27] Die Mijn Metgezel is, spreekt YHWH van de legermachten; sla[^zacharia-13-7-a] die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot[^zacharia-13-7-28] de kleinen[^zacharia-13-7-29] wenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v7)

**8** En het zal gebeuren in het hele land, spreekt YHWH,[^zacharia-13-8-30] de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden,[^zacharia-13-8-31] en de geest geven; maar[^zacharia-13-8-32] het derde deel zal daarin overblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v8)

**9** En Ik zal[^zacharia-13-9-33] dat derde deel[^zacharia-13-9-34] in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven,[^zacharia-13-9-b] gelijk men goud beproeft;[^zacharia-13-9-35][^zacharia-13-9-c] het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen:[^zacharia-13-9-d] Het is Mijn volk; en het zal zeggen: YHWH is mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/13.html#v9)

[^zacharia-13-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk als de Messias zal gekomen zijn.
[^zacharia-13-1-2]: Kanttekening 2: Of, Spring-ader, born-quelle. Dat wil zeggen: de genade van God van de vergeving van de zonden door het bloet van Jezus Christus, in het welke wy gewasschen zijn.
[^zacharia-13-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk geopent zijnde, of wordende, door de prediking van het H. Euangelij.
[^zacharia-13-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: voor de gelovige kinderen van God.
[^zacharia-13-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: tot afwassching van de zonde, en aller onreynicheden uit en met de zonde ontstaande.
[^zacharia-13-1-6]: Kanttekening 6: Het hebr. woord betekend eigenlijk de afsondering van wegen de onsuiverheid van de maant-stonden, van de welke gehandelt wordt Lev. c. 12. en c. 15.
[^zacharia-13-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: alle afgoderye, zodat ze niet meer onder u zal genoemd worden. Vergelijk Ps. 16:4. Hose. 2:16.
[^zacharia-13-2-8]: Kanttekening 8: Van het woord Afgoden, Zie 1 Sam. 31:9.
[^zacharia-13-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk de valse Profeten. Anders: \[haar\] Profeten, namelijk van de Afgoden.
[^zacharia-13-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: de valse Leraren, die een onreyne leer dryven door ingeving van de boosen onreynen geest, namelijk van de duivel. Vergelijk 1 Joh. 4:1, 2, 3.
[^zacharia-13-2-11]: Kanttekening 11: Het zy door straf uitroeying, Deut. 13. of door over-reding tot verloochening van de zelf.
[^zacharia-13-3-12]: Kanttekening 12: Namelijk valschelikke, makende God tot een dek-mantel van zijn leugens: oft wanneer iemand meer profeteert door in-geven van de onreynen geest.
[^zacharia-13-3-13]: Kanttekening 13: De betekenis is, Bij de gelovige zal zulk een yver zijn, dat zij geenen valschen prophete of leraar en zullen konnen dulden noch lijden, zodat zelfs zijn eigene ouders of naaste bloet vrienden hem verwijsen zullen, achtervolgens de Wet Godes Deut. 13:6, 8.
[^zacharia-13-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: u en bent niet weert dat u leeft, u en behoorde niet langer te leven: Maar u bent weerdich gedoode te worden, achtervolgens de Wet Deut. 13:1, etc.
[^zacharia-13-3-15]: Kanttekening 15: Gedreven zijnde door een goddelikken yver, zullen zij hem de Richteren overleveren om gestraft te worden. Maar andre menen dat het Hebreeuwse woord hier betekend bestraffen, niet alleen met woorden, maar ook met harde slagen.
[^zacharia-13-3-16]: Kanttekening 16: Namelijk valschelijk.
[^zacharia-13-4-17]: Kanttekening 17: Namelijk die valse Profeten.
[^zacharia-13-4-18]: Kanttekening 18: Overtuicht zijnde van valse leer door het klare licht van de waarheid, en van haar eigene ouders.
[^zacharia-13-4-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: zijn valse prophetye.
[^zacharia-13-4-20]: Kanttekening 20: Zoals eertijds Elia gedaan heeft, 2 Kon. 1:8. en Johannes de Doper, Matt. 3:4. Vergelijk Jes. 20:2. Dit deden de valse Profeten, om haar woorden des te grooteren schijn van heiligheid te geven.
[^zacharia-13-5-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: een ieder van deze Profeten.
[^zacharia-13-5-22]: Kanttekening 22: Alsof hij zei, ik heb die professie verlaten, De lant-bouw is de hantering die ik geleert en gedaan heb van mijner jeucht aan, daar heb ik my nu weer toe begeven.
[^zacharia-13-5-23]: Kanttekening 23: Ofte, men heeft my gesteld over het vee, of, het vee leren opvoeden, etc. of, want men heeft my geleert met het vee om te gaan, etc.
[^zacharia-13-6-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: wat beduiden deze wonden, Hebreeuws: slagen. Dat wil zeggen: lijk-teeckenen van wonden. Vergelijk 1 Kon. 18:28. In uw handen. verstaat hier bij, en ook verder in u lichaam. Ofte zo: Waarom zijn deze wonden in uw handen? so zal hij zeggen, Om dat ik geslagen ben, etc.
[^zacharia-13-6-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: van degenen die my lief-hebben, of beminnen, namelijk mijner ouderen, of naaste vrienden, die door harde slagen (daar ik nog de lijckteeckenen van drage) my hebben af-gewent, en afgehouden van leugens te spreken, en van valse prophetyen. Men zegt gewoonlijk, harde slagen leren wel, en tot een harden noest moetmen een scherpen beytel gebruiken.
[^zacharia-13-7-26]: Kanttekening 26: Dewijle in het naast-voor-gaande vers gezegd is, hoe de valse Prophete van zijn eigene vrienden, zy getracteert, So neemt de Heer, namelijk God de Vader, daar uit aanleyding, om te voorseggen, hoe Christus zijn lieve Soon, en opperste Herder, alsof hij ook een vals prophete ware, geslagen en omgebracht zou worden. Maar zulks en zou niet bij gevalle gebeuren, maar na zijn Goddelikke ordonnantie. Vergelijk Matt. 26. vers 31. Ioh. c. 14. en 16. en 18. Hand. 2:23. en 4:28.
[^zacharia-13-7-27]: Kanttekening 27: Namelijk mijn eenich geboren Soon, eenes wesens met my.
[^zacharia-13-7-a]: Verwijzing a: Matt. 26:31. Mark. 14:27.
[^zacharia-13-7-28]: Kanttekening 28: Door de kleine worden hier verstaan de Discipulen van Christus, die slechte onaansienlikke mannen waren, van de welke Christus tot degenen die hem vingen, syde, Zoekt u my, so laat deze gaan. En na dat zij verstrooid waren, heeftse de Heer weer vergaderd. Ioh. 18. vers 8. Maar men kan hier ook door de kleine verstaan, de uitverkorene kinderen van God, die klein zijn voor de ogen van de wereld. Zie Mat. 18:10, 14.
[^zacharia-13-7-29]: Kanttekening 29: Namelijk om haar te versamelen, en in ’t geloof te sterkken. Van de manier van spreken, Zie Ez. 38. op vers 12. Anders: En ik zal mijn hant tegen de kleine wenden: die mee vervolging zullen lijden zoals haar herders.
[^zacharia-13-8-30]: Kanttekening 30: Hebreeuws: de mond van tween, als Deut. 21:17 (פִּֽי). Dat wil zeggen: de twee deelen. De betekenis is, dat verre het grootste deel van de mensen zou verworpen worden, en in zijn zonden en ongeloove blijven liggen, en verderven: de kleynste hoop zal zalig worden. Zie Mat. 7:13. Luk. 8:5, etc.
[^zacharia-13-8-31]: Kanttekening 31: Vergelijk zo veel de beteeckenis van het woord belangt, Gen. 6:17. en Numer. 17:12, 13.
[^zacharia-13-8-32]: Kanttekening 32: Namelijk die ik uit genade zal verschoonen en sparen.
[^zacharia-13-9-33]: Kanttekening 33: Namelijk dat derde deel, ’twelk mijn uitverkorene zijn.
[^zacharia-13-9-34]: Kanttekening 34: Verstaat hier, het vuur van de vervolging, en van het kruis. Zie Jes. 1:25. en 48:10. en 1 Petr. 1:7.
[^zacharia-13-9-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 1:6, 7.
[^zacharia-13-9-35]: Kanttekening 35: Het derde deel, De betekenis is, Een ieder van deze uitverkorenen die ik zo zal beproeft hebben, zal mijn name aanroepen, etc.
[^zacharia-13-9-c]: Verwijzing c: Ps. 50:15. en 91:15.
[^zacharia-13-9-d]: Verwijzing d: Ps. 144. vers 15. Ioh. 20:28.

### Zacharia 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/zacharia/14.json)

*Profetie over de grote ellende die de stad Jeruzalem zou overkomen, vers 1, enz. Maar met de belofte dat de HEERE de zijnen zou behouden en zalig maken, 3. Verder wordt hier gesproken over de voortreffelijke gaven die de HEERE over zijn kerk zou uitstorten, en over haar zalige en heerlijke staat, 8. En over de straf en ondergang van haar vijanden, 12. En over de bekering van sommigen van hen, vers 16. Alsmede over de heilige ijver van de kerk.*

**1** Zie,[^zacharia-14-1-1] de dag komt voor YHWH, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u,[^zacharia-14-1-2] o Jeruzalem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v1)

**2** Want Ik zal[^zacharia-14-2-3] alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en[^zacharia-14-2-a] de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en[^zacharia-14-2-4] de helft van de stad zal uitgaan in de gevangenis; maar[^zacharia-14-2-5] het overige van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v2)

**3** [^zacharia-14-3-b] En YHWH zal uittrekken, en Hij zal strijden[^zacharia-14-3-6] tegen die heidenen,[^zacharia-14-3-7] zoals op de dag als Hij gestreden heeft, op de dag van de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v3)

**4** En Zijn voeten zullen[^zacharia-14-4-8] op die dag staan op de Olijfberg,[^zacharia-14-4-9] die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal[^zacharia-14-4-10] in tweeën gespleten worden[^zacharia-14-4-11] naar het oosten, en naar het westen,[^zacharia-14-4-12] zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de andere helft daarvan naar het zuiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v4)

**5** Dan zult[^zacharia-14-5-13] u[^zacharia-14-5-14] vluchten[^zacharia-14-5-15] door de vallei[^zacharia-14-5-16] van Mijn bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot[^zacharia-14-5-17] Azal),[^zacharia-14-5-18] en u zult vluchten, zoals u vloodt[^zacharia-14-5-19][^zacharia-14-5-c] voor de aardbeving[^zacharia-14-5-20] in de dagen van Uzzia, de koning van Juda;[^zacharia-14-5-21] dan zal YHWH, mijn God, komen,[^zacharia-14-5-22] en al de heiligen[^zacharia-14-5-23] met U, o YHWH! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v5)

**6** En het zal op die dag gebeuren,[^zacharia-14-6-24] dat er niet zal zijn[^zacharia-14-6-25] het kostelijk licht, en de[^zacharia-14-6-26] dikke duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v6)

**7** Maar[^zacharia-14-7-d] het zal[^zacharia-14-7-27] een enige dag zijn,[^zacharia-14-7-28] die YHWH bekend zal zijn; het zal noch[^zacharia-14-7-29] dag, noch[^zacharia-14-7-30] nacht zijn; en het zal gebeuren, ten tijde[^zacharia-14-7-31] 's avonds, dat het licht zal wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v7)

**8** Ook zal het[^zacharia-14-8-32] op die dag gebeuren,[^zacharia-14-8-e] dat[^zacharia-14-8-33] er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen,[^zacharia-14-8-34] de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar[^zacharia-14-8-35] de achterste zee aan;[^zacharia-14-8-36] zij zullen in de zomer en in de winter[^zacharia-14-8-37] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v8)

**9** En[^zacharia-14-9-38] YHWH zal tot Koning over de hele aarde zijn; op die dag[^zacharia-14-9-39] zal YHWH één[^zacharia-14-9-40] zijn, en Zijn Naam één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v9)

**10** [^zacharia-14-10-41] Dit hele land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, naar het zuiden van Jeruzalem; en[^zacharia-14-10-42] zij zal[^zacharia-14-10-43] verhoogd en[^zacharia-14-10-44] bewoond worden in haar plaats;[^zacharia-14-10-45] van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en[^zacharia-14-10-46] van de toren van Hananeel, tot aan de wijnbakken van de koning toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v10)

**11** En zij[^zacharia-14-11-47] zullen daarin wonen, en[^zacharia-14-11-48] er zal geen verbanning meer zijn; want[^zacharia-14-11-49] Jeruzalem zal[^zacharia-14-11-50] zeker[^zacharia-14-11-51] wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v11)

**12** [^zacharia-14-12-52] En dit zal de plaag zijn, waarmee YHWH al de volken plagen zal,[^zacharia-14-12-53] die tegen Jeruzalem strijd gevoerd zullen hebben: Hij zal[^zacharia-14-12-54] ieders vlees, daar[^zacharia-14-12-55] hij op zijn voeten staat,[^zacharia-14-12-56] doen uitteren; en ieders ogen zullen uitteren in hun holen; ieders[^zacharia-14-12-57] tong zal in hun mond uitteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v12)

**13** [^zacharia-14-13-58] Ook zal het op die dag gebeuren, dat[^zacharia-14-13-59] er een groot geluid[^zacharia-14-13-60] van YHWH onder hen zal wezen, zodat zij ieder de hand van zijn naaste zullen[^zacharia-14-13-61] aangrijpen, ieders hand zal tegen de hand van zijn naaste[^zacharia-14-13-62] opgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v13)

**14** En ook zal[^zacharia-14-14-63] Juda te Jeruzalem[^zacharia-14-14-64] strijden; en het vermogen van alle heidenen rondom zal[^zacharia-14-14-65] verzameld worden, goud en zilver, en kleren in grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v14)

**15** Zo zal ook[^zacharia-14-15-66] de plaag[^zacharia-14-15-67] van de paarden, van de muildieren, van de kamelen, en van de ezels, en aller beesten zijn, die[^zacharia-14-15-68] in die legers geweest zullen zijn, gelijk[^zacharia-14-15-69] hun plaag geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v15)

**16** En het zal gebeuren, dat[^zacharia-14-16-70] al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar[^zacharia-14-16-71] optrekken[^zacharia-14-16-e] om aan te bidden[^zacharia-14-16-72] de Koning, YHWH van de legermachten, en[^zacharia-14-16-73] om te vieren het feest van de loofhutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v16)

**17** En het zal gebeuren, zo wie van de geslachten van de aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om de Koning, YHWH van de legermachten, te aanbidden,[^zacharia-14-17-74] zo zal er over hen geen regen wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v17)

**18** En als[^zacharia-14-18-75] het geslacht van de[^zacharia-14-18-76] Egyptenaren, over wie de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plaag over hen zijn, waarmee YHWH die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v18)

**19** Dit zal[^zacharia-14-19-77] de zonde van de Egyptenaren zijn, en ook de zonde van alle heidenen, die niet optrekken zullen,[^zacharia-14-19-78] om te vieren het feest van de loofhutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v19)

**20** Op die dag zal[^zacharia-14-20-79] op de bellen van[^zacharia-14-20-80][^zacharia-14-20-81] de paarden staan: De HEILIGHEID VAN YHWH. En de potten in het huis van YHWH zullen zijn[^zacharia-14-20-82] als de sprengbekkens voor het altaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v20)

**21** Ja, al de potten[^zacharia-14-21-83] in Jeruzalem en in Juda zullen YHWH van de legermachten heilig[^zacharia-14-21-84] zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en daarvan nemen, en daarin[^zacharia-14-21-85] koken; en er zal[^zacharia-14-21-86][^zacharia-14-21-f] geen Kanaäniet meer zijn, in het huis van YHWH van de legermachten, op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/zacharia/14.html#v21)

[^zacharia-14-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: daar komt een dach voor de Heer. Anders: de dach van YHWH komt: of, de dach van de Heer komt, dat wil zeggen: de dach die de Heer bekent is, als onder vers 7. staat. Sommige verstaan dit van de tijt van de destructie Ierusalems door Vespasianum en Titum: Andre, van de vervolging van de kerk onder de wreeden Koning Antiochus in de tijd van de Machabeen: Andre duiden dit op de Antichrist, en zijn wreede vervolgingen.
[^zacharia-14-1-2]: Kanttekening 2: Verst. hier bij, en u Joodse lant.
[^zacharia-14-2-3]: Kanttekening 3: Vergelijk Ez. 38. versen 4, 6, 9, 15. en Hab. 1:6. Alle, is hier te zeggen, vele, of allerlei, als Jona 2:3.
[^zacharia-14-2-a]: Verwijzing a: Jes. 13:16.
[^zacharia-14-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: een groot deel van de inwoonders van de stadt zal gevanckelijk uitgevoert worden, namelijk van die overgeblevene, die door de peste, honger, of het sweert niet omgekomen en zijn.
[^zacharia-14-2-5]: Kanttekening 5: Verstaatmen deze Profetie van de belegering Ierusalems door Vespasianum en Titum: So ist te zeggen, dat de godvrezende, voor de vaste belegering van de stadt, zullen uitgaan na het Stedeken Pella, en zo bij het leven blijven zullen. Dit is dat derde deel daar de Prophete van gesproken heeft, 13. versen 8, 9.
[^zacharia-14-3-b]: Verwijzing b: Jes. 42:13.
[^zacharia-14-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk tegen die volkeren, die vijanden zijn van Godes kerk.
[^zacharia-14-3-7]: Kanttekening 7: Ofte, Zoals hij \[voor u\] pleecht te strijden in de dach van de strijts, namelijk in de tijd van Mozes, Iosua, Gideon, Debora, David, Asa, en op andre tijden meer.
[^zacharia-14-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk in de tijd van Christus die op de olijfberch verkeert heeft, daar zijn lijden aangevangen en ten Hemel gevaren. zie Luk. 22:39. Hand. 1:12.
[^zacharia-14-4-9]: Kanttekening 9: Hebreeuws: die voor het aangezicht Ierusalems is tegen het Oosten (פְּנֵי). zie Actor 1:12.
[^zacharia-14-4-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: in zijn midden, of, in zijn helft gespleten worden.
[^zacharia-14-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: in de lengte van het Oosten tot het Westen toe.
[^zacharia-14-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: So dat er een zeer groot dal tussen die twee helften van de berg zal wesen, en dat men Jeruzalem duidelijk zal kunnen zien liggen, ’t welk tevoren met deze berch, en andre, als bedeckt lach, of verborgen was. Verst. dit van het geestelijke Jeruzalem, namelijk de kerk van God, daar van de Heidenen, voor de komst van Christus, geen kennis en hadden: maar dan zullen alle verhindernissen, die de heidenen de toegank tot Christus en zijn kerk konden verhinderen of of-snijden, weg-genomen worden, en zij zullen een openen pas hebben tot dezelfde. Vergelijk Jes. 57:14. en 62:10.
[^zacharia-14-5-13]: Kanttekening 13: O mijn uitverkorene.
[^zacharia-14-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: haastig toe-loopen, zoals de vluchtende plegen te doen. Ofte, men kan het verstaan van de goddeloze Joden, die door schrik en vrees van straf wechvluchten zouden, en ruimte maken voor het aankomende volk van de Heer.
[^zacharia-14-5-15]: Kanttekening 15: Anders: tot de valleye mijner bergen, dat wil zeggen: tot mijn kerk.
[^zacharia-14-5-16]: Kanttekening 16: Of, van de bergen, dat wil zeggen: van die twee deelen van de Olijfberg, die ik met het doorsplijten van de Olijfberg gemaakt heb.
[^zacharia-14-5-17]: Kanttekening 17: Anders: tot de berch die hij afgesondert, of gekozen heeft, namelijk de berch Zions. Hij, namelijk de Heer. De betekenis is, Daar zal een wijde bane zijn, zo dat een ieder wel plaats en ruimte hebben zal, om tot de kerk van Christus te konnen komen. wat de berch Azal betreft, is onseker waar hij legt, want van dezelfde nergens meer gedacht en wert.
[^zacharia-14-5-18]: Kanttekening 18: Anders: u zult vluchten, zeg ik, zoals, etc.
[^zacharia-14-5-19]: Kanttekening 19: Of, van wegen de aard-beving, of uit vrees van de aard beving, Zie Amos 1:1.
[^zacharia-14-5-c]: Verwijzing c: Amos 1:1.
[^zacharia-14-5-20]: Kanttekening 20: Zie van de Koning Uzzia 2.Chro. 26:19.
[^zacharia-14-5-21]: Kanttekening 21: Dit spreekt de Prophete in zijn eigenen persoon. De betekenis is, na de eerste verschijning van Christus in het vlees, zal d’andere volgen ten joncksten dage.
[^zacharia-14-5-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: alle Engelen. Zie Dan. 8:13.
[^zacharia-14-5-23]: Kanttekening 23: Hier wendt de Prophete zijn aansprake tot Christus, ’t welk, als sommige menen, daarom geschiedt, om dat de Prophete wel geweten heeft dat die boose Joden hem niet gelooven en zouden. Vergelijk Joël 3:11.
[^zacharia-14-6-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: daar en zullen geen beurten zijn van licht en duisternis, claren dach en nacht, het zal een eeuwig dach zijn, zie Jes. 60:19, 20. Openb. 21:23. en 22:5. Maar enige verstaan dit van het licht van het H. Euangelij, ’t welk in de tijd van Christus lichten zal. Andere van de verduistering van de zon ter tijt van het lijden van Christus.
[^zacharia-14-6-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: het clare licht. als Job 31:26.
[^zacharia-14-6-26]: Kanttekening 26: Hebreeuws: t’samen-stremming. Namelijk van de duisternis. Anders: schemering.
[^zacharia-14-7-d]: Verwijzing d: Openb. 21:25.
[^zacharia-14-7-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: Een dach die eeuwig dueren zal.
[^zacharia-14-7-28]: Kanttekening 28: De Heer alleen weet wanneer deze dach beginnen zal. Mat. 24:36.
[^zacharia-14-7-29]: Kanttekening 29: Namelijk zulk een dach die met de zon voortkome.
[^zacharia-14-7-30]: Kanttekening 30: Namelijk zulk een nacht, als nu door absentie van de zon komt.
[^zacharia-14-7-31]: Kanttekening 31: Verstaat hier door avont, de geheelen nacht, of, in de tijd van de avond, dat wil zeggen: als het pleecht avont te worden. Zie Jes. 60:20. Openb. 21:23.
[^zacharia-14-8-32]: Kanttekening 32: Ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees.
[^zacharia-14-8-e]: Verwijzing e: Ez. 47:1, etc. Ioël 3:18. Openb. 22:1.
[^zacharia-14-8-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: altijt vloeyende en vlietende. hier door moetmen verstaan de gaven van de H. Geest, die Christus overvloedichlijk over zijn kerk uitstorten zou. zie Ez. 47:1. Joël 3:18. Apoc c. 22:1. Vergelijk Ioh. 4:14. en 7:38.
[^zacharia-14-8-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: alle gelovige van de gantse wereld, zij zijn waar zij zijn mogen, hetzij tegen de opgank of ondergank van de zon, zullen van die geestelijke gaven deelachtich worden.
[^zacharia-14-8-35]: Kanttekening 35: Zo wordt de Middel-lantsche zee genoemd, zie Deut. 11. op vers 24. en c. 34:2.
[^zacharia-14-8-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: eeuwigheid, en altijd duerende.
[^zacharia-14-8-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: dueren, stromen. Anders: het zal in de zomer en in de winter gebeuren.
[^zacharia-14-9-38]: Kanttekening 38: Namelijk de Heer Christus Jezus.
[^zacharia-14-9-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: hij zal alleen ge-eert worden, als zijnde de eeenige ware God en Salich-maker, de Afgoden zullen uitgeroeid worden, Zach. 13:2.
[^zacharia-14-9-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: bekent worden te zijn. zo wordt het woord zijn, ook gebruikt Ioh. c. 15:8. u zult mijn discipulen zijn. Dat wil zeggen: voor mijn discipulen bekent worden.
[^zacharia-14-10-41]: Kanttekening 41: Namelijk het lant Iudea, van het ene einde van het lant tot aan het andere. want Geba (anders Gibeä) lach aan de lantpale van de Benjaminiten, 1 Kon. 15:22. en Rimmon aande lantpalen van de stamme Iuda, Iosu. 15:32. en 19:7. Zie van Geba, Iosu. 21:17. en 1 Kon. 15:22. en Jes. 10:29.
[^zacharia-14-10-42]: Kanttekening 42: Namelijk de Stadt Jeruzalem, daar door de kerk van God hier wordt beduidt, insonderheid de kerk van het nieuwe Testament.
[^zacharia-14-10-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: beroemt en heerlijk gemaakt worden.
[^zacharia-14-10-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: vele zullen haar tot de kerk begeven.
[^zacharia-14-10-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: aan alle plaatsen daar de Heer zijn kerk hebben zal. Van de poorte Benjamins wordt ook gesproken Ierem. 20:2. en 37:13.
[^zacharia-14-10-46]: Kanttekening 46: Zie Neh. 3:1. en 12:38. en Jer. 31:38.
[^zacharia-14-11-47]: Kanttekening 47: Namelijk inde Stadt van Jeruzalem, dat wil zeggen: in de Gemeente Godes.
[^zacharia-14-11-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: zij zal niet meer verstoort worden, zoals voor deze geschiedt is, toen het scheen dat ickse geheelijk verbannen en verstooten had. zie Deut. 2. op vers 34.
[^zacharia-14-11-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: de inwoonders van Jeruzalem.
[^zacharia-14-11-50]: Kanttekening 50: Hebreeuws: in versekertheid.
[^zacharia-14-11-51]: Kanttekening 51: Of, bewoont worden.
[^zacharia-14-12-52]: Kanttekening 52: Na dat de Prophete van de stant en gelegenheid van de gelovigen gesproken heeft, so spreekt hij nu hier van de plagen en elenden van de godloosen.
[^zacharia-14-12-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: die de kerk van God bevochten en vervolcht hebben.
[^zacharia-14-12-54]: Kanttekening 54: Hebreeuws: zijn vlees (בְּשָׂר). Dat wil zeggen: eenes yegelijken vlees, lichaam, leden, of, deszelfs vlees zo stracx, zijn ogen, en zijn tonge.
[^zacharia-14-12-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: haastig, onversiens, geen kwaad vermoedende. Zie exempel in Herode Hand. 12:21, etc.
[^zacharia-14-12-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: geheel en al verderven.
[^zacharia-14-12-57]: Kanttekening 57: Met de welke zij God en de vrome gelastert en gesmaadt hebben.
[^zacharia-14-13-58]: Kanttekening 58: De betekenis is, God de Heer en zal ze niet alleen door zijn hant plagen, vers 12. maar ook door haar zelf onder elkaar: en ook door zijn volk, vers 14. Vergelijk Ez. 30:21, etc.
[^zacharia-14-13-59]: Kanttekening 59: Ofte, een groot rumoer, of, getommel, ’t welk haar de Heer aanjagen zal.
[^zacharia-14-13-60]: Kanttekening 60: Hebreeuws: van de Heer.
[^zacharia-14-13-61]: Kanttekening 61: Het zij vyantlicker wijze: Of, uit angst en vrees, hulpe en troost van zijn vriend, metgeselle, of naasten versoekende. Vergelijk Jud. 7:22. en 1 Sam. 14:20. en Ez. 38. versen 21, 22.
[^zacharia-14-13-62]: Kanttekening 62: Het zy om te slaan, of, zoals het andre verstaan, om hulpe en bijstand te zoeken.
[^zacharia-14-14-63]: Kanttekening 63: Dat is, het Joodse volk, de Joden. Anders: ook zult u Iuda tegen Jeruzalem strijden.
[^zacharia-14-14-64]: Kanttekening 64: Namelijk tegen die volkeren van de welke vers 12. gesproken is.
[^zacharia-14-14-65]: Kanttekening 65: Dat is, weg-gevoert worden, het zal versamelt worden, om weg-gevoert te worden. De betekenis is, God zal zijn kerk een volkomen victorie geven, over alle haar vijanden, zo dat zij dezelfde zullen plunderen en alle haar goederen rooven, zoals in de krijch geschiedt, alsmen zijn vijanden heeft overwonnen. ’T is een figuurlijke manier van spreken van de krijch en krijgers genomen.
[^zacharia-14-15-66]: Kanttekening 66: De betekenis is, De Heer zal niet alleen de vijanden van zijn kerk verdelgen, maar ook al haar macht en gewelt, alsook alle de middelen die zij gebruikt hebben, om Godes volk te bevechten, zal hij teniet maken.
[^zacharia-14-15-67]: Kanttekening 67: Hebreeuws: van het peert, van de muil, etc.
[^zacharia-14-15-68]: Kanttekening 68: Verstaat de heyr-legers van degenen die rontom Jeruzalem zijn zouden.
[^zacharia-14-15-69]: Kanttekening 69: Namelijk mensen plage, daar van versen 12, 13, 14. gesproken is.
[^zacharia-14-16-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: alle degenen die de Heer niet zal verdelcht hebben, namelijk alle uitverkorene die tot de ware kennis van God zullen gebracht wesen door de prediking van het H. Euangelij.
[^zacharia-14-16-71]: Kanttekening 71: Namelijk na Jeruzalem. De Heer zal ze bekeeren, zo dat zij haar ook tot de Christelijke Gemeente begeven zullen, om de Heer te dienen. De Prophete beschrijft hier de inwendigen Gods-dienst van de kerk van het nieuwe Testament, door de uiterlijken Gods-dienst, die in het oude Testament is gebruikelijk geweest.
[^zacharia-14-16-e]: Verwijzing e: Jes. 66:23.
[^zacharia-14-16-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: de Heer Christus.
[^zacharia-14-16-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: om God te loven voor zijn weldaden, zoals het volk van God pleecht te doen, als het ’t feest van de Loof-hutten pleecht te houden. zie Lev. 23:34, etc. En onder de name van dit feest, vervatt hij allerhande eere, diemen voor God te doen schuldig is.
[^zacharia-14-17-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: Zij en zullen van de Heer niet gesegent worden, maar ter contrarie zullen ze vervloekt wesen, De regen zijnde een uiterlijk teken van de zegen van de Heer. Vergelijk Jes. 30:23. en Deut. 28:23, 24.
[^zacharia-14-18-75]: Kanttekening 75: Enige verstaan hier door de Egyptenaars (die grote vijanden van de kerk van God waren) ook alle andre heydensche Natien, vijanden van Godes kerk.
[^zacharia-14-18-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: over de welke het niet ordinarelijk en regent, zoals over andere landen. Want zeer zelden regent het in Egypten, maar de overloopende riviere Nilus bevochticht ordinarelijk het lant tweemaal per jaar. Zie Deut. 11:10. Anders: alhoewel het over haar niet \[en plach te regenen\] so zal \[dan nog\] die plage \[over haar komen met\] welke de Heer plagen zal die Heidenen, die niet, etc. Alsof de Heer zei, Alhoewel het daar niet en regent, so en zullen zij dan nog deze vloek niet ontgaan, want die plage die andre overkomen zal door de onthouding van de regen, die zal haar ook treffen bij andre middelen. of zo: En als’t geslachte van de Egyptenaars niet zal optrekken nog komen, so zal \[de regen\] over haar niet zijn: de plage zal er zijn met die, etc.
[^zacharia-14-19-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: de straf van de zonde.
[^zacharia-14-19-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: om de Heer te dienen.
[^zacharia-14-20-79]: Kanttekening 79: Het is in verschillende landen gebruikelijk, dat de voer-lieden haar peerden bellen op de hals hangen, menende dat het geklank daarvan de peerden enige verlichting of couragie aanbrengt.
[^zacharia-14-20-80]: Kanttekening 80: Hebreeuws: zijn.
[^zacharia-14-20-81]: Kanttekening 81: De betekenis is, dat zelfs de kleynste dingen, ook die in de oorloch tegen Gods volk plachten gebruikt te worden, etc. tot de dienst van God zullen geheylicht zijn. Dit was de tijtel die in een goudene plate voor het voor-hoofd van de hoge-priester geschreven was. maar daar van zie Ex. 28:36.
[^zacharia-14-20-82]: Kanttekening 82: Namelijk in menigte, en grote getale. De betekenis is, daar zullen overvloedige middelen zijn tot verrichting van de Gods-dienst, ook Dienaren in grote getale, tot verrichting van de Gods-dienst, gelijcker ook vele offeraars wesen zullen.
[^zacharia-14-21-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: die te Jeruzalem zullen zijn.
[^zacharia-14-21-84]: Kanttekening 84: Hebreeuws: heiligheid zijn, dat wil zeggen: de Heer geheylicht zijn.
[^zacharia-14-21-85]: Kanttekening 85: Namelijk haar offerhanden. zie 1 Sam. 2:13.
[^zacharia-14-21-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: geen onreyn nog goddeloos mens. Vergelijk Openb. 21:27. zie ook Jes. 35:8. en Joël 3:17. Verstaat hier bij, Maar die in het huis van de Heer zullen zijn en verkeren, die zullen van zonden gereynicht en wedergeboren zijn. Ef. 5:27. Andre verstaan het zo, Ten tijde van de Messias, en zal er geen volk nog Natie van de Gods-dienst, of uit de Tempel gesloten worden, want die Natien die tevoren onreyn geweest zijn, zullen dan heilig en zuiver zijn voor de Heer.
[^zacharia-14-21-f]: Verwijzing f: Jes. 35:8. Ioël 3:17. Openb. 21:27. en 22:15.

## Maleachi

### Maleachi 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/maleachi/1.json)

*De HEERE maakt de Israëlieten indachtig aan Zijn liefde tot hen, die Hij daarin bewezen heeft dat Hij Jakob heeft liefgehad, maar Ezau gehaat, vers 1, enz. Daarna klaagt Hij over hun ondankbaarheid, ten eerste die van de priesters en daarna die van het volk, die allen ontrouw waren in de offers, 6. en Hij vermaant hen tot berouw en bekering, 9. en Hij profeteert over de rechte godsdienst, die de gelovigen onder alle volken Hem in het Nieuwe Testament zouden bewijzen, 11, enz.*

**1** [^maleachi-1-1-1] De last van het woord van[^maleachi-1-1-2] YHWH tot Israël,[^maleachi-1-1-3] door de dienst van[^maleachi-1-1-4] Maleachi. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v1)

**2** Ik heb u liefgehad, zegt YHWH; maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?[^maleachi-1-2-7] Was niet Ezau Jakobs broer? spreekt YHWH; toch heb Ik Jakob liefgehad.[^maleachi-1-2-5][^maleachi-1-2-6][^maleachi-1-2-a][^maleachi-1-2-8] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v2)

**3** En Ezau heb Ik gehaat;[^maleachi-1-3-9] en Ik heb[^maleachi-1-3-10] zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en[^maleachi-1-3-11] zijn erfenis voor de draken van de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v3)

**4** Hoewel Edom zei: Wij zijn verarmd, maar[^maleachi-1-4-13] wij zullen de woeste plaatsen weer bouwen; zo zegt YHWH van de legermachten: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en[^maleachi-1-4-15] men zal hen noemen: Landpale van de goddeloosheid, en een volk,[^maleachi-1-4-16] op dat YHWH vergramd is tot in eeuwigheid.[^maleachi-1-4-12][^maleachi-1-4-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v4)

**5** En uw ogen[^maleachi-1-5-17] zullen het zien, en u zult[^maleachi-1-5-18] zeggen: YHWH zij groot gemaakt,[^maleachi-1-5-19] van de gebieden van Israël af! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v5)

**6** Een zoon[^maleachi-1-6-20] zal de vader eren, en een knecht[^maleachi-1-6-21] zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is[^maleachi-1-6-22] Mijn eer? En ben Ik één Heere, waar is[^maleachi-1-6-23] Mijn vrees? zegt YHWH van de legermachten tot u,[^maleachi-1-6-24] o priesters, verachters van Mijn Naam! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam?[^maleachi-1-6-25][^maleachi-1-6-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v6)

**7** U brengt op Mijn altaar[^maleachi-1-7-27] verontreinigd[^maleachi-1-7-28] brood, en[^maleachi-1-7-29] zegt: Waarmee verontreinigen wij[^maleachi-1-7-30] U? Daarmee, dat u zegt: De tafel van YHWH is verachtelijk.[^maleachi-1-7-31][^maleachi-1-7-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v7)

**8** Want als u[^maleachi-1-8-33] wat blinds aanbrengt om te offeren,[^maleachi-1-8-34] het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad![^maleachi-1-8-35][^maleachi-1-8-36][^maleachi-1-8-37] Breng dat toch uw vorst;[^maleachi-1-8-38] zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij[^maleachi-1-8-39] uw aangezicht opnemen? zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v8)

**9** [^maleachi-1-9-40] Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij;[^maleachi-1-9-41] dat is van uw hand gebeurd,[^maleachi-1-9-42] zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt YHWH van de legermachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v9)

**10** Wie is er[^maleachi-1-10-43] ook onder u, die[^maleachi-1-10-44] de deuren[^maleachi-1-10-45] om[^maleachi-1-10-46] niet toesluit? En u steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt YHWH van de legermachten,[^maleachi-1-10-b] en het voedseloffer is Mij[^maleachi-1-10-47] van uw hand niet aangenaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v10)

**11** Maar[^maleachi-1-11-48] van de opgang van de zon tot haar ondergang,[^maleachi-1-11-49] zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam[^maleachi-1-11-50] reukwerk toegebracht worden, en een rein voedseloffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v11)

**12** [^maleachi-1-12-51]Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van YHWH is ontreinigd,[^maleachi-1-12-54] en[^maleachi-1-12-55] haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk.[^maleachi-1-12-52][^maleachi-1-12-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v12)

**13** [^maleachi-1-13-56] Nog zegt u: Zie,[^maleachi-1-13-57] wat een vermoeidheid![^maleachi-1-13-58] maar u zou het kunnen wegblazen, zegt YHWH van de legermachten; u brengt ook wat geroofd is, en[^maleachi-1-13-59] dat kreupel en ziek is;[^maleachi-1-13-60] u brengt ook voedseloffer; zou Mij[^maleachi-1-13-61] dat aangenaam zijn van uw hand? zegt YHWH. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v13)

**14** Ja, vervloekt zij de bedrieger,[^maleachi-1-14-62] die een mannetje in zijn kudde heeft, en de Heere belooft, en offert,[^maleachi-1-14-63] dat verdorven is! want Ik ben[^maleachi-1-14-64] een groot Koning, zegt YHWH van de legermachten, en Mijn Naam is vreselijk[^maleachi-1-14-65] onder de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/1.html#v14)

[^maleachi-1-1-1]: Kanttekening 1: De last van het woord van YHWH: Zie Jes. 13:1 , en Zach. 9:1 . Jesaja 13:1 : De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. Zacharia 9:1 : De last van het woord van YHWH over het land Chadrach en Damascus, daarvan rust; want YHWH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël.
[^maleachi-1-1-2]: Kanttekening 2: tot Israël: Tot het volk, dat uit de Babylonische gevangenschap in zijn land wedergekomen was, zijnde niet alleen Joden, maar ook sommige Israëlieten. Zie 1 Kron. 9:3 . 1 Kronieken 9:3 : Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
[^maleachi-1-1-3]: Kanttekening 3: door de dienst van Maleachi: Hebr. door de hand.
[^maleachi-1-1-4]: Kanttekening 4: Gemeenlijk genoemd Malachias.
[^maleachi-1-2-7]: Kanttekening 7: Was niet Ezau Jakobs broer: Dit is het antwoord van de Heer op de voorgaande vraag van het volk. Alsof Hij zei: Is dat niet een klaar bewijs mijner liefde tegenover u, dat Ik uw vader Jakob gekozen en zijn broer Ezau verworpen heb? Waarop gevolgd is, dat Ik u, en niet Edom, tot mijn volk heb aangenomen, en allerlei weldaden bewezen, en nu tegenwoordig uit Babel verlost.
[^maleachi-1-2-5]: Kanttekening 5: Te weten, met verachtzaamheid; of immers uit zwakheid of onwetendheid. Anders: Als u zegt.
[^maleachi-1-2-6]: Kanttekening 6: Waarin hebt U ons liefgehad: Dat is, waaraan blijkt het, dat U ons liefgehad hebt? Wij worden met zoveel tegenspoeden, ja wel met meer, tehuis gezocht, als velen onder de heidenen, die de waren God niet kennen noch eren.
[^maleachi-1-2-a]: Verwijzing a: Rom. 9:13 . Romeinen 9:13 : Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.
[^maleachi-1-2-8]: Kanttekening 8: nochtans heb Ik Jakob liefgehad: Zie Rom. 9:13 . Romeinen 9:13 : Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.
[^maleachi-1-3-9]: Kanttekening 9: en Ik heb: Dat is, Ik heb zijn land verwoest en woest gelaten, en u heb Ik opnieuw in uw vaderland en godsdienst hersteld. Verg. Jer. 49:8 , en Ez. 25:12 , enz. Jeremia 49:8 : Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb. Ezechiël 25:12 : Zo zegt de Heer YHWH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:
[^maleachi-1-3-10]: Kanttekening 10: zijn bergen gesteld: Dat is, bergachtig land, waar hij in woonde, genoemd Seir.
[^maleachi-1-3-11]: Kanttekening 11: zijn erve: Dat is, het land dat Ezau en zijn nakomelingen vele jaren als hun erf en eigen land bezeten hebben, zal Ik de draken van de woestijn te bewonen geven; zie Jer. 49:13 , enz. Jeremia 49:13 : Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt YHWH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden.
[^maleachi-1-4-13]: Kanttekening 13: wij zullen de woeste plaatsen weer bouwen: Hebr. wij zullen terugkeren, wij zullen bouwen.
[^maleachi-1-4-15]: Kanttekening 15: men zal hen noemen: Dat is, men zal hun land noemen.
[^maleachi-1-4-16]: Kanttekening 16: op dat YHWH vergramd is: Of, dat de Heer verfoeid heeft tot in eeuwigheid. Zie van het Hebr. woord Micha 6:10 . Micha 6:10 : Zijn er niet nog, in van een ieder goddelozen huis, schatten van de goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
[^maleachi-1-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, de Edomieten.
[^maleachi-1-4-14]: Kanttekening 14: Zullen zij bouwen: Of, zij zullen bouwen, maar Ik zal afbreken. De zin is: Het land van de Edomieten is verwoest, en het zal eeuwig woest blijven, zonder weer op te komen.
[^maleachi-1-5-17]: Kanttekening 17: zullen het zien: Te weten, deze verwoesting van Edom.
[^maleachi-1-5-18]: Kanttekening 18: YHWH zij groot gemaakt: Te weten, vanwege het verdelgen van zijn vijanden.
[^maleachi-1-5-19]: Kanttekening 19: van de landpale Israëls af: Of, over de landpale van Israël. Anderen zetten dit vers aldus over: Dat uw ogen zien zullen van de landpale van Israël af, en u zult zeggen: De Heer maakt zich groot. Verg. Ps. 35:26 , 35:27 , en Ps. 40:17 , en Ps. 70:5 , en Ps. 104:1 . Psalmen 35:26 : Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. Psalmen 35:27 : Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij YHWH, Die lust heeft tot de vrede Zijn knechts! Psalmen 40:17 : Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: YHWH zij groot gemaakt! Psalmen 70:5 : Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt! Psalmen 104:1 : Loof YHWH, mijn ziel! O YHWH, mijn God! U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid.
[^maleachi-1-6-20]: Kanttekening 20: zal de vader eren: Dat is, hij is schuldig zijn vader te eren.
[^maleachi-1-6-21]: Kanttekening 21: zijn heer: Hebr. zijn heere. Zie Gen. 39:2 . Genesis 39:2 : En YHWH was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.
[^maleachi-1-6-22]: Kanttekening 22: Mijn eer: Dat is, de eer die men mij schuldig is.
[^maleachi-1-6-23]: Kanttekening 23: Mijn vreze: Dat is, de vreze, die men mij schuldig is.
[^maleachi-1-6-24]: Kanttekening 24: o priesters: Hij bestraft de priesters, die toen leefden, bij name, omdat zij, die van ambtswege schuldig waren de zonden van het volk wel ernstiglijk te bestraffen, het met een kwaad voorbeeld voorgingen.
[^maleachi-1-6-25]: Kanttekening 25: Maar u zegt: Anders: als u zegt.
[^maleachi-1-6-26]: Kanttekening 26: Waarmee verachten wij Uw Naam: Deze snode priesters begingen niet alleen grove zonden, maar zij waren daarin zo verhard, dat zij ze nog niet willen bekennen.
[^maleachi-1-7-27]: Kanttekening 27: Dat is, zodanige offeranden, die door de wet verboden zijn, Lev. 22:20 , enz., Deut. 15:21 ; waarvan Deut. 15:8 enige voorbeelden bij gebracht worden. Leviticus 22:20 : U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. Deuteronomium 15:21 : Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u het YHWH, uw God, niet offeren; Deuteronomium 15:8 : Maar u zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.
[^maleachi-1-7-28]: Kanttekening 28: Voor voedsel, of offerande, die men de Heer offerde op het brandofferaltaar, om door het vuur verteerd te worden. Zie Ez. 44:7 . Ezechiël 44:7 : Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelen.
[^maleachi-1-7-29]: Kanttekening 29: Niet dat zij dit met uitgedrukte woorden zeiden, maar zij bewezen en deden metterdaad blijken dat dit hun mening was.
[^maleachi-1-7-30]: Kanttekening 30: U, dat is, uw altaar. Die de heilige dingen van God ingesteld veracht, die veracht God zelf.
[^maleachi-1-7-31]: Kanttekening 31: De tafel van YHWH: Dat is, het altaar van de Heer. Zie de aantekening bij Ez. 41:22 , en Ez. 44:16 . Verg. 1 Kor. 10:21 . Ezechiël 41:22 : De hoogte van de houten altaars was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor het aangezicht van YHWH zal zijn. Ezechiël 44:16 : Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen. 1 Korinthiërs 10:21 : U kunt de drinkbeker van de Heer niet drinken, en de drinkbeker van de duivelen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heer, en aan de tafel van de duivelen.
[^maleachi-1-7-32]: Kanttekening 32: is verachtelijk: Dat is, niet zo hoog te achten, dat wij juist het allerbeste onzer kudden behoeven te offeren, gelijk men eertijds gedaan heeft, toen die schone tempel en altaar in ere waren.
[^maleachi-1-8-33]: Kanttekening 33: wat blinds aanbrengt: Dat is, een blind beest; zie Lev. 22:20 , 22:22 , 22:25 . Leviticus 22:20 : U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. Leviticus 22:22 : Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult u YHWH niet offeren, en daarvan zult u YHWH geen vuuroffer op het altaar geven. Leviticus 22:25 : U zult ook uit de hand van de vreemden van al deze dingen uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in dezelfde is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.
[^maleachi-1-8-34]: Kanttekening 34: het is bij u niet kwaad: Of, is dat niet kwaad?
[^maleachi-1-8-35]: Kanttekening 35: wat kreupels of wat kranks: Dat is, een beest dat kreupel, lam, of hinkende is; Deut. 17:1 . Deuteronomium 17:1 : U zult YHWH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is YHWH, uw God, een gruwel.
[^maleachi-1-8-36]: Kanttekening 36: Te weten, om te offeren.
[^maleachi-1-8-37]: Kanttekening 37: het is niet kwaad: Of, is het niet kwaad? Ja trouwens, het is kwaad, omdat de Heer verboden heeft zulks te offeren.
[^maleachi-1-8-38]: Kanttekening 38: zal hij een welgevallen aan u hebben: Dat is, meent u dat u hem een aangenaam geschenk zult brengen, als u Hem zulk een beest brengt?
[^maleachi-1-8-39]: Kanttekening 39: uw aangezicht opnemen: Dat is, uw persoon goedertierenlijk aannemen, als u iets van Hem bidt of verzoekt? Zie van deze manier van spreken Gen. 19:21 . Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt.
[^maleachi-1-9-40]: Kanttekening 40: Nu dan: Dit spreekt de profeet spottenderwijze tot de goddeloze priesters, alsof hij zei: Verzoekt het eens, en ziet of u, huichelaars, van God zult verhoord worden. Voorzeker neen u; omdat u de Heer niet behaagt, zo behaagt Hem ook ulieder gebed niet, noch uw offeranden.
[^maleachi-1-9-41]: Kanttekening 41: zulks is van uw hand geschied: Te weten, dat u onbetamelijke offeranden voor het altaar van de Heer gebracht hebt, en dat ook anderen zulks gedaan hebben, hun wijs makende dat zulks geen kwaad was, vers 8 . Maleachi 1:8 : Want als u wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt YHWH van de legermachten.
[^maleachi-1-9-42]: Kanttekening 42: zal Hij uw aangezicht opnemen: Dat is, zal Hij acht geven op uw personen, ambten of gebeden? De zin is: Geenzins.
[^maleachi-1-10-43]: Kanttekening 43: onder u: Te weten, onder de priesters; of onder u allen.
[^maleachi-1-10-44]: Kanttekening 44: de deuren: Te weten, de deuren van de tempel. Zie 1 Kron. 9:26 . 1 Kronieken 9:26 : Want in dat ambt waren vier overste poortwachters, die Levieten waren; en zij waren over de kamers en over de schatten van het huis van God.
[^maleachi-1-10-45]: Kanttekening 45: om niet toesluit: Alsof God zei: Heb Ik u uw arbeid niet wel vergolden, als Ik u de tienden gegeven heb, en nog andere voordelen en winsten, als de eerste vruchten en delen van de offeranden, tot ulieder onderhoud? En evenwel bent u zo slof en onachtzaam in het waarnemen van uw dienst.
[^maleachi-1-10-46]: Kanttekening 46: En u steekt het vuur niet aan: Hebr. en u steekt mijn altaar niet aan om niet.
[^maleachi-1-10-b]: Verwijzing b: Jes. 1:11 ; Jer. 6:20 ; Amos 5:21 ; idem v. 22 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jeremia 6:20 : Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Amos 5:21 : Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Amos 5:22 : Want ofschoon u Mij brandofferen offert, en ook uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.
[^maleachi-1-10-47]: Kanttekening 47: van uw hand niet aangenaam: Te weten, omdat u goddeloze, snode boeven bent. Zie Jes. 1:11 ; Jer. 6:20 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jeremia 6:20 : Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.
[^maleachi-1-11-48]: Kanttekening 48: van de opgang van de zon: Dat is, door de gehele wereld. Zie Deut. 32:21 , en Ps. 113:3 . Deuteronomium 32:21 : Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. Psalmen 113:3 : Van de opgang van de zon af tot haar nedergang, zij de Naam van YHWH geloofd.
[^maleachi-1-11-49]: Kanttekening 49: zal Mijn Naam groot zijn: De zin is: Niet alleen in het Joodse land, maar door de gehele wereld, zal men Mij eren en aanroepen; dat ten tijde van Christus, en verder daarna is volbracht geworden.
[^maleachi-1-11-50]: Kanttekening 50: reukwerk toegebracht: Dat is, men zal Mij de rechte godsdienst bewijzen; versta, de innerlijke offeranden, die door de ceremoniën van het Oude Testament, welke hier genoemd staan, afgebeeld werden. Verg. Zach. 14:16 , 14:20 . Zacharia 14:16 : En het zal gebeuren, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden de Koning, YHWH van de legermachten, en om te vieren het feest van de loofhutten. Zacharia 14:20 : Te die dage zal op de bellen van de paarden staan: De HEILIGHEID VAN YHWH. En de potten in het huis van YHWH zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
[^maleachi-1-12-51]: Kanttekening 51: Of, want.
[^maleachi-1-12-54]: Kanttekening 54: Anders: daarom is, enz.
[^maleachi-1-12-55]: Kanttekening 55: haar inkomen: Dat is, wat hun inkomen, dat is, offeranden die men daarop legt, betreft dat is een verachtzaam voedsel.
[^maleachi-1-12-52]: Kanttekening 52: die, als u zegt: Te weten, Mijnen Naam.
[^maleachi-1-12-53]: Kanttekening 53: De tafel van YHWH is ontreinigd: Te weten, omdat zij van de Chaldeën is verstoord geworden; daarom gaven deze fijne priesters voor dat men aan het nieuwe altaar, dat in de plaats van het oude was opgericht, zo nauw niet verbonden was, noch schuldig was zo nauw te letten op de offeranden, of zij volmaakt of onvolmaakt, rein of onrein waren. Zie vers 7 . Maleachi 1:7 : U brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmee verontreinigen wij U? Daarmee, dat u zegt: De tafel van YHWH is verachtelijk.
[^maleachi-1-13-56]: Kanttekening 56: Nog zegt u: De zin is: U huichelaars, als u zulk een mager schaap of geitenbok tot de tempel gedragen hebt, dat men het wel zou kunnen wegblazen, zo duft u dan nog veinzen dat u moe van het dragen geworden bent, kwanswijs zo vet en zo zwaar is het.
[^maleachi-1-13-57]: Kanttekening 57: wat een vermoeidheid: Hoe moe ben ik geworden van dragen!
[^maleachi-1-13-58]: Kanttekening 58: maar u zoudt het kunnen wegblazen: Anders: en u hebt weggeblazen, dat is, veracht, namelijk God. Verg. Ps. 10:5 . Psalmen 10:5 : Zijn wegen maken te alle tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenstanders, die blaast hij aan.
[^maleachi-1-13-59]: Kanttekening 59: kreupel en ziek is: Tegen het bevel van de Heer; Lev. 22:22 . Leviticus 22:22 : Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult u YHWH niet offeren, en daarvan zult u YHWH geen vuuroffer op het altaar geven.
[^maleachi-1-13-60]: Kanttekening 60: u brengt ook spijsoffer: Te weten, zulks een spijsoffer, dat ook niet veel bijzonders is. Anders: u brengt Mij, of offert Mij zulks tot een spijsoffer.
[^maleachi-1-13-61]: Kanttekening 61: zulks aangenaam zijn: Te weten, zulks spijsoffer.
[^maleachi-1-14-62]: Kanttekening 62: die een mannetje in zijn kudde heeft: Die de macht en middel hebbende om God een offerande te doen, achtervolgens het bevel van zijn wet, zulks nalaat uit gierigheid. Ten brandoffer moest men een mannetje brengen; Lev. 1:3 . Leviticus 1:3 : Als zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van YHWH.
[^maleachi-1-14-63]: Kanttekening 63: dat verdorven is: Dat beschadigd of gebrekkig is, of een vlek heeft, en daarom niet bekwaam ter offerande.
[^maleachi-1-14-64]: Kanttekening 64: een groot Koning: Aldus wordt de Heer ook van David genoemd Ps. 47:3 , en daarom is Hij te eren en te vrezen boven alle koningen en vorsten. Zie vers 8 . Zie ook Ps. 48:3 , en Matt. 5:35 . Psalmen 47:3 : Want YHWH, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de gehele aarde. Maleachi 1:8 : Want als u wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt YHWH van de legermachten. Psalmen 48:3 : Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings. Mattheüs 5:35 : Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Konings;
[^maleachi-1-14-65]: Kanttekening 65: onder de heidenen: Hoeveel te meer behoort u, die Mijn volk genoemd wordt, Mij te vrezen, te eren en te dienen.

### Maleachi 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/maleachi/2.json)

*De HEERE dreigt de priesters te straffen, tenzij zij hun leven verbeteren, vers 1, enz. hun verwijtend dat zij van de godzaligheid en oprechtheid van hun voorvaderen afgeweken waren, 5. Hij bestraft de ontheiligers en verbrekers van het huwelijk, 11. Ten slotte bestraft Hij de godslasteraars, 17.*

**1** En nu, u priesters! tot u wordt[^maleachi-2-1-1] dit gebod[^maleachi-2-1-2] gezonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v1)

**2** Als u het niet zult horen, en als u het niet zult[^maleachi-2-2-4] ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt YHWH van de legermachten, zo zal Ik de[^maleachi-2-2-a] vloek onder u zenden, en Ik zal[^maleachi-2-2-5] uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook elk daarvan vervloekt, omdat u het[^maleachi-2-2-6] niet ter harte neemt.[^maleachi-2-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v2)

**3** Zie,[^maleachi-2-3-7] Ik zal u het zaad verderven; en[^maleachi-2-3-8] Ik zal mest op uw gezichten strooien, de mest[^maleachi-2-3-9] van uw feesten,[^maleachi-2-3-10] zodat men u daarmee wegnemen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v3)

**4** Dan zult u[^maleachi-2-4-11] weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden[^maleachi-2-4-12] heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v4)

**5** Mijn verbond[^maleachi-2-5-13] met hem was[^maleachi-2-5-14] het leven, en de vrede; en Ik gaf hem[^maleachi-2-5-15] die[^maleachi-2-5-16] tot een vrees; en hij vreesde Mij, en[^maleachi-2-5-17] hij werd omwille van Mijn Naam verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v5)

**6** De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd[^maleachi-2-6-18] geen onrecht in zijn lippen gevonden;[^maleachi-2-6-19] hij wandelde met Mij[^maleachi-2-6-20] in vrede en in oprechtheid, en[^maleachi-2-6-21] hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v6)

**7** Want[^maleachi-2-7-22] de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is[^maleachi-2-7-23] een engel van YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v7)

**8** Maar u bent[^maleachi-2-8-24] van de weg afgeweken,[^maleachi-2-8-25] u hebt er velen doen struikelen in de wet, u hebt[^maleachi-2-8-26] het verbond met Levi verdorven, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v8)

**9** Daarom heb Ik ook u verachtelijk en[^maleachi-2-9-27] onwaard gemaakt voor het hele volk,[^maleachi-2-9-28] omdat u Mijn wegen niet houdt, maar[^maleachi-2-9-29] het aangezicht aanneemt in de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v9)

**10** [^maleachi-2-10-30] Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?[^maleachi-2-10-31] Waarom handelen wij dan[^maleachi-2-10-32] trouweloos de één tegen de ander,[^maleachi-2-10-33] ontheiligende het verbond van onze vaders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v10)

**11** Juda handelt trouweloos, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt[^maleachi-2-11-34] de heiligheid van YHWH,[^maleachi-2-11-35] welke Hij liefheeft;[^maleachi-2-11-36] want hij heeft de dochter van een vreemde god getrouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v11)

**12** YHWH zal de man, die[^maleachi-2-12-37] dat doet,[^maleachi-2-12-38] uitroeien uit de hutten van Jakob, die, die waakt, en die, die[^maleachi-2-12-39] antwoordt, en die YHWH van de legermachten voedseloffer[^maleachi-2-12-40] brengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v12)

**13** Dit tweede doet[^maleachi-2-13-41] u ook, dat u het altaar van YHWH[^maleachi-2-13-42] bedekt met tranen, met gehuil en met zuchting; zodat[^maleachi-2-13-43] Hij niet meer[^maleachi-2-13-44] het voedseloffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v13)

**14** U nu zegt:[^maleachi-2-14-45] Waarom? Daarom dat YHWH een Getuige geweest is, tussen u en tussen[^maleachi-2-14-47] de huisvrouw van uw jeugd, met die u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en[^maleachi-2-14-48] de huisvrouw van uw verbond is.[^maleachi-2-14-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v14)

**15** Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom[^maleachi-2-15-49] maar die ene? Hij[^maleachi-2-15-50] zocht een zaad[^maleachi-2-15-51] van God.[^maleachi-2-15-52][^maleachi-2-15-53] Daarom, wees op uw hoede[^maleachi-2-15-54] met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw[^maleachi-2-15-55] van zijn jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v15)

**16** Want YHWH, de God van Israël, zegt, dat Hij[^maleachi-2-16-56] het verlaten haat, alhoewel[^maleachi-2-16-57] hij[^maleachi-2-16-58] de wrevel bedekt[^maleachi-2-16-59] met Zijn kleed, zegt YHWH van de legermachten; daarom wees op uw hoede met uw geest, dat u[^maleachi-2-16-60] niet trouweloos handelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v16)

**17** U vermoeit YHWH met uw woorden;[^maleachi-2-17-62] nog zegt u: Waarmee[^maleachi-2-17-63] vermoeien wij Hem? Daarmee, dat u zegt: Al wie kwaad doet,[^maleachi-2-17-64] is goed in de ogen van YHWH, en Hij heeft lust[^maleachi-2-17-65] aan zulke mensen; of, waar is[^maleachi-2-17-66] de God van het oordeel?[^maleachi-2-17-61] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/2.html#v17)

[^maleachi-2-1-1]: Kanttekening 1: dit gebod: Te weten, het gebod van de godsdienst in ere te houden, en de misbruiken te verbeteren, die daar ingekropen waren, waarvan hoofdstuk 1 gesproken is.
[^maleachi-2-1-2]: Kanttekening 2: gezonden: Dit woord is hier bijgevoegd uit vers 4, om de zin te volmaken.
[^maleachi-2-2-4]: Kanttekening 4: ter harte nemen: Hebr. op het hart leggen.
[^maleachi-2-2-a]: Verwijzing a: Lev. 26:14 ; Deut. 28:15 . Leviticus 26:14 : Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; Deuteronomium 28:15 : Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van YHWH, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.
[^maleachi-2-2-5]: Kanttekening 5: uw zegeningen vervloeken: Dat is, de goederen, die u door Mijnen zegen verkregen hebt; of, de zegen, die de priesters over het volk uitspreken.
[^maleachi-2-2-6]: Kanttekening 6: niet ter harte neemt: Gelijk in dit vers.
[^maleachi-2-2-3]: Kanttekening 3: het niet zult horen: Te weten, gebod.
[^maleachi-2-3-7]: Kanttekening 7: Ik zal u het zaad verderven: Dat is, Ik zal het zaad, dat u in de akker werpt, verderven en te schande maken, zie breder van de betekenis van het Hebr. woord Ps. 9:6 en de aantekening daar. Enige verstaan hier door het zaad de nakomelingen, in deze zin: Ik zal uw nakomelingen vervloeken. Psalmen 9:6 : U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altijd.
[^maleachi-2-3-8]: Kanttekening 8: Ik zal drek: Dat is, Ik zal u geheel verachtelijk en onwaardig maken, zo dat een ieder een afkeer van u hebben zal.
[^maleachi-2-3-9]: Kanttekening 9: uw feesten: Dat is, de drek van de beesten, die u ter offeranden brengt op uw feestoffers. Zie Ps. 118:27 de aantekening daar, waar ook feesten voor feestoffers staat. Zie ook Ex. 23:18 ; Jes. 29:1 . Psalmen 118:27 : YHWH is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. Exodus 23:18 : U zult het bloed Mijns offers met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette Mijns feestes tot op de morgen niet overnachten. Jesaja 29:1 : Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten.
[^maleachi-2-3-10]: Kanttekening 10: zodat men u: De zin is: U zult zo met drek als overdekt worden, dat de mestraper u op zijn mest wagen zal laden en als vuilaas wegvoeren. Anders: \[de straf\] zal u tot zich nemen.
[^maleachi-2-4-11]: Kanttekening 11: Dat is, metterdaad bevinden en gewaar worden dat u deze straf draagt vanwege de overtreding van Mijn gebod. Zie vers 1 . Maleachi 2:1 : En nu, u priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;
[^maleachi-2-4-12]: Kanttekening 12: opdat Mijn verbond: Dat is, opdat mijn genade en de priesterlijke waardigheid, die Ik de stam van Levi \[uit welke u, o priesters, gesproten bent\] door een bijzondere belofte en verbond gegeven heb, bij u blijven mag, en u daarvan niet beroofd wordt.
[^maleachi-2-5-13]: Kanttekening 13: met hem was: Te weten, met Levi; dat is, met de stam van Levi. Of, met hem, te weten, met Aäron en zijn nakomelingen.
[^maleachi-2-5-14]: Kanttekening 14: het leven: Dat is, Ik heb de stam van Levi, met het priesterdom, alle welvaart, tijdelijke en eeuwige, beloofd. Of, van het leven en van de vrede; of \[ten\] leven, enz.
[^maleachi-2-5-15]: Kanttekening 15: Te weten, het leven en vrede; dat is, alle welvaart.
[^maleachi-2-5-16]: Kanttekening 16: tot een vreze: Dat is, opdat hij mij vrezen zou, gelijk hij ook gedaan heeft.
[^maleachi-2-5-17]: Kanttekening 17: hij werd om Mijns Naams wil verschrikt: Zie een voorbeeld van de ijver van de Levieten. Ex. 32:26 enz.; Num. 25:7 , 25:8 , 25:12 . Anderen verstaan dit zo, dat de Levieten de Heer in alle nederigheid en ootmoedigheid gediend hebben. Anders: hij \[te weten Levi\] werd om Mijns Naams wil vermorzeld; dat is, hij heeft alle gevaren en zwarigheden uitgestaan vanwege Mijn Naam. Exodus 32:26 : Zo bleef Mozes staan in de poort van het leger, en zei: Wie YHWH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi. Numeri 25:7 : Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden van de vergadering, en nam een spies in zijn hand; Numeri 25:8 : En hij ging de Israëlietischen man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, de Israëlietischen man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen van Israël opgehouden. Numeri 25:12 : Daarom spreek: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van de vrede.
[^maleachi-2-6-18]: Kanttekening 18: geen onrecht: Dat is, geen valse leer of onrechtvaardig oordeel. Versta dit zo, namelijk zoveel menselijkerwijze te doen als hem mogelijk was; want eigenlijk te spreken, zo komt deze lof; dat er geen bedrog in zijn mond gevonden is, alleen onze Heer Jezus Christus toe; Jes. 53:9 . Jesaja 53:9 : En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
[^maleachi-2-6-19]: Kanttekening 19: hij wandelde met Mij: Zie Gen. 5:22 . Genesis 5:22 : En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^maleachi-2-6-20]: Kanttekening 20: in vrede: Dat is, gehoorzaamlijk, zonder opstandigheid, zodat wij het wel een bleven met elkaar.
[^maleachi-2-6-21]: Kanttekening 21: hij bekeerde er velen: Te weten, Aäron, of Levi, vers 4 , dat is, de gehele stam van de Levieten. Maleachi 2:4 : Dan zult u weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt YHWH van de legermachten.
[^maleachi-2-7-22]: Kanttekening 22: de lippen van de priester: Een goed leraar behoorde te zijn als de schatkamer van Gods huis, en hij moet de schatten of verborgenheden Gods niet behouden voor zichzelven, maar hij moet het zijn toehoorders rijk en getrouwelijk uitdelen. Zie Lev. 10:11 ; Deut. 33:10 ; Hagg. 2:12 . Leviticus 10:11 : En om de kinderen van Israël te leren al de inzettingen, die YHWH door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. Deuteronomium 33:10 : Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat geheel verteerd zal worden, op Uw altaar. Haggai 2:12 : Zo zegt YHWH van de legermachten: Vraag nu de priesters de wet, zeggende:
[^maleachi-2-7-23]: Kanttekening 23: een engel van YHWH van de legermachten: Dat is, gezant, ambassadeur; zie Hagg. 1:3 , 1:13 ; 2 Kor. 5:20 . Haggai 1:3 : En het woord van YHWH geschiedde door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: Haggai 1:13 : Toen sprak Haggai, de bode van YHWH, in de boodschap van YHWH, tot het volk, zeggende: Ik ben met u, spreekt YHWH. 2 Korinthiërs 5:20 : Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^maleachi-2-8-24]: Kanttekening 24: van de weg afgeweken: Te weten, van de weg van de rechte wetenschap en godzaligheid, en welke uw voorzaten, de heilige mannen van God, gewandeld hebben.
[^maleachi-2-8-25]: Kanttekening 25: u hebt er velen doen struikelen: U bent velen een steen van de aanstoot geweest, en hebt er velen doen struikelen door uw kwaad voorbeeld en voorgang.
[^maleachi-2-8-26]: Kanttekening 26: het verbond met Levi verdorven: Dat is, het verbond met de stam van Levi en alle priesters opgericht. Zie vers 5 . Maleachi 2:5 : Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.
[^maleachi-2-9-27]: Kanttekening 27: onwaard gemaakt: Hebr. laag, neder.
[^maleachi-2-9-28]: Kanttekening 28: omdat u Mijn wegen niet houdt: Hebr. naar de mond dat u niet bent onderhoudende Mijn wegen; dat is, de manier van leven, die Ik u in Mijn wet heb voorgeschreven, en die allen godzaligen betaamt.
[^maleachi-2-9-29]: Kanttekening 29: het aangezicht aanneemt in de wet: Dat is, in zaken van de wet, in de verklaring van de wet. Of tegen de wet, dat is, waar hij behoort te richten naar de wet, zo richt u het naar het aanzien van de persoon, naardat u hem gunstig bent of ongunstig. Zie Ez. 22:26 ; Zef. 3:4 . Zie van deze manier van spreken, Gen. 19:21 , en Lev. 19:15 . Anderen nemen de woorden van de tekst aldus: U verheft het aangezicht tegen de wet; dat is, als u de rechte zin van de wet verdraait, zo gaat u nog stoutelijk daarheen met opgeheven hoofd. Ezechiël 22:26 : Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd. Zefanja 3:4 : Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan. Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. Leviticus 19:15 : U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.
[^maleachi-2-10-30]: Kanttekening 30: Hebben wij niet allen een Vader: Enige verstaan dit te zijn de woorden van Maleachi, en nemen ze in deze zin: Zijn wij niet het volk, dat de Heer uit alle natiën heeft uitverkoren, en altegaar van Abraham afkomstig? Waarom verbreken dan enige onder ons de wet van God, mits trouwende afgodische vrouwen? dat Abraham, Izak, Jakob, enz., niet gedaan hebben. Anderen nemen deze woorden als zijnde deze woorden, dergenen, die de huwelijken met vreemde vrouwen wilden verdedigen, alsof zij zeiden: Zijn wij niet altegaar van Adam afkomstig? En is het niet één en de zelfde God, die ons allen geschapen heeft? Hoe of om welke reden zullen wij dan diegenen, die van ééne natuur met ons zijn en van één en Vader afkomstig, verachten, of verstoten de vrouwen van de natiën, die wij tot ons genomen hebben?
[^maleachi-2-10-31]: Kanttekening 31: Waarom handelen wij dan trouweloos: Voor: Waarom handelt u dan trouweloos de één tegen de ander; dat is, u Joden onder elkaar, trouwende boven de wettelijke Joodse vrouwen nog heidense vrouwen? Als men het in deze zin neemt, zo zijn het de woorden van de profeet.
[^maleachi-2-10-32]: Kanttekening 32: de één tegen de ander: Hebr. de man met zijn broer.
[^maleachi-2-10-33]: Kanttekening 33: het verbond onzer vaderen: Door dat zich het Joodse volk verbonden had, dat het een heilig volk wezen zou.
[^maleachi-2-11-34]: Kanttekening 34: de heiligheid van YHWH: Dat is, het heilige huwelijk van God ingesteld.
[^maleachi-2-11-35]: Kanttekening 35: Hij liefheeft: Te weten, de Heer. Anders: die hij \[te weten, Juda\] behoorde lief te hebben.
[^maleachi-2-11-36]: Kanttekening 36: want hij heeft de dochters eens vreemden gods getrouwd: Daarmee ontheiligde hij de heiligheid van de Heer, mits trouwende een dochter van een vreemden god; dat is, een uitlandse vrouw, die een vreemden god dient; zie Ezra 9:10 ; Neh. 13:23 , enz. En merk hier, dat gelijk de godzaligen genoemd worden kinderen van God, zo ook de goddeloze afgodedienaars genoemd worden zonen en dochters van de afgoden, of van de vreemde goden. Ezra 9:10 : En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na deze? Want wij hebben Uw geboden verlaten, Nehemia 13:23 : Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
[^maleachi-2-12-37]: Kanttekening 37: zulks doet: Zulk een, of die gruwel, waarvan in vers 11 gesproken is. Maleachi 2:11 : Juda handelt trouweloos, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid van YHWH, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.
[^maleachi-2-12-38]: Kanttekening 38: Omdat men dit verstaat tot de priesters en Levieten gesproken te zijn, die zich ook besmetten met vreemde vrouwen te trouwen, zo is uitroeien hier zoveel te zeggen als uit de tempel of van het altaar stoten, dat zij de Heer niet meer dienen zouden.
[^maleachi-2-12-39]: Kanttekening 39: Of, verantwoordt, dat is, niet alleen die die zulks met vlijt en wakkerheid of naarstigheid doet, maar ook dengenen, die zulks wil verantwoorden en verdedigen. Maar anderen verstaan hier door de wakenden de deurwachters van de tempel, en door de antwoordenden de priesters, die gesteld waren om het volk te leren, en van de godsdienst gevraagd zijnde, te antwoorden; zie vers 7 , anderen, de zangers in de tempel, die bij beurten zongen en elkaar als antwoordden, willende de profeet te verstaan geven dat alle standen van de kerkelijke personen ook met deze zonden besmet waren. Maleachi 2:7 : Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de legermachten.
[^maleachi-2-12-40]: Kanttekening 40: spijsoffer brengt: Te weten, om God te verzoenen, wetende dat Hij op hen vertoornd is, omdat hij een uitheemse vrouw getrouwd heeft.
[^maleachi-2-13-41]: Kanttekening 41: u ook: Die vreemde vrouwen trouwt.
[^maleachi-2-13-42]: Kanttekening 42: bedekt met tranen: Niet met uw eigen tranen van de boetvaardigheid, maar met de tranen van uw vrouwen, doordien u uw echte vrouwen oorzaak geeft de Heer het ongelijk te klagen, dat u haar aandoet, mits naast haar andere of uitlandse vrouwen trouwende. Zie Lev. 18:18 ; 1 Sam. 1:6 . Leviticus 18:18 : U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontdekken. 1 Samuël 1:6 : En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat YHWH haar baarmoeder toegesloten had.
[^maleachi-2-13-43]: Kanttekening 43: Hij niet meer: Te weten, de Heer.
[^maleachi-2-13-44]: Kanttekening 44: het spijsoffer aanschouwen: Dat u hem offert.
[^maleachi-2-14-45]: Kanttekening 45: Te weten, mag of wil de Heer ons spijsoffer niet aanschouwen?
[^maleachi-2-14-47]: Kanttekening 47: de huisvrouw van uw jeugd: Dat is, die u in uw jeugd getrouwd hebt. Anders: uw jonge huisvrouw.
[^maleachi-2-14-48]: Kanttekening 48: de huisvrouw uws verbonds is: Dat is, aan wie u door plechtig verbond en de band van het huwelijk, en door aanroeping van de Naam van God, vastgeknoopt en verbonden bent. Zie Spr. 2:17 . Spreuken 2:17 : Die de leidsman haar jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
[^maleachi-2-14-46]: Kanttekening 46: een Getuige geweest is: Te weten, een getuige van de belofte, die u uw eerste huisvrouw in het trouwen gedaan hebt, van u daartoe verzocht zijnde.
[^maleachi-2-15-49]: Kanttekening 49: Hij niet: Te weten, de Heer.
[^maleachi-2-15-50]: Kanttekening 50: een gemaakt: Te weten, mens, namelijk Adam, uit wie Hij Eva gemaakt heeft. Hij wil zeggen dat het tegen de eerste instelling van het huwelijk is, dat een man meer dan ééne vrouw hebben zou, want God heeft gewild dat een man en een vrouw één vlees zouden zijn. Zie Gen. 1:27 , en Gen. 2:24 ; Matt. 19:4 , 19:5 ; Mark. 10:6 , 10:7 , enz.; 1 Kor. 6:16 ; Ef. 5:31 . Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Mattheüs 19:4 : Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt u niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? Mattheüs 19:5 : En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; Marcus 10:6 : Maar van het begin van de schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. Marcus 10:7 : Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; 1 Korinthiërs 6:16 : Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen. Efeziërs 5:31 : Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.
[^maleachi-2-15-51]: Kanttekening 51: Hij van de geest overig had: God had wel, als het Hem beliefd had, meer vrouwelijke lichamen kunnen scheppen, en die een levenden adem inblazen, het ontbrak Hem aan de macht niet om Adam meer dan ééne vrouw te scheppen; maar omdat Hij dat niet gewild heeft, zo blijkt daaruit dat Hij niet gewild heeft dat een man meer dan ééne vrouw hebben zou.
[^maleachi-2-15-52]: Kanttekening 52: die ene: Te weten, mens.
[^maleachi-2-15-53]: Kanttekening 53: Hij zocht een zaad Gods: Of, Hij zocht een goddelijk zaad; dat is, een wettig huwelijk van een man en een vrouw. Sommigen zetten dit aldus over: Maar heeft de enige \[te weten, Abraham\] \[dat\] niet gedaan, en hij had een uitnemenden geest? Wat \[heeft gedaan\] de enige? hij zocht het zaad Gods. Als zijnde eerst een tegenwerping van de Joden: heeft Abraham onze vader dat niet gedaan, omdat hij enig zonder kinderen zijnde, naast Sara, de huisvrouw van zijn jeugd, ook Hagar tot zijn vrouw genomen heeft; nochtans had hij een voortreffelijken geest. Het antwoord is: Hij heeft dat niet gedaan. Maar wat heeft die enige, dat is, Abraham gedaan? Hij heeft het zaad Gods, dat hem beloofd was, gezocht, en Hagar, die God kende, getrouwd, niet om Sara leed en spijt aan te doen, enz.
[^maleachi-2-15-54]: Kanttekening 54: met uw geest: Dat is, met uw zinnen en verstand, wacht u uw echte vrouw te verachten, òf te verstoten, òf nog anderen, behalve haar, tot u te nemen, toomt uw vleselijke lusten. Verg. Matt. 19:4 . Mattheüs 19:4 : Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt u niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?
[^maleachi-2-15-55]: Kanttekening 55: zijn jeugd: Hebr. uw jeugd.
[^maleachi-2-16-56]: Kanttekening 56: het verlaten haat: Te weten, het verlaten van de wettelijke vrouwen met een scheidbrief. Zie Matt. 5:31 , hoewel er enige zijn, die het aldus nemen: Wanneer hij, \[te weten, de man zijn vrouw\] haat, hij verlate haar; niet gebodswijze, maar bij manier van toelating als door de vingers ziende, vanwege de hardheid van het volk, gelijk God door Mozes tevoren zo toegelaten had; Matt. 19:8 . Mattheüs 5:31 : Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief. Mattheüs 19:8 : Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het zo niet geweest.
[^maleachi-2-16-57]: Kanttekening 57: Te weten, die zijn vrouw onwettig verlaat.
[^maleachi-2-16-58]: Kanttekening 58: de wrevel bedekt: Dat is, het geweld aan zijn huisvrouw begaan, haar wegzendende zonder wettige oorzaak.
[^maleachi-2-16-59]: Kanttekening 59: met Zijn kleed: Dat is, met die excusen of dekmantel, dat Mozes de mannen heeft toegelaten hun vrouwen met een scheidbrief te verlaten \[zie Deut. 24:1 \], of met enige andere schijnredenen tot zijn verontschuldiging dienende. Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.
[^maleachi-2-16-60]: Kanttekening 60: niet trouweloos handelt: Te weten, aan uw wettige huisvrouwen, hen met een scheidbrief wegzendende.
[^maleachi-2-17-62]: Kanttekening 62: nog zegt u: Anders: als u zei.
[^maleachi-2-17-63]: Kanttekening 63: vermoeien wij Hem : Of, maken wij Hem moe.
[^maleachi-2-17-64]: Kanttekening 64: is goed in de ogen van YHWH: Dat is, die behaagt de Heer, en hij is Hem aangenaam. Dit besloten zij daaruit, omdat het velen goddelozen welging op aarde en velen vromen kwalijk. Zie Ps. 37:1 . Psalmen 37:1 : Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
[^maleachi-2-17-65]: Kanttekening 65: aan zodanigen: Aan zulk een volk, dat kwaad doet.
[^maleachi-2-17-66]: Kanttekening 66: de God van het oordeel: Of, de God die straft? Alsof zij zeiden: Hij is ver van ons, men ziet niet dat Hij lichtelijk straft degenen, die tegen Hem misdoen; daarom is het tevergeefs dat u ons met Hem dreigt, willen zij zeggen.
[^maleachi-2-17-61]: Kanttekening 61: vermoeit YHWH: Of, maakt de Heer moe; de zin is: U mort tegen God, omdat Hij u niet straks verhoorde, zo haast als u Hem aanroept. Het is menselijkerwijze gesproken. Zie Jes. 43:24 . Jesaja 43:24 : Mij hebt u geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uw slachtoffers hebt u Mij niet gedrenkt; maar u hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.

### Maleachi 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/maleachi/3.json)

*Profetie van de zending van Johannes de Doper en de komst van Christus, Die de huichelaars van de oprechte kin deren van God zou afzonderen, vers 1 enz. Daarop volgt een dreiging van straf vanwege de vele zonden die bij de Joden in zwang gingen, 5. Een vermaning tot bekering, en dat zij getrouw hun tienden en hefoffers zouden inbrengen, 7. Alzok een klacht over hun godslasterlijke woorden, 13. met troost aan de godvrezenden, 16.*

**1** [^maleachi-3-1-a] Zie,[^maleachi-3-1-1] Ik zend[^maleachi-3-1-2] Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg[^maleachi-3-1-3] bereiden zal; en[^maleachi-3-1-4] snel zal[^maleachi-3-1-5] tot Zijn tempel komen[^maleachi-3-1-6] die Heere,[^maleachi-3-1-7] Die u zoekt, te weten[^maleachi-3-1-8] de Engel van het verbond, aan Die u lust hebt; zie, Hij komt, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v1)

**2** Maar[^maleachi-3-2-9] wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur[^maleachi-3-2-10] van een goudsmid, en als[^maleachi-3-2-11] zeep van de blekers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v2)

**3** En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal[^maleachi-3-3-12] de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij YHWH voedseloffer toebrengen[^maleachi-3-3-13] in gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v3)

**4** Dan zal het voedseloffer van Juda en Jeruzalem YHWH[^maleachi-3-4-14] zoet wezen,[^maleachi-3-4-15] als in de oude dagen, en als[^maleachi-3-4-16] in de vorige jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v4)

**5** En Ik zal tot u[^maleachi-3-5-17] tot het oordeel naderen; en[^maleachi-3-5-18] Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen,[^maleachi-3-5-b] die vals zweren, en tegen degenen, die het loon van de dagloner[^maleachi-3-5-19] met geweld inhouden,[^maleachi-3-5-c] die de weduwe, en de wees, en de[^maleachi-3-5-20] vreemdeling het recht verdraaien, en[^maleachi-3-5-21] Mij niet vrezen, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v5)

**6** Want Ik, YHWH,[^maleachi-3-6-22][^maleachi-3-6-d] word niet veranderd; daarom bent u, o kinderen van Jakob! niet verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v6)

**7** Van de dag van uw vaders af, bent u afgeweken van Mijn voorschriften, en hebt ze[^maleachi-3-7-23] niet bewaard[^maleachi-3-7-e];[^maleachi-3-7-24] keer weer tot Mij, en Ik zal tot u terugkeren, zegt YHWH van de legermachten; maar u zegt: Waarin zullen wij terugkeren?[^maleachi-3-7-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v7)

**8** [^maleachi-3-8-26]Zal een mens God beroven? Maar u berooft Mij,[^maleachi-3-8-27] en zegt: Waarin beroven wij U? In de[^maleachi-3-8-28] tienden en[^maleachi-3-8-29] het hefoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v8)

**9** [^maleachi-3-9-30] Met een vloek bent u vervloekt, omdat u Mij berooft,[^maleachi-3-9-31] zelfs het hele volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v9)

**10** Breng al de tienden[^maleachi-3-10-32] in het schathuis, opdat er voedsel zij in Mijn huis; en[^maleachi-3-10-33] beproeft Mij nu daarin, zegt YHWH van de legermachten, of Ik u dan niet[^maleachi-3-10-34] opendoen zal[^maleachi-3-10-35] de vensters van de hemel, en u[^maleachi-3-10-36] zegen[^maleachi-3-10-37] afgieten,[^maleachi-3-10-38] zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v10)

**11** En Ik zal om[^maleachi-3-11-39] uwentwil[^maleachi-3-11-40] de opeter[^maleachi-3-11-41] bestraffen, dat hij u de vrucht van het land niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u[^maleachi-3-11-42] geen misdracht voortbrengen, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v11)

**12** En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want u zult[^maleachi-3-12-43] een lustig land zijn, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v12)

**13** [^maleachi-3-13-44][^maleachi-3-13-f]Uw woorden zijn tegen Mij[^maleachi-3-13-45] te sterk geworden, zegt YHWH; maar u zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?[^maleachi-3-13-46] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v13)

**14** U zegt:[^maleachi-3-14-47] Het is tevergeefs God te dienen; want wat nut is[^maleachi-3-14-48] het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en[^maleachi-3-14-49] dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van YHWH van de legermachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v14)

**15** [^maleachi-3-15-50] En nu, wij achten[^maleachi-3-15-51] de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen,[^maleachi-3-15-52] worden gebouwd;[^maleachi-3-15-53] ook verzoeken zij YHWH, en[^maleachi-3-15-54] ontkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v15)

**16** [^maleachi-3-16-55] Dan[^maleachi-3-16-56] spreken, die YHWH vrezen, een ieder tot zijn naaste: YHWH merkt[^maleachi-3-16-57] er toch op en hoort, en[^maleachi-3-16-58] er is een gedenkboek[^maleachi-3-16-59] voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die YHWH vrezen, en voor degenen,[^maleachi-3-16-60] die aan Zijn Naam gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v16)

**17** En zij zullen, zegt YHWH van de legermachten,[^maleachi-3-17-61] op die dag, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en[^maleachi-3-17-62] Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon ontziet, die hem dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v17)

**18** [^maleachi-3-18-63] Dan zult u opnieuw zien, het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen die, die God dient, en die, die Hem niet dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/3.html#v18)

[^maleachi-3-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 11:10. Marcus 1:2. Lukas 1:76. en 7:22.
[^maleachi-3-1-1]: Kanttekening 1: Dit zijn de woorden van de Heer Christus.
[^maleachi-3-1-2]: Kanttekening 2: Of, mijn bode, namelijk Johannes de Doper. Mattheüs 11:10. Marcus 1:2. Lukas 1:76 en 7:27.
[^maleachi-3-1-3]: Kanttekening 3: Hebreeuws: ruimen zal. Dat wil zeggen: die uit de weg zal ruimen, wegnemen, alle belemmeringen, door zijn prediking, etc. het volk bereidende en aanleidende om Christus te ontvangen. Zie Jesaja 40:3, etc. Mattheüs 3:3.
[^maleachi-3-1-4]: Kanttekening 4: Of, haast, namelijk haast nadat Johannes de Doper zal gekomen zijn, en de weg zal bereid hebben.
[^maleachi-3-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: Christus zal in het vlees verschijnen in de nieuw herbouwde tempel; waardoor ook afgebeeld is zijn gemeente.
[^maleachi-3-1-6]: Kanttekening 6: Ik de Heer Jezus Christus.
[^maleachi-3-1-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: wiens komst u wenst en begeert, of immers voorgeeft, dat u naar Hem verlangt. De godvrezende onder de Joden wensten en hoopten op de komst van de Messias, als hun Zaligmaker. Mattheüs 13:17. Lukas 10:24.
[^maleachi-3-1-8]: Kanttekening 8: Namelijk Christus, die een Middelaar is van het genadeverbond tussen God en Zijn kerk. Zie 2 Korinthiërs 5:19.
[^maleachi-3-2-9]: Kanttekening 9: De betekenis is, Wie zal er zonder zonde gevonden worden, of zo zuiver, dat hij in de beproeving zal kunnen bestaan, als Christus komen zal? Daar zal niemand zijn die de Middelaar Christus niet nodig zal hebben. Zie Mattheüs 3:10, 11, 12.
[^maleachi-3-2-10]: Kanttekening 10: Hebreeuws: van een smelter, of louteraar.
[^maleachi-3-2-11]: Kanttekening 11: Anderen verstaan het van vollersaarde, volaarde, wasaarde.
[^maleachi-3-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: Hij zal beginnen aan de priesters, opdat zij als lichten mogen schijnen in het boze en overspelige geslacht. Maar sommigen verstaan hier door de kinderen van Levi alle gelovigen en ware christenen, die de Heer Christus tot priesters maakt, om Hem een geestelijke en welbehagelijke offerande te offeren. Zie Romeinen 12:1. Openbaring 1:6. en 1 Petrus 2:5, 9.
[^maleachi-3-3-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: Zoals het God in zijn wet heeft ingesteld, en van ons eist. Zie Psalm 51:21.
[^maleachi-3-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: aangenaam, wel-behagelijk, als Jeremia 6:20. Hosea 9:4.
[^maleachi-3-4-15]: Kanttekening 15: Hebreeuws: naar de dagen van de eeuw, namelijk voor de Babylonische gevangenschap: Of, toen zij beter en vromer waren: Of, versta die dagen toen de vorige tempel nog in wezen was.
[^maleachi-3-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: in de verleden jaren.
[^maleachi-3-5-17]: Kanttekening 17: Dit past op de woorden van de goddelozen, als zij zeiden: Waar is de God die straft? Maleachi 2:17.
[^maleachi-3-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: Ik zal hen van hun boosheid overtuigen en straffen: voor God is niets verborgen, Hij ziet alles wat wij doen, ja ook al wat wij denken, daarom kan Hij ons haast overtuigen.
[^maleachi-3-5-b]: Verwijzing b: Exodus 20:7.
[^maleachi-3-5-19]: Kanttekening 19: Of, die de dagloner verdrukken, of bedriegen in zijn loon, zie Leviticus 19:13. Deuteronomium 24:14, 15.
[^maleachi-3-5-c]: Verwijzing c: Exodus 22:22. Deuteronomium 24:17. Amos 2:7.
[^maleachi-3-5-20]: Kanttekening 20: Hebreeuws: verkerende de vreemdeling.
[^maleachi-3-5-21]: Kanttekening 21: De vrees van de Heer is het begin van de wijsheid, daar integendeel God niet vrezen, is een begin aller dwaasheid.
[^maleachi-3-6-22]: Kanttekening 22: De betekenis is, Omdat Ik goedertieren en genadig ben, en zulks altijd blijf, dat is de oorzaak waarom u niet geheel bent verteerd noch uitgeroeid geworden, zoals u met uw menigvuldige zonden wel verdiend hebt, Klaagliederen 3:22, 23. Vergelijk Habakuk 1:12.
[^maleachi-3-6-d]: Verwijzing d: Psalm 33:11. Spreuken 19:21. Jesaja 14:26, 27. en 25:1. en 46:10.
[^maleachi-3-7-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: niet onderhouden.
[^maleachi-3-7-e]: Verwijzing e: Zacharia 1:3.
[^maleachi-3-7-24]: Kanttekening 24: Zie Zacharia 1:3.
[^maleachi-3-7-25]: Kanttekening 25: Alsof zij wilden zeggen, Wat hebben wij misdaan? of, wanneer zijn wij van U afgeweken, dat U ons beveelt weer te keren?
[^maleachi-3-8-26]: Kanttekening 26: Alsof hij zei: Het is tegen alle reden dat een mens God zou beroven; toch deden het velen onder de Joden. Zie Nehemia 13:10.
[^maleachi-3-8-27]: Kanttekening 27: Of, als u zegt.
[^maleachi-3-8-28]: Kanttekening 28: De priesters leefden van de tienden, en hadden hun deel van de offeranden, welke als men hun niet betaalde, zo bestal en beroofde men God, en verkortte de godsdienst. Zie vers 9.
[^maleachi-3-8-29]: Kanttekening 29: Of, offer, of, offerande.
[^maleachi-3-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: daarom bent u zo zeer vervloekt, geen ding gelukt en gedijt u wel.
[^maleachi-3-9-31]: Kanttekening 31: Versta hierbij, berooft Mij, of, zelfs is ook het gehele volk \[vervloekt\], omdat het ook Mij berooft. Anders: zij allen zijn heidenen, dat is, al die gierige Joden handelen zo goddeloos met het onthouden van de tienden, alsof zij altegaar heidenen waren.
[^maleachi-3-10-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in mijn schatkamer, waar men bijeen bewaarde al wat tot onderhoud van de godsdienst behoorde. Zie 1 Kronieken 26:20. Nehemia 10:38.
[^maleachi-3-10-33]: Kanttekening 33: Namelijk of Ik u niet zal zegenen, als u de tienden, en alles wat tot mijn godsdienst behoort, oprecht levert.
[^maleachi-3-10-34]: Kanttekening 34: Namelijk ter bekwamer tijd. De betekenis is, Dan zal Ik u overvloedigen en tijdigen regen geven.
[^maleachi-3-10-35]: Kanttekening 35: Of, sluizen. Zie Genesis 7:11.
[^maleachi-3-10-36]: Kanttekening 36: Zegen is hier te zeggen vruchtbaren en overvloedigen regen.
[^maleachi-3-10-37]: Kanttekening 37: Hebreeuws: ijdelen, of, ijdel maken. De betekenis is, In zulk een overvloed, dat het zal schijnen dat Ik al mijn schatkamers ijdel of ledig maak.
[^maleachi-3-10-38]: Kanttekening 38: Hebreeuws: tot niets genoeg. De betekenis is, Ik zal u zoveel vruchten en overvloed geven, dat u ze niet allen zult kunnen inzamelen, noch schuren en vaten genoeg hebben om ze daarin te laten.
[^maleachi-3-11-39]: Kanttekening 39: Of, tot uw best, tot uw voordeel.
[^maleachi-3-11-40]: Kanttekening 40: Hierdoor verstaat Hij de kevers, en dergelijke schadelijke beesten, die de vruchten van het veld, en van de bomen opeten en beschadigen. Zie Joël 1:4.
[^maleachi-3-11-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: verdrijven, of afkeren, of bedwingen.
[^maleachi-3-11-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: niet onvruchtbaar zijn, geen misgewas hebben. Vergelijk Leviticus 26:19. Deuteronomium 11:14, 15. Job 12:14. Amos 4:7. Haggaï 1:10.
[^maleachi-3-12-43]: Kanttekening 43: Hebreeuws: een land van de lust. Wij zouden zeggen, ulieder land zal een lustig land zijn. Vergelijk Daniël 11:16. Zacharia 7:14.
[^maleachi-3-13-44]: Kanttekening 44: Dit is nog een zonde, waarover de profeet het volk bestraft, namelijk dat zij tegen de Heer stoutelijk durfden spreken.
[^maleachi-3-13-f]: Verwijzing f: Job 21:14, 15.
[^maleachi-3-13-45]: Kanttekening 45: Te stout, te straf, te hard.
[^maleachi-3-13-46]: Kanttekening 46: Anders: maar als u zegt.
[^maleachi-3-14-47]: Kanttekening 47: Vergelijk Job 21:15.
[^maleachi-3-14-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: dat wij onderhouden wat Hij ons bevolen heeft te onderhouden.
[^maleachi-3-14-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: dat wij treuren en leed dragen in zwarte kleren. Zie Job 30:28. en Psalm 38:7. en 42:10. en 43:2.
[^maleachi-3-15-50]: Kanttekening 50: Het zijn de woorden van de goddelozen.
[^maleachi-3-15-51]: Kanttekening 51: De hovaardigen, de trotsen.
[^maleachi-3-15-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: zij hebben geluk en voorspoed, zij groeien en bloeien, en krijgen grote rijkdom in deze wereld: zo wordt het woord bouwen ook genomen Spreuken 24:3.
[^maleachi-3-15-53]: Kanttekening 53: Zie Psalm 95:9.
[^maleachi-3-15-54]: Kanttekening 54: Namelijk uit alle onheil en gevaar, ook uit alle ellenden en zwarigheden: of, Zij ontkomen, dat wil zeggen: zij worden niet gestraft.
[^maleachi-3-16-55]: Kanttekening 55: Namelijk als zij zulke woorden van de goddelozen horen.
[^maleachi-3-16-56]: Kanttekening 56: Namelijk de navolgende woorden, tot onderlinge vertroosting.
[^maleachi-3-16-57]: Kanttekening 57: Namelijk op de redenen van de godslasteraars, die God niet ongestraft zal laten, hetzij hier, of hiernamaals.
[^maleachi-3-16-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: de Heer vergeet die niet, die Hem vrezen. Zie Deuteronomium 32:34. Psalm 139:16. Openbaring 20:12.
[^maleachi-3-16-59]: Kanttekening 59: Dit is menselijkerwijze van God gesproken.
[^maleachi-3-16-60]: Kanttekening 60: De betekenis is, Die de Heer steeds voor ogen hebben, Hem achten en eren.
[^maleachi-3-17-61]: Kanttekening 61: Namelijk op die dag als Ik de goddelozen straffen, en mijn volk verlossen zal: zo zullen zij zijn als mijn eigen erfdeel, een volk Mij erfelijk toebehorende. Zie Psalm 135:4. en 1 Petrus 2:9. en Titus 2:14. Anders: Op die dag, als Ik Mij een eigendom maken zal, dat wil zeggen: als Ik mijn volk zal afzonderen van de goddeloze wereldskinderen. Anders: op de dag als Ik mijn allerdierbaarste juwelen afzonderen zal.
[^maleachi-3-17-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: Ik zal hen niet uitroeien met de goddelozen.
[^maleachi-3-18-63]: Kanttekening 63: Anders: daarom bekeert u, zo zult u zien, etc. En dit ziet voornamelijk op de goddelozen, van welke vers 14, 15 gesproken is. De betekenis is, Dan zult u anders moeten gevoelen en spreken dan u tevoren placht te doen.

### Maleachi 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/maleachi/4.json)

*Profetie van de ondergang van de goddelozen, vers 1. maar de godvrezenden troost hij met de verschijning van de Zon der gerechtigheid, 2. Daarom vermaant hij heel het volk tot ware boete en bekering, en tot onderhouden van de Wet, hun door Mozes gegeven, 4. Hij spreekt opnieuw van de zending van Johannes de Doper en van de kracht van zijn prediking, 5.*

**1** [^maleachi-4-1-_] Want ziet,[^maleachi-4-1-1] die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet,[^maleachi-4-1-a] een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt YHWH van de legermachten,[^maleachi-4-1-2] Die hun noch wortel, noch tak laten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v1)

**2** U daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal[^maleachi-4-2-3] genezing[^maleachi-4-2-4] zijn onder[^maleachi-4-2-5] Zijn vleugelen; en u zult[^maleachi-4-2-6] uitgaan, en[^maleachi-4-2-7] toenemen, als mestkalveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v2)

**3** En u zult de goddelozen[^maleachi-4-3-8] vertreden; want zij zullen[^maleachi-4-3-9] as worden onder[^maleachi-4-3-10] de zolen van uw voeten,[^maleachi-4-3-11] op die dag, die Ik maken zal, zegt YHWH van de legermachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v3)

**4** [^maleachi-4-4-12][^maleachi-4-4-b] Gedenk de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb[^maleachi-4-4-13] op Horeb[^maleachi-4-4-14] aan geheel Israël, de voorschriften en rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v4)

**5** Zie, Ik zend u[^maleachi-4-5-15] de profeet[^maleachi-4-5-c] Elia, voordat[^maleachi-4-5-16] die grote en die[^maleachi-4-5-17] vreselijke dag van YHWH komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v5)

**6** [^maleachi-4-6-18] En hij zal het hart van de vaders tot de kinderen[^maleachi-4-6-19] teruggeven, en het hart van de kinderen tot hun vaders; opdat Ik niet kome, en[^maleachi-4-6-20] de aarde[^maleachi-4-6-21] met de ban sla. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/maleachi/4.html#v6)

[^maleachi-4-1-_]: Kanttekening \*: Enige voegen dit hoofdstuk tot het voorgaande.
[^maleachi-4-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de dag van het oordeel van de Heer, hetzij dat men dit verstaat van de eerste verschijning van Jezus Christus, of van de tweede, als hij ten joncksten dage ten oordeele verschijnen zal. Sommige verstaan het zo, dat deze dag geduurd heeft van de eerste dag af van de verschijning van Christus in het vlees, duerende tot dat hij in de wolken verschijnen zal ten joncksten gerichte.
[^maleachi-4-1-a]: Verwijzing a: Obadja. vers 18.
[^maleachi-4-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: hij zal ze zo uitroeien en teniet maken, dat zij nimmermeer weer opkomen zullen.
[^maleachi-4-2-3]: Kanttekening 3: Zo wordt Christus Jezus genoemd, omdat hij de verstanden door zijn woord en Geest verlicht, en de harten van de gelovigen verkwikt door vergeving van de zonden, en toerekening van de gerechtigheid. Vergelijk Jesaja 60:1, 19, en Daniël 9:24; Lukas 1:78, 79.
[^maleachi-4-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk van de verslagen gemoederen, die hun zonden gevoelen.
[^maleachi-4-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk van de Zon van de gerechtigheid die is Jezus Christus.
[^maleachi-4-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk op een vette weide. Anderen verstaan dit van het uitgaan uit de gevangenis van de zonden, en van de dienstbaarheid van de duivel, om God te dienen in heiligheid en gerechtigheid. Zie Johannes 8:36, en 2 Korintiërs 3:17.
[^maleachi-4-2-7]: Kanttekening 7: Aan tijdelijken en geestelijken welstand, door de zegen van de Heer.
[^maleachi-4-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: overwinnen, namelijk in Christus Jezus uw Hoofd, die de wereld heeft overwonnen, Johannes 16:33, en nog dagelijks de vijanden van zijn kerk overwint en bedwingt, totdat hij ze eindelijk allegaar make tot een voetbank van zijn voeten. Zie 1 Korintiërs 15:57, en 1 Johannes 5:4.
[^maleachi-4-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: als van gene waarde, en ten uitersten veracht. Vergelijk Jesaja 66:24; Daniël 12:2.
[^maleachi-4-3-10]: Kanttekening 10: Of, planten.
[^maleachi-4-3-11]: Kanttekening 11: Zie Maleachi 3:17.
[^maleachi-4-4-12]: Kanttekening 12: Omdat de tijd voorhanden was, dat het volk van God vele jaren zou zijn zonder Profeten die hun prediken zouden, (want Maleachi is de laatste onder de Profeten van het Oude Testament,) zo vermaant hen de Profeet, dat zij zich middelerwijl naarstiglijk zouden oefenen in het studeren en lezen van de Wet door Mozes gegeven, zich zo wapenende tegen alle aanvechtingen, en tot versterking in het ware geloof.
[^maleachi-4-4-b]: Verwijzing b: Deuteronomium 6:3.
[^maleachi-4-4-13]: Kanttekening 13: Zie Deuteronomium 4:10.
[^maleachi-4-4-14]: Kanttekening 14: Aan het gehele Israëlitische volk.
[^maleachi-4-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: Johannes de Doper, die in de Geest en kracht van Elia verschijnen zal, zoals Christus dit verklaart, Mattheüs 11:14, en 17:11, 12, 13; Marcus 9:11. En de Engel, Lukas 1:17.
[^maleachi-4-5-c]: Verwijzing c: Mattheüs 11:14. en 17:11, 12, 13. Marcus 9:11, 12, 13. Lukas 1:17.
[^maleachi-4-5-16]: Kanttekening 16: Namelijk in welke de Heer in het vlees verschijnen zal.
[^maleachi-4-5-17]: Kanttekening 17: Vreeslijk voor de goddelozen, maar de godzaligen bewegende tot berouw over hun zonden, en beterschap van hun leven. Vergelijk Joël 2:31.
[^maleachi-4-6-18]: Kanttekening 18: De betekenis is, Zijn prediking zal zulke kracht hebben in de harten van de uitverkorenen door de werking van de Heilige Geest, dat zo de Vaders, als de kinderen, zich tot de Heer bekeren, en hem samentlijk dienen zullen.
[^maleachi-4-6-19]: Kanttekening 19: Of, wenden, of bekeren.
[^maleachi-4-6-20]: Kanttekening 20: De inwoners van de aarde.
[^maleachi-4-6-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: opdat ik de wereld niet gansch en gaar en verdelge, vanwege hun ongeloof en verachting van Jezus Christus, hardnekkigheid en onboetvaardigheid. Zie Zacharia 14:11; Deuteronomium 18:15, 16; Handelingen 3:22, 23, en 1 Korintiërs 16:22. Dusdanige mensen zijn er tot allen tijden vele in de wereld geweest, gelijk er ook nu nog vele zijn, zodat God de Heer naar zijn gerechtigheid wel oorzaak zou hebben de wereld op het strengste te straffen, maar hij verschoont hen nog al, vanwege het kleine hoopje van de vromen en godvrezenden die in de wereld zijn. Zie Genesis 18:23, 24, enz.

## Mattheüs

### Mattheüs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/1.json)

*1 Afkomst van Jezus Christus naar het vlees uit de voorvaderen vanaf Abraham. 18 Zijn ontvangenis van de Heilige Geest en geboorte uit de maagd Maria. 22 Zoals voorzegd was door de profeet.*

**1** Het[^mattheus-1-1-1] boek van het geslacht van JEZUS[^mattheus-1-1-2] CHRISTUS, de Zoon[^mattheus-1-1-a] van David, de zoon van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v1)

**2** [^mattheus-1-2-b] Abraham[^mattheus-1-2-3] verwekte Izak, en[^mattheus-1-2-c] Izak verwekte Jakob, en[^mattheus-1-2-d] Jakob verwekte Juda, en zijn broers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v2)

**3** En[^mattheus-1-3-e] Juda verwekte Fares en Zara[^mattheus-1-3-4] bij Thamar; en[^mattheus-1-3-f] Fares verwekte Esrom, en[^mattheus-1-3-g] Esrom verwekte Aram; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v3)

**4** En[^mattheus-1-4-5] Aram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahasson, en Nahasson verwekte Salmon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v4)

**5** En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v5)

**6** En[^mattheus-1-6-h] Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte[^mattheus-1-6-6] Salomon bij[^mattheus-1-6-7] degene, die Uria's vrouw was geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v6)

**7** En[^mattheus-1-7-i] Salomon verwekte Roboam, en Roboam verwekte Abia, en Abia verwekte Asa; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v7)

**8** En Asa verwekte Josafat, en Josafat verwekte Joram, en Joram verwekte[^mattheus-1-8-8] Ozias; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v8)

**9** En Ozias verwekte Joatham, en Joatham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Ezekias; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v9)

**10** En Ezekias verwekte Manasse, en Manasse verwekte Amon, en Amon verwekte Josias; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v10)

**11** En[^mattheus-1-11-k] Josias verwekte[^mattheus-1-11-9] Jechonias, en zijn broers,[^mattheus-1-11-10] ongeveer de Babylonische overvoering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v11)

**12** En na de Babylonische overvoering verwekte[^mattheus-1-12-l] Jechonias[^mattheus-1-12-11] Salathiël, en[^mattheus-1-12-m] Salathiël verwekte Zorobabel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v12)

**13** En Zorobabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v13)

**14** En Azor verwekte Sadok, en Sadok verwekte Achim, en Achim verwekte Elihud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v14)

**15** En Elihud verwekte Eleazar, en Eleazar verwekte Matthan, en Matthan verwekte Jakob; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v15)

**16** En Jakob verwekte[^mattheus-1-16-12] Jozef, de man van Maria, uit wie geboren is JEZUS,[^mattheus-1-16-13] gezegd Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v16)

**17** Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering,[^mattheus-1-17-14] zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v17)

**18** De geboorte van Jezus Christus was nu zo; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was,[^mattheus-1-18-15] voordat zij samengekomen waren, werd zij[^mattheus-1-18-16] zwanger bevonden[^mattheus-1-18-17] uit de Heilige Geest.[^mattheus-1-18-n] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v18)

**19** Jozef nu, haar man, zo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde[^mattheus-1-19-18] openlijk te schande maken, was van wil haar in het geheim[^mattheus-1-19-19] te verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v19)

**20** En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heere verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar[^mattheus-1-20-20] ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v20)

**21** En zij zal een Zoon baren, en[^mattheus-1-21-o] u zult Zijn naam heten JEZUS; want[^mattheus-1-21-p] Hij zal[^mattheus-1-21-21] Zijn volk zalig maken van hun zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v21)

**22** En dit alles is gebeurd, opdat vervuld zou worden, wat van de Heere gesproken is, door de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v22)

**23** [^mattheus-1-23-q] Zie,[^mattheus-1-23-22] de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en[^mattheus-1-23-23] u zult Zijn naam[^mattheus-1-23-24] heten Emmanuël; dat is, overgezet zijnde, God met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v23)

**24** Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, deed, zoals de engel van de Heere hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;[^mattheus-1-24-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v24)

**25** En had geen gemeenschap met haar, voordat zij deze haar[^mattheus-1-25-26] eerstgeboren Zoon gebaard had; en[^mattheus-1-25-r] heette Zijn naam JEZUS.[^mattheus-1-25-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/1.html#v25)

[^mattheus-1-1-1]: Kanttekening 1: boek van het geslacht: Dit is geslachtsregister, of boom van de voorouders van Christus. Het is een Hebreeuwse wijze van spreken. Gen. 5:1.
[^mattheus-1-1-2]: Kanttekening 2: de zoon van David en Abraham: Deze twee, David en Abraham, worden hier vooraan gesteld, en Christus wordt bijzonder hun beider zoon genaamd, omdat deze beiden bijzondere beloften waren gedaan, dat Hij uit hun zaad zou geboren worden. Gen. 22:18; 2 Sam. 7:12; Ps. 89:30 en Ps. 132:11. Waarom ook Mattheüs dit geslachtsregister eerst van Abraham heeft willen beginnen, gelijk hij ook, vers 6 , David bijzonder een koning noemt, omdat David de eerste koning uit de stam van Juda is geweest en een duidelijk voorbeeld van Christus' eeuwig koninkrijk. Luk. 1:32. Mattheüs 1:6 : En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
[^mattheus-1-1-a]: Verwijzing a: Lukas 1:31 ; idem v. 32 . Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
[^mattheus-1-2-b]: Verwijzing b: Gen. 21:2 . Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^mattheus-1-2-3]: Kanttekening 3: De andere overzetting heeft: gegenereerd, dat, daar het een Latijns woord is, beter geacht is te behouden het woord gewinnen, dat meest alle oude Nederduitse overzettingen hier gebruiken.
[^mattheus-1-2-c]: Verwijzing c: Gen. 25:26 . Genesis 25:26 : En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen verwekte.
[^mattheus-1-2-d]: Verwijzing d: Gen. 29:35 . Genesis 29:35 : En zij werd opnieuw bevrucht, en baarde een zoon, en zei: Ditmaal zal ik YHWH loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.
[^mattheus-1-3-e]: Verwijzing e: Gen. 38:27 ; idem v. 29 . Genesis 38:27 : En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. Genesis 38:29 : Maar het geschiedde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.
[^mattheus-1-3-4]: Kanttekening 4: bij Thamar: Gr. uit. Deze vrouw, alsook hierna Rachab en Ruth, Matt. 1:5, en Bathseba, vers 6 , worden van de evangelist hier vermeld, omdat de Schriftuur van haar iets zegt, dienende tot de staat van de vernedering van Christus, en ook omdat enige van hen van heidense afkomst zijn geweest; opdat daarmede aangewezen zou worden dat ook grote zondaren, en de heidenen zelf, deel zouden hebben aan de vruchten van de geboorte van Christus. Mattheüs 1:6 : En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
[^mattheus-1-3-f]: Verwijzing f: Ruth 4:18 ; 1 Kron. 2:5 . Ruth 4:18 : Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez verwekte Hezron; 1 Kronieken 2:5 : De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
[^mattheus-1-3-g]: Verwijzing g: Ruth 4:19 ; 1 Kron. 2:9 . Ruth 4:19 : En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab; 1 Kronieken 2:9 : En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai.
[^mattheus-1-4-5]: Kanttekening 5: Deze Aram wordt Ram genaamd Ruth 4:19 . Ruth 4:19 : En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab;
[^mattheus-1-6-h]: Verwijzing h: Ruth 4:22 ; 1 Sam. 16:1 ; 1 Sam. 17:12 ; 1 Kron. 2:15 ; 1 Kron. 12:18 . Ruth 4:22 : En Obed verwekte Isaï; en Isaï verwekte David. 1 Samuël 16:1 : Toen zei YHWH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 1 Samuël 17:12 : David nu was de zoon van de Efrathischen man van Bethlehem-juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. 1 Kronieken 2:15 : Ozem, de zesde, David, de zevende. 1 Kronieken 12:18 : En de Geest toog Amasai aan, de overste van de hoofdlieden, en hij zei: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, u, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden van de benden.
[^mattheus-1-6-6]: Kanttekening 6: Lukas stelt in plaats van Salomo en zijne nakomelingen Nathan, een anderen zoon van David, met zijne nakomelingen. De reden van deze verscheidenheid zie: Luk. 3:31.
[^mattheus-1-6-7]: Kanttekening 7: Namelijk Bathseba; bij welke David Salomo verwekte, toen zij na de dood van haar man Uria met hem getrouwd was. 2 Sam. 11:3 , 11:27 en 2 Sam. 12:24 . 2 Samuël 11:3 : En David zond heen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, de Hethiet? 2 Samuël 11:27 : En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Maar deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen van YHWH. 2 Samuël 12:24 : Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en YHWH had hem lief.
[^mattheus-1-7-i]: Verwijzing i: 1 Kon. 11:43 ; 1 Kron. 3:10 . 1 Koningen 11:43 : Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 1 Kronieken 3:10 : Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;
[^mattheus-1-8-8]: Kanttekening 8: Hier worden drie koningen overgeslagen en voorbijgegaan, namelijk Ochosias, Joas, en Amasias, om het getal van veertien niet te buiten te gaan, vers 17 . Zie van dergelijke uitlatingen een voorbeeld Ezra 7:3 , verg. met 1 Kron. 6:7 , en wordt deze Ozias ook Azaria genaamd, 1 Kron. 3:12 . Mattheüs 1:17 : Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten. Ezra 7:3 : De zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajoth, 1 Kronieken 6:7 : En Merajoth verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; 1 Kronieken 3:12 : Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;
[^mattheus-1-11-k]: Verwijzing k: 1 Kron. 3:16 . 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon.
[^mattheus-1-11-9]: Kanttekening 9: Enige voegen hier bij Jakim; en Jakim verwekte Jechoniam, dat met het register van de koningen van Juda, 1 Kron. 3:16 , enz. en met het getal van veertien alhier, vers 17 , niet kwalijk schijnt overeen te komen. Omdat meest alle oude boeken en overzettingen dit bijvoegsel van Jakim niet hebben, zo wordt dit hier nagelaten; te meer omdat door Jechonias in het vers 11 , verstaan kan worden de vader, die ook Joakim is genaamd, en door Jechonias in het vers 12 , de zoon, die ook Joachin is genaamd, en aldus wordt hier het getal van veertien ook vervuld. 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. Mattheüs 1:17 : Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten. Mattheüs 1:11 : En Josias verwekte Jechonias, en zijn broers, omtrent de Babylonische overvoering. Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel;
[^mattheus-1-11-10]: Kanttekening 10: omtrent de Babylonische overvoering: Of in, of ten tijde; dat is, tegen de tijd van de gevankelijke wegvoering van de Joden naar Babylonië.
[^mattheus-1-12-l]: Verwijzing l: 1 Kron. 3:17 . 1 Kronieken 3:17 : En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël;
[^mattheus-1-12-11]: Kanttekening 11: Velen menen dat deze Salathiël niet is geweest een natuurlijke zoon van Jechonias, omdat bij Luk. 3:27 gezegd wordt te zijn een zoon van Neri, en het Jer. 22:30 schijnt dat Jechonias geen kinderen nagelaten heeft; maar dat hij zijn zoon genaamd zou worden omdat hij, als zijn naaste bloedverwant, hem in de regering van het Israëlietische volk opgevolgd is; gelijk 1 Kron. 3:16 Zedekias genaamd wordt een zoon van Jechonias, omdat hij hem ook in het rijk opgevolgd is, die nochtans 2 Kron. 24:17 zijn oom genaamd wordt; te meer omdat Luk. 3:27 gezegd wordt dat Salathiël afkomstig is geweest van het geslacht Nathan, bij welk na de Babylonische gevangenis de regering van het Joodse volk is geweest, gelijk schijnt afgeleid te kunnen worden uit Zach. 12:12 . Maar anderen menen dat deze Salathiël is geweest een natuurlijke zoon van Jechonias, en dat Salathiël, van wie Luk. 3:27 , spreekt een andere Salathiël is geweest dan deze, omdat deze daar genaamd wordt een zoon van Neri. Zie de aantekening bij Ezra 3:2 . Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. 1 Kronieken 3:16 : De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 2 Kronieken 24:17 : Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor de koning; toen hoorde de koning naar hen. Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, Zacharia 12:12 : En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis van David bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; Lukas 3:27 : De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God.
[^mattheus-1-12-m]: Verwijzing m: Ezra 3:2 . Ezra 3:2 : En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man van God.
[^mattheus-1-16-12]: Kanttekening 12: Dit geslachtsregister wordt gebracht op Jozef, omdat het bij de Hebreeën niet gebruikelijk was de geslachtsregisters te brengen op de vrouwen; nochtans kan daaruit blijken dat Christus is uit het geslacht Davids, omdat het bij de Joden gebruikelijk was te trouwen, en Mattheüs hierover vers 1 , getuigt, dat hij hier het geslachtsregister van Jezus Christus verhaalt. Want dat Christus uit Juda en David afkomstig is, wordt doorgaans in de Heilige Schrift duidelijk geleerd. Zie Luk. 1:32 ; Rom. 1:3 ; Hebr. 7:14 . Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Romeinen 1:3 : Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; Hebreeën 7:14 : Want het is openbaar, dat onze Heer uit Juda gesproten is; op welke stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.
[^mattheus-1-16-13]: Kanttekening 13: Dat is, die toegenaamd wordt. Zie van deze naam Joh. 1:42 . Johannes 1:42 : Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus.
[^mattheus-1-17-14]: Kanttekening 14: veertien geslachten: De evangelist heeft ook maar veertien koningen en vorsten uitgedrukt, omdat van Abraham tot David maar veertien geslachten van voorvaders zijn geweest, waarom hij enige geslachten van de koningen en vorsten heeft overgeslagen. Zie vers 8 , en Luk. 3:24 , enz. Mattheüs 1:8 : En Asa verwekte Josafat, en Josafat verwekte Joram, en Joram verwekte Ozias; Lukas 3:24 : De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef,
[^mattheus-1-18-15]: Kanttekening 15: voordat zij samengekomen waren: Dat is, voordat hij haar tot zich genomen had, gelijk blijkt uit vers 20 . Mattheüs 1:20 : En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heer verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest;
[^mattheus-1-18-16]: Kanttekening 16: Anders, bevrucht; echter het woord zwanger komt hier beter, omdat Christus eigenlijk geen vrucht van de Heilige Geest, maar een vrucht van de buik van Maria; Luk. 1:42 . Lukas 1:42 : En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend zijt u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
[^mattheus-1-18-17]: Kanttekening 17: uit de Heilige Geest: Dat is, door de werking van de Heilige Geest, gelijk blijkt Luk. 1:35 . Zo wordt het woordje uit ook elders genomen, gelijk Rom. 11:35 , en 1 Joh. 5:1 . Dit was Jozef toen nog niet bekend, maar wordt hem daarna door de engel geopenbaard, zie vers 20 . Lukas 1:35 : En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? 1 Johannes 5:1 : Iedereen, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en iedereen, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief degene, die uit Hem geboren is. Mattheüs 1:20 : En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heer verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest;
[^mattheus-1-18-n]: Verwijzing n: Lukas 1:27 ; idem v. 34 . Lukas 1:27 : Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit de huize Davids; en de naam van de maagd was Maria. Lukas 1:34 : En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne?
[^mattheus-1-19-18]: Kanttekening 18: openbaarlijk te schande maken: Het Griekse woord betekent zoveel als iemand tot een voorbeeld openlijk tentoonstellen en smaadheid aandoen.
[^mattheus-1-19-19]: Kanttekening 19: te verlaten: Grieks: haar te ontbinden (ἀπο-λύω).
[^mattheus-1-20-20]: Kanttekening 20: ontvangen is: Grieks: gegenereerd of geteeld is; voor welke woorden, omdat het ene Latijn is en het andere duister, beter geacht is het woord ontvangen te stellen. Van deze generatie en ontvangenis, zie Luk. 1:35 , 1:42 . Lukas 1:35 : En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Lukas 1:42 : En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend zijt u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!
[^mattheus-1-21-o]: Verwijzing o: Lukas 1:31 . Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
[^mattheus-1-21-p]: Verwijzing p: Hand. 4:12 . Handelingen 4:12 : En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
[^mattheus-1-21-21]: Kanttekening 21: zijn volk: Dat is, degenen, die Hem van de Vader gegeven waren om die te verlossen of behouden; Ps. 2:8 ; Jes. 8:18 ; Joh. 6:37 , en Joh. 17:24 ; Hand. 18:10 ; Rom. 11:1 , 11:2 . Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Jesaja 8:18 : Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de heirscharen, Die op de berg Sion woont. Johannes 6:37 : Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen. Johannes 17:24 : Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld. Handelingen 18:10 : Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad. Romeinen 11:1 : Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. Romeinen 11:2 : God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet u niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:
[^mattheus-1-23-q]: Verwijzing q: Jes. 7:14 . Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.
[^mattheus-1-23-22]: Kanttekening 22: de maagd: De Hebreeuwse en Griekse teksten spreken hier van een bijzondere maagd.
[^mattheus-1-23-23]: Kanttekening 23: u zult: Anders zij zal, of zij zullen; dat is, men zal.
[^mattheus-1-23-24]: Kanttekening 24: Wordt zo genaamd ten aanzien van zijn persoon en ambt, omdat Hij in één persoon beiden waarachtig God en mens is, en ons met God verenigt.
[^mattheus-1-24-25]: Kanttekening 25: bevolen had: Grieks: verordineerd had (προσ-τάσσω).
[^mattheus-1-25-26]: Kanttekening 26: Hieruit kan men niet besluiten dat Jozef haar daarna zou hebben bekend; want deze manier van spreken dit altijd niet medebrengt. Zie 2 Sam. 6:23 en Matt. 28:20 . 2 Samuël 6:23 : Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot de dag van haar dood toe. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^mattheus-1-25-r]: Verwijzing r: Lukas 2:21 . Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
[^mattheus-1-25-27]: Kanttekening 27: eerstgeboren zoon gebaard had: Een eerstgeboren zoon is die de moeder eerst opent, Ex. 13:2 , al is het dat er geen zonen of kinderen na geboren worden. Want als Ex. 11:5 gezegd wordt dat de eerstgeborenen van Egypte zouden gedood worden, zijn onder dezelven zonder twijfel ook de eniggeborenen te verstaan. Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Exodus 11:5 : En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.

### Mattheüs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/2.json)

*1 Wijzen komen uit het oosten naar Jeruzalem. 2 Zij vragen naar de pasgeboren Koning der Joden. 4 Nadat zij over de plaats van Zijn geboorte onderricht zijn, hebben zij Hem in Bethlehem gevonden en aangebeden. 12 Zij keren terug naar hun land. 13 Jozef vlucht met het Kindje naar Egypte. 16 Herodes laat de jonge kinderen doden. 19 Jozef komt weer in Judea. 20 Maar uit vrees voor Archelaüs wijkt hij uit naar Galilea en woont in Nazareth.*

**1** Toen nu Jezus[^mattheus-2-1-a] geboren was te Bethlehem, gelegen in[^mattheus-2-1-1] Judea, in de dagen van[^mattheus-2-1-2][^mattheus-2-1-3][^mattheus-2-1-4] de koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v1)

**2** Zeggende: Waar is de geboren Koning van de Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v2)

**3** De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v3)

**4** En bijeenvergaderd hebbende al de[^mattheus-2-4-5] overpriesters en[^mattheus-2-4-6] Schriftgeleerden van het[^mattheus-2-4-7] volk, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v4)

**5** En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want zo is geschreven door de profeet: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v5)

**6** [^mattheus-2-6-b] En u Bethlehem, u land Juda! bent[^mattheus-2-6-8] in geen geval de minste onder de[^mattheus-2-6-9] vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die[^mattheus-2-6-10] Mijn volk Israël weiden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v6)

**7** Toen heeft Herodes de wijzen in het geheim geroepen, en vernam ijverig van hen de tijd, wanneer de ster verschenen was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v7)

**8** En hen naar Bethlehem zendende, zei: Reist heen, en onderzoekt ijverig naar dat Kind, en als u Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Het aanbidde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v8)

**9** En zij, de koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden,[^mattheus-2-9-11] ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kind was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v9)

**10** Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v10)

**11** En in het huis gekomen zijnde,[^mattheus-2-11-12] vonden zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelfde aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken:[^mattheus-2-11-13] goud en wierook, en mirre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v11)

**12** En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in de droom, dat zij niet zouden terugkeren tot Herodes, vertrokken zij door een andere weg weer naar hun land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v12)

**13** Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel van de Heere verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kind en Zijn moeder, en vlucht in Egypte, en wees daar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kind zoeken, om Hetzelfde te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v13)

**14** Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kind en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v14)

**15** En was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat van de Heere gesproken is door de[^mattheus-2-15-c] profeet, zeggende:[^mattheus-2-15-14] Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v15)

**16** Als Herodes zag, dat hij van de wijzen[^mattheus-2-16-15] bedrogen was, toen werd hij zeer boos, en enige afgezonden hebbende, heeft[^mattheus-2-16-16] omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al zijn gebied waren, van twee jaar oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen ijverig onderzocht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v16)

**17** Toen is vervuld geworden, wat gesproken is[^mattheus-2-17-17] door de profeet Jeremia, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v17)

**18** [^mattheus-2-18-d] Een stem is[^mattheus-2-18-18] in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm;[^mattheus-2-18-19] Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v18)

**19** Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel van de Heere verschijnt Jozef in de droom, in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v19)

**20** Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die[^mattheus-2-20-20] de ziel van het Kind zochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v20)

**21** Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kind en Zijn moeder, en is gekomen in het land van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v21)

**22** Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v22)

**23** En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genoemd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de[^mattheus-2-23-e] profeten gezegd is,[^mattheus-2-23-21] dat Hij Nazarener zal geheten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/2.html#v23)

[^mattheus-2-1-a]: Verwijzing a: Lukas 2:4 . Lukas 2:4 : En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
[^mattheus-2-1-1]: Kanttekening 1: in Judea: Dit wordt hier bij gedaan, omdat er nog een ander Bethlehem was, gelegen in de stam van Zebulon, of neder-Galilea. Zie Joz. 19:15 . Jozua 19:15 : En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.
[^mattheus-2-1-2]: Kanttekening 2: Deze was Herodus de Grote, toegenaamd Ascalonita, een Idumeër, de eerste vreemde koning.
[^mattheus-2-1-3]: Kanttekening 3: Grieks: magi (μάγοι). Zo werden bij de Perzen en Meden genaamd de geleerden in allerlei wetenschappen, en voornamelijk in de loop van de hemel. Die wel bij hen in groot aanzien waren; maar dat zij koningen zouden geweest zijn, is niet gelooflijk, gelijk hunne benamingen en al de omstandigheden uitwijzen.
[^mattheus-2-1-4]: Kanttekening 4: Deze worden gezegd van het oosten gekomen te zijn, omdat deze landen oostwaarts van Judea gelegen waren.
[^mattheus-2-4-5]: Kanttekening 5: Deze waren de hoofden van de ordeningen van de priesters, uit Eleazars en Ithamars geslacht, en waren vier en twintig in getal, 1 Kron. 24:4 , en 2 Kron. 36:14 , van welke alleen de hogepriester het opperhoofd was. 1 Kronieken 24:4 : En van de kinderen van Eleazar werden meer gevonden tot hoofden van de mannen, dan van de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden van de vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht. 2 Kronieken 36:14 : Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van YHWH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
[^mattheus-2-4-6]: Kanttekening 6: schriftgeleerden van het volk: Anders, wetgeleerden, gelijk blijkt uit de vergelijking Matt. 22:25 met Mark. 12:28 . Hun ambt was de Schriften van Mozes en van de profeten het volk uit te leggen. Zie Ezra 7:6 en Matt. 13:52 . Uit deze en de overpriesters tezamen bestond de hoogste kerkelijke vergadering van de Joden. Mattheüs 22:25 : Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en omdat hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broer. Marcus 12:28 : En één van de Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle? Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. Mattheüs 13:52 : En Hij zei tot hen: Daarom, iedere Schriftgeleerde, in het Koninkrijk van de hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer van het huis, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
[^mattheus-2-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, vernam.
[^mattheus-2-6-b]: Verwijzing b: Micha 5:1 ; Joh. 7:42 . Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit de zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
[^mattheus-2-6-8]: Kanttekening 8: Het woord in geen geval staat bij Micha 5:1 niet, maar wordt uit de zin daarbij gedaan. Want hoewel Bethlehem in grootte onder de kleinste steden was, nochtans was het niet het minste in waarde en achting, omdat David daaruit was gesproten, Joh. 7:42 , en Christus daaruit zou voortkomen. En daarom lezen sommigen in de grondtekst bij Micha bent u de minste? Maar zie hiervan breder de aantekening op Micha 5:1 . Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit de zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was? Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid.
[^mattheus-2-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, oversten over duizend, Micha 5:1.
[^mattheus-2-6-10]: Kanttekening 10: mijn volk Israël weiden zal: Dat is, de gemeente van de gelovigen, welke Hij met zijn Woord en Geest regeren zal, als een hemels koning. Zie Rom. 9:6 , en Gal. 6:16 . Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^mattheus-2-9-11]: Kanttekening 11: ging hun voor: Hieruit blijkt dat zij geen gewone ster van de hemel geweest is, maar een bijzonder geschapen licht, gelijk de vuurkolom was, die de kinderen van Israël door de woestijn leidde.
[^mattheus-2-11-12]: Kanttekening 12: Anders, zagen.
[^mattheus-2-11-13]: Kanttekening 13: goud en wierook en mirre: Dit waren de kostelijkste dingen, die in hun land gevonden werden.
[^mattheus-2-15-c]: Verwijzing c: Hosea 11:1 . Hosea 11:1 : Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
[^mattheus-2-15-14]: Kanttekening 14: Uit Egypte: Hoewel deze plaats, Hos. 11:1 , van de verlossing van het volk van Israël uit Egypte ook verstaan wordt, nochtans moest hetzelfde mee in Christus, als het hoofd van dit volk vervuld worden. Hosea 11:1 : Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
[^mattheus-2-16-15]: Kanttekening 15: Grieks: bespot; namelijk naar zijn mening. Want eigenlijk hebben de wijzen hem noch bedrogen noch bespot.
[^mattheus-2-16-16]: Kanttekening 16: omgebracht al de kinderen: Deze schrikkelijke kindermoord wordt ook door Macrobio, een heidens schrijver, verhaald, Saturnal.lib. 2, cap. 4.
[^mattheus-2-17-17]: Kanttekening 17: door de profeet: Sommige Griekse boeken hebben hier ook deze woorden: van de Heer.
[^mattheus-2-18-d]: Verwijzing d: Jer. 31:15 . Jeremia 31:15 : Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
[^mattheus-2-18-18]: Kanttekening 18: in Rama: Zie hiervan de uitlegging Jer. 31:15 . Jeremia 31:15 : Zo zegt YHWH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
[^mattheus-2-18-19]: Kanttekening 19: Omdat Rachel daaromtrent begraven was, Gen. 35:19 , zo worden alhier door haar verstaan de moeders van Bethlehem en daaromtrent. Genesis 35:19 : Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem.
[^mattheus-2-20-20]: Kanttekening 20: de ziel: Dat is, leven. Zie Ex. 4:19 , dat is, die naar zijn leven stonden om dat te benemen. Anders wordt deze wijze van spreken ook in het goede genomen, Spreuk. 29:10 . Exodus 4:19 : Ook zei YHWH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. Spreuken 29:10 : Bloedgierige mensen haten de vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
[^mattheus-2-23-e]: Verwijzing e: Jes. 11:1 ; Jes. 60:21 ; Zach. 6:12 . Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jesaja 60:21 : En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. Zacharia 6:12 : En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal van YHWH tempel bouwen.
[^mattheus-2-23-21]: Kanttekening 21: dat Hij Nazarener zal geheten worden: Dit ziet of op de plaats Richt. 13:5 , 13:7 , waar Simson als een voorbeeld van Christus gezegd wordt: Hij zal een nazireër, dat is verloofde Gods, zijn; of, wat het waarschijnlijkst is, Jes. 11:1 , en Jes. 60:21 , waar Christus netzer , dat is, een spruit genaamd wordt, van welk woord de stad Nazareth haar naam heeft. God heeft gewild dat Christus, bij gelegenheid van deze zijn woonplaats Nazarenus zou genaamd worden, als een spruit, die uit zijn plaats voor zijn Vader opwast, Jes. 53:2 ; Jer. 23:5 , en Jes. 33:15 ; Zach. 6:12 . Richteren 13:5 : Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Richteren 13:7 : Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag zijns doods. Jesaja 11:1 : Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Jesaja 60:21 : En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. Jesaja 53:2 : Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jesaja 33:15 : Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die de winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie; Zacharia 6:12 : En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen.

### Mattheüs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/3.json)

*1 Johannes de Doper predikt bekering. 3 Zijn ambt, kleding en voedsel. 5 Hij heeft grote toeloop. 6 Hij doopt. 7 Hij bestraft de Farizeeën en Sadduceeën. 11 Hij wijst op de waardigheid van de persoon en de doop van Christus. 13 Hij doopt Christus, van Wie uit de hemel betuigd wordt dat Hij de geliefde Zoon van God is.*

**1** [^mattheus-3-1-1] En in die dagen[^mattheus-3-1-a] kwam[^mattheus-3-1-2] Johannes de Doper, predikende in de[^mattheus-3-1-3] woestijn van Judea, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v1)

**2** En zeggende: Bekeer u; want[^mattheus-3-2-4] het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v2)

**3** Want deze is het, van die gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende:[^mattheus-3-3-b] De stem van de roependen in de woestijn:[^mattheus-3-3-5] Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden recht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v3)

**4** En dezelfde Johannes had zijn[^mattheus-3-4-6] kleding[^mattheus-3-4-c] van kameelhaar, en een leren gordel om zijn middel; en zijn voedsel was[^mattheus-3-4-7] sprinkhanen en wilde honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v4)

**5** Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het hele land rondom de Jordaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v5)

**6** [^mattheus-3-6-d] En werden van hem gedoopt in de Jordaan,[^mattheus-3-6-8] belijdende hun zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v6)

**7** Hij dan, ziende[^mattheus-3-7-e] velen van de[^mattheus-3-7-9] Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen:[^mattheus-3-7-f] U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v7)

**8** [^mattheus-3-8-g] Breng dan vruchten voort, van de[^mattheus-3-8-10] bekering waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v8)

**9** En denk niet bij u zelf te zeggen:[^mattheus-3-9-h] Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v9)

**10** En ook is al[^mattheus-3-10-11] de bijl aan de wortel van de bomen[^mattheus-3-10-i] gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v10)

**11** Ik doop u wel[^mattheus-3-11-12] met water tot bekering;[^mattheus-3-11-k] maar Die[^mattheus-3-11-13] na mij komt, is sterker dan ik,[^mattheus-3-11-14] Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen;[^mattheus-3-11-15] Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v11)

**12** Wiens[^mattheus-3-12-16] wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn[^mattheus-3-12-17] tarwe in Zijn[^mattheus-3-12-18] schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v12)

**13** [^mattheus-3-13-l] Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v13)

**14** Maar Johannes[^mattheus-3-14-19] weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt U tot mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v14)

**15** Maar Jezus, antwoordende, zei tot hem:[^mattheus-3-15-20] Laat nu af; want zo past ons[^mattheus-3-15-21] alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v15)

**16** En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag[^mattheus-3-16-m] de Geest van God nederdalen,[^mattheus-3-16-22] zoals een duif, en op Hem komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v16)

**17** [^mattheus-3-17-23] En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende:[^mattheus-3-17-n] Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/3.html#v17)

[^mattheus-3-1-1]: Kanttekening 1: En in die dagen: Namelijk in het vijftiende jaar van de keizer Tiberius, toen Christus omtrent dertig jaren oud was; Luk. 3:1 , 3:23 . Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; Lukas 3:23 : En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli,
[^mattheus-3-1-a]: Verwijzing a: Mark. 1:4 ; Lukas 3:3 . Marcus 1:4 : Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. Lukas 3:3 : En hij kwam in al het omliggende land van de Jordaan, predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden.
[^mattheus-3-1-2]: Kanttekening 2: Johannes de Doper: Van Johannes, van zijn ouders, geboorte en ambt, zie Luk. 1 , en Joh. 1. Hij wordt genaamd Doper, omdat hij de eerste is geweest, die de doop heeft bediend uit Gods bevel in het Nieuwe Testament. Zie Matt. 21:25; Joh. 1:33 . Johannes 1:33 : En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt.
[^mattheus-3-1-3]: Kanttekening 3: Niet zulk een wildernis waar geen mensen woonden, maar een woest land van bossen en gebergten waar Zacharias, de vader van Johannes, woonde, Luk. 1:39 , waarin zes steden geteld worden, Joz. 15:61 , 15:62 , die dan ook haar dorpen of gehuchten gehad hebben. Lukas 1:39 : En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda; Jozua 15:61 : In de woestijn: Beth-Araba, Middin en Sechacha, Jozua 15:62 : En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.
[^mattheus-3-2-4]: Kanttekening 4: het koninkrijk van de hemelen: Dat is, de oprichting en verbreiding van de gemeente van God, door de predikatie van het Evangelie, ten tijde van de komst van de Messias.
[^mattheus-3-3-b]: Verwijzing b: Jes. 40:3 ; Mark. 1:3 ; Lukas 3:4 ; Joh. 1:23 . Jesaja 40:3 : Een stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Marcus 1:3 : De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht. Lukas 3:4 : Gelijk geschreven is in het boek van de woorden van Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht! Johannes 1:23 : Hij zei: Ik ben de stem van de roependen in de woestijn: Maakt de weg van de Heer recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
[^mattheus-3-3-5]: Kanttekening 5: Bereidt de weg van de Heer: Een gelijkenis, genomen van een prins of koning, tegen wiens komst de wegen bereid en geëffend worden.
[^mattheus-3-4-6]: Kanttekening 6: kleding van kemelshaar: Zodanige ruige kleren droegen eertijds de profeten in het Oude Testament. Zie Zach. 13:4 ; Hebr. 11:37 , gelijk van Elia in het bijzonder betuigd wordt, 2 Kon. 1:8 , in wiens geest en kracht Johannes de Doper gekomen was; Mal. 4:5 ; Luk. 1:17 . Zacharia 13:4 : En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, iedereen vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen. Hebreeën 11:37 : Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; 2 Koningen 1:8 : En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal. Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^mattheus-3-4-c]: Verwijzing c: Mark. 1:6 . Marcus 1:6 : En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een leren gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
[^mattheus-3-4-7]: Kanttekening 7: sprinkhanen en wilde honing: De sprinkhanen zijn in die landen groot en veel, en worden daar onder de geringe mensen gegeten, gelijk zij ook onder de reine spijzen gesteld worden; Lev. 11:22 . Leviticus 11:22 : Van die zult u deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en de hargol naar zijn aard, en de hagab naar zijn aard.
[^mattheus-3-6-d]: Verwijzing d: Mark. 1:5 . Marcus 1:5 : En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.
[^mattheus-3-6-8]: Kanttekening 8: belijdende hun zonden: Deze belijdenis van de zonden is geen oorbiecht geweest, daar denzelve voor de doop, in het algemeen en in het openbaar geschiedde.
[^mattheus-3-7-e]: Verwijzing e: Lukas 3:7 . Lukas 3:7 : Hij zei dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: U adderengebroed, wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn?
[^mattheus-3-7-9]: Kanttekening 9: Farizeën en Sadduceën: Farizeën en Sadduceën zijn geweest twee sekten onder de Joden, gelijk er nog een derde was van de Esseën. Zie van denzelve de historieschrijver Josefus Antiq. l. 18,c. 2, de bello Iud.l.
[^mattheus-3-7-f]: Verwijzing f: Matt. 12:34 ; Matt. 23:33 . Mattheüs 12:34 : U adderengebroed! hoe kunt u goede dingen spreken, daar u boos bent? want uit de overvloed van de harten spreekt de mond. Mattheüs 23:33 : U slangen, u adderengebroed! hoe zoudt u de helse verdoemenis ontvluchten?
[^mattheus-3-8-g]: Verwijzing g: Lukas 3:8 . Lukas 3:8 : Brengt dan vruchten voort van de bekering waard; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
[^mattheus-3-8-10]: Kanttekening 10: Dat is, passend, of met de ware bekering overeenkomende.
[^mattheus-3-9-h]: Verwijzing h: Joh. 8:39 . Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen.
[^mattheus-3-10-11]: Kanttekening 11: de bijl aan de wortel van de bomen gelegd: De straf Gods is nakende, niettegenstaande u roemt afkomstig te zijn van Abraham, tenzij u Abrahams werken doet; Joh. 8:39 . Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen.
[^mattheus-3-10-i]: Verwijzing i: Matt. 7:19 ; Joh. 15:6 . Mattheüs 7:19 : Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Johannes 15:6 : Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, zoals de rank, en is verdord; en men vergadert dezelfde, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
[^mattheus-3-11-12]: Kanttekening 12: met water tot bekering: Grieks: in het water (μετάνοια).
[^mattheus-3-11-k]: Verwijzing k: Mark. 1:7 ; Lukas 3:16 ; Joh. 1:15 ; idem v. 26 ; Hand. 1:5 ; Hand. 11:16 ; Hand. 19:4 . Marcus 1:7 : En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben, neerbuigend, de riem Zijn schoenen te ontbinden. Lukas 3:16 : Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben de riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur; Johannes 1:15 : Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welke ik zei: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik. Johannes 1:26 : Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; Handelingen 1:5 : Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Handelingen 11:16 : En ik werd gedachtig aan het woord van de Heer, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult gedoopt worden met de Heilige Geest. Handelingen 19:4 : Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.
[^mattheus-3-11-13]: Kanttekening 13: die na mij komt: Of achter mij, Joh. 1:15 , 1:27 . Johannes 1:15 : Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welke ik zei: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik. Johannes 1:27 : Dezelfde is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
[^mattheus-3-11-14]: Kanttekening 14: wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen: Dat is, de allerminste of slechtste dienst te doen.
[^mattheus-3-11-15]: Kanttekening 15: die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen: Johannes onderscheidt hier zijn uiterlijken doop van de inwendige doop van Christus, waarmee Hij onze harten door zijn Geest zuivert, gelijk het vuur de metalen van alle schuim en onreinheden. Zie dergelijke Joh. 3:5 , en Hand. 1:5 , en Hand. 2:4 . Johannes 3:5 : Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan. Handelingen 1:5 : Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Handelingen 2:4 : En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
[^mattheus-3-12-16]: Kanttekening 16: wan in zijne hand is: Grieks: werpschup (χείρ); waarmee men het graan omwerpt om van het kaf te zuiveren, dat bij ons door de wan geschiedt.
[^mattheus-3-12-17]: Kanttekening 17: Of, koren, gelijk hierna dikwijls.
[^mattheus-3-12-18]: Kanttekening 18: schuur samenbrengen: Anders, korenzolder; of plaats waar iets weggelegd wordt om te bewaren.
[^mattheus-3-13-l]: Verwijzing l: Mark. 1:9 ; Lukas 3:21 . Marcus 1:9 : En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan. Lukas 3:21 : En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;
[^mattheus-3-14-19]: Kanttekening 19: weigerde Hem zeer: Dat is, verhinderde Hem zeer, of stelde zich daar zeer tegen, zo met woorden als anders.
[^mattheus-3-15-20]: Kanttekening 20: Laat nu af: Namelijk om mij zulks te verhinderen.
[^mattheus-3-15-21]: Kanttekening 21: alle gerechtigheid: Dat is, al wat God ingesteld en bevolen heeft om Hem volkomen gehoorzaamheid te bewijzen.
[^mattheus-3-16-m]: Verwijzing m: Jes. 11:2 ; Jes. 42:1 ; Joh. 1:32 . Jesaja 11:2 : En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van de verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Johannes 1:32 : En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.
[^mattheus-3-16-22]: Kanttekening 22: gelijk een duif: Dat is, in lichamelijke gedaante gelijk een duif, Luk. 8:22 (?), in hoedanig een gedaante de Heilige Geest, die overal tegenwoordig is, zich hier op Christus heeft willen openbaren, om zijn onschuld, zachtmoedigheid, vriendelijkheid en oprechtheid te kennen te geven. Lukas 8:22 : En het geschiedde in één van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zei tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.
[^mattheus-3-17-23]: Kanttekening 23: En zie, ene stem uit de hemelen: Hier is een klaar getuigenis van de drie onderscheidene personen in het enig goddelijk wezen; de Vader, die spreekt uit de hemel, de Zoon, van wie Hij spreekt, en de Heilige Geest, die neerdaalt.
[^mattheus-3-17-n]: Verwijzing n: Jes. 42:1 ; Matt. 12:18 ; Matt. 17:5 ; Lukas 9:35 ; Kolos. 1:13 ; 2 Petr. 1:17 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Mattheüs 12:18 : Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik gekozen heb, Mijn Beminde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel de heidenen verkondigen. Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Lukas 9:35 : En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.

### Mattheüs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/4.json)

*1 Nadat Christus veertig dagen in de woestijn gevast heeft, wordt Hij door de duivel verzocht. 11 Daarna wordt Hij door de engelen gediend. 12 Hij verlaat Nazareth en gaat in Kapernaüm wonen. 17 Hij begint te prediken. 18 Hij roept Petrus en Andreas. 21 Jakobus en Johannes, die alles verlaten en Hem volgen. 23 Trekkend door Galilea onderwijst Hij in de synagogen en geneest allerlei ziekten.*

**1** [^mattheus-4-1-1] Toen[^mattheus-4-1-a] werd Jezus[^mattheus-4-1-2] van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de[^mattheus-4-1-3] duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v1)

**2** En als Hij veertig dagen en veertig nachten[^mattheus-4-2-4] gevast had, hongerde Hem ten laatste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v2)

**3** En de[^mattheus-4-3-5] verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zei: Als U[^mattheus-4-3-6] Gods Zoon bent, zeg, dat deze stenen broden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v3)

**4** Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven:[^mattheus-4-4-b] De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle[^mattheus-4-4-7] woord, dat door de mond van God uitgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v4)

**5** Toen nam Hem de duivel mee naar de[^mattheus-4-5-8] heilige stad, en stelde Hem op de[^mattheus-4-5-9] tinne van de tempel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v5)

**6** En zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf naar beneden; want er is geschreven,[^mattheus-4-6-c] dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v6)

**7** Jezus zei tot hem: Er is opnieuw geschreven: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.[^mattheus-4-7-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v7)

**8** Opnieuw nam Hem de duivel mee op een zeer hoge berg, en[^mattheus-4-8-10] toonde Hem al de koninkrijken van de wereld, en hun heerlijkheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v8)

**9** En zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U, nedervallende, mij zult aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v9)

**10** Toen zei Jezus tot hem: Ga weg,[^mattheus-4-10-11] satan, want er staat geschreven:[^mattheus-4-10-e] De Heere, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v10)

**11** Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de[^mattheus-4-11-12] engelen zijn toegekomen, en dienden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v11)

**12** Als nu Jezus gehoord had, dat[^mattheus-4-12-f] Johannes[^mattheus-4-12-13] overgeleverd was, is Hij teruggekeerd[^mattheus-4-12-g] naar Galilea; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v12)

**13** En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in het gebied van Zebulon en Nafthali; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v13)

**14** Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v14)

**15** [^mattheus-4-15-h] Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee[^mattheus-4-15-14] over de Jordaan, Galilea van[^mattheus-4-15-15] de volken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v15)

**16** Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, dezelfde is een licht opgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v16)

**17** Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen:[^mattheus-4-17-i] Bekeer u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v17)

**18** [^mattheus-4-18-k] En Jezus, wandelende aan de[^mattheus-4-18-16] zee van Galilea, zag twee broers, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer, het[^mattheus-4-18-17] net in de zee werpende (want zij waren vissers); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v18)

**19** En Hij zei tot hen:[^mattheus-4-19-18] Volg Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v19)

**20** Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v20)

**21** En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v21)

**22** Zij dan, meteen verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v22)

**23** En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun[^mattheus-4-23-19] synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende[^mattheus-4-23-20] alle ziekte en alle kwalen onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v23)

**24** En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en[^mattheus-4-24-21] pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en[^mattheus-4-24-22] maanzieken en[^mattheus-4-24-23] geraakten; en Hij genas hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v24)

**25** En vele[^mattheus-4-25-24] menigten volgden Hem na, van Galilea en van[^mattheus-4-25-25] Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/4.html#v25)

[^mattheus-4-1-1]: Kanttekening 1: werd Jezus: Meteen nadat Hij gedoopt was. Mark. 1:12 . Marcus 1:12 : En meteen dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
[^mattheus-4-1-a]: Verwijzing a: Mark. 1:12 ; Lukas 4:1 . Marcus 1:12 : En meteen dreef Hem de Geest uit in de woestijn. Lukas 4:1 : En Jezus, vol van de Heiligen Geestes, keerde opnieuw van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn;
[^mattheus-4-1-2]: Kanttekening 2: van de Geest weggeleid: Dat is, door de drijving van de Heilige Geest, die op Hem nedergedaald was. Zie Luk. 4:1 . Of, van die Geest. Lukas 4:1 : En Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde opnieuw van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn;
[^mattheus-4-1-3]: Kanttekening 3: Dit woord komt van het Griekse Diabolos (διάβολος), dat een lasteraar en vals beschuldiger is te zeggen. Zie Openb. 12:9 , 12:10 . Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broers, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen.
[^mattheus-4-2-4]: Kanttekening 4: Dit is een wonderbaar vasten geweest zonder eten en drinken, gelijk ook geweest is het vasten van Mozes, Ex. 34:28 , en van Elias, 1 Kon. 19:8 , dat daarom door ons, alsook de andere wonderen van Christus, niet kan nagevolgd worden. Exodus 34:28 : En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden. 1 Koningen 19:8 : Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht van dat voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb.
[^mattheus-4-3-5]: Kanttekening 5: Zo wordt de duivel genaamd, omdat hij de mensen zoekt te brengen tot zonden en afval. Zie Gen. 3 .
[^mattheus-4-3-6]: Kanttekening 6: Gods Zoon: Namelijk gelijk de vorige stem in uw doop betuigde.
[^mattheus-4-4-b]: Verwijzing b: Deut. 8:3 . Deuteronomium 8:3 : En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat.
[^mattheus-4-4-7]: Kanttekening 7: woord, dat door de mond van God uitgaat: Dat is, van alle dingen, die God gelieft kracht te geven en te gebruiken tot voedsel en versterking van de mensen.
[^mattheus-4-5-8]: Kanttekening 8: heilige stad: Dat is, Jeruzalem; zo wordt zij genaamd, omdat God daar zijn dienst en heiligdom geplant had.
[^mattheus-4-5-9]: Kanttekening 9: tinne van de tempel: Grieks: vlerk (ἱερόν), of vleugel. Zo wordt genaamd een opgaande kant, die als een leuning of balie rondom het platte dak van de tempel gemaakt was, om te verhinderen dat iemand lichtelijk zou afvallen. Zie Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^mattheus-4-6-c]: Verwijzing c: Ps. 91:11 ; idem v. 12 ; Ps. 91:11 . Psalmen 91:11 : Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. Psalmen 91:12 : Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot. Psalmen 91:11 : Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
[^mattheus-4-7-d]: Verwijzing d: Deut. 6:16 . Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^mattheus-4-8-10]: Kanttekening 10: toonde Hem al de koninkrijken van de wereld: Namelijk òf in enig schijnsel, òf ook de gewesten derzelve aanwijzende, en met woorden hunne heerlijkheid verhalende.
[^mattheus-4-10-11]: Kanttekening 11: Dat is, tegenstrijder, tegenstander, of hater. Zo wordt de duivel genaamd omdat hij de vijand van de mensen is. Zie 1 Petr. 5:8 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^mattheus-4-10-e]: Verwijzing e: Deut. 6:13 ; Deut. 10:20 . Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. Deuteronomium 10:20 : De YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.
[^mattheus-4-11-12]: Kanttekening 12: engelen zijn toegekomen: Dat is, zendboden. Zo worden de goede geesten genaamd, omdat zij van God uitgezonden worden om zijn bevelen uit te richten. Zie Ps. 103:20 , en Hebr. 1:14 . Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^mattheus-4-12-f]: Verwijzing f: Mark. 1:14 ; Lukas 4:14 . Marcus 1:14 : En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk van God. Lukas 4:14 : En Jezus keerde opnieuw, door de kracht van de Geest, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.
[^mattheus-4-12-13]: Kanttekening 13: overgeleverd was: Namelijk in de gevangenis. Zie Matt. 14 .
[^mattheus-4-12-g]: Verwijzing g: Lukas 4:16 ; idem v. 31 ; Joh. 4:43 . Lukas 4:16 : En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen. Lukas 4:31 : En Hij kwam af te Kapernaum, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen. Johannes 4:43 : En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
[^mattheus-4-15-h]: Verwijzing h: Jes. 8:23 ; Jes. 9:1 . Jesaja 8:23 : Maar het land, dat benauwd was, zal niet geheel verduisterd worden; gelijk als Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, zo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar de weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea van de heidenen. Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen.
[^mattheus-4-15-14]: Kanttekening 14: over de Jordaan: Anders, omtrent, of naast.
[^mattheus-4-15-15]: Kanttekening 15: Of, van de heidenen; want het Griekse woord betekent beiden, en wordt ook van het Joodse volk gebruikt, Luk. 7:5 . Dit deel van Galilea wordt zo genaamd, òf omdat het zeer volkrijk was, Deut. 33:23 , òf omdat het grensde aan de palen van Tyrus en Sidon, die heidense steden waren. Lukas 7:5 : Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. Deuteronomium 33:23 : En van Nafthali zei hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van de zegen van YHWH; bezit erfelijk het westen en het zuiden.
[^mattheus-4-17-i]: Verwijzing i: Mark. 1:15 . Marcus 1:15 : En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk van God nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
[^mattheus-4-18-k]: Verwijzing k: Mark. 1:16 . Marcus 1:16 : En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broer, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
[^mattheus-4-18-16]: Kanttekening 16: de zee van Galilea: Deze zee was een groot binnenlands meer; want de Hebreën noemen alle grote vergaderingen van wateren, zeeën. Het wordt anders ook genaamd de zee van Gennesareth, en de zee van Tiberias, omdat deze plaatsen aan de zee gelegen waren.
[^mattheus-4-18-17]: Kanttekening 17: net in de zee werpende: Grieks: werpnet (θάλασσα).
[^mattheus-4-19-18]: Kanttekening 18: Volgt Mij na: Of, komt herwaarts achter mij. Joh. 1:35 wordt gezegd dat zij al vóór de gevangenneming van Johannes tot Christus zijn gekomen, maar als discipelen; maar hier worden zij geroepen tot apostelen. Johannes 1:35 : Des anderen daags opnieuw stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.
[^mattheus-4-23-19]: Kanttekening 19: Dit waren plaatsen of gebouwen, in welke in alle steden de vergaderingen van de Joden werden gehouden, en de wet van Mozes op alle sabbaten voorgelezen en verklaard. Zie Hand. 15:21 . Handelingen 15:21 : Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen.
[^mattheus-4-23-20]: Kanttekening 20: alle ziekte en alle kwaal: Dat is, allerlei kwalen of zwakheid, wekelijkheid.
[^mattheus-4-24-21]: Kanttekening 21: Dat is, zodanige ziekten, die de mens grote weedom aandoen en als pijnigen.
[^mattheus-4-24-22]: Kanttekening 22: Deze schijnen degenen te zijn, die de vallende ziekte hebben, gelijk nader blijkt uit Matt. 17:15 . Mattheüs 17:15 : Heer! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water.
[^mattheus-4-24-23]: Kanttekening 23: Of, lammen, beroerden.
[^mattheus-4-25-24]: Kanttekening 24: scharen volgden Hem na: Dat is, hopen of menigten volks, waarvan komt heirschaar, vierschaar, enz.
[^mattheus-4-25-25]: Kanttekening 25: Het was een land, zo in het Grieks genaamd, omdat er tien steden in gelegen waren. Zie Plin.lib. 5.cap. 18.

### Mattheüs 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/5.json)

*1 Christus onderwijst op de berg welke mensen gelukzalig zijn. 13 Hij vergelijkt Zijn discipelen met zout, licht en een stad op een berg. 17 Hij verklaart dat Hij gekomen is om de wet te vervullen. 21 Hij weerspreekt de verkeerde uitleg van de ouden van het zesde gebod. 27 Over het zevende gebod en over de scheidbrief. 33 Over het zweren van eden. 38 Over weerwraak. 40 Hij gebiedt verdraagzaamheid, 42 weldadigheid en oprechte liefde, ook tegen de vijanden.*

**1** En Jezus, de menigte ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v1)

**2** En Zijn mond[^mattheus-5-2-1] geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v2)

**3** [^mattheus-5-3-a] Zalig zijn de[^mattheus-5-3-2] armen van geest; want van hun is het Koninkrijk van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v3)

**4** [^mattheus-5-4-b] Zalig zijn die[^mattheus-5-4-3] treuren; want zij zullen vertroost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v4)

**5** [^mattheus-5-5-c] Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aarde beërven.[^mattheus-5-5-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v5)

**6** [^mattheus-5-6-d] Zalig zijn die[^mattheus-5-6-5] hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v6)

**7** Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid bewezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v7)

**8** [^mattheus-5-8-e] Zalig zijn de[^mattheus-5-8-6] reinen van hart; want zij zullen[^mattheus-5-8-7] God zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v8)

**9** Zalig zijn de[^mattheus-5-9-8] vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen[^mattheus-5-9-9] genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v9)

**10** [^mattheus-5-10-f] Zalig zijn die vervolgd worden[^mattheus-5-10-10] omwille van de gerechtigheid; want van hun is het Koninkrijk van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v10)

**11** Zalig bent u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende[^mattheus-5-11-11] alle[^mattheus-5-11-12] kwaad[^mattheus-5-11-13] tegen u spreken,[^mattheus-5-11-g] om Mijnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v11)

**12** [^mattheus-5-12-h] Verblijd en verheugt u; want uw[^mattheus-5-12-14] loon[^mattheus-5-12-15] is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die[^mattheus-5-12-16] voor u geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v12)

**13** [^mattheus-5-13-i] U bent het[^mattheus-5-13-17] zout van de aarde; als nu het zout[^mattheus-5-13-18] smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v13)

**14** U bent het[^mattheus-5-14-19] licht van de wereld; een stad boven op een berg liggend, kan niet verborgen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v14)

**15** [^mattheus-5-15-k] Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een[^mattheus-5-15-20] korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v15)

**16** [^mattheus-5-16-l] Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is,[^mattheus-5-16-21] verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v16)

**17** Denk niet, dat Ik gekomen ben, om[^mattheus-5-17-22] de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te[^mattheus-5-17-23] vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v17)

**18** Want voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-5-18-m] Totdat de hemel en de aarde[^mattheus-5-18-24] voorbijgaan, zal er niet één[^mattheus-5-18-25] jota noch[^mattheus-5-18-26] één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v18)

**19** [^mattheus-5-19-n] Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen zo zal geleerd hebben, die zal de[^mattheus-5-19-27] minste genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen; maar zo wie dezelfde zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v19)

**20** Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeën, dat u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval zult ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v20)

**21** U hebt gehoord, dat[^mattheus-5-21-28] tot de ouden gezegd is:[^mattheus-5-21-o] U zult niet doden; maar zo wie doodt, die[^mattheus-5-21-29] zal strafbaar zijn door het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v21)

**22** Maar Ik zeg u: Zo wie[^mattheus-5-22-30] te onrecht op zijn broeder boos is, die zal strafbaar zijn[^mattheus-5-22-31] door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt:[^mattheus-5-22-32] Raka! die zal strafbaar zijn door[^mattheus-5-22-33] de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door[^mattheus-5-22-34] het helse vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v22)

**23** Zo u dan uw gave zult op het[^mattheus-5-23-35] altaar offeren, en daar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v23)

**24** Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v24)

**25** [^mattheus-5-25-p] Wees haastig[^mattheus-5-25-36] welgezind tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem op de weg bent; opdat de tegenpartij niet misschien u de rechter overlevere, en de rechter u de dienaar overlevere, en u in de gevangenis geworpen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v25)

**26** Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar in geen geval uitkomen, voordat u de laatste[^mattheus-5-26-37] penning zult betaald hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v26)

**27** U hebt gehoord, dat van de oude gezegd is:[^mattheus-5-27-q] U zult geen overspel doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v27)

**28** Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw[^mattheus-5-28-r] aan ziet, daarom[^mattheus-5-28-38] te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v28)

**29** [^mattheus-5-29-s] Als dan uw[^mattheus-5-29-39] rechteroog u[^mattheus-5-29-40] doet struikelen,[^mattheus-5-29-41] trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat één van uw leden verga, en niet uw hele lichaam in de hel geworpen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v29)

**30** En als uw rechterhand u doet struikelen, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat één van uw leden verga, en niet uw hele lichaam in de hel geworpen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v30)

**31** Er is ook gezegd:[^mattheus-5-31-t] Zo wie zijn vrouw[^mattheus-5-31-42] verlaten zal, die geve haar een[^mattheus-5-31-43] scheidbrief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v31)

**32** [^mattheus-5-32-v] Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan wegens hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v32)

**33** Opnieuw hebt u gehoord, dat van de oude gezegd is:[^mattheus-5-33-x] U zult[^mattheus-5-33-44] de eed niet breken, maar u zult de Heere[^mattheus-5-33-45] uw eden houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v33)

**34** Maar Ik zeg u:[^mattheus-5-34-y] Zweer[^mattheus-5-34-46] geheel niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v34)

**35** Noch bij de aarde,[^mattheus-5-35-z] omdat zij is de voetbank van Zijn voeten; noch bij[^mattheus-5-35-a] Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v35)

**36** Noch bij uw hoofd zult u zweren, omdat u niet één haar kunt wit of zwart maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v36)

**37** Maar laat zijn uw woord[^mattheus-5-37-47] ja, ja; neen, neen; wat[^mattheus-5-37-48] boven deze is, dat is uit de boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v37)

**38** U hebt gehoord, dat[^mattheus-5-38-b] gezegd is:[^mattheus-5-38-49] Oog om oog, en tand om tand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v38)

**39** Maar Ik zeg u,[^mattheus-5-39-c] dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat,[^mattheus-5-39-50] keert hem ook de andere toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v39)

**40** En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook de mantel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v40)

**41** En zo wie u zal[^mattheus-5-41-51] dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v41)

**42** [^mattheus-5-42-d] Geef degene, die iets van u[^mattheus-5-42-52] bidt, en keert u niet af van degene, die van u lenen wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v42)

**43** U hebt gehoord, dat er gezegd is:[^mattheus-5-43-e] U zult uw naaste liefhebben, en[^mattheus-5-43-53] uw vijand zult u haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v43)

**44** Maar Ik zeg u:[^mattheus-5-44-f] Heb uw vijanden lief; zegen ze, die u vervloeken; doe wel van hen, die u haten; en[^mattheus-5-44-g] bidt voor degenen, die u[^mattheus-5-44-54] geweld doen, en die u vervolgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v44)

**45** Opdat u mag kinderen[^mattheus-5-45-55] zijn van uw Vader, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v45)

**46** [^mattheus-5-46-h] Want als u[^mattheus-5-46-56] liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v46)

**47** En als u uw broeders alleen[^mattheus-5-47-57] groet, wat doet u boven anderen? Doen ook niet de tollenaars zo? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v47)

**48** Wees dan u volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/5.html#v48)

[^mattheus-5-2-1]: Kanttekening 1: Een Hebreeuwse wijze van spreken, als iemand met ernst en vrijmoedigheid tot onderwijzing van anderen voorbedachtelijk begint te spreken. Zie Job 33:2 ; Hand. 8:35 . Job 33:2 : Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. Handelingen 8:35 : En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.
[^mattheus-5-3-a]: Verwijzing a: Lukas 6:20 . Lukas 6:20 : En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zei: Zalig zijt u, armen, want uw is het Koninkrijk van God.
[^mattheus-5-3-2]: Kanttekening 2: armen van geest: Dat is, nederigen en gebrokenen van hart, die hun nietigheid verstaande, een klein gevoel van zichzelven hebben, steunende alleen op de genade van God in Christus Jezus; Ps. 51:19 ; Jes. 57:16 . Psalmen 51:19 : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten. Jesaja 57:16 : Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet geduriglijk toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.
[^mattheus-5-4-b]: Verwijzing b: Lukas 6:21 . Lukas 6:21 : Zalig zijt u, die nu hongert; want u zult verzadigd worden. Zalig zijt u, die nu weent; want u zult lachen.
[^mattheus-5-4-3]: Kanttekening 3: Dat is, die over de zonden bedroefd zijn; van welke droefenis ook gesproken wordt 1 Kor. 5:2 , en 2 Kor. 7:9 , tegen welke gesteld worden die in alle weelde en vreugde leven; Luk. 16:19 , 16:25 . 1 Korinthiërs 5:2 : En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? 2 Korinthiërs 7:9 : Nu verblijde ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering; want u bent bedroefd geweest naar God, zodat u in geen ding schade van ons geleden hebt. Lukas 16:19 : En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig. Lukas 16:25 : Maar Abraham zei: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten.
[^mattheus-5-5-c]: Verwijzing c: Ps. 37:11 . Psalmen 37:11 : De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.
[^mattheus-5-5-4]: Kanttekening 4: Dat is, in vrede bezitten; welke belofte wel het tegenwoordige leven betreft, maar in het bijzonder wordt hier verstaan wat vervuld zal worden in het toekomende leven. Zie Psalm 37:11 . Psalmen 37:11 : De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.
[^mattheus-5-6-d]: Verwijzing d: Jes. 55:1 . Jesaja 55:1 : O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
[^mattheus-5-6-5]: Kanttekening 5: dorsten naar de gerechtigheid: Dat is, die met grote begeerte verlangen en trachten naar de ware gerechtigheid in Christus.
[^mattheus-5-8-e]: Verwijzing e: Ps. 15:2 ; Ps. 24:4 ; Hebr. 12:14 . Psalmen 15:2 : Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; Psalmen 24:4 : Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert; Hebreeën 12:14 : Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal;
[^mattheus-5-8-6]: Kanttekening 6: reinen van hart: Dat is, door de Geest van God gereinigd van de besmettingen van de zonden en van allerlei geveinsdheid; Ef. 5:26 . Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord;
[^mattheus-5-8-7]: Kanttekening 7: God zien: Dat is, zullen Hem volkomen kennen en zijn heerlijkheid aanschouwen; 1 Kor. 13:12 . 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^mattheus-5-9-8]: Kanttekening 8: Grieks: vredemakers; die niet alleen voor zichzelven vreedzaam zijn, maar ook bij anderen de vrede bevorderen; Hebr. 12:14 . Hebreeën 12:14 : Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal;
[^mattheus-5-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, inderdaad zijn en daarvoor erkend worden.
[^mattheus-5-10-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 4:10 ; 2 Tim. 2:12 ; 1 Petr. 3:14 . 2 Korinthiërs 4:10 : Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 1 Petrus 3:14 : Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd;
[^mattheus-5-10-10]: Kanttekening 10: vanwege de gerechtigheid: Dat is om de rechtvaardige zaak van Christus en zijne leer, gelijk in het volgende vers 11 , om mijnentwil. Mattheüs 5:11 : Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
[^mattheus-5-11-11]: Kanttekening 11: Dat is, allerlei.
[^mattheus-5-11-12]: Kanttekening 12: Grieks: kwaad woord.
[^mattheus-5-11-13]: Kanttekening 13: tegen u spreken: Dat is, dat u tegen gaat, of tot uw nadeel.
[^mattheus-5-11-g]: Verwijzing g: 1 Petr. 4:14 . 1 Petrus 4:14 : Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt.
[^mattheus-5-12-h]: Verwijzing h: Lukas 6:23 . Lukas 6:23 : Verblijdt u in die dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in de hemel; want hun vaders deden evenzo de profeten.
[^mattheus-5-12-14]: Kanttekening 14: loon is : Namelijk dat God belooft en geven zal, niet uit verdienste, maar uit genade, Rom. 6:23 , om Christus' wil, 2 Kor. 1:10 , en zo ook 2 Kor. 6:1 , en elders doorgaans. Romeinen 6:23 : Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer. 2 Korinthiërs 1:10 : Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. 2 Korinthiërs 6:1 : En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat u de genade van God niet tevergeefs mag ontvangen hebben.
[^mattheus-5-12-15]: Kanttekening 15: groot in de hemelen: Grieks: veel (οὐρανός).
[^mattheus-5-12-16]: Kanttekening 16: vóór u geweest zijn : Dat is, voor uw tijden, of in voorgaande tijden.
[^mattheus-5-13-i]: Verwijzing i: Mark. 9:50 ; Lukas 14:34 . Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar. Lukas 14:34 : Het zout is goed; maar als het zout smakeloos geworden is, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?
[^mattheus-5-13-17]: Kanttekening 17: zout van de aarde: Zo worden de leraars genaamd omdat, gelijk het zout het voedsel smakelijk maakt en van verrotting bewaart, zij ook zo de zielen van de mensen door de leer voor God aangenaam maken en van het verderf behouden.
[^mattheus-5-13-18]: Kanttekening 18: smakeloos wordt: Dat is, zijn zoutigheid, kracht of scherpheid verliest.
[^mattheus-5-14-19]: Kanttekening 19: licht van de wereld: Omdat zij met hun leer anderen verlichten, en ook met hun leven hen moeten voorlichten. 1 Petr. 5:3 . 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^mattheus-5-15-k]: Verwijzing k: Mark. 4:21 ; Lukas 8:16 ; Lukas 11:33 . Marcus 4:21 : En Hij zei tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op de kandelaar gezet worde? Lukas 8:16 : En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelfde met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. Lukas 11:33 : En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
[^mattheus-5-15-20]: Kanttekening 20: Of, schepsel.
[^mattheus-5-16-l]: Verwijzing l: 1 Petr. 2:12 . 1 Petrus 2:12 : En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking.
[^mattheus-5-16-21]: Kanttekening 21: Of, prijzen en grootmaken.
[^mattheus-5-17-22]: Kanttekening 22: de wet of de profeten te ontbinden: Dat is de leer van de wet of van de profeten te veranderen, of teniet te doen.
[^mattheus-5-17-23]: Kanttekening 23: Dat is te verklaren, te onderhouden, en wat tevoren afgebeeld en voorzegd is te volbrengen.
[^mattheus-5-18-m]: Verwijzing m: Lukas 16:17 . Lukas 16:17 : En het is gemakkelijker, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel van de wet valle.
[^mattheus-5-18-24]: Kanttekening 24: Dat is vergaan of veranderd worden. Zie Ps. 102:27 ; Hebr. 1:11 , en de aantekening bij 2 Petr. 3:10 . Psalmen 102:27 : Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Hebreeën 1:11 : Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^mattheus-5-18-25]: Kanttekening 25: een jota: Dit is de kleinste letter bij de Grieken, gelijk Jod bij de Hebreën. Christus wil daarmede zeggen dat ook de minste zaak, in de wet geschreven, niet zal vergaan.
[^mattheus-5-18-26]: Kanttekening 26: een tittel: Dat is streepje van een letter of puntje.
[^mattheus-5-19-n]: Verwijzing n: Jak. 2:10 . Jakobus 2:10 : Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
[^mattheus-5-19-27]: Kanttekening 27: minste genaamd worden: Dat is, zal daar geheel niet geacht worden: of zal daar niet ingaan; gelijk in het vers 20 verklaard wordt. Mattheüs 5:20 : Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeën, dat u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval zult ingaan.
[^mattheus-5-21-28]: Kanttekening 28: tot de ouden gezegd is: Of, van de ouden. Hierdoor verstaat Christus de verkeerde uitlegging van de Farizeën en Schriftgeleerden, die al van over vele jaren zo geleerd hadden, en niet de leer van Mozes en van de profeten. Dat blijkt: I. uit vers 20 . II. omdat hier leringen weerlegd worden, die in Mozes en de profeten niet gevonden worden, zie vers 43 . III. omdat door Christus niets wordt bijgedaan dan wat in Mozes en de profeten gevonden wordt, gelijk men kan zien uit de Schriftuurplaatsen van het Oude Testament hier aan de kant getekend. Mattheüs 5:20 : Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeën, dat u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval zult ingaan. Mattheüs 5:43 : U hebt gehoord, dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult u haten.
[^mattheus-5-21-o]: Verwijzing o: Ex. 20:13 ; Deut. 5:17 . Exodus 20:13 : U zult niet doodslaan. Deuteronomium 5:17 : U zult niet doodslaan.
[^mattheus-5-21-29]: Kanttekening 29: strafbaar zijn door het gericht: Of, schuldig om gestraft te worden.
[^mattheus-5-22-30]: Kanttekening 30: ten onrechte: Dat is, zonder oorzaak of tevergeefs.
[^mattheus-5-22-31]: Kanttekening 31: door het gericht: Of, oordeel; waardoor verstaan worden de rechters, die in alle steden de moordenaars straften; Deut. 21 .
[^mattheus-5-22-32]: Kanttekening 32: Het is een Syrisch smaadwoord, en is zoveel te zeggen als ijdel- of slechthoofd. Anderen menen dat het van spuwen komt; en anderen dat daarmede uitgedrukt wordt een geluid, dat de mensen dikwijls maken om daarmede hun toorn, verachting of versmading tegen hunne naasten te kennen te geven, gelijk men gemeenlijk door foei u, of iets dergelijks pleegt te doen.
[^mattheus-5-22-33]: Kanttekening 33: grote Raad: Dit was de hoogste Raad binnen Jeruzalem, Sanhedrin genaamd, bij denwelken het oordeel stond van de zwaarste zaken, en die daarom ook de schuldigen tot de zwaarste straffen verwees. Zie Deut. 17 , en 2 Kron. 19 .
[^mattheus-5-22-34]: Kanttekening 34: het helse vuur: Grieks, tot (πῦρ), of in de gehenna van het vuur. Gehenna komt van de Hebreeuwse woorden Ge Hinnom; dat is, het dal Himmon, gelegen bij de stad Jeruzalem, Joz. 15:8 , in welk dal eertijds de afgodische Joden hun kinderen tussen de gloeiende armen van het koperen beeld Moloch levend lieten verbranden; zie Jer. 7:31 ; 2 Kon. 23:10 ; dat, daar het een gruwelijke pijn was, zo wordt dit woord dikwijls voor de helse pijn genomen. Door deze doodstraffen, waarvan de ene zwaarder is dan de andere, toont Christus dat al deze zonden de eeuwige verdoemenis verdienen, maar dat de ene zwaarder dan de andere in het toekomende oordeel zal gestraft worden. Jozua 15:8 : En deze landpale zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, dezelfde is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. Jeremia 7:31 : En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. 2 Koningen 23:10 : Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
[^mattheus-5-23-35]: Kanttekening 35: op het altaar offeren: Dit ziet op de godsdienst van het Oude Testament, maar wordt ook mee verstaan van de godsdienst van het Nieuwe Testament, hoewel in deze geen zulke altaren en offeranden zijn; Rom. 12:1 , en Rom. 15:16 ; Hebr. 13:15 , 13:16 ; Fil. 4:18 . Of, brengen tot het altaar. Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Romeinen 15:16 : Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest. Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:16 : En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. Filippensen 4:18 : Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, voor God welgevallig.
[^mattheus-5-25-p]: Verwijzing p: Lukas 12:58 ; Efez. 4:26 . Lukas 12:58 : Want als u heengaat met uw tegenstander voor de overheid, zo doet naarstigheid op de weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter trekke, en de rechter u de gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. Efeziërs 4:26 : Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
[^mattheus-5-25-36]: Kanttekening 36: welgezind tegenover : Dat is, verdraag of verenig u met degene, die u over schuld of anders voor het gericht roept.
[^mattheus-5-26-37]: Kanttekening 37: Grieks, quadrant; dat is, een oordje, dat was de minste munt, die men gebruikte, omtrent anderhalve penning (ruim een cent) waard naar onze rekening.
[^mattheus-5-27-q]: Verwijzing q: Ex. 20:14 ; Deut. 5:18 . Exodus 20:14 : U zult niet echtbreken. Deuteronomium 5:18 : En u zult geen overspel doen.
[^mattheus-5-28-r]: Verwijzing r: Job 31:1 ; Ps. 119:37 . Job 31:1 : Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? Psalmen 119:37 : Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
[^mattheus-5-28-38]: Kanttekening 38: te begeren: Namelijk tot onkuisheid.
[^mattheus-5-29-s]: Verwijzing s: Matt. 18:8 ; Mark. 9:43 . Mattheüs 18:8 : Als dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. Marcus 9:43 : En als uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
[^mattheus-5-29-39]: Kanttekening 39: Dat is, al wat u dit leven aangaande, het dierbaarste, aangenaamste of nodigste is.
[^mattheus-5-29-40]: Kanttekening 40: Dat is, tot zondigen zou verwekken of brengen.
[^mattheus-5-29-41]: Kanttekening 41: trekt het uit: Dat is, doe zulks liever van u weg.
[^mattheus-5-31-t]: Verwijzing t: Deut. 24:1 . Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.
[^mattheus-5-31-42]: Kanttekening 42: verlaten zal: Dat is, van wie zijn vrouw zal scheiden.
[^mattheus-5-31-43]: Kanttekening 43: Van deze scheidbrief zie Deut. 24:1 , enz.; Mal. 2:14 , en Matt. 19:7 . Uit welke plaatsen blijkt dat God het lichtvaardig scheiden nooit voor goed heeft erkend. Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. Maleachi 2:14 : U nu zegt: Waarom? Daarom dat YHWH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw van uw jeugd, met dewelke u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is. Mattheüs 19:7 : Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?
[^mattheus-5-32-v]: Verwijzing v: Matt. 19:7 ; Mark. 10:4 ; idem v. 11 ; Lukas 16:18 ; 1 Kor. 7:10 . Mattheüs 19:7 : Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? Marcus 10:4 : En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. Marcus 10:11 : En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. Lukas 16:18 : Een iedereen, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iedereen, die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel. 1 Korinthiërs 7:10 : Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heer, dat de vrouw van de man niet scheide.
[^mattheus-5-33-x]: Verwijzing x: Ex. 20:7 ; Lev. 19:12 ; Deut. 5:11 . Exodus 20:7 : U zult de naam van YHWH uws Gods niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. Leviticus 19:12 : U zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want u zoudt de Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben YHWH. Deuteronomium 5:11 : U zult de Naam van YHWH, uws Gods, niet zinloos gebruiken; want YHWH zal niet onschuldig houden degene, die Zijn Naam zinloos gebruikt.
[^mattheus-5-33-44]: Kanttekening 44: de eed niet breken: Dat is, zo niet zweren, dat u uw eed niet zoudt houden.
[^mattheus-5-33-45]: Kanttekening 45: uwe eden houden: Dat is, wat u met ede God of de mensen beloofd hebt betalen.
[^mattheus-5-34-y]: Verwijzing y: Jak. 5:12 . Jakobus 5:12 : Maar voor alle dingen, mijn broers, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat u in geen oordeel valt.
[^mattheus-5-34-46]: Kanttekening 46: ganselijk niet: Namelijk noch lichtvaardig, of onnodig, noch bedriegelijk, noch bij de creaturen. Want een oprechte en nodige eed wordt niet verboden, gelijk te zien is in Rom. 1:9 , en Rom. 9:1 ; 2 Kor. 1:23 , en 2 Kor. 11:31 , en 2 Kor. 12:19 ; Gal. 1:20 ; Fil. 1:8 ; 1 Thess. 5:27 ; Hebr. 6:13 , 6:16 , 6:19 ; Openb. 10:6 . Romeinen 1:9 : Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten aan u gedenke; Romeinen 9:1 : Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23 : Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31 : De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. 2 Korinthiërs 12:19 : Meent u opnieuw, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de aanwezigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting. Galaten 1:20 : Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippensen 1:8 : Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 5:27 : Ik bezweer u bij de Heer, dat deze zendbrief al de heilige broeders gelezen worde. Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Hebreeën 6:16 : Want de mensen zweren wel bij de meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is voor hen een einde van alle tegenspreken; Hebreeën 6:19 : Welke wij hebben als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; Openbaring 10:6 : En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;
[^mattheus-5-35-z]: Verwijzing z: Jes. 66:1 . Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?
[^mattheus-5-35-a]: Verwijzing a: Ps. 48:3 . Psalmen 48:3 : Schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings.
[^mattheus-5-37-47]: Kanttekening 47: ja, ja; neen, neen: Dat is, gebruik in uw dagelijkse handelingen en gewone gesprekken eenvoudige, waarachtige en oprechte woorden; zie Jak. 5:12 . Jakobus 5:12 : Maar voor alle dingen, mijn broers, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat u in geen oordeel valt.
[^mattheus-5-37-48]: Kanttekening 48: boven deze is: Dat is, wat tot overvloed erbij gedaan wordt, met lichtvaardig of onnodig zweren, of anders.
[^mattheus-5-38-b]: Verwijzing b: Ex. 21:24 ; Lev. 24:20 ; Deut. 19:21 . Exodus 21:24 : Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. Leviticus 24:20 : Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. Deuteronomium 19:21 : En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.
[^mattheus-5-38-49]: Kanttekening 49: Oog om oog; tand om tand: Deze wet, die de overheden gegeven was, werd door de Farizeën en schriftgeleerden misduid tot eigen wraak, welke Christus hier in het volgende bestraft.
[^mattheus-5-39-c]: Verwijzing c: Lukas 6:29 ; Rom. 12:17 ; 1 Kor. 6:7 ; 1 Thes. 5:15 ; 1 Petr. 3:9 ; Spreuk. 24:29 . Lukas 6:29 : Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en degene, die u de mantel neemt, verhindert ook de rok niet te nemen. Romeinen 12:17 : Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 1 Korinthiërs 6:7 : Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 1 Thessalonicensen 5:15 : Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen. 1 Petrus 3:9 : Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zoudt beërven. Spreuken 24:29 : Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
[^mattheus-5-39-50]: Kanttekening 50: keer hem ook de andere toe: Namelijk, liever dat u uzelven zoudt wreken. Want, dat dit niet letterlijk is te verstaan, blijkt zelfs uit het voorbeeld van Christus, Joh. 18:23 . En zo moeten ook de twee naastvolgende verzen verstaan worden. Johannes 18:23 : Jezus antwoordde hem: Als Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en als wel, waarom slaat u Mij?
[^mattheus-5-41-51]: Kanttekening 51: dwingen één mijl te gaan: In het Grieks wordt een Perzisch woord gebruikt, waardoor betekend wordt een hofdienst, waartoe de onderzaten gedwongen werden om de lasten van de herenboden te dragen, of daartoe hun ezels, enz. te lenen en te drijven. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt in Matt. 27:32 . Mattheüs 27:32 : En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.
[^mattheus-5-42-d]: Verwijzing d: Deut. 15:8 ; Lukas 6:35 . Deuteronomium 15:8 : Maar u zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. Lukas 6:35 : Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.
[^mattheus-5-42-52]: Kanttekening 52: Of, begeert, eist.
[^mattheus-5-43-e]: Verwijzing e: Lev. 19:18 . Leviticus 19:18 : U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH!
[^mattheus-5-43-53]: Kanttekening 53: uw vijand zult u haten: Dat staat nergens in Gods wet, maar het tegendeel daarvan staat in Deut. 32:35 ; Spreuk. 25:21 . Deuteronomium 32:35 : Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. Spreuken 25:21 : Als degene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;
[^mattheus-5-44-f]: Verwijzing f: Lukas 6:27 ; Rom. 12:20 . Lukas 6:27 : Maar Ik zeg u, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Romeinen 12:20 : Als dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; als hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult u kolen vuurs op zijn hoofd hopen.
[^mattheus-5-44-g]: Verwijzing g: Lukas 23:34 ; Hand. 7:60 ; 1 Kor. 4:13 ; 1 Petr. 2:23 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Handelingen 7:60 : En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. 1 Korinthiërs 4:13 : Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels van de wereld en aller afschrapsel tot nu toe. 1 Petrus 2:23 : Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Die, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
[^mattheus-5-44-54]: Kanttekening 54: geweld doen: Anders, lasteren; gelijk hetzelfde woord ook genomen wordt 1 Petr. 3:16 . 1 Petrus 3:16 : En hebt een goed geweten, opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.
[^mattheus-5-45-55]: Kanttekening 55: zijn uws Vaders: Dat is, mag blijken dat u het bent.
[^mattheus-5-46-h]: Verwijzing h: Lukas 6:32 . Lukas 6:32 : En als u liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt u? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.
[^mattheus-5-46-56]: Kanttekening 56: liefhebt die u liefhebben: Namelijk alleen, gelijk blijkt uit vers 47 . Mattheüs 5:47 : En als u uw broers alleen groet, wat doet u boven anderen? Doen ook niet de tollenaars zo?
[^mattheus-5-47-57]: Kanttekening 57: Of vriendelijk bejegent.

### Mattheüs 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/6.json)

*1 Christus onderwijst hoe men aalmoezen moet geven, 5 hoe men moet bidden, 16 hoe men moet vasten, 19 wat voor schatten men moet verzamelen, 22 hoe het verstand gericht moet zijn, 24 dat men geen twee heren kan dienen, 25 dat men de zorg voor lichamelijke behoeften aan God moet bevelen, 33 en bovenal het Koninkrijk van God moet zoeken.*

**1** Heb acht, dat u uw[^mattheus-6-1-1] liefdegave niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v1)

**2** [^mattheus-6-2-a] Wanneer u dan een liefdegave doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de[^mattheus-6-2-2] huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-6-2-3] Zij hebben hun loon weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v2)

**3** Maar als u een liefdegave doet,[^mattheus-6-3-4] zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v3)

**4** Opdat uw liefdegave in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u[^mattheus-6-4-5] in[^mattheus-6-4-b] het openbaar vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v4)

**5** En wanneer u[^mattheus-6-5-6] bidt, zo zult u niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen graag, in de[^mattheus-6-5-7] synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden,[^mattheus-6-5-8] opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v5)

**6** Maar u, wanneer u bidt,[^mattheus-6-6-c] gaat in uw[^mattheus-6-6-9] binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v6)

**7** En als u bidt,[^mattheus-6-7-d] zo gebruikt geen[^mattheus-6-7-10] ijdel verhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v7)

**8** Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat u nodig hebt, voordat u Hem bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v8)

**9** U dan bidt[^mattheus-6-9-11] zo:[^mattheus-6-9-e] Onze Vader, Die[^mattheus-6-9-12] in de hemelen bent! Uw Naam worde[^mattheus-6-9-13] geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v9)

**10** Uw[^mattheus-6-10-14] Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, gelijk[^mattheus-6-10-15] in de hemel zo ook op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v10)

**11** Geef[^mattheus-6-11-16][^mattheus-6-11-17] ons vandaag ons dagelijks brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v11)

**12** En vergeef ons onze[^mattheus-6-12-18] schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v12)

**13** En[^mattheus-6-13-19] leid ons niet in[^mattheus-6-13-20] verzoeking, maar verlos ons van de[^mattheus-6-13-f] boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de[^mattheus-6-13-21] eeuwigheid, amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v13)

**14** [^mattheus-6-14-g] Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v14)

**15** [^mattheus-6-15-h] Maar als u de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw[^mattheus-6-15-22] misdaden niet vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v15)

**16** [^mattheus-6-16-i] En wanneer u[^mattheus-6-16-23] vast, toont geen droevig gezicht, zoals de huichelaars; want zij[^mattheus-6-16-24] mismaken hun gezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v16)

**17** Maar u, als u vast,[^mattheus-6-17-25] zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v17)

**18** Opdat het van de mensen niet gezien wordt, als u vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v18)

**19** [^mattheus-6-19-26] Verzamelt u[^mattheus-6-19-k] geen schatten op de aarde, waar ze de mot en[^mattheus-6-19-27] de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v19)

**20** Maar[^mattheus-6-20-l] verzamelt u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v20)

**21** Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v21)

**22** [^mattheus-6-22-28] De kaars van het lichaam is[^mattheus-6-22-m] het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw hele lichaam verlicht wezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v22)

**23** Maar als uw oog[^mattheus-6-23-29] boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Als dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelf zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v23)

**24** [^mattheus-6-24-n] Niemand kan[^mattheus-6-24-30] twee heren dienen; want of hij zal de één haten en de anderen liefhebben, of hij zal de één[^mattheus-6-24-31] aanhangen en de anderen verachten; u kunt niet God dienen en de[^mattheus-6-24-32] mammon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v24)

**25** [^mattheus-6-25-o] Daarom zeg Ik u:[^mattheus-6-25-33] Wees niet bezorgd voor uw[^mattheus-6-25-34] leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u zich kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v25)

**26** [^mattheus-6-26-p] Aanziet de vogels des hemels,[^mattheus-6-26-35] dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt toch[^mattheus-6-26-36] dezelfde; gaat u dezelfde niet zeer veel te boven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v26)

**27** Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn,[^mattheus-6-27-37] een el tot zijn lengte toedoen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v27)

**28** En wat bent u bezorgd voor de kleding? Let op de leliën van het veld, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v28)

**29** En Ik zeg u, dat ook Salomo, in[^mattheus-6-29-38] al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk één van deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v29)

**30** Als nu God het gras van het veld, dat vandaag is, en[^mattheus-6-30-39] morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, u kleingelovigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v30)

**31** Daarom wees niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v31)

**32** Want al deze dingen[^mattheus-6-32-40] zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat u al deze dingen nodig hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v32)

**33** [^mattheus-6-33-q] Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en[^mattheus-6-33-41] Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u[^mattheus-6-33-42] toegeworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v33)

**34** Wees dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan[^mattheus-6-34-43] zijn eigen kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/6.html#v34)

[^mattheus-6-1-1]: Kanttekening 1: Het Griekse woord eleemosyne waar aalmoes van komt, betekent in het algemeen een werk van de barmhartigheid, en in het bijzonder de weldadigheid tegenover de armen, omdat die uit medelijden moeten voortkomen, 1 Kor. 13:3 . Sommige Griekse boeken hebben: gerechtigheid. 1 Korinthiërs 13:3 : En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud van de armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
[^mattheus-6-2-a]: Verwijzing a: Rom. 12:8 . Romeinen 12:8 : Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.
[^mattheus-6-2-2]: Kanttekening 2: Gr. hypocriten; welk woord de personaadjes in een kamerspel betekent, die een anderen persoon vertonen dan zij inderdaad zijn.
[^mattheus-6-2-3]: Kanttekening 3: zij hebben hun loon weg: Want de eer, die zij zoeken bij de mensen, is hun loon.
[^mattheus-6-3-4]: Kanttekening 4: zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet: Dat is, doet het op het allerheimelijkste, zonder roem daardoor te zoeken.
[^mattheus-6-4-5]: Kanttekening 5: in het openbaar vergelden: Namelijk dikwijls hier, maar in het bijzonder hiernamaals in het uiterste oordeel. Zie Matt. 25:34 . Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^mattheus-6-4-b]: Verwijzing b: Lukas 14:14 . Lukas 14:14 : En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen.
[^mattheus-6-5-6]: Kanttekening 6: Namelijk in het bijzonder. Want ook de gewone gebeden in de vergaderingen zijn God aangenaam en hebben bijzondere beloften: Matt. 18:19 . Mattheüs 18:19 : Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^mattheus-6-5-7]: Kanttekening 7: Namelijk buiten de tijd van de gemene gebeden.
[^mattheus-6-5-8]: Kanttekening 8: opdat zij van de mensen mogen gezien worden: Of, opdat zij de mensen schijnbaar zijn.
[^mattheus-6-6-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 4:33 ; Hand. 10:4 . 2 Koningen 4:33 : Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot YHWH. Handelingen 10:4 : En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
[^mattheus-6-6-9]: Kanttekening 9: Het Griekse woord betekent een plaats of kamer, waar men iets weglegt of opsluit.
[^mattheus-6-7-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 18:28 ; Jes. 1:15 . 1 Koningen 18:28 : En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.
[^mattheus-6-7-10]: Kanttekening 10: ijdel verhaal van woorden: Grieks, Battlogia (πολυλογία); dat is, wanneer enige woorden of rede zonder nood of ernst dikwijls herhaald worden.
[^mattheus-6-9-11]: Kanttekening 11: Dat is, richt al uw gebeden naar dit formulier. Niet dat wij aan deze woorden alleen of altijd zouden gehouden zijn, want in voorvallende noden is het ook wel geoorloofd enige beden verder uit te breiden, en ook met andere woorden uit te drukken. Zie Joh. 17 , en Hand. 4:24 . Handelingen 4:24 : En als deze dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heer! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelfde zijn.
[^mattheus-6-9-e]: Verwijzing e: Lukas 11:2 . Lukas 11:2 : En Hij zei tot hen: Wanneer u bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op de aarde.
[^mattheus-6-9-12]: Kanttekening 12: in de hemelen zijt : Dat is, in de derde hemel, 2 Kor. 12:2 , waar Hij zijne majesteit en heerlijkheid allermeest openbaart: Ps. 103:19 . 2 Korinthiërs 12:2 : Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; Psalmen 103:19 : YHWH heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
[^mattheus-6-9-13]: Kanttekening 13: Dat is, van ons met woorden en werken groot gemaakt.
[^mattheus-6-10-14]: Kanttekening 14: Namelijk zo van de genade in deze wereld, als van de heerlijkheid in de hemel.
[^mattheus-6-10-15]: Kanttekening 15: in de hemel: Namelijk van de heilige engelen, Ps. 103:20 , 103:21 , en van de zalige en volmaakte zielen; Hebr. 12:23 . Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Psalmen 103:21 : Looft YHWH, al Zijn heirscharen! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet! Hebreeën 12:23 : Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen;
[^mattheus-6-11-16]: Kanttekening 16: Dat is genoegzaam en nodig tot onderhoud van ons leven voor deze dag, of ons bescheiden deel; Spreuk. 30:8 . Spreuken 30:8 : IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
[^mattheus-6-11-17]: Kanttekening 17: Dat is, alle nooddruft van het lichaam, Gen. 3:19 . Genesis 3:19 : In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^mattheus-6-12-18]: Kanttekening 18: Dat is, zonden, Luk. 11:4 , die ons schuldig maken aan de straf. Zie Matt. 18:24 . Lukas 11:4 : En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan iedereen, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Mattheüs 18:24 : Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
[^mattheus-6-13-19]: Kanttekening 19: leid ons niet: Of, breng ons niet; dat is, geef ons niet over.
[^mattheus-6-13-20]: Kanttekening 20: Namelijk van de satan, van de wereld en van ons vlees, om ons te brengen tot zondigen, of tot kwaad. Zie Jak. 1:13 , 1:14 . Jakobus 1:13 : Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Jakobus 1:14 : Maar iedereen wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.
[^mattheus-6-13-f]: Verwijzing f: Matt. 13:19 . Mattheüs 13:19 : Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is.
[^mattheus-6-13-21]: Kanttekening 21: Het is een Hebreeuws woord, en zoveel te zeggen als: het zij of worde zo; of, het is zekerlijk zo. Zie Deut. 27:15 ; Neh. 8:7 . Deuteronomium 27:15 : Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Nehemia 8:7 : En Ezra loofde YHWH, de grote God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en aanbaden YHWH, met de aangezichten ter aarde.
[^mattheus-6-14-g]: Verwijzing g: Mark. 11:25 ; Kolos. 3:13 . Marcus 11:25 : En wanneer u staat om te bidden, vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. Kolossensen 3:13 : Verdragende elkaar, en vergevende de één de anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; zoals als Christus u vergeven heeft, doet ook u zo.
[^mattheus-6-15-h]: Verwijzing h: Matt. 18:35 ; Jak. 2:13 . Mattheüs 18:35 : Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet van hart vergeeft een iedereen zijn broer zijn misdaden. Jakobus 2:13 : Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over degene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
[^mattheus-6-15-22]: Kanttekening 22: misdaden niet vergeven: Grieks, misvallen (παρά-πτωμα); waardoor allerlei zonden verstaan worden.
[^mattheus-6-16-i]: Verwijzing i: Jes. 58:3 ; Matt. 9:14 ; Mark. 2:18 ; Lukas 5:33 . Jesaja 58:3 : Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en U weet het niet? Ziet, op de dag wanneer u vast, zo vindt u uw lust, en u eist streng al uw arbeid. Mattheüs 9:14 : Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet? Marcus 2:18 : En de discipelen van Johannes en van de Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeën, en Uw discipelen vasten niet? Lukas 5:33 : En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls, en doen gebeden, evenzo ook de discipelen van de Farizeën, maar de van U eten en drinken?
[^mattheus-6-16-23]: Kanttekening 23: Namelijk in het bijzonder. Want in gemene noden of vasten is het geoorloofd een droevig gelaat te tonen, als het zonder geveinsdheid geschiedt.
[^mattheus-6-16-24]: Kanttekening 24: mismaken hunne aangezichten: Of, verdonkeren, verderven.
[^mattheus-6-17-25]: Kanttekening 25: zalf uw hoofd: Christus spreekt hier naar het gebruik van de Joden, die in tijden van vrolijkheid zich zalfden en wiesen; Ps. 23:5 ; Amos 6:6 ; Luk. 7:46 . Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Amos 6:6 : Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef. Lukas 7:46 : Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.
[^mattheus-6-19-26]: Kanttekening 26: Vergadert u geen schatten op de aarde: Namelijk voornamelijk, of zo dat u daarvan uw werk zoudt maken, zonder de hemelse recht te betrachten. Zie 1 Tim. 6:8 . 1 Timotheüs 6:8 : Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede tevreden zijn.
[^mattheus-6-19-k]: Verwijzing k: Spreuk. 23:4 ; Jak. 5:1 ; Hebr. 13:5 . Spreuken 23:4 : Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft. Jakobus 5:1 : Welaan nu, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Hebreeën 13:5 : Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
[^mattheus-6-19-27]: Kanttekening 27: roest verderft: Grieks, eting, ineting.
[^mattheus-6-20-l]: Verwijzing l: Lukas 12:33 ; 1 Tim. 6:19 . Lukas 12:33 : Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. 1 Timotheüs 6:19 : Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
[^mattheus-6-22-28]: Kanttekening 28: De kaars van het lichaam is het oog: Dat is, gelijk het lichaam door het oog, zo wordt het doen en laten van de mens door het verstand geleid en gericht.
[^mattheus-6-22-m]: Verwijzing m: Lukas 11:34 . Lukas 11:34 : De kaars van het lichaam is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
[^mattheus-6-23-29]: Kanttekening 29: boos is: Dat is, verblind of verdorven.
[^mattheus-6-24-n]: Verwijzing n: Lukas 16:13 . Lukas 16:13 : Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal de enen haten, en de anderen liefhebben, of hij zal de enen aanhangen, en de anderen verachten; u kunt God niet dienen en de Mammon.
[^mattheus-6-24-30]: Kanttekening 30: twee heren dienen: Namelijk die elkaar tegen zijn.
[^mattheus-6-24-31]: Kanttekening 31: Of, zich aan de ene houden.
[^mattheus-6-24-32]: Kanttekening 32: Het is een Syrisch woord en betekent rijkdom, winst of schatten, die de mensen dikwijls als een god eren en dienen.
[^mattheus-6-25-o]: Verwijzing o: Ps. 37:5 ; Ps. 55:23 ; Lukas 12:22 ; Filip. 4:6 ; 1 Tim. 6:8 ; 1 Petr. 5:7 . Psalmen 37:5 : Gimel. Wentel uw weg op YHWH, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Lukas 12:22 : En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u u kleden zult. Filippensen 4:6 : Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 1 Timotheüs 6:8 : Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede tevreden zijn. 1 Petrus 5:7 : Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^mattheus-6-25-33]: Kanttekening 33: Zijt niet bezorgd: Namelijk met angstige en onmatige zorg, spruitende uit kleingelovigheid en verhinderende de zorg van de zaligheid. Anders zo zijn wij ook schuldig voor deze dingen te zorgen; 1 Tim. 5:8 . 1 Timotheüs 5:8 : Maar zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.
[^mattheus-6-25-34]: Kanttekening 34: Grieks, ziel; waardoor het leven betekent wordt. Zie Job 2:6 ; Matt. 2:20 . Job 2:6 : En YHWH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar verschoon zijn leven. Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^mattheus-6-26-p]: Verwijzing p: Job 30:3 ; Ps. 147:9 . Job 30:3 : Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^mattheus-6-26-35]: Kanttekening 35: Dat is, van de lucht. Zie Ps. 8:9 . Psalmen 8:9 : Het gevogelte van de hemel, en de vissen van de zee; wat de paden van de zeeën doorwandelt.
[^mattheus-6-26-36]: Kanttekening 36: gaat u dezelfde niet zeer veel teboven: Grieks, verschilt u niet zeer veel van dezelfde?
[^mattheus-6-27-37]: Kanttekening 37: één el tot zijne lengte toedoen: Grieks, een cubit; dat is, de lengte van de arm van de elleboog of tot het uiterste van de middenste vinger, of anderhalve voet.
[^mattheus-6-29-38]: Kanttekening 38: Salomo, in al zijn heerlijkheid: Lees van die 1 Kon. 4 .
[^mattheus-6-30-39]: Kanttekening 39: morgen in de oven geworpen wordt: Dat is, dat kort daarna verdroogd zijnde, bijna nergens anders toe dient, dan om daarmede de ovens te heten.
[^mattheus-6-32-40]: Kanttekening 40: zoeken de heidenen: Namelijk met angst en bekommernis, alsof hunne gelukzaligheid daarin gelegen ware.
[^mattheus-6-33-q]: Verwijzing q: 1 Kon. 3:13 ; Ps. 37:25 ; Ps. 55:23 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. Psalmen 37:25 : Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
[^mattheus-6-33-41]: Kanttekening 41: en Zijn gerechtigheid: Namelijk Gods, gelijk uit de Griekse tekst blijkt; dat is, die God aangenaam is, voor Hem bestaat en in het Evangelie ons geopenbaard is.
[^mattheus-6-33-42]: Kanttekening 42: toegeworpen worden: Grieks, toegelegd, of toegegeven; namelijk als een toemaat of toegift. Zie Ps. 127:2 . Psalmen 127:2 : Het is te vergeefs, dat u vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood van de smarten; het is zo, dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft.
[^mattheus-6-34-43]: Kanttekening 43: zijn eigen kwaad: Dat is, kwelling, bekommernis en zwarigheid, die op elke dag voorvalt.

### Mattheüs 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/7.json)

*1 Christus onderwijst verder hoe men over zijn naaste moet oordelen en deze moet bestraffen. 6 Dat men het heilige niet aan de verachters moet voorhouden. 7 Dat men in het bidden moet volharden. 12 Hoe men met zijn naaste moet omgaan. 13 Over de enge en de wijde poort. 15 Dat men de valse profeten moet mijden. 21 Dat niet allen die God uiterlijk dienen zalig zullen worden. 24 Dat men het woord van God niet alleen moet horen, maar ook doen.*

**1** [^mattheus-7-1-a] Oordeel[^mattheus-7-1-1] niet, opdat u niet geoordeeld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v1)

**2** [^mattheus-7-2-b] Want met welk oordeel u oordeelt, zult u geoordeeld worden; en met welke mate u meet, zal u wedergemeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v2)

**3** [^mattheus-7-3-c] En wat ziet u de[^mattheus-7-3-2] splinter, die in het oog van uw broeder is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v3)

**4** Of, hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik de splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v4)

**5** [^mattheus-7-5-d] U geveinsde! werp eerst de balk uit uw oog, en dan zult u bekijken, om de splinter uit het oog van uw broeder uit te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v5)

**6** [^mattheus-7-6-e] Geeft het[^mattheus-7-6-3] heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v6)

**7** [^mattheus-7-7-4] Bid,[^mattheus-7-7-f] en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v7)

**8** [^mattheus-7-8-g] Want een ieder die[^mattheus-7-8-5] bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v8)

**9** Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v9)

**10** En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v10)

**11** Als dan u,[^mattheus-7-11-h] die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven van hen, die ze van Hem bidden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v11)

**12** [^mattheus-7-12-i] Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook zo; want dat is[^mattheus-7-12-6] de wet en de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v12)

**13** [^mattheus-7-13-k] Ga in door de nauwe poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v13)

**14** [^mattheus-7-14-l] Want de poort is nauw, en de weg[^mattheus-7-14-7] is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelfde vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v14)

**15** [^mattheus-7-15-m] Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in[^mattheus-7-15-8] schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende[^mattheus-7-15-9] wolven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v15)

**16** Aan hun[^mattheus-7-16-10] vruchten zult u hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v16)

**17** [^mattheus-7-17-n] Zo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en[^mattheus-7-17-11] een kwade boom brengt voort kwade vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v17)

**18** Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v18)

**19** Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v19)

**20** Zo zult u dan dezelfde aan hun vruchten kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v20)

**21** [^mattheus-7-21-o]Niet een ieder[^mattheus-7-21-12] die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar[^mattheus-7-21-13] die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v21)

**22** [^mattheus-7-22-p] Velen zullen[^mattheus-7-22-14] op die dag tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet[^mattheus-7-22-15] in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgeworpen, en in Uw Naam vele[^mattheus-7-22-16] krachten gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v22)

**23** [^mattheus-7-23-q] En dan zal Ik[^mattheus-7-23-17] hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit[^mattheus-7-23-18] gekend;[^mattheus-7-23-r] ga weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v23)

**24** [^mattheus-7-24-s] Ieder dan, die deze Mijn woorden hoort en die doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v24)

**25** En er is[^mattheus-7-25-19] slagregen neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op[^mattheus-7-25-20] de steenrots gegrond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v25)

**26** [^mattheus-7-26-t] En een ieder die deze Mijn woorden hoort en dezelfde niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op het[^mattheus-7-26-21] zand gebouwd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v26)

**27** En de slagregen is neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v27)

**28** En het is gebeurd, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de menigten zich[^mattheus-7-28-22] ontzetten over Zijn leer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v28)

**29** [^mattheus-7-29-v] Want Hij leerde hen, als[^mattheus-7-29-23] macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/7.html#v29)

[^mattheus-7-1-a]: Verwijzing a: Lukas 6:37 ; Rom. 2:1 ; 1 Kor. 4:3 ; idem v. 5 . Lukas 6:37 : En oordeelt niet, en u zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en u zult niet verdoemd worden; laat los, en u zult losgelaten worden. Romeinen 2:1 : Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelven; want u, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. 1 Korinthiërs 4:3 : Maar mij is voor het minste, dat ik van u geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelf niet. 1 Korinthiërs 4:5 : Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal een iedereen lof hebben van God.
[^mattheus-7-1-1]: Kanttekening 1: Oordeelt niet: Namelijk lichtvaardiglijk, of verkeerd, uit haat, nijdigheid, of ongegrond achterdenken. Anders is een oprecht oordeel van zaken, waarvan men rechte kennis heeft, als het tot een goed einde geschiedt, zo in het gericht als daar buiten, niet alleen geoorloofd, maar ook geboden. Zie 2 Kron. 19:6 ; Joh. 7:24 ; 1 Kor. 5:12 . 2 Kronieken 19:6 : En hij zei tot de richters: Ziet wat u doet, want u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor YHWH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. Johannes 7:24 : Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. 1 Korinthiërs 5:12 : Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn?
[^mattheus-7-2-b]: Verwijzing b: Mark. 4:24 ; Lukas 6:38 . Marcus 4:24 : En Hij zei tot hen: Ziet, wat u hoort. Met wat mate u meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Lukas 6:38 : Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmee u meet, zal u wedergemeten worden.
[^mattheus-7-3-c]: Verwijzing c: Lukas 6:41 ; idem v. 42 . Lukas 6:41 : En wat ziet u de splinter, die in uws broeders oog is, en de balk, die in uw eigen oog is, merkt u niet? Lukas 6:42 : Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik de splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar u zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? U geveinsde! doe eerst de balk uit uw oog, en dan zult u bezien, om de splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.
[^mattheus-7-3-2]: Kanttekening 2: Dat is kleinere of mindere gebreken, gelijk door de balk grote en grove gebreken verstaan worden.
[^mattheus-7-5-d]: Verwijzing d: Spreuk. 18:17 . Spreuken 18:17 : Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.
[^mattheus-7-6-e]: Verwijzing e: Spreuk. 9:8 ; Spreuk. 23:9 . Spreuken 9:8 : Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben. Spreuken 23:9 : Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uw woorden verachten.
[^mattheus-7-6-3]: Kanttekening 3: het heilige de honden niet: Heilig is eigenlijk wat van het algemeen gebruik afgezonderd is, en wordt daardoor hier verstaan de predikatie van het Evangelie, of de vermaningen en vertroostingen uit Gods Woord, als ook de bediening van de heilige sacramenten, die vanwege hunne waardigheid hier ook parels genoemd worden, en die men de hardnekkigen en moedwilligen spotters, die bij honden en zwijnen vergeleken worden, niet moet voorhouden; Spreuk. 9:8 ; 1 Kor. 10:21 ; Fil. 3:2 . Spreuken 9:8 : Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben. 1 Korinthiërs 10:21 : U kunt de drinkbeker van de Heer niet drinken, en de drinkbeker van de duivelen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heer, en aan de tafel van de duivelen. Filippensen 3:2 : Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.
[^mattheus-7-7-4]: Kanttekening 4: Door bidden, zoeken en kloppen vermaant ons Christus met ernst geduriglijk aan te houden in het gebed. Zie ook Rom. 12:12 ; 1 Thess. 5:17 . Romeinen 12:12 : Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^mattheus-7-7-f]: Verwijzing f: Matt. 21:22 ; Mark. 11:24 ; Lukas 11:9 ; Joh. 14:13 ; Joh. 16:24 ; Jak. 1:5 ; idem v. 6 ; 1 Joh. 3:22 ; 1 Joh. 5:14 . Mattheüs 21:22 : En al wat u zult begeren in het gebed, gelovende, zult u ontvangen. Marcus 11:24 : Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die u biddende begeert, gelooft, dat u ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. Lukas 11:9 : En Ik zeg u: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Johannes 14:13 : En zo wat u begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Johannes 16:24 : Tot nog toe hebt u niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. Jakobus 1:5 : En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iedereen mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Jakobus 1:6 : Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. 1 Johannes 3:22 : En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem. 1 Johannes 5:14 : En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
[^mattheus-7-8-g]: Verwijzing g: Spreuk. 8:17 ; Jer. 29:12 . Spreuken 8:17 : Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Jeremia 29:12 : Dan zult u Mij aanroepen, en heengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.
[^mattheus-7-8-5]: Kanttekening 5: Namelijk uit het geloof en naar Gods wil. Jak. 1:6 ; 1 Joh. 5:14 . Jakobus 1:6 : Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. 1 Johannes 5:14 : En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
[^mattheus-7-11-h]: Verwijzing h: Gen. 6:5 ; Gen. 8:21 . Genesis 6:5 : En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
[^mattheus-7-12-i]: Verwijzing i: Lukas 6:31 . Lukas 6:31 : En gelijk u wilt, dat u de mensen doen zullen, doet u hun ook evenzo.
[^mattheus-7-12-6]: Kanttekening 6: de wet en de profeten: Dat is, de hoofdzaak van al wat de wet en de profeten, uitleggers derzelve, leren aangaande de tweede tafel van de tien geboden van de liefden van de naaste; Matt. 22:29 . Mattheüs 22:29 : Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht van God.
[^mattheus-7-13-k]: Verwijzing k: Lukas 13:24 . Lukas 13:24 : Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;
[^mattheus-7-14-l]: Verwijzing l: Hand. 14:22 . Handelingen 14:22 : Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God.
[^mattheus-7-14-7]: Kanttekening 7: is nauw: Dat is, niet alleen ten aanzien van de nauwe gehoorzaamheid, die God van ons eist, maar ook omdat hij is vol van verdrukking en zwarigheid. Zie Hand. 14:22 . Handelingen 14:22 : Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God.
[^mattheus-7-15-m]: Verwijzing m: Deut. 13:3 ; Jer. 23:16 ; Matt. 24:4 ; Rom. 16:17 ; Efez. 5:6 ; Kolos. 2:8 ; 1 Joh. 4:1 . Deuteronomium 13:3 : U zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromen-dromer niet horen; want YHWH, uw God, verzoekt u, om te weten, of u YHWH, uw God, liefhebt met uw gehele hart en met uw gehele ziel. Jeremia 23:16 : Zo zegt YHWH van de heirscharen: Hoort niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit de mond van YHWH. Mattheüs 24:4 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Romeinen 16:17 : En ik bid u, broers, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde. Efeziërs 5:6 : Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Kolossensen 2:8 : Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld, en niet naar Christus; 1 Johannes 4:1 : Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^mattheus-7-15-8]: Kanttekening 8: schaapsklederen tot u komen: Dat is, in een uiterlijken schonen schijn.
[^mattheus-7-15-9]: Kanttekening 9: Dat is, verleiders en zielenmoorders; Joh. 10:1 , 10:8 ; Hand. 20:29 . Johannes 10:1 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die niet ingaat door de deur in de stal van de schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. Johannes 10:8 : Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. Handelingen 20:29 : Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.
[^mattheus-7-16-10]: Kanttekening 10: vruchten zult u hen kennen: Door deze vruchten wordt verstaan niet zozeer het leven, dat voor een tijd bedriegen kan, als wel de leer, die aan Gods Woord moet beproefd zijn; 1 Joh. 4:1 . 1 Johannes 4:1 : Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^mattheus-7-17-n]: Verwijzing n: Matt. 3:10 ; Matt. 12:33 ; Mark. 11:13 ; Lukas 3:8 . Mattheüs 3:10 : En ook is al de bijl aan de wortel van de bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Mattheüs 12:33 : Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend. Marcus 11:13 : En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op dezelfde zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd van de vijgen niet. Lukas 3:8 : Brengt dan vruchten voort van de bekering waard; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
[^mattheus-7-17-11]: Kanttekening 11: een kwade boom: Grieks, een verrotte boom.
[^mattheus-7-21-o]: Verwijzing o: Matt. 25:11 ; Lukas 6:46 ; Lukas 13:25 ; Hand. 19:13 ; Rom. 2:13 ; Jak. 1:22 . Mattheüs 25:11 : Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open! Lukas 6:46 : En wat noemt u Mij, Heer, Heer! en doet niet wat Ik zeg? Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent. Handelingen 19:13 : En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden de Naam van de Heer Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Die Paulus predikt! Romeinen 2:13 : (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden; Jakobus 1:22 : En zijt daders van het Woord, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.
[^mattheus-7-21-12]: Kanttekening 12: die tot mij zegt: Dat is, die veel en zinloos roemt van Christus en zijn leer.
[^mattheus-7-21-13]: Kanttekening 13: die daar doet de wil mijns Vaders: Dat is, die in Christus oprecht gelooft, Joh. 6:40 , en zijn leven naar Gods geboden aanstelt; 1 Thess. 4:3 . Johannes 6:40 : En dit is de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, dat iedereen, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 1 Thessalonicensen 4:3 : Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u u onthoudt van de hoererij;
[^mattheus-7-22-p]: Verwijzing p: Jer. 14:14 ; Jer. 27:15 ; Lukas 13:26 . Jeremia 14:14 : En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 27:15 : Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt YHWH, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren. Lukas 13:26 : Alsdan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw aanwezigheid gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd.
[^mattheus-7-22-14]: Kanttekening 14: te die dagen tot mij zeggen: Namelijk van het uiterste oordeel; Matt. 24:36 . Mattheüs 24:36 : Maar van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen van de hemelen, dan Mijn Vader alleen.
[^mattheus-7-22-15]: Kanttekening 15: in uw naam geprofeteerd: Dat is door uw bevel en kracht, als uwe dienaren, en tot verbreiding van uwe eer.
[^mattheus-7-22-16]: Kanttekening 16: krachten gedaan: Dat is, wondertekenen of mirakelen, 1 Kor. 12:10 , omdat zij door de kracht van God gebeuren. 1 Korinthiërs 12:10 : En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^mattheus-7-23-q]: Verwijzing q: Ps. 6:9 ; Matt. 25:12 ; Lukas 13:25 ; idem v. 27 . Psalmen 6:9 : Wijkt van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want YHWH heeft de stem mijns geweens gehoord. Mattheüs 25:12 : En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet. Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent. Lukas 13:27 : En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar u bent; wijkt van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid!
[^mattheus-7-23-17]: Kanttekening 17: openlijk aanzeggen: Grieks, belijden.
[^mattheus-7-23-18]: Kanttekening 18: Namelijk voor de mijnen. Zie Joh. 10:14 , en 2 Tim. 2:19 . Johannes 10:14 : Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. 2 Timotheüs 2:19 : Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
[^mattheus-7-23-r]: Verwijzing r: Matt. 25:41 ; Lukas 13:25 ; idem v. 27 . Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent. Lukas 13:27 : En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar u bent; wijkt van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid!
[^mattheus-7-24-s]: Verwijzing s: Jer. 17:8 ; Lukas 6:47 ; Rom. 2:13 ; Jak. 1:25 . Jeremia 17:8 : Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. Lukas 6:47 : Een iedereen, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelfde doet, Ik zal u tonen, wie hij gelijk is. Romeinen 2:13 : (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden; Jakobus 1:25 : Maar die inziet in de volmaakte wet, die van de vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader van het werk, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.
[^mattheus-7-25-19]: Kanttekening 19: slagregen nedergevallen: Door de slagregen, de waterstromen en winden worden verstaan allerlei vervolgingen, verleidingen en verzoekingen, waardoor de mensen tot afval zouden kunnen gebracht worden.
[^mattheus-7-25-20]: Kanttekening 20: de steenrots gegrond: Deze steenrots betekent Christus, 1 Petr. 2:6 . 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^mattheus-7-26-t]: Verwijzing t: Ez. 13:11 ; Rom. 2:13 ; Jak. 1:23 . Ezechiël 13:11 : Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. Romeinen 2:13 : (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden; Jakobus 1:23 : Want zo iemand een hoorder is van het Woord, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;
[^mattheus-7-26-21]: Kanttekening 21: zand gebouwd heeft: Door het zand wordt verstaan al wat de mensen buiten Christus tot een fondament hun zaligheid stellen; Hand. 4:12.
[^mattheus-7-28-22]: Kanttekening 22: ontzetten over Zijn leer: Of, verbaasd, verslagen werden met verwondering en beroering huns gemoeds.
[^mattheus-7-29-v]: Verwijzing v: Mark. 1:22 ; Mark. 6:2 ; Lukas 4:32 . Marcus 1:22 : En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. Marcus 6:2 : En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren? Lukas 4:32 : En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.
[^mattheus-7-29-23]: Kanttekening 23: macht hebbende: Dat is, met goddelijk gezag, en met een zonderlinge beweeglijkheid en vrijmoedigheid. Zie Luk. 22 , en Joh. 7:45 , 7:46 . Johannes 7:45 : De dienaren dan kwamen tot de overpriesters en Farizeën; en die zeiden tot hen: Waarom hebt u Hem niet gebracht? Johannes 7:46 : De dienaren antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken, gelijk deze Mens.

### Mattheüs 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/8.json)

*1 Christus reinigt een melaatse. 5 Hij geneest de knecht van een hoofdman, 14 de schoonmoeder van Petrus 16 en nog vele anderen. 18 Hij verklaart aan een schriftgeleerde die Hem wilde volgen Zijn armoede 21 en gebiedt een ander Hem zonder uitstel te volgen. 23 Hij stilt het onweer op de zee. 28 Hij drijft de duivelen uit twee bezeten mensen en staat toe dat zij in de varkens varen.*

**1** Toen Hij nu van de[^mattheus-8-1-1] berg afgeklommen was, zijn Hem vele menigten gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v1)

**2** [^mattheus-8-2-a] En ziet, een[^mattheus-8-2-2] melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! als U wilt, U kunt mij reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v2)

**3** En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem[^mattheus-8-3-3] aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En meteen werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v3)

**4** En Jezus zei tot hem: Zie, dat u[^mattheus-8-4-4] dit niemand zegt;[^mattheus-8-4-b] maar ga[^mattheus-8-4-5] heen, toon uzelf aan de priester, en offer de gave, die[^mattheus-8-4-c] Mozes[^mattheus-8-4-6] geboden heeft, hun tot[^mattheus-8-4-7] een getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v4)

**5** [^mattheus-8-5-d] Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v5)

**6** En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v6)

**7** En Jezus zei tot hem: Ik zal komen en hem genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v7)

**8** En de hoofdman over honderd, antwoordende, zei: Heere! ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zou inkomen; maar[^mattheus-8-8-e] spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v8)

**9** Want ik ben ook een mens[^mattheus-8-9-8] onder de macht van anderen, hebbende onder mij soldaten; en ik zeg tot deze: Ga! en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v9)

**10** Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zei tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël[^mattheus-8-10-9] zo groot een geloof niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v10)

**11** [^mattheus-8-11-f] Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen[^mattheus-8-11-10] van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v11)

**12** [^mattheus-8-12-g] En de[^mattheus-8-12-11] kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de[^mattheus-8-12-12] buitenste duisternis;[^mattheus-8-12-h] daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v12)

**13** En Jezus zei tot de hoofdman over honderd: Ga heen, en u gebeure, zoals u geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden op dat moment. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v13)

**14** [^mattheus-8-14-i] En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws[^mattheus-8-14-13] moeder te bed liggen, hebbende de koorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v14)

**15** En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v15)

**16** En als het laat geworden was, hebben zij velen, van de duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit[^mattheus-8-16-14] met de woorde, en Hij genas[^mattheus-8-16-15] allen, die er slecht aan toe waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v16)

**17** Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door[^mattheus-8-17-16] Jesaja, de profeet, zeggende:[^mattheus-8-17-k] Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze ziekten gedragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v17)

**18** En Jezus, vele menigten ziende rondom Zich, beval[^mattheus-8-18-17] aan de andere zijde over te varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v18)

**19** [^mattheus-8-19-l] En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zei tot Hem:[^mattheus-8-19-18] Meester! ik zal U volgen, waar U ook heengaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v19)

**20** En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels des[^mattheus-8-20-19] hemels[^mattheus-8-20-20] nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v20)

**21** En een ander uit Zijn discipelen zei tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v21)

**22** Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en[^mattheus-8-22-m] laat[^mattheus-8-22-21] de doden hun doden begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v22)

**23** [^mattheus-8-23-n] En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v23)

**24** En ziet, er[^mattheus-8-24-22] ontstond een grote[^mattheus-8-24-23] onstuimigheid in de zee, zo dat het schip van de golven bedekt werd; maar Hij sliep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v24)

**25** En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v25)

**26** En Hij zei tot hen: Wat bent u vreesachtig, u kleingelovigen?[^mattheus-8-26-o] Toen stond Hij op, en[^mattheus-8-26-24] bestrafte de winden en de zee; en er werd grote[^mattheus-8-26-25] stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v26)

**27** En de mensen verwonderden zich, zeggende: Wat voor Een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v27)

**28** [^mattheus-8-28-p] En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land[^mattheus-8-28-26] van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de[^mattheus-8-28-27] graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v28)

**29** En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen[^mattheus-8-29-28] voor de tijd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v29)

**30** En verre van hen was een kudde met veel[^mattheus-8-30-29] zwijnen, weidende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v30)

**31** En de demonen baden Hem, zeggende: Als U ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v31)

**32** En Hij zei tot hen: Ga heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de hele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v32)

**33** En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat de bezetenen gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v33)

**34** En ziet, de hele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen,[^mattheus-8-34-q] baden zij, dat Hij uit hun gebied wilde vertrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/8.html#v34)

[^mattheus-8-1-1]: Kanttekening 1: de berg afgeklommen was: Namelijk op welke Hij geklommen was om te prediken; Zie Matt. 5:1 . Mattheüs 5:1 : En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
[^mattheus-8-2-a]: Verwijzing a: Mark. 1:40 ; Lukas 5:12 . Marcus 1:40 : En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Als U wilt, U kunt mij reinigen. Lukas 5:12 : En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heer! zo U wilt, U kunt mij reinigen.
[^mattheus-8-2-2]: Kanttekening 2: melaatse kwam en aanbad Hem: Melaatsheid was in die landen een zeer wrede en vuile ziekte of schurftheid, ontstaande uit bedorven bloed in de mensen, en was een plaag, besmettende niet alleen de mensen, maar ook de kleren en huizen. Zie Lev. 13 en Lev. 14 .
[^mattheus-8-3-3]: Kanttekening 3: Namelijk om hem te genezen. Anders waren naar de wet onrein die melaatsen aanraakten, zie Lev. 13:46 . Leviticus 13:46 : Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
[^mattheus-8-4-4]: Kanttekening 4: niemand zegt: De reden hiervan, zie Matt. 12:16 . Mattheüs 12:16 : En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
[^mattheus-8-4-b]: Verwijzing b: Lukas 5:14 . Lukas 5:14 : En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^mattheus-8-4-5]: Kanttekening 5: toon uzelf aan de priester: Namelijk om van hem geschouwd of bezichtigd te worden of hij waarachtig gereinigd was, Zie Lev. 14:2 ; waaruit de oorbiecht kan bewezen worden, daar Christus hem niet zendt om gereinigd te worden, maar om verklaard te worden dat hij gereinigd was. Leviticus 14:2 : Dit zal de wet van de melaatsen zijn, ten dage zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden.
[^mattheus-8-4-c]: Verwijzing c: Lev. 13:2 ; Lev. 14:2 . Leviticus 13:2 : Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden. Leviticus 14:2 : Dit zal de wet van de melaatsen zijn, ten dage zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden.
[^mattheus-8-4-6]: Kanttekening 6: Mozes geboden heeft: Of, ingesteld heeft. Zie Lev. 14:4 , enz. Leviticus 14:4 : Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederenhout, en scharlaken, en hysop.
[^mattheus-8-4-7]: Kanttekening 7: een getuigenis: Of, overtuiging, namelijk dat zij kwalijk deden Christus verwerpende, van wiens wonderen zij zelf getuigenis hadden gegeven.
[^mattheus-8-5-d]: Verwijzing d: Lukas 7:1 . Lukas 7:1 : Nadat Hij nu al Zijn woorden voltooid had, ten aanhore van het volk, ging Hij in te Kapernaum.
[^mattheus-8-8-e]: Verwijzing e: Ps. 107:20 . Psalmen 107:20 : Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.
[^mattheus-8-9-8]: Kanttekening 8: onder de macht van anderen : Dat is, als ik, die onder het gebied van anderen sta, zulk een gezag heb over degenen, die onder mij staan en ook mensen zijn als ik, hoeveel te meer moeten alle dingen onder uw bevel staan, die een Heer over alles zijt.
[^mattheus-8-10-9]: Kanttekening 9: zo groot geloof niet gevonden: Namelijk als bij deze heidense hoofdman.
[^mattheus-8-11-f]: Verwijzing f: Lukas 13:29 . Lukas 13:29 : En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk van God.
[^mattheus-8-11-10]: Kanttekening 10: van oosten en westen: Grieks, van de opgang en ondergang (δυσμή); namelijk van de zon, dat is, uit alle gewesten van de wereld; waarmee voorzegd wordt de beroeping, bekering en zaligheid van de heidenen; Joh. 11:52 . Johannes 11:52 : En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.
[^mattheus-8-12-g]: Verwijzing g: Matt. 21:43 . Mattheüs 21:43 : Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk van God van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
[^mattheus-8-12-11]: Kanttekening 11: kinderen van het koninkrijk: Dat is, die uit Joden, met wie God wel een uiterlijk verbond gemaakt had, maar die zich door hun ongeloof dat onwaardig maakten. Hand. 13:46 . Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u het verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^mattheus-8-12-12]: Kanttekening 12: buitenste duisternis: Dat is, die buiten het koninkrijk van de hemelen is, namelijk in de hel.
[^mattheus-8-12-h]: Verwijzing h: Matt. 13:42 ; Matt. 22:13 ; Matt. 24:51 ; Lukas 13:28 . Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 22:13 : Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^mattheus-8-14-i]: Verwijzing i: Mark. 1:29 ; Lukas 4:38 . Marcus 1:29 : En ogenblikkelijk uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. Lukas 4:38 : En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.
[^mattheus-8-14-13]: Kanttekening 13: zijn vrouws moeder: Waaruit blijkt dat de apostel Petrus getrouwd is geweest en, apostel geworden zijnde, zijn huisvrouw niet heeft verlaten; zie ook 1 Kor. 9:5 . 1 Korinthiërs 9:5 : Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zus zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broers van de Heer, en Cefas?
[^mattheus-8-16-14]: Kanttekening 14: met de woorde: Dat is, door zijn bevel alleen.
[^mattheus-8-16-15]: Kanttekening 15: allen die kwalijk gesteld waren: Namelijk die tot Hem kwamen, of, gebracht werden. Zie Matt. 4:24 . Mattheüs 4:24 : En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas hen.
[^mattheus-8-17-16]: Kanttekening 16: Jesaja de profeet: Dit wordt, Jes. 53:4 , voornamelijk van onze geestelijke ziekten en ziekten verstaan; dat is, van onze zonden, die Christus van ons op zich geladen heeft, om daarvoor genoeg te doen, en daarmede ook van die te verlossen, dat Hij met de genezingen van lichamelijke ziekten ook heeft te verstaan gegeven. Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
[^mattheus-8-17-k]: Verwijzing k: Jes. 53:4 ; 1 Petr. 2:24 . Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent.
[^mattheus-8-18-17]: Kanttekening 17: aan de andere zijde over te varen: Namelijk van het Galilese meer, naar het land van de Gergesenen, tegenover Kapernaüm. Zie vers 5 , 8:28 . Mattheüs 8:5 : Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem, Mattheüs 8:28 : En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan.
[^mattheus-8-19-l]: Verwijzing l: Lukas 9:57 . Lukas 9:57 : En het geschiedde op de weg, als zij reisden, dat een tot Hem zei: Heer, ik zal U volgen, waar U ook heengaat.
[^mattheus-8-19-18]: Kanttekening 18: Of, leraar.
[^mattheus-8-20-19]: Kanttekening 19: Dat is, van de lucht, gelijk Matt. 6:26 . Mattheüs 6:26 : Aanziet de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans die; gaat u die niet zeer veel te boven?
[^mattheus-8-20-20]: Kanttekening 20: Of, rustplaatsen, waar zij als onder een tent ter rust gaan, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt.
[^mattheus-8-22-m]: Verwijzing m: 1 Tim. 5:6 . 1 Timotheüs 5:6 : Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.
[^mattheus-8-22-21]: Kanttekening 21: de doden hun doden begraven: Die in hun zonden leven, worden geestelijk dood genaamd, 1 Tim. 5:6 ; Openb. 3:1 . 1 Timotheüs 5:6 : Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven. Openbaring 3:1 : En schrijf aan de engel van de Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat u de naam hebt, dat u leeft, en u bent dood.
[^mattheus-8-23-n]: Verwijzing n: Mark. 4:35 ; Lukas 8:22 . Marcus 4:35 : En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zei Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. Lukas 8:22 : En het geschiedde in één van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zei tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.
[^mattheus-8-24-22]: Kanttekening 22: ontstond een grote: Grieks, werd.
[^mattheus-8-24-23]: Kanttekening 23: onstuimigheid in de zee: Of, beweging, beroering.
[^mattheus-8-26-o]: Verwijzing o: Job 26:12 ; Ps. 107:29 ; Jes. 51:10 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. Psalmen 107:29 : Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen. Jesaja 51:10 : Zijt U het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten van de zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?
[^mattheus-8-26-24]: Kanttekening 24: bestrafte de winden en de zee: Hun bevelende stil te zijn. Zie Mark. 4:39 . Marcus 4:39 : En Hij opgewekt zijnde, bestrafte de wind, en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.
[^mattheus-8-26-25]: Kanttekening 25: Of, kalmte.
[^mattheus-8-28-p]: Verwijzing p: Mark. 5:1 ; Lukas 8:26 . Marcus 5:1 : En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen. Lukas 8:26 : En zij voeren voort naar het land van de Gadarenen, dat is tegenover Galilea.
[^mattheus-8-28-26]: Kanttekening 26: van de Gergesenen: Mark. 5:1 en Luk. 8:26 , zeggen: van de Gadarenen. Want die steden Gadara en Gergessa lagen bij elkaar aan de Galilese zee tegenover Kapernaüm. Marcus 5:1 : En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen. Lukas 8:26 : En zij voeren voort naar het land van de Gadarenen, dat is tegenover Galilea.
[^mattheus-8-28-27]: Kanttekening 27: De graven waren daar veel in spelonken, holen of kelders, buiten de steden, gelijk te zien is Matt. 27:60 . Mattheüs 27:60 : En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg.
[^mattheus-8-29-28]: Kanttekening 28: vóór de tijd: Namelijk van God bestemd tot hun pijniging, dat wezen zal in het uiterste oordeel. Zie 2 Petr. 2:4 en Jud. 1:6 . 2 Petrus 2:4 : Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Judas 1:6 : En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^mattheus-8-30-29]: Kanttekening 29: zwijnen weidende: Deze plaatsen werden veel van Grieken of heidenen bewoond, tot wier gebruik deze zwijnen geweid werden. Want aan de Joden was het eten van varkensvlees verboden. Zie Lev. 11 .
[^mattheus-8-34-q]: Verwijzing q: Hand. 16:39 . Handelingen 16:39 : En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.

### Mattheüs 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/9.json)

*1 Christus geneest een verlamde en bewijst dat Hij macht heeft om de zonden te vergeven. 9 Hij roept Mattheüs en eet met de tollenaars. 14 Hij verdedigt Zijn discipelen dat zij niet vasten. 20 Hij geneest een vrouw van de bloedvloeiing. 23 Hij wekt het gestorven dochtertje van een overste op. 27 Hij maakt twee blinden ziende. 32 Hij werpt een stomme duivel uit. 35 Hij predikt en geneest vele zieken. 36 Hij vermaant te bidden om arbeiders in de oogst.*

**1** En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in[^mattheus-9-1-1] Zijn stad.[^mattheus-9-1-a] En ziet, zij brachten tot Hem een[^mattheus-9-1-2] geraakte, op een bed liggende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v1)

**2** En Jezus,[^mattheus-9-2-3] hun geloof ziende, zei tot de geraakte:[^mattheus-9-2-4] Zoon! heb goede moed; uw zonden zijn u vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v2)

**3** En ziet, sommigen van de Schriftgeleerden zeiden in zichzelf:[^mattheus-9-3-b] Deze[^mattheus-9-3-5] lastert God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v3)

**4** En Jezus,[^mattheus-9-4-6] ziende hun gedachten, zei: Waarom overdenkt u kwaad in uw harten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v4)

**5** Want wat is[^mattheus-9-5-7] lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v5)

**6** Maar opdat u mag weten, dat de[^mattheus-9-6-8] Zoon des mensen[^mattheus-9-6-9] macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zei Hij tot de geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v6)

**7** En hij opgestaan zijnde,[^mattheus-9-7-10] ging heen naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v7)

**8** De menigten nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zulke macht de mensen gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v8)

**9** [^mattheus-9-9-c] En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in[^mattheus-9-9-11] het tolhuis zitten, genoemd[^mattheus-9-9-12] Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v9)

**10** En het gebeurde, als Hij in het huis[^mattheus-9-10-13] van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en[^mattheus-9-10-14] zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v10)

**11** En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v11)

**12** Maar Jezus, dat horende, zei tot hen: Die[^mattheus-9-12-15] gezond zijn hebben de dokter niet nodig, maar die[^mattheus-9-12-16] ziek zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v12)

**13** Maar gaat heen en leert, wat het zij:[^mattheus-9-13-d] Ik wil barmhartigheid, en[^mattheus-9-13-17] niet offergave;[^mattheus-9-13-e] want Ik ben niet gekomen om te roepen[^mattheus-9-13-18] rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v13)

**14** [^mattheus-9-14-f] Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v14)

**15** En Jezus zei tot hen: Kunnen ook[^mattheus-9-15-g] de[^mattheus-9-15-19] bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v15)

**16** Ook zet niemand[^mattheus-9-16-20] een lap[^mattheus-9-16-21] niet gekrompen laken op een oud kleed; want zijn[^mattheus-9-16-22] aangezette lap[^mattheus-9-16-23] scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v16)

**17** [^mattheus-9-17-h] Noch doet men nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders[^mattheus-9-17-24] zo barsten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven, maar men doet nieuwe wijn in nieuwe lederen zakken, en beide samen worden behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v17)

**18** Als Hij deze dingen tot hen sprak,[^mattheus-9-18-i] ziet, een[^mattheus-9-18-25] overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu meteen gestorven, maar kom en leg Uw hand op haar, en zij zal[^mattheus-9-18-26] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v18)

**19** En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v19)

**20** (En[^mattheus-9-20-k] ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem[^mattheus-9-20-27] van achteren, raakte de zoom van Zijn kleed aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v20)

**21** Want zij zei in zichzelf: Als ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik[^mattheus-9-21-29] gezond worden.[^mattheus-9-21-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v21)

**22** En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zei:[^mattheus-9-22-l] Heb goede moed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond vanaf dat moment.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v22)

**23** [^mattheus-9-23-m] En als Jezus in het huis van de oversten kwam, en zag[^mattheus-9-23-30] de pijpers en de woelende menigte, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v23)

**24** Zei Hij tot hen: Vertrek; want het dochtertje is[^mattheus-9-24-31] niet dood, maar[^mattheus-9-24-n] slaapt. En zij belachten Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v24)

**25** Als nu de menigte uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje[^mattheus-9-25-32] stond op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v25)

**26** En dit gerucht ging uit door dat hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v26)

**27** En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende:[^mattheus-9-27-33] U Zoon van David, ontferm U over ons! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v27)

**28** En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zei tot hen: Gelooft u, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v28)

**29** Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U gebeure naar uw geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v29)

**30** En hun ogen zijn geopend geworden.[^mattheus-9-30-o] En Jezus heeft hun[^mattheus-9-30-34] zeer streng verboden, zeggende: Zie, dat niemand het wete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v30)

**31** [^mattheus-9-31-p] Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem bekend gemaakt door dat hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v31)

**32** [^mattheus-9-32-q] Als deze nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die[^mattheus-9-32-35] stom en van de duivel bezeten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v32)

**33** En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de menigten verwonderden zich, zeggende: Er is nooit[^mattheus-9-33-36] zoiets in Israël gezien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v33)

**34** Maar de Farizeën zeiden:[^mattheus-9-34-r] Hij werpt de demonen uit door de[^mattheus-9-34-37] overste van de demonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v34)

**35** [^mattheus-9-35-s] En Jezus omging al de steden en plaatsen, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende[^mattheus-9-35-38] alle ziekte en alle kwalen onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v35)

**36** [^mattheus-9-36-t] En Hij, de menigten ziende, werd[^mattheus-9-36-39] innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij[^mattheus-9-36-40] vermoeid en verstrooid waren,[^mattheus-9-36-v] gelijk schapen, die geen herder hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v36)

**37** Toen zei Hij tot Zijn discipelen:[^mattheus-9-37-x] De oogst is wel[^mattheus-9-37-41] groot; maar de arbeiders zijn weinig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v37)

**38** [^mattheus-9-38-y] Bid dan de Heere van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst[^mattheus-9-38-42] uitstote. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/9.html#v38)

[^mattheus-9-1-1]: Kanttekening 1: Zijn stad: Namelijk Kapernaüm, waar Hij zijn woonplaats genomen had. Zie Matt. 4:13 ; Mark. 2:1 . Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Marcus 2:1 : En na sommige dagen is Hij opnieuw binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
[^mattheus-9-1-a]: Verwijzing a: Mark. 2:3 ; Lukas 5:18 ; Hand. 9:33 . Marcus 2:3 : En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd. Lukas 5:18 : En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. Handelingen 9:33 : En daar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
[^mattheus-9-1-2]: Kanttekening 2: Of lamme; gelijk Matt. 4:24 . Mattheüs 4:24 : En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas hen.
[^mattheus-9-2-3]: Kanttekening 3: hun geloof ziende: Namelijk van de geraakte, als ook van degenen, die hem brachten.
[^mattheus-9-2-4]: Kanttekening 4: wees welgemoed: Of, vertrouw.
[^mattheus-9-3-b]: Verwijzing b: Ps. 32:5 ; Jes. 43:25 . Psalmen 32:5 : Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor YHWH; en U vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet.
[^mattheus-9-3-5]: Kanttekening 5: lastert God : Namelijk God, zichzelven toeschrijvende wat God alleen toekomt. Het Griekse woord betekent eigenlijk iemands goeden naam kwetsen, schenden of beschadigen. Zie Jes. 43:25 en Jes. 44:22 . Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. Jesaja 44:22 : Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost.
[^mattheus-9-4-6]: Kanttekening 6: ziende hun gedachten: Dat is, bekennende de overlegging huns gemoeds.
[^mattheus-9-5-7]: Kanttekening 7: Want deze beiden zijn even zwaar, en eigen werken van God.
[^mattheus-9-6-8]: Kanttekening 8: Zoon van de mensen: Zo noemt Christus zichzelf omdat Hij, de Zoon van God zijnde, ook waarachtig mens is, uit de mensen en onder die titel beloofd was, Dan. 7:13 , alsook omdat Hij in een nederige staat was onder de mensen; Ez. 1:26 ; Filip. 2:7 , 2:8 . Daniël 7:13 : Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Hem naderen. Ezechiël 1:26 : En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde. Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Filippensen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^mattheus-9-6-9]: Kanttekening 9: macht heeft op de aarde: Namelijk omdat Hij in één persoon ook waarachtig God is; Hand. 20:28 . Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^mattheus-9-7-10]: Kanttekening 10: ging heen naar zijn huis: Namelijk zijn bed op zich genomen hebbende; gelijk Mark. 2:12 , en Luk. 5:25 te zien is. Marcus 2:12 : En meteen stond hij op, en het bed opgenomen hebbende, ging hij uit in aller aanwezigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien! Lukas 5:25 : En hij, meteen voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende wat, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.
[^mattheus-9-9-c]: Verwijzing c: Mark. 2:14 ; Lukas 5:27 . Marcus 2:14 : En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Lukas 5:27 : En na deze ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij.
[^mattheus-9-9-11]: Kanttekening 11: in het tolhuis zitten: Namelijk om de tol te ontvangen; want hij was een tollenaar; Matt. 10:3 . Mattheüs 10:3 : Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs;
[^mattheus-9-9-12]: Kanttekening 12: En was ook genaamd Levi. Zie Mark. 2:14 , en Luk. 5:27 ; en is dezelfde, die dit Evangelie geschreven heeft. Marcus 2:14 : En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Lukas 5:27 : En na deze ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij.
[^mattheus-9-10-13]: Kanttekening 13: Van de manier van aanzitten aan te tafel, zie Joh. 13:23 . Johannes 13:23 : En één van Zijn discipelen was aanzittende in de schoot van Jezus, welke Jezus liefhad.
[^mattheus-9-10-14]: Kanttekening 14: zondaars kwamen: Dat is, metgezellen van de tollenaars, die van de Joden voor grote zondaren gehouden werden, of in openbare zonden leefden.
[^mattheus-9-12-15]: Kanttekening 15: gezond zijn: Grieks, sterk, kloek.
[^mattheus-9-12-16]: Kanttekening 16: ziek zijn: Grieks, die kwalijk tepas, of kwalijk gesteld zijn.
[^mattheus-9-13-d]: Verwijzing d: Hosea 6:6 ; Micha 6:8 ; Matt. 12:7 . Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Micha 6:8 : Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? Mattheüs 12:7 : Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^mattheus-9-13-17]: Kanttekening 17: niet offerande: Dat is, Ik wil; dat is, Ik heb meer welgevallen aan de werken van de barmhartigheid, waaronder ook de vlijt om iemand te bekeren voornamelijk begrepen wordt, dan aan offerande.
[^mattheus-9-13-e]: Verwijzing e: Mark. 2:17 ; Lukas 5:32 ; Lukas 19:10 ; 1 Tim. 1:15 . Marcus 2:17 : En Jezus, dat horende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Lukas 5:32 : Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. Lukas 19:10 : Want de Zoon van de mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. 1 Timotheüs 1:15 : Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
[^mattheus-9-13-18]: Kanttekening 18: Omdat er zodanigen niet zijn, hoewel de Farizeën zich lieten voorstaan, dat zij zodanig waren; Luk. 18:9 . Lukas 18:9 : En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
[^mattheus-9-14-f]: Verwijzing f: Mark. 2:18 ; Lukas 5:33 . Marcus 2:18 : En de discipelen van Johannes en van de Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeën, en Uw discipelen vasten niet? Lukas 5:33 : En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls, en doen gebeden, evenzo ook de discipelen van de Farizeën, maar de van U eten en drinken?
[^mattheus-9-15-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 11:2 . 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^mattheus-9-15-19]: Kanttekening 19: bruiloftskinderen treuren: Grieks, de zonen; dat is, kinderen van de bruiloftskamer, die men noemt speelgenoten. Zie Richt. 14:11 ; deze worden genaamd vrienden van de bruidegom; Joh. 3:29 . Richteren 14:11 : En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn. Johannes 3:29 : Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.
[^mattheus-9-16-20]: Kanttekening 20: een lap: Christus wil met deze gelijkenissen te kennen geven dat zijn discipelen nog al teder en zwak waren.
[^mattheus-9-16-21]: Kanttekening 21: niet gekrompen laken: Of, onbereid, nieuw, ongesleten; gelijk Luk. 5:36 . Lukas 5:36 : En Hij zei ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
[^mattheus-9-16-22]: Kanttekening 22: aangezette lap: Grieks, vervulsel.
[^mattheus-9-16-23]: Kanttekening 23: scheurt af van het kleed: Of, scheurt iets af, gelijk Mark. 2:21 ; namelijk het nieuwe van het oude, dat is, scheurt de aangezetten lap af. Marcus 2:21 : En niemand naait een lap niet gekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur.
[^mattheus-9-17-h]: Verwijzing h: Mark. 2:22 . Marcus 2:22 : En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken barsten en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen.
[^mattheus-9-17-24]: Kanttekening 24: zo barsten de leder zakken: Of, scheuren.
[^mattheus-9-18-i]: Verwijzing i: Mark. 5:22 ; Lukas 8:41 . Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, Lukas 8:41 : En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste van de synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.
[^mattheus-9-18-25]: Kanttekening 25: overste kwam: Namelijk van de synagoge, genaamd Jaïrus. Zie Mark. 5:22 ; Luk. 8:41 . Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, Lukas 8:41 : En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste van de synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.
[^mattheus-9-18-26]: Kanttekening 26: Dat is, weer levend worden.
[^mattheus-9-20-k]: Verwijzing k: Lev. 15:25 ; Mark. 5:25 ; Lukas 8:43 . Leviticus 15:25 : Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de tijd haar afzondering, van de vloed haars bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed haar onreinigheid, als in de dagen haar afzondering onrein zijn. Marcus 5:25 : En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had, Lukas 8:43 : En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed van het bloed gehad had, welke al haar leeftocht aan dokters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,
[^mattheus-9-20-27]: Kanttekening 27: van achteren: Omdat zij haar ziekte niet durfde openbaren.
[^mattheus-9-21-29]: Kanttekening 29: gezond worden: Grieks, verlost, of behouden.
[^mattheus-9-21-28]: Kanttekening 28: Zijn kleed aanraak: Zij schreef deze kracht van de gezondmaking aan het kleed niet toe, maar aan Jezus Christus zelf, die daar tegenwoordig was, gelijk blijkt uit het volgende Matth9:22, en uit Mark. 5:30 , en Luk. 8:46 . Zie dergelijke Matt. 14:36 . Marcus 5:30 : En meteen Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt? Lukas 8:46 : En Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is. Mattheüs 14:36 : En baden Hem, dat zij alleen de zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.
[^mattheus-9-22-l]: Verwijzing l: Mark. 5:34 ; Lukas 8:48 . Marcus 5:34 : En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal. Lukas 8:48 : En Hij zei tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
[^mattheus-9-23-m]: Verwijzing m: Mark. 5:38 ; Lukas 8:51 . Marcus 5:38 : En kwam in het huis van de oversten van de synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden. Lukas 8:51 : En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en de vader en de moeder van het kind.
[^mattheus-9-23-30]: Kanttekening 30: de pijpers en de woelende schare: Die met treurig fluiten de mensen tot wenen en klagen over de doden zochten te verwekken; welk gebruik de Joden van de heidenen ontleend hadden.
[^mattheus-9-24-31]: Kanttekening 31: niet dood, maar slaapt: Namelijk om dood te blijven zo Christus voorhad haar te verwekken. Anders wordt de dood gezegd geen dood maar een slaap te zijn, vanwege de algemene opstanding; Joh. 11:11 . Johannes 11:11 : Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken.
[^mattheus-9-24-n]: Verwijzing n: Joh. 11:11 . Johannes 11:11 : Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken.
[^mattheus-9-25-32]: Kanttekening 32: stond op: Grieks, werd opgewekt; namelijk van de dood.
[^mattheus-9-27-33]: Kanttekening 33: Zoon van David, ontferm u over ons: De Messias was voor een zoon van David bekend, omdat Hij uit het geslacht Davids zou voorkomen, volgens de belofte aan David gedaan. Zie Matt. 1:1 . Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham.
[^mattheus-9-30-o]: Verwijzing o: Matt. 12:16 ; Lukas 5:14 . Mattheüs 12:16 : En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; Lukas 5:14 : En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^mattheus-9-30-34]: Kanttekening 34: zeer strengelijk verboden: Grieks, gedreigd met ernstige beweging van het gemoed.
[^mattheus-9-31-p]: Verwijzing p: Mark. 7:36 . Marcus 7:36 : En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het van de te meer.
[^mattheus-9-32-q]: Verwijzing q: Matt. 12:22 ; Lukas 11:14 . Mattheüs 12:22 : Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag. Lukas 11:14 : En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.
[^mattheus-9-32-35]: Kanttekening 35: stom en van de duivel bezeten was: Aan wie de duivel, waarvan hij bezeten was, de spraak benomen had.
[^mattheus-9-33-36]: Kanttekening 36: evenzo in Israël gezien: Grieks, zo (Ἰσραήλ).
[^mattheus-9-34-r]: Verwijzing r: Matt. 12:24 ; Mark. 3:22 ; Lukas 11:15 . Mattheüs 12:24 : Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit. Lukas 11:15 : Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste van de duivelen.
[^mattheus-9-34-37]: Kanttekening 37: overste van de duivelen: Deze wordt Matt. 10:25 en Matt. 12:27 Beëlzebul genaamd. Want ook onder de onreine geesten is er een, die over de anderen heerschappij heeft. Zie Matt. 25:41 . Mattheüs 10:25 : Het zij de discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienaar gelijk zijn heer. Als zij de Heer van het huis Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! Mattheüs 12:27 : En als Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
[^mattheus-9-35-s]: Verwijzing s: Mark. 6:6 ; Lukas 13:22 . Marcus 6:6 : En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende. Lukas 13:22 : En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.
[^mattheus-9-35-38]: Kanttekening 38: Alle ziekten en alle kwalen onder het volk: Dat is, allerlei. Zie Matt. 4:23 . Mattheüs 4:23 : En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk.
[^mattheus-9-36-t]: Verwijzing t: Mark. 6:34 . Marcus 6:34 : En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.
[^mattheus-9-36-39]: Kanttekening 39: innerlijk met ontferming bewogen over hen: Grieks, werd in zijne ingewanden beroerd.
[^mattheus-9-36-40]: Kanttekening 40: vermoeid en verstrooid waren: Grieks, los en ontbonden.
[^mattheus-9-36-v]: Verwijzing v: Jer. 23:1 ; Ez. 34:2 . Jeremia 23:1 : Wee de herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt YHWH. Ezechiël 34:2 : Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Zo zegt de Heer YHWH: Wee de herderen Israëls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?
[^mattheus-9-37-x]: Verwijzing x: Lukas 10:2 ; Joh. 4:35 . Lukas 10:2 : Hij zei dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Johannes 4:35 : Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn al wit om te oogsten.
[^mattheus-9-37-41]: Kanttekening 41: Grieks, veel.
[^mattheus-9-38-y]: Verwijzing y: 2 Thes. 3:1 . 2 Thessalonicensen 3:1 : Verder, broers, bidt voor ons, opdat het Woord van de Heer zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
[^mattheus-9-38-42]: Kanttekening 42: Grieks, uitwerpe, dat is uitzende, hun door de kracht zijns Geestes gewillig en bekwaam gemaakt hebbende.

### Mattheüs 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/10.json)

*1 Christus geeft Zijn apostelen macht om wonderen te doen. 2 Hun namen. 5 Hij zendt hen om te prediken onder het volk Israël. 8 Hij onderricht hen hoe zij zich voor de reis moeten gereedmaken en hoe zij zich zullen gedragen tegenover hen die hen ontvangen en niet ontvangen. 16 Wat voor moeilijkheden hun zal overkomen en waarmee zij zich in dit alles te troosten hebben. 32 Hij leert wat voor loon zij te verwachten hebben die Hem standvastig belijden 40 en die tegenover Zijn dienstknechten weldadig zijn.*

**1** [^mattheus-10-1-a] En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij[^mattheus-10-1-1] hun macht gegeven[^mattheus-10-1-2] over de onreine geesten, om hen uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwalen te genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v1)

**2** De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de[^mattheus-10-2-3] eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v2)

**3** Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de[^mattheus-10-3-4] tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd[^mattheus-10-3-5] Thaddeüs; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v3)

**4** Simon[^mattheus-10-4-6] Kananites, en Judas[^mattheus-10-4-7] Iskariot, die Hem ook[^mattheus-10-4-8] verraden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v4)

**5** Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: U zult niet heengaan op de weg van de heidenen, en u zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen.[^mattheus-10-5-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v5)

**6** [^mattheus-10-6-b] Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het[^mattheus-10-6-10] huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v6)

**7** En heengaande[^mattheus-10-7-c] predikt, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v7)

**8** [^mattheus-10-8-d] Genees de[^mattheus-10-8-11] zieken; reinig de melaatsen; wekt de doden op; werp de demonen uit.[^mattheus-10-8-e] U hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v8)

**9** [^mattheus-10-9-f] Verkrijgt[^mattheus-10-9-12] u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw[^mattheus-10-9-13] gordels; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v9)

**10** Noch reiszak tot de weg, noch[^mattheus-10-10-14] twee rokken, noch schoenen, noch staf;[^mattheus-10-10-g] want de arbeider is zijn voedsel waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v10)

**11** [^mattheus-10-11-h] En in wat stad of plaats u zult inkomen, onderzoekt, wie daarin[^mattheus-10-11-15] waard is; en blijft daar, totdat u daar[^mattheus-10-11-16] uitgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v11)

**12** En als u in het huis gaat, zo[^mattheus-10-12-17] groet hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v12)

**13** En als dat huis waard is, zo kome uw vrede over hetzelfde, maar als het niet waard is, zo kere uw vrede weer tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v13)

**14** [^mattheus-10-14-i] En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of daaruit stad,[^mattheus-10-14-k] schudt het[^mattheus-10-14-18] stof van uw voeten af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v14)

**15** [^mattheus-10-15-l] Voorwaar zeg Ik u: Het zal de lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan die stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v15)

**16** [^mattheus-10-16-m] Zie, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; wees dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.[^mattheus-10-16-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v16)

**17** Maar wees op uw hoede voor de mensen;[^mattheus-10-17-n] want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.[^mattheus-10-17-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v17)

**18** [^mattheus-10-18-o] En u zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en de heidenen tot getuigenis.[^mattheus-10-18-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v18)

**19** [^mattheus-10-19-p] Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet[^mattheus-10-19-22] bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u op dat moment gegeven worden, wat u spreken zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v19)

**20** Want u bent het niet, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, Die in u spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v20)

**21** [^mattheus-10-21-q] En de ene broer zal de andere broer overleveren tot de dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen[^mattheus-10-21-23] hen doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v21)

**22** En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam;[^mattheus-10-22-r] maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v22)

**23** [^mattheus-10-23-s] Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want werkelijk zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal[^mattheus-10-23-24] gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v23)

**24** [^mattheus-10-24-t] De discipel is niet boven de meester, noch de dienaar boven zijn heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v24)

**25** Het zij de discipel genoeg, dat hij wordt zoals zijn meester, en de dienaar zoals zijn heer.[^mattheus-10-25-v] Als zij de Heere van het[^mattheus-10-25-25] huis Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v25)

**26** [^mattheus-10-26-x] Vrees dan hen niet;[^mattheus-10-26-y] want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v26)

**27** Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort[^mattheus-10-27-26] in het oor, predikt dat[^mattheus-10-27-27] op de daken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v27)

**28** [^mattheus-10-28-a] En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v28)

**29** Worden niet twee[^mattheus-10-29-28] musjes om[^mattheus-10-29-29] een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v29)

**30** [^mattheus-10-30-b] En ook uw haar van het hoofd zijn alle geteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v30)

**31** Vrees dan niet; u gaat vele musjes te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v31)

**32** [^mattheus-10-32-c] Ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook[^mattheus-10-32-30] belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v32)

**33** Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v33)

**34** [^mattheus-10-34-d] Denk niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het[^mattheus-10-34-31] zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v34)

**35** [^mattheus-10-35-e] Want Ik ben gekomen, om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de[^mattheus-10-35-32] schoondochter tegen haar schoonmoeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v35)

**36** [^mattheus-10-36-f] En zij zullen van de mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v36)

**37** [^mattheus-10-37-g] Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v37)

**38** [^mattheus-10-38-h] En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mij niet waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v38)

**39** [^mattheus-10-39-i] Die zijn[^mattheus-10-39-33] ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v39)

**40** [^mattheus-10-40-k] Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v40)

**41** [^mattheus-10-41-l] Die een profeet ontvangt[^mattheus-10-41-34] in de naam van de profeten, zal het loon van de profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam van de rechtvaardigen, zal het loon van de rechtvaardigen ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v41)

**42** [^mattheus-10-42-m]En zo wie één van deze[^mattheus-10-42-35] kleinen te drinken geeft alleen[^mattheus-10-42-36] een beker koud water, in de naam van een discipel, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/10.html#v42)

[^mattheus-10-1-a]: Verwijzing a: Mark. 3:13 ; Lukas 6:13 ; Lukas 9:1 . Marcus 3:13 : En Hij klom op de berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. Lukas 6:13 : En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: Lukas 9:1 : En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.
[^mattheus-10-1-1]: Kanttekening 1: macht gegeven: Namelijk om in zijn naam en door de kracht Gods, niet door hunne kracht wonderen te doen. Zie Hand. 3:12 , 3:16 . Handelingen 3:12 : En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: U Israëlietische mannen, wat verwondert u u over dit, of wat ziet u zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid deze hadden doen wandelen? Handelingen 3:16 : En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze gesterkt, die u ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller aanwezigheid.
[^mattheus-10-1-2]: Kanttekening 2: Of, tegen.
[^mattheus-10-2-3]: Kanttekening 3: de eerste: Petrus wordt hier de eerste genoemd, niet omdat hij macht en autoriteit had over de anderen, dat Gods woord nergens leert, zo de Apostelen in deze elkaar gelijk waren, zie Joh. 20:22,23 , maar omdat hij zo het schijnt, de oudste en van Christus tot het Apostelschap eerst geroepen was. Zie Matt. 4:18 . Anders wordt ook Jakobus eerst genoemd voor Petrus, zie Gal. 2:9 . Of, omdat hij met zijn broer Andreas het eerste paar is dat uitgezonden werd. Johannes 20:22 : En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. Mattheüs 4:18 : En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broers, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer, het net in de zee werpende (want zij waren vissers); Galaten 2:9 : En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^mattheus-10-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, die tollenaar geweest was. Zie Matt. 9:9 . Hij wordt ook Levi genaamd. Mark. 2:14 , en Luk. 5:27 , 5:29 . Mattheüs 9:9 : En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Marcus 2:14 : En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Lukas 5:27 : En na deze ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. Lukas 5:29 : En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
[^mattheus-10-3-5]: Kanttekening 5: Thaddai in het Syrisch, is Judas in het Hebreeuws, dat zijn voornaam was. Zie Joh. 14:22 . Hoewel sommigen menen dat dit nog een derde naam is van deze apostel, van een anderen oorsprong. Hij is ook toegenaamd Lebbeüs. Johannes 14:22 : Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heer, wat is het, dat U Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?
[^mattheus-10-4-6]: Kanttekening 6: Dat is, ijveraar, Grieks, Zelotes. Gelijk de eerste Simon is toegenaamd Petrus, zo is deze tweede toegenaamd Kananites, dat is ijveraar, om van de ander onderscheiden te worden. Zie Luk. 6:15 ; Hand. 1:13 . Lukas 6:15 : Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon genaamd Zelotes; Handelingen 1:13 : En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broer van Jakobus.
[^mattheus-10-4-7]: Kanttekening 7: Sommigen menen dat deze Judas zo genoemd wordt van de stad Kerioth , gelegen in de stam Juda ( Joz. 15:25 ), andere van Secarjuth dat een buidel betekent, omdat hij de beurs droeg ( Joh. 12:6 . Jozua 15:25 : En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, (dat is Hazor). Johannes 12:6 : En dit zei hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg wat gegeven werd.
[^mattheus-10-4-8]: Kanttekening 8: verraden heeft: Grieks, overgeleverd heeft.
[^mattheus-10-5-9]: Kanttekening 9: De Samaritanen worden hier bij de heidenen gevoegd en onderscheiden, omdat hoewel ze van heidense afkomst waren, ze vele ceremoniën van de Joden aangenomen hadden. Zie 2 Kon. 17 .
[^mattheus-10-6-b]: Verwijzing b: Hand. 3:26 ; Hand. 13:26 ; idem 13:46 . Handelingen 3:26 : God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Dezelfde eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een iedereen van u afkere van uw boosheden. Handelingen 13:26 : Mannen broers, kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven van de eeuwigen levens niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^mattheus-10-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, Joden, die als dwalende schapen zonder oprechte Leraren waren. Deze moest het Evangelium eerst gepredikt worden. Matt. 15:24 , Hand. 13:46 . Mattheüs 15:24 : Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u het verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^mattheus-10-7-c]: Verwijzing c: Lukas 9:2 . Lukas 9:2 : En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk van God, en de zieken gezond te maken.
[^mattheus-10-8-d]: Verwijzing d: Lukas 10:9 . Lukas 10:9 : En geneest de zieken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk van God is nabij u gekomen.
[^mattheus-10-8-11]: Kanttekening 11: Grieks: krachtelozen .
[^mattheus-10-8-e]: Verwijzing e: Hand. 8:18 ; idem v. 20 . Handelingen 8:18 : En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, Handelingen 8:20 : Maar Petrus zei tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat u gemeend hebt, dat de gave van God door geld verkregen wordt!
[^mattheus-10-9-f]: Verwijzing f: Mark. 6:8 ; Lukas 9:3 ; Lukas 22:35 . Marcus 6:8 : En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in de gordel; Lukas 9:3 : En Hij zei tot hen: Neemt niets mee tot de weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. Lukas 22:35 : En Hij zei tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
[^mattheus-10-9-12]: Kanttekening 12: Namelijk tot voorraad op uwe reis.
[^mattheus-10-9-13]: Kanttekening 13: Of buidels; want de Joden hadden brede riemen of gordels om hun lange kleren er mee op te schorten, waarin zij ook hun geld droegen.
[^mattheus-10-10-14]: Kanttekening 14: noch twee rokken: Dat is, geen kleren dan die zij zouden aanhebben.
[^mattheus-10-10-g]: Verwijzing g: Lev. 19:13 ; Deut. 24:14 ; Deut. 25:4 ; Lukas 10:7 ; 1 Kor. 9:4 ; idem v. 14 ; 1 Tim. 5:18 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Deuteronomium 24:14 : U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broers is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. Lukas 10:7 : En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis. 1 Korinthiërs 9:4 : Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken? 1 Korinthiërs 9:14 : Zo heeft ook de Heer bestemd degenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 1 Timotheüs 5:18 : Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard.
[^mattheus-10-11-h]: Verwijzing h: Mark. 6:10 ; Lukas 9:4 ; Lukas 10:8 . Marcus 6:10 : En Hij zei tot hen: Zo waar u in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat u van daar uitgaat. Lukas 9:4 : En in wat huis u ook zult ingaan, blijft daar, en gaat van daar uit. Lukas 10:8 : En in wat stad u zult ingaan, en zij u ontvangen, eet wat u voorgezet wordt.
[^mattheus-10-11-15]: Kanttekening 15: waard is: Dat is, die het Evangelie graag willen aannemen, Hand. 2:41 , welke waardigheid niemand van zichzelven heeft, maar die de Heer door zijn Geest daartoe waard en bekwaam maakt: Matt. 22:8 , 22:9 ; 2 Kor. 3:5 . Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Mattheüs 22:8 : Toen zei hij tot zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard. Mattheüs 22:9 : Daarom gaat op de uitgangen van de wegen, en zovelen als u er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^mattheus-10-11-16]: Kanttekening 16: Dat is, uit die stad.
[^mattheus-10-12-17]: Kanttekening 17: groet hetzelfde: Dat is, wens degenen die daarin wonen geluk en vrede, gelijk in het vers 13 , blijkt. Anderen doen daarbij: zeggende: vrede zij dit huis. Zie Luk. 10:5 . Mattheüs 10:13 : En als dat huis waard is, zo kome uw vrede over hetzelfde, maar als het niet waard is, zo kere uw vrede weer tot u. Lukas 10:5 : En in wat huis u zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dit huis!
[^mattheus-10-14-i]: Verwijzing i: Mark. 6:11 ; Lukas 9:5 . Marcus 6:11 : En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan die stad. Lukas 9:5 : En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.
[^mattheus-10-14-k]: Verwijzing k: Hand. 13:51 ; Hand. 18:6 . Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelfde, en kwamen te Ikonium. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^mattheus-10-14-18]: Kanttekening 18: stof uw voeten af: Om daarmede te betekenen dat zij met hen voortaan geheel geen gemeenschap begeerde te hebben. Zie Hand. 13:51 , en Hand. 18:6 . Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen, en kwamen te Ikonium. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^mattheus-10-15-l]: Verwijzing l: Mark. 6:11 ; Lukas 10:12 . Marcus 6:11 : En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan die stad. Lukas 10:12 : En Ik zeg u, dat het die van Sodom verdragelijker wezen zal in die dag, dan die stad.
[^mattheus-10-16-m]: Verwijzing m: Lukas 10:3 . Lukas 10:3 : Gaat heen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven.
[^mattheus-10-16-19]: Kanttekening 19: Of, eenvoudig. Het Grieks, is genomen bij gelijkenis van dingen, die onvermengd en onvervalst zijn.
[^mattheus-10-17-n]: Verwijzing n: Matt. 24:9 ; Lukas 21:12 ; Joh. 15:20 ; Joh. 16:2 ; Openb. 2:10 . Mattheüs 24:9 : Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en u zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil. Lukas 21:12 : Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en u zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil. Johannes 15:20 : Gedenk van het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een iedereen, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. Openbaring 2:10 : Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven.
[^mattheus-10-17-20]: Kanttekening 20: Grieks, Synedria (συνέδρια). Zie daarvan de verklaring Matt. 5:22 , en een voorbeeld Hand. 5:40 . Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broer toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broer zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Handelingen 5:40 : En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
[^mattheus-10-18-o]: Verwijzing o: Hand. 24:1 ; Hand. 25:4 . Handelingen 24:1 : En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor de stadhouder tegen Paulus. Handelingen 25:4 : Maar Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast daarheen zou verreizen.
[^mattheus-10-18-21]: Kanttekening 21: stadhouders en koningen: Namelijk van de provinciën, gelijk waren Festus en Felix, en dergelijken. Zie Hand. 24:10 en 1 Petr. 2:14 . Zie ook dergelijke Neh. 5:14 . Handelingen 24:10 : Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Omdat ik weet, dat u nu vele jaren over dit volk rechter bent geweest, zo verantwoord ik mijzelf met des te beteren moed. 1 Petrus 2:14 : Hetzij de stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen. Nehemia 5:14 : Ook van die dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van de koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broers, het brood van de landvoogd niet gegeten.
[^mattheus-10-19-p]: Verwijzing p: Mark. 13:11 ; Lukas 12:11 ; Lukas 21:14 . Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. Lukas 12:11 : En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; Lukas 21:14 : Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe u u verantwoorden zult;
[^mattheus-10-19-22]: Kanttekening 22: bezorgd zijn: Niet dat wij ons tevoren niet zouden mogen bedenken, of God om wijsheid bidden, maar dat wij daarover niet te zeer angstig of bekommerd moeten zijn. Zie Hand. 4:29 . Handelingen 4:29 : En nu dan, Heer, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienaren met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;
[^mattheus-10-21-q]: Verwijzing q: Micha 7:2 ; idem v. 5 ; Lukas 21:16 . Micha 7:2 : De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen, een iedereen zijn broer, met een jachtgaren. Micha 7:5 : Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt. Lukas 21:16 : En u zult overgeleverd worden ook van ouders, en broers, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.
[^mattheus-10-21-23]: Kanttekening 23: Of, ter dood brengen.
[^mattheus-10-22-r]: Verwijzing r: Matt. 24:13 ; Mark. 13:13 ; Lukas 21:19 ; Openb. 2:10 ; Openb. 3:10 . Mattheüs 24:13 : Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Marcus 13:13 : En u zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Lukas 21:19 : Bezit uw zielen in uw volharding. Openbaring 2:10 : Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven. Openbaring 3:10 : Omdat u het woord Mijner volharding bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit het uur van de verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.
[^mattheus-10-23-s]: Verwijzing s: Matt. 2:13 ; Matt. 4:12 ; Matt. 12:15 ; Hand. 8:1 ; Hand. 9:25 ; Hand. 14:6 . Mattheüs 2:13 : Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel van de Heer verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kind en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees daar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kind zoeken, om Hetzelve te doden. Mattheüs 4:12 : Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea; Mattheüs 12:15 : Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen. Handelingen 8:1 : En Saulus had mee een welbehagen aan zijn dood. En er werd op die dag een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen. Handelingen 9:25 : Maar de discipelen namen hem van de nacht, en lieten hem neder door de muur, hem aflatende in een mand. Handelingen 14:6 : Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;
[^mattheus-10-23-24]: Kanttekening 24: gekomen zijn: Dat is, zal opnieuw bij u komen en u ontmoeten.
[^mattheus-10-24-t]: Verwijzing t: Lukas 6:40 ; Joh. 13:16 ; Joh. 15:20 . Lukas 6:40 : De discipel is niet boven zijn meester; maar een iedereen volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester. Johannes 13:16 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. Johannes 15:20 : Gedenk van het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
[^mattheus-10-25-v]: Verwijzing v: Matt. 9:34 ; Matt. 12:24 ; Mark. 3:22 ; Lukas 11:15 ; Joh. 8:48 . Mattheüs 9:34 : Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door de overste van de duivelen. Mattheüs 12:24 : Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit. Lukas 11:15 : Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Johannes 8:48 : De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat U een Samaritaan bent, en de duivel hebt?
[^mattheus-10-25-25]: Kanttekening 25: Anderen lezen Beëlzebub , welke was de opperste afgod van de Ekroniten, 2 Kon. 1:2 , met welke naam de Joden de Overste van de Duivelen noemden, omdat de afgoden van de heidenen Duivelen waren. Zie 1 Kor. 10:20 . 2 Koningen 1:2 : En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte genezen zal. 1 Korinthiërs 10:20 : Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de duivelen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de duivelen gemeenschap hebt.
[^mattheus-10-26-x]: Verwijzing x: Jes. 8:12 ; Jer. 1:8 . Jesaja 8:12 : Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest u hun vreze niet, en verschrikt niet. Jeremia 1:8 : Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH.
[^mattheus-10-26-y]: Verwijzing y: Job 12:22 ; Mark. 4:22 ; Lukas 8:17 ; Lukas 12:2 . Job 12:22 : Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en van de dood schaduwe brengt Hij voort in het licht. Marcus 4:22 : Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Lukas 8:17 : Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch in het geheim, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. Lukas 12:2 : En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.
[^mattheus-10-27-26]: Kanttekening 26: in het oor: Dat is, wat u van mij in het bijzonder hebt gehoord, verkondigt dat openbaar of overluid.
[^mattheus-10-27-27]: Kanttekening 27: op de daken: De daken van de Joodse huizen waren boven plat, met een leuning rondom, vanwaar men gemakkelijk de mensen op de straten kon aanspreken. Zie Deut. 22:8 . Deuteronomium 22:8 : Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
[^mattheus-10-28-a]: Verwijzing a: Jer. 1:8 ; Lukas 12:4 . Jeremia 1:8 : Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH. Lukas 12:4 : En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.
[^mattheus-10-29-28]: Kanttekening 28: Anders, vogeltjes.
[^mattheus-10-29-29]: Kanttekening 29: een penninkje verkocht: Grieks, Assarion (ἀσσαρίου); dat een penning was, wegende ontrent vier greinen of azen zilvers, doende omtrent een duit (ruim 1/2 cent).
[^mattheus-10-30-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 14:45 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.
[^mattheus-10-32-c]: Verwijzing c: Mark. 8:38 ; Lukas 9:26 ; Lukas 12:8 ; 2 Tim. 2:12 . Marcus 8:38 : Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon van de mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met de heilige engelen. Lukas 9:26 : Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon van de mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader, en van de heilige engelen. Lukas 12:8 : En Ik zeg u: Een iedereen, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon van de mensen belijden voor de engelen van God. 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
[^mattheus-10-32-30]: Kanttekening 30: belijden voor mijn Vader: Dat is, voor mijn ware discipelen erkennen; gelijk verlochenen is voor zijn ware discipelen niet erkennen. Zie Matt. 7:23 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt!
[^mattheus-10-34-d]: Verwijzing d: Lukas 12:51 . Lukas 12:51 : Meent u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.
[^mattheus-10-34-31]: Kanttekening 31: Dat is onenigheid en vervolging, die op de predikatie zou volgen; waarvan oorzaak is, niet eigenlijk Christus, die de vredevorst is, Jes. 9:5 , of zijn vredes is, Ef. 6:15 , maar de moedwil dergenen, die het verwerpen, en de gelovigen haten en vijandig vervolgen. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Efeziërs 6:15 : En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie van de vrede;
[^mattheus-10-35-e]: Verwijzing e: Micha 7:6 . Micha 7:6 : Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man vijanden zijn zijn huisgenoten.
[^mattheus-10-35-32]: Kanttekening 32: Grieks, nieuwgehuwde, of bruid.
[^mattheus-10-36-f]: Verwijzing f: Joh. 13:18 ; Ps. 41:10 ; Ps. 55:13 . Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Psalmen 55:13 : Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
[^mattheus-10-37-g]: Verwijzing g: Lukas 14:26 . Lukas 14:26 : Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^mattheus-10-38-h]: Verwijzing h: Matt. 16:24 ; Mark. 8:34 ; Lukas 9:23 ; Lukas 14:27 . Mattheüs 16:24 : Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Marcus 8:34 : En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zei Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Lukas 9:23 : En Hij zei tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. Lukas 14:27 : En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^mattheus-10-39-i]: Verwijzing i: Matt. 16:25 ; Mark. 8:35 ; Lukas 9:24 ; Lukas 17:33 ; Joh. 12:25 . Mattheüs 16:25 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden. Marcus 8:35 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en vanwege het Evangelie, die zal hetzelfde behouden. Lukas 9:24 : Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. Lukas 17:33 : Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelfde zal verliezen, die zal het in het leven behouden. Johannes 12:25 : Die zijn leven liefheeft, zal hetzelfde verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelfde bewaren tot het eeuwige leven.
[^mattheus-10-39-33]: Kanttekening 33: ziel vindt: Dat is, die zijn leven zal willen behouden met verlochening mijns naams, die zal het ware leven, namelijk de zaligheid, verliezen.
[^mattheus-10-40-k]: Verwijzing k: Lukas 10:16 ; Joh. 13:20 . Lukas 10:16 : Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^mattheus-10-41-l]: Verwijzing l: 1 Kon. 17:10 ; 1 Kon. 18:4 ; 2 Kon. 4:8 . 1 Koningen 17:10 : Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort van de stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zei: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke. 1 Koningen 18:4 : Want het geschiedde, als Izebel de profeten van YHWH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water. 2 Koningen 4:8 : Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat daar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Verder geschiedde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.
[^mattheus-10-41-34]: Kanttekening 34: in de naam eens profeten: Dat is, vanwege die, dat hij een profeet of oprecht leraar is van het heilig Evangelie.
[^mattheus-10-42-m]: Verwijzing m: Matt. 25:40 ; Mark. 9:41 ; Hebr. 6:10 . Mattheüs 25:40 : En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze Mijn minste broers gedaan hebt, zo hebt u dat Mij gedaan. Marcus 9:41 : Want zo wie u een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Hebreeën 6:10 : Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.
[^mattheus-10-42-35]: Kanttekening 35: kleinen te drinken geeft: Dat is, die hier klein geacht worden; of die voor de allerminsten zouden mogen gerekend worden.
[^mattheus-10-42-36]: Kanttekening 36: een beker koud water : Dat is, ook de allerminste dienst of weldaad, omdat hij een oprecht discipel en lidmaat van Christus is.

### Mattheüs 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/11.json)

*1 Terwijl Johannes de Doper in de gevangenis is, zendt hij twee discipelen naar Christus. 4 Christus bewijst hun uit Zijn leer en werken dat Hij de beloofde Messias is. 7 Hij geeft tot het volk over de persoon en het ambt van Johannes een heerlijk getuigenis. 16 Hij verwijt de Joden onder een zekere gelijkenis hun onbekeerlijkheid 20 en dreigt daarom de steden Chorazin, Bethsaïda en Kapernaüm met zeer zware straffen. 25 Daartegenover stelt Hij het welbehagen van Zijn Vader in het onderwijzen van de kleinen. 28 Hij nodigt alle vermoeide zondaars tot Zich en belooft hun verkwikking.*

**1** En het is gebeurd, toen Jezus geëindigd had Zijn twaalf discipelen[^mattheus-11-1-1] bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in[^mattheus-11-1-2] hun steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v1)

**2** [^mattheus-11-2-a] En Johannes, in[^mattheus-11-2-3] de gevangenis gehoord hebbende[^mattheus-11-2-4] de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v2)

**3** En[^mattheus-11-3-5] zei tot hem: Bent U Degene,[^mattheus-11-3-6] Die komen zou, of verwachten wij een andere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v3)

**4** En Jezus antwoordde en zei tot hen: Ga heen en boodschapt Johannes weer, wat u hoort en ziet: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v4)

**5** [^mattheus-11-5-b] De[^mattheus-11-5-7] blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de[^mattheus-11-5-8] armen wordt het Evangelie verkondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v5)

**6** En zalig is hij, die aan Mij niet zal[^mattheus-11-6-9] struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v6)

**7** [^mattheus-11-7-c] Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de menigten begonnen te zeggen van Johannes: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een[^mattheus-11-7-10] riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v7)

**8** Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een mens, met[^mattheus-11-8-11] zachte kleren bekleed? Zie, die zachte kleren dragen, zijn in de huizen van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v8)

**9** Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v9)

**10** Want deze is het, van wie geschreven staat:[^mattheus-11-10-d] Zie, Ik zend Mijn[^mattheus-11-10-12] engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal[^mattheus-11-10-13] voor U heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v10)

**11** Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand[^mattheus-11-11-14] opgestaan meerder dan Johannes de Doper; maar die[^mattheus-11-11-15] de minste is in het Koninkrijk van de hemelen, is meerder dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v11)

**12** [^mattheus-11-12-e] En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemelen[^mattheus-11-12-16] geweld aangedaan, en de[^mattheus-11-12-17] geweldigers nemen hetzelfde met geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v12)

**13** Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe[^mattheus-11-13-18] geprofeteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v13)

**14** [^mattheus-11-14-f] En zo u het wilt aannemen, hij is[^mattheus-11-14-19] Elia, die komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v14)

**15** [^mattheus-11-15-20] Wie oren heeft om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v15)

**16** Maar waarbij zal Ik dit geslacht[^mattheus-11-16-21] vergelijken?[^mattheus-11-16-g] Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v16)

**17** En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en u hebt niet[^mattheus-11-17-22] geweend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v17)

**18** [^mattheus-11-18-h] Want Johannes is gekomen,[^mattheus-11-18-23] noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft de duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v18)

**19** De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Zie daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is[^mattheus-11-19-24] gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v19)

**20** [^mattheus-11-20-i] Toen begon Hij de steden, in die Zijn krachten meest gebeurd waren, te[^mattheus-11-20-25] verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v20)

**21** Wee u, Chorazin! wee u Bethsaïda! want zo in[^mattheus-11-21-26] Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd, die in u gebeurd zijn, zij zouden zich[^mattheus-11-21-27] vroeger in zak[^mattheus-11-21-28] en as bekeerd hebben.[^mattheus-11-21-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v21)

**22** [^mattheus-11-22-l] Maar Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v22)

**23** En u, Kapernaüm! die tot de hemel toe bent[^mattheus-11-23-29] verhoogd, u zult tot de hel toe neergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren gebeurd, die in u gebeurd zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v23)

**24** Maar Ik zeg u,[^mattheus-11-24-m] dat het de lande van Sodom verdragelijker zal zijn in de dag van het oordeel, dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v24)

**25** [^mattheus-11-25-n] In diezelfde tijd[^mattheus-11-25-30] antwoordde Jezus en zei: Ik[^mattheus-11-25-31] dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde![^mattheus-11-25-o] dat U deze dingen voor[^mattheus-11-25-32] de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard.[^mattheus-11-25-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v25)

**26** Ja, Vader! Want zo is geweest[^mattheus-11-26-34] het welbehagen voor U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v26)

**27** [^mattheus-11-27-p] Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en[^mattheus-11-27-q] niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil[^mattheus-11-27-35] openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v27)

**28** Kom herwaarts tot Mij, allen[^mattheus-11-28-36] die vermoeid en[^mattheus-11-28-37] belast bent, en Ik zal u rust geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v28)

**29** Neem Mijn[^mattheus-11-29-38] juk op u, en leert van Mij, dat Ik[^mattheus-11-29-r] zachtmoedig ben en nederig van hart;[^mattheus-11-29-s] en u zult rust vinden voor uw zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v29)

**30** [^mattheus-11-30-t] Want Mijn juk is[^mattheus-11-30-39] zacht, en Mijn last[^mattheus-11-30-40] is licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/11.html#v30)

[^mattheus-11-1-1]: Kanttekening 1: bevelen te geven: Namelijk die in het voorgaande Matt. 10 verhaald staan.
[^mattheus-11-1-2]: Kanttekening 2: hunne steden: Namelijk van Galilea, vanwaar zijn discipelen waren. Zie Hand. 2:7 . Handelingen 2:7 : En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: Ziet, zijn niet alle deze, die daar spreken, Galileërs?
[^mattheus-11-2-a]: Verwijzing a: Lukas 7:18 . Lukas 7:18 : En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen.
[^mattheus-11-2-3]: Kanttekening 3: gevangenis gehoord hebbende: Zie van de oorzaak en het einde van deze gevangenneming van Johannes de Doper, Matt. 14 , en Mark. 6 .
[^mattheus-11-2-4]: Kanttekening 4: de werken van Christus: Dat is, wondertekenen of mirakelen.
[^mattheus-11-3-5]: Kanttekening 5: zei tot Hem: Dat is, liet Hem zeggen.
[^mattheus-11-3-6]: Kanttekening 6: die komen zou: Dat is, de Messias door de profeten beloofd. Dit doet Johannes vragen, niet omdat hij zelf daaraan twijfelde; want hij had lang tevoren zulks openlijk betuigd, Joh. 1:29 ; maar om uit het antwoord van Christus oorzaak te nemen om zijne discipelen, die daaraan nog enigszins twijfelden, hiervan daarna breder te onderrichten. Johannes 1:29 : Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!
[^mattheus-11-5-b]: Verwijzing b: Jes. 29:18 ; Jes. 35:5 ; Jes. 61:1 ; Lukas 4:18 . Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 35:5 : Alsdan zullen van de blinden ogen opengedaan worden, en van de doven oren zullen geopend worden. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blij boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Lukas 4:18 : De Geest van de Heer is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;
[^mattheus-11-5-7]: Kanttekening 7: blinden worden ziende: Deze dingen waren voorzegd, dat zij door de Messias zouden gedaan worden. Zie Jes. 35:5 . Jesaja 35:5 : Alsdan zullen de ogen van de blinden opengedaan worden, en de oren van de doven zullen geopend worden.
[^mattheus-11-5-8]: Kanttekening 8: armen wordt het Evangelie verkondigd: Namelijk zo van staat als van geest, Matt. 5:3 , gelijk het ook wordt genomen Jes. 61:1 , waarop Christus hier ziet. Mattheüs 5:3 : Zalig zijn de armen van geest; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis;
[^mattheus-11-6-9]: Kanttekening 9: geërgerd worden: Dat is, uit mijn geringen staat of leringen geen aanstoot neemt om in mij niet te geloven. Zie Mark. 6:3 ; Joh. 6:41 , 6:52 , 6:66 . Marcus 6:3 : Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broer van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zussen niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd. Johannes 6:41 : De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit de hemel nedergedaald is. Johannes 6:52 : De Joden dan streden onder elkaar, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? Johannes 6:66 : Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.
[^mattheus-11-7-c]: Verwijzing c: Lukas 7:24 . Lukas 7:24 : Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt?
[^mattheus-11-7-10]: Kanttekening 10: Dat is, een ongestadig leraar, die met allerlei winden van de leringen gedreven wordt, Ef. 4:14 . Efeziërs 4:14 : Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^mattheus-11-8-11]: Kanttekening 11: zachte kleren bekleed: Dat is, kostelijke en sierlijke.
[^mattheus-11-10-d]: Verwijzing d: Mal. 3:1 ; Mark. 1:2 ; Lukas 7:27 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de heirscharen. Marcus 1:2 : Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. Lukas 7:27 : Deze is het, van welke geschreven is: Ziet, Ik zend Mijn engel voor uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
[^mattheus-11-10-12]: Kanttekening 12: Dat is, gezant of zendbode.
[^mattheus-11-10-13]: Kanttekening 13: voor u heen: Bij de profeet Mal. 3:1 staat: voor mij: omdat Christus daar zelf spreekt; en hier voert Christus de Vader sprekende in tot zijn Zoon, zo Johannes zowel van de Vader als van de Zoon gezonden is; Joh. 1:6 ; Luk. 3:2 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de heirscharen. Johannes 1:6 : Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Lukas 3:2 : Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.
[^mattheus-11-11-14]: Kanttekening 14: Grieks, verwekt; of een meerder.
[^mattheus-11-11-15]: Kanttekening 15: de minste is: Grieks, de mindere; namelijk onder de leraars van het Evangelie, omdat deze Christus nog klaarder aanwijzen, als nu alles tot onze zaligheid nodig volkomenlijk volbracht hebbende, en dat niet alleen aan de Joden, maar ook aan de heidenen verkondigen.
[^mattheus-11-12-e]: Verwijzing e: Lukas 16:16 . Lukas 16:16 : De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en een iedereen doet geweld op hetzelfde.
[^mattheus-11-12-16]: Kanttekening 16: geweld aangedaan: Dat is, wordt met grote menigte en ijver aangenomen.
[^mattheus-11-12-17]: Kanttekening 17: geweldigers nemen het met geweld: Dat is, die met grote ernst en ijver naar de zaligheid trachten, als die met geweld iets tot zich willen trekken; Filip. 3:8 , 3:12 . Filippensen 3:8 : Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer; vanwege Wien ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus mag winnen. Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
[^mattheus-11-13-18]: Kanttekening 18: Dat is, hebben de komst van de Messias voorzegd en afgebeeld, die Johannes heeft aangewezen, als nu tegenwoordig en gekomen zijnde.
[^mattheus-11-14-f]: Verwijzing f: Mal. 4:5 ; Lukas 1:17 . Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat dat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal. Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^mattheus-11-14-19]: Kanttekening 19: Niet Elia de Thisbiet in zijn persoon, Joh. 1:21 , maar die in de geest en de kracht van Elia komen zou; Luk. 1:17 . Johannes 1:21 : En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt u Elias? En hij zei: Ik ben die niet. Zijt u de profeet? En hij antwoordde: Nee. Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^mattheus-11-15-20]: Kanttekening 20: Wie oren heeft om te horen: Dat is, die van God de Geest van het verstand ontvangen heeft, lette hierop met aandacht; 2 Kor. 3:5 . 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^mattheus-11-16-21]: Kanttekening 21: Met deze gelijkenis leert Christus dat Hij op alle manieren, zo zacht als hard, gezocht heeft hen tot bekering te brengen.
[^mattheus-11-16-g]: Verwijzing g: Lukas 7:31 . Lukas 7:31 : En de Heer zei: Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wie zijn zij gelijk?
[^mattheus-11-17-22]: Kanttekening 22: Grieks, niet op de borst geslagen; dat is geen teken van verdriet getoond.
[^mattheus-11-18-h]: Verwijzing h: Matt. 3:4 ; Mark. 1:6 . Mattheüs 3:4 : En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. Marcus 1:6 : En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een leren gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
[^mattheus-11-18-23]: Kanttekening 23: noch etende noch drinkende: Namelijk naar de gewone wijze van andere mensen.
[^mattheus-11-19-24]: Kanttekening 24: gerechtvaardigd geworden: Dat is, Christus die de wijsheid van de Vader genoemd wordt, Spreuk. 8:12 , enz.; 1 Kor. 1:24 ; of, zijne leer is voor goed en recht bekend en ontvangen geweest van haar oprechte discipelen. Spreuken 8:12 : Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid. 1 Korinthiërs 1:24 : Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God.
[^mattheus-11-20-i]: Verwijzing i: Lukas 10:13 . Lukas 10:13 : Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
[^mattheus-11-20-25]: Kanttekening 25: Dat is, tot hunne schande te bestraffen en het met wee te bedreigen.
[^mattheus-11-21-26]: Kanttekening 26: Tyrus en Sidon: Dit waren twee steden van de heidenen aan de Middellandse zee in Fenicië gelegen, die eertijds in grote weelde, pracht en dartelheid leefden. Zie Jes. 23 , en Ez. 26 , en Ez. 27 .
[^mattheus-11-21-27]: Kanttekening 27: Namelijk toen zij nog in hun bloeienden staat en weelde waren, voordat zij door Alexander de Grote met geweld ingenomen en verwoest waren.
[^mattheus-11-21-28]: Kanttekening 28: zak en as: Met zulke tekenen werd eertijds de boetvaardigheid betoond. Zie Jes. 58:5 ; Dan. 9:3 ; Jona 3:6 ; Klaagl. 2:10 . Jesaja 58:5 : Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt u dat een vasten heten, en een dag YHWH aangenaam? Daniël 9:3 : En ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heer, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as. Jona 3:6 : Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as. Klaagliederen 2:10 : Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.
[^mattheus-11-21-k]: Verwijzing k: 2 Sam. 13:19 ; 2 Kon. 6:30 ; 2 Kon. 19:1 . 2 Samuël 13:19 : Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet. 2 Koningen 6:30 : En het geschiedde, als de koning de woorden van deze vrouw gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde, zo hij op de muur voortging; en het volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was. 2 Koningen 19:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH.
[^mattheus-11-22-l]: Verwijzing l: Matt. 10:15 . Mattheüs 10:15 : Voorwaar zeg Ik u: Het zal de lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan die stad.
[^mattheus-11-23-29]: Kanttekening 29: Zo door uwe welvaart als door de bijwoning, leer en wonderen van Christus.
[^mattheus-11-24-m]: Verwijzing m: Matt. 10:15 . Mattheüs 10:15 : Voorwaar zeg Ik u: Het zal de lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan die stad.
[^mattheus-11-25-n]: Verwijzing n: Lukas 10:21 . Lukas 10:21 : Te dier ure verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde; dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want zo is geweest het welbehagen voor U.
[^mattheus-11-25-30]: Kanttekening 30: antwoordde Jezus: Dit schijnt te zien op het verhaal, dat Hem de zeventig discipelen hadden gedaan, van de uitkomst van hunne reis, gelijk af te leiden is uit Luk. 10:17 . Lukas 10:17 : En de zeventigen zijn teruggekeerd met blijdschap, zeggende: Heer, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam.
[^mattheus-11-25-31]: Kanttekening 31: dank U: Grieks, belijde; dat is, dank of prijs.
[^mattheus-11-25-o]: Verwijzing o: Job 5:12 ; Jes. 29:14 ; Lukas 10:21 ; 1 Kor. 1:19 ; 1 Kor. 2:7 ; idem 2:8 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. Jesaja 29:14 : Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijn wijzen zal vergaan, en het verstand zijn verstandigen zal zich verbergen. Lukas 10:21 : Te dier ure verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde; dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want zo is geweest het welbehagen voor U. 1 Korinthiërs 1:19 : Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken. 1 Korinthiërs 2:7 : Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; 1 Korinthiërs 2:8 : Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben.
[^mattheus-11-25-32]: Kanttekening 32: de wijzen en verstandigen verborgen hebt: Namelijk naar het vlees, of van deze wereld. Zie 1 Kor. 1:20 , 1:26 . 1 Korinthiërs 1:20 : Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? Heeft God de wijsheid van deze wereld niet dwaas gemaakt? 1 Korinthiërs 1:26 : Want u ziet uw roeping, broers, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
[^mattheus-11-25-33]: Kanttekening 33: de kinderen geopenbaard: Dat is, die kinderen in het verstand zijn, of die klein geacht worden. Zie 1 Kor. 1:27 , en 1 Kor. 14:20 . 1 Korinthiërs 1:27 : Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
[^mattheus-11-26-34]: Kanttekening 34: het welbehagen voor U: Dat is, uw welbehagen; van welk welbehagen, zie Luk. 2:14 , en Luk. 2:32 ; Ef. 1:5 . Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Lukas 2:32 : Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.
[^mattheus-11-27-p]: Verwijzing p: Matt. 28:18 ; Lukas 10:22 ; Joh. 3:35 . Mattheüs 28:18 : En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Lukas 10:22 : Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en die het de Zoon zal willen openbaren. Johannes 3:35 : De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.
[^mattheus-11-27-q]: Verwijzing q: Joh. 1:18 ; Joh. 6:46 . Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 6:46 : Niet dat iemand de Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft de Vader gezien.
[^mattheus-11-27-35]: Kanttekening 35: Namelijk door zijn Woord en Geest; 1 Kor. 2:11 , 2:12 . 1 Korinthiërs 2:11 : Want wie van de mensen weet, wat van de mensen is, dan de geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat Gods is, dan de Geest van God. 1 Korinthiërs 2:12 : Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
[^mattheus-11-28-36]: Kanttekening 36: die vermoeid: Of, tot vermoeidheid arbeidt.
[^mattheus-11-28-37]: Kanttekening 37: belast zijt: Namelijk met de last van de zonden, of ook van de wet en van de menselijke inzettingen.
[^mattheus-11-29-38]: Kanttekening 38: juk op u: Dat is, mijne leer, bestaande zo in geboden als in beloften.
[^mattheus-11-29-r]: Verwijzing r: Ps. 45:5 . Psalmen 45:5 : En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
[^mattheus-11-29-s]: Verwijzing s: Jer. 6:16 . Jeremia 6:16 : Zo zegt YHWH: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
[^mattheus-11-30-t]: Verwijzing t: 1 Joh. 5:3 . 1 Johannes 5:3 : Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
[^mattheus-11-30-39]: Kanttekening 39: Dat is, gemakkelijk of wel om te dragen.
[^mattheus-11-30-40]: Kanttekening 40: is licht: Wordt zo genaamd, omdat Christus die door zijn verdiensten en door de kracht zijns Geestes licht maakt. Zie Rom. 8:26 , en 1 Joh. 5:3 , 5:4 ; dat gesteld wordt tegen het ondragelijk juk van de wet, Hand. 15:10 , en van de menselijke inzettingen; Matt. 23:4 . Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 1 Johannes 5:3 : Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. 1 Johannes 5:4 : Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Handelingen 15:10 : Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Mattheüs 23:4 : Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.

### Mattheüs 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/12.json)

*1 De apostelen, die op de sabbat aren plukken, worden door Christus verdedigd. 9 Christus geneest een verdorde hand op de sabbat en verdedigt dat. 14 Hij ontwijkt de lagen van de Farizeeën en geneest allerlei ziekten. 16 Hij verbiedt dit bekend te maken, om de profetie van Jesaja te vervullen. 22 Hij werpt een duivel uit een blinde en stomme en weerlegt de lasteringen van de Farizeeën. 31 Hij spreekt over de zonde tegen de Heilige Geest 36 en over de rekenschap die de mens zal moeten geven van alle ijdele woorden. 38 Hij geeft de Farizeeën geen ander teken dan het teken van Jona 41 en stelt tegenover hun hardnekkigheid het voorbeeld van de Ninevieten en van de koningin uit het zuiden. 43 Door een gelijkenis van uitgeworpen en terugkerende onreine geesten leert Hij hoe het hun zal vergaan, 46 en wie Zijn ware broeder, zuster en moeder zijn.*

**1** [^mattheus-12-1-a] In die tijd ging Jezus, op een[^mattheus-12-1-1] sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v1)

**2** En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen,[^mattheus-12-2-b] wat niet geoorloofd is te doen op[^mattheus-12-2-2] de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v2)

**3** Maar Hij zei tot hen: Hebt u niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v3)

**4** Hoe hij gegaan is in[^mattheus-12-4-3] het huis van God, en de[^mattheus-12-4-4][^mattheus-12-4-c] toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren,[^mattheus-12-4-d] maar de priesters alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v4)

**5** [^mattheus-12-5-e] Of hebt u niet gelezen in de wet, dat de priesters de sabbat[^mattheus-12-5-5] ontheiligen in de tempel, op de sabbatdagen, en[^mattheus-12-5-6] toch onschuldig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v5)

**6** En Ik zeg u, dat[^mattheus-12-6-f] Eén,[^mattheus-12-6-7] meerder dan de tempel, hier is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v6)

**7** Maar zo u geweten had, wat het zij:[^mattheus-12-7-g] Ik wil barmhartigheid en[^mattheus-12-7-8] niet offergave, u zou de onschuldigen niet veroordeeld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v7)

**8** [^mattheus-12-8-h] Want de Zoon des mensen is een[^mattheus-12-8-9] Heere ook van de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v8)

**9** [^mattheus-12-9-i] En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v9)

**10** En ziet, er was een mens, die een verschrompelde hand had, en zij vraagden Hem, zeggende:[^mattheus-12-10-k] Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v10)

**11** En Hij zei tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo dat op een sabbatdag[^mattheus-12-11-l] in een gracht valt, die hetzelfde niet zal aangrijpen en uitheffen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v11)

**12** Hoe veel[^mattheus-12-12-10] gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd[^mattheus-12-12-11] wel te doen.[^mattheus-12-12-m] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v12)

**13** Toen zei Hij tot die mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond zoals de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v13)

**14** [^mattheus-12-14-n] En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem[^mattheus-12-14-12] doden mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v14)

**15** Maar Jezus, dat wetende,[^mattheus-12-15-o] vertrok van daar, en vele menigten volgden Hem, en Hij genas ze allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v15)

**16** [^mattheus-12-16-p] En Hij gebood hun scherp, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v16)

**17** Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v17)

**18** [^mattheus-12-18-q] Zie, Mijn Knecht, die Ik gekozen heb, Mijn Geliefde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel de heidenen verkondigen.[^mattheus-12-18-13][^mattheus-12-18-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v18)

**19** Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.[^mattheus-12-19-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v19)

**20** Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende[^mattheus-12-20-16] lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij[^mattheus-12-20-17] het oordeel zal[^mattheus-12-20-18] uitbrengen tot overwinning.[^mattheus-12-20-19][^mattheus-12-20-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v20)

**21** En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v21)

**22** [^mattheus-12-22-r] Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag.[^mattheus-12-22-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v22)

**23** En al de menigten ontzetten zich, en zeiden:[^mattheus-12-23-s] Is niet Deze de Zoon van David? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v23)

**24** Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden:[^mattheus-12-24-t] Deze werpt de demonen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de demonen.[^mattheus-12-24-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v24)

**25** Maar Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v25)

**26** En als de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v26)

**27** En als Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.[^mattheus-12-27-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v27)

**28** Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v28)

**29** Of hoe kan iemand in het huis van een sterke inkomen, en zijn huisraad ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en dan zal hij zijn huis beroven.[^mattheus-12-29-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v29)

**30** Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet verzamelt, die verstrooit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v30)

**31** [^mattheus-12-31-v] Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen[^mattheus-12-31-25] niet vergeven worden.[^mattheus-12-31-26][^mattheus-12-31-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v31)

**32** [^mattheus-12-32-x] En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden;[^mattheus-12-32-y] maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.[^mattheus-12-32-28] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v32)

**33** [^mattheus-12-33-z] Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.[^mattheus-12-33-29][^mattheus-12-33-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v33)

**34** [^mattheus-12-34-a] U adderengebroed! hoe kunt u goede dingen spreken, daar u boos bent?[^mattheus-12-34-b] want uit de overvloed van het hart spreekt de mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v34)

**35** De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart, en de slechte mens brengt boze dingen voort uit de boze schat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v35)

**36** Maar Ik zeg u,[^mattheus-12-36-c] dat van elk ijdel woord, dat de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelfde zullen rekenschap geven[^mattheus-12-36-d] in de dag van het oordeel.[^mattheus-12-36-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v36)

**37** [^mattheus-12-37-e] Want uit uw woorden zult u gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult u veroordeeld worden.[^mattheus-12-37-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v37)

**38** [^mattheus-12-38-f] Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v38)

**39** Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.[^mattheus-12-39-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v39)

**40** [^mattheus-12-40-g] Want zoals Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.[^mattheus-12-40-34][^mattheus-12-40-35] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v40)

**41** [^mattheus-12-41-h] De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd[^mattheus-12-41-i] op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier![^mattheus-12-41-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v41)

**42** [^mattheus-12-42-k] De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier![^mattheus-12-42-37][^mattheus-12-42-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v42)

**43** [^mattheus-12-43-l] En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.[^mattheus-12-43-39] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v43)

**44** Dan zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het leeg, met bezemen gekeerd en versierd.[^mattheus-12-44-40] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v44)

**45** Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf,[^mattheus-12-45-m] en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste daarvan mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook met dit boos geslacht zijn.[^mattheus-12-45-41][^mattheus-12-45-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v45)

**46** [^mattheus-12-46-n] En als Hij nog tot de menigten sprak, ziet, Zijn moeder en broers stonden buiten, zoekende Hem te spreken.[^mattheus-12-46-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v46)

**47** En iemand zei tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, zoekende U te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v47)

**48** Maar Hij, antwoordende, zei tot degene die Hem dat zei: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?[^mattheus-12-48-44] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v48)

**49** En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v49)

**50** [^mattheus-12-50-o] Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, dezelfde is Mijn broeder, en zuster, en moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/12.html#v50)

[^mattheus-12-1-a]: Verwijzing a: Mark. 2:23 ; Lukas 6:1 ; Deut. 23:25 . Marcus 2:23 : En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken. Lukas 6:1 : En het geschiedde op de tweede eerste sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. Deuteronomium 23:25 : Wanneer u zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan uws naasten staande koren niet bewegen.
[^mattheus-12-1-1]: Kanttekening 1: Grieks, sabbaten (σάββασιν).
[^mattheus-12-2-b]: Verwijzing b: Ex. 20:10 . Exodus 20:10 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH uws Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
[^mattheus-12-2-2]: Kanttekening 2: de sabbat: De Farizeën bestraften de discipelen van Christus, niet omdat zij uit andermans gezaaide aren plukten, want het was door de wet geoorloofd, Deut. 23:25 , maar dat zij zulks deden op de sabbat. Deuteronomium 23:25 : Wanneer u zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan uws naasten staande koren niet bewegen.
[^mattheus-12-4-3]: Kanttekening 3: het huis van God: Dat is, de tabernakel, die toen ter tijd te Nob was. Zie 1 Sam. 21:6 . 1 Samuël 21:6 : Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van YHWH weggenomen waren, dat men er warm brood legde, op de dag als dat weggenomen werd.
[^mattheus-12-4-4]: Kanttekening 4: Grieks, broden van de voorlegging; Hebr. van het aangezicht, namelijk van de Heer. Wat dit voor broden geweest zijn en wat men er mee deed, zie Lev. 24:5 , enz. Leviticus 24:5 : U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^mattheus-12-4-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 21:6 . 1 Samuël 21:6 : Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van YHWH weggenomen waren, dat men er warm brood legde, op de dag als dat weggenomen werd.
[^mattheus-12-4-d]: Verwijzing d: Ex. 29:33 ; Lev. 24:9 . Exodus 29:33 : En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig. Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting.
[^mattheus-12-5-e]: Verwijzing e: Num. 28:9 . Numeri 28:9 : Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer.
[^mattheus-12-5-5]: Kanttekening 5: ontheiligen in de tempel: Dat is, zulke werken doen, die de sabbat ontheiligen zouden, als God die tot zijn dienst niet bevolen had.
[^mattheus-12-5-6]: Kanttekening 6: onschuldig zijn: Dat is, daaraan niet misdoen.
[^mattheus-12-6-f]: Verwijzing f: 2 Kron. 6:18 . 2 Kronieken 6:18 : Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?
[^mattheus-12-6-7]: Kanttekening 7: meerder dan de tempel: Want Christus was de Heer van de tempel, en de zaak zelve door de tempel afgebeeld en betekend; Mal. 3:1 ; Joh. 2:19 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de heirscharen. Johannes 2:19 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelfde oprichten.
[^mattheus-12-7-g]: Verwijzing g: Hosea 6:6 ; Micha 6:8 ; Matt. 9:13 ; Matt. 23:23 . Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Micha 6:8 : Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 23:23 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u vertient de munte, en de dille, en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
[^mattheus-12-7-8]: Kanttekening 8: niet offerande: Zie hiervoor Matt. 9:13 en Matt. 23:23 . Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 23:23 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u vertient de munte, en de dille, en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
[^mattheus-12-8-h]: Verwijzing h: Mark. 2:28 ; Lukas 6:5 . Marcus 2:28 : Zo is dan de Zoon van de mensen een Heer ook van de sabbat. Lukas 6:5 : En Hij zei tot hen: De Zoon van de mensen is een Heer ook van de sabbat.
[^mattheus-12-8-9]: Kanttekening 9: Heer ook van de sabbat: Dat is, heeft macht om orde te stellen over de werken van de sabbat.
[^mattheus-12-9-i]: Verwijzing i: Mark. 3:1 ; Lukas 6:6 . Marcus 3:1 : En Hij ging opnieuw in de synagoge; en daar was een mens, hebbende een verdorde hand. Lukas 6:6 : En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
[^mattheus-12-10-k]: Verwijzing k: Lukas 14:3 . Lukas 14:3 : En Jezus, antwoordende, zei tot de wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken?
[^mattheus-12-11-l]: Verwijzing l: Ex. 23:4 ; Deut. 22:4 . Exodus 23:4 : Wanneer u uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde ganselijk wederbrengen. Deuteronomium 22:4 : U zult uws broers ezel of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem ganselijk oprichten.
[^mattheus-12-12-10]: Kanttekening 10: gaat nu een mens een schaap teboven: Grieks, verschilt van een schaap.
[^mattheus-12-12-11]: Kanttekening 11: wèl te doen: Dat is, werken van de liefde te oefenen.
[^mattheus-12-12-m]: Verwijzing m: Gen. 1:27 . Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
[^mattheus-12-14-n]: Verwijzing n: Mark. 3:6 ; Joh. 5:18 ; Joh. 10:39 ; Joh. 11:53 . Marcus 3:6 : En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben meteen met de Herodeanen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden. Johannes 5:18 : Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zei, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven voor God gelijkenis makende. Johannes 10:39 : Zij zochten dan opnieuw Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand. Johannes 11:53 : Van die dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.
[^mattheus-12-14-12]: Kanttekening 12: doden mochten: Grieks, verderven, of vernielen.
[^mattheus-12-15-o]: Verwijzing o: Matt. 10:23 . Mattheüs 10:23 : Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want werkelijk zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon van de mensen zal gekomen zijn.
[^mattheus-12-16-p]: Verwijzing p: Matt. 9:30 ; Lukas 5:14 . Mattheüs 9:30 : En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer streng verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete. Lukas 5:14 : En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^mattheus-12-18-q]: Verwijzing q: Jes. 42:1 ; Matt. 3:17 ; Matt. 17:5 ; Mark. 1:11 ; Kolos. 1:13 ; 2 Petr. 1:17 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Marcus 1:11 : En er geschiedde een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
[^mattheus-12-18-13]: Kanttekening 13: Christus wordt een knecht van de Vader genaamd, omdat Hij de gedaante van een dienaar aangenomen heeft, Filip. 2:7 , en de raad van de Vader van onze verlossing door Hem uitgevoerd is, Jes. 53:10 , 53:11 . Zie ook de aantekening bij Jes. 42:1 . Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Jesaja 53:10 : Maar het behaagde YHWH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van YHWH zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen.
[^mattheus-12-18-14]: Kanttekening 14: oordeel de heidenen verkondigen: Dat is, zaligmakende leer, of ware godsdienst, en wat daartoe behoort.
[^mattheus-12-19-15]: Kanttekening 15: Namelijk uit eergierigheid of twistgierigheid.
[^mattheus-12-20-16]: Kanttekening 16: Dat is, Hij zal de verslagen gemoederen en de zwakgelovigen niet verstoten, maar met alle toegenegenheid ontmoeten.
[^mattheus-12-20-17]: Kanttekening 17: gekrookte riet: Of, gepletterde.
[^mattheus-12-20-18]: Kanttekening 18: Grieks, vlas; omdat de lemmeten of wieken daarvan gemaakt werden.
[^mattheus-12-20-19]: Kanttekening 19: het oordeel zal: Dat is, zal met de waarheid zijn leer krachtig doordringen, totdat deze de overhand behoude.
[^mattheus-12-20-20]: Kanttekening 20: uitbrengen tot overwinning: Of, tevoorschijn brengen Grieks, uitstoren, uitwerpen.
[^mattheus-12-22-r]: Verwijzing r: Matt. 9:32 ; Lukas 11:14 . Mattheüs 9:32 : Als deze nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van de duivel bezeten was. Lukas 11:14 : En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.
[^mattheus-12-22-21]: Kanttekening 21: blind en stom was : Dat is, wie de duivel het gebruik van de ogen en tong benomen had.
[^mattheus-12-23-s]: Verwijzing s: Joh. 4:29 . Johannes 4:29 : Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
[^mattheus-12-24-t]: Verwijzing t: Matt. 9:34 ; Mark. 3:22 ; Lukas 11:15 . Mattheüs 9:34 : Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door de overste van de duivelen. Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit. Lukas 11:15 : Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, de overste van de duivelen.
[^mattheus-12-24-22]: Kanttekening 22: Zie hierboven Matt. 10:25 . Mattheüs 10:25 : Het zij de discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienaar gelijk zijn heer. Als zij de Heer van het huis Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
[^mattheus-12-27-23]: Kanttekening 23: zonen uit: Hierdoor worden verstaan òf de discipelen van Christus, die in zijn naam duivelen uitwerpen, Luk. 10:17 , òf enige andere Joden, die ook somwijlen zulk deden. Zie Luk. 9:49 . Lukas 10:17 : En de zeventigen zijn teruggekeerd met blijdschap, zeggende: Heer, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam. Lukas 9:49 : En Johannes antwoordde en zei: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.
[^mattheus-12-29-24]: Kanttekening 24: vaten ontroven: Dat is, huisraad of goed. Want de Hebreën noemen vaten allerlei gereedschap, waar het huis mee voorzien wordt.
[^mattheus-12-31-v]: Verwijzing v: Mark. 3:28 ; Lukas 12:10 ; 1 Joh. 5:16 . Marcus 3:28 : Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden de kinderen van de mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmee zij zullen gelasterd hebben; Lukas 12:10 : En een iedereen, die enig woord spreken zal tegen de Zoon van de mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden. 1 Johannes 5:16 : Als iemand zijn broer ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelfde zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^mattheus-12-31-25]: Kanttekening 25: vergeven worden: Namelijk als zij zich bekeren.
[^mattheus-12-31-26]: Kanttekening 26: tegen de Geest: Deze zonde tegen de Heilige Geest is wanneer iemand, niet uit zwakheid of vrees gelijk Petrus, noch uit onwetendheid gelijk Paulus, de Evangelische waarheid verzaakt of bestrijdt, maar dezelfde uit enkel haat en moedwil, tegen de overtuiging van de Heilige Geest, wederstaat, lastert en vervolgt.
[^mattheus-12-31-27]: Kanttekening 27: niet vergeven worden: Namelijk omdat zij zich niet bekeren, noch door het rechtvaardig oordeel van God bekeerd kunnen worden. Zie Hebr. 6:4 . Hebreeën 6:4 : Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn,
[^mattheus-12-32-x]: Verwijzing x: 1 Sam. 2:25 . 1 Samuël 2:25 : Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen YHWH zondigt, wie zal voor hem bidden? Maar zij hoorden de stem huns vaders niet, want YHWH wilde hen doden.
[^mattheus-12-32-y]: Verwijzing y: Num. 15:30 ; 1 Joh. 5:16 . Numeri 15:30 : Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; 1 Johannes 5:16 : Als iemand zijn broer ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelfde zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^mattheus-12-32-28]: Kanttekening 28: Noch in deze eeuw: Dat is, nimmermeer, gelijk het verklaard wordt, Mark. 3:29 , noch hier noch hiernamaals in het uiterste oordeel, dat ook de toekomende eeuw genaamd wordt, zie Luk. 18:30 . Marcus 3:29 : Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig van het eeuwige oordeel. Lukas 18:30 : Die niet zal veelvoudig weer ontvangen in deze tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
[^mattheus-12-33-z]: Verwijzing z: Matt. 7:18 . Mattheüs 7:18 : Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
[^mattheus-12-33-29]: Kanttekening 29: maakt de boom goed: Dat is, houdt en oordeelt.
[^mattheus-12-33-30]: Kanttekening 30: kwaad en zijn vrucht kwaad: Grieks, verrot.
[^mattheus-12-34-a]: Verwijzing a: Matt. 3:7 . Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn?
[^mattheus-12-34-b]: Verwijzing b: Ps. 40:11 ; Lukas 6:45 . Psalmen 40:11 : Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. Lukas 6:45 : De goede mens brengt het goede voort uit de goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit de kwade schat zijns harten; want uit de overvloed van de harten spreekt zijn mond.
[^mattheus-12-36-c]: Verwijzing c: Efez. 5:4 . Efeziërs 5:4 : Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.
[^mattheus-12-36-d]: Verwijzing d: Pred. 12:14 . Prediker 12:14 : Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.
[^mattheus-12-36-31]: Kanttekening 31: ijdel woord: Grieks, leeg (ῥῆμα). Dat is, wat geen nuttigheid heeft tot stichting, Ef. 4:29 , hoeveelmeer dan de lasterwoorden. Efeziërs 4:29 : Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen.
[^mattheus-12-37-e]: Verwijzing e: Lukas 19:22 ; 2 Sam. 1:16 . Lukas 19:22 : Maar hij zei tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, u boze dienaar! U wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood.
[^mattheus-12-37-32]: Kanttekening 32: gerechtvaardigd worden: Dat is, voor rechtvaardig erkend en verklaard worden.
[^mattheus-12-38-f]: Verwijzing f: Matt. 16:1 ; Mark. 8:11 ; Lukas 11:29 ; 1 Kor. 1:22 . Mattheüs 16:1 : En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. Marcus 8:11 : En de Farizeën gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van de hemel, Hem verzoekende. Lukas 11:29 : En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. 1 Korinthiërs 1:22 : Omdat de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;
[^mattheus-12-39-33]: Kanttekening 33: overspelig geslacht: Of, ontaard en verbasterd. Zie Joh. 8:39 . Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen.
[^mattheus-12-40-g]: Verwijzing g: Jona 1:17 ; Jona 2:10 . Jona 1:17 : De YHWH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten. Jona 2:10 : De YHWH nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
[^mattheus-12-40-34]: Kanttekening 34: drie dagen en drie nachten: Voor een deel van de dagen worden hier genomen gehele dagen en nachten, gelijk dat bij de Hebreën gebruikelijk is. Zie 1 Sam. 30:12 , verg. met vers 13 , en Esther 4:16, verg met Esther 5:1. En zo men het neemt naar de Romeinse rekening, die de dagen op de middernacht begonnen en eindigden, zo valt het nog duidelijker. 1 Samuël 30:12 : Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weer in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken. Mattheüs 12:13 : Toen zei Hij tot die mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.
[^mattheus-12-40-35]: Kanttekening 35: hart van de aarde: Dat is, binnen in de aarde, naar de Hebreeuwse wijze van spreken. Zo wordt Tyrus gezegd te liggen in het hart van de zee; Ez. 27:4 . Ezechiël 27:4 : Uw gebied is in het hart van de zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.
[^mattheus-12-41-h]: Verwijzing h: Lukas 11:32 . Lukas 11:32 : De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
[^mattheus-12-41-i]: Verwijzing i: Jona 3:5 . Jona 3:5 : En de mensen van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.
[^mattheus-12-41-36]: Kanttekening 36: Namelijk door hun voorbeeld.
[^mattheus-12-42-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 10:1 ; 2 Kron. 9:1 ; Lukas 11:31 . 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 2 Kronieken 9:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. Lukas 11:31 : De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.
[^mattheus-12-42-37]: Kanttekening 37: zuiden zal opstaan: Dat is, van Saba, 1 Kon. 10:1 , dat zuidwaarts van Judea gelegen was. 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.
[^mattheus-12-42-38]: Kanttekening 38: einden van de aarde: Dat is, van vergelegen plaatsen.
[^mattheus-12-43-l]: Verwijzing l: Lukas 11:24 . Lukas 11:24 : Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.
[^mattheus-12-43-39]: Kanttekening 39: dorre plaatsen: Dat is, droge of waterloze plaatsen.
[^mattheus-12-44-40]: Kanttekening 40: Of, opgeschikt.
[^mattheus-12-45-m]: Verwijzing m: Hebr. 6:4 ; idem 6:5 ; Hebr. 10:26 ; 2 Petr. 2:20 . Hebreeën 6:4 : Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, Hebreeën 6:5 : En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, Hebreeën 10:26 : Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 2 Petrus 2:20 : Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in dezelfde opnieuw ingewikkeld zijnde, van dezelfde overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.
[^mattheus-12-45-41]: Kanttekening 41: zeven andere geesten: Dat is, vele. Een Hebreeuwse wijze van spreken.
[^mattheus-12-45-42]: Kanttekening 42: Zo zal het ook: Met deze gelijkenis leert Christus dat, wanneer een mens door de kennis van het evangelie verlost is van zijn natuurlijke onwetendheid, en nochtans deze kennis niet beleeft maar onderdrukt, hij veel erger wordt dan tevoren. Zie 2 Petr. 2:20 , 2:21 . 2 Petrus 2:20 : Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in dezelfde opnieuw ingewikkeld zijnde, van dezelfde overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 2 Petrus 2:21 : Want het ware hun beter, dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, die gekend hebbende, weer afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.
[^mattheus-12-46-n]: Verwijzing n: Mark. 3:31 ; Lukas 8:20 . Marcus 3:31 : Zo kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem. Lukas 8:20 : En Hem werd geboodschapt van enige, die zeiden: Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, begerende U te zien.
[^mattheus-12-46-43]: Kanttekening 43: broers stonden buiten: Dat is bloedverwanten, die bij de Hebreën ook broers genaamd worden. Zie Gen. 13:8 , 13:11 . Genesis 13:8 : En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broers. Genesis 13:11 : Zo koos Lot voor zich de gehele vlakte van de Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de één van de ander.
[^mattheus-12-48-44]: Kanttekening 44: Wie is mijn moeder: Christus spreekt hier niet uit verachting van zijn moeder, maar prijst alleen de geestelijke maagdschap boven de vleselijke.
[^mattheus-12-50-o]: Verwijzing o: Joh. 15:14 ; 2 Kor. 5:16 ; Galat. 5:6 ; Galat. 6:15 ; Kolos. 3:11 . Johannes 15:14 : U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede. 2 Korinthiërs 5:16 : Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Galaten 6:15 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Kolossensen 3:11 : Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen.

### Mattheüs 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/13.json)

*1 Christus houdt Zijn toehoorders verscheidene gelijkenissen voor, waarvan de eerste die van een zaaier is, wiens zaad op verschillende plaatsen valt. 10 Hij verklaart Zijn discipelen de reden waarom Hij in gelijkenissen spreekt. 18 Hij legt Zijn discipelen deze gelijkenis uit. 24 Hij voegt daarbij de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe, 31 van het mosterdzaad, 33 van de zuurdesem. 36 Hij legt de gelijkenis van het onkruid uit. 44 Hij voegt daarbij de gelijkenis van de verborgen schat, 45 van de koopman die parels zoekt, 47 van het visnet, 52 van een schriftgeleerde die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 54 Hij komt in Zijn vaderland, waar Hij niet veel geacht wordt.*

**1** [^mattheus-13-1-a] En op die dag Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de[^mattheus-13-1-1] zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v1)

**2** En tot Hem verzamelden vele menigten, zodat Hij[^mattheus-13-2-b] in een schip ging en nederzat, en al de menigte stond op de oever. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v2)

**3** En Hij sprak tot hen vele dingen door[^mattheus-13-3-2] gelijkenissen, zeggende: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v3)

**4** En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogels kwamen en aten het op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v4)

**5** En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het[^mattheus-13-5-3] ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v5)

**6** Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v6)

**7** En een ander deel viel in de doornen; en de doornen[^mattheus-13-7-4] groeiden op, en verstikten hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v7)

**8** En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het één honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v8)

**9** [^mattheus-13-9-5] Wie oren heeft om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v9)

**10** [^mattheus-13-10-c] En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v10)

**11** En Hij, antwoordende, zei tot hen:[^mattheus-13-11-d] Omdat het u[^mattheus-13-11-6] gegeven is, de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het[^mattheus-13-11-7] niet gegeven.[^mattheus-13-11-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v11)

**12** [^mattheus-13-12-f] Want wie[^mattheus-13-12-8] heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook[^mattheus-13-12-9] dat hij heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v12)

**13** Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v13)

**14** En in hen wordt de profetie van[^mattheus-13-14-10] Jesaja vervuld, die zegt[^mattheus-13-14-g]:[^mattheus-13-14-11] Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v14)

**15** Want het hart van dit volk is[^mattheus-13-15-12] dik geworden, en zij hebben met de oren moeizaam gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v15)

**16** [^mattheus-13-16-h] Maar uw ogen zijn[^mattheus-13-16-13] zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v16)

**17** Want voorwaar zeg Ik u,[^mattheus-13-17-i] dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen,[^mattheus-13-17-14] die u ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die u hoort, en hebben ze niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v17)

**18** [^mattheus-13-18-k] U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v18)

**19** Als iemand[^mattheus-13-19-15] dat Woord van[^mattheus-13-19-l] het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt[^mattheus-13-19-16] de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze[^mattheus-13-19-17] is degene, die bij de weg bezaaid[^mattheus-13-19-18] is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v19)

**20** Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met[^mattheus-13-20-19] vreugde ontvangt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v20)

**21** Maar hij heeft[^mattheus-13-21-20] geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, omwille van het Woord, zo wordt hij meteen ten val komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v21)

**22** [^mattheus-13-22-m] En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de[^mattheus-13-22-21] rijkdom verstikt het Woord, en het[^mattheus-13-22-22] wordt onvruchtbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v22)

**23** Die nu in de[^mattheus-13-23-23] goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook[^mattheus-13-23-24] vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v23)

**24** Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v24)

**25** En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide[^mattheus-13-25-25] onkruid midden in de tarwe, en ging weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v25)

**26** Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v26)

**27** En de dienaren van de heer van het huis gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v27)

**28** En hij zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienaren zeiden tot hem: Wilt u dan, dat wij heengaan en het verzamelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v28)

**29** Maar hij zei: Nee, opdat u, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelfde de tarwe niet[^mattheus-13-29-26] uittrekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v29)

**30** [^mattheus-13-30-27] Laat ze beiden samen opgroeien tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst dat onkruid, en bindt het in bossen, om hetzelfde te verbranden;[^mattheus-13-30-n] maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v30)

**31** [^mattheus-13-31-28] Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende:[^mattheus-13-31-o] Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, dat een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v31)

**32** Dat wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgegroeid is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, zo dat de vogels des hemels komen en nestelen in zijn takken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v32)

**33** Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende:[^mattheus-13-33-p] Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een zuurdesem, die een vrouw nam en verborg in drie[^mattheus-13-33-29] maten meel, totdat het geheel gezuurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v33)

**34** [^mattheus-13-34-q] Al deze dingen heeft Jezus tot de menigten gesproken door gelijkenissen, en[^mattheus-13-34-30] zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v34)

**35** Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende:[^mattheus-13-35-r] Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal[^mattheus-13-35-31] voortbrengen dingen, die[^mattheus-13-35-32] verborgen waren van de grondlegging van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v35)

**36** Toen nu Jezus de menigten van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid van de akker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v36)

**37** En Hij, antwoordende, zei tot hen: Die het goede zaad zaait, is[^mattheus-13-37-33] de Zoon des mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v37)

**38** En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn[^mattheus-13-38-34] de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de bozen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v38)

**39** En de vijand, die hetzelfde gezaaid heeft, is de duivel; en[^mattheus-13-39-s] de oogst is de voleinding van de wereld; en de maaiers zijn de engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v39)

**40** Zoals dan het onkruid verzameld, en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn in de voleinding van deze wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v40)

**41** De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen al[^mattheus-13-41-35] de struikelblokken, en degenen, die de ongerechtigheid doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v41)

**42** En zullen dezelfde in de[^mattheus-13-42-36] vurige oven werpen;[^mattheus-13-42-t] daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v42)

**43** [^mattheus-13-43-v] Dan zullen de rechtvaardigen blinken, zoals de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Die oren heeft om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v43)

**44** [^mattheus-13-44-37] Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap daarover,[^mattheus-13-44-x] gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v44)

**45** Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een koopman, die schone parels zoekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v45)

**46** Die, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v46)

**47** Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v47)

**48** Dat, wanneer het vol geworden is, de vissers aan de oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun manden, maar het kwade werpen zij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v48)

**49** Zo zal het in de voleinding van de eeuwen wezen; de engelen zullen[^mattheus-13-49-38] uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v49)

**50** En zullen dezelfde in de[^mattheus-13-50-39] vurige oven werpen;[^mattheus-13-50-y] daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v50)

**51** En Jezus zei tot hen: Hebt u dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v51)

**52** En Hij zei tot hen: Daarom, ieder Schriftgeleerde,[^mattheus-13-52-40] in het Koninkrijk van de hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer van het huis, die uit zijn[^mattheus-13-52-41] schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v52)

**53** [^mattheus-13-53-a] En het is gebeurd, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v53)

**54** En gekomen zijnde in Zijn[^mattheus-13-54-42] vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden:[^mattheus-13-54-b] Vanwaar komt Deze die wijsheid en die krachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v54)

**55** [^mattheus-13-55-c] Is Deze niet de Zoon van[^mattheus-13-55-43] de timmerman? en is Zijn moeder niet genoemd Maria, en Zijn[^mattheus-13-55-44] broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v55)

**56** En Zijn zussen, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar komt dan Deze dit alles? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v56)

**57** En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tot hen:[^mattheus-13-57-d] Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v57)

**58** En Hij heeft daar niet vele krachten gedaan,[^mattheus-13-58-45] vanwege hun ongeloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/13.html#v58)

[^mattheus-13-1-a]: Verwijzing a: Mark. 4:1 ; Lukas 8:4 ; idem v. 5 . Marcus 4:1 : En Hij begon opnieuw te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, zo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee. Lukas 8:4 : Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zei Hij door gelijkenis: Lukas 8:5 : Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij de weg, en werd vertreden, en de vogels van de hemel aten dat op.
[^mattheus-13-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de Galilese zee bij Kapernaüm.
[^mattheus-13-2-b]: Verwijzing b: Lukas 5:3 . Lukas 5:3 : En Hij ging in één van die schepen, dat van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.
[^mattheus-13-3-2]: Kanttekening 2: Grieks, parabolen (παραβολαῖς); welke zijn zodanige gelijkenissen wanneer enige zaken op historische wijze, alsof zij onder de mensen geschied waren, verhaald worden, en iets anders, dat geestelijk is, er door verstaan wordt. Maar worden ook wel somwijlen breder genomen voor allerlei gelijkenissen, leringen en voortreffelijke spreuken. Zie vers 35 . Mattheüs 13:35 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld.
[^mattheus-13-5-3]: Kanttekening 3: ging meteen op: Dat is, wies of sproot op.
[^mattheus-13-7-4]: Kanttekening 4: wiesen op: Grieks, klommen op.
[^mattheus-13-9-5]: Kanttekening 5: Wie oren heeft: Dat is, die van God de geest van het verstand ontvangen heeft, lette hierop met aandacht; 2 Kor. 3:5 . 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^mattheus-13-10-c]: Verwijzing c: Mark. 4:10 ; Lukas 8:9 . Marcus 4:10 : En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. Lukas 8:9 : En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen?
[^mattheus-13-11-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 3:14 . 2 Korinthiërs 3:14 : Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van de Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
[^mattheus-13-11-6]: Kanttekening 6: gegeven is: Namelijk van God, uit genade, naar zijn welbehagen; Gal. 1:15 ; Matt. 16:17 . Galaten 1:15 : Maar wanneer het God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Mattheüs 16:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^mattheus-13-11-7]: Kanttekening 7: niet gegeven: Want het Evangelie is bedekt degenen, die verloren gaan: 2 Kor. 4:3 . 2 Korinthiërs 4:3 : Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
[^mattheus-13-11-e]: Verwijzing e: Matt. 11:25 . Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard.
[^mattheus-13-12-f]: Verwijzing f: Matt. 25:29 ; Mark. 4:24 ; idem v. 25 ; Lukas 8:18 ; Lukas 19:26 . Mattheüs 25:29 : Want een iedereen die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Marcus 4:24 : En Hij zei tot hen: Ziet, wat u hoort. Met wat mate u meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. Marcus 4:25 : Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Lukas 8:18 : Ziet dan, hoe u hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal van hem genomen worden. Lukas 19:26 : Want ik zeg u, dat een iedereen, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft.
[^mattheus-13-12-8]: Kanttekening 8: Namelijk de beginselen van het zaligmakend geloof, en dezelfde door de kracht van de Heilige Geest waarneemt.
[^mattheus-13-12-9]: Kanttekening 9: dat hij heeft: Dat is, wat hij meent of schijnt te hebben. Gelijk verklaart Luk. 8:18 zie ook Matt. 25:29 . Lukas 8:18 : Ziet dan, hoe u hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal van hem genomen worden. Mattheüs 25:29 : Want iedereen die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
[^mattheus-13-14-10]: Kanttekening 10: Of, weer vervuld; daar wat Jesaja eertijds gezegd heeft tot de hardnekkige Joden van zijn tijd, opnieuw in deze hardnekkige Joden nog eens vervuld wordt.
[^mattheus-13-14-g]: Verwijzing g: Jes. 6:9 ; Mark. 4:12 ; Lukas 8:10 ; Joh. 12:40 ; Hand. 28:26 ; Rom. 11:8 . Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Lukas 8:10 : En Hij zei: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Handelingen 28:26 : Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^mattheus-13-14-11]: Kanttekening 11: Met het gehoor: Wat hier op de wijze van voorzeggen gezegd wordt, is bij Jesaja op gebiedende wijze gesteld, om Gods oordeel over dit hardnekkig volk beter uit te drukken, gelijk het hier ook zou kunnen genomen worden. Zie verder de verklaring van dit alles Jes. 6:9 . Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.
[^mattheus-13-15-12]: Kanttekening 12: dik geworden: Namelijk van vettigheid: Hand. 28:27 . Handelingen 28:27 : Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij moeizaam gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.
[^mattheus-13-16-h]: Verwijzing h: Lukas 10:23 ; Joh. 20:29 ; 1 Petr. 1:8 . Lukas 10:23 : En Zich kerende naar de discipelen, zei Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, wat u ziet. Johannes 20:29 : Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. 1 Petrus 1:8 : Denwelken u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;
[^mattheus-13-16-13]: Kanttekening 13: Of, gelukkig.
[^mattheus-13-17-i]: Verwijzing i: 1 Petr. 1:10 . 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
[^mattheus-13-17-14]: Kanttekening 14: die u ziet: Namelijk de Messias in het vlees gekomen en zijn ambt uitvoerende. Zie Joh. 8:56 ; Hand. 26:6 , 26:7 . Johannes 8:56 : Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Handelingen 26:6 : En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop van de belofte, die van God tot de vaderen geschied is; Handelingen 26:7 : Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
[^mattheus-13-18-k]: Verwijzing k: Mark. 4:13 ; Lukas 8:11 . Marcus 4:13 : En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet, en hoe zult u al de gelijkenissen verstaan? Lukas 8:11 : Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.
[^mattheus-13-19-15]: Kanttekening 15: het woord: Dat is, de leer van het Evangelie, waardoor Christus zijn rijk opricht; Matt. 9:35 . Mattheüs 9:35 : En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk.
[^mattheus-13-19-l]: Verwijzing l: Matt. 4:23 . Mattheüs 4:23 : En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk.
[^mattheus-13-19-16]: Kanttekening 16: de boze: Dat is, de duivel.
[^mattheus-13-19-17]: Kanttekening 17: is degene: Dat is, wordt bedoeld door degenen, enz.
[^mattheus-13-19-18]: Kanttekening 18: bezaaid is: Dat is, het zaad ontvangen heeft.
[^mattheus-13-20-19]: Kanttekening 19: vreugde ontvangt: Deze vreugde ontstaat uit de kennis van de Evangelische leer, en de aangenaamheid van de beloften derzelve: hoewel hun hart nog steenachtig blijft, dat is, dat de hardheid daarvan door de Geest van God nog niet is weggenomen.
[^mattheus-13-21-20]: Kanttekening 20: geen wortel in zichzelven: Dat is, geen recht en vast vertrouwen op Christus, waardoor wij met Christus als met een vasten grond onzer zaligheid verenigd worden, Hebr. 3:14 , en van Hem het sap van het leven trekken; Rom. 11:17 , 11:20 . Hebreeën 3:14 : Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden; Romeinen 11:17 : En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden, Romeinen 11:20 : Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en u staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
[^mattheus-13-22-m]: Verwijzing m: Matt. 19:23 ; Mark. 10:23 ; Lukas 18:24 ; 1 Tim. 6:9 . Mattheüs 19:23 : En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk in het Koninkrijk van de hemelen zal ingaan. Marcus 10:23 : En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen! Lukas 18:24 : Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zei: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan! 1 Timotheüs 6:9 : Maar die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.
[^mattheus-13-22-21]: Kanttekening 21: verstikt het woord: Dat is, verhindert de voortgang van de kracht van het Woord.
[^mattheus-13-22-22]: Kanttekening 22: wordt onvruchtbaar: Of, brengt geen vrucht.
[^mattheus-13-23-23]: Kanttekening 23: goede aarde bezaaid is: Dat is, die het in een goed en fijn hart ontvangen, Luk. 8:15 , dat een mens van zichzelven niet heeft maar door de kracht van de Geest van God ontvangt; Hand. 16:14 . Lukas 8:15 : En dat in de goede aarde valt, zijn deze, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelfde in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. Handelingen 16:14 : En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^mattheus-13-23-24]: Kanttekening 24: vrucht draagt en voortbrengt: Namelijk het ware geloof en oprechte liefde; Matt. 21:43 . Mattheüs 21:43 : Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk van God van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
[^mattheus-13-25-25]: Kanttekening 25: onkruid midden in de tarwe: Grieks, Zizania (ζιζάνια); dat sommigen menen dat een Arabisch woord is, betekende voornamelijk een zeker soort van onkruid, dat men brandkoren noemt, dat zonder schade van de tarwe niet wel kan uitgewied worden.
[^mattheus-13-29-26]: Kanttekening 26: Grieks, uitwortelt.
[^mattheus-13-30-27]: Kanttekening 27: Laat ze beide tezamen opgewassen tot de oogst: Hiermede wil Christus niet wegnemen het ambt van de overheid in het straffen van de boze, Rom. 13:4 ; noch van de kerk in oefenen van de tucht, 1 Kor. 5:7 , maar geeft te kennen dat men daarin voorzichtigheid moet gebruiken, en dat de huichelaars en de boze niet geheel kunnen geweerd worden, omdat zij van de ware gelovigen somwijlen niet wel kunnen onderscheiden worden, gelijk het brandkoren van het goede koren, als het eerst opkomt, kwalijk kan onderscheiden worden. Romeinen 13:4 : Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor degene, die kwaad doet. 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
[^mattheus-13-30-n]: Verwijzing n: Matt. 3:12 . Mattheüs 3:12 : Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
[^mattheus-13-31-28]: Kanttekening 28: Een andere gelijkenis: Met deze twee gelijkenissen wijst Christus aan de kracht van zijn woord, dat, hoewel het in het begin klein en veracht scheen, nochtans daarna zich wijd zou uitbreiden en de gehele wereld doordringen; Rom. 10:18 . Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
[^mattheus-13-31-o]: Verwijzing o: Mark. 4:30 ; Lukas 13:18 . Marcus 4:30 : En Hij zei: Waarbij zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelfde vergelijken? Lukas 13:18 : En Hij zei: Wie is het Koninkrijk van God gelijk, en waarbij zal Ik hetzelfde vergelijken?
[^mattheus-13-33-p]: Verwijzing p: Lukas 13:20 ; idem v. 21 . Lukas 13:20 : En Hij zei opnieuw: Waarbij zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken? Lukas 13:21 : Het is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.
[^mattheus-13-33-29]: Kanttekening 29: maten meel: Grieks, Sata (σάτα). Zie daarvan Gen. 18:6 . Genesis 18:6 : En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
[^mattheus-13-34-q]: Verwijzing q: Mark. 4:33 . Marcus 4:33 : En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.
[^mattheus-13-34-30]: Kanttekening 30: zonder gelijkenis: Namelijk op die tijd en in deze en andere predikatiën.
[^mattheus-13-35-r]: Verwijzing r: Ps. 78:2 . Psalmen 78:2 : Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
[^mattheus-13-35-31]: Kanttekening 31: Of, overvloediglijk voortbrengen. Grieks, uitwellen, gelijk een fontein haar water doet.
[^mattheus-13-35-32]: Kanttekening 32: verborgen waren: Dat is, zulke leringen, die altijd in zichzelven verborgenheden zijn geweest, maar evenwel in Gods Woord voorzegd en geopenbaard; gelijk het zo ook Ps. 78:2 , genomen wordt. Psalmen 78:2 : Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
[^mattheus-13-37-33]: Kanttekening 33: de Zoon van de mensen: Namelijk zo door zichzelven, als door zijn apostelen en getrouwe leraars, Ef. 4:11 , 4:12 . Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus;
[^mattheus-13-38-34]: Kanttekening 34: de kinderen van het koninkrijk: Dat is, die niet alleen uiterlijke leden zijn van Christus' rijk, gelijk Matt. 3:12 , maar ook ware en levende leden. Mattheüs 3:12 : Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
[^mattheus-13-39-s]: Verwijzing s: Openb. 14:15 ; Joël 3:13 . Openbaring 14:15 : En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden. Joël 3:13 : Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.
[^mattheus-13-41-35]: Kanttekening 35: de ergernissen: Dat zijn mensen, die een ergerlijk leven geleid hebben.
[^mattheus-13-42-36]: Kanttekening 36: vurige oven: Grieks, oven van het vuur; dat is, de hel. Het schijnt dat in deze wijze van spreken gezien wordt op de gruwelijke straffen van het vuur, die eertijds gebruikelijk waren. Zie Dan. 3:6 . Daniël 3:6 : En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal op dat moment in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden.
[^mattheus-13-42-t]: Verwijzing t: Matt. 8:12 ; Matt. 22:13 ; Matt. 24:51 ; Matt. 25:30 ; Lukas 13:28 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 22:13 : Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 25:30 : En werpt de onnutten dienaar uit in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^mattheus-13-43-v]: Verwijzing v: Dan. 12:3 ; 1 Kor. 15:42 . Daniël 12:3 : De leraars nu zullen blinken, als de glans van de uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig. 1 Korinthiërs 15:42 : Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
[^mattheus-13-44-37]: Kanttekening 37: Opnieuw is het koninkrijk van de hemelen: Met deze twee gelijkenissen wijst Christus aan de uitnemende waardigheid van de leer en de beloften van het Evangelie, en ook de ijver en de naarstigheid, die men behoort aan te wenden om dezelfde te verkrijgen, al ware het ook met schade en verlies van alle tijdelijke dingen.
[^mattheus-13-44-x]: Verwijzing x: Filip. 3:7 . Filippensen 3:7 : Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd.
[^mattheus-13-49-38]: Kanttekening 38: Namelijk door Christus uitgezonden zijnde, gelijk vers 41 . Mattheüs 13:41 : De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;
[^mattheus-13-50-39]: Kanttekening 39: vurige oven: Grieks, oven van het vuur , gelijk vers 42 . Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^mattheus-13-50-y]: Verwijzing y: boven, v. 42 . Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^mattheus-13-52-40]: Kanttekening 40: in het koninkrijk van de hemelen: Of, tot; dat is, een verstandig en geoefend man in de schriftuur, een leraar gelijk Ezra was. Zie Ezra 7:6 , 7:11 . Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. Ezra 7:11 : Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden van YHWH, en Zijn inzettingen over Israël:
[^mattheus-13-52-41]: Kanttekening 41: Of, voorraad.
[^mattheus-13-53-a]: Verwijzing a: Mark. 6:1 ; Lukas 4:16 . Marcus 6:1 : En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. Lukas 4:16 : En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
[^mattheus-13-54-42]: Kanttekening 42: Namelijk Nazareth, waar Hij opgevoed was en zijne vrienden woonden. Zie Luk. 4:16 . Lukas 4:16 : En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge; en stond op om te lezen.
[^mattheus-13-54-b]: Verwijzing b: Mark. 6:2 . Marcus 6:2 : En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren?
[^mattheus-13-55-c]: Verwijzing c: Joh. 6:42 . Johannes 6:42 : En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?
[^mattheus-13-55-43]: Kanttekening 43: Namelijk Jozef, die zij meenden dat zijn vader was. Zie Luk. 3:23 ; Joh. 6:42 . Lukas 3:23 : En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli, Johannes 6:42 : En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?
[^mattheus-13-55-44]: Kanttekening 44: Dat is, bloedverwanten; want Jakobus en Joses waren zonen van de zus van Christus' moeder, gelijk men kan zien Joh. 19:25 , verg. met Matt. 27:56 , en Mark. 15:40 . Johannes 19:25 : En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijn moeders zus, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Mattheüs 27:56 : Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs. Marcus 15:40 : En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome;
[^mattheus-13-57-d]: Verwijzing d: Mark. 6:4 ; Lukas 4:24 ; Joh. 4:44 . Marcus 6:4 : En Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis. Lukas 4:24 : En Hij zei: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland. Johannes 4:44 : Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.
[^mattheus-13-58-45]: Kanttekening 45: vanwege hun ongeloof: Omdat zij, vanwege hun ongeloof, hem de zieken niet toebrachten.

### Mattheüs 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/14.json)

*1 Het oordeel van Herodes over Christus. 3 Verhaal van de gevangenneming en onthoofding van Johannes de Doper op verzoek van de dochter van Herodias. 13 Christus verzadigt in de woestijn meer dan vijfduizend mensen met vijf broden en twee vissen. 22 Hij komt naar Zijn discipelen die op zee in nood waren en wandelt op het water. 28 Op Zijn gebod ook Petrus, die bevreesd voor de wind begint te zinken, maar door Christus behouden wordt. 32 Christus stilt het onweer, waardoor Hij erkend wordt de Zoon van God te zijn. 34 Christus komt weer in het land Gennesaret en geneest vele zieken.*

**1** [^mattheus-14-1-a] In die tijd hoorde[^mattheus-14-1-1] Herodes, de[^mattheus-14-1-2] viervorst, het gerucht van Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v1)

**2** En zei tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v2)

**3** [^mattheus-14-3-b] Want[^mattheus-14-3-3] Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in de kerker gezet, om[^mattheus-14-3-4] Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v3)

**4** Want Johannes zei tot hem:[^mattheus-14-4-c] Het is u niet geoorloofd haar[^mattheus-14-4-5] te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v4)

**5** En willende hem doden, vreesde hij het volk,[^mattheus-14-5-d] omdat zij hem hielden voor een profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v5)

**6** Maar als[^mattheus-14-6-e] de dag van de[^mattheus-14-6-6] geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v6)

**7** [^mattheus-14-7-f] Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook zou eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v7)

**8** En zij,[^mattheus-14-8-7] te voren onderricht zijnde van haar moeder, zei: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes de Doper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v8)

**9** En de koning werd[^mattheus-14-9-8] bedroefd; maar om[^mattheus-14-9-9] de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v9)

**10** En[^mattheus-14-10-10] zond heen, en onthoofdde Johannes in de kerker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v10)

**11** En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v11)

**12** En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelfde; en gingen en boodschapten het Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v12)

**13** [^mattheus-14-13-g] En als Jezus dit hoorde,[^mattheus-14-13-11] vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats[^mattheus-14-13-12] alleen; en de menigten, dat horende, zijn Hem[^mattheus-14-13-13] te voet gevolgd uit de steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v13)

**14** [^mattheus-14-14-h] En Jezus uitgaande, zag een[^mattheus-14-14-14] grote menigte, en[^mattheus-14-14-i] werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun zieken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v14)

**15** [^mattheus-14-15-k] En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en[^mattheus-14-15-15] de tijd is nu voorbijgegaan; laat de menigten van U, opdat zij heengaan in de plaatsen en zichzelf voedsel kopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v15)

**16** Maar Jezus zei tot hen: Het is hun niet nodig heen te gaan, geeft u hun te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v16)

**17** Maar zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v17)

**18** En Hij zei: Breng Mij dezelfde hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v18)

**19** En Hij beval de menigten neer te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en omhoog ziende naar de hemel,[^mattheus-14-19-16][^mattheus-14-19-l] zegende dezelfde; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen aan de menigten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v19)

**20** En zij aten allen en werden verzadigd, en[^mattheus-14-20-17] zij namen op, het overschot van de stukken brood, twaalf volle manden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v20)

**21** Die nu gegeten hadden, waren ongeveer vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v21)

**22** [^mattheus-14-22-m] En meteen[^mattheus-14-22-18] dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de menigten van Zich zou laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v22)

**23** [^mattheus-14-23-n] En als Hij nu de menigten van Zich gelaten had, klom Hij op de berg[^mattheus-14-23-19] alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v23)

**24** En het schip was nu midden in de zee,[^mattheus-14-24-20] zijnde in nood van de golven; want de wind was hun tegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v24)

**25** Maar ter vierde[^mattheus-14-25-21] wake in de nacht kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v25)

**26** En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een[^mattheus-14-26-22] spook! En zij schreeuwden van vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v26)

**27** Maar meteen sprak hen Jezus aan, zeggende: Heb goede moed, Ik ben het, vreest niet.[^mattheus-14-27-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v27)

**28** En Petrus antwoordde Hem, en zei: Heere! als U het bent, zo gebied mij tot U te komen op het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v28)

**29** En Hij zei: Kom. En Petrus klom neer van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v29)

**30** Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neer te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v30)

**31** En Jezus, meteen de hand uitstekende, greep hem aan, en zei tot hem: U kleingelovige! waarom hebt u gewankeld?[^mattheus-14-31-24] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v31)

**32** En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v32)

**33** Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Werkelijk, U bent Gods Zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v33)

**34** [^mattheus-14-34-o] En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v34)

**35** En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat hele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v35)

**36** En baden Hem, dat zij alleen de[^mattheus-14-36-25] zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken; en zovelen als[^mattheus-14-36-26] Hem aanraakten, werden gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/14.html#v36)

[^mattheus-14-1-a]: Verwijzing a: Mark. 6:14 ; Lukas 9:7 . Marcus 6:14 : En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zei: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem. Lukas 9:7 : En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan.
[^mattheus-14-1-1]: Kanttekening 1: Deze was een zoon van Herodes de Grote, en was toegenaamd Antipas.
[^mattheus-14-1-2]: Kanttekening 2: Grieks, Tetrarches (τετραάρχης); dat is een vorst over een vierde deel van een rijk. Want na de dood van Herodes de Grote is zijn rijk door de keizer Augustus verdeeld onder zijn zonen; waarvan bijna de helft, namelijk Judea, Samaria en Idumea, had Archelaus de oudste zoon; een vierde part, namelijk Galilea en het land over de Jordaan deze Herodes; en het laatste vierde part, namelijk Iturea en Trachonitis had Filippus de jongste zoon. Zie Matt. 2:22 ; Luk. 3:1 , 3:19 , en bij Josef. Antiq. lib. 17, cap. 13. Deze tetrarchen worden ook koningen genaamd, omdat zij als koningen regeerden. Zie hier vers 9 ; Mark. 6:14 ; Hand. 25:24 . Mattheüs 2:22 : Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea. Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; Lukas 3:19 : Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle boze stukken, die Herodes deed, Mattheüs 14:9 : En de koning werd bedroefd; maar om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden; Marcus 6:14 : En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zei: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem. Handelingen 25:24 : En Festus zei: Koning Agrippa, en u mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, u ziet deze, van welke mij de gehele menigte van de Joden heeft aangesproken, zowel te Jeruzalem als hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
[^mattheus-14-3-b]: Verwijzing b: Mark. 6:17 ; Lukas 3:19 . Marcus 6:17 : Want dezelfde Herodes, enige uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de huisvrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. Lukas 3:19 : Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle boze stukken, die Herodes deed,
[^mattheus-14-3-3]: Kanttekening 3: Deze geschiedenis wordt hier bij gelegenheid verhaald, hoewel zij tevoren geschied is. Zie Matt. 4:12 . Mattheüs 4:12 : Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea;
[^mattheus-14-3-4]: Kanttekening 4: Deze Herodias was de huisvrouw van Filippus, de broer van Herodes, door wie zij verleid zijnde, haar man verlaten heeft, en bij diens leven Herodes tot zijne vrouw genomen was. Zie Josef. Antiq. lib. 18, cap. 7,9.
[^mattheus-14-4-c]: Verwijzing c: Lev. 18:16 . Leviticus 18:16 : U zult de schaamte van de huisvrouw uws broers niet ontdekken; het is de schaamte uws broers.
[^mattheus-14-4-5]: Kanttekening 5: te hebben: Namelijk ter vrouw.
[^mattheus-14-5-d]: Verwijzing d: Matt. 21:26 . Mattheüs 21:26 : En als wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.
[^mattheus-14-6-e]: Verwijzing e: Gen. 40:20 ; Mark. 6:21 . Genesis 40:20 : En het geschiedde op de derden dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden zijn knechten. Marcus 6:21 : En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes, op de dag zijn geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea;
[^mattheus-14-6-6]: Kanttekening 6: geboorte gehouden werd: Van zulk vieren van de geboortedagen heeft men nog een voorbeeld Gen. 40:20 . Genesis 40:20 : En het geschiedde op de derde dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden van zijn knechten.
[^mattheus-14-7-f]: Verwijzing f: Richt. 11:30 . Richteren 11:30 : En Jeftha beloofde YHWH een gelofte, en zei: Als U de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven;
[^mattheus-14-8-7]: Kanttekening 7: tevoren onderricht zijnde: Of, opgemaakt en aangestuwd zijnde; nadat zij daarover haar moeder raad gevraagd had; Mark. 6:24 . Marcus 6:24 : En zij, uitgegaan zijnde, zei tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.
[^mattheus-14-9-8]: Kanttekening 8: Niet zozeer om Johannes' wil, als om de ondank van het volk, dat hij vreesde.
[^mattheus-14-9-9]: Kanttekening 9: de eden en degenen: Namelijk die hij deze lichtvaardige danseres onbehoorlijk gedaan had, vers 7 . Mattheüs 14:7 : Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook zou eisen.
[^mattheus-14-10-10]: Kanttekening 10: zond heen: Namelijk een trawant of scherprechter, gelijk te zien is Mark. 6:27 . Marcus 6:27 : En de koning zond meteen een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;
[^mattheus-14-13-g]: Verwijzing g: Mark. 6:31 ; Lukas 9:10 ; Matt. 12:15 . Marcus 6:31 : En Hij zei tot hen: Komt u in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. Lukas 9:10 : En de apostelen, teruggekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mee en vertrok alleen in een woeste plaats van de stad, genaamd Bethsaida. Mattheüs 12:15 : Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.
[^mattheus-14-13-11]: Kanttekening 11: vertrok hij vandaar: Niet alleen om het gevaar te ontgaan, omdat zijne ure nog niet gekomen was, maar ook omdat zijne discipelen rust nodig hadden; Mark. 6:30 , 6:31 . Marcus 6:30 : En de apostelen kwamen weer tot Jezus, en boodschapten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden, als wat zij geleerd hadden. Marcus 6:31 : En Hij zei tot hen: Komt u in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.
[^mattheus-14-13-12]: Kanttekening 12: Of, uit de weg, aan de ene zijde.
[^mattheus-14-13-13]: Kanttekening 13: te voet gevolgd: Want Christus was niet gevaren naar de andere zijde van de zee, maar over een inham, blijvende aan dezelfde zijde, waar zij Hem te voet konden volgen.
[^mattheus-14-14-h]: Verwijzing h: Joh. 6:5 . Johannes 6:5 : Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zei tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?
[^mattheus-14-14-14]: Kanttekening 14: grote schare: Dat is, dat er veel volk was.
[^mattheus-14-14-i]: Verwijzing i: Matt. 9:36 . Mattheüs 9:36 : En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.
[^mattheus-14-15-k]: Verwijzing k: Mark. 6:35 ; Lukas 9:12 . Marcus 6:35 : En als het nu laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag; Lukas 9:12 : En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en voedsel vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.
[^mattheus-14-15-15]: Kanttekening 15: de tijd is nu voorbijgegaan: Grieks, het uur; namelijk van eten, of voedsel te nemen, of van de dag, om het volk niet langer op te houden.
[^mattheus-14-19-16]: Kanttekening 16: zegende Hij: Het Grieks, woord betekent somtijds wel dankzeggen, maar moet hier voor zegenen, dat met dankzegging gevoegd is, genomen worden, gelijk te zien is Luk. 9:16 , welke zegening geschied is door een bijzonder gebed, dat deze broden tot verzadiging van allen mochten strekken; 1 Tim. 4:4 , 4:5 . Lukas 9:16 : En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar de hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze de discipelen, om de schare voor te leggen. 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 1 Timotheüs 4:5 : Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.
[^mattheus-14-19-l]: Verwijzing l: 1 Sam. 9:13 . 1 Samuël 9:13 : Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden.
[^mattheus-14-20-17]: Kanttekening 17: zij namen op: Namelijk de discipelen van Christus, gelijk blijkt uit Joh. 6:12 . Johannes 6:12 : En als zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.
[^mattheus-14-22-m]: Verwijzing m: Mark. 6:45 ; Joh. 6:17 . Marcus 6:45 : En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor heen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsaida, terwijl Hij de schare van Zich zou laten. Johannes 6:17 : En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was al duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.
[^mattheus-14-22-18]: Kanttekening 18: dwong Jezus: Namelijk met ernstige woorden, daar zij van Hem niet graag wilden scheiden.
[^mattheus-14-23-n]: Verwijzing n: Mark. 6:46 ; Joh. 6:15 . Marcus 6:46 : En als Hij aan dezelfde hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden. Johannes 6:15 : Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek opnieuw op de berg, Hij Zelf alleen.
[^mattheus-14-23-19]: Kanttekening 19: Zie het voorgaande vers 13 . Mattheüs 14:13 : En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.
[^mattheus-14-24-20]: Kanttekening 20: zijde in nood van de baren: Grieks, gepijnigd; dat is, zeer geslingerd of geslagen van de baren.
[^mattheus-14-25-21]: Kanttekening 21: wake van de nacht: De nacht werd toen afgedeeld in vier waken, elk van drie uren, waarvan de vierde met de dag eindigde: waarom dezelfde ook de morgenwake genoemd wordt; Ex. 14:24 ; 1 Sam. 11:11 . Zie Luk. 12:38 . Exodus 14:24 : En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat YHWH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. 1 Samuël 11:11 : Het geschiedde nu de volgende dag, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven. Lukas 12:38 : En zo hij komt in de tweede nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen zo, zalig zijn dezelfde dienaren.
[^mattheus-14-26-22]: Kanttekening 22: Dat is, een geest, verschijnende in lichamelijke gedaante.
[^mattheus-14-27-23]: Kanttekening 23: Ik ben het: Namelijk in waarheid, en het is geen schijnsel of spook.
[^mattheus-14-31-24]: Kanttekening 24: Of, getwijfeld.
[^mattheus-14-34-o]: Verwijzing o: Mark. 6:53 . Marcus 6:53 : En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth, en havenden daar.
[^mattheus-14-36-25]: Kanttekening 25: zoom zijns kleed: Namelijk tot een teken dat zij van Hem wilden geholpen wezen, niet dat zij de zoom zulk ene kracht toeschreven. Zie dergelijke Matt. 9:21 . Mattheüs 9:21 : Want zij zei in zichzelven: Als ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.
[^mattheus-14-36-26]: Kanttekening 26: hem aanraakten: Of, die, namelijk de zoom.

### Mattheüs 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/15.json)

*1 De discipelen van Christus, beschuldigd door de schriftgeleerden en Farizeeën omdat zij met ongewassen handen aten, worden door Christus verdedigd, Die hun huichelarij bestraft en de menselijke inzettingen verwerpt. 10 Hij leert dat hun aanstoot niet te achten is en wat het is dat de mens werkelijk verontreinigt. 22 Hij werpt de duivel uit de dochter van een Kanaänitische vrouw 30 en geneest allerlei gebrekkige mensen. 32 Hij verzadigt met zeven broden en weinig visjes vierduizend mannen.*

**1** [^mattheus-15-1-a] Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeën, die van Jeruzalem waren, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v1)

**2** Waarom overtreden Uw discipelen de[^mattheus-15-2-1] inzetting van[^mattheus-15-2-2] de ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v2)

**3** Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God, door[^mattheus-15-3-3] uw inzetting? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v3)

**4** [^mattheus-15-4-b]Want God heeft geboden, zeggende:[^mattheus-15-4-4] Eer uw vader en moeder, en:[^mattheus-15-4-c] Wie vader of moeder vloekt, die zal[^mattheus-15-4-5] de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v4)

**5** Maar u zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het[^mattheus-15-5-6] is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder in geen geval zal eren, die voldoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v5)

**6** [^mattheus-15-6-d] En u hebt zo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v6)

**7** U huichelaars![^mattheus-15-7-7] Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v7)

**8** [^mattheus-15-8-e] Dit volk nadert Mij met hun mond, en eer Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v8)

**9** Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende[^mattheus-15-9-8] onderwijzingen, die[^mattheus-15-9-f] geboden van mensen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v9)

**10** [^mattheus-15-10-g] En als Hij de menigte tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoor en verstaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v10)

**11** [^mattheus-15-11-h] Wat in de mond ingaat,[^mattheus-15-11-9] ontreinigt de mens niet; maar wat in de mond[^mattheus-15-11-10] uitgaat, dat ontreinigt de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v11)

**12** Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet U wel, dat de Farizeën deze rede horende, aanstoot hebben genomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v12)

**13** Maar Hij, antwoordende zei:[^mattheus-15-13-i] Alle[^mattheus-15-13-11] plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal[^mattheus-15-13-12] uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v13)

**14** Laat hen varen;[^mattheus-15-14-k] zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v14)

**15** [^mattheus-15-15-l] En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Verklaar ons deze[^mattheus-15-15-13] gelijkenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v15)

**16** Maar Jezus zei: Bent ook u alsnog onwetend?[^mattheus-15-16-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v16)

**17** Verstaat u nog niet, dat al wat in de mond ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v17)

**18** Maar die dingen, die in de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelfde ontreinigen de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v18)

**19** [^mattheus-15-19-m] Want uit het hart komen voort boze[^mattheus-15-19-15] bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v19)

**20** Deze dingen zijn het, die de mens ontreinigen; maar het eten met[^mattheus-15-20-16] ongewassen handen ontreinigt de mens niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v20)

**21** [^mattheus-15-21-n] En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v21)

**22** En ziet, een[^mattheus-15-22-17] Kananese vrouw, uit die gebied komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! U Zoon van David, ontferm U mijn! mijn dochter is ernstig van de duivel bezeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v22)

**23** Maar Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept[^mattheus-15-23-18] ons na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v23)

**24** Maar Hij, antwoordende, zei:[^mattheus-15-24-o] Ik ben niet gezonden,[^mattheus-15-24-19] dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v24)

**25** En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v25)

**26** Maar Hij antwoordde en zei: Het is niet[^mattheus-15-26-20] passend het brood van de kinderen te nemen, en de[^mattheus-15-26-21] hondjes voor te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v26)

**27** En zij zei: Ja, Heere![^mattheus-15-27-22] maar de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v27)

**28** Toen antwoordde Jezus, en zei tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u gebeure, zoals u wilt. En haar dochter werd gezond vanaf dat moment. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v28)

**29** [^mattheus-15-29-p] En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op de berg, en zat daar neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v29)

**30** [^mattheus-15-30-q] En vele menigten zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen,[^mattheus-15-30-23] lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v30)

**31** Zo dat de menigten zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v31)

**32** [^mattheus-15-32-r] En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op de weg niet bezwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v32)

**33** En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote menigte zouden verzadigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v33)

**34** En Jezus zei tot hen: Hoevele broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en weinig visjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v34)

**35** En Hij gebood de menigten neer te zitten op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v35)

**36** En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij[^mattheus-15-36-24][^mattheus-15-36-s] gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v36)

**37** En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de stukken brood, zeven volle manden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v37)

**38** En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v38)

**39** En de menigten van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in het gebied van[^mattheus-15-39-25] Magdala. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/15.html#v39)

[^mattheus-15-1-a]: Verwijzing a: Mark. 7:1 . Marcus 7:1 : En tot Hem vergaderden de Farizeën, en sommigen van de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
[^mattheus-15-2-1]: Kanttekening 1: Grieks, overlevering, of overgeving.
[^mattheus-15-2-2]: Kanttekening 2: of ouderlingen , naar de Farizeese leraren, gelijk Matt. 5:21 . Mattheüs 5:21 : U hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.
[^mattheus-15-3-3]: Kanttekening 3: uw inzetting: Dat is, die u aangenomen hebt en volgt.
[^mattheus-15-4-b]: Verwijzing b: Ex. 20:12 ; Deut. 5:16 ; Efez. 6:2 . Exodus 20:12 : Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH uw God geeft. Deuteronomium 5:16 : Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Efeziërs 6:2 : Eert uw vader en moeder (dat het eerste gebod is met een belofte),
[^mattheus-15-4-4]: Kanttekening 4: Eren betekent niet alleen uiterlijke eerbied tonen, maar ook allerlei hulp en bijstand. 1 Tim. 5:3 . 1 Timotheüs 5:3 : Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.
[^mattheus-15-4-c]: Verwijzing c: Ex. 21:17 ; Lev. 20:9 ; Spreuk. 20:20 . Exodus 21:17 : Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! Spreuken 20:20 : Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
[^mattheus-15-4-5]: Kanttekening 5: de dood sterven: Dat is, die zal zonder verschoning met de dood gestraft worden. Ex. 21:17 , Lev. 20:9 . Exodus 21:17 : Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden. Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
[^mattheus-15-5-6]: Kanttekening 6: Het is een gave: Of: Het zij een gave , dat is, een offerande, Matt. 5:24 . Hebr. korban, Mark. 7:11 . Of: Zo wat gave van mij geofferd wordt, zal u ten nutte komen , die voldoet; of: die wordt ontslagen van verdere onderhouding aan zijn ouders te doen. Zie hiervan ook in de aantekening op Mark. 7:11 . De zin is, dat zij leerden, dat men onder deksel van offeranden de ouders de schuldige hulp mocht onttrekken. Mattheüs 5:24 : Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broer, en komt dan en offert uw gave. Marcus 7:11 : Maar u zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet. Marcus 7:11 : Maar u zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.
[^mattheus-15-6-d]: Verwijzing d: Mark. 7:13 ; 1 Tim. 4:3 ; 2 Tim. 3:2 . Marcus 7:13 : Makende zo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die u ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet u. 1 Timotheüs 4:3 : Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend. 2 Timotheüs 3:2 : Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.
[^mattheus-15-7-7]: Kanttekening 7: Wel heeft Jesaja: Dat is, wel past op u wat Jesaja ook eertijds gezegd heeft tot de Joden van zijn tijd (zie Jesaja 29:13 ). Jesaja 29:13 : Want de Heer heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;
[^mattheus-15-8-e]: Verwijzing e: Jes. 29:13 ; Ez. 33:31 ; Mark. 7:6 . Jesaja 29:13 : Want de Heer heeft gezegd: Daarom dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; Ezechiël 33:31 : En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na. Marcus 7:6 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
[^mattheus-15-9-8]: Kanttekening 8: Namelijk om die te onderhouden, als een deel van de godsdienst; Deut. 4:2 en Deut. 12:32 . Deuteronomium 4:2 : U zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van YHWH, uw God, die ik u gebiede. Deuteronomium 12:32 : Al dit woord, dat ik u gebiede, zult u waarnemen om te doen; u zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.
[^mattheus-15-9-f]: Verwijzing f: Mark. 7:6 ; idem v. 7 ; Kolos. 2:18 ; idem v. 20 ; idem v. 22 . Marcus 7:6 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Marcus 7:7 : Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn van de mensen; Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses; Kolossensen 2:20 : Als u dan met Christus de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, gelijk of u in de wereld leefde, met inzettingen belast? Kolossensen 2:22 : Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen van de mensen;
[^mattheus-15-10-g]: Verwijzing g: Mark. 7:14 . Marcus 7:14 : En tot Zich de gehele schare geroepen hebbende, zei Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
[^mattheus-15-11-h]: Verwijzing h: Hand. 10:15 ; Rom. 14:17 ; idem v. 20 ; Titus 1:15 . Handelingen 10:15 : En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken. Romeinen 14:17 : Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Romeinen 14:20 : Verbreek het werk van God niet vanwege de voedsel. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad de mens, die met aanstoot eet. Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^mattheus-15-11-9]: Kanttekening 9: ontreinigt de mens niet: Grieks, maakt gemeen; dat is ontheiligt. Zie Hand. 10:14 , Christus spreekt hier naar de mening van de Farizeën van die onreinheid, die ontstaan zou uit het nemen van het voedsel met ongewassen handen. Handelingen 10:14 : Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.
[^mattheus-15-11-10]: Kanttekening 10: Namelijk voortkomende uit een onrein hart, gelijk Christus hierna verklaart vers 18 , 15:19 . Mattheüs 15:18 : Maar die dingen, die uit de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelfde ontreinigen de mens. Mattheüs 15:19 : Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
[^mattheus-15-13-i]: Verwijzing i: Joh. 15:2 . Johannes 15:2 : Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
[^mattheus-15-13-11]: Kanttekening 11: Of, planting; dat is, alle leer of godsdienst.
[^mattheus-15-13-12]: Kanttekening 12: uitgeroeid worden: Of, met de wortel uitgetrokken.
[^mattheus-15-14-k]: Verwijzing k: Lukas 6:39 ; Jes. 42:19 . Lukas 6:39 : En Hij zei tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? Jesaja 42:19 : Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH?
[^mattheus-15-15-l]: Verwijzing l: Mark. 7:17 . Marcus 7:17 : En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
[^mattheus-15-15-13]: Kanttekening 13: Het woord gelijkenis wordt somtijds, gelijk hier, genomen voor allerlei lering, die wat duister voorgesteld wordt.
[^mattheus-15-16-14]: Kanttekening 14: Of, onverstandig, zonder verstand.
[^mattheus-15-19-m]: Verwijzing m: Gen. 6:5 ; Gen. 8:21 ; Jer. 17:9 ; Spreuk. 6:14 . Genesis 6:5 : En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Jeremia 17:9 : Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Spreuken 6:14 : In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt altijd kwaad; hij werpt twisten in.
[^mattheus-15-19-15]: Kanttekening 15: Of, samensprekingen.
[^mattheus-15-20-16]: Kanttekening 16: ongewassen handen: Christus bestraft hier niet de burgerlijke eerbaarheid in het wassen van de handen voor het eten, maar het bijgeloof van de Farizeën, die daarin heiligheid en godsdienstigheid stelden.
[^mattheus-15-21-n]: Verwijzing n: Mark. 7:24 . Marcus 7:24 : En van daar opstaande, ging Hij weg naar het gebied van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.
[^mattheus-15-22-17]: Kanttekening 17: Kananese vrouw: Zie van haar de aantekening bij Mark. 7:26 , waar zij genaamd wordt een Griekse vrouw uit Syro-Fenicië. Hier wordt zij een Kananese vrouw genaamd, omdat de inwoners van Tyrus en Sidon uit de Kanaänieten gesproten waren. Want Sidon, van wie de stad Sidon haar oorsprong en naam had, was de eerstgeboren zoon van Cham; Gen. 10:15 . Marcus 7:26 : Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-fenicië; en zij bad Hem, dat Hij de duivel uitwierp uit haar dochter. Genesis 10:15 : En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
[^mattheus-15-23-18]: Kanttekening 18: ons na: Grieks, achter ons.
[^mattheus-15-24-o]: Verwijzing o: Matt. 10:6 ; Hand. 13:46 . Mattheüs 10:6 : Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven van de eeuwigen levens niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^mattheus-15-24-19]: Kanttekening 19: dan tot de verloren schapen: Namelijk voor deze tijd, omdat de roeping van de heiden nog niet gekomen was.
[^mattheus-15-26-20]: Kanttekening 20: Grieks, eerlijk, of goed.
[^mattheus-15-26-21]: Kanttekening 21: hondjes voor te werpen: De heidenen worden bij honden vergeleken, omdat zij toen nog vreemd waren van Gods verbond.
[^mattheus-15-27-22]: Kanttekening 22: Grieks, want.
[^mattheus-15-29-p]: Verwijzing p: Mark. 7:31 . Marcus 7:31 : En Hij opnieuw weggegaan zijnde van het gebied van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden van het gebied van Dekapolis.
[^mattheus-15-30-q]: Verwijzing q: Matt. 11:5 ; Lukas 7:22 ; Jes. 29:18 ; Jes. 35:5 . Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. Lukas 7:22 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weer de dingen, die u gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, de armen het Evangelie verkondigd wordt. Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 35:5 : Alsdan zullen van de blinden ogen opengedaan worden, en van de doven oren zullen geopend worden.
[^mattheus-15-30-23]: Kanttekening 23: Dat is, verminkt of verzwakt van leden.
[^mattheus-15-32-r]: Verwijzing r: Mark. 8:1 . Marcus 8:1 : In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zei tot hen:
[^mattheus-15-36-24]: Kanttekening 24: gedankt had: Namelijk over deze zegen, die Hij reeds hield als verkregen. Want Hij wist dat Hij daartoe van de Vader macht had ontvangen en dat de Vader hem altijd verhoorde. Zie Joh. 11:41 , 11:42 . Johannes 11:41 : Zij namen dan de steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zei: Vader, Ik dank U, dat U Mij gehoord hebt. Johannes 11:42 : Maar Ik wist, dat U Mij altijd hoort; maar vanwege de schare, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt.
[^mattheus-15-36-s]: Verwijzing s: 1 Sam. 9:13 . 1 Samuël 9:13 : Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden.
[^mattheus-15-39-25]: Kanttekening 25: Mark. 8:10 , zegt Dalmanutha, dat de naam schijnt te wezen van het land, waarin Magdala gelegen was. Marcus 8:10 : En meteen in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.

### Mattheüs 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/16.json)

*1 De Farizeeën en Sadduceeën eisen een teken, maar worden door Christus bestraft en op het teken van Jona gewezen. 5 Christus waarschuwt Zijn discipelen voor hun zuurdesem. 13 Verschillend oordeel van het gewone volk over Christus. 15 De belijdenis van Petrus over Hem, die Christus prijst, en Hij belooft hem de sleutels van het hemelrijk. 21 Hij voorzegt Zijn dood en opstanding en verwerpt het verkeerde afraden van Petrus. 24 Hoe men Christus moet navolgen en de ziel moet bewaren. 27 Over de komst van Christus in Zijn heerlijkheid.*

**1** [^mattheus-16-1-a] En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en[^mattheus-16-1-1] Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken[^mattheus-16-1-2] uit de hemel zou tonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v1)

**2** Maar Hij antwoordde, en zei tot hen:[^mattheus-16-2-b] Als het avond geworden is, zegt u: Schoon weer; want de hemel is[^mattheus-16-2-3] rood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v2)

**3** En van de morgen: Vandaag onweer; want de hemel is droevig rood. U huichelaars! het[^mattheus-16-3-4] aangezicht van de hemel weet u wel te onderscheiden, en kunt u[^mattheus-16-3-5] de tekenen van de tijden niet onderscheiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v3)

**4** [^mattheus-16-4-6][^mattheus-16-4-c] Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal[^mattheus-16-4-7] geen teken gegeven worden, dan het teken[^mattheus-16-4-d] van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij[^mattheus-16-4-8] weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v4)

**5** En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mee te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v5)

**6** [^mattheus-16-6-e] En Jezus zei tot hen: Zie toe, en wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v6)

**7** En zij[^mattheus-16-7-9] overlegden bij zichzelf, zeggende: Het is omdat wij geen broden mee genomen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v7)

**8** En Jezus, dat wetende, zei tot hen: Wat overlegt u bij uzelf, u kleingelovigen! dat u geen broden mee genomen hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v8)

**9** [^mattheus-16-9-f] Verstaat u nog niet? en gedenkt u niet aan de vijf broden van de vijf duizend mannen; en hoevele manden u opnam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v9)

**10** [^mattheus-16-10-g] Noch aan de zeven broden van de vier duizend mannen, en hoevele manden u opnam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v10)

**11** Hoe verstaat u niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zei, dat u zich wachten zou van het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v11)

**12** Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van het zuurdesem van het brood, maar van de[^mattheus-16-12-10] leer van de Farizeën en Sadduceën? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v12)

**13** [^mattheus-16-13-h] Als nu Jezus gekomen was in de delen[^mattheus-16-13-11] van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v13)

**14** En zij zeiden:[^mattheus-16-14-i] Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of één van de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v14)

**15** Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u, dat Ik ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v15)

**16** [^mattheus-16-16-k] En Simon Petrus,[^mattheus-16-16-12] antwoordende, zei: U bent[^mattheus-16-16-13] de Christus, de Zoon van de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v16)

**17** En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig bent u, Simon,[^mattheus-16-17-14] Bar-jona! want[^mattheus-16-17-15] vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard,[^mattheus-16-17-l] maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v17)

**18** [^mattheus-16-18-m] En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op[^mattheus-16-18-n] deze[^mattheus-16-18-16] petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en[^mattheus-16-18-o] de[^mattheus-16-18-17] poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v18)

**19** [^mattheus-16-19-p] En Ik zal u geven de[^mattheus-16-19-18] sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en[^mattheus-16-19-19] zo wat u zult binden op de aarde,[^mattheus-16-19-20] zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v19)

**20** Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v20)

**21** [^mattheus-16-21-q] Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij[^mattheus-16-21-21] moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de[^mattheus-16-21-22] ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v21)

**22** En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende:[^mattheus-16-22-23] Heere, wees U genadig! dit zal U in geen geval gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v22)

**23** Maar Hij, Zich omkerende, zei tot Petrus: Ga weg achter Mij,[^mattheus-16-23-24] satan![^mattheus-16-23-r] u bent[^mattheus-16-23-25] Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die van de mensen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v23)

**24** Toen zei Jezus tot Zijn discipelen:[^mattheus-16-24-s] Zo iemand[^mattheus-16-24-26] achter Mij wil komen, die[^mattheus-16-24-27] verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v24)

**25** [^mattheus-16-25-t] Want zo wie zijn[^mattheus-16-25-28] leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v25)

**26** [^mattheus-16-26-v] Want wat baat het een mens, zo hij de hele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel? Of[^mattheus-16-26-x] wat zal een mens geven, tot[^mattheus-16-26-29] losprijs van zijn ziel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v26)

**27** [^mattheus-16-27-y] Want de Zoon des mensen zal komen in[^mattheus-16-27-z] de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen, en[^mattheus-16-27-a] dan zal Hij ieder vergelden[^mattheus-16-27-30] naar zijn doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v27)

**28** [^mattheus-16-28-b] Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die[^mattheus-16-28-31] hier staan, die de dood niet smaken zullen, voordat zij de Zoon des mensen zullen hebben[^mattheus-16-28-32] zien komen in Zijn Koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/16.html#v28)

[^mattheus-16-1-a]: Verwijzing a: Matt. 12:38 ; Mark. 1:11 ; Lukas 11:29 ; Lukas 12:54 ; Joh. 6:30 . Mattheüs 12:38 : Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Marcus 1:11 : En er geschiedde een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Lukas 11:29 : En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. Lukas 12:54 : En Hij zei ook tot de scharen: Wanneer u een wolk ziet opgaan van het westen, meteen zegt u: Er komt regen; en het geschiedt zo. Johannes 6:30 : Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet U dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt U?
[^mattheus-16-1-1]: Kanttekening 1: Willende beproeven of Hij zulks zou kunnen doen, om Hem beschaamd te maken.
[^mattheus-16-1-2]: Kanttekening 2: uit de hemel: Dat is, dat uit, aan, of van de hemel zou gebeuren, gelijk op het gebed van Jozua de zon en maan stil stonden, Joz. 10:12 ; gelijk het vuur uit de hemel kwam op het gebed van Elia, 2 Kon. 1:9 , en gelijk de zon ten tijde van Jesaja terugging; Jes. 38:8 . Jozua 10:12 : Toen sprak Jozua tot YHWH, op de dag als YHWH de Amorieten voor het aangezicht de kinderen van Israël overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! 2 Koningen 1:9 : En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: U, man van God! de koning zegt: Kom af. Jesaja 38:8 : Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.
[^mattheus-16-2-b]: Verwijzing b: Lukas 12:54 . Lukas 12:54 : En Hij zei ook tot de scharen: Wanneer u een wolk ziet opgaan van het westen, meteen zegt u: Er komt regen; en het geschiedt zo.
[^mattheus-16-2-3]: Kanttekening 3: Grieks, rood als vuur; dat is schoon of klaar rood.
[^mattheus-16-3-4]: Kanttekening 4: Dat is, gestalte of gedaante.
[^mattheus-16-3-5]: Kanttekening 5: de tekenen van de tijden: Namelijk die naar de voorzegging van de profeten de komst en aanwezigheid van de Messias aanwijzen. Zie Matt. 11:4 , 11:5 , en de aantekening bij Luk. 12:56 . Mattheüs 11:4 : En Jezus antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weer, wat u hoort en ziet: Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. Lukas 12:56 : U huichelaars, het aangezicht van de aarde en van de hemel weet u te beproeven; en hoe beproeft u deze tijd niet?
[^mattheus-16-4-6]: Kanttekening 6: Het boos en overspelig geslacht: Zie hetzelfde boven Matt. 12:39 . Mattheüs 12:39 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
[^mattheus-16-4-c]: Verwijzing c: Matt. 12:39 ; Lukas 11:29 . Mattheüs 12:39 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. Lukas 11:29 : En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
[^mattheus-16-4-7]: Kanttekening 7: geen teken: Namelijk om hen krachtiger te overtuigen.
[^mattheus-16-4-d]: Verwijzing d: Jona 1:17 . Jona 1:17 : De YHWH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten.
[^mattheus-16-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk over de zee. Zie Mark. 8:13 , 8:14 . Marcus 8:13 : En Hij verliet hen, en opnieuw in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde. Marcus 8:14 : En Zijn discipelen hadden vergeten brood mee te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip.
[^mattheus-16-6-e]: Verwijzing e: Mark. 8:15 ; Lukas 12:1 . Marcus 8:15 : En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van de zuurdesem van de Farizeën, en van de zuurdesem van Herodes. Lukas 12:1 : Daarentussen als vele duizenden van de schare bijeenvergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor de zuurdesem van de Farizeën, welke is geveinsdheid.
[^mattheus-16-7-9]: Kanttekening 9: overlegden bij zichzelven: Of, zij spraken onder elkaar.
[^mattheus-16-9-f]: Verwijzing f: Matt. 14:17 ; Mark. 6:38 ; Lukas 9:13 ; Joh. 6:9 . Mattheüs 14:17 : Maar zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen. Marcus 6:38 : En Hij zei tot hen: Hoeveel broden hebt u? Gaat heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. Lukas 9:13 : Maar Hij zei tot hen: Geeft u hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en voedsel kopen voor al dit volk; Johannes 6:9 : Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?
[^mattheus-16-10-g]: Verwijzing g: Matt. 15:34 . Mattheüs 15:34 : En Jezus zei tot hen: Hoevele broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.
[^mattheus-16-12-10]: Kanttekening 10: leer van de Farizeën: Die bij een zuurdesem hier vergeleken wordt, omdat dezelfde de zuiverheid van de ware leer met valse en van mensen ingestelde leer vermengde, en de mens door een ijdelen waan van eigenrechtigheid en met geveinsheid hoogmoedig maakt.
[^mattheus-16-13-h]: Verwijzing h: Mark. 8:27 ; Lukas 9:18 . Marcus 8:27 : En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op de weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? Lukas 9:18 : En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?
[^mattheus-16-13-11]: Kanttekening 11: Cesarea Filippi: Dit was ene stad aan de voet van de berg Libanon, omtrent de oorsprong van de Jordaan; zo genaamd omdat zij gebouwd was ter ere van de keizer Tiberius; en wordt toegenaamd Filippi, omdat zij gebouwd is van de viervorst Filippus, Josef. Antiq. lib. 18, cap. 3, en ter onderscheiding van een ander Cesarea van zijn vader Herodes, ter ere van de keizer Augustus aan de Middelandse zee gebouwd. Josef. lib. 15, cap. 13 ; Hand. 10:1 . Handelingen 10:1 : En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;
[^mattheus-16-14-i]: Verwijzing i: Matt. 14:2 . Mattheüs 14:2 : En zei tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
[^mattheus-16-16-k]: Verwijzing k: Joh. 6:69 . Johannes 6:69 : En wij hebben geloofd en bekend, dat U bent de Christus, de Zoon van de levenden Gods.
[^mattheus-16-16-12]: Kanttekening 12: Namelijk uit aller naam; omdat Christus hun allen gevraagd had; waarom ook het antwoord van Christus hoewel het tot Petrus geschiedt, tot allen behoort.
[^mattheus-16-16-13]: Kanttekening 13: de Christus: Dat is, de Messias , of gezalfde. Zie Joh. 1:42 . Johannes 1:42 : Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus.
[^mattheus-16-17-14]: Kanttekening 14: Dat is, Jona's zoon: want het woord Bar betekent in de Chaldeeuwse spraak een zoon.
[^mattheus-16-17-15]: Kanttekening 15: vlees en bloed: Dat is, noch uw eigen, noch enig natuurlijk vernuft, noch enig mens. Zie Gal. 1:16 . Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed;
[^mattheus-16-17-l]: Verwijzing l: Matt. 11:25 . Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard.
[^mattheus-16-18-m]: Verwijzing m: Ps. 118:22 ; Joh. 1:43 . Psalmen 118:22 : De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Johannes 1:43 : En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genaamd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus.
[^mattheus-16-18-n]: Verwijzing n: Jes. 28:16 ; 1 Kor. 3:11 . Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. 1 Korinthiërs 3:11 : Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus.
[^mattheus-16-18-16]: Kanttekening 16: Dat is, steen of steenrots; namelijk op deze uwe belijdenis, die u van mij doet. Of, op mij die u beleden hebt. Want Christus is alleen het fondament van zijn gemeente, 1 Kor. 3:11 , hoewel ook Petrus en ook de andere apostelen ten aanzien van hunne leer, fondamenten van de gemeente kunnen genaamd worden, gelijk te zien is Openb. 21:19 . 1 Korinthiërs 3:11 : Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. Openbaring 21:19 : En de fondamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.
[^mattheus-16-18-o]: Verwijzing o: Jes. 33:20 . Jesaja 33:20 : Schouwt Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen verscheurd worden.
[^mattheus-16-18-17]: Kanttekening 17: poorten van de hel: Dat is, noch de listigheid noch het geweld van de duivel en zijn instrumenten. Want eertijds waren de raadhuizen en sterkten van de steden in de poorten: Gen. 22:17 . Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten.
[^mattheus-16-19-p]: Verwijzing p: Matt. 18:18 ; Joh. 20:22 . Mattheüs 18:18 : Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Johannes 20:22 : En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest.
[^mattheus-16-19-18]: Kanttekening 18: sleutelen van het koninkrijk van de hemelen: Dat is, een geestelijke macht, om van Gods wege en in Christus naam te verkondigen de gelovigen en boetvaardigen vergeving van hun zonden, en dat zij deel hebben aan het rijk Gods, en hetzelfde door de heilige sacramenten aan hen te verzegelen. En daarentegen, de ongelovigen en onboetvaardigen, dat zij geen deel hebben aan de vergeving van de zonden en het rijk Gods, en daarom hen van het gebruik van deze sacramenten te weren en uit te sluiten: welke macht de gemeente, Matt. 18:18 , en al de apostelen, Joh. 20:21 , ook gegeven wordt. Zie 2 Kor. 10:8 . Mattheüs 18:18 : Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Johannes 20:21 : Jezus dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u, zoals Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u. 2 Korinthiërs 10:8 : Want als ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden;
[^mattheus-16-19-19]: Kanttekening 19: zo wat u zult binden: Namelijk naar Christus' bevel en voorschrift.
[^mattheus-16-19-20]: Kanttekening 20: zal in de hemelen gebonden zijn: Dat is, God zal voor vast en bondig houden wat zo naar zijn bevel door zijn dienaar gedaan zal zijn.
[^mattheus-16-21-q]: Verwijzing q: Matt. 17:22 ; Matt. 20:18 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:31 ; Lukas 24:7 . Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten. Lukas 24:7 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan.
[^mattheus-16-21-21]: Kanttekening 21: moest heengaan: Namelijk, omdat zulks van God besloten, Hand. 2:23 , van de profeten voorzegd, Luk. 24:26 , 24:27 , en tot verzoening van de zonden nodig was, Hebr. 9:23 . Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Lukas 24:26 : Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? Lukas 24:27 : En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. Hebreeën 9:23 : Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze.
[^mattheus-16-21-22]: Kanttekening 22: Dat is, de oudsten van het volk.
[^mattheus-16-22-23]: Kanttekening 23: Of, God zij u genadig, Heer. Dat is, God behoede u daarvoor. Dat zij verre van u.
[^mattheus-16-23-24]: Kanttekening 24: Dat is, tegenstander. Welke naam wel voornamelijk de duivel wordt toegeschreven, zie Matt. 4:10 , maar hier ook Petrus gegeven, omdat hij Christus uit verkeerde liefde in het uitvoeren van zijn ambt zocht hinderlijk te zijn. Zie 2 Sam. 19:22 . Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?
[^mattheus-16-23-r]: Verwijzing r: 2 Sam. 19:22 . 2 Samuël 19:22 : Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israël?
[^mattheus-16-23-25]: Kanttekening 25: mij een aanstoot: Grieks, mijn aanstoot.
[^mattheus-16-24-s]: Verwijzing s: Matt. 10:38 ; Mark. 8:34 ; Lukas 9:23 ; Lukas 14:27 . Mattheüs 10:38 : En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waard. Marcus 8:34 : En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zei Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Lukas 9:23 : En Hij zei tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. Lukas 14:27 : En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^mattheus-16-24-26]: Kanttekening 26: achter mij wil komen: Dat is, mij als een discipel wil volgen.
[^mattheus-16-24-27]: Kanttekening 27: verloochene zichzelven: Zichzelven verloochenen is zijn eigen verstand, wil en genegenheden achterstellen en dezelfde aan Gods woord en wil onderwerpen.
[^mattheus-16-25-t]: Verwijzing t: Matt. 10:39 ; Mark. 8:35 ; Lukas 9:24 ; Lukas 17:33 ; Joh. 12:25 . Mattheüs 10:39 : Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden. Marcus 8:35 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en vanwege het Evangelie, die zal hetzelfde behouden. Lukas 9:24 : Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. Lukas 17:33 : Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelfde zal verliezen, die zal het in het leven behouden. Johannes 12:25 : Die zijn leven liefheeft, zal hetzelfde verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelfde bewaren tot het eeuwige leven.
[^mattheus-16-25-28]: Kanttekening 28: leven zal willen behouden: Grieks, ziel (σώζω). Zie Matt. 10:39 . Mattheüs 10:39 : Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden.
[^mattheus-16-26-v]: Verwijzing v: Lukas 9:25 . Lukas 9:25 : Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?
[^mattheus-16-26-x]: Verwijzing x: Ps. 49:9 ; Mark. 8:37 . Psalmen 49:9 : (Want de verlossing hun ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); Marcus 8:37 : Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?
[^mattheus-16-26-29]: Kanttekening 29: lossing van zijn ziel: Grieks, verwisseling (ψυχή), tegenlossing, of mangeling, waartegen of waarvoor iemand gelost wordt.
[^mattheus-16-27-y]: Verwijzing y: Matt. 24:30 ; Matt. 25:31 ; Matt. 26:64 . Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel.
[^mattheus-16-27-z]: Verwijzing z: Matt. 25:31 . Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid.
[^mattheus-16-27-a]: Verwijzing a: Job 34:11 ; Ps. 62:13 ; Rom. 2:6 . Job 34:11 : Want naar het werk van de mensen vergeldt Hij hem, en naar van een ieder weg doet Hij het hem vinden. Psalmen 62:13 : En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken;
[^mattheus-16-27-30]: Kanttekening 30: naar zijn doen: Dat is, naardat hij gedaan zal hebben, goed of kwaad. Zie de verklaring hiervan Matt. 25:36 . Mattheüs 25:36 : Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u bent tot Mij gekomen.
[^mattheus-16-28-b]: Verwijzing b: Mark. 9:1 ; Lukas 9:27 . Marcus 9:1 : En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is. Lukas 9:27 : En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk van God zullen gezien hebben.
[^mattheus-16-28-31]: Kanttekening 31: hier staan: Dat is, die hier tegenwoordig zijn.
[^mattheus-16-28-32]: Kanttekening 32: zien komen in zijn koninkrijk: Dit kan verstaan worden òf van zijn verrijzenis en hemelvaart, òf van de zending van de Heilige Geest en de verbreiding van het Evangelie onder de heidenen, of ook van zijne verheerlijking op de berg, waarvan gesproken wordt in het begin van het volgende hoofdstuk.

### Mattheüs 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/17.json)

*1 Christus wordt in het bijzijn van Mozes en Elia voor Zijn discipelen op de berg verheerlijkt 2 en uit de hemel verklaard de Zoon van God te zijn. 10 Hij leert dat Johannes de Elia is die komen zou. 14 Hij geneest een bezeten maanzieke, die de discipelen niet hadden kunnen genezen. 20 Hij verhaalt de kracht van het geloof en het gebed. 22 Hij voorzegt Zijn dood en opstanding. 24 Hij betaalt belasting voor Zichzelf en voor Petrus.*

**1** En[^mattheus-17-1-a] na[^mattheus-17-1-1] zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broer, en bracht hen op een hoge[^mattheus-17-1-2] berg[^mattheus-17-1-3] alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v1)

**2** En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v2)

**3** En ziet, van hen werden gezien[^mattheus-17-3-4] Mozes en Elia, met Hem[^mattheus-17-3-5] samensprekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v3)

**4** En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn;[^mattheus-17-4-6] zo U wilt, laat ons hier drie[^mattheus-17-4-7] tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v4)

**5** Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft[^mattheus-17-5-8] hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende:[^mattheus-17-5-b] Deze is Mijn geliefde Zoon, in Die Ik Mijn welbehagen heb;[^mattheus-17-5-c] hoor Hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v5)

**6** En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v6)

**7** En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zei: Sta op en vreest niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v7)

**8** En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v8)

**9** [^mattheus-17-9-d] En als zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zeg niemand dit[^mattheus-17-9-9] visioen, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v9)

**10** [^mattheus-17-10-e] En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat[^mattheus-17-10-f] Elia eerst moet komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v10)

**11** Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Elia[^mattheus-17-11-10] zal wel eerst komen, en alles[^mattheus-17-11-11] weer oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v11)

**12** Maar Ik zeg u, dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet[^mattheus-17-12-12] gekend; maar zij hebben aan hem gedaan,[^mattheus-17-12-13] al wat zij hebben gewild; zo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v12)

**13** Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v13)

**14** [^mattheus-17-14-g] En als zij bij de menigte gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v14)

**15** Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is[^mattheus-17-15-14] maanziek, en is in zwaar lijden; want dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v15)

**16** En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v16)

**17** En Jezus, antwoordende, zei: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v17)

**18** En Jezus bestrafte[^mattheus-17-18-15] hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van dat uur af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v18)

**19** [^mattheus-17-19-h] Toen kwamen de discipelen tot Jezus[^mattheus-17-19-16] alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v19)

**20** En Jezus zei tot hen: Vanwege uw ongeloof; want voorwaar zeg Ik u: Zo u[^mattheus-17-20-17] een geloof had als een mosterdzaad, u zou tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.[^mattheus-17-20-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v20)

**21** Maar[^mattheus-17-21-18] dit geslacht vaart niet uit, dan door[^mattheus-17-21-19] bidden en vasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v21)

**22** [^mattheus-17-22-k] En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v22)

**23** En zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v23)

**24** En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot[^mattheus-17-24-20] Petrus die de[^mattheus-17-24-21] didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v24)

**25** Hij zei:[^mattheus-17-25-l] Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat denkt u, Simon![^mattheus-17-25-22] de koningen van de aarde, van wie nemen zij tollen of belasting, van hun zonen, of van[^mattheus-17-25-23] de vreemden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v25)

**26** Petrus zei tot Hem: Van de vreemden. Jezus zei tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v26)

**27** Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp de vishaak uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult u een[^mattheus-17-27-24] stater vinden; neem die, en geef hem aan hen voor Mij en u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/17.html#v27)

[^mattheus-17-1-a]: Verwijzing a: Mark. 9:2 ; Lukas 9:28 ; 2 Petr. 1:17 . Marcus 9:2 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. Lukas 9:28 : En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden. 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
[^mattheus-17-1-1]: Kanttekening 1: zes dagen nam Jezus: Te weten nadat Christus met zijne discipelen van de toekomst van zijn heerlijkheid gesproken had, Luk. 9:28 zegt, omtrent acht dagen, er onder rekende de eerste en laatste dag dat deze dingen geschied zijn die Mattheüs hier en Mark. 9:2 , overslaan. Lukas 9:28 : En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden. Marcus 9:2 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.
[^mattheus-17-1-2]: Kanttekening 2: Wat dit voor een berg is geweest, wordt niet uitgedrukt. Vele oude leraars menen dat het is geweest de berg Thabor, omdat die daaromtrent gelegen en zeer hoog is.
[^mattheus-17-1-3]: Kanttekening 3: Of, bezijden.
[^mattheus-17-3-4]: Kanttekening 4: Mozes en Elia: Of Mozes met zijn eigen lichaam is verschenen, of dat hij voor een tijd een ander heeft aangenomen, gelijk somtijds de engelen hebben gedaan is onzeker. Maar dit is zeker, dat zij beiden daar in hun eigen personen zijn verschenen.
[^mattheus-17-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk van zijn uitgang, welken Hij zou hebben te Jeruzalem; Luk. 9:31 . Lukas 9:31 : Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem.
[^mattheus-17-4-6]: Kanttekening 6: zo u wilt: Dat is, als het u belieft.
[^mattheus-17-4-7]: Kanttekening 7: tenten maken: Of, hutten, die van takken of iets dergelijks gemaakt werden, tegen de hitte van de zon en de regen.
[^mattheus-17-5-8]: Kanttekening 8: hen overschaduwd: Namelijk Mozes, en Elia, gelijk blijkt Luk. 9:34 . Lukas 9:34 : Als hij nu dit zei, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.
[^mattheus-17-5-b]: Verwijzing b: Matt. 3:17 ; Mark. 1:11 ; Mark. 9:7 ; Lukas 3:22 ; Lukas 9:35 ; Kolos. 1:13 ; 2 Petr. 1:17 ; Jes. 42:1 . Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Marcus 1:11 : En er geschiedde een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Marcus 9:7 : En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Lukas 3:22 : En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit de hemel, zeggende: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! Lukas 9:35 : En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen.
[^mattheus-17-5-c]: Verwijzing c: Hand. 3:22 ; Deut. 18:19 . Handelingen 3:22 : Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. Deuteronomium 18:19 : En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken.
[^mattheus-17-9-d]: Verwijzing d: Mark. 9:9 ; Lukas 9:36 . Marcus 9:9 : En als zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, wat zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon van de mensen uit de doden zou opgestaan zijn. Lukas 9:36 : En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden.
[^mattheus-17-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, wat zij gezien hadden; Mark. 9:9 , en 2 Petr. 1:16 . Marcus 9:9 : En als zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, wat zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon van de mensen uit de doden zou opgestaan zijn. 2 Petrus 1:16 : Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^mattheus-17-10-e]: Verwijzing e: Mark. 9:11 . Marcus 9:11 : En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet?
[^mattheus-17-10-f]: Verwijzing f: Mal. 4:5 ; Matt. 11:14 ; Mark. 9:11 . Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat dat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal. Mattheüs 11:14 : En zo u het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou. Marcus 9:11 : En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet?
[^mattheus-17-11-10]: Kanttekening 10: zal wel eerst komen: Dat is, moest wel eerst komen naar de voorzegging van de profeet Mal. 4:5 . Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal.
[^mattheus-17-11-11]: Kanttekening 11: weer oprichten: Dat is, de rechte leer van de Messias verklaren, die door de Farizeën was vervalst en verduisterd, en Christus de weg bereiden.
[^mattheus-17-12-12]: Kanttekening 12: Namelijk voor degene die hij was, of voor de beloofden Elia, die alles weer zou oprichten.
[^mattheus-17-12-13]: Kanttekening 13: al wat zij hebben gewild: Dat is, vervolgd en gedood.
[^mattheus-17-14-g]: Verwijzing g: Mark. 9:16 ; Lukas 9:37 . Marcus 9:16 : En Hij vraagde de Schriftgeleerden: Wat twist u met deze? Lukas 9:37 : En het geschiedde van de dag daaraan, als zij van de berg afkwamen, dat Hem een grote schare in het gemoet kwam.
[^mattheus-17-15-14]: Kanttekening 14: Maanziekte is ene ziekte, die met de loop van de maan verzwaart, gelijk de vallende, razende en dergelijke ziekten, met welke de duivel zich somwijlen placht te mengen, gelijk hier geschied is.
[^mattheus-17-18-15]: Kanttekening 15: Namelijk de duivel; Luk. 9:42 . Lukas 9:42 : En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte de onreine geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weer.
[^mattheus-17-19-h]: Verwijzing h: Mark. 9:28 . Marcus 9:28 : En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
[^mattheus-17-19-16]: Kanttekening 16: Dat is, in het bijzonder, of ter zijde.
[^mattheus-17-20-17]: Kanttekening 17: een geloof hadt als een mosterdzaad: Hier wordt voornamelijk verstaan een geloof om wonderen te doen, dat een bijzondere gave was, steunende op bijzondere beloften en het bevel Gods, aan welke de discipelen hier hebben getwijfeld. Zie 1 Kor. 13:2 . 1 Korinthiërs 13:2 : En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
[^mattheus-17-20-i]: Verwijzing i: Matt. 21:21 ; Lukas 17:6 . Mattheüs 21:21 : Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Als u geloof hadt, en niet twijfelde, u zoudt niet alleen doen, wat de vijgeboom is geschied; maar als u ook tot deze berg zei: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou gebeuren. Lukas 17:6 : En de Heer zei: Zo u een geloof hadt als een mostaardzaad, u zoudt tegen deze moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.
[^mattheus-17-21-18]: Kanttekening 18: dit geslacht: Namelijk van de duivelen.
[^mattheus-17-21-19]: Kanttekening 19: bidden en vasten: Dat is, door een vast geloof, gesterkt door vurige gebeden, waartoe de mensen door vasten bereid worden.
[^mattheus-17-22-k]: Verwijzing k: Matt. 16:21 ; Matt. 20:18 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 9:22 ; idem 9:44 ; Lukas 18:31 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 9:44 : Legt u deze woorden in uw oren: Want de Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in van de mensen handen. Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten.
[^mattheus-17-24-20]: Kanttekening 20: Omdat hij daar zijne woning had, gelijk ook Christus; zie Matt. 4:13 , en Matt. 8:14 . Want deze schatting moest ieder betalen waar hij woonde. Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Mattheüs 8:14 : En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.
[^mattheus-17-24-21]: Kanttekening 21: Dit waren belasting- of schattingspenningen, twee drachmen of een halflood aan zilver wegende, hoedanig een ieder, hoofd voor hoofd, moest betalen tot de dienst van de tabernakel, Ex. 30:13, en evenzo ook tot onderhoud van de tempel en van de dienst, 2 Kron. 24:9 ; Neh. 10:32 , welke schatting de Romeinen daarna naar zich getrokken hebben. Zie Josefus, de bello Judaic. lib. 7, cap. 26 . 2 Kronieken 24:9 : En men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men voor YHWH inbrengen zou de schatting van Mozes, de knecht van God, over Israël in de woestijn. Nehemia 10:32 : Verder zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot de dienst van het huis onzes Gods;
[^mattheus-17-25-l]: Verwijzing l: Matt. 22:21 ; Rom. 13:7 . Mattheüs 22:21 : Zij zeiden tot Hem: Van de keizers. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizers is, en voor God, dat Gods is. Romeinen 13:7 : Zo geeft dan een iedereen, wat u schuldig bent; schatting, die u de schatting, tol, die u de tol, vreze, die u de vreze, eer, die u de eer schuldig bent.
[^mattheus-17-25-22]: Kanttekening 22: de koningen van de aarde: Namelijk die souverein zijn, of onder niemand staan.
[^mattheus-17-25-23]: Kanttekening 23: de vreemden: Dat is, die niet behoren tot het huisgezin van de koningen. Of, die van hunne afkomst niet zijn, gelijk Christus was van David; Luk. 1:32 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven.
[^mattheus-17-27-24]: Kanttekening 24: een stater: Dit was een penning, wegende twee didrachmen, of een lood zilvers; waard zijnde omtrent een halve rijksdaalder (f 1,25), zoveel doende als een sikkel van het heiligdom.

### Mattheüs 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/18.json)

*1 Christus leert door het voorbeeld van een kind wie de grootste is in het Koninkrijk der hemelen, 6 welke straf zij verdienen die aanstoot geven, 8 hoe nauw men zich ervoor moet wachten de kleinen te ergeren, voor wie zelfs de engelen zorgen, 11 en dat Christus gekomen is om hen zalig te maken, zoals Hij verklaart door de gelijkenis van een verloren schaap. 15 Hoe men zal handelen met een broeder die tegen ons gezondigd heeft, en wat hierin het ambt en de macht van de gemeente is. 19 Hoe krachtig het gemeenschappelijke gebed van de gelovigen is. 21 Dat men altijd bereid moet zijn te vergeven, hetgeen verklaard wordt door de gelijkenis van een koning die met zijn knechten afrekening houdt.*

**1** [^mattheus-18-1-a] Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie[^mattheus-18-1-2] is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemelen?[^mattheus-18-1-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v1)

**2** En Jezus een kind tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v2)

**3** En zei: Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-18-3-b] Als u zich niet verandert,[^mattheus-18-3-3] en wordt zoals de[^mattheus-18-3-4] kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v3)

**4** [^mattheus-18-4-c] Zo wie dan zichzelf zal vernederen, zoals dit kind, deze is de meeste in het Koninkrijk van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v4)

**5** [^mattheus-18-5-d] En zo wie zulk een[^mattheus-18-5-5] kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v5)

**6** [^mattheus-18-6-e]Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven,[^mattheus-18-6-6] ten val brengt, het was hem beter, dat een[^mattheus-18-6-7] molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken was in de diepte van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v6)

**7** Wee de wereld vanwege de struikelblokken,[^mattheus-18-7-f] want het is[^mattheus-18-7-8] noodzakelijk, dat de struikelblokken komen;[^mattheus-18-7-g] maar wee die mens, door welke het struikelblok komt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v7)

**8** [^mattheus-18-8-h] Als dan uw[^mattheus-18-8-9] hand of uw voet u doet struikelen, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v8)

**9** En als uw oog u doet struikelen, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v9)

**10** Zie toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat[^mattheus-18-10-10][^mattheus-18-10-i] hun engelen, in de hemelen, altijd[^mattheus-18-10-11] zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v10)

**11** [^mattheus-18-11-k] Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v11)

**12** [^mattheus-18-12-l] Wat denkt u,[^mattheus-18-12-12] als enig mens honderd schapen had, en een daaruit afgedwaald was, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v12)

**13** En als het gebeurt, dat hij hetzelfde vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelfde, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v13)

**14** Zo is de wil niet[^mattheus-18-14-13] van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van[^mattheus-18-14-14] deze kleinen verloren ga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v14)

**15** [^mattheus-18-15-m] Maar als uw broeder[^mattheus-18-15-15] tegen u gezondigd heeft, ga heen en[^mattheus-18-15-16] bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v15)

**16** Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u;[^mattheus-18-16-n] opdat in de mond van twee of drie getuigen[^mattheus-18-16-17] alle woord besta. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v16)

**17** En als hij dezelfde geen gehoor geeft;[^mattheus-18-17-o] zo zeg het van[^mattheus-18-17-18] de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft,[^mattheus-18-17-p] zo zij hij u[^mattheus-18-17-19] als de heiden en de tollenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v17)

**18** [^mattheus-18-18-q] Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-18-18-20] Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v18)

**19** Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak,[^mattheus-18-19-21] die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal[^mattheus-18-19-22] gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v19)

**20** [^mattheus-18-20-r] Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam,[^mattheus-18-20-23] daar ben Ik in het midden van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v20)

**21** Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heere! hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven![^mattheus-18-21-s] Tot zevenmaal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v21)

**22** Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar[^mattheus-18-22-t] tot[^mattheus-18-22-24] zeventigmaal zeven maal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v22)

**23** Daarom wordt het Koninkrijk van de hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienaren[^mattheus-18-23-25] houden wilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v23)

**24** Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht[^mattheus-18-24-26] één, die hem schuldig was tien duizend[^mattheus-18-24-27] talenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v24)

**25** [^mattheus-18-25-v] En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou[^mattheus-18-25-28] verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v25)

**26** De dienaar dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heere! wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v26)

**27** En de heer van deze dienaar, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v27)

**28** Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd[^mattheus-18-28-29] penningen schuldig was, en hem aanvattende,[^mattheus-18-28-30] greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v28)

**29** Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v29)

**30** Maar hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v30)

**31** Als nu zijn mededienstknechten zagen, wat gebeurd was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hun heer al wat er gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v31)

**32** Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zei tot hem: U slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u mij gebeden hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v32)

**33** Behoorde u ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, zoals ik ook mij over u ontfermd heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v33)

**34** En zijn heer, vertoornd zijnde,[^mattheus-18-34-31] leverde hem de pijnigers over,[^mattheus-18-34-32] totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v34)

**35** [^mattheus-18-35-x] Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet[^mattheus-18-35-33] van harte vergeeft ieder zijn broeder zijn misdaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/18.html#v35)

[^mattheus-18-1-a]: Verwijzing a: Mark. 9:34 ; Lukas 9:46 ; Lukas 22:24 . Marcus 9:34 : Maar zij zwegen; want zij waren onder elkaar in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn. Lukas 9:46 : En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware. Lukas 22:24 : En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.
[^mattheus-18-1-2]: Kanttekening 2: is toch de meeste: Dat is, zal toch de meeste zijn.
[^mattheus-18-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, tijd.
[^mattheus-18-3-b]: Verwijzing b: Matt. 19:14 ; 1 Kor. 14:20 ; 1 Petr. 2:2 . Mattheüs 19:14 : Maar Jezus zei: Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk van de hemelen. 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 1 Petrus 2:2 : En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen;
[^mattheus-18-3-3]: Kanttekening 3: Grieks, keert; dat is afkeert, namelijk van deze hoogmoed en eergierigheid.
[^mattheus-18-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk gelijk David van zichzelven getuigt Ps. 131 .
[^mattheus-18-4-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 5:6 . 1 Petrus 5:6 : Vernedert u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge op Zijn tijd.
[^mattheus-18-5-d]: Verwijzing d: Mark. 9:37 ; Lukas 9:48 ; Joh. 13:20 . Marcus 9:37 : Zo wie een van zodanige kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. Lukas 9:48 : En zei tot hen: Zo wie dit kind ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^mattheus-18-5-5]: Kanttekening 5: kind ontvangt in Mijn naam: Namelijk niet alleen in ouderdom, maar ook degenen die als kinderen nederig van gemoed zijn, gelijk het volgende genoeg uitwijst, Matt. 17:6 . Mattheüs 17:6 : En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.
[^mattheus-18-6-e]: Verwijzing e: Mark. 9:42 ; Lukas 17:2 . Marcus 9:42 : En zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. Lukas 17:2 : Het zou hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze kleinen zou ergeren.
[^mattheus-18-6-6]: Kanttekening 6: Dat is, iets doet, spreekt of leert waardoor hij een ander tot zondigen of afval beweegt.
[^mattheus-18-6-7]: Kanttekening 7: molensteen aan zijn hals: Grieks, ezels molensteen; gelijk wij zouden zeggen, een rosmolensteen.
[^mattheus-18-7-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 11:19 . 1 Korinthiërs 11:19 : Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
[^mattheus-18-7-8]: Kanttekening 8: Namelijk ten aanzien van de boosheid van de duivel, de verdorvenheid van de mensen en Gods rechtvaardige toelating en oordeel. Zie 1 Kor. 11:19 ; 2 Thess. 2:11 , 2:12 . 1 Korinthiërs 11:19 : Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thessalonicensen 2:12 : Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
[^mattheus-18-7-g]: Verwijzing g: Matt. 26:24 ; Hand. 2:23 ; Hand. 4:27 ; idem 4:28 . Mattheüs 26:24 : De Zoon van de mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee die mens, door welke de Zoon van de mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Handelingen 4:27 : Want in van de waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; Handelingen 4:28 : Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou.
[^mattheus-18-8-h]: Verwijzing h: Deut. 13:6 ; Matt. 5:29 ; idem v. 30 ; Mark. 9:43 . Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen; Mattheüs 5:29 : Als dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. Mattheüs 5:30 : En als uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde. Marcus 9:43 : En als uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
[^mattheus-18-8-9]: Kanttekening 9: hand of uw voet: Zie hiervan de aantekening bij Matt. 5:29 . Mattheüs 5:29 : Als dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat één van uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
[^mattheus-18-10-10]: Kanttekening 10: hunne engelen: Dat is, die tot hun beschutting en dienst gezonden worden; Hebr. 1:14 . Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^mattheus-18-10-i]: Verwijzing i: Ps. 34:8 . Psalmen 34:8 : Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
[^mattheus-18-10-11]: Kanttekening 11: zien het aangezicht: Dat is, hebben altijd toegang tot de troon van God, om bevelen te ontvangen tot hunne bescherming, en tot straf dergenen, die hen zouden mogen verachten of verdrukken. Ene gelijkenis, genomen van de koningen in het oosten, die hun voornaamsten dienaren, door welke zij hun rijk regeerden, toegang gaven om hun aangezicht te zien; gelijk te zien is Esth. 1:14 ; zie ook Luk. 1:19 ; Openb. 8:2 . Esther 1:14 : De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten van de Perzen en van de Meden, die het aangezicht van de koning zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk), Lukas 1:19 : En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen. Openbaring 8:2 : En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
[^mattheus-18-11-k]: Verwijzing k: Lukas 19:10 . Lukas 19:10 : Want de Zoon van de mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
[^mattheus-18-12-l]: Verwijzing l: Lukas 15:3 . Lukas 15:3 : En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:
[^mattheus-18-12-12]: Kanttekening 12: als enig mens honderd schapen had: Met deze gelijkenis wil Christus leren dat wanneer iemand van de gelovigen zou verleid worden, Hij niet ophoudt voordat Hij die terecht gebracht zal hebben.
[^mattheus-18-14-13]: Kanttekening 13: uws Vaders: Grieks, voor uw Vader (πατήρ).
[^mattheus-18-14-14]: Kanttekening 14: deze kleinen verloren ga: Namelijk die in mij geloven, gelijk vers 6 , uitgedrukt staat. Mattheüs 18:6 : Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte van de zee.
[^mattheus-18-15-m]: Verwijzing m: Lev. 19:17 ; Spreuk. 17:10 ; Lukas 17:3 ; Jak. 5:19 . Leviticus 19:17 : U zult uw broeder in uw hart niet haten; u zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. Spreuken 17:10 : De bestraffing gaat dieper in de verstandige, dan de zot honderdmaal te slaan. Lukas 17:3 : Wacht uzelven. En als uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en als het hem leed is, zo vergeef het hem. Jakobus 5:19 : Broeders, als iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,
[^mattheus-18-15-15]: Kanttekening 15: tegen u gezondigd heeft: Dat is, u enige aanstoot geeft, hetzij dat hij u zelf verongelijkt of anderzins tegen God of de naaste misdoet met uwe kennis, zonder dat zulks openbaar is. Want openbare zonden moeten openbaar bestraft worden; 1 Tim. 5:20 . 1 Timotheüs 5:20 : Bestraf die zondigen in aanwezigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.
[^mattheus-18-15-16]: Kanttekening 16: bestraf hem: Dat is: vermaan en overtuig hem van zijne misdaad.
[^mattheus-18-16-n]: Verwijzing n: Num. 35:30 ; Deut. 17:6 ; Deut. 19:15 ; Joh. 8:17 ; 2 Kor. 13:1 ; Hebr. 10:28 . Numeri 35:30 : Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Deuteronomium 17:6 : Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. Johannes 8:17 : En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. 2 Korinthiërs 13:1 : Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. Hebreeën 10:28 : Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
[^mattheus-18-16-17]: Kanttekening 17: alle woord besta: Dat is, alle zaken of waarheid voor vast gehouden worde; Deut. 19:15 . Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
[^mattheus-18-17-o]: Verwijzing o: 2 Thes. 3:14 . 2 Thessalonicensen 3:14 : Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^mattheus-18-17-18]: Kanttekening 18: Dat is, de regeerders van de gemeente, die de gehele gemeente als vertegenwoordigen. Zie 1 Kor. 12:28 , en 2 Kor. 2:6 . 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. 2 Korinthiërs 2:6 : Voor de zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is.
[^mattheus-18-17-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 5:9 ; 2 Thes. 3:14 . 1 Korinthiërs 5:9 : Ik heb u geschreven in de brief, dat u u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 2 Thessalonicensen 3:14 : Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^mattheus-18-17-19]: Kanttekening 19: als de heiden en de tollenaar: Dat is, als een die vreemd is van de gemeente van Christus; Hand. 10:28 . Handelingen 10:28 : En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.
[^mattheus-18-18-q]: Verwijzing q: Matt. 16:19 ; Joh. 20:23 . Mattheüs 16:19 : En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Johannes 20:23 : Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden.
[^mattheus-18-18-20]: Kanttekening 20: al wat u op de aarde binden zult: Zie hiervan Matt. 16:19 . Mattheüs 16:19 : En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
[^mattheus-18-19-21]: Kanttekening 21: die zij zouden mogen begeren: Namelijk uit het geloof en naar Gods wil; Jak. 1:6 , en 1 Joh. 5:14 . Jakobus 1:6 : Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. 1 Johannes 5:14 : En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
[^mattheus-18-19-22]: Kanttekening 22: Of, geworden.
[^mattheus-18-20-r]: Verwijzing r: Lukas 24:15 ; idem v. 36 . Lukas 24:15 : En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkaar ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. Lukas 24:36 : En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tot hen: Vrede zij u!
[^mattheus-18-20-23]: Kanttekening 23: daar ben Ik: Namelijk met mijn Geest en genade; Joh. 14:16 , 14:23 . Johannes 14:16 : En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; Johannes 14:23 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
[^mattheus-18-21-s]: Verwijzing s: Lukas 17:4 . Lukas 17:4 : En als hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u terugkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult u het hem vergeven.
[^mattheus-18-22-t]: Verwijzing t: Matt. 6:14 ; Mark. 11:25 ; Kolos. 3:13 . Mattheüs 6:14 : Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Marcus 11:25 : En wanneer u staat om te bidden, vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. Kolossensen 3:13 : Verdragende elkaar, en vergevende de één de anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; zoals als Christus u vergeven heeft, doet ook u zo.
[^mattheus-18-22-24]: Kanttekening 24: zeventigmaal zeven maal : Dat is, zo dikwijls als hij u misdoet, en zeker getal voor een groot en onzeker getal genomen zijnde, gelijk Gen. 4:24 . Genesis 4:24 : Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
[^mattheus-18-23-25]: Kanttekening 25: houden wilde: Grieks, opnemen.
[^mattheus-18-24-26]: Kanttekening 26: een, die hem schuldig was: Grieks, een schuldenaar van tienduizend talenten (ὀφειλέτης).
[^mattheus-18-24-27]: Kanttekening 27: Een gewoon talent wordt geschat op zeshonderd gouden kronen.
[^mattheus-18-25-v]: Verwijzing v: Matt. 5:25 . Mattheüs 5:25 : Weest haastig welgezind tegenover uw tegenstander, terwijl u nog met hem op de weg bent; opdat de tegenstander niet misschien u de rechter overlevere, en de rechter u de dienaar overlevere, en u in de gevangenis geworpen wordt.
[^mattheus-18-25-28]: Kanttekening 28: Dit was in het Ouden Testament gebruikelijk, dat de kinderen met hunne ouders om derzelver schuld tot slaven verkocht mochten worden. Zie Ex. 22:3 ; 2 Kon. 4:1 . Exodus 22:3 : Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij. 2 Koningen 4:1 : Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen van de profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en u weet, dat uw knecht YHWH was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.
[^mattheus-18-28-29]: Kanttekening 29: Grieks, denariën (δηνάρια). Een denarie was een zilvergeld, wegende omtrent een drachme of vierendeel lood zilvers, waarde zijnde omtrent een enkele reaal of zes stuivers.
[^mattheus-18-28-30]: Kanttekening 30: greep hem bij de keel: Grieks, worgde; dat is, greep hem bij de keel, dat hij hem bijna worgde.
[^mattheus-18-34-31]: Kanttekening 31: leverde hem de pijners over: Het oogmerk van Christus is hier niet om te leren dat God, de zonden eens vergeven hebbende, dezelfde daarna nog zou straffen, want dat doet God niet Hebr. 8:12 , maar Hij verklaart zijn oogmerk zelf, vers 35 , en het is bekend dat de parabelen of gelijkenissen niet verder behoren getrokken te worden dan het voornaamste oogmerk derzelve lijden kan. Hebreeën 8:12 : Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik in geen geval meer gedenken. Mattheüs 18:35 : Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet van harte vergeeft ieder zijn broer zijn misdaden.
[^mattheus-18-34-32]: Kanttekening 32: totdat hij zou betaald hebben: Dat is, in de eeuwigheid, want de zondaar kan voor zijne zonden nimmermeer voldoen: Matt. 16:26 , en Matt. 25:46 . Mattheüs 16:26 : Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? Mattheüs 25:46 : En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.
[^mattheus-18-35-x]: Verwijzing x: Matt. 6:14 ; Mark. 11:26 ; Jak. 2:13 . Mattheüs 6:14 : Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Marcus 11:26 : Maar als u niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven. Jakobus 2:13 : Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over degene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
[^mattheus-18-35-33]: Kanttekening 33: van harte vergeeft: Grieks, van uwe harten (καρδία).

### Mattheüs 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/19.json)

*1 Christus geneest vele zieken. 3 Hij beantwoordt de vraag over de scheidbrief. 9 Hij leert dat gehuwden niet mogen scheiden dan om hoererij 11 en dat de gave van de onthouding niet aan allen gegeven wordt. 13 Hij beveelt dat de kinderen tot Hem komen en zegent hen. 16 Hij antwoordt een jongeman op zijn vraag wat hij moet doen om het eeuwige leven te verkrijgen. 23 Hoe moeilijk de rijken in het Koninkrijk der hemelen komen. 27 Welke vergelding zij zullen ontvangen die het hunne om Christus' wil verlaten.*

**1** En[^mattheus-19-1-a] het gebeurde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij vertrok van Galilea, en kwam[^mattheus-19-1-1] over de Jordaan, in het gebied van Judea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v1)

**2** En vele menigten volgden Hem, en Hij genas ze daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v2)

**3** [^mattheus-19-3-b] En de Farizeën kwamen tot Hem,[^mattheus-19-3-2] verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te[^mattheus-19-3-3] verlaten, om[^mattheus-19-3-4] allerlei oorzaak? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v3)

**4** Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt u niet gelezen, Die[^mattheus-19-4-c] van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft[^mattheus-19-4-5] man en vrouw? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v4)

**5** [^mattheus-19-5-d] En[^mattheus-19-5-6] gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw[^mattheus-19-5-7] aanhangen, en[^mattheus-19-5-e] die twee zullen tot[^mattheus-19-5-8] één vlees zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v5)

**6** Zo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.[^mattheus-19-6-f] Wat dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v6)

**7** Zij zeiden tot hem:[^mattheus-19-7-g] Waarom heeft dan Mozes[^mattheus-19-7-9] geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v7)

**8** Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het zo niet geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v8)

**9** [^mattheus-19-9-h] Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v9)

**10** Zijn discipelen zeiden tot Hem: Als de[^mattheus-19-10-10] zaak van de mensen met de vrouw zo staat, zo is het niet raadzaam te trouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v10)

**11** Maar Hij zei tot hen:[^mattheus-19-11-i] Allen[^mattheus-19-11-11] vatten dit woord niet, maar die het gegeven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v11)

**12** Want er zijn gesnedenen, die[^mattheus-19-12-12] uit moeders lijf zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen,[^mattheus-19-12-13] die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen,[^mattheus-19-12-14] die zichzelf gesneden hebben, om het Koninkrijk van de hemelen.[^mattheus-19-12-15] Die dit vatten kan, vatte het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v12)

**13** [^mattheus-19-13-k] Toen werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften[^mattheus-19-13-16] dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v13)

**14** Maar Jezus zei:[^mattheus-19-14-l] Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want[^mattheus-19-14-17] voor zulke mensen is het Koninkrijk van de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v14)

**15** En als Hij hun[^mattheus-19-15-18] de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v15)

**16** [^mattheus-19-16-m] En ziet, er kwam een tot Hem, en zei tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v16)

**17** En Hij zei tot hem: Wat noemt u Mij[^mattheus-19-17-19] goed? Niemand is goed dan Één, namelijk God. Maar wilt u in het leven ingaan,[^mattheus-19-17-20] onderhoud de geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v17)

**18** Hij zei tot Hem: Welke? En Jezus zei:[^mattheus-19-18-n] Deze: U zult niet doden; u zult geen overspel doen; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v18)

**19** Eer uw vader en moeder; en:[^mattheus-19-19-o] U zult uw naaste liefhebben als uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v19)

**20** De jongeling zei tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af;[^mattheus-19-20-21] wat ontbreekt mij nog? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v20)

**21** Jezus zei tot hem:[^mattheus-19-21-22] Zo u wilt volmaakt zijn,[^mattheus-19-21-p] ga heen, verkoop wat u hebt,[^mattheus-19-21-q] en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v21)

**22** Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele[^mattheus-19-22-23] goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v22)

**23** En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u,[^mattheus-19-23-r] dat[^mattheus-19-23-24] een rijke moeilijk in het Koninkrijk van de hemelen zal ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v23)

**24** En opnieuw zeg Ik u:[^mattheus-19-24-25] Het is gemakkelijker, dat een[^mattheus-19-24-26] kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v24)

**25** Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v25)

**26** En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk,[^mattheus-19-26-s] maar[^mattheus-19-26-27] bij God zijn alle dingen mogelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v26)

**27** [^mattheus-19-27-t] Toen antwoordde Petrus, en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd,[^mattheus-19-27-28] wat zal ons dan geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v27)

**28** En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de[^mattheus-19-28-29] wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid,[^mattheus-19-28-v] dat u ook zult zitten op twaalf tronen,[^mattheus-19-28-31] oordelende de twaalf geslachten van Israël.[^mattheus-19-28-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v28)

**29** [^mattheus-19-29-x] En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broers, of zussen, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, omwille van Mijn Naam,[^mattheus-19-29-y] die[^mattheus-19-29-32] zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v29)

**30** [^mattheus-19-30-z] Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/19.html#v30)

[^mattheus-19-1-a]: Verwijzing a: Mark. 10:1 . Marcus 10:1 : En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar het gebied van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen opnieuw samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen opnieuw.
[^mattheus-19-1-1]: Kanttekening 1: over de Jordaan: Anders, omtrent, of naast de Jordaan, gelijk Matt. 4:15 , want Judea lag op dezelfde zijde van de Jordaan, waar Galilea lag. Mattheüs 4:15 : Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken;
[^mattheus-19-3-b]: Verwijzing b: Mark. 10:2 . Marcus 10:2 : En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
[^mattheus-19-3-2]: Kanttekening 2: Namelijk om te zien of zij uit zijn antwoord iets konden vinden, waarmee zij Hem bij het volk verdacht zouden kunnen maken.
[^mattheus-19-3-3]: Kanttekening 3: Dat is, van zijne vrouw te scheiden, gelijk Matt. 5:31.
[^mattheus-19-3-4]: Kanttekening 4: allerlei oorzaak: Grieks, alle (προσ-έρχομαι).
[^mattheus-19-4-c]: Verwijzing c: Gen. 1:27 . Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
[^mattheus-19-4-5]: Kanttekening 5: man en vrouw: Of, maar één van het mannelijk en één van het vrouwelijke geslacht.
[^mattheus-19-5-d]: Verwijzing d: Gen. 2:24 ; Efez. 5:31 . Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Efeziërs 5:31 : Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.
[^mattheus-19-5-6]: Kanttekening 6: gezegd heeft: Dit zijn Adams woorden, Gen. 2:24 , maar worden aan God hier toegeschreven, omdat Adam die door Gods ingeven gesproken heeft. Zie van deze mening de aantekening bij Gen. 2:24 . Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.
[^mattheus-19-5-7]: Kanttekening 7: Of aankleven. Het Griekse woord is genomen bij gelijkenis van twee verscheiden dingen, die door lijm aan elkaar vastgemaakt zijn.
[^mattheus-19-5-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 6:16 . 1 Korinthiërs 6:16 : Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.
[^mattheus-19-5-8]: Kanttekening 8: één vlees zijn: Dat is, als één lichaam, of als één mens; 1 Kor. 6:16 ; Ef. 5:31 . 1 Korinthiërs 6:16 : Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen. Efeziërs 5:31 : Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.
[^mattheus-19-6-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 7:10 . 1 Korinthiërs 7:10 : Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heer, dat de vrouw van de man niet scheide.
[^mattheus-19-7-g]: Verwijzing g: Deut. 24:1 ; Jer. 3:1 . Deuteronomium 24:1 : Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. Jeremia 3:1 : Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog terugkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? U nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weer tot Mij, spreekt YHWH.
[^mattheus-19-7-9]: Kanttekening 9: geboden een scheidbrief te geven: Mozes heeft wel geboden een scheidbrief te geven, tot verontschuldiging van de vrouw, die ten onrechte zo verlaten of gescheiden werd, maar zulk verlaten heeft hij nooit goedgekeurd, maar dat alleen om hunne stijfhartigheid overzien, gelijk de overheden somtijds enige dingen moeten toelaten om groter kwaad te voorkomen die zij anders zouden moeten weren: gelijk ook Christus dat woord toelaten in zijn antwoord gebruikt en de Farizeën zelf; Mark. 10:4 . Marcus 10:4 : En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
[^mattheus-19-9-h]: Verwijzing h: Matt. 5:32 ; Mark. 10:11 ; Lukas 16:18 ; 1 Kor. 7:10 . Mattheüs 5:32 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Marcus 10:11 : En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. Lukas 16:18 : Een iedereen, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iedereen, die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel. 1 Korinthiërs 7:10 : Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heer, dat de vrouw van de man niet scheide.
[^mattheus-19-10-10]: Kanttekening 10: zaak van de mensen: Namelijk dat de man zo vast aan de vrouw gebonden is.
[^mattheus-19-11-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 7:7 ; idem v. 17 . 1 Korinthiërs 7:7 : Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 1 Korinthiërs 7:17 : Maar gelijk God aan een iedereen heeft uitgedeeld, gelijk de Heer een iedereen geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten.
[^mattheus-19-11-11]: Kanttekening 11: vatten dit woord niet: Dat is, hebben de gave van onthouding niet, maar wie het bijzonder van God gegeven is; 1 Kor. 7:17 . 1 Korinthiërs 7:17 : Maar gelijk God aan ieder heeft uitgedeeld, gelijk de Heer ieder geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten.
[^mattheus-19-12-12]: Kanttekening 12: uit moeders lijf: Dat is, die van nature onbekwaam zijn tot het huwelijk.
[^mattheus-19-12-13]: Kanttekening 13: die van mensen gesneden zijn: Dat is, die van mensen daartoe onbekwaam zijn gemaakt.
[^mattheus-19-12-14]: Kanttekening 14: die zichzelven gesneden hebben: Dat is, die de gave van de onthouding hebbende, vrijwillig ongetrouwd blijven om God met minder bekommernis te dienen, en om het koninkrijk van de hemelen, zo in zichzelven als in anderen, te bevorderen; 1 Kor. 7:32 , 7:33 , 7:34 , 7:35 . Anderzins, die deze gave niet heeft, voor die is het beter te trouwen dan te branden; 1 Kor. 7:9 . 1 Korinthiërs 7:32 : En ik wil, dat u zonder bekommernis bent. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer zal behagen; 1 Korinthiërs 7:33 : Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen van de wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 1 Korinthiërs 7:34 : Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heer, opdat zij heilig zij, zowel aan lichaam als aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen van de wereld, hoe zij de man zal behagen. 1 Korinthiërs 7:35 : En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heer wel aan te hangen, zonder herwaarts en daarheen getrokken te worden. 1 Korinthiërs 7:9 : Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.
[^mattheus-19-12-15]: Kanttekening 15: Die dit vatten kan: Dat is, wie deze gave van onthouding heeft, die gebruike haar, naar dat zijn beroep of gelegenheid toelaat.
[^mattheus-19-13-k]: Verwijzing k: Mark. 10:13 ; Lukas 18:15 . Marcus 10:13 : En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. Lukas 18:15 : En zij brachten ook de kinderen tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelfde.
[^mattheus-19-13-16]: Kanttekening 16: Namelijk die hen brachten; Mark. 10:13 . Marcus 10:13 : En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
[^mattheus-19-14-l]: Verwijzing l: Matt. 18:3 ; 1 Kor. 14:20 ; 1 Petr. 2:2 . Mattheüs 18:3 : En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 1 Petrus 2:2 : En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen;
[^mattheus-19-14-17]: Kanttekening 17: Namelijk de kinderen van het verbond, gelijk de kinderen van de Joden waren. Anderzins worden de kinderen van de ongelovigen onrein genaamd; 1 Kor. 7:14 . 1 Korinthiërs 7:14 : Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
[^mattheus-19-15-18]: Kanttekening 18: de handen opgelegd had: Deze ceremonie werd gebruikt niet alleen in het inhuldigen in kerkelijke diensten, maar ook in andere bijzondere zegeningen; Gen. 48:14 . Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene.
[^mattheus-19-16-m]: Verwijzing m: Mark. 10:17 ; Lukas 18:18 . Marcus 10:17 : En als Hij uitging op de weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? Lukas 18:18 : En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
[^mattheus-19-17-19]: Kanttekening 19: niemand is goed dan één: Namelijk van zichzelven, volkomenlijk en een oorsprong alles goeds, voor hoedanig u mij niet houdt.
[^mattheus-19-17-20]: Kanttekening 20: onderhoud de geboden: Christus antwoordt hier naar de vraag en menig van deze jongeling, die door zijn eigen goede werken meende de zaligheid te kunnen verkrijgen, en daarom wijst Hij hem op de wet, om hem daardoor tot erkentenis van zijne onvolmaaktheid, en daarna tot het geloof in hem te brengen; Gal. 3:22 , 3:24 . Galaten 3:22 : Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Galaten 3:24 : Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
[^mattheus-19-18-n]: Verwijzing n: Ex. 20:12 ; Deut. 5:17 ; Rom. 13:9 . Exodus 20:12 : Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH uw God geeft. Deuteronomium 5:17 : U zult niet doodslaan. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
[^mattheus-19-19-o]: Verwijzing o: Lev. 19:17 ; Matt. 22:39 ; Mark. 12:31 ; Galat. 5:14 ; Jak. 2:8 . Leviticus 19:17 : U zult uw broer in uw hart niet haten; u zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. Mattheüs 22:39 : En het tweede aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Marcus 12:31 : En het tweede aan dit gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Jakobus 2:8 : Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet u wel;
[^mattheus-19-20-21]: Kanttekening 21: wat ontbreekt mij nog: Grieks, waarin kom ik nog tekort?
[^mattheus-19-21-22]: Kanttekening 22: zo u wilt volmaakt zijn: Dit zegt Christus om deze jongeling, die meende dat hij alle geboden van God onderhouden had, omdat hij uiterlijk daarnaar had geleefd, te overtuigen dat hem nog veel ontbrak, zelfs aangaande de onderhouding van de geboden van de tweede tafel, omdat hij liever zijne goederen behouden had dan op Christus bevel die de armen te geven, en Hem te volgen: dat ook blijkt uit het drie en twintigste vers, Want die dezelfde zou onderhouden hebben, zou niet moeilijk maar zekerlijk in het koninkrijk van de hemelen komen; Rom. 10:5 . Romeinen 10:5 : Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven.
[^mattheus-19-21-p]: Verwijzing p: Lukas 12:33 ; Lukas 16:9 . Lukas 12:33 : Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. Lukas 16:9 : En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten.
[^mattheus-19-21-q]: Verwijzing q: Matt. 6:19 ; 1 Tim. 6:19 . Mattheüs 6:19 : Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; 1 Timotheüs 6:19 : Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
[^mattheus-19-22-23]: Kanttekening 23: Grieks, bezittingen.
[^mattheus-19-23-r]: Verwijzing r: Mark. 10:23 ; Lukas 18:24 ; Spreuk. 11:28 . Marcus 10:23 : En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen! Lukas 18:24 : Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zei: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan! Spreuken 11:28 : Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
[^mattheus-19-23-24]: Kanttekening 24: een rijke moeizaam: Namelijk die zijn hart en vertrouwen op de rijkdommen stelt, gelijk verklaard wordt Mark. 10:24 . Marcus 10:24 : En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan!
[^mattheus-19-24-25]: Kanttekening 25: het is lichter: Dit was een spreekwoord onder de Joden, waarmee zij de onmogelijkheid van enige zaken te kennen gaven.
[^mattheus-19-24-26]: Kanttekening 26: kameel ga door het oog: Of, gelijk sommigen menen, een kabel.
[^mattheus-19-26-s]: Verwijzing s: Lukas 1:37 ; Lukas 18:27 ; Job 42:2 ; Jer. 32:17 ; Zach. 8:6 . Lukas 1:37 : Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Lukas 18:27 : En Hij zei: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God. Job 42:2 : Ik weet, dat U alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. Jeremia 32:17 : Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. Zacharia 8:6 : Zo zegt YHWH van de heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel van deze volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt YHWH van de heirscharen.
[^mattheus-19-26-27]: Kanttekening 27: bij God zijn alle dingen mogelijk: Omdat God ook het hart van de rijke van het vertrouwen op de rijkdommen kan aftrekken, en hem met het geloof in Christus en een nederig hart begiftigen.
[^mattheus-19-27-t]: Verwijzing t: Matt. 4:20 ; Mark. 10:28 ; Lukas 5:11 ; Lukas 18:28 . Mattheüs 4:20 : Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. Marcus 10:28 : En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. Lukas 5:11 : En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem. Lukas 18:28 : En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
[^mattheus-19-27-28]: Kanttekening 28: wat zal ons dan geworden: Dat is, wat zullen wij daarvoor verkrijgen?
[^mattheus-19-28-29]: Kanttekening 29: Dat is, in de wederoprichting van alle dingen, wanneer de gelovigen naar lichaam en ziel volkomen zullen vernieuwd worden; Hand. 3:21 ; 1 Kor. 15:42 , 15:43 . Anderen voegen de woorden in de wedergeboorte bij de voorgaande. Handelingen 3:21 : Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. 1 Korinthiërs 15:42 : Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; 1 Korinthiërs 15:43 : Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
[^mattheus-19-28-v]: Verwijzing v: Lukas 22:30 . Lukas 22:30 : Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^mattheus-19-28-31]: Kanttekening 31: Namelijk omdat de apostelen hem zullen veroordelen, niet alleen met hun voorbeeld, dat zij in Christus hebben geloofd daar de andere Israëlieten zijn ongelovig gebleven, gelijk van de Ninevieten gezegd wordt, Matt. 12:41 , maar ook met hunne toestemming, gelijk van alle gelovigen ook gezegd wordt, 1 Kor. 6:2 , 6:3 , hoewel de apostelen hierin boven anderen zullen uitsteken; Luk. 22:30 ; Openb. 21:14 . Mattheüs 12:41 : De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! 1 Korinthiërs 6:2 : Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtzaken? 1 Korinthiërs 6:3 : Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan? Lukas 22:30 : Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Openbaring 21:14 : En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en daarin de namen van de twaalf apostelen van het Lam.
[^mattheus-19-28-30]: Kanttekening 30: troon van zijn heerlijkheid: Namelijk om te oordelen de levenden en de doden.
[^mattheus-19-29-x]: Verwijzing x: Deut. 33:9 . Deuteronomium 33:9 : Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
[^mattheus-19-29-y]: Verwijzing y: Job 42:12 . Job 42:12 : En YHWH zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
[^mattheus-19-29-32]: Kanttekening 32: honderdvoud ontvangen: Dat is, veelvoudig. Zie Luk. 18:30 . Lukas 18:30 : Die niet zal veelvoudig weer ontvangen in deze tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
[^mattheus-19-30-z]: Verwijzing z: Mark. 10:31 ; Lukas 13:30 . Marcus 10:31 : Maar vele eerste zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eerste. Lukas 13:30 : En ziet, er zijn laatsten, die de eerste zullen zijn; en er zijn eerste, die de laatsten zullen zijn.

### Mattheüs 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/20.json)

*1 Door de gelijkenis van arbeiders die op verschillende uren gehuurd en in de wijngaard gezonden worden en 's avonds gelijk loon ontvangen, leert Christus hoe Hij naderhand hen zal belonen die Hem gediend hebben. 17 Hij voorzegt opnieuw Zijn lijden, dood en opstanding. 20 Hij antwoordt de moeder van de zonen van Zebedeüs op haar verzoek 24 en vermaant Zijn discipelen zich te wachten voor eerzucht en wereldse heerschappij. 29 Hij maakt bij Jericho twee blinden ziende.*

**1** [^mattheus-20-1-1] Want het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan[^mattheus-20-1-2] een heer van het huis, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v1)

**2** En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een[^mattheus-20-2-3] penning overdag, zond hij hen heen in zijn wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v2)

**3** En uitgegaan zijnde ongeveer het[^mattheus-20-3-4] derde uur, zag hij anderen, werkloos staande op de markt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v3)

**4** En hij zei daartoe: Ga ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v4)

**5** Opnieuw uitgegaan zijnde ongeveer het zesde en het negende uur, deed hij evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v5)

**6** En uitgegaan zijnde ongeveer het elfde uur, vond hij anderen werkloos staande, en zei tot hen: Wat staat u hier de hele dag werkloos? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v6)

**7** Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Ga ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zult u ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v7)

**8** Als het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard, tot zijn[^mattheus-20-8-5] rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v8)

**9** En als zij kwamen, die op het elfde uur gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.[^mattheus-20-9-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v9)

**10** En de eerste komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelf ontvingen ook elk een penning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v10)

**11** En die ontvangen hebbende,[^mattheus-20-11-7] morden zij tegen de heer van het huis, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v11)

**12** Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u[^mattheus-20-12-8] hebt ze ons gelijk gemaakt, die de last overdag en de hitte gedragen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v12)

**13** Maar hij, antwoordende, zei tot één van hen: [^mattheus-20-13-9] Vriend! ik doe u geen onrecht; bent u niet met mij eens geworden voor een penning? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v13)

**14** Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, zoals u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v14)

**15** [^mattheus-20-15-a] Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog[^mattheus-20-15-10] boos, omdat ik goed ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v15)

**16** [^mattheus-20-16-b] Zo zullen de laatsten de[^mattheus-20-16-11] eersten zijn, en de eersten de[^mattheus-20-16-12] laatsten;[^mattheus-20-16-c] want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v16)

**17** [^mattheus-20-17-d] En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v17)

**18** Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v18)

**19** [^mattheus-20-19-e] En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v19)

**20** [^mattheus-20-20-f] Toen kwam de[^mattheus-20-20-13] moeder van de zonen van Zebedeüs tot Hem met haar[^mattheus-20-20-14] zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v20)

**21** En Hij zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen[^mattheus-20-21-15] zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v21)

**22** Maar Jezus antwoordde en zei:[^mattheus-20-22-g] U[^mattheus-20-22-16] weet niet wat u begeert; kunt u de[^mattheus-20-22-17] drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden,[^mattheus-20-22-h] waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v22)

**23** En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand,[^mattheus-20-23-18] staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het[^mattheus-20-23-19] bereid is[^mattheus-20-23-i] van Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v23)

**24** En als de[^mattheus-20-24-20] andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v24)

**25** En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij:[^mattheus-20-25-k] U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de grote gebruiken macht over hen.[^mattheus-20-25-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v25)

**26** [^mattheus-20-26-l] Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;[^mattheus-20-26-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v26)

**27** [^mattheus-20-27-m] En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v27)

**28** [^mattheus-20-28-n] Zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en[^mattheus-20-28-o] Zijn ziel te geven tot een[^mattheus-20-28-23] losprijs[^mattheus-20-28-24] voor velen.[^mattheus-20-28-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v28)

**29** [^mattheus-20-29-p] En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote menigte gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v29)

**30** En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, U Zoon van David! ontferm U over ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v30)

**31** En de menigte bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U over ons, Heere, U Zoon van David! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v31)

**32** En Jezus, stil staande, riep hen en zei: Wat wilt u, dat Ik u doe? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v32)

**33** Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v33)

**34** En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/20.html#v34)

[^mattheus-20-1-1]: Kanttekening 1: Hieruit blijkt dat deze gelijkenis van Christus bijgebracht wordt tot bevestiging van de spreuk in het laatste vers van het voorgaande hoofdstuk, gelijk ook te zien is in het zestiende volgende vers.
[^mattheus-20-1-2]: Kanttekening 2: heer van het huis: Grieks, een mens, die een heer van het huis is.
[^mattheus-20-2-3]: Kanttekening 3: penning van de dag: Grieks, denarias (δηναρίου) . Zie daarvan Matt. 18:28 ; Openb. 6:6 . Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent. Openbaring 6:6 : En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.
[^mattheus-20-3-4]: Kanttekening 4: derde ure: De Joden verdeelden de dag in twaalf uren, gelijk te zien is Joh. 11:9 , zodat het uur van elf tot twaalf het laatste was van de dag en van de arbeid, en het derde met ons negende voor de middag overeenkwam. Johannes 11:9 : Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet;
[^mattheus-20-8-5]: Kanttekening 5: Grieks, Epitropos (ἐπιτρόπῳ); dat is, die de bediening of zorg had van zijn goederen, of die zorg had over het ontvangen en uitgeven van zijn inkomen.
[^mattheus-20-9-6]: Kanttekening 6: een penning: Hieruit blijkt dat het loon hiernamaals niet gegeven zal worden naar verdiensten; anders zouden deze laatsten minder hebben moeten ontvangen dan de eersten.
[^mattheus-20-11-7]: Kanttekening 7: Hieruit volgt niet dat er ten laatste dage onder de gelovigen enige murmurering zal zijn, daar alle delen van de gelijkenissen niet mogen toegepast worden; maar dit wordt hier gesteld om te tonen dat er alsdan geen oorzaak van morren zijn zal, omdat het loon gegeven zal worden uit Gods goedheid en naar genade, gelijk blijkt uit vers 15 . Mattheüs 20:15 : Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
[^mattheus-20-12-8]: Kanttekening 8: Of, doorgebracht in de arbeid.
[^mattheus-20-13-9]: Kanttekening 9: Grieks, gezel.
[^mattheus-20-15-a]: Verwijzing a: Rom. 9:21 . Romeinen 9:21 : Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?
[^mattheus-20-15-10]: Kanttekening 10: Dat is, afgunstig, nijdig.
[^mattheus-20-16-b]: Verwijzing b: Matt. 19:30 ; Mark. 10:31 ; Lukas 13:30 . Mattheüs 19:30 : Maar vele eerste zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eerste. Marcus 10:31 : Maar vele eerste zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eerste. Lukas 13:30 : En ziet, er zijn laatsten, die de eerste zullen zijn; en er zijn eerste, die de laatsten zullen zijn.
[^mattheus-20-16-11]: Kanttekening 11: eersten zijn: Dat is als de eersten.
[^mattheus-20-16-12]: Kanttekening 12: Dat is als de laatsten. Hiermede leert Christus dat niemand oorzaak heeft om te morren over de beloning, die namaals gegeven zal worden, al is het dat iemand meer gewerkt of langer God gediend heeft, omdat dezelfde gegeven zal worden uit genade en naar de eeuwige verkiezing, gelijk Christus in de volgende woorden getuigt, als Hij zegt: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Anderen menen dat door de eersten verstaan worden die uit hun eigen werken willen gerechtvaardigd en zalig worden, hoedanig de jongeling was, waarvan in het voorgaande hoofdstuk gesproken is; en door de laatsten degenen, die uit kracht van de genadige verkiezing Gods de roeping ter zaligheid met een waarachtig geloof aannemen.
[^mattheus-20-16-c]: Verwijzing c: Matt. 22:14 . Mattheüs 22:14 : Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
[^mattheus-20-17-d]: Verwijzing d: Mark. 10:32 ; Lukas 18:31 ; Lukas 24:7 . Marcus 10:32 : En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven opnieuw tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten. Lukas 24:7 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan.
[^mattheus-20-19-e]: Verwijzing e: Matt. 27:2 ; Lukas 23:1 ; Joh. 18:28 ; idem v. 31 ; Hand. 3:13 . Mattheüs 27:2 : En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. Lukas 23:1 : En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. Johannes 18:31 : Pilatus dan zei tot hen: Neemt u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden. Handelingen 3:13 : De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten.
[^mattheus-20-20-f]: Verwijzing f: Mark. 10:35 . Marcus 10:35 : En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat U ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
[^mattheus-20-20-13]: Kanttekening 13: moeder van de zonen van Zebedeüs: Namelijk Salome, gelijk blijkt uit vergelijk van Matt. 27:56 met Mark. 15:40 . Mattheüs 27:56 : Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs. Marcus 15:40 : En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome;
[^mattheus-20-20-14]: Kanttekening 14: Namelijk Johannes en Jakobus; Matt. 10:2 en Mark. 10:35 . Mattheüs 10:2 : De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; Marcus 10:35 : En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat U ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
[^mattheus-20-21-15]: Kanttekening 15: zitten mogen: Dat is, dat zij de grootste of meeste na U mogen zijn. Een gelijkenis, genomen van koningen, die op hun troon zitten en degenen, die naast aan hen zijn, aan beide zijden naast hen plegen te zetten. Zie 1 Kon. 2:19 ; Ps. 45:10 en Ps. 110:1 . 1 Koningen 2:19 : Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand. Psalmen 45:10 : Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. Psalmen 110:1 : Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten.
[^mattheus-20-22-g]: Verwijzing g: Rom. 8:26 . Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
[^mattheus-20-22-16]: Kanttekening 16: weet niet: Want zij verstonden nog niet de staat van het koninkrijk van Christus, en waartoe zij geroepen waren, niet om in de wereld te heersen, maar om te dienen en te lijden.
[^mattheus-20-22-17]: Kanttekening 17: drinkbeker drinken: Door de drinkbeker alsook door de doop verstaat Christus zwaar lijden, waardoor de mens als met een bittere drank gedrenkt en als met water overstort wordt, Ps. 75:9 ; Jes. 51:17 , Matt. 26:42 ; Luk. 12:50 . Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. Jesaja 51:17 : Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van YHWH de beker van Zijn grimmigheid; de droesem van de beker van de zwijmeling hebt u gedronken, ja, uitgezogen. Mattheüs 26:42 : Opnieuw ten tweede male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Als deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede! Lukas 12:50 : Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!
[^mattheus-20-22-h]: Verwijzing h: Lukas 12:50 . Lukas 12:50 : Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!
[^mattheus-20-23-18]: Kanttekening 18: staat bij mij: Grieks, het is mijne niet. Namelijk in deze mijn nederige staat, en om zulke redenen als u u inbeeldt; anders zal Christus namaals ook geven te zitten op zijn troon degenen die overwinnen, Open. 3:21. Of, dan wie het bereid is. Zie Mark. 10:40 . Marcus 10:40 : Maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden die het bereid is.
[^mattheus-20-23-19]: Kanttekening 19: bereid is van mijn Vader: Dat is, van eeuwigheid verordineerd. Zie Matt. 25:34 . Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^mattheus-20-23-i]: Verwijzing i: Matt. 25:34 . Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^mattheus-20-24-20]: Kanttekening 20: tien dat hoorden: Namelijk apostelen.
[^mattheus-20-25-k]: Verwijzing k: Mark. 10:42 ; Lukas 22:25 . Marcus 10:42 : Maar Jezus, hen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: U weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn van de volken, heerschappij voeren over hen, en hun grote gebruiken macht over hen. Lukas 22:25 : En Hij zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.
[^mattheus-20-25-21]: Kanttekening 21: Anders, heidenen.
[^mattheus-20-26-l]: Verwijzing l: 1 Petr. 5:3 . 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^mattheus-20-26-22]: Kanttekening 22: u niet zijn: Namelijk mijn apostelen en alle anderen, die tot de dienst van de kerk geroepen zullen worden, aan wie zulke wereldse wijze van heersen hier verboden wordt. Want anders zullen en mogen onder de Christenen ook koningen en heerschappijvoerders zijn; Ps. 2:10 , en Jes. 49:23 . Psalmen 2:10 : Nu dan, u koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, u rechters van de aarde! Jesaja 49:23 : En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik YHWH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.
[^mattheus-20-27-m]: Verwijzing m: Matt. 23:11 ; Mark. 9:35 ; Mark. 10:43 . Mattheüs 23:11 : Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. Marcus 9:35 : En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zei tot hen: Als iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. Marcus 10:43 : Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.
[^mattheus-20-28-n]: Verwijzing n: Filip. 2:7 ; Joh. 13:14 ; Lukas 22:27 . Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Johannes 13:14 : Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkanders voeten te groeien. Lukas 22:27 : Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.
[^mattheus-20-28-o]: Verwijzing o: Efez. 1:7 ; 1 Tim. 2:6 ; 1 Petr. 1:19 . Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, 1 Timotheüs 2:6 : Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis op zijn tijd; 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^mattheus-20-28-23]: Kanttekening 23: ziel te geven tot : Dat is, leven. Of, zichzelven naar lichaam en ziel.
[^mattheus-20-28-24]: Kanttekening 24: Of, losgeld; wat gegeven wordt tot lossing van degenen, die gevangen zitten.
[^mattheus-20-28-25]: Kanttekening 25: voor velen: Dat is, in plaats van velen, namelijk de uitverkoren kinderen van God, om hen daarmede van de eeuwige dood te verlossen; Joh. 10:15 , en Joh. 11:52 , en Joh. 17:9 . Johannes 10:15 : Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Johannes 11:52 : En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen. Johannes 17:9 : Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.
[^mattheus-20-29-p]: Verwijzing p: Mark. 10:46 ; Lukas 18:35 . Marcus 10:46 : En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende. Lukas 18:35 : En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan de weg zat, bedelende.

### Mattheüs 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/21.json)

*1 Christus doet Zijn intocht in Jeruzalem, gezeten op een ezel. 12 Hij drijft de verkopers en kopers uit de tempel 14 en geneest daar blinden en kreupelen. 15 Hij verdedigt het roepen van de kinderen tegen de afgunst van de overpriesters. 19 Hij vervloekt een vijgenboom, die daarop terstond verdort. 21 Hij wijst op de kracht van het geloof. 23 Hij beantwoordt de vraag van de overpriesters en de oversten van het volk uit welke macht Hij dit deed met een wedervraag over de doop van Johannes. 28 Hij overtuigt hen van hun ongehoorzaamheid met een gelijkenis van twee zonen 33 en dreigt hun ondergang door een andere gelijkenis van een heer van een wijngaard, wiens knechten en zoon door de landlieden mishandeld en gedood werden.*

**1** En[^mattheus-21-1-a] als zij nu Jeruzalem naderden, en gekomen waren te[^mattheus-21-1-1] Beth-fage, aan de[^mattheus-21-1-2] Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v1)

**2** Ga heen in de plaats, die tegen u over ligt, en u zult meteen een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbind[^mattheus-21-2-3] ze, en brengt ze tot Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v2)

**3** En als u iemand iets zegt, zo zult u zeggen, dat de Heere deze nodig heeft, en hij zal ze[^mattheus-21-3-4] meteen zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v3)

**4** Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld wordt, wat gesproken is door de profeet, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v4)

**5** [^mattheus-21-5-b] Zeg[^mattheus-21-5-5] van de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een[^mattheus-21-5-6] ezelin en een veulen, het veulen[^mattheus-21-5-7] van een lastdier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v5)

**6** En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, zoals Jezus hun bevolen had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v6)

**7** Brachten de ezelin en het veulen,[^mattheus-21-7-c] en legden hun kleren daarop, en[^mattheus-21-7-d] zetten[^mattheus-21-7-8] Hem daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v7)

**8** En de meeste menigte[^mattheus-21-8-9] spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v8)

**9** En de menigten, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende:[^mattheus-21-9-10] Hosanna de Zoon van David! Gezegend[^mattheus-21-9-11] is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen![^mattheus-21-9-e][^mattheus-21-9-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v9)

**10** En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de hele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v10)

**11** En de menigten zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v11)

**12** [^mattheus-21-12-f] En Jezus ging in de tempel van God, en[^mattheus-21-12-13] dreef uit allen, die verkochten en kochten in de tempel, en keerde om de tafelen van[^mattheus-21-12-14] de bankiers, en de zitstoelen van degenen, die de duiven verkochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v12)

**13** En Hij zei tot hen: Er is geschreven:[^mattheus-21-13-g] Mijn huis zal een huis van het gebed genoemd worden; maar u hebt dat tot een[^mattheus-21-13-15] moordenaarskuil gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v13)

**14** En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel, en Hij genas dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v14)

**15** [^mattheus-21-15-h] Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de[^mattheus-21-15-16] wonderen, die Hij deed, en de kinderen, roepende in de tempel, en zeggende: Hosanna de Zoon van David! namen zij dat zeer kwalijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v15)

**16** En zeiden tot Hem:[^mattheus-21-16-17] Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen:[^mattheus-21-16-i] Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U Zich lof[^mattheus-21-16-18] toebereid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v16)

**17** En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar[^mattheus-21-17-19] Bethanië, en[^mattheus-21-17-20] overnachtte daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v17)

**18** [^mattheus-21-18-k] En vroeg in de morgen, als Hij keerde terug naar de stad, hongerde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v18)

**19** En ziende, een vijgeboom aan de weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets daaraan, dan alleen bladeren; en zei tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in de eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde meteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v19)

**20** En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo meteen verdord? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v20)

**21** Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-21-21-l] Als u[^mattheus-21-21-21] geloof had, en niet twijfelde, u zou niet alleen doen, wat de vijgeboom is gebeurd; maar als u ook tot deze berg zei: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v21)

**22** [^mattheus-21-22-m] En al wat u zult begeren in het gebed, gelovende, zult u ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v22)

**23** [^mattheus-21-23-n] En als Hij in de tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen van het volk, zeggende:[^mattheus-21-23-22][^mattheus-21-23-o] Door wat[^mattheus-21-23-23] macht doet U[^mattheus-21-23-24] deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v23)

**24** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een[^mattheus-21-24-25] woord vragen, dat als u Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v24)

**25** De[^mattheus-21-25-26] doop van Johannes, vanwaar was die,[^mattheus-21-25-27] uit de hemel, of uit de mensen? En zij[^mattheus-21-25-28] overlegden bij zichzelf en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v25)

**26** En als wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de menigte;[^mattheus-21-26-p] want zij houden allen Johannes voor een profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v26)

**27** En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v27)

**28** Maar wat denkt u? Een mens had twee[^mattheus-21-28-29] zonen, en gaande tot de[^mattheus-21-28-30] eerste, zei: Zoon! ga heen, werk vandaag in mijn wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v28)

**29** Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v29)

**30** En gaande tot de tweede, zei evenzo, en deze antwoordde en zei:[^mattheus-21-30-q] Ik ga, heer! en hij ging niet.[^mattheus-21-30-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v30)

**31** Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de[^mattheus-21-31-32] tollenaars en de hoeren u[^mattheus-21-31-33] voorgaan in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v31)

**32** [^mattheus-21-32-r] Want Johannes is tot u gekomen in[^mattheus-21-32-34] de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; maar u, dat ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v32)

**33** Hoor een andere gelijkenis.[^mattheus-21-33-s] Er was[^mattheus-21-33-35] een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een[^mattheus-21-33-36] tuin daarom, en groef een[^mattheus-21-33-37] wijnpersbak daarin, en bouwde een[^mattheus-21-33-38] toren, en[^mattheus-21-33-39] verhuurde die de landbouwers, en reisde buiten 's lands. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v33)

**34** Toen nu de tijd van de vruchten naderde,[^mattheus-21-34-40] zond hij zijn dienaren tot de landbouwers, om zijn vruchten te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v34)

**35** En de landbouwers, nemende zijn dienaren, hebben[^mattheus-21-35-41] de één geslagen, en de anderen gedood, en de derden[^mattheus-21-35-t] gestenigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v35)

**36** Opnieuw zond hij andere dienaren, meer in getal dan de eerste, en zij deden hun evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v36)

**37** En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v37)

**38** Maar de landbouwers, de zoon ziende, zeiden onder elkaar: [^mattheus-21-38-v] Deze is de erfgenaam,[^mattheus-21-38-x] komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v38)

**39** En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v39)

**40** Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij die landbouwers doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v40)

**41** Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwaden dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v41)

**42** Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften:[^mattheus-21-42-42][^mattheus-21-42-y] De steen, die de bouwers[^mattheus-21-42-43] verworpen hebben, deze is geworden tot een[^mattheus-21-42-44] hoeksteen; van de Heere is dit gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v42)

**43** Daarom zeg Ik u, dat[^mattheus-21-43-z] het Koninkrijk van God van u zal weggenomen worden,[^mattheus-21-43-a] en een volk gegeven, dat[^mattheus-21-43-45] zijn vruchten voortbrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v43)

**44** [^mattheus-21-44-b] En wie op deze steen[^mattheus-21-44-46] valt, die zal verpletterd worden; en[^mattheus-21-44-c] op wie hij[^mattheus-21-44-47] valt, die zal hij[^mattheus-21-44-48] vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v44)

**45** [^mattheus-21-45-d] En als de overpriesters en Farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v45)

**46** En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de menigten, omdat deze Hem hielden[^mattheus-21-46-e] voor een profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/21.html#v46)

[^mattheus-21-1-a]: Verwijzing a: Mark. 11:1 ; Lukas 19:29 . Marcus 11:1 : En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, Lukas 19:29 : En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanië gekomen was, aan de berg, genaamd de Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,
[^mattheus-21-1-1]: Kanttekening 1: Mark. 11:1 , en Luk. 19:29 , stelt hierbij Bethanië, welke waren twee vlekken of plaatsen bij elkaar gelegen aan de Olijfberg omtrent vijftien stadiën van Jeruzalem, gelijk te zien is Joh. 11:18 . Marcus 11:1 : En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, Lukas 19:29 : En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanië gekomen was, aan de berg, genaamd de Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond, Johannes 11:18 : (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.)
[^mattheus-21-1-2]: Kanttekening 2: Grieks, berg van de olijven; die gelegen was een sabbatsreis oostwaarts van Jeruzalem; Hand. 1:12 . Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^mattheus-21-2-3]: Kanttekening 3: en brengt haar tot mij: Anders, leidt haar.
[^mattheus-21-3-4]: Kanttekening 4: Anders, weer zenden; zo dat dit de woorden van Christus zouden zijn, die Hij de eigenaar van deze ezelin heeft doen aanzeggen.
[^mattheus-21-5-b]: Verwijzing b: Jes. 62:11 ; Zach. 9:9 ; Joh. 12:15 . Jesaja 62:11 : Ziet, YHWH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zegt van de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Zacharia 9:9 : Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen. Johannes 12:15 : Vrees niet, u dochter van Sion, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.
[^mattheus-21-5-5]: Kanttekening 5: van de dochter Zions: Dat is, de inwoners van de stad Jeruzalem, die zo genaamd worden omdat een gedeelte van Jeruzalem op de berg Zion gebouwd was; 2 Kon. 19:21 . En hierdoor wordt ook de kerk van God verstaan, van welke Jeruzalem en Zion voorbeelden waren. 2 Koningen 19:21 : Dit is het woord, dat YHWH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.
[^mattheus-21-5-6]: Kanttekening 6: Christus heeft eigenlijk op het veulen gezeten, gelijk blijkt uit Mark. 11:7 ; Luk. 19:35 , maar de ezelin wordt hier bijgevoegd, om te tonen dat het een veulen was, dat nog zijn moeder volgde, zodat niemand nog daarop gezeten had, gelijk de andere Evangelisten getuigen. Marcus 11:7 : En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun kleren daarop; en Hij zat op hetzelfde. Lukas 19:35 : En zij brachten hetzelfde tot Jezus. En hun kleren op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.
[^mattheus-21-5-7]: Kanttekening 7: Grieks, zoon.
[^mattheus-21-7-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 9:13 . 2 Koningen 9:13 : Toen haastten zij zich, en een iedereen nam zijn kleed, en legde het onder hem, op de hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
[^mattheus-21-7-d]: Verwijzing d: Joh. 12:14 . Johannes 12:14 : En Jezus vond een jonge ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:
[^mattheus-21-7-8]: Kanttekening 8: Namelijk op de kleren.
[^mattheus-21-8-9]: Kanttekening 9: spreidden hun kleren: Namelijk tot een teken van blijdschap en eer, die men gewoon was grote heren en koningen daarmee te bewijzen. Zie 2 Kon. 9:13 . 2 Koningen 9:13 : Toen haastten zij zich, en ieder nam zijn kleed, en legde het onder hem, op de hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
[^mattheus-21-9-10]: Kanttekening 10: Hosanna de Zoon van David: Het woord Hosanna, genomen uit Ps. 118:25 , is een Hebreeuws woord, van twee één gemaakt, en betekent zoveel als: behoed toch, of geef toch geluk en voorspoed. Psalmen 118:25 : Och YHWH! geef nu heil; och YHWH! geef nu voorspoed.
[^mattheus-21-9-11]: Kanttekening 11: is Hij: Of, zij, Hij.
[^mattheus-21-9-e]: Verwijzing e: Ps. 118:25 ; idem v. 26 . Psalmen 118:25 : Och YHWH! geef nu heil; och YHWH! geef nu voorspoed. Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.
[^mattheus-21-9-12]: Kanttekening 12: naam van de Heer: Dat is, gezonden van de Heer om, volgens zijn beloften, zijn werk uit te voeren; Luk. 1:32 , 1:33 . Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^mattheus-21-12-f]: Verwijzing f: Deut. 14:26 ; Mark. 11:15 ; Lukas 19:45 ; Joh. 2:14 . Deuteronomium 14:26 : En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet daar voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, en weest vrolijk, u en uw huis. Marcus 11:15 : En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in de tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in de tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen van de wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om; Lukas 19:45 : En gegaan zijnde in de tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, Johannes 2:14 : En Hij vond in de tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.
[^mattheus-21-12-13]: Kanttekening 13: dreef uit allen: Grieks, wierp uit.
[^mattheus-21-12-14]: Kanttekening 14: wisselaars om: Deze wisselaars en verkopers werden, buiten Gods bevel, door de overpriesters toegelaten in de tempel, wel onder de schijn om de godsdienst te bevorderen, maar inderdaad uit gierigheid, opdat het volk altijd gangbaar geld en beesten hebben mocht tot de offeranden, waarvan zij hun voordeel hadden.
[^mattheus-21-13-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 8:29 ; Jes. 56:7 ; Jer. 7:11 ; Lukas 19:46 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Jesaja 56:7 : Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. Jeremia 7:11 : Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH. Lukas 19:46 : Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt.
[^mattheus-21-13-15]: Kanttekening 15: moordenaarskuil gemaakt: Of, rovers, straatschenders; want gelijk de rovers hun spelonken plegen te hebben in de rotsstenen, waar zij hun roof brachten en deelden, zo deden ook de priesters in de tempel. Deze woorden zijn genomen uit Jer. 7:11 . Jeremia 7:11 : Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH.
[^mattheus-21-15-h]: Verwijzing h: Mark. 11:27 . Marcus 11:27 : En zij kwamen opnieuw te Jeruzalem. En als Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen.
[^mattheus-21-15-16]: Kanttekening 16: Grieks, wonderlijke, namelijk daden.
[^mattheus-21-16-17]: Kanttekening 17: Hoort u wel : Dit zeggen zij als bij manier van bestraffing, dat Hij de kinderen niet deed zwijgen.
[^mattheus-21-16-i]: Verwijzing i: Ps. 8:3 . Psalmen 8:3 : Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenpartijen, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden.
[^mattheus-21-16-18]: Kanttekening 18: Of, volmaakt.
[^mattheus-21-17-19]: Kanttekening 19: Van Bethanië zie de aantekening op het eerste vers.
[^mattheus-21-17-20]: Kanttekening 20: overnachtte daar: Of, logeerde daar, en nam daar zijn herberg.
[^mattheus-21-18-k]: Verwijzing k: Mark. 11:12 ; idem v. 20 . Marcus 11:12 : En van de anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde Hem. Marcus 11:20 : En van de morgen vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.
[^mattheus-21-21-l]: Verwijzing l: Matt. 17:20 ; Lukas 17:6 . Mattheüs 17:20 : En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Lukas 17:6 : En de Heer zei: Zo u een geloof hadt als een mostaardzaad, u zoudt tegen deze moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.
[^mattheus-21-21-21]: Kanttekening 21: Van dit geloof, zie tevoren Matt. 17:20 . Mattheüs 17:20 : En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.
[^mattheus-21-22-m]: Verwijzing m: Matt. 7:7 ; Mark. 11:24 ; Lukas 11:9 ; Joh. 14:13 ; Joh. 16:24 ; Jak. 1:5 ; 1 Joh. 3:22 . Mattheüs 7:7 : Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Marcus 11:24 : Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die u biddende begeert, gelooft, dat u ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. Lukas 11:9 : En Ik zeg u: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Johannes 14:13 : En zo wat u begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Johannes 16:24 : Tot nog toe hebt u niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. Jakobus 1:5 : En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iedereen mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. 1 Johannes 3:22 : En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem.
[^mattheus-21-23-n]: Verwijzing n: Mark. 11:27 ; Lukas 20:1 . Marcus 11:27 : En zij kwamen opnieuw te Jeruzalem. En als Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. Lukas 20:1 : En het geschiedde in één van die dagen, als Hij in de tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,
[^mattheus-21-23-22]: Kanttekening 22: Grieks, in.
[^mattheus-21-23-o]: Verwijzing o: Ex. 2:14 ; Hand. 4:7 ; Hand. 7:27 . Exodus 2:14 : Hij dan zei: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt u dit, om mij te doden, gelijk u de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Werkelijk, deze zaak is bekend geworden! Handelingen 4:7 : En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt u dit gedaan? Handelingen 7:27 : En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
[^mattheus-21-23-23]: Kanttekening 23: Of, autoriteit.
[^mattheus-21-23-24]: Kanttekening 24: deze dingen: Namelijk die tevoren beschreven zijn.
[^mattheus-21-24-25]: Kanttekening 25: woord vragen: Dat is, zaak.
[^mattheus-21-25-26]: Kanttekening 26: doop van Johannes: Dat is, de leer van Johannes door zijn doop bevestigd. Met deze vraag beantwoordt Christus de vraag van de overpriesters, omdat Johannes, wiens leer uit de hemel was, getuigenis van Hem gegeven had dat Hij de ware Messias was; gelijk ook God, de Vader zelf, toen Christus door Johannes gedoopt werd.
[^mattheus-21-25-27]: Kanttekening 27: Uit de hemel: Dat is, van God; Luk. 15:18 . Lukas 15:18 : Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u;
[^mattheus-21-25-28]: Kanttekening 28: bij zichzelven: Of, onder elkaar.
[^mattheus-21-26-p]: Verwijzing p: Matt. 14:5 ; Mark. 6:20 . Mattheüs 14:5 : En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet. Marcus 6:20 : Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem graag.
[^mattheus-21-28-29]: Kanttekening 29: Grieks, kinderen.
[^mattheus-21-28-30]: Kanttekening 30: Door de eerste zoon worden verstaan de openbare zondaars, die, zich bekerende, het Evangelie gehoorzaam zijn.
[^mattheus-21-30-q]: Verwijzing q: Ez. 33:31 . Ezechiël 33:31 : En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.
[^mattheus-21-30-31]: Kanttekening 31: Door de tweede zoon worden verstaan degenen, die belijdenis doen van God te dienen, en nochtans in waarheid zulks niet doen.
[^mattheus-21-31-32]: Kanttekening 32: tollenaars en de hoeren: Namelijk bekeerd zijnde.
[^mattheus-21-31-33]: Kanttekening 33: voorgaan in het koninkrijk van God: Dat is, zij bekeren zich en nemen het Evangelie aan, daar u, onbekeerd zijnde en blijvende, hetzelfde verwerpt; en zullen dienvolgens ook in de hemel ingaan, waar u zult uitgesloten worden. Zie Matt. 25:12 . Mattheüs 25:12 : En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet.
[^mattheus-21-32-r]: Verwijzing r: Matt. 3:1 . Mattheüs 3:1 : En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,
[^mattheus-21-32-34]: Kanttekening 34: weg van de gerechtigheid: Dat is, de rechte weg van de zaligheid lerende en in dezelfde wandelende.
[^mattheus-21-33-s]: Verwijzing s: Ps. 80:9 ; Jes. 5:1 ; Jer. 2:21 ; Jer. 12:10 ; Mark. 12:1 ; Lukas 20:9 . Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jeremia 2:21 : Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok? Jeremia 12:10 : Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis. Marcus 12:1 : En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Lukas 20:9 : En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok een langen tijd buiten 's lands.
[^mattheus-21-33-35]: Kanttekening 35: een heer van het huis: Grieks, een mens, die een heer van het huisgezin was.
[^mattheus-21-33-36]: Kanttekening 36: Of, heining, heg, haag.
[^mattheus-21-33-37]: Kanttekening 37: Namelijk waarin de wijn onder de pers inloopt en vergaderd wordt.
[^mattheus-21-33-38]: Kanttekening 38: Namelijk om de gehele wijngaard te overzien en die te bewaken.
[^mattheus-21-33-39]: Kanttekening 39: Grieks, gaf die uit.
[^mattheus-21-34-40]: Kanttekening 40: zond hij: In deze gelijkenis wordt God vergeleken met een huisvader; de Joodse gemeente met een wijngaard; de priesters en schriftgeleerden met de landbouwers; de profeten en getrouwe leraren met de dienaren; Christus met de zoon van de huisvader; en het geloof en de gehoorzaamheid met de vruchten, welke, mits zij die niet voortbrachten, zo wordt hun ondergang door de Romeinen bedreigd en de roeping van de heidenen in hun plaats voorzegd. Zie dergelijke gelijkenis Ps. 80:9 ; Jes. 5:1 ; Jer. 12:10 . Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jeremia 12:10 : Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis.
[^mattheus-21-35-41]: Kanttekening 41: de één geslagen: Zie hiervan Hebr. 11:36 , 11:37 . Hebreeën 11:36 : En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis; Hebreeën 11:37 : Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;
[^mattheus-21-35-t]: Verwijzing t: 2 Kron. 24:21 . 2 Kronieken 24:21 : En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in het voorhof van het huis van YHWH.
[^mattheus-21-38-v]: Verwijzing v: Ps. 2:8 ; Hebr. 1:2 . Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Hebreeën 1:2 : Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^mattheus-21-38-x]: Verwijzing x: Gen. 37:18 ; Ps. 2:1 ; Matt. 26:3 ; Matt. 27:1 ; Joh. 11:53 . Genesis 37:18 : En zij zagen hem van verre; en voordat hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden. Psalmen 2:1 : Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? Mattheüs 26:3 : Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het volk, in de zaal van de hogepriesters, die genaamd was Kajafas; Mattheüs 27:1 : Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen van het volk te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. Johannes 11:53 : Van die dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.
[^mattheus-21-42-42]: Kanttekening 42: De steen: Deze steen is Christus, 1 Petr. 2:4 , welke de bouwers, dat is de schriftgeleerden en overpriesters, verworpen hebben. 1 Petrus 2:4 : Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
[^mattheus-21-42-y]: Verwijzing y: Ps. 118:22 ; Jes. 8:14 ; Jes. 28:16 ; Mark. 12:10 ; Lukas 20:17 ; Hand. 4:11 ; Rom. 9:33 ; 1 Petr. 2:6 . Psalmen 118:22 : De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem. Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Marcus 12:10 : Hebt u ook deze Schrift niet gelezen: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; Lukas 20:17 : Maar Hij zag hen aan, en zei: Wat is dan dit, dat geschreven staat: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden? Handelingen 4:11 : Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Welke tot een hoeksteen geworden is. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^mattheus-21-42-43]: Kanttekening 43: verworpen hebben: Grieks, afgekeurd.
[^mattheus-21-42-44]: Kanttekening 44: hoeksteen: Dat is, de uiterste hoeksteen, op welke twee muren vast staan en aan elkaar gehecht worden, namelijk de gemeente uit de Joden en heidenen bijeengebracht. Zie Ef. 2:13 , 2:20 en 1 Petr. 2:7 , 2:8 . Efeziërs 2:13 : Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; 1 Petrus 2:8 : Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^mattheus-21-43-z]: Verwijzing z: Ex. 32:10 ; Matt. 8:12 . Exodus 32:10 : En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden.
[^mattheus-21-43-a]: Verwijzing a: Jes. 55:5 . Jesaja 55:5 : Ziet, u zult een volk roepen, dat u niet kende, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om de uws van YHWH Gods wil, en om van de Heiligen Israëls wil, want Hij heeft u verheerlijkt.
[^mattheus-21-43-45]: Kanttekening 45: zijne vruchten voortbrengt: Namelijk van het koninkrijk van de hemelen; dat is die het koninkrijk betamen.
[^mattheus-21-44-b]: Verwijzing b: Jes. 8:15 ; Zach. 12:3 ; Lukas 20:18 . Jesaja 8:15 : En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. Zacharia 12:3 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen alle volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen. Lukas 20:18 : Een iedereen, die op die steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
[^mattheus-21-44-46]: Kanttekening 46: Namelijk door verachting of ongeloof, 1 Petr. 2:8 . 1 Petrus 2:8 : Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^mattheus-21-44-c]: Verwijzing c: Dan. 2:34 . Daniël 2:34 : Dit zaagt u, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
[^mattheus-21-44-47]: Kanttekening 47: Namelijk door de last van zijn oordeel of van zijn straf.
[^mattheus-21-44-48]: Kanttekening 48: Grieks, wannen; dat is zo klein verbrijzelen, dat men het zou kunnen wannen of ziften; Ps. 2:9 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
[^mattheus-21-45-d]: Verwijzing d: Lukas 20:19 . Lukas 20:19 : En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten op dat moment de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.
[^mattheus-21-46-e]: Verwijzing e: Lukas 7:16 ; Joh. 7:40 . Lukas 7:16 : En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. Johannes 7:40 : Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.

### Mattheüs 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/22.json)

*1 De gelijkenis van een bruiloft, waartoe de eerstgenodigden weigerden te komen 8 en daarom worden anderen in hun plaats genodigd. 11 Een van hen, die zonder bruiloftskleed verschijnt, wordt uitgeworpen. 15 Christus antwoordt op de vraag van de Farizeeën en Herodianen of men de keizer belasting mag geven, 23 op de vraag van de Sadduceeën over de vrouw die zeven mannen had gehad; en Hij bewijst tegen hen de opstanding uit de doden. 35 Hij verklaart welk het grootste gebod in de wet is 41 en dat de Messias niet alleen de zoon van David, maar ook zijn Heere is.*

**1** En Jezus, antwoordende, sprak tot hen opnieuw door gelijkenissen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v1)

**2** [^mattheus-22-2-a] Het Koninkrijk van de hemelen[^mattheus-22-2-1] is gelijk aan[^mattheus-22-2-2] een zeker koning, die zijn zoon een[^mattheus-22-2-3] bruiloft bereid had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v2)

**3** En zond zijn[^mattheus-22-3-4] dienaren uit, om de[^mattheus-22-3-5] genodigden ter bruiloft[^mattheus-22-3-6] te roepen; en zij wilden niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v3)

**4** Opnieuw zond hij[^mattheus-22-4-7] andere dienaren uit, zeggende: Zeg de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn[^mattheus-22-4-8] gereed; kom tot de bruiloft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v4)

**5** Maar zij, dat niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v5)

**6** En de anderen grepen zijn dienaren, deden hun smaad aan, en doodden hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v6)

**7** Als nu de koning dat hoorde, werd hij boos, en zijn[^mattheus-22-7-9] legers zendende, heeft die moordenaars vernield, en hun stad in brand gestoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v7)

**8** Toen zei hij tot zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het[^mattheus-22-8-10] niet waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v8)

**9** Daarom gaat op de[^mattheus-22-9-11] uitgangen van de wegen, en[^mattheus-22-9-12] zovelen als u er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v9)

**10** En dezelfde dienaren, uitgaande op de wegen, verzamelden allen, die zij vonden, zowel kwaden als goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v10)

**11** En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te[^mattheus-22-11-13] overzien, zag hij daar een mens, niet gekleed zijnde met een[^mattheus-22-11-14] bruiloftskleed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v11)

**12** En zei tot hem:[^mattheus-22-12-15] Vriend! hoe bent u hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij[^mattheus-22-12-16] verstomde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v12)

**13** Toen zei de koning tot[^mattheus-22-13-17] de dienaren: Bind zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de[^mattheus-22-13-18] buitenste duisternis;[^mattheus-22-13-b] daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v13)

**14** [^mattheus-22-14-19] Want[^mattheus-22-14-c] velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v14)

**15** [^mattheus-22-15-d] Toen gingen de Farizeën heen, en hielden samen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden[^mattheus-22-15-20] in Zijn rede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v15)

**16** En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de[^mattheus-22-16-21] Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in van de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan;[^mattheus-22-16-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v16)

**17** Zeg ons dan: wat denkt U? Is het geoorloofd, de keizer[^mattheus-22-17-23] belasting te geven of niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v17)

**18** Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v18)

**19** U huichelaars, wat verzoekt u Mij? Toon Mij de[^mattheus-22-19-24] schattingpenning. En zij brachten Hem een penning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v19)

**20** En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v20)

**21** Zij zeiden tot Hem: van de keizer. Toen zei Hij tot hen:[^mattheus-22-21-e] Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v21)

**22** En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v22)

**23** [^mattheus-22-23-f] Op dezelfde dag kwamen tot Hem de[^mattheus-22-23-25] Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v23)

**24** Zeggende: Meester![^mattheus-22-24-g] Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen[^mattheus-22-24-26] kinderen hebbende, zo zal zijn broer zijn vrouw[^mattheus-22-24-27] trouwen, en zijn broer zaad verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v24)

**25** Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en omdat hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v25)

**26** Evenzo ook de tweede, en de derde, tot de[^mattheus-22-26-28] zevende toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v26)

**27** Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v27)

**28** In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v28)

**29** Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v29)

**30** Want in de opstanding[^mattheus-22-30-29] nemen zij niet ten huwelijk, noch worden[^mattheus-22-30-30] ten huwelijk uitgegeven;[^mattheus-22-30-h] maar zij zijn[^mattheus-22-30-31] als engelen van God in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v30)

**31** En wat betreft de opstanding van de doden, hebt u niet gelezen, wat van God tot u gesproken is, Die daar zegt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v31)

**32** [^mattheus-22-32-i] Ik ben[^mattheus-22-32-32] de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v32)

**33** En de menigten, dit[^mattheus-22-33-k] horende, werden verslagen over Zijn leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v33)

**34** [^mattheus-22-34-l] En de Farizeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceën de mond gestopt had, zijn samen bijeenvergaderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v34)

**35** [^mattheus-22-35-m] En één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v35)

**36** Meester! welk is het[^mattheus-22-36-33] grote gebod in de wet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v36)

**37** En Jezus zei tot hem:[^mattheus-22-37-n] U zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw[^mattheus-22-37-34] verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v37)

**38** Dit is het eerste en het grote gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v38)

**39** En het tweede aan dit[^mattheus-22-39-o] gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v39)

**40** Aan deze twee geboden hangt[^mattheus-22-40-35] de hele wet en de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v40)

**41** [^mattheus-22-41-p] Als nu de Farizeën samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v41)

**42** En zei: Wat denkt u van[^mattheus-22-42-36] de Christus? Van wie is Hij de Zoon? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v42)

**43** Hij zei tot hen: Hoe noemt Hem dan David,[^mattheus-22-43-37] in de Geest, zijn Heere? zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v43)

**44** [^mattheus-22-44-q]De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan[^mattheus-22-44-38] Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v44)

**45** [^mattheus-22-45-39] Als Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v45)

**46** En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van die dag aan iets meer vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/22.html#v46)

[^mattheus-22-2-a]: Verwijzing a: Lukas 14:16 ; Openb. 19:7 . Lukas 14:16 : Maar Hij zei tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen. Openbaring 19:7 : Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid.
[^mattheus-22-2-1]: Kanttekening 1: is gelijk: Door deze gelijkenis wordt voor ogen gesteld de grote ondankbaarheid van de Joden, die, van God door de predikatie van het Evangelie tot de gemeenschap zijns Zoons en van de zaligheid geroepen zijnde, dezelfde veracht hebben en daarom zwaar gestraft en verworpen zouden worden en dat de heidenen daarna in hun plaats zouden worden geroepen.
[^mattheus-22-2-2]: Kanttekening 2: een zeker koning: Grieks, een mens (βασιλεία), die een koning was; dat is God de Vader.
[^mattheus-22-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, de genadige en geestelijke gemeenschap met Christo en de eeuwige zaligheid.
[^mattheus-22-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk de profeten en trouwe priesters.
[^mattheus-22-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk de Joden.
[^mattheus-22-3-6]: Kanttekening 6: te roepen: Dat is, te halen.
[^mattheus-22-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk de apostelen, evangelisten en andere leraren van het heilig Evangelie.
[^mattheus-22-4-8]: Kanttekening 8: Zo Christus nu in het vlees gekomen was om het werk van de zaligheid dadelijk te volbrengen.
[^mattheus-22-7-9]: Kanttekening 9: Welke de Romeinen zijn geweest, die God heeft gebruikt om deze straf hun aan te doen, hoewel zij zulks niet voorhadden, gelijk Jes. 10:7 . Jesaja 10:7 : Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.
[^mattheus-22-8-10]: Kanttekening 10: niet waard: Zie Hand. 13:46 . Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^mattheus-22-9-11]: Kanttekening 11: uitgangen van de wegen: Of wegscheidingen; dat is, in alle delen en landen van de wereld; Rom. 10:18 . Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
[^mattheus-22-9-12]: Kanttekening 12: Dat is, van allerlei soorten, zonder onderscheid.
[^mattheus-22-11-13]: Kanttekening 13: Namelijk als het uiterste oordeel zal gehouden worden. Zie vers 13 . Mattheüs 22:13 : Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden.
[^mattheus-22-11-14]: Kanttekening 14: Dit bruiloftskleed is Christus met zijn gerechtigheid, aangenomen door een waar geloof, dat door de werken van de liefde krachtig is en betoond wordt. Rom. 13:14 , Gal. 3:26 , 27, Openb. 19:8 . Romeinen 13:14 : Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Galaten 3:26 : Want u bent allen kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. Openbaring 19:8 : En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen.
[^mattheus-22-12-15]: Kanttekening 15: Grieks, gezel .
[^mattheus-22-12-16]: Kanttekening 16: Namelijk als een die gemuilband is.
[^mattheus-22-13-17]: Kanttekening 17: de dienaren: Namelijk die aan de tafel dienden; waardoor verstaan worden de engelen. Zie Matt. 13:41 , 13:42 . Mattheüs 13:41 : De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen; Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^mattheus-22-13-18]: Kanttekening 18: buitenste duisternis: Zie hiervan Matt. 8:12 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden.
[^mattheus-22-13-b]: Verwijzing b: Matt. 8:12 ; Matt. 13:42 ; Matt. 24:51 ; Matt. 25:30 ; Lukas 13:28 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 25:30 : En werpt de onnutten dienaar uit in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^mattheus-22-14-19]: Kanttekening 19: Want velen: Dit besluit ziet niet alleen op deze ene, die als een voorbeeld is van alle huichelaars, maar ook op de menigte dergenen, die tevoren uitgenodigd zijnde zulks hebben veracht. Matt. 20:16 . Mattheüs 20:16 : Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
[^mattheus-22-14-c]: Verwijzing c: Matt. 20:16 . Mattheüs 20:16 : Zo zullen de laatsten de eerste zijn, en de eerste de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
[^mattheus-22-15-d]: Verwijzing d: Mark. 12:13 ; Lukas 20:20 . Marcus 12:13 : En zij zonden tot Hem enige van de Farizeën en van de Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. Lukas 20:20 : En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht van de stadhouders over te leveren.
[^mattheus-22-15-20]: Kanttekening 20: in Zijn rede: Of, met hun reden . Zie Mark. 12:13 . Marcus 12:13 : En zij zonden tot Hem enige van de Farizeën en van de Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
[^mattheus-22-16-21]: Kanttekening 21: Sommige oude leraars menen dat deze Herodianen een bijzondere sekte waren, die ene mengeling uit de Joodse en de heidense godsdienst, van Herodes de Grote ingevoerd, toestonden en navolgden. Dat overeenkomt met Mark. 8:15 . Anderen menen dat zij ook hovelingen of dienaren waren van Herodes Antipas, die deze schattingen voor de keizer vergaderden, en aan degenen, die zulke schatting zouden weigeren of ontkennen geoorloofd te zijn, de handen sloegen, dat uit de woorden van Luk. 20:20 , afgenomen wordt. Marcus 8:15 : En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van de zuurdesem van de Farizeën, en van de zuurdesem van Herodes. Lukas 20:20 : En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht van de stadhouder over te leveren.
[^mattheus-22-16-22]: Kanttekening 22: Grieks, aangezicht , dat is, de uiterlijke gestalte of gelegenheid van de mensen, gelijk daar is macht, rijkdom, familie, of dergelijke.
[^mattheus-22-17-23]: Kanttekening 23: Of, belasting.
[^mattheus-22-19-24]: Kanttekening 24: Dit was een stuk geld van de Romeinen, genaamd denarius, gelijk in het laatste van dit vers uitgedrukt wordt waarop het beeld van de Romeinse keizer en de naam gemunt was; welke, en geen andere munt, men tot schatting geven moest, opdat daardoor zou blijken dat zij onder de heerschappij van het Romeinse rijk stonden, gelijk zij ook plachten de schatting van de tempel te betalen met een halven sikkel van het heiligdom, op welke aan de ene zijde stond: de sikkel Israëls, en op de andere zijde: het heilige Jeruzalem. Van de denarius, zie Matt. 18:28 . Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^mattheus-22-21-e]: Verwijzing e: Matt. 17:25 ; Rom. 13:7 . Mattheüs 17:25 : Hij zei: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat denkt u, Simon! de koningen van de aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden? Romeinen 13:7 : Zo geeft dan een iedereen, wat u schuldig bent; schatting, die u de schatting, tol, die u de tol, vreze, die u de vreze, eer, die u de eer schuldig bent.
[^mattheus-22-23-f]: Verwijzing f: Mark. 12:18 ; Lukas 20:27 ; Hand. 23:8 . Marcus 12:18 : En de Sadduceën kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Lukas 20:27 : En tot Hem kwamen sommigen van de Sadduceën, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^mattheus-22-23-25]: Kanttekening 25: Van de sekte van de Sadduceën zie breder Hand. 23:8 . Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^mattheus-22-24-g]: Verwijzing g: Deut. 25:5 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van van een man broer.
[^mattheus-22-24-26]: Kanttekening 26: kinderen hebbende: Dat is, zonen; mits hij voor zijn broer zaad moest verwekken, dat de naam van zijn broer zou voeren en zijn erfgenaam wezen; Deut. 25:5 , 25:6 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man. Deuteronomium 25:6 : En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal staan in de naam van zijn broer, van de verstorvene; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël.
[^mattheus-22-24-27]: Kanttekening 27: Grieks, uit recht van de zwagerschap tot ene huisvrouw nemen.
[^mattheus-22-26-28]: Kanttekening 28: zevende toe: Grieks, tot de zeven toe.
[^mattheus-22-30-29]: Kanttekening 29: nemen zij niet: Namelijk de mannen.
[^mattheus-22-30-30]: Kanttekening 30: worden niet ten huwelijk uitgegeven: Namelijk de vrouwen.
[^mattheus-22-30-h]: Verwijzing h: 1 Joh. 3:2 . 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^mattheus-22-30-31]: Kanttekening 31: als engelen van God: Niet ten aanzien van het wezen, maar aangaande het huwelijk en de natuurlijke eigenschappen van dit vergankelijke leven. Zie 1 Kor. 15:44 ; Filipp. 3:21 . 1 Korinthiërs 15:44 : Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. Filippensen 3:21 : Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^mattheus-22-32-i]: Verwijzing i: Ex. 3:6 . Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.
[^mattheus-22-32-32]: Kanttekening 32: de God van Abraham: Iemands god te zijn, is iemand de eeuwige zaligheid naar lichaam en ziel te willen geven; zie Ps. 33:12 , en Ps. 144:15 , waaruit volgt dat deze patriarchen naar de ziel bij God leefden \[dat deze Sadduceën ook ontkenden, Hand. 23:8 \] en ook naar deze lichamen opstaan zouden en eeuwig leven, mits Hij een God, niet alleen van een deel van hen, maar van hun gehele personen genaamd wordt. Psalmen 33:12 : Welgelukzalig is het volk, welks God YHWH is; het volk, dat Hij Zich ten erve gekozen heeft. Psalmen 144:15 : Welgelukzalig is het volk, die het zo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God YHWH is. Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^mattheus-22-33-k]: Verwijzing k: Matt. 7:28 . Mattheüs 7:28 : En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;
[^mattheus-22-34-l]: Verwijzing l: Mark. 12:28 . Marcus 12:28 : En één van de Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle?
[^mattheus-22-35-m]: Verwijzing m: Lukas 10:25 . Lukas 10:25 : En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?
[^mattheus-22-36-33]: Kanttekening 33: grote gebod in de wet: Dat is, grootste.
[^mattheus-22-37-n]: Verwijzing n: Deut. 6:5 ; Deut. 10:12 ; Deut. 30:6 ; Lukas 10:27 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen. Deuteronomium 10:12 : Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God, te dienen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel; Deuteronomium 30:6 : En YHWH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw gehele hart en met uw gehele ziel, opdat u levet. Lukas 10:27 : En hij, antwoordende, zei: U zult de Heer, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.
[^mattheus-22-37-34]: Kanttekening 34: Of, gedachte; dat is, overlegging van het verstand.
[^mattheus-22-39-o]: Verwijzing o: Lev. 19:18 ; Mark. 12:31 ; Rom. 13:9 ; Galat. 5:14 ; Efez. 5:2 ; 1 Thes. 4:9 ; Jak. 2:8 . Leviticus 19:18 : U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Marcus 12:31 : En het tweede aan dit gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. 1 Thessalonicensen 4:9 : Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. Jakobus 2:8 : Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet u wel;
[^mattheus-22-40-35]: Kanttekening 35: de gehele wet: Dat is hierin, als een hoofdsom, zijn alle geboden van de wet en verklaringen van de profeten over dezelfde vervat. Zie Rom. 13:10 ; 1 Tim. 1:5 . Romeinen 13:10 : De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling van de wet. 1 Timotheüs 1:5 : Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.
[^mattheus-22-41-p]: Verwijzing p: Mark. 12:35 ; Lukas 20:41 . Marcus 12:35 : En Jezus antwoordde en zei, lerende in de tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is? Lukas 20:41 : En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?
[^mattheus-22-42-36]: Kanttekening 36: de Christus: Dat is, van de beloofden Messias of Gezalfde.
[^mattheus-22-43-37]: Kanttekening 37: in de geest, zijn Heer: Dat is, door de Heilige Geest gedreven zijnde. Zie 2 Petr. 1:21 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^mattheus-22-44-q]: Verwijzing q: Ps. 110:1 ; Hand. 2:34 ; 1 Kor. 15:25 ; Hebr. 1:13 ; Hebr. 10:13 . Psalmen 110:1 : Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Handelingen 2:34 : Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Hebreeën 1:13 : En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? Hebreeën 10:13 : Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijn voeten.
[^mattheus-22-44-38]: Kanttekening 38: rechter hand : Van de rechterhand zie Matt. 20:21 . Mattheüs 20:21 : En Hij zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.
[^mattheus-22-45-39]: Kanttekening 39: Als Hem dan: Zie hiervan de verklaring Luk. 20:44 . Lukas 20:44 : David dan noemt Hem zijn Heer; en hoe is Hij zijn Zoon?

### Mattheüs 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/23.json)

*1 Christus vermaant Zijn toehoorders dat zij zullen volgen wat de schriftgeleerden en Farizeeën hun uit Mozes leren, en niet hun werken. 5 Hij beschrijft hun huichelarij en eerzucht 8 en vermaant de Zijnen zich daarvoor te wachten en naar nederigheid te streven. 13 Hij verkondigt het wee achtmaal over de Farizeeën en schriftgeleerden, om verscheidene van hun boze daden, namelijk dat zij de hemel sloten voor de mensen, 14 de huizen van de weduwen opaten, 15 slechte Jodengenoten maakten, 16 verkeerd leerden zweren bij de tempel, het altaar en de hemel, 23 kleine dingen vertiendden en het zwaarste van de wet nalieten, 25 dat zij het buitenste reinigden en niet het hart, 27 gelijk zijnde aan witgekalkte graven, 29 dat zij de graven van de oude profeten optimmerden en de nieuwe zochten te doden. 37 Hij klaagt over de hardnekkigheid van de stad Jeruzalem en voorzegt haar ondergang.*

**1** Toen sprak Jezus tot de menigten en tot Zijn discipelen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v1)

**2** Zeggende:[^mattheus-23-2-a] De Schriftgeleerden en de Farizeën zijn gezeten op de stoel van Mozes;[^mattheus-23-2-1] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v2)

**3** [^mattheus-23-3-b] Daarom,[^mattheus-23-3-2] al wat zij u zeggen, dat u houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken;[^mattheus-23-3-c] want zij zeggen het, en doen het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v3)

**4** [^mattheus-23-4-d] Want zij[^mattheus-23-4-3] binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v4)

**5** En al hun werken doen zij,[^mattheus-23-5-e] om van de mensen gezien te worden; want zij maken[^mattheus-23-5-f] hun[^mattheus-23-5-4] gebedsriemen breed, en maken de[^mattheus-23-5-5] zomen van hun kleren groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v5)

**6** [^mattheus-23-6-g] En zij houden van de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v6)

**7** Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen[^mattheus-23-7-h] genoemd te worden:[^mattheus-23-7-6] Rabbi, Rabbi! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v7)

**8** Maar u zult niet[^mattheus-23-8-7] Rabbi genoemd worden; want Eén is uw[^mattheus-23-8-8] Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v8)

**9** En u zult niemand uw vader noemen op de aarde;[^mattheus-23-9-i] want[^mattheus-23-9-9] Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v9)

**10** Noch zult u meesters genoemd worden; want[^mattheus-23-10-10] Eén is uw Meester, namelijk Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v10)

**11** [^mattheus-23-11-k] Maar de[^mattheus-23-11-11] meeste van u zal uw dienaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v11)

**12** [^mattheus-23-12-l] En wie zichzelf verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, die zal verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v12)

**13** [^mattheus-23-13-m] Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch[^mattheus-23-13-12] degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v13)

**14** [^mattheus-23-14-n] Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder[^mattheus-23-14-13] de schijn[^mattheus-23-14-14] van lang te bidden; daarom zult u te[^mattheus-23-14-15] zwaarder oordeel ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v14)

**15** Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u omreist zee en[^mattheus-23-15-16] land, om een[^mattheus-23-15-17] Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt u hem een[^mattheus-23-15-18] kind van de hel, tweemaal meer dan u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v15)

**16** Wee u, u blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij de tempel,[^mattheus-23-16-19] dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud van de tempel, die is schuldig.[^mattheus-23-16-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v16)

**17** [^mattheus-23-17-21] U dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v17)

**18** En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij[^mattheus-23-18-22] de gave, die daarop is, die is schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v18)

**19** U dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of[^mattheus-23-19-o] het altaar, dat de gave heiligt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v19)

**20** Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelfde, en bij al wat daarop is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v20)

**21** [^mattheus-23-21-p] En wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij, en bij[^mattheus-23-21-23] Die, Die daarin woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v21)

**22** [^mattheus-23-22-q] En wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God, en bij Die, Die daarop zit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v22)

**23** [^mattheus-23-23-r] Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u[^mattheus-23-23-24] vertient[^mattheus-23-23-25] de munte, en de dille, en de komijn,[^mattheus-23-23-s] en u laat na[^mattheus-23-23-26] het zwaarste van de wet,[^mattheus-23-23-27] namelijk het oordeel, en[^mattheus-23-23-28] de barmhartigheid, en[^mattheus-23-23-29] het geloof.[^mattheus-23-23-t] Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v23)

**24** U blinde leidslieden, die de[^mattheus-23-24-30] mug uitzijgt, en de kameel doorzwelgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v24)

**25** [^mattheus-23-25-v] Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbeker, en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol[^mattheus-23-25-31] van roof en onmatigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v25)

**26** U blinde Farizeër,[^mattheus-23-26-32] reinig eerst[^mattheus-23-26-x] wat binnen in de drinkbeker en de schotel is, opdat ook het buitenste daarvan rein wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v26)

**27** Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent[^mattheus-23-27-y] de witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v27)

**28** Zo ook schijnt u wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol huichelarij en ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v28)

**29** [^mattheus-23-29-z] Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten op, en versiert de[^mattheus-23-29-33] graftekenen van de rechtvaardigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v29)

**30** En zegt: Als wij[^mattheus-23-30-34] in de tijden van onze vaders waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben[^mattheus-23-30-35] aan het bloed van de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v30)

**31** Zo getuigt u tegen[^mattheus-23-31-a] uzelf, dat u[^mattheus-23-31-36] kinderen bent van degenen, die de profeten gedood hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v31)

**32** U dan[^mattheus-23-32-37] ook, vervult de mate van uw vaders! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v32)

**33** [^mattheus-23-33-b] U[^mattheus-23-33-38] slangen, u adderengebroed! hoe zou u de[^mattheus-23-33-39] helse verdoemenis ontvluchten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v33)

**34** [^mattheus-23-34-c] Daarom ziet,[^mattheus-23-34-d] Ik zend tot u profeten, en wijzen, en[^mattheus-23-34-40] schriftgeleerden, en daaruit zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen daaruit zult[^mattheus-23-34-e] u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v34)

**35** Opdat op u kome al het rechtvaardige[^mattheus-23-35-41] bloed, dat vergoten is op de aarde,[^mattheus-23-35-f] van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op[^mattheus-23-35-g] het bloed van Zacharia, de[^mattheus-23-35-42] zoon van Barachia, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v35)

**36** Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v36)

**37** [^mattheus-23-37-h] Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en[^mattheus-23-37-i] stenigt, die tot u gezonden zijn![^mattheus-23-37-k] hoe dikwijls heb Ik[^mattheus-23-37-43] uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugels;[^mattheus-23-37-44] en u hebt niet gewild. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v37)

**38** [^mattheus-23-38-l] Zie, uw huis[^mattheus-23-38-45] wordt u woest gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v38)

**39** Want Ik zeg u: U zult Mij van nu aan niet zien,[^mattheus-23-39-46] totdat u zeggen zult:[^mattheus-23-39-m] Gezegend[^mattheus-23-39-47] is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/23.html#v39)

[^mattheus-23-2-a]: Verwijzing a: Neh. 8:4 . Nehemia 8:4 : En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgen licht aan tot op de middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren van de gansen volks waren naar het wetboek.
[^mattheus-23-2-1]: Kanttekening 1: zijn gezeten: Dat is, zij zijn daartoe geroepen en gesteld om de wet van Mozes het volk voor te lezen en te verklaren; Hand. 13:15 en Hand. 15:21 . Handelingen 13:15 : En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broers, als er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt. Handelingen 15:21 : Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen.
[^mattheus-23-3-b]: Verwijzing b: Deut. 17:19 ; Mal. 2:6 . Deuteronomium 17:19 : En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij YHWH, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze inzettingen, om die te doen; Maleachi 2:6 : De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
[^mattheus-23-3-2]: Kanttekening 2: al wat zij u zeggen: Namelijk uit de wet van Mozes en de profeten, want anders wat zij daar tegen of buiten leerden, noemt Christus de zuurdesem van de Farizeën, en vermaant zijne discipelen zich daarvan te wachten; Matt. 16:6 , 16:12 . Mattheüs 16:6 : En Jezus zei tot hen: Ziet toe, en wacht u van de zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. Mattheüs 16:12 : Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van de zuurdesem van het brood, maar van de leer van de Farizeën en Sadduceën?
[^mattheus-23-3-c]: Verwijzing c: Rom. 2:19 . Romeinen 2:19 : En u betrouwt uzelven te zijn een leidsman van de blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;
[^mattheus-23-4-d]: Verwijzing d: Lukas 11:46 ; Hand. 15:10 ; Jes. 10:1 . Lukas 11:46 : Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelven raakt u die lasten niet aan met één van uw vingeren. Handelingen 15:10 : Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Jesaja 10:1 : Wee degenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en de schrijvers, die moeite voorschrijven;
[^mattheus-23-4-3]: Kanttekening 3: binden lasten: Een gelijkenis, genomen van bossen of pakken van verscheidene dingen, die men samenbindt om iemand op de schouders te leggen om te dragen.
[^mattheus-23-5-e]: Verwijzing e: Matt. 6:5 . Mattheüs 6:5 : En wanneer u bidt, zo zult u niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen graag, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
[^mattheus-23-5-f]: Verwijzing f: Deut. 6:8 ; Deut. 22:12 . Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen. Deuteronomium 22:12 : Snoeren zult u u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmee u u bedekt.
[^mattheus-23-5-4]: Kanttekening 4: Grieks, Phylacteria (φυλακτήρια); dat is, bewaarcedels, welke briefjes of cedeltjes van perkament waren, waarop de wet van God of enig deel derzelve geschreven stond, die zij aan hunne voorhoofden en armen bonden, om te schijnen de gedachtenis van de wet altijd voor ogen te hebben, en meenden daarin te volgen wat God beveelt Ex. 13:9 , 13:16 ; Deut. 6:8 . Exodus 13:9 : En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet van YHWH in uw mond zij, omdat u YHWH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. Exodus 13:16 : En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want YHWH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. Deuteronomium 6:8 : Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.
[^mattheus-23-5-5]: Kanttekening 5: de zomen: Dit waren franjes met blauwe snoertjes aan de hoeken van de opperkleden, die ze volgens de wet, Num. 15:38 , Deut. 22:12 , moesten dragen om daardoor te gedenken aan de hemelse leer van de wet. Numeri 15:38 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken van hun kleren, bij hun geslachten; en op de snoertjes van de hoek zullen zij een hemelsblauwen draad zetten. Deuteronomium 22:12 : Snoeren zult u u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmee u u bedekt.
[^mattheus-23-6-g]: Verwijzing g: Mark. 12:38 ; idem v. 39 ; Lukas 11:43 ; Lukas 20:46 . Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten; Marcus 12:39 : En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Lukas 11:43 : Wee u, Farizeën, want u bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten. Lukas 20:46 : Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange kleren, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
[^mattheus-23-7-h]: Verwijzing h: Jak. 3:1 . Jakobus 3:1 : Zijt niet vele meesters, mijn broers, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.
[^mattheus-23-7-6]: Kanttekening 6: Rabbi, Rabbi: Dit is een Hebr. woord betekenende iemand die in geleerdheid en aanzien uitsteekt, en meer is dan andere. Dat is, Meester, Meester.
[^mattheus-23-8-7]: Kanttekening 7: Het gebruik van deze, alsook van de volgende titels, wordt niet eenvoudig verboden, omdat aan de Propheten en Apostelen dezelfde somtijds wel toegeschreven worden, maar de ijdele eer en heerschappij of meesterschap over het geloof en de consciëntie van andere, die zij daarin zochten. Zie ook vers 11.
[^mattheus-23-8-8]: Kanttekening 8: Een is uw Meester: Grieks, Voorganger, leidsman of leidsmeester. Want hij alleen is de enige wetgever en onze opperste profeet, die in zaken, het geloof en de godsdienst aangaande, alleen moet gehoord en gevolgd worden. Matt. 17:5 , en die de weg van de zaligheid niet alleen aanwijst, maar ook zelf met zijn voorbeeld volmaakt voorgaat; Hebr. 2:10 , en Hebr. 12:2 . Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen. Hebreeën 12:2 : Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.
[^mattheus-23-9-i]: Verwijzing i: Mal. 1:6 . Maleachi 1:6 : Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik één Heer, waar is Mijn vreze? zegt YHWH van de heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam?
[^mattheus-23-9-9]: Kanttekening 9: Een is uw Vader: Omdat wij van Hem alleen ons wezen en onze onderhouding naar lichaam en ziel oorspronkelijk hebben, van Hem alleen alle goeds moeten verwachten, en op Hem alleen vertrouwen.
[^mattheus-23-10-10]: Kanttekening 10: Een is uw Meester: Dat is, voorganger, zie vers 8.
[^mattheus-23-11-k]: Verwijzing k: Matt. 20:26 . Mattheüs 20:26 : Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
[^mattheus-23-11-11]: Kanttekening 11: Grieks, meerder , of, groter.
[^mattheus-23-12-l]: Verwijzing l: Job 22:29 ; Spreuk. 29:23 ; Lukas 14:11 ; Lukas 18:14 ; Jak. 4:6 ; idem v. 10 ; 1 Petr. 5:5 . Job 22:29 : Als men iemand vernederen zal, en u zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God de nederige van ogen behouden. Spreuken 29:23 : De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. Lukas 14:11 : Want een iedereen, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Lukas 18:14 : Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Jakobus 4:6 : Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Jakobus 4:10 : Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhogen. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^mattheus-23-13-m]: Verwijzing m: Lukas 11:52 . Lukas 11:52 : Wee u, u wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; u bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd.
[^mattheus-23-13-12]: Kanttekening 12: degenen, die ingaan zouden: Of, de ingaanden , dat is, die op de weg zijn om de leer van het Evangelie aan te nemen, belet u, zoveel in u is, dat ze niet voortgaan.
[^mattheus-23-14-n]: Verwijzing n: Mark. 12:40 ; Lukas 20:47 ; 2 Tim. 3:6 ; Titus 1:11 . Marcus 12:40 : Welke de huizen van de weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. Lukas 20:47 : Die van de weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. 2 Timotheüs 3:6 : Want van deze zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; Titus 1:11 : Welken men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
[^mattheus-23-14-13]: Kanttekening 13: de schijn: Of dekmantel.
[^mattheus-23-14-14]: Kanttekening 14: Dat is, onder schijn van godsvrucht en voor haar te bidden, berooft u haar van haar middelen. Zie ook 2 Tim. 3:6 . Of, onder een schijn of tot een dekmantel, zijt lang biddende. 2 Timotheüs 3:6 : Want van deze zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;
[^mattheus-23-14-15]: Kanttekening 15: Grieks, overvloediger.
[^mattheus-23-15-16]: Kanttekening 16: Grieks, het droge , Gen. 1:10 . Genesis 1:10 : En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.
[^mattheus-23-15-17]: Kanttekening 17: Grieks, Proselyton (προσήλυτον); dat is, een aankomeling, die namelijk van de heidense godsdienst zich begeeft tot de Joodse, gelijk daar was Nikolaus, een aankomeling van Antiochië; Hand. 6:5 ; zie 1 Kron. 2:55 ; Ez. 14:7 ; Hand. 2:10 . Handelingen 6:5 : En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij kozen Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochië; 1 Kronieken 2:55 : En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab. Ezechiël 14:7 : Want ieder man uit het huis van Israël, en uit de vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot de profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben YHWH, hem zal geantwoord worden door Mij; Handelingen 2:10 : En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten;
[^mattheus-23-15-18]: Kanttekening 18: Grieks, zoon . Dat is, waard de helse verdoemenissen, 2 Sam. 12:5 . 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
[^mattheus-23-16-19]: Kanttekening 19: dat is niets: Dat is, dat geldt niet, of die is niet gehouden te betalen wat hij met zulk een eed beloofd heeft.
[^mattheus-23-16-20]: Kanttekening 20: Dat is, die is gehouden zijne belofte te betalen.
[^mattheus-23-17-21]: Kanttekening 21: U dwazen en blinden: Christus keurt hiermee de eden bij de creaturen gedaan niet goed, maar toont alleen hoe verkeerd zij daarvan oordeelden, en de consciëntiën van de mensen kwalijk onderrichtten.
[^mattheus-23-18-22]: Kanttekening 22: Dat is, offerande. Zie Matt. 5:24 . Mattheüs 5:24 : Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broer, en komt dan en offert uw gave.
[^mattheus-23-19-o]: Verwijzing o: Ex. 29:37 . Exodus 29:37 : Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.
[^mattheus-23-21-p]: Verwijzing p: 1 Kon. 8:13 ; 2 Kron. 6:1 ; idem v. 2 . 1 Koningen 8:13 : Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning. 2 Kronieken 6:1 : Toen zei Salomo: De YHWH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen. 2 Kronieken 6:2 : En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
[^mattheus-23-21-23]: Kanttekening 23: Die daarin woont: Of, Die dezelfde bewoont. Hoe God in de tempel woont, zie 1 Kon. 8:27 . 1 Koningen 8:27 : Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
[^mattheus-23-22-q]: Verwijzing q: 2 Kron. 6:33 ; Jes. 66:1 ; Matt. 5:34 ; Hand. 7:49 . 2 Kronieken 6:33 : Hoor U dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, gelijk Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb. Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Mattheüs 5:34 : Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon van God; Handelingen 7:49 : De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult u Mij bouwen, zegt de Heer, of welke is de plaats Mijner ruste?
[^mattheus-23-23-r]: Verwijzing r: Lukas 11:42 . Lukas 11:42 : Maar wee u, Farizeën, want u vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en u gaat voorbij het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
[^mattheus-23-23-24]: Kanttekening 24: Dat is, tienden geeft, of leert dat men daarvan tienden moet geven.
[^mattheus-23-23-25]: Kanttekening 25: Het Griekse woord Hedyosmos heeft zijn naam van zoet- of welrieken.
[^mattheus-23-23-s]: Verwijzing s: 1 Sam. 15:22 ; Hosea 6:6 ; Micha 6:8 . 1 Samuël 15:22 : Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Micha 6:8 : Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
[^mattheus-23-23-26]: Kanttekening 26: het zwaarste: Dat is, de gewichtigste stukken.
[^mattheus-23-23-27]: Kanttekening 27: het oordeel: Dat is, wat recht en billijk is.
[^mattheus-23-23-28]: Kanttekening 28: de barmhartigheid: Dat is, de werken van de liefde.
[^mattheus-23-23-29]: Kanttekening 29: het geloof: Dat is, getrouwheid in alle handelingen met de mensen.
[^mattheus-23-23-t]: Verwijzing t: Matt. 9:13 ; Matt. 12:7 . Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 12:7 : Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^mattheus-23-24-30]: Kanttekening 30: de mug uitzijgt: Of, een mug kleinst en een kameel doordrinkt. Dit is een algemeen spreekwoord tegen degenen, die in het kleine nauw zien en het grote niet achten.
[^mattheus-23-25-v]: Verwijzing v: Lukas 11:39 . Lukas 11:39 : En de Heer zei tot hem: Nu u Farizeën, u reinigt het buitenste van de drinkbekers en van de schotels; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.
[^mattheus-23-25-31]: Kanttekening 31: van roof en onmatigheid: Dat is, vol van voedsel en drank met onrechtvaardigheid verkregen en met onmatigheid gebruikt.
[^mattheus-23-26-32]: Kanttekening 32: reinig eerst: Dat is, laat af van onrechtvaardigheid en onmatigheid, waardoor uw voedsel en drank verontreinigd was, zo zullen uw schotels en drinkbekers ook rein zijn.
[^mattheus-23-26-x]: Verwijzing x: Titus 1:15 . Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^mattheus-23-27-y]: Verwijzing y: Hand. 23:3 . Handelingen 23:3 : Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, u gewitte wand! Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u, tegen de wet, dat men mij zal slaan?
[^mattheus-23-29-z]: Verwijzing z: Lukas 11:47 . Lukas 11:47 : Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw vaders hebben dezelfde gedood.
[^mattheus-23-29-33]: Kanttekening 33: Dat is, de gebouwen, die over de graven boven de aarde tot gedachtenis van de overledenen opgericht worden, die men tomben noemt.
[^mattheus-23-30-34]: Kanttekening 34: ten tijde onzer vaderen: Grieks, in de dagen (πατήρ).
[^mattheus-23-30-35]: Kanttekening 35: aan het bloed van de profeten: Grieks, in het bloed (αἷμα); dat is, in het bloedvergieten of doden.
[^mattheus-23-31-a]: Verwijzing a: Hand. 7:51 ; 1 Thes. 2:15 . Handelingen 7:51 : U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u. 1 Thessalonicensen 2:15 : Welke ook gedood hebben de Heer Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en voor God niet behagen, en allen mensen tegen zijn;
[^mattheus-23-31-36]: Kanttekening 36: kinderen zijt dergenen: Grieks, zonen.
[^mattheus-23-32-37]: Kanttekening 37: vervult de maat van uw vaderen: Dat is, gaat zo vrij voort, volgt en voltooit de boosheid van uw vaderen in het doden van de profeten, totdat u de verdiende straf zal overkomen.
[^mattheus-23-33-b]: Verwijzing b: Matt. 3:7 . Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn?
[^mattheus-23-33-38]: Kanttekening 38: Zie Rom. 3:13 , enz. Romeinen 3:13 : Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
[^mattheus-23-33-39]: Kanttekening 39: helse verdoemenis ontvluchten: Grieks, het oordeel van de hel.
[^mattheus-23-34-c]: Verwijzing c: Lukas 11:49 . Lukas 11:49 : Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;
[^mattheus-23-34-d]: Verwijzing d: Matt. 10:16 ; Lukas 10:3 ; Joh. 16:2 ; Hand. 7:52 . Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. Lukas 10:3 : Gaat heen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven. Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een iedereen, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. Handelingen 7:52 : Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardigen, van Welke u nu verraders en moordenaars geworden bent.
[^mattheus-23-34-40]: Kanttekening 40: Dit woord wordt hier genomen voor oprechte leraars, hoedanig een schriftgeleerde Ezra is geweest; Ezra 7:6 ; Matt. 13:52 . Ezra 7:6 : Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die YHWH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van YHWH, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek. Mattheüs 13:52 : En Hij zei tot hen: Daarom, iedere Schriftgeleerde, in het Koninkrijk van de hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer van het huis, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
[^mattheus-23-34-e]: Verwijzing e: Matt. 10:17 ; Hand. 5:40 . Mattheüs 10:17 : Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. Handelingen 5:40 : En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelfde, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan.
[^mattheus-23-35-41]: Kanttekening 41: bloed, dat vergoten is: Dat is, de straffen om al het bloedvergieten van de rechtvaardigen, gelijk Matt. 27:25 ; want de kinderen die het kwade voorbeeld van de misdaden van hun ouders volgen, worden derzelver zonde en straf deelachtig; Ex. 20:5 . Mattheüs 27:25 : En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
[^mattheus-23-35-f]: Verwijzing f: Gen. 4:8 ; Hebr. 11:4 . Genesis 4:8 : En Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond, en sloeg hem dood. Hebreeën 11:4 : Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
[^mattheus-23-35-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 24:21 . 2 Kronieken 24:21 : En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in het voorhof van het huis van YHWH.
[^mattheus-23-35-42]: Kanttekening 42: Deze wordt ook Jochannan genaamd, 1 Kron. 6:9 , en Jojada, 2 Kron. 24:22 , en hier Barachia. En deze Zacharias is één van de laatste profeten geweest, wiens dood of vermoorden in het Oude Testament met name verhaald wordt, en wiens bloed, gelijk ook het bloed van Abel, tot God om wraak geroepen heeft. 1 Kronieken 6:9 : En Ahimaäz verwekte Azarja, en Azarja verwekte Johanan; 2 Kronieken 24:22 : Zo gedacht de koning Joas niet van de weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zei: YHWH zal het zien en zoeken!
[^mattheus-23-37-h]: Verwijzing h: Lukas 13:34 . Lukas 13:34 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en u hebt niet gewild?
[^mattheus-23-37-i]: Verwijzing i: Matt. 21:35 ; idem v. 36 . Mattheüs 21:35 : En de landbouwers, nemende zijn dienaren, hebben de één geslagen, en de anderen gedood, en de derden gestenigd. Mattheüs 21:36 : Opnieuw zond hij andere dienaren, meer in getal dan de eerste, en zij deden hun evenzo.
[^mattheus-23-37-k]: Verwijzing k: Ps. 17:8 ; Ps. 91:4 . Psalmen 17:8 : Bewaar mij als het zwart van de oogappels, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen, Psalmen 91:4 : Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult u betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
[^mattheus-23-37-43]: Kanttekening 43: uwe kinderen: Dat is, uwe inwoners.
[^mattheus-23-37-44]: Kanttekening 44: hebt niet gewild: Dat is, u hebt zulks altijd gezocht te verhinderen, zie vers 13 , en nochtans heeft Christus, tegen hun dank, al de zijnen uit hen vergaderd; Jes. 1:8 ; Rom. 9:29 . Mattheüs 23:13 : Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. Jesaja 1:8 : En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad. Romeinen 9:29 : En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Als de Heer Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.
[^mattheus-23-38-l]: Verwijzing l: Ps. 69:26 ; Jes. 1:7 ; Jer. 7:34 ; Micha 3:12 ; Hand. 1:20 . Psalmen 69:26 : Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. Jesaja 1:7 : Uw aarde is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw aanwezigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. Jeremia 7:34 : En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud. Handelingen 1:20 : Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelfde woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt.
[^mattheus-23-38-45]: Kanttekening 45: wordt u woest gelaten: Dat is, zal verwoest worden en verwoest blijven: dat omtrent veertig jaren daarna door de Romeinen geschied is.
[^mattheus-23-39-46]: Kanttekening 46: totdat u zeggen zult: Namelijk ten uitersten dage, wanneer Hij in zijne heerlijkheid zal komen tot het oordeel, en zij alsdan zullen moeten bekennen dat Hij de gezegende van de Heer, dat is de ware Messias is; Openb. 1:7 . Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^mattheus-23-39-m]: Verwijzing m: Ps. 118:26 . Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.
[^mattheus-23-39-47]: Kanttekening 47: is : Of, zij.

### Mattheüs 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/24.json)

*1 Christus voorzegt de verwoesting van de tempel en van de stad Jeruzalem, en verhaalt de rampen en tekenen die ervoor en eromheen zouden gebeuren. 15 Hij wijst op de profetie van Daniël over diezelfde verwoesting en vermaant zich te bereiden tot een haastige vlucht om deze grote ellende te ontgaan. 23 Hij waarschuwt tegen de verleiding van de valse christussen en de valse profeten. 29 Hij profeteert verder over het einde van de wereld en over Zijn laatste komst ten oordeel, waarvan Hij de heerlijkheid en zekerheid beschrijft, en wijst op de tekenen die eromheen zouden gebeuren. 36 Doch dat de dag en het uur daarvan niemand dan God alleen bekend is. 37 Hij vergelijkt de tijden van deze komst met de tijden van Noach voor de zondvloed. 42 Daarop vermaant Hij tot waken, door de gelijkenis zowel van een huisvader die waakt tegen de komst van de dief, 45 als van een trouwe en een boze dienstknecht.*

**1** En[^mattheus-24-1-a] Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem[^mattheus-24-1-1] de gebouwen van de tempel te[^mattheus-24-1-2] tonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v1)

**2** En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik:[^mattheus-24-2-b] Hier zal[^mattheus-24-2-3] niet één steen op de anderen steen gelaten worden, die niet[^mattheus-24-2-4] afgebroken zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v2)

**3** [^mattheus-24-3-c] En als Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende:[^mattheus-24-3-d] Zeg ons, wanneer zullen[^mattheus-24-3-5] deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding van de wereld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v3)

**4** En Jezus, antwoordende, zei tot hen:[^mattheus-24-4-e] Zie toe, dat u niemand verleide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v4)

**5** [^mattheus-24-5-f]Want velen zullen komen[^mattheus-24-5-6] onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v5)

**6** En u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; zie toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten gebeuren, maar[^mattheus-24-6-7] nog is het einde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v6)

**7** [^mattheus-24-7-g] Want[^mattheus-24-7-8] het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en[^mattheus-24-7-9] het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v7)

**8** Maar al die dingen zijn maar een begin van[^mattheus-24-8-10] de smarten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v8)

**9** [^mattheus-24-9-h] Dan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en u zult gehaat worden van alle volken, omwille van Mijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v9)

**10** En dan zullen er[^mattheus-24-10-11] velen ten val komen, en zullen elkaar overleveren, en elkaar haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v10)

**11** [^mattheus-24-11-i] En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v11)

**12** En[^mattheus-24-12-k] omdat de[^mattheus-24-12-12] ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de[^mattheus-24-12-13] liefde van velen verkouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v12)

**13** [^mattheus-24-13-l] Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v13)

**14** En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de[^mattheus-24-14-14] hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis alle volken; en dan zal[^mattheus-24-14-15] het einde komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v14)

**15** [^mattheus-24-15-m] Wanneer u dan zult zien de[^mattheus-24-15-16] gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door[^mattheus-24-15-n] Daniël, de profeet, staande in de[^mattheus-24-15-17] heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v15)

**16** Dat dan, die in Judea zijn, vluchten[^mattheus-24-16-18] op de bergen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v16)

**17** Die op het[^mattheus-24-17-19] dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v17)

**18** En die op de akker is,[^mattheus-24-18-20] kere niet weer terug, om zijn kleren weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v18)

**19** Maar[^mattheus-24-19-21] wee de zwangeren, en de zogenden vrouwen in die dagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v19)

**20** Maar bidt, dat uw vlucht niet gebeurt[^mattheus-24-20-22] in de winter, noch[^mattheus-24-20-o] op een sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v20)

**21** [^mattheus-24-21-p] Want dan zal grote verdrukking wezen,[^mattheus-24-21-23] zoals niet is geweest van het begin van de wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v21)

**22** En zo[^mattheus-24-22-24] die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar omwille van[^mattheus-24-22-25] de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v22)

**23** [^mattheus-24-23-26] Dan, zo iemand tot u zal zeggen: Zie,[^mattheus-24-23-q] hier is de Christus, of[^mattheus-24-23-27] daar, gelooft het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v23)

**24** [^mattheus-24-24-r] Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote[^mattheus-24-24-28] tekenen en wonderen doen, zo dat zij[^mattheus-24-24-29] (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v24)

**25** Zie, Ik heb het u voorzegd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v25)

**26** [^mattheus-24-26-s] Zo zij dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn; ga niet uit; Zie, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v26)

**27** Want gelijk de bliksem uitgaat[^mattheus-24-27-30] van het oosten, en schijnt[^mattheus-24-27-31] tot het westen,[^mattheus-24-27-32] zo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v27)

**28** Want[^mattheus-24-28-33] alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars verzameld worden.[^mattheus-24-28-t] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v28)

**29** En[^mattheus-24-29-v] meteen na[^mattheus-24-29-34] de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en[^mattheus-24-29-35] de krachten van de hemelen zullen[^mattheus-24-29-36] bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v29)

**30** [^mattheus-24-30-x] En dan zal in de hemel verschijnen[^mattheus-24-30-37] het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde[^mattheus-24-30-38][^mattheus-24-30-y] huilen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v30)

**31** En Hij zal Zijn engelen uitzenden met[^mattheus-24-31-z] een bazuin van groot[^mattheus-24-31-39] geluid, en zij zullen Zijn[^mattheus-24-31-40] uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v31)

**32** [^mattheus-24-32-a] En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu[^mattheus-24-32-41] teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v32)

**33** Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, zo weet, dat[^mattheus-24-33-42] het nabij is, voor de deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v33)

**34** Voorwaar, Ik zeg u:[^mattheus-24-34-43] Dit geslacht zal in geen geval[^mattheus-24-34-44] voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen gebeurd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v34)

**35** [^mattheus-24-35-b] De hemel en de aarde zullen[^mattheus-24-35-45] voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v35)

**36** [^mattheus-24-36-c] Maar van die dag en dat uur weet niemand, ook niet de engelen van de hemelen, dan Mijn Vader alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v36)

**37** [^mattheus-24-37-d] En zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v37)

**38** Want zoals zij waren in de dagen voor de zondvloed,[^mattheus-24-38-46] etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende,[^mattheus-24-38-e] tot de dag toe, waarin Noach in de ark ging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v38)

**39** En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v39)

**40** [^mattheus-24-40-f] Dan zullen er twee op de akker zijn, de één zal[^mattheus-24-40-47] aangenomen, en de[^mattheus-24-40-48] ander zal[^mattheus-24-40-49] verlaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v40)

**41** Er zullen twee[^mattheus-24-41-50] vrouwen malen in de molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.[^mattheus-24-41-51] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v41)

**42** [^mattheus-24-42-g] Waak dan; want u weet niet, op welk uur uw Heere komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v42)

**43** [^mattheus-24-43-h] Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had,[^mattheus-24-43-52] waarin nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.[^mattheus-24-43-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v43)

**44** Daarom, wees ook u bereid; want op welk uur u het niet denkt, zal de Zoon des mensen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v44)

**45** [^mattheus-24-45-i] Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, die zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hun hun voedsel te geven op de juiste tijd?[^mattheus-24-45-54] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v45)

**46** Zalig is die dienaar, die zijn heer, komende, zal vinden zo doende.[^mattheus-24-46-55] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v46)

**47** Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.[^mattheus-24-47-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v47)

**48** Maar zo die kwade dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer wacht te komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v48)

**49** En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;[^mattheus-24-49-57] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v49)

**50** Zo zal de heer van deze dienaar komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, die hij niet weet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v50)

**51** En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met[^mattheus-24-51-58] de huichelaars;[^mattheus-24-51-k] daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.[^mattheus-24-51-59] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/24.html#v51)

[^mattheus-24-1-a]: Verwijzing a: Mark. 13:1 ; Lukas 21:5 . Marcus 13:1 : En als Hij uit de tempel ging, zei één van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen! Lukas 21:5 : En als sommigen zeiden van de tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zei Hij:
[^mattheus-24-1-1]: Kanttekening 1: de gebouwen van de tempel: Van de grootheid, sterkte en heerlijkheid van deze gebouwen, zie de historieschrijver Josefus Antiq. lib. 15, cap. 14.
[^mattheus-24-1-2]: Kanttekening 2: Omdat Christus voorzegd had in het voorgaande Matt. 23:38 , de verwoesting van de stad en van de tempel, zo schijnt, dat de discipelen daarom deze gebouwen Hem getoond hebben om te kennen te geven dat het hun docht òf onmogelijk òf jammer te wezen, dat zulk een heerlijk gebouw zou verwoest worden. Mattheüs 23:38 : Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.
[^mattheus-24-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 9:7 ; idem v. 8 ; Micha 3:12 ; Lukas 19:44 . 1 Koningen 9:7 : Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. 1 Koningen 9:8 : En wat dit betreft huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud. Lukas 19:44 : En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de enen steen op de anderen steen niet laten; daarom dat u de tijd uw bezoeking niet bekend hebt.
[^mattheus-24-2-3]: Kanttekening 3: niet een steen op de andere steen gelaten worden: Grieks, steen op steen niet gelaten worden.
[^mattheus-24-2-4]: Kanttekening 4: afgebroken zal worden: Grieks, losgemaakt.
[^mattheus-24-3-c]: Verwijzing c: Mark. 13:1 ; idem v. 3 ; Lukas 21:7 . Marcus 13:1 : En als Hij uit de tempel ging, zei één van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen! Marcus 13:3 : En als Hij gezeten was op de Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen: Lukas 21:7 : En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen gebeuren?
[^mattheus-24-3-d]: Verwijzing d: Hand. 1:6 . Handelingen 1:6 : Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heer, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?
[^mattheus-24-3-5]: Kanttekening 5: deze dingen zijn: Namelijk die U hier en op het einde van het voorgaande Matt. 23 , gezegd hebt, zo van de verwoesting van de stad en van de tempel van Jeruzalem, als van uw laatste toekomst tot het oordeel.
[^mattheus-24-4-e]: Verwijzing e: Jer. 29:8 ; Efez. 5:6 ; Kolos. 2:18 ; 2 Thes. 2:3 ; 1 Joh. 4:1 . Jeremia 29:8 : Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Efeziërs 5:6 : Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses; 2 Thessalonicensen 2:3 : Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 1 Johannes 4:1 : Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^mattheus-24-5-f]: Verwijzing f: Jer. 14:14 ; Jer. 23:25 ; Joh. 5:43 . Jeremia 14:14 : En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:25 : Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. Johannes 5:43 : Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.
[^mattheus-24-5-6]: Kanttekening 6: onder mijn naam: Of, in, op mijn naam; dat is, zich uitgevende voor de beloofde Messias, gelijk omtrent die tijd en daarna verscheidene opgestaan zijn. Zie Hand. 5:36 , 5:37 , en Josef. Antiq. lib. 18, cap. 12. lib. 20 cap. 2, enz. en de bello Iud. lib. 2, cap. 12. Handelingen 5:36 : Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, die een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. Handelingen 5:37 : Na hem stond op Judas, de Galileër in de dagen van de beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
[^mattheus-24-6-7]: Kanttekening 7: nog is het einde niet: Namelijk van al de ellenden en uiterste straffen, die de Joden zouden overkomen.
[^mattheus-24-7-g]: Verwijzing g: Jes. 19:2 . Jesaja 19:2 : Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iedereen tegen zijn broer, en een iedereen tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.
[^mattheus-24-7-8]: Kanttekening 8: het ene volk: Grieks, volk tegen volk.
[^mattheus-24-7-9]: Kanttekening 9: het ene koninkrijk: Grieks, koninkrijk tegen koninkrijk.
[^mattheus-24-8-10]: Kanttekening 10: Grieks, weeën; gelijk van de vrouwen die in barensnood zijn. Van al deze oorlogen en ellenden zie Josef. Antiq. lib. 20, en de bello Iud. lib. 3, enz.
[^mattheus-24-9-h]: Verwijzing h: Matt. 10:17 ; Lukas 21:11 ; idem v. 12 ; Joh. 15:20 ; Joh. 16:2 ; Openb. 2:10 . Mattheüs 10:17 : Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. Lukas 21:11 : En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van de hemel gebeuren. Lukas 21:12 : Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en u zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil. Johannes 15:20 : Gedenk van het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een iedereen, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. Openbaring 2:10 : Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven.
[^mattheus-24-10-11]: Kanttekening 11: geërgerd worden: Dat is, door vrees voor vervolging van mij afwijken.
[^mattheus-24-11-i]: Verwijzing i: 2 Petr. 2:1 . 2 Petrus 2:1 : En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^mattheus-24-12-k]: Verwijzing k: 2 Tim. 3:1 . 2 Timotheüs 3:1 : En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
[^mattheus-24-12-12]: Kanttekening 12: Grieks, overtreding van de wet.
[^mattheus-24-12-13]: Kanttekening 13: liefde van vele verkouden: Namelijk zo tot de waarheid van het Evangelie als tot de naaste.
[^mattheus-24-13-l]: Verwijzing l: Matt. 10:22 ; Mark. 13:13 ; Lukas 21:19 ; Openb. 2:7 ; idem 2:10 ; Openb. 3:10 . Mattheüs 10:22 : En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. Marcus 13:13 : En u zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Lukas 21:19 : Bezit uw zielen in uw volharding. Openbaring 2:7 : Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs Gods is. Openbaring 2:10 : Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven. Openbaring 3:10 : Omdat u het woord Mijner volharding bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit het uur van de verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.
[^mattheus-24-14-14]: Kanttekening 14: gehele wereld: Grieks, bewoonde wereld (οἰκουμένη). Zie hiervan de vervulling Rom. 10:18 ; Kol. 1:6 . Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. Kolossensen 1:6 : Dat tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van die dag af dat u gehoord hebt, en de genade van God in waarheid bekend hebt.
[^mattheus-24-14-15]: Kanttekening 15: het einde komen: Namelijk van de stad Jeruzalem en van de Joodse regering.
[^mattheus-24-15-m]: Verwijzing m: Mark. 13:14 ; Lukas 21:20 . Marcus 13:14 : Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen. Lukas 21:20 : Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
[^mattheus-24-15-16]: Kanttekening 16: gruwel van de verwoesting: Dat is, het gruwelijk verwoestende leger van de Romeinen, gelijk verklaard wordt Luk. 21:20 . Lukas 21:20 : Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
[^mattheus-24-15-n]: Verwijzing n: Dan. 9:27 . Daniël 9:27 : En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.
[^mattheus-24-15-17]: Kanttekening 17: heilige plaats: Dat is, in het heilig Joodse land rondom Jeruzalem.
[^mattheus-24-16-18]: Kanttekening 18: op de bergen: Namelijk om zich daar te verbergen voor de straf.
[^mattheus-24-17-19]: Kanttekening 19: dak is: De Joden waren veel op de daken van de huizen, omdat zij boven plat waren. Zie hiervoren Matt. 10:27 . Mattheüs 10:27 : Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken.
[^mattheus-24-18-20]: Kanttekening 20: kere niet weer: Dat is, verlieze geen tijd om te vluchten.
[^mattheus-24-19-21]: Kanttekening 21: wee de bevruchten en de zogenden: Namelijk omdat zij onbekwaam zullen zijn om haastig te vluchten, met haar vrucht of kleine kinderen beladen zijnde.
[^mattheus-24-20-22]: Kanttekening 22: van de winters: Omdat in de winter het vluchten ondoenlijk is, en de Joden op de sabbat niet ver mochten reizen; zie Hand. 1:12 , noch zich van dingen tot de reis nodig, voorzien. Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^mattheus-24-20-o]: Verwijzing o: Hand. 1:12 . Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^mattheus-24-21-p]: Verwijzing p: Dan. 12:1 . Daniël 12:1 : En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
[^mattheus-24-21-23]: Kanttekening 23: hoedanige niet is geweest: Want gelijk Josefus getuigt, de bello Jud. lib. 4,5,6 en 7, cap. 17, zijn door het zwaard, de honger en de pest vergaan, alleen binnen Jeruzalem elf honderd duizend mensen, en boven de zeven en negentig duizend tot slaven verkocht. Dergelijke verwoesting wordt in geen andere historiën gelezen.
[^mattheus-24-22-24]: Kanttekening 24: die dagen niet verkort werden: Dat is, tenzij God de plagen van die tijden, die de Joden nog zwaarder hadden verdiend, had doen ophouden, er zou niemand uit het Joodse volk overgebleven zijn geweest.
[^mattheus-24-22-25]: Kanttekening 25: van de uitverkorenen wil: Namelijk die God onder het Joodse volk had, en altijd behouden wilde.
[^mattheus-24-23-26]: Kanttekening 26: Alsdan zo: Namelijk na de verwoesting van Jeruzalem tot de voleinding van de wereld, van welke Hij begint te spreken in vers 29 . Mattheüs 24:29 : En meteen na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
[^mattheus-24-23-q]: Verwijzing q: Mark. 13:21 ; Lukas 21:8 . Marcus 13:21 : En alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet. Lukas 21:8 : En Hij zei: Ziet, dat u niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.
[^mattheus-24-23-27]: Kanttekening 27: Grieks, hier.
[^mattheus-24-24-r]: Verwijzing r: Deut. 13:1 ; 2 Thes. 2:11 . Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^mattheus-24-24-28]: Kanttekening 28: Gelijk van de Antichrist getuigd wordt, 2 Thess. 2:9 ; Openb. 13:11 , enz. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; Openbaring 13:11 : En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, de hoornen van het Lam gelijk, en het sprak als de draak.
[^mattheus-24-24-29]: Kanttekening 29: (als het mogelijk was: Dit wordt gezegd niet mogelijk te zijn, niet ten aanzien van de wil of kracht van de uitverkorenen in henzelven. Maar ten aanzien van de onveranderlijkheid van het besluit Gods over hen en van zijn krachtige bewaring tegen de verleiding, volgens zijne beloften, die Hem niet kunnen berouwen. Zie Joh. 10:28 ; Rom. 8:29 , 8:30 ; 1 Petr. 1:5 . Johannes 10:28 : En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broers. Romeinen 8:30 : En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. 1 Petrus 1:5 : Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^mattheus-24-26-s]: Verwijzing s: Lukas 17:23 . Lukas 17:23 : En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.
[^mattheus-24-27-30]: Kanttekening 30: van het oosten: Grieks, van de opgang; namelijk van de zon.
[^mattheus-24-27-31]: Kanttekening 31: tot het westen: Grieks, ondergang (δυσμή).
[^mattheus-24-27-32]: Kanttekening 32: zo zal ook: Namelijk met grote snelheid en klaarheid.
[^mattheus-24-28-33]: Kanttekening 33: alwaar het dode lichaam zal zijn: Van dit spreekwoord, bij de Hebreën gebruikelijk, zie Job 39:33 , en wordt hiermede geleerd dat waar Christus met zijn lijden en sterven oprecht gepredikt wordt de gelovigen zich daar zullen vergaderen, gelijk zij ook in het laatste oordeel tot Christus zullen vergaderd worden om altijd bij Hem te blijven; 1 Thess. 4:16 , 4:17 ; Joh. 17:24 . Sommigen verstaan dit spreekwoord van de verwoesting van het Joodse volk, dat door het aas zou verstaan worden, en de Romeinen door de adelaars; gelijk de Chaldeën bij Hab. 1:8 . Job 39:33 : Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. Johannes 17:24 : Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld. Habakuk 1:8 : Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten.
[^mattheus-24-28-t]: Verwijzing t: Job 39:33 ; Lukas 17:37 . Job 39:33 : Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. Lukas 17:37 : En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heer? En Hij zei tot hen: Waar het lichaam is, daar zullen de adelaars vergaderd worden.
[^mattheus-24-29-v]: Verwijzing v: Jes. 13:10 ; Ez. 32:7 ; Joël 2:31 ; Joël 3:15 ; Mark. 13:24 ; Lukas 21:25 . Jesaja 13:10 : Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Joël 3:15 : De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. Marcus 13:24 : Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. Lukas 21:25 : En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
[^mattheus-24-29-34]: Kanttekening 34: de verdrukking dier dagen: Namelijk die de tirannen en de Antichrist de kerk van God zullen hebben aangedaan.
[^mattheus-24-29-35]: Kanttekening 35: de krachten van de hemelen: Dat is, de krachtige of sterke hemelen.
[^mattheus-24-29-36]: Kanttekening 36: bewogen worden: Namelijk gelijk de zee op en neder gedreven wordt.
[^mattheus-24-30-x]: Verwijzing x: Dan. 7:10 ; Matt. 16:27 ; Matt. 25:31 ; Matt. 26:64 ; Mark. 13:26 ; Mark. 14:62 ; Lukas 21:27 ; Hand. 1:11 ; 2 Thes. 1:10 ; Openb. 1:7 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Marcus 13:26 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. Lukas 21:27 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 2 Thessalonicensen 1:10 : Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^mattheus-24-30-37]: Kanttekening 37: het teken van de Zoon van de mensen: Dat is, de tekenen van zijn heerlijkheid, waarmee Hij in de wolken verschijnen zal; zie Mark. 13:26 ; Luk. 21:27 . Marcus 13:26 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. Lukas 21:27 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
[^mattheus-24-30-38]: Kanttekening 38: Of, weeklagen. Grieks, van benauwdheid op de borst slaan.
[^mattheus-24-30-y]: Verwijzing y: Openb. 1:7 . Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^mattheus-24-31-z]: Verwijzing z: 1 Kor. 15:52 ; 1 Thes. 4:16 . 1 Korinthiërs 15:52 : In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^mattheus-24-31-39]: Kanttekening 39: Grieks, stem. Anders, met een bazuin en groot geluid.
[^mattheus-24-31-40]: Kanttekening 40: bijeenvergaderen uit de vier winden: Dat is, uit alle vier hoeken of gewesten van de wereld bijeenbrengen, die zij uit hun verheerlijkte lichamen en anders zullen onderkennen.
[^mattheus-24-32-a]: Verwijzing a: Mark. 13:28 ; Lukas 21:29 . Marcus 13:28 : En leert van de vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. Lukas 21:29 : En Hij zei tot hen een gelijkenis: Ziet de vijgeboom, en al de bomen.
[^mattheus-24-32-41]: Kanttekening 41: teder wordt: Of, sappig, wanneer het sap of groeisel daarin komt.
[^mattheus-24-33-42]: Kanttekening 42: het nabij is: Of, Hij, namelijk Christus met zijne toekomst.
[^mattheus-24-34-43]: Kanttekening 43: dit geslacht zal: Namelijk van het Joodse volk, of deze eeuw.
[^mattheus-24-34-44]: Kanttekening 44: Of, vergaan.
[^mattheus-24-35-b]: Verwijzing b: Mark. 13:31 ; Ps. 102:27 ; Jes. 51:6 ; Hebr. 1:11 . Marcus 13:31 : De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. Psalmen 102:27 : Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Jesaja 51:6 : Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Hebreeën 1:11 : Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
[^mattheus-24-35-45]: Kanttekening 45: Of, vergaan. Hoe dit gebeuren zal, wordt verklaard 2 Petr. 3:10 . 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^mattheus-24-36-c]: Verwijzing c: Mark. 13:32 ; Hand. 1:7 . Marcus 13:32 : Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. Handelingen 1:7 : En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
[^mattheus-24-37-d]: Verwijzing d: Gen. 6:2 ; Lukas 17:26 ; 1 Petr. 3:20 ; 2 Petr. 2:5 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Lukas 17:26 : En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon van de mensen. 1 Petrus 3:20 : Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 2 Petrus 2:5 : En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht;
[^mattheus-24-38-46]: Kanttekening 46: etende en drinkende: Dat is, zorgeloos en vleselijk levende zonder vrees voor God, Jud. 1:12 . Judas 1:12 : Deze zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;
[^mattheus-24-38-e]: Verwijzing e: Gen. 7:7 . Genesis 7:7 : Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijn zonen met hem in de ark, vanwege de wateren van de vloeds.
[^mattheus-24-40-f]: Verwijzing f: Lukas 17:34 ; 1 Thes. 4:17 . Lukas 17:34 : Ik zeg u: In die nacht zullen twee op een bed zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^mattheus-24-40-47]: Kanttekening 47: Namelijk van God onder zijne uitverkorenen.
[^mattheus-24-40-48]: Kanttekening 48: ander zal: Grieks, de één.
[^mattheus-24-40-49]: Kanttekening 49: verlaten worden: Namelijk met de verworpenen in de eeuwige verdoemenis.
[^mattheus-24-41-50]: Kanttekening 50: malen in de molen: Of, malen in het molenhuis. Het malen en bakken placht in die landen veel gedaan te worden door de vrouwen of slavinnen, die daartoe karnen of handmolens gebruikten.
[^mattheus-24-41-51]: Kanttekening 51: Namelijk van God onder zijne uitverkorenen.
[^mattheus-24-42-g]: Verwijzing g: Matt. 25:31 ; Mark. 13:33 ; Lukas 12:40 ; Lukas 21:36 . Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Marcus 13:33 : Ziet toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. Lukas 12:40 : U dan, zijt ook bereid; want in welke ure u het niet meent, zal de Zoon van de mensen komen. Lukas 21:36 : Waakt dan altijd, biddende, dat u mag waard geacht worden te ontvluchten al deze dingen, die gebeuren zullen, en te staan voor de Zoon van de mensen.
[^mattheus-24-43-h]: Verwijzing h: Lukas 12:39 ; 1 Thes. 5:2 ; 2 Petr. 3:10 ; Openb. 3:3 ; Openb. 16:15 . Lukas 12:39 : Maar weet dit, dat, als de heer van het huis geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 1 Thessalonicensen 5:2 : Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^mattheus-24-43-52]: Kanttekening 52: de heer van het huis: Of, huisvader.
[^mattheus-24-43-53]: Kanttekening 53: in welke nachtwake de dief komen zou: Dat is, in welk deel van de nacht, die in vier nachtwaken gedeeld werd. Zie Matt. 14:25 . Mattheüs 14:25 : Maar ter vierde wake van de nacht kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.
[^mattheus-24-45-i]: Verwijzing i: Matt. 25:21 ; Lukas 12:42 . Mattheüs 25:21 : En zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar! over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren. Lukas 12:42 : En de Heer zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel voedsel te geven?
[^mattheus-24-45-54]: Kanttekening 54: Bij deze dienaar worden voornamelijk vergeleken de apostelen en dienaren van het Evangelie, die het geestelijke voedsel van de zielen uitdelen.
[^mattheus-24-46-55]: Kanttekening 55: zo doende: Namelijk gelijk hij hem bevolen heeft.
[^mattheus-24-47-56]: Kanttekening 56: over al zijne goederen: Of, over al wat hij heeft.
[^mattheus-24-49-57]: Kanttekening 57: slaan en te eten en te drinken: Dat is, overlast aan te doen.
[^mattheus-24-51-58]: Kanttekening 58: Anders, in tweeën houwen. Sommigen menen dat hier gezien wordt op zulke zware straffen, waarvan men leest 1 Sam. 15:33 , en Dan. 3:29 ; maar uit wat volgt schijnt, dat het verstaan wordt van de afscheiding van zijn huisgezin, om daarna gestraft te worden. 1 Samuël 15:33 : Maar Samuël zei: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, zo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht van YHWH te Gilgal. Daniël 3:29 : Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan.
[^mattheus-24-51-k]: Verwijzing k: Matt. 8:12 ; Matt. 13:42 ; Matt. 22:13 ; Matt. 25:30 ; Lukas 13:28 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 22:13 : Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. Mattheüs 25:30 : En werpt de onnutten dienaar uit in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^mattheus-24-51-59]: Kanttekening 59: de huichelaars: Dat is, die wel voor de ogen van hun meesters zich schijnen te kwijten, maar in hun afwezen het tegendeel doen.

### Mattheüs 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/25.json)

*1 Door de gelijkenis van vijf wijze en vijf dwaze maagden vermaant Christus opnieuw tot waken tegen Zijn komst. 14 En door de gelijkenis van de dienstknechten, die elk hun talenten van de heer ontvangen hadden om daarmee winst te doen, vermaant Hij tot trouwe besteding van de gaven die God aan ieder gegeven heeft. 31 Daarna beschrijft Hij Zijn laatste komst ten oordeel, hoe Hij Zijn schapen van de bokken zal onderscheiden en over beide vonnis zal spreken en uitvoeren.*

**1** [^mattheus-25-1-1] Dan zal het Koninkrijk van de hemelen[^mattheus-25-1-2] gelijk zijn aan tien maagden, die haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v1)

**2** En vijf van haar waren[^mattheus-25-2-3] wijzen, en vijf waren dwazen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v2)

**3** Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v3)

**4** Maar de wijzen namen olie in haar kruiken, met haar lampen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v4)

**5** Als nu de bruidegom bleef, werden zij[^mattheus-25-5-4] allen slaperig, en vielen in slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v5)

**6** En om middernacht gebeurde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v6)

**7** Toen stonden al die maagden op, en[^mattheus-25-7-5] bereidden haar lampen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v7)

**8** En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geef ons van uw olie; want onze lampen gaan uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v8)

**9** Maar de wijzen antwoordden, zeggende: In geen geval, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v9)

**10** Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v10)

**11** Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende:[^mattheus-25-11-6] Heere, heer, doe ons open! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v11)

**12** En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u:[^mattheus-25-12-7] Ik[^mattheus-25-12-a] ken u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v12)

**13** [^mattheus-25-13-b] Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, in die de Zoon des mensen komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v13)

**14** [^mattheus-25-14-c] Want[^mattheus-25-14-8] het is gelijk aan een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienaren riep, en gaf hun zijn goederen over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v14)

**15** En de ene gaf hij vijf talenten, en de ander twee, en de derden één, ieder naar zijn[^mattheus-25-15-9] vermogen, en verreisde meteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v15)

**16** Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmee, en[^mattheus-25-16-10] won andere vijf talenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v16)

**17** Evenzo ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v17)

**18** Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld van zijn heren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v18)

**19** En[^mattheus-25-19-11] na een langen tijd kwam de heer daarvan dienaren, en hield rekening met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v19)

**20** En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heere, vijf talenten hebt u mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik[^mattheus-25-20-12] daarboven gewonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v20)

**21** En zijn heer zei tot hem:[^mattheus-25-21-13] Wel, u goede en getrouwe dienaar![^mattheus-25-21-d] over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten;[^mattheus-25-21-14] ga in, in de vreugde van uw heeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v21)

**22** En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zei: Heere, twee talenten hebt u mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik daarboven gewonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v22)

**23** Zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar, over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw heeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v23)

**24** Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heere! ik kende u, dat u een[^mattheus-25-24-15] hard mens bent,[^mattheus-25-24-16] maaiende, waar u niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar u niet gestrooid hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v24)

**25** En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, u hebt het uwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v25)

**26** Maar zijn heer, antwoordende, zei tot hem: [^mattheus-25-26-17] U slechte en luie dienaar! u wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v26)

**27** Zo moest u dan mijn geld de bankiers[^mattheus-25-27-18] gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met[^mattheus-25-27-19] rente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v27)

**28** Neem dan van hem het talent weg, en geeft het degene, die de tien talenten heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v28)

**29** Want een[^mattheus-25-29-20] ieder[^mattheus-25-29-21] die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van degene,[^mattheus-25-29-22] die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.[^mattheus-25-29-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v29)

**30** En werpt de onnutte dienaar uit in de[^mattheus-25-30-23] buitenste duisternis;[^mattheus-25-30-f] daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v30)

**31** [^mattheus-25-31-g] En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten[^mattheus-25-31-24] op de[^mattheus-25-31-h] troon van Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v31)

**32** En voor Hem zullen al de volken[^mattheus-25-32-25] verzameld worden,[^mattheus-25-32-i] en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v32)

**33** En Hij zal de schapen tot Zijn[^mattheus-25-33-26] rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v33)

**34** Dan zal[^mattheus-25-34-27] de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Kom, u[^mattheus-25-34-28] gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk,[^mattheus-25-34-k] dat[^mattheus-25-34-29] u bereid is van de grondlegging van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v34)

**35** [^mattheus-25-35-l] Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven;[^mattheus-25-35-m] Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij[^mattheus-25-35-30] geherbergd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v35)

**36** [^mattheus-25-36-n] Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en u hebt Mij[^mattheus-25-36-31] bezocht;[^mattheus-25-36-32] Ik was[^mattheus-25-36-o] in de gevangenis, en u bent tot Mij gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v36)

**37** Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gevoed, of dorstig, en te drinken gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v37)

**38** En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v38)

**39** En wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v39)

**40** En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-25-40-p] Voor zoveel u dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt,[^mattheus-25-40-33] zo hebt u dat Mij gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v40)

**41** Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand[^mattheus-25-41-q] zijn: Ga weg van Mij, u[^mattheus-25-41-34] vervloekten, in het[^mattheus-25-41-r] eeuwige vuur, dat de[^mattheus-25-41-35] duivel en zijn engelen bereid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v41)

**42** Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij niet te drinken gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v42)

**43** Ik was een vreemdeling; en u hebt Mij niet geherbergd; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek, en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v43)

**44** Dan zullen ook deze Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of ziek, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v44)

**45** Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u:[^mattheus-25-45-s] Voor zoveel u dit één van[^mattheus-25-45-36] deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt u het Mij ook niet gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v45)

**46** [^mattheus-25-46-t] En deze zullen gaan in de eeuwige[^mattheus-25-46-37] pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/25.html#v46)

[^mattheus-25-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk als de Heer Christus zal komen tot het oordeel, waarvan in het einde van het voorgaande, Matt. 24 , gesproken wordt.
[^mattheus-25-1-2]: Kanttekening 2: gelijk zijn aan tien maagden: Deze gelijkenis wordt genomen van wat gebruikelijk was in de bruiloften van die tijd, die 's nachts gehouden werden, in welke de bruidegom met de zijnen van enige maagden ingehaald en tot bruid geleid werd met brandende lampen of fakkelen. Zie ook Luk. 12:35 van dergelijke wijze; en wordt verstaan door de komst van de bruidegom de toekomst van Christus tot het oordeel, vers 13 . Door de maagden allen die de Christelijke naam voeren. Door de wijzen allen oprechte ware gelovigen. Door de dwazen alle mondchristenen en huichelaars. Door de lampen de belijdenis van het Christelijke geloof. Door de olie en het licht het ware geloof door de liefde krachtig. Door de middernacht de onverwachte tijd van Christus' komst. En door de bruiloft de vreugd van het eeuwige leven. Lukas 12:35 : Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. Mattheüs 25:13 : Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, in dewelke de Zoon van de mensen komen zal.
[^mattheus-25-2-3]: Kanttekening 3: Grieks, voorzichtigen.
[^mattheus-25-5-4]: Kanttekening 4: allen sluimerig: Namelijk zowel de wijzen als de dwazen. Want ook de ware gelovigen sluimeren wel somtijds, maar hun geloof en liefde worden daarna opnieuw wakker.
[^mattheus-25-7-5]: Kanttekening 5: bereidden haar lampen: Grieks, versierden.
[^mattheus-25-11-6]: Kanttekening 6: Heer, Heer, doe ons open: Dat, omdat het dan te laat zal zijn, zo wordt daarmede alleen te kennen gegeven dat wij ons intijds moeten voorzien; Joh. 9:4 . Johannes 9:4 : Ik moet werken de werken van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.
[^mattheus-25-12-7]: Kanttekening 7: Ik ken u niet: Namelijk voor de mijnen. Zie Matt. 7:23 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt!
[^mattheus-25-12-a]: Verwijzing a: Matt. 7:23 ; Lukas 13:25 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent.
[^mattheus-25-13-b]: Verwijzing b: Matt. 24:42 ; Mark. 13:33 ; idem v. 35 . Mattheüs 24:42 : Waakt dan; want u weet niet, in welke ure uw Heer komen zal. Marcus 13:33 : Ziet toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. Marcus 13:35 : Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, van de avond laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond);
[^mattheus-25-14-c]: Verwijzing c: Lukas 19:12 . Lukas 19:12 : Hij zei dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weer te keren.
[^mattheus-25-14-8]: Kanttekening 8: gelijk een mens: Door deze gelijkenis worden wij vermaand de gaven, die God ons verleent, elk naar de mate derzelve waar te nemen en te besteden tot de meeste stichting van anderen, met belofte van genadige beloning hier en hiernamaals voor degenen die zulks doen, en bedreiging van zware straffen tegen degenen, die zulks nalaten. Zie Joh. 15:2 ; 1 Kor. 12:5 , 12:6 , 12:7 . Johannes 15:2 : Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. 1 Korinthiërs 12:5 : En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer; 1 Korinthiërs 12:6 : En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 1 Korinthiërs 12:7 : Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat oorbaar is.
[^mattheus-25-15-9]: Kanttekening 9: Dat is, begrip of bekwaamheid, namelijk om te handelen en winst te doen. Waaruit niet kan besloten worden dat een mens uit zichzelven kracht of bekwaamheid heeft om de gaven Gods recht te gebruiken. Want in de Schrift wordt doorgaans getuigd dat al onze bekwaamheid uit God is. Zie Joh. 15:5 ; 1 Kor. 15:10 ; 2 Kor. 3:5 . Johannes 15:5 : Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. 1 Korinthiërs 15:10 : Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is. 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^mattheus-25-16-10]: Kanttekening 10: won andere vijf talenten: Grieks, maakte (τάλαντον).
[^mattheus-25-19-11]: Kanttekening 11: na een lange tijd: Grieks, na veel tijds.
[^mattheus-25-20-12]: Kanttekening 12: boven dezelfde gewonnen: Of, met, door.
[^mattheus-25-21-13]: Kanttekening 13: Wel, u goede en getrouwe dienaar: Of, het is wel, het gaat wel, u hebt wel gedaan.
[^mattheus-25-21-d]: Verwijzing d: Matt. 24:45 ; Lukas 12:42 . Mattheüs 24:45 : Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? Lukas 12:42 : En de Heer zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel voedsel te geven?
[^mattheus-25-21-14]: Kanttekening 14: ga in, in de vreugde uws heren: Dat is, ga in met uw heer ter plaatse waar hij zijne vreugde en heerlijkheid heeft. Zie Joh. 17:24 ; Luk. 22:30 . Johannes 17:24 : Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld. Lukas 22:30 : Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^mattheus-25-24-15]: Kanttekening 15: hard mens zijt: Of, straf.
[^mattheus-25-24-16]: Kanttekening 16: maaiende waar u niet gezaaid hebt: Dit was een spreekwoord, waarmee beschreven werd een mens, die alles op het scherpste en nauwste tot zijn voordeel trekt.
[^mattheus-25-26-17]: Kanttekening 17: U boze en luie dienaar: Dat is, niet de vrees van mijne hardheid, maar uw eigen boosheid en luiheid is daarvan de oorzaak.
[^mattheus-25-27-18]: Kanttekening 18: gedaan hebben: Grieks, geworpen, of gelegd; namelijk in de wisselbank.
[^mattheus-25-27-19]: Kanttekening 19: Grieks, tokos (τόκῳ); waardoor allerlei vrucht of winst van het gebruik van het geld wordt betekend, welke soms in het goede, soms in het kwade genomen wordt, naardat de winst redelijk of onredelijk is. Zie verder Luk. 19:23 . Lukas 19:23 : Waarom hebt u dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelfde met woeker mogen eisen?
[^mattheus-25-29-20]: Kanttekening 20: een iedereen: Grieks, allen.
[^mattheus-25-29-21]: Kanttekening 21: die heeft: Dat is, die zijne gaven, die hij heeft, tewerkstelt en wel besteedt.
[^mattheus-25-29-22]: Kanttekening 22: die niet heeft: Dat is, die zijne gaven niet gebruikt of leeg laat liggen, alsof hij ze niet had gehad.
[^mattheus-25-29-c]: Verwijzing c: Matt. 13:12 ; Mark. 4:25 ; Lukas 8:18 ; Lukas 19:26 . Mattheüs 13:12 : Want wie heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Marcus 4:25 : Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Lukas 8:18 : Ziet dan, hoe u hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal van hem genomen worden. Lukas 19:26 : Want ik zeg u, dat een iedereen, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft.
[^mattheus-25-30-23]: Kanttekening 23: buitenste duisternis: Zie Matt. 8:12 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden.
[^mattheus-25-30-f]: Verwijzing f: Matt. 8:12 ; Matt. 13:42 ; Matt. 22:13 ; Matt. 24:51 ; Lukas 13:28 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 22:13 : Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Lukas 13:28 : Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen.
[^mattheus-25-31-g]: Verwijzing g: Matt. 16:27 ; Matt. 26:64 ; Mark. 14:62 ; Lukas 21:27 ; Hand. 1:11 ; 1 Thes. 4:16 ; 2 Thes. 1:10 ; Openb. 1:7 . Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. Lukas 21:27 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 2 Thessalonicensen 1:10 : Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^mattheus-25-31-24]: Kanttekening 24: op de troon: Dat is, op zijn heerlijken troon, welke in de wolken zal opgericht worden. Zie Matt. 24:30 ; Openb. 1:7 . Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^mattheus-25-31-h]: Verwijzing h: Matt. 19:28 . Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^mattheus-25-32-25]: Kanttekening 25: vergaderd worden: Namelijk door de dienst van de engelen. Zie Matt. 13:41 . Mattheüs 13:41 : De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;
[^mattheus-25-32-i]: Verwijzing i: Ez. 34:17 ; idem v. 20 ; Matt. 13:49 . Ezechiël 34:17 : Want u, o Mijn schapen! de Heer YHWH zegt zo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken. Ezechiël 34:20 : Daarom zegt de Heer YHWH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee. Mattheüs 13:49 : Zo zal het in de voleinding van de eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden;
[^mattheus-25-33-26]: Kanttekening 26: rechter hand : Of, rechterzijde; zo ook in het volgende.
[^mattheus-25-34-27]: Kanttekening 27: de Koning: Namelijk Christus, die in vers 31 , de Zoon van de mensen genaamd wordt, en nu hier Koning, omdat Hij alsdan wezen zal in de volle heerschappij van zijn rijk. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
[^mattheus-25-34-28]: Kanttekening 28: gezegenden mijns Vaders: Van deze zegening zie Ef. 1:3 , 1:4 , 1:5 . Efeziërs 1:3 : Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.
[^mattheus-25-34-k]: Verwijzing k: Matt. 20:23 ; Mark. 10:40 . Mattheüs 20:23 : En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt worde, zult u gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is van Mijn Vader. Marcus 10:40 : Maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden die het bereid is.
[^mattheus-25-34-29]: Kanttekening 29: u bereid is: Namelijk van God, door en naar zijn eeuwige verkiezing, Ef. 1:4 . Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^mattheus-25-35-l]: Verwijzing l: Jes. 58:7 ; Ez. 18:7 . Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Ezechiël 18:7 : En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt;
[^mattheus-25-35-m]: Verwijzing m: Hebr. 13:2 . Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^mattheus-25-35-30]: Kanttekening 30: Grieks mee geleid , of, mee genomen , namelijk om te herbergen.
[^mattheus-25-36-n]: Verwijzing n: Jes. 58:7 ; Jak. 2:15 ; idem v. 16 . Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Jakobus 2:15 : Als er nu een broer of zus naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; Jakobus 2:16 : En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat heen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en u zoudt hun niet geven de nooddruftigheden van het lichaam, wat nuttigheid is dat?
[^mattheus-25-36-31]: Kanttekening 31: Of, hebt opzicht over mij genomen.
[^mattheus-25-36-32]: Kanttekening 32: Ik was in de gevangenis: Onder deze verhaalde werken van de liefde worden alle andere vruchten van het geloof verstaan, die hier voortgebracht worden, niet als verdienende oorzaken van de zaligheid, maar als openbare getuigenissen en tekenen van hun geloof, die om de verdiensten van Christus uit genade zullen beloond worden, om daarmede te bewijzen de rechtvaardigheid van zijn vonnis in dit oordeel voor de gehele wereld, gelijk blijkt uit vers 34 , waar als de eerste oorzaak van hun zaligheid gesteld wordt de zegen van de Vader, en de zaligheid een erfdeel wordt genaamd, en deze gezegd wordt hun bereid of toegeschikt te zijn voordat de grond van de wereld gelegd was; Ef. 1:4 . Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^mattheus-25-36-o]: Verwijzing o: 2 Tim. 1:16 . 2 Timotheüs 1:16 : De Heer geve de huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.
[^mattheus-25-40-p]: Verwijzing p: Spreuk. 19:17 ; Matt. 10:42 ; Mark. 9:41 ; Joh. 13:20 ; 2 Kor. 9:6 . Spreuken 19:17 : Die zich van de armen ontfermt, leent YHWH, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden. Mattheüs 10:42 : En zo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water, in de naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Marcus 9:41 : Want zo wie u een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^mattheus-25-40-33]: Kanttekening 33: zo hebt u: Dat is, dat zal ik achten alsof zulks mijzelf gedaan ware. Hand. 9:4 . Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^mattheus-25-41-q]: Verwijzing q: Ps. 6:9 ; Matt. 7:23 ; Lukas 13:25 ; idem v. 27 . Psalmen 6:9 : Wijkt van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want YHWH heeft de stem mijns geweens gehoord. Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent. Lukas 13:27 : En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar u bent; wijkt van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid!
[^mattheus-25-41-34]: Kanttekening 34: Dat is om deze uwe zonden naar Gods rechtvaardig oordeel de straf van de eeuwige vloek onderworpen.
[^mattheus-25-41-r]: Verwijzing r: Jes. 30:33 ; Openb. 19:20 . Jesaja 30:33 : Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van YHWH zal hem aansteken als een zwavelstroom. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^mattheus-25-41-35]: Kanttekening 35: duivel en zijn engelen: Zo noemt Hij het hoofd van de boze geesten, die hier ook zijne engelen genoemd worden, omdat de duivel hen gebruikt tot zijne dienstboden, gelijk Christus zijn goede engelen; Openb. 12:7 . Openbaring 12:7 : En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
[^mattheus-25-45-s]: Verwijzing s: Spreuk. 14:31 ; Spreuk. 17:5 ; Zach. 2:8 . Spreuken 14:31 : Die de arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich van de nooddruftigen ontfermt, eert Hem. Spreuken 17:5 : Die de arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn. Zacharia 2:8 : Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
[^mattheus-25-45-36]: Kanttekening 36: deze minsten niet gedaan hebt: Namelijk die hier tot mijne rechterhand staan.
[^mattheus-25-46-t]: Verwijzing t: Dan. 12:2 ; Joh. 5:29 . Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis.
[^mattheus-25-46-37]: Kanttekening 37: Of, straf, pijniging, gelijk 1 Joh. 4:18 . 1 Johannes 4:18 : Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.

### Mattheüs 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/26.json)

*1 Christus voorzegt opnieuw Zijn dood, 3 waarover de oversten van de Joden beraadslagen. 6 Hij wordt in Bethanië door een vrouw gezalfd, 10 wier daad Hij verdedigt en prijst. 14 Judas verkoopt Christus. 17 Christus laat het pascha bereiden en eet het met Zijn discipelen, en voorzegt het verraad van Judas. 26 Daarna stelt Hij Zijn avondmaal in. 31 Hij voorzegt Zijn discipelen hun verstrooiing en aan Petrus zijn val. 36 Hij begint Zijn lijden in een hof met grote benauwdheid en sterk gebed, en vermaant Zijn discipelen, die sliepen, tot waken en bidden. 47 Hij wordt door Judas verraden met een kus en door de Joden gevangengenomen. 51 Hij bestraft Petrus, die de dienstknecht van de hogepriester een oor afhouwt. 57 Hij wordt voor de raad bij Kajafas gebracht, 59 door valse getuigen aangeklaagd. 63 Hij belijdt dat Hij de Christus is. 65 Hij wordt daarover als een godslasteraar veroordeeld en smadelijk mishandeld. 69 Petrus verloochent Christus. 75 Hij komt tot inkeer en beweent zijn val.*

**1** En het is gebeurd, als Jezus al[^mattheus-26-1-1] deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v1)

**2** [^mattheus-26-2-a] U weet, dat na twee dagen het[^mattheus-26-2-2] pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v2)

**3** [^mattheus-26-3-b] Toen verzamelden[^mattheus-26-3-3] de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het[^mattheus-26-3-4] volk, in de zaal van de hogepriester, die genoemd was[^mattheus-26-3-5] Kajafas; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v3)

**4** En zij beraadslaagden samen, dat zij Jezus[^mattheus-26-4-6] met listigheid vangen en doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v4)

**5** Maar zij zeiden:[^mattheus-26-5-7] Niet in het feest, opdat er geen oproer wordt onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v5)

**6** Als nu Jezus te Bethanië was, in het huis van[^mattheus-26-6-8] Simon, de melaatse, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v6)

**7** [^mattheus-26-7-c] Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met[^mattheus-26-7-9] zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v7)

**8** En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v8)

**9** Want deze zalf had kunnen[^mattheus-26-9-10] duur verkocht, en de penningen de armen gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v9)

**10** Maar Jezus, dat verstaande, zei tot hen: Waarom doet u deze vrouw moeite aan? want zij heeft[^mattheus-26-10-11] een goed werk aan Mij gewerkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v10)

**11** [^mattheus-26-11-d] Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u[^mattheus-26-11-12] niet altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v11)

**12** Want als zij deze zalf op Mijn lichaam[^mattheus-26-12-13] gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan[^mattheus-26-12-14] tot een voorbereiding van Mijn begrafenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v12)

**13** Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar herinnering gesproken worden van wat zij gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v13)

**14** [^mattheus-26-14-e] Toen ging één van de twaalven, genoemd Judas Iskariot, tot de overpriesters, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v14)

**15** En zei: Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem u[^mattheus-26-15-15] overleveren? En zij hebben hem[^mattheus-26-15-16] toegelegd[^mattheus-26-15-f] dertig[^mattheus-26-15-17] zilveren penningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v15)

**16** En van toen af zocht[^mattheus-26-16-18] hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v16)

**17** [^mattheus-26-17-g] En op de[^mattheus-26-17-19] eerste[^mattheus-26-17-h] dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v17)

**18** En Hij zei: Ga heen in de stad, tot[^mattheus-26-18-20] zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v18)

**19** En de discipelen deden, zoals Jezus hun bevolen had, en bereidden[^mattheus-26-19-21] het pascha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v19)

**20** [^mattheus-26-20-i] En[^mattheus-26-20-22] als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v20)

**21** En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat[^mattheus-26-21-k] één van u, Mij zal verraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v21)

**22** En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon ieder van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v22)

**23** En Hij, antwoordende, zei:[^mattheus-26-23-23][^mattheus-26-23-l] Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v23)

**24** De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar[^mattheus-26-24-24] wee die mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt; het was hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v24)

**25** En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem:[^mattheus-26-25-25] U hebt het gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v25)

**26** [^mattheus-26-26-m] En[^mattheus-26-26-26] als zij aten, nam Jezus het brood, en[^mattheus-26-26-27] gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neem, eet,[^mattheus-26-26-28] dat is[^mattheus-26-26-29] Mijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v26)

**27** En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun[^mattheus-26-27-30] die, zeggende: Drink allen daaruit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v27)

**28** Want dat is[^mattheus-26-28-31] Mijn bloed,[^mattheus-26-28-n] het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen[^mattheus-26-28-32] vergoten wordt, tot vergeving van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v28)

**29** En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op[^mattheus-26-29-33] die dag, wanneer Ik met u dezelfde nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v29)

**30** [^mattheus-26-30-o] En als zij[^mattheus-26-30-34] de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v30)

**31** Toen zei Jezus tot hen: U zult allen[^mattheus-26-31-35] aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven:[^mattheus-26-31-p] Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v31)

**32** [^mattheus-26-32-q] Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v32)

**33** Maar Petrus, antwoordende, zei tot Hem:[^mattheus-26-33-r] Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v33)

**34** Jezus zei tot hem:[^mattheus-26-34-s] Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfde nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij drie keer zult verloochenen.[^mattheus-26-34-36] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v34)

**35** Petrus zei tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U in geen geval verloochenen! Evenzo zeiden ook al de discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v35)

**36** [^mattheus-26-36-t] Toen ging Jezus met hen in[^mattheus-26-36-37] een plaats genoemd Gethsemane, en zei tot de discipelen: Zit hier neer, totdat Ik heenga, en daar zal gebeden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v36)

**37** En met Zich nemende Petrus, en de[^mattheus-26-37-38] twee zonen van Zebedeüs, begon Hij[^mattheus-26-37-39] droevig en zeer angstig te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v37)

**38** [^mattheus-26-38-v] Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is[^mattheus-26-38-40] geheel bedroefd tot de dood toe; blijf hier en waakt met Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v38)

**39** En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende:[^mattheus-26-39-x] Mijn Vader, als het mogelijk is, laat[^mattheus-26-39-41] deze[^mattheus-26-39-y] drinkbeker van Mij[^mattheus-26-39-42] voorbijgaan![^mattheus-26-39-z] maar niet,[^mattheus-26-39-43] zoals Ik wil, maar zoals U wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v39)

**40** En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Kunt u[^mattheus-26-40-44] dan niet één uur met Mij waken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v40)

**41** Waak en bidt, opdat u niet in verzoeking komt;[^mattheus-26-41-a] de[^mattheus-26-41-45] geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v41)

**42** Opnieuw voor de tweede keer heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Als deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil gebeure! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v42)

**43** En komende bij hen, vond Hij hen opnieuw slapende; want hun ogen waren[^mattheus-26-43-46] bezwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v43)

**44** En hen latende, ging Hij opnieuw heen, en bad voor de derde keer, zeggende dezelfde woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v44)

**45** Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zei tot hen:[^mattheus-26-45-47] Slaap nu voort, en rust; zie, het uur is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v45)

**46** Sta op, laat ons gaan; zie, hij is nabij, die Mij verraadt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v46)

**47** [^mattheus-26-47-b] En als Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem[^mattheus-26-47-48] een grote menigte, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v47)

**48** En die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, Dezelfde is het, grijpt Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v48)

**49** En meteen komende tot Jezus, zei hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij[^mattheus-26-49-c] kuste Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v49)

**50** Maar Jezus zei tot hem:[^mattheus-26-50-49] Vriend! waartoe bent u hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v50)

**51** En zie,[^mattheus-26-51-50] één van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienaar van de[^mattheus-26-51-51] hogepriester, hieuw zijn oor af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v51)

**52** Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats;[^mattheus-26-52-d] want allen, die het zwaard[^mattheus-26-52-52] nemen, zullen[^mattheus-26-52-53] door het zwaard vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v52)

**53** Of denkt u, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf[^mattheus-26-53-54] legioenen engelen bijzetten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v53)

**54** Hoe zouden dan de[^mattheus-26-54-e] Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het zo gebeuren moet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v54)

**55** Op dat moment sprak Jezus tot de menigten: U bent uitgegaan als tegen een[^mattheus-26-55-55] moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in de tempel, en u hebt Mij niet gegrepen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v55)

**56** Maar dit alles is gebeurd, opdat de Schriften van de profeten zouden vervuld worden.[^mattheus-26-56-f] Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v56)

**57** [^mattheus-26-57-g] Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem[^mattheus-26-57-56] heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen verzameld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v57)

**58** En Petrus volgde Hem van verre tot aan de[^mattheus-26-58-57] zaal van de hogepriester, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v58)

**59** [^mattheus-26-59-h] En de overpriesters, en de ouderlingen, en de hele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en[^mattheus-26-59-58] vonden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v59)

**60** En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v60)

**61** Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden:[^mattheus-26-61-59] Deze heeft gezegd:[^mattheus-26-61-i] Ik kan de tempel van God afbreken, en in drie dagen dezelfde opbouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v61)

**62** [^mattheus-26-62-k] En de hogepriester, opstaande, zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v62)

**63** [^mattheus-26-63-l] Maar Jezus[^mattheus-26-63-60] zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt, of U bent de Christus, de Zoon van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v63)

**64** Jezus zei tot hem:[^mattheus-26-64-61] U hebt het gezegd.[^mattheus-26-64-m] Maar Ik zeg u: Van nu aan[^mattheus-26-64-62] zult u zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v64)

**65** Toen[^mattheus-26-65-63] verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v65)

**66** Wat denkt u? En zij, antwoordende, zeiden:[^mattheus-26-66-n] Hij is de dood schuldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v66)

**67** [^mattheus-26-67-o] Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v67)

**68** [^mattheus-26-68-p] En anderen[^mattheus-26-68-64] gaven Hem kinnebakslagen, zeggende:[^mattheus-26-68-q] Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v68)

**69** [^mattheus-26-69-r] En Petrus zat[^mattheus-26-69-65] buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: U was ook met Jezus,[^mattheus-26-69-66] de Galileër. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v69)

**70** Maar hij ontkende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat u zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v70)

**71** En als hij naar[^mattheus-26-71-67] de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die daar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v71)

**72** En hij ontkende het opnieuw met een eed, zeggende: Ik ken de Mens niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v72)

**73** En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Werkelijk, u bent ook van die, want ook uw spraak[^mattheus-26-73-68] maakt u openbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v73)

**74** Toen begon hij[^mattheus-26-74-69] zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de Mens niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v74)

**75** En meteen kraaide de haan; en Petrus[^mattheus-26-75-70] werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had:[^mattheus-26-75-s] Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En naar buiten gaande, huilde hij bitter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/26.html#v75)

[^mattheus-26-1-1]: Kanttekening 1: deze woorden geëindigd had: Namelijk tot nog toe in de voorgaande hoofdstukken verhaald; zodat Christus zijn profetisch ambt dusverre volbracht hebbende, nu begint zijn priesterambt nader te treden.
[^mattheus-26-2-a]: Verwijzing a: Mark. 14:1 ; Lukas 22:1 ; Joh. 13:1 . Marcus 14:1 : En het pascha, en het feest van de ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden. Lukas 22:1 : En het feest van de ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij. Johannes 13:1 : En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, zo Hij de Zijn, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
[^mattheus-26-2-2]: Kanttekening 2: pascha is: Het is een Hebreeuws woord, betekenende een voorbijgang of overschrijding, waarmee genaamd werd het eerste van de drie grote jaarlijkse feesten van de Joden, gehouden op de veertiende dag van de eerste maand, die met onze Maart bijna overeenkwam; ingesteld ter gedachtenis van de verlossing van de kinderen van Israël uit Egypte, en in het bijzonder van dat de slaande engel, die de eerstgeborenen van de Egyptenaars doodde, de huizen van de Israëlieten voorbijging. Zie hiervan Ex. 12 . Op welke tijd Christus ook heeft willen geslacht worden, omdat het slachten van het paaslam daarvan een voorbeeld was. Zie 1 Kor. 5:7 , 5:8 . 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 1 Korinthiërs 5:8 : Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid.
[^mattheus-26-3-b]: Verwijzing b: Ps. 2:2 ; Joh. 11:47 ; Hand. 4:27 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Johannes 11:47 : De overpriesters dan en de Farizeën vergaderden de raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen. Handelingen 4:27 : Want in van de waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;
[^mattheus-26-3-3]: Kanttekening 3: de overpriesters: Uit deze allen bestond in die tijd de hoge Raad van de Joden, bij welke de allerzwaarste zaken verhandeld werden, waarvan de hogepriester het hoofd en de overste was.
[^mattheus-26-3-4]: Kanttekening 4: in de zaal van de hogepriester: Of, in het hof, of paleis.
[^mattheus-26-3-5]: Kanttekening 5: Van deze Kajafas zie ook Joh. 11:49 en bij Jos. Antiq. lib. 18, cap. 3,6. Johannes 11:49 : En één uit hen, namelijk Kajafas, die datzelfde jaar hogepriester was, zei tot hen: U verstaat niets;
[^mattheus-26-4-6]: Kanttekening 6: met listigheid: Omdat zij het openbaar niet durfden doen, uit vrees van het volk.
[^mattheus-26-5-7]: Kanttekening 7: Niet in het feest: Dat is, laat ons niet wachten tot op het feest, maar hetzelfde voorkomen gelijk ook geschied is.
[^mattheus-26-6-8]: Kanttekening 8: de melaatse: Niet die toen melaats was, want zulken mochten in de steden of vlekken niet wonen, en men mocht met hen niet eten of omgaan. Num. 5:2 , maar die òf zulks geweest was, òf zulk een toenaam had van zijne voorouders. Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.
[^mattheus-26-7-c]: Verwijzing c: Mark. 14:3 ; Lukas 7:37 ; Joh. 11:2 ; Joh. 12:3 . Marcus 14:3 : En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd. Lukas 7:37 : En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in van de Farizeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. Johannes 11:2 : (Maria nu was degene, die de Heer gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haar; welker broer Lazarus ziek was.) Johannes 12:3 : Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haar Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van de reuk van de zalf.
[^mattheus-26-7-9]: Kanttekening 9: zeer kostelijke zalf: Grieks, van zwaren prijs; die uitgedrukt wordt Mark. 14:5 . Marcus 14:5 : Want dezelfde had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die aan de armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.
[^mattheus-26-9-10]: Kanttekening 10: duur verkocht: Grieks, voor veel.
[^mattheus-26-10-11]: Kanttekening 11: een goed werk aan mij gewrocht: Dat is, wat zij aan mij gedaan heeft, is welgedaan.
[^mattheus-26-11-d]: Verwijzing d: Deut. 15:11 ; Mark. 14:7 ; Joh. 12:8 . Deuteronomium 15:11 : Want de arme zal niet ophouden uit het midden van het land; daarom gebiede ik u, zeggende: U zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broer, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land. Marcus 14:7 : Want de armen hebt u altijd met u, en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; maar Mij hebt u niet altijd. Johannes 12:8 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd.
[^mattheus-26-11-12]: Kanttekening 12: niet altijd: Namelijk naar mijn lichamelijke aanwezigheid, want naar zijne godheid en genade zal Hij altijd bij ons blijven; Matt. 28:20 . Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^mattheus-26-12-13]: Kanttekening 13: gegoten heeft: Grieks, geworpen.
[^mattheus-26-12-14]: Kanttekening 14: tot ene voorbereiding van : Niet dat deze vrouw zulks voorgehad heeft, maar omdat Gods voorzienigheid hetzelfde zo heeft bestuurd, dat zijn lichaam juist vóór zijn sterven zo zou gezalfd worden; gelijk de dode lichamen van de personen van aanzien zo tot de begrafenis werden bereid, Gen. 50:2 . Zie ook Mark. 14:8 . Gelijk het Griekse woord zulk ook medebrengt. Genesis 50:2 : En Jozef gebood zijn knechten, de dokters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de dokters balsemden Israël. Marcus 14:8 : Zij heeft gedaan, wat zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
[^mattheus-26-14-e]: Verwijzing e: Mark. 14:10 ; Lukas 22:4 . Marcus 14:10 : En Judas Iskariot, één van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. Lukas 22:4 : En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
[^mattheus-26-15-15]: Kanttekening 15: Namelijk in het geheim, zonder moeite en buiten kennis van het volk.
[^mattheus-26-15-16]: Kanttekening 16: Of toegezegd of toegewogen; gelijk dit woord ook zomtijds genomen wordt zo men eertijds het geld placht toe te wegen, Gen. 23:16 ; 1 Kon. 20:39 . Genesis 23:16 : En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder de koopman gangbaar. 1 Koningen 20:39 : En het geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot de koning riep, en zei: Uw knecht was uitgegaan in het midden van de strijd; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zei: Bewaar deze man, als hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, of u zult een talent zilvers opwegen.
[^mattheus-26-15-f]: Verwijzing f: Zach. 11:12 . Zacharia 11:12 : Want ik had tot henlieden gezegd: Als het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.
[^mattheus-26-15-17]: Kanttekening 17: Grieks, zilverlingen. dit woord wanneer het aldus alleen gesteld wordt, betekent gemeenlijk een sikkel, welke was òf van het heiligdom, doende omtrent een halven rijksdaalder; òf een gemene, doende half zoveel. En dit was de prijs waarmee een slaaf, die door een anders os gedood was, geboet moest worden. Ex. 21:23 , en het schijnt dat zij Christus niet meer waardeerden dan een slaaf placht gewaardeerd te zijn, gelijk God hierover klaagt bij Zach. 11:12 , 11:13 en hetzelfde in het volgende Zach. 12:9 aangewezen wordt. Exodus 21:23 : Maar als er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u geven ziel voor ziel, Zacharia 11:12 : Want ik had tot henlieden gezegd: Als het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen. Zacharia 11:13 : Maar YHWH zei tot mij: Werp ze heen voor de pottenbakker: een heerlijken prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis van YHWH, voor de pottenbakker. Zacharia 12:9 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen.
[^mattheus-26-16-18]: Kanttekening 18: Of, bekwamen tijd.
[^mattheus-26-17-g]: Verwijzing g: Mark. 14:12 ; Lukas 22:7 . Marcus 14:12 : En op de eerste dag van de ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt U, dat wij heengaan, en bereiden, dat U het pascha eet? Lukas 22:7 : En de dag van de ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.
[^mattheus-26-17-19]: Kanttekening 19: eerste dag : Dat is, op die dag als men 's avonds moest beginnen de ongehevelde broden te eten en het Pascha te slachten.
[^mattheus-26-17-h]: Verwijzing h: Ex. 12:17 . Exodus 12:17 : Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, omdat Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult u deze dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.
[^mattheus-26-18-20]: Kanttekening 20: zulk een: Zo spreekt men, als men een persoon met zekere tekenen aanwijst, wiens naam men niet uitdrukt; Ruth 4:1 . De tekenen van deze man worden aangewezen Mark. 14:13 ; Luk. 22:10 . Ruth 4:1 : En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van welke Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk herwaarts, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. Marcus 14:13 : En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zei tot hen: Gaat heen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt die; Lukas 22:10 : En Hij zei tot hen: Ziet, als u in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.
[^mattheus-26-19-21]: Kanttekening 21: het pascha: Dat is, het paaslam; een oneigenlijke manier van spreken, zeer gebruikelijk in de Heilige Schrift als er van sacramenten gesproken wordt.
[^mattheus-26-20-i]: Verwijzing i: Mark. 14:17 ; Lukas 22:14 ; Joh. 13:21 . Marcus 14:17 : En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven. Lukas 22:14 : En als het uur gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem. Johannes 13:21 : Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden.
[^mattheus-26-20-22]: Kanttekening 22: het avond geworden was: Christus heeft dan het pascha gegeten ter rechter tijd, op de avond van de veertiende dag, gelijk God bevolen had, Ex. 12:6 , 12:18 ; Lev. 23:5 . Maar de Joden hebben hetzelfde toen ter tijd eerst gegeten de volgende dag 's avonds, gelijk blijkt uit de gehele geschiedenis en in het bijzonder Joh. 18:28 . Dat geschiedde uit een oud gebruik, waardoor zij, als de veertiende dag viel op de dag voor de sabbat, dezelfde verzetten op de volgende sabbat, opdat zij niet genoodzaakt zouden zijn twee dagen aan elkaar van hun werk te rusten. Zo is dan Christus, het ware pascha, op de rechte dag van God geordonneerd voor onze zonden opgeofferd. Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Exodus 12:18 : In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de één en twintigste dag van de maand, in de avond. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van YHWH. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
[^mattheus-26-21-k]: Verwijzing k: Hand. 1:17 . Handelingen 1:17 : Want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen.
[^mattheus-26-23-23]: Kanttekening 23: Die de hand: Dat is, een die met mij dagelijks eet, die mijn huis- en tafelgenoot is. Zie Ps. 41:10 ; Mark. 14:20 ; Joh. 13:18 . Niet dat Christus toen juist met hem tezamen indoopte; want zo zouden de discipelen zekerlijk hebben kunne weten wie hij was. Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Marcus 14:20 : Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het is één uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt. Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.
[^mattheus-26-23-l]: Verwijzing l: Ps. 41:10 ; Lukas 22:21 ; Joh. 13:18 . Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Lukas 22:21 : Maar ziet, de hand van degene, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel. Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.
[^mattheus-26-24-24]: Kanttekening 24: wee die mens: De voorzienigheid Gods verontschuldig dan de mensen niet die kwaad doen.
[^mattheus-26-25-25]: Kanttekening 25: U hebt het gezegd: Dat is ene manier van spreken wanneer men ene zaak niet ronduit wil zeggen, maar evenwel niet ontkent. Zie hiervan vers 64 , 26:65 . Verg. met Mark. 14:62 . Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Mattheüs 26:65 : Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt u Zijn godslastering gehoord. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel.
[^mattheus-26-26-m]: Verwijzing m: Mark. 14:22 ; Lukas 22:19 ; 1 Kor. 11:23 . Marcus 14:22 : En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Lukas 22:19 : En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:23 : Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam;
[^mattheus-26-26-26]: Kanttekening 26: als zij aten: Dat is, toen zij na het eten van het paaslam nog aan tafel zaten.
[^mattheus-26-26-27]: Kanttekening 27: gezegend hebbende: Luk. 22:19 , en Paulus 1 Kor. 11:24 , in plaats van gezegend hebbende, gebruiken het woord gedankt hebbende, gelijk sommige Griekse boeken hier ook hebben. Zodat zegenen en danken of dankzeggen voor eenzelfde zaak genomen worden en betekenen het brood, alsook daarna de wijn, van algemeen gebruik afzonderen en door dankzegging tot God heiligen, of tot een heilig gebruik toeëigenen, gelijk Gen. 2:3 , de zevende dag van God gezegend en geheiligd wordt. Lukas 22:19 : En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:24 : En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Genesis 2:3 : En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken.
[^mattheus-26-26-28]: Kanttekening 28: dat is: Namelijk brood, gelijk de zaak zelve uitwijst en Paulus verklaart 1 Kor. 10:16 . 1 Korinthiërs 10:16 : De drinkbeker van de dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus?
[^mattheus-26-26-29]: Kanttekening 29: mijn lichaam: Dat is, een teken zijns lichaams; naar de manier van spreken in de sacramenten gebruikelijk, gelijk hiervoor een lam een pascha genoemd wordt, vers 19 . Het brood is de gemeenschap van het lichaam van Christus, 1 Kor. 10:16 , en de drinkbeker het Nieuwe Testament, 1 Kor. 11:25 , omdat het tekenen en zegelen zijn van onze gestelijke gemeenschap met Christus, en van het Nieuwe Testament, dat met zijn bloed is bevestigd. Mattheüs 26:19 : En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha. 1 Korinthiërs 10:16 : De drinkbeker van de dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? 1 Korinthiërs 11:25 : Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^mattheus-26-27-30]: Kanttekening 30: die : Namelijk de drinkbeker.
[^mattheus-26-28-31]: Kanttekening 31: mijn bloed: Dat is, een teken van mijn bloed, gelijk tevoren vers 26 , het brood zijn lichaam genaamd wordt. Mattheüs 26:26 : En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
[^mattheus-26-28-n]: Verwijzing n: Ex. 24:8 . Exodus 24:8 : Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met u gemaakt heeft over al die woorden.
[^mattheus-26-28-32]: Kanttekening 32: vergoten wordt: Dat is, kort hierna uitgestort zal worden. Zie hiervan Hebr. 9:14 , 9:15 , enz, waar de apostel van dit bloed van het Nieuwe Testament een brede verklaring doet, met ene tegenstelling van het bloed van het Oude Testament. Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Hebreeën 9:15 : En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden.
[^mattheus-26-29-33]: Kanttekening 33: die dag: Sommigen verstaan dit van de tijd van veertig dagen na zijne opstanding, in welke Hij met zijne discipelen gegeten en gedronken heeft, Hand. 10:41 . anderen, van de eeuwige vreugde in het eeuwige leven, dat doorgaans bij een maaltijd vergeleken wordt, Matt. 8:11 ; Luk. 22:29 ; Openb. 19:9 . Handelingen 10:41 : Niet aan al het volk, maar aan de getuigen, die van God te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was. Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Lukas 22:29 : En Ik verordineer u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft; Openbaring 19:9 : En hij zei tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden van God.
[^mattheus-26-30-o]: Verwijzing o: Mark. 14:26 ; Lukas 22:39 ; Joh. 18:1 . Marcus 14:26 : En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. Lukas 22:39 : En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^mattheus-26-30-34]: Kanttekening 34: de lofzang gezongen hadden: Naar het gebruik van de Joden, die toen plachten te zingen enige psalmen, gelijk sommigen menen van de 113den Psalm af tot de 119den Psalm : toe.
[^mattheus-26-31-35]: Kanttekening 35: aan Mij: Grieks, in Mij.
[^mattheus-26-31-p]: Verwijzing p: Zach. 13:7 ; Joh. 16:32 . Zacharia 13:7 : Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt YHWH van de heirscharen; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. Johannes 16:32 : Ziet, het uur komt, en is nu gekomen, dat u zult verstrooid worden, een iedereen naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.
[^mattheus-26-32-q]: Verwijzing q: Mark. 14:28 ; Mark. 16:7 . Marcus 14:28 : Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Marcus 16:7 : Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.
[^mattheus-26-33-r]: Verwijzing r: Lukas 22:33 . Lukas 22:33 : En hij zei tot Hem: Heer, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan.
[^mattheus-26-34-s]: Verwijzing s: Joh. 13:38 . Johannes 13:38 : Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat u Mij driemaal verloochend zult hebben.
[^mattheus-26-34-36]: Kanttekening 36: voordat de haan gekraaid zal hebben: Dat is, voordat de morgenstond aankomt, wanneer de hanen gemeenlijk voor de laatste maal beginnen te kraaien, Mark. 13:35 . Marcus 13:35 : Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, van de avond laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond);
[^mattheus-26-36-t]: Verwijzing t: Mark. 14:32 ; Lukas 22:39 ; Joh. 18:1 . Marcus 14:32 : En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zei tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben. Lukas 22:39 : En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^mattheus-26-36-37]: Kanttekening 37: ene plaats: Of, gehucht; namelijk van huizen en hoven; Joh. 18:1 zegt dat het een hof was, waar Christus placht te gaan om te bidden. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^mattheus-26-37-38]: Kanttekening 38: twee zonen van Zebedeüs: Namelijk Jakobus en Johannes; Mark. 10:35 . Marcus 10:35 : En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat U ons deedt, zo wat wij begeren zullen.
[^mattheus-26-37-39]: Kanttekening 39: droevig en zeer angstig te worden: Met deze woorden wordt te kennen gegeven een uiterste verdriet en benauwdheid, die Hem het bloedige zweet uitgedrukt heeft, Luk. 22:44 , en is onstaan, niet zo zeer uit vrees van de aanstaande wrede dood, die ook vele martelaars onbeschroomd hebben ondergaan, als wel uit het voorgevoel van de last van de toorn van God en van de helse kwalen, die Hij aan het kruis voor ons geleden heeft; Jes. 53:4 , 53:5 , 53:6 ; Gal. 3:13 . Lukas 22:44 : En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloed, die op de aarde afliepen. Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Jesaja 53:6 : Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.
[^mattheus-26-38-v]: Verwijzing v: Joh. 12:27 . Johannes 12:27 : Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.
[^mattheus-26-38-40]: Kanttekening 40: geheel bedroefd: Of aan alle zijden; dat is met verdriet gelijk als omsingeld.
[^mattheus-26-39-x]: Verwijzing x: Lukas 22:41 . Lukas 22:41 : En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,
[^mattheus-26-39-41]: Kanttekening 41: deze drinkbeker: Dat is, dit bitter lijden. Zie Matt. 20:22 . Mattheüs 20:22 : Maar Jezus antwoordde en zei: Gijlieden weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
[^mattheus-26-39-y]: Verwijzing y: Matt. 20:22 ; idem v. 23 . Mattheüs 20:22 : Maar Jezus antwoordde en zei: Gijlieden weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Mattheüs 20:23 : En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt worde, zult u gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is van Mijn Vader.
[^mattheus-26-39-42]: Kanttekening 42: Of, weggaan .
[^mattheus-26-39-z]: Verwijzing z: Joh. 6:38 . Johannes 6:38 : Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft.
[^mattheus-26-39-43]: Kanttekening 43: gelijk Ik wil: Namelijk, naar de genegenheid die de menselijke natuur is aangeschapen om zijn eigen verderf te ontvluchten, welke Ik nochtans Uwen Wil in alles onderwerp. En is daarom deze genegenheid van Christus zonder zonde geweest.
[^mattheus-26-40-44]: Kanttekening 44: Grieks, zo.
[^mattheus-26-41-a]: Verwijzing a: Galat. 5:17 . Galaten 5:17 : Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, zo dat u niet doet, wat u wilde.
[^mattheus-26-41-45]: Kanttekening 45: geest is wel gewillig: Dat is, uw wil is wel goed, maar wordt verhinderd door uw natuurlijke zwakheid.
[^mattheus-26-43-46]: Kanttekening 46: Namelijk met slaap, door waken en verdriet.
[^mattheus-26-45-47]: Kanttekening 47: Slaapt nu : Dit zegt Hij bestraffenderwijze gelijk men dikwijls iemand eindelijk iets schijnt toe te laten als het te laat is, waarvan men hem tevergeefs heeft afgemaand.
[^mattheus-26-47-b]: Verwijzing b: Mark. 14:43 ; Lukas 22:47 ; Joh. 18:3 . Marcus 14:43 : En meteen, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. Lukas 22:47 : En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en één van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen. Johannes 18:3 : Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaren van de overpriesters en Farizeën, kwam daar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
[^mattheus-26-47-48]: Kanttekening 48: een grote schare: Namelijk een gehele bende krijgsknechten met de dienaren van de overpriesters schriftgeleerden. Zie Joh. 18:3 . Johannes 18:3 : Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaren van de overpriesters en Farizeën, kwam daar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
[^mattheus-26-49-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 20:9 . 2 Samuël 20:9 : En Joab zei tot Amasa: Is het wel met u, mijn broer? En Joab vatte met de rechterhand de baard van Amasa, om hem te kussen.
[^mattheus-26-50-49]: Kanttekening 49: Grieks, gezel.
[^mattheus-26-51-50]: Kanttekening 50: een van degenen: Namelijk Petrus. Zie Joh. 18:10 . Johannes 18:10 : Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelfde uit, en sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.
[^mattheus-26-51-51]: Kanttekening 51: hieuw zijn oor af: Grieks, nam zijn oor weg (ὠτάριον).
[^mattheus-26-52-d]: Verwijzing d: Gen. 9:6 ; Openb. 13:10 . Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Openbaring 13:10 : Als iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.
[^mattheus-26-52-52]: Kanttekening 52: nemen, zullen: Namelijk zonder wettelijk beroep of last daartoe te hebben.
[^mattheus-26-52-53]: Kanttekening 53: door het zwaard vergaan: Namelijk door bevel van de overheid, welke tot dat einde het zwaard gegeven is, om de moordenaar met de dood te straffen; Gen. 9:6 ; Rom. 13:4 . Genesis 9:6 : Wie het bloed van de mens vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Romeinen 13:4 : Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor degene, die kwaad doet.
[^mattheus-26-53-54]: Kanttekening 54: legioenen engelen: Een legioen was bij de Romeinen een regiment krijgsvolk, bestaande uit enige duizenden, somtijd vier, somtijds zes, en somtijds meer.
[^mattheus-26-54-e]: Verwijzing e: Ps. 22:7 ; Ps. 69:2 ; idem 69:10 ; Lukas 24:25 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Psalmen 69:2 : Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. Psalmen 69:10 : Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Lukas 24:25 : En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten gesproken hebben!
[^mattheus-26-55-55]: Kanttekening 55: Of, straatschender.
[^mattheus-26-56-f]: Verwijzing f: Job 19:13 ; Ps. 88:9 . Job 19:13 : Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd. Psalmen 88:9 : Mijn bekenden hebt U verre van mij gedaan, U hebt mij hun tot een grote gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
[^mattheus-26-57-g]: Verwijzing g: Mark. 14:53 ; Lukas 22:54 ; Joh. 18:12 . Marcus 14:53 : En zij leidden Jezus heen tot de hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden. Lukas 22:54 : En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis van de hogepriesters. En Petrus volgde van verre. Johannes 18:12 : De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaren van de Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
[^mattheus-26-57-56]: Kanttekening 56: tot Kajafas: Namelijk nadat zij Hem eerst tot Annas hadden gebracht, die Kajafas' schoonvader was; Joh. 18:13 . Johannes 18:13 : En leidden Hem heen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke datzelfde jaar hogepriester was.
[^mattheus-26-58-57]: Kanttekening 57: zaal van de hogepriester: Of, tot aan het paleis.
[^mattheus-26-59-h]: Verwijzing h: Mark. 14:55 ; Hand. 6:13 . Marcus 14:55 : En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet. Handelingen 6:13 : En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.
[^mattheus-26-59-58]: Kanttekening 58: vonden niet: Namelijk wat met enige schijn zou kunnen voortgebracht worden, om daarop Hem te veroordelen.
[^mattheus-26-61-59]: Kanttekening 59: Deze heeft gezegd: Dit was een verdraaiing van de woorden van Christus, Joh. 2:19 , want Christus heeft daar niet gezegd: Ik kan de tempel afbreken. enz., maar: breekt u de tempel af, enz., verstaande dat van de tempel zijns lichaams. Johannes 2:19 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelfde oprichten.
[^mattheus-26-61-i]: Verwijzing i: Joh. 2:19 . Johannes 2:19 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelfde oprichten.
[^mattheus-26-62-k]: Verwijzing k: Mark. 14:59 . Marcus 14:59 : En ook zo was hun getuigenis niet eenparig.
[^mattheus-26-63-l]: Verwijzing l: Jes. 53:7 ; Matt. 27:12 ; idem v. 14 . Jesaja 53:7 : Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Mattheüs 27:12 : En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. Mattheüs 27:14 : Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, zo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.
[^mattheus-26-63-60]: Kanttekening 60: zweeg stil: Om daarmede te kennen te geven dat deze zaak zo ongegrond was, dat zij niet waard was beantwoord te worden.
[^mattheus-26-64-61]: Kanttekening 61: U hebt het gezegd: Zie hier voor vers 25 . Mattheüs 26:25 : En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd.
[^mattheus-26-64-m]: Verwijzing m: Ps. 110:1 ; Matt. 16:27 ; Matt. 24:30 ; Mark. 14:62 ; Lukas 22:69 ; Hand. 1:11 ; Rom. 14:10 ; 1 Thes. 4:16 ; Openb. 1:7 ; Dan. 7:13 . Psalmen 110:1 : Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. Lukas 22:69 : Van nu aan zal de Zoon van de mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht van God. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. Romeinen 14:10 : Maar u, wat oordeelt u uw broeder? Of ook u, wat veracht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen. Daniël 7:13 : Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Dezelfde naderen.
[^mattheus-26-64-62]: Kanttekening 62: zult u zien de Zoon van de mensen: Dat is, u zult alsdan metterdaad bevinden, dat Ik de Zoon van God ben, in het bijzonder als u voor Mij zult moeten verschijnen om geoordeeld te worden.
[^mattheus-26-65-63]: Kanttekening 63: Dit plachten de Joden te doen als zij een uiterste verdriet of mishagen over zekere zaak wilden betonen als godslastering, enz. Zie 2 Kon. 19:1 . 2 Koningen 19:1 : En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van YHWH.
[^mattheus-26-66-n]: Verwijzing n: Lev. 24:16 . Leviticus 24:16 : En wie de Naam van YHWH gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem zekerlijk stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.
[^mattheus-26-67-o]: Verwijzing o: Jes. 50:6 . Jesaja 50:6 : Ik geef Mijn rug degenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.
[^mattheus-26-68-p]: Verwijzing p: Job 16:10 ; Joh. 19:3 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Johannes 19:3 : En zeiden: Wees gegroet, U Koning van de Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.
[^mattheus-26-68-64]: Kanttekening 64: gaven Hem kinnebakslagen: Anders, sloegen Hem met stokjes, of roeden.
[^mattheus-26-68-q]: Verwijzing q: Lukas 22:64 . Lukas 22:64 : En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?
[^mattheus-26-69-r]: Verwijzing r: Mark. 14:66 ; Lukas 22:55 ; Joh. 18:16 ; idem v. 25 . Marcus 14:66 : En als Petrus beneden in de zaal was, kwam één van de dienstmaagden van de hogepriesters; Lukas 22:55 : En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen. Johannes 18:16 : En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die de hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. Johannes 18:25 : En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt u ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zei: Ik ben niet.
[^mattheus-26-69-65]: Kanttekening 65: buiten in de zaal: Namelijk buiten de plaats waar de Joodse Raad vergaderd was, voor welke Christus stond, gelijk blijkt uit vers 71 , 26:75 . Mattheüs 26:71 : En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die daar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener. Mattheüs 26:75 : En meteen kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.
[^mattheus-26-69-66]: Kanttekening 66: de Galileër: Zo wordt Hij hier genaamd, omdat Hij te Nazareth was opgevoed, dat ene stad van Galilea was. Zie vers 71 en Matt. 2:23 . Mattheüs 26:71 : En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die daar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener. Mattheüs 2:23 : En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.
[^mattheus-26-71-67]: Kanttekening 67: de voorpoort uitging: Of, portaal, voorhuis.
[^mattheus-26-73-68]: Kanttekening 68: maakt u openbaar: Namelijk dat u een Galileër bent, gelijk Mark. 14:70 , en Luk. 22:59 , uitdrukken. Marcus 14:70 : Maar hij loochende het opnieuw. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden opnieuw tot Petrus: Waarlijk, u bent één van die; want u bent ook een Galileër, en uw spraak gelijkt. Lukas 22:59 : En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileër.
[^mattheus-26-74-69]: Kanttekening 69: zich te vervloeken en te zweren: Dat is, de vloek of de wraak van God zichzelven toewensend als hij Hem kende.
[^mattheus-26-75-70]: Kanttekening 70: werd indachtig het woord van Jezus: Namelijk nadat hem Christus aangezien had. Zie Luk. 22:61 . Lukas 22:61 : En de Heer, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord van de Heer, hoe Hij hem gezegd had: Voordat de haan zal gekraaid hebben, zult u Mij driemaal verloochenen.
[^mattheus-26-75-s]: Verwijzing s: Matt. 26:34 ; Mark. 14:30 ; Lukas 22:61 ; Joh. 13:38 . Mattheüs 26:34 : Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfden nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Marcus 14:30 : En Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in deze nacht, voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, u Mij driemaal zult verloochenen. Lukas 22:61 : En de Heer, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord van de Heer, hoe Hij hem gezegd had: Voordat de haan zal gekraaid hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Johannes 13:38 : Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat u Mij driemaal verloochend zult hebben.

### Mattheüs 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/27.json)

*1 Christus wordt door de Joden in de handen van Pilatus overgegeven. 3 Judas, die berouw heeft, werpt het geld in de tempel en verworgt zichzelf. 6 Met dat geld wordt een pottenbakkersakker gekocht, zoals voorzegd was. 11 Pilatus ondervraagt Christus over de beschuldigingen tegen Hem. 19 Hij wordt door zijn vrouw gewaarschuwd. 20 Hij verklaart Christus' onschuld en tracht Hem door de tegenstelling van Barabbas vrij te laten, maar tevergeefs. 24 Hij wast zijn handen en geeft Hem op aandringen van de Joden over aan de soldaten om gekruisigd te worden. 27 Zij mishandelen Hem smadelijk en leiden Hem weg om gekruisigd te worden. 32 Simon van Cyrene wordt gedwongen Hem Zijn kruis te helpen dragen. 35 Christus wordt gekruisigd 38 en met Hem twee moordenaars. 39 Hij wordt door de voorbijgangers gelasterd en bespot. 45 Duisternis komt over de aarde, en Christus wordt met gal gedrenkt, roept in Zijn uiterste benauwdheid tot Zijn Vader en geeft Zijn geest. 51 Verscheidene wonderen gebeuren rondom Zijn dood, 54 waardoor de hoofdman erkent dat Hij Gods Zoon is. 57 Hij wordt door Jozef van Arimathea begraven, en zijn graf wordt op verzoek van de overpriesters met een wacht bewaakt.*

**1** [^mattheus-27-1-a] Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen van het volk samen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v1)

**2** En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan[^mattheus-27-2-b] Pontius Pilatus,[^mattheus-27-2-1] de stadhouder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v2)

**3** Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was,[^mattheus-27-3-2] berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen de overpriesters en de ouderlingen[^mattheus-27-3-3] teruggebracht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v3)

**4** Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U mag toezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v4)

**5** En als hij de zilveren penningen in de tempel geworpen had, vertrok hij, en[^mattheus-27-5-c] heengaande[^mattheus-27-5-4] verhing zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v5)

**6** En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelfde in de[^mattheus-27-6-5] offerkist te leggen, omdat het[^mattheus-27-6-6] een prijs van het bloed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v6)

**7** En samen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmee de[^mattheus-27-7-d] akker van de pottenbakker, tot een begrafenis voor[^mattheus-27-7-7] de vreemdelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v7)

**8** Daarom is die akker genoemd[^mattheus-27-8-8] de akker van het bloed, tot op de huidige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v8)

**9** Toen is vervuld geworden, wat gesproken is[^mattheus-27-9-e] door de profeet[^mattheus-27-9-9] Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen,[^mattheus-27-9-10] de waarde van de Gewaardeerden van de Israëlieten, Die zij gewaardeerd hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v9)

**10** En hebben dezelfde gegeven voor de akker van de[^mattheus-27-10-11] pottenbakker; volgens wat mij de Heere bevolen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v10)

**11** [^mattheus-27-11-f] En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Bent U[^mattheus-27-11-12] de Koning van de Joden? En Jezus zei tot hem:[^mattheus-27-11-13] U zegt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v11)

**12** En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v12)

**13** [^mattheus-27-13-g] Toen zei Pilatus tot Hem: Hoort U niet,[^mattheus-27-13-14] hoevele zaken zij tegen U getuigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v13)

**14** [^mattheus-27-14-h] Maar Hij antwoordde hem[^mattheus-27-14-15] niet op een enig woord, zo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v14)

**15** [^mattheus-27-15-i] En op het[^mattheus-27-15-16] feest was de stadhouder gewoon[^mattheus-27-15-17] de volk een gevangene los te laten, die zij wilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v15)

**16** [^mattheus-27-16-k] En zij hadden toen een[^mattheus-27-16-18] welbekenden gevangene, genoemd Bar-abbas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v16)

**17** Als zij dan verzameld waren, zei Pilatus tot hen: Welke wilt u, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genoemd wordt Christus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v17)

**18** Want hij wist, dat zij Hem door afgunst overgeleverd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v18)

**19** En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb vandaag veel geleden in de droom om Zijnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v19)

**20** [^mattheus-27-20-l] Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de menigten[^mattheus-27-20-19] aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v20)

**21** En de stadhouder, antwoordende, zei tot hen: Welken van deze twee wilt u, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v21)

**22** Pilatus zei tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genoemd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v22)

**23** Maar de stadhouder zei: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v23)

**24** Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en waste de handen voor de menigte, zeggende: Ik ben onschuldig aan[^mattheus-27-24-20] het bloed van deze Rechtvaardigen; u mag toezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v24)

**25** En al het volk, antwoordende, zei:[^mattheus-27-25-21][^mattheus-27-25-m] Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v25)

**26** Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld[^mattheus-27-26-22] hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v26)

**27** [^mattheus-27-27-n] Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich in het rechthuis, en verzamelden over Hem de hele bende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v27)

**28** En[^mattheus-27-28-23] als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een[^mattheus-27-28-24] purperen mantel om; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v28)

**29** En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, U Koning van de Joden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v29)

**30** En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v30)

**31** En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de mantel af, en deden Hem[^mattheus-27-31-25] Zijn kleren aan, en leidden Hem heen om te kruisigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v31)

**32** [^mattheus-27-32-o] En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met de naam[^mattheus-27-32-26] Simon; deze[^mattheus-27-32-27] dwongen zij, dat hij Zijn kruis[^mattheus-27-32-28] droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v32)

**33** [^mattheus-27-33-p] En gekomen zijnde tot de plaats, genoemd Golgotha, die is gezegd[^mattheus-27-33-29] Hoofdschedelplaats, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v33)

**34** Gaven zij Hem te drinken[^mattheus-27-34-30] azijn met gal gemengd; en als Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v34)

**35** [^mattheus-27-35-q] Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, wat gezegd is door de profeet:[^mattheus-27-35-r] Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en hebben[^mattheus-27-35-31] het lot over Mijn kleding geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v35)

**36** En zij, nederzittende, bewaarden Hem daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v36)

**37** [^mattheus-27-37-s] En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn[^mattheus-27-37-32] beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v37)

**38** [^mattheus-27-38-t] Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter-, en één aan de linkerzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v38)

**39** [^mattheus-27-39-v] En die voorbijgingen, lasterden Hem,[^mattheus-27-39-33] schuddende hun hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v39)

**40** En zeggende:[^mattheus-27-40-x] U, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, zo kom af van het kruis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v40)

**41** En evenzo ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeën, Hem bespottende, zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v41)

**42** Anderen heeft Hij verlost,[^mattheus-27-42-34] Hij kan Zichzelf niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v42)

**43** [^mattheus-27-43-y]Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse,[^mattheus-27-43-35] als Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v43)

**44** En hetzelfde verweten Hem ook de[^mattheus-27-44-36] moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v44)

**45** [^mattheus-27-45-z] En van het[^mattheus-27-45-37] zesde uur aan werd[^mattheus-27-45-38] er duisternis over de hele[^mattheus-27-45-39] aarde, tot het negende uur toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v45)

**46** En ongeveer het negende uur riep Jezus met een luide stem zeggende:[^mattheus-27-46-40] ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij[^mattheus-27-46-41] verlaten![^mattheus-27-46-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v46)

**47** En sommigen van die daar stonden, dat horende,[^mattheus-27-47-42] zeiden: Deze roept Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v47)

**48** [^mattheus-27-48-b] En meteen één van hen toe lopende, nam een spons, en die met azijn gevuld hebbende,[^mattheus-27-48-43] stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v48)

**49** Maar de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elia komt, om Hem te verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v49)

**50** [^mattheus-27-50-c] En Jezus, opnieuw met een luide stem roepende,[^mattheus-27-50-44] gaf de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v50)

**51** [^mattheus-27-51-d] En ziet, het[^mattheus-27-51-45] voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v51)

**52** En de graven werden geopend, en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v52)

**53** En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de[^mattheus-27-53-46] heilige stad, en zijn velen verschenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v53)

**54** [^mattheus-27-54-e] En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die gebeurd waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Werkelijk, Deze was Gods Zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v54)

**55** [^mattheus-27-55-f] En daar waren vele vrouwen,[^mattheus-27-55-g] van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea,[^mattheus-27-55-47] om Hem[^mattheus-27-55-h] te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v55)

**56** Onder die was Maria Magdalena, en Maria,[^mattheus-27-56-48] de moeder van Jakobus en Joses, en[^mattheus-27-56-49] de moeder van de zonen van Zebedeüs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v56)

**57** [^mattheus-27-57-i] En als het[^mattheus-27-57-50] avond geworden was, kwam een rijk man[^mattheus-27-57-51] van Arimathea, met de naam Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v57)

**58** Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v58)

**59** En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelfde in een[^mattheus-27-59-52] zuiver fijn lijnwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v59)

**60** [^mattheus-27-60-k] En legde dat in zijn[^mattheus-27-60-53] nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v60)

**61** En daar was Maria Magdalena, en de[^mattheus-27-61-54] andere Maria, zittende tegenover het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v61)

**62** Op de andere dag nu, die is[^mattheus-27-62-55] na de voorbereiding, verzamelden de overpriesters en de Farizeën tot Pilatus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v62)

**63** Zeggende: Heere, wij zijn indachtig, dat deze[^mattheus-27-63-56] verleider, nog levende, gezegd heeft:[^mattheus-27-63-l] Na drie dagen[^mattheus-27-63-57] zal Ik opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v63)

**64** Beveel dan, dat het graf verzekerd wordt tot de derde dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste[^mattheus-27-64-58] dwaling erger zijn, dan de eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v64)

**65** En Pilatus zei tot hen: U hebt een[^mattheus-27-65-59] wacht; ga heen, verzekert het, zoals u het verstaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v65)

**66** En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, de steen[^mattheus-27-66-60] verzegeld hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/27.html#v66)

[^mattheus-27-1-a]: Verwijzing a: Ps. 2:2 ; Mark. 15:1 ; Lukas 22:66 ; Lukas 23:2 ; Joh. 18:28 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Marcus 15:1 : En meteen, van de morgen vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en de heel raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over. Lukas 22:66 : En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen van het volk, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad, Lukas 23:2 : En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt de keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
[^mattheus-27-2-b]: Verwijzing b: Hand. 3:13 . Handelingen 3:13 : De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten.
[^mattheus-27-2-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de Romeinse keizer Tiberius, over het Joodse land, Luk. 3:1 ; want de Joden mochten niet meer iemand met de dood straffen, zonder voorgaande bewilliging van de Romeinse stadhouders, gelijk zij zelf betuigen Joh. 18:31 . Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; Johannes 18:31 : Pilatus dan zei tot hen: Neemt u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
[^mattheus-27-3-2]: Kanttekening 2: berouw gehad: Dit was geen oprecht berouw, gelijk Petrus had, zo het niet was gepaard met verbetering van het leven, noch met geloof en betrouwen van vergeving van zijn zonden. Paulus noemt zulk een berouw, gelijk Juda had, een verdriet, van de wereld, die de dood werkt; 2 Kor. 7:10 . 2 Korinthiërs 7:10 : Want het verdriet naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar het verdriet van de wereld werkt de dood.
[^mattheus-27-3-3]: Kanttekening 3: Grieks, werdergekeerd; dat is, weer uitgekeerd.
[^mattheus-27-5-c]: Verwijzing c: 2 Sam. 17:23 ; Hand. 1:18 . 2 Samuël 17:23 : Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf. Handelingen 1:18 : Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.
[^mattheus-27-5-4]: Kanttekening 4: verworgde zichzelven : Zie hiervan breder Hand. 1:18 . Handelingen 1:18 : Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.
[^mattheus-27-6-5]: Kanttekening 5: In de Griekse tekst wordt het Syrische woord Corbanan behouden, dat betekent een gave of offer waarmee zij noemden de schat of de geldkist, in welke het geld, tot de dienst Gods gegeven of geheiligd, bewaard werd. Zie 2 Kon. 12:9 . Deze wordt Mark. 12:41 , en Luk. 21:1 genaamd Gazophylacium. 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. Marcus 12:41 : En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. Lukas 21:1 : En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
[^mattheus-27-6-6]: Kanttekening 6: een prijs: Dat is, waarvoor Christus van hem gekocht was om hem te doden. Het schijnt dat deze huichelaars zien op de plaats Deut. 23:18 . Deuteronomium 23:18 : U zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis van YHWH, uw God, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn YHWH, uw God, een gruwel.
[^mattheus-27-7-d]: Verwijzing d: Hand. 1:19 . Handelingen 1:19 : En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, zo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker van het bloed.
[^mattheus-27-7-7]: Kanttekening 7: Dat is uit vreemde landen komende en vreemd zijde van de Joodse religie, met welke het schijnt dat de Joden, zelfs ook na hun dood, gene gemeenschap wilden hebben.
[^mattheus-27-8-8]: Kanttekening 8: de akkers van het bloed: Van deze akker zie Hand. 1:19 . Handelingen 1:19 : En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, zo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker van het bloed.
[^mattheus-27-9-e]: Verwijzing e: Zach. 11:12 . Zacharia 11:12 : Want ik had tot henlieden gezegd: Als het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.
[^mattheus-27-9-9]: Kanttekening 9: Deze plaats wordt niet gevonden bij Jeremia, maar bij Zach. 11:13 , en daarom menen sommige oude leraars dat hier van Mattheüs zelf geen naam van de profeet uitgedrukt is geweest, gelijk hij ook elders gewoon is te doen, en gelijk deze naam ook in de Syrische overzetting, die zeer oud is, en sommige andere niet gevonden wordt, en de naam van Jeremia door iemand van de afschrijvers door onwetendheid om de gelijkheid van de Griekse letters, Ιȣ̃ en ζȣ̃ zoals die in het kort geschreven worden, uit de kant in de tekst zou zijn bijgevoegd. Maar anderen menen dat Zacharia ook Jeremia zou genaamd zijn geweest, gelijk onder de Israëlieten zeer gebruikelijk was twee namen te hebben, in het bijzonder als dezelfde bijna enerlei zaak betekenen. Zacharia 11:13 : Maar YHWH zei tot mij: Werp ze heen voor de pottenbakker: een heerlijken prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis van YHWH, voor de pottenbakker.
[^mattheus-27-9-10]: Kanttekening 10: de waarde van de Gewaardeerde: Andere zetten het over, de waarde van de Gewaardeerde, denwelken gewaardeerd hebben \[enige\] van de kinderen van Israël . Zach. 11:13 voert Christus zelf als sprekende in Zijn persoon, maar Mattheüs, ziende meer op de zin als op de woorden van de profeet, spreekt van Christus in de derde persoon, om aan te wijzen dat deze profetie alhier in Hem vervuld was. Zacharia 11:13 : Maar YHWH zei tot mij: Werp ze heen voor de pottenbakker: een heerlijken prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis van YHWH, voor de pottenbakker.
[^mattheus-27-10-11]: Kanttekening 11: volgens wat: Deze woorden staan wel niet bij de profeet, maar de inhoud daarvan.
[^mattheus-27-11-f]: Verwijzing f: Mark. 15:2 ; Lukas 23:3 ; Joh. 18:33 . Marcus 15:2 : En Pilatus vraagde Hem: Zijt U de Koning van de Joden? En Hij antwoordende, zei tot hem: U zegt het. Lukas 23:3 : En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt U de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het. Johannes 18:33 : Pilatus dan ging opnieuw in het rechthuis, en riep Jezus, en zei tot Hem: Zijt U de Koning van de Joden?
[^mattheus-27-11-12]: Kanttekening 12: de Koning van de Joden: Namelijk, die de Joden voor hun Messias en Verlosser verwachten.
[^mattheus-27-11-13]: Kanttekening 13: U zegt het: Zie hiervoren Matt. 26:25 , 26:64 en Joh. 18:37 . Mattheüs 26:25 : En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Johannes 18:37 : Pilatus dan zei tot Hem: Zijt U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Een ieder, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
[^mattheus-27-13-g]: Verwijzing g: Matt. 26:62 . Mattheüs 26:62 : En de hogepriester, opstaande, zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U?
[^mattheus-27-13-14]: Kanttekening 14: hoevele zaken : Deze zaken staan uitgedrukt Luk. 23:2 . Lukas 23:2 : En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt de keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
[^mattheus-27-14-h]: Verwijzing h: Jes. 53:7 ; Hand. 8:32 . Jesaja 53:7 : Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Handelingen 8:32 : En de plaats van de Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor die, die het scheert, zo doet Hij Zijn mond niet open.
[^mattheus-27-14-15]: Kanttekening 15: niet op een enig woord: Eensdeels omdat de bedschuldigingen openbare leugens waren, eensdeels omdat Hij voor ons onschuldig veroordeeld wilde worden. En zo is vervuld wat tevoren van Hem gezegd was, Jes. 53:7 . Jesaja 53:7 : Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.
[^mattheus-27-15-i]: Verwijzing i: Mark. 15:6 ; Lukas 23:17 ; Joh. 18:39 . Marcus 15:6 : En op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden. Lukas 23:17 : En hij moest hun op het feest een loslaten. Johannes 18:39 : Maar u hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate?
[^mattheus-27-15-16]: Kanttekening 16: het feest: Namelijk van Pasen. Joh. 18:30 . Johannes 18:30 : Zij antwoordden en zeiden tot hem: Als Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.
[^mattheus-27-15-17]: Kanttekening 17: het volk: Grieks, van de schare.
[^mattheus-27-16-k]: Verwijzing k: Mark. 15:7 ; Lukas 23:19 ; Joh. 18:40 . Marcus 15:7 : En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. Lukas 23:19 : Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen. Johannes 18:40 : Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende: Niet Deze, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.
[^mattheus-27-16-18]: Kanttekening 18: welbekende gevangene: Dat is vermaarden en uitstekenden, wiens persoon en kwade feiten zeer bekend waren. Want Hij was om moord en oproer gevangen; Mark. 15:7 ; Luk. 23:19 ; Hand. 3:14 ; Joh. 18:40 . Marcus 15:7 : En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. Lukas 23:19 : Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen. Handelingen 3:14 : Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden; Johannes 18:40 : Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende: Niet Deze, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.
[^mattheus-27-20-l]: Verwijzing l: Mark. 15:11 ; Lukas 23:18 ; Joh. 18:40 ; Hand. 3:14 . Marcus 15:11 : Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten. Lukas 23:18 : Maar al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Deze, en laat ons Bar-abbas los. Johannes 18:40 : Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende: Niet Deze, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar. Handelingen 3:14 : Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden;
[^mattheus-27-20-19]: Kanttekening 19: Of, met aanrading daartoe bewogen.
[^mattheus-27-24-20]: Kanttekening 20: het bloed van deze Rechtvaardige: Dat is, aan de dood. Waarvan hij nochtans niet geheel onschuldig was, zo hij niet vermocht een onschuldige ten believe van anderen te doden, gelijk de stadhouder Festus zelf getuigt, Hand. 25:16 . Handelingen 25:16 : Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enige mens uit gunst ter dood over te geven, voordat de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
[^mattheus-27-25-21]: Kanttekening 21: Zijn bloed kome : Dat is, zo dit bloed onschuldig vergoten wordt, de straf of wraak van God daarvan kome op ons en onze nakomelingen. Dat ook kort daarna door de Romeinen geschied is en nog geschiedt; Matt. 24:21 . Dergelijks manier van spreken zie Lev. 20:9 , en 2 Sam. 1:16 . Mattheüs 24:21 : Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin van de wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood.
[^mattheus-27-25-m]: Verwijzing m: Hand. 5:28 . Handelingen 5:28 : Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat u in deze Naam niet zoudt leren? En ziet, u hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen.
[^mattheus-27-26-22]: Kanttekening 22: De Romeinen hadden wel de gewoonte dat zij degenen, die tot de dood verwezen waren, eerst openlijk deden geselen, maar het blijkt uit Joh. 19:1 dat Pilatus dit gedaan heeft, omdat hij hoopte dat hij met die mindere straf de Joden zou voldoen en tot medelijden bewegen om Hem zo los te laten. Johannes 19:1 : Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.
[^mattheus-27-27-n]: Verwijzing n: Mark. 15:16 ; Joh. 19:2 . Marcus 15:16 : En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de gehele bende samen; Johannes 19:2 : En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;
[^mattheus-27-28-23]: Kanttekening 23: als zij Hem ontkleed hadden: Namelijk van zijn opperkleed.
[^mattheus-27-28-24]: Kanttekening 24: purperen mantel om: Dit was een zeker soort van kostelijke purperkleur, gelijk de andere evangelisten het noemen; of van scharlaken, welke alleen van koningen en grote heren gedragen werd, Dan. 5:7 , en zo spotten deze met het koninklijke ambt van Christus. Waartoe ook diende de doornenkroon en de rietstok in plaats van een scepter en de volgende bespotting. Daniël 5:7 : Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
[^mattheus-27-31-25]: Kanttekening 25: Zijne kleren aan: Namelijk Zijne opperklederen, die zij uitgedaan hadden.
[^mattheus-27-32-o]: Verwijzing o: Mark. 15:21 ; Lukas 23:26 . Marcus 15:21 : En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van de akker, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg. Lukas 23:26 : En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van de akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
[^mattheus-27-32-26]: Kanttekening 26: Zie van deze Simon breder, Mark. 15:21 . Marcus 15:21 : En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van de akker, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.
[^mattheus-27-32-27]: Kanttekening 27: dwongen zij: Zie van dit woord Matt. 5:41 . Mattheüs 5:41 : En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.
[^mattheus-27-32-28]: Kanttekening 28: Grieks, opnam; namelijk om hetzelfde achter Christus te dragen, Luk. 23:26 . Het was gebruikelijk dat degenen, die gekruisigd zouden worden, zelf hun kruis moesten dragen ter plaatse van de straf. Dan zo Christus door de voorgaande mishandelingen in Zijn lichaam zeer verzwakt was, zo hebben zij Hem deze toegevoegd. Lukas 23:26 : En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van de akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
[^mattheus-27-33-p]: Verwijzing p: Ps. 69:22 ; Mark. 15:22 ; Lukas 23:33 ; Joh. 19:17 . Psalmen 69:22 : Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Marcus 15:22 : En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, dat is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats. Lukas 23:33 : En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem daar, en de kwaaddoeners, de één ter rechterzijde en de ander ter linkerzijde. Johannes 19:17 : En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;
[^mattheus-27-33-29]: Kanttekening 29: Of, plaats van het bekkeneel, of van de hoofdpan , welke plaats zo schijnt genaamd te zijn, omdat daar de justitie placht te gebeuren. Of, gelijk sommigen menen, omdat deze berg de vorm of de gedaante had van een schedel.
[^mattheus-27-34-30]: Kanttekening 30: edik met gal gemengd: Mark. 15:23 , zegt, wijn met mirre gemengd, welke drank men degenen die veroordeeld waren, plachten te geven om hunne smart te vergeten, bij welke de soldaten edik en gal gedaan hebben, om hun moedwil ook hierin aan Hem te betonen. Marcus 15:23 : En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam die niet.
[^mattheus-27-35-q]: Verwijzing q: Mark. 15:24 ; Joh. 19:23 . Marcus 15:24 : En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, werpende het lot over dezelfde, wat een iedereen wegnemen zou. Johannes 19:23 : De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke krijgsknecht een deel) en de rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
[^mattheus-27-35-r]: Verwijzing r: Ps. 22:19 . Psalmen 22:19 : Zij delen mijn kleren onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
[^mattheus-27-35-31]: Kanttekening 31: het lot over mijne kleding geworpen: Omdat zijn onderrok zonder naad was, gelijk te zien is Joh. 19:23 . Johannes 19:23 : De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke krijgsknecht een deel) en de rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
[^mattheus-27-37-s]: Verwijzing s: Mark. 15:26 ; Lukas 23:38 ; Joh. 19:19 . Marcus 15:26 : En het opschrift Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN. Lukas 23:38 : En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN. Johannes 19:19 : En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
[^mattheus-27-37-32]: Kanttekening 32: beschuldiging geschreven: Of, Zijne schuld. Anders, Zijne oorzaak. Namelijk waarvan Hij beschuldigd en waarover Hij veroordeeld was.
[^mattheus-27-38-t]: Verwijzing t: Jes. 53:12 . Jesaja 53:12 : Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
[^mattheus-27-39-v]: Verwijzing v: Ps. 22:8 ; Ps. 69:21 ; Mark. 15:29 ; Lukas 23:35 . Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Psalmen 69:21 : De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. Marcus 15:29 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! U, die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, Lukas 23:35 : En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.
[^mattheus-27-39-33]: Kanttekening 33: schuddende hunne hoofden: Tot een teken van verachting, en dat zij het Hem wel gunden. Zie Ps. 22:8 ; Klaagl. 2:15 . Psalmen 22:8 : Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: Klaagliederen 2:15 : Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de gehele aarde?
[^mattheus-27-40-x]: Verwijzing x: Matt. 26:61 ; Joh. 2:19 . Mattheüs 26:61 : Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken, en in drie dagen dezelfde opbouwen. Johannes 2:19 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelfde oprichten.
[^mattheus-27-42-34]: Kanttekening 34: Hij kan zichzelven niet verlossen: Of, en kan Hij zichzelven niet verlossen?
[^mattheus-27-43-y]: Verwijzing y: Ps. 22:9 . Psalmen 22:9 : Hij heeft het op YHWH gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij lust aan hem heeft!
[^mattheus-27-43-35]: Kanttekening 35: als Hij Hem wel wil: Grieks, als Hij Hem wil; dat is, als Hij aan Hem een welgevallen heeft.
[^mattheus-27-44-36]: Kanttekening 36: Eigenlijk is dit gedaan door één van de moordenaars, gelijk Lukas getuigt in Luk. 23:36 , maar het wordt aldus in het algemeen gezegd om aan te wijzen dat Christus van alle soorten mensen is bespot, zelfs van de moordenaars. Tenzij men zei \[gelijk sommige oude leraars menen\] dat zij eerst beiden zouden gelasterd hebben, en dat daarna de één, ziende de wonderen die er geschiedden, bekeerd zou zijn. Lukas 23:36 : En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;
[^mattheus-27-45-z]: Verwijzing z: Mark. 15:33 ; Lukas 23:44 . Marcus 15:33 : En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. Lukas 23:44 : En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
[^mattheus-27-45-37]: Kanttekening 37: zesde ure: Dat is, van omtrent de middag tot omtrent drie uren na de middag, naar onze rekening. Zie Matt. 20:3 ; Joh. 11:9 . Zie verder Mark. 15:25 ; Joh. 19:14 . Mattheüs 20:3 : En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, leeg staande op de markt. Johannes 11:9 : Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet; Marcus 15:25 : En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem. Johannes 19:14 : En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zei tot de Joden: Ziet, uw Koning!
[^mattheus-27-45-38]: Kanttekening 38: Dit was geen gewone verduistering van de zon, zo de pasen op de volle maan gehouden werd, wanneer de maan recht over de zon staat op de andere zijde van de hemel, en daarom het licht van de zon niet kan beletten; maar een bovennatuurlijk werk van God, bij wonder geschied, gelijk de duisternis in Egypte; Ex. 10:22 . Exodus 10:22 : Als Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, werd er een dikke duisternis in het gehele Egypteland, drie dagen.
[^mattheus-27-45-39]: Kanttekening 39: aarde tot de negende ure toe: Sommigen verstaan hierdoor het Joodse land alleen, anderen de ganse aardbodem.
[^mattheus-27-46-40]: Kanttekening 40: ELI, ELI, LAMA SABACHTANI: Deze woorden zijn genomen uit Ps. 22:2 . Psalmen 22:2 : Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
[^mattheus-27-46-41]: Kanttekening 41: Namelijk onder de last van uw schrikkelijken toorn tegen de zonden van de mensen, zonder mij het gevoel van uwe gunst en hulp te laten genieten; Gal. 3:13 . maar dit zijn gene woorden van wanhoop, omdat Hij evenwel volkomenlijk op Hem betrouwd heeft, gelijk blijkt uit de woorden mijn God. Zie ook hiervan Hebr. 5:7 . Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. Hebreeën 5:7 : Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
[^mattheus-27-46-a]: Verwijzing a: Ps. 22:2 ; Hebr. 5:7 . Psalmen 22:2 : Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Hebreeën 5:7 : Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
[^mattheus-27-47-42]: Kanttekening 42: Deze roept Elia: Dit zeggen zij, met Hem spottende, omdat de woorden Eli en Elia bijna overeenkomen.
[^mattheus-27-48-b]: Verwijzing b: Ps. 69:22 ; Joh. 19:29 . Psalmen 69:22 : Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Johannes 19:29 : Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
[^mattheus-27-48-43]: Kanttekening 43: stak ze op een rietstok: Grieks, zette deze om een rietstok. Dit deed hij omdat Christus gezegd had: Mij dorst, gelijk Joh. 19:28 , getuigt. Johannes 19:28 : Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zei: Mij dorst.
[^mattheus-27-50-c]: Verwijzing c: Lukas 23:46 . Lukas 23:46 : En Jezus, roepende met grote stemme, zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
[^mattheus-27-50-44]: Kanttekening 44: gaf de geest: Grieks, liet van Hem de geest (πνεῦμα); dat is zijne ziel; Joh. 10:18 . Johannes 10:18 : Niemand neemt hetzelfde van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht hetzelfde af te leggen, en heb macht hetzelfde opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
[^mattheus-27-51-d]: Verwijzing d: 2 Kron. 3:14 ; Mark. 15:38 ; Lukas 23:45 . 2 Kronieken 3:14 : Hij maakte ook de voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop. Marcus 15:38 : En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden. Lukas 23:45 : En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel van de tempel scheurde midden door.
[^mattheus-27-51-45]: Kanttekening 45: het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën: Dit was een tapijt of geborduurd kleed, dat voor het heilige van de heiligen hing, en dat afscheidde van het heilige of voorste deel van de tempel. Wat dit beduidde wordt verklaard Hebr. 10:20 . Hebreeën 10:20 : Op een versen en levenden weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;
[^mattheus-27-53-46]: Kanttekening 46: heilige stad: Namelijk Jeruzalem. Zie Matt. 4:5 . Mattheüs 4:5 : Toen nam Hem de duivel mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne van de tempel;
[^mattheus-27-54-e]: Verwijzing e: Mark. 15:39 ; Lukas 23:47 . Marcus 15:39 : En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij zo roepende de geest gegeven had, zei: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon! Lukas 23:47 : Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zei: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
[^mattheus-27-55-f]: Verwijzing f: Mark. 15:40 ; Lukas 23:49 . Marcus 15:40 : En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome; Lukas 23:49 : En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.
[^mattheus-27-55-g]: Verwijzing g: Ps. 38:12 . Psalmen 38:12 : Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
[^mattheus-27-55-47]: Kanttekening 47: om Hem te dienen: Grieks, Hem diende (διακονέω); namelijk in zijn leven van haar goederen; Luk. 8:3 . Lukas 8:3 : En Johanna, de huisvrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
[^mattheus-27-55-h]: Verwijzing h: Lukas 8:2 . Lukas 8:2 : En sommige vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;
[^mattheus-27-56-48]: Kanttekening 48: de moeder van Jakobus en Joses: Zie van deze Matt. 13:55 . Mattheüs 13:55 : Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
[^mattheus-27-56-49]: Kanttekening 49: de moeder van de zonen van Zebedeüs: Zie ook van deze Matt. 20:20 . Mattheüs 20:20 : Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.
[^mattheus-27-57-i]: Verwijzing i: Mark. 15:42 ; Lukas 23:50 ; Joh. 19:38 . Marcus 15:42 : En als het nu avond was geworden, omdat het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat; Lukas 23:50 : En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man, Johannes 19:38 : En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vrees voor de Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.
[^mattheus-27-57-50]: Kanttekening 50: avond geworden was: Dat is, laat op de dag, voordat de zon ondergegaan was. Want met zonsondergang begon de sabbat.
[^mattheus-27-57-51]: Kanttekening 51: van Arimathea: Namelijk geboortig. Dit was ene stad in het Joodse land; Luk. 23:51 . Lukas 23:51 : (Deze had niet mee bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad van de Joden, en die ook zelf het Koninkrijk van God verwachtte;
[^mattheus-27-59-52]: Kanttekening 52: zuiver fijn lijnwaad: Dat hij daartoe nieuw gekocht had, Mark. 15:46 . Marcus 15:46 : En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, dat uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf.
[^mattheus-27-60-k]: Verwijzing k: Mark. 15:46 ; Lukas 23:53 . Marcus 15:46 : En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, dat uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf. Lukas 23:53 : En als hij hetzelfde afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.
[^mattheus-27-60-53]: Kanttekening 53: nieuw graf: Waarin nog niemand tevoren gelegd was; Luk. 23:53 . Dat door Gods beschikking zo geschied is, opdat men niet zou zeggen of denken dat er iemand anders opgestaan was. Lukas 23:53 : En als hij hetzelfde afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.
[^mattheus-27-61-54]: Kanttekening 54: andere Maria: Namelijk tevoren vers 56 genoemd en beschreven. Mattheüs 27:56 : Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
[^mattheus-27-62-55]: Kanttekening 55: na de voorbereiding: Dat is, op hun paasdag zelf, welke toen ook was de sabbatdag.
[^mattheus-27-63-56]: Kanttekening 56: Zo lasteren deze goddeloze mensen Christus nog na zijn dood.
[^mattheus-27-63-l]: Verwijzing l: Matt. 16:21 ; Matt. 17:23 ; Matt. 20:19 ; Mark. 8:31 ; Mark. 10:34 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:33 ; Lukas 24:6 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:23 : En zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. Mattheüs 20:19 : En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 10:34 : En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:33 : En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en op de derde dag zal Hij wederopstaan. Lukas 24:6 : Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
[^mattheus-27-63-57]: Kanttekening 57: zal Ik opstaan: Grieks, sta ik op (ἐγείρω).
[^mattheus-27-64-58]: Kanttekening 58: Of, verleiding .
[^mattheus-27-65-59]: Kanttekening 59: Welke waren de soldaten, die gesteld waren om de tempel van buiten te bewaren en te bewaken. Zij hadden hun wachtplaats in de burcht Antonia. Zie Josef. Antiq. lib. 18, cap. 6.
[^mattheus-27-66-60]: Kanttekening 60: verzegeld hebbende: Opdat niemand zich zou verstouten zonder hun weten het graf te openen, gelijk Dan. 6:18 , dat mee door Gods beschikking is geschied, om de verrijzenis van Christus des te zekerder en heerlijker te maken. Daniël 6:18 : En er werd een steen gebracht, en op de mond van de kuil gelegd: en de koning verzegelde dezelfde met zijn ring, en met de ring van zijn geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden.

### Mattheüs 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/mattheus/28.json)

*1 De vrouwen komen tot het graf van Christus. 2 Zij worden door een engel, die de steen had weggewenteld, onderricht over Zijn opstanding 7 en gaan om die de discipelen te boodschappen. Christus ontmoet hen onderweg. 11 De wachters brengen dat bericht aan de overpriesters, maar laten zich met geld omkopen om te zeggen dat Hij uit het graf gestolen was. 16 Christus openbaart Zich aan Zijn discipelen in Galilea 19 en geeft hun bevel om onder alle volken te prediken en te dopen 20 en belooft hun Zijn bijstand.*

**1** [^mattheus-28-1-a] En[^mattheus-28-1-1] laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de[^mattheus-28-1-2] eerste[^mattheus-28-1-3] dag van de week,[^mattheus-28-1-4] kwam Maria Magdalena, en de andere Maria,[^mattheus-28-1-5] om het graf te bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v1)

**2** En ziet, er gebeurde een grote aardbeving; want een engel van de[^mattheus-28-2-6] Heere, nederdalende uit de hemel, kwam toe, en[^mattheus-28-2-7] wentelde de steen af van de deur, en zat daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v2)

**3** En zijn[^mattheus-28-3-8] gedaante was gelijk een bliksem, en zijn[^mattheus-28-3-b] kleding wit gelijk sneeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v3)

**4** En uit vrees van hem zijn de wachters zeer[^mattheus-28-4-9] verschrikt geworden, en werden als doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v4)

**5** Maar de engel, antwoordende, zei tot de vrouwen: Vrees u niet;[^mattheus-28-5-c] want ik weet, dat u zoekt Jezus, Die gekruisigd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v5)

**6** Hij is hier niet; want Hij is opgestaan,[^mattheus-28-6-10] zoals Hij[^mattheus-28-6-d] gezegd heeft. Kom herwaarts, ziet de plaats, waar de[^mattheus-28-6-11] Heere gelegen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v6)

**7** En gaat haastig heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea,[^mattheus-28-7-e] daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v7)

**8** [^mattheus-28-8-f] En haastig uitgaande van het graf, met[^mattheus-28-8-12] vrees en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelfde Zijn discipelen te boodschappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v8)

**9** En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet,[^mattheus-28-9-g] Jezus is haar ontmoet, zeggende: Wees gegroet! En zij, tot Hem komende,[^mattheus-28-9-13] grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v9)

**10** Toen zei Jezus tot haar: Vrees niet; ga heen, boodschapt Mijn[^mattheus-28-10-14] broeders, dat zij heengaan naar[^mattheus-28-10-15] Galilea, en[^mattheus-28-10-h] daar zullen zij Mij zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v10)

**11** En als zij heengingen, ziet, enige van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de overpriesters al de dingen,[^mattheus-28-11-16] die gebeurd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v11)

**12** En zij verzameld zijnde met de ouderlingen, en samen raad genomen hebbende, gaven zij de soldaten veel gelds,[^mattheus-28-12-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v12)

**13** En zeiden: Zeg: Zijn discipelen zijn in de nacht gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v13)

**14** En als dat komt gehoord te worden van de stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat u zonder zorg bent.[^mattheus-28-14-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v14)

**15** En zij, het geld genomen hebbende, deden, zoals zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag.[^mattheus-28-15-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v15)

**16** En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar de berg,[^mattheus-28-16-i] waar Jezus hen[^mattheus-28-16-20] ontboden had.[^mattheus-28-16-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v16)

**17** En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; maar sommigen twijfelden.[^mattheus-28-17-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v17)

**18** En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende:[^mattheus-28-18-k] Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.[^mattheus-28-18-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v18)

**19** [^mattheus-28-19-l] Ga dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.[^mattheus-28-19-24][^mattheus-28-19-25] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v19)

**20** [^mattheus-28-20-m] En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.[^mattheus-28-20-26][^mattheus-28-20-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/mattheus/28.html#v20)

[^mattheus-28-1-a]: Verwijzing a: Mark. 16:1 ; Lukas 24:1 ; Joh. 20:1 . Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Lukas 24:1 : En op de eerste dag van de week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. Johannes 20:1 : En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen.
[^mattheus-28-1-1]: Kanttekening 1: laat na de sabbat: Grieks, laat van de sabbaten (σαββάτων); dat is, gelijk verklaard wordt Mark. 16:1 , toen de sabbatdag voorbij was. Want door het woord sabbaten in het getal van velen wordt ook de sabbatdag of zevende dag verstaan, Matt. 12:1 ; Hand. 13:14 . Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Mattheüs 12:1 : In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. Handelingen 13:14 : En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, zaten zij neder.
[^mattheus-28-1-2]: Kanttekening 2: eerste dag : Grieks, enen; dat is, eerste, gelijk verklaard wordt Mark. 16:9 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
[^mattheus-28-1-3]: Kanttekening 3: van de week: Grieks, van de sabbaten (σαββάτων); welk woord somtijds ook genomen wordt voor de gehele week; Mark. 16:9 ; Joh. 20:1 ; 1 Kor. 16:2 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Johannes 20:1 : En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen. 1 Korinthiërs 16:2 : Op elke eerste dag van de week, legge een ieder van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn.
[^mattheus-28-1-4]: Kanttekening 4: Maria Magdalena: Bij welke twee nog enige andere waren, die genoemd worden Mark. 16:1 ; Luk. 24:10 . Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Lukas 24:10 : En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
[^mattheus-28-1-5]: Kanttekening 5: om het graf te bezien: Hebbende bij zich specerijen, Luk. 24:1 , om het lichaam van Christus te zalven, Mark. 16:1 . Lukas 24:1 : En op de eerste dag van de week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.
[^mattheus-28-2-6]: Kanttekening 6: nederdalende uit de hemel: Namelijk in de gedaante van een jongeling, Mark. 16:5 . Marcus 16:5 : En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.
[^mattheus-28-2-7]: Kanttekening 7: wentelde de steen af: Namelijk om het graf te openen. Niet dat Christus zulks door zijn goddelijke kracht zelf niet zou hebben kunnen doen, maar om aan te wijzen de waarheid van Zijn menselijke natuur, ook na Zijne verrijzenis, gelijk ook Joh. 11:39 , 11:41 , te zien is. Johannes 11:39 : Jezus zei: Neemt de steen weg. Martha, de zus van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, hij ruikt nu al, want hij heeft vier dagen daar gelegen. Johannes 11:41 : Zij namen dan de steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zei: Vader, Ik dank U, dat U Mij gehoord hebt.
[^mattheus-28-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, aangezicht.
[^mattheus-28-3-b]: Verwijzing b: Dan. 7:9 ; Hand. 1:10 . Daniël 7:9 : Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur. Handelingen 1:10 : En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
[^mattheus-28-4-9]: Kanttekening 9: verschrikt geworden: Grieks, schuddende (γίνομαι), bevende.
[^mattheus-28-5-c]: Verwijzing c: Mark. 16:6 ; Lukas 24:4 . Marcus 16:6 : Maar hij zei tot haar: Zijt niet verbaasd; u zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Lukas 24:4 : En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleren.
[^mattheus-28-6-10]: Kanttekening 10: gelijk hij gezegd heeft: Gelijk te zien is Matt. 26:32 . Mattheüs 26:32 : Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
[^mattheus-28-6-d]: Verwijzing d: Matt. 16:21 ; Matt. 17:23 ; Matt. 20:19 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:34 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:33 ; Lukas 24:6 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:23 : En zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. Mattheüs 20:19 : En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:34 : En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:33 : En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en op de derde dag zal Hij wederopstaan. Lukas 24:6 : Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
[^mattheus-28-6-11]: Kanttekening 11: Heer gelegen heeft: Dat is het dode lichaam van de Heer, dat zelfs na de dood met zijn goddelijke natuur verenigd is gebleven, gelijk ook de ziel in de hemel.
[^mattheus-28-7-e]: Verwijzing e: Matt. 26:32 ; Mark. 16:7 . Mattheüs 26:32 : Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Marcus 16:7 : Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft.
[^mattheus-28-8-f]: Verwijzing f: Mark. 16:8 ; Joh. 20:18 . Marcus 16:8 : En zij, haastig uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd. Johannes 20:18 : Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heer gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.
[^mattheus-28-8-12]: Kanttekening 12: De vrees was uit menselijke zwakheid, omdat zij de heerlijkheid van de engel zagen en de blijdschap uit de blijde boodschap van de opstanding van Christus.
[^mattheus-28-9-g]: Verwijzing g: Mark. 16:9 ; Joh. 20:14 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, van de morgen vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Johannes 20:14 : En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.
[^mattheus-28-9-13]: Kanttekening 13: grepen Zijne voeten: Dat is, vielen aan Zijn voeten, die omvangende, tot een teken van liefde en eerbied, gelijk te zien is 2 Kon. 4:27 ; Luk. 7:38 . 2 Koningen 4:27 : Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en YHWH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. Lukas 7:38 : En staande achter Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf.
[^mattheus-28-10-14]: Kanttekening 14: Zo noemt Hij zijn discipelen tot hun troost, om te tonen, hoewel zij Hem verlaten hadden, dat Zijn liefde tot hen evenwel niet ophield of verminderd was. Zie Joh. 20:7 . Johannes 20:7 : En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.
[^mattheus-28-10-15]: Kanttekening 15: Daar heeft Christus zichzelf voornamelijk willen openbaren, omdat Hij daar de meeste discipelen had, en dat het daar voor hem het allerzekerst was.
[^mattheus-28-10-h]: Verwijzing h: Hand. 1:3 ; Hand. 13:31 ; 1 Kor. 15:5 . Handelingen 1:3 : Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk van God aangaan. Handelingen 13:31 : Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk. 1 Korinthiërs 15:5 : En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
[^mattheus-28-11-16]: Kanttekening 16: die geschied waren: Namelijk omtrent de opstanding van Christus.
[^mattheus-28-12-17]: Kanttekening 17: veel geld: Grieks, genoegzaam geld, of genoegzame zilverlingen; dat is, zilveren penningen.
[^mattheus-28-14-18]: Kanttekening 18: tevreden stellen: Of, zulks wijsmaken, Hem overreden; dat is met redenen doen geloven.
[^mattheus-28-15-19]: Kanttekening 19: dit woord is verbeid geworden: Namelijk dat de discipelen Christus' lichaam 's nachts hadden weggenomen.
[^mattheus-28-16-i]: Verwijzing i: Matt. 26:32 ; Mark. 14:28 . Mattheüs 26:32 : Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Marcus 14:28 : Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
[^mattheus-28-16-20]: Kanttekening 20: elf discipelen: Want de twaalfde namelijk Judas, was van hem afgeweken.
[^mattheus-28-16-21]: Kanttekening 21: bescheiden had: Grieks, bevolen, of verordineerd had; namelijk om daar bij Hem te komen.
[^mattheus-28-17-22]: Kanttekening 22: Zie hiervan breder Luk. 24:38 , 24:41 . Lukas 24:38 : En Hij zei tot hen: Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? Lukas 24:41 : En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt u hier iets om te eten?
[^mattheus-28-18-k]: Verwijzing k: Ps. 8:7 ; Matt. 11:27 ; Lukas 10:22 ; Joh. 3:35 ; Joh. 17:2 ; 1 Kor. 15:27 ; Efez. 1:22 ; Hebr. 2:8 . Psalmen 8:7 : U doet hem heersen over de werken van Uw handen; U hebt alles onder zijn voeten gezet; Mattheüs 11:27 : Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren. Lukas 10:22 : Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en die het de Zoon zal willen openbaren. Johannes 3:35 : De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Johannes 17:2 : Zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat U Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. 1 Korinthiërs 15:27 : Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Hebreeën 2:8 : Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;
[^mattheus-28-18-23]: Kanttekening 23: macht in hemel en op aarde: Dat is, alle gezag en vermogen, namelijk om als het hoofd van de gemeente deze door de gehele wereld te vergaderen, regeren en beschermen.
[^mattheus-28-19-l]: Verwijzing l: Mark. 16:15 ; Joh. 15:16 . Marcus 16:15 : En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen. Johannes 15:16 : U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
[^mattheus-28-19-24]: Kanttekening 24: onderwijst al de volkeren: Of, maakt discipelen onder alle volken; gelijk dit woord ook genomen wordt Hand. 14:21 . Zie ook Mark. 16:15 . Handelingen 14:21 : En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar Lystre, en Ikonium, en Antiochië; Marcus 16:15 : En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
[^mattheus-28-19-25]: Kanttekening 25: in de naam van de Vader: Dat is, opdat zij zo uit Gods bevel mogen geheiligd worden tot kinderen en bondgenoten van de ware God, van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, en dienvolgens tot Zijn dienst en gehoorzaamheid verplicht. Zie 1 Kor. 1:15 . 1 Korinthiërs 1:15 : Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.
[^mattheus-28-20-m]: Verwijzing m: Joh. 14:18 . Johannes 14:18 : Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weer tot u.
[^mattheus-28-20-26]: Kanttekening 26: met u al de dagen: Namelijk met u mijn discipelen, en al uw navolgers in mijn gemeente; en dat naar mijn godheid, majesteit, genade en geest. Zie Matt. 26:11 . Mattheüs 26:11 : Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd.
[^mattheus-28-20-27]: Kanttekening 27: Wat dit woord betekent, zie Matt. 6:13 ; 1 Kor. 14:16 ; 2 Kor. 1:20 , en wordt hier aan het einde van dit Evangelie, alsook van meest al de schriften van het Nieuwe Testament, bijgevoegd, om aan te wijzen de vastheid en zekerheid van wat in dezelfde begrepen is, Zie Joh. 21:24 . Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen. 1 Korinthiërs 14:16 : Anders, als u dankzegt met de geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, omdat hij niet weet, wat u zegt? 2 Korinthiërs 1:20 : Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons. Johannes 21:24 : Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is.

## Markus

### Markus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/1.json)

*1 De prediking van het Evangelie begint met de dienst van Johannes, die in de woestijn doopt en predikt met grote toeloop. 9 Christus wordt door hem gedoopt, en uit de hemel betuigd de geliefde Zoon van God te zijn. 12 Wordt in de woestijn verzocht. 14 Predikt in Galilea. 16 En roept Simon en Andreas. 19 Alzok Jakobus en Johannes. 21 Leert binnen Kapernaüm. 23 Werpt een onreine geest uit. 29 Geneest de schoonmoeder van Petrus van de koorts. 32 En allerlei zieken en bezetenen. 35 Vertrekt naar een woeste plaats om te bidden. 38 Gaat vandaar preken in de naburige steden. 40 Reinigt een melaatse, die hij gebiedt te zwijgen en zich aan de priester te vertonen.*

**1** [^markus-1-1-1] Het begin van het Evangelie van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v1)

**2** Zoals geschreven is[^markus-1-2-2] in de profeten:[^markus-1-2-a] Zie, Ik zend Mijn[^markus-1-2-3] engel voor[^markus-1-2-4] Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v2)

**3** [^markus-1-3-b] De stem van de roepende in de woestijn: Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden[^markus-1-3-5] recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v3)

**4** [^markus-1-4-c] Johannes doopte in de woestijn, en preekte de doop[^markus-1-4-6] van de bekering tot vergeving van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v4)

**5** [^markus-1-5-d] En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v5)

**6** [^markus-1-6-e] En[^markus-1-6-7] Johannes was gekleed met kameelhaar, en met een leren gordel om zijn middel, en at[^markus-1-6-f] sprinkhanen en[^markus-1-6-8] wilde honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v6)

**7** [^markus-1-7-g] En hij preekte en zei: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet[^markus-1-7-9] waard ben, al neerbuigend, de riem van Zijn schoenen te ontbinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v7)

**8** [^markus-1-8-h] Ik heb u wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen[^markus-1-8-i] met de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v8)

**9** En het gebeurde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van[^markus-1-9-10] Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v9)

**10** [^markus-1-10-k] En meteen, als Hij uit het water opklom, zag[^markus-1-10-11] Hij de hemelen[^markus-1-10-12] opengaan, en de Geest, zoals een duif,[^markus-1-10-13] op Hem nederdalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v10)

**11** En er kwam een stem uit de hemelen:[^markus-1-11-l] U bent Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v11)

**12** [^markus-1-12-m] En meteen dreef Hem de[^markus-1-12-14] Geest uit in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v12)

**13** En Hij was daar in de woestijn veertig dagen,[^markus-1-13-15] verzocht van de satan; en was bij de wilde dieren; en de engelen dienden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v13)

**14** [^markus-1-14-n] En nadat Johannes[^markus-1-14-16] overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea,[^markus-1-14-17] predikende het Evangelie van het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v14)

**15** En zeggende: De[^markus-1-15-18] tijd is vervuld, en het Koninkrijk van God nabij gekomen;[^markus-1-15-o] bekeer u, en gelooft het Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v15)

**16** [^markus-1-16-p] En wandelend bij de Galilese zee, zag Hij[^markus-1-16-19] Simon en Andreas, zijn broer, werpende het net in de zee (want zij waren vissers); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v16)

**17** En Jezus zei tot hen: Volg Mij na, en Ik zal maken, dat u vissers van de mensen zult worden.[^markus-1-17-20][^markus-1-17-q] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v17)

**18** [^markus-1-18-r] En zij, meteen hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v18)

**19** [^markus-1-19-s] En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, en deze in het schip hun netten vermakende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v19)

**20** En meteen riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeüs in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v20)

**21** [^markus-1-21-t] En zij kwamen binnen[^markus-1-21-21] Kapernaüm; en meteen op de[^markus-1-21-22] sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v21)

**22** [^markus-1-22-v] En zij stonden versteld over Zijn leer; want Hij leerde hen, als[^markus-1-22-23] machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v22)

**23** [^markus-1-23-x] En er was in hun synagoge een mens, met een onreine geest, en hij riep uit, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v23)

**24** Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener, bent U gekomen om ons te[^markus-1-24-25] verderven? Ik ken U, wie U bent,[^markus-1-24-26] namelijk de Heilige Gods.[^markus-1-24-24__] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v24)

**25** En Jezus bestrafte hem, zeggende:[^markus-1-25-27] Zwijg stil, en ga uit van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v25)

**26** En de onreine geest, hem[^markus-1-26-28] scheurende, en roepende met een luide stem, ging uit van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v26)

**27** En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkaar vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook de onreine geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v27)

**28** En[^markus-1-28-29] Zijn gerucht ging meteen uit, in het hele omliggende land van Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v28)

**29** [^markus-1-29-y] En van dat moment af uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v29)

**30** En Simons[^markus-1-30-30] vrouws moeder lag met de koorts; en meteen zeiden zij Hem van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v30)

**31** En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze op; en meteen verliet haar de koorts, en zij diende hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v31)

**32** [^markus-1-32-z] Als het nu avond geworden was, toen de[^markus-1-32-31] zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van de duivel bezeten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v32)

**33** En de hele stad was bijeenvergaderd ongeveer de deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v33)

**34** En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele demonen uit, en[^markus-1-34-32] liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v34)

**35** [^markus-1-35-a] En vroeg in de morgen, als het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging heen in een[^markus-1-35-33] woeste plaats,[^markus-1-35-b] en bad daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v35)

**36** En Simon, en[^markus-1-36-34] die met hem waren, zijn Hem nagevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v36)

**37** En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v37)

**38** En Hij zei tot hen:[^markus-1-38-c] Laat ons in de bijliggende[^markus-1-38-35] plaatsen gaan, opdat Ik ook daar predike;[^markus-1-38-d] want daartoe ben Ik uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v38)

**39** En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de demonen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v39)

**40** [^markus-1-40-e] En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Als U wilt, U kunt mij reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v40)

**41** En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zei tot hem: Ik wil, word gereinigd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v41)

**42** En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid meteen van hem, en hij werd gereinigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v42)

**43** En als Hij hem[^markus-1-43-36] strengelijk verboden had,[^markus-1-43-37] deed Hij hem meteen van Zich gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v43)

**44** En zei tot hem:[^markus-1-44-38] Zie, dat u niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelf de priester, en offer voor uw reiniging, wat[^markus-1-44-f] Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v44)

**45** Maar hij uitgegaan zijnde, begon[^markus-1-45-39] vele dingen te verkondigen, en[^markus-1-45-40] dat woord te verbreiden, zo dat[^markus-1-45-41] Hij niet meer openbaar[^markus-1-45-42] in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/1.html#v45)

[^markus-1-1-1]: Kanttekening 1: Marcus begint zijn evangelie daar waar Maleachi zijn profetie eindigt, namelijk bij de komst van de voorloper van Christus, om zo het Oude en het Nieuwe Testament als het ware aan elkaar te verbinden. Want alle profeten hebben geprofeteerd tot aan Johannes. Mattheüs 11:13. Hij was de eerste prediker van het evangelie in het Nieuwe Testament.
[^markus-1-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk Maleachi 3:1 en Jesaja 40:3, want deze twee profetieën worden hier samengevoegd.
[^markus-1-2-a]: Verwijzing a: Maleachi 3:1. Mattheüs 11:10. Lukas 7:27.
[^markus-1-2-3]: Kanttekening 3: Of: boodschapper. Het Griekse woord Angelos (ἄγγελος) betekent boodschapper. Lukas 7:24. Het wordt gewoonlijk aan de hemelse engelen toegeschreven, maar soms ook aan dienaren van de kerk, omdat zij door God als boodschappers worden uitgestuurd om de wil en de geboden van God aan de mensen voor te dragen. Maleachi 2:7. Openbaring 2:1, 8.
[^markus-1-2-4]: Kanttekening 4: Hier spreekt God de Vader tot zijn Zoon. Bij Maleachi spreekt de Zoon zelf tot de gemeente en zegt daarom 'voor mijn aangezicht', dat wil zeggen: voor mijn komst, die daar onmiddellijk op zou volgen.
[^markus-1-3-b]: Verwijzing b: Jesaja 40:3. Mattheüs 3:3. Lukas 3:4. Johannes 1:23.
[^markus-1-3-5]: Kanttekening 5: Of: effen.
[^markus-1-4-c]: Verwijzing c: Mattheüs 3:1. Lukas 3:3. Johannes 3:23.
[^markus-1-4-6]: Kanttekening 6: De doop wordt zo genoemd omdat hij bediend werd aan hen die hun zonden beleden en bekering beloofden, als teken en zegel dat hun zonden hun door God om Christus' wil vergeven waren. Handelingen 19:4. Romeinen 4:11.
[^markus-1-5-d]: Verwijzing d: Mattheüs 3:5. Lukas 3:7.
[^markus-1-6-e]: Verwijzing e: Mattheüs 3:4. 2 Koningen 1:8.
[^markus-1-6-7]: Kanttekening 7: De verklaring van deze geschiedenis van Johannes, zie in de aantekeningen op het 3e hoofdstuk van Mattheüs, waar die bijna met dezelfde woorden verhaald staat.
[^markus-1-6-f]: Verwijzing f: Leviticus 11:22.
[^markus-1-6-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: die in het wild of op het veld gevonden werd.
[^markus-1-7-g]: Verwijzing g: Mattheüs 3:11. Lukas 3:16. Johannes 1:27.
[^markus-1-7-9]: Kanttekening 9: Grieks: hikanos (ἱκανός), bekwaam of voldoende.
[^markus-1-8-h]: Verwijzing h: Mattheüs 3:11. Handelingen 1:5 en 11:16 en 19:4.
[^markus-1-8-i]: Verwijzing i: Jesaja 44:3. Joël 2:28. Handelingen 2:4 en 11:15.
[^markus-1-9-10]: Kanttekening 10: Namelijk waar hij was opgevoed en tot dan toe had gewoond. Zie Lukas 2:51 en 4:16.
[^markus-1-10-k]: Verwijzing k: Mattheüs 3:16. Lukas 3:21. Johannes 1:32.
[^markus-1-10-11]: Kanttekening 11: Namelijk Johannes de Doper.
[^markus-1-10-12]: Kanttekening 12: Grieks: schizomenous (σχιζομένους), gescheurd of gekloven.
[^markus-1-10-13]: Kanttekening 13: Namelijk op Jezus. Zie Johannes 1:32, 33.
[^markus-1-11-l]: Verwijzing l: Psalm 2:7. Jesaja 42:1. Mattheüs 3:17 en 17:5. Markus 9:7. Lukas 3:22 en 9:35. Kolossenzen 1:13. 2 Petrus 1:17.
[^markus-1-12-m]: Verwijzing m: Mattheüs 4:1. Lukas 4:1.
[^markus-1-12-14]: Kanttekening 14: Namelijk de Heilige Geest. Zie Lukas 4:1.
[^markus-1-13-15]: Kanttekening 15: Voornamelijk nadat hij 40 dagen en nachten gevast had. Zie Mattheüs 4:2.
[^markus-1-14-n]: Verwijzing n: Mattheüs 4:12. Lukas 4:14. Johannes 4:43.
[^markus-1-14-16]: Kanttekening 16: Namelijk in de gevangenis. Zie hierover uitvoeriger Mattheüs 14:3.
[^markus-1-14-17]: Kanttekening 17: Hoewel hij al eerder was begonnen te prediken (Johannes 3:24), heeft hij na de gevangenneming van Johannes zijn predikambt plechtig en volledig met zijn apostelen aangevangen.
[^markus-1-15-18]: Kanttekening 18: Namelijk die door God bepaald en door de profeten voorzegd was. Galaten 4:4.
[^markus-1-15-o]: Verwijzing o: Jesaja 56:1.
[^markus-1-16-p]: Verwijzing p: Mattheüs 4:18.
[^markus-1-16-19]: Kanttekening 19: Aan wie Christus de bijnaam Petrus gaf. Zie Mattheüs 4:18.
[^markus-1-17-20]: Kanttekening 20: De prediking van het evangelie wordt met vissen vergeleken. Mattheüs 13:47. Want de mensen worden daardoor uit de wereld getrokken en aan Christus toegebracht.
[^markus-1-17-q]: Verwijzing q: Jeremia 16:16. Ezechiël 47:10.
[^markus-1-18-r]: Verwijzing r: Mattheüs 19:27. Markus 10:28. Lukas 5:11 en 18:28.
[^markus-1-19-s]: Verwijzing s: Mattheüs 4:21.
[^markus-1-21-t]: Verwijzing t: Mattheüs 4:13. Lukas 4:31.
[^markus-1-21-21]: Kanttekening 21: Waar hij was komen wonen nadat hij Nazareth had verlaten. Mattheüs 4:13.
[^markus-1-21-22]: Kanttekening 22: Grieks: sabbasin (σάββασιν), sabbatdagen.
[^markus-1-22-v]: Verwijzing v: Mattheüs 7:28. Lukas 4:32.
[^markus-1-22-23]: Kanttekening 23: Zie Mattheüs 7:29.
[^markus-1-23-x]: Verwijzing x: Lukas 4:33.
[^markus-1-24-25]: Kanttekening 25: Namelijk voor de bepaalde tijd. Zie Mattheüs 8:29.
[^markus-1-24-26]: Kanttekening 26: Of: u heilige van God, dat wil zeggen: de ware Messias. Want de hogepriester droeg de titel 'heiligheid van de Heer' op zijn voorhoofd als voorafbeelding van Christus. Zie Exodus 28:36. Zie ook Lukas 4:34.
[^markus-1-24-24__]: Kanttekening 24\[\]: 24\[\]
[^markus-1-25-27]: Kanttekening 27: Grieks: phimōthēti (φιμώθητι), word gemuilkorfd. Zie over dit woord Mattheüs 22:12. Dit zegt Christus omdat hij de waarheid niet wil laten verbreiden of bevestigen door het getuigenis van de duivel, die een vader der leugens is; zoals ook Paulus doet. Handelingen 16:18.
[^markus-1-26-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: hem heen en weer trekkend en werpend alsof hij hem wilde verscheuren, zonder hem echter te kunnen verwonden. Zie Lukas 4:35.
[^markus-1-28-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: de faam over hem.
[^markus-1-29-y]: Verwijzing y: Mattheüs 8:14. Lukas 4:38.
[^markus-1-30-30]: Kanttekening 30: Zo heeft Petrus dus een vrouw gehad, die hij na zijn apostelschap niet heeft verlaten, zoals hier blijkt en ook in 1 Korintiërs 9:5.
[^markus-1-32-z]: Verwijzing z: Mattheüs 8:16. Lukas 4:40.
[^markus-1-32-31]: Kanttekening 31: Omdat het een sabbat was, zoals blijkt uit vers 21; daarom wachtten zij tot de ondergang van de zon, waarmee de sabbat eindigde.
[^markus-1-34-32]: Kanttekening 32: Of: liet hen niet zeggen dat zij hem kenden, namelijk omdat hij van deze leugenachtige geesten geen getuigenis wilde hebben.
[^markus-1-35-a]: Verwijzing a: Lukas 4:42.
[^markus-1-35-33]: Kanttekening 33: Of: verlaten plaats.
[^markus-1-35-b]: Verwijzing b: Mattheüs 14:23.
[^markus-1-36-34]: Kanttekening 34: Namelijk de andere drie apostelen die in vers 29 worden genoemd, met nog velen uit het volk, zoals blijkt uit Lukas 4:42.
[^markus-1-38-c]: Verwijzing c: Lukas 4:43.
[^markus-1-38-35]: Kanttekening 35: Grieks: dorpssteden, dat wil zeggen open onommuurde steden, waarvan er vele in Galilea waren. Josephus getuigt dat er in elk ervan niet minder dan tienduizend mensen woonden.
[^markus-1-38-d]: Verwijzing d: Jesaja 61:1. Lukas 4:18.
[^markus-1-40-e]: Verwijzing e: Mattheüs 8:2. Lukas 5:12.
[^markus-1-43-36]: Kanttekening 36: Of: met dreiging streng verboden, namelijk dit openbaar te maken.
[^markus-1-43-37]: Kanttekening 37: Grieks: dreef hem uit. Dat wil zeggen: deed hem snel van zich weggaan.
[^markus-1-44-38]: Kanttekening 38: Zie de reden hiervoor in Mattheüs 12:16.
[^markus-1-44-f]: Verwijzing f: Leviticus 13:2 en 14:1.
[^markus-1-45-39]: Kanttekening 39: Namelijk wat hem was overkomen en wat hij van Christus had gehoord en gezien.
[^markus-1-45-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: deze zaak.
[^markus-1-45-41]: Kanttekening 41: Namelijk Jezus. Zie Lukas 5:15, 16.
[^markus-1-45-42]: Kanttekening 42: Namelijk Kapernaüm, zoals blijkt uit het begin van het volgende hoofdstuk, vanwege de grote toeloop van het volk.

### Markus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/2.json)

*1 Christus predikt opnieuw in Kapernaüm met grote toeloop van het volk. 3 Tot hem wordt een verlamde gebracht, wie hij de zonden vergeeft en geneest, en tegen de schriftgeleerden bewijst dat hij ook macht heeft de zonden te vergeven. 13 Roept Mattheüs van de tol. 15 Eet en drinkt met de tollenaars en zondaars, en verdedigt dat. 18 Geeft redenen waarom zijn discipelen toen niet vastten, zoals de discipelen van Johannes en van de Farizeeën deden. 23 De discipelen plukken op de sabbat korenaren, en worden door Christus verdedigd.*

**1** En[^markus-2-1-a] na[^markus-2-1-1] sommige dagen is Hij opnieuw binnen Kapernaüm[^markus-2-1-2] gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in[^markus-2-1-3] huis was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v1)

**2** En meteen verzamelden daar velen, zo dat ook zelfs de plaatsen ongeveer de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak[^markus-2-2-4] het woord tot hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v2)

**3** [^markus-2-3-b] En er kwamen sommigen tot Hem, en brachten een[^markus-2-3-5] geraakte, die van vier[^markus-2-3-6] gedragen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v3)

**4** En niet kunnende tot Hem naderen, vanwege de menigte, ontdekten zij het[^markus-2-4-7] dak, waar Hij was; en[^markus-2-4-8] dat opgebroken hebbende, lieten zij het[^markus-2-4-9] bed neer, daar de geraakte op lag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v4)

**5** En Jezus,[^markus-2-5-10] hun geloof ziende, zei tot de geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v5)

**6** En sommigen van de Schriftgeleerden zaten daar, en overdachten in hun harten: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v6)

**7** Wat spreekt Deze zo[^markus-2-7-11] godslasteringen?[^markus-2-7-c] Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v7)

**8** En Jezus, meteen in Zijn[^markus-2-8-12] geest bekennende, dat zij zo in zichzelf overdachten, zei tot hen: Wat overdenkt u deze dingen in uw harten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v8)

**9** [^markus-2-9-13] Wat is lichter, te zeggen tot de geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw bed op, en wandel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v9)

**10** Maar opdat u mag weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zei Hij tot de geraakte): [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v10)

**11** Ik zeg u: Sta op, en neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v11)

**12** En meteen stond hij op, en het bed opgenomen hebbende, ging hij uit in aller aanwezigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit[^markus-2-12-14] dat gezien! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v12)

**13** [^markus-2-13-d] En Hij ging opnieuw uit[^markus-2-13-15] naar de zee; en de hele menigte kwam tot Hem, en Hij leerde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v13)

**14** En voorbijgaande zag Hij[^markus-2-14-16] Levi, de zoon van[^markus-2-14-17] Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v14)

**15** En het gebeurde, als Hij[^markus-2-15-18] aanzat in zijn huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v15)

**16** En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten met de[^markus-2-16-19] tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v16)

**17** En Jezus, dat horende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die[^markus-2-17-20] ziek zijn.[^markus-2-17-e] Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v17)

**18** [^markus-2-18-f] En de discipelen van Johannes en van de[^markus-2-18-21] Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem:[^markus-2-18-22] Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeën, en Uw discipelen vasten niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v18)

**19** En Jezus zei tot hen:[^markus-2-19-g] Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v19)

**20** Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten in deze dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v20)

**21** En niemand naait een lap niet gekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt zijn nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v21)

**22** [^markus-2-22-h] En niemand doet nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken[^markus-2-22-23] barsten en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken[^markus-2-22-24] verderven; maar nieuwe wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v22)

**23** [^markus-2-23-i] En het gebeurde, dat Hij op een[^markus-2-23-25] sabbatdag[^markus-2-23-26] door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen,[^markus-2-23-27] al gaande, aren te plukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v23)

**24** En de Farizeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de[^markus-2-24-28] sabbatdag,[^markus-2-24-k] wat niet geoorloofd is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v24)

**25** En Hij zei tot hen: Hebt u nooit gelezen, wat[^markus-2-25-l] David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en van hen, die met hem waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v25)

**26** Hoe hij ingegaan is in het huis van God, ten tijde[^markus-2-26-29] van Abjathar, de hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten,[^markus-2-26-m] dan de priesters, en ook gegeven heeft van hen, die met hem waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v26)

**27** En Hij zei tot hen: De sabbat is[^markus-2-27-30] gemaakt[^markus-2-27-31] om de mens, niet de mens om de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v27)

**28** [^markus-2-28-n] Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/2.html#v28)

[^markus-2-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 9:1. Lukas 5:17.
[^markus-2-1-1]: Kanttekening 1: Het woord 'enkele' wordt bij de Hebreeën vaak weggelaten wanneer er enige tijd tussen zit, hoewel het er wel bij gedacht wordt. Genesis 4:3 en 24:55.
[^markus-2-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk stilletjes en onverwacht.
[^markus-2-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk waar hij woonde of thuis was. Zie Mattheüs 4:13.
[^markus-2-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk van het Koninkrijk, of van het evangelie.
[^markus-2-3-b]: Verwijzing b: Mattheüs 9:1. Lukas 5:18.
[^markus-2-3-5]: Kanttekening 5: Of: lamme, zoals Mattheüs 4:24.
[^markus-2-3-6]: Kanttekening 6: Grieks: airomenon (αἰρόμενον), opgenomen.
[^markus-2-4-7]: Kanttekening 7: Of: zoldering.
[^markus-2-4-8]: Kanttekening 8: Grieks: exoryxantes (ἐξορύξαντες), uitgegraven. Want de daken waren bovenaan plat en met gebakken stenen of tegels bedekt, die zij hier uithaalden. Zie Lukas 5:19.
[^markus-2-4-9]: Kanttekening 9: Grieks: krabbaton (κράβαττον), een licht matrasje waarop men 's middags placht te rusten en waarop men zieken legde om hen gemakkelijk van de ene naar de andere plaats te dragen.
[^markus-2-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk zowel dat van de verlamde als van degenen die hem droegen.
[^markus-2-7-11]: Kanttekening 11: Zie hierover de aantekening bij Mattheüs 9:3.
[^markus-2-7-c]: Verwijzing c: Psalm 32:5 en 51:3. Jesaja 43:25.
[^markus-2-8-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: in zijn ziel, namelijk door de openbaring van zijn goddelijke natuur die ook door het woord geest dikwijls uitgedrukt wordt. Romeinen 1:4. Hebreeën 9:14. 1 Petrus 3:18.
[^markus-2-9-13]: Kanttekening 13: Zie hierover en over het volgende de aantekening bij Mattheüs 9:5, enz.
[^markus-2-12-14]: Kanttekening 14: Grieks: houtōs (οὕτως), aldus.
[^markus-2-13-d]: Verwijzing d: Mattheüs 9:9. Lukas 5:27.
[^markus-2-13-15]: Kanttekening 15: Namelijk het meer van Galilea of Gennésaret, aan welks oever Kapernaüm lag.
[^markus-2-14-16]: Kanttekening 16: Die ook Mattheüs heette. Zie Mattheüs 9:9.
[^markus-2-14-17]: Kanttekening 17: Of: bij de tol, of: aan het tolhuis.
[^markus-2-15-18]: Kanttekening 18: Namelijk aan tafel.
[^markus-2-16-19]: Kanttekening 19: Zie de aantekening bij Mattheüs 9:10.
[^markus-2-17-20]: Kanttekening 20: Grieks: kakōs echontes (κακῶς ἔχοντες), die het slecht hebben, dat wil zeggen: die ziek of niet goed in orde zijn.
[^markus-2-17-e]: Verwijzing e: Mattheüs 9:13 en 21:31. Lukas 5:32 en 19:10. 1 Timotheüs 1:15.
[^markus-2-18-f]: Verwijzing f: Mattheüs 9:14. Lukas 5:33.
[^markus-2-18-21]: Kanttekening 21: Namelijk dikwijls, zoals uitgelegd wordt in Mattheüs 9:14 en Lukas 5:33.
[^markus-2-18-22]: Kanttekening 22: Zie ook over deze gehele geschiedenis en gelijkenissen Mattheüs 9:14.
[^markus-2-19-g]: Verwijzing g: Jesaja 62:5. 2 Korintiërs 11:2.
[^markus-2-22-h]: Verwijzing h: Mattheüs 9:16.
[^markus-2-22-23]: Kanttekening 23: Of: scheuren.
[^markus-2-22-24]: Kanttekening 24: Of: gaan verloren.
[^markus-2-23-i]: Verwijzing i: Mattheüs 12:1. Lukas 6:1. Deuteronomium 23:25.
[^markus-2-23-25]: Kanttekening 25: Grieks: sabbasin (σάββασιν), sabbatdagen.
[^markus-2-23-26]: Kanttekening 26: Zie hierover ook de verklaring in de aantekening bij Mattheüs 12:1.
[^markus-2-23-27]: Kanttekening 27: Grieks: hodon poiein tillontes (ὁδὸν ποιεῖν τίλλοντες), terwijl zij liepen aren plukkend.
[^markus-2-24-28]: Kanttekening 28: Grieks: sabbasin (σάββασιν), sabbatdagen.
[^markus-2-24-k]: Verwijzing k: Exodus 20:10.
[^markus-2-25-l]: Verwijzing l: 1 Samuël 21:6.
[^markus-2-26-29]: Kanttekening 29: Deze Abjatar wordt in 1 Samuël 21:1 Achimelek genoemd en zijn zoon wordt Abjatar genoemd. Maar uit meerdere plaatsen in de Schrift blijkt dat aan vader en zoon beide namen worden gegeven. Zie 2 Samuël 8:17; 15:29, 35. 1 Koningen 2:26, 27. 1 Kronieken 24:6.
[^markus-2-26-m]: Verwijzing m: Leviticus 24:9.
[^markus-2-27-30]: Kanttekening 30: Grieks: egeneto (ἐγένετο), geworden.
[^markus-2-27-31]: Kanttekening 31: Namelijk om de mens te dienen tot versterking van de ziel en verfrissing van het lichaam, en niet om hem te laten omkomen.
[^markus-2-28-n]: Verwijzing n: Mattheüs 12:8. Lukas 6:5.

### Markus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/3.json)

*1 Christus geneest een mens met een verdorde hand, en bewijst dat de sabbat daarmee niet ontheiligd wordt. 6 De Farizeeën en Herodianen houden tegen hem raad, wiens lagen hij ontwijkt, en heeft een grote toeloop van het volk van alle kanten, waaronder hij velen geneest, en de duivelen die hij uitwerpt gebiedt hem niet openbaar te maken. 13 Verkiest twaalf apostelen. 16 Wier naamn vermeld worden. 21 Zijn verwanten houden hem voor krankzinnig. 22 De schriftgeleerden lasteren zijn wonderwerken, dat hij die door Beëlzebul zou doen; welke lastering hij met verscheidene gelijkenissen weerlegt. 28 Leert dat de lastering tegen de Heilige Geest nooit vergeven wordt. 31 En verklaart wie zijn moeder, broer en zus is.*

**1** [^markus-3-1-a] En Hij ging opnieuw in de[^markus-3-1-1] synagoge; en daar was een mens, hebbende een verschrompelde[^markus-3-1-2] hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v1)

**2** En[^markus-3-2-3] zij namen Hem waar, of Hij op de[^markus-3-2-4] sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v2)

**3** En Hij zei tot de mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v3)

**4** En Hij zei tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen,[^markus-3-4-5] een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v4)

**5** En als Hij[^markus-3-5-6] hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de[^markus-3-5-7] verharding van hun hart, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze[^markus-3-5-b] uit; en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v5)

**6** [^markus-3-6-c] En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben meteen met de[^markus-3-6-8] Herodeanen samen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v6)

**7** En Jezus[^markus-3-7-9] vertrok met Zijn discipelen naar de zee;[^markus-3-7-d] en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v7)

**8** en van Jeruzalem, en van[^markus-3-8-10] Idumea, en van over de Jordaan; en die van[^markus-3-8-11] ongeveer Tyrus en Sidon,[^markus-3-8-12] een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v8)

**9** En Hij[^markus-3-9-13] zei tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds ongeveer Hem blijven zou, omwille van de menigte, opdat zij Hem niet zouden verdringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v9)

**10** Want Hij had er velen genezen, zo dat Hem al degenen, die[^markus-3-10-14] enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v10)

**11** En de onreine geesten, als zij Hem zagen,[^markus-3-11-15] vielen voor Hem neer en riepen, zeggende: U bent de Zoon van God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v11)

**12** En Hij[^markus-3-12-16] gebood hun scherp dat zij Hem niet zouden openbaar maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v12)

**13** [^markus-3-13-e] En Hij[^markus-3-13-17] klom op de berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v13)

**14** En Hij[^markus-3-14-18] stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij deze zou uitzenden om te prediken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v14)

**15** En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de demonen uit te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v15)

**16** En[^markus-3-16-19] Simon gaf Hij de toe[^markus-3-16-20] naam Petrus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v16)

**17** En Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus; en gaf hun toe namen,[^markus-3-17-21] Boanerges, dat is, zonen van de donder; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v17)

**18** En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en[^markus-3-18-22] Thaddeüs, en Simon[^markus-3-18-23] Kananites, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v18)

**19** En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v19)

**20** En zij kwamen[^markus-3-20-24] in huis; en daar verzamelde opnieuw een menigte, zo dat zij ook zelfs[^markus-3-20-f] niet konden[^markus-3-20-25] brood eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v20)

**21** En als degenen,[^markus-3-21-26] die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is[^markus-3-21-27] buiten Zijn zinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v21)

**22** En[^markus-3-22-28] de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden:[^markus-3-22-g] Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de demonen werpt Hij de demonen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v22)

**23** En hen tot Zich geroepen hebbende,[^markus-3-23-h] zei Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitwerpen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v23)

**24** En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v24)

**25** En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v25)

**26** En als de satan tegen zichzelf opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar[^markus-3-26-29] heeft een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v26)

**27** [^markus-3-27-i] Er kan niemand in het huis van een sterke ingaan en zijn[^markus-3-27-30] huisraad ontroven,[^markus-3-27-k] als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v27)

**28** Voorwaar, Ik zeg u,[^markus-3-28-l] dat al de zonden[^markus-3-28-31] de kinderen van de mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmee zij zullen gelasterd hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v28)

**29** [^markus-3-29-m] Maar zo wie zal gelasterd hebben[^markus-3-29-32] tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in de eeuwigheid, maar hij is schuldig van de[^markus-3-29-33] eeuwige oordeels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v29)

**30** Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v30)

**31** [^markus-3-31-n] Zo kwamen dan Zijn[^markus-3-31-34] broers en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v31)

**32** En de menigte zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers daar buiten zoeken U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v32)

**33** En Hij antwoordde hun, zeggende:[^markus-3-33-35] Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v33)

**34** En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v34)

**35** [^markus-3-35-o] Want zo wie[^markus-3-35-36] de wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/3.html#v35)

[^markus-3-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 12:9. Lukas 6:6.
[^markus-3-1-1]: Kanttekening 1: Want de Joden kwamen op elke sabbat in hun synagogen bijeen om de wet uitgelegd te horen. Zie Handelingen 15:21.
[^markus-3-1-2]: Kanttekening 2: Uit Lukas 6:6 blijkt dat het zijn rechterhand was.
[^markus-3-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk de schriftgeleerden en Farizeeën, Lukas 6:7.
[^markus-3-2-4]: Kanttekening 4: Grieks: sabbathen (σάββασιν).
[^markus-3-4-5]: Kanttekening 5: Grieks: psychēn (ψυχήν), een ziel, wat soms voor het leven en soms voor de gehele mens gebruikt wordt.
[^markus-3-5-6]: Kanttekening 6: Deze toorn was een ijverige beweging van het gemoed tegen de zonde en de verharding van dit volk, die op zichzelf goed is, zolang zij binnen de juiste grenzen blijft. Efeziërs 4:26.
[^markus-3-5-7]: Kanttekening 7: Het Griekse woord pōrōsis (πώρωσις) betekent eigenlijk zo'n hardheid als aan handen en voeten ontstaat door kou of eelt, waardoor ze hard en gevoelloos worden.
[^markus-3-5-b]: Verwijzing b: 1 Koningen 13:6.
[^markus-3-6-c]: Verwijzing c: Mattheüs 12:14. Johannes 10:39 en 11:53.
[^markus-3-6-8]: Kanttekening 8: Over de Herodianen, zie Mattheüs 22:16.
[^markus-3-7-9]: Kanttekening 9: Namelijk om hun hinderlagen te ontgaan. Mattheüs 12:15.
[^markus-3-7-d]: Verwijzing d: Mattheüs 4:25. Lukas 6:17.
[^markus-3-8-10]: Kanttekening 10: Waar de nakomelingen van Esau of de Edomieten woonden. Numeri 20:14.
[^markus-3-8-11]: Kanttekening 11: Over deze twee steden, zie Mattheüs 11:21.
[^markus-3-8-12]: Kanttekening 12: Of: met een grote menigte, of: die samen een grote menigte vormden.
[^markus-3-9-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: beval, zoals Mattheüs 8:8.
[^markus-3-10-14]: Kanttekening 14: Grieks: mastiges (μάστιγες), gesels, waarmee de ziekten en gebreken van mensen worden aangeduid, omdat God daarmee de mensen straft of tuchtigt. Markus 5:29. Hebreeën 12:6.
[^markus-3-11-15]: Kanttekening 15: Namelijk in de mensen die zij bezeten hadden.
[^markus-3-12-16]: Kanttekening 16: De reden hiervoor, zie eerder hoofdstuk 1:25.
[^markus-3-13-e]: Verwijzing e: Mattheüs 10:1. Markus 6:7. Lukas 6:13 en 9:1.
[^markus-3-13-17]: Kanttekening 17: Namelijk om te bidden en daarna zijn apostelen te kiezen.
[^markus-3-14-18]: Kanttekening 18: Grieks: epoiēsen (ἐποίησεν), maakte, namelijk tot zijn apostelen, Lukas 6:13.
[^markus-3-16-19]: Kanttekening 19: Sommigen lezen: namelijk Simon, aan wie hij de bijnaam Petrus gaf.
[^markus-3-16-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: steen. Johannes 1:43. De reden hiervoor wordt uitgelegd in Mattheüs 16:18.
[^markus-3-17-21]: Kanttekening 21: Dit is een gebroken Hebreeuws of Aramees woord dat, zoals hier verklaard wordt, zonen des donders betekent. Deze naam werd hen gegeven vanwege hun bijzondere ijver en doordringende kracht in het prediken, zoals nog te zien is in de geschriften van Johannes.
[^markus-3-18-22]: Kanttekening 22: Anders Lebbeus genaamd. Zie Mattheüs 10:3.
[^markus-3-18-23]: Kanttekening 23: Zie Mattheüs 10:4, zoals ook bij de anderen.
[^markus-3-20-24]: Kanttekening 24: Namelijk in Kapernaüm waar hij woonde. Mattheüs 4:13.
[^markus-3-20-f]: Verwijzing f: Markus 6:31.
[^markus-3-20-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: hun voedsel of noodzakelijk levensonderhoud op het juiste moment nuttigen.
[^markus-3-21-26]: Kanttekening 26: Grieks: hoi par' autou (οἱ παρ' αὐτοῦ), die van hem waren. Want ook velen van zijn bloedverwanten geloofden niet in hem. Johannes 7:5.
[^markus-3-21-27]: Kanttekening 27: Grieks: exestē (ἐξέστη), buiten zichzelf gesteld.
[^markus-3-22-28]: Kanttekening 28: Zie hierover Mattheüs 10:25.
[^markus-3-22-g]: Verwijzing g: Mattheüs 9:34 en 12:24. Lukas 11:15. Johannes 8:48.
[^markus-3-23-h]: Verwijzing h: Mattheüs 12:25.
[^markus-3-26-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: het is met hem en zijn rijk gedaan.
[^markus-3-27-i]: Verwijzing i: Mattheüs 12:29.
[^markus-3-27-30]: Kanttekening 30: Zie de verklaring bij Mattheüs 12:29.
[^markus-3-27-k]: Verwijzing k: Kolossenzen 2:15.
[^markus-3-28-l]: Verwijzing l: Mattheüs 12:31. Lukas 12:10. 1 Johannes 5:16. 1 Samuël 2:25.
[^markus-3-28-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: de mensen. Een spreekwijze die bij de Hebreeën zeer gebruikelijk is.
[^markus-3-29-m]: Verwijzing m: 1 Johannes 5:16.
[^markus-3-29-32]: Kanttekening 32: Over deze lastering tegen de Heilige Geest, zie Mattheüs 12:31.
[^markus-3-29-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: verdoemenis, die hij niet alleen verdiend heeft maar waaraan hij ook zeker onderworpen zal zijn.
[^markus-3-31-n]: Verwijzing n: Mattheüs 12:46. Lukas 8:19.
[^markus-3-31-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: bloedverwanten. Zie in de aantekening bij Mattheüs 12:46 en 13:55.
[^markus-3-33-35]: Kanttekening 35: Christus wil hiermee zijn moeder niet verachten, maar laten zien dat de geestelijke verwantschap in zaken van de zaligheid boven het lichamelijke moet worden gesteld.
[^markus-3-35-o]: Verwijzing o: Johannes 15:14. 2 Korintiërs 5:16, 17.
[^markus-3-35-36]: Kanttekening 36: De wil van God doen betekent in Christus geloven en heilig leven. Johannes 6:40. 1 Thessalonicenzen 4:3.

### Markus 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/4.json)

*1 Christus verklaart de toestand van het Koninkrijk van God met verschillende gelijkenissen: eerst van een zaaier, wiens zaad op verschillende plaatsen gevallen is. 10 Vertelt de reden waarom hij door gelijkenissen spreekt. 14 En legt zijn discipelen in het bijzonder de voorgaande gelijkenis uit. 21 Daarna van een kaars die op de kandelaar gezet wordt. 24 Van de maat waarmee men uitmeet. 26 Van het zaad dat geleidelijk tot zijn rijpheid opgroeit. 30 Van het mosterdzaad. 35 Vaart met zijn discipelen over zee, wordt in het schip slapend gewekt en stilt het onweer.*

**1** [^markus-4-1-a] En Hij begon opnieuw te leren ongeveer[^markus-4-1-1] de zee; en er verzamelde een grote menigte bij Hem, zo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de hele menigte was op het land aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v1)

**2** En Hij leerde hun veel dingen door[^markus-4-2-2] gelijkenissen, en Hij zei[^markus-4-2-3] in Zijn onderwijzing tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v2)

**3** Hoor toe: zie, een zaaier ging uit om te zaaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v3)

**4** En het gebeurde in het zaaien, dat het ene deel van het zaad viel bij de weg; en de vogels des hemels kwamen, en aten het op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v4)

**5** En het andere viel op het steenachtige, waar het[^markus-4-5-4] niet veel aarde had; en het ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v5)

**6** Maar als de zon opgegaan was, zo is het verschroeid geworden, en omdat het[^markus-4-6-5] geen wortel had, zo is het verdord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v6)

**7** En het andere viel in de doornen, en de doornen groeiden op, en verstikten het, en het gaf geen vrucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v7)

**8** En[^markus-4-8-6] het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en groeide; en het ene droeg dertig-,[^markus-4-8-7] en het andere zestig-, en[^markus-4-8-8] het andere honderdvoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v8)

**9** En Hij zei tot hen:[^markus-4-9-9] Wie oren heeft om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v9)

**10** [^markus-4-10-b] En als Hij nu alleen was, vraagden Hem[^markus-4-10-10] degenen, die ongeveer Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v10)

**11** En Hij zei tot hen:[^markus-4-11-c] Het is u gegeven[^markus-4-11-11] te verstaan het geheim van het Koninkrijk[^markus-4-11-d] van God; maar van hen, die buiten zijn, gebeuren al deze dingen door gelijkenissen;[^markus-4-11-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v11)

**12** [^markus-4-12-13][^markus-4-12-e] Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v12)

**13** En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet, en hoe zult u al de gelijkenissen verstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v13)

**14** [^markus-4-14-f] De zaaier[^markus-4-14-14] is, die het Woord zaait. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v14)

**15** En deze[^markus-4-15-15] zijn, die bij de weg bezaaid[^markus-4-15-16] worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan meteen, en neemt het Woord weg, dat in hun harten gezaaid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v15)

**16** En deze zijn evenzo, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; die, als zij het Woord gehoord hebben, meteen het met vreugde ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v16)

**17** En hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, zo worden zij[^markus-4-17-17] meteen ten val komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v17)

**18** En deze zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk degenen, die het Woord horen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v18)

**19** [^markus-4-19-g] En de zorgen van deze[^markus-4-19-18] wereld, en de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden ongeveer[^markus-4-19-19] de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v19)

**20** En deze zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, die het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v20)

**21** [^markus-4-21-h] En Hij zei tot hen:[^markus-4-21-20] Kom ook de kaars, opdat zij onder de korenmaat of onder[^markus-4-21-21] het bed gezet wordt? Is het niet, opdat zij op de kandelaar gezet wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v21)

**22** [^markus-4-22-i] Want er is[^markus-4-22-22] niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v22)

**23** Zo iemand oren heeft om te horen, die[^markus-4-23-23] hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v23)

**24** En Hij zei tot hen: Zie, wat u hoort.[^markus-4-24-k] Met welke[^markus-4-24-24] maat u meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v24)

**25** [^markus-4-25-l] Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v25)

**26** En Hij zei: Zo is het[^markus-4-26-25] Koninkrijk van God, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v26)

**27** En[^markus-4-27-26] verder sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en[^markus-4-27-27] lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v27)

**28** Want de aarde brengt[^markus-4-28-28] vanzelf vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v28)

**29** En als de vrucht zich voordoet, meteen zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst[^markus-4-29-29] daar is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v29)

**30** [^markus-4-30-m] En Hij zei: Waarbij zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij het vergelijken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v30)

**31** [^markus-4-31-30] Namelijk bij een mosterdzaad, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt,[^markus-4-31-31] het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v31)

**32** En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt[^markus-4-32-32] het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, zo dat de vogels des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v32)

**33** [^markus-4-33-n] En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot[^markus-4-33-33] hen het Woord,[^markus-4-33-34] naardat zij het horen konden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v33)

**34** En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v34)

**35** [^markus-4-35-o] En op dezelfde dag, als het nu avond geworden was, zei Hij tot hen: Laat ons overvaren[^markus-4-35-35] aan de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v35)

**36** En zij, de menigte gelaten hebbende, namen Hem mee, zoals Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v36)

**37** En er werd een grote storm van wind, en de golven sloegen over in het schip, zo dat het nu vol werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v37)

**38** En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem:[^markus-4-38-36] Meester,[^markus-4-38-37] kan het U niet schelen, dat wij vergaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v38)

**39** En Hij opgewekt zijnde,[^markus-4-39-p] bestrafte de wind, en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v39)

**40** En Hij zei tot hen: Wat bent u zo vreesachtig? Hebt u[^markus-4-40-38] geen geloof? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v40)

**41** En zij vreesden met grote vrees, en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/4.html#v41)

[^markus-4-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 13:1. Lukas 8:4.
[^markus-4-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: het meer van Galilea of Gennésaret, aan welks oever Kapernaüm lag. Jezus ging daar dikwijls heen omdat er gewoonlijk veel volk was en er dus gelegenheid was om te onderwijzen. Mattheüs 13:1. Markus 2:13.
[^markus-4-2-2]: Kanttekening 2: Grieks: parabolais (παραβολαῖς), parabolen. Zie Mattheüs 13:3.
[^markus-4-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: terwijl hij onderwees, of: als hij onderwees.
[^markus-4-5-4]: Kanttekening 4: Want weinig aarde wordt snel door de zon verwarmd en door de regen bevochtigd. Maar als de hitte aanhoudt wordt ze ook snel uitgedroogd.
[^markus-4-6-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: geen voldoende of vaste wortel.
[^markus-4-8-6]: Kanttekening 6: Namelijk graan, of deel van het zaad.
[^markus-4-8-7]: Kanttekening 7: Grieks: hen (ἓν), het ene.
[^markus-4-8-8]: Kanttekening 8: Grieks: hen (ἓν), het ene.
[^markus-4-9-9]: Kanttekening 9: Zie de verklaring bij Mattheüs 13:9.
[^markus-4-10-b]: Verwijzing b: Mattheüs 13:10. Lukas 8:9.
[^markus-4-10-10]: Kanttekening 10: Zoals degenen waren uit wie hij zijn zeventig discipelen koos.
[^markus-4-11-c]: Verwijzing c: Mattheüs 11:25. 2 Korintiërs 2:14.
[^markus-4-11-11]: Kanttekening 11: Namelijk duidelijk en helder.
[^markus-4-11-d]: Verwijzing d: 2 Korintiërs 3:14.
[^markus-4-11-12]: Kanttekening 12: Namelijk degenen die buiten het getal van mijn schapen zijn, of die geen echte leden van de gemeente zijn. Johannes 10:26. Romeinen 9:6, 7, 8.
[^markus-4-12-13]: Kanttekening 13: Met deze woorden, ontleend aan Jesaja 6:9, wordt het oordeel van God verklaard over degenen die het evangelie ongehoorzaam zijn. Zie Mattheüs 13:14 en 2 Thessalonicenzen 2:11, 12.
[^markus-4-12-e]: Verwijzing e: Jesaja 6:9. Mattheüs 13:14. Lukas 8:10. Johannes 12:40. Handelingen 28:26. Romeinen 11:8.
[^markus-4-14-f]: Verwijzing f: Mattheüs 13:19. Lukas 8:11.
[^markus-4-14-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: die de leer van het evangelie predikt.
[^markus-4-15-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: door degenen die bij de weg gezaaid zijn, worden aangeduid degenen die, enz.
[^markus-4-15-16]: Kanttekening 16: Grieks: alwaar, dat wil zeggen: in wie. Zie verder de verklaring van deze gehele gelijkenis in de aantekening bij Mattheüs 13:18, enz.
[^markus-4-17-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: zij stoten zich eraan dat zij samen met de belijders van het evangelie aan vervolging blootgesteld zijn, en vallen daarna af.
[^markus-4-19-g]: Verwijzing g: Mattheüs 19:23. Markus 10:23. Lukas 18:24. 1 Timotheüs 6:17.
[^markus-4-19-18]: Kanttekening 18: Grieks: aiōnos (αἰῶνος), tijdperk, dat wil zeggen: dingen die tot dit leven behoren.
[^markus-4-19-19]: Kanttekening 19: Namelijk zoals eer, genot, wraak en dergelijke.
[^markus-4-21-h]: Verwijzing h: Mattheüs 5:15. Lukas 8:16 en 11:33.
[^markus-4-21-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: wordt er een lamp aangestoken en binnengebracht?
[^markus-4-21-21]: Kanttekening 21: Of: bed.
[^markus-4-22-i]: Verwijzing i: Mattheüs 10:26. Lukas 8:17 en 12:2. Job 12:22.
[^markus-4-22-22]: Kanttekening 22: Namelijk wat Christus aan zijn discipelen heeft geleerd om verborgen te houden, maar opdat zij het te zijner tijd voor allen openlijk zouden leren.
[^markus-4-23-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die lette daar op.
[^markus-4-24-k]: Verwijzing k: Mattheüs 7:2. Lukas 6:38.
[^markus-4-24-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: naarmate u uw gaven van kennis trouw aan anderen meedeelt, zal de Heer die ook bij u vermeerderen. Zie Mattheüs 25:21, 29.
[^markus-4-25-l]: Verwijzing l: Mattheüs 13:12 en 25:29. Lukas 8:18 en 19:26.
[^markus-4-26-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de voortgang van de prediking van het evangelie. Zie Mattheüs 21:43.
[^markus-4-27-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: daarna rustig zijn gang ging; zoals Psalm 3:6.
[^markus-4-27-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: groot of hoog opgegroeid.
[^markus-4-28-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: brengt door haar aangeboren kracht en natuur vrucht voort uit wat daarin gezaaid is. Genesis 1:11. Met deze gelijkenis leert Christus dat het gepredikte woord van God zijn wasdom krijgt in de harten van de mensen, niet door de arbeid en zorg van de leraar, maar door de verborgen werking van Gods Geest, die geleidelijk daarin merkbaar wordt uit het voortbrengen van de vruchten. 1 Korintiërs 3:7.
[^markus-4-29-29]: Kanttekening 29: Grieks: parastē (παραστῇ), staat daar.
[^markus-4-30-m]: Verwijzing m: Mattheüs 13:31. Lukas 13:18.
[^markus-4-31-30]: Kanttekening 30: Wat deze gelijkenis betekent, zie Mattheüs 13:31.
[^markus-4-31-31]: Kanttekening 31: Grieks: mikroteron (μικρότερον), het kleinere.
[^markus-4-32-32]: Kanttekening 32: Grieks: meizon (μεῖζον), het grotere.
[^markus-4-33-n]: Verwijzing n: Mattheüs 13:34.
[^markus-4-33-33]: Kanttekening 33: Namelijk van het evangelie.
[^markus-4-33-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: naarmate zij deze gewone aardse dingen begrepen, hoewel zij het geestelijke dat daarmee werd afgebeeld niet doorgrondden.
[^markus-4-35-o]: Verwijzing o: Mattheüs 8:23. Lukas 8:23.
[^markus-4-35-35]: Kanttekening 35: Namelijk van de zee van Galilea, aan de overkant van Kapernaüm, naar het land van de Gadarenen, zoals blijkt uit het volgende hoofdstuk vers 1.
[^markus-4-38-36]: Kanttekening 36: Grieks: didaskale (διδάσκαλε), leraar.
[^markus-4-38-37]: Kanttekening 37: Of: raakt het u niet?
[^markus-4-39-p]: Verwijzing p: Job 26:12. Psalm 107:26. Jesaja 51:10.
[^markus-4-40-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: geen vast vertrouwen. Want zij waren niet geheel zonder geloof, maar kleingelovigen. Mattheüs 8:26. Lukas 8:25.

### Markus 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/5.json)

*1 Christus drijft een legioen duivelen uit een bezetene. 12 En laat hen toe in de zwijnen te varen. 13 Die allen in de zee verdrinken. 14 De herders berichten dit aan de Gadarenen. 17 Die Christus vragen uit hun landstreek te vertrekken. 18 Wat hij doet, en gebiedt de genezene daar te blijven om deze weldaad bekend te maken. 21 Christus gaat met Jaïrus mee om zijn dochtertje te genezen. 24 En verlost onderweg een vrouw van een twaalfjarige bloedvloeiing. 36 Wekt Jaïrus' dochtertje op, dat inmiddels gestorven was.*

**1** [^markus-5-1-a] En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van[^markus-5-1-1] de Gadarenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v1)

**2** En zo Hij uit het schip gegaan was, meteen ontmoette Hem, uit de graven, een mens[^markus-5-2-2] met een onreine geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v2)

**3** Die zijn woning[^markus-5-3-3] in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v3)

**4** Want hij was dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v4)

**5** En hij was altijd, nacht en dag,[^markus-5-5-_] op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelf met stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v5)

**6** Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v6)

**7** En met een luide stem roepende, zei hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, van de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt![^markus-5-7-5][^markus-5-7-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v7)

**8** (Want[^markus-5-8-6] Hij zei tot hem: U onreine geest, ga uit van de mens!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v8)

**9** En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is[^markus-5-9-7] Legio; want wij zijn velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v9)

**10** En[^markus-5-10-8] hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v10)

**11** En daar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v11)

**12** En al de demonen baden Hem, zeggende:[^markus-5-12-9] Zend ons in die zwijnen, opdat wij in deze mogen[^markus-5-12-10] varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v12)

**13** En Jezus[^markus-5-13-11] liet het hun meteen toe. En de onreine geesten,[^markus-5-13-12] uitgevaren zijnde,[^markus-5-13-13] voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu ongeveer twee duizend), en[^markus-5-13-14] versmoorden in de[^markus-5-13-15] zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v13)

**14** En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten dat in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v14)

**15** En zij kwamen tot Jezus, en zagen de bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v15)

**16** En die het gezien hadden, vertelden hun,[^markus-5-16-16] wat de bezetene gebeurd was, en ook van de zwijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v16)

**17** [^markus-5-17-b] En zij begonnen Hem te bidden,[^markus-5-17-17] dat Hij van hun gebied wegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v17)

**18** [^markus-5-18-c] En[^markus-5-18-18] als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v18)

**19** Maar Jezus liet hem dat niet toe, maar zei tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uw, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich over U ontfermd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v19)

**20** En hij ging heen, en begon te verkondigen[^markus-5-20-19] in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v20)

**21** [^markus-5-21-d] En als Jezus opnieuw in het schip overgevaren was aan de andere zijde, verzamelde een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v21)

**22** [^markus-5-22-e] En ziet, er kwam één van de[^markus-5-22-20] oversten van de synagoge, met de naam Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v22)

**23** En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje[^markus-5-23-21] is in haar uiterste; ik bid U, dat U komt en de handen op haar legt, opdat zij[^markus-5-23-22] behouden wordt, en zij zal[^markus-5-23-23] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v23)

**24** En Hij ging met hem; en een grote menigte volgde Hem, en zij verdrongen Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v24)

**25** [^markus-5-25-f] En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v25)

**26** En veel geleden had van vele dokters, en al het haar daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met wie het eerder erger geworden was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v26)

**27** Deze van Jezus horende, kwam onder de menigte van achteren, en raakte Zijn kleed aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v27)

**28** Want zij zei: Als ik maar Zijn kleren mag[^markus-5-28-24] aanraken, zal ik[^markus-5-28-25] gezond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v28)

**29** En meteen is de fontein van haar bloed opgedroogd, en zij[^markus-5-29-26] gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die[^markus-5-29-27] kwaal genezen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v29)

**30** En meteen Jezus, bekennende in Zichzelf[^markus-5-30-g] de[^markus-5-30-28] kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de menigte, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v30)

**31** En Zijn discipelen zeiden tot Hem: U ziet, dat de menigte U verdringt, en zegt U: Wie heeft Mij aangeraakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v31)

**32** En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v32)

**33** En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar gebeurd was, kwam en viel voor Hem neer, en zei Hem al[^markus-5-33-29] de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v33)

**34** [^markus-5-34-h] En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en wees genezen van deze uw kwaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v34)

**35** [^markus-5-35-i] Terwijl Hij nog sprak, kwamen enige van het huis van de overste van de synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat bent u de Meester nog[^markus-5-35-30] moeilijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v35)

**36** En Jezus, meteen gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zei tot de overste van de synagoge: Vrees niet; geloof alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v36)

**37** En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, de broer van Jakobus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v37)

**38** [^markus-5-38-31] En kwam in het huis van de overste van de synagoge; en zag de[^markus-5-38-32] onrust en degenen, die zeer huilden en huilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v38)

**39** En ingegaan zijnde, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar, en wat weent u?[^markus-5-39-k] Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v39)

**40** En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen[^markus-5-40-33] had uitgedreven, nam bij Zich de vader en de moeder van het kind, en degenen[^markus-5-40-34] die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v40)

**41** En Hij vatte de hand van het kind, en zei tot haar:[^markus-5-41-35] Talitha kumi! dat is, zijnde overgezet: U dochtertje (Ik zeg u), sta op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v41)

**42** En meteen stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaar oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v42)

**43** En Hij gebood hun zeer, dat niemand het zou weten; en zei, dat men haar zou te eten geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/5.html#v43)

[^markus-5-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 8:28. Lukas 8:26.
[^markus-5-1-1]: Kanttekening 1: Mattheüs zegt: der Gergesenen. Zie hierover de aantekening bij Mattheüs 8:28.
[^markus-5-2-2]: Kanttekening 2: Grieks: in een onreine geest. Mattheüs 8:28 zegt dat er twee bezetenen waren, maar Marcus vermeldt er maar één, omdat hij de meest ellendige was of het meeste woord voerde en met Christus sprak.
[^markus-5-3-3]: Kanttekening 3: Zie hierover Mattheüs 8:28.
[^markus-5-5-_]: Kanttekening \*: Grieks: en tois oresin (ἐν τοῖς ὄρεσιν), in de bergen, dat wil zeggen: in de grotten die in de bergen waren.
[^markus-5-7-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: in de afgrond werpt om daar gepijnigd te worden. Lukas 8:31.
[^markus-5-7-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: ik dring er bij u op aan in de naam van God. Want bezweren is met aanroeping of vermelding van Gods naam iemand iets opleggen of van iemand iets verlangen. Zie Handelingen 19:12 en 1 Thessalonicenzen 5:27.
[^markus-5-8-6]: Kanttekening 6: Namelijk Jezus.
[^markus-5-9-7]: Kanttekening 7: Een legioen was een regiment soldaten, waarvoor zie Mattheüs 26:53.
[^markus-5-10-8]: Kanttekening 8: Namelijk één van deze demonen, die als aanvoerder van de anderen het woord voerde.
[^markus-5-12-9]: Kanttekening 9: Dit verlangden zij van Christus om hem daarmee gehaat te maken bij de inwoners van dat land.
[^markus-5-12-10]: Kanttekening 10: Grieks: eiselthein (εἰσελθεῖν), ingaan.
[^markus-5-13-11]: Kanttekening 11: Zie de aantekening bij Mattheüs 8:30.
[^markus-5-13-12]: Kanttekening 12: Grieks: exelthonta (ἐξελθόντα), uitgegaan.
[^markus-5-13-13]: Kanttekening 13: Grieks: eisēlthon (εἰσῆλθον), gingen in.
[^markus-5-13-14]: Kanttekening 14: Grieks: epnigonto (ἐπνίγοντο), verstikten.
[^markus-5-13-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: het meer dat bij Gadara lag, dat voor het meer van Galilea zelf gehouden wordt, waaraan Gadara lag. Zie de aantekening bij Mattheüs 8:28.
[^markus-5-16-16]: Kanttekening 16: Grieks: pōs (πῶς), hoe het. Dat wil zeggen: hoe de genezing aan hem was geschied.
[^markus-5-17-b]: Verwijzing b: Handelingen 16:39.
[^markus-5-17-17]: Kanttekening 17: Namelijk uit vrees voor meer schade, waarmee zij lieten zien dat zij hun tijdelijke goederen liever hadden dan Christus en zijn evangelie.
[^markus-5-18-c]: Verwijzing c: Lukas 8:38.
[^markus-5-18-18]: Kanttekening 18: Namelijk om weer naar Galilea over te steken.
[^markus-5-20-19]: Kanttekening 19: Over dit land, zie de aantekening bij Mattheüs 4:25.
[^markus-5-21-d]: Verwijzing d: Lukas 8:40.
[^markus-5-22-e]: Verwijzing e: Mattheüs 9:18. Lukas 8:41.
[^markus-5-22-20]: Kanttekening 20: Zij waren als kerkenraden over de synagogen aangesteld om die in goede orde te houden en te besturen. Zie Handelingen 13:15.
[^markus-5-23-21]: Kanttekening 21: In Mattheüs 9:18 staat dat hij zei: mijn dochter is gestorven, vooruitziend op wat hem daarna werd gemeld in vers 35.
[^markus-5-23-22]: Kanttekening 22: Namelijk behouden bij leven.
[^markus-5-23-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: in leven blijven.
[^markus-5-25-f]: Verwijzing f: Mattheüs 9:20. Lukas 8:43. Leviticus 15:25.
[^markus-5-28-24]: Kanttekening 24: Zie hierover de aantekening bij Mattheüs 9:21 en 14:36.
[^markus-5-28-25]: Kanttekening 25: Grieks: sōthēsomai (σωθήσομαι), behouden.
[^markus-5-29-26]: Kanttekening 26: Of: bemerkte.
[^markus-5-29-27]: Kanttekening 27: Grieks: mastigos (μάστιγος), gesel. Zie hoofdstuk 3:10.
[^markus-5-30-g]: Verwijzing g: Lukas 6:19.
[^markus-5-30-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: de werking die door zijn goddelijke natuur aan deze vrouw was geschied, of dat deze kracht van hem was uitgegaan.
[^markus-5-33-29]: Kanttekening 29: Namelijk over wat zij had gedacht en gedaan.
[^markus-5-34-h]: Verwijzing h: Mattheüs 9:22. Markus 10:52.
[^markus-5-35-i]: Verwijzing i: Lukas 8:49.
[^markus-5-35-30]: Kanttekening 30: Namelijk om verder te gaan.
[^markus-5-38-31]: Kanttekening 31: Zie over deze geschiedenis verder de aantekening bij Mattheüs 9:23.
[^markus-5-38-32]: Kanttekening 32: Of: het rumoer, het gewoel.
[^markus-5-39-k]: Verwijzing k: Johannes 11:11.
[^markus-5-40-33]: Kanttekening 33: Grieks: ekbalōn (ἐκβαλών), naar buiten geworpen.
[^markus-5-40-34]: Kanttekening 34: Namelijk Petrus, Johannes en Jakobus, die hij meegenomen had, vers 37.
[^markus-5-41-35]: Kanttekening 35: De evangelist behoudt de Aramese woorden die Christus gebruikte, om ons Christus als het ware in zijn eigen taal te laten horen spreken.

### Markus 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/6.json)

*1 Christus leert in zijn vaderland, waar hij veracht wordt. 7 Zendt zijn apostelen uit om te prediken en wonderen te doen. 14 Verschillende meningen over Christus, zowel van de Joden als van Herodes, die hem houdt voor Johannes de Doper. 17 Wiens gevangenneming, onthoofding en begrafenis bij die gelegenheid verhaald wordt. 30 De apostelen komen terug bij Christus, die met hen naar een woeste plaats vertrekt. 33 Waar een grote menigte van ongeveer vijfduizend mannen hem volgt, die hij voedt met vijf broden en twee vissen. 45 Laat zijn discipelen wegvaren, en bidt ondertussen op de berg. 48 Komt daarna 's nachts tot hen, wandelend op de zee, en stilt de wind. 54 En aan land gekomen geneest hij allerlei ziekten.*

**1** [^markus-6-1-a] En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn[^markus-6-1-1] vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v1)

**2** En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden,[^markus-6-2-2] ontzetten zich, zeggende: Vanwaar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke[^markus-6-2-3] krachten[^markus-6-2-4] door Zijn handen gebeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v2)

**3** [^markus-6-3-b] Is deze niet de[^markus-6-3-5] timmerman, de zoon van Maria, en de[^markus-6-3-6] broer van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zussen niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v3)

**4** En Jezus zei tot hen:[^markus-6-4-c] Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn familieleden, en in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v4)

**5** [^markus-6-5-d] En Hij[^markus-6-5-7] kon daar geen kracht doen; dan Hij legde weinig zieken de handen op, en genas hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v5)

**6** En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof,[^markus-6-6-e] en omging de plaatsen daar rondom, lerende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v6)

**7** [^markus-6-7-f] En Hij riep tot Zich[^markus-6-7-8] de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht[^markus-6-7-9] over de onreine geesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v7)

**8** En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen[^markus-6-8-10] een staf, geen reiszak, geen brood, geen[^markus-6-8-11] geld in de gordel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v8)

**9** [^markus-6-9-g] Maar dat[^markus-6-9-12] zij schoenzolen[^markus-6-9-13] zouden aanbinden, en met[^markus-6-9-14] geen twee rokken gekleed zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v9)

**10** En Hij zei tot hen: Zo waar u in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat u van daar uitgaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v10)

**11** [^markus-6-11-h] En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar,[^markus-6-11-i] schudt[^markus-6-11-15] het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.[^markus-6-11-k] Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan deze stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v11)

**12** En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v12)

**13** En zij wierpen vele demonen uit,[^markus-6-13-l] en[^markus-6-13-16] zalfden vele zieken met olie, en maakten hen gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v13)

**14** [^markus-6-14-m] En de koning[^markus-6-14-17] Herodes hoorde het (want[^markus-6-14-18] Zijn Naam was openbaar geworden), en zei: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom[^markus-6-14-19] werken die krachten in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v14)

**15** Anderen zeiden: Hij is Elia; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als één[^markus-6-15-20] van de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v15)

**16** Maar als het Herodes hoorde, zei hij: Deze is Johannes, die ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v16)

**17** [^markus-6-17-n] Want deze Herodes, enige uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de huisvrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v17)

**18** Want Johannes zei tot Herodes:[^markus-6-18-o] Het is u niet geoorloofd de huisvrouw van uw broer te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v18)

**19** En Herodias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v19)

**20** Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een[^markus-6-20-p] rechtvaardig en heilig man was, en[^markus-6-20-21] hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en[^markus-6-20-22] hoorde hem graag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v20)

**21** En als[^markus-6-21-23] er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes,[^markus-6-21-q] op de dag van zijn geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v21)

**22** En als de dochter van deze Herodias[^markus-6-22-24] inkwam, en danste, en Herodes en van hen, die mee aanzaten, behaagde, zo zei de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat u ook wilt, en ik zal het u geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v22)

**23** [^markus-6-23-r] En hij zwoer haar: Zo wat u van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft van mijn koninkrijk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v23)

**24** En zij, uitgegaan zijnde, zei tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v24)

**25** En zij, meteen met haast ingaande tot de koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil, dat u mij nu meteen, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes de Doper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v25)

**26** En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, toch om de eden, en degenen, die mee aanzaten, wilde hij haar het niet[^markus-6-26-25] afslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v26)

**27** [^markus-6-27-s] En de koning zond meteen een[^markus-6-27-26] scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v27)

**28** En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelfde het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelfde haar moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v28)

**29** En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v29)

**30** [^markus-6-30-t] En de apostelen[^markus-6-30-27] kwamen weer tot Jezus, en boodschapten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden, als wat zij geleerd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v30)

**31** En Hij zei tot hen: Kom u in[^markus-6-31-28] een woeste plaats[^markus-6-31-29] hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen,[^markus-6-31-v] en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v31)

**32** [^markus-6-32-x] En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v32)

**33** En de menigten zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden daarheen, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v33)

**34** [^markus-6-34-30] En Jezus, uitgaande,[^markus-6-34-y] zag een grote menigte, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen;[^markus-6-34-z] want zij waren als schapen, die geen herder hebben;[^markus-6-34-a] en Hij begon hun vele dingen te leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v34)

**35** [^markus-6-35-b] En[^markus-6-35-31] als het nu laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v35)

**36** Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende[^markus-6-36-32] dorpen en plaatsen, en broden voor zichzelf mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v36)

**37** Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Geef u hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd[^markus-6-37-33] penningen brood, en hun te eten geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v37)

**38** En Hij zei tot hen: Hoeveel broden hebt u? Ga heen en beziet het.[^markus-6-38-c] En toen zij het[^markus-6-38-34] vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v38)

**39** En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten[^markus-6-39-35] bij waardschappen, op het groene gras. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v39)

**40** En zij[^markus-6-40-36] zaten neer[^markus-6-40-37] in gedeelten bij honderd samen, en bij vijftig samen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v40)

**41** En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had,[^markus-6-41-d] zag Hij op naar de hemel,[^markus-6-41-38][^markus-6-41-e] zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v41)

**42** En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v42)

**43** En zij namen op twaalf volle manden stukken brood, en van de vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v43)

**44** En die daar de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijf duizend mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v44)

**45** [^markus-6-45-f] En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor heen te varen aan de andere zijde[^markus-6-45-39] tegenover Bethsaïda, terwijl Hij de menigte van Zich zou laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v45)

**46** [^markus-6-46-g] En als Hij aan deze[^markus-6-46-40] hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v46)

**47** [^markus-6-47-h] En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v47)

**48** En Hij zag,[^markus-6-48-41] dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omstreeks de[^markus-6-48-42] vierde wake in de nacht, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v48)

**49** En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een[^markus-6-49-43] spook was, en schreeuwden zeer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v49)

**50** Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en meteen sprak Hij met hen, en zei tot hen: Wees welgemoed, Ik ben het; vrees niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v50)

**51** En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten[^markus-6-51-44] zich bovenmate zeer in zichzelf, en waren verwonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v51)

**52** Want zij hadden[^markus-6-52-45] niet gelet op het wonder van de broden; want hun hart was[^markus-6-52-46] verhard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v52)

**53** [^markus-6-53-i] En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth, en havenden daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v53)

**54** En als zij uit het schip gegaan waren, meteen werden[^markus-6-54-47] zij Hem kennende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v54)

**55** En het hele omliggende land doorlopende, begonnen zij op bedden degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v55)

**56** En zo waar Hij kwam, in plaatsen, of steden, of[^markus-6-56-48] dorpen, daar leiden zij de zieken op de markten, en baden Hem, dat zij maar de zoom van Zijn kleed[^markus-6-56-49] aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/6.html#v56)

[^markus-6-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 13:53. Lukas 4:16.
[^markus-6-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk naar Nazareth, dat zijn vaderstad wordt genoemd omdat hij daar was opgegroeid en lange tijd met zijn ouders had gewoond. Zie Mattheüs 13:54 en Lukas 4:16.
[^markus-6-2-2]: Kanttekening 2: Grieks: exeplēssonto (ἐξεπλήσσοντο), werden verslagen.
[^markus-6-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: mirakelen of wondertekens. Zie Mattheüs 7:22.
[^markus-6-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: door hem. Een Hebreeuwse manier van spreken.
[^markus-6-3-b]: Verwijzing b: Johannes 6:42.
[^markus-6-3-5]: Kanttekening 5: Omdat Jozef een timmerman was (Mattheüs 13:55), is het aannemelijk dat Christus hem in dit beroep heeft geholpen totdat hij zijn leerambt aanving, wat ook een deel van zijn vernedering was. Lukas 2:51.
[^markus-6-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: neef. Zie de aantekening bij Mattheüs 13:55.
[^markus-6-4-c]: Verwijzing c: Johannes 4:44. Lukas 4:24. Mattheüs 13:57.
[^markus-6-5-d]: Verwijzing d: Mattheüs 13:58.
[^markus-6-5-7]: Kanttekening 7: Hoe dit te verstaan is, zie de aantekening bij Mattheüs 13:58.
[^markus-6-6-e]: Verwijzing e: Mattheüs 9:35. Lukas 13:22.
[^markus-6-7-f]: Verwijzing f: Mattheüs 10:1. Lukas 6:13 en 9:1.
[^markus-6-7-8]: Kanttekening 8: Namelijk degenen die hij tot zijn apostelen had gekozen, hoofdstuk 3:13.
[^markus-6-7-9]: Kanttekening 9: Namelijk om die uit de bezetenen te kunnen verdrijven.
[^markus-6-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk om op te steunen bij het lopen. Maar niet zo een die hen onderweg zou bezwaren, zoals te zien is bij Mattheüs 10:10.
[^markus-6-8-11]: Kanttekening 11: Grieks: chalkon (χαλκόν), koper, omdat in die tijd het geld veel van koper was, en daarmee kan hier ook de kleinste hoeveelheid geld worden bedoeld.
[^markus-6-9-g]: Verwijzing g: Handelingen 12:8.
[^markus-6-9-12]: Kanttekening 12: Grieks: sandalia (σανδάλια), sandalen, lichte schoenen bestaande uit slechts zolen met riemen om ze aan de voeten vast te maken, die in die hete landen zeer gebruikelijk waren. Handelingen 12:8.
[^markus-6-9-13]: Kanttekening 13: Namelijk niet meer dan één paar om mee te reizen. Want meer schoenen meenemen onderweg wordt hun ook verboden in Mattheüs 10:10.
[^markus-6-9-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: niet meer dan wat u aanhebt, zonder nog een mantel mee te nemen voor verwisseling.
[^markus-6-11-h]: Verwijzing h: Mattheüs 10:14. Lukas 9:5.
[^markus-6-11-i]: Verwijzing i: Handelingen 13:51 en 18:6.
[^markus-6-11-15]: Kanttekening 15: De reden hiervoor, zie Mattheüs 10:14.
[^markus-6-11-k]: Verwijzing k: Mattheüs 10:15. Lukas 10:12.
[^markus-6-13-l]: Verwijzing l: Jakobus 5:14.
[^markus-6-13-16]: Kanttekening 16: Deze zalving, evenals de handoplegging, aanraking en dergelijke manieren van handelen die Christus en de apostelen gebruikten bij het genezen van zieken, gaven de gezondheid niet, maar waren uiterlijke tekenen dat deze wonderbaarlijke genezing door de goddelijke kracht van Christus en door de dienst van de apostelen geschiedde. Deze tekenen werden gebruikt zolang de gave van wonderbaarlijke genezing duurde. Zie Markus 16:18. Jakobus 5:14. En nadat die gave heeft opgehouden, hebben ook deze tekenen, die nergens meer toe dienden, moeten ophouden.
[^markus-6-14-m]: Verwijzing m: Mattheüs 14:1. Lukas 9:7.
[^markus-6-14-17]: Kanttekening 17: Zie over deze Herodes en over deze gehele geschiedenis Mattheüs 14:1, enz.
[^markus-6-14-18]: Kanttekening 18: Namelijk de naam van Jezus.
[^markus-6-14-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: nu komt hij met meer kracht dan voorheen. Want Johannes had zelf geen wonderen gedaan. Johannes 10:41.
[^markus-6-15-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: van de oude gestorven profeten.
[^markus-6-17-n]: Verwijzing n: Lukas 3:19 en 9:9. Mattheüs 14:3.
[^markus-6-18-o]: Verwijzing o: Leviticus 18 en 20:21.
[^markus-6-20-p]: Verwijzing p: Mattheüs 14:5 en 21:26.
[^markus-6-20-21]: Kanttekening 21: Of: bewaarde hem.
[^markus-6-20-22]: Kanttekening 22: Namelijk in het begin. Want later, opgestookt door Herodias, zocht hij hem te doden, hoewel hij dit naliet uit vrees voor het volk, totdat deze gelegenheid zich voordeed. Mattheüs 14:5.
[^markus-6-21-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: een goede gelegenheid waar Herodias op loerde om haar doel te bereiken.
[^markus-6-21-q]: Verwijzing q: Mattheüs 14:6. Genesis 40:20.
[^markus-6-22-24]: Kanttekening 24: Namelijk in de zaal waar de maaltijd werd gehouden. Want het was bij de ouden niet gebruikelijk dat vrouwen bij grote maaltijden met de mannen aanlagen. Zie Esther 1:11.
[^markus-6-23-r]: Verwijzing r: Richteren 11:30.
[^markus-6-26-25]: Kanttekening 25: Grieks: athetēsai (ἀθετῆσαι), haar niet afwijzen, dat wil zeggen: haar verzoek verwerpen.
[^markus-6-27-s]: Verwijzing s: Mattheüs 14:10.
[^markus-6-27-26]: Kanttekening 26: Of: lijfwacht, hellebardier.
[^markus-6-30-t]: Verwijzing t: Lukas 9:10.
[^markus-6-30-27]: Kanttekening 27: Namelijk terugkerend van hun reis die zij na de uitzending twee aan twee hadden gemaakt door het Joodse land.
[^markus-6-31-28]: Kanttekening 28: Of: afgelegen. Deze was bij Betsaïda. Mattheüs 14, vers 13. Lukas 9:10.
[^markus-6-31-29]: Kanttekening 29: Of: opzij.
[^markus-6-31-v]: Verwijzing v: Markus 3:20.
[^markus-6-32-x]: Verwijzing x: Mattheüs 14:13. Lukas 9:10. Johannes 6:1.
[^markus-6-34-30]: Kanttekening 30: Zie over dit gehele wonder de aantekening bij Mattheüs 14:15, enz.
[^markus-6-34-y]: Verwijzing y: Mattheüs 9:36 en 14:14.
[^markus-6-34-z]: Verwijzing z: Jeremia 23:1. Ezechiël 34:2.
[^markus-6-34-a]: Verwijzing a: Lukas 9:11.
[^markus-6-35-b]: Verwijzing b: Mattheüs 14:15. Lukas 9:12. Johannes 6:5.
[^markus-6-35-31]: Kanttekening 31: Grieks: hōras pollēs (ὥρας πολλῆς), toen het uur al veel was geworden. Want de Joden rekenden de uren vanaf zonsopgang en eindigden ze bij de avond. Mattheüs 20:6.
[^markus-6-36-32]: Kanttekening 32: Grieks: agrous (ἀγρούς), velden, dat wil zeggen: buitenplaatsen of dorpen.
[^markus-6-37-33]: Kanttekening 33: Grieks: dēnariōn (δηναρίων), denariën. Zie de waarde hiervan bij Mattheüs 18:28.
[^markus-6-38-c]: Verwijzing c: Mattheüs 14:17. Lukas 9:13. Johannes 6:9.
[^markus-6-38-34]: Kanttekening 34: Grieks: gnontes (γνόντες), vernomen hadden, of wisten.
[^markus-6-39-35]: Kanttekening 35: Grieks: symposia symposia (συμπόσια συμπόσια), gezelschappen, gezelschappen — of: maaltijden, maaltijden: een Hebreeuwse manier van spreken. Dat wil zeggen: in afzonderlijke gezelschappen, zoals bij grote maaltijden of bruiloften het volk aan afzonderlijke tafels werd verdeeld.
[^markus-6-40-36]: Kanttekening 36: Grieks: anepesan (ἀνέπεσαν), vielen.
[^markus-6-40-37]: Kanttekening 37: Grieks: prasiai prasiai (πρασιαὶ πρασιαί), tuinbedden, tuinbedden — dat wil zeggen: in afzonderlijke rijen zoals de bedden in een tuin zijn, zodat men gemakkelijk het aantal kon aftellen.
[^markus-6-41-d]: Verwijzing d: Johannes 17:1.
[^markus-6-41-38]: Kanttekening 38: Namelijk met dankzegging. Zie Mattheüs 14:19. Johannes 6:11.
[^markus-6-41-e]: Verwijzing e: 1 Samuël 9:13.
[^markus-6-45-f]: Verwijzing f: Johannes 6:17. Mattheüs 14:22.
[^markus-6-45-39]: Kanttekening 39: Want in Johannes 6:17 staat dat zij naar Kapernaüm voeren, dat tegenover Betsaïda lag.
[^markus-6-46-g]: Verwijzing g: Mattheüs 14:23. Lukas 6:12.
[^markus-6-46-40]: Kanttekening 40: Of: van hen afscheid had genomen, zoals Handelingen 18:21.
[^markus-6-47-h]: Verwijzing h: Mattheüs 14:23. Johannes 6:16.
[^markus-6-48-41]: Kanttekening 41: Of: dat zij in nood waren bij het roeien.
[^markus-6-48-42]: Kanttekening 42: Dat was de laatste nachtwake. Zie Mattheüs 14:25.
[^markus-6-49-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: een geest die in lichamelijke gedaante verschijnt.
[^markus-6-51-44]: Kanttekening 44: Grieks: lian ek perissou (λίαν ἐκ περισσοῦ), zeer overvloedig.
[^markus-6-52-45]: Kanttekening 45: Grieks: niet verstaan van of door de broden. Dat wil zeggen: zij waren niet wijzer geworden door wat er met de vijf broden was gebeurd, namelijk om daardoor verzekerd te zijn van Christus' goddelijke kracht en zorg voor hen. Zie Markus 8:17, 20, 21.
[^markus-6-52-46]: Kanttekening 46: Grieks: verhard of verweekt. Dit is niet te verstaan van die verstoktheid van het hart zoals die bij de hardnekkige Joden eerder was aangewezen en berispt in hoofdstuk 3:5, maar van hun onbegrip en traagheid om geestelijke dingen goed te begrijpen en te geloven. Zie ook Markus 8:17 en 16:14. Lukas 24:25.
[^markus-6-53-i]: Verwijzing i: Mattheüs 14:34.
[^markus-6-54-47]: Kanttekening 47: Namelijk de mensen van dat land.
[^markus-6-56-48]: Kanttekening 48: Grieks: agrous (ἀγρούς), velden.
[^markus-6-56-49]: Kanttekening 49: Over deze aanraking zie de reden in de aantekening bij Mattheüs 14:36.

### Markus 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/7.json)

*1 De Farizeeën en schriftgeleerden berispen de discipelen van Christus dat zij met ongewassen handen aten. 6 Christus verdedigt hen en bestraft de geveinsdheid van de Farizeeën in hun uitwendige wassingen. 9 En verwerpt hun menselijke inzettingen, in het bijzonder bij de uitleg van het vijfde gebod. 14 Leert wat de mens eigenlijk onrein maakt of niet. 24 Werpt een duivel uit de dochter van een vrouw uit Syro-Fenicië. 31 Geneest een dove en stomme. 37 En wordt daarom zeer geprezen.*

**1** [^markus-7-1-a] En tot Hem verzamelden de Farizeën, en sommigen van de[^markus-7-1-1] Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v1)

**2** En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met[^markus-7-2-2] onreine, dat is, met ongewassen handen[^markus-7-2-3] brood aten,[^markus-7-2-4] berispten zij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v2)

**3** Want de Farizeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen[^markus-7-3-5] dikwijls wassen,[^markus-7-3-6] houdende de voorschriften van[^markus-7-3-7] de oude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v3)

**4** En van de[^markus-7-4-8] markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst[^markus-7-4-9] gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen van de[^markus-7-4-10] drinkbekers, en kannen, en koperen voorwerpen, en[^markus-7-4-11] bedden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v4)

**5** Daarna vraagden Hem de Farizeën en de Schriftgeleerden: Waarom[^markus-7-5-12] wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting van[^markus-7-5-13] de ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v5)

**6** Maar Hij antwoordde en zei tot hen:[^markus-7-6-14] Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven is:[^markus-7-6-b] Dit volk eer Mij met de lippen, maar hun hart[^markus-7-6-15] houdt zich verre van Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v6)

**7** [^markus-7-7-c] Maar tevergeefs[^markus-7-7-16] eren[^markus-7-7-17] zij Mij, lerende onderwijzingen, die geboden zijn van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v7)

**8** Want, nalatende het gebod van God, houdt u de voorschriften van de mensen, als namelijk wassingen van de kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet u vele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v8)

**9** En Hij zei tot hen: U doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat u uw voorschriften zou onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v9)

**10** Want Mozes heeft gezegd:[^markus-7-10-d] Eer uw vader en uw moeder; en:[^markus-7-10-e] wie vader of moeder[^markus-7-10-18] vloekt, die zal de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v10)

**11** Maar u zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt:[^markus-7-11-19] Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v11)

**12** En u laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v12)

**13** [^markus-7-13-20][^markus-7-13-f] Makende zo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die u ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v13)

**14** [^markus-7-14-g] En tot Zich de hele menigte geroepen hebbende, zei Hij tot hen: Hoor Mij allen en verstaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v14)

**15** [^markus-7-15-h] Er is[^markus-7-15-21] niets van buiten de mens in hem ingaande, dat hem kan[^markus-7-15-22] ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, die de mens ontreinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v15)

**16** [^markus-7-16-23] Zo iemand oren heeft om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v16)

**17** [^markus-7-17-i] En toen Hij van de menigte in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de[^markus-7-17-24] gelijkenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v17)

**18** En Hij zei tot hen: Bent ook u zo onwetend? Verstaat u niet, dat al wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan ontreinigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v18)

**19** Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik, en gaat in[^markus-7-19-25] de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v19)

**20** En Hij zei: Wat uitgaat uit de mens, dat ontreinigt de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v20)

**21** [^markus-7-21-k] Want van binnen uit het hart van de mensen komen voort kwade[^markus-7-21-26] gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v21)

**22** Dieverijen,[^markus-7-22-27] gierigheden, boosheden, bedrog,[^markus-7-22-28] ontucht,[^markus-7-22-29] een boos oog, lastering,[^markus-7-22-30] hoogmoed, onverstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v22)

**23** Al deze boze dingen[^markus-7-23-31] komen voort van binnen, en ontreinigen de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v23)

**24** [^markus-7-24-l] En van daar opstaande, ging Hij weg[^markus-7-24-32] naar het gebied van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon toch niet verborgen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v24)

**25** Want een vrouw, van wie de dochtertje een onreine geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neer aan Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v25)

**26** Deze nu was een[^markus-7-26-33] Griekse vrouw,[^markus-7-26-34] van geboorte uit[^markus-7-26-35] Syro-fenicië; en zij bad Hem, dat Hij de duivel uitwierp uit haar dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v26)

**27** Maar Jezus zei tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet[^markus-7-27-36] passend dat men het brood van de kinderen neme, en de[^markus-7-27-37] hondjes voor werpe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v27)

**28** Maar zij antwoordde en zei tot Hem: Ja, Heere, maar ook de hondjes eten onder de tafel van de kruimkens van de kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v28)

**29** En Hij zei tot haar: Vanwege deze woords ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.[^markus-7-29-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v29)

**30** En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel[^markus-7-30-39] uitgevaren was, en de dochter[^markus-7-30-40] liggende op het bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v30)

**31** [^markus-7-31-m] En Hij opnieuw weggegaan zijnde van het gebied van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden van[^markus-7-31-41] het gebied van Dekapolis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v31)

**32** [^markus-7-32-n] En zij brachten tot Hem een dove, die moeizaam sprak, en baden Hem, dat Hij[^markus-7-32-42] de hand op hem legde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v32)

**33** En hem van de menigte[^markus-7-33-43] alleen genomen hebbende,[^markus-7-33-44] stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v33)

**34** En[^markus-7-34-45] omhoog ziende naar de hemel,[^markus-7-34-46] zuchtte Hij, en zei tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v34)

**35** En meteen werden zijn oren geopend, en de band van zijn tong werd los, en hij sprak recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v35)

**36** En Hij gebood hun, dat zij het[^markus-7-36-47] niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het van de te[^markus-7-36-48] meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v36)

**37** En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende:[^markus-7-37-o] Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/7.html#v37)

[^markus-7-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 15:1.
[^markus-7-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de meest bekwame en meest verbitterde, daartoe vanuit Jeruzalem uitgezonden om op zijn leer en daden te letten, die te berispen en bij het volk verdacht te maken.
[^markus-7-2-2]: Kanttekening 2: Grieks: koinais (κοιναῖς), gewone/onreine: zo wordt gewoonlijk aangeduid wat onrein of onheilig is. Zie Handelingen 10:14. Want de Farizeeën meenden dat als zij iets gemeens hadden aangeraakt — hoewel de wet het niet als onrein had verklaard — zij toch onrein of onheilig waren zolang zij zich niet weer hadden gewassen. Dit berispt Christus hier, niet om de burgerlijke netheid bij het wassen van de handen voor het eten, maar om hun bijgeloof en huichelarij te weerleggen.
[^markus-7-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: voedsel.
[^markus-7-2-4]: Kanttekening 4: Of: klaagden daarover.
[^markus-7-3-5]: Kanttekening 5: Of: met de vuist, zoals mensen die hun handen goed schoon willen wassen gewoonlijk met de vuist in de hand wrijven. Of: nauwgezet. Of: tot aan de elleboog, zoals sommige getuigen dat de Joodse gewoonte was.
[^markus-7-3-6]: Kanttekening 6: Grieks: kratountes tēn paradosin (κρατοῦντες τὴν παράδοσιν), de overlevering vasthoudend.
[^markus-7-3-7]: Kanttekening 7: Of: der ouderlingen.
[^markus-7-4-8]: Kanttekening 8: Omdat zij daar omgingen met allerlei soorten mensen zoals heidenen en anderen, en andere dingen aanraakten waardoor zij meenden onrein te worden.
[^markus-7-4-9]: Kanttekening 9: Grieks: baptisōntai (βαπτίσωνται), gedoopt, wat het onderdompelen in water en ook het afwassen betekent, waarvan de heilige doop zijn naam heeft.
[^markus-7-4-10]: Kanttekening 10: Het Griekse woord xestēs (ξέστης) betekent het zesde deel van een congius, dat wil zeggen: naar onze maatstaven ongeveer anderhalf pint.
[^markus-7-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: de bedden of de sponde van de rustbedden waarop de ouden bij het eten aan tafel lagen of leunden, in plaats van dat wij zitten.
[^markus-7-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: leven: een Hebreeuwse manier van spreken, zoals Psalm 1:1 en elders.
[^markus-7-5-13]: Kanttekening 13: Of: der ouderlingen.
[^markus-7-6-14]: Kanttekening 14: Zie over deze gehele reactie de aantekening bij Mattheüs 15:7, enz.
[^markus-7-6-b]: Verwijzing b: Jesaja 29:13. Ezechiël 33:31.
[^markus-7-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: is ver van mij.
[^markus-7-7-c]: Verwijzing c: Mattheüs 15:9. Kolossenzen 2:18, 20. Titus 1:14.
[^markus-7-7-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: zonder vrucht, want zulke dienst is de Heer niet welgevallig.
[^markus-7-7-17]: Kanttekening 17: Of: dienen.
[^markus-7-10-d]: Verwijzing d: Exodus 20:12. Deuteronomium 5:16. Efeziërs 6:2.
[^markus-7-10-e]: Verwijzing e: Exodus 21:17. Leviticus 20:9. Deuteronomium 27:16. Spreuken 20:20.
[^markus-7-10-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: met slechte woorden bejegent, scheldt of bedreigt.
[^markus-7-11-19]: Kanttekening 19: Of: de Korban, dat wil zeggen: de gave die van mij wordt geofferd, zal u ten goede komen. Zie hierover de aantekening bij Mattheüs 15:5. Of: het zij Korban wat u van mij ten goede mocht komen.
[^markus-7-13-20]: Kanttekening 20: Grieks: akyrountes (ἀκυροῦντες), afkeurend, of: zijn aanzien en kracht benemend.
[^markus-7-13-f]: Verwijzing f: Mattheüs 15:6. 1 Timotheüs 4:3. 2 Timotheüs 3:2.
[^markus-7-14-g]: Verwijzing g: Mattheüs 15:10.
[^markus-7-15-h]: Verwijzing h: Handelingen 10:15. Romeinen 14:17, 20. Titus 1:15.
[^markus-7-15-21]: Kanttekening 21: Namelijk van voedsel of drank, matig en met dankzegging gebruikt. 1 Timotheüs 4:4.
[^markus-7-15-22]: Kanttekening 22: Grieks: koinōsai (κοινῶσαι), gemeen maken.
[^markus-7-16-23]: Kanttekening 23: Zie Mattheüs 11, vers 15.
[^markus-7-17-i]: Verwijzing i: Mattheüs 15:15.
[^markus-7-17-24]: Kanttekening 24: Grieks: parabolē (παραβολή), parabel, wat niet alleen een gelijkenis betekent maar ook een bijzondere lering of spreuk.
[^markus-7-19-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: wat ongeschikt is voor voedsel wordt daardoor als onrein uitgeworpen, en het blijvende voedsel wordt daardoor gereinigd.
[^markus-7-21-k]: Verwijzing k: Genesis 6:5 en 8:21. Jeremia 17:9. Spreuken 6:14.
[^markus-7-21-26]: Kanttekening 26: Of: overwegingen, overpeinzingen, of: samenzweringen.
[^markus-7-22-27]: Kanttekening 27: Of: begeerten om altijd meer en meer te hebben.
[^markus-7-22-28]: Kanttekening 28: Of: dartelheid, geilheid.
[^markus-7-22-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: jaloezie of afgunst. Zie Mattheüs 20:15.
[^markus-7-22-30]: Kanttekening 30: Of: dwaasheid.
[^markus-7-23-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: hebben hun oorsprong in het hart en worden daarna uiterlijk volbracht. Zie Jakobus 1:15.
[^markus-7-24-l]: Verwijzing l: Mattheüs 15:21.
[^markus-7-24-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: tot in de buurt van. Want Christus lijkt zelf nooit in de steden van de heidenen gepredikt te hebben. Zie vers 27 en 31. Mattheüs 15:24.
[^markus-7-26-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: heidens: zoals de Joden en Grieken gewoonlijk tegenover elkaar worden gesteld.
[^markus-7-26-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: van afkomst.
[^markus-7-26-35]: Kanttekening 35: Want Tyrus en Sidon lagen in Fenicië, dat een deel van Syrië was, gelegen aan de Middellandse Zee.
[^markus-7-27-36]: Kanttekening 36: Grieks: eerlijk of goed.
[^markus-7-27-37]: Kanttekening 37: Zie Mattheüs 15:26.
[^markus-7-29-38]: Kanttekening 38: Namelijk waarmee u uw geloof en vertrouwen op mij hebt getoond.
[^markus-7-30-39]: Kanttekening 39: Grieks: exelēluthos (ἐξεληλυθός), uitgegaan.
[^markus-7-30-40]: Kanttekening 40: Grieks: beblēmenon (βεβλημένον), geworpen.
[^markus-7-31-m]: Verwijzing m: Mattheüs 15:29.
[^markus-7-31-41]: Kanttekening 41: Zie over dit land Mattheüs 4:25.
[^markus-7-32-n]: Verwijzing n: Mattheüs 9:32. Lukas 11:14.
[^markus-7-32-42]: Kanttekening 42: Namelijk om hem te genezen, zoals hij gewend was dit te doen met handoplegging, aanraking en andere uiterlijke tekenen.
[^markus-7-33-43]: Kanttekening 43: Of: opzij.
[^markus-7-33-44]: Kanttekening 44: Deze tekenen gebruikte Christus omdat er enige gelijkenis is tussen die en de kracht van God bij het doorboren van de oren en het losmaken van de tong.
[^markus-7-34-45]: Kanttekening 45: Namelijk om zijn Vader te bidden, zoals te zien is in Johannes 11:41.
[^markus-7-34-46]: Kanttekening 46: Namelijk uit medelijden over de ellende van de mensen, waarvan deze man een spiegel was.
[^markus-7-36-47]: Kanttekening 47: De reden hiervoor, zie Mattheüs 12, vers 16.
[^markus-7-36-48]: Kanttekening 48: Grieks: perissoteron (περισσότερον), overvloediger.
[^markus-7-37-o]: Verwijzing o: Genesis 1:31.

### Markus 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/8.json)

*1 Christus voedt vierduizend mannen met zeven broden en weinig visjes. 11 Weigert de Farizeeën een teken uit de hemel. 14 Waarschuwt zijn discipelen voor het zuurdeeg van de Farizeeën en van Herodes. 22 Maakt een blin de ziende. 27 Verschillende meningen van de Joden over Christus, en de belijdenis van Petrus dat hij de Christus is. 31 Voorzegt zijn lijden, dood en opstanding. 32 Bestraft Petrus, die hem van het lijden wil afhouden. 34 Vermaant zijn volgelingen hun kruis op zich te nemen, zichzelf te verloochenen, en zich door geen vrees voor hem en zijn leer te schamen.*

**1** [^markus-8-1-a] In dezelfde[^markus-8-1-1] dagen, als er een geheel grote menigte was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v1)

**2** Ik word[^markus-8-2-2] innerlijk met ontferming bewogen over de menigte; want zij zijn nu[^markus-8-2-3] drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v2)

**3** En als Ik[^markus-8-3-4] hen nuchter naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op de weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v3)

**4** [^markus-8-4-5] En Zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand deze met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v4)

**5** En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v5)

**6** En Hij gebood de menigte[^markus-8-6-6] neer te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze van de menigte voor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v6)

**7** En zij hadden weinig visjes; en als Hij[^markus-8-7-7] gezegend had, zei Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v7)

**8** En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot van de stukken brood op, zeven manden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v8)

**9** Die nu gegeten hadden, waren ongeveer vier duizend; en Hij liet hen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v9)

**10** [^markus-8-10-b] En meteen in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen[^markus-8-10-8] in de delen van Dalmanutha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v10)

**11** En de Farizeën gingen uit, en begonnen met Hem te[^markus-8-11-9] twisten,[^markus-8-11-c] begerende van Hem een teken van de hemel, Hem verzoekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v11)

**12** En Hij, moeizaam[^markus-8-12-10] zuchtende in Zijn geest, zei: Wat begeert dit geslacht een teken?[^markus-8-12-d] Voorwaar, Ik zeg u:[^markus-8-12-11] Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v12)

**13** En Hij verliet hen, en opnieuw in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg[^markus-8-13-12] naar de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v13)

**14** En Zijn discipelen hadden vergeten brood mee te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v14)

**15** En Hij gebood hun, zeggende:[^markus-8-15-e] Zie toe, wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën, en van het zuurdesem[^markus-8-15-15] van Herodes.[^markus-8-15-13][^markus-8-15-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v15)

**16** En zij overlegden onder elkaar, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v16)

**17** En Jezus, dat bekennende, zei tot hen: Wat overlegt u, dat u geen broden hebt? Bemerkt u nog niet, en verstaat u niet,[^markus-8-17-f] hebt u nog uw[^markus-8-17-16] verharde hart? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v17)

**18** Ogen hebbende, ziet u niet? En oren hebbende, hoort u niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v18)

**19** En gedenkt u niet,[^markus-8-19-g] toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opnam? Zij zeggen Hem: Twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v19)

**20** En[^markus-8-20-h] toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen,[^markus-8-20-17] hoeveel volle manden met stukken brood u opnam? En zij zeiden: Zeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v20)

**21** En Hij zei tot hen: Hoe[^markus-8-21-18] verstaat u niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v21)

**22** En Hij kwam te[^markus-8-22-19] Bethsaïda; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v22)

**23** En de hand van de blinde genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten de plaats,[^markus-8-23-i] en[^markus-8-23-20] spoog in zijn ogen, en[^markus-8-23-k] legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v23)

**24** En[^markus-8-24-21] hij, opziende, zei: Ik zie de mensen, want[^markus-8-24-22] ik zie hen, als bomen, wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v24)

**25** Daarna legde Hij de handen[^markus-8-25-23] opnieuw op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v25)

**26** En Hij zond hem naar zijn huis,[^markus-8-26-24] zeggende: Ga niet in de plaats, en zeg het niemand in de plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v26)

**27** [^markus-8-27-l] En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de plaatsen van[^markus-8-27-25] Cesarea Filippi. En op de weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v27)

**28** En zij antwoordden:[^markus-8-28-m] Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Één van de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v28)

**29** En Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zei tot Hem:[^markus-8-29-n] U bent[^markus-8-29-26] de Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v29)

**30** En Hij gebood hun scherp, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v30)

**31** [^markus-8-31-o] En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en[^markus-8-31-27] na drie dagen opnieuw opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v31)

**32** En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v32)

**33** Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende:[^markus-8-33-p] Ga heen, achter Mij,[^markus-8-33-28] satan, want u verzint niet de dingen, die van God zijn, maar die van de mensen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v33)

**34** En tot Zich geroepen hebbende de menigte met Zijn discipelen, zei Hij tot hen:[^markus-8-34-q] Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v34)

**35** [^markus-8-35-r] Want zo wie zijn[^markus-8-35-29] leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en omwille van het Evangelie, die zal het behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v35)

**36** Want wat zou het de mens baten zo hij de hele wereld won, en schade leed aan zijn ziel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v36)

**37** Of wat zal een mens geven,[^markus-8-37-s] tot losprijs van zijn ziel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v37)

**38** [^markus-8-38-t] Want zo wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, voor die zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/8.html#v38)

[^markus-8-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 15:32.
[^markus-8-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: omstreeks diezelfde tijd. Hebreeuws.
[^markus-8-2-2]: Kanttekening 2: Of: van harte, hartelijk.
[^markus-8-2-3]: Kanttekening 3: In die hete Oosterse landen konden mensen de honger langer verdragen dan men in deze landen kan doen.
[^markus-8-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: zonder te eten.
[^markus-8-4-5]: Kanttekening 5: Zie over dit gehele wonder ook Mattheüs 15:32.
[^markus-8-6-6]: Kanttekening 6: Grieks: anapesein (ἀναπεσεῖν), neer te vallen.
[^markus-8-7-7]: Kanttekening 7: Of: gedankt. Zie hierover Mattheüs 15:36.
[^markus-8-10-b]: Verwijzing b: Mattheüs 15:39.
[^markus-8-10-8]: Kanttekening 8: Zie hierover Mattheüs 15:39.
[^markus-8-11-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: in discussie en geschil te komen.
[^markus-8-11-c]: Verwijzing c: Mattheüs 12:38 en 16:1. Lukas 11:29. Johannes 6:30.
[^markus-8-12-10]: Kanttekening 10: Namelijk over hun verkeerdheid en hardnekkigheid.
[^markus-8-12-d]: Verwijzing d: Mattheüs 16:4.
[^markus-8-12-11]: Kanttekening 11: Dit is een afgebroken manier van spreken die bij de Hebreeën gebruikelijk is wanneer men, als met een eed, wil bevestigen dat zoiets niet zal gebeuren, zoals te zien is in Genesis 14:23. Psalm 95:11. Hebreeën 3:11. Anders: aan dit geslacht zal geen teken worden gegeven, namelijk zoals zij verlangen, uit de hemel.
[^markus-8-13-12]: Kanttekening 12: Namelijk van het meer Gennésaret naar Betsaïda toe, zoals te zien is in vers 22.
[^markus-8-15-e]: Verwijzing e: Mattheüs 16:6. Lukas 12:1.
[^markus-8-15-15]: Kanttekening 15: Van wie de Herodianen hun naam hadden. Zie over hen Mattheüs 22:16.
[^markus-8-15-13]: Kanttekening 13: Grieks: horate (ὁρᾶτε), zie.
[^markus-8-15-14]: Kanttekening 14: Zie hierover Mattheüs 16:12.
[^markus-8-17-f]: Verwijzing f: Markus 6:52.
[^markus-8-17-16]: Kanttekening 16: Grieks: pepōrōmenēn (πεπωρωμένην), verhard of verweekt. Zie de aantekening bij Markus 6, vers 52.
[^markus-8-19-g]: Verwijzing g: Mattheüs 14:17, 20. Markus 6:38. Lukas 9:13. Johannes 6:9.
[^markus-8-20-h]: Verwijzing h: Mattheüs 15:36, 37.
[^markus-8-20-17]: Kanttekening 17: Grieks: posōn spuridōn plērōmata klasmatōn (πόσων σπυρίδων πληρώματα κλασμάτων), hoeveel manden vol brokken.
[^markus-8-21-18]: Kanttekening 18: Namelijk wat zo kort en zo duidelijk is geschied.
[^markus-8-22-19]: Kanttekening 19: Een klein stadje of dorp gelegen aan het meer van Galilea, vanwaar Petrus, Andreas en Filippus afkomstig waren. Johannes 1:45. Waar Christus ook vele wonderen heeft gedaan. Mattheüs 11:21.
[^markus-8-23-i]: Verwijzing i: Markus 7:33.
[^markus-8-23-20]: Kanttekening 20: Dit teken gebruikt Christus om te laten zien dat deze genezing van hem kwam; het heeft enige gelijkenis met oogwater waarmee zwakke ogen worden versterkt.
[^markus-8-23-k]: Verwijzing k: Markus 7:32.
[^markus-8-24-21]: Kanttekening 21: Namelijk de blinde.
[^markus-8-24-22]: Kanttekening 22: Anders: ik zie mensen als bomen, wandelend.
[^markus-8-25-23]: Kanttekening 23: Christus had deze blinde man meteen kunnen genezen zoals hij op andere momenten heeft gedaan, maar het schijnt dat hij het hier geleidelijk heeft willen doen, om af te beelden dat onze geestelijke verlichting ook geleidelijk meer en meer geschiedt.
[^markus-8-26-24]: Kanttekening 24: Zie de reden voor dit verbod in Mattheüs 12:16, 17.
[^markus-8-27-l]: Verwijzing l: Mattheüs 16:13. Lukas 9:18.
[^markus-8-27-25]: Kanttekening 25: Zie over deze stad Mattheüs 16:13.
[^markus-8-28-m]: Verwijzing m: Mattheüs 14:2.
[^markus-8-29-n]: Verwijzing n: Mattheüs 16:16. Johannes 6:69.
[^markus-8-29-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de beloofde Messias of Gezalfde, Grieks: Christos (Χριστός). Johannes 1:42.
[^markus-8-31-o]: Verwijzing o: Mattheüs 16:21 en 17:22 en 20:18. Markus 9:31 en 10:33. Lukas 9:22 en 18:31 en 24:7.
[^markus-8-31-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: binnen drie dagen, zoals de overpriesters zelf die manier van spreken gebruikend laten zien dat zij het zo verstaan. Mattheüs hoofdstuk 27, verzen 63, 64.
[^markus-8-33-p]: Verwijzing p: 2 Samuël 19:22.
[^markus-8-33-28]: Kanttekening 28: Zie over dit woord Mattheüs 16, vers 23.
[^markus-8-34-q]: Verwijzing q: Mattheüs 10:38 en 16:24. Lukas 9:23 en 14:27.
[^markus-8-35-r]: Verwijzing r: Mattheüs 10:39 en 16:25. Lukas 9:24 en 17:33. Johannes 12:25.
[^markus-8-35-29]: Kanttekening 29: Grieks: psychēn (ψυχήν), ziel. Zie Mattheüs 16:25.
[^markus-8-37-s]: Verwijzing s: Psalm 49:9.
[^markus-8-38-t]: Verwijzing t: Mattheüs 10:32. Lukas 9:26 en 12:8. 2 Timotheüs 2:12. 1 Johannes 2:23.

### Markus 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/9.json)

*1 Christus wordt op de berg verheerlijkt, in tegenwoordigeid van Mozes en Elia, en wordt betuigd de Zoon van God te zijn. 11 Leert dat Johannes de Doper de Elia is die komen zou. 14 Werpt een stomme en dove geest uit. 18 Wat zijn discipelen niet hadden kunnen doen. 28 Waarvan de oorzaak verhaald wordt. 31 Voorzegt opnieuw zijn dood en opstanding. 33 Vermaant zijn apostelen tot nederigheid door het voorbeeld van een kind. 38 Wil niet dat men hem verhin dert die in zijn naam duivelen uitwierp. 41 Belooft vergelding aan wie de geringste weldaad aan de zijnen doet. 42 En dreigt met zware straffen wie ergernis geeft. 43 Wijst aan dat men van zich moet weren al wat aanstootgevend of hin derlijk is voor de zaligheid. 49 Spreekt van zout in zichzelf en vrede met anderen te hebben.*

**1** [^markus-9-1-a] En Hij zei tot hen:[^markus-9-1-1] Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier[^markus-9-1-2] staan, die de dood niet zullen smaken, voordat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.[^markus-9-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v1)

**2** [^markus-9-2-b] En[^markus-9-2-4] na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v2)

**3** En Zijn kleren werden blinkende, zeer wit als sneeuw, zoals geen bleker op aarde zo wit maken kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v3)

**4** En van hen werd gezien Elia met Mozes, en zij[^markus-9-4-5] spraken met Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v4)

**5** En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie[^markus-9-5-6] tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v5)

**6** Want hij wist niet,[^markus-9-6-7] wat hij zei; want zij waren zeer[^markus-9-6-8] bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v6)

**7** En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende:[^markus-9-7-c] Deze is Mijn geliefde Zoon,[^markus-9-7-d] hoort Hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v7)

**8** En haastig rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v8)

**9** [^markus-9-9-e] En als zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, wat zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v9)

**10** En zij behielden[^markus-9-10-9] dit woord bij zichzelf, vragende onder elkaar,[^markus-9-10-10] wat het was, uit de doden opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v10)

**11** En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden,[^markus-9-11-f] dat Elia eerst komen moet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v11)

**12** En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en[^markus-9-12-11][^markus-9-12-g] het zal gebeuren, zoals geschreven is van de Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en[^markus-9-12-12] veracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v12)

**13** Maar Ik zeg u, dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben,[^markus-9-13-h] zoals van hem geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v13)

**14** En als Hij bij[^markus-9-14-13] de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen[^markus-9-14-14] twistende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v14)

**15** En meteen de hele menigte Hem ziende,[^markus-9-15-15] werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v15)

**16** En Hij vraagde de Schriftgeleerden: Wat twist u[^markus-9-16-16] met deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v16)

**17** [^markus-9-17-i] En één uit de menigte, antwoordende, zei: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een[^markus-9-17-17] stomme geest heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v17)

**18** En[^markus-9-18-18] waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en[^markus-9-18-19] verdort; en ik heb Uw discipelen[^markus-9-18-20] gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v18)

**19** En Hij antwoordden hem, en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem tot Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v19)

**20** En zij brachten die tot Hem;[^markus-9-20-k] en als hij Hem zag,[^markus-9-20-21] scheurde hem meteen de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v20)

**21** En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zei: Van zijn kindsheid af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v21)

**22** En dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem[^markus-9-22-22] te verderven; maar zo U iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v22)

**23** En Jezus zei tot hem: Zo u kunt geloven,[^markus-9-23-l] alle dingen zijn mogelijk degene, die gelooft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v23)

**24** En meteen de vader van het kind, roepende met tranen, zei: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v24)

**25** En Jezus ziende, dat de menigte gezamenlijk toeliep, bestrafte de onreine geest, zeggende tot hem: U stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v25)

**26** En[^markus-9-26-23] hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, zo dat velen zeiden, dat het gestorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v26)

**27** En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v27)

**28** [^markus-9-28-m] En als[^markus-9-28-24] Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v28)

**29** En Hij zei tot hen:[^markus-9-29-25] Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan[^markus-9-29-26] door bidden en vasten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v29)

**30** [^markus-9-30-n] En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v30)

**31** Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon des mensen[^markus-9-31-27] zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v31)

**32** Maar zij verstonden[^markus-9-32-28] dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v32)

**33** [^markus-9-33-o] En Hij kwam te Kapernaüm, en in[^markus-9-33-29] het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan had u woorden onder elkaar op de weg? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v33)

**34** Maar zij zwegen; want zij waren onder elkaar in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v34)

**35** En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zei tot hen:[^markus-9-35-p] Als iemand wil de eerste zijn,[^markus-9-35-30] die zal de laatste van allen zijn, en dienaar van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v35)

**36** En nemende een kind, stelde Hij dat midden onder hen, en[^markus-9-36-q] omving het met Zijn armen, en zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v36)

**37** [^markus-9-37-r] Zo wie één van zulke kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij[^markus-9-37-31] niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v37)

**38** [^markus-9-38-s] En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de demonen uitwierp in Uw Naam, die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v38)

**39** [^markus-9-39-t] Maar Jezus zei: Verbied hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastig[^markus-9-39-32] van Mij zal kunnen[^markus-9-39-33] kwalijk spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v39)

**40** Want wie[^markus-9-40-34] tegen ons niet is, die is voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v40)

**41** [^markus-9-41-35] Want[^markus-9-41-v] zo wie u een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v41)

**42** [^markus-9-42-x]En zo wie één van deze[^markus-9-42-35] kleinen, die in Mij geloven, ten val brengt, het was hem[^markus-9-42-36] beter, dat een molensteen om zijn hals[^markus-9-42-37] gedaan was,[^markus-9-42-38] en dat hij in de zee geworpen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v42)

**43** [^markus-9-43-y] En als uw hand u doet struikelen, houwt ze af; het is u beter[^markus-9-43-39] verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende,[^markus-9-43-40] heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v43)

**44** [^markus-9-44-z] Waar hun[^markus-9-44-41] worm niet sterft, en het[^markus-9-44-42] vuur niet uitgeblust wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v44)

**45** En als uw voet u doet struikelen, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de[^markus-9-45-43] hel, in het onuitblusselijk vuur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v45)

**46** Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v46)

**47** En als uw oog u doet struikelen, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk van God in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v47)

**48** Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v48)

**49** Want[^markus-9-49-44] een ieder zal met[^markus-9-49-45] vuur gezouten worden,[^markus-9-49-a] en[^markus-9-49-46] iedere offergave zal met zout gezouten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v49)

**50** [^markus-9-50-47][^markus-9-50-b] Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken?[^markus-9-50-c] Heb[^markus-9-50-48] zout in uzelf, en houdt vrede onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/9.html#v50)

[^markus-9-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 16:28. Lukas 9:27.
[^markus-9-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekening op Mattheüs 16:28.
[^markus-9-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: aanwezig zijn.
[^markus-9-1-3]: Kanttekening 3: Grieks: en dynamei (ἐν δυνάμει), 'in kracht', dat wil zeggen: krachtig, zodat niemand dit zal kunnen weerstaan.
[^markus-9-2-b]: Verwijzing b: Mattheüs 17:1. Lukas 9:28.
[^markus-9-2-4]: Kanttekening 4: Zie hierover en over de gehele gedaanteverandering van Christus de aantekeningen op Mattheüs 17:1 e.v.
[^markus-9-4-5]: Kanttekening 5: Waarover zij spraken, zie Lukas 9:31.
[^markus-9-5-6]: Kanttekening 6: Of: hutten.
[^markus-9-6-7]: Kanttekening 7: Of: wat hij zou zeggen.
[^markus-9-6-8]: Kanttekening 8: Het Griekse woord ekphoboi (ἔκφοβοι) betekent: door schrik als buiten zichzelf raken, of buitengewoon hevig bevreesd zijn.
[^markus-9-7-c]: Verwijzing c: Jesaja 42:1. Mattheüs 3:17; 17:5. Markus 1:11. Lukas 3:22; 9:35. Kolossenzen 1:13. 2 Petrus 1:17.
[^markus-9-7-d]: Verwijzing d: Deuteronomium 18:19.
[^markus-9-9-e]: Verwijzing e: Mattheüs 17:9. Lukas 9:36.
[^markus-9-10-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: deze zaak. Een Hebreeuwse manier van spreken.
[^markus-9-10-10]: Kanttekening 10: Dit werd door hen gevraagd, niet omdat zij twijfelden aan de algemene opstanding uit de doden — want die was bij de Joden goed bekend (Johannes 11:24; Handelingen 23:8) — maar omdat zij niet begrepen hoe de Messias zou sterven en opstaan voordat hij zijn koninkrijk zou oprichten.
[^markus-9-11-f]: Verwijzing f: Maleachi 4:5. Mattheüs 11:14. Lukas 1:17.
[^markus-9-12-11]: Kanttekening 11: Grieks: pōs (πῶς), 'hoe'.
[^markus-9-12-g]: Verwijzing g: Jesaja 53:4. Psalm 22:7. Daniël 9:26.
[^markus-9-12-12]: Kanttekening 12: Grieks: exoudenōthē (ἐξουδενωθῇ), 'vernietigd', of: als niets geacht — dat wil zeggen: ten uiterste veracht worden.
[^markus-9-13-h]: Verwijzing h: Maleachi 4:5-6.
[^markus-9-14-13]: Kanttekening 13: Namelijk de andere negen, die niet met Christus op de berg waren geweest.
[^markus-9-14-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: aan het redetwisten.
[^markus-9-15-15]: Kanttekening 15: Het lijkt erop dat er nog enige glinstering op het gezicht van Christus was overgebleven, net als op het gezicht van Mozes (Exodus 34:29-30), waardoor zij verbaasd werden.
[^markus-9-16-16]: Kanttekening 16: Of: onderling.
[^markus-9-17-i]: Verwijzing i: Mattheüs 17:14. Lukas 9:37-38.
[^markus-9-17-17]: Kanttekening 17: Grieks: alalon (ἄλαλον), 'spraakloze', dat wil zeggen: die hem zijn spraakvermogen had ontnomen of belemmerd.
[^markus-9-18-18]: Kanttekening 18: Of: zodra.
[^markus-9-18-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: wegkwijnt of vergaat door deze kwelling.
[^markus-9-18-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: hen hiervoor benaderd.
[^markus-9-20-k]: Verwijzing k: Markus 1:26.
[^markus-9-20-21]: Kanttekening 21: Zie voor dit woord Markus 1:26. De duivel toont hier zijn wreedheid nog meer, omdat hij wist dat hij moest wijken. Zie Openbaring 12:12.
[^markus-9-22-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: om van kant te maken.
[^markus-9-23-l]: Verwijzing l: Lukas 17:6.
[^markus-9-26-23]: Kanttekening 23: Namelijk de onreine geest.
[^markus-9-28-m]: Verwijzing m: Mattheüs 17:19.
[^markus-9-28-24]: Kanttekening 24: Namelijk Jezus.
[^markus-9-29-25]: Kanttekening 25: Namelijk van de duivelen.
[^markus-9-29-26]: Kanttekening 26: Of: door gebed en vasten. Zie Mattheüs 17:21.
[^markus-9-30-n]: Verwijzing n: Mattheüs 16:21; 17:22; 20:18. Markus 8:31; 10:33. Lukas 9:22; 18:31; 24:7.
[^markus-9-31-27]: Kanttekening 27: Grieks: paradidotai (παραδίδοται), 'wordt overgeleverd'.
[^markus-9-32-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: die zaak. Want zij verstonden enigszins de woorden, maar vatten de zaak zelf niet op en namen die niet ter harte, omdat zij zich steeds een werelds koninkrijk onder Christus voorstelden. Mattheüs 17:23.
[^markus-9-33-o]: Verwijzing o: Mattheüs 18:1. Lukas 9:46; 22:24.
[^markus-9-33-29]: Kanttekening 29: Namelijk waar hij gewoonlijk thuis was. Zie Mattheüs 4:13.
[^markus-9-35-p]: Verwijzing p: Mattheüs 20:27. Markus 10:43.
[^markus-9-35-30]: Kanttekening 30: Of: laat hij dat zijn — dat wil zeggen: hij dient zich zo te gedragen alsof hij de laatste en aller dienaar is. Mattheüs 20:26.
[^markus-9-36-q]: Verwijzing q: Markus 10:16.
[^markus-9-37-r]: Verwijzing r: Mattheüs 18:5. Lukas 9:48. Johannes 13:20.
[^markus-9-37-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: niet zozeer mij, of niet alleen mij.
[^markus-9-38-s]: Verwijzing s: Lukas 9:49.
[^markus-9-39-t]: Verwijzing t: 1 Korintiërs 12:3.
[^markus-9-39-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: een krachtig werk, of wonderteken.
[^markus-9-39-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: lasteren of vloeken; want door zijn daad erkent hij dat deze kracht van mij komt.
[^markus-9-40-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: wie zich niet alleen niet tegen ons stelt, maar ook doet wat de eer van mijn naam bevordert, al volgt hij ons gezelschap niet. Zodat hij hier niet spreekt over hen die zich neutraal opstellen in de zaak van Christus — die worden elders berispt (Mattheüs 12:30). Of: tegen u, en voor u.
[^markus-9-41-35]: Kanttekening 35: Hier hervat Christus de gedachtegang die hij bij vers 37 had afgebroken, zoals blijkt uit Mattheüs 10:42.
[^markus-9-41-v]: Verwijzing v: Mattheüs 10:42.
[^markus-9-42-x]: Verwijzing x: Mattheüs 18:6. Lukas 17:2.
[^markus-9-42-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: die niet alleen klein zijn van leeftijd, maar ook van geest, of die weinig van zichzelf denken.
[^markus-9-42-36]: Kanttekening 36: Grieks: kalon (καλόν), 'meer goed'.
[^markus-9-42-37]: Kanttekening 37: Grieks: perikeitai (περίκειται), 'gelegd'.
[^markus-9-42-38]: Kanttekening 38: Namelijk dan dat hij aanstoot zou geven.
[^markus-9-43-y]: Verwijzing y: Mattheüs 5:30; 18:8. Deuteronomium 13:6.
[^markus-9-43-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: maar een hand hebbende, zoals ook de volgende woorden inhouden.
[^markus-9-43-40]: Kanttekening 40: Zie hierover de verklaring op Mattheüs 5:22.
[^markus-9-44-z]: Verwijzing z: Jesaja 66:24.
[^markus-9-44-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: hun knagend geweten, dat als een worm hen altijd zal pijnigen. Romeinen 2:5, 9.
[^markus-9-44-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de straf van Gods toorn, die hier een onuitblusbaar vuur wordt genoemd, omdat de pijn van het vuur ondraaglijk is en deze straf nooit ophoudt. Jeremia 7:20. Openbaring 20:10.
[^markus-9-45-43]: Kanttekening 43: Of: gehenna van het vuur. Zie Mattheüs 5:22.
[^markus-9-49-44]: Kanttekening 44: Grieks: pas (πᾶς), 'alle'.
[^markus-9-49-45]: Kanttekening 45: Met vuur wordt vergeleken: het woord van God (Jeremia 23:29), de krachtige werking van de Heilige Geest (Mattheüs 3:11), kruis en vervolging (1 Petrus 1:7). Door deze drie zaken wordt ieder bereid en gezuiverd die het helse vuur ontgaat, en worden zij geestelijke offeranden die God aangenaam zijn, net zoals de uiterlijke offeranden met zout bereid en door vuur geofferd moesten worden. Leviticus 2:13.
[^markus-9-49-a]: Verwijzing a: Leviticus 2:13.
[^markus-9-49-46]: Kanttekening 46: Grieks: pas (πᾶς), 'alle'.
[^markus-9-50-47]: Kanttekening 47: Zie hierover de verklaring op Mattheüs 5:13.
[^markus-9-50-b]: Verwijzing b: Mattheüs 5:13. Lukas 14:34.
[^markus-9-50-c]: Verwijzing c: Romeinen 12:18. Hebreeën 12:14.
[^markus-9-50-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: wijsheid en voorzichtigheid naar het woord van God. Kolossenzen 4:6.

### Markus 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/10.json)

*1 Christus beantwoordt de vraag van de Farizeeën of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verlaten. 13 Wil dat men de kin deren tot hem laat komen, en zegent ze. 17 Antwoordt een rijke jongeling die vroeg wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven. 23 En leert hoe moeilijk de rijken in het Koninkrijk der hemelen komen. 28 Belooft degenen die het hunne om zijnentwil verlaten, tijdelijke en eeuwige vergelding. 32 Voorzegt opnieuw zijn lijden, dood en opstanding. 35 Antwoordt de kin deren van Zebedeüs op hun verzoek om te zitten aan zijn rechter- en linkerhand, en vermaant hen tot lijden en nederigheid. 46 Maakt de blin de Bartimeüs ziende.*

**1** [^markus-10-1-a] En[^markus-10-1-1] van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar het gebied van Judea, door[^markus-10-1-2] de overzijde van de Jordaan; en de[^markus-10-1-3] menigten kwamen opnieuw samen bij Hem, en zoals Hij gewoon was, leerde Hij hen opnieuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v1)

**2** En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v2)

**3** Maar Hij antwoordende, zei tot hen: Wat heeft u Mozes geboden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v3)

**4** En zij zeiden:[^markus-10-4-b] Mozes heeft toegelaten een[^markus-10-4-4] scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v4)

**5** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Vanwege de hardheid van uw harten heeft hij u dat gebod geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v5)

**6** [^markus-10-6-c] Maar van het begin van de schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v6)

**7** [^markus-10-7-d] Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw[^markus-10-7-5] aanhangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v7)

**8** En die twee zullen[^markus-10-8-6] tot één vlees zijn, zo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v8)

**9** [^markus-10-9-e] Wat dan God[^markus-10-9-7] samengevoegd heeft, scheide[^markus-10-9-8] de mens niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v9)

**10** En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen opnieuw van het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v10)

**11** [^markus-10-11-f] En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel[^markus-10-11-9] tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v11)

**12** En als een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v12)

**13** [^markus-10-13-g] En zij[^markus-10-13-10] brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze[^markus-10-13-11] aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v13)

**14** Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zei tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert ze niet;[^markus-10-14-h] want voor deze is het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v14)

**15** Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk van God niet ontvangt,[^markus-10-15-12] zoals een kind, die zal in het in geen geval ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v15)

**16** [^markus-10-16-i] En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v16)

**17** [^markus-10-17-k] En als Hij uitging op de weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v17)

**18** En Jezus zei tot hem: Wat[^markus-10-18-13] noemt u Mij[^markus-10-18-14] goed? Niemand is goed, dan Één, namelijk God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v18)

**19** U weet de geboden:[^markus-10-19-l] U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; u zult niemand[^markus-10-19-15] te kort doen; eer uw vader en uw moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v19)

**20** Maar hij, antwoordende, zei tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v20)

**21** En Jezus, hem aanziende,[^markus-10-21-16] hield van hem, en zei tot hem:[^markus-10-21-m] Één ding[^markus-10-21-17] ontbreekt u; ga heen,[^markus-10-21-18] verkoop alles, wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v21)

**22** Maar hij,[^markus-10-22-19] treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele[^markus-10-22-20] goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v22)

**23** En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen:[^markus-10-23-n] Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v23)

**24** En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v24)

**25** Het is gemakkelijker, dat[^markus-10-25-21] een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk van God inga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v25)

**26** En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkaar: Wie kan dan zalig worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v26)

**27** Maar Jezus, hen aanziende, zei: [^markus-10-27-22] Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God;[^markus-10-27-o] want alle dingen zijn mogelijk bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v27)

**28** [^markus-10-28-p] En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v28)

**29** En Jezus, antwoordende, zei: Voorwaar zeg Ik u: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broers, of zussen, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v29)

**30** Of hij ontvangt[^markus-10-30-23] honderdvoud, nu in deze tijd, huizen, en broers, en zussen, en moeders, en kinderen, en akkers,[^markus-10-30-24] met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v30)

**31** [^markus-10-31-q] Maar vele[^markus-10-31-25] eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v31)

**32** [^markus-10-32-r] En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus[^markus-10-32-26] ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij[^markus-10-32-27] bevreesd. En de twaalven opnieuw tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v32)

**33** Zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v33)

**34** En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v34)

**35** [^markus-10-35-s] En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van[^markus-10-35-28] Zebedeüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat U ons deedt, zo wat wij begeren zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v35)

**36** En Hij zei tot hen: Wat wilt u, dat Ik u doe? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v36)

**37** En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen[^markus-10-37-29] zitten, de één aan Uw rechter-, en de ander aan Uw linkerhand in Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v37)

**38** Maar Jezus zei tot hen: U weet niet, wat u begeert. Kunt u de[^markus-10-38-30] drinkbeker drinken, die Ik drink, en met de doop gedoopt worden,[^markus-10-38-t] daar Ik mee gedoopt word? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v38)

**39** En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Maar Jezus zei tot hen: De drinkbeker, die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doop gedoopt worden, daar Ik mee gedoopt word; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v39)

**40** Maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn[^markus-10-40-31] linkerhand staat bij Mij niet te geven; maar[^markus-10-40-v] het zal gegeven worden die het bereid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v40)

**41** [^markus-10-41-x] En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes[^markus-10-41-32] zeer kwalijk te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v41)

**42** Maar Jezus, hen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen:[^markus-10-42-33] U weet,[^markus-10-42-y] dat degenen,[^markus-10-42-34] die geacht worden oversten te zijn[^markus-10-42-35] van de volken, heerschappij voeren over hen, en hun grote gebruiken macht over hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v42)

**43** [^markus-10-43-z] Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v43)

**44** En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v44)

**45** Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen[^markus-10-45-a] om gediend te worden, maar om te dienen, en[^markus-10-45-b] Zijn[^markus-10-45-36] ziel te geven[^markus-10-45-37] tot een losprijs voor velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v45)

**46** [^markus-10-46-c] En zij kwamen te[^markus-10-46-38] Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote menigte van Jericho uitging, zat[^markus-10-46-39] de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v46)

**47** En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, U Zoon van David! ontferm U mijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v47)

**48** En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: U Zoon van David! ontferm U mijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v48)

**49** En Jezus, stil staande, zei, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed; sta op; Hij roept u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v49)

**50** En hij,[^markus-10-50-40] zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v50)

**51** En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Wat wilt u, dat Ik u doen zal? En de blinde zei tot Hem:[^markus-10-51-41] Rabboni! dat ik ziende mag worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v51)

**52** En Jezus zei tot hem: Ga heen,[^markus-10-52-d] uw geloof heeft u[^markus-10-52-42] behouden. En meteen werd hij ziende, en volgde Jezus op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/10.html#v52)

[^markus-10-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 19:1.
[^markus-10-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van Kapernaüm, uit het huis waar hij tevoren een vermaning had gegeven aan zijn discipelen.
[^markus-10-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk ten opzichte van de woestijn. Of: langs de Jordaan. Zie Mattheüs 19:1 e.v.
[^markus-10-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk die hem vanuit Galilea waren gevolgd. Mattheüs 19:2.
[^markus-10-4-b]: Verwijzing b: Deuteronomium 24:1. Jeremia 3:1. Mattheüs 5:31.
[^markus-10-4-4]: Kanttekening 4: Over de scheidbrief en dit gehele antwoord van Christus, zie Mattheüs 19:3 e.v.
[^markus-10-6-c]: Verwijzing c: Genesis 1:27. Mattheüs 19:4.
[^markus-10-7-d]: Verwijzing d: Genesis 2:24. 1 Korintiërs 6:16. Efeziërs 5:31.
[^markus-10-7-5]: Kanttekening 5: Of: aanklampen. Zie Mattheüs 19:5.
[^markus-10-8-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: gelijk een lichaam of een mens.
[^markus-10-9-e]: Verwijzing e: 1 Korintiërs 7:10.
[^markus-10-9-7]: Kanttekening 7: Grieks: synezeyxen (συνέζευξεν), 'samen als in een juk ingespannen heeft'.
[^markus-10-9-8]: Kanttekening 8: Namelijk tegen of buiten Gods ordinantie. Of: anders dan om overspel, zoals uitgedrukt in Mattheüs 5:32; 19:9.
[^markus-10-11-f]: Verwijzing f: Mattheüs 5:32; 19:9. Lukas 16:18. 1 Korintiërs 7:10.
[^markus-10-11-9]: Kanttekening 9: Namelijk degene die hij verlaat, omdat hij de trouw niet houdt die hij haar heeft beloofd. Maleachi 2:14.
[^markus-10-13-g]: Verwijzing g: Mattheüs 19:13. Lukas 18:15.
[^markus-10-13-10]: Kanttekening 10: Of: droegen.
[^markus-10-13-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: met oplegging van handen zegenen. Mattheüs 19:13, zoals hij ook deed in vers 16.
[^markus-10-14-h]: Verwijzing h: Mattheüs 18:3; 19:14. 1 Korintiërs 14:20. 1 Petrus 2:2.
[^markus-10-15-12]: Kanttekening 12: Namelijk in eenvoud, oprechtheid en nederigheid.
[^markus-10-16-i]: Verwijzing i: Markus 9:36. Mattheüs 19:15.
[^markus-10-17-k]: Verwijzing k: Mattheüs 19:16. Lukas 18:18.
[^markus-10-18-13]: Kanttekening 13: Grieks: legeis (λέγεις), 'zegt u'.
[^markus-10-18-14]: Kanttekening 14: Zie hierover de aantekening op Mattheüs 19:17.
[^markus-10-19-l]: Verwijzing l: Exodus 20:13; 21:12. Deuteronomium 5:17. Romeinen 13:9.
[^markus-10-19-15]: Kanttekening 15: Namelijk hetzij door bedrog of anders, waarvoor Christus bij Mattheüs 19:19 stelt: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Zodat dit als een kort begrip is van alle voorgaande geboden.
[^markus-10-21-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: toonde hem tekenen van genegenheid, zoals dit woord soms ook betekent. Want Christus heeft ook enige liefde voor hen die zich uiterlijk naar Gods geboden schikken. Zie verder de aantekeningen op Mattheüs 19:17 e.v.
[^markus-10-21-m]: Verwijzing m: Mattheüs 6:19. Lukas 12:33; 16:9. 1 Timotheüs 6:17.
[^markus-10-21-17]: Kanttekening 17: Namelijk dat u God en zijn woord niet boven alles liefhebt, wat echter het voornaamste is in de wet.
[^markus-10-21-18]: Kanttekening 18: Dit was een buitengewoon gebod, dat Christus deze jongeling geeft om hem op de proef te stellen en zijn onvolmaaktheid te laten blijken.
[^markus-10-22-19]: Kanttekening 19: Of: mismoedig, somber.
[^markus-10-22-20]: Kanttekening 20: Grieks: ktēmata (κτήματα), 'bezittingen'.
[^markus-10-23-n]: Verwijzing n: Mattheüs 19:23. Lukas 18:24. Spreuken 11:28.
[^markus-10-25-21]: Kanttekening 21: Zie hierover de aantekening op Mattheüs 19:24.
[^markus-10-27-22]: Kanttekening 22: Zie hierover ook Mattheüs 19:26.
[^markus-10-27-o]: Verwijzing o: Job 42:2. Jeremia 32:17. Zacharia 8:6. Lukas 1:37.
[^markus-10-28-p]: Verwijzing p: Mattheüs 4:20; 19:27. Lukas 5:11; 18:28.
[^markus-10-30-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: veelvoudig, of dat honderdmaal en veel meer waard is dan wat hij verlaat. Want de geringste zegen van God met een rustig geweten is meer dan alle goed van de wereld. 1 Timotheüs 6:6.
[^markus-10-30-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: te midden van alle verdrukkingen.
[^markus-10-31-q]: Verwijzing q: Mattheüs 19:30; 20:16. Lukas 13:30.
[^markus-10-31-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die in uiterlijke ijver en godsvrucht de eerste lijken te zijn.
[^markus-10-32-r]: Verwijzing r: Mattheüs 16:21; 17:22; 20:18. Lukas 9:22; 18:31; 24:7. Markus 8:31; 9:31.
[^markus-10-32-26]: Kanttekening 26: Namelijk om zijn bereidheid tot het lijden te tonen.
[^markus-10-32-27]: Kanttekening 27: Omdat Christus hun tevoren had gezegd, en daarna opnieuw verhaalde, wat hij te Jeruzalem zou moeten lijden. Johannes 11:8. En zij wisten dat de Joden in hun raad hadden besloten hem te doden. Johannes 11:53, 57.
[^markus-10-35-s]: Verwijzing s: Mattheüs 20:20.
[^markus-10-35-28]: Kanttekening 28: Namelijk door hun moeder, zoals blijkt uit Mattheüs 20:20.
[^markus-10-37-29]: Kanttekening 29: Zie hierover Mattheüs 20:21.
[^markus-10-38-30]: Kanttekening 30: Zie hierover de verklaring op Mattheüs 20:22.
[^markus-10-38-t]: Verwijzing t: Lukas 12:50. Mattheüs 20:22.
[^markus-10-40-31]: Kanttekening 31: Grieks: 'is mijn niet'. Of: staat mij niet toe te geven, dan aan wie het bereid is. Zie Mattheüs 20:23.
[^markus-10-40-v]: Verwijzing v: Mattheüs 25:34.
[^markus-10-41-x]: Verwijzing x: Mattheüs 20:24.
[^markus-10-41-32]: Kanttekening 32: Omdat zij meenden dat dit verzoek hun nadelig was.
[^markus-10-42-33]: Kanttekening 33: Zie hierover ook Mattheüs 20:26.
[^markus-10-42-y]: Verwijzing y: Mattheüs 20:25. Lukas 22:25.
[^markus-10-42-34]: Kanttekening 34: Of: die zich laten dunken (ervoor gehouden willen worden).
[^markus-10-42-35]: Kanttekening 35: Of: der heidenen.
[^markus-10-43-z]: Verwijzing z: 1 Petrus 5:3.
[^markus-10-45-a]: Verwijzing a: Johannes 13:14. Filippenzen 2:7.
[^markus-10-45-b]: Verwijzing b: Efeziërs 1:7. Kolossenzen 1:14. 1 Timotheüs 2:6. Titus 2:14.
[^markus-10-45-36]: Kanttekening 36: Of: leven.
[^markus-10-45-37]: Kanttekening 37: Of: losgeld, dat gegeven wordt voor de verlossing van gevangenen.
[^markus-10-46-c]: Verwijzing c: Mattheüs 20:29. Lukas 18:35.
[^markus-10-46-38]: Kanttekening 38: Deze stad lag bij Gilgal, nabij de Jordaan, waarover zie Jozua 4:19.
[^markus-10-46-39]: Kanttekening 39: De evangelist Mattheüs noemt twee blinden; maar Markus verhaalt alleen van degene die het meest bekend was en van beiden het meest riep.
[^markus-10-50-40]: Kanttekening 40: Grieks: himation (ἱμάτιον), 'zijn kleed', dat wil zeggen: zijn bovenkleed.
[^markus-10-51-41]: Kanttekening 41: Dit betekent hetzelfde als het woord Rabbi, dat uitgelegd wordt als 'Meester'. Johannes 20:16.
[^markus-10-52-d]: Verwijzing d: Mattheüs 9:22. Markus 5:34.
[^markus-10-52-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: gezond, of ziende gemaakt. Niet dat dit geschiedde uit kracht van het geloof, maar omdat dat geloof op Christus en zijn kracht steunend een middel daartoe was.

### Markus 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/11.json)

*1 Christus doet zijn intocht in Jeruzalem, zittend op een ezel. 8 Wordt door het volk als de Messias begeleid en ontvangen met gelukwensing. 12 Vervloekt een vijgenboom die zonder vrucht was. 15 Drijft de kopers en verkopers uit de tempel. 20 Roemt de kracht van het geloof. 24 En vermaant dat men bij het bidden moet geloven en zijn naaste vergeven. 27 Beantwoordt de vraag uit welke macht hij dit alles deed, door een wedervraag over de doop van Johannes.*

**1** [^markus-11-1-a] En toen zij Jeruzalem naderden,[^markus-11-1-1] te Beth-fage en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v1)

**2** En zei tot hen: Ga heen in de plaats, die tegen u over is; en meteen als u daarin komt, zult u vinden[^markus-11-2-2] een veulen gebonden, waarop geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.[^markus-11-2-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v2)

**3** En als iemand tot u zegt: Waarom doet u dat? Zo zegt, dat de Heere het nodig heeft; en hij zal het meteen herwaarts zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v3)

**4** En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de[^markus-11-4-4] wegscheiding, en zij ontbonden het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v4)

**5** En sommigen van degenen, die daar stonden, zeiden tot hen: Wat doet u, dat u het veulen ontbindt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v5)

**6** Maar zij zeiden tot hen, zoals Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v6)

**7** [^markus-11-7-5] En zij brachten[^markus-11-7-b] het veulen tot Jezus, en wierpen[^markus-11-7-c] hun kleren daarop; en Hij zat op het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v7)

**8** En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen[^markus-11-8-6] takken van de bomen, en spreidden ze op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v8)

**9** En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende:[^markus-11-9-7] Hosanna![^markus-11-9-8][^markus-11-9-d] gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v9)

**10** Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heere! Hosanna[^markus-11-10-9] in de hoogste hemelen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v10)

**11** [^markus-11-11-e] En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in de tempel; en als Hij alles rondom bekeken had, en het nu[^markus-11-11-10] avond was, ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v11)

**12** [^markus-11-12-f] En op de andere dag, als zij uit Bethanië gingen, hongerde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v12)

**13** En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets daarop zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was[^markus-11-13-11] de tijd van de vijgen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v13)

**14** En Jezus,[^markus-11-14-12] antwoordende, zei tot die: Niemand ete enige vrucht meer van u in de eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v14)

**15** En zij kwamen te Jeruzalem;[^markus-11-15-g] en Jezus, in de tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in de tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen van de bankiers, en de zitstoelen van degenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v15)

**16** En liet niet toe, dat iemand enig[^markus-11-16-13] voorwerp door de tempel droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v16)

**17** [^markus-11-17-h] En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven:[^markus-11-17-i] Mijn huis zal een huis van het[^markus-11-17-14] gebed genoemd worden alle volken?[^markus-11-17-k] Maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v17)

**18** En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en[^markus-11-18-l] zochten, hoe zij Hem[^markus-11-18-15] doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de hele menigte[^markus-11-18-16] ontzet was over Zijn leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v18)

**19** En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v19)

**20** En vroeg in de morgen voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortels af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v20)

**21** En Petrus,[^markus-11-21-17] dat indachtig geworden zijnde, zei tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, die U vervloekt hebt, is verdord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v21)

**22** En Jezus, antwoordende, zei tot hen:[^markus-11-22-18] Heb geloof op God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v22)

**23** [^markus-11-23-m] Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v23)

**24** Daarom zeg Ik u:[^markus-11-24-n] Alle dingen, die u biddende[^markus-11-24-19] begeert, gelooft, dat u ze[^markus-11-24-20] ontvangen zult, en zij zullen u geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v24)

**25** En wanneer u[^markus-11-25-21] staat[^markus-11-25-22] om te bidden,[^markus-11-25-o] vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v25)

**26** [^markus-11-26-p] Maar als u niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v26)

**27** [^markus-11-27-q] En zij kwamen opnieuw te Jeruzalem. En als Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de[^markus-11-27-23] ouderlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v27)

**28** En zeiden tot Hem:[^markus-11-28-24][^markus-11-28-r] Door wat macht doet U deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat U deze dingen doen zou? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v28)

**29** Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook[^markus-11-29-25] een woord vragen; antwoord Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v29)

**30** De[^markus-11-30-26] doop van Johannes, was die uit de hemel, of uit de mensen? Antwoord Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v30)

**31** En zij overlegden onder zich, zeggende: Als wij zeggen: Uit de hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v31)

**32** Maar als wij zeggen: Uit de mensen;[^markus-11-32-27] zo vrezen wij het volk;[^markus-11-32-s] want zij hielden allen van Johannes, dat hij werkelijk een profeet was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v32)

**33** En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/11.html#v33)

[^markus-11-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 21:1. Lukas 19:29.
[^markus-11-1-1]: Kanttekening 1: Grieks: eis (εἰς), 'in'. Dat wil zeggen: nabij, zoals uitgedrukt in Lukas 19:29. Over de ligging van deze twee plaatsen, zie Mattheüs 21:2.
[^markus-11-2-2]: Kanttekening 2: Mattheüs 21:2 vermeldt dat daar ook een ezelin met haar veulen was; maar Markus verhaalt alleen van het veulen, waarop Christus heeft gereden. Zie Lukas 19:35.
[^markus-11-2-3]: Kanttekening 3: Grieks: oudeis anthrōpōn (οὐδεὶς ἀνθρώπων), 'geen der mensen', dat wil zeggen: niemand.
[^markus-11-4-4]: Kanttekening 4: Of: kruispunt, tweesprong.
[^markus-11-7-5]: Kanttekening 5: Zie over de intocht van Christus in Jeruzalem de aantekeningen op Mattheüs 21:1 e.v.
[^markus-11-7-b]: Verwijzing b: Johannes 12:14.
[^markus-11-7-c]: Verwijzing c: 2 Koningen 9:13.
[^markus-11-8-6]: Kanttekening 6: Het Griekse woord betekent kleine, tedere, groene takken die geschikt zijn om op te zitten en over te lopen. Zie ook Johannes 12:13.
[^markus-11-9-7]: Kanttekening 7: Wat dit woord betekent, zie Mattheüs 21:9.
[^markus-11-9-8]: Kanttekening 8: Of: geprezen zij hij.
[^markus-11-9-d]: Verwijzing d: Psalm 118:26.
[^markus-11-10-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: u die in de allerhoogste hemelen bent.
[^markus-11-11-e]: Verwijzing e: Mattheüs 21:12, 14. Lukas 19:45. Johannes 2:14.
[^markus-11-11-10]: Kanttekening 10: Grieks: opsias hōras (ὀψίας ὥρας), 'avonduur'.
[^markus-11-12-f]: Verwijzing f: Mattheüs 21:18.
[^markus-11-13-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: de eigenlijke en gewone tijd waarop de vijgenbomen hun volle en rijpe vruchten hebben. Hoewel in die warme landen de vijgenbomen buiten de tijd ook vroege vruchten dragen die door gewone mensen werden gegeten, en die Christus schijnt te hebben willen vinden.
[^markus-11-14-12]: Kanttekening 12: Het woord 'antwoorden' betekent naar Hebreeuwse wijze van spreken dikwijls: een rede beginnen, zoals hier duidelijk blijkt.
[^markus-11-15-g]: Verwijzing g: Mattheüs 21:12. Lukas 19:41. Johannes 2:14.
[^markus-11-16-13]: Kanttekening 13: Namelijk dat niet tot de godsdienst behoorde.
[^markus-11-17-h]: Verwijzing h: Mattheüs 21:13. Lukas 19:46.
[^markus-11-17-i]: Verwijzing i: Jesaja 56:7. 1 Koningen 8:29.
[^markus-11-17-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: zijn en gehouden worden.
[^markus-11-17-k]: Verwijzing k: Jeremia 7:11.
[^markus-11-18-l]: Verwijzing l: Johannes 7:19.
[^markus-11-18-15]: Kanttekening 15: Grieks: apolesōsin (ἀπολέσωσιν), 'verderven, of vernietigen'.
[^markus-11-18-16]: Kanttekening 16: Of: verslagen was — namelijk door verwondering; en daarom vreesden zij dat het hele volk zijn leer zou aanhangen en hen zou verlaten.
[^markus-11-21-17]: Kanttekening 17: Namelijk wat tevoren in vers 14 door Christus was gezegd.
[^markus-11-22-18]: Kanttekening 18: Grieks: pistin theou (πίστιν θεοῦ), 'heb het geloof van God', dat wil zeggen: dat vast steunt en vertrouwt op God en zijn beloften.
[^markus-11-23-m]: Verwijzing m: Mattheüs 17:20; 21:21. Lukas 17:6.
[^markus-11-24-n]: Verwijzing n: Jeremia 29:12. Mattheüs 7:7. Lukas 11:9. Johannes 14:13; 15:7; 16:24. Jakobus 1:5-6. 1 Johannes 3:22; 5:14.
[^markus-11-24-19]: Kanttekening 19: Namelijk naar de wil van God. Zie 1 Johannes 5:14.
[^markus-11-24-20]: Kanttekening 20: Grieks: lambanete (λαμβάνετε), 'ontvangt'.
[^markus-11-25-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: voor God verschijnt en u daar stelt om te bidden. Want hoewel de Joden soms staande baden (Job 30:20; Jeremia 15:1; Lukas 18:13), bad men meestentijds op de knieën liggend. 2 Kronieken 6:13. Daniël 6:10. Handelingen 9:40; 20:36.
[^markus-11-25-22]: Kanttekening 22: Grieks: proseuchomenoi (προσευχόμενοι), 'biddende'.
[^markus-11-25-o]: Verwijzing o: Mattheüs 6:14. Kolossenzen 3:13.
[^markus-11-26-p]: Verwijzing p: Mattheüs 18:35.
[^markus-11-27-q]: Verwijzing q: Mattheüs 21:23. Lukas 20:1.
[^markus-11-27-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: de voornaamsten of oudsten van het volk, die samen met de overpriesters en schriftgeleerden in die tijd de Hoge Raad van de Joden vormden.
[^markus-11-28-24]: Kanttekening 24: Grieks: en poia exousia (ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ), 'in welke bevoegdheid'.
[^markus-11-28-r]: Verwijzing r: Exodus 2:14. Handelingen 4:7; 7:27.
[^markus-11-29-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: een zaak. Hebreeuws.
[^markus-11-30-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de leer van Johannes, door zijn doop bevestigd, zoals blijkt uit de volgende verzen.
[^markus-11-32-27]: Kanttekening 27: Grieks: ephobounto (ἐφοβοῦντο), 'zij vreesden'. Dit is een afgebroken manier van spreken, waarmee hun verlegenheid en beraadslaging in het kort worden uitgedrukt.
[^markus-11-32-s]: Verwijzing s: Mattheüs 14:5. Markus 6:20.

### Markus 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/12.json)

*1 Door de gelijkenis van een wijngaard verhuurd aan landlieden, die de knechten en de zoon van hun heer mishandelden en doodden, verkondigt Christus de Joden hun verwerping en ondergang. 13 Beantwoordt de vraag of het geoorloofd is de keizer belasting te geven. 18 Evenals de vraag van de Sadduceeën over een vrouw die zeven mannen gehad had, en bewijst tegen hen de opstanding uit de doden. 28 Verklaart welk het grootste gebod is. 35 Leert dat de Messias zowel Heere als Zoon van David is. 38 Waarschuwt zijn toehoorders voor de eerzucht en geveinsdheid van de schriftgeleerden. 41 Prijst de geringe aalmoes van een arme weduwe.*

**1** [^markus-12-1-a] En Hij begon door[^markus-12-1-1] gelijkenissen tot hen te zeggen:[^markus-12-1-2] Een mens[^markus-12-1-b] plantte een wijngaard, en zette een[^markus-12-1-3] tuin daarom, en groef een[^markus-12-1-4] wijnpersbak, en bouwde een toren, en[^markus-12-1-5] verhuurde die aan[^markus-12-1-6] de landbouwers, en reisde buiten 's lands. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v1)

**2** En als het de[^markus-12-2-7] tijd was, zond hij een dienaar tot de landbouwers, opdat hij van de landbouwers ontving van de vrucht van de wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v2)

**3** Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem leeg heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v3)

**4** En hij zond opnieuw een andere dienaar tot hen, en die stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem heen,[^markus-12-4-8] schandelijk behandeld zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v4)

**5** En opnieuw zond hij een anderen, en die doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v5)

**6** Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook die[^markus-12-6-9] ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v6)

**7** Maar die landbouwers zeiden onder elkaar: [^markus-12-7-c] Deze is de erfgenaam;[^markus-12-7-d] kom, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v7)

**8** En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten de wijngaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v8)

**9** Wat zal dan de heer van de wijngaard doen?[^markus-12-9-10] Hij zal komen, en de landbouwers verderven, en de wijngaard aan anderen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v9)

**10** Heb u ook deze Schrift niet gelezen:[^markus-12-10-11] De[^markus-12-10-e] steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v10)

**11** Van de Heere is[^markus-12-11-12] dit gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v11)

**12** En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de menigte; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v12)

**13** [^markus-12-13-f] En zij zonden tot Hem enige van de Farizeën en[^markus-12-13-13] van de Herodianen, opdat zij Hem[^markus-12-13-14] in Zijn[^markus-12-13-15] rede vangen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v13)

**14** Deze nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en naar niemand vraagt; want U ziet de[^markus-12-14-16] persoon van de mensen niet aan, maar U leert[^markus-12-14-17] de weg van God in van de waarheid; is het geoorloofd, de keizer belasting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v14)

**15** En Hij, wetende hun huichelarij, zei tot hen: Wat verzoekt u Mij? Breng Mij een[^markus-12-15-18] penning, dat Ik hem zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v15)

**16** En zij brachten een. En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Van de keizer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v16)

**17** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: [^markus-12-17-g] Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v17)

**18** [^markus-12-18-h] En de[^markus-12-18-19] Sadduceën kwamen tot Hem, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v18)

**19** [^markus-12-19-i] Meester![^markus-12-19-20] Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broer zijn vrouw nemen zal en zijn broer zaad verwekken.[^markus-12-19-21] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v19)

**20** Er waren nu zeven broers, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v20)

**21** De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v21)

**22** En al de zeven namen deze, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v22)

**23** In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van deze zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v23)

**24** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Dwaalt u niet, daarom, dat u de Schriften niet weet, noch de kracht van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v24)

**25** Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn[^markus-12-25-k] gelijk engelen, die in de hemelen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v25)

**26** Maar voor wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in[^markus-12-26-22] het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende:[^markus-12-26-l] Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v26)

**27** [^markus-12-27-23] God is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt dan[^markus-12-27-24] zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v27)

**28** [^markus-12-28-m] En één van de Schriftgeleerden horende, dat zij[^markus-12-28-25] samen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het[^markus-12-28-26] eerste gebod van alle? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v28)

**29** En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is:[^markus-12-29-n] Hoor, Israël![^markus-12-29-27] de Heere, onze God, is een enig Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v29)

**30** En u zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw[^markus-12-30-28] verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v30)

**31** En het tweede aan dit[^markus-12-31-o] gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan[^markus-12-31-29] deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v31)

**32** En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester, U hebt wel in van de waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v32)

**33** En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan al de[^markus-12-33-30] brandoffers en de slachtoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v33)

**34** En Jezus ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zei tot hem: U bent[^markus-12-34-31] niet verre van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v34)

**35** [^markus-12-35-p] En Jezus antwoordde en zei, lerende in de tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v35)

**36** Want[^markus-12-36-q] David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere:[^markus-12-36-32] Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v36)

**37** David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en[^markus-12-37-33] hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte van de menigte hoorde Hem graag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v37)

**38** [^markus-12-38-r] En Hij zei tot hen in Zijn leer:[^markus-12-38-34] Wees op uw hoede voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in[^markus-12-38-35] lange kleren, en[^markus-12-38-36] gegroet zijn op de markten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v38)

**39** En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de[^markus-12-39-37] maaltijden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v39)

**40** [^markus-12-40-s] Die de huizen van de weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Deze zullen[^markus-12-40-38] zwaarder[^markus-12-40-39] oordeel ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v40)

**41** [^markus-12-41-r_t_] En Jezus, gezeten zijnde tegenover[^markus-12-41-v] de[^markus-12-41-40] schatkist, zag, hoe de menigte[^markus-12-41-41] geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v41)

**42** En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, dat is een[^markus-12-42-42] oort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v42)

**43** En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat[^markus-12-43-x] deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v43)

**44** Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van[^markus-12-44-43] haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse[^markus-12-44-44] leeftocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/12.html#v44)

[^markus-12-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 21:33. Lukas 20:9.
[^markus-12-1-1]: Kanttekening 1: Grieks: parabolais (παραβολαῖς), 'parabelen'. Zie de verklaring bij Mattheüs 13:3.
[^markus-12-1-2]: Kanttekening 2: Over deze gelijkenis zie de verklaring bij Mattheüs 21:33.
[^markus-12-1-b]: Verwijzing b: Jesaja 5:1. Psalm 80:9. Jeremia 2:21; 12:10.
[^markus-12-1-3]: Kanttekening 3: Of: haag, heg.
[^markus-12-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk waar de wijn onder de pers in loopt en verzameld wordt.
[^markus-12-1-5]: Kanttekening 5: Grieks: exedeto (ἐξέδετο), 'gaf uit'.
[^markus-12-1-6]: Kanttekening 6: Of: akkerbouwers; hier worden voornamelijk wijnbouwers mee bedoeld.
[^markus-12-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: op de geschikte of juiste tijd, wanneer de vruchten rijp en ingeoogst waren.
[^markus-12-4-8]: Kanttekening 8: Grieks: ētimassan (ἠτίμασαν), 'onteerd'.
[^markus-12-6-9]: Kanttekening 9: Grieks: eschaton (ἔσχατον), 'de laatste'.
[^markus-12-7-c]: Verwijzing c: Psalm 2:8.
[^markus-12-7-d]: Verwijzing d: Genesis 37:18. Mattheüs 26:3. Johannes 11:53.
[^markus-12-9-10]: Kanttekening 10: Dit antwoorden de Farizeeën zelf op de vraag van Christus bij Mattheüs 21:41, en wordt hier aan Christus toegeschreven omdat hij dat antwoord herhaalde en voor goed erkende.
[^markus-12-10-11]: Kanttekening 11: Zie hierover de verklaring bij Mattheüs 21:42.
[^markus-12-10-e]: Verwijzing e: Psalm 118:22. Jesaja 28:16. Mattheüs 21:42. Lukas 20:17. Handelingen 4:11. Romeinen 9:33. 1 Petrus 2:6.
[^markus-12-11-12]: Kanttekening 12: Of: deze zaak, namelijk: hoeksteen geworden, is door de Heer geschied.
[^markus-12-13-f]: Verwijzing f: Mattheüs 22:15. Lukas 20:20.
[^markus-12-13-13]: Kanttekening 13: Over de Herodianen zie de verklaring op Mattheüs 22:16.
[^markus-12-13-14]: Kanttekening 14: Of: met hun woord, dat wil zeggen: met hun vraag.
[^markus-12-13-15]: Kanttekening 15: Het Griekse woord is ontleend aan de gelijkenis van jagers en vissers die door strikken, netten en valstrikken het wild of de vissen vangen.
[^markus-12-14-16]: Kanttekening 16: Grieks: prosōpon (πρόσωπον), 'het aangezicht'. Zie hierover Mattheüs 22:16.
[^markus-12-14-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de leer die God voorschrijft om tot zaligheid te komen.
[^markus-12-15-18]: Kanttekening 18: Grieks: dēnarion (δηνάριον), 'denarius'. Zie Mattheüs 18:28.
[^markus-12-17-g]: Verwijzing g: Romeinen 13:7. Mattheüs 17:25; 22:21.
[^markus-12-18-h]: Verwijzing h: Mattheüs 22:23. Lukas 20:27. Handelingen 23:8.
[^markus-12-18-19]: Kanttekening 19: Over de sekte van de Sadduceeën, zie Handelingen 23:8.
[^markus-12-19-i]: Verwijzing i: Deuteronomium 25:5-6.
[^markus-12-19-20]: Kanttekening 20: Deze wet behoorde tot de staatswetten van de Joden en had ook iets ceremonieels, en is daarom met de staatsinrichting van de Joden opgehouden.
[^markus-12-19-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: een zoon die de naam van de overledene droeg en zijn erfgenaam was.
[^markus-12-25-k]: Verwijzing k: Mattheüs 22:30. 1 Johannes 3:2.
[^markus-12-26-22]: Kanttekening 22: Of: braamstruik, of: braam, zoals in Lukas 6:44.
[^markus-12-26-l]: Verwijzing l: Exodus 3:6. Mattheüs 22:31-32. Handelingen 7:32. Hebreeën 11:16.
[^markus-12-27-23]: Kanttekening 23: Over de zin en de kracht van dit bewijs, zie Mattheüs 22:32.
[^markus-12-27-24]: Kanttekening 24: Grieks: poly (πολύ), 'veel'.
[^markus-12-28-m]: Verwijzing m: Mattheüs 22:34. Lukas 10:25.
[^markus-12-28-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: met elkaar disputeerden met wederzijdse vragen en antwoorden.
[^markus-12-28-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: het voornaamste en grootste van de gehele wet van God.
[^markus-12-29-n]: Verwijzing n: Deuteronomium 6:4; 10:12. Lukas 10:27.
[^markus-12-29-27]: Kanttekening 27: Met het woord 'Heer' wordt het Hebreeuwse woord YHWH weergegeven, dat betekent: het goddelijk wezen dat van eeuwigheid in en uit zichzelf bestaat en aan alle dingen hun bestaan geeft.
[^markus-12-30-28]: Kanttekening 28: Of: gedachte, dat wil zeggen: overweging van het verstand.
[^markus-12-31-o]: Verwijzing o: Mattheüs 22:39. Leviticus 19:18. Romeinen 13:9. Galaten 5:14. Jakobus 2:8.
[^markus-12-31-29]: Kanttekening 29: Namelijk deze twee voornaamste geboden.
[^markus-12-33-30]: Kanttekening 30: Brandoffers waren offeranden die op het altaar werden gelegd en daar geheel verbrand werden. Slachtoffers, waarvan maar een deel op het altaar verbrand werd en de overige stukken, zowel door de priesters en levieten als door hen die offerden, werden gegeten. Zie Leviticus 1 en 2 enz. Hoewel dit woord soms ook in bredere zin wordt gebruikt.
[^markus-12-34-31]: Kanttekening 31: Omdat zijn belijdenis uit een leerzame geest scheen voort te komen (vers 32) en met de leer van Christus zover overeenstemde; en de erkenning van de wet een middel kon zijn om hem verder te brengen tot kennis van zichzelf en zo tot Christus. Galaten 3:19.
[^markus-12-35-p]: Verwijzing p: Mattheüs 22:41. Lukas 20:41.
[^markus-12-36-q]: Verwijzing q: Psalm 110:1. Handelingen 2:34. 1 Korintiërs 15:25. Hebreeën 1:13; 10:13.
[^markus-12-36-32]: Kanttekening 32: Zie hierover uitvoeriger Mattheüs 22:44.
[^markus-12-37-33]: Kanttekening 33: Grieks: pothen (πόθεν), 'van waar'.
[^markus-12-38-r]: Verwijzing r: Mattheüs 23:5-6. Lukas 11:43; 20:46.
[^markus-12-38-34]: Kanttekening 34: Grieks: blepete (βλέπετε), 'Zie voor u', namelijk dat u niet door hun schijnheiligheid bedrogen of door hun voorbeeld tot dergelijke geveinsdheid gebracht wordt.
[^markus-12-38-35]: Kanttekening 35: Grieks: stolais (στολαῖς), 'stolai', dat lange rokken of tabbarden betekent tot de voeten toe, om daardoor aanzienlijker voor de mensen te zijn. Zodat Christus hier niet de kleren verwerpt, maar de eerzucht die daarachter schuilgaat.
[^markus-12-38-36]: Kanttekening 36: Grieks: aspasmous (ἀσπασμούς), 'de begroetingen', namelijk hebben.
[^markus-12-39-37]: Kanttekening 37: Grieks: deipnois (δείπνοις), 'avondmaaltijden'.
[^markus-12-40-s]: Verwijzing s: Mattheüs 23:14. Lukas 20:46. 2 Timotheüs 3:6. Titus 1:11.
[^markus-12-40-38]: Kanttekening 38: Grieks: perissoteron (περισσότερον), 'overvloediger'.
[^markus-12-40-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: zwaarder straf bij het oordeel.
[^markus-12-41-r_t_]: Verwijzing r\[t\]: Lukas 21:1.
[^markus-12-41-v]: Verwijzing v: 2 Koningen 12:9.
[^markus-12-41-40]: Kanttekening 40: Over deze schatkist zie 2 Koningen 12:9 en Mattheüs 27:6.
[^markus-12-41-41]: Kanttekening 41: Grieks: chalkon (χαλκόν), 'koper'.
[^markus-12-42-42]: Kanttekening 42: Grieks: 'kodrantēs (κοδράντης)', van het Latijnse 'quadrans', dat wil zeggen: een vierde deel van een obolus, wat het zesde deel was van een zilveren drachme; een quadrans was naar onze rekening ongeveer een kwart cent.
[^markus-12-43-x]: Verwijzing x: 2 Korintiërs 8:12.
[^markus-12-44-43]: Kanttekening 43: Of: van wat zij zelf tekort had.
[^markus-12-44-44]: Kanttekening 44: Grieks: bion (βίον), 'leven', dat wil zeggen: wat zij had en nodig had om te leven.

### Markus 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/13.json)

*1 Christus voorzegt de verwoesting van de tempel en de stad Jeruzalem. 5 Met vermelding van de moeilijkheden en tekenen die voor en rond die verwoesting zouden plaatsvin den. 10 En troost ondertussen de zijnen met de voorspoedige voortgang van het Evangelie en met de bijstand van de Heilige Geest, hen vermanend tot volharding. 14 Hij wijst hen op de profetie van Daniël en raadt hun op tijd te vluchten om die grote ellende te ontgaan. 21 Waarschuwt tegen de verleiding en wonderen van valse christussen en profeten. 24 Beschrijft verder de tekenen van het ein de van de wereld en zijn komst tot het oordeel, waarvan de dag alleen de Vader bekend is. 33 En vermaant daarom tot gestadig waken en bidden.*

**1** En als Hij[^markus-13-1-a] uit de tempel[^markus-13-1-1] ging, zei één van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie,[^markus-13-1-2] zoals stenen, en zoals gebouwen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v1)

**2** En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ziet u deze grote gebouwen?[^markus-13-2-b] Er zal niet[^markus-13-2-3] één steen op de anderen steen gelaten worden, die niet[^markus-13-2-4] afgebroken zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v2)

**3** [^markus-13-3-c] En als Hij gezeten was op de Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas,[^markus-13-3-5] alleen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v3)

**4** [^markus-13-4-d] Zeg ons, wanneer zullen[^markus-13-4-6] deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen allen voltooid zullen worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v4)

**5** En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen:[^markus-13-5-e] Zie toe, dat u niemand verleide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v5)

**6** Want velen zullen komen[^markus-13-6-7][^markus-13-6-f] onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v6)

**7** En wanneer u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet gebeuren; maar nog is het einde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v7)

**8** [^markus-13-8-g] Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn[^markus-13-8-8] in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en onlusten. Deze dingen zijn maar beginselen van de smarten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v8)

**9** [^markus-13-9-h] Maar[^markus-13-9-9] ziet u voor uzelf toe; want zij zullen u overleveren in[^markus-13-9-10] de raadsvergaderingen, en in de synagogen; u zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v9)

**10** En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v10)

**11** [^markus-13-11-i] Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren,[^markus-13-11-11] zo wees te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u op dat uur gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar[^markus-13-11-12] de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v11)

**12** [^markus-13-12-k] En de ene broer zal de anderen overleveren tot de dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen[^markus-13-12-13] hen doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v12)

**13** En u zult gehaat worden van[^markus-13-13-14] allen, omwille van Mijn Naam;[^markus-13-13-l] maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v13)

**14** [^markus-13-14-m] Wanneer u dan zult zien de[^markus-13-14-15] gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet[^markus-13-14-n] Daniël gesproken is, staande[^markus-13-14-16] waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!)[^markus-13-14-o] dan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v14)

**15** En die op[^markus-13-15-17] het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v15)

**16** En die[^markus-13-16-18] op de akker is, kere niet weer[^markus-13-16-19] terug, om zijn kleed te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v16)

**17** Maar wee de zwangeren en de zogenden vrouwen in die dagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v17)

**18** Maar bidt, dat uw vlucht niet gebeurt in de winter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v18)

**19** Want[^markus-13-19-20] die dagen zullen zulke verdrukking zijn, waarvan de gelijke niet geweest is van het begin van de schepselen,[^markus-13-19-21] die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v19)

**20** En als de Heere de dagen niet[^markus-13-20-22] verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar omwille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v20)

**21** [^markus-13-21-p] En dan, zo iemand tot u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v21)

**22** [^markus-13-22-q] Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen[^markus-13-22-23] doen, om te verleiden, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v22)

**23** Maar u ziet toe; zie, Ik heb u alles voorzegd! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v23)

**24** [^markus-13-24-r] Maar in die dagen,[^markus-13-24-24] na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v24)

**25** En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen[^markus-13-25-25] bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v25)

**26** [^markus-13-26-s] En dan zullen[^markus-13-26-26] zij de Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met[^markus-13-26-27] grote kracht en heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v26)

**27** En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen[^markus-13-27-28] uit de vier winden, van het uiterste van de aarde, tot het uiterste van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v27)

**28** [^markus-13-28-t] En leert van de vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak[^markus-13-28-29] teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v28)

**29** Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, zo weet, dat[^markus-13-29-30] het nabij, voor de deur is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v29)

**30** Voorwaar, Ik zeg u, dat[^markus-13-30-31] dit geslacht niet zal[^markus-13-30-32] voorbijgaan, voordat al deze dingen zullen gebeurd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v30)

**31** [^markus-13-31-v] De hemel en de aarde zullen[^markus-13-31-33] voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen in geen geval[^markus-13-31-34] voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v31)

**32** [^markus-13-32-x] Maar van die dag en dat uur weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn,[^markus-13-32-35] noch de Zoon, dan de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v32)

**33** [^markus-13-33-y] Zie toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v33)

**34** [^markus-13-34-36] Gelijk een mens, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienaren[^markus-13-34-37] macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v34)

**35** Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, van de avond laat, of om middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v35)

**36** Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v36)

**37** En wat Ik[^markus-13-37-38] u zeg, dat zeg Ik allen: Waak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/13.html#v37)

[^markus-13-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 24:1. Lukas 21:5.
[^markus-13-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk om naar Bethanië te gaan, zoals blijkt uit vers 3 en hoofdstuk 14:3.
[^markus-13-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: wat voor enorme en prachtige stenen dit zijn, waarvan de tempel gebouwd is; want zij waren 25 el lang, 8 el hoog en 12 el breed. Zie Josephus, Antiquitates, boek 15, hoofdstuk 14. Dit zeggen zij met verwondering.
[^markus-13-2-b]: Verwijzing b: Lukas 19:44. 1 Koningen 9:7-8. Micha 3:12.
[^markus-13-2-3]: Kanttekening 3: Grieks: lithos epi lithō (λίθος ἐπὶ λίθῳ), 'steen op steen niet gelaten worden'.
[^markus-13-2-4]: Kanttekening 4: Grieks: katalythē (καταλυθῇ), 'losgemaakt'.
[^markus-13-3-c]: Verwijzing c: Mattheüs 24:3. Lukas 21:7.
[^markus-13-3-5]: Kanttekening 5: Of: terzijde, of: in het bijzonder.
[^markus-13-4-d]: Verwijzing d: Handelingen 1:6.
[^markus-13-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk de verwoesting van de stad en de tempel van Jeruzalem, en ook de voleinding van de wereld. Zie Mattheüs 24:3.
[^markus-13-5-e]: Verwijzing e: Efeziërs 5:6. 2 Tessalonicenzen 2:2-3. Jeremia 29:8. 1 Johannes 4:1.
[^markus-13-6-7]: Kanttekening 7: Of: in, op mijn naam. Zie hierover en over het gehele antwoord van Christus de aantekening op Mattheüs 24:5.
[^markus-13-6-f]: Verwijzing f: Jeremia 41:14; 23:21.
[^markus-13-8-g]: Verwijzing g: Jesaja 19:2.
[^markus-13-8-8]: Kanttekening 8: Grieks: kata topous (κατὰ τόπους), 'van plaats tot plaats'.
[^markus-13-9-h]: Verwijzing h: Mattheüs 10:17; 24:9. Lukas 21:12. Johannes 15:19; 16:2. Openbaring 2:10.
[^markus-13-9-9]: Kanttekening 9: Of: wacht u voor uzelf.
[^markus-13-9-10]: Kanttekening 10: Grieks: synedria (συνέδρια), 'raden'. Zie daarover Mattheüs 5:22; 10:17.
[^markus-13-11-i]: Verwijzing i: Mattheüs 10:19. Lukas 12:11; 21:14.
[^markus-13-11-11]: Kanttekening 11: Zie hierover de aantekening op Mattheüs 10:19.
[^markus-13-11-12]: Kanttekening 12: Namelijk die in en door u spreekt. Mattheüs 10:20.
[^markus-13-12-k]: Verwijzing k: Ezechiël 38:21. Micha 7:6.
[^markus-13-12-13]: Kanttekening 13: Of: ter dood brengen, doen doden.
[^markus-13-13-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: door allerlei soorten van ongelovige mensen.
[^markus-13-13-l]: Verwijzing l: Mattheüs 10:22; 24:13. Lukas 21:19. Openbaring 2:7, 10.
[^markus-13-14-m]: Verwijzing m: Mattheüs 24:15. Lukas 21:20.
[^markus-13-14-15]: Kanttekening 15: Zie de verklaring bij Mattheüs 24:15.
[^markus-13-14-n]: Verwijzing n: Daniël 9:27.
[^markus-13-14-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: op de heilige plaats, rondom Jeruzalem. Mattheüs 24:15. Lukas 21:20.
[^markus-13-14-o]: Verwijzing o: Lukas 21:21.
[^markus-13-15-17]: Kanttekening 17: Zie hierover de aantekening op Mattheüs 10:27.
[^markus-13-16-18]: Kanttekening 18: Of: in het veld.
[^markus-13-16-19]: Kanttekening 19: Grieks: 'tot de dingen die achter zijn'.
[^markus-13-19-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: de ene verdrukking zal op de andere zonder rust volgen, zodat er niets dan louter verdrukking zal zijn. Zie een dergelijke manier van spreken in Amos 5:20. Joël 2:2.
[^markus-13-19-21]: Kanttekening 21: Grieks: ktiseōs (κτίσεως), 'van het schepsel'.
[^markus-13-20-22]: Kanttekening 22: Zie hierover de aantekening op Mattheüs 24:22.
[^markus-13-21-p]: Verwijzing p: Mattheüs 24:23. Lukas 21:8.
[^markus-13-22-q]: Verwijzing q: Deuteronomium 13:1. 2 Tessalonicenzen 2:11.
[^markus-13-22-23]: Kanttekening 23: Grieks: dōsousin (δώσουσιν), 'geven'.
[^markus-13-24-r]: Verwijzing r: Jesaja 13:10. Ezechiël 32:7. Joël 2:31; 3:15. Mattheüs 24:29. Lukas 21:25. Openbaring 6:12.
[^markus-13-24-24]: Kanttekening 24: En nadat ook de tijden der heidenen vervuld zullen zijn, zoals Lukas daarbij voegt. Lukas 21:24.
[^markus-13-25-25]: Kanttekening 25: Het Griekse woord betekent eigenlijk een geweldige beweging, zoals de zee op en neer door winden en stormen wordt gedreven.
[^markus-13-26-s]: Verwijzing s: Mattheüs 16:27; 24:30. Daniël 7:10. Markus 14:62. Lukas 21:27. Handelingen 1:11. 1 Tessalonicenzen 4:16. 2 Tessalonicenzen 1:10. Openbaring 1:7.
[^markus-13-26-26]: Kanttekening 26: Namelijk alle volken der aarde. Openbaring 1:7.
[^markus-13-26-27]: Kanttekening 27: Grieks: pollēs (πολλῆς), 'vele'.
[^markus-13-27-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: uit de vier hoeken of windstreken van de wereld, van het ene einde tot het andere.
[^markus-13-28-t]: Verwijzing t: Mattheüs 24:32. Lukas 21:29.
[^markus-13-28-29]: Kanttekening 29: Of: sappig.
[^markus-13-29-30]: Kanttekening 30: Namelijk het koninkrijk van God, zoals bij Lukas 21:31 uitgedrukt wordt.
[^markus-13-30-31]: Kanttekening 31: Namelijk van het Joodse volk, of van deze eeuw.
[^markus-13-30-32]: Kanttekening 32: Of: vergaan.
[^markus-13-31-v]: Verwijzing v: Psalm 102:27. Jesaja 40:8; 51:6. Hebreeën 1:11.
[^markus-13-31-33]: Kanttekening 33: Of: vergaan.
[^markus-13-31-34]: Kanttekening 34: Of: vergaan.
[^markus-13-32-x]: Verwijzing x: Mattheüs 24:36. Handelingen 1:7.
[^markus-13-32-35]: Kanttekening 35: Namelijk naar zijn menselijke natuur en in de staat van zijn vernedering; want naar zijn Godheid weet hij alle dingen. Johannes 21:17. En na zijn verhoging is hem het boek van de voorzienigheid van God, met zeven zegels verzegeld, nader geopend. Openbaring 5:5, 7, 9.
[^markus-13-33-y]: Verwijzing y: Mattheüs 24:42; 25:13. Lukas 12:40; 21:36. 1 Tessalonicenzen 5:6.
[^markus-13-34-36]: Kanttekening 36: Zo zal het ook zijn met de Zoon des mensen.
[^markus-13-34-37]: Kanttekening 37: Namelijk om zijn huis en goed te besturen.
[^markus-13-37-38]: Kanttekening 38: Namelijk tot u vieren, van wie sprake is in vers 3.

### Markus 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/14.json)

*De overpriesters en schriftgeleerden zoeken gelegenheid om Christus te doden. 3 Een vrouw zalft hem te Bethanië, welke daad Christus verdedigt. 10 Hij wordt door Judas voor geld verkocht aan de overpriesters. 12 Laat het Pascha bereiden en eet het met zijn discipelen. 18 En openbaart het verraad van Judas. 22 Stelt zijn Avondmaal in. 27 Voorzegt zijn discipelen hun verstrooiing, en Petrus zijn val. 32 Begint in de hof zijn lijden met grote angst, en bidt de Vader. 37 Vermaant zijn discipelen tot waken. 43 Wordt door Judas verraden met een kus. 46 Door de Joden gevangen. 47 Waarna Petrus één van hen het oor afhouwt. 50 Wordt door de zijnen verlaten. 53 Voor de Joodse Raad gebracht. 56 Door valse getuigen beschuldigd. 60 Door de hogepriester ondervraagd. 63 Als een godslasteraar des doods schuldig verklaard en smadelijk mishandeld. 66 Petrus verloochent hem drie keer. 72 En beweent zijn val.*

**1** [^markus-14-1-a] En het[^markus-14-1-1] pascha, en[^markus-14-1-2] het feest van de ongezuurde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met list vangen en doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v1)

**2** Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer[^markus-14-2-3] onder het volk wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v2)

**3** [^markus-14-3-b] En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat,[^markus-14-3-4] kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van[^markus-14-3-5] onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v3)

**4** En er waren[^markus-14-4-6] sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelf, en zeiden: Waartoe is dit verlies van de zalf gebeurd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v4)

**5** Want deze had kunnen boven de driehonderd[^markus-14-5-7] penningen verkocht, en die de armen gegeven worden; en zij[^markus-14-5-8] vergrimden tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v5)

**6** Maar Jezus zei: Laat af van haar; wat doet u haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewerkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v6)

**7** [^markus-14-7-c] Want de armen hebt u altijd met u, en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; maar Mij hebt u niet altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v7)

**8** Zij heeft gedaan,[^markus-14-8-9] wat zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te[^markus-14-8-10] zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v8)

**9** Voorwaar zeg Ik u: Alwaar[^markus-14-9-11] dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar herinnering gesproken worden, van wat zij gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v9)

**10** [^markus-14-10-d] En Judas Iskariot, één van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v10)

**11** En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem[^markus-14-11-12] geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem[^markus-14-11-13] bekwaam overleveren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v11)

**12** [^markus-14-12-e] En op de eerste dag[^markus-14-12-f] van de ongezuurde[^markus-14-12-14] broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt U, dat wij heengaan, en bereiden, dat U[^markus-14-12-15] het pascha eet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v12)

**13** En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zei tot hen: Ga heen in[^markus-14-13-16] de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende[^markus-14-13-17] een kruik water, volgt die; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v13)

**14** En zo waar hij ingaat, zegt tot de heer van het huis: De Meester zegt: Waar is de[^markus-14-14-19] eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?[^markus-14-14-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v14)

**15** En hij zal u wijzen een grote opperzaal,[^markus-14-15-20] toegerust en gereed; bereidt het ons daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v15)

**16** En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v16)

**17** [^markus-14-17-g] En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v17)

**18** En als zij aanzaten en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u,[^markus-14-18-h] dat één van u, die met Mij eet, Mij zal verraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v18)

**19** En zij begonnen bedroefd te worden, en[^markus-14-19-21] de één na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v19)

**20** Maar Hij antwoordde en zei tot hen:[^markus-14-20-22] Het is één uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v20)

**21** De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt! Het was hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v21)

**22** [^markus-14-22-i] En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neem, eet,[^markus-14-22-23] dat is Mijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v22)

**23** En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die; en[^markus-14-23-24] zij dronken allen uit die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v23)

**24** En Hij zei tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v24)

**25** Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok, tot op die dag, wanneer Ik deze nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v25)

**26** En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v26)

**27** [^markus-14-27-k] En Jezus zei tot hen: U zult in deze nacht allen[^markus-14-27-25] aan Mij ten val komen; want er is geschreven:[^markus-14-27-l] Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v27)

**28** [^markus-14-28-m] Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v28)

**29** En Petrus zei tot Hem: Of zij ook allen ten val kwamen, zo zal ik toch[^markus-14-29-26] niet ten val komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v29)

**30** [^markus-14-30-n] En Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat vandaag in deze nacht, voordat de haan[^markus-14-30-27] tweemaal gekraaid zal hebben, u Mij drie keer zult verloochenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v30)

**31** [^markus-14-31-o] Maar hij zei nog van de te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U in geen geval verloochenen! En ook zeiden zij ook allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v31)

**32** [^markus-14-32-p] En zij kwamen in een[^markus-14-32-28] plaats, waarvan de naam Gethsemane was, en Hij zei tot Zijn discipelen: Zit hier neer, totdat Ik gebeden zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v32)

**33** En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer angstig te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v33)

**34** En zei tot hen:[^markus-14-34-q] Mijn ziel is[^markus-14-34-29] geheel bedroefd tot de dood toe; blijf hier, en waakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v34)

**35** [^markus-14-35-r] En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk was, dat[^markus-14-35-30] dat uur van Hem voorbij zou gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v35)

**36** En Hij zei:[^markus-14-36-31] Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg,[^markus-14-36-s] maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v36)

**37** [^markus-14-37-t] En Hij kwam, en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Simon! slaapt u? Kunt u niet één uur waken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v37)

**38** Waak en bidt, opdat u niet in verzoeking komt;[^markus-14-38-v] de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v38)

**39** En opnieuw heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde[^markus-14-39-32] woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v39)

**40** En teruggekeerd zijnde, vond Hij hen opnieuw slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v40)

**41** En Hij kwam voor de derde keer, en zei tot hen:[^markus-14-41-33] Slaap nu voort, en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen[^markus-14-41-34] van de zondaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v41)

**42** Sta op, laat ons gaan; zie, die Mij verraadt, is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v42)

**43** [^markus-14-43-x] En meteen, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote menigte, met zwaarden en[^markus-14-43-35] stokken, gezonden van de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v43)

**44** En die Hem verraadde, had hun[^markus-14-44-36] een afgesproken teken gegeven, zeggende: Die ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zeker heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v44)

**45** En als hij gekomen was, ging hij meteen tot Hem, en zei: Rabbi, en[^markus-14-45-y] kuste Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v45)

**46** En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v46)

**47** En[^markus-14-47-37] één van degenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw hem zijn oor af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v47)

**48** En Jezus, antwoordende, zei tot hen:[^markus-14-48-38] Bent u uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen[^markus-14-48-39] een moordenaar, om Mij te vangen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v48)

**49** Dagelijks was Ik bij u in de tempel, lerende, en u hebt Mij niet gegrepen; maar[^markus-14-49-40][^markus-14-49-z] dit gebeurt, opdat de Schriften vervuld zouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v49)

**50** [^markus-14-50-a] En[^markus-14-50-41] zij, Hem verlatende, zijn allen gevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v50)

**51** En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad[^markus-14-51-42] omgedaan over het naakte lijf, en[^markus-14-51-43] de jongemannen grepen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v51)

**52** En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v52)

**53** [^markus-14-53-b] En zij leidden Jezus heen tot[^markus-14-53-44] de hogepriester; en bij hem verzamelden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v53)

**54** En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal van de hogepriester, en hij was mee zittende met de dienaren, en zich warmende[^markus-14-54-45] bij het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v54)

**55** [^markus-14-55-c] En de overpriesters, en de hele[^markus-14-55-46] raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v55)

**56** Want velen getuigden vals tegen Hem, en de getuigenissen[^markus-14-56-47] waren niet eenparig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v56)

**57** En[^markus-14-57-48] enige, opstaande, getuigden vals tegen Hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v57)

**58** Wij hebben Hem horen zeggen:[^markus-14-58-d] Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v58)

**59** En ook zo was hun getuigenis niet eensgezind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v59)

**60** [^markus-14-60-e] En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v60)

**61** [^markus-14-61-f] Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Opnieuw vraagde Hem de hogepriester, en zei tot Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de gezegende van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v61)

**62** En Jezus zei: Ik ben[^markus-14-62-g] het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten[^markus-14-62-49] ter rechterhand van de kracht van God, en komen[^markus-14-62-50] met de wolken van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v62)

**63** En de hogepriester, verscheurende zijn[^markus-14-63-51] kleren, zei: Wat hebben wij nog getuigen nodig? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v63)

**64** U hebt de godslastering gehoord; wat denkt u? En zij allen veroordeelden Hem, van de dood schuldig te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v64)

**65** En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en[^markus-14-65-h] met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren[^markus-14-65-52] gaven Hem slagen in het gezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v65)

**66** [^markus-14-66-i] En als Petrus beneden in de zaal was, kwam één van de dienaressen van de hogepriester; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v66)

**67** En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zei: Ook u was met Jezus de Nazarener.[^markus-14-67-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v67)

**68** Maar hij heeft het ontkend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging buiten in de[^markus-14-68-54] voorzaal, en de haan[^markus-14-68-55] kraaide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v68)

**69** [^markus-14-69-k] En de dienstmaagd, hem[^markus-14-69-56] opnieuw ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is één van die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v69)

**70** Maar hij ontkende het opnieuw. En een weinig daarna,[^markus-14-70-57] die daarbij stonden, zeiden opnieuw tot Petrus: Werkelijk, u bent één van die; want u bent ook een Galileër, en uw spraak[^markus-14-70-58] vertoont overeenkomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v70)

**71** En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet, Die u zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v71)

**72** En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, dat Jezus tot hem gezegd had:[^markus-14-72-l] Voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En hij,[^markus-14-72-59] zich van daar makende, huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/14.html#v72)

[^markus-14-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 26:2. Lukas 22:1. Johannes 13:1; 11:55.
[^markus-14-1-1]: Kanttekening 1: Zie hierover Mattheüs 26:2.
[^markus-14-1-2]: Kanttekening 2: Zo wordt het feest van Pasen genoemd, omdat men op dat feest zeven dagen lang geen gezuurd brood mocht eten. Zie Exodus 12:15. Leviticus 23:6.
[^markus-14-2-3]: Kanttekening 3: Grieks: tou laou (τοῦ λαοῦ), 'van het volk'.
[^markus-14-3-b]: Verwijzing b: Mattheüs 26:6. Lukas 7:37. Johannes 11:2; 12:3.
[^markus-14-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk Maria, de zus van Lazarus. Zie Johannes 12:3.
[^markus-14-3-5]: Kanttekening 5: Grieks: pistikēs (πιστικῆς), dat wil zeggen: trouw of oprechte. Maar sommigen vertalen het als: vloeiende, of drinkbare, omdat het ook wel in drank gemengd werd. Of: balsem van spikanard. Zie Johannes 12:3.
[^markus-14-4-6]: Kanttekening 6: Van wie de voornaamste was Judas de verrader. Zie Johannes 12:4.
[^markus-14-5-7]: Kanttekening 7: Grieks: dēnariōn (δηναρίων), 'denariën', waarvan de waarde verklaard wordt in Mattheüs 18:28; zodat dit bedrag zou zijn ongeveer negentig gulden.
[^markus-14-5-8]: Kanttekening 8: Of: morden met toorn.
[^markus-14-7-c]: Verwijzing c: Deuteronomium 15:11.
[^markus-14-8-9]: Kanttekening 9: Grieks: ho eschen (ὃ ἔσχεν), 'wat zij had'.
[^markus-14-8-10]: Kanttekening 10: Of: balsemen, zoals men gewoon was de lichamen van aanzienlijke mensen met kostbare balsem van specerijen te balsemen voordat zij begraven werden, om ze voor bederf te bewaren. Zie Genesis 50:26.
[^markus-14-9-11]: Kanttekening 11: Namelijk wat ik tot nu toe heb geleerd en verkondigd.
[^markus-14-10-d]: Verwijzing d: Mattheüs 26:14. Lukas 22:4.
[^markus-14-11-12]: Kanttekening 12: Grieks: argyrion (ἀργύριον), 'zilver', namelijk dertig zilverstukken, zoals Mattheüs 26:15.
[^markus-14-11-13]: Kanttekening 13: Grieks: eukairōs (εὐκαίρως), 'op een geschikte tijd, of met een goede gelegenheid'.
[^markus-14-12-e]: Verwijzing e: Mattheüs 26:17. Lukas 22:7.
[^markus-14-12-f]: Verwijzing f: Exodus 12:17.
[^markus-14-12-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: naar Gods wet moesten slachten, zoals Lukas 22:7 zegt. Anders hebben de Joden het op die gelegenheid de dag daarna geslacht, waarvan de reden verklaard staat in de aantekening op Mattheüs 26:20.
[^markus-14-12-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: het paaslam. Een sacramentele manier van spreken.
[^markus-14-13-16]: Kanttekening 16: Namelijk Jeruzalem, waar het Pascha geslacht en gegeten moest worden. Zie Deuteronomium 16:5.
[^markus-14-13-17]: Kanttekening 17: Of: een aarden vat.
[^markus-14-14-19]: Kanttekening 19: Grieks: katalyma (κατάλυμα), 'uitspanning', dat wil zeggen: de kamer waar men gasten ontvangt.
[^markus-14-14-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: de huisvader.
[^markus-14-15-20]: Kanttekening 20: Grieks: estrōmenon (ἐστρωμένον), 'gespreid, bevloerd, bestrooid'.
[^markus-14-17-g]: Verwijzing g: Mattheüs 26:20. Lukas 22:14.
[^markus-14-18-h]: Verwijzing h: Psalm 41:10. Handelingen 1:17.
[^markus-14-19-21]: Kanttekening 21: Grieks: heis kata heis (εἷς κατὰ εἷς), 'een na een'.
[^markus-14-20-22]: Kanttekening 22: Zie Mattheüs 26:23.
[^markus-14-22-i]: Verwijzing i: Mattheüs 26:26. Lukas 22:19. 1 Korintiërs 11:23.
[^markus-14-22-23]: Kanttekening 23: Over deze instellingswoorden van het Avondmaal zie de aantekening op Mattheüs 26:26 en volgende.
[^markus-14-23-24]: Kanttekening 24: Namelijk zoals Christus hun had opgedragen. Mattheüs 26:27.
[^markus-14-27-k]: Verwijzing k: Mattheüs 26:31. Johannes 16:32.
[^markus-14-27-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: u zult aanstoot nemen aan uw geloof door wat mij zal overkomen.
[^markus-14-27-l]: Verwijzing l: Zacharia 13:7.
[^markus-14-28-m]: Verwijzing m: Mattheüs 26:32; 28:10. Markus 16:7.
[^markus-14-29-26]: Kanttekening 26: Namelijk aan u, zoals uitgedrukt in Mattheüs 26:31.
[^markus-14-30-n]: Verwijzing n: Mattheüs 26:34. Lukas 22:34. Johannes 13:38.
[^markus-14-30-27]: Kanttekening 27: De andere evangelisten zeggen eenvoudig: voordat de haan kraait of zal hebben gekraaid; maar Markus zegt tweemaal, omdat hanen gewoonlijk op twee tijdstippen kraaien: eenmaal na middernacht en eenmaal tegen de dag, welke beide tijdstippen hier worden bedoeld.
[^markus-14-31-o]: Verwijzing o: Johannes 13:37.
[^markus-14-32-p]: Verwijzing p: Mattheüs 26:36. Lukas 22:39. Johannes 18:1.
[^markus-14-32-28]: Kanttekening 28: Of: gehucht van huizen of hofsteden. Zie Mattheüs 26:36.
[^markus-14-34-q]: Verwijzing q: Johannes 12:27.
[^markus-14-34-29]: Kanttekening 29: Of: aan alle zijden.
[^markus-14-35-r]: Verwijzing r: Lukas 22:41.
[^markus-14-35-30]: Kanttekening 30: Namelijk van dit zware naderende lijden. Over dit gehele gebed, zie de aantekening bij Mattheüs 26:39.
[^markus-14-36-31]: Kanttekening 31: Dit is een Syrisch woord en betekent: Vader; welk woord 'Vader' de evangelist er ook bij voegt, niet alleen ter verklaring, maar om door deze herhaling de diepe bewogenheid van Christus in dit gebed uit te drukken. Zie hierover Romeinen 8:15. Galaten 4:6.
[^markus-14-36-s]: Verwijzing s: Johannes 6:38.
[^markus-14-37-t]: Verwijzing t: Mattheüs 26:40. Lukas 22:45.
[^markus-14-38-v]: Verwijzing v: Galaten 5:17.
[^markus-14-39-32]: Kanttekening 32: Grieks: logon (λόγον), 'woord, of rede'.
[^markus-14-41-33]: Kanttekening 33: Zie Mattheüs 26:45.
[^markus-14-41-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: der heidenen, zoals Mattheüs 20:19.
[^markus-14-43-x]: Verwijzing x: Mattheüs 26:47. Lukas 22:47. Johannes 18:3.
[^markus-14-43-35]: Kanttekening 35: Grieks: xylōn (ξύλων), 'houten', dat wil zeggen: speren of lansen.
[^markus-14-44-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: een teken dat zij onder elkaar zouden begrijpen.
[^markus-14-45-y]: Verwijzing y: 2 Samuël 20:9.
[^markus-14-47-37]: Kanttekening 37: Namelijk Simon Petrus, zoals blijkt uit Johannes 18:10.
[^markus-14-48-38]: Kanttekening 38: Deze woorden spreekt hij eigenlijk tot enige overpriesters en hoofdlieden van de tempel, die deze krijgslieden hadden meegebracht. Lukas 22:52.
[^markus-14-48-39]: Kanttekening 39: Of: een struikrover.
[^markus-14-49-40]: Kanttekening 40: Zo verhaalt dit Mattheüs 26:56.
[^markus-14-49-z]: Verwijzing z: Psalm 22:7; 69:10. Lukas 24:25.
[^markus-14-50-a]: Verwijzing a: Job 19:13. Psalm 88:9.
[^markus-14-50-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: zijn discipelen.
[^markus-14-51-42]: Kanttekening 42: Grieks: peribeblēmenos (περιβεβλημένος), 'omgeworpen'.
[^markus-14-51-43]: Kanttekening 43: Dit schijnen enige jonge soldaten te zijn geweest. Deze geschiedenis wordt verhaald om de wreedheid te laten zien van hen die Christus gevangen namen.
[^markus-14-53-b]: Verwijzing b: Mattheüs 26:57. Lukas 22:54. Johannes 18:13, 24.
[^markus-14-53-44]: Kanttekening 44: Namelijk Kajafas. Zie Mattheüs 26:57. Johannes 18:13.
[^markus-14-54-45]: Kanttekening 45: Grieks: pros to phōs (πρὸς τὸ φῶς), 'bij het licht'.
[^markus-14-55-c]: Verwijzing c: Mattheüs 26:59. Handelingen 6:13.
[^markus-14-55-46]: Kanttekening 46: Grieks: synedrion (συνέδριον), 'synedrion'. Zie daarover Mattheüs 5:22.
[^markus-14-56-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: kwamen niet overeen.
[^markus-14-57-48]: Kanttekening 48: Mattheüs 26:61 noemt er twee, van wie de één anders sprak dan de ander, zoals ook de evangelisten hun getuigenissen verschillend verhalen.
[^markus-14-58-d]: Verwijzing d: Markus 15:29. Johannes 2:19.
[^markus-14-60-e]: Verwijzing e: Mattheüs 26:62.
[^markus-14-61-f]: Verwijzing f: Jesaja 53:7. Handelingen 8:32.
[^markus-14-62-g]: Verwijzing g: Mattheüs 16:27; 24:30; 25:31. Lukas 21:27. Handelingen 1:11. 1 Tessalonicenzen 4:16. 2 Tessalonicenzen 1:10. Openbaring 1:7. Daniël 7:10.
[^markus-14-62-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: aan de krachtige rechterhand van God.
[^markus-14-62-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: op de wolken, Mattheüs 26:64. Of: in de wolken, zoals Markus 13:26.
[^markus-14-63-51]: Kanttekening 51: Grieks: chitōnas (χιτῶνας), 'rokken'.
[^markus-14-65-h]: Verwijzing h: Jesaja 50:6. Job 16:10. Johannes 19:3.
[^markus-14-65-52]: Kanttekening 52: Of: sloegen hem met stokken of roeden.
[^markus-14-66-i]: Verwijzing i: Mattheüs 26:58, 69. Lukas 22:55. Johannes 18:16-17.
[^markus-14-67-53]: Kanttekening 53: Namelijk als één van zijn discipelen.
[^markus-14-68-54]: Kanttekening 54: Of: portaal.
[^markus-14-68-55]: Kanttekening 55: Namelijk voor de eerste maal, zoals blijkt uit vers 72.
[^markus-14-69-k]: Verwijzing k: Mattheüs 26:71. Lukas 22:58. Johannes 18:25.
[^markus-14-69-56]: Kanttekening 56: Namelijk ongeveer een uur later. Zie Lukas 22:59.
[^markus-14-70-57]: Kanttekening 57: Namelijk een dienaar van de hogepriester die verwant was aan degene aan wie Petrus het oor had afgehouwen. Zie Johannes 18:26.
[^markus-14-70-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: komt met hun spraak overeen.
[^markus-14-72-l]: Verwijzing l: Mattheüs 26:34, 75. Lukas 22:61. Johannes 13:38; 18:27.
[^markus-14-72-59]: Kanttekening 59: Grieks: epibalōn (ἐπιβαλών), 'werpende', namelijk zichzelf in, of door, of onder het volk. Of: aanvangend, uitbarstend, namelijk tot huilen.

### Markus 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/15.json)

*1 Christus wordt door de Joden aan Pilatus overgeleverd en voor hem beschuldigd; ondervraagd zijnde zwijgt hij stil. 6 Pilatus probeert hem los te laten, maar op aandringen van het volk laat hij Barabbas los en geeft Christus over om gekruisigd te worden. 16 De krijgsknechten bespotten en mishandelen hem. 21 Simon van Cyrene wordt gedwongen zijn kruis te dragen. 23 Hem wordt mirrewijn aangeboden. 24 Hij wordt gekruisigd met twee misdadigers. 29 En door de voorbijgangers gelasterd. 33 Duisternis komt over de aarde. 34 Christus roept tot zijn Vader en wordt daarover bespot. 36 En als hem azijn is aangereikt, geeft hij de geest. 38 Het voorhangsel van de tempel scheurt. 40 Enige vrouwen zien van verre toe. 42 Christus wordt door Jozef van Arimathea begraven.*

**1** En[^markus-15-1-a] meteen, vroeg in de morgen, hielden de overpriesters samen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en de hele raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en[^markus-15-1-1] gaven[^markus-15-1-b] Hem aan Pilatus over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v1)

**2** [^markus-15-2-c] En Pilatus vraagde Hem: Bent U de Koning van de Joden? En Hij antwoordende, zei tot hem:[^markus-15-2-2] U zegt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v2)

**3** En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v3)

**4** [^markus-15-4-d] En Pilatus vraagde Hem opnieuw, zeggende: Antwoordt U niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v4)

**5** En Jezus heeft[^markus-15-5-3] niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v5)

**6** [^markus-15-6-e] En[^markus-15-6-4] op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v6)

**7** [^markus-15-7-f] En er was een, genoemd Barabbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v7)

**8** En de menigte riep uit, en begon te begeren,[^markus-15-8-5] dat hij deed, zoals hij hun altijd gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v8)

**9** En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt u, dat ik u de Koning van de Joden loslate? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v9)

**10** (Want hij wist, dat de overpriesters Hem door afgunst overgeleverd hadden.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v10)

**11** [^markus-15-11-g] Maar de overpriesters bewogen de menigte, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v11)

**12** En Pilatus, antwoordende, zei opnieuw tot hen: Wat wilt u dan, dat ik met Hem doen zal, Die u een Koning van de Joden noemt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v12)

**13** En zij riepen opnieuw: Kruis Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v13)

**14** Maar Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v14)

**15** [^markus-15-15-h] Pilatus nu, willende van de menigte genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en[^markus-15-15-6] gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v15)

**16** [^markus-15-16-i] En de soldaten leidden Hem binnen in de zaal, die is[^markus-15-16-7] het rechthuis, en riepen de hele bende samen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v16)

**17** En[^markus-15-17-8] deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v17)

**18** En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, U Koning van de Joden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v18)

**19** En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieën,[^markus-15-19-9] aanbaden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v19)

**20** En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen kleren aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v20)

**21** [^markus-15-21-k] En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van de akker, de vader[^markus-15-21-10] van Alexander en Rufus, dat hij[^markus-15-21-11] Zijn kruis droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v21)

**22** [^markus-15-22-i_l_] En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, dat is, overgezet zijnde,[^markus-15-22-12] Hoofdschedelplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v22)

**23** En zij gaven Hem[^markus-15-23-13] gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam die niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v23)

**24** [^markus-15-24-m] En als zij Hem gekruisigd hadden,[^markus-15-24-n] verdeelden zij Zijn kleren, werpende het lot over deze, wat ieder wegnemen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v24)

**25** [^markus-15-25-o] En het was[^markus-15-25-14] het derde uur, en zij kruisigden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v25)

**26** En het opschrift van Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v26)

**27** En zij kruisigden met Hem twee[^markus-15-27-15] moordenaars, één aan Zijn rechter-, en één aan Zijn linkerzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v27)

**28** [^markus-15-28-p] En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v28)

**29** [^markus-15-29-q] En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha![^markus-15-29-r] U, die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v29)

**30** Behoud Uzelf, en kom af van het kruis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v30)

**31** En ook ook de overpriesters, met de Schriftgeleerden, zeiden tot elkaar, al spottende: Hij heeft anderen verlost;[^markus-15-31-16] Zichzelf kan Hij niet verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v31)

**32** De Christus, de Koning van Israël, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook[^markus-15-32-17] die met Hem gekruist waren, smaadden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v32)

**33** [^markus-15-33-s] En als het zesde uur gekomen was, werd[^markus-15-33-18] er duisternis over de hele aarde, tot het negende uur toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v33)

**34** En op het negende uur, riep Jezus met een luide stem,[^markus-15-34-t] zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, dat is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v34)

**35** En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Zie, Hij roept Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v35)

**36** [^markus-15-36-v]En er liep een, en vulde een spons met azijn, en[^markus-15-36-19] stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houd stil, laat ons zien, of Elia komt, om Hem af te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v36)

**37** En Jezus, een luide stem van Zich gegeven hebbende, gaf de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v37)

**38** [^markus-15-38-x] En het[^markus-15-38-20] voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v38)

**39** [^markus-15-39-y] En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij[^markus-15-39-21] zo roepende de geest gegeven had, zei: Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v39)

**40** [^markus-15-40-a] En er waren ook vrouwen,[^markus-15-40-b] van verre dit aanschouwende, onder wie ook was Maria Magdalena, en[^markus-15-40-22] Maria, de[^markus-15-40-23] moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en[^markus-15-40-24] Salome; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v40)

**41** Die ook, toen Hij in Galilea was, Hem waren gevolgd, en[^markus-15-41-c] Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v41)

**42** [^markus-15-42-d] En als het nu[^markus-15-42-25] avond was geworden, omdat het[^markus-15-42-26] de voorbereiding was, die is de voorsabbat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v42)

**43** Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf[^markus-15-43-27] het Koninkrijk van God was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v43)

**44** En Pilatus verwonderde zich, dat[^markus-15-44-28] Hij al gestorven was; en de hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v44)

**45** En als hij het van de hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v45)

**46** En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en[^markus-15-46-e] legde Hem in een graf, dat[^markus-15-46-29] uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v46)

**47** En[^markus-15-47-30] Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/15.html#v47)

[^markus-15-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 27:1. Lukas 22:66; 23:1. Johannes 18:28. Psalm 2:2.
[^markus-15-1-1]: Kanttekening 1: De reden waarom zij hem aan Pilatus overleverden, zie Mattheüs 27:2.
[^markus-15-1-b]: Verwijzing b: Handelingen 3:13.
[^markus-15-2-c]: Verwijzing c: Mattheüs 27:11. Lukas 23:3. Johannes 18:33.
[^markus-15-2-2]: Kanttekening 2: Over deze manier van spreken, zie de aantekening bij Mattheüs 26:25.
[^markus-15-4-d]: Verwijzing d: Mattheüs 27:13. Johannes 19:10.
[^markus-15-5-3]: Kanttekening 3: Grieks: ouketi ouden (οὐκέτι οὐδέν), 'niet meer iets'. De reden van dit zwijgen, zie Mattheüs 27:14.
[^markus-15-6-e]: Verwijzing e: Mattheüs 27:15. Lukas 23:17. Johannes 18:39.
[^markus-15-6-4]: Kanttekening 4: Of: op elk feest, namelijk van Pasen. Zie Johannes 18:39.
[^markus-15-7-f]: Verwijzing f: Mattheüs 27:16. Lukas 23:19. Johannes 18:40.
[^markus-15-8-5]: Kanttekening 5: Namelijk dat hij hun een gevangene losliet.
[^markus-15-11-g]: Verwijzing g: Mattheüs 27:20. Lukas 23:18. Johannes 18:40. Handelingen 3:14.
[^markus-15-15-h]: Verwijzing h: Mattheüs 27:26. Johannes 19:1.
[^markus-15-15-6]: Kanttekening 6: Namelijk aan de hoofdman en de soldaten.
[^markus-15-16-i]: Verwijzing i: Mattheüs 27:27. Johannes 19:2.
[^markus-15-16-7]: Kanttekening 7: Grieks: praitōrion (πραιτώριον), waarmee het Latijnse woord praetorium wordt uitgedrukt, dat de verblijfplaats betekent waar de Romeinse stadhouders woonden en rechtszitting hielden.
[^markus-15-17-8]: Kanttekening 8: Grieks: 'zij bekleedden hem met purper', dat wil zeggen: met een purperen mantel. Zie hierover uitvoeriger de aantekening op Mattheüs 27:28.
[^markus-15-19-9]: Kanttekening 9: Spottend hem erend, zoals de heidenen met ernst hun koningen plachten te eren.
[^markus-15-21-k]: Verwijzing k: Mattheüs 27:32. Lukas 23:26.
[^markus-15-21-10]: Kanttekening 10: Deze namen worden hier vermeld omdat zij later in de kerk van God beroemde mensen zijn geworden, van wie ook melding lijkt te worden gemaakt in Romeinen 16:13.
[^markus-15-21-11]: Kanttekening 11: Namelijk dat van Christus. De reden hiervan zie in de aantekening bij Mattheüs 27:32.
[^markus-15-22-i_l_]: Verwijzing i\[l\]: Mattheüs 27:33. Lukas 23:33. Johannes 19:17.
[^markus-15-22-12]: Kanttekening 12: Zie Mattheüs 27:33.
[^markus-15-23-13]: Kanttekening 13: Zie hierover Mattheüs 27:34.
[^markus-15-24-m]: Verwijzing m: Mattheüs 27:35. Lukas 23:34. Johannes 19:23.
[^markus-15-24-n]: Verwijzing n: Psalm 22:19.
[^markus-15-25-o]: Verwijzing o: Mattheüs 27:37. Lukas 23:38. Johannes 19:19.
[^markus-15-25-14]: Kanttekening 14: Deze uren moeten naar Joodse wijze worden gerekend, van zonsopgang tot zonsondergang. Zie Mattheüs 20:3 en Johannes 11:9. En omdat Pasen toen viel in de tijd dat de dagen en nachten even lang zijn, stemt het derde uur overeen met ons negende uur, het zesde met ons twaalfde, en het negende met ons derde na de middag. Johannes schrijft in 19:14 dat het omstreeks het zesde uur was toen hij hem voorstelde. Hoe dit overeenkomt, zie de aantekening daar.
[^markus-15-27-15]: Kanttekening 15: Of: straatschenders.
[^markus-15-28-p]: Verwijzing p: Jesaja 53:12. Lukas 22:37.
[^markus-15-29-q]: Verwijzing q: Mattheüs 27:39. Lukas 23:35. Psalm 22:8; 69:21; 109:25.
[^markus-15-29-r]: Verwijzing r: Johannes 2:19.
[^markus-15-31-16]: Kanttekening 16: Of: kan hij zichzelf niet behouden?
[^markus-15-32-17]: Kanttekening 17: Namelijk één van hen. Zie Mattheüs 27:44 en Lukas 23:39.
[^markus-15-33-s]: Verwijzing s: Mattheüs 27:45. Lukas 23:44.
[^markus-15-33-18]: Kanttekening 18: Over deze duisternis zie Mattheüs 27:45, evenals over al het volgende.
[^markus-15-34-t]: Verwijzing t: Psalm 22:1-2. Mattheüs 27:46.
[^markus-15-36-v]: Verwijzing v: Psalm 69:22. Johannes 19:29.
[^markus-15-36-19]: Kanttekening 19: Of: legde die om.
[^markus-15-38-x]: Verwijzing x: Mattheüs 27:51. Lukas 23:45. 2 Kronieken 3:14.
[^markus-15-38-20]: Kanttekening 20: Zie hierover Mattheüs 27:51.
[^markus-15-39-y]: Verwijzing y: Mattheüs 27:54. Lukas 23:47.
[^markus-15-39-21]: Kanttekening 21: Namelijk met zulk een sterke stem. Hebreeën 5:7. En dat hij daarna zo onmiddellijk was gestorven, en daarbij de wonderen ziende die daarna plaatsvonden, zoals verhaald in Mattheüs 27:54.
[^markus-15-40-a]: Verwijzing a: Mattheüs 27:55. Lukas 23:49.
[^markus-15-40-b]: Verwijzing b: Psalm 38:12.
[^markus-15-40-22]: Kanttekening 22: De vrouw van Alfeüs. Zie Mattheüs 10:3; 27:56.
[^markus-15-40-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: de jongere, die zo werd bijgenaamd ter onderscheiding van een andere Jakobus, die de zoon van Zebedeüs was; of van zijn oom, de broer van Alfeüs, zoals sommigen menen.
[^markus-15-40-24]: Kanttekening 24: Deze was de vrouw van Zebedeüs, zoals blijkt uit deze plaats vergeleken met Mattheüs 27:56.
[^markus-15-41-c]: Verwijzing c: Lukas 8:2-3.
[^markus-15-42-d]: Verwijzing d: Mattheüs 27:57. Lukas 23:50. Johannes 19:38.
[^markus-15-42-25]: Kanttekening 25: Namelijk op de dag voor de sabbat.
[^markus-15-42-26]: Kanttekening 26: Namelijk van het Pascha, dat de Joden op die gelegenheid hadden uitgesteld tot op de sabbat. De redenen hiervan worden verklaard in de aantekening op Mattheüs 26:20.
[^markus-15-43-27]: Kanttekening 27: Namelijk dat door de Messias zou worden opgericht. Lukas 2:25, 38.
[^markus-15-44-28]: Kanttekening 28: Grieks: ei (εἰ), 'of, als'.
[^markus-15-46-e]: Verwijzing e: Mattheüs 12:40; 26:12; 27:60. Lukas 23:53.
[^markus-15-46-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: uitgehouwen in een rotsblok, zoals staat in Mattheüs 27:60.
[^markus-15-47-30]: Kanttekening 30: Zie het voorgaande vers 40.

### Markus 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/markus/16.json)

*1 De vrouwen komen naar het graf om het lichaam van Christus te zalven. 4 Vin den de steen afgewenteld. 5 Worden door een engel onderricht dat hij uit de doden is opgestaan. 9 Christus verschijnt zelf aan Maria Magdalena. 10 Die het de discipelen bericht, maar niet geloofd wordt. 12 Verschijnt nog aan twee discipelen onderweg. 14 Ten slotte ook aan de elven, wie hij opdracht geeft overal te prediken en te dopen. 17 Belooft dat de gelovigen verscheidene tekenen zullen volgen. 19 Vaart op naar de hemel. 20 En de apostelen voeren Christus' opdracht vruchtbaar uit.*

**1** [^markus-16-1-a] En als de sabbat voorbijgegaan was,[^markus-16-1-1] hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem[^markus-16-1-2] zalfden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v1)

**2** En zeer vroeg op de eerste dag[^markus-16-2-3] van de week, kwamen zij tot het graf,[^markus-16-2-4] als de zon opging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v2)

**3** En zeiden tot elkaar: Wie zal ons de steen van de deur van het graf afwentelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v3)

**4** (En opziende zagen zij, dat de steen[^markus-16-4-5] afgewenteld was) want hij was zeer groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v4)

**5** [^markus-16-5-b] En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij[^markus-16-5-6] een jongeling, zittende aan de rechterzijde, bekleed met een wit[^markus-16-5-7] lang kleed, en werden verbaasd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v5)

**6** Maar hij zei tot haar:[^markus-16-6-c] Wees niet verbaasd; u zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v6)

**7** Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen,[^markus-16-7-8] en Petrus, dat Hij u[^markus-16-7-d] voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien,[^markus-16-7-9][^markus-16-7-e] zoals Hij u gezegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v7)

**8** [^markus-16-8-f] En zij, haastig uitgegaan zijnde, vluchtten van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij[^markus-16-8-10] zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v8)

**9** En als Jezus opgestaan was, vroeg in de morgen, op de eerste[^markus-16-9-11] dag van de[^markus-16-9-12] week, verscheen Hij[^markus-16-9-g] eerst aan Maria[^markus-16-9-h] Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgeworpen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v9)

**10** Deze, heengaande, boodschapte het van hen, die met Hem geweest waren, die treurden en huilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v10)

**11** En als deze hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v11)

**12** [^markus-16-12-i] En na deze is Hij geopenbaard[^markus-16-12-13] in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en[^markus-16-12-14] in het veld gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v12)

**13** Deze, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v13)

**14** [^markus-16-14-k] Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten,[^markus-16-14-15] en verweet hun hun ongelovigheid en hardheid van het hart, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v14)

**15** En Hij zei tot hen:[^markus-16-15-l] Ga heen[^markus-16-15-16] in de hele wereld, predikt het Evangelie[^markus-16-15-17] aan alle schepselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v15)

**16** Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden;[^markus-16-16-m] maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v16)

**17** En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen[^markus-16-17-18] deze tekenen volgen:[^markus-16-17-n] in Mijn Naam zullen zij demonen uitwerpen;[^markus-16-17-o] met[^markus-16-17-19] nieuwe tongen zullen zij spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v17)

**18** [^markus-16-18-20][^markus-16-18-p] Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden;[^markus-16-18-q] op zieken zullen zij de handen leggen, en[^markus-16-18-21] zij zullen gezond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v18)

**19** De Heere dan,[^markus-16-19-22] nadat Hij tot hen gesproken had,[^markus-16-19-r] is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v19)

**20** En[^markus-16-20-s] zij, uitgegaan zijnde, predikten[^markus-16-20-23] overal, en[^markus-16-20-t] de Heere[^markus-16-20-24] werkte mee, en bevestigde[^markus-16-20-25] het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/markus/16.html#v20)

[^markus-16-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 28:1. Lukas 24:1. Johannes 20:1.
[^markus-16-1-1]: Kanttekening 1: Of: hebben. Maar het woord 'hadden' is hier beter, omdat de specerijen reeds de avond voor de sabbat waren gekocht, zoals Lukas verklaart in hoofdstuk 23:56.
[^markus-16-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: balsemden.
[^markus-16-2-3]: Kanttekening 3: Grieks: tōn sabbatōn (τῶν σαββάτων), 'van de sabbatten', dat was de derde dag nadat hij begraven was geweest; welke dag daarom de dag des Heren is gaan heten, omdat hij op die dag is opgestaan. Zie Openbaring 1:10.
[^markus-16-2-4]: Kanttekening 4: Zij hadden zich al bij het aanbreken van de dag klaargemaakt om te gaan, toen het nog donker was. Johannes 20:1. En zij kwamen omstreeks het opgaan van de zon bij het graf aan.
[^markus-16-4-5]: Kanttekening 5: Namelijk door de engel. Mattheüs 28:2.
[^markus-16-5-b]: Verwijzing b: Mattheüs 28:2. Johannes 20:12.
[^markus-16-5-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: een engel in de gedaante van een jongeling.
[^markus-16-5-7]: Kanttekening 7: Grieks: stolēn (στολήν), 'stole'. Zie daarover Markus 12:38.
[^markus-16-6-c]: Verwijzing c: Mattheüs 28:5. Lukas 24:5.
[^markus-16-7-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: en in het bijzonder Petrus, omdat hij vanwege zijn verloochening en verdriet in het bijzonder troost nodig had.
[^markus-16-7-d]: Verwijzing d: Handelingen 1:3; 13:31. 1 Korintiërs 15:5.
[^markus-16-7-9]: Kanttekening 9: Namelijk vóór zijn lijden. Markus 14:28.
[^markus-16-7-e]: Verwijzing e: Mattheüs 26:32; 28:10. Markus 14:28.
[^markus-16-8-f]: Verwijzing f: Mattheüs 28:8. Lukas 24:9. Johannes 20:18.
[^markus-16-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk aan hen die zij ontmoetten, totdat zij bij de discipelen kwamen, aan wie zij het berichtten. Vers 10 en Lukas 24:9.
[^markus-16-9-11]: Kanttekening 11: Grieks: sabbatou (σαββάτου), 'van de sabbat', dat ook soms voor de gehele week wordt genomen. Zie Lukas 18:12.
[^markus-16-9-12]: Kanttekening 12: Over deze eerste verschijning, zie uitvoeriger Johannes 20:14.
[^markus-16-9-g]: Verwijzing g: Johannes 20:14, 16.
[^markus-16-9-h]: Verwijzing h: Lukas 8:2.
[^markus-16-12-i]: Verwijzing i: Lukas 24:13.
[^markus-16-12-13]: Kanttekening 13: Niet die hij werkelijk had, maar die hij hun scheen te hebben, omdat hun ogen werden gehouden zodat zij hem niet kenden. Lukas 24:16.
[^markus-16-12-14]: Kanttekening 14: Namelijk naar Emmaüs. Lukas 24:13. Zie ook daar deze geschiedenis uitvoeriger beschreven.
[^markus-16-14-k]: Verwijzing k: Lukas 24:36. Johannes 20:19. 1 Korintiërs 15:5.
[^markus-16-14-15]: Kanttekening 15: Of: terwijl zij bijeen zaten.
[^markus-16-15-l]: Verwijzing l: Mattheüs 28:19. Johannes 15:16.
[^markus-16-15-16]: Kanttekening 16: Grieks: eis ton kosmon hapanta (εἰς τὸν κόσμον ἅπαντα), 'in alle wereld'.
[^markus-16-15-17]: Kanttekening 17: Grieks: pasē tē ktisei (πάσῃ τῇ κτίσει), 'alle schepsel of schepping', dat wil zeggen: alle volken. Mattheüs 28:19. Namelijk niet alleen de Joden maar ook de Grieken of heidenen, dat wil zeggen: allerlei soorten van volken. Zie Kolossenzen 1:23.
[^markus-16-16-m]: Verwijzing m: Johannes 3:18; 12:48.
[^markus-16-17-18]: Kanttekening 18: Namelijk voor zover nodig zal zijn voor de verspreiding en bevestiging van de leer van het evangelie. Want niet allen is de gave om wonderen te doen gegeven. 1 Korintiërs 12:28. En het is ook niet nodig wanneer het evangelie voldoende is bevestigd.
[^markus-16-17-n]: Verwijzing n: Lukas 10:17. Handelingen 5:16; 8:7; 16:18; 19:12.
[^markus-16-17-o]: Verwijzing o: Handelingen 2:4; 10:46; 19:6.
[^markus-16-17-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: met vreemde talen die zij niet hadden geleerd. Handelingen 2:4.
[^markus-16-18-20]: Kanttekening 20: Namelijk zonder schade, zoals Paulus heeft gedaan in Handelingen 28:5.
[^markus-16-18-p]: Verwijzing p: Lukas 10:19. Handelingen 28:5.
[^markus-16-18-q]: Verwijzing q: Handelingen 28:8.
[^markus-16-18-21]: Kanttekening 21: Grieks: 'het zal hun goed gaan', dat wil zeggen: het zal met hen goed worden.
[^markus-16-19-22]: Kanttekening 22: Namelijk veertig dagen lang, over het koninkrijk van God. Handelingen 1:3.
[^markus-16-19-r]: Verwijzing r: Lukas 24:50-51. Handelingen 1:9.
[^markus-16-20-s]: Verwijzing s: Handelingen 1:2. 1 Timotheüs 3:16.
[^markus-16-20-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: door de gehele wereld. Handelingen 10:28, 42.
[^markus-16-20-t]: Verwijzing t: Hebreeën 2:4. Handelingen 14:3.
[^markus-16-20-24]: Kanttekening 24: Of: bekrachtigde, namelijk door de werking van zijn Geest de prediking van zijn woord in de harten van de mensen, tot hun bekering. Zie Handelingen 14:3; 16:14. 1 Korintiërs 3:7.
[^markus-16-20-25]: Kanttekening 25: Grieks: 'het woord'.

## Lukas

### Lukas 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/1.json)

*1 Het voorwoord van Lukas over zijn evangelie. 5 De afkomst en het leven van Zacharias en Elisabet. 8 Een engel verschijnt aan Zacharias in de tempel 13 en voorzegt hem de ontvangenis en geboorte van Johannes, wiens taak hij beschrijft. 18 Zacharias gelooft dit niet en wordt daarom voor een tijd met stomheid gestraft. 24 Elisabet wordt zwanger. 26 De engel Gabriel kondigt aan de maagd Maria aan dat zij de Zoon van God zal ontvangen en baren. 39 Daarna reist zij naar Elisabet, die haar met blijdschap ontvangt en zalig prijst. 46 Maria dankt de HEERE met een lofzang. 57 Elisabet baart haar zoon, 59 die besneden en Johannes genoemd wordt. 64 Zacharias kan weer spreken en zingt de HEERE een lofzang, waarin hij profeteert over de taak van Christus en van diens voorloper Johannes. 80 Deze groeit op in de woestijn en wordt sterk in de geest.*

**1** Aangezien[^lukas-1-1-1] velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die[^lukas-1-1-2] onder ons volkomen zekerheid hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v1)

**2** Zoals ons overgeleverd hebben,[^lukas-1-2-3] die van de beginne zelf aanschouwers en dienaren[^lukas-1-2-4] van het Woord geweest zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v2)

**3** Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles[^lukas-1-3-5] van voren aan ijverig[^lukas-1-3-6] onderzocht, vervolgens aan u te schrijven,[^lukas-1-3-7] voortreffelijke[^lukas-1-3-8] Theofilus! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v3)

**4** Opdat u mag kennen de zekerheid van de dingen, waarvan u[^lukas-1-4-9] onderwezen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v4)

**5** In[^lukas-1-5-10] de dagen[^lukas-1-5-11] van Herodes, de koning van Judea, was een zeker priester, met de naam Zacharias,[^lukas-1-5-a] van de[^lukas-1-5-12] dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v5)

**6** En zij waren beiden rechtvaardig[^lukas-1-6-13] voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de[^lukas-1-6-14] Heere, onberispelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v6)

**7** En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v7)

**8** En het gebeurde, dat, als hij[^lukas-1-8-15] het priesterambt bediende voor God, in de beurt van zijn dagorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v8)

**9** Naar de gewoonte van de priesterlijke bediening, hem het lot was gevallen,[^lukas-1-9-b] dat hij zou ingaan in de tempel van de Heere om te[^lukas-1-9-c] reukoffers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v9)

**10** En al de menigte van het volk was[^lukas-1-10-16] buiten, biddende, op het uur van het reukoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v10)

**11** En van hem werd gezien een engel van de[^lukas-1-11-17] Heere, staande aan de rechterzijde van het altaar van het reukoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v11)

**12** En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vrees is op hem gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v12)

**13** Maar de engel zei tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en[^lukas-1-13-d] u zult zijn naam heten[^lukas-1-13-18] Johannes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v13)

**14** En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen[^lukas-1-14-e] zullen zich over zijn geboorte verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v14)

**15** Want hij zal[^lukas-1-15-19] groot zijn voor de Heere;[^lukas-1-15-f] noch[^lukas-1-15-20] wijn, noch sterke drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v15)

**16** En[^lukas-1-16-g] hij zal velen van de Israëlieten bekeren tot de Heere, hun God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v16)

**17** En[^lukas-1-17-h] hij zal voor Hem heengaan,[^lukas-1-17-21] in de geest en de kracht van[^lukas-1-17-22][^lukas-1-17-i] Elia, om te bekeren de harten van de vaders tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een[^lukas-1-17-23] toegerust volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v17)

**18** En Zacharias zei tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want[^lukas-1-18-k] ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v18)

**19** En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God[^lukas-1-19-24] sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te[^lukas-1-19-25] verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v19)

**20** En zie, u zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag, dat deze dingen gebeurd zullen zijn; om daarom wil, dat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v20)

**21** En het volk[^lukas-1-21-26] was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang bleef in de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v21)

**22** En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een visioen in de tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v22)

**23** En het gebeurde, als de dagen van zijn bediening[^lukas-1-23-27] vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v23)

**24** En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw,[^lukas-1-24-28] bevrucht; en zij verborg zich[^lukas-1-24-29] vijf maanden, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v24)

**25** Zo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, waarin Hij mij aangezien heeft, om[^lukas-1-25-l] mijn[^lukas-1-25-30] versmaadheid onder de mensen weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v25)

**26** En in de[^lukas-1-26-31] zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genoemd Nazareth; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v26)

**27** [^lukas-1-27-m] Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, van wie de naam Jozef was, uit het[^lukas-1-27-32] huis van David; en de naam van de maagd was Maria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v27)

**28** En de engel tot haar ingekomen zijnde, zei: Wees gegroet, u[^lukas-1-28-33] begenadigde; de Heere is met u; u[^lukas-1-28-34] bent gezegend onder de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v28)

**29** En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, wat voor groetenis dit mocht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v29)

**30** En de engel zei tot haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v30)

**31** [^lukas-1-31-n] En zie, u zult[^lukas-1-31-35] bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn[^lukas-1-31-o] naam heten[^lukas-1-31-36] JEZUS. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v31)

**32** [^lukas-1-32-p] Deze zal groot zijn, en de Zoon van de[^lukas-1-32-37] Allerhoogste genoemd worden; en[^lukas-1-32-q] God, de Heere, zal Hem[^lukas-1-32-38] de troon van[^lukas-1-32-39] Zijn vader David geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v32)

**33** [^lukas-1-33-r] En Hij zal over[^lukas-1-33-40] het huis van Jakob[^lukas-1-33-41] Koning zijn in de eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v33)

**34** En Maria zei tot de engel:[^lukas-1-34-42] Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v34)

**35** En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal[^lukas-1-35-43] over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u[^lukas-1-35-44] geboren zal worden, zal[^lukas-1-35-45] Gods Zoon genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v35)

**36** En zie, Elizabet,[^lukas-1-36-46] uw nicht, is ook zelf bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genoemd was, de zesde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v36)

**37** [^lukas-1-37-s] Want[^lukas-1-37-47] geen ding zal bij God onmogelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v37)

**38** En Maria zei: Zie, de dienstmaagd van de Heere; mij gebeure naar uw woord. En de engel ging weg van haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v38)

**39** En Maria,[^lukas-1-39-48] opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in[^lukas-1-39-49] een stad van Juda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v39)

**40** En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v40)

**41** En het gebeurde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde,[^lukas-1-41-50] zo sprong het kind op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v41)

**42** En riep uit met een luide stem, en zei: Gezegend bent u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw buik! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v42)

**43** En vanwaar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v43)

**44** Want zie, als de stem van uw groetenis in mijn oren klonk, zo sprong het kind van vreugde op in mijn buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v44)

**45** [^lukas-1-45-t] En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar[^lukas-1-45-51] van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v45)

**46** En Maria zei: Mijn ziel[^lukas-1-46-52] maakt groot de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v46)

**47** En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v47)

**48** Omdat Hij[^lukas-1-48-53] de nederheid van Zijn dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v48)

**49** Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v49)

**50** [^lukas-1-50-v] En Zijn barmhartigheid is[^lukas-1-50-54] van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v50)

**51** [^lukas-1-51-x] Hij heeft[^lukas-1-51-55] een krachtig werk gedaan[^lukas-1-51-56] door Zijn arm;[^lukas-1-51-y] Hij heeft[^lukas-1-51-57] verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten van hun harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v51)

**52** Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en[^lukas-1-52-z] nederigen heeft Hij verhoogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v52)

**53** [^lukas-1-53-a] Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v53)

**54** [^lukas-1-54-b] Hij heeft Israël, Zijn knecht,[^lukas-1-54-58] opgenomen, opdat Hij gedachtig was van de barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v54)

**55** (Zoals Hij gesproken heeft tot onze vaders,[^lukas-1-55-c] namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v55)

**56** En Maria bleef bij haar ongeveer drie maanden, en keerde weer tot haar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v56)

**57** En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zou, en zij baarde een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v57)

**58** En die daar rondom woonden, en haar familieleden hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid[^lukas-1-58-59] enorm aan haar bewezen had, en[^lukas-1-58-d] waren met haar verblijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v58)

**59** En het gebeurde, dat zij op de[^lukas-1-59-e] achtste dag kwamen, om het kind te besnijden, en[^lukas-1-59-60] noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v59)

**60** En zijn moeder antwoordde en zei: Niet zo, maar[^lukas-1-60-f] hij zal Johannes heten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v60)

**61** En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw[^lukas-1-61-61] familie, die met die naam genoemd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v61)

**62** En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genoemd zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v62)

**63** En als hij[^lukas-1-63-62] een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v63)

**64** En meteen werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God[^lukas-1-64-63] lovende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v64)

**65** En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het hele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze[^lukas-1-65-64] dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v65)

**66** En allen, die het hoorden,[^lukas-1-66-65] namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kind wezen? En[^lukas-1-66-66] de hand van de Heere was met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v66)

**67** En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v67)

**68** [^lukas-1-68-67] Geloofd zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft[^lukas-1-68-68] bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v68)

**69** [^lukas-1-69-g] En heeft[^lukas-1-69-69] een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v69)

**70** [^lukas-1-70-h] Zoals Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die[^lukas-1-70-70] van het begin van de wereld geweest zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v70)

**71** Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al van degenen, die ons haten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v71)

**72** Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaders, en[^lukas-1-72-71] gedachtig was aan Zijn heilig verbond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v72)

**73** [^lukas-1-73-72][^lukas-1-73-i] En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v73)

**74** [^lukas-1-74-k] Dat wij, verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v74)

**75** [^lukas-1-75-l] In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v75)

**76** [^lukas-1-76-m] En u, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden; want u zult voor het aangezicht[^lukas-1-76-73] van de Heere heengaan, om Zijn wegen te bereiden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v76)

**77** [^lukas-1-77-n] Om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven,[^lukas-1-77-74] in vergeving van hun zonden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v77)

**78** door de[^lukas-1-78-75] innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God, met welke ons bezocht heeft[^lukas-1-78-76] de[^lukas-1-78-o] Opgang uit de hoogte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v78)

**79** [^lukas-1-79-p] Om te[^lukas-1-79-77] verschijnen van hen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v79)

**80** [^lukas-1-80-q] En het kind wies op, en werd gesterkt[^lukas-1-80-78] in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag[^lukas-1-80-79] van zijn vertoning aan Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/1.html#v80)

[^lukas-1-1-1]: Kanttekening 1: Vele oude leraars menen dat door deze verstaan worden enige personen, die uit hun eigen beweging onderstaan hadden enige stukken van de Evangelische geschiedenissen te beschrijven, die van de Christelijke kerk niet aangenomen zijn geweest, of die zij niet volbracht hadden. Maar anderen menen dat hierdoor Mattheüs en Markus zouden kunnen verstaan worden, omdat Lukas zichzelven onder die schijnt te stellen, en vele historiën en stukken beschrijft, die van deze òf niet, òf met weinige woorden aangeroerd worden.
[^lukas-1-1-2]: Kanttekening 2: onder ons: Namelijk Christenen.
[^lukas-1-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk de apostelen en discipelen van Christus. Zie 1 Joh. 1:1 . 1 Johannes 1:1 : Wat van de beginne was, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord van het leven; Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
[^lukas-1-2-4]: Kanttekening 4: van het Woord: Dat is, van de zaak, die hier beschreven wordt. Hebr. Hoewel sommigen menen dat hierdoor Christus zelf verstaan wordt, gelijk hij zo genaamd wordt Joh. 1:1 . Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
[^lukas-1-3-5]: Kanttekening 5: van voren aan: Grieks van boven af. Want hij begint van de ontvangenis van Johannes de Doper.
[^lukas-1-3-6]: Kanttekening 6: Grieks achtervolgd, nagespeurd, nagetracht; dat is, grondige kennis van alles gekregen hebbende, dat alles van hem gedaan is door een bijzondere drijving van de Heilige Geest, 2 Petr. 1:21 ; Hand. 15:25 , 15:28 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Handelingen 15:25 : Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus. Handelingen 15:28 : Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
[^lukas-1-3-7]: Kanttekening 7: Grieks machtigste.
[^lukas-1-3-8]: Kanttekening 8: Wie deze Theofilus is geweest is onzeker. Maar blijkt uit deze titel, die hem hier gegeven wordt, dat hij een aanzienlijk en treffelijk man is geweest, zo dezelfde titel aan de romeinse stadhouders Felix en Festus ook gegeven wordt, Hand. 24:3 en 26:25 . Aan dezelfde heeft ook Lukas zijn tweede boek van de handelingen van de Apostelen toegeëigend, Hand. 1:1 . Handelingen 24:3 : Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele prijzenswaardige diensten dit volk gebeuren door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan. Handelingen 26:25 : Maar hij zei: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand; Handelingen 1:1 : Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al wat Jezus begonnen heeft zowel te doen als te leren;
[^lukas-1-4-9]: Kanttekening 9: onderwezen zijt: Het Griekse woord betekent veeltijds met levende stem te onderwijzen, maar wordt ook somtijds in het algemeen genomen voor allerlei onderwijzing, Hand. 18:25 ; Rom. 2:18 ; 1 Kor. 14:19 ; Gal. 6:6 . Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes. Romeinen 2:18 : En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 1 Korinthiërs 14:19 : Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen mag onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal. Galaten 6:6 : En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
[^lukas-1-5-10]: Kanttekening 10: In de dagen: Dat is, ten tijde.
[^lukas-1-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk de Grote. Zie van hem Matt. 2:1 . Mattheüs 2:1 : Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van de koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.
[^lukas-1-5-a]: Verwijzing a: 1 Kron. 24:10 . 1 Kronieken 24:10 : Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
[^lukas-1-5-12]: Kanttekening 12: dagorde van Abia: Grieks Efemeria; dat hier betekent een zekere orde of klasse van priesters, die onder een hoofd stonden en enige dagen van het jaar op hunne beurt de godsdienst in de tempel moesten waarnemen, van welke de orde van Abia de achtste was volgens de eerste instelling. Zie 1 Kron. 24:10 . 1 Kronieken 24:10 : Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,
[^lukas-1-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, niet alleen voor de mensen, gelijk de huichelaars somtijds doen, maar in alle oprechtheid voor God.
[^lukas-1-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk van de mensen; zonder ergernis te geven; want dat Zacharias niet zonder zonde geweest is, blijkt uit vers 20 . Lukas 1:20 : En zie, u zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
[^lukas-1-8-15]: Kanttekening 15: het priesterambt: Namelijk als zijn bijzonderen dienst naast anderen, zo hij een gemeen priester was, en geen hogepriester, gelijk sommigen mene, want die moest met niemand loten.
[^lukas-1-9-b]: Verwijzing b: Hebr. 9:6 . Hebreeën 9:6 : Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, te alle tijde, om de godsdiensten te volbrengen;
[^lukas-1-9-c]: Verwijzing c: Ex. 30:7 ; Lev. 16:17 . Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken. Leviticus 16:17 : En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelven, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israël.
[^lukas-1-10-16]: Kanttekening 16: Namelijk in de voorhoven van de tempel, 1 Kon. 7:12 ; 2 Kron. 4:9 . 1 Koningen 7:12 : En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis van YHWH, en met het voorhuis van dat huis. 2 Kronieken 4:9 : Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.
[^lukas-1-11-17]: Kanttekening 17: altaar van het reukoffer: Dit altaar stond in het heilige, waar achter was het heilige van de heiligen met het voorhangsel afgescheiden. Hier moest tweemalen per dag, 's morgens en 's avonds, het reukwerk geofferd worden, Ex. 30:7 , 30:8 . Exodus 30:7 : En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken. Exodus 30:8 : En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht van YHWH, bij uw geslachten.
[^lukas-1-13-d]: Verwijzing d: Lukas 1:60 . Lukas 1:60 : En zijn moeder antwoordde en zei: Niet zo, maar hij zal Johannes heten.
[^lukas-1-13-18]: Kanttekening 18: Dit is te zeggen in het Hebreeuws: de genade van God, of begenadigd van God, of, God heeft genadiglijk gegeven.
[^lukas-1-14-e]: Verwijzing e: Lukas 1:58 . Lukas 1:58 : En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heer Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.
[^lukas-1-15-19]: Kanttekening 19: Dat is, voortreffelijk: ten aanzien van zijne gaven en ambt, waarmee Hij alle andere voorgaande profeten is teboven gegaan, Matt. 11:9 , 11:11 . Mattheüs 11:9 : Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Mattheüs 11:11 : Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; maar die de minste is in het Koninkrijk van de hemelen, is meerder dan hij.
[^lukas-1-15-f]: Verwijzing f: Richt. 13:4 . Richteren 13:4 : Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins.
[^lukas-1-15-20]: Kanttekening 20: noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken: Gelijk de Nazireërs zich daarvan moesten onthouden. Zie Num. 6:3 ; Richt. 13:4 , 13:7 . Numeri 6:3 : Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. Richteren 13:4 : Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins. Richteren 13:7 : Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag van zijn dood.
[^lukas-1-16-g]: Verwijzing g: Mal. 4:6 ; Matt. 11:14 . Maleachi 4:6 : En hij zal het hart van de vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met de ban sla. Mattheüs 11:14 : En zo u het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.
[^lukas-1-17-h]: Verwijzing h: Matt. 3:2 ; Mark. 9:12 . Mattheüs 3:2 : En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Marcus 9:12 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en het zal gebeuren, gelijk geschreven is van de Zoon van de mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
[^lukas-1-17-21]: Kanttekening 21: in de geest en de kracht van Elias: Zie hiervan Matt. 11:14 . Mattheüs 11:14 : En zo u het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.
[^lukas-1-17-22]: Kanttekening 22: om te bekeren: Namelijk door zijn dienst.
[^lukas-1-17-i]: Verwijzing i: Mal. 4:6 . Maleachi 4:6 : En hij zal het hart van de vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart van de kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met de ban sla.
[^lukas-1-17-23]: Kanttekening 23: toegerust volk: Dat is, bekwaam en bereid om de Heer te ontvangen.
[^lukas-1-18-k]: Verwijzing k: Gen. 17:17 . Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?
[^lukas-1-19-24]: Kanttekening 24: Dat is, God voor zijn troon geduriglijk dien, gelijk de dienaren staan voor hun koning, om zijne bevelen te ontvangen. Zie Openb. 8:2 . Openbaring 8:2 : En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.
[^lukas-1-19-25]: Kanttekening 25: Grieks Evangeliseren; dat is, blijde boodschap te brengen.
[^lukas-1-21-26]: Kanttekening 26: wachtende op Zacharias: Namelijk dat hij zou uitkomen om hun de gewone zegen te geven. Zie Num. 6:23 . Numeri 6:23 : Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de kinderen van Israël zegenen, zeggende tot hen:
[^lukas-1-23-27]: Kanttekening 27: vervuld waren: Dat is, ten einde gekomen waren; welke tijd was omtrent een halve maand in het jaar, 1 Kron. 24:7 , 24:18 , telkens van de ene sabbat tot de andere, 1 Kron. 9:25 , en 2 Kron. 25:8 , gedurende welke tijd zij in de tempel bleven, in enige woningen in de voorhoven van de tempel tot dat einde gesticht. Zie Jer. 35:4 . 1 Kronieken 24:7 : Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja, 1 Kronieken 24:18 : Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maäzja. 1 Kronieken 9:25 : En hun broers waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen; 2 Kronieken 25:8 : Maar zo u gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor de vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen. Jeremia 35:4 : En bracht hen in het huis van YHWH, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man van God; welke is bij de kamer van de oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelbewaarder.
[^lukas-1-24-28]: Kanttekening 28: Grieks heeft ontvangen.
[^lukas-1-24-29]: Kanttekening 29: vijf maanden: Namelijk totdat het volkomen kon blijken dat zij bevrucht was.
[^lukas-1-25-l]: Verwijzing l: Gen. 30:23 ; Jes. 4:1 . Genesis 30:23 : En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn smaadheid weggenomen! Jesaja 4:1 : En op die dag zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.
[^lukas-1-25-30]: Kanttekening 30: Dat is onvruchtbaarheid, die bij de Joden smadelijk was.
[^lukas-1-26-31]: Kanttekening 31: zesde maand: Namelijk nadat Elisabeth zwanger is geworden en Johannes de Doper ontvangen had, gelijk blijkt uit vers 36 . Lukas 1:36 : En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
[^lukas-1-27-m]: Verwijzing m: Matt. 1:18 . Mattheüs 1:18 : De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, voordat zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest.
[^lukas-1-27-32]: Kanttekening 32: huize Davids: Dat is, geslacht. Zie Luk. 2:4 . Lukas 2:4 : En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
[^lukas-1-28-33]: Kanttekening 33: Dat is, die bij de Heer genade gevonden hebt, gelijk daarna de engel verklaart, vers 30 . Lukas 1:30 : En de engel zei tot haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden.
[^lukas-1-28-34]: Kanttekening 34: gezegend onder de vrouwen: Namelijk omdat u de eer en de zegen van God uit genade zult hebben, dat u de moeder zult zijn, die de Messias ter wereld zal brengen. Zie vers 42 , 1:43 . Lukas 1:42 : En riep uit met een grote stem, en zei: Gezegend zijt u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks! Lukas 1:43 : En van waar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?
[^lukas-1-31-n]: Verwijzing n: Jes. 7:14 . Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.
[^lukas-1-31-35]: Kanttekening 35: bevrucht worden: Of, in het lichaam ontvangen.
[^lukas-1-31-o]: Verwijzing o: Matt. 1:21 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
[^lukas-1-31-36]: Kanttekening 36: Dat is, Zaligmaker, gelijk de engel verklaart, Matt. 1:21 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
[^lukas-1-32-p]: Verwijzing p: Jes. 54:5 . Jesaja 54:5 : Want uw Maker is uw Man, YHWH van de heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de gansen aardbodems genaamd worden.
[^lukas-1-32-37]: Kanttekening 37: genaamd worden: Dat is, inderdaad zijn en van alle gelovigen daarvoor gekend worden, gelijk hierna ook vers 35 . Lukas 1:35 : En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
[^lukas-1-32-q]: Verwijzing q: 2 Sam. 7:12 ; Ps. 132:11 ; Jes. 9:6 . 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de heirscharen zal zulks doen.
[^lukas-1-32-38]: Kanttekening 38: de troon: Dat is de koninklijke macht, door welke hier verstaan wordt het geestelijke rijk van Christus, waarvan Davids rijk een voorbeeld was.
[^lukas-1-32-39]: Kanttekening 39: vader David: Namelijk naar het vlees. Zie Matt. 1:1 . Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham.
[^lukas-1-33-r]: Verwijzing r: 1 Kron. 22:10 ; Ps. 45:7 ; Ps. 89:37 ; Jer. 23:5 ; Dan. 7:14 ; idem v. 27 ; Micha 4:7 ; Hebr. 1:8 . 1 Kronieken 22:10 : Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon van zijn rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. Psalmen 45:7 : Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter van de rechtmatigheid. Psalmen 89:37 : Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Daniël 7:14 : En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. Daniël 7:27 : Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de koninkrijken onder de gansen hemel, zal gegeven worden de volk van de heiligen van de hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen. Micha 4:7 : En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en YHWH zal Koning over hen zijn op de berg van Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. Hebreeën 1:8 : Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.
[^lukas-1-33-40]: Kanttekening 40: het huis van Jakob: Dat is, de gemeente van God, welke het geestelijke huis van Jakob en het Israël Gods is, Gal. 6:16 . Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^lukas-1-33-41]: Kanttekening 41: Namelijk een geestelijke koning. Zie Joh. 18:36 . Johannes 18:36 : Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik aan de Joden niet was overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
[^lukas-1-34-42]: Kanttekening 42: Hoe zal dat wezen: Dit vraagt zij omdat de engel haar, maagd zijnde, zulks aanzeide, zonder gewag te maken van haar toekomenden man; en zij verstond uit de woorden van de engel dat zulks dadelijk zou gebeuren, zo dat deze vraag van Maria niet voortkwam uit enig ongeloof, gelijk de vraag van Zacharias, vers 18 , maar alleen uit een begeerte om in deze nader onderricht te worden. Lukas 1:18 : En Zacharias zei tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.
[^lukas-1-35-43]: Kanttekening 43: over u komen: Namelijk om zo te werken door Zijne kracht in u, dat u zonder toedoen van de man ontvangen zult.
[^lukas-1-35-44]: Kanttekening 44: geboren zal worden: Dat is, die heilige persoon.
[^lukas-1-35-45]: Kanttekening 45: Gods Zoon: Hiermede wordt niet gezegd dat Christus de Zoon van God zou zijn, omdat Hij van de Heilige Geest ontvangen is; want zo zou Hij een Zoon van de Heilige Geest zijn; maar omdat de ontvangenis uit de Heilige Geest een zeker bewijs is dat de eeuwige Zoon van God de ware menselijke natuur uit het vlees en bloed van Maria door de werking van de Heilige Geest in enigheid van zijn persoon heeft aangenomen. Hebr. 2:14 ; Filipp. 2:7 , gelijk Jesaja beide heeft geprofeteerd, Jes. 7:14 . Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten.
[^lukas-1-36-46]: Kanttekening 46: uw nicht: Hieruit blijkt dat Elisabeth van haar moeder wege uit de stam van Juda geweest is, hoewel haar vader uit het geslacht van Aäron of Levi was, vers 5 , want de priesters trouwden wel uit andere stammen huisvrouwen, omdat ze geen erfenis hadden. Lukas 1:5 : In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet.
[^lukas-1-37-s]: Verwijzing s: Job 42:2 ; Jer. 32:17 ; Zach. 8:6 ; Matt. 19:26 ; Lukas 18:27 . Job 42:2 : Ik weet, dat U alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. Jeremia 32:17 : Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. Zacharia 8:6 : Zo zegt YHWH van de heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel van deze volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt YHWH van de heirscharen. Mattheüs 19:26 : En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Lukas 18:27 : En Hij zei: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.
[^lukas-1-37-47]: Kanttekening 47: geen ding: Grieks geen woord.
[^lukas-1-39-48]: Kanttekening 48: opgestaan zijnde in diezelfde dagen: Namelijk nadat zij zwanger geworden was, gelijk uit het volgende blijkt.
[^lukas-1-39-49]: Kanttekening 49: stad van Juda: Dat is, liggende onder de stam van Juda. Deze stad schijnt de stad geweest te zijn genaamd Kiriath-Arbe, die, in de stam van Juda gelegen, aan de Levieten en priesters was ten deel gevallen, en in het gebergte lag, zuidwaarts van Jeruzalem. Zie Joz. 21:9 , 21:10 , 21:11 . Jozua 21:9 : Verder gaven zij van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; Jozua 21:10 : Dat zij waren van de kinderen van Aäron, van de huisgezinnen van de Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne. Jozua 21:11 : Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar.
[^lukas-1-41-50]: Kanttekening 50: zo sprong het kind op in haar buik: Dit is geschied door een bovennatuurlijke en buitengewone beweging van de Heilige Geest.
[^lukas-1-45-t]: Verwijzing t: Lukas 11:28 . Lukas 11:28 : Maar Hij zei: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord van God horen, en hetzelfde bewaren.
[^lukas-1-45-51]: Kanttekening 51: van de Heer gezegd zijn: Dat is, vanwege de Heer door de engel. Zie vers 31 , 1:32 , 1:33 . Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33 : En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^lukas-1-46-52]: Kanttekening 52: maakt groot de Heer: Dat is, roemt en prijst Hem op het hoogste.
[^lukas-1-48-53]: Kanttekening 53: de nederheid: Dat is, de nedere en geringe staat. Want het strijdt tegen de deugd van nederigheid daarvan te roemen.
[^lukas-1-50-v]: Verwijzing v: Ex. 20:6 . Exodus 20:6 : En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
[^lukas-1-50-54]: Kanttekening 54: van geslacht tot geslacht: Grieks tot geslachten van de geslachten.
[^lukas-1-51-x]: Verwijzing x: Jes. 51:9 ; Jes. 52:10 . Jesaja 51:9 : Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van YHWH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? Jesaja 52:10 : De YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil van onze Gods.
[^lukas-1-51-55]: Kanttekening 55: krachtig werk: Grieks kracht.
[^lukas-1-51-56]: Kanttekening 56: door Zijn arm: Dat is, door zijne mogendheid.
[^lukas-1-51-y]: Verwijzing y: Ps. 33:10 ; 1 Petr. 5:5 . Psalmen 33:10 : De YHWH vernietigt de raad van de heidenen; Hij breekt de gedachten van de volken. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^lukas-1-51-57]: Kanttekening 57: verstrooid de hoogmoedigen: Namelijk gelijk het kaf van de wind verstrooid wordt; Ps. 1:4 . Psalmen 1:4 : Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
[^lukas-1-52-z]: Verwijzing z: 1 Sam. 2:8 ; Ps. 113:6 . 1 Samuël 2:8 : Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de ere doe beërven; want de grondvesten van het aarde zijn van YHWH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. Psalmen 113:6 : Die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde.
[^lukas-1-53-a]: Verwijzing a: Ps. 34:11 . Psalmen 34:11 : Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die YHWH zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
[^lukas-1-54-b]: Verwijzing b: Jes. 30:18 ; Jes. 41:9 ; Jes. 54:5 ; Jer. 31:3 ; idem v. 20 . Jesaja 30:18 : En daarom zal YHWH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. Jesaja 41:9 : U, welke Ik gegrepen heb van de einden van de aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zei tot u: U bent Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen. Jesaja 54:5 : Want uw Maker is uw Man, YHWH van de heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de gansen aardbodems genaamd worden. Jeremia 31:3 : De YHWH is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Jeremia 31:20 : Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijn zekerlijk ontfermen, spreekt YHWH.
[^lukas-1-54-58]: Kanttekening 58: Het Griekse woord betekent de helpende hand bieden, wanneer iemand gevallen of verlaten is.
[^lukas-1-55-c]: Verwijzing c: Gen. 17:19 ; Gen. 22:18 ; Ps. 132:11 . Genesis 17:19 : En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
[^lukas-1-58-59]: Kanttekening 59: grotelijks aan haar bewezen had: Grieks grootgemaakt had.
[^lukas-1-58-d]: Verwijzing d: Lukas 1:14 . Lukas 1:14 : En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.
[^lukas-1-59-e]: Verwijzing e: Gen. 17:12 ; Lev. 12:3 . Genesis 17:12 : Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; Leviticus 12:3 : En op de achtsten dag zal het vlees zijn voorhuid besneden worden.
[^lukas-1-59-60]: Kanttekening 60: noemden het Zacharias: Namelijk naar het gebruik van de Joden, die aan de kinderen hunne namen gaven wanneer zij besneden werden, Gen. 21:3 ; Jes. 8:1 ; Luk. 2:21 , gelijk daarom ook zulks bij ons in de doop geschiedt. Genesis 21:3 : En Abraham noemde de naam van zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, Izak. Jesaja 8:1 : Verder zei YHWH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit! Lukas 2:21 : En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
[^lukas-1-60-f]: Verwijzing f: Lukas 1:13 . Lukas 1:13 : Maar de engel zei tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en u zult zijn naam heten Johannes.
[^lukas-1-61-61]: Kanttekening 61: Of, geslacht.
[^lukas-1-63-62]: Kanttekening 62: Dit waren tafeltjes of bordjes met was bestreken, waar men met priemen of griffels op schreef.
[^lukas-1-64-63]: Kanttekening 63: Grieks zegenende.
[^lukas-1-65-64]: Kanttekening 64: Grieks woorden.
[^lukas-1-66-65]: Kanttekening 65: namen het ter harte: Grieks legden het in hun hart; dat is, behielden en overlegden deze dingen zorgvuldig.
[^lukas-1-66-66]: Kanttekening 66: de hand van de Heer was met hem: Dat is, een zonderlinge kracht en genade van de Heer.
[^lukas-1-68-67]: Kanttekening 67: Grieks gezegend.
[^lukas-1-68-68]: Kanttekening 68: Namelijk in genade.
[^lukas-1-69-g]: Verwijzing g: Ps. 132:17 . Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^lukas-1-69-69]: Kanttekening 69: een hoorn van de zaligheid ons opgericht: Dat is, een sterken Verlosser, dat is, Christus gelijk Ps. 132:17 . Ene gelijkenis genomen van dieren, die hoornen hebben, waarmee zij groot geweld doen. Psalmen 132:17 : Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt.
[^lukas-1-70-h]: Verwijzing h: Ps. 72:12 ; Jes. 40:10 ; Jer. 23:6 ; Jer. 30:10 ; Dan. 9:27 . Psalmen 72:12 : Want hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft. Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jeremia 23:6 : In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: De YHWH: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 30:10 : U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt YHWH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hun gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke. Daniël 9:27 : En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste.
[^lukas-1-70-70]: Kanttekening 70: van het begin van de wereld geweest zijn : Grieks van de eeuw; dat is, van dat de eeuw of wereld geweest is.
[^lukas-1-72-71]: Kanttekening 71: gedachtig ware: Dat is, met de daad betoonde dat hij gedachtig ware.
[^lukas-1-73-72]: Kanttekening 72: aan de eed: Grieks de eed; dat sommigen uitleggen: volgens de eed, of om de eed.
[^lukas-1-73-i]: Verwijzing i: Gen. 22:16 ; Ps. 105:9 ; Jer. 31:33 ; Hebr. 6:13 ; idem v. 17 . Genesis 22:16 : En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Psalmen 105:9 : Van de verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eeds aan Izak; Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Hebreeën 6:17 : Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;
[^lukas-1-74-k]: Verwijzing k: Hebr. 9:14 . Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^lukas-1-75-l]: Verwijzing l: 1 Petr. 1:15 . 1 Petrus 1:15 : Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook u heilig in al uw wandel;
[^lukas-1-76-m]: Verwijzing m: Mal. 4:5 ; Lukas 1:17 . Maleachi 4:5 : Ziet, Ik zend u de profeet Elia, voordat dat die grote en die vreselijke dag van YHWH komen zal. Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^lukas-1-76-73]: Kanttekening 73: van de Heer heengaan: Namelijk van de Messias Jezus Christus. Zie Matt. 3:3 . Mattheüs 3:3 : Want deze is het, van Wie gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht!
[^lukas-1-77-n]: Verwijzing n: Lukas 3:3 . Lukas 3:3 : En hij kwam in al het omliggende land van de Jordaan, predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden.
[^lukas-1-77-74]: Kanttekening 74: in vergeving van hun zonden: Of, tot, met.
[^lukas-1-78-75]: Kanttekening 75: innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God: Grieks ingewanden van de barmhartigheid. Ene gelijkenis, genomen van de mensen, welker ingewanden beroerd worden als het hart sterk met barmhartigheid ontstoken wordt, Gen. 43:30 ; 1 Kon. 3:26 . Genesis 43:30 : En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende daar. 1 Koningen 3:26 : Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het in geen geval; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het.
[^lukas-1-78-76]: Kanttekening 76: de Opgang uit de hoogte: Daarmede wordt de Messias betekend, omdat Hij genaamd wordt een ster uit Jakob opgaande, Num. 24:17 , en de zon van de gerechtigheid, Mal. 4:2 . Anders betekent het Griekse woord ook een opgaanden scheut of spruit, gelijk de Messias zo genaamd wordt, Jer. 23:5 ; Zach. 3:8 , en Zach. 6:12 , maar vers 79 betoont dat het hier in de eerste betekenis bekwamelijker genomen wordt. Numeri 24:17 : Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren. Maleachi 4:2 : Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Zacharia 3:8 : Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. Zacharia 6:12 : En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van YHWH bouwen. Lukas 1:79 : Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede.
[^lukas-1-78-o]: Verwijzing o: Mal. 4:2 . Maleachi 4:2 : Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.
[^lukas-1-79-p]: Verwijzing p: Jes. 9:1 ; Jes. 42:7 ; Jes. 43:8 ; Jes. 49:9 ; Jes. 60:1 . Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen. Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Jesaja 43:8 : Breng voort het blinde volk, dat ogen heeft, en de doven, die oren hebben. Jesaja 49:9 : Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen. Jesaja 60:1 : Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van YHWH gaat over u op.
[^lukas-1-79-77]: Kanttekening 77: verschijnen dengenen: Of, verlichten.
[^lukas-1-80-q]: Verwijzing q: Lukas 2:40 . Lukas 2:40 : En het Kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade van God was over Hem.
[^lukas-1-80-78]: Kanttekening 78: in de geest: Of, door de Geest; dat is, door de werking van de Heilige Geest.
[^lukas-1-80-79]: Kanttekening 79: zijn vertoning aan Israël: Dat is dat hij tevoorschijn is gekomen, om onder de Israëlieten zijn ambt te bedienen en uit te voeren. Zie de aantekeningen Matt. 3:1 . Mattheüs 3:1 : En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,

### Lukas 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/2.json)

*1 Christus wordt te Bethlehem geboren 8 en zijn geboorte wordt door een engel aan de herders bekendgemaakt. 13 Daarover prijzen de hemelse legermachten God met een lofzang. 15 De herders gaan naar Bethlehem om het kind te zien, en nadat zij verteld hebben wat hun daarover gezegd was, keren zij terug. 21 Het kindje wordt besneden en JEZUS genoemd 22 en aan de HEERE in de tempel voorgesteld. 25 Daar ontvangt Simeon Hem in zijn armen en profeteert over Hem na een lofzang. 36 Hetzelfde doet ook de profetes Anna. 41 Als Christus twaalf jaar oud is, reist Hij met zijn ouders naar Jeruzalem. 45 Zij vinden Hem in de tempel onder de leraren. 51 Hij keert terug naar Nazareth, is zijn ouders gehoorzaam, en neemt toe in wijsheid, lengte en genade.*

**1** En het gebeurde[^lukas-2-1-1] in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de[^lukas-2-1-2] Keizer Augustus, dat[^lukas-2-1-3] de hele wereld[^lukas-2-1-4] beschreven zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v1)

**2** Deze[^lukas-2-2-5] eerste beschrijving gebeurde, als[^lukas-2-2-6] Cyrenius over Syrië stadhouder was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v2)

**3** En zij gingen allen om beschreven te worden, ieder naar[^lukas-2-3-7] zijn eigen stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v3)

**4** En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea,[^lukas-2-4-a] tot de stad van David, die[^lukas-2-4-8][^lukas-2-4-b] Bethlehem genoemd wordt, (omdat hij uit het[^lukas-2-4-c] huis en geslacht van David was); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v4)

**5** Om beschreven te worden met Maria, zijn[^lukas-2-5-9] ondertrouwde vrouw, die bevrucht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v5)

**6** En het gebeurde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v6)

**7** En zij[^lukas-2-7-d] baarde haar[^lukas-2-7-10] eerstgeboren Zoon, en wond Hem in[^lukas-2-7-11] doeken, en legde Hem neer in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v7)

**8** En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v8)

**9** En ziet, een engel van de[^lukas-2-9-12] Heere stond bij hen, en de[^lukas-2-9-13] heerlijkheid van de Heere omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v9)

**10** En de engel zei tot hen: Vrees niet, want, ziet, ik[^lukas-2-10-14] verkondig u grote blijdschap, die[^lukas-2-10-15] al de volk wezen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v10)

**11** Namelijk dat u vandaag geboren is de Zaligmaker, die is[^lukas-2-11-16] Christus, de Heere, in de stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v11)

**12** En dit zal u[^lukas-2-12-17] het teken zijn: u zult het Kind vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v12)

**13** En ogenblikkelijk was er met de engel[^lukas-2-13-e] een menigte van de[^lukas-2-13-18] hemelse legers, prijzende God en zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v13)

**14** [^lukas-2-14-19] Ere zij God in de hoogste hemelen,[^lukas-2-14-f] en[^lukas-2-14-20] vrede op aarde, in de mensen[^lukas-2-14-21] een welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v14)

**15** En het gebeurde, als de engelen van hen[^lukas-2-15-22] weggevaren waren naar de hemel, dat[^lukas-2-15-23] de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien[^lukas-2-15-24] het woord, dat er gebeurd is, dat de Heere ons heeft verkondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v15)

**16** En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kind liggende in de kribbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v16)

**17** En als zij Het gezien hadden, maakten zij overal bekend het woord, dat hun van dit Kind gezegd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v17)

**18** En allen, die het hoorden, verwonderden zich over wat hun gezegd werd van de herder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v18)

**19** Maar Maria bewaarde deze woorden alle samen,[^lukas-2-19-25] overleggende die in haar hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v19)

**20** En de herders keerde opnieuw, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v20)

**21** En als[^lukas-2-21-g] acht dagen[^lukas-2-21-26] vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn[^lukas-2-21-h] Naam genoemd[^lukas-2-21-27] JEZUS, die genoemd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v21)

**22** En als de dagen[^lukas-2-22-28] haar[^lukas-2-22-i] reiniging vervuld waren, naar[^lukas-2-22-29] de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem de Heere voorstelden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v22)

**23** (Zoals geschreven is[^lukas-2-23-k] in de wet van de Heere: Al wat[^lukas-2-23-30] mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heere[^lukas-2-23-31] heilig genoemd worden.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v23)

**24** En opdat zij offergave gaven, naar wat in de[^lukas-2-24-32] wet van de Heere gezegd is,[^lukas-2-24-l] een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v24)

**25** En ziet, er was een mens te Jeruzalem, van wie de naam Simeon was; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de troost van Israël, en[^lukas-2-25-33] de Heilige Geest was op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v25)

**26** En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood[^lukas-2-26-34] niet zien zou, voordat hij de Christus van de Heere zou zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v26)

**27** En hij kwam door de Geest in de tempel. En als de ouders het Kind Jezus inbrachten, om[^lukas-2-27-35] naar de gewoonte van de wet met Hem te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v27)

**28** Zo nam hij Hetzelfde in zijn armen, en[^lukas-2-28-36] loofde God, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v28)

**29** Nu[^lukas-2-29-37][^lukas-2-29-m] laat U, Heere! Uw dienaar gaan in vrede naar Uw woord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v29)

**30** Want mijn ogen hebben[^lukas-2-30-38] Uw[^lukas-2-30-n] zaligheid gezien, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v30)

**31** [^lukas-2-31-o] Die U bereid hebt voor het aangezicht van[^lukas-2-31-39] al de volken: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v31)

**32** [^lukas-2-32-p] Een Licht tot[^lukas-2-32-40] verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v32)

**33** En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over wat van Hem gezegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v33)

**34** En Simeon zegende hen, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie,[^lukas-2-34-q] Deze wordt[^lukas-2-34-41] gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot[^lukas-2-34-42] een teken,[^lukas-2-34-r] dat wedersproken zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v34)

**35** (En ook[^lukas-2-35-43] een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de[^lukas-2-35-44] gedachten uit vele harten geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v35)

**36** En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was[^lukas-2-36-45] tot grote ouderdom gekomen, die met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v36)

**37** En zij was een weduwe van ongeveer vier en tachtig jaren, die[^lukas-2-37-46] niet week uit de tempel, met vasten en bidden,[^lukas-2-37-s] God dienende nacht en dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v37)

**38** En deze, op dat moment daarbij komende, heeft ook de Heere[^lukas-2-38-47] beleden, en sprak van Hem tot allen, die[^lukas-2-38-48] de verlossing in Jeruzalem verwachtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v38)

**39** En als zij alles voltooid hadden, wat naar de wet van de Heere te doen was, keerden zij weer naar Galilea, tot hun stad Nazareth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v39)

**40** En het Kind[^lukas-2-40-t] wies op, en[^lukas-2-40-49] werd gesterkt[^lukas-2-40-50] in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade van God was over Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v40)

**41** En Zijn ouders[^lukas-2-41-51] reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van[^lukas-2-41-v] pascha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v41)

**42** En toen Hij twaalf jaar oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van de feestdag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v42)

**43** En de dagen daar voltooid hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v43)

**44** Maar menende, dat Hij[^lukas-2-44-52] in het gezelschap op de weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de familieleden, en onder de bekenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v44)

**45** En als zij Hem niet vonden, keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, Hem zoekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v45)

**46** En het gebeurde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, zittende in het midden van de leraren, hen horende, en hen ondervragende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v46)

**47** [^lukas-2-47-x] En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v47)

**48** En[^lukas-2-48-53] zij, Hem ziende, werden[^lukas-2-48-54] verslagen; en Zijn moeder zei tot Hem: Kind! waarom hebt U ons zo gedaan? Zie,[^lukas-2-48-55] Uw vader en ik hebben U met[^lukas-2-48-56] angst gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v48)

**49** En Hij zei tot hen: Wat is het, dat u Mij gezocht hebt? Wist u niet, dat Ik moet zijn in de dingen[^lukas-2-49-57] van Mijn Vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v49)

**50** [^lukas-2-50-y] En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v50)

**51** En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun[^lukas-2-51-58] onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze[^lukas-2-51-59] dingen in haar hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v51)

**52** En Jezus[^lukas-2-52-z] nam toe in wijsheid, en in[^lukas-2-52-60] grootte, en in genade bij God en de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/2.html#v52)

[^lukas-2-1-1]: Kanttekening 1: in diezelfde dagen: Namelijk terwijl Maria zwanger ging.
[^lukas-2-1-2]: Kanttekening 2: Deze was de tweede Romeinse keizer, volgende op Julius Cesar, de eerste; en onder zijne regering was het Romeinse rijk in zijn meeste kracht en rust. Hij heeft geregeerd omtrent zes en vijftig jaren, en dit is geschied omtrent het twee en veertigste jaar van zijn keizerrijk.
[^lukas-2-1-3]: Kanttekening 3: de gehele wereld: Grieks al het bewoonde; namelijk aarde; dat verstaan moet worden zover zich het Romeinse rijk toen uitstrekte.
[^lukas-2-1-4]: Kanttekening 4: beschreven zou worden: Namelijk om daaruit te weten de menigte van de onderdanen van het Romeinse rijk en hun vermogen, opdat een ieder naar hetzelfde zou kunnen geschat worden.
[^lukas-2-2-5]: Kanttekening 5: eerste beschrijving geschiedde: Deze beschrijving wordt de eerste genaamd ten aanzien van nog een tweede, die daarna geschied is, waarvan gewag gemaakt wordt Hand. 5:37 , en bij Josef. Antiq. lib. 18, cap. 1. Handelingen 5:37 : Na hem stond op Judas, de Galileër in de dagen van de beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
[^lukas-2-2-6]: Kanttekening 6: Cyrenius over Syrië stadhouder was: Deze wordt in de Romeinse geschiedenissen genaamd Quirinus, die stadhouder was over geheel Syrië, waarvan Judea toentertijd een deel was.
[^lukas-2-3-7]: Kanttekening 7: naar zijn eigen stad: Namelijk vanwaar hij afkomstig was en waar zijn geslacht woonde.
[^lukas-2-4-a]: Verwijzing a: Joh. 7:42 . Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit de zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
[^lukas-2-4-8]: Kanttekening 8: Bethlehem genaamd wordt: Van deze stad zie Micha 5:1 ; Matt. 2:1 , en wordt Davids stad genaamd, omdat David daar geboren en opgevoed was, 1 Sam. 17:12 ; Joh. 7:42 . Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Mattheüs 2:1 : Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van de koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. 1 Samuël 17:12 : David nu was de zoon van de Efrathische man van Bethlehem-juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. Johannes 7:42 : Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit het zaad Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?
[^lukas-2-4-b]: Verwijzing b: 1 Sam. 16:4 . 1 Samuël 16:4 : Samuël nu deed, wat YHWH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?
[^lukas-2-4-c]: Verwijzing c: Matt. 1:1 . Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham.
[^lukas-2-5-9]: Kanttekening 9: ondertrouwde vrouw: Het is wel gelofelijk dat Jozef haar nu al tot zich genomen had, volgens het bevel van de engel, Matt. 1:20 , maar wordt evenwel hier nog genaamd ondertrouwde, omdat zij met hem zo leefde alsof zij maar ondertrouwd was geweest. Mattheüs 1:20 : En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heer verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest;
[^lukas-2-7-d]: Verwijzing d: Matt. 1:25 . Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
[^lukas-2-7-10]: Kanttekening 10: eerstgeboren Zoon: Zie hiervan Matt. 1:25 . Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
[^lukas-2-7-11]: Kanttekening 11: Grieks windselen.
[^lukas-2-9-12]: Kanttekening 12: stond bij hen: Namelijk onverwacht en haastig, gelijk het Griekse woord medebrengt.
[^lukas-2-9-13]: Kanttekening 13: heerlijkheid van de Heer omscheen hen: Dat is, een goddelijke glans en klaarheid.
[^lukas-2-10-14]: Kanttekening 14: verkondig u grote blijdschap: Grieks Evangeliseer; dat is, verkondig blijde tijding.
[^lukas-2-10-15]: Kanttekening 15: al het volk wezen zal: Namelijk Gods volk. Zie Matt. 1:21 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
[^lukas-2-11-16]: Kanttekening 16: Christus, de Heer: Of, de Gezalfde.
[^lukas-2-12-17]: Kanttekening 17: het teken zijn: Namelijk waarvan u het kind kennen zult, en bevinden waar te zijn wat ik u verkondig.
[^lukas-2-13-e]: Verwijzing e: Dan. 7:10 ; Openb. 5:11 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Openbaring 5:11 : En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
[^lukas-2-13-18]: Kanttekening 18: Dat is, van de engelen, die als een heir van de Heer zijn, door wie Hij de vromen beschermt en de kwaden straft, Ps. 34:8 , en Ps. 103:21 . Psalmen 34:8 : Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 103:21 : Looft YHWH, al Zijn heirscharen! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet!
[^lukas-2-14-19]: Kanttekening 19: Ere zij God: Of, heerlijkheid.
[^lukas-2-14-f]: Verwijzing f: Jes. 57:19 ; Efez. 2:17 . Jesaja 57:19 : Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt YHWH, en Ik zal hen genezen. Efeziërs 2:17 : En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren.
[^lukas-2-14-20]: Kanttekening 20: vrede op aarde: Namelijk met God, Rom. 5:1 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^lukas-2-14-21]: Kanttekening 21: een welbehagen: Dat is, het welbehagen Gods worde door hem aan de mensen vervuld, 2 Thess. 1:11 . Anders, van het welbehagen; dat is, in de mensen, die God naar zijn welbehagen heeft uitverkoren, Ef. 1:5 . 2 Thessalonicensen 1:11 : Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waard achte van de roeping, en vervulle al het welbehagen van Zijn goedigheid, en het werk van het geloof met kracht. Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.
[^lukas-2-15-22]: Kanttekening 22: weggevaren waren naar de hemel: Grieks weggegaan.
[^lukas-2-15-23]: Kanttekening 23: de herders tot elkaar zeiden: Grieks de mensen, de herders.
[^lukas-2-15-24]: Kanttekening 24: het woord, dat er geschied is: Dat is, de gehele zaak. Hebreën.
[^lukas-2-19-25]: Kanttekening 25: overleggende die in haar hart: Of, vergelijkende die met het andere, dat namelijk haar tevoren hiervan meer geopenbaard en geschied was, Luk. 1 .
[^lukas-2-21-g]: Verwijzing g: Gen. 17:12 ; Lev. 12:3 ; Joh. 7:22 . Genesis 17:12 : Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; Leviticus 12:3 : En op de achtsten dag zal het vlees zijn voorhuid besneden worden. Johannes 7:22 : Daarom heeft Mozes u de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en u besnijdt een mens op de sabbat.
[^lukas-2-21-26]: Kanttekening 26: vervuld waren: Dat is, als de achtste dag gekomen was. Zie Hand. 2:1 . Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
[^lukas-2-21-h]: Verwijzing h: Matt. 1:21 ; Lukas 1:31 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.
[^lukas-2-21-27]: Kanttekening 27: Zie hiervan en van de uitlegging van deze naam Matt. 1:21 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
[^lukas-2-22-28]: Kanttekening 28: van haar reiniging vervuld waren: Namelijk Maria.
[^lukas-2-22-i]: Verwijzing i: Lev. 12:6 . Leviticus 12:6 : En als de dagen haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent van de samenkomst, tot de priester.
[^lukas-2-22-29]: Kanttekening 29: de wet van Mozes: Zie van deze wet Lev. 12:2 , 12:4 . Leviticus 12:2 : Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn. Leviticus 12:4 : Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed van haar reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn.
[^lukas-2-23-k]: Verwijzing k: Ex. 13:2 ; Num. 3:13 ; Num. 8:16 ; idem 8:17 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Numeri 3:13 : Want alle eerstgeborene is Mijn; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben YHWH! Numeri 8:16 : Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen van Israël; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen van Israël, heb Ik ze Mij genomen. Numeri 8:17 : Want alle eerstgeborene onder de kinderen van Israël is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelfde Mij geheiligd.
[^lukas-2-23-30]: Kanttekening 30: mannelijk is: Namelijk zowel van mensen als van gedierten, Ex. 13:2 ; Num. 18:15 , 18:16 , 18:17 . Exodus 13:2 : Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen van Israël, van mensen en van beesten, dat is Mijn. Numeri 18:15 : Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij YHWH zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; maar de eerstgeborenen van de mensen zult u ganselijk lossen; ook zult u lossen de eerstgeborenen van de onreine beesten. Numeri 18:16 : Die nu onder dezelfde gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera. Numeri 18:17 : Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult u niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult u sprengen op het altaar, en hun ver zult u aansteken, tot een vuuroffer van liefelijken reuk voor YHWH.
[^lukas-2-23-31]: Kanttekening 31: heilig genaamd worden: Namelijk om òf opgeofferd te worden, zo het reine gedierten waren, òf voor vijf sikkels gelost te worden, zo zij naar de wet niet opgeofferd mochten worden.
[^lukas-2-24-32]: Kanttekening 32: wet van de Heer gezegd is: Zie Lev. 12:6 , 12:8 , waar zulks wordt bestemd voor geringe mensen; want de rijken moesten een jarig lam opofferen met een tortelduif, of jonge duif; het lam ten brandoffer en de duif ten zondoffer. Leviticus 12:6 : En als de dagen van haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent van de samenkomst, tot de priester. Leviticus 12:8 : Maar als haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.
[^lukas-2-24-l]: Verwijzing l: Lev. 12:8 . Leviticus 12:8 : Maar als haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.
[^lukas-2-25-33]: Kanttekening 33: de Heilige Geest was op hem: Namelijk de Geest van de profetie.
[^lukas-2-26-34]: Kanttekening 34: niet zien zou: Dat is, niet sterven.
[^lukas-2-27-35]: Kanttekening 35: naar de gewoonte van de wet met Hem te doen: Grieks naar het gewoonlijke; waarvan hier tevoren gesproken is.
[^lukas-2-28-36]: Kanttekening 36: loofde God, en zei: Grieks zegende.
[^lukas-2-29-37]: Kanttekening 37: laat U, Heer: Grieks ontbind, laat los; namelijk van dit ellendig leven, volgens uwe belofte. Zie dergelijke Filipp. 1:23 . Filippensen 1:23 : Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.
[^lukas-2-29-m]: Verwijzing m: Gen. 46:30 . Genesis 46:30 : En Israël zei tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat u nog leeft!
[^lukas-2-30-38]: Kanttekening 38: Uw zaligheid gezien: Of, uwe zaligmaking; dat is, Zaligmaker, en datgene waardoor de zaligheid teweeggebracht wordt. Zie Jes. 52:10 , en Luk. 3:6 . Jesaja 52:10 : YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil van onze God. Lukas 3:6 : En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
[^lukas-2-30-n]: Verwijzing n: Ps. 98:2 ; Jes. 52:10 . Psalmen 98:2 : De YHWH heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen van de heidenen. Jesaja 52:10 : De YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil van onze Gods.
[^lukas-2-31-o]: Verwijzing o: Hand. 28:28 . Handelingen 28:28 : Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is, en dezelfde zullen horen.
[^lukas-2-31-39]: Kanttekening 39: al de volken: Namelijk zowel heidenen als Joden, gelijk volgt.
[^lukas-2-32-p]: Verwijzing p: Jes. 42:6 ; Jes. 49:6 ; Hand. 13:47 . Jesaja 42:6 : Ik, YHWH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen. Jesaja 49:6 : Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde. Handelingen 13:47 : Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde.
[^lukas-2-32-40]: Kanttekening 40: verlichting van de heidenen: Grieks openbaring.
[^lukas-2-34-q]: Verwijzing q: Jes. 8:14 ; Rom. 9:32 ; 1 Petr. 2:8 . Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem. Romeinen 9:32 : Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken van de wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen van de aanstoot; 1 Petrus 2:8 : Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^lukas-2-34-41]: Kanttekening 41: gezet tot een val en opstanding veler in Israël: Dat is, verordineerd, namelijk van God. Deze woorden zijn genomen uit Jes. 8:14 , en worden verklaard van Paulus, Rom. 9:32 , 9:33 ; 1 Kor. 1:23 , 1:24 ; 2 Kor. 2:16 , en 1 Petr. 2:6 , 2:7 . Zie daar de aantekeningen. Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Romeinen 9:32 : Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken van de wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen van de aanstoot; Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Korinthiërs 1:23 : Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, voor de Joden wel een ergernis, en voor de Grieken een dwaasheid; 1 Korinthiërs 1:24 : Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God. 2 Korinthiërs 2:16 : Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar aan de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis;
[^lukas-2-34-42]: Kanttekening 42: een teken, dat wedersproken zal worden: Dat is, als een doelwit waarnaar elk mikt en schiet.
[^lukas-2-34-r]: Verwijzing r: Hand. 28:22 . Handelingen 28:22 : Maar wij begeren wel van u te horen, wat u gevoelt; want wat deze sekte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.
[^lukas-2-35-43]: Kanttekening 43: een zwaard zal door uw eigen ziel gaan: Dat is, bittere smarten, voornamelijk over het lijden en sterven van deze uw Zoon.
[^lukas-2-35-44]: Kanttekening 44: gedachten uit vele harten: Dat is, hun geloof en ongeloof zal voor de dag gebracht worden. Zie 1 Kor. 11:19 . 1 Korinthiërs 11:19 : Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
[^lukas-2-36-45]: Kanttekening 45: tot grote ouderdom gekomen: Grieks tot vele dagen.
[^lukas-2-37-46]: Kanttekening 46: niet week uit de tempel: Dat is, was gedurig of dagelijks in de tempel.
[^lukas-2-37-s]: Verwijzing s: 1 Sam. 1:22 . 1 Samuël 1:22 : Maar Hanna toog niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van YHWH verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid.
[^lukas-2-38-47]: Kanttekening 47: Dat is, bekend en betuigd dat Hij de verwachte Messias was.
[^lukas-2-38-48]: Kanttekening 48: de verlossing in Jeruzalem verwachtten: Namelijk die beloofd was door de Messias te zullen gebeuren.
[^lukas-2-40-t]: Verwijzing t: Lukas 1:80 . Lukas 1:80 : En het kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag zijn vertoning aan Israël.
[^lukas-2-40-49]: Kanttekening 49: werd gesterkt: Hetzelfde wordt ook Luk. 1:80 gezegd van Johannes, maar Christus heeft deze gaven ontvangen niet met mate; Joh. 3:34 . Lukas 1:80 : En het kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag van zijn vertoning aan Israël. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^lukas-2-40-50]: Kanttekening 50: in de geest: Of, door de Geest.
[^lukas-2-41-51]: Kanttekening 51: reisden alle jaar naar Jeruzalem: Namelijk naar het bevel Gods; Deut. 16:16 . Deuteronomium 16:16 : Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van YHWH, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest van de weken, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van YHWH verschijnen:
[^lukas-2-41-v]: Verwijzing v: Ex. 23:15 ; idem v. 17 ; Lev. 23:5 ; Deut. 16:1 . Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Exodus 23:17 : Drie malen van de jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heer YHWH verschijnen. Leviticus 23:5 : In de eerste maand, op de veertienden van de maand, tussen twee avonden is van YHWH pascha. Deuteronomium 16:1 : Neemt waar de maand Abib, dat u YHWH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u YHWH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.
[^lukas-2-44-52]: Kanttekening 52: in het gezelschap op de weg was: Namelijk dergenen, die met hen naar Nazareth wederkeerden. Want de Joden gingen naar de grote feesten met grote hopen tezamen op en keerden weer; Ps. 42:5 . Psalmen 42:5 : Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
[^lukas-2-47-x]: Verwijzing x: Matt. 7:28 ; Mark. 1:22 ; Lukas 4:22 ; idem v. 32 ; Joh. 7:15 . Mattheüs 7:28 : En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; Marcus 1:22 : En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. Lukas 4:22 : En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef? Lukas 4:32 : En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht. Johannes 7:15 : En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?
[^lukas-2-48-53]: Kanttekening 53: zij, Hem ziende: Namelijk Jozef en Maria.
[^lukas-2-48-54]: Kanttekening 54: Namelijk omdat zij zagen dat Hij, nog een kind zijnde, zich onderstaan had met zulke grote leraars te spreken en te handelen.
[^lukas-2-48-55]: Kanttekening 55: uw vader en ik: Namelijk Jozef. Zo spreekt Maria naar de mening van de Joden, Luk. 3:23 , of omdat men ook een behuwdvader met de naam van vader placht te noemen. Lukas 3:23 : En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli,
[^lukas-2-48-56]: Kanttekening 56: angst gezocht: Grieks angstig, of benauwd zijnde.
[^lukas-2-49-57]: Kanttekening 57: van Mijn Vader: Namelijk die God mijn hemelse Vader mij heeft bevolen, en waartoe Ik van Hem in de wereld gezonden ben.
[^lukas-2-50-y]: Verwijzing y: Lukas 9:45 ; Lukas 18:34 . Lukas 9:45 : Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, zo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen. Lukas 18:34 : En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, wat gezegd werd.
[^lukas-2-51-58]: Kanttekening 58: Namelijk gelijk de kinderen hunne ouders schuldig zijn te gehoorzamen naar de wet, aan welke hij zichzelven had onderworpen.
[^lukas-2-51-59]: Kanttekening 59: dingen in haar hart: Grieks woorden.
[^lukas-2-52-z]: Verwijzing z: 1 Sam. 2:26 ; Lukas 1:80 . 1 Samuël 2:26 : En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam zowel bij YHWH als ook bij de mensen. Lukas 1:80 : En het kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag zijn vertoning aan Israël.
[^lukas-2-52-60]: Kanttekening 60: Of, in ouderdom; want het Griekse woord betekent beide; Luk. 19:3 ; Joh. 9:21 , 9:23 . Lukas 19:3 : En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was. Johannes 9:21 : Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken. Johannes 9:23 : Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.

### Lukas 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/3.json)

*1 Het tijdstip waarop Johannes de Doper zijn taak is begonnen. 3 De inhoud van zijn prediking. 7 Zijn vermaning tot bekering aan degenen die kwamen om door hem gedoopt te worden. 10 Zijn antwoord op de vraag van de menigte, 12 van de tollenaars 14 en van de soldaten, wat ieder moest doen. 15 Zijn getuigenis over Christus en over diens doop. 19 Zijn gevangenneming. 21 Christus wordt door Johannes gedoopt 23 en zijn geslachtsregister wordt opgesomd tot aan Adam toe.*

**1** En in het vijftiende jaar van de regering van de[^lukas-3-1-1] keizer Tiberius, als[^lukas-3-1-2] Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes[^lukas-3-1-3] een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v1)

**2** Onder de[^lukas-3-2-a] hogepriesters[^lukas-3-2-4] Annas en Kajafas, kwam het woord van God tot Johannes, de zoon van[^lukas-3-2-5] Zacharias, in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v2)

**3** [^lukas-3-3-b] En hij kwam in al het omliggende land van de Jordaan, predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v3)

**4** Zoals geschreven is in het boek van de woorden[^lukas-3-4-c] van Jesaja,[^lukas-3-4-6] de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden recht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v4)

**5** Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechte weg worden, en de oneffen tot effen wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v5)

**6** [^lukas-3-6-d] En[^lukas-3-6-7] alle vlees zal[^lukas-3-6-8] de zaligheid Gods zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v6)

**7** Hij zei dan tot de menigten, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden:[^lukas-3-7-e] U[^lukas-3-7-9] adderengebroed, wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v7)

**8** Breng dan vruchten voort van de[^lukas-3-8-10] bekering waard; en begint niet te zeggen[^lukas-3-8-11] bij uzelf:[^lukas-3-8-f] Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v8)

**9** [^lukas-3-9-g] En[^lukas-3-9-12] de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt, en in het vuur geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v9)

**10** En de menigten vraagden hem,[^lukas-3-10-h] zeggende:[^lukas-3-10-13] Wat zullen wij dan doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v10)

**11** En hij, antwoordende, zei tot hen:[^lukas-3-11-i] Die twee rokken heeft,[^lukas-3-11-14] dele hem mee, die geen heeft; en die voedsel heeft, doe evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v11)

**12** En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v12)

**13** En hij zei tot hen: Eis niet meer, dan wat u[^lukas-3-13-15] gezet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v13)

**14** En hem vraagden ook de soldaten, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zei tot hen: Doe niemand overlast, en[^lukas-3-14-16] ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en[^lukas-3-14-17] wees tevreden met uw soldij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v14)

**15** En als het volk[^lukas-3-15-18] verwachtte, en allen in hun harten overlegden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v15)

**16** Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende:[^lukas-3-16-k] Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben de riem van Zijn schoenen te ontbinden;[^lukas-3-16-l] Deze zal u dopen[^lukas-3-16-19] met de Heilige Geest en met[^lukas-3-16-20] vuur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v16)

**17** [^lukas-3-17-m] Wiens[^lukas-3-17-21] wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn[^lukas-3-17-22] schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v17)

**18** Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde de volk het Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v18)

**19** [^lukas-3-19-n] Maar als[^lukas-3-19-23] Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle slechte dingen, die Herodes deed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v19)

**20** Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v20)

**21** [^lukas-3-21-o] En het gebeurde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v21)

**22** En dat[^lukas-3-22-24] de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, zoals een duif; en dat er een stem kwam uit de hemel, zeggende:[^lukas-3-22-p] U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v22)

**23** En Hij, Jezus, begon ongeveer[^lukas-3-23-25] dertig jaar oud te wezen, zijnde (zo men meende)[^lukas-3-23-q] de zoon van Jozef,[^lukas-3-23-26] de zoon van Heli, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v23)

**24** De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v24)

**25** De zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naum, de zoon van Esli, de zoon van Naggai, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v25)

**26** De zoon van Maath, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v26)

**27** De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de[^lukas-3-27-27] zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v27)

**28** De zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v28)

**29** De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v29)

**30** De zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v30)

**31** De zoon van Meleas, de zoon van Mainan, de zoon van Mattatha, de[^lukas-3-31-28] zoon van Nathan, de zoon van David, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v31)

**32** De zoon van Jesse, de zoon van Obed, de zoon van Booz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahasson, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v32)

**33** De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v33)

**34** De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de[^lukas-3-34-r] zoon van Thara, de zoon van Nachor, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v34)

**35** De zoon van Saruch, de zoon van Ragau, de zoon van Falek, de zoon van Heber, de zoon van Sala, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v35)

**36** De[^lukas-3-36-29] zoon van Kaïnan, de zoon van Arfaxad, de zoon van Sem, de zoon van Noe, de zoon van Lamech, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v36)

**37** De zoon van Mathusala, de zoon van Henoch, de zoon van Jared, de zoon van Malaleel, de zoon van Kaïnan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v37)

**38** De zoon van Enos, de zoon van Seth, de[^lukas-3-38-s] zoon van[^lukas-3-38-30] Adam, de zoon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/3.html#v38)

[^lukas-3-1-1]: Kanttekening 1: Deze was de derde keizer in het Romeinse rijk, die na Augustus in het rijk is gevolgd, onder wiens regering Christus ook gestorven is.
[^lukas-3-1-2]: Kanttekening 2: Pontius Pilatus stadhouder was over Judea: Nadat Archelaus, de oudste zoon van Herodes de Grote, die over Judea regeerde, Matt. 2:22 , om zijn kwaad bestuur door de Romeinen verbannen was, hebben de Romeinse keizers hetzelfde land voortaan door hunne stadhouders laten regeren, van wie deze Pilatus de vijfde geweest is. Het overige van het land Kanaän werd door de andere zoon van Herodes geregeerd. Mattheüs 2:22 : Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea.
[^lukas-3-1-3]: Kanttekening 3: een viervorst over Galilea: Van deze viervorsten zie de aantekeningen Matt. 14:1 , in wier landen, die hier genoemd worden, Christus veel gepredikt heeft, gelijk ook in Abilene, dat in Dekapolis lag; Matt. 4:25 ; Mark. 5:20 . Mattheüs 14:1 : In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus; Mattheüs 4:25 : En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan. Marcus 5:20 : En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
[^lukas-3-2-a]: Verwijzing a: Hand. 4:6 . Handelingen 4:6 : En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
[^lukas-3-2-4]: Kanttekening 4: Annas en Kajafas: Annas was de schoonvader van Kajafas, Joh. 18:13 , en zij worden hier als twee hogepriesters gesteld, òf omdat de hogepriesters altijd een plaatsvervanger hadden, die, als zij onrein of ziek waren, hunne plaats bewaarde; zie Num. 4:32 ; 1 Kon. 4:4 ; 2 Kon. 23:4 , en 2 Kon. 25:18 ; òf omdat zij toen ten tijde de ene het ene jaar en de andere het andere jaar het hogepriesterambt bedienden. Zie Joh. 11:49 , 11:51 , en Hand. 4:6 , zo de opvolging van de rechte hogepriesters, van Aäron afkomstig, in verwarring was gekomen, en dat ambt nu een weldaad of gift van de Romeinen was geworden. Johannes 18:13 : En leidden Hem heen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke datzelfde jaar hogepriester was. Numeri 4:32 : En ook de pilaren van het voorhof rondom, hun voeten, en hun pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult u bij namen tellen. 1 Koningen 4:4 : En Benaja, de zoon van Jojada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters. 2 Koningen 23:4 : En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van YHWH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen. 2 Koningen 25:18 : Ook nam de overste van de trawanten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. Johannes 11:49 : En één uit hen, namelijk Kajafas, die datzelfde jaar hogepriester was, zei tot hen: U verstaat niets; Johannes 11:51 : En dit zei hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester van datzelfde jaar, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk; Handelingen 4:6 : En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren.
[^lukas-3-2-5]: Kanttekening 5: in de woestijn: Van deze woestijn, zie Matt. 3:1 . Mattheüs 3:1 : En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,
[^lukas-3-3-b]: Verwijzing b: Matt. 3:1 ; Mark. 1:4 . Mattheüs 3:1 : En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea, Marcus 1:4 : Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden.
[^lukas-3-4-c]: Verwijzing c: Jes. 40:3 ; Matt. 3:3 ; Mark. 1:3 ; Joh. 1:23 . Jesaja 40:3 : Een stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Mattheüs 3:3 : Want deze is het, van Wie gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht! Marcus 1:3 : De stem van de roependen in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht. Johannes 1:23 : Hij zei: Ik ben de stem van de roependen in de woestijn: Maakt de weg van de Heer recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
[^lukas-3-4-6]: Kanttekening 6: De stem van de roepende in de woestijn: Van deze stem en profetie zie de aantekeningen Matt. 3:3 , en Jes. 40:3 . Mattheüs 3:3 : Want deze is het, van Wie gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt Zijn paden recht! Jesaja 40:3 : Een stem van de roepende in de woestijn: Bereidt de weg van YHWH, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God!
[^lukas-3-6-d]: Verwijzing d: Ps. 98:2 ; Jes. 52:10 . Psalmen 98:2 : De YHWH heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen van de heidenen. Jesaja 52:10 : De YHWH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil van onze Gods.
[^lukas-3-6-7]: Kanttekening 7: alle vlees zal: Dat is, allerlei soorten van mensen. Zie Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^lukas-3-6-8]: Kanttekening 8: de zaligheid Gods zien: Zie Luk. 2:30 . Lukas 2:30 : Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
[^lukas-3-7-e]: Verwijzing e: Matt. 3:7 ; Matt. 23:33 . Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? Mattheüs 23:33 : U slangen, u adderengebroed! hoe zoudt u de helse verdoemenis ontvluchten?
[^lukas-3-7-9]: Kanttekening 9: Deze zijn een soort van slangen, die zeer venijnig zijn. Zie Hand. 28:3 , 28:6 . Handelingen 28:3 : En als Paulus een hoop rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand. Handelingen 28:6 : En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of meteen dood nedervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was.
[^lukas-3-8-10]: Kanttekening 10: Of, passend; en met de ware bekering overeenkomende.
[^lukas-3-8-11]: Kanttekening 11: bij uzelven: Grieks in uzelven.
[^lukas-3-8-f]: Verwijzing f: Matt. 3:9 ; Joh. 8:39 ; Hand. 13:26 . Mattheüs 3:9 : En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen. Handelingen 13:26 : Mannen broers, kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.
[^lukas-3-9-g]: Verwijzing g: Matt. 3:10 ; Matt. 7:19 . Mattheüs 3:10 : En ook is al de bijl aan de wortel van de bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Mattheüs 7:19 : Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
[^lukas-3-9-12]: Kanttekening 12: de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen: Dat is, de straf Gods is bereid en nakende voor degenen, die, de predikatie van het Evangelie horende, gene vruchten voortbrengen.
[^lukas-3-10-h]: Verwijzing h: Hand. 2:37 . Handelingen 2:37 : En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broers?
[^lukas-3-10-13]: Kanttekening 13: Wat zullen wij dan doen: Namelijk om deze straf te ontgaan en zalig te worden.
[^lukas-3-11-i]: Verwijzing i: Jak. 2:13 ; idem v. 15 ; 1 Joh. 3:17 . Jakobus 2:13 : Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. Jakobus 2:15 : Als er nu een broer of zus naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; 1 Johannes 3:17 : Zo wie nu het goed van de wereld heeft, en ziet zijn broer gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde van God in hem?
[^lukas-3-11-14]: Kanttekening 14: dele hem mee, die geen heeft: Dat is, betoonde zo de liefde tot zijn armen evennaaste, dat voordat hij hem gebrek zou laten lijden, hij liever hem een van zijne rokken en een deel van zijn nodige voedsel geve.
[^lukas-3-13-15]: Kanttekening 15: gezet is: Namelijk van de hoge overheid.
[^lukas-3-14-16]: Kanttekening 16: Doet niemand overlast: Het Griekse woord betekent iemand herwaarts en derwaats slingeren of schudden; zo dat hier allerlei stroperij, moedwil en onbillijk geweld aan de krijgslieden verboden wordt.
[^lukas-3-14-17]: Kanttekening 17: ontvreemdt niemand het zijne met bedrog: Het Griekse woord betekent wel iemand valselijk beschuldigen, maar Lukas gebruikt dit woord in zulken zin als het hier overgezet is, gelijk blijkt Luk. 19:8 . Lukas 19:8 : En Zacheüs stond, en zei tot de Heer: Zie, de helft van mijn goederen, Heer, geef ik de armen; en als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weer.
[^lukas-3-15-18]: Kanttekening 18: Of, in verwachting stond; namelijk van de komst van de Messias.
[^lukas-3-16-k]: Verwijzing k: Matt. 3:11 ; Mark. 1:8 ; Joh. 1:26 ; Hand. 1:5 ; Hand. 11:16 ; Hand. 19:4 . Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. Marcus 1:8 : Ik heb u wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de Heilige Geest. Johannes 1:26 : Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; Handelingen 1:5 : Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Handelingen 11:16 : En ik werd gedachtig aan het woord van de Heer, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult gedoopt worden met de Heilige Geest. Handelingen 19:4 : Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.
[^lukas-3-16-l]: Verwijzing l: Jes. 44:3 ; Joël 2:28 ; Hand. 2:4 ; Hand. 11:15 . Jesaja 44:3 : Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:4 : En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Handelingen 11:15 : En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.
[^lukas-3-16-19]: Kanttekening 19: met de Heilige Geest: Grieks in.
[^lukas-3-16-20]: Kanttekening 20: Zie Matt. 3:11 . Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen.
[^lukas-3-17-m]: Verwijzing m: Matt. 3:12 . Mattheüs 3:12 : Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
[^lukas-3-17-21]: Kanttekening 21: wan in Zijn hand is: Of, werpschup. Zie Matt. 3:12 . Mattheüs 3:12 : Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
[^lukas-3-17-22]: Kanttekening 22: schuur samenbrengen: Of, korenzolder.
[^lukas-3-19-n]: Verwijzing n: Matt. 14:3 ; Mark. 6:18 . Mattheüs 14:3 : Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in de kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broer. Marcus 6:18 : Want Johannes zei tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broers te hebben.
[^lukas-3-19-23]: Kanttekening 23: Zie van deze geschiedenis breder Matt. 14:3 . Mattheüs 14:3 : Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in de kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broer.
[^lukas-3-21-o]: Verwijzing o: Matt. 3:13 ; Mark. 1:9 ; Joh. 1:32 . Mattheüs 3:13 : Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. Marcus 1:9 : En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan. Johannes 1:32 : En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.
[^lukas-3-22-24]: Kanttekening 24: Heilige Geest op Hem nederdaalde: Zie hiervan Matt. 3:16 . Mattheüs 3:16 : En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest van God nederdalen, gelijk een duif, en op Hem komen.
[^lukas-3-22-p]: Verwijzing p: Jes. 42:1 ; Matt. 17:5 ; Mark. 9:7 ; Lukas 9:35 ; Kolos. 1:13 ; 2 Petr. 1:17 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Marcus 9:7 : En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Lukas 9:35 : En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb.
[^lukas-3-23-25]: Kanttekening 25: dertig jaren oud te wezen: Deze ouderdom moesten de priesters hebben, voordat zij hun ambt ten volle mochten bedienen, Num. 4:3 ; 1 Kron. 23:3 . Numeri 4:3 : Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. 1 Kronieken 23:3 : En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend.
[^lukas-3-23-q]: Verwijzing q: Matt. 13:55 ; Joh. 6:42 . Mattheüs 13:55 : Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas? Johannes 6:42 : En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?
[^lukas-3-23-26]: Kanttekening 26: de zoon van Heli: Jozef wordt Matt. 1:16 gezegd van Jakob gewonnen of geboren te zijn, maar wordt hier genaamd een zoon van Heli, omdat, gelijk velen menen, hij Maria, die een dochter van Heli was, getrouwd had; gelijk Ruth een dochter van Naomi genaamd wordt, omdat zij de zoon van Naomi gehad had, Ruth 1:11 . Mattheüs 1:16 : En Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus. Ruth 1:11 : Maar Naomi zei: Keert weer, mijn dochters! Waarom zoudt u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?
[^lukas-3-27-27]: Kanttekening 27: Sommigen menen dat deze Zorobabel en Salathiël dezelfden zijn, die Matt. 1:12 verhaalt, houdende dat het geslacht van Salomo in Jechonia zou uitgestorven zijn, uit Jer. 22:30 . Maar anderen menen dat deze plaats uit Jeremia zo kan verstaan worden, dat hij gezegd wordt zonder kinderen te zijn, die als koningen op zijn troon zouden zitten, omdat de koninklijke waardigheid in Jechonia is geëindigd; en menen dat uit 1 Kron. 3:17 blijkt, dat Jechonia eigen kinderen gehad heeft; en dat daarom waarschijnlijk is, dat deze Zorobabel en Salathiël uit de linie van Nathan andere personen zijn geweest dan die van wie Mattheüs spreekt: gelijk in verscheidene geslachten, die van één stam afkomstig zijn, dikwijls gebeurt, dat enerlei namen aan de nakomelingen gegeven worden, waarvan hier in vers 24 , 3:29 , een voorbeeld is, alwaar de namen van Mattha of Mattath en Levi tweemalen aan elkaar in verscheiden personen gevonden worden. Mattheüs 1:12 : En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel; Jeremia 22:30 : Zo zegt YHWH: Schrijft deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. 1 Kronieken 3:17 : En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; Lukas 3:24 : De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, Lukas 3:29 : De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi,
[^lukas-3-31-28]: Kanttekening 28: Nathan, de zoon van David: Mattheüs verhaalt het geslachtsregister van David door Salomo op Jozef de man van Maria, maar Lukas verhaalt hier het geslachtsregister van David door Nathan, die een broer van Salomo en een andere zoon van David was, mee uit Bathseba, 2 Sam. 5:14 ; 1 Kron. 3:5 , en 1 Kron. 14:4 tot op Heli, de vader van Maria, wiens zoon Jozef genaamd wordt, vers 23 , omdat hij zijne dochter getrouwd had. Zo is het dan niet vreemd dat alhier andere namen van David tot op Jozef worden gevonden dan bij Mattheüs, omdat zij verscheidene liniën beschrijven; alsook dat Mattheüs minder personen verhaalt dan Lukas, omdat hij verscheidenen uitlaat, om zich binnen het getal van veertien te besluiten. Zie de aantekeningen Matt. 1:17 . 2 Samuël 5:14 : En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo. 1 Kronieken 3:5 : Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël; 1 Kronieken 14:4 : Dit nu zijn de namen van de kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo, Lukas 3:23 : En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli, Mattheüs 1:17 : Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.
[^lukas-3-34-r]: Verwijzing r: Gen. 11:10 . Genesis 11:10 : Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed.
[^lukas-3-36-29]: Kanttekening 29: Deze naam wordt niet gevonden in het geslachtsregister bij Mozes verhaald, Gen. 10:24 , en Gen. 11:12 , noch ook 1 Kron. 1:24 ; maar wordt gevonden in de Griekse overzetting, die onder de Joden toentertijd gebruikelijk was; waarom sommigen menen dat dit ook wel overeenkomt met wat Mozes verhaalt, omdat Arfaxad Saja zou hebben gegenereerd door zijn zoon Kaïnan, gelijk men iets dergelijks ook kan zien 1 Kron. 2:50 en 1 Kron. 4:1 . Genesis 10:24 : En Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. Genesis 11:12 : En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij verwekte Selah. 1 Kronieken 1:24 : Sem, Arfachsad, Selah, 1 Kronieken 2:50 : Dit waren de kinderen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim; 1 Kronieken 4:1 : De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
[^lukas-3-38-s]: Verwijzing s: Gen. 5:3 . Genesis 5:3 : En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
[^lukas-3-38-30]: Kanttekening 30: Adam, de zoon van God: Adam wordt hier een zoon van God genaamd, omdat hij niet is voortgekomen van andere mensen, maar door God zelf naar zijn evenbeeld geschapen, gelijk ook de engelen daarom zonen van God genaamd worden, Job 1:6 , en Job 38:7 . Job 1:6 : Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Job 38:7 : Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten.

### Lukas 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/4.json)

*1 Christus vast veertig dagen in de woestijn en wordt door de duivel verzocht. 14 Hij keert terug naar Galilea en onderwijst in de synagoge te Nazareth uit Jesaja 61, dat Hij de beloofde Messias was. 23 Met de voorbeelden van Elia en Elisa toont Hij aan waarom Hij daar geen wonderen deed. 28 Daarom willen zij Hem in hun woede doden. 31 Hij onderwijst te Kapernaum op de sabbat 33 en drijft daar een duivel uit. 38 Hij geneest de schoonmoeder van Petrus van de koorts, en vele andere zieken en bezetenen. 42 Hij gaat daarvandaan en predikt ook in de andere steden van Galilea.*

**1** En[^lukas-4-1-a] Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde opnieuw van de Jordaan, en werd[^lukas-4-1-1] door de Geest geleid in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v1)

**2** En werd[^lukas-4-2-2] veertig dagen verzocht van de duivel;[^lukas-4-2-3][^lukas-4-2-b] en at geheel niet in die dagen, en als dezelfde geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v2)

**3** En de duivel zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg tot deze steen, dat hij brood worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v3)

**4** En Jezus antwoordde hem, zeggende:[^lukas-4-4-c] Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v4)

**5** [^lukas-4-5-4] En als Hem de duivel geleid had op een hoge berg, toonde hij Hem al de koninkrijken van de wereld, in een[^lukas-4-5-5] ogenblik tijds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v5)

**6** En de duivel zei tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid van die koninkrijken geven;[^lukas-4-6-6] want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wie ik ook wil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v6)

**7** Als U dan mij zult[^lukas-4-7-7] aanbidden, zo zal alles van U zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v7)

**8** En Jezus, antwoordende, zei tot hem:[^lukas-4-8-8] Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven:[^lukas-4-8-d] U zult de Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v8)

**9** En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne van de tempel, en zei tot Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf van hier naar beneden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v9)

**10** Want er is geschreven,[^lukas-4-10-e] dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v10)

**11** En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v11)

**12** En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Er is gezegd:[^lukas-4-12-f] U zult de Heere, uw God, niet verzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v12)

**13** En als de duivel alle verzoeking voltooid had, week hij van Hem[^lukas-4-13-9] voor een tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v13)

**14** [^lukas-4-14-g] En Jezus keerde opnieuw,[^lukas-4-14-10] door de kracht van de Geest, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het hele omliggende land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v14)

**15** En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen[^lukas-4-15-11] geprezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v15)

**16** [^lukas-4-16-h] En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag[^lukas-4-16-12] van de sabbat in de synagoge;[^lukas-4-16-i] en stond op om te lezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v16)

**17** En Hem werd[^lukas-4-17-13] gegeven het boek van de profeet Jesaja; en als Hij het boek[^lukas-4-17-14] opengedaan had, vond Hij[^lukas-4-17-15] de plaats, daar geschreven was: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v17)

**18** [^lukas-4-18-k] De Geest van de Heere is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden,[^lukas-4-18-l] om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v18)

**19** [^lukas-4-19-m] Om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden[^lukas-4-19-16] het gezicht, om[^lukas-4-19-17] de verslagenen heen te zenden[^lukas-4-19-18] in vrijheid; om te prediken[^lukas-4-19-19] het aangename jaar van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v19)

**20** En als Hij het boek toegedaan en[^lukas-4-20-20] de dienaar wedergegeven had, zat Hij neer; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v20)

**21** En Hij begon tot hen te zeggen:[^lukas-4-21-21] Vandaag is deze Schrift in uw oren vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v21)

**22** En zij gaven Hem allen[^lukas-4-22-22] getuigenis,[^lukas-4-22-n] en verwonderden zich[^lukas-4-22-23] over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden:[^lukas-4-22-o] Is deze niet de Zoon van Jozef? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v22)

**23** En Hij zei tot hen: U zult zonder twijfel tot Mij[^lukas-4-23-24] dit spreekwoord zeggen: Dokter! genees Uzelf; al wat wij gehoord hebben,[^lukas-4-23-p] dat in[^lukas-4-23-25] Kapernaüm gebeurd is, doe dat ook hier in Uw vaderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v23)

**24** En Hij zei: Voorwaar Ik zeg u,[^lukas-4-24-q] dat geen[^lukas-4-24-26] profeet aangenaam is in zijn vaderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v24)

**25** Maar Ik zeg u in van de waarheid: Er waren[^lukas-4-25-r] vele weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden[^lukas-4-25-27] gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v25)

**26** En tot geen van haar werd Elia gezonden, dan naar Sarepta[^lukas-4-26-28] Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v26)

**27** En er waren[^lukas-4-27-s] vele melaatsen in Israël,[^lukas-4-27-29] ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v27)

**28** En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v28)

**29** En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op de top van de berg, op die hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v29)

**30** Maar Hij, door het midden van hen[^lukas-4-30-30] doorgegaan zijnde, ging weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v30)

**31** [^lukas-4-31-t] En Hij kwam af te Kapernaüm, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v31)

**32** [^lukas-4-32-v] En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was[^lukas-4-32-31] met macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v32)

**33** [^lukas-4-33-x] En in de synagoge was een mens, hebbende een geest van een onreine duivel[^lukas-4-33-32]; en hij riep uit met luide stem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v33)

**34** Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener? Bent U gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent,[^lukas-4-34-33] namelijk de Heilige Gods. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v34)

**35** En Jezus bestrafte hem, zeggende:[^lukas-4-35-34] Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets[^lukas-4-35-35] te beschadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v35)

**36** En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkaar, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt, en zij varen uit? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v36)

**37** En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen van het omliggende land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v37)

**38** [^lukas-4-38-y] En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis[^lukas-4-38-36] van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v38)

**39** En staande[^lukas-4-39-37] boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij ogenblikkelijk opstaande, diende hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v39)

**40** [^lukas-4-40-z] En[^lukas-4-40-38] als de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem,[^lukas-4-40-a] en Hij legde ieder van hen de handen op, en genas hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v40)

**41** [^lukas-4-41-b] En er voeren ook demonen uit van velen, roepende en zeggende: U bent de Christus, de Zoon van God! En hen bestraffende, liet Hij die niet[^lukas-4-41-39] spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v41)

**42** [^lukas-4-42-c] En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar[^lukas-4-42-40] een woeste plaats; en de menigten zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v42)

**43** Maar Hij zei tot hen: Ik moet ook anderen steden[^lukas-4-43-41] het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen; want daartoe ben Ik[^lukas-4-43-42] uitgezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v43)

**44** En Hij predikte in de synagogen van Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/4.html#v44)

[^lukas-4-1-a]: Verwijzing a: Matt. 4:1 ; Mark. 1:12 . Mattheüs 4:1 : Toen werd Jezus van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de duivel. Marcus 1:12 : En meteen dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
[^lukas-4-1-1]: Kanttekening 1: door de Geest geleid in de woestijn: Grieks in de Geest; namelijk van welke hij tevoren gesproken had.
[^lukas-4-2-2]: Kanttekening 2: veertig dagen verzocht van de duivel: Maar voornamelijk op het einde, wanneer Hem de Satan op het allerheftigst verzocht heeft, gelijk blijkt uit Matt. 4:2 . Mattheüs 4:2 : En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.
[^lukas-4-2-3]: Kanttekening 3: at geheel niet in die dagen: Van dit vasten van Christus, en ook van deze verzoekingen, zie de verklaring Matt. 4 .
[^lukas-4-2-b]: Verwijzing b: Ex. 34:28 ; 1 Kon. 19:8 . Exodus 34:28 : En hij was daar met YHWH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden. 1 Koningen 19:8 : Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb.
[^lukas-4-4-c]: Verwijzing c: Deut. 8:3 ; Matt. 4:4 . Deuteronomium 8:3 : En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van YHWH uitgaat. Mattheüs 4:4 : Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond van God uitgaat.
[^lukas-4-5-4]: Kanttekening 4: En als Hem de duivel geleid had op een hoge berg: Mattheüs verhaalt dit voor de derde verzoeking, Matt. 4:8 , waaruit blijkt dat de Evangelisten zich zozeer niet binden aan de orde als aan de zaak zelve. Mattheüs 4:8 : Opnieuw nam Hem de duivel mee op een zeer hoge berg, en toonde Hem al de koninkrijken van de wereld, en hun heerlijkheid;
[^lukas-4-5-5]: Kanttekening 5: ogenblik tijds: Grieks stipje, of puntje van de tijd.
[^lukas-4-6-6]: Kanttekening 6: want zij is mij overgegeven: Hoewel de duivel tegen de waarheid zichzelven dit toeschrijft, als zijnde een leugenaar, Joh. 8:44 , nochtans misbruikt hij dikwijls, door Gods toelating en rechtvaardig oordeel tegen de zonden van de mensen, de eer en de rijkdommen van de wereld, om de mensen te verleiden, zichzelven gedragende als een overste en god van deze wereld; Joh. 12:31 ; Ef. 6:12 ; 2 Kor. 4:4 . Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Johannes 12:31 : Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 2 Korinthiërs 4:4 : Waarin de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is.
[^lukas-4-7-7]: Kanttekening 7: Of, voor mij nedervallen; namelijk om mij aan te bidden.
[^lukas-4-8-8]: Kanttekening 8: Ga weg van Mij, satan: Grieks ga weg achter mij.
[^lukas-4-8-d]: Verwijzing d: Deut. 6:13 ; Deut. 10:20 ; 1 Sam. 7:3 . Deuteronomium 6:13 : U zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. Deuteronomium 10:20 : De YHWH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. 1 Samuël 7:3 : Toen sprak Samuël tot het gehele huis van Israël, zeggende: Als u u met uw gehele hart tot YHWH bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot YHWH, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken.
[^lukas-4-10-e]: Verwijzing e: Ps. 91:11 . Psalmen 91:11 : Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
[^lukas-4-12-f]: Verwijzing f: Deut. 6:16 . Deuteronomium 6:16 : U zult YHWH, uw God, niet verzoeken, gelijk als u Hem verzocht hebt te Massa.
[^lukas-4-13-9]: Kanttekening 9: voor een tijd: Want het blijkt dat hij tegen de tijd van zijn lijden Hem opnieuw heftiglijk aangevallen heeft; Joh. 14:30 . Johannes 14:30 : Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste van deze wereld komt, en heeft aan Mij niets.
[^lukas-4-14-g]: Verwijzing g: Matt. 4:12 ; Mark. 1:14 ; Joh. 4:43 ; Hand. 10:37 . Mattheüs 4:12 : Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea; Marcus 1:14 : En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk van God. Johannes 4:43 : En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea; Handelingen 10:37 : Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, welke Johannes gepredikt heeft;
[^lukas-4-14-10]: Kanttekening 10: door de kracht van de Geest: Grieks in de kracht.
[^lukas-4-15-11]: Kanttekening 11: Grieks verheerlijkt.
[^lukas-4-16-h]: Verwijzing h: Matt. 13:54 ; Mark. 6:1 ; Joh. 4:43 . Mattheüs 13:54 : En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? Marcus 6:1 : En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. Johannes 4:43 : En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
[^lukas-4-16-12]: Kanttekening 12: van de sabbat: Grieks van de sabbaten.
[^lukas-4-16-i]: Verwijzing i: Neh. 8:5 ; idem v. 6 . Nehemia 8:5 : En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, die zij tot die zaak gemaakt hadden, en naast hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maäseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam. Nehemia 8:6 : En Ezra opende het boek voor de ogen van de gehele volk, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.
[^lukas-4-17-13]: Kanttekening 13: Dat is, gelangd, of toegereikt. Zie Hand. 13:15 . Handelingen 13:15 : En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broers, als er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
[^lukas-4-17-14]: Kanttekening 14: opengedaan had: Grieks ontvouwd, of ontrold had; gelijk veeltijds de boeken in oude tijden op perkamenten of papieren rollen geschreven werden, Ps. 40:8 ; Hebr. 10:7 ; Openb. 6:14 . Psalmen 40:8 : Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Hebreeën 10:7 : Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God! Openbaring 6:14 : En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
[^lukas-4-17-15]: Kanttekening 15: de plaats, daar geschreven was: Hier schijnt Christus twee plaatsen uit Jesaja tezamen gevoegd te hebben; want sommige van deze woorden staan Jes. 61:1 , en sommige Jes. 42:7 . Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
[^lukas-4-18-k]: Verwijzing k: Jes. 61:1 . Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blij boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis;
[^lukas-4-18-l]: Verwijzing l: Matt. 11:5 . Mattheüs 11:5 : De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd.
[^lukas-4-19-m]: Verwijzing m: Jes. 61:1 ; idem 61:2 ; Jes. 42:7 . Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blij boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; Jesaja 61:2 : Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van YHWH, en de dag van de wraak van onze Gods; om alle treurigen te troosten; Jesaja 42:7 : Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.
[^lukas-4-19-16]: Kanttekening 16: het gezicht: Grieks het verkrijgen van het gezicht.
[^lukas-4-19-17]: Kanttekening 17: de verslagenen: Of verwondden.
[^lukas-4-19-18]: Kanttekening 18: in vrijheid: Grieks in loslating.
[^lukas-4-19-19]: Kanttekening 19: het aangename jaar van de Heer: Zo wordt de tijd van de toekomst van de Messias en van de predikatie van het Evangelie genaamd, omdat het aangename jubeljaar daarvan een voorbeeld is geweest, op welke alle goederen, die vervreemd waren, tot hun eerste eigenaar kwamen, en alle dienaren uit de Israëlieten in vrijheid gesteld werden, Lev. 25:8 , enz. Leviticus 25:8 : U zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.
[^lukas-4-20-20]: Kanttekening 20: de dienaar: Namelijk van de overste van de synagoge.
[^lukas-4-21-21]: Kanttekening 21: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld: Dat is, u hoort nu met uwe oren dat heden geschiedt wat in deze profetie tevoren gezegd is.
[^lukas-4-22-22]: Kanttekening 22: Namelijk dat Hij een voortreffelijk leraar was. Zie Mark. 6:2 . Marcus 6:2 : En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren?
[^lukas-4-22-n]: Verwijzing n: Jes. 50:4 ; Matt. 13:54 ; Mark. 6:2 ; Lukas 2:47 . Jesaja 50:4 : De Heer YHWH heeft Mij een tong van de geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moe een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. Mattheüs 13:54 : En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? Marcus 6:2 : En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren? Lukas 2:47 : En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.
[^lukas-4-22-23]: Kanttekening 23: over de aangename woorden: Grieks over de woorden van de genade, of aangenaamheid. Zie Ps. 45:3 ; Joh. 1:14 . Psalmen 45:3 : U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.
[^lukas-4-22-o]: Verwijzing o: Joh. 6:42 . Johannes 6:42 : En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?
[^lukas-4-23-24]: Kanttekening 24: dit spreekwoord: Grieks deze parabel.
[^lukas-4-23-p]: Verwijzing p: Matt. 4:13 . Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;
[^lukas-4-23-25]: Kanttekening 25: Waar Christus zijne woonplaats vóór deze genomen had, en vele wonderen gedaan, Matt. 4:13 , en Matt. 11:23 . Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Mattheüs 11:23 : En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^lukas-4-24-q]: Verwijzing q: Matt. 13:57 ; Mark. 6:4 ; Joh. 4:44 . Mattheüs 13:57 : En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis. Marcus 6:4 : En Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis. Johannes 4:44 : Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.
[^lukas-4-24-26]: Kanttekening 26: Dat is, leraar van het Woord van God.
[^lukas-4-25-r]: Verwijzing r: 1 Kon. 17:7 ; Jak. 5:17 . 1 Koningen 17:7 : En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest. Jakobus 5:17 : Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.
[^lukas-4-25-27]: Kanttekening 27: gesloten was: Dat is, zonder regenen, 1 Kon. 17:1 , 17:7 . 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 1 Koningen 17:7 : En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
[^lukas-4-26-28]: Kanttekening 28: Dat is, liggende onder het gebied van de stad Sidon.
[^lukas-4-27-s]: Verwijzing s: 2 Kon. 5:14 . 2 Koningen 5:14 : Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man van God; en zijn vlees kwam weer, gelijk het vlees van een kleinen jongen; en hij werd rein.
[^lukas-4-27-29]: Kanttekening 29: ten tijde van de profeet Elisa: Of, onder de profeet Eliza.
[^lukas-4-30-30]: Kanttekening 30: doorgegaan zijnde: Namelijk hunne ogen door Zijn goddelijke kracht houdende, dat zij Hem niet zagen, of hen wederhoudende, omdat Zijne ure nog niet gekomen was, Joh. 7:30 . Johannes 7:30 : Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.
[^lukas-4-31-t]: Verwijzing t: Matt. 4:13 ; Mark. 1:21 . Mattheüs 4:13 : En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali; Marcus 1:21 : En zij kwamen binnen Kapernaum; en meteen op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.
[^lukas-4-32-v]: Verwijzing v: Matt. 7:29 ; Mark. 1:22 . Mattheüs 7:29 : Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden. Marcus 1:22 : En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
[^lukas-4-32-31]: Kanttekening 31: met macht: Of, in macht; dat is, van groot aanzien en kracht, Matt. 7:29 . Mattheüs 7:29 : Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
[^lukas-4-33-x]: Verwijzing x: Mark. 1:23 . Marcus 1:23 : En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,
[^lukas-4-33-32]: Kanttekening 32: eens onreinen duivels: Dat is, die een onreine duivel was.
[^lukas-4-34-33]: Kanttekening 33: de Heilige Gods: Dat is, die Zaligmaker, die daartoe van God geheiligd of afgezonderd is, Joh. 10:36 . Johannes 10:36 : Zegt u tot Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
[^lukas-4-35-34]: Kanttekening 34: Zwijg stil: Grieks wordt gemuilband. Zie de aantekeningen Mark. 1:25 . Marcus 1:25 : En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.
[^lukas-4-35-35]: Kanttekening 35: te beschadigen: Of, te kwetsen.
[^lukas-4-38-y]: Verwijzing y: Matt. 8:14 ; Mark. 1:29 . Mattheüs 8:14 : En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts. Marcus 1:29 : En ogenblikkelijk uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.
[^lukas-4-38-36]: Kanttekening 36: Namelijk Petrus. Zie Matt. 8:14 . Mattheüs 8:14 : En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.
[^lukas-4-39-37]: Kanttekening 37: boven haar: Of, over haar; namelijk met zijn hoofd over haar buigende, om haar aan te spreken.
[^lukas-4-40-z]: Verwijzing z: Matt. 8:16 ; Mark. 1:32 . Mattheüs 8:16 : En als het laat geworden was, hebben zij velen, van de duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met de woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren; Marcus 1:32 : Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van de duivel bezeten waren.
[^lukas-4-40-38]: Kanttekening 38: als de zon onderging: Dat is, als de sabbat over was. Zie Mark. 1:32 . Marcus 1:32 : Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van de duivel bezeten waren.
[^lukas-4-40-a]: Verwijzing a: Mark. 7:32 ; Mark. 8:23 ; idem 8:25 . Marcus 7:32 : En zij brachten tot Hem een dove, die moeizaam sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde. Marcus 8:23 : En de hand van de blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. Marcus 8:25 : Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.
[^lukas-4-41-b]: Verwijzing b: Mark. 1:34 ; Mark. 3:11 . Marcus 1:34 : En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. Marcus 3:11 : En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: U bent de Zoon van God!
[^lukas-4-41-39]: Kanttekening 39: spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was: Of, zeggen dat zij wisten dat Hij die Christus was. De reden hiervan zie Mark. 1:25 . Marcus 1:25 : En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.
[^lukas-4-42-c]: Verwijzing c: Mark. 1:35 . Marcus 1:35 : En van de morgen vroeg, als het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging heen in een woeste plaats, en bad daar.
[^lukas-4-42-40]: Kanttekening 40: een woeste plaats: Dat is, een eenzame plaats, om alleen te zijn.
[^lukas-4-43-41]: Kanttekening 41: het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen: Grieks het koninkrijk van God evangeliseren.
[^lukas-4-43-42]: Kanttekening 42: Namelijk van God de Vader.

### Lukas 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/5.json)

*1 Christus onderwijst de menigte vanuit de boot van Petrus 4 en na een wonderbare visvangst belooft Hij hem en zijn metgezellen tot vissers van mensen te maken. 12 Hij reinigt een melaatse, 17 geneest een verlamde 21 en bewijst daaruit dat Hij macht had de zonden te vergeven. 27 Hij roept Levi, die bij het tolhuis zit, 29 eet met hem en andere tollenaars 31 en geeft daarvan rekenschap. 33 Hij verdedigt zijn discipelen met verschillende gelijkenissen, omdat zij niet vastten.*

**1** [^lukas-5-1-a] En het gebeurde, als de menigte[^lukas-5-1-1] op Hem aandrong, om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij[^lukas-5-1-2] het meer Gennesareth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v1)

**2** En Hij zag twee schepen aan de oever van het[^lukas-5-2-3] meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v2)

**3** En Hij ging in één van die schepen, dat van[^lukas-5-3-4] Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de menigten uit het schip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v3)

**4** En als Hij afliet van spreken, zei Hij tot Simon:[^lukas-5-4-b] Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit[^lukas-5-4-5] om te vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v4)

**5** En Simon antwoordde en zei tot Hem:[^lukas-5-5-6] Meester, wij hebben de hele nacht over gewerkt, en niet gevangen; maar op Uw[^lukas-5-5-7] woord zal ik het net uitwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v5)

**6** En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v6)

**7** En zij wenkten hun[^lukas-5-7-8] metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen[^lukas-5-7-9] helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v7)

**8** En Simon Petrus, dat[^lukas-5-8-10] ziende, viel neer aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere![^lukas-5-8-11] ga uit van mij; want ik ben een zondig[^lukas-5-8-12] mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v8)

**9** Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst van de vissen, die zij gevangen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v9)

**10** En evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Vrees niet;[^lukas-5-10-c] van nu aan zult u[^lukas-5-10-13] mensen vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v10)

**11** En als zij de schepen aan land gestuurd hadden,[^lukas-5-11-d] verlieten zij alles, en volgden Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v11)

**12** [^lukas-5-12-e] En het gebeurde, als Hij in een van die steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo U wilt, U kunt mij reinigen.[^lukas-5-12-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v12)

**13** En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zei: Ik wil, word gereinigd! En meteen ging de melaatsheid van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v13)

**14** En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei[^lukas-5-14-15] Hij, vertoon uzelf de priester, en offer voor uw reiniging,[^lukas-5-14-f] zoals Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v14)

**15** Maar[^lukas-5-15-16] het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele menigten kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun ziekten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v15)

**16** Maar[^lukas-5-16-17] Hij vertrok in de woestijnen, en bad daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v16)

**17** En het gebeurde in een van die dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeën en leraars van de wet, die van alle plaatsen van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht van de Heere was[^lukas-5-17-18] er om hen te genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v17)

**18** [^lukas-5-18-g] En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die[^lukas-5-18-19] geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v18)

**19** En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, omdat de menigte, zo klommen zij[^lukas-5-19-20] op het dak, en lieten hem door[^lukas-5-19-21] de bakstenen neer met het bed, in het midden, voor Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v19)

**20** En Hij[^lukas-5-20-22] ziende[^lukas-5-20-23] hun geloof, zei tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v20)

**21** En de Schriftgeleerden en de Farizeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die godslastering spreekt?[^lukas-5-21-h] Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v21)

**22** Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zei tot hen: Wat overdenkt u in uw harten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v22)

**23** Wat is[^lukas-5-23-24] lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v23)

**24** Maar opdat u mag weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zei Hij tot de geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v24)

**25** En hij, meteen voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende[^lukas-5-25-25] wat, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God[^lukas-5-25-26] verheerlijkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v25)

**26** En[^lukas-5-26-27] ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben vandaag[^lukas-5-26-28] ongelofelijke dingen gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v26)

**27** [^lukas-5-27-i] En na deze[^lukas-5-27-29] ging Hij uit, en zag een tollenaar, met de naam Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij.[^lukas-5-27-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v27)

**28** En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v28)

**29** En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis;[^lukas-5-29-k] en er was een grote menigte van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v29)

**30** En[^lukas-5-30-31] hun Schriftgeleerden en de Farizeën morden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt u met tollenaren en zondaren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v30)

**31** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die[^lukas-5-31-32] ziek zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v31)

**32** [^lukas-5-32-l] Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v32)

**33** [^lukas-5-33-m] En zij zeiden tot Hem: Waarom[^lukas-5-33-33] vasten de discipelen van Johannes dikwijls, en doen gebeden, evenzo ook de discipelen van de Farizeën, maar de van U[^lukas-5-33-34] eten en drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v33)

**34** Maar Hij zei tot hen:[^lukas-5-34-n] Kunt u de[^lukas-5-34-35] bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v34)

**35** Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v35)

**36** En Hij zei ook tot hen een[^lukas-5-36-36] gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v36)

**37** En niemand doet[^lukas-5-37-o] nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen barsten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v37)

**38** Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide samen behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v38)

**39** En niemand, die oude drinkt, begeert meteen nieuwe; want hij zegt: De oude is[^lukas-5-39-37] beter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/5.html#v39)

[^lukas-5-1-a]: Verwijzing a: Matt. 13:2 ; Mark. 4:1 . Mattheüs 13:2 : En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op de oever. Marcus 4:1 : En Hij begon opnieuw te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, zo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
[^lukas-5-1-1]: Kanttekening 1: op Hem aandrong: Grieks op, of tegen Hem lag.
[^lukas-5-1-2]: Kanttekening 2: het meer Gennesareth: Wordt anders genaamd de Galilese zee, en de zee van Tiberias; zijnde een inlands meer, nergens in de zee uitkomende.
[^lukas-5-2-3]: Kanttekening 3: aan de oever van het meer liggende: Grieks aan het meer staande.
[^lukas-5-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk Petrus. Zie vers 8 . Lukas 5:8 : En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heer! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.
[^lukas-5-4-b]: Verwijzing b: Joh. 21:6 . Johannes 21:6 : En Hij zei tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en u zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelfde niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen.
[^lukas-5-4-5]: Kanttekening 5: om te vangen: Grieks tot de vangst.
[^lukas-5-5-6]: Kanttekening 6: Grieks Epistata; dat betekent iemand, die over anderen gesteld is, waarvoor de andere Evangelisten het Hebreeuwse woord rabbi en het Griekse woord didascale gebruiken.
[^lukas-5-5-7]: Kanttekening 7: Dat is, bevel, waarin zij ook verstonden een toezegging begrepen te zijn.
[^lukas-5-7-8]: Kanttekening 8: medegenoten, die in het andere schip waren: Dat is, die met hen in ééne gemeenschap of compagnie waren.
[^lukas-5-7-9]: Kanttekening 9: Grieks medevangen, of mee optrekken.
[^lukas-5-8-10]: Kanttekening 10: viel neder aan de knieën van Jezus: Omdat hij uit dit wonder erkende de godheid van Christus.
[^lukas-5-8-11]: Kanttekening 11: ga uit van mij: Namelijk als die onwaardig ben, dat ik in uw gezelschap zou blijven, gelijk de hoofdman over honderd ook zei; Matt. 8:8 . Mattheüs 8:8 : En de hoofdman over honderd, antwoordende, zei: Heer! ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
[^lukas-5-8-12]: Kanttekening 12: Grieks man.
[^lukas-5-10-c]: Verwijzing c: Jer. 16:16 ; Ez. 47:9 ; Matt. 4:19 ; Mark. 1:17 . Jeremia 16:16 : Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt YHWH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven van de steenrotsen. Ezechiël 47:9 : Ja, het zal gebeuren, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen één van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen. Mattheüs 4:19 : En Hij zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. Marcus 1:17 : En Jezus zei tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat u vissers van de mensen zult worden.
[^lukas-5-10-13]: Kanttekening 13: mensen vangen: Namelijk door de predikatie van het Evangelie, welke bij een net wordt vergeleken, Matt. 13:47 . Zie van het Griekse woord de aantekeningen 2 Tim. 2:26 . Mattheüs 13:47 : Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; 2 Timotheüs 2:26 : En zij opnieuw ontwaken mochten uit de strik van de duivel, onder welke zij gevangen waren tot zijn wil.
[^lukas-5-11-d]: Verwijzing d: Matt. 4:20 ; Matt. 19:27 ; Mark. 10:28 ; Lukas 18:28 . Mattheüs 4:20 : Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. Mattheüs 19:27 : Toen antwoordde Petrus, en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden? Marcus 10:28 : En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. Lukas 18:28 : En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
[^lukas-5-12-e]: Verwijzing e: Matt. 8:2 ; Mark. 1:40 . Mattheüs 8:2 : En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heer! als U wilt, U kunt mij reinigen. Marcus 1:40 : En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Als U wilt, U kunt mij reinigen.
[^lukas-5-12-14]: Kanttekening 14: Hoewel de melaatsen in de steden niet mochten wonen, zo schijnt nochtans dat zij in dezelfde wel komen mochten, mits roepende: onrein; Lev. 13:45 ; Luk. 17:12 . Leviticus 13:45 : Verder zullen de kleren van de melaatse, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! Lukas 17:12 : En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;
[^lukas-5-14-15]: Kanttekening 15: vertoon uzelven de priester: Zie de redenen hiervan Matt. 12:16 . Mattheüs 12:16 : En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;
[^lukas-5-14-f]: Verwijzing f: Lev. 13:2 ; Lev. 14:2 ; Matt. 8:4 . Leviticus 13:2 : Een mens, als in het vel van zijn vlees een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel van zijn vlees tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden. Leviticus 14:2 : Dit zal de wet van de melaatsen zijn, ten dage zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden. Mattheüs 8:4 : En Jezus zei tot hem: Zie, dat u dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^lukas-5-15-16]: Kanttekening 16: het gerucht: Grieks het woord.
[^lukas-5-16-17]: Kanttekening 17: Hij vertrok in de woestijnen: Grieks Hij was vertrekkende en biddende; waarmee hier te kennen gegeven wordt, dat Hij zulks dikwijls deed. Zie hierna Luk. 6:12 , en Luk. 9:18 , 9:28 . Lukas 6:12 : En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God. Lukas 9:18 : En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben? Lukas 9:28 : En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden.
[^lukas-5-17-18]: Kanttekening 18: om hen te genezen: Namelijk van welke gesproken is vers 15 , die zich alhier vertoonden, omdat zij met een vast vertrouwen tot Christus kwamen, gelijk te zien is vers 20 . Lukas 5:15 : Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun ziekten. Lukas 5:20 : En Hij ziende hun geloof, zei tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
[^lukas-5-18-g]: Verwijzing g: Matt. 9:1 ; Mark. 2:3 ; Hand. 9:33 . Mattheüs 9:1 : En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende. Marcus 2:3 : En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd. Handelingen 9:33 : En daar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.
[^lukas-5-18-19]: Kanttekening 19: geraakt was: Grieks die de zenuwen los, of slap geworden zijn; gelijk de geraakten of beroerden gemeenlijk zijn.
[^lukas-5-19-20]: Kanttekening 20: op het dak: Van de gesteldheid van de daken bij de Joden, zie Matt. 10:27 . Mattheüs 10:27 : Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken.
[^lukas-5-19-21]: Kanttekening 21: de tichelen: Of, tegels.
[^lukas-5-20-22]: Kanttekening 22: Of, kennende.
[^lukas-5-20-23]: Kanttekening 23: hun geloof: Namelijk zo van de geraakte als van degenen, die hem brachten.
[^lukas-5-21-h]: Verwijzing h: Ps. 32:5 ; Jes. 43:25 ; Joh. 14:4 . Psalmen 32:5 : Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor YHWH; en U vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. Jesaja 43:25 : Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. Johannes 14:4 : En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u.
[^lukas-5-23-24]: Kanttekening 24: lichter te zeggen: Zie Matt. 9:5 . Mattheüs 9:5 : Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?
[^lukas-5-25-25]: Kanttekening 25: wat, daar hij op gelegen had: Namelijk het bed met zijn toebehoren.
[^lukas-5-25-26]: Kanttekening 26: Of prijzende.
[^lukas-5-26-27]: Kanttekening 27: ontzetting heeft hen allen bevangen: Of, verrukking van zinnen.
[^lukas-5-26-28]: Kanttekening 28: ongelofelijke dingen gezien: Het Griekse woord betekent dingen, die buiten gemene mening of verwachting zijn.
[^lukas-5-27-i]: Verwijzing i: Matt. 9:9 ; Mark. 2:14 ; idem v. 15 . Mattheüs 9:9 : En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Marcus 2:14 : En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Marcus 2:15 : En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
[^lukas-5-27-29]: Kanttekening 29: ging Hij uit: Namelijk naar de zee te Kapernaüm. Zie Mark. 2:1 , 2:13 . Marcus 2:1 : En na sommige dagen is Hij opnieuw binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was. Marcus 2:13 : En Hij ging opnieuw uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
[^lukas-5-27-30]: Kanttekening 30: Anders ook Mattheüs genaamd, een zoon van Alfeus. van deze gehele geschiedenis zie Matt. 9:9 ; Mark. 2:14 . Mattheüs 9:9 : En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. Marcus 2:14 : En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
[^lukas-5-29-k]: Verwijzing k: Matt. 9:10 ; Mark. 2:15 ; Lukas 15:1 . Mattheüs 9:10 : En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen. Marcus 2:15 : En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd. Lukas 15:1 : En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.
[^lukas-5-30-31]: Kanttekening 31: hun Schriftgeleerden en de Farizeeën morden: Namelijk van de scharen, die daaromtrent waren.
[^lukas-5-31-32]: Kanttekening 32: ziek zijn: Grieks die kwalijk te pas, of kwalijk gesteld zijn.
[^lukas-5-32-l]: Verwijzing l: Matt. 9:13 ; Lukas 19:10 ; 1 Tim. 1:15 . Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Lukas 19:10 : Want de Zoon van de mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. 1 Timotheüs 1:15 : Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
[^lukas-5-33-m]: Verwijzing m: Matt. 9:14 . Mattheüs 9:14 : Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet?
[^lukas-5-33-33]: Kanttekening 33: vasten de discipelen van Johannes: Namelijk met gewoon streng vasten, en dat op zekere tijden gedaan wordt.
[^lukas-5-33-34]: Kanttekening 34: eten en drinken: Dat is, leven gelijk andere gewone mensen.
[^lukas-5-34-n]: Verwijzing n: Jes. 62:5 ; 2 Kor. 11:2 . Jesaja 62:5 : Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn. 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^lukas-5-34-35]: Kanttekening 35: Grieks zonen van de bruiloftskamer. Zie Matt. 9:15 . Mattheüs 9:15 : En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.
[^lukas-5-36-36]: Kanttekening 36: Grieks parabel; waarvan zie de toeëigening Matt. 9:16 ; Mark. 2:19 . Mattheüs 9:16 : Ook zet niemand een lap niet gekrompen laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur. Marcus 2:19 : En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
[^lukas-5-37-o]: Verwijzing o: Matt. 9:17 ; Mark. 2:22 . Mattheüs 9:17 : Noch doet men nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zo barsten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide te zamen worden behouden. Marcus 2:22 : En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken barsten en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen.
[^lukas-5-39-37]: Kanttekening 37: Dat is, aangenamer , omdat men daaraan gewoon is; of, gezonder.

### Lukas 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/6.json)

*1 De discipelen plukken op de sabbat aren, en Christus verdedigt hen daarover tegen de Farizeeen. 6 Christus geneest op de sabbat een verschrompelde hand en verdedigt dit. 12 Hij bidt op de berg en kiest uit zijn discipelen er twaalf tot apostelen. 17 Hij geneest verschillende zieke en bezeten mensen. 20 Hij leert welke mensen gelukkig zijn en welke niet. 27 Hij vermaant tot liefde, zelfs tegenover de vijanden, 36 tot barmhartigheid, en tot een rechtvaardig oordeel over de naaste, 38 en ook tot weldadigheid. 41 Hij leert dat men eerst zichzelf moet onderzoeken voordat men een ander wil bestraffen, 43 en dat de boom aan zijn vruchten herkend wordt. 46 Tenslotte leert Hij met de gelijkenis van een huis dat op een rots en op zand gebouwd is, dat het niet genoeg is Hem alleen met de mond te belijden, maar dat men ook zijn wil moet doen.*

**1** [^lukas-6-1-a] En het gebeurde op de[^lukas-6-1-1] tweede eerste sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v1)

**2** En sommigen van de Farizeën zeiden tot hen: Waarom doet u,[^lukas-6-2-b] wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v2)

**3** En Jezus, hun antwoordende, zei: Hebt u ook dat niet gelezen, dat[^lukas-6-3-c] David deed, wanneer hem hongerde, en van hen, die met hem waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v3)

**4** Hoe hij ingegaan is in het[^lukas-6-4-2] huis van God, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven van hen, die met hem waren, die niet zijn geoorloofd te eten,[^lukas-6-4-d] dan alleen de priesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v4)

**5** En Hij zei tot hen:[^lukas-6-5-e] De Zoon des mensen is[^lukas-6-5-3] een Heere ook van de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v5)

**6** [^lukas-6-6-f] En het gebeurde ook op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v6)

**7** En de Schriftgeleerden en de Farizeën namen Hem waar, of Hij op de sabbat genezen zou; opdat zij enige[^lukas-6-7-4] beschuldiging tegen Hem mochten vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v7)

**8** Maar Hij kende hun[^lukas-6-8-5] gedachten, en zei tot de mens, die de verschrompelde hand had: Sta op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v8)

**9** Zo zei dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen,[^lukas-6-9-6] een mens te behouden, of te verderven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v9)

**10** En hen allen rondom[^lukas-6-10-7] aangezien hebbende, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij deed zo;[^lukas-6-10-g] en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v10)

**11** En zij werden vervuld[^lukas-6-11-8] met razernij, en spraken samen met elkaar, wat zij Jezus doen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v11)

**12** [^lukas-6-12-h] En het gebeurde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over[^lukas-6-12-9] in het gebed tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v12)

**13** [^lukas-6-13-i] En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook[^lukas-6-13-10] apostelen noemde: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v13)

**14** Namelijk Simon, die Hij[^lukas-6-14-11] ook Petrus noemde; en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v14)

**15** Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon genoemd[^lukas-6-15-12] Zelotes; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v15)

**16** Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v16)

**17** [^lukas-6-17-k] En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de menigte van Zijn discipelen, en een grote menigte van het volk van geheel Judea en Jeruzalem, en van de zeekant van Tyrus en Sidon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v17)

**18** Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v18)

**19** En al de menigte zocht Hem aan te raken;[^lukas-6-19-l] want er ging[^lukas-6-19-13] kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v19)

**20** [^lukas-6-20-m] En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zei: Zalig bent u,[^lukas-6-20-14] armen, want van uw is het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v20)

**21** [^lukas-6-21-n] Zalig bent u, die nu[^lukas-6-21-15] hongert; want u zult verzadigd worden.[^lukas-6-21-o] Zalig bent u, die nu weent; want u zult lachen.[^lukas-6-21-16] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v21)

**22** [^lukas-6-22-p] Zalig bent u, wanneer u de mensen haten, en[^lukas-6-22-17] wanneer zij u afscheiden, en[^lukas-6-22-18] smaden, en uw naam als kwaad[^lukas-6-22-19] verwerpen, omwille van de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v22)

**23** [^lukas-6-23-q] Verblijd u in die dag, en[^lukas-6-23-20] wees vrolijk; want, ziet, uw[^lukas-6-23-21] loon is[^lukas-6-23-22] groot in de hemel;[^lukas-6-23-r] want hun vaders deden evenzo de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v23)

**24** [^lukas-6-24-s] Maar wee u,[^lukas-6-24-23] u rijken, want u hebt uw troost weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v24)

**25** [^lukas-6-25-t] Wee u, die[^lukas-6-25-24] verzadigd bent, want u zult hongeren. Wee u, die nu[^lukas-6-25-25] lacht,[^lukas-6-25-v] want u zult[^lukas-6-25-26] treuren en huilen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v25)

**26** Wee u, wanneer[^lukas-6-26-27] al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden evenzo de valsen profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v26)

**27** Maar Ik zeg u, die dit hoort:[^lukas-6-27-x] Heb uw vijanden lief; doe wel van hen, die u haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v27)

**28** Zegen degenen, die u vervloeken, en[^lukas-6-28-y] bidt voor degenen, die u[^lukas-6-28-28] geweld doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v28)

**29** [^lukas-6-29-z] Degene, die u aan de wang slaat,[^lukas-6-29-29] biedt ook de andere; en degene, die u de mantel neemt, verhindert ook de rok niet te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v29)

**30** [^lukas-6-30-a] Maar geeft[^lukas-6-30-30] een ieder die van u begeert; en van degene, die het uwe neemt, eist[^lukas-6-30-31] niet weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v30)

**31** [^lukas-6-31-b] En zoals u wilt, dat u de mensen doen zullen, doet u hun ook evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v31)

**32** [^lukas-6-32-c] En als u liefhebt, die u liefhebben, wat[^lukas-6-32-32] dank hebt u? Want ook[^lukas-6-32-33] de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v32)

**33** En als u goed doet van hen, die u goed doen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars doen hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v33)

**34** [^lukas-6-34-d] En als u leent van hen, van wie u hoopt[^lukas-6-34-34] weer te ontvangen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars lenen de zondaren, opdat zij gelijkenis weer mogen ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v34)

**35** Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent,[^lukas-6-35-35] zonder iets weer te hopen; en uw loon zal[^lukas-6-35-36] groot zijn, en u zult[^lukas-6-35-e] kinderen van de[^lukas-6-35-37] Allerhoogste zijn; want Hij is[^lukas-6-35-38] goedertieren over de ondankbaren en bozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v35)

**36** Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v36)

**37** [^lukas-6-37-f] En[^lukas-6-37-39] oordeelt niet, en u zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en u zult niet verdoemd worden;[^lukas-6-37-40] laat los, en u zult losgelaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v37)

**38** [^lukas-6-38-g] Geef, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende[^lukas-6-38-41] maat zal men in[^lukas-6-38-42] uw schoot geven;[^lukas-6-38-h] want met dezelfde maat, waarmee u meet, zal u wedergemeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v38)

**39** En Hij zei tot hen een gelijkenis:[^lukas-6-39-i] Kan ook wel een blinde een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v39)

**40** [^lukas-6-40-k] De discipel is niet boven zijn[^lukas-6-40-43] meester; maar ieder[^lukas-6-40-44] volmaakt discipel zal zijn zoals zijn meester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v40)

**41** [^lukas-6-41-l] En wat ziet u de[^lukas-6-41-45] splinter, die in het oog van uw broeder is, en de balk, die in uw eigen oog is, merkt u niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v41)

**42** Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik de splinter, die in uw oog is,[^lukas-6-42-46] uitdoe; daar u zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? U geveinsde![^lukas-6-42-m] doe eerst de balk uit uw oog, en dan zult u bekijken, om de splinter uit te doen, die in het oog van uw broeder is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v42)

**43** [^lukas-6-43-n] Want het is geen goede boom, die kwade vrucht[^lukas-6-43-47] voortbrengt, en geen[^lukas-6-43-48] kwade boom, die goede vrucht voortbrengt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v43)

**44** Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend;[^lukas-6-44-o] want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v44)

**45** [^lukas-6-45-p] De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; en de kwade mens[^lukas-6-45-49] brengt het kwade voort uit de kwade schat van zijn hart;[^lukas-6-45-q] want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v45)

**46** [^lukas-6-46-r] En wat noemt u Mij, Heere, Heere! en doet niet wat Ik zeg? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v46)

**47** [^lukas-6-47-s] Een ieder die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en die doet, Ik zal u tonen, wie hij gelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v47)

**48** Hij is gelijk aan een mens, die een huis bouwde, en groef,[^lukas-6-48-50] en verdiepte, en legde het fundament op een steenrots; als nu[^lukas-6-48-51] de hoge vloed kwam, zo[^lukas-6-48-52] sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v48)

**49** Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; tegen dat de waterstroom aansloeg, en het viel meteen, en[^lukas-6-49-53] de val van dat huis was groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/6.html#v49)

[^lukas-6-1-a]: Verwijzing a: Deut. 23:25 ; Matt. 12:1 ; Mark. 2:23 . Deuteronomium 23:25 : Wanneer u zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan uws naasten staande koren niet bewegen. Mattheüs 12:1 : In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. Marcus 2:23 : En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.
[^lukas-6-1-1]: Kanttekening 1: tweede eerste sabbat: Deze sabbat wordt genaamd de tweede eerste, omdat, gelijk voorname leraars menen, het eerste sabbat was na de tweede dag van pasen, waarvan men zeven sabbaten moest rekenen tot het pinksteren, Lev. 23:15 , van welke zeven sabbaten deze de eerste was, welke de Joden nog hedendaags noemen de eerste sabbat na de tweede dag. Want dat ook omtrent die tijd in het Joodse land de aren groot waren, blijkt Lev. 23:10 ; Deut. 16:9 . Anderen menen dat het geweest is de laatste dag van het paasfeest, die een bijzondere rustdag was, zowel als de eerste, Num. 28:25 , gelijk de laatste dag van het feest van de tenten de grote dag van dat feest genaamd wordt, Joh. 7:37 . Maar anderen menen dat hij zo genaamd wordt, omdat hij geweest zou zijn de sabbat in het tweede grote feest, namelijk van pinksteren, op welke de eerstelingen van de rijpe vruchten opgeofferd werden, Ex. 34:22 . Leviticus 23:15 : Daarna zult u u tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de garf van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; Leviticus 23:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een garf van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen. Deuteronomium 16:9 : Zeven weken zult u u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen. Numeri 28:25 : En op de zevende dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Exodus 34:22 : Het feest van de weken zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is.
[^lukas-6-2-b]: Verwijzing b: Ex. 20:10 . Exodus 20:10 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH uws Gods; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
[^lukas-6-3-c]: Verwijzing c: 1 Sam. 21:6 . 1 Samuël 21:6 : Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van YHWH weggenomen waren, dat men er warm brood legde, op de dag als dat weggenomen werd.
[^lukas-6-4-2]: Kanttekening 2: huis van God: Zie van het huis van God en van de toonbroden de aantekeningen Matt. 12:4 . Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen.
[^lukas-6-4-d]: Verwijzing d: Lev. 24:9 . Leviticus 24:9 : En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuurofferen van YHWH, een eeuwige inzetting.
[^lukas-6-5-e]: Verwijzing e: Matt. 12:8 ; Mark. 2:28 . Mattheüs 12:8 : Want de Zoon van de mensen is een Heer ook van de sabbat. Marcus 2:28 : Zo is dan de Zoon van de mensen een Heer ook van de sabbat.
[^lukas-6-5-3]: Kanttekening 3: een Heer ook van de sabbat: Zie hiervan de verklaring Matt. 12:8 . Mattheüs 12:8 : Want de Zoon van de mensen is een Heer ook van de sabbat.
[^lukas-6-6-f]: Verwijzing f: Matt. 12:9 ; Mark. 3:1 . Mattheüs 12:9 : En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. Marcus 3:1 : En Hij ging opnieuw in de synagoge; en daar was een mens, hebbende een verdorde hand.
[^lukas-6-7-4]: Kanttekening 4: beschuldiging tegen Hem: Grieks zijne beschuldiging; dat is, enige stof of aanleiding van beschuldiging, om daarmede Hem als een overtreder van de wet bij het volk verdacht te maken.
[^lukas-6-8-5]: Kanttekening 5: Of, overleggingen.
[^lukas-6-9-6]: Kanttekening 6: een mens: Grieks een ziel; dat is een mens. Ene wijze van spreken, waardoor een deel voor het geheel wordt genomen. Want wie een mens niet helpt als hij kan, die is schuldig aan zijn verderf.
[^lukas-6-10-7]: Kanttekening 7: aangezien hebbende: Namelijk met toorn. Zie Mark. 3:5 . Marcus 3:5 : En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
[^lukas-6-10-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 13:6 . 1 Koningen 13:6 : Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van YHWH, uws Gods, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van YHWH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd gelijk te voren.
[^lukas-6-11-8]: Kanttekening 8: met uitzinnigheid: Dat is met een razenden haat.
[^lukas-6-12-h]: Verwijzing h: Matt. 14:23 . Mattheüs 14:23 : En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op de berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
[^lukas-6-12-9]: Kanttekening 9: in het gebed tot God: Grieks in het gebed Gods; namelijk om zich door het gebed tot het verkiezen van zijne apostelen voor te bereiden, gelijk de apostelen ook naar dit voorbeeld gedaan hebben, Hand. 13:3 . Handelingen 13:3 : Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.
[^lukas-6-13-i]: Verwijzing i: Matt. 10:1 ; Mark. 3:13 ; Mark. 6:7 ; Lukas 9:1 . Mattheüs 10:1 : En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelfde uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwalen te genezen. Marcus 3:13 : En Hij klom op de berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. Marcus 6:7 : En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten. Lukas 9:1 : En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.
[^lukas-6-13-10]: Kanttekening 10: apostelen noemde: Dat is, afgezondenen, of gezanten, omdat zij van Hem eerst door het Joodse land, Matt. 10 ;6, en daarna in de wereld uitgezonden zouden worden om het Evangelie te prediken.
[^lukas-6-14-11]: Kanttekening 11: Petrus noemde: Waarom hij zo toegenaamd is geworden, zie Mark. 3:16 , en heeft ook deze toenaam gediend om hem te onderscheiden van de tweede Simon, die ook daarom hier toegenaamd wordt, Zelotes, vers 15 . Zie Matt. 10:4 . Marcus 3:16 : En Simon gaf Hij de toenaam Petrus; Lukas 6:15 : Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon genaamd Zelotes; Mattheüs 10:4 : Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
[^lukas-6-15-12]: Kanttekening 12: Dat is, ijveraar; zie Matt. 10:4 . Mattheüs 10:4 : Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
[^lukas-6-17-k]: Verwijzing k: Matt. 4:25 ; Mark. 3:7 . Mattheüs 4:25 : En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan. Marcus 3:7 : En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea,
[^lukas-6-19-l]: Verwijzing l: Mark. 5:30 . Marcus 5:30 : En meteen Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?
[^lukas-6-19-13]: Kanttekening 13: kracht van Hem uit: Dat is, Hij bewees aan haar Zijn goddelijke kracht, waardoor Hij haar genas. Zie Mark. 5:30 . Marcus 5:30 : En meteen Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?
[^lukas-6-20-m]: Verwijzing m: Matt. 5:2 . Mattheüs 5:2 : En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
[^lukas-6-20-14]: Kanttekening 14: Namelijk van geest. Zie Matt. 5:3 . Mattheüs 5:3 : Zalig zijn de armen van geest; want hun is het Koninkrijk van de hemelen.
[^lukas-6-21-n]: Verwijzing n: Jes. 65:13 . Jesaja 65:13 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, maar u zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn.
[^lukas-6-21-15]: Kanttekening 15: Namelijk naar de gerechtigheid, Matt. 5:6 . Mattheüs 5:6 : Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
[^lukas-6-21-o]: Verwijzing o: Jes. 61:3 ; Jes. 66:10 . Jesaja 61:3 : Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van de lof voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting van YHWH, opdat Hij verheerlijkt worde. Jesaja 66:10 : Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, u allen, die over haar zijt treurig geweest!
[^lukas-6-21-16]: Kanttekening 16: Namelijk lijdende omwille van Christus en van het Evangelie van Christus, gelijk blijkt uit vers 22 . Lukas 6:22 : Zalig bent u, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, omwille van de Zoon van de mensen.
[^lukas-6-22-p]: Verwijzing p: Matt. 5:11 ; 1 Petr. 2:19 ; 1 Petr. 3:14 ; 1 Petr. 4:14 . Mattheüs 5:11 : Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. 1 Petrus 2:19 : Want dat is genade, als iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. 1 Petrus 3:14 : Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd; 1 Petrus 4:14 : Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt.
[^lukas-6-22-17]: Kanttekening 17: wanneer zij u afscheiden: Of, afsnijden; namelijk van hunne vergaderingen en gezelschappen. Zie Joh. 16:2 . Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een ieder, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen.
[^lukas-6-22-18]: Kanttekening 18: Namelijk als goddelozen of ketters.
[^lukas-6-22-19]: Kanttekening 19: Of, uitdoen. Grieks uitwerpen.
[^lukas-6-23-q]: Verwijzing q: Hand. 5:41 . Handelingen 5:41 : Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden.
[^lukas-6-23-20]: Kanttekening 20: zijt vrolijk: Grieks springt op; namelijk van vreugde.
[^lukas-6-23-21]: Kanttekening 21: loon is: Van dit loon, zie Matt. 5:12 . Mattheüs 5:12 : Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^lukas-6-23-22]: Kanttekening 22: Grieks veel.
[^lukas-6-23-r]: Verwijzing r: Hand. 7:51 . Handelingen 7:51 : U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u.
[^lukas-6-24-s]: Verwijzing s: Amos 6:1 ; idem v. 8 . Amos 6:1 : Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen van de volken, en tot wie die van het huis van Israël komen. Amos 6:8 : De Heer YHWH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt YHWH, de God van de heirscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.
[^lukas-6-24-23]: Kanttekening 23: u rijken: Dat is, die u op uw rijkdom verlaat, en uw troost daarin zoekt, Mark. 10:24 . Marcus 10:24 : En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan!
[^lukas-6-25-t]: Verwijzing t: Jes. 65:13 . Jesaja 65:13 : Daarom zegt de Heer YHWH zo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, maar u zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn.
[^lukas-6-25-24]: Kanttekening 24: verzadigd zijt: Grieks vervuld; dat is, die uw lust hebt in uw lichaam met voedsel en drank op te vullen. Zie Jak. 5:5 . Jakobus 5:5 : U hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; u hebt uw harten gevoed als in een dag van de slachting.
[^lukas-6-25-25]: Kanttekening 25: Dat is, die uw vermaak hebt in allerlei wereldse blijdschap, Joh. 16:20 , en in de verdrukking van de vromen, Openb. 11:10 . Johannes 16:20 : Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u zult huilen, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet zal tot blijdschap worden. Openbaring 11:10 : En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkaar geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
[^lukas-6-25-v]: Verwijzing v: Jak. 4:9 ; Jak. 5:1 . Jakobus 4:9 : Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid. Jakobus 5:1 : Welaan nu, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.
[^lukas-6-25-26]: Kanttekening 26: treuren en wenen: Namelijk eeuwig. Jak. 5:1 . Jakobus 5:1 : Welaan nu, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.
[^lukas-6-26-27]: Kanttekening 27: al de mensen wel van u spreken: Namelijk de wereldse mensen, Joh. 15:19 ; als u hun zoudt zoeken te behagen en gelijk te zijn, Gal. 1:10 . Johannes 15:19 : Als u van de wereld was, zo zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Galaten 1:10 : Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienaar van Christus.
[^lukas-6-27-x]: Verwijzing x: Ex. 23:4 ; Spreuk. 25:21 ; Matt. 5:44 ; Rom. 12:20 ; 1 Kor. 4:12 . Exodus 23:4 : Wanneer u uws vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde ganselijk wederbrengen. Spreuken 25:21 : Als dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Romeinen 12:20 : Als dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; als hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult u kolen vuurs op zijn hoofd hopen. 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;
[^lukas-6-28-y]: Verwijzing y: Lukas 23:34 ; Hand. 7:60 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Handelingen 7:60 : En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
[^lukas-6-28-28]: Kanttekening 28: geweld doen: Of, lasteren; gelijk 1 Petr. 2:16 . 1 Petrus 2:16 : Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel van de boosheid, maar als dienaren van God.
[^lukas-6-29-z]: Verwijzing z: 1 Kor. 6:7 . 1 Korinthiërs 6:7 : Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade?
[^lukas-6-29-29]: Kanttekening 29: biedt ook de andere: Namelijk liever dan dat u uzelven zoudt wreken, of kwaad met kwaad vergelden.
[^lukas-6-30-a]: Verwijzing a: Deut. 15:7 ; Matt. 5:42 . Deuteronomium 15:7 : Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broers, in een uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is; Mattheüs 5:42 : Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.
[^lukas-6-30-30]: Kanttekening 30: een ieder, die van u begeert: Dit moet verstaan worden van de rechte armen, die gebrek lijden, welke wij ook geven moeten naar ons vermogen. Zie hiervan de regel van Paulus, 2 Kor. 8:12 , 8:13 , 8:14 . 2 Korinthiërs 8:12 : Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is, zo is iemand aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft. 2 Korinthiërs 8:13 : Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en u verdrukking; 2 Korinthiërs 8:14 : Maar opdat uit gelijkheid, in deze tegenwoordige tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.
[^lukas-6-30-31]: Kanttekening 31: eist niet weer: Namelijk zo daardoor de liefde van de naasten zou worden gekwetst, of aan anderen ergernis gegeven, 1 Kor. 6:7 . 1 Korinthiërs 6:7 : Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade?
[^lukas-6-31-b]: Verwijzing b: Matt. 7:12 . Mattheüs 7:12 : Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook zo; want dat is de wet en de profeten.
[^lukas-6-32-c]: Verwijzing c: Matt. 5:46 . Mattheüs 5:46 : Want als u liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
[^lukas-6-32-32]: Kanttekening 32: dank hebt u: Of, genade; dat is genadige weldaad of vergelding van God.
[^lukas-6-32-33]: Kanttekening 33: de zondaars hebben lief degenen: Dat is openbare en grote zondaars, hoedanige gehouden werden de tollenaars, die in de plaats derzelve, Matt. 5:46 , 5:47 , gesteld worden. Mattheüs 5:46 : Want als u liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? Mattheüs 5:47 : En als u uw broers alleen groet, wat doet u boven anderen? Doen ook niet de tollenaars zo?
[^lukas-6-34-d]: Verwijzing d: Deut. 15:8 ; Matt. 5:42 . Deuteronomium 15:8 : Maar u zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. Mattheüs 5:42 : Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.
[^lukas-6-34-34]: Kanttekening 34: weer te ontvangen: Namelijk het geleende geld, of dergelijke vriendschap waneer u zulks nodig zoudt hebben, gelijk uit de volgende woorden in het einde van vers 34 blijkt. Lukas 6:34 : En als u leent dengenen, van welke u hoopt weer te ontvangen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars lenen de zondaren, opdat zij gelijkenis weer mogen ontvangen.
[^lukas-6-35-35]: Kanttekening 35: zonder iets weer te hopen: Of, zonder daarvan iets te hopen; dat is, niet alleen dengenen, die u hoopt dat het zullen wedergeven, of dergelijke vriendschap wederdoen, maar ook dengenen waarvan u die hoop niet hebt; gelijk hij hier ook gebiedt niet alleen de vrienden, maar ook de vijanden lief te hebben.
[^lukas-6-35-36]: Kanttekening 36: Grieks veel.
[^lukas-6-35-e]: Verwijzing e: Matt. 5:45 . Mattheüs 5:45 : Opdat u mag kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
[^lukas-6-35-37]: Kanttekening 37: Dat is, tonen metterdaad dat u het bent.
[^lukas-6-35-38]: Kanttekening 38: Of, weldadig.
[^lukas-6-37-f]: Verwijzing f: Matt. 7:1 ; Rom. 2:1 ; 1 Kor. 4:5 . Mattheüs 7:1 : Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Romeinen 2:1 : Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelven; want u, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. 1 Korinthiërs 4:5 : Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal een iedereen lof hebben van God.
[^lukas-6-37-39]: Kanttekening 39: oordeelt niet: Namelijk lichtvaardig of verkeerd, gelijk Matt. 7:1 . Mattheüs 7:1 : Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt.
[^lukas-6-37-40]: Kanttekening 40: laat los: Of, vergeeft, en u zal vergeven worden.
[^lukas-6-38-g]: Verwijzing g: Spreuk. 10:22 ; Spreuk. 19:17 . Spreuken 10:22 : De zegen van YHWH, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij. Spreuken 19:17 : Die zich van de armen ontfermt, leent YHWH, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
[^lukas-6-38-41]: Kanttekening 41: maat zal men in: Ene gelijkenis, genomen van het meten van droge waren, als men elk het zijne ruim wil toemeten.
[^lukas-6-38-42]: Kanttekening 42: uw schoot geven: Ene manier van spreken, genomen van de wijze van de volken in het Oosten, die lange wijde kleren droegen, waarin zij ontvangen konden wat hun gegeven werd; Ps. 79:12 ; Jer. 32:18 . Psalmen 79:12 : En geef onze naburen zevenvoudig weer in hun schoot hun smaad, waarmee zij U, o Heer! gesmaad hebben. Jeremia 32:18 : U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is YHWH van de heirscharen!
[^lukas-6-38-h]: Verwijzing h: Matt. 7:2 ; Mark. 4:24 . Mattheüs 7:2 : Want met welk oordeel u oordeelt, zult u geoordeeld worden; en met welke mate u meet, zal u wedergemeten worden. Marcus 4:24 : En Hij zei tot hen: Ziet, wat u hoort. Met wat mate u meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
[^lukas-6-39-i]: Verwijzing i: Jes. 42:19 ; Matt. 15:14 . Jesaja 42:19 : Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van YHWH? Mattheüs 15:14 : Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
[^lukas-6-40-k]: Verwijzing k: Matt. 10:24 ; Joh. 13:16 ; Joh. 15:20 . Mattheüs 10:24 : De discipel is niet boven de meester, noch de dienaar boven zijn heer. Johannes 13:16 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. Johannes 15:20 : Gedenk van het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
[^lukas-6-40-43]: Kanttekening 43: Grieks leraar, of leermeester.
[^lukas-6-40-44]: Kanttekening 44: Dat is, een oprecht, waar en getrouw discipel.
[^lukas-6-41-l]: Verwijzing l: Matt. 7:3 . Mattheüs 7:3 : En wat ziet u de splinter, die in het oog uws broeders is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet?
[^lukas-6-41-45]: Kanttekening 45: Wat door de splinter en de balk verstaan wordt, zie Matt. 7:3 . Mattheüs 7:3 : En wat ziet u de splinter, die in het oog uws broeders is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet?
[^lukas-6-42-46]: Kanttekening 46: Grieks uitwerpe.
[^lukas-6-42-m]: Verwijzing m: Spreuk. 18:17 . Spreuken 18:17 : Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.
[^lukas-6-43-n]: Verwijzing n: Matt. 7:17 ; Matt. 12:33 . Mattheüs 7:17 : Zo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Mattheüs 12:33 : Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.
[^lukas-6-43-47]: Kanttekening 47: Grieks maakt.
[^lukas-6-43-48]: Kanttekening 48: kwade boom: Grieks verrotte.
[^lukas-6-44-o]: Verwijzing o: Matt. 7:16 . Mattheüs 7:16 : Aan hun vruchten zult u hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
[^lukas-6-45-p]: Verwijzing p: Matt. 12:35 . Mattheüs 12:35 : De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van de harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat.
[^lukas-6-45-49]: Kanttekening 49: brengt het kwade voort: Namelijk gemeenlijk, of voor het merendeel. Want de huichelaars spreken anders dikwijls wat zij niet menen, hoewel hunne geveinsdheid veeltijds aan de dag komt.
[^lukas-6-45-q]: Verwijzing q: Matt. 12:34 . Mattheüs 12:34 : U adderengebroed! hoe kunt u goede dingen spreken, daar u boos bent? want uit de overvloed van de harten spreekt de mond.
[^lukas-6-46-r]: Verwijzing r: Mal. 1:6 ; Matt. 7:21 ; Matt. 25:11 ; Lukas 13:25 ; Rom. 2:13 ; Jak. 1:22 . Maleachi 1:6 : Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik één Heer, waar is Mijn vreze? zegt YHWH van de heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam? Mattheüs 7:21 : Niet een iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal ingaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 25:11 : Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open! Lukas 13:25 : Namelijk nadat de Heer van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, Heer, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar u bent. Romeinen 2:13 : (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden; Jakobus 1:22 : En zijt daders van het Woord, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.
[^lukas-6-47-s]: Verwijzing s: Matt. 7:24 . Mattheüs 7:24 : Een iedereen dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelfde doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;
[^lukas-6-48-50]: Kanttekening 50: en verdiepte: Dat is, groef diep, namelijk om te vaster fondament te leggen.
[^lukas-6-48-51]: Kanttekening 51: de hoge vloed kwam: Grieks de volle vloed; waardoor, alsook door de stromen, verstaan worden de verleidingen, verzoekingen, verdrukkingen en vervolgingen, Matt. 13:21 . Mattheüs 13:21 : Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd.
[^lukas-6-48-52]: Kanttekening 52: Grieks brak.
[^lukas-6-49-53]: Kanttekening 53: de val van datzelve huis was groot: Grieks de breuk, of scheur.

### Lukas 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/7.json)

*1 Christus geneest de knecht van een hoofdman te Kapernaum, wiens geloof Hij boven alle andere prijst. 11 Hij wekt de zoon van een weduwe te Nain uit de dood op. 18 Hij beantwoordt de vraag van de discipelen van Johannes en bewijst uit zijn eigen leer en werken dat Hij de Messias is. 24 Hij geeft een heerlijk getuigenis over de persoon en de taak van Johannes, 29 waarover het volk God prijst, maar de Farizeeen verachten de raad van God. 31 Met de gelijkenis van het doen van de kinderen op straat verwijt Hij de Joden hun onbekeerlijkheid. 36 Hij eet bij Simon de Farizeeer, waar een zondares zijn voeten met haar tranen nat maakt; daaraan ergert Simon zich, en Christus verdedigt haar met de gelijkenis van twee schuldenaars.*

**1** Nadat Hij nu al Zijn woorden[^lukas-7-1-1] voltooid had,[^lukas-7-1-2] ten aanhore van het[^lukas-7-1-a] volk, ging Hij in te Kapernaüm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v1)

**2** En een dienaar van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer[^lukas-7-2-3] waard was, ziek zijnde, lag op zijn sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v2)

**3** En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de[^lukas-7-3-4] ouderlingen van de Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienaar[^lukas-7-3-5] gezond maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v3)

**4** Deze nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem[^lukas-7-4-6] ernstig, zeggende: Hij is waard,[^lukas-7-4-7] dat U hem dat doet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v4)

**5** Want hij heeft[^lukas-7-5-8] ons volk lief, en heeft zelf ons de[^lukas-7-5-9] synagoge gebouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v5)

**6** En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en[^lukas-7-6-10] zei tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zou inkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v6)

**7** Daarom heb ik ook mijzelf niet waard geacht, om tot U te komen; maar[^lukas-7-7-11] zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v7)

**8** Want ik ben ook een mens,[^lukas-7-8-12] onder de macht van anderen gesteld, hebbende soldaten onder mij, en ik zeg tot deze: Ga, en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v8)

**9** En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zei tot de menigte, die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zo groot een geloof zelfs[^lukas-7-9-13] in Israël niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v9)

**10** En die gezonden waren, teruggekeerd zijnde in het huis, vonden de zieke dienaar gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v10)

**11** En het gebeurde op de volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genoemd[^lukas-7-11-14] Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v11)

**12** En als Hij de[^lukas-7-12-15] poort van de stad naderde, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe en een grote menigte van de stad was met haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v12)

**13** En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar:[^lukas-7-13-16] Ween niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v13)

**14** En Hij ging toe, en raakte[^lukas-7-14-17] de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg u,[^lukas-7-14-b] sta op! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v14)

**15** En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v15)

**16** En vrees beving hen allen, en zij[^lukas-7-16-18] verheerlijkten God, zeggende:[^lukas-7-16-c] Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en[^lukas-7-16-d] God heeft Zijn volk[^lukas-7-16-19] bezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v16)

**17** En dit[^lukas-7-17-20] gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v17)

**18** [^lukas-7-18-e] En de discipelen van Johannes[^lukas-7-18-21] boodschapten hem van al deze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v18)

**19** En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Bent U Degene,[^lukas-7-19-22] Die komen zou, of verwachten wij een anderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v19)

**20** En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden,[^lukas-7-20-23] zeggende: Bent U, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v20)

**21** En op dat moment genas Hij er velen van ziekten en[^lukas-7-21-24] kwalen, en boze geesten; en velen blinden[^lukas-7-21-25] gaf Hij het gezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v21)

**22** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ga heen, en boodschapt Johannes weer de dingen, die u gezien en gehoord hebt,[^lukas-7-22-f] namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, de armen het Evangelie verkondigd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v22)

**23** En zalig is hij, die[^lukas-7-23-26] aan Mij niet zal struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v23)

**24** [^lukas-7-24-g] Als nu[^lukas-7-24-27] de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de menigten van Johannes te zeggen: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v24)

**25** Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een mens, met zachte kleren bekleed? Zie, die in heerlijke kleding en hartstocht zijn, die zijn in de koninklijke hoven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v25)

**26** Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v26)

**27** Deze is het, van welke geschreven is:[^lukas-7-27-h] Zie, Ik zend Mijn engel voor uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v27)

**28** Want Ik zeg u: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de[^lukas-7-28-28] minste in het Koninkrijk van God is meerder dan hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v28)

**29** En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met de doop van Johannes gedoopt waren,[^lukas-7-29-29] rechtvaardigden God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v29)

**30** Maar de Farizeën en de wetgeleerden hebben[^lukas-7-30-30] de raad van God[^lukas-7-30-31] tegen zichzelf[^lukas-7-30-32] verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v30)

**31** [^lukas-7-31-i] En de Heere zei: Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wie zijn zij gelijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v31)

**32** Zij zijn[^lukas-7-32-33] gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkaar toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en u hebt niet geweend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v32)

**33** [^lukas-7-33-k]Want Johannes de Doper is gekomen,[^lukas-7-33-34] noch brood etende, noch wijn drinkende; en u zegt: Hij heeft de duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v33)

**34** De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en u zegt: Zie daar, een Mens,[^lukas-7-34-35] Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v34)

**35** Maar de wijsheid is[^lukas-7-35-36] gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v35)

**36** [^lukas-7-36-l] En één van de Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in van de Farizeër huis, zat Hij aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v36)

**37** En ziet, een vrouw in de stad, die[^lukas-7-37-37] een zondares was, verstaande, dat Hij in van de Farizeër huis aanzat, bracht[^lukas-7-37-38] een albasten fles met zalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v37)

**38** En staande achter Zijn voeten,[^lukas-7-38-39] huilend, begon zij Zijn[^lukas-7-38-40] voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v38)

**39** En de Farizeër, die Hem uitgenodigd had, dat ziende, sprak bij zichzelf, zeggende:[^lukas-7-39-m] Deze, als Hij een profeet was, zou wel weten, wat en zoals vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v39)

**40** En Jezus antwoordende, zei tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v40)

**41** Jezus[^lukas-7-41-41] zei: Een zeker[^lukas-7-41-42] schuldheer had twee schuldenaars; de één was schuldig vijfhonderd[^lukas-7-41-43] penningen, en de andere vijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v41)

**42** En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v42)

**43** En Simon, antwoordende, zei: Ik acht, dat hij het is, die hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zei tot hem: U hebt recht geoordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v43)

**44** En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zei tot Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen;[^lukas-7-44-44] water hebt u niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v44)

**45** U hebt Mij geen kus gegeven; maar deze,[^lukas-7-45-45] van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v45)

**46** Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v46)

**47** Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren;[^lukas-7-47-46] want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v47)

**48** En Hij zei tot haar:[^lukas-7-48-n] Uw zonden zijn u vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v48)

**49** En die mee aanzaten, begonnen te zeggen[^lukas-7-49-47] bij zichzelf:[^lukas-7-49-o] Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v49)

**50** Maar Hij zei tot de vrouw: Uw[^lukas-7-50-48] geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/7.html#v50)

[^lukas-7-1-1]: Kanttekening 1: voltooid had: Grieks vervuld.
[^lukas-7-1-2]: Kanttekening 2: ten aanhore van het volk: Grieks in het gehoor.
[^lukas-7-1-a]: Verwijzing a: Matt. 8:5 . Mattheüs 8:5 : Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,
[^lukas-7-2-3]: Kanttekening 3: waard was: Grieks dierbaar; namelijk vanwege zijn getrouwe diensten.
[^lukas-7-3-4]: Kanttekening 4: ouderlingen van de Joden: Deze ouderlingen waren de aanzienlijksten van het volk, die in die tijd gebruikt werden in elke stad om het burgerlijke of de kerk te regeren. Zie Matt. 26:3 . Mattheüs 26:3 : Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het volk, in de zaal van de hogepriester, die genaamd was Kajafas;
[^lukas-7-3-5]: Kanttekening 5: gezond maken: Grieks behouden; namelijk bij het leven.
[^lukas-7-4-6]: Kanttekening 6: Grieks vlijtiglijk, naarstiglijk.
[^lukas-7-4-7]: Kanttekening 7: dat U hem dat doet: Of, die U dat doen zult. Anders, die men dat doen zou.
[^lukas-7-5-8]: Kanttekening 8: ons volk lief: Namelijk de Joden, waaruit blijkt dat hij een heiden was, alsook uit vers 9 . Lukas 7:9 : En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zei tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden.
[^lukas-7-5-9]: Kanttekening 9: synagoge gebouwd: Van de synagogen, zie Matt. 4:23 . Mattheüs 4:23 : En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk.
[^lukas-7-6-10]: Kanttekening 10: zei tot Hem: Dat is, liet zeggen door deze zijne vrienden. Zo kan ook verstaan worden wat gezegd wordt bij Matt. 8:6 , enz., dat hij zelf heeft gedaan wat hij door zijne vrienden heeft laten doen. Mattheüs 8:6 : En zeggende: Heer! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.
[^lukas-7-7-11]: Kanttekening 11: zeg het met een woord: Dat is, gebied of beveel alleen met een woord, dat mijn knecht gezond worde. Zie Matt. 8:8 . Mattheüs 8:8 : En de hoofdman over honderd, antwoordende, zei: Heer! ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden.
[^lukas-7-8-12]: Kanttekening 12: onder de macht van anderen gesteld: Wat hij hiermede wil zeggen, zie de aantekeningen Matt. 8:9 . Mattheüs 8:9 : Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot deze: Ga! en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.
[^lukas-7-9-13]: Kanttekening 13: in Israël niet gevonden: Dat is, onder de Israëlieten.
[^lukas-7-11-14]: Kanttekening 14: Dit was een stad in Galilea, gelegen aan de voet van de berg Hermon, bij de beek Kison, die in de Galilese zee uitloopt.
[^lukas-7-12-15]: Kanttekening 15: poort van de stad genaakte: Eertijds werden de doden, zo bij de Joden als andere volken, buiten de steden begraven, gelijk ook Christus in een hof buiten de stad begraven is geweest, Joh. 19:41 , en gelijk nog op sommigen plaatsen geschiedt. Zie ook Gen. 23:19 , en Gen. 50:13 . Johannes 19:41 : En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in de hof een nieuw graf, in dat nog nooit iemand gelegd was geweest. Genesis 23:19 : En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. Genesis 50:13 : Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de spelonk van de akker van Machpela, welke Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover Mamre.
[^lukas-7-13-16]: Kanttekening 16: Ween niet: Daarmede wil Christus niet verbieden allerlei wenen over de doden, 1 Thess. 4:13 , maar te kennen geven dat Hij de oorzaak van hun wenen wilde wegnemen. 1 Thessalonicensen 4:13 : Maar, broers, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
[^lukas-7-14-17]: Kanttekening 17: de baar aan: Of, doodkist.
[^lukas-7-14-b]: Verwijzing b: Hand. 9:40 . Handelingen 9:40 : Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zei hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind.
[^lukas-7-16-18]: Kanttekening 18: verheerlijkten God: Dat is, prezen, loofden.
[^lukas-7-16-c]: Verwijzing c: Lukas 24:19 ; Joh. 4:19 ; Joh. 6:14 ; Joh. 9:17 . Lukas 24:19 : En Hij zei tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. Johannes 4:19 : De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie, dat U een profeet bent. Johannes 6:14 : De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. Johannes 9:17 : Zij zeiden opnieuw tot de blinde: U, wat zegt u van Hem; omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een Profeet.
[^lukas-7-16-d]: Verwijzing d: Lukas 1:68 . Lukas 1:68 : Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk;
[^lukas-7-16-19]: Kanttekening 19: Namelijk ten goede om het te verlossen; Ex. 4:31 . Exodus 4:31 : En het volk geloofde, en zij hoorden, dat YHWH de kinderen van Israël bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.
[^lukas-7-17-20]: Kanttekening 20: dit gerucht: Grieks dit woord.
[^lukas-7-18-e]: Verwijzing e: Matt. 11:2 . Mattheüs 11:2 : En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;
[^lukas-7-18-21]: Kanttekening 21: hem van al deze dingen: Grieks en Johannes boodschapten zijne discipelen.
[^lukas-7-19-22]: Kanttekening 22: Die komen zou: Dat is, de Messias. De oorzaak van deze vraag, zie Matt. 11:3 . Mattheüs 11:3 : En zei tot hem: Zijt U Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?
[^lukas-7-20-23]: Kanttekening 23: Dat is, om u te laten zeggen en vragen.
[^lukas-7-21-24]: Kanttekening 24: Grieks gesels. Zie Mark. 3:10 . Marcus 3:10 : Want Hij had er velen genezen, zo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
[^lukas-7-21-25]: Kanttekening 25: gaf Hij het gezicht: Grieks schonk hij genadiglijk het zien.
[^lukas-7-22-f]: Verwijzing f: Jes. 29:18 ; Jes. 35:5 ; Jes. 61:1 . Jesaja 29:18 : En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. Jesaja 35:5 : Alsdan zullen van de blinden ogen opengedaan worden, en van de doven oren zullen geopend worden. Jesaja 61:1 : De Geest van de Heer YHWH is op Mij, omdat YHWH Mij gezalfd heeft, om een blij boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis;
[^lukas-7-23-26]: Kanttekening 26: aan Mij niet zal geërgerd worden: Grieks in mij. Zie Matt. 11:6 . Mattheüs 11:6 : En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
[^lukas-7-24-g]: Verwijzing g: Matt. 11:7 . Mattheüs 11:7 : Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt?
[^lukas-7-24-27]: Kanttekening 27: de boden van Johannes: Of, gezondenen. Van deze gehele getuigenis van Christus aangaande Johannes de Doper, zie de aantekeningen Matt. 11:7 , en vervolgens. Mattheüs 11:7 : Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt?
[^lukas-7-27-h]: Verwijzing h: Mal. 3:1 ; Mark. 1:2 . Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Wie u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de heirscharen. Marcus 1:2 : Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
[^lukas-7-28-28]: Kanttekening 28: de minste: Grieks de mindere.
[^lukas-7-29-29]: Kanttekening 29: rechtvaardigden God: Dat is, erkenden en prezen zijne rechtvaardigheid, goedigheid, trouw en waarheid, gelijk vers 35 . Lukas 7:35 : Maar de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen.
[^lukas-7-30-30]: Kanttekening 30: de raad van God: Dat is, de middelen, die God naar zijn wijzen raad verordineerd heeft in het nieuwe verbond, om daardoor de mensen ter zaligheid te brengen. Zie Spreuk. 1:25 , 1:30 ; Hand. 20:27 ; Hebr. 12:25 . Anders blijft altijd vast de raad, dat is het besluit Gods over de zaligheid van zijn uitverkorenen, Matt. 24:24 ; Rom. 8:28 , 8:29 ; Hebr. 6:13 , enz. Spreuken 1:25 : En u al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; Spreuken 1:30 : Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; Handelingen 20:27 : Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad van God. Hebreeën 12:25 : Ziet toe, dat u Die, Die spreekt, niet verwerpt; want als deze niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvluchten, zo wij ons van Die afkeren, Die van de hemelen is; Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Romeinen 8:28 : En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broers. Hebreeën 6:13 : Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
[^lukas-7-30-31]: Kanttekening 31: tegen zichzelven: Dat is tot hun eigen schade en verderf.
[^lukas-7-30-32]: Kanttekening 32: Of, teniet gedaan. Of, krachteloos gemaakt; namelijk door het moedwillig verachten van de middelen, die God tot zaligheid van de mensen heeft bestemd.
[^lukas-7-31-i]: Verwijzing i: Matt. 11:16 . Mattheüs 11:16 : Maar waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen.
[^lukas-7-32-33]: Kanttekening 33: gelijk aan de kinderen: De verklaring van deze gelijkenis zie in de aantekeningen Matt. 11:16 . Mattheüs 11:16 : Maar waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen.
[^lukas-7-33-k]: Verwijzing k: Matt. 3:4 ; Mark. 1:6 . Mattheüs 3:4 : En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig. Marcus 1:6 : En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een leren gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
[^lukas-7-33-34]: Kanttekening 34: noch brood etende: Dat is, geen gewoon voedsel en drank als andere mensen gebruikende; want hij at sprinkhanen en wilden honig, Matt. 3:4 . Mattheüs 3:4 : En dezelfde Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
[^lukas-7-34-35]: Kanttekening 35: een vraat en wijnzuiper is : Grieks eter en wijndrinker.
[^lukas-7-35-36]: Kanttekening 36: gerechtvaardigd geworden: Zie Matt. 11:19 . Mattheüs 11:19 : De Zoon van de mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.
[^lukas-7-36-l]: Verwijzing l: Matt. 26:6 ; Mark. 14:3 ; Joh. 11:2 ; Joh. 12:3 . Mattheüs 26:6 : Als nu Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, Marcus 14:3 : En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd. Johannes 11:2 : (Maria nu was degene, die de Heer gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haar; welker broer Lazarus ziek was.) Johannes 12:3 : Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haar Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van de reuk van de zalf.
[^lukas-7-37-37]: Kanttekening 37: een zondares was: Dat is, een grote zondares, van een oneerlijk leven, en in de stad daarvoor bekend.
[^lukas-7-37-38]: Kanttekening 38: een albasten fles met zalf: Zie dergelijke Matt. 26:7 ; Mark. 14:3 . Mattheüs 26:7 : Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat. Marcus 14:3 : En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.
[^lukas-7-38-39]: Kanttekening 39: Namelijk bedroefd zijnde over haar zonden, gelijk Petrus; Luk. 22:62 . Lukas 22:62 : En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.
[^lukas-7-38-40]: Kanttekening 40: voeten nat te maken met tranen: Dit zijn tekenen van haar boetvaardigheid en liefde tot Christus spruitende uit het gevoel van haar zonden en van de vergeving derzelve, gelijk blijkt uit vers 47 . Lukas 7:47 : Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
[^lukas-7-39-m]: Verwijzing m: Lukas 15:2 . Lukas 15:2 : En de Farizeën en de Schriftgeleerden morden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.
[^lukas-7-41-41]: Kanttekening 41: Een zeker: Wat het oogmerk van Christus in deze gelijkenis is, toont Hijzelf als Hij die toepast op deze vrouw, vers 47 . Lukas 7:47 : Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
[^lukas-7-41-42]: Kanttekening 42: schuldheer had twee schuldenaars: Of, uitlener, bankhouder.
[^lukas-7-41-43]: Kanttekening 43: Grieks denariën. Zie de waarde daarvan Matt. 18:28 . Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden een van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^lukas-7-44-44]: Kanttekening 44: water hebt u niet tot Mijn voeten gegeven: Met deze drie betoningen van vriendschap ontvingen de ouden in die landen hun vreemde gasten en vrienden, gelijk te zien is Gen. 18:4 , en Gen. 19:2 ; Ex. 4:27 , en Ex. 18:7 ; Pred. 9:8 ; Ps. 23:5 ; Rom. 16:16 , en elders. Genesis 18:4 : Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom. Genesis 19:2 : En hij zei: Ziet nu, mijne heren! keert toch in in het huis van uw knecht, en overnacht, en wast uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten. Exodus 4:27 : YHWH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem. Exodus 18:7 : Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent. Prediker 9:8 : Laat uw kleren altijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. Psalmen 23:5 : U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Romeinen 16:16 : Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u.
[^lukas-7-45-45]: Kanttekening 45: van dat zij ingekomen is: Anders, van dat ik ingekomen ben.
[^lukas-7-47-46]: Kanttekening 46: want zij heeft veel liefgehad: Hiermede wordt niet aangewezen dat deze haar grote liefde de oorzaak was van de vergeving van haar zonden, maar dat ze een vrucht, bewijs en teken was, dat haar vele zonden vergeven waren, en dat zij daarom nu niet meer voor zulk een zondares was te houden, gelijk blijkt uit de naastvolgende woorden en het gehele oogmerk van deze gelijkenis. Waaruit duidelijk kan gezien worden dat de vergeving van de zonden gesteld wordt als de oorzaak van de liefde, en niet de liefde de oorzaak van de vergeving van de zonden, gelijk ook in vers 50 gezegd wordt, dat het geloof en niet de liefde haar behouden heeft. Lukas 7:50 : Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.
[^lukas-7-48-n]: Verwijzing n: Matt. 9:2 . Mattheüs 9:2 : En Jezus, hun geloof ziende, zei tot de geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.
[^lukas-7-49-47]: Kanttekening 47: bij zichzelven: Of, onder elkaar.
[^lukas-7-49-o]: Verwijzing o: Matt. 9:3 . Mattheüs 9:3 : En ziet, sommigen van de Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.
[^lukas-7-50-48]: Kanttekening 48: geloof heeft u behouden: Dat is, door uw geloof in mij hebt u deze weldaad van de vergeving van uw zonden ontvangen, waardoor u behouden wordt ter zaligheid. Zie Hand. 26:18 . Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

### Lukas 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/8.json)

*1 Christus reist door steden en dorpen en predikt het evangelie, vergezeld van enkele vrouwen die Hem met hun bezittingen dienen. 4 Hij houdt de menigte de gelijkenis voor van een zaaier, wiens zaad op verschillende plaatsen valt, 9 en verklaart die aan zijn discipelen in het bijzonder. 16 Hij vergelijkt zijn woord met een kaars die op de kandelaar gezet wordt om te schijnen. 18 Hij leert dat aan wie heeft, nog meer gegeven zal worden, 19 en wie zijn moeder en broers zijn. 22 Hij stilt de storm op de zee. 26 Hij werpt een legioen duivels uit, 31 die Hij toelaat in de varkens te varen. 41 Hij gaat met Jairus mee om diens dochtertje te helpen. 43 Onderweg geneest Hij een vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed. 49 En als Hij bij het huis van Jairus komt, wekt Hij diens dochtertje uit de dood op.*

**1** En het gebeurde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en plaats tot de andere, predikende en[^lukas-8-1-1] verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk van God; en[^lukas-8-1-2] de twaalven waren met Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v1)

**2** [^lukas-8-2-a] En sommige vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren,[^lukas-8-2-3] namelijk Maria, genoemd Magdalena,[^lukas-8-2-b] van wie zeven demonen uitgegaan waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v2)

**3** En Johanna, de huisvrouw van Chusas,[^lukas-8-3-4] de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem[^lukas-8-3-5] dienden van haar goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v3)

**4** [^lukas-8-4-c] Als nu een grote menigte bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zei Hij[^lukas-8-4-6] door gelijkenis: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v4)

**5** [^lukas-8-5-7] Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij de weg, en werd vertreden, en de vogels des hemels aten dat op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v5)

**6** En het andere viel op een steenrots, en opgekomen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v6)

**7** En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mee opwassende, verstikten hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v7)

**8** En het andere viel op de goede aarde, en opgekomen zijnde, bracht het[^lukas-8-8-8] honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v8)

**9** [^lukas-8-9-d] En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis[^lukas-8-9-9] wezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v9)

**10** En Hij zei:[^lukas-8-10-10] U is[^lukas-8-10-e] het gegeven, de geheimen van het Koninkrijk van God te verstaan;[^lukas-8-10-f] maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen,[^lukas-8-10-g] opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v10)

**11** [^lukas-8-11-h] Dit is nu de gelijkenis: Het zaad[^lukas-8-11-11] is het Woord van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v11)

**12** En die bij de weg bezaaid worden, zijn deze, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v12)

**13** [^lukas-8-13-i] En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in de tijd van de verzoeking wijken zij af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v13)

**14** En dat in de doornen valt, zijn deze, die gehoord hebben, en heengaande[^lukas-8-14-k] verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en hartstochten van het leven, en voldragen geen vrucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v14)

**15** En dat in de goede aarde valt, zijn deze, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelfde in een[^lukas-8-15-12] eerlijk en goed hart bewaren, en[^lukas-8-15-13] in volstandigheid vruchten voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v15)

**16** [^lukas-8-16-l] En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelfde met een emmer, of zet ze onder een[^lukas-8-16-14] bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v16)

**17** [^lukas-8-17-m] Want er is[^lukas-8-17-15] niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch in het geheim, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v17)

**18** Zie dan,[^lukas-8-18-16] hoe u hoort;[^lukas-8-18-n] want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij[^lukas-8-18-17] meent te hebben, zal van hem genomen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v18)

**19** [^lukas-8-19-o] En Zijn moeder en[^lukas-8-19-18] Zijn broers kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v19)

**20** En Hem werd geboodschapt van enige, die zeiden: Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, begerende U[^lukas-8-20-19] te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v20)

**21** Maar Hij antwoordde en zei tot hen:[^lukas-8-21-p] Mijn moeder en Mijn broeders zijn deze, die Gods Woord horen, en het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v21)

**22** [^lukas-8-22-q] En[^lukas-8-22-20] het gebeurde in één van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zei tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v22)

**23** En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er[^lukas-8-23-21] kwam[^lukas-8-23-22] een storm van wind op het meer, en[^lukas-8-23-23] zij werden vol water, en waren in nood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v23)

**24** En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte de wind en de watergolven, en[^lukas-8-24-24] zij hielden op, en er werd stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v24)

**25** En Hij zei tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkaar:[^lukas-8-25-r] Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v25)

**26** [^lukas-8-26-s] En zij voeren voort naar het land van[^lukas-8-26-25] de Gadarenen, dat is tegenover Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v26)

**27** En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd[^lukas-8-27-26] met demonen was bezeten geweest; en was met geen kleren gekleed, en[^lukas-8-27-27] bleef in geen huis, maar in de graven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v27)

**28** En hij, Jezus ziende, en zeer[^lukas-8-28-28] roepende, viel voor Hem neer, en zei met een luide stem:[^lukas-8-28-29] Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, van de Allerhoogste, ik bid U, dat U mij niet pijnigt![^lukas-8-28-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v28)

**29** Want Hij had de onreine geest geboden, dat hij van de mens zou[^lukas-8-29-31] uitvaren; want hij had hem menigen tijd[^lukas-8-29-32] bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden,[^lukas-8-29-33] om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van de duivel gedreven[^lukas-8-29-34] in de woestijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v29)

**30** En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zei:[^lukas-8-30-35] Legio. Want vele demonen waren in hem gevaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v30)

**31** En[^lukas-8-31-36] zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de[^lukas-8-31-37] afgrond heen te varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v31)

**32** En daar was een kudde veler[^lukas-8-32-38] zwijnen, weidende op de berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten daarin te varen. En Hij liet het hun toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v32)

**33** En de demonen, uitvarende van de mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v33)

**34** En die ze weidden, ziende wat gebeurd was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v34)

**35** En zij gingen uit, om te zien wat gebeurd was, en kwamen tot Jezus, en vonden de mens, van welke de demonen uitgevaren waren,[^lukas-8-35-39] zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v35)

**36** En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v36)

**37** En de hele menigte van het omliggende land van de Gadarenen[^lukas-8-37-40] baden Hem,[^lukas-8-37-t] dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vrees bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde opnieuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v37)

**38** [^lukas-8-38-v] En de man, van welke de demonen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht[^lukas-8-38-41] bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v38)

**39** Keer weer naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de hele[^lukas-8-39-42] stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v39)

**40** En het gebeurde, als Jezus keerde terug, dat Hem de menigte ontving; want zij waren allen Hem verwachtende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v40)

**41** [^lukas-8-41-x] En ziet, er kwam een man, van wie de naam Jaïrus was, en hij was een[^lukas-8-41-43] overste van de synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v41)

**42** Want hij had een[^lukas-8-42-44] enige dochter, van ongeveer twaalf jaren, en deze[^lukas-8-42-45] lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo[^lukas-8-42-46] verdrongen Hem de menigten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v42)

**43** [^lukas-8-43-y] En een vrouw, die twaalf jaren lang de[^lukas-8-43-z] vloed van het bloed gehad had,[^lukas-8-43-47] die al haar leeftocht aan dokters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v43)

**44** Van achteren tot Hem komende, raakte de zoom van Zijn kleed aan; en meteen[^lukas-8-44-48] stelpte de vloed van haar bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v44)

**45** En Jezus zei: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zei Petrus en die met hem waren: Meester, de menigten drukken en verdringen U, en zegt U: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v45)

**46** En Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb[^lukas-8-46-49] bekend, dat[^lukas-8-46-50] kracht van Mij uitgegaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v46)

**47** De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij meteen genezen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v47)

**48** En Hij zei tot haar: Dochter, heb goede moed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v48)

**49** [^lukas-8-49-a] Als Hij nog sprak, kwam er één van het huis van de oversten van de synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; wees de Meester niet moeilijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v49)

**50** Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleen, en zij zal[^lukas-8-50-51] behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v50)

**51** En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en de vader en de moeder van het kind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v51)

**52** En zij schreiden allen, en[^lukas-8-52-52] maakten luid weeklagen over hetzelfde. En Hij zei: Schreit niet; zij is[^lukas-8-52-53] niet gestorven;[^lukas-8-52-b] maar zij[^lukas-8-52-54] slaapt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v52)

**53** En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v53)

**54** Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v54)

**55** En haar geest keerde weer, en zij is meteen opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v55)

**56** En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij[^lukas-8-56-55] niemand zouden zeggen wat gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/8.html#v56)

[^lukas-8-1-1]: Kanttekening 1: verkondigende het Evangelie: Grieks Evangeliserende het koninkrijk van God.
[^lukas-8-1-2]: Kanttekening 2: twaalven waren met Hem: Namelijk apostelen.
[^lukas-8-2-a]: Verwijzing a: Matt. 27:55 ; idem v. 56 . Mattheüs 27:55 : En daar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen. Mattheüs 27:56 : Onder die was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
[^lukas-8-2-3]: Kanttekening 3: Maria, genaamd Magdalena: Van deze Maria zie Mark. 16:9 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
[^lukas-8-2-b]: Verwijzing b: Mark. 16:9 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, van de morgen vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
[^lukas-8-3-4]: Kanttekening 4: rentmeester van Herodes: Of, hofmeesters. Grieks epitropou. Zie Matt. 20:8 . Mattheüs 20:8 : Als het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.
[^lukas-8-3-5]: Kanttekening 5: dienden van haar goederen: Dat is, bijstand deden tot onderhouding van Hem en Zijne discipelen, tot dankbaarheid voor de weldaden van Christus ontvangen; 1 Kor. 9:11 ; Gal. 6:6 . 1 Korinthiërs 9:11 : Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Galaten 6:6 : En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
[^lukas-8-4-c]: Verwijzing c: Matt. 13:3 ; Mark. 4:2 . Mattheüs 13:3 : En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. Marcus 4:2 : En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zei in Zijn lering tot hen:
[^lukas-8-4-6]: Kanttekening 6: door gelijkenis: Of, door parabel.
[^lukas-8-5-7]: Kanttekening 7: Een zaaier ging uit: Van deze gelijkenis van de zaaier zie Matt. 13:3 , enz. Mattheüs 13:3 : En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
[^lukas-8-8-8]: Kanttekening 8: honderdvoudige vrucht voort: Dat is, zeer overvloedige, zo de grootste vruchtbaarheid daarboven zelden gaat; Gen. 26:12 . Genesis 26:12 : En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want YHWH zegende hem.
[^lukas-8-9-d]: Verwijzing d: Matt. 13:10 ; Mark. 4:10 . Mattheüs 13:10 : En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen? Marcus 4:10 : En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
[^lukas-8-9-9]: Kanttekening 9: Dat is, beduiden, of betekenen, gelijk ook vers 11 en vervolgens. Lukas 8:11 : Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.
[^lukas-8-10-10]: Kanttekening 10: U is het gegeven: Zie hiervan Mark. 4:11 . Marcus 4:11 : En Hij zei tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk van God; maar dengenen, die buiten zijn, gebeuren al deze dingen door gelijkenissen;
[^lukas-8-10-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 3:5 . 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^lukas-8-10-f]: Verwijzing f: Matt. 11:25 ; 2 Kor. 3:14 . Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. 2 Korinthiërs 3:14 : Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van de Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
[^lukas-8-10-g]: Verwijzing g: Jes. 6:9 ; Ez. 12:2 ; Matt. 13:14 ; Mark. 4:12 ; Joh. 12:40 ; Hand. 28:26 ; Rom. 11:8 . Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Ezechiël 12:2 : Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, die ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis. Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Handelingen 28:26 : Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^lukas-8-11-h]: Verwijzing h: Matt. 13:18 ; Mark. 4:13 . Mattheüs 13:18 : U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier. Marcus 4:13 : En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet, en hoe zult u al de gelijkenissen verstaan?
[^lukas-8-11-11]: Kanttekening 11: is het Woord van God: Dat is, betekent.
[^lukas-8-13-i]: Verwijzing i: Matt. 13:20 ; Mark. 4:16 . Mattheüs 13:20 : Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt; Marcus 4:16 : En deze zijn evenzo, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, meteen hetzelfde met vreugde ontvangen.
[^lukas-8-14-k]: Verwijzing k: Matt. 19:23 ; Mark. 10:23 ; Lukas 18:24 ; 1 Tim. 6:9 . Mattheüs 19:23 : En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk in het Koninkrijk van de hemelen zal ingaan. Marcus 10:23 : En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen! Lukas 18:24 : Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zei: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan! 1 Timotheüs 6:9 : Maar die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.
[^lukas-8-15-12]: Kanttekening 12: Dat is, door Gods Geest geopend, opgewekt en bekwaam gemaakt om het woord aan te nemen en te gehoorzamen; Jer. 31:38 ; Ez. 36:26 , 36:27 ; Hand. 16:14 . Jeremia 31:38 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat deze stad YHWH zal herbouwd worden, van de toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort. Ezechiël 36:26 : En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:27 : En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. Handelingen 16:14 : En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^lukas-8-15-13]: Kanttekening 13: in volstandigheid: Of, in volharding; waardoor zij, niettegenstaande al de verzoekingen en verdrukkingen vanwege het woord, volstandiglijk volharden. Zie Matt. 24:13 ; Hebr. 10:36 . Mattheüs 24:13 : Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Hebreeën 10:36 : Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen;
[^lukas-8-16-l]: Verwijzing l: Matt. 5:15 ; Mark. 4:21 ; Lukas 11:33 . Mattheüs 5:15 : Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn; Marcus 4:21 : En Hij zei tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op de kandelaar gezet worde? Lukas 11:33 : En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
[^lukas-8-16-14]: Kanttekening 14: Of, bestede.
[^lukas-8-17-m]: Verwijzing m: Job 12:22 ; Matt. 10:26 ; Mark. 4:22 ; Lukas 12:2 . Job 12:22 : Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en van de dood schaduwe brengt Hij voort in het licht. Mattheüs 10:26 : Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Marcus 4:22 : Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Lukas 12:2 : En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.
[^lukas-8-17-15]: Kanttekening 15: niets verborgen: Namelijk van die dingen, die Ik u heb geopenbaard. Zie Matt. 10:27 , en Mark. 4:22 . Mattheüs 10:27 : Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken. Marcus 4:22 : Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
[^lukas-8-18-16]: Kanttekening 16: hoe u hoort: Dat is, met welke genegenheid van het hart u tot het gehoor van het woord komt, en gehoord hebbende, hoe u hetzelfde recht zult gebruiken.
[^lukas-8-18-n]: Verwijzing n: Matt. 13:12 ; Matt. 25:29 ; Mark. 4:25 ; Lukas 19:26 . Mattheüs 13:12 : Want wie heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Mattheüs 25:29 : Want een iedereen die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Marcus 4:25 : Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Lukas 19:26 : Want ik zeg u, dat een iedereen, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft.
[^lukas-8-18-17]: Kanttekening 17: meent te hebben: Of, schijnt te hebben. Zie de aantekeningen Matt. 13:12 . Mattheüs 13:12 : Want wie heeft, aan die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
[^lukas-8-19-o]: Verwijzing o: Matt. 12:46 ; Matt. 13:55 ; Mark. 3:31 . Mattheüs 12:46 : En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broers stonden buiten, zoekende Hem te spreken. Mattheüs 13:55 : Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas? Marcus 3:31 : Zo kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.
[^lukas-8-19-18]: Kanttekening 18: Dat is, bloedverwanten, of neven. Zie Matt. 12:46 . Mattheüs 12:46 : En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broers stonden buiten, zoekende Hem te spreken.
[^lukas-8-20-19]: Kanttekening 19: te zien: Dat is, te spreken.
[^lukas-8-21-p]: Verwijzing p: Joh. 15:14 ; 2 Kor. 5:16 . Johannes 15:14 : U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede. 2 Korinthiërs 5:16 : Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.
[^lukas-8-22-q]: Verwijzing q: Matt. 8:23 ; Mark. 4:35 ; idem v. 36 . Mattheüs 8:23 : En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd. Marcus 4:35 : En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zei Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. Marcus 4:36 : En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mee, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.
[^lukas-8-22-20]: Kanttekening 20: het geschiedde: Van deze gehele geschiedenis zie Matt. 8:23 . Mattheüs 8:23 : En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.
[^lukas-8-23-21]: Kanttekening 21: Grieks daalde af.
[^lukas-8-23-22]: Kanttekening 22: een storm van wind: Of, draaiing.
[^lukas-8-23-23]: Kanttekening 23: zij werden vol waters : Dat is, het schip waarin zij waren.
[^lukas-8-24-24]: Kanttekening 24: zij hielden op: Namelijk de winden en baren.
[^lukas-8-25-r]: Verwijzing r: Job 26:12 ; Ps. 107:25 . Job 26:12 : Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. Psalmen 107:25 : Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
[^lukas-8-26-s]: Verwijzing s: Matt. 8:28 ; Mark. 5:1 . Mattheüs 8:28 : En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan. Marcus 5:1 : En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen.
[^lukas-8-26-25]: Kanttekening 25: Mattheüs zegt Gergesenen, waarvan zie Matt. 8:28 . Mattheüs 8:28 : En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan.
[^lukas-8-27-26]: Kanttekening 26: met duivelen was bezeten geweest: Grieks duivelen hadden gehad.
[^lukas-8-27-27]: Kanttekening 27: bleef in geen huis: Of, woonde, Mark. 5:3 . Marcus 5:3 : Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.
[^lukas-8-28-28]: Kanttekening 28: Namelijk de boze geest uit de mens, die hij bezeten had.
[^lukas-8-28-29]: Kanttekening 29: Wat heb ik met U te doen : Grieks wat is mij en u.
[^lukas-8-28-30]: Kanttekening 30: Namelijk vóór de tijd van het uiterste oordeel. Zie Matt. 8:29 . Mattheüs 8:29 : En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen voor de tijd?
[^lukas-8-29-31]: Kanttekening 31: Grieks uitgaan.
[^lukas-8-29-32]: Kanttekening 32: bevangen gehad: Grieks aangegrepen; of samengetrokken, gelijk de leden veeltijds in vallende ziekten samengetrokken worden.
[^lukas-8-29-33]: Kanttekening 33: om bewaard te zijn: Namelijk opdat hij zichzelven of anderen geen leed zou doen.
[^lukas-8-29-34]: Kanttekening 34: in de woestijnen: Dat is, in woeste en eenzame plaatsen, in wildernissen.
[^lukas-8-30-35]: Kanttekening 35: Wat een legioen is, zie Matt. 26:53 . Mattheüs 26:53 : Of meent u, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
[^lukas-8-31-36]: Kanttekening 36: zij baden Hem: Of, hij bad, gelijk Mark. 5:10 . Marcus 5:10 : En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.
[^lukas-8-31-37]: Kanttekening 37: afgrond heen te varen: Dat is, een diepte zonder grond, Gen. 7:11 . Zo wordt ook genaamd de hel, of plaats waar de onreine geesten en goddeloze mensen in de eeuwigheid zullen gepijnigd worden. Zie Openb. 9:1 , 9:2 . Genesis 7:11 : In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend. Openbaring 9:1 : En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond. Openbaring 9:2 : En zij heeft de put van de afgrond geopend; en er is rook opgegaan uit de put, als rook van een grote oven; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van de rook van de put.
[^lukas-8-32-38]: Kanttekening 38: Zie van deze Matt. 8:30 . Mattheüs 8:30 : En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.
[^lukas-8-35-39]: Kanttekening 39: zittend aan de voeten van Jezus: Namelijk als een discipel van Christus zijn woord horende, gelijk Luk. 10:39 . Lukas 10:39 : En deze had een zus, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
[^lukas-8-37-40]: Kanttekening 40: baden Hem: Namelijk uit vrees van zulke schade meer te zullen ontvangen, hebbende zo liever hun winst dan Christus en zijn woord.
[^lukas-8-37-t]: Verwijzing t: Hand. 16:39 . Handelingen 16:39 : En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.
[^lukas-8-38-v]: Verwijzing v: Mark. 5:18 . Marcus 5:18 : En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.
[^lukas-8-38-41]: Kanttekening 41: bij Hem zijn: Dat is, gedurig bij Hem blijven als een van zijne discipelen.
[^lukas-8-39-42]: Kanttekening 42: Namelijk Gadara, of Gergessa, die steden van Dekapolis waren, in welke Markus zegt dat hij het verkondigd heeft, Mark. 5:20 . Marcus 5:20 : En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.
[^lukas-8-41-x]: Verwijzing x: Matt. 9:18 ; Mark. 5:22 . Mattheüs 9:18 : Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu meteen gestorven, maar kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven. Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
[^lukas-8-41-43]: Kanttekening 43: overste van de synagoge: Van deze overste van de synagoge, zie Mark. 5:22 . Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
[^lukas-8-42-44]: Kanttekening 44: enige dochter: Grieks eniggeboren.
[^lukas-8-42-45]: Kanttekening 45: lag op haar sterven: Grieks en deze stierf.
[^lukas-8-42-46]: Kanttekening 46: verdrongen Hem de scharen: Grieks verstikten hem.
[^lukas-8-43-y]: Verwijzing y: Matt. 9:20 ; Mark. 5:25 . Mattheüs 9:20 : (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte de zoom Zijn kleeds aan; Marcus 5:25 : En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had,
[^lukas-8-43-z]: Verwijzing z: Lev. 15:25 . Leviticus 15:25 : Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de tijd haar afzondering, van de vloed haars bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed haar onreinigheid, als in de dagen haar afzondering onrein zijn.
[^lukas-8-43-47]: Kanttekening 47: al haar leeftocht: Grieks al haar leven; dat is al haar middelen om van te leven.
[^lukas-8-44-48]: Kanttekening 48: stelpte de vloed van haar bloed: Grieks stond; dat is, hield op.
[^lukas-8-46-49]: Kanttekening 49: bekend dat: Dat is, ik ben gewaar geworden, of, heb geweten.
[^lukas-8-46-50]: Kanttekening 50: kracht van Mij uitgegaan is: Zie hiervan Mark. 5:30 . Marcus 5:30 : En meteen Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?
[^lukas-8-49-a]: Verwijzing a: Mark. 5:35 . Marcus 5:35 : Terwijl Hij nog sprak, kwamen enige van het huis van de oversten van de synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat bent u de Meester nog moeilijk?
[^lukas-8-50-51]: Kanttekening 51: behouden worden: Of, verlost worden; namelijk van de dood.
[^lukas-8-52-52]: Kanttekening 52: maakten luid weeklagen: Grieks sloegen zichzelven op de borst, om harentwil. Zie Matt. 11:17 . Mattheüs 11:17 : En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en u hebt niet geweend.
[^lukas-8-52-53]: Kanttekening 53: niet gestorven: Namelijk om dood te blijven, gelijk andere mensen als zij sterven.
[^lukas-8-52-b]: Verwijzing b: Joh. 11:11 . Johannes 11:11 : Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken.
[^lukas-8-52-54]: Kanttekening 54: Dat is, haar dood is gelijk een slaap, uit welke zij opgewekt zal worden, Joh. 11:11 , 11:13 . Johannes 11:11 : Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken. Johannes 11:13 : Maar Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust van de slaap.
[^lukas-8-56-55]: Kanttekening 55: niemand zouden zeggen: Waarom Christus Zijne wonderen voor een tijd niet heeft willen verbreid hebben, zie Matt. 12:16 , 12:17 . Mattheüs 12:16 : En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; Mattheüs 12:17 : Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende:

### Lukas 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/9.json)

*1 Christus zendt zijn apostelen uit om te prediken en onderricht hen hoe zij zich onderweg moeten gedragen. 7 Als Herodes over Christus gehoord heeft, verlangt hij Hem te zien. 10 De apostelen keren terug. 11 Christus voedt ongeveer vijfduizend mensen met vijf broden en twee vissen. 18 Het volk denkt verschillend over zijn persoon. 22 Hij voorzegt zijn dood en opstanding 23 en vermaant tot een standvastige belijdenis van zijn woord. 28 Voor drie van zijn apostelen wordt Hij op de berg verheerlijkt in tegenwoordigheid van Mozes en Elia. 37 Hij werpt een wrede, onreine geest uit. 46 Hij leert wie onder zijn discipelen de grootste zal zijn. 49 Hij verbiedt iemand tegen te houden die in zijn naam duivels uitdreef. 51 Als Hij op reis is naar Jeruzalem, weigeren de Samaritanen Hem onderdak; als de apostelen dit willen wreken, worden zij daarover door Hem bestraft. 57 Drie mensen willen Christus volgen en krijgen ieder hun eigen antwoord.*

**1** [^lukas-9-1-a] En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en[^lukas-9-1-1] macht[^lukas-9-1-2] over al de demonen, en om ziekten te genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v1)

**2** [^lukas-9-2-b] En Hij zond hen heen, om te prediken[^lukas-9-2-3] het Koninkrijk van God, en de zieken gezond te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v2)

**3** En Hij zei tot hen:[^lukas-9-3-4][^lukas-9-3-c] Neem niets mee tot de weg, noch[^lukas-9-3-5] staven, noch reiszak, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v3)

**4** En in wat huis u ook zult ingaan, blijft daar, en[^lukas-9-4-6] gaat van daar uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v4)

**5** [^lukas-9-5-d] En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het[^lukas-9-5-7] stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v5)

**6** En zij, uitgaande,[^lukas-9-6-8] doorgingen al de plaatsen, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v6)

**7** [^lukas-9-7-e] En Herodes, de[^lukas-9-7-9] viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem gebeurden; en was[^lukas-9-7-10] twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v7)

**8** En van sommigen, dat Elia verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de oude was opgestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v8)

**9** En Herodes zei:[^lukas-9-9-11] Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welke ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v9)

**10** [^lukas-9-10-f] En de apostelen, teruggekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden.[^lukas-9-10-g] En Hij nam hen mee en vertrok alleen in een woeste plaats van de stad,[^lukas-9-10-12] genoemd Bethsaïda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v10)

**11** En de menigten, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk van God; en die genezing[^lukas-9-11-13] nodig hadden, maakte Hij gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v11)

**12** [^lukas-9-12-h] En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de menigte van U, opdat zij, heengaande in de omliggende plaatsen en in[^lukas-9-12-14] de dorpen,[^lukas-9-12-15] herberg nemen mogen, en voedsel vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v12)

**13** [^lukas-9-13-i] Maar Hij zei tot hen: Geef u hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en voedsel kopen voor al dit volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v13)

**14** Want er waren ongeveer vijf duizend mannen. Maar Hij zei tot Zijn discipelen: Doe hen nederzitten bij[^lukas-9-14-16] zaten, elk van vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v14)

**15** En zij deden zo, en[^lukas-9-15-17] deden hen allen nederzitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v15)

**16** En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar de hemel,[^lukas-9-16-k] en[^lukas-9-16-18] zegende die, en brak ze, en gaf ze de discipelen, om van de menigte voor te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v16)

**17** En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, wat hun van de stukken brood overgeschoten was, twaalf manden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v17)

**18** [^lukas-9-18-l] En het gebeurde, als Hij[^lukas-9-18-19] alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de menigten, dat Ik ben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v18)

**19** En zij, antwoordende, zeiden:[^lukas-9-19-m] Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Dat enig profeet van de oude opgestaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v19)

**20** En Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zei:[^lukas-9-20-20] De[^lukas-9-20-n] Christus van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v20)

**21** En Hij[^lukas-9-21-21] gebood hun scherp en beval, dat zij dit niemand[^lukas-9-21-22] zeggen zouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v21)

**22** Zeggende:[^lukas-9-22-o] De Zoon des mensen moet veel lijden, en[^lukas-9-22-23] verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v22)

**23** En Hij zei tot allen:[^lukas-9-23-p] Zo iemand[^lukas-9-23-24] achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn[^lukas-9-23-25] kruis dagelijks op, en volge Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v23)

**24** [^lukas-9-24-q] Want zo wie zijn[^lukas-9-24-26] leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn[^lukas-9-24-27] leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het[^lukas-9-24-28] behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v24)

**25** Want wat baat het een mens, die de hele wereld zou winnen, en[^lukas-9-25-29] zichzelf verliezen, of schade van zijn zelf lijden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v25)

**26** [^lukas-9-26-r] Want zo wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader, en van de heilige engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v26)

**27** [^lukas-9-27-s] En Ik zeg u werkelijk: Er zijn sommigen van degenen, die hier staan,[^lukas-9-27-30] die de dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk van God zullen gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v27)

**28** [^lukas-9-28-t] En het gebeurde, ongeveer[^lukas-9-28-31] acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v28)

**29** En als Hij bad, werd de gedaante van Zijn aangezicht[^lukas-9-29-32] veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v29)

**30** En ziet, twee mannen spraken met Hem, die waren Mozes en Elia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v30)

**31** Die, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn[^lukas-9-31-33] uitgang, die Hij zou[^lukas-9-31-34] volbrengen te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v31)

**32** Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v32)

**33** En het gebeurde,[^lukas-9-33-35] als zij van Hem afscheidden, zo zei Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één; niet wetende, wat hij zei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v33)

**34** Als hij nu dit zei, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als[^lukas-9-34-36] die in de wolk ingingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v34)

**35** [^lukas-9-35-v] En er kwam[^lukas-9-35-37] een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon;[^lukas-9-35-x] hoor Hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v35)

**36** En toen de stem geklonken had, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden[^lukas-9-36-38] in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v36)

**37** [^lukas-9-37-y] En het gebeurde overdag daaraan, als zij van de berg afkwamen, dat Hem een grote menigte in het gemoet kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v37)

**38** En ziet, een man van de menigte riep uit, zeggende: Meester, ik bid U,[^lukas-9-38-39] zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v38)

**39** En zie,[^lukas-9-39-40] een geest neemt hem, en ogenblikkelijk roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en[^lukas-9-39-41] verplettert hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v39)

**40** En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v40)

**41** En Jezus, antwoordende, zei: O ongelovig en[^lukas-9-41-42] verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, en u verdragen? Breng uw zoon hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v41)

**42** En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte de onreine geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v42)

**43** En zij werden allen verslagen over[^lukas-9-43-43] de grootheid van God. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zei Hij tot Zijn discipelen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v43)

**44** [^lukas-9-44-44] Leg u deze woorden in uw oren:[^lukas-9-44-z] Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in van[^lukas-9-44-45] de mensen handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v44)

**45** [^lukas-9-45-a] Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, zo dat zij het niet begrepen;[^lukas-9-45-46] en zij vreesden van dat woord Hem te vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v45)

**46** [^lukas-9-46-b] En er rees een[^lukas-9-46-47] overlegging onder hen, namelijk, wie van hen[^lukas-9-46-48] de meeste was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v46)

**47** Maar Jezus, ziende de overlegging van hun harten, nam een kind, en stelde dat bij Zich; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v47)

**48** [^lukas-9-48-c] En zei tot hen: Zo wie dit kind ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij;[^lukas-9-48-d] en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.[^lukas-9-48-e] Want[^lukas-9-48-49] die de minste onder u allen is, die zal[^lukas-9-48-50] groot zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v48)

**49** [^lukas-9-49-f] En Johannes antwoordde en zei: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de demonen uitwierp, en wij hebben het hem[^lukas-9-49-51] verboden, omdat hij U met ons niet volgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v49)

**50** En Jezus zei tot hem: Verbied[^lukas-9-50-52] het niet;[^lukas-9-50-53] want[^lukas-9-50-g] wie tegen ons niet is, die is voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v50)

**51** En het gebeurde, als de dagen van Zijn[^lukas-9-51-54][^lukas-9-51-h] opneming[^lukas-9-51-55] vervuld werden, zo[^lukas-9-51-56] richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v51)

**52** En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een plaats van de Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v52)

**53** En zij ontvingen Hem niet,[^lukas-9-53-i] omdat Zijn aangezicht was[^lukas-9-53-57] als reizende naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v53)

**54** Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel nederdale, en deze verslinde, zoals ook[^lukas-9-54-k] Elia gedaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v54)

**55** Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zei: U weet niet[^lukas-9-55-58] van wat voor geest u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v55)

**56** [^lukas-9-56-l] Want de Zoon des mensen is niet gekomen om van de mensen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v56)

**57** [^lukas-9-57-m] En het gebeurde op de weg, als zij reisden, dat een tot Hem zei: Heere, ik zal U volgen, waar U ook heengaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v57)

**58** En Jezus zei tot hem:[^lukas-9-58-59] De vossen hebben holen, en de vogels des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v58)

**59** [^lukas-9-59-n] En Hij zei tot een anderen: Volg Mij. Maar hij zei: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v59)

**60** [^lukas-9-60-o] Maar Jezus zei tot hem:[^lukas-9-60-60] Laat de doden hun doden begraven; maar u, ga heen en verkondig het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v60)

**61** En ook een ander zei: Heere, ik zal U volgen; maar[^lukas-9-61-p] laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v61)

**62** En Jezus zei tot hem:[^lukas-9-62-61][^lukas-9-62-q] Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar wat achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/9.html#v62)

[^lukas-9-1-a]: Verwijzing a: Matt. 10:1 ; Mark. 3:13 ; Mark. 6:7 ; Lukas 6:13 . Mattheüs 10:1 : En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelfde uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwalen te genezen. Marcus 3:13 : En Hij klom op de berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. Marcus 6:7 : En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten. Lukas 6:13 : En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
[^lukas-9-1-1]: Kanttekening 1: Of, autoriteit.
[^lukas-9-1-2]: Kanttekening 2: over al de duivelen: Dat is, tegen al de duivelen, om die uit te werpen, Matt. 10:1 . Mattheüs 10:1 : En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om die uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwalen te genezen.
[^lukas-9-2-b]: Verwijzing b: Matt. 10:7 . Mattheüs 10:7 : En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.
[^lukas-9-2-3]: Kanttekening 3: het Koninkrijk van God: Dat is, het Evangelie van de komst van het koninkrijk van God.
[^lukas-9-3-4]: Kanttekening 4: Neemt niets mee: Zie hiervan de aantekeningen Matt. 10:10 . Mattheüs 10:10 : Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard.
[^lukas-9-3-c]: Verwijzing c: Matt. 10:9 ; Mark. 6:8 ; Lukas 22:35 . Mattheüs 10:9 : Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; Marcus 6:8 : En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in de gordel; Lukas 22:35 : En Hij zei tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
[^lukas-9-3-5]: Kanttekening 5: Anders, staf.
[^lukas-9-4-6]: Kanttekening 6: gaat van daar uit: Dat is, blijft daar zolang totdat u vertrekt, zonder om uw gemak van het ene huis in het andere te gaan logeren; zo uw verblijf daar niet lang mag duren.
[^lukas-9-5-d]: Verwijzing d: Matt. 10:14 ; Mark. 6:11 ; Lukas 10:11 ; Hand. 13:51 ; Hand. 18:6 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uw voeten af. Marcus 6:11 : En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan die stad. Lukas 10:11 : Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op u; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk van God nabij u gekomen is. Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelfde, en kwamen te Ikonium. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^lukas-9-5-7]: Kanttekening 7: stof af: Zie de betekenis daarvan Matt. 10:14 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof van uw voeten af.
[^lukas-9-6-8]: Kanttekening 8: doorgingen al de vlekken: Of, gingen van het ene vlek tot het andere.
[^lukas-9-7-e]: Verwijzing e: Matt. 14:1 ; Mark. 6:14 . Mattheüs 14:1 : In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus; Marcus 6:14 : En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zei: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.
[^lukas-9-7-9]: Kanttekening 9: Van de viervorsten zie Matt. 14:1 . Mattheüs 14:1 : In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;
[^lukas-9-7-10]: Kanttekening 10: Namelijk niet wetende wat hij denken of doen zou.
[^lukas-9-9-11]: Kanttekening 11: Johannes heb ik onthoofd: Zie hiervan Matt. 14:10 ; Mark. 6:27 . Mattheüs 14:10 : En zond heen, en onthoofdde Johannes in de kerker. Marcus 6:27 : En de koning zond meteen een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;
[^lukas-9-10-f]: Verwijzing f: Mark. 6:30 . Marcus 6:30 : En de apostelen kwamen weer tot Jezus, en boodschapten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden, als wat zij geleerd hadden.
[^lukas-9-10-g]: Verwijzing g: Matt. 14:13 ; Mark. 6:31 ; idem v. 32 . Mattheüs 14:13 : En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden. Marcus 6:31 : En Hij zei tot hen: Komt u in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. Marcus 6:32 : En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.
[^lukas-9-10-12]: Kanttekening 12: Was een stad van Galilea, gelegen aan het meer Gennesareth, tegenover Kapernaüm, Mark. 6:45 ; Joh. 12:21 . Marcus 6:45 : En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor heen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsaida, terwijl Hij de schare van Zich zou laten. Johannes 12:21 : Deze dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien.
[^lukas-9-11-13]: Kanttekening 13: nodig hadden: Namelijk die zulks begeerden.
[^lukas-9-12-h]: Verwijzing h: Matt. 14:15 ; Mark. 6:35 ; Joh. 6:5 . Mattheüs 14:15 : En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven voedsel kopen. Marcus 6:35 : En als het nu laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag; Johannes 6:5 : Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zei tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?
[^lukas-9-12-14]: Kanttekening 14: Grieks velden; dat is landhuizen.
[^lukas-9-12-15]: Kanttekening 15: herberg nemen mogen: Grieks uitspannen.
[^lukas-9-13-i]: Verwijzing i: Matt. 14:16 ; Mark. 6:37 ; Joh. 6:9 . Mattheüs 14:16 : Maar Jezus zei tot hen: Het is hun niet nodig heen te gaan, geeft u hun te eten. Marcus 6:37 : Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven? Johannes 6:9 : Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?
[^lukas-9-14-16]: Kanttekening 16: zaten, elk van vijftig: Dat is, gezelschappen, die bijeen zitten, of waardschappen. Zie Mark. 6:40 . Marcus 6:40 : En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.
[^lukas-9-15-17]: Kanttekening 17: deden hen allen nederzitten: Anders, zij zaten allen neder.
[^lukas-9-16-k]: Verwijzing k: 1 Sam. 9:13 . 1 Samuël 9:13 : Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden.
[^lukas-9-16-18]: Kanttekening 18: zegende die: Van deze zegening, zie Matt. 14:19 . Mattheüs 14:19 : En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar de hemel, zegende die; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen aan de scharen.
[^lukas-9-18-l]: Verwijzing l: Matt. 16:13 ; Mark. 8:27 . Mattheüs 16:13 : Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon van de mensen, ben? Marcus 8:27 : En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op de weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?
[^lukas-9-18-19]: Kanttekening 19: alleen was biddende: Namelijk afgezonderd van de schare.
[^lukas-9-19-m]: Verwijzing m: Matt. 14:2 . Mattheüs 14:2 : En zei tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.
[^lukas-9-20-20]: Kanttekening 20: De Christus Gods: Dat is, de Messias, of Gezalfde, van God beloofd en gezonden.
[^lukas-9-20-n]: Verwijzing n: Joh. 6:69 . Johannes 6:69 : En wij hebben geloofd en bekend, dat U bent de Christus, de Zoon van de levenden Gods.
[^lukas-9-21-21]: Kanttekening 21: gebood hun scherpelijk: Grieks bedreigde.
[^lukas-9-21-22]: Kanttekening 22: zeggen zouden: Namelijk voor die tijd.
[^lukas-9-22-o]: Verwijzing o: Matt. 16:21 ; Matt. 17:22 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 18:31 ; Lukas 24:7 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten. Lukas 24:7 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan.
[^lukas-9-22-23]: Kanttekening 23: verworpen worden: Dat is, niet gekend noch aangenomen worden voor de Messias, maar veroordeeld als een verleider en Godslasteraar. Zie Matt. 21:42 ; 1 Petr. 2:4 , 2:7 . Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? 1 Petrus 2:4 : Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar aan de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis;
[^lukas-9-23-p]: Verwijzing p: Matt. 10:38 ; Matt. 16:24 ; Mark. 8:34 ; Lukas 14:27 . Mattheüs 10:38 : En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waard. Mattheüs 16:24 : Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Marcus 8:34 : En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zei Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Lukas 14:27 : En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^lukas-9-23-24]: Kanttekening 24: achter Mij wil komen: Dat is, mijn discipel wil zijn.
[^lukas-9-23-25]: Kanttekening 25: kruis dagelijks op: Dat is, lijden en verdrukking, hoe zwaar die ook zouden mogen zijn, dat Hij kruis noemt, omdat het lijden van het kruis het zwaarste is.
[^lukas-9-24-q]: Verwijzing q: Matt. 10:39 ; Matt. 16:25 ; Mark. 8:35 ; Lukas 17:33 ; Joh. 12:25 . Mattheüs 10:39 : Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden. Mattheüs 16:25 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden. Marcus 8:35 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en vanwege het Evangelie, die zal hetzelfde behouden. Lukas 17:33 : Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelfde zal verliezen, die zal het in het leven behouden. Johannes 12:25 : Die zijn leven liefheeft, zal hetzelfde verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelfde bewaren tot het eeuwige leven.
[^lukas-9-24-26]: Kanttekening 26: leven behouden wil: Grieks ziel.
[^lukas-9-24-27]: Kanttekening 27: leven verliezen zal: Grieks ziel.
[^lukas-9-24-28]: Kanttekening 28: Namelijk hiernamaals.
[^lukas-9-25-29]: Kanttekening 29: zichzelven verliezen: Dat is, het eeuwig verderf naar ziel en lichaam over zichzelven halen.
[^lukas-9-26-r]: Verwijzing r: Matt. 10:33 ; Mark. 8:38 ; Lukas 12:9 ; 2 Tim. 2:12 ; 1 Joh. 2:23 . Mattheüs 10:33 : Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Marcus 8:38 : Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon van de mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met de heilige engelen. Lukas 12:9 : Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God. 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 1 Johannes 2:23 : Een iedereen, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet.
[^lukas-9-27-s]: Verwijzing s: Matt. 16:28 ; Mark. 9:1 . Mattheüs 16:28 : Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon van de mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. Marcus 9:1 : En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.
[^lukas-9-27-30]: Kanttekening 30: die de dood niet zullen smaken: Zie hiervan de verklaring, Matt. 16:28 . Mattheüs 16:28 : Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon van de mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.
[^lukas-9-28-t]: Verwijzing t: Matt. 17:1 ; Mark. 9:2 . Mattheüs 17:1 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broer, en bracht hen op een hoge berg alleen. Marcus 9:2 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.
[^lukas-9-28-31]: Kanttekening 31: acht dagen na deze woorden: Mattheüs zegt, Matt. 17:1 , van zes dagen; hoe dit overeenkomt, zie de verklaring daar. Mattheüs 17:1 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broer, en bracht hen op een hoge berg alleen.
[^lukas-9-29-32]: Kanttekening 32: Grieks andere; dat is, veranderd, namelijk in heerlijkheid.
[^lukas-9-31-33]: Kanttekening 33: Namelijk van het leven, dat is, spraken met Hem van Zijn lijden en sterven en opstaan.
[^lukas-9-31-34]: Kanttekening 34: volbrengen te Jeruzalem: Grieks vervullen.
[^lukas-9-33-35]: Kanttekening 35: als zij van Hem afscheidden: Dat is, als zij stonden op het scheiden.
[^lukas-9-34-36]: Kanttekening 36: die in de wolk ingingen: Namelijk Mozes en Elia.
[^lukas-9-35-v]: Verwijzing v: Jes. 42:1 ; Matt. 3:17 ; Matt. 17:5 ; Mark. 1:11 ; Mark. 9:7 ; Lukas 3:22 ; Kolos. 1:13 ; 2 Petr. 1:17 . Jesaja 42:1 : Ziet, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht de heidenen voortbrengen. Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Marcus 1:11 : En er geschiedde een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! Marcus 9:7 : En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Lukas 3:22 : En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit de hemel, zeggende: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb.
[^lukas-9-35-37]: Kanttekening 37: een stem uit de wolk: Namelijk van God de Vader, gelijk uit het volgende blijkt.
[^lukas-9-35-x]: Verwijzing x: Deut. 18:19 ; Hand. 3:22 . Deuteronomium 18:19 : En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken. Handelingen 3:22 : Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heer, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broers, gelijk mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
[^lukas-9-36-38]: Kanttekening 38: in die dagen: Dat is, in die tijd, namelijk vóór Zijne verrijzenis, zo hij hun zulks verboden had, Matt. 17:9 . Mattheüs 17:9 : En als zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon van de mensen zal opgestaan zijn uit de doden.
[^lukas-9-37-y]: Verwijzing y: Matt. 17:14 ; Mark. 9:17 . Mattheüs 17:14 : En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende: Marcus 9:17 : En één uit de schare, antwoordende, zei: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.
[^lukas-9-38-39]: Kanttekening 39: zie toch mijn zoon aan: Namelijk met medelijdende ogen.
[^lukas-9-39-40]: Kanttekening 40: een geest neemt hem: Namelijk een boze of onreine geest.
[^lukas-9-39-41]: Kanttekening 41: verplettert hem: Dat is, poogt hem te verpletteren, gelijk deze dingen ook in zware vallende ziekten plegen te gebeuren.
[^lukas-9-41-42]: Kanttekening 42: verkeerd geslacht: Of, verdraaid; dat men niet wel terecht kan brengen; Filipp. 2:15 . Filippensen 2:15 : Opdat u mag onberispelijk en oprecht zijn, kinderen van God zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke u schijnt als lichten in de wereld;
[^lukas-9-43-43]: Kanttekening 43: de grootdadigheid Gods: Dat is, de uitnemende macht Gods, waardoor de wonderwerken gebeuren.
[^lukas-9-44-44]: Kanttekening 44: Legt u deze woorden in uw oren: Dat is, merkt wel op deze zaken, en onthoudt ze wel; want zij zullen u kunnen dienen tot versterking tegen de ergernis mijns lijdens.
[^lukas-9-44-z]: Verwijzing z: Matt. 17:22 ; Mark. 9:31 . Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan.
[^lukas-9-44-45]: Kanttekening 45: mensen handen: Namelijk van de onrechtvaardigen. Zie Hand. 2:23 . Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
[^lukas-9-45-a]: Verwijzing a: Lukas 2:50 ; Lukas 18:34 . Lukas 2:50 : En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. Lukas 18:34 : En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, wat gezegd werd.
[^lukas-9-45-46]: Kanttekening 46: Grieks gevoelden.
[^lukas-9-46-b]: Verwijzing b: Matt. 18:1 ; Mark. 9:33 ; Lukas 22:24 . Mattheüs 18:1 : Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemelen? Marcus 9:33 : En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt u woorden onder elkaar op de weg? Lukas 22:24 : En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.
[^lukas-9-46-47]: Kanttekening 47: overlegging onder hen: Of, samenspreking. Zie Mark. 9:33 , 9:34 . Marcus 9:33 : En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt u woorden onder elkaar op de weg? Marcus 9:34 : Maar zij zwegen; want zij waren onder elkaar in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn.
[^lukas-9-46-48]: Kanttekening 48: de meeste ware: Grieks groter, of meerder.
[^lukas-9-48-c]: Verwijzing c: Matt. 18:5 ; Mark. 9:37 ; Joh. 13:20 . Mattheüs 18:5 : En zo wie zodanig een kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. Marcus 9:37 : Zo wie een van zodanige kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^lukas-9-48-d]: Verwijzing d: Lukas 10:16 ; Joh. 13:20 . Lukas 10:16 : Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^lukas-9-48-e]: Verwijzing e: Matt. 23:11 ; Lukas 14:11 ; Lukas 18:14 . Mattheüs 23:11 : Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. Lukas 14:11 : Want een iedereen, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Lukas 18:14 : Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
[^lukas-9-48-49]: Kanttekening 49: die de minste onder u allen is: Grieks de mindere; dat is de nederigste.
[^lukas-9-48-50]: Kanttekening 50: groot zijn: Namelijk in het koninkrijk van de hemelen, Matt. 18:1 , 18:2 . Mattheüs 18:1 : Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemelen? Mattheüs 18:2 : En Jezus een kind tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;
[^lukas-9-49-f]: Verwijzing f: Mark. 9:38 . Marcus 9:38 : En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.
[^lukas-9-49-51]: Kanttekening 51: Of, verhinderd.
[^lukas-9-50-52]: Kanttekening 52: Verbied het niet: Of, verhindert.
[^lukas-9-50-53]: Kanttekening 53: want wie tegen ons niet is: Zie Mark. 9:40 . Marcus 9:40 : Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.
[^lukas-9-50-g]: Verwijzing g: Matt. 12:30 ; Lukas 11:23 . Mattheüs 12:30 : Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit. Lukas 11:23 : Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
[^lukas-9-51-54]: Kanttekening 54: Namelijk uit deze wereld naar de hemel, Mark. 16:19 ; Hand. 1:11 . Marcus 16:19 : De Heer dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.
[^lukas-9-51-h]: Verwijzing h: Mark. 16:19 ; Hand. 1:2 ; 1 Tim. 3:16 . Marcus 16:19 : De Heer dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. Handelingen 1:2 : Tot op de dag, in welke Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven. 1 Timotheüs 3:16 : En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^lukas-9-51-55]: Kanttekening 55: vervuld werden: Dat is, begonnen vervuld te worden, of te genaken.
[^lukas-9-51-56]: Kanttekening 56: richtte Hij Zijn aangezicht: Grieks bevestigde; dat is, name vrijmoedig voor, te gaan naar Jeruzalem, niettegenstaande Hij wist wat Hem daar zou overkomen.
[^lukas-9-53-i]: Verwijzing i: Joh. 4:9 . Johannes 4:9 : Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.
[^lukas-9-53-57]: Kanttekening 57: reizende naar Jeruzalem: Namelijk om daar de godsdienst te plegen, dat de Samaritanen deden op de berg Gerizim, Joh. 4:20 ; Josef. Antiq. lib. 11, cap. 8 Flavius Josefus, Joodse Oudheden, 11e boek, 8ste hoofdstuk, waaruit grote haat en vijandschap tussen de Joden en Samaritanen ontstond; Joh. 4:9 . Johannes 4:20 : Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en u zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. Johannes 4:9 : Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.
[^lukas-9-54-k]: Verwijzing k: 2 Kon. 1:10 ; idem v. 12 . 2 Koningen 1:10 : Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Als ik dan een man van God ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen. 2 Koningen 1:12 : En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man van God, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigen.
[^lukas-9-55-58]: Kanttekening 58: van hoedanigen geest u bent: Dat is, dat u, mijn geest hebbende, niet behoort de ondergang van de mensen te begeren. Of, u bedenkt niet dat de geest van de wraakgierigheid u hiertoe aandrijft.
[^lukas-9-56-l]: Verwijzing l: Joh. 3:17 ; Joh. 12:47 . Johannes 3:17 : Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Johannes 12:47 : En als iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.
[^lukas-9-57-m]: Verwijzing m: Matt. 8:19 . Mattheüs 8:19 : En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zei tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar U ook heengaat.
[^lukas-9-58-59]: Kanttekening 59: De vossen hebben holen: Dat is, u hebt van mij geen gemak of rijkdom van deze wereld te verwachten, want ik heb die zelf niet.
[^lukas-9-59-n]: Verwijzing n: Matt. 8:21 . Mattheüs 8:21 : En een ander uit Zijn discipelen zei tot Hem: Heer! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.
[^lukas-9-60-o]: Verwijzing o: Matt. 8:22 . Mattheüs 8:22 : Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
[^lukas-9-60-60]: Kanttekening 60: Laat de doden hun doden begraven: Zie de verklaring Matt. 8:22 . Mattheüs 8:22 : Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
[^lukas-9-61-p]: Verwijzing p: 1 Kon. 19:20 . 1 Koningen 19:20 : En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zei: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zei tot hem: Ga, keer weer; want wat heb ik u gedaan?
[^lukas-9-62-61]: Kanttekening 61: Ene gelijkenis, genomen van een akkerman, die, ploegende, altijd moet voorwaarts zien, of hij kan geen rechte voren maken, Filipp. 3:14 . Filippensen 3:14 : Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus.
[^lukas-9-62-q]: Verwijzing q: Spreuk. 26:11 ; Filip. 3:14 ; Hebr. 6:5 ; 2 Petr. 2:20 . Spreuken 26:11 : Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel terugkeert, zo herneemt de zot zijn dwaasheid. Filippensen 3:14 : Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus. Hebreeën 6:5 : En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, 2 Petrus 2:20 : Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in dezelfde opnieuw ingewikkeld zijnde, van dezelfde overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.

### Lukas 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/10.json)

*1 Christus zendt nog zeventig discipelen uit om te prediken en onderricht hen hoe zij zich op de reis moeten gedragen en tegenover de toehoorders zullen opstellen. 13 Hij dreigt de steden Chorazin, Bethsaida en Kapernaum met zware straffen vanwege hun onbekeerlijkheid. 17 De zeventig komen terug en vertellen met blijdschap wat zij verricht hebben; Christus leert hun waarover zij zich vooral behoren te verblijden. 21 Hij dankt zijn Vader en leert van Wie de zaligmakende kennis komt. 25 Hij beantwoordt de vraag van een wetgeleerde wat hij zou moeten doen om het eeuwige leven te beerven, 29 en wie zijn naaste is, met de gelijkenis van iemand die onder de rovers gevallen was en door een Samaritaan geholpen werd. 38 Hij wordt door twee zusters, Martha en Maria, ontvangen, en prijst de toewijding van Maria boven de bezorgdheid van Martha.*

**1** En na deze stelde de Heere nog[^lukas-10-1-1] andere zeventig, en zond hen[^lukas-10-1-2] heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v1)

**2** Hij zei dan tot hen:[^lukas-10-2-a] De oogst is wel[^lukas-10-2-3] groot, maar de arbeiders zijn weinig;[^lukas-10-2-b] daarom, bidt de Heere van de oogst, dat Hij[^lukas-10-2-4] arbeiders in Zijn oogst[^lukas-10-2-5] uitstote. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v2)

**3** [^lukas-10-3-c] Ga heen; zie, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v3)

**4** [^lukas-10-4-d] Draag geen beurs, noch reiszak, noch schoenen;[^lukas-10-4-e] en groet[^lukas-10-4-6] niemand op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v4)

**5** [^lukas-10-5-f] En in wat huis u zult ingaan, zegt eerst:[^lukas-10-5-7] Vrede zij deze huize! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v5)

**6** En als daar[^lukas-10-6-8] een zoon van de vrede is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar als niet, zo zal uw vrede tot u terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v6)

**7** [^lukas-10-7-g] En blijft in dat huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet[^lukas-10-7-h] wordt; want de arbeider is zijn loon waard;[^lukas-10-7-9] ga niet over van het ene huis in het andere huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v7)

**8** En in wat stad u zult ingaan, en zij u ontvangen,[^lukas-10-8-10] eet wat u voorgezet wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v8)

**9** En geneest de zieken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk van God is nabij u gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v9)

**10** [^lukas-10-10-i] Maar in wat stad u zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v10)

**11** [^lukas-10-11-k] Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft,[^lukas-10-11-11] schudden wij af op u; toch zo weet dit, dat het Koninkrijk van God nabij u gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v11)

**12** En Ik zeg u, dat het die van Sodom verdragelijker wezen zal in[^lukas-10-12-12] die dag, dan die stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v12)

**13** Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want zo in Tyrus en Sidon de[^lukas-10-13-13] krachten gebeurd waren, die in u gebeurd zijn, zij zouden vroeger, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v13)

**14** Maar het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v14)

**15** En u, Kapernaüm,[^lukas-10-15-14] die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v15)

**16** [^lukas-10-16-l] Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij;[^lukas-10-16-m] en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v16)

**17** En[^lukas-10-17-15] de zeventigen zijn teruggekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de demonen zijn ons onderworpen, in Uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v17)

**18** En Hij zei tot hen:[^lukas-10-18-n] Ik zag de satan,[^lukas-10-18-16] als een bliksem,[^lukas-10-18-17] uit de hemel[^lukas-10-18-18] vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v18)

**19** [^lukas-10-19-o] Zie, Ik geve u de macht, om[^lukas-10-19-19] op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht[^lukas-10-19-20] van de vijand; en geen ding zal u enigszins[^lukas-10-19-21] beschadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v19)

**20** Maar verblijdt u daarin[^lukas-10-20-22] niet, dat[^lukas-10-20-23] de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer,[^lukas-10-20-p] dat uw namen geschreven zijn[^lukas-10-20-24] in de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v20)

**21** [^lukas-10-21-q]In dat uur verheugde Zich Jezus[^lukas-10-21-25] in de geest, en zei:[^lukas-10-21-26] Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde; dat U deze dingen[^lukas-10-21-r] voor de[^lukas-10-21-27] wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de[^lukas-10-21-28] kinderen geopenbaard; ja,[^lukas-10-21-29] Vader, want zo is geweest het welbehagen voor U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v21)

**22** [^lukas-10-22-30][^lukas-10-22-s] Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en[^lukas-10-22-t] die het de Zoon zal willen[^lukas-10-22-31] openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v22)

**23** En Zich kerende naar de discipelen, zei Hij tot hen alleen: [^lukas-10-23-v] Zalig zijn de ogen, die zien,[^lukas-10-23-32] wat u ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v23)

**24** [^lukas-10-24-x] Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen[^lukas-10-24-33] hebben begeerd te zien, wat u ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat u hoort, en hebben het niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v24)

**25** En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v25)

**26** En Hij zei tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v26)

**27** En hij, antwoordende, zei:[^lukas-10-27-y] U zult de Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand;[^lukas-10-27-z] en uw naaste als uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v27)

**28** En Hij zei tot hem: U hebt recht geantwoord; doe dat, en u zult[^lukas-10-28-34] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v28)

**29** Maar hij, willende[^lukas-10-29-35] zichzelf rechtvaardigen, zei tot Jezus: En wie is mijn naaste? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v29)

**30** En Jezus, antwoordende, zei: Een zeker mens[^lukas-10-30-36] kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de[^lukas-10-30-37] moordenaars, die, hem ook uitgetogen, en daartoe zware[^lukas-10-30-38] slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v30)

**31** En[^lukas-10-31-39] bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v31)

**32** En evenzo ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v32)

**33** Maar een zeker[^lukas-10-33-40] Samaritaan, reizende, kwam ongeveer hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v33)

**34** En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v34)

**35** En op de andere dag weggaande, haalde hij twee[^lukas-10-35-41] penningen tevoorschijn, en gaf ze de waard, en zei tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat u meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v35)

**36** Wie dan van deze drie denkt u de[^lukas-10-36-42] naaste geweest te zijn van degene, die onder de moordenaars gevallen was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v36)

**37** En hij zei: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zei dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe u evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v37)

**38** En het gebeurde, als zij reisden, dat Hij kwam in een[^lukas-10-38-43] plaats; en een zekere vrouw, met de naam Martha, ontving Hem in haar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v38)

**39** En deze had een zus, genoemd Maria, die[^lukas-10-39-44] ook,[^lukas-10-39-a] zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v39)

**40** Maar Martha was zeer bezig[^lukas-10-40-45] met veel dienens, en daarbij komende, zei zij: Heere, trekt U Zich dat niet aan, dat mijn zus mij alleen laat dienen? Zeg dan haar,[^lukas-10-40-46] dat zij mij helpe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v40)

**41** En Jezus, antwoordende, zei tot haar: Martha, Martha, u maakt zich zorgen en ontrust u over vele dingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v41)

**42** Maar[^lukas-10-42-47] een ding is nodig; maar Maria heeft het goede deel uitgekozen,[^lukas-10-42-b] dat van haar niet zal weggenomen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/10.html#v42)

[^lukas-10-1-1]: Kanttekening 1: andere zeventig: Namelijk boven de twaalven, die Hij tot apostelen gekozen en tevoren uitgezonden had.
[^lukas-10-1-2]: Kanttekening 2: voor Zijn aangezicht: Dat is, voor Hem heen; namelijk om de Joden van Zijne toekomst te waarschuwen en tot aanneming van hem en zijne leer te bereiden.
[^lukas-10-2-a]: Verwijzing a: Matt. 9:37 ; Joh. 4:35 . Mattheüs 9:37 : Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige; Johannes 4:35 : Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn al wit om te oogsten.
[^lukas-10-2-3]: Kanttekening 3: Grieks veel.
[^lukas-10-2-b]: Verwijzing b: 2 Thes. 3:1 . 2 Thessalonicensen 3:1 : Verder, broers, bidt voor ons, opdat het Woord van de Heer zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
[^lukas-10-2-4]: Kanttekening 4: Dat is, getrouwe leraars.
[^lukas-10-2-5]: Kanttekening 5: Grieks uitwerpe; dat is, door de kracht van de Geest daartoe willig en bekwaam gemaakt zijnde, uitzende, 2 Kor. 3:5 . 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^lukas-10-3-c]: Verwijzing c: Matt. 10:16 . Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
[^lukas-10-4-d]: Verwijzing d: Matt. 10:9 ; Mark. 6:8 ; Lukas 9:3 ; Lukas 22:35 . Mattheüs 10:9 : Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; Marcus 6:8 : En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in de gordel; Lukas 9:3 : En Hij zei tot hen: Neemt niets mee tot de weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. Lukas 22:35 : En Hij zei tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.
[^lukas-10-4-e]: Verwijzing e: 2 Kon. 4:29 . 2 Koningen 4:29 : En hij zei tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen.
[^lukas-10-4-6]: Kanttekening 6: groet niemand op de weg: Dat is, houdt u niet op met groeten of aanspraak dergenen, die u ontmoeten, maar haast u op reis. Zie 2 Kon. 4:29 . Anders zo weert Christus niet de burgerlijke beleefdheid in het groeten, die Hij zelf tegen Zijne discipelen dikwijls gebruikt heeft. 2 Koningen 4:29 : En hij zei tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen.
[^lukas-10-5-f]: Verwijzing f: Matt. 10:12 ; Mark. 6:10 . Mattheüs 10:12 : En als u in het huis gaat, zo groet hetzelfde. Marcus 6:10 : En Hij zei tot hen: Zo waar u in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat u van daar uitgaat.
[^lukas-10-5-7]: Kanttekening 7: Vrede zij deze huize: Dat is, geluk en zaligheid. Dit is een manier van groeten bij de Joden.
[^lukas-10-6-8]: Kanttekening 8: een zoon van de vrede: Dat is, die door Gods genade de vrede waard is, gelijk Matt. 10:11 verklaard wordt. Zo wordt het woord zoon dikwijls genomen. Zie 2 Sam. 12:5 ; Matt. 23:15 ; Ef. 2:3 . Mattheüs 10:11 : En in wat stad of vlek u zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waard is; en blijft daar, totdat u daar uitgaat. 2 Samuël 12:5 : Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als YHWH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood! Mattheüs 23:15 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt u hem een kind van de hel, tweemaal meer dan u bent. Efeziërs 2:3 : Onder die ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen;
[^lukas-10-7-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 10:27 . 1 Korinthiërs 10:27 : En als u iemand van de ongelovigen noodt, en u daar gaan wilt, eet al wat u voorgesteld wordt, niets ondervragende, vanwege het geweten.
[^lukas-10-7-h]: Verwijzing h: Lev. 19:13 ; Deut. 24:14 ; Deut. 25:4 ; Matt. 10:10 ; 1 Kor. 9:4 ; idem v. 14 ; 1 Tim. 5:18 . Leviticus 19:13 : U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Deuteronomium 24:14 : U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broers is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Deuteronomium 25:4 : Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. Mattheüs 10:10 : Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. 1 Korinthiërs 9:4 : Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken? 1 Korinthiërs 9:14 : Zo heeft ook de Heer bestemd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 1 Timotheüs 5:18 : Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard.
[^lukas-10-7-9]: Kanttekening 9: gaat niet over: Namelijk om meerder gemak of beter onthaal elders te zoeken, zo u daar niet lang zult mogen verblijven.
[^lukas-10-8-10]: Kanttekening 10: eet wat u voorgezet wordt: Dat is, zijt daarmede tevreden.
[^lukas-10-10-i]: Verwijzing i: Matt. 10:14 ; Mark. 6:11 ; Lukas 9:5 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uw voeten af. Marcus 6:11 : En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan die stad. Lukas 9:5 : En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.
[^lukas-10-11-k]: Verwijzing k: Hand. 13:51 ; Hand. 18:6 . Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelfde, en kwamen te Ikonium. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^lukas-10-11-11]: Kanttekening 11: schudden wij af: Grieks vegen wij af. Zie de aantekeningen Matt. 10:14 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uw voeten af.
[^lukas-10-12-12]: Kanttekening 12: die dag: Namelijk van het uiterste oordeel, gelijk te zien is vers 14 . Lukas 10:14 : Maar het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan u.
[^lukas-10-13-13]: Kanttekening 13: Dat is, krachtige werken of wondertekenen. Hiermede wil Christus te kennen geven dat de hardnekkigheid van deze heidense mensen zo groot niet was als van deze Joden. Zie dergelijke Ez. 3:6 , 3:7 . Ezechiël 3:6 : Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden u niet kunt verstaan; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben? Ezechiël 3:7 : Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het gehele huis van Israël is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij.
[^lukas-10-15-14]: Kanttekening 14: verhoogd zijt: Zie Matt. 11:23 . Mattheüs 11:23 : En u, Kapernaum! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn.
[^lukas-10-16-l]: Verwijzing l: Matt. 10:40 ; Mark. 9:37 ; Joh. 13:20 . Mattheüs 10:40 : Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Marcus 9:37 : Zo wie een van zodanige kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^lukas-10-16-m]: Verwijzing m: 1 Thes. 4:8 . 1 Thessalonicensen 4:8 : Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven.
[^lukas-10-17-15]: Kanttekening 15: Namelijk die van Christus uitgezonden waren, vers 1 . Lukas 10:1 : En na deze stelde de Heer nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.
[^lukas-10-18-n]: Verwijzing n: Openb. 12:8 ; idem v. 9 . Openbaring 12:8 : En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel. Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^lukas-10-18-16]: Kanttekening 16: als een bliksem: Dat is, snel.
[^lukas-10-18-17]: Kanttekening 17: uit de hemel: Dat is, uit de lucht, gelijk Matt. 6:26 . Zie Ef. 6:12 . Mattheüs 6:26 : Aanziet de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans die; gaat u die niet zeer veel te boven? Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
[^lukas-10-18-18]: Kanttekening 18: Dat is, zijne kracht en heerschappij verliezen. Zie Openb. 12:9 , enz. Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^lukas-10-19-o]: Verwijzing o: Mark. 16:18 ; Hand. 28:5 . Marcus 16:18 : Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. Handelingen 28:5 : Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.
[^lukas-10-19-19]: Kanttekening 19: op slangen en schorpioenen te treden: Zie hiervan Mark. 16:18 . Marcus 16:18 : Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.
[^lukas-10-19-20]: Kanttekening 20: van de vijand: Dat is, van de duivel. Zie Matt. 13:39 ; 1 Petr. 5:8 . Mattheüs 13:39 : En de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding van de wereld; en de maaiers zijn de engelen. 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^lukas-10-19-21]: Kanttekening 21: Grieks verongelijken. Zie ook Openb. 6:6 . Openbaring 6:6 : En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.
[^lukas-10-20-22]: Kanttekening 22: Dat is, niet zozeer; namelijk omdat de huichelaars zulks ook somwijlen hebben gedaan. Zie Matt. 7:22 , 7:23 . Mattheüs 7:22 : Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt!
[^lukas-10-20-23]: Kanttekening 23: de geesten: Dat is, de onreine geesten.
[^lukas-10-20-p]: Verwijzing p: Ex. 32:32 ; Jes. 4:3 ; Dan. 12:1 ; Filip. 4:3 . Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Jesaja 4:3 : En het zal gebeuren, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iedereen, die geschreven is ten leven te Jeruzalem; Daniël 12:1 : En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven.
[^lukas-10-20-24]: Kanttekening 24: in de hemelen: Namelijk in het boek van het leven. Zie de verklaring daarvan Filipp. 4:3 . Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven.
[^lukas-10-21-q]: Verwijzing q: Matt. 11:25 . Mattheüs 11:25 : In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard.
[^lukas-10-21-25]: Kanttekening 25: in de geest: Dat is, innerlijk en van harte.
[^lukas-10-21-26]: Kanttekening 26: Ik dank: Grieks ik belijd.
[^lukas-10-21-r]: Verwijzing r: Job 5:12 ; Jes. 29:14 ; 1 Kor. 1:19 ; 1 Kor. 2:7 ; idem 2:8 ; 2 Kor. 3:14 . Job 5:12 : Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. Jesaja 29:14 : Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijn wijzen zal vergaan, en het verstand zijn verstandigen zal zich verbergen. 1 Korinthiërs 1:19 : Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken. 1 Korinthiërs 2:7 : Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; 1 Korinthiërs 2:8 : Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben. 2 Korinthiërs 3:14 : Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van de Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
[^lukas-10-21-27]: Kanttekening 27: de wijzen en verstandigen: Namelijk van deze wereld, 1 Kor. 1:26 . 1 Korinthiërs 1:26 : Want u ziet uw roeping, broers, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
[^lukas-10-21-28]: Kanttekening 28: de kinderen: Dat is, de verachten en kleinen naar de wereld; of de geringen van verstand en wetenschap, 1 Kor. 1:27 . 1 Korinthiërs 1:27 : Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;
[^lukas-10-21-29]: Kanttekening 29: ja, Vader: Namelijk zo hebt U gedaan.
[^lukas-10-22-30]: Kanttekening 30: Alle dingen: Dat is, de macht over alle dingen in hemel en op aarde. Zie Matt. 28:18 . Mattheüs 28:18 : En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
[^lukas-10-22-s]: Verwijzing s: Ps. 8:7 ; Joh. 3:35 ; Joh. 17:2 ; 1 Kor. 15:27 ; Filip. 2:10 ; Hebr. 2:8 . Psalmen 8:7 : U doet hem heersen over de werken van Uw handen; U hebt alles onder zijn voeten gezet; Johannes 3:35 : De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Johannes 17:2 : Zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat U Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. 1 Korinthiërs 15:27 : Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Filippensen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Hebreeën 2:8 : Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;
[^lukas-10-22-t]: Verwijzing t: Joh. 1:18 ; Joh. 6:44 ; idem 6:46 . Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 6:44 : Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:46 : Niet dat iemand de Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft de Vader gezien.
[^lukas-10-22-31]: Kanttekening 31: Namelijk door zijn Woord en Geest, 1 Kor. 2:11 , 2:12 . 1 Korinthiërs 2:11 : Want wie van de mensen weet, wat van de mensen is, dan de geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat Gods is, dan de Geest van God. 1 Korinthiërs 2:12 : Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
[^lukas-10-23-v]: Verwijzing v: Matt. 13:16 . Mattheüs 13:16 : Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
[^lukas-10-23-32]: Kanttekening 32: Namelijk de Christus of Messias in het vlees nu geopenbaard, en zijn ambt bedienende, Joh. 8:56 ; Hand. 2:25 ; 1 Petr. 1:8 , enz. Johannes 8:56 : Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Handelingen 2:25 : Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde. 1 Petrus 1:8 : Wie u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Wie u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;
[^lukas-10-24-x]: Verwijzing x: 1 Petr. 1:10 . 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
[^lukas-10-24-33]: Kanttekening 33: hebben begeerd te zien: Grieks hebben willen zien.
[^lukas-10-27-y]: Verwijzing y: Deut. 6:5 ; Deut. 10:12 ; Deut. 30:6 . Deuteronomium 6:5 : Zo zult u YHWH, uw God, liefhebben, met uw gehele hart, en met uw gehele ziel, en met al uw vermogen. Deuteronomium 10:12 : Nu dan, Israël! wat eist YHWH, uw God van u dan YHWH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en YHWH, uw God, te dienen, met uw gehele hart en met uw gehele ziel; Deuteronomium 30:6 : En YHWH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw gehele hart en met uw gehele ziel, opdat u levet.
[^lukas-10-27-z]: Verwijzing z: Lev. 19:18 ; Rom. 13:9 ; Galat. 5:14 ; Jak. 2:8 . Leviticus 19:18 : U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Jakobus 2:8 : Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet u wel;
[^lukas-10-28-34]: Kanttekening 34: Namelijk eeuwig, gelijk hij gevraagd had, vers 25 . Dit zegt Christus niet dat iemand de wet volkomen kan onderhouden en zo het eeuwige leven beërven, maar om hem door de wet te brengen tot kennis van zijne onvolmaaktheid; Gal. 3:18 , 3:24 . Lukas 10:25 : En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Galaten 3:18 : Want als de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven. Galaten 3:24 : Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
[^lukas-10-29-35]: Kanttekening 35: zichzelven rechtvaardigen: Dat is, zichzelven voor rechtvaardig uitgeven, gelijk Luk. 18:9 . Lukas 18:9 : En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
[^lukas-10-30-36]: Kanttekening 36: kwam af van Jeruzalem: Namelijk omdat Jeruzalem omhoog gelegen was op bergen, Ps. 125:1 . Zodat degenen, die naar Jeruzalem reisden, gezegd worden op te gaan, en die vandaar reisden af te komen. Psalmen 125:1 : Een lied Hammaäloth. Die op YHWH vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
[^lukas-10-30-37]: Kanttekening 37: Grieks straatschenders, rovers.
[^lukas-10-30-38]: Kanttekening 38: Of, wonden.
[^lukas-10-31-39]: Kanttekening 39: bij geval: Dat is, zonder voorbedachtheid, namelijk ten aanzien van deze mensen. Want anders ten aanzien van de voorzienigheid Gods geschiedt er niets bij geval, Matt. 10:29 , 10:30 . Mattheüs 10:29 : Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. Mattheüs 10:30 : En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld.
[^lukas-10-33-40]: Kanttekening 40: Welke Samaritanen anders van de Joden voor vijandig gehouden werden, Joh. 4:9 . Waarvan zie de oorzaak Luk. 9:53 . Johannes 4:9 : Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. Lukas 9:53 : En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.
[^lukas-10-35-41]: Kanttekening 41: Grieks denariën; waarvan zie de waarde Matt. 18:28 . Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden een van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^lukas-10-36-42]: Kanttekening 42: naaste geweest te zijn van degene: Dat is, die de plicht eens naasten bewezen heeft.
[^lukas-10-38-43]: Kanttekening 43: Namelijk Bethanië. Zie Joh. 11:1 . Johannes 11:1 : En er was een zeker man ziek, genaamd Lazarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en haar zus Martha.
[^lukas-10-39-44]: Kanttekening 44: Namelijk onder andere toehoorders.
[^lukas-10-39-a]: Verwijzing a: Hand. 22:3 . Handelingen 22:3 : Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent;
[^lukas-10-40-45]: Kanttekening 45: met veel dienens: Namelijk om de maaltijd toe te bereiden, gelijk Matt. 8:15 . Mattheüs 8:15 : En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.
[^lukas-10-40-46]: Kanttekening 46: dat zij mij helpe: Grieks dat zij het met en naast mij aanneme.
[^lukas-10-42-47]: Kanttekening 47: een ding is nodig: Namelijk het geestelijke vooral te bezorgen, Ps. 57:4 ; Matt. 6:33 . Psalmen 57:4 : Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. Mattheüs 6:33 : Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
[^lukas-10-42-b]: Verwijzing b: Ps. 27:4 . Psalmen 27:4 : Een ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis van YHWH, om de liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.

### Lukas 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/11.json)

*1 Christus geeft zijn discipelen een voorbeeld om te bidden. 5 Met de gelijkenissen van een vriend en van een vader leert Hij dat zij die in het gebed volharden, verhoord zullen worden. 14 Hij werpt een stomme duivel uit en weerspreekt de laster van hen die zeiden dat Hij dat door Beelzebul deed. 24 Hij beschrijft de ellendige toestand van de mens, in wie de onreine geest terugkeert. 27 Een vrouw prijst de schoot zalig die Christus gedragen heeft. 29 Christus betuigt dat aan de Joden het teken van Jona gegeven zal worden. 31 Tegenover hun hardnekkigheid stelt Hij het voorbeeld van de koningin van het Zuiden en van de Ninevieten. 33 Met de gelijkenis van een kaars leert Hij dat men het licht van het evangelie niet moet verbergen. 37 Hij bestraft de huichelarij, eerzucht en wreedheid van de Farizeeen en Schriftgeleerden tegen alle profeten en apostelen, en dreigt hun met de straf van God. 53 Daarop leggen de Farizeeen Hem nieuwe lagen.*

**1** En het gebeurde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat één van Zijn discipelen tot Hem zei: Heere,[^lukas-11-1-1] leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v1)

**2** En Hij zei tot hen:[^lukas-11-2-a] Wanneer u bidt, zo zegt:[^lukas-11-2-2] Onze Vader, Die in de hemelen bent! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, zoals in de hemel, zo ook op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v2)

**3** Geef ons[^lukas-11-3-3] elke dag ons[^lukas-11-3-4] dagelijks brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v3)

**4** En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een ieder die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v4)

**5** En Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal[^lukas-11-5-5] om middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v5)

**6** Omdat mijn vriend[^lukas-11-6-6] van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v6)

**7** En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij[^lukas-11-7-7] in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v7)

**8** Ik zeg u: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, toch vanwege zijn[^lukas-11-8-8] onbeschaamdheid, zal hij opstaan, en hem geven[^lukas-11-8-9] zoveel als hij er behoeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v8)

**9** En Ik zeg u: Bid,[^lukas-11-9-10][^lukas-11-9-b] en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v9)

**10** Want een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v10)

**11** [^lukas-11-11-c] En wat vader onder u, die de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v11)

**12** Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v12)

**13** Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de[^lukas-11-13-11] hemelse Vader de Heilige Geest geven van hen, die Hem bidden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v13)

**14** [^lukas-11-14-d] En Hij wierp een duivel uit, en die[^lukas-11-14-12] was stom. En het gebeurde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de menigten verwonderden zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v14)

**15** Maar sommigen van hen zeiden:[^lukas-11-15-e] Hij werpt de demonen uit door[^lukas-11-15-13] Beëlzebul, de overste van de demonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v15)

**16** En anderen, Hem[^lukas-11-16-14][^lukas-11-16-f] verzoekende, begeerden van Hem een teken[^lukas-11-16-15] uit de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v16)

**17** Maar Hij, kennende hun[^lukas-11-17-16] gedachten, zei tot hen:[^lukas-11-17-g] Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en[^lukas-11-17-17] een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v17)

**18** Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Omdat u zegt, dat Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v18)

**19** En als Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze[^lukas-11-19-18] uw zonen uit? Daarom zullen deze[^lukas-11-19-19] uw rechters zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v19)

**20** Maar als Ik door[^lukas-11-20-20] de vinger van God de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v20)

**21** Wanneer een sterke gewapende zijn[^lukas-11-21-21] hof bewaart, zo is[^lukas-11-21-22] al wat hij heeft in[^lukas-11-21-23] vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v21)

**22** [^lukas-11-22-h] Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn hele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn[^lukas-11-22-24] roof uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v22)

**23** [^lukas-11-23-i] Wie[^lukas-11-23-25] met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet verzamelt, die verstrooit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v23)

**24** [^lukas-11-24-26][^lukas-11-24-k] Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, zo gaat hij door[^lukas-11-24-27] dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v24)

**25** En komende, vindt hij het[^lukas-11-25-28] met bezemen gekeerd en versierd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v25)

**26** Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij daar;[^lukas-11-26-l] en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v26)

**27** En het gebeurde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de menigte, tot Hem zei: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die U hebt gezogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v27)

**28** Maar Hij zei:[^lukas-11-28-29][^lukas-11-28-m] Ja, zalig zijn degenen, die het Woord van God horen, en hetzelfde bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v28)

**29** En als de menigten dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan[^lukas-11-29-n] het teken van Jona, de profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v29)

**30** Want[^lukas-11-30-30] zoals Jona de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen zijn deze geslachte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v30)

**31** De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal[^lukas-11-31-31] ze veroordelen;[^lukas-11-31-o] want zij is gekomen[^lukas-11-31-32] van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet,[^lukas-11-31-33] meer dan Salomo is hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v31)

**32** De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen;[^lukas-11-32-p] want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v32)

**33** [^lukas-11-33-q] En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen,[^lukas-11-33-34] het licht zien mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v33)

**34** [^lukas-11-34-r] De kaars van het lichaam is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw hele lichaam[^lukas-11-34-35] verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw hele lichaam duister. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v34)

**35** [^lukas-11-35-36] Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, duisternis zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v35)

**36** Als dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal[^lukas-11-36-37] het geheel verlicht zijn, zoals wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v36)

**37** Als Hij nu dit[^lukas-11-37-38] sprak, bad Hem een zeker Farizeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v37)

**38** En de Farizeër, dat ziende, verwonderde zich,[^lukas-11-38-s] dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich[^lukas-11-38-39] gewassen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v38)

**39** En de Heere zei tot hem:[^lukas-11-39-t] Nu u Farizeën, u reinigt het buitenste van de drinkbeker en van de schotel; maar[^lukas-11-39-40] het binnenste van u is vol van roof en boosheid.[^lukas-11-39-v] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v39)

**40** U onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v40)

**41** [^lukas-11-41-x] Maar geeft tot liefdegave, wat[^lukas-11-41-41] daarin is; en ziet,[^lukas-11-41-42] alles is u rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v41)

**42** [^lukas-11-42-y] Maar wee u, Farizeën, want u[^lukas-11-42-43] vertient munte, en ruite, en[^lukas-11-42-44] alle moeskruid, en[^lukas-11-42-z] u gaat voorbij[^lukas-11-42-45] het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v42)

**43** [^lukas-11-43-a] Wee u, Farizeën, want u houdt van[^lukas-11-43-46] het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v43)

**44** [^lukas-11-44-b] Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent zoals de graven, die[^lukas-11-44-47] niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen,[^lukas-11-44-48] weten het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v44)

**45** En één van de[^lukas-11-45-49] wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als U deze dingen zegt, zo doet U ook ons smaad aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v45)

**46** [^lukas-11-46-c] Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet aan met één van uw vingers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v46)

**47** [^lukas-11-47-d] Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw vaders hebben dezelfde gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v47)

**48** Zo getuigt u dan,[^lukas-11-48-50] dat u mee behagen hebt aan de werken van uw vaders; want zij hebben ze gedood, en u[^lukas-11-48-51] bouwt hun graven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v48)

**49** Waarom ook[^lukas-11-49-52] de wijsheid van God zegt:[^lukas-11-49-e] Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;[^lukas-11-49-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v49)

**50** Opdat van[^lukas-11-50-54] dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging van de wereld af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v50)

**51** [^lukas-11-51-f] Van het bloed van[^lukas-11-51-g] Abel, tot het bloed[^lukas-11-51-55] van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en[^lukas-11-51-56] het huis van God; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v51)

**52** [^lukas-11-52-h] Wee u, u wetgeleerden, want u hebt[^lukas-11-52-57] de sleutel van de kennis weggenomen; u bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v52)

**53** En als Hij deze dingen tot hen zei, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeën[^lukas-11-53-58] hard aan te houden, en Hem van vele dingen[^lukas-11-53-59] te doen spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v53)

**54** Hem hinderlagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/11.html#v54)

[^lukas-11-1-1]: Kanttekening 1: leer ons bidden: Dat is, geef ons een voorschrift van het gebed, dat wij mogen gebruiken, en waarnaar wij onze gebeden mogen richten.
[^lukas-11-2-a]: Verwijzing a: Matt. 6:9 . Mattheüs 6:9 : U dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
[^lukas-11-2-2]: Kanttekening 2: Onze Vader: Zie de verklaring van dit gebed bij Matt. 6:9 , enz. Mattheüs 6:9 : U dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.
[^lukas-11-3-3]: Kanttekening 3: elke dag: Of, van dag tot dag, of alle dagen.
[^lukas-11-3-4]: Kanttekening 4: dagelijks brood: Of, genoegzaam; zie Matt. 6:11 . Mattheüs 6:11 : Geef ons heden ons dagelijks brood.
[^lukas-11-5-5]: Kanttekening 5: ter middernacht: Dat is zelfs ter ongelegenster tijd.
[^lukas-11-6-6]: Kanttekening 6: van de reis tot mij gekomen is: Grieks van de weg.
[^lukas-11-7-7]: Kanttekening 7: in de slaapkamer: Of, te bed.
[^lukas-11-8-8]: Kanttekening 8: onbeschaamdheid wil: Dat is, ter wille van zijn moeilijk en ontijdig aanhouden, dat wel somwijlen onaangenaam is bij de mensen, maar niet bij God, Luk. 18:1 ; 1 Thess. 5:17 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^lukas-11-8-9]: Kanttekening 9: zoveel als hij er behoeft: Namelijk broden.
[^lukas-11-9-10]: Kanttekening 10: Zie hiervan de verklaring Matt. 7:8 . Mattheüs 7:8 : Want een ieder, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden.
[^lukas-11-9-b]: Verwijzing b: Matt. 7:7 ; Matt. 21:22 ; Mark. 11:24 ; Joh. 14:13 ; Joh. 15:7 ; Joh. 16:24 ; Jak. 1:5 ; idem v. 6 ; 1 Joh. 3:22 ; 1 Joh. 5:14 . Mattheüs 7:7 : Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Mattheüs 21:22 : En al wat u zult begeren in het gebed, gelovende, zult u ontvangen. Marcus 11:24 : Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die u biddende begeert, gelooft, dat u ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. Johannes 14:13 : En zo wat u begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Johannes 15:7 : Als u in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat u wilt, zult u begeren, en het zal u gebeuren. Johannes 16:24 : Tot nog toe hebt u niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. Jakobus 1:5 : En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iedereen mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Jakobus 1:6 : Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. 1 Johannes 3:22 : En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem. 1 Johannes 5:14 : En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
[^lukas-11-11-c]: Verwijzing c: Matt. 7:9 . Mattheüs 7:9 : Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?
[^lukas-11-13-11]: Kanttekening 11: hemelse Vader: Grieks die uit de hemel is.
[^lukas-11-14-d]: Verwijzing d: Matt. 9:32 ; Matt. 12:22 . Mattheüs 9:32 : Als deze nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van de duivel bezeten was. Mattheüs 12:22 : Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag.
[^lukas-11-14-12]: Kanttekening 12: was stom: Dat is, maakte de bezeten mens stom en ook blind, gelijk te zien is Matt. 12:22 . Mattheüs 12:22 : Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag.
[^lukas-11-15-e]: Verwijzing e: Matt. 9:34 ; Matt. 12:24 ; Mark. 3:22 . Mattheüs 9:34 : Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door de overste van de duivelen. Mattheüs 12:24 : Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de duivelen. Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit.
[^lukas-11-15-13]: Kanttekening 13: Anders, Beëlzebub. Zie daarvan Matt. 10:25 . Mattheüs 10:25 : Het zij de discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienaar gelijk zijn heer. Als zij de Heer van het huis Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
[^lukas-11-16-14]: Kanttekening 14: begeerden van Hem: Grieks zochten.
[^lukas-11-16-f]: Verwijzing f: Matt. 16:1 . Mattheüs 16:1 : En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
[^lukas-11-16-15]: Kanttekening 15: uit de hemel: Zie Matt. 16:1 . Mattheüs 16:1 : En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
[^lukas-11-17-16]: Kanttekening 16: Of, overleggingen.
[^lukas-11-17-g]: Verwijzing g: Matt. 12:25 ; Mark. 3:24 . Mattheüs 12:25 : Maar Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. Marcus 3:24 : En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
[^lukas-11-17-17]: Kanttekening 17: een huis: Grieks huis tegen huis; dat is tegen zichzelven; gelijk te zien is Matt. 12:25 . Mattheüs 12:25 : Maar Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.
[^lukas-11-19-18]: Kanttekening 18: zonen uit: Zie Matt. 12:27 . Mattheüs 12:27 : En als Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.
[^lukas-11-19-19]: Kanttekening 19: rechters zijn: Dat is, met hun doen en getuigenis u veroordelen.
[^lukas-11-20-20]: Kanttekening 20: de vinger van God de duivelen uitwerp: Dat is, door de kracht of Geest van God, gelijk er staat Matt. 12:28 . Dergelijke manier van spreken zie Ex. 8:19 . Mattheüs 12:28 : Maar als Ik door de Geest van God de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. Exodus 8:19 : Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk YHWH gesproken had.
[^lukas-11-21-21]: Kanttekening 21: hof bewaart: Of, paleis.
[^lukas-11-21-22]: Kanttekening 22: al wat hij heeft: Of, al zijne goederen.
[^lukas-11-21-23]: Kanttekening 23: Dat is, in rust en zekerheid.
[^lukas-11-22-h]: Verwijzing h: Kolos. 2:15 . Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd.
[^lukas-11-22-24]: Kanttekening 24: roof uit: Mattheüs zegt vaten; dat is huisraad.
[^lukas-11-23-i]: Verwijzing i: Matt. 12:30 . Mattheüs 12:30 : Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
[^lukas-11-23-25]: Kanttekening 25: met Mij niet is: Namelijk om Gods eer en de zaligheid van de mensen te bevorderen; zie Mark. 9:40 . Marcus 9:40 : Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.
[^lukas-11-24-26]: Kanttekening 26: Wanneer de onreine geest: Zie hiervan de verklaring Matt. 12:43 , enz. Mattheüs 12:43 : En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
[^lukas-11-24-k]: Verwijzing k: Matt. 12:43 . Mattheüs 12:43 : En wanneer de onreine geest van de men uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
[^lukas-11-24-27]: Kanttekening 27: dorre plaatsen: Grieks waterloze, droge.
[^lukas-11-25-28]: Kanttekening 28: met bezemen gekeerd en versierd: Of, geveegd.
[^lukas-11-26-l]: Verwijzing l: Joh. 5:14 ; Hebr. 6:4 ; idem 6:5 ; Hebr. 10:26 ; 2 Petr. 2:20 . Johannes 5:14 : Daarna vond hem Jezus in de tempel, en zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. Hebreeën 6:4 : Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, Hebreeën 6:5 : En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, Hebreeën 10:26 : Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 2 Petrus 2:20 : Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in dezelfde opnieuw ingewikkeld zijnde, van dezelfde overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.
[^lukas-11-28-29]: Kanttekening 29: Ja, zalig zijn degenen: Christus ontkent hier niet dat zijne moeder zalig is, maar leert dat haar en andere zaligheid niet voortkomt uit vleselijke geboorte, maar door het gehoor van het woord van God met waar geloof aangenomen.
[^lukas-11-28-m]: Verwijzing m: Matt. 7:21 ; Joh. 6:29 ; Rom. 2:13 . Mattheüs 7:21 : Niet een iedereen, die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal ingaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Johannes 6:29 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft. Romeinen 2:13 : (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden;
[^lukas-11-29-n]: Verwijzing n: Jona 1:17 ; Jona 2:10 . Jona 1:17 : De YHWH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten. Jona 2:10 : De YHWH nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.
[^lukas-11-30-30]: Kanttekening 30: gelijk Jona de Ninevieten een teken geweest is: Zie hiervan de verklaring van Christus zelven, Matt. 12:40 . Mattheüs 12:40 : Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^lukas-11-31-31]: Kanttekening 31: Namelijk door haar voorbeeld.
[^lukas-11-31-o]: Verwijzing o: 1 Kon. 10:1 ; 2 Kron. 9:1 ; Matt. 12:42 . 1 Koningen 10:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van YHWH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 2 Kronieken 9:1 : En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. Mattheüs 12:42 : De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
[^lukas-11-31-32]: Kanttekening 32: van de einden van de aarde: Grieks uit.
[^lukas-11-31-33]: Kanttekening 33: meer dan Salomo is hier: Dat is, een die voortreffelijker is dan Salomo, zo van persoon als van ambt.
[^lukas-11-32-p]: Verwijzing p: Jona 3:5 . Jona 3:5 : En de mensen van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.
[^lukas-11-33-q]: Verwijzing q: Matt. 5:15 ; Mark. 4:21 ; Lukas 8:16 . Mattheüs 5:15 : Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn; Marcus 4:21 : En Hij zei tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op de kandelaar gezet worde? Lukas 8:16 : En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelfde met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
[^lukas-11-33-34]: Kanttekening 34: het licht zien mogen: Grieks het schijnsel.
[^lukas-11-34-r]: Verwijzing r: Matt. 6:22 . Mattheüs 6:22 : De kaars van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
[^lukas-11-34-35]: Kanttekening 35: Of, luchtig; zie Matt. 6:22 . Mattheüs 6:22 : De kaars van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
[^lukas-11-35-36]: Kanttekening 36: Zie dan toe: Of, ziet dan, of niet het licht, dat in u is, duisternis zij.
[^lukas-11-36-37]: Kanttekening 37: geheel verlicht zijn: Namelijk wat van u gedaan wordt, of voortkomt.
[^lukas-11-37-38]: Kanttekening 38: bad Hem een zeker Farizeeër: Grieks vraagde Hem.
[^lukas-11-38-s]: Verwijzing s: Mark. 7:3 . Marcus 7:3 : Want de Farizeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikwijls groeien, houdende de inzettingen van de ouden.
[^lukas-11-38-39]: Kanttekening 39: Zich gewassen had: Grieks gedoopt ware. Zie Mark. 7:4 . Marcus 7:4 : En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen van de drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
[^lukas-11-39-t]: Verwijzing t: Matt. 23:25 . Mattheüs 23:25 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbeker, en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
[^lukas-11-39-40]: Kanttekening 40: het binnenste van u: Dat verstaan kan worden, òf van de harten van de Farizeën, òf van hunne schotel; gelijk uitgedrukt staat Matt. 23:25 . Mattheüs 23:25 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbeker, en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.
[^lukas-11-39-v]: Verwijzing v: Titus 1:15 . Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^lukas-11-41-x]: Verwijzing x: Jes. 58:7 ; Dan. 4:27 ; Lukas 12:33 . Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Daniël 4:27 : Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen. Lukas 12:33 : Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.
[^lukas-11-41-41]: Kanttekening 41: daarin is: Namelijk in de schotel, of wat u hebt, gelijk Luk. 19:8 , of wat in u is; dat is, verandert uwe onrechtvaardigheid in gerechtigheid en weldadigheid tegen de armen; gelijk Dan. 4:27 . Lukas 19:8 : En Zacheüs stond, en zei tot de Heer: Zie, de helft van mijn goederen, Heer, geef ik de armen; en als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weer. Daniël 4:27 : Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.
[^lukas-11-41-42]: Kanttekening 42: alles is u rein: Dat is, dan zult u het voedsel en de drank met goede consciëntie en dankzegging gebruiken mogen, 1 Tim. 4:4 ; Tit. 1:15 . Anders, zal u rein zijn. 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^lukas-11-42-y]: Verwijzing y: Matt. 23:23 . Mattheüs 23:23 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u vertient de munte, en de dille, en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
[^lukas-11-42-43]: Kanttekening 43: Zie Matt. 23:23 . Mattheüs 23:23 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u vertient de munte, en de dille, en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.
[^lukas-11-42-44]: Kanttekening 44: alle moeskruid: Dat is, allerlei.
[^lukas-11-42-z]: Verwijzing z: 1 Sam. 15:22 ; Hosea 6:6 ; Micha 6:8 ; Matt. 9:13 ; Matt. 12:7 . 1 Samuël 15:22 : Maar Samuël zei: Heeft YHWH lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem van YHWH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Micha 6:8 : Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist YHWH van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Mattheüs 12:7 : Maar zo u geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, u zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.
[^lukas-11-42-45]: Kanttekening 45: het oordeel en de liefde van God: Dat is, gerechtigheid en billijkheid tegen uwe naaste.
[^lukas-11-43-a]: Verwijzing a: Matt. 23:6 ; Mark. 12:38 ; Lukas 20:46 . Mattheüs 23:6 : En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten; Lukas 20:46 : Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange kleren, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;
[^lukas-11-43-46]: Kanttekening 46: het voorgestoelte in de synagogen: Of, voorste zitting.
[^lukas-11-44-b]: Verwijzing b: Matt. 23:27 . Mattheüs 23:27 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent de witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.
[^lukas-11-44-47]: Kanttekening 47: niet openbaar zijn: Of verborgen, namelijk in de aarde.
[^lukas-11-44-48]: Kanttekening 48: weten het niet: Of, kennen ze niet.
[^lukas-11-45-49]: Kanttekening 49: De schriftgeleerden waren ook wel wetgeleerden; dan het schijnt dat onder dezelven enige waren, die in wetenschap uitstaken, en die deze naam bijzonder voerden.
[^lukas-11-46-c]: Verwijzing c: Jes. 10:1 ; Matt. 23:4 ; Hand. 15:10 . Jesaja 10:1 : Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en de schrijvers, die moeite voorschrijven; Mattheüs 23:4 : Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. Handelingen 15:10 : Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
[^lukas-11-47-d]: Verwijzing d: Matt. 23:29 . Mattheüs 23:29 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten op, en versiert de graftekenen van de rechtvaardigen;
[^lukas-11-48-50]: Kanttekening 50: dat u mee behagen hebt: Grieks en u hebt mee behagen.
[^lukas-11-48-51]: Kanttekening 51: bouwt hun graven: Dat is, als u hunne graven opbouwt, zo toont u daarmede dat u rechte kinderen bent dergenen, die de profeten hebben gedood, Matt. 23:31 . En hoewel u daarmede wilt schijnen de daad van uw vaderen te misprijzen, zo blijkt nochtans uit de haat en de wreedheid, die u bewijst tegen de rechtzinnige leraars, dat u daarin uw vaderen gelijk bent; en zo u in die tijd geleefd hadt, dat u hetzelfde ook aan de profeten zoudt hebben gedaan. Mattheüs 23:31 : Aldus getuigt u tegen uzelven, dat u kinderen bent dergenen, die de profeten gedood hebben.
[^lukas-11-49-52]: Kanttekening 52: de wijsheid van God: Dit spreekt Christus van zichzelven, zo hij de eeuwige wijsheid van de Vader is, Spreuk. 8:1 , 8:22 ; 1 Kor. 1:24 , gelijk blijkt uit Matt. 23:34 . Spreuken 8:1 : Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem? Spreuken 8:22 : YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. 1 Korinthiërs 1:24 : Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God. Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelfde zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelfde zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
[^lukas-11-49-e]: Verwijzing e: Matt. 10:16 ; Lukas 10:3 ; Joh. 16:2 ; Hand. 7:51 ; Hebr. 11:35 . Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. Lukas 10:3 : Gaat heen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven. Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een iedereen, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. Handelingen 7:51 : U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u. Hebreeën 11:35 : De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.
[^lukas-11-49-53]: Kanttekening 53: Of, heeft gezegd .
[^lukas-11-50-54]: Kanttekening 54: dit geslacht afgeëist worde: Zie Matt. 23:35 . Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^lukas-11-51-f]: Verwijzing f: Gen. 4:8 ; Hebr. 11:4 . Genesis 4:8 : En Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond, en sloeg hem dood. Hebreeën 11:4 : Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
[^lukas-11-51-g]: Verwijzing g: 2 Kron. 24:21 . 2 Kronieken 24:21 : En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in het voorhof van het huis van YHWH.
[^lukas-11-51-55]: Kanttekening 55: Van deze Zacharia zie Matt. 23:35 . Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^lukas-11-51-56]: Kanttekening 56: het huis van God : Dat is, de tempel, gelijk verklaard wordt Matt. 23:35 . Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^lukas-11-52-h]: Verwijzing h: Matt. 23:13 . Mattheüs 23:13 : Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
[^lukas-11-52-57]: Kanttekening 57: de sleutel van de kennis weggenomen: Deze sleutel is de rechte verklaring van Gods Woord, waardoor voor de mensen de ingang tot de hemel geopend wordt, welke geweerd zijnde, zo wordt deze ingang als toegesloten. Zie Matt. 23:13 . Mattheüs 23:13 : Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.
[^lukas-11-53-58]: Kanttekening 58: hard aan te houden: Of, heftiglijk op Hem toeleggen.
[^lukas-11-53-59]: Kanttekening 59: te doen spreken: Grieks uit de mond de woorden te halen.

### Lukas 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/12.json)

*1 Christus waarschuwt zijn discipelen voor het zuurdeeg van de Farizeeen. 4 Hij leert wie men het meest moet vrezen. 6 Hij vermaant tot vertrouwen op de voorzienigheid van God en tot belijdenis van zijn naam, en waarschuwt voor de lastering tegen de Heilige Geest. 13 Hij weigert scheidsman te zijn over een erfenis tussen broers. 15 Hij waarschuwt tegen hebzucht met de gelijkenis van een rijke man die zijn schuren groter wilde maken. 22 Met het voorbeeld van de raven en de lelies leert Hij dat men de zorg van dit leven aan God moet toevertrouwen en vooral zijn Koninkrijk moet zoeken. 33 Hij vermaant tot het geven van aalmoezen 35 en tot waken in verwachting van zijn komst. 41 Hij beschrijft het doen en de beloning van een trouwe dienstknecht, 45 en ook het doen en de straf van een ontrouwe dienstknecht. 49 Hij zegt dat Hij gekomen is om te lijden en het vuur op aarde te brengen. 54 Hij bestraft de Joden, dat zij de tijd van hun bezoeking niet opmerkten, 58 en vermaant tot verzoening met hun tegenpartij.*

**1** [^lukas-12-1-1] Intussen[^lukas-12-1-a] als vele[^lukas-12-1-2] duizenden van de menigte bijeenvergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Allereerst[^lukas-12-1-3] wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën, dat is de huichelarij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v1)

**2** [^lukas-12-2-b] En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v2)

**3** Daarom, al wat u[^lukas-12-3-4] in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat u in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal[^lukas-12-3-5] op de daken gepredikt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v3)

**4** En Ik zeg u, Mijn vrienden:[^lukas-12-4-c] Vrees u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna[^lukas-12-4-6] niet meer kunnen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v4)

**5** Maar Ik zal u tonen, Wie u vrezen zult: vrees Die, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in[^lukas-12-5-7] de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Die! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v5)

**6** [^lukas-12-6-d] Worden niet vijf musjes verkocht voor twee[^lukas-12-6-8] penninkjes? En niet één van die is voor God vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v6)

**7** [^lukas-12-7-e] Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Vrees dan niet;[^lukas-12-7-9] u gaat vele musjes te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v7)

**8** [^lukas-12-8-f] En Ik zeg u: Een ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v8)

**9** [^lukas-12-9-g] Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v9)

**10** En een ieder die[^lukas-12-10-10] enig woord spreken zal[^lukas-12-10-11] tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden;[^lukas-12-10-h] maar wie[^lukas-12-10-12] tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v10)

**11** [^lukas-12-11-i] En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo[^lukas-12-11-13] wees niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v11)

**12** Want de Heilige Geest zal u op dat moment[^lukas-12-12-14] leren, wat u spreken moet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v12)

**13** En één uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer, dat hij met mij de erfenis dele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v13)

**14** Maar Hij zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u gesteld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v14)

**15** En Hij zei tot hen: Zie toe en wees op uw hoede voor de gierigheid;[^lukas-12-15-16] want het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.[^lukas-12-15-k][^lukas-12-15-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v15)

**16** En Hij zei tot hen een gelijkenis, en sprak: Het land van een rijke man had wel gedragen;[^lukas-12-16-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v16)

**17** En hij overlegde bij zichzelf, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v17)

**18** En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal daar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v18)

**19** En ik zal tot mijn ziel zeggen:[^lukas-12-19-l] Ziel! u hebt vele goederen,[^lukas-12-19-18] die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v19)

**20** Maar God zei tot hem:[^lukas-12-20-m] U dwaas! in deze nacht[^lukas-12-20-19] zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt,[^lukas-12-20-n] van wie zal het zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v20)

**21** Zo is het met die, die zichzelf[^lukas-12-21-20] schatten verzamelt, en[^lukas-12-21-21] niet rijk is in God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v21)

**22** En Hij zei tot Zijn discipelen:[^lukas-12-22-o] Daarom zeg Ik u: Wees[^lukas-12-22-22] niet bezorgd voor uw[^lukas-12-22-23] leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u zich kleden zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v22)

**23** Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v23)

**24** [^lukas-12-24-p] Let op de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, die geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelfde;[^lukas-12-24-24] hoeveel gaat u de vogels te boven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v24)

**25** [^lukas-12-25-q] Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn,[^lukas-12-25-25] een el tot zijn lengte toedoen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v25)

**26** Als u dan ook het minste niet kunt, wat bent u voor de[^lukas-12-26-26] andere dingen bezorgd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v26)

**27** Beschouw de leliën, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als één van deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v27)

**28** Als nu God[^lukas-12-28-27] het gras dat vandaag op het veld is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel meer u, u kleingelovigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v28)

**29** En u,[^lukas-12-29-28] vraagt niet, wat u eten, of wat u drinken zult;[^lukas-12-29-29] en wees niet wankelmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v29)

**30** Want al deze dingen zoeken[^lukas-12-30-30] de volken van de wereld; maar uw Vader weet, dat u deze dingen behoeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v30)

**31** [^lukas-12-31-r] Maar zoekt het Koninkrijk van God, en al deze dingen zullen u[^lukas-12-31-31] toegeworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v31)

**32** Vrees niet, u klein kuddeken, want het is het welbehagen van de Vader, u het[^lukas-12-32-32] Koninkrijk te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v32)

**33** [^lukas-12-33-33][^lukas-12-33-s] Verkoop wat u hebt, en geeft een liefdegave.[^lukas-12-33-t] Maak uzelf beurzen, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v33)

**34** Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v34)

**35** [^lukas-12-35-v] Laat[^lukas-12-35-34] uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v35)

**36** En bent u de mensen gelijk, die op hun heer[^lukas-12-36-35] wachten, wanneer hij[^lukas-12-36-36] terugkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem meteen mogen opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v36)

**37** Zalig zijn die dienaren, die de heer, als hij komt, zal wakend vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v37)

**38** [^lukas-12-38-x] En zo hij komt in de tweede[^lukas-12-38-37] nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen zo, zalig zijn dezelfde dienaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v38)

**39** [^lukas-12-39-y] Maar weet dit, dat, als de heer van het huis geweten had, op welk uur de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v39)

**40** [^lukas-12-40-z] U dan, wees ook bereid; want op welk uur u het niet meent, zal de Zoon des mensen[^lukas-12-40-38] komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v40)

**41** En Petrus zei tot Hem: Heere! zegt U deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v41)

**42** En de Heere zei:[^lukas-12-42-a] Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun op de juiste tijd[^lukas-12-42-39] het bescheiden deel voedsel te geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v42)

**43** Zalig is de dienaar, die zijn heer, als hij komt, zal vinden, zo doende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v43)

**44** Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v44)

**45** Maar als dezelfde dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer wacht te komen; en zou beginnen de knechten en de dienaressen te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v45)

**46** Zo zal de heer dezelfde dienaars komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, die hij niet weet; en zal hem[^lukas-12-46-40] afscheiden, en zal zijn deel zetten met de[^lukas-12-46-41] ontrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v46)

**47** [^lukas-12-47-b] En die dienaar, die geweten heeft de wil van zijn heer, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v47)

**48** Maar die dezelfde niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waard zijn, die zal met weinig slagen geslagen worden. En een ieder wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden; en[^lukas-12-48-42] wie men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v48)

**49** Ik ben gekomen, om[^lukas-12-49-43] vuur op de aarde te werpen; en[^lukas-12-49-44] wat wil Ik, als het al ontstoken is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v49)

**50** [^lukas-12-50-c] Maar Ik moet met een[^lukas-12-50-45] doop gedoopt worden; en hoe word Ik[^lukas-12-50-46] beklemd, totdat het volbracht is! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v50)

**51** [^lukas-12-51-d] Denkt u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u,[^lukas-12-51-e] maar eerder verdeeldheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v51)

**52** Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v52)

**53** De vader zal tegen de zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v53)

**54** En Hij zei ook tot de menigten:[^lukas-12-54-f] Wanneer u een wolk ziet opgaan van het westen, meteen zegt u: Er komt regen; en het gebeurt zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v54)

**55** En wanneer u de zuidenwind ziet waaien, zo zegt u: Er zal hitte zijn; en het gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v55)

**56** U huichelaars,[^lukas-12-56-47] het aangezicht van de aarde en van de hemel weet u te[^lukas-12-56-48] duiden; en hoe duidt u[^lukas-12-56-49] deze tijd niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v56)

**57** En waarom oordeelt u ook[^lukas-12-57-50] van uzelf niet, wat recht is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v57)

**58** [^lukas-12-58-g] Want als u heengaat met uw tegenpartij voor de overheid, zo doet moeite op de weg, om van hem[^lukas-12-58-51] verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter sleept, en de rechter u de[^lukas-12-58-52] gerechtsdienaar overlevert, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v58)

**59** Ik zeg u: U zult van daar in geen geval uitgaan, voordat u ook het laatste[^lukas-12-59-53] penninkje betaald zult hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/12.html#v59)

[^lukas-12-1-1]: Kanttekening 1: als vele: Namelijk de Farizeën en schriftgeleerden op Hem aanhielden met vragen, gelijk in Luk. 11:53 , te zien is. Lukas 11:53 : En als Hij deze dingen tot hen zei, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeën hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken;
[^lukas-12-1-a]: Verwijzing a: Matt. 16:6 ; Mark. 8:15 . Mattheüs 16:6 : En Jezus zei tot hen: Ziet toe, en wacht u van de zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. Marcus 8:15 : En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van de zuurdesem van de Farizeën, en van de zuurdesem van Herodes.
[^lukas-12-1-2]: Kanttekening 2: duizenden van de schare bijeenvergaderd waren: Grieks tien duizenden.
[^lukas-12-1-3]: Kanttekening 3: wacht uzelven voor de zuurdesem van de Farizeeën: Namelijk opdat u daardoor niet wordt bedrogen, of hun voorbeeld niet volgt.
[^lukas-12-2-b]: Verwijzing b: Job 12:22 ; Matt. 10:26 ; Mark. 4:22 ; Lukas 8:17 . Job 12:22 : Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en van de dood schaduwe brengt Hij voort in het licht. Mattheüs 10:26 : Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. Marcus 4:22 : Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. Lukas 8:17 : Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch in het geheim, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.
[^lukas-12-3-4]: Kanttekening 4: in de duisternis gezegd hebt: Dat is, in het geheime.
[^lukas-12-3-5]: Kanttekening 5: op de daken gepredikt worden: Dat is, in het openbaar, voor een ieder. Zie de reden van deze manier van spreken in de aantekeningen Matt. 10:27 . Mattheüs 10:27 : Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken.
[^lukas-12-4-c]: Verwijzing c: Jes. 51:7 ; Jer. 1:8 ; Matt. 10:28 . Jesaja 51:7 : Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid kent, u volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van de men, en voor hun smaadredenen ontzet u niet. Jeremia 1:8 : Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH. Mattheüs 10:28 : En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel.
[^lukas-12-4-6]: Kanttekening 6: niet meer kunnen doen: Grieks niet hebben wat zij overvloediger doen zouden.
[^lukas-12-5-7]: Kanttekening 7: de hel te werpen: Grieks de gehenne. Zie daarvan Matt. 5:22 . Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broer toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broer zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
[^lukas-12-6-d]: Verwijzing d: Matt. 10:29 . Mattheüs 10:29 : Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
[^lukas-12-6-8]: Kanttekening 8: Grieks Assariois; van welker penninkjes waarde zie Matt. 10:29 . Mattheüs 10:29 : Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
[^lukas-12-7-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 14:45 ; 2 Sam. 14:11 ; 1 Kon. 1:52 ; Lukas 21:18 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 2 Samuël 14:11 : En zij zei: De koning gedenke toch aan YHWH, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zei hij: Zo waarachtig als YHWH leeft, als er één van de haar uws zoons op de aarde zal vallen! 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. Lukas 21:18 : Maar niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.
[^lukas-12-7-9]: Kanttekening 9: u gaat vele musjes te boven: Grieks u verscheelt van vele musjes.
[^lukas-12-8-f]: Verwijzing f: Matt. 10:32 . Mattheüs 10:32 : Een iedereen dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^lukas-12-9-g]: Verwijzing g: Matt. 10:33 ; Mark. 8:38 ; Lukas 9:26 ; 2 Tim. 2:12 ; 1 Joh. 2:23 . Mattheüs 10:33 : Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Marcus 8:38 : Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon van de mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met de heilige engelen. Lukas 9:26 : Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon van de mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader, en van de heilige engelen. 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 1 Johannes 2:23 : Een iedereen, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet.
[^lukas-12-10-10]: Kanttekening 10: enig woord spreken zal: Dat is, iets.
[^lukas-12-10-11]: Kanttekening 11: tegen de Zoon van de mensen: Dat is, die uit menselijke zwakheid, vrees of onwetendheid Christus' persoon, ambt en leer tegenspreekt of lastert.
[^lukas-12-10-h]: Verwijzing h: 1 Joh. 5:16 . 1 Johannes 5:16 : Als iemand zijn broer ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelfde zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^lukas-12-10-12]: Kanttekening 12: tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben: Dat is, wie mij moedwillig en uit haat, tegen de overtuiging van de Heilige Geest, zal geloochend, of gelasterd hebben. Zie hiervan bredere verklaring Matt. 12:32 . Mattheüs 12:32 : En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon van de mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
[^lukas-12-11-i]: Verwijzing i: Matt. 10:19 ; Mark. 13:11 ; Lukas 21:14 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. Lukas 21:14 : Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe u u verantwoorden zult;
[^lukas-12-11-13]: Kanttekening 13: zijt niet bezorgd: Zie hiervan de verklaring Matt. 10:19 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult.
[^lukas-12-12-14]: Kanttekening 14: leren, wat u spreken moet: Matt. 10:19 staat geven; dat is ingeven. Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult.
[^lukas-12-15-16]: Kanttekening 16: want het is niet in de overvloed: Grieks want niet in het overvloeien van iemand, is zijn leven uit zijne goederen.
[^lukas-12-15-k]: Verwijzing k: 1 Tim. 6:7 . 1 Timotheüs 6:7 : Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.
[^lukas-12-15-15]: Kanttekening 15: Het Griekse woord betekent een onverzadelijke begeerte om altijd meer te hebben.
[^lukas-12-16-17]: Kanttekening 17: land had wel gedragen: Grieks landschap; dat is een grote streek lands, die deze man bezat.
[^lukas-12-19-l]: Verwijzing l: Pred. 11:9 ; 1 Kor. 15:32 ; Jak. 5:5 . Prediker 11:9 : Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uw jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uw ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. 1 Korinthiërs 15:32 : Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. Jakobus 5:5 : U hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; u hebt uw harten gevoed als in een dag van de slachting.
[^lukas-12-19-18]: Kanttekening 18: die opgelegd zijn voor vele jaren: Grieks leggende.
[^lukas-12-20-m]: Verwijzing m: Ps. 52:7 ; Jer. 17:11 . Psalmen 52:7 : God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land van de levenden. Sela. Jeremia 17:11 : Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, zo is hij, die rijkdom vergadert, maar niet met recht; in de helft zijn dagen zal hij die moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.
[^lukas-12-20-19]: Kanttekening 19: zal men uw ziel van u afeisen: Grieks zullen zij uwe ziel van u eisen; dat is weghalen of wegnemen.
[^lukas-12-20-n]: Verwijzing n: Ps. 39:7 . Psalmen 39:7 : Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij zinloos; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
[^lukas-12-21-20]: Kanttekening 20: schatten vergadert: Namelijk om alleen tot zijn eigen gemak en vermaak te gebruiken.
[^lukas-12-21-21]: Kanttekening 21: niet rijk is in God: Dat is, die niet is voorzien met de ware kennis en vrees voor God en met vertrouwen op Hem. Zie 1 Tim. 6:17 , 6:18 . 1 Timotheüs 6:17 : Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijk verleent, om te genieten; 1 Timotheüs 6:18 : Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, graag mededelende zijn, en gemeenzaam;
[^lukas-12-22-o]: Verwijzing o: Ps. 55:23 ; Matt. 6:25 ; Filip. 4:6 ; 1 Tim. 6:8 ; 1 Petr. 5:7 . Psalmen 55:23 : Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Mattheüs 6:25 : Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Filippensen 4:6 : Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 1 Timotheüs 6:8 : Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede tevreden zijn. 1 Petrus 5:7 : Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^lukas-12-22-22]: Kanttekening 22: niet bezorgd voor uw: Namelijk met al te grote en angstige zorg, Matt. 6:25 . Mattheüs 6:25 : Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
[^lukas-12-22-23]: Kanttekening 23: Grieks ziel.
[^lukas-12-24-p]: Verwijzing p: Job 39:3 ; Ps. 147:9 . Job 39:3 : Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? Psalmen 147:9 : Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
[^lukas-12-24-24]: Kanttekening 24: hoeveel gaat u de vogels te boven: Grieks hoeveel meer verschilt u van de vogels.
[^lukas-12-25-q]: Verwijzing q: Matt. 6:27 . Mattheüs 6:27 : Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
[^lukas-12-25-25]: Kanttekening 25: een el: Grieks een cubiet. Zie Matt. 6:27 . Mattheüs 6:27 : Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
[^lukas-12-26-26]: Kanttekening 26: andere dingen bezorgd: Grieks overige; namelijk die er behoren tot onderhoud van het lichaam en van dit leven.
[^lukas-12-28-27]: Kanttekening 27: het gras dat heden op het veld is: Zie hiervan Matt. 6:30 . Mattheüs 6:30 : Als nu God het gras van het veld, dat heden is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, u kleingelovigen?
[^lukas-12-29-28]: Kanttekening 28: vraagt niet: Of, zoekt niet.
[^lukas-12-29-29]: Kanttekening 29: weest niet wankelmoedig: Of, twijfelmoedig. Grieks zweeft niet herwaarts en daarheen; namelijk met uwe zorg en gedachten. Ene manier van spreken, genomen van de wolken, die omhoog in de lucht herwaarts en daarheen drijven.
[^lukas-12-30-30]: Kanttekening 30: de volken van de wereld: Of, heidenen; dat is de wereldse mensen.
[^lukas-12-31-r]: Verwijzing r: 1 Kon. 3:13 ; Ps. 37:25 . 1 Koningen 3:13 : Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. Psalmen 37:25 : Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
[^lukas-12-31-31]: Kanttekening 31: toegeworpen worden: Grieks toegelegd, of toegezet worden.
[^lukas-12-32-32]: Kanttekening 32: het Koninkrijk te geven: Namelijk Gods, of van de hemelen.
[^lukas-12-33-33]: Kanttekening 33: Verkoopt wat u hebt: Namelijk liever dan dat u de armen in hun nood zoudt verlaten. Zie Hand. 4:34 . Handelingen 4:34 : Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen.
[^lukas-12-33-s]: Verwijzing s: Matt. 19:21 ; Lukas 16:9 . Mattheüs 19:21 : Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. Lukas 16:9 : En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten.
[^lukas-12-33-t]: Verwijzing t: Matt. 6:20 ; Matt. 19:21 ; Lukas 16:9 ; 1 Tim. 6:19 . Mattheüs 6:20 : Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; Mattheüs 19:21 : Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. Lukas 16:9 : En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten. 1 Timotheüs 6:19 : Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
[^lukas-12-35-v]: Verwijzing v: Efez. 6:14 ; 1 Petr. 1:13 . Efeziërs 6:14 : Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid; 1 Petrus 1:13 : Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchter zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.
[^lukas-12-35-34]: Kanttekening 34: uw lendenen omgord zijn: Dat is, zijt bereid. Ene manier van spreken, genomen van de wijze van het land, waar zowel mannen als vrouwen lange kleren droegen, die zij opschortten als zij zich bereidden om te reizen of iets te doen.
[^lukas-12-36-35]: Kanttekening 35: Dit wordt genomen van de gelijkenis van de bruiloften, die 's nachts gehouden worden, Matt. 25:1 , 25:6 . Mattheüs 25:1 : Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet. Mattheüs 25:6 : En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!
[^lukas-12-36-36]: Kanttekening 36: wederkomen zal van de bruiloft: Grieks uit de bruiloft zal scheiden, zal los, of ontslagen worden.
[^lukas-12-38-x]: Verwijzing x: Matt. 24:42 . Mattheüs 24:42 : Waakt dan; want u weet niet, in welke ure uw Heer komen zal.
[^lukas-12-38-37]: Kanttekening 37: nacht wake: De nacht werd gedeeld in vier waken, opdat de één na de ander de wacht zou houden. Zie van deze waken Matt. 14:25 . Mattheüs 14:25 : Maar ter vierde wake van de nacht kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.
[^lukas-12-39-y]: Verwijzing y: Matt. 24:43 ; 1 Thes. 5:2 ; 2 Petr. 3:10 ; Openb. 3:3 ; Openb. 16:15 . Mattheüs 24:43 : Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 1 Thessalonicensen 5:2 : Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^lukas-12-40-z]: Verwijzing z: Matt. 24:44 ; Matt. 25:13 ; Mark. 13:33 ; Lukas 21:34 ; 1 Thes. 5:6 . Mattheüs 24:44 : Daarom, zijt ook u bereid; want in welke ure u het niet meent, zal de Zoon van de mensen komen. Mattheüs 25:13 : Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, waarin de Zoon van de mensen komen zal. Marcus 13:33 : Ziet toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. Lukas 21:34 : En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van deze levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^lukas-12-40-38]: Kanttekening 38: Namelijk tot het oordeel, 1 Thess. 3:13 ; 2 Petr. 3:10 ; Openb. 3:3 , en Openb. 16:15 . 1 Thessalonicensen 3:13 : Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heer Jezus Christus met al Zijn heiligen. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^lukas-12-42-a]: Verwijzing a: Matt. 24:45 ; Matt. 25:21 ; 1 Kor. 4:2 . Mattheüs 24:45 : Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, Wie zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? Mattheüs 25:21 : En zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar! over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren. 1 Korinthiërs 4:2 : En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.
[^lukas-12-42-39]: Kanttekening 39: het bescheiden deel: Grieks toegemeten voedsel, of koren.
[^lukas-12-46-40]: Kanttekening 40: Namelijk van zijn gezin. Anders, in tweeën houwen. Zie Matt. 24:51 . Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^lukas-12-46-41]: Kanttekening 41: Of, ongelovigen. Matt. 24:51 wordt gezegd huichelaars. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^lukas-12-47-b]: Verwijzing b: Jak. 4:17 . Jakobus 4:17 : Wie dan weet goed te doen, en niet doet, die is het zonde.
[^lukas-12-48-42]: Kanttekening 42: wie men veel vertrouwd heeft: Of, bij welke men veel weggelegd heeft.
[^lukas-12-49-43]: Kanttekening 43: vuur op de aarde te werpen: Dat is, de leer van het Evangelie, welke in zichzelf en ten aanzien van de gelovigen een leer van de vrede is, maar door de boosheid van de mensen, die haar niet willen verdragen, wordt zij een vuur van de vervolging en aanleiding van tweedracht. Zie vers 51 ; Jer. 23:29 ; 1 Petr. 1:7 . Lukas 12:51 : Meent u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid. Jeremia 23:29 : Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt YHWH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? 1 Petrus 1:7 : Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^lukas-12-49-44]: Kanttekening 44: wat wil Ik, …: Of, wat wil ik meer, omdat het reeds ontstoken is?
[^lukas-12-50-c]: Verwijzing c: Matt. 20:22 ; Mark. 10:38 . Mattheüs 20:22 : Maar Jezus antwoordde en zei: Gijlieden weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Marcus 10:38 : Maar Jezus zei tot hen: U weet niet, wat u begeert. Kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drink, en met de doop gedoopt worden, daar Ik mee gedoopt word?
[^lukas-12-50-45]: Kanttekening 45: doop gedoopt worden: Dat is, met zwaar lijden. Zie Matt. 20:22 . Mattheüs 20:22 : Maar Jezus antwoordde en zei: Gijlieden weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
[^lukas-12-50-46]: Kanttekening 46: Namelijk òf met benauwdheid, òf met begeerte totdat het volbracht is.
[^lukas-12-51-d]: Verwijzing d: Matt. 10:34 . Mattheüs 10:34 : Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
[^lukas-12-51-e]: Verwijzing e: Micha 7:6 . Micha 7:6 : Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man vijanden zijn zijn huisgenoten.
[^lukas-12-54-f]: Verwijzing f: Matt. 16:2 . Mattheüs 16:2 : Maar Hij antwoordde, en zei tot hen: Als het avond geworden is, zegt u: Schoon weer; want de hemel is rood;
[^lukas-12-56-47]: Kanttekening 47: het aangezicht van de aarde: Dat is, gestalte, of gedaante.
[^lukas-12-56-48]: Kanttekening 48: Dat is, onderscheiden, gelijk verklaard wordt Matt. 16:3 . Mattheüs 16:3 : En 's morgens: Heden onweer; want de hemel is droevig rood. U huichelaars! het aangezicht van de hemel weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden?
[^lukas-12-56-49]: Kanttekening 49: deze tijd niet: Dat is, de gelegenheid van deze tijd, in welke zoveel tekenen van de aanwezigheid van de Messias gebeuren, welke hierna genoemd wordt de tijd van de bezoeking, Luk. 19:44 . Lukas 19:44 : En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt.
[^lukas-12-57-50]: Kanttekening 50: van uzelven niet: Namelijk voordat u daartoe gedwongen wordt, gelijk in het navolgende vers 58 te zien is. Lukas 12:58 : Want als u heengaat met uw tegenstander voor de overheid, zo doet naarstigheid op de weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter trekke, en de rechter u de gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.
[^lukas-12-58-g]: Verwijzing g: Spreuk. 25:8 ; Matt. 5:25 . Spreuken 25:8 : Vaar niet haastig voort om te twisten, opdat u misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben. Mattheüs 5:25 : Weest haastig welgezind tegenover uw tegenstander, terwijl u nog met hem op de weg bent; opdat de tegenstander niet misschien u de rechter overlevere, en de rechter u de dienaar overlevere, en u in de gevangenis geworpen wordt.
[^lukas-12-58-51]: Kanttekening 51: verlost te worden: Namelijk met bevrediging en voldoening van uwe partij.
[^lukas-12-58-52]: Kanttekening 52: Grieks practor; dat is, maner, of afeiser van de schuld, bij de rechter gesteld.
[^lukas-12-59-53]: Kanttekening 53: Hoeveel een penninkje waard was zie Mark. 12:42 . Marcus 12:42 : En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, dat is een oort.

### Lukas 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/13.json)

*1 Uit het bericht dat Pilatus het bloed van enkele Galileeers met hun offer vermengd had, en uit het voorbeeld van de achttien op wie de toren in Siloam gevallen was, neemt Christus aanleiding de menigte tot bekering te vermanen. 6 Daartoe houdt Hij ook de gelijkenis voor van de onvruchtbare vijgenboom. 10 Hij geneest op de sabbat een vrouw die achttien jaar een geest van ziekte had gehad 14 en verdedigt dit tegen een overste van de synagoge. 18 Hij vergelijkt het Koninkrijk der hemelen met een mosterdzaad en met zuurdeeg. 23 Op de vraag of er weinigen zalig zullen worden, vermaant Hij in te gaan door de nauwe poort. 31 Hij antwoordt de Farizeeen die Hem voor Herodes waarschuwden. 34 Hij klaagt over de wreedheid en hardnekkigheid van de inwoners van Jeruzalem en voorzegt hun ondergang.*

**1** En er waren op dat tijdstip enige aanwezig, die Hem boodschapten[^lukas-13-1-1] van de Galileërs, van wie Pilatus het bloed met hun offergaven gemengd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v1)

**2** En Jezus antwoordde, en zei tot hen: Denkt u, dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij dat geleden hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v2)

**3** Ik zeg u: Nee zij; maar als u zich niet bekeert, zo zult u allen evenzo[^lukas-13-3-2] vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v3)

**4** Of die achttien, op wie de[^lukas-13-4-3] toren in Siloam viel, en doodde ze; meent u, dat deze[^lukas-13-4-4] schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v4)

**5** Ik zeg u: Nee zij; maar als u zich niet bekeert, zo zult u allen ook vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v5)

**6** En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v6)

**7** En hij zei tot de wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaar, zoekende vrucht op deze vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe[^lukas-13-7-5] beslaat hij ook nutteloos de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v7)

**8** En hij, antwoordende, zei tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v8)

**9** En als hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar als niet, zo zult u hem later uithouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v9)

**10** En Hij leerde op[^lukas-13-10-6] de sabbat in één van de synagogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v10)

**11** En ziet, er was een vrouw, die[^lukas-13-11-7] een geest van de ziekte achttien jaren lang gehad had, en zij was[^lukas-13-11-8] samengebogen, en kon zich geheel niet oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v11)

**12** En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zei tot haar: Vrouw, u bent[^lukas-13-12-9] verlost van uw ziekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v12)

**13** En Hij legde de handen op haar; en zij werd meteen weer[^lukas-13-13-10] recht, en verheerlijkte God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v13)

**14** En[^lukas-13-14-11] de overste van de synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de menigte:[^lukas-13-14-a] Er zijn zes dagen, waarin men moet werken; kom dan daarin, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat.[^lukas-13-14-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v14)

**15** De Heere dan antwoordde hem en zei: U[^lukas-13-15-b] geveinsde, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v15)

**16** En deze, die[^lukas-13-16-13] een dochter van Abraham is, die de satan, ziet, nu achttien jaren[^lukas-13-16-14] gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v16)

**17** En als Hij dit zei, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de menigte verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem gebeurden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v17)

**18** [^lukas-13-18-c] En Hij zei: Waaraan is[^lukas-13-18-15] het Koninkrijk van God gelijk, en waarbij zal Ik hetzelfde vergelijken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v18)

**19** Het is gelijk[^lukas-13-19-16] aan een mostaardzaad, dat een mens genomen en in zijn tuin geworpen heeft; en het groeide op, en werd tot een grote boom, en de vogels des hemels nestelden in zijn takken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v19)

**20** En Hij zei opnieuw:[^lukas-13-20-d] Waarbij zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v20)

**21** Het is gelijk aan een zuurdesem, die een vrouw nam, en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v21)

**22** [^lukas-13-22-e] En Hij reisde van de ene stad en plaats tot de andere, lerende, en[^lukas-13-22-17] richtende Zijn reis naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v22)

**23** En er zei een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v23)

**24** [^lukas-13-24-18][^lukas-13-24-f] Strijd om in te gaan door[^lukas-13-24-19] de nauwe poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen[^lukas-13-24-20] niet kunnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v24)

**25** Namelijk nadat[^lukas-13-25-21] de Heere van het huis zal opgestaan zijn, en[^lukas-13-25-g] de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet,[^lukas-13-25-h] vanwaar u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v25)

**26** Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw aanwezigheid gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v26)

**27** [^lukas-13-27-i] En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, vanwaar u bent;[^lukas-13-27-k] wijk van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v27)

**28** [^lukas-13-28-l] Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden,[^lukas-13-28-m] wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het[^lukas-13-28-22] Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v28)

**29** [^lukas-13-29-n] En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v29)

**30** [^lukas-13-30-o] En ziet, er zijn[^lukas-13-30-23] laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v30)

**31** Op dezelfde dag kwamen er enige Farizeën, zeggende tot Hem:[^lukas-13-31-24] Ga weg, en vertrek van hier;[^lukas-13-31-25] want Herodes wil U doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v31)

**32** En Hij zei tot hen: Ga heen, en zegt die[^lukas-13-32-26] vos: Zie, Ik werp demonen uit, en[^lukas-13-32-27] maak gezond,[^lukas-13-32-28] vandaag en morgen, en[^lukas-13-32-29] op de derde dag worde Ik voltooid.[^lukas-13-32-30] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v32)

**33** [^lukas-13-33-31] Maar Ik moet vandaag, en morgen, en de volgenden dag reizen; want het gebeurt[^lukas-13-33-32] niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v33)

**34** [^lukas-13-34-33][^lukas-13-34-p] Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn,[^lukas-13-34-q] hoe vaak heb Ik uw kinderen willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens[^lukas-13-34-34] onder de vleugels verzamelt; en u hebt niet gewild? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v34)

**35** [^lukas-13-35-r] Zie,[^lukas-13-35-35] uw huis wordt u woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat u Mij niet zult zien, totdat de tijd zal[^lukas-13-35-36] gekomen zijn, als u zult zeggen:[^lukas-13-35-s] Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/13.html#v35)

[^lukas-13-1-1]: Kanttekening 1: van de Galileeërs: Josefus verhaalt, Antiq. lib. 18, cap. 5, wel iets dergelijks, maar de omstandigheden, zo van de tijd als anders, tonen dat het dezelfde geschiedenis niet is. Sommige oude leraars menen dat dit zou geschied zijn binnen Jeruzalem, toen enige Galileërs wilden verhinderen dat voor de keizer van Rome in de tempel zou geofferd worden.
[^lukas-13-3-2]: Kanttekening 2: Dat is, door Gods rechtvaardige straf omkomen; gelijk ook daarna door de Romeinen geschied is.
[^lukas-13-4-3]: Kanttekening 3: toren in Siloam viel: Dat is, die aan of over de fontein of beek Siloa was gebouwd; van welke beek zie Jes. 8:6 ; Joh. 9:7 . Jesaja 8:6 : Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia; Johannes 9:7 : En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.
[^lukas-13-4-4]: Kanttekening 4: Dat is zondaars, die meer schuld of zonden hadden. Zie Matt. 6:12 , en Matt. 18:24 . Mattheüs 6:12 : En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Mattheüs 18:24 : Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.
[^lukas-13-7-5]: Kanttekening 5: beslaat hij ook onnuttelijk de aarde: Grieks maakt de aarde onnut, of onvruchtbaar; in welke wat anders zou kunnen geplant worden, dat vruchten zou voortbrengen.
[^lukas-13-10-6]: Kanttekening 6: de sabbat: Grieks sabbatdagen.
[^lukas-13-11-7]: Kanttekening 7: een geest van de ziekte: Dat is, een boze geest, die haar ziek maakte; zie vers 16 . Lukas 13:16 : En deze, die een dochter van Abraham is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat?
[^lukas-13-11-8]: Kanttekening 8: Grieks tezamen gebukt.
[^lukas-13-12-9]: Kanttekening 9: verlost van uw ziekte: Grieks losgemaakt, of ontbonden.
[^lukas-13-13-10]: Kanttekening 10: Dat is recht gemaakt.
[^lukas-13-14-11]: Kanttekening 11: de overste van de synagoge: Dat is, één van de oversten; want elke synagoge had meer dan een overste. Zie Mark. 5:22 ; Hand. 13:15 . Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, Handelingen 13:15 : En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broers, als er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
[^lukas-13-14-a]: Verwijzing a: Ex. 20:9 ; Deut. 5:13 ; Ez. 20:12 . Exodus 20:9 : Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen; Deuteronomium 5:13 : Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen; Ezechiël 20:12 : Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik YHWH ben, Die hen heilige.
[^lukas-13-14-12]: Kanttekening 12: men moet werken: Dat is, geoorloofd en geboden is te werken.
[^lukas-13-15-b]: Verwijzing b: Ex. 23:5 ; Deut. 22:4 ; Lukas 14:5 . Exodus 23:5 : Wanneer u uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? U zult het in alle manier met hem verlaten. Deuteronomium 22:4 : U zult uws broers ezel of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem ganselijk oprichten. Lukas 14:5 : En Hij, hun antwoordende, zei: Wiens ezel of os van u zal in een put vallen, en die hem niet meteen zal uittrekken op de dag van de sabbat?
[^lukas-13-16-13]: Kanttekening 13: een dochter van Abraham is: Dat is, afkomstig is van het geslacht van Abraham, en behorende tot het verbond, dat God met Abraham en zijne nakomelingen gemaakt heeft. Zie Luk. 19:9 . Lukas 19:9 : En Jezus zei tot hem: Heden is aan dit huis zaligheid geschied, aangezien ook deze een zoon van Abraham is.
[^lukas-13-16-14]: Kanttekening 14: gebonden had: Dat is, die haar met ziekten, als met banden, benauwd had.
[^lukas-13-18-c]: Verwijzing c: Matt. 13:31 ; Mark. 4:30 . Mattheüs 13:31 : Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, dat een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid; Marcus 4:30 : En Hij zei: Waarbij zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelfde vergelijken?
[^lukas-13-18-15]: Kanttekening 15: het Koninkrijk van God gelijk: Dat is, de predikatie van het Evangelie, waardoor het koninkrijk van God opgericht wordt.
[^lukas-13-19-16]: Kanttekening 16: aan een mosterdzaad: Zie van deze twee gelijkenissen Matt. 13:31 . Mattheüs 13:31 : Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, dat een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;
[^lukas-13-20-d]: Verwijzing d: Matt. 13:33 . Mattheüs 13:33 : Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.
[^lukas-13-22-e]: Verwijzing e: Matt. 9:35 ; Mark. 6:6 . Mattheüs 9:35 : En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Marcus 6:6 : En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.
[^lukas-13-22-17]: Kanttekening 17: Grieks makende.
[^lukas-13-24-18]: Kanttekening 18: Strijdt om in te gaan: Dat is, doet naarstigheid en arbeidt; Ef. 6:11 , enz.; Filipp. 3:12 ; 2 Tim. 4:7 . Efeziërs 6:11 : Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel. Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^lukas-13-24-f]: Verwijzing f: Matt. 7:13 . Mattheüs 7:13 : Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelfde ingaan;
[^lukas-13-24-19]: Kanttekening 19: de enge poort: Namelijk die tot het leven leidt; Matt. 7:14 . Mattheüs 7:14 : Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelfde vinden.
[^lukas-13-24-20]: Kanttekening 20: niet kunnen: Namelijk omdat het te laat zal zijn, gelijk uit het volgende blijkt.
[^lukas-13-25-21]: Kanttekening 21: Namelijk nadat: Deze gelijkenis wordt genomen van het houden van de bruiloften in die tijd, waarvan breder te zien is Matt. 25:1 , enz. Mattheüs 25:1 : Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet.
[^lukas-13-25-g]: Verwijzing g: Matt. 25:11 ; Lukas 6:46 . Mattheüs 25:11 : Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open! Lukas 6:46 : En wat noemt u Mij, Heer, Heer! en doet niet wat Ik zeg?
[^lukas-13-25-h]: Verwijzing h: Matt. 25:12 . Mattheüs 25:12 : En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet.
[^lukas-13-27-i]: Verwijzing i: Matt. 7:23 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt!
[^lukas-13-27-k]: Verwijzing k: Ps. 6:9 ; Matt. 25:12 ; idem v. 41 . Psalmen 6:9 : Wijkt van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want YHWH heeft de stem mijns geweens gehoord. Mattheüs 25:12 : En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.
[^lukas-13-28-l]: Verwijzing l: Matt. 8:12 ; Matt. 13:42 ; Matt. 24:51 . Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 24:51 : En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^lukas-13-28-m]: Verwijzing m: Matt. 8:11 . Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^lukas-13-28-22]: Kanttekening 22: Koninkrijk van God: Namelijk van de heerlijkheid in de hemel.
[^lukas-13-29-n]: Verwijzing n: Jes. 2:2 ; Mal. 1:11 ; Matt. 8:11 . Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de heirscharen. Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^lukas-13-30-o]: Verwijzing o: Matt. 19:30 ; Matt. 20:16 ; Mark. 10:31 . Mattheüs 19:30 : Maar vele eerste zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eerste. Mattheüs 20:16 : Zo zullen de laatsten de eerste zijn, en de eerste de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Marcus 10:31 : Maar vele eerste zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eerste.
[^lukas-13-30-23]: Kanttekening 23: Door de laatsten worden verstaan de heidenen, die nog vreemd waren van het verbond Gods, en door de eersten de Joden; en wordt daarmede te kennen gegeven dat de heidenen velen Joden zullen voorgetrokken worden, Rom. 11:17 . Romeinen 11:17 : En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden,
[^lukas-13-31-24]: Kanttekening 24: Ga weg: Namelijk uit Galilea, waar Herodes viervorst was; Luk. 3:1 , en Luk. 23:7 . Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; Lukas 23:7 : En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.
[^lukas-13-31-25]: Kanttekening 25: want Herodes wil U doden: Deze waarschuwing geschiedt van hen, niet uit liefde tot Christus, maar omdat zij Hem graag kwijt waren geweest. Zie dergelijke waarschuwing Amos 7:13 ; Neh. 6:10 , 6:11 . Amos 7:13 : Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is het heiligdom van de koning, en dat is het huis van het koninkrijk. Nehemia 6:10 : Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zei hij: Laat ons samenkomen in het huis van God, in het midden van de tempel, en laat ons de deuren van de tempel toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden. Nehemia 6:11 : Maar ik zei: Zou een man, als ik, vluchten? En wie is er, zijnde als ik, die in de tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.
[^lukas-13-32-26]: Kanttekening 26: Zo noemt Hij hem vanwege zijne listigheid en schalkheid.
[^lukas-13-32-27]: Kanttekening 27: maak gezond: Grieks volbreng genezingen.
[^lukas-13-32-28]: Kanttekening 28: heden en morgen: Dat is, nog een kleinen tijd. Zie Hos. 6:2 . Hosea 6:2 : Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.
[^lukas-13-32-29]: Kanttekening 29: op de derde dag : Dat is, naar het voltooien van mijn leerambt in die korte tijd.
[^lukas-13-32-30]: Kanttekening 30: worde Ik voltooid: Of, wordt volmaakt, of geheiligd, of opgeofferd; Joh. 17:4 , en Joh. 19:30 . Zie van de betekenis van dit woord breder Hebr. 2:10 en Hebr. 5:9 . Johannes 17:4 : Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voltooid het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen; Johannes 19:30 : Toen Jezus dan de edik genomen had, zei Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf de geest. Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen. Hebreeën 5:9 : En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden;
[^lukas-13-33-31]: Kanttekening 31: Maar Ik moet heden: Dat is, Ik moet nog een kleinen tijd hier en daar wandelen om mijn ambt verder te bedienen, en daarna zal Ik naar Jeruzalem gaan om van u zelf daar gedood te worden.
[^lukas-13-33-32]: Kanttekening 32: Dat is nauwelijks, of zeer zelden.
[^lukas-13-34-33]: Kanttekening 33: Jeruzalem, Jeruzalem: Zie hiervan de verklaring Matt. 23:37 . Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^lukas-13-34-p]: Verwijzing p: Matt. 23:37 . Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^lukas-13-34-q]: Verwijzing q: Ps. 17:8 ; Ps. 91:4 . Psalmen 17:8 : Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen, Psalmen 91:4 : Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult u betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
[^lukas-13-34-34]: Kanttekening 34: kiekens onder de vleugelen: Grieks broedsel, of nestkiekens.
[^lukas-13-35-r]: Verwijzing r: Ps. 69:26 ; Jes. 1:7 ; Jer. 7:34 ; Micha 3:12 ; Matt. 23:38 ; Hand. 1:20 . Psalmen 69:26 : Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. Jesaja 1:7 : Uw aarde is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw aanwezigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. Jeremia 7:34 : En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud. Mattheüs 23:38 : Ziet, uw huis wordt u woest gelaten. Handelingen 1:20 : Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelfde woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt.
[^lukas-13-35-35]: Kanttekening 35: uw huis wordt u woest gelaten: Dat is, de tempel en stad.
[^lukas-13-35-36]: Kanttekening 36: gekomen zijn: Dat is kort daarna enigszins vervuld, zie Luk. 19:38 , en zal volkomen volbracht worden ten uitersten dage. Lukas 19:38 : Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heer! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!
[^lukas-13-35-s]: Verwijzing s: Ps. 118:26 . Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.

### Lukas 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/14.json)

*1 Christus geneest op de sabbat iemand met waterzucht en verdedigt dit. 7 Hij bestraft de eerzucht van de Farizeeen, die de ereplaatsen aan de maaltijd zochten, en vermaant tot nederigheid en weldadigheid jegens de armen. 15 Met de gelijkenis van een groot avondmaal, waarvoor de genodigden zich verontschuldigden te komen, verwijt Hij de Joden hun ondankbaarheid en voorzegt hun verwerping en de roeping van de heidenen in hun plaats. 25 Hij leert dat wie zijn discipel wil zijn, zichzelf en alles wat hem lief is, moet opgeven. 28 Met het voorbeeld van iemand die een toren wil bouwen, en van een koning die tegen een andere koning ten strijde wil trekken, vermaant Hij zijn discipelen vooraf goed de kosten te berekenen. 34 Hij leert dat smakeloos zout nergens toe nuttig is.*

**1** En het gebeurde, als Hij gekomen was in het huis van[^lukas-14-1-1] één van de oversten van de Farizeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij scherp op Hem[^lukas-14-1-2] letten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v1)

**2** En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v2)

**3** En Jezus, antwoordende, zei tot de[^lukas-14-3-3] wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v3)

**4** Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v4)

**5** En Hij, hun antwoordende, zei:[^lukas-14-5-a] Wie van u zal, als zijn ezel of os in een put valt, hem er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v5)

**6** En zij konden Hem daarop niet weer antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v6)

**7** En Hij zei tot de[^lukas-14-7-4] genodigden een[^lukas-14-7-5] gelijkenis, beschouwende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v7)

**8** Wanneer u van iemand ter bruiloft uitgenodigd zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien één[^lukas-14-8-6] waardiger dan u van hem uitgenodigd zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v8)

**9** En hij, komende, die u en hem uitgenodigd heeft, tot u zeg: Geef deze plaats; en u dan zou beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v9)

**10** [^lukas-14-10-b] Maar wanneer u uitgenodigd zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u uitgenodigd heeft, hij tot u zeg: Vriend,[^lukas-14-10-7] ga hoger op. Dan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v10)

**11** [^lukas-14-11-c] Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v11)

**12** En Hij zei ook tot degene die Hem uitgenodigd had:[^lukas-14-12-d] Wanneer u een middagmaal of avondmaal zult houden,[^lukas-14-12-8] zo roep niet uw vrienden, noch uw broers, noch uw familieleden, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelfde u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding gebeure. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v12)

**13** Maar wanneer u een maaltijd zult houden, zo nood armen,[^lukas-14-13-9] verminkten, kreupelen, blinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v13)

**14** En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u[^lukas-14-14-10] vergolden worden[^lukas-14-14-11] in de opstanding van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v14)

**15** En als één van degenen, die mee aanzaten, deze dingen hoorde, zei hij tot Hem: Zalig is hij, die brood[^lukas-14-15-12] eet in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v15)

**16** Maar Hij zei tot hem:[^lukas-14-16-e] Een zeker mens[^lukas-14-16-13] bereidde een groot avondmaal, en hij nodigde er velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v16)

**17** En hij zond zijn dienaar uit op het moment van het avondmaal, om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v17)

**18** En zij begonnen allen[^lukas-14-18-14] zich eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v18)

**19** En een ander zei: Ik heb vijf[^lukas-14-19-15] juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v19)

**20** En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v20)

**21** En dezelfde dienaar weer gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer.[^lukas-14-21-16] Toen werd de heer van het huis boos, en zei tot zijn dienaar: Ga haastig uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v21)

**22** En de dienaar zei: Heere, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt, en nog is er plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v22)

**23** En de heer zei tot de dienaar: Ga uit in de wegen en heggen; en[^lukas-14-23-17] dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v23)

**24** Want ik zeg u, dat niemand van die mannen,[^lukas-14-24-18] die uitgenodigd waren, mijn avondmaal smaken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v24)

**25** En vele menigten gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v25)

**26** [^lukas-14-26-f] Als iemand tot Mij komt en niet[^lukas-14-26-19] haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen[^lukas-14-26-20] leven, die kan Mijn discipel niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v26)

**27** [^lukas-14-27-g] En wie zijn[^lukas-14-27-21] kruis niet draagt, en Mij[^lukas-14-27-22] navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v27)

**28** Want wie van u, die een toren wil bouwen, zit niet eerst neer, en[^lukas-14-28-23] overrekent de kosten, of hij ook heeft, wat tot voltooiing nodig is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v28)

**29** Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft, en niet kan voltooien, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v29)

**30** Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voltooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v30)

**31** Of wat koning, gaande naar de oorlog, om tegen een andere koning te slaan, zit niet eerst neer, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten degene, die met twintig duizend tegen hem komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v31)

**32** Anders zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, wat tot vrede dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v32)

**33** Zo dan ieder van u, die niet verlaat[^lukas-14-33-24] alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v33)

**34** [^lukas-14-34-h] Het zout is goed; maar als het zout[^lukas-14-34-25] smakeloos geworden is, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v34)

**35** [^lukas-14-35-26] Het is noch tot het land, noch tot de mesthoop bekwaam; men werpt het[^lukas-14-35-27] weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/14.html#v35)

[^lukas-14-1-1]: Kanttekening 1: één van de oversten: Dat is een overste van de Joden uit de secte van de Farizeën, gelijk ook Nicodemus was, Joh. 3:1 . Johannes 3:1 : En er was een mens uit de Farizeën, wiens naam was Nicodemus, een overste van de Joden;
[^lukas-14-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk of Hij iets zou zeggen of doen, dat zij zouden mogen berispen.
[^lukas-14-3-3]: Kanttekening 3: wetgeleerden en Farizeeën: Van de wetgeleerden zie Matt. 2:4 ; Luk. 11:45 . Mattheüs 2:4 : En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden van het volk, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. Lukas 11:45 : En één van de wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als U deze dingen zegt, zo doet U ook ons smaadheid aan.
[^lukas-14-5-a]: Verwijzing a: Ex. 23:5 ; Deut. 22:4 ; Lukas 13:15 . Exodus 23:5 : Wanneer u uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? U zult het in alle manier met hem verlaten. Deuteronomium 22:4 : U zult uws broers ezel of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem ganselijk oprichten. Lukas 13:15 : De Heer dan antwoordde hem en zei: U geveinsde, maakt niet een iedereen van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?
[^lukas-14-7-4]: Kanttekening 4: Grieks geroepenen; namelijk ter maaltijd, zo ook in het volgende.
[^lukas-14-7-5]: Kanttekening 5: Namelijk om door deze te vermanen tot nederigheid voor God en de mensen, gelijk te zien is vers 11 . Lukas 14:11 : Want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
[^lukas-14-8-6]: Kanttekening 6: waardiger dan u: Dat is, meerder eer waard, of aanzienlijker.
[^lukas-14-10-b]: Verwijzing b: Spreuk. 25:6 ; idem v. 7 . Spreuken 25:6 : Praal niet voor het aangezicht van de koning, en sta niet in de plaats van de groten; Spreuken 25:7 : Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, die uw ogen gezien hebben.
[^lukas-14-10-7]: Kanttekening 7: ga hoger op: Grieks klim hoger op.
[^lukas-14-11-c]: Verwijzing c: Job 22:29 ; Spreuk. 29:23 ; Matt. 23:12 ; Lukas 1:51 ; Lukas 18:14 ; Jak. 4:6 ; idem v. 10 ; 1 Petr. 5:5 . Job 22:29 : Als men iemand vernederen zal, en u zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God de nederige van ogen behouden. Spreuken 29:23 : De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. Mattheüs 23:12 : En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Lukas 1:51 : Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hun harten. Lukas 18:14 : Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Jakobus 4:6 : Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Jakobus 4:10 : Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhogen. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^lukas-14-12-d]: Verwijzing d: Neh. 8:11 ; Spreuk. 3:28 . Nehemia 8:11 : Verder zei hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welke niets bereid is, want deze dag is onze YHWH heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap van YHWH, die is uw sterkte. Spreuken 3:28 : Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weer, en morgen zal ik geven, omdat het bij u is.
[^lukas-14-12-8]: Kanttekening 8: zo roep niet uw vrienden: Namelijk met vergeting van de armen, en zo u van God vergelding wilt verwachten, gelijk Christus vers 14 uitdrukt. Anders is het niet ongeoorloofd deze vriendschap ook zijn vrienden te betonen. Zie Gen. 21:8 , en Gen. 43:25 , enz.; Job 1:4 . Lukas 14:14 : En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen. Genesis 21:8 : En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag, als Izak gespeend werd. Genesis 43:25 : En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op de middag; want zij hadden gehoord, dat zij daar brood eten zouden. Job 1:4 : En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden heen, en nodigden hun drie zussen, om met hen te eten en te drinken.
[^lukas-14-13-9]: Kanttekening 9: Of, gebrekkelijk van leden.
[^lukas-14-14-10]: Kanttekening 10: vergolden worden: Namelijk van God uit genade. Van deze vergelding zie Matt. 25:36 . Mattheüs 25:36 : Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u bent tot Mij gekomen.
[^lukas-14-14-11]: Kanttekening 11: in de opstanding van de rechtvaardigen: Namelijk ten eeuwigen leven. Want anders zullen ook de onrechtvaardigen opgewekt worden, maar tot de eeuwige verdoemenis, Dan. 12:2 ; Joh. 5:29 ; Hand. 24:15 . Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis. Handelingen 24:15 : Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen.
[^lukas-14-15-12]: Kanttekening 12: Of, eten zal.
[^lukas-14-16-e]: Verwijzing e: Jes. 25:6 ; Matt. 22:2 ; Openb. 19:7 ; idem v. 9 . Jesaja 25:6 : En YHWH van de heirscharen zal op deze berg alle volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. Mattheüs 22:2 : Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; Openbaring 19:7 : Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. Openbaring 19:9 : En hij zei tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden van God.
[^lukas-14-16-13]: Kanttekening 13: bereidde een groot avondmaal: Grieks maakte. Met deze gelijkenis toont Christus dat hoewel deze mensen het koninkrijk van God groot schenen te achten, nochtans zij en vele anderen zo ingeworteld waren met hunne harten in deze tijdelijke dingen, dat zij, daartoe door het Evangelie geroepen zijnde, het verachtten of verzuimden.
[^lukas-14-18-14]: Kanttekening 14: eendrachtelijk te ontschuldigen: Grieks uit ééne; dat is uit één hart of mond; want hoewel zij verscheidene oorzaken voorwenden van weigering, zo ontschuldigden zij zich allen op hun tijdelijke dingen.
[^lukas-14-19-15]: Kanttekening 15: juk ossen: Dat is paar, of koppel.
[^lukas-14-21-16]: Kanttekening 16: Toen werd de heer van het huis toornig: Daarmede wordt niet te kennen gegeven dat een akker, ossen, of dergelijke goederen te kopen, of een vrouw te trouwen, ongeoorloofd zou zijn, 1 Kor. 7:29 , maar de Heer vertoornt zich daarover, dat de Joden door deze tijdelijke dingen zich lieten verhinderen van de leer van het Evangelie aan te nemen. Waarom Hij ook hen verstoten en de heidenen in hunne plaats heeft beroepen. 1 Korinthiërs 7:29 : Maar dit zeg ik, broers, dat de tijd verder kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;
[^lukas-14-23-17]: Kanttekening 17: dwing ze in te komen: Namelijk met ernstig en gedurig aanhouden. Zie dergelijke Gen. 33:11 ; Luk. 24:29 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. Lukas 24:29 : En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
[^lukas-14-24-18]: Kanttekening 18: die uitgenodigd waren: Namelijk geweigerd hebben te komen.
[^lukas-14-26-f]: Verwijzing f: Deut. 13:6 ; Deut. 33:9 ; Matt. 10:37 . Deuteronomium 13:6 : Wanneer uw broer, de zoon uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen; Deuteronomium 33:9 : Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond. Mattheüs 10:37 : Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard.
[^lukas-14-26-19]: Kanttekening 19: haat zijn vader: Dat is, die deze boven mij liefheeft, gelijk verklaard wordt Matt. 10:37 . Mattheüs 10:37 : Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waard.
[^lukas-14-26-20]: Kanttekening 20: Grieks ziel; gelijk Matt. 16:25 . Mattheüs 16:25 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden.
[^lukas-14-27-g]: Verwijzing g: Matt. 10:38 ; Matt. 16:24 ; Mark. 8:34 ; Lukas 9:23 . Mattheüs 10:38 : En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waard. Mattheüs 16:24 : Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Marcus 8:34 : En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zei Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Lukas 9:23 : En Hij zei tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.
[^lukas-14-27-21]: Kanttekening 21: kruis niet draagt: Dat is, wie niet gezind en bereid is naar mijn voorbeeld en om mijnentwil vervolging en verdrukking te lijden.
[^lukas-14-27-22]: Kanttekening 22: Grieks achter mij komt.
[^lukas-14-28-23]: Kanttekening 23: Of, overlegt, overslaat, gelijk met rekenpenningen placht te gebeuren.
[^lukas-14-33-24]: Kanttekening 24: verlaat alles: Grieks zijn afscheid neemt van alles; dat is, niet bereid is om desnoods zijnde alles te verlaten en mij te volgen. Zie Luk. 9:61 , en vers 27 . Lukas 9:61 : En ook een ander zei: Heer, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. Lukas 14:27 : En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^lukas-14-34-h]: Verwijzing h: Matt. 5:13 ; Mark. 9:50 . Mattheüs 5:13 : U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar.
[^lukas-14-34-25]: Kanttekening 25: smakeloos geworden is: Grieks dwaas geworden is. Zie Matt. 5:13 . Mattheüs 5:13 : U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.
[^lukas-14-35-26]: Kanttekening 26: Namelijk zout, verdorven zijnde. Zie Mark. 9:50 . Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar.
[^lukas-14-35-27]: Kanttekening 27: Grieks buiten.

### Lukas 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/15.json)

*1 De Farizeeen mopperen omdat Christus de zondaars ontvangt. 3 Christus verdedigt dit met de gelijkenis van een afgedwaald schaap 8 en van een verloren penning, die beide met inzet gezocht en met blijdschap teruggevonden worden. 11 En verder nog met de gelijkenis van de verloren zoon, die de vader met blijdschap ontvangt als hij met berouw terugkeert. 25 De vader verdedigt dit tegenover het mopperen van de oudste broer.*

**1** [^lukas-15-1-a] En[^lukas-15-1-1] al de tollenaars en de[^lukas-15-1-2] zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v1)

**2** En de Farizeën en de Schriftgeleerden morden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v2)

**3** En Hij sprak tot hen deze[^lukas-15-3-3] gelijkenis, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v3)

**4** [^lukas-15-4-b] Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelfde vinde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v4)

**5** En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v5)

**6** En te huis komende, roept hij de vrienden en de buren samen, zeggende tot hen: Wees blij met mij; want ik heb mijn schaap gevonden,[^lukas-15-6-c] dat verloren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v6)

**7** Ik zeg u, dat er zo blijdschap[^lukas-15-7-4] zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over[^lukas-15-7-d] negen en negentig[^lukas-15-7-5] rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v7)

**8** Of wat vrouw, hebbende tien[^lukas-15-8-6] penningen, als zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt ijverig, totdat zij die vindt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v8)

**9** En als zij die gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de buurvrouwen samen, zeggende: Wees blij met mij; want ik heb de penning gevonden, die ik verloren had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v9)

**10** Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar, die zich bekeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v10)

**11** En Hij zei:[^lukas-15-11-7] Een zeker mens had twee zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v11)

**12** En de[^lukas-15-12-8] jongste van hen zei tot de vader: Vader, geef mij[^lukas-15-12-9] het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij deelde hun[^lukas-15-12-10] het goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v12)

**13** En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft daar zijn goed[^lukas-15-13-11] doorgebracht, levende overdadig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v13)

**14** En als hij het alles verteerd had, werd er een[^lukas-15-14-12] grote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v14)

**15** En hij ging heen, en voegde zich bij één van de burgers van dat land; en die zond hem op zijn[^lukas-15-15-13] land om de zwijnen te weiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v15)

**16** En hij begeerde zijn buik te vullen met het[^lukas-15-16-14] varkensvoer dat de zwijnen[^lukas-15-16-15] aten; en niemand gaf het hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v16)

**17** En[^lukas-15-17-16] tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij: Hoe vele dagloners van mijn vader hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v17)

**18** Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen[^lukas-15-18-17] de Hemel, en voor u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v18)

**19** En ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden; maak mij als één van uw dagloners. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v19)

**20** En opstaande ging hij naar zijn vader. En[^lukas-15-20-e] als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v20)

**21** En de zoon zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u, en ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v21)

**22** Maar de vader zei tot zijn dienaren: Breng hier[^lukas-15-22-18] voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v22)

**23** En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v23)

**24** Want deze mijn zoon was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v24)

**25** En zijn[^lukas-15-25-19] oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis naderde, hoorde hij het gezang en de[^lukas-15-25-20] reidans, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v25)

**26** En tot zich geroepen hebbende één van de knechten, vroeg wat dat mocht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v26)

**27** En deze zei tot hem: Uw broer is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weer ontvangen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v27)

**28** Maar hij werd boos, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en[^lukas-15-28-21] bad hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v28)

**29** Maar hij, antwoordende, zei tot de vader: Zie, ik die u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en u hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v29)

**30** Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw[^lukas-15-30-22] goed met hoeren[^lukas-15-30-23] doorgebracht heeft, zo hebt u hem het gemeste kalf geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v30)

**31** En hij zei tot hem: Kind, u bent altijd bij mij, en al het mijne[^lukas-15-31-24] is van U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v31)

**32** Men behoorde dan vrolijk en blij te zijn; want deze uw broer was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/15.html#v32)

[^lukas-15-1-a]: Verwijzing a: Matt. 9:10 ; Mark. 2:15 ; Lukas 5:29 . Mattheüs 9:10 : En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen. Marcus 2:15 : En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd. Lukas 5:29 : En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.
[^lukas-15-1-1]: Kanttekening 1: al de tollenaars: Dat is, van alle plaatsen daaromtrent.
[^lukas-15-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, die in openbare grove zonden leefden. Zie Ps. 1:1 ; Matt. 9:10 . Psalmen 1:1 : Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Mattheüs 9:10 : En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen.
[^lukas-15-3-3]: Kanttekening 3: Grieks parabel.
[^lukas-15-4-b]: Verwijzing b: Matt. 18:12 . Mattheüs 18:12 : Wat denkt u, als enig mens honderd schapen had, en een uit dezelfde afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?
[^lukas-15-6-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 2:10 . 1 Petrus 2:10 : U, die eertijds geen volk was, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden.
[^lukas-15-7-4]: Kanttekening 4: zal zijn in de hemel over een zondaar: Namelijk onder de engelen van God, gelijk hierna verklaard wordt vers 10 . Lukas 15:10 : Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar, die zich bekeert.
[^lukas-15-7-d]: Verwijzing d: Lukas 5:32 . Lukas 5:32 : Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
[^lukas-15-7-5]: Kanttekening 5: Dat is, die zo niet afgedwaald zijn, gelijk er staat Matt. 18:13 , en daarom zich niet behoeven te bekeren van zodanige grote afdwaling of zonde. Hoewel anders ook de heiligsten nodig hebben zich van hun dagelijkse zwakheden te bekeren, Jak. 3:2 ; 1 Joh. 1:8 . Anderen verstaan hier door de rechtvaardigen degenen, die zichzelven verkeerd wijsmaken dat zij rechtvaardig zijn en dat zij gene bekering nodig hebben, Matt. 9:13 ; Luk. 18:9 . Mattheüs 18:13 : En als het geschiedt, dat hij hetzelfde vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelfde, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. Jakobus 3:2 : Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. 1 Johannes 1:8 : Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. Mattheüs 9:13 : Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Lukas 18:9 : En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:
[^lukas-15-8-6]: Kanttekening 6: Grieks drachmen; waarvan de waarde overeenkomt met een Romeinsen denarius, of Spaansen reaal, en onze schelling. Zie Matt. 18:28 . Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden een van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^lukas-15-11-7]: Kanttekening 7: Een zeker mens had twee zonen: Door deze, alsook de twee voorgaande gelijkenissen, stelt Christus voor ogen de bereide goedwilligheid Gods om de zondaren, als zij zich bekeren, in genade te ontvangen; en wil daarmede bewijzen, tegen het morren van de Farizeën, dat Hij dan ook weldeed als Hij met de zondaren omging om hen tot bekering te brengen, en dat zij veel meer zich daarover behoren te verblijden.
[^lukas-15-12-8]: Kanttekening 8: Grieks jonger.
[^lukas-15-12-9]: Kanttekening 9: het deel van het goed: Dat is, dat mij zou gevallen, namelijk na uw dood. Zie vers 30 , 15:31 . Lukas 15:30 : Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt u hem het gemeste kalf geslacht. Lukas 15:31 : En hij zei tot hem: Kind, u bent altijd bij mij, en al het mijne is van U.
[^lukas-15-12-10]: Kanttekening 10: het goed: Grieks het leven, of leeftocht; dat is, de middelen om van te leven.
[^lukas-15-13-11]: Kanttekening 11: Grieks verstrooid, of verkwist.
[^lukas-15-14-12]: Kanttekening 12: grote hongersnood: Grieks sterken, of geweldigen.
[^lukas-15-15-13]: Kanttekening 13: Grieks akkers.
[^lukas-15-16-14]: Kanttekening 14: Grieks keratia; dat betekent eigenlijk de peulen, huisjes of bolsters van zekere vruchten, gelijk de erwten en bonen hebben, die men in die landen de varkens gaf te eten, gelijk men hier draf of spoeling geeft. Of, zoals anderen menen, een zekere vrucht in die landen, die de arme mensen en varkens aten, gelijk in sommige plaatsen de eikels gegeten worden.
[^lukas-15-16-15]: Kanttekening 15: Dat is, plachten te eten.
[^lukas-15-17-16]: Kanttekening 16: tot zichzelven gekomen zijnde: Of, in zichzelven gaande.
[^lukas-15-18-17]: Kanttekening 17: de Hemel: Dat is, God die in de hemel is, gelijk Dan. 4:26 ; Matt. 21:25 . Daniël 4:26 : Dat er ook gezegd is, dat men de stam met de wortelen van die boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat u zult bekend hebben, dat de Hemel heerst. Mattheüs 21:25 : De doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?
[^lukas-15-20-e]: Verwijzing e: Hand. 2:39 ; Efez. 2:12 ; idem v. 17 . Handelingen 2:39 : Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal. Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Efeziërs 2:17 : En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren.
[^lukas-15-22-18]: Kanttekening 18: het beste kleed: Grieks de eerste stool. Stoloe waren lange kleren, als tabbaarden. Zie Mark. 12:38 . Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten;
[^lukas-15-25-19]: Kanttekening 19: oudste zoon: Grieks de ouder.
[^lukas-15-25-20]: Kanttekening 20: Grieks Chorôn; dat betekent een gerei van mensen, die tezamen dansen, of zingen, of andere vreugde bedrijven.
[^lukas-15-28-21]: Kanttekening 21: bad hem: Of, vermaande hem; namelijk dat hij zou inkomen; of riep hem.
[^lukas-15-30-22]: Kanttekening 22: Grieks leven, of leeftocht, gelijk vers 12 . Lukas 15:12 : En de jongste van hen zei tot de vader: Vader, geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
[^lukas-15-30-23]: Kanttekening 23: doorgebracht heeft: Grieks opgegeten, of verslonden.
[^lukas-15-31-24]: Kanttekening 24: is van U: Dat is, zal u ten laatste toebehoren, want de jongste had zijn goed weg.

### Lukas 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/16.json)

*1 Met de gelijkenis van de verstandigheid van een onrechtvaardige rentmeester leert Christus dat men van de onrechtvaardige Mammon vrienden moet maken, 13 en dat men de Mammon niet moet dienen. 14 Hij bestraft de huichelarij en hoogmoed van de geldgierige Farizeeen. 16 Hij leert dat de Wet en de Profeten tot op Johannes geduurd hebben en tot de kleinste letter vervuld moeten worden, 18 en handelt over de echtscheiding. 19 Hij houdt de gelijkenis voor van de rijke man en de arme Lazarus, en hun verschillende toestand, zowel in dit leven als hierna.*

**1** En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een[^lukas-16-1-1] rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, als die zijn goederen[^lukas-16-1-2] doorbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v1)

**2** En hij riep hem, en zei tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw[^lukas-16-2-3] rentmeesterschap; want u zult niet meer kunnen rentmeester zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v2)

**3** En de rentmeester zei bij zichzelf: Wat zal ik doen, omdat mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v3)

**4** Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen,[^lukas-16-4-4] zij mij in hun huizen ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v4)

**5** En hij riep tot zich ieder van de schuldenaars van zijn heer, en zei tot de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v5)

**6** En hij zei: Honderd[^lukas-16-6-5] kruiken olie. En hij zei tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastig vijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v6)

**7** Daarna zei hij tot een anderen: En u, hoeveel bent u schuldig? En hij zei: Honderd[^lukas-16-7-6] mudden tarwe. En hij zei tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v7)

**8** En de[^lukas-16-8-7] heer[^lukas-16-8-8] prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij gewiekst gehandeld had; want de[^lukas-16-8-9] kinderen van deze wereld zijn gewiekster, dan[^lukas-16-8-a] de kinderen van het licht, in hun geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v8)

**9** En Ik zeg u: Maak[^lukas-16-9-b] uzelf[^lukas-16-9-10] vrienden uit de onrechtvaardige[^lukas-16-9-11] mammon, opdat, wanneer[^lukas-16-9-12] u ontbreken zal, zij u mogen[^lukas-16-9-13] ontvangen in de eeuwige tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v9)

**10** Die getrouw is in het minste, die is ook in[^lukas-16-10-14] het grote getrouw; en die in[^lukas-16-10-15] het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v10)

**11** Zo u dan in de[^lukas-16-11-16] onrechtvaardige mammon niet getrouw bent geweest, wie zal u[^lukas-16-11-17] het ware vertrouwen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v11)

**12** En zo u in[^lukas-16-12-18] van een ander goed niet getrouw bent geweest, wie zal u[^lukas-16-12-19] het uwe geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v12)

**13** [^lukas-16-13-c] Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten, en de anderen liefhebben, of hij zal de één[^lukas-16-13-20] aanhangen, en de anderen verachten; u kunt God niet dienen en de mammon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v13)

**14** En al deze dingen hoorden ook de Farizeën,[^lukas-16-14-d] die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v14)

**15** En Hij zei tot hen: U bent het, die uzelf rechtvaardigt voor de mensen; maar[^lukas-16-15-e] God kent uw harten;[^lukas-16-15-f] want[^lukas-16-15-21] dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v15)

**16** [^lukas-16-16-g] De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het[^lukas-16-16-22] Koninkrijk van God[^lukas-16-16-23] verkondigd, en ieder doet[^lukas-16-16-24] geweld op hetzelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v16)

**17** [^lukas-16-17-h] En het is gemakkelijker, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één[^lukas-16-17-25] tittel van de wet[^lukas-16-17-26] wegvalt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v17)

**18** [^lukas-16-18-i] Een ieder die zijn vrouw[^lukas-16-18-27] verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een ieder die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v18)

**19** En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met[^lukas-16-19-28] purper en[^lukas-16-19-29] zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v19)

**20** En er was een zeker bedelaar, met de naam Lazarus, die lag voor zijn[^lukas-16-20-30] poort vol zweren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v20)

**21** En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel van de rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v21)

**22** En het gebeurde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in[^lukas-16-22-31] de schoot van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v22)

**23** En de rijke stierf ook, en werd[^lukas-16-23-32] begraven. En als hij in de hel zijn[^lukas-16-23-33] ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v23)

**24** En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u mijn, en zend Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vinger in het water dope, en verkoele mijn tong;[^lukas-16-24-k] want ik lijde smarten in deze vlam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v24)

**25** Maar Abraham zei:[^lukas-16-25-l] Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v25)

**26** En boven dit alles, tussen ons en u is een grote[^lukas-16-26-34] klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v26)

**27** En hij zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt tot het huis van mijn vader; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v27)

**28** Want ik heb vijf broers; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats van de pijniging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v28)

**29** Abraham zei tot hem:[^lukas-16-29-m] Zij hebben[^lukas-16-29-35] Mozes en de profeten, dat zij die[^lukas-16-29-36] horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v29)

**30** En hij zei: Nee, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v30)

**31** Maar Abraham zei tot hem: Als zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al waren het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten[^lukas-16-31-37] gezeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/16.html#v31)

[^lukas-16-1-1]: Kanttekening 1: rentmeester had: Grieks huishouder, of huisbezorger; die gesteld is over de ontvangst en uitgaven van de goederen.
[^lukas-16-1-2]: Kanttekening 2: Grieks verstrooide, of verkwistte.
[^lukas-16-2-3]: Kanttekening 3: Of, bediening; namelijk van uw ambt.
[^lukas-16-4-4]: Kanttekening 4: zij mij in hun huizen ontvangen: Namelijk de schuldenaars mijns heren.
[^lukas-16-6-5]: Kanttekening 5: vaten olie: Grieks Batos; dat betekent een grote maat van natte waren, waarvan zie 1 Kon. 7:26 . 1 Koningen 7:26 : Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of een leliebloem; zij hield twee duizend bath.
[^lukas-16-7-6]: Kanttekening 6: mudden tarwe: Grieks Coros; dat betekent een grote maat van droge waren, 1 Kon. 4:22 . 1 Koningen 4:22 : Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;
[^lukas-16-8-7]: Kanttekening 7: Namelijk van deze rentmeester.
[^lukas-16-8-8]: Kanttekening 8: prees de onrechtvaardige rentmeester: Niet vanwege zijn onrechtvaardigheid, maar vanwege zijn voorzichtigheid, om zichzelven tegen het toekomende te voorzien.
[^lukas-16-8-9]: Kanttekening 9: kinderen van deze wereld: Grieks zonen; dat is, die niets anders zoeken dan dingen van deze wereld, gelijk daartegen gesteld worden de kinderen van het licht, dat is, die, door de Heilige Geest verlicht zijnde, zoeken wat hemels is, Joh. 12:36 ; Ef. 5:8 ; 1 Thess. 5:5 , 5:8 ; 1 Joh. 1:5 , 1:6 . Johannes 12:36 : Terwijl u het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat u kinderen van het Licht mag zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen. Efeziërs 5:8 : Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht. 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid. 1 Johannes 1:5 : En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en geheel geen duisternis in Hem is. 1 Johannes 1:6 : Als wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.
[^lukas-16-8-a]: Verwijzing a: Efez. 5:8 ; 1 Thes. 5:5 . Efeziërs 5:8 : Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht. 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent alle kinderen van het licht, en kinderen van de daag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^lukas-16-9-b]: Verwijzing b: Matt. 6:19 ; Matt. 19:21 ; 1 Tim. 6:19 . Mattheüs 6:19 : Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Mattheüs 19:21 : Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 1 Timotheüs 6:19 : Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
[^lukas-16-9-10]: Kanttekening 10: Dat is, maakt door uwe milddadigheid tegen de armen, voornamelijk de gelovigen, dat die over u niet klagen, maar u mogen zegenen voor God. Zie Deut. 24:13 . Deuteronomium 24:13 : U zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van YHWH, uws Gods.
[^lukas-16-9-11]: Kanttekening 11: Van dit woord zie Matt. 6:24 . Mattheüs 6:24 : Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten en de andere liefhebben, of hij zal de één aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon.
[^lukas-16-9-12]: Kanttekening 12: u ontbreken zal: Of, wanneer u zult bezwijken; namelijk door de dood; als al uw wereldse goederen u zullen begeven. Of, verlaten zult; namelijk de mammon.
[^lukas-16-9-13]: Kanttekening 13: Namelijk als getuigen van uwe milddadigheid en liefde aan hen bewezen.
[^lukas-16-10-14]: Kanttekening 14: grote getrouw: Grieks vele.
[^lukas-16-10-15]: Kanttekening 15: het minste onrechtvaardig is: Of, het weinigste.
[^lukas-16-11-16]: Kanttekening 16: onrechtvaardigen Mammon: Omdat de rijkdommen veeltijds òf onrechtvaardig verkregen, òf niet recht besteed of gebruikt worden. Anderen zetten het over vals, of bedriegelijk; omdat het gesteld wordt tegen het ware goed, vers 11 . Lukas 16:11 : Zo u dan in de onrechtvaardige Mammon niet getrouw bent geweest, wie zal u het ware vertrouwen?
[^lukas-16-11-17]: Kanttekening 17: het ware vertrouwen: Dat is, de ware, onvergankelijke en hemelse rijkdommen; Matt. 6:20 . Mattheüs 6:20 : Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
[^lukas-16-12-18]: Kanttekening 18: van een ander goed : Namelijk dat u God maar voor een tijd leent, om niet alleen voor u, maar ook voor anderen te gebruiken.
[^lukas-16-12-19]: Kanttekening 19: het uwe geven: Dat is, dat u altijd en eeuwig zult behouden.
[^lukas-16-13-c]: Verwijzing c: Matt. 6:24 . Mattheüs 6:24 : Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten en de anderen liefhebben, of hij zal de één aanhangen en de anderen verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon.
[^lukas-16-13-20]: Kanttekening 20: Dat is, zich aan de één houden.
[^lukas-16-14-d]: Verwijzing d: Matt. 23:14 . Mattheüs 23:14 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen.
[^lukas-16-15-e]: Verwijzing e: Ps. 7:10 . Psalmen 7:10 : Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
[^lukas-16-15-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 16:7 . 1 Samuël 16:7 : Maar YHWH zei tot Samuël: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijn statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar YHWH ziet het hart aan.
[^lukas-16-15-21]: Kanttekening 21: dat hoog is onder de mensen: Dat is, wat de wereldse en vleselijke mensen hoogachten.
[^lukas-16-16-g]: Verwijzing g: Matt. 11:12 ; idem v. 13 . Mattheüs 11:12 : En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelfde met geweld. Mattheüs 11:13 : Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.
[^lukas-16-16-22]: Kanttekening 22: Koninkrijk van God: Dat is, de vervulling van wat de wet en de profeten van de Messias voorzegd hebben.
[^lukas-16-16-23]: Kanttekening 23: Grieks geëvangeliseerd.
[^lukas-16-16-24]: Kanttekening 24: geweld op hetzelfde: Zie Matt. 11:12 . Mattheüs 11:12 : En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelfde met geweld.
[^lukas-16-17-h]: Verwijzing h: Ps. 102:27 ; Jes. 40:8 ; Jes. 51:6 ; Matt. 5:18 . Psalmen 102:27 : Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Jesaja 40:8 : Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord van onze Gods bestaat in eeuwigheid. Jesaja 51:6 : Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Mattheüs 5:18 : Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
[^lukas-16-17-25]: Kanttekening 25: tittel van de wet: Zie Matt. 5:18 . Mattheüs 5:18 : Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
[^lukas-16-17-26]: Kanttekening 26: Dat is, dat niet volbracht worde wat in de wet en de profeten voorzegd en geleerd wordt.
[^lukas-16-18-i]: Verwijzing i: Matt. 5:32 ; Matt. 19:9 ; Mark. 10:11 ; 1 Kor. 7:10 . Mattheüs 5:32 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Mattheüs 19:9 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel. Marcus 10:11 : En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 1 Korinthiërs 7:10 : Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heer, dat de vrouw van de man niet scheide.
[^lukas-16-18-27]: Kanttekening 27: Te weten anders dan om hoererij, gelijk uitgedrukt wordt Matt. 5:32 , en Matt. 19:9 . Mattheüs 5:32 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Mattheüs 19:9 : Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.
[^lukas-16-19-28]: Kanttekening 28: Dat is, met purperen kleren. Zie Matt. 27:28 ; Mark. 15:17 . Mattheüs 27:28 : En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; Marcus 15:17 : En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;
[^lukas-16-19-29]: Kanttekening 29: zeer fijn lijnwaad: Grieks byssos; dit was een soort van zeer fijn doek of lijnwaad, dat Plinius zegt dat tegen goud gewaardeerd werd, Histor. Nat.lib. 19,cap. 10, en wordt van zijde uitdrukkelijk onderscheiden, Openb. 18:12 . Openbaring 18:12 : Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van parels, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;
[^lukas-16-20-30]: Kanttekening 30: Of, portaal, voorpoort.
[^lukas-16-22-31]: Kanttekening 31: schoot van Abraham: Dat is, in de hemel, of in het paradijs, waar de gelovigen met Abraham, de vader aller gelovigen, zullen vergaderd worden, rusten, aanzitten en vertroost worden, Matt. 8:11 ; Joh. 13:23 . Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Johannes 13:23 : En één van Zijn discipelen was aanzittende in de schoot van Jezus, welke Jezus liefhad.
[^lukas-16-23-32]: Kanttekening 32: Namelijk met grote pracht en statie. Van Lazarus' begrafenis wordt niet vermeld, maar inplaats daarvan alles wat zijne ziel wedervaren is.
[^lukas-16-23-33]: Kanttekening 33: Deze woorden, gelijk ook enige navolgende, moeten niet eigenlijk verstaan worden, want de ziel, een geestelijk wezen zijnde, heeft nog oog, noch tong, noch vinger; maar bij gelijkenis, om daarmede uit te drukken zo de grootheid van de pijnen in de hel als de onveranderlijkheid van de staat van de zielen na dit leven, zo in de hemel, als in de hel zijnde.
[^lukas-16-24-k]: Verwijzing k: Jes. 66:24 ; Mark. 9:44 . Jesaja 66:24 : En zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de mensen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen. Marcus 9:44 : Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
[^lukas-16-25-l]: Verwijzing l: Job 21:13 . Job 21:13 : In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
[^lukas-16-26-34]: Kanttekening 34: Of, afgrond; dat is, een wijde en diepe tussenscheiding, door Gods wil en macht vastgemaakt.
[^lukas-16-29-m]: Verwijzing m: Jes. 8:20 ; Jes. 34:16 ; Joh. 5:39 ; Hand. 17:11 . Jesaja 8:20 : Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. Jesaja 34:16 : Zoekt in het boek van YHWH, en leest; niet één van deze zal er falen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen. Johannes 5:39 : Onderzoekt de Schriften; want u meent in dezelfde het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. Handelingen 17:11 : En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren.
[^lukas-16-29-35]: Kanttekening 35: Mozes en de profeten: Dat is, de schriften van Mozes en van de profeten.
[^lukas-16-29-36]: Kanttekening 36: Dat is, gehoorzaam zijn.
[^lukas-16-31-37]: Kanttekening 37: Of, overreden.

### Lukas 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/17.json)

*1 Christus waarschuwt voor ergernis. 3 Hij leert dat men zijn broeder net zo vaak moet vergeven als hij berouw heeft. 5 De discipelen bidden om vermeerdering van het geloof, waarvan Hij de kracht beschrijft. 7 Met de gelijkenis van een dienstknecht die van de akker komt, verklaart Hij dat men bij God niets verdient als men doet wat men verschuldigd is. 11 Hij reinigt tien melaatsen, van wie er maar een dankbaar is. 20 Hij leert hoe de komst van zijn Koninkrijk zal zijn. 26 Hij beschrijft de laatste tijden, die Hij vergelijkt met de tijden van Noach en Lot.*

**1** [^lukas-17-1-a] En Hij zei tot de discipelen:[^lukas-17-1-1] Het kan niet wezen, dat er geen struikelblokken komen; maar wee hem, door wie zij komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v1)

**2** Het zou hem[^lukas-17-2-2] nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan was, en hij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze[^lukas-17-2-3] kleinen ten val zou brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v2)

**3** Wees op uw hoede.[^lukas-17-3-b] En als uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en[^lukas-17-3-4] als het hem leed is, zo vergeef het hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v3)

**4** [^lukas-17-4-c]En als hij[^lukas-17-4-5] zevenmaal per dag tegen u zondigt, en zevenmaal per dag tot u terugkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult u het hem vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v4)

**5** En de apostelen zeiden tot de Heere: Vermeerder ons het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v5)

**6** En de Heere zei:[^lukas-17-6-d] Zo u een geloof had[^lukas-17-6-6] als een mostaardzaad, u zou tegen deze moerbeiboom zeggen: Word[^lukas-17-6-8] ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.[^lukas-17-6-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v6)

**7** En wie van u heeft een[^lukas-17-7-9] dienaar ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van de akker inkomt, meteen zal zeggen: Kom bij, en zit aan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v7)

**8** Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en[^lukas-17-8-10] omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink u daarna? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v8)

**9** [^lukas-17-9-11] Dankt hij ook dezelfde dienaar omdat hij gedaan heeft, wat hem bevolen was? Ik meen, neen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v9)

**10** Zo ook u, wanneer u zult gedaan hebben al wat u bevolen is, zo zegt: Wij zijn[^lukas-17-10-12] onnutte dienaren; want wij hebben maar gedaan, wat wij verplicht waren te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v10)

**11** En het gebeurde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden[^lukas-17-11-13] van Samaria en Galilea ging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v11)

**12** En als Hij in een zeker plaats kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die stonden[^lukas-17-12-14] van verre; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v12)

**13** En zij verhieven hun stem, zeggende:[^lukas-17-13-15] Jezus, Meester! ontferm U over ons! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v13)

**14** En als Hij hen zag, zei Hij tot hen: Ga heen en[^lukas-17-14-16] vertoont uzelf de priesters. En het gebeurde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.[^lukas-17-14-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v14)

**15** En één van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde opnieuw, met luide stem God verheerlijkende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v15)

**16** En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelfde was een Samaritaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v16)

**17** En Jezus, antwoordende, zei: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v17)

**18** En zijn er geen gevonden, die terugkeren, om voor God eer te geven, dan deze[^lukas-17-18-17] vreemdeling? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v18)

**19** En Hij zei tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v19)

**20** En gevraagd zijnde van de Farizeën, wanneer het Koninkrijk van God komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk van God komt niet[^lukas-17-20-18] met uiterlijk gezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v20)

**21** En men zal niet zeggen:[^lukas-17-21-f] Zie hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk van God is[^lukas-17-21-19] binnen u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v21)

**22** En Hij zei tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer u zult begeren[^lukas-17-22-20] één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v22)

**23** [^lukas-17-23-g] En zij zullen tot u zeggen: Zie hier, of ziet daar is Hij; ga niet heen, en volgt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v23)

**24** Want zoals de bliksem, die van het ene einde onder de hemel bliksemt, tot het andere onder de hemel schijnt, zo zal ook de Zoon des mensen wezen[^lukas-17-24-21] in Zijn dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v24)

**25** [^lukas-17-25-h] Maar eerst moet Hij veel lijden, en[^lukas-17-25-22] verworpen worden van[^lukas-17-25-23] dit geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v25)

**26** [^lukas-17-26-i] En zoals het gebeurd is in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v26)

**27** [^lukas-17-27-24] Zij aten, zij dronken,[^lukas-17-27-25] zij namen ten huwelijk,[^lukas-17-27-26] zij werden ten huwelijk gegeven, tot de dag, op welke Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v27)

**28** Evenzo ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v28)

**29** [^lukas-17-29-k] Maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v29)

**30** Even zo zal het zijn[^lukas-17-30-27] in de dag, op welke de Zoon des mensen[^lukas-17-30-28] geopenbaard zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v30)

**31** In die dag, wie op het dak zal zijn, en[^lukas-17-31-29] zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelfde weg te nemen; en wie op de akker zijn zal, die kere evenzo niet naar wat, dat achter is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v31)

**32** [^lukas-17-32-30][^lukas-17-32-l] Gedenk aan de vrouw van Lot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v32)

**33** [^lukas-17-33-m] Zo wie zijn[^lukas-17-33-31] leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelfde zal verliezen, die zal het[^lukas-17-33-32] in het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v33)

**34** [^lukas-17-34-n]Ik zeg u: In die[^lukas-17-34-33] nacht zullen twee op één bed zijn; de één zal[^lukas-17-34-34] aangenomen, en de ander zal[^lukas-17-34-35] verlaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v34)

**35** Twee vrouwen zullen samen[^lukas-17-35-36] malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v35)

**36** Twee zullen op de akker zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v36)

**37** En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zei tot hen:[^lukas-17-37-37][^lukas-17-37-o] Waar het lichaam is, daar zullen de adelaars verzameld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/17.html#v37)

[^lukas-17-1-a]: Verwijzing a: Matt. 18:7 ; Mark. 9:42 . Mattheüs 18:7 : Wee van de wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt! Marcus 9:42 : En zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.
[^lukas-17-1-1]: Kanttekening 1: Het kan niet wezen: Grieks het is ongebeurlijk; dat is, het kan niet gebeuren. Zie hiervan Matt. 18:7 . Mattheüs 18:7 : Wee de wereld vanwege de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt!
[^lukas-17-2-2]: Kanttekening 2: nuttiger zijn: Grieks het is hem nut; dat is, het ware minder kwaad voor hem, dat hem die straf aangedaan ware, voordat hij ergernis zou geven, dan dat hij na gegeven ergernis met de eeuwige dood zou gestraft worden, gelijk Christus hier dreigt.
[^lukas-17-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, ook de geringste onder de gelovigen. Zie Matt. 18:6 . Mattheüs 18:6 : Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte van de zee.
[^lukas-17-3-b]: Verwijzing b: Lev. 19:17 ; Spreuk. 17:10 ; Matt. 18:15 ; Jak. 5:19 . Leviticus 19:17 : U zult uw broeder in uw hart niet haten; u zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. Spreuken 17:10 : De bestraffing gaat dieper in de verstandige, dan de zot honderdmaal te slaan. Mattheüs 18:15 : Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. Jakobus 5:19 : Broeders, als iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,
[^lukas-17-3-4]: Kanttekening 4: als het hem leed is: Grieks als hij zich bekeert; dat is zijn schuld bekent en vergeving begeert. Waarmee nochtans Christus niet wil zeggen dat men niet zal vergeven die, die zulks nog niet doen; want hij heeft anders met zijn voorbeeld geleerd, Luk. 23:34 ; gelijk ook Stefanus gedaan heeft, Hand. 7:60 , en Paulus, 1 Kor. 4:12 . Lukas 23:34 : En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Handelingen 7:60 : En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;
[^lukas-17-4-c]: Verwijzing c: Matt. 18:21 . Mattheüs 18:21 : Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heer! hoe dikwijls zal mijn broer tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?
[^lukas-17-4-5]: Kanttekening 5: zevenmaal daags: Dat is, dikwijls, gelijk Ps. 119:164 ; Spreuk. 24:16 . Psalmen 119:164 : Ik loof U zevenmaal per dag, over de rechten van Uw gerechtigheid. Spreuken 24:16 : Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
[^lukas-17-6-d]: Verwijzing d: Matt. 17:20 ; Matt. 21:21 ; Mark. 11:23 . Mattheüs 17:20 : En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Mattheüs 21:21 : Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Als u geloof hadt, en niet twijfelde, u zoudt niet alleen doen, wat de vijgeboom is geschied; maar als u ook tot deze berg zeide: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou gebeuren. Marcus 11:23 : Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.
[^lukas-17-6-6]: Kanttekening 6: als een mosterdzaad: Dat is, al ware het ook zeer klein, als het maar oprecht is. Zie Matt. 17:20 . Mattheüs 17:20 : En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.
[^lukas-17-6-8]: Kanttekening 8: Dat is met de wortel uitgetrokken of uitgeroeid.
[^lukas-17-6-7]: Kanttekening 7: Grieks Sycaminos; welke een soort is van moerbeziënboom, of gelijk sommigen menen, van vijgeboom.
[^lukas-17-7-9]: Kanttekening 9: Dat is, een slaaf, of lijfeigene, die zijn heer alles schuldig is, wat hij doen kan.
[^lukas-17-8-10]: Kanttekening 10: omgord u: Namelijk naar de wijze van die landen, waar men lange kleren droeg. Zie Luk. 12:37 . Lukas 12:37 : Zalig zijn die dienaren, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.
[^lukas-17-9-11]: Kanttekening 11: Dankt hij ook dezelfde dienaar: Dat is, weet hij hem dat ook dank, als hij daardoor in Hem gehouden ware?
[^lukas-17-10-12]: Kanttekening 12: onnutte dienaren: Dat is, die onze Heer geen nut, of voordeel toebrengen, Rom. 11:35 . Hoewel er niemand is die doet, zelfs wat hij schuldig is, 1 Kon. 8:46 ; Job 9:3 ; Matt. 6:12 . Romeinen 11:35 : Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? 1 Koningen 8:46 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in het land van de vijand, dat verre of nabij is. Job 9:3 : Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden. Mattheüs 6:12 : En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
[^lukas-17-11-13]: Kanttekening 13: van Samaria en Galilea ging: Dat is, van het land, waarvan de stad Samaria de hoofdstad was. Want van Galilea naar Jeruzalem was de naaste weg door het land van Samaria.
[^lukas-17-12-14]: Kanttekening 14: van verre: Dat is, buiten het volk, volgens de wet, Num. 5:2 . Numeri 5:2 : Gebied de kinderen van Israël, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.
[^lukas-17-13-15]: Kanttekening 15: Grieks voorstander.
[^lukas-17-14-16]: Kanttekening 16: vertoont uzelven de: De oorzaak hiervan zie Matt. 8:4 . Mattheüs 8:4 : En Jezus zei tot hem: Zie, dat u dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^lukas-17-14-e]: Verwijzing e: Lev. 13:2 ; Lev. 14:2 ; Matt. 8:4 ; Lukas 5:14 . Leviticus 13:2 : Een mens, als in het vel van zijn vlees een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel van zijn vlees tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot een uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden. Leviticus 14:2 : Dit zal de wet van de melaatsen zijn, ten dage zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden. Mattheüs 8:4 : En Jezus zei tot hem: Zie, dat u dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Lukas 5:14 : En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelven de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
[^lukas-17-18-17]: Kanttekening 17: Dat is, die van een ander dan van het Joodse geslacht is; want de Samaritanen waren van de heidenen gesproten; 2 Kon. 17:24 . 2 Koningen 17:24 : De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de kinderen van Israël; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden.
[^lukas-17-20-18]: Kanttekening 18: met uiterlijk gelaat: Grieks met waarneming; dat is in zulker voege, dat het tevoren kan gemerkt worden, gelijk het toegaat in de komst van de wereldse prinsen, die om de grote uiterlijke pracht tevoren kunnen waargenomen en verwacht worden.
[^lukas-17-21-f]: Verwijzing f: Matt. 24:23 ; Mark. 13:21 ; Lukas 21:7 ; idem v. 8 . Mattheüs 24:23 : Alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Marcus 13:21 : En alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet. Lukas 21:7 : En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen gebeuren? Lukas 21:8 : En Hij zei: Ziet, dat u niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.
[^lukas-17-21-19]: Kanttekening 19: binnen u: Of, in het midden van u. Dat verstaan kan worden, òf van de Joden in het algemeen, omdat de Messias nu midden onder hen was, Joh. 1:26 , òf ook van de gelovigen onder hen, in welker harten Hij door zijn woord en Geest zijn rijk oprichtte. Johannes 1:26 : Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent;
[^lukas-17-22-20]: Kanttekening 20: één van de dagen van de Zoon van de mensen te zien: Namelijk om zijn lichamelijke aanwezigheid te genieten, en uit zijn mond zelf het woord te horen.
[^lukas-17-23-g]: Verwijzing g: Matt. 24:23 ; Mark. 13:21 . Mattheüs 24:23 : Alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Marcus 13:21 : En alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.
[^lukas-17-24-21]: Kanttekening 21: in Zijn dag: Namelijk zo in de snelle verbreiding van het Evangelie door de gehele wereld, Rom. 10:18 , als in zijn laatste toekomst tot het oordeel, 1 Kor. 15:52 ; 2 Petr. 3:10 . Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. 1 Korinthiërs 15:52 : In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^lukas-17-25-h]: Verwijzing h: Matt. 16:21 ; Matt. 17:22 ; Matt. 20:18 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:31 ; Lukas 24:6 ; idem 24:7 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten. Lukas 24:6 : Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was, Lukas 24:7 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan.
[^lukas-17-25-22]: Kanttekening 22: verworpen worden: Grieks afgekeurd.
[^lukas-17-25-23]: Kanttekening 23: dit geslacht: Namelijk van de Joden.
[^lukas-17-26-i]: Verwijzing i: Gen. 6:2 ; Gen. 7:7 ; Matt. 24:37 ; idem v. 38 ; 1 Petr. 3:20 . Genesis 6:2 : Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Genesis 7:7 : Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijn zonen met hem in de ark, vanwege de wateren van de vloed. Mattheüs 24:37 : En gelijk de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon van de mensen. Mattheüs 24:38 : Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging; 1 Petrus 3:20 : Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
[^lukas-17-27-24]: Kanttekening 24: Zij aten, zij dronken: Dat is, zij zorgden nergens anders voor dan voor deze en dergelijke wereldse of lichamelijke dingen, zonder te letten op wat voorzegd was.
[^lukas-17-27-25]: Kanttekening 25: zij namen ten huwelijk: Namelijk de mannen.
[^lukas-17-27-26]: Kanttekening 26: zij werden ten huwelijk gegeven: Namelijk de vrouwen of dochters.
[^lukas-17-29-k]: Verwijzing k: Gen. 19:24 ; Deut. 29:23 ; Jes. 13:19 ; Jer. 50:40 ; Hosea 11:8 ; Amos 4:11 ; Judas v. 7 . Genesis 19:24 : Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Deuteronomium 29:23 : Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Jesaja 13:19 : Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. Jeremia 50:40 : Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Hosea 11:8 : Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Amos 4:11 : Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Judas 1:7 : Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelfde, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf van de eeuwigen vuurs.
[^lukas-17-30-27]: Kanttekening 27: in de dag: Namelijk van de wraak en van het oordeel, dat Hij zal uitvoeren, zo in het bijzonder tegen de Joden en de stad Jeruzalem, als over de gehele wereld. Zie Matt. 24:3 . Mattheüs 24:3 : En als Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding van de wereld?
[^lukas-17-30-28]: Kanttekening 28: geopenbaard zal worden: Grieks geopenbaard wordt.
[^lukas-17-31-29]: Kanttekening 29: zijn huisraad in huis: Grieks zijne vaten.
[^lukas-17-32-30]: Kanttekening 30: Gedenkt aan de vrouw van Lot: Namelijk opdat u met uwe harten niet te zeer hangt aan de aardse dingen, en naar deze omziende, gelijk zij deed, u met haar niet gestraft wordt.
[^lukas-17-32-l]: Verwijzing l: Gen. 19:26 . Genesis 19:26 : En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
[^lukas-17-33-m]: Verwijzing m: Matt. 10:39 ; Matt. 16:25 ; Mark. 8:35 ; Lukas 9:24 ; Joh. 12:25 . Mattheüs 10:39 : Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden. Mattheüs 16:25 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden. Marcus 8:35 : Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en vanwege het Evangelie, die zal hetzelfde behouden. Lukas 9:24 : Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. Johannes 12:25 : Die zijn leven liefheeft, zal hetzelfde verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelfde bewaren tot het eeuwige leven.
[^lukas-17-33-31]: Kanttekening 31: Grieks ziel; zie Matt. 10:39 . Mattheüs 10:39 : Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden.
[^lukas-17-33-32]: Kanttekening 32: in het leven behouden: Grieks levend telen; dat is, in het eeuwige leven behouden.
[^lukas-17-34-n]: Verwijzing n: Matt. 24:40 ; idem v. 41 ; 1 Thes. 4:17 . Mattheüs 24:40 : Alsdan zullen er twee op de akker zijn, de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. Mattheüs 24:41 : Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de één zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^lukas-17-34-33]: Kanttekening 33: Namelijk als Christus tot het oordeel zal komen.
[^lukas-17-34-34]: Kanttekening 34: Namelijk van God in genade.
[^lukas-17-34-35]: Kanttekening 35: verlaten worden: Namelijk om rechtvaardig veroordeeld te worden.
[^lukas-17-35-36]: Kanttekening 36: Zie hiervan de aantekening op Matt. 24:41 . Mattheüs 24:41 : Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de één zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
[^lukas-17-37-37]: Kanttekening 37: Waar het lichaam is: Zie hiervan de verklaring Matt. 24:28 . Mattheüs 24:28 : Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars vergaderd worden.
[^lukas-17-37-o]: Verwijzing o: Job 39:33 ; Matt. 24:28 . Job 39:33 : Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. Mattheüs 24:28 : Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars vergaderd worden.

### Lukas 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/18.json)

*1 Met de gelijkenis van een weduwe en een onrechtvaardige rechter leert Christus dat men in het gebed moet aanhouden. 9 En met een andere gelijkenis van een Farizeeer en een tollenaar leert Hij dat God de boetvaardige zondaar verhoort en rechtvaardigt, en niet hen die op hun eigen gerechtigheid steunen. 15 Hij gebiedt dat men de kinderen tot Hem zal laten komen. 18 Hij beantwoordt de vraag van een overste, wat hij doen moest om het eeuwige leven te verkrijgen, en wijst hem op het onderhouden van de geboden. 24 Hij leert hoe moeilijk de rijken zalig worden. 28 Hij belooft hier en hierna te vergelden aan hen die alles om zijnentwil verlaten. 31 Hij voorzegt zijn lijden, sterven en opstanding. 35 Bij Jericho geeft Hij een blinde het gezicht terug.*

**1** En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende,[^lukas-18-1-a] dat[^lukas-18-1-1] men altijd bidden moet, en niet vertragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v1)

**2** Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v2)

**3** En er was een zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende:[^lukas-18-3-2] Doe mij recht tegen mijn tegenpartij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v3)

**4** En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees, en geen mens ontzie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v4)

**5** Toch, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet[^lukas-18-5-3] eindelijk kome, en mij[^lukas-18-5-4] het hoofd breke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v5)

**6** En de Heere zei: Hoor, wat de onrechtvaardige rechter zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v6)

**7** [^lukas-18-7-b] Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij[^lukas-18-7-5] geduldig is over hen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v7)

**8** Ik zeg u, dat Hij hun[^lukas-18-8-6] haastig recht doen zal. Maar de Zoon des mensen, als Hij[^lukas-18-8-7] komt,[^lukas-18-8-8] zal Hij ook geloof vinden op de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v8)

**9** En Hij zei ook tot sommigen, die[^lukas-18-9-9] bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v9)

**10** Twee mensen gingen[^lukas-18-10-10] op in de tempel om te bidden, de één was een Farizeër, en de ander een tollenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v10)

**11** De Farizeër, staande, bad dit[^lukas-18-11-11] bij zichzelf:[^lukas-18-11-c] O God! ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook zoals deze tollenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v11)

**12** Ik vast tweemaal[^lukas-18-12-12] per week; ik[^lukas-18-12-13] geef tienden van alles, wat ik bezit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v12)

**13** En de tollenaar,[^lukas-18-13-14] van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar[^lukas-18-13-15] sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v13)

**14** Ik zeg u: Deze ging[^lukas-18-14-16] af[^lukas-18-14-17] gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan[^lukas-18-14-18] die;[^lukas-18-14-d] want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v14)

**15** [^lukas-18-15-e] En zij brachten ook de kinderen tot Hem, opdat Hij die zou[^lukas-18-15-19] aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften[^lukas-18-15-20] dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v15)

**16** Maar Jezus riep dezelfde kinderen tot Zich, en zei: Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert[^lukas-18-16-21] hen niet;[^lukas-18-16-f] want[^lukas-18-16-22] voor zulke mensen is het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v16)

**17** Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk van God niet zal ontvangen[^lukas-18-17-23] als een kind, die zal in geen geval in hetzelfde komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v17)

**18** [^lukas-18-18-g] En een zeker[^lukas-18-18-24] overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v18)

**19** En Jezus zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed, dan Één, namelijk God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v19)

**20** U weet de geboden:[^lukas-18-20-h] U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven;[^lukas-18-20-i] eer uw vader en uw moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v20)

**21** En hij zei: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v21)

**22** Maar Jezus, dit horende, zei tot hem: Nog[^lukas-18-22-25] een ding ontbreekt u;[^lukas-18-22-k] verkoop alles, wat u hebt, en deel het onder de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v22)

**23** Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v23)

**24** Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zei:[^lukas-18-24-l] Hoe moeilijk zullen degenen,[^lukas-18-24-26] die goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v24)

**25** Want het is gemakkelijker, dat[^lukas-18-25-27] een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk van God inga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v25)

**26** En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v26)

**27** En Hij zei:[^lukas-18-27-m] De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn[^lukas-18-27-28] mogelijk bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v27)

**28** [^lukas-18-28-n] En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v28)

**29** En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u,[^lukas-18-29-o] dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broers, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v29)

**30** [^lukas-18-30-p] Die niet zal[^lukas-18-30-29] veelvoudig weer ontvangen in deze tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v30)

**31** [^lukas-18-31-q] En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden[^lukas-18-31-30] aan de Zoon des mensen,[^lukas-18-31-r] wat geschreven is door de profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v31)

**32** [^lukas-18-32-s] Want Hij zal de heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v32)

**33** En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en op de derde dag zal Hij wederopstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v33)

**34** En zij[^lukas-18-34-31] verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, wat gezegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v34)

**35** [^lukas-18-35-t] En het gebeurde, als Hij nabij Jericho kwam, dat[^lukas-18-35-32] een zeker blinde aan de weg zat, bedelende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v35)

**36** En deze, horende de menigte voorbijgaan, vraagde, wat dat was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v36)

**37** En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v37)

**38** En hij riep, zeggende: Jezus, U Zoon van David, ontferm U over mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v38)

**39** En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zoon van David, ontferm U mijn! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v39)

**40** En Jezus, stil staande, beval, dat men dezelfde tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v40)

**41** Zeggende: Wat wilt u, dat Ik u doen zal? En hij zei: Heere![^lukas-18-41-33] dat ik ziende mag worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v41)

**42** En Jezus zei tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v42)

**43** En meteen werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf voor God lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/18.html#v43)

[^lukas-18-1-a]: Verwijzing a: Rom. 12:12 ; Efez. 6:18 ; Kolos. 4:2 ; 1 Thes. 5:17 . Romeinen 12:12 : Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; Kolossensen 4:2 : Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelfde met dankzegging; 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^lukas-18-1-1]: Kanttekening 1: altijd bidden moet: Dat is, bij alle gelegenheden aanhouden met bidden totdat men verkrijgt, en niet nalatig worden, of de moed verloren geven, al is het dat men niet meteen verhoord wordt.
[^lukas-18-3-2]: Kanttekening 2: Doe mij recht: Of, wreek mij; gelijk ook vers 7 . Lukas 18:7 : Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
[^lukas-18-5-3]: Kanttekening 3: Grieks tot het einde, of geduriglijk; dat is, met gedurig aanlopen.
[^lukas-18-5-4]: Kanttekening 4: het hoofd breke: Of, versuft make. Het Griekse woord betekent eigenlijk onder het gezicht slaan, of als met kinnebakslagen iemand het hoofd versuft en bedwelmd maken.
[^lukas-18-7-b]: Verwijzing b: Openb. 6:10 . Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^lukas-18-7-5]: Kanttekening 5: lankmoedig is over hen: Dat is, langzaam schijnt daartoe te komen, om door het straffen van de goddelozen zijne uitverkorenen te verlossen.
[^lukas-18-8-6]: Kanttekening 6: haastig recht doen zal: Grieks in de haast; dat is onverwachts.
[^lukas-18-8-7]: Kanttekening 7: Namelijk tot het oordeel.
[^lukas-18-8-8]: Kanttekening 8: zal Hij ook geloof vinden op de aarde: Dat is, het getal van de gelovigen zal alsdan klein wezen. Maar er zullen er ook alsdan enige zijn; 1 Thess. 4:15 , 4:17 . 1 Thessalonicensen 4:15 : Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heer, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^lukas-18-9-9]: Kanttekening 9: bij zichzelven vertrouwden: Of, op zichzelven.
[^lukas-18-10-10]: Kanttekening 10: op in de tempel: Want de tempel was gebouwd op de berg Moria op het hoogste van de stad, 2 Kron. 3:1 . 2 Kronieken 3:1 : En Salomo begon het huis van YHWH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
[^lukas-18-11-11]: Kanttekening 11: bij zichzelven: Of staande bij zichzelven.
[^lukas-18-11-c]: Verwijzing c: Jes. 1:15 ; Jes. 58:2 ; Openb. 3:17 ; idem v. 18 . Jesaja 1:15 : En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jesaja 58:2 : Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis Mijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht van zijn Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten van de gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen; Openbaring 3:17 : Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Openbaring 3:18 : Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag.
[^lukas-18-12-12]: Kanttekening 12: per week: Grieks op de sabbat; dat is, ter week. Zie Mark. 16:9 . Marcus 16:9 : En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
[^lukas-18-12-13]: Kanttekening 13: geef tienden van alles: Of, vertien alles.
[^lukas-18-13-14]: Kanttekening 14: van verre staande: Namelijk ver van het altaar en van het heilige, in het eerste inkomen van de voorhof van de tempel, tot een teken van schaamte over zijne zonden.
[^lukas-18-13-15]: Kanttekening 15: sloeg op zijn borst: Tot een teken van hartelijk leedwezen over deze zonden.
[^lukas-18-14-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de tempel. Zie vers 10 . Lukas 18:10 : Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de één was een Farizeër, en de ander een tollenaar.
[^lukas-18-14-17]: Kanttekening 17: gerechtvaardigd in zijn huis: Dat is, van God voor rechtvaardig gehouden, waarvan Rom. 3:20 enz. breder gehandeld wordt. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.
[^lukas-18-14-18]: Kanttekening 18: Namelijk de Farizeën, omdat de tollenaar voor God gerechtvaardigd is geweest, en niet de Farizeër, hoewel hij zichzelven voor gerechtvaardigd hield, en ook van de mensen daarvoor gehouden werd.
[^lukas-18-14-d]: Verwijzing d: Job 22:29 ; Spreuk. 29:23 ; Matt. 23:12 ; Lukas 14:11 ; Jak. 4:6 ; idem v. 10 ; 1 Petr. 5:5 . Job 22:29 : Als men iemand vernederen zal, en u zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God de nederige van ogen behouden. Spreuken 29:23 : De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. Mattheüs 23:12 : En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Lukas 14:11 : Want een iedereen, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Jakobus 4:6 : Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Jakobus 4:10 : Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhogen. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^lukas-18-15-e]: Verwijzing e: Matt. 19:13 ; Mark. 10:13 . Mattheüs 19:13 : Toen werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelfde. Marcus 10:13 : En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.
[^lukas-18-15-19]: Kanttekening 19: Dat is, de handen hun opleggen om te zegenen. Zie Matt. 19:13 ; Mark. 10:16 . Mattheüs 19:13 : Toen werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelfde. Marcus 10:16 : En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelfde.
[^lukas-18-15-20]: Kanttekening 20: Namelijk degenen, die de kinderen brachten.
[^lukas-18-16-21]: Kanttekening 21: verhindert hen niet: Of, verbiedt hen niet.
[^lukas-18-16-f]: Verwijzing f: Matt. 18:3 ; Matt. 19:14 ; 1 Kor. 14:20 ; 1 Petr. 2:2 . Mattheüs 18:3 : En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. Mattheüs 19:14 : Maar Jezus zei: Laat af van de kinderken, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk van de hemelen. 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 1 Petrus 2:2 : En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen;
[^lukas-18-16-22]: Kanttekening 22: derzulken is het Koninkrijk van God: Zie hiervan Matt. 19:14 . Mattheüs 19:14 : Maar Jezus zei: Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk van de hemelen.
[^lukas-18-17-23]: Kanttekening 23: als een kind: Dat is, in nederigheid, eenvoudigheid en oprechtheid; Ps. 131:1 , 131:2 . Psalmen 131:1 : Een lied Hammaäloth, van David. O YHWH! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. Psalmen 131:2 : Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
[^lukas-18-18-g]: Verwijzing g: Matt. 19:16 ; Mark. 10:17 . Mattheüs 19:16 : En ziet, er kwam een tot Hem, en zei tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? Marcus 10:17 : En als Hij uitging op de weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?
[^lukas-18-18-24]: Kanttekening 24: overste vraagde Hem: Zie van deze geschiedenis Matt. 19:16 . Mattheüs 19:16 : En ziet, er kwam een tot Hem, en zei tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?
[^lukas-18-20-h]: Verwijzing h: Ex. 20:13 ; Deut. 5:17 ; Rom. 13:9 . Exodus 20:13 : U zult niet doodslaan. Deuteronomium 5:17 : U zult niet doodslaan. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
[^lukas-18-20-i]: Verwijzing i: Efez. 6:2 ; Kolos. 3:20 . Efeziërs 6:2 : Eert uw vader en moeder (dat het eerste gebod is met een belofte), Kolossensen 3:20 : U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heer welgevallig.
[^lukas-18-22-25]: Kanttekening 25: een ding ontbreekt u: Namelijk waaruit u zult kunnen verstaan hoever u nog van de volmaaktheid bent, die u u laat voorstaan. Zie hiervan verder Matt. 19:21 . Mattheüs 19:21 : Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
[^lukas-18-22-k]: Verwijzing k: Matt. 6:19 ; Matt. 19:21 ; 1 Tim. 6:19 . Mattheüs 6:19 : Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Mattheüs 19:21 : Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 1 Timotheüs 6:19 : Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.
[^lukas-18-24-l]: Verwijzing l: Spreuk. 11:28 ; Matt. 19:23 ; Mark. 10:23 . Spreuken 11:28 : Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof. Mattheüs 19:23 : En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk in het Koninkrijk van de hemelen zal ingaan. Marcus 10:23 : En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen!
[^lukas-18-24-26]: Kanttekening 26: die goed hebben: Dat is, die rijk zijn en hun vertrouwen stellen op de rijkdom, gelijk Mark. 10:24 verklaard wordt. Marcus 10:24 : En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan!
[^lukas-18-25-27]: Kanttekening 27: een kameel ga: Of, kabel. Van dit spreekwoord, zie Matt. 19:24 . Mattheüs 19:24 : En opnieuw zeg Ik u: Het is gemakkelijker, dat een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk van God.
[^lukas-18-27-m]: Verwijzing m: Job 42:2 ; Jer. 32:17 ; Zach. 8:6 ; Lukas 1:37 . Job 42:2 : Ik weet, dat U alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. Jeremia 32:17 : Ach, Heer YHWH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk. Zacharia 8:6 : Zo zegt YHWH van de heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel van deze volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt YHWH van de heirscharen. Lukas 1:37 : Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
[^lukas-18-27-28]: Kanttekening 28: mogelijk bij God: Zie Matt. 19:26 . Mattheüs 19:26 : En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
[^lukas-18-28-n]: Verwijzing n: Matt. 4:20 ; Matt. 19:27 ; Mark. 10:28 ; Lukas 5:11 . Mattheüs 4:20 : Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. Mattheüs 19:27 : Toen antwoordde Petrus, en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden? Marcus 10:28 : En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. Lukas 5:11 : En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.
[^lukas-18-29-o]: Verwijzing o: Deut. 33:9 . Deuteronomium 33:9 : Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.
[^lukas-18-30-p]: Verwijzing p: Job 42:12 . Job 42:12 : En YHWH zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
[^lukas-18-30-29]: Kanttekening 29: veelvoudig weer ontvangen: Deze belofte wordt altijd vervuld door geestelijke gaven, en dikwijls ook door tijdelijke.
[^lukas-18-31-q]: Verwijzing q: Matt. 16:21 ; Matt. 20:17 ; Matt. 17:22 ; Mark. 8:31 ; Mark. 10:32 ; Mark. 9:31 ; Lukas 9:22 ; Lukas 24:7 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 20:17 : En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zei tot hen: Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 10:32 : En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven opnieuw tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 24:7 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan.
[^lukas-18-31-30]: Kanttekening 30: aan de Zoon van de mensen: Anders, dat geschreven is door de profeten van de Zoon van de mensen.
[^lukas-18-31-r]: Verwijzing r: Ps. 22:7 ; Jes. 53:7 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Jesaja 53:7 : Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.
[^lukas-18-32-s]: Verwijzing s: Matt. 27:2 ; Lukas 23:1 ; Joh. 18:28 ; Hand. 3:13 . Mattheüs 27:2 : En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. Lukas 23:1 : En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. Handelingen 3:13 : De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God van onze vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten.
[^lukas-18-34-31]: Kanttekening 31: verstonden geen van deze dingen: Omdat zij nog ingenomen waren met de algemene dwaling van het wereldse koninkrijk van Christus.
[^lukas-18-35-t]: Verwijzing t: Matt. 20:29 ; Mark. 10:46 . Mattheüs 20:29 : En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd. Marcus 10:46 : En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende.
[^lukas-18-35-32]: Kanttekening 32: een zeker blinde: Mattheüs zegt, Matt. 20:30 , van twee blinden; waarvan zie de vergelijking Mark. 10:46 . Hoewel sommigen om de verscheidenheid van de plaatsen, waar dit geschied is, menen dat het een andere geschiedenis zou zijn; maar dit verschil wordt van anderen zo vergeleken, dat de blinden wel in het ingaan van Jericho hebben beginnen te roepen, maar dat Christus hen eerst heeft ziende gemaakt toen Hij door Jericho gegaan was. Mattheüs 20:30 : En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heer, U Zoon van David! ontferm U over ons. Marcus 10:46 : En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende.
[^lukas-18-41-33]: Kanttekening 33: dat ik ziende mag worden: Dat is, dat mijne ogen mogen geopend worden, gelijk er staat Matt. 20:33 . Mattheüs 20:33 : Zij zeiden tot Hem: Heer! dat onze ogen geopend worden.

### Lukas 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/19.json)

*1 Zacheus probeert Christus te zien 6 en ontvangt Hem in zijn huis. 8 Hij betuigt zijn boetvaardigheid en wordt door Christus getroost. 11 Met de gelijkenis van het uitdelen van de ponden leert Christus dat men zijn gaven moet gebruiken om winst te maken. 29 Hij doet zijn intocht in Jeruzalem, rijdend op een ezel, 37 en wordt door de menigte met gejuich ontvangen. 41 Hij weent over de stad Jeruzalem en voorzegt haar verwoesting. 45 Hij drijft de kopers en verkopers uit de tempel. 47 De overpriesters en Schriftgeleerden proberen Hem te doden.*

**1** En[^lukas-19-1-1] Jezus, ingekomen zijnde, ging door[^lukas-19-1-2] Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v1)

**2** En zie, er was een man, met name geheten Zacheüs; en deze was een[^lukas-19-2-3] overste van de tollenaren, en hij was rijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v2)

**3** En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de menigte, omdat hij klein[^lukas-19-3-4] van persoon was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v3)

**4** En vooruitlopende, klom hij op een[^lukas-19-4-5] wilde vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door die weg voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v4)

**5** En als Jezus aan die plaats kwam, omhoog ziende, zag Hij hem, en zei tot hem: Zacheüs! haast u, en kom af; want Ik moet vandaag in uw huis[^lukas-19-5-6] blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v5)

**6** En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem[^lukas-19-6-7] met blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v6)

**7** En allen, die het zagen, morden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om[^lukas-19-7-8] te herbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v7)

**8** En Zacheüs stond, en zei tot de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen; en als ik iemand iets[^lukas-19-8-9] door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik[^lukas-19-8-10] vierdubbel weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v8)

**9** En Jezus zei tot hem: Vandaag is deze[^lukas-19-9-11] huize zaligheid gebeurd, aangezien ook[^lukas-19-9-a] deze[^lukas-19-9-12] een zoon van Abraham is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v9)

**10** [^lukas-19-10-b] Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v10)

**11** En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zei een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij dachten, dat[^lukas-19-11-13] het Koninkrijk van God meteen zou openbaar worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v11)

**12** [^lukas-19-12-c] Hij zei dan: Een zekere man van hoge geboorte reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en dan terug te keren.[^lukas-19-12-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v12)

**13** En geroepen hebbende zijn tien dienaren, gaf hij hun tien[^lukas-19-13-15] ponden, en zei tot hen: Doe zaken, totdat ik terugkom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v13)

**14** En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v14)

**15** En het gebeurde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij[^lukas-19-15-16] zei, dat die dienaren tot hem zouden geroepen worden, wie hij[^lukas-19-15-17] het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat ieder met handelen gewonnen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v15)

**16** En de eerste kwam, en zei: Heere, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v16)

**17** En hij zei tot hem: Wel, u goede dienaar, omdat u in het minste getrouw bent geweest, zo wees[^lukas-19-17-18] machthebber over tien steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v17)

**18** En de tweede kwam, en zei: Heere, uw pond heeft vijf ponden[^lukas-19-18-19] gewonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v18)

**19** En hij zei ook tot deze: En u, wees over vijf steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v19)

**20** En een ander kwam, zeggende: Heere, zie hier uw pond, dat ik in een[^lukas-19-20-20] zweetdoek weggelegd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v20)

**21** Want ik vreesde u, omdat u een streng mens bent; u neemt weg, wat u niet gelegd hebt, en u maait, wat u niet gezaaid hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v21)

**22** Maar hij zei tot hem:[^lukas-19-22-d] Uit uw mond zal ik u oordelen, u slechte dienaar! U wist, dat ik een streng mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v22)

**23** Waarom hebt u dan mijn geld niet in[^lukas-19-23-21] de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelfde met[^lukas-19-23-22] rente mogen eisen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v23)

**24** En hij zei tot degenen, die bij hem stonden: Neem dat pond van hem weg, en geeft het die, die de tien ponden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v24)

**25** En zij zeiden tot hem: Heere, hij heeft tien ponden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v25)

**26** [^lukas-19-26-e] Want ik zeg u,[^lukas-19-26-23] dat een ieder die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v26)

**27** Maar[^lukas-19-27-24] deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier, en[^lukas-19-27-25] slaat ze hier voor mij dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v27)

**28** En dit gezegd hebbende, reisde Hij[^lukas-19-28-26] voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v28)

**29** [^lukas-19-29-f] En het gebeurde, als Hij nabij[^lukas-19-29-27] Beth-fage en Bethanië gekomen was, aan de berg, genoemd[^lukas-19-29-28] de Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v29)

**30** Zeggende: Ga heen in dat plaats, dat tegenover is; in dat inkomende, zult u[^lukas-19-30-29] een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbind hetzelfde, en brengt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v30)

**31** En als iemand u vraagt: Waarom ontbindt u dat, zo zult u zo tot hem zeggen: Omdat het de Heere nodig heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v31)

**32** En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, zoals Hij hun gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v32)

**33** En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelfde tot hen: Waarom ontbindt u het veulen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v33)

**34** En zij zeiden: De Heere heeft het nodig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v34)

**35** [^lukas-19-35-g] En zij[^lukas-19-35-30] brachten hetzelfde tot Jezus.[^lukas-19-35-h] En hun[^lukas-19-35-31] kleren op het veulen geworpen hebbende, zetten[^lukas-19-35-32] zij Jezus daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v35)

**36** En als Hij voort reisde, spreidden zij hun kleren onder Hem op de weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v36)

**37** En als Hij nu naderde aan de afgang van de Olijfberg, begon al de menigte[^lukas-19-37-33] van de discipelen zich te verblijden, en God te loven met luide stem, vanwege al[^lukas-19-37-34] de krachtige daden, die zij gezien hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v37)

**38** Zeggende:[^lukas-19-38-35][^lukas-19-38-i] Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de[^lukas-19-38-36][^lukas-19-38-k] Heere! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v38)

**39** En sommigen van de Farizeën uit de menigte zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v39)

**40** En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zeg u, dat, zo deze zwijgen,[^lukas-19-40-l] de stenen haast roepen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v40)

**41** En als Hij nabij kwam, en de stad zag, huilde Hij over haar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v41)

**42** Zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in[^lukas-19-42-37] deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v42)

**43** Want er zullen dagen over u komen, dat uw[^lukas-19-43-38] vijanden[^lukas-19-43-39] een wal rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v43)

**44** [^lukas-19-44-m] En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw[^lukas-19-44-40] kinderen in u; en zij zullen in u de één steen op de anderen steen niet laten; daarom dat u[^lukas-19-44-41] de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v44)

**45** En gegaan zijnde in de tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v45)

**46** Zeggende tot hen:[^lukas-19-46-n] Er is geschreven:[^lukas-19-46-42] Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v46)

**47** En Hij leerde dagelijks in de tempel;[^lukas-19-47-o] en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en[^lukas-19-47-43] de oversten van het volk zochten Hem[^lukas-19-47-44] te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v47)

**48** En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk[^lukas-19-48-45] hing Hem aan, en hoorde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/19.html#v48)

[^lukas-19-1-1]: Kanttekening 1: ingekomen zijnde: Namelijk in de stad. Zie Luk. 18:35 . Lukas 18:35 : En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan de weg zat, bedelende.
[^lukas-19-1-2]: Kanttekening 2: Van de ligging van deze stad zie Mark. 10:46 . Marcus 10:46 : En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende.
[^lukas-19-2-3]: Kanttekening 3: overste van de tollenaren: In elke provincie en stad waren verscheidene tollenaars, onder welke een de opperste was, die de tollen aan de Romeinen moest verantwoorden. Zie dergelijke bij Josefus Antiq.lib. 12 cap. 4.
[^lukas-19-3-4]: Kanttekening 4: van persoon was: Grieks statuur, of lengte.
[^lukas-19-4-5]: Kanttekening 5: wilden vijgeboom: Grieks Sycomoraea; dit was een boom in Syrië en Egypte, hebbende de grootte en bladeren van een moerbeziënboom, en vruchten als vijgen, maar zonder pitten. Plin.lib. 13, cap. 7.
[^lukas-19-5-6]: Kanttekening 6: Dat is, herbergen, gelijk vers 7 verklaard wordt. Lukas 19:7 : En allen, die het zagen, morden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.
[^lukas-19-6-7]: Kanttekening 7: met blijdschap: Grieks blij zijnde.
[^lukas-19-7-8]: Kanttekening 8: te herbergen: Grieks uit te spannen; een wijze van spreken genomen van het uitspannen van de paarden, als men voor de herberg komt.
[^lukas-19-8-9]: Kanttekening 9: door bedrog ontvreemd heb: Of, door vals aanbrengen, of beschuldigen, afgenomen heb. Zie Luk. 3:14 . Lukas 3:14 : En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zei tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.
[^lukas-19-8-10]: Kanttekening 10: vierdubbel weer: Namelijk volgens de wet van de straf over de dieverij; Ex. 22:1 ; 2 Sam. 12:6 . Exodus 22:1 : Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. 2 Samuël 12:6 : En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.
[^lukas-19-9-11]: Kanttekening 11: huize zaligheid geschied: Dat is, huisgezin; zo de huisvader in Christus gelovende, het gehele huisgezin in het verbond ook gerekend wordt, volgens de belofte Gen. 17:7 ; Hand. 2:39 , en Hand. 16:15 , 16:33 , tenzij dat zij door hunne ongelovigheid deze genade verwerpen. Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Handelingen 2:39 : Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal. Handelingen 16:15 : En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik de Heer getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons. Handelingen 16:33 : En hij nam hen tot zich in dezelfde ure van de nacht, en wies hen van de striemen; en hij werd meteen gedoopt, en al de zijnen.
[^lukas-19-9-a]: Verwijzing a: Lukas 13:16 . Lukas 13:16 : En deze, die een dochter van Abraham is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat?
[^lukas-19-9-12]: Kanttekening 12: een zoon van Abraham is: Namelijk niet alleen naar het vlees, maar ook naar de belofte; Rom. 9:8 . Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.
[^lukas-19-10-b]: Verwijzing b: Matt. 18:11 ; Matt. 10:6 ; Matt. 15:24 ; Hand. 13:46 . Mattheüs 18:11 : Want de Zoon van de mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was. Mattheüs 10:6 : Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israël. Mattheüs 15:24 : Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven van de eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^lukas-19-11-13]: Kanttekening 13: het Koninkrijk van God: Namelijk dat zij zich inbeeldden een werelds koninkrijk te zullen zijn.
[^lukas-19-12-c]: Verwijzing c: Matt. 25:14 ; Mark. 13:34 . Mattheüs 25:14 : Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienaren riep, en gaf hun zijn goederen over. Marcus 13:34 : Gelijk een mens, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienaren macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken;
[^lukas-19-12-14]: Kanttekening 14: Grieks, mens . Door deze welgeboren man verstaat Hij Hemzelven; door de dienaren zijne discipelen, en voornamelijk de leraars; door deze burgers de hardnekkige Joden; door het ver gelegen land, de hemel; door de ponden de geestelijke gaven; door het wederkomen, Zijne laatste komst om te oordelen; en door het geven van de steden, de geestelijke en eeuwige beloning.
[^lukas-19-13-15]: Kanttekening 15: Grieks Mna, in het Latijn mina; welke gerekend wordt op zestig gemene sikkels, of honderd en twintig denariën of drachmen zilvers; zie Ez. 45:12 ; en wat een denarie doet, zie Matt. 18:28 . Zo men deze mina wil verstaan van goud, zo bedraagt zij zoveel meer als het goud meer waard is dan het zilver. Ezechiël 45:12 : En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen en vijftien sikkelen, zal u een pond zijn. Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden een van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^lukas-19-15-16]: Kanttekening 16: Dat is, beval.
[^lukas-19-15-17]: Kanttekening 17: het geld gegeven had: Grieks het zilver.
[^lukas-19-17-18]: Kanttekening 18: macht over tien steden: Of, gebied.
[^lukas-19-18-19]: Kanttekening 19: Grieks gemaakt.
[^lukas-19-20-20]: Kanttekening 20: zweetdoek weggelegd had: Of, neusdoek, of linnen doek.
[^lukas-19-22-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 1:16 ; Matt. 12:37 . 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. Mattheüs 12:37 : Want uit uw woorden zult u gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult u veroordeeld worden.
[^lukas-19-23-21]: Kanttekening 21: Grieks tafel; dat is, dengenen, die tafel of bank houden, om geld op wissel of winst uit te geven.
[^lukas-19-23-22]: Kanttekening 22: Dat is, winst. Niet dat de Heer onbehoorlijken woeker zou prijzen, maar dat hij daarmede wil leren dat men zijne gaven tot winst en stichting van onze naasten en tot Gods eer moet besteden. Zie dergelijke Matt. 25:27 . Mattheüs 25:27 : Zo moest u dan mijn geld aan de wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.
[^lukas-19-26-e]: Verwijzing e: Matt. 13:12 ; Matt. 25:29 ; Mark. 4:25 ; Lukas 8:18 . Mattheüs 13:12 : Want wie heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Mattheüs 25:29 : Want een iedereen die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Marcus 4:25 : Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. Lukas 8:18 : Ziet dan, hoe u hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.
[^lukas-19-26-23]: Kanttekening 23: dat een ieder: Deze rede past niet op het naaste, maar op vers 24 , waarvan zie Matt. 13:12 . Lukas 19:24 : En hij zei tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het aan die, die de tien ponden heeft. Mattheüs 13:12 : Want wie heeft, aan die zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft.
[^lukas-19-27-24]: Kanttekening 24: deze mijn vijanden: Hierdoor worden de hardnekkige Joden verstaan, die vers 24 zijne burgers genaamd worden, en door hunne opstandigheid zijne vijanden waren geworden. Lukas 19:24 : En hij zei tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het aan die, die de tien ponden heeft.
[^lukas-19-27-25]: Kanttekening 25: slaat ze hier voor mij dood: Grieks slacht hen.
[^lukas-19-28-26]: Kanttekening 26: voor hen heen: Of, voor heen; om zijne gewilligheid en vrijmoedigheid in het aangaan van Zijn lijden te betonen.
[^lukas-19-29-f]: Verwijzing f: Matt. 21:1 ; Mark. 11:1 . Mattheüs 21:1 : En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Marcus 11:1 : En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,
[^lukas-19-29-27]: Kanttekening 27: Hoe ver deze plaatsen van Jeruzalem gelegen waren, zie Matt. 21:1 . Mattheüs 21:1 : En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:
[^lukas-19-29-28]: Kanttekening 28: de Olijfberg: Grieks van de olijven; namelijk berg.
[^lukas-19-30-29]: Kanttekening 29: een veulen gebonden vinden: Namelijk van een ezelin met haar moeder; zie Matt. 21:2 ; Mark. 11:2 . Mattheüs 21:2 : Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en u zult meteen een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. Marcus 11:2 : En zei tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en meteen als u in hetzelfde komt, zult u vinden een veulen gebonden, waarop geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.
[^lukas-19-35-g]: Verwijzing g: Joh. 12:14 . Johannes 12:14 : En Jezus vond een jonge ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:
[^lukas-19-35-30]: Kanttekening 30: brachten hetzelfde: Grieks leidden het.
[^lukas-19-35-h]: Verwijzing h: 2 Kon. 9:13 . 2 Koningen 9:13 : Toen haastten zij zich, en een iedereen nam zijn kleed, en legde het onder hem, op de hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
[^lukas-19-35-31]: Kanttekening 31: Dat is, opperklederen of mantels.
[^lukas-19-35-32]: Kanttekening 32: Namelijk velen uit de schare, Mark. 11:8 . Marcus 11:8 : En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op de weg.
[^lukas-19-37-33]: Kanttekening 33: van de discipelen zich te verblijden: Namelijk zo die Hem gevolgd waren, als die Hem uit Jeruzalem tegemoet gekomen waren, Joh. 12:12 , 12:13 . Johannes 12:12 : De volgende dag, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, Johannes 12:13 : Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer, Hij, Die is de Koning van Israël!
[^lukas-19-37-34]: Kanttekening 34: de krachtige daden: Grieks de krachten.
[^lukas-19-38-35]: Kanttekening 35: Gezegend is de Koning: Zie hiervan Matt. 21:9 . Mattheüs 21:9 : En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemelen!
[^lukas-19-38-i]: Verwijzing i: Ps. 118:26 . Psalmen 118:26 : Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van YHWH! Wij zegenen u uit het huis van YHWH.
[^lukas-19-38-36]: Kanttekening 36: Vrede zij in de hemel: Dat is, God zij bevredigd en verzoend met de mensen, door de komst van deze koning, en daardoor verheerlijkt.
[^lukas-19-38-k]: Verwijzing k: Lukas 2:14 ; Efez. 2:14 . Lukas 2:14 : Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Efeziërs 2:14 : Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende,
[^lukas-19-40-l]: Verwijzing l: Habak. 2:11 . Habakuk 2:11 : Want de steen uit de muur roept, en de balk uit het hout antwoordt die.
[^lukas-19-42-37]: Kanttekening 37: deze uw dag: Namelijk op welke ik nu voor de laatste reis tot u kom, en u waarschuw, tot uw behoud en zaligheid. Dit is een afgebroken rede, waarop moet worden verstaan: hoe gelukkig zoudt u dan zijn? of iets dergelijks.
[^lukas-19-43-38]: Kanttekening 38: Namelijk de Romeinen. Zie de vervulling hiervan bij Josefus, van de Joodse oorlogen in het zesde Boek.
[^lukas-19-43-39]: Kanttekening 39: een begraving rondom: Of, wat van uitgegraven aarde opgeworpen.
[^lukas-19-44-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 9:7 ; idem v. 8 ; Micha 3:12 ; Matt. 24:1 ; idem v. 2 ; Mark. 13:2 ; Lukas 21:6 . 1 Koningen 9:7 : Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. 1 Koningen 9:8 : En wat dit betreft huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelfde zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft YHWH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud. Mattheüs 24:1 : En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. Mattheüs 24:2 : En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet een steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Marcus 13:2 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. Lukas 21:6 : Wat deze dingen betreft, die u aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op de anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
[^lukas-19-44-40]: Kanttekening 40: kinderen in u: Dat is, inwoners, gelijk Matt. 23:37 . Mattheüs 23:37 : Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild.
[^lukas-19-44-41]: Kanttekening 41: de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt: Namelijk in welke u door de predikatie van het Evangelie de genade van God nu wordt aangeboden.
[^lukas-19-46-n]: Verwijzing n: 1 Kon. 8:29 ; Jes. 56:7 ; Jer. 7:11 ; Matt. 21:13 ; Mark. 11:17 . 1 Koningen 8:29 : Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van die U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. Jesaja 56:7 : Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. Jeremia 7:11 : Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk van de moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt YHWH. Mattheüs 21:13 : En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden; maar u hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. Marcus 11:17 : En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genaamd worden alle volken? Maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt.
[^lukas-19-46-42]: Kanttekening 42: Mijn huis is een huis van het gebed: Dat is, de tempel.
[^lukas-19-47-o]: Verwijzing o: Mark. 11:8 ; Joh. 7:19 ; Joh. 8:37 . Marcus 11:8 : En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op de weg. Johannes 7:19 : Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt u Mij te doden? Johannes 8:37 : Ik weet, dat u Abrahams zaad bent; maar u zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.
[^lukas-19-47-43]: Kanttekening 43: de oversten: Grieks de eersten, of voornaamsten.
[^lukas-19-47-44]: Kanttekening 44: te doden: Grieks verderven, of vernielen.
[^lukas-19-48-45]: Kanttekening 45: hing Hem aan: Grieks hing van Hem; dat is, hing Hem aan; of was zeer begerig om Hem te horen.

### Lukas 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/20.json)

*1 Als de overpriesters en Farizeeen aan Christus vragen uit welke macht Hij deze dingen deed, antwoordt Hij met een wedervraag, waar de doop van Johannes vandaan was. 9 Hij dreigt hun met Gods straf door de gelijkenis van een wijngaard die aan de landlieden verhuurd was, die de dienstknechten van hun heer mishandelden en zijn zoon doodden. 20 Hij beantwoordt de vraag of het geoorloofd was de keizer belasting te geven. 27 Hij bewijst uit de Wet van Mozes de opstanding van de doden, tegen de voorstelling van de Sadduceeen over zeven broers die dezelfde vrouw gehad hadden. 41 Hij vraagt hoe Christus een zoon van David is, terwijl David Hem zijn Heere noemt. 45 Hij waarschuwt het volk voor de eerzucht en huichelarij van de Schriftgeleerden.*

**1** [^lukas-20-1-a] En het gebeurde in één van die dagen, als Hij in de tempel het volk leerde, en[^lukas-20-1-1] het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v1)

**2** En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons,[^lukas-20-2-2] door wat[^lukas-20-2-3] macht U[^lukas-20-2-4] deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v2)

**3** En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook[^lukas-20-3-5] een woord vragen, en zegt Mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v3)

**4** [^lukas-20-4-6] De doop van Johannes, was die[^lukas-20-4-7] uit de Hemel, of uit de mensen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v4)

**5** En zij overlegden[^lukas-20-5-8] onder zich, zeggende: Als wij zeggen: Uit de Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt u dan hem niet geloofd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v5)

**6** En als wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v6)

**7** En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die[^lukas-20-7-9] was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v7)

**8** En Jezus zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet,[^lukas-20-8-10] door wat macht Ik deze dingen doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v8)

**9** En Hij begon tot het volk[^lukas-20-9-11] deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok[^lukas-20-9-12] een langen tijd buiten 's lands.[^lukas-20-9-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v9)

**10** En als[^lukas-20-10-13] het de tijd was, zond hij tot de landbouwers een dienaar, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard geven zouden; maar de landbouwers sloegen dezelfde, en zonden hem leeg heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v10)

**11** En[^lukas-20-11-14] opnieuw zond hij nog een andere dienaar; maar ook die geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem leeg heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v11)

**12** En opnieuw zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook deze, en wierpen hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v12)

**13** En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien.[^lukas-20-13-15] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v13)

**14** Maar als de landbouwers hem zagen, overlegden zij onder elkaar, en zeiden: [^lukas-20-14-c] Deze is de erfgenaam;[^lukas-20-14-d] kom, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v14)

**15** En als zij hem buiten de wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard hun doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v15)

**16** Hij zal komen en deze landbouwers verderven, en zal de wijngaard aan[^lukas-20-16-16] anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: [^lukas-20-16-17] Volstrekt niet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v16)

**17** Maar Hij zag hen aan, en zei: Wat is dan dit, dat[^lukas-20-17-e] geschreven staat:[^lukas-20-17-18] De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v17)

**18** [^lukas-20-18-f] Een ieder die[^lukas-20-18-19] op die steen valt, zal verpletterd worden,[^lukas-20-18-g] en[^lukas-20-18-20] op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v18)

**19** En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten op dat moment de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v19)

**20** [^lukas-20-20-h] En zij namen Hem waar, en zonden[^lukas-20-20-21] spionnen uit, die zichzelf veinsden[^lukas-20-20-22] rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn[^lukas-20-20-23] rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht van de stadhouder over te leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v20)

**21** En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat U recht spreekt en leert, en[^lukas-20-21-24] de persoon niet aanneemt, maar de weg van God leert in van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v21)

**22** Is[^lukas-20-22-25] het ons geoorloofd de keizer schatting te geven, of niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v22)

**23** En Hij, hun sluwheid bemerkte, zei tot hen: Wat verzoekt u Mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v23)

**24** Toon Mij een[^lukas-20-24-26] penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Van de keizers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v24)

**25** En Hij zei tot hen:[^lukas-20-25-i] Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v25)

**26** En zij konden Hem in Zijn woord niet[^lukas-20-26-27] vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v26)

**27** [^lukas-20-27-k] En tot Hem kwamen sommigen van[^lukas-20-27-28] de Sadduceën,[^lukas-20-27-29] die tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v27)

**28** Zeggende: Meester![^lukas-20-28-l] Mozes heeft ons[^lukas-20-28-30] geschreven: Zo iemands broer sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broer de vrouw nemen zal, en zijn broer[^lukas-20-28-31] zaad verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v28)

**29** Er waren nu zeven broers; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v29)

**30** En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v30)

**31** En de derde nam dezelfde vrouw; en evenzo ook[^lukas-20-31-32] de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v31)

**32** En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v32)

**33** In de opstanding dan, wiens vrouw van deze zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelfde tot een vrouw gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v33)

**34** En Jezus, antwoordende, zei tot hen: De kinderen[^lukas-20-34-33] van deze eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v34)

**35** Maar die waard zullen[^lukas-20-35-34] geacht zijn[^lukas-20-35-35] die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v35)

**36** Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn[^lukas-20-36-m] de engelen gelijk; en zij zijn[^lukas-20-36-36] kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v36)

**37** En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook[^lukas-20-37-37] Mozes aangewezen[^lukas-20-37-38] bij het doornenbos, als hij de Heere[^lukas-20-37-39][^lukas-20-37-n] noemt de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v37)

**38** God nu is niet een God van de doden, maar van de levenden; want[^lukas-20-38-40] zij leven Hem allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v38)

**39** En sommigen van de Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! U hebt wel gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v39)

**40** En[^lukas-20-40-41] zij durfden Hem niet meer iets vragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v40)

**41** [^lukas-20-41-o] En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v41)

**42** En David zelf zegt in het boek van de psalmen:[^lukas-20-42-p] De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v42)

**43** Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v43)

**44** David dan noemt Hem zijn Heere; en[^lukas-20-44-42] hoe is Hij zijn Zoon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v44)

**45** En daar al het volk het hoorde, zei Hij tot Zijn discipelen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v45)

**46** [^lukas-20-46-q] Wees op uw hoede voor de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in[^lukas-20-46-43] lange kleren, en houden van de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de[^lukas-20-46-44] maaltijden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v46)

**47** [^lukas-20-47-r] Die van de weduwen[^lukas-20-47-45] huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; deze zullen[^lukas-20-47-46] zwaarder[^lukas-20-47-47] oordeel ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/20.html#v47)

[^lukas-20-1-a]: Verwijzing a: Matt. 21:23 ; Mark. 11:27 ; Hand. 4:7 ; Hand. 7:27 . Mattheüs 21:23 : En als Hij in de tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen van het volk, zeggende: Door wat macht doet U deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven? Marcus 11:27 : En zij kwamen opnieuw te Jeruzalem. En als Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. Handelingen 4:7 : En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt u dit gedaan? Handelingen 7:27 : En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
[^lukas-20-1-1]: Kanttekening 1: het Evangelie verkondigde: Grieks Evangeliseerde.
[^lukas-20-2-2]: Kanttekening 2: door wat: Grieks in hoedanige.
[^lukas-20-2-3]: Kanttekening 3: Dat is, autoriteit.
[^lukas-20-2-4]: Kanttekening 4: deze dingen doet: Namelijk die in het voorgaande hoofdstuk verhaald worden.
[^lukas-20-3-5]: Kanttekening 5: een woord vragen: Dat is een ding, of zaak. Hebreeuws.
[^lukas-20-4-6]: Kanttekening 6: De doop van Johannes: Zie hiervan de aantekeningen Matt. 21:25 . Mattheüs 21:25 : De doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?
[^lukas-20-4-7]: Kanttekening 7: uit de Hemel, of uit de mensen: Dat is, van God, gelijk Luk. 15:18 . Lukas 15:18 : Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u;
[^lukas-20-5-8]: Kanttekening 8: onder zich: Of, bij zichzelven.
[^lukas-20-7-9]: Kanttekening 9: die was : Namelijk de doop van Johannes.
[^lukas-20-8-10]: Kanttekening 10: door wat macht: Grieks in.
[^lukas-20-9-11]: Kanttekening 11: deze gelijkenis te zeggen: Van deze gelijkenis, zie de verklaring Matt. 21:33 . Mattheüs 21:33 : Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands.
[^lukas-20-9-12]: Kanttekening 12: een langen tijd: Grieks genoegzamen, of tamelijke tijden.
[^lukas-20-9-b]: Verwijzing b: Ps. 80:9 ; Jes. 5:1 ; Jer. 2:21 ; Jer. 12:10 ; Matt. 21:33 ; Mark. 12:1 . Psalmen 80:9 : U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; Jesaja 5:1 : Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. Jeremia 2:21 : Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok? Jeremia 12:10 : Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis. Mattheüs 21:33 : Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landbouwers, en reisde buiten 's lands. Marcus 12:1 : En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands.
[^lukas-20-10-13]: Kanttekening 13: de tijd was: Namelijk dat de vruchten rijp zijnde, ingezameld worden. Zie Matt. 21:34 . Mattheüs 21:34 : Toen nu de tijd van de vruchten genaakte, zond hij zijn dienaren tot de landbouwers, om zijn vruchten te ontvangen.
[^lukas-20-11-14]: Kanttekening 14: opnieuw zond hij nog een anderen dienaar: Grieks en hij deed daartoe, en zond. Hebreeuws. Gelijk ook in vers 12 . Lukas 20:12 : En opnieuw zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook deze, en wierpen hem uit.
[^lukas-20-13-15]: Kanttekening 15: Wat zal ik doen: Dit zijn woorden, uitdrukkende niet enige twijfeling, maar naar menselijke wijze van spreken, een grote genegenheid om hen terecht te brengen, gelijk Hos. 6:4 . Hosea 6:4 : Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat.
[^lukas-20-14-c]: Verwijzing c: Ps. 2:8 ; Hebr. 1:2 . Psalmen 2:8 : Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. Hebreeën 1:2 : Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^lukas-20-14-d]: Verwijzing d: Gen. 37:18 ; Ps. 2:1 ; Matt. 26:3 ; Matt. 27:1 ; Joh. 11:53 . Genesis 37:18 : En zij zagen hem van verre; en voordat hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden. Psalmen 2:1 : Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? Mattheüs 26:3 : Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het volk, in de zaal van de hogepriester, die genaamd was Kajafas; Mattheüs 27:1 : Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen van het volk te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. Johannes 11:53 : Van die dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.
[^lukas-20-16-16]: Kanttekening 16: anderen geven: Namelijk de heidenen; Matt. 21:43 . Mattheüs 21:43 : Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk van God van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.
[^lukas-20-16-17]: Kanttekening 17: Dat zij verre: Namelijk dat wij de Zoon zouden doden, en dat ons zulks zou overkomen, als u hier zegt.
[^lukas-20-17-e]: Verwijzing e: Ps. 118:22 ; Jes. 8:14 ; Jes. 28:16 ; Matt. 21:42 ; Mark. 12:10 ; Hand. 4:11 ; Rom. 9:33 ; 1 Petr. 2:4 ; idem v. 7 . Psalmen 118:22 : De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Jesaja 8:14 : Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem. Jesaja 28:16 : Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Marcus 12:10 : Hebt u ook deze Schrift niet gelezen: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; Handelingen 4:11 : Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Welke tot een hoeksteen geworden is. Romeinen 9:33 : Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 1 Petrus 2:4 : Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis;
[^lukas-20-17-18]: Kanttekening 18: De steen: Zie de aantekeningen Matt. 21:42 . Mattheüs 21:42 : Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
[^lukas-20-18-f]: Verwijzing f: Jes. 8:15 ; Zach. 12:3 . Jesaja 8:15 : En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. Zacharia 12:3 : En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen alle volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
[^lukas-20-18-19]: Kanttekening 19: op die steen valt: Dat is, die zich aan Hem stoten en Hem ongehoorzaam zijn; 1 Petr. 2:7 , 2:8 . 1 Petrus 2:7 : U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar aan de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; 1 Petrus 2:8 : Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^lukas-20-18-g]: Verwijzing g: Dan. 2:34 . Daniël 2:34 : Dit zaagt u, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.
[^lukas-20-18-20]: Kanttekening 20: op wie hij valt: Namelijk door de zwaarte van zijn oordeel en zijn straf; Ps. 2:9 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
[^lukas-20-20-h]: Verwijzing h: Matt. 22:16 ; Mark. 12:13 . Mattheüs 22:16 : En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in van de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; Marcus 12:13 : En zij zonden tot Hem enige van de Farizeën en van de Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.
[^lukas-20-20-21]: Kanttekening 21: verspieders uit: Of, laagleggers.
[^lukas-20-20-22]: Kanttekening 22: rechtvaardig te zijn: Dat is, als die oprecht met Hem wilden handelen, en niet graag iets zouden doen of lijden, dat onrecht ware, of tegen Gods bevel.
[^lukas-20-20-23]: Kanttekening 23: vangen mochten: Dat is, behalen, of achterhalen, of zijne rede berispen.
[^lukas-20-21-24]: Kanttekening 24: de persoon niet aanneemt: Grieks aangezicht. Zie de verklaring Matt. 22:16 . Mattheüs 22:16 : En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan;
[^lukas-20-22-25]: Kanttekening 25: ons geoorloofd: Namelijk die wij Joden en Gods volk zijn, aan een heidensen keizer. Van deze schatting, zie Matt. 17:24 . Mattheüs 17:24 : En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?
[^lukas-20-24-26]: Kanttekening 26: Grieks denarius; waarvan zie Matt. 22:19 . Mattheüs 22:19 : U huichelaars, wat verzoekt u Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.
[^lukas-20-25-i]: Verwijzing i: Matt. 17:25 ; Matt. 22:21 ; Rom. 13:7 . Mattheüs 17:25 : Hij zei: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat denkt u, Simon! de koningen van de aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden? Mattheüs 22:21 : Zij zeiden tot Hem: Van de keizers. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. Romeinen 13:7 : Zo geeft dan een iedereen, wat u schuldig bent; schatting, die u de schatting, tol, die u de tol, vreze, die u de vreze, eer, die u de eer schuldig bent.
[^lukas-20-26-27]: Kanttekening 27: vatten voor het volk: Of, behalen, achterhalen. Of, zijn woord berispen.
[^lukas-20-27-k]: Verwijzing k: Matt. 22:23 ; Mark. 12:18 ; Hand. 23:8 . Mattheüs 22:23 : Op dezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. Marcus 12:18 : En de Sadduceën kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^lukas-20-27-28]: Kanttekening 28: Van de leer van de Sadduceeën, zie breder Hand. 23:8 . Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^lukas-20-27-29]: Kanttekening 29: tegensprekende zeggen : Grieks tegenspreken; namelijk de rechte leer van deze zaak.
[^lukas-20-28-l]: Verwijzing l: Deut. 25:5 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van van een man broer.
[^lukas-20-28-30]: Kanttekening 30: Dat is, in zijne schriften bevolen, Deut. 25:5 . Deuteronomium 25:5 : Wanneer broers samenwonen, en één van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw van de verstorvene aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broer zal tot haar ingaan, en nemen haar zich ter vrouwe, en doen haar de plicht van de broer van een man.
[^lukas-20-28-31]: Kanttekening 31: zaad verwekken: Dat is, een zoon bij haar winnen, die de naam van de eerste broer zou dragen en zijn erfgenaam zijn.
[^lukas-20-31-32]: Kanttekening 32: de zeven: Dat is, de andere vier tot zeven toe.
[^lukas-20-34-33]: Kanttekening 33: van deze eeuw trouwen: Door deze worden verstaan, niet de wereldse mensen, gelijk Luk. 16:8 , maar degenen, die in deze wereld leven; want het huwelijk is eerlijk onder allen, Hebr. 13:4 . Lukas 16:8 : En de heer prees de onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen van het licht, in hun geslacht. Hebreeën 13:4 : Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.
[^lukas-20-35-34]: Kanttekening 34: geacht zijn: Namelijk van God uit genade, 2 Thess. 1:5 , 1:11 , zo wordt dit woord ook genomen in Luk. 21:36 . 2 Thessalonicensen 1:5 : Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, waarvoor u ook lijdt; 2 Thessalonicensen 1:11 : Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waard achte van de roeping, en vervulle al het welbehagen van Zijn goedigheid, en het werk van het geloof met kracht. Lukas 21:36 : Waakt dan altijd, biddende, dat u mag waard geacht worden te ontvluchten al deze dingen, die gebeuren zullen, en te staan voor de Zoon van de mensen.
[^lukas-20-35-35]: Kanttekening 35: die eeuw te verwerven: Dat is, het eeuwige leven en de opstanding ter heerlijkheid in de toekomende eeuw. Want de goddelozen zullen ook opstaan, maar ter verdoemenis, Joh. 5:29 . Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis.
[^lukas-20-36-m]: Verwijzing m: 1 Joh. 3:2 . 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^lukas-20-36-36]: Kanttekening 36: zijn kinderen van God: Namelijk geopenbaard in heerlijkheid, omdat zij de zalige opstanding deelachtig zijn. Zie 1 Joh. 3:2 . 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^lukas-20-37-37]: Kanttekening 37: Christus bewijst de opstanding van de doden uit de schriften van Mozes, omdat de Sadduceën dezelfde daartegen hadden voorgebracht.
[^lukas-20-37-38]: Kanttekening 38: aangewezen bij het doornenbos: Of, te kennen gegeven, getoond; namelijk in de beschrijving van de verschijning van de Heer in het doornenbos.
[^lukas-20-37-39]: Kanttekening 39: als hij de Heer noemt de God van Abraham: Van de kracht van deze besluitrede zie Matt. 22:32 . Mattheüs 22:32 : Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden.
[^lukas-20-37-n]: Verwijzing n: Ex. 3:6 ; Hand. 7:32 ; Hebr. 11:16 . Exodus 3:6 : Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Handelingen 7:32 : Zeggende: Ik ben de God uw vaderen, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. Hebreeën 11:16 : Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^lukas-20-38-40]: Kanttekening 40: zij leven Hem allen: Namelijk niet alleen naar de ziel, die onsterflijk is, maar ook naar het lichaam, omdat hetzelfde weer opgewekt zal worden, en bij God alle toekomende dingen reeds als tegenwoordig zijn; Rom. 4:17 . Romeinen 4:17 : (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
[^lukas-20-40-41]: Kanttekening 41: zij durfden Hem niet meer iets vragen: Namelijk de schriftgeleerden. Zie Mark. 12:34 . Marcus 12:34 : En Jezus ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zei tot hem: U bent niet verre van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer vragen.
[^lukas-20-41-o]: Verwijzing o: Matt. 22:42 ; Mark. 12:35 . Mattheüs 22:42 : En zei: Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. Marcus 12:35 : En Jezus antwoordde en zei, lerende in de tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?
[^lukas-20-42-p]: Verwijzing p: Ps. 110:1 ; Hand. 2:34 ; 1 Kor. 15:25 ; Hebr. 1:13 ; Hebr. 10:13 . Psalmen 110:1 : Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Handelingen 2:34 : Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Hebreeën 1:13 : En tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? Hebreeën 10:13 : Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijn voeten.
[^lukas-20-44-42]: Kanttekening 42: hoe is Hij zijn Zoon: Dat is, als Hij alleen een zoon van David, dat is een bloot mens uit David is, hoe noemt hem dan David, die een souverein koning was, en geen heer boven zich erkende dan God alleen, zijn Heer. Waarop zij niet konden antwoorden, omdat zij de Messias niet hielden waarachtig God te zijn.
[^lukas-20-46-q]: Verwijzing q: Matt. 23:5 ; idem v. 6 ; Mark. 12:38 ; idem v. 39 ; Lukas 11:43 . Mattheüs 23:5 : En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot. Mattheüs 23:6 : En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten; Marcus 12:39 : En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; Lukas 11:43 : Wee u, Farizeën, want u bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.
[^lukas-20-46-43]: Kanttekening 43: lange kleren: Grieks Stolais. Zie Mark. 12:38 . Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten;
[^lukas-20-46-44]: Kanttekening 44: Grieks avondmalen.
[^lukas-20-47-r]: Verwijzing r: Matt. 23:14 ; Mark. 12:40 ; 2 Tim. 3:6 ; Titus 1:11 . Mattheüs 23:14 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. Marcus 12:40 : Welke de huizen van de weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. 2 Timotheüs 3:6 : Want van deze zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; Titus 1:11 : Welken men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
[^lukas-20-47-45]: Kanttekening 45: huizen opeten: Dat is, de middelen, waardoor zij haar huisgezinnen zouden onderhouden.
[^lukas-20-47-46]: Kanttekening 46: Grieks overvloediger.
[^lukas-20-47-47]: Kanttekening 47: oordeel ontvangen: Dat is, straf in het oordeel.

### Lukas 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/21.json)

*1 Christus prijst de kleine gave van een arme weduwe. 5 Hij voorzegt de verwoesting van de tempel en van de stad Jeruzalem. 7 Hij vertelt de tekenen die daaraan voorafgaan 12 en de verdrukkingen die de discipelen zouden overkomen, waartegen Hij hen troost met zijn bijstand en bescherming. 20 Hij raadt aan, als de stad belegerd zal worden, snel te vluchten om dat zware onheil te ontkomen. 25 Hij voorzegt de tekenen van zijn laatste komst en vermaant, met de gelijkenis van de uitlopende bomen, die op te merken 34 en zijn komst met nuchterheid, waken en bidden te verwachten. 37 Hij onderwijst het volk dagelijks in de tempel.*

**1** [^lukas-21-1-a] En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de[^lukas-21-1-1] schatkist werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v1)

**2** En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee[^lukas-21-2-2] kleine penningen daarin werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v2)

**3** En Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze[^lukas-21-3-b] arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v3)

**4** Want die allen hebben van hun[^lukas-21-4-3] overvloed geworpen[^lukas-21-4-4] tot de gaven Gods; maar deze heeft[^lukas-21-4-5] van haar gebrek, al de[^lukas-21-4-6] leeftocht, die zij had, daarin geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v4)

**5** [^lukas-21-5-c] En als sommigen zeiden van de tempel, dat hij met schone stenen en[^lukas-21-5-7] begiftigingen versierd was, zei Hij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v5)

**6** Wat deze dingen betreft, die u aanschouwt,[^lukas-21-6-d] er zullen dagen komen, waarin niet een steen op de anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v6)

**7** En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen gebeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v7)

**8** [^lukas-21-8-e] En Hij zei: Zie, dat u niet verleid wordt;[^lukas-21-8-f] want velen zullen er komen[^lukas-21-8-8] onder Mijn Naam, zeggende:[^lukas-21-8-9] Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v8)

**9** En wanneer u zult horen van oorlogen en[^lukas-21-9-10] onlusten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten[^lukas-21-9-11] eerst gebeuren; maar nog is meteen het einde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v9)

**10** Toen zei Hij tot hen:[^lukas-21-10-g] Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v10)

**11** En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook[^lukas-21-11-12] schrikkelijke dingen, en grote tekenen van de hemel[^lukas-21-11-13] gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v11)

**12** [^lukas-21-12-h] Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in de[^lukas-21-12-14] synagogen en[^lukas-21-12-i] gevangenissen; en u zult getrokken worden voor[^lukas-21-12-k] koningen en stadhouders, omwille van Mijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v12)

**13** En dit zal u[^lukas-21-13-15] overkomen tot een[^lukas-21-13-16] getuigenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v13)

**14** [^lukas-21-14-17][^lukas-21-14-l] Neem dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe u zich verantwoorden zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v14)

**15** [^lukas-21-15-m] Want Ik zal u[^lukas-21-15-18] mond en wijsheid geven, die niet zullen kunnen tegenspreken, noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v15)

**16** [^lukas-21-16-n] En u zult[^lukas-21-16-19] overgeleverd worden ook van ouders, en broers, en familieleden, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u[^lukas-21-16-o] doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v16)

**17** [^lukas-21-17-p] En u zult van[^lukas-21-17-20] allen gehaat worden omwille van Mijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v17)

**18** [^lukas-21-18-q] Maar niet één[^lukas-21-18-21] haar uit uw hoofd zal verloren gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v18)

**19** Bezit uw zielen in uw volharding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v19)

**20** [^lukas-21-20-r] Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, zo weet dan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v20)

**21** Dan die in Judea zijn, dat zij vluchten naar de bergen; en die in het midden daarvan zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn,[^lukas-21-21-22] dat zij daarin niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v21)

**22** Want deze zijn dagen van[^lukas-21-22-23] de[^lukas-21-22-s] wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v22)

**23** Maar[^lukas-21-23-24] wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in[^lukas-21-23-25] het land, en toorn over dit volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v23)

**24** En zij zullen vallen door de[^lukas-21-24-26] scherpte van het zwaard, en als gevangene weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden,[^lukas-21-24-27][^lukas-21-24-t] totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v24)

**25** [^lukas-21-25-v] En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven[^lukas-21-25-28] groot geluid zullen geven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v25)

**26** En de mensen[^lukas-21-26-29] het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen, die[^lukas-21-26-30] het aarde zullen overkomen; want de krachten van de hemelen zullen[^lukas-21-26-31] bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v26)

**27** [^lukas-21-27-x] En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met[^lukas-21-27-32] grote kracht en[^lukas-21-27-33] heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v27)

**28** Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo[^lukas-21-28-34] ziet omhoog, en heft uw hoofden omhoog,[^lukas-21-28-y] omdat[^lukas-21-28-35] uw verlossing nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v28)

**29** [^lukas-21-29-z] En Hij zei tot hen een gelijkenis: Zie de vijgeboom, en al de bomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v29)

**30** Wanneer zij nu uitspruiten, en u dat ziet, zo weet u uit uzelf, dat de zomer nu nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v30)

**31** Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, zo weet, dat het[^lukas-21-31-36] Koninkrijk van God nabij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v31)

**32** Voorwaar Ik zeg u, dat dit[^lukas-21-32-37] geslacht in geen geval zal voorbijgaan, totdat alles zal gebeurd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v32)

**33** [^lukas-21-33-a] De hemel en de aarde zullen[^lukas-21-33-38] voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v33)

**34** [^lukas-21-34-b] En pas op dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en[^lukas-21-34-39] zorgen van het leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v34)

**35** [^lukas-21-35-c] Want zoals een strik zal hij komen over al degenen, die[^lukas-21-35-40] op de ganse aardbodem gezeten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v35)

**36** [^lukas-21-36-d] Waak dan altijd, biddende, dat u mag waard geacht worden te ontvluchten[^lukas-21-36-41] al deze dingen, die gebeuren zullen, en te[^lukas-21-36-42] staan voor de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v36)

**37** [^lukas-21-37-e] Vanaf die dag was Hij lerende in de tempel; maar in de nacht ging Hij uit, en overnachtte op de berg, genoemd de Olijfberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v37)

**38** En al het volk kwam vroeg in de morgen tot Hem in de tempel, om Hem te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/21.html#v38)

[^lukas-21-1-a]: Verwijzing a: Mark. 12:41 ; 2 Kon. 12:9 . Marcus 12:41 : En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd.
[^lukas-21-1-1]: Kanttekening 1: schatkist werpen: Zie van deze schatkist 2 Kon. 12:9 ; Matt. 27:6 . 2 Koningen 12:9 : Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van YHWH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van YHWH gebracht werd. Mattheüs 27:6 : En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelfde in de offerkist te leggen, omdat het een prijs van het bloed is.
[^lukas-21-2-2]: Kanttekening 2: kleine penningen daarin werpen: Of, kleintjes; zie van de waarde derzelve Mark. 12:42 . Marcus 12:42 : En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, dat is een oort.
[^lukas-21-3-b]: Verwijzing b: 2 Kor. 8:12 . 2 Korinthiërs 8:12 : Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is, zo is iemand aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft.
[^lukas-21-4-3]: Kanttekening 3: overvloed geworpen: Of, overschot.
[^lukas-21-4-4]: Kanttekening 4: tot de gaven Gods: Dat is, tot andere gaven, die aan God gegeven of toegeëigend en in de schatkist bewaard werden.
[^lukas-21-4-5]: Kanttekening 5: van haar gebrek: Dat is, van wat zij zelve gebrek of nodig had om te leven.
[^lukas-21-4-6]: Kanttekening 6: Grieks leven. Zie Mark. 12:44 . Marcus 12:44 : Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht.
[^lukas-21-5-c]: Verwijzing c: Matt. 24:1 ; Mark. 13:1 . Mattheüs 24:1 : En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. Marcus 13:1 : En als Hij uit de tempel ging, zei één van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!
[^lukas-21-5-7]: Kanttekening 7: begiftigingen versierd was: Dit waren eigenlijk zulke giften, die in de tempel voor God geheiligd en tot sieraad opgehangen waren. Zie dergelijke 2 Kon. 11:10 . 2 Koningen 11:10 : En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van YHWH geweest waren.
[^lukas-21-6-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 9:7 ; Micha 3:12 ; Lukas 19:44 . 1 Koningen 9:7 : Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. Micha 3:12 : Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van deze huizes tot hoogten van een woud. Lukas 19:44 : En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de één steen op de anderen steen niet laten; daarom dat u de tijd uw bezoeking niet bekend hebt.
[^lukas-21-8-e]: Verwijzing e: Jer. 29:8 ; Matt. 24:4 ; Efez. 5:6 ; Kolos. 2:18 ; 2 Thes. 2:2 ; 1 Joh. 4:1 . Jeremia 29:8 : Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Mattheüs 24:4 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Efeziërs 5:6 : Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand van zijn vlees; 2 Thessalonicensen 2:2 : Dat u niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 1 Johannes 4:1 : Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^lukas-21-8-f]: Verwijzing f: Jer. 14:14 ; Jer. 23:21 . Jeremia 14:14 : En YHWH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten. Jeremia 23:21 : Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.
[^lukas-21-8-8]: Kanttekening 8: onder Mijn Naam: Grieks in mijn naam; dat is, mijn naam zichzelven valselijk toeschrijvende.
[^lukas-21-8-9]: Kanttekening 9: Ik ben de Christus : Grieks Ik ben; namelijk de Christus, gelijk uitgedrukt staat Matt. 24:5 . Mattheüs 24:5 : Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
[^lukas-21-9-10]: Kanttekening 10: Het Griekse woord betekent zulke beroerten of verwarringen, waardoor geheel niets in zijn stand of plaats gelaten wordt.
[^lukas-21-9-11]: Kanttekening 11: eerst gebeuren: Namelijk voordat de stad en tempel van Jeruzalem zullen verwoest worden.
[^lukas-21-10-g]: Verwijzing g: Jes. 19:2 . Jesaja 19:2 : Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iedereen tegen zijn broer, en een iedereen tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.
[^lukas-21-11-12]: Kanttekening 12: schrikkelijke dingen: Zie hiervan de Joodse historieschrijver Josefus, van de Joodse oorlogen, lib. 7. cap. 12.
[^lukas-21-11-13]: Kanttekening 13: Grieks zijn.
[^lukas-21-12-h]: Verwijzing h: Matt. 10:17 ; Matt. 24:9 ; Mark. 13:9 ; Joh. 16:2 ; Openb. 2:10 . Mattheüs 10:17 : Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. Mattheüs 24:9 : Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en u zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil. Marcus 13:9 : Maar ziet u voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; u zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis. Johannes 16:2 : Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat een iedereen, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. Openbaring 2:10 : Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven.
[^lukas-21-12-14]: Kanttekening 14: synagogen en gevangenissen: In welke de gelovigen ook gegeseld werden, gelijk te zien is Hand. 5:40 , en Hand. 22:19 , en Hand. 26:11 . Handelingen 5:40 : En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelfde, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan. Handelingen 22:19 : En ik zei: Heer, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; Handelingen 26:11 : En door al de synagogen heb ik hen dikwijls gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden.
[^lukas-21-12-i]: Verwijzing i: Hand. 4:3 ; Hand. 5:18 ; Hand. 12:4 ; Hand. 16:24 . Handelingen 4:3 : En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot de anderen dag; want het was nu avond. Handelingen 5:18 : En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis. Handelingen 12:4 : Wie ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paasfeest hem voorbrengen voor het volk. Handelingen 16:24 : Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de stok.
[^lukas-21-12-k]: Verwijzing k: Hand. 25:23 . Handelingen 25:23 : Van de anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
[^lukas-21-13-15]: Kanttekening 15: Grieks afkomen, afdalen; dat is, gedijen, strekken.
[^lukas-21-13-16]: Kanttekening 16: Namelijk zo van hunne wreedheid en hardnekkigheid, als van uwe standvastigheid in het belijden van mijn naam en van de waarheid mijner voorzeggingen.
[^lukas-21-14-17]: Kanttekening 17: Neemt dan in uw harten voor: Grieks stelt, of zet dan in uwe harten .
[^lukas-21-14-l]: Verwijzing l: Matt. 10:19 ; Mark. 13:11 . Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.
[^lukas-21-15-m]: Verwijzing m: Ex. 4:12 ; Jes. 54:17 ; Matt. 10:19 ; Hand. 6:10 . Exodus 4:12 : En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult. Jesaja 54:17 : Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult u verdoemen; dit is de erve van de knechten van YHWH, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt YHWH. Mattheüs 10:19 : Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Handelingen 6:10 : En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak.
[^lukas-21-15-18]: Kanttekening 18: mond en wijsheid geven: Dat is, bekwaamheid en vrijmoedigheid in het spreken door mijn Geest. Zie Mark. 13:11 . Marcus 13:11 : Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.
[^lukas-21-16-n]: Verwijzing n: Micha 7:6 . Micha 7:6 : Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man vijanden zijn zijn huisgenoten.
[^lukas-21-16-19]: Kanttekening 19: overgeleverd worden: Of, verraden worden.
[^lukas-21-16-o]: Verwijzing o: Hand. 7:59 ; Hand. 12:2 . Handelingen 7:59 : En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heer Jezus, ontvang mijn geest. Handelingen 12:2 : En hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard.
[^lukas-21-17-p]: Verwijzing p: Matt. 10:22 ; Mark. 13:13 . Mattheüs 10:22 : En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. Marcus 13:13 : En u zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
[^lukas-21-17-20]: Kanttekening 20: Namelijk wereldse mensen. Zie Joh. 15:18 . Johannes 15:18 : Als u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
[^lukas-21-18-q]: Verwijzing q: 1 Sam. 14:45 ; 2 Sam. 14:11 ; 1 Kon. 1:52 ; Matt. 10:30 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 2 Samuël 14:11 : En zij zei: De koning gedenke toch aan YHWH, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet verdelgen. Toen zei hij: Zo waarachtig als YHWH leeft, als er één van de haar uws zoons op de aarde zal vallen! 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. Mattheüs 10:30 : En ook uw haar van het hoofd zijn alle geteld.
[^lukas-21-18-21]: Kanttekening 21: haar uit uw hoofd zal verloren gaan: Dat is, niemand zal u in het minste beschadigen kunnen zonder de wil van uw hemelse Vader. Gelijke manier van spreken zie 1 Sam. 14:45 ; 1 Kon. 1:52 . 1 Samuël 14:45 : Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als YHWH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven.
[^lukas-21-20-r]: Verwijzing r: Dan. 9:27 ; Matt. 24:15 ; Mark. 13:14 . Daniël 9:27 : En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. Mattheüs 24:15 : Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Marcus 13:14 : Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen.
[^lukas-21-21-22]: Kanttekening 22: dat zij in dezelfde niet komen: Namelijk in de stad Jeruzalem.
[^lukas-21-22-23]: Kanttekening 23: Namelijk Gods, over de hardnekkigheid van het Joodse volk.
[^lukas-21-22-s]: Verwijzing s: Dan. 9:26 ; idem v. 27 ; Matt. 24:15 ; Mark. 13:14 . Daniël 9:26 : En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorsten, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Daniël 9:27 : En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. Mattheüs 24:15 : Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Marcus 13:14 : Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen.
[^lukas-21-23-24]: Kanttekening 24: wee de bevruchten: Dit woord gebruikt Christus niet dreigende, gelijk Hij doet tegen de Farizeën, Luk. 11:42 , enz., maar hen beklagende vanwege de zwarigheden, die alsdan zouden overkomen. Lukas 11:42 : Maar wee u, Farizeën, want u vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en u gaat voorbij het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
[^lukas-21-23-25]: Kanttekening 25: het land: Grieks op de aarde.
[^lukas-21-24-26]: Kanttekening 26: scherpte van het zwaard: Grieks de mond.
[^lukas-21-24-27]: Kanttekening 27: totdat de tijden van de heidenen: Namelijk bestemd tot de roeping van de heidenen, Rom. 11:25 , na welker vervulling die dingen gebeuren zullen, die hierna volgen, of bestemd tot straf en wraak over de heidenen, wanneer de maat van hun zonden zal vervuld zijn. Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^lukas-21-24-t]: Verwijzing t: Rom. 11:25 . Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broers, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^lukas-21-25-v]: Verwijzing v: Jes. 13:10 ; Ez. 32:7 ; Joël 2:31 ; Joël 3:15 ; Matt. 24:29 ; Mark. 13:24 ; Openb. 6:12 . Jesaja 13:10 : Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:31 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat die grote en vreselijke dag van YHWH komt. Joël 3:15 : De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. Mattheüs 24:29 : En meteen na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Marcus 13:24 : Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. Openbaring 6:12 : En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haar zak, en de maan werd als bloed.
[^lukas-21-25-28]: Kanttekening 28: groot geluid zullen geven: Grieks weerklank.
[^lukas-21-26-29]: Kanttekening 29: het hart zal bezwijken: Of, de mensen de geest zullen geven, of mismoedig zullen worden.
[^lukas-21-26-30]: Kanttekening 30: de aarde zullen overkomen: Grieks de bewoonde; namelijk aarde.
[^lukas-21-26-31]: Kanttekening 31: bewogen worden: Namelijk op en neder, gelijk de baren van de zee. Zie Matt. 24:29 . Mattheüs 24:29 : En meteen na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.
[^lukas-21-27-x]: Verwijzing x: Dan. 7:10 ; Matt. 16:27 ; Matt. 24:30 ; Matt. 25:31 ; Matt. 26:64 ; Mark. 13:26 ; Mark. 14:62 ; Hand. 1:11 ; 2 Thes. 1:10 ; Openb. 1:7 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Marcus 13:26 : En alsdan zullen zij de Zoon van de mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 2 Thessalonicensen 1:10 : Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^lukas-21-27-32]: Kanttekening 32: grote kracht: Grieks vele.
[^lukas-21-27-33]: Kanttekening 33: Namelijk in zijn hemelse majesteit, en vergezeld van de heilige engelen, Matt. 25:31 . Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
[^lukas-21-28-34]: Kanttekening 34: ziet omhoog: Of, richt u op; namelijk van vreugde en verlangen, Matt. 24:33 . Mattheüs 24:33 : Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
[^lukas-21-28-y]: Verwijzing y: Rom. 8:23 . Romeinen 8:23 : En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van onze lichaam.
[^lukas-21-28-35]: Kanttekening 35: uw verlossing nabij is: Namelijk uw volkomen verlossing van alle kwaad, Rom. 8:23 . Romeinen 8:23 : En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.
[^lukas-21-29-z]: Verwijzing z: Matt. 24:32 ; Mark. 13:28 . Mattheüs 24:32 : En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. Marcus 13:28 : En leert van de vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is.
[^lukas-21-31-36]: Kanttekening 36: Koninkrijk van God nabij is: Namelijk van de heerlijkheid. Zie 1 Kor. 15:24 ; 2 Tim. 4:18 . 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 2 Timotheüs 4:18 : En de Heer zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^lukas-21-32-37]: Kanttekening 37: geslacht in geen geval zal voorbijgaan: Namelijk van het Joodse volk.
[^lukas-21-33-a]: Verwijzing a: Ps. 102:27 ; Jes. 51:6 ; Matt. 24:35 ; Hebr. 1:11 . Psalmen 102:27 : Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Jesaja 51:6 : Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Mattheüs 24:35 : De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. Hebreeën 1:11 : Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;
[^lukas-21-33-38]: Kanttekening 38: Zie hiervan 2 Petr. 3:10 . 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^lukas-21-34-b]: Verwijzing b: Rom. 13:13 ; 1 Thes. 5:6 ; 1 Petr. 4:7 . Romeinen 13:13 : Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn. 1 Petrus 4:7 : En het einde alle dingen is nabij; zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden.
[^lukas-21-34-39]: Kanttekening 39: zorgvuldigheden van dit leven: Namelijk al te grote of onmatige, die de mensen verhindert op de toekomst van Christus te wachten.
[^lukas-21-35-c]: Verwijzing c: 1 Thes. 5:2 ; 2 Petr. 3:10 ; Openb. 3:3 ; Openb. 16:15 . 1 Thessalonicensen 5:2 : Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15 : Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^lukas-21-35-40]: Kanttekening 40: op de ganse aardbodem gezeten zijn: Grieks op het aangezicht van de gehele aarde.
[^lukas-21-36-d]: Verwijzing d: Matt. 24:42 ; Matt. 25:13 ; Mark. 13:33 ; Lukas 12:40 ; 1 Thes. 5:6 . Mattheüs 24:42 : Waakt dan; want u weet niet, in welke ure uw Heer komen zal. Mattheüs 25:13 : Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, waarin de Zoon van de mensen komen zal. Marcus 13:33 : Ziet toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. Lukas 12:40 : U dan, zijt ook bereid; want in welke ure u het niet meent, zal de Zoon van de mensen komen. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^lukas-21-36-41]: Kanttekening 41: al deze dingen: Dat is, al deze straffen en ellenden.
[^lukas-21-36-42]: Kanttekening 42: staan voor de Zoon van de mensen: Dat is, bestaan, en met vrijmoedigheid voor Hem verschijnen.
[^lukas-21-37-e]: Verwijzing e: Joh. 8:2 . Johannes 8:2 : En van de morgen vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.

### Lukas 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/22.json)

*1 De overpriesters en Schriftgeleerden beraadslagen hoe zij Christus zullen doden. 3 Judas komt met hen overeen om Hem over te leveren. 7 Christus laat het Pascha bereiden 14 en eet het met zijn twaalf apostelen. 19 Daarna stelt Hij zijn avondmaal in. 21 Hij voorzegt het verraad van Judas. 24 Hij vermaant zijn discipelen zich te wachten voor eerzucht en wereldse heerschappij, 28 en belooft hun de gemeenschap van zijn Koninkrijk. 31 Hij waarschuwt de apostelen, en vooral Petrus, tegen de verzoeking van de satan 34 en voorzegt hem zijn val, 35 en aan alle andere apostelen hun en zijn aanstaande moeilijkheden. 39 Hij bidt op de Olijfberg en wordt in zijn grote benauwdheid door een engel gesterkt. 45 Hij vermaant zijn discipelen, die sliepen, tot waken en bidden. 47 Hij wordt door Judas met een kus verraden en door de Joden gevangengenomen. 50 Hij geneest het afgehouwen oor van een dienstknecht. 54 Hij wordt naar het huis van de hogepriester gebracht, waar Petrus Hem driemaal verloochent. 61 Daarover ziet Christus hem aan, en hij beweent zijn val. 63 Christus wordt mishandeld, en als Hij voor de Joodse Raad gesteld is, belijdt Hij dat Hij de Zoon van God is.*

**1** [^lukas-22-1-a] En het[^lukas-22-1-1] feest van de ongezuurde broden, genoemd pascha, was[^lukas-22-1-2] nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v1)

**2** [^lukas-22-2-b] En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v2)

**3** [^lukas-22-3-c] En de satan[^lukas-22-3-3] voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal van de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v3)

**4** En hij ging heen en sprak met de overpriesters en[^lukas-22-4-4] de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v4)

**5** En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem[^lukas-22-5-5] geld geven zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v5)

**6** En hij beloofde het, en zocht[^lukas-22-6-6] gelegenheid, om Hem hun over te leveren,[^lukas-22-6-7] zonder oproer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v6)

**7** [^lukas-22-7-d] En de dag van de ongezuurde broden kwam, op die het pascha[^lukas-22-7-8] moest geslacht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v7)

**8** En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Ga heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v8)

**9** En zij zeiden tot Hem: Waar wilt U, dat wij het bereiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v9)

**10** En Hij zei tot hen: Zie, als u in de[^lukas-22-10-9] stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende[^lukas-22-10-10] een kruik water; volg hem in het huis, daar hij ingaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v10)

**11** En u zult zeggen tot de[^lukas-22-11-11] huisvader van dat huis: De Meester[^lukas-22-11-12] zegt u: Waar is de[^lukas-22-11-13] eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v11)

**12** En hij zal u een grote[^lukas-22-12-14] toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v12)

**13** En zij, heengaande, vonden het, zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v13)

**14** [^lukas-22-14-e] En als het[^lukas-22-14-15] uur gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v14)

**15** En Hij zei tot hen: Ik heb[^lukas-22-15-16] enorm begeerd, dit pascha met u te eten, voordat Ik lijde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v15)

**16** Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat[^lukas-22-16-17] het vervuld zal zijn in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v16)

**17** En als Hij[^lukas-22-17-18] een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zei Hij: Neem deze, en deelt hem onder u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v17)

**18** Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk van God zal gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v18)

**19** [^lukas-22-19-f] En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun,[^lukas-22-19-19] zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u[^lukas-22-19-20] gegeven wordt; doe dat tot Mijn herinnering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v19)

**20** Evenzo ook de drinkbeker na het[^lukas-22-20-21] avondmaal, zeggende:[^lukas-22-20-22] Deze drinkbeker[^lukas-22-20-23] is het nieuwe[^lukas-22-20-24] testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten[^lukas-22-20-25] wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v20)

**21** [^lukas-22-21-g] Maar zie, de hand van degene, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v21)

**22** En de Zoon des mensen gaat wel heen,[^lukas-22-22-h] zoals[^lukas-22-22-26] besloten is; maar wee die mens, door welke Hij[^lukas-22-22-27] verraden wordt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v22)

**23** En zij begonnen onder elkaar te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v23)

**24** En er werd ook[^lukas-22-24-28] twisting onder hen, wie van hen[^lukas-22-24-29] scheen de meeste te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v24)

**25** En Hij zei tot hen:[^lukas-22-25-i] De koningen[^lukas-22-25-30] van de volken[^lukas-22-25-31] heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden[^lukas-22-25-32] weldoeners genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v25)

**26** [^lukas-22-26-k] Maar u niet zo;[^lukas-22-26-l] maar[^lukas-22-26-33] de meeste onder u, die zij gelijk de[^lukas-22-26-34] minste, en die[^lukas-22-26-35] voorganger is, als een die dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v26)

**27** Want wie is meerder, die[^lukas-22-27-36] aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit?[^lukas-22-27-m] Maar Ik ben in het midden van u, als één die dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v27)

**28** En u bent degenen, die met Mij steeds gebleven bent in Mijn verzoekingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v28)

**29** [^lukas-22-29-n] En Ik[^lukas-22-29-37] beschik u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat Mij bestemd heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v29)

**30** Opdat u[^lukas-22-30-38] eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en[^lukas-22-30-o] zit op tronen,[^lukas-22-30-39] oordelende de twaalf geslachten van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v30)

**31** En de Heere zei: Simon, Simon, ziet,[^lukas-22-31-p] de satan heeft u[^lukas-22-31-40] zeer begeerd om te[^lukas-22-31-41] ziften als de tarwe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v31)

**32** Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet[^lukas-22-32-42] ophoude; en u, als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v32)

**33** En hij zei tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v33)

**34** Maar Hij zei:[^lukas-22-34-q] Ik zeg u, Petrus,[^lukas-22-34-43] de haan zal vandaag niet kraaien, voordat u drie keer zult verloochend hebben, dat u Mij kent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v34)

**35** En Hij zei tot hen:[^lukas-22-35-r] Als Ik u uitzond, zonder beurs, en reiszak, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v35)

**36** Hij zei dan tot hen:[^lukas-22-36-44] Maar nu, wie een beurs heeft, die neme hem, evenzo ook een reiszak; en die[^lukas-22-36-45] geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v36)

**37** Want Ik zeg u, dat nog dit, dat geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk:[^lukas-22-37-s] En Hij is met[^lukas-22-37-46] de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven[^lukas-22-37-47] zijn, hebben een einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v37)

**38** En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zei tot hen:[^lukas-22-38-48] Het is genoeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v38)

**39** [^lukas-22-39-t] En uitgaande, vertrok Hij,[^lukas-22-39-49] zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v39)

**40** En als Hij aan die plaats gekomen was, zei Hij tot hen: Bid, dat u niet in verzoeking komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v40)

**41** [^lukas-22-41-v] En[^lukas-22-41-50] Hij scheidde Zich van hen af, ongeveer een steenworp; en knielde neer en bad, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v41)

**42** Zeggende: Vader,[^lukas-22-42-51] of U wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen, maar niet Mijn wil,[^lukas-22-42-x] maar de van U gebeure. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v42)

**43** En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v43)

**44** [^lukas-22-44-y] En in[^lukas-22-44-52] zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk[^lukas-22-44-53] grote druppels bloed, die op de aarde afliepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v44)

**45** En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v45)

**46** En Hij zei tot hen: Wat slaapt u? Sta op en bidt, opdat u niet in verzoeking komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v46)

**47** [^lukas-22-47-z] En als Hij nog sprak, ziet daar een menigte; en één van de twaalven, die genoemd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus,[^lukas-22-47-54] om Hem te kussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v47)

**48** En Jezus zei tot hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v48)

**49** En die bij Hem waren, ziende, wat er gebeuren zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v49)

**50** [^lukas-22-50-a] En[^lukas-22-50-55] één uit hen sloeg[^lukas-22-50-56] de dienaar van de hogepriester, en hieuw hem zijn rechteroor af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v50)

**51** En Jezus, antwoordende, zei: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v51)

**52** [^lukas-22-52-b] En Jezus zei[^lukas-22-52-57] tot de overpriesters, en de hoofdmannen van de tempel, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Bent u uitgegaan met zwaarden en[^lukas-22-52-58] stokken als tegen een[^lukas-22-52-59] moordenaar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v52)

**53** Als Ik dagelijks met u was in de tempel, zo hebt u de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw uur, en[^lukas-22-53-60] de macht van de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v53)

**54** [^lukas-22-54-c] En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in[^lukas-22-54-61] het huis van de hogepriester. En Petrus volgde van verre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v54)

**55** [^lukas-22-55-d] En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij samen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v55)

**56** En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij[^lukas-22-56-62] het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zei: Ook deze was met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v56)

**57** Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v57)

**58** En kort daarna een ander, hem ziende, zei: Ook u bent van[^lukas-22-58-63] die. Maar Petrus zei: Mens, ik ben niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v58)

**59** En als het ongeveer een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In van de waarheid, ook deze was met Hem; want hij is[^lukas-22-59-64] ook een Galileër. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v59)

**60** Maar Petrus zei: Mens, ik weet niet, wat u zegt. En meteen, als hij nog sprak,[^lukas-22-60-65] kraaide de haan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v60)

**61** En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord van de Heere, hoe Hij hem gezegd had:[^lukas-22-61-e] Voordat de haan[^lukas-22-61-66] zal gekraaid hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v61)

**62** En Petrus, naar buiten gaande, huilde bitter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v62)

**63** [^lukas-22-63-f] En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem,[^lukas-22-63-g] en sloegen Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v63)

**64** En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v64)

**65** En vele andere dingen[^lukas-22-65-67] zeiden zij tegen Hem, lasterend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v65)

**66** [^lukas-22-66-h] En als het dag geworden was,[^lukas-22-66-68] verzamelden[^lukas-22-66-69] de ouderlingen van het volk, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun[^lukas-22-66-70] raad, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v66)

**67** Zeggende:[^lukas-22-67-71] Bent U de Christus, zeg het ons. En Hij zei tot hen: Als Ik het u zeg, u zult het niet geloven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v67)

**68** En als Ik ook vraag, u zult Mij niet antwoorden, of loslaten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v68)

**69** [^lukas-22-69-72][^lukas-22-69-i] Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v69)

**70** En zij zeiden allen: Bent U dan de Zoon van God? En Hij zei tot hen:[^lukas-22-70-73] U zegt, dat Ik het ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v70)

**71** En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis nodig? Want wij zelf hebben het uit Zijn mond gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/22.html#v71)

[^lukas-22-1-a]: Verwijzing a: Ex. 12:15 ; Matt. 26:2 ; Mark. 14:1 . Exodus 12:15 : Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. Mattheüs 26:2 : U weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon van de mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden. Marcus 14:1 : En het pascha, en het feest van de ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.
[^lukas-22-1-1]: Kanttekening 1: feest van de ongehevelde broden : Van dit feest zie Ex. 12:14 , enz., en Ex. 23:14 , enz. Exodus 12:14 : En deze dag zal u wezen ter gedachtenis, en u zult hem YHWH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. Exodus 23:14 : Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden.
[^lukas-22-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk na twee dagen, Matt. 26:2 . Mattheüs 26:2 : U weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon van de mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.
[^lukas-22-2-b]: Verwijzing b: Ps. 2:2 ; Joh. 11:47 ; Hand. 4:27 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Johannes 11:47 : De overpriesters dan en de Farizeën vergaderden de raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen. Handelingen 4:27 : Want in van de waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;
[^lukas-22-3-c]: Verwijzing c: Matt. 26:14 ; Mark. 14:10 ; Joh. 13:27 . Mattheüs 26:14 : Toen ging één van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters, Marcus 14:10 : En Judas Iskariot, één van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. Johannes 13:27 : En na het brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastig.
[^lukas-22-3-3]: Kanttekening 3: voer in Judas: Niet lichamelijk, maar door zijn sterker ingeven en aansporen. Zie Joh. 13:2 , 13:27 . Johannes 13:2 : En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou, Johannes 13:27 : En na het brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastig.
[^lukas-22-4-4]: Kanttekening 4: de hoofdmannen: Dat is, de overste van het krijgsvolk, dat de tempel van buiten bewaarde. Zie vers 52 ; Hand. 4:1 , en Hand. 5:24 , 5:26 . Lukas 22:52 : En Jezus zei tot de overpriesters, en de hoofdmannen van de tempel, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt u uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar? Handelingen 4:1 : En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de Sadduceën; Handelingen 5:24 : Toen nu de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou. Handelingen 5:26 : Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, maar niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd wierden).
[^lukas-22-5-5]: Kanttekening 5: geld geven zouden: Namelijk dertig zilverlingen, Matt. 26:15 . Versta, als hij Hem hun zou overgeleverd hebben. Mattheüs 26:15 : En zei: Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.
[^lukas-22-6-6]: Kanttekening 6: Of, bekwamen tijd.
[^lukas-22-6-7]: Kanttekening 7: zonder oproer: Of, zonder schare; dat is in het afwezen van de schare, die Hem gemeenlijk volgde.
[^lukas-22-7-d]: Verwijzing d: Matt. 26:17 ; Mark. 14:12 ; idem v. 13 . Mattheüs 26:17 : En op de eerste dag van de ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten? Marcus 14:12 : En op de eerste dag van de ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt U, dat wij heengaan, en bereiden, dat U het pascha eet? Marcus 14:13 : En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zei tot hen: Gaat heen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt die;
[^lukas-22-7-8]: Kanttekening 8: moest geslacht worden: Namelijk naar de wet, op de veertiende dag van de eerste maand, Ex. 12:6 , 12:18 , welke dag Christus onderhouden heeft, maar de Joden hebben het uitgesteld tot op de volgende dag, om de reden aangetekend Matt. 26:20 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Exodus 12:18 : In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de een en twintigste dag van de maand, in de avond. Mattheüs 26:20 : En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.
[^lukas-22-10-9]: Kanttekening 9: stad zult gekomen zijn: Namelijk Jeruzalem, waar het pascha alleen moest geslacht en gegeten worden. Zie Deut. 16:5 , 16:6 , 16:7 . Deuteronomium 16:5 : U zult het pascha niet mogen slachten in een van uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft. Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte. Deuteronomium 16:7 : Dan zult u het koken en eten in de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u u 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten.
[^lukas-22-10-10]: Kanttekening 10: een kruik waters: Of, een aarden vat.
[^lukas-22-11-11]: Kanttekening 11: huisvader van dat huis: Grieks heer van het huis.
[^lukas-22-11-12]: Kanttekening 12: zegt u: Dat is, laat u zeggen.
[^lukas-22-11-13]: Kanttekening 13: Grieks uitspanning.
[^lukas-22-12-14]: Kanttekening 14: toegeruste opperzaal wijzen: Of, gespreid; dat is, met tafels toebereid, en met beddekens, waarop zij eertijds plachten liggende te eten.
[^lukas-22-14-e]: Verwijzing e: Matt. 26:20 ; Mark. 14:17 . Mattheüs 26:20 : En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven. Marcus 14:17 : En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.
[^lukas-22-14-15]: Kanttekening 15: ure gekomen was: Namelijk op welke het paaslam gegeten moest worden, op de veertiende dag van de eerste maand, na zonsondergang. Zie Ex. 12:6 ; Deut. 16:6 . Exodus 12:6 : En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de gehele gemeente van de vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden. Deuteronomium 16:6 : Maar aan de plaats, die YHWH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte.
[^lukas-22-15-16]: Kanttekening 16: grotelijks begeerd: Grieks met begeerte begeerd. Een Hebreeuwse manier van spreken.
[^lukas-22-16-17]: Kanttekening 17: het vervuld zal zijn: Namelijk wat door het pascha was afgebeeld, na welke tijd wij met Christus het geestelijke pascha houden; 1 Kor. 5:7 . 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
[^lukas-22-17-18]: Kanttekening 18: een drinkbeker genomen had: Deze eerste drinkbeker schijnt van Christus gegeven te zijn tot een besluit van het pascha, naar de gewoonte van de Joden, waarop de instelling van het Avondmaal meteen is gevolgd, in welke na het uitdelen van het brood ook de beker uitgedeeld is. Zie vers 19 , 22:20 , en 1 Kor. 11:25 . Lukas 22:19 : En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Lukas 22:20 : Evenzo ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. 1 Korinthiërs 11:25 : Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^lukas-22-19-f]: Verwijzing f: Matt. 26:26 ; Mark. 14:22 ; 1 Kor. 11:23 ; idem v. 24 . Mattheüs 26:26 : En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Marcus 14:22 : En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. 1 Korinthiërs 11:23 : Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam; 1 Korinthiërs 11:24 : En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
[^lukas-22-19-19]: Kanttekening 19: Dat is Mijn lichaam: De verklaring hiervan zie Matt. 26:26 . Mattheüs 26:26 : En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
[^lukas-22-19-20]: Kanttekening 20: gegeven wordt: Of, overgegeven; namelijk in de dood.
[^lukas-22-20-21]: Kanttekening 21: Of, avondeten.
[^lukas-22-20-22]: Kanttekening 22: Deze drinkbeker: Dat is, deze wijn in de drinkbeker.
[^lukas-22-20-23]: Kanttekening 23: is het nieuwe: Zo voegt Paulus dit woordje is daarbij; 1 Kor. 11:25 . 1 Korinthiërs 11:25 : Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^lukas-22-20-24]: Kanttekening 24: testament in Mijn bloed: Dat is, een teken en zegel van het Nieuwe Testament of Verbond, dat bevestigd is door het bloedvergieten van Jezus Christus; Hebr. 9:15 , 9:16 , 9:17 . Hebreeën 9:15 : En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden. Hebreeën 9:16 : Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood van de testamentmaker tussenkome; Hebreeën 9:17 : Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
[^lukas-22-20-25]: Kanttekening 25: Dat is zal worden; namelijk aan het kruis.
[^lukas-22-21-g]: Verwijzing g: Matt. 26:23 ; Mark. 14:18 ; Joh. 13:21 . Mattheüs 26:23 : En Hij, antwoordende, zei: Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden. Marcus 14:18 : En als zij aanzaten en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, die met Mij eet, Mij zal verraden. Johannes 13:21 : Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden.
[^lukas-22-22-h]: Verwijzing h: Ps. 41:10 ; Joh. 13:18 ; Hand. 1:16 . Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Johannes 13:18 : Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. Handelingen 1:16 : Mannen broers, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door de mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;
[^lukas-22-22-26]: Kanttekening 26: besloten is: Grieks bepaald; namelijk door de raad en de voorzienigheid Gods; Hand. 2:23 , en Hand. 4:28 . Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Handelingen 4:28 : Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou.
[^lukas-22-22-27]: Kanttekening 27: verraden wordt: Of overgeleverd.
[^lukas-22-24-28]: Kanttekening 28: twisting onder hen: Of strijd; welke schijnt ontstaan te zijn omdat Christus, vers 18 , had gesproken van het oprichten van Zijn koninkrijk. Lukas 22:18 : Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk van God zal gekomen zijn.
[^lukas-22-24-29]: Kanttekening 29: scheen de meeste: Of, geacht zou worden te zijn.
[^lukas-22-25-i]: Verwijzing i: Matt. 20:25 ; Mark. 10:42 . Mattheüs 20:25 : En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij: U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de grote gebruiken macht over hen. Marcus 10:42 : Maar Jezus, hen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: U weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn van de volken, heerschappij voeren over hen, en hun grote gebruiken macht over hen.
[^lukas-22-25-30]: Kanttekening 30: van de volken: Of van de heidenen.
[^lukas-22-25-31]: Kanttekening 31: heersen over hen: Dat is, hebben en gebruiken wereldse macht, welke hier de kerkdienaars verboden wordt; 1 Petr. 5:3 . 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^lukas-22-25-32]: Kanttekening 32: weldadige heren genaamd: Of, gelijk men nu spreekt, genadige heren; dat is, hun worden grote titels toegeschreven.
[^lukas-22-26-k]: Verwijzing k: 1 Petr. 5:3 . 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^lukas-22-26-l]: Verwijzing l: Lukas 9:48 . Lukas 9:48 : En zei tot hen: Zo wie dit kind ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.
[^lukas-22-26-33]: Kanttekening 33: de meeste onder u: Dat is, die onder u meest wil geacht zijn. Zie Matt. 20:26 . Mattheüs 20:26 : Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
[^lukas-22-26-34]: Kanttekening 34: Grieks de jonger; dat is de jongste, of laatste, of minst geachte. Want de jonge mensen hebben, vanwege hunne jonkheid, gemeenlijk minder aanzien dan de ouden.
[^lukas-22-26-35]: Kanttekening 35: voorganger is: Dat is heer, of meester.
[^lukas-22-27-36]: Kanttekening 36: Namelijk ter tafel.
[^lukas-22-27-m]: Verwijzing m: Matt. 20:28 ; Joh. 13:14 ; Filip. 2:7 . Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Johannes 13:14 : Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkanders voeten te groeien. Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^lukas-22-29-n]: Verwijzing n: Lukas 12:32 . Lukas 12:32 : Vreest niet, u klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, u het Koninkrijk te geven.
[^lukas-22-29-37]: Kanttekening 37: Dat is, bestel, bezet, of bespreek gelijk als bij testament; Hebr. 9:17 . Hebreeën 9:17 : Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
[^lukas-22-30-38]: Kanttekening 38: eet en drinkt: Dat is, gemeenschap hebt aan mijne vreugde en heerlijkheid, gelijk u hier hebt aan mijn lijden en verachting; Rom. 8:17 ; 2 Tim. 2:11 , 2:12 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 2 Timotheüs 2:11 : Dit is een getrouw woord; want als wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
[^lukas-22-30-o]: Verwijzing o: Matt. 19:28 ; Openb. 3:21 . Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Openbaring 3:21 : Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
[^lukas-22-30-39]: Kanttekening 39: Zie hiervan Matt. 19:28 . Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^lukas-22-31-p]: Verwijzing p: 1 Petr. 5:8 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^lukas-22-31-40]: Kanttekening 40: zeer begeerd: Of, geëist, of zeer gezocht.
[^lukas-22-31-41]: Kanttekening 41: ziften als de tarwe: Dat is, herwaarst en daarheen werpen of schudden, gelijk het koren als het gewand of gezift wordt, zonder u enige rust te laten met de ene verzoeking op de andere; 1 Petr. 5:8 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^lukas-22-32-42]: Kanttekening 42: Of, aflate; dat is, ten enenmale verga, of uitgeblust worde, door de verzoeking van de Satan, die u zal bejegenen. Zo bidt Hij ook voor alle gelovigen; Joh. 17:20 ; Rom. 8:34 . Johannes 17:20 : En Ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Romeinen 8:34 : Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt.
[^lukas-22-34-q]: Verwijzing q: Matt. 26:34 ; Mark. 14:30 ; Joh. 13:38 . Mattheüs 26:34 : Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfden nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Marcus 14:30 : En Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in deze nacht, voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, u Mij driemaal zult verloochenen. Johannes 13:38 : Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat u Mij driemaal verloochend zult hebben.
[^lukas-22-34-43]: Kanttekening 43: de haan zal heden niet kraaien: Zie hiervan Mark. 14:30 . Marcus 14:30 : En Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in deze nacht, voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, u Mij driemaal zult verloochenen.
[^lukas-22-35-r]: Verwijzing r: Matt. 10:9 ; Mark. 6:8 ; Lukas 9:3 . Mattheüs 10:9 : Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; Marcus 6:8 : En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen een staf, geen male, geen brood, geen geld in de gordel; Lukas 9:3 : En Hij zei tot hen: Neemt niets mee tot de weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.
[^lukas-22-36-44]: Kanttekening 44: Maar nu: Dat is, van nu af en hierna, als ik u andermaal zal uitzenden, zullen u zulke zwarigheden bejegenen, dat u u moet bereiden om veel gebrek te lijden, en vele gevaren uit te staan, in het bedienen van uw ambt.
[^lukas-22-36-45]: Kanttekening 45: geen heeft: Namelijk zwaard. Of, die geen buidel, of male heeft, die verkope, enz. Met welke gelijkenis Christus de apostelen vermaant, gelijk in een geweldigen overval en nood van vijanden iedereen bezig is om zich met zwaarden en andere wapens te voorzien, om de vijand tegen te staan; dat zij ook zo in deze zware aanstaande tijden van vervolging zich moeten voorzien met geestelijke wapenen, om daardoor sterken wederstand te doen. Zie 2 Kor. 10:4 ; Ef. 6:12 ; 1 Tim. 1:18 . Dat de apostelen toen niet verstonden dan van de uiterlijke wapenen, gelijk blijkt uit vers 37 . 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 1 Timotheüs 1:18 : Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt; Lukas 22:37 : Want Ik zeg u, dat nog dit, dat geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.
[^lukas-22-37-s]: Verwijzing s: Jes. 53:12 ; Mark. 15:28 . Jesaja 53:12 : Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. Marcus 15:28 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.
[^lukas-22-37-46]: Kanttekening 46: de misdadigen gerekend: Grieks de ongerechtigen.
[^lukas-22-37-47]: Kanttekening 47: hebben een einde: Dat is, gaan naar het einde om haast vervuld te worden.
[^lukas-22-38-48]: Kanttekening 48: Het is genoeg: Namelijk hiervan gezegd; de zaak zelve zal het haast tonen van welke zwaarden Ik spreek; Joh. 18:36 . Johannes 18:36 : Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik aan de Joden niet was overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
[^lukas-22-39-t]: Verwijzing t: Matt. 26:36 ; Mark. 14:32 ; Joh. 8:1 ; Joh. 18:1 . Mattheüs 26:36 : Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zei tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en daar zal gebeden hebben. Marcus 14:32 : En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zei tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben. Johannes 8:1 : Maar Jezus ging naar de Olijfberg. Johannes 18:1 : Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welke Hij ging, en Zijn discipelen.
[^lukas-22-39-49]: Kanttekening 49: gelijk Hij gewoon was: Grieks naar gewoonheid.
[^lukas-22-41-v]: Verwijzing v: Matt. 26:39 ; Mark. 14:35 . Mattheüs 26:39 : En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, gelijk Ik wil, maar gelijk U wilt. Marcus 14:35 : En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk was, dat die ure van Hem voorbijginge.
[^lukas-22-41-50]: Kanttekening 50: Hij scheidde Zich van hen af: Grieks Hij werd van hen afgerukt.
[^lukas-22-42-51]: Kanttekening 51: of U wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen: Anders, zo U wilt, neem deze drinkbeker van mij weg. Van dit gebed van Christus zie Matt. 26:39 . Mattheüs 26:39 : En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, gelijk Ik wil, maar gelijk U wilt.
[^lukas-22-42-x]: Verwijzing x: Joh. 6:38 . Johannes 6:38 : Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft.
[^lukas-22-44-y]: Verwijzing y: Joh. 12:27 ; Hebr. 5:7 . Johannes 12:27 : Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Hebreeën 5:7 : Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
[^lukas-22-44-52]: Kanttekening 52: zwaren strijd zijnde: Of, grote angst, benauwdheid; en wordt eigenlijk gezegd van de bangheid, die iemand heeft voordat de strijd aangaat, welke hier in Christus geweest is, niet zozeer vanwege de aanstaande lichamelijke dood, maar vanwege de last van de toorn van God tegen de zonden van de mensen, die Hij droeg, Gal. 3:13 ; Hebr. 5:7 , 5:8 , 5:9 . Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is iedereen, die aan het hout hangt. Hebreeën 5:7 : Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze. Hebreeën 5:8 : Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit wat Hij heeft geleden. Hebreeën 5:9 : En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden;
[^lukas-22-44-53]: Kanttekening 53: grote droppelen bloed: Het Griekse woord betekent eigenlijk droppelen van geronnen bloed; maar wordt ook genomen voor grote dikke droppelen.
[^lukas-22-47-z]: Verwijzing z: Matt. 26:47 ; Mark. 14:43 ; Joh. 18:3 . Mattheüs 26:47 : En als Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriester en ouderlingen van het volk. Marcus 14:43 : En meteen, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriester, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. Johannes 18:3 : Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaren van de overpriester en Farizeën, kwam daar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
[^lukas-22-47-54]: Kanttekening 54: om Hem te kussen: Namelijk volgens het teken, dat Hij hun tevoren gegeven had, Matt. 26:48 . Mattheüs 26:48 : En die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, Dezelfde is het, grijpt Hem.
[^lukas-22-50-a]: Verwijzing a: Matt. 26:51 ; Mark. 14:47 . Mattheüs 26:51 : En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienaar van de hogepriester, hieuw zijn oor af. Marcus 14:47 : En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw hem zijn oor af.
[^lukas-22-50-55]: Kanttekening 55: één uit hen: Namelijk Petrus.
[^lukas-22-50-56]: Kanttekening 56: de dienaar van de hogepriester: Genaamd Malchus, Joh. 18:10 . Johannes 18:10 : Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelfde uit, en sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.
[^lukas-22-52-b]: Verwijzing b: Matt. 26:55 ; Mark. 14:48 . Mattheüs 26:55 : Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen: U bent uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in de tempel, en u hebt Mij niet gegrepen; Marcus 14:48 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Zijt u uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?
[^lukas-22-52-57]: Kanttekening 57: tot de overpriesters: Namelijk tot enige uit dezelfde, van de anderen gezonden om dit werk te beleiden, Matt. 26:47 . Mattheüs 26:47 : En als Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen van het volk.
[^lukas-22-52-58]: Kanttekening 58: Grieks houten.
[^lukas-22-52-59]: Kanttekening 59: Of, straatschender.
[^lukas-22-53-60]: Kanttekening 60: de macht van de duisternis: Dat is de macht, die aan de duivel, die een vorst van de duisternis genaamd wordt, Ef. 6:12 , en zijn werktuigen van God over mij gegeven is, Kol. 1:13 . Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde;
[^lukas-22-54-c]: Verwijzing c: Matt. 26:57 ; Mark. 14:53 ; Joh. 18:12 ; idem v. 24 . Mattheüs 26:57 : Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren. Marcus 14:53 : En zij leidden Jezus heen tot de hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden. Johannes 18:12 : De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaren van de Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem; Johannes 18:24 : (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, de hogepriester.)
[^lukas-22-54-61]: Kanttekening 61: het huis van de hogepriester: Namelijk eerst tot Annas, en daarna tot Kajafas, Joh. 18:13 , 18:24 . Johannes 18:13 : En leidden Hem heen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke dat jaar hogepriester was. Johannes 18:24 : (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, de hogepriester.)
[^lukas-22-55-d]: Verwijzing d: Matt. 26:69 ; Mark. 14:54 ; idem v. 66 ; Joh. 18:16 ; idem v. 25 . Mattheüs 26:69 : En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: U was ook met Jezus, de Galileër. Marcus 14:54 : En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal van de hogepriester, en hij was mee zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur. Marcus 14:66 : En als Petrus beneden in de zaal was, kwam één van de dienstmaagden van de hogepriester; Johannes 18:16 : En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die de hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. Johannes 18:25 : En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt u ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zei: Ik ben niet.
[^lukas-22-56-62]: Kanttekening 62: het vuur zitten: Grieks licht; dat is vuur. Zie vers 55 , en Mark. 14:54 . Lukas 22:55 : En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen. Marcus 14:54 : En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal van de hogepriester, en hij was mee zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
[^lukas-22-58-63]: Kanttekening 63: Namelijk discipelen van Jezus.
[^lukas-22-59-64]: Kanttekening 64: een Galileeër: Zo het blijkt uit zijne spraak, Matt. 26:73 . Mattheüs 26:73 : En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, u bent ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
[^lukas-22-60-65]: Kanttekening 65: kraaide de haan: Namelijk voor de tweede reis, tegen de dageraad. Zie Mark. 14:72 . Marcus 14:72 : En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, dat Jezus tot hem gezegd had: Voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.
[^lukas-22-61-e]: Verwijzing e: Matt. 26:34 ; idem v. 75 ; Mark. 14:72 ; Joh. 13:38 ; Joh. 18:27 . Mattheüs 26:34 : Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfden nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Mattheüs 26:75 : En meteen kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Marcus 14:72 : En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, dat Jezus tot hem gezegd had: Voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende. Johannes 13:38 : Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat u Mij driemaal verloochend zult hebben. Johannes 18:27 : Petrus dan loochende het opnieuw. En meteen kraaide de haan.
[^lukas-22-61-66]: Kanttekening 66: zal gekraaid hebben: Dat is, zal zijn kraaien geëindigd hebben.
[^lukas-22-63-f]: Verwijzing f: Matt. 26:67 ; Mark. 14:65 . Mattheüs 26:67 : Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. Marcus 14:65 : En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren gaven Hem kinnebakslagen.
[^lukas-22-63-g]: Verwijzing g: Job 16:10 ; Jes. 50:6 ; Joh. 19:3 . Job 16:10 : Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. Jesaja 50:6 : Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. Johannes 19:3 : En zeiden: Wees gegroet, U Koning van de Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.
[^lukas-22-65-67]: Kanttekening 67: zeiden zij tegen Hem: Dat is, lasterlijk van Hem en tot Hem sprekende.
[^lukas-22-66-h]: Verwijzing h: Ps. 2:2 ; Matt. 27:1 ; Mark. 15:1 ; Joh. 18:28 . Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Mattheüs 27:1 : Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen van het volk te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. Marcus 15:1 : En meteen, van de morgen vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en de heel raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
[^lukas-22-66-68]: Kanttekening 68: Namelijk voor de tweede reis, om Hem nader te ondervragen en aan Pilatus over te leveren. Van de eerste vergadering zie Matt. 26:57 . Mattheüs 26:57 : Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.
[^lukas-22-66-69]: Kanttekening 69: de ouderlingen van het volk: Grieks het ouderlingschap.
[^lukas-22-66-70]: Kanttekening 70: Grieks Synedrion, waarvan zie Matt. 5:22 . Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broer toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broer zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
[^lukas-22-67-71]: Kanttekening 71: Bent U de Christus: Of, zo u de Christus bent, zeg het ons.
[^lukas-22-69-72]: Kanttekening 72: Van nu aan: Namelijk nadat Hij, gedood zijnde, opnieuw zal opstaan van de doden en ten hemel varen.
[^lukas-22-69-i]: Verwijzing i: Matt. 16:27 ; Matt. 24:30 ; Matt. 25:31 ; Matt. 26:64 ; Mark. 14:62 ; Hand. 1:11 ; 1 Thes. 1:10 ; Openb. 1:7 ; Dan. 7:9 . Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. Mattheüs 26:64 : Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon van de mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. Marcus 14:62 : En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon van de mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 1 Thessalonicensen 1:10 : En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Wie Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen. Daniël 7:9 : Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.
[^lukas-22-70-73]: Kanttekening 73: U zegt, dat Ik het ben: Of, u zegt het, want Ik ben het. Zie van deze manier van spreken Matt. 26:25 . Mattheüs 26:25 : En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd.

### Lukas 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/23.json)

*1 Christus wordt voor Pilatus gebracht, bij hem beschuldigd, en door hem onschuldig verklaard. 7 Pilatus stuurt Hem naar Herodes, die Hem veracht en terugstuurt. 13 Pilatus probeert Hem vrij te laten, maar door het harde aandringen van de Joden laat hij Barabbas vrij en geeft Christus over om gekruisigd te worden. 26 Simon van Cyrene draagt Hem het kruis na. 27 De vrouwen van Jeruzalem bewenen Hem, en Hij voorzegt hun de ellende die hen en hun kinderen zou overkomen. 32 Hij wordt gekruisigd tussen twee misdadigers en bidt voor zijn vijanden. 35 Hij wordt aan het kruis gelasterd en bespot. 38 Het opschrift van het kruis. 39 Een van de misdadigers lastert Hem, en de ander wordt bekeerd en door Christus getroost. 44 Duisternis komt over de aarde, het voorhangsel van de tempel scheurt, en Christus geeft de geest. 47 De hoofdman erkent dat Hij rechtvaardig is, evenals de menigte. 50 Hij wordt door Jozef van Arimathea begraven. 54 De vrouwen zien waar Hij neergelegd wordt en kopen specerijen om Hem te zalven.*

**1** [^lukas-23-1-a] En[^lukas-23-1-1] de hele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot[^lukas-23-1-2] Pilatus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v1)

**2** En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze[^lukas-23-2-3] het volk afvallig maakt, en[^lukas-23-2-b] verbiedt de keizer belasting te geven,[^lukas-23-2-c] zeggende, dat Hij Zelf Christus, de[^lukas-23-2-4] Koning is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v2)

**3** [^lukas-23-3-d] En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Bent U de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei:[^lukas-23-3-5] U zegt het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v3)

**4** En Pilatus zei tot de overpriesters en de menigten: Ik vind geen[^lukas-23-4-6] schuld in deze Mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v4)

**5** En zij[^lukas-23-5-7] hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v5)

**6** Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileër was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v6)

**7** [^lukas-23-7-e] En verstaande, dat Hij uit het gebied van[^lukas-23-7-8] Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen[^lukas-23-7-9] binnen Jeruzalem was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v7)

**8** [^lukas-23-8-f] En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig[^lukas-23-8-10] teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v8)

**9** En hij vraagde Hem met vele woorden; maar Hij antwoordde hem niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v9)

**10** En de[^lukas-23-10-11] overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v10)

**11** En Herodes met zijn[^lukas-23-11-12] soldaten Hem[^lukas-23-11-13] veracht en bespot hebbende, deed Hem een[^lukas-23-11-14] blinkend kleed aan, en zond Hem weer tot Pilatus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v11)

**12** [^lukas-23-12-g] En op deze dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkaar; want zij waren te voren in vijandschap tegen de anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v12)

**13** [^lukas-23-13-h] En[^lukas-23-13-15] als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zei hij tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v13)

**14** U hebt deze Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw aanwezigheid[^lukas-23-14-16] ondervraagd, en heb in deze Mens geen schuld gevonden, van wat daar u Hem mee beschuldigt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v14)

**15** Ja, ook Herodes niet; want ik heb u tot hem gezonden, en ziet, er is[^lukas-23-15-17] van Hem niets gedaan, dat van de dood waard is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v15)

**16** Zo zal ik Hem dan[^lukas-23-16-18] straffen en loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v16)

**17** [^lukas-23-17-i] En hij[^lukas-23-17-19] moest hun op[^lukas-23-17-20] het feest een loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v17)

**18** Maar al de menigte riep gelijkelijk, zeggende:[^lukas-23-18-21][^lukas-23-18-k] Weg met Deze, en laat ons Bar-abbas los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v18)

**19** Die was om zeker oproer, dat in de stad gebeurd was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v19)

**20** Pilatus dan riep hun opnieuw toe, willende Jezus loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v20)

**21** Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v21)

**22** En hij zei voor de derde keer tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld van de dood in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan[^lukas-23-22-22] straffen en loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v22)

**23** Maar zij hielden aan[^lukas-23-23-23] met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd[^lukas-23-23-24] geweldiger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v23)

**24** [^lukas-23-24-l] En Pilatus[^lukas-23-24-25] oordeelde, dat hun eis gebeuren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v24)

**25** En hij liet hun los degene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, die zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over[^lukas-23-25-26] tot hun wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v25)

**26** [^lukas-23-26-m] En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van de akker, en[^lukas-23-26-27] legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v26)

**27** En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem,[^lukas-23-27-28] die ook[^lukas-23-27-29] huilden en Hem beklaagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v27)

**28** En Jezus, Zich tot haar kerende, zei:[^lukas-23-28-30] U dochters van Jeruzalem! ween[^lukas-23-28-31] niet over Mij, maar[^lukas-23-28-32] weent over uzelf, en over uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v28)

**29** Want ziet, er komen dagen, waarin[^lukas-23-29-33] men zeggen zal: Zalig[^lukas-23-29-34] zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v29)

**30** Dan zullen zij beginnen[^lukas-23-30-35] te zeggen tot de bergen:[^lukas-23-30-n] Val op ons; en tot de heuvelen: Bedek ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v30)

**31** [^lukas-23-31-o] Want als zij dit doen aan het[^lukas-23-31-36] groene hout,[^lukas-23-31-37] wat zal aan het dorre gebeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v31)

**32** [^lukas-23-32-p] En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v32)

**33** [^lukas-23-33-q] En toen zij kwamen op de plaats, genoemd[^lukas-23-33-38] Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem daar, en de kwaaddoeners, de één aan de rechterzijde en de ander aan de linkerzijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v33)

**34** En Jezus zei:[^lukas-23-34-r] Vader, vergeef het hun; want[^lukas-23-34-39] zij weten niet,[^lukas-23-34-40] wat zij doen.[^lukas-23-34-s] En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v34)

**35** En het volk stond en zag het aan. En ook[^lukas-23-35-t] de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, zo Hij is de Christus,[^lukas-23-35-41] de Uitverkorene van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v35)

**36** En ook de soldaten, tot Hem komende, bespotten Hem,[^lukas-23-36-42] en brachten Hem azijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v36)

**37** En zeiden: Als u de Koning van de Joden bent, zo verlos Uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v37)

**38** [^lukas-23-38-v] En er was ook een[^lukas-23-38-43] opschrift[^lukas-23-38-44] boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING VAN DE JODEN. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v38)

**39** En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Als U de Christus bent, verlos Uzelf en ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v39)

**40** Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v40)

**41** En wij toch rechtvaardig; want wij ontvangen straf, waard wat wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v41)

**42** En hij zei tot Jezus: Heere, gedenk mijn, als U in Uw[^lukas-23-42-45] Koninkrijk zult gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v42)

**43** En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Vandaag zult u met Mij[^lukas-23-43-46] in het Paradijs zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v43)

**44** [^lukas-23-44-x] En het was ongeveer[^lukas-23-44-47] het zesde uur, en er werd duisternis[^lukas-23-44-48] over de hele aarde, tot het negende uur toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v44)

**45** En de[^lukas-23-45-49] zon werd verduisterd,[^lukas-23-45-y] en het[^lukas-23-45-50] voorhangsel van de tempel scheurde midden door. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v45)

**46** En Jezus, roepende met luide stem, zei:[^lukas-23-46-z] Vader, in Uw handen[^lukas-23-46-51] beveel Ik[^lukas-23-46-52] Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v46)

**47** [^lukas-23-47-a] Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er gebeurd was,[^lukas-23-47-53] verheerlijkte hij God, en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v47)

**48** En al de menigten, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die gebeurd waren, keerden opnieuw,[^lukas-23-48-54] slaande op hun borsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v48)

**49** En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem samen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v49)

**50** [^lukas-23-50-b] En zie, een man, met de naam Jozef, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v50)

**51** (Deze had niet mee bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad van de Joden, en die ook zelf het Koninkrijk van God[^lukas-23-51-55] verwachtte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v51)

**52** Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v52)

**53** En als hij hetzelfde afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad,[^lukas-23-53-c] en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v53)

**54** En[^lukas-23-54-56] het was de dag van de voorbereiding, en de sabbat[^lukas-23-54-57] kwam aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v54)

**55** En ook de vrouwen,[^lukas-23-55-d] die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v55)

**56** En teruggekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op de sabbat rustten zij[^lukas-23-56-58] naar het gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/23.html#v56)

[^lukas-23-1-a]: Verwijzing a: Matt. 27:2 ; Mark. 15:1 ; Joh. 18:28 . Mattheüs 27:2 : En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. Marcus 15:1 : En meteen, van de morgen vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en de heel raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over. Johannes 18:28 : Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
[^lukas-23-1-1]: Kanttekening 1: de gehele menigte van hen stond op: Dat is, de gehele Raad, Luk. 22:66 . Lukas 22:66 : En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen van het volk, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,
[^lukas-23-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk de stadhouder van de Romeinen, van wie zie Matt. 27:2 . Mattheüs 27:2 : En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder.
[^lukas-23-2-3]: Kanttekening 3: het volk verkeert: Namelijk van de Joden.
[^lukas-23-2-b]: Verwijzing b: Matt. 17:25 ; Matt. 22:21 ; Mark. 12:17 ; Lukas 20:25 ; Rom. 13:7 . Mattheüs 17:25 : Hij zei: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat denkt u, Simon! de koningen van de aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden? Mattheüs 22:21 : Zij zeiden tot Hem: Van de keizers. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. Marcus 12:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. Lukas 20:25 : En Hij zei tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. Romeinen 13:7 : Zo geeft dan een iedereen, wat u schuldig bent; schatting, die u de schatting, tol, die u de tol, vreze, die u de vreze, eer, die u de eer schuldig bent.
[^lukas-23-2-c]: Verwijzing c: Hand. 17:7 . Handelingen 17:7 : Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de geboden van de keizer, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk een Jezus.
[^lukas-23-2-4]: Kanttekening 4: Koning is: Namelijk van de Joden.
[^lukas-23-3-d]: Verwijzing d: Matt. 27:11 ; Mark. 15:2 ; Joh. 18:33 . Mattheüs 27:11 : En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt U de Koning van de Joden? En Jezus zei tot hem: U zegt het. Marcus 15:2 : En Pilatus vraagde Hem: Zijt U de Koning van de Joden? En Hij antwoordende, zei tot hem: U zegt het. Johannes 18:33 : Pilatus dan ging opnieuw in het rechthuis, en riep Jezus, en zei tot Hem: Zijt U de Koning van de Joden?
[^lukas-23-3-5]: Kanttekening 5: U zegt het: Dat is, ja Ik ben het. Zie Matt. 26:25 ; Joh. 18:37 . Mattheüs 26:25 : En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd. Johannes 18:37 : Pilatus dan zei tot Hem: Zijt U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Een iedereen, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
[^lukas-23-4-6]: Kanttekening 6: schuld in deze Mens: Grieks oorzaak; namelijk die Hem de dood schuldig maken.
[^lukas-23-5-7]: Kanttekening 7: hielden te sterker aan: Of, stijfden zich daartegen.
[^lukas-23-7-e]: Verwijzing e: Lukas 3:1 . Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene;
[^lukas-23-7-8]: Kanttekening 8: Deze was toegenaamd Antipas, een zoon van Herodes de Grote, een viervorst over Galilea, die Johannes de Doper had doen onthalzen. Zie van hem Luk. 3:1 , 3:19 . Lukas 3:1 : En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; Lukas 3:19 : Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle boze stukken, die Herodes deed,
[^lukas-23-7-9]: Kanttekening 9: binnen Jeruzalem was: Namelijk om het feest van pascha met zijn volk te houden.
[^lukas-23-8-f]: Verwijzing f: Lukas 9:7 . Lukas 9:7 : En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan.
[^lukas-23-8-10]: Kanttekening 10: Dit is, wonder, uit enkele nieuwsgierigheid, welke Christus niet heeft willen voeden.
[^lukas-23-10-11]: Kanttekening 11: overpriesters en de Schriftgeleerden: Namelijk die Pilatus met Christus tot Herodes gezonden had, vers 15 . Lukas 23:15 : Ja, ook Herodes niet; want ik heb u tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat de dood waard is.
[^lukas-23-11-12]: Kanttekening 12: Grieks heiren; dat is van zijne trawanten.
[^lukas-23-11-13]: Kanttekening 13: veracht en bespot: Grieks vernietigd .
[^lukas-23-11-14]: Kanttekening 14: een blinkend kleed: Of, sierlijk, hoedanige kleren de koningen en prinsen plachten te dragen, Gen. 41:42 ; Esth. 8:15 , dat hij doet om te spotten met zijn koninkrijk, gelijk ook doen de soldaten, Matt. 27:28 , als zij Hem een purperen rok aandoen. Genesis 41:42 : En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; Esther 8:15 : En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk. Mattheüs 27:28 : En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
[^lukas-23-12-g]: Verwijzing g: Hand. 4:27 . Handelingen 4:27 : Want in van de waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;
[^lukas-23-13-h]: Verwijzing h: Matt. 27:23 ; Mark. 15:14 ; Joh. 18:38 ; Joh. 19:4 . Mattheüs 27:23 : Maar de stadhouder zei: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden! Marcus 15:14 : Maar Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem! Johannes 18:38 : Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij opnieuw uit tot de Joden, en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. Johannes 19:4 : Pilatus dan kwam opnieuw uit, en zei tot hen: Ziet, ik breng Hem tot u uit, opdat u weet, dat ik in Hem geen schuld vinde.
[^lukas-23-13-15]: Kanttekening 15: als Pilatus de overpriesters: Namelijk nadat Herodes Christus weer tot Pilatus gezonden had.
[^lukas-23-14-16]: Kanttekening 16: Het Griekse woord betekent somtijds rechtelijk ondervragen of onderzoeken. Zie dergelijke Hand. 12:19 . Handelingen 12:19 : En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en hield zich daar.
[^lukas-23-15-17]: Kanttekening 17: van Hem niets gedaan: Namelijk Christus. Anderen verstaan het van Herodes, namelijk dat hij Christus niet heeft aangedaan, waaruit blijken kan dat hij Hem oordeelde de dood waard te zijn.
[^lukas-23-16-18]: Kanttekening 18: kastijden en loslaten: Dat is, geselen, gelijk verklaard wordt Joh. 19:1 . Johannes 19:1 : Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.
[^lukas-23-17-i]: Verwijzing i: Matt. 27:15 ; Mark. 15:6 ; Joh. 18:39 . Mattheüs 27:15 : En op het feest was de stadhouder gewoon de volk een gevangene los te laten, welke zij wilden. Marcus 15:6 : En op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden. Johannes 18:39 : Maar u hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate?
[^lukas-23-17-19]: Kanttekening 19: Namelijk door een gewoonte bij de Joden gebruikelijk. Zie Matt. 27:15 , en Mark. 15:6 , 15:8 . Mattheüs 27:15 : En op het feest was de stadhouder gewoon het volk een gevangene los te laten, welke zij wilden. Marcus 15:6 : En op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden. Marcus 15:8 : En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.
[^lukas-23-17-20]: Kanttekening 20: het feest: Namelijk van pasen; zie Joh. 18:39 . Johannes 18:39 : Maar u hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate?
[^lukas-23-18-21]: Kanttekening 21: Weg met Deze: Grieks neem deze weg; namelijk van de aarde; dat is, dood Hem, gelijk Hand. 21:36 , en Hand. 22:22 . Handelingen 21:36 : Want de menigte van het volk volgde, al roepende: Weg met hem! Handelingen 22:22 : Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.
[^lukas-23-18-k]: Verwijzing k: Hand. 3:14 . Handelingen 3:14 : Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden;
[^lukas-23-22-22]: Kanttekening 22: Dat is, geselen, gelijk vers 16 . Lukas 23:16 : Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
[^lukas-23-23-23]: Kanttekening 23: met groot geroep: Grieks met grote stemmen.
[^lukas-23-23-24]: Kanttekening 24: Dat is, hoe langer hoe sterker; nam de overhand.
[^lukas-23-24-l]: Verwijzing l: Matt. 27:26 ; Mark. 15:15 ; Joh. 19:16 . Mattheüs 27:26 : Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. Marcus 15:15 : Pilatus nu, willende van de schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden. Johannes 19:16 : Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden Hem weg.
[^lukas-23-24-25]: Kanttekening 25: Of, stond hun toe.
[^lukas-23-25-26]: Kanttekening 26: tot hun wil: Namelijk om naar hun wil van de soldaten gekruisigd te worden.
[^lukas-23-26-m]: Verwijzing m: Matt. 27:32 ; Mark. 15:21 . Mattheüs 27:32 : En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. Marcus 15:21 : En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van de akker, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.
[^lukas-23-26-27]: Kanttekening 27: legden hem het kruis op: Namelijk nadat Christus een tijdlang het gedragen had. Zie hiervan de aantekeningen Matt. 27:32 , en Joh. 19:17 . Mattheüs 27:32 : En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. Johannes 19:17 : En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;
[^lukas-23-27-28]: Kanttekening 28: welke ook: Namelijk vrouwen.
[^lukas-23-27-29]: Kanttekening 29: weenden en Hem beklaagden: Grieks op haar borst sloegen; dat is, luid weeklaagden.
[^lukas-23-28-30]: Kanttekening 30: U dochters van Jeruzalem: Dat is, u vrouwen, die binnen Jeruzalem woont.
[^lukas-23-28-31]: Kanttekening 31: niet over Mij: Dat is, niet zozeer.
[^lukas-23-28-32]: Kanttekening 32: weent over uzelven: Namelijk veel meer.
[^lukas-23-29-33]: Kanttekening 33: men zeggen zal: Grieks zij zullen zeggen.
[^lukas-23-29-34]: Kanttekening 34: de onvruchtbaren: Namelijk omdat zij zulke zwarigheden aan haar kinderen niet zullen zien.
[^lukas-23-30-35]: Kanttekening 35: te zeggen tot de bergen: Namelijk uit grote schrik en benauwdheid, gelijk Hos. 10:8 ; Openb. 6:16 . Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.
[^lukas-23-30-n]: Verwijzing n: Jes. 2:19 ; Hosea 10:8 ; Openb. 6:16 ; Openb. 9:6 . Jesaja 2:19 : Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam. Openbaring 9:6 : En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten.
[^lukas-23-31-o]: Verwijzing o: Jer. 25:29 ; 1 Petr. 4:17 . Jeremia 25:29 : Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de heirscharen. 1 Petrus 4:17 : Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
[^lukas-23-31-36]: Kanttekening 36: groene hout: Grieks vochtig; dat is, aan mij, die onschuldig en rechtvaardig ben.
[^lukas-23-31-37]: Kanttekening 37: wat zal aan het dorre gebeuren: Dat is, wat zal dan de goddelozen en schuldigen wedervaren. Zie dergelijke 1 Petr. 4:17 , 4:18 . 1 Petrus 4:17 : Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? 1 Petrus 4:18 : En als de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?
[^lukas-23-32-p]: Verwijzing p: Joh. 19:18 . Johannes 19:18 : Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
[^lukas-23-33-q]: Verwijzing q: Matt. 27:33 ; idem v. 38 ; Mark. 15:22 ; Joh. 19:18 . Mattheüs 27:33 : En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats, Mattheüs 27:38 : Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linkerzijde. Marcus 15:22 : En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, dat is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats. Johannes 19:18 : Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
[^lukas-23-33-38]: Kanttekening 38: Hoofdschedel plaats : De oorzaak van deze naam zie Matt. 27:33 . Mattheüs 27:33 : En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
[^lukas-23-34-r]: Verwijzing r: Hand. 7:60 ; 1 Kor. 4:12 . Handelingen 7:60 : En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;
[^lukas-23-34-39]: Kanttekening 39: zij weten niet: Dat is, het merendeel van hen. Want sommigen van hen wisten het wel en zondigden tegen de Heilige Geest, Matt. 12:32 . Mattheüs 12:32 : En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon van de mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
[^lukas-23-34-40]: Kanttekening 40: wat zij doen: Dat zij namelijk de ware Messias kruisigen. Zie Hand. 3:17 ; 1 Kor. 2:8 . Handelingen 3:17 : En nu, broers, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten. 1 Korinthiërs 2:8 : Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben.
[^lukas-23-34-s]: Verwijzing s: Ps. 22:19 ; Mark. 15:24 ; Joh. 19:23 ; Matt. 27:35 . Psalmen 22:19 : Zij delen mijn kleren onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. Marcus 15:24 : En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, werpende het lot over dezelfde, wat een iedereen wegnemen zou. Johannes 19:23 : De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke krijgsknecht een deel) en de rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. Mattheüs 27:35 : Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, wat gezegd is door de profeet: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.
[^lukas-23-35-t]: Verwijzing t: Matt. 27:39 ; Mark. 15:29 . Mattheüs 27:39 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. Marcus 15:29 : En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! U, die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,
[^lukas-23-35-41]: Kanttekening 41: de Uitverkorene Gods: Dat is, van God gekozen om te wezen de ware Messias, 1 Petr. 1:20 . 1 Petrus 1:20 : Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^lukas-23-36-42]: Kanttekening 42: en brachten Hem edik: Namelijk voor de tweede reis. Waarvan zie Matt. 27:34 , 27:48 . Mattheüs 27:34 : Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Mattheüs 27:48 : En meteen één van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
[^lukas-23-38-v]: Verwijzing v: Matt. 27:37 ; Mark. 15:26 ; Joh. 19:19 . Mattheüs 27:37 : En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN. Marcus 15:26 : En het opschrift Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN. Johannes 19:19 : En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
[^lukas-23-38-43]: Kanttekening 43: Namelijk van zijn beschuldiging; Mark. 15:26 . Marcus 15:26 : En het opschrift van Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN.
[^lukas-23-38-44]: Kanttekening 44: boven Hem geschreven: Dat is, boven zijn hoofd, op het kruis gehecht; Joh. 19:19 . Johannes 19:19 : En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
[^lukas-23-42-45]: Kanttekening 45: Koninkrijk zult gekomen zijn: Namelijk van uwe heerlijkheid.
[^lukas-23-43-46]: Kanttekening 46: in het Paradijs zijn: Dat is, in de hemel; 2 Kor. 12:4 . 2 Korinthiërs 12:4 : Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.
[^lukas-23-44-x]: Verwijzing x: Matt. 27:45 ; Mark. 15:33 . Mattheüs 27:45 : En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. Marcus 15:33 : En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
[^lukas-23-44-47]: Kanttekening 47: de zesde ure: Zie van het tellen van deze uren Mark. 15:25 . Marcus 15:25 : En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem.
[^lukas-23-44-48]: Kanttekening 48: over de gehele aarde: Of, over het gehele land.
[^lukas-23-45-49]: Kanttekening 49: zon werd verduisterd: Zie hiervan Matt. 27:45 . Mattheüs 27:45 : En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
[^lukas-23-45-y]: Verwijzing y: Matt. 27:51 ; Mark. 15:38 . Mattheüs 27:51 : En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. Marcus 15:38 : En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden.
[^lukas-23-45-50]: Kanttekening 50: voorhangsel van de tempel scheurde midden door : Zie Matt. 27:51 . Mattheüs 27:51 : En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
[^lukas-23-46-z]: Verwijzing z: Ps. 31:6 ; Matt. 27:50 ; Mark. 15:37 ; Joh. 19:30 ; Hand. 7:59 . Psalmen 31:6 : In Uw hand beveel ik mijn geest; U hebt mij verlost, YHWH, U, God van de waarheid! Mattheüs 27:50 : En Jezus, opnieuw met een grote stem roepende, gaf de geest. Marcus 15:37 : En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf de geest. Johannes 19:30 : Toen Jezus dan de edik genomen had, zei Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf de geest. Handelingen 7:59 : En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heer Jezus, ontvang mijn geest.
[^lukas-23-46-51]: Kanttekening 51: beveel Ik: Of, zal Ik bevelen; dat is, in bewaring geven als een pand, dat iemand vertrouwd wordt, om op zijn tijd weer te geven.
[^lukas-23-46-52]: Kanttekening 52: Mijn geest: Dat is, mijn ziel.
[^lukas-23-47-a]: Verwijzing a: Matt. 27:54 ; Mark. 15:39 . Mattheüs 27:54 : En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon! Marcus 15:39 : En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij zo roepende de geest gegeven had, zei: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!
[^lukas-23-47-53]: Kanttekening 53: verheerlijkte hij God: Namelijk openbaar belijdende dat Christus onschuldig en de Zoon van God was, omdat God daarvan zo klare tekenen gegeven had; Matt. 27:51 , enz. Mattheüs 27:51 : En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
[^lukas-23-48-54]: Kanttekening 54: slaande op hun borsten: Namelijk tot een teken van verdriet en verslagenheid.
[^lukas-23-50-b]: Verwijzing b: Matt. 27:57 ; Mark. 15:43 ; Joh. 19:38 . Mattheüs 27:57 : En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. Marcus 15:43 : Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk van God was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Johannes 19:38 : En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vrees voor de Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.
[^lukas-23-51-55]: Kanttekening 55: Of, ontving, nam aan.
[^lukas-23-53-c]: Verwijzing c: Matt. 12:40 ; Matt. 26:12 ; Matt. 27:59 ; Mark. 15:46 . Mattheüs 12:40 : Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde. Mattheüs 26:12 : Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis. Mattheüs 27:59 : En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelfde in een zuiver fijn lijnwaad. Marcus 15:46 : En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, dat uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf.
[^lukas-23-54-56]: Kanttekening 56: het was de dag van de voorbereiding: Grieks en de dag was de voorbereiding; namelijk van de sabbat, en meteen van het pascha van de Joden. Zie Mark. 15:42 ; Joh. 19:14 . Marcus 15:42 : En als het nu avond was geworden, omdat het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat; Johannes 19:14 : En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zei tot de Joden: Ziet, uw Koning!
[^lukas-23-54-57]: Kanttekening 57: kwam aan: Grieks lichtte aan; dat is, begon aan te breken, met het opgaan van de sterren. Want bij de Joden nam de dag zijn begin van de ondergang van de zon, en werd gerekend van de ene avond tot de andere.
[^lukas-23-55-d]: Verwijzing d: Lukas 8:2 . Lukas 8:2 : En sommige vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;
[^lukas-23-56-58]: Kanttekening 58: naar het gebod: Namelijk het vierde gebod, Ex. 20:10 . Exodus 20:10 : Maar de zevende dag is de sabbat van YHWH, uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;

### Lukas 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/lukas/24.json)

*1 De vrouwen gaan naar het graf en vinden het leeg. 4 Twee engelen verkondigen hun de opstanding van Christus. 9 Zij gaan dit aan de apostelen en andere discipelen melden, die het niet geloven. 12 Petrus loopt naar het graf. 13 Christus openbaart zich aan twee discipelen die naar Emmaus gaan, en wordt daar door hen herkend bij het breken van het brood. 33 Zij keren terug naar Jeruzalem en vertellen het aan de apostelen. 36 Christus verschijnt zelf aan al zijn apostelen, toont hun zijn handen en voeten, en eet in hun tegenwoordigheid. 44 Hij opent hun het begrip van de Schriften, stelt hen aan tot zijn getuigen onder alle volken, en belooft hun zijn Heilige Geest. 50 Hij zegent hen, neemt afscheid van hen, en vaart op naar de hemel.*

**1** [^lukas-24-1-a] En op de[^lukas-24-1-1] eerste[^lukas-24-1-2] dag van de[^lukas-24-1-3] week, zeer vroeg in het morgenuur, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en[^lukas-24-1-4] sommigen met haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v1)

**2** En zij vonden de steen afgewenteld van het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v2)

**3** En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van de Heere Jezus niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v3)

**4** En het gebeurde, als zij daarover[^lukas-24-4-5] twijfelmoedig waren, zie, twee[^lukas-24-4-6] mannen stonden bij haar in[^lukas-24-4-7] blinkende kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v4)

**5** En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt u de Levende bij de doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v5)

**6** Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.[^lukas-24-6-b] Gedenk, hoe Hij tot u[^lukas-24-6-8] gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v6)

**7** Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v7)

**8** En zij werden[^lukas-24-8-c] indachtig van Zijn woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v8)

**9** [^lukas-24-9-d] En teruggekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan[^lukas-24-9-9] al de anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v9)

**10** En deze waren Maria Magdalena, en[^lukas-24-10-10] Johanna, en Maria,[^lukas-24-10-11] de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v10)

**11** En haar woorden schenen voor hen als[^lukas-24-11-12] ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v11)

**12** [^lukas-24-12-e] Maar Petrus opstaande,[^lukas-24-12-13] liep tot het graf, en neerbuigend, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelf van wat gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v12)

**13** [^lukas-24-13-f] En zie, twee[^lukas-24-13-14] van hen gingen op deze dag naar een plaats, dat zestig[^lukas-24-13-15] stadiën van Jeruzalem was, waarvan de naam Emmaüs was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v13)

**14** En zij spraken samen onder elkaar van al deze dingen, die er gebeurd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v14)

**15** En het gebeurde, terwijl zij samen spraken, en elkaar ondervraagden,[^lukas-24-15-g] dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v15)

**16** En hun ogen werden[^lukas-24-16-16] gehouden,[^lukas-24-16-17] dat zij Hem niet kenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v16)

**17** En Hij zei tot hen: Wat redenen zijn dit, die u, wandelende, onder elkaar verhandelt, en waarom ziet[^lukas-24-17-18] u droevig? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v17)

**18** En de één, van wie de naam Kleopas was, antwoordende, zei tot Hem: Bent U alleen[^lukas-24-18-19] een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin gebeurd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v18)

**19** En Hij zei tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazarener,[^lukas-24-19-h] die[^lukas-24-19-20] een Profeet was, krachtig[^lukas-24-19-21] in werken en woorden,[^lukas-24-19-22] voor God en al[^lukas-24-19-23] het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v19)

**20** En hoe onze overpriesters en oversten Dezelfde overgeleverd hebben tot het oordeel van de dood, en Hem gekruisigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v20)

**21** En wij hoopten, dat Hij was Degene,[^lukas-24-21-i] Die[^lukas-24-21-24] Israël[^lukas-24-21-25] verlossen zou. Maar ook, naast dit alles, is het vandaag de derde dag, van dat deze dingen gebeurd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v21)

**22** [^lukas-24-22-k] Maar ook sommige vrouwen[^lukas-24-22-26] uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in de morgenstond aan het graf geweest zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v22)

**23** En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een visioen van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v23)

**24** En sommigen van degenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het zo, zoals ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v24)

**25** En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten gesproken hebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v25)

**26** [^lukas-24-26-l] Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid[^lukas-24-26-27] ingaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v26)

**27** [^lukas-24-27-m] En begonnen hebbende van Mozes en[^lukas-24-27-n] van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v27)

**28** En zij kwamen nabij de plaats, daar zij naar toegingen; en Hij[^lukas-24-28-28] hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v28)

**29** [^lukas-24-29-o] En zij[^lukas-24-29-29] dwongen Hem, zeggende:[^lukas-24-29-p] Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v29)

**30** En het gebeurde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en[^lukas-24-30-30] zegende het, en als Hij het[^lukas-24-30-31] gebroken had, gaf Hij het hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v30)

**31** En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij[^lukas-24-31-32] kwam weg uit hun gezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v31)

**32** En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de Schriften[^lukas-24-32-33] opende? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v32)

**33** En zij, opstaande op dat moment, keerden weer naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v33)

**34** [^lukas-24-34-34] Die zeiden: De Heere is werkelijk opgestaan,[^lukas-24-34-q] en is van Simon gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v34)

**35** En zij vertelden, wat op de weg gebeurd was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken van het brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v35)

**36** [^lukas-24-36-r] En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tot hen: Vrede zij u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v36)

**37** En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij[^lukas-24-37-35] een geest zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v37)

**38** En Hij zei tot hen: Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v38)

**39** Zie Mijn handen en Mijn voeten;[^lukas-24-39-36] want Ik ben het Zelf; tas Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, zoals u ziet, dat Ik heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v39)

**40** En als Hij dit zei, toonde Hij hun de handen en de voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v40)

**41** En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tot hen:[^lukas-24-41-s] Hebt u hier iets[^lukas-24-41-37] om te eten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v41)

**42** En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v42)

**43** En Hij nam het, en[^lukas-24-43-38] at het voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v43)

**44** En Hij zei tot hen:[^lukas-24-44-t] Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog[^lukas-24-44-39] met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v44)

**45** Toen[^lukas-24-45-40] opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v45)

**46** En zei tot hen:[^lukas-24-46-v] Zo is er geschreven, en zo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan op de derde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v46)

**47** En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en[^lukas-24-47-x] vergeving van de zonden, onder alle volken,[^lukas-24-47-41][^lukas-24-47-y] beginnende van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v47)

**48** En u bent getuigen van deze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v48)

**49** [^lukas-24-49-z] En ziet, Ik zend de[^lukas-24-49-42] belofte van Mijn Vader op u;[^lukas-24-49-a] maar[^lukas-24-49-43] blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult bekleed zijn met[^lukas-24-49-44] kracht[^lukas-24-49-45] uit de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v49)

**50** [^lukas-24-50-b] En Hij leidde hen[^lukas-24-50-46] buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v50)

**51** [^lukas-24-51-c] En het gebeurde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v51)

**52** En zij aanbaden Hem, en keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v52)

**53** En zij waren alle tijd in de tempel, lovende en[^lukas-24-53-47] dankende God. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/lukas/24.html#v53)

[^lukas-24-1-a]: Verwijzing a: Matt. 28:1 ; Mark. 16:1 ; Joh. 20:1 . Mattheüs 28:1 : En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. Marcus 16:1 : En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. Johannes 20:1 : En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen.
[^lukas-24-1-1]: Kanttekening 1: eerste dag : Grieks op een.
[^lukas-24-1-2]: Kanttekening 2: van de week: Grieks van de sabbatten. Zie Matt. 28:1 ; Mark. 16:2 . Mattheüs 28:1 : En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. Marcus 16:2 : En zeer vroeg op de eerste dag van de week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging;
[^lukas-24-1-3]: Kanttekening 3: zeer vroeg in de morgenstond: Zie hiervan de aantekeningen Mark. 16:2 . Marcus 16:2 : En zeer vroeg op de eerste dag van de week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging;
[^lukas-24-1-4]: Kanttekening 4: sommigen met haar: Namelijk andere vrouwen, van welke zie nader vers 10 . Lukas 24:10 : En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
[^lukas-24-4-5]: Kanttekening 5: twijfelmoedig waren: Of, zeer bekommerd.
[^lukas-24-4-6]: Kanttekening 6: twee mannen: Dat is, engelen in mans-gedaanten. Zie Matt. 28:2 , die maar van een verhaalt, omdat die het woord voerde. Mattheüs 28:2 : En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel van de Heer, nederdalende uit de hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat op dezelfde.
[^lukas-24-4-7]: Kanttekening 7: blinkende kleren: Grieks bliksemende; dat is glinsterende gelijk de bliksem.
[^lukas-24-6-b]: Verwijzing b: Matt. 16:21 ; Matt. 17:22 ; Matt. 20:18 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:31 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten.
[^lukas-24-6-8]: Kanttekening 8: gesproken heeft: Waarvan zie Matt. 16:21 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden.
[^lukas-24-8-c]: Verwijzing c: Joh. 2:22 . Johannes 2:22 : Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.
[^lukas-24-9-d]: Verwijzing d: Matt. 28:8 ; Mark. 16:10 . Mattheüs 28:8 : En haastig uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelfde Zijn discipelen te boodschappen. Marcus 16:10 : Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.
[^lukas-24-9-9]: Kanttekening 9: al de anderen: Namelijk discipelen, die daar vergaderd waren.
[^lukas-24-10-10]: Kanttekening 10: Zie van deze Johanna Luk. 8:3 . Lukas 8:3 : En Johanna, de huisvrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
[^lukas-24-10-11]: Kanttekening 11: de moeder van Jakobus: Namelijk van de kleine. Zie Mark. 15:40 . Marcus 15:40 : En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome;
[^lukas-24-11-12]: Kanttekening 12: ijdel geklap: Of, razernij, sufferij.
[^lukas-24-12-e]: Verwijzing e: Joh. 20:3 ; idem v. 6 . Johannes 20:3 : Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. Johannes 20:6 : Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen.
[^lukas-24-12-13]: Kanttekening 13: liep tot het graf: Namelijk met Johannes. Zie Joh. 20:3 . Johannes 20:3 : Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf.
[^lukas-24-13-f]: Verwijzing f: Mark. 16:12 . Marcus 16:12 : En na deze is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.
[^lukas-24-13-14]: Kanttekening 14: van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek: Niet van de apostelen, maar van de andere discipelen, gelijk blijkt vers 18 , 24:33 . Lukas 24:18 : En de één, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zei tot Hem: Bent U alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? Lukas 24:33 : En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weer naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;
[^lukas-24-13-15]: Kanttekening 15: zestig stadiën: Een stadie is honderd en vijf en twintig schreden, zodat acht stadiën maken een Italiaanse mijl, waarvan drie omtrent een uur gaans zijn; zodat zestig stadiën maken omtrent twee en een half uur gaans.
[^lukas-24-15-g]: Verwijzing g: Matt. 18:20 ; Lukas 24:36 . Mattheüs 18:20 : Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. Lukas 24:36 : En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tot hen: Vrede zij u!
[^lukas-24-16-16]: Kanttekening 16: Dat is, wederhouden door Christus' macht.
[^lukas-24-16-17]: Kanttekening 17: dat zij Hem niet kenden: Of, opdat zij Hem niet zouden kennen.
[^lukas-24-17-18]: Kanttekening 18: Of, stuur.
[^lukas-24-18-19]: Kanttekening 19: een vreemdeling te Jeruzalem: Of, een inwoner.
[^lukas-24-19-h]: Verwijzing h: Lukas 7:16 ; Joh. 4:19 ; Joh. 6:14 . Lukas 7:16 : En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. Johannes 4:19 : De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie, dat U een profeet bent. Johannes 6:14 : De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.
[^lukas-24-19-20]: Kanttekening 20: een Profeet was: Grieks een man, een profeet.
[^lukas-24-19-21]: Kanttekening 21: in werken en woorden: Grieks inderdaad, ook in het werk en in het woord.
[^lukas-24-19-22]: Kanttekening 22: voor God: Namelijk die door vele wondertekenen zulks van Hem betuigde.
[^lukas-24-19-23]: Kanttekening 23: het volk: Namelijk dat zulks met verwondering en prijzen hoorde en zag.
[^lukas-24-21-i]: Verwijzing i: Hand. 1:6 . Handelingen 1:6 : Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heer, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?
[^lukas-24-21-24]: Kanttekening 24: Dat is, het Israëlietische of Joodse volk.
[^lukas-24-21-25]: Kanttekening 25: verlossen zou: Dat is, verlost zou hebben.
[^lukas-24-22-k]: Verwijzing k: Matt. 28:8 ; Mark. 16:10 ; Joh. 20:18 . Mattheüs 28:8 : En haastig uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelfde Zijn discipelen te boodschappen. Marcus 16:10 : Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden. Johannes 20:18 : Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heer gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.
[^lukas-24-22-26]: Kanttekening 26: uit ons hebben ons ontsteld: Dat is, van ons gezelschap.
[^lukas-24-26-l]: Verwijzing l: Jes. 50:6 ; Jes. 53:5 ; Filip. 2:7 ; Hebr. 12:2 ; 1 Petr. 1:11 . Jesaja 50:6 : Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Hebreeën 12:2 : Ziende op de oversten Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God. 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^lukas-24-26-27]: Kanttekening 27: Namelijk na of door Zijn lijden; Hebr. 2:9 ; 1 Petr. 1:11 . Hebreeën 2:9 : Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou. 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^lukas-24-27-m]: Verwijzing m: Gen. 3:15 ; Gen. 22:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 49:10 ; Deut. 18:15 . Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Deuteronomium 18:15 : Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen;
[^lukas-24-27-n]: Verwijzing n: Ps. 132:11 ; Jes. 7:14 ; Jes. 9:5 ; Jes. 40:10 ; Jer. 23:5 ; Jer. 33:14 ; Ez. 34:23 ; Ez. 37:25 ; Dan. 9:24 ; Micha 7:20 . Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 33:14 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:25 : En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Micha 7:20 : U zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die U onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
[^lukas-24-28-28]: Kanttekening 28: hield Zich: Of, stelde zich zo aan; dat zonder veinzing geschied is, om hen te beproeven; zo Hij het gedaan zou hebben, tenware zij Hem met bidden gehouden hadden.
[^lukas-24-29-o]: Verwijzing o: Gen. 19:3 . Genesis 19:3 : En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
[^lukas-24-29-29]: Kanttekening 29: dwongen Hem: Namelijk met bidden en aanhouden. Zie Gen. 33:11 . Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
[^lukas-24-29-p]: Verwijzing p: Hand. 16:15 ; Hebr. 13:2 . Handelingen 16:15 : En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik de Heer getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons. Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^lukas-24-30-30]: Kanttekening 30: zegende het: Namelijk door gebed en dankzegging, 1 Tim. 4:4 , 4:5 . 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 1 Timotheüs 4:5 : Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.
[^lukas-24-30-31]: Kanttekening 31: gebroken had, gaf Hij het hun: Namelijk naar de wijze van de Joden in het begin van hunne maaltijden, welker broden zo gebakken waren, dat zij bekwamelijk gebroken konden worden, Hand. 2:46 . Handelingen 2:46 : En dagelijks eendrachtelijk in de tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid van het hart;
[^lukas-24-31-32]: Kanttekening 32: kwam weg uit hun gezicht: Grieks Hij werd onschijnbaar van hen; dat is, Hij onttrok zich haastig aan hun gezicht.
[^lukas-24-32-33]: Kanttekening 33: Dat is, verklaarde, of uitlegde.
[^lukas-24-34-34]: Kanttekening 34: Welke zeiden: Namelijk elven, en die bij hen waren.
[^lukas-24-34-q]: Verwijzing q: 1 Kor. 15:5 . 1 Korinthiërs 15:5 : En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
[^lukas-24-36-r]: Verwijzing r: Mark. 16:14 ; Joh. 20:19 ; 1 Kor. 15:5 . Marcus 16:14 : Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardheid van de harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was. Johannes 20:19 : Als het dan avond was, op dezelfde eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u! 1 Korinthiërs 15:5 : En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.
[^lukas-24-37-35]: Kanttekening 35: een geest zagen: Dat is, spooksel. Zie Matt. 14:26 . Of, een engel in menselijke gedaante, Hand. 12:9 . Mattheüs 14:26 : En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze. Handelingen 12:9 : En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, wat door de engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.
[^lukas-24-39-36]: Kanttekening 36: want Ik ben het Zelf: Of, dat Ik het zelf ben.
[^lukas-24-41-s]: Verwijzing s: Joh. 21:10 . Johannes 21:10 : Jezus zei tot hen: Brengt van de vissen, die u nu gevangen hebt.
[^lukas-24-41-37]: Kanttekening 37: om te eten: Grieks etelijks, of eetbaars.
[^lukas-24-43-38]: Kanttekening 38: at het voor hun ogen: Niet dat Hij zulks nodig had, omdat Hij nu onsterflijk geworden was; maar om hun te verzekeren dat Hij hetzelfde lichaam nog had. Zie Hand. 10:41 . Handelingen 10:41 : Niet aan al het volk, maar aan de getuigen, die van God te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.
[^lukas-24-44-t]: Verwijzing t: Matt. 16:21 ; Matt. 17:22 ; Matt. 20:18 ; Mark. 8:31 ; Mark. 9:31 ; Mark. 10:33 ; Lukas 9:22 ; Lukas 18:31 ; Lukas 24:6 . Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Mattheüs 17:22 : En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; Mattheüs 20:18 : Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; Marcus 8:31 : En Hij begon hun te leren, dat de Zoon van de mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. Marcus 9:31 : Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon van de mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. Marcus 10:33 : Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon van de mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; Lukas 9:22 : Zeggende: De Zoon van de mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 18:31 : En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon van de mensen, wat geschreven is door de profeten. Lukas 24:6 : Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
[^lukas-24-44-39]: Kanttekening 39: met u was: Dat is, openbaar en gedurig met u verkeerde vóór mijn dood.
[^lukas-24-45-40]: Kanttekening 40: opende Hij hun verstand: Namelijk door de verlichting van Zijn Heilige Geest; Hand. 16:14 ; 1 Kor. 2:13 . Handelingen 16:14 : En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd. 1 Korinthiërs 2:13 : Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
[^lukas-24-46-v]: Verwijzing v: Ps. 22:7 ; Hand. 17:3 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Handelingen 17:3 : Dezelfde openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Die ik, zei hij, u verkondige.
[^lukas-24-47-x]: Verwijzing x: Hand. 13:38 ; 1 Joh. 2:12 . Handelingen 13:38 : Zo zij u dan bekend, mannen broers, dat door Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt; 1 Johannes 2:12 : Ik schrijf u, kinderen, want de zonden zijn u vergeven vanwege Zijn Naam.
[^lukas-24-47-41]: Kanttekening 41: beginnende van Jeruzalem: Omdat aan de Joden voornamelijk de Messias beloofd was, Rom. 1:16 , en het Evangelie uit Zion en Jeruzalem moest uitgaan, Jes. 2:3 . Romeinen 1:16 : Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem.
[^lukas-24-47-y]: Verwijzing y: Hand. 2:4 . Handelingen 2:4 : En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
[^lukas-24-49-z]: Verwijzing z: Joh. 14:26 ; Joh. 15:26 ; Joh. 16:7 ; Hand. 1:4 . Johannes 14:26 : Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. Johannes 15:26 : Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. Johannes 16:7 : Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. Handelingen 1:4 : En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt.
[^lukas-24-49-42]: Kanttekening 42: belofte van Mijn Vader op u: Dat is, de Heilige Geest, die Ik u beloofd heb van de Vader te zullen zenden; Joh. 14:16 , en Joh. 15:26 ; Hand. 1:4 . Johannes 14:16 : En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; Johannes 15:26 : Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. Handelingen 1:4 : En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt.
[^lukas-24-49-a]: Verwijzing a: Hand. 1:4 . Handelingen 1:4 : En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt.
[^lukas-24-49-43]: Kanttekening 43: blijft u in de stad Jeruzalem: Grieks zet u neder.
[^lukas-24-49-44]: Kanttekening 44: Namelijk met de Heilige Geest; Hand. 1:8 . Handelingen 1:8 : Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.
[^lukas-24-49-45]: Kanttekening 45: uit de hoogte: Dat is, uit de hemel; Hebr. 1:3 ; Hand. 2:2 . Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Handelingen 2:2 : En er geschiedde haastig uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
[^lukas-24-50-b]: Verwijzing b: Hand. 1:12 . Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^lukas-24-50-46]: Kanttekening 46: buiten tot aan Bethanië: Zie hiervan breder Hand. 1:12 . Handelingen 1:12 : Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genaamd wordt de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.
[^lukas-24-51-c]: Verwijzing c: Mark. 16:19 ; Hand. 1:9 . Marcus 16:19 : De Heer dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. Handelingen 1:9 : En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
[^lukas-24-53-47]: Kanttekening 47: dankende God: Grieks zegenende.

## Johannes

### Johannes 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/1.json)

*1 De persoon van Christus wordt beschreven: dat hij het eeuwige Woord van God is, ware God, Schepper van alle dingen, het leven en licht van de mensen, vooral van hen die in hem geloven. 14 En dat dit Woord vlees geworden is. 15 Johannes de Doper getuigt van de waardigheid van zijn persoon en ambt. 23 Alzok van zijn eigen roeping. 29 Verklaart opnieuw dat Christus het Lam en de Zoon van God is. 32 En dat hij hem bekend is gemaakt door de nederdaling van de Heilige Geest op hem. 37 Op welk getuigenis twee discipelen van Johannes Christus volgen. 41 Van wie de ene, Andreas, zijn broer Simon ook tot Christus brengt. 43 Die hem de naam Petrus geeft. 44 Christus roept Filippus. 46 En Filippus brengt Nathanaël tot Christus. 49 Die hem als de Zoon van God erkent en als discipel aangenomen wordt.*

**1** [^johannes-1-1-a] In[^johannes-1-1-1] het begin was[^johannes-1-1-2] het Woord, en het Woord was[^johannes-1-1-3][^johannes-1-1-b] bij God, en het Woord[^johannes-1-1-4] was God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v1)

**2** [^johannes-1-2-c] Dit was in het begin bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v2)

**3** [^johannes-1-3-d] Alle dingen zijn door Hetzelve[^johannes-1-3-5] gemaakt, en[^johannes-1-3-6] zonder Hetzelve is[^johannes-1-3-7] geen ding gemaakt, dat gemaakt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v3)

**4** [^johannes-1-4-e] In[^johannes-1-4-8] Hetzelve was[^johannes-1-4-9] het Leven, en[^johannes-1-4-10][^johannes-1-4-f] het Leven was[^johannes-1-4-11] het Licht van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v4)

**5** [^johannes-1-5-g] En[^johannes-1-5-12] het Licht[^johannes-1-5-13] schijnt[^johannes-1-5-14] in de duisternis, en[^johannes-1-5-15] de duisternis heeft het niet begrepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v5)

**6** [^johannes-1-6-h] Er was een mens[^johannes-1-6-16] van God gezonden, wiens[^johannes-1-6-17] naam was Johannes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v6)

**7** Deze kwam tot een getuigenis, om van[^johannes-1-7-18] het Licht te getuigen, opdat zij allen[^johannes-1-7-19] door hem geloven zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v7)

**8** Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v8)

**9** [^johannes-1-9-i] Dit was het waarachtige Licht, Dat[^johannes-1-9-20] verlicht[^johannes-1-9-21] elk mens,[^johannes-1-9-22] komende in de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v9)

**10** Hij was[^johannes-1-10-23] in de wereld,[^johannes-1-10-k] en de wereld is door Hem[^johannes-1-10-24] gemaakt; en de[^johannes-1-10-25] wereld heeft Hem niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v10)

**11** Hij is gekomen tot[^johannes-1-11-26] het Zijne, en[^johannes-1-11-27] de Zijnen hebben Hem niet[^johannes-1-11-28] aangenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v11)

**12** [^johannes-1-12-l] Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij[^johannes-1-12-29] macht gegeven[^johannes-1-12-30] kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v12)

**13** Die niet uit het[^johannes-1-13-31] bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar[^johannes-1-13-32] uit God geboren zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v13)

**14** [^johannes-1-14-m] En het Woord is[^johannes-1-14-33] vlees[^johannes-1-14-34] geworden, en heeft onder ons[^johannes-1-14-35] gewoond[^johannes-1-14-n] (en wij hebben[^johannes-1-14-36] Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid[^johannes-1-14-37] als van de Eniggeborene van de Vader),[^johannes-1-14-38][^johannes-1-14-o] vol van genade en waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v14)

**15** [^johannes-1-15-p] Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Wie ik zei: Die[^johannes-1-15-39] na mij komt, is[^johannes-1-15-40] voor mij geworden, want Hij was[^johannes-1-15-41] eer dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v15)

**16** En[^johannes-1-16-q] uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook[^johannes-1-16-42] genade voor genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v16)

**17** [^johannes-1-17-r] Want de[^johannes-1-17-43] wet is[^johannes-1-17-44] door Mozes gegeven, de[^johannes-1-17-45] genade en[^johannes-1-17-46] de waarheid is[^johannes-1-17-47] door Jezus Christus geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v17)

**18** [^johannes-1-18-s] Niemand heeft ooit God[^johannes-1-18-48] gezien; de eniggeboren Zoon,[^johannes-1-18-t] Die[^johannes-1-18-49] in de schoot van de Vader is, Die heeft[^johannes-1-18-50][^johannes-1-18-51] Hem ons verklaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v18)

**19** En[^johannes-1-19-52] dit is[^johannes-1-19-v] de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie bent u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v19)

**20** En[^johannes-1-20-x] hij[^johannes-1-20-53] beleed en ontkende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v20)

**21** En zij vraagden hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei:[^johannes-1-21-54] Ik ben die niet. Bent[^johannes-1-21-y] u[^johannes-1-21-55] de profeet? En hij antwoordde: Nee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v21)

**22** Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven mogen degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt u van uzelf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v22)

**23** Hij zei: Ik ben de stem van de roepende in de woestijn: Maak de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft.[^johannes-1-23-z][^johannes-1-23-56] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v23)

**24** En de afgezondenen waren uit de Farizeeën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v24)

**25** En zij vraagden hem en spraken tot hem:[^johannes-1-25-57] Waarom doopt u dan, zo u de Christus niet bent, noch Elia, noch[^johannes-1-25-a] de profeet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v25)

**26** Johannes antwoordde hun, zeggende:[^johannes-1-26-b] Ik doop met water, maar Hij[^johannes-1-26-58] staat midden onder u, Die u niet kent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v26)

**27** Deze is het, Die[^johannes-1-27-59] na mij komt, die voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben,[^johannes-1-27-60] dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v27)

**28** Deze dingen zijn gebeurd in[^johannes-1-28-61] Bethabara,[^johannes-1-28-62] over de Jordaan, waar Johannes was dopende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v28)

**29** Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en[^johannes-1-29-65] zei:[^johannes-1-29-c] Zie[^johannes-1-29-66] het Lam[^johannes-1-29-67] van God, Dat de zonde[^johannes-1-29-68] van de wereld[^johannes-1-29-69] wegneemt![^johannes-1-29-63][^johannes-1-29-64] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v29)

**30** Deze is het, van Wie ik[^johannes-1-30-70] gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was[^johannes-1-30-71] eer dan ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v30)

**31** En ik[^johannes-1-31-72] kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v31)

**32** [^johannes-1-32-d] En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de[^johannes-1-32-73] Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v32)

**33** En ik[^johannes-1-33-74] kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen[^johannes-1-33-75] met water, Die had mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven,[^johannes-1-33-e] Deze is het, Die met de Heilige Geest[^johannes-1-33-76] doopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v33)

**34** En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v34)

**35** Op[^johannes-1-35-77] de andere dag opnieuw stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v35)

**36** En ziende op Jezus, daar wandelende, zei hij:[^johannes-1-36-f] Zie, het Lam van God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v36)

**37** En die twee discipelen[^johannes-1-37-78] hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v37)

**38** En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zei tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v38)

**39** Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (dat is te zeggen, overgezet zijnde,[^johannes-1-39-79] Meester) waar[^johannes-1-39-80] woont U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v39)

**40** Hij zei tot hen: Kom en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was[^johannes-1-40-81] ongeveer het tiende uur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v40)

**41** Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v41)

**42** Deze vond eerst[^johannes-1-42-82] zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de[^johannes-1-42-83] Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v42)

**43** En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van[^johannes-1-43-84] Jonas; u[^johannes-1-43-g] zult genoemd worden Cefas, dat overgezet wordt[^johannes-1-43-85] Petrus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v43)

**44** Op de andere dag wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zei tot hem: Volg Mij.[^johannes-1-44-86] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v44)

**45** [^johannes-1-45-h] Filippus nu was van[^johannes-1-45-87] Bethsaïda, uit de stad[^johannes-1-45-88] van Andreas en Petrus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v45)

**46** Filippus vond[^johannes-1-46-i] Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Die gevonden,[^johannes-1-46-k] van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v46)

**47** En Nathanaël zei tot hem: Kan[^johannes-1-47-89] uit Nazareth iets goeds[^johannes-1-47-90] zijn? Filippus zei van hem: Kom en zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v47)

**48** Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, werkelijk[^johannes-1-48-91] een Israëliet, in wie geen bedrog is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v48)

**49** Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat u Filippus riep, daar u onder de vijgeboom was, zag Ik u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v49)

**50** Nathanaël antwoordde en zei tot Hem: Rabbi! U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v50)

**51** Jezus antwoordde en zei tot hem:[^johannes-1-51-92] Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft u; u zult grotere dingen zien dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v51)

**52** En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-1-52-l] Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en[^johannes-1-52-93] de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/1.html#v52)

[^johannes-1-1-a]: Verwijzing a: Spr. 8:22. 1 Joh. 1:1.
[^johannes-1-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de schepping van alle dingen, zie Gen. 1:1, en dienvolgens van eeuwigheid; omdat voor de schepping anders niet was dan de eeuwigheid. Joh. 17:5. Ef. 1:4.
[^johannes-1-1-2]: Kanttekening 2: Gr. ho logos (ὁ λόγος), dat wil zeggen: het woord, of het zelfstandig woord, en de rede: zoals ook het woordje rede bij ons zo de inwendige rede, of het verstand van de mensen, als het uitwendig woord, waarmee de inwendige rede aan anderen verklaard wordt, betekent. Aldus wordt Christus de Zoon van God genaamd van Johannes, niet alleen hier, maar ook elders, 1 Joh. 1:1 en 5:7; Openb. 19:13; zo omdat hij is de wijsheid van de Vader, en het uitgedrukte beeld van zijn persoon, Spr. 8:1, 12, 24; Kol. 1:15; Hebr. 1:3, alsook omdat de Vader door hem zijn verborgen raad van onze zaligheid de mensen zo in het oude als in het nieuwe Testament heeft geopenbaard. Joh. 1:18. Hebr. 1:1.
[^johannes-1-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk de Vader, als een onderscheiden persoon van de Vader. Zie vers 18.
[^johannes-1-1-b]: Verwijzing b: 1 Joh. 1:2.
[^johannes-1-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: was van het enige en eeuwige goddelijke wezen deelachtig, met de Vader en de H. Geest. Joh. 10:30. 1 Joh. 5:7.
[^johannes-1-2-c]: Verwijzing c: Joh. 17:5.
[^johannes-1-3-d]: Verwijzing d: Gen. 1:3. Ps. 33:6. Ef. 3. vers 9. Col. 1:16. Hebr. 1:2.
[^johannes-1-3-5]: Kanttekening 5: Gr. geworden, dat wil zeggen: geschapen.
[^johannes-1-3-6]: Kanttekening 6: Want de Vader heeft met en door de Zoon de wereld geschapen. Joh. 5:18, 19.
[^johannes-1-3-7]: Kanttekening 7: Gr. ook niet een ding.
[^johannes-1-4-e]: Verwijzing e: Joh. 5:26. 1 Joh. 5:11.
[^johannes-1-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk Woord.
[^johannes-1-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de oorsprong en bron van het leven, zoals Ps. 36:10. Hand. 17:28.
[^johannes-1-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: het Woord, hetwelk de auteur van het leven is.
[^johannes-1-4-f]: Verwijzing f: Joh. 8:12. en 9:5. en 12:46.
[^johannes-1-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: de auteur en oorsprong van het licht, namelijk van het vernuft en verstand, met hetwelk de mens in de schepping begaafd was.
[^johannes-1-5-g]: Verwijzing g: Joh. 3:19.
[^johannes-1-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: datzelfde Woord, hetwelk de mensen verlicht.
[^johannes-1-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: verlicht het verstand van de mensen met enige kennis van Gods natuur en dienst, die na de val in de mens nog overgebleven is. Zie hiervan breder Rom. 1:19, 20.
[^johannes-1-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: in het verstand van de mensen door de val en zonde verduisterd. Hand. 26:18.
[^johannes-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de verdorven mensen hebben dat licht, hetwelk in hen overgebleven was, niet gebruikt om de Zoon van God, de auteur van dit licht, recht te kennen, dienen, en eren. Rom. 1:21, 22. 1 Kor. 1:21.
[^johannes-1-6-h]: Verwijzing h: Mal. 3:1. Matt. 3:1 Mark. 1:2, 4. Luk. 3:3. en 7:27. Joh. 1:33.
[^johannes-1-6-16]: Kanttekening 16: Van deze zending zie Luk. 3:3.
[^johannes-1-6-17]: Kanttekening 17: Zie van deze naam Luk. 1:13, 63.
[^johannes-1-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: van dat eeuwige Woord, waardoor de mensen ook ter zaligheid verlicht worden.
[^johannes-1-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk Johannes, zoals 1 Kor. 3:5.
[^johannes-1-9-i]: Verwijzing i: Joh. 8:12. en 9:5. en 12:46.
[^johannes-1-9-20]: Kanttekening 20: Namelijk met rede en verstand.
[^johannes-1-9-21]: Kanttekening 21: Gr. alle.
[^johannes-1-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk door de natuurlijke geboorte, zoals Joh. 18:37.
[^johannes-1-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk als een onderhouder en regeerder van alles.
[^johannes-1-10-k]: Verwijzing k: Hebr. 1:2. en 11:3.
[^johannes-1-10-24]: Kanttekening 24: Gr. geworden.
[^johannes-1-10-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de onwedergeboren mensen door hun natuurlijke wijsheid; noch zoals ter zaligheid nodig was. 1 Kor. 1:21.
[^johannes-1-11-26]: Kanttekening 26: Of, in zijn eigen; namelijk land, of volk, dat is, tot het Israëlitische volk, uit hetwelk hij zijn menselijke natuur heeft aangenomen, Rom. 9:5, en hetwelk hij tot zijn eigendom had gekozen, en tot hetwelk hij bijzonderlijk gekomen is, niet alleen na zijn menswording door de prediking van het Evangelie, maar ook voor zijn menswording, door velerlei verschijningen, openbaringen, en verlossingen. Deut. 7:6. Ps. 147:19, 20.
[^johannes-1-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: het meeste deel van dezelfde Israëlieten, die tot het uitwendig verbond behoorden, en daarom de zijnen hier genaamd worden.
[^johannes-1-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk door een waar geloof.
[^johannes-1-12-l]: Verwijzing l: Jes. 56:5. Rom. 8:15. Gal. 3:26. 2 Petr. 1:4. 1 Joh. 3:1
[^johannes-1-12-29]: Kanttekening 29: Of, recht, en waardigheid.
[^johannes-1-12-30]: Kanttekening 30: Of, dat zij kinderen van God geworden zijn.
[^johannes-1-13-31]: Kanttekening 31: Gr. bloeden. Hebr. Dat is, natuurlijker- en vleselijkerwijze, op welke natuurlijke geboorte en afkomst de Joden zich zeer beroemden en verlieten. Joh. 8:39. Rom. 9:7, 8.
[^johannes-1-13-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die door de Geest en het woord van God wedergeboren en vernieuwd zijn. Joh. 3:5. 1 Petr. 1:23.
[^johannes-1-14-m]: Verwijzing m: Matt. 1:16. Luk. 1:31. en 2:7. Jes. 7:14.
[^johannes-1-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: een ware mens ons in alles gelijk. Hebr. 2:17. Maar zonder zonde Hebr. 4:15. Zie Jes. 40:5. Joël 2:28.
[^johannes-1-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk niet door verandering of vermenging, maar door aanneming van de menselijke natuur, in eenheid van de persoon. Gen. 2:7. 1 Kor. 15:45. Zoals verklaard wordt Fil. 2:7. Hebr. 2:14, 16.
[^johannes-1-14-35]: Kanttekening 35: Gr. een tabernakel gehad; dat wil zeggen: voor een tijd onder ons gewandeld en verkeerd.
[^johannes-1-14-n]: Verwijzing n: Matt. 17:2. 2 Petr. 1:17.
[^johannes-1-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: klare tekenen van zijn goddelijke majesteit, zo in zijn doop en wonderwerken, Joh. 2:11, als in zijn verandering op de berg, en in zijn opstanding.
[^johannes-1-14-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: zoals hem toebehoorde en betaamde, die van de Vader van eeuwigheid op onuitsprekelijke wijze is geboren. Spr. 8:24. Mich. 5:2.
[^johannes-1-14-38]: Kanttekening 38: Zie hiervan vers 17.
[^johannes-1-14-o]: Verwijzing o: Col. 1:19. en 2:9.
[^johannes-1-15-p]: Verwijzing p: Matt. 3:11. Mark. 1:7. Luk. 3:16. Joh. 1:26, 30.
[^johannes-1-15-39]: Kanttekening 39: Of, achter mij. Zie ook de aantekening bij vers 27.
[^johannes-1-15-40]: Kanttekening 40: Of, voor mij gesteld, dat wil zeggen: boven mij verheven. Anders: voor mij geweest.
[^johannes-1-15-41]: Kanttekening 41: Gr. eerste, dat wil zeggen: waardiger dan ik: of, voor mij, omdat hij vanwege zijn goddelijke natuur van eeuwigheid is.
[^johannes-1-16-q]: Verwijzing q: Col. 2:10.
[^johannes-1-16-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de ene genade op de andere in overvloed: of, de genade van het nieuwe Testament voor de genade van het oude Testament: of de genade van de heerlijkheid voor de genade van de rechtvaardigmaking en wedergeboorte.
[^johannes-1-17-r]: Verwijzing r: Ex. 20:1. etc.
[^johannes-1-17-43]: Kanttekening 43: Namelijk van de zeden, of, van de tien geboden, met de dreiging van de eeuwige vloek tegen de overtreders, en ook de wet van de ceremoniën.
[^johannes-1-17-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: door de dienst van Mozes. Hebr. 3:2, 5, 16.
[^johannes-1-17-45]: Kanttekening 45: Namelijk van de verlossing van de vloek van de wet. Rom. 10:3, 4. Gal. 3:13. en van de aanneming tot kinderen. Rom. 8:15.
[^johannes-1-17-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: de vervulling, zo van de beloften, 2 Kor. 1:20, als van de ceremoniën en voorbeelden. Kol. 2:17.
[^johannes-1-17-47]: Kanttekening 47: Namelijk als de Zoon en Heer van het huis. Hebr. 3:5, 6.
[^johannes-1-18-s]: Verwijzing s: Ex. 33:20. Deut. 4:12. Joh. 6:46. 1 Tim. 6:16. 1 Joh. 4:12.
[^johannes-1-18-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: gekend, namelijk met een volkomen en naakte kennis van zijn wezen en wil.
[^johannes-1-18-t]: Verwijzing t: Matt. 11:27.
[^johannes-1-18-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: die eens wezens met de Vader is, van hem geliefd, en aan wie daarom al de verborgen wijsheid van de Vader bekend is.
[^johannes-1-18-50]: Kanttekening 50: Of, het ons.
[^johannes-1-18-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: duidelijk en volkomen geopenbaard de zaligmakende kennis van God en van zijn raad, zoveel als ons van God te weten ter zaligheid nodig is.
[^johannes-1-19-52]: Kanttekening 52: Of, dat is ook.
[^johannes-1-19-v]: Verwijzing v: Joh. 5:33.
[^johannes-1-20-x]: Verwijzing x: Joh. 3:28. Hand. 13:25.
[^johannes-1-20-53]: Kanttekening 53: Namelijk openlijk en vrijmoedig wie hij was, zoals de volgende woorden het te kennen geven.
[^johannes-1-21-54]: Kanttekening 54: Namelijk Elia de Tisbiet, van wie u verkeerd meent dat hij in eigen persoon zou wederkomen in de wereld, hoewel Johannes ook anderszins Elia genaamd wordt, Matt. 17:12, omdat hij gekomen is in de kracht en geest van Elia. Luk. 1:17.
[^johannes-1-21-y]: Verwijzing y: Deut. 18:18.
[^johannes-1-21-55]: Kanttekening 55: Namelijk die bijzondere profeet, waarvan voorzegd is Deut. 18:15, van wie de Joden meenden, maar kwalijk, dat hij een ander zou zijn dan de Messias.
[^johannes-1-23-z]: Verwijzing z: Jes. 40:3. Matt. 3:3. Mark. 1:3. Luk. 3:4.
[^johannes-1-23-56]: Kanttekening 56: Zie hiervan de verklaring Matt. 3:3.
[^johannes-1-25-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: uit wat macht en last gebruikt u deze nieuwe wijze van doen?
[^johannes-1-25-a]: Verwijzing a: Deut. 18:18.
[^johannes-1-26-b]: Verwijzing b: Matt. 3:11. Mark. 1:7. Luk. 3:16. Hand. 1:5. en 11:16. en 19:4.
[^johannes-1-26-58]: Kanttekening 58: Dit zei Johannes niet meteen nadat Christus van hem gedoopt was, maar nadat hij uit de woestijn, waar hij veertig dagen verzocht was geweest, teruggekomen was, omtrent de plaats waar Johannes doopte.
[^johannes-1-27-59]: Kanttekening 59: Of, achter mij, dat wil zeggen: wiens voorloper ik ben, om hem de weg te bereiden. Zie vers 15.
[^johannes-1-27-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: dat ik hem ook de geringste dienst zou bewijzen. Zie Matt. 3:11.
[^johannes-1-28-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: een huis van de overscheping, of een veer-huis.
[^johannes-1-28-62]: Kanttekening 62: Of, aan, omtrent, neven de Jordaan. Zie Matt. 4:15, en 19:1.
[^johannes-1-29-65]: Kanttekening 65: Gr. zegt.
[^johannes-1-29-c]: Verwijzing c: Jes. 53:5, 7. Joh. 1:36.
[^johannes-1-29-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de Messias, door het paaslam en dagelijkse offeranden voorafgebeeld, 1 Kor. 5:7, en beloofd, Jes. 53:7.
[^johannes-1-29-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: van God verordend en gesteld.
[^johannes-1-29-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: van alle degenen die uit de gehele wereld in hem zullen geloven. Joh. 6:33, 35. 2 Kor. 5:19.
[^johannes-1-29-69]: Kanttekening 69: Of, op zich neemt; namelijk om de straf daarvan te dragen, en ons daarvan te verlossen. Jes. 53:11, 12. 1 Petr. 2:24.
[^johannes-1-29-63]: Kanttekening 63: Namelijk nadat Johannes de Farizeeën geantwoord had, wie hij was.
[^johannes-1-29-64]: Kanttekening 64: Gr. ziet.
[^johannes-1-30-70]: Kanttekening 70: Zie de verklaring, vers 15.
[^johannes-1-30-71]: Kanttekening 71: Gr. eerste. Zie vers 15.
[^johannes-1-31-72]: Kanttekening 72: Namelijk van aangezicht, of volkomelijk.
[^johannes-1-32-d]: Verwijzing d: Matt. 3:16. Mark. 1:10. Luk. 3:21.
[^johannes-1-32-73]: Kanttekening 73: Namelijk de heilige Geest. Matt. 3:16.
[^johannes-1-33-74]: Kanttekening 74: Namelijk voordat hij tot mij kwam, om gedoopt te worden. Want toen Christus tot hem kwam, heeft hem God geopenbaard, dat dit de persoon was, Matt. 3:14, en daarna is hij door dit teken in deze kennis meer bevestigd.
[^johannes-1-33-75]: Kanttekening 75: Gr. in, zoals ook vers 31.
[^johannes-1-33-e]: Verwijzing e: Matt. 3:11.
[^johannes-1-33-76]: Kanttekening 76: Zie Matt. 3:11.
[^johannes-1-35-77]: Kanttekening 77: Namelijk zijnde de tweede, nadat Johannes de Farizeeën had geantwoord.
[^johannes-1-36-f]: Verwijzing f: Ex. 12:3. Jes. 53:7. Joh. 1:29. Hand. 8:32.
[^johannes-1-37-78]: Kanttekening 78: Namelijk zo, dat zij het ook geloofden.
[^johannes-1-39-79]: Kanttekening 79: Of, Leraar.
[^johannes-1-39-80]: Kanttekening 80: Gr. verblijft, dat wil zeggen: waar logeert of herbergt u? Zie vers 40.
[^johannes-1-40-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: tegen de avond, omtrent twee uren voor de ondergang van de zon. Zie Joh. 11:9.
[^johannes-1-42-82]: Kanttekening 82: Gr. zijn eigen.
[^johannes-1-42-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: gezalfde: met welke naam de beloofde Zaligmaker genaamd werd in het oude Testament, Ps. 2:2; Dan. 9:25, 26; omdat hij van God verordend is tot onze enige en opperste Profeet, Koning, en Priester, waarvan de gezalfde Profeten, Koningen, en Priesters, in 't oude Testament voorbeelden geweest zijn.
[^johannes-1-43-84]: Kanttekening 84: Wat hier beloofd wordt, is geschied, Luk. 6:14.
[^johannes-1-43-g]: Verwijzing g: Matt. 16:18.
[^johannes-1-43-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: steen, of, steenrots. Zie Matt. 16:18.
[^johannes-1-44-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: de derde dag na het antwoord van Johannes op de bezending van de Farizeeën.
[^johannes-1-45-h]: Verwijzing h: Joh. 12:21.
[^johannes-1-45-87]: Kanttekening 87: Van Bethsaida zie Matt. 11:21.
[^johannes-1-45-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: uit dezelfde stad, van welke Andreas en Petrus waren.
[^johannes-1-46-i]: Verwijzing i: Joh. 21:2.
[^johannes-1-46-k]: Verwijzing k: Gen. 3:15. en 22:18. en 26:4. en 49:10. Deut. 18:18. 2 Sam. 7:12. Jes. 4:2. en 7:14. en 9:5. en 40:10, 11. en 53:1, etc. Jer. 23:5. en 33:14. Ez. 34:23. Dan. 9:24. Zach. 6:12. en 9:9.
[^johannes-1-47-89]: Kanttekening 89: Dat wil zeggen: uit zulk een verachte plaats en die in Galilea gelegen was. Zie Joh. 7:41, 42.
[^johannes-1-47-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: voortkomen.
[^johannes-1-48-91]: Kanttekening 91: Dat wil zeggen: een oprecht en ongeveinsd man, zoals de rechte Israëlieten behoren te zijn.
[^johannes-1-51-92]: Kanttekening 92: Of, gelooft u omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom?
[^johannes-1-52-l]: Verwijzing l: Gen. 28:12.
[^johannes-1-52-93]: Kanttekening 93: Namelijk om hem, als hun Heer, ten dienste te staan: zoals geschied was in zijn geboorte, Luk. 2:9, 13, en in de woestijn, Matt. 4:11, en daarna in zijn lijden, Luk. 22:43, in zijn opstanding, Luk. 24:4, en in zijn hemelvaart, Hand. 1:10.

### Johannes 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/2.json)

*1 Christus verandert op de bruiloft te Kana het water in wijn. 11 Wat het begin is van zijn wonderwerken. 12 Gaat naar Kapernaüm. 13 En vandaar naar Jeruzalem op het Paasfeest. 14 Drijft de verkopers en wisselaars uit de tempel. 18 De Joden vragen een teken, dat hij beantwoordt met het afbreken en weer oprichten van de tempel van zijn lichaam. 23 Velen die zijn wonderwerken zien geloven in hem. 24 Maar hij vertrouwt zichzelf hun niet toe, omdat hij hun hart kende.*

**1** En op de[^johannes-2-1-1] derde dag was er een bruiloft te Kana[^johannes-2-1-2] in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v1)

**2** En Jezus was ook[^johannes-2-2-3] uitgenodigd, en Zijn discipelen, tot de bruiloft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v2)

**3** En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v3)

**4** Jezus zei tot haar:[^johannes-2-4-4] Vrouw,[^johannes-2-4-5] wat heb Ik met u te doen?[^johannes-2-4-6] Mijn uur is nog niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v4)

**5** Zijn moeder zei tot de dienaren: Zo wat Hij u zal zeggen, doet dat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v5)

**6** En daar waren zes stenen watervaten gesteld,[^johannes-2-6-a] naar[^johannes-2-6-7] de reiniging van de Joden, elk houdende twee of drie[^johannes-2-6-8] metreten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v6)

**7** Jezus zei tot hen: Vul de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v7)

**8** En Hij zei tot hen: Schept nu, en draagt het tot de[^johannes-2-8-9] hofmeester; en zij droegen het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v8)

**9** Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, vanwaar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester de bruidegom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v9)

**10** En zei tot hem: Alle[^johannes-2-10-10] man zet eerst de goede wijn op, en wanneer[^johannes-2-10-11] men wel gedronken heeft, dan de minderen; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v10)

**11** Dit[^johannes-2-11-12] begin van de tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn[^johannes-2-11-13] heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen[^johannes-2-11-14] geloofden in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v11)

**12** Daarna ging Hij af naar Kapernaüm, Hij, en Zijn moeder, en Zijn[^johannes-2-12-15] broers, en Zijn discipelen; en zij bleven daar niet vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v12)

**13** En het[^johannes-2-13-16] pascha van de Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v13)

**14** [^johannes-2-14-b] En Hij vond in de tempel,[^johannes-2-14-17] die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de bankiers daar zittende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v14)

**15** En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende,[^johannes-2-15-18] dreef Hij ze allen uit de tempel, ook de schapen en de ossen; en[^johannes-2-15-19] het geld van de bankiers stortte Hij uit, en keerde de tafelen om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v15)

**16** En Hij zei tot degenen, die de duiven verkochten: Neem deze dingen van hier weg; maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v16)

**17** En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is:[^johannes-2-17-c] De ijver van Uw huis heeft mij[^johannes-2-17-20] verslonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v17)

**18** De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem:[^johannes-2-18-d] Wat teken toont U ons,[^johannes-2-18-21] dat U deze dingen doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v18)

**19** Jezus antwoordde en zei tot hen:[^johannes-2-19-22][^johannes-2-19-e] Breek deze tempel, en in drie dagen zal Ik deze oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v19)

**20** De Joden zeiden dan:[^johannes-2-20-23] Zes en veertig jaren is over deze tempel gebouwd, en U, zult U die in drie dagen oprichten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v20)

**21** Maar Hij zei dit van[^johannes-2-21-24] de tempel van Zijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v21)

**22** Daarom, als Hij opgestaan was van de doden,[^johannes-2-22-f] werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v22)

**23** En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest,[^johannes-2-23-25] geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v23)

**24** Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet, omdat Hij hen allen kende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v24)

**25** En omdat Hij niet nodig had, dat iemand getuigen zou van de mens;[^johannes-2-25-g] want Hij Zelf[^johannes-2-25-26] wist, wat in de mens was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/2.html#v25)

[^johannes-2-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk na zijn vertrek naar Galilea, waarvan Joh. 1:44 gesproken wordt.
[^johannes-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: gelegen in Galilea, omtrent drie uren gaans van Nazareth. Het wordt zo genaamd om te onderscheiden van een ander Kana, gelegen bij de grenzen van Fenicië, in de stam Aser. Joz. 19:28.
[^johannes-2-2-3]: Kanttekening 3: Gr. geroepen.
[^johannes-2-4-4]: Kanttekening 4: Zo noemt Christus zijn Moeder, niet uit minachting, maar om aan te wijzen, dat haar moederlijke autoriteit in zaken zijn ambt aangaande niet moest gelden, maar alleen zijn goddelijk beroep.
[^johannes-2-4-5]: Kanttekening 5: Gr. wat is mij en u. Een Hebreeuwse manier van spreken met zich brengende een bestraffing. Zie 2 Sam. 16:10. en 19:22.
[^johannes-2-4-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: het is nog de geschikte tijd niet.
[^johannes-2-6-a]: Verwijzing a: Mark. 7:3.
[^johannes-2-6-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: naar de wijze van de reiniging van de Joden, waarvan zie Matt. 15:2. en 23:25. Mark. 7:4, 8. Luk. 11:39.
[^johannes-2-6-8]: Kanttekening 8: Elke metreet hield, zoals sommigen rekenen, omtrent honderd en twintig ponden nats, elk pond nu voor een halve pint gerekend zijnde, zou elke metreet houden omtrent vijftien stoopen. Zodat de watervaten van twee metreten zouden houden omtrent dertig stoopen, en van drie metreten vijf en veertig stoopen.
[^johannes-2-8-9]: Kanttekening 9: Gr. architriklinos (ἀρχιτρίκλινος), dat wil zeggen: de Overste van de eetzaal die bij ons gemeenlijk schaftmeester, of hofmeester, genaamd wordt.
[^johannes-2-10-10]: Kanttekening 10: Gr. mens.
[^johannes-2-10-11]: Kanttekening 11: Gr. als zij dronken geworden zijn, dat wil zeggen: door de drank verheugd zijn geworden; want dit woord betekent niet altijd hetgeen eigenlijk dronkenschap genaamd wordt, maar ook een milde nuttiging van de drank, zonder overdaad, tot verheuging. Zie Gen. 43:34. Hag. 1:6.
[^johannes-2-11-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: het eerste van al de mirakelen, die hij ooit in 't openbaar gedaan heeft: of het eerste dat hij in Galilea gedaan heeft, zoals men kan afnemen uit Joh. 4:46, 54.
[^johannes-2-11-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de kracht en majesteit van zijn goddelijke natuur.
[^johannes-2-11-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: werden daardoor in het geloof versterkt, dat hij de Zoon van God en de ware Messias was. Want dat zij tevoren al geloofden, blijkt uit Joh. 1:41, 46, 50.
[^johannes-2-12-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: zijn bloedverwanten. Zie Matt. 12:46.
[^johannes-2-13-16]: Kanttekening 16: Dit was het eerste Pascha na zijn doop, op hetwelk hij dezelfde tempel nog eens reinigt omtrent zijn laatste Pascha. Zie Matt. 21:12. Luk. 19:45.
[^johannes-2-14-b]: Verwijzing b: Matt. 21:12. Mark. 11:15. Luk. 19:45.
[^johannes-2-14-17]: Kanttekening 17: Zie hiervan Matt. 21:12.
[^johannes-2-15-18]: Kanttekening 18: Gr. wierp hij hen allen uit.
[^johannes-2-15-19]: Kanttekening 19: Het Gr. woord betekent klein geld, waarmee het grote geld verwisseld wordt.
[^johannes-2-17-c]: Verwijzing c: Ps. 69:10.
[^johannes-2-17-20]: Kanttekening 20: Gr. opgegeten.
[^johannes-2-18-d]: Verwijzing d: Matt. 12:38. en 16:1. Mark. 8:11. Luk. 11:29. Joh. 6:30.
[^johannes-2-18-21]: Kanttekening 21: Of, waarom, omdat.
[^johannes-2-19-22]: Kanttekening 22: Gr. ontbindt, of, ontdoet.
[^johannes-2-19-e]: Verwijzing e: Matt. 26:61. en 27:40. Mark. 14:58. en 15:29.
[^johannes-2-20-23]: Kanttekening 23: Namelijk nadat de Joden uit de Babylonische gevangenschap waren teruggekeerd; waarvan zie Ezra 4, 5, 6, en Josephus, Antiq. lib. 11, cap. 1, 2, 3, 4.
[^johannes-2-21-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: van zijn eigen lichaam, of menselijke natuur, in welke de volheid van de Godheid lichamelijk als in haar tempel woont, Kol. 2:9, en waarvan deze tempel te Jeruzalem een voorbeeld was.
[^johannes-2-22-f]: Verwijzing f: Luk. 24:8.
[^johannes-2-23-25]: Kanttekening 25: Namelijk met een blote kennis en toestemming, zonder rechten grond en vertrouwen, zoals blijkt uit het volgende vers.
[^johannes-2-25-g]: Verwijzing g: 1 Sam. 16:7. 1 Par. 28:9. Ps. 7:10. en 103:14. Jer. 11:20. en 17:10. en 20:12. Joh. 6:64.
[^johannes-2-25-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: als waarachtig God, en kenner van de harten. Openb. 2:23.

### Johannes 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/3.json)

*1 Christus onderwijst Nicodemus over de noodzakelijkheid en de wijze van de wedergeboorte. 9 En bestraft daarbij zijn onwetendheid. 14 Leert door het voorbeeld van de koperen slang dat hij verhoogd moest worden, om allen die in hem geloven zalig te maken. 18 En dat wie niet in hem geloven, veroordeeld worden. 22 Christus en Johannes dopen tegelijkertijd. 25 De discipelen van Johannes nemen het kwalijk dat Christus meer toeloop had. 27 Waaruit Johannes aanleiding neemt om hen te onderrichten over het verschil tussen hem en Christus, wiens waardigheid hij aanwijst. 36 En wat degenen die in Christus geloven en die niet geloven te verwachten hebben.*

**1** En er was een mens uit de Farizeeën, wiens[^johannes-3-1-a] naam[^johannes-3-1-1] Nicodemus was, een overste van de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v1)

**2** [^johannes-3-2-b] Deze kwam[^johannes-3-2-2] in de nacht tot Jezus, en zei tot Hem: Rabbi, wij weten, dat U bent een Leraar van God gekomen; want[^johannes-3-2-c] niemand kan deze tekenen doen, die U doet,[^johannes-3-2-d] zo God met hem niet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v2)

**3** Jezus[^johannes-3-3-3] antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand[^johannes-3-3-4] opnieuw[^johannes-3-3-5] geboren wordt, hij kan het Koninkrijk van God niet zien.[^johannes-3-3-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v3)

**4** Nicodemus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in van zijn moeders buik ingaan, en geboren worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v4)

**5** Jezus antwoordde:[^johannes-3-5-7] Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-3-5-e] Zo iemand niet geboren wordt uit[^johannes-3-5-8] water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v5)

**6** [^johannes-3-6-f] Wat uit het vlees[^johannes-3-6-9] geboren is, dat is[^johannes-3-6-10] vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is[^johannes-3-6-11] geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v6)

**7** Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: U moet[^johannes-3-7-12] opnieuw geboren worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v7)

**8** [^johannes-3-8-13] De wind[^johannes-3-8-14] blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn[^johannes-3-8-15] geluid; maar u weet niet,[^johannes-3-8-16] vanwaar hij komt, en waar hij heen gaat;[^johannes-3-8-17] zo is ieder, die uit de Geest geboren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v8)

**9** Nicodemus antwoordde en zei tot Hem:[^johannes-3-9-g] Hoe kunnen deze dingen gebeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v9)

**10** Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u een leraar van Israël, en weet u[^johannes-3-10-18] deze dingen niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v10)

**11** [^johannes-3-11-h] Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-3-11-19] Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en[^johannes-3-11-20] u neemt[^johannes-3-11-i] Onze getuigenis niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v11)

**12** Als Ik u de[^johannes-3-12-21] aardse dingen gezegd heb, en u niet gelooft, hoe zult u geloven, als Ik u de hemelse[^johannes-3-12-22] zou zeggen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v12)

**13** En[^johannes-3-13-k] niemand is[^johannes-3-13-23] opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel[^johannes-3-13-24] nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen,[^johannes-3-13-25] Die in de hemel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v13)

**14** [^johannes-3-14-l] En zoals Mozes de slang in de woestijn[^johannes-3-14-26] verhoogd heeft,[^johannes-3-14-m] zo moet de Zoon des mensen[^johannes-3-14-27] verhoogd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v14)

**15** Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet[^johannes-3-15-28] verderve,[^johannes-3-15-n] maar het eeuwige leven hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v15)

**16** [^johannes-3-16-o] Want zo lief heeft God[^johannes-3-16-29] de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,[^johannes-3-16-p] opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v16)

**17** [^johannes-3-17-q] Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld,[^johannes-3-17-30] opdat Hij[^johannes-3-17-31] de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v17)

**18** [^johannes-3-18-r] Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is[^johannes-3-18-32] al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v18)

**19** En[^johannes-3-19-s] dit is[^johannes-3-19-33] het oordeel, dat[^johannes-3-19-34] het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v19)

**20** Want ieder, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet[^johannes-3-20-35] bestraft worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v20)

**21** [^johannes-3-21-t] Maar[^johannes-3-21-36] die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij[^johannes-3-21-37] in God gedaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v21)

**22** Na deze kwam Jezus en Zijn discipelen[^johannes-3-22-38] in het land van Judea, en onthield Zich daar met hen,[^johannes-3-22-v] en[^johannes-3-22-39] doopte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v22)

**23** [^johannes-3-23-x] En Johannes doopte ook in Enon bij[^johannes-3-23-40] Salim, omdat daar vele[^johannes-3-23-41] wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v23)

**24** [^johannes-3-24-y] Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v24)

**25** Er rees dan een[^johannes-3-25-42] vraag van enige uit de discipelen van Johannes met de Joden[^johannes-3-25-43] over de reiniging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v25)

**26** [^johannes-3-26-z] En[^johannes-3-26-44] zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was[^johannes-3-26-45] over de Jordaan, Wie u getuigenis gaf, zie, Die doopt, en zij[^johannes-3-26-46] komen allen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v26)

**27** Johannes antwoordde en zei: Een mens kan[^johannes-3-27-47] geen ding aannemen, zo het hem[^johannes-3-27-48] uit de hemel niet gegeven zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v27)

**28** U bent mijn getuigen, dat ik gezegd[^johannes-3-28-a] heb: Ik ben de Christus niet;[^johannes-3-28-b] maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v28)

**29** Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar[^johannes-3-29-49] de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om[^johannes-3-29-50] de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v29)

**30** Hij moet groeien, maar ik minder worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v30)

**31** [^johannes-3-31-c] Die[^johannes-3-31-51] van boven komt, is boven allen; die[^johannes-3-31-52] uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v31)

**32** [^johannes-3-32-d] En[^johannes-3-32-53] wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt[^johannes-3-32-54] niemand aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v32)

**33** Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft[^johannes-3-33-55] verzegeld,[^johannes-3-33-e] dat God waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v33)

**34** Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest[^johannes-3-34-f] niet[^johannes-3-34-56] met mate. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v34)

**35** De Vader heeft de Zoon lief,[^johannes-3-35-g] en heeft alle dingen[^johannes-3-35-57] in Zijn hand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v35)

**36** [^johannes-3-36-h] Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon[^johannes-3-36-58] ongehoorzaam is, die zal het leven[^johannes-3-36-59] niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/3.html#v36)

[^johannes-3-1-a]: Verwijzing a: Joh. 19:39.
[^johannes-3-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: één uit de raad van de Joden. Zie Joh. 7:48, 50.
[^johannes-3-2-b]: Verwijzing b: Joh. 7:50 en 19:39.
[^johannes-3-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk uit vrees voor de Joden, en om uit de synagoge geworpen te worden. Zie Joh. 9:22 en 12:42 en 19:38.
[^johannes-3-2-c]: Verwijzing c: Joh. 9:16, 33.
[^johannes-3-2-d]: Verwijzing d: Hand. 10:38.
[^johannes-3-3-3]: Kanttekening 3: Namelijk op de vraag van Nicodemus over het middel om zalig te worden, die hier niet uitgedrukt is; of op zijn verlangen om dit te weten, hoewel hij dat nog niet had geopenbaard.
[^johannes-3-3-4]: Kanttekening 4: Gr. anōthen (ἄνωθεν): of van boven, of van nieuws, of opnieuw.
[^johannes-3-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: door de Heilige Geest van de aangeboren verdorvenheid verlost en tot een nieuw geestelijk leven vernieuwd wordt. Zie Joh. 1:13, Rom. 12:2.
[^johannes-3-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: daarin niet ingaan, zoals vers 5. Dat wil zeggen: aan de eeuwige zaligheid geen deel hebben. Zie de aantekening bij vers 36.
[^johannes-3-5-7]: Kanttekening 7: Gr. amēn, amēn (ἀμήν, ἀμήν). Zie over dit woord Matt. 6:13.
[^johannes-3-5-e]: Verwijzing e: Tit. 3:5.
[^johannes-3-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: door de kracht van de Heilige Geest niet gereinigd wordt van de zonde, zoals de uitwendige onreinheden door water afgewassen worden. Ez. 36:25. Zie een vergelijkbare manier van spreken in Matt. 3:11.
[^johannes-3-6-f]: Verwijzing f: Rom. 8:5.
[^johannes-3-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: op natuurlijke wijze, uit de verdorven mens.
[^johannes-3-6-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: natuurlijk en vleselijk gezind. Gen. 6:3, 5.
[^johannes-3-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: geestelijk gezind. Rom. 8:5.
[^johannes-3-7-12]: Kanttekening 12: Gr. anōthen (ἄνωθεν): of van nieuws, of van boven. Dat wil zeggen: door de werking van de Heilige Geest.
[^johannes-3-8-13]: Kanttekening 13: Gr. pneuma (πνεῦμα), geest. Dat wil zeggen: de wind, zoals uit het navolgende blijkt.
[^johannes-3-8-14]: Kanttekening 14: Of: waait.
[^johannes-3-8-15]: Kanttekening 15: Gr. phōnē (φωνή), stem.
[^johannes-3-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: vanwaar hij gedreven wordt; waar hij zijn begin heeft of zijn einde neemt.
[^johannes-3-8-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de werkingen van de Geest wordt u wel gewaar, maar hoe het toegaat begrijpt u niet. Pred. 11:5.
[^johannes-3-9-g]: Verwijzing g: Joh. 6:52.
[^johannes-3-10-18]: Kanttekening 18: Namelijk die in de profeten telkens en zo duidelijk geleerd worden.
[^johannes-3-11-h]: Verwijzing h: Joh. 7:16 en 8:28 en 12:39 en 14:24.
[^johannes-3-11-19]: Kanttekening 19: Namelijk Johannes en Ik.
[^johannes-3-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk u, leiders en Farizeeën. Joh. 7:48.
[^johannes-3-11-i]: Verwijzing i: Joh. 3:32.
[^johannes-3-12-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: de hemelse dingen door gelijkenis van aardse verklaar.
[^johannes-3-12-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: zou voorstellen zonder gelijkenis, zoals ze in zichzelf zijn.
[^johannes-3-13-k]: Verwijzing k: Joh. 6:62, Ef. 4:9.
[^johannes-3-13-23]: Kanttekening 23: Gr. anabainō (ἀναβαίνω), opklimmen. Dat wil zeggen: met zijn verstand doorgedrongen tot volmaakte kennis van de hemelse zaken, betreffende de raad van God over de zaligheid van de mensen, om die aan de mensen te openbaren. Rom. 10:6.
[^johannes-3-13-24]: Kanttekening 24: Namelijk toen Hij de menselijke natuur heeft aangenomen en door de Vader als Middelaar in de wereld gezonden is.
[^johannes-3-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk wat betreft zijn goddelijke natuur, waarmee Hij hemel en aarde vervult. Hebr. 1:3, Kol. 1:17.
[^johannes-3-14-l]: Verwijzing l: Num. 21:9, 2 Kon. 18:4.
[^johannes-3-14-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: aan een hoge paal opgehangen, om gezien te worden door allen die door de vurige slangen gebeten waren, opdat zij zouden genezen. Zie Num. 21:9.
[^johannes-3-14-m]: Verwijzing m: Joh. 8:28 en 12:32.
[^johannes-3-14-27]: Kanttekening 27: Namelijk aan het kruis, zoals Hij zelf verklaart. Joh. 12:32, 33.
[^johannes-3-15-28]: Kanttekening 28: Of: verloren gaat.
[^johannes-3-15-n]: Verwijzing n: Joh. 3:36.
[^johannes-3-16-o]: Verwijzing o: Rom. 5:8 en 8:31, 1 Joh. 4:9.
[^johannes-3-16-29]: Kanttekening 29: Gr. kosmos (κόσμος), wereld. God heeft de wereld liefgehad: dat wil zeggen, de mensheid in haar geheel. Zie Joh. 11:51-52. 1 Joh. 2:2. Van deze liefde van God zie uitgebreider Rom. 5:6, 8 en 8:32.
[^johannes-3-16-p]: Verwijzing p: Joh. 3:36, Luk. 19:10, 1 Joh. 5:10.
[^johannes-3-17-q]: Verwijzing q: Joh. 9:39, Luk. 9:56 en 12:47, 1 Joh. 4:14.
[^johannes-3-17-30]: Kanttekening 30: Gr. krinō (κρίνω), oordelen; dat wil zeggen: veroordelen of verdoemen.
[^johannes-3-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die uit de wereld in Hem zullen geloven, zowel heidenen als Joden.
[^johannes-3-18-r]: Verwijzing r: Joh. 5:24 en 6:40, 47 en 20:31.
[^johannes-3-18-32]: Kanttekening 32: Namelijk in het gericht van God, volgens de dreiging van de wet, als iemand die de oorzaak van de verdoemenis in zichzelf heeft.
[^johannes-3-19-s]: Verwijzing s: Joh. 1:5.
[^johannes-3-19-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: de verdoemenis, of de oorzaak van de verdoemenis.
[^johannes-3-19-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: Christus en zijn Evangelie.
[^johannes-3-20-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: ontdekt worden, en hij daarvan overtuigd wordt.
[^johannes-3-21-t]: Verwijzing t: Ef. 5:12.
[^johannes-3-21-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: die oprecht handelt.
[^johannes-3-21-37]: Kanttekening 37: Gr. en Theō ergazomai (ἐν Θεῷ ἐργάζομαι), in God gewrocht zijn. Dat wil zeggen: als in Gods aanwezigheid en naar zijn wil.
[^johannes-3-22-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: buiten Jeruzalem, in het land van Judea.
[^johannes-3-22-v]: Verwijzing v: Joh. 4:1.
[^johannes-3-22-39]: Kanttekening 39: Namelijk door zijn discipelen. Zie Joh. 4:2.
[^johannes-3-23-x]: Verwijzing x: Matt. 3:6, Mark. 1:5, Luk. 3:7.
[^johannes-3-23-40]: Kanttekening 40: Een plaats in de stam van Benjamin; zie 1 Sam. 9:4.
[^johannes-3-23-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: beken of riviertjes, of veel water. Omdat degenen die door Johannes gedoopt werden, met hun hele lichaam in het water gingen. Zie Matt. 3:16, Hand. 8:38.
[^johannes-3-24-y]: Verwijzing y: Matt. 14:3.
[^johannes-3-25-42]: Kanttekening 42: Of: geschil.
[^johannes-3-25-43]: Kanttekening 43: Namelijk over de vergelijking van de waardigheid van de doop van Johannes met de Joodse reinigingen; of van de doop van Johannes met de doop van de discipelen van Christus.
[^johannes-3-26-z]: Verwijzing z: Joh. 1:15, 26, 34, Matt. 3:11, Mark. 1:7, Luk. 3:16.
[^johannes-3-26-44]: Kanttekening 44: Namelijk de discipelen van Johannes.
[^johannes-3-26-45]: Kanttekening 45: Of: aan de Jordaan. Namelijk te Bethabara. Joh. 1:28.
[^johannes-3-26-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: zij komen in grote menigte.
[^johannes-3-27-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: geen ambt wettig en met behoorlijke voortgang en vrucht bedienen. Of: iets goeds ontvangen. Jak. 1:17, Hebr. 5:4.
[^johannes-3-27-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: van God. Zie Matt. 21:25.
[^johannes-3-28-a]: Verwijzing a: Joh. 1:20.
[^johannes-3-28-b]: Verwijzing b: Mal. 3:1, Matt. 11:10, Mark. 1:2, Luk. 1:17 en 7:27, Joh. 1:21, 23.
[^johannes-3-29-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: ik, die de vriend en getrouwe dienaar van de bruidegom ben, heb de bruid, dat is de gemeente, tot Christus haar bruidegom gebracht, die haar nu zelf ontvangt en aanspreekt. Zie 2 Kor. 11:2 en Ef. 5:25.
[^johannes-3-29-50]: Kanttekening 50: Wanneer hij zijn bruid ontvangt en aanspreekt.
[^johannes-3-31-c]: Verwijzing c: Joh. 8:23.
[^johannes-3-31-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: uit de hemel, als waarachtig God, zoals in de volgende woorden verklaard wordt.
[^johannes-3-31-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: die een gewoon mens is, op natuurlijke wijze voortgekomen, spreekt als een gewoon mens, hoewel hij met Gods Geest begaafd is.
[^johannes-3-32-d]: Verwijzing d: Joh. 5:30 en 8:26 en 12:49 en 14:10.
[^johannes-3-32-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: waarvan Hij uit Zichzelf volmaakte en zekere kennis heeft.
[^johannes-3-32-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: zeer weinigen, en bijna niemand, in vergelijking met de grote menigte van hen die het verwerpen, zoals uit het volgende vers blijkt.
[^johannes-3-33-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: door zijn geloof betuigt en bevestigt dat hij vasthoudt dat de beloften van God waarachtig zijn.
[^johannes-3-33-e]: Verwijzing e: Rom. 3:4.
[^johannes-3-34-f]: Verwijzing f: Ef. 4:7.
[^johannes-3-34-56]: Kanttekening 56: Gr. ek metrou (ἐκ μέτρου), uit maat. Dat wil zeggen: niet ten dele, zoals zijn dienaren, maar met alle volheid. Zie Ps. 45:8, Joh. 1:16.
[^johannes-3-35-g]: Verwijzing g: Matt. 11:27 en 28:18, Joh. 5:22 en 17:2, Luk. 10:22, Hebr. 1:8.
[^johannes-3-35-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: aan zijn macht onderworpen. Zie Matt. 28:18.
[^johannes-3-36-h]: Verwijzing h: Joh. 3:16 en 6:47, 1 Joh. 5:10.
[^johannes-3-36-58]: Kanttekening 58: Gr. apeitheō (ἀπειθέω), ongehoorzaam zijn. Dat wil zeggen: die naar zijn bevel niet in Hem gelooft. Rom. 1:5.
[^johannes-3-36-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: niet deelachtig worden. Ps. 34:13.

### Johannes 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/4.json)

*1 Christus maakt en doopt in Judea meer discipelen dan Johannes. 3 Vertrekt vandaar door Samaria naar Galilea, en rust onderweg, vermoeid zijnde, bij een bron. 7 Vraagt te drinken aan een Samaritaanse vrouw, met wie hij spreekt over het ware levende water. 16 Verklaart dat hij kennis had van haar vorige leven, waaruit zij besluit dat hij een profeet is. 20 En wordt door hem onderwezen over de ware aanbidding. 26 En dat hij de Messias is die komen zou. 28 Wat zij bericht aan de inwoners van haar stad, die tot hem uitkomen. 31 Hij verklaart zijn discipelen wat zijn voornaamste voedsel is, en dat nu de juiste tijd van de geestelijke oogst voorhanden is. 39 Velen van de Samaritanen geloven door het woord van de vrouw en vooral door zijn eigen woord in hem. 43 Komt weer in Galilea te Kana, waar hij de zoon van een koninklijke dienaar geneest.*

**1** Als dan[^johannes-4-1-1] de Heere verstond, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus[^johannes-4-1-2][^johannes-4-1-a] meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v1)

**2** (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v2)

**3** Zo[^johannes-4-3-3] verliet Hij Judea, en ging[^johannes-4-3-4] opnieuw heen naar Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v3)

**4** En Hij moest[^johannes-4-4-5] door Samaria gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v4)

**5** Hij kwam dan in een stad van Samaria, genoemd Sichar, nabij[^johannes-4-5-b] het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef[^johannes-4-5-6] gaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v5)

**6** En daar was[^johannes-4-6-7] de fontein van Jakob. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat zo neer naast de fontein. Het was ongeveer het[^johannes-4-6-8] zesde uur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v6)

**7** Er kwam een vrouw[^johannes-4-7-9] uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v7)

**8** (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden eten kopen.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v8)

**9** Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?[^johannes-4-9-10][^johannes-4-9-c] Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v9)

**10** Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u[^johannes-4-10-11] de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zou u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u[^johannes-4-10-12] levend water gegeven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v10)

**11** De vrouw zei tot Hem: Heere! U hebt niet om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt U dan[^johannes-4-11-d] het levend water? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v11)

**12** Bent U meerder dan onze[^johannes-4-12-13] vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn[^johannes-4-12-14] kinderen en zijn vee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v12)

**13** Jezus antwoordde, en zei tot haar:[^johannes-4-13-e] Een ieder, die van dit water drinkt, zal opnieuw dorsten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v13)

**14** [^johannes-4-14-f] Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten;[^johannes-4-14-g] maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v14)

**15** De vrouw zei tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v15)

**16** Jezus zei tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v16)

**17** De vrouw antwoordde en zei: Ik heb[^johannes-4-17-15] geen man. Jezus zei tot haar: U hebt wel gezegd: Ik heb geen man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v17)

**18** Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u met waarheid gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v18)

**19** De vrouw zei tot Hem: Heere,[^johannes-4-19-h] ik zie, dat U een profeet bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v19)

**20** Onze vaders hebben op deze[^johannes-4-20-16] berg aangebeden; en u zegt, dat[^johannes-4-20-i] te Jeruzalem de plaats is, waar men moet[^johannes-4-20-17] aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v20)

**21** Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader[^johannes-4-21-18] zult aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v21)

**22** [^johannes-4-22-k] U aanbidt,[^johannes-4-22-19] wat u niet weet; wij aanbidden, wat wij weten;[^johannes-4-22-l] want[^johannes-4-22-20] de zaligheid is uit de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v22)

**23** Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen[^johannes-4-23-21] in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v23)

**24** [^johannes-4-24-m] God is[^johannes-4-24-22] één Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v24)

**25** De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de[^johannes-4-25-23] Messias[^johannes-4-25-24] komt (Die genoemd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons[^johannes-4-25-25] alle dingen verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v25)

**26** Jezus zei tot haar:[^johannes-4-26-26][^johannes-4-26-n] Ik ben het, Die met u spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v26)

**27** En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: Wat vraagt U, of: Wat spreekt U met haar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v27)

**28** Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de[^johannes-4-28-27] stad en zei tot de[^johannes-4-28-28] mensen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v28)

**29** Kom, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft[^johannes-4-29-29] alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v29)

**30** [^johannes-4-30-30] Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v30)

**31** En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi,[^johannes-4-31-31] eet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v31)

**32** Maar Hij zei tot hen:[^johannes-4-32-32] Ik heb een voedsel om te eten, die u niet weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v32)

**33** Zo zeiden dan de discipelen tegen elkaar: Heeft Hem iemand te eten gebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v33)

**34** Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft, en[^johannes-4-34-33] Zijn werk[^johannes-4-34-34] volbrenge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v34)

**35** Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt[^johannes-4-35-35] de oogst? Zie, Ik zeg u: Hef uw ogen op en aanschouwt de landen;[^johannes-4-35-o] want zij zijn al wit[^johannes-4-35-36] om te oogsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v35)

**36** En die maait, ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich samen verblijde, zowel, die zaait als die maait. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v36)

**37** Want hierin is die[^johannes-4-37-37] spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v37)

**38** Ik heb[^johannes-4-38-38] u uitgezonden, om te maaien, wat u niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en u[^johannes-4-38-39] bent tot hun arbeid ingegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v38)

**39** En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v39)

**40** Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef daar twee dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v40)

**41** En er geloofden er veel meer[^johannes-4-41-40] omwille van Zijn woord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v41)

**42** En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer vanwege wat u zei;[^johannes-4-42-p] want wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze werkelijk is de Christus, de Zaligmaker van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v42)

**43** En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen[^johannes-4-43-41] naar Galilea; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v43)

**44** Want Jezus heeft Zelf getuigd,[^johannes-4-44-q] dat een profeet in zijn eigen[^johannes-4-44-42] vaderland geen eer heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v44)

**45** Als Hij dan in Galilea kwam,[^johannes-4-45-43] ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem[^johannes-4-45-44] op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v45)

**46** Zo kwam dan Jezus opnieuw[^johannes-4-46-r] te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker[^johannes-4-46-45] koninklijk hoveling, wiens zoon ziek was, te Kapernaüm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v46)

**47** Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij[^johannes-4-47-46] lag op zijn sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v47)

**48** Jezus dan zei tot hem:[^johannes-4-48-s] Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v48)

**49** De koninklijke hoveling zei tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v49)

**50** Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon[^johannes-4-50-47] leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zei, en ging heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v50)

**51** En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienaren tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v51)

**52** Zo vraagde hij dan van hen het uur, waarin het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren om[^johannes-4-52-48] zeven uur verliet hem de koorts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v52)

**53** De vader bekende dan, dat het in dit uur was, in die Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn hele huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v53)

**54** Dit tweede teken heeft Jezus opnieuw gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/4.html#v54)

[^johannes-4-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk Jezus.
[^johannes-4-1-2]: Kanttekening 2: En over zulks vreesden dat zij hun aanzien bij het volk meer zouden verliesen door hem, dan geschied was door Johannes: en dat zij daar over met jaloezie en haat tegen hem zo langer zo meer ontstoken werden. Joh. 11:48.
[^johannes-4-1-a]: Verwijzing a: Joh. 3:26.
[^johannes-4-3-3]: Kanttekening 3: Namelijk om hun lagen en geweld te ontgaan, omdat zijn uire noch niet gekomen en was. Joh. 7:30.
[^johannes-4-3-4]: Kanttekening 4: Waar uit hij tevoren naar Jeruzalem was vertrokken. cap. 2:12.
[^johannes-4-4-5]: Kanttekening 5: Omdat de kortste weg om van Judea naar Galileen te reizen, door het land van Samarien lagh. Luk. 9:51, 52. en 17:11.
[^johannes-4-5-b]: Verwijzing b: Gen. 33:19. en 48:22. Joz. 24:32.
[^johannes-4-5-6]: Kanttekening 6: Namelijk bij testamente. Zie Gen. 48:22, op welk stuk lands ook Jozefs beenderen begraven zijn. Joz. 24:32.
[^johannes-4-6-7]: Kanttekening 7: Dit is een bron geweest in datzelfde stuk landts, of een put die Jakob heeft doen graven, zoals zijn voorvaders.
[^johannes-4-6-8]: Kanttekening 8: Dat is, omtrent de middach, als de zon op het heetste is. Zie Joh. 11:9.
[^johannes-4-7-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: zijnde uit het land van Samarien en komende uit Sichar, welk stedeken in het land van Samarien lag, vers 5, anders ook genaamd Sichem. Gen. 33:19.
[^johannes-4-9-10]: Kanttekening 10: De oorsake hier van zie op de aant. Luk. 9:53.
[^johannes-4-9-c]: Verwijzing c: Luk. 9:52, 53. Joh. 8:48.
[^johannes-4-10-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: my, die de mensen tot een zaligmaker van God gegeven ben. Rom. 8:32.
[^johannes-4-10-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: levendmakend, waar mee bij gelijkenis verstaan wordt de gave van de Heilige Geest, door welke wij wedergeboren en verkwikt worden ten eeuwigen leven. In zodanige wijze, dat hoewel wij soms wel dorsten naar troost in zware vallen en aanvechtingen, evenwel toch door deze genade van de Heilige Geest daardoor opnieuw verkwikt en gesterkt worden, dat wij nooit in wanhoop vervallen, noch verloren gaan. Zie Jes. 12:3. Joh. 6:35. en 7:38, 39.
[^johannes-4-11-d]: Verwijzing d: Jer. 2:13.
[^johannes-4-12-13]: Kanttekening 13: De Samaritanen roemden dat zij afkomstich waren van Jakob door Jozef, hoewel zij meest alle uit de heidenen waren, die uit Assyrien daar waren gebracht. Zie 2 Kon. capit. 17. en Josephus, Antiq. lib. 9.
[^johannes-4-12-14]: Kanttekening 14: Gr. sonen.
[^johannes-4-13-e]: Verwijzing e: Joh. 6:58.
[^johannes-4-14-f]: Verwijzing f: Joh. 3:16. en 6:35. en 6:27, 54.
[^johannes-4-14-g]: Verwijzing g: Joh. 7:38.
[^johannes-4-17-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: geen getrouwde man.
[^johannes-4-19-h]: Verwijzing h: Luk. 7:16. en 24:19. Joh. 6:14.
[^johannes-4-20-16]: Kanttekening 16: Namelijk de berg Garizim, alwaar Manasse, de broer van de Hogepriester Jaddus, getrouwt hebbende, tegen de wet van de Joden, de dochter van een Samaritaanschen Oversten Sanaballath (zie Neh. 6.) en daar over verstooten zijnde, heeft hem tot de Samaritanen begeven, en door toedoen van zijn Schoonvader, een nieuwen Tempel op die berg gebouwd, en een scheuring aangericht, en is daar tot Hooge-priester gesteld. Waar door namaals tusschen de Joden en Samaritanen grote twist is ontstaan, over de plaats waar men behoorde aan te bidden. Zie 2 Mak. 6:2. Josephus, Antiq. lib. 11. cap. 8.
[^johannes-4-20-i]: Verwijzing i: Deut. 12:5, 11. 1 Kon. 9:3. 2 Kron. 7:12.
[^johannes-4-20-17]: Kanttekening 17: Door aanbidden wordt hier verstaan de geheele openbare en uiterlijke Gods-dienst.
[^johannes-4-21-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: niet zult gehouden zijn op die plaatsen meer dan op andere aan te bidden. 1 Tim. 2:8.
[^johannes-4-22-k]: Verwijzing k: 2 Kon. 17:29.
[^johannes-4-22-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: daar van u niet bent verzekerd, dat God daar wil gediend zijn, omdat u daar van geen gebod en hebt, zoals wij Joden hebben van de Gods-dienst in de Tempel te Jeruzalem te doen: zoals ook niet, dat God op dezelfde manier wil gediend zijn, als u hem dient.
[^johannes-4-22-l]: Verwijzing l: Gen. 12:3. en 18:18. en 22:18. en 26:4. Hebr. 7:14.
[^johannes-4-22-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: de Zaligmaker en de zaligmakende leer. Rom. 9:5. Jes. 2:3.
[^johannes-4-23-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: niet gebonden zijnde aan zekere plaats of uitwendige ceremonien, zoals in 't Oude Testament.
[^johannes-4-24-m]: Verwijzing m: 2 Kor. 3:17.
[^johannes-4-24-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: een geestlijk onsienlijk wesen, en wil daarom gediend worden met een dienst, die met zijn nature over een komt, dat is, die inwendich en geestlijk is, voortkomende uit een oprecht en gelovig hart. Rom. 12:1, 2.
[^johannes-4-25-23]: Kanttekening 23: Zie van dit woord Joh. 1:42.
[^johannes-4-25-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: haast komen zal.
[^johannes-4-25-25]: Kanttekening 25: Namelijk die tot de Gods-dienst en ter zaligheid noodig zijn.
[^johannes-4-26-26]: Kanttekening 26: Namelijk de Messias, daar u van zegt dat hij komen zal.
[^johannes-4-26-n]: Verwijzing n: Joh. 9:37.
[^johannes-4-28-27]: Kanttekening 27: Namelijk Sichar, vers 5.
[^johannes-4-28-28]: Kanttekening 28: Gr. mensen, namelijk van die stadt.
[^johannes-4-29-29]: Kanttekening 29: Namelijk ook heimelijke en verborgen zaken.
[^johannes-4-30-30]: Kanttekening 30: Namelijk de inwoonders van Sichar.
[^johannes-4-31-31]: Kanttekening 31: Namelijk van deze spijse, die wij tot het middachmaal gekocht hebben.
[^johannes-4-32-32]: Kanttekening 32: Dit wordt verklaard vers 34.
[^johannes-4-34-33]: Kanttekening 33: Namelijk dat my de Vader opgeleght heeft, om het Evangelium te prediken, als de mensen tot my komen, zoals de Samaritanen meteen doen zouden.
[^johannes-4-34-34]: Kanttekening 34: Of, voleynde.
[^johannes-4-35-35]: Kanttekening 35: Namelijk de lichamelijke ooghst, welke begon in Judea van Paschen aan. Zie Lev. 23:10, 15. Deut. 16:9.
[^johannes-4-35-o]: Verwijzing o: Matt. 9:37. Luk. 10:2.
[^johannes-4-35-36]: Kanttekening 36: Gr. tot de oogst. Dit moet verstaan worden van een geestelijken ooghst, welke hier waren de Samaritanen, die met menigte over de velden kwamen, om Christum te hooren, en daarom als rijp waren om geestelijk ge-oogst, dat is, tot de Gemeynte gebracht te worden.
[^johannes-4-37-37]: Kanttekening 37: Gr. woord, of, reden.
[^johannes-4-38-38]: Kanttekening 38: Namelijk Apostelen.
[^johannes-4-38-39]: Kanttekening 39: Namelijk de voorgaande Profeten, en Johannes de Dooper, welke Christus hier voren bij zaeyers vergelijkt, zoals de Apostelen bij maeyers.
[^johannes-4-41-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: omdat zij hem zelf nu gehoord, en de kracht van zijn woord gevoeld hadden.
[^johannes-4-42-p]: Verwijzing p: Joh. 17:8.
[^johannes-4-43-41]: Kanttekening 41: Namelijk niet naar Nazareth, maar naar Cana, zoals blijkt uit het 46 vers.
[^johannes-4-44-q]: Verwijzing q: Matth 13:57. Mark. 6:4. Luk. 4:24.
[^johannes-4-44-42]: Kanttekening 42: Hier wordt reden gegeven waarom hij naar Cana, en andere steden van Galeen ging en niet naar Nazareth. Zie Matt. 13:54, 57.
[^johannes-4-45-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: namen zijn leer aan.
[^johannes-4-45-44]: Kanttekening 44: Namelijk van Paschen.
[^johannes-4-46-r]: Verwijzing r: Joh. 2:1, 11.
[^johannes-4-46-45]: Kanttekening 45: Gr. Conincklijk. namelijk officier of Heer, in dienst, of uit het hof van de koning Herodes, welke sommige meynen dat Chusa zou geweest zijn, de Rentmeester van Herodes, wiens huisvrouwe Ioanna, beneffens andere vrouwen, de Heer Christus dienden van haar goederen, Luk. 8:3. 'twelk ook het 53 vers schijnt te bevestigen.
[^johannes-4-47-46]: Kanttekening 46: Gr. hij zou sterven.
[^johannes-4-48-s]: Verwijzing s: 1 Kor. 1:22.
[^johannes-4-50-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: is weer gesont geworden, en van het sterven voor deze tijd bevrijd.
[^johannes-4-52-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: omtrent een uire na de middag.

### Johannes 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/5.json)

*1 Christus gaat weer naar Jeruzalem op het feest, en geneest daarop de sabbat een mens die 38 jaar ziek gelegen had, bij het badwater Bethesda. 8 Die op Christus' bevel zijn bed wegdraagt, en door de Joden daarover bestraft wordt en zich beroept op Christus. 16 Waarom de Joden Christus zoeken te doden, als iemand die de sabbat brak en zichzelf aan God gelijkmaakte. 19 Christus verdedigt zijn doen, en betuigt dat hij zijn Vader gelijk is in al zijn werken, zoals het leven geven. 22 Oordelen. 23 Goddelijke eer aannemen. 24 Zalig maken. 25 Opwekken uit de doden. 31 Beroept zich verder op het getuigenis van zijn Vader. 33 Van Johannes. 36 En van zijn wonderwerken. 38 Bestraft het ongeloof van de Joden. 39 En wijst hen naar het onderzoeken van de Schriften. 45 Ook de Schriften van Mozes zelf.*

**1** Na deze was[^johannes-5-1-1] een[^johannes-5-1-a] feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v1)

**2** En er is te Jeruzalem aan de[^johannes-5-2-2] Schaapspoort,[^johannes-5-2-3] een badwater, dat in het Hebreeuws toegenaamd wordt[^johannes-5-2-4] Bethesda, hebbende vijf[^johannes-5-2-5] zalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v2)

**3** In deze lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen,[^johannes-5-3-6] verdorden, wachtende op de roering van het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v3)

**4** Want een engel daalde neer op[^johannes-5-4-7] zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v4)

**5** En daar was een zeker mens, die acht en dertig jaren[^johannes-5-5-8] ziek gelegen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v5)

**6** Jezus, ziende deze liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zei tot hem: Wilt u gezond worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v6)

**7** De zieke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v7)

**8** Jezus zei tot hem:[^johannes-5-8-b] Sta op,[^johannes-5-8-9] neem uw bed op, en wandel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v8)

**9** En meteen werd de mens gezond, en nam zijn bed op en wandelde.[^johannes-5-9-c] En het was sabbat op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v9)

**10** De Joden zeiden dan tot degene, die genezen was:[^johannes-5-10-d] Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het bed te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v10)

**11** Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw bed op, en wandel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v11)

**12** Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw bed op, en wandel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v12)

**13** En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was[^johannes-5-13-10] ontweken,[^johannes-5-13-11] zo er een grote menigte in die plaats was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v13)

**14** Daarna vond hem Jezus in de tempel, en zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden;[^johannes-5-14-e] zondig niet meer, opdat u niet wat ergers gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v14)

**15** De mens ging heen, en boodschapte de Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v15)

**16** En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v16)

**17** En Jezus antwoordde hun:[^johannes-5-17-12][^johannes-5-17-f] Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v17)

**18** [^johannes-5-18-g] Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat[^johannes-5-18-13] brak, maar ook zei, dat God Zijn[^johannes-5-18-14] eigen Vader was, Zichzelf voor God gelijkenis makende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v18)

**19** Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-5-19-h] De Zoon kan niets[^johannes-5-19-15] van Zichzelf doen, tenzij Hij de Vader[^johannes-5-19-16] dat ziet doen;[^johannes-5-19-i] want zo wat[^johannes-5-19-17] Die doet,[^johannes-5-19-18] het doet ook de Zoon evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v19)

**20** Want de Vader heeft de Zoon lief, en[^johannes-5-20-19][^johannes-5-20-k] toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem[^johannes-5-20-20] groter werken tonen dan[^johannes-5-20-21] deze,[^johannes-5-20-22] opdat u zich verwondert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v20)

**21** Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v21)

**22** Want ook de Vader[^johannes-5-22-23] oordeelt niemand,[^johannes-5-22-l] maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v22)

**23** Opdat zij allen de Zoon eren, zoals zij de Vader eren.[^johannes-5-23-m] Die de Zoon niet eer, eer de Vader niet, Die Hem gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v23)

**24** [^johannes-5-24-n] Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die[^johannes-5-24-24] heeft het eeuwige leven, en komt[^johannes-5-24-o] niet in[^johannes-5-24-25] de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v24)

**25** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-5-25-26] Het uur komt, en is nu,[^johannes-5-25-p] wanneer[^johannes-5-25-27] de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die[^johannes-5-25-28] ze gehoord hebben, zullen[^johannes-5-25-29] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v25)

**26** Want zoals de Vader[^johannes-5-26-30] het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon[^johannes-5-26-31] gegeven, het leven te hebben in Zichzelf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v26)

**27** En heeft Hem macht gegeven, ook[^johannes-5-27-32] gericht te houden,[^johannes-5-27-33] omdat Hij van de Mensen Zoon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v27)

**28** [^johannes-5-28-34] Verwonder u daar niet over, want het uur[^johannes-5-28-35] komt,[^johannes-5-28-q] waarin allen, die in de graven zijn,[^johannes-5-28-36] Zijn stem zullen horen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v28)

**29** [^johannes-5-29-r] En zullen uitgaan,[^johannes-5-29-37] die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding[^johannes-5-29-38] van de verdoemenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v29)

**30** Ik kan[^johannes-5-30-39] van Mijzelf niets doen. Zoals Ik[^johannes-5-30-40] hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig;[^johannes-5-30-s] want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v30)

**31** [^johannes-5-31-t] Als[^johannes-5-31-41] Ik van Mijzelf getuig, Mijn getuigenis is[^johannes-5-31-42] niet waarachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v31)

**32** Er[^johannes-5-32-v] is[^johannes-5-32-43] een ander, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, die hij van Mij getuigt, waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v32)

**33** [^johannes-5-33-x] U hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft[^johannes-5-33-44] van de waarheid getuigenis gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v33)

**34** Maar Ik neem geen getuigenis[^johannes-5-34-45] van een mens; maar dit zeg[^johannes-5-34-46] Ik, opdat u zou behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v34)

**35** Hij was een brandende en[^johannes-5-35-47] lichtende kaars; en u hebt u voor een[^johannes-5-35-48] korte tijd[^johannes-5-35-49] in zijn licht willen verheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v35)

**36** [^johannes-5-36-y] Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan die van Johannes;[^johannes-5-36-z] want[^johannes-5-36-50] de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelfde werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v36)

**37** [^johannes-5-37-a] En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij[^johannes-5-37-51][^johannes-5-37-52] getuigd. U hebt noch Zijn stem ooit gehoord,[^johannes-5-37-b] noch Zijn gedaante gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v37)

**38** En Zijn woord hebt u niet in u blijvende; want u gelooft Die niet, Die Hij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v38)

**39** [^johannes-5-39-53][^johannes-5-39-e_c_] Onderzoek de Schriften; want u denkt in deze[^johannes-5-39-54] het eeuwige leven te hebben; en[^johannes-5-39-d] die zijn het, die van Mij getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v39)

**40** En u wilt[^johannes-5-40-55] tot Mij niet komen, opdat u het leven mag hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v40)

**41** Ik neem geen[^johannes-5-41-56] eer van mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v41)

**42** Maar Ik ken u, dat u de liefde van God in uzelf niet hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v42)

**43** Ik ben gekomen[^johannes-5-43-57] in de Naam van Mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; zo[^johannes-5-43-58] een ander komt[^johannes-5-43-59] in zijn eigen naam, die zult u aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v43)

**44** [^johannes-5-44-e] Hoe kunt u geloven, u, die eer van elkaar[^johannes-5-44-60] neemt, en de eer, die[^johannes-5-44-61] van God alleen is, niet zoekt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v44)

**45** Denk niet, dat Ik u[^johannes-5-45-62] aanklagen zal bij de Vader; die u aanklaagt, is[^johannes-5-45-63] Mozes,[^johannes-5-45-64] op wie u gehoopt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v45)

**46** Want als u Mozes geloofde, zo zou u Mij geloven;[^johannes-5-46-f] want hij heeft van Mij geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v46)

**47** Maar zo u[^johannes-5-47-65] zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn[^johannes-5-47-66] woorden geloven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/5.html#v47)

[^johannes-5-1-1]: Kanttekening 1: Dit schijnt geweest te zijn het Paschen-feest, zoals afgenomen wordt uit Joh. 4:35, omdat tusschen die tijd en Paschen geen ander feest en kwam, en de ooghst van Paschen begon. Lev. 23:10. Zo dat dit het tweede Paschen zou zijn na de doop van Christus.
[^johannes-5-1-a]: Verwijzing a: Lev. 23:2. Deut. 16:1.
[^johannes-5-2-2]: Kanttekening 2: Of, Schapemerckt: zo wordt deze plaats genaamd, omdat de schapen, die tot offeranden gebruikt werden, of daar verkocht, of door dezelfde poorte ingebracht werden, als zijnde nabij de Tempel. Zie Neh. 3:1, 32. en 12:39.
[^johannes-5-2-3]: Kanttekening 3: Of, vijver. Vele meynen dat dit de vijver is geweest, van welke men leest, 2 Kon. 20:20, waar in de offer-beesten schijnen gewasschen geweest te zijn, eerse in de Tempel werden gebracht.
[^johannes-5-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: een huis van de uitstorting, namelijk van wateren, omdat het water door zekere gangen in de vijver geleid werd. Of, zoals de Syrische vertaling leest, Bethchesda, dat wil zeggen: een huis van de weldadigheid, omdat de zieken hier verzorgd, en sommige door dit bijzonder mirakel genezen werden.
[^johannes-5-2-5]: Kanttekening 5: Gr. galeryen, panden. dat wil zeggen: kamers, daar de zieken in waren.
[^johannes-5-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk aan enige leden.
[^johannes-5-4-7]: Kanttekening 7: Die toch de mensen onbekend was.
[^johannes-5-5-8]: Kanttekening 8: Gr. in ziekte had. dat wil zeggen: over gebracht had.
[^johannes-5-8-b]: Verwijzing b: Matt. 9:6. Mark. 2:11. Luk. 5:24.
[^johannes-5-8-9]: Kanttekening 9: Namelijk tot bewijs van Gods genade tegen u, en van uwe volkomen genesing door my wonderbaarlijk geschied. Anders was 't niet geoorloofd zonder nood lasten te dragen op de Sabbath. Jer. 17:22, 24, 27. Van dit Gr. woord Krabbaton (κράβαττόν), Zie Mark. 2:4.
[^johannes-5-9-c]: Verwijzing c: Joh. 9:14.
[^johannes-5-10-d]: Verwijzing d: Ex. 20:10. Deut. 5:13. Jer. 17:21. Matt. 12:2. Mark. 2:24. Luk. 6:2.
[^johannes-5-13-10]: Kanttekening 10: Gr. uitgezwommen.
[^johannes-5-13-11]: Kanttekening 11: Of, uit de schare, die in die plaats was.
[^johannes-5-14-e]: Verwijzing e: Matt. 12:45. Joh. 8:11.
[^johannes-5-17-12]: Kanttekening 12: Christus verantwoordt hem zelf met het exempel van God zijn Vader, omdat de Joden hem of hadden tegen geworpen, of konden tegen werpen, dat God zelf op de Sabbath van zijn werken gerust heeft. Gen. 2:2. Ex. 20:11. namelijk hoewel God gerust heeft van de werken van de schepping, dat hij evenwel noch werkt, ook op Sabbath-dagen, in 't onderhouden en regeren van alle schepselen.
[^johannes-5-17-f]: Verwijzing f: Joh. 14:10.
[^johannes-5-18-g]: Verwijzing g: Joh. 7:19.
[^johannes-5-18-13]: Kanttekening 13: Gr. ontbond. namelijk naar hun gevoelen.
[^johannes-5-18-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: zijn natuurlijke Vader, van 't zelfde wesen en macht, zoals dit de Joden uit Christus' woorden wel besloten. En zo wordt ook Christus de eigen Zoon van God genaamd, Rom. 8:32.
[^johannes-5-19-h]: Verwijzing h: Joh. 5:30. en 8:38. en 9:4.
[^johannes-5-19-15]: Kanttekening 15: Namelijk zonder de macht en wille van de Vader, die hij met de Vader gemeen heeft. Joh. 10:30, zo dat zoals de Vader alles werkt door de Zoon, zo ook de Zoon niet werkt dan van de Vader door dezelfde kracht.
[^johannes-5-19-16]: Kanttekening 16: Gr. yet, dat is, 't zelfde.
[^johannes-5-19-i]: Verwijzing i: Jes. 54:5. Joh. 10:30. en 14:9. en 17:5.
[^johannes-5-19-17]: Kanttekening 17: Namelijk de Vader.
[^johannes-5-19-18]: Kanttekening 18: Dat is, hetzelfde werk, en door dezelfde goddelijke kracht. Joh. 1:3. Kol. 1:16. Hebr. 1:3.
[^johannes-5-20-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: maakt de Zoon al zijn werken gemeen, zodat de Vader alles door de Zoon werkt als door een medewerker met de Vader, zoals uit het volgende blijkt.
[^johannes-5-20-k]: Verwijzing k: Joh. 1:2. en 3:35. en 7:16. en 8:28. en 14:24.
[^johannes-5-20-20]: Kanttekening 20: Namelijk die daar na verhaald worden versen 21, 22.
[^johannes-5-20-21]: Kanttekening 21: Namelijk deze en dergelijke genesingen.
[^johannes-5-20-22]: Kanttekening 22: Of, zo dat u u verwonderen zult.
[^johannes-5-22-23]: Kanttekening 23: Namelijk alleen, zonder de Zoon: maar oordeelt en regeert alles door de Zoon. Joh. 3:35, en 17:2.
[^johannes-5-22-l]: Verwijzing l: Matt. 11:27. Joh. 3:35.
[^johannes-5-23-m]: Verwijzing m: 1 Joh. 2:23.
[^johannes-5-24-n]: Verwijzing n: Joh. 3:18. en 6:40, 47. en 8:51.
[^johannes-5-24-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: heeft daar van het begin en vaste sekerheid. Rom. 8:24. Ef. 2:6. 1 Joh. 3:2.
[^johannes-5-24-o]: Verwijzing o: Luk. 23:43.
[^johannes-5-24-25]: Kanttekening 25: Gr. oordeel. dat wil zeggen: veroordeling.
[^johannes-5-25-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de tijd. namelijk dat de mensen in meerder menigte en met grooter kracht door de prediking van het Evangelie uit de dood van de zonden, tot een geestlijk leven zullen opgeweckt worden.
[^johannes-5-25-p]: Verwijzing p: Ef. 2:1, 5. 1 Tim. 5:6.
[^johannes-5-25-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: die geestelijk dood zijn door de misdaden, en zonden. Ef. 2:1, 5.
[^johannes-5-25-28]: Kanttekening 28: Namelijk zodat zij die ook door het geloof hebben aangenomen. Joh. 1:12.
[^johannes-5-25-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: een nieuw geestlijk leven krijgen, welk genaamd wordt de eerste opstanding Openb. 20:6. Zie van dit geestelijk leven, Rom. 6:4. Gal. 2:20.
[^johannes-5-26-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: het goddelijk wesen, het welk in hem zelf het leven is, en een oorzaak, en een bron van het leven in allen. Zie Ps. 36:10.
[^johannes-5-26-31]: Kanttekening 31: Namelijk hetzelfde goddelijk wesen door de eeuwige geboorte uit de Vader. Ps. 2:7. Mich. 5:1.
[^johannes-5-27-32]: Kanttekening 32: Gr. oordeel te doen. dat wil zeggen: om alles te regeren met macht van leven en dood, en voornamelijk ten uitersten dage. Matt. 28:18. Rom. 14:9. Openb. 1:18.
[^johannes-5-27-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: omdat hij in eenheid van zijn persoon de menselijke nature aangenomen hebbende, van God tot een Middelaar en rechter is gesteld, en 't zelfde ampt ook als mens zal uitrichten. Dan. 7:13. Hand. 10:42. en 17:31. Joh. 17:2.
[^johannes-5-28-34]: Kanttekening 34: Namelijk alsof ik my al te grote dingen zou toeschrijven. Want ik zal noch grooter dingen doen, namelijk alle doode opwekken, zoals volght.
[^johannes-5-28-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: zal komen.
[^johannes-5-28-q]: Verwijzing q: 1 Thess. 4:16.
[^johannes-5-28-36]: Kanttekening 36: Van deze stemme ziet, 1 Kor. 15:52. en 1 Thess. 4:16.
[^johannes-5-29-r]: Verwijzing r: Dan. 12:2. Matt. 25:34, 46.
[^johannes-5-29-37]: Kanttekening 37: Zie hier van Matt. 25:46.
[^johannes-5-29-38]: Kanttekening 38: Gr. van het oordeel.
[^johannes-5-30-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: zonder de macht en wille van de Vader, die ik met hem gemeen hebbe, zoals ook 't geheele goddelijk wesen.
[^johannes-5-30-40]: Kanttekening 40: Namelijk van de Vader, dat is, zo my de Vader voorgaat en beveelt.
[^johannes-5-30-s]: Verwijzing s: Joh. 6:38.
[^johannes-5-31-t]: Verwijzing t: Joh. 8:14.
[^johannes-5-31-41]: Kanttekening 41: Namelijk alleen.
[^johannes-5-31-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: u soudt daar aan konnen twijfelen. Want andersins is Christus' getuigenis in sich zelf altijd waarachtig en aannemelijk. Zie Joh. 8:14.
[^johannes-5-32-v]: Verwijzing v: Jes. 42:1. Matt. 3:17. en 17:5.
[^johannes-5-32-43]: Kanttekening 43: Namelijk mijn Vader. Zie vers 37.
[^johannes-5-33-x]: Verwijzing x: Joh. 1. versen 15, 19, 27.
[^johannes-5-33-44]: Kanttekening 44: Namelijk van my.
[^johannes-5-34-45]: Kanttekening 45: Namelijk alsof ik het voor my van nooden had.
[^johannes-5-34-46]: Kanttekening 46: Namelijk zo u Johannes' getuigenis gelooft.
[^johannes-5-35-47]: Kanttekening 47: Of, schijnende, namelijk met leer en leven.
[^johannes-5-35-48]: Kanttekening 48: Gr. uire, dat is, een korte tijd.
[^johannes-5-35-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zijn leer met vreugde willen aannemen.
[^johannes-5-36-y]: Verwijzing y: 1 Joh. 5:9.
[^johannes-5-36-z]: Verwijzing z: Joh. 10:25.
[^johannes-5-36-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: wonderwerken, zoals Joh. 10:37.
[^johannes-5-37-a]: Verwijzing a: Matt. 3:17. en 17:5. Mark. 1:11. en 9:7. Luk. 3:22. en 9:35. Joh. 1:33. en 6:27. en 8:18. 2 Petr. 1:17.
[^johannes-5-37-51]: Kanttekening 51: Namelijk als ik van Johannes gedoopt werd. Zie Matt. 3:17.
[^johannes-5-37-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: al is 't dat u daar van seer roemt, dat uwe vaders Gods stemme gehoord, en hem in enige openbaringen gezien hebben, toch toont u inderdaad, dat u hem noch gehoord nocht gezien en hebbet, dat is, dat u geen ware kennis van hem en zijn woord en hebt, omdat u in my, zijn Zoon, niet gelooft.
[^johannes-5-37-b]: Verwijzing b: Deut. 4:12. Ex. 33:20. 1 Tim. 6:16. 1 Joh. 4:12.
[^johannes-5-39-53]: Kanttekening 53: Of, U ondersoeckt.
[^johannes-5-39-e_c_]: Verwijzing e\[c\]: Jes. 34:16. Luk. 16:29. Hand. 17:11.
[^johannes-5-39-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: dat de weg om het eeuwige leven te verkrijgen, in dezelfde geleerd en aangewesen wordt, welke een goede meening was.
[^johannes-5-39-d]: Verwijzing d: Deut. 18:18. Luk. 24:27. Joh. 1:46.
[^johannes-5-40-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: in my niet gelooven.
[^johannes-5-41-56]: Kanttekening 56: Gr. heerlijkheid, dat is, ik zeg dit niet uit eerzucht, maar tot de eere mijns Vaders, en tot uwe zaligheid.
[^johannes-5-43-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: van de Vader gesteld en gezonden.
[^johannes-5-43-58]: Kanttekening 58: Namelijk valse leraar, of valse Christus. Zie Matt. 24:5, 24. Hand. 5:36.
[^johannes-5-43-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: van selfs hem opwerpende, zonder van God gezonden te zijn.
[^johannes-5-44-e]: Verwijzing e: Joh. 12:43.
[^johannes-5-44-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zoekt.
[^johannes-5-44-61]: Kanttekening 61: Of, van de enige God. Namelijk dat u door het ware geloof zijn kinderen en erfgenamen mag worden. Joh. 1:12.
[^johannes-5-45-62]: Kanttekening 62: Of, beschuldigen: dat is, dat ik u zal behoeven te beschuldigen.
[^johannes-5-45-63]: Kanttekening 63: Of, daar is een die u verklaagt, namelijk Moses, dat wil zeggen: de schriften van Mozes. Luk. 16:29.
[^johannes-5-45-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: in welke schriften u vertrouwt het eeuwige leven te vinden. Zie vers 39.
[^johannes-5-46-f]: Verwijzing f: Gen. 3:15. en 22:18. en 26:4. en 28:14. Deut. 18:18.
[^johannes-5-47-65]: Kanttekening 65: Namelijk Die u zo hooge achtet.
[^johannes-5-47-66]: Kanttekening 66: Namelijk Die u zo weynig achtet.

### Johannes 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/6.json)

*1 Christus voedt met vijf broden en twee vissen vijfduizend mannen. 14 Die hem daarom tot koning willen maken, maar hij ontwijkt hen. 16 Wandelt in de nacht op de zee en komt tot zijn discipelen in het schip. 22 Wordt door de menigte gezocht en te Kapernaüm gevonden. 26 Die hij vermaant het onvergankelijke voedsel te zoeken, dat door het geloof te vin den is. 41 Waarover de Joden morren. 43 Christus antwoordt hun dat het geloof in hem van de Vader komt, en leert dat zijn vlees het ware voedsel en zijn bloed de ware drank is, die men eten en drinken moet om het eeuwige leven te verkrijgen. 59 Aan welke leer velen van zijn discipelen te Kapernaüm zich stoten. 61 Waarom Christus hen onderricht over de ware zin van zijn woorden. 66 Velen van zijn discipelen verlaten hem. 67 Petrus en de andere apostelen belijden dat hij de woorden van het leven heeft en blijven bij hem. 70 Maar Christus verklaart dat één van hen een duivel is.*

**1** Na deze vertrok Jezus[^johannes-6-1-1] over de zee van Galilea, die is de[^johannes-6-1-2] zee van Tiberias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v1)

**2** En Hem[^johannes-6-2-3] volgde een grote menigte, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v2)

**3** En Jezus ging op[^johannes-6-3-4] de berg, en zat daar neer met Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v3)

**4** En[^johannes-6-4-5] het pascha,[^johannes-6-4-a] het feest van de Joden, was nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v4)

**5** [^johannes-6-5-b] Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote menigte tot Hem kwam, zei tot Filippus:[^johannes-6-5-6] Vanwaar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v5)

**6** (Maar dit zei Hij, hem beproevende; want Hij[^johannes-6-6-7] wist Zelf, wat Hij doen zou.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v6)

**7** Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd[^johannes-6-7-8] penningen brood is voor deze niet genoeg, opdat ieder van hen een weinig neme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v7)

**8** Één van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v8)

**9** Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee[^johannes-6-9-9] visjes; maar[^johannes-6-9-c] wat zijn deze onder zo velen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v9)

**10** En Jezus zei: Doe de mensen[^johannes-6-10-10] nederzitten. En er was veel[^johannes-6-10-11] gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neer, ongeveer[^johannes-6-10-12] vijf duizend in getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v10)

**11** En Jezus nam de broden,[^johannes-6-11-d] en[^johannes-6-11-13] gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen degenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel[^johannes-6-11-14] zij wilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v11)

**12** En als zij[^johannes-6-12-15] verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten stukken brood, opdat er niets verloren ga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v12)

**13** Zij verzamelden ze dan, en vulden twaalf manden met stukken brood van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren degenen, die gegeten hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v13)

**14** De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden:[^johannes-6-14-e] Deze is werkelijk[^johannes-6-14-16] de Profeet, Die in de[^johannes-6-14-17] wereld komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v14)

**15** Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem[^johannes-6-15-18] Koning maakten,[^johannes-6-15-19] ontweek opnieuw op de berg, Hij Zelf alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v15)

**16** [^johannes-6-16-f] En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v16)

**17** En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij[^johannes-6-17-20] over de zee naar Kapernaüm. En het was al[^johannes-6-17-21] duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v17)

**18** En de zee verhief zich, omdat er een grote wind waaide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v18)

**19** En als zij ongeveer vijf en twintig of dertig[^johannes-6-19-22] stadiën[^johannes-6-19-23] gevaren waren, zagen zij Jezus,[^johannes-6-19-24] wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v19)

**20** Maar Hij zei tot hen: Ik ben het; wees niet bevreesd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v20)

**21** [^johannes-6-21-25] Zij hebben dan Hem gewillig in het schip genomen; en meteen kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v21)

**22** Op de andere dag de menigte, die aan[^johannes-6-22-26] de andere zijde van de zee stond, ziende, dat daar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v22)

**23** (Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere[^johannes-6-23-27] gedankt had.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v23)

**24** Toen dan de menigte zag, dat Jezus daar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v24)

**25** En als zij Hem gevonden hadden[^johannes-6-25-28] over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v25)

**26** Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: u zoekt Mij,[^johannes-6-26-29] niet omdat u tekenen gezien hebt, maar[^johannes-6-26-30] omdat u van de broden gegeten hebt, en verzadigd bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v26)

**27** [^johannes-6-27-31][^johannes-6-27-g] Werk niet om het voedsel, die vergaat, maar[^johannes-6-27-32] om het voedsel, die blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal;[^johannes-6-27-h] want Deze heeft God de Vader[^johannes-6-27-33] verzegeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v27)

**28** Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij[^johannes-6-28-34] de werken van God mogen werken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v28)

**29** Jezus antwoordde en zei tot hen:[^johannes-6-29-i] Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v29)

**30** Zij zeiden dan tot Hem:[^johannes-6-30-35] Wat[^johannes-6-30-k] teken doet U dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v30)

**31** [^johannes-6-31-l] Onze vaders hebben het[^johannes-6-31-36] Manna gegeten in de woestijn; zoals geschreven is:[^johannes-6-31-m] Hij gaf hun het brood[^johannes-6-31-37] uit de hemel te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v31)

**32** Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel; maar Mijn Vader geeft u dat[^johannes-6-32-38] ware Brood uit de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v32)

**33** Want[^johannes-6-33-39] het Brood Gods is[^johannes-6-33-40] Hij, Die uit de hemel[^johannes-6-33-41] neerdaalt, en Die[^johannes-6-33-42] van de wereld het leven geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v33)

**34** Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons[^johannes-6-34-43] altijd dit Brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v34)

**35** En Jezus zei tot hen: Ik ben het Brood[^johannes-6-35-44] van het leven; die tot Mij komt,[^johannes-6-35-46] zal in geen geval hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.[^johannes-6-35-n][^johannes-6-35-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v35)

**36** Maar Ik heb u gezegd, dat u Mij ook gezien hebt, en u gelooft niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v36)

**37** [^johannes-6-37-47] Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval[^johannes-6-37-48] uitwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v37)

**38** Want Ik ben[^johannes-6-38-49] uit de hemel nedergedaald,[^johannes-6-38-o] niet opdat Ik[^johannes-6-38-50] Mijn wil zou doen, maar de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v38)

**39** En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft,[^johannes-6-39-p] dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit[^johannes-6-39-51] niet verlieze, maar het opwekke[^johannes-6-39-52] ten uitersten dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v39)

**40** En dit is de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft,[^johannes-6-40-q] dat ieder, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v40)

**41** De Joden dan morden[^johannes-6-41-53] over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit de hemel nedergedaald is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v41)

**42** En zij zeiden:[^johannes-6-42-r] Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen?[^johannes-6-42-54] Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v42)

**43** Jezus antwoordde dan, en zei tot hen: Mort niet onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v43)

**44** [^johannes-6-44-s] Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem[^johannes-6-44-55] trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v44)

**45** Er is geschreven[^johannes-6-45-56] in de[^johannes-6-45-t] profeten: En zij zullen allen[^johannes-6-45-57] van God geleerd zijn. Ieder dan, die het van de Vader gehoord en[^johannes-6-45-58] geleerd heeft, die komt tot Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v45)

**46** [^johannes-6-46-v] Niet dat iemand de Vader gezien heeft,[^johannes-6-46-59] dan Die[^johannes-6-46-60] van God is;[^johannes-6-46-61] Deze heeft de Vader gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v46)

**47** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-6-47-x] Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v47)

**48** Ik ben het Brood van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v48)

**49** [^johannes-6-49-y] Uw vaders hebben het Manna gegeten in de[^johannes-6-49-62] woestijn, en zij zijn gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v49)

**50** Dit is het Brood, dat uit de hemel neerdaalt, opdat[^johannes-6-50-63] de mens daarvan eet, en niet sterft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v50)

**51** Ik ben dat[^johannes-6-51-64] levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is;[^johannes-6-51-z] zo iemand van dit Brood eet, die zal in de eeuwigheid leven.[^johannes-6-51-a] En het Brood, dat Ik geven zal, is[^johannes-6-51-65] Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v51)

**52** De Joden dan[^johannes-6-52-66] streden onder elkaar, zeggende:[^johannes-6-52-b] Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v52)

**53** Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik[^johannes-6-53-67] u: Tenzij dat u het vlees van de Zoon des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt u geen leven in uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v53)

**54** [^johannes-6-54-68][^johannes-6-54-c] Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die[^johannes-6-54-69] heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v54)

**55** Want Mijn vlees is[^johannes-6-55-70] werkelijk Voedsel, en Mijn bloed is werkelijk Drank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v55)

**56** Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die[^johannes-6-56-71] blijft in Mij, en Ik in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v56)

**57** Zoals Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik[^johannes-6-57-72] leeft door de Vader; zo die[^johannes-6-57-73] Mij eet, deze zal leven door Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v57)

**58** Dit is het[^johannes-6-58-d] Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet zoals uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn[^johannes-6-58-74] gestorven. Die dit Brood eet, zal in de eeuwigheid leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v58)

**59** Deze dingen zei Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v59)

**60** Velen dan van Zijn discipelen, dit horende,[^johannes-6-60-75] zeiden: Deze rede is hard; wie kan deze horen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v60)

**61** Jezus nu, wetende[^johannes-6-61-76] bij Zichzelf, dat Zijn discipelen daarover morden, zei tot hen: Doet dit u struikelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v61)

**62** [^johannes-6-62-77] Wat zou het dan[^johannes-6-62-e] zijn, zo u de Zoon des mensen zag[^johannes-6-62-78] opvaren,[^johannes-6-62-79] daar Hij te voren was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v62)

**63** [^johannes-6-63-80][^johannes-6-63-f] De Geest is het, Die levend maakt;[^johannes-6-63-81] het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek,[^johannes-6-63-82] zijn geest en zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v63)

**64** Maar er zijn sommigen van u, die[^johannes-6-64-83] niet geloven.[^johannes-6-64-g] Want Jezus wist[^johannes-6-64-84] van het begin, wie zij waren, die niet geloofden,[^johannes-6-64-h] en wie hij was, die Hem verraden zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v64)

**65** En Hij zei:[^johannes-6-65-i] Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij[^johannes-6-65-85] van Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v65)

**66** Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v66)

**67** Jezus dan zei tot de twaalven:[^johannes-6-67-86] Wilt u ook niet weggaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v67)

**68** Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere,[^johannes-6-68-87] tot Wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden[^johannes-6-68-88] van het eeuwige leven.[^johannes-6-68-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v68)

**69** En wij hebben geloofd en bekend,[^johannes-6-69-l] dat[^johannes-6-69-89] U bent de Christus, de Zoon van de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v69)

**70** Jezus antwoordde hun:[^johannes-6-70-m] Heb Ik niet u twaalf[^johannes-6-70-90] uitverkoren? En één uit u is[^johannes-6-70-91] een duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v70)

**71** En Hij zei dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde één[^johannes-6-71-92] van de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/6.html#v71)

[^johannes-6-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: over een schoot of inham van het meer: want Betsaida lagh dezelfde zijde van het meer daar Tiberias aan lagh. Zie Matt. 14:13. Luk. 9:10.
[^johannes-6-1-2]: Kanttekening 2: Van deze zee zie breeder Matt. 4:18. Luk. 5:1.
[^johannes-6-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk te land. Zie Matt. 14:13.
[^johannes-6-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk die bij Betsaida lagh.
[^johannes-6-4-5]: Kanttekening 5: Dit was het derde Pascha na de doop van Christus. Van het eerste zie, Joh. 2:13, en van het tweede, Joh. 5:1.
[^johannes-6-4-a]: Verwijzing a: Ex. 12:18. Lev. 23:5, 7. Num. 28:16. Deut. 16:1.
[^johannes-6-5-b]: Verwijzing b: Matt. 14:14. Mark. 6:34. Luk. 9:13.
[^johannes-6-5-6]: Kanttekening 6: Of, waar van.
[^johannes-6-6-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: had nu al bij hem zelf besloten.
[^johannes-6-7-8]: Kanttekening 8: Gr. denarien (δηναρίων), dat is, schellingen of realen. Zie Matt. 18:28.
[^johannes-6-9-9]: Kanttekening 9: Gr. eigenlijk, gebraden viskens.
[^johannes-6-9-c]: Verwijzing c: 2 Kon. 4:43.
[^johannes-6-10-10]: Kanttekening 10: Gr. nedervallen, na 't gebruik van de ouden, die op de elleboge liggende aten.
[^johannes-6-10-11]: Kanttekening 11: Namelijk groen gras. Mark. 6:39.
[^johannes-6-10-12]: Kanttekening 12: Namelijk boven de vrouwen en kinderen Matt. 14:21.
[^johannes-6-11-d]: Verwijzing d: 1 Sam. 9:13.
[^johannes-6-11-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: met dancksegging die gesegent hebbende. Zie Luk. 9:16.
[^johannes-6-11-14]: Kanttekening 14: Namelijk de scharen, zoals uit het volgende blijkt.
[^johannes-6-12-15]: Kanttekening 15: Gr. vervuld.
[^johannes-6-14-e]: Verwijzing e: Luk. 7:16. en 24:19. Joh. 4:19.
[^johannes-6-14-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de welke Moses gepropheteert heeft Deut. 18. versen 15, 18.
[^johannes-6-14-17]: Kanttekening 17: Gr. komt.
[^johannes-6-15-18]: Kanttekening 18: Namelijk een wereltsch Koning, hoedanich zij verkeerd meenden, dat de Messias moeste zijn.
[^johannes-6-15-19]: Kanttekening 19: Namelijk om te toonen dat zijn Koninkrijk van deze wereldt niet was. Joh. 18:36.
[^johannes-6-16-f]: Verwijzing f: Matt. 14:23. Mark. 6:47.
[^johannes-6-17-20]: Kanttekening 20: Namelijk voor bij Betsaida, zoals Christus haar bevolen had, Mark. 6:45.
[^johannes-6-17-21]: Kanttekening 21: Gr. duisternis.
[^johannes-6-19-22]: Kanttekening 22: Een stadium is een lengte van hondert en vijf en twintig schreden. Zie Luk. 24:13.
[^johannes-6-19-23]: Kanttekening 23: Of, geroeyt.
[^johannes-6-19-24]: Kanttekening 24: Namelijk zijn lichaam door zijn goddelijke kracht ondersteunende.
[^johannes-6-21-25]: Kanttekening 25: Gr. sij wilden dan hem in het schip nemen, namelijk na dat zij hem werden kennende. Zie Matt. 14:32. Mark. 6:51.
[^johannes-6-22-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: aan d' ander zijde van die schoot van het meer, tusschen Betsaida en Capernaum. Zie vers 24.
[^johannes-6-23-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: gesegent had. Zie vers 11.
[^johannes-6-25-28]: Kanttekening 28: Zie vers 22 en 59.
[^johannes-6-26-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: niet omdat u door de tekenen, die u van my gezien hebt, in my gelooft.
[^johannes-6-26-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: omdat u hoopt, dat ik u noch meer op dezelfde manier zal versadigen.
[^johannes-6-27-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: doet ijver om te bekomen, Fil. 2:12.
[^johannes-6-27-g]: Verwijzing g: Joh. 3:16. en 4:14. en 6:40, 54.
[^johannes-6-27-32]: Kanttekening 32: Welke deze spijse zy, wordt verklaard versen 51, 55.
[^johannes-6-27-h]: Verwijzing h: Matt. 3:17. en 17:5. Mark. 1:11. en 9:7. Luk. 3:22. en 9:35. Joh. 1:33. en 5:37. en 8:18. 2 Petr. 1:17.
[^johannes-6-27-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: verordend, en op velerlei wijze geopenbaard en bevestigd, dat hij de ware Messias is, en van hem gezonden was, zoals de vorsten met versegelde geloofsbrieven bevestigen de authoriteyt van degenen die van haar gezonden worden. Ef. 4:30.
[^johannes-6-28-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: die God van ons eist om zalig te worden, zo ook in het volgende vers. Zie dergelijke wijze van spreken Ps. 51:19.
[^johannes-6-29-i]: Verwijzing i: 1 Joh. 3:23.
[^johannes-6-30-35]: Kanttekening 35: Namelijk dat wat bijzonders of groots is, daar uit wij sekerlijk connen verstaan, dat u de Messias bent.
[^johannes-6-30-k]: Verwijzing k: Matt. 12:38. en 16:1. Mark. 8:11. Luk. 11:29. 1 Kor. 1:22.
[^johannes-6-31-l]: Verwijzing l: Ex. 16:4, 14. Num. 11:7.
[^johannes-6-31-36]: Kanttekening 36: Van dit manna zie Ex. 16:15, 32, en Num. 11:7, 8.
[^johannes-6-31-m]: Verwijzing m: Ps. 78:24. 1 Kor. 10:3.
[^johannes-6-31-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: dat uit de lucht nederviel.
[^johannes-6-32-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: het recht geestelijk en hemels brood, waar van het manna maar een figuur of schaduw geweest is: zoals waarheid dikwijls tegen figuren gesteld wordt. Joh. 1:17. Hebr. 8:2.
[^johannes-6-33-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: dat God de mensen geeft om eeuwelijk te leven.
[^johannes-6-33-40]: Kanttekening 40: Namelijk de Zoon van God.
[^johannes-6-33-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: neder gedaalt is, dat is, die van de Vader tot een Middelaar is gezonden in de wereldt, en tot dat einde de menselijke nature op de aarde heeft aangenomen. Fil. 2:6, 7, en 1 Tim. 3:16.
[^johannes-6-33-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de uitverkorenen en gelovigen door de geheele wereld, zo wel Heidenen als Joden. Joh. 11:52.
[^johannes-6-34-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: alle dage, zoals eertijds Moses het Manna gaf. Verstaande dit van het tijdelijk brood.
[^johannes-6-35-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: dat het geestelijk en eeuwig leven geeft.
[^johannes-6-35-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: zal met alle geestlijk goet verzadigd worden, hier met vasten troost, en namaals met eeuwige vreugde.
[^johannes-6-35-n]: Verwijzing n: Jes. 55:1. Joh. 4:14. en 7:37.
[^johannes-6-35-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die in my gelooft, zoals Christus in het tweede lidt van dit vers zelf verklaart.
[^johannes-6-37-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: alle degenen die de Vader van eeuwigheid uitverkoren, en my als Middelaar heeft gegeven, om haar zalig te maken. Joh. 10:28, en 17:6.
[^johannes-6-37-48]: Kanttekening 48: Gr. buiten uitwerpen: dat is, niet verstooten, maar eeuwichlijk behouden. Joh. 17:12.
[^johannes-6-38-49]: Kanttekening 49: Zie hier van de verklaring vers 33.
[^johannes-6-38-o]: Verwijzing o: Matt. 26:39. Mark. 14:36. Luk. 22:42. Joh. 5:30.
[^johannes-6-38-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: 't gene my alleen zou behagen, en niet de Vader.
[^johannes-6-39-p]: Verwijzing p: Joh. 10:28. en 17:12. en 18:9.
[^johannes-6-39-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: niet late verloren gaan.
[^johannes-6-39-52]: Kanttekening 52: Namelijk tot de eeuwige zaligheid. Want de andere zullen ook opgeweckt worden, maar ter verdoemenis. Joh. 5:29, en 2 Kor. 5:10.
[^johannes-6-40-q]: Verwijzing q: Joh. 3:16. en 4:14. en 6:27, 54.
[^johannes-6-41-53]: Kanttekening 53: Of, daar over.
[^johannes-6-42-r]: Verwijzing r: Matt. 13:55. Mark. 6:3.
[^johannes-6-42-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: hoe kan 't dan waar zijn dat deze zegt?
[^johannes-6-44-s]: Verwijzing s: Hoogl. 1:3. Joh. 6:65.
[^johannes-6-44-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: tenzij dat hij degene, die van nature onbekwaam en onwillig is, door de krachtige werking van zijn Heilige Geest, daar toe bekwaam en willig maakt. Hand. 16:14. Fil. 2:13.
[^johannes-6-45-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: in dit deel van de Schriftuur, het welk de boeken van de Profeten vervat.
[^johannes-6-45-t]: Verwijzing t: Jes. 54:13. Jer. 31:33. Hebr. 8:10. en 10:16.
[^johannes-6-45-57]: Kanttekening 57: Gr. geleerde van God, of, Godtsgeleerde, ghelijk 1 Thess. 4:9. dat is, alle die tot my komen vers 44. of gelijc Jesaja spreekt, cap. 54:13. alle kinderen van 't geestelijk Jeruzalem, zullen geleert worden van God, die door zijn Heilige Geest, de prediking van het goddelijke woord in haar krachtig maakt.
[^johannes-6-45-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: zo gehoort heeft, dat hem ook het hart van de Vader is verlicht en geopend, om het wel te verstaan en aan te nemen. Hand. 16:14.
[^johannes-6-46-v]: Verwijzing v: Matt. 11:27. Luk. 10:22. Joh. 1:18. en 7:29. en 8:19.
[^johannes-6-46-59]: Kanttekening 59: Gr. tenzij.
[^johannes-6-46-60]: Kanttekening 60: Namelijk de Vader.
[^johannes-6-46-61]: Kanttekening 61: Namelijk Zoon, die in de schoot van de Vader is. Joh. 1:18.
[^johannes-6-47-x]: Verwijzing x: Joh. 3:16, 36.
[^johannes-6-49-y]: Verwijzing y: Ex. 16:4. Num. 11:7. Ps. 78:24.
[^johannes-6-49-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: hoewel zij het manna gegeten hebben, zijn evenwel gestorven, niet alleen de tijdelijke dood, maar sommige ook, om haars ongeloofs wille, de eeuwige dood. Zie 1 Kor. 10:5. Hebr. 3:16, 19.
[^johannes-6-50-63]: Kanttekening 63: Gr. iemand.
[^johannes-6-51-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: levendig makende. Zie vers 35.
[^johannes-6-51-z]: Verwijzing z: Joh. 11:26.
[^johannes-6-51-a]: Verwijzing a: Hebr. 10:5, 10.
[^johannes-6-51-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: mijne menselijke nature, die ik aan 't kruis zal overgeven, tot een verzoenoffer voor de zonden van de uitverkorenen van de geheele wereld, opdat dezelfde daar door de vergeving van de zonden en het eeuwige leven verkrijgen.
[^johannes-6-52-66]: Kanttekening 66: Namelijk met woorden, dat is, twisteden.
[^johannes-6-52-b]: Verwijzing b: Joh. 3:9.
[^johannes-6-53-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: tenzij dat u in my gelooft, die mijn lichaam aan het kruis inden dood zal overgeven, en mijn bloed storten tot vergeving van de zonden. Zie vers 35. Want Christus spreekt hier niet van het uiterlijk eten, dat in 't Avondmaal geschiedt, omdat het doe noch niet was ingesteld, maar van het geestelijk eten, dat is, Christum met waar geloof aannemen, en daar door met hem vereenicht worden, 't welk door het uiterlijk eten in het Avondmaal betekend wordt.
[^johannes-6-54-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: die in my gelooft, zoals boven verklaard wordt vers 47.
[^johannes-6-54-c]: Verwijzing c: Joh. 3:16. en 4:14. en 6:27, 40.
[^johannes-6-54-69]: Kanttekening 69: Zie Joh. 5:24.
[^johannes-6-55-70]: Kanttekening 70: Zie vers 32.
[^johannes-6-56-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: wordt en blijft met my geestlijk verenigd, en ik met hem. Ef. 3:17.
[^johannes-6-57-72]: Kanttekening 72: Zie Joh. 5:26.
[^johannes-6-57-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: in my gelooft. vers 53.
[^johannes-6-58-d]: Verwijzing d: Joh. 3:13.
[^johannes-6-58-74]: Kanttekening 74: Zie vers 49.
[^johannes-6-60-75]: Kanttekening 75: Dit zeggen zij, omdat zij Christus' woorden niet geestelijk maar vleselijk verstonden. Want zo verstaan zijnde zou het inderdaad een harde reden zijn, zoals ook Nicodemus de woorden van Christus van de wedergeboorte zo verstond, Joh. 3:4.
[^johannes-6-61-76]: Kanttekening 76: Gr. in hem zelf, namelijk als een kenner van de harten en gedachten.
[^johannes-6-62-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: hoe soudt u dan mijne woorden verstaan en gelooven.
[^johannes-6-62-e]: Verwijzing e: Mark. 16:19. Luk. 24:50. Joh. 3:13. Hand. 1:9. Ef. 4:8.
[^johannes-6-62-78]: Kanttekening 78: Namelijk zoals daar na geschied is.
[^johannes-6-62-79]: Kanttekening 79: Namelijk inden hemel, na zijn goddelijke nature, voordat hij mens geworden is.
[^johannes-6-63-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: het gene ik met de voorgaande woorden wil te kennen geven, moet geestelijk verstaan worden, van een geestlijk eten: het welk door de kracht mijnes Geests te wege gebracht wordt, en dat brengt het leven voort.
[^johannes-6-63-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 3:6.
[^johannes-6-63-81]: Kanttekening 81: Namelijk vleselijk gegeten zijnde.
[^johannes-6-63-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: moeten geestelijk verstaan worden, en zo zijn het woorden van het leven.
[^johannes-6-64-83]: Kanttekening 83: En daarom ergert u u aan mijne woorden.
[^johannes-6-64-g]: Verwijzing g: Joh. 2:25.
[^johannes-6-64-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: van dat hij haar begonnen heeft te prediken.
[^johannes-6-64-h]: Verwijzing h: Joh. 13:11.
[^johannes-6-65-i]: Verwijzing i: Joh. 6:44.
[^johannes-6-65-85]: Kanttekening 85: Gr. uit; dat wil zeggen: door of van.
[^johannes-6-67-86]: Kanttekening 86: Dit vraeght hij niet omdat hij daar van onwetende was, maar opdat hij uit haar een oprechte belijdenis daar van zou trekken.
[^johannes-6-68-87]: Kanttekening 87: Namelijk anders dan tot u.
[^johannes-6-68-88]: Kanttekening 88: Dat is, die ons aanwijzen de rechte weg ten eeuwigen leven.
[^johannes-6-68-k]: Verwijzing k: Hand. 5:20.
[^johannes-6-69-l]: Verwijzing l: Matt. 16:16. Marc, 8:29. Luk. 9:20. Joh. 11:27.
[^johannes-6-69-89]: Kanttekening 89: Van deze belijdenis zie Matt. 16:16.
[^johannes-6-70-m]: Verwijzing m: Luk. 6:13.
[^johannes-6-70-90]: Kanttekening 90: Namelijk tot het Apostelschap.
[^johannes-6-70-91]: Kanttekening 91: Dat wil zeggen: een kind van de duivel, hem gelijkend. Joh. 8:44.
[^johannes-6-71-92]: Kanttekening 92: Gr. uit.

### Johannes 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/7.json)

*1 Christus verblijft in Galilea. 2 Zijn broers vermanen hem naar Jeruzalem te gaan voor het Loofhuttenfeest. 6 Wat hij voor die tijd weigert. 10 Maar na enige dagen in het verborgen volgt. 14 Leert in de tempel, en verdedigt zijn leer, alzok zijn wonderwerk op de sabbat verricht. 25 Verschillende meningen van het volk over hem. 28 Gaat voort met leren. 30 Sommigen zoeken hem te vangen, maar kunnen het niet. 32 De Farizeeën en overpriesters zenden hun dienaren om hem te vangen. 33 Hij dreigt de ongelovige Joden dat zij hem daarna niet zullen vin den. 37 En hij nodigt alle dorstigen tot zich, en belooft de Heilige Geest aan wie in hem geloven. 40 Waaruit verdeeldheid onder het volk ontstaat. 45 De dienaren komen terug zonder Christus gevangen te hebben, en roemen zijn leer. 47 Wat de Farizeeën kwalijk nemen, en smadelijk spreken over Christus en het volk. 50 Nicodemus weerspreekt hun doen, waardoor zij twistig worden onder elkaar en uiteengaan.*

**1** En na deze[^johannes-7-1-1] wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat[^johannes-7-1-2] de Joden Hem zochten te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v1)

**2** En[^johannes-7-2-3] het feest van de[^johannes-7-2-a] Joden, namelijk de loofhuttenzetting, was nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v2)

**3** Zo zeiden dan Zijn[^johannes-7-3-4] broers tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook[^johannes-7-3-5] Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die U doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v3)

**4** Want niemand doet[^johannes-7-4-6] iets in het verborgen, en zoekt zelf,[^johannes-7-4-7] dat men openlijk van hem spreke. Als U deze dingen[^johannes-7-4-8] doet, zo openbaar Uzelf[^johannes-7-4-9] aan de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v4)

**5** Want ook[^johannes-7-5-10] Zijn[^johannes-7-5-b] broers geloofden niet in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v5)

**6** Jezus dan zei tot hen:[^johannes-7-6-11] Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is[^johannes-7-6-12] altijd bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v6)

**7** [^johannes-7-7-13][^johannes-7-7-c] De wereld[^johannes-7-7-14] kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van deze getuig, dat haar werken[^johannes-7-7-d] boos zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v7)

**8** Ga u op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest;[^johannes-7-8-e] want[^johannes-7-8-15] Mijn tijd is nog niet[^johannes-7-8-16] vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v8)

**9** En als Hij deze dingen tot hen gezegd had,[^johannes-7-9-17] bleef Hij in Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v9)

**10** Maar als Zijn broers opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet[^johannes-7-10-18] openlijk, maar[^johannes-7-10-19] als in het verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v10)

**11** [^johannes-7-11-20] De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden:[^johannes-7-11-f] Waar is Hij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v11)

**12** [^johannes-7-12-g] En er was[^johannes-7-12-21] veel gemurmels van Hem onder de menigten. Sommigen zeiden:[^johannes-7-12-h] Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij verleidt de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v12)

**13** Toch sprak niemand[^johannes-7-13-22] vrijmoedig van Hem,[^johannes-7-13-i] om de vrees[^johannes-7-13-23] van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v13)

**14** Maar als het nu[^johannes-7-14-24] in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in de tempel, en leerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v14)

**15** En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze[^johannes-7-15-25] de Schriften, daar Hij[^johannes-7-15-26] ze niet geleerd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v15)

**16** Jezus antwoordde hun, en zei:[^johannes-7-16-k] Mijn leer is[^johannes-7-16-27] Mijne niet, maar Van Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v16)

**17** Zo iemand[^johannes-7-17-28] wil Zijn wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelf spreek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v17)

**18** [^johannes-7-18-29] Die van zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Van Degene, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen[^johannes-7-18-30] ongerechtigheid is in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v18)

**19** [^johannes-7-19-l] Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet.[^johannes-7-19-31][^johannes-7-19-m] Wat zoekt u Mij te doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v19)

**20** [^johannes-7-20-32] De menigte antwoordde en zei: U hebt de duivel;[^johannes-7-20-34] wie zoekt U te doden?[^johannes-7-20-33][^johannes-7-20-n] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v20)

**21** Jezus[^johannes-7-21-35] antwoordde en zei tot hen:[^johannes-7-21-36] Een werk heb Ik gedaan, en u[^johannes-7-21-37] verwondert u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v21)

**22** [^johannes-7-22-38] Daarom heeft Mozes u de[^johannes-7-22-39][^johannes-7-22-o] besnijdenis gegeven (niet dat[^johannes-7-22-40] zij uit Mozes is, maar[^johannes-7-22-41][^johannes-7-22-p] uit de vaders), en u besnijdt een mens[^johannes-7-22-42] op de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v22)

**23** Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, opdat[^johannes-7-23-43] de wet van Mozes niet[^johannes-7-23-44] gebroken wordt; bent u boos op Mij, dat Ik een[^johannes-7-23-45] heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v23)

**24** [^johannes-7-24-q] Oordeel niet[^johannes-7-24-46] naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v24)

**25** Sommigen dan uit[^johannes-7-25-47] die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Die zij zoeken te doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v25)

**26** En ziet, Hij spreekt vrijmoedig, en[^johannes-7-26-48] zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten werkelijk[^johannes-7-26-49] weten, dat Deze werkelijk is de Christus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v26)

**27** [^johannes-7-27-r] Maar van Deze weten wij,[^johannes-7-27-50] vanwaar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal[^johannes-7-27-51] niemand weten, vanwaar Hij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v27)

**28** Jezus dan[^johannes-7-28-52] riep in de tempel, lerende en zeggende: En u[^johannes-7-28-53] kent Mij, en u weet, vanwaar Ik ben;[^johannes-7-28-54] en Ik ben[^johannes-7-28-s] van Mijzelf niet gekomen,[^johannes-7-28-t] maar Hij is[^johannes-7-28-55] waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Wie u[^johannes-7-28-56] niet kent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v28)

**29** Maar[^johannes-7-29-v] Ik ken Hem; want Ik ben[^johannes-7-29-57] van Hem, en Hij heeft Mij gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v29)

**30** [^johannes-7-30-x] Zij zochten Hem dan te grijpen; maar[^johannes-7-30-58] niemand sloeg de hand aan Hem; want[^johannes-7-30-59] Zijn[^johannes-7-30-y] uur was nog niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v30)

**31** [^johannes-7-31-z] En velen uit de menigte geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v31)

**32** De Farizeeën hoorden, dat de menigte dit van Hem[^johannes-7-32-60] murmelde; en de Farizeeën en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v32)

**33** Jezus dan zei tot hen:[^johannes-7-33-a] Nog een[^johannes-7-33-61] kleine tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v33)

**34** [^johannes-7-34-b] U zult Mij[^johannes-7-34-62] zoeken, en u zult Mij niet vinden; en waar Ik[^johannes-7-34-63] ben, kunt u niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v34)

**35** De Joden dan zeiden[^johannes-7-35-64] tot elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij[^johannes-7-35-65] tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v35)

**36** Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v36)

**37** En op de[^johannes-7-37-66][^johannes-7-37-c] laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende[^johannes-7-37-d]:[^johannes-7-37-67] Zo iemand[^johannes-7-37-68] dorst, die komt tot Mij en drinkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v37)

**38** Die in Mij gelooft,[^johannes-7-38-69] zoals[^johannes-7-38-e] de Schrift zegt,[^johannes-7-38-70] stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v38)

**39** (En dit zei Hij[^johannes-7-39-f] van de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest[^johannes-7-39-71] was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v39)

**40** Velen dan uit de menigte, deze rede horende, zeiden:[^johannes-7-40-g] Deze is werkelijk[^johannes-7-40-72] de Profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v40)

**41** Anderen zeiden:[^johannes-7-41-h] Deze is[^johannes-7-41-73] de Christus.[^johannes-7-41-74] En anderen zeiden:[^johannes-7-41-i] Zal dan de Christus uit Galilea komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v41)

**42** Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal[^johannes-7-42-k] uit het zaad van David, en van de plaats[^johannes-7-42-l] Bethlehem, waar David[^johannes-7-42-75] was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v42)

**43** Er werd dan[^johannes-7-43-76] tweedracht onder de menigte, om Zijnentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v43)

**44** En[^johannes-7-44-77] sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar[^johannes-7-44-78] niemand sloeg de handen aan Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v44)

**45** De dienaren dan kwamen tot de overpriesters en Farizeeën; en die zeiden tot hen: Waarom hebt u Hem niet gebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v45)

**46** De dienaren antwoordden: Nooit heeft een mens[^johannes-7-46-79] zo gesproken, zoals deze Mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v46)

**47** De Farizeën dan antwoordden hun: Bent ook u verleid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v47)

**48** [^johannes-7-48-m] Heeft iemand uit[^johannes-7-48-80] de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeeën? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v48)

**49** Maar deze menigte,[^johannes-7-49-81] die de wet niet weet,[^johannes-7-49-82] is vervloekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v49)

**50** Nicodemus zei tot hen,[^johannes-7-50-83] die[^johannes-7-50-n] in de nacht tot Hem[^johannes-7-50-84] gekomen was, zijnde één uit hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v50)

**51** [^johannes-7-51-85][^johannes-7-51-o] Oordeel ook onze wet de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij[^johannes-7-51-86] doet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v51)

**52** Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u ook[^johannes-7-52-87] uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit[^johannes-7-52-88] Galilea geen profeet opgestaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v52)

**53** En ieder ging heen naar zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/7.html#v53)

[^johannes-7-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: verkeerde, van de eene plaats van Galileen na de ander reizende. Wat hij nu daar gedaan heeft wordt beschreven van Matt. capp. 15. 16. 17. en 18. en van Mar. cap. 7. 8. en 9.
[^johannes-7-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk te Jeruzalem, omdat hij op de Sabbath de acht-en-dertich-jarige zieke genezen had. Joh. 5:16.
[^johannes-7-2-3]: Kanttekening 3: Dit was het derde grote Jaarfeest van de Joden, 't welk zij houden moesten op de vijftiende dag van de zevende maand, welke met onze September ten dele over een komt: in het welke zij hutten maakten van takken van groene bomen, daar in zij haar zeven dagen onthielden, tot gedachtenis dat haar vaders 40 jaren lang in de woestijn in hutten gewoond hadden. Zie van dit Feest Lev. 23:34, 40, en Neh. 8:15, 16.
[^johannes-7-2-a]: Verwijzing a: Lev. 23:34.
[^johannes-7-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: bloedverwanten. Zie Matt. 13:55.
[^johannes-7-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk die u in Judea hebt.
[^johannes-7-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk bijzonders of groots.
[^johannes-7-4-7]: Kanttekening 7: Gr. in vrijmoedigheid van spreken te zijn, dat wil zeggen: vermaard en bekend te zijn.
[^johannes-7-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: waarlijk doen kunt, namelijk om daar mee te betoonen dat u de Messias bent.
[^johannes-7-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: aan die grote menigte van de mensen, die uit alle deelen van de wereld op het feest 't samen komen zullen.
[^johannes-7-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk sommigen van hen: want enige als Johannes, Jakobus, en andere, in hem geloofden. Hand. 1:14.
[^johannes-7-5-b]: Verwijzing b: Mark. 3:21.
[^johannes-7-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: mijne gelegenheid om tot het feest op te gaan.
[^johannes-7-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk omdat men u niet zoekt te doden, zoals my.
[^johannes-7-7-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de wereldse mensen.
[^johannes-7-7-c]: Verwijzing c: Joh. 14 17. en 15:18.
[^johannes-7-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk omdat u ook van de wereld bent, en de wereld het hare lief heeft. Joh. 15:19.
[^johannes-7-7-d]: Verwijzing d: Joh. 3:19.
[^johannes-7-8-e]: Verwijzing e: Joh. 8:20.
[^johannes-7-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk om te gaan op het feest zonder perijkel.
[^johannes-7-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: gekomen.
[^johannes-7-9-17]: Kanttekening 17: Namelijk noch enige dagen: als blijkt uit het volgende vers.
[^johannes-7-10-18]: Kanttekening 18: Namelijk zoals hij placht te doen, vergezeld met zijn Discipelen en andere, die na het feest optrokken.
[^johannes-7-10-19]: Kanttekening 19: Namelijk om te vermijden de lagen van de Oversten van de Joden.
[^johannes-7-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk die tevoren hem op de feestdagen gehoort, en zijn mirakelen gezien hadden.
[^johannes-7-11-f]: Verwijzing f: Joh. 11:56.
[^johannes-7-12-g]: Verwijzing g: Joh. 9:16. en 10:19.
[^johannes-7-12-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: veel geseghs en disputerens.
[^johannes-7-12-h]: Verwijzing h: Matt. 21:46. Luk. 7:16. Joh. 6:14. en 7:40.
[^johannes-7-13-22]: Kanttekening 22: Namelijk tot zijn eere en verdediging.
[^johannes-7-13-i]: Verwijzing i: Joh. 9:22. en 12:42. en 19:38.
[^johannes-7-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: van de Oversten van de Joden, die besloten hadden uit de Synagoge te werpen die hem zouden belijden. Joh. 9:22.
[^johannes-7-14-24]: Kanttekening 24: Namelijk omtrent de vierde dach, omdat het feest van de Loof-hutten zeven dagen duerde, van de vijftiende van de zevende maandt tot de twee en twintigste. Zie Lev. 23:34.
[^johannes-7-15-25]: Kanttekening 25: Of, letteren. Mark. 6:2.
[^johannes-7-15-26]: Kanttekening 26: Namelijk inde scholen, zoals Paulus wordt gezegd te Jeruzalem geleert te hebben aan de voeten Gamaliëls. Hand. 22:3.
[^johannes-7-16-k]: Verwijzing k: Joh. 3:11. en 8:28. en 12:49. en 14:10, 24.
[^johannes-7-16-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: is niet een leer, die de mijne alleen zou zijn.
[^johannes-7-17-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: zo iemand door Gods genade zo verre gebracht is, dat hij afleggende alle vooroordeel en hardnekkigheid, de waarheid van de leer ondersoeckt, zoals God bevolen heeft, en hem, daar na wil schikken. Psalm 25:14. Daarmee geeft hij te kennen dat zij sodanige noch niet waren.
[^johannes-7-18-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die een leer voorstelt van hem zelf verdicht, en niet gegront in Godes woord.
[^johannes-7-18-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: valscheid of bedrogh.
[^johannes-7-19-l]: Verwijzing l: Ex. 20:1. en 24:3. Hand. 7:53.
[^johannes-7-19-31]: Kanttekening 31: Namelijk alsof ik een overtreder van de Wet ware, omdat ik op de Sabbath die mens genezen hebbe.
[^johannes-7-19-m]: Verwijzing m: Matt. 12:14. Mark. 3:6. Joh. 5:18. en 10:39. en 11:53.
[^johannes-7-20-32]: Kanttekening 32: Namelijk die van buiten gekomen was, en die daar van niet wist, en oversulcx meende dat Christus haar dat te onrechte aanseyde.
[^johannes-7-20-34]: Kanttekening 34: Namelijk van ons.
[^johannes-7-20-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: u bent buiten zinnen als een beseten, of uitsinnich mens, en u lastert ons.
[^johannes-7-20-n]: Verwijzing n: Joh. 8:48, 52. en 10:20.
[^johannes-7-21-35]: Kanttekening 35: Christus antwoort niet op de schelt-woorden, maar gaat voort om te bewijzen dat hij de Wet niet had overtreden, door 't genezen op de Sabbath.
[^johannes-7-21-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: dit ene werk alleen, namelijk dat ik die mens op de Sabbath genezen hebbe. Joh. 5:16.
[^johannes-7-21-37]: Kanttekening 37: Namelijk met verstooring en aanstoot vers 23.
[^johannes-7-22-38]: Kanttekening 38: Het woord daarom voegen sommige bij het voorgaande vers.
[^johannes-7-22-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: het bevel om te besnijden op de achtsten dach. Lev. 12:3.
[^johannes-7-22-o]: Verwijzing o: Lev. 12:3.
[^johannes-7-22-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: dat Moses dezelfde eerst ingesteld heeft.
[^johannes-7-22-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: maar is aan de Patriarch Abraham en zijn nakomelingen, die voor Moses geweest zijn, uit Gods bevel bedient geweest, Gen. 17:10.
[^johannes-7-22-p]: Verwijzing p: Gen. 17:10.
[^johannes-7-22-42]: Kanttekening 42: Namelijk wanneer de achtste dach na de geboorte van het kind op de Sabbath valt.
[^johannes-7-23-43]: Kanttekening 43: Namelijk van de besnijdenis ten achtsten dage. Lev. 12:2.
[^johannes-7-23-44]: Kanttekening 44: Gr. Ontbonden, of los gemaakt.
[^johannes-7-23-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die aan zijn geheel lichaam, of aan alle zijn leden ziek was.
[^johannes-7-24-q]: Verwijzing q: Deut. 1:16, 17. Spr. 24:23. Jak. 2:1.
[^johannes-7-24-46]: Kanttekening 46: Dat is, als aanzienders van de persoonen: omdat u inde uwe niet bestraft, dat zij op de Sabbath besnijden, zo behoort u ook my niet te bestraffen omdat ik op de Sabbath genese.
[^johannes-7-25-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: de Joden die te Jeruzalem woonden, en van het voornemen van de Oversten wisten.
[^johannes-7-26-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: zij laten hem leeren zonder verhindering.
[^johannes-7-26-49]: Kanttekening 49: Namelijk beter onderrecht zijnde dan tevoren. Of, in haar gemoet daar van overtuight zijn, hoe wel zij het niet willen bekennen.
[^johannes-7-27-r]: Verwijzing r: Matt. 13:55. Mark. 6:3. Luk. 4:22.
[^johannes-7-27-50]: Kanttekening 50: Namelijk van Nazareth, zoals zij meenden.
[^johannes-7-27-51]: Kanttekening 51: Hier in dwalense, uit misverstandt van enige plaatsen van de Schriftuur, als Jes. 53:8. Mich. 5:1. en andere, die spreken van zijn eeuwige geboorte, als Zoon van God, welke zij op zijn lichamelijke geboorte verkeerd duidden.
[^johannes-7-28-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: sprak met vrijmoedigheid en luide stemme, om te beter van allen gehoort te worden.
[^johannes-7-28-53]: Kanttekening 53: Namelijk zo u zegt.
[^johannes-7-28-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: Nochtans.
[^johannes-7-28-s]: Verwijzing s: Joh. 5:43. en 8:42.
[^johannes-7-28-t]: Verwijzing t: Joh. 8:26. Rom. 3:4.
[^johannes-7-28-55]: Kanttekening 55: Namelijk in zijn getuigenis van my. Matt. 3:17.
[^johannes-7-28-56]: Kanttekening 56: Namelijk zoals het behoort.
[^johannes-7-29-v]: Verwijzing v: Joh. 10:15.
[^johannes-7-29-57]: Kanttekening 57: Namelijk geboren van eeuwigheid. Ps. 2:7.
[^johannes-7-30-x]: Verwijzing x: Mark. 11:18. Luk. 19:47. en 20:19. Joh. 7:19. en 8:37.
[^johannes-7-30-58]: Kanttekening 58: Namelijk verhindert zijnde door Gods voorsienicheid.
[^johannes-7-30-59]: Kanttekening 59: Namelijk om te lijden. Joh. 8:20.
[^johannes-7-30-y]: Verwijzing y: Joh. 8:20.
[^johannes-7-31-z]: Verwijzing z: Joh. 8:30.
[^johannes-7-32-60]: Kanttekening 60: Omdat zij het openlijk niet durfden zeggen, uit vrees van de Joden. Vers 13
[^johannes-7-33-a]: Verwijzing a: Joh. 16:16.
[^johannes-7-33-61]: Kanttekening 61: Namelijk tot het navolgende Paschen, 't welk was noch omtrent ses maanden.
[^johannes-7-34-b]: Verwijzing b: Joh. 8:21. en 13:33.
[^johannes-7-34-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: u zult noch begeeren my tegenwoordig te hebben. Zie Joh. 8:21.
[^johannes-7-34-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: Alsdan zijn zal, of daar ik heen gae.
[^johannes-7-35-64]: Kanttekening 64: Of, bij zichzelf.
[^johannes-7-35-65]: Kanttekening 65: Gr. Tot de verstroying van de Grieken, dat wil zeggen: of tot de Heidenen, die tegen gesteld zijnde tegen de Joden Grieken genaamd worden. Rom. 1:16, en 2:9, of tot de Joden, en Jodengenooten, die onder de Grieken verstrooit waren. Joh. 12:20. Jak. 1:1. 1 Petr. 1:1.
[^johannes-7-37-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de achtste dag, die zo wel als de eerste moest geviert worden met t'samen-komsten en offeranden. zie Lev. 23:36.
[^johannes-7-37-c]: Verwijzing c: Lev. 23:36.
[^johannes-7-37-d]: Verwijzing d: Joh. 6:35. Jes. 55:1. Openb. 22:17.
[^johannes-7-37-67]: Kanttekening 67: Omdat de Joden haar voornemelijk op dit Feest, alle de vruchten nu ingesamelt zijnde, vrolijk maakten met eten en drinken, zo schijnt dat Christus daar uit gelegenheid neemt, om haar van de rechte geestelijke drank te onderwijzen, en daar toe te nooden.
[^johannes-7-37-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: uit het gevoelen van zijn elende verlanght daar van verlost te worden. Zie Joh. 4:14. Jes. 44:3. en 55:1.
[^johannes-7-38-69]: Kanttekening 69: Deze woorden voegen sommige bij de naast voorgaande, in deze sin, zoals de Schrift zegt, dat is, gebiedt: andere bij de volgende, zodat Christus hier zou hebben gezien op enige plaatsen van de Heilige Schriftuur, als Jes. 44:3. en 49:10. en 58:11. of diergelijke.
[^johannes-7-38-e]: Verwijzing e: Jes. 12:3.
[^johannes-7-38-70]: Kanttekening 70: Of rivieren, dat is, in grote overvloet, en volheid, zie Jes. 44:3. Joël 2:28. en 3:18. Joh. 4:14.
[^johannes-7-39-f]: Verwijzing f: Jes. 44:3. Ioël 2:28. Hand. 2:17.
[^johannes-7-39-71]: Kanttekening 71: Namelijk gegeven of gezonden in zulk een overvloet, zoals na Christus opstanding en hemelvaart geschied is. Hand. 2:2, 33.
[^johannes-7-40-g]: Verwijzing g: Matt. 21:46. Luk. 7:16. Joh. 6:14.
[^johannes-7-40-72]: Kanttekening 72: Namelijk van de welke geschreven staat Deut. 18:15.
[^johannes-7-41-h]: Verwijzing h: Joh. 4:42.
[^johannes-7-41-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: de Messias, die zij meenden een ander te zullen zijn dan deze Profeet. Zie Joh. 1:25. en 6:14.
[^johannes-7-41-74]: Kanttekening 74: Namelijk die meenden dat hij te Nazareth geboren was.
[^johannes-7-41-i]: Verwijzing i: Joh. 1:47.
[^johannes-7-42-k]: Verwijzing k: Ps. 132:11.
[^johannes-7-42-l]: Verwijzing l: Mich. 5:1. Matt. 2:6.
[^johannes-7-42-75]: Kanttekening 75: Namelijk geboren en opgevoedt.
[^johannes-7-43-76]: Kanttekening 76: Gr. schisma (σχίσμα). dat wil zeggen: scheuring of verdeeldheid.
[^johannes-7-44-77]: Kanttekening 77: Namelijk uitgesonden van de Overpriesters.
[^johannes-7-44-78]: Kanttekening 78: Namelijk van God verhindert zijnde, omdat zijn ure noch niet gekomen was.
[^johannes-7-46-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: met zulk een aanzien en aangenaemheid, zie Mat. 7:28, 29. en Luk. 4:22.
[^johannes-7-48-m]: Verwijzing m: Jes. 33:18. Joh. 12:42. 1 Kor. 1:20. en 2:8.
[^johannes-7-48-80]: Kanttekening 80: Namelijk die zulke treffelijke en geleerde lieden zijn.
[^johannes-7-49-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: die inde H. Schriftuur niet is geoeffent.
[^johannes-7-49-82]: Kanttekening 82: Gr. Zijn vervloeckt. namelijk omdat zij hem aanhangen.
[^johannes-7-50-83]: Kanttekening 83: Zie hier van Joh. 3:1, 2, etc.
[^johannes-7-50-n]: Verwijzing n: Joh. 3:2. en 19:39.
[^johannes-7-50-84]: Kanttekening 84: Of, kwam.
[^johannes-7-51-85]: Kanttekening 85: Dat is, wordt ons ook inde Wet toegelaten iemand te veroordeelen, tenzij dat hij eerst gehoort werde in zijn verantwoording. Dit was ook selfs bij de Heidenen een Wet van de nature. Zie Hand. 25:16.
[^johannes-7-51-o]: Verwijzing o: Ex. 23:1. Lev. 19:15. Deut. 1:17. en 17:8. en 19:15.
[^johannes-7-51-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: wat hij gedaan of misdaan heeft.
[^johannes-7-52-87]: Kanttekening 87: Namelijk of afkomstig, of één van zijn Discipelen, die meest Galileers waren.
[^johannes-7-52-88]: Kanttekening 88: Jesaja had toch gepropheteert, dat de Messias in Galilea zou beginnen te prediken. Zie Jes. 8:23. en 9:1. en Matt. 4:15.

### Johannes 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/8.json)

*1 Christus leert 's morgens vroeg in de tempel. 3 Waar de schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw die op overspel betrapt was tot hem brengen. 7 Maar hij maakt hen in hun voornemen beschaamd door op de aarde te schrijven, en laat de vrouw gaan met een vermaning. 12 Leert dat hij het licht van de wereld is. 13 En verdedigt zich tegen de Farizeeën met zowel zijn eigen als zijn Vaders getuigenis. 21 Zegt de Joden aan dat zij hem tevergeefs zoeken zullen en in hun zonden sterven als zij niet in hem geloven. 25 Verklaart wie hij is en door wie hij gezonden is. 31 Belooft degenen die in hem geloven kennis van de waarheid en vrijheid van de slavernij van de zonde. 37 Bewijst dat de ongelovige Joden zich ten onrechte beriepen dat zij kin deren van Abraham en van God waren, en zegt hun aan dat zij kin deren van de duivel zijn, omdat zij zijn begeerten vervullen. 46 Bestraft hun ongeloof. 48 Waarop zij hem voor een Samaritaan schelden die de duivel heeft. 49 Wat hij ontkent en weerlegt. 56 En getuigt dat Abraham zijn dag gezien heeft, en dat hij geweest is eer Abraham was. 59 Waarom zij hem willen stenigen.*

**1** Maar Jezus ging[^johannes-8-1-1] naar de Olijfberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v1)

**2** En vroeg in de morgen kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en[^johannes-8-2-2] nedergezeten zijnde, leerde Hij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v2)

**3** En de Schriftgeleerden en de Farizeeën[^johannes-8-3-3] brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v3)

**4** En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelf gegrepen, overspel begaande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v4)

**5** [^johannes-8-5-a] En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat zulke[^johannes-8-5-4] gestenigd zullen worden; U dan, wat zegt U? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v5)

**6** En dit zeiden zij, Hem[^johannes-8-6-5] verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, neerbuigend, schreef met de vinger[^johannes-8-6-6] in de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v6)

**7** En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zei tot hen:[^johannes-8-7-b] Die van u[^johannes-8-7-7] zonder zonde is,[^johannes-8-7-8] werpe eerst de steen op haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v7)

**8** En opnieuw neerbuigend, schreef Hij in de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v8)

**9** Maar[^johannes-8-9-9] zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de één na de andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd[^johannes-8-9-10] alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v9)

**10** En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zei tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v10)

**11** En zij zei: Niemand, Heere! En Jezus zei tot haar:[^johannes-8-11-11] Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig[^johannes-8-11-c] niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v11)

**12** Jezus dan sprak[^johannes-8-12-12] opnieuw tot[^johannes-8-12-13] hen, zeggende:[^johannes-8-12-d] Ik ben[^johannes-8-12-14] het licht[^johannes-8-12-15] van de wereld; die Mij[^johannes-8-12-16] volgt, zal in de[^johannes-8-12-17] duisternis niet wandelen, maar zal het licht[^johannes-8-12-18] van het leven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v12)

**13** De Farizeeën dan zeiden tot Hem: U getuigt van Uzelf; Uw getuigenis is niet[^johannes-8-13-19] waarachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v13)

**14** Jezus antwoordde, en zei tot hen:[^johannes-8-14-e] Hoewel Ik van Mijzelf getuig, zo is toch Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet,[^johannes-8-14-20] vanwaar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar u weet niet, vanwaar Ik kom, en waar Ik heenga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v14)

**15** U oordeelt[^johannes-8-15-21] naar het vlees; Ik[^johannes-8-15-22] oordeel niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v15)

**16** En als Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar[^johannes-8-16-23] Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v16)

**17** [^johannes-8-17-f] En er is ook in uw[^johannes-8-17-24] wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen[^johannes-8-17-25] waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v17)

**18** Ik ben het, Die van Mijzelf getuig, en[^johannes-8-18-g] de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v18)

**19** Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde:[^johannes-8-19-h] U kent noch Mij, noch Mijn Vader;[^johannes-8-19-i] als u Mij kende, zo zou u ook Mijn Vader kennen.[^johannes-8-19-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v19)

**20** Deze woorden sprak Jezus[^johannes-8-20-27] bij de schatkist, lerende in de tempel;[^johannes-8-20-k] en[^johannes-8-20-28] niemand greep Hem; want Zijn[^johannes-8-20-29] uur was nog niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v20)

**21** Jezus dan zei opnieuw tot hen:[^johannes-8-21-l] Ik[^johannes-8-21-30] ga heen, en u zult Mij[^johannes-8-21-31] zoeken, en[^johannes-8-21-32] in uw zonden zult u sterven; waar Ik heenga,[^johannes-8-21-33] kunt u niet komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v21)

**22** De Joden dan zeiden: Zal Hij[^johannes-8-22-34] ook Zichzelf doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt u niet komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v22)

**23** En Hij zei tot hen:[^johannes-8-23-m] U bent[^johannes-8-23-35] van beneden, Ik ben[^johannes-8-23-36] van boven;[^johannes-8-23-37] u bent uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v23)

**24** Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft,[^johannes-8-24-38] dat Ik Die ben, u zult in uw zonden sterven.[^johannes-8-24-n__] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v24)

**25** Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? En Jezus zei tot hen:[^johannes-8-25-39] Wat Ik van de beginne u ook zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v25)

**26** Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen;[^johannes-8-26-40] maar[^johannes-8-26-41] Die Mij gezonden heeft,[^johannes-8-26-o] is waarachtig;[^johannes-8-26-p] en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, deze spreek Ik[^johannes-8-26-42] tot de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v26)

**27** Zij verstonden niet, dat Hij hun van de Vader sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v27)

**28** Jezus dan zei tot hen:[^johannes-8-28-q] Wanneer u de Zoon des mensen zult[^johannes-8-28-43] verhoogd hebben,[^johannes-8-28-44] dan zult u verstaan, dat Ik Die ben, en[^johannes-8-28-45] dat Ik van Mijzelf niets doe;[^johannes-8-28-r] maar deze dingen spreek Ik, zoals Mijn Vader Mij geleerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v28)

**29** [^johannes-8-29-s] En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij[^johannes-8-29-46] niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v29)

**30** Als Hij deze dingen sprak,[^johannes-8-30-t] geloofden velen in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v30)

**31** Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden: Als u[^johannes-8-31-47] in Mijn woord blijft, zo bent u werkelijk Mijn discipelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v31)

**32** En zult[^johannes-8-32-48] de waarheid[^johannes-8-32-49] verstaan,[^johannes-8-32-v] en de waarheid zal u[^johannes-8-32-50] vrijmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v32)

**33** Zij antwoordden Hem:[^johannes-8-33-x] Wij zijn Abrahams zaad, en hebben[^johannes-8-33-51] nooit iemand gediend; hoe zegt U dan: U zult vrij worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v33)

**34** Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een ieder, die de zonde[^johannes-8-34-52] doet,[^johannes-8-34-y] is een dienaar van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v34)

**35** En de dienaar[^johannes-8-35-53] blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v35)

**36** [^johannes-8-36-z] Als dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u[^johannes-8-36-54] werkelijk vrij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v36)

**37** Ik weet, dat u Abrahams[^johannes-8-37-55] zaad bent; maar u zoekt Mij[^johannes-8-37-56] te doden; want Mijn woord[^johannes-8-37-57] heeft in u geen plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v37)

**38** [^johannes-8-38-a] Ik spreek[^johannes-8-38-58] wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dan ook, wat u[^johannes-8-38-59] bij uw vader gezien hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v38)

**39** Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen:[^johannes-8-39-b] Als u[^johannes-8-39-60] Abrahams kinderen was, zo zou u de werken van Abraham doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v39)

**40** Maar nu zoekt u Mij te doden, een Mens,[^johannes-8-40-c] Die u[^johannes-8-40-61] de waarheid gesproken heb, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v40)

**41** U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren[^johannes-8-41-62] uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v41)

**42** Jezus dan zei tot hen: Als God uw Vader was, zo zou u Mij liefhebben; want Ik ben[^johannes-8-42-63] van God[^johannes-8-42-64] uitgegaan; en kom van[^johannes-8-42-d] Hem. Want Ik ben ook van Mijzelf niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v42)

**43** Waarom kent u Mijn spraak niet? Het is, omdat[^johannes-8-43-65] u Mijn woord niet kunt horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v43)

**44** [^johannes-8-44-e] U bent[^johannes-8-44-66] uit de vader de duivel, en wilt[^johannes-8-44-67] de begeerten van uw vader doen;[^johannes-8-44-f] die was[^johannes-8-44-68] een mensenmoordenaar[^johannes-8-44-69] van de beginne, en is[^johannes-8-44-70] in de waarheid[^johannes-8-44-g] niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij[^johannes-8-44-71] uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de[^johannes-8-44-72] vader van die leugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v44)

**45** Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v45)

**46** Wie van u overtuigt Mij[^johannes-8-46-73] van zonde? En als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v46)

**47** [^johannes-8-47-74][^johannes-8-47-h] Die uit God is,[^johannes-8-47-75] hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u uit God niet bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v47)

**48** De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat U[^johannes-8-48-76] een Samaritaan bent,[^johannes-8-48-i] en[^johannes-8-48-77] de duivel hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v48)

**49** Jezus antwoordde: Ik heb de duivel niet;[^johannes-8-49-k] maar Ik[^johannes-8-49-78] eer Mijn Vader, en u[^johannes-8-49-79] onteert Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v49)

**50** Maar Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en[^johannes-8-50-80] oordeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v50)

**51** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-8-51-l] Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal[^johannes-8-51-81] de dood[^johannes-8-51-82] niet zien in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v51)

**52** De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat U de duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en[^johannes-8-52-83] zegt U: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal de dood niet smaken in de eeuwigheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v52)

**53** Bent U meerder, dan onze vader Abraham,[^johannes-8-53-m] die gestorven is, en[^johannes-8-53-84] de profeten zijn gestorven; wie maakt U Uzelf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v53)

**54** Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eer, Wie u zegt, dat uw God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v54)

**55** En u[^johannes-8-55-85] kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik u gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v55)

**56** Abraham, uw vader, heeft[^johannes-8-56-86] met verheuging[^johannes-8-56-n] verlangd, opdat hij[^johannes-8-56-87] Mijn dag zien zou; en hij heeft[^johannes-8-56-88] hem gezien, en is[^johannes-8-56-89] verblijd[^johannes-8-56-90] geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v56)

**57** De Joden dan zeiden tot Hem: U hebt nog geen[^johannes-8-57-91] vijftig jaren, en hebt U Abraham gezien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v57)

**58** Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Voordat Abraham[^johannes-8-58-92] was,[^johannes-8-58-93] ben Ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v58)

**59** [^johannes-8-59-o] Zij namen dan stenen op, dat zij[^johannes-8-59-94] ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit de tempel,[^johannes-8-59-95] gaande door het midden van hen; en ging zo voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/8.html#v59)

[^johannes-8-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk om daar de nacht door te brengen en te bidden, zoals hij gewend was. Luk. 21:37 en 22:39. Over deze berg zie Mat. 21:1.
[^johannes-8-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk naar de gewoonte die de leraars in de synagogen gebruikten. Zie Luk. 4:20 en elders. Maar soms stond hij ook, als hij iets luide en met bijzondere nadruk wilde zeggen. Joh. 7:37.
[^johannes-8-3-3]: Kanttekening 3: Gr. leidden.
[^johannes-8-5-a]: Verwijzing a: Lev. 20:10. Deut. 22:22.
[^johannes-8-5-4]: Kanttekening 4: De wet van Mozes gebiedt dat zulken met de dood gestraft worden. Lev. 20:10. Maar dat zij gestenigd moesten worden, schijnen zij afgeleid te hebben uit Deut. 22:23-24.
[^johannes-8-6-5]: Kanttekening 5: Namelijk met de bedoeling: als hij haar vrijsprak, hem als wetbreker te beschuldigen; en als hij haar veroordeelde, hem als meedogenloos bij het volk gehaat te maken.
[^johannes-8-6-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen, in het stof van de vloer van de tempel. Wat hij nu geschreven heeft, wordt niet uitgedrukt; sommigen menen dat hij geschreven heeft wat hij hen daarna toesprak.
[^johannes-8-7-b]: Verwijzing b: Deut. 17:7.
[^johannes-8-7-7]: Kanttekening 7: Gr. zondeloos, dat wil zeggen: niet in dergelijke of andere zonden gevallen is, of meent dat hij niet zou kunnen vallen.
[^johannes-8-7-8]: Kanttekening 8: Christus schijnt hier te zien op de wet. Deut. 17:7.
[^johannes-8-9-9]: Kanttekening 9: Namelijk de aanklagers.
[^johannes-8-9-10]: Kanttekening 10: Niet ten aanzien van de menigte, die Christus dadelijk aanspreekt (vers 12), maar ten aanzien van de Farizeeën, die de vrouw beschuldigden.
[^johannes-8-11-11]: Kanttekening 11: Christus veroordeelt haar niet, maar spreekt haar ook niet vrij, aangezien zijn ambt niet was een burgerlijk vonnis over misdadigers uit te spreken, maar als leraar de zondaars tot bekering te brengen. Zie dergelijke Luk. 12:14.
[^johannes-8-11-c]: Verwijzing c: Joh. 5:14.
[^johannes-8-12-12]: Kanttekening 12: Namelijk nadat zijn prediking door de voorgaande beschuldiging van de overpriesters onderbroken was geweest.
[^johannes-8-12-13]: Kanttekening 13: Namelijk de Joden die in de tempel vergaderd waren.
[^johannes-8-12-d]: Verwijzing d: Jes. 42:16. Joh. 1:9 en 9:5 en 12:35-36.
[^johannes-8-12-14]: Kanttekening 14: Het schijnt dat Christus, vroeg in de ochtend in de tempel gekomen zijnde (vers 2), toen de zon opging, daarvandaan gelegenheid nam om over het ware geestelijke licht te spreken; zoals hij ook dikwijls elders bij andere gelegenheden gedaan heeft. Joh. 4:10 en 6:35.
[^johannes-8-12-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: die het ware licht van de zaligmakende kennis geeft, niet alleen aan de Joden maar ook aan de heidenen, zie Jes. 49:6.
[^johannes-8-12-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: die mijn leer met een waar geloof aanneemt en gehoorzaamt.
[^johannes-8-12-17]: Kanttekening 17: Namelijk van de dwalingen en zonden.
[^johannes-8-12-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: dat de mens brengt tot het eeuwige leven. Zie Joh. 6:68.
[^johannes-8-13-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: vast en toereikend om ons te doen geloven.
[^johannes-8-14-e]: Verwijzing e: Joh. 5:31.
[^johannes-8-14-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: want ik ben niet alleen een mens, maar ook de ware Zoon van God, die van de hemel als een gezant van de Vader (vers 16) is neergedaald, en naar mijn menselijke natuur daarheen weer zal opstijgen.
[^johannes-8-15-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: naar de uiterlijke schijn, waarbij u mij alleen als een mens ziet.
[^johannes-8-15-22]: Kanttekening 22: Namelijk zoals u; of: in deze tegenwoordige tijd. Want overigens heeft de Vader de Zoon alle oordeel gegeven. Joh. 5:22.
[^johannes-8-16-23]: Kanttekening 23: Namelijk: ik, voor zover ik de Zoon van God ben, en de Vader — wij zijn twee getuigen. En daarom is mijn getuigenis geldig, zoals Christus besluit in de verzen 17 en 18.
[^johannes-8-17-f]: Verwijzing f: Num. 35:30. Deut. 17:6 en 19:15. Mat. 18:16. 2 Kor. 13:1. Hebr. 10:28.
[^johannes-8-17-24]: Kanttekening 24: Namelijk Deut. 17:6 en 19:15.
[^johannes-8-17-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: toereikend om aanvaard te worden voor het gerecht.
[^johannes-8-18-g]: Verwijzing g: Mat. 3:17 en 17:5.
[^johannes-8-19-h]: Verwijzing h: Joh. 16:3.
[^johannes-8-19-i]: Verwijzing i: Joh. 14:9.
[^johannes-8-19-26]: Kanttekening 26: Namelijk naar mijn goddelijke natuur, naar welke ik het uitgedrukte beeld van de Vader ben. Hebr. 1:3. Joh. 14:9.
[^johannes-8-20-27]: Kanttekening 27: Gr. in de schatkist, dat wil zeggen: op de plaats van de tempel waar de schatkist stond. Zie 2 Kon. 12:9. Mark. 12:41. Luk. 21:1.
[^johannes-8-20-k]: Verwijzing k: Joh. 7:30.
[^johannes-8-20-28]: Kanttekening 28: Namelijk hoewel hij zo vrijmoedig sprak.
[^johannes-8-20-29]: Kanttekening 29: Namelijk tot lijden en sterven, door God verordend.
[^johannes-8-21-l]: Verwijzing l: Joh. 7:34 en 13:33.
[^johannes-8-21-30]: Kanttekening 30: Namelijk naar de hemel.
[^johannes-8-21-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: als het verderf over u komt, zult u tevergeefs tot God en daarmee tot mij roepen. Zie Spr. 1:24 etc.
[^johannes-8-21-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: door uw moedwillig ongeloof zult u tijdelijk en eeuwig vergaan. Mark. 16:16. Joh. 3:18.
[^johannes-8-21-33]: Kanttekening 33: Namelijk omdat u niet ten hemel kunt varen, zoals ik na mijn dood na mijn opstanding zal doen. Zie Joh. 13:33-36.
[^johannes-8-22-34]: Kanttekening 34: Namelijk om te ontkomen dat hij door de leiders van de Joden gevangen en omgebracht zou worden.
[^johannes-8-23-m]: Verwijzing m: Joh. 3:31.
[^johannes-8-23-35]: Kanttekening 35: Gr. uit de plaatsen van beneden.
[^johannes-8-23-36]: Kanttekening 36: Gr. uit de plaatsen van boven.
[^johannes-8-23-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: u verstaat in een aardse en wereldse zin wat ik in een geestelijke en hemelse zin zeg, omdat u aardse mensen bent.
[^johannes-8-24-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: dat ik de ware Messias ben, voor wie ik mij uitgeef. Zo ook hieronder vers 28.
[^johannes-8-24-n__]: Verwijzing n\[\]: n\[\]
[^johannes-8-25-39]: Kanttekening 39: Gr. In het begin, dat ik tot u ook spreek; dat wil zeggen: wat ik van het begin van mijn prediking gezegd of gesproken heb.
[^johannes-8-26-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: maar omdat u het toch niet zou geloven, zeg ik dit alleen, dat hij die mij gezonden heeft, etc.
[^johannes-8-26-41]: Kanttekening 41: Namelijk de Vader.
[^johannes-8-26-o]: Verwijzing o: Joh. 7:28. Rom. 3:4.
[^johannes-8-26-p]: Verwijzing p: Joh. 15:15.
[^johannes-8-26-42]: Kanttekening 42: Of: in de wereld.
[^johannes-8-28-q]: Verwijzing q: Num. 21:9. 2 Kon. 18:4. Joh. 3:14 en 12:32.
[^johannes-8-28-43]: Kanttekening 43: Namelijk aan het kruis. Joh. 3:14 en 12:32.
[^johannes-8-28-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: velen onder u zullen het bekennen door de tekenen die dan zullen gebeuren, en door mijn opstanding daarna. Luk. 23:48. Hand. 2:41.
[^johannes-8-28-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: dat ik geen leer voorstel die ik zelf verzonnen heb.
[^johannes-8-28-r]: Verwijzing r: Joh. 3:11 en 7:16 en 12:49 en 14:10, 24.
[^johannes-8-29-s]: Verwijzing s: Joh. 14:10 en 16:32.
[^johannes-8-29-46]: Kanttekening 46: Namelijk omdat ik en de Vader één zijn, en hij met vele getuigenissen en tekenen mijn zending heeft bevestigd. Hand. 2:22.
[^johannes-8-30-t]: Verwijzing t: Joh. 7:31.
[^johannes-8-31-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: in mijn leer volhardt.
[^johannes-8-32-48]: Kanttekening 48: Namelijk van mijn leer, door u aangenomen en geloofd. Joh. 1:12.
[^johannes-8-32-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: meer en meer daarin onderwezen en bevestigd worden.
[^johannes-8-32-v]: Verwijzing v: Rom. 6:18. Gal. 5:1. 1 Pet. 2:16.
[^johannes-8-32-50]: Kanttekening 50: Namelijk van de dood en de slavernij van de zonde.
[^johannes-8-33-x]: Verwijzing x: Mat. 3:9.
[^johannes-8-33-51]: Kanttekening 51: Dat Christus van geestelijke vrijheid en slavernij had gesproken, verstaan zij van uiterlijke of lichamelijke; waarvan zij toch niet veel konden roemen, aangezien hun voorouders in Egypte gediend hadden (Gen. 15:13 en Ex. 20:2) en zij zelf nog aan de Romeinen onderworpen waren.
[^johannes-8-34-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: die de zonde over zich laat heersen en er als zijn werk van maakt te zondigen. Rom. 6:17. 1 Joh. 3:8. 2 Pet. 2:19.
[^johannes-8-34-y]: Verwijzing y: Rom. 6:20. 2 Pet. 2:19.
[^johannes-8-35-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: zoals een slaaf geen recht heeft om altijd in het huis van zijn meester te blijven of zijn erfgenaam te zijn, want de heer kan hem wegsturen of aan anderen verkopen, zo zullen ook in het huis van God niet blijven wie slaven van de zonde zijn, maar alleen de ware kinderen van God.
[^johannes-8-36-z]: Verwijzing z: Rom. 8:2.
[^johannes-8-36-54]: Kanttekening 54: Of: inderdaad.
[^johannes-8-37-55]: Kanttekening 55: Namelijk naar het vlees.
[^johannes-8-37-56]: Kanttekening 56: En daarmee bewijst u dat u geen echte kinderen van Abraham bent. Zie vers 39.
[^johannes-8-37-57]: Kanttekening 57: Of: dringt niet door in u, dat wil zeggen: in uw hart.
[^johannes-8-38-a]: Verwijzing a: Joh. 3:11 en 7:16 en 12:49 en 14:10, 24.
[^johannes-8-38-58]: Kanttekening 58: Zie Joh. 5:19-20.
[^johannes-8-38-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: wat u door de ingeving van de duivel geleerd hebt. Zie vers 44.
[^johannes-8-39-b]: Verwijzing b: Rom. 2:28 en 9:7.
[^johannes-8-39-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: echte en ware kinderen van Abraham.
[^johannes-8-40-c]: Verwijzing c: Joh. 17:17.
[^johannes-8-40-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: de ware leer van de zaligheid.
[^johannes-8-41-62]: Kanttekening 62: Namelijk als bastaarden of als afgodendienaars, zoals de Samaritanen waren.
[^johannes-8-42-63]: Kanttekening 63: Gr. uit God, door de eeuwige geboorte van de Vader. Ps. 2:7. Micha 5:1. Joh. 5:26.
[^johannes-8-42-64]: Kanttekening 64: Namelijk niet alleen gezonden als Middelaar, zoals uit het volgende blijkt; maar ook van hem geboren. Zie Joh. 10:30. Hebr. 5:5.
[^johannes-8-42-d]: Verwijzing d: Joh. 5:43 en 7:29.
[^johannes-8-43-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: mijn leer en manier van spreken, waarmee ik die u voorstel, verdragen; omdat die tegen uw slechte vooroordelen en neigingen ingaat. Joh. 6:60.
[^johannes-8-44-e]: Verwijzing e: 1 Joh. 3:8.
[^johannes-8-44-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: u aardt naar de duivel.
[^johannes-8-44-67]: Kanttekening 67: Die voornamelijk zijn: lasteren en moorden.
[^johannes-8-44-f]: Verwijzing f: Gen. 3:1. 2 Kor. 11:3. 1 Joh. 3:8.
[^johannes-8-44-68]: Kanttekening 68: Omdat hij de mens tot de zonde en daardoor tot de tijdelijke en eeuwige dood gebracht heeft.
[^johannes-8-44-69]: Kanttekening 69: Namelijk van de schepping van de mens.
[^johannes-8-44-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: in de oprechtheid, waarin hij geschapen was. 2 Pet. 2:4. Judas vers 6.
[^johannes-8-44-g]: Verwijzing g: Judas vers 6.
[^johannes-8-44-71]: Kanttekening 71: Gr. uit het zijne. Namelijk ingevingen en bewegingen.
[^johannes-8-44-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: uitvinder en stichter van die leugens.
[^johannes-8-46-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: van een fout in mijn leer of leven.
[^johannes-8-47-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: wie God tot vader heeft, zoals de Joden roemen in vers 41.
[^johannes-8-47-h]: Verwijzing h: Joh. 6:37 en 10:26-27. 1 Joh. 4:6.
[^johannes-8-47-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: hoort en gehoorzaamt graag.
[^johannes-8-48-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: iemand die vreemd staat van de ware godsdienst, en daarom vijand van de Joden, zoals de Samaritanen waren. Luk. 9:53.
[^johannes-8-48-i]: Verwijzing i: Joh. 7:20 en 10:20.
[^johannes-8-48-77]: Kanttekening 77: Zie Joh. 7:20.
[^johannes-8-49-k]: Verwijzing k: Joh. 7:18.
[^johannes-8-49-78]: Kanttekening 78: Namelijk met mijn leer en werken.
[^johannes-8-49-79]: Kanttekening 79: Namelijk met uw lasteringen.
[^johannes-8-50-80]: Kanttekening 80: Die recht zal spreken tussen u en mij, en zulke lasteringen zal wreken.
[^johannes-8-51-l]: Verwijzing l: Joh. 5:24 en 11:25.
[^johannes-8-51-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: de eeuwige dood.
[^johannes-8-51-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: niet proeven, zoals in het volgende vers gezegd wordt, dat is: er niet aan onderworpen zijn.
[^johannes-8-52-83]: Kanttekening 83: Of: u zegt.
[^johannes-8-53-m]: Verwijzing m: Hebr. 11:13.
[^johannes-8-53-84]: Kanttekening 84: Namelijk die toch het woord van God bewaard hebben.
[^johannes-8-55-85]: Kanttekening 85: Namelijk naar behoren en zoals het hoort, zoals vers 19.
[^johannes-8-56-86]: Kanttekening 86: Gr. van vreugde opgesprongen.
[^johannes-8-56-n]: Verwijzing n: Gen. 17:17. Luk. 10:24. Hebr. 11:13.
[^johannes-8-56-87]: Kanttekening 87: Namelijk van mijn komst in het vlees. Luk. 10:24. Hebr. 11:13.
[^johannes-8-56-88]: Kanttekening 88: Namelijk door het geloof, ziende op de belofte van God over deze komst.
[^johannes-8-56-89]: Kanttekening 89: Zie Gen. 17:17.
[^johannes-8-56-90]: Kanttekening 90: Of: werd verblijd.
[^johannes-8-57-91]: Kanttekening 91: Namelijk op het hoogste genomen, naar de uitwijzing van uw uiterlijk; want Christus was slechts omtrent vierendertig jaar oud toen hij leed.
[^johannes-8-58-92]: Kanttekening 92: Namelijk geboren. Of: werd, namelijk geboren.
[^johannes-8-58-93]: Kanttekening 93: Namelijk geweest, naar mijn goddelijke natuur, die van eeuwigheid is. Micha 5:1.
[^johannes-8-59-o]: Verwijzing o: Luk. 4:29. Joh. 10:31, 39 en 11:8.
[^johannes-8-59-94]: Kanttekening 94: Namelijk als op iemand die zij als een godslasteraar beschouwden, omdat hij zichzelf gelijk aan God maakte. Zie Lev. 24:16 en Joh. 10:33.
[^johannes-8-59-95]: Kanttekening 95: Namelijk ofwel hun ogen verblindend, of zich verbergend in de menigte. Luk. 4:30 en 24:16.

### Johannes 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/9.json)

*1 Christus bestrijkt de ogen van een blindgeborene met slijk op een sabbat, en beveelt hem zijn ogen te wassen in het water Siloam, en maakt hem ziende. 8 Wat de blin de aan zijn buren, die ernaar vroegen, verhaalt. 13 En wordt gebracht tot de Farizeeën, wie hij hetzelfde vertelt. 16 Die Christus lasteren als een sabbatschender, en betwijfelen of deze man blind geweest was. 18 En daarom zijn ouders ontbieden, die wel erkennen dat hij blind geboren was, maar zich verder beroepen op het getuigenis van hun zoon. 24 Die zij andermaal roepen en ondervragen. 27 Die hun antwoordt en uit dit werk betuigt dat Christus geen zondaar is, maar van God. 34 En wordt daarvoor smadelijk door hen buitengeworpen. 35 De blin de, door Christus nader onderricht, gelooft in hem en aanbidt hem. 40 Christus zegt de Farizeeën aan dat zij geestelijk blind zijn, en dat zij daarom in de zonde blijven omdat zij dat niet erkennen.*

**1** En voorbijgaande, zag Hij een mens,[^johannes-9-1-1] blind van de geboorte af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v1)

**2** En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft[^johannes-9-2-2] er[^johannes-9-2-3] gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v2)

**3** Jezus antwoordde:[^johannes-9-3-4] Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders,[^johannes-9-3-a] maar dit is gebeurd, opdat de werken[^johannes-9-3-5] van God in hem zouden geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v3)

**4** [^johannes-9-4-b] Ik moet werken[^johannes-9-4-6] de werken Van Degene, Die Mij gezonden heeft,[^johannes-9-4-7] zolang het dag is;[^johannes-9-4-8] de nacht komt, wanneer niemand werken kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v4)

**5** [^johannes-9-5-9] Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik[^johannes-9-5-c] het[^johannes-9-5-10] Licht van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v5)

**6** Dit gezegd hebbende,[^johannes-9-6-d] spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en[^johannes-9-6-11] streek dat slijk op de ogen van de blinde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v6)

**7** En zei tot hem: Ga heen, was u in het[^johannes-9-7-12] badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en waste zich, en kwam ziende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v7)

**8** De geburen dan, en die hem te voren[^johannes-9-8-13] gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die[^johannes-9-8-14] zat[^johannes-9-8-e] en bedelde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v8)

**9** Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zei: Ik ben het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v9)

**10** Zij dan zeiden tot hem:[^johannes-9-10-15] Hoe zijn u de ogen geopend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v10)

**11** Hij antwoordde en zei: De Mens, genoemd Jezus, maakte slijk, en[^johannes-9-11-16] bestreek mijn ogen, en zei tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en waste mij, en[^johannes-9-11-17] ik werd ziende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v11)

**12** Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zei: Ik weet het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v12)

**13** [^johannes-9-13-18] Zij brachten hem tot de Farizeeën, hem namelijk, die te voren blind geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v13)

**14** [^johannes-9-14-f] En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v14)

**15** De Farizeeën dan vraagden hem ook opnieuw, hoe hij ziende geworden was. En hij zei tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik waste mij, en ik zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v15)

**16** Sommigen dan uit de Farizeeën zeiden:[^johannes-9-16-19] Deze Mens is van God niet, want Hij[^johannes-9-16-20] houdt de sabbat niet.[^johannes-9-16-21] Anderen zeiden:[^johannes-9-16-g] Hoe kan een mens,[^johannes-9-16-22] die een zondaar is, zulke tekenen doen?[^johannes-9-16-h] En er was tweedracht onder hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v16)

**17** Zij zeiden opnieuw tot de blinde: U, wat zegt u van Hem;[^johannes-9-17-23] omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei:[^johannes-9-17-i] Hij is een Profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v17)

**18** [^johannes-9-18-24] De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en[^johannes-9-18-25] ziende was geworden, voordat zij geroepen hadden de ouders van degene, die ziende geworden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v18)

**19** En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, wie u zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v19)

**20** Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v20)

**21** Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf; hij zal van zichzelf spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v21)

**22** Dit zeiden zijn ouders,[^johannes-9-22-k] omdat zij de Joden vreesden;[^johannes-9-22-l] want[^johannes-9-22-26] de Joden hadden al samen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die[^johannes-9-22-27] uit de synagoge zou geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v22)

**23** Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v23)

**24** Zij dan riepen voor de tweede maal de mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem:[^johannes-9-24-28][^johannes-9-24-m] Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens[^johannes-9-24-29] een zondaar is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v24)

**25** Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v25)

**26** En zij zeiden[^johannes-9-26-30] opnieuw tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v26)

**27** Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, en u hebt het[^johannes-9-27-31] niet gehoord; wat wilt u het opnieuw horen? Wilt u ook Zijn discipelen worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v27)

**28** Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: U bent Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v28)

**29** Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Deze weten wij niet,[^johannes-9-29-32] vanwaar Hij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v29)

**30** De mens antwoordde, en zei tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat u niet weet, vanwaar Hij is, en toch heeft Hij[^johannes-9-30-33] mijn ogen geopend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v30)

**31** [^johannes-9-31-n] En wij weten, dat God[^johannes-9-31-34] de zondaars niet hoort;[^johannes-9-31-35] maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v31)

**32** [^johannes-9-32-36] Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene[^johannes-9-32-37] geopend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v32)

**33** Als Deze van God niet was,[^johannes-9-33-38] Hij zou[^johannes-9-33-39] niets kunnen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v33)

**34** Zij antwoordden, en zeiden tot hem: U bent[^johannes-9-34-40] geheel in zonden geboren, en leert u ons? En zij wierpen hem[^johannes-9-34-41] uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v34)

**35** Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zei Hij tot hem: Gelooft u in de Zoon van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v35)

**36** Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem mag geloven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v36)

**37** En Jezus zei tot Hem: En u hebt Hem gezien,[^johannes-9-37-o] en Die met u spreekt, Deze is het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v37)

**38** En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij[^johannes-9-38-42] aanbad Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v38)

**39** En Jezus zei:[^johannes-9-39-p] Ik ben tot een[^johannes-9-39-43] oordeel in deze wereld gekomen,[^johannes-9-39-q] opdat degenen,[^johannes-9-39-44] die niet zien,[^johannes-9-39-45] zien mogen, en[^johannes-9-39-46] die zien,[^johannes-9-39-47] blind worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v39)

**40** En dit hoorden enige uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v40)

**41** Jezus zei tot hen:[^johannes-9-41-48] Als u blind was, zo zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; zo[^johannes-9-41-50] blijft dan uw zonde.[^johannes-9-41-49] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/9.html#v41)

[^johannes-9-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk die zat en bedelde, vers 8.
[^johannes-9-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: een bijzondere grote zonde gedaan.
[^johannes-9-2-3]: Kanttekening 3: Het schijnt dat de discipelen in de dwaling waren die toen bij sommige Joden bestond, dat als de mens sterft, zijn ziel dan weer zou gaan in een ander lichaam, en dat de ziel van de blindgeborene in een ander lichaam gezondigd zou hebben.
[^johannes-9-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk dat hij blind geboren zou worden.
[^johannes-9-3-a]: Verwijzing a: Joh. 11:4.
[^johannes-9-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: van de goddelijke barmhartigheid en kracht, als Christus die aan hem zou bewijzen, om daarmee te bevestigen dat hij de ware Messias is, overeenkomstig de voorzegging in Jes. 35:5.
[^johannes-9-4-b]: Verwijzing b: Joh. 5:19.
[^johannes-9-4-6]: Kanttekening 6: Die zijn: het evangelie prediken en dat met wonderen bevestigen.
[^johannes-9-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: zolang mijn leven en de tijd van mijn dienst door God gesteld, duren zal.
[^johannes-9-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: de dood, na welke, zoals niemand kan doen wat zijn roeping in dit leven betreft, zo zal ik na mijn dood dergelijke werken zelf op aarde niet meer doen.
[^johannes-9-5-9]: Kanttekening 9: Gr. wanneer.
[^johannes-9-5-c]: Verwijzing c: Jes. 42:6. Luk. 2:32. Joh. 1:9 en 8:12 en 12:35, 46. Hand. 13:47.
[^johannes-9-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: moet ik de wereld verlichten met mijn leer en wonderen, hoewel ik daarvoor gelasterd en vervolgd word.
[^johannes-9-6-d]: Verwijzing d: Mark. 8:23.
[^johannes-9-6-11]: Kanttekening 11: Dit teken gebruikt Christus niet omdat er enige kracht in was; maar om te tonen dat de kracht om het gezicht te geven alleen van hem kwam, zoals hij ook de gehele mens uit slijk der aarde geschapen heeft. Gen. 2:7.
[^johannes-9-7-12]: Kanttekening 12: Over dit bad, zie Jes. 8:6 en Luk. 13:4. Sommigen menen dat het hetzelfde water was waarover gesproken wordt in Joh. 5:2.
[^johannes-9-8-13]: Kanttekening 13: Gr. zagen.
[^johannes-9-8-14]: Kanttekening 14: Namelijk bij de tempel, zoals blijkt uit het laatste vers van het vorige hoofdstuk vergeleken met het eerste van dit hoofdstuk. Zie dergelijke Hand. 3:2.
[^johannes-9-8-e]: Verwijzing e: Hand. 3:2.
[^johannes-9-10-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: hoe bent u ziende geworden?
[^johannes-9-11-16]: Kanttekening 16: Gr. zalfde.
[^johannes-9-11-17]: Kanttekening 17: Of: ik heb gezien.
[^johannes-9-13-18]: Kanttekening 18: Namelijk de buren of bekenden.
[^johannes-9-14-f]: Verwijzing f: Mat. 12:1. Mark. 2:2. Joh. 5:9, 23. Luk. 6:1.
[^johannes-9-16-19]: Kanttekening 19: Namelijk die op de sabbat uw ogen met slijk bestreken en geopend heeft.
[^johannes-9-16-20]: Kanttekening 20: Gr. bewaart.
[^johannes-9-16-21]: Kanttekening 21: Namelijk uit hun vergadering, zoals Nicodemus, of iemand dergelijks. Joh. 7:50.
[^johannes-9-16-g]: Verwijzing g: Joh. 3:2 en 9:33.
[^johannes-9-16-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: goddeloos, of een openbare verachter van Gods wet, zoals zij hem hier beschuldigen.
[^johannes-9-16-h]: Verwijzing h: Joh. 7:12 en 10:19.
[^johannes-9-17-23]: Kanttekening 23: Of: dat.
[^johannes-9-17-i]: Verwijzing i: Luk. 7:16 en 24:19. Joh. 4:19 en 6:14.
[^johannes-9-18-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de leiders van de Joden, zoals blijkt uit vers 22.
[^johannes-9-18-25]: Kanttekening 25: Gr. en zag; of: ziende was.
[^johannes-9-22-k]: Verwijzing k: Joh. 7:13 en 12:42.
[^johannes-9-22-l]: Verwijzing l: Joh. 12:42.
[^johannes-9-22-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de leiders van de Joden waren het samen eens geworden.
[^johannes-9-22-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: uitgesloten van de gemeenschap van de godsdienst, zoals men nu houdt degenen die uit de gemeente gebannen worden.
[^johannes-9-24-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: belijd oprecht de waarheid voor God, waarmee hem, als kenner van de harten, zijn eer gegeven wordt. Zie Joz. 7:19 en 1 Sam. 6:5.
[^johannes-9-24-m]: Verwijzing m: Joz. 7:19.
[^johannes-9-24-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: een openbare overtreder van Gods wet.
[^johannes-9-26-30]: Kanttekening 30: Namelijk voor de derde maal, om te zien of zij hem ergens op konden betrappen.
[^johannes-9-27-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: niet willen verstaan of aannemen.
[^johannes-9-29-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: van wie hij gezonden is en macht heeft ontvangen om te leren. Waartegen niet strijdt wat zij eerder zeiden (Joh. 7:27), want daar spreken zij van zijn vaderland.
[^johannes-9-30-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: met zo'n treffelijk wonderteken heeft aangetoond dat hij van God gezonden is, zoals hij besluit in vers 33. Zie ook Joh. 3:2.
[^johannes-9-31-n]: Verwijzing n: Spr. 15:29 en 28:9. Jes. 1:15. Micha 3:4.
[^johannes-9-31-34]: Kanttekening 34: Zie vers 16 en 24.
[^johannes-9-31-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: verhoort.
[^johannes-9-32-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: zolang de wereld heeft gestaan.
[^johannes-9-32-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: het gezicht heeft gegeven. Zie vers 10.
[^johannes-9-33-38]: Kanttekening 38: Namelijk gekomen of gezonden.
[^johannes-9-33-39]: Kanttekening 39: Gr. niet iets, namelijk dergelijks.
[^johannes-9-34-40]: Kanttekening 40: Zie eerder de verzen 1 en 2.
[^johannes-9-34-41]: Kanttekening 41: Gr. buiten, dat wil zeggen: uit hun vergadering of synagoge, zoals vers 22.
[^johannes-9-37-o]: Verwijzing o: Joh. 4:26.
[^johannes-9-38-42]: Kanttekening 42: Namelijk als hem nu voor de Zoon van God erkennende.
[^johannes-9-39-p]: Verwijzing p: Joh. 3:17 en 12:47.
[^johannes-9-39-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: met macht om de oordelen van God uit te voeren, zowel in het straffen van de verachters van zijn woord, voor wie het een reuk des doods is, als in het aannemen van de berouwvolle zondaars, voor wie het een reuk van het leven is. 2 Kor. 2:16.
[^johannes-9-39-q]: Verwijzing q: Mat. 13:13.
[^johannes-9-39-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: die hun geestelijke blindheid kennen en begeren daarvan verlost te worden.
[^johannes-9-39-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: tot de rechte en zaligmakende kennis van God mogen worden gebracht.
[^johannes-9-39-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: die menen dat zij deze kennis hebben, die zij toch niet recht hebben. Rom. 1:22 en 2:18.
[^johannes-9-39-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: dat zij het licht van het evangelie verachtende, door Gods rechtvaardige oordeel in hun blindheid gelaten, en meer en meer verhard worden. Zie Ps. 69:24. Jes. 6:9. Mat. 13:14.
[^johannes-9-41-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: als u uit enkel onwetendheid mijn leer niet aanneemt; of: als u uw onwetendheid en blindheid kende.
[^johannes-9-41-50]: Kanttekening 50: Namelijk op u liggend als een ongeneeslijke ziekte.
[^johannes-9-41-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: geen zo grote en ongeneeslijke zonde. Joh. 15:22.

### Johannes 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/10.json)

*1 Door de gelijkenis van de eigenschappen van een trouwe herder bewijst Christus dat hij de ware Herder is van zijn schapen. 7 Alzok de ware deur van de schaapskooi. 12 En geen huurling. 14 Daar hij zijn leven gewillig geeft voor zijn schapen. 19 Waarover de Joden onder elkaar twisten. 22 Christus, te Jeruzalem op het feest van de vernieuwing van de tempel, wordt door de Joden omringd en gevraagd of hij de Christus is. 25 Wat hij betuigt en bewijst uit zijn werken. 26 Zegt dat zij niet in hem geloven omdat zij niet van zijn schapen zijn. 27 Maar dat zijn schapen in hem geloven, en dat zij door hem en zijn Vader ten eeuwigen leven bewaard worden. 31 De Joden willen hem stenigen als godslasteraar. 34 Maar hij verdedigt zichzelf uit de Schrift en met zijn werken, dat hij zichzelf terecht de Zoon van God genoemd heeft. 39 En ontsnapt uit hun handen, en wijkt naar de Jordaan.*

**1** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die niet ingaat door[^johannes-10-1-1] de deur in de stal van de schapen, maar[^johannes-10-1-2] van elders inklimt,[^johannes-10-1-3] die is een dief en[^johannes-10-1-4] moordenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v1)

**2** Maar die door de deur ingaat, is[^johannes-10-2-5] een herder van de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v2)

**3** [^johannes-10-3-6] Deze doet de deurwachter open, en de schapen[^johannes-10-3-7] horen zijn stem; en hij roept zijn schapen[^johannes-10-3-8] bij name, en[^johannes-10-3-9] leidt ze uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v3)

**4** En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij[^johannes-10-4-10] voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem[^johannes-10-4-11] kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v4)

**5** Maar een vreemde zullen zij in geen geval volgen, maar zullen van hem vluchten; omdat zij de stem van de vreemde niet kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v5)

**6** Deze[^johannes-10-6-12] gelijkenis zei Jezus tot hen; maar zij verstonden niet,[^johannes-10-6-13] wat het was, dat Hij tot hen sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v6)

**7** Jezus dan zei opnieuw tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de[^johannes-10-7-14] Deur van de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v7)

**8** Allen, zovelen als er[^johannes-10-8-15] voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar[^johannes-10-8-16] de schapen hebben hen niet gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v8)

**9** [^johannes-10-9-a] Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal[^johannes-10-9-17] ingaan en uitgaan, en[^johannes-10-9-18] weide vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v9)

**10** De dief komt[^johannes-10-10-19] niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderft; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en[^johannes-10-10-20] overvloed hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v10)

**11** [^johannes-10-11-b] Ik ben de goede[^johannes-10-11-21] Herder; de goede herder stelt zijn[^johannes-10-11-22] leven voor de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v11)

**12** [^johannes-10-12-c] Maar[^johannes-10-12-23] de huurling, en die geen herder is, wie de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vlucht; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v12)

**13** En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is,[^johannes-10-13-24] en heeft geen zorg voor de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v13)

**14** Ik ben de goede Herder; en[^johannes-10-14-d] Ik ken[^johannes-10-14-25] de Mijn, en wordt van de Mijn gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v14)

**15** [^johannes-10-15-e] Zoals de Vader Mij kent,[^johannes-10-15-26] zo ken Ik ook de Vader; en Ik[^johannes-10-15-27] stel Mijn leven voor de schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v15)

**16** Ik heb nog[^johannes-10-16-28] andere schapen, die van deze[^johannes-10-16-29] stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn[^johannes-10-16-30] stem horen;[^johannes-10-16-f] en het zal worden één[^johannes-10-16-31] kudde, en één Herder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v16)

**17** Daarom heeft mij de Vader lief, omdat Ik[^johannes-10-17-g] Mijn leven afleg, opdat Ik het opnieuw neme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v17)

**18** Niemand[^johannes-10-18-32] neemt hetzelfde van Mij, maar Ik leg het[^johannes-10-18-33] van Mijzelf af;[^johannes-10-18-h] Ik heb macht hetzelfde af te leggen, en heb macht hetzelfde[^johannes-10-18-34] opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v18)

**19** [^johannes-10-19-i] Er werd dan opnieuw tweedracht onder de Joden, vanwege deze woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v19)

**20** En velen van hen zeiden:[^johannes-10-20-k] Hij heeft[^johannes-10-20-35] de duivel, en is waanzinnig; wat hoort u Hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v20)

**21** Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene;[^johannes-10-21-l] kan ook de duivel van de blinden ogen openen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v21)

**22** En het was het[^johannes-10-22-36] feest van[^johannes-10-22-l] de vernieuwing van de tempel te Jeruzalem; en[^johannes-10-22-37] het was winter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v22)

**23** En Jezus wandelde in de tempel,[^johannes-10-23-m] in het[^johannes-10-23-38] voorhof[^johannes-10-23-39] van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v23)

**24** De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang[^johannes-10-24-40] houdt U onze ziel op? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v24)

**25** Jezus antwoordde hun:[^johannes-10-25-41] Ik heb het u gezegd, en u gelooft het niet.[^johannes-10-25-n] De werken, die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v25)

**26** Maar u gelooft niet; want u bent niet[^johannes-10-26-42] van Mijn[^johannes-10-26-43] schapen, zoals Ik u gezegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v26)

**27** [^johannes-10-27-o] Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken deze, en zij volgen Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v27)

**28** En Ik geef hun het eeuwige leven;[^johannes-10-28-p] en zij zullen niet verloren gaan in de eeuwigheid, en niemand zal deze uit Mijn[^johannes-10-28-44] hand rukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v28)

**29** Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is[^johannes-10-29-45] meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v29)

**30** [^johannes-10-30-q] Ik en de Vader zijn[^johannes-10-30-46] één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v30)

**31** [^johannes-10-31-r] De Joden dan[^johannes-10-31-47] namen[^johannes-10-31-48] opnieuw stenen op, om Hem te stenigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v31)

**32** Jezus antwoordde hun: Ik heb[^johannes-10-32-49] u vele[^johannes-10-32-50] voortreffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt u Mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v32)

**33** De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed[^johannes-10-33-s] werk, maar over[^johannes-10-33-51] godslastering, en omdat U, een Mens zijnde, Uzelf[^johannes-10-33-52] God maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v33)

**34** Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven[^johannes-10-34-53] in uw wet:[^johannes-10-34-t] Ik heb gezegd, u bent goden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v34)

**35** Als de wet die goden genoemd heeft,[^johannes-10-35-54] tot wie het woord van God gebeurd is, en de Schrift niet kan[^johannes-10-35-55] gebroken worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v35)

**36** Zegt u[^johannes-10-36-v] tot Mij, Die de Vader[^johannes-10-36-56] geheiligd en in[^johannes-10-36-57] de wereld gezonden heeft: U lastert God; omdat Ik[^johannes-10-36-x] gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v36)

**37** [^johannes-10-37-y] Als Ik niet doe[^johannes-10-37-58] de werken van Mijn Vader, zo gelooft Mij niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v37)

**38** Maar als Ik ze doe, en zo u Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat u mag bekennen en geloven,[^johannes-10-38-z] dat de Vader[^johannes-10-38-59] in Mij is, en Ik in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v38)

**39** [^johannes-10-39-a] Zij zochten dan opnieuw Hem te grijpen,[^johannes-10-39-60] en Hij ontging uit hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v39)

**40** En Hij ging opnieuw over de Jordaan, tot de plaats,[^johannes-10-40-61][^johannes-10-40-b] waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v40)

**41** En velen kwamen tot Hem, en[^johannes-10-41-62] zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Deze zei, was waar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v41)

**42** En velen geloofden daar in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/10.html#v42)

[^johannes-10-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: door een wettige en goddelijke roeping, vergezeld van de leer van de waarheid. Hebr. 5:4. Gal. 1:8-9.
[^johannes-10-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: door onbehoorlijke middelen zich in de gemeente van God indringt, of valse leer invoert. Jer. 23:21. 2 Joh. vers 10.
[^johannes-10-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die doet zoals de dieven en rovers, die niet komen om de schapen te bewaren, maar om die ofwel met listigheid of met geweld te roven.
[^johannes-10-1-4]: Kanttekening 4: Gr. rover, of struikrover.
[^johannes-10-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: een echte en deugdelijke herder.
[^johannes-10-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: deze stelt God de Heer door zijn Geest tot een herder van zijn schapen, verzekert hem daarvan en zegent zijn dienst. Jes. 61:1. Hand. 13:2 en 20:28.
[^johannes-10-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: gehoorzamen en volgen zijn leer.
[^johannes-10-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: elk afzonderlijk. 2 Tim. 2:19.
[^johannes-10-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk naar een goede weide. Ps. 23:1-2.
[^johannes-10-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk om met een goede voortgang in leer en leven de rechte weg te wijzen, en gevaren van hen af te wenden. Hebr. 12:2.
[^johannes-10-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: onderscheiden, namelijk door de geest van onderscheiding. 1 Kor. 2:15.
[^johannes-10-6-12]: Kanttekening 12: Gr. Paroemia, dat wil zeggen: parabel, waarover zie Mat. 13:3.
[^johannes-10-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: wat Christus met deze gelijkenis wilde zeggen. Daarom verklaart hij hun die nader in het volgende.
[^johannes-10-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk door welke zowel de herders als de schapen in de gemeente, en tot het leven moeten ingaan. Joh. 14:6.
[^johannes-10-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk die zich uitgaven voor deze deur, of een andere ingang tot de zaligheid aanwijzende. Hand. 4:12.
[^johannes-10-8-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de uitverkorenen en ware kinderen van God.
[^johannes-10-9-a]: Verwijzing a: Joh. 14:6.
[^johannes-10-9-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: in mijn gemeenschap met een gerust geweten leven. Deut. 28:6. Ps. 121:6-8.
[^johannes-10-9-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: geestelijk voedsel van de ziel. Ez. 34:14.
[^johannes-10-10-19]: Kanttekening 19: Namelijk tot de schaapskooi.
[^johannes-10-10-20]: Kanttekening 20: Namelijk van genade en van heerlijkheid, hier en hierna. Joh. 1:16. 2 Pet. 1:3-4.
[^johannes-10-11-b]: Verwijzing b: Jes. 40:11. Ez. 34:23. Hebr. 13:20. 1 Pet. 5:4.
[^johannes-10-11-21]: Kanttekening 21: Namelijk van God van tevoren beloofd. Ez. 34:23. Zach. 13:7 en elders. Eerder noemde hij zichzelf de deur, hier noemt hij zich de herder; beide past zeer goed op hem in verschillende opzichten.
[^johannes-10-11-22]: Kanttekening 22: Gr. ziel.
[^johannes-10-12-c]: Verwijzing c: Zach. 11:16.
[^johannes-10-12-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die de schapen hoedt, alleen of voornamelijk ziende op het tijdelijke loon, en niet op de behoudenis en het welzijn van de schapen. Ez. 34:2-3, 8.
[^johannes-10-13-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: zorgt meer voor zichzelf dan voor de schapen.
[^johannes-10-14-d]: Verwijzing d: 2 Tim. 2:19.
[^johannes-10-14-25]: Kanttekening 25: Namelijk schapen, dat wil zeggen: mijn uitverkoren gelovigen.
[^johannes-10-15-e]: Verwijzing e: Mat. 11:27. Luk. 10:22. Joh. 6:46 en 7:29.
[^johannes-10-15-26]: Kanttekening 26: Of: en ik de Vader ken.
[^johannes-10-15-27]: Kanttekening 27: Gr. mijn ziel, dat wil zeggen: zal binnenkort mijn leven voor hen in de dood overgeven. Mat. 20:28.
[^johannes-10-16-28]: Kanttekening 28: Namelijk de uitverkorenen uit de heidenen.
[^johannes-10-16-29]: Kanttekening 29: Namelijk van de Joodse gemeente. Joh. 11:51-52.
[^johannes-10-16-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: leer, door de apostelen en andere getrouwe dienaren van het woord aan hen voorgedragen.
[^johannes-10-16-f]: Verwijzing f: Ez. 37:22.
[^johannes-10-16-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: één gemeente, bestaande uit zowel Joden als heidenen. Ef. 2:13-14.
[^johannes-10-17-g]: Verwijzing g: Jes. 53:12.
[^johannes-10-18-32]: Kanttekening 32: Namelijk tegen mijn wil.
[^johannes-10-18-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: vrijwillig. Ps. 40:9. Hebr. 10:10.
[^johannes-10-18-h]: Verwijzing h: Joh. 2:19.
[^johannes-10-18-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: mijzelf opnieuw uit de doden op te wekken door mijn goddelijke kracht. Joh. 2:19.
[^johannes-10-19-i]: Verwijzing i: Joh. 7:12 en 9:16.
[^johannes-10-20-k]: Verwijzing k: Joh. 7:20 en 8:48, 52.
[^johannes-10-20-35]: Kanttekening 35: Of: een onreine geest.
[^johannes-10-21-l]: Verwijzing l: Ex. 4:11. Ps. 94:9 en 146:8.
[^johannes-10-22-36]: Kanttekening 36: Gr. Egkainia (ἐγκαίνια). Dat was een feest dat Juda Maccabeus en de Joden hadden ingesteld ter gedachtenis van de wijding van het altaar en de reiniging van de tempel, ten tijde van koning Antiochus die de tempel en godsdienst had ontheiligd, om acht dagen lang jaarlijks gehouden te worden. Zie hierover 1 Makk. 4:59.
[^johannes-10-22-l]: Verwijzing l: Ex. 4:11. Ps. 94:9 en 146:8.
[^johannes-10-22-37]: Kanttekening 37: Want dit feest begon op de vijfentwintigste dag van de maand Kislev, die grotendeels met onze december overeenkomt.
[^johannes-10-23-m]: Verwijzing m: 1 Kon. 6:3. Hand. 3:11 en 5:12.
[^johannes-10-23-38]: Kanttekening 38: Gr. galerij, of zuilengang.
[^johannes-10-23-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: die om deze tweede tempel gebouwd was, op dezelfde wijze en plaats als Salomo een galerij om de eerste tempel had gebouwd; waar het volk gewoon was in te wandelen. Zie 1 Kon. 6:3. Hand. 3:11.
[^johannes-10-24-40]: Kanttekening 40: Gr. neemt ze weg, dat wil zeggen: houdt ze in twijfel wie u bent?
[^johannes-10-25-41]: Kanttekening 41: Namelijk wie ik ben.
[^johannes-10-25-n]: Verwijzing n: Joh. 5:36.
[^johannes-10-26-42]: Kanttekening 42: Gr. uit.
[^johannes-10-26-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: van de uitverkorenen die mij de Vader gegeven heeft.
[^johannes-10-27-o]: Verwijzing o: Joh. 8:47.
[^johannes-10-28-p]: Verwijzing p: Joh. 6:39 en 17:12 en 18:9.
[^johannes-10-28-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: macht en bewaring. Ps. 31:6.
[^johannes-10-29-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: machtiger.
[^johannes-10-30-q]: Verwijzing q: Jes. 54:5. Joh. 5:19 en 14:9 en 17:5.
[^johannes-10-30-46]: Kanttekening 46: Namelijk in wezen en macht; zoals de redenering van Christus duidelijk meebrengt, en de Joden het ook zo begrepen (vers 33), en Christus zelf nader verklaart in vers 36.
[^johannes-10-31-r]: Verwijzing r: Joh. 8:59 en 11:8.
[^johannes-10-31-47]: Kanttekening 47: Gr. droegen.
[^johannes-10-31-48]: Kanttekening 48: Namelijk voor de tweede maal, zoals eerder in Joh. 8:59.
[^johannes-10-32-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: voor uw ogen en tot uw welzijn.
[^johannes-10-32-50]: Kanttekening 50: Gr. mooie, goede, heerlijke.
[^johannes-10-33-s]: Verwijzing s: Joh. 5:18.
[^johannes-10-33-51]: Kanttekening 51: Namelijk die God bevolen heeft met steniging gestraft te worden. Lev. 24:16.
[^johannes-10-33-52]: Kanttekening 52: Namelijk omdat u zegt dat u één bent met de Vader.
[^johannes-10-34-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: in de heilige Schrift van het Oude Testament, die u voor Gods woord houdt.
[^johannes-10-34-t]: Verwijzing t: Ps. 82:6.
[^johannes-10-35-54]: Kanttekening 54: Of: tegen wie. Zie Ps. 82:6.
[^johannes-10-35-55]: Kanttekening 55: Gr. ontbonden of losgemaakt worden. Dat wil zeggen: haar kracht en waarheid verliezen.
[^johannes-10-36-v]: Verwijzing v: Joh. 6:27.
[^johannes-10-36-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: die de Vader tot een Middelaar en Koning van de gemeente heeft afgezonderd en verordend, welk ambt door geen bloot schepsel aangenomen noch uitgevoerd kan worden; maar alleen door de eeuwige Zoon van God. Jes. 9:5-6. Jer. 23:5-6.
[^johannes-10-36-57]: Kanttekening 57: Namelijk om de menselijke natuur tot dat doel aan te nemen. Fil. 2:6-7.
[^johannes-10-36-x]: Verwijzing x: Joh. 5:17.
[^johannes-10-37-y]: Verwijzing y: Joh. 15:24.
[^johannes-10-37-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: dezelfde wonderbare werken die God mijn Vader doet.
[^johannes-10-38-z]: Verwijzing z: Joh. 14:11 en 17:21.
[^johannes-10-38-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: dat ik en de Vader één zijn, zoals vers 30.
[^johannes-10-39-a]: Verwijzing a: Luk. 4:29. Joh. 8:59.
[^johannes-10-39-60]: Kanttekening 60: Namelijk zoals hij eerder meermalen had gedaan, omdat zijn uur nog niet gekomen was. Zie Joh. 7:30 en 8:59.
[^johannes-10-40-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: in Bethabara, waar Christus ook door hem gedoopt was. Zie Joh. 1:28.
[^johannes-10-40-b]: Verwijzing b: Joh. 1:28 en 3:23.
[^johannes-10-41-62]: Kanttekening 62: Namelijk onderling.

### Johannes 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/11.json)

*1 Lazarus is ziek in Bethanië, 3 waarom de zussen aan Christus berichten. 7 Die naar Judea gaat, 11 Lazarus sterft ondertussen. 17 En Christus gaat naar Bethanië om hem op te wekken. 20 Waar Martha hem ontmoet, met wie hij spreekt over de opstanding van haar broer en van alle gelovigen. 28 En daarna ook Maria. 35 Christus weent en komt bij het graf. 39 Vindt hem vier dagen begraven. 41 Bidt zijn Vader en wekt hem op. 45 Waarop velen in hem geloven. 46 En anderen het de overpriesters berichten. 47 Die daarover hun Raad vergaderen. 50 Waar Kajafas onwetend profeteert van de vrucht van Christus' dood. 53 En besloten wordt dat men hem zal doden. 54 Maar hij wijkt naar de stad Efraïm. 55 Wordt op het Paasfeest gezocht. 57 En de overpriesters geven een gebod uit dat men hem zal aangeven.*

**1** En er was een zeker man ziek, genoemd Lazarus, van Bethanië, uit het dorp[^johannes-11-1-1] van Maria en haar zus Martha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v1)

**2** [^johannes-11-2-a](Maria nu was degene, die de Heere[^johannes-11-2-2] gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haar; van wie de broer Lazarus ziek was.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v2)

**3** Zijn zussen dan[^johannes-11-3-3] zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, die U liefhebt, is ziek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v3)

**4** En Jezus, dat horende, zei: Deze ziekte is niet[^johannes-11-4-4] tot de dood,[^johannes-11-4-b] maar[^johannes-11-4-5] tot heerlijkheid van God; opdat de Zoon van God door[^johannes-11-4-6] deze[^johannes-11-4-7] verheerlijkt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v4)

**5** Jezus nu had Martha, en haar zus, en Lazarus lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v5)

**6** Als Hij dan gehoord had, dat hij ziek was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v6)

**7** Daarna zei Hij verder tot de discipelen: Laat ons opnieuw[^johannes-11-7-8] naar Judea gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v7)

**8** De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi![^johannes-11-8-c] de Joden hebben U[^johannes-11-8-9] nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat U opnieuw[^johannes-11-8-10] daarheen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v8)

**9** Jezus antwoordde: Zijn er niet[^johannes-11-9-11] twaalf uren[^johannes-11-9-12] in de dag? Als iemand in[^johannes-11-9-13] de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v9)

**10** Maar als iemand in de nacht wandelt, zo stoot hij zich, omdat het licht[^johannes-11-10-14] in hem niet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v10)

**11** Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend,[^johannes-11-11-d] slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v11)

**12** Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zo zal hij[^johannes-11-12-15] gezond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v12)

**13** Maar Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van[^johannes-11-13-16] de rust van de slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v13)

**14** Toen zei dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v14)

**15** En Ik ben blij om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat u[^johannes-11-15-17] geloven mag; maar laat ons tot hem gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v15)

**16** Thomas dan, genoemd[^johannes-11-16-18] Didymus, zei tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met[^johannes-11-16-19] Hem sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v16)

**17** Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen[^johannes-11-17-20] in het graf geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v17)

**18** (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, ongeveer vijftien[^johannes-11-18-21] stadiën van daar.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v18)

**19** En velen uit de[^johannes-11-19-22] Joden waren gekomen[^johannes-11-19-23] tot Martha en Maria, opdat[^johannes-11-19-24] zij haar troosten zouden over haar broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v19)

**20** Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; maar Maria[^johannes-11-20-25] bleef in huis zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v20)

**21** Zo zei Martha dan tot Jezus: Heere, was U hier geweest, zo was mijn broer[^johannes-11-21-26] niet gestorven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v21)

**22** Maar ook nu weet ik, dat[^johannes-11-22-27] alles, wat U van God begeren zult, God U het geven zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v22)

**23** Jezus zei tot haar: Uw broer zal wederopstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v23)

**24** Martha zei tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal[^johannes-11-24-28] in[^johannes-11-24-e] de opstanding op de laatste dag.[^johannes-11-24-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v24)

**25** Jezus zei tot haar:[^johannes-11-25-30][^johannes-11-25-f] Ik ben de Opstanding en het Leven;[^johannes-11-25-g] die in Mij gelooft zal[^johannes-11-25-31] leven, al was hij ook[^johannes-11-25-32] gestorven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v25)

**26** [^johannes-11-26-h] En een ieder, die leeft, en in Mij gelooft, zal[^johannes-11-26-33] niet sterven in de eeuwigheid. Gelooft u dat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v26)

**27** Zij zei tot Hem: Ja, Heere;[^johannes-11-27-i] ik heb geloofd, dat U bent de Christus, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v27)

**28** En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zus, in het geheim, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v28)

**29** Deze, als zij dat hoorde, stond haastig op, en ging tot Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v29)

**30** (Jezus nu was nog in[^johannes-11-30-34] het dorp niet gekomen, maar was op de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v30)

**31** De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar troostten, ziende Maria, dat zij haastig opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar[^johannes-11-31-35] het graf, opdat zij daar wene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v31)

**32** Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, als U hier geweest was, zo was mijn broer niet gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v32)

**33** Jezus dan, als Hij haar zag huilen, en de Joden, die met haar kwamen, ook huilen, werd zeer[^johannes-11-33-36] bewogen in de geest, en[^johannes-11-33-37] ontroerde Zichzelf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v33)

**34** En zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v34)

**35** [^johannes-11-35-k] Jezus[^johannes-11-35-38] huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v35)

**36** De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v36)

**37** En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij,[^johannes-11-37-l] Die de ogen van de blinde geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v37)

**38** Jezus dan opnieuw in Zichzelf zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een grot, en een steen was[^johannes-11-38-39] daarop gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v38)

**39** Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zus van de gestorvene, zei tot Hem: Heere, hij ruikt nu al, want hij heeft vier dagen[^johannes-11-39-40] daar gelegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v39)

**40** Jezus zei tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo u gelooft, u[^johannes-11-40-41] de heerlijkheid van God zien zult? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v40)

**41** Zij namen dan de steen weg, waar de gestorvene[^johannes-11-41-42] lag. En Jezus hief de ogen omhoog, en[^johannes-11-41-43] zei: Vader, Ik dank U, dat U Mij gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v41)

**42** Maar Ik wist, dat U Mij altijd hoort;[^johannes-11-42-m] maar omwille van de menigte, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v42)

**43** En als Hij dit gezegd had, riep Hij met luide stem: Lazarus, kom uit! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v43)

**44** En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met[^johannes-11-44-44] grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden[^johannes-11-44-n] met een zweetdoek. Jezus zei tot hen: Ontbind hem, en laat hem heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v44)

**45** Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v45)

**46** Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeeën, en zeiden tot hen, wat Jezus gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v46)

**47** [^johannes-11-47-o] De overpriesters dan en de Farizeeën verzamelden[^johannes-11-47-45] de raad, en zeiden:[^johannes-11-47-p] Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v47)

**48** Als wij Hem zo[^johannes-11-48-46] laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen[^johannes-11-48-47] komen, en wegnemen zowel[^johannes-11-48-48] onze plaats als volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v48)

**49** En één uit hen, namelijk Kajafas, die[^johannes-11-49-49] dat jaar hogepriester was, zei tot hen: U verstaat niets; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v49)

**50** En u overlegt niet,[^johannes-11-50-q] dat het ons nut is,[^johannes-11-50-50] dat een mens sterft voor het volk, en het hele volk niet verloren ga. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v50)

**51** En dit zei hij niet uit zichzelf; maar, zijnde hogepriester in dat jaar, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor[^johannes-11-51-51] het volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v51)

**52** En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook[^johannes-11-52-52] de kinderen van God, die verstrooid waren,[^johannes-11-52-r] tot[^johannes-11-52-53] één zou verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v52)

**53** Van die dag dan af[^johannes-11-53-54] beraadslaagden zij samen, dat zij Hem doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v53)

**54** Jezus dan wandelde niet meer vrij onder de Joden; maar ging[^johannes-11-54-55] van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genoemd[^johannes-11-54-56] Efraïm, en verkeerde daar met Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v54)

**55** En het[^johannes-11-55-57] pascha van de Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelf[^johannes-11-55-58] reinigden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v55)

**56** [^johannes-11-56-s] Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkaar, staande in de tempel: Wat denkt u? Denkt u, dat[^johannes-11-56-59] Hij niet komen zal tot het feest? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v56)

**57** De overpriesters nu en de Farizeeën hadden een gebod[^johannes-11-57-60] gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten[^johannes-11-57-61] vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/11.html#v57)

[^johannes-11-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: waar Maria en Martha woonden. Luk. 10:38. Joh. 12:1. Over de ligging van dit dorp zie vers 18.
[^johannes-11-2-a]: Verwijzing a: Mat. 26:6. Mark. 14:3. Luk. 7:37. Joh. 12:3.
[^johannes-11-2-2]: Kanttekening 2: Zie hiervan in het volgende hoofdstuk vers 3.
[^johannes-11-3-3]: Kanttekening 3: Namelijk naar Bethabara over de Jordaan, waar hij toen was. Zie Joh. 10:40.
[^johannes-11-4-4]: Kanttekening 4: Namelijk om daarin te blijven, tot aan de tijd van de algemene opstanding.
[^johannes-11-4-b]: Verwijzing b: Joh. 9:3 en 11:40.
[^johannes-11-4-5]: Kanttekening 5: Gr. voor de eer van God.
[^johannes-11-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk ziekte, zoals het Griekse woord duidelijk uitwijst.
[^johannes-11-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk als hij hem opnieuw van de doden zal opwekken.
[^johannes-11-7-8]: Kanttekening 8: Namelijk waarvandaan hij was gevlucht, omdat de Joden hem wilden stenigen. Joh. 10:40.
[^johannes-11-8-c]: Verwijzing c: Joh. 8:59 en 10:31.
[^johannes-11-8-9]: Kanttekening 9: Want het was omtrent twee maanden geleden.
[^johannes-11-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk om u daar in gevaar te begeven.
[^johannes-11-9-11]: Kanttekening 11: Dit moet begrepen worden naar de rekening van de Joden, die de uren telden van de opgang van de zon tot de ondergang, en de dag altijd verdeelden in twaalf uren. Zie ook Mat. 20:3.
[^johannes-11-9-12]: Kanttekening 12: Gr. des daags.
[^johannes-11-9-13]: Kanttekening 13: Christus vergelijkt hier zijn leven bij de dag en zijn sterven bij de nacht, zoals ook Joh. 9:4, en wil daarmee zeggen dat zoals de dag bepaalde uren heeft, namelijk zolang het licht van de wereld, dat wil zeggen de zon, schijnt, zo heeft ook zijn leven op aarde een bepaald tijdsbestek door zijn Vader gesteld, vóór welke tijd de mensen hem het leven niet zullen kunnen benemen, of de werken van zijn roeping beletten. Maar als die tijd verstreken zal zijn, zullen zij dan macht krijgen om hem te doden.
[^johannes-11-10-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: niet in zijn ogen schijnt.
[^johannes-11-11-d]: Verwijzing d: Mat. 9:24. Mark. 5:39. Luk. 8:52.
[^johannes-11-12-15]: Kanttekening 15: Gr. behouden worden. Dat wil zeggen: het is een goed teken dat hij van de ziekte zal genezen.
[^johannes-11-13-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: van de natuurlijke en eigenlijk genoemde slaap.
[^johannes-11-15-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: in uw geloof door zijn opwekking gesterkt worden.
[^johannes-11-16-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: tweeling; met welk Grieks woord het Hebreeuwse woord Thomas vertaald wordt, zoals Cefas door het woord Petrus. Joh. 1:43.
[^johannes-11-16-19]: Kanttekening 19: Namelijk Christus onze meester, aangezien hij zich nu eenmaal in gevaar wil begeven. Zie vers 8.
[^johannes-11-17-20]: Kanttekening 20: Gr. in het graf had, dat wil zeggen: gelegen had.
[^johannes-11-18-21]: Kanttekening 21: Een stadie telt honderdvijfentwintig schreden, en vijftien stadiën maken iets meer dan een half uur lopen. Zie Luk. 24:13.
[^johannes-11-19-22]: Kanttekening 22: Namelijk die te Jeruzalem en in de omtrek, zoals het vorige vers uitwijst, woonden.
[^johannes-11-19-23]: Kanttekening 23: Gr. bij de vrouwen rondom Martha en Maria zijnde (Μάρθαν).
[^johannes-11-19-24]: Kanttekening 24: Namelijk de Joden.
[^johannes-11-20-25]: Kanttekening 25: Gr. zat in het huis.
[^johannes-11-21-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: ik vertrouw dat u hem van zijn ziekte zou hebben genezen.
[^johannes-11-22-27]: Kanttekening 27: Namelijk zelfs ook dat mijn broer weer levend wordt.
[^johannes-11-24-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: bij de algemene opstanding van alle mensen.
[^johannes-11-24-e]: Verwijzing e: Dan. 12:2. Luk. 14:14. Joh. 5:29.
[^johannes-11-24-29]: Kanttekening 29: Namelijk van deze wereld.
[^johannes-11-25-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: ik ben de bewerker en oorzaak van de opstanding en het leven.
[^johannes-11-25-f]: Verwijzing f: Joh. 1:4 en 5:24 en 14:6.
[^johannes-11-25-g]: Verwijzing g: Joh. 3:16, 36 en 6:47. 1 Joh. 5:10.
[^johannes-11-25-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: zal tot het eeuwige leven weer opgewekt worden.
[^johannes-11-25-32]: Kanttekening 32: Namelijk naar het lichaam.
[^johannes-11-26-h]: Verwijzing h: Joh. 6:51.
[^johannes-11-26-33]: Kanttekening 33: Namelijk de eeuwige en tweede dood. Openb. 20:6.
[^johannes-11-27-i]: Verwijzing i: Mat. 16:16. Mark. 8:29. Luk. 9:20. Joh. 6:69.
[^johannes-11-30-34]: Kanttekening 34: Namelijk van Bethanië.
[^johannes-11-31-35]: Kanttekening 35: Namelijk dat buiten het dorp was, naar de gewoonte van de Joden.
[^johannes-11-33-36]: Kanttekening 36: Of: zeer bedroefd in zijn gemoed. Zie ook vers 38.
[^johannes-11-33-37]: Kanttekening 37: Namelijk door medelijden en verdriet. Hebr. 4:15.
[^johannes-11-35-k]: Verwijzing k: Luk. 19:41.
[^johannes-11-35-38]: Kanttekening 38: Of: liet tranen.
[^johannes-11-37-l]: Verwijzing l: Joh. 9:6.
[^johannes-11-38-39]: Kanttekening 39: Of: daartegen.
[^johannes-11-39-40]: Kanttekening 40: Namelijk in het graf, zoals blijkt uit vers 17. Gr. hij is vierdaags.
[^johannes-11-40-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: de wonderbare opwekking van uw broer, waardoor de kracht van God gezien, en zijn eer verbreid wordt.
[^johannes-11-41-42]: Kanttekening 42: Gr. was liggende.
[^johannes-11-41-43]: Kanttekening 43: Christus bidt zijn Vader, niet omdat hij als Zoon van God de macht niet zou hebben doden op te wekken (Joh. 5:21), maar omdat hij als Middelaar zich in het gebruik van deze macht aan de wil van de Vader had onderworpen. Fil. 2:7-8. Hebr. 10:7.
[^johannes-11-42-m]: Verwijzing m: Joh. 12:30.
[^johannes-11-44-44]: Kanttekening 44: Of: windelbanden, waarmee hij begraven was, naar de gewoonte van de Joden. Joh. 20:6-7.
[^johannes-11-44-n]: Verwijzing n: Joh. 20:7.
[^johannes-11-47-o]: Verwijzing o: Ps. 2:2. Mat. 26:3. Mark. 14:1. Luk. 22:2. Hand. 4:27.
[^johannes-11-47-45]: Kanttekening 45: Gr. Synedrion (συνέδριον), waarover zie Mat. 5:22.
[^johannes-11-47-p]: Verwijzing p: Joh. 12:19.
[^johannes-11-48-46]: Kanttekening 46: Gr. laten.
[^johannes-11-48-47]: Kanttekening 47: Namelijk tegen ons als rebellen.
[^johannes-11-48-48]: Kanttekening 48: De stad en tempel van Jeruzalem uitroeien.
[^johannes-11-49-49]: Kanttekening 49: Het hogepriesterambt werd toen door de Romeinen voor een bepaalde tijd gegeven, soms ook van jaar tot jaar (Luk. 3:2. Hand. 4:6), tegen de ordonnantie van God. Zie Num. 35:28. Joz. 20:6. Hebr. 7:23.
[^johannes-11-50-q]: Verwijzing q: Joh. 18:14.
[^johannes-11-50-50]: Kanttekening 50: Hij verstond dit wel van de wereldse toestand van het Joodse volk, maar God heeft zijn tong zo geleid, dat hij zonder het te weten geprofeteerd heeft van de vrucht van de dood van Christus, tot verzoening en behoud van de uitverkoren kinderen van God.
[^johannes-11-51-51]: Kanttekening 51: Namelijk van de Joden.
[^johannes-11-52-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de uitverkorenen uit alle volken door de gehele wereld. Openb. 5:9.
[^johannes-11-52-r]: Verwijzing r: Ef. 2:14-16.
[^johannes-11-52-53]: Kanttekening 53: Namelijk lichaam, kudde, of gemeente, zoals Joh. 10:16. Ef. 2:14.
[^johannes-11-53-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: besloten in hun raad.
[^johannes-11-54-55]: Kanttekening 55: Namelijk van Jeruzalem en de omgeving.
[^johannes-11-54-56]: Kanttekening 56: Andere lezing: Efrem; welke stad sommigen menen te zijn de stad Efraïm of Efron, waarvan men leest in 2 Kron. 13:19.
[^johannes-11-55-57]: Kanttekening 57: Dit was het laatste Pascha dat Christus hield, waarin hij gekruisigd werd.
[^johannes-11-55-58]: Kanttekening 58: Namelijk overeenkomstig het bevel van God, Num. 9:6 en 2 Kron. 30:15.
[^johannes-11-56-s]: Verwijzing s: Joh. 7:11.
[^johannes-11-56-59]: Kanttekening 59: Namelijk Jezus.
[^johannes-11-57-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: laten afkondigen.
[^johannes-11-57-61]: Kanttekening 61: Gr. grijpen.

### Johannes 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/12.json)

*1 Christus zit in Bethanië met Lazarus aan tafel, 3 en wordt door Maria gezalfd, 4 waarover zij door Judas berispt, 7 maar door Christus verdedigd wordt. 9 Vele Joden komen om Lazarus te zien. 10 Waarom de overpriesters hem ook zoeken te doden. 12 Christus rijdt naar Jeruzalem op een ezel en wordt door de menigte met blijdschap en gelukwensing als de Koning van Israël ontvangen. 20 Enige Grieken verlangen Jezus te zien en spreken Filippus daarover aan. 23 Waaruit Christus aanleiding neemt te handelen over de vrucht van zijn dood, door de gelijkenis van een tarwekorrel. 27 Wordt in zijn ziel beroerd en bidt zijn Vader, en wordt door een stem uit de hemel verheerlijkt. 29 Onderricht de menigte opnieuw over de vrucht en wijze van zijn dood, en vermaant hen in zijn licht te wandelen. 37 De Joden blijven verhard, zoals door Jesaja was voorzegd. 42 Maar velen van de oversten geloven in hem, maar durven hem niet belijden. 44 Hij vermaant opnieuw tot geloof en tot belijdenis daarvan.*

**1** [^johannes-12-1-a] Jezus dan kwam[^johannes-12-1-1] zes dagen voor het pascha te Bethanië, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, wie Hij opgewekt had uit de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v1)

**2** Zij bereidden Hem dan[^johannes-12-2-2] daar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was één van degenen, die met Hem aanzaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v2)

**3** Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van[^johannes-12-3-3] onvervalste, zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haar Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van de reuk van de zalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v3)

**4** Zo zei dan één van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v4)

**5** [^johannes-12-5-b] Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd[^johannes-12-5-4] penningen, en de armen gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v5)

**6** En dit zei hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was,[^johannes-12-6-c] en de beurs had, en droeg wat[^johannes-12-6-5] gegeven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v6)

**7** Jezus dan zei:[^johannes-12-7-6] Laat af van haar; zij heeft dit bewaard[^johannes-12-7-7] tegen[^johannes-12-7-d] de dag van Mijn begrafenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v7)

**8** Want de[^johannes-12-8-e] armen hebt u[^johannes-12-8-8] altijd met u, maar Mij hebt u[^johannes-12-8-9] niet altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v8)

**9** Een grote menigte dan van de Joden verstond, dat Hij daar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien,[^johannes-12-9-f] die Hij uit de doden opgewekt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v9)

**10** En de overpriesters[^johannes-12-10-10] beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v10)

**11** Want velen van de Joden gingen[^johannes-12-11-11] heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v11)

**12** [^johannes-12-12-g] Op de andere dag, een grote menigte, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v12)

**13** [^johannes-12-13-12] Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen:[^johannes-12-13-13] Hosanna![^johannes-12-13-h] Gezegend[^johannes-12-13-14] is Hij, Die komt in de Naam van de Heere, Hij, Die is de Koning van Israël! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v13)

**14** En Jezus[^johannes-12-14-15] vond een jonge ezel, en zat daarop, zoals geschreven is: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v14)

**15** [^johannes-12-15-16][^johannes-12-15-i] Vrees niet, u dochter van Sion, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen van een ezelin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v15)

**16** Maar[^johannes-12-16-17] dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar[^johannes-12-16-18] als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v16)

**17** [^johannes-12-17-19] De menigte dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v17)

**18** Daarom ging ook de menigte Hem tegemoet, omdat zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v18)

**19** De Farizeeën dan zeiden onder elkaar:[^johannes-12-19-k] Ziet u wel, dat u[^johannes-12-19-20] geheel niet vordert? Ziet,[^johannes-12-19-21] de hele wereld gaat Hem na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v19)

**20** En er waren sommige[^johannes-12-20-22] Grieken uit degenen,[^johannes-12-20-l] die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v20)

**21** Deze dan gingen tot Filippus,[^johannes-12-21-m] die van Bethsaïda in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heere, wij[^johannes-12-21-23] wilden Jezus[^johannes-12-21-24] wel zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v21)

**22** Filippus kwam en zei het Andreas; en Andreas en Filippus opnieuw zeiden het Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v22)

**23** Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: Het uur is gekomen,[^johannes-12-23-n] dat de Zoon des mensen zal[^johannes-12-23-25] verheerlijkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v23)

**24** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-12-24-o] Als[^johannes-12-24-26] het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft het alleen; maar als het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v24)

**25** [^johannes-12-25-p] Die zijn[^johannes-12-25-27] leven[^johannes-12-25-28] liefheeft, zal het verliezen; en die zijn leven[^johannes-12-25-29] haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v25)

**26** Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en[^johannes-12-26-q] waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v26)

**27** [^johannes-12-27-r] Nu is Mijn ziel[^johannes-12-27-30] ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit[^johannes-12-27-31] uur! Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v27)

**28** Vader,[^johannes-12-28-32] verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit de hemel, zeggende: En Ik heb[^johannes-12-28-33] Hem verheerlijkt, en Ik[^johannes-12-28-34] zal Hem opnieuw verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v28)

**29** De menigte dan, die daar stond, en dit hoorde, zei, dat[^johannes-12-29-35] er een donderslag gebeurd was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v29)

**30** Jezus antwoordde en zei:[^johannes-12-30-s] Niet om Mijnentwil is deze stem gebeurd, maar[^johannes-12-30-36] om uwentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v30)

**31** [^johannes-12-31-t] Nu is het[^johannes-12-31-37] oordeel van deze wereld;[^johannes-12-31-v] nu zal de[^johannes-12-31-38] overste van deze wereld buiten geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v31)

**32** [^johannes-12-32-x] En Ik,[^johannes-12-32-39] zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal[^johannes-12-32-40] hen allen tot Mij[^johannes-12-32-41] trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v32)

**33** (En dit zei Hij, betekenende, wat voor dood Hij sterven zou.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v33)

**34** De menigte antwoordde Hem: Wij hebben uit[^johannes-12-34-42] de wet gehoord,[^johannes-12-34-y] dat de Christus blijft in de eeuwigheid; en hoe zegt U, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v34)

**35** Jezus dan zei tot hen: Nog een kleine tijd[^johannes-12-35-z] is[^johannes-12-35-43] het Licht bij u; wandel, terwijl u het Licht hebt, opdat[^johannes-12-35-44] de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.[^johannes-12-35-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v35)

**36** Terwijl u het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat u kinderen van het Licht mag zijn. Deze dingen sprak Jezus; en[^johannes-12-36-45] weggaande verborg Hij Zich van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v36)

**37** En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, toch geloofden zij in Hem niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v37)

**38** Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft:[^johannes-12-38-b] Heere,[^johannes-12-38-46] wie heeft onze[^johannes-12-38-47] prediking geloofd, en wie is de[^johannes-12-38-48] arm van de[^johannes-12-38-49] Heere geopenbaard? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v38)

**39** Daarom[^johannes-12-39-50] konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw gezegd heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v39)

**40** [^johannes-12-40-51][^johannes-12-40-c] Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v40)

**41** [^johannes-12-41-d] Dit zei Jesaja, toen hij[^johannes-12-41-52] Zijn heerlijkheid[^johannes-12-41-53] zag, en van Hem sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v41)

**42** [^johannes-12-42-e] Toch geloofden ook zelfs velen uit de oversten[^johannes-12-42-54] in Hem; maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet;[^johannes-12-42-f] opdat zij[^johannes-12-42-55] uit de synagoge niet zouden geworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v42)

**43** [^johannes-12-43-g] Want zij hadden de eer van de mensen lief, meer dan de eer van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v43)

**44** En Jezus riep, en zei: Die in Mij gelooft,[^johannes-12-44-56] gelooft in Mij niet, maar in Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v44)

**45** [^johannes-12-45-h] En die Mij[^johannes-12-45-57] ziet, die ziet Degene, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v45)

**46** [^johannes-12-46-i] Ik ben[^johannes-12-46-58] een Licht, in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v46)

**47** En als iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik[^johannes-12-47-59] oordeel hem niet;[^johannes-12-47-k] want Ik[^johannes-12-47-60] ben niet gekomen, opdat Ik de wereld[^johannes-12-47-61] oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v47)

**48** [^johannes-12-48-l] Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt;[^johannes-12-48-m] het woord, dat Ik gesproken heb,[^johannes-12-48-62] dat zal hem oordelen ten laatsten dage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v48)

**49** [^johannes-12-49-n] Want Ik heb[^johannes-12-49-63] uit Mijzelf niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een[^johannes-12-49-64] gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v49)

**50** En Ik weet, dat Zijn gebod[^johannes-12-50-65] het eeuwige leven is. Wat Ik dan spreek, dat spreek Ik zo, zoals Mij de Vader gezegd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/12.html#v50)

[^johannes-12-1-a]: Verwijzing a: Mat. 26:6. Mark. 14:3. Luk. 7:37. Joh. 11:2.
[^johannes-12-1-1]: Kanttekening 1: Deze zes dagen moeten begrepen worden van de tijd toen Christus eerst te Bethanië is gekomen. Mat. 26:2 en Mark. 14:1 spreken maar van twee dagen; maar die zien op de tijd toen de overpriesters besloten hadden hem te vangen en te doden, zoals ook afgeleid kan worden uit het volgende vers 19 van dit hoofdstuk.
[^johannes-12-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk in het huis van Simon de melaatse. Zie Mat. 26:6.
[^johannes-12-3-3]: Kanttekening 3: Gr. Pistikes (πιστικῆς); over dit woord zie Mark. 14:3.
[^johannes-12-5-b]: Verwijzing b: Mark. 14:5.
[^johannes-12-5-4]: Kanttekening 4: Gr. Denarii (δηναρίων); over hun waarde zie Mat. 18:28 en Mark. 14:5.
[^johannes-12-6-c]: Verwijzing c: Joh. 13:29.
[^johannes-12-6-5]: Kanttekening 5: Gr. geworpen werd. Dat wil zeggen: ingeworpen, namelijk door sommige godvrezende vrouwen en anderen, tot onderhoud van Christus en zijn discipelen. Zie Luk. 8:3.
[^johannes-12-7-6]: Kanttekening 6: Of: laat haar geworden.
[^johannes-12-7-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: tot een voorbereiding van mijn begrafenis. Zie hierover de aantekening op Mat. 26:12.
[^johannes-12-7-d]: Verwijzing d: Mark. 14:8.
[^johannes-12-8-e]: Verwijzing e: Deut. 15:11. Mat. 26:11. Mark. 14:7.
[^johannes-12-8-8]: Kanttekening 8: Namelijk om aan hen weldadigheid te bewijzen. Deut. 15:11.
[^johannes-12-8-9]: Kanttekening 9: Namelijk lichamelijk aanwezig.
[^johannes-12-9-f]: Verwijzing f: Joh. 11:44.
[^johannes-12-10-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: besloten in hun raad.
[^johannes-12-11-11]: Kanttekening 11: Namelijk naar Bethanië, om hem daar te zien.
[^johannes-12-12-g]: Verwijzing g: Mat. 21:8. Mark. 11:8. Luk. 19:36.
[^johannes-12-13-12]: Kanttekening 12: Over deze hele geschiedenis zie uitvoeriger Mat. 21:8 etc.
[^johannes-12-13-13]: Kanttekening 13: Zie ook over dit woord Mat. 21:9.
[^johannes-12-13-h]: Verwijzing h: Ps. 118:26.
[^johannes-12-13-14]: Kanttekening 14: Of: zij hij.
[^johannes-12-14-15]: Kanttekening 15: Namelijk door de dienst van zijn discipelen, die hij daartoe had uitgestuurd, zoals de andere evangelisten uitvoeriger verhalen.
[^johannes-12-15-16]: Kanttekening 16: Zie hierover Mat. 21:5.
[^johannes-12-15-i]: Verwijzing i: Jes. 62:11. Zach. 9:9. Mat. 21:5.
[^johannes-12-16-17]: Kanttekening 17: Namelijk dat dit de vervulling was van die profetie.
[^johannes-12-16-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: nadat zij na zijn opstanding en hemelvaart de Heilige Geest hadden ontvangen.
[^johannes-12-17-19]: Kanttekening 19: Of: de menigte dan die bij hem was toen hij Lazarus uit het graf riep, en hem uit de doden opwekte, gaf hem getuigenis.
[^johannes-12-19-k]: Verwijzing k: Joh. 11:47.
[^johannes-12-19-20]: Kanttekening 20: Namelijk met al uw vroegere weerstand tegen hem; en dat u daarom een andere aanpak moet kiezen om hem het hoofd te bieden.
[^johannes-12-19-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: de grootste menigte van het volk hangt hem aan, en volgt hem als hun leraar.
[^johannes-12-20-22]: Kanttekening 22: Die geweest zijn, ofwel onbesneden heidenen die ook mochten komen in het voorste deel van de tempel, om te bidden (1 Kon. 8:41-42), ofwel Joden die onder de Grieken woonden, of Jodengenoten uit de heidenen bekeerd, zoals de Moor was (Hand. 8:27-28).
[^johannes-12-20-l]: Verwijzing l: Hand. 8:27.
[^johannes-12-21-m]: Verwijzing m: Joh. 1:15.
[^johannes-12-21-23]: Kanttekening 23: Gr. willen.
[^johannes-12-21-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: begroeten en aanspreken.
[^johannes-12-23-n]: Verwijzing n: Joh. 13:32 en 17:1.
[^johannes-12-23-25]: Kanttekening 25: Namelijk door zijn dood en opstanding, na welke hij ook onder de heidenen door de prediking van het evangelie verheerlijkt is geworden.
[^johannes-12-24-o]: Verwijzing o: 1 Kor. 15:36.
[^johannes-12-24-26]: Kanttekening 26: Met deze gelijkenis wil Christus zeggen dat hij eerst moet sterven en daarna weer opstaan, om de mensen, zowel Joden als Grieken, tot zaligheid te brengen. Zie Jes. 53:10-11.
[^johannes-12-25-p]: Verwijzing p: Mat. 10:39 en 16:25. Mark. 8:35. Luk. 9:24 en 17:33.
[^johannes-12-25-27]: Kanttekening 27: Gr. ziel.
[^johannes-12-25-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: liever heeft dan mij. Zie hierover Mat. 10:37.
[^johannes-12-25-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: bereid is voor mij te laten. Zie Luk. 14:26.
[^johannes-12-26-q]: Verwijzing q: Joh. 14:3 en 17:24.
[^johannes-12-27-r]: Verwijzing r: Mat. 26:37-39. Mark. 14:34. Luk. 22:44.
[^johannes-12-27-30]: Kanttekening 30: Namelijk door de overdenking van mijn zwaar aanstaand lijden.
[^johannes-12-27-31]: Kanttekening 31: Namelijk van mijn zwaar lijden. Zie Mat. 26:39.
[^johannes-12-28-32]: Kanttekening 32: Namelijk door mijn dood.
[^johannes-12-28-33]: Kanttekening 33: Namelijk door vele wonderen en getuigenissen.
[^johannes-12-28-34]: Kanttekening 34: Namelijk door de opstanding uit de doden, en wat daarop zal volgen.
[^johannes-12-29-35]: Kanttekening 35: Namelijk aangezien deze stem groter was dan een menselijke stem.
[^johannes-12-30-s]: Verwijzing s: Joh. 11:42.
[^johannes-12-30-36]: Kanttekening 36: Namelijk opdat u gelooft dat de Vader mij gezonden heeft.
[^johannes-12-31-t]: Verwijzing t: Joh. 16:11. Ef. 2:2.
[^johannes-12-31-37]: Kanttekening 37: Dit woord oordeel wordt in de heilige Schrift soms in het goede genomen voor verlossing en wederoprichting (Ps. 138:18 en 140:13), soms in het kwade voor veroordeling of verdoeming (Joh. 3:17 en 5:24). Het kan hier in beide betekenissen worden genomen: dat nu de uitverkorenen in de gehele wereld van de macht van de duivel verlost en wederopgericht zullen worden, en dat nu de goddelozen en ongelovigen in de wereld veroordeeld en verdoemd zullen worden.
[^johannes-12-31-v]: Verwijzing v: Joh. 14:30. Kol. 2:15.
[^johannes-12-31-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: de duivel zal nu zijn macht en heerschappij, die hij door de zonde over de mensen heeft gekregen, in degenen die het evangelie zullen geloven, verliezen. Kol. 2:15. Hebr. 2:14.
[^johannes-12-32-x]: Verwijzing x: Num. 21:9. 2 Kon. 18:4. Joh. 3:14 en 8:28.
[^johannes-12-32-39]: Kanttekening 39: Of: als.
[^johannes-12-32-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: niet alleen de Joden maar ook de heidenen die in mij zullen geloven. Joh. 3:14-15. Zie ook de verklaring daar.
[^johannes-12-32-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: ondanks de weerstand van de duivel en het vlees, tot mijn gehoorzaamheid en vervolgens tot de eeuwige heerlijkheid met mij brengen.
[^johannes-12-34-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de Schrift, die dit wel zegt (Ps. 102:27-28 en 110:4), maar die er ook bij zegt dat hij eerst moest sterven (Jes. 53:8, 12. Dan. 9:26), en zo in zijn heerlijkheid ingaan. Luk. 24:26.
[^johannes-12-34-y]: Verwijzing y: 2 Sam. 7:16. 1 Kron. 22:10. Ps. 45:7 en 89:37 en 110:4. Jes. 9:5. Jer. 23:6. Ez. 37:26. Dan. 2:44 en 7:14, 27. Micha 4:7. Hebr. 1:8.
[^johannes-12-35-z]: Verwijzing z: Joh. 1:9 en 8:12 en 9:5 en 12:46.
[^johannes-12-35-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: ik, die het licht ben. Joh. 8:12.
[^johannes-12-35-44]: Kanttekening 44: Namelijk van onwetendheid en verharding.
[^johannes-12-35-a]: Verwijzing a: Jer. 13:16. Ef. 5:8. 1 Thess. 5:4.
[^johannes-12-36-45]: Kanttekening 45: Namelijk naar Bethanië. Mat. 21:17. Mark. 11:11. Luk. 21:37.
[^johannes-12-38-b]: Verwijzing b: Jes. 53:1. Rom. 10:16.
[^johannes-12-38-46]: Kanttekening 46: Namelijk van dit volk, dat wil zeggen: zeer weinigen.
[^johannes-12-38-47]: Kanttekening 47: Gr. gehoor; dat wil zeggen: wat door ons gepredikt, en door het volk gehoord is.
[^johannes-12-38-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: het evangelie, dat een kracht van God is tot zaligheid. Rom. 1:16.
[^johannes-12-38-49]: Kanttekening 49: Namelijk zo, dat hij het heeft verstaan en aangenomen. Mat. 16:17.
[^johannes-12-39-50]: Kanttekening 50: Namelijk omdat tevoren gezegd was dat God hen door een rechtvaardig oordeel, vanwege hun weerspannigheid, in hun blindheid zou laten, en hen daarin overgeven. 2 Thess. 2:11.
[^johannes-12-40-51]: Kanttekening 51: Zie over deze plaats Mat. 13:14-15.
[^johannes-12-40-c]: Verwijzing c: Jes. 6:9. Ez. 12:2. Mat. 13:14. Mark. 4:12. Luk. 8:10. Hand. 28:26. Rom. 11:8.
[^johannes-12-41-d]: Verwijzing d: Jes. 6:1.
[^johannes-12-41-52]: Kanttekening 52: Namelijk van Christus, als zijnde de ene God met de Vader en de Heilige Geest.
[^johannes-12-41-53]: Kanttekening 53: Namelijk in het gezicht van de goddelijke heerlijkheid, dat beschreven staat in Jes. 6:1 etc.
[^johannes-12-42-e]: Verwijzing e: Joh. 7:13, 48.
[^johannes-12-42-54]: Kanttekening 54: Namelijk dat hij de Messias was, zoals Nicodemus erkent dat er velen zulken onder hen waren. Joh. 3:2.
[^johannes-12-42-f]: Verwijzing f: Joh. 9:22.
[^johannes-12-42-55]: Kanttekening 55: Namelijk overeenkomstig het besluit van de leiders van de Joden. Joh. 9:22.
[^johannes-12-43-g]: Verwijzing g: Joh. 5:44.
[^johannes-12-44-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: gelooft niet alleen in mij, zoals Mark. 9:37. Joh. 7:16.
[^johannes-12-45-h]: Verwijzing h: Joh. 10:30 en 14:9.
[^johannes-12-45-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: kent en in mij gelooft.
[^johannes-12-46-i]: Verwijzing i: Joh. 1:9 en 8:12 en 9:5 en 12:35. Jes. 42:6 en 49:6. Hand. 13:47.
[^johannes-12-46-58]: Kanttekening 58: Zie Joh. 9:5 en eerder vers 35.
[^johannes-12-47-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: veroordeel.
[^johannes-12-47-k]: Verwijzing k: Joh. 3:17 en 9:39.
[^johannes-12-47-60]: Kanttekening 60: Namelijk in deze mijn nederige staat.
[^johannes-12-47-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: veroordeel, of verdoem.
[^johannes-12-48-l]: Verwijzing l: Joh. 3:18 en 8:24.
[^johannes-12-48-m]: Verwijzing m: Mark. 16:16.
[^johannes-12-48-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: dat zal de regel zijn waarnaar hij geoordeeld zal worden; of: dat zal een overtuiging tegen hem zijn, dat hij rechtvaardig veroordeeld wordt.
[^johannes-12-49-n]: Verwijzing n: Deut. 18:18. Joh. 3:11 en 5:20 en 7:16 en 8:28 en 14:10, 24 en 16:13.
[^johannes-12-49-63]: Kanttekening 63: Zie Joh. 7:16.
[^johannes-12-49-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: een leer die hij mij bevolen heeft te prediken.
[^johannes-12-50-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: de mensen tot het eeuwige leven brengt.

### Johannes 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/13.json)

*1 Christus staat op van het avondmaal, omgordt zich, en wast de voeten van zijn discipelen. 6 Wat Petrus eerst weigert en daarna toelaat. 12 Christus vermaant hen dit voorbeeld van zijn nederigheid en dienstbaarheid na te volgen. 18 Voorzegt dat één van hen hem verraden zou, waartegen hij zijn discipelen troost. 22 En wijst Johannes met het geven van een ingedoopte bete aan dat het Judas was. 27 Die, nadat de duivel in hem gevaren was, uitgaat. 31 Christus spreekt daarna met zijn andere discipelen over zijn verheerlijking. 34 En vermaant hen tot onderlinge liefde. 37 Petrus wil zijn leven voor hem inzetten, maar Christus voorzegt hem dat hij hem drie keer verloochenen zal.*

**1** En[^johannes-13-1-1] voor[^johannes-13-1-a] het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn uur gekomen was, dat Hij uit deze wereld[^johannes-13-1-2] zou overgaan tot de Vader, zo Hij de Zijn, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad[^johannes-13-1-3] tot het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v1)

**2** En als het[^johannes-13-2-4] avondmaal gedaan was, toen[^johannes-13-2-b] nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon,[^johannes-13-2-5] Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v2)

**3** Jezus, wetende,[^johannes-13-3-c] dat de Vader Hem alle dingen[^johannes-13-3-6] in de handen gegeven had,[^johannes-13-3-d] en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v3)

**4** Stond op van het avondmaal, en legde[^johannes-13-4-7] Zijn kleren af, en nemende een linnen doek,[^johannes-13-4-8] omgordde Zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v4)

**5** Daarna[^johannes-13-5-9] goot Hij water in het[^johannes-13-5-10] bekken, en begon de voeten van de discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v5)

**6** Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zei tot Hem: Heere,[^johannes-13-6-e] zult[^johannes-13-6-11] U mij de voeten wassen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v6)

**7** Jezus antwoordde en zei tot hem:[^johannes-13-7-12] Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het[^johannes-13-7-13] na deze verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v7)

**8** Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen[^johannes-13-8-14] in de eeuwigheid! Jezus antwoordde hem:[^johannes-13-8-15] Als Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v8)

**9** Simon Petrus zei tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v9)

**10** Jezus zei tot hem:[^johannes-13-10-16] Die gewassen is, heeft niet nodig, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein.[^johannes-13-10-f] En u bent rein, maar niet allen.[^johannes-13-10-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v10)

**11** [^johannes-13-11-g] Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v11)

**12** Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn kleren genomen had, zat Hij opnieuw aan, en zei tot hen: Verstaat u,[^johannes-13-12-18] wat Ik u gedaan heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v12)

**13** [^johannes-13-13-h] U heet Mij Meester en Heere; en u zegt wel, want Ik[^johannes-13-13-19] ben het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v13)

**14** Als dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb,[^johannes-13-14-i] zo bent u ook schuldig, elkaars[^johannes-13-14-20] voeten te wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v14)

**15** [^johannes-13-15-k] Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v15)

**16** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-13-16-l] Een dienaar is niet meerder dan zijn heer, noch[^johannes-13-16-21] een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v16)

**17** Als u[^johannes-13-17-22] deze dingen weet, zalig bent u, zo u dezelfde doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v17)

**18** Ik zeg niet[^johannes-13-18-23] van u allen: Ik weet, welke Ik[^johannes-13-18-24] uitverkoren heb; maar dit gebeurt, opdat de Schrift vervuld wordt:[^johannes-13-18-25][^johannes-13-18-m] Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn[^johannes-13-18-26] hiel opgeheven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v18)

**19** [^johannes-13-19-n] Van nu zeg Ik het u, voordat het gebeurd is, opdat, wanneer het gebeurd zal zijn, u geloven mag,[^johannes-13-19-27] dat Ik het ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v19)

**20** Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:[^johannes-13-20-o] Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v20)

**21** [^johannes-13-21-p] Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd[^johannes-13-21-28] in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v21)

**22** De discipelen dan zagen op elkaar, twijfelende, van wie Hij dat zei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v22)

**23** [^johannes-13-23-q] En één van Zijn discipelen[^johannes-13-23-29] was aanzittende in de schoot van[^johannes-13-23-30] Jezus, wie Jezus liefhad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v23)

**24** Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou, wie hij toch was, van wie Hij dit zei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v24)

**25** En deze,[^johannes-13-25-31] vallende op de borst van Jezus, zei tot Hem: Heere, wie is het? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v25)

**26** Jezus[^johannes-13-26-32] antwoordde: Deze is het, die Ik het brood, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij het brood ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v26)

**27** En[^johannes-13-27-33] na het brood,[^johannes-13-27-34] toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u[^johannes-13-27-35] doet, doe het haastig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v27)

**28** En dit verstond niemand van degenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zei. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v28)

**29** Want sommigen meenden,[^johannes-13-29-36][^johannes-13-29-r] omdat Judas de beurs had, dat hem Jezus zei: Koop, wat wij nodig hebben[^johannes-13-29-37] tot het feest, of, dat hij de armen wat geven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v29)

**30** Hij dan, het brood genomen hebbende,[^johannes-13-30-38] ging meteen uit. En het was nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v30)

**31** Als hij dan uitgegaan was, zei Jezus:[^johannes-13-31-39] Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v31)

**32** [^johannes-13-32-40] Als God[^johannes-13-32-41] in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelf, en Hij zal Hem meteen[^johannes-13-32-s] verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v32)

**33** Kinderen, nog een kleine tijd ben Ik bij u.[^johannes-13-33-t] U zult Mij[^johannes-13-33-42] zoeken, en zoals Ik de Joden gezegd[^johannes-13-33-43] heb: Waar Ik heenga, kunt u niet komen;[^johannes-13-33-44] zo zeg Ik u nu ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v33)

**34** [^johannes-13-34-v] Een[^johannes-13-34-45] nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v34)

**35** [^johannes-13-35-x] Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u[^johannes-13-35-46] Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v35)

**36** Simon Petrus zei tot Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt u Mij nu niet volgen;[^johannes-13-36-y] maar u zult Mij[^johannes-13-36-47] later volgen.[^johannes-13-36-48] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v36)

**37** Petrus zei tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen?[^johannes-13-37-z] Ik zal mijn leven voor U zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v37)

**38** Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten?[^johannes-13-38-a] Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet[^johannes-13-38-49] kraaien, voordat u Mij drie keer verloochend zult hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/13.html#v38)

[^johannes-13-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk 's avonds voor zijn lijden en sterven. Want Christus hield het Pascha op de juiste tijd, naar de instelling van God, maar de Joden stelden het toen uit tot de volgende dag. De reden hiervan zie in de aantekening op Mat. 26:20.
[^johannes-13-1-a]: Verwijzing a: Mat. 26:2. Mark. 14:1. Luk. 22:1.
[^johannes-13-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk door zijn dood, opstanding en hemelvaart.
[^johannes-13-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk van zijn leven; of: zonder ophouden. Joh. 17:12.
[^johannes-13-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de maaltijd, waarbij het paaslam door hen gegeten was, zodat zij nog aan tafel zaten die nog niet was afgenomen (vers 12), waarna Christus daarna zijn avondmaal heeft ingesteld en gehouden. Zie Luk. 22:15 etc. Anderen vertalen het als: terwijl het avondmaal werd gehouden.
[^johannes-13-2-b]: Verwijzing b: Luk. 22:3. Joh. 13:27.
[^johannes-13-2-5]: Kanttekening 5: Gr. geworpen.
[^johannes-13-3-c]: Verwijzing c: Mat. 11:27. Joh. 3:35.
[^johannes-13-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: in zijn macht gesteld. Mat. 28:18.
[^johannes-13-3-d]: Verwijzing d: Joh. 16:28.
[^johannes-13-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk bovenkleren, zoals dit woord dikwijls wordt genomen. Zie Mat. 5:40 en Luk. 6:29. Zo waren de dienaren gewoon hun heren te dienen. Zie Luk. 17:8.
[^johannes-13-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk om handiger te zijn voor deze dienst, en met dit doek de voeten te drogen.
[^johannes-13-5-9]: Kanttekening 9: Gr. wierp.
[^johannes-13-5-10]: Kanttekening 10: Of: wasbekken.
[^johannes-13-6-e]: Verwijzing e: Mat. 3:14.
[^johannes-13-6-11]: Kanttekening 11: Namelijk die mijn Heer en Meester bent. Hoewel hij dit zegt uit eerbied, is er toch onverstand mee vermengd, aangezien Christus wil dat wij hem gehoorzamen, ook als het ons toeschijnt dat hij iets vreemds gebiedt.
[^johannes-13-7-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: waarom ik dit doe.
[^johannes-13-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk als ik het u zal hebben verklaard, zoals hij doet in de verzen 13 en 14.
[^johannes-13-8-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: dat zal ik nooit toelaten.
[^johannes-13-8-15]: Kanttekening 15: Christus neemt gelegenheid van het uitwendig wassen om te spreken over het geestelijk wassen of reinigen van de zonden, door zijn bloed en geest (1 Kor. 6:11. Tit. 3:5. 1 Joh. 1:7-8), zoals hij dergelijke gelegenheden meermalen benut.
[^johannes-13-10-16]: Kanttekening 16: Christus leert hier, dat zoals zij die in de badstoven hun gehele lichaam hebben gewassen, de voeten daarna ook moeten wassen, zo ook zijn discipelen, inwendig door zijn bloed en geest gewassen zijnde, ook uitwendig hun gangen en hun doen moeten reinigen.
[^johannes-13-10-f]: Verwijzing f: Joh. 15:3.
[^johannes-13-10-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: gereinigd door mij van de zonde, en de heerschappij daarvan. Rom. 6:11-12.
[^johannes-13-11-g]: Verwijzing g: Joh. 6:64.
[^johannes-13-12-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: waartoe ik dit gedaan heb?
[^johannes-13-13-h]: Verwijzing h: Mat. 23:8, 10. 1 Kor. 8:6 en 12:3. Fil. 2:11.
[^johannes-13-13-19]: Kanttekening 19: Namelijk in der waarheid.
[^johannes-13-14-i]: Verwijzing i: Gal. 6:1-2.
[^johannes-13-14-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: veel meer allerlei diensten van liefde die nodig zijn, aan elkaar te bewijzen, ook die gewoonlijk door de geringsten worden gedaan; maar niet om dit als een sacrament te gebruiken, aangezien dit Christus' oogmerk hier niet is.
[^johannes-13-15-k]: Verwijzing k: 1 Pet. 2:21. 1 Joh. 2:6.
[^johannes-13-16-l]: Verwijzing l: Mat. 10:24. Luk. 6:40. Joh. 15:20.
[^johannes-13-16-21]: Kanttekening 21: Of: gezondene. Gr. Apostolos (ἀπόστολος).
[^johannes-13-17-22]: Kanttekening 22: Namelijk die ik u met mijn voorbeeld geleerd heb, als liefde, nederigheid, en onderlinge dienstigheid.
[^johannes-13-18-23]: Kanttekening 23: Namelijk dat u allen dat zult nakomen; want Judas zou het niet doen, zoals volgt.
[^johannes-13-18-24]: Kanttekening 24: Namelijk tot de eeuwige zaligheid. Ef. 1:4.
[^johannes-13-18-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die dagelijks aan mijn tafel is en met mij omgaat.
[^johannes-13-18-m]: Verwijzing m: Ps. 41:10. Mat. 26:23. 1 Joh. 2:19.
[^johannes-13-18-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: heeft zich vijandig tegen mij gesteld. Zie de aantekening op Ps. 41:10.
[^johannes-13-19-n]: Verwijzing n: Joh. 14:29 en 16:4.
[^johannes-13-19-27]: Kanttekening 27: Namelijk de ware Messias en Zoon van God, die alles van tevoren weet.
[^johannes-13-20-o]: Verwijzing o: Mat. 10:40. Luk. 10:16.
[^johannes-13-21-p]: Verwijzing p: Mat. 26:21. Mark. 14:18. Luk. 22:21. Hand. 1:17. 1 Joh. 2:19.
[^johannes-13-21-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: in zijn gemoed, door overdenking zowel van het verraad van Judas als van de straf die hem daarvoor zou overkomen.
[^johannes-13-23-q]: Verwijzing q: Joh. 20:2 en 21:7, 20.
[^johannes-13-23-29]: Kanttekening 29: Gr. was liggend, namelijk naar de gewoonte van de ouden die aan tafel niet zaten zoals wij, maar lagen op bedden, op de elleboog; zodat Johannes liggend naast Christus, gemakkelijk zijn hoofd kon neigen naar de borst van Christus.
[^johannes-13-23-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: Johannes, die de Heer Christus bijzonder liefhad; zo beschrijft hij ook zichzelf. Joh. 21:20, 24.
[^johannes-13-25-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: zijn hoofd neigende naar de borst van Christus, om stilletjes en in het geheim te vernemen wie de verrader zou zijn.
[^johannes-13-26-32]: Kanttekening 32: Namelijk stilletjes aan Johannes alleen, zoals blijkt uit vers 28.
[^johannes-13-27-33]: Kanttekening 33: Namelijk van Judas ontvangen.
[^johannes-13-27-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: nam hem verder geheel in, om zijn verraad uit te voeren, dat hij tevoren door de ingeving van de duivel had beloofd aan de overpriesters. Zie Luk. 22:3 en hier vers 2.
[^johannes-13-27-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: van plan bent te doen. Met deze woorden wil Christus niet gebieden dat Judas in zijn verraad zou voortgaan, maar geeft daarmee te kennen dat zijn verraad hem bekend was, en dat hij gewillig was dat te lijden. Zie dergelijke wijze van spreken Openb. 22:11.
[^johannes-13-29-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: het geld ontving, bewaarde en uitgaf, dat aan Christus, tot zijn en zijn discipelen onderhoud, door godvrezende vrouwen en anderen werd gegeven. Luk. 8:3.
[^johannes-13-29-r]: Verwijzing r: Joh. 12:6.
[^johannes-13-29-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: tot de kosten om het feest verder te houden.
[^johannes-13-30-38]: Kanttekening 38: Namelijk naar de overpriesters en hoofdmannen, om het verraad ten uitvoer te brengen.
[^johannes-13-31-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: nu is de tijd nabij dat ik door mijn lijden en sterven de duivel en de dood te niet zal doen, en daarna in mijn heerlijkheid zal ingaan.
[^johannes-13-32-40]: Kanttekening 40: Of: aangezien.
[^johannes-13-32-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: door hem. Zie de aantekening op Joh. 17:1.
[^johannes-13-32-s]: Verwijzing s: Joh. 12:23 en 17:1.
[^johannes-13-33-t]: Verwijzing t: Joh. 7:34 en 8:21.
[^johannes-13-33-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: naar mijn aanwezigheid verlangen.
[^johannes-13-33-43]: Kanttekening 43: Namelijk in de hemel, waarheen ik binnenkort zal opstijgen, na mijn dood en opstanding.
[^johannes-13-33-44]: Kanttekening 44: Namelijk dat u voor deze tijd met mij niet daarheen kunt gaan. Zie Joh. 8:21 en hier vers 36.
[^johannes-13-34-v]: Verwijzing v: Lev. 19:18. Mat. 22:39. Joh. 15:12. Ef. 5:2. 1 Thess. 4:9. 1 Pet. 4:8. 1 Joh. 3:23 en 4:21.
[^johannes-13-34-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: onlangs door mij, door mijn leer en voorbeeld van mijn bijzondere liefde, verklaard en versterkt. Joh. 15:13. Want hetzelfde gebod was er ook in het Oude Testament. Zie 1 Joh. 2:7-8 en 2 Joh. vers 5.
[^johannes-13-35-x]: Verwijzing x: 1 Joh. 2:5 en 4:20.
[^johannes-13-35-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: mijn echte en ware discipelen, die ik als zodanig erken.
[^johannes-13-36-y]: Verwijzing y: Joh. 21:18. 2 Pet. 1:14.
[^johannes-13-36-47]: Kanttekening 47: Namelijk als u uw loop en dienst zult hebben volbracht, en in het geloof sterker zult zijn.
[^johannes-13-36-48]: Kanttekening 48: Namelijk door een gelijke dood, in mijn heerlijkheid. Joh. 21:19.
[^johannes-13-37-z]: Verwijzing z: Mat. 26:33. Mark. 14:29. Luk. 22:33.
[^johannes-13-38-a]: Verwijzing a: Mat. 26:34. Mark. 14:30. Luk. 22:34.
[^johannes-13-38-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zijn kraaien deze nacht niet zal hebben voltooid. Zie Mat. 26:34 en Mark. 14:30.

### Johannes 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/14.json)

*1 Christus troost zijn discipelen over zijn weggaan tot de Vader, omdat hij ging om hun in zijns Vaders huis woonplaats te bereiden. 5 Verklaart aan Thomas dat hij de Weg, de Waarheid en het Leven is. 7 En aan Filippus dat wie hem ziet, de Vader ziet. 12 Belooft hun dat zij grote wonderwerken zullen doen, en verkrijgen wat zij in zijn naam bidden zullen. 16 En dat zij de Trooster, de Heilige Geest, zullen ontvangen. 18 En niet als wezen achtergelaten worden. 21 Vermaant hen tot zijn liefde en tot gehoorzaamheid aan zijn geboden, met belofte van zijn en des Vaders bijwoning. 26 En dat de Heilige Geest hun alles in herinnering zal brengen. 27 Laat hun zijn vrede. 28 Verklaart dat zij zich behoren te verblijden dat hij tot de Vader gaat. 30 Toont zijn gewilligheid om de Vader ook in het lijden te gehoorzamen.*

**1** Uw hart wordt niet[^johannes-14-1-1] ontroerd;[^johannes-14-1-2] u gelooft in God, gelooft ook in Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v1)

**2** In[^johannes-14-2-3] het huis van Mijn Vader zijn vele[^johannes-14-2-4] woningen;[^johannes-14-2-5] anders zo zou Ik het u[^johannes-14-2-6] gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v2)

**3** En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo[^johannes-14-3-7] komt Ik weer en zal u tot Mij nemen,[^johannes-14-3-a] opdat u ook[^johannes-14-3-8] zijn mag,[^johannes-14-3-9] waar Ik ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v3)

**4** En waar Ik heenga,[^johannes-14-4-10] weet u, en[^johannes-14-4-11] de weg weet u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v4)

**5** Thomas zei tot Hem: Heere, wij weten niet, waar U heengaat; en hoe kunnen wij de weg weten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v5)

**6** Jezus zei tot hem:[^johannes-14-6-12][^johannes-14-6-b] Ik ben de Weg,[^johannes-14-6-c] en de Waarheid,[^johannes-14-6-d] en het Leven.[^johannes-14-6-e] Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v6)

**7** Als u Mij[^johannes-14-7-13] gekend had, zo zou u ook Mijn[^johannes-14-7-14] Vader gekend hebben; en[^johannes-14-7-15] van nu[^johannes-14-7-16] kent u Hem, en hebt Hem gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v7)

**8** Filippus zei tot Hem: Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v8)

**9** Jezus zei tot hem:[^johannes-14-9-17] Ben Ik zo langen tijd met u, en hebt u Mij niet gekend, Filippus?[^johannes-14-9-f] Die Mij[^johannes-14-9-18] gezien heeft, die heeft[^johannes-14-9-19] de Vader gezien; en hoe zegt u: Toon ons de Vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v9)

**10** Gelooft u niet,[^johannes-14-10-g] dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is?[^johannes-14-10-20][^johannes-14-10-h] De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet,[^johannes-14-10-i] maar de Vader, Die in Mij[^johannes-14-10-21] blijft, Deze[^johannes-14-10-22] doet de werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v10)

**11** Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en[^johannes-14-11-23] als niet, zo gelooft Mij[^johannes-14-11-24] om de werken zelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v11)

**12** [^johannes-14-12-k] Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij[^johannes-14-12-25] ook doen, en zal[^johannes-14-12-26] meerder doen, dan deze; want Ik ga heen[^johannes-14-12-27] tot Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v12)

**13** [^johannes-14-13-l] En[^johannes-14-13-28] zo wat u begeren zult[^johannes-14-13-29] in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader[^johannes-14-13-30] in de Zoon verheerlijkt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v13)

**14** Zo u iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v14)

**15** [^johannes-14-15-m] Als u Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v15)

**16** En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere[^johannes-14-16-31] Trooster geven, opdat Hij bij u[^johannes-14-16-32] blijft in de eeuwigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v16)

**17** Namelijk de Geest[^johannes-14-17-33] van[^johannes-14-17-34] de waarheid, Wie de wereld niet kan ontvangen; want zij[^johannes-14-17-35] ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar u kent Hem; want Hij[^johannes-14-17-36] blijft[^johannes-14-17-37] bij u, en[^johannes-14-17-38] zal in u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v17)

**18** [^johannes-14-18-n] Ik zal u[^johannes-14-18-39] geen wezen laten; Ik kom weer tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v18)

**19** Nog een kleine tijd, en de wereld[^johannes-14-19-40] zal Mij niet meer zien; maar[^johannes-14-19-41] u zult Mij zien; want Ik[^johannes-14-19-42] leef, en[^johannes-14-19-43] u zult leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v19)

**20** In die[^johannes-14-20-44] dag zult u[^johannes-14-20-45] bekennen,[^johannes-14-20-46] dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v20)

**21** Die Mijn geboden heeft, en deze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem[^johannes-14-21-47] openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v21)

**22** [^johannes-14-22-48] Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heere,[^johannes-14-22-49] wat is het, dat U Uzelf aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v22)

**23** Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen[^johannes-14-23-50] woning bij hem maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v23)

**24** Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet;[^johannes-14-24-o] en het woord dat u hoort,[^johannes-14-24-51] is het Mijne niet, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v24)

**25** Deze dingen heb Ik tot u gesproken,[^johannes-14-25-52] bij u blijvende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v25)

**26** [^johannes-14-26-p] Maar de Trooster, de Heilige Geest, Wie de Vader zenden zal in Mijn Naam,[^johannes-14-26-q] Die zal u alles leren, en zal u[^johannes-14-26-53] indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v26)

**27** [^johannes-14-27-54][^johannes-14-27-r] Vrede laat Ik u,[^johannes-14-27-55] Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart wordt niet[^johannes-14-27-56] ontroerd en zij niet versaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v27)

**28** [^johannes-14-28-s] U hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en[^johannes-14-28-57] kom weer tot u.[^johannes-14-28-58] Als u Mij liefhadt, zo zou u zich verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is[^johannes-14-28-59] meerder dan Ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v28)

**29** En nu heb Ik het u gezegd, voordat het gebeurd is;[^johannes-14-29-t] opdat, wanneer het gebeurd zal zijn, u[^johannes-14-29-60] geloven mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v29)

**30** Ik zal[^johannes-14-30-61] niet meer veel met u spreken;[^johannes-14-30-v] want[^johannes-14-30-62] de overste van deze wereld[^johannes-14-30-63] komt, en heeft[^johannes-14-30-64] aan Mij niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v30)

**31** Maar opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en[^johannes-14-31-65] zo doe, zoals Mij de Vader[^johannes-14-31-x] geboden heeft. Sta op, laat ons van hier gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/14.html#v31)

[^johannes-14-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk met te groot verdriet of vrees over mijn weggaan tot de Vader.
[^johannes-14-1-2]: Kanttekening 2: Of: gelooft u in God? gelooft ook in mij. Of: gelooft in God, en gelooft in mij. Of: u gelooft in God, en u gelooft in mij.
[^johannes-14-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: in de hemel.
[^johannes-14-2-4]: Kanttekening 4: Of: verblijfplaatsen, dat wil zeggen: er is ruimte genoeg, niet alleen voor mij, maar ook voor u en voor alle gelovigen.
[^johannes-14-2-5]: Kanttekening 5: Gr. en als niet, namelijk als het zo niet was.
[^johannes-14-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: ik zou u niet met een ijdele hoop hebben opgehouden.
[^johannes-14-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: zal komen, namelijk op de laatste dag. Hebr. 9:28.
[^johannes-14-3-a]: Verwijzing a: Joh. 12:26 en 17:24.
[^johannes-14-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk niet alleen naar de ziel meteen na de dood, maar ook naar lichaam en ziel na het laatste oordeel. Luk. 23:43. 2 Kor. 5:1, 8. Fil. 1:23. 1 Thess. 4:17.
[^johannes-14-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: waar ik zal zijn.
[^johannes-14-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: kunt u uit mijn woorden genoeg weten.
[^johannes-14-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk waardoor ik heen moet gaan, en waardoor u mij moet volgen.
[^johannes-14-6-12]: Kanttekening 12: Christus noemt zichzelf de weg, omdat niemand ten hemel kan komen dan door zijn verdiensten en kracht (Hand. 4:12). De waarheid, omdat alle beloften van God, en de schaduwen van het Oude Testament, die de weg tot de zaligheid afbeeldden, in hem vervuld zijn (2 Kor. 1:20. Joh. 1:17). En het leven, omdat hij de bewerker en gever van het eeuwige leven is. Joh. 11:25. Hebr. 5:9.
[^johannes-14-6-b]: Verwijzing b: Hebr. 9:8.
[^johannes-14-6-c]: Verwijzing c: Joh. 1:17.
[^johannes-14-6-d]: Verwijzing d: Joh. 1:4 en 11:25.
[^johannes-14-6-e]: Verwijzing e: Joh. 10:9.
[^johannes-14-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk recht zoals het behoort.
[^johannes-14-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk omdat ik van hetzelfde wezen ben als de Vader, en het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid. Kol. 1:15. Hebr. 1:3.
[^johannes-14-7-15]: Kanttekening 15: Of: nu reeds.
[^johannes-14-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk voor zover u mij kent. Vers 9.
[^johannes-14-9-17]: Kanttekening 17: Namelijk met mijn leer en werken telkens getoond hebbende wie ik ben.
[^johannes-14-9-f]: Verwijzing f: Joh. 10:30.
[^johannes-14-9-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: recht gekend heeft.
[^johannes-14-9-19]: Kanttekening 19: Namelijk in mijn persoon, aangezien de Vader en ik van één wezen en macht zijn. Joh. 10:30.
[^johannes-14-10-g]: Verwijzing g: Joh. 10:38.
[^johannes-14-10-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: mijn leer. Zie Joh. 7:16.
[^johannes-14-10-h]: Verwijzing h: Joh. 7:16 en 8:28 en 10:38 en 12:49 en 14:24 en 16:13 en 17:21.
[^johannes-14-10-i]: Verwijzing i: Joh. 5:17.
[^johannes-14-10-21]: Kanttekening 21: Of: blijft; namelijk als zijnde van één wezen met mij.
[^johannes-14-10-22]: Kanttekening 22: Namelijk in mij en door mij.
[^johannes-14-11-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: als u mijn woorden niet zou geloven.
[^johannes-14-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk aangezien die niet dan door een goddelijke kracht gedaan kunnen worden.
[^johannes-14-12-k]: Verwijzing k: Mat. 21:21. Luk. 17:6. Hand. 5:12 en 19:11.
[^johannes-14-12-25]: Kanttekening 25: Namelijk door mijn kracht. Mark. 16:20. Hand. 3:12. De waarheid van deze voorzegging blijkt uit Hand. 3:7 en 5:15 en 19:12, en doorheen de Handelingen van de apostelen.
[^johannes-14-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk zoals sommige wonderen zijn die Christus in de dagen van zijn vlees gedaan heeft, zoals daar zijn: door oplegging van handen de Heilige Geest geven, de kennis van de talen, en de wonderbare bekering van de wereld, en andere. Zie ook Mark. 16:17 etc.
[^johannes-14-12-27]: Kanttekening 27: Namelijk om van daar de Heilige Geest, en deze kracht aan u te zenden. Hand. 2:33.
[^johannes-14-13-l]: Verwijzing l: Jer. 29:12. Mat. 7:7 en 21:22. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 15:17 en 16:24. Jak. 1:5. 1 Joh. 3:22.
[^johannes-14-13-28]: Kanttekening 28: Namelijk nodig tot de uitvoering van uw ambt, en tot uw zaligheid.
[^johannes-14-13-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: steunend op mijn beloften en verdiensten.
[^johannes-14-13-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: door de Zoon.
[^johannes-14-15-m]: Verwijzing m: Joh. 14:21, 23 en 15:10. 1 Joh. 5:3.
[^johannes-14-16-31]: Kanttekening 31: Of: Advocaat en voorspraak, namelijk de Heilige Geest, die u niet alleen zal troosten en sterken, maar ook ingeven hoe u zich zult verantwoorden in tijden van benauwdheid en vervolging (Luk. 12:11-12), en hoe u de Vader zult aanroepen in uw nood (Rom. 8:15, 26). Die hier een ander wordt genoemd, niet omdat hij een ander wezen heeft dan de Vader en de Zoon, maar omdat hij een andere persoon is. 1 Joh. 5:7.
[^johannes-14-16-32]: Kanttekening 32: Namelijk zonder ooit van u te scheiden, zoals ik met mijn lichamelijke aanwezigheid voor een tijd zal doen.
[^johannes-14-17-33]: Kanttekening 33: Zo wordt de Heilige Geest genoemd omdat hij de waarheid van de zaligmakende leer openbaart, leert, en in de harten van de uitverkorenen verzegelt.
[^johannes-14-17-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: de wereldse mensen die nog natuurlijk en niet wedergeboren zijn. 1 Kor. 2:14.
[^johannes-14-17-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: noch verstaat noch gevoelt zijn werking.
[^johannes-14-17-36]: Kanttekening 36: Of: blijft.
[^johannes-14-17-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: in uw harten.
[^johannes-14-17-38]: Kanttekening 38: Namelijk om u te onderwijzen, troosten, sterken, en verzekeren van uw zaligheid. Rom. 8:15-16, 26. 1 Kor. 2:12.
[^johannes-14-18-n]: Verwijzing n: Mat. 28:20.
[^johannes-14-18-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: niet hulpeloos noch troosteloos.
[^johannes-14-19-40]: Kanttekening 40: Gr. ziet mij niet meer.
[^johannes-14-19-41]: Kanttekening 41: Gr. u ziet mij.
[^johannes-14-19-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: zal binnenkort weer levend worden.
[^johannes-14-19-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: ik zal u nog levend vinden. Anderen vertalen: omdat ik leef, zult u ook leven: namelijk een geestelijk en eeuwig leven.
[^johannes-14-20-44]: Kanttekening 44: Namelijk na mijn opstanding en hemelvaart.
[^johannes-14-20-45]: Kanttekening 45: Namelijk door de Heilige Geest duidelijker onderwezen zijnde.
[^johannes-14-20-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: dan zult u mijn eenheid met de Vader in wezen, en mijn geestelijke vereniging met u, nader verstaan. Zie ook eerder de verzen 10 en 11.
[^johannes-14-21-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: meer en meer door mijn kennis verlichten, en mijn zaligmakende werkingen en genade laten voelen, zoals het volgende vers 23 uitwijst. Zie ook 2 Kor. 3:18.
[^johannes-14-22-48]: Kanttekening 48: Namelijk de broer van Jakobus, bijgenaamd Lebbeus. Mat. 10:3.
[^johannes-14-22-49]: Kanttekening 49: Gr. wat is er geschied, dat wil zeggen: wat is de oorzaak? of: wat betekent het?
[^johannes-14-23-50]: Kanttekening 50: Gr. verblijfplaats; zoals ook van de Heilige Geest wordt gezegd in vers 17.
[^johannes-14-24-o]: Verwijzing o: Joh. 7:16 en 8:28 en 12:49 en 14:10 en 16:13.
[^johannes-14-24-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: is niet alleen van mij, zoals Joh. 6:38 en 7:16.
[^johannes-14-25-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: met u verkerende.
[^johannes-14-26-p]: Verwijzing p: Luk. 24:49. Joh. 15:26 en 16:7. Hand. 2:4.
[^johannes-14-26-q]: Verwijzing q: Joh. 16:13.
[^johannes-14-26-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: zal u niets nieuws leren, maar hetzelfde dat ik u geleerd heb, en dat u niet goed hebt onthouden, weer in herinnering brengen. Mat. 28:19-20. Joh. 15:15.
[^johannes-14-27-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: een ware en vaste gerustheid van het gemoed in God, voortkomend uit een zekerheid van de vergeving van uw zonden.
[^johannes-14-27-r]: Verwijzing r: Fil. 4:7.
[^johannes-14-27-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: die ik door mijn dood en opstanding aan u zal verwerven en toebrengen. Rom. 5:1.
[^johannes-14-27-56]: Kanttekening 56: Namelijk over mijn weggaan.
[^johannes-14-28-s]: Verwijzing s: Joh. 14:3.
[^johannes-14-28-57]: Kanttekening 57: Namelijk na mijn opstanding.
[^johannes-14-28-58]: Kanttekening 58: Namelijk met juiste wetenschap en verstand, waarom ik van u weggaan zal.
[^johannes-14-28-59]: Kanttekening 59: Namelijk in majesteit of heerlijkheid zoals ik ben in deze staat van mijn vernedering. En daarom behoort u zich te verblijden, dat ik heen ga om het gebruik van diezelfde heerlijkheid weer op te nemen, die ik bij hem had voor de wereld was, aangezien dat ook tot uw zaligheid zal strekken. Joh. 17:5, 24.
[^johannes-14-29-t]: Verwijzing t: Joh. 13:19 en 16:4.
[^johannes-14-29-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: in uw geloof mag worden versterkt.
[^johannes-14-30-61]: Kanttekening 61: Namelijk voor mijn dood.
[^johannes-14-30-v]: Verwijzing v: Joh. 12:31 en 16:11. Ef. 2:2.
[^johannes-14-30-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: de duivel. Joh. 12:31.
[^johannes-14-30-63]: Kanttekening 63: Namelijk om door zijn werktuigen mij te vangen en te doden.
[^johannes-14-30-64]: Kanttekening 64: Gr. in mij, dat wil zeggen: zal door mijn dood tot zijn voornemen niet komen, maar daarentegen al zijn macht verliezen. Hebr. 2:14.
[^johannes-14-31-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: dat ik mij vrijwillig in de dood overgeef, om de Vader te gehoorzamen, die mij heeft bevolen op zodanige wijze de mensen te verlossen. Fil. 2:8.
[^johannes-14-31-x]: Verwijzing x: Joh. 10:18. Hebr. 10:5.

### Johannes 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/15.json)

*Christus vergelijkt zichzelf bij een wijnstok en zijn discipelen bij de ranken, die in hem blijvend door hem veel vruchten voortbrengen. 9 Betuigt van zijn bijzondere liefde jegens hen en vermaant hen tot onderhouden van zijn geboden en onderlinge liefde. 13 Welke liefde hij daarmee betoont dat hij zijn leven voor hen geeft. 14 En hen zijn vrienden en uitverkorenen noemt. 18 Troost hen tegen de haat van de wereld met zijn eigen voorbeeld. 22 Toont dat door zijn woord en werken de Joden alle voorwending van onschuld benomen is. 26 En dat de Heilige Geest van hem zal getuigen, en ook de apostelen.*

**1** [^johannes-15-1-1] Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de[^johannes-15-1-2] Landman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v1)

**2** [^johannes-15-2-3][^johannes-15-2-a] Alle rank, die in Mij geen[^johannes-15-2-4] vrucht draagt, die[^johannes-15-2-5] neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij,[^johannes-15-2-6] opdat zij meer vrucht drage. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v2)

**3** [^johannes-15-3-b] U bent nu[^johannes-15-3-7] rein om het woord, dat Ik tot u[^johannes-15-3-8] gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v3)

**4** [^johannes-15-4-9] Blijf in Mij, en[^johannes-15-4-10] Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen[^johannes-15-4-11] van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; zo ook u niet, zo u in Mij niet blijft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v4)

**5** Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want[^johannes-15-5-12] zonder Mij kunt u[^johannes-15-5-13] niets doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v5)

**6** [^johannes-15-6-c] Zo iemand in Mij niet blijft,[^johannes-15-6-d] die is[^johannes-15-6-14] buiten geworpen, zoals[^johannes-15-6-15] de rank, en[^johannes-15-6-16] is verdord; en men[^johannes-15-6-17] verzamelt deze, en men werpt ze[^johannes-15-6-18] in het vuur, en zij worden verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v6)

**7** Als u in Mij blijft, en Mijn woorden[^johannes-15-7-19] in u blijven,[^johannes-15-7-e] zo[^johannes-15-7-20] wat u wilt, zult u[^johannes-15-7-21] begeren, en het zal u gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v7)

**8** Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel[^johannes-15-8-22] vrucht draagt; en u zult Mijn discipelen[^johannes-15-8-23] zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v8)

**9** Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijf in deze[^johannes-15-9-24] Mijn liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v9)

**10** [^johannes-15-10-f] Als u Mijn geboden[^johannes-15-10-25] bewaart, zo zult u in Mijn liefde blijven; zoals Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v10)

**11** Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat[^johannes-15-11-26] Mijn blijdschap in u[^johannes-15-11-27] blijft, en[^johannes-15-11-28] uw blijdschap[^johannes-15-11-29] vervuld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v11)

**12** [^johannes-15-12-g] Dit is Mijn[^johannes-15-12-30] gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v12)

**13** [^johannes-15-13-h] Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand[^johannes-15-13-31] zijn leven[^johannes-15-13-32] zette voor zijn vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v13)

**14** [^johannes-15-14-33][^johannes-15-14-i] U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v14)

**15** Ik[^johannes-15-15-34] heet u niet meer dienaren; want de dienaar[^johannes-15-15-35] weet niet, wat zijn heer[^johannes-15-15-36] doet; maar Ik heb u vrienden genoemd;[^johannes-15-15-k] want al wat Ik van Mijn Vader[^johannes-15-15-37] gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v15)

**16** [^johannes-15-16-l] U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik[^johannes-15-16-38] heb u[^johannes-15-16-39] gesteld, dat u[^johannes-15-16-40] zou[^johannes-15-16-m] heengaan[^johannes-15-16-41] en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijft; opdat, zo[^johannes-15-16-42] wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v16)

**17** Dit gebied Ik u,[^johannes-15-17-43] opdat u elkaar liefhebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v17)

**18** [^johannes-15-18-n] Als u[^johannes-15-18-44] de wereld haat, zo[^johannes-15-18-45] weet, dat zij Mij[^johannes-15-18-46] eer dan u gehaat heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v18)

**19** [^johannes-15-19-o] Als u[^johannes-15-19-47] van de wereld was, zo zou de wereld[^johannes-15-19-48] het haar liefhebben; maar omdat u[^johannes-15-19-49] van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb[^johannes-15-19-50] uitverkoren, daarom haat u de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v19)

**20** Gedenk van het woord, dat Ik u[^johannes-15-20-51] gezegd heb:[^johannes-15-20-p] Een dienaar is niet meerder dan zijn heer.[^johannes-15-20-q] Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v20)

**21** [^johannes-15-21-r] Maar al[^johannes-15-21-52] deze dingen zullen zij doen[^johannes-15-21-53] omwille van Mijn Naam, omdat zij Hem niet kennen,[^johannes-15-21-54] Die Mij gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v21)

**22** [^johannes-15-22-s] Als Ik niet gekomen was, en tot hen gesproken had, zij hadden[^johannes-15-22-55] geen zonde; maar nu hebben zij[^johannes-15-22-56] geen voorwendsel voor hun zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v22)

**23** Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v23)

**24** [^johannes-15-24-t] Als Ik[^johannes-15-24-57] de werken onder hen niet had gedaan, die[^johannes-15-24-58] niemand anders gedaan heeft, zij hadden[^johannes-15-24-59] geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en zowel Mij als Mijn Vader gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v24)

**25** Maar dit gebeurt, opdat het woord vervuld wordt, dat in hun[^johannes-15-25-60] wet geschreven is:[^johannes-15-25-v] Zij hebben mij[^johannes-15-25-61] zonder oorzaak gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v25)

**26** [^johannes-15-26-x] Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn,[^johannes-15-26-y] Die[^johannes-15-26-62] Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader[^johannes-15-26-63] uitgaat, Die zal van Mij[^johannes-15-26-64] getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v26)

**27** [^johannes-15-27-z] En u zult ook[^johannes-15-27-65] getuigen, want u bent van de[^johannes-15-27-66] beginne met Mij geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/15.html#v27)

[^johannes-15-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: Ik mag met waarheid bij een wijnstok vergeleken worden, mijn Vader bij een wijnbouwer, en u, mijn discipelen, bij wijnranken (vers 5). Het lijkt erop dat Christus bij het weggaan, langs of door wijngaarden lopend, daarin aanleiding vond om deze gelijkenis voor te stellen, zoals hij vaker deed bij zulke gelegenheden. Zie Joh. 4:10, 32, 35.
[^johannes-15-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de wijnbouwer, die mij daartoe verordend en als het ware geplant heeft, en die de ranken snoeit en er op toeziet.
[^johannes-15-2-3]: Kanttekening 3: Gr. alle rank in mij geen vrucht dragend; dat wil zeggen: ieder die mij slechts uiterlijk belijdt en evenwel van harte niet gelooft.
[^johannes-15-2-a]: Verwijzing a: Matt. 15:13.
[^johannes-15-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk des geloofs in zijn leven niet voortbrengt.
[^johannes-15-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: hij snijdt ze af en werpt ze uit zijn gemeenschap.
[^johannes-15-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: hij zuivert ze, namelijk door zijn woord en Geest, en ook door kruis en lijden.
[^johannes-15-3-b]: Verwijzing b: Joh. 13:10.
[^johannes-15-3-7]: Kanttekening 7: Of, rein door het woord. Dat is, gereinigd.
[^johannes-15-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk en dat u met echt geloof hebt aangenomen.
[^johannes-15-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk mij met echt geloof standvastig aanhangend.
[^johannes-15-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: ik zal in u blijven, en u daardoor meer en meer het sap van het geestelijke leven meedelen, om vruchten te kunnen voortbrengen.
[^johannes-15-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: uit haar eigen kracht of natuur.
[^johannes-15-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: van mij afgezonderd, of zonder mijn kracht.
[^johannes-15-5-13]: Kanttekening 13: Gr. niet iets, dat is, helemaal niets, namelijk dat tot de zaligheid vereist wordt.
[^johannes-15-6-c]: Verwijzing c: Ez. 15:2. etc.
[^johannes-15-6-d]: Verwijzing d: Matt. 3:10. en 7:19. Kol. 1:23.
[^johannes-15-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk buiten de wijngaard, dat is, buiten de gemeenschap van de ware gelovigen.
[^johannes-15-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de onvruchtbare rank.
[^johannes-15-6-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: van de geestelijke gaven meer en meer ontbloot. 2 Petr. 2:20.
[^johannes-15-6-17]: Kanttekening 17: Deze verzameling zal gebeuren door de engelen (Matt. 13:41) uit alle hoeken van de wereld.
[^johannes-15-6-18]: Kanttekening 18: Waarmee het hellevuur wordt afgebeeld.
[^johannes-15-7-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: als u mijn geboden niet alleen in gedachten houdt, maar ze ook voortdurend onderhoudt. 1 Joh. 3:21-22.
[^johannes-15-7-e]: Verwijzing e: Jer. 29:12. Matt. 7:7. en 21:22. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:13. en 16:24. Jak. 1:5. 1 Joh. 3:22. en 5:14.
[^johannes-15-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk tot uw troost of zaligheid nodig.
[^johannes-15-7-21]: Kanttekening 21: Of, bidden. Namelijk naar Gods wil. 1 Joh. 5:14.
[^johannes-15-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk des geloofs, welke zijn de goede werken waardoor God vereerd wordt. Matt. 5:16; Rom. 6:4.
[^johannes-15-8-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: met de daad bewijzen dat u het bent. Joh. 13:35.
[^johannes-15-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk die ik u toedraag.
[^johannes-15-10-f]: Verwijzing f: Joh. 14:15, 21, 23. 1 Joh. 5:3.
[^johannes-15-10-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: naleeft.
[^johannes-15-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: waarmee ik over u verblijd ben.
[^johannes-15-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: niet verminderd of veranderd wordt, maar dat ik mij over u altijd mag verblijden.
[^johannes-15-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: waarmee u zich in mij verheugt, als in uw Zaligmaker. Joh. 17:13; 1 Petr. 1:8, 9.
[^johannes-15-11-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: meer en meer toeneemt en hierna volkomen wordt.
[^johannes-15-12-g]: Verwijzing g: Lev. 19:18. Matt. 22:39. Joh. 13:34. Ef. 5:2. 1 Thess. 4:9. 1 Petr. 4:8. 1 Joh. 3:23. en 4:21.
[^johannes-15-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk dat ik u voornamelijk wil aanbevelen en inprenten.
[^johannes-15-13-h]: Verwijzing h: Rom. 5:7. Ef. 5:2. 1 Joh. 3:16.
[^johannes-15-13-31]: Kanttekening 31: Gr. zijn ziel.
[^johannes-15-13-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: vrijwillig overgeeft.
[^johannes-15-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: u zult in mijn vriendschap blijven.
[^johannes-15-14-i]: Verwijzing i: Matt. 12:50. 2 Kor. 5:16. Galath. 5:6. en 6:15. Kol. 3:11.
[^johannes-15-15-34]: Kanttekening 34: Gr. zeg. Dat is, ik houd u voortaan niet alleen als dienaren, maar ook als vrienden.
[^johannes-15-15-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: en pleegt niet te weten.
[^johannes-15-15-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: van plan is te doen; want heren plegen hun geheimen niet aan hun dienaren te onthullen.
[^johannes-15-15-k]: Verwijzing k: Joh. 8:26.
[^johannes-15-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: alles wat mij van de Vader bevolen is aan de mensen tot hun zaligheid te leren en te openbaren.
[^johannes-15-16-l]: Verwijzing l: Joh. 10:13. Ef. 1:4.
[^johannes-15-16-38]: Kanttekening 38: Namelijk eerst, om uw Heer en Zaligmaker te zijn.
[^johannes-15-16-39]: Kanttekening 39: Namelijk uit de wereld, om mijn vrienden te zijn en zalig gemaakt te worden (vers 19).
[^johannes-15-16-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: daartoe geroepen.
[^johannes-15-16-m]: Verwijzing m: Matt. 28:19. Mark. 16:15. Kol. 1:6.
[^johannes-15-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk door de gehele wereld, om met leren en goede voorbeelden de mensen te bekeren.
[^johannes-15-16-42]: Kanttekening 42: Namelijk nodig en nuttig tot het voortbrengen van deze vruchten.
[^johannes-15-17-43]: Kanttekening 43: Of, dat u.
[^johannes-15-18-n]: Verwijzing n: 1 Joh. 3:13.
[^johannes-15-18-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: de wereldse mensen.
[^johannes-15-18-45]: Kanttekening 45: Of, u weet.
[^johannes-15-18-46]: Kanttekening 46: Of, als eerste; dat wil zeggen: de voornaamste van u.
[^johannes-15-19-o]: Verwijzing o: Joh. 17:14. Gal. 1:10.
[^johannes-15-19-47]: Kanttekening 47: Gr. uit.
[^johannes-15-19-48]: Kanttekening 48: Gr. het eigene; dat wil zeggen: wat haar eigen of gelijk is.
[^johannes-15-19-49]: Kanttekening 49: Gr. uit.
[^johannes-15-19-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: afgezonderd om mij gelijk te zijn en mij te volgen. Rom. 8:29.
[^johannes-15-20-51]: Kanttekening 51: Namelijk eerder. Joh. 13:16.
[^johannes-15-20-p]: Verwijzing p: Matt. 10:24. Luk. 6:40. Joh. 13:16.
[^johannes-15-20-q]: Verwijzing q: Matt. 24:9. Joh. 16:2.
[^johannes-15-21-r]: Verwijzing r: Rom. 16:3. Matt. 10:22.
[^johannes-15-21-52]: Kanttekening 52: Namelijk haten, vervolgen, het woord verachten.
[^johannes-15-21-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: uit haat van mij en mijn leer.
[^johannes-15-21-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: de Vader.
[^johannes-15-22-s]: Verwijzing s: Rom. 4:15. en 5:20.
[^johannes-15-22-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: zo zware zonde niet als zij nu hebben; maar zouden zich enigszins op hun onwetendheid kunnen beroepen. Joh. 9:41.
[^johannes-15-22-56]: Kanttekening 56: Of, geen dekmantel.
[^johannes-15-24-t]: Verwijzing t: Joh. 10:37.
[^johannes-15-24-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: de wonderwerken, of mirakelen.
[^johannes-15-24-58]: Kanttekening 58: Namelijk van hen die zich hadden uitgegeven voor de Messias; of zelfs ook niet van de vorige profeten.
[^johannes-15-24-59]: Kanttekening 59: Gelijk eerder in vers 22.
[^johannes-15-25-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: in de geschriften van het Oude Testament, zoals ook Joh. 10:34, want dit staat geschreven in Ps. 35:19 en Ps. 69:5, hetwelk, van David als een voorbeeld van Christus gezegd zijnde, in Christus vervuld wordt.
[^johannes-15-25-v]: Verwijzing v: Ps. 35:19. en 69:5.
[^johannes-15-25-61]: Kanttekening 61: Gr. om niet.
[^johannes-15-26-x]: Verwijzing x: Joh. 14:26. en 16:7. Hand. 5:32.
[^johannes-15-26-y]: Verwijzing y: Luk. 24:49.
[^johannes-15-26-62]: Kanttekening 62: Namelijk als de eniggeboren Zoon van God, wiens Geest hij ook is en wordt genoemd (Rom. 8:9; Gal. 4:6).
[^johannes-15-26-63]: Kanttekening 63: Namelijk zowel ten aanzien van zijn persoon, wiens eigenschap is van de Vader en van de Zoon van eeuwigheid voort te komen, als ten aanzien van zijn kracht en werking.
[^johannes-15-26-64]: Kanttekening 64: Namelijk door zijn wonderbaarlijke gaven en inwendige overtuiging, dat ik de ware Zaligmaker ben.
[^johannes-15-27-z]: Verwijzing z: Hand. 1:8, 21. en 5:32.
[^johannes-15-27-65]: Kanttekening 65: Namelijk met uw leer en wonderwerken die u in mijn naam zult doen.
[^johannes-15-27-66]: Kanttekening 66: Namelijk van mijn predikambt af (Matt. 4:17, 18); u hebt mijn leer gehoord en mijn wonderwerken gezien.

### Johannes 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/16.json)

*Christus voorzegt zijn discipelen dat zij vervolgd zullen worden. 5 En troost hen met de belofte van de Heilige Geest, die de wereld zal overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. 12 En hen in alle waarheid leiden. 16 Verklaart dat hij weldra van hen weggenomen, maar ook weer na korte tijd gezien zal worden. 20 En dat hun verdriet spoedig in blijdschap zal veranderen, zoals de weeën van een vrouw als zij gebaard heeft. 23 Vermaant hen in zijn naam te bidden, met de belofte verhoord te worden. 28 En verklaart vrijuit, zonder gelijkenis, dat hij de wereld verlaat. 29 Wat de discipelen verstaan, en worden in hun geloof versterkt. 31 Hij waarschuwt hen dat zij verstrooid zullen worden, en belooft hun zijn vrede.*

**1** [^johannes-16-1-1] Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u niet[^johannes-16-1-2] ten val komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v1)

**2** [^johannes-16-2-a] Zij zullen u[^johannes-16-2-3] uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat ieder, die u zal doden, zal menen voor God[^johannes-16-2-4] een dienst te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v2)

**3** [^johannes-16-3-b] En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v3)

**4** [^johannes-16-4-c] Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer het uur zal gekomen zijn, u deze mag gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; maar deze dingen heb Ik u van het begin[^johannes-16-4-5] niet gezegd, omdat Ik bij u was.[^johannes-16-4-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v4)

**5** En[^johannes-16-5-7] nu ga Ik heen tot Degene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u[^johannes-16-5-8] vraagt Mij: Waar gaat U heen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v5)

**6** Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft[^johannes-16-6-9] de verdriet uw hart vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v6)

**7** Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal[^johannes-16-7-10] de Trooster tot u[^johannes-16-7-11] niet komen;[^johannes-16-7-d] maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v7)

**8** En Die gekomen zijnde, zal de wereld[^johannes-16-8-12] overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v8)

**9** [^johannes-16-9-13] Van zonde, omdat zij[^johannes-16-9-14] in Mij niet geloven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v9)

**10** En[^johannes-16-10-15] van gerechtigheid,[^johannes-16-10-16] omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en u zult Mij[^johannes-16-10-17] niet meer zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v10)

**11** En[^johannes-16-11-18] van oordeel,[^johannes-16-11-e] omdat[^johannes-16-11-19] de overste van deze wereld[^johannes-16-11-20] geoordeeld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v11)

**12** Nog[^johannes-16-12-21] vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die[^johannes-16-12-22] nu niet dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v12)

**13** Maar wanneer Die[^johannes-16-13-23] zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de[^johannes-16-13-f] waarheid, Hij zal u in[^johannes-16-13-24] al de waarheid leiden;[^johannes-16-13-g] want Hij zal[^johannes-16-13-25] van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal[^johannes-16-13-26] gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v13)

**14** Die zal Mij[^johannes-16-14-27] verheerlijken; want Hij zal[^johannes-16-14-28] het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v14)

**15** [^johannes-16-15-29][^johannes-16-15-h] Al wat de Vader heeft, is van Mij; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v15)

**16** [^johannes-16-16-i] Een[^johannes-16-16-30] kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een[^johannes-16-16-31] kleine tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v16)

**17** Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkaar:[^johannes-16-17-32] Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot de Vader? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v17)

**18** Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleine tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v18)

**19** Jezus dan[^johannes-16-19-33] bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zei tot hen: Vraagt u daarvan onder elkaar, dat Ik gezegd heb: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien, en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v19)

**20** Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u[^johannes-16-20-34] zult huilen, en klagelijk huilen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet[^johannes-16-20-35] zal tot blijdschap worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v20)

**21** [^johannes-16-21-36][^johannes-16-21-k] Een vrouw, wanneer zij baart,[^johannes-16-21-37] heeft verdriet, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft,[^johannes-16-21-38] zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v21)

**22** En u dan hebt nu wel verdriet; maar Ik zal u[^johannes-16-22-39] opnieuw zien,[^johannes-16-22-l] en uw hart zal zich[^johannes-16-22-40] verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u[^johannes-16-22-41] wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v22)

**23** En in die dag zult u Mij[^johannes-16-23-42] niets vragen.[^johannes-16-23-m] Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat u[^johannes-16-23-43] de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v23)

**24** [^johannes-16-24-44] Tot nog toe hebt u[^johannes-16-24-45] niet gebeden in Mijn Naam;[^johannes-16-24-46] bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap[^johannes-16-24-47] vervuld zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v24)

**25** Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar het uur komt, dat Ik niet meer[^johannes-16-25-48] door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u[^johannes-16-25-49] vrijuit[^johannes-16-25-50] van de Vader zal verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v25)

**26** [^johannes-16-26-51] In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik[^johannes-16-26-52] zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v26)

**27** Want de Vader Zelf heeft u lief,[^johannes-16-27-53] omdat[^johannes-16-27-54] u Mij liefgehad hebt,[^johannes-16-27-n] en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.[^johannes-16-27-45__] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v27)

**28** [^johannes-16-28-o] Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; opnieuw[^johannes-16-28-55] verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v28)

**29** Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt U vrijuit, en zegt geen gelijkenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v29)

**30** Nu weten wij,[^johannes-16-30-p] dat U[^johannes-16-30-56] alle dingen weet, en U hebt niet nodig, dat U iemand vrage.[^johannes-16-30-57] Hierom geloven wij, dat U van God uitgegaan bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v30)

**31** Jezus antwoordde hun:[^johannes-16-31-58] Gelooft u nu? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v31)

**32** [^johannes-16-32-q] Zie, het uur komt, en is nu gekomen, dat u zult[^johannes-16-32-59] verstrooid worden, ieder[^johannes-16-32-60] naar het zijne, en u Mij alleen zult laten;[^johannes-16-32-r] en toch ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v32)

**33** Deze dingen heb Ik tot u gesproken,[^johannes-16-33-s] opdat u[^johannes-16-33-61] in Mij[^johannes-16-33-62] vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb[^johannes-16-33-63] de wereld[^johannes-16-33-64] overwonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/16.html#v33)

[^johannes-16-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de haat en vervolging van de wereld tegen u.
[^johannes-16-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: daardoor als door een onverwachte zaak in uw geloof niet verzwakt of wankelmoedig gemaakt wordt.
[^johannes-16-2-a]: Verwijzing a: Joh. 9. versen 22, 34. en 12:42.
[^johannes-16-2-3]: Kanttekening 3: Zie hierover Joh. 9:22.
[^johannes-16-2-4]: Kanttekening 4: Of, een offer te brengen, te offeren.
[^johannes-16-3-b]: Verwijzing b: Joh. 15:21. 1 Kor. 2:8.
[^johannes-16-4-c]: Verwijzing c: Joh. 13:19. en 14:29.
[^johannes-16-4-5]: Kanttekening 5: Namelijk zo duidelijk en openlijk.
[^johannes-16-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk en niet zo snel van u zou scheiden als ik nu zal doen.
[^johannes-16-5-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: nu nadert de tijd dat ik de wereld verlaten zal.
[^johannes-16-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk nu, zoals u eerder wel gedaan hebt. Joh. 13:36; 14:5.
[^johannes-16-6-9]: Kanttekening 9: Namelijk die u belet mij te vragen waarheen, waarom en tot welk doel ik van u ga.
[^johannes-16-7-10]: Kanttekening 10: Of, de Voorspreker; dat wil zeggen: de Heilige Geest. Zie Joh. 14:16.
[^johannes-16-7-11]: Kanttekening 11: Namelijk met zijn overvloedige en wonderbaarlijke gaven en werkingen.
[^johannes-16-7-d]: Verwijzing d: Luk. 24:49. Joh. 14:26. en 15:26.
[^johannes-16-8-12]: Kanttekening 12: Namelijk zowel door de prediking van de apostelen als door zijn inwendige werking.
[^johannes-16-9-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: dat zij zwaar gezondigd hebben.
[^johannes-16-9-14]: Kanttekening 14: Namelijk als in de ware Messias, maar mij als een goddeloze gedood hebben.
[^johannes-16-10-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: dat ik onschuldig gedood ben en rechtvaardig zijnde voor de onrechtvaardigen geleden heb.
[^johannes-16-10-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: waarvan mijn hemelvaart een zeker getuigenis is.
[^johannes-16-10-17]: Kanttekening 17: Namelijk na mijn hemelvaart. Hand. 3:21.
[^johannes-16-11-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: dat ik macht heb om alles te regeren en te richten, ook om de ongelovigen tot de eeuwige dood te veroordelen.
[^johannes-16-11-e]: Verwijzing e: Joh. 12:31. en 14:30. Ef. 2:2. Kol. 2:15.
[^johannes-16-11-19]: Kanttekening 19: Dat is de duivel. Zie Joh. 12:31; Ef. 2:2.
[^johannes-16-11-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: veroordeeld, doordat hem door mijn dood zijn macht en heerschappij ontnomen zal worden. Hebr. 2:14; Kol. 2:15.
[^johannes-16-12-21]: Kanttekening 21: Namelijk dienend tot versterking en nadere verklaring van wat ik u eerder gezegd heb. Joh. 15:15.
[^johannes-16-12-22]: Kanttekening 22: Namelijk vanwege uw huidige zwakheid en verdriet.
[^johannes-16-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: na mijn hemelvaart over u uitgestort zal zijn.
[^johannes-16-13-f]: Verwijzing f: Joh. 14:26.
[^johannes-16-13-24]: Kanttekening 24: Namelijk die u nodig zal zijn te kennen voor de uitoefening van uw ambt, zodat u ze niet alleen zult weten, maar ook in het leren ervan niet zult kunnen dwalen.
[^johannes-16-13-g]: Verwijzing g: Joh. 12:49.
[^johannes-16-13-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: alleen, zonder de Vader en mij. Zie Joh. 5:30.
[^johannes-16-13-26]: Kanttekening 26: Namelijk van de Vader en van mij. Zie Joh. 3:32; 15:15.
[^johannes-16-14-27]: Kanttekening 27: Namelijk door zijn getuigenis, gaven en wonderwerken.
[^johannes-16-14-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: dezelfde leer der zaligheid die ik u geleerd heb, zal hij u ook openbaren, want hij ontvangt ze van mij.
[^johannes-16-15-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: alle goddelijke eigenschappen die de Vader heeft, heb ik ook, als zijn eniggeboren Zoon, van hetzelfde wezen.
[^johannes-16-15-h]: Verwijzing h: Joh. 17:10.
[^johannes-16-16-i]: Verwijzing i: Joh. 7:33.
[^johannes-16-16-30]: Kanttekening 30: Namelijk zal er zijn, als ik in het graf zal liggen.
[^johannes-16-16-31]: Kanttekening 31: Namelijk van veertig dagen, nadat ik weer opgestaan zal zijn, voor ik ten hemel zal opstijgen.
[^johannes-16-17-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: wat bedoelt hij daarmee.
[^johannes-16-19-33]: Kanttekening 33: Namelijk door zijn alwetendheid, die zij zelf erkennen, vers 30.
[^johannes-16-20-34]: Kanttekening 34: Namelijk gedurende de tijd van mijn lijden en afwezigheid.
[^johannes-16-20-35]: Kanttekening 35: Namelijk als u mij levend zult wederzien.
[^johannes-16-21-36]: Kanttekening 36: Gr. de vrouw.
[^johannes-16-21-k]: Verwijzing k: Jes. 26:17.
[^johannes-16-21-37]: Kanttekening 37: Namelijk vanwege de pijn en het wee. Gen. 3:16.
[^johannes-16-21-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: zo telt ze die niet meer mee.
[^johannes-16-22-39]: Kanttekening 39: Namelijk na mijn opstanding.
[^johannes-16-22-l]: Verwijzing l: Joh. 20:20.
[^johannes-16-22-40]: Kanttekening 40: Namelijk mij weer levend bij u ziend. Luk. 24:41.
[^johannes-16-22-41]: Kanttekening 41: Namelijk omdat de oorzaak ervan altijd zal voortduren, want ik zal dan niet meer sterven, maar in eeuwige heerlijkheid leven.
[^johannes-16-23-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: niets hoeven te vragen, want de Heilige Geest zal u in alles onderwijzen.
[^johannes-16-23-m]: Verwijzing m: Jer. 29:12. Matt. 7:7. en 21:22. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:13. en 15:7. Jak. 1:5. 1 Joh. 3:12. en 5:14.
[^johannes-16-23-43]: Kanttekening 43: Of, van de Vader zult begeren.
[^johannes-16-24-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: u hebt wel tot nu toe, zoals ook de andere gelovigen in het Oude Testament, in uw gebeden gezien op de Messias.
[^johannes-16-24-45]: Kanttekening 45: Of, niets; namelijk omdat ik zelf bij u was en u alles leerde en voor alles zorgde.
[^johannes-16-24-46]: Kanttekening 46: Of, begeert.
[^johannes-16-24-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: meer en meer toeneemt door het ontvangen van alle geestelijke gaven.
[^johannes-16-25-48]: Kanttekening 48: Gr. in gelijkenissen: dat is, door verhulde manieren van spreken, zoals van een vrouw die in barensnood is (vers 21).
[^johannes-16-25-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: ronduit, met heldere woorden.
[^johannes-16-25-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: van wat het Koninkrijk van God betreft en van de grote daden van God, zoals hij na zijn opstanding zelf deed.
[^johannes-16-26-51]: Kanttekening 51: Namelijk na het ontvangen van de Heilige Geest.
[^johannes-16-26-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: ik wil u daarmee niet alleen troosten dat ik de Vader voor u zal bidden; wat ik toch ook zal doen.
[^johannes-16-27-53]: Kanttekening 53: Dit moet niet zo worden verstaan dat de liefde van de apostelen tot Christus een oorzaak zou zijn die de liefde des Vaders veroorzaakt.
[^johannes-16-27-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: niet alleen geboren van de Vader, maar ook van hem gezonden in de wereld.
[^johannes-16-27-n]: Verwijzing n: Joh. 17:8.
[^johannes-16-27-45__]: Kanttekening 45\[\]: 45\[\]
[^johannes-16-28-o]: Verwijzing o: Joh. 13:3.
[^johannes-16-28-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: zal ze spoedig verlaten, namelijk naar zijn lichamelijke aanwezigheid. Want naar zijn Godheid blijft hij altijd bij ons.
[^johannes-16-30-p]: Verwijzing p: Joh. 21:17.
[^johannes-16-30-56]: Kanttekening 56: Namelijk want u komt onze gedachten al tegemoet met uw antwoorden voordat wij u iets vragen (vers 19).
[^johannes-16-30-57]: Kanttekening 57: Gr. hierin, dat is, hierdoor.
[^johannes-16-31-58]: Kanttekening 58: Dat is: zegt u dat u zo vast gelooft?
[^johannes-16-32-q]: Verwijzing q: Matt. 26:31. Mark. 14:27. Zach. 13:7.
[^johannes-16-32-59]: Kanttekening 59: Namelijk hierheen en daarheen van mij vluchtend.
[^johannes-16-32-60]: Kanttekening 60: Gr. in het zijne, namelijk naar zijn eigen plek of huis.
[^johannes-16-32-r]: Verwijzing r: Joh. 8:29. en 14:10.
[^johannes-16-33-s]: Verwijzing s: Jes. 9:5. Joh. 14:27. Rom. 5:1. Ef. 2:13. Kol. 1:20.
[^johannes-16-33-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: op mij vertrouwend, of door mij.
[^johannes-16-33-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: rust van uw gemoed, ondanks alle moeilijkheden die u zullen overkomen.
[^johannes-16-33-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: al wat in de wereld uw zaligheid zou kunnen tegenstaan.
[^johannes-16-33-64]: Kanttekening 64: Namelijk niet alleen voor mijzelf (Joh. 14:30), maar ook voor u, omdat u door het geloof met mij verenigd bent.

### Johannes 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/17.json)

*1 Christus bidt als onze Hogepriester, zich voorbereidend op zijn lijden en sterven, zijn Vader dat hij hem verheerlijke om het eeuwige leven te geven aan wie hem kennen. 4 Verhaalt hoe getrouw en met welke vreugde hij het werk dat hem was opgelegd, heeft volbracht. 9 Bidt voor zijn apostelen, dat de Vader hen beware in eenheid van liefde. 15 Van de boze. 17 En heilige in zijn waarheid. 20 Bidt ook voor allen die door hun woord in hem zullen geloven. 21 Dat zij één mogen zijn. 24 En bij hem zijn waar hij is, om zijn heerlijkheid te aanschouwen.*

**1** Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zei: Vader, het uur is gekomen,[^johannes-17-1-2] verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon[^johannes-17-1-3] U verheerlijke.[^johannes-17-1-1][^johannes-17-1-a] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v1)

**2** [^johannes-17-2-b] Zoals U Hem macht gegeven hebt[^johannes-17-2-4] over alle vlees, opdat al wat U Hem[^johannes-17-2-5] gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v2)

**3** En[^johannes-17-3-c] dit is[^johannes-17-3-6] het eeuwige leven, dat zij U kennen,[^johannes-17-3-7] de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U[^johannes-17-3-8] gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v3)

**4** [^johannes-17-4-d] Ik heb U[^johannes-17-4-9] verheerlijkt op de aarde;[^johannes-17-4-e] Ik heb[^johannes-17-4-10] voltooid[^johannes-17-4-11] het werk, dat U Mij[^johannes-17-4-12] gegeven hebt om te doen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v4)

**5** En nu[^johannes-17-5-13] verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid,[^johannes-17-5-f] die Ik bij U had,[^johannes-17-5-14] voordat de wereld was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v5)

**6** Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij[^johannes-17-6-15] uit de wereld[^johannes-17-6-16] gegeven hebt. Zij waren[^johannes-17-6-17] Uw, en U hebt Mij deze gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v6)

**7** Nu hebben zij bekend, dat alles, wat U Mij gegeven hebt,[^johannes-17-7-18] van U is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v7)

**8** Want[^johannes-17-8-19] de woorden, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben[^johannes-17-8-20] ze[^johannes-17-8-g] ontvangen, en zij hebben werkelijk bekend, dat Ik[^johannes-17-8-21] van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat U Mij[^johannes-17-8-22] gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v8)

**9** Ik bid voor hen; Ik bid niet[^johannes-17-9-23] voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want ze zijn[^johannes-17-9-24] van U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v9)

**10** En[^johannes-17-10-h] al het Mijne is Uw, en het van U is van Mij; en Ik ben[^johannes-17-10-25] in hen[^johannes-17-10-26] verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v10)

**11** En Ik[^johannes-17-11-27] ben niet meer in de wereld, maar deze[^johannes-17-11-28] zijn in de wereld, en Ik komt tot U, Heilige Vader,[^johannes-17-11-29] bewaar[^johannes-17-11-30] ze in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij[^johannes-17-11-31] één zijn, zoals Wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v11)

**12** [^johannes-17-12-i] Toen Ik met hen in de wereld was,[^johannes-17-12-32] bewaarde Ik ze in Uw Naam.[^johannes-17-12-k] Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan,[^johannes-17-12-33] dan de zoon van de[^johannes-17-12-34] verderfenis, opdat[^johannes-17-12-l] de Schrift vervuld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v12)

**13** Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit[^johannes-17-13-35] in de wereld, opdat zij[^johannes-17-13-36] Mijn blijdschap vervuld mogen hebben[^johannes-17-13-37] in zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v13)

**14** Ik heb hun[^johannes-17-14-38] Uw woord gegeven;[^johannes-17-14-m] en de wereld heeft[^johannes-17-14-39] ze gehaat, omdat zij[^johannes-17-14-40] van de wereld niet zijn, zoals Ik[^johannes-17-14-41] van de wereld niet ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v14)

**15** Ik bid niet, dat U hen uit de wereld[^johannes-17-15-42] wegneemt, maar dat U hen bewaart[^johannes-17-15-43] van de boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v15)

**16** Zij zijn niet[^johannes-17-16-44] van de wereld, zoals Ik[^johannes-17-16-45] van de wereld niet ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v16)

**17** [^johannes-17-17-46] Heilig ze in Uw waarheid;[^johannes-17-17-n] Uw woord is[^johannes-17-17-47] de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v17)

**18** [^johannes-17-18-o] Zoals U Mij gezonden hebt in de wereld,[^johannes-17-18-48] zo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v18)

**19** [^johannes-17-19-p] En[^johannes-17-19-49] Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij[^johannes-17-19-50] geheiligd mogen zijn[^johannes-17-19-51] in waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v19)

**20** En Ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen, die door[^johannes-17-20-52] hun woord in Mij geloven zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v20)

**21** Opdat zij allen[^johannes-17-21-q] één zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij[^johannes-17-21-53] in Ons één zijn; opdat de wereld gelooft, dat[^johannes-17-21-54] U Mij gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v21)

**22** En Ik heb hun[^johannes-17-22-55] de heerlijkheid gegeven, die U Mij gegeven hebt; opdat[^johannes-17-22-56] zij één zijn, zoals Wij Één zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v22)

**23** Ik in hen, en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn[^johannes-17-23-57] in één, en opdat de wereld bekenne, dat U Mij gezonden hebt, en[^johannes-17-23-58] hen liefgehad hebt, zoals U Mij liefgehad hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v23)

**24** [^johannes-17-24-r] Vader,[^johannes-17-24-59] Ik wil, dat[^johannes-17-24-60] waar Ik ben, ook[^johannes-17-24-61] die bij Mij[^johannes-17-24-62] zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij[^johannes-17-24-63] gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad,[^johannes-17-24-64] voor de grondlegging van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v24)

**25** Rechtvaardige Vader,[^johannes-17-25-65][^johannes-17-25-s] de wereld heeft[^johannes-17-25-66] U niet gekend; maar Ik heb U gekend,[^johannes-17-25-t] en deze hebben bekend, dat U Mij gezonden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v25)

**26** En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal[^johannes-17-26-67] Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmee U Mij liefgehad hebt,[^johannes-17-26-68] in hen zij, en[^johannes-17-26-69] Ik in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/17.html#v26)

[^johannes-17-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: toon in zijn diepste vernedering dat hij uw Zoon is; wat ook door vele wondertekens in zijn lijden geschiedde.
[^johannes-17-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de eer van uw gerechtigheid en barmhartigheid en andere eigenschappen door het lijden en sterven voor de zondige mensen verklaart.
[^johannes-17-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk dat u voor mijn lijden bestemd hebt.
[^johannes-17-1-a]: Verwijzing a: Joh. 12:23. en 13:32.
[^johannes-17-2-b]: Verwijzing b: Ps. 8:7. Matt. 11:27. en 5:8. en 28:18. Luk. 10:22. Joh. 3:35. en 5:27. 1 Kor. 15:25. Fil. 2:10. Hebr. 2:8.
[^johannes-17-2-4]: Kanttekening 4: Gr. al het vlees, dat is, over alle mensen.
[^johannes-17-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk om met u te verzoenen en zalig te maken. Ef. 5:25.
[^johannes-17-3-c]: Verwijzing c: Jes. 53:11. Jer. 9:23.
[^johannes-17-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, de weg en het middel om tot het eeuwige leven te komen is de rechte kennis van God en van de Middelaar Jezus Christus.
[^johannes-17-3-7]: Kanttekening 7: Of, de enige; in de grondtekst staat niet dat de Vader alleen de waarachtige God is, maar dat de Vader de enige ware God is.
[^johannes-17-3-8]: Kanttekening 8: Namelijk als de enige Middelaar en Zaligmaker, zonder wie niemand met God verzoend of verenigd kan worden.
[^johannes-17-4-d]: Verwijzing d: Joh. 13:32. en 14:13.
[^johannes-17-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk door mijn leer, leven en wonderwerken.
[^johannes-17-4-e]: Verwijzing e: Joh. 4:34. en 19:30.
[^johannes-17-4-10]: Kanttekening 10: Dit zegt hij omdat een groot deel van dat werk al verricht was en het overige daarna spoedig zou volgen.
[^johannes-17-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk van de verzoening en verlossing van de mensen.
[^johannes-17-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: verordend en bevolen hebt.
[^johannes-17-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: stel mij tot uw rechterhand in het volle gebruik van mijn goddelijke heerlijkheid, die ik van eeuwigheid bij u had.
[^johannes-17-5-f]: Verwijzing f: Joh. 1:1, 2. en 10:30. en 14:9.
[^johannes-17-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, van eeuwigheid, als de Heer der heerlijkheid. Joh. 12:41; 1 Kor. 2:8; Ef. 1:4.
[^johannes-17-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: uit de algemene massa der mensen.
[^johannes-17-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk niet alleen tot trouwe apostelen en getuigen, maar ook om hen zalig te maken (vers 2).
[^johannes-17-6-17]: Kanttekening 17: Namelijk door uw eeuwige verkiezing. 2 Tim. 2:19.
[^johannes-17-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: door uw ingeven, bevel en kracht door mij geleerd en gedaan is.
[^johannes-17-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: de leer.
[^johannes-17-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: aangenomen en geloofd.
[^johannes-17-8-g]: Verwijzing g: Joh. 16:27.
[^johannes-17-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: dat ik uw Zoon ben, van eeuwigheid uit u geboren. Ps. 2:7; Micha 5:1.
[^johannes-17-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk in de wereld, om de Middelaar en Zaligmaker te zijn. Hebr. 5:5.
[^johannes-17-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: niet voor alle mensen der wereld zonder onderscheid, maar voor de uitverkorenen en gelovigen. Rom. 8:33, 34.
[^johannes-17-9-24]: Kanttekening 24: Zie vers 6.
[^johannes-17-10-h]: Verwijzing h: Joh. 16:15.
[^johannes-17-10-25]: Kanttekening 25: Of, door hen.
[^johannes-17-10-26]: Kanttekening 26: Namelijk door hun geloof, leer en werken.
[^johannes-17-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: ik zal de wereld spoedig verlaten met mijn lichamelijke aanwezigheid.
[^johannes-17-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: blijven nog een tijd op de aarde en zullen daarin nog aan veel zwakheden en beproevingen onderworpen zijn.
[^johannes-17-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk in alle moeilijkheden en beproevingen.
[^johannes-17-11-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: door uw kracht en om uwentwil, omdat ze die moeilijkheden om uwentwil zullen moeten doorstaan.
[^johannes-17-11-31]: Kanttekening 31: Namelijk in geest, wil en liefde tot elkaar, zoals wij één zijn in wezen en wil.
[^johannes-17-12-i]: Verwijzing i: Joh. 6:39. en 10:28. en 18:9.
[^johannes-17-12-32]: Kanttekening 32: Namelijk niet alleen van uitwendige gevaren, maar ook van afval en verleiding.
[^johannes-17-12-k]: Verwijzing k: Jes. 8:18. Hebr. 2:13.
[^johannes-17-12-33]: Kanttekening 33: Of, maar de zoon des verderfs is verloren gegaan; zo wordt Judas genoemd, zoals ook de Antichrist, 2 Thess. 2:3.
[^johannes-17-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: en zo is de Schrift vervuld geworden. Zie Ps. 69:26; 109:8. Zie verder Hand. 1:16.
[^johannes-17-12-l]: Verwijzing l: Ps. 109:8.
[^johannes-17-13-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: zolang ik nog bij hen in de wereld ben.
[^johannes-17-13-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: waarmee ik mij over hen verblijd en waarmee zij zich in mij verblijden.
[^johannes-17-13-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: in hun ziel en gemoed.
[^johannes-17-14-38]: Kanttekening 38: Dat is, uw leer geleerd en geopenbaard.
[^johannes-17-14-m]: Verwijzing m: Joh. 15:19.
[^johannes-17-14-39]: Kanttekening 39: Namelijk om uw woord.
[^johannes-17-14-40]: Kanttekening 40: Gr. uit de wereld; dat wil zeggen: niet werelds gezind zijn.
[^johannes-17-14-41]: Kanttekening 41: Gr. uit.
[^johannes-17-15-42]: Kanttekening 42: Namelijk voor deze tijd, want ik heb hun dienst nog daarna nodig.
[^johannes-17-15-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: van de verleiding van de Satan, van de zonde en van de wereld.
[^johannes-17-16-44]: Kanttekening 44: Gr. uit.
[^johannes-17-16-45]: Kanttekening 45: Gr. uit.
[^johannes-17-17-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: vernieuw hen meer en meer door uw waarheid, en maak hen meer en meer bekwaam om dienaren te zijn van het Nieuwe Testament.
[^johannes-17-17-n]: Verwijzing n: Joh. 8:40.
[^johannes-17-17-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: deze waarheid, waardoor de mensen geheiligd worden — namelijk de leer van het Evangelie. Jak. 1:18.
[^johannes-17-18-o]: Verwijzing o: Joh. 20:21.
[^johannes-17-18-48]: Kanttekening 48: Namelijk om uw woord en waarheid door de gehele wereld te prediken.
[^johannes-17-19-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 1:2. 30. 1 Thess. 4:7.
[^johannes-17-19-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: ik geef mezelf over als een heilig offer.
[^johannes-17-19-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: door de kracht en verdiensten van dit mijn offer de vergeving van hun zonden en de heiliging van de Geest mogen verkrijgen.
[^johannes-17-19-51]: Kanttekening 51: Dat is, werkelijk; of door de waarheid, niet zoals voorheen door de uitwendige ceremonies van de wet.
[^johannes-17-20-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: mijn woord door hen gepredikt.
[^johannes-17-21-q]: Verwijzing q: Joh. 10:38. en 14:11. Galath 3:28.
[^johannes-17-21-53]: Kanttekening 53: Of, met ons: dat is, opdat zij door het ware geloof met ons verenigd zijnde (Ef. 3:17) ook bovendien met elkaar één zijn.
[^johannes-17-21-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: opdat de mensen die nog niet geloven daardoor aangelokt mogen worden om mij voor de ware Messias te erkennen.
[^johannes-17-22-55]: Kanttekening 55: Namelijk om Gods kinderen te zijn en mijn mee-erfgenamen. Rom. 8:17.
[^johannes-17-22-56]: Kanttekening 56: Namelijk niet alleen de apostelen, maar ook al degenen die door het woord in Christus zullen geloven (vers 20).
[^johannes-17-23-57]: Kanttekening 57: Of, tot één: dat wil zeggen: opdat zij, met mij verenigd door het geloof, daardoor ook met u verenigd worden. Joh. 14:23.
[^johannes-17-23-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: als uw kinderen. 1 Joh. 3:1.
[^johannes-17-24-r]: Verwijzing r: Joh. 12:26. en 14:3.
[^johannes-17-24-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: ik begeer of verzoek. Zie Mark. 10:35.
[^johannes-17-24-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: waar ik binnenkort zal zijn, in mijn heerlijkheid in de hemel. 1 Thess. 4:17; Openb. 3:21.
[^johannes-17-24-61]: Kanttekening 61: Namelijk de apostelen en alle andere gelovigen.
[^johannes-17-24-62]: Kanttekening 62: Namelijk tot zijn tijd: met de ziel, meteen na de dood, 2 Kor. 5:8; Fil. 1:23, en ook met het lichaam, na de algemene opstanding. Fil. 3:21.
[^johannes-17-24-63]: Kanttekening 63: Namelijk door de eeuwige geboorte als uw eniggeboren Zoon (Joh. 5:26) en die u mij ook naar mijn menselijke natuur zult geven, als ik tot uw rechterhand verheerlijkt zal worden.
[^johannes-17-24-64]: Kanttekening 64: Deze woorden kunnen verbonden worden met het woord 'gegeven' of met het woord 'liefgehad'.
[^johannes-17-25-65]: Kanttekening 65: Gr. en de wereld: dat is, de grote menigte van de wereld.
[^johannes-17-25-s]: Verwijzing s: Joh. 15:21. en 16:3.
[^johannes-17-25-66]: Kanttekening 66: Namelijk zoals het behoort. Want ook de heidenen hebben enige kennis van God gehad. Rom. 1:19, 21.
[^johannes-17-25-t]: Verwijzing t: Joh. 16:17. en 17:8.
[^johannes-17-26-67]: Kanttekening 67: Namelijk nog meer en meer, wanneer ik over hen de Heilige Geest zal zenden.
[^johannes-17-26-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: ook tot hen zich uitstrekt en de kracht en het gevoel ervan in hun harten uitgestort wordt. Rom. 5:5.
[^johannes-17-26-69]: Kanttekening 69: Namelijk door mijn Geest en genade.

### Johannes 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/18.json)

*1 Christus gaat met zijn discipelen in een hof. 2 Waar Judas komt met de bende om hem te vangen. 4 Welke bende op Christus' aanspraak ter aarde valt. 10 Petrus houwt Malchus het oor af, waarover Christus hem bestraft. 13 Christus wordt gevangen en eerst naar Annas en vandaar naar Kajafas gebracht. 15 Wordt door Petrus gevolgd en daarna verloochend. 19 Door Kajafas ondervraagd over zijn discipelen en leer. 22 Door één van de dienaren geslagen, die hij daarover bestraft. 25 Wordt door Petrus nog tweemaal verloochend. 28 Voor Pilatus in het rechthuis gebracht, die naar zijn beschuldiging vraagt en hem aan het oordeel van de Joden wil overgeven. 33 Wordt door Pilatus ondervraagd over zijn Koninkrijk, dat hij betuigt niet van deze wereld te zijn. 38 Pilatus verklaart hem onschuldig en wil hem loslaten. 40 Maar de Joden vragen om Barabbas.*

**1** [^johannes-18-1-a] Jezus, dit gezegd hebbende,[^johannes-18-1-1] ging uit met Zijn discipelen over de beek[^johannes-18-1-2] Kedron, waar een hof was, in wie Hij ging, en Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v1)

**2** En Judas, die Hem verraadde, wist ook die plaats, omdat Jezus daar dikwijls[^johannes-18-2-3] verzameld was geweest met Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v2)

**3** [^johannes-18-3-b] Judas dan, genomen hebbende[^johannes-18-3-4] de bende soldaten en enige[^johannes-18-3-5] dienaren van de overpriesters en Farizeeën, kwam daar met lantaarnen, en[^johannes-18-3-6] fakkelen, en wapenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v3)

**4** Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou,[^johannes-18-4-7] ging uit, en zei tot hen: Wie zoekt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v4)

**5** Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v5)

**6** Als Hij dan tot hen zei: Ik ben het; gingen zij achteruit, en[^johannes-18-6-8] vielen ter aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v6)

**7** Hij vraagde hun dan[^johannes-18-7-9] opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v7)

**8** Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, zo[^johannes-18-8-10] laat[^johannes-18-8-11] deze heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v8)

**9** [^johannes-18-9-12] Opdat het woord vervuld zou worden, dat[^johannes-18-9-13] Hij gezegd[^johannes-18-9-c] had: Uit degenen, die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v9)

**10** [^johannes-18-10-d] Simon Petrus dan,[^johannes-18-10-14] hebbende een zwaard, trok het uit, en sloeg van de hogepriester dienaar, en hieuw zijn rechteroor[^johannes-18-10-15] af. En de naam van de dienaar was Malchus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v10)

**11** Jezus dan zei tot Petrus:[^johannes-18-11-16] Steek uw zwaard in de schede.[^johannes-18-11-17] De[^johannes-18-11-e] drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v11)

**12** De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaren[^johannes-18-12-18] van de Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v12)

**13** [^johannes-18-13-f] En leidden Hem heen,[^johannes-18-13-19] eerst tot[^johannes-18-13-g] Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v13)

**14** [^johannes-18-14-h] Kajafas nu was degene, die de Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v14)

**15** [^johannes-18-15-i] En Simon Petrus[^johannes-18-15-20] volgde Jezus, en[^johannes-18-15-21] een ander discipel. Deze discipel nu was de hogepriester bekend, en ging met Jezus in van de[^johannes-18-15-22] zaal van de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v15)

**16** En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die de hogepriester bekend was, ging uit, en[^johannes-18-16-23] sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v16)

**17** De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was,[^johannes-18-17-24] zei tot Petrus: Bent ook u niet uit de discipelen van deze Mens? Hij zei: Ik ben niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v17)

**18** En de dienaren en[^johannes-18-18-25] de dienaren stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het[^johannes-18-18-26] koud was, en warmden zich.[^johannes-18-18-k] Petrus stond bij hen, en warmde zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v18)

**19** De hogepriester dan vraagde Jezus[^johannes-18-19-27] van Zijn discipelen, en[^johannes-18-19-28] van Zijn leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v19)

**20** Jezus antwoordde hem:[^johannes-18-20-l] Ik heb vrijuit gesproken[^johannes-18-20-29] tot de wereld; Ik heb alle tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden[^johannes-18-20-30] van alle plaatsen samenkomen; en[^johannes-18-20-31] in het verborgen heb Ik niets gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v20)

**21** Wat ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten, wat Ik gezegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v21)

**22** En als Hij dit zei, gaf één van de dienaren, die daarbij stond,[^johannes-18-22-m] Jezus[^johannes-18-22-32] een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt U zo de hogepriester? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v22)

**23** Jezus antwoordde hem: Als Ik kwalijk gesproken heb,[^johannes-18-23-33] betuig van het kwade; en als wel, waarom slaat u Mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v23)

**24** (Annas[^johannes-18-24-n] dan had Hem gebonden[^johannes-18-24-34] gezonden tot Kajafas, de hogepriester.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v24)

**25** [^johannes-18-25-o] En Simon Petrus stond en warmde zich.[^johannes-18-25-35] Zij zeiden dan tot hem: Bent u ook niet uit Zijn discipelen? Hij ontkende het, en zei: Ik ben niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v25)

**26** Één van de dienaren van de hogepriester, die familie was van degene, die Petrus het oor afgehouwen had, zei: Heb ik u niet gezien in de hof met Hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v26)

**27** Petrus dan ontkende het opnieuw.[^johannes-18-27-p] En meteen[^johannes-18-27-36] kraaide de haan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v27)

**28** [^johannes-18-28-q] Zij dan leidden Jezus[^johannes-18-28-37] van Kajafas in het[^johannes-18-28-38] rechthuis. En het was[^johannes-18-28-39] 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis,[^johannes-18-28-r] opdat zij niet[^johannes-18-28-40] verontreinigd zouden worden, maar opdat zij[^johannes-18-28-41] het pascha eten mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v28)

**29** Pilatus dan ging tot hen[^johannes-18-29-42] uit, en zei: Wat beschuldiging brengt u tegen deze Mens? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v29)

**30** Zij antwoordden en zeiden tot hem: Als Deze geen kwaaddoener was, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v30)

**31** Pilatus dan zei tot hen: Neem u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons[^johannes-18-31-43] niet geoorloofd iemand te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v31)

**32** [^johannes-18-32-s] Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had,[^johannes-18-32-44] betekenende, wat voor dood Hij sterven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v32)

**33** [^johannes-18-33-t] Pilatus dan ging opnieuw in het rechthuis, en riep Jezus, en zei tot Hem: Bent U de Koning van de Joden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v33)

**34** Jezus antwoordde hem: Zegt u dit[^johannes-18-34-45] van uzelf, of hebben het u anderen[^johannes-18-34-46] van Mij gezegd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v34)

**35** Pilatus antwoordde: Ben ik[^johannes-18-35-47] een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v35)

**36** Jezus antwoordde:[^johannes-18-36-v] Mijn Koninkrijk is niet[^johannes-18-36-48] van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik de Joden niet was overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet[^johannes-18-36-49] van hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v36)

**37** Pilatus dan zei tot Hem:[^johannes-18-37-50] Bent U dan een Koning? Jezus antwoordde:[^johannes-18-37-51] U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid[^johannes-18-37-52] getuigenis geven zou. Ieder, die uit de waarheid is,[^johannes-18-37-54] hoort Mijn stem.[^johannes-18-37-53] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v37)

**38** Pilatus zei tot Hem:[^johannes-18-38-55] Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij opnieuw[^johannes-18-38-56] uit tot de Joden, en zei tot hen:[^johannes-18-38-x] Ik vind geen[^johannes-18-38-57] schuld in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v38)

**39** Maar u hebt[^johannes-18-39-y] een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v39)

**40** Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende:[^johannes-18-40-z] Niet Deze, maar Bar-abbas![^johannes-18-40-a] En Bar-abbas was een[^johannes-18-40-58] moordenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/18.html#v40)

[^johannes-18-1-a]: Verwijzing a: Matt. 26:36. Mark. 14:32. Luk. 22:39. 2 Sam. 15:23.
[^johannes-18-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: ging verder heen. Want dat hij al uit het huis en de stad vertrokken was, schijnt te blijken uit Joh. 14:31.
[^johannes-18-1-2]: Kanttekening 2: Dit was een beek die vloeide door een donkere vallei tussen de stad Jeruzalem en de Olijfberg.
[^johannes-18-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk daarheen 's avonds met zijn discipelen uit de stad Jeruzalem trekkend. Luk. 21:37.
[^johannes-18-3-b]: Verwijzing b: Matt. 26:47. Mark. 14:43. Luk. 22:47.
[^johannes-18-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk die van keizers wege voor de tempel plachten de wacht te houden en ten dienste van de overpriesters dikwijls gebruikt te worden.
[^johannes-18-3-5]: Kanttekening 5: Gr. uit.
[^johannes-18-3-6]: Kanttekening 6: Gr. lampades (λαμπάδων), wat ook lampen betekent die met olie gevuld worden. Matt. 25:1 etc.
[^johannes-18-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk van de plek in de hof waar hij was hen tegemoet, om te tonen dat hij zichzelf gewillig overgaf in de dood.
[^johannes-18-6-8]: Kanttekening 8: Namelijk door zijn goddelijke kracht neergeslagen, om te tonen dat hij aan hun handen gemakkelijk had kunnen ontkomen.
[^johannes-18-7-9]: Kanttekening 9: Namelijk nadat ze weer opgestaan waren.
[^johannes-18-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk mijn discipelen.
[^johannes-18-8-11]: Kanttekening 11: Namelijk zonder hun leed te doen; want ze zijn allen gevlucht. Matt. 26:56.
[^johannes-18-9-12]: Kanttekening 12: Namelijk heeft hij dit gezegd; of, is dit geschied.
[^johannes-18-9-13]: Kanttekening 13: Namelijk Christus, Joh. 17:12, waar hij spreekt van hun bewaring tot de zaligheid. Maar Johannes spreekt hier van hun bewaring voor lijfelijk gevaar.
[^johannes-18-9-c]: Verwijzing c: Joh. 6:39. en 10:28. en 17:12.
[^johannes-18-10-d]: Verwijzing d: Matt. 26:51. Mark. 14:47. Luk. 22:50.
[^johannes-18-10-14]: Kanttekening 14: Namelijk zoals reizenden soms zwaarden bij zich droegen tegen struikrovers en andere misdadigers.
[^johannes-18-10-15]: Kanttekening 15: Maar Christus genas dat opnieuw. Luk. 22:51.
[^johannes-18-11-16]: Kanttekening 16: Gr. werp, dat is, steek snel. Zie hiervoor de reden in Matt. 26:52.
[^johannes-18-11-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: dit bitter lijden dat de Vader mij opgelegd heeft, zal ik dat niet lijden? Zie Matt. 20:22.
[^johannes-18-11-e]: Verwijzing e: Matt. 20:22. en 26:39.
[^johannes-18-12-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: van de oversten der Joden. Zie vers 3.
[^johannes-18-13-f]: Verwijzing f: Matt. 26:57. Mark. 14:53. Luk. 22:54.
[^johannes-18-13-19]: Kanttekening 19: En daarna naar Kajafas, zoals blijkt uit vers 24.
[^johannes-18-13-g]: Verwijzing g: Luk. 3:2.
[^johannes-18-14-h]: Verwijzing h: Joh. 11:50.
[^johannes-18-15-i]: Verwijzing i: Matt. 26:58. Mark. 14:54. Luk. 22:54.
[^johannes-18-15-20]: Kanttekening 20: Namelijk van ver, naar het huis van Kajafas. Matt. 26:58.
[^johannes-18-15-21]: Kanttekening 21: Sommigen menen dat deze discipel Johannes zelf geweest is. Maar dit is niet zeker.
[^johannes-18-15-22]: Kanttekening 22: Of, paleis.
[^johannes-18-16-23]: Kanttekening 23: Of, zei tot de deurwaarster: namelijk dat ze hem naar binnen zou willen laten.
[^johannes-18-17-24]: Kanttekening 24: Namelijk toen ze hem later bij het vuur zag staan. Luk. 22:56.
[^johannes-18-18-25]: Kanttekening 25: Deze schijnen de dienaren van het gerecht of van de Raad der Joden geweest te zijn.
[^johannes-18-18-26]: Kanttekening 26: Gr. koude.
[^johannes-18-18-k]: Verwijzing k: Matt. 26:67. Mark. 14:69. Luk. 22:55.
[^johannes-18-19-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: wie ze waren, hoe velen, en waartoe hij discipelen verzamelde; of het niet was om oproer en aanhang te maken.
[^johannes-18-19-28]: Kanttekening 28: Namelijk of die niet verschilde van de leer van Mozes of van de Farizeeën.
[^johannes-18-20-l]: Verwijzing l: Joh. 7:26.
[^johannes-18-20-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: tot de menigte van al het volk.
[^johannes-18-20-30]: Kanttekening 30: Anderen lezen: altijd, en sommigen: allen.
[^johannes-18-20-31]: Kanttekening 31: Namelijk zoals zij plachten te doen die oproer willen maken of het volk met valse leer verleiden.
[^johannes-18-22-m]: Verwijzing m: Jer. 20:2. Hand. 23:2.
[^johannes-18-22-32]: Kanttekening 32: Of, een slag met een stok of roede.
[^johannes-18-23-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: bewijs waarin ik verkeerd gesproken heb.
[^johannes-18-24-n]: Verwijzing n: Matt. 26:57. Mark. 14:53. Luk. 22:54.
[^johannes-18-24-34]: Kanttekening 34: Zie hiervoor vers 13.
[^johannes-18-25-o]: Verwijzing o: Matt. 26:71. Mark. 14:69. Luk. 22:58.
[^johannes-18-25-35]: Kanttekening 35: Namelijk die daar aanwezig waren; wat begonnen was door een dienstmaagd (vers 17) en daarna voortgezet werd door anderen.
[^johannes-18-27-p]: Verwijzing p: Joh. 13:38.
[^johannes-18-27-36]: Kanttekening 36: Namelijk voor de tweede maal, bij het aanbreken van de dageraad. Mark. 14:72.
[^johannes-18-28-q]: Verwijzing q: Matt. 27:1. Mark. 15:1. Luk. 22:66. en 23:1.
[^johannes-18-28-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: van het huis van Kajafas.
[^johannes-18-28-38]: Kanttekening 38: Gr. Praetorium, wat de woonplaats was van de stadhouder Pilatus, waar hij ook recht hield.
[^johannes-18-28-39]: Kanttekening 39: Of, morgenstond.
[^johannes-18-28-r]: Verwijzing r: Hand. 10:28. en 11:3.
[^johannes-18-28-40]: Kanttekening 40: Namelijk naar hun algemeen gevoelen. Hand. 10:28; 11:3.
[^johannes-18-28-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: het Paaslam, dat zij die avond zouden slachten en eten, en dat door onreinen niet gegeten mocht worden.
[^johannes-18-29-42]: Kanttekening 42: Namelijk buiten het rechthuis, om hen te gerieven.
[^johannes-18-31-43]: Kanttekening 43: Namelijk of om niet onrein te worden, of omdat de macht hun was ontnomen.
[^johannes-18-32-s]: Verwijzing s: Matt. 20:19. Joh. 12:33.
[^johannes-18-32-44]: Kanttekening 44: Namelijk Matt. 20:19 en elders, namelijk dat hij aan de heidenen overgeleverd zou worden en door hen gegeseld en gekruisigd.
[^johannes-18-33-t]: Verwijzing t: Matt. 27:11. Mark. 15:2. Luk. 23:3.
[^johannes-18-34-45]: Kanttekening 45: Namelijk om door mij nader onderricht te worden.
[^johannes-18-34-46]: Kanttekening 46: Namelijk om mij daarmee bij u te beschuldigen.
[^johannes-18-35-47]: Kanttekening 47: Namelijk dat ik, zoals de Joden, begerig zou zijn om te weten wat van de Koning of Messias is, die de Joden verwachten.
[^johannes-18-36-v]: Verwijzing v: Joh. 6:15. 1 Tim. 6:13.
[^johannes-18-36-48]: Kanttekening 48: Gr. uit; dat wil zeggen: ik ben wel de beloofde Koning van de Joden, maar dat strekt niet tot nadeel van de heerschappij van de Romeinse keizer.
[^johannes-18-36-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zoals de heerschappij van aardse koningen hier op aarde is.
[^johannes-18-37-50]: Kanttekening 50: Of, bent u dan niet een Koning? Of, zo bent u dan toch een Koning.
[^johannes-18-37-51]: Kanttekening 51: Over deze manier van spreken zie de aant. op Matt. 26:25.
[^johannes-18-37-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: vrijmoedig belijd en leer.
[^johannes-18-37-54]: Kanttekening 54: Namelijk graag en zo dat hij die aanneemt en gelooft.
[^johannes-18-37-53]: Kanttekening 53: Dat is, die door het woord der waarheid wedergeboren is en dienovereenkomstig de zaligmakende waarheid liefheeft.
[^johannes-18-38-55]: Kanttekening 55: Aldus spreekt hij, niet om door Christus onderwezen te worden, maar als iemand die de woorden van Christus met minachting verwerpt.
[^johannes-18-38-56]: Kanttekening 56: Namelijk buiten het rechthuis waar hij opnieuw naar binnen was gegaan om Christus te ondervragen.
[^johannes-18-38-x]: Verwijzing x: Matt. 27:24. Luk. 23:4.
[^johannes-18-38-57]: Kanttekening 57: Gr. zaak of oorzaak die hem des doods schuldig zou maken.
[^johannes-18-39-y]: Verwijzing y: Matt. 27:15. Mar. 15:6. Luk. 23:17.
[^johannes-18-40-z]: Verwijzing z: Hand. 3:14.
[^johannes-18-40-a]: Verwijzing a: Matt. 27:16. Mark. 15:7. Luk. 23:19.
[^johannes-18-40-58]: Kanttekening 58: Of, struikrover en opruier. Luk. 23:25.

### Johannes 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/19.json)

*1 Pilatus laat Christus geselen, en de krijgsknechten bespotten en mishandelen hem. 4 Wordt zo aan de Joden vertoond. 6 De overpriesters roepen: Kruisig hem, maar Pilatus verklaart hem onschuldig. 7 De Joden beroepen zich op hun wet. 8 Waarop Pilatus Jezus nader ondervraagt. 12 En probeert hem opnieuw los te laten, maar wordt door de Joden bedreigd met de ongenade van de keizer. 16 Waarom hij Christus overgeeft om gekruisigd te worden. 17 Christus draagt zijn kruis. 18 Wordt gekruisigd tussen twee misdadigers. 19 Het opschrift van het kruis. 23 De krijgsknechten verdelen zijn kleren. 25 Hij beveelt zijn moeder aan de discipel die hij liefhad. 28 Heeft dorst en wordt met azijn gedrenkt. 30 Geeft de geest. 31 De benen van de misdadigers worden gebroken. 34 En Christus' zijde doorsteken. 38 Wordt door Jozef van Arimathea en door Nicodemus, met toelating van Pilatus, begraven.*

**1** [^johannes-19-1-1] Toen[^johannes-19-1-a] nam Pilatus dan Jezus, en[^johannes-19-1-2] geselde Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v1)

**2** En de soldaten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen[^johannes-19-2-3] kleed om; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v2)

**3** En zeiden: Wees gegroet, U Koning van de Joden! En zij gaven Hem[^johannes-19-3-4] kinnebakslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v3)

**4** Pilatus dan kwam opnieuw[^johannes-19-4-5] uit, en zei tot hen: Zie, ik breng Hem tot u[^johannes-19-4-6] uit, opdat u weet, dat ik in Hem geen[^johannes-19-4-7] schuld vinde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v4)

**5** Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en[^johannes-19-5-8] het purperen kleed. En Pilatus zei tot hen:[^johannes-19-5-9] Zie, de Mens! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v5)

**6** Als Hem dan de overpriesters en de dienaren zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem; Pilatus zei tot hen: Neem u Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v6)

**7** De Joden antwoordden hem:[^johannes-19-7-b] Wij hebben[^johannes-19-7-10] een wet, en naar onze wet moet Hij sterven,[^johannes-19-7-c] want[^johannes-19-7-11] Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v7)

**8** Toen Pilatus dan dit woord hoorde,[^johannes-19-8-12] werd hij meer bevreesd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v8)

**9** En ging opnieuw in het rechthuis, en zei tot Jezus:[^johannes-19-9-13] Vanwaar bent U? Maar Jezus gaf hem[^johannes-19-9-14] geen antwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v9)

**10** Pilatus dan zei tot Hem: Spreekt U tot mij niet? Weet U niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v10)

**11** Jezus antwoordde: U zou geen macht hebben[^johannes-19-11-15] tegen Mij, als het u niet van[^johannes-19-11-16] boven gegeven was; daarom[^johannes-19-11-17] die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft[^johannes-19-11-18] groter zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v11)

**12** Van toen af[^johannes-19-12-19] zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Als u Deze loslaat,[^johannes-19-12-20] zo bent u niet de vriend van de keizer; ieder, die zichzelf koning maakt,[^johannes-19-12-21] wederspreekt de keizer.[^johannes-19-12-d] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v12)

**13** Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus[^johannes-19-13-22] uit, en zat neer op de rechterstoel, in de plaats, genoemd[^johannes-19-13-23] Lithostrotos, en in[^johannes-19-13-24] het[^johannes-19-13-25] Hebreeuws Gabbatha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v13)

**14** En het was de[^johannes-19-14-26] voorbereiding van het pascha, en ongeveer het zesde uur; en hij zei tot de Joden: Zie, uw Koning![^johannes-19-14-27] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v14)

**15** Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zei tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden:[^johannes-19-15-e] Wij hebben geen koning, dan de keizer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v15)

**16** [^johannes-19-16-f] Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En[^johannes-19-16-28] zij namen Jezus, en leidden Hem weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v16)

**17** [^johannes-19-17-g] En Hij,[^johannes-19-17-29] dragende Zijn kruis, ging[^johannes-19-17-30] uit naar de plaats, genoemd Hoofdschedelplaats, die[^johannes-19-17-31] in het Hebreeuws genoemd wordt Golgotha; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v17)

**18** Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem[^johannes-19-18-32] twee anderen,[^johannes-19-18-33] aan elke zijde een, en Jezus[^johannes-19-18-34] in het midden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v18)

**19** [^johannes-19-19-h] En Pilatus schreef ook een[^johannes-19-19-35] opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v19)

**20** Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks,[^johannes-19-20-36] en in het Latijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v20)

**21** De overpriesters dan van de Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v21)

**22** Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.[^johannes-19-22-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v22)

**23** [^johannes-19-23-i] De soldaten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke soldaat een deel) en de rok. De rok nu was[^johannes-19-23-38] zonder naad, van boven af[^johannes-19-23-39] geheel geweven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v23)

**24** Zij dan zeiden tot elkaar: Laat ons die niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal;[^johannes-19-24-40] opdat de Schrift vervuld wordt, die zegt:[^johannes-19-24-k] Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v24)

**25** [^johannes-19-25-l] En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en van Zijn moeders zus, Maria,[^johannes-19-25-41] de[^johannes-19-25-42] vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v25)

**26** Jezus nu, ziende Zijn moeder, en de discipel,[^johannes-19-26-43] die Hij liefhad, daarbij staande, zei tot Zijn moeder: Vrouw, zie,[^johannes-19-26-44] uw zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v26)

**27** Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw[^johannes-19-27-45] moeder. En van dat uur af aan nam haar de discipel[^johannes-19-27-46] in zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v27)

**28** Hierna Jezus, wetende, dat nu alles[^johannes-19-28-47] volbracht was,[^johannes-19-28-m] opdat de Schrift zou vervuld worden, zei: Mij dorst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v28)

**29** [^johannes-19-29-n] Daar[^johannes-19-29-48] stond dan een kruik vol azijn, en zij vulden een spons met azijn, en[^johannes-19-29-49] omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v29)

**30** Toen Jezus dan de azijn genomen had, zei Hij:[^johannes-19-30-o] Het is[^johannes-19-30-50] volbracht! En het hoofd buigende,[^johannes-19-30-51] gaf de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v30)

**31** De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, omdat het de voorbereiding was (want[^johannes-19-31-52] die dag van de sabbat was groot), baden Pilatus, dat[^johannes-19-31-53] hun benen zouden gebroken, en zij[^johannes-19-31-54] weggenomen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v31)

**32** De soldaten dan kwamen, en braken wel de benen van de eerste, en van de andere, die met Hem gekruist was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v32)

**33** Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v33)

**34** Maar één van de[^johannes-19-34-55] soldaten doorstak Zijn zijde met een speer, en meteen[^johannes-19-34-p] kwam er bloed en[^johannes-19-34-56] water uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v34)

**35** En[^johannes-19-35-57] die het gezien heeft, die heeft het[^johannes-19-35-58] getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij[^johannes-19-35-59] zegt, wat waar is, opdat ook u[^johannes-19-35-60] geloven mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v35)

**36** Want deze dingen zijn gebeurd,[^johannes-19-36-q] opdat de Schrift vervuld wordt:[^johannes-19-36-61] Geen been van Hem zal verbroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v36)

**37** En opnieuw zegt[^johannes-19-37-62] een andere Schrift:[^johannes-19-37-r] Zij zullen zien, in[^johannes-19-37-63] Wie zij gestoken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v37)

**38** [^johannes-19-38-s] En daarna[^johannes-19-38-64] Jozef van[^johannes-19-38-65] Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt[^johannes-19-38-t] om de[^johannes-19-38-66] vrees voor de Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus[^johannes-19-38-67] liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v38)

**39** En[^johannes-19-39-v] Nicodemus kwam ook (die in de nacht tot Jezus[^johannes-19-39-68] eerst gekomen was), en brachten een mengsel van mirre en aloë; ongeveer honderd ponden gewichts. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v39)

**40** Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken[^johannes-19-40-69] met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte hebben van[^johannes-19-40-70] begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v40)

**41** En er was[^johannes-19-41-71] in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in de hof een nieuw graf, in dat nog nooit iemand gelegd was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v41)

**42** Daar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding van de Joden, omdat het graf nabij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/19.html#v42)

[^johannes-19-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk toen hij zag dat hij, door de eerder gebruikte middelen, Jezus niet in leven kon houden.
[^johannes-19-1-a]: Verwijzing a: Matt. 27:26. Mark. 15:15.
[^johannes-19-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: deed hem geselen. Zie de aant. op Matt. 27:26.
[^johannes-19-2-3]: Kanttekening 3: Of, mantel, om met zijn koninklijk ambt te spotten. Zie Matt. 27:28.
[^johannes-19-3-4]: Kanttekening 4: Of, slagen met stokken of roeden, zoals Matteüs uitdrukt dat ook geschied is. Matt. 27:30.
[^johannes-19-4-5]: Kanttekening 5: Gr. naar buiten. Zoals ook in het vervolg.
[^johannes-19-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk het rechthuis.
[^johannes-19-4-7]: Kanttekening 7: Of, oorzaak, namelijk des doods.
[^johannes-19-5-8]: Kanttekening 8: Zie hierover de aantekening op Matt. 27:28.
[^johannes-19-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk hoe jammerlijk hij mishandeld is; laat u daarmee genoegen, zonder verdere straf over hem te verlangen.
[^johannes-19-7-b]: Verwijzing b: Lev. 24:16.
[^johannes-19-7-10]: Kanttekening 10: Zij doelen op de wet Lev. 24:16, die zij ten onrechte op Christus toepassen.
[^johannes-19-7-c]: Verwijzing c: Joh. 5:18. en 10:33.
[^johannes-19-7-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: hij heeft gezegd dat hij de Messias en de eigen Zoon van God is. Matt. 26:63, 64; Mark. 14:61, 62; Joh. 5:18.
[^johannes-19-8-12]: Kanttekening 12: Namelijk omdat hij nu te doen had niet alleen met een onschuldige mens, maar ook met iemand van goddelijke afkomst.
[^johannes-19-9-13]: Kanttekening 13: Namelijk afkomstig, omdat u zichzelf Gods Zoon maakt.
[^johannes-19-9-14]: Kanttekening 14: Over dit en dergelijk zwijgen geeft Christus reden in Luk. 22:67, 68.
[^johannes-19-11-15]: Kanttekening 15: Namelijk om mij, die de Zoon van God ben, te kruisigen.
[^johannes-19-11-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: van God verordend en u toegelaten. Hand. 2:23; 4:27, 28.
[^johannes-19-11-17]: Kanttekening 17: Namelijk het Joodse volk of de overheid van de Joden.
[^johannes-19-11-18]: Kanttekening 18: Omdat zij meer kennis hebbende van Gods woord en van mijn wonderen, mij uit vijandige haat bij u aandrongen.
[^johannes-19-12-19]: Kanttekening 19: Namelijk meer en meer.
[^johannes-19-12-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: u zult daarmee tonen dat u de vriend van de keizer niet bent.
[^johannes-19-12-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: stelt zich op tegen de hoogheid en majesteit van de keizer.
[^johannes-19-12-d]: Verwijzing d: Hand. 17. vers 7.
[^johannes-19-13-22]: Kanttekening 22: Gr. naar buiten.
[^johannes-19-13-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: een plek met stenen geplaveid.
[^johannes-19-13-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: Syrisch, de taal die de Joden toen meest gebruikten.
[^johannes-19-13-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: een hoge en verheven plek, van waaraf de Romeinse stadhouders recht spraken en het volk aanspraken.
[^johannes-19-14-26]: Kanttekening 26: Namelijk volgens het gebruik der Joden; want anders was het naar Gods instelling diezelfde dag, waarop het Paaslam geslacht en gegeten werd.
[^johannes-19-14-27]: Kanttekening 27: Marcus zegt (15:25) dat het het derde uur was toen Christus gekruisigd werd, en Johannes zegt hier dat het omstreeks het zesde uur was.
[^johannes-19-15-e]: Verwijzing e: Gen. 49:10.
[^johannes-19-16-f]: Verwijzing f: Mat. 27:26. Mark. 15:15. Luk. 23:24, 25.
[^johannes-19-16-28]: Kanttekening 28: Namelijk de Joden door de Romeinse soldaten, nadat deze hem nogmaals bespot hadden.
[^johannes-19-17-g]: Verwijzing g: Matt. 27:31, 33. Mark. 15:22. Luk. 23:26, 33.
[^johannes-19-17-29]: Kanttekening 29: De reden hiervan zie op de aant. Matt. 27:32.
[^johannes-19-17-30]: Kanttekening 30: Namelijk buiten de stad.
[^johannes-19-17-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: in het Syrisch, dat de Joden toen gebruikten.
[^johannes-19-18-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: moordenaars en kwaaddoeners. Matt. 27:38; Mark. 15:27; Luk. 23:33.
[^johannes-19-18-33]: Kanttekening 33: Gr. van hier en van hier; dat wil zeggen: van de ene en de andere zijde.
[^johannes-19-18-34]: Kanttekening 34: Gr. de middelste: namelijk alsof hij de grootste misdadiger was.
[^johannes-19-19-h]: Verwijzing h: Matt. 27:37. Mark. 15:26. Luk. 23:38.
[^johannes-19-19-35]: Kanttekening 35: Het Griekse woord titlos (τίτλον) betekent ook een tafeltje of bordje waarop men schrijft, maar hier wordt het genomen voor een opschrift.
[^johannes-19-20-36]: Kanttekening 36: Gr. in het Romeins. In deze drie talen is het opschrift gesteld, omdat die de bekendste en meest gangbare waren in het Romeinse rijk.
[^johannes-19-22-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: dat blijft geschreven; ik zal het niet veranderen.
[^johannes-19-23-i]: Verwijzing i: Mat. 27:35. Mar. 15:24. Luk. 23:34.
[^johannes-19-23-38]: Kanttekening 38: Namelijk geweven of gebreid.
[^johannes-19-23-39]: Kanttekening 39: Gr. door het geheel; dat wil zeggen: geheel door.
[^johannes-19-24-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: zodat daarmee de Schrift vervuld is.
[^johannes-19-24-k]: Verwijzing k: Ps. 22:19.
[^johannes-19-25-l]: Verwijzing l: Mat. 27:55. Mark. 15:40. Luk. 23:49.
[^johannes-19-25-41]: Kanttekening 41: Die anders ook Kleofas wordt genoemd. Luk. 24:18.
[^johannes-19-25-42]: Kanttekening 42: Of, dochter; want dat haar man Alfeüs was blijkt uit Matt. 10:3 vergeleken met Matt. 27:56.
[^johannes-19-26-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: Johannes, die zichzelf zo placht te beschrijven, zoals blijkt uit Joh. 13:23 vergeleken met Joh. 21:20, 24.
[^johannes-19-26-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: deze zal voor u zijn als een zoon, om voor u te zorgen en u bij te staan.
[^johannes-19-27-45]: Kanttekening 45: Dat is, draag voor haar zorg als voor uw moeder.
[^johannes-19-27-46]: Kanttekening 46: Gr. in het zijne, of, bij zich thuis.
[^johannes-19-28-47]: Kanttekening 47: Namelijk tot zover wat van mij voorzegd is.
[^johannes-19-28-m]: Verwijzing m: Ps. 69:22.
[^johannes-19-29-n]: Verwijzing n: Matt. 27:48.
[^johannes-19-29-48]: Kanttekening 48: Gr. lag.
[^johannes-19-29-49]: Kanttekening 49: Of, legden die, namelijk de spons, om een hysopsteel, die sommigen menen dat een rozemarijnstok was.
[^johannes-19-30-o]: Verwijzing o: Joh. 17:4.
[^johannes-19-30-50]: Kanttekening 50: Namelijk alles wat ik om de mensen met God te verzoenen moest lijden, en wat door de profeten daarvan tevoren was gezegd.
[^johannes-19-30-51]: Kanttekening 51: Gr. gaf de geest over. Namelijk in handen van zijn Vader. Luk. 23:46; Joh. 10:18.
[^johannes-19-31-52]: Kanttekening 52: Anders: want de dag van die Sabbat was een grote dag — namelijk omdat het tegelijk Sabbat en de eerste Paasdag was.
[^johannes-19-31-53]: Kanttekening 53: Namelijk van de drie gekruisigden; wat een gebruik schijnt te zijn geweest om de dood van de misdadigers te bespoedigen.
[^johannes-19-31-54]: Kanttekening 54: Namelijk voor de avond, naar de wet. Deut. 21:22.
[^johannes-19-34-55]: Kanttekening 55: Namelijk hetzij uit baldadigheid, hetzij om te zien of hij werkelijk dood was.
[^johannes-19-34-p]: Verwijzing p: Joh. 5:6.
[^johannes-19-34-56]: Kanttekening 56: Dit is een teken dat hij het hart heeft doorgestoken, dat ligt in een vlies waar waterachtige vochtigheid in besloten is.
[^johannes-19-35-57]: Kanttekening 57: Namelijk Johannes zelf. Zie vers 27.
[^johannes-19-35-58]: Kanttekening 58: Namelijk dat bloed en water uit zijn zijde gevloeid zijn.
[^johannes-19-35-59]: Kanttekening 59: Gr. waarachtige zaken.
[^johannes-19-35-60]: Kanttekening 60: Namelijk dat in Christus vervuld is wat in het Oude Testament werd afgebeeld door de reiniging met water en de bloedstorting.
[^johannes-19-36-q]: Verwijzing q: Ex. 12:46. Num. 9:12.
[^johannes-19-36-61]: Kanttekening 61: Dit wordt van het Paaslam gezegd in Ex. 12:46, maar hier in Christus vervuld, omdat het Paaslam een voorafbeelding van hem was.
[^johannes-19-37-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: een andere plaats van de Heilige Schrift, namelijk Zach. 12:10.
[^johannes-19-37-r]: Verwijzing r: Zach. 12:10.
[^johannes-19-37-63]: Kanttekening 63: Of, op hem, die zij doorgestoken hebben; wat ten dele vervuld is in sommige Joden die Christus tot de dood brachten.
[^johannes-19-38-s]: Verwijzing s: Matt. 27:57. Mark. 15:42. Luk. 23:50.
[^johannes-19-38-64]: Kanttekening 64: Zie over hem Matt. 27:57; Mark. 15:43; Luk. 23:50, 51.
[^johannes-19-38-65]: Kanttekening 65: Deze stad schijnt anders Rama te worden genoemd, de geboorteplaats van de profeet Samuël. 1 Sam. 1:1.
[^johannes-19-38-t]: Verwijzing t: Joh. 12:42.
[^johannes-19-38-66]: Kanttekening 66: Namelijk dat ze hem uit hun synagoge zouden werpen, overeenkomstig hun besluit. Joh. 9:22.
[^johannes-19-38-67]: Kanttekening 67: Namelijk nadat hij van de hoofdman had vernomen dat Christus al gestorven was. Mark. 15:44.
[^johannes-19-39-v]: Verwijzing v: Joh. 3:1. en 7:50.
[^johannes-19-39-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: voor de eerste keer, of eerder. Joh. 3:1.
[^johannes-19-40-69]: Kanttekening 69: Namelijk zo bij elkaar gebonden, want zij hadden geen tijd om het daarmee te zalven, omdat de Sabbat spoedig daarna aanbrak.
[^johannes-19-40-70]: Kanttekening 70: Namelijk van aanzienlijke en voorname mensen. Zie Gen. 50:2.
[^johannes-19-41-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: vlakbij die plek.

### Johannes 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/20.json)

*1 Maria Magdalena gaat naar het graf, dat zij leeg vindt, en bericht dit aan Petrus en Johannes. 3 Die beiden naar het graf lopen en het zo bevin den. 11 Maria ziet in het graf twee engelen. 14 Christus verschijnt aan haar zelf, op wiens bevel zij de discipelen zijn opstanding bericht. 19 Bij wie ook Christus zelf 's avonds verschijnt. 21 En hun de Heilige Geest geeft en de macht om de zonden te vergeven en te houden. 24 Thomas, die er niet bij geweest was, wil niet geloven. 26 Totdat hij acht dagen daarna Christus zelf ziet en belijdt. 30 Johannes verklaart waarom, uit vele andere tekenen, deze beschreven zijn.*

**1** [^johannes-20-1-a] En[^johannes-20-1-1] op de eerste dag van de week[^johannes-20-1-2] ging Maria Magdalena[^johannes-20-1-3] vroeg, als het nog donker was, naar het graf; en zag[^johannes-20-1-4] de steen van het graf weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v1)

**2** Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot de andere discipel, wie Jezus liefhad, en zei tot hen: Zij hebben de Heere[^johannes-20-2-5] weggenomen uit het graf, en[^johannes-20-2-6] wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben.[^johannes-20-2-b] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v2)

**3** [^johannes-20-3-c] Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v3)

**4** En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit,[^johannes-20-4-7] sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v4)

**5** En als hij boog neer, zag hij[^johannes-20-5-d] de[^johannes-20-5-8] doeken liggen; toch ging hij er niet in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v5)

**6** Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v6)

**7** En[^johannes-20-7-e] de zweetdoek, die op Zijn[^johannes-20-7-9] hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v7)

**8** Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en[^johannes-20-8-10] geloofde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v8)

**9** Want zij[^johannes-20-9-11] wisten nog[^johannes-20-9-f] de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v9)

**10** De discipelen dan gingen opnieuw[^johannes-20-10-12] naar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v10)

**11** [^johannes-20-11-g] En[^johannes-20-11-13] Maria stond buiten bij het graf, huilend. Als zij dan huilde, bukte zij in het graf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v11)

**12** En zag[^johannes-20-12-14] twee engelen in witte kleren zitten, één aan[^johannes-20-12-15] het hoofd, en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v12)

**13** En[^johannes-20-13-16] die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent u? Zij zei tot[^johannes-20-13-17] hen: Omdat zij[^johannes-20-13-18] mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v13)

**14** [^johannes-20-14-h] En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achteruit, en zag Jezus staan, en zij[^johannes-20-14-19] wist niet, dat het Jezus was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v14)

**15** Jezus zei tot haar: Vrouw, wat weent u? Wie zoekt u? Zij, menende, dat het de hovenier was, zei tot Hem: Heere, zo u Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar u Hem gelegd hebt, en ik zal Hem[^johannes-20-15-20] wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v15)

**16** Jezus zei tot haar: Maria! Zij, zich[^johannes-20-16-21] omkerende, zei tot Hem:[^johannes-20-16-22] Rabbouni, dat is gezegd, Meester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v16)

**17** Jezus zei tot haar:[^johannes-20-17-23] Raak Mij niet aan,[^johannes-20-17-24] want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen[^johannes-20-17-i] tot Mijn[^johannes-20-17-25] broeders, en zeg hun:[^johannes-20-17-26][^johannes-20-17-k] Ik vare op tot[^johannes-20-17-27] Mijn Vader en[^johannes-20-17-28] uw Vader, en[^johannes-20-17-29] tot Mijn God en[^johannes-20-17-30] uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v17)

**18** [^johannes-20-18-l] Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v18)

**19** [^johannes-20-19-m] Als het dan avond was,[^johannes-20-19-31] op deze eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen verzameld waren om de vrees voor de Joden,[^johannes-20-19-33] kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen:[^johannes-20-19-34] Vrede zij u![^johannes-20-19-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v19)

**20** En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn[^johannes-20-20-35] handen en Zijn zijde.[^johannes-20-20-n] De discipelen dan werden verblijd, als zij de Heere zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v20)

**21** Jezus dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u,[^johannes-20-21-o] zoals Mij de Vader gezonden heeft,[^johannes-20-21-36] zend Ik ook u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v21)

**22** En als Hij dit gezegd had,[^johannes-20-22-37] blies Hij op hen, en zei tot hen: Ontvang de Heilige Geest.[^johannes-20-22-38] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v22)

**23** [^johannes-20-23-p] Zo u iemands zonden[^johannes-20-23-39] vergeeft, die worden[^johannes-20-23-40] zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v23)

**24** En Thomas, één van de twaalven, gezegd[^johannes-20-24-41] Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v24)

**25** De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heere gezien. Maar hij zei tot hen: Als ik[^johannes-20-25-42] in Zijn handen niet zie[^johannes-20-25-43] het teken van de nagelen, en mijn vinger steke in het teken van de nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal[^johannes-20-25-44] in geen geval geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v25)

**26** En na[^johannes-20-26-45] acht dagen waren Zijn discipelen opnieuw[^johannes-20-26-46] binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zei: Vrede zij u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v26)

**27** Daarna zei Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen,[^johannes-20-27-q] en breng uw hand, en[^johannes-20-27-47] steek ze in Mijn zijde; en bent niet ongelovig, maar gelovig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v27)

**28** En Thomas antwoordde en zei[^johannes-20-28-48] tot Hem: Mijn Heere en mijn God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v28)

**29** Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd;[^johannes-20-29-49][^johannes-20-29-r] zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en toch zullen geloofd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v29)

**30** Jezus dan heeft nog wel[^johannes-20-30-s] vele andere tekenen in de aanwezigheid Zijn discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in[^johannes-20-30-50] dit boek; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v30)

**31** Maar deze zijn geschreven, opdat u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat u, gelovende,[^johannes-20-31-51] het leven hebt[^johannes-20-31-52] in Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/20.html#v31)

[^johannes-20-1-a]: Verwijzing a: Matt. 28:1. Mark. 16:1. Luk. 24:1.
[^johannes-20-1-1]: Kanttekening 1: Gr. op één van de Sabbatten (σαββάτων). Zie Matt. 28:1; Mark. 16:2, 9 en hierna vers 19.
[^johannes-20-1-2]: Kanttekening 2: En nog enkele andere vrouwen met haar (Matt. 28:1; Luk. 24:1, 10), maar het schijnt dat Maria Magdalena vooruit was gegaan.
[^johannes-20-1-3]: Kanttekening 3: Zie de aantekening op Mark. 16:2.
[^johannes-20-1-4]: Kanttekening 4: Wat door de engel voor haar komst gedaan was. Matt. 28:2.
[^johannes-20-2-5]: Kanttekening 5: Dit zegt zij, omdat zij nog niet door de engel was ingelicht over Christus' opstanding.
[^johannes-20-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: ik en de andere vrouwen die mij gevolgd zijn.
[^johannes-20-2-b]: Verwijzing b: Joh. 13:23. en 21:7, 20.
[^johannes-20-3-c]: Verwijzing c: Luk. 24:1, 2.
[^johannes-20-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk omdat hij jonger was dan Petrus.
[^johannes-20-5-d]: Verwijzing d: Joh. 19:40.
[^johannes-20-5-8]: Kanttekening 8: Gr. linnen doeken. Namelijk waarin het dode lichaam van Christus gewikkeld was geweest; wat een teken was dat zijn lichaam niet gestolen was.
[^johannes-20-7-e]: Verwijzing e: Joh. 11:44.
[^johannes-20-7-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: waarin zijn hoofd gebonden was geweest. Zie Joh. 11:44.
[^johannes-20-8-10]: Kanttekening 10: Namelijk dat het lichaam van Christus weggenomen was, zoals de vrouwen gezegd hadden (vers 2), zoals het volgende vers aangeeft.
[^johannes-20-9-11]: Kanttekening 11: Of, verstonden.
[^johannes-20-9-f]: Verwijzing f: Ps. 16:10. Hand. 2:25, 31. en 13:35.
[^johannes-20-10-12]: Kanttekening 12: Gr. tot zichzelf; dat wil zeggen: naar de hunnen, namelijk naar de plek waar de discipelen vergaderd waren, zoals blijkt uit vers 19.
[^johannes-20-11-g]: Verwijzing g: Matt. 28:2. Mark. 16:5. Luk. 24:4.
[^johannes-20-11-13]: Kanttekening 13: Namelijk naar het graf teruggekeerd zijnde met de andere vrouwen, aan wie allen tezamen de verschijning van de engelen was getoond.
[^johannes-20-12-14]: Kanttekening 14: Matteüs en Marcus spreken maar van één, omdat één het woord heeft gevoerd.
[^johannes-20-12-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: het hoofdeinde, waar het hoofd gelegen had.
[^johannes-20-13-16]: Kanttekening 16: Namelijk de engelen, nadat zij de boodschap van de opstanding aan alle vrouwen hadden gedaan en de andere vrouwen heen waren gegaan.
[^johannes-20-13-17]: Kanttekening 17: Namelijk de engelen.
[^johannes-20-13-18]: Kanttekening 18: Dat is, het dode lichaam van mijn Heer. Zie Ps. 16:10.
[^johannes-20-14-h]: Verwijzing h: Matt. 28:9. Mark. 16:9.
[^johannes-20-14-19]: Kanttekening 19: Namelijk omdat haar ogen werden gehouden, zoals ook de discipelen op weg naar Emmaüs overkwam. Luk. 24:16.
[^johannes-20-15-20]: Kanttekening 20: Namelijk om te zalven en elders te begraven, zodat u er geen last van hebt.
[^johannes-20-16-21]: Kanttekening 21: Namelijk doordat zij zijn stem herkende.
[^johannes-20-16-22]: Kanttekening 22: Dit is hetzelfde woord als Rabbi (Joh. 1:39, 50) en als Rabboni (Mark. 10:51).
[^johannes-20-17-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: houd uzelf en mij niet op met het aanraken en vasthouden van mijn voeten.
[^johannes-20-17-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: ik zal nog niet zo snel opvaren en van u vertrekken; u zult nog genoeg tijd hebben om mij te zien.
[^johannes-20-17-i]: Verwijzing i: Ps. 22:23. Matt. 2:10. Hebr. 2:11.
[^johannes-20-17-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: discipelen. De reden waarom hij hen zo noemt zie in de aantekening op Matt. 28:10.
[^johannes-20-17-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: ik zal spoedig opvaren, namelijk nadat ik hen van alles eerst zal hebben ingelicht.
[^johannes-20-17-k]: Verwijzing k: Joh. 16:28.
[^johannes-20-17-27]: Kanttekening 27: Namelijk van nature. Joh. 1:18.
[^johannes-20-17-28]: Kanttekening 28: Namelijk door de genade van de aanneming tot kinderen. Joh. 1:12.
[^johannes-20-17-29]: Kanttekening 29: Namelijk omdat ik als Middelaar de menselijke natuur om uwentwil heb aangenomen. Hebr. 1:9.
[^johannes-20-17-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: die u niet alleen geschapen, maar bovendien ook tot zijn eigendom heeft aangenomen. Hebr. 8:10.
[^johannes-20-18-l]: Verwijzing l: Matt. 28:8. Mark. 16:10. Luk. 24:9.
[^johannes-20-19-m]: Verwijzing m: Mark. 16:14. Luk. 24:36. 1 Kor. 15:5.
[^johannes-20-19-31]: Kanttekening 31: Hier volgt Johannes de telling van de dagen naar de wijze van de Romeinen.
[^johannes-20-19-33]: Kanttekening 33: Hoe Christus daar binnengekomen is, wordt niet uitgedrukt en is niet nodig te onderzoeken.
[^johannes-20-19-34]: Kanttekening 34: Dit was de gebruikelijke manier van groeten onder de Joden, waarmee zij elkaar alle geluk en zaligheid toewensten.
[^johannes-20-19-32]: Kanttekening 32: Gr. der Sabbatten (σαββάτων). Zie hierboven vers 1.
[^johannes-20-20-35]: Kanttekening 35: Namelijk met de littekens van de wonden die daarin waren.
[^johannes-20-20-n]: Verwijzing n: Joh. 16:22.
[^johannes-20-21-o]: Verwijzing o: Jes. 61:1. Matt. 28:19. Mark. 16:15. Luk. 4:18. Joh. 17:18.
[^johannes-20-21-36]: Kanttekening 36: Namelijk om het Evangelie te prediken. Zie Matt. 28:19; Mark. 16:15; Joh. 17:18.
[^johannes-20-22-37]: Kanttekening 37: Namelijk om met dit uiterlijk teken de werking van de Heilige Geest af te beelden. Zie Joh. 3:8; Hand. 2:2.
[^johannes-20-22-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: de gaven van de Heilige Geest, die u nodig zijn tot versterking van uw geloof, tot de volheid ervan die u nog nadien zal worden gegeven.
[^johannes-20-23-p]: Verwijzing p: Matt. 16:19. en 18:18.
[^johannes-20-23-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: naar mijn woord en bevel als mijn dienaren verkondigt dat zijn zonden door God vergeven of gehouden zijn.
[^johannes-20-23-40]: Kanttekening 40: Namelijk in de hemel, door God. Matt. 16:19; 18:18. Want God alleen heeft de macht om eigenlijk de zonden te vergeven.
[^johannes-20-24-41]: Kanttekening 41: Zie Joh. 11:16.
[^johannes-20-25-42]: Kanttekening 42: Zoals Christus eerder de andere discipelen had aangespoord te doen. Luk. 24:39.
[^johannes-20-25-43]: Kanttekening 43: Namelijk door de nagelen ingedrukt, wat het Griekse woord ook meebrengt.
[^johannes-20-25-44]: Kanttekening 44: Namelijk dat hij zelf werkelijk uit de doden is opgestaan.
[^johannes-20-26-45]: Kanttekening 45: Wat de tweede zondag na zijn opstanding schijnt te zijn, nadat het gehele Paasfeest geëindigd was.
[^johannes-20-26-46]: Kanttekening 46: Namelijk in hetzelfde huis binnen Jeruzalem. Luk. 24:33.
[^johannes-20-27-q]: Verwijzing q: 1 Joh. 1:1.
[^johannes-20-27-47]: Kanttekening 47: Gr. werp die.
[^johannes-20-28-48]: Kanttekening 48: Zo spreekt hij dan de volgende woorden tot Christus en over Christus, hem erkennende als zijn Heer en als zijn God.
[^johannes-20-29-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zij zijn zeker evenzeer zalig, want zij geloven door het woord zonder gezien te hebben, wat met de aard van het geloof beter overeenkomt.
[^johannes-20-29-r]: Verwijzing r: 1 Petr. 1:8.
[^johannes-20-30-s]: Verwijzing s: Joh. 21:25.
[^johannes-20-30-50]: Kanttekening 50: Namelijk dit mijn Evangelie, waarvan sommige ook bij de andere evangelisten beschreven zijn.
[^johannes-20-31-51]: Kanttekening 51: Namelijk het eeuwige leven, dat hier begint en daarna in de hemel volkomen zal zijn.
[^johannes-20-31-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: door hem en om zijn verdiensten.

### Johannes 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/johannes/21.json)

*Christus openbaart zich opnieuw aan enkele discipelen terwijl zij visten. 6 Zegent hen met een zeer grote visvangst, waardoor zij hem herkennen. 7 Petrus werpt zich in de zee om bij hem te komen, en de andere discipelen volgen hem met het schip. 9 Christus eet de maaltijd met hen. 15 En vraagt Petrus drie keer of hij hem liefheeft, en beveelt hem zijn schapen te weiden. 18 Voorzegt hem met welke dood hij God verheerlijken zou. 20 Bestraft zijn vraag aangaande Johannes. 24 Johannes besluit zijn Evangelische geschiedenis.*

**1** Na deze openbaarde Jezus Zichzelf opnieuw de discipelen aan de[^johannes-21-1-1] zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich zo: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v1)

**2** Er waren samen Simon Petrus, en Thomas,[^johannes-21-2-2] gezegd Didymus,[^johannes-21-2-a] en[^johannes-21-2-3] Nathanaël, die van Kana in Galilea was,[^johannes-21-2-b] en[^johannes-21-2-4] de zonen van Zebedeüs, en twee anderen[^johannes-21-2-5] van Zijn discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v2)

**3** Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en[^johannes-21-3-6] traden meteen in het schip; en in die nacht vingen zij niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v3)

**4** En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op de oever; maar de discipelen wisten[^johannes-21-4-7] niet, dat het Jezus was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v4)

**5** Jezus dan zei tot hen: Kinderen, hebt u niet enige[^johannes-21-5-8] toespijs? Zij antwoordden Hem: Nee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v5)

**6** En Hij zei tot hen:[^johannes-21-6-c] Werpt het net[^johannes-21-6-9] aan de rechterzijde van het schip, en u zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v6)

**7** De discipel dan,[^johannes-21-7-d] wie[^johannes-21-7-10] Jezus liefhad, zei tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde[^johannes-21-7-11] het opperkleed (want hij was[^johannes-21-7-12] naakt), en wierp zichzelf in de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v7)

**8** En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar ongeveer tweehonderd ellen),[^johannes-21-8-14] slepende het net met de vissen.[^johannes-21-8-33_13_] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v8)

**9** Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en[^johannes-21-9-15] vis daarop liggen, en brood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v9)

**10** [^johannes-21-10-e] Jezus zei tot hen: Breng van de vissen, die u nu gevangen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v10)

**11** Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren,[^johannes-21-11-16] zo scheurde het net niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v11)

**12** Jezus zei tot hen: Kom herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen[^johannes-21-12-17] durfde Hem vragen: Wie bent U? wetende, dat het de Heere was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v12)

**13** Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en de vis evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v13)

**14** Dit was nu de derde maal, dat Jezus[^johannes-21-14-18] Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v14)

**15** Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon,[^johannes-21-15-19] zoon van[^johannes-21-15-20] Jonas, hebt u Mij liever[^johannes-21-15-21] dan deze?[^johannes-21-15-22] Hij zei tot Hem: Ja, Heere! U weet, dat ik U liefheb.[^johannes-21-15-23] Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v15)

**16** Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heere, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v16)

**17** Hij zei tot hem[^johannes-21-17-24] ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd[^johannes-21-17-25] bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zei: Heb u Mij lief, en zei tot Hem:[^johannes-21-17-f] Heere! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem:[^johannes-21-17-26] Weid Mijn schapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v17)

**18** [^johannes-21-18-g] Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was,[^johannes-21-18-27] gordde u uzelf, en wandelde, alwaar u wilde; maar wanneer u zult oud geworden zijn, zo zult u uw handen[^johannes-21-18-28] uitstrekken, en[^johannes-21-18-29] een ander zal u[^johannes-21-18-30] gorden, en brengen, waar u[^johannes-21-18-31] niet wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v18)

**19** [^johannes-21-19-h] En dit zei Hij, betekenende, met wat voor dood hij[^johannes-21-19-32] God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zei Hij tot hem: Volg Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v19)

**20** En Petrus, zich omkerende, zag[^johannes-21-20-i] de discipel volgen,[^johannes-21-20-33] wie Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die U[^johannes-21-20-34] verraden zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v20)

**21** Als Petrus deze zag, zei hij tot Jezus: Heere, maar wat[^johannes-21-21-35] zal deze? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v21)

**22** Jezus zei tot hem: Als Ik wil, dat hij[^johannes-21-22-36] blijft, totdat Ik komt, wat gaat het u aan? Volg u Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v22)

**23** Dit woord dan ging uit onder de broeders, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Als Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik komt, wat gaat het u aan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v23)

**24** Deze is[^johannes-21-24-37] de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en[^johannes-21-24-38] wij weten, dat zijn getuigenis[^johannes-21-24-k] waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v24)

**25** [^johannes-21-25-l] En er zijn nog vele[^johannes-21-25-39] andere dingen, die Jezus gedaan heeft, die, zo zij[^johannes-21-25-40] elk bijzonder geschreven werden, ik acht,[^johannes-21-25-41] dat ook de de wereld zelf de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/johannes/21.html#v25)

[^johannes-21-1-1]: Kanttekening 1: Over deze Zee of dit Meer zie de aant. op Matt. 4:18, waar het de Zee van Galilea wordt genoemd; daarheen had Christus zijn discipelen bevolen voor hem heen te gaan na zijn opstanding. Matt. 28:10.
[^johannes-21-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk in de Griekse taal. Zie Joh. 11:16.
[^johannes-21-2-a]: Verwijzing a: Joh. 1:46.
[^johannes-21-2-3]: Kanttekening 3: Een vermaard discipel van Christus, één van de eersten. Joh. 1:46 etc.
[^johannes-21-2-b]: Verwijzing b: Matt. 4:21. Mark. 1:19.
[^johannes-21-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk Jakobus en Johannes. Matt. 10:2.
[^johannes-21-2-5]: Kanttekening 5: Gr. uit.
[^johannes-21-3-6]: Kanttekening 6: Gr. klommen op.
[^johannes-21-4-7]: Kanttekening 7: Het schijnt dat hun ogen voor een tijd werden gehouden, zoals Luk. 24:16; want zij waren niet ver van de oever.
[^johannes-21-5-8]: Kanttekening 8: Daarmee wordt bedoeld al wat bij brood gegeten wordt, en voornamelijk vis.
[^johannes-21-6-c]: Verwijzing c: Luk. 5:4, 6, 7.
[^johannes-21-6-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: aan het stuurboord van het schip. Want dat is aan de rechterhand van degene die aan het roer staat.
[^johannes-21-7-d]: Verwijzing d: Joh. 13:23. en 20:2.
[^johannes-21-7-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: Johannes. Zie versen 20, 24.
[^johannes-21-7-11]: Kanttekening 11: Gr. ependytes (ἐπενδύτην), wat een kleed betekent dat men boven de andere aantrekt. Sommigen menen dat dit een linnen bovenkleed was.
[^johannes-21-7-12]: Kanttekening 12: Namelijk voordat hij het aantrok; niet helemaal, want hij had ongetwijfeld iets aan om zijn schaamte te bedekken.
[^johannes-21-8-14]: Kanttekening 14: Namelijk naar het land, want het was te zwaar om in het schip op te trekken.
[^johannes-21-8-33_13_]: Kanttekening 33\[13\]: Gr. cubiten, dat is, omtrent zestig schreden, elke schrede van vijf voeten. Zie Matt. 6:27.
[^johannes-21-9-15]: Kanttekening 15: Gr. opsarion (ὀψάριον); wat dit woord eigenlijk betekent zie Joh. 6:9.
[^johannes-21-10-e]: Verwijzing e: Luk. 24:41.
[^johannes-21-11-16]: Kanttekening 16: Wat geschied is door de goddelijke kracht van Christus, om het wonder te vergroten.
[^johannes-21-12-17]: Kanttekening 17: Namelijk uit schaamte, om niet te schijnen meer te twijfelen of hij werkelijk opgestaan was.
[^johannes-21-14-18]: Kanttekening 18: Namelijk aan allen of velen van de discipelen bijeen vergaderd; want hij had zich eerder in het bijzonder aan de één en de ander meer keren geopenbaard.
[^johannes-21-15-19]: Kanttekening 19: Zie Matt. 16:17.
[^johannes-21-15-20]: Kanttekening 20: Namelijk zoals u eerder meende en roemde, Matt. 26:33; Luk. 22:33, en toch mij driemaal hebt verloochend.
[^johannes-21-15-21]: Kanttekening 21: Namelijk mij liefhebben.
[^johannes-21-15-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: ondanks mijn vorige val, waarover ik hartelijk berouw heb, en waarvan ik vertrouw dat u het mij vergeven hebt.
[^johannes-21-15-23]: Kanttekening 23: Beide woorden 'lammeren' en 'schapen' betekenen dezelfde zaak, namelijk de leden van Christus' Kerk.
[^johannes-21-17-24]: Kanttekening 24: Omdat Petrus door driemaal Christus te verloochenen, zichzelf onwaardig had gemaakt voor het apostelambt, zo trekt Christus hem hier op door hem driemaal te vragen.
[^johannes-21-17-25]: Kanttekening 25: Namelijk omdat hij meende dat Christus met dit driemaal vragen aan zijn liefde scheen te twijfelen.
[^johannes-21-17-f]: Verwijzing f: Joh. 16:30.
[^johannes-21-17-26]: Kanttekening 26: Hetzelfde dat hier aan Petrus wordt bevolen, wordt ook opgedragen aan alle dienaren van het heilige Evangelie. Hand. 20:28; 1 Petr. 5:2.
[^johannes-21-18-g]: Verwijzing g: Joh. 13:36. Hand. 12:3. 2 Petr. 1:14.
[^johannes-21-18-27]: Kanttekening 27: Dit wordt gezegd naar de wijze van die volken die lange kleding droegen, die zij opschortten met een gordel als zij werkten of reisden.
[^johannes-21-18-28]: Kanttekening 28: Namelijk om gebonden te worden.
[^johannes-21-18-29]: Kanttekening 29: Namelijk de scherprechter.
[^johannes-21-18-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: banden en koorden, om gedood te worden.
[^johannes-21-18-31]: Kanttekening 31: Namelijk naar de natuurlijke neiging, die de dood altijd vreest. Want overigens heeft Petrus het ook gewillig ondergaan.
[^johannes-21-19-h]: Verwijzing h: 2 Petr. 1:14.
[^johannes-21-19-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: met welk lijden hij de leer van het Evangelie tot Gods eer zou bevestigen.
[^johannes-21-20-i]: Verwijzing i: Joh. 13:23. en 20:2. en 21:7.
[^johannes-21-20-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: Johannes de Evangelist. Zie vers 24.
[^johannes-21-20-34]: Kanttekening 34: Gr. verraadt.
[^johannes-21-21-35]: Kanttekening 35: Namelijk overkomen; dat is, met welke dood zal hij God verheerlijken?
[^johannes-21-22-36]: Kanttekening 36: Namelijk levend tot mijn laatste komst.
[^johannes-21-24-37]: Kanttekening 37: Namelijk Johannes de Evangelist.
[^johannes-21-24-38]: Kanttekening 38: Namelijk niet alleen ik, maar ook alle discipelen van Christus en de gehele Gemeente.
[^johannes-21-24-k]: Verwijzing k: Joh. 19:35.
[^johannes-21-25-l]: Verwijzing l: Joh. 20:30.
[^johannes-21-25-39]: Kanttekening 39: Namelijk mirakelen en bijzondere daden van Christus.
[^johannes-21-25-40]: Kanttekening 40: Gr. na één.
[^johannes-21-25-41]: Kanttekening 41: Dit is een figuurlijke manier van spreken, waarmee een overgrote menigte wordt aangeduid.

## Handelingen

### Handelingen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/1.json)

*1 Het voorwoord van Lukas, waardoor hij dit tweede boek verbindt aan zijn Evangelie. 3 Christus verkeert na zijn opstanding veertig dagen lang met zijn apostelen. 4 Beveelt hun binnen Jeruzalem te wachten op de zending van de Heilige Geest. 6 Beantwoordt hun vraag wanneer hij het Koninkrijk van Israël zal oprichten. 9 Vaart op naar de hemel, terwijl zij het zien. 10 Wat twee engelen betuigen, die ook zijn wederkomst voorzeggen. 12 De apostelen keren terug naar Jeruzalem. 13 Blijven eensgezind in het gebed met enige vrouwen en met de moeder van Christus. 15 Petrus verhaalt de voorzeggingen over Judas en zijn ein de. 21 En vermaant een ander in Judas' plaats te stellen; tot welk ein de twee worden voorgesteld. 24 Uit wie, na gebed, door loting Matthias tot apostel gekozen wordt.*

**1** [^handelingen-1-1-1] Het eerste boek heb ik gemaakt, o[^handelingen-1-1-2] Theofilus, van al wat Jezus begonnen heeft zowel te doen als te leren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v1)

**2** [^handelingen-1-2-a] Tot op de dag, waarin Hij opgenomen is, nadat Hij[^handelingen-1-2-3] door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij[^handelingen-1-2-4] uitverkoren had,[^handelingen-1-2-5][^handelingen-1-2-b] bevelen had gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v2)

**3** [^handelingen-1-3-c] Aan wie Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend[^handelingen-1-3-6] vertoond heeft, met vele gewisse[^handelingen-1-3-7] kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk van God aangaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v3)

**4** [^handelingen-1-4-d] En[^handelingen-1-4-8] als Hij met hen verzameld was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten[^handelingen-1-4-9] de belofte van de[^handelingen-1-4-e] Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v4)

**5** [^handelingen-1-5-f] Want Johannes doopte wel met water,[^handelingen-1-5-g] maar u zult[^handelingen-1-5-10] met de Heilige Geest gedoopt worden,[^handelingen-1-5-11] niet lang na deze dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v5)

**6** Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende:[^handelingen-1-6-h] Heere, zult U in deze tijd[^handelingen-1-6-12] aan Israël[^handelingen-1-6-13] het Koninkrijk wederoprichten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v6)

**7** En Hij zei tot hen:[^handelingen-1-7-i] Het komt u niet toe, te weten de tijden of[^handelingen-1-7-14] gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v7)

**8** [^handelingen-1-8-15][^handelingen-1-8-k] Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal;[^handelingen-1-8-l] en u zult[^handelingen-1-8-16] Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v8)

**9** [^handelingen-1-9-m] En als Hij dit gezegd had, werd Hij[^handelingen-1-9-17] opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk[^handelingen-1-9-18] nam Hem weg van hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v9)

**10** En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet,[^handelingen-1-10-19] twee mannen stonden bij hen[^handelingen-1-10-20][^handelingen-1-10-n] in witte kleding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v10)

**11** Die ook zeiden:[^handelingen-1-11-21] U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel,[^handelingen-1-11-o] zal[^handelingen-1-11-22] zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v11)

**12** Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genoemd wordt[^handelingen-1-12-23] de Olijfberg, die is nabij Jeruzalem,[^handelingen-1-12-24] liggende[^handelingen-1-12-25] van daar een sabbatsreize. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v12)

**13** En als zij[^handelingen-1-13-26] ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven,[^handelingen-1-13-27] namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en[^handelingen-1-13-28] Judas, de broer van Jakobus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v13)

**14** Deze allen waren eensgezind[^handelingen-1-14-29] volhardend in het bidden en smeken, met[^handelingen-1-14-30] de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met[^handelingen-1-14-p] Zijn[^handelingen-1-14-31] broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v14)

**15** En[^handelingen-1-15-32] in die dagen stond Petrus op in het midden van de discipelen, en sprak (er was nu een menigte bijeen van ongeveer honderd en twintig[^handelingen-1-15-33] personen): [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v15)

**16** Broeders, deze Schrift moest vervuld worden,[^handelingen-1-16-q] die de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas,[^handelingen-1-16-r] die de leidsman geweest is degenen, die Jezus vingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v16)

**17** [^handelingen-1-17-s] Want hij was met ons[^handelingen-1-17-34] gerekend, en had[^handelingen-1-17-35] het lot van deze bediening verkregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v17)

**18** Deze dan[^handelingen-1-18-36] heeft verworven[^handelingen-1-18-37] een akker,[^handelingen-1-18-38] door het loon van de ongerechtigheid,[^handelingen-1-18-39][^handelingen-1-18-t] en[^handelingen-1-18-40] vooruit[^handelingen-1-18-41] overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v18)

**19** En het is[^handelingen-1-19-42] bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, zo dat die akker[^handelingen-1-19-43] in hun eigen taal[^handelingen-1-19-v] genoemd wordt Akeldama, dat is,[^handelingen-1-19-44] een akker van het bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v19)

**20** Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen;[^handelingen-1-20-x] Zijn[^handelingen-1-20-45] woning worde woest, en er zij niemand die daarin woon.[^handelingen-1-20-46][^handelingen-1-20-y] En:[^handelingen-1-20-47] Een ander neme zijn[^handelingen-1-20-48] opzienersambt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v20)

**21** [^handelingen-1-21-z] Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons[^handelingen-1-21-49] omgegaan hebben al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons[^handelingen-1-21-50] in gegaan en uitgegaan is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v21)

**22** beginnend[^handelingen-1-22-51] van de doop van Johannes, tot de dag toe, waarin Hij[^handelingen-1-22-a] van ons opgenomen is, één van hen samen met ons getuige wordt[^handelingen-1-22-52] van Zijn opstanding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v22)

**23** [^handelingen-1-23-b] En zij stelden er twee voor,[^handelingen-1-23-53] Jozef, genoemd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v23)

**24** En zij baden en zeiden:[^handelingen-1-24-54] U Heere![^handelingen-1-24-c] U[^handelingen-1-24-55] Kenner van de harten van allen,[^handelingen-1-24-56] wijs van deze twee een aan, die U uitverkoren hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v24)

**25** Om te ontvangen[^handelingen-1-25-57] het lot van deze bediening en van het[^handelingen-1-25-58] apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging[^handelingen-1-25-59] in zijn eigen plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v25)

**26** En zij[^handelingen-1-26-60] wierpen hun loten; en het lot[^handelingen-1-26-61] viel op Matthias, en hij werd[^handelingen-1-26-62] met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/1.html#v26)

[^handelingen-1-1-1]: Kanttekening 1: Gr. de eerste rede, waarmee hij zijn evangelische geschiedenis bedoelt. Zo blijkt hieruit, evenals uit het volgende, dat de heilige evangelist Lucas dit boek ook heeft geschreven.
[^handelingen-1-1-2]: Kanttekening 2: Over deze Theofilus, zie de aantekening op Lucas 1:3.
[^handelingen-1-2-a]: Verwijzing a: Markus 16:19. Lucas 9:51. 1 Timotheüs 3:16.
[^handelingen-1-2-3]: Kanttekening 3: Dit kan in de Griekse tekst worden verbonden met de woorden "opdrachten gegeven", of met het woord "uitgekozen".
[^handelingen-1-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk tot het apostelambt. Zie Mattheüs 10:1 e.v.
[^handelingen-1-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk hoe zij het evangelie over de hele wereld zouden prediken. Mattheüs 28:19. Markus 16:15, en te Jeruzalem wachten op de zending van de heilige Geest. Lucas 24:49.
[^handelingen-1-2-b]: Verwijzing b: Johannes 20:21.
[^handelingen-1-3-c]: Verwijzing c: Markus 16:14. Johannes 20:19 en 21:1. 1 Korintiërs 15:5.
[^handelingen-1-3-6]: Kanttekening 6: Gr. voorgesteld, of: tegenwoordig gesteld heeft in velen.
[^handelingen-1-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk waaruit duidelijk is gebleken dat hij waarlijk met hetzelfde lichaam uit de doden was opgestaan: zoals het feit dat hij hun dikwijls was verschenen, dikwijls met hen had gesproken en gegeten, en dat zij zijn littekens hadden gezien en getast. Lucas 24. Johannes 20 en 21.
[^handelingen-1-4-d]: Verwijzing d: Lucas 24:48-49.
[^handelingen-1-4-8]: Kanttekening 8: Of: toen hij hen bijeenvergaderd had.
[^handelingen-1-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de heilige Geest, die de Vader door hem beloofd had te zenden. Lucas 24:49. Johannes 14:26.
[^handelingen-1-4-e]: Verwijzing e: Johannes 14:26 en 15:26 en 16:17.
[^handelingen-1-5-f]: Verwijzing f: Mattheüs 3:11. Markus 1:8. Lucas 3:16. Johannes 1:26. Handelingen 11:16 en 19:4.
[^handelingen-1-5-g]: Verwijzing g: Jesaja 44:3. Joël 2:28. Handelingen 2:4 en 11:15.
[^handelingen-1-5-10]: Kanttekening 10: Gr. in de heilige Geest, namelijk die ik op de Pinksterdag overvloedig als water over u zal uitstorten. Hetzelfde voorspelt ook Johannes de Doper, Mattheüs 3:11.
[^handelingen-1-5-11]: Kanttekening 11: Gr. niet na vele van deze dagen, namelijk tien dagen daarna.
[^handelingen-1-6-h]: Verwijzing h: Mattheüs 24:3.
[^handelingen-1-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: aan het volk of de nakomelingen van Israël.
[^handelingen-1-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk dat de profeten vooraf hadden gezegd dat dit door de Messias zou worden opgericht, en zij meenden nog steeds, naar de algemene dwaling, dat het een aards koninkrijk zou zijn.
[^handelingen-1-7-i]: Verwijzing i: Mattheüs 24:36.
[^handelingen-1-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk de tijden, op welke God wat hij heeft verordend en beloofd, zal willen uitvoeren.
[^handelingen-1-8-15]: Kanttekening 15: Of: maar u zult kracht ontvangen, nadat de heilige Geest over u zal zijn gekomen.
[^handelingen-1-8-k]: Verwijzing k: Handelingen 2:4.
[^handelingen-1-8-l]: Verwijzing l: Jesaja 2:3. Lucas 24:27. Johannes 15:27. Handelingen 2:32.
[^handelingen-1-8-16]: Kanttekening 16: Gr. mijn getuigen zijn, namelijk dat ik de beloofde Messias en Heiland van de wereld ben.
[^handelingen-1-9-m]: Verwijzing m: Markus 16:19. Lucas 24:51.
[^handelingen-1-9-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: werd lichamelijk en zichtbaar van de aarde naar de hemel opgeheven. Markus 16:19. Hebreeën 1:3 en 8:1. Wat door Paulus de derde hemel en het paradijs wordt genoemd, 2 Korintiërs 12:2,4.
[^handelingen-1-9-18]: Kanttekening 18: Of: nam hem op, en aldus weg van hun ogen.
[^handelingen-1-10-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: twee engelen in de gedaante van mannen. Zie Genesis 18:2.
[^handelingen-1-10-20]: Kanttekening 20: Zo plachten de engelen te verschijnen, om daarmee de reinheid van hun natuur te tonen, en dat zij kwamen om blijde dingen te verkondigen. Zie Mattheüs 28:3. Markus 16:5. Johannes 20:12.
[^handelingen-1-10-n]: Verwijzing n: Mattheüs 28:3.
[^handelingen-1-11-21]: Kanttekening 21: Zie Handelingen 2:7.
[^handelingen-1-11-o]: Verwijzing o: Daniël 7:13. Mattheüs 24:30. Markus 13:26. Lucas 21:27. 1 Tessalonicenzen 1:10. 2 Tessalonicenzen 1:10. Openbaring 1:7.
[^handelingen-1-11-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: op dezelfde manier, zichtbaar en in een wolk. Markus 13:26. Lucas 21:27. Openbaring 1:7.
[^handelingen-1-12-23]: Kanttekening 23: Gr. Olijfgaard, namelijk berg. Over deze berg, zie Mattheüs 21:1.
[^handelingen-1-12-24]: Kanttekening 24: Gr. hebbende.
[^handelingen-1-12-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zover als de Joden op een sabbatdag mochten gaan, waarop het verre reizen verboden was. Exodus 16:29. Naar sommiger mening was dit ongeveer zeven stadien. Zodat het (als elke stadie voor 125 passen wordt gerekend) ongeveer een kwartier gaans zou zijn. En aldus wordt in Johannes 11:18 gezegd dat Bethanië, vanwaar Christus ten hemel voer, Lucas 24:50, op deze berg gelegen, 15 stadien van Jeruzalem was, zodat dit moet worden verstaan van het begin van de Olijfberg, waarop Bethanië nog wat verder lag.
[^handelingen-1-13-26]: Kanttekening 26: Namelijk niet alleen in de stad, maar ook in een huis, dat sommigen menen geweest te zijn het huis van Maria de moeder van Johannes Markus, waarvan men leest in Handelingen 12:12.
[^handelingen-1-13-27]: Kanttekening 27: Over deze apostelen, zie Mattheüs 10:2 e.v.
[^handelingen-1-13-28]: Kanttekening 28: Deze Judas werd aldus bijgenaamd om onderscheiden te worden van Judas Iskariot, de verrader. En aldus noemt hij zichzelf ook in zijn brief vers 1. Was overigens bijgenaamd Lebbeus. Mattheüs 10:3.
[^handelingen-1-14-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: krachtig, standvastig en met geduld aanhoudend.
[^handelingen-1-14-30]: Kanttekening 30: Namelijk die Christus vanuit Galilea waren gevolgd en hem hadden gediend. Mattheüs 27:55,56. Markus 15:40. Lucas 23:55. Johannes 19:25. En ook met hun echtgenoten, die ook versterkt moesten worden, als toekomstige reisgezellinnen van hun mannen. 1 Korintiërs 9:5.
[^handelingen-1-14-p]: Verwijzing p: Mattheüs 13:55.
[^handelingen-1-14-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: neven en bloedverwanten. Mattheüs 12:46. Als daar waren Jakobus en Joses, Simon en Judas, zonen van Maria, de zus van Christus' moeder. Mattheüs 13:55.
[^handelingen-1-15-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: op één van die dagen.
[^handelingen-1-15-33]: Kanttekening 33: Gr. namen, dat wil zeggen: hoofden, of mensen die bij hun naam worden geteld. Zie Openbaring 3:4 en 11:13.
[^handelingen-1-16-q]: Verwijzing q: Psalm 41:10. Mattheüs 26:23. Johannes 13:18.
[^handelingen-1-16-r]: Verwijzing r: Mattheüs 26:47. Markus 14:43. Johannes 18:3.
[^handelingen-1-17-s]: Verwijzing s: Mattheüs 10:4. Markus 3:19. Lucas 6:16.
[^handelingen-1-17-34]: Kanttekening 34: Of: geteld.
[^handelingen-1-17-35]: Kanttekening 35: Zo wordt de dienst van het apostelschap genoemd, omdat die door God, niet op grond van verdienste of waardigheid, maar naar zijn welbehagen wordt gegeven. Handelingen 8:21.
[^handelingen-1-18-36]: Kanttekening 36: Namelijk doordat hij de Joden gelegenheid heeft gegeven die akker te kopen met het geld dat hem voor het verraad was gegeven. Mattheüs 27:6,7. Zodat dit moet worden verstaan niet van het voornemen van Judas, maar van de uitkomst die erop gevolgd is.
[^handelingen-1-18-37]: Kanttekening 37: Namelijk de bloedakker. Vers 19.
[^handelingen-1-18-38]: Kanttekening 38: Gr. uit de beloning.
[^handelingen-1-18-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: van de onrechtvaardige daad van het verraad.
[^handelingen-1-18-t]: Verwijzing t: 2 Samuël 17:23. Mattheüs 27:5.
[^handelingen-1-18-40]: Kanttekening 40: Aangezien in Mattheüs 27:5 staat dat hij zich heeft verhangen, is het algemene gevoelen dat hij zichzelf met een strop heeft opgehangen, en dat hij aldus voorover of in de strop is gevallen, of de strop brak en hij voorover viel en barstte, en dat hij aldus zijn ingewanden door een rechtvaardig oordeel van God uitstortte. Zie een vergelijkbaar voorbeeld in Achitofel. 2 Samuël 17:23.
[^handelingen-1-18-41]: Kanttekening 41: Gr. geworden.
[^handelingen-1-19-42]: Kanttekening 42: Namelijk dat God de verrader Judas met zulk een dood had gestraft.
[^handelingen-1-19-43]: Kanttekening 43: Namelijk in de Syrische of Chaldeese taal, die de Joden na de Babylonische ballingschap gebruikten.
[^handelingen-1-19-v]: Verwijzing v: Mattheüs 27:8.
[^handelingen-1-19-44]: Kanttekening 44: Namelijk omdat hij gekocht was met het geld waarvoor het bloed van Christus was verkocht.
[^handelingen-1-20-x]: Verwijzing x: Psalm 69:26.
[^handelingen-1-20-45]: Kanttekening 45: David spreekt als voorbeeld van Christus in Psalm 69 in het algemeen van zijn vijanden, maar aangezien in diezelfde psalm ook van het lijden van Christus wordt geprofeteerd, past de apostel Petrus dit in het bijzonder op Judas toe, die een verrader van Christus is geweest.
[^handelingen-1-20-46]: Kanttekening 46: Namelijk wordt op een andere plaats in het boek van de Psalmen nog gezegd.
[^handelingen-1-20-y]: Verwijzing y: Psalm 109:8.
[^handelingen-1-20-47]: Kanttekening 47: David schijnt deze woorden in Psalm 109 te spreken over Doëg, die één van de opperste herders van koning Saul was, en hem samen met de priesters te Nob had verraden. Maar aangezien David een voorbeeld van Christus is geweest, wordt dit ook terecht door Petrus op Judas geduid, die de Heer Christus heeft verraden.
[^handelingen-1-20-48]: Kanttekening 48: Hoewel het Griekse woord soms allerlei opzienersambten betekent, wordt het hier in het bijzonder genomen voor het apostelambt van Judas, dat aldus wordt genoemd omdat de dienaren van het evangelie toezicht hebben over de gemeente. Handelingen 20:28.
[^handelingen-1-21-z]: Verwijzing z: Handelingen 6:3.
[^handelingen-1-21-49]: Kanttekening 49: Of: vergaderd zijn geweest. Namelijk toen wij Christus volgden. Onder wie zonder twijfel ook de zeventig leerlingen zijn geweest.
[^handelingen-1-21-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: gemeenzaam met ons heeft verkeerd, met ons op en neer is gegaan, en zijn ambt als onze Heer en meester onder ons heeft bediend. Hebreeuws. Zie Deuteronomium 31:2. Psalm 121:8. Johannes 10:9.
[^handelingen-1-22-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: van de tijd dat Johannes begon te leren en te dopen, want toen begon de bediening van het evangelie, en kort daarna begon Christus zelf zijn ambt te bedienen.
[^handelingen-1-22-a]: Verwijzing a: Handelingen 1:9.
[^handelingen-1-22-52]: Kanttekening 52: Namelijk en ook van alle andere leringen en daden van Christus. Maar hier wordt alleen melding gemaakt van zijn opstanding, omdat hij daardoor krachtig bewezen is de Zoon van God en de ware Messias te zijn. Handelingen 2:32. Romeinen 1:4.
[^handelingen-1-23-b]: Verwijzing b: Handelingen 6:6.
[^handelingen-1-23-53]: Kanttekening 53: Deze wordt in sommige boeken Joses genoemd, en wordt gehouden een broeder te zijn geweest van Jakobus de jongere.
[^handelingen-1-24-54]: Kanttekening 54: Zie de reden hiervan in de aantekening op Galaten 1:1.
[^handelingen-1-24-c]: Verwijzing c: 1 Samuël 16:7. 1 Kronieken 28:9 en 29:17. Psalm 7:10. Jeremia 11:20 en 17:10 en 20:12. Handelingen 15:8. Openbaring 2:23.
[^handelingen-1-24-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: u die weet hoe zij inwendig in het hart gesteld zijn.
[^handelingen-1-24-56]: Kanttekening 56: Namelijk door het lot, dat door u wordt geleid. Spreuken 16:33.
[^handelingen-1-25-57]: Kanttekening 57: Zie vers 17.
[^handelingen-1-25-58]: Kanttekening 58: Of: afgetreden is. Dat wil zeggen: waaruit Judas om zijn boosheid is gevallen.
[^handelingen-1-25-59]: Kanttekening 59: Namelijk die hem, en zijn gelijken, door God naar zijn rechtvaardig oordeel is verordend, en de plaats van de pijn wordt genoemd. Lucas 16:28.
[^handelingen-1-26-60]: Kanttekening 60: Gr. gaven hun loten. Namelijk van Jozef en Mattias, van wie één door het lot zou worden gekozen, opdat aldus zijn beroeping tot het apostelschap als van God zelf zou komen.
[^handelingen-1-26-61]: Kanttekening 61: Zie een vergelijkbaar voorbeeld in de verkiezing van Saul tot het koningsambt. 1 Samuël 10:20.
[^handelingen-1-26-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: zij hebben allen deze goddelijke verkiezing goedgekeurd en aanvaard.

### Handelingen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/2.json)

*1 De Heilige Geest wordt met zichtbare tekenen op de Pinksterdag over de apostelen uitgestort. 4 Die, met zijn gaven vervuld, de grote daden van God spreken in allerlei talen. 5 Waarover binnen Jeruzalem onder allerlei volken beroering ontstaat, zodat sommigen zich verwonderen en anderen ermee spotten. 14 Petrus weerlegt de spotters en wijst aan dat dit geschied is naar de voorzegging van de profeet Joël. 22 Bewijst uit de Psalmen van David dat Jezus, die zij gekruisigd hadden, uit de doden was opgestaan, gezeten aan de rechterhand van God, en van daar deze gaven had uitgestort. 36 En dat hij dus de beloofde Messias was. 37 Waardoor de toehoorders verslagen worden en door Petrus tot bekering vermaand, en er drieduizend van hen gedoopt worden. 42 Die volharden in de leer van de apostelen en de beoefening van de godsdienst en de liefde, en de goederen gemeenschappelijk hebben. 47 En de gemeente neemt dagelijks toe.*

**1** En toen de dag[^handelingen-2-1-a] van[^handelingen-2-1-1] het[^handelingen-2-1-2] Pinksterfeest vervuld werd, waren[^handelingen-2-1-3] zij[^handelingen-2-1-b] allen[^handelingen-2-1-4] eensgezind bijeen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v1)

**2** En er gebeurde[^handelingen-2-2-5] snel uit de hemel een geluid, zoals van een geweldige[^handelingen-2-2-6] windvlaag[^handelingen-2-2-7], en vervulde het hele huis, waar zij zaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v2)

**3** En[^handelingen-2-3-8] van hen werden gezien[^handelingen-2-3-9] verdeelde tongen als[^handelingen-2-3-10] van vuur, en[^handelingen-2-3-11] het zat op een ieder[^handelingen-2-3-12] van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v3)

**4** [^handelingen-2-4-c] En zij werden allen vervuld[^handelingen-2-4-13] met de Heilige Geest, en begonnen te spreken[^handelingen-2-4-d] met[^handelingen-2-4-14] andere[^handelingen-2-4-15] talen, zoals[^handelingen-2-4-16] de Geest hun gaf[^handelingen-2-4-17] uit te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v4)

**5** En er waren Joden, te Jeruzalem[^handelingen-2-5-18] wonende, godvrezende mannen van allen volk degenen,[^handelingen-2-5-19] die onder de hemel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v5)

**6** En als[^handelingen-2-6-20] deze stem gebeurd was, kwam de menigte samen, en werd[^handelingen-2-6-21] verontrust, want een ieder hoorde hen[^handelingen-2-6-22] in zijn eigen taal spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v6)

**7** En zij[^handelingen-2-7-23] ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: "Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken,[^handelingen-2-7-24] Galileërs?" [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v7)

**8** En hoe horen wij hen een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v8)

**9** Parthers, en Meders, en[^handelingen-2-9-25] Elamieten, en die inwoners zijn van[^handelingen-2-9-26] Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en[^handelingen-2-9-27] Azië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v9)

**10** En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij[^handelingen-2-10-28] Cyrene ligt, en[^handelingen-2-10-29] uitlandse Romeinen, zowel[^handelingen-2-10-30] Joden als[^handelingen-2-10-31] Jodengenoten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v10)

**11** [^handelingen-2-11-32] Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze[^handelingen-2-11-33] talen[^handelingen-2-11-34] de grote werken van God spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v11)

**12** En zij ontzetten zich allen, en werden[^handelingen-2-12-35] in twijfel, zeggende, de één tegen de ander: Wat wil toch dit zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v12)

**13** En[^handelingen-2-13-36] anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol[^handelingen-2-13-37] zoete wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v13)

**14** Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: U Joodse mannen, en u allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v14)

**15** Want deze zijn niet dronken, zoals u vermoedt; want het is[^handelingen-2-15-38] pas het derde uur van de dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v15)

**16** Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v16)

**17** [^handelingen-2-17-e] En het zal zijn[^handelingen-2-17-39] in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal[^handelingen-2-17-f] uitstorten van Mijn Geest op[^handelingen-2-17-40] alle vlees; en uw zonen en[^handelingen-2-17-g] uw dochters zullen[^handelingen-2-17-41] profeteren, en uw jongemannen zullen visioenen zien, en uw oude zullen dromen dromen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v17)

**18** En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienaressen, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v18)

**19** En Ik zal[^handelingen-2-19-42] wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v19)

**20** De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en glorierijke[^handelingen-2-20-43] dag van de Heere komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v20)

**21** [^handelingen-2-21-h] En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere[^handelingen-2-21-44] zal aanroepen, zalig zal worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v21)

**22** U Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man van God,[^handelingen-2-22-45] onder u betoond[^handelingen-2-22-46] door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, zoals ook u weet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v22)

**23** Deze,[^handelingen-2-23-i] door de[^handelingen-2-23-47] bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde,[^handelingen-2-23-k] hebt u genomen, en[^handelingen-2-23-48] door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v23)

**24** [^handelingen-2-24-l] Die God opgewekt heeft,[^handelingen-2-24-49] de smarten van de dood ontbonden hebbende, zo het niet mogelijk was, dat Hij daarvan dood zou gehouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v24)

**25** Want David zegt van Hem:[^handelingen-2-25-50][^handelingen-2-25-m] Ik zag de Heere alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen word. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v25)

**26** Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal[^handelingen-2-26-51] rusten[^handelingen-2-26-52] in hope; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v26)

**27** Want U zult[^handelingen-2-27-53] mijn ziel in de[^handelingen-2-27-54] hel niet verlaten, noch zult Uw[^handelingen-2-27-55] Heilige overgeven, om verderving te[^handelingen-2-27-56] zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v27)

**28** U hebt mij de wegen van het[^handelingen-2-28-57] leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v28)

**29** U broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van[^handelingen-2-29-58] de patriarch David,[^handelingen-2-29-n] dat hij zowel gestorven als begraven is, en[^handelingen-2-29-59] zijn graf is onder ons tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v29)

**30** Zo hij dan een profeet was, en wist,[^handelingen-2-30-o] dat God hem met ede gezworen had, dat hij[^handelingen-2-30-60] uit de vrucht van zijn middel, zoveel[^handelingen-2-30-61] het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn[^handelingen-2-30-62] troon te zetten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v30)

**31** Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van[^handelingen-2-31-p] Christus, dat Zijn[^handelingen-2-31-63] ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v31)

**32** Deze Jezus heeft God[^handelingen-2-32-64] opgewekt;[^handelingen-2-32-q] waarvan wij allen getuigen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v32)

**33** Hij dan,[^handelingen-2-33-65][^handelingen-2-33-r] door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en[^handelingen-2-33-s] de[^handelingen-2-33-66] belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft[^handelingen-2-33-67] dit[^handelingen-2-33-t] uitgestort, dat u nu ziet en hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v33)

**34** Want David is[^handelingen-2-34-68] niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt:[^handelingen-2-34-v] De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere:[^handelingen-2-34-69] Zit aan Mijn rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v34)

**35** Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v35)

**36** Zo wete dan zeker heel het [^handelingen-2-36-70]huis van Israël, dat God Hem tot[^handelingen-2-36-71] een Heere en[^handelingen-2-36-72] Christus[^handelingen-2-36-73] gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v36)

**37** [^handelingen-2-37-x] En als zij dit hoorden, werden zij[^handelingen-2-37-74] verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen:[^handelingen-2-37-y] Wat zullen wij[^handelingen-2-37-75] doen broeders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v37)

**38** En Petrus zei tot hen:[^handelingen-2-38-76] Bekeer u, en een ieder van u worde gedoopt[^handelingen-2-38-77] in de Naam van Jezus[^handelingen-2-38-78] Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult[^handelingen-2-38-79] de gave van de Heilige Geest ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v38)

**39** Want u komt[^handelingen-2-39-80] de belofte toe, en[^handelingen-2-39-81] uw[^handelingen-2-39-z] kinderen, en allen,[^handelingen-2-39-a] die daar[^handelingen-2-39-82] verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God,[^handelingen-2-39-83] toe roepen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v39)

**40** En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende:[^handelingen-2-40-84] "Wordt behouden van dit[^handelingen-2-40-85] verkeerd geslacht!" [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v40)

**41** Die dan zijn woord[^handelingen-2-41-86] graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan ongeveer drie[^handelingen-2-41-87] duizend zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v41)

**42** En zij waren[^handelingen-2-42-88] volhardend in de leer van de apostelen, en[^handelingen-2-42-89] in de gemeenschap, en[^handelingen-2-42-90] in de breking van het brood, en in de[^handelingen-2-42-91] gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v42)

**43** En vrees kwam over iedere ziel[^handelingen-2-43-92]; en vele[^handelingen-2-43-b] wonderen en tekenen werden door de apostelen verricht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v43)

**44** [^handelingen-2-44-c] En allen, die geloofden,[^handelingen-2-44-93] waren bijeen, en hadden alle dingen[^handelingen-2-44-94] gemeenschappelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v44)

**45** En zij verkochten[^handelingen-2-45-95] hun goederen en bezittingen,[^handelingen-2-45-d] en verdeelden ze onder allen, naar dat elk nodig had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v45)

**46** En dagelijks[^handelingen-2-46-e] eensgezind in de tempel volhardend, en[^handelingen-2-46-96] van huis tot huis[^handelingen-2-46-97] brood brekende,[^handelingen-2-46-98] aten zij samen met verheuging en eenvoud van het hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v46)

**47** En prezen God, en hadden[^handelingen-2-47-99] genade bij heel het volk.[^handelingen-2-47-f] En de Heere[^handelingen-2-47-100] deed dagelijks tot de Gemeente,[^handelingen-2-47-101] die zalig werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/2.html#v47)

[^handelingen-2-1-a]: Verwijzing a: Leviticus 23:15. Deuteronomium 16:9.
[^handelingen-2-1-1]: Kanttekening 1: Het woord Pinksteren is een verkorting van het Griekse woord pentēkostē (πεντηκοστή), dat is: de vijftigste dag. Daarmee werd het tweede grote jaarfeest aangeduid, waarop de eerstelingen van de vruchten werden geofferd. Numeri 28:26. Want het begon op de vijftigste dag na de tweede Paasdag. Leviticus 23:15,16. Op dezelfde vijftigste dag na het eerste Pascha en de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte, was ook de wet op de berg Sinaï door God gegeven. Exodus 19:1,11. Zie over dit feest ook Handelingen 20:16 en 1 Korintiërs 16:8.
[^handelingen-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: gekomen was.
[^handelingen-2-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk de twaalf apostelen, aan wie deze belofte voornamelijk was gedaan. Zie hierna vers 4, 14, 15.
[^handelingen-2-1-b]: Verwijzing b: Handelingen 1:14.
[^handelingen-2-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: op één plaats vergaderd, namelijk in een bovenzaal binnen Jeruzalem. Handelingen 1:13.
[^handelingen-2-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: onverwachts.
[^handelingen-2-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: met sterk geruis waaiend.
[^handelingen-2-2-7]: Kanttekening 7: Of: blaas. Deze wind beduidde de heilige Geest, die aan de apostelen was gegeven, en door de dienst van de apostelen zou worden gegeven, en door zou dringen tegen alle geweld.
[^handelingen-2-3-8]: Kanttekening 8: Aan hen, namelijk de apostelen.
[^handelingen-2-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: gedaanten van tongen die verdeeld of gespleten waren, waarmee de verscheidenheid van de talen werd aangeduid, waarmee de apostelen zouden spreken en het evangelie onder alle volken verkondigen. Zie vers 4.
[^handelingen-2-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: vurig, waarmee werd aangeduid dat de heilige Geest de harten van de apostelen en hun toehoorders zou ontsteken met een licht van kennis van God, met vurige liefde tot God en de naaste, en ijver voor Gods eer en de zaligheid van de mensen.
[^handelingen-2-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk het vuur van de verdeelde tongen.
[^handelingen-2-3-12]: Kanttekening 12: Namelijk van de apostelen. Zie vers 1.
[^handelingen-2-4-c]: Verwijzing c: Mattheüs 3:11. Markus 1:8. Lucas 3:16. Johannes 14:26 en 15:26 en 16:13. Handelingen 11:15 en 19:6.
[^handelingen-2-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: met de buitengewone gaven van de heilige Geest.
[^handelingen-2-4-d]: Verwijzing d: Markus 16:17. Handelingen 10:46.
[^handelingen-2-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: vreemde, voor de apostelen tevoren onbekende talen. Markus noemt ze nieuwe. Markus 16:17.
[^handelingen-2-4-15]: Kanttekening 15: Gr. tongen, zoals vers 11.
[^handelingen-2-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de heilige Geest. 2 Petrus 1:21.
[^handelingen-2-4-17]: Kanttekening 17: Het Griekse woord betekent: enige treffelijke zaken of spreuken voortbrengen. Zie vers 11.
[^handelingen-2-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: zich daar voor een tijd ophoudend, hetzij om in de Joodse godsdienst onderricht te worden, Handelingen 6:9 en 9:29, hetzij om het Pinksterfeest te houden. Exodus 23:17.
[^handelingen-2-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: die door de vervolgingen van de Assyrische, Babylonische, Egyptische en Syrische koningen in alle landen waren verstrooid. 1 Petrus 1:1. En aldus is vervuld wat tevoren was gezegd. Jesaja 43:5,6.
[^handelingen-2-6-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: dit geluid van deze wind, of: toen dit gerucht verspreid was.
[^handelingen-2-6-21]: Kanttekening 21: Of: verward, namelijk hetzij in dit bijeenkomen, hetzij in hun gemoed door verwondering over deze vreemde zaak.
[^handelingen-2-6-22]: Kanttekening 22: Zo spraken dan de apostelen niet in één taal, zoals sommigen menen, want aldus zou dit wonder in de toehoorders zijn geweest, en niet in de apostelen, maar in verscheidene talen, naar de verscheidenheid van de talen die de toehoorders spraken en verstonden. Zie Handelingen 10:46 en 19:6 en 1 Korintiërs 12, 13 en 14.
[^handelingen-2-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk alsof zij buiten hun zinnen waren verrukt.
[^handelingen-2-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: die in Galilea geboren zijn en altijd gewoond hebben, en eenvoudige en ongeleerde mensen zijn, die geen andere taal dan hun moedertaal hebben geleerd.
[^handelingen-2-9-25]: Kanttekening 25: Elam was een deel van Perzië, aldus genoemd naar Elam, een zoon van Sem. Genesis 10:22. 1 Kronieken 1:17.
[^handelingen-2-9-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: zowel die in Mesopotamia als die in Judea wonen en zijn geboren. Mesopotamia is een deel van Syrië, aldus in het Grieks genoemd omdat het ligt midden tussen de twee rivieren de Tigris en de Eufraat. Genesis 24:10 en 35:9.
[^handelingen-2-9-27]: Kanttekening 27: Asia wordt in het algemeen het derde deel van de destijds bekende wereld genoemd, en in het bijzonder dat deel dat eertijds Klein-Azië en nu Anatolië wordt genoemd, waarvan ook Kappadocië, Pontus, Frygië en Pamfylië delen waren. Maar hier schijnt het nog in het bijzonder genomen te worden voor het deel van Klein-Azië dat ligt bij de Egeïsche zee tegenover Macedonië en Thracië.
[^handelingen-2-10-28]: Kanttekening 28: Dit was een stad in Libië of Afrika, waarnaar het omliggende land Libië Cyrenaica werd genoemd. In al deze landen waren de Joden al lang verstrooid, en spraken de talen van die landen. 1 Petrus 1:1.
[^handelingen-2-10-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die te Rome of in de omtrek geboren of woonachtig waren, en te Jeruzalem om hun zaken, of om de godsdienst waren gekomen.
[^handelingen-2-10-30]: Kanttekening 30: Namelijk niet alleen van godsdienst, maar ook van afkomst en geslacht.
[^handelingen-2-10-31]: Kanttekening 31: Gr. prosēlytoi (προσήλυτοι), dat wil zeggen: aangekomenen, Joden niet van geslacht, maar van godsdienst. Zie Mattheüs 23:15.
[^handelingen-2-11-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: geboren of wonend op het eiland Kreta, nu Kandía genaamd. Zie Handelingen 27:7,12 en Titus 1:5.
[^handelingen-2-11-33]: Kanttekening 33: Gr. tongen. Vers 4.
[^handelingen-2-11-34]: Kanttekening 34: Of: de heerlijke daden van God, namelijk die hij door Jezus Christus heeft gedaan, tot de zaligheid van de mensen. Lucas 1:49.
[^handelingen-2-12-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: zij twijfelden wat dit toch mocht wezen, en wat zij ervan moesten geloven.
[^handelingen-2-13-36]: Kanttekening 36: Sommigen, mogelijk uit de schriftgeleerden, farizeeën, sadduceeën en hun gelijken.
[^handelingen-2-13-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: zij zijn dronken. Sommigen vertalen dit met: Zij zijn vol most. Maar het was toen nog niet de tijd van most, dat wil zeggen: van nieuw geperste wijn.
[^handelingen-2-15-38]: Kanttekening 38: Namelijk na de opgang van de zon, zoals de Joden hun daguren rekenden. Zie Mattheüs 20:3. Johannes 11:9. En dit komt overeen met ons negende uur. De Joden, zoals sommigen zeggen, plachten op de feestdagen nuchter te blijven zonder eten en drinken, tot het zesde uur, dat wil zeggen: tot de middag.
[^handelingen-2-17-e]: Verwijzing e: Joël 2:28. Jesaja 43:3. Ezechiël 11:19 en 36:27. Zacharia 12:10. Johannes 7:38.
[^handelingen-2-17-39]: Kanttekening 39: Zo worden de tijden van het Koninkrijk van Christus na zijn komst genoemd. 1 Korintiërs 10:11. Hebreeën 1:1. Ze worden aldus genoemd omdat daarin geen verandering meer zal plaatsvinden in de dienst aan God, en daarna het einde van de wereld zal volgen.
[^handelingen-2-17-f]: Verwijzing f: Handelingen 10:45.
[^handelingen-2-17-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: allerlei mensen, van welke staat, leeftijd of geslacht zij zijn. Lucas 11:42. 1 Timotheüs 2:1,4.
[^handelingen-2-17-g]: Verwijzing g: Lucas 2:36. Handelingen 21:9.
[^handelingen-2-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: God duidelijk kennen en anderen van hem onderrichten. Onder de manier van onderwijzing, die in het Oude Testament aan weinigen gebruikelijk was, Numeri 12:6, wordt de overvloedige onderwijzing en kennis beschreven die in het Nieuwe Testament zou zijn tot het einde van de wereld.
[^handelingen-2-19-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: wonderbare tekenen van Gods toorn tegen de vijanden en vervolgers van Gods kerk. Zie Mattheüs 24:29. Lucas 21:25.
[^handelingen-2-20-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: de dag waarop de Heer Jezus Christus zal komen om de levenden en de doden te oordelen.
[^handelingen-2-21-h]: Verwijzing h: Joël 2:32. Romeinen 10:13.
[^handelingen-2-21-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: hem als de Heiland met waar geloof erkennen, de zaligheid in hem alleen zoeken, hem daarom, alsook in alle nood, aanroepen, en hem recht dienen.
[^handelingen-2-22-45]: Kanttekening 45: Gr. in of tot, of: aan u.
[^handelingen-2-22-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: duidelijk bewezen dat hij door God was gezonden en de ware Messias was.
[^handelingen-2-23-i]: Verwijzing i: Handelingen 4:28.
[^handelingen-2-23-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: niet bij toeval, of naar de eigenzinnigheid van zijn vijanden alleen, maar naar het besluit, de beschikking en de toelating van God.
[^handelingen-2-23-k]: Verwijzing k: Handelingen 5:30.
[^handelingen-2-23-48]: Kanttekening 48: Of: door onrechtvaardige handen, namelijk van de heidense en goddeloze soldaten van Pilatus. Mattheüs 20:19.
[^handelingen-2-24-l]: Verwijzing l: Handelingen 10:40.
[^handelingen-2-24-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: van de dood die hem met en na vele smarten was aangedaan. Petrus schijnt hier te zien op de woorden die gebruikt worden in Psalm 18:6, waar staat: de strikken, banden of koorden van de dood, waarop het woord ontbonden goed past.
[^handelingen-2-25-50]: Kanttekening 50: Zie de verklaring van deze woorden, Psalm 16:8.
[^handelingen-2-25-m]: Verwijzing m: Psalm 16:8.
[^handelingen-2-26-51]: Kanttekening 51: Of: wonen, namelijk in het graf, als in een tabernakel, zoals het Griekse woord meebrengt.
[^handelingen-2-26-52]: Kanttekening 52: Namelijk van spoedig weer uit het graf op te staan.
[^handelingen-2-27-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: mij, een deel voor het geheel genomen. Genesis 46:26. Psalm 3:2. Handelingen 27:37. En anderzijds het geheel voor een deel verstaan, namelijk mijn lichaam. Zo wordt het woord ziel dikwijls genomen. Leviticus 19:28 en 21:1. Numeri 5:2 en 9:10. Haggai 2:14.
[^handelingen-2-27-54]: Kanttekening 54: Het Hebreeuwse woord Sheol en het Griekse Hades, dat hier wordt gebruikt, betekent soms de plaats van de verdoemden, Deuteronomium 32:22. Job 11:8. Mattheüs 11:23. Lucas 16:23, in welke betekenis het hier niet kan worden genomen, omdat de ziel van Christus, door de dood van het lichaam gescheiden, niet in die plaats maar in het paradijs is geweest. Lucas 23:43. Soms betekent het de helse smarten en angsten. 1 Samuël 2:6. Psalm 18:6 en 116:3. In welke betekenis sommigen menen dat dit woord hier zou kunnen worden genomen, aangezien Christus voor zijn dood zulke smarten in zijn ziel heeft geleden. Maar aangezien hetzelfde woord ook dikwijls wordt genomen voor het graf. Genesis 37:35. Job 17:13. Psalm 6:6 en 30:4. Spreuken 1:12 en 27:20. Jesaja 5:14 en 38:18. Openbaring 20:13. En hier gesproken wordt van de toestand van Christus na zijn dood en van zijn opstanding, zo wordt het wel het beste hier verstaan van het graf, waarin de ziel van Christus, dat wil zeggen Christus, maar naar zijn lichaam, heeft gelegen tot op de derde dag.
[^handelingen-2-27-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: de Messias, die heilig, onschuldig, onbesmet moest zijn, en afgezonderd van de zondaars, en die de Vader tot dat ambt heeft geheiligd. Zo wordt hij doorgaans genoemd. Daniël 9:24. Markus 1:24. 1 Johannes 2:20. Openbaring 3:7.
[^handelingen-2-27-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: gevoelen, of onderworpen te zijn.
[^handelingen-2-28-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: meegedeeld, gegeven.
[^handelingen-2-29-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: één van de voornaamste voorvaders van het Oude Testament, zoals ook geweest zijn Abraham, Izak, Jakob en de twaalf hoofden van de stammen van Israël.
[^handelingen-2-29-n]: Verwijzing n: 1 Koningen 2:10. Handelingen 13:36.
[^handelingen-2-29-59]: Kanttekening 59: Waaruit blijkt dat hij niet heeft gesproken van zijn eigen vlees, dat verrotting in het graf heeft gezien, en niet is opgewekt.
[^handelingen-2-30-o]: Verwijzing o: Psalm 132:11. 2 Samuël 7:12. Lucas 1:32. Handelingen 13:23. Romeinen 1:3. 2 Timotheüs 2:8.
[^handelingen-2-30-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: uit één van zijn nakomelingen. Zie 2 Samuël 7:12 en Psalm 132:11. Wat in de maagd Maria is vervuld.
[^handelingen-2-30-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: de menselijke natuur. Romeinen 1:3.
[^handelingen-2-30-62]: Kanttekening 62: Namelijk zijn koninklijke troon. Maar dit wordt verstaan niet van een aards koninkrijk, zoals dat van David was, maar van een geestelijk en eeuwig koninkrijk, waarvan Davids koninkrijk een voorbeeld was. Lucas 1:32,33. Johannes 18:36.
[^handelingen-2-31-p]: Verwijzing p: Psalm 16:10. Handelingen 13:35.
[^handelingen-2-31-63]: Kanttekening 63: Zie de verklaring van deze woorden vers 27.
[^handelingen-2-32-64]: Kanttekening 64: Namelijk uit de doden.
[^handelingen-2-32-q]: Verwijzing q: Johannes 15:27. Handelingen 1:8.
[^handelingen-2-33-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: door Gods almachtige kracht. Psalm 44:4. Of anders: tot de rechterhand van God verhoogd zijnde, namelijk nadat hij was opgestaan en ten hemel gevaren, is gezeten ter rechterhand van God. Markus 16:19.
[^handelingen-2-33-r]: Verwijzing r: Handelingen 5:31. Filippenzen 2:9.
[^handelingen-2-33-s]: Verwijzing s: Handelingen 1:4.
[^handelingen-2-33-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de beloofde heilige Geest.
[^handelingen-2-33-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: deze buitengewone gaven van de heilige Geest.
[^handelingen-2-33-t]: Verwijzing t: Handelingen 10:45.
[^handelingen-2-34-68]: Kanttekening 68: Namelijk naar zijn lichaam, dat in het graf al lang is vergaan, en nog rust.
[^handelingen-2-34-v]: Verwijzing v: Psalm 110:1. 1 Korintiërs 15:25. Efeziërs 1:20. Hebreeën 1:13.
[^handelingen-2-34-69]: Kanttekening 69: Door het zitten aan de rechterhand van God wordt verstaan de allerhoogste eer, heerlijkheid en macht, zoals onder de mensen gebruikelijk is als men iemand ten uiterste wil eren, dat men hem aan zijn rechterhand plaatst. 1 Koningen 2:19. Psalm 45:10. De verdere verklaring van deze woorden, zie Psalm 110:1 e.v.
[^handelingen-2-36-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: geslacht, of volk.
[^handelingen-2-36-71]: Kanttekening 71: Namelijk van zijn gemeente, of van het volk van God.
[^handelingen-2-36-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: Messias, Gezalfde.
[^handelingen-2-36-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: gesteld en verhoogd. Filippenzen 2:9.
[^handelingen-2-37-x]: Verwijzing x: Zacharia 12:10. Lucas 3:10. Handelingen 9:6.
[^handelingen-2-37-74]: Kanttekening 74: Gr. werden doorgestoken, of doorprikt, namelijk door het verdriet over de zonde die zij hem hadden aangedaan.
[^handelingen-2-37-y]: Verwijzing y: Handelingen 16:30.
[^handelingen-2-37-75]: Kanttekening 75: Namelijk om de verdiende straf te ontvluchten, vergeving van onze zonden te verkrijgen, en zalig te worden.
[^handelingen-2-38-76]: Kanttekening 76: Namelijk van uw ongeloof en andere zonden.
[^handelingen-2-38-77]: Kanttekening 77: Zie Mattheüs 28:19. Hoewel hier alleen de naam van de Zoon wordt genoemd, omdat hij de Middelaar is van het verbond, waarvan de doop een zegel is, worden daarmee de Vader, die hem heeft gezonden, en de heilige Geest, die hem heeft gezalfd, niet uitgesloten. Zie ook de aantekening op Handelingen 8:16.
[^handelingen-2-38-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: ter bevestiging dat uw zonden u om Christus' wil vergeven zijn. Handelingen 22:16. Want niet het water van de doop, maar het bloed van Christus reinigt ons eigenlijk van al onze zonden. 1 Johannes 1:7.
[^handelingen-2-38-79]: Kanttekening 79: Namelijk niet alleen de gaven van de heilige Geest, die alle gelovigen gemeen en tot zaligheid nodig zijn, maar ook deze buitengewone gaven die wij nu hebben ontvangen, want ook deze werden aan andere gelovigen meegedeeld, tot verbreiding en bevestiging van het evangelie. Handelingen 8:17 en 19:6.
[^handelingen-2-39-80]: Kanttekening 80: Namelijk die tevoren is verhaald uit Joël 2:28. En ook overeenkomstig het verbond van God, dat hij met Abraham en zijn zaad heeft gesloten. Genesis 17:7.
[^handelingen-2-39-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: uw zonen en dochters, zoals er staat in Joël 2:28.
[^handelingen-2-39-z]: Verwijzing z: Joël 2:28.
[^handelingen-2-39-a]: Verwijzing a: Efeziërs 2:13.
[^handelingen-2-39-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: die nog daarna zullen worden geboren, van geslacht tot geslacht. Of: de heidenen, want die worden ook gezegd ver weg te zijn geweest. Jesaja 57:19. Efeziërs 2:13.
[^handelingen-2-39-83]: Kanttekening 83: Namelijk tot de uitverkoren Joden, door de prediking van het evangelie.
[^handelingen-2-40-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: onttrekt u, of scheidt u af, opdat u behouden mag worden.
[^handelingen-2-40-85]: Kanttekening 85: Gr. krom, slim geslacht van de schriftgeleerden en farizeeën, en van de andere ongelovige Joden.
[^handelingen-2-41-86]: Kanttekening 86: Of: met welgevallen, gewillig, daartoe door de genade van God gewillig gemaakt zijnde.
[^handelingen-2-41-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: personen. Genesis 46:27.
[^handelingen-2-42-88]: Kanttekening 88: Zie Handelingen 1:14.
[^handelingen-2-42-89]: Kanttekening 89: Namelijk van de heiligen in het gemeen, of in het bijzonder van de goederen, zoals wordt verklaard in vers 44 en 45.
[^handelingen-2-42-90]: Kanttekening 90: Daarmee wordt verstaan hetzij dat zij tezamen aten en dronken, hetzij dat zij het heilig Avondmaal met elkaar hielden. Handelingen 20:7. Wat zij soms beide tegelijk deden, zoals men zien kan. 1 Korintiërs 11:21,22.
[^handelingen-2-42-91]: Kanttekening 91: Namelijk die openlijk in de vergaderingen van de gehele gemeente plaatsvonden.
[^handelingen-2-43-92]: Kanttekening 92: Zie vers 41.
[^handelingen-2-43-b]: Verwijzing b: Markus 16:17. Handelingen 5:12.
[^handelingen-2-44-c]: Verwijzing c: Handelingen 4:32. Deuteronomium 15:4.
[^handelingen-2-44-93]: Kanttekening 93: Dat wil zeggen: zij vergaderden dikwijls bijeen op één plaats.
[^handelingen-2-44-94]: Kanttekening 94: Namelijk wat betreft het gebruik van de goederen in tijden van nood, maar niet wat betreft het eigendom ervan, voordat ze aan de apostelen waren overgeleverd, zoals te zien is in Handelingen 5:4.
[^handelingen-2-45-95]: Kanttekening 95: Gr. bezittingen.
[^handelingen-2-45-d]: Verwijzing d: Jesaja 58:7. Handelingen 4:35.
[^handelingen-2-46-e]: Verwijzing e: Handelingen 1:14 en 20:7.
[^handelingen-2-46-96]: Kanttekening 96: Dat wil zeggen: in de huizen, nu in het ene dan in het andere.
[^handelingen-2-46-97]: Kanttekening 97: Zie vers 42.
[^handelingen-2-46-98]: Kanttekening 98: Namelijk ieder zijn portie bijdragend, om zich aldus matig met elkaar te verheugen en onderling op te bouwen. Gr. namen zij tezamen voedsel.
[^handelingen-2-47-99]: Kanttekening 99: Dat wil zeggen: gunst, aangenaamheid.
[^handelingen-2-47-f]: Verwijzing f: Handelingen 5:14 en 11:21.
[^handelingen-2-47-100]: Kanttekening 100: Dat wil zeggen: werkte krachtig door zijn heilige Geest in de harten van de mensen, zodat zij zich bij de gemeente van de gelovigen voegden.
[^handelingen-2-47-101]: Kanttekening 101: Namelijk door het geloof in Christus.

### Handelingen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/3.json)

*1 Petrus gaat op naar de tempel met Johannes en geneest een kreupelgeborene. 9 Waarover het volk, verwonderd, toeloopt. 12 Petrus onderricht hen dat dit niet door zijn maar door Jezus Christus' kracht geschied was. 14 Die zij gedood hadden en die uit de doden was opgestaan. 17 Troost hen en vermaant hen tot bekering. 20 Opdat zij voor hem, die nu in de hemel is en vandaar zal wederkomen, 22 naar het getuigenis van Mozes, 24 en alle profeten, 25 de zegen van Abraham zouden ontvangen.*

**1** Petrus nu en Johannes gingen samen op naar de tempel, ongeveer[^handelingen-3-1-1] op het uur van het gebed, het[^handelingen-3-1-2] negende uur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v1)

**2** [^handelingen-3-2-a] En een man[^handelingen-3-2-3] die vanaf zijn geboorte kreupel was, werd gedragen, die zij dagelijks zetten aan de deur van[^handelingen-3-2-4] de tempel,[^handelingen-3-2-b] genoemd de Schone, om een[^handelingen-3-2-5] liefdegave te begeren van degenen, die in de tempel gingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v2)

**3** Die, Petrus en Johannes ziende, als zij in de tempel zouden ingaan, bad, dat hij een liefdegave mocht ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v3)

**4** En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zei: Zie op ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v4)

**5** En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij[^handelingen-3-5-6] iets van hen zou ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v5)

**6** En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geve ik u;[^handelingen-3-6-7][^handelingen-3-6-c] in de Naam van Jezus[^handelingen-3-6-8] Christus, de Nazarener, sta op en wandel! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v6)

**7** En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en meteen werden zijn[^handelingen-3-7-9] voeten en enkelen vast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v7)

**8** En hij,[^handelingen-3-8-10] opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in de tempel, wandelende en springende, en lovende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v8)

**9** En al het volk zag hem wandelen en God loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v9)

**10** En zij kenden hem, dat hij die was, die om een liefdegave gezeten had aan de Schone poort van de tempel; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over wat hem was overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v10)

**11** En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes[^handelingen-3-11-11] vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, dat Salomo's[^handelingen-3-11-12] voorhof genoemd wordt, verbaasd zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v11)

**12** En Petrus, dat[^handelingen-3-12-13] ziende, antwoordde tot het volk: U Israëlietische mannen, wat verwondert u zich over dit, of wat ziet u zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of vroomheid deze[^handelingen-3-12-14] hadden doen wandelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v12)

**13** [^handelingen-3-13-15] De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God van onze vaders, heeft Zijn[^handelingen-3-13-16] Kind Jezus[^handelingen-3-13-17] verheerlijkt, Die u overgeleverd hebt, en hebt Hem[^handelingen-3-13-18] verloochend,[^handelingen-3-13-d] voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v13)

**14** Maar u hebt[^handelingen-3-14-19] de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt verzocht, dat u[^handelingen-3-14-20] een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v14)

**15** En[^handelingen-3-15-21] de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden;[^handelingen-3-15-22][^handelingen-3-15-e] waarvan wij getuigen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v15)

**16** En door het geloof[^handelingen-3-16-23] in Zijn Naam heeft[^handelingen-3-16-24] Zijn Naam deze[^handelingen-3-16-25] gesterkt, die u ziet en kent; en het geloof, dat[^handelingen-3-16-26] door Hem is, heeft hem deze[^handelingen-3-16-27] volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller aanwezigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v16)

**17** En nu, broeders, ik weet, dat u het door[^handelingen-3-17-28] onwetendheid gedaan hebt, als ook uw[^handelingen-3-17-29] oversten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v17)

**18** Maar God heeft zo vervuld, wat Hij[^handelingen-3-18-f] door de mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v18)

**19** [^handelingen-3-19-g] Beter u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden[^handelingen-3-19-30] van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht van de Heere, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v19)

**20** En Hij[^handelingen-3-20-31] gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u[^handelingen-3-20-32] tevoren gepredikt is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v20)

**21** Die de hemel moet[^handelingen-3-21-33] ontvangen[^handelingen-3-21-34] tot de tijden van de wederoprichting alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van[^handelingen-3-21-35] al Zijn heilige profeten van alle eeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v21)

**22** Want Mozes heeft tot de vaders gezegd:[^handelingen-3-22-h] De Heere, uw God, zal u[^handelingen-3-22-36] een Profeet verwekken, uit uw broeders,[^handelingen-3-22-37] zoals mij; Die zult u horen,[^handelingen-3-22-38] in alles, wat Hij tot u spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v22)

**23** En het zal gebeuren, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben,[^handelingen-3-23-39] uitgeroeid zal worden uit de volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v23)

**24** En ook al de profeten,[^handelingen-3-24-40] van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v24)

**25** U bent[^handelingen-3-25-41] kinderen van de profeten, en van[^handelingen-3-25-42] het verbond, dat God[^handelingen-3-25-43] met onze vaders opgericht heeft, zeggende tot Abraham:[^handelingen-3-25-i] En in uw zade zullen alle[^handelingen-3-25-44] geslachten van de aarde gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v25)

**26** God,[^handelingen-3-26-45] opgewekt hebbende Zijn[^handelingen-3-26-46] Kind Jezus, heeft Hem eerst tot[^handelingen-3-26-47] u gezonden, dat Hij u zegenen[^handelingen-3-26-48] zou,[^handelingen-3-26-49] daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/3.html#v26)

[^handelingen-3-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk waarop, naast de gebeden, ook het dagelijkse avondoffer werd gebracht. Zie Exodus 29:38,39.
[^handelingen-3-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk na de opgang van de zon, te weten toen dat uur reeds verstreken was; overeenkomend met ons derde uur na de middag. Zie Handelingen 2:15. Johannes 11:9.
[^handelingen-3-2-a]: Verwijzing a: Handelingen 14:8.
[^handelingen-3-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk van meer dan veertig jaren. Handelingen 4:22.
[^handelingen-3-2-4]: Kanttekening 4: Dit was één van de poorten van de voorhof, en zoals het schijnt, de grote poort die naar het oosten stond, aldus genaamd om haar schoonheid en kostbaarheid. Zie Josephus, Antiquitates, boek 15, hfst. 14.
[^handelingen-3-2-b]: Verwijzing b: Johannes 9:8.
[^handelingen-3-2-5]: Kanttekening 5: De arme te laten bedelen was door God verboden onder zijn volk, Deuteronomium 15:4. Zodat dit ook een teken was dat toen onder de Joden de wetten van God zeer vervallen waren.
[^handelingen-3-5-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: enige aalmoes.
[^handelingen-3-6-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: door het bevel en de kracht van Christus. Of: vertrouwend op de beloften en kracht van Christus.
[^handelingen-3-6-c]: Verwijzing c: Handelingen 4:10.
[^handelingen-3-6-8]: Kanttekening 8: Zie Mattheüs 2:23.
[^handelingen-3-7-9]: Kanttekening 9: Gr. baseis (βάσεις), dat wil zeggen: fundamenten. Want de voeten zijn als het fundament waarop het lichaam rust, staat en wordt gedragen.
[^handelingen-3-8-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: niet alleen opstaan, maar als teken van volkomen genezing en van vreugde opspringen. Zie Jesaja 35:6 en Handelingen 14:10.
[^handelingen-3-11-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: zich dicht bij hen hield, zonder van hen te wijken.
[^handelingen-3-11-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: die eerst door Salomo rondom de tempel was gebouwd, en daarna, met de tempel verwoest zijnde, op dezelfde plaats opnieuw was gebouwd, en daarom de naam van Salomo had behouden. Zie 1 Koningen 6:3. Johannes 10:23. Handelingen 5:12.
[^handelingen-3-12-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: sprak.
[^handelingen-3-12-14]: Kanttekening 14: Namelijk alsof wij voor die zaak dit zouden hebben verdiend.
[^handelingen-3-13-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de ware God, die zichzelf aan deze aartsvaders en voorvaders heeft geopenbaard, met hen en hun nakomelingen een verbond heeft gesloten, en die door hen is gekend en gediend. Zie Handelingen 5:30 en Filippenzen 2:9.
[^handelingen-3-13-16]: Kanttekening 16: Of: knecht, dienaar. Zie Jesaja 53:11 en hier vers 26 en Handelingen 4:27.
[^handelingen-3-13-17]: Kanttekening 17: Namelijk hem uit de doden opgewekt en in de hemel tot de hoogste eer opgenomen hebbende, en door onze dienst zulke wonderen doende.
[^handelingen-3-13-18]: Kanttekening 18: Namelijk dat hij uw koning was. Johannes 19:15.
[^handelingen-3-13-d]: Verwijzing d: Mattheüs 27:20. Markus 15:11. Lucas 23:18. Johannes 18:40.
[^handelingen-3-14-19]: Kanttekening 19: Zie Handelingen 2:27.
[^handelingen-3-14-20]: Kanttekening 20: Namelijk Barabbas. Zie Markus 15:7.
[^handelingen-3-15-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: die de enige leidsman is om de mensen door zijn verdiensten en krachtige werkingen tot het eeuwige leven te brengen. Zie Handelingen 4:12.
[^handelingen-3-15-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: van welke zaak, of: van welke Christus.
[^handelingen-3-15-e]: Verwijzing e: Handelingen 1:8 en 2:32.
[^handelingen-3-16-23]: Kanttekening 23: Gr. van zijn naam, dat wil zeggen: doordat hij in de naam van Christus heeft geloofd, zoals in het volgende wordt verklaard. Zie Markus 11:22 en Romeinen 3:22.
[^handelingen-3-16-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: deze Jezus Christus zelf, in wiens naam en door wiens kracht dit wonder is geschied.
[^handelingen-3-16-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zijn voeten vastgemaakt, zodat hij nu op die kan staan en gaan.
[^handelingen-3-16-26]: Kanttekening 26: Of: in hem.
[^handelingen-3-16-27]: Kanttekening 27: Namelijk van al zijn leden, die hij nu ten volle kan gebruiken.
[^handelingen-3-17-28]: Kanttekening 28: Dit zegt hij om hen te troosten met de hoop op vergeving, aangezien zij niet tegen de heilige Geest hadden gezondigd. Zie Lucas 23:34. Johannes 16:3. 1 Korintiërs 2:8. 1 Timotheüs 1:13.
[^handelingen-3-17-29]: Kanttekening 29: Dit moet worden verstaan van sommigen van hen, over wie de apostel spreekt in 1 Korintiërs 2:8. Want van sommigen getuigt Christus dat zij tegen de heilige Geest hebben gezondigd. Mattheüs 12:30,31,32.
[^handelingen-3-18-f]: Verwijzing f: Lucas 24:27. Jesaja 50:6 en 53:5.
[^handelingen-3-19-g]: Verwijzing g: Handelingen 2:38.
[^handelingen-3-19-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: van de verfrissing van de gelovigen, die aan de hitte van de vervolgingen in deze wereld onderworpen zijn. Psalm 66:12. Jesaja 28:12. Jeremia 6:16.
[^handelingen-3-20-31]: Kanttekening 31: Namelijk voor de tweede keer, of bij zijn tweede komst tot het oordeel.
[^handelingen-3-20-32]: Kanttekening 32: Of anders: tevoren beschikt, geschikt, geordend.
[^handelingen-3-21-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: ontvangen hebbende, behouden.
[^handelingen-3-21-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: tot de dag van het algemeen oordeel, op welke alle dingen die nu vanwege de zonden aan de ijdelheid onderworpen zijn, opnieuw terecht zullen worden gebracht en hersteld. Romeinen 8:20. 2 Petrus 3:13. Of totdat alles volkomen zal zijn vervuld, wat door de profeten is voorzegd.
[^handelingen-3-21-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: eertijds, in vroegere tijden. Of: van het begin van de eeuwen. Johannes 9:32. Onder deze is ook geweest Enoch. Judas vers 14.
[^handelingen-3-22-h]: Verwijzing h: Deuteronomium 18:15,18,19. Johannes 1:46. Handelingen 7:37.
[^handelingen-3-22-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: een uitnemend leraar op een bijzondere wijze door God gezonden.
[^handelingen-3-22-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: mij gelijk zijnde naar de menselijke natuur, en in uitnemendheid van bijzondere zending, getrouwheid en wonderen; maar hem in vele dingen ook overtreffend. Zie Deuteronomium 18:15. Hebreeën 3:2,3,4,5.
[^handelingen-3-22-38]: Kanttekening 38: Of: naar alles.
[^handelingen-3-23-39]: Kanttekening 39: Of: verdelgd, vernield. Mozes zegt in Deuteronomium 18:19: van die wil ik het eisen, dat wil zeggen: ik zal hem straffen, namelijk zoals hier wordt verklaard, met uitroeiing uit mijn volk. Hebreeën 2:2,3.
[^handelingen-3-24-40]: Kanttekening 40: Hoewel er vóór de tijd van Samuël, na Mozes, ook enige profeten zijn geweest, wil Petrus toch dat men voornamelijk zal letten op Samuël en de profeten die na hem zijn geweest, ten tijde van de koningen en daarna, aangezien deze duidelijker van Christus hebben geprofeteerd. Handelingen 10:43.
[^handelingen-3-25-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: afkomstig van de profeten. Of: aan wie de profeten voornamelijk zijn gezonden.
[^handelingen-3-25-42]: Kanttekening 42: Of: Testament. Zie Genesis 17:7. Romeinen 9:4.
[^handelingen-3-25-43]: Kanttekening 43: Of: tot onze vaderen.
[^handelingen-3-25-i]: Verwijzing i: Genesis 22:18. Galaten 3:8.
[^handelingen-3-25-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: volken. Waarover zie nader de verklaring in Galaten 3:8. Genesis 22:18.
[^handelingen-3-26-45]: Kanttekening 45: Namelijk uit de doden. Of: verwekt, dat wil zeggen: in de wereld gezonden. Handelingen 13:22,23.
[^handelingen-3-26-46]: Kanttekening 46: Of: knecht, dienaar. Zie vers 13.
[^handelingen-3-26-47]: Kanttekening 47: Namelijk Joden, en burgers van Jeruzalem. Handelingen 13:46.
[^handelingen-3-26-48]: Kanttekening 48: Namelijk met genade in dit leven, en met heerlijkheid in het toekomende.
[^handelingen-3-26-49]: Kanttekening 49: Of: doordat een ieder van u zich afkeert van zijn boosheden. Maar het eerste komt beter overeen met het woord zegenen, evenals met een vergelijkbare tekst in Handelingen 5:31.

### Handelingen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/4.json)

*1 De oversten van de Joden nemen Petrus en Johannes gevangen. 5 Waarover de gehele Raad vergadert. 7 Door wie zij ondervraagd worden over de genezing van de kreupele. 8 Petrus betuigt dat dit geschied is in de Naam van Jezus. 11 En dat deze de steen is door de bouwers verworpen. 12 Maar dat er in geen ander zaligheid is. 13 De Raad, hoewel overtuigd van dit wonderwerk, verbiedt hun toch in de naam van Jezus te prediken. 19 Wat zij verklaren niet te kunnen laten. 21 Worden daarna met harde bedreigingen ontslagen. 23 Verhalen de hunnen wat hun was overkomen. 24 Die God bidden om bescherming, vrijmoedigheid en zegen voor de prediking van het Woord. 31 En God verhoort hen met een aardbeving. 32 De eendracht en liefde van de gelovigen, die hun goederen verkochten tot onderhoud van de behoeftigen. 36 Wat ook Barnabas gedaan heeft.*

**1** En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en[^handelingen-4-1-1] de hoofdman van de tempel, en[^handelingen-4-1-2] de Sadduceën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v1)

**2** Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden[^handelingen-4-2-3] in Jezus de opstanding uit de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v2)

**3** En zij sloegen de handen aan hen, en zetten[^handelingen-4-3-4] ze in bewaring tot de andere dag; want het was nu avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v3)

**4** En velen van degenen, die[^handelingen-4-4-5] het woord gehoord hadden,[^handelingen-4-4-6] geloofden; en het getal van de mannen werd ongeveer[^handelingen-4-4-7] vijf duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v4)

**5** Op de andere dag verzamelden hun [^handelingen-4-5-8]oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden[^handelingen-4-5-9] te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v5)

**6** En[^handelingen-4-6-10] Annas, de hogepriester, en Kajafas, en[^handelingen-4-6-11] Johannes, en[^handelingen-4-6-12] Alexander, en zovelen er van[^handelingen-4-6-13] het hogepriesterlijk geslacht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v6)

**7** En als zij[^handelingen-4-7-14] hen in het midden gesteld hadden, vroegen zij:[^handelingen-4-7-a] Door wat kracht, of door wat[^handelingen-4-7-15] naam hebt u dit gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v7)

**8** Toen zei Petrus,[^handelingen-4-8-16] vervuld zijnde met de Heilige Geest, tot hen: U oversten van het volk, en u ouderlingen van Israël![^handelingen-4-8-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v8)

**9** [^handelingen-4-9-18] Aangezien wij[^handelingen-4-9-19] vandaag voor het gerecht worden ondervraagd over de weldaad aan een ziek mens bewezen, waardoor hij[^handelingen-4-9-20] gezond geworden is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v9)

**10** Zo zij u allen duidelijk, en heel het volk Israël, dat[^handelingen-4-10-21] door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruist hebt, Die God van de doden heeft opgewekt,[^handelingen-4-10-22] door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v10)

**11** [^handelingen-4-11-23] Deze is de Steen, Die van u,[^handelingen-4-11-24][^handelingen-4-11-b] de bouwers,[^handelingen-4-11-25] veracht is, Die tot[^handelingen-4-11-26] een hoeksteen geworden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v11)

**12** [^handelingen-4-12-c] En de zaligheid is[^handelingen-4-12-27] in geen Anderen; want er is ook[^handelingen-4-12-28] onder de hemel geen andere[^handelingen-4-12-29] Naam, Die[^handelingen-4-12-30] onder de mensen[^handelingen-4-12-31] gegeven is,[^handelingen-4-12-32] door Welke wij moeten zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v12)

**13** Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij[^handelingen-4-13-33] ongeleerde en[^handelingen-4-13-34] eenvoudige mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v13)

**14** En ziende de mens bij hen[^handelingen-4-14-35] staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v14)

**15** En hun geboden hebbende[^handelingen-4-15-36] uit te gaan buiten de raad, overlegden zij met elkaar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v15)

**16** Zeggende:[^handelingen-4-16-d] Wat zullen wij deze mensen doen? Want dat[^handelingen-4-16-37] er een bekend teken door hen is gedaan, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v16)

**17** Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid wordt, laat ons hen[^handelingen-4-17-38] scherp dreigen, dat zij niet meer tot enig mens[^handelingen-4-17-39] in deze Naam spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v17)

**18** En als zij hen geroepen hadden,[^handelingen-4-18-40] zeiden zij hun aan, dat zij[^handelingen-4-18-41] geheel niet zouden spreken, noch leren, in de Naam van Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v18)

**19** Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen:[^handelingen-4-19-e] Oordeel u, of het recht is[^handelingen-4-19-42] voor God, u meer te horen dan God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v19)

**20** Want wij[^handelingen-4-20-43] kunnen niet laten te spreken, wat wij gezien en gehoord hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v20)

**21** Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende,[^handelingen-4-21-44] hoe zij hen straffen zouden,[^handelingen-4-21-45][^handelingen-4-21-f] vanwege het volk; want zij verheerlijkten allen God over wat[^handelingen-4-21-g] er was gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v21)

**22** Want de mens was[^handelingen-4-22-46] meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken van genezing was gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v22)

**23** En zij, losgelaten zijnde,[^handelingen-4-23-h] kwamen[^handelingen-4-23-47] tot de hun, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v23)

**24** En als deze dat hoorden, hieven zij eensgezind hun stem op tot God, en zeiden:[^handelingen-4-24-48] Heere! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v24)

**25** Die door de mond van[^handelingen-4-25-49] David Uw knecht, gezegd hebt:[^handelingen-4-25-i] Waarom[^handelingen-4-25-50] woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v25)

**26** De koningen van de aarde zijn samen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v26)

**27** [^handelingen-4-27-k] Want[^handelingen-4-27-51] in waarheid zijn verzameld tegen Uw heilig[^handelingen-4-27-52] Kind Jezus, Die U[^handelingen-4-27-53] gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en[^handelingen-4-27-54] de volken van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v27)

**28** [^handelingen-4-28-55] Om te doen al wat Uw[^handelingen-4-28-56] hand en Uw raad[^handelingen-4-28-57] te voren bepaald had, dat gebeuren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v28)

**29** En nu dan, Heere,[^handelingen-4-29-58] zie op hun dreigingen, en geef Uw[^handelingen-4-29-59] dienaren met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v29)

**30** [^handelingen-4-30-l] Daarin, dat U[^handelingen-4-30-60] Uw hand uitstrekt tot[^handelingen-4-30-61] genezing, en dat tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilig[^handelingen-4-30-62] Kind Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v30)

**31** En als[^handelingen-4-31-63] zij gebeden hadden, werd de plaats, waarin zij verzameld waren,[^handelingen-4-31-64][^handelingen-4-31-m] bewogen. En zij werden allen[^handelingen-4-31-65] vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v31)

**32** En de menigte van degenen, die geloofden, was[^handelingen-4-32-66][^handelingen-4-32-n] één van hart en één van ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had,[^handelingen-4-32-67] van zichzelf was, maar alle dingen waren hun gemeenschappelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v32)

**33** En de apostelen gaven met grote[^handelingen-4-33-68] kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote[^handelingen-4-33-69] genade over hen allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v33)

**34** Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden[^handelingen-4-34-70] die aan de voeten van de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v34)

**35** [^handelingen-4-35-o] En aan ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v35)

**36** En[^handelingen-4-36-71] Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (dat is, overgezet zijnde, een zoon[^handelingen-4-36-72] van de[^handelingen-4-36-73] troost), een Leviet, van geboorte uit[^handelingen-4-36-74] Cyprus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v36)

**37** Aangezien hij een akker had, verkocht hij die, en bracht[^handelingen-4-37-75] het geld, en legde het aan de voeten van de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/4.html#v37)

[^handelingen-4-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de overste van de Romeinse soldaten die de wacht hielden voor de tempel, om te voorkomen dat onder de grote menigte van het volk dat dagelijks tot de tempel kwam, onrust zou ontstaan. Zie Mattheüs 27:65. Lucas 22:4,52. Handelingen 5:24,26.
[^handelingen-4-1-2]: Kanttekening 2: Over deze, zie Mattheüs 3:7 en 22:23. Handelingen 23:8.
[^handelingen-4-2-3]: Kanttekening 3: Of: door Jezus. Namelijk dat die door Jezus zou gebeuren. Of: dat Jezus van de doden was opgestaan, zoals in vers 33 en Handelingen 2:24 en 3:15. Of: in de naam van Jezus.
[^handelingen-4-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk bij enige krijgsknechten of andere dienaren, zonder hen nog, zoals het schijnt, in de gevangenis te werpen.
[^handelingen-4-4-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de prediking van Petrus over Christus. Handelingen 3:12.
[^handelingen-4-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk dat Jezus de Nazarener de ware Messias en hun Heiland was.
[^handelingen-4-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk hetzij de drieduizend van Handelingen 2:41 daarin gerekend, hetzij bovendien nog vijfduizend.
[^handelingen-4-5-8]: Kanttekening 8: Deze schijnen geweest te zijn de voornaamste hoofden van de grote Raad, het Sanhedrin genaamd, bestaande niet alleen uit priesters, maar ook uit andere voornaamsten van het volk, voornamelijk uit schriftgeleerden of wetgeleerden. Zie vers 15.
[^handelingen-4-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk zijnde, of: uit andere plaatsen naar Jeruzalem ontboden zijnde.
[^handelingen-4-6-10]: Kanttekening 10: Over deze Annas, evenals over Kajafas, zie Lucas 3:2. Johannes 11:49 en 18:13.
[^handelingen-4-6-11]: Kanttekening 11: Deze was één van de vijf zonen van Annas, anderszins ook Jonatan genaamd. Zie Josephus, De bello Judaico, boek 2, hfst. 25.
[^handelingen-4-6-12]: Kanttekening 12: Sommigen menen dat deze dezelfde zou zijn als de Alexander van wie Josephus melding maakt in Antiquitates, boek 20, hfst. 3, omdat ook hij van Joodse afkomst was. Maar aangezien die stadhouder van Judea was, is het niet waarschijnlijk dat hij hogepriester is geweest.
[^handelingen-4-6-13]: Kanttekening 13: Wat kan worden verstaan hetzij van diegenen die afkomstig waren van hogepriesters, hetzij van overpriesters, dat wil zeggen: van de hoofden van de priesters die in dagorden waren verdeeld. 1 Kronieken 24:1. Lucas 1:5.
[^handelingen-4-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk Petrus en Johannes.
[^handelingen-4-7-a]: Verwijzing a: Exodus 2:14. Mattheüs 21:23. Handelingen 7:27.
[^handelingen-4-7-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: door wiens autoriteit, of bevel.
[^handelingen-4-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk met een bijzondere drijving en beweging van de heilige Geest.
[^handelingen-4-8-17]: Kanttekening 17: Over deze ouderlingen, zie de aantekening op vers 5.
[^handelingen-4-9-18]: Kanttekening 18: Gr. als, of: zo.
[^handelingen-4-9-19]: Kanttekening 19: Of: te recht gesteld, gericht, geoordeeld worden.
[^handelingen-4-9-20]: Kanttekening 20: Gr. behouden is geworden.
[^handelingen-4-10-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: door de kracht en autoriteit van Jezus, en door het geloof in zijn naam. Handelingen 3:16.
[^handelingen-4-10-22]: Kanttekening 22: Namelijk Jezus Christus. Of: door deze, te weten de naam van Jezus Christus. Handelingen 3:6.
[^handelingen-4-11-23]: Kanttekening 23: Namelijk Jezus de Nazarener.
[^handelingen-4-11-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: van u die gesteld bent om de gemeente met de zaligmakende leer van de ware Messias te stichten.
[^handelingen-4-11-b]: Verwijzing b: Psalm 118:22. Jesaja 28:16. Mattheüs 21:42. Markus 12:10. Lucas 20:17. Romeinen 9:33. 1 Petrus 2:7.
[^handelingen-4-11-25]: Kanttekening 25: Gr. vernietigd. Dat wil zeggen: als niets geacht, of verworpen.
[^handelingen-4-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de voornaamste hoeksteen, waarop het gehele gebouw is getimmerd. Zie Jesaja 28:16. Romeinen 9:33. 1 Petrus 2:6.
[^handelingen-4-12-c]: Verwijzing c: Mattheüs 1:21. Handelingen 10:43. 1 Timotheüs 2:5.
[^handelingen-4-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: door geen ander.
[^handelingen-4-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: nergens in de gehele wereld.
[^handelingen-4-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: niemand anders, geen ander persoon.
[^handelingen-4-12-30]: Kanttekening 30: Gr. in de mensen, dat wil zeggen: onder de mensen.
[^handelingen-4-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk door God. Johannes 3:16.
[^handelingen-4-12-32]: Kanttekening 32: Gr. in welke.
[^handelingen-4-13-33]: Kanttekening 33: Gr. ongeletterd, die in de scholen niet hadden gestudeerd.
[^handelingen-4-13-34]: Kanttekening 34: Gr. idiotai (ἰδιῶται): aldus worden gewone mensen genoemd, die alleen hun eigen moedertaal spreken, die geen geleerdheid of autoriteit in de overheid of kerk hebben. 1 Korintiërs 14:16,23,24 en 2 Korintiërs 11:6.
[^handelingen-4-14-35]: Kanttekening 35: Namelijk op zijn voeten, overeind, wat hij tevoren niet had kunnen doen.
[^handelingen-4-15-36]: Kanttekening 36: Gr. weg te gaan; wat niet moet worden verstaan alsof zij geheel werden ontslagen om te mogen heengaan, maar dat zij uit de Raad werden geleid.
[^handelingen-4-16-d]: Verwijzing d: Johannes 11:47.
[^handelingen-4-16-37]: Kanttekening 37: Namelijk de wonderbaarlijke genezing van deze kreupele.
[^handelingen-4-17-38]: Kanttekening 38: Gr. met dreiging dreigen. Hebreeuws.
[^handelingen-4-17-39]: Kanttekening 39: Of: van deze naam. Dat wil zeggen: van deze Jezus.
[^handelingen-4-18-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: geboden hun.
[^handelingen-4-18-41]: Kanttekening 41: Namelijk noch van hem prediken, noch hem aanroepen, noch in zijn naam wonderen doen.
[^handelingen-4-19-e]: Verwijzing e: Handelingen 5:29.
[^handelingen-4-19-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: voor het aangezicht van God, in Gods aanwezigheid, die alles weet en oordeelt.
[^handelingen-4-20-43]: Kanttekening 43: Namelijk aangezien wij door God daartoe geroepen zijn, om getuigenis af te leggen van wat wij van Jezus Christus hebben gehoord en gezien.
[^handelingen-4-21-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: onder welk voorwendsel of schijn van recht.
[^handelingen-4-21-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: uit vrees dat het volk tegen hen zou oproerig worden.
[^handelingen-4-21-f]: Verwijzing f: Handelingen 5:26.
[^handelingen-4-21-g]: Verwijzing g: Handelingen 3:7.
[^handelingen-4-22-46]: Kanttekening 46: En daardoor een geloofwaardig en bekend man, en die ook moeilijker te genezen was, zo vele jaren kreupel geweest zijnde.
[^handelingen-4-23-h]: Verwijzing h: Handelingen 12:12.
[^handelingen-4-23-47]: Kanttekening 47: Namelijk tot de andere apostelen, vers 29,30,31.
[^handelingen-4-24-48]: Kanttekening 48: Gr. despota (δεσπότα). Welke naam aan God de Vader voornamelijk wordt toegeschreven, terwijl het woord kyrios (κύριος) aan de Zoon Jezus Christus wordt gegeven. Zie Lucas 2:29. 2 Petrus 2:1. Judas vers 4.
[^handelingen-4-25-49]: Kanttekening 49: Of: uw kind. Zie vers 27.
[^handelingen-4-25-i]: Verwijzing i: Psalm 2:1.
[^handelingen-4-25-50]: Kanttekening 50: Gr. briesen, zoals moedige paarden wanneer zij ten strijde gaan.
[^handelingen-4-27-k]: Verwijzing k: Mattheüs 26:3. Markus 14:1. Lucas 27:2. Johannes 11:47.
[^handelingen-4-27-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: openlijk en kennelijk.
[^handelingen-4-27-52]: Kanttekening 52: Of: knecht, dienaar. Zie Handelingen 3:13,26. Zie ook Mattheüs 8:6 vergeleken met Lucas 7:2, en hier vers 25.
[^handelingen-4-27-53]: Kanttekening 53: Namelijk met de heilige Geest tot de opperste Priester, Profeet en Koning van de gemeente.
[^handelingen-4-27-54]: Kanttekening 54: Hoewel de Israëlieten maar één volk waren, worden zij toch ook volken genoemd, in het meervoud, omdat zij in 12 stammen waren verdeeld. Genesis 28:3 en 48:4.
[^handelingen-4-28-55]: Kanttekening 55: Dit moet worden verstaan niet ten aanzien van hun voornemen, alsof zij de raad van God zouden hebben voorgenomen uit te voeren; maar ten aanzien van de uitkomst van de zaak, die aldus is uitgevallen zoals God in zijn raad had besloten.
[^handelingen-4-28-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: u zelf, naar uw macht en wijze bestiering.
[^handelingen-4-28-57]: Kanttekening 57: Of: tevoren geschikt, geordend, besloten. Zie Handelingen 2:23.
[^handelingen-4-29-58]: Kanttekening 58: Namelijk van de hemel, vanwaar u alle dingen regeert.
[^handelingen-4-29-59]: Kanttekening 59: Namelijk de apostelen. Efeziërs 6:19.
[^handelingen-4-30-l]: Verwijzing l: Markus 16:17.
[^handelingen-4-30-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: uw kracht.
[^handelingen-4-30-61]: Kanttekening 61: Namelijk wonderbaarlijke.
[^handelingen-4-30-62]: Kanttekening 62: Zie vers 27.
[^handelingen-4-31-63]: Kanttekening 63: Namelijk de apostelen, door wie dit gebed was gedaan.
[^handelingen-4-31-64]: Kanttekening 64: Het Griekse woord betekent eigenlijk op en neer bewogen worden zoals de golven van de zee. Met dit wonderteken toonde God dat hun gebed was verhoord.
[^handelingen-4-31-m]: Verwijzing m: Handelingen 16:26.
[^handelingen-4-31-65]: Kanttekening 65: Zie vers 8. Om het evangelie vrijmoedig midden in de vervolging te prediken.
[^handelingen-4-32-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: zeer grote eenheid, zowel in de leer en het gevoelen, als in de gemoederen en de geneigdheden tot elkaar in liefde en vrede.
[^handelingen-4-32-n]: Verwijzing n: Handelingen 2:44. 1 Petrus 3:8.
[^handelingen-4-32-67]: Kanttekening 67: Zie hierover Handelingen 2:44 en 5:4.
[^handelingen-4-33-68]: Kanttekening 68: Namelijk om de harten van de mensen te bewegen. Romeinen 1:16.
[^handelingen-4-33-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: gunst en aangenaamheid bij het volk, dat hen als heilige en godvruchtige mensen hoogachtte.
[^handelingen-4-34-70]: Kanttekening 70: Namelijk om door hen te worden uitgedeeld aan de armen, naar ieders behoefte. Vers 35.
[^handelingen-4-35-o]: Verwijzing o: Jesaja 58:7.
[^handelingen-4-36-71]: Kanttekening 71: And. Jozef.
[^handelingen-4-36-72]: Kanttekening 72: Of: van de vermaning. Vanwege de bijzondere gaven die hij had om de mensen uit het Woord van God te troosten en vermanen. Zie Handelingen 11:22,23,24.
[^handelingen-4-36-73]: Kanttekening 73: Of: een Leviet van geboorte, geslacht of afkomst uit Cyprus.
[^handelingen-4-36-74]: Kanttekening 74: De Joden waren in alle gewesten van de wereld verstrooid. 1 Petrus 1:1. En ook op dit eiland, waarover zie Handelingen 11:19 en 13:4 en 15:39 en 21:3 en 27:4.
[^handelingen-4-37-75]: Kanttekening 75: Namelijk wat hij had gemaakt van de verkochte akker.

### Handelingen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/5.json)

*1 Ananias wordt vanwege zijn geveinsdheid en leugen door Petrus bestraft en door God met een plotselinge dood gestraft. 7 Evenzo ook Saffira, zijn vrouw. 12 Vele wonderwerken geschieden aan de zieken en bezetenen door de apostelen, en ook door de schaduw van Petrus. 17 De apostelen worden gevangen. 19 En door een engel bevrijd. 21 De Joodse Raad, vergaderd, zendt om hen te halen, maar vindt de kerker leeg. 26 Zij worden uit de tempel gehaald en opnieuw voor de Raad gebracht. 29 Bij wie zij zich verantwoorden en getuigen van Christus en zijn opstanding. 33 De Raad wil hen doden. 34 Maar op Gamaliëls waarschuwing worden zij losgelaten, 40 maar eerst gegeseld. 41 Waarover zij zich verblijden en even vrijmoedig voortgaan met prediken.*

**1** En een zeker man, met de naam Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht[^handelingen-5-1-1] zijn bezittingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v1)

**2** En[^handelingen-5-2-2] onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een deel, en legde[^handelingen-5-2-3] dat aan de voeten van de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v2)

**3** En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart[^handelingen-5-3-4] vervuld, dat u de Heilige Geest[^handelingen-5-3-5] liegen zou, en onttrekken van de prijs van het land? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v3)

**4** [^handelingen-5-4-6] Als het gebleven was, bleef[^handelingen-5-4-7] het van u, en verkocht zijnde,[^handelingen-5-4-8] was het niet in uw macht? Wat is het, dat u deze daad in uw hart hebt[^handelingen-5-4-9] voorgenomen? U hebt de mensen[^handelingen-5-4-10] niet gelogen, maar[^handelingen-5-4-11] God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v4)

**5** En Ananias, deze woorden horende, viel neer en[^handelingen-5-5-12] gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v5)

**6** En[^handelingen-5-6-13] de jongemannen, opstaande,[^handelingen-5-6-14] schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v6)

**7** En ongeveer drie[^handelingen-5-7-15] uur later kwam ook zijn vrouw binnen, zonder[^handelingen-5-7-16] te weten wat [^handelingen-5-7-17]er was gebeurd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v7)

**8** En Petrus[^handelingen-5-8-18] antwoordde haar: Zeg mij, hebt u het land voor[^handelingen-5-8-19] zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v8)

**9** En Petrus zei tot haar: Wat is het, dat u onder elkaar hebt overeengestemd[^handelingen-5-9-20] te verzoeken de Geest van de Heere? Zie, de voeten van degenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u[^handelingen-5-9-21] uitdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v9)

**10** En zij viel meteen neer voor zijn voeten, en gaf de geest. En de jongemannen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v10)

**11** En er kwam grote vrees over heel de gemeente, en over allen, die dit hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v11)

**12** [^handelingen-5-12-a] En[^handelingen-5-12-22] door de handen van de apostelen werden vele tekenen en wonderen onder het volk gedaan; en zij waren allen eensgezind in het[^handelingen-5-12-23] voorhof van Salomo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v12)

**13** En van[^handelingen-5-13-24] de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk[^handelingen-5-13-25] hield hen in grote achting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v13)

**14** En er werden[^handelingen-5-14-26] meer en meer toegedaan, die de Heere geloofden, menigten zowel van mannen als van vrouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v14)

**15** Zo dat zij de zieken uitdroegen[^handelingen-5-15-27] op de straten, en legden op bedden en ligmatten, opdat, als Petrus[^handelingen-5-15-28] kwam, ook maar de schaduw iemand van hen[^handelingen-5-15-29] beschaduwen mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v15)

**16** En ook de menigte uit de omliggende steden kwam samen te Jeruzalem, brachten zieken,[^handelingen-5-16-b] en die van onreine geesten[^handelingen-5-16-30] gekweld waren; die allen genezen werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v16)

**17** En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (die was[^handelingen-5-17-31] de sekte[^handelingen-5-17-32] van de Sadduceën), en werden vervuld met[^handelingen-5-17-33] jaloezie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v17)

**18** En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v18)

**19** [^handelingen-5-19-c] Maar de engel van de[^handelingen-5-19-34] Heere opende bij nacht de deuren van de gevangenis en leidde hen uit, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v19)

**20** Ga, en[^handelingen-5-20-35] staat en spreekt in de tempel tot het volk[^handelingen-5-20-36] al de woorden van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v20)

**21** Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen[^handelingen-5-21-37] de raad samen, en al[^handelingen-5-21-38] de oudsten van de Israëlieten, en zonden naar de kerker, om hen te halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v21)

**22** Maar als de dienaren daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden opnieuw, en meldden dit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v22)

**23** Zeggende: Wij vonden wel de kerker[^handelingen-5-23-39] met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v23)

**24** Toen nu[^handelingen-5-24-40] de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij in twijfel over hen, wat toch dit worden zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v24)

**25** En er kwam een, en meldde hun, zeggende: Zie, de mannen, die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel, en leren het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v25)

**26** Toen ging de hoofdman erheen, met de dienaren, en bracht hen, maar niet met geweld[^handelingen-5-26-d] (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v26)

**27** En als zij hen gebracht hadden, stelden zij[^handelingen-5-27-41] hen voor de raad; en de hogepriester vroeg hun, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v27)

**28** [^handelingen-5-28-e] Hebben wij u niet[^handelingen-5-28-42] ernstig aangezegd, dat u[^handelingen-5-28-43] in deze Naam niet zou leren? En zie, u hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en u wilt[^handelingen-5-28-44] het bloed van deze Mens over ons brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v28)

**29** Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden:[^handelingen-5-29-f] Men moet voor God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v29)

**30** [^handelingen-5-30-g]De God van onze vaders heeft Jezus[^handelingen-5-30-45] opgewekt, Die u omgebracht hebt,[^handelingen-5-30-h] Hem hangend aan het hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v30)

**31** Deze heeft God door Zijn rechterhand[^handelingen-5-31-i] verhoogd[^handelingen-5-31-46] tot een Vorst en Zaligmaker, om[^handelingen-5-31-47] Israël te geven bekering en vergeving van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v31)

**32** En wij zijn[^handelingen-5-32-k] Zijn getuigen[^handelingen-5-32-48] van deze woorden; en ook[^handelingen-5-32-49] de Heilige Geest, Die God[^handelingen-5-32-l] gegeven heeft degenen, die Hem gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v32)

**33** Als zij nu dit hoorden,[^handelingen-5-33-50] barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v33)

**34** Maar een zekere Farizeeër stond op in de raad, met de naam[^handelingen-5-34-51] Gamaliël, een leraar van de wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen[^handelingen-5-34-52] een weinig zou doen buiten staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v34)

**35** En hij zei tot hen: U Israëlietische mannen, ziet voor u, wat u doen zult wat dit betreft mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v35)

**36** [^handelingen-5-36-m] Want[^handelingen-5-36-53] voor deze dagen stond[^handelingen-5-36-54] Theudas op, zeggende, dat hij[^handelingen-5-36-55] wat was, die een getal van ongeveer vierhonderd mannen[^handelingen-5-36-56] aanhing; die is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v36)

**37** [^handelingen-5-37-57] Na hem stond op[^handelingen-5-37-58] Judas, de[^handelingen-5-37-59] Galileër in de dagen[^handelingen-5-37-60] van de beschrijving, en maakte veel van het volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v37)

**38** En nu zeg ik u: Houd[^handelingen-5-38-61] af van deze mensen, en laat hen[^handelingen-5-38-n] gaan; want als[^handelingen-5-38-62] deze raad, of dit werk[^handelingen-5-38-63] uit mensen is, zo zal het[^handelingen-5-38-64] gebroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v38)

**39** Maar als het[^handelingen-5-39-65] uit God is, kunt u het niet kapotmaken[^handelingen-5-39-66]; opdat u niet[^handelingen-5-39-67] misschien bevonden wordt ook[^handelingen-5-39-o] tegen God te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v39)

**40** En zij[^handelingen-5-40-68] gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden,[^handelingen-5-40-69] geselden zij hen en geboden hun, dat zij niet zouden spreken[^handelingen-5-40-70] in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v40)

**41** Zij dan gingen heen van het aangezicht van de[^handelingen-5-41-p] raad, verblijd zijnde, dat zij waardig geacht waren[^handelingen-5-41-71] om[^handelingen-5-41-72] omwille van Zijn Naam smaad te lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v41)

**42** En zij hielden niet op, allen dag, in de tempel en[^handelingen-5-42-73] bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/5.html#v42)

[^handelingen-5-1-1]: Kanttekening 1: Gr. een bezitting. In vers 3 wordt dit een land of hofstede genaamd.
[^handelingen-5-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: hield met list achter, verborg het, en bracht het niet te voorschijn.
[^handelingen-5-2-3]: Kanttekening 3: Zie Handelingen 4:34.
[^handelingen-5-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: geheel ingenomen met hebzucht en geveinsdheid. Of: waarom hebt u de Satan ruimte gegeven in uw hart?
[^handelingen-5-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: tegen uw geweten en overtuiging van de heilige Geest onwaarheid zeggen, dat het verkochte land niet meer zou hebben gegolden. Of: bedriegen, dat wil zeggen: ondernemen zou te bedriegen, denkende dat de heilige Geest dit niet wist en ons dit niet zou openbaren.
[^handelingen-5-4-6]: Kanttekening 6: Gr. blijvende. Namelijk onverkocht.
[^handelingen-5-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: stond het niet in uw believen het te behouden, zonder gedwongen te zijn het te verkopen?
[^handelingen-5-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk om met het geld te doen wat u goeddacht: het voor uzelf te houden, of hier te brengen. Waaruit blijkt dat deze gemeenschap van goederen niet ten aanzien van het eigendom was, maar ten aanzien van het gebruik, in tijden van nood. Zie Handelingen 2:42.
[^handelingen-5-4-9]: Kanttekening 9: Gr. gesteld, of: gezet.
[^handelingen-5-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: niet zozeer, of niet alleen, zoals u meende.
[^handelingen-5-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk aangezien u de heilige Geest hebt gelogen, vers 3, die met de Vader en Zoon de waarachtige God is. Zie 1 Korintiërs 3:16 vergeleken met 1 Korintiërs 6:19.
[^handelingen-5-5-12]: Kanttekening 12: Gr. gaf de adem uit. Petrus heeft de geveinsdheid van deze mens, tot waarschuwing van alle andere geveinsden, aldus met een plotselinge dood gestraft, door een bijzonder ingeven van God, en door een buitengewone kracht, waarmee de apostelen waren voorzien. Zie een vergelijkbaar voorbeeld in Handelingen 13:11. Wat dan niet moeten noch mogen navolgen die zulk een ingeven en macht niet hebben.
[^handelingen-5-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk die daar in de vergadering waren.
[^handelingen-5-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk met uittrekking van de kleren, inwinding in graflinnen en anders, om hem te begraven. Of: namen hem weg.
[^handelingen-5-7-15]: Kanttekening 15: Gr. een tussentijd van ongeveer drie uur.
[^handelingen-5-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk in de plaats waar de apostelen met de gemeente vergaderd waren. Handelingen 2:46.
[^handelingen-5-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk aan haar man.
[^handelingen-5-8-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: sprak haar aan en zei. Hebreeuws.
[^handelingen-5-8-19]: Kanttekening 19: Petrus heeft zonder twijfel de prijs uitgedrukt, die hij van de man had vernomen.
[^handelingen-5-9-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: tegen uw geweten te doen wat God heeft verboden, alsof u wilde beproeven of de Geest van God ook rechtvaardig en alwetend is.
[^handelingen-5-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk nadat u meteen ook dood zult zijn neergevallen.
[^handelingen-5-12-a]: Verwijzing a: Markus 16:17. Handelingen 2:43.
[^handelingen-5-12-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: door de dienst van de apostelen. Want zij waren slechts dienaren en werktuigen; de kracht kwam van YHWH. Handelingen 3:12 en 4:30 en 7:35.
[^handelingen-5-12-23]: Kanttekening 23: Zie over dit voorhof Handelingen 3:11. 1 Koningen 6:3. Johannes 10:23.
[^handelingen-5-13-24]: Kanttekening 24: Namelijk die van enig aanzien waren, en zich nog niet bij de gemeente hadden begeven.
[^handelingen-5-13-25]: Kanttekening 25: Gr. maakten hen groot. Lucas 1:46.
[^handelingen-5-14-26]: Kanttekening 26: Of: des te meer. Namelijk ondanks de straf die aan Ananias en zijn vrouw was geschied. Of: boven de voorgaande menigte. Handelingen 2:47 en 4:4.
[^handelingen-5-15-27]: Kanttekening 27: Of: van straat tot straat, dat wil zeggen: doorgaans op de straten.
[^handelingen-5-15-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: daar voorbijging.
[^handelingen-5-15-29]: Kanttekening 29: Namelijk om daardoor genezen te worden. Johannes 14:12. 2 Korintiërs 10:19.
[^handelingen-5-16-b]: Verwijzing b: Markus 16:17. Handelingen 8:7 en 16:18 en 19:12.
[^handelingen-5-16-30]: Kanttekening 30: Zie een vergelijkbaar voorbeeld in Lucas 6:18.
[^handelingen-5-17-31]: Kanttekening 31: Gr. hairesis (αἵρεσις), waarmee wordt bedoeld een wijze van godsdienst die iemand voor zichzelf heeft gekozen en volgt. Handelingen 26:5 en 28:22. Dit woord schijnt in het begin zowel in goede als in kwade zin te zijn genomen, maar daarna is het altijd in kwade zin genomen, voor een valse godsdienst, waarvan de woorden ketterij en ketter zijn afgeleid.
[^handelingen-5-17-32]: Kanttekening 32: Zie over hen Mattheüs 3:7 en 22:23. Handelingen 23:8.
[^handelingen-5-17-33]: Kanttekening 33: Of: ijver. Namelijk een verkeerde ijver voor de wet. Romeinen 10:2.
[^handelingen-5-19-c]: Verwijzing c: Handelingen 12:7 en 16:26.
[^handelingen-5-19-34]: Kanttekening 34: Begrijp: en sloot ze daarna weer toe. Vers 23.
[^handelingen-5-20-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: vertoont u daar openlijk en vrijmoedig.
[^handelingen-5-20-36]: Kanttekening 36: Of: alle deze woorden van het leven. Dat wil zeggen: deze evangelische leer, waardoor aan de mensen de rechte weg wordt aangewezen om tot het eeuwige leven te komen. Johannes 6:68.
[^handelingen-5-21-37]: Kanttekening 37: Gr. synedrion (συνέδριον). Zie daarover Mattheüs 5:22.
[^handelingen-5-21-38]: Kanttekening 38: Of: vergadering van de ouden van de kinderen van Israël.
[^handelingen-5-23-39]: Kanttekening 39: Gr. in alle zekerheid.
[^handelingen-5-24-40]: Kanttekening 40: Gr. de priester, waarmee de hogepriester wordt bedoeld, aangezien die het hoofd was van deze Raad. Vers 27. Zie een vergelijkbaar geval in 2 Kronieken 24:2.
[^handelingen-5-26-d]: Verwijzing d: Mattheüs 21:26. Handelingen 4:21.
[^handelingen-5-27-41]: Kanttekening 41: Gr. in.
[^handelingen-5-28-e]: Verwijzing e: Handelingen 4:18.
[^handelingen-5-28-42]: Kanttekening 42: Gr. met aanzegging aangezegd. Hebreeuws.
[^handelingen-5-28-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: van deze Jezus. Zie Handelingen 4:18.
[^handelingen-5-28-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: de straf van het bloed dat wij hebben vergoten, deze Jezus dodend, alsof wij zijn bloed onschuldig zouden hebben vergoten. Zie Mattheüs 27:24,25.
[^handelingen-5-29-f]: Verwijzing f: Handelingen 4:19.
[^handelingen-5-30-g]: Verwijzing g: Handelingen 3:15.
[^handelingen-5-30-45]: Kanttekening 45: Namelijk uit de doden. Of: gesteld en gezonden tot een Heiland. Handelingen 13:23.
[^handelingen-5-30-h]: Verwijzing h: Deuteronomium 21:23. Handelingen 10:39 en 13:29. 1 Petrus 2:24.
[^handelingen-5-31-i]: Verwijzing i: Handelingen 2:33 en 3:15. Filippenzen 2:9.
[^handelingen-5-31-46]: Kanttekening 46: Of: zijnde een Vorst en Heiland.
[^handelingen-5-31-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: de ware Israëlieten. Romeinen 9:6. Galaten 6:16.
[^handelingen-5-32-k]: Verwijzing k: Johannes 15:27. Lucas 1:37. Handelingen 10:37.
[^handelingen-5-32-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: van deze zaken. Hebreeuws.
[^handelingen-5-32-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: de krachtige werking van de heilige Geest in de harten van de mensen, tot hun bekering, alsook deze zichtbare gaven van hem.
[^handelingen-5-32-l]: Verwijzing l: Handelingen 2:4.
[^handelingen-5-33-50]: Kanttekening 50: Gr. zij werden als in tweeën gesneden of gezaagd, namelijk in het hart van boosheid en toorn. Zie Handelingen 7:54.
[^handelingen-5-34-51]: Kanttekening 51: Men denkt dat dit dezelfde is aan wiens voeten de apostel Paulus in de wet is onderwezen. Handelingen 22:3.
[^handelingen-5-34-52]: Kanttekening 52: Gr. een korte. Namelijk tijd.
[^handelingen-5-36-m]: Verwijzing m: Handelingen 21:38.
[^handelingen-5-36-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: vóór deze tijd. Want het was al enige jaren geleden.
[^handelingen-5-36-54]: Kanttekening 54: De geschiedschrijver Josephus maakt in Antiquitates, boek 20, hfst. 2, melding van een oproerige Theudas die opstond toen Cuspius Fadus stadhouder over Judea was onder de keizer Claudius, maar dit is na deze tijd geschied en na de dood van Herodes Agrippa. Zodat Gamaliël hier dan spreekt van een andere Theudas, die ten tijde van de keizer Augustus of Tiberius heeft geleefd.
[^handelingen-5-36-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: iets groots, zoals in Handelingen 8:9.
[^handelingen-5-36-56]: Kanttekening 56: Gr. aankleefde.
[^handelingen-5-37-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: na deze Theudas.
[^handelingen-5-37-58]: Kanttekening 58: Deze wordt anders Judas de Gaulaniet genaamd, die het volk oproerig maakte toen Archelaus was afgezet en verbannen, de Romeinen het land van Judea tot een provincie maakten en door hun stadhouders voortaan lieten regeren, en daartoe het land lieten beschrijven. Zie Josephus, Antiquitates, boek 18, hfst. 1, en boek 20, hfst. 3.
[^handelingen-5-37-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: ten tijde.
[^handelingen-5-37-60]: Kanttekening 60: Deze beschrijving is niet dezelfde waarover gesproken wordt in Lucas 2:1,2. Want die geschiedde zonder oproer, en wordt de eerste genaamd ten aanzien van deze tweede die daarna is gedaan over Judea, en met oproer vermengd was, welke deze Judas verwekte. Josephus, Antiquitates, boek 18, hfst. 1.
[^handelingen-5-38-61]: Kanttekening 61: Namelijk dat u hun geen kwaad meer aandoet.
[^handelingen-5-38-n]: Verwijzing n: Spreuken 21:30. Jesaja 8:10. Mattheüs 15:13.
[^handelingen-5-38-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: dit ondernemen of bedrijf van de apostelen.
[^handelingen-5-38-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: van mensen en door menselijke autoriteit aangenomen. Mattheüs 21:25.
[^handelingen-5-38-64]: Kanttekening 64: Gr. ontbonden.
[^handelingen-5-39-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: door goddelijke autoriteit en bevel aangesteld.
[^handelingen-5-39-66]: Kanttekening 66: Gr. ontbinden.
[^handelingen-5-39-67]: Kanttekening 67: Of: te eniger tijd.
[^handelingen-5-39-o]: Verwijzing o: Handelingen 9:5 en 23:9.
[^handelingen-5-40-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: zij lieten zich bewegen en overreden, zodat zij zijn raad volgden.
[^handelingen-5-40-69]: Kanttekening 69: Gr. sloegen, namelijk met roeden of gesels. Dit was hun door Christus voorzegd. Mattheüs 10:17 en 23:34. Hetzelfde is ook aan Paulus gedaan. 2 Korintiërs 11:24.
[^handelingen-5-40-70]: Kanttekening 70: Zie Handelingen 4:18.
[^handelingen-5-41-p]: Verwijzing p: Mattheüs 5:12.
[^handelingen-5-41-71]: Kanttekening 71: Namelijk door God, die hun uit genade deze eer en waardigheid had gegeven. Filippenzen 1:29.
[^handelingen-5-41-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: om de zaak en leer van Christus.
[^handelingen-5-42-73]: Kanttekening 73: Of: van huis tot huis. Zie Handelingen 2:46 en 20:20.

### Handelingen 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/6.json)

*1 Om het gemor van de Grieks-sprekenden tegen de Hebreeën worden door de gemeente zeven diakenen gekozen. 6 En door de apostelen door handoplegging bevestigd. 7 Velen sluiten zich bij de gemeente aan, ook priesters. 8 Stefanus, één van de diakenen, doet vele wonderen; en die van de zijnagoge der Libertijnen en anderen staan tegen hem op. 10 Wiens geest en wijsheid zij niet konden weerstaan, waarna zij hem voor de Raad brengen. 13 En valse getuigen oproepen, die hem beschuldigen van lastering tegen de tempel en de Wet. 15 Zijn gelaat straalt als dat van een engel.*

**1** En[^handelingen-6-1-1] in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een gemor[^handelingen-6-1-2] van de Grieken tegen de Hebreën, omdat hun weduwen in de dagelijkse[^handelingen-6-1-3] bediening[^handelingen-6-1-4] verzuimd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v1)

**2** En de twaalven riepen de menigte van de discipelen tot zich, en zeiden:[^handelingen-6-2-a] Het is niet[^handelingen-6-2-5] juist dat wij het Woord van God verwaarlozen[^handelingen-6-2-6], en de[^handelingen-6-2-7] tafelen dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v2)

**3** [^handelingen-6-3-8][^handelingen-6-3-b] Zie dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol[^handelingen-6-3-9] van de Heilige Geest en van de wijsheid, die wij mogen[^handelingen-6-3-10] stellen over deze nodige zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v3)

**4** Maar wij zullen[^handelingen-6-4-11] volharden in het gebed, en in de bediening van het Woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v4)

**5** En[^handelingen-6-5-12] dit woord behaagde[^handelingen-6-5-13] aan al de menigte; en[^handelingen-6-5-14] zij kozen[^handelingen-6-5-15] Stefanus, een man[^handelingen-6-5-c] vol[^handelingen-6-5-16] van het geloof en van de Heilige[^handelingen-6-5-d] Geest, en[^handelingen-6-5-17] Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en[^handelingen-6-5-18] Nicolaus,[^handelingen-6-5-19] een Jodengenoot van Antiochië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v5)

**6** Die zij[^handelingen-6-6-e] voor de apostelen stelden; en[^handelingen-6-6-20] deze, als zij gebeden hadden,[^handelingen-6-6-21][^handelingen-6-6-f] legden hun de handen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v6)

**7** [^handelingen-6-7-g] En het woord van God[^handelingen-6-7-22] groeide, en het getal van de discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote menigte van[^handelingen-6-7-23] de priesters werd het[^handelingen-6-7-24] geloof gehoorzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v7)

**8** En Stefanus, vol[^handelingen-6-8-25] van geloof en[^handelingen-6-8-26] kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v8)

**9** En er stonden op sommigen, die waren van de[^handelingen-6-9-27] synagoge, genoemd van[^handelingen-6-9-28] de Libertijnen, en van[^handelingen-6-9-29] de Cyreneërs, en van[^handelingen-6-9-30] de Alexandrijnen, en degenen, die van Cilicië en Azië waren, en[^handelingen-6-9-31] twistten met Stefanus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v9)

**10** [^handelingen-6-10-h] En zij konden niet[^handelingen-6-10-32] weerstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v10)

**11** [^handelingen-6-11-i] Toen[^handelingen-6-11-33] maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v11)

**12** En zij verontrustten het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor de raad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v12)

**13** En[^handelingen-6-13-34] stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen[^handelingen-6-13-35] deze heilige plaats en de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v13)

**14** Want wij hebben hem horen zeggen, dat[^handelingen-6-14-36] deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal[^handelingen-6-14-37] verbreken, en dat[^handelingen-6-14-38] Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v14)

**15** En allen, die in de raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht[^handelingen-6-15-39] als het aanzicht van een engel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/6.html#v15)

[^handelingen-6-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk toen de apostelen in de gevangenis geworpen waren geweest.
[^handelingen-6-1-2]: Kanttekening 2: Gr. Hellēnistai (Ἑλληνισταί). Deze waren Joden van afkomst en godsdienst, maar werden Grieken genaamd omdat zij in de verstrooiing in de Griekse of heidense landen waren geboren, en omdat zij de Griekse taal en vertaling van de Bijbel gebruikten, die daarna waren bekeerd tot het christelijk geloof. Zie Handelingen 9:29 en 11:19,20. De andere Joden echter, die de Hebreeuwse Bijbel gebruikten, werden Hebreeën genaamd. Zie ook 2 Korintiërs 11:22.
[^handelingen-6-1-3]: Kanttekening 3: Gr. diakonia (διακονία). Klagend namelijk hetzij dat hun weduwen bij de dienst van de armen niet mee werden gebruikt; hetzij dat hun arme weduwen zo goed niet werden verzorgd als de weduwen van de Hebreeën.
[^handelingen-6-1-4]: Kanttekening 4: Gr. overgezien.
[^handelingen-6-2-a]: Verwijzing a: Exodus 18:17.
[^handelingen-6-2-5]: Kanttekening 5: Gr. behagelijk, dat wil zeggen: een zaak die ons niet kan behagen.
[^handelingen-6-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk omdat wij, verhinderd door de bediening van de armen, het prediken van het Woord van God, waartoe wij voornamelijk zijn geroepen, zo dikwijls en zo goed niet kunnen waarnemen.
[^handelingen-6-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk waaraan het geld en het voedsel tot onderhoud van de armen werd gebracht en uitgedeeld, of ook de vriendelijke maaltijden die na het Avondmaal onder de christenen werden gehouden. Handelingen 2:46.
[^handelingen-6-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: kiest zeven mannen uit tot die dienst.
[^handelingen-6-3-b]: Verwijzing b: Deuteronomium 1:13. Handelingen 1:21 en 16:2. 1 Timotheüs 3:7.
[^handelingen-6-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de gaven van de heilige Geest, nodig om zulk een dienst met getrouwheid en voorzichtigheid uit te voeren.
[^handelingen-6-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: instellen.
[^handelingen-6-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: voortdurend en sterk aanhouden. Handelingen 1:14.
[^handelingen-6-5-12]: Kanttekening 12: Of: deze zaak. Hebreeuws.
[^handelingen-6-5-13]: Kanttekening 13: Gr. voor de gehele menigte.
[^handelingen-6-5-14]: Kanttekening 14: De verkiezing geschiedde door de gemeente, en de aanstelling of bevestiging door de apostelen. Vers 6.
[^handelingen-6-5-15]: Kanttekening 15: Deze naam, evenals de zes volgende, zijn alle Griekse namen. Waaruit sommigen concluderen dat om de klachten van de Griekssprekenden beter weg te nemen, het goed gevonden werd de diakenen te kiezen uit de Griekse Joden.
[^handelingen-6-5-c]: Verwijzing c: Handelingen 11:24.
[^handelingen-6-5-16]: Kanttekening 16: Of: getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk wordt vereist.
[^handelingen-6-5-d]: Verwijzing d: Handelingen 21:8.
[^handelingen-6-5-17]: Kanttekening 17: Over hem, zie breder Handelingen 8 en 21.
[^handelingen-6-5-18]: Kanttekening 18: Sommige oude leraren menen dat deze dezelfde is geweest als de Nikolaüs waarover men leest in Openbaring 2:15. Maar dit is onzeker.
[^handelingen-6-5-19]: Kanttekening 19: Gr. prosēlytos (προσήλυτος). Dat wil zeggen: een bekeerling uit de heidenen tot de Joodse godsdienst. Zie Mattheüs 23:15.
[^handelingen-6-6-e]: Verwijzing e: Handelingen 1:23.
[^handelingen-6-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk apostelen. Zie een vergelijkbaar geval in Handelingen 8:17.
[^handelingen-6-6-21]: Kanttekening 21: Deze manier van handoplegging was bij de Joden gebruikelijk als zij iemand zegenden (Genesis 48:14), als zij de dieren zouden offeren om die daarmee aan God toe te eigenen (Leviticus 1:4), en bij het inhuldigen in ambten (Numeri 27:18; Deuteronomium 34:9). Dezelfde manier heeft ook Christus gebruikt bij het zegenen (Mattheüs 19:13), en de gemeente bij het aanstellen van kerkdienaren, om daarmee deze aan God voor zijn dienst toe te eigenen en de zegen van God toe te wensen. Zie 1 Timotheüs 5:22. Ook de apostelen bij het geven van de buitengewone gaven van de heilige Geest. Handelingen 8:17.
[^handelingen-6-6-f]: Verwijzing f: Handelingen 8:17 en 13:3. 1 Timotheüs 4:14 en 5:22. 2 Timotheüs 1:6.
[^handelingen-6-7-g]: Verwijzing g: Handelingen 19:20.
[^handelingen-6-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: nam toe, ten aanzien van de veelheid zowel van de plaatsen waar het werd gepredikt als van de personen die het aannamen. Handelingen 12:24.
[^handelingen-6-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk van de gewone priesters, die zeer vele waren onder de Joden. Ezra 2:36. Van wie een goed deel werd bekeerd. Want de meeste overpriesters waren en bleven de hevigste vijanden van de leer van het evangelie.
[^handelingen-6-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de leer van het geloof. Galaten 1:23.
[^handelingen-6-8-25]: Kanttekening 25: Hier wordt het woord geloof anders genomen dan in het voorgaande vers: namelijk zowel voor kennis en instemming met de leer, als voor een vast vertrouwen op de evangelische beloften.
[^handelingen-6-8-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: van de uitnemende gaven van de heilige Geest, waardoor hij krachtig onder de mensen werkt.
[^handelingen-6-9-27]: Kanttekening 27: Binnen de grote stad Jeruzalem waren vele synagogen en scholen, die alle met hun bijzondere namen werden onderscheiden, zoals tegenwoordig bij ons de colleges in de universiteiten.
[^handelingen-6-9-28]: Kanttekening 28: Dit schijnt een synagoge te zijn geweest van Italiaanse Joden. Want de Italianen en Latijnen noemen Libertijnen degenen die, slaven geweest zijnde, in vrijheid zijn gesteld. Pompeius de stad Jeruzalem veroverd hebbende had vele Joden als slaven naar Rome weggevoerd, van wier nakomelingen, zoals Philo getuigt, de meesten door de keizer Tiberius in vrijheid werden gesteld, en hun werd toegelaten een deel van de stad Rome aan de overzijde van de Tiber te bewonen en daar synagogen te bouwen. Zodat deze Joden, die Libertijnen waren, ook te Jeruzalem een synagoge schijnen te hebben gehad, naar hun toestand genaamd.
[^handelingen-6-9-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: Joden die in Afrika woonden in de stad Cyrene, gelegen in Libië.
[^handelingen-6-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: Joden die te Alexandrië in Egypte woonden, en die te Jeruzalem waren.
[^handelingen-6-9-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: disputeerden met Stefanus over het stuk van de godsdienst.
[^handelingen-6-10-h]: Verwijzing h: Exodus 4:12. Jesaja 54:17. Lucas 21:15.
[^handelingen-6-10-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: niet overwinnen. Zie Mattheüs 10:19. Lucas 21:15.
[^handelingen-6-11-i]: Verwijzing i: Mattheüs 26:59.
[^handelingen-6-11-33]: Kanttekening 33: Gr. wierpen zij er onder. Aangezien zij met de waarheid niet konden overwinnen, keerden zij zich tot de leugen. Zie een vergelijkbaar geval in Mattheüs 26:59.
[^handelingen-6-13-34]: Kanttekening 34: Namelijk tegen hem in de Raad.
[^handelingen-6-13-35]: Kanttekening 35: Namelijk Jeruzalem, of de tempel, of beide.
[^handelingen-6-14-36]: Kanttekening 36: Stefanus had niet gezegd dat Jezus zelf dat zou doen, maar dat door zijn oordeel en bestiering dit door de heidenen zou worden gedaan. Lucas 19:43.
[^handelingen-6-14-37]: Kanttekening 37: Dit is ook aldus geschied, ongeveer 40 jaren daarna, door de Romeinen. Zodat hij dan niets anders dan de waarheid had gezegd.
[^handelingen-6-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: de wet van de ceremonieën, en die eigenlijk de politie van de Joden betrof; wat ook de waarheid was.
[^handelingen-6-15-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: blinkend, of stralen van zich gevend. Want met zulke aangezichten plachten de engelen te verschijnen. Mattheüs 28:3.

### Handelingen 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/7.json)

*1 Stefanus, zich voor de Raad verantwoordend, verhaalt hoe God Abraham uit Chaldea geleid, met hem en zijn nageslacht een verbond gesloten, en hun het land Kanaän beloofd had. 9 Dat Jozef in Egypte verkocht en daar tot vorst gesteld is. 11 En dat Jakob om de hongersnood met zijn geslacht daarheen getrokken en gestorven is. 17 Hoe zijn nakomelingen daar vermeerderd en wreed behandeld zijn. 20 Hoe Mozes geboren, te vondeling gelegd, en door de dochter van de farao opgenomen en opgevoed is in alle wijsheid van de Egyptearen. 23 Dat hij zijn broeders bezocht en de Egypteaar doodde die één van hen verongelijkte. 27 Wat hem verweten wordt. 29 En hij daarom naar Midian vlucht. 30 Waar God hem in een brandende doornstruik verschijnt en naar Egypte zendt om het volk te verlossen. 37 Die van Christus profeteert, 38 en de Wet ontvangt. 39 Hoe het gouden kalf gemaakt wordt en daarmee afgoderij bedreven, alzok met Moloch. 44 Hoe de tabernakel opgericht en onder hen geweest is tot de tijden van Salomo, die de tempel gebouwd heeft. 51 Verwijt hun verder dat zij in hardnekkigheid en wreedheid hun vaderen gelijk zijn. 54 Waarover zij verbitterd worden tegen hem en hem stenigen; maar hij, de hemel open ziende, beveelt Christus zijn ziel, bidt voor hen, en sterft.*

**1** En de hogepriester zei: Zijn dan[^handelingen-7-1-1] deze dingen zo? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v1)

**2** En hij zei: U broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen[^handelingen-7-2-3] aan onze vader Abraham, nog zijnde in[^handelingen-7-2-4] Mesopotamië,[^handelingen-7-2-5] voordat hij woonde in[^handelingen-7-2-6] Charran;[^handelingen-7-2-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v2)

**3** En zei tot hem:[^handelingen-7-3-a] "Ga uit uw land en uit uw familie, en kom[^handelingen-7-3-7] in een land, dat Ik u wijzen zal." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v3)

**4** Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v4)

**5** En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook[^handelingen-7-5-8] niet één voetstap;[^handelingen-7-5-9][^handelingen-7-5-b] en beloofde, dat Hij hem het zelf tot een bezitting geven zou, en zijn[^handelingen-7-5-10] zade na hem, als hij nog geen kind had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v5)

**6** En God sprak zo:[^handelingen-7-6-c] "Uw[^handelingen-7-6-11] zaad[^handelingen-7-6-12] zal vreemdeling zijn in een vreemd land, en[^handelingen-7-6-13] zij zullen het[^handelingen-7-6-14] dienstbaar maken en mishandelen,[^handelingen-7-6-15][^handelingen-7-6-d] vierhonderd jaren." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v6)

**7** [^handelingen-7-7-16] "En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik[^handelingen-7-7-17] oordelen," sprak God, "en[^handelingen-7-7-e] daarna zullen zij uitgaan,[^handelingen-7-7-f] en zij zullen Mij dienen in deze plaats." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v7)

**8** En Hij gaf[^handelingen-7-8-18] hem[^handelingen-7-8-19] het verbond[^handelingen-7-8-g] van de[^handelingen-7-8-20] besnijdenis; en zo[^handelingen-7-8-h] verwekte hij Izak, en besneed hem op de achtste dag; en Izak[^handelingen-7-8-i] verwekte Jakob, en Jakob[^handelingen-7-8-k] de twaalf patriarchen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v8)

**9** En de patriarchen,[^handelingen-7-9-l] jaloers zijnde,[^handelingen-7-9-m] verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God[^handelingen-7-9-21] was met hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v9)

**10** En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem[^handelingen-7-10-22] genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypteland; en hij[^handelingen-7-10-n] stelde hem tot een[^handelingen-7-10-23] overste over Egypte, en heel zijn huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v10)

**11** [^handelingen-7-11-o] En er kwam een hongersnood over heel het land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden[^handelingen-7-11-24] geen voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v11)

**12** [^handelingen-7-12-p] Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij[^handelingen-7-12-25] onze vaders de eerste maal uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v12)

**13** [^handelingen-7-13-q] En in de tweede[^handelingen-7-13-26] reize werd Jozef zijn broers bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v13)

**14** En Jozef stuurde bericht en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn[^handelingen-7-14-27] geslacht, bestaande in[^handelingen-7-14-28] vijf en zeventig zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v14)

**15** [^handelingen-7-15-r] En Jakob kwam af in Egypte, en[^handelingen-7-15-s] stierf, hijzelf en onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v15)

**16** [^handelingen-7-16-t] En[^handelingen-7-16-29] zij werden overgebracht[^handelingen-7-16-30] naar Sichem, en gelegd in het graf,[^handelingen-7-16-v] dat[^handelingen-7-16-31] Abraham gekocht had voor[^handelingen-7-16-32] een som geld, van de zonen van Emmor, de[^handelingen-7-16-33] vader van Sichem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v16)

**17** Maar als nu[^handelingen-7-17-34] de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, naderde,[^handelingen-7-17-x] groeide het volk en vermenigvuldigde in Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v17)

**18** Totdat een andere koning opstond,[^handelingen-7-18-35] die Jozef niet gekend had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v18)

**19** Deze[^handelingen-7-19-36] gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en behandelde onze vaders slecht, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden[^handelingen-7-19-37] voortplanten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v19)

**20** [^handelingen-7-20-y] In die tijd werd Mozes geboren, en was[^handelingen-7-20-38] uitnemend schoon; die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v20)

**21** En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op[^handelingen-7-21-39] tot een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v21)

**22** En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v22)

**23** [^handelingen-7-23-z] Als hem nu de tijd van[^handelingen-7-23-40] veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart,[^handelingen-7-23-41] zijn broers, de Israëlieten, te bezoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v23)

**24** [^handelingen-7-24-a] En ziende[^handelingen-7-24-42] één, die onrecht leed, beschermde hij hem, en nam wraak voor hem die onrecht werd aangedaan, en versloeg de Egyptenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v24)

**25** En hij meende, dat zijn broers zouden[^handelingen-7-25-43] verstaan, dat God[^handelingen-7-25-44] door zijn hand hun[^handelingen-7-25-45] verlossing geven zou; maar zij hebben het[^handelingen-7-25-46] niet verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v25)

**26** [^handelingen-7-26-b]En de volgenden dag werd hij van hen gezien, omdat zij vochten; en hij[^handelingen-7-26-47] drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar ongelijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v26)

**27** En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende:[^handelingen-7-27-c] Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v27)

**28** Wilt u mij ook ombrengen, zoals u gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v28)

**29** En Mozes vluchtte[^handelingen-7-29-48] op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v29)

**30** [^handelingen-7-30-d] En als[^handelingen-7-30-49] veertig jaren vervuld waren, verscheen hem[^handelingen-7-30-50] de Engel van de Heere, in de woestijn van de berg[^handelingen-7-30-51] Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v30)

**31** Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het visioen; en als hij daarheen ging, om[^handelingen-7-31-52] dat te bekijken, klonk er een stem van de Heere tot hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v31)

**32** Zeggende:[^handelingen-7-32-e] "Ik ben de God van uw vaders, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob." En Mozes werd zeer bevende, en durfde[^handelingen-7-32-53] het niet[^handelingen-7-32-54] bekijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v32)

**33** En de Heere zei tot hem:[^handelingen-7-33-f] Ontbind[^handelingen-7-33-55] de schoenen van uw voeten; want de plaats waarin u staat, is[^handelingen-7-33-56] heilig land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v33)

**34** Ik heb[^handelingen-7-34-57] duidelijk gezien de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben[^handelingen-7-34-58] neergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom hierheen, Ik zal u naar Egypte zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v34)

**35** Deze Mozes, die zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden,[^handelingen-7-35-59] door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v35)

**36** [^handelingen-7-36-g] Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee,[^handelingen-7-36-h] en in de woestijn, veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v36)

**37** Deze is de Mozes, die tot de Israëlieten gezegd heeft:[^handelingen-7-37-i] "De Heere, uw God, zal u[^handelingen-7-37-60] een Profeet verwekken uit uw broeders, zoals mij;[^handelingen-7-37-k] Die zult u horen." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v37)

**38** [^handelingen-7-38-l] Deze is het, die in[^handelingen-7-38-61] de vergadering van het volk in de woestijn was[^handelingen-7-38-m] met[^handelingen-7-38-62] de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaders; die de[^handelingen-7-38-63] levende[^handelingen-7-38-64] woorden ontving, om ons die te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v38)

**39** Die onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn,[^handelingen-7-39-65] maar verwierpen hem, en keerden met hun harten[^handelingen-7-39-66] weer naar Egypte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v39)

**40** Zeggende tot Aäron:[^handelingen-7-40-n] Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat deze Mozes betreft, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem is gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v40)

**41** En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offergave[^handelingen-7-41-67] tot de afgod, en[^handelingen-7-41-68] verheugden zich in de[^handelingen-7-41-69] werken van hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v41)

**42** En God[^handelingen-7-42-70] keerde Zich, en[^handelingen-7-42-71] gaf hen over, dat zij[^handelingen-7-42-72] het leger van de hemel dienden, zoals geschreven is[^handelingen-7-42-73] in het boek van de[^handelingen-7-42-74][^handelingen-7-42-o] profeten: "Hebt u ook slachtoffers en offergaven Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v42)

**43** [^handelingen-7-43-p] Ja, u hebt[^handelingen-7-43-75] opgenomen de tabernakel[^handelingen-7-43-76] van Moloch, en[^handelingen-7-43-77] het gesternte van uw[^handelingen-7-43-78] god Remfan, de[^handelingen-7-43-79] afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren aan de overzijde van[^handelingen-7-43-80] Babylon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v43)

**44** De tabernakel[^handelingen-7-44-81] van het getuigenis was onder onze vaders in de woestijn, zoals bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding,[^handelingen-7-44-q] die hij gezien had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v44)

**45** [^handelingen-7-45-r] Die ook onze vaders[^handelingen-7-45-82] ontvangen hebbende, met[^handelingen-7-45-83] Jozua gebracht hebben[^handelingen-7-45-84] in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft[^handelingen-7-45-85] van het aangezicht van onze vaders, tot de dagen van David toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v45)

**46** [^handelingen-7-46-s] Die voor God[^handelingen-7-46-86] genade gevonden heeft, en[^handelingen-7-46-t] verzocht heeft[^handelingen-7-46-87] te vinden een woning voor de God van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v46)

**47** [^handelingen-7-47-v] En Salomo bouwde Hem[^handelingen-7-47-88] een huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v47)

**48** [^handelingen-7-48-x] Maar de Allerhoogste[^handelingen-7-48-89] woont niet in tempelen met handen gemaakt; zoals de profeet zegt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v48)

**49** [^handelingen-7-49-y] De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Van mijn voeten. Wat voor huis zult u Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Van mijn ruste? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v49)

**50** [^handelingen-7-50-z] Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v50)

**51** [^handelingen-7-51-a] U hardnekkigen en[^handelingen-7-51-90] onbesnedenen van hart en oren, u[^handelingen-7-51-91] wederstaat altijd de Heilige Geest;[^handelingen-7-51-92] zoals uw vaders, zo ook u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v51)

**52** Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst[^handelingen-7-52-93] van de Rechtvaardigen, van Welke u nu[^handelingen-7-52-94] verraders en[^handelingen-7-52-95] moordenaars geworden bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v52)

**53** [^handelingen-7-53-b] U, die de wet ontvangen hebt[^handelingen-7-53-96] door bestellingen van de engelen, en hebt[^handelingen-7-53-97] ze niet gehouden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v53)

**54** Als zij nu dit hoorden,[^handelingen-7-54-98] barstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v54)

**55** Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende naar de hemel, zag[^handelingen-7-55-99] de heerlijkheid van God, en Jezus,[^handelingen-7-55-100] staande[^handelingen-7-55-1] aan de rechterhand van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v55)

**56** En hij zei: Zie, ik zie de hemelen[^handelingen-7-56-2] geopend, en[^handelingen-7-56-3] de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v56)

**57** Maar zij, roepende met luide stem, stopten hun oren, en vielen eensgezind op hem aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v57)

**58** [^handelingen-7-58-4][^handelingen-7-58-c] En wierpen hem de stad uit, en stenigden hem;[^handelingen-7-58-d] en de[^handelingen-7-58-5] getuigen legden hun[^handelingen-7-58-6] kleren af aan de voeten van een jongeman, genoemd[^handelingen-7-58-7] Saulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v58)

**59** En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende:[^handelingen-7-59-e] Heere Jezus, ontvang mijn[^handelingen-7-59-8] geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v59)

**60** En vallende op de knieën, riep hij[^handelingen-7-60-9] met luide[^handelingen-7-60-f] stem:[^handelingen-7-60-10] Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had,[^handelingen-7-60-11] ontsliep hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/7.html#v60)

[^handelingen-7-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk waarvan u wordt beschuldigd.
[^handelingen-7-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: van wie wij Joden afkomstig zijn, en waarover wij altijd roemen. Johannes 8:39.
[^handelingen-7-2-4]: Kanttekening 4: Zo wordt in het Grieks het land genoemd dat middenin ligt tussen de rivieren de Tigris en de Eufraat; in het Hebreeuws Aram Naharaim genaamd, dat wil zeggen Syrië tussen de rivieren. Genesis 24:10. Waaronder ook het land van Babylonië werd gerekend, waarvan Chaldea een deel was. Genesis 11:31. Zie ook Plinius, boek 6, hfst. 9,26.
[^handelingen-7-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk toen hij nog woonde in Ur, een stad in Chaldea. Genesis 11:31 en 15:7.
[^handelingen-7-2-6]: Kanttekening 6: Dit was een stad in Mesopotamia, aan de overzijde van de rivier de Eufraat. Genesis 11:31 en 28:10 en 29:4. Jozua 24:2. Anders genaamd Carrhae, waar eertijds de Romeinse veldheer M. Crassus door de Parthen werd verslagen.
[^handelingen-7-2-2]: Kanttekening 2: Zo noemt hij hen, omdat zij van één geslacht waren. Die van gelijke leeftijd waren noemde hij broeders, en die ouder of in enig ambt waren, vaders.
[^handelingen-7-3-a]: Verwijzing a: Genesis 12:1.
[^handelingen-7-3-7]: Kanttekening 7: Dit was het land Kanaän, dat God hem in het eerst niet noemde, om zijn geloof en gehoorzaamheid beter te beproeven en te voorschijn te brengen. Genesis 12:1.
[^handelingen-7-5-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: niet zoveel eigens dat hij zijn voet erop kon zetten. Zie Deuteronomium 2:5. Daarna kocht hij daarin een akker met een spelonk, en dat niet om er te wonen, maar om zijn doden daarin te begraven. Genesis 23:9.
[^handelingen-7-5-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: hoewel hij hem had beloofd. Of: maar hij beloofde.
[^handelingen-7-5-b]: Verwijzing b: Genesis 12:7 en 13:15.
[^handelingen-7-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: nakomelingen.
[^handelingen-7-6-c]: Verwijzing c: Genesis 15:13.
[^handelingen-7-6-11]: Kanttekening 11: Gr. paroikos (πάροικος), dat wil zeggen: een inwoner of bijwoner, die niet in zijn eigen, maar in het huis of land van een ander woont.
[^handelingen-7-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk het land van Egypte.
[^handelingen-7-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk de Egyptenaren.
[^handelingen-7-6-14]: Kanttekening 14: Door deze dienstbaarheid wordt ook al hun ballingschap en vreemdelingschap verstaan, en niet alleen die harde dienstbaarheid waaraan de Israëlieten in Egypte eerst werden onderworpen na de dood van Jozef. Exodus 1:6,10,11. Want die heeft geen 400 jaren geduurd.
[^handelingen-7-6-15]: Kanttekening 15: Die gerekend moeten worden van de tijd dat Abraham na deze belofte zaad heeft gekregen, en Izak hem geboren is, of als Izak werd gespeend. Genesis 21:2,8. Maar wat betreft de 430 jaren, waarover gesproken wordt in Exodus 12:40 en Galaten 3:17, zie de aantekening daarvan op die plaatsen.
[^handelingen-7-6-d]: Verwijzing d: Genesis 15:16. Exodus 12:40. Galaten 3:17.
[^handelingen-7-7-16]: Kanttekening 16: Of: maar.
[^handelingen-7-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: straffen naar mijn rechtvaardig oordeel. 1 Korintiërs 11:31. Hebreeën 13:4. Wat ook voornamelijk is geschied toen Farao met zijn gehele leger in de Rode Zee verdronk.
[^handelingen-7-7-e]: Verwijzing e: Genesis 15:16.
[^handelingen-7-7-f]: Verwijzing f: Exodus 3:12.
[^handelingen-7-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk Abraham.
[^handelingen-7-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: de besnijdenis die een teken en zegel van het verbond was. Zie Genesis 17:10. Romeinen 4:11.
[^handelingen-7-8-g]: Verwijzing g: Genesis 17:10.
[^handelingen-7-8-20]: Kanttekening 20: Of: en deze.
[^handelingen-7-8-h]: Verwijzing h: Genesis 21:2.
[^handelingen-7-8-i]: Verwijzing i: Genesis 25:24.
[^handelingen-7-8-k]: Verwijzing k: Genesis 29:32 en 30:5 en 35:23.
[^handelingen-7-9-l]: Verwijzing l: Genesis 37:4.
[^handelingen-7-9-m]: Verwijzing m: Genesis 37:28. Psalm 105:17.
[^handelingen-7-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk met zijn bijzondere gunst, genade en zegening.
[^handelingen-7-10-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: aangenaamheid, zodat Farao hem gunstig was.
[^handelingen-7-10-n]: Verwijzing n: Genesis 41:40.
[^handelingen-7-10-23]: Kanttekening 23: Gr. voorganger.
[^handelingen-7-11-o]: Verwijzing o: Genesis 41:54. Psalm 105:16.
[^handelingen-7-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk voor hen en voor hun vee. Of: niet om hen te verzadigen.
[^handelingen-7-12-p]: Verwijzing p: Genesis 42:1.
[^handelingen-7-12-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zijn zonen van wie wij afkomstig zijn.
[^handelingen-7-13-q]: Verwijzing q: Genesis 45:4.
[^handelingen-7-13-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: terugkomst in Egypte.
[^handelingen-7-14-27]: Kanttekening 27: Of: familie.
[^handelingen-7-14-28]: Kanttekening 28: In de Hebreeuwse tekst, Genesis 46:27, Exodus 1:5 en Deuteronomium 10:22, wordt slechts van 70 zielen gesproken, maar in de Griekse vertaling staat in Genesis 46:27 en Exodus 1:5: 75. Welke vertaling sommigen menen dat Lucas hier heeft gevolgd. Zie een vergelijkbaar geval in Lucas 3:36. Anderen menen dat Stefanus boven de 70 nog de 4 vrouwen van Jakob heeft gerekend, en de 2 zonen van Juda die in Kanaän stierven, zonder Jakob zelf mee te rekenen.
[^handelingen-7-15-r]: Verwijzing r: Genesis 46:5.
[^handelingen-7-15-s]: Verwijzing s: Genesis 49:33.
[^handelingen-7-16-t]: Verwijzing t: Genesis 50:13. Exodus 13:19. Jozua 24:32.
[^handelingen-7-16-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: hun gebeente.
[^handelingen-7-16-30]: Kanttekening 30: Dit was een stad in het land Samaria. Genesis 33:19. Anders ook Sichar genaamd. Johannes 4:5. Waarbij de beenderen van Jozef zijn begraven, in dat stuk land dat Jakob kocht van de kinderen van Hamor, de vader van Sichem. Jozua 24:32. En het is gelooflijk dat sommige beenderen van de andere voorvaders ook daarheen zijn gebracht.
[^handelingen-7-16-v]: Verwijzing v: Genesis 23:16.
[^handelingen-7-16-31]: Kanttekening 31: In Genesis 33:19 en Jozua 24:32 wordt uitdrukkelijk gezegd dat Jakob van de kinderen van Hamor, de vader van Sichem, een stuk land kocht. Waarom sommigen menen dat het woord Jakob uit het voorgaande vers moet worden herhaald, en dat het woord Abraham eertijds in de tekst niet heeft gestaan. Maar anderen menen dat het woord Abraham in de tekst wel kan worden behouden, aangezien ook Abraham te Hebron een spelonk kocht van Efron, de zoon van Zoar, voor de begrafenis van zijn doden. Genesis 23:16. Waarin ook Jakob begraven wilde worden. Genesis 49:29,30. En waarin ook de gebeenten van enige andere voorvaders van Sichem schijnen te zijn overgebracht.
[^handelingen-7-16-32]: Kanttekening 32: Gr. voor prijs van zilver.
[^handelingen-7-16-33]: Kanttekening 33: Zie Genesis 33:19.
[^handelingen-7-17-34]: Kanttekening 34: Namelijk aan Abraham gedaan, dat zijn nakomelingen uit het vreemde land en de dienstbaarheid zouden worden verlost. Vers 7. Of van de vermenigvuldiging van zijn zaad. Genesis 22:16,17.
[^handelingen-7-17-x]: Verwijzing x: Exodus 1:7. Psalm 105:24.
[^handelingen-7-18-35]: Kanttekening 35: Namelijk hoeveel goed hij aan Egypte had gedaan; en daarom de Hebreeën niet gunstig was.
[^handelingen-7-19-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: onderdrukte hen met listen. Door de zware arbeid hen ten onder te houden en zijn voordeel te doen, en hun mannelijke kinderen te doden, opdat zij niet meer zouden vermenigvuldigen. Zie Exodus 1:10.
[^handelingen-7-19-37]: Kanttekening 37: Of: in het leven blijven.
[^handelingen-7-20-y]: Verwijzing y: Exodus 2:2 en 6:19. Numeri 26:59. 1 Kronieken 23:13. Hebreeën 11:23.
[^handelingen-7-20-38]: Kanttekening 38: Gr. God schoon, dat wil zeggen: goddelijk, of uitnemend. Exodus 2:2. Zo wordt ook Ninevé een stad die God groot is genaamd, dat wil zeggen: uitnemend groot. God had hem die grote schoonheid gegeven om daardoor de dochter van Farao te bewegen hem in leven te houden en als haar zoon aan te nemen. Exodus 2:10.
[^handelingen-7-21-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: hem als een zoon aangenomen of geadopteerd hebbende. Hebreeën 11:24.
[^handelingen-7-23-z]: Verwijzing z: Exodus 2:11.
[^handelingen-7-23-40]: Kanttekening 40: Namelijk die hij in het hof van Farao had geleefd.
[^handelingen-7-23-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: die van zijn volk en geslacht waren.
[^handelingen-7-24-a]: Verwijzing a: Exodus 2:11.
[^handelingen-7-24-42]: Kanttekening 42: Namelijk een Israëliet.
[^handelingen-7-25-43]: Kanttekening 43: Namelijk uit deze zijn daad.
[^handelingen-7-25-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: door zijn dienst. Hebreeuws.
[^handelingen-7-25-45]: Kanttekening 45: Gr. behoudenis, namelijk uit de slavernij van Egypte.
[^handelingen-7-25-46]: Kanttekening 46: Namelijk uit onachtzaamheid of halsstarrigheid, welk gebrek altijd bij dit volk is geweest. Zie vers 35.
[^handelingen-7-26-b]: Verwijzing b: Exodus 2:13.
[^handelingen-7-26-47]: Kanttekening 47: Namelijk met ernstige vermaningen.
[^handelingen-7-27-c]: Verwijzing c: Exodus 2:14. Mattheüs 21:23. Handelingen 4:7 en 7:35.
[^handelingen-7-29-48]: Kanttekening 48: Gr. in dat woord. Dat wil zeggen: zodra dat was gesproken. Omdat hij daaruit begreep dat zijn daad niet verborgen was, zoals hij had gemeend.
[^handelingen-7-30-d]: Verwijzing d: Exodus 3:2.
[^handelingen-7-30-49]: Kanttekening 49: Namelijk die hij na zijn vlucht uit Egypte in Midian had doorgebracht; zodat hij nu 80 jaar oud was. Zie vers 23.
[^handelingen-7-30-50]: Kanttekening 50: Namelijk de eeuwige Zoon van God, YHWH zelf, zoals men ziet in de twee volgende verzen en Exodus 3:4,5 en 23:21. 1 Korintiërs 10:9.
[^handelingen-7-30-51]: Kanttekening 51: Gr. in een vlam van vuur.
[^handelingen-7-31-52]: Kanttekening 52: Of: te bemerken.
[^handelingen-7-32-e]: Verwijzing e: Exodus 3:6. Mattheüs 22:32. Hebreeën 11:16.
[^handelingen-7-32-53]: Kanttekening 53: Of: hem, namelijk de engel.
[^handelingen-7-32-54]: Kanttekening 54: Of: bemerken.
[^handelingen-7-33-f]: Verwijzing f: Jozua 5:15.
[^handelingen-7-33-55]: Kanttekening 55: Het Griekse woord betekent zolen die onder aan de voeten met banden zijn aangebonden.
[^handelingen-7-33-56]: Kanttekening 56: Namelijk vanwege de goddelijke verschijning die daar plaatsvond.
[^handelingen-7-34-57]: Kanttekening 57: Gr. ziende gezien. Hebreeuws. Dat wil zeggen: wel terdege gezien en ernstig erop gelet, hoe mijn volk in Egypte wordt mishandeld.
[^handelingen-7-34-58]: Kanttekening 58: Namelijk van de hemel; wat menselijkerwijze gesproken moet worden verstaan, dat God nu bereid was om zijn volk te verlossen en hun vijanden te straffen. Want overigens vervult God hemel en aarde. Jeremia 23:24.
[^handelingen-7-35-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: door de bestiering. Hebreeuws.
[^handelingen-7-36-g]: Verwijzing g: Exodus 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14.
[^handelingen-7-36-h]: Verwijzing h: Exodus 16:1. Deuteronomium 1:3.
[^handelingen-7-37-i]: Verwijzing i: Deuteronomium 18:15,18. Johannes 1:46. Handelingen 3:22.
[^handelingen-7-37-60]: Kanttekening 60: Namelijk de Christus of Messias. Hier toont Stefanus dat hij niet tegen Mozes leert als hij Jezus Christus predikt, aangezien Mozes zelf van hem heeft geprofeteerd.
[^handelingen-7-37-k]: Verwijzing k: Mattheüs 17:5.
[^handelingen-7-38-l]: Verwijzing l: Exodus 19:3.
[^handelingen-7-38-61]: Kanttekening 61: Of: gemeente. Dit is de vergadering van het volk geweest, die wordt beschreven in Exodus 19 en in enige volgende hoofdstukken.
[^handelingen-7-38-m]: Verwijzing m: Galaten 3:19.
[^handelingen-7-38-62]: Kanttekening 62: Namelijk de Zoon van God. Vers 30.
[^handelingen-7-38-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: de weg ten leven aanwijzende.
[^handelingen-7-38-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: uitspraken of aanspraken van God, waarmee hij zijn wil verklaarde.
[^handelingen-7-39-65]: Kanttekening 65: Namelijk Mozes, en God door Mozes die hun zijn levende woorden voorhield.
[^handelingen-7-39-66]: Kanttekening 66: Namelijk verlangend terug naar dat land, of naar de bijgeloofsvormen van Egypte.
[^handelingen-7-40-n]: Verwijzing n: Exodus 32:1.
[^handelingen-7-41-67]: Kanttekening 67: Of: tot het beeld, waaraan zij afgoderij bedreven. Namelijk tot het kalf.
[^handelingen-7-41-68]: Kanttekening 68: Namelijk met eten, drinken en spelen. Exodus 32:6. 1 Korintiërs 10:7.
[^handelingen-7-41-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: in het gouden kalf dat zij zelf met hun eigen handen hadden gemaakt. Zo worden de afgoden dikwijls genoemd, om hun nietigheid en de dwaasheid van de afgodendienaars aan te wijzen. Psalm 115:4.
[^handelingen-7-42-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: werd toornig over hen, nadat hij tevoren gunstig voor hen was geweest en hun goed deed. Of: keerde zich van hen af.
[^handelingen-7-42-71]: Kanttekening 71: Namelijk als een rechtvaardig rechter aan hun begeerlijkheden, en in een verkeerde zin. Romeinen 1:24,28.
[^handelingen-7-42-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: de zon, maan en andere sterren. Zie Deuteronomium 17:3. 2 Koningen 17:16. Jesaja 40:26. Jeremia 19:13.
[^handelingen-7-42-73]: Kanttekening 73: Namelijk van de kleine profeten, die in één boek tezamen waren gebundeld. Dit staat bij de profeet Amos 5:25.
[^handelingen-7-42-74]: Kanttekening 74: Met dit vragen wil hij zeggen dat zij hem niet naar behoren hebben geofferd, noch met een oprecht hart. Amos 5:21.
[^handelingen-7-42-o]: Verwijzing o: Amos 5:25.
[^handelingen-7-43-p]: Verwijzing p: Amos 5:26,27.
[^handelingen-7-43-75]: Kanttekening 75: Namelijk op uw schouders, om die rond te dragen.
[^handelingen-7-43-76]: Kanttekening 76: Deze Moloch was een afgod van de Ammonieten. Leviticus 18:21. 1 Koningen 11:7. Jeremia 32:35. En deze naam komt van het Hebreeuwse woord Melech, dat wil zeggen: koning. Gelijk ook Milcom. 1 Koningen 11:5.
[^handelingen-7-43-77]: Kanttekening 77: Zie hierover Amos 5:26 en ook Jeremia 7:18 en 44:25.
[^handelingen-7-43-78]: Kanttekening 78: In de Hebreeuwse tekst staat Chijun, waarmee sommigen de afgod Hercules verstaan. Anderen verstaan de afgod Saturnus, die door de Egyptenaren ook Rephan werd genaamd, welk woord, maar veranderd in Raiphan, in de Griekse vertaling voor Chijun staat, die hier door Lucas wordt gevolgd, aangezien die in de grond met de Hebreeuwse tekst overeenstemt.
[^handelingen-7-43-79]: Kanttekening 79: Gr. uitdrukkingen.
[^handelingen-7-43-80]: Kanttekening 80: In het Hebreeuws staat Damascus, zoals ook in de Griekse vertaling. Maar Stefanus heeft meer op de zin dan op de woorden gelet, aangezien de geschiedenis leert dat zij niet alleen werden weggevoerd aan de overzijde van Damascus, maar ook verder aan de overzijde van Babylonië, in Perzië en het Mederland. Zie 2 Koningen 17:6 en Josephus, Antiquitates, boek 9, hfst. 14.
[^handelingen-7-44-81]: Kanttekening 81: Zo genaamd omdat de Tafelen van de Wet, die de getuigenis van de HEERE wordt genaamd, daarin werden bewaard, en God vandaaruit getuigenis en antwoord gaf van zijn wil. Exodus 25:22. 2 Koningen 11:12. 2 Kronieken 23:11. En was anders genaamd de Tent van ontmoeting, omdat het volk, wanneer zij zouden vergaderen, daarheen werd bescheiden om bijeen te komen. Zie Exodus 20:2 vergeleken met Exodus 33:7.
[^handelingen-7-44-q]: Verwijzing q: Exodus 25:40. Hebreeën 8:5.
[^handelingen-7-45-r]: Verwijzing r: Jozua 3:14.
[^handelingen-7-45-82]: Kanttekening 82: Namelijk als van hand tot hand van hun voorouders.
[^handelingen-7-45-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: Jozua de zoon van Nun. Waaruit men ziet dat de namen Jozua en Jezus dezelfde namen zijn. Zie ook Hebreeën 4:8.
[^handelingen-7-45-84]: Kanttekening 84: Gr. in de bezitting van de heidenen. Of: toen zij de bezitting van de heidenen innamen.
[^handelingen-7-45-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: voor hen heen; of: zodat zij het aangezicht van onze vaderen niet konden verdragen. Exodus 23:28. Jozua 24:12. Psalm 44:4.
[^handelingen-7-46-s]: Verwijzing s: 1 Samuël 16:1. Psalm 89:21. Handelingen 13:22.
[^handelingen-7-46-86]: Kanttekening 86: 2 Samuël 7:2. 1 Kronieken 17:1. Psalm 132:5.
[^handelingen-7-46-t]: Verwijzing t: Dat wil zeggen: te verkrijgen of te bouwen.
[^handelingen-7-46-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: te verkrijgen of te bouwen.
[^handelingen-7-47-v]: Verwijzing v: 1 Koningen 6:1. 1 Kronieken 17:12.
[^handelingen-7-47-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: een vast en blijvend gebouw, een tempel, om niet langer in een hut of tabernakel, maar in een vast huis te wonen. Psalm 132:3,4,5.
[^handelingen-7-48-x]: Verwijzing x: 1 Koningen 8:27. Handelingen 17:24.
[^handelingen-7-48-89]: Kanttekening 89: Namelijk alsof hij daarin was opgesloten, of daaraan gebonden was; zoals de Joden zich inbeeldden. Jeremia 7:4.
[^handelingen-7-49-y]: Verwijzing y: 2 Kronieken 6:33. Jesaja 66:1. Mattheüs 5:34 en 23:22.
[^handelingen-7-50-z]: Verwijzing z: Genesis 1:4.
[^handelingen-7-51-a]: Verwijzing a: Nehemia 9:16,17. Jeremia 6:10.
[^handelingen-7-51-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: hoewel u uiterlijk naar het vlees besneden bent, zo hebt u toch niet de inwendige besnijdenis van het hart, die zonder handen geschiedt. Deuteronomium 10:16 en 30:6. Jeremia 4:4. Zonder welke de uiterlijke niet nuttig is. Romeinen 2:28.
[^handelingen-7-51-91]: Kanttekening 91: Gr. altijd valt u tegen de heilige Geest. Namelijk die u door zijn Woord overtuigt dat de leer van Christus de rechte zaligmakende leer is, en toch staat u die altijd tegen.
[^handelingen-7-51-92]: Kanttekening 92: Zie Psalm 78:8.
[^handelingen-7-52-93]: Kanttekening 93: Namelijk Jezus Christus. Zie Jesaja 53:11. Handelingen 3:14. 1 Johannes 2:1.
[^handelingen-7-52-94]: Kanttekening 94: Namelijk door Judas.
[^handelingen-7-52-95]: Kanttekening 95: Namelijk door de Romeinse soldaten, hem, hoewel hij onschuldig was, ter dood veroordeeld hebbende.
[^handelingen-7-53-b]: Verwijzing b: Exodus 19:3 en 24:3. Johannes 7:19. Galaten 3:19. Hebreeën 2:2.
[^handelingen-7-53-96]: Kanttekening 96: Of: ordinanties, dat wil zeggen: beschikkingen en dienst. Zie Galaten 3:19.
[^handelingen-7-53-97]: Kanttekening 97: Gr. bewaard.
[^handelingen-7-54-98]: Kanttekening 98: Gr. werden doorgezaagd in hun harten, namelijk van spijt en toorn. Zie Handelingen 5:33.
[^handelingen-7-55-99]: Kanttekening 99: Dat wil zeggen: de heerlijke God; of: een goddelijke heerlijkheid. Lucas 2:9. Namelijk zover die met mensenogen kan worden gezien.
[^handelingen-7-55-100]: Kanttekening 100: Dat wil zeggen: zijnde. 1 Petrus 3:22. Anders wordt hij ook gezegd te zitten ter rechterhand van God. Markus 16:19.
[^handelingen-7-55-1]: Kanttekening 1: Daarmee wordt de hoogste heerlijkheid en macht bedoeld.
[^handelingen-7-56-2]: Kanttekening 2: Zie een vergelijkbaar geval in Mattheüs 3:16.
[^handelingen-7-56-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: Jezus Christus.
[^handelingen-7-58-4]: Kanttekening 4: Willende daarin de wet volgen. Leviticus 24:14.
[^handelingen-7-58-c]: Verwijzing c: 1 Koningen 21:13. Lucas 13:29.
[^handelingen-7-58-d]: Verwijzing d: Handelingen 22:20.
[^handelingen-7-58-5]: Kanttekening 5: Die naar de wet het stenigen moesten beginnen. Deuteronomium 17:7.
[^handelingen-7-58-6]: Kanttekening 6: Namelijk hun bovenkleren of mantels, opdat zij beter met stenen konden werpen.
[^handelingen-7-58-7]: Kanttekening 7: Wiens bekering beschreven wordt in het volgende hoofdstuk 9.
[^handelingen-7-59-e]: Verwijzing e: Psalm 31:6. Lucas 23:46.
[^handelingen-7-59-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: ziel. Zie een vergelijkbaar geval in Lucas 23:46.
[^handelingen-7-60-9]: Kanttekening 9: Zie een vergelijkbaar geval in Mattheüs 27:50.
[^handelingen-7-60-f]: Verwijzing f: Mattheüs 5:44. Lucas 23:34. 1 Korintiërs 4:12.
[^handelingen-7-60-10]: Kanttekening 10: Gr. en stel hun deze zonde niet, dat wil zeggen: wil die niet staande of blijvende houden om hen daarvoor te straffen naar verdienste. Zie een vergelijkbaar geval in Lucas 23:34.
[^handelingen-7-60-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: is gestorven. Want de dood van de gelovigen wordt een slaap genaamd vanwege de zalige opstanding uit de doden, waardoor zij als uit een slaap weer zullen worden opgewekt ten eeuwigen leven. Zie Mattheüs 9:24. Johannes 11:11. 1 Korintiërs 15:6,18,20. 1 Tessalonicenzen 4:13.

### Handelingen 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/8.json)

*1 De gemeente van Jeruzalem wordt vervolgd en verstrooid. 2 En Stefanus begraven. 3 Saulus verwoest de gemeente. 5 Filippus predikt Christus in Samaria en doet daar vele wondertekenen. 9 Waar Simon de tovenaar het volk verleid had en in groot aanzien stond. 12 Velen geloven door Filippus' prediking en worden gedoopt. 13 En onder hen ook Simon. 14 Petrus en Johannes worden naar Samaria gezonden. 15 Door wier gebed en handoplegging de gelovigen daar de Heilige Geest ontvangen. 18 Welke macht Simon met geld wil kopen. 20 Maar hij wordt door Petrus daarover heftig bestraft en tot bekering vermaand. 26 Filippus wordt gezonden tot de Ethiopiër, die op zijn wagen zittend de profeet Jesaja las. 34 En door Filippus onderwezen, wordt hij na belijdenis van zijn geloof door hem onderweg gedoopt. 39 Filippus wordt door de Geest van de Heere weggenomen en te Azotus gevonden.*

**1** En[^handelingen-8-1-a] Saulus had mee een[^handelingen-8-1-1] welbehagen aan zijn[^handelingen-8-1-2] dood. En er werd op die dag een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was;[^handelingen-8-1-b] en zij werden allen[^handelingen-8-1-3] verstrooid door de landen van Judea en Samaria,[^handelingen-8-1-4] behalve de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v1)

**2** En enige godvrezende mannen[^handelingen-8-2-5] droegen Stefanus samen naar het graf[^handelingen-8-2-c] en maakten[^handelingen-8-2-6] grote rouw over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v2)

**3** En[^handelingen-8-3-d] Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen,[^handelingen-8-3-7] leverde hen over in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v3)

**4** Zij dan nu, die verstrooid waren,[^handelingen-8-4-e] gingen het land door, en[^handelingen-8-4-8] verkondigden het Woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v4)

**5** En[^handelingen-8-5-9] Filippus kwam af[^handelingen-8-5-10] in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v5)

**6** En de menigten hielden zich eensgezind aan wat van Filippus gezegd werd, omdat zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v6)

**7** [^handelingen-8-7-f] Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen die uit, roepende met luide stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v7)

**8** En er werd grote blijdschap in die stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v8)

**9** En een man met de naam [^handelingen-8-9-11]Simon, was te voren in de stad plegende[^handelingen-8-9-g] toverij, en[^handelingen-8-9-12] verrukkende de zinnen van het volk van Samaria, zeggende van zichzelf, dat hij wat groots was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v9)

**10** Die zij allen aanhingen, van de kleine tot de grote, zeggende: Deze is de grote kracht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v10)

**11** En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v11)

**12** Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk van God, en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v12)

**13** En Simon[^handelingen-8-13-13] geloofde zelf ook, en gedoopt zijnde, bleef steeds bij Filippus; en ziende de tekenen en[^handelingen-8-13-14] grote krachten, die er gedaan werden, ontzette hij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v13)

**14** Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord van God aangenomen had,[^handelingen-8-14-15] zonden zij tot hen Petrus en Johannes; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v14)

**15** Die, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij[^handelingen-8-15-16] de Heilige Geest ontvangen mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v15)

**16** (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt[^handelingen-8-16-17] in de Naam van de Heere Jezus.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v16)

**17** [^handelingen-8-17-h] Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v17)

**18** En als Simon zag, dat, door[^handelingen-8-18-18] de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v18)

**19** Zeggende: Geef ook mij deze macht, opdat, zo wie ik de handen opleg, hij[^handelingen-8-19-19] de Heilige Geest ontvange. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v19)

**20** Maar Petrus zei tot hem: Uw geld[^handelingen-8-20-20] zij met u tot verderf, omdat u gemeend hebt,[^handelingen-8-20-21] dat de gave van God door geld verkregen wordt![^handelingen-8-20-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v20)

**21** U hebt geen part noch deel[^handelingen-8-21-22] in dit woord: want uw hart is niet[^handelingen-8-21-23] recht voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v21)

**22** Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of[^handelingen-8-22-24] misschien u deze overlegging van uw hart vergeven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v22)

**23** Want ik zie, dat u bent in een zeer[^handelingen-8-23-25] bittere gal en samenknoping van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v23)

**24** Maar Simon, antwoordende, zei:[^handelingen-8-24-26][^handelingen-8-24-k] Bid u voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van wat u gezegd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v24)

**25** Zij dan nu, als zij het Woord van de Heere betuigd en gesproken hadden, keerden opnieuw naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele plaatsen van de Samaritanen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v25)

**26** En een engel van de Heere sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga naar het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza,[^handelingen-8-26-27] die woest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v26)

**27** En hij stond op en ging op weg; en ziet, een Moorman,[^handelingen-8-27-28] een kamerling, en een machtig heer van[^handelingen-8-27-29] Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was,[^handelingen-8-27-l] die was gekomen om[^handelingen-8-27-30] aan te bidden te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v27)

**28** En hij keerde opnieuw, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v28)

**29** En de Geest zei tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v29)

**30** En Filippus liep toe, en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zei: Verstaat u ook, wat u leest? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v30)

**31** En hij zei:[^handelingen-8-31-31] Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En[^handelingen-8-31-32] hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v31)

**32** [^handelingen-8-32-l_m_] En de plaats van de Schriftgedeelte, die hij las, was deze: Hij is zoals een schaap ter slachting geleid; en zoals een lam stemmeloos is voor die, die het scheert, zo doet Hij Zijn mond niet open. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v32)

**33** [^handelingen-8-33-33] In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal [^handelingen-8-33-34]zijn geslacht beschrijven? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v33)

**34** En de kamerling antwoordde Filippus en zei: Ik bid u, van Wie zegt de profeet dit, van zichzelf, of van iemand anders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v34)

**35** En Filippus[^handelingen-8-35-35] deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift,[^handelingen-8-35-n] verkondigde hem Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v35)

**36** En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water; en de kamerling zei: Ziedaar water;[^handelingen-8-36-o] wat verhindert mij gedoopt te worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v36)

**37** En Filippus zei: Als u met uw hele hart gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zei: Ik geloof, dat Jezus Christus[^handelingen-8-37-36] de Zoon van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v37)

**38** En hij gebood de wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v38)

**39** En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest van de Heere Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg[^handelingen-8-39-37] met blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v39)

**40** Maar Filippus[^handelingen-8-40-38] werd gevonden,[^handelingen-8-40-39] te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te[^handelingen-8-40-40] Cesarea kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/8.html#v40)

[^handelingen-8-1-a]: Verwijzing a: Handelingen 22:20.
[^handelingen-8-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk uit onwetendheid en een verkeerde ijver, denkend dat hij God daarmee een dienst bewees. Johannes 16:2; 1 Timotheüs 1:13.
[^handelingen-8-1-2]: Kanttekening 2: Of: doden.
[^handelingen-8-1-b]: Verwijzing b: Handelingen 11:19.
[^handelingen-8-1-3]: Kanttekening 3: Dit wordt voornamelijk verstaan van de leraren die in Jeruzalem naast de apostelen waren, zoals dat kan worden afgeleid uit het einde van dit vers en uit vers 4 en 5.
[^handelingen-8-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk omdat zij een bijzondere opdracht hadden ontvangen om in Jeruzalem te blijven (Handelingen 1:4, 8), totdat de leer van het evangelie daar voldoende bevestigd en verspreid zou zijn. Jesaja 2:3.
[^handelingen-8-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk van de plaats waar Stefanus was gestenigd, zonder enig gevaar te ontzien dat hun daarvoor zou kunnen overkomen.
[^handelingen-8-2-c]: Verwijzing c: Genesis 23:2 en 50:10; 2 Samuël 3:31.
[^handelingen-8-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk naar de gewoonte van de Joden bij de begrafenis van aanzienlijke personen (Genesis 50:10; Johannes 11:31), temeer omdat zij van harte bedroefd waren over het verlies van zo'n uitstekende man.
[^handelingen-8-3-d]: Verwijzing d: Handelingen 9:1; 22:4; 26:9; 1 Korintiërs 15:9; Galaten 1:13; 1 Timotheüs 1:13.
[^handelingen-8-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk aan de oversten, om door hen in de gevangenis geworpen te worden.
[^handelingen-8-4-e]: Verwijzing e: Mattheüs 10:23; Handelingen 11:19.
[^handelingen-8-4-8]: Kanttekening 8: Grieks: evangeliseerden.
[^handelingen-8-5-9]: Kanttekening 9: Die één van de zeven diakenen was die in Jeruzalem waren gekozen voor de verzorging van de armen (Handelingen 6:5), en die daarna, na deze verstrooiing, door God is geroepen tot evangelist om het evangelie in Samaria en elders te prediken, de sacramenten te bedienen en dit met wonderen te bevestigen. Handelingen 21:8; Efeziërs 4:11.
[^handelingen-8-5-10]: Kanttekening 10: Dit was de vroegere hoofdstad van de tien stammen van Israël, gesticht door Omri, de zesde koning van Israël (1 Koningen 16), daarna ingenomen door Salmaneser de koning van Assyrië en met heidense inwoners bevolkt (2 Koningen 17), en tenslotte door Hirkanus verwoest en door Herodes herbouwd en Sebaste genoemd, ter ere van keizer Augustus. Of: in een stad van Samaria.
[^handelingen-8-7-f]: Verwijzing f: Markus 16:17; Handelingen 5:16; 16:18; 19:11.
[^handelingen-8-9-11]: Kanttekening 11: Over deze Simon leest men veel in de oude kerkelijke geschiedenissen, en in het bijzonder dat hij de eerste sekte, namelijk de gruwelijke sekte van de Simonianen, heeft opgericht onder de christenen. Zie Eusebius, Historia Ecclesiastica, boek 2, hoofdstuk 12 en boek 4, hoofdstuk 21.
[^handelingen-8-9-g]: Verwijzing g: Handelingen 13:6.
[^handelingen-8-9-12]: Kanttekening 12: Namelijk door de valse tekenen die hij onder hen deed, zoals de tovenaars in Egypte (Exodus 7:11). Zie Mattheüs 24:24 en 2 Tessalonicenzen 2:9.
[^handelingen-8-13-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: overtuigd door wat hij hoorde en zag, erkende hij de waarheid van het evangelie en voegde hij zich bij de gemeente, hoewel zijn geloof toch niet oprecht was, zoals blijkt uit vers 21.
[^handelingen-8-13-14]: Kanttekening 14: Namelijk de tekenen die door hem werden gedaan en alle geschapen kracht ver te boven gingen, zoals ook de tovenaars in Egypte uiteindelijk aan Mozes erkenden. Exodus 8:19.
[^handelingen-8-14-15]: Kanttekening 15: Namelijk om deze tere gemeente door deze apostelen in het geloof te versterken en alle passende orde onder hen in te stellen.
[^handelingen-8-15-16]: Kanttekening 16: Namelijk op zichtbare en wonderbaarlijke wijze, zoals in de vroege kerk vaak gebeurde (Handelingen 10:45; 19:6; 1 Korintiërs 14:27). Want anders hadden zij de Heilige Geest al ontvangen, omdat niemand in Christus kan geloven zonder de Heilige Geest (Romeinen 8:9; 1 Korintiërs 12:3).
[^handelingen-8-16-17]: Kanttekening 17: Met deze woorden wordt niet de vorm van de doop uitgedrukt waarover Christus spreekt (Mattheüs 28:19), maar het doel waartoe de doop diende, namelijk om hen te betekenen dat zij door de doop aan Christus en zijn gemeente werden ingelijfd. Romeinen 6:3; Galaten 3:27.
[^handelingen-8-17-h]: Verwijzing h: Handelingen 6:6; 13:3; 19:6; 1 Timotheüs 4:14; 5:22; 2 Timotheüs 1:6.
[^handelingen-8-18-18]: Kanttekening 18: Deze handoplegging was een buitengewoon teken, waardoor de gave van de Heilige Geest om wonderen te doen, te profeteren en in allerlei talen te spreken, door de apostelen werd gegeven. Zie Handelingen 6:6 en 19:6.
[^handelingen-8-19-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: zulke wonderbaarlijke gaven van de Heilige Geest. 1 Korintiërs 12:4 e.v.
[^handelingen-8-20-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: het ga u ten verderve. Dit is een heilige bedreiging, waarmee hij te kennen geeft hoe zware zonde dit was en welke straf te verwachten stond voor hem en dergelijke die de geestelijke gaven of ambten met geld of giften proberen te kopen — welke zonde naar de daad van deze Simon 'simonie' wordt genoemd.
[^handelingen-8-20-21]: Kanttekening 21: Of: de gave van God met geld te verkrijgen.
[^handelingen-8-20-i]: Verwijzing i: Mattheüs 10:8.
[^handelingen-8-21-22]: Kanttekening 22: Of: in, of aan deze zaak. Hebreeuws: namelijk de belofte van de uitstorting van de Heilige Geest die aan de gelovigen door God was gedaan. Joël 2 en elders.
[^handelingen-8-21-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: oprecht, maar verkeerd en huichelachtig.
[^handelingen-8-22-24]: Kanttekening 24: Dit zegt Petrus niet omdat hij twijfelde of God hem zijn zonde zou vergeven als hij zich oprecht bekeerde, maar omdat hij twijfelde of hij zich oprecht zou bekeren, zoals blijkt uit de volgende woorden.
[^handelingen-8-23-25]: Kanttekening 25: Grieks: gal van bitterheid. Dat wil zeggen: er is een zeer bitter en slecht hart in u, vol van ongerechtigheid. Deuteronomium 29:18.
[^handelingen-8-24-26]: Kanttekening 26: Hij doet alsof hij zich wil bekeren, uit vrees voor het verderf waarmee Petrus hem had bedreigd. Vers 20.
[^handelingen-8-24-k]: Verwijzing k: Numeri 21:7.
[^handelingen-8-26-27]: Kanttekening 27: Grieks: deze is woest. Omdat er twee wegen waren om van Jeruzalem naar Gaza te reizen, vermaant de engel hem om niet de meest begane weg te nemen, maar de andere die door de bergen woest en verlaten was.
[^handelingen-8-27-28]: Kanttekening 28: Grieks: eunuch, dat wil zeggen: gesnedene, zoals zulke mannen meest als kamerheren bij grote vorstinnen werden gebruikt. Hoewel dit woord soms ook gebruikt wordt voor allerlei hoge heren die aan de hoven van koningen dienen. Genesis 37:36; Ester 1:10.
[^handelingen-8-27-29]: Kanttekening 29: Zoals alle koningen in Egypte Farao werden genoemd, zo werden ook alle koninginnen van Ethiopië of Morenland — dat meest door vrouwen werd geregeerd — Kandake genoemd. Zie Plinius, boek 6, hoofdstuk 29.
[^handelingen-8-27-l]: Verwijzing l: Johannes 12:20.
[^handelingen-8-27-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: de godsdienst te beoefenen die door God in Jeruzalem was ingesteld, waarvan het aanbidden één van de voornaamste onderdelen was. Zie 1 Koningen 8:41.
[^handelingen-8-31-31]: Kanttekening 31: Namelijk alles te begrijpen wat ik lees. Want hoewel het woord van God op zichzelf duidelijk genoeg is, voor zover nodig voor de zaligheid, om door eenieder door de genade van de Heilige Geest te worden verstaan, zijn er toch sommige moeilijk te begrijpen plaatsen waarvoor verklaring en uitleg nodig is. Daarom heeft God naast het lezen van het woord ook de prediking en uitleg ervan ingesteld. Handelingen 17:11; Romeinen 10:14; Efeziërs 4:11.
[^handelingen-8-31-32]: Kanttekening 32: Grieks: op de weg leidt.
[^handelingen-8-32-l_m_]: Verwijzing l\[m\]: Jesaja 53:7.
[^handelingen-8-33-33]: Kanttekening 33: Hoe dit gedeelte op Christus past en met de Hebreeuwse tekst overeenkomt, zie de verklaring op Jesaja 53:7.
[^handelingen-8-33-34]: Kanttekening 34: Of: afkomst, of: zijn levenstijd. Sommigen verstaan dit van zijn eeuwige geboorte uit de Vader; anderen van de menigte van de gelovigen die hij door zijn dood tot zich zou trekken (Johannes 12:32); anderen van de eeuwige kracht en bestendigheid van zijn leven na zijn opstanding en hemelvaart (Romeinen 6:9; Hebreeën 7:27), wat met de volgende woorden van Jesaja 53:10 het beste lijkt overeen te komen.
[^handelingen-8-35-35]: Kanttekening 35: Over deze wijze van spreken, zie Mattheüs 5:2.
[^handelingen-8-35-n]: Verwijzing n: Lucas 24:45.
[^handelingen-8-36-o]: Verwijzing o: Handelingen 10:47.
[^handelingen-8-37-36]: Kanttekening 36: En daarmee de ware Zaligmaker, die ons door zijn lijden en sterven van zonde en dood heeft verlost, overeenkomstig de vorige profetie. Zie een vergelijkbare korte belijdenis in Mattheüs 16:16.
[^handelingen-8-39-37]: Kanttekening 37: Grieks: zich verblijdend. Namelijk door een gevoel van de vergeving van zijn zonden en van de werking van de Heilige Geest in zijn gemoed. Romeinen 5:1 e.v.
[^handelingen-8-40-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: hij bevond zichzelf neergezet.
[^handelingen-8-40-39]: Kanttekening 39: Dit was een stad in Palestina, door de Hebreeën Asdod genoemd. Zie Jozua 11:22.
[^handelingen-8-40-40]: Kanttekening 40: Dit was ook een stad in Palestina, aan de zee gelegen, vroeger Turris Stratonis geheten, door Herodes gebouwd en Caesarea genoemd ter ere van keizer Augustus. Zie uitvoeriger de aantekening op Handelingen 10:1.

### Handelingen 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/9.json)

*1 Saulus reist naar Damascus om de gelovigen daar ook te vervolgen. 3 Wordt onderweg uit de hemel door een licht omstraald, ter aarde geworpen, en door Christus zelf bestraft en met blindheid geslagen. 10 Ananias wordt tot hem gezonden, die eerst bevreesd is tot hem te gaan. 15 Maar daarna tot hem komt, hem weer ziende maakt, onderricht en doopt. 20 Saulus predikt Christus in de zijnagogen. 23 De Joden leggen hem lagen. 25 Maar hij ontsnapt over de stadsmuur in een mand. 26 Hij komt te Jeruzalem en wordt door Barnabas bij de apostelen gebracht, en predikt ook Christus aldaar. 30 Reist naar Tarsen om de lagen van de Joden te ontgaan. 31 De gemeenten hebben vrede en nemen toe. 32 Petrus komt te Lydda en geneest Eneas. 36 Wordt te Joppe ontboden en wekt Tabitha op, die gestorven was. 42 Waardoor velen geloven.*

**1** [^handelingen-9-1-a] En Saulus,[^handelingen-9-1-1] blazende nog dreiging en moord tegen[^handelingen-9-1-2] de discipelen van de Heere, ging tot de[^handelingen-9-1-3] hogepriester, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v1)

**2** En verzocht brieven van hem naar[^handelingen-9-2-4] Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van[^handelingen-9-2-5] die weg waren, vond, hij hen, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v2)

**3** [^handelingen-9-3-b] En als hij reisde, is het gebeurd, dat hij nabij Damascus kwam,[^handelingen-9-3-c] en hem[^handelingen-9-3-6] omscheen plotseling[^handelingen-9-3-d] een licht van de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v3)

**4** En ter aarde[^handelingen-9-4-7] gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem[^handelingen-9-4-8] zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?[^handelingen-9-4-9] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v4)

**5** En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt.[^handelingen-9-5-e] Het is u hard,[^handelingen-9-5-10] de hiel tegen de prikkels te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v5)

**6** En hij, bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere,[^handelingen-9-6-f] wat wilt U, dat ik doen zal? En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal daar gezegd worden,[^handelingen-9-6-11] wat u doen moet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v6)

**7** [^handelingen-9-7-g] En[^handelingen-9-7-12] de mannen, die met hem over weg reisden, stonden[^handelingen-9-7-13] verbaasd,[^handelingen-9-7-14] horende wel de stem, maar niemand ziende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v7)

**8** En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij[^handelingen-9-8-15] niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem in Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v8)

**9** En hij was drie dagen, dat hij niet zag,[^handelingen-9-9-16] en at niet, en dronk niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v9)

**10** En er was in Damascus een discipel met de naam Ananias; en de Heere zei tot hem[^handelingen-9-10-18] in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere![^handelingen-9-10-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v10)

**11** En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genoemd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met de naam Saulus,[^handelingen-9-11-h] van[^handelingen-9-11-19] Tarsen; want zie, hij bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v11)

**12** En hij heeft in een visioen gezien, dat een man, met de naam Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij opnieuw ziende werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v12)

**13** En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van deze man,[^handelingen-9-13-i] hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v13)

**14** En heeft[^handelingen-9-14-20] hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die[^handelingen-9-14-21] Uw Naam aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v14)

**15** Maar de Heere zei tot hem: Ga, want deze is voor Mij een uitverkoren[^handelingen-9-15-22] werktuig, om Mijn Naam[^handelingen-9-15-23] te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de Israëlieten.[^handelingen-9-15-k] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v15)

**16** [^handelingen-9-16-l] Want Ik zal hem[^handelingen-9-16-24] tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v16)

**17** [^handelingen-9-17-m] En Ananias ging op weg en kwam in het huis; en[^handelingen-9-17-25] de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u[^handelingen-9-17-26] verschenen is op de weg, die u kwam, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v17)

**18** En meteen vielen af van zijn ogen als schellen, en hij werd meteen opnieuw ziende; en stond op, en werd gedoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v18)

**19** En als hij[^handelingen-9-19-27] voedsel genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die in Damascus waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v19)

**20** En hij predikte meteen Christus in de synagogen, dat Hij[^handelingen-9-20-28] de Zoon van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v20)

**21** En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie deze Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij hen geboeid voor de overpriesters zou brengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v21)

**22** Maar Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en[^handelingen-9-22-29] overtuigde de Joden, die in Damascus woonden,[^handelingen-9-22-30] bewijzende, dat deze de Christus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v22)

**23** En als[^handelingen-9-23-31] vele dagen[^handelingen-9-23-32] verlopen waren, zo hielden de Joden samen raad, om hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v23)

**24** Maar hun samenzwering werd Saulus bekend;[^handelingen-9-24-n] en[^handelingen-9-24-33] zij bewaarden de poorten, zowel overdag als bij nacht, opdat zij hem doden mochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v24)

**25** Maar de discipelen namen hem bij nacht,[^handelingen-9-25-o] en lieten hem door de muur naar beneden, hem aflatende in een mand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v25)

**26** [^handelingen-9-26-p] Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen,[^handelingen-9-26-34] niet gelovende, dat hij een discipel was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v26)

**27** [^handelingen-9-27-q] Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot[^handelingen-9-27-35] de apostelen, en vertelde hun, hoe hij op de weg de Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v27)

**28** En hij was met hen[^handelingen-9-28-36] ingaande en uitgaande te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v28)

**29** En vrijmoedig sprekende in de Naam van de Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen[^handelingen-9-29-37] de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v29)

**30** Maar[^handelingen-9-30-38] de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v30)

**31** De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees voor de Heere, en de troost van de Heilige Geest, werden vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v31)

**32** Toen Petrus overal doortrok[^handelingen-9-32-39], kwam hij ook af tot de heiligen[^handelingen-9-32-40], die te Lydda[^handelingen-9-32-41] woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v32)

**33** En daar vond hij een man met de naam Aeneas, die acht jaren[^handelingen-9-33-42] te bed gelegen had, die geraakt was.[^handelingen-9-33-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v33)

**34** En Petrus zei tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en[^handelingen-9-34-44] spreid uzelf het bed. En hij stond meteen op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v34)

**35** En zij zagen hem allen, die[^handelingen-9-35-45] te Lydda en Sarona woonden, die zich bekeerden tot de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v35)

**36** En te[^handelingen-9-36-46] Joppe was een discipelin met de naam Tabitha,[^handelingen-9-36-47] dat overgezet zijnde, is gezegd[^handelingen-9-36-48] Dorkas. Deze was vol van goede werken en liefdegaven, die zij deed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v36)

**37** In die dagen werd zij ziek en stierf; en als zij[^handelingen-9-37-49] haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v37)

**38** En zo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus daar was, zonden[^handelingen-9-38-50] twee mannen tot hem, biddende,[^handelingen-9-38-51] dat hij niet zou talmen om tot hen over te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v38)

**39** En Petrus stond op, en ging met hen; die zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, huilend, en tonende de rokken en kleren, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v39)

**40** Maar Petrus, hebbende[^handelingen-9-40-52] hen allen uitgedreven, knielde neer en bad: en zich kerende tot het lichaam, zei hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v40)

**41** En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en[^handelingen-9-41-53] de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v41)

**42** En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v42)

**43** En hij bleef vele dagen te Joppe, bij een zekere Simon, een leerlooier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/9.html#v43)

[^handelingen-9-1-a]: Verwijzing a: Handelingen 8:3; 22:4; 26:9. 1 Korintiërs 15:9. Galaten 1:13. 1 Timotheüs 1:13.
[^handelingen-9-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk na de dood van Stefanus: een vergelijking ontleend aan leeuwen of beren die een prooi najagen, of zoals bittere vijanden zich tegen anderen plegen op te stellen.
[^handelingen-9-1-2]: Kanttekening 2: Dat zijn degenen die Christus aanhingen en later te Antiochië voor het eerst Christenen werden genoemd. Handelingen 11:26.
[^handelingen-9-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk de hogepriester en de opperste raad van de Joden, waarvan hij het hoofd was. Handelingen 22:5. Bij die raad berustte destijds de kennis en het opperste oordeel over zaken van de Joodse religie, ook in de synagogen buiten het Joodse land. Zie 2 Kronieken 19:10; Handelingen 18:15.
[^handelingen-9-2-4]: Kanttekening 4: Dit was de hoofdstad van Syrië, gelegen aan de ene zijde van de berg Libanon, ongeveer vijf of zes dagreizen van Jeruzalem: een heidense stad, maar waar veel van de verstrooide Joden woonden en synagogen hadden. Zie vers 22; Handelingen 26:12; 2 Korintiërs 11:32.
[^handelingen-9-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: die leer. Hebreeuws. Zie Handelingen 24:14.
[^handelingen-9-3-b]: Verwijzing b: Handelingen 22:6.
[^handelingen-9-3-c]: Verwijzing c: 1 Korintiërs 15:8. 2 Korintiërs 12:2.
[^handelingen-9-3-6]: Kanttekening 6: Gr. ombliksemde, of omstraalde.
[^handelingen-9-3-d]: Verwijzing d: Handelingen 26:13.
[^handelingen-9-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk uit schrik, verbijstering en vrees.
[^handelingen-9-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk in de Hebreeuwse taal. Handelingen 26:14.
[^handelingen-9-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk in mijn leden, dat wil zeggen mijn gemeente, die mijn lichaam is. 1 Korintiërs 12:12. Efeziërs 5:23.
[^handelingen-9-5-e]: Verwijzing e: Handelingen 5:39.
[^handelingen-9-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk zoals ossen en andere lastdieren achteruitslaan wanneer ze met prikkels worden voortgedreven, en aldus niet de prikkels maar zichzelf verwonden.
[^handelingen-9-6-f]: Verwijzing f: Lucas 3:10. Handelingen 2:37; 16:30.
[^handelingen-9-6-11]: Kanttekening 11: Namelijk om uw gezicht terug te krijgen en als leerling erkend te worden, zoals vers 17 verklaart. Want wat zijn leer en apostelschap betreft, die heeft hij niet van mensen noch door mensen ontvangen. Galaten 1:1, 12.
[^handelingen-9-7-g]: Verwijzing g: Daniel 10:7.
[^handelingen-9-7-12]: Kanttekening 12: Deze schijnen degenen geweest te zijn die door de hogepriesters meegegeven waren aan Paulus om de gevangen christenen naar Jeruzalem te brengen, zoals gezegd is in vers 2.
[^handelingen-9-7-13]: Kanttekening 13: Of: verstomd. Namelijk nadat zij weer waren opgestaan, want zij waren ook met Paulus ter aarde gevallen. Handelingen 26:14.
[^handelingen-9-7-14]: Kanttekening 14: Sommigen verstaan dit van de stem van Paulus waarmee hij Christus antwoordde, omdat in Handelingen 22:9 gezegd wordt dat degenen die bij Paulus waren de stem van degene die met hem sprak niet hoorden. Anderen verzoenen dit aldus, dat hier ook van de stem van Christus gesproken wordt, maar alleen van het horen van het geluid zonder verstaan van de woorden, terwijl in Handelingen 22:9 bedoeld wordt een duidelijk horen en verstaan van de woorden; een dergelijk voorbeeld is Johannes 12:29.
[^handelingen-9-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk doordat er schellen over zijn ogen waren gekomen. Vers 18.
[^handelingen-9-9-16]: Kanttekening 16: Namelijk hetzij door de diepe verslagenheid die hem alle lust tot eten en drinken had benomen, hetzij om de gehele tijd met bidden en boetedoening door te brengen, zoals vers 11 uitgedrukt wordt. Zie Mattheüs 15:32; Markus 8:2.
[^handelingen-9-10-18]: Kanttekening 18: Namelijk in een goddelijk visioen door een vertrekking van zinnen, waarin de Heer hem verscheen, zoals ook in vers 12 aan Paulus, die toen nog blind was, geschied is.
[^handelingen-9-10-17]: Kanttekening 17: Deze was een vooraanstaand leerling, zoals hij nader beschreven wordt in Handelingen 22:12. Sommige oude leraren menen dat hij één van de 72 leerlingen was die eerder door Christus waren gekozen.
[^handelingen-9-11-h]: Verwijzing h: Handelingen 21:39; 22:3.
[^handelingen-9-11-19]: Kanttekening 19: Dit was een stad in Cilicië die grote weldaden van de Romeinse keizers had ontvangen, waaronder ook het burgerrecht van Rome, waarop Paulus zich later soms beroept. Zie Handelingen 16:37; 22:25.
[^handelingen-9-13-i]: Verwijzing i: Handelingen 9:1. 1 Korintiërs 15:9. Galaten 1:13. 1 Timotheüs 1:12.
[^handelingen-9-14-20]: Kanttekening 20: Namelijk in Damascus zelf.
[^handelingen-9-14-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: u aanbidden en dus in u geloven. Romeinen 10:14.
[^handelingen-9-15-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: instrument of dienaar en gezant. 2 Korintiërs 5:20. Gr. een vat van de verkiezing. Galaten 1:15, 16.
[^handelingen-9-15-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: voor te dragen of te verkondigen.
[^handelingen-9-15-k]: Verwijzing k: Handelingen 13:2; 22:21. Romeinen 1:1. Galaten 1:15; 2:8. Efeziërs 3:8. 1 Timotheüs 2:7. 2 Timotheüs 1:11.
[^handelingen-9-16-l]: Verwijzing l: Handelingen 21:11. 2 Korintiërs 11:23.
[^handelingen-9-16-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: niet alleen hem daarvan tevoren onderrichten, maar ook door mijn Geest daartoe moed en kracht geven, zoals hij zijn andere leerlingen belooft in Johannes 16:33.
[^handelingen-9-17-m]: Verwijzing m: Handelingen 22:12.
[^handelingen-9-17-25]: Kanttekening 25: Namelijk tot een teken dat de Heer hem in zijn goddelijk beroep door de heilige Geest buitengewoon zou versterken en hem van zijn blindheid genezen. Markus 16:18. Zie Handelingen 6:6.
[^handelingen-9-17-26]: Kanttekening 26: Of: van u gezien is. Dat Christus ook in deze openbaring door Paulus gezien is, blijkt uit vers 27 en Handelingen 22:14.
[^handelingen-9-19-27]: Kanttekening 27: Gr. voedsel.
[^handelingen-9-20-28]: Kanttekening 28: En dientengevolge de ware Messias. Zie vers 22; Handelingen 8:37.
[^handelingen-9-22-29]: Kanttekening 29: Gr. maakte de Joden verward of beschaamd.
[^handelingen-9-22-30]: Kanttekening 30: Het Griekse woord betekent een bewijs dat geschiedt door samenvoeging of vergelijking, nl. van de voorzeggingen van de profeten met de vervulling daarvan in de persoon van Christus.
[^handelingen-9-23-31]: Kanttekening 31: Namelijk drie hele jaren, welke gehele tijd hij in Arabië en in Damascus leerde voor hij naar Jeruzalem trok. Zie Galaten 1:17.
[^handelingen-9-23-32]: Kanttekening 32: Gr. vervuld.
[^handelingen-9-24-n]: Verwijzing n: 2 Korintiërs 11:32.
[^handelingen-9-24-33]: Kanttekening 33: Namelijk de Joden, versterkt met de macht van de stadhouder van koning Aretas. 2 Korintiërs 11:32.
[^handelingen-9-25-o]: Verwijzing o: Jozua 2:15. 1 Samuel 19:12.
[^handelingen-9-26-p]: Verwijzing p: Handelingen 22:17.
[^handelingen-9-26-34]: Kanttekening 34: Namelijk omdat de bekering van Paulus in de gemeente nog niet genoeg bekend was, daar hij de meeste tijd daarna in Arabië, ver van Jeruzalem, was geweest.
[^handelingen-9-27-q]: Verwijzing q: Handelingen 11:25.
[^handelingen-9-27-35]: Kanttekening 35: Namelijk Petrus en Jakobus, zoals uitgedrukt staat in Galaten 1:18, 19. Want het schijnt dat de andere apostelen destijds voor een tijd uit Jeruzalem vertrokken waren om elders het evangelie te prediken.
[^handelingen-9-28-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: gemeenzaam en dagelijks met hen omgaande. Hebreeuws.
[^handelingen-9-29-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: die de Griekse taal en vertaling van de Bijbel gebruikten. Zie Handelingen 6:1, 9.
[^handelingen-9-30-38]: Kanttekening 38: Zo worden de gelovigen genoemd, omdat zij als broeders in liefde met elkaar leefden, een Vader in de hemel hebbend en een eerstgeboren broeder Jezus Christus, en een erfenis verwachtend door een Geest.
[^handelingen-9-32-39]: Kanttekening 39: Gr. in alle plaatsen. Dat wil zeggen: de landen vermeld in vers 31, om de gemeenten te bezoeken en te versterken die uit de besnijdenis waren. Galaten 2:7, 9.
[^handelingen-9-32-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: de gelovige christenen.
[^handelingen-9-32-41]: Kanttekening 41: Zie vers 35.
[^handelingen-9-33-42]: Kanttekening 42: Gr. krabbaton (κραβάττου), d.i. op een bedje.
[^handelingen-9-33-43]: Kanttekening 43: Of: lam, beroerd.
[^handelingen-9-34-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: schik het bed op en maak het gereed, tot een teken van volledige genezing.
[^handelingen-9-35-45]: Kanttekening 45: Lydda was een stad in Palestina in de landstreek Saron, een vruchtbaar en goed bewoond land, strekkend langs de Middellandse Zee van Caesarea tot Joppe. Zie Jesaja 35:2; 65:10; 1 Kronieken 27:29.
[^handelingen-9-36-46]: Kanttekening 46: Dit was en is nog een beroemde haven in Palestina aan de Middellandse Zee, vroeger Jafo genaamd, waar Jona scheepging (Jona 1:3).
[^handelingen-9-36-47]: Kanttekening 47: Namelijk Tabitha, als het in het Grieks vertaald wordt.
[^handelingen-9-36-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: een hinde, ree of geit.
[^handelingen-9-37-49]: Kanttekening 49: Namelijk naar de gewoonte van de ouden, waarmee zij hun hoop op de opstanding uit de doden wilden uitdrukken.
[^handelingen-9-38-50]: Kanttekening 50: Namelijk hetzij om de arme weduwen over dit sterfgeval beter te troosten, hetzij ook in de hoop dat hij haar zou opwekken.
[^handelingen-9-38-51]: Kanttekening 51: Gr. vertragen. Dat wil zeggen: dat hij er geen moeite mee zou hebben.
[^handelingen-9-40-52]: Kanttekening 52: Namelijk om te ernstiger te kunnen bidden, zoals Elisa deed (2 Koningen 4:34). Dit gebed diende ertoe te bewijzen dat dit werk niet door zijn eigen maar door Gods kracht geschiedde. Handelingen 3:12, 13.
[^handelingen-9-41-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: de leerlingen of gelovigen die daaromtrent waren; zij worden aldus genoemd omdat zij door Christus' bloed en Geest geheiligd zijn en gewoonlijk een heilig leven leidden. Zie vers 32.

### Handelingen 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/10.json)

*1 Een engel verschijnt aan Cornelius, de hoofdman te Cesarea, terwijl hij vastte en bad. 5 Beveelt hem Petrus van Joppe te ontbieden om door hem onderwezen te worden. 7 Hij zendt zijn dienstknechten. 9 Petrus wordt ondertussen door een visioen van een linnen laken met allerlei reine en onreine dieren, uit de hemel neergelaten, en door een stem onderwezen dat het onderscheid tussen Joden en heidenen nu was opgeheven. 17 De dienstknechten van Cornelius komen bij Petrus. 19 Die, door God vermaand, met hen reist naar Cesarea. 24 Waar Cornelius met zijn vrienden vergaderd is en hem met grote eerbied ontvangt. 28 Petrus verhaalt wat God hem had geopenbaard. 30 Evenals Cornelius. 34 Petrus predikt Christus aan Cornelius en de zijnen. 44 En zij ontvangen daarop de Heilige Geest. 46 Spreken met vreemde tongen. 47 En worden gedoopt.*

**1** En er was in Cesarea een[^handelingen-10-1-1] man met de naam Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de[^handelingen-10-1-2] bende, genoemd[^handelingen-10-1-3] de Italiaanse; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v1)

**2** [^handelingen-10-2-4] Godvrezend en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele liefdegaven aan het volk, en God steeds biddende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v2)

**3** Deze[^handelingen-10-3-5] zag in een visioen duidelijk, ongeveer op het negende uur overdag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius![^handelingen-10-3-6] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v3)

**4** En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei:[^handelingen-10-4-7] Wat is het Heere? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw liefdegaven zijn[^handelingen-10-4-8] tot herinnering opgekomen voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v4)

**5** En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v5)

**6** Deze ligt te huis bij een Simon, leerbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat u doen moet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v6)

**7** En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godvrezenden soldaat van degenen, die steeds bij hem waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v7)

**8** En toen hij hun alles had verteld, zond hij hen naar Joppe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v8)

**9** En op de andere dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen,[^handelingen-10-9-a] klom Petrus[^handelingen-10-9-9] op het dak, om te bidden, ongeveer [^handelingen-10-9-10]op het zesde uur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v9)

**10** En hij werd hongerig, en verzocht te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem[^handelingen-10-10-11] een geestvervoering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v10)

**11** En hij zag de hemel geopend, en een zeker voorwerp tot hem neerdalen, zoals een groot linnen laken, aan de vier[^handelingen-10-11-12] hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v11)

**12** In dat waren[^handelingen-10-12-13] al de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v12)

**13** En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v13)

**14** Maar Petrus zei: In geen geval, Heere! want[^handelingen-10-14-b] ik heb nooit gegeten iets,[^handelingen-10-14-14] dat onheilig of onrein was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v14)

**15** En opnieuw klonk er een stem tot hem, voor de tweede keer:[^handelingen-10-15-c] Wat God gereinigd heeft, zult u niet[^handelingen-10-15-15] onheilig maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v15)

**16** En dit gebeurde drie keer; en het voorwerp werd opnieuw opgenomen in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v16)

**17** En zo Petrus in zichzelf twijfelde, wat toch het visioen mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v17)

**18** En iemand geroepen hebbende, vroegen zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v18)

**19** En als Petrus over dat visioen dacht,[^handelingen-10-19-16] zei de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v19)

**20** [^handelingen-10-20-d][^handelingen-10-20-18_17_] Daarom sta op, en ga af, en reis met hen,[^handelingen-10-20-18] niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v20)

**21** En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zei: Zie, ik ben het, die u zoekt; wat is de oorzaak, waarom u hier bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v21)

**22** En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die een goed getuigenis heeft van heel het[^handelingen-10-22-19] volk van de Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijn huize, en dat hij van u[^handelingen-10-22-20] woorden van de zaligheid zou horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v22)

**23** Als hij hen dan ingeroepen had,[^handelingen-10-23-21] ontving hij ze in huis. Maar op de andere dag ging Petrus met hen mee, en[^handelingen-10-23-22] sommigen van de broeders, die van Joppe waren, gingen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v23)

**24** En op de andere dag kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn familie en[^handelingen-10-24-23] bijzonderste vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v24)

**25** Toen Petrus binnenkwam, ging Cornelius hem tegemoet, en vallende aan zijn voeten,[^handelingen-10-25-24] aanbad hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v25)

**26** Maar Petrus richtte hem op, zeggende:[^handelingen-10-26-e] Sta op, ik ben ook zelf een mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v26)

**27** En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v27)

**28** En hij zei tot hen:[^handelingen-10-28-f] U weet, hoe het een Joodse man[^handelingen-10-28-25] ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een[^handelingen-10-28-26] vreemde;[^handelingen-10-28-g] maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou onheilig of onrein[^handelingen-10-28-27] heten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v28)

**29** Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen,[^handelingen-10-29-28] ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden u mij hebt ontboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v29)

**30** En Cornelius zei: Vier dagen geleden was ik tot op dit uur aan het vasten, en op het negende uur bad ik in mijn huis.[^handelingen-10-30-29] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v30)

**31** En ziet,[^handelingen-10-31-30] een man stond voor mij,[^handelingen-10-31-h] in een blinkend kleed, en zei: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw liefdegaven zijn voor God[^handelingen-10-31-31] gedacht geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v31)

**32** Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, de leerbereider, aan de zee, die, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v32)

**33** Zo heb ik dan meteen tot u gezonden, en u hebt welgedaan, dat u hier gekomen bent. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al wat u van God bevolen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v33)

**34** En Petrus,[^handelingen-10-34-32] de mond opendoende, zei:[^handelingen-10-34-33] Ik verneem in waarheid[^handelingen-10-34-i], dat God[^handelingen-10-34-34] geen aannemer van de persoon is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v34)

**35** [^handelingen-10-35-k] Maar in allen volk, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v35)

**36** [^handelingen-10-36-35] Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft de Israëlieten,[^handelingen-10-36-36][^handelingen-10-36-l] verkondigende[^handelingen-10-36-37] vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v36)

**37** U[^handelingen-10-37-38] weet wat er gebeurd is door heel Judea,[^handelingen-10-37-m] beginnende van Galilea, na de doop, die Johannes gepredikt heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v37)

**38** Wat betreft Jezus van Nazareth,[^handelingen-10-38-n] hoe Hem God[^handelingen-10-38-39] gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want[^handelingen-10-38-40] God was met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v38)

**39** En wij zijn getuigen van al wat Hij gedaan heeft, zowel in het Joodse land als te Jeruzalem; Die zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v39)

**40** [^handelingen-10-40-o] Deze heeft God opgewekt op de derde dag, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v40)

**41** Niet al de volk, maar de getuigen, die van God[^handelingen-10-41-41] te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v41)

**42** [^handelingen-10-42-p] En heeft ons geboden de volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die[^handelingen-10-42-q] van God verordend is tot een Rechter van[^handelingen-10-42-42] levenden en doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v42)

**43** [^handelingen-10-43-r] Deze geven getuigenis al de profeten,[^handelingen-10-43-s] dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen[^handelingen-10-43-43] zal door Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v43)

**44** [^handelingen-10-44-t] Als Petrus nog deze woorden sprak,[^handelingen-10-44-44] viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v44)

**45** En de gelovigen,[^handelingen-10-45-45] die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten[^handelingen-10-45-46] zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v45)

**46** [^handelingen-10-46-v] Want zij hoorden hen spreken[^handelingen-10-46-47] met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v46)

**47** [^handelingen-10-47-x] Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben, als ook wij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v47)

**48** En[^handelingen-10-48-48] hij beval,[^handelingen-10-48-49] dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heere. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/10.html#v48)

[^handelingen-10-1-1]: Kanttekening 1: Er waren destijds meerdere steden van deze naam, maar hier wordt gesproken van Caesarea Palestinae, voorheen de Toren van Straton genaamd, door Herodes ter ere van keizer Augustus hernoemd, gelegen aan de Middellandse Zee, één van de voornaamste steden van Palestina.
[^handelingen-10-1-2]: Kanttekening 2: Gr. speira (σπεῖρα), d.i. regiment of cohort, waaruit dit vaandel ter bewaking van die stad door de Romeinse keizer was gelegd.
[^handelingen-10-1-3]: Kanttekening 3: Elk regiment had zijn naam: dit werd het Italiaanse genaamd omdat het uit Italiaanse soldaten bestond.
[^handelingen-10-2-4]: Kanttekening 4: Hij was dus reeds gelovig en wedergeboren, met ware kennis van de God van Israël en van de Messias die de Joden verwachtten, zonder welke deze deugden in niemand aanwezig kunnen zijn. Zie de volgende verzen 15, 22, 43.
[^handelingen-10-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: in een verschijning voor de ogen van zijn lichaam, zoals blijkt uit het volgende en vers 31.
[^handelingen-10-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: het derde uur na de middag, dat ook een gewoon biduur was bij de Joden. Handelingen 3:1.
[^handelingen-10-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk wat u van mij verlangt.
[^handelingen-10-4-8]: Kanttekening 8: Of: in gedachtenis, of tot een gedachtenis. Een vergelijking ontleend aan de offers van het Oude Testament, waarmee de aangenaamheid van zijn gebeden en aalmoezen wordt aangeduid, als vruchten van het ware geloof. Romeinen 10:14; Hebreeën 11:6.
[^handelingen-10-9-a]: Verwijzing a: Mattheüs 6:6. 2 Koningen 4:33.
[^handelingen-10-9-9]: Kanttekening 9: Namelijk van het huis, aangezien de Joodse huizen boven plat waren, om alleen te zijn en des te vrijer te bidden.
[^handelingen-10-9-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: omstreeks de middag, welke ook een gewoon biduur was bij de Joden. Zie Psalm 55:18; Daniël 6:10.
[^handelingen-10-10-11]: Kanttekening 11: Gr. ecstase (ἔκστασις), d.i. een buiten-zichzelf-zijn: het was een visioen van de geest, zonder bemiddeling van de uiterlijke zinnen. Zulke visioenen hebben de profeten dikwijls gehad. Zie Jesaja 6:1; Ezechiël 1:1.
[^handelingen-10-11-12]: Kanttekening 12: Gr. beginpunten.
[^handelingen-10-12-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: allerlei of van alle soorten.
[^handelingen-10-14-b]: Verwijzing b: Leviticus 11:4. Deuteronomium 14:7.
[^handelingen-10-14-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: iets dat God in het Oude Testament had verboden als voedsel te gebruiken. Zie Leviticus 11:4; Deuteronomium 14:7.
[^handelingen-10-15-c]: Verwijzing c: Mattheüs 15:11. Romeinen 14:17, 20. 1 Timotheüs 4:4. Titus 1:15.
[^handelingen-10-15-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: achten of noemen.
[^handelingen-10-19-16]: Kanttekening 16: Namelijk door een inwendige inspraak, zoals het visioen inwendig was geweest. Zie Handelingen 11:12.
[^handelingen-10-20-d]: Verwijzing d: Handelingen 15:7.
[^handelingen-10-20-18_17_]: Kanttekening 18\[17\]: Gr. maar.
[^handelingen-10-20-18]: Kanttekening 18: Namelijk of u dit doen mag of niet, aangezien zij heidenen zijn.
[^handelingen-10-22-19]: Kanttekening 19: Namelijk waarmee hij gemeenschap had en in de wet waarvan hij onderwezen was, zoals uit vers 43 blijkt dat hij de profeten geloofde.
[^handelingen-10-22-20]: Kanttekening 20: Of: dingen, zaken. Namelijk die het heil aangaan, zoals door Petrus verklaard wordt in Handelingen 11:14.
[^handelingen-10-23-21]: Kanttekening 21: Of: herbergde hen, gaf hen onderdak.
[^handelingen-10-23-22]: Kanttekening 22: Namelijk zes in getal, zoals uitgedrukt staat in Handelingen 11:12.
[^handelingen-10-24-23]: Kanttekening 23: Gr. noodzakelijke, d.i. naaste.
[^handelingen-10-25-24]: Kanttekening 24: Namelijk hem burgerlijke eerbied bewijzend. Want aangezien Cornelius de ware God van Israël kende en vreesde, is het niet aannemelijk dat hij Petrus als God zou hebben geëerd. Maar omdat de eer die hij hem bewees de maat te buiten ging, heeft Petrus hem daarvoor terecht berispt. Zie ook Openbaring 22:9.
[^handelingen-10-26-e]: Verwijzing e: Handelingen 14:14. Openbaring 19:10; 22:9.
[^handelingen-10-28-f]: Verwijzing f: Exodus 23:32; 34:15. Deuteronomium 7:2. Johannes 4:9; 18:28. Handelingen 11:3.
[^handelingen-10-28-25]: Kanttekening 25: Hoewel wij hiervan geen duidelijk verbod in het Oude Testament vinden, was het toch een gebruik onder de Joden op goede gronden, dat zij met de heidenen geen al te nauwe gemeenschap mochten hebben, om niet tot afgoderij te worden verleid. Zie Exodus 23:32; Jozua 23:7, 12.
[^handelingen-10-28-26]: Kanttekening 26: Gr. allophylos (ἀλλόφυλος), d.i. die van een ander volk of geslacht is, vreemd van het geslacht van de Joden. Efeziërs 2:12.
[^handelingen-10-28-g]: Verwijzing g: Handelingen 15:8. Efeziërs 3:6.
[^handelingen-10-28-27]: Kanttekening 27: Gr. zeggen. Zie hierover vers 34, 35.
[^handelingen-10-29-28]: Kanttekening 28: Gr. gezonden zijnde.
[^handelingen-10-30-29]: Kanttekening 29: Namelijk van die dag. Zie vers 3.
[^handelingen-10-31-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: een engel in mannengedaante, vers 3.
[^handelingen-10-31-h]: Verwijzing h: Mattheüs 28:3. Markus 16:5. Lucas 24:4.
[^handelingen-10-31-31]: Kanttekening 31: Zie de aantekening op vers 4.
[^handelingen-10-34-32]: Kanttekening 32: Zie de aantekening op Mattheüs 5:2.
[^handelingen-10-34-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: bevind, begrijp.
[^handelingen-10-34-i]: Verwijzing i: Deuteronomium 10:17. 2 Kronieken 19:7. Job 34:19. Romeinen 2:11. Galaten 2:6. Efeziërs 6:9. Kolossensen 3:25. 1 Petrus 1:17.
[^handelingen-10-34-34]: Kanttekening 34: Dat God niet ziet op de uiterlijke gesteldheid van mensen, zodat iemand hem aangenaam zou zijn doordat hij een Jood of Griek is, arm of rijk, edel of onedel. Galaten 5:6; 6:15; Kolossensen 3:11.
[^handelingen-10-35-k]: Verwijzing k: Jesaja 56:6.
[^handelingen-10-36-35]: Kanttekening 35: Of: naar het woord dat; of: aangaande het woord.
[^handelingen-10-36-36]: Kanttekening 36: Gr. evangeliserende.
[^handelingen-10-36-l]: Verwijzing l: Jesaja 9:5; 52:7. Johannes 16:33. Romeinen 5:1. Kolossensen 1:20.
[^handelingen-10-36-37]: Kanttekening 37: Namelijk met God en alle andere volkeren met elkaar. Zie Efeziërs 2:13.
[^handelingen-10-37-38]: Kanttekening 38: Namelijk door de geruchten en getuigenissen van degenen die het gehoord en gezien hebben. Mattheüs 4:24.
[^handelingen-10-37-m]: Verwijzing m: Jesaja 8:23; 9:1. Mattheüs 4:12. Markus 1:14, 38, 39. Lucas 4:14.
[^handelingen-10-38-n]: Verwijzing n: Psalm 45:8. Jesaja 61:1. Lucas 4:18.
[^handelingen-10-38-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: overvloedig begiftigd. Johannes 3:34.
[^handelingen-10-38-40]: Kanttekening 40: Namelijk de Vader was met Christus: niet alleen met zijn gaven naar de menselijke natuur, maar ook met hetzelfde wezen en dezelfde kracht naar zijn goddelijke natuur. Zie Johannes 10:30, 38; 14:9, 10.
[^handelingen-10-40-o]: Verwijzing o: Handelingen 2:24. Markus 16:14. Lucas 24:34. Johannes 20:19. 1 Korintiërs 15:5.
[^handelingen-10-41-41]: Kanttekening 41: Het Griekse woord cheirotonein (χειροτονεῖν), dat hier gebruikt wordt, betekent eigenlijk door handopsteken verkiezen of ordineren, en wordt hier in tegenstelling gesteld met de buitengewone verkiezing van de apostelen, alleen gedaan door opheffing van Gods hand.
[^handelingen-10-42-p]: Verwijzing p: Mattheüs 28:19. Markus 16:15. Johannes 15:16.
[^handelingen-10-42-q]: Verwijzing q: Handelingen 17:31.
[^handelingen-10-42-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: van degenen die op de jongste dag nog zullen leven. 1 Korintiërs 15:51. 1 Tessalonicenzen 4:15, 17.
[^handelingen-10-43-r]: Verwijzing r: Genesis 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deuteronomium 18:15. Psalm 132:11. Jesaja 4:2; 7:14; 9:5; 40:10. Jeremia 23:5; 33:14. Ezechiel 34:23; 37:24. Daniel 9:24. Micha 7:20.
[^handelingen-10-43-s]: Verwijzing s: Handelingen 15:9.
[^handelingen-10-43-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: door Hem, of vanwege hem, als degene die een offer voor onze zonden geworden is en daardoor een eeuwige verzoening heeft tot stand gebracht voor allen die in Hem geloven. Hebreeën 5:9; 9:12.
[^handelingen-10-44-t]: Verwijzing t: Handelingen 8:17.
[^handelingen-10-44-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: kwam over hen door zijn buitengewone gaven en werkingen. Zie vers 46.
[^handelingen-10-45-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die uit de Joden waren. Romeinen 4:12.
[^handelingen-10-45-46]: Kanttekening 46: Namelijk menend dat deze belofte alleen aan het huis van Israël toekwam, uit sommige uitspraken van de profeten die zij verkeerd verstonden, welke Paulus verklaart in Romeinen 9, 10 en 11.
[^handelingen-10-46-v]: Verwijzing v: Markus 16:17. Handelingen 2:4.
[^handelingen-10-46-47]: Kanttekening 47: Gr. met tongen.
[^handelingen-10-47-x]: Verwijzing x: Handelingen 8:36; 11:17.
[^handelingen-10-48-48]: Kanttekening 48: Namelijk hetzij dat alles gereed gemaakt zou worden zodat hij hen zelf kon dopen, hetzij hij het anderen opdroeg die met hem waren meegekomen en ook leraars waren. Zie 1 Korintiërs 1:17.
[^handelingen-10-48-49]: Kanttekening 49: Namelijk ter verzegeling en versterking van hun geloof en de gaven die zij reeds hadden ontvangen. Zie Romeinen 4:11.

### Handelingen 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/11.json)

*1 Petrus komt te Jeruzalem, waar hij beschuldigd wordt dat hij tot de onbesnedenen was ingegaan. 4 Waarop hij tot zijn verdediging verhaalt al wat dienaangaande geschied was. 18 Welke verdediging aangenomen wordt. 19 De verstrooide gelovigen verkondigen Christus tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe aan de Joden, en sommigen ook aan de Grieken. 21 Zodat er velen geloofden. 22 Wat de gemeente van Jeruzalem verstaande, zendt Barnabas naar Antiochië om hen te versterken. 25 Die naar Tarsen reist om Saulus te zoeken en hem meebrengt naar Antiochië. 26 Waar de discipelen het eerst christenen worden genoemd. 27 Agabus voorzegt de hongersnood. 29 Waarom de broeders door Saulus en Barnabas een handreiking zenden aan de broeders te Jeruzalem.*

**1** De apostelen nu, en de[^handelingen-11-1-1] broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v1)

**2** En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem[^handelingen-11-2-2] degenen, die uit de besnijdenis waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v2)

**3** Zeggende:[^handelingen-11-3-a] U bent ingegaan tot mannen,[^handelingen-11-3-3] die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v3)

**4** [^handelingen-11-4-4] Maar Petrus, beginnende,[^handelingen-11-4-5] vertelde het hun vervolgens, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v4)

**5** [^handelingen-11-5-b] Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een geestvervoering een visioen, namelijk een voorwerp, zoals een groot linnen laken, neerdalende, bij de vier hoeken neergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v5)

**6** Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v6)

**7** En ik hoorde een stem, die tot mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v7)

**8** Maar ik zei: In geen geval, Heere, want nooit is[^handelingen-11-8-c] iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond ingegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v8)

**9** Maar de stem antwoordde mij voor de tweede keer uit de hemel: Wat God gereinigd heeft, zult u niet onheilig maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v9)

**10** En dit gebeurde drie keer; en alles werd opnieuw opgetrokken in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v10)

**11** En zie, op dat moment stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v11)

**12** [^handelingen-11-12-d] En de Geest zei tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in het huis van de man ingegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v12)

**13** En hij heeft ons verteld hoe hij een engel had gezien, die in zijn huis stond, en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v13)

**14** Die[^handelingen-11-14-6] woorden tot u zal spreken,[^handelingen-11-14-7] door welke u zult zalig worden, en al uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v14)

**15** En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, zoals ook op ons[^handelingen-11-15-8] in het begin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v15)

**16** En ik werd gedachtig aan het woord van de Heere, hoe Hij zei:[^handelingen-11-16-e] Johannes doopte wel met water, maar[^handelingen-11-16-f] u zult gedoopt worden[^handelingen-11-16-9] met de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v16)

**17** [^handelingen-11-17-g] Als dan God hun dezelfde gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch,[^handelingen-11-17-10] die God konde weren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v17)

**18** En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering[^handelingen-11-18-11] tot het leven gegeven! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v18)

**19** [^handelingen-11-19-h] Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die[^handelingen-11-19-12] over Stefanus was gekomen, gingen het land door tot[^handelingen-11-19-13] Fenicië toe, en[^handelingen-11-19-14] Cyprus, en[^handelingen-11-19-15] Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan[^handelingen-11-19-16] alleen tot de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v19)

**20** En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen[^handelingen-11-20-17] uit hen, die te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de[^handelingen-11-20-18] Grieken,[^handelingen-11-20-19] verkondigende[^handelingen-11-20-20] de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v20)

**21** [^handelingen-11-21-i] En[^handelingen-11-21-21] de hand van de Heere was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v21)

**22** En[^handelingen-11-22-22] het gerucht van hen[^handelingen-11-22-23] kwam tot de oren van de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden[^handelingen-11-22-24] Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v22)

**23** Die, daar gekomen zijnde, en[^handelingen-11-23-25] de genade van God ziende, werd verblijd,[^handelingen-11-23-k] en vermaande hen allen, dat zij met[^handelingen-11-23-26] een voornemen van het hart bij de Heere zouden blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v23)

**24** Want hij was een goed man, en[^handelingen-11-24-l] vol van de Heilige Geest en van het geloof; en er werd een grote menigte de Heere toegevoegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v24)

**25** [^handelingen-11-25-m] En Barnabas ging uit naar[^handelingen-11-25-27] Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem in Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v25)

**26** En het is gebeurd, dat zij een geheel jaar samen verzamelden in de Gemeente, en een grote menigte leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië[^handelingen-11-26-28] Christenen genoemd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v26)

**27** En in die dagen kwamen[^handelingen-11-27-29] enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v27)

**28** En één uit hen, met de naam[^handelingen-11-28-n] Agabus, stond op, en[^handelingen-11-28-30] gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over heel de wereld; die ook gekomen is[^handelingen-11-28-31] onder de keizer Claudius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v28)

**29** En naar gelang een ieder[^handelingen-11-29-32] van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te sturen voor[^handelingen-11-29-33] de hulp aan de broeders, die in Judea woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v29)

**30** Dat zij ook deden,[^handelingen-11-30-o] en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/11.html#v30)

[^handelingen-11-1-1]: Kanttekening 1: Onder deze broeders worden hier ook de ouderlingen begrepen, die van andere gewone broeders of gelovigen onderscheiden worden, Handelingen 15:23.
[^handelingen-11-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk enige gelovige Joden, anderen dan de apostelen.
[^handelingen-11-3-a]: Verwijzing a: Exodus 23:32; 34:15. Deuteronomium 7:2. Johannes 18:28.
[^handelingen-11-3-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die onbesneden zijn en blijven; waaruit blijkt dat degenen die eerder uit de heidenen waren bekeerd, jodengenoten waren of ten minste besneden waren. Zie Handelingen 2:10; 8:14; 15:7, 14.
[^handelingen-11-4-4]: Kanttekening 4: Wat in deze verantwoording van Petrus uitleg zou kunnen behoeven tot vers 14 toe, is aangetekend op het voorgaande hoofdstuk.
[^handelingen-11-4-5]: Kanttekening 5: Of: legde het hun na elkaar uit.
[^handelingen-11-5-b]: Verwijzing b: Handelingen 10:9.
[^handelingen-11-8-c]: Verwijzing c: Leviticus 11:4. Deuteronomium 14:7.
[^handelingen-11-12-d]: Verwijzing d: Handelingen 10:19; 15:7.
[^handelingen-11-14-6]: Kanttekening 6: Of: zaken, dingen.
[^handelingen-11-14-7]: Kanttekening 7: Gr. in welke. Namelijk als u die met waar geloof aanneemt, zoals uitgedrukt staat Handelingen 10:43. Zie ook Lucas 19:9.
[^handelingen-11-15-8]: Kanttekening 8: Namelijk na de hemelvaart van Christus, op de Pinksterdag. Handelingen 2:4; 19:6.
[^handelingen-11-16-e]: Verwijzing e: Mattheüs 3:11. Markus 1:8. Lucas 3:16. Johannes 1:26. Handelingen 1:5; 2:4; 19:4.
[^handelingen-11-16-f]: Verwijzing f: Jesaja 44:3. Joel 2:28.
[^handelingen-11-16-9]: Kanttekening 9: Zie hiervan de verklaring op Mattheüs 3:11 en Handelingen 1:5.
[^handelingen-11-17-g]: Verwijzing g: Handelingen 15:9.
[^handelingen-11-17-10]: Kanttekening 10: Gr. machtig om God te weerhouden. Dat wil zeggen: aangezien God hen deelachtig had gemaakt aan de zaak die door de doop wordt aangeduid, hoe had ik hun dan het uiterlijke teken kunnen onthouden of weigeren? Zie ook Handelingen 2:38, 39.
[^handelingen-11-18-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: door zijn heilige Geest in hen gewerkt. Zie Filippenzen 2:13; Hebreeën 8:10.
[^handelingen-11-19-h]: Verwijzing h: Handelingen 8:1, 2.
[^handelingen-11-19-12]: Kanttekening 12: Of: in Stefanus, vanwege Stefanus, ter oorzake van Stefanus, dat is: uit haat tegenover zijn ijver en vrijmoedigheid die hij tegen de Joden en hun oversten had gebruikt. Hoofdstukken 6 en 7.
[^handelingen-11-19-13]: Kanttekening 13: Dit was een landschap in Syrië, grenzend aan het Joodse land, gelegen langs de Middellandse Zee, waarvan Tyrus de hoofdstad was. Zie Handelingen 12:20.
[^handelingen-11-19-14]: Kanttekening 14: Dit is een eiland in de Middellandse Zee, vanwaar men van Tyrus en Sidon gemakkelijk heen kon varen. Zie Handelingen 27:3, 4.
[^handelingen-11-19-15]: Kanttekening 15: Dit was destijds de hoofdstad van Syrië, eveneens bij de Middellandse Zee gelegen aan de rivier de Orontes: de machtigste stad van geheel Azië.
[^handelingen-11-19-16]: Kanttekening 16: Namelijk omdat zij de leer van de roeping van de heidenen nog niet genoeg verstonden.
[^handelingen-11-20-17]: Kanttekening 17: Namelijk Joden of jodengenoten, in Cyprus en Cyrene geboren, die ook te Jeruzalem woonachtig waren en vanwege de vervolging hadden moeten vluchten nadat zij de christelijke religie hadden aangenomen.
[^handelingen-11-20-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: tot de Joden die de Griekse taal en vertaling in hun synagogen gebruikten. Zie Handelingen 6:1; 9:29.
[^handelingen-11-20-19]: Kanttekening 19: Gr. evangeliserend.
[^handelingen-11-20-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zijn lijden, sterven, opstaan, hemelvaart en verder al wat van Hem ter zaligheid geloofd moest worden. Zie 1 Korintiërs 2:2.
[^handelingen-11-21-i]: Verwijzing i: Handelingen 2:47; 5:14.
[^handelingen-11-21-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: de bijstand en krachtige werking Gods, waardoor hun harten bewogen werden. Zie Handelingen 16:14; 1 Korintiërs 3:6.
[^handelingen-11-22-22]: Kanttekening 22: Gr. het woord.
[^handelingen-11-22-23]: Kanttekening 23: Gr. werd gehoord in de oren.
[^handelingen-11-22-24]: Kanttekening 24: Die een Leviet en ook zelf uit Cyprus was, om bij zijn landgenoten en buren beter toegang en vrijheid te hebben.
[^handelingen-11-23-25]: Kanttekening 25: Namelijk over hen, in het aannemen van de leer van het evangelie.
[^handelingen-11-23-k]: Verwijzing k: Handelingen 13:43; 14:22.
[^handelingen-11-23-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: met een oprecht en standvastig voornemen.
[^handelingen-11-24-l]: Verwijzing l: Handelingen 4:36; 6:5.
[^handelingen-11-25-m]: Verwijzing m: Handelingen 9:27.
[^handelingen-11-25-27]: Kanttekening 27: Dit was een voorname stad in Cilicië, het vaderland van Paulus. Handelingen 9:11; 9:30.
[^handelingen-11-26-28]: Kanttekening 28: Gr. Christianoi (Χριστιανοί), dat is: leerlingen van Christus, omdat zij zijn leer aannamen en beleden. Zij worden met deze naam ook terecht aangeduid, omdat zij als zij in Hem geloven leden worden van zijn lichaam en van zijn zalving deelachtig worden. Zie ook Handelingen 26:28; 1 Petrus 4:16.
[^handelingen-11-27-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: personen begaafd met de Geest om toekomende dingen te voorzeggen.
[^handelingen-11-28-n]: Verwijzing n: Handelingen 21:10.
[^handelingen-11-28-30]: Kanttekening 30: Gr. betekende of beduidde.
[^handelingen-11-28-31]: Kanttekening 31: Van deze hongersnood maken ook de geschiedschrijvers Suetonius en Josephus gewag.
[^handelingen-11-29-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: gelovigen.
[^handelingen-11-29-33]: Kanttekening 33: Gr. diakonia (διακονία), dat is: bediening van de arme broeders in hun nood.
[^handelingen-11-30-o]: Verwijzing o: Handelingen 12:25.

### Handelingen 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/12.json)

*1 Herodes vervolgt de gemeente. 2 Doodt Jakobus. 3 Werpt Petrus in de gevangenis, die hij met sterke bewaking laat bewaren. 5 De gemeente bidt God voor hem. 7 En hij wordt door een engel uit de gevangenis geleid. 11 Komt bij het huis van de moeder van Johannes Marcus, waar hij aanklopt en binnengelaten wordt. 17 En verhaalt zijn bevrijding aan degenen die daar vergaderd waren. 18 Herodes laat de wachters onderzoeken en wegvoeren, en vertrekt naar Cesarea. 20 Maakt vrede met de Tyriërs en Sidoniërs. 21 En wordt in zijn hoogmoed door een engel geslagen en door de wormen gegeten. 25 Barnabas en Saulus keren terug naar Antiochië.*

**1** En ongeveer diezelfde tijd sloeg de koning[^handelingen-12-1-1] Herodes de handen[^handelingen-12-1-2] aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v1)

**2** En hij doodde[^handelingen-12-2-3] Jakobus,[^handelingen-12-2-a] de broer van Johannes, met het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v2)

**3** En toen hij zag, dat het de Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen[^handelingen-12-3-4] van de ongezuurde broden); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v3)

**4** [^handelingen-12-4-b] Die ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan[^handelingen-12-4-5] vier wachten, elk van vier soldaten, om hem te bewaren, willende na het paasfeest hem voorbrengen voor het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v4)

**5** Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd[^handelingen-12-5-6] een steeds gebed tot God voor hem gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v5)

**6** Toen hem nu Herodes zou[^handelingen-12-6-7] voorbrengen, sliep Petrus diezelfde nacht tussen twee soldaten,[^handelingen-12-6-8] gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v6)

**7** [^handelingen-12-7-c] En ziet, een engel van de Heere stond daar, en[^handelingen-12-7-9] een licht scheen in[^handelingen-12-7-10] de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta snel op. En zijn ketenen vielen af van de handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v7)

**8** En de engel zei tot hem:[^handelingen-12-8-11] Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed zo. En hij zei tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v8)

**9** En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, wat door de engel gebeurde, maar hij meende, dat hij[^handelingen-12-9-12] een visioen zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v9)

**10** En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan[^handelingen-12-10-13] de ijzeren poort, die naar de stad leidt; die[^handelingen-12-10-d] van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en meteen scheidde de engel van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v10)

**11** En Petrus,[^handelingen-12-11-14] tot zichzelf gekomen zijnde, zei: Nu weet ik waarachtig[^handelingen-12-11-e] dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v11)

**12** En als hij alles overlegd[^handelingen-12-12-f] had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was[^handelingen-12-12-15] Markus, waar velen samenvergaderd en biddende waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v12)

**13** En als Petrus aan de deur[^handelingen-12-13-16] van de voorpoort klopte, kwam[^handelingen-12-13-17] een dienstmaagd voor om te[^handelingen-12-13-18] luisteren, met de naam Rhode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v13)

**14** En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en meldde, dat Petrus voor aan de voorpoort stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v14)

**15** En zij zeiden tot haar:[^handelingen-12-15-19] U bent buiten zinnen. Maar[^handelingen-12-15-20] zij bleef er sterk bij, dat het zo was. En zij zeiden:[^handelingen-12-15-21] Het is zijn engel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v15)

**16** Maar Petrus bleef kloppende: en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en[^handelingen-12-16-22] ontzetten zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v16)

**17** En als hij hen[^handelingen-12-17-g] met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, vertelde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Meldt dit[^handelingen-12-17-23] aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde[^handelingen-12-17-24] naar een andere plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v17)

**18** En als het dag was geworden, was er geen kleine opschudding onder de soldaten, wat er toch met Petrus mocht zijn gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v18)

**19** En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters[^handelingen-12-19-25] rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat[^handelingen-12-19-26] zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en[^handelingen-12-19-27] hield zich daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v19)

**20** En Herodes[^handelingen-12-20-28] had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te vechten; maar zij kwamen eensgezind tot hem, en Blastus,[^handelingen-12-20-29] die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, vroegen vrede, omdat hun land[^handelingen-12-20-30] gevoed werd van het land van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v20)

**21** En[^handelingen-12-21-31] op een gezetten dag, Herodes,[^handelingen-12-21-32] een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op de[^handelingen-12-21-33] rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v21)

**22** En het volk riep hem toe: Een stem van God, en niet van een mens! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v22)

**23** En meteen sloeg hem een engel van de Heere,[^handelingen-12-23-34] daarom dat hij voor God de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v23)

**24** [^handelingen-12-24-h] En het Woord van God[^handelingen-12-24-35] groeide en breidde zich uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v24)

**25** Barnabas nu en Saulus[^handelingen-12-25-36] keerden opnieuw van Jeruzalem, als zij[^handelingen-12-25-37] de dienst[^handelingen-12-25-38] volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd[^handelingen-12-25-39] Markus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/12.html#v25)

[^handelingen-12-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk Agrippa, een zoon van Aristobulus, die een zoon was van Herodes de Grote, en deze Herodes Agrippa was een vader van die Agrippa van wie later in hoofdstukken 25 en 26 meer gesproken wordt.
[^handelingen-12-1-2]: Kanttekening 2: Gr. om enige van die van de gemeente kwaad te doen.
[^handelingen-12-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk de zoon van Zebedeüs en de broer van Johannes, zoals hier in de tekst staat en in Mattheüs 10:2, één van de voornaamste apostelen van Christus die Christus met Petrus en Johannes dikwijls bij zich nam.
[^handelingen-12-2-a]: Verwijzing a: Mattheüs 4:21.
[^handelingen-12-3-4]: Kanttekening 4: Dat zijn de feestdagen van Pasen, zoals ook uit het volgende vers te zien is.
[^handelingen-12-4-b]: Verwijzing b: Johannes 21:18.
[^handelingen-12-4-5]: Kanttekening 5: Gr. vier vierlingen van soldaten. Dat wil zeggen: zestien soldaten: want elke schildwacht bestond bij de Romeinen uit vier soldaten van een vaandel, waarvan er vier ter bewaking van de apostel werden aangesteld, om beurtelings de vier nachtwachten te houden.
[^handelingen-12-5-6]: Kanttekening 6: Of: een ernstig, ijverig, vurig.
[^handelingen-12-6-7]: Kanttekening 7: Namelijk om hem openlijk te laten doden of executeren.
[^handelingen-12-6-8]: Kanttekening 8: Namelijk aan de handen, vers 7. Waarvan de ene keten aan de rechterhand van Petrus vast was en aan de linkerhand van de ene soldaat, en de andere keten aan de linkerhand van Petrus en aan de rechterhand van de andere soldaat, tussen wie hij sliep: een bij de Romeinen in strenge gevangenissen gebruikelijke wijze.
[^handelingen-12-7-c]: Verwijzing c: Handelingen 5:19; 16:26.
[^handelingen-12-7-9]: Kanttekening 9: Namelijk van de blinkende gestalte van de engel, zoals Lucas 2:9 en Mattheüs 28:3.
[^handelingen-12-7-10]: Kanttekening 10: Of: gevangenis, kerker. Sommigen nemen dit voor het gehele gevangenisoord, anderen alleen voor het binnenste deel waar de gevangenen in gesloten lagen.
[^handelingen-12-8-11]: Kanttekening 11: Namelijk om vlugger te kunnen voortgaan: de Joden droegen namelijk lange kleren die zij bij het lopen met gordels vastbonden en opschortten. Zie voor de sandalen Markus 6:9.
[^handelingen-12-9-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: dat hem dit in een visioen aldus leek te gebeuren, niet dat het in werkelijkheid geschiedde.
[^handelingen-12-10-13]: Kanttekening 13: Dit was de laatste poort van de gevangenis, door welke men, gegaan zijnde, in de straten van de stad kwam.
[^handelingen-12-10-d]: Verwijzing d: Handelingen 16:26.
[^handelingen-12-11-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: nu begrijpend dat het geen visioen was maar een werkelijke gebeurtenis en verlossing.
[^handelingen-12-11-e]: Verwijzing e: Daniel 6:22.
[^handelingen-12-12-f]: Verwijzing f: Handelingen 4:23.
[^handelingen-12-12-15]: Kanttekening 15: Dit is dezelfde die later met de apostel Paulus en Barnabas is meegereisd, vers 25, en die het evangelie heeft geschreven, naar mening van sommigen.
[^handelingen-12-13-16]: Kanttekening 16: Of: van het voorportaal.
[^handelingen-12-13-17]: Kanttekening 17: Gr. paidiskē (παιδίσκη), wat ook een meisje of jong meisje betekent dat geen dienstbode is.
[^handelingen-12-13-18]: Kanttekening 18: Namelijk wie het was die bij nacht klopte, om degenen die in het huis vergaderd waren op tijd te waarschuwen, als daar onraad geweest was.
[^handelingen-12-15-19]: Kanttekening 19: Of: u bent buiten zinnen, u weet niet wat u zegt.
[^handelingen-12-15-20]: Kanttekening 20: Of: zij bevestigde dat.
[^handelingen-12-15-21]: Kanttekening 21: Of: het is zijn bode; zoals het woord engel soms aldus genomen wordt. Zie Lucas 7:24. Maar aangezien met dit woord merendeels de engelen van de hemel worden aangeduid, wordt dit door velen verstaan van een engel die door God aan Petrus tot een bewaker was toegevoegd in deze nood; zoals ook in Mattheüs 18:10 van de geringste gelovigen wordt gezegd dat hun engelen altijd het aangezicht van de Vader in de hemelen zien.
[^handelingen-12-16-22]: Kanttekening 22: Namelijk over deze onverwachte aanwezigheid van Petrus, niet kunnende begrijpen hoe dit toeging.
[^handelingen-12-17-g]: Verwijzing g: Handelingen 13:16; 19:33; 21:40.
[^handelingen-12-17-23]: Kanttekening 23: Namelijk de kleine; want de andere was al omgebracht. Zie hierover de aantekening op vers 2.
[^handelingen-12-17-24]: Kanttekening 24: Namelijk buiten Jeruzalem, om het evangelie te verbreiden; niet willende zichzelf in hetzelfde gevaar zonder nood begeven waar de Heer hem uit verlost had, en naar de vermaning van Christus in Mattheüs 10:23.
[^handelingen-12-19-25]: Kanttekening 25: Gr. anakrinas (ἀνακρίνας), welk woord betekent iemand rechterlijk te examineren met pijnigen of anders.
[^handelingen-12-19-26]: Kanttekening 26: Namelijk hetzij in de gevangenis, hetzij om met de dood gestraft te worden, zoals dit woord ook soms betekent.
[^handelingen-12-19-27]: Kanttekening 27: Namelijk een zekere tijd, om daar ter ere van keizer Claudius enige schouwspelen aan te stellen, tot welke een grote menigte van de voornaamste Joden bijeenkwam. Josephus, Antiquiteiten, boek 19, hoofdstuk 7.
[^handelingen-12-20-28]: Kanttekening 28: Of: was zeer vergramd tegen de Tyriërs en Sidoniërs.
[^handelingen-12-20-29]: Kanttekening 29: Gr. die over de slaapkamer van de koning was.
[^handelingen-12-20-30]: Kanttekening 30: Want hoewel Tyrus en Sidon machtige steden waren, hadden zij toch weinig land en konden zichzelf niet van levensmiddelen voorzien. Zie Jesaja hoofdstuk 23.
[^handelingen-12-21-31]: Kanttekening 31: Dit was de tweede dag van de schouwspelen, zoals Josephus getuigt in Antiquiteiten, boek 19, hoofdstuk 7.
[^handelingen-12-21-32]: Kanttekening 32: Blinkend van zilver, waarop de zon scheen, zoals Josephus daar de geschiedenis uitvoerig beschrijft.
[^handelingen-12-21-33]: Kanttekening 33: Of: troon.
[^handelingen-12-23-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: dat hij zulke goddelijke eer aannam zonder die van zich af te wenden tot God die haar alleen toekwam, zoals de apostelen in zulk geval hebben gedaan. Handelingen 10:26; 14:14; en de engel in Openbaring 19:10; 22:9.
[^handelingen-12-24-h]: Verwijzing h: Jesaja 55:11. Handelingen 6:7.
[^handelingen-12-24-35]: Kanttekening 35: Namelijk nu deze tiran en vervolger van de gemeente door Gods oordeel was weggenomen.
[^handelingen-12-25-36]: Kanttekening 36: Namelijk naar Antiochië.
[^handelingen-12-25-37]: Kanttekening 37: Namelijk van de handreikingen of aalmoezen van de gelovigen van Antiochië te brengen aan de armen te Jeruzalem, waartoe zij gezonden waren, Handelingen 11:30.
[^handelingen-12-25-38]: Kanttekening 38: Gr. vervuld.
[^handelingen-12-25-39]: Kanttekening 39: Zie hierover vers 12.

### Handelingen 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/13.json)

*1 Barnabas en Saulus worden uit de leraren van Antiochië door de Heilige Geest gezonden tot de heidenen. 4 Zij reizen door Seleucia naar Cyprus, en prediken te Salamis en Pafos. 7 Waar de stadhouder Sergius Paulus hen wil horen. 8 Wat Barjesus de tovenaar probeert te verhin deren, maar door Paulus met blindheid wordt geslagen. 12 En de stadhouder tot bekering komt. 13 Vandaar reizen zij naar Perge, 14 en verder naar Antiochië in Pisidië. 15 Waar Paulus in de zijnagoge predikend de weldaden van God aan de Israëlieten verhaalt tot op David. 23 En bewijst dat de belofte van Davids zaad vervuld is in Jezus Christus, die te Jeruzalem is gekruisigd en uit de doden opgewekt. 33 Zoals door David was voorzegd. 38 En dat door hem gerechtvaardigd worden allen die in hem geloven. 40 En dat hij straft wie hem ongehoorzaam zijn. 42 Sommigen van de Joden geloven, en anderen spreken tegen. 46 Waarom zij zich tot de heidenen keren, van wie diegenen geloven die tot het eeuwige leven bestemd waren. 50 De Joden verwekken vervolging tegen Paulus en Barnabas, die het stof van hun voeten schudden en wijken naar Ikonium.*

**1** En er waren[^handelingen-13-1-a] te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige[^handelingen-13-1-1] profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genoemd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met[^handelingen-13-1-2] Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v1)

**2** En als zij de Heere[^handelingen-13-2-3] dienden, en vastten,[^handelingen-13-2-4] zei de Heilige Geest:[^handelingen-13-2-5][^handelingen-13-2-b] Zonder Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen[^handelingen-13-2-c] geroepen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v2)

**3** [^handelingen-13-3-d] Toen vastten en baden zij, en hun[^handelingen-13-3-e] de handen[^handelingen-13-3-6] opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v3)

**4** Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot[^handelingen-13-4-7] Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v4)

**5** En gekomen zijnde te[^handelingen-13-5-8] Salamis, verkondigden zij het woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook[^handelingen-13-5-f] Johannes tot een dienaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v5)

**6** En als zij het eiland doorgegaan waren tot[^handelingen-13-6-9] Pafos toe, vonden zij[^handelingen-13-6-g] een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was[^handelingen-13-6-10] Bar-Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v6)

**7** Die was bij de[^handelingen-13-7-11] stadhouder Sergius Paulus, een verstandige man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord van God te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v7)

**8** [^handelingen-13-8-h] Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het geloof af te keren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v8)

**9** Maar Saulus (die[^handelingen-13-9-12] ook Paulus genoemd is), vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v9)

**10** [^handelingen-13-10-13] O u kind van de duivel, vol van alle bedrog, en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u niet ophouden[^handelingen-13-10-14] te verdraaien de rechte wegen van de Heere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v10)

**11** En nu zie,[^handelingen-13-11-15] de hand van de Heere is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En meteen viel op hem[^handelingen-13-11-16] donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v11)

**12** Toen de stadhouder zag wat er was gebeurd, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v12)

**13** En[^handelingen-13-13-17] Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in[^handelingen-13-13-18] Pamfylië.[^handelingen-13-13-i] Maar[^handelingen-13-13-19] Johannes, van hen scheidende,[^handelingen-13-13-20] keerde weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v13)

**14** En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een[^handelingen-13-14-21] stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, zaten zij neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v14)

**15** En na[^handelingen-13-15-22] het lezen van de wet en van de profeten, zonden[^handelingen-13-15-23] de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, als er enig woord van[^handelingen-13-15-24] troost tot het volk in u is, zo spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v15)

**16** En Paulus stond op, en[^handelingen-13-16-k] wenkte met de hand, en zei: U Israëlietische mannen, en u, die God vreest, hoort toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v16)

**17** De God van dit volk Israël heeft onze vaders[^handelingen-13-17-l] uitverkoren, en het volk[^handelingen-13-17-25] verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft[^handelingen-13-17-26] hen met een hoge arm daaruit geleid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v17)

**18** [^handelingen-13-18-m] En heeft ongeveer de tijd van veertig jaren[^handelingen-13-18-27] hun doen en laten verdragen in de woestijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v18)

**19** En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij[^handelingen-13-19-28][^handelingen-13-19-n] hun door het lot het land daarvan uitgedeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v19)

**20** En daarna ongeveer[^handelingen-13-20-29] vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij[^handelingen-13-20-o] hun rechters, tot op Samuël, de profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v20)

**21** [^handelingen-13-21-p] En van toen aan vroegen zij om een koning; en God gaf hun[^handelingen-13-21-q] Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin,[^handelingen-13-21-30] veertig jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v21)

**22** En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun[^handelingen-13-22-r] David tot een koning; die Hij ook getuigenis gaf, en zei:[^handelingen-13-22-s] Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v22)

**23** Van het zaad van deze heeft God Israël,[^handelingen-13-23-31] naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v23)

**24** [^handelingen-13-24-t] Als Johannes eerst al de volk van Israël[^handelingen-13-24-32] voor Zijn aankomst, gepredikt had de doop van de bekering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v24)

**25** Maar als Johannes de loop[^handelingen-13-25-33] vervulde, zei hij: Wie denkt u, dat ik ben?[^handelingen-13-25-v] Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij,[^handelingen-13-25-x] Wie ik niet waard ben de schoenen van Zijn voeten te ontbinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v25)

**26** Broeders,[^handelingen-13-26-34] kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen,[^handelingen-13-26-35][^handelingen-13-26-y] tot u is het woord van deze zaligheid gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v26)

**27** Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten,[^handelingen-13-27-z] Deze niet kennende, hebben ook[^handelingen-13-27-36] de stemmen van de profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v27)

**28** [^handelingen-13-28-a] En geen[^handelingen-13-28-37] oorzaak van de dood vindende, hebben zij van Pilatus verzocht, dat Hij zou gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v28)

**29** En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van[^handelingen-13-29-38] het hout, en legden Hem in het graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v29)

**30** [^handelingen-13-30-b] Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v30)

**31** [^handelingen-13-31-c] Die gezien is geweest,[^handelingen-13-31-39] vele dagen lang, van degenen,[^handelingen-13-31-40] die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v31)

**32** En wij[^handelingen-13-32-41] verkondigen u[^handelingen-13-32-d] de belofte, die tot de vaders is gedaan, dat namelijk God die heeft vervuld aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus[^handelingen-13-32-42] verwekt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v32)

**33** Zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon,[^handelingen-13-33-43] vandaag heb Ik U gegenereerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v33)

**34** En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal[^handelingen-13-34-44] tot verderving keren, heeft Hij zo gezegd:[^handelingen-13-34-e] Ik zal u de goedertierenheden[^handelingen-13-34-45] van David geven, die[^handelingen-13-34-46] getrouw zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v34)

**35** Waarom hij ook in een andere psalm[^handelingen-13-35-f] zegt: U zult[^handelingen-13-35-47] Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v35)

**36** [^handelingen-13-36-g] Want David, als hij in zijn tijd[^handelingen-13-36-48] de raad van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaders gelegd; en heeft wel verderving gezien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v36)

**37** Maar[^handelingen-13-37-49] Hij, Die God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v37)

**38** Zo zij u dan bekend, broeders,[^handelingen-13-38-h] dat door[^handelingen-13-38-50] Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v38)

**39** [^handelingen-13-39-i] En dat van alles, waarvan u niet kon gerechtvaardigd worden[^handelingen-13-39-51] door de wet van Mozes, door Deze[^handelingen-13-39-k] een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v39)

**40** Zie dan toe, dat over u niet kome, wat gezegd is[^handelingen-13-40-52] in de profeten: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v40)

**41** [^handelingen-13-41-l] Zie, u verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u niet zult geloven, zelfs als iemand het u vertelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v41)

**42** En[^handelingen-13-42-53] als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden[^handelingen-13-42-54] de heidenen, dat[^handelingen-13-42-55] tegen de volgende sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v42)

**43** En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; die tot hen spraken,[^handelingen-13-43-m] en hen vermaanden te blijven[^handelingen-13-43-56] bij de genade van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v43)

**44** En op de volgenden sabbat kwam bijna heel de stad samen, om het Woord van God te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v44)

**45** Maar de Joden, de menigten ziende, werden met jaloezie vervuld, en wederspraken, wat van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v45)

**46** Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden:[^handelingen-13-46-n] Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden;[^handelingen-13-46-o] maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelf het eeuwige leven[^handelingen-13-46-57] niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v46)

**47** Want zo heeft ons de Heere geboden, zeggende:[^handelingen-13-47-p] Ik heb u gesteld[^handelingen-13-47-58] tot een licht van de heidenen, opdat u zou zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v47)

**48** Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heere; en er geloofden zovelen, als er[^handelingen-13-48-59] bestemd waren tot het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v48)

**49** En het Woord van de Heere werd door heel het land uitgebreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v49)

**50** Maar de Joden stookten de[^handelingen-13-50-60] godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad,[^handelingen-13-50-q] en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v50)

**51** Maar zij[^handelingen-13-51-61] schudden het stof van hun voeten af daartegen, en kwamen te[^handelingen-13-51-62] Ikonium. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v51)

**52** En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/13.html#v52)

[^handelingen-13-1-a]: Verwijzing a: Handelingen 14:26.
[^handelingen-13-1-1]: Kanttekening 1: Sommigen nemen deze twee woorden voor een zaak, anderen onderscheiden ze aldus: dat profeten waren degenen die door ingeving van de heilige Geest buitengewone gaven hadden om toekomende dingen te voorzeggen en de heilige Schrift te verklaren; maar leraars, die gewone beroeping en gaven hadden om de gemeente in de gehele godsdienst te onderwijzen en te regeren. Zie 1 Korintiërs 14:1; Efeziërs 4:11.
[^handelingen-13-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk Herodes Antipas, die Johannes de Doper heeft gedood (Mattheüs 14:1; Markus 6:14; Lucas 3:19) en Christus heeft bespot en opnieuw tot Pilatus heeft gezonden (Lucas 23:11).
[^handelingen-13-2-3]: Kanttekening 3: Het Griekse woord leitourgein (λειτουργεῖν), dat hier gebruikt wordt, betekent meest allerlei openbare dienst doen, en omvat hier de openbare dienst van prediking of profetie, met de openbare gebeden en de bediening van de sacramenten.
[^handelingen-13-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk door de genoemde profeten.
[^handelingen-13-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk van de dienst van deze gemeente, waar andere leraars genoeg zijn, om hen te zenden naar de heidenen, waartoe Ik hen van het begin heb verordend. Handelingen 26:16.
[^handelingen-13-2-b]: Verwijzing b: Handelingen 9:15; 22:21. Romeinen 1:1. Galaten 1:15; 2:8. Efeziërs 3:8. 1 Timotheüs 2:7. 2 Timotheüs 1:11.
[^handelingen-13-2-c]: Verwijzing c: Mattheüs 9:38. Romeinen 10:15. Hebreeën 5:4.
[^handelingen-13-3-d]: Verwijzing d: Handelingen 6:6; 8:15; 19:6.
[^handelingen-13-3-e]: Verwijzing e: Handelingen 14:26.
[^handelingen-13-3-6]: Kanttekening 6: Niet om hen daarmee tot apostelen te verkiezen, waartoe zij al tevoren door God waren gekozen, vers 1 en Handelingen 9:15; maar om hen in deze zending tot de heidenen met gebeden en handoplegging te versterken.
[^handelingen-13-4-7]: Kanttekening 7: Dit was een stad van Syrië, dicht bij Antiochië, gebouwd door koning Seleucus, van waar men gemakkelijk naar Cyprus kon overvaren.
[^handelingen-13-5-8]: Kanttekening 8: Dit was een stad van Cyprus, aan het oosten van het eiland tegenover Syrië, nu Famagosta genaamd.
[^handelingen-13-5-f]: Verwijzing f: Handelingen 12:25.
[^handelingen-13-6-9]: Kanttekening 9: Dit was ook een stad van Cyprus aan de westzijde van het eiland.
[^handelingen-13-6-g]: Verwijzing g: Handelingen 8:9; 19:13.
[^handelingen-13-6-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: een zoon van Jezus.
[^handelingen-13-7-11]: Kanttekening 11: Gr. anthypatos (ἀνθύπατος), dat is: degene die gesteld was om met burgemeesterlijke macht het eiland namens het Romeinse rijk te regeren.
[^handelingen-13-8-h]: Verwijzing h: Exodus 7:11. 2 Timotheüs 3:8.
[^handelingen-13-9-12]: Kanttekening 12: Tot nu toe werd hij Saulus genaamd, en voortaan wordt hij zowel door Lucas als door hemzelf in de aanhef van zijn brieven Paulus genaamd. Die bij de Hebreeërs en Syriërs Saulus heette, werd door de Romeinen en Grieken Paulus genaamd, zodat hij Saulus is genaamd zolang hij onder de Joden, Syriërs en Arabieren verkeerde, maar daarna, als hij door Gods bijzondere roeping voornamelijk tot de heidenen is gezonden, heeft hij de naam Paulus behouden.
[^handelingen-13-10-13]: Kanttekening 13: Gr. zoon: Dat wil zeggen: die de duivel, als een kind zijn vader, volgt en gehoorzaamt. Johannes 8:44.
[^handelingen-13-10-14]: Kanttekening 14: Of: om te keren, en als op te graven en te beletten dat men er niet op kan gaan. Of: te verdraaien, krom te maken.
[^handelingen-13-11-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: de straffende hand of kracht van de Heer.
[^handelingen-13-11-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: blindheid; want voor de blinde is alles donker en duister.
[^handelingen-13-13-17]: Kanttekening 17: Gr. die rondom Paulus waren (Παῦλον), waarmee de persoon zelf wordt bedoeld (Johannes 11:19) of die van zijn gezelschap (Lucas 22:49) of beiden (Handelingen 21:8), zoals hier ook het geval is, zoals blijkt uit vers 16.
[^handelingen-13-13-18]: Kanttekening 18: Dit was een landschap in het vaste land van Klein-Azië, grenzend aan Cilicië.
[^handelingen-13-13-i]: Verwijzing i: Handelingen 15:38.
[^handelingen-13-13-19]: Kanttekening 19: Toegenaamd Markus. Handelingen 12:12, 25.
[^handelingen-13-13-20]: Kanttekening 20: Dit schijnt van hem geschied te zijn uit menselijke zwakheid en verveling van reizen of begeerte om zijn moeder en vrienden (Handelingen 12:12) te Jeruzalem te bezoeken, wat door Paulus evenwel kwalijk genomen is, Handelingen 15:38.
[^handelingen-13-14-21]: Kanttekening 21: Dit was een deel van Pamfylië, waar dit Antiochië in lag, aldus bijgenaamd om het te onderscheiden van het andere Antiochië in Syrië, van waar zij uitgevaren waren, vers 1 en 4.
[^handelingen-13-15-22]: Kanttekening 22: Namelijk naar de loflijke gewoonte van de Joden in alle synagogen op alle sabbatten gebruikelijk. Zie vers 27 en Handelingen 15:21.
[^handelingen-13-15-23]: Kanttekening 23: Deze waren enige priesters en ouderlingen van het volk die de kerkenraad maakten in alle synagogen. Zie Markus 5:22.
[^handelingen-13-15-24]: Kanttekening 24: Of: vertroosting.
[^handelingen-13-16-k]: Verwijzing k: Handelingen 12:17; 19:33; 21:40.
[^handelingen-13-17-l]: Verwijzing l: Exodus 1:1.
[^handelingen-13-17-25]: Kanttekening 25: Namelijk in het bijzonder toen Hij al de wonderen deed in Egypte en alle plagen over Farao en zijn volk zond om hen te verlossen.
[^handelingen-13-17-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: met uitnemende kracht. Exodus 13:16; Jesaja 63:12.
[^handelingen-13-18-m]: Verwijzing m: Exodus 16:35. Numeri 14:34. Psalm 95:10.
[^handelingen-13-18-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: hun opstandigheid, beproevingen en gemor. Psalm 95:8, 9; Hebreeën 3:8, 9.
[^handelingen-13-19-28]: Kanttekening 28: Of: tot een erfenis gegeven.
[^handelingen-13-19-n]: Verwijzing n: Jozua 14:2.
[^handelingen-13-20-29]: Kanttekening 29: Sommigen tellen deze 450 jaren van de geboorte van Isaak tot op de rechters; anderen menen dat deze woorden beginnen bij het einde van vers 17, d.i. van de uittocht uit Egypte tot de dood van Samuël, welke tijd bijna 440 jaar bedraagt, en dat Paulus een rond getal heeft genaamd.
[^handelingen-13-20-o]: Verwijzing o: Richteren 2:16; 3:9.
[^handelingen-13-21-p]: Verwijzing p: 1 Samuel 8:5. Hosea 13:11.
[^handelingen-13-21-q]: Verwijzing q: 1 Samuel 9:15; 10:1.
[^handelingen-13-21-30]: Kanttekening 30: Namelijk hierin begrepen de jaren die Samuël voor en met Saul had geregeerd.
[^handelingen-13-22-r]: Verwijzing r: 1 Samuel 16:12.
[^handelingen-13-22-s]: Verwijzing s: 1 Samuel 13:14. Psalm 89:21. Handelingen 7:45.
[^handelingen-13-23-31]: Kanttekening 31: Namelijk aan David gedaan. 2 Samuël 7:12, 13. Psalm 89:21; 132:11. Jesaja 11:1. Handelingen 2:30. Romeinen 1:3. 2 Timotheüs 2:8.
[^handelingen-13-24-t]: Verwijzing t: Mattheüs 3:1. Markus 1:2. Lucas 3:2. Johannes 3:23.
[^handelingen-13-24-32]: Kanttekening 32: Gr. voor het aangezicht van zijn komst. Dat wil zeggen: voor het aangezicht van Jezus, die nu gekomen was.
[^handelingen-13-25-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: nog bezig was zijn loop te vervullen. Johannes 1:19.
[^handelingen-13-25-v]: Verwijzing v: Johannes 1:20.
[^handelingen-13-25-x]: Verwijzing x: Mattheüs 3:11.
[^handelingen-13-26-34]: Kanttekening 34: Gr. zonen.
[^handelingen-13-26-35]: Kanttekening 35: Namelijk eerst en vooral, vers 46.
[^handelingen-13-26-y]: Verwijzing y: Mattheüs 10:6. Handelingen 3:26; 13:46.
[^handelingen-13-27-z]: Verwijzing z: Johannes 16:3. Handelingen 3:17. 1 Korintiërs 2:8. 1 Timotheüs 1:13.
[^handelingen-13-27-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: de voorzegging van de profeten dat Hij lijden moest en aldus ingaan in zijn heerlijkheid. Lucas 24:25, 26.
[^handelingen-13-28-a]: Verwijzing a: Mattheüs 27:20. Markus 15:11. Lucas 23:18. Johannes 19:6.
[^handelingen-13-28-37]: Kanttekening 37: Of: schuld van de dood.
[^handelingen-13-29-38]: Kanttekening 38: Namelijk het kruis. Handelingen 5:30; 10:39. 1 Petrus 2:24.
[^handelingen-13-30-b]: Verwijzing b: Mattheüs 28:6. Markus 16:6. Lucas 24:6.
[^handelingen-13-31-c]: Verwijzing c: Markus 16:14. Johannes 20:19; 21:1. Handelingen 1:3. 1 Korintiërs 15:5.
[^handelingen-13-31-39]: Kanttekening 39: Namelijk veertig dagen na zijn opstanding tot zijn hemelvaart.
[^handelingen-13-31-40]: Kanttekening 40: Namelijk van zijn apostelen en andere leerlingen tot 500 toe. Zie 1 Korintiërs 15:5, 6.
[^handelingen-13-32-41]: Kanttekening 41: Gr. evangeliseren.
[^handelingen-13-32-d]: Verwijzing d: Genesis 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deuteronomium 18:15. 2 Samuel 7:12. Psalm 132:11. Jesaja 4:2; 7:14; 9:5; 40:10. Jeremia 23:5; 33:14. Ezechiel 34:23; 37:24. Daniel 9:24, 25.
[^handelingen-13-32-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: in de wereld gezonden heeft, om het werk van de verlossing te volbrengen. Handelingen 3:22.
[^handelingen-13-33-43]: Kanttekening 43: Dit wordt verstaan van de eeuwige geboorte van de Zoon uit de Vader en van de openbaring daarvan in de volheid van de tijd. Zie nader de aantekening bij Hebreeën 1:5 en 5:5.
[^handelingen-13-34-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: tot het graf, waar de lichamen plegen te verteren.
[^handelingen-13-34-e]: Verwijzing e: Jesaja 55:3.
[^handelingen-13-34-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die aan David beloofd zijn van het eeuwige koninkrijk dat God door zijn Zoon zou oprichten, waartoe zijn opstanding uit de doden noodzakelijk was. Lucas 1:31, 32.
[^handelingen-13-34-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: vast en onbeweeglijk.
[^handelingen-13-35-f]: Verwijzing f: Psalm 16:10. Handelingen 2:27.
[^handelingen-13-35-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: het lichaam van uw Heilige, die U geheiligd hebt om een verlosser van uw volk te zijn. Zie Handelingen 2:27.
[^handelingen-13-36-g]: Verwijzing g: 1 Koningen 2:10. Handelingen 2:29.
[^handelingen-13-36-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: de voorzienigheid Gods in het regeren van zijn volk, als profeet en koning.
[^handelingen-13-37-49]: Kanttekening 49: Namelijk de Heilige, of geheiligde, van wie hij profeteert.
[^handelingen-13-38-h]: Verwijzing h: Lucas 24:47. 1 Johannes 2:12.
[^handelingen-13-38-50]: Kanttekening 50: Namelijk Jezus, die Hij heeft verwekt tot een Heiland, en uit de doden heeft opgewekt.
[^handelingen-13-39-i]: Verwijzing i: Romeinen 3:28; 8:3. Galaten 2:16. Hebreeën 7:19.
[^handelingen-13-39-51]: Kanttekening 51: Gr. in: dat is noch door de Wet van de zeden, die wel de zonde en de vloek aanwijst maar niet hoe die worden weggenomen (Romeinen 8:3), noch door de Wet van de ceremoniën, die wel een schaduw voorstelde van de reiniging van de zonden maar de kracht zelf niet in haar had, maar ons alleen wees op degene die het lichaam was van al deze schaduwen, Jezus Christus. Zie Hebreeën 10:1.
[^handelingen-13-39-k]: Verwijzing k: Romeinen 10:4.
[^handelingen-13-40-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: in het boek van de kleine profeten, nl. Habakuk 1:5. Zie Handelingen 7:42.
[^handelingen-13-41-l]: Verwijzing l: Habakuk 1:5. Jesaja 28:14.
[^handelingen-13-42-53]: Kanttekening 53: Of: en nadat zij (nl. Paulus en Barnabas) uit de synagoge van de Joden waren gegaan.
[^handelingen-13-42-54]: Kanttekening 54: Namelijk jodengenoten of andere Godvrezende heidenen die daar in de synagoge waren om de Wet te horen. Zie vers 43.
[^handelingen-13-42-55]: Kanttekening 55: Of: op de tussensabbat, d.i. op de dagen tussen de sabbat. Want het schijnt dat Paulus en Barnabas intussen ook met vele heidenen hebben gehandeld, waardoor tegen de volgende sabbat deze toeloop van volk was ontstaan. Vers 44.
[^handelingen-13-43-m]: Verwijzing m: Handelingen 11:23; 14:22.
[^handelingen-13-43-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: bij de leer van de genade door Jezus Christus verworven, waarover hij had gesproken in vers 38, 39, en dat tegen de leer van de Farizeese Joden die de rechtvaardigheid uit de wet dreven.
[^handelingen-13-46-n]: Verwijzing n: Mattheüs 10:6. Handelingen 3:26; 13:26.
[^handelingen-13-46-o]: Verwijzing o: Exodus 32:10. Jesaja 55:5. Mattheüs 8:12; 21:43. Romeinen 10:19.
[^handelingen-13-46-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: onwaardig en hardnekkig verklaard en gebleken te zijn.
[^handelingen-13-47-p]: Verwijzing p: Jesaja 42:6; 49:6. Lucas 2:32.
[^handelingen-13-47-58]: Kanttekening 58: Deze woorden worden in Jesaja 49:6 van Christus gezegd, en worden door de apostelen terecht op hun dienst toegepast: want aangezien de Joden Christus die hun door de apostelen was verkondigd verwierpen, volgde dat zij Christus voortaan de heidenen moesten voorstellen.
[^handelingen-13-48-59]: Kanttekening 59: Het Griekse woord tetagmenoi (τεταγμένοι) is hier vertaald als 'verordineerd'. De precieze betekenis is omstreden: (1) Sommigen verstaan dit als 'door God gekozen en voor het eeuwige leven bestemd' in de zin van goddelijke predestinatie (vgl. Romeinen 8:29-30; Efeziërs 1:4-5). (2) Anderen vertalen het als 'gericht op' of 'ingesteld op' het eeuwige leven, wat wijst op de innerlijke gesteldheid van de toehoorders. (3) Weer anderen verstaan het als 'geplaatst in de juiste positie' door Gods voorzienigheid, zonder dat dit een uitspraak doet over eeuwige verkiezing. Het woord wordt hier niet alleen van deze ene preek van Paulus gezegd, maar van de voortdurende voortgang en gestadige vrucht van het evangelie, zoals blijkt uit vers 49.
[^handelingen-13-50-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: die van aanzien waren en de Joden en hun godsdienst toegedaan: door wie zij de voornaamste bestuurders van de stad tegen de apostelen door een verkeerde ijver ophitsten.
[^handelingen-13-50-q]: Verwijzing q: 2 Timotheüs 3:11.
[^handelingen-13-51-61]: Kanttekening 61: Namelijk naar het gebod van Christus. Mattheüs 10:14. Markus 6:11. Lucas 9:5. Handelingen 18:6.
[^handelingen-13-51-62]: Kanttekening 62: Dit was een stad van Lykaonië, bij de berg Taurus, waarvan zie Handelingen 14:6, 11.

### Handelingen 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/14.json)

*1 Paulus en Barnabas prediken en doen wonderen te Ikonium, en velen, zowel heidenen als Joden, geloven. 4 Waarover grote onenigheid en oploop tegen hen ontstaat. 6 Zij vluchten naar Lystra en Derbe enz. 8 Paulus geneest te Lystra een kreupele. 11 Waarom het volk hen voor goden houdt en hun offers wil brengen. 14 Wat zij, hoewel met grote moeite, nauwelijks verhin deren. 15 En hen wijzen naar de levende ware God. 19 Maar de Joden uit Antiochië en Ikonium, daar gekomen, wekken het volk op zodat zij Paulus stenigen. 20 Maar hij staat op en reist met Barnabas naar Derbe. 22 Zij vermanen de broeders tot standvastigheid. 23 En verkiezen ouderlingen in alle gemeenten. 24 En enige andere landen en steden doorgereisd hebbende, 26 keren zij terug naar Antiochië. 27 En verhalen wat God door hen gedaan had.*

**1** En het gebeurde te Ikonium, dat[^handelingen-14-1-1] zij[^handelingen-14-1-2] samen gingen in de synagoge van de Joden, en zo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en[^handelingen-14-1-3] Grieken, geloofde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v1)

**2** Maar de Joden, die[^handelingen-14-2-4] ongehoorzaam waren, verwekten en[^handelingen-14-2-5] verbitterden de zielen van de heidenen tegen de broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v2)

**3** Zij verbleven dan[^handelingen-14-3-6] daar een langen tijd,[^handelingen-14-3-7] vrijmoedig sprekende in de[^handelingen-14-3-a] Heere, Die getuigenis gaf[^handelingen-14-3-8] aan het Woord van Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen werden gedaan[^handelingen-14-3-9] door hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v3)

**4** En de menigte van de stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met[^handelingen-14-4-10] de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v4)

**5** En toen er een oploop ontstond, zowel van heidenen als van Joden, met hun oversten, om hun smaad aan te doen, en hen te stenigen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v5)

**6** Zijn zij,[^handelingen-14-6-11] alles overlegd hebbende,[^handelingen-14-6-b] gevlucht[^handelingen-14-6-12] naar de steden van[^handelingen-14-6-13] Lykaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v6)

**7** En verkondigden daar het Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v7)

**8** En in Lystre zat een man onmachtig[^handelingen-14-8-c] aan zijn voeten, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v8)

**9** Deze hoorde Paulus spreken; die de ogen op hem houdende, en[^handelingen-14-9-14] ziende, dat hij[^handelingen-14-9-15] geloof had om[^handelingen-14-9-16] gezond te worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v9)

**10** Zei met luide stem: Sta recht op uw voeten![^handelingen-14-10-d] En hij sprong op en wandelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v10)

**11** En de menigten, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch:[^handelingen-14-11-e] De goden zijn[^handelingen-14-11-17] de mensen gelijk geworden, en tot ons neergekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v11)

**12** En zij noemden Barnabas[^handelingen-14-12-18] Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v12)

**13** En de priester van Jupiter,[^handelingen-14-13-19] die voor hun stad was, als hij ossen en[^handelingen-14-13-20] kransen aan de[^handelingen-14-13-21] voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de menigten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v13)

**14** Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat[^handelingen-14-14-22] horende, scheurden hun kleren, en sprongen onder[^handelingen-14-14-23] de menigte, roepende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v14)

**15** En zeggende: Mannen,[^handelingen-14-15-f] waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u zich zou van deze[^handelingen-14-15-24] ijdele dingen bekeren tot de levende God,[^handelingen-14-15-g] Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat daarin is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v15)

**16** [^handelingen-14-16-h] Die in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen[^handelingen-14-16-25] in hun wegen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v16)

**17** [^handelingen-14-17-i] Hoewel Hij toch Zichzelf[^handelingen-14-17-26] niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van de hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met voedsel en vrolijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v17)

**18** En dit zeggende,[^handelingen-14-18-27] wederhielden zij nauwelijks de menigten, dat zij hun niet offerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v18)

**19** Maar daarover kwamen Joden van[^handelingen-14-19-28] Antiochië en Ikonium, en overreedden de menigten, en[^handelingen-14-19-k] stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v19)

**20** Maar als hem de discipelen[^handelingen-14-20-29] omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en op de andere dag ging hij met Barnabas uit naar Derbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v20)

**21** En als zij in die stad het Evangelie verkondigd en[^handelingen-14-21-30] vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar Lystre, en Ikonium, en Antiochië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v21)

**22** Versterkende[^handelingen-14-22-31] de zielen van de discipelen,[^handelingen-14-22-l] en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof,[^handelingen-14-22-m] en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v22)

**23** En als zij in elke Gemeente,[^handelingen-14-23-32] met opsteken van de handen, ouderlingen gekozen hadden, gebeden hebbende met vasten, vertrouwden zij hen toe aan de Heere, in Wie zij geloofd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v23)

**24** En[^handelingen-14-24-33] Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in[^handelingen-14-24-34] Pamfylië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v24)

**25** En als zij te[^handelingen-14-25-35] Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar[^handelingen-14-25-36] Attalië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v25)

**26** En van daar scheepten zij af[^handelingen-14-26-n] naar[^handelingen-14-26-37] Antiochië, vanwaar zij[^handelingen-14-26-38] van de genade van God bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v26)

**27** En daar gekomen zijnde, en de Gemeente verzameld hebbende, vertelden zij, wat grote dingen God[^handelingen-14-27-39] met hen gedaan had, en dat Hij de heidenen[^handelingen-14-27-40] de deur van het geloof geopend had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v27)

**28** En zij verbleven daar geen kleine tijd met de discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/14.html#v28)

[^handelingen-14-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk Paulus en Barnabas.
[^handelingen-14-1-2]: Kanttekening 2: Of: tegelijk; of: op gelijke wijze als tevoren, Handelingen 13:14.
[^handelingen-14-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk die God vreesden en de synagogen van de Joden bezochten, zoals in Handelingen 13:42, 43 te zien is.
[^handelingen-14-2-4]: Kanttekening 4: Of: ongelovig.
[^handelingen-14-2-5]: Kanttekening 5: Of: maakten kwaadwillig of slecht gezind de harten en gemoederen.
[^handelingen-14-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk om de gemoederen van de gelovige broeders tegen deze verbitterde Joden en heidenen beter te versterken, en nog anderen meer voor Christus te winnen.
[^handelingen-14-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: vrijmoedig sprekend in de zaak van de Heer, of door de hulp van de Heer.
[^handelingen-14-3-a]: Verwijzing a: Markus 16:20. Handelingen 19:11. Hebreeën 2:4.
[^handelingen-14-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: aan het evangelie, waarin de genade van God wordt verkondigd en aangeboden.
[^handelingen-14-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: door het middel en de dienst van hen.
[^handelingen-14-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk Paulus en Barnabas, vers 14, die ook door Christus tot apostelen waren geroepen, zoals de andere twaalf. Zie 1 Korintiërs 9:5, 6.
[^handelingen-14-6-11]: Kanttekening 11: Of: dit ziende, gewaar wordende.
[^handelingen-14-6-b]: Verwijzing b: Mattheüs 10:23. Handelingen 8:1.
[^handelingen-14-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: naar de andere steden van Lykaonië, dieper in het land. Want ook Iconium was een stad in Lykaonië.
[^handelingen-14-6-13]: Kanttekening 13: Dit landschap was een deel van Klein-Azië, bij de berg Taurus gelegen, dichtbij Frygië.
[^handelingen-14-8-c]: Verwijzing c: Handelingen 3:2.
[^handelingen-14-9-14]: Kanttekening 14: Namelijk Paulus, dat hij, nl. de kreupele.
[^handelingen-14-9-15]: Kanttekening 15: Wat hij schijnt ontvangen te hebben uit de prediking van Paulus en de wonderbaarlijke genezingen van anderen. En Paulus heeft dit in hem gezien, hetzij door goddelijke ingeving, hetzij door enige tekenen die hij daarvan in hem bespeurde.
[^handelingen-14-9-16]: Kanttekening 16: Of: behouden, verlost.
[^handelingen-14-10-d]: Verwijzing d: Jesaja 35:6.
[^handelingen-14-11-e]: Verwijzing e: Handelingen 28:6.
[^handelingen-14-11-17]: Kanttekening 17: Of: in de gelijkenis van mensen: zoals daarvan in de heidense geschiedenissen of fabels voorbeelden worden verteld.
[^handelingen-14-12-18]: Kanttekening 18: Deze hielden de heidenen voor hun opperste god en voor het hoofd van al hun goden; zoals Mercurius voor de bode en woordvoerder van hun goden.
[^handelingen-14-13-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: wiens tempel, beeld of altaar buiten hun stad of in de voorstad stond.
[^handelingen-14-13-20]: Kanttekening 20: Namelijk waarmee de heidenen de dieren versierden die zij aan hun afgoden offerden.
[^handelingen-14-13-21]: Kanttekening 21: Of: portaal. Namelijk van het huis waar Paulus en Barnabas in waren gelogeerd, om hen daar te offeren.
[^handelingen-14-14-22]: Kanttekening 22: Namelijk tot een teken van groot mishagen en afkeer die zij hadden van zulke afgoderij. Zie Mattheüs 26:65.
[^handelingen-14-14-23]: Kanttekening 23: Namelijk die met de priester van Jupiter daar voor de deuren was gekomen.
[^handelingen-14-15-f]: Verwijzing f: Handelingen 10:26. Openbaring 19:10; 22:9.
[^handelingen-14-15-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: afgoden, die niets zijn in zichzelf, 1 Korintiërs 8:4, en geen goden, hoewel zij ze daarvoor hielden.
[^handelingen-14-15-g]: Verwijzing g: Genesis 1:1. Psalm 33:6; 124:8; 146:6. Openbaring 14:7.
[^handelingen-14-16-h]: Verwijzing h: Psalm 81:13.
[^handelingen-14-16-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: in de manieren van doen die zij zichzelf buiten en tegen het Woord van God hebben verzonnen.
[^handelingen-14-17-i]: Verwijzing i: Romeinen 1:19.
[^handelingen-14-17-26]: Kanttekening 26: Namelijk ook zelfs bij de heidenen, aan wie Hij zijn Woord niet heeft gegeven. Psalm 147:19, 20.
[^handelingen-14-18-27]: Kanttekening 27: Of: stilden.
[^handelingen-14-19-28]: Kanttekening 28: Namelijk gelegen in Pisidië, waarvan gesproken is in Handelingen 13:14.
[^handelingen-14-19-k]: Verwijzing k: 2 Korintiërs 11:25.
[^handelingen-14-20-29]: Kanttekening 29: Namelijk hetzij om hem te begraven, hetzij om hem te verlossen van het verdere geweld van de vervolgers.
[^handelingen-14-21-30]: Kanttekening 30: Of: geleerd of onderwezen hadden. Zie ook Mattheüs 28:19.
[^handelingen-14-22-31]: Kanttekening 31: Namelijk die zij in hun vorige reis, door de steden trekkend, voor Christus gewonnen hadden.
[^handelingen-14-22-l]: Verwijzing l: Handelingen 11:23; 13:43.
[^handelingen-14-22-m]: Verwijzing m: Mattheüs 10:38; 16:24. Lucas 24:26. 2 Timotheüs 3:12.
[^handelingen-14-23-32]: Kanttekening 32: Gr. cheirotonēsantes (χειροτονήσαντες): van welk woord zie Handelingen 10:41. Gelijk bij de Grieken de gewoonte was dat het volk door handopsteken zijn stemming kenbaar maakte bij het verkiezen van de overheden, aldus schijnt dat van die gewoonte in de eerste gemeente ook gebruik is gemaakt: dat de voordracht van de kerkdienaren, door de apostelen of door hen die daartoe werden gezonden, door de gemeente met handopsteken werd goedgekeurd. Van de ouderlingen, zie nader 1 Timotheüs 5:17.
[^handelingen-14-24-33]: Kanttekening 33: Dit was een landschap grenzend aan Cilicië.
[^handelingen-14-24-34]: Kanttekening 34: Dit was een landschap grenzend aan Isaurië, dat ook grensde aan Lykaonië. Vers 6.
[^handelingen-14-25-35]: Kanttekening 35: Dit was de hoofdstad van Pamfylië. Handelingen 13:13.
[^handelingen-14-25-36]: Kanttekening 36: Dit was een stad niet ver van Perge gelegen aan de Middellandse Zee.
[^handelingen-14-26-n]: Verwijzing n: Handelingen 13:1.
[^handelingen-14-26-37]: Kanttekening 37: Namelijk dat in Syrië gelegen was. Van waar zij waren uitgezonden en deze reis begonnen hadden, Handelingen 13:4.
[^handelingen-14-26-38]: Kanttekening 38: Namelijk door vasten, bidden en oplegging van de handen. Handelingen 13:2, 3.
[^handelingen-14-27-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: door hen, of door hun dienst. Zie Handelingen 15:12.
[^handelingen-14-27-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: dat niet alleen het uiterlijke Woord en de wondertekenen, maar ook de werking van de heilige Geest hun was medegedeeld, om tot het geloof in Christus te worden gebracht. 1 Korintiërs 16:9; 2 Korintiërs 2:12; Openbaring 3:8.

### Handelingen 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/15.json)

*1 In de gemeente van Antiochië ontstaat verschil over het onderhouden van de besnijdenis en de Wet van Mozes. 2 Waarover Paulus en Barnabas naar Jeruzalem gezonden worden. 3 Daar zij de bekering van de heidenen en de zaak verhalen. 6 De apostelen en ouderlingen komen bijeen om hierover te handelen. 7 Petrus verklaart in diezelfde vergadering dat de heidenen niet met het juk van de Wet bezwaard behoren te worden. 13 Hetzelfde bevestigt Jakobus en bekrachtigt het uit de Heilige Schrift. 19 En besluit dat men hun niet meer behoort op te leggen dan het onderhouden van vier noodzakelijke dingen. 22 Dit wordt door de gehele vergadering goedgevonden, en aan de gemeenten geschreven, en samen met Paulus en Barnabas door Barsabas en Silas overgezonden en bekendgemaakt. 31 Die het met blijdschap aangenomen hebben. 36 Paulus en Barnabas, om Johannes Marcus in twisting geraakt, scheiden van elkaar. 39 Barnabas en Marcus naar Cyprus. 40 En Paulus met Silas naar Syrië en Cilicië.*

**1** En[^handelingen-15-1-1] sommigen, die afgekomen waren[^handelingen-15-1-2] van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt[^handelingen-15-1-b] volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden.[^handelingen-15-1-a][^handelingen-15-1-3] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v1)

**2** Toen er dan geen kleine[^handelingen-15-2-4] weerstand [^handelingen-15-2-5]en twist ontstond tussen[^handelingen-15-2-6] Paulus en Barnabas en hen, zo hebben[^handelingen-15-2-7] zij bepaald,[^handelingen-15-2-c] dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan[^handelingen-15-2-8] tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze[^handelingen-15-2-9] vraag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v2)

**3** Zij dan,[^handelingen-15-3-10] van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samarië, vertellend[^handelingen-15-3-11] de bekering van de heidenen; en[^handelingen-15-3-12] deden al de broeders grote blijdschap aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v3)

**4** En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God[^handelingen-15-4-13] met hen gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v4)

**5** Maar,[^handelingen-15-5-14] zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de[^handelingen-15-5-15] sekte van de[^handelingen-15-5-16] Farizeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat[^handelingen-15-5-17] men hen moet besnijden, en gebieden[^handelingen-15-5-18] de wet van Mozes te onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v5)

**6** En de apostelen en de ouderlingen[^handelingen-15-6-19] verzamelden samen,[^handelingen-15-6-20] om op deze zaak te letten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v6)

**7** En toen daarover[^handelingen-15-7-21] grote twist ontstond, stond Petrus op en zei tot hen:[^handelingen-15-7-d] Broeders, u weet, dat God van[^handelingen-15-7-22] over langen tijd onder ons mij gekozen heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord van de Evangeli zouden horen, en geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v7)

**8** En God,[^handelingen-15-8-e] de Kenner van de harten, heeft hun[^handelingen-15-8-23] getuigenis gegeven, hun gevende[^handelingen-15-8-24] de Heilige Geest, als ook ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v8)

**9** [^handelingen-15-9-f] En heeft[^handelingen-15-9-25] geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v9)

**10** Nu dan, wat verzoekt u God,[^handelingen-15-10-g] om[^handelingen-15-10-26] een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen[^handelingen-15-10-27] dragen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v10)

**11** [^handelingen-15-11-h] Maar wij geloven, door[^handelingen-15-11-28] de genade van de Heere Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook[^handelingen-15-11-29] zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v11)

**12** En al[^handelingen-15-12-30] de menigte[^handelingen-15-12-31] zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v12)

**13** En nadat[^handelingen-15-13-32] deze zwegen,[^handelingen-15-13-33] antwoordde[^handelingen-15-13-34] Jakobus, zeggende: Broeders, hoort mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v13)

**14** [^handelingen-15-14-35] Simeon heeft verteld hoe God eerst[^handelingen-15-14-36] naar de heidenen heeft[^handelingen-15-14-37] omgezien, om uit hen een volk aan te nemen[^handelingen-15-14-38] door Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v14)

**15** En hiermee stemmen overeen de woorden van de profeten, zoals geschreven is: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v15)

**16** [^handelingen-15-16-i] Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen[^handelingen-15-16-39] de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan[^handelingen-15-16-40] verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal die weer oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v16)

**17** Opdat de[^handelingen-15-17-41] overblijvende mensen de Heere zoeken, en al de heidenen, over welke Mijn Naam[^handelingen-15-17-42] aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v17)

**18** voor God zijn al Zijn werken[^handelingen-15-18-43] van eeuwigheid bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v18)

**19** Daarom[^handelingen-15-19-44] oordeel ik, dat men hen die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastigvalt;[^handelingen-15-19-45] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v19)

**20** Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden[^handelingen-15-20-k] van de dingen,[^handelingen-15-20-46] die door de afgoden besmet zijn, en[^handelingen-15-20-l] van[^handelingen-15-20-47] hoererij, en van het[^handelingen-15-20-48] verstikte, en[^handelingen-15-20-m] van[^handelingen-15-20-49] bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v20)

**21** Want Mozes heeft er van oude[^handelingen-15-21-50] tijden in elke stad, die hem prediken, en[^handelingen-15-21-51] hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v21)

**22** Toen heeft het de apostelen en de ouderlingen,[^handelingen-15-22-52] met heel de gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en[^handelingen-15-22-53] Silas, mannen, die[^handelingen-15-22-54] voorgangers waren onder de broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v22)

**23** En zij schreven[^handelingen-15-23-55] door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en[^handelingen-15-23-56] de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn,[^handelingen-15-23-57] zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v23)

**24** Aangezien wij gehoord hebben,[^handelingen-15-24-n] dat sommigen,[^handelingen-15-24-58] die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen[^handelingen-15-24-59] wankelende gemaakt, zeggende, dat u moet besneden worden, en de[^handelingen-15-24-60] wet onderhouden; die wij[^handelingen-15-24-61] dat niet bevolen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v24)

**25** Zo heeft het ons eensgezind samen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v25)

**26** Mensen,[^handelingen-15-26-o] die hun zielen[^handelingen-15-26-62] overgegeven hebben voor de Naam van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v26)

**27** Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook[^handelingen-15-27-63] met de mond hetzelfde zullen verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v27)

**28** Want het heeft de Heilige Geest en[^handelingen-15-28-64] ons goed gedacht, u geen[^handelingen-15-28-65] meerdere last op te leggen dan deze[^handelingen-15-28-66] noodzakelijke dingen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v28)

**29** [^handelingen-15-29-p] Namelijk, dat u zich onthoudt van[^handelingen-15-29-67] wat aan de afgoden geofferd is, en[^handelingen-15-29-q] van bloed, en van het verstikte, en van[^handelingen-15-29-r] hoererij; van die dingen, als u uzelf wacht, zo zult u weldoen.[^handelingen-15-29-68] Vaart wel.[^handelingen-15-29-69] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v29)

**30** Deze dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en[^handelingen-15-30-70] de menigte verzameld hebbende, gaven zij de brief over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v30)

**31** En zij, die gelezen hebbende, verblijdden zich over de[^handelingen-15-31-71] troost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v31)

**32** Judas nu en Silas, die zelf ook [^handelingen-15-32-72]profeten waren,[^handelingen-15-32-73] vermaanden de broeders met vele woorden, en[^handelingen-15-32-74] versterkten hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v32)

**33** En als zij[^handelingen-15-33-75] daar een tijd[^handelingen-15-33-76] lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders opnieuw[^handelingen-15-33-77] gaan met vrede,[^handelingen-15-33-78] tot de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v33)

**34** Maar het dacht Silas goed daar te blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v34)

**35** En Paulus en Barnabas[^handelingen-15-35-79] onthielden zich te Antiochië, lerende en[^handelingen-15-35-80] verkondigende met nog vele anderen, het Woord van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v35)

**36** En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu terugkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, waarin wij het Woord van de Heere verkondigd hebben,[^handelingen-15-36-81] hoe zij het hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v36)

**37** En Barnabas[^handelingen-15-37-82] ried, dat zij Johannes, die genoemd is[^handelingen-15-37-s] Markus, zouden meenemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v37)

**38** Maar Paulus[^handelingen-15-38-83] achtte het juist, dat men die niet zou meenemen, die van Pamfylië af van hen was[^handelingen-15-38-84] afgeweken, en met hen niet was gegaan tot[^handelingen-15-38-85] het werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v38)

**39** Er ontstond dan een[^handelingen-15-39-86] verbittering, zo dat zij van elkaar gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus meenam, en naar Cyprus afscheepte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v39)

**40** Maar Paulus[^handelingen-15-40-87] koos Silas en vertrok, van de genade van God van de broeders[^handelingen-15-40-88] bevolen zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v40)

**41** En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende[^handelingen-15-41-89] de Gemeenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/15.html#v41)

[^handelingen-15-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk die uit de Joden tot de christelijke religie waren overgegaan. Vers 5. Onder welke de oude leraren menen dat ook de ketter Cerinthus was.
[^handelingen-15-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk tot Antiochië.
[^handelingen-15-1-b]: Verwijzing b: Genesis 17:10. Leviticus 12:3.
[^handelingen-15-1-a]: Verwijzing a: Galaten 5:2.
[^handelingen-15-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk u die uit de heidenen tot de christelijke religie bekeerd bent: als u zich daarenboven niet laat besnijden en de wet van de Ceremoniën niet onderhoudt.
[^handelingen-15-2-4]: Kanttekening 4: Of: toen er een oproer ontstond en geen kleine twist daarbij.
[^handelingen-15-2-5]: Kanttekening 5: Gr. samenvraag, d.i. disputatie. Vers 7.
[^handelingen-15-2-6]: Kanttekening 6: Die zich tegen deze valse leer stelden.
[^handelingen-15-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk de leidslieden van de gemeente te Antiochië.
[^handelingen-15-2-c]: Verwijzing c: Galaten 2:1.
[^handelingen-15-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk Petrus, Jakobus en Johannes. Galaten 2:9.
[^handelingen-15-2-9]: Kanttekening 9: Of: kwestie, geschil. Zie Handelingen 18:15.
[^handelingen-15-3-10]: Kanttekening 10: Wat de gemeente deed om te tonen dat deze zaak niet alleen Paulus en Barnabas, maar de gehele gemeente aanging.
[^handelingen-15-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk tot de christelijke religie.
[^handelingen-15-3-12]: Kanttekening 12: Gr. maakten.
[^handelingen-15-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: door hen. Zie Handelingen 14:27.
[^handelingen-15-5-14]: Kanttekening 14: Deze woorden zijn erbij gevoegd opdat men kan verstaan dat deze woorden niet door Lucas maar door Paulus worden verteld.
[^handelingen-15-5-15]: Kanttekening 15: Gr. ketterij. Zie de verklaring van dit woord in Handelingen 5:17 en van de Farizeeën in Mattheüs 3:7.
[^handelingen-15-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: die de christelijke religie hadden aangenomen, maar, zoals blijkt, het oude zuurdeeg van de Farizeeën niet geheel hadden afgelegd.
[^handelingen-15-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk degenen die uit het heidendom tot de christelijke religie waren overgegaan. Handelingen 14:27.
[^handelingen-15-5-18]: Kanttekening 18: Namelijk van de Ceremoniën. Vers 24.
[^handelingen-15-6-19]: Kanttekening 19: Dit is de eerste vergadering, concilie of synode die in het Nieuwe Testament over kwesties van de religie is gehouden.
[^handelingen-15-6-20]: Kanttekening 20: Gr. om over dit woord te zien. Hebreeuws.
[^handelingen-15-7-21]: Kanttekening 21: Gr. samenvraag, d.i. disputatie. Namelijk tussen beide partijen, die beide moesten worden gehoord.
[^handelingen-15-7-d]: Verwijzing d: Handelingen 10:20; 11:12.
[^handelingen-15-7-22]: Kanttekening 22: Gr. van oude dagen: welke tijd sommigen verstaan van het begin van de prediking van de apostelen na de hemelvaart van Christus, anderen van de tijd van de bekering van Cornelius. Handelingen 10.
[^handelingen-15-8-e]: Verwijzing e: 1 Kronieken 28:9; 29:17. Psalm 7:10. Jeremia 11:20; 17:10; 20:12.
[^handelingen-15-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk dat zij ook hem aangenaam waren. Handelingen 10:28.
[^handelingen-15-8-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de gaven van de heilige Geest, zowel gewone als buitengewone.
[^handelingen-15-9-f]: Verwijzing f: Handelingen 10:43, 44.
[^handelingen-15-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk aangaande de weldaden en gaven die gemeenschappelijk zijn aan degenen die in Christus geloven.
[^handelingen-15-10-g]: Verwijzing g: Mattheüs 23:4.
[^handelingen-15-10-26]: Kanttekening 26: Namelijk de wet van de Ceremoniën. Vers 5.
[^handelingen-15-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: volledig onderhouden noch daardoor gerechtvaardigd worden. Zie de aantekening op hoofdstuk 13:39.
[^handelingen-15-11-h]: Verwijzing h: Efeziërs 2:8. Titus 3:4.
[^handelingen-15-11-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: door het lijden en de gerechtigheid van Jezus Christus, waarmee Hij ons de genade van God heeft verdiend, waarvan de Ceremoniën van de Wet een voorbeeld waren. Johannes 1:17.
[^handelingen-15-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk onze vaderen zalig zijn geworden door dezelfde genade.
[^handelingen-15-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk niet van de gemeente, maar van de apostelen en ouderlingen. Zie vers 4.
[^handelingen-15-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk daarmee hun instemming tonend met wat door Petrus was gezegd.
[^handelingen-15-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk Paulus en Barnabas.
[^handelingen-15-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: begon te spreken. Hebreeuws.
[^handelingen-15-13-34]: Kanttekening 34: Namelijk de zoon van Alfeus, Jakobus de kleine. Zie hierover Handelingen 12:17.
[^handelingen-15-14-35]: Kanttekening 35: Namelijk Petrus, die zichzelf ook aldus noemt in 2 Petrus 1:1, anders ook Simon. Mattheüs 10:2.
[^handelingen-15-14-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: van ouds, vers 7.
[^handelingen-15-14-37]: Kanttekening 37: Of: aangezien.
[^handelingen-15-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: voor Hemzelf. Of: in zijn naam. Of: dat zijn volk zou worden genaamd. Vers 17.
[^handelingen-15-16-i]: Verwijzing i: Amos 9:11, 12.
[^handelingen-15-16-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: de gemeente, waarin Christus de Zoon van David woont.
[^handelingen-15-16-40]: Kanttekening 40: Gr. ondergraven, nl. in de ongelovige Joden, in wier plaats de heidenen als levende stenen zijn getimmerd.
[^handelingen-15-17-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: niet alleen de Joden, maar ook de andere volkeren, die Amos Edom noemt. Zie Amos 9:11, 12.
[^handelingen-15-17-42]: Kanttekening 42: Gr. over hen aangeroepen of genaamd is. Zie Handelingen 11:26.
[^handelingen-15-18-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: al wat God in de tijd doet, dat heeft Hij van eeuwigheid besloten aldus te doen.
[^handelingen-15-19-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: dit is mijn mening en oordeel in deze zaak.
[^handelingen-15-19-45]: Kanttekening 45: Of: onrustig maken.
[^handelingen-15-20-k]: Verwijzing k: Exodus 20:3. 1 Korintiërs 8:1; 10:20.
[^handelingen-15-20-46]: Kanttekening 46: Gr. besmettingen van de afgoden. Dat wil zeggen: van voedsel of drank aan de afgoden geofferd en daardoor besmet, zoals vers 29 verklaart.
[^handelingen-15-20-l]: Verwijzing l: 1 Tessalonicenzen 4:3.
[^handelingen-15-20-47]: Kanttekening 47: Dit verstaan sommigen van de lichamelijke hoererij, die op zich niet middelmatig is (Exodus 20:14) maar door de heidenen voor geen zonde werd gehouden (1 Korintiërs 6:13-15). Anderen van de geestelijke hoererij, d.i. afgoderij, die doorgaans door de profeten hoererij wordt genaamd.
[^handelingen-15-20-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: van dieren die gestorven zijn zonder bloed te laten: wat de Joden een gruwel was. Zie Genesis 9:4; Leviticus 3:17; Deuteronomium 12:23.
[^handelingen-15-20-m]: Verwijzing m: Genesis 9:4.
[^handelingen-15-20-49]: Kanttekening 49: Namelijk van het beest afgescheiden, hetzij gestold gegeten, hetzij ongestold gedronken. Wat God heeft verboden om de mensen van alle wreedheid en bloedvergieten af te schrikken. Genesis 9:4.
[^handelingen-15-21-50]: Kanttekening 50: Gr. geslachten.
[^handelingen-15-21-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: zijn geschriften. Nehemia 8:1. Lucas 16:29.
[^handelingen-15-22-52]: Kanttekening 52: Namelijk die het besluit van de apostelen en ouderlingen voor goed had gekeurd.
[^handelingen-15-22-53]: Kanttekening 53: Dit is dezelfde die Silvanus wordt genaamd. 1 Tessalonicenzen 1:1; 2 Tessalonicenzen 1:1.
[^handelingen-15-22-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: die onder de voornaamsten waren van aanzien, kennis en beleid onder de kerkdienaren daar.
[^handelingen-15-23-55]: Kanttekening 55: Gr. door hun hand, d.i. dienst. Hebreeuws. Handelingen 7:25. Namelijk om door hen te worden gedragen aan de gemeente te Antiochië.
[^handelingen-15-23-56]: Kanttekening 56: Namelijk de andere gewone broeders van de gemeente van Jeruzalem, die het ook goed hadden gekeurd.
[^handelingen-15-23-57]: Kanttekening 57: Gr. blij te zijn: wat een gewone wijze van groeten was in het begin van de brieven bij de Grieken. Zie Handelingen 23:26.
[^handelingen-15-24-n]: Verwijzing n: Galaten 2:4.
[^handelingen-15-24-58]: Kanttekening 58: Zie vers 1 en 1 Johannes 2:19.
[^handelingen-15-24-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: de vastheid van uw geloof en de rust van uw gemoed als los en onvast makend.
[^handelingen-15-24-60]: Kanttekening 60: Zie de aantekening op vers 5.
[^handelingen-15-24-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: geen opdracht hebben gegeven zulks te leren, hoewel zij onze naam misbruiken.
[^handelingen-15-26-o]: Verwijzing o: Handelingen 13:50; 14:19.
[^handelingen-15-26-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: die met groot gevaar voor hun leven het evangelie vrijmoedig hebben gepredikt.
[^handelingen-15-27-63]: Kanttekening 63: Gr. met, of: door het woord.
[^handelingen-15-28-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: ons door ingeving van de heilige Geest.
[^handelingen-15-28-65]: Kanttekening 65: Zie hiervan de verklaring vers 10.
[^handelingen-15-28-66]: Kanttekening 66: Namelijk voor deze tijd: die hoewel zij niet eigenlijk ter zaligheid noodzakelijk zijn (met uitzondering van het vluchten van hoererij en afgoderij) toch noodzakelijk zijn te worden onderhouden tot noodzakelijke vrede en stichting van de gemeente, vanwege de zwakgelovige Joden.
[^handelingen-15-29-p]: Verwijzing p: Exodus 20:3. 1 Korintiërs 8:1.
[^handelingen-15-29-67]: Kanttekening 67: Zie hiervan 1 Korintiërs 8 door het gehele hoofdstuk.
[^handelingen-15-29-q]: Verwijzing q: Genesis 9:4. Leviticus 17:14.
[^handelingen-15-29-r]: Verwijzing r: 1 Tessalonicenzen 4:3.
[^handelingen-15-29-68]: Kanttekening 68: Of: goed varen.
[^handelingen-15-29-69]: Kanttekening 69: Gr. zijt of wordt gesterkt. Een wijze van spreken bij de Grieken gebruikelijk in het sluiten van de brieven. Zie Handelingen 23:30.
[^handelingen-15-30-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: de gehele gemeente.
[^handelingen-15-31-71]: Kanttekening 71: Of: vertroosting.
[^handelingen-15-32-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: leraars van het Woord, begaafd met de gave om de heilige Schrift goed uit te leggen, die gezonden waren om hun vermaningen daarbij te doen. Vers 27.
[^handelingen-15-32-73]: Kanttekening 73: Of: troostten.
[^handelingen-15-32-74]: Kanttekening 74: Namelijk in het christelijk geloof.
[^handelingen-15-33-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: een zekere en geruime tijd. Handelingen 18:23.
[^handelingen-15-33-76]: Kanttekening 76: Gr. gemaakt hadden, dat is: gebleven waren. Zie Jakobus 4:13.
[^handelingen-15-33-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: met verlof van de broeders en met toewensing van alle zegen en geluk. Hebreeuws.
[^handelingen-15-33-78]: Kanttekening 78: Namelijk naar Jeruzalem, waar nog enige apostelen waren.
[^handelingen-15-35-79]: Kanttekening 79: Gr. sleten daar. Namelijk de tijd.
[^handelingen-15-35-80]: Kanttekening 80: Gr. evangeliserend.
[^handelingen-15-36-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: om te vernemen hoe het met hen staat aangaande het geloof.
[^handelingen-15-37-82]: Kanttekening 82: Of: wilde.
[^handelingen-15-37-s]: Verwijzing s: Handelingen 12:12, 25. Kolossensen 4:10. 2 Timotheüs 4:11. Filemon vers 24.
[^handelingen-15-38-83]: Kanttekening 83: Of: begeerde.
[^handelingen-15-38-84]: Kanttekening 84: Gr. afgestaan. Zie Handelingen 13:13.
[^handelingen-15-38-85]: Kanttekening 85: Namelijk om aan de heidenen het evangelie te prediken, waartoe de heilige Geest hen had geroepen om dat te volbrengen. Handelingen 13:2.
[^handelingen-15-39-86]: Kanttekening 86: Of: hevigheid. Welke deze heilige mannen is overkomen door menselijke zwakheid, daarmee tonend waar te zijn wat zij van zichzelf zeggen in Handelingen 14:15. Maar God heeft dit ten beste gekeerd, zodat zij aldus van elkaar gescheiden zijnde, het evangelie door hen op meer plaatsen tegelijk werd verkondigd.
[^handelingen-15-40-87]: Kanttekening 87: Of: nam tot zich.
[^handelingen-15-40-88]: Kanttekening 88: Gr. overgegeven zijnde.
[^handelingen-15-41-89]: Kanttekening 89: Namelijk die in die landen vergaderd waren.

### Handelingen 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/16.json)

*1 Wanneer Paulus te Derbe en Lystre gekomen is, besnijdt hij Timotheüs, en neemt hem mee op reis, 4 en geeft de gemeenten waar hij doorheen reist de opdracht de verordeningen van de apostelen te onderhouden. 6 Hij wordt door de Heilige Geest verhinderd het Evangelie in Asië en Mysië te prediken, 9 en wordt door een visioen naar Macedonië geroepen. 13 Hij predikt buiten Filippi, waar Lydia, die hem hoort, in Christus gelooft, en met haar huisgezin gedoopt wordt. 16 Hij drijft een waarzeggende geest uit een dienstmaagd. 19 Waarover hij en Silas door de heren van de dienstmaagd bij de overheden worden beschuldigd, 22 en door de hoofdmannen gegeseld en in de gevangenis geworpen, 25 die door een aardbeving 's nachts geopend wordt. 27 Wanneer de gevangenbewaarder hiervan ontwaakt, wil hij zichzelf doden, 28 maar door Paulus' toespraak en onderrichting gelooft hij in Christus, wordt met de zijnen gedoopt, en bewijst hun alle vriendschap. 35 De hoofdmannen bevelen door hun boden dat men hen zal vrijlaten. 37 Maar Paulus beroept zich op zijn Romeins burgerschap, en wil door henzelf uitgeleid worden, 39 wat daarna gebeurt, en zij vertrekken vandaar.*

**1** En hij kwam te[^handelingen-16-1-1] Derbe en Lystre. En zie, daar was een discipel met de naam Timotheüs[^handelingen-16-1-2],[^handelingen-16-1-3] zoon[^handelingen-16-1-4] van een[^handelingen-16-1-5] gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v1)

**2** [^handelingen-16-2-a] Die[^handelingen-16-2-6] goeden getuigenis gegeven werd van de broeders te Lystre en Ikonium. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v2)

**3** Deze wilde Paulus, dat met hem zou[^handelingen-16-3-7] reizen; en hij nam en besneed hem,[^handelingen-16-3-8][^handelingen-16-3-b] omwille van de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader,[^handelingen-16-3-9] dat hij een Griek was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v3)

**4** En zo zij de steden doorreisden, gaven zij hun[^handelingen-16-4-10] de bepalingen over,[^handelingen-16-4-c] die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem[^handelingen-16-4-11] goed gevonden waren, om die te onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v4)

**5** De Gemeenten dan werden bevestigd in het[^handelingen-16-5-12] geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v5)

**6** En als zij[^handelingen-16-6-13] Frygië, en het land van[^handelingen-16-6-14] Galatië doorgereisd hadden, werden zij[^handelingen-16-6-15] van de Heilige Geest[^handelingen-16-6-16] verhinderd het Woord in[^handelingen-16-6-17] Azië te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v6)

**7** En[^handelingen-16-7-18] aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar[^handelingen-16-7-19] Bithynië te reizen; en[^handelingen-16-7-20] de Geest liet[^handelingen-16-7-21] het hun niet toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v7)

**8** En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde,[^handelingen-16-8-d] kwamen af tot[^handelingen-16-8-22] Troas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v8)

**9** En van Paulus werd in de nacht een visioen gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zei: Kom over in[^handelingen-16-9-23] Macedonië, en[^handelingen-16-9-24] help ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v9)

**10** Als hij nu dit visioen gezien had, zo zochten[^handelingen-16-10-25] wij meteen naar Macedonië te reizen,[^handelingen-16-10-26] besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, daarom het Evangelie te verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v10)

**11** Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar[^handelingen-16-11-27] Samothrace, en de volgende dag[^handelingen-16-11-28] naar Neapolis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v11)

**12** En van daar naar[^handelingen-16-12-29] Filippi, die is[^handelingen-16-12-30] de eerste stad van dit[^handelingen-16-12-31] deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad enkele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v12)

**13** En op de dag van de sabbat gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar[^handelingen-16-13-32] het gebed was gewend te gebeuren; en gezeten zijnde, spraken wij tot de[^handelingen-16-13-33] vrouwen, die samengekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v13)

**14** En een vrouw met de naam Lydia, een purperverkoopster,[^handelingen-16-14-34] van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons;[^handelingen-16-14-35] van wie het hart de Heere heeft geopend, dat zij[^handelingen-16-14-36] acht nam op wat van Paulus gesproken werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v14)

**15** En als zij gedoopt was, en haar[^handelingen-16-15-37] huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik[^handelingen-16-15-38] de Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en[^handelingen-16-15-39] blijft[^handelingen-16-15-e] er. En zij[^handelingen-16-15-40] dwong ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v15)

**16** Toen wij op weg waren[^handelingen-16-16-41] naar het gebed, ontmoette ons[^handelingen-16-16-42] een dienstmaagd[^handelingen-16-16-f] [^handelingen-16-16-43]die een waarzeggende geest had, die haar heren[^handelingen-16-16-g] groot winst toebracht met waarzeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v16)

**17** Zij volgde Paulus en ons, en riep, zeggende:[^handelingen-16-17-44] Deze mensen zijn dienaren van God van de Allerhoogste, die[^handelingen-16-17-45] ons de weg van de zaligheid verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v17)

**18** En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus,[^handelingen-16-18-46] daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zei tot de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat u[^handelingen-16-18-47] van haar uitgaat.[^handelingen-16-18-h] En hij ging op dat moment uit haar weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v18)

**19** Als nu[^handelingen-16-19-48] de heren daarvan zagen, dat de hoop van hun winst[^handelingen-16-19-49] weg was,[^handelingen-16-19-i] grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen[^handelingen-16-19-50] naar de markt voor[^handelingen-16-19-51] de oversten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v19)

**20** En als zij hen tot[^handelingen-16-20-52] de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij:[^handelingen-16-20-k] Deze mensen brengen onze stad in opschudding, omdat zij[^handelingen-16-20-53] Joden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v20)

**21** En zij verkondigen[^handelingen-16-21-54] gewoonten, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, aangezien wij Romeinen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v21)

**22** En de menigte stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen,[^handelingen-16-22-55] hun de kleren afgescheurd hebbende,[^handelingen-16-22-l] bevalen hen te[^handelingen-16-22-56] geselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v22)

**23** En als zij hun vele slagen[^handelingen-16-23-57] gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden de[^handelingen-16-23-58] stokbewaarder, dat hij[^handelingen-16-23-59] hen zeker bewaren zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v23)

**24** Die, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de[^handelingen-16-24-60] stok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v24)

**25** En ongeveer de middernacht[^handelingen-16-25-m] baden Paulus en Silas, en[^handelingen-16-25-61] zongen voor God lofzangen en[^handelingen-16-25-62] de gevangenen hoorden naar hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v25)

**26** En er gebeurde plotseling een grote aardbeving, zo dat de fundamenten van de[^handelingen-16-26-63] kerker bewogen[^handelingen-16-26-n] werden; en meteen werden al de deuren[^handelingen-16-26-64] geopend, en de banden van allen werden los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v26)

**27** En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren van de gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelf[^handelingen-16-27-65] omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvlucht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v27)

**28** Maar Paulus riep met[^handelingen-16-28-66] luide stem, zeggende: Doe uzelf geen kwaad; want wij zijn allen hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v28)

**29** En als hij licht geëist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neer aan hun voeten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v29)

**30** En hen[^handelingen-16-30-67] buiten gebracht hebbende, zei hij:[^handelingen-16-30-o] Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig word? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v30)

**31** En zij zeiden:[^handelingen-16-31-p] Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden, u en[^handelingen-16-31-68] uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v31)

**32** En zij spraken tot hem het woord van de Heere, en tot allen, die in zijn huis waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v32)

**33** En hij nam hen tot zich op dat uur in de nacht, en[^handelingen-16-33-69] waste hun striemen; en hij werd meteen gedoopt, en al de zijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v33)

**34** En hij bracht hen in zijn huis,[^handelingen-16-34-q] en zette[^handelingen-16-34-70] hun de tafel voor, en[^handelingen-16-34-71] verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God[^handelingen-16-34-72] gelovig geworden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v34)

**35** En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen[^handelingen-16-35-73] de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v35)

**36** En de stokbewaarder meldde deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat u zou losgelaten worden; ga dan nu naar buiten en vertrek in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v36)

**37** Maar Paulus zei[^handelingen-16-37-74] tot hen: Zij hebben ons,[^handelingen-16-37-75] die Romeinen zijn,[^handelingen-16-37-76] onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu in het geheim daaruit?[^handelingen-16-37-77] Niet zo; maar laat zij zelf komen en ons uitleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v37)

**38** En de stadsdienaars meldden deze woorden opnieuw de hoofdmannen; en zij werden bevreesd,[^handelingen-16-38-78] horende, dat zij[^handelingen-16-38-79] Romeinen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v38)

**39** En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden,[^handelingen-16-39-r] verzochten zij, dat[^handelingen-16-39-80] zij uit de stad gaan zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v39)

**40** En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in[^handelingen-16-40-81] tot Lydia; en de broeders gezien hebbende,[^handelingen-16-40-82] troostten[^handelingen-16-40-83] zij hen en vertrokken uit de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/16.html#v40)

[^handelingen-16-1-1]: Kanttekening 1: Derbe en Lystre: Van deze steden zie Hand. 14:6 . Handelingen 14:6 : Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;
[^handelingen-16-1-2]: Kanttekening 2: Van deze Timotheüs, zie breder Hand. 17:14 , en Hand. 19:22 , en Hand. 20:4 ; Rom. 16:21 ; 1 Kor. 4:17 ; Filipp. 2:19 ; 1 Thess. 3:2 , en voornamelijk 1 Tim. 1:2 . Handelingen 17:14 : Maar de broeders zonden toen ogenblikkelijk Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven daar. Handelingen 19:22 : En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Romeinen 16:21 : U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten. 1 Korinthiërs 4:17 : Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer. Filippensen 2:19 : En ik hoop in de Heer Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. 1 Thessalonicensen 3:2 : En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof; 1 Timotheüs 1:2 : Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^handelingen-16-1-3]: Kanttekening 3: gelovige Joodse: Dat is, die bekeerd was tot het Christengeloof.
[^handelingen-16-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk genaamd Eunice. Zie van haar, alsook van zijn grootmoeder Loide, 2 Tim. 1:5 . 2 Timotheüs 1:5 : Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.
[^handelingen-16-1-5]: Kanttekening 5: Griekse vader: Grieks van een vader een Griek; dat is van Griekse en heidense afkomst en religie; dat de oorzaak was dat Timotheüs niet was besneden.
[^handelingen-16-2-a]: Verwijzing a: Hand. 6:3 . Handelingen 6:3 : Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol van de Heiligen Geestes en van de wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.
[^handelingen-16-2-6]: Kanttekening 6: getuigenis gegeven: Namelijk van godzaligheid en ervarenheid in de Heilige Schrift; 2 Tim. 3:15 . 2 Timotheüs 3:15 : En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is.
[^handelingen-16-3-7]: Kanttekening 7: Grieks uitgaan.
[^handelingen-16-3-8]: Kanttekening 8: vanwege de Joden: Namelijk opdat de zwakgelovige Joden zijn dienst niet zouden verwerpen omdat hij onbesneden was. Want zij verstonden nog niet dat de besnijdenis nu afgedaan was en haar einde genomen had. En zo gebruikt Paulus de besnijdenis hier als een middelmatige zaak, hoedanige altijd tot stichting van de zwakken en zonder aanstoot moeten gebruikt worden; 1 Kor. 9:19 . Maar als hij te doen gehad heeft niet met zwakken, maar met hardnekkige Joden, die de besnijdenis drongen als nog nodig ter zaligheid, zo heeft hij om hunnentwil Titus niet willen laten besnijden. Zie Gal. 2:3 . 1 Korinthiërs 9:19 : Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. Galaten 2:3 : Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.
[^handelingen-16-3-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 9:20 ; Galat. 2:3 . 1 Korinthiërs 9:20 : En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou. Galaten 2:3 : Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.
[^handelingen-16-3-9]: Kanttekening 9: dat hij een Griek was: En dat overzulks Timotheüs zijn zoon niet besneden was.
[^handelingen-16-4-10]: Kanttekening 10: de bepalingen: Grieks dogmata; dat is, meningen, goedachtingen; van welke zie Hand. 15:20 . Handelingen 15:20 : Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.
[^handelingen-16-4-c]: Verwijzing c: Hand. 15:20 . Handelingen 15:20 : Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.
[^handelingen-16-4-11]: Kanttekening 11: goed gevonden: Grieks geoordeeld, of besloten.
[^handelingen-16-5-12]: Kanttekening 12: geloof, en: Namelijk zo in het bijzonder van de Christelijke vrijheid en het gebruik derzelve, als in het algemeen van alle andere stukken van het geloof.
[^handelingen-16-6-13]: Kanttekening 13: Een landschap in Klein-Azië, tussen Mysië, Galatië en Lycaonië.
[^handelingen-16-6-14]: Kanttekening 14: Galatië doorgereisd: Een landschap in Klein-Azië, waarvan zie Gal. 1:2 . Galaten 1:2 : En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatië:
[^handelingen-16-6-15]: Kanttekening 15: van de Heilige: Dat is, door een innerlijke aanspraak Gods door zijn Geest.
[^handelingen-16-6-16]: Kanttekening 16: verhinderd het: Namelijk voor die tijd; want namaals heeft Paulus daar het woord van het Evangelie omtrent twee jaren lang gepredikt; zie Hand. 19:10 , zo heeft de Heilige Geest de apostelen voorgeschreven, wat orde zij zouden houden in het reizen en het Woord te prediken, het ene volk voor en het andere na. Handelingen 19:10 : En dit geschiedde twee jaren lang, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heer Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
[^handelingen-16-6-17]: Kanttekening 17: Dit was het derde deel van de bewoonde en toen bekende wereld, waarvan Europa en Afrika de twee andere delen waren. Hoewel het hier schijnt genomen te worden voor Klein-Azië.
[^handelingen-16-7-18]: Kanttekening 18: Een landschap in Klein-Azië, tussen Troas en Frygië.
[^handelingen-16-7-19]: Kanttekening 19: Een landschap, gelegen dicht bij Troas tegenover Thracië, strekkende aan Pontus Euxinus, of de Zwarte zee.
[^handelingen-16-7-20]: Kanttekening 20: de Geest: Namelijk Jezus, dat in vele oude boeken daarbij staat.
[^handelingen-16-7-21]: Kanttekening 21: liet het hun: Zie de aantekeningen op vers 6 . Handelingen 16:6 : En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken.
[^handelingen-16-8-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 2:12 . 2 Korinthiërs 2:12 : Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;
[^handelingen-16-8-22]: Kanttekening 22: Met deze naam wordt genaamd een gehele landstreek, waar eertijds oud Troje gestaan heeft, anders genaamd Klein-Frygië, en ook ene stad in dezelfde landstreek, die ook Antigonië en Alexandrië genaamd is geweest, van welke hier gesproken wordt. Zie Hand. 20:6 ; 2 Kor. 2:12 ; 2 Tim. 4:13 . Handelingen 20:6 : Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen van de ongehevelde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden. 2 Korinthiërs 2:12 : Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; 2 Timotheüs 4:13 : Breng de reismantel mee, die ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als u komt, en de boeken, in het bijzonder de perkamenten.
[^handelingen-16-9-23]: Kanttekening 23: Dit was een groot landschap in Europa, tussen Epirus en Thracië, strekkende zich aan de ene zijde aan de Egeïsche zee, nu genaamd Archipelago.
[^handelingen-16-9-24]: Kanttekening 24: help ons: Namelijk naar de ziel met de predikatie van het Evangelie.
[^handelingen-16-10-25]: Kanttekening 25: Daaruit blijkt, dat Lukas toen in het gezelschap van de apostel was. Zie ook Kol. 4:14 ; Filem.:24. Kolossensen 4:14 : U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas.
[^handelingen-16-10-26]: Kanttekening 26: Van de betekenissen van dit woord zie Hand. 9:22 . Handelingen 9:22 : Maar Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die in Damascus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.
[^handelingen-16-11-27]: Kanttekening 27: Een eiland in de Egeïsche zee, dicht bij het vaste land van Tracië, zo genaamd omdat het bewoond werd, eensdeels door inwoners uit Thracië en eensdeels uit Samos gesproten.
[^handelingen-16-11-28]: Kanttekening 28: Ene stad, gelegen op de grenzen van Thracië en Macedonië, niet ver van Filippi, tegenover het eiland Thasus.
[^handelingen-16-12-29]: Kanttekening 29: Deze stad was eertijds Dathos genaamd, en daarna Filippi vernaamd, van Filippus, koning van Macedonië, die dezelfde, vervallen zijnde, opnieuw heeft opgebouwd. Zie Filipp. 1:1 . Filippensen 1:1 : Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:
[^handelingen-16-12-30]: Kanttekening 30: de eerste stad: Namelijk als men van Samothrace naar Macedonië overscheept.
[^handelingen-16-12-31]: Kanttekening 31: een kolonie: Zo werden in het Latijn genaamd de steden, die van de Romeinen òf gebouwd, òf met Romeinse inwoners beplant en bezet werden, om het land daaromtrent te bouwen, en de grenzen van het Romeinse rijk te verzekeren; waarvan de stad Keulen ook nog haar naam heeft. Zie vers 21 . Handelingen 16:21 : En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, zo wij Romeinen zijn.
[^handelingen-16-13-32]: Kanttekening 32: het gebed placht: Namelijk het algemeen gebed van de Joden. Of waar een bedehuis, of synagoge van de Joden was; en daaruit schijnt dat de heidenen daar de Joden in hunne stad zulks niet hebben willen toelaten.
[^handelingen-16-13-33]: Kanttekening 33: vrouwen, die: Namelijk Joodse vrouwen, welker getal daar het meeste schijnt geweest te zijn.
[^handelingen-16-14-34]: Kanttekening 34: van de stad Thyatira: Namelijk geboortig. Deze stad lag aan de grenzen van de landschappen van Lydië en Mysië. Zie van dezelfde Openb. 2:18 . Openbaring 2:18 : En schrijf aan de engel van de Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:
[^handelingen-16-14-35]: Kanttekening 35: van wie het hart de: Namelijk door de kracht zijns Heiligen Geestes hun verstand verlichtende en hun wil neigende tot gehoorzaamheid van het geloof.
[^handelingen-16-14-36]: Kanttekening 36: acht nam op: Of, haar hield aan wat, enz.
[^handelingen-16-15-37]: Kanttekening 37: huis, bad: Dat is, gehele huisgezin.
[^handelingen-16-15-38]: Kanttekening 38: de Heer getrouw: Of, aan de Heer; namelijk Christus gelovig ben.
[^handelingen-16-15-39]: Kanttekening 39: blijft er: Dat is, logeer er, zolang u hier zult zijn.
[^handelingen-16-15-e]: Verwijzing e: Gen. 19:3 ; Gen. 33:11 ; Richt. 19:21 ; Lukas 24:29 ; Hebr. 13:2 . Genesis 19:3 : En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. Genesis 33:11 : Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadiglijk verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. Richteren 19:21 : En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij. Lukas 24:29 : En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^handelingen-16-15-40]: Kanttekening 40: dwong ons: Namelijk met vriendelijk bidden en aanhouden.
[^handelingen-16-16-41]: Kanttekening 41: tot het gebed: Dat is, tot de plaats, waar men het gebed deed; of tot het bedehuis.
[^handelingen-16-16-42]: Kanttekening 42: Grieks Paidiske; dat in het algemeen een meisje betekent, Hand. 12:13 , maar hier ene dienstmaagd of slavin, want er wordt van haar heren gesproken, vers 19 . Handelingen 12:13 : En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode. Handelingen 16:19 : Als nu de heren van dezelfde zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.
[^handelingen-16-16-f]: Verwijzing f: 1 Sam. 28:7 . 1 Samuël 28:7 : Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft.
[^handelingen-16-16-43]: Kanttekening 43: een waarzeggende: Grieks een geest van Python; met welke naam de waarzeggende geest Apollo, bij de heidenen genaamd werd, van de stad Pytho, die daarna Delfi genaamd is, alwaar hij een tempel had en zijn waarzeggingen meest deed. En zo werden ook genaamd allerlei waarzeggende boze geesten, die gemeenlijk de mensen, die hun raad vraagden, antwoord gaven; 1 Sam. 28:7 . 1 Samuël 28:7 : Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft.
[^handelingen-16-16-g]: Verwijzing g: Hand. 19:24 . Handelingen 19:24 : Want een, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht die van die kunst geen klein winst toe;
[^handelingen-16-17-44]: Kanttekening 44: Deze mensen zijn: Hoewel deze onreine geest daaraan de waarheid zei, zo heeft hij nochtans daarmede voorgehad de leer van de apostelen verdacht te maken. Zie dergelijke Mark. 1:24 ; Luk. 4:41 . Marcus 1:24 : Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener, bent U gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige Gods. Lukas 4:41 : En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: U bent de Christus, de Zoon van God! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.
[^handelingen-16-17-45]: Kanttekening 45: ons de weg: Anders, u.
[^handelingen-16-18-46]: Kanttekening 46: ontevreden zijnde: Of, moeilijk zijnde; zo over de ellende van dit meisje als over de bedriegerij van de Satan, waardoor de arme mensen verleid werden. Zie Mark. 1:25 . Marcus 1:25 : En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.
[^handelingen-16-18-47]: Kanttekening 47: van haar uitgaat: Namelijk van deze dienstmaagd.
[^handelingen-16-18-h]: Verwijzing h: Mark. 16:17 . Marcus 16:17 : En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
[^handelingen-16-19-48]: Kanttekening 48: de heren van: Wier slavin zij was.
[^handelingen-16-19-49]: Kanttekening 49: weg was, grepen: Grieks uitgegaan was; gelijk als met deze onreine geest.
[^handelingen-16-19-i]: Verwijzing i: 2 Kor. 6:5 . 2 Korinthiërs 6:5 : In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,
[^handelingen-16-19-50]: Kanttekening 50: de markt voor: Of, gerichtplaats.
[^handelingen-16-19-51]: Kanttekening 51: de oversten: Deze werden in de koloniën van de Romeinen genaamd Decuriones.
[^handelingen-16-20-52]: Kanttekening 52: de hoofdmannen: Grieks Strategoi; die van de Romeinen Duumviri genoemd werden en in de koloniën het opperste gezag hadden.
[^handelingen-16-20-k]: Verwijzing k: 1 Kon. 18:17 ; Hand. 17:6 . 1 Koningen 18:17 : En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei: Zijt u die beroerder van Israël? Handelingen 17:6 : En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten van de stad, roepende: Deze, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;
[^handelingen-16-20-53]: Kanttekening 53: Joden zijn: De naam van Joden was zeer gehaat onder de heidenen.
[^handelingen-16-21-54]: Kanttekening 54: zeden, die ons: Dat is, wijzen om God te dienen, andere dan de Romeinen en heidenen hadden.
[^handelingen-16-22-55]: Kanttekening 55: hun de kleren: Namelijk de apostel en Silas.
[^handelingen-16-22-l]: Verwijzing l: 2 Kor. 11:25 ; 1 Thes. 2:2 . 2 Korinthiërs 11:25 : Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. 1 Thessalonicensen 2:2 : Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk u weet, te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onze God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijds.
[^handelingen-16-22-56]: Kanttekening 56: Of, met roeden slaan.
[^handelingen-16-23-57]: Kanttekening 57: gegeven hadden: Grieks opgelegd.
[^handelingen-16-23-58]: Kanttekening 58: Grieks bewaarder van de gevangenen; cipier.
[^handelingen-16-23-59]: Kanttekening 59: zekerlijk bewaren: Dat is, in goede verzekering, striktelijk.
[^handelingen-16-24-60]: Kanttekening 60: Grieks in het hout; namelijk een houten blok of instrument, waarin de voeten gesloten werden.
[^handelingen-16-25-m]: Verwijzing m: Hand. 4:31 . Handelingen 4:31 : En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.
[^handelingen-16-25-61]: Kanttekening 61: zongen voor God: Namelijk verblijd zijnde dat zij om Christus' naam leden; Hand. 5:41 . Handelingen 5:41 : Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden.
[^handelingen-16-25-62]: Kanttekening 62: de gevangenen: Namelijk de andere gevangenen.
[^handelingen-16-26-63]: Kanttekening 63: bewogen werden: Grieks op en neder geschud werden; tot een teken dat God het gebed van zijn dienaren verhoord had; Hand. 4:31 . Handelingen 4:31 : En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid.
[^handelingen-16-26-n]: Verwijzing n: Hand. 5:19 ; Hand. 12:7 . Handelingen 5:19 : Maar de engel van de Heer opende van de nacht de deuren van de gevangenis en leidde hen uit, en zei: Handelingen 12:7 : En ziet, een engel van de Heer stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijn ketenen vielen af van de handen.
[^handelingen-16-26-64]: Kanttekening 64: geopend, en de: Namelijk vanzelf, door de kracht van God.
[^handelingen-16-27-65]: Kanttekening 65: omgebracht hebben: Namelijk om te ontgaan een wreder dood, die hij vreesde hem te zullen aangedaan worden, zo de gevangenen ontkomen waren.
[^handelingen-16-28-66]: Kanttekening 66: grote stem: Dat is, luider.
[^handelingen-16-30-67]: Kanttekening 67: buiten gebracht: Namelijk uit de binnenste kerker in zijn huis.
[^handelingen-16-30-o]: Verwijzing o: Lukas 3:10 ; Hand. 2:37 ; Hand. 9:6 . Lukas 3:10 : En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? Handelingen 2:37 : En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? Handelingen 9:6 : En hij, bevende en verbaasd zijnde, zei: Heer, wat wilt U, dat ik doen zal? En de Heer zei tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal daar gezegd worden, wat u doen moet.
[^handelingen-16-31-p]: Verwijzing p: Joh. 3:16 ; idem 3:36 ; Joh. 6:47 ; 1 Joh. 5:10 . Johannes 3:16 : Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iedereen die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Johannes 3:36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Johannes 6:47 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. 1 Johannes 5:10 : Die in de Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
[^handelingen-16-31-68]: Kanttekening 68: uw huis: Dat is, huisgezin, uwe vrouw en kinderen, als kinderen van het verbond. Zie Hand. 2:39 . Handelingen 2:39 : Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal.
[^handelingen-16-33-69]: Kanttekening 69: wies hen : Namelijk van het geronnen bloed door de geseling veroorzaakt, om de wonden te verzachten.
[^handelingen-16-34-q]: Verwijzing q: Lukas 5:29 ; Lukas 19:6 . Lukas 5:29 : En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. Lukas 19:6 : En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.
[^handelingen-16-34-70]: Kanttekening 70: de tafel voor: Namelijk met voedsel en drank.
[^handelingen-16-34-71]: Kanttekening 71: verheugde zich: Zie dergelijke Hand. 8:39 . Handelingen 8:39 : En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest van de Heer Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.
[^handelingen-16-34-72]: Kanttekening 72: gelovig geworden was: Grieks geloofd had.
[^handelingen-16-35-73]: Kanttekening 73: de stadsdienaars: Grieks Roedendragers; zo werden de dienaren of boden van de steden genaamd, omdat zij gingen met stokken, roeden, of gaarden.
[^handelingen-16-37-74]: Kanttekening 74: tot hen: Namelijk tot de stadsdienaars.
[^handelingen-16-37-75]: Kanttekening 75: die Romeinen zijn: Grieks Romeinse mensen; dat is, hebbende het recht van de burgers van Rome, die men niet mocht geselen; zie Hand. 22:25 , en Valerius Maximus lib. 4, cap. 1. Handelingen 22:25 : En zo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romeinsen mens, en die onveroordeeld, te geselen?
[^handelingen-16-37-76]: Kanttekening 76: Dat is, niet alleen zonder schuld, maar ook zonder enige vorm van rechtvordering.
[^handelingen-16-37-77]: Kanttekening 77: Niet zo: Namelijk zal het toegaan.
[^handelingen-16-38-78]: Kanttekening 78: horende, dat: Of, omdat zij hoorden.
[^handelingen-16-38-79]: Kanttekening 79: Romeinen waren: Namelijk die zij tegen het recht van de burgers van Rome hadden doen geselen, vers 37 . Handelingen 16:37 : Maar Paulus zei tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu in het geheim daaruit? Niet zo; maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.
[^handelingen-16-39-r]: Verwijzing r: Matt. 8:34 . Mattheüs 8:34 : En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun gebied wilde vertrekken.
[^handelingen-16-39-80]: Kanttekening 80: uit de stad: Namelijk opdat tegen hen geen nieuw oproer zou verwekt worden.
[^handelingen-16-40-81]: Kanttekening 81: tot Lydia: Of, in het huis van Lydia, vers 14 , 16:15 . Handelingen 16:14 : En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd. Handelingen 16:15 : En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik de Heer getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons.
[^handelingen-16-40-82]: Kanttekening 82: Namelijk tegen de ergernis van deze smaadheid hun aangedaan.
[^handelingen-16-40-83]: Kanttekening 83: zij dezelfde: Namelijk Paulus en Silas.

### Handelingen 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/17.json)

*1 Paulus predikt Christus te Thessalonica. 4 Sommige Joden en vele Grieken geloven. 5 Anderen verwekken oproer tegen hen, en slepen Jason voor de overheden van de stad. 10 Maar Paulus en Silas ontkomen, en reizen naar Berea, waar zij ook prediken, 11 en velen, die de Schrift ijverig onderzoeken, worden gelovig. 13 De Joden van Thessalonica vervolgen hem ook daar, en brengen het volk in beroering. 14 Maar de broeders begeleiden Paulus tot Athene, 16 waar hij zich ontstelt over de afgoderij, 18 en door sommige epicurische en stoïcijnse filosofen bespot wordt. 19 Hij wordt op de Areopagus gebracht, 20 en door zijn hoorders nader ondervraagd. 22 Waarop hij hen onderricht over de ijdelheid van de afgoden, en over de kennis en dienst van de ware God, die hemel en aarde geschapen heeft en regeert, voor wie zij ook, onbekend, een altaar hadden opgericht. 30 Hij vermaant hen dan tot bekering en geloof in Christus, die uit de doden opgewekt en tot een Rechter van de wereld gesteld is. 32 Wat sommigen bespotten, en sommigen geloofden, onder wie ook waren Dionysius de Areopagiet en Damaris.*

**1** En door[^handelingen-17-1-1] Amfipolis en[^handelingen-17-1-2] Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te[^handelingen-17-1-3] Thessalonica, waar een synagoge van de Joden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v1)

**2** En Paulus, zoals hij gewend was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen[^handelingen-17-2-4] uit de Schriften, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v2)

**3** [^handelingen-17-3-5] Hij legde uit en zette uiteen,[^handelingen-17-3-a] dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is[^handelingen-17-3-6] de Christus, Die ik, zei hij, u verkondige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v3)

**4** [^handelingen-17-4-b] En sommigen uit hen[^handelingen-17-4-7] geloofden, en werden Paulus en Silas[^handelingen-17-4-8][^handelingen-17-4-9] toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen[^handelingen-17-4-10] niet weinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v4)

**5** Maar de Joden,[^handelingen-17-5-11] die ongehoorzaam waren,[^handelingen-17-5-12] dit jaloers zijnde, namen tot zich enige slechte mannen uit[^handelingen-17-5-13] de marktboeven, en[^handelingen-17-5-14] maakten, dat het volk te hoop liep, en verontrustten de stad; en op het huis[^handelingen-17-5-15] van[^handelingen-17-5-16] Jason aanvallende, zochten zij[^handelingen-17-5-17] hen tot het volk te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v5)

**6** En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten van de stad, roepende:[^handelingen-17-6-c] Deze, die de wereld[^handelingen-17-6-18] in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v6)

**7** Die Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de[^handelingen-17-7-19] geboden van de[^handelingen-17-7-d] keizer, zeggende, dat[^handelingen-17-7-20] er een andere Koning is, namelijk een Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v7)

**8** En zij verontrustten de menigte, en de oversten van de stad, die dit hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v8)

**9** Maar als zij van Jason en de anderen[^handelingen-17-9-21] vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v9)

**10** En de broeders zonden meteen[^handelingen-17-10-e] bij nacht Paulus en Silas[^handelingen-17-10-22] weg naar Berea; die,[^handelingen-17-10-23] daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge van de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v10)

**11** En deze waren[^handelingen-17-11-24] edeler, dan die te Thessalonica waren, als die[^handelingen-17-11-25] het woord ontvingen met alle[^handelingen-17-11-26] bereidwilligheid,[^handelingen-17-11-27][^handelingen-17-11-f] onderzoekende dagelijks[^handelingen-17-11-28] de Schriften, of deze dingen zo waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v11)

**12** Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse aanzienlijke vrouwen en van de mannen niet weinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v12)

**13** Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar[^handelingen-17-13-g] en[^handelingen-17-13-29] bewogen de menigten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v13)

**14** Maar de broeders zonden toen meteen Paulus weg, dat hij ging[^handelingen-17-14-30] als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v14)

**15** En die Paulus[^handelingen-17-15-31] geleidden, brachten hem tot Athene toe; en[^handelingen-17-15-h] als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v15)

**16** En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn[^handelingen-17-16-32] geest in hem[^handelingen-17-16-33] ontstoken, ziende, dat de stad[^handelingen-17-16-34] zo zeer afgodisch was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v16)

**17** Hij[^handelingen-17-17-35] handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die[^handelingen-17-17-36] godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen,[^handelingen-17-17-37] die hem voorkwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v17)

**18** En sommigen van de[^handelingen-17-18-38] Epikureische en[^handelingen-17-18-39] Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze[^handelingen-17-18-40] praatjesmaker zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding[^handelingen-17-18-41] verkondigde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v18)

**19** En zij namen hem, en brachten hem op de[^handelingen-17-19-42] plaats, genoemd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar u van spreekt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v19)

**20** Want[^handelingen-17-20-43] u brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v20)

**21** (Die van Athene nu allen, en[^handelingen-17-21-44] de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om[^handelingen-17-21-45] wat nieuws te zeggen en te horen.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v21)

**22** En Paulus, staande in het midden van de plaats, genoemd Areopagus, zei: U mannen van Athene! ik[^handelingen-17-22-46] merk dat u in alle opzichten zeer[^handelingen-17-22-47] godsdienstig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v22)

**23** Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw[^handelingen-17-23-48] heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op dat[^handelingen-17-23-49] een opschrift stond: DEN[^handelingen-17-23-50] ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Die u[^handelingen-17-23-51] niet kennende dient, verkondig ik u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v23)

**24** [^handelingen-17-24-i] De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere van de hemel en van de aarde,[^handelingen-17-24-k] woont niet in tempelen met handen gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v24)

**25** En wordt ook van mensenhanden niet gediend,[^handelingen-17-25-52] als iets behoevende,[^handelingen-17-25-l] zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v25)

**26** En heeft uit[^handelingen-17-26-53] één bloede heel het [^handelingen-17-26-54]geslacht van de mensen gemaakt, om[^handelingen-17-26-55] op de hele aardbodem te wonen,[^handelingen-17-26-m] bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v26)

**27** Opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem[^handelingen-17-27-56] immers[^handelingen-17-27-57] tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een ieder van ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v27)

**28** Want[^handelingen-17-28-58] in Hem leven wij, en bewegen ons, en[^handelingen-17-28-59] zijn wij; zoals ook[^handelingen-17-28-60] enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook[^handelingen-17-28-61] Zijn geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v28)

**29** [^handelingen-17-29-n] Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat[^handelingen-17-29-62] de Godheid goud, of zilver, of steen zoals zij, die door mensenkunst[^handelingen-17-29-63] en bedenking gesneden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v29)

**30** God dan, de tijden van[^handelingen-17-30-64] de[^handelingen-17-30-65] onwetendheid overzien hebbende,[^handelingen-17-30-o] verkondigt nu allen mensen overal, dat zij zich bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v30)

**31** Daarom Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij[^handelingen-17-31-66] de aardbodem[^handelingen-17-31-67] rechtvaardig zal oordelen, door[^handelingen-17-31-68] een Man,[^handelingen-17-31-p] Die Hij daartoe bestemd heeft,[^handelingen-17-31-69] verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v31)

**32** Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmee; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v32)

**33** En zo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v33)

**34** Maar sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder wie was ook Dionysius,[^handelingen-17-34-70] de Areopagiet, en een vrouw, met de naam Damaris, en anderen daarmee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/17.html#v34)

[^handelingen-17-1-1]: Kanttekening 1: Ene stad van Macedonië, niet ver van Filippi, zo genaamd omdat zij van beide zijden met de zee omringd was.
[^handelingen-17-1-2]: Kanttekening 2: Ene stad mee in Macedonië, bij Thessalonika.
[^handelingen-17-1-3]: Kanttekening 3: Één van de voornaamste steden van Macedonië, aan een langen inham van de Egeïsche zee gelegen, zo genaamd omdat de koning Filippus daar de Thessaliërs had overwonnen.
[^handelingen-17-2-4]: Kanttekening 4: uit de Schriften: Grieks van de Schriften.
[^handelingen-17-3-5]: Kanttekening 5: Dat is, met klare getuigenissen uit dezelfde zekerlijk bewijzende. Zie Ps. 119:130 ; Luk. 24:32 . Psalmen 119:130 : De opening van Uw woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. Lukas 24:32 : En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de Schriften opende?
[^handelingen-17-3-a]: Verwijzing a: Ps. 22:7 ; Matt. 16:21 ; Lukas 24:46 . Psalmen 22:7 : Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Mattheüs 16:21 : Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. Lukas 24:46 : En zei tot hen: Zo is er geschreven, en zo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan op de derde dag.
[^handelingen-17-3-6]: Kanttekening 6: de Christus: De ware beloofde Messias; Joh. 1:42 . Johannes 1:42 : Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus.
[^handelingen-17-4-b]: Verwijzing b: Hand. 28:24 . Handelingen 28:24 : En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
[^handelingen-17-4-7]: Kanttekening 7: Grieks lieten zich gezeggen, of overreden.
[^handelingen-17-4-8]: Kanttekening 8: Grieks toegeloot; Hand. 13:48 . Handelingen 13:48 : Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heer; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven.
[^handelingen-17-4-9]: Kanttekening 9: godsdienstige Grieken: Dat is, Jodengenoten, gelijk uitgedrukt wordt Hand. 13:43 ; of, anderen die de Joodse godsdienst waren toegedaan. Handelingen 13:43 : En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade van God.
[^handelingen-17-4-10]: Kanttekening 10: niet weinige: Dat is, zeer vele.
[^handelingen-17-5-11]: Kanttekening 11: die ongehoorzaam waren: Grieks die zich niet wilden laten gezeggen, of overreden; dat is, die ongelovig bleven; Joh. 3:36 . Johannes 3:36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
[^handelingen-17-5-12]: Kanttekening 12: dit benijdende: Of, hierover ijverende; namelijk met een verkeerden ijver.
[^handelingen-17-5-13]: Kanttekening 13: de marktboeven: Dat is, enige onnutte mensen, die gemeenlijk aan de markt leeg staan.
[^handelingen-17-5-14]: Kanttekening 14: maakten, dat het volk te hoop liep: Of, maakten een oploop van het volk.
[^handelingen-17-5-15]: Kanttekening 15: Sommigen menen dat deze Jason dezelfde is, waarvan men leest Rom. 16:21 . Romeinen 16:21 : U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten.
[^handelingen-17-5-16]: Kanttekening 16: Of, aan, of tegen het huis staande.
[^handelingen-17-5-17]: Kanttekening 17: tot het volk: Namelijk om hen te stenigen.
[^handelingen-17-6-c]: Verwijzing c: Hand. 16:20 . Handelingen 16:20 : En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.
[^handelingen-17-6-18]: Kanttekening 18: in roer hebben gesteld: Of, in oproer gebracht, of gemaakt dat door de gehele wereld de één tegen de ander opstaat.
[^handelingen-17-7-19]: Kanttekening 19: geboden van de: Of, ordinantiën.
[^handelingen-17-7-d]: Verwijzing d: Lukas 23:2 ; Joh. 19:12 . Lukas 23:2 : En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt de keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is. Johannes 19:12 : Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Als u Deze loslaat, zo bent u van de keizers vriend niet; een iedereen, die zichzelven koning maakt, wederspreekt de keizer.
[^handelingen-17-7-20]: Kanttekening 20: een andere Koning: Namelijk dan de keizer van Rome.
[^handelingen-17-9-21]: Kanttekening 21: Grieks genoeg; dat is genoegzame verontschuldiging, of borg dat zij hen, geroepen zijnde, terecht zouden stellen.
[^handelingen-17-10-e]: Verwijzing e: Hand. 9:25 . Handelingen 9:25 : Maar de discipelen namen hem van de nacht, en lieten hem neder door de muur, hem aflatende in een mand.
[^handelingen-17-10-22]: Kanttekening 22: weg naar Berea: Namelijk om het gevaar te ontvluchten; Matt. 10:23 . Mattheüs 10:23 : Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want werkelijk zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon van de mensen zal gekomen zijn.
[^handelingen-17-10-23]: Kanttekening 23: daar gekomen: Namelijk te Berea.
[^handelingen-17-11-24]: Kanttekening 24: Namelijk van gemoed. Want dat is een recht edel gemoed, dat zijn geloof niet op het zeggen van mensen, maar alleen op Gods Woord bouwt; Ef. 2:20 . Vanwaar deze edelheid voortkomt, zie Matt. 13:23 . Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Mattheüs 13:23 : Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud.
[^handelingen-17-11-25]: Kanttekening 25: het woord: Namelijk Gods, het Evangelie dat hun gepredikt werd.
[^handelingen-17-11-26]: Kanttekening 26: Of, bereidheid van het hart.
[^handelingen-17-11-27]: Kanttekening 27: Grieks met oordeel overleggende; of het een tegen het ander vergelijkende; namelijk de predikatie van de apostel met de Heilige Schrift.
[^handelingen-17-11-f]: Verwijzing f: Jes. 34:16 ; Lukas 16:29 ; Joh. 5:39 . Jesaja 34:16 : Zoekt in het boek van YHWH, en leest; niet één van deze zal er falen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen. Lukas 16:29 : Abraham zei tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen. Johannes 5:39 : Onderzoekt de Schriften; want u meent in dezelfde het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.
[^handelingen-17-11-28]: Kanttekening 28: de Schriften: Namelijk van de profeten.
[^handelingen-17-13-g]: Verwijzing g: 1 Thes. 2:14 . 1 Thessalonicensen 2:14 : Want u, broeders, bent navolgers geworden van de Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
[^handelingen-17-13-29]: Kanttekening 29: bewogen de scharen: Dat is, maakten hen gaande tegen de apostelen.
[^handelingen-17-14-30]: Kanttekening 30: als naar de zee: Dat is, alsof hij vandaar te scheep wilde wegvaren.
[^handelingen-17-15-31]: Kanttekening 31: Dat is, aangenomen hadden Paulus in een verzekerde plaats te stellen.
[^handelingen-17-15-h]: Verwijzing h: Hand. 18:5 . Handelingen 18:5 : En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, betuigende de Joden, dat Jezus is de Christus.
[^handelingen-17-16-32]: Kanttekening 32: zijn geest: Dat is, zijn gemoed.
[^handelingen-17-16-33]: Kanttekening 33: Namelijk met toorn of ijver tegen de grote afgoderij daar gepleegd.
[^handelingen-17-16-34]: Kanttekening 34: zo zeer afgodisch was: Of, zo vol afgoden, of afgoderij was. Dit getuigen ook van deze stad de heidense schrijvers zelf.
[^handelingen-17-17-35]: Kanttekening 35: handelde dan: Dat is, twistte. Zie vers 2 . Handelingen 17:2 : En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,
[^handelingen-17-17-36]: Kanttekening 36: Dat is, Jodengenoten. Zie vers 4 . Handelingen 17:4 : En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.
[^handelingen-17-17-37]: Kanttekening 37: die hem voorkwamen: Dat is, die hem ontmoetten, of die hij hier en daar aantrof, en begeerden hem te horen spreken.
[^handelingen-17-18-38]: Kanttekening 38: Zo van enen Epicurus, een discipel van Xenocrates, die de hoogste gelukzaligheid stelden in de wellust, en de voorzienigheid Gods ontkenden.
[^handelingen-17-18-39]: Kanttekening 39: Zo genaamd, omdat Zeno hun eerste meester in een stoa, dat is galerij, leerde, die de voorzienigheid Gods bonden aan de middelen; en leerden, dat een wijs man geen enkele beweging van het gemoed moest onderworpen zijn.
[^handelingen-17-18-40]: Kanttekening 40: Of, beuzelaar. Het Griekse woord spermologos (σπερμολόγος) schijnt genomen van de gelijkenis, òf van zekere vogels, die het zaad van het land lezen en veel gerucht maken; òf van verachte mensen, die te Athene op de markt het zaad, dat uit de zakken viel, oplazen.
[^handelingen-17-18-41]: Kanttekening 41: Grieks Evangeliseerde.
[^handelingen-17-19-42]: Kanttekening 42: Dit was een raadhuis binnen Athene, op ene hoogte van de stad gelegen, zo genaamd naar zijn afgod Ares; dat is, Mars, alwaar het opperste hof van justitie was, en niet dan zeer zware en gewichtige zaken geoordeeld werden.
[^handelingen-17-20-43]: Kanttekening 43: Grieks u brengt in onze oren in.
[^handelingen-17-21-44]: Kanttekening 44: de vreemdelingen: Grieks inwoners; dat is, die elders geboren zijnde, daar waren komen wonen.
[^handelingen-17-21-45]: Kanttekening 45: wat nieuws te zeggen: Dit getuigen ook van de Atheners de heidense schrijvers Theofrastus de Charact. Demosthenes 3, olynth, en Plutarchus de Garr.
[^handelingen-17-22-46]: Kanttekening 46: Of, zie.
[^handelingen-17-22-47]: Kanttekening 47: Of, bijgeloviger, dan anderen, of godsdienstiger, namelijk van alle heidenen.
[^handelingen-17-23-48]: Kanttekening 48: Grieks sebosmata; waardoor verstaan worden alle dingen waaraan, of waardoor enige godsdienst gepleegd wordt, als daar zijn tempels, altaren, beelden en dergelijke.
[^handelingen-17-23-49]: Kanttekening 49: een opschrift stond: Grieks in welke opgeschreven was. Van dit opschrift maken ook gewag enige heidense schrijvers, Pausanias, Laertius, en andere.
[^handelingen-17-23-50]: Kanttekening 50: ONBEKENDEN GOD: Namelijk is dit altaar ter ere opgericht. Die van Athene waren zozeer genegen om allerlei goden te dienen, dat zij niet alleen al de goden, die de andere heidenen hadden, dienden, maar vrezende, dat er nog ergens een onbekende God zou mogen zijn, die zij niet dienden, zo hebben zij die ook een altaar willen oprichten.
[^handelingen-17-23-51]: Kanttekening 51: niet kennende: Of, onwetend.
[^handelingen-17-24-i]: Verwijzing i: Gen. 1:2 ; 2 Kron. 6:30 ; Ps. 33:6 ; Ps. 124:8 ; Ps. 146:6 ; Jes. 66:1 ; Hand. 14:15 ; Openb. 14:7 . Genesis 1:2 : De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren. 2 Kronieken 6:30 : Hoor U dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en geef een iedereen naar al zijn wegen, gelijk U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van de kinderen van de mensen. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Psalmen 124:8 : Onze hulp is in de Naam van YHWH, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalmen 146:6 : Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelfde is; Die trouwe houdt in eeuwigheid. Jesaja 66:1 : Zo zegt YHWH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust? Handelingen 14:15 : En zeggende: Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot de levenden God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat in dezelfde is; Openbaring 14:7 : Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die de hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft.
[^handelingen-17-24-k]: Verwijzing k: Hand. 7:48 . Handelingen 7:48 : Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
[^handelingen-17-25-52]: Kanttekening 52: iets behoevende: Of, van iemand.
[^handelingen-17-25-l]: Verwijzing l: Gen. 2:7 . Genesis 2:7 : En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^handelingen-17-26-53]: Kanttekening 53: een bloede: Namelijk van Adam en Eva.
[^handelingen-17-26-54]: Kanttekening 54: Grieks volk.
[^handelingen-17-26-55]: Kanttekening 55: op de hele aardbodem: Grieks op het gehele aangezicht van de aarde. En wordt hier van de apostel in de volgende woorden zeer duidelijk aangewezen, dat God door Zijn voorzienigheid alle mensen en volken op de aarde hun tijd en plaats heeft verordineerd, hoelang en waar zij op de aarde zullen wonen. Zodat wat dit betreft niets bij geval, maar naar de voorzienigheid Gods alles geschiedt. Zie ook Deut. 30:20 ; Job 14:5 , 14:6 ; Matt. 10:29 . Deuteronomium 30:20 : Liefhebbende YHWH, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte van uw dagen; opdat u blijft in het land, dat YHWH uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. Job 14:5 : Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; Job 14:6 : Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe. Mattheüs 10:29 : Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
[^handelingen-17-26-m]: Verwijzing m: Deut. 32:8 . Deuteronomium 32:8 : Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld naar het getal van de kinderen van Israël.
[^handelingen-17-27-56]: Kanttekening 56: Of, enigszins, misschien.
[^handelingen-17-27-57]: Kanttekening 57: tasten en vinden: God, die een geestelijk, onlichamelijk en onzichtbaar wezen is, kan eigenlijk niet getast worden, maar wordt gezegd getast te worden omdat uit de geschapen creaturen en uit de onderhouding en regering derzelven, Zijn eigenschappen zo duidelijk kunnen worden gezien, alsof men Hem tastte; Rom. 1:19 , 1:20 . Romeinen 1:19 : Omdat wat van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. Romeinen 1:20 : Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
[^handelingen-17-28-58]: Kanttekening 58: in Hem: Dat is, door Hem of door Zijn kracht; gelijk Rom. 11:36 ; zie 1 Kor. 12:6 . Romeinen 11:36 : Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. 1 Korinthiërs 12:6 : En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
[^handelingen-17-28-59]: Kanttekening 59: zijn wij: Dat is, hebben wij al wat wij zijn naar ziel en lichaam, en worden ook in hetzelfde wezen onderhouden.
[^handelingen-17-28-60]: Kanttekening 60: enige van uw poëten: Namelijk Aratus, die in het Grieks geschreven heeft van de loop van de hemel.
[^handelingen-17-28-61]: Kanttekening 61: Zijn geslacht: Dat is, wij zijn van God afkomstig door de schepping.
[^handelingen-17-29-n]: Verwijzing n: Jes. 40:18 . Jesaja 40:18 : Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen?
[^handelingen-17-29-62]: Kanttekening 62: de Godheid: Of, het goddelijke wezen.
[^handelingen-17-29-63]: Kanttekening 63: Grieks snijding, of gravering van de kunst; dat is, dat door de kunst van de mensen gesneden of gegraveerd is, gelijk de beelden en afgoden van de heidenen waren.
[^handelingen-17-30-64]: Kanttekening 64: Namelijk als zij de ware God niet kenden.
[^handelingen-17-30-65]: Kanttekening 65: overzien hebbende: Namelijk als met oogluiking.
[^handelingen-17-30-o]: Verwijzing o: Lukas 24:47 . Lukas 24:47 : En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van de zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
[^handelingen-17-31-66]: Kanttekening 66: de aardbodem: Dat is, alle mensen, die op de aardbodem geleefd hebben, en nog zullen leven.
[^handelingen-17-31-67]: Kanttekening 67: Grieks in gerechtigheid.
[^handelingen-17-31-68]: Kanttekening 68: een Man: Namelijk Jezus Christus.
[^handelingen-17-31-p]: Verwijzing p: Hand. 10:42 . Handelingen 10:42 : En heeft ons geboden de volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.
[^handelingen-17-31-69]: Kanttekening 69: Grieks geloof.
[^handelingen-17-34-70]: Kanttekening 70: de Areopagiet: Namelijk een rechter of raadsheer in de raad van Areopagus, waarvan gesproken is vers 19 . Handelingen 17:19 : En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genaamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar u van spreekt?

### Handelingen 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/18.json)

*1 Paulus komt te Korinthe, en vindt daar Aquila en Priscilla, bij wie hij de kost verdient met het maken van tenten. 4 Hij leert in de synagoge dat Jezus de Christus is. 6 Hij schudt tegen de lasteraars het stof van zijn kleren af. 7 Crispus en vele Korinthiërs geloven, en worden gedoopt. 9 Paulus wordt door een visioen van de Heere vermaand daar te blijven. 12 Hij wordt door de Joden voor de stadhouder Gallio beschuldigd, die dat niet aanneemt. 17 Sosthenes wordt voor de rechterstoel geslagen. 18 Paulus reist naar Syrië, komt te Efeze, daarna te Cesarea, en vervolgens te Antiochië. 23 Hij doorreist Galatië en Frygië. 24 Apollos leert te Efeze de doop van Johannes, 26 en, door Aquila en Priscilla nader onderwezen, reist hij naar Achaje, en bewijst uit de Schriften dat Jezus de Christus is.*

**1** En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te[^handelingen-18-1-1] Korinthe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v1)

**2** En vond een zekere Jood, met de naam[^handelingen-18-2-a] Aquila,[^handelingen-18-2-2] van geboorte uit[^handelingen-18-2-3] Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat[^handelingen-18-2-4] Claudius[^handelingen-18-2-5] bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v2)

**3** En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en[^handelingen-18-3-b] werkte; want zij waren[^handelingen-18-3-6] tentenmakers van handwerk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v3)

**4** En hij[^handelingen-18-4-7] handelde op elke sabbat in de synagoge, en[^handelingen-18-4-8] bewoog tot het geloof Joden en Grieken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v4)

**5** En als Silas en Timotheüs[^handelingen-18-5-c] van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus[^handelingen-18-5-9] door de Geest[^handelingen-18-5-10] gedrongen,[^handelingen-18-5-11] betuigende de Joden, dat Jezus is[^handelingen-18-5-12] de Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v5)

**6** Maar als zij wederstonden en lasterden,[^handelingen-18-6-13] schudde hij[^handelingen-18-6-d] zijn kleren af, en zei tot hen:[^handelingen-18-6-14] Uw bloed zij op uw hoofd;[^handelingen-18-6-15] ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v6)

**7** En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met de naam Justus,[^handelingen-18-7-16] die God diende, wiens huis[^handelingen-18-7-17] paalde aan de synagoge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v7)

**8** [^handelingen-18-8-e] En[^handelingen-18-8-18] Crispus,[^handelingen-18-8-19] de overste van de synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v8)

**9** [^handelingen-18-9-f] En de Heere zei tot Paulus door een visioen in de nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek[^handelingen-18-9-20] en zwijg niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v9)

**10** Want Ik ben[^handelingen-18-10-21] met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb[^handelingen-18-10-22] veel volk in deze stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v10)

**11** En hij[^handelingen-18-11-23] onthield zich daar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v11)

**12** Maar als[^handelingen-18-12-24] Gallio[^handelingen-18-12-25] stadhouder van[^handelingen-18-12-26] Achaje was, stonden de Joden eensgezind tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v12)

**13** Zeggende: Deze raadt de mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen[^handelingen-18-13-27] de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v13)

**14** En als Paulus[^handelingen-18-14-28] zijn mond zou opendoen, zei Gallio tot de Joden:[^handelingen-18-14-g] Zo er enig ongelijk, of[^handelingen-18-14-29] kwaad stuk begaan was, o Joden, zo zou ik[^handelingen-18-14-30] met reden u verdragen;[^handelingen-18-14-31] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v14)

**15** Maar als er geschil is over[^handelingen-18-15-32] een woord, en[^handelingen-18-15-33] namen, en over de wet, die onder u is, zult u dat zelf moeten regelen; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v15)

**16** En hij[^handelingen-18-16-34] dreef hen weg van de rechterstoel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v16)

**17** Maar al[^handelingen-18-17-35] de Grieken namen[^handelingen-18-17-36] Sosthenes, de overste van de synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio[^handelingen-18-17-37] trok zich geen van deze dingen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v17)

**18** En als Paulus er nog vele dagen gebleven was,[^handelingen-18-18-38] nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar[^handelingen-18-18-39] naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem,[^handelingen-18-18-40] zijn[^handelingen-18-18-41] hoofd te Kenchreën[^handelingen-18-18-42][^handelingen-18-18-h] geschoren hebbende; want hij had[^handelingen-18-18-43] een gelofte gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v18)

**19** En hij kwam te Efeze aan, en[^handelingen-18-19-44] liet[^handelingen-18-19-45] hen daar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v19)

**20** En als zij baden, dat hij[^handelingen-18-20-46] langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v20)

**21** Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet[^handelingen-18-21-47] geheel het toekomende[^handelingen-18-21-48] feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren,[^handelingen-18-21-i] zo God wil. En hij[^handelingen-18-21-49] voer weg van Efeze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v21)

**22** En als hij te[^handelingen-18-22-50] Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar[^handelingen-18-22-51] Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v22)

**23** En als hij daar enige[^handelingen-18-23-52] tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde[^handelingen-18-23-53] vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v23)

**24** En een Jood met de naam Apollos[^handelingen-18-24-k], van geboorte een Alexandriër, een[^handelingen-18-24-54] welsprekend man, kwam te Efeze,[^handelingen-18-24-55] machtig zijnde in de Schriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v24)

**25** Deze was[^handelingen-18-25-56] in de weg van de[^handelingen-18-25-57] Heere onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde ijverig de zaken van de Heere, wetende alleen[^handelingen-18-25-58] de doop van Johannes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v25)

**26** En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem[^handelingen-18-26-59] de weg van God[^handelingen-18-26-60] nauwkeuriger uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v26)

**27** En als hij wilde[^handelingen-18-27-61] naar Achaje reizen, de broeders,[^handelingen-18-27-62] hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; die, daar gekomen zijnde,[^handelingen-18-27-l] heeft veel[^handelingen-18-27-63] toegebracht aan degenen, die geloofden[^handelingen-18-27-64] door de genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v27)

**28** Want hij overtuigde de Joden[^handelingen-18-28-65] met grote ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/18.html#v28)

[^handelingen-18-1-1]: Kanttekening 1: De hoofdstad van Achaje in Griekenland, gelegen tussen twee zeeën, in de engte waarmee Poloponesus aan Achaje vast was. Zie breder van deze stad 1 Kor. 1:2 . 1 Korinthiërs 1:2 : Aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heer;
[^handelingen-18-2-a]: Verwijzing a: Rom. 16:3 ; 1 Kor. 16:19 ; 2 Tim. 4:19 . Romeinen 16:3 : Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus; 1 Korinthiërs 16:19 : U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heer Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is. 2 Timotheüs 4:19 : Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus.
[^handelingen-18-2-2]: Kanttekening 2: van geboorte: Of, van afkomst, geslacht.
[^handelingen-18-2-3]: Kanttekening 3: Dit was een landschap in Klein-Azië, gelegen tussen Cappadocië en de Zwarte zee; Hand. 2:9 . Handelingen 2:9 : Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.
[^handelingen-18-2-4]: Kanttekening 4: De keizer van Rome.
[^handelingen-18-2-5]: Kanttekening 5: bevolen had: Grieks verordineerd had. Van dit bevel getuigen ook de historieschrijvers Sueton. in Claud. cap. 25; Orosius lib. 7, cap. 6. De reden wordt verscheidenlijk aangewezen; het schijnt, dat het daarom is geweest, omdat de Joden zich geduriglijk met oproer stelden tegen degenen, die uit hen de Christelijke godsdienst aannamen; of omdat enige aanzienlijke personen van Rome zich tot de Christelijke religie begaven. Want de heidense Romeinen hielden de Joden en de Christenen voor volk van ééne religie.
[^handelingen-18-3-b]: Verwijzing b: Hand. 20:34 ; 1 Kor. 4:12 ; 2 Kor. 11:9 ; 2 Kor. 12:13 ; 1 Thes. 2:9 ; 2 Thes. 3:8 . Handelingen 20:34 : En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 2 Korinthiërs 11:9 : Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 2 Korinthiërs 12:13 : Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 1 Thessalonicensen 2:9 : Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. 2 Thessalonicensen 3:8 : En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
[^handelingen-18-3-6]: Kanttekening 6: Die toentertijd meest van vellen gemaakt of genaaid werden.
[^handelingen-18-4-7]: Kanttekening 7: Of, disputeerde. Zie Hand. 17:2 . Handelingen 17:2 : En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,
[^handelingen-18-4-8]: Kanttekening 8: bewoog tot het geloof : Namelijk door goede redenen en gronden uit de heilige Schrift genomen, om Zijn leer aan te nemen.
[^handelingen-18-5-c]: Verwijzing c: Hand. 17:15 . Handelingen 17:15 : En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.
[^handelingen-18-5-9]: Kanttekening 9: door de Geest: Namelijk òf door de Heilige Geest, die Paulus aandreef; òf van zijn gemoed, dat met ijver was ontstoken.
[^handelingen-18-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, door een sterken ijver aangedreven.
[^handelingen-18-5-11]: Kanttekening 11: Grieks krachtig, of alleszins betuigende.
[^handelingen-18-5-12]: Kanttekening 12: de Christus: Dat is, de Gezalfde, de ware Messias door de profeten beloofd.
[^handelingen-18-6-13]: Kanttekening 13: schudde hij zijn kleren af: Dit was een teken dat zij met hen gene gemeenschap meer wilden hebben.
[^handelingen-18-6-d]: Verwijzing d: Matt. 10:14 ; Hand. 13:51 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uw voeten af. Handelingen 13:51 : Maar zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelfde, en kwamen te Ikonium.
[^handelingen-18-6-14]: Kanttekening 14: Uw bloed zij op uw hoofd: Dat is, de straf, niet alleen van de tijdelijke maar ook van de eeuwige dood, haalt u uzelven door uw eigen schuld op de hals. Zie van deze manier van spreken Lev. 20:9 , 20:12 ; 2 Sam. 1:16 ; Matt. 27:25 . Leviticus 20:9 : Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! Leviticus 20:12 : Ook, als de man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen! 2 Samuël 1:16 : En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van YHWH gedood. Mattheüs 27:25 : En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.
[^handelingen-18-6-15]: Kanttekening 15: ik ben rein: Namelijk van uw bloed en verderf, omdat Ik u getrouwelijk voor het verderf heb gewaarschuwd en de weg van de zaligheid aangewezen, die u niet hebt willen volgen; Ez. 33:8 , 33:9 ; Hand. 20:26 . Ezechiël 33:8 : Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 33:9 : Maar als u de goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van die bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. Handelingen 20:26 : Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.
[^handelingen-18-7-16]: Kanttekening 16: die God diende: Dat is, die een Jodengenoot was. Zie Hand. 13:43 . Handelingen 13:43 : En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade van God.
[^handelingen-18-7-17]: Kanttekening 17: paalde aan: Waarom Hij daar schijnt te hebben willen logeren, om over straat gaande, het gevaar van oploop van de ongelovige Joden te vermijden.
[^handelingen-18-8-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 1:14 . 1 Korinthiërs 1:14 : Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
[^handelingen-18-8-18]: Kanttekening 18: Zie van deze 1 Kor. 1:14 . 1 Korinthiërs 1:14 : Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
[^handelingen-18-8-19]: Kanttekening 19: de overste van de synagoge: Zie van de oversten van de synagogen Mark. 5:22 ; Hand. 13:15 . Marcus 5:22 : En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, Handelingen 13:15 : En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, als er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
[^handelingen-18-9-f]: Verwijzing f: Hand. 23:11 . Handelingen 23:11 : En de volgenden nacht stond de Heer bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen.
[^handelingen-18-9-20]: Kanttekening 20: en zwijg niet: Dit wordt aldus tweemaal verhaald, om te kennen te geven dat hij door geen enkele zwarigheid zich zou laten afschrikken van het Evangelie vrijmoedig te spreken en te prediken. Zie Joh. 1:20 . Johannes 1:20 : En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.
[^handelingen-18-10-21]: Kanttekening 21: met u: Zie Luk. 1:66 . Lukas 1:66 : En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kind wezen? En de hand van de Heer was met hem.
[^handelingen-18-10-22]: Kanttekening 22: veel volks: Dat is, vele uitverkorenen, die door uwe predikatie zullen bekeerd worden. Zie Joh. 10:16 . Johannes 10:16 : Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.
[^handelingen-18-11-23]: Kanttekening 23: onthield zich daar : Grieks zat daar; namelijk in Korinthe. Hebreeuws. Zie Matt. 4:16 . Mattheüs 4:16 : Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, hun is een licht opgegaan.
[^handelingen-18-12-24]: Kanttekening 24: Deze was een broeder van de vermaarde L. Anneus Seneca, de onderwijsmeester van de keizer Nero, gelijk Seneca zelf getuigt Praefat. quaest. natur. lib. 4; was eerst genaamd M. Anneus Novatus, maar van C. Junius Gallio tot zoon aangenomen zijnde, heeft hij ook zijn naam aangenomen.
[^handelingen-18-12-25]: Kanttekening 25: Grieks Anthypateuon; dat is, in plaats van de burgemeester van Rome regerende. Zie van dit woord Hand. 13:7 , en Hand. 19:38 . Handelingen 13:7 : Welke was bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord van God te horen. Handelingen 19:38 : Als dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkaar verklagen.
[^handelingen-18-12-26]: Kanttekening 26: van Achaje: En ook van geheel Griekenland; Pausan.
[^handelingen-18-13-27]: Kanttekening 27: de wet: Namelijk van de Joden, wie de Romeinen toegelaten hadden bij hunne wet te mogen blijven.
[^handelingen-18-14-28]: Kanttekening 28: zijn mond: Namelijk om zich te verantwoorden.
[^handelingen-18-14-g]: Verwijzing g: Hand. 25:11 . Handelingen 25:11 : Want als ik onrecht doe, en iets van de dood waard gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar als er niets is van wat, waarvan deze mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op de keizer.
[^handelingen-18-14-29]: Kanttekening 29: kwaad stuk: Namelijk van doodslag, dieverij, oproer, of dergelijke.
[^handelingen-18-14-30]: Kanttekening 30: met reden u: Of, naar reden; dat is, zoveel de reden zal toelaten; zoveel redelijk zal wezen.
[^handelingen-18-14-31]: Kanttekening 31: Dat is, met volharding horen en recht doen.
[^handelingen-18-15-32]: Kanttekening 32: een woord: Namelijk dat iemand zou gezegd of kwalijk gesproken hebben van uw wet of godsdienst.
[^handelingen-18-15-33]: Kanttekening 33: Dat is, zo dit geschil is over enige titels, die iemand zouden mogen toegeschreven worden.
[^handelingen-18-16-34]: Kanttekening 34: dreef hen weg: Dat is, gebood hen dadelijk te vertrekken.
[^handelingen-18-17-35]: Kanttekening 35: de Grieken: Namelijk, die nog heidens en ongelovig waren, gelijk Gallio.
[^handelingen-18-17-36]: Kanttekening 36: Of, deze Sosthenes dezelfde is geweest, waarvan gesproken wordt 1 Kor. 1:1 , is onzeker. 1 Korinthiërs 1:1 : Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Sosthenes, de broeder,
[^handelingen-18-17-37]: Kanttekening 37: trok zich geen van deze dingen aan: Namelijk uit verachting van de Joden, en van de Joodse en van de Christelijke religie.
[^handelingen-18-18-38]: Kanttekening 38: nam hij afscheid: Namelijk op Zijn zaken en die van de gemeente orde gesteld hebbende, gelijk het Griekse woord medebrengt. Zie Mark. 6:46 . Marcus 6:46 : En als Hij aan hen hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden.
[^handelingen-18-18-39]: Kanttekening 39: naar Syrië: Dat is, de streek heen, die naar Syrië gaat.
[^handelingen-18-18-40]: Kanttekening 40: zijn hoofd: Of, het hoofd; want het Griekse woord kan op beiden gepast worden, zo op Paulus als op Aquila.
[^handelingen-18-18-41]: Kanttekening 41: te Kenchreën: Dit was de haven van Korinthe, aan het oosten van de stad; gelijk de haven aan de andere zijde Lecheën genaamd was, Strabo lib. 8.
[^handelingen-18-18-42]: Kanttekening 42: geschoren hebbende: Namelijk gelijk degenen deden, die de belofde van de Nazireërs voor een tijd gedaan hadden; Num. 6:18 , 6:19 , 6:20 . Numeri 6:18 : Alsdan zal de Nazireër, aan de deur van de tent van de samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is. Numeri 6:19 : Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van de ram, en een ongezuurden koek uit de korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen van de Nazireër leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft. Numeri 6:20 : En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aangezicht van YHWH; het is een heilig ding voor de priester, met de borst van het beweegoffer, en met de schouder van het hefoffer; en daarna zal die Nazireër wijn drinken.
[^handelingen-18-18-h]: Verwijzing h: Num. 6:18 ; Hand. 21:23 . Numeri 6:18 : Alsdan zal de Nazireër, aan de deur van de tent van de samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is. Handelingen 21:23 : Doe dan wat wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.
[^handelingen-18-18-43]: Kanttekening 43: een gelofte gedaan : Namelijk van de Nazireërs, die beschreven wordt Num. 6 , welke belofte sommigen deden voor hun leven, anderen voor een tijd, gelijk hier geschied is. De reden waarom deze belofte was gedaan, zie Hand. 21:23 , 21:24 ; 1 Kor. 9:20 ; waaruit blijkt dat deze ene belofte is geweest, niet om God daarmede dienst te doen, maar om uit liefde de zwakke Joden te dienen tot stichting, en om te tonen dat Hij geen verachter van de wet was. Handelingen 21:23 : Doe dan wat wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben. Handelingen 21:24 : Neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten naast hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat u zo wandelt, dat u ook zelve de wet onderhoudt. 1 Korinthiërs 9:20 : En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.
[^handelingen-18-19-44]: Kanttekening 44: liet hen: Namelijk Aquila en Priscilla.
[^handelingen-18-19-45]: Kanttekening 45: Namelijk te Efeze, om de Efeziërs in het geloof te sterken.
[^handelingen-18-20-46]: Kanttekening 46: Grieks tot meerdere tijd.
[^handelingen-18-21-47]: Kanttekening 47: Dat is, noodzakelijk in alle manieren.
[^handelingen-18-21-48]: Kanttekening 48: feest te Jeruzalem: Op dit feest heeft Hij willen zijn, niet omdat Hij achtte dat de Joodse feestdagen nog moesten onderhouden zijn; want daartegen leert Hij, Gal. 4:10 ; Kol. 2:16 , maar omdat Hij op dat feest gelegenheid zou vinden om het Evangelie aan velen te prediken, die ter wille van het feest daar bijeen zouden zijn. Galaten 4:10 : U onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^handelingen-18-21-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 4:19 ; Hebr. 6:3 ; Jak. 4:15 . 1 Korinthiërs 4:19 : Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heer wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die hoogmoedig zijn, maar de kracht. Hebreeën 6:3 : En dit zullen wij ook doen, als het God toelaat. Jakobus 4:15 : In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^handelingen-18-21-49]: Kanttekening 49: voer weg van Efeze: Grieks hij werd naar de hoogte; dat is naar de diepte, gedreven over zee.
[^handelingen-18-22-50]: Kanttekening 50: Namelijk in Palestina gelegen Hand. 10:1 . Handelingen 10:1 : En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;
[^handelingen-18-22-51]: Kanttekening 51: Namelijk in Syrië gelegen.
[^handelingen-18-23-52]: Kanttekening 52: geweest was: Grieks gemaakt had. Zie Hand. 15:33 , en Hand. 20:3 ; 2 Kor. 11:25 ; Jak. 4:13 . Handelingen 15:33 : En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders opnieuw gaan met vrede, tot de apostelen. Handelingen 20:3 : En als hij daar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Syrië zou varen, zo werd hij van zin weer te keren door Macedonië. 2 Korinthiërs 11:25 : Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. Jakobus 4:13 : Welaan nu u, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
[^handelingen-18-23-53]: Kanttekening 53: vervolgens het: Namelijk van de ene gemeente tot de andere, om hen te bezoeken.
[^handelingen-18-24-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 1:12 . 1 Korinthiërs 1:12 : En dit zeg ik, dat een iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^handelingen-18-24-54]: Kanttekening 54: welsprekend man: Of, welbereid, die Zijn woord wel kon doen.
[^handelingen-18-24-55]: Kanttekening 55: machtig zijnde: Dat is, zeer ervaren in de Schriften en bekwaam om die uit te leggen.
[^handelingen-18-25-56]: Kanttekening 56: in de weg van de Heer: Dat is, in de leer van de Heer Christus, die ons de weg van de zaligheid aanwijst; Matt. 22:16 ; Hand. 9:2 , en Hand. 22:4 , en Hand. 24:14 . Mattheüs 22:16 : En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; Handelingen 9:2 : En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij hen, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Handelingen 24:14 : Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God van de vaderen zo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
[^handelingen-18-25-57]: Kanttekening 57: Grieks Catechemenos; dat is, door levende stem onderwezen in de beginselen van de Christelijke religie.
[^handelingen-18-25-58]: Kanttekening 58: de doop van Johannes: Dat is, zoveel van Christus als Johannes de Doper Zijn discipelen geleerd en deze leer aan hen met de doop bevestigd had, bij welke niet werden uitgedeeld de buitengewone gaven van de Heilige Geest, gelijk bij de doop van de apostelen aan velen geschiedde; Hand. 8:15 , en Hand. 19:3 . Handelingen 8:15 : Zij, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij de Heilige Geest ontvangen mochten. Handelingen 19:3 : En hij zei tot hen: Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes.
[^handelingen-18-26-59]: Kanttekening 59: de weg van God: Zie vers 25 . Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes.
[^handelingen-18-26-60]: Kanttekening 60: bescheidenlijker uit: Dat is, overvloediger in alle delen van de leer, van stuk tot stuk.
[^handelingen-18-27-61]: Kanttekening 61: naar Achaje: Dat is, naar Korinthe, de hoofdstad van Achaje, gelijk afgenomen kan worden 1 Kor. 3:6 . 1 Korinthiërs 3:6 : Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.
[^handelingen-18-27-62]: Kanttekening 62: vermaand hebbende: Namelijk om kloekelijk in het leren te willen voortvaren, en zijn reis te volbrengen.
[^handelingen-18-27-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 3:6 . 1 Korinthiërs 3:6 : Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.
[^handelingen-18-27-63]: Kanttekening 63: veel toegebracht: Dat is, veel geholpen tot versterking van de gelovigen.
[^handelingen-18-27-64]: Kanttekening 64: door de genade: Dit kan gevoegd worden, òf met het woord toegebracht, òf met het woord geloofd. Want beide moet komen van de genade van God.
[^handelingen-18-28-65]: Kanttekening 65: met grote ernst: Of, sterkelijk aanhoudende.

### Handelingen 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/19.json)

*1 Paulus komt te Efeze, en vindt daar twaalf discipelen, die met de doop van Johannes gedoopt waren, 6 op wie hij de handen legt, en zij ontvangen de gaven van de Heilige Geest. 8 Hij leert daar ruim twee jaar, zowel in de synagoge als in de school van Tyrannus, 11 en bevestigt zijn leer met bijzondere wonderen, ook door zijn zweetdoeken. 13 Zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die enige bezetenen bezweren bij de Naam van Jezus, worden door de boze geesten overweldigd en verwond. 18 Velen die hun daden belijden, brengen hun boeken van ijdele kunsten bijeen, die verbrand worden. 21 Paulus neemt zich voor naar Jeruzalem te reizen. 23 Demetrius, een zilversmid, die de kost verdient met het maken van kleine zilveren tempeltjes van Diana, verwekt een oproer tegen hem. 30 Paulus wil naar buiten gaan onder het volk om dat te stillen, maar het wordt hem afgeraden. 33 Alexander tracht zich te verantwoorden, maar wordt niet gehoord, omdat hij een Jood was. 35 Maar door de stadssecretaris wordt ten slotte dit oproer gestild.*

**1** Terwijl Apollos te Korinthe[^handelingen-19-1-a] was, kwam Paulus, na de hooggelegen[^handelingen-19-1-1] delen van het land doorreisd te hebben, te Efeze; en enige discipelen daar vindende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v1)

**2** Zei hij tot hen: Hebt u[^handelingen-19-2-2] de Heilige Geest ontvangen,[^handelingen-19-2-3] als u geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er[^handelingen-19-2-4] een Heilige Geest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v2)

**3** En hij zei tot hen:[^handelingen-19-3-5] Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden:[^handelingen-19-3-6] In de doop van Johannes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v3)

**4** Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt[^handelingen-19-4-b] de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Degene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.[^handelingen-19-4-7] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v4)

**5** [^handelingen-19-5-8] En die[^handelingen-19-5-9] hem hoorden werden gedoopt[^handelingen-19-5-10] in de Naam van de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v5)

**6** [^handelingen-19-6-c] En als Paulus hun[^handelingen-19-6-11] de handen opgelegd had, kwam[^handelingen-19-6-12] de Heilige Geest op hen; en zij spraken met[^handelingen-19-6-13] vreemde talen, en[^handelingen-19-6-14] profeteerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v6)

**7** En alle deze waren ongeveer twaalf mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v7)

**8** En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken[^handelingen-19-8-15] van het Koninkrijk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v8)

**9** [^handelingen-19-9-d] Maar als sommigen verhard werden, en[^handelingen-19-9-16] ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de[^handelingen-19-9-17] weg van de Heere voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van een zekere[^handelingen-19-9-18] Tyrannus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v9)

**10** En dit duurde twee jaar, zo dat[^handelingen-19-10-19] allen, die in[^handelingen-19-10-20] Azië woonden, het Woord[^handelingen-19-10-21] van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v10)

**11** [^handelingen-19-11-e] En God deed buitengewone[^handelingen-19-11-22] krachten door[^handelingen-19-11-23] de handen van Paulus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v11)

**12** Zo dat ook van zijn lijf op de zieken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v12)

**13** En sommigen van de[^handelingen-19-13-24] omzwervende Joden, zijnde[^handelingen-19-13-25] duivel bezweerders, hebben zich onderwonden de Naam van de Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus,[^handelingen-19-13-26] Die Paulus predikt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v13)

**14** Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen[^handelingen-19-14-27] overpriester, die dit deden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v14)

**15** Maar de boze geest, antwoordende, zei:[^handelingen-19-15-28] Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar u,[^handelingen-19-15-29] wie bent u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v15)

**16** En de mens, waarin de boze geest was, sprong op hen, en hen[^handelingen-19-16-30] meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, zo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v16)

**17** En dit werd allen bekend, zowel Joden als Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vrees over hen allen, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v17)

**18** [^handelingen-19-18-f] En velen degenen, die geloofden, kwamen, belijdende en[^handelingen-19-18-31] verkondigende hun[^handelingen-19-18-32] daden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v18)

**19** Velen ook degenen, die[^handelingen-19-19-33] ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller aanwezigheid; en berekenden de waarde daarvan, en bevonden[^handelingen-19-19-34] vijftig duizend[^handelingen-19-19-35] zilveren penningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v19)

**20** [^handelingen-19-20-g] Zo[^handelingen-19-20-36] groeide het Woord van de[^handelingen-19-20-37] Heere met macht, en nam de overhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v20)

**21** [^handelingen-19-21-h] En als deze dingen[^handelingen-19-21-38] volbracht waren,[^handelingen-19-21-39] nam Paulus voor[^handelingen-19-21-40] in de Geest, Macedonië en Achaje[^handelingen-19-21-41] doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn,[^handelingen-19-21-42] moet ik ook Rome zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v21)

**22** En als hij naar Macedonië[^handelingen-19-22-43] gezonden had twee van degenen,[^handelingen-19-22-44] die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v22)

**23** [^handelingen-19-23-i] Maar op diezelfde tijd ontstond er geen kleine opschudding, vanwege de weg van de[^handelingen-19-23-45] Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v23)

**24** Want één, met de naam Demetrius,[^handelingen-19-24-46] een zilversmid, die[^handelingen-19-24-47] kleine zilveren tempelen van Diana maakte,[^handelingen-19-24-k] bracht die van die kunst geen klein winst toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v24)

**25** Die[^handelingen-19-25-48] hij samenvergaderd hebbende, met[^handelingen-19-25-49] de handwerkers van dergelijke dingen, zei: Mannen, u weet, dat wij uit dit winst[^handelingen-19-25-50] onze welvaart hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v25)

**26** En u ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen[^handelingen-19-26-l] gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v26)

**27** En wij zijn niet alleen in gevaar, dat[^handelingen-19-27-51] dit deel[^handelingen-19-27-52] in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana[^handelingen-19-27-53] als niets geacht zal worden, en dat ook haar[^handelingen-19-27-54] majesteit ten[^handelingen-19-27-55] onder zal gaan, aan wie heel Azië en heel de wereld eer bewijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v27)

**28** Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van boosheid, en riepen, zeggende:[^handelingen-19-28-56] Groot is de Diana van de Efezeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v28)

**29** En heel de stad werd vol verwarring; en zij liepen met een geluid eensgezind naar[^handelingen-19-29-57] de schouwplaats, met zich trekkende[^handelingen-19-29-m] Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v29)

**30** En als Paulus tot het volk wilde ingaan,[^handelingen-19-30-58] lieten het hem de discipelen niet toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v30)

**31** En sommigen[^handelingen-19-31-59] ook van de oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelf op de schouwplaats niet zou begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v31)

**32** Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want[^handelingen-19-32-60] de vergadering was verward en het meerderdeel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v32)

**33** En zij deden Alexander[^handelingen-19-33-61] uit de menigte [^handelingen-19-33-62]voortkomen, terwijl de Joden hem[^handelingen-19-33-63] naar voren duwden. En Alexander[^handelingen-19-33-64] gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk[^handelingen-19-33-65] verantwoording doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v33)

**34** Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem[^handelingen-19-34-66] van allen, die ongeveer twee uur lang riepen: Groot is de Diana van de Efezeren! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v34)

**35** En als[^handelingen-19-35-67] de stadsschrijver de menigte gestild had, zei hij: U mannen van Efeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad[^handelingen-19-35-68] van de Efezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diana, en van[^handelingen-19-35-69] het beeld, dat uit de hemel gevallen is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v35)

**36** Omdat dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, is het gepast dat u kalm bent, en niets[^handelingen-19-36-70] onbedachts doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v36)

**37** Want u hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v37)

**38** Als dan nu Demetrius, en die met hem[^handelingen-19-38-71] van de kunst zijn, tegen iemand[^handelingen-19-38-72] enige zaak hebben,[^handelingen-19-38-73] de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn[^handelingen-19-38-74] stadhouders; laat hen elkaar aanklagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v38)

**39** En als u iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een[^handelingen-19-39-75] wettige vergadering beslecht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v39)

**40** Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen[^handelingen-19-40-76] aangeklaagd worden[^handelingen-19-40-77] om de dag van vandaag, zo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze oploop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v40)

**41** En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/19.html#v41)

[^handelingen-19-1-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 1:12 . 1 Korinthiërs 1:12 : En dit zeg ik, dat een iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^handelingen-19-1-1]: Kanttekening 1: de bovenste delen van het land : Namelijk van Galatië en Frygië. Zie Hand. 18:23 . Handelingen 18:23 : En als hij daar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen.
[^handelingen-19-2-2]: Kanttekening 2: de Heilige Geest: Dat is, de buitengewone zichtbare gaven van de Heilige Geest, van met allerlei talen te spreken, te profeteren, allerlei ziekte te genezen, enz. Zie vers 6 ; Joh. 7:39 ; Hand. 10:44 , 10:47 . Handelingen 19:6 : En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) Handelingen 10:44 : Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden. Handelingen 10:47 : Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?
[^handelingen-19-2-3]: Kanttekening 3: als u geloofd: Namelijk en gedoopt zijt geweest.
[^handelingen-19-2-4]: Kanttekening 4: een Heilige Geest is: Dat is, of er zodanige buitengewone gaven van de Heilige Geest gewrocht en gegeven worden.
[^handelingen-19-3-5]: Kanttekening 5: Waarin bent u dan gedoopt: Dat is, welke leer is u verkondigd, hebt u beleden, als u gedoopt bent geworden?
[^handelingen-19-3-6]: Kanttekening 6: In de doop van Johannes: Dat is, wij zijn van Johannes gedoopt op de belijdenis van de leer, die Johannes van Christus geleerd en daarop Zijn discipelen gedoopt heeft. Zie Hand. 18:25 , bij welke doop de buitengewone gaven van de Heilige Geest niet gegeven werden, omdat Christus toen nog niet was verheerlijkt; Joh. 7:39 . Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes. Johannes 7:39 : (En dit zei Hij van de Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
[^handelingen-19-4-b]: Verwijzing b: Matt. 3:11 ; Mark. 1:4 ; Lukas 3:16 ; Joh. 1:26 ; Hand. 1:5 ; Hand. 11:16 . Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. Marcus 1:4 : Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. Lukas 3:16 : Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben de riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur; Johannes 1:26 : Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; Handelingen 1:5 : Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Handelingen 11:16 : En ik werd gedachtig aan het woord van de Heer, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult gedoopt worden met de Heilige Geest.
[^handelingen-19-4-7]: Kanttekening 7: van de bekering: Dat is, bij welke Hij bekering predikte, en die de gedoopten tot bekering verplichtte. Waarmee, alsook met het volgende, Hij aanwijst dat de doop van Johannes in zichzelven, aangaande het wezen, dezelfde is met de doop van de apostelen; als hebbende enerlei, teken en enerlei betekende zaak, en tot enerlei einde bediend. Maar het onderscheid is dat Johannes met zijn leer en doop aanwees Christus, die na hem kwam en alles nog zou volbrengen; en de apostelen, dat Christus gekomen zijnde, volkomen alles heeft uitgericht, nodig tot onze verlossing.
[^handelingen-19-5-8]: Kanttekening 8: En die …: Of, en als zij het hoorden; namelijk de discipelen van Johannes.
[^handelingen-19-5-9]: Kanttekening 9: hem hoorden: Namelijk Johannes de Doper. Want dit zijn de woorden van Paulus, verhalende hoe Johannes zijn discipelen doopte. Dat blijkt uit de Griekse tekst, in welke de twee woorden men, dat is wel; en de, dat is maar, of en, \[ waarvan het ene voor gaat het vers 4 en het andere volgt in vers 5 \] aanwijzen dat de dingen, die in deze twee verzen gezegd worden, tezamen moeten gevoegd worden, en dat er van één persoon en zaak gesproken wordt. Zodat hieruit niet kan bewezen worden, dat deze discipelen door Paulus zouden herdoopt zijn. Handelingen 19:4 : Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus. Handelingen 19:5 : En die hem hoorden werden gedoopt in de Naam van de Heer Jezus.
[^handelingen-19-5-10]: Kanttekening 10: in de Naam: Zie Hand. 8:16 , en Hand. 10:48 . Handelingen 8:16 : (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus.) Handelingen 10:48 : En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heer. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.
[^handelingen-19-6-c]: Verwijzing c: Hand. 8:17 ; Hand. 11:15 . Handelingen 8:17 : Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. Handelingen 11:15 : En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.
[^handelingen-19-6-11]: Kanttekening 11: de handen opgelegd: Zie Hand. 8:17 . Handelingen 8:17 : Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest.
[^handelingen-19-6-12]: Kanttekening 12: de Heilige Geest: Dat is, de buitengewone gaven van de Heilige Geest, die meteen daarna worden uitgedrukt.
[^handelingen-19-6-13]: Kanttekening 13: vreemde talen: Grieks tongen.
[^handelingen-19-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, verkondigden toekomende dingen, of spraken van goddelijke zaken en legden de Schriften van de profeten uit; zie 1 Kor. 14:3 . 1 Korinthiërs 14:3 : Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting.
[^handelingen-19-8-15]: Kanttekening 15: zaken van het Koninkrijk van God: Dat is, die de eeuwige zaligheid aangaan.
[^handelingen-19-9-d]: Verwijzing d: 2 Tim. 1:15 . 2 Timotheüs 1:15 : U weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.
[^handelingen-19-9-16]: Kanttekening 16: Of, ongezeggelijk.
[^handelingen-19-9-17]: Kanttekening 17: weg van de Heer : Dat is, leer. Zie Hand. 18:25 . Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes.
[^handelingen-19-9-18]: Kanttekening 18: Dit woord betekende eertijds bij de Grieken iemand, die enige heerschappij had; en omdat die misbruikt werd, is daardoor namaals genaamd een, die òf de heerschappij onwettelijk aanneemt, òf die met ongerechtigheid en wreedheid misbruikt. Maar hier schijnt het een eigennaam te zijn van een man, die deze school had laten bouwen.
[^handelingen-19-10-19]: Kanttekening 19: Dat is zeer velen, meest allen.
[^handelingen-19-10-20]: Kanttekening 20: Namelijk Klein-Azië.
[^handelingen-19-10-21]: Kanttekening 21: de Heer Jezus: Dat is, van de Heer Jezus.
[^handelingen-19-11-e]: Verwijzing e: Mark. 16:20 ; Hand. 14:3 . Marcus 16:20 : En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. Handelingen 14:3 : Zij verbleven dan daar een langen tijd, vrijmoedig sprekende in de Heer, Die getuigenis gaf aan het Woord Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen.
[^handelingen-19-11-22]: Kanttekening 22: krachten door: Dat is, wonderwerken.
[^handelingen-19-11-23]: Kanttekening 23: de handen van: Dat is, door de dienst; Hand. 5:12 . Handelingen 5:12 : En door de handen van de apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Salomo.
[^handelingen-19-13-24]: Kanttekening 24: Grieks omgaande; dat is omlopende door het land, om daarmede winst te doen.
[^handelingen-19-13-25]: Kanttekening 25: duivel bezweerders: Dat is, die met bezwering bij de naam van God de onreine geesten uitdreven; dat de onreine geesten zich lieten doen om de mensen in wangeloof te houden.
[^handelingen-19-13-26]: Kanttekening 26: Die Paulus predikt: Omdat zij zagen dat Paulus in de naam van Jezus zo krachtig de duivelen uitwierp, hebben zij dat willen navolgen, om te meer eer of winst te hebben.
[^handelingen-19-14-27]: Kanttekening 27: Zie van deze overpriesters Matt. 2:4 . Mattheüs 2:4 : En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden van het volk, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.
[^handelingen-19-15-28]: Kanttekening 28: Jezus ken ik: Namelijk dat Hij macht heeft om mij uit te werpen.
[^handelingen-19-15-29]: Kanttekening 29: wie bent u: Dat is, wat macht hebt u om mij te gebieden?
[^handelingen-19-16-30]: Kanttekening 30: meester geworden zijnde: Grieks hen overheerst hebbende.
[^handelingen-19-18-f]: Verwijzing f: Matt. 3:6 . Mattheüs 3:6 : En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.
[^handelingen-19-18-31]: Kanttekening 31: Of, boodschappende; dat is, opbarende, verhalende.
[^handelingen-19-18-32]: Kanttekening 32: Dat is, misdaden en grote zonden, namelijk die openlijk verfoeiende, en daartegen van Paulus raad en troost verzoekende.
[^handelingen-19-19-33]: Kanttekening 33: ijdele kunsten : Of, zonderlinge kunsten; zo worden met een zachteren naam genoemd de duivelse en zwarte kunsten van toverij en waarzeggen; waartoe de Efeziërs van ouds zeer genegen waren.
[^handelingen-19-19-34]: Kanttekening 34: vijftig duizend: Grieks vijfmaal tienduizend zilvers.
[^handelingen-19-19-35]: Kanttekening 35: zilveren penningen : Of, drachmen zilvers, elk drachme zilvers gerekend zijnde voor zes stuivers, Matt. 18:28 , zo maakt deze som vijftien duizend gulden. Mattheüs 18:28 : Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden een van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.
[^handelingen-19-20-g]: Verwijzing g: Jes. 55:11 . Jesaja 55:11 : Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend.
[^handelingen-19-20-36]: Kanttekening 36: wies het Woord: Zie Hand. 12:24 . Handelingen 12:24 : En het Woord van God wies, en vermenigvuldigde.
[^handelingen-19-20-37]: Kanttekening 37: met macht, en: Dat is, geweldig zeer.
[^handelingen-19-21-h]: Verwijzing h: Rom. 15:25 ; Galat. 2:1 . Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. Galaten 2:1 : Daarna ben ik, na veertien jaren, opnieuw naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus meegenomen hebbende.
[^handelingen-19-21-38]: Kanttekening 38: volbracht waren: Grieks vervuld.
[^handelingen-19-21-39]: Kanttekening 39: nam Paulus voor: Grieks stelde Paulus in de geest.
[^handelingen-19-21-40]: Kanttekening 40: in de Geest: Dat is, in zijn gemoed. Of, door de Geest, namelijk de Heilige Geest, die hem ingaf hoe hij zijn reizen zou aanstellen.
[^handelingen-19-21-41]: Kanttekening 41: Namelijk om de gemeenten in die landen meteen te bezoeken.
[^handelingen-19-21-42]: Kanttekening 42: moet ik ook Rome: Dit schijnt hem ook bijzonder van God geopenbaard te zijn. Bij welke gelegenheid en hoe hij daarna te Rome is gekomen, wordt beschreven Hand. 25:12 , en Hand. 26:32 , en in Hand. 20 ,21. Handelingen 25:12 : Toen antwoordde Festus, als hij met de raad gesproken had: Hebt u u op de keizer beroepen? U zult tot de keizer gaan. Handelingen 26:32 : En Agrippa zei tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, als hij zich op de keizer niet had beroepen.
[^handelingen-19-22-43]: Kanttekening 43: gezonden had: Namelijk om de weg voor Hem te bereiden, en de aalmoezen voor de armen te Jeruzalem te vergaderen; 1 Kor. 4:17 . 1 Korinthiërs 4:17 : Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer.
[^handelingen-19-22-44]: Kanttekening 44: die hem dienden: Namelijk in de dienst van het Woord; omdat hij alleen alles niet kon uitrichten.
[^handelingen-19-23-i]: Verwijzing i: 2 Kor. 1:8 . 2 Korinthiërs 1:8 : Want wij willen niet, broeders, dat u onwetende bent van onze verdrukking, die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, zo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven.
[^handelingen-19-23-45]: Kanttekening 45: de weg van de Heer : Dat is, de Christelijke godsdienst. Zie Hand. 18:25 . Handelingen 18:25 : Deze was in de weg van de Heer onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken van de Heer, wetende alleen de doop van Johannes.
[^handelingen-19-24-46]: Kanttekening 46: een zilversmid: Grieks zilverslager, zilvermunter.
[^handelingen-19-24-47]: Kanttekening 47: kleine zilveren: Dat is, kleine afbeeldingen van de grote tempel van Diana van zilver maakten, of in zilveren penningen uitdrukten, waar een klein beeldje van Diana in stond, welke de heidenen, te Efeze komende om Diana te dienen, kochten en met zich namen, om te huis aan dezelfde godsdienstige eer te betonen; gelijk men ziet dat nog hedendaags te Loretto en elders geschiedt.
[^handelingen-19-24-k]: Verwijzing k: Hand. 16:16 . Handelingen 16:16 : En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggende geest, ons ontmoette, welke haar heren groot winst toebracht met waarzeggen.
[^handelingen-19-25-48]: Kanttekening 48: Grieks overhoop bijeengebracht hebbende.
[^handelingen-19-25-49]: Kanttekening 49: de handwerkers: Namelijk die voor hen wrochten, om zodanige tempeltjes te maken.
[^handelingen-19-25-50]: Kanttekening 50: onze welvaart hebben: Dat is, waarbij wij moeten leven en ons onderhouden.
[^handelingen-19-26-l]: Verwijzing l: Ps. 115:4 ; Jer. 10:3 . Psalmen 115:4 : Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensen handen; Jeremia 10:3 : Want de inzettingen van de volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de werkmeesters handen met de bijl.
[^handelingen-19-27-51]: Kanttekening 51: dit deel: Dat is, dit ons ambacht, waar wij bij leven moeten.
[^handelingen-19-27-52]: Kanttekening 52: in verachting: Grieks in wederspreking, of verwerping zal komen; zodat wij niet veel te doen zullen krijgen.
[^handelingen-19-27-53]: Kanttekening 53: als niets geacht: Grieks tot, of voor niet.
[^handelingen-19-27-54]: Kanttekening 54: majesteit zal: Of, grootachtigheid.
[^handelingen-19-27-55]: Kanttekening 55: ten ondergaan: Grieks zal weggenomen worden.
[^handelingen-19-28-56]: Kanttekening 56: Groot is de: Dat is, moet en behoort in groter ere gehouden te worden.
[^handelingen-19-29-57]: Kanttekening 57: de schouwplaats: Dit waren grote gebouwen in sommige voornaamste steden van de heidenen, met trappen boven elkaar gebouwd, waarin het volk samenkwam om de schouwspelen, ter ere van hunne afgoden of anders aangesteld, te aanschouwen.
[^handelingen-19-29-m]: Verwijzing m: Hand. 20:4 ; Hand. 27:2 ; Kolos. 4:10 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Handelingen 27:2 : En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons. Kolossensen 4:10 : U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;
[^handelingen-19-30-58]: Kanttekening 58: lieten het hem: Namelijk opdat hij zich niet zou stellen in gevaar om van dit razende volk gedood te worden.
[^handelingen-19-31-59]: Kanttekening 59: van de oversten van Azië: Grieks Asiarchen; welke waren, niet die de regering van Azië hadden, maar zekere priesters, die de schouwspelen, ter ere van hun afgoden aangesteld, bezorgden; waaronder ook enige van de Christelijke godsdienst niet vreemd schijnen geweest te zijn.
[^handelingen-19-32-60]: Kanttekening 60: de vergadering: Grieks Ecclesia; dat eigenlijk betekent ene vergadering met openbare orde samengeroepen. Maar hier was deze vergadering vanzelf met verwarring bijeengelopen, vers 29 . Handelingen 19:29 : En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis.
[^handelingen-19-33-61]: Kanttekening 61: Deze menen sommige dezelfde Alexander geweest te zijn, van wie men leest 1 Tim. 1:20 ; 2 Tim. 4:14 , een heftig en hardnekkig vijand van Paulus en van de waarheid, maar dat staat niet vast. Zie de aantekeningen 1 Tim. 1:20 . 1 Timotheüs 1:20 : Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren. 2 Timotheüs 4:14 : Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken. 1 Timotheüs 1:20 : Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^handelingen-19-33-62]: Kanttekening 62: Namelijk om hem te horen spreken.
[^handelingen-19-33-63]: Kanttekening 63: Namelijk omdat hij ook een Jood was, om iets te spreken tot beschuldiging van de Christenen.
[^handelingen-19-33-64]: Kanttekening 64: gewenkt hebbende: Zie Hand. 12:17 , en Hand. 13:16 , en Hand. 21:40 . Handelingen 12:17 : En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heer uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Boodschapt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. Handelingen 13:16 : En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zei: U Israëlietische mannen, en u, die God vreest, hoort toe. Handelingen 21:40 : En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende:
[^handelingen-19-33-65]: Kanttekening 65: verantwoording doen: Namelijk van dit onordelijk bijeenlopen, met beschuldiging van de Christenen.
[^handelingen-19-34-66]: Kanttekening 66: van allen, roepende: Namelijk heidenen die daar waren.
[^handelingen-19-35-67]: Kanttekening 67: de stads schrijver: Namelijk die wij gemeenlijk noemen de stadssecretaris.
[^handelingen-19-35-68]: Kanttekening 68: de kerkbewaarster: Dat is, die de tempel van Diana onderhoudt, bewaart en versiert.
[^handelingen-19-35-69]: Kanttekening 69: dat uit de hemel gevallen is: Grieks dat van Jupiter gevallen is. Dit beeld van Diana was zeer oud, eertijds gemaakt uit hout door een kunstenaar Canetia, dat, hoewel de tempel zevenmaal is vernieuwd geweest, altijd hetzelfde is gebleven; zie Plin. lib. 16, cap. 40, waarom men het volk wijs maakte dat het uit de hemel afgekomen was.
[^handelingen-19-36-70]: Kanttekening 70: onbedachts doet: Of, uit haastigheid te zeer voortvarende, zonder u wel te bedenken.
[^handelingen-19-38-71]: Kanttekening 71: van de kunst: Grieks kunstenaars; namelijk om zulke zilveren tempeltjes te maken.
[^handelingen-19-38-72]: Kanttekening 72: enige zaak hebben: Grieks enig woord hebben.
[^handelingen-19-38-73]: Kanttekening 73: de rechtsdagen: Of, de rechthouders vergaderen, van welke, of door welke zij recht verzoeken konden.
[^handelingen-19-38-74]: Kanttekening 74: Grieks Anthypatio; dat is, die in plaats van de burgemeesters van Rome regeren. Zie Hand. 13:7 . Handelingen 13:7 : Welke was bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord van God te horen.
[^handelingen-19-39-75]: Kanttekening 75: wettelijke vergadering: Dat is, die uit last en bij orde van de magistraat bijeengeroepen wordt.
[^handelingen-19-40-76]: Kanttekening 76: verklaagd worden: Namelijk bij de stadhouders.
[^handelingen-19-40-77]: Kanttekening 77: om de dag van heden: Dat is, om wat van u deze dag gedaan is, met dit oproerige samenlopen.

### Handelingen 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/20.json)

*1 Paulus reist naar Macedonië en Griekenland, 4 met enigen uit Asië. 6 Hij vaart van Filippi over naar Troas, 7 waar hij op de eerste dag van de week predikt en het brood breekt met de discipelen, en zijn toespraak uitstrekt tot middernacht. 9 Een jongeman, Eutychus, valt door de slaap dood uit het venster, 10 en wordt door Paulus opgewekt. 13 Paulus vervolgt zijn reis naar Jeruzalem, en komt te Milete. 17 Hij ontbiedt daar de ouderlingen van Efeze bij zich, 18 wie hij zijn trouw en moeite in zijn dienst onder hen voorhoudt. 22 Hij voorzegt wat hem te Jeruzalem zou overkomen, 26 en verklaart dat hij hun de gehele raad van God had verkondigd. 28 Hij vermaant hen acht te geven op de kudde, 29 en te waken tegen de wrede wolven, die onder hen zouden opstaan. 32 Hij neemt afscheid van hen, en betuigt dat hij zichzelf en de zijnen met zijn handen onderhouden had. 36 Hij knielt en bidt met hen, die hem met grote droefheid tot aan het schip begeleiden.*

**1** Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en[^handelingen-20-1-1] gegroet hebbende,[^handelingen-20-1-a] ging uit om naar Macedonië te reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v1)

**2** En als hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in[^handelingen-20-2-2] Griekenland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v2)

**3** En als hij daar drie[^handelingen-20-3-3] maanden overgebracht had, en omdat door de Joden een hinderlaag voor hem werd gelegd, als hij naar Syrië zou[^handelingen-20-3-4] varen, zo werd hij van[^handelingen-20-3-5] zin weer te keren door Macedonië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v3)

**4** En hem vergezelschapte[^handelingen-20-4-6] tot in Azië[^handelingen-20-4-7] Sopater[^handelingen-20-4-8] van Berea; en van de Thessalonicensen[^handelingen-20-4-b] Aristarchus en Sekundus; en[^handelingen-20-4-c] Gajus van Derbe, en[^handelingen-20-4-d] Timotheüs en van[^handelingen-20-4-9] die van Azië[^handelingen-20-4-e] Tychikus en[^handelingen-20-4-f] Trofimus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v4)

**5** Deze, vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Troas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v5)

**6** Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen[^handelingen-20-6-10] van de ongezuurde broden, en kwamen[^handelingen-20-6-11] in vijf dagen bij hen te Troas, waar[^handelingen-20-6-12] wij zeven dagen[^handelingen-20-6-13] verbleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v6)

**7** En op de[^handelingen-20-7-14] eerste[^handelingen-20-7-15] dag van de week, als de discipelen bijeengekomen waren[^handelingen-20-7-16] om brood te breken,[^handelingen-20-7-17] handelde Paulus met hen, zullende op de andere dag vertrekken; en hij strekte zijne rede uit tot de middernacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v7)

**8** En er waren[^handelingen-20-8-18] vele lichten in de opperzaal[^handelingen-20-8-19] waar zij verzameld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v8)

**9** En een jongeman met de naam Eutychus, zat in het venster en met een diepe slaap[^handelingen-20-9-20] overvallen zijnde, zo Paulus[^handelingen-20-9-21] lang tot hen sprak, door de slaap[^handelingen-20-9-22] neerstortend, viel van de derde zoldering naar beneden, en werd dood opgenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v9)

**10** Maar Paulus, afgekomen zijnde,[^handelingen-20-10-g] viel op hem, en hem omvangende, zei hij: Wees niet ongerust; want zijn ziel[^handelingen-20-10-23] is in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v10)

**11** En als hij weer boven gegaan was, en[^handelingen-20-11-24] brood gebroken en[^handelingen-20-11-25] wat gegeten had, en lang, tot de dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij[^handelingen-20-11-26] zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v11)

**12** En zij brachten de knecht levende, en waren bovenmate[^handelingen-20-12-27] vertroost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v12)

**13** Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar[^handelingen-20-13-28] Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het zo[^handelingen-20-13-29] bevolen, en hij zelf zou[^handelingen-20-13-30] te voet gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v13)

**14** En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te[^handelingen-20-14-31] Mitylene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v14)

**15** En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij de volgenden dag tegen[^handelingen-20-15-32] Chios over, en op de andere dag legden wij aan[^handelingen-20-15-33] te Samos, en bleven te[^handelingen-20-15-34] Trogyllion, en de dag daaraan kwamen wij te[^handelingen-20-15-35] Milete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v15)

**16** Want Paulus had[^handelingen-20-16-36] voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet de tijd in Azië zou verslijten;[^handelingen-20-16-h] want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk was) op de[^handelingen-20-16-37] pinksterdag te Jeruzalem te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v16)

**17** Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v17)

**18** En als zij tot hem gekomen waren, zei hij tot hen: U weet,[^handelingen-20-18-i] van de eerste dag af, dat ik in[^handelingen-20-18-38] Azië ben aangekomen, hoe ik heel de tijd bij u geweest ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v18)

**19** Dienende de Heere met alle[^handelingen-20-19-39] nederigheid, en vele[^handelingen-20-19-40] tranen, en[^handelingen-20-19-41] verzoekingen, die mij overkwamen door de samenzweringen van de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v19)

**20** Hoe ik niets[^handelingen-20-20-42] achtergehouden heb van wat nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;[^handelingen-20-20-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v20)

**21** [^handelingen-20-21-44] Betuigende, zowel Joden als Grieken,[^handelingen-20-21-k] de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v21)

**22** En nu ziet, ik,[^handelingen-20-22-45] gebonden zijnde[^handelingen-20-22-46] door de Geest, reis naar Jeruzalem,[^handelingen-20-22-47] niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v22)

**23** Dan dat de Heilige Geest[^handelingen-20-23-48] van stad tot stad[^handelingen-20-23-49] betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen[^handelingen-20-23-50] aanstaande zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v23)

**24** [^handelingen-20-24-l] Maar[^handelingen-20-24-51] ik acht op geen ding, noch houde mijn[^handelingen-20-24-52] leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik[^handelingen-20-24-53] mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, die ik,[^handelingen-20-24-m] van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie[^handelingen-20-24-54] van de genade van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v24)

**25** En nu ziet, ik weet, dat u allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk van God, mijn aangezicht niet meer zien zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v25)

**26** Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik[^handelingen-20-26-55] rein ben van het bloed van u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v26)

**27** Want ik heb niet[^handelingen-20-27-56] achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben[^handelingen-20-27-57] al de raad van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v27)

**28** [^handelingen-20-28-n] Zo hebt dan acht[^handelingen-20-28-58] op uzelf, en op heel de kudde,[^handelingen-20-28-59] waarover u[^handelingen-20-28-60] de Heilige Geest tot[^handelingen-20-28-61] opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God[^handelingen-20-28-62] te weiden, die[^handelingen-20-28-63] Hij[^handelingen-20-28-64][^handelingen-20-28-o] verkregen heeft[^handelingen-20-28-65] door Zijn eigen bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v28)

**29** Want dit weet ik, dat na mijn[^handelingen-20-29-66] vertrek[^handelingen-20-29-67][^handelingen-20-29-p] zware[^handelingen-20-29-68] wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v29)

**30** [^handelingen-20-30-q] En[^handelingen-20-30-69] uit uzelf zullen mannen opstaan, sprekende[^handelingen-20-30-70] verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken[^handelingen-20-30-71] achter zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v30)

**31** Daarom waakt, en gedenkt, dat ik[^handelingen-20-31-72] drie jaar lang nacht en dag, niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v31)

**32** En nu, broeders, ik bevele u voor God, en[^handelingen-20-32-73] de woorde van Zijn genade,[^handelingen-20-32-74] Die machtig is u op te[^handelingen-20-32-75] bouwen, en u[^handelingen-20-32-76] een erfdeel te geven onder al de[^handelingen-20-32-77] geheiligden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v32)

**33** [^handelingen-20-33-r] Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding verzocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v33)

**34** En u weet zelf, dat[^handelingen-20-34-s] deze handen tot mijn behoefte, en degenen, die met mij waren, gediend hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v34)

**35** Ik heb u in alles getoond, dat men, zo arbeidende,[^handelingen-20-35-78] de zwakken moet[^handelingen-20-35-79] opnemen, en gedenken aan de woorden van de Heere[^handelingen-20-35-80] Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is[^handelingen-20-35-81] zaliger te[^handelingen-20-35-82] geven, dan te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v35)

**36** En als hij dit gezegd had, heeft hij[^handelingen-20-36-t] neerknielend met hen allen gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v36)

**37** En er werd een groot[^handelingen-20-37-83] geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v37)

**38** Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/20.html#v38)

[^handelingen-20-1-1]: Kanttekening 1: gegroet hebbende: Namelijk met omhelzen en kussen, gelijk de gewoonte van die landen medebracht; Gen. 31:55 ; 1 Thess. 5:26 . Genesis 31:55 : En Laban stond 's morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats. 1 Thessalonicensen 5:26 : Groet al de broeders met een heilige kus.
[^handelingen-20-1-a]: Verwijzing a: 1 Tim. 1:3 . 1 Timotheüs 1:3 : Gelijk ik u vermaand heb, dat u te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat u sommigen beveelt geen andere leer te leren;
[^handelingen-20-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk in dat deel van Griekenland, dat Attica genaamd werd.
[^handelingen-20-3-3]: Kanttekening 3: overgebracht had: Grieks gemaakt. Zie Hand. 15:33 , en Hand. 18:23 . Handelingen 15:33 : En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders opnieuw gaan met vrede, tot de apostelen. Handelingen 18:23 : En als hij daar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen.
[^handelingen-20-3-4]: Kanttekening 4: Grieks in de hoogte, of diepte, namelijk van de zee, gedreven zou worden.
[^handelingen-20-3-5]: Kanttekening 5: van zin: Of, voornemen, mening.
[^handelingen-20-4-6]: Kanttekening 6: tot in Azië: Het schijnt, dat Paulus niet gewild heeft dat deze hem verder zouden vergezelschappen, uitgenomen Trofimus; Hand. 21:29 . Handelingen 21:29 : Want zij hadden te voren Trofimus, de Efezier, met hem in de stad gezien, welke zij meenden, dat Paulus in de tempel gebracht had.
[^handelingen-20-4-7]: Kanttekening 7: Anders, Sosipater, waarbij sommigen doen, de zoon van Fyrrhus. Zie van hem Rom. 16:21 . Romeinen 16:21 : U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten.
[^handelingen-20-4-8]: Kanttekening 8: van Berea: Grieks een Bereër.
[^handelingen-20-4-b]: Verwijzing b: Hand. 19:29 ; Hand. 27:2 ; Kolos. 4:10 . Handelingen 19:29 : En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. Handelingen 27:2 : En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons. Kolossensen 4:10 : U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;
[^handelingen-20-4-c]: Verwijzing c: Hand. 19:29 ; 1 Kor. 1:14 . Handelingen 19:29 : En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. 1 Korinthiërs 1:14 : Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
[^handelingen-20-4-d]: Verwijzing d: Hand. 16:1 . Handelingen 16:1 : En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader;
[^handelingen-20-4-9]: Kanttekening 9: die van Azië: Waaruit blijkt dat wat de apostel zegt 2 Tim. 1:15 , niet van allen, maar van het meeste deel moet verstaan worden. 2 Timotheüs 1:15 : U weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.
[^handelingen-20-4-e]: Verwijzing e: Efez. 6:21 ; Kolos. 4:7 ; 2 Tim. 4:12 ; Titus 3:12 . Efeziërs 6:21 : En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, bekend maken; Kolossensen 4:7 : Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer; 2 Timotheüs 4:12 : Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden. Titus 3:12 : Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren.
[^handelingen-20-4-f]: Verwijzing f: Hand. 21:29 ; 2 Tim. 4:20 . Handelingen 21:29 : Want zij hadden te voren Trofimus, de Efezier, met hem in de stad gezien, welke zij meenden, dat Paulus in de tempel gebracht had. 2 Timotheüs 4:20 : Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete ziek gelaten.
[^handelingen-20-6-10]: Kanttekening 10: van de ongehevelde broden : Dat is van pasen; Matt. 26:17 . Mattheüs 26:17 : En op de eerste dag van de ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten?
[^handelingen-20-6-11]: Kanttekening 11: in vijf dagen: Of, het einde van vijf dagen.
[^handelingen-20-6-12]: Kanttekening 12: Namelijk Paulus en zijn gezelschap, onder welke Lukas zichzelven hier ook begrijpt.
[^handelingen-20-6-13]: Kanttekening 13: Grieks versleten; namelijk de tijd.
[^handelingen-20-7-14]: Kanttekening 14: eerste dag : Grieks enen. Zie Gen. 1:5 ; Matt. 28:1 ; en vergelijk daarmede 1 Kor. 16:2 , welke dag de dag van de Heer genaamd wordt, Openb. 1:10 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. Mattheüs 28:1 : En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. 1 Korinthiërs 16:2 : Op elke eerste dag van de week, legge een ieder van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn. Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
[^handelingen-20-7-15]: Kanttekening 15: van de week: Grieks van de sabbaten. Zie Matt. 28:1 ; Luk. 18:12 . Mattheüs 28:1 : En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. Lukas 18:12 : Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.
[^handelingen-20-7-16]: Kanttekening 16: om brood te breken: Dat is om met elkaar te eten, en het Avondmaal van de Heer te houden. Zie Hand. 2:42 , 2:46 ; 1 Kor. 11:20 , 11:21 , 11:22 . Handelingen 2:42 : En zij waren volhardende in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking van het brood, en in de gebeden. Handelingen 2:46 : En dagelijks eendrachtelijk in de tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid van het hart; 1 Korinthiërs 11:20 : Als u dan bijeen samenkomt, dat is niet het avondmaal van de Heer eten. 1 Korinthiërs 11:21 : Want in het eten neemt een ieder te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. 1 Korinthiërs 11:22 : Hebt u dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht u de Gemeente van God, en beschaamt u degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In deze prijs ik u niet.
[^handelingen-20-7-17]: Kanttekening 17: handelde Paulus: Namelijk van de leer van het Evangelie.
[^handelingen-20-8-18]: Kanttekening 18: vele lichten: Grieks vele lampen. De gelovigen, om het gevaar te ontgaan van vervolging, vergaderden toen veeltijds bij nacht; en hadden in hunne vergaderingen lichten, om niet gelasterd te worden \[gelijk nog evenwel de goddelozen deden\], dat zij iets onbehoorlijks in dezelfde deden.
[^handelingen-20-8-19]: Kanttekening 19: zij vergaderd waren: Anders, wij.
[^handelingen-20-9-20]: Kanttekening 20: overvallen zijnde: Of, in een diepen slaap gevallen zijnde. Grieks heen weggenomen, afgevoerd.
[^handelingen-20-9-21]: Kanttekening 21: lang tot hen sprak: Grieks zeer veel handelde.
[^handelingen-20-9-22]: Kanttekening 22: Of, nedergestort zijnde.
[^handelingen-20-10-g]: Verwijzing g: 1 Kon. 17:21 ; 2 Kon. 4:34 . 1 Koningen 17:21 : En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep YHWH aan, en zei: YHWH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. 2 Koningen 4:34 : En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op zijn mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm.
[^handelingen-20-10-23]: Kanttekening 23: is in hem: De ziel was waarlijk van Hem gescheiden, vers 9 , maar dit spreekt Paulus omdat hij ten volle verzekerd was, dat deze opnieuw in hem zou komen, gelijk Matt. 9:24 ; of, omdat dezelfde op dat ogenblik in hem wederkwam. Handelingen 20:9 : En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepen slaap overvallen zijnde, zo Paulus lang tot hen sprak, door de slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen. Mattheüs 9:24 : Zei Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.
[^handelingen-20-11-24]: Kanttekening 24: brood gebroken: Zie vers 7 . Handelingen 20:7 : En op de eerste dag van de week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende 's anderen daags verreizen; en hij strekte zijn rede uit tot de middernacht.
[^handelingen-20-11-25]: Kanttekening 25: gegeten had: Grieks geproefd had; namelijk algemeen voedsel, dat bij het gebruik van het Avondmaal placht te gebeuren.
[^handelingen-20-11-26]: Kanttekening 26: Zie dergelijke Joh. 4:6 . Johannes 4:6 : En daar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat zo neder naast de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
[^handelingen-20-12-27]: Kanttekening 27: Dat is, verblijd en verkwikt.
[^handelingen-20-13-28]: Kanttekening 28: Ene stad in Mysië, omtrent Troas, anders ook Apollonia genaamd.
[^handelingen-20-13-29]: Kanttekening 29: Grieks verordineerd.
[^handelingen-20-13-30]: Kanttekening 30: te voet gaan: Dat is, te land reizen, om onder weg het Evangelie hier en daar te prediken.
[^handelingen-20-14-31]: Kanttekening 31: Een eiland met ene stad van denzelfden naam, niet ver van Assus, gelegen in de Egeïsche zee.
[^handelingen-20-15-32]: Kanttekening 32: Een eiland tussen Samos en Lesbos, in dezelfde zee.
[^handelingen-20-15-33]: Kanttekening 33: Een eiland daaromtrent, hebbende ene stad van denzelfden naam.
[^handelingen-20-15-34]: Kanttekening 34: Een hoek van de berg Mycale, uitstekende in de zee, van Samos gelegen veertig stadiën.
[^handelingen-20-15-35]: Kanttekening 35: Ene stad aan de zee, op het vaste land van Jonië, niet ver van Efeze.
[^handelingen-20-16-36]: Kanttekening 36: Grieks geoordeeld; dat is goedgevonden.
[^handelingen-20-16-h]: Verwijzing h: Hand. 21:4 ; idem v. 12 . Handelingen 21:4 : En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. Handelingen 21:12 : Als wij nu dit hoorden, baden zowel wij als die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
[^handelingen-20-16-37]: Kanttekening 37: Van deze feestdag, zie Hand. 2:1 . Dit deed de apostel niet omdat hij meende dat dit Joodse feest nog moest onderhouden worden; Gal. 4:10 ; Kol. 2:16 , maar opdat hij door de menigte van het volk, dat op het feest kwam, gelegenheid zou hebben om het Evangelie te beter te verbreiden. Handelingen 2:1 : En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. Galaten 4:10 : U onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^handelingen-20-18-i]: Verwijzing i: Hand. 19:10 . Handelingen 19:10 : En dit geschiedde twee jaren lang, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heer Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
[^handelingen-20-18-38]: Kanttekening 38: Namelijk zo eigenlijk genaamd, zijnde een deel van Klein-Azië, waarvan Efeze de hoofdstad was.
[^handelingen-20-19-39]: Kanttekening 39: Of, nederigheid, van gemoed of van staat, gelijk Luk. 1:48 . Lukas 1:48 : Omdat Hij de nederheid van Zijn dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
[^handelingen-20-19-40]: Kanttekening 40: Namelijk uit medelijden over de arme onwetende of verleide mensen.
[^handelingen-20-19-41]: Kanttekening 41: Dat is, verdrukkingen. Zie Jak. 1:2 , en 1 Petr. 1:6 . Jakobus 1:2 : Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt; 1 Petrus 1:6 : In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
[^handelingen-20-20-42]: Kanttekening 42: Grieks onttogen; dat is verzwegen, òf door vrees van mensen, òf vanwege winst; 1 Thess. 2:3 , 2:4 . 1 Thessalonicensen 2:3 : Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog; 1 Thessalonicensen 2:4 : Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar God, Die onze harten beproeft.
[^handelingen-20-20-43]: Kanttekening 43: bij de huizen: Dat is, in het bijzonder.
[^handelingen-20-21-44]: Kanttekening 44: Namelijk alom en zeer sterk, met vaste gronden en getuigenissen van de Heilige Schriftuur.
[^handelingen-20-21-k]: Verwijzing k: Matt. 3:2 ; Mark. 1:15 ; Lukas 24:47 . Mattheüs 3:2 : En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Marcus 1:15 : En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk van God nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie. Lukas 24:47 : En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van de zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
[^handelingen-20-22-45]: Kanttekening 45: gebonden zijnde: Dat is, als met banden getrokken zijnde.
[^handelingen-20-22-46]: Kanttekening 46: door de Geest: Door sterke aandrijving en bevel van de Heilige Geest; of door mijn gemoed uit ingeven van de Heilige Geest. Zie Hand. 19:21 . Handelingen 19:21 : En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.
[^handelingen-20-22-47]: Kanttekening 47: niet wetende: Namelijk in het bijzonder.
[^handelingen-20-23-48]: Kanttekening 48: van stad tot stad: Dat is, alom in alle steden, waar ik door reis; Luk. 8:4 . Lukas 8:4 : Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zei Hij door gelijkenis:
[^handelingen-20-23-49]: Kanttekening 49: Namelijk door de profeten, wie de Heilige Geest zulks geopenbaard heeft; Hand. 21:4 , 21:11 . Handelingen 21:4 : En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. Handelingen 21:11 : En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen.
[^handelingen-20-23-50]: Kanttekening 50: aanstaande zijn: Grieks mij verwachten.
[^handelingen-20-24-l]: Verwijzing l: Hand. 21:13 . Handelingen 21:13 : Maar Paulus antwoordde: Wat doet u, dat u weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heer Jezus.
[^handelingen-20-24-51]: Kanttekening 51: ik acht op geen ding,: Grieks ik maak gene rekening van enig ding.
[^handelingen-20-24-52]: Kanttekening 52: mijn leven: Grieks mijn ziel.
[^handelingen-20-24-53]: Kanttekening 53: mijn loop: Namelijk van het Christelijke leven, en in het bijzonder van mijn dienst; 1 Kor. 9:24 ; 2 Tim. 4:7 . 1 Korinthiërs 9:24 : Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^handelingen-20-24-m]: Verwijzing m: Galat. 1:1 ; Titus 1:3 . Galaten 1:1 : Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Titus 1:3 : Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^handelingen-20-24-54]: Kanttekening 54: van de genade van God: Dat is, waarin ons de genade van God verkondigd wordt.
[^handelingen-20-26-55]: Kanttekening 55: rein ben: Dat is, onschuldig aan uw verderf, zo ik u de weg van de zaligheid getrouwelijk heb aangewezen. Zie Ez. 3:18 , 3:19 ; Hand. 18:6 . Ezechiël 3:18 : Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 3:19 : Maar als u de goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. Handelingen 18:6 : Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.
[^handelingen-20-27-56]: Kanttekening 56: Zie vers 20 . Handelingen 20:20 : Hoe ik niets achtergehouden heb van wat nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;
[^handelingen-20-27-57]: Kanttekening 57: al de raad van God: Dat is, al wat God besloten en geopenbaard heeft aangaande de zaligheid van de mensen, door wie en hoe dezelfde verkregen wordt; Luk. 7:30 ; Ef. 1:11 . Lukas 7:30 : Maar de Farizeën en de wetgeleerden hebben de raad van God tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. Efeziërs 1:11 : In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil;
[^handelingen-20-28-n]: Verwijzing n: 1 Petr. 5:2 . 1 Petrus 5:2 : Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuil winst, maar met een volvaardig gemoed;
[^handelingen-20-28-58]: Kanttekening 58: op uzelven: Dat is, op uw leer, leven en ambt.
[^handelingen-20-28-59]: Kanttekening 59: over dewelke u: Grieks in dewelke.
[^handelingen-20-28-60]: Kanttekening 60: de Heilige Geest: Die de voornaamste oorzaak is van de wettige beroeping van de dienaren van het Woord, hoewel Hij dat door de dienst van de mensen doet; zie Hand. 13:2 , 13:3 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 13:3 : Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.
[^handelingen-20-28-61]: Kanttekening 61: Grieks Episkopous; waarvan het woord bisschop gekomen is. Deze worden vers 17 genaamd ouderlingen van de gemeente. Waaruit blijkt dat in de Heilige Schrift tussen ouderlingen en bisschoppen geen onderscheid gemaakt wordt; zie Filipp. 1:1 . Handelingen 20:17 : Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. Filippensen 1:1 : Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:
[^handelingen-20-28-62]: Kanttekening 62: te weiden, welke: Namelijk met de gezonde leer van het goddelijke Woord; door ene gelijkenis genomen van schaapherders, bij welke het ambt van de dienaren van het Woord zeer bekwamelijk wordt vergeleken; Jer. 23:4 ; Joh. 21:15 ; Ef. 4:11 ; 1 Petr. 5:2 . Jeremia 23:4 : En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt YHWH. Johannes 21:15 : Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; 1 Petrus 5:2 : Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuile winst, maar met een volvaardig gemoed;
[^handelingen-20-28-63]: Kanttekening 63: Namelijk God, dat is de Zoon van God, die onze menselijke natuur aangenomen heeft in enigheid van Zijn persoon.
[^handelingen-20-28-64]: Kanttekening 64: verkregen heeft: Of, verworven, gekocht, zijn eigen gemaakt.
[^handelingen-20-28-o]: Verwijzing o: Efez. 1:7 ; Kolos. 1:14 ; 1 Petr. 1:19 ; Openb. 5:9 . Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, Kolossensen 1:14 : In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;
[^handelingen-20-28-65]: Kanttekening 65: door Zijn eigen bloed: Namelijk waardoor Hij ons heeft verlost, en niet door het bloed van enige beesten; Hebr. 9:12 . Dit bloed wordt Gods eigen bloed genaamd, omdat de Zoon van God, zijnde en blijvende waarachtig God, menselijk vlees en bloed heeft aangenomen in enigheid van de persoon; ene wijze van spreken, waardoor de persoon van Christus, benaamd zijnde van de ene natuur, toegeschreven wordt wat Hem eigen is naar de andere natuur. Zie Joh. 3:13 . Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Johannes 3:13 : En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is.
[^handelingen-20-29-66]: Kanttekening 66: Namelijk van hier uit deze landen, of ook uit dit leven.
[^handelingen-20-29-67]: Kanttekening 67: Dat is, gruwelijke, bezwaarlijke.
[^handelingen-20-29-p]: Verwijzing p: 2 Petr. 2:1 . 2 Petrus 2:1 : En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^handelingen-20-29-68]: Kanttekening 68: Dat is, valse leraars, die de schapen met hunne valse leer vernielen; Matt. 7:15 . Mattheüs 7:15 : Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
[^handelingen-20-30-q]: Verwijzing q: Ps. 41:10 ; Matt. 26:21 ; Hand. 1:17 ; 1 Joh. 2:19 . Psalmen 41:10 : Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. Mattheüs 26:21 : En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, Mij zal verraden. Handelingen 1:17 : Want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen. 1 Johannes 2:19 : Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.
[^handelingen-20-30-69]: Kanttekening 69: uit uzelven: Dat is, uit de leraars en opzieners zelf.
[^handelingen-20-30-70]: Kanttekening 70: verkeerde dingen: Of, verdraaide; gelijk de Satan alles verdraait om de waarheid te verduisteren.
[^handelingen-20-30-71]: Kanttekening 71: achter zich: Namelijk om hen en hunne leer te volgen.
[^handelingen-20-31-72]: Kanttekening 72: drie jaren: Vergelijk Hand. 19:10 . Handelingen 19:10 : En dit geschiedde twee jaren lang, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heer Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
[^handelingen-20-32-73]: Kanttekening 73: de woorde: Dat is, het Evangelie, om daarmede uw geloof te versterken en daarin uw troost te zoeken. Zie Hand. 14:26 . Handelingen 14:26 : En van daar scheepten zij af naar Antiochië, van waar zij van de genade van God bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden.
[^handelingen-20-32-74]: Kanttekening 74: Die machtig: Namelijk God.
[^handelingen-20-32-75]: Kanttekening 75: bouwen, en: Namelijk de gemeente vermeerderende met gaven en in het getal.
[^handelingen-20-32-76]: Kanttekening 76: een erfdeel: Namelijk van het hemelse vaderland.
[^handelingen-20-32-77]: Kanttekening 77: Namelijk door de Geest van de wedergeboorte; of afgezonderd van de wereld door het geloof.
[^handelingen-20-33-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 9:12 ; 2 Kor. 11:9 ; 2 Kor. 12:13 . 1 Korinthiërs 9:12 : Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. 2 Korinthiërs 11:9 : Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 2 Korinthiërs 12:13 : Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.
[^handelingen-20-34-s]: Verwijzing s: Hand. 18:3 ; 1 Kor. 4:12 ; 1 Thes. 2:9 ; 2 Thes. 3:8 . Handelingen 18:3 : En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 1 Thessalonicensen 2:9 : Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. 2 Thessalonicensen 3:8 : En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
[^handelingen-20-35-78]: Kanttekening 78: de zwakken: Namelijk in het geloof en de kennis van de Christelijke leer.
[^handelingen-20-35-79]: Kanttekening 79: Dat is, òf onderstutten dat zij niet vallen, òf, gevallen zijnde, de hand bieden om op te helpen; Luk. 1:54 . Lukas 1:54 : Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware van de barmhartigheid.
[^handelingen-20-35-80]: Kanttekening 80: dat Hij gezegd heeft: Deze woorden staan in de Evangelische geschiedenis niet beschreven, gelijk niet alle woorden en daden van Christus beschreven zijn, Joh. 20:30 , en Joh. 21:25 , maar kunnen evenwel afgenomen worden uit sommige spreuken van Christus; Luk. 6:38 , en Luk. 16:9 . Johannes 20:30 : Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de aanwezigheid van Zijn discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; Johannes 21:25 : En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven wierden, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen. Lukas 6:38 : Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmee u meet, zal u wedergemeten worden. Lukas 16:9 : En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten.
[^handelingen-20-35-81]: Kanttekening 81: Het is zaliger: Want die aan de armen geeft, die geeft het de Heer op woeker; Spr. 19:17 . Spreuken 19:17 : Die zich van de armen ontfermt, leent YHWH, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
[^handelingen-20-35-82]: Kanttekening 82: Namelijk de tijdelijke goederen tot onderhoud van de kerkedienst of van de armen.
[^handelingen-20-36-t]: Verwijzing t: Hand. 21:5 . Handelingen 21:5 : Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan de oever nederknielende, hebben wij gebeden.
[^handelingen-20-37-83]: Kanttekening 83: Een teken van hartelijke liefde tot hun leraar.

### Handelingen 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/21.json)

*1 Van Milete reist Paulus verder naar Syrië, en komt aan te Tyrus. 4 De discipelen daar raden hem de reis naar Jeruzalem af, maar tevergeefs. 5 Hij trekt verder naar Ptolomaïs, en vandaar naar Cesarea, waar hij enige dagen blijft in het huis van Filippus de evangelist, wiens vier dochters profeteerden. 10 Agabus voorzegt hem zijn boeien te Jeruzalem, waarom de broeders hem ook met tranen smeken vandaar te blijven. 13 Maar wanneer zij vernemen dat hij bereid was ook om Christus' wil te sterven, onderwerpen zij zich aan de wil van God. 15 Hij komt te Jeruzalem, en gaat zijn intrek nemen bij Mnason. 18 Daarna gaat hij naar Jakobus, en verhaalt hem en de ouderlingen wat God door hem gedaan had. 20 Op hun raad gaat hij met vier mannen, die een gelofte hadden, de tempel binnen om zich te heiligen. 27 Waar hij door enige Joden uit Asië gezien wordt, die oproer tegen hem verwekken en hem zoeken te doden. 31 Maar hij wordt door de Romeinse overste aan hen onttrokken, en in de legerplaats gebracht, 39 van wie hij verlof krijgt om tot het volk te spreken.*

**1** Toen wij van hen gescheiden[^handelingen-21-1-1] en afgevaren[^handelingen-21-1-2] waren, voeren wij rechtuit en kwamen te[^handelingen-21-1-3] Kos, en de dag daaraan te[^handelingen-21-1-4] Rhodus, en van daar te[^handelingen-21-1-5] Patara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v1)

**2** En een schip gevonden hebbende, dat naar[^handelingen-21-2-6] Fenicië[^handelingen-21-2-7] overvoer, gingen wij er in en voeren af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v2)

**3** En als wij Cyprus[^handelingen-21-3-8] in het gezicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te[^handelingen-21-3-9] Tyrus; want[^handelingen-21-3-10] het schip zou daar de last ontladen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v3)

**4** En[^handelingen-21-4-11] de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; die tot Paulus zeiden[^handelingen-21-4-12] door de Geest,[^handelingen-21-4-a] dat hij[^handelingen-21-4-13] niet zou opgaan naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v4)

**5** Toen wij deze dagen doorgebracht[^handelingen-21-5-14] hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen[^handelingen-21-5-15] met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan de oever[^handelingen-21-5-16] neerknielend, hebben wij gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v5)

**6** En als wij[^handelingen-21-6-17] elkaar gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zij keerden opnieuw,[^handelingen-21-6-18] elk naar het zijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v6)

**7** Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te[^handelingen-21-7-19] Ptolemais, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v7)

**8** En op de andere dag,[^handelingen-21-8-20] Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te[^handelingen-21-8-21] Cesarea; en gegaan zijnde in het huis[^handelingen-21-8-b] van[^handelingen-21-8-22] Filippus, de evangelist (die een was van de[^handelingen-21-8-23] zeven),[^handelingen-21-8-24] bleven wij bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v8)

**9** Deze nu had vier dochters, nog[^handelingen-21-9-c] maagden, die[^handelingen-21-9-25] profeteerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v9)

**10** En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een profeet uit Judea, met de naam [^handelingen-21-10-d]Agabus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v10)

**11** En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en[^handelingen-21-11-26] zichzelf handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest:[^handelingen-21-11-e] De man van wie deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen[^handelingen-21-11-27] van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v11)

**12** Als wij nu dit hoorden, baden zowel wij als die van die plaats waren,[^handelingen-21-12-28] dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v12)

**13** Maar Paulus antwoordde:[^handelingen-21-13-f] Wat doet u, dat u weent, en mijn hart[^handelingen-21-13-29] week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v13)

**14** En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons[^handelingen-21-14-30] tevreden, zeggende:[^handelingen-21-14-g] De wil van de Heere gebeure. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v14)

**15** En na die dagen[^handelingen-21-15-31] maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v15)

**16** En met ons gingen ook sommigen van de discipelen van Cesarea, leidende met zich een zekere Mnason, van Cyprus, een oude discipel, bij die wij zouden te huis liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v16)

**17** En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders[^handelingen-21-17-32] blijdelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v17)

**18** En de volgenden dag ging Paulus met ons in tot[^handelingen-21-18-33] Jakobus; en al[^handelingen-21-18-34] de ouderlingen waren daar gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v18)

**19** En als hij hen gegroet had, vertelde hij[^handelingen-21-19-35] van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v19)

**20** En zij, dat gehoord hebbende,[^handelingen-21-20-36] loofden de Heere, en zeiden tot hem: U ziet, broeder, hoevele[^handelingen-21-20-37] duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen[^handelingen-21-20-38] ijveraars van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v20)

**21** En zij zijn aangaande u[^handelingen-21-21-39] bericht, dat u al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van[^handelingen-21-21-40] Mozes[^handelingen-21-21-41] afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar[^handelingen-21-21-42] de wijze van de wet wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v21)

**22** Wat is er dan te doen? Het is volstrekt nodig, dat[^handelingen-21-22-43] de menigte[^handelingen-21-22-44] samenkome; want zij zullen horen, dat u gekomen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v22)

**23** Doe dan wat wij u zeggen:[^handelingen-21-23-45] Wij hebben vier mannen, die[^handelingen-21-23-46] een gelofte[^handelingen-21-23-47] gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v23)

**24** Neem deze tot u, en[^handelingen-21-24-48] heilig u met hen, en doe[^handelingen-21-24-49] de onkosten naast hen, opdat zij het hoofd scheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan wat, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat u zo wandelt, dat u ook zelf[^handelingen-21-24-50] de wet[^handelingen-21-24-51] onderhoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v24)

**25** Maar van de heidenen,[^handelingen-21-25-52] die geloven,[^handelingen-21-25-h] hebben wij[^handelingen-21-25-53] geschreven en[^handelingen-21-25-54] goed gevonden, dat zij[^handelingen-21-25-55] niets dergelijks zouden onderhouden,[^handelingen-21-25-i] dan dat zij zich wachten van wat aan de afgoden geofferd is, en[^handelingen-21-25-k] van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v25)

**26** [^handelingen-21-26-l] Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in de tempel, en[^handelingen-21-26-56] verkondigde,[^handelingen-21-26-57] dat de dagen van de heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een ieder van hen[^handelingen-21-26-58] de offergave opgeofferd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v26)

**27** [^handelingen-21-27-59] Als nu[^handelingen-21-27-60] de zeven dagen zouden voltooid worden, zagen hem de Joden[^handelingen-21-27-61] van Azië in de tempel, en[^handelingen-21-27-62] verontrustten[^handelingen-21-27-63] al het volk, en sloegen de handen aan hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v27)

**28** Roepende: U Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die[^handelingen-21-28-64] tegen het volk, en de wet, en[^handelingen-21-28-65] deze plaats iedereen overal leert; en bovendien heeft hij ook[^handelingen-21-28-66] Grieken in de[^handelingen-21-28-67] tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats[^handelingen-21-28-68] ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v28)

**29** Want zij hadden te voren[^handelingen-21-29-69][^handelingen-21-29-m] Trofimus, de Efezier, met hem in de stad gezien, die zij[^handelingen-21-29-70] meenden, dat Paulus in de tempel gebracht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v29)

**30** En[^handelingen-21-30-71] heel de stad kwam in roer[^handelingen-21-30-72] en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem[^handelingen-21-30-73] buiten de tempel; en meteen werden de deuren gesloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v30)

**31** En als zij hem zochten te doden, kwam[^handelingen-21-31-74] het gerucht tot[^handelingen-21-31-75] de overste van de bende, dat geheel Jeruzalem[^handelingen-21-31-76] in verwarring was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v31)

**32** Die meteen soldaten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af[^handelingen-21-32-77] naar hen toe. Zij nu, de oversten en de soldaten ziende, hielden op van Paulus te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v32)

**33** [^handelingen-21-33-n] Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met[^handelingen-21-33-78] twee ketenen zou binden; en vroeg, wie hij was, en wat hij gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v33)

**34** En onder de menigte riep de ene dit, de andere wat anders. Maar als hij de[^handelingen-21-34-79] zekerheid niet kon weten vanwege de opschudding, beval hij, dat men hem in de[^handelingen-21-34-80] kazerne zou brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v34)

**35** En als hij aan[^handelingen-21-35-81] de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de soldaten gedragen werd vanwege het geweld van de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v35)

**36** Want de menigte van het volk volgde, al roepende:[^handelingen-21-36-82][^handelingen-21-36-o] Weg met hem! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v36)

**37** En als Paulus nu in de kazerne zou geleid worden, zei hij tot de overste:[^handelingen-21-37-83] Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zei: Kent u Grieks?[^handelingen-21-37-84] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v37)

**38** Bent u dan niet[^handelingen-21-38-85] de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en[^handelingen-21-38-86] de vier duizend[^handelingen-21-38-87] moordenaars naar de woestijn uitleidde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v38)

**39** Maar Paulus zei: Ik ben een Joods[^handelingen-21-39-88] man[^handelingen-21-39-p] van Tarsen, een burger van geen onbekende stad[^handelingen-21-39-89] in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v39)

**40** En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen,[^handelingen-21-40-90] wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/21.html#v40)

[^handelingen-21-1-1]: Kanttekening 1: Grieks afgetrokken; namelijk gelijk een vader van zijn kinderen.
[^handelingen-21-1-2]: Kanttekening 2: Zie Hand. 16:11 , en Hand. 18:21 . Handelingen 16:11 : Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis. Handelingen 18:21 : Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.
[^handelingen-21-1-3]: Kanttekening 3: Een eiland in de Middellandse zee, tussen Creta en Carië; vanwaar de vermaarde geneesheer Hippocrates en de schilder Apelles geboortig waren.
[^handelingen-21-1-4]: Kanttekening 4: Een zeer vermaard eiland met ene stad van denzelfden naam, tegenover Lycië; waar dat grote koperen beeld stond, dat onder de zeven wonderen van de wereld gerekend werd.
[^handelingen-21-1-5]: Kanttekening 5: Ene stad aan het vaste land van Lycië, gelegen aan de zee, en de hoofdstad van Lycië.
[^handelingen-21-2-6]: Kanttekening 6: Zie van dit land Hand. 11:19 , en Hand. 15:3 . Handelingen 11:19 : Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. Handelingen 15:3 : Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samarië, verhalende de bekering van de heidenen; en deden al de broeders grote blijdschap aan.
[^handelingen-21-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, zou overvaren.
[^handelingen-21-3-8]: Kanttekening 8: in het gezicht: Of, ontdekt hadden.
[^handelingen-21-3-9]: Kanttekening 9: Tyrus; want: De hoofdstad van Fenicië. Zie daarvan Matt. 11:21 . Mattheüs 11:21 : Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.
[^handelingen-21-3-10]: Kanttekening 10: schip zou: Dat is, de scheepslieden.
[^handelingen-21-4-11]: Kanttekening 11: de discipelen: Sommigen menen dat discipelen hier genaamd worden gelovigen, die nog niet in een gestelde gemeente waren, en broeders, die in zulke gemeente waren.
[^handelingen-21-4-12]: Kanttekening 12: door de Geest: Dat is, door een bijzondere openbaring van de Heilige Geest.
[^handelingen-21-4-a]: Verwijzing a: Hand. 20:23 ; Hand. 21:12 . Handelingen 20:23 : Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. Handelingen 21:12 : Als wij nu dit hoorden, baden zowel wij als die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
[^handelingen-21-4-13]: Kanttekening 13: niet zou opgaan: Dat is, dat hem te Jeruzalem grote gevaren en verdrukkingen zouden overkomen; waarom zij uit liefde tot hem en uit eigen ingeven hem rieden niet op te gaan.
[^handelingen-21-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk met wachten totdat er opnieuw een ander schip zou afvaren.
[^handelingen-21-5-15]: Kanttekening 15: met vrouwen: Een teken van grote liefde tot hun leraar.
[^handelingen-21-5-16]: Kanttekening 16: Zie Hand. 20:36 . Handelingen 20:36 : En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.
[^handelingen-21-6-17]: Kanttekening 17: elkaar gegroet: Dat is, met onderlinge omhelzing oorlof en afscheid van elkaar genomen hadden; Hand. 20:1 . Handelingen 20:1 : Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.
[^handelingen-21-6-18]: Kanttekening 18: naar het zijn: Dat is naar zijn huis; Joh. 19:27 . Johannes 19:27 : Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.
[^handelingen-21-7-19]: Kanttekening 19: Ene stad aan de Middellandse zee, beneden Tyrus, eertijds genaamd Akko, Richt. 1:31 , Plin. lib. 5, cap. 19, zo vernaamd naar een koning van Egypte. Richteren 1:31 : Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
[^handelingen-21-8-20]: Kanttekening 20: Paulus en wij: Grieks die omtrent Paulus waren; Hand. 13:13 . Handelingen 13:13 : En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem.
[^handelingen-21-8-21]: Kanttekening 21: te Cesarea: Namelijk van Palestina. Zie Hand. 10:1 . Handelingen 10:1 : En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;
[^handelingen-21-8-b]: Verwijzing b: Hand. 6:5 ; Hand. 8:29 . Handelingen 6:5 : En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij gekozen Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochië; Handelingen 8:29 : En de Geest zei tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen.
[^handelingen-21-8-22]: Kanttekening 22: de evangelist: Dat is, een dergenen, die van de apostelen hier en daar uitgezonden werden, om het Evangelie te verkondigen en de gemeenten te versterken; Ef. 4:11 ; 2 Tim. 4:5 . Anders worden gemeenlijk in het bijzonder evangelisten genaamd, die de vier Evangeliën geschreven hebben. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; 2 Timotheüs 4:5 : Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
[^handelingen-21-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk diakenen; Hand. 6:5 . Handelingen 6:5 : En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij kozen Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochië;
[^handelingen-21-8-24]: Kanttekening 24: bleven wij: Dat is, logeerden.
[^handelingen-21-9-c]: Verwijzing c: Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Joël 2:28 : En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^handelingen-21-9-25]: Kanttekening 25: Dat is, hadden de gave van toekomende dingen te voorzeggen. Want openlijk voor de gemeente de Schrift uit te leggen, wordt de vrouwen verboden; 1 Kor. 14:34 , en 1 Tim. 2:12 , tenzij men dit als een buitengewoon voorbeeld wilde uitnemen. 1 Korinthiërs 14:34 : Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 1 Timotheüs 2:12 : Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
[^handelingen-21-10-d]: Verwijzing d: Hand. 11:28 . Handelingen 11:28 : En één uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder de keizer Claudius.
[^handelingen-21-11-26]: Kanttekening 26: zichzelven handen: Zo plachten de profeten met uiterlijke tekenen hunne voorzeggingen voor te stellen, opdat zij te beter in de harten van de mensen ingeprent zouden worden. Zie Jes. 20:2 ; Jer. 13:1 , en Jer. 27:2 ; Ez. 12:5 . Jesaja 20:2 : Ter zelfder tijd sprak YHWH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande naakt en barrevoets. Jeremia 13:1 : Zo heeft YHWH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en doe die aan uw lenden, maar breng hem niet in het water. Jeremia 27:2 : Zo zei YHWH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals. Ezechiël 12:5 : Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.
[^handelingen-21-11-e]: Verwijzing e: Hand. 20:23 ; Hand. 21:33 . Handelingen 20:23 : Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. Handelingen 21:33 : Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.
[^handelingen-21-11-27]: Kanttekening 27: van de heidenen: Namelijk eerst van de Romeinse stadhouder, en daarna van de wrede keizer Nero.
[^handelingen-21-12-28]: Kanttekening 28: dat hij niet: Dit deden zij uit liefde tot Paulus, gelijk vers 4 . Handelingen 21:4 : En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
[^handelingen-21-13-f]: Verwijzing f: Hand. 20:24 . Handelingen 20:24 : Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik, van de Heer Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade van God.
[^handelingen-21-13-29]: Kanttekening 29: week maakt: Of, verbreekt, en gelijk als in stukken stoot; Ps. 51:19 . Psalmen 51:19 : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.
[^handelingen-21-14-30]: Kanttekening 30: Of, stil, zonder hem meer te bidden.
[^handelingen-21-14-g]: Verwijzing g: Matt. 6:10 ; Lukas 11:2 ; Lukas 22:42 . Mattheüs 6:10 : Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel zo ook op de aarde. Lukas 11:2 : En Hij zei tot hen: Wanneer u bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op de aarde. Lukas 22:42 : Zeggende: Vader, of U wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen, maar niet Mijn wil, maar de van U geschiede.
[^handelingen-21-15-31]: Kanttekening 31: maakten wij: Of, pakten wij onze dingen.
[^handelingen-21-17-32]: Kanttekening 32: Of, zeer graag, vriendelijk.
[^handelingen-21-18-33]: Kanttekening 33: Namelijk de apostel, de zoon van Alfeus; Hand. 15:13 ; Gal. 1:19 . Handelingen 15:13 : En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. Galaten 1:19 : En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, de broeder van de Heer.
[^handelingen-21-18-34]: Kanttekening 34: de ouderlingen: Dat is, de regeerders van de gemeente.
[^handelingen-21-19-35]: Kanttekening 35: van stuk tot stuk: Grieks naar elk stuk.
[^handelingen-21-20-36]: Kanttekening 36: loofden de: Of, verheerlijkten.
[^handelingen-21-20-37]: Kanttekening 37: Grieks tienduizenden.
[^handelingen-21-20-38]: Kanttekening 38: ijveraars van de wet: Namelijk menende dat de wet van de ceremoniën nog moet onderhouden worden, en nog niet verstaande dat deze door Christus is afgedaan.
[^handelingen-21-21-39]: Kanttekening 39: bericht, dat: Het Griekse woord betekent eigenlijk met levende stem onderwezen worden; Luk. 1:4 . Lukas 1:4 : Opdat u mag kennen de zekerheid van de dingen, waarvan u onderwezen bent.
[^handelingen-21-21-40]: Kanttekening 40: Dat is, van de wet door Mozes beschreven.
[^handelingen-21-21-41]: Kanttekening 41: Grieks afval. Dit was ene lastering tegen Paulus; want hoewel hij leerde dat de ceremoniën van het Oude Testament door Christus vervuld en daarom afgedaan waren, zo leerde hij nochtans niet, dat men de leer van Mozes zou verwerpen, noch dat men de zwakke Joden, die dit nog niet verstonden, voor die tijd zou dwingen de ceremoniën na te laten, in het bijzonder omdat hij ook zelf vanwege de zwakken Timotheüs had besneden; Hand. 16:3 . Handelingen 16:3 : Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, vanwege de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.
[^handelingen-21-21-42]: Kanttekening 42: de wijze van de wet : Dat is, de ceremoniën van de wet te onderhouden.
[^handelingen-21-22-43]: Kanttekening 43: de menigte: Namelijk van de gemeente, waarvan de ouderlingen onderscheiden worden.
[^handelingen-21-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, tezamen geroepen worden.
[^handelingen-21-23-45]: Kanttekening 45: Wij hebben: Anders, onder ons zijn.
[^handelingen-21-23-46]: Kanttekening 46: een gelofte: Namelijk van de Nazireën. Zie van dezelfde Num. 6 , en hier voren Hand. 18:18 . Handelingen 18:18 : En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.
[^handelingen-21-23-47]: Kanttekening 47: gedaan hebben: Grieks hebbende ene belofte opzich, of, over henzelven.
[^handelingen-21-24-48]: Kanttekening 48: heilig u met: Of, reinig; namelijk volbrengende en afleggende het nazireërschap met uw hoofd te bescheren en offeranden op te offeren, om te tonen dat u geen verachter van de wet bent. Deze raad geven zij, op hoop dat Paulus daarmede de kwade geruchten zou wegnemen van hem gestrooid dat hij een verachter van de wet was, en om meerder gevaar van ongerustheid in de gemeente te voorkomen; en was in zichzelven niet ongeoorloofd, hoewel de uitkomst geleerd heeft dat zij niet bekwaam genoeg geweest is om de Joden te stillen. Maar Paulus' bescheidenheid is evenwel te prijzen, dat hij het ouderlingschap zoveel ontzag toegedragen heeft, dat hij hun raad niet heeft willen versmaden, maar volgen vanwege de zwakken; zie 1 Kor. 9:20 . 1 Korinthiërs 9:20 : En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.
[^handelingen-21-24-49]: Kanttekening 49: de onkosten: Namelijk die tot de offeranden en anders moesten gedaan worden, die beschreven worden Num. 6:19 , 6:21 . Numeri 6:19 : Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van de ram, en een ongezuurden koek uit de korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen van de Nazireeër leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft. Numeri 6:21 : Dit is de wet van de Nazireeër, die zijn offerande YHWH voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, zo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireërschap.
[^handelingen-21-24-50]: Kanttekening 50: de wet: Namelijk van de ceremoniën.
[^handelingen-21-24-51]: Kanttekening 51: Grieks bewaart; dat Paulus deed voor een tijd bij de zwakke Joden, om hen te beter te winnen.
[^handelingen-21-25-52]: Kanttekening 52: die geloven: Dat is, die de Christelijke godsdienst hebben aangenomen.
[^handelingen-21-25-h]: Verwijzing h: Hand. 15:23 . Handelingen 15:23 : En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zaligheid.
[^handelingen-21-25-53]: Kanttekening 53: geschreven en: Grieks gezonden; dat is, een brief geschreven en gezonden; zie Hand. 15:20 , enz. Handelingen 15:20 : Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.
[^handelingen-21-25-54]: Kanttekening 54: goed gevonden: Grieks geoordeeld.
[^handelingen-21-25-55]: Kanttekening 55: niets dergelijks: Namelijk wat de wet van de ceremoniën betreft.
[^handelingen-21-25-i]: Verwijzing i: Ex. 20:3 ; 1 Kor. 8:1 . Exodus 20:3 : U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 1 Korinthiërs 8:1 : Aangaande nu de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt hoogmoedig, maar de liefde sticht.
[^handelingen-21-25-k]: Verwijzing k: Gen. 9:4 . Genesis 9:4 : Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten.
[^handelingen-21-26-l]: Verwijzing l: Hand. 24:6 . Handelingen 24:6 : Die ook gepoogd heeft de tempel te ontheiligen, welke wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.
[^handelingen-21-26-56]: Kanttekening 56: Namelijk de priesters.
[^handelingen-21-26-57]: Kanttekening 57: dat de dagen: Grieks de vervulling van de dagen van de heiliging; dat is, dat de tijd van hunne belofte om was, en dat zij dezelfde volgens de wet wilden afleggen; Num. 6:13 ; Hand. 24:18 . Numeri 6:13 : En dit is de wet van de Nazireeër: op de dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent van de samenkomst. Handelingen 24:18 : Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in de tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azië;
[^handelingen-21-26-58]: Kanttekening 58: de offerande: Namelijk die beschreven worden Num. 6:13 , 6:14 , enz. Numeri 6:13 : En dit is de wet van de Nazireeër: op de dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent van de samenkomst. Numeri 6:14 : Hij dan zal tot zijn offerande YHWH offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.
[^handelingen-21-27-59]: Kanttekening 59: Als nu: Of, zo.
[^handelingen-21-27-60]: Kanttekening 60: de zeven dagen: Namelijk van het pinksterfeest. Zie Hand. 20:16 . Handelingen 20:16 : Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet de tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk was) op de pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
[^handelingen-21-27-61]: Kanttekening 61: van Azië in: Dat is, die in Azië, en, zo het schijnt, te Efeze wonende, te Jeruzalem waren opgekomen tot het feest, die ook dikwijls in Azië tegen Paulus veel kwaads aangericht hebben, Hand. 14:17 , 14:18 , mensen zeer opstandig en nijdig tegen Paulus; Hand. 17:5 . Handelingen 14:17 : Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van de hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met voedsel en vrolijkheid. Handelingen 14:18 : En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden. Handelingen 17:5 : Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
[^handelingen-21-27-62]: Kanttekening 62: Grieks vermengden.
[^handelingen-21-27-63]: Kanttekening 63: al het volk: Of, de schare; die daar tegenwoordig was.
[^handelingen-21-28-64]: Kanttekening 64: tegen het volk: Deze beschuldigingen werden ook Christus en Stefanus ten laste gelegd; Matt. 26:61 ; Hand. 6:13 . Mattheüs 26:61 : Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken, en in drie dagen dezelfde opbouwen. Handelingen 6:13 : En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.
[^handelingen-21-28-65]: Kanttekening 65: deze plaats allen: Namelijk de tempel, of ook de stad.
[^handelingen-21-28-66]: Kanttekening 66: Grieken in: Dat is, onbesneden.
[^handelingen-21-28-67]: Kanttekening 67: tempel gebracht: Namelijk verder in, dan het de onheiligen geoorloofd was te komen; Luk. 18:13 . Lukas 18:13 : En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
[^handelingen-21-28-68]: Kanttekening 68: Grieks gemeen; dat is onrein gemaakt. Zie Hand. 10:14 , 10:15 . Handelingen 10:14 : Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was. Handelingen 10:15 : En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken.
[^handelingen-21-29-69]: Kanttekening 69: Deze, hoewel hij de Christelijke godsdienst aangenomen had, was nochtans onbesneden en geen Jodengenoot.
[^handelingen-21-29-m]: Verwijzing m: Hand. 20:4 ; 2 Tim. 4:20 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. 2 Timotheüs 4:20 : Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete ziek gelaten.
[^handelingen-21-29-70]: Kanttekening 70: dat Paulus in de tempel gebracht had: Dat nochtans zo niet was; maar zij meenden het omdat hij Paulus overal volgde.
[^handelingen-21-30-71]: Kanttekening 71: de gehele stad: Dat is, alle inwoners van de stad.
[^handelingen-21-30-72]: Kanttekening 72: en het volk: Grieks en daar kwam een samenloop van het volk.
[^handelingen-21-30-73]: Kanttekening 73: buiten de tempel: Namelijk opdat dezelfde niet meer door hem \[gelijk zij menen\] zou ontheiligd worden; of om de tempel met zijn bloed niet te besmetten, zo zij voorgenomen hadden hem om te brengen, vers 31 . Handelingen 21:31 : En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot de overste van de bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.
[^handelingen-21-31-74]: Kanttekening 74: het gerucht: Grieks het zeggen, de tijding.
[^handelingen-21-31-75]: Kanttekening 75: de overste: Grieks overste over duizend, kolonel; die over het garnizoen bevel had, gelijk ook hierna in de volgende hoofdstukken.
[^handelingen-21-31-76]: Kanttekening 76: in verwarring was: Grieks vermengd was, in verwarring was.
[^handelingen-21-32-77]: Kanttekening 77: naar hen toe: Of, tegen hen.
[^handelingen-21-33-n]: Verwijzing n: Hand. 21:11 . Handelingen 21:11 : En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen.
[^handelingen-21-33-78]: Kanttekening 78: twee ketenen: Namelijk aan de handen een en aan de voeten een; gelijk Agabus voorzegd had, vers 11 . Handelingen 21:11 : En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen.
[^handelingen-21-34-79]: Kanttekening 79: zekerheid niet: Namelijk wat van de zaak was; Hand. 22:30 . Handelingen 22:30 : En 's anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.
[^handelingen-21-34-80]: Kanttekening 80: Grieks Parembole; welke was ene plaats binnen Jeruzalem aan het noorden van de tempel, met muren omringd en sterk gemaakt als een burg of kasteel, waar het Romeins garnizoen zijn legerplaats had; en was genaamd naar een Romeins veldoverste Antonia. Josef. de bello Judaic. lib. 6, cap. 6.
[^handelingen-21-35-81]: Kanttekening 81: de trappen gekomen: Namelijk langs welke men opging naar de burg, die op ene hoogte lag.
[^handelingen-21-36-82]: Kanttekening 82: Weg met hem: Dat is, doodt hem.
[^handelingen-21-36-o]: Verwijzing o: Lukas 23:18 ; Joh. 19:15 ; Hand. 22:22 . Lukas 23:18 : Maar al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Deze, en laat ons Bar-abbas los. Johannes 19:15 : Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zei tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan de keizer. Handelingen 22:22 : Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.
[^handelingen-21-37-83]: Kanttekening 83: Is het mij: Of, zo het mij geoorloofd is; namelijk te spreken, zo zal Ik wat spreken.
[^handelingen-21-37-84]: Kanttekening 84: Hoewel Paulus een Jood of Hebreër was, zo sprak hij de overste in het Grieks aan, welke taal zeer algemeen was en van vele Romeinen geleerd.
[^handelingen-21-38-85]: Kanttekening 85: de Egyptenaar: Namelijk die omtrent drie jaren tevoren onder de stadhouder Felix het volk in oproer gebracht had, en zelf ontvloden was. Zie van deze Josef. Antiq. lib. 20, cap. 6,7, en de bello lib. 2, cap. 12.
[^handelingen-21-38-86]: Kanttekening 86: de vier duizend: Die daarna toenamen tot dertig duizend toe, gelijk Josefus schrijft.
[^handelingen-21-38-87]: Kanttekening 87: moordenaars naar: Grieks mannen van de moordenaars; of dergenen, die kort geweer en moordpriemen droegen, van welke Josefus wonderlijke dingen verhaalt.
[^handelingen-21-39-88]: Kanttekening 88: man van Tarsen: Grieks mens.
[^handelingen-21-39-p]: Verwijzing p: Hand. 9:11 ; idem v. 30 . Handelingen 9:11 : En de Heer zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt. Handelingen 9:30 : Maar de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.
[^handelingen-21-39-89]: Kanttekening 89: in Cilicië: Dat wordt er bij gedaan tot onderscheiding van een ander Tarsen in Bithynië.
[^handelingen-21-40-90]: Kanttekening 90: wenkte met de: Zie Hand. 12:17 , en Hand. 13:16 , en Hand. 19:33 . Handelingen 12:17 : En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heer uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Boodschapt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. Handelingen 13:16 : En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zei: U Israëlietische mannen, en u, die God vreest, hoort toe. Handelingen 19:33 : En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, zo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.

### Handelingen 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/22.json)

*1 Paulus voert zijn verdediging voor het volk, 3 en verhaalt dat hij een Jood was, opgevoed aan de voeten van Gamaliël, 4 en dat hij, ijverend voor de Wet, de christenen tot Damascus toe vervolgd heeft. 6 Daarna, hoe hij wonderlijk uit de hemel door Christus geroepen en bekeerd is, 12 en, door Ananias nader onderricht over zijn roeping tot het apostelschap, door hem gedoopt is. 17 En hoe Christus, door een visioen, in de tempel te Jeruzalem, hem opnieuw verschenen is, en hem tot de heidenen gezonden heeft. 22 Wanneer de Joden deze woorden horen, maken zij een nieuw oproer, en riepen dat hij niet behoorde te leven. 24 Daarom laat de overste hem binden, om gegeseld te worden. 25 Maar omdat hij zich op zijn Romeins burgerrecht beroept, wordt dat nagelaten, 30 en hij voor de Joodse Raad gesteld.*

**1** Broeders[^handelingen-22-1-1] en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v1)

**2** (Als zij nu hoorden, dat hij in de[^handelingen-22-2-2] Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zei:) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v2)

**3** [^handelingen-22-3-a] Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad,[^handelingen-22-3-3] aan de voeten[^handelingen-22-3-b] van Gamaliël onderwezen[^handelingen-22-3-4] naar de nauwkeurigste wijze van de vaderlijke wet, zijnde[^handelingen-22-3-5] een ijveraar voor God, zoals u allen vandaag bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v3)

**4** [^handelingen-22-4-c] Die[^handelingen-22-4-6] deze weg vervolgd heb[^handelingen-22-4-7] tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v4)

**5** Zoals mij ook de hogepriester getuige is, en heel de raad van de oudsten; van die ik ook brieven genomen hebbende tot[^handelingen-22-5-8] de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v5)

**6** [^handelingen-22-6-d] Maar[^handelingen-22-6-9] het gebeurde mij, als ik reisde, en Damascus naderde, ongeveer de middag, dat[^handelingen-22-6-e] plotseling uit de hemel een groot licht mij rondom omscheen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v6)

**7** En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v7)

**8** En ik antwoordde: Wie bent U, Heere? En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Die u vervolgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v8)

**9** En die met mij waren, zagen wel het licht,[^handelingen-22-9-f] en werden zeer bevreesd; maar de stem Van Degene, Die tot mij[^handelingen-22-9-10] sprak, hoorden zij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v9)

**10** En ik zei: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zei tot mij: Sta op, en ga heen naar Damascus; en daar zal met u gesproken worden, van al wat u bestemd is te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v10)

**11** En als ik[^handelingen-22-11-11] vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam in Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v11)

**12** [^handelingen-22-12-g] En een zekere Ananias, een godvrezend man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v12)

**13** [^handelingen-22-13-12] Kwam tot mij, en bij mij staande, zei tot mij: Saul, broeder,[^handelingen-22-13-13] word weer ziende! En op dat moment[^handelingen-22-13-14] kon ik hem zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v13)

**14** En hij zei: De God van onze vaders heeft u[^handelingen-22-14-15] te voren bestemd, om Zijn wil te kennen, en[^handelingen-22-14-16] de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v14)

**15** Want u zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van wat u gezien en gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v15)

**16** En nu, wat wacht u? Sta op, en laat u dopen, en[^handelingen-22-16-17] uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v16)

**17** [^handelingen-22-17-h] En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in[^handelingen-22-17-18] een geestvervoering was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v17)

**18** En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei:[^handelingen-22-18-i] Spoed u, en[^handelingen-22-18-19] ga snel weg uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v18)

**19** En ik zei: Heere, zij weten,[^handelingen-22-19-k] dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v19)

**20** [^handelingen-22-20-l] En toen het bloed van Stefanus,[^handelingen-22-20-20] Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mee een welbehagen had in zijn dood, en de kleren bewaarde degenen, die hem doodden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v20)

**21** En Hij zei tot mij: Ga, want Ik zal u ver weg naar de heidenen zenden.[^handelingen-22-21-m] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v21)

**22** Zij hoorden hem nu[^handelingen-22-22-21] tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende:[^handelingen-22-22-n] Weg van de aarde met zulk een, want het is niet gepast dat hij blijft leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v22)

**23** En als zij riepen, en de[^handelingen-22-23-22] kleren van zich smeten, en[^handelingen-22-23-23] stof in de lucht wierpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v23)

**24** Zo beval[^handelingen-22-24-24] de overste, dat men hem in[^handelingen-22-24-25] de kazerne zou brengen, en zei, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij zo over hem riepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v24)

**25** En zo zij hem[^handelingen-22-25-26] met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd[^handelingen-22-25-27] een Romein, en[^handelingen-22-25-28] die onveroordeeld, te geselen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v25)

**26** Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en meldde het de overste, zeggende: Zie, wat u te doen hebt; want deze mens is een Romein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v26)

**27** En de overste kwam toe, en zei tot hem: Zeg mij, bent u een Romein? En hij zei: Ja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v27)

**28** En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben ook[^handelingen-22-28-29] een burger geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v28)

**29** Meteen dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v29)

**30** En op de andere dag, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en heel hun raad zou bijeenkomen; en Paulus[^handelingen-22-30-30] afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/22.html#v30)

[^handelingen-22-1-1]: Kanttekening 1: broeders en: Hij noemt het gemeen volk, die hem in ouderdom gelijk waren, broeders, en hunne oudsten en oversten vaders, om hen zo met deze aanspraak tot gunstig gehoor te verwekken. Zie dergelijk voorbeeld in Stefanus; Hand. 7:2 . Handelingen 7:2 : En hij zei: U mannen broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran;
[^handelingen-22-2-2]: Kanttekening 2: Hebreeuwse taal: Dat is, Syrische die met de Hebreeuwse grote gemeenschap had, en daarom voor ééne taal werd gehouden. Want het Joodse volk had na de Babylonische gevangenis, door het gedurig verkeer met de Syriërs en Assyriërs, de zuiverheid van de Hebreeuwse taal met die talen zeer vermengd.
[^handelingen-22-3-a]: Verwijzing a: Hand. 9:11 ; Hand. 21:39 ; 2 Kor. 11:22 . Handelingen 9:11 : En de Heer zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt. Handelingen 21:39 : Maar Paulus zei: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 2 Korinthiërs 11:22 : Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
[^handelingen-22-3-3]: Kanttekening 3: aan de voeten: Dat is, onder de onderwijzing en het opzicht van die vermaarden wetgeleerde Gamaliël, van wiens aanzien onder het volk getuigd wordt Hand. 5:34 . En is deze wijze van spreken hiervan genomen, dat de leraars hoger in verheven stoelen of zetels zaten, en de discipelen op lager banken voor hunne voeten, gelijk ook van Maria gezegd wordt, Luk. 10:39 . Handelingen 5:34 : Maar een zeker Farizeër stond op in de raad, met name Gamaliël, een leraar van de wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan. Lukas 10:39 : En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
[^handelingen-22-3-b]: Verwijzing b: Hand. 5:34 . Handelingen 5:34 : Maar een zeker Farizeër stond op in de raad, met name Gamaliël, een leraar van de wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.
[^handelingen-22-3-4]: Kanttekening 4: de bescheidenste: Of, naar de scherpste. Grieks naar de scherpigheid; dat is, de Farizese, die van de Joden voor de beste en scherpste onderhoudster van de wet gehouden werd. Zie Hand. 26:5 ; Filipp. 3:5 . Handelingen 26:5 : Als die van over lang mij te voren gekend hebben (als zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onze godsdienst, als een Farizeër geleefd heb. Filippensen 3:5 : Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër;
[^handelingen-22-3-5]: Kanttekening 5: een ijveraar: Dat is, een ijveraar van de wet van God; maar zonder verstand, gelijk Paulus daarbij voegt, Rom. 10:2 . Romeinen 10:2 : Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
[^handelingen-22-4-c]: Verwijzing c: Hand. 8:3 ; Hand. 9:1 ; Hand. 26:9 ; 1 Kor. 15:9 ; Galat. 1:13 ; 1 Tim. 1:13 . Handelingen 8:3 : En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 26:9 : Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. 1 Korinthiërs 15:9 : Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. Galaten 1:13 : Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte; 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^handelingen-22-4-6]: Kanttekening 6: deze weg vervolgd: Dat is, deze leer of godsdienst. Zie Hand. 9:2 , en Hand. 19:9 , 19:23 . Handelingen 9:2 : En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. Handelingen 19:9 : Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg van de Heer voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. Handelingen 19:23 : Maar op dienzelfden tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege de weg van de Heer.
[^handelingen-22-4-7]: Kanttekening 7: tot de dood: Dat is, om hen ter dood te brengen; gelijk aan Stefanus geschied was; Hand. 7:60 . Handelingen 7:60 : En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
[^handelingen-22-5-8]: Kanttekening 8: de broeders: Dat is, de Joden en hunne oversten, Hand. 9:2 , die hij broeders noemt, omdat zij van één geslacht waren, hoewel bittere vijanden van de Christenen. Handelingen 9:2 : En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
[^handelingen-22-6-d]: Verwijzing d: Hand. 9:3 . Handelingen 9:3 : En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel;
[^handelingen-22-6-9]: Kanttekening 9: het geschiedde: Zie van deze geschiedenis Hand. 9:3 , en vervolgens met de aantekeningen daarover. Handelingen 9:3 : En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel;
[^handelingen-22-6-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 15:8 ; 2 Kor. 12:2 . 1 Korinthiërs 15:8 : En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 2 Korinthiërs 12:2 : Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derden hemel;
[^handelingen-22-9-f]: Verwijzing f: Dan. 10:7 . Daniël 10:7 : En ik, Daniël, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; maar een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.
[^handelingen-22-9-10]: Kanttekening 10: hoorden zij niet: Namelijk met verstand van de woorden; want anders hoorden zij het geluid. Zie de aantekeningen Hand. 9:7 . Handelingen 9:7 : En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
[^handelingen-22-11-11]: Kanttekening 11: vanwege de: Dat is, de uitnemende klaarheid van dit licht had mijne ogen zo verduisterd, dat er gelijk schellen op waren gekomen; Hand. 9:18 . Handelingen 9:18 : En meteen vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd meteen opnieuw ziende; en stond op, en werd gedoopt.
[^handelingen-22-12-g]: Verwijzing g: Hand. 9:17 . Handelingen 9:17 : En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden.
[^handelingen-22-13-12]: Kanttekening 12: Kwam tot mij: Namelijk van Christus door een gezicht gezonden; Hand. 9:10 . Handelingen 9:10 : En er was een zeker discipel in Damascus, met name Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heer!
[^handelingen-22-13-13]: Kanttekening 13: word weer ziende: Of, zie opwaarts.
[^handelingen-22-13-14]: Kanttekening 14: werd ik ziende: Of, zag ik op hem.
[^handelingen-22-14-15]: Kanttekening 15: te voren verordineerd: Of, tevoren geschikt. Het Griekse woord betekent zoveel als bij de hand genomen.
[^handelingen-22-14-16]: Kanttekening 16: de Rechtvaardige: Dat is, Jezus Christus, die geen zonde heeft gekend, hoewel hij als een onrechtvaardige is veroordeeld; Jes. 53:11 ; Hand. 3:14 ; 1 Joh. 2:1 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Handelingen 3:14 : Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden; 1 Johannes 2:1 : Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige;
[^handelingen-22-16-17]: Kanttekening 17: uw zonden afwassen: Dat is, tot een teken en verzegeling, dat uwe zonden door het bloed en de Geest van Christus afgewassen zijn; ene wijze van spreken, die van de sacramenten dikwijls gebruikt wordt. Zie Mark. 1:4 ; Ef. 5:26 , dat nader verklaard wordt Matt. 3:11 ; 1 Petr. 3:21 ; 1 Joh. 1:7 . Marcus 1:4 : Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. 1 Petrus 3:21 : Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus; 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
[^handelingen-22-17-h]: Verwijzing h: Hand. 9:28 . Handelingen 9:28 : En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;
[^handelingen-22-17-18]: Kanttekening 18: een vertrekking: Grieks uitstand; waarvan zie Hand. 10:10 . Dit schijnt geschied te zijn nadat hij uit Arabië weer naar Jeruzalem gekeerd was, drie jaren na zijn bekering; Gal. 1:18 . Handelingen 10:10 : En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen. Galaten 1:18 : Daarna kwam ik na drie jaren weer te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.
[^handelingen-22-18-i]: Verwijzing i: Matt. 10:14 . Mattheüs 10:14 : En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uw voeten af.
[^handelingen-22-18-19]: Kanttekening 19: ga in van de haast: Dit gehele verhaal van Paulus, gelijk ook het vorige, dient daartoe om de Joden te bewijzen dat hij niet uit onwetendheid van de beloften, de Joden geschied, noch uit enige partijschap tegen hen, maar alleen door de stem en de wil Gods gedrongen zijnde, tot de heidenen was gegaan, om hun het Evangelie te prediken.
[^handelingen-22-19-k]: Verwijzing k: Hand. 22:4 . Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen.
[^handelingen-22-20-l]: Verwijzing l: Hand. 7:58 ; Hand. 8:1 . Handelingen 7:58 : En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus. Handelingen 8:1 : En Saulus had mee een welbehagen aan zijn dood. En er werd op die dag een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
[^handelingen-22-20-20]: Kanttekening 20: Grieks martyros; waarvan het woord martelaar komt, omdat zij met hun bloed de waarheid van het Evangelie getuigenis geven, van welke Stefanus na de verrijzenis van Christus de eerste is geweest.
[^handelingen-22-21-m]: Verwijzing m: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 ; Galat. 1:15 ; Galat. 2:8 ; Efez. 3:8 ; 1 Tim. 2:7 ; 2 Tim. 1:11 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Galaten 1:15 : Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Efeziërs 3:8 : Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 1 Timotheüs 2:7 : Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid. 2 Timotheüs 1:11 : Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen;
[^handelingen-22-22-21]: Kanttekening 21: tot dit woord toe: Namelijk opdat zij niet konden verdragen dat de heidenen hun gelijk gesteld of boven hen werden verheven, zijn zij daarover zo ontsteld geworden.
[^handelingen-22-22-n]: Verwijzing n: Hand. 21:36 . Handelingen 21:36 : Want de menigte van het volk volgde, al roepende: Weg met hem!
[^handelingen-22-23-22]: Kanttekening 22: kleren van: Of, mantels, opperklederen.
[^handelingen-22-23-23]: Kanttekening 23: stof in de lucht: Namelijk uit onstuimigheid als razende mensen. Anderen menen, dat zij zulks deden om te tonen dat hij naar hunne wet als een lasteraar behoorde gestenigd te worden; waartoe het afwerpen van de kleren diende, Hand. 7:58 , en het werpen van stof inplaats van stenen, die zij daar niet hadden. Handelingen 7:58 : En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.
[^handelingen-22-24-24]: Kanttekening 24: de overste: Namelijk de kolonel of kommandeur van het kasteel Antonia, genaamd Claudius Lysias; Hand. 23:26 . Handelingen 23:26 : Claudius Lysias aan de machtigsten stadhouder Felix groetenis.
[^handelingen-22-24-25]: Kanttekening 25: de legerplaats: Zie daarvan Hand. 21:34 . Handelingen 21:34 : En onder de schare riep de ene dit, de andere wat anders. Maar als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.
[^handelingen-22-25-26]: Kanttekening 26: met de riemen: Dat is, zo bonden, dat zijn leden uitgerekt worden aan een staak of pilaar, om gegeseld te worden.
[^handelingen-22-25-27]: Kanttekening 27: een Romeinsen mens: Dat is, een die het burgerrecht van de stad Rome heeft. Zie vers 28 . Handelingen 22:28 : En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som gelds verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben ook een burger geboren.
[^handelingen-22-25-28]: Kanttekening 28: Dat is, zonder behoorlijke kennis van zaken genomen te hebben.
[^handelingen-22-28-29]: Kanttekening 29: Namelijk niet dat hij in de stad van Rome geboren was, maar in de stad Tarsen in Cilicië, wier burgers van de keizer Augustus verkregen hadden het burgerrecht van de stad Rome, doordien zij in de oorlog van dezelfde tegen Brutus en Cassius, met hem gehouden en veel geleden hadden, van hunne middelen daardoor beroofd zijnde. Zie Dion. Chrys. in Tars. 2, en Dion. Cass. lib. 47. Plinius noemt dezelfde ook ene vrije stad; Hist. nat. lib. 5, cap. 27. Zie ook de aantekeningen Hand. 9:11 . Handelingen 9:11 : En de Heer zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.
[^handelingen-22-30-30]: Kanttekening 30: afgebracht hebbende: Namelijk uit het kasteel Antonia \[dat op ene hoogte lag\] naar beneden, ergens in ene plaats van het voorkasteel, of daaromtrent, waar hij de Raad van de Joden heeft ontboden. Want het is niet waarschijnlijk, dat hij in de tempel zelf Paulus gebracht heeft, zo Lysias met de zijnen heidenen waren, en daarom in de tempel zelf niet mochten komen; en nochtans blijkt Hand. 23:10 , dat hij en zijn soldaten daar tegenwoordig zijn geweest. Handelingen 23:10 : En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.

### Handelingen 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/23.json)

*1 Wanneer Paulus in de Raad zijn verdediging begint, wordt hij op bevel van de hogepriester geslagen. 3 Waarover hij die ernstig bestraft, niet wetend dat hij de hogepriester was. 6 En omdat een deel van de Raad Sadduceeën waren, verklaarde hij dat hij een Farizeeër was, en om de opstanding uit de doden geoordeeld werd. 7 Waarover de Farizeeën en Sadduceeën in twist geraken, en hij wordt door de Farizeeën onschuldig verklaard. 11 Hij wordt door de Heere aangesproken en getroost. 12 Veertig mannen verbinden zich met een eed, niet te zullen eten noch drinken totdat zij hem gedood hebben. 16 Wat Paulus door zijn zusterszoon verneemt, en aan de overste bekendmaakt. 23 Die hem 's nachts, door krijgsknechten begeleid, naar Cesarea zendt, naar Felix de stadhouder, met een brief waarin de zaak verhaald wordt. 34 Wanneer Felix de brief gelezen heeft, laat hij Paulus in het gerechtsgebouw van Herodes bewaken.*

**1** En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Broeders![^handelingen-23-1-a] ik heb[^handelingen-23-1-1] met alle goed geweten[^handelingen-23-1-2] voor God gewandeld tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v1)

**2** [^handelingen-23-2-b] Maar de hogepriester Ananias beval degenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v2)

**3** Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan,[^handelingen-23-3-3] u gewitte wand![^handelingen-23-3-c] Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u,[^handelingen-23-3-4] tegen de wet, dat men mij zal slaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v3)

**4** En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt u de hogepriester van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v4)

**5** En Paulus zei:[^handelingen-23-5-5] Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven:[^handelingen-23-5-d] De overste van uw volk zult u niet[^handelingen-23-5-6] vloeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v5)

**6** En Paulus wetende dat het ene deel was[^handelingen-23-6-7] van de Sadduceën, en het andere van de Farizeën, riep in de raad: Broeders,[^handelingen-23-6-e] ik ben[^handelingen-23-6-8] een Farizeër, zoon van een Farizeeër; ik word over[^handelingen-23-6-9] de hoop en opstanding van de[^handelingen-23-6-10] doden geoordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v6)

**7** En als hij dit gesproken had, ontstond er[^handelingen-23-7-11] tweedracht tussen de Farizeën en de Sadduceën, en[^handelingen-23-7-12] de menigte werd[^handelingen-23-7-13] verdeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v7)

**8** [^handelingen-23-8-f] Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch[^handelingen-23-8-14] geest, maar de Farizeën belijden het[^handelingen-23-8-15] beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v8)

**9** En er ontstond een groot geroep; en de Schriftgeleerden[^handelingen-23-9-16] van de zijde van de Farizeën stonden op, en streden, zeggende:[^handelingen-23-9-g] Wij vinden geen kwaad in deze mens; en als een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v9)

**10** En als er[^handelingen-23-10-17] grote tweespalt ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat de soldaten zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de kazerne brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v10)

**11** [^handelingen-23-11-h] En de volgenden nacht[^handelingen-23-11-18] stond de Heere bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want zoals u te Jeruzalem[^handelingen-23-11-19] van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v11)

**12** [^handelingen-23-12-i] En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een complot, en[^handelingen-23-12-20] vervloekten zichzelf, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, voordat zij Paulus zouden gedood hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v12)

**13** En zij waren meer dan veertig, die deze eed samen gedaan hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v13)

**14** Die gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelf met een vervloeking gebonden, niets te zullen nuttigen, voordat wij Paulus zullen gedood hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v14)

**15** U dan nu, laat[^handelingen-23-15-21] de overste weten[^handelingen-23-15-22] met de raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof u nadere[^handelingen-23-15-23] kennis zou nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, voordat hij bij u komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v15)

**16** En toen de zoon van Paulus' zus deze hinderlaag had gehoord, kwam hij daar, en ging in de kazerne, en meldde het Paulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v16)

**17** En Paulus riep tot zich één van de hoofdmannen over honderd, en zei: Leid deze jongeling heen tot de overste; want hij heeft hem iets te melden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v17)

**18** Deze dan nam hem en bracht hem tot de overste, en zei: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en verzocht, dat ik deze jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v18)

**19** De overste nu nam hem bij de hand, en hem apart genomen hebbende, vroeg hij: Wat is het dat u mij hebt te boodschappen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v19)

**20** En hij zei:[^handelingen-23-20-24] De Joden zijn[^handelingen-23-20-k] overeengekomen, om van u te begeren, dat u Paulus morgen in de raad zou afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v20)

**21** Maar[^handelingen-23-21-25] geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem een hinderlaag, die zichzelf[^handelingen-23-21-26] met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, voordat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende[^handelingen-23-21-27] de toezegging van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v21)

**22** De overste dan liet de jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat u mij dat geopenbaard hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v22)

**23** En hij riep twee hoofdmannen over honderd tot zich, zei hij: Maak tweehonderd soldaten gereed, opdat zij naar[^handelingen-23-23-28] Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd[^handelingen-23-23-29] schutters,[^handelingen-23-23-30] tegen het derde uur in de nacht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v23)

**24** En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot de stadhouder[^handelingen-23-24-31] Felix. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v24)

**25** En hij schreef een brief, hebbende deze inhoud: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v25)

**26** Claudius Lysias aan de[^handelingen-23-26-32] machtigsten stadhouder Felix groetenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v26)

**27** [^handelingen-23-27-l] Zo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met de soldaten, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v27)

**28** En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v28)

**29** Die ik bevond beschuldigd te worden over[^handelingen-23-29-33] vragen van hun wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of banden waard is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v29)

**30** En als mij te kennen gegeven was, dat door de Joden een hinderlaag tegen deze man zou worden gelegd, zo heb ik hem meteen aan u gezonden; gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, wat zij tegen hem hadden. Vaarwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v30)

**31** De soldaten dan, zoals hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem bij nacht tot[^handelingen-23-31-34] Antipatris. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v31)

**32** En op de andere dag, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij opnieuw naar de kazerne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v32)

**33** Die als zij te Cesarea gekomen waren, en de brief de stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v33)

**34** En de stadhouder, de brief gelezen hebbende, vroeg, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicië was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v34)

**35** Zei hij: Ik zal u[^handelingen-23-35-35] horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het[^handelingen-23-35-36] rechthuis[^handelingen-23-35-37] van Herodes zou bewaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/23.html#v35)

[^handelingen-23-1-a]: Verwijzing a: Hand. 24:16 . Handelingen 24:16 : En hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.
[^handelingen-23-1-1]: Kanttekening 1: met alle goed: Namelijk niet alleen in het Christendom, maar ook in het Jodendom, want hij had toen ook God oprecht zonder geveinsdheid gediend, naar de kennis die hij had, hoewel hij de Christenen daarna uit onverstand had vervolgd. Zie verder 2 Tim. 1:3 . 2 Timotheüs 1:3 : Ik dank God, Wie ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten, gelijk ik zonder ophouden uw gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;
[^handelingen-23-1-2]: Kanttekening 2: voor God gewandeld: Of, God gediend. Het Griekse woord betekent eigenlijk in enige stad als een goede overheid, of als een goed burger zich gedragen. Zie ook Filipp. 1:27 , en Filipp. 3:20 . Filippensen 1:27 : Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; Filippensen 3:20 : Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^handelingen-23-2-b]: Verwijzing b: 1 Kon. 22:24 ; Jer. 20:2 ; Joh. 18:22 . 1 Koningen 22:24 : Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zei: Door wat weg is de geest van YHWH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? Jeremia 20:2 : Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is. Johannes 18:22 : En als Hij dit zei, gaf één van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt U zo de hogepriester?
[^handelingen-23-3-3]: Kanttekening 3: u gewitte wand: Dat is, u geveinsde, u die wel een priesterlijk kleed hebt, maar een wreed en onrechtvaardig hart. Zie Matt. 23:27 , 23:28 ; deze woorden van Paulus moeten niet genomen worden voor scheldwoorden, Matt. 5:22 , of woorden van wraakgierigheid, of van vergelding van kwaad met kwaad, maar voor een ernstige bestraffing van deze mens, en voor een vrijmoedige aanzegging van Gods oordeel over hem. Zie dergelijke 2 Tim. 4:14 . Mattheüs 23:27 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent de witgepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Mattheüs 23:28 : Zo ook schijnt u wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol geveinsdheid en ongerechtigheid. Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. 2 Timotheüs 4:14 : Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken.
[^handelingen-23-3-c]: Verwijzing c: Deut. 17:9 . Deuteronomium 17:9 : En u zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen.
[^handelingen-23-3-4]: Kanttekening 4: tegen de wet: Grieks de wet overtredende.
[^handelingen-23-5-5]: Kanttekening 5: Ik wist niet: Omdat de hogepriesters in die tijd dikwijls veranderden, ook zelfs alle jaren, Joh. 11:49 , en Paulus nu over langen tijd te Jeruzalem niet verkeerd had, zo is het niet wonder dat hij de hogepriester van aangezicht niet gekend heeft, temeer omdat ook de hogepriester zelf in alle vergaderingen niet tegenwoordig was, en omdat hier alles in verwarring toeging, gelijk uit de gehele handeling blijkt. Zie Josef. Antiq. lib. 20, cap. 6,7,8. Johannes 11:49 : En één uit hen, namelijk Kajafas, die datzelfde jaar hogepriester was, zei tot hen: U verstaat niets;
[^handelingen-23-5-d]: Verwijzing d: Ex. 22:28 . Exodus 22:28 : De goden zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren.
[^handelingen-23-5-6]: Kanttekening 6: Grieks kwalijk toespreken, of, kwalijk van hem spreken, schelden. Want hoewel Paulus niet had dan recht gesproken, nochtans, omdat het bij de omstanders een schijn had van schelden, zo wil hij zeggen, dat hij zulks ook zou vermeden hebben, had hij de hogepriester gekend.
[^handelingen-23-6-7]: Kanttekening 7: van de Sadduceeën: Van deze twee sekten, zie Matt. 3:7 , en Matt. 22:23 ; Josef. Antiq. lib. 18, cap. 2, en de bello Jud. lib. 2, cap. 7. Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? Mattheüs 22:23 : Op dezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem.
[^handelingen-23-6-e]: Verwijzing e: Hand. 24:21 ; Hand. 26:6 ; Filip. 3:5 . Handelingen 24:21 : Dan van dit enig woord, dat ik riep, staande onder hen: Over de opstanding van de doden word ik heden van u geoordeeld! Handelingen 26:6 : En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop van de belofte, die van God tot de vaderen geschied is; Filippensen 3:5 : Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër;
[^handelingen-23-6-8]: Kanttekening 8: een Farizeeër, eens: Namelijk van leven geweest, en nog met hen staande in het gevoelen aangaande de opstanding van de doden en enige andere stukken. Hij spreekt hier de waarheid, hoewel hij een deel van dezelfde verzwijgt, om de vijanden van Gods kerk zo te verwarren.
[^handelingen-23-6-9]: Kanttekening 9: de hoop en opstanding: Dit kan verstaan worden, òf van de hoop van de opstanding, òf ook van de hoop van de zaligheid en van de opstanding, zo de Sadduceën beide loochenden, omdat zij de onsterflijkheid van de zielen ontkenden.
[^handelingen-23-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, voor recht gesteld.
[^handelingen-23-7-11]: Kanttekening 11: Of, oproer.
[^handelingen-23-7-12]: Kanttekening 12: de menigte: Namelijk dergenen, die daar vergaderd waren.
[^handelingen-23-7-13]: Kanttekening 13: Grieks gescheurd.
[^handelingen-23-8-f]: Verwijzing f: Matt. 22:23 ; Mark. 12:18 ; Lukas 20:27 . Mattheüs 22:23 : Op dezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. Marcus 12:18 : En de Sadduceën kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: Lukas 20:27 : En tot Hem kwamen sommigen van de Sadduceën, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,
[^handelingen-23-8-14]: Kanttekening 14: Dat is, onsterflijkheid van de zielen, of geestelijk wezen, dat onsterflijk is.
[^handelingen-23-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk de opstanding van de lichamen, en de onsterflijkheid van de geesten, dat is, van de engelen en zielen.
[^handelingen-23-9-16]: Kanttekening 16: van de zijde: Grieks van het deel.
[^handelingen-23-9-g]: Verwijzing g: Hand. 25:25 ; Hand. 26:31 . Handelingen 25:25 : Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets van de dood waard gedaan had, en omdat hij ook zelf zich op de keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. Handelingen 26:31 : En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkaar, zeggende: Deze mens doet niets van de dood of van de banden waard.
[^handelingen-23-10-17]: Kanttekening 17: Of, oproer.
[^handelingen-23-11-h]: Verwijzing h: Hand. 18:9 . Handelingen 18:9 : En de Heer zei tot Paulus door een gezicht in de nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.
[^handelingen-23-11-18]: Kanttekening 18: stond de Heer: Namelijk in een gezicht, òf in een droom, òf in ene vertrekking van zinnen; 2 Kor. 12:1 . 2 Korinthiërs 12:1 : Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen van de Heer.
[^handelingen-23-11-19]: Kanttekening 19: van Mij betuigd: Of, van die dingen die mij aangaan.
[^handelingen-23-12-i]: Verwijzing i: Hand. 23:21 ; idem v. 29 ; idem v. 30 . Handelingen 23:21 : Maar geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. Handelingen 23:29 : Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hun wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of banden waard is. Handelingen 23:30 : En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem meteen aan u gezonden; gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, wat zij tegen hem hadden. Vaarwel.
[^handelingen-23-12-20]: Kanttekening 20: Grieks anethematisan; dat is, zwoeren, dat zij een anathema, of vervloeking voor God wilden zijn, zo zij aten of dronken voordat zij Paulus gedood hadden. Zie vers 21 ; Matt. 26:74 ; Rom. 9:3 ; Gal. 1:8 . Handelingen 23:21 : Maar geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. Mattheüs 26:74 : Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de Mens niet. Romeinen 9:3 : Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees; Galaten 1:8 : Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^handelingen-23-15-21]: Kanttekening 21: de overste: Namelijk Lysias, waarvan zie de aantekeningen Hand. 22:24 . Handelingen 22:24 : Zo beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zei, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij zo over hem riepen.
[^handelingen-23-15-22]: Kanttekening 22: met de raad: Of, met goedvinden van de Raad. Want Paulus was alleen in de macht van de oversten, en niet van de Raad.
[^handelingen-23-15-23]: Kanttekening 23: nadere kennis: Of, volkomener, bescheidenlijker, nauwer, scherper.
[^handelingen-23-20-24]: Kanttekening 24: De Joden: Dat is, de Raad van de Joden, met enige anderen.
[^handelingen-23-20-k]: Verwijzing k: Hand. 23:12 . Handelingen 23:12 : En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenspanning, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.
[^handelingen-23-21-25]: Kanttekening 25: geloof hen niet: Of, laat u van hen niet overreden; dat is, willig dat hun niet in.
[^handelingen-23-21-26]: Kanttekening 26: met een vervloeking: Grieks vervloekt hebben.
[^handelingen-23-21-27]: Kanttekening 27: de toezegging: Namelijk dat u hem zult afbrengen in hun Raad.
[^handelingen-23-23-28]: Kanttekening 28: Namelijk in Palestina, aan de Middellandse zee gelegen, waar de stadhouder zijn gewoon verblijf en gericht hield, als de sterkste en gelegenste stad in dat land; Tacit. Histor. lib. 2.
[^handelingen-23-23-29]: Kanttekening 29: Grieks dexiolabous; dat eigenlijk betekent, die met de rechterhand vatten; namelijk de spiesen om die te werpen, of te schieten op de vijanden.
[^handelingen-23-23-30]: Kanttekening 30: tegen de derde: Grieks van; namelijk na de ondergang van de zon, tegen de tweede wake, om hem zo die nacht buiten zorg te mogen brengen.
[^handelingen-23-24-31]: Kanttekening 31: Deze Felix was de broeder van enen Pallas, die eerst een slaaf, daarna een vrijgelatene van de keizer Claudius was, welke met een anderen vrijgelatene, Narcissus genaamd, nagenoeg het Romeinse rijk onder deze keizer regeerden. Zodat deze Pallas zijn broeder Felix tot een stadhouder over Judea vanwege de keizer gesteld had. Zie Suetonius in Claudio cap. 28, en Josefus Antiq. lib. 29, cap. 5,6, Tacitus Ann. lib. 12.
[^handelingen-23-26-32]: Kanttekening 32: Zie Luk. 1:3 ; Hand. 24:3 , en Hand. 26:25 . Lukas 1:3 : Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! Handelingen 24:3 : Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele prijzenswaardige diensten dit volk gebeuren door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan. Handelingen 26:25 : Maar hij zei: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;
[^handelingen-23-27-l]: Verwijzing l: Hand. 21:33 . Handelingen 21:33 : Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.
[^handelingen-23-29-33]: Kanttekening 33: vragen hun: Zo spreekt hij als een heiden, alsof het de moeite niet waard ware hem over de geschillen in de Joodse godsdienst enige moeite te maken. Maar God heeft dit zijn gevoelen gebruikt om Paulus uit de onrechtvaardige handen van de Joden te verlossen.
[^handelingen-23-31-34]: Kanttekening 34: Ene stad, gelegen aan de Middellandse zee tussen Joppe en Cesarea, omtrent zestien mijlen van Jeruzalem en acht van Cesarea, die van Herodes de Grote opgebouwd en gesterkt was, en naar zijn vader Antipatris genaamd; Josef. Antiq. lib. 16, cap. 9.
[^handelingen-23-35-35]: Kanttekening 35: Of, ten volle horen, gelijk het Griekse woord medebrengt.
[^handelingen-23-35-36]: Kanttekening 36: Grieks Praitorio; van het Latijnse woord Proetorium, dat betekent een paleis van de opperste gebieder, hetzij prins, gouverneur, of veldoverste; gelijk te zien is Matt. 27:27 ; Mark. 15:16 ; Filipp. 1:13 , waarin ook een bijzondere plaats was om recht te doen. Mattheüs 27:27 : Toen namen de krijgsknechten van de stadhouder Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de gehele bende. Marcus 15:16 : En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de gehele bende samen; Filippensen 1:13 : Zo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het gehele rechthuis, en aan alle anderen;
[^handelingen-23-35-37]: Kanttekening 37: Het werd zo genaamd, omdat Herodes de Grote hetzelfde daar gesticht had, toen hij deze stad, tevoren genaamd Stratonis toren, sterk maakte en naar de naam van de keizer Augustus Cesarea noemde.

### Handelingen 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/24.json)

*1 De hogepriester Ananias, en de oudsten van het volk, verschijnen met de advocaat Tertullus voor Felix tegen Paulus. 5 Zij brengen zware beschuldigingen tegen hem in. 10 Waarop Paulus zijn verdediging voert met belijdenis van zijn geloof en godsdienst. 22 Felix stelt de zaak uit tot de komst van Lysias, 23 en geeft Paulus ondertussen meer vrijheid. 24 Paulus onderwijst hem en zijn vrouw in enige hoofdpunten van het geloof, 26 en wordt dikwijls door hem ontboden, in de hoop geld te krijgen, 27 en heeft hem gevangen gelaten om de Joden te behagen.*

**1** En[^handelingen-24-1-1] vijf dagen daarna kwam[^handelingen-24-1-a] de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekere[^handelingen-24-1-2] advocaat, genoemd Tertullus, die verschenen voor de stadhouder tegen Paulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v1)

**2** En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v2)

**3** Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat[^handelingen-24-3-3] vele prijzenswaardige diensten deze volk gebeuren door uw voorzichtigheid, machtigste Felix,[^handelingen-24-3-4] nemen wij geheel en overal met alle dankbaarheid aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v3)

**4** Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat u ons, naar uw[^handelingen-24-4-5] welwillendheid, kortelijk hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v4)

**5** Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door heel de wereld, en een oppersten voorstander van[^handelingen-24-5-6] de sekte[^handelingen-24-5-7] van de Nazarenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v5)

**6** [^handelingen-24-6-b] Die ook gepoogd heeft[^handelingen-24-6-8] de tempel te ontheiligen, die wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v6)

**7** Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met[^handelingen-24-7-9] groot geweld uit onze handen weggebracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v7)

**8** Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen;[^handelingen-24-8-10] van die u zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al wat, waarvan wij hem beschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v8)

**9** En ook[^handelingen-24-9-11] de Joden[^handelingen-24-9-12] stemden het toe, zeggende, dat deze dingen zo waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v9)

**10** Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Omdat ik weet, dat u nu[^handelingen-24-10-13] vele jaren over dit volk rechter bent geweest, zo verantwoord ik[^handelingen-24-10-14] mijzelf met goede moed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v10)

**11** Zo u[^handelingen-24-11-15] kunt weten, dat het niet meer dan[^handelingen-24-11-16] twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v11)

**12** [^handelingen-24-12-c] En zij hebben mij noch in de tempel gevonden[^handelingen-24-12-17] tot iemand sprekende, of enige samenspanning van het volk makende, noch in de synagogen, noch in de stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v12)

**13** En zij kunnen niet[^handelingen-24-13-18] bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v13)

**14** Maar dit beken ik u, dat ik naar[^handelingen-24-14-19] die weg, die zij[^handelingen-24-14-20] sekte noemen, de God van de vaders zo dien, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v14)

**15** Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat[^handelingen-24-15-21] er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en[^handelingen-24-15-22] van de onrechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v15)

**16** [^handelingen-24-16-d] En[^handelingen-24-16-23] hierin oefen ik mijzelf, om altijd een zuiver geweten te hebben bij God en de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v16)

**17** Maar[^handelingen-24-17-24] na vele jaren ben ik gekomen[^handelingen-24-17-e] om liefdegaven te doen aan[^handelingen-24-17-25] mijn volk, en[^handelingen-24-17-26] offergaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v17)

**18** [^handelingen-24-18-f] Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in de tempel, niet met volk, noch met opschudding, enige Joden uit Azië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v18)

**19** Die behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, als zij iets hadden tegen mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v19)

**20** Of dat deze zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor de raad stond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v20)

**21** Dan van dit enig[^handelingen-24-21-27] woord, dat ik[^handelingen-24-21-28] riep, staande onder hen:[^handelingen-24-21-g] Over de opstanding van de doden word ik vandaag van u geoordeeld! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v21)

**22** Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen[^handelingen-24-22-29] uit, zeggende: Als ik nader wetenschap[^handelingen-24-22-30] van deze weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v22)

**23** En hij beval de hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en[^handelingen-24-23-31] verlichting hebben,[^handelingen-24-23-h] en dat hij niemand van[^handelingen-24-23-32] de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v23)

**24** En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met[^handelingen-24-24-33] Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v24)

**25** En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix,[^handelingen-24-25-34] zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor deze keer kunt u gaan; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v25)

**26** En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus[^handelingen-24-26-35] geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v26)

**27** Maar als[^handelingen-24-27-36] twee jaren vervuld waren, kreeg Felix[^handelingen-24-27-37] Porcius Festus[^handelingen-24-27-38] in zijn plaats; en Felix,[^handelingen-24-27-i] willende de Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/24.html#v27)

[^handelingen-24-1-1]: Kanttekening 1: vijf dagen daarna: Namelijk nadat Paulus van Jeruzalem te Cesarea was gebracht; want alsdan zijn deze zijn beschuldigers daar ook gekomen, daartoe van Lysias vermaand zijnde. Zie vers 8 , en Hand. 23:30 , 23:33 . Handelingen 24:8 : Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van wie u zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al wat, waarvan wij hem beschuldigen. Handelingen 23:30 : En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem meteen aan u gezonden; gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, wat zij tegen hem hadden. Vaarwel. Handelingen 23:33 : Zij als zij te Cesarea gekomen waren, en de brief de stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.
[^handelingen-24-1-a]: Verwijzing a: Hand. 23:2 . Handelingen 23:2 : Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan.
[^handelingen-24-1-2]: Kanttekening 2: Grieks Rhetor; dat is, taalman, advokaat, een die geoefend is in de kunst van welsprekendheid; namelijk die het woord zou voeren, hetzij in het Grieks of in het Latijn.
[^handelingen-24-3-3]: Kanttekening 3: prijzenswaardige diensten: Of, en vele prijzenswaardige zaken, of daden, die dit volk gebeuren. Waarin hij ten dele de waarheid zegt, maar ten dele zich tegen de waarheid zoekt te pluimstrijken. Want Felix had wel enen, genaamd Eleazarus, en een vermaarden bedrieger en straatschender in het Joodse land, met zijn hoop uitgeroeid, maar daarentegen had hij hun hogepriester Jonathan, die zich tegen zijn onbehoorlijke handelingen stelde, omgebracht en het volk zeer uitgemergeld, en in vele dingen wredelijk gehandeld. Zie Josefus Antiq. lib. 20, cap. 5,6,7.
[^handelingen-24-3-4]: Kanttekening 4: nemen wij ganselijk: Dat is, erkennen.
[^handelingen-24-4-5]: Kanttekening 5: Of, billijkheid.
[^handelingen-24-5-6]: Kanttekening 6: de sekte: Of, van de ketterij.
[^handelingen-24-5-7]: Kanttekening 7: van de Nazarenen: Zo noemt hij verachtelijk de discipelen van Christus, of de Christenen, omdat hij hield dat Christus van Nazareth in Galilea geboren was, hoedanigen voor slechte mensen gehouden werden; Joh. 1:47 , en Joh. 7:41 , 7:52 . Welke naam ook daarna aan een zekere sekte onder de Christenen gegeven is geweest van de Christenen zelf, die de wet van de ceremoniën met het Evangelie wilden mengen, van welke Cerinthus ook een hoofd was; zie Hand. 15:1 . Johannes 1:47 : En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei van hem: Kom en zie. Johannes 7:41 : Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen? Johannes 7:52 : Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is. Handelingen 15:1 : En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden.
[^handelingen-24-6-b]: Verwijzing b: Hand. 21:28 . Handelingen 21:28 : Roepende: U Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
[^handelingen-24-6-8]: Kanttekening 8: de tempel te: Namelijk met het inbrengen van heidenen of onbesnedenen; hoewel het tegen de waarheid gezegd wordt; zie Hand. 21:28 . Dit verzwijgt hij hier nochtans, omdat Felix zelf een heiden en onbesneden was. Handelingen 21:28 : Roepende: U Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
[^handelingen-24-7-9]: Kanttekening 9: groot geweld uit: Grieks veel.
[^handelingen-24-8-10]: Kanttekening 10: van wie: Namelijk Paulus hier tegenwoordig. Dit zegt hij zeer onbeschaamd, gelijk uit de volgende verantwoording van Paulus blijkt.
[^handelingen-24-9-11]: Kanttekening 11: de Joden: Namelijk die daar uit de Raad tegenwoordig waren om hem te beschuldigen. Deze stonden toe wat van hun advocaat gezegd was.
[^handelingen-24-9-12]: Kanttekening 12: stemden het toe: Of, voegden daar ook bij.
[^handelingen-24-10-13]: Kanttekening 13: vele jaren: Dit zegt Paulus, omdat Felix tevoren vele jaren een deel van het Joodse land, namelijk Trachonitis, Gaulonitis en Batanea had geregeerd. Zie Josefus de bello Jud. lib. 2, cap. 11,12.
[^handelingen-24-10-14]: Kanttekening 14: mijzelf met: Of, mijne zaken, die mij aangaan.
[^handelingen-24-11-15]: Kanttekening 15: kunt weten: Namelijk zo u daarvan onderzoek wilt doen.
[^handelingen-24-11-16]: Kanttekening 16: twaalf dagen: Namelijk geleden, van welke hij maar zeven te Jeruzalem en de andere vijf nu te Cesarea was geweest, zodat hij in die tijd niet had kunnen doen, wat daartoe diende, of wat verduisterd kon zijn, waar zij hem over beschuldigden.
[^handelingen-24-12-c]: Verwijzing c: Hand. 25:8 ; Hand. 28:17 . Handelingen 25:8 : Omdat hij, verantwoordende, zei: Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd. Handelingen 28:17 : En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten van de Joden waren. En als zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen;
[^handelingen-24-12-17]: Kanttekening 17: tot iemand: Of, tegen iemand twistende.
[^handelingen-24-13-18]: Kanttekening 18: bewijzen waarvan: Grieks daarstellen, of staande houden.
[^handelingen-24-14-19]: Kanttekening 19: die weg: Dat is, leer, of wijze van godsdienst. Hij bekent dan hiermede openlijk dat hij een Christen is; maar ontkent dat hij daarom een anderen God dient dan de God van hun vaderen, of een ander geloof heeft dan wat in de wet en de profeten is voorgesteld; dat hij ook daarom geen nieuwe sekte opricht, gelijk zij hem beschuldigden.
[^handelingen-24-14-20]: Kanttekening 20: sekte noemen: Of, ketterij.
[^handelingen-24-15-21]: Kanttekening 21: een opstanding: Namelijk in welke een ieder zal geoordeeld worden naar zijn doen, vers 25 . Handelingen 24:25 : En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.
[^handelingen-24-15-22]: Kanttekening 22: van de onrechtvaardigen: Dat is, van de goddelozen en ongelovigen. Zie Dan. 12:2 ; Joh. 5:29 ; Rom. 15:25 . Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis. Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
[^handelingen-24-16-d]: Verwijzing d: Hand. 23:1 . Handelingen 23:1 : En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.
[^handelingen-24-16-23]: Kanttekening 23: hierin oefen: Of, hier tussen.
[^handelingen-24-17-24]: Kanttekening 24: na vele jaren: Namelijk afwezende van Jeruzalem in andere landen.
[^handelingen-24-17-e]: Verwijzing e: Hand. 11:29 ; Rom. 15:25 . Handelingen 11:29 : En naardat een iedereen van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden. Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
[^handelingen-24-17-25]: Kanttekening 25: mijn volk: Namelijk de arme Joden tot het Christelijke geloof bekeerd zijnde.
[^handelingen-24-17-26]: Kanttekening 26: Waarvan zie Hand. 21:26 , en dit heeft Paulus gedaan om de zwakke Christenen uit de Joden hierin tegemoet te komen, gelijk hij ook Timotheüs om dezelfde reden heeft besneden; Hand. 16:3 . Zie hiervan ook de aantekeningen Hand. 18:18 , hoewel beide door Christus' dood was opgehouden. Deze ontmoeting heeft zo lang kunnen duren, totdat de tempel en de stad van Jeruzalem uitgeroeid was, en de andere Joden in hunne hardnekkigheid van God verworpen zijn; Rom. 11 . Handelingen 21:26 : Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in de tempel, en verkondigde, dat de dagen van de heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een ieder van hen de offerande opgeofferd was. Handelingen 16:3 : Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, vanwege de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was. Handelingen 18:18 : En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.
[^handelingen-24-18-f]: Verwijzing f: Hand. 21:27 . Handelingen 21:27 : Als nu de zeven dagen zouden voltooid worden, zagen hem de Joden van Azië in de tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,
[^handelingen-24-21-27]: Kanttekening 27: Grieks stem; dat is, tenzij zij voor onrecht hielden dit woord, enz.
[^handelingen-24-21-28]: Kanttekening 28: Waaruit wel enige onrust onder hen in de Raad is ontstaan, maar zonder reden, omdat zij zelf deze hoop hebben, vers 15 . Handelingen 24:15 : Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen.
[^handelingen-24-21-g]: Verwijzing g: Hand. 23:6 ; Hand. 28:20 . Handelingen 23:6 : En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceën, en het andere van de Farizeën, riep in de raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding van de doden geoordeeld. Handelingen 28:20 : Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.
[^handelingen-24-22-29]: Kanttekening 29: Als: Of, als nader wetenschap hebbende van die weg, en zei.
[^handelingen-24-22-30]: Kanttekening 30: van deze weg: Dat is, van deze godsdienst. Zie vers 14 . En hier geeft Felix twee redenen van zijn uitstel; eerst, om tussen beide nader onderzoek te kunnen doen van de godsdienst van de Christenen, daar zij hem over beschuldigden; ten anderen om van Lysias nader te horen welk oproer Paulus te Jeruzalem had aangericht. Handelingen 24:14 : Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God van de vaderen zo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
[^handelingen-24-23-31]: Kanttekening 31: verlichting hebben: Dat is, meerder vrijheid in zijn gevangenis.
[^handelingen-24-23-h]: Verwijzing h: Hand. 27:3 ; Hand. 28:16 . Handelingen 27:3 : En van de anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden. Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van de leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^handelingen-24-23-32]: Kanttekening 32: de zijn zou: Grieks zijn eigene; namelijk vrienden of geloofsgenoten, gelijk te Cesarea al overlang ene gemeente was, gelijk blijkt Hand. 10:48 , en Hand. 21:8 . Handelingen 10:48 : En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heer. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven. Handelingen 21:8 : En van de anderen daags, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.
[^handelingen-24-24-33]: Kanttekening 33: Deze was ene dochter van die Herodes, die Jakobus had doen doden, Hand. 12:1 , en de zuster van Agrippa, waarvan in Hand. 25 en 26 gesproken wordt. Een zeer moedige en onkuise vrouw, die haar man Aziz, de koning van de Emezenen, verlaten heeft, om de vrouw te zijn van deze Felix, die haar om haar schoonheid daartoe verzocht had. Zie Josefus Antiq. lib. 20, cap. 5. Handelingen 12:1 : En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.
[^handelingen-24-25-34]: Kanttekening 34: zeer bevreesd: Namelijk omdat zijn consciëntie hem van vele boze daden hiertegen begaan, overtuigde. Zie Rom. 2:15 ; 1 Kor. 14:24 . Romeinen 2:15 : Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende). 1 Korinthiërs 14:24 : Maar als zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.
[^handelingen-24-26-35]: Kanttekening 35: geld gegeven: Namelijk zo hij een geldgierig man was, en wist dat Paulus zeer aangenaam was bij de Christenen, die geen geld zouden sparen om hem los te krijgen.
[^handelingen-24-27-36]: Kanttekening 36: twee jaren vervuld: Namelijk van zijn regering over geheel Judea of van de gevangenneming van Paulus.
[^handelingen-24-27-37]: Kanttekening 37: Porcius Festus: Namelijk die van de keizer Nero tot een stadhouder van Judea gezonden was in Felix' plaats, om de wrede handelingen van Felix in die provincie, en ook om het ombrengen van vele Joden binnen Cesarea; waarover de Joden door zekere gezanten hem beklaagd hadden bij de keizer, die hem van de regering heeft afgesteld en hem met de dood zou gestraft hebben, tenzij zijn broeder Pallas dat bij de keizer had afgebeden. Zie Josefus Antiq. lib. 20, cap. 7, en Tacitum. annal. lib. 12, en Histor. lib. 5, cap. 37.
[^handelingen-24-27-38]: Kanttekening 38: in zijn plaats: Grieks tot een opvolger, nazaat, nakomer.
[^handelingen-24-27-i]: Verwijzing i: Hand. 25:14 . Handelingen 25:14 : En toen zij daar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan de koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;

### Handelingen 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/25.json)

*1 Festus komt in de plaats van Felix, aan wie de hogepriester en de Joodse Raad verzoeken dat hij Paulus naar Jeruzalem wilde laten komen, met de bedoeling hem onderweg te doden. 4 Maar Festus wil dat zij voor hem te Cesarea verschijnen. 7 Wat zij doen, en zij beschuldigen hem zwaar, maar zonder bewijs. 9 Wanneer Paulus bemerkt dat Festus geneigd was hem naar Jeruzalem te zenden, beroept hij zich op de keizer. 13 Koning Agrippa en Bernice komen te Cesarea, aan wie Festus de zaak van Paulus verhaalt. 22 Agrippa verlangt hem te mogen horen, wat de volgende dag gebeurt. 24 En Festus verhaalt verder wat hij in de zaak van Paulus gedaan had, en hoe hij in hem geen schuld gevonden had.*

**1** Festus dan, in de[^handelingen-25-1-1] provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van[^handelingen-25-1-2] Cesarea op naar[^handelingen-25-1-3] Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v1)

**2** En de hogepriester, en[^handelingen-25-2-4] de voornaamsten[^handelingen-25-2-5] van de Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v2)

**3** Zij vroegen om als gunst tegen[^handelingen-25-3-6] hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; terwijl zij een hinderlaag legden, om hem op de weg om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v3)

**4** Maar Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast[^handelingen-25-4-7] daarheen zou vertrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v4)

**5** Die dan, zei hij, onder u kunnen, dat zij mee[^handelingen-25-5-8] afreizen, en als er iets onbehoorlijks aan deze man is, dat zij hem beschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v5)

**6** En als hij onder hen[^handelingen-25-6-9] niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en op de andere dag, op de rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voorgebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v6)

**7** En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem,[^handelingen-25-7-10] vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v7)

**8** Omdat hij, verantwoordende, zei:[^handelingen-25-8-a] Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v8)

**9** Maar Festus, willende de Joden[^handelingen-25-9-11] gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zei: Wilt u naar Jeruzalem opgaan, en daar[^handelingen-25-9-12] voor mij over deze dingen geoordeeld worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v9)

**10** En Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld[^handelingen-25-10-14] moet worden; de Joden heb ik geen onrecht gedaan;[^handelingen-25-10-15] zoals u ook zeer wel weet.[^handelingen-25-10-13] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v10)

**11** [^handelingen-25-11-b] Want als ik onrecht doe, en iets van de dood waard gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar als er niets is van wat, waarvan deze mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven.[^handelingen-25-11-16] Ik beroep mij op de keizer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v11)

**12** Toen antwoordde Festus, als hij[^handelingen-25-12-17] met de raad gesproken had: Hebt u zich op de keizer beroepen? U zult tot de keizer gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v12)

**13** En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning[^handelingen-25-13-18] Agrippa en[^handelingen-25-13-19] Bernice te Cesarea, om Festus[^handelingen-25-13-20] te begroeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v13)

**14** En toen zij daar vele dagen doorgebracht hadden, vertelde Festus de zaken van Paulus aan de koning, zeggende:[^handelingen-25-14-c] Hier is een man die door Felix gevangen is gelaten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v14)

**15** Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen van de Joden verschenen, begerende[^handelingen-25-15-21] vonnis tegen hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v15)

**16** Aan die ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben,[^handelingen-25-16-d] enige mens[^handelingen-25-16-22] uit gunst[^handelingen-25-16-23] ter dood over te geven, voordat de beschuldigde de beschuldigers[^handelingen-25-16-24] tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v16)

**17** Als zij dan gezamenlijk hier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel[^handelingen-25-17-25] nemende, overdag daaraan op de rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zou voorgebracht worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v17)

**18** Over welke de beschuldigers, hier staande, geen[^handelingen-25-18-26] zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v18)

**19** Maar hadden tegen hem enige[^handelingen-25-19-27] vragen van hun[^handelingen-25-19-28] godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Die Paulus zei te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v19)

**20** En als ik over de onderzoeking van deze zaak[^handelingen-25-20-29] in twijfeling was, zei ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en daar over deze dingen geoordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v20)

**21** En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis[^handelingen-25-21-30] van de keizer bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden, ter tijd toe, dat ik hem tot de keizer zenden zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v21)

**22** En Agrippa zei tot Festus: Ik wilde ook zelf die mens wel horen. En hij zei: Morgen zult u hem horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v22)

**23** Op de andere dag dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote[^handelingen-25-23-31] pracht, en als zij ingegaan waren in het[^handelingen-25-23-32] rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten van de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v23)

**24** En Festus zei: Koning Agrippa, en u mannen allen, die met ons hier tegenwoordig bent, u ziet deze, van welke mij heel de menigte van de Joden heeft aangesproken, zowel te Jeruzalem als hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v24)

**25** Maar ik bevonden hebbende,[^handelingen-25-25-e] dat hij niets van de dood waard gedaan had, en omdat hij ook zelf zich op de keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v25)

**26** Van welke ik niets zekers heb aan[^handelingen-25-26-33] de heer te schrijven; daarom heb ik hem voor u voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v26)

**27** Want het denkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/25.html#v27)

[^handelingen-25-1-1]: Kanttekening 1: Zo noemden de Romeinen een landschap, dat zij met de wapenen gewonnen en onder hun gebied gebracht hadden, en door enige afgezonden stadhouders vanwege het Romeinse rijk lieten regeren; hoedanig ook Judea was. Zie Hand. 23:34 . Handelingen 23:34 : En de stadhouder, de brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicië was,
[^handelingen-25-1-2]: Kanttekening 2: Welke stad te die tijd de zetel was van de Romeinse stadhouders, vanwege haar sterkte en ligging. Zie Hand. 23:23 . Handelingen 23:23 : En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zei hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure van de nacht;
[^handelingen-25-1-3]: Kanttekening 3: Dat de hoofdstad was van de gehele provincie, en waar de geestelijke en wereldlijke regering van de Joden was, maar onder het opzicht van de stadhouders.
[^handelingen-25-2-4]: Kanttekening 4: de voornaamsten: Grieks de eerste.
[^handelingen-25-2-5]: Kanttekening 5: van de Joden: Dat is, uit de raad van de Joden; Hand. 24:1 . Handelingen 24:1 : En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor de stadhouder tegen Paulus.
[^handelingen-25-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk Paulus.
[^handelingen-25-4-7]: Kanttekening 7: daarheen : Namelijk naar Cesarea, gelijk hij ook gedaan heeft, vers 6 . Handelingen 25:6 : En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en van de anderen daags, op de rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
[^handelingen-25-5-8]: Kanttekening 8: Namelijk naar Cesarea; zo spreekt hij omdat Jeruzalem hoger in het land en op bergen lag. Zie vers 7 . Handelingen 25:7 : En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
[^handelingen-25-6-9]: Kanttekening 9: niet meer dan tien dagen: Anders, meer dan tien dagen.
[^handelingen-25-7-10]: Kanttekening 10: vele en zware: Welke deze beschuldigingen geweest zijn, blijkt uit de verantwoording van Paulus in vers 8 . Handelingen 25:8 : Omdat hij, verantwoordende, zei: Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd.
[^handelingen-25-8-a]: Verwijzing a: Hand. 24:12 ; Hand. 28:17 . Handelingen 24:12 : En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenspanning van het volk makende, noch in de synagogen, noch in de stad; Handelingen 28:17 : En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten van de Joden waren. En als zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen;
[^handelingen-25-9-11]: Kanttekening 11: gunst bewijzen: Gelijk ook tevoren Felix deed; Hand. 24:27 . Handelingen 24:27 : Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende de Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.
[^handelingen-25-9-12]: Kanttekening 12: voor mij over: Namelijk van de Raad van de Joden, in mijne aanwezigheid of onder mijn beleid.
[^handelingen-25-10-14]: Kanttekening 14: moet worden: Namelijk als een burger van Rome.
[^handelingen-25-10-15]: Kanttekening 15: gelijk u ook: Namelijk zo uit het bericht dat Felix u van mij gedaan heeft, als uit deze mijne verantwoording, die u nu gehoord hebt.
[^handelingen-25-10-13]: Kanttekening 13: van de keizer: Namelijk wiens stadhouder u bent.
[^handelingen-25-11-b]: Verwijzing b: Hand. 18:14 . Handelingen 18:14 : En als Paulus zijn mond zou opendoen, zei Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan ware, o Joden, zo zou ik met reden u verdragen;
[^handelingen-25-11-16]: Kanttekening 16: Ik beroep mij: Dat is, ik beroep mij tot de keizer, namelijk als een burger van Rome, wie dit recht van appel, of beroeping van de keizer in zulke gelegenheid toekomt, gelijk blijkt, vers 12 , en Hand. 26:32 . Handelingen 25:12 : Toen antwoordde Festus, als hij met de raad gesproken had: Hebt u u op de keizer beroepen? U zult tot de keizer gaan. Handelingen 26:32 : En Agrippa zei tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, als hij zich op de keizer niet had beroepen.
[^handelingen-25-12-17]: Kanttekening 17: met de raad: Niet van de Joden, maar dergenen, die hij als stadhouder bij zich had geroepen.
[^handelingen-25-13-18]: Kanttekening 18: Deze was de zoon van die Herodes, die Jakobus had doen doden; Hand. 12:1 , 12:2 . Handelingen 12:1 : En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. Handelingen 12:2 : En hij doodde Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard.
[^handelingen-25-13-19]: Kanttekening 19: Ene zuster van Agrippa \[gelijk ook Drusilla, Hand. 24:24 \], ook een ontuchtige en prachtige vrouw, die weduwe zijnde, bij deze Agrippa haar broeder gewoond heeft, niet zonder achterdenken van bloedschande; Josef. Antiq. lib. 20, cap. 5. Handelingen 24:24 : En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.
[^handelingen-25-13-20]: Kanttekening 20: te begroeten: Of, te welkomen en geluk te wensen over zijn komst in deze nieuwe provincie en bediening.
[^handelingen-25-14-c]: Verwijzing c: Hand. 24:27 . Handelingen 24:27 : Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende de Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.
[^handelingen-25-15-21]: Kanttekening 21: vonnis tegen hem: Namelijk van de dood, zonder anderen vorm van recht, gelijk blijkt uit vers 16 . Handelingen 25:16 : Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enige mens uit gunst ter dood over te geven, voordat de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
[^handelingen-25-16-d]: Verwijzing d: Deut. 17:4 . Deuteronomium 17:4 : En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan;
[^handelingen-25-16-22]: Kanttekening 22: uit gunst: Namelijk van de beschuldigers, gelijk zij verzocht hadden, vers 3 . Handelingen 25:3 : Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op de weg om te brengen.
[^handelingen-25-16-23]: Kanttekening 23: ter dood: Grieks ten verderve.
[^handelingen-25-16-24]: Kanttekening 24: Grieks voor het aangezicht.
[^handelingen-25-17-25]: Kanttekening 25: nemende, van de: Grieks makende.
[^handelingen-25-18-26]: Kanttekening 26: zaak hebben: Of, beschuldiging.
[^handelingen-25-19-27]: Kanttekening 27: Of, verschillen, kwestiën.
[^handelingen-25-19-28]: Kanttekening 28: Of, bijgeloof zo noemt deze heiden de Joodse godsdienst uit verachting, en dat in aanwezigheid van Agrippa en zijn zuster, die Joden waren, maar alles gewoon te verdragen, om deze Romeinse stadhouders niet te mishagen.
[^handelingen-25-20-29]: Kanttekening 29: in twijfeling: Dit zegt hij tegen waarheid om zijn zaak te sparen; want hij had dit van Paulus zo gevergd om de Joden gunst te bewijzen, vers 9 . Handelingen 25:9 : Maar Festus, willende de Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zei: Wilt u naar Jeruzalem opgaan, en daar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
[^handelingen-25-21-30]: Kanttekening 30: van de keizer: Grieks Sebaston; voor dat de Latijnen gebruiken het woord Augustus, betekent eigenlijk een, wie de voornaamste eer toekomt; en het woord Sebas, waar dit van komt, wordt veel genomen voor goddelijke eer, welke de heidenen hun keizers ook aandeden, of ook voor wat goddelijke eer aangedaan wordt. Zie Hand. 17:23 , en Hand. 27:1 . Handelingen 17:23 : Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op dat een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Die u niet kennende dient, verkondig ik u. Handelingen 27:1 : En als het besloten was, dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Julius van de keizerlijke bende.
[^handelingen-25-23-31]: Kanttekening 31: met grote pracht: Grieks met veel fantasie; dat is, luister of schijn, niet alleen van kostelijke kleren, maar ook van groot gevolg of gesleep, dat wij pracht of pomp plegen te noemen.
[^handelingen-25-23-32]: Kanttekening 32: Grieks Acroaterion; dat eigenlijk betekent ene zaal of plaats, waar men audiëntie geeft, of de rechtzaken hoort en bepleit.
[^handelingen-25-25-e]: Verwijzing e: Hand. 23:9 ; Hand. 26:31 . Handelingen 23:9 : En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde van de Farizeën stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; en als een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden. Handelingen 26:31 : En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkaar, zeggende: Deze mens doet niets van de dood of van de banden waard.
[^handelingen-25-26-33]: Kanttekening 33: de heer: Dat is, de keizer; welke titel van heer de eerste keizers niet hebben willen aannemen, omdat zij ene heerschappij over de onderzaten, als over slaven, medebrengt. Maar de keizer Nero, onder wie dit is geschied, heeft zich die titel laten geven, gelijk ook vele andere keizers na hem.

### Handelingen 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/26.json)

*1 Wanneer Paulus verlof gekregen heeft om zich te verantwoorden, verhaalt hij voor koning Agrippa en de hele Raad zijn leven vóór zijn bekering. 12 Zijn bekering en roeping tot het apostelambt, hoe die geschied is, 19 en zijn leven na zijn bekering. 20 Wat hij gedaan, 21 geleden 22 en geleerd heeft. 24 Wanneer deze verdediging gehoord is, oordeelt Festus dat Paulus raasde, wat Paulus ontkent. 27 Agrippa wordt bewogen om bijna een christen te worden. 30 En hij en de omstanders oordelen dat hij onschuldig is, 32 alsook dat hij vrijgelaten had mogen worden, als hij zich niet op de keizer beroepen had.*

**1** En Agrippa zei tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus[^handelingen-26-1-1] de hand uit, en verantwoordde zich zo: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v1)

**2** Ik acht mijzelf gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij vandaag voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v2)

**3** Allermeest, omdat ik weet, dat u[^handelingen-26-3-2] kennis hebt van alle gewoonten en[^handelingen-26-3-3] vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat u mij geduldig hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v3)

**4** [^handelingen-26-4-4] Mijn leven dan van de jeugd aan, dat van de beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v4)

**5** Als die[^handelingen-26-5-5] van over lang mij te voren gekend hebben (als zij het wilden getuigen), dat ik, naar de[^handelingen-26-5-6] nauwgezetste sekte van onze godsdienst, als een Farizeër geleefd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v5)

**6** En nu sta ik, en word geoordeeld over[^handelingen-26-6-a] de hoop[^handelingen-26-6-7] van de belofte, die door God aan de vaders is gedaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v6)

**7** [^handelingen-26-7-8] Tot die[^handelingen-26-7-9] onze twaalf geslachten,[^handelingen-26-7-10] steeds nacht en dag God dienende,[^handelingen-26-7-11] verhopen te komen;[^handelingen-26-7-12] over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v7)

**8** [^handelingen-26-8-13] Wat? wordt het bij u ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v8)

**9** [^handelingen-26-9-14][^handelingen-26-9-b] Ik meende werkelijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele vijandige dingen moest doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v9)

**10** Dat ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van[^handelingen-26-10-15] de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden,[^handelingen-26-10-16] stemde ik het toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v10)

**11** En door al de synagogen heb ik[^handelingen-26-11-17] hen dikwijls gestraft, en[^handelingen-26-11-18] gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v11)

**12** [^handelingen-26-12-19] Waarover ook als ik naar Damascus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v12)

**13** Zag ik, o koning, in het midden van de dag, op de weg[^handelingen-26-13-c] een licht, boven de glans van de zon, van de hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v13)

**14** En als[^handelingen-26-14-20] wij allen ter aarde neergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de[^handelingen-26-14-21] Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de hiel te slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v14)

**15** En ik zei: Wie bent U, Heere? En Hij zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v15)

**16** Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u[^handelingen-26-16-22] verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige van de dingen, zowel die u gezien hebt als waarin Ik u nog zal verschijnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v16)

**17** Verlossende u[^handelingen-26-17-23] van dit volk, en van de heidenen, tot die Ik u nu zend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v17)

**18** [^handelingen-26-18-d] Om hun[^handelingen-26-18-24] ogen te openen, en hen te bekeren[^handelingen-26-18-25] van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en[^handelingen-26-18-26] een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v18)

**19** Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels visioen niet ongehoorzaam geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v19)

**20** Maar heb eerst degenen, die in Damascus waren, en te Jeruzalem, en in heel het land van Judea, en de heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, en werken doen die de[^handelingen-26-20-27] bekering waardig zijn.[^handelingen-26-20-e] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v20)

**21** Vanwege deze zaken hebben mij de Joden[^handelingen-26-21-f] in de tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v21)

**22** Dan, hulp van God verkregen hebbende,[^handelingen-26-22-28] sta ik tot op deze dag, betuigende zowel[^handelingen-26-22-29] klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v22)

**23** Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij,[^handelingen-26-23-30] de Eerste uit de opstanding van de doden zijnde,[^handelingen-26-23-31] een licht zou verkondigen deze volk, en de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v23)

**24** En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zei Festus met luide stem: U bent buiten zinnen, Paulus,[^handelingen-26-24-33] de grote geleerdheid[^handelingen-26-24-34] brengt u tot razernij![^handelingen-26-24-32] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v24)

**25** Maar hij zei: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en[^handelingen-26-25-35] van een gezond verstand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v25)

**26** Want de koning weet van[^handelingen-26-26-36] deze dingen, tot welke ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is;[^handelingen-26-26-g] want dit is niet in een uithoek gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v26)

**27** Gelooft u, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat u[^handelingen-26-27-37] ze gelooft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v27)

**28** En Agrippa zei tot Paulus:[^handelingen-26-28-38] U beweegt mij bijna een Christen te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v28)

**29** En Paulus zei:[^handelingen-26-29-h] Ik wenste wel van God,[^handelingen-26-29-39] dat, en bijna en geheellijk, niet alleen u, maar ook allen, die mij vandaag horen, werden zoals ik ben, uitgezonderd[^handelingen-26-29-40] deze banden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v29)

**30** En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v30)

**31** En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkaar, zeggende:[^handelingen-26-31-i] Deze mens doet niets van de dood of van de banden waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v31)

**32** En Agrippa zei tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden,[^handelingen-26-32-41] als hij zich op de keizer niet had beroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/26.html#v32)

[^handelingen-26-1-1]: Kanttekening 1: de hand uit: Namelijk om stilte en gehoor te verwekken.
[^handelingen-26-3-2]: Kanttekening 2: kennis hebt: Grieks een kenner zijt; namelijk als een Jood, en in de Joodse godsdienst onderwezen. Dit zegt hij niet om Agrippa te pluimstrijken, maar om hem tot meerder aandacht en leerzaamheid te bewegen.
[^handelingen-26-3-3]: Kanttekening 3: Of, kwestiën, geschillen.
[^handelingen-26-4-4]: Kanttekening 4: Mijn leven dan: Dat is, hoe ik geleefd, of mij gedragen heb.
[^handelingen-26-5-5]: Kanttekening 5: van over lang: Grieks van boven aan; dat is, van verleden tijden.
[^handelingen-26-5-6]: Kanttekening 6: Of, scherpste, volkomenste. Zie Hand. 22:3 , en Hand. 23:8 . Handelingen 22:3 : Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent; Handelingen 23:8 : Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide.
[^handelingen-26-6-a]: Verwijzing a: Gen. 3:15 ; Gen. 22:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 49:10 ; Deut. 18:15 ; 2 Sam. 7:12 ; Ps. 132:11 ; Jes. 4:2 ; Jes. 7:14 ; Jes. 9:5 ; Jes. 40:10 ; Jer. 23:5 ; Jer. 33:14 ; Ez. 34:23 ; Ez. 37:24 ; Dan. 9:24 ; Micha 7:20 . Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Deuteronomium 18:15 : Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 4:2 : Te die dage zal van YHWH SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 33:14 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:24 : En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Micha 7:20 : U zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die U onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
[^handelingen-26-6-7]: Kanttekening 7: van de belofte: Dat is, van de vervulling van de belofte, van de gerechtigheid en zaligheid door de Messias te verkrijgen, vers 22 , 26:23 . Handelingen 26:22 : Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende zowel klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou; Handelingen 26:23 : Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding van de doden zijnde, een licht zou verkondigen dit volk, en de heidenen.
[^handelingen-26-7-8]: Kanttekening 8: Tot dewelke: Namelijk hoop, dat is gehoopte zaak, of belofte, dat is beloofde zaak.
[^handelingen-26-7-9]: Kanttekening 9: onze twaalf: Namelijk de godvruchtige Joden uit de twaalf geslachten Israëls, niet alleen in Judea woonachtig, maar ook door de gehele wereld verstrooid; Jak. 1:1 . Jakobus 1:1 : Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
[^handelingen-26-7-10]: Kanttekening 10: Grieks in gedurigheid, of in vurigheid.
[^handelingen-26-7-11]: Kanttekening 11: Welke hoop namelijk in zichzelf wel goed is, maar hierin gebrekkelijk, dat zij nog hopen of verwachten wat in Christus Jezus al is vervuld.
[^handelingen-26-7-12]: Kanttekening 12: over welke hoop: Dat is, over de vervulling van welke hoop, enz. Waarin ook de hoop van de opstanding van de doden en vooral van de Messias is begrepen; dat hij zonder twijfel uit de Schriften van de profeten had bewezen, gelijk hij doet Hand. 13:33 , en vervolgens; gelijk de navolgende reden van Paulus verklaart. Handelingen 13:33 : Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^handelingen-26-8-13]: Kanttekening 13: Wat? wordt: Dit schijnt hij gesproken te hebben, zich kerende tot Festus en andere heidenen; want Agrippa geloofde de profeten, vers 27 , en daarom ook de opstanding van de doden, vers 7 . Handelingen 26:27 : Gelooft u, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat u ze gelooft. Handelingen 26:7 : Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
[^handelingen-26-9-14]: Kanttekening 14: Ik meende waarlijk: Namelijk gelijk de anderen nu doen, met een blinden ijver, zonder rechte wetenschap.
[^handelingen-26-9-b]: Verwijzing b: Hand. 8:3 ; Hand. 9:1 ; Hand. 22:4 ; 1 Kor. 15:9 ; Galat. 1:13 ; 1 Tim. 1:13 . Handelingen 8:3 : En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. 1 Korinthiërs 15:9 : Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. Galaten 1:13 : Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte; 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^handelingen-26-10-15]: Kanttekening 15: de heiligen: Dat is, degenen, die in Christus geloofden.
[^handelingen-26-10-16]: Kanttekening 16: stemde ik het toe: Grieks bracht ik mijn stem daartoe. Van het Griekse woord psephos (ψῆφον), zie Hand. 2:17 . Handelingen 2:17 : En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^handelingen-26-11-17]: Kanttekening 17: dikwijls gestraft: Namelijk die volstandig bleven in hun geloof.
[^handelingen-26-11-18]: Kanttekening 18: gedwongen te: Dat is, met pijnigen en dreigementen gedwongen Christus te verloochenen, ja zelfs te vloeken, gelijk dit ook was de wijze van de heidenen in het vervolgen van de Christenen. Zie Plin. Jun. in Epist. ad Trajanum.
[^handelingen-26-12-19]: Kanttekening 19: Waarover ook: Wat in dit verhaal verklaring nodig heeft, daarvan zie de aantekeningen op Hand. 9 .
[^handelingen-26-13-c]: Verwijzing c: Hand. 9:3 . Handelingen 9:3 : En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel;
[^handelingen-26-14-20]: Kanttekening 20: wij allen ter: Dat is, zowel die met mij reisden, als ik, hoewel ik bleef liggen, en zij meteen al verbaasd opstonden; Hand. 9:7 . Handelingen 9:7 : En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.
[^handelingen-26-14-21]: Kanttekening 21: Hebreeuwse taal: Hieruit schijnt dat Paulus Agrippa en Festus in het Hebreeuws niet heeft aangesproken, maar in het Grieks of in het Latijn, als hun beter bekend.
[^handelingen-26-16-22]: Kanttekening 22: Of, van u gezien. Van de manier van deze verschijning, zie de aantekeningen Hand. 9:17 . Handelingen 9:17 : En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden.
[^handelingen-26-17-23]: Kanttekening 23: van dit volk: Namelijk van de Joden, die u zullen vervolgen.
[^handelingen-26-18-d]: Verwijzing d: Jes. 60:1 . Jesaja 60:1 : Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van YHWH gaat over u op.
[^handelingen-26-18-24]: Kanttekening 24: ogen te openen: Dat is, hun verstand, namelijk door de predikatie mijns Evangelies.
[^handelingen-26-18-25]: Kanttekening 25: van de duisternis: Dat is, van de natuurlijke blindheid en wereldse onwetendheid, tot de rechte en ware kennis van God ter eeuwige zaligheid.
[^handelingen-26-18-26]: Kanttekening 26: een erfdeel: Grieks een lot; omdat de erfdelen veeltijds door het lot uitgedeeld worden.
[^handelingen-26-20-27]: Kanttekening 27: Zie hiervan de verklaring Matt. 3:8 . Mattheüs 3:8 : Brengt dan vruchten voort, van de bekering waard.
[^handelingen-26-20-e]: Verwijzing e: Hand. 9:19 ; idem 9:28 ; Hand. 22:17 ; idem 22:21 . Handelingen 9:19 : En als hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die in Damascus waren. Handelingen 9:28 : En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; Handelingen 22:17 : En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was; Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.
[^handelingen-26-21-f]: Verwijzing f: Hand. 21:30 . Handelingen 21:30 : En de gehele stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten de tempel; en meteen werden de deuren gesloten.
[^handelingen-26-22-28]: Kanttekening 28: sta ik tot op: Dat is, ben ik nog in het leven behouden, en daarom niet trager geworden om het Evangelie te verkondigen.
[^handelingen-26-22-29]: Kanttekening 29: klein en groot: Dat is, een ieder, van wat staat of bediening hij zij.
[^handelingen-26-23-30]: Kanttekening 30: de Eerste uit: Namelijk om eeuwig te leven; want enige, die tevoren opgestaan waren, zijn opnieuw gestorven. Maar Paulus ziet hier niet alleen op de orde, maar in het bijzonder op de kracht van Christus als van het hoofd, waardoor de gelovigen al zijn leden op zijn tijd ook tot het eeuwige leven zullen opstaan. Zie 1 Kor. 15:22 , 15:23 ; Kol. 1:18 . 1 Korinthiërs 15:22 : Want gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. 1 Korinthiërs 15:23 : Maar een ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. Kolossensen 1:18 : En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.
[^handelingen-26-23-31]: Kanttekening 31: een licht zou: Zie vers 18 . Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^handelingen-26-24-33]: Kanttekening 33: de grote geleerdheid: Grieks de vele letteren.
[^handelingen-26-24-34]: Kanttekening 34: brengt u: Grieks keert u om.
[^handelingen-26-24-32]: Kanttekening 32: U bent buiten zinnen: Namelijk gelijk mensen, die ijdel van zinnen zijn van te veel studeren. Zo oordeelt de natuurlijke mens van de wijsheid van God; 1 Kor. 1:23 , en 1 Kor. 2:14 . 1 Korinthiërs 1:23 : Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid; 1 Korinthiërs 2:14 : Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
[^handelingen-26-25-35]: Kanttekening 35: van een gezond verstand: Of, van een gematigd en nuchter verstand.
[^handelingen-26-26-36]: Kanttekening 36: deze dingen: Namelijk die ik van Christus Jezus en wat Hem geschied is verhaald heb, omdat het te Jeruzalem openlijk geschied en geheel Syrië door bekend is.
[^handelingen-26-26-g]: Verwijzing g: Joh. 18:20 . Johannes 18:20 : Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb alle tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
[^handelingen-26-27-37]: Kanttekening 37: Dat is, voor waarachtig en voor Gods Woord houdt.
[^handelingen-26-28-38]: Kanttekening 38: beweegt mij: Grieks overreedt.
[^handelingen-26-29-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 7:7 . 1 Korinthiërs 7:7 : Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo.
[^handelingen-26-29-39]: Kanttekening 39: dat, en bijna en geheellijk: Grieks dat, en in weinig en in veel.
[^handelingen-26-29-40]: Kanttekening 40: deze banden: Dat is, deze keten, waar zijn hand in gesloten was. Zie Hand. 12:6 , en Hand. 28:16 . Handelingen 12:6 : Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^handelingen-26-31-i]: Verwijzing i: Hand. 23:9 ; Hand. 25:25 . Handelingen 23:9 : En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde van de Farizeën stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; en als een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden. Handelingen 25:25 : Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets van de dood waard gedaan had, en omdat hij ook zelf zich op de keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.
[^handelingen-26-32-41]: Kanttekening 41: als hij zich: Dit is maar een uitvlucht: want Paulus' beroep op de keizer kon zijn loslating niet beletten, omdat zij hem voor onschuldig hielden, maar dit zeggen zij om Paulus niet los te laten en om van de Joden ondank te ontgaan.

### Handelingen 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/27.json)

*1 Paulus wordt door de hoofdman Julius naar Rome gezonden, met andere gevangenen. 2 En wanneer hij met hen aan boord van een Adramyttisch schip gegaan is, vergezeld van Aristarchus, 3 komt hij te Sidon. 4 Hij vaart Cyprus voorbij. 5 Hij komt te Myra. 6 Vandaar varen zij met een schip van Alexandrië, Knidus en Kreta voorbij, tot Schonehavens. 9 Waar Paulus de hoofdman aanraadt een tijd te blijven, vanwege het ongunstige seizoen. 11 Maar de hoofdman, die de schipper en stuurman meer geloofde, vaart verder. 13 Zij varen Kreta voorbij, en krijgen een grote storm. 16 Zij komen aan het eiland Klauda, 17 en worden door de storm genoodzaakt de lading uit het schip te werpen. 21 Paulus vermaant hen goedsmoeds te zijn, omdat God hem door een engel te kennen gegeven had dat niemand van hen zou omkomen. 29 Zij werpen vier ankers uit. 30 De schippers proberen met de boot uit het schip te vluchten, 31 wat Paulus verhindert. 33 Wanneer het volk lang gevast heeft, gebruikt het op vermaning van Paulus voedsel, 38 en werpt het koren overboord. 41 Het schip vergaat. 42 De soldaten willen de gevangenen doden, wat de hoofdman verhindert, 43 en het volk zwemt aan land.*

**1** En als het[^handelingen-27-1-1] besloten was, dat[^handelingen-27-1-2] wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met de naam Julius van de[^handelingen-27-1-3] keizerlijke[^handelingen-27-1-4] bende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v1)

**2** [^handelingen-27-2-a] En in een[^handelingen-27-2-5] Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs[^handelingen-27-2-6] Azië[^handelingen-27-2-7] bevaren zouden, voeren wij af; en[^handelingen-27-2-8] Aristarchus, de Macedoniër van[^handelingen-27-2-9] Thessalonica, was met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v2)

**3** En op de andere dag kwamen wij aan te[^handelingen-27-3-10] Sidon. En Julius,[^handelingen-27-3-b] vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot[^handelingen-27-3-11] de vrienden te gaan, om[^handelingen-27-3-12] van hen bezorgd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v3)

**4** En van daar afgevaren zijnde, voeren wij[^handelingen-27-4-13] onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v4)

**5** En de zee, die langs[^handelingen-27-5-14] Cilicië en[^handelingen-27-5-15] Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te[^handelingen-27-5-16] Myra in Lycië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v5)

**6** En de hoofdman, daar een schip gevonden hebbende van[^handelingen-27-6-17] Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelfde overgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v6)

**7** En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover[^handelingen-27-7-18] Knidus gekomen waren, omdat het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder[^handelingen-27-7-19] Kreta heen, tegenover[^handelingen-27-7-20] Salmone. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v7)

**8** En hetzelfde nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij op een plaats genoemd Schonehavens[^handelingen-27-8-21], waar de stad Lasea[^handelingen-27-8-22] nabij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v8)

**9** En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook[^handelingen-27-9-23] de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v9)

**10** En zei tot hen: Mannen, ik[^handelingen-27-10-24] zie, dat de vaart zal gebeuren met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook[^handelingen-27-10-25] van ons leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v10)

**11** Maar de hoofdman[^handelingen-27-11-26] geloofde meer de stuurman en de schipper, dan wat van Paulus gezegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v11)

**12** En zo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerderdeel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren,[^handelingen-27-12-27] zijnde een haven in Kreta,[^handelingen-27-12-28] strekkende[^handelingen-27-12-29] tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v12)

**13** En zo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v13)

**14** Maar niet lang daarna, sloeg[^handelingen-27-14-30] tegen hetzelfde een[^handelingen-27-14-31] stormwind, genoemd[^handelingen-27-14-32] Euroklydon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v14)

**15** En als het schip daarmee weggerukt werd, en niet kon tegen de wind[^handelingen-27-15-33] opzeilen,[^handelingen-27-15-34] gaven wij het op, en dreven heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v15)

**16** En toen wij onder een eilandje doorvoeren[^handelingen-27-16-35], genoemd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v16)

**17** Die opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip[^handelingen-27-17-36] ondergordende; en zo zij vreesden, dat zij op[^handelingen-27-17-37] de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij[^handelingen-27-17-38] het zeil, en dreven zo heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v17)

**18** En zo wij van het onweer hevig geslingerd werden, deden zij de volgende[^handelingen-27-18-39] dag een uitworp; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v18)

**19** En de derde dag wierpen wij met onze eigen handen het[^handelingen-27-19-40] scheepsgereedschap uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v19)

**20** En als noch zon noch sterren verschenen in vele dagen, en geen klein onweer[^handelingen-27-20-41] ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v20)

**21** En als men[^handelingen-27-21-42] langen tijd[^handelingen-27-21-43] zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zei: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade[^handelingen-27-21-44] verhoed te hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v21)

**22** Maar alsnu vermaan ik u vol moed te zijn; want er zal geen verlies gebeuren van[^handelingen-27-22-45] iemands leven onder u, maar alleen van het schip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v22)

**23** Want deze zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel van God,[^handelingen-27-23-46] Wiens ik ben, Die ook ik die, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v23)

**24** Zeggende: Vrees niet, Paulus, u moet voor de keizer[^handelingen-27-24-47] gesteld worden; en zie,[^handelingen-27-24-48] God heeft u geschonken allen, die met u varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v24)

**25** Daarom bent vol moed, mannen, want ik geloof voor God, dat het zo zijn zal, zoals het mij gezegd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v25)

**26** Maar wij moeten op een eiland[^handelingen-27-26-c] aanlopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v26)

**27** Als nu de veertiende nacht gekomen was,[^handelingen-27-27-49] zo wij in de[^handelingen-27-27-50] Adriatische zee heen en weer gedreven werden, ongeveer het midden bij nacht, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v27)

**28** En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij[^handelingen-27-28-51] twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij opnieuw het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v28)

**29** En vrezende, dat zij ergens op[^handelingen-27-29-52] harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v29)

**30** Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vluchten, en de boot[^handelingen-27-30-53] in de zee neerlieten, onder de schijn, alsof zij uit[^handelingen-27-30-54] het voorschip de ankers[^handelingen-27-30-55] zouden uitbrengen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v30)

**31** Zei Paulus tot de hoofdman en tot de soldaten: Als deze in het schip niet blijven,[^handelingen-27-31-56] u kunt niet behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v31)

**32** Toen hieuwen de soldaten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v32)

**33** En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden[^handelingen-27-33-57] voedsel nemen, en zei: Het is vandaag de veertiende dag, dat u verwachtende blijft zonder eten, en[^handelingen-27-33-58] niets hebt genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v33)

**34** Daarom vermaan ik u voedsel te nemen, want dat dient[^handelingen-27-34-59] tot uw behouding; want niemand van u[^handelingen-27-34-d] zal[^handelingen-27-34-60] een haar van het hoofd vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v34)

**35** En als hij dit gezegd had en brood genomen had,[^handelingen-27-35-61][^handelingen-27-35-e] dankte hij God in aller aanwezigheid; en hetzelfde gebroken hebbende, begon hij te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v35)

**36** En zij allen, vol moed geworden zijnde, namen zelf ook voedsel[^handelingen-27-36-62] tot zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v36)

**37** Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig[^handelingen-27-37-63] zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v37)

**38** En als zij met voedsel verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v38)

**39** En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij zagen[^handelingen-27-39-64] een inham met een[^handelingen-27-39-65] oever, tegen die zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v39)

**40** En als zij[^handelingen-27-40-66] de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen[^handelingen-27-40-67] de roerbanden losmakende; en het razeil naar de wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar de oever toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v40)

**41** [^handelingen-27-41-f] Maar vervallende op[^handelingen-27-41-68] een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld[^handelingen-27-41-69] van de golven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v41)

**42** De[^handelingen-27-42-70] raadslag nu van de soldaten was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zou ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v42)

**43** Maar de hoofdman, willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v43)

**44** En[^handelingen-27-44-71] de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En zo is het gebeurd dat zij allen behouden aan land zijn gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/27.html#v44)

[^handelingen-27-1-1]: Kanttekening 1: besloten was: Namelijk van Festus en zijn Raad; Hand. 25:12 . Handelingen 25:12 : Toen antwoordde Festus, als hij met de raad gesproken had: Hebt u zich op de keizer beroepen? U zult tot de keizer gaan.
[^handelingen-27-1-2]: Kanttekening 2: wij naar Italië: Hieruit, en uit het volgende verhaal blijkt dat ook Lukas, die deze Handelingen heeft beschreven, in Paulus' gezelschap op deze gehele reis geweest is.
[^handelingen-27-1-3]: Kanttekening 3: Grieks Sebastes; dat is Augustische.
[^handelingen-27-1-4]: Kanttekening 4: Van dit woord zie Hand. 10:1 . Deze Julius wordt gezegd een hoofdman van deze bende te zijn, omdat hij over een compagnie bevel had, die onder de garde van de keizer behoorde, die daarom hiertoe schijnt gekozen te zijn, opdat de gevangenen onder zijn opzicht te beter bewaard en in de handen van de keizer geleverd zouden worden. Handelingen 10:1 : En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;
[^handelingen-27-2-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 11:25 . 2 Korinthiërs 11:25 : Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.
[^handelingen-27-2-5]: Kanttekening 5: Adramyttenisch schip: Namelijk dat te Adramytte tehuis behoorde; welke is ene stad in Mysië tegenover Mytilene.
[^handelingen-27-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk Klein-Azië, waarin Mysië ook gelegen was.
[^handelingen-27-2-7]: Kanttekening 7: bevaren zouden: Namelijk volgens het voornemen; hoewel zij om de tegenwinden een anderen koers hebben moeten nemen, gelijk uit het volgende verhaal blijkt.
[^handelingen-27-2-8]: Kanttekening 8: Deze was een aanzienlijk man, die Paulus vandaar is gevolgd, welke ook in vele reizen met Paulus grote zwarigheden heeft uitgestaan, gelijk te zien is Hand. 19:29 , en Hand. 20:4 , die ook Paulus in deze gevangenis tot Rome toe gezelschap gehouden heeft, alsmede gevangen zo het schijnt, of die te Rome gekomen zijnde naast Paulus is gevangen gezet, gelijk blijkt Kol. 4:10 . Handelingen 19:29 : En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Kolossensen 4:10 : U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;
[^handelingen-27-2-9]: Kanttekening 9: Van deze stad, zie Hand. 17:1 . Handelingen 17:1 : En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge van de Joden was.
[^handelingen-27-3-10]: Kanttekening 10: Ene stad in Fenicië, waarvan zie Matt. 11:21 ; Hand. 12:20 . Mattheüs 11:21 : Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Handelingen 12:20 : En Herodes had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gevoed werd van het land van de koning.
[^handelingen-27-3-b]: Verwijzing b: Hand. 24:23 ; Hand. 28:16 . Handelingen 24:23 : En hij beval de hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijn zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van de leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^handelingen-27-3-11]: Kanttekening 11: de vrienden te: Dat is, de discipelen of enige onder hen.
[^handelingen-27-3-12]: Kanttekening 12: bezorgd te worden: Dat is alle gemak en verkwikking aangedaan te worden, of ook van enige dingen voorzien tot meerder gemak op de reis nodig.
[^handelingen-27-4-13]: Kanttekening 13: onder Cyprus: Of, beneden Cyprus. Van dit eiland zie Hand. 11:19 , en Hand. 13:4 . Handelingen 11:19 : Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. Handelingen 13:4 : Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.
[^handelingen-27-5-14]: Kanttekening 14: Cilicië en: Dit was een landschap in Klein-Azië, gelegen aan de Middellandse zee, tussen Syrië en Pamfylië; Hand. 6:9 , en Hand. 15:23 , 15:41 . Handelingen 6:9 : En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd van de Libertijnen, en van de Cyreneërs, en van de Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. Handelingen 15:23 : En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zaligheid. Handelingen 15:41 : En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de Gemeenten.
[^handelingen-27-5-15]: Kanttekening 15: Pamfyliëë is: Van dit landschap zie ook Hand. 2:10 , en Hand. 13:13 , en Hand. 14:24 . Handelingen 2:10 : En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; Handelingen 13:13 : En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem. Handelingen 14:24 : En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië.
[^handelingen-27-5-16]: Kanttekening 16: Myra in Lycië: Ene stad in het land van Lycië, dat aan Pamfylië grensde, waar dit eerste schip schijnt zijn reis voldaan te hebben.
[^handelingen-27-6-17]: Kanttekening 17: De hoofdstad van Egypte en Libyë, welk schip uit Egypte te Myra was gekomen, om vandaar verder naar Italië te varen.
[^handelingen-27-7-18]: Kanttekening 18: Een eiland in de Middellandse zee, tegenover Karië; anderen nemen het voor een uitstekenden hoek van Karië, tegenover Kreta.
[^handelingen-27-7-19]: Kanttekening 19: Kreta heen: Een eiland in dezelfde zee, hedendaags Kandië genaamd. Zie van hetzelfde Tit. 1:5 . Titus 1:5 : Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zoudt te recht brengen, en dat u van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:
[^handelingen-27-7-20]: Kanttekening 20: Een uitstekende hoek van Kreta, tegen het oosten.
[^handelingen-27-8-21]: Kanttekening 21: Of Goedehavens, heden nog Boniporto genaamd, ene stad in Kreta, van de bekwaamheid van haar haven zo geheten.
[^handelingen-27-8-22]: Kanttekening 22: nabij was: Maar wat meerder landwaarts in, gelijk Plinius getuigt, lib. 4, cap. 12. Maar hij noemt die Lasos.
[^handelingen-27-9-23]: Kanttekening 23: de vasten: Namelijk de jaarlijkse vasten van de Joden, op welke de verzoening van het hele volk door de hogepriester in het heilige van de heiligen geschiedde, gelijk te zien is Lev. 16:29 , en Lev. 23:27 , welke dag was de tiende van de zevende maand, die ten dele met onze September, ten dele met onze October overeenkwamen; zodat de tiende dag kwam omtrent het begin van October, na welke maand de zee bij de ouden niet werd bevaren tot het begin van Maart toe, om de kortheid van de dagen en de stormen, die tussen die tijd veel zijn. Zie Veget de re milit. lib. 4, cap. 39. Dat dan gene gemeenschap heeft met de vastentijden, die sommigen hedendaags houden, die lang na de tijden van de apostelen in de oude kerk niet bekend zijn geweest. Leviticus 16:29 : En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. Leviticus 23:27 : Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^handelingen-27-10-24]: Kanttekening 24: zie, dat: Namelijk niet alleen uit de gelegenheid van de tijd, maar in het bijzonder door ingeving van Gods Geest.
[^handelingen-27-10-25]: Kanttekening 25: van ons leven: Grieks van onze zielen.
[^handelingen-27-11-26]: Kanttekening 26: geloofde meer: Namelijk die schijnen gemeend te hebben dat er nog enige dagen over waren, om binnen dezelfde in een andere haven te kunnen komen; in het bijzonder zo de wind hun diende.
[^handelingen-27-12-27]: Kanttekening 27: zijnde een haven: Dit wordt hier bijgevoegd opdat men niet zou menen dat hij van Fenicië in Syrië sprak.
[^handelingen-27-12-28]: Kanttekening 28: Grieks ziende.
[^handelingen-27-12-29]: Kanttekening 29: tegen het zuidwesten: Dat is, krom gelegen gelijk een halve maan, en daarom bevrijd van alle winden.
[^handelingen-27-14-30]: Kanttekening 30: tegen hetzelfde: Namelijk eiland Kreta; het schip van hetzelfde door deze wind afgedreven zijnde.
[^handelingen-27-14-31]: Kanttekening 31: stormwind, genaamd: Of, draaiwind, wervelwind.
[^handelingen-27-14-32]: Kanttekening 32: Dat is, een oostelijke wind, die geweldige baren verwekt.
[^handelingen-27-15-33]: Kanttekening 33: Grieks tegen ogen.
[^handelingen-27-15-34]: Kanttekening 34: gaven wij het op: Dat is, lieten wij het drijven op Gods genade, waar de wind het heendreef.
[^handelingen-27-16-35]: Kanttekening 35: Een eilandje aan het einde van Kreta tegen het westen, nu Gozo genaamd.
[^handelingen-27-17-36]: Kanttekening 36: Namelijk met kabels en touwen, die zij onder de kiel doorbrachten, om de zijden van het schip te vaster aan elkaar te binden, tegen het geweld van de baren.
[^handelingen-27-17-37]: Kanttekening 37: de droogte Syrtis: Een gevaarlijke droogte, of plaat van welzand, vol draaiingen, onder Afrika in de Middellandse zee gelegen.
[^handelingen-27-17-38]: Kanttekening 38: het zeil: Grieks het vat: gelijk Hand. 10:11 ; waardoor het zeil met de spriet en de aanhangende touwen verstaan wordt. Handelingen 10:11 : En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;
[^handelingen-27-18-39]: Kanttekening 39: een uitworp: Namelijk van de last of de koopmanschap, die in het schip was, om het schip te lichten.
[^handelingen-27-19-40]: Kanttekening 40: Namelijk van ballast, touwen, kabels, riemen, kisten, enz., wat overtollig in het schip was. Want dat zij het noodzakelijke nog behouden hebben blijkt uit vers 28 , 27:29 , 27:30 , enz. Handelingen 27:28 : En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij opnieuw het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; Handelingen 27:29 : En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd. Handelingen 27:30 : Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vluchten, en de boot nederlieten in de zee, onder de schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,
[^handelingen-27-20-41]: Kanttekening 41: ons drukte: Grieks op ons lag.
[^handelingen-27-21-42]: Kanttekening 42: langen tijd: Namelijk omtrent veertien dagen, vers 33 . Handelingen 27:33 : En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden voedsel nemen, en zei: Het is heden de veertiende dag, dat u verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen.
[^handelingen-27-21-43]: Kanttekening 43: zonder eten: Dat is, zonder gewoon maal te houden, vanwege de vrees van de dood en het slingeren van het schip.
[^handelingen-27-21-44]: Kanttekening 44: verhoed te hebben: Grieks gewonnen te hebben; dat is voorgekomen te hebben.
[^handelingen-27-22-45]: Kanttekening 45: leven onder u: Grieks ziel.
[^handelingen-27-23-46]: Kanttekening 46: Wiens ik ben: Namelijk Gods apostel of dienaar ik ben.
[^handelingen-27-24-47]: Kanttekening 47: gesteld worden: Of, staan, u stellen.
[^handelingen-27-24-48]: Kanttekening 48: God heeft u: Dat is, heeft hun het leven gegeven om uwentwil. Zie dergelijke Gen. 18:32 , en Gen. 19:21 . Genesis 18:32 : Nog zei hij: Dat toch de Heer niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven vanwege de tienen. Genesis 19:21 : En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt.
[^handelingen-27-26-c]: Verwijzing c: Hand. 28:1 . Handelingen 28:1 : En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melite heette.
[^handelingen-27-27-49]: Kanttekening 49: zo wij in: Of, dat wij.
[^handelingen-27-27-50]: Kanttekening 50: Adriatische zee: Grieks Adria; welke is eigenlijk die zee, die hedendaags Golf van Venetië genaamd wordt; maar wordt ook dikwijls bij de ouden, gelijk ook hier, breder genomen, voor dat deel van de Middellandse zee, dat ook bovendien de zee van Cicilië en Jonië bevat. Zie Strabo lib. 7.
[^handelingen-27-28-51]: Kanttekening 51: twintig vademen: Namelijk diepte tot de grond.
[^handelingen-27-29-52]: Kanttekening 52: harde plaatsen: Of, scherpe, klipachtige.
[^handelingen-27-30-53]: Kanttekening 53: Namelijk die zij tevoren in het schip opgehaald hadden, vers 17 . Handelingen 27:17 : Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en zo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven zo heen.
[^handelingen-27-30-54]: Kanttekening 54: het voorschip: Dat is, het voorste deel van het schip.
[^handelingen-27-30-55]: Kanttekening 55: Grieks uitstrekken.
[^handelingen-27-31-56]: Kanttekening 56: u kunt niet: Want hoewel God Paulus door zijn engel beloofd had dat niemand uit het schip zou vergaan, vers 24 , nochtans worden daarmede de middelen niet weggenomen, waardoor God deze zijn belofte wilde uitvoeren. En die daarin nalatig is, die gelooft God niet, maar verzoekt God. Handelingen 27:24 : Zeggende: Vrees niet, Paulus, u moet voor de keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.
[^handelingen-27-33-57]: Kanttekening 57: voedsel nemen: Grieks voedsel.
[^handelingen-27-33-58]: Kanttekening 58: niets hebt genomen: Dat is, als niet zeer weinig; of geen maal hebt gehouden, gelijk vers 21 ; want anders kan een gezond mens \[gelijk de geneesheren getuigen\] over de zeven dagen niets wel vasten zonder sterven. Handelingen 27:21 : En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zei: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade verhoed te hebben;
[^handelingen-27-34-59]: Kanttekening 59: tot uw behouding: Namelijk om sterkte te hebben in het regeren van het schip, en om uzelf te kunnen helpen, als wij ons zullen moeten redden.
[^handelingen-27-34-d]: Verwijzing d: Matt. 10:30 . Mattheüs 10:30 : En ook uw haar van het hoofd zijn alle geteld.
[^handelingen-27-34-60]: Kanttekening 60: een haar van: Dat is, zal enige schade lijden aan zijn leven of gezondheid. Hebreën. Zie 1 Kon. 1:52 . 1 Koningen 1:52 : En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven.
[^handelingen-27-35-61]: Kanttekening 61: dankte hij God: Namelijk voor de weldaad, die hun God nog deed van voedsel te hebben, en die te kunnen genieten tot versterking van hunne krachten, gelijk ook Christus gewoon was te doen; Matt. 14:19 ; Joh. 6:11 , en Paulus alle Christenen vermaant; 1 Tim. 4:4 , 4:5 . Mattheüs 14:19 : En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar de hemel, zegende dezelfde; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen aan de scharen. Johannes 6:11 : En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden. 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 1 Timotheüs 4:5 : Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.
[^handelingen-27-35-e]: Verwijzing e: 1 Sam. 9:13 ; Joh. 6:11 ; 1 Tim. 4:3 . 1 Samuël 9:13 : Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden. Johannes 6:11 : En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden. 1 Timotheüs 4:3 : Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^handelingen-27-36-62]: Kanttekening 62: Grieks voedsel.
[^handelingen-27-37-63]: Kanttekening 63: Dat is, mensen, personen; Hand. 2:41 , en Hand. 7:14 ; Rom. 13:1 . Handelingen 2:41 : Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. Handelingen 7:14 : En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. Romeinen 13:1 : Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd.
[^handelingen-27-39-64]: Kanttekening 64: een zekeren inham: Grieks een schoot, of boezem.
[^handelingen-27-39-65]: Kanttekening 65: oever had: Of, strand.
[^handelingen-27-40-66]: Kanttekening 66: de ankers opgehaald: Of, de ankers afgehouwen hadden, lieten zij die in de zee.
[^handelingen-27-40-67]: Kanttekening 67: de roerbanden: Namelijk met welke zij tevoren het roer vastgemaakt hadden, toen het schip op Gods genade dreef, tegen het slingeren van de zee.
[^handelingen-27-41-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 11:25 . 2 Korinthiërs 11:25 : Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.
[^handelingen-27-41-68]: Kanttekening 68: een plaats: Dat is, een uitstekende oever of punt, die nochtans vooraan onder water lag, waar zij het schip op stuurden.
[^handelingen-27-41-69]: Kanttekening 69: van de baren: Namelijk die tegen het achterschip geweldig aansloegen.
[^handelingen-27-42-70]: Kanttekening 70: raadslag nu: Dat is, raad, advies, voornemen. Zo licht hadden zij vergeten, dat zij door Paulus het leven behouden hadden, dat een grote ondankbaarheid was, die de hoofdman met recht heeft wederstaan.
[^handelingen-27-44-71]: Kanttekening 71: de anderen: Namelijk beval hij te land te komen.

### Handelingen 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/handelingen/28.json)

*1 Paulus, en die met hem voeren, komen behouden aan op het eiland Melite, waar zij vriendelijk onthaald worden. 3 Een adder komt uit het vuur en blijft aan de hand van Paulus hangen, die hij zonder letsel afschudt. 6 Waarover de eilandbewoners verwonderd zijn, en hem voor een god houden. 7 Paulus geneest de vader van Publius van de koorts en de buikloop, 9 en vele eilandbewoners van hun ziekten. 10 Nadat zij daar drie maanden goed onthaald zijn geweest, varen zij naar Italië, via Syracuse, tot Rhegium, vandaar tot Puteoli, en verder reizend via Appiusmarkt en de Drie Tabernen, komen zij te Rome. 16 Waar Paulus, overgeleverd aan de overste van het leger, door een soldaat bewaakt wordt. 17 Hij roept de voornaamste Joden daar bij zich, en verhaalt hun waarom hij zo gevangen naar Rome gezonden was. 21 Die daarvan geen bericht ontvangen hadden, en verlangden zijn mening over de godsdienst te vernemen. 23 Wat Paulus in een grote vergadering van Joden van 's morgens tot 's avonds toe uiteenzet, bewijzend uit Mozes en de Profeten dat Jezus de Christus was. 24 Wat sommigen geloofden, en anderen niet. 25 Die Paulus uit Gods woord ernstig bestraft, en hun voorzegt dat zij verstoten, en de heidenen in hun plaats geroepen zouden worden. 30 Paulus blijft daar twee jaar, vrijmoedig en onverhinderd het Evangelie predikend.*

**1** En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat[^handelingen-28-1-a] het eiland[^handelingen-28-1-1] Melite heette. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v1)

**2** En[^handelingen-28-2-2] de barbaren bewezen ons een buitengewone vriendelijkheid; want[^handelingen-28-2-3] een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om de regen, die overkwam, en om de koude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v2)

**3** En als Paulus één hoop[^handelingen-28-3-4] takken bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er[^handelingen-28-3-5] een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v3)

**4** En als de barbaren het[^handelingen-28-4-6] beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze mens is zeker een moordenaar, die[^handelingen-28-4-7] de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v4)

**5** Maar hij schudde het beest af in het vuur,[^handelingen-28-5-b] en leed niets kwaads. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v5)

**6** En zij verwachtten, dat hij zou[^handelingen-28-6-8] opzwellen, of plotseling dood zou neervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat[^handelingen-28-6-9] geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden,[^handelingen-28-6-c] dat hij[^handelingen-28-6-10] een god was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v6)

**7** En hier, in de buurt van die plaats, had[^handelingen-28-7-11] de voornaamste van het eiland, met de naam[^handelingen-28-7-12] Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v7)

**8** De vader van Publius lag, door koortsen[^handelingen-28-8-d] en de rodeloop bevangen, te bed; tot die Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v8)

**9** Toen dit dan was gebeurd, kwamen ook tot hem de anderen, die ziekten hadden in het eiland, en werden genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v9)

**10** Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons wat[^handelingen-28-10-13] nodig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v10)

**11** En[^handelingen-28-11-14] na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat in het eiland overwinterd had, hebbende[^handelingen-28-11-15] tot een teken,[^handelingen-28-11-16] Kastor en Pollux. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v11)

**12** En als wij te[^handelingen-28-12-17] Syrakuse aangekomen waren, bleven wij daar drie dagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v12)

**13** Vanwaar[^handelingen-28-13-18] wij omvoeren, en kwamen aan te[^handelingen-28-13-19] Regium; en zo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij de tweede dag te[^handelingen-28-13-20] Puteoli; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v13)

**14** Waar wij[^handelingen-28-14-21] broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar[^handelingen-28-14-22] Rome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v14)

**15** En[^handelingen-28-15-23] vandaar kwamen[^handelingen-28-15-24] de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot[^handelingen-28-15-25] Appiusmarkt, en de[^handelingen-28-15-26] drie tabernen; die Paulus ziende, dankte hij God en[^handelingen-28-15-27] greep moed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v15)

**16** En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de[^handelingen-28-16-28] overste van de[^handelingen-28-16-e] leger; maar aan Paulus werd toegelaten[^handelingen-28-16-29] op zichzelf te wonen[^handelingen-28-16-30] met de soldaat, die hem bewaarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v16)

**17** Na drie dagen[^handelingen-28-17-31] riep Paulus degenen[^handelingen-28-17-32] samen die de voornaamsten van de Joden waren. En als zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Broeders,[^handelingen-28-17-f] ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v17)

**18** Die, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld van de dood in mij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v18)

**19** Maar als de Joden dat tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; maar niet, alsof ik[^handelingen-28-19-33] iets had, mijn volk te beschuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v19)

**20** Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken;[^handelingen-28-20-g] want vanwege[^handelingen-28-20-34] de hoop van Israël ben ik met deze keten omvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v20)

**21** Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven wat u betreft van Judea ontvangen; en niemand van de broeders die hier gekomen is, heeft over u iets [^handelingen-28-21-35]kwaads bericht of gezegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v21)

**22** Maar wij begeren wel van u te horen, wat u gevoelt; want wat[^handelingen-28-22-36] deze sekte betreft, ons is bekend, dat[^handelingen-28-22-37] zij overal tegengesproken wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v22)

**23** En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in[^handelingen-28-23-38] zijn woonplaats; die hij[^handelingen-28-23-39] het Koninkrijk van God uitlegde, en[^handelingen-28-23-40] betuigde, en poogde hen te bewegen[^handelingen-28-23-41] tot het geloof in[^handelingen-28-23-h] Jezus, zowel uit de wet van Mozes als de profeten, vroeg in de morgen tot de avond toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v23)

**24** [^handelingen-28-24-i] En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v24)

**25** En tegen elkaar oneens zijnde,[^handelingen-28-25-42] scheidden zij; als Paulus[^handelingen-28-25-43] dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft[^handelingen-28-25-44] de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaders, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v25)

**26** Zeggende:[^handelingen-28-26-k] Ga naar dit volk, en zeg: Met[^handelingen-28-26-45] het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v26)

**27** Want het hart van dit volk is[^handelingen-28-27-46] dik geworden, en met de oren hebben zij nauwelijks gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v27)

**28** Het zij u dan bekend, dat[^handelingen-28-28-47] de zaligheid Gods de[^handelingen-28-28-48] heidenen gezonden is, en zij zullen ook luisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v28)

**29** En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel[^handelingen-28-29-49] twisting hebbenden onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v29)

**30** En Paulus bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v30)

**31** Predikende het Koninkrijk van God, en[^handelingen-28-31-50] lerende van de Heere Jezus Christus[^handelingen-28-31-51] met alle vrijmoedigheid,[^handelingen-28-31-52] onverhinderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/handelingen/28.html#v31)

[^handelingen-28-1-a]: Verwijzing a: Hand. 27:26 . Handelingen 27:26 : Maar wij moeten op een zeker eiland vervallen.
[^handelingen-28-1-1]: Kanttekening 1: Een eiland, tussen Afrika en Cicilië, nu Malta genoemd.
[^handelingen-28-2-2]: Kanttekening 2: de barbaren: Zo noemden de Grieken en Romeinen alle andere natiën, die van de hunne niet waren, vanwege hunne vreemde zeden en onbekende talen, die zij spraken; zie Rom. 1:14 ; 1 Kor. 14:11 , waarvan het schijnt dat nog hedendaags dat deel van Afrika, dat tegenover Cicilië en Maltha ligt, Barbarijë genaamd wordt. Romeinen 1:14 : Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar. 1 Korinthiërs 14:11 : Als ik dan de kracht van de stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.
[^handelingen-28-2-3]: Kanttekening 3: een groot vuur: Grieks pyra; dat betekent een hoop van hout, of andere stof, geschikt om te branden.
[^handelingen-28-3-4]: Kanttekening 4: rijzen bijeengeraapt: Het Griekse woord betekent eigenlijk droge wijngaardsranken en dergelijke takken, die lichtelijk branden.
[^handelingen-28-3-5]: Kanttekening 5: een adder uit: Een zeer venijnige slang, die niet alleen met bijten en steken, maar ook somwijlen alleen met haar aanblaas de mensen doodt. Zie hiervan Matt. 3:7 . Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn?
[^handelingen-28-4-6]: Kanttekening 6: beest zagen: Grieks Therion; waardoor allerlei wilde beesten betekend worden, maar in bijzonder de beesten, die met bijten of steken hun venijn schieten en de mensen doden, gelijk deze slang. Van welk woord gemeend wordt, dat het tegengift, Theriaca genaamd, zijn naam heeft, òf omdat het ook van het vlees van deze slangen gemaakt wordt, òf omdat het wederstaat het vergift van deze en dergelijke venijnige beesten.
[^handelingen-28-4-7]: Kanttekening 7: de wraak niet: Of, de justitie; dat is de goddelijke rechtvaardigheid.
[^handelingen-28-5-b]: Verwijzing b: Mark. 16:18 ; Lukas 10:19 . Marcus 16:18 : Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. Lukas 10:19 : Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
[^handelingen-28-6-8]: Kanttekening 8: Of, ontsteken, ontbranden; namelijk door het vergift.
[^handelingen-28-6-9]: Kanttekening 9: geen ongemak: Grieks niets ongerijmds, of, onvoegelijks.
[^handelingen-28-6-c]: Verwijzing c: Hand. 14:11 . Handelingen 14:11 : En de scharen, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn de mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen.
[^handelingen-28-6-10]: Kanttekening 10: een god was: Die namelijk in menselijke gedaante tot hen gekomen was. Zie dergelijk ongestadig oordeel van de heidenen van Paulus en Barnabas, Hand. 14:11 , 14:19 . Handelingen 14:11 : En de scharen, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn de mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen. Handelingen 14:19 : Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.
[^handelingen-28-7-11]: Kanttekening 11: de voornaamste: Grieks de eerste.
[^handelingen-28-7-12]: Kanttekening 12: Deze naam is een Romeinse naam, waaruit sommigen menen dat hij stadhouder van de Romeinen over dit eiland is geweest. Het blijkt altijd dat hij een machtig man is geweest, die twee honderd zes en zeventig mannen drie dagen lang heeft gevoed en geherbergd.
[^handelingen-28-8-d]: Verwijzing d: Matt. 8:14 . Mattheüs 8:14 : En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.
[^handelingen-28-10-13]: Kanttekening 13: nodig was: Namelijk tot onze verdere reis naar Italië.
[^handelingen-28-11-14]: Kanttekening 14: na drie maanden: Wat Paulus die drie maanden in Melite verder gedaan heeft, wordt hier niet beschreven; dan, het is zeker, dat hij daar ene gemeente heeft opgericht, die één van de standvastigste Christelijke gemeenten altijd is geweest, gelijk de kerkelijke geschiedenissen getuigen.
[^handelingen-28-11-15]: Kanttekening 15: tot een teken: Namelijk op het voorste of achterste van het schip, waarnaar het genaamd was, gelijk nog hedendaags de grote schepen hunne namen hebben van steden, landen, of personen, die hen zenden, of waar zij uitvaren, om die van de andere te onderscheiden.
[^handelingen-28-11-16]: Kanttekening 16: Kastor en Pollux: Grieks Dioscourois; dat is, Jupiters zonen. Dit waren twee heidense afgoden, of sterren, zo genaamd, van welker teken dit schip zijn naam heeft gehad, omdat het van dezelfde te beter bewaard zou worden, gelijk zij meenden; en als nog hedendaags de namen van verstorven heiligen, tot dienzelven einde, van sommigen de schepen gegeven worden.
[^handelingen-28-12-17]: Kanttekening 17: De hoofdstad van Cicilië, tegen de zee gelegen.
[^handelingen-28-13-18]: Kanttekening 18: Namelijk om de hoek van het eiland van Cicilië naar Italië.
[^handelingen-28-13-19]: Kanttekening 19: Een zeer bekende stad en haven van Italië, tegenover Cicilië; zo genaamd, gelijk vele ouden menen, omdat Cicilië met die hoek aan Italië eertijds vast is geweest, en door grote stormen en watervloeden in deze engte van elkanders is gescheurd.
[^handelingen-28-13-20]: Kanttekening 20: Ene stad in Campanië, aan de zee gelegen, niet ver van Napels, waar zij langs de kust van Italië zeilende aankwamen; vanwaar een zeer bekwame en gebaande weg was, om te land naar Rome te reizen.
[^handelingen-28-14-21]: Kanttekening 21: broeders vonden: Dat is, Christenen.
[^handelingen-28-14-22]: Kanttekening 22: Deze stad is wel bekend. Zie Rom. 1:7 ; Openb. 17:18 . Romeinen 1:7 : Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.
[^handelingen-28-15-23]: Kanttekening 23: vandaar kwamen: Namelijk van Rome.
[^handelingen-28-15-24]: Kanttekening 24: de broeders: Dat is, enige uit de Christelijke gemeente, die daar al was eer Paulus daar kwam, gelijk ook blijkt uit de brief van Paulus aan de Romeinen tevoren geschreven. Van wie die nu opgericht is, zegt de Schrift nergens, dan dat op de pinksterdag te Jeruzalem ook geweest zijn uitlandse Romeinen; Hand. 2:10 . Handelingen 2:10 : En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten;
[^handelingen-28-15-25]: Kanttekening 25: Ene plaats in Setinervelt, omtrent zestien uren gaans van Rome, zo genaamd naar enen Appius Claudius, die van Rome af tot daartoe een gestraten weg in zijn leven had doen maken.
[^handelingen-28-15-26]: Kanttekening 26: drie tabernen: Een stadje, omtrent vijf of zes uren gaans nader Rome, op denzelfden weg gelegen; zo dat sommigen van de broeders daar Paulus verwachtten, andere nog verder tot Appiusmarkt toe, hem tegemoet gegaan waren.
[^handelingen-28-15-27]: Kanttekening 27: greep moed: Namelijk ziende zo goeden ijver van zovele Christenen, bij wie hij hulp en troost in deze zijn gevangenschap zou vinden.
[^handelingen-28-16-28]: Kanttekening 28: overste van de: Deze schijnt geweest te zijn de overste van de garde van de keizer, welke niet alleen in het paleis van de keizer de wacht hielden, maar ook aan de ene zijde van de stad enige duizenden sterk in een gesterkte plaats lagen, om de keizer in alle voorvallende zwarigheden altijd ten dienste te zijn. De Latijnen noemen hem praefectum praetorio.
[^handelingen-28-16-e]: Verwijzing e: Hand. 24:23 ; Hand. 27:3 . Handelingen 24:23 : En hij beval de hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijn zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. Handelingen 27:3 : En van de anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden.
[^handelingen-28-16-29]: Kanttekening 29: op zichzelven: Namelijk in een eigen gehuurde woning. Zie vers 30 . Deze vrijheid schijnt hij van deze overste verkregen te hebben, om de goede berichten door Julius aan hem gedaan, maar zonder twijfel door Gods zonderlinge voorzienigheid, opdat Paulus zo het Evangelie te beter zou mogen verbreiden, en een ieder toegang tot hem mocht hebben. Zie vers 30 ,31. Handelingen 28:30 : En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; Handelingen 28:30 : En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;
[^handelingen-28-16-30]: Kanttekening 30: met de krijgsknecht: Dragende daartoe aan de rechterhand een ijzeren keten, welke hij om zich gordde als hij in huis was, om te vrijer te gaan; maar uitgaande was hij met dezelfde aan de linkerhand van de krijgsknecht gebonden. Zie vers 20 ; Hand. 12:6 ; Ef. 6:20 . Handelingen 28:20 : Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen. Handelingen 12:6 : Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. Efeziërs 6:20 : Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelfde vrijmoedig mag spreken, gelijk mij betaamt te spreken.
[^handelingen-28-17-31]: Kanttekening 31: na drie dagen: Namelijk als hij vermoeid zijnde van de reis wat tijds gerust had.
[^handelingen-28-17-32]: Kanttekening 32: samenriep degenen: Namelijk omdat hij gevangen zijnde in hunne synagoge niet kon gaan.
[^handelingen-28-17-f]: Verwijzing f: Hand. 24:12 ; Hand. 25:8 . Handelingen 24:12 : En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenspanning van het volk makende, noch in de synagogen, noch in de stad; Handelingen 25:8 : Omdat hij, verantwoordende, zei: Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd.
[^handelingen-28-19-33]: Kanttekening 33: iets had, mijn: Namelijk voorgenomen of besloten. Want hoewel Paulus oorzaak genoeg had om de Joden over hun geweld en onrechtvaardigheid te beschuldigen, nochtans toont hij hiermede voor de Joden dat hij zulk voornemen niet had, maar alleen zichzelven behoorlijk te verdedigen.
[^handelingen-28-20-g]: Verwijzing g: Hand. 23:6 ; Hand. 24:21 . Handelingen 23:6 : En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceën, en het andere van de Farizeën, riep in de raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding van de doden geoordeeld. Handelingen 24:21 : Dan van dit enig woord, dat ik riep, staande onder hen: Over de opstanding van de doden word ik heden van u geoordeeld!
[^handelingen-28-20-34]: Kanttekening 34: de hope Israëls: Dat is, de hoop van de eeuwige zaligheid, door de Messias aan het volk van Israël beloofd.
[^handelingen-28-21-35]: Kanttekening 35: Dat een teken is dat de overste van de Joden te Jeruzalem niet zeer gezorgd heeft hoe het met de Joden ging, die buiten het Joodse land woonden, als zij maar hunne rust en aanzien in hun land mochten behouden.
[^handelingen-28-22-36]: Kanttekening 36: deze sekte: Zo noemen zij de Christelijke godsdienst. Zie Hand. 24:5 , 24:14 . Handelingen 24:5 : Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de gehele wereld, en een oppersten voorstander van de sekte van de Nazarenen. Handelingen 24:14 : Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God van de vaderen zo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
[^handelingen-28-22-37]: Kanttekening 37: Namelijk zowel bij de Joden als bij de heidenen; Luk. 2:34 . Lukas 2:34 : En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
[^handelingen-28-23-38]: Kanttekening 38: Namelijk die hij gehuurd had, vers 16 , 28:30 . Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde. Handelingen 28:30 : En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;
[^handelingen-28-23-39]: Kanttekening 39: het Koninkrijk: Dat is, de oprichting van het koninkrijk van God door de beloofde Messias.
[^handelingen-28-23-40]: Kanttekening 40: betuigde, en: Dat is, met getuigenissen uit de heilige Schrift zocht hij hen te overtuigen. Zie Hand. 2:40 , en Hand. 20:21 . Handelingen 2:40 : En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht! Handelingen 20:21 : Betuigende, zowel Joden als Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus Christus.
[^handelingen-28-23-41]: Kanttekening 41: tot het geloof: Grieks tot de zaken van Jezus, of Jezus aangaande.
[^handelingen-28-23-h]: Verwijzing h: Gen. 3:15 ; Gen. 22:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 49:10 ; Deut. 18:15 ; 2 Sam. 7:12 ; Ps. 132:11 ; Jes. 4:2 ; Jes. 7:14 ; Jes. 9:5 ; Jes. 40:10 ; Jer. 23:5 ; Jer. 33:14 ; Ez. 34:23 ; Ez. 37:24 ; Dan. 9:24 ; Micha 7:20 . Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Deuteronomium 18:15 : Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; 2 Samuël 7:12 : Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Psalmen 132:11 : De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 4:2 : Te die dage zal van YHWH SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël. Jesaja 7:14 : Daarom zal de Heer Zelf u een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten. Jesaja 9:5 : Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Jesaja 40:10 : Ziet, de Heer YHWH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Jeremia 23:5 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Jeremia 33:14 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. Ezechiël 34:23 : En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Ezechiël 37:24 : En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Micha 7:20 : U zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die U onze vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
[^handelingen-28-24-i]: Verwijzing i: Hand. 17:4 . Handelingen 17:4 : En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.
[^handelingen-28-25-42]: Kanttekening 42: scheidden zij: Of, zij worden van hem gelaten; namelijk met een voornemen van de hardnekkigen bij zich niet meer te roepen, tenzij zij zich beter bedachten.
[^handelingen-28-25-43]: Kanttekening 43: dit ene woord: Dat is, rede, of waarschuwing; want met deze volgende waarschuwing liet hij hen gaan, om hen deze prikkel in hun hart te laten, of zij zich daarna mochten bedenken en bekeren.
[^handelingen-28-25-44]: Kanttekening 44: de Heilige Geest: Die Jes. 6:9 deze woorden spreekt, is de Heer van de heerlijkheid, gezeten op zijn troon, omringd zijnde van zijn engelen. Waaruit blijkt dat dan de Heilige Geest deze zelfde Heer van de heerlijkheid is; gelijk ook van de Zoon van God ditzelfde betuigd wordt; Joh. 12:41 . Zo zijn dan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, zoveel het wezen betreft, een enig God, hoewel in personen onderscheiden. Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Johannes 12:41 : Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.
[^handelingen-28-26-k]: Verwijzing k: Jes. 6:9 ; Ez. 12:2 ; Matt. 13:14 ; Mark. 4:12 ; Lukas 8:10 ; Joh. 12:40 ; Rom. 11:8 . Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Ezechiël 12:2 : Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis. Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Lukas 8:10 : En Hij zei: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Romeinen 11:8 : (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^handelingen-28-26-45]: Kanttekening 45: het gehoor zult: Zie de verklaring van deze plaats Matt. 13:14 . Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken.
[^handelingen-28-27-46]: Kanttekening 46: dik geworden: Of, vet.
[^handelingen-28-28-47]: Kanttekening 47: de zaligheid Gods: Dat is, de zaligheid die ons volgens Gods belofte door Jezus Christus is verworven en verkondigd; of, Jezus Christus, die de bewerker is van de zaligheid; Luk. 2:30 . Lukas 2:30 : Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
[^handelingen-28-28-48]: Kanttekening 48: heidenen gezonden: Namelijk achtervolgens het bevel van Christus, Luk. 24:47 , omdat u Joden dezelfde verwerpt; Hand. 13:46 . Lukas 24:47 : En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van de zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^handelingen-28-29-49]: Kanttekening 49: twisting hebbenden: Of, geschil; te weten degenen, die Paulus geloofden, tegen degenen, die niet geloofden, vers 24 . Handelingen 28:24 : En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
[^handelingen-28-31-50]: Kanttekening 50: lerende van: Grieks lerende de zaken van de Heer Jezus Christus, of aangaande de Heer Jezus Christus. Dit laatste verklaart het eerste. Want de leer van de oprichting van het koninkrijk van God is de leer van Christus, waarom die ook het Woord en het Evangelie van het koninkrijk genaamd wordt; Matt. 4:23 , en Matt. 13:19 . Mattheüs 4:23 : En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Mattheüs 13:19 : Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is.
[^handelingen-28-31-51]: Kanttekening 51: met alle vrijmoedigheid: Namelijk niettegenstaande zijn gevangenschap en het gevaar, dat hem daardoor bij de keizer mocht ontstaan.
[^handelingen-28-31-52]: Kanttekening 52: Namelijk God de zaak zo besturende, dat hem hierin geen beletsel van de kant van de keizer deze twee jaren werd gedaan. Maar daarna is hij van de keizer Nero hierover te Rome ter dood veroordeeld, gelijk de oude kerkelijke geschiedenissen getuigen, Euseb. lib. 2, cap. 26, en hij zelf voorzegt 2 Tim. 4:6 . Zie hiervan ook de aantekeningen Filipp. 1:25 . 2 Timotheüs 4:6 : Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Filippensen 1:25 : En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap van het geloof;

## Romeinen

### Romeinen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/1.json)

*1 De inleiding van deze zendbrief, waarin verklaard wordt wie de schrijver is, naamlijk Paulus, die zijn ambt, roeping en leer over de persoon van Christus kort aanwijst. 6 De personen aan wie hij schrijft, met een lof over hun geloof. 9 De genegenheid die hij heeft om tot hen te komen, om hun evenals anderen het Evangelie te prediken, hen te versterken en door hen versterkt te worden. 16 Daarna stelt hij de ware leer voor de rechtvaardiging van de mens voor God door het geloof, en bewijst dat met een tekst uit de Heilige Schrift. 18 Hij weerlegt het verkeerde gevoelen van anderen en bewijst dat de heidenen door het licht van de natuur niet gerechtvaardigd kunnen worden voor God. 19 Omdat zij dat licht onderdrukken en de kennis die zij van God hebben, misbruiken tot afgoderij, 24 waarvoor zij in een verkeerd denken overgegeven zijn. 29 En vol zijn van allerlei gruwelen in hun leven, die hij met een lang register opsomt.*

**1** [^romeinen-1-1-1] Paulus, een dienaar van Jezus[^romeinen-1-1-2] Christus, een geroepen apostel,[^romeinen-1-1-3][^romeinen-1-1-a] afgezonderd[^romeinen-1-1-4] tot het Evangelie van God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v1)

**2** (Dat Hij te voren[^romeinen-1-2-b] beloofd had door Zijn profeten, in de[^romeinen-1-2-5] heilige Schriften). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v2)

**3** Van Zijn Zoon, (Die[^romeinen-1-3-6] geworden is[^romeinen-1-3-c] uit het[^romeinen-1-3-7] zaad van[^romeinen-1-3-8] David, naar het vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v3)

**4** Die[^romeinen-1-4-9] krachtig[^romeinen-1-4-10] bewezen is te zijn[^romeinen-1-4-d] de Zoon van[^romeinen-1-4-11] God, naar de Geest van[^romeinen-1-4-12][^romeinen-1-4-13] de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heere: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v4)

**5** (Door Welke wij hebben ontvangen[^romeinen-1-5-14] genade en het apostelschap,[^romeinen-1-5-15] tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen,[^romeinen-1-5-16] voor Zijn Naam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v5)

**6** [^romeinen-1-6-17] Onder welke u ook bent,[^romeinen-1-6-18] geroepenen van Jezus Christus!) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v6)

**7** Allen, die te Rome bent, geliefden van God[^romeinen-1-7-19], en[^romeinen-1-7-e] geroepen heiligen,[^romeinen-1-7-20] genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v7)

**8** Als eerste dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof[^romeinen-1-8-21] verkondigd wordt in de hele wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v8)

**9** Want[^romeinen-1-9-f] God is mijn Getuige,[^romeinen-1-9-g] Die ik dien[^romeinen-1-9-22] in mijn geest,[^romeinen-1-9-23] in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten aan u denk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v9)

**10** [^romeinen-1-10-h] Alle tijd in mijn gebeden biddende,[^romeinen-1-10-24] of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd,[^romeinen-1-10-25] door de wil van God, om tot u te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v10)

**11** [^romeinen-1-11-i] Want ik verlang om u te zien,[^romeinen-1-11-k] opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, met als doel dat u versterkt zou worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v11)

**12** Dat is, om mee[^romeinen-1-12-26] vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zowel het mijne als het uwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v12)

**13** Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders,[^romeinen-1-13-l] dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe[^romeinen-1-13-27] verhinderd geweest), opdat ik ook onder u[^romeinen-1-13-28] enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v13)

**14** [^romeinen-1-14-m] Zowel[^romeinen-1-14-29] Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen[^romeinen-1-14-30] ben ik een schuldenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v14)

**15** Zo[^romeinen-1-15-31] wat in mij is, dat is bereidwillig, om u ook, die te Rome bent, het Evangelie te verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v15)

**16** [^romeinen-1-16-n] Want[^romeinen-1-16-32] ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet;[^romeinen-1-16-o] want het is[^romeinen-1-16-33] een kracht van God tot zaligheid een ieder die gelooft,[^romeinen-1-16-34] eerst de Jood, en ook de Griek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v16)

**17** [^romeinen-1-17-p] Want[^romeinen-1-17-35] de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard[^romeinen-1-17-36] uit geloof tot geloof; zoals geschreven is:[^romeinen-1-17-q] Maar de[^romeinen-1-17-37] rechtvaardige zal uit het geloof leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v17)

**18** Want[^romeinen-1-18-38] de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle[^romeinen-1-18-39] goddeloosheid, en[^romeinen-1-18-40] ongerechtigheid van de mensen, als die[^romeinen-1-18-41] de waarheid[^romeinen-1-18-42] in ongerechtigheid[^romeinen-1-18-43] ten onder houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v18)

**19** [^romeinen-1-19-r] Omdat[^romeinen-1-19-44] wat van God bekend is, in[^romeinen-1-19-45] hen openbaar is; want God[^romeinen-1-19-46] heeft het hun geopenbaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v19)

**20** [^romeinen-1-20-s] Want Zijn[^romeinen-1-20-47] onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de[^romeinen-1-20-48] schepselen verstaan en doorzien, zowel[^romeinen-1-20-49] Zijn eeuwige kracht als[^romeinen-1-20-50] Goddelijkheid, opdat zij[^romeinen-1-20-51] niet te verontschuldigen zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v20)

**21** Omdat zij,[^romeinen-1-21-52] God kennende,[^romeinen-1-21-53] Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt;[^romeinen-1-21-t] maar zijn[^romeinen-1-21-54] verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v21)

**22** Zich uitgevende[^romeinen-1-22-55] voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v22)

**23** [^romeinen-1-23-v] En hebben de heerlijkheid[^romeinen-1-23-56] van de onverderfelijken[^romeinen-1-23-57] Gods veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v23)

**24** [^romeinen-1-24-58] Daarom heeft God hen[^romeinen-1-24-59] ook[^romeinen-1-24-60] overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen[^romeinen-1-24-61] onder elkaar te onteren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v24)

**25** Als die[^romeinen-1-25-62] de waarheid Gods[^romeinen-1-25-63] veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben[^romeinen-1-25-64] boven de Schepper, Die te prijzen is in de eeuwigheid, amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v25)

**26** Daarom heeft God hen overgegeven[^romeinen-1-26-x] tot[^romeinen-1-26-65] oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v26)

**27** En eveneens ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en[^romeinen-1-27-66] de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelf ontvangende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v27)

**28** En zoals het hun niet goed gedacht heeft God[^romeinen-1-28-67] in erkentenis[^romeinen-1-28-68] te houden, zo heeft God hen overgegeven[^romeinen-1-28-69] in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet passen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v28)

**29** Vervuld zijnde met alle[^romeinen-1-29-70] ongerechtigheid, hoererij,[^romeinen-1-29-71] boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van afgunst, moord, twist, bedrog,[^romeinen-1-29-72] kwaadaardigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v29)

**30** Oorblazers,[^romeinen-1-30-73] roddelaars,[^romeinen-1-30-74] vijanden Gods,[^romeinen-1-30-75] smaders, hoogmoedigen,[^romeinen-1-30-76] laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v30)

**31** Onverstandigen, verbondbrekers,[^romeinen-1-31-77] zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v31)

**32** Zij,[^romeinen-1-32-78] daar zij het recht van God weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, van de dood waard zijn) niet alleen dezelfde doen,[^romeinen-1-32-y] maar ook mee[^romeinen-1-32-79] een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/1.html#v32)

[^romeinen-1-1-1]: Kanttekening 1: Waarom Paulus, die tevoren Saulus heette, de naam Paulus in al zijn brieven heeft gehouden, daarvoor zie de reden in de aantekening op Handelingen 13:9.
[^romeinen-1-1-2]: Kanttekening 2: Of: geroepen tot apostel. Deze titel geeft hij zichzelf hier om meteen aan het begin te laten zien dat de vermaningen die hij in deze brief aan de Romeinen doet, plaatsvinden overeenkomstig zijn roeping. Zie Handelingen 9:15; 2 Korintiërs 5, verzen 14, 20.
[^romeinen-1-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk: van moeders schoot aan in Gods voornemen. Galaten 1:15. En daarna in werkelijkheid door het bevel van de Heilige Geest, om het evangelie onder de heidenen te verkondigen. Handelingen 13:2.
[^romeinen-1-1-a]: Verwijzing a: Handelingen 9:15 en 13:2. Galaten 1:15.
[^romeinen-1-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk: om het te prediken.
[^romeinen-1-2-b]: Verwijzing b: Genesis 3:15 en 22:18 en 26:4 en 49:10. Deuteronomium 18:15. 2 Samuel 7:12. Psalm 132:11. Jesaja 4:2 en 7:14 en 9:6 en 40:10. Jeremia 23:5 en 33:14. Ezechiël 34:23 en 37:24. Daniël 9:24. Micha 7:20.
[^romeinen-1-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk: van het Oude Testament.
[^romeinen-1-3-6]: Kanttekening 6: Of: geboren, zoals Galaten 4:4.
[^romeinen-1-3-c]: Verwijzing c: Matteüs 1:1. Lukas 1:32. Handelingen 2:30 en 13:23. 2 Timotheüs 2:8.
[^romeinen-1-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: nakomelingen.
[^romeinen-1-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: naar zijn menselijke natuur. Johannes 1:14. 1 Timotheüs 3:16.
[^romeinen-1-4-9]: Kanttekening 9: Grieks: in kracht, of: met kracht.
[^romeinen-1-4-10]: Kanttekening 10: Of: verklaard. Grieks: bepaald.
[^romeinen-1-4-d]: Verwijzing d: Jesaja 9:5 en 44:6 en 54:5. Johannes 2:19. Romeinen 9:5. 1 Johannes 5:20.
[^romeinen-1-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: naar zijn goddelijke natuur, die ook een eeuwige Geest wordt genoemd. Hebreeën 9:14. Zie ook 1 Timotheüs 3:16 en 1 Petrus 3:18.
[^romeinen-1-4-12]: Kanttekening 12: Of: van heiligheid, dat wil zeggen: die in zichzelf heilig is en door zijn verdienste en kracht ons heilig maakt. Hebreeën 2:11.
[^romeinen-1-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: doordat hij zichzelf uit de doden heeft opgewekt. Johannes 2, verzen 19, 21 en 10:18.
[^romeinen-1-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de genade van het apostelschap; of: de genade tot bekering, en bovendien tot het apostelschap.
[^romeinen-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: om de heidenen te brengen tot gehoorzaamheid aan Christus en tot het geloof. Handelingen 26:16.
[^romeinen-1-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: opdat de naam van Christus hun bekend zou zijn en door hen verheerlijkt zou worden. Of: in, uit zijn naam. 2 Korintiërs 5:20.
[^romeinen-1-6-17]: Kanttekening 17: Grieks: in.
[^romeinen-1-6-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die niet alleen door het woord uiterlijk, maar ook door de kracht van de Geest van Christus innerlijk tot de gemeenschap met Christus zijn geroepen en gekomen. Daarom noemt hij hen ook in het volgende vers gelovigen, heiligen en geliefden van God. Zie Romeinen 8:28. 1 Korintiërs 1:2.
[^romeinen-1-7-19]: Kanttekening 19: Of: door God. 1 Johannes 4, verzen 10, 19.
[^romeinen-1-7-e]: Verwijzing e: 1 Korintiërs 1:2. Efeziërs 1:1.
[^romeinen-1-7-20]: Kanttekening 20: Onder deze twee woorden wordt, naar de spreekwijze van de Hebreeën, alle geestelijk en lichamelijk welzijn begrepen. Met het woord genade wordt verstaan de bron van alle weldaden van God over ons, en met het woord vrede de vruchten en het gevoel daarvan. Zie Psalm 63:4. Johannes 16:33. Romeinen 5:1. Filippenzen 4:7.
[^romeinen-1-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: ruchtbaar en bekend gemaakt wordt in de gemeenten van de hele wereld — een figuurlijke manier van spreken, die hier toch gegrond is, omdat er uit alle gewesten van de wereld naar Rome kwamen, die dit elk in hun eigen land konden verhalen.
[^romeinen-1-9-f]: Verwijzing f: Romeinen 9:1. 2 Korintiërs 1:23 en 11:31. Galaten 1:20. Filippenzen 1:8. 1 Tessalonicenzen 2:5.
[^romeinen-1-9-g]: Verwijzing g: 2 Timotheüs 1:3.
[^romeinen-1-9-22]: Kanttekening 22: Of: met mijn geest, dat wil zeggen: van ganser harte.
[^romeinen-1-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: in het verkondigen van het evangelie, zoals in vers 1.
[^romeinen-1-10-h]: Verwijzing h: Romeinen 15:23, 32.
[^romeinen-1-10-24]: Kanttekening 24: Of: als mij nog te eniger tijd een voorspoedige reis gegeven zou worden door de wil van God, zodat ik naar u kan komen.
[^romeinen-1-10-25]: Kanttekening 25: Grieks: in de wil van God. Dit voegt hij daarbij, omdat hij in het verbreiden van het evangelie de orde volgde die God hem door zijn Geest voorschreef. Handelingen 16:7, 9, 10.
[^romeinen-1-11-i]: Verwijzing i: 1 Tessalonicenzen 3:10.
[^romeinen-1-11-k]: Verwijzing k: Romeinen 15:29.
[^romeinen-1-12-26]: Kanttekening 26: Of: vermaand. Want het Griekse woord betekent beide, en beide kan op Paulus worden toegepast. Zo krijgen ook de engelen door de gemeente van God nadere kennis en ervaring van de veelvoudige wijsheid van God. Efeziërs 3:10. 1 Petrus 1:12.
[^romeinen-1-13-l]: Verwijzing l: 1 Tessalonicenzen 2:18.
[^romeinen-1-13-27]: Kanttekening 27: Namelijk: hetzij door voorkomende moeilijkheden, hetzij door Gods bevel, zoals Handelingen 16:7.
[^romeinen-1-13-28]: Kanttekening 28: Namelijk: van mijn dienst en roeping tot apostel van Christus onder de heidenen, om hen tot Christus te bekeren, of hen ten minste in hun geloof meer en meer te bevestigen.
[^romeinen-1-14-m]: Verwijzing m: 1 Korintiërs 9:16.
[^romeinen-1-14-29]: Kanttekening 29: Onder deze twee eerste woorden worden alle soorten heidenen verstaan. Handelingen 28:2. En door wijzen en onwijzen allerlei mensen in het bijzonder onder de Grieken of barbaren.
[^romeinen-1-14-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: ben ik verplicht, uit kracht van mijn roeping, het evangelie te prediken.
[^romeinen-1-15-31]: Kanttekening 31: Of: wat mij betreft, ik ben bereid.
[^romeinen-1-16-n]: Verwijzing n: Psalm 40:10. 2 Timotheüs 1:8.
[^romeinen-1-16-32]: Kanttekening 32: Of: ik schroom niet. Dat wil zeggen: ik tracht mij niet te onttrekken aan het verkondigen van het evangelie, zoals men doet met zaken waarover men zich schaamt.
[^romeinen-1-16-o]: Verwijzing o: 1 Korintiërs 1:18 en 15:2.
[^romeinen-1-16-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: een krachtig middel van God daartoe verordend, zoals 1 Korintiërs 1:18.
[^romeinen-1-16-34]: Kanttekening 34: Want het evangelie moest eerst aan de Joden en daarna aan de heidenen verkondigd worden. Handelingen 13:46.
[^romeinen-1-17-p]: Verwijzing p: Romeinen 3:21. Filippenzen 3:9.
[^romeinen-1-17-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de gerechtigheid waarmee wij voor het oordeel van God kunnen bestaan, welke alleen de gerechtigheid van Christus is, die ons door God wordt geschonken en door het geloof toegerekend.
[^romeinen-1-17-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof. Zie 2 Korintiërs 3:18.
[^romeinen-1-17-q]: Verwijzing q: Habakuk 2:4. Galaten 3:11. Hebreeën 10:38. Johannes 3:36.
[^romeinen-1-17-37]: Kanttekening 37: Of: de rechtvaardige uit het geloof zal leven — wat overeenkomt met de Hebreeuwse tekst van Habakuk 2:4 en met de bedoeling van Paulus hier.
[^romeinen-1-18-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: de straffen die God van de hemel zendt, zoals in de verzen 24, 26 en 28 nader wordt uitgedrukt.
[^romeinen-1-18-39]: Kanttekening 39: Hieronder worden verstaan alle zonden strijdig met de eerste tafel.
[^romeinen-1-18-40]: Kanttekening 40: Hieronder worden verstaan de zonden tegen de tweede tafel, die vanaf vers 29 worden opgesomd.
[^romeinen-1-18-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: de kennis van God en zijn eer, die hij de mensen ook door de natuur heeft geopenbaard.
[^romeinen-1-18-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: tegen alle recht en billijkheid, die vereist dat men God geeft wat hem toekomt.
[^romeinen-1-18-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: onderdrukken, hun eigen gemoed geweld aandoend, terwijl zij beter weten dan zij doen.
[^romeinen-1-19-r]: Verwijzing r: Handelingen 14:17.
[^romeinen-1-19-44]: Kanttekening 44: Namelijk: zoveel als een mens zonder Gods woord uit de natuur van God kan weten.
[^romeinen-1-19-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: in het binnenste van hun gemoed. Of: onder hen, namelijk onder hun geleerden en wijsgeren.
[^romeinen-1-19-46]: Kanttekening 46: Namelijk: deels door de wet van de natuur, in hun gewetens. Johannes 1:9. Anderzijds door het aanschouwen van Gods schepselen. Psalm 19:2. Handelingen 14:15 en 17:24.
[^romeinen-1-20-s]: Verwijzing s: Psalm 19:2.
[^romeinen-1-20-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: goddelijke eigenschappen.
[^romeinen-1-20-48]: Kanttekening 48: Grieks: maaksels, of: gemaakte dingen.
[^romeinen-1-20-49]: Kanttekening 49: Hieronder wordt verstaan de eigenschap van God, waardoor alle dingen zijn geschapen en hun begin hebben.
[^romeinen-1-20-50]: Kanttekening 50: Hieronder verstaat hij de andere eigenschappen van de Majesteit van God, waarvan de voetsporen in Gods schepselen duidelijk zichtbaar zijn.
[^romeinen-1-20-51]: Kanttekening 51: Grieks: onverontschuldigbaar. Namelijk voor Gods rechtvaardige oordeel.
[^romeinen-1-21-52]: Kanttekening 52: Namelijk op zodanige wijze als tevoren verklaard is.
[^romeinen-1-21-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: zoals het zijn Goddelijke Majesteit toekwam, zelfs naar de kennis die zij van hem hadden.
[^romeinen-1-21-t]: Verwijzing t: Deuteronomium 28:28.
[^romeinen-1-21-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: zij zijn door hun overleggingen vervallen tot ijdele bedenksels over God en zijn dienst, en hebben die gericht naar de neiging van hun verdorven zinnen.
[^romeinen-1-22-55]: Kanttekening 55: Dit zegt hij van hun geleerden of filosofen, die een schijn van wijsheid wilden hebben maar toch de verkeertheid van anderen dwaas navolgden. 2 Koningen 17:29.
[^romeinen-1-23-v]: Verwijzing v: 2 Koningen 17:29.
[^romeinen-1-23-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: die niet alleen in wezen, maar ook in eigenschappen onveranderlijk is.
[^romeinen-1-23-57]: Kanttekening 57: Of: verwisseld voor de gelijkenis. Dat wil zeggen: voor een beeld dat naar de gelijkenis van een sterfelijk mens gemaakt is. Zie Leviticus 27:10. Psalm 106:20. Jeremia 2:11. Deuteronomium 4:15. Handelingen 17:29.
[^romeinen-1-24-58]: Kanttekening 58: Namelijk vanwege deze afgoderij en ontering die zij God daarmee aandeden. Zie Psalm 106:20. Jesaja 40, verzen 17, 18.
[^romeinen-1-24-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: hun kwade begeerten niet ingetoomd, maar hun gang laten gaan. Psalm 81:13. Handelingen 14:16. Matteüs 25:28.
[^romeinen-1-24-60]: Kanttekening 60: In vers 26 wordt hetzelfde gezegd tot oneerlijke bewegingen: niet dat God zulke oneerlijke begeerten werkt, want die zijn niet uit God. Jakobus 1:13. 1 Johannes 2:16.
[^romeinen-1-24-61]: Kanttekening 61: Of: in henzelf.
[^romeinen-1-25-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: de kennis die zij van God hadden. Zie vers 18.
[^romeinen-1-25-63]: Kanttekening 63: Of: verwisseld voor leugenachtige verzinsels van ijdele goden en godsdiensten.
[^romeinen-1-25-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: meer dan de Schepper zelf. Handelingen 17:23. Galaten 4:8.
[^romeinen-1-26-x]: Verwijzing x: Leviticus 18, verzen 22, 23.
[^romeinen-1-26-65]: Kanttekening 65: Grieks: bewegingen van oneer. Dat wil zeggen: oneerlijke of schandelijke bewegingen. 1 Tessalonicenzen 4:4, 5. 1 Korintiërs 6:18.
[^romeinen-1-27-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de rechtvaardige straf van hun afgoderij, of de juiste loon. Want de afgoderij, die geestelijke hoererij is, wordt gewoonlijk door God gestraft met lichamelijke. Numeri 25:1, 2. Openbaring 17:1, 2.
[^romeinen-1-28-67]: Kanttekening 67: Namelijk: de kennis die zij uit de wet van de natuur en het aanschouwen van de geschapen dingen hadden ontvangen. Vers 20.
[^romeinen-1-28-68]: Kanttekening 68: Grieks: te hebben.
[^romeinen-1-28-69]: Kanttekening 69: Grieks: tot een gezindheid zonder juist oordeel, of: een verwerpelijke gezindheid — die het goede van het kwade niet beproeft noch onderscheidt.
[^romeinen-1-29-70]: Kanttekening 70: Hier beginnen de zonden te worden opgesomd die onder de heidenen heersten, tegen de tweede tafel van de wet. De ongerechtigheid is de bron, waaruit de andere als beken vloeien.
[^romeinen-1-29-71]: Kanttekening 71: Of: slechtheid.
[^romeinen-1-29-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: verkeertheid van geest, als men alles ten kwade duidt.
[^romeinen-1-30-73]: Kanttekening 73: Of: tegensprekers.
[^romeinen-1-30-74]: Kanttekening 74: Of: door God gehaat. Maar omdat hier gesproken wordt van de heersende zonden der heidenen, wordt het beter in deze zin genomen: zij die liefhebben wat God haat, en haten wat God gebiedt. Exodus 20:6.
[^romeinen-1-30-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: die anderen smaad of onrecht aandoen met woorden of daden.
[^romeinen-1-30-76]: Kanttekening 76: Of: roemgierigen, opscheppers.
[^romeinen-1-31-77]: Kanttekening 77: Het Griekse woord betekent de genegenheid of liefde die er is tussen ouders en kinderen. Deze zonde heerste ook onder de heidenen, die hun kinderen aan de afgoden offerden of als vondeling achterlieten.
[^romeinen-1-32-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: terwijl hun een onderscheid tussen goed en kwaad door God in de natuur is ingeplant. Romeinen 2, verzen 14, 15.
[^romeinen-1-32-y]: Verwijzing y: Hosea 7:3.
[^romeinen-1-32-79]: Kanttekening 79: Dit is de hoogste trap van boosheid: het kwaad niet alleen te doen, maar ook genoegen te nemen in het feit dat anderen hetzelfde doen.

### Romeinen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/2.json)

*1 Paulus weerlegt een tegenwerping van hen die meenden daardoor rechtvaardig te zijn, omdat zij zulke gruwelijke zonden in het openbaar niet bedreven maar ze in anderen veroordeelden. 3 En die meenden dat zij in de genade van God stonden, omdat hij hun in deze wereld goed deed en zegende. 5 Verklaart daarentegen dat God zonder aanzien des perzons alle mensen zal oordelen, niet naar hun uiterlijk gelaat of stand, maar naar hun werken, zowel innerlijke als uiterlijke. 12 En dat zowel de Joden die de Wet hadden, als de heidenen die de geschreven Wet niet hadden. 17 Hij ontneemt de Joden de gedachte dat zij door de kennis van de Wet en het onderrichten van anderen daarin gerechtvaardigd zouden worden. 25 Of door de besnijdenis en andere uiterlijke voordelen die de Joden hadden boven de heidenen. 28 En leert welke de ware Joden en de ware besnijdenis zijn.*

**1** [^romeinen-2-1-1] Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent,[^romeinen-2-1-2] die anderen oordeelt;[^romeinen-2-1-a] want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelf; want u, die anderen oordeelt, doet[^romeinen-2-1-3] dezelfde dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v1)

**2** En[^romeinen-2-2-4] wij weten, dat het oordeel van God[^romeinen-2-2-5] naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v2)

**3** En denkt u dit, o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en[^romeinen-2-3-6] dezelfde doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v3)

**4** Of veracht u[^romeinen-2-4-7] de rijkdom van Zijn[^romeinen-2-4-8] goedertierenheid, en[^romeinen-2-4-9] verdraagzaamheid, en[^romeinen-2-4-10][^romeinen-2-4-b] geduld,[^romeinen-2-4-c] niet wetende, dat de goedertierenheid van God u[^romeinen-2-4-11] tot bekering leidt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v4)

**5** Maar naar uw[^romeinen-2-5-12] hardheid, en onbekeerlijk hart,[^romeinen-2-5-13][^romeinen-2-5-d] verzamelt u uzelf toorn als een schat,[^romeinen-2-5-14] in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v5)

**6** [^romeinen-2-6-e] Die een ieder[^romeinen-2-6-15] vergelden zal naar zijn werken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v6)

**7** Degenen wel, die met[^romeinen-2-7-16] volharding[^romeinen-2-7-17] in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en[^romeinen-2-7-18] onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v7)

**8** [^romeinen-2-8-f] Maar degenen,[^romeinen-2-8-19] die twistgierig zijn, en die[^romeinen-2-8-20] van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal toorn en[^romeinen-2-8-21] toorn vergolden worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v8)

**9** [^romeinen-2-9-22] Verdrukking en benauwdheid over alle ziel van de mensen, die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v9)

**10** Maar[^romeinen-2-10-23] heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder die het goede werkt, eerst de Jood, en ook de Griek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v10)

**11** [^romeinen-2-11-g] Want er is geen aanneming[^romeinen-2-11-24] van de persoon bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v11)

**12** Want zovelen, als er[^romeinen-2-12-25] zonder wet gezondigd hebben, zullen ook[^romeinen-2-12-26] zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er[^romeinen-2-12-27] onder de wet gezondigd hebben, zullen[^romeinen-2-12-28] door de wet geoordeeld worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v12)

**13** (Want[^romeinen-2-13-29][^romeinen-2-13-h] de hoorders van de wet[^romeinen-2-13-30] zijn niet rechtvaardig voor God, maar[^romeinen-2-13-31] de daders van de wet zullen[^romeinen-2-13-32] gerechtvaardigd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v13)

**14** Want wanneer de heidenen, die[^romeinen-2-14-33] de wet niet hebben, van nature[^romeinen-2-14-34] de dingen doen, die van de wet zijn, deze, de wet niet hebbende,[^romeinen-2-14-35] zijn zichzelf een wet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v14)

**15** Als die[^romeinen-2-15-36] betonen[^romeinen-2-15-37] het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar[^romeinen-2-15-38] hen beschuldigende, of ook[^romeinen-2-15-39] ontschuldigende). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v15)

**16** [^romeinen-2-16-40][^romeinen-2-16-i] In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus,[^romeinen-2-16-41] naar mijn Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v16)

**17** Zie,[^romeinen-2-17-42] u wordt[^romeinen-2-17-43] een Jood genoemd[^romeinen-2-17-44][^romeinen-2-17-k] en rust op de wet; en[^romeinen-2-17-45] roemt op God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v17)

**18** En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen,[^romeinen-2-18-46] die daarvan verschillen,[^romeinen-2-18-47] zijnde onderwezen uit de wet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v18)

**19** En u betrouwt uzelf te zijn een leidsman van de blinden, een licht van degenen, die in duisternis zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v19)

**20** Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester[^romeinen-2-20-48] van de onwetenden, hebbende[^romeinen-2-20-49] de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v20)

**21** Die dan een ander leert,[^romeinen-2-21-50] leert u uzelf niet? Die predikt, dat men niet stelen zal,[^romeinen-2-21-51] steelt u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v21)

**22** Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet u overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt,[^romeinen-2-22-52] berooft u het heilige? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v22)

**23** Die op de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v23)

**24** Want de Naam van God[^romeinen-2-24-53] wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen,[^romeinen-2-24-l] zoals geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v24)

**25** Want de besnijdenis is wel nut,[^romeinen-2-25-54] als u de wet doet; maar als u een overtreder van de wet bent, zo is uw besnijdenis[^romeinen-2-25-55] voorhuid geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v25)

**26** Als dan[^romeinen-2-26-56] de voorhuid de[^romeinen-2-26-57] rechten van de wet bewaart, zal niet[^romeinen-2-26-58] zijn voorhuid[^romeinen-2-26-59] tot een besnijdenis gerekend worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v26)

**27** En zal[^romeinen-2-27-60] de voorhuid, die uit de natuur is,[^romeinen-2-27-61] als zij de wet volbrengt,[^romeinen-2-27-62] u niet oordelen, die door[^romeinen-2-27-63] de letter en besnijdenis een overtreder van de wet bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v27)

**28** [^romeinen-2-28-m] Want die[^romeinen-2-28-64] is niet een Jood, die[^romeinen-2-28-65] het in het openbaar is; noch die is de[^romeinen-2-28-66] besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v28)

**29** Maar die is[^romeinen-2-29-67] een Jood, die het in het verborgen is, en[^romeinen-2-29-68][^romeinen-2-29-n] de besnijdenis van de harten,[^romeinen-2-29-69] in de geest, niet[^romeinen-2-29-70] in de letter, is[^romeinen-2-29-71] de besnijdenis; wiens lof[^romeinen-2-29-72] niet is uit de mensen,[^romeinen-2-29-73] maar uit God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/2.html#v29)

[^romeinen-2-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk: omdat u het recht van God kent. Romeinen 1:32.
[^romeinen-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: berispt, bestraft, of ook straft. Hiermee verstaat de apostel zodanige mensen onder de heidenen, die rechters waren of een ingetogener leven leidden, en daarmee het doen van anderen schenen te veroordelen, terwijl zij toch innerlijk vol waren van haat, nijd en opgeblazenheid, en in het geheim dezelfde zonden bedreven.
[^romeinen-2-1-a]: Verwijzing a: 2 Samuel 12:5. Matteüs 7:1. 1 Korintiërs 4:5.
[^romeinen-2-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk: innerlijk, of verborgen.
[^romeinen-2-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: het is bekend, zelfs naar het algemene gevoelen van alle mensen.
[^romeinen-2-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: oprecht, niet naar de uiterlijke schijn, maar naar wat de zaak in werkelijkheid is.
[^romeinen-2-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk: al is het dat u het verborgen doet, of niet zo schaamteloos als anderen.
[^romeinen-2-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: de grootheid en menigvuldigheid. Hier weerlegt hij degenen die meenden dat hun zaken bij God niet slecht stonden, omdat God hun goed deed en hen zegende.
[^romeinen-2-4-8]: Kanttekening 8: Dit is een eigenschap van God, waardoor hij zegent en goed doet zelfs aan hen die kwaad zijn. Matteüs 5:45.
[^romeinen-2-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: dat God de straf zo lang uitstelt.
[^romeinen-2-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: dat God de straf zo lang inhoudt en zijn toorn zo lang verbergt.
[^romeinen-2-4-b]: Verwijzing b: Handelingen 14:16.
[^romeinen-2-4-c]: Verwijzing c: 2 Petrus 3:9.
[^romeinen-2-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: bestemd is en dient om u te bewegen tot bekering. 2 Petrus 3:9.
[^romeinen-2-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: naar de mate van uw hardheid en onboetvaardigheid.
[^romeinen-2-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: bergt u voor uzelf als een schat toorn van God op, die eens zeker zal worden uitgestort.
[^romeinen-2-5-d]: Verwijzing d: Matteüs 25:31. Handelingen 17:31. 2 Tessalonicenzen 1:7, 8.
[^romeinen-2-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: tegen de laatste dag, wanneer God de zonden van de mensen, zelfs die verborgen zijn, voor iedereen openbaar zal maken en straffen. Vers 16. 2 Tessalonicenzen 1:7. Openbaring 20:12, 13.
[^romeinen-2-6-e]: Verwijzing e: Psalm 62:13. Matteüs 16:27. Openbaring 22:12.
[^romeinen-2-6-15]: Kanttekening 15: Hij spreekt hier van de vergelding naar de beloften en dreigingen van de wet, die de heidenen ook uit de natuur bekend waren. Vers 15. Want van de rechtvaardiging uit het geloof begint hij pas te spreken in Romeinen 3:21. Hoewel dit ook kan worden toegepast op de vergelding naar de beloften en dreigingen van het evangelie, zoals 2 Korintiërs 5:10 het in het algemeen wordt gezegd: omdat ook de goede werken als vruchten van het geloof, uit genade, om Christus' wil, zullen worden vergolden.
[^romeinen-2-7-16]: Kanttekening 16: Het Griekse woord (ὑπομονή, hypomonē) betekent ook geduld, maar wordt hier beter genomen als volharding of standvastigheid, zoals in Matteüs 10:22 en Lukas 8:15.
[^romeinen-2-7-17]: Kanttekening 17: Grieks: τοῦ ἀγαθοῦ ἔργου (tou agathou ergou), dat wil zeggen: van het goede werk.
[^romeinen-2-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: de zalige onsterfelijkheid.
[^romeinen-2-8-f]: Verwijzing f: 2 Tess. 1:8.
[^romeinen-2-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: de toorn en verontwaardiging van God zullen hun deel zijn.
[^romeinen-2-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk: die hun van God door de natuur bekend is gemaakt. Romeinen 1:19.
[^romeinen-2-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk Gods toorn, die rechtvaardig vanwege de zonde tot straf is ontstoken.
[^romeinen-2-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: helse pijnen en smarten, die door Gods rechtvaardige toorn hun zullen worden toegezonden.
[^romeinen-2-10-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: de eeuwige zaligheid, die zij in hun leven gezocht hebben, zal hun gegeven worden. Verzen 7 en 27.
[^romeinen-2-11-g]: Verwijzing g: Deuteronomium 10:17. 2 Kronieken 19:7. Job 34:19. Galaten 2:6. Efeziërs 6:9. Kolossenzen 3:25. 1 Petrus 1:17.
[^romeinen-2-11-24]: Kanttekening 24: Grieks: προσώπου (prosōpou), dat wil zeggen: van het aangezicht. Over deze manier van spreken zie uitvoeriger de aantekening bij Matteüs 22:16 en Handelingen 10:34.
[^romeinen-2-12-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de heidenen, die de geschreven wet van Mozes niet hadden.
[^romeinen-2-12-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: veroordeeld worden uit het getuigenis van hun eigen geweten. Vers 15.
[^romeinen-2-12-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: de Joden, aan wie de wet door Mozes was gegeven. Grieks: ἐν νόμῳ (en nomō), dat wil zeggen: in de wet.
[^romeinen-2-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: zullen naar de dreigingen van de wet geoordeeld, dat wil zeggen: veroordeeld worden.
[^romeinen-2-13-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die de wet alleen weten en daarop roemen.
[^romeinen-2-13-h]: Verwijzing h: Matteüs 7:21. Jakobus 1:22. 1 Johannes 3:7.
[^romeinen-2-13-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: worden niet in Gods oordeel als rechtvaardig erkend, noch als zodanig verklaard. Psalm 143:2. Matteüs 12:37. Romeinen 8:33.
[^romeinen-2-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: volbrengers van de wet. Galaten 3:10. Jakobus 2:10.
[^romeinen-2-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk: door de wet, of naar de beloften van de wet. Romeinen 10:5. Maar omdat niemand de wet volkomen onderhoudt, vanwege de verdorvenheid die in de mens is (Romeinen 8:3; Galaten 3:10), wordt niemand uit de wet of door zijn werken gerechtvaardigd, maar alleen door de gerechtigheid van Christus, ons door het geloof toegerekend. Romeinen 3:20, 21, 22.
[^romeinen-2-14-33]: Kanttekening 33: Namelijk de geschreven Wet.
[^romeinen-2-14-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: soms dingen voorschrijven en volgen die God in zijn wet heeft bevolen.
[^romeinen-2-14-35]: Kanttekening 35: Namelijk: in het gebieden of verbieden van wat Gods wet gebiedt of verbiedt, of ook in sommige delen van hun leven.
[^romeinen-2-15-36]: Kanttekening 36: Namelijk: door hun wetten, en ook soms door een uitwendige onderhouding daarvan.
[^romeinen-2-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: een deel van de inhoud van de wet van God.
[^romeinen-2-15-38]: Kanttekening 38: Namelijk: wanneer zij tegen hun geweten het kwade doen.
[^romeinen-2-15-39]: Kanttekening 39: Namelijk: wanneer zij volgens hun geweten het goede doen.
[^romeinen-2-16-40]: Kanttekening 40: Deze woorden moeten verbonden worden met vers 12. Maar ze kunnen ook volgen op vers 15, als men het vertaalt als 'tegen die dag', want dan zullen de getuigenissen van de gewetens van de mensen, ook over hun verborgen zonden, dienen om het oordeel van Christus voor de hele wereld te rechtvaardigen, zelfs voor degenen aan wie het evangelie nooit is gepredikt. Openbaring 20:12.
[^romeinen-2-16-i]: Verwijzing i: Matteüs 25:31.
[^romeinen-2-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk: het evangelie, dat getuigt dat Christus hierna een Rechter zal zijn over alle mensen, ook over degenen aan wie het evangelie niet is gepredikt. Vers 12.
[^romeinen-2-17-42]: Kanttekening 42: Vanaf hier handelt hij in het bijzonder tegen de Joden, die op hun afstamming, op de kennis van Gods wet, op de besnijdenis en andere uiterlijke voordelen roemden en zich daarop verlieten. En hij bewijst dat zij daardoor niet meer rechtvaardig zullen zijn voor God dan de heidenen door de wet van de natuur.
[^romeinen-2-17-43]: Kanttekening 43: Grieks: Ἰουδαῖος ἐπονομάζῃ (Ioudaios eponomazē), dat wil zeggen: een Jood wordt genoemd. Namelijk vanwege uw afkomst uit Israël en Juda, uit wie de Messias moest voortkomen. Openbaring 2:9. Daarom wilden de Joden ook graag naar hem genoemd worden.
[^romeinen-2-17-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: u verlaat zich op de wet die u door Mozes is gegeven, als de tafels van het verbond van God.
[^romeinen-2-17-k]: Verwijzing k: Rom. 9:4.
[^romeinen-2-17-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: u beroemt zich erop dat God uw God is en dat u zijn volk bent. Johannes 8:33, 41.
[^romeinen-2-18-46]: Kanttekening 46: Of: die uitmunten, uitnemend zijn. Want het Griekse woord (διαφέρω, diapherō) betekent beide. Matteüs 12:12. Filippenzen 1:10.
[^romeinen-2-18-47]: Kanttekening 47: Grieks: κατηχούμενος (katēchoumenos), dat wil zeggen: gecatechiseerd, van jongs af aan zorgvuldig mondeling onderwezen. Handelingen 18:25. 1 Korintiërs 14:19.
[^romeinen-2-20-48]: Kanttekening 48: Grieks: νηπίων (nēpiōn), dat wil zeggen: van de onmondige kinderen, dat wil zeggen: mensen met weinig kennis, als kinderen. Matteüs 11:25. 1 Korintiërs 13:11.
[^romeinen-2-20-49]: Kanttekening 49: Grieks: μόρφωσιν (morphōsin), dat wil zeggen: een vaste vorm of gestalte van kennis, of: een schijn, en niet een echt wezen van kennis. Zie 2 Timotheüs 3:5.
[^romeinen-2-21-50]: Kanttekening 50: Namelijk: gehoorzamen en doen wat u een ander leert, zoals blijkt uit het volgende.
[^romeinen-2-21-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: trekt u het goed van een ander door sluwe wegen en kwade streken naar u toe? Zoals de Joden hiervoor altijd zeer berucht zijn geweest en nog steeds zijn. Matteüs 23:14.
[^romeinen-2-22-52]: Kanttekening 52: Of: bedrijft u kerkroof? Namelijk door God zijn eer te ontnemen, of hem te onthouden in zijn tempel wat hij wil dat hem wordt geheiligd of geofferd. Zie hierover Maleachi 1:6.
[^romeinen-2-24-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: om uw zonden en die van uw voorvaderen.
[^romeinen-2-24-l]: Verwijzing l: Jesaja 52:5. Ezechiël 36:23.
[^romeinen-2-25-54]: Kanttekening 54: Hij spreekt de Joden aan die hun rechtvaardigheid zochten in de onderhouding van de besnijdenis en andere ceremoniën: zulke mensen moeten de hele wet onderhouden, anders kan de besnijdenis hun niet helpen. Galaten 5:3. Hoewel het ook in het algemeen kan worden verstaan dat de uiterlijke godsdienstoefeningen niet helpen tot zaligheid als ze niet vergezeld gaan van een oprecht godvrezend leven. Jesaja 1, verzen 11, 12, enz. Jeremia 6:20, enz.
[^romeinen-2-25-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: zo bent u, hoewel u besneden bent, in dezelfde staat als een ongelovige onbesnedene.
[^romeinen-2-26-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: degenen die onbesneden zijn.
[^romeinen-2-26-57]: Kanttekening 57: Of: rechtvaardigmaking, dat wil zeggen: wat de wet tot rechtvaardigmaking vereist.
[^romeinen-2-26-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: de staat van de onbesneden mens.
[^romeinen-2-26-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: zo gehouden worden alsof hij besneden was, zoals bij Abraham te zien is voordat hij besneden was — hij is immers niet door de wet maar door het geloof gerechtvaardigd. Romeinen 4:10. Hiermee verwerpt hij de besnijdenis niet helemaal, want die was toen nog niet afgeschaft. Maar hij handelt hier met de Joden die de leer van de Farizeeën volgden en hun gerechtigheid stelden in de onderhouding van de uiterlijke godsdienst. Overigens was de besnijdenis op zichzelf een teken en zegel van de rechtvaardiging door het geloof. Romeinen 4:11. En ze is met de andere ceremoniën en schaduwbeelden door Christus vervuld en afgeschaft. Kolossenzen 2:17.
[^romeinen-2-27-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: de mens die van nature zonder besnijdenis is.
[^romeinen-2-27-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: als hij de wet zou volbrengen. Niet dat er iemand is die de wet in alles heeft volbracht (Romeinen 3:9), maar dit zegt hij om de Joden ervan te overtuigen dat zowel zij als de heidenen hun gerechtigheid buiten zichzelf in Christus moeten zoeken, die als enige de wet volbracht heeft. Handelingen 13:38, 39, enz.
[^romeinen-2-27-62]: Kanttekening 62: Namelijk: met zijn voorbeeld, zoals in Matteüs 12, verzen 41, 42.
[^romeinen-2-27-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: de uitwendige en letterlijke besnijdenis, of: die alleen naar de uiterlijke letter van het gebod geschiedt. 2 Korintiërs 3, verzen 6, 7.
[^romeinen-2-28-m]: Verwijzing m: Johannes 8:39. Romeinen 9:7.
[^romeinen-2-28-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: een echte of waarachtige Jood, die erfgenaam is van de beloften van het verbond dat aan de vaderen is gedaan.
[^romeinen-2-28-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: van afkomst uit Abraham door Juda, en die een uiterlijke belijdenis van het Jodendom doet.
[^romeinen-2-28-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: de echte of ware besnijdenis, die God in zijn Woord vooral vereist en die hem tot zaligheid aangenaam is.
[^romeinen-2-29-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: een echte en ware Jood, zoals hiervoor.
[^romeinen-2-29-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: de ware bekering en vernieuwing van het hart. Kolossenzen 2:11.
[^romeinen-2-29-n]: Verwijzing n: Deuteronomium 10:16. Jeremia 4:4. Filippenzen 3:2, 3. Kolossenzen 2:11.
[^romeinen-2-29-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: in het hart en gemoed, of: door de Heilige Geest, die alleen de harten besnijdt. Dit komt het best overeen met het volgende woord 'letter'.
[^romeinen-2-29-70]: Kanttekening 70: Daarmee verstaat Paulus de uitwendige geboden van de wet alleen, zoals hij door 'de geest' de inwendige werking van de Heilige Geest in de prediking van het heilige evangelie verstaat. Zie 2 Korintiërs 3:6.
[^romeinen-2-29-71]: Kanttekening 71: Namelijk: de lof van die Jood — niet waardoor hij zelf roemt, maar waarmee hij terecht geroemd en geprezen wordt.
[^romeinen-2-29-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: zijn oorsprong niet heeft uit menselijke krachten of werken.
[^romeinen-2-29-73]: Kanttekening 73: Namelijk: van God, die dit in hem door zijn Geest heeft gewerkt. Romeinen 9:16. 1 Korintiërs 3:7 en 2 Korintiërs 4:6.

### Romeinen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/3.json)

*1 De apostel wijst aan welk voordeel de Joden hebben. 3 En beantwoordt enige lasterlijke tegenwerpingen die iemand uit zijn voorgaande leer kon trekken. 9 En bewijst met duidelijke getuigenisn uit het Oude Testament dat hij terecht gezegd heeft dat ook de Joden grote overtreders zijn van Gods Wet. 20 Besluit daarom dat uit de werken van de Wet niemand voor God gerechtvaardigd kan worden. 21 Maar dat God een andere wijze van rechtvaardiging in zijn Woord geopenbaard heeft. 22 Namelijk de rechtvaardiging uit genade, door het geloof in Jezus Christus, die door zijn bloed onze verzoening met God geworden is. 27 Waardoor de roem wordt uitgesloten. 29 En dat niet alleen voor de Joden, maar ook voor de Grieken of heidenen.*

**1** Welk is dan[^romeinen-3-1-1] het voordeel van de Jood? Of wat is het nut van de besnijdenis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v1)

**2** Vele in alle manier;[^romeinen-3-2-a] want dit is wel[^romeinen-3-2-2] het eerste, dat hun[^romeinen-3-2-3] de Woorden van God zijn toebetrouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v2)

**3** Want wat is[^romeinen-3-3-4] het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal[^romeinen-3-3-5][^romeinen-3-3-b] hun ongelovigheid[^romeinen-3-3-6] het geloof van God te niet doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v3)

**4** Volstrekt niet.[^romeinen-3-4-c] Maar God[^romeinen-3-4-7] zij waarachtig,[^romeinen-3-4-d] maar alle mens leugenachtig; zoals geschreven is:[^romeinen-3-4-e] Opdat U[^romeinen-3-4-8] gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en[^romeinen-3-4-9] overwint, wanneer U[^romeinen-3-4-10] oordeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v4)

**5** Als nu onze ongerechtigheid[^romeinen-3-5-11] Gods gerechtigheid[^romeinen-3-5-12] bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij[^romeinen-3-5-13] toorn over ons brengt? (Ik[^romeinen-3-5-14] spreek naar de mens.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v5)

**6** [^romeinen-3-6-15] Volstrekt niet, anders hoe zal God de wereld oordelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v6)

**7** Want als de waarheid van God[^romeinen-3-7-16] door mijn leugen[^romeinen-3-7-17] overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog[^romeinen-3-7-18] als een zondaar geoordeeld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v7)

**8** En zeggen wij niet liever[^romeinen-3-8-19] (zoals wij gelasterd worden, en zoals[^romeinen-3-8-20] sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit[^romeinen-3-8-21] kome? Van wie verdoemenis rechtvaardig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v8)

**9** Wat dan? Zijn[^romeinen-3-9-22] wij[^romeinen-3-9-23] uitmuntender? Geheel niet; want wij hebben[^romeinen-3-9-24] te voren[^romeinen-3-9-25] beschuldigd zowel Joden als Grieken,[^romeinen-3-9-f] dat zij allen onder de zonde zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v9)

**10** [^romeinen-3-10-26] Zoals geschreven is:[^romeinen-3-10-g] Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v10)

**11** Er is niemand, die[^romeinen-3-11-27] verstandig is, er is niemand, die[^romeinen-3-11-28] God zoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v11)

**12** Allen zijn zij afgeweken, samen zijn zij[^romeinen-3-12-29] onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v12)

**13** [^romeinen-3-13-h] Hun keel is[^romeinen-3-13-30] een geopend graf; met hun tongen plegen zij[^romeinen-3-13-31][^romeinen-3-13-i] bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v13)

**14** [^romeinen-3-14-k] Van wie de mond vol is van vervloeking en bitterheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v14)

**15** [^romeinen-3-15-l] Hun voeten zijn snel om[^romeinen-3-15-32] bloed te vergieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v15)

**16** Vernieling en[^romeinen-3-16-33] ellendigheid is in hun wegen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v16)

**17** En[^romeinen-3-17-34] de weg van de vrede hebben zij niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v17)

**18** [^romeinen-3-18-m] Er is geen[^romeinen-3-18-35] vrees voor God voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v18)

**19** Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat[^romeinen-3-19-36] spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt wordt en de hele wereld voor God[^romeinen-3-19-37] verdoemelijk zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v19)

**20** [^romeinen-3-20-38][^romeinen-3-20-n] Daarom zal uit de werken van de wet[^romeinen-3-20-39] geen vlees[^romeinen-3-20-40] gerechtvaardigd worden, voor Hem;[^romeinen-3-20-o] want door de wet is[^romeinen-3-20-41] de kennis van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v20)

**21** Maar nu is[^romeinen-3-21-42][^romeinen-3-21-p] de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden[^romeinen-3-21-43] zonder de wet, hebbende getuigenis[^romeinen-3-21-44] van de wet en de profeten: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v21)

**22** Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is[^romeinen-3-22-45] geen onderscheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v22)

**23** Want zij hebben allen gezondigd, en[^romeinen-3-23-46] derven de heerlijkheid van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v23)

**24** [^romeinen-3-24-47][^romeinen-3-24-q] En worden[^romeinen-3-24-48] om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door[^romeinen-3-24-49] de verlossing, die in Christus Jezus is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v24)

**25** [^romeinen-3-25-r] Die God[^romeinen-3-25-50] voorgesteld heeft[^romeinen-3-25-s] tot een[^romeinen-3-25-51] verzoening, door het geloof[^romeinen-3-25-52] in Zijn bloed,[^romeinen-3-25-53] tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de[^romeinen-3-25-54] zonden, die te voren gebeurd zijn[^romeinen-3-25-55] onder de verdraagzaamheid Gods; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v25)

**26** [^romeinen-3-26-56] Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v26)

**27** Waar is dan[^romeinen-3-27-57] de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Van de werken? Nee, maar door[^romeinen-3-27-58] de wet van het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v27)

**28** [^romeinen-3-28-t] Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt,[^romeinen-3-28-59] zonder de werken van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v28)

**29** [^romeinen-3-29-60] Is God een God van de Joden alleen? en is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v29)

**30** Aangezien Hij één enig God is, Die[^romeinen-3-30-61] de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en[^romeinen-3-30-62] de voorhuid door het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v30)

**31** Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Volstrekt niet; maar[^romeinen-3-31-63] wij bevestigen de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/3.html#v31)

[^romeinen-3-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk: als het zo is als in het vorige hoofdstuk betoogd.
[^romeinen-3-2-a]: Verwijzing a: Ps. 147:19. Rom. 9:4.
[^romeinen-3-2-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: om te beginnen met het voornaamste voordeel.
[^romeinen-3-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de Schriften van het Oude Testament, die de beloften van Christus bevatten.
[^romeinen-3-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: een groot deel van hen. Namelijk degenen die door hun eigen ongeloof de voordelen die hun van God waren verleend, krachteloos maken. Zie Hebreeën 3:16, 17, 18. Hosea 8:12.
[^romeinen-3-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de beloften van God niet hebben geloofd.
[^romeinen-3-3-b]: Verwijzing b: Num. 23:19. Rom. 9:6. 2 Tim. 2:13.
[^romeinen-3-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: zal daardoor de trouw van God, die hij aan Abraham en zijn zaad beloofd heeft, teloor gaan?
[^romeinen-3-4-c]: Verwijzing c: Joh. 3:33.
[^romeinen-3-4-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: laat God blijven wat hij is, namelijk waarachtig, al zou elke mens een leugenaar zijn.
[^romeinen-3-4-d]: Verwijzing d: Ps. 116:11.
[^romeinen-3-4-e]: Verwijzing e: Ps. 51:6.
[^romeinen-3-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: opdat uit uw oordelen blijkt dat u rechtvaardig bent, en opdat u de overwinning behaalt als u beoordeeld wordt.
[^romeinen-3-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: in uwe oordelen suiver en zonder blame bevonden wordt. David breeckt uit in deze bekentenis, uit aanmercking van zijn zonde tegen God begaan, en van de belofte van de vergeving hem van Nathan verkondight.
[^romeinen-3-4-10]: Kanttekening 10: Grieks: γίνεσθαι (ginesthai). Het woord betekent ook 'worden', of: 'gebeuren'. Maar het wordt hier het best genomen als 'zijn', zoals in Matteüs 10:16. Lukas 12:40.
[^romeinen-3-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: zou God dan onrechtvaardig zijn als hij ons straft?
[^romeinen-3-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: ik zeg dit om de tegenwerpingen van anderen te weerleggen, niet om mijn eigen mening uit te drukken.
[^romeinen-3-5-13]: Kanttekening 13: Of: een dergelijke tegenwerping wordt gemaakt door degenen die Gods waarheid willen bestrijden.
[^romeinen-3-5-14]: Kanttekening 14: Of: spreek ik op menselijke wijze? Dat wil zeggen: naar de redenering van het verdorven menselijke verstand.
[^romeinen-3-6-15]: Kanttekening 15: Namelijk: als het zo was dat God onrechtvaardig was wanneer hij toorn brengt. Grieks: ἐπιφέρων (epipherōn), dat wil zeggen: brengend of toevoegend.
[^romeinen-3-7-16]: Kanttekening 16: Of: waarom word ik dan ook als zondaar geoordeeld?
[^romeinen-3-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: openbaarder, blijcklijcker.
[^romeinen-3-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: gehouden en gestraft, vers 5.
[^romeinen-3-8-19]: Kanttekening 19: Zoals sommige Joden de leer van Paulus lasterlijk verdraaid hebben.
[^romeinen-3-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk: van die lasteraars, die deze valse gevolgtrekking uit de leer van de genade van God in Christus maakten.
[^romeinen-3-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk over Paulus zelf en zijn mee-apostelen, alsof zij zo zouden leren.
[^romeinen-3-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: onder de heerschappij en het oordeel van de zonde.
[^romeinen-3-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk: dat zowel Joden als heidenen allen zondaars zijn.
[^romeinen-3-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk in de twee eerste capit.
[^romeinen-3-9-25]: Kanttekening 25: Grieks: προῃτιασάμεθα (proētiasametha). Het woord betekent ook 'beschuldigen' of 'vooraf betichten'. Maar het wordt hier het best genomen als 'tevoren betoogd', zoals in de vorige hoofdstukken is geschied over zowel Joden als heidenen.
[^romeinen-3-9-f]: Verwijzing f: Galat. 3:22.
[^romeinen-3-10-26]: Kanttekening 26: Dit wordt verstaan van alle mensen in hun natuurlijke staat, buiten de vernieuwing door de Heilige Geest, zowel Joden als heidenen. Want hiervan heeft de apostel tot nu toe gehandeld.
[^romeinen-3-10-g]: Verwijzing g: Ps. 14:3. en 53:4.
[^romeinen-3-11-27]: Kanttekening 27: Namel. om God recht te kennen.
[^romeinen-3-11-28]: Kanttekening 28: Namel. om hem recht te dienen.
[^romeinen-3-12-29]: Kanttekening 29: Zoals Psalm 14 zegt. Zie ook Psalm 53:4.
[^romeinen-3-13-h]: Verwijzing h: Ps. 5:10.
[^romeinen-3-13-30]: Kanttekening 30: Namel. daar niet dan vuiligheid in en is, en niet dan stank uit komt.
[^romeinen-3-13-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: hun tong is vol van kwaad en bedrog.
[^romeinen-3-13-i]: Verwijzing i: Ps. 140:4.
[^romeinen-3-14-k]: Verwijzing k: Ps. 10:7.
[^romeinen-3-15-l]: Verwijzing l: Spr. 1:16. Jes. 59:7.
[^romeinen-3-15-32]: Kanttekening 32: Dat is, allerley wreetheid en gewelt te doen.
[^romeinen-3-16-33]: Kanttekening 33: Namel. die zij anderen aandoen.
[^romeinen-3-17-34]: Kanttekening 34: Namel. om zelf in ruste te leven, en andere in ruste te laten.
[^romeinen-3-18-m]: Verwijzing m: Ps. 36:2.
[^romeinen-3-18-35]: Kanttekening 35: Namelijk: uit de wet van de natuur die in hun gewetens geschreven is. Maar de geschreven wet verklaart het nog duidelijker.
[^romeinen-3-19-36]: Kanttekening 36: Deze reden doet de Apostel daar bij om te toonen dat hij dit ten rechten op de Joden duidt, omdat God in zijn woord door zijn Profeten tot de Joden spreekt.
[^romeinen-3-19-37]: Kanttekening 37: Of: schuldig, strafbaar. Grieks: ὑπόδικος (hypodikos).
[^romeinen-3-20-38]: Kanttekening 38: Hier besluit Paulus uit het geheel voorgaande bewijs van het 17 vers van de eerste cap. tot hier toe, dat de mens door zijn werken niet en kan gerechtveerdight worden voor God.
[^romeinen-3-20-n]: Verwijzing n: Galat. 2:16.
[^romeinen-3-20-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: geen levendigh mens Ps. 143:2. Galat. 2:16.
[^romeinen-3-20-40]: Kanttekening 40: Hieruit trekt de apostel de slotsom uit het voorgaande, dat geen mens voor God kan worden gerechtvaardigd door de werken van de wet, maar alleen door het geloof in Christus. Vergelijk Job 9:2 en 25:4. Psalm 130:3 en 143:2. Of: uit werken van de wet. Vergelijk Galaten 2:16.
[^romeinen-3-20-o]: Verwijzing o: Rom. 7:7. Hebr. 7:18.
[^romeinen-3-20-41]: Kanttekening 41: Want de wet in het geweten maakt de heidenen schuldig, en de geschreven wet evenzo de Joden.
[^romeinen-3-21-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: die voor God gelt, en die God schenckt.
[^romeinen-3-21-p]: Verwijzing p: Rom. 1:17. Fil. 3:9.
[^romeinen-3-21-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: niet door de Wet, die volkomen gehoorzaamheid van de mens zelf eyscht, maar door het Euangelium, dat ons op Christus gehoorzaamheid wijst. Rom. 1. versen 16, 17.
[^romeinen-3-21-44]: Kanttekening 44: Namelijk reeds van het begin van de wereld, door de belofte van het zaad van de vrouw (Genesis 3:15), en nu ten tijde van het Nieuwe Testament nog duidelijker.
[^romeinen-3-22-45]: Kanttekening 45: Namelijk tusschen Joden en Grieken, al’se maar gelooven.
[^romeinen-3-23-46]: Kanttekening 46: Grieks: ὑστεροῦνται (hysterountai). Het woord wordt hier het best genomen als 'missen' of 'verstoken zijn van'. Namelijk niet alleen de heidenen, maar ook de Joden. Naar de maatstaf van de wet kan geen sterfelijk mens voor God bestaan.
[^romeinen-3-24-47]: Kanttekening 47: Namelijk van zowel Joden als heidenen, uit loutere genade, door het geloof.
[^romeinen-3-24-q]: Verwijzing q: Esai. 53:5.
[^romeinen-3-24-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: verlossing. Grieks: ἀπολύτρωσις (apolytrōsis).
[^romeinen-3-24-49]: Kanttekening 49: Grieks: ἱλαστήριον (hilastērion), dat wil zeggen: verzoendeksel — soms ook vertaald als 'genadetroon'. Dit woord wordt hier overdrachtelijk gebruikt met betrekking tot het gouden verzoendeksel op de ark van het verbond, dat een voorbeeld was van Christus, die onze verzoening is. Zie hierover uitvoeriger de aantekening bij Hebreeën 9:5.
[^romeinen-3-25-r]: Verwijzing r: 2 Kor. 5:19. Col. 1:20. Hebr. 4:16. 1.Joh. 4:10.
[^romeinen-3-25-50]: Kanttekening 50: Namelijk: van God de Vader.
[^romeinen-3-25-s]: Verwijzing s: Ex. 25:17.
[^romeinen-3-25-51]: Kanttekening 51: Grieks: πάρεσιν (paresin), dat wil zeggen: voorbijgang of het laten voorbijgaan van de zonden. Dit woord verschilt van ἄφεσιν (aphesin), dat eigenlijk vergeving betekent. Hoewel ze in de zaak zelf hier overeenkomen.
[^romeinen-3-25-52]: Kanttekening 52: Of: geduld, lankmoedigheid. Dat wil zeggen: de tijd waarin God de zonden scheen te verdragen en de straf ervan uit te stellen.
[^romeinen-3-25-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: opdat zelfs in het voorbijgaan van de zonden Gods gerechtigheid zou blijken. Want hij liet ze niet zonder meer ongestraft voorbijgaan, maar strafte ze in zijn Zoon, die hij al van eeuwigheid als Middelaar had verordend, en die in alle offeranden en ceremoniën was afgebeeld.
[^romeinen-3-25-54]: Kanttekening 54: Namelijk: naar zijn gerechtigheid en rechtvaardig oordeel. 2 Petrus 3:9.
[^romeinen-3-25-55]: Kanttekening 55: Grieks: ἀνοχή (anochē), dat wil zeggen: verdraagzaamheid of geduld.
[^romeinen-3-26-56]: Kanttekening 56: Zie de verklaring van het voorgaande vers.
[^romeinen-3-27-57]: Kanttekening 57: Namelijk daar eenigh mens in zijn rechtveerdighmaking voor God zou mogen van roemen.
[^romeinen-3-27-58]: Kanttekening 58: Namelijk het roemen op de wet en de werken. Waar is dat gebleven? Het is uitgesloten, want het is niet een wet van werken maar een wet van geloof waardoor de mens wordt gerechtvaardigd.
[^romeinen-3-28-t]: Verwijzing t: Hand. 13:38. Rom. 8:3. Galat. 2:16. Hebr. 7:25.
[^romeinen-3-28-59]: Kanttekening 59: Namelijk door het geloof, zonder de werken van de wet. Zie Galaten 2:16. Hiermee wordt niet bedoeld dat het geloof zelf als een verdienstelijk werk de rechtvaardiging bewerkt, maar dat het geloof het middel is waardoor wij de gerechtigheid van Christus aannemen, die naar Gods genade ons wordt toegerekend.
[^romeinen-3-29-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: van de Joden alleen? Zeker niet. Want hij is ook de God van de heidenen, en rechtvaardigt zowel besnedenen als onbesnedenen door het geloof.
[^romeinen-3-30-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: de Joden.
[^romeinen-3-30-62]: Kanttekening 62: Namelijk de heidenen. De Joden worden 'uit de besnijdenis' en de heidenen 'uit de voorhuid' genoemd, maar beiden worden op dezelfde wijze gerechtvaardigd: door het geloof.
[^romeinen-3-31-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: integendeel, wij bevestigen de wet juist. Want de wet zelf getuigt van de gerechtigheid door het geloof, zoals hij in het volgende hoofdstuk uitvoeriger zal bewijzen aan de hand van Abraham en David.

### Romeinen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/4.json)

*1 De apostel gaat verder en bewijst dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, met het voorbeeld van Abraham. 6 En met het voorbeeld en getuigenis van David. 9 En verklaart uit de omstandigheid van de tijd waarop Abraham het teken van de besnijdenis ontvangen heeft, dat niet alleen de Joden maar ook de heidenen de gerechtigheid toegerekend wordt door het geloof. 13 Hij bewijst ook uit de oorsprong en vastheid van de beloften aan Abraham gedaan, dat hij erfgenaam zou zijn van de wereld. 17 Beschrijft daarna de kracht en eigenschappen van het geloof van Abraham. 22 En betuigt dat hem door dit geloof de gerechtigheid is toegerekend. 23 En dat deze ook naar zijn voorbeeld toegerekend zal worden aan hen die in God door Christus zullen geloven.*

**1** Wat zullen wij dan zeggen,[^romeinen-4-1-a] dat Abraham, onze vader,[^romeinen-4-1-1] verkregen heeft[^romeinen-4-1-2] naar het vlees? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v1)

**2** Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij[^romeinen-4-2-3] roem,[^romeinen-4-2-4] maar niet bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v2)

**3** Want wat zegt de Schrift?[^romeinen-4-3-b] En Abraham[^romeinen-4-3-5] geloofde God, en[^romeinen-4-3-6] het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v3)

**4** Nu degene,[^romeinen-4-4-7] die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar[^romeinen-4-4-8] naar schuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v4)

**5** Maar degene,[^romeinen-4-5-9] die niet werkt, maar[^romeinen-4-5-10] gelooft in Hem, Die[^romeinen-4-5-11] de goddeloze rechtvaardigt, wordt[^romeinen-4-5-12] zijn geloof[^romeinen-4-5-13] gerekend tot rechtvaardigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v5)

**6** Zoals ook David[^romeinen-4-6-14] de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v6)

**7** [^romeinen-4-7-15] Zeggende:[^romeinen-4-7-c] Zalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de zonden bedekt zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v7)

**8** Zalig is de man, aan wie de Heere de zonden niet toerekent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v8)

**9** Deze[^romeinen-4-9-16] zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v9)

**10** Hoe is het hem dan toegerekend?[^romeinen-4-10-17] Als hij in de besnijdenis was, of[^romeinen-4-10-18] in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v10)

**11** [^romeinen-4-11-d] En hij heeft[^romeinen-4-11-19] het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn[^romeinen-4-11-20] een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v11)

**12** En een vader van de besnijdenis, degenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v12)

**13** Want de belofte is niet[^romeinen-4-13-21] door de wet aan Abraham of zijn zaad gebeurd, namelijk, dat hij[^romeinen-4-13-22] een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v13)

**14** [^romeinen-4-14-e] Want als degenen,[^romeinen-4-14-23] die uit de wet zijn,[^romeinen-4-14-24] erfgenamen zijn, zo is het geloof[^romeinen-4-14-25] ijdel geworden, en de beloftenis[^romeinen-4-14-26] te niet gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v14)

**15** Want de wet[^romeinen-4-15-27] werkt toorn;[^romeinen-4-15-f] want waar[^romeinen-4-15-28] geen wet is, daar is ook[^romeinen-4-15-29] geen overtreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v15)

**16** Daarom[^romeinen-4-16-30][^romeinen-4-16-31] is zij[^romeinen-4-16-32] uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte[^romeinen-4-16-33] vast zij al de zade, niet alleen dat[^romeinen-4-16-34] uit de wet is, maar ook dat[^romeinen-4-16-35] uit het geloof van Abraham is,[^romeinen-4-16-g] die een vader[^romeinen-4-16-36] is van ons allen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v16)

**17** (Zoals geschreven staat:[^romeinen-4-17-h] Ik heb u tot[^romeinen-4-17-37] een vader van vele volken gesteld)[^romeinen-4-17-38] voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God,[^romeinen-4-17-39] Die de doden levend maakt, en[^romeinen-4-17-40] roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v17)

**18** [^romeinen-4-18-41] Die[^romeinen-4-18-42] tegen hoop[^romeinen-4-18-43] op hoop[^romeinen-4-18-44] geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was:[^romeinen-4-18-45][^romeinen-4-18-i] Zo zal uw zaad wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v18)

**19** En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam[^romeinen-4-19-46] niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij ongeveer honderd jaar oud was, noch[^romeinen-4-19-47] ook dat de moeder in Sara verstorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v19)

**20** [^romeinen-4-20-k] En hij heeft[^romeinen-4-20-48] aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het[^romeinen-4-20-49] geloof, gevende God de eer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v20)

**21** [^romeinen-4-21-l] En ten volle verzekerd zijnde, dat wat beloofd was, Hij ook[^romeinen-4-21-50] machtig was te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v21)

**22** Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v22)

**23** [^romeinen-4-23-51][^romeinen-4-23-m] Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v23)

**24** Maar ook om onzentwil, die het zal toegerekend worden, namelijk degenen,[^romeinen-4-24-52] die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v24)

**25** Die[^romeinen-4-25-53] overgeleverd is[^romeinen-4-25-54] om onze zonden, en opgewekt[^romeinen-4-25-55] om onze rechtvaardigmaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/4.html#v25)

[^romeinen-4-1-a]: Verwijzing a: Jesaja 51:2.
[^romeinen-4-1-1]: Kanttekening 1: Grieks: gevonden heeft.
[^romeinen-4-1-2]: Kanttekening 2: Sommigen nemen dit woord vlees voor de staat van een onwedergeboren mens. Maar dat kan hier niet zijn, omdat Abraham al lang tevoren wedergeboren was en God had gediend vóór dit getuigenis. Genesis 15:6. Dit woord kan ook worden genomen voor: naar de werken die men uiterlijk ziet en prijzenswaardig acht, zoals het volgende vers dit verklaart, en zoals dit woord vlees wordt genomen in Filippenzen 3:3, 4.
[^romeinen-4-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: reden om te roemen.
[^romeinen-4-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: heeft hij reden om te roemen. Waaruit dan noodzakelijk volgt dat hij uit de werken voor God niet gerechtvaardigd is, wat hij daarna uitvoeriger bewijst.
[^romeinen-4-3-b]: Verwijzing b: Genesis 15:6. Galaten 3:6. Jakobus 2:23.
[^romeinen-4-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de beloften van God om hem een schild en groot loon te zijn, en om hem een erfgenaam te geven en zijn zaad te vermenigvuldigen. Genesis 15:1, 4, 5, 6. Waarbij niet alleen een vleselijk zaad, maar in het bijzonder Christus verstaan wordt, de Zoon van Abraham, in wie alle geslachten der aarde gezegend zouden worden. Zie Galaten 3:16. Johannes 8:56.
[^romeinen-4-3-6]: Kanttekening 6: De Hebreeuwse tekst van Genesis 15:6 zegt: en hij, namelijk God, heeft het hem gerekend. Waarmee verstaan wordt dat God hem de gerechtigheid, die hij in zichzelf niet had, door het geloof op het beloofde zaad uit genade heeft geschonken.
[^romeinen-4-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk: met de bedoeling om door zijn werk de gerechtigheid te verkrijgen of te verdienen.
[^romeinen-4-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: wordt gegeven. Want geven naar schuld en toerekenen uit genade worden hier tegenover elkaar gesteld als strijdende zaken.
[^romeinen-4-5-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: die zulke verdienstewerken niet kan of durft voortbrengen.
[^romeinen-4-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: zijn vertrouwen stelt op de genade van God in Christus. Verzen 24, 25.
[^romeinen-4-5-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: die in zichzelf nog onrein en met zonden besmet is, zoals alle mensen, zelfs ook de wedergeborenen, voor God zijn, naar het getuigenis van David in de volgende verzen.
[^romeinen-4-5-12]: Kanttekening 12: Niet dat het geloof, ten aanzien dat het een werk is, dit verdient of in zichzelf waard is, zoals sommigen verkeerd menen. Maar omdat God dit uit loutere genade aan de gelovigen heeft beloofd, en omdat het geloof als een instrument is dat de gerechtigheid van Christus aanneemt. Zie Romeinen 5:9. 2 Korintiërs 5:19. Filippenzen 3:9.
[^romeinen-4-5-13]: Kanttekening 13: Het woord rekenen of toerekenen is ontleend aan degenen die iets op iemands rekening plaatsen. Filemon 18. Zo wordt van God gezegd dat hij iemand de zonde toerekent, als hij wil dat daarvoor door hem door straf voldaan wordt; en niet toerekenen, als hij die vergeeft en de straf kwijtscheldt. Vers 8.
[^romeinen-4-6-14]: Kanttekening 14: Grieks: de zaligverklaring van de mens uitspreekt.
[^romeinen-4-7-15]: Kanttekening 15: Namelijk: aan het begin van Psalm 32, welk bewijs Paulus onweerlegbaar acht. Want wie uit zijn werken gerechtvaardigd is, heeft geen vergeving van zonden nodig om zalig te zijn. En wie bidt dat God hem zijn zonden niet toerekene, die bidt ook dat God hem de gerechtigheid van Jezus Christus toerekene. Zie Romeinen 3:24 en 5:19.
[^romeinen-4-7-c]: Verwijzing c: Psalm 32:1.
[^romeinen-4-9-16]: Kanttekening 16: Of: zaligmaking, waaruit blijkt dat het woord zaligverklaren of zaligmaken hier door David genomen wordt voor hetzelfde wat de Schrift in Genesis 15:6 van Abraham de toerekening van de gerechtigheid noemt. De reden is dat de grond van onze zaligheid gelegen is in de vergeving van de zonden en de toerekening van de gerechtigheid van Christus.
[^romeinen-4-10-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: is het hem toegerekend toen hij al besneden was?
[^romeinen-4-10-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: toen hij nog niet besneden was. Want deze belofte, waarop het geloof van Abraham zag, was wel veertien jaar tevoren gedaan vóórdat Abraham besneden werd. Genesis 15:2. En Ismaël was al 13 jaar oud toen Abraham, 99 jaar oud zijnde, besneden werd. Genesis 17:24, 25.
[^romeinen-4-11-d]: Verwijzing d: Genesis 17:11.
[^romeinen-4-11-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: de besnijdenis tot een teken en zegel, dat wil zeggen: een bevestiging en versterking van het feit dat hij door het geloof gerechtvaardigd was. Hierin wordt de aard en eigenschap van alle sacramenten kort aangewezen. Namelijk dat zij dienen om het geloof niet eerst te werken, maar te bezegelen en te versterken, en daarom niet alleen tekens, maar ook zegels zijn. Genesis 17:11. Exodus 12:13.
[^romeinen-4-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk: naar wiens voorbeeld of voetsporen God wil dat zowel heidenen als Joden door het geloof gerechtvaardigd worden.
[^romeinen-4-13-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: door de onderhoudenis van de wet. Hier brengt Paulus nog een andere reden aan om te bewijzen dat Abraham niet gerechtvaardigd is uit de werken: want anders zou de belofte aan Abraham gedaan, namelijk dat hij met zijn zaad een erfgenaam van de wereld zou zijn, tevergeefs gegeven zijn. Want de wet werkt toorn, en geeft de erfenis niet omdat zij door het vlees verzwakt is. Romeinen 8:3.
[^romeinen-4-13-22]: Kanttekening 22: Hier wordt gezien op de belofte die aan Abraham gedaan is tegelijkertijd met het getuigenis van zijn rechtvaardigheid uit het geloof. Genesis 15:6, 7, 8. Namelijk van de bezitting van het land Kanaän, wat een voorafbeelding was van de eeuwige rust van de gelovigen in de hemel. Hebreeën 4:3 en 11:9, 10. Of op een andere belofte: Genesis 22:17, 18. Dat alle geslachten der aarde in zijn zaad gezegend zullen worden.
[^romeinen-4-14-e]: Verwijzing e: Galaten 3:18.
[^romeinen-4-14-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: die door de werken of onderhoudenis van de wet gerechtvaardigd willen worden.
[^romeinen-4-14-24]: Kanttekening 24: Namelijk: van deze geestelijke wereld, vers 13.
[^romeinen-4-14-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: nutteloos, tevergeefs.
[^romeinen-4-14-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: zonder kracht of vrucht.
[^romeinen-4-15-27]: Kanttekening 27: Namelijk: de wet maakt hun de overtreding bekend, zodat ze er schuldig onder staan. Daarin is het verband met het voorgaande.
[^romeinen-4-15-f]: Verwijzing f: Johannes 15:22. Romeinen 5:20 en 7:8. Galaten 3:19.
[^romeinen-4-15-28]: Kanttekening 28: Namelijk: noch in de natuur ingeschreven, noch door God gegeven, zoals tevoren bewezen is.
[^romeinen-4-15-29]: Kanttekening 29: Namelijk: die bekend en gestraft kan worden.
[^romeinen-4-16-30]: Kanttekening 30: Namelijk: de belofte van deze erfenis.
[^romeinen-4-16-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: onder de voorwaarde van het geloof, door God gegeven.
[^romeinen-4-16-32]: Kanttekening 32: Want geloof en genade gaan altijd samen, en het geloof steunt op de onveranderlijke genade van God, niet op de werken of op zichzelf. Vers 5. Efeziërs 2:8.
[^romeinen-4-16-33]: Kanttekening 33: Want wij kunnen van de erfenis alleen verzekerd worden door het geloof, en niet door de werken der wet, omdat niemand de wet onderhoudt, zoals tevoren bewezen is. Zie ook Galaten 3:16, 18.
[^romeinen-4-16-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: uit de Joden, aan wie de wet gegeven was.
[^romeinen-4-16-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: die het geloof van Abraham navolgen, al zijn zij niet uit Abraham naar het vlees voortgekomen.
[^romeinen-4-16-g]: Verwijzing g: Jesaja 51:2.
[^romeinen-4-16-36]: Kanttekening 36: Namelijk: die geloven.
[^romeinen-4-17-h]: Verwijzing h: Genesis 17:4.
[^romeinen-4-17-37]: Kanttekening 37: Namelijk: niet alleen van hen die uit hem naar het vlees zouden voortkomen, maar ook van hen die door het geloof uit alle andere volken in zijn geestelijke familie ingelijfd en aangenomen worden.
[^romeinen-4-17-38]: Kanttekening 38: Van hier af wordt het geloof van Abraham beschreven met al zijn steunpunten en eigenschappen, tot vers 22, waarna aangewezen wordt dat dit ons als voorbeeld is voorgesteld.
[^romeinen-4-17-39]: Kanttekening 39: Dit is het eerste steunpunt van het geloof: namelijk Gods almacht, die het geloof van Abraham nodig had om vast te geloven dat hij, nu in zijn ouderdom als afgestorven zijnde, kracht zou krijgen om vader te worden van vele volken.
[^romeinen-4-17-40]: Kanttekening 40: Of: noemt, dat wil zeggen: door zijn woord doet zijn en hun bestaan geeft. Psalm 33:9. 2 Korintiërs 4:6.
[^romeinen-4-18-41]: Kanttekening 41: Namelijk: Abraham.
[^romeinen-4-18-42]: Kanttekening 42: Namelijk: die de mens uit zijn eigen verstand of rede had kunnen scheppen.
[^romeinen-4-18-43]: Kanttekening 43: Namelijk: van Gods waarheid en macht.
[^romeinen-4-18-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: vertrouwd heeft.
[^romeinen-4-18-45]: Kanttekening 45: Namelijk: als de sterren aan de hemel.
[^romeinen-4-18-i]: Verwijzing i: Genesis 15:5. Hebreeën 11:12.
[^romeinen-4-19-46]: Kanttekening 46: Namelijk: om uit de aanmerking van de zwakheid in zijn vertrouwen verzwakt te worden. Want anderzijds heeft hij zelf zijn ouderdom en de ouderdom van Sara aan God voorgehouden. Genesis 17:17.
[^romeinen-4-19-47]: Kanttekening 47: Grieks: de afgestorven toestand van de baarmoeder van Sara (Σάρρας).
[^romeinen-4-20-k]: Verwijzing k: Johannes 8:56. Hebreeën 11:11, 18.
[^romeinen-4-20-48]: Kanttekening 48: Dit is het tweede steunpunt van het geloof van Abraham: namelijk de zekerheid die hij had van Gods trouw en standvastigheid in zijn beloften. Hebreeën 6:17, 18.
[^romeinen-4-20-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: hiermee betonende te geloven dat God kon en zou doen wat hij beloofd had; en heeft aldus bevestigd dat God waarachtig is. Johannes 3:33.
[^romeinen-4-21-l]: Verwijzing l: Psalm 115:3.
[^romeinen-4-21-50]: Kanttekening 50: Namelijk: al scheen het tegen alle menselijke rede te zijn.
[^romeinen-4-23-51]: Kanttekening 51: Hier besluit de apostel de verklaring van het vorige hoofdstuk, en betuigt dat alle gelovigen aldus gerechtvaardigd zullen worden, zoals Abraham gerechtvaardigd is.
[^romeinen-4-23-m]: Verwijzing m: Romeinen 15:4.
[^romeinen-4-24-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: die op hem vertrouwen. Want dit is ook wat ons geloof op steunt, naar het voorbeeld van het geloof van Abraham: namelijk eerst Gods macht en trouw, die hij naar zijn belofte getoond heeft in het opwekken van Christus uit de doden; en ten tweede de dood en opstanding van Jezus Christus, zodat wij door de dood met God verzoend, en door de opstanding van deze verzoening deelachtig worden.
[^romeinen-4-25-53]: Kanttekening 53: Namelijk: door God, zijn Vader. Romeinen 8:32.
[^romeinen-4-25-54]: Kanttekening 54: Namelijk: om te verzoenen en teniet te doen. 1 Johannes 1:7 en 2:2.
[^romeinen-4-25-55]: Kanttekening 55: Namelijk: omdat God door deze opwekking heeft getoond dat hij de dood van zijn Zoon als genoegzaam rantsoen voor onze zonden heeft aangenomen, en zijn volkomen gehoorzaamheid wil aannemen tot gerechtigheid voor allen die in hem geloven. Want als Christus in de dood was gebleven, zo zou zijn voldoening niet volkomen geweest zijn.

### Romeinen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/5.json)

*1 Paulus leert verder welke vruchten in ons voortkomen door de rechtvaardiging van het geloof, naamlijk vrede met God, lijdzaamheid, hoop en verzekerdheid van Gods liefde. 5 Verklaart daarna de grondslagen van deze hoop en verzekerdheid, naamlijk het getuigenis van de Heilige Geest in onze harten en de overdenking dat God Christus voor ons in de dood overgegeven heeft toen wij nog vijanden waren. 9 Besluit daaruit dat wij dan ook verzekerd moeten zijn van onze volharding en daarin voor God mogen roemen. 12 Maakt daarna een tegenstelling tussen Adam en Christus, en verklaart dat zoals door de overtreding van Adam de zonde en de dood over alle mensen is gekomen, zo ook door Christus' gehoorzaamheid de gerechtigheid en het leven over velen zal komen. 20 Verklaart ten slotte waartoe de Wet heeft gediend.*

**1** [^romeinen-5-1-a] Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben[^romeinen-5-1-1] vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v1)

**2** [^romeinen-5-2-b] Door Wie wij ook de[^romeinen-5-2-2] toeleiding hebben door het[^romeinen-5-2-3] geloof tot deze genade, waarin wij[^romeinen-5-2-c] staan, en[^romeinen-5-2-d] roemen[^romeinen-5-2-4] in de hoop[^romeinen-5-2-5] van de heerlijkheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v2)

**3** En niet alleen dit,[^romeinen-5-3-e] maar[^romeinen-5-3-6] wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking[^romeinen-5-3-7] volharding werkt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v3)

**4** En de volharding[^romeinen-5-4-8] bevinding, en de bevinding[^romeinen-5-4-9] hoop; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v4)

**5** En de hoop[^romeinen-5-5-10] beschaamt niet, omdat[^romeinen-5-5-11] de liefde van God in onze harten[^romeinen-5-5-12] uitgestort is door de Heilige Geest,[^romeinen-5-5-13] Die ons is gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v5)

**6** [^romeinen-5-6-f] Want[^romeinen-5-6-14] Christus, als wij nog[^romeinen-5-6-15] krachteloos waren, is[^romeinen-5-6-16] op Zijn tijd voor[^romeinen-5-6-17] de goddelozen gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v6)

**7** Want bij hoge uitzondering zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor[^romeinen-5-7-18] de goede zal[^romeinen-5-7-19] mogelijk iemand ook[^romeinen-5-7-20] bestaan te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v7)

**8** Maar God[^romeinen-5-8-21] bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus[^romeinen-5-8-g] voor ons gestorven is, als wij[^romeinen-5-8-22] nog zondaars waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v8)

**9** Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd[^romeinen-5-9-23] door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden[^romeinen-5-9-24] van de toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v9)

**10** Want als wij,[^romeinen-5-10-25] vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden[^romeinen-5-10-26] door Zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v10)

**11** En niet alleen dit, maar[^romeinen-5-11-27] wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Welke wij nu de verzoening gekregen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v11)

**12** [^romeinen-5-12-28] Daarom, zoals[^romeinen-5-12-h] door[^romeinen-5-12-29] één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde[^romeinen-5-12-i] de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is,[^romeinen-5-12-30] waarin allen[^romeinen-5-12-31] gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v12)

**13** Want[^romeinen-5-13-32] tot de wet[^romeinen-5-13-33] was de zonde in de wereld; maar de zonde[^romeinen-5-13-34] wordt niet toegerekend,[^romeinen-5-13-35] als er geen wet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v13)

**14** Maar[^romeinen-5-14-36] de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen,[^romeinen-5-14-37] die niet gezondigd hadden in de gelijkheid van de overtreding van Adam,[^romeinen-5-14-38] die een voorbeeld is[^romeinen-5-14-39] van Degene, Die komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v14)

**15** Maar niet, zoals[^romeinen-5-15-40] de misdaad, zo is ook[^romeinen-5-15-41] de genadegift, want als, door de misdaad van één,[^romeinen-5-15-42] velen gestorven zijn, zo is veel meer[^romeinen-5-15-43] de genade van God, en[^romeinen-5-15-44] de gave door de genade, die daar is van één mens Jezus[^romeinen-5-15-45] Christus, overvloedig geweest[^romeinen-5-15-46] over velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v15)

**16** En niet, zoals de schuld was door[^romeinen-5-16-47] de één, die gezondigd heeft, zo is de gift; want[^romeinen-5-16-48] de schuld is wel uit één misdaad tot[^romeinen-5-16-49] verdoemenis, maar de genadegift is uit[^romeinen-5-16-50] vele misdaden tot rechtvaardigmaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v16)

**17** Want als door de misdaad van één de dood geheerst heeft door[^romeinen-5-17-51] die één, veel meer zullen degenen, die de overvloed van de genade en van de gave van de[^romeinen-5-17-52] rechtvaardigheid[^romeinen-5-17-53] ontvangen, in het leven heersen door die Enen, namelijk Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v17)

**18** Zo dan, zoals door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen[^romeinen-5-18-54] tot verdoemenis; zo ook door één[^romeinen-5-18-55] rechtvaardigheid komt[^romeinen-5-18-56] de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v18)

**19** [^romeinen-5-19-57] Want zoals door de ongehoorzaamheid van die één mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v19)

**20** [^romeinen-5-20-58][^romeinen-5-20-k] Maar de wet is[^romeinen-5-20-59] bovendien ingekomen, opdat de misdaad[^romeinen-5-20-60] zou toenemen;[^romeinen-5-20-l] en waar de zonde meerder geworden is, daar is[^romeinen-5-20-61] de genade veel meer overvloedig geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v20)

**21** Opdat, zoals de zonde[^romeinen-5-21-62] geheerst heeft[^romeinen-5-21-63] tot de dood, zo ook[^romeinen-5-21-64] de genade zou heersen[^romeinen-5-21-65] door rechtvaardigheid[^romeinen-5-21-66] tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/5.html#v21)

[^romeinen-5-1-a]: Verwijzing a: Jesaja 32:17. Johannes 16:33. Efeziërs 2:13.
[^romeinen-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: vriendschap met God, terwijl wij tevoren zijn vijanden waren, vers 8 en 10, en de zekerheid daarvan in ons gemoed, waardoor wij in God gerust worden gesteld. Johannes 16:33. Romeinen 14:17.
[^romeinen-5-2-b]: Verwijzing b: Johannes 10:9 en 14:6. Efeziërs 2:18 en 3:12. Hebreeën 10:19.
[^romeinen-5-2-2]: Kanttekening 2: Of: toegang tot deze genade, waarmee te kennen gegeven wordt dat wij tot deze genade uit onszelf niet zijn gegaan, maar dat wij door Christus door zijn Geest daartoe geleid zijn. Efeziërs 2:8. Hebreeën 8:10.
[^romeinen-5-2-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: tot deze staat van vriendschap en vrede met God. Waaruit ook voortkomt dat wij met vrijmoedigheid tot hem gaan, en hem durven aanroepen als een Vader. Efeziërs 2:18 en 3:12. Hebreeën 4:16.
[^romeinen-5-2-c]: Verwijzing c: 1 Korintiërs 15:1.
[^romeinen-5-2-d]: Verwijzing d: Hebreeën 3:6.
[^romeinen-5-2-4]: Kanttekening 4: Of: op de hoop, dat wil zeggen: de volhardende verwachting door Christus.
[^romeinen-5-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk: die nadien in ons geopenbaard zal worden. Romeinen 8:18.
[^romeinen-5-3-e]: Verwijzing e: Jakobus 1:3.
[^romeinen-5-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: wij verheugen ons zelfs daarin, en trotsen ertegen vanwege de zekerheid die wij hebben van de goede uitkomst ervan. Romeinen 8:34 enz.
[^romeinen-5-3-7]: Kanttekening 7: Of: roemen wij ook in de verdrukkingen, want wij weten dat de verdrukking voor ons volharding werkt.
[^romeinen-5-4-8]: Kanttekening 8: Of: ervaring, of: beproeving. Namelijk: van Christus' hulp en trouw in het vervullen van zijn belofte, waarmee hij ons heeft beloofd in zulke moeilijkheden bij te staan. Johannes 14:17, 18. 2 Korintiërs 1:5, 6.
[^romeinen-5-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk: dat ook de vervulling van alle andere beloften, en in het bijzonder van de eeuwige zaligheid, daarna zal volgen, zoals wij de vervulling van deze belofte hierin ondervinden en gevoelen.
[^romeinen-5-5-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: mist en bedriegt niet. Want als wij op iets wachten of tot roemen toe hopen, wat ons daarna tegenvalt, worden wij daardoor bij onszelf bedroefd en bij anderen beschaamd.
[^romeinen-5-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk: waarmee hij ons in Christus Jezus liefheeft, zoals uitgedrukt wordt in vers 8, wat ons in de tijd van verdrukking het meest vertroost en versterkt. Romeinen 8:38, 39.
[^romeinen-5-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: overvloedig betuigd. Romeinen 8:16.
[^romeinen-5-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk: tot een Trooster in ons gemoed, en als een onderpand van onze erfenis. Johannes 14:16, 17. 2 Korintiërs 1:22. Efeziërs 1:13. En dit is het eerste fundament waarom de hoop niet beschaamt, omdat de Heilige Geest hierin niet kan liegen.
[^romeinen-5-6-f]: Verwijzing f: Efeziërs 2:1. Kolossenzen 2:13. Hebreeën 9:15. 1 Petrus 3:18.
[^romeinen-5-6-14]: Kanttekening 14: Dit is het tweede fundament van onze hoop: de zekerheid van de liefde van Christus tegenover ons, die ons met God heeft verzoend toen wij nog vreemd van hem waren, des te meer zal hij ons behouden nadat wij nu zijn vrienden door het geloof geworden zijn.
[^romeinen-5-6-15]: Kanttekening 15: Of: onmachtig. Namelijk: om onszelf te verlossen, als overwonnen door de zonde zoals door een dodelijke ziekte.
[^romeinen-5-6-16]: Kanttekening 16: Of: ter rechter of bekwamer tijd. Dat wil zeggen: in de door God bestemde tijd. Galaten 4:4.
[^romeinen-5-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die in zichzelf zondaars waren, en door hun zonden Gods toorn meer en meer over zichzelf verwekten.
[^romeinen-5-7-18]: Kanttekening 18: Of: nuttige, dat wil zeggen: die hem of anderen dienstig en nuttig is.
[^romeinen-5-7-19]: Kanttekening 19: Dit zegt de apostel, omdat, in het bijzonder in de Romeinse geschiedenis, hoewel zeer weinige, toch sommigen worden gevonden die zichzelf in de dood hebben begeven om hun vrienden en medeburgers van gevaar te bevrijden. Maar niemand van hen is voor zijn vijanden gestorven, zoals Christus heeft gedaan.
[^romeinen-5-7-20]: Kanttekening 20: Grieks: durven.
[^romeinen-5-8-21]: Kanttekening 21: Of: recommandeert, aanprijst.
[^romeinen-5-8-g]: Verwijzing g: Hebreeën 9:15. 1 Petrus 3:18.
[^romeinen-5-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk: van de mensen, die zondaars, vijanden en krachteloos waren, en het daarom allerminst verdienden.
[^romeinen-5-9-23]: Kanttekening 23: Grieks: in zijn bloed, dat wil zeggen: door zijn gehoorzaamheid tot de dood des kruises. Filippenzen 2:8. Welke is de bewegende oorzaak waarvoor God ons rechtvaardigt, en waarop het geloof steunt. Romeinen 3:25.
[^romeinen-5-9-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: van de straf van het toekomstige oordeel. 1 Tessalonicenzen 1:10. Wat ook de dag des toorns wordt genoemd, Romeinen 2:5.
[^romeinen-5-10-25]: Kanttekening 25: Namelijk: vanwege de zonde die in ons was, welke God haat, en die vijandschap is tegen God. Romeinen 8:7. Anderzijds heeft hij gezegd dat God ons liefgehad heeft toen wij nog zondaars waren, vers 8. Namelijk ten aanzien dat wij door hem uitverkoren en aan Christus om te verlossen gegeven waren. Johannes 17:2, 6. Romeinen 9:13.
[^romeinen-5-10-26]: Kanttekening 26: Grieks: in zijn leven. Dat wil zeggen: door hem die nu leeft en zit aan de rechterhand van God, daar voor ons bidt, en alle dingen aan zich heeft onderworpen. Romeinen 8:34. Efeziërs 1:20-22. Hebreeën 9:24.
[^romeinen-5-11-27]: Kanttekening 27: Namelijk: hiervan, dat wij, verzoend zijnde, ook behouden zullen worden van de komende toorn. Vers 9 en 10. En dat God onze God is en eeuwig zal blijven.
[^romeinen-5-12-28]: Kanttekening 28: In de volgende verzen verklaart de apostel hoe wij door Christus gerechtvaardigd zijn, met een tegenstelling van Adam en zijn ongehoorzaamheid, waardoor de dood is doorgedrongen over alle mensen. Verzen 12, 13, 14. En daarna hoe Christus' gehoorzaamheid ons daartegen tot gerechtigheid strekt. Verzen 15-19.
[^romeinen-5-12-h]: Verwijzing h: Genesis 3:6. 1 Korintiërs 15:21.
[^romeinen-5-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk: Adam. 1 Korintiërs 15:21. Waaronder ook Eva begrepen is, omdat deze twee één vlees waren. Efeziërs 5:31. 1 Timotheüs 2:14.
[^romeinen-5-12-i]: Verwijzing i: Genesis 2:17. Romeinen 6:23.
[^romeinen-5-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk: in één mens, zoals dit Griekse woord epi (ἐπί) ook elders voor 'in' wordt genomen, Markus 2:4. Hebreeën 9:17 enz. Of: voor zover, of: omdat zij allen gezondigd hebben. Want alle mensen die sterven hebben in zichzelf geen dadelijke zonden begaan, zoals blijkt bij de onmondige kinderen, van wie velen sterven in hun onmondigheid, en die dus moeten gezondigd hebben in deze ene mens, in wiens lendenen zij waren, zoals Levi gezegd wordt tiende te hebben gegeven, zijnde in de lendenen van Abraham. Hebreeën 7:9. Job 14:4. Psalm 51:7. Johannes 3:5, 6.
[^romeinen-5-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk: zo is ook door één mens Jezus Christus de gerechtigheid en het leven over alle gelovigen gekomen, zoals Paulus besluit in de verzen 18, 19.
[^romeinen-5-13-32]: Kanttekening 32: Namelijk: die door Mozes gegeven is.
[^romeinen-5-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: was ook in de wereld, zoals blijkt uit de dood in vers 14, die de bezoldiging van de zonde is. Romeinen 6:23.
[^romeinen-5-13-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: niet voor zonde gehouden of gerekend.
[^romeinen-5-13-35]: Kanttekening 35: Waaruit de apostel wil besluiten dat er dan een andere wet is geweest, door welker overtreding alle mensen ook in die tijd zondaars zijn geweest. En dat niet alleen de wet van de natuur, die de onmondige kinderen niet hebben overtreden, maar de wet die God aan de eerste mens had gegeven, welker overtreding aan allen, ook zelfs aan de onmondige kinderen, is toegerekend, zoals het volgende vers aangeeft.
[^romeinen-5-14-36]: Kanttekening 36: Namelijk: niet alleen de geestelijke en eeuwige dood, maar ook de lichamelijke, waarover hij in dit vers in het bijzonder spreekt, omdat die voor allen zichtbaar was. Romeinen 8:10. 1 Korintiërs 15:22.
[^romeinen-5-14-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: de onmondige kinderen, die nog geen dadelijke zonden tegen de wet van God hebben begaan, zoals Adam en alle volwassenen na hem gedaan hebben, en die toch sterven. Waaruit dan blijkt dat zij met de erfzonde besmet zijn.
[^romeinen-5-14-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: een gelijk exemplaar. Namelijk: dat gelijk Adam de mensen die van hem natuurlijkerwijs geboren zijn, in hem en door hem tot zondaars heeft gesteld, zo ook Christus allen die door hem op bovennatuurlijke wijze herboren worden, in hem en door hem tot rechtvaardigen stelt, zoals de volgende verklaring bewijst.
[^romeinen-5-14-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: van Christus, het beloofde zaad, dat de slang de kop zou vertreden. Genesis 3:15. Want daar wordt de tweede Adam beloofd, zodra de eerste was gevallen.
[^romeinen-5-15-40]: Kanttekening 40: Of: val, afval: dat wil zeggen: de zonde van Adam, die in dit hoofdstuk meermalen met dit woord wordt aangeduid.
[^romeinen-5-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: de weldaad die ons door Christus is verkregen en wordt geschonken.
[^romeinen-5-15-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: niet alleen hijzelf, maar vele anderen, namelijk allen die van hem naar de natuur zijn voortgekomen.
[^romeinen-5-15-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: de barmhartigheid en onverdiende gunst van God.
[^romeinen-5-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: de gerechtigheid van Christus, die ons door God uit genade door het geloof wordt toegerekend.
[^romeinen-5-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: krachtiger en menigvuldiger. Een gelijkenis genomen van water dat het vuur door zijn kracht of vloed uitblust, zo blust ook de kracht en overvloed van Christus' gerechtigheid de zonde en schuld uit.
[^romeinen-5-15-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: allen die hem door het geloof worden ingelijfd.
[^romeinen-5-16-47]: Kanttekening 47: Namelijk: Adam, zoals tevoren.
[^romeinen-5-16-48]: Kanttekening 48: Of: oordeel, dat wil zeggen: schuld, zoals 1 Timotheüs 5:12. Namelijk: waardoor wij vanwege de zonde voor Gods oordeel de tijdelijke en eeuwige dood schuldig zijn, zoals uit het volgende blijkt.
[^romeinen-5-16-49]: Kanttekening 49: Namelijk: voor hen die door het geloof in Christus van deze verdoemelijke staat niet verlost worden.
[^romeinen-5-16-50]: Kanttekening 50: Namelijk: van hen die deze gemeenschappelijke zonde met vele bijzondere zonden hebben verzwaard, zoals alle mensen doen die tot hun jaren zijn gekomen.
[^romeinen-5-17-51]: Kanttekening 51: Namelijk: de eerste Adam, zoals tevoren.
[^romeinen-5-17-52]: Kanttekening 52: Of: aannemen. Namelijk: door het ware geloof. Johannes 1:12.
[^romeinen-5-17-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: van dit geestelijk leven deelachtig zijnde, de overhand hebben over de zonde en de schuld ervan. Galaten 2:19, 20. Efeziërs 2:5, 6. En daarna het eeuwige leven deelachtig worden, zoals vers 21 nader verklaart.
[^romeinen-5-18-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: hen in zodanige staat gebracht, dat zij voor God verdoemelijk zijn. Romeinen 3:19. Efeziërs 2:1, 3.
[^romeinen-5-18-55]: Kanttekening 55: Grieks: dikaioma (δικαιώματος). Aldus noemt hij de gehoorzaamheid van Christus, omdat zij de kracht heeft om ook anderen te rechtvaardigen, zoals het Griekse woord meebrengt; en wordt gesteld tegenover de overtreding van Adam, in welke ook de kracht was om anderen tot zondaars te maken. Vers 19.
[^romeinen-5-18-56]: Kanttekening 56: Namelijk: die in hem geloven; of: die deze gave aannemen. Vers 17.
[^romeinen-5-19-57]: Kanttekening 57: Hier besluit de apostel de gelijkenis van Adam en Christus: namelijk dat gelijk de ongehoorzaamheid van Adam ons toegerekend wordt tot schuld der verdoemenis, zo Christus' gehoorzaamheid ons toegerekend wordt tot ontslagenis van die schuld. Wel is het waar dat gelijk wij door Adams eerste overtreding niet alleen schuldig zijn geworden aan de straf, maar ook onze natuur daardoor verdorven is, zo wij door Christus' gehoorzaamheid niet alleen van de straf verlost zijn, maar ook door de kracht ervan van zijn Geest in ons gemoed vernieuwd en geheiligd worden. Maar daarvan heeft de apostel tot nu toe niet gesproken.
[^romeinen-5-20-58]: Kanttekening 58: Hier beantwoordt de apostel deze tegenwerping: als wij door de gerechtigheid van Christus alleen tot rechtvaardigen gesteld worden, waartoe is dan de wet aan Israël door Mozes gegeven? En verklaart dat de wet niet is gegeven om er door gerechtvaardigd te worden, maar opdat de zonde en de straf die wij vanwege de zonde schuldig zijn, te beter bekend zou worden. Zie Galaten 3:19.
[^romeinen-5-20-k]: Verwijzing k: Johannes 15:22. Romeinen 4:15 en 7:8. Galaten 3:19.
[^romeinen-5-20-59]: Kanttekening 59: Namelijk: boven de schuld waaraan wij van nature onderworpen waren; of: boven de belofte die al aan Abraham gedaan was. Galaten 3:17.
[^romeinen-5-20-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: de Joden en hun voorgangers, die daardoor meer en meer tot kennis van hun zonden kwamen.
[^romeinen-5-20-l]: Verwijzing l: Lukas 7:47.
[^romeinen-5-20-61]: Kanttekening 61: Zie de aantekening op vers 15.
[^romeinen-5-21-62]: Kanttekening 62: Namelijk: van alle gelovigen tot het eeuwige leven, dat hun door Jezus Christus is verworven.
[^romeinen-5-21-63]: Kanttekening 63: Grieks: in de dood. Namelijk: de tijdelijke en eeuwige dood, zoals blijkt uit de volgende tegenstelling.
[^romeinen-5-21-64]: Kanttekening 64: Namelijk: Gods genade over ons.
[^romeinen-5-21-65]: Kanttekening 65: Namelijk: die ons door hem door het geloof is geschonken.
[^romeinen-5-21-66]: Kanttekening 66: Namelijk: wat hier in ons begint, en nadien ten volle over ons geopenbaard zal worden. Johannes 11:25, 26. Kolossenzen 3:3, 4.

### Romeinen 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/6.json)

*1 Vanaf hier leert de apostel dat zij die door het geloof in Christus gerechtvaardigd zijn, ook door de kracht van Christus' dood en opstanding vernieuwd en geheiligd worden, en bewijst dat door de betekenis van onze Doop. 5 Alzok uit onze vereniging met Christus, waardoor wij met hem aan de zonde gestorven en tot een nieuw leven opgewekt zijn. 9 Betuigt verder dat zoals Christus maar eenmaal gestorven is en voortaan altijd leeft in heerlijkheid, wij ook, als wij geloven, aan de zonde sterven om voortaan heilig te kunnen leven. 12 Trekt hieruit een algemene vermaning dat de zonde dan niet over ons moet heersen, maar wij over de zonde. 15 En verklaart dat de genade van God en de vrijheid waarin wij staan ons ook daartoe moet bewegen. 21 Versterkt ten slotte deze vermaning door de overdenking van de vrucht van de zonde, welke de dood is, en van het ein de van de heiliging, dat is het eeuwige leven, ons uit genade door Christus gegeven.*

**1** [^romeinen-6-1-1] Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij[^romeinen-6-1-2] in de zonde blijven, opdat de genade[^romeinen-6-1-3] toeneemt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v1)

**2** [^romeinen-6-2-4] Volstrekt niet. Wij,[^romeinen-6-2-5] die de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog[^romeinen-6-2-6] daarin leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v2)

**3** Of weet u niet,[^romeinen-6-3-a] dat zovelen als wij[^romeinen-6-3-7] in Christus Jezus gedoopt zijn, wij[^romeinen-6-3-8] in Zijn dood gedoopt zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v3)

**4** [^romeinen-6-4-b] Wij zijn dan[^romeinen-6-4-9] met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden[^romeinen-6-4-c] opgewekt is[^romeinen-6-4-10] tot de heerlijkheid van de[^romeinen-6-4-11] Vader, zo ook wij[^romeinen-6-4-d] in een nieuw leven wandelen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v4)

**5** [^romeinen-6-5-e] Want als wij met Hem[^romeinen-6-5-12] een plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v5)

**6** Dit wetende, dat[^romeinen-6-6-13] onze oude mens[^romeinen-6-6-14][^romeinen-6-6-f] met Hem gekruisigd is, opdat[^romeinen-6-6-15] het lichaam van de[^romeinen-6-6-16] zonde te niet gedaan wordt, opdat wij[^romeinen-6-6-17] niet meer de zonde dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v6)

**7** [^romeinen-6-7-g] Want[^romeinen-6-7-18] die gestorven is, die is[^romeinen-6-7-19] gerechtvaardigd van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v7)

**8** [^romeinen-6-8-h] Als wij nu[^romeinen-6-8-20] met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook[^romeinen-6-8-21] met Hem zullen leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v8)

**9** [^romeinen-6-9-i] Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood[^romeinen-6-9-22] heerst niet meer over Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v9)

**10** [^romeinen-6-10-k] Want dat Hij gestorven is, dat is Hij[^romeinen-6-10-23] van de[^romeinen-6-10-24] zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij[^romeinen-6-10-25] voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v10)

**11** Zo ook u, reken erop dat u wel[^romeinen-6-11-26] van de zonde dood bent, maar[^romeinen-6-11-27] voor God levend bent in Christus Jezus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v11)

**12** Dat[^romeinen-6-12-28] dan de[^romeinen-6-12-29] zonde niet heerse[^romeinen-6-12-30] in uw[^romeinen-6-12-31] sterfelijk lichaam, om haar[^romeinen-6-12-32] te gehoorzamen in de begeerlijkheden van het lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v12)

**13** En stelt uw leden niet[^romeinen-6-13-33] voor de zonde tot[^romeinen-6-13-34] wapens van de[^romeinen-6-13-l] ongerechtigheid; maar stelt uzelf[^romeinen-6-13-35] voor God, als[^romeinen-6-13-36] uit de doden levend geworden zijnde, en[^romeinen-6-13-37] stelt uw leden voor God tot wapens van de gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v13)

**14** Want[^romeinen-6-14-38] de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet[^romeinen-6-14-39] onder de wet,[^romeinen-6-14-40] maar onder de genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v14)

**15** [^romeinen-6-15-41] Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Volstrekt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v15)

**16** Weet u niet,[^romeinen-6-16-m] dat wie u uzelf stelt tot dienaren[^romeinen-6-16-42] ter gehoorzaamheid, u dienaren bent van degene, die u gehoorzaamt, of van[^romeinen-6-16-43] de zonde tot de dood, of[^romeinen-6-16-44] van de[^romeinen-6-16-45] gehoorzaamheid tot gerechtigheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v16)

**17** Maar Gode zij dank, dat u wel dienaren van[^romeinen-6-17-46] de zonde was, maar dat u nu van harte gehoorzaam geworden bent[^romeinen-6-17-47] aan het voorbeeld van de leer, tot dat u overgegeven bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v17)

**18** [^romeinen-6-18-n] En vrijgemaakt zijnde[^romeinen-6-18-48] van de zonde, bent gemaakt dienaren van de gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v18)

**19** Ik spreek[^romeinen-6-19-49] op menselijke wijze,[^romeinen-6-19-50] vanwege de zwakheid van uw vlees; want zoals u uw leden gesteld hebt, om[^romeinen-6-19-51] dienstbaar te zijn van de onreinheid en[^romeinen-6-19-52] van de[^romeinen-6-19-53] ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn van[^romeinen-6-19-54] de gerechtigheid, tot heiligmaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v19)

**20** [^romeinen-6-20-o] Want toen u dienaren was[^romeinen-6-20-55] van de zonde, zo was u vrij van de gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v20)

**21** Wat vrucht dan had u toen van die dingen, waarover u zich[^romeinen-6-21-56] nu[^romeinen-6-21-57] schaamt? Want het einde daarvan[^romeinen-6-21-58] is de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v21)

**22** Maar nu,[^romeinen-6-22-59] van de zonde vrijgemaakt zijnde, en[^romeinen-6-22-60] voor God dienstbaar gemaakt zijnde, hebt u uw vrucht[^romeinen-6-22-61] tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v22)

**23** [^romeinen-6-23-p] Want[^romeinen-6-23-62] de soldij van de zonde is[^romeinen-6-23-63] de dood,[^romeinen-6-23-q] maar[^romeinen-6-23-64] de genadegift van God[^romeinen-6-23-65] is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/6.html#v23)

[^romeinen-6-1-1]: Kanttekening 1: Deze tegenwerping rijst op uit wat Paulus in de twee laatste verzen van het vorige hoofdstuk had gezegd.
[^romeinen-6-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: onder de heerschappij van de verdorvenheid die in ons nog overblijft. Hoofdstuk 7:14. Of: in allerlei zonde die in de wereld de overhand heeft.
[^romeinen-6-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk: zoals in de twee voorgaande verzen schijnt betuigd te zijn, wat daar verklaard is.
[^romeinen-6-2-4]: Kanttekening 4: De apostel verwerpt met deze woorden zo'n gevolgtrekking als het antwoord onwaardig, en bewijst het tegendeel, dat wij in de zonde niet moeten blijven.
[^romeinen-6-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: wij die van de heersende macht van de inwonende zonde door de Geest van Christus verlost zijn. Verzen 6, 7. Want aan de zonde sterven betekent in het Nieuwe Testament de zonde in ons geen leven laten hebben, dat wil zeggen: niet leven onder de macht en heerschappij van de zonde.
[^romeinen-6-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk: met betrekking tot hun oude mens, die gekruisigd is. Vers 6.
[^romeinen-6-3-a]: Verwijzing a: Galaten 3:27.
[^romeinen-6-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk: om onze gemeenschap met Christus te betuigen die wij door het geloof hebben.
[^romeinen-6-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: allen die tot Christus' gemeenschap zijn gedoopt, zijn ook gedoopt in zijn dood — dat wil zeggen: zij hebben de kracht van zijn dood ontvangen om hun oude mens te doden.
[^romeinen-6-4-b]: Verwijzing b: Kolossenzen 2:12.
[^romeinen-6-4-9]: Kanttekening 9: Dit is de tweede trap van onze wedergeboorte, die ons door de doop wordt bezegeld, namelijk de toeneming en volharding in de doding van de zonde in ons, zoals de begrafenis een volharding was van de dood van Christus. Vers 6.
[^romeinen-6-4-c]: Verwijzing c: Romeinen 8:11. Filippenzen 3:10, 11.
[^romeinen-6-4-10]: Kanttekening 10: Grieks: dia (διὰ), welk woord meest betekent door, dat wil zeggen: door de heerlijkheid van de Vader, maar wordt ook soms voor tot genomen, wat hier het best past. Zie 2 Petrus 1:3.
[^romeinen-6-4-11]: Kanttekening 11: Dit is de derde trap van onze wedergeboorte, die wij door de kracht van de opstanding van Christus ontvangen, en ons door de doop wordt aangeduid en bezegeld: namelijk dat wij kracht ontvangen hebben om voortaan in nieuwheid des levens, dat wil zeggen: in heiligheid en reinheid te wandelen. Efeziërs 5:26, 27.
[^romeinen-6-4-d]: Verwijzing d: Efeziërs 4:23. Kolossenzen 3:10. Hebreeën 12:1. 1 Petrus 2:2.
[^romeinen-6-5-e]: Verwijzing e: Romeinen 8:11. Kolossenzen 3:1.
[^romeinen-6-5-12]: Kanttekening 12: Of: samengeplant zijn. Een gelijkenis ontleend aan een ent die in een jonge boom wordt geënt, welke tot een plant wordt met de boom, en het sap des levens en der vruchtbaarheid uit hem trekt. Zo, wil hij zeggen, die met Christus als de stam door het geloof zijn verenigd, die verkrijgen door de Geest van Christus de kracht niet alleen om de zonden te doden en geleidelijk te begraven, maar ook om in nieuwheid des levens meer en meer op te staan. Johannes 15:1.
[^romeinen-6-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: tot ons onderricht, hoe wij moeten verstaan dat wij in de dood van Christus zijn ingeplant.
[^romeinen-6-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de verdorven en zondige aard die wij van Adam hebben geërfd. Efeziërs 4:22. Kolossenzen 3:9.
[^romeinen-6-6-f]: Verwijzing f: Galaten 2:20 en 5:24. Filippenzen 3:10. 1 Petrus 4, verzen 1, 2.
[^romeinen-6-6-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: is mee gedood en vernietigd door de kracht van Christus' dood. Galaten 2:20.
[^romeinen-6-6-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: de macht van de zonde die in ons woont.
[^romeinen-6-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: het verdorven lichaam van de zonde — zo genoemd omdat het de zonde als werktuig dient — zou krachteloos gemaakt worden, zodat wij de zonde niet meer zouden dienen.
[^romeinen-6-7-g]: Verwijzing g: 1 Petrus 4:1.
[^romeinen-6-7-18]: Kanttekening 18: Dit is een reden genomen van de gelijkenis van een dood mens, die de werken van levenden niet meer doet en aan geen diensten meer is verbonden, waaraan hij in zijn leven verbonden was.
[^romeinen-6-7-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: wie gestorven is, is vrij van de eisen en heerschappij van de zonde. Een overeenkomst ontleend aan de dood des mensen, die van alle zonden en schulden vrij is.
[^romeinen-6-8-h]: Verwijzing h: 2 Timotheüs 2:11.
[^romeinen-6-8-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zijn wij verzekerd door het geloof.
[^romeinen-6-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: zowel het geestelijk leven deelachtig zijn in dit leven, als het eeuwige leven nadien. Kolossenzen 3:3, 4.
[^romeinen-6-9-i]: Verwijzing i: Openbaring 1:18.
[^romeinen-6-9-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: hij is eenmaal voor onze zonden gestorven, en zijn dood is een volkomen betaling geweest; hij hoeft dus niet meer te sterven.
[^romeinen-6-10-k]: Verwijzing k: 1 Petrus 2:24.
[^romeinen-6-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk: tot verzoening en vernietiging van de zonde zelf.
[^romeinen-6-10-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: om de zonde te verzoenen en te overwinnen, en aldus om de macht van de zonde voor zijn gemeente te breken.
[^romeinen-6-10-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: eenmaal voor altijd, zodat het niet meer herhaald hoeft te worden. Hebreeën 10:10.
[^romeinen-6-11-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: van de zonde gestorven bent. Zie de aantekening bij vers 2.
[^romeinen-6-11-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: beschouwt en houdt uzelf als dood voor de zonde, dat wil zeggen: als mensen die van de heerschappij van de zonde zijn verlost.
[^romeinen-6-12-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: omdat u wedergeboren bent en verlost van de macht van de zonde.
[^romeinen-6-12-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: dat nog aan de dood is onderworpen. Hij zegt lichaam, omdat de zonde zich in het bijzonder in het lichaam openbaart.
[^romeinen-6-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: de zonde als heer en meester te volgen.
[^romeinen-6-12-31]: Kanttekening 31: Grieks: de begeerten van het lichaam.
[^romeinen-6-12-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: te volgen of te doen waartoe de zonde ons door allerlei begeerten verlokt. Jakobus 1:14.
[^romeinen-6-13-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: geheel uzelf, lichaam en ziel.
[^romeinen-6-13-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: als mensen die door de kracht van Christus' opstanding uit de geestelijke dood zijn opgewekt.
[^romeinen-6-13-l]: Verwijzing l: Lucas 1:74. Romeinen 12:1. Galaten 2:20. Hebreeën 9:14. 1 Petrus 4:2.
[^romeinen-6-13-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: middelen om gerechtigheid te betonen.
[^romeinen-6-13-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: als mensen die uit de dood en de macht van de zonde zijn verlost en met het leven van de gerechtigheid door Christus zijn begiftigd.
[^romeinen-6-13-37]: Kanttekening 37: Namelijk als instrumenten van de ziel om uit te voeren wat zij wil of begeert.
[^romeinen-6-14-38]: Kanttekening 38: In vers 12 was dit een vermaning, maar hier is het een belofte dat de zonde in ons niet zal heersen, als wij er maar behoorlijk tegen strijden. De reden daarvoor wordt gegeven in de woorden die volgen.
[^romeinen-6-14-39]: Kanttekening 39: Namelijk: de gelovigen, over wie de zonde niet meer als een tiran heerst, omdat zij niet meer onder de wet, dat wil zeggen: onder de vloek en de kracht van de wet zijn, maar onder de genade — dat wil zeggen: onder het evangelie van de genade van Christus.
[^romeinen-6-14-40]: Kanttekening 40: Want de wet scherpt de kennis van de zonde aan en prikkelt de verdorven natuur, maar geeft geen kracht om de zonde te overwinnen. Het evangelie daarentegen schenkt de genade van de Heilige Geest, die kracht geeft om de zonde te weerstaan en te overwinnen.
[^romeinen-6-15-41]: Kanttekening 41: Deze tegenwerping rijst hieruit voort dat iemand de woorden "niet onder de wet" verkeerd zou kunnen uitleggen — alsof hij daarmee bedoeld had de gehoorzaamheid aan de wet of de regel van de gerechtigheid die in de wet begrepen is, en het woord "genade" als een toelating of vrijheid om te leven zoals men wil. Dit verwerpt de apostel aan het einde van dit vers en weerlegt het krachtig in de volgende verzen.
[^romeinen-6-16-m]: Verwijzing m: Johannes 8:34. 2 Petrus 2:19.
[^romeinen-6-16-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: tot volharding in de gerechtigheid voor God.
[^romeinen-6-16-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: van de heersende zonde, zoals hiervoor.
[^romeinen-6-16-44]: Kanttekening 44: Namelijk de gehoorzaamheid die u God voor uw verlossing verschuldigd bent.
[^romeinen-6-16-45]: Kanttekening 45: Namelijk om gerechtigheid te beoefenen.
[^romeinen-6-17-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: aan welke leer u door de prediking van het evangelie en door de verlichting van Gods Geest bent overgegeven en toebetrouwd.
[^romeinen-6-17-47]: Kanttekening 47: Namelijk die van het evangelie, dat een leer is van godsvrucht en gerechtigheid, en zoals een voorbeeld dat ook zijn stempel drukt op hen die het aannemen, zodat zij door de kracht van Gods Geest zichzelf ook overgeven aan de navolging van die leer.
[^romeinen-6-18-n]: Verwijzing n: Johannes 8:32. Galaten 5:1. 1 Petrus 2:16.
[^romeinen-6-18-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: nu in dienst gesteld aan de gerechtigheid, aan het goede.
[^romeinen-6-19-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: ik gebruik een menselijke gelijkenis, namelijk die van heer en dienaar, om het beter verstaanbaar te maken.
[^romeinen-6-19-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: in uw vroegere staat van heidendom of onbekeerd zijn.
[^romeinen-6-19-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: ten doel hebbende de voortgang in heiliging.
[^romeinen-6-19-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: van de begeerten die strekten tot onderdrukking van uw naaste.
[^romeinen-6-19-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: tot volvoering van zulke slechte lusten en begeerten.
[^romeinen-6-19-54]: Kanttekening 54: Namelijk van uw handel en wandel voor God en de mensen, zoals vers 22.
[^romeinen-6-20-o]: Verwijzing o: Johannes 8:34.
[^romeinen-6-20-55]: Kanttekening 55: Grieks: vrij van de gerechtigheid. Dat wil zeggen: ontbloot van alle ware gerechtigheid, of niet onderworpen aan de gerechtigheid — zoals een vrij man die onder niemand staat.
[^romeinen-6-21-56]: Kanttekening 56: Namelijk nadat u tot kennis bent gekomen.
[^romeinen-6-21-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: berouw hebt en schaamte over de schandelijkheden waar u tevoren behagen in had.
[^romeinen-6-21-58]: Kanttekening 58: Namelijk tenzij wij daarvoor gerechtvaardigd en geheiligd waren door het bloed en de Geest van Christus. 1 Korintiërs 6:11.
[^romeinen-6-22-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: van de slavernij van de zonde, zoals hiervoor.
[^romeinen-6-22-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: bekwaam en gewillig om God te dienen.
[^romeinen-6-22-61]: Kanttekening 61: Namelijk in dit leven, zoals vers 19. Zie 1 Tessalonicenzen 4:3.
[^romeinen-6-23-p]: Verwijzing p: Genesis 2:17. Romeinen 5:12. 1 Korintiërs 15:21. Jakobus 1:15.
[^romeinen-6-23-62]: Kanttekening 62: Grieks: soldijen. Een gelijkenis genomen van soldaten die aan het einde van hun dienst hun betaling of soldij ontvangen.
[^romeinen-6-23-63]: Kanttekening 63: Namelijk niet alleen de tijdelijke, maar ook de eeuwige, zoals uit het volgende blijkt.
[^romeinen-6-23-q]: Verwijzing q: 1 Petrus 1:3.
[^romeinen-6-23-64]: Kanttekening 64: Namelijk die wij door Christus verkrijgen, ook in onze heiliging waarover hij hier spreekt.
[^romeinen-6-23-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: heeft als eindbestemming het eeuwige leven, zoals gezegd in vers 22. Niet dat dit verdiend wordt (want dan zou het geen genadegave zijn), maar omdat Christus het voor ons heeft verdiend en het uit genade zal schenken, zoals de woorden "door Jezus Christus, onze Heer" bewijzen.

### Romeinen 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/7.json)

*1 De apostel, in het voorgaande hoofdstuk verklaard hebbend dat de zonde over hen die in Christus zijn niet meer heerst, zoals zij heerst over hen die onder de Wet zijn, bewijst dat nu met het voorbeeld van de vrijmaking van een vrouw van de heerschappij van haar man door de dood van de man. 4 En past dat toe op de wedergeborenen. 7 Leert verder waartoe de Wet dient, en bewijst dat de Wet geen oorzaak is van de zonde in de onwedergeborenen, ook al heerst de zonde door de Wet over hen. 14 Beschrijft daarna de strijd tussen vlees en geest, en wijst aan de macht die de overblijfselen van het vlees nog hebben tegen de geest in de gelovigen. 24 Besluit deze verklaring met een klacht en met een wens om van deze strijd geheel verlost te zijn, en met een dankzegging tot God over de verlossing die al geschied is.*

**1** Weet u niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die[^romeinen-7-1-1] de wet verstaan) dat de wet[^romeinen-7-1-2] heerst over de mens,[^romeinen-7-1-3] zolang hij leeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v1)

**2** [^romeinen-7-2-a] Want een vrouw,[^romeinen-7-2-4] die onder de man staat,[^romeinen-7-2-5] is aan de levende man[^romeinen-7-2-b] verbonden door de wet; maar als de man gestorven is, zo is zij[^romeinen-7-2-6] vrijgemaakt[^romeinen-7-2-7] van de wet van de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v2)

**3** [^romeinen-7-3-c] Daarom dan, als zij van een andere man wordt, terwijl[^romeinen-7-3-8] de man leeft, zo zal zij een overspeelster[^romeinen-7-3-9] genoemd worden; maar als de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, zo dat zij geen overspeelster is, als zij van een andere man wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v3)

**4** Zo dan, mijn broeders,[^romeinen-7-4-d] u bent ook[^romeinen-7-4-10] van de wet gedood[^romeinen-7-4-11] door het lichaam van Christus, opdat u zou worden van een Ander[^romeinen-7-4-12], namelijk van[^romeinen-7-4-13] Degene, Die van de doden opgewekt is,[^romeinen-7-4-14] opdat wij voor God vruchten dragen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v4)

**5** Want toen wij[^romeinen-7-5-15] in het vlees waren, werkten de bewegingen van de[^romeinen-7-5-16] zonden, die door de wet zijn,[^romeinen-7-5-17] in onze leden, om de dood vruchten te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v5)

**6** Maar nu zijn wij[^romeinen-7-6-18] vrijgemaakt van de wet,[^romeinen-7-6-19] omdat wij die gestorven zijn,[^romeinen-7-6-20] onder welke wij gehouden waren; zo dat wij[^romeinen-7-6-21] dienen[^romeinen-7-6-22][^romeinen-7-6-e] in nieuwheid van de geest, en niet[^romeinen-7-6-23] in de oudheid van de letter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v6)

**7** Wat zullen wij dan zeggen?[^romeinen-7-7-24] Is de wet zonde? Volstrekt niet. Ja,[^romeinen-7-7-25][^romeinen-7-7-f] ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik[^romeinen-7-7-26] de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei:[^romeinen-7-7-g] U zult niet begeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v7)

**8** [^romeinen-7-8-h] Maar[^romeinen-7-8-27] de zonde,[^romeinen-7-8-28] oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij[^romeinen-7-8-29] alle begeerlijkheid gewerkt; want[^romeinen-7-8-30] zonder de wet is de zonde[^romeinen-7-8-31] dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v8)

**9** En zonder de wet,[^romeinen-7-9-32] zo leefde ik[^romeinen-7-9-33] vroeger; maar[^romeinen-7-9-34] als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer[^romeinen-7-9-35] levend geworden,[^romeinen-7-9-36] maar ik ben gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v9)

**10** En het gebod,[^romeinen-7-10-37] dat ten leven was, hetzelfde is mij[^romeinen-7-10-38] ten dood bevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v10)

**11** Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod,[^romeinen-7-11-39] heeft mij verleid, en door hetzelfde gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v11)

**12** [^romeinen-7-12-i] Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v12)

**13** Is dan het goede mij[^romeinen-7-13-40] de dood geworden? Volstrekt niet. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede de dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende[^romeinen-7-13-41] door het gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v13)

**14** [^romeinen-7-14-42] Want wij weten, dat de wet[^romeinen-7-14-43] geestelijk is, maar[^romeinen-7-14-44] ik ben vleselijk,[^romeinen-7-14-45][^romeinen-7-14-k] verkocht onder de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v14)

**15** Want wat ik[^romeinen-7-15-46] doe, dat[^romeinen-7-15-47] ken ik niet;[^romeinen-7-15-l] want[^romeinen-7-15-48] wat ik wil, dat[^romeinen-7-15-49] doe ik niet, maar[^romeinen-7-15-50] wat ik haat, dat doe ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v15)

**16** En als ik hetgene doe, dat ik niet wil,[^romeinen-7-16-51] zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v16)

**17** [^romeinen-7-17-52] Ik dan doe het nu niet meer, maar[^romeinen-7-17-53] de zonde, die in mij woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v17)

**18** [^romeinen-7-18-m] Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen[^romeinen-7-18-54] is wel bij mij,[^romeinen-7-18-55] maar het goede te doen, dat vind ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v18)

**19** Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v19)

**20** Als ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelfde niet meer, maar de zonde, die in mij woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v20)

**21** Zo[^romeinen-7-21-56] vind ik dan[^romeinen-7-21-57] deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij[^romeinen-7-21-58] bijligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v21)

**22** [^romeinen-7-22-n] Want ik heb een vermaak in de wet van God,[^romeinen-7-22-59] naar de inwendigen mens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v22)

**23** [^romeinen-7-23-o] Maar ik zie een andere wet[^romeinen-7-23-60] in mijn leden, die strijdt tegen[^romeinen-7-23-61] de wet van mijn gemoed, en mij[^romeinen-7-23-62] gevangen neemt onder de wet van de zonde, die in mijn leden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v23)

**24** Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen[^romeinen-7-24-63] uit het lichaam van deze dood? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v24)

**25** [^romeinen-7-25-64] Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v25)

**26** [^romeinen-7-26-65] Zo dan, ik zelf die wel[^romeinen-7-26-66] met het gemoed de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/7.html#v26)

[^romeinen-7-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de wet door Mozes gegeven, die niet alleen de Joden maar ook de christenen behoren te kennen.
[^romeinen-7-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de mens verplicht tot gehoorzaamheid eraan.
[^romeinen-7-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk degene aan wie de wet gegeven is; want de wet gebiedt eigenlijk niet de doden maar de levenden.
[^romeinen-7-2-a]: Verwijzing a: 1 Korintiërs 7:39.
[^romeinen-7-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk door de band van het huwelijk.
[^romeinen-7-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk om hem trouw en gehoorzaam te zijn zolang hij leeft. Want hoewel de man in het Oude Testament de vrouw een scheidbrief mocht geven, heeft God zulk verlaten nooit als goed erkend. Zie Matteüs 19:8.
[^romeinen-7-2-b]: Verwijzing b: 1 Korintiërs 7, vers 2, 10.
[^romeinen-7-2-6]: Kanttekening 6: Grieks: leeg gemaakt, dat wil zeggen: los en vrij gemaakt.
[^romeinen-7-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: als een vrouw die onder de macht van haar man staat, van hem is losgemaakt door de dood, is zij vrij van de wet die haar aan hem bond. Zo zijn ook de gelovigen door de dood van Christus vrijgemaakt van de wet.
[^romeinen-7-3-c]: Verwijzing c: Matteüs 5:32.
[^romeinen-7-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: met een andere man trouwt en zijn vrouw wordt, zoals ook aan het einde van ditzelfde vers.
[^romeinen-7-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: het in werkelijkheid zijn en terecht zo worden genoemd, zoals het Griekse woord chrèmatizein (χρηματίσει) ook wordt gebruikt in Handelingen 11:26.
[^romeinen-7-4-d]: Verwijzing d: Galaten 2:19. 1 Petrus 4:1.
[^romeinen-7-4-10]: Kanttekening 10: De tegenstelling leek te vereisen dat de apostel zou zeggen: de wet is voor u gestorven. Maar de apostel heeft het liever omgekeerd gezegd, opdat het niet vreemd zou lijken als hij gezegd had dat de wet door Christus was gedood, terwijl hij alleen bedoelt dat de heersende macht van de wet gedood was.
[^romeinen-7-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: door het offer van het lichaam van Christus aan het kruis volbracht, waardoor hij de vloek van de wet en de macht van de zonde onder de wet heeft vernietigd en ons daarvan verlost heeft. Zie ook 1 Korintiërs 15, vers 56, 57.
[^romeinen-7-4-12]: Kanttekening 12: Of: voor een ander. Namelijk Christus Jezus.
[^romeinen-7-4-13]: Kanttekening 13: Namelijk niet alleen om zelf te leven, maar om ons ook met hem te laten leven en ons met hem te verenigen.
[^romeinen-7-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk de vruchten van dit geestelijke huwelijk met Christus, te weten de vruchten van heiligheid en gerechtigheid waardoor God door ons geëerd en geprezen wordt. Johannes 15:8.
[^romeinen-7-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: in de verdorvenheid van onze natuur en de heerschappij ervan. Zie verderop hoofdstuk 8:5 en verder.
[^romeinen-7-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: die door de wet worden ontdekt en opgestookt, zoals de zon slechte dampen ontdekt en opwekt die verborgen zitten in de aarde. Zie vers 8.
[^romeinen-7-5-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: de zondige begeerten die door de wet werden opgewekt en aangewakkerd, werkten in onze leden om vruchten voort te brengen voor de dood. Zie Romeinen 6:21 en 8:6.
[^romeinen-7-6-18]: Kanttekening 18: Zie de aantekening bij vers 4.
[^romeinen-7-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: doordat de heersende macht van de wet en van de zonde door Christus' dood en Geest in ons is vernietigd. Of: doordat die gestorven is, namelijk de wet, ten aanzien van zijn dwingende, veroordelende en opstokende kracht.
[^romeinen-7-6-20]: Kanttekening 20: Grieks: waarin.
[^romeinen-7-6-21]: Kanttekening 21: Namelijk God.
[^romeinen-7-6-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: in ware heiligheid, waartoe we door de Heilige Geest zijn vernieuwd door de prediking van het evangelie, dat een dienst van gerechtigheid en Geest wordt genoemd. 2 Korintiërs 3, vers 8, 9.
[^romeinen-7-6-e]: Verwijzing e: Romeinen 2:29. 2 Korintiërs 3:6.
[^romeinen-7-6-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: in de vernieuwing van de geest, niet in de uitwendige onderhouding van de letter van de wet alleen. Zie Romeinen 2:29 en 2 Korintiërs 3:6.
[^romeinen-7-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: oorzaak van de zonde, welke tegenwerping voortkomt uit wat de apostel eerder in vers 5 had gezegd, dat de zonde door de wet krachtig in ons was. Daarom legt hij in de zeven volgende verzen uit hoe dit verstaan moet worden.
[^romeinen-7-7-25]: Kanttekening 25: Namelijk volledig en zoals het behoort. Want overigens leert ook de natuur een onderscheid van goed en kwaad in veel zaken. Romeinen 2:15.
[^romeinen-7-7-f]: Verwijzing f: Romeinen 3:20. Hebreeën 7:18.
[^romeinen-7-7-26]: Kanttekening 26: Hier wordt begeerte genomen als de grond van alle slechte begeerten en voor de eerste aandriften ervan. Want de begeerte waaraan men toegeeft, wisten ook de heidenen dat zonde was. Maar deze eerste neigingen tot het kwade hielden zij niet voor zonde, evenmin als de Farizeeën, waartoe Paulus had behoord. Zie Matteüs 5, vers 20, 22, 28 en 23:25 enz.
[^romeinen-7-7-g]: Verwijzing g: Exodus 20:17. Deuteronomium 5:21.
[^romeinen-7-8-h]: Verwijzing h: Johannes 15:22. Romeinen 4:15 en 5:20. Galaten 3:19.
[^romeinen-7-8-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: de verdorvenheid die in ons is.
[^romeinen-7-8-28]: Kanttekening 28: Namelijk: zonder de wet nam de zonde geen aanleiding om de begeerlijkheid op te wekken in hun bewustzijn. Dit betekent niet dat er geen zonde was, maar dat de zonde niet als zodanig werd herkend en niet dezelfde kracht had om het verlangen aan te wakkeren.
[^romeinen-7-8-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: allerlei soorten van zondige begeerte.
[^romeinen-7-8-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: zonder de werkelijke kennis van de wet.
[^romeinen-7-8-31]: Kanttekening 31: Namelijk: in het bewustzijn van de mens. Want de zonde bestond wel, maar werd niet als overtreding herkend en had niet dezelfde prikkelende kracht als wanneer de wet het verbiedt.
[^romeinen-7-9-32]: Kanttekening 32: Of: was ik levend, dat wil zeggen: ik meende dat ik rechtvaardig was en was daarmee tevreden. Zie een dergelijk voorbeeld in die jongeman in Matteüs 19, vers 16, 17, 18 enz. en in de Farizeeën in het algemeen, Matteüs 23:28.
[^romeinen-7-9-33]: Kanttekening 33: Namelijk toen ik nog Farizeeër was.
[^romeinen-7-9-34]: Kanttekening 34: Namelijk tot mijn werkelijke kennis, en nadat ik begreep dat ook de inwendige begeerten tegen de wet zonde zijn.
[^romeinen-7-9-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: ik heb de grote massa van de zonde, die in mij wakker was geworden, levendig gevoeld.
[^romeinen-7-9-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: ik ben in mijn gemoed overtuigd geraakt dat ik midden in de dood lag, en ik heb de moed verloren om door gehoorzaamheid aan de wet behouden te kunnen worden. Romeinen 4:15. 2 Korintiërs 3, vers 6, 7, 9.
[^romeinen-7-10-37]: Kanttekening 37: Namelijk voor degenen die de wet volledig zouden onderhouden. Romeinen 10:5. Galaten 3:12 enz., wat voor de mens onmogelijk is. Romeinen 8:3.
[^romeinen-7-10-38]: Kanttekening 38: Namelijk door mijn verdorvenheid en overtreding.
[^romeinen-7-11-39]: Kanttekening 39: Zie de aantekening bij vers 8.
[^romeinen-7-12-i]: Verwijzing i: 1 Timotheüs 1:8.
[^romeinen-7-13-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: een oorzaak van de dood, zoals in vers 7.
[^romeinen-7-13-41]: Kanttekening 41: Namelijk zoals eerder bij vers 8 is uitgelegd.
[^romeinen-7-14-42]: Kanttekening 42: Tot hier toe heeft de apostel gesproken over de macht van de wet en van de zonde in de verdorven en onwedergeboren mens, zoals hij die ook zelf vroeger had ervaren toen hij nog in die staat was (vers 9). Maar nu spreekt hij over zichzelf zoals hij toen was, en legt uit welke macht de overblijfselen van het zondige vlees nog in hem hadden, nadat hij nu van de heerschappij van de zonde was verlost.
[^romeinen-7-14-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: die niet alleen een uitwendige maar ook een inwendige gehoorzaamheid van het hart vereist, en de volmaakte regel van een geestelijk en heilig leven voorschrijft, zoals Christus de kern ervan heeft uitgelegd, Matteüs 22:37.
[^romeinen-7-14-44]: Kanttekening 44: Namelijk nog ten dele, ten aanzien van de overblijfselen van het vlees die nog in mij zijn, zoals hij uitlegt in vers 18 en 23. Want dat ook de wedergeborenen, ten aanzien van sommige gebreken die nog in hen zijn, vleselijk kunnen worden genoemd, blijkt uit 1 Korintiërs 3:1.
[^romeinen-7-14-45]: Kanttekening 45: Namelijk niet als een gewillige slaaf die alle begeertes van de zonde zou volgen, zoals van Achab wordt gezegd in 1 Koningen 21:20. Maar als iemand die tegen zijn wil en verlangen nog aan de begeertes en aanvallen van de zonde is onderworpen, zonder dat hij zich er nog volledig van kan losmaken, hoewel hij ze ernstig weerstaat en ze merendeels door Gods Geest die in hem is, overwint. Zie ook Galaten 5, vers 17, 18.
[^romeinen-7-14-k]: Verwijzing k: Jesaja 52:3.
[^romeinen-7-15-46]: Kanttekening 46: Grieks: werk of volbreng. De apostel neemt het woord 'doen' hier, evenals in het volgende, niet altijd van de uitwendige daad. Want de wedergeborenen wandelen niet naar het vlees maar naar de Geest (Romeinen 8:1), hoewel ze hun gebreken hebben die ze met leedwezen betreuren. Maar hij spreekt hier voornamelijk over de inwendige bewegingen van de zonde die hij haat.
[^romeinen-7-15-47]: Kanttekening 47: Namelijk als goed. Dat wil zeggen: dat keur ik niet goed, zoals hij daarna uitlegt. Zie Psalm 1:6. Matteüs 7:23.
[^romeinen-7-15-l]: Verwijzing l: Galaten 5:17.
[^romeinen-7-15-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: het goede dat ik wil, zoals vers 19.
[^romeinen-7-15-49]: Kanttekening 49: Namelijk in de volmaaktheid die ik zou willen, zoals vers 18.
[^romeinen-7-15-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: het kwade waarvoor ik afkeer heb en dat ik niet wil, zoals vers 19.
[^romeinen-7-16-51]: Kanttekening 51: Namelijk omdat ik de begeerte die zij verbiedt niet wil en ook niet voor goed houd.
[^romeinen-7-17-52]: Kanttekening 52: Namelijk naar de inwendige mens, zoals hij uitlegt in vers 22.
[^romeinen-7-17-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: de overblijfselen van de verdorvenheid die nog in mij zijn, zoals hij uitlegt in vers 18 en 20.
[^romeinen-7-18-m]: Verwijzing m: Genesis 6:5 en 8:21.
[^romeinen-7-18-54]: Kanttekening 54: Grieks: ligt mij bij. Namelijk door de genade van God die dat in mij werkt. Filippenzen 2:13.
[^romeinen-7-18-55]: Kanttekening 55: Namelijk in zijn volmaaktheid. Zie Filippenzen 3, vers 12, 13, 14.
[^romeinen-7-21-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: ondervind.
[^romeinen-7-21-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: ik ontdek in mezelf een wetmatigheid, namelijk dat wanneer ik het goede wil doen, het kwade mij aankleeft en mij tracht te weerhouden.
[^romeinen-7-21-58]: Kanttekening 58: Of: aankleeft. Namelijk door de overblijfselen van de verdorven natuur.
[^romeinen-7-22-n]: Verwijzing n: Efeziërs 3:16.
[^romeinen-7-22-59]: Kanttekening 59: Hieronder wordt niet de natuurlijke rede van de mens verstaan, die soms ook wel strijdt voor de burgerlijke deugd. Maar het wordt verstaan van de mens voor zover hij inwendig door Gods Geest is verlicht en wedergeboren is. Romeinen 2:29. 2 Korintiërs 4:16. Efeziërs 3:16.
[^romeinen-7-23-o]: Verwijzing o: Galaten 5:17.
[^romeinen-7-23-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: in mijn vlees. Vers 5, 18.
[^romeinen-7-23-61]: Kanttekening 61: Of: de wet van mijn verstand. Dat wil zeggen: tegen het voorschrift en de bewegingen van de inwendige en nieuwe mens, zoals hiervoor is uitgelegd.
[^romeinen-7-23-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: mij nog tegen mijn wil aankleeft, vers 14.
[^romeinen-7-24-63]: Kanttekening 63: Of: uit dit lichaam des doods. Dit kan worden verstaan als de overblijfselen van de zonde en van de oude mens, die het lichaam van de zonde worden genoemd (Romeinen 6:6), of van het lichaam van de mens, dat hier sterfelijk is en vanwege de zonde aan de dood is onderworpen (Romeinen 8:10). Want we zullen van deze overblijfselen van de zonde en van deze gevangenschap pas ten volle worden verlost als we dit sterfelijke lichaam zullen hebben afgelegd.
[^romeinen-7-25-64]: Kanttekening 64: Namelijk dat Hij mij al zover door Christus heeft verlost van de heerschappij van de zonde, dat ik nu, hoewel de zonde mij nog aankleeft, toch geen gewillige slaaf ervan meer ben, maar ertegen strijd en die door Christus' Geest kan overwinnen, zoals de conclusie die volgt en het begin van het volgende hoofdstuk duidelijk maakt. Zie 1 Korintiërs 15, vers 55, 56, 57.
[^romeinen-7-26-65]: Kanttekening 65: Dit is de conclusie van deze hele strijd.
[^romeinen-7-26-66]: Kanttekening 66: Namelijk: naar het oordeel van het verstand en het geweten, dat ik als vernieuwd mens de wet van God met vreugde instem. Maar naar de zondige neiging die nog in mij woont, ben ik als het ware gevangen onder de wet van de zonde.

### Romeinen 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/8.json)

*1 Uit het tot nu toe verklaarde trekt de apostel de vertroosting dat er geen verdoemenis meer is voor de gelovigen. 4 En vermaant hen met verschillende beweegredenen dat zij niet naar het vlees maar naar de Geest moeten wandelen. 17 Verklaart verder dat het lot van de gelovigen in dit leven is met Christus te lijden, maar sterkt hen daartegen met de grootheid van de heerlijkheid die daarna zal volgen. 19 En stelt hun het voorbeeld voor van de hele schepping, die daarnaar een natuurlijk verlangen heeft. 23 Troost hen verder door de hoop die zij zelf daarvan hebben. 26 En door de hulp van de Heilige Geest in het gebed. 28 Alzok door de zekerheid die zij, ondanks al het lijden, vasthouden van hun verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. 31 Besluit deze troost met een roem in Christus tegen alles wat hen zou kunnen beschuldigen of hin deren. 37 En verzekert hen dat zij door Christus in alles zullen overwinnen.*

**1** Zo is er[^romeinen-8-1-1] dan nu geen[^romeinen-8-1-2] verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn,[^romeinen-8-1-3] die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v1)

**2** [^romeinen-8-2-a] Want[^romeinen-8-2-4] de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van[^romeinen-8-2-5] de wet van de zonde en van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v2)

**3** [^romeinen-8-3-6][^romeinen-8-3-b] Want[^romeinen-8-3-7] wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees[^romeinen-8-3-8] krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende[^romeinen-8-3-9] in gelijkheid[^romeinen-8-3-10] van de zondigen vleses, en[^romeinen-8-3-11] dat voor de zonde,[^romeinen-8-3-c] de zonde[^romeinen-8-3-12] veroordeeld[^romeinen-8-3-13] in het vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v3)

**4** Opdat[^romeinen-8-4-14] het recht van de wet vervuld zou worden in ons,[^romeinen-8-4-15] die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v4)

**5** [^romeinen-8-5-d] Want[^romeinen-8-5-16] die naar het vlees zijn,[^romeinen-8-5-17] bedenken, dat van het vlees is; maar[^romeinen-8-5-18] die naar de geest zijn,[^romeinen-8-5-19] bedenken, dat van de geest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v5)

**6** Want het bedenken van het[^romeinen-8-6-20] vlees is de dood; maar het bedenken van de[^romeinen-8-6-21] geest is het leven en vrede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v6)

**7** Daarom dat het bedenken van het[^romeinen-8-7-22] vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet; want[^romeinen-8-7-23] het kan ook niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v7)

**8** En die in het vlees zijn,[^romeinen-8-8-24] kunnen God niet behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v8)

**9** Maar[^romeinen-8-9-25] u bent niet[^romeinen-8-9-26] in het vlees, maar in de geest,[^romeinen-8-9-27][^romeinen-8-9-28] zo anders de Geest van God[^romeinen-8-9-e] in[^romeinen-8-9-29] u woont. Maar zo iemand[^romeinen-8-9-30] de Geest van Christus niet heeft,[^romeinen-8-9-31] die komt Hem niet toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v9)

**10** En als Christus in u is, zo is wel[^romeinen-8-10-32] het lichaam dood[^romeinen-8-10-33] om de zonden wil; maar[^romeinen-8-10-34] de geest[^romeinen-8-10-35] is leven[^romeinen-8-10-36] om de gerechtigheid wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v10)

**11** En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont,[^romeinen-8-11-f] zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen[^romeinen-8-11-37] levend maken,[^romeinen-8-11-38] door Zijn Geest, Die in u woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v11)

**12** Zo dan, broeders, wij zijn[^romeinen-8-12-39] schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v12)

**13** Want als u naar het vlees leeft,[^romeinen-8-13-40] zo zult u sterven; maar als u[^romeinen-8-13-41] door de Geest[^romeinen-8-13-42] de werkingen van het[^romeinen-8-13-43] lichaam doodt, zo zult u leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v13)

**14** [^romeinen-8-14-g] Want zovelen als er door de Geest van God[^romeinen-8-14-44] geleid worden,[^romeinen-8-14-45] die zijn kinderen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v14)

**15** [^romeinen-8-15-h] Want u hebt niet ontvangen[^romeinen-8-15-46] de geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vrees;[^romeinen-8-15-i] maar u hebt ontvangen[^romeinen-8-15-47] de geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen:[^romeinen-8-15-48] Abba, Vader! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v15)

**16** [^romeinen-8-16-k] Dezelfde Geest[^romeinen-8-16-49] getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v16)

**17** En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen[^romeinen-8-17-50] van God, en[^romeinen-8-17-51] mee-erfgenamen van[^romeinen-8-17-l] Christus; zo wij anders[^romeinen-8-17-52] met Hem lijden, opdat wij ook[^romeinen-8-17-53] met Hem verheerlijkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v17)

**18** [^romeinen-8-18-m] Want ik houd het daarvoor, dat het lijden[^romeinen-8-18-54] van deze tegenwoordige tijd[^romeinen-8-18-55] niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v18)

**19** [^romeinen-8-19-56] Want[^romeinen-8-19-57] het schepsel, als met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring van de kinderen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v19)

**20** Want het schepsel is van de zinloosheid onderworpen,[^romeinen-8-20-58] niet gewillig, maar[^romeinen-8-20-59] om wie wil, die het van de zinloosheid onderworpen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v20)

**21** [^romeinen-8-21-60] Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid van de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v21)

**22** Want wij weten, dat het hele schepsel samen zucht, en samen als in barensnood is tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v22)

**23** En niet alleen dit, maar ook wij zelf,[^romeinen-8-23-61] die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik,[^romeinen-8-23-62] zuchten in onszelf, verwachtende[^romeinen-8-23-63] de aanneming tot kinderen,[^romeinen-8-23-64][^romeinen-8-23-n] namelijk de verlossing van ons lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v23)

**24** Want wij zijn in hoop zalig geworden. De hoop nu,[^romeinen-8-24-65] die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet,[^romeinen-8-24-66] waarom zal hij het ook hopen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v24)

**25** Maar als wij hopen, wat wij[^romeinen-8-25-67] niet zien, zo verwachten wij het met volharding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v25)

**26** En evenzo[^romeinen-8-26-68] komt ook de Geest[^romeinen-8-26-69] onze zwakheden mee te hulp;[^romeinen-8-26-o] want[^romeinen-8-26-70] wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort, maar de Geest Zelf[^romeinen-8-26-71] bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v26)

**27** En[^romeinen-8-27-72] Die de harten doorzoekt, weet, welke[^romeinen-8-27-73] de mening van de Geest zij, omdat Hij[^romeinen-8-27-74] naar God voor de heiligen bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v27)

**28** [^romeinen-8-28-75] En wij weten, dat degenen, die God liefhebben,[^romeinen-8-28-76] alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die[^romeinen-8-28-77] naar Zijn voornemen[^romeinen-8-28-78] geroepen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v28)

**29** Want die Hij[^romeinen-8-29-79] te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren bestemd,[^romeinen-8-29-80] het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij[^romeinen-8-29-p] de Eerstgeborene zij onder vele broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v29)

**30** En die Hij te voren bestemd heeft, deze heeft Hij ook[^romeinen-8-30-81] geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook[^romeinen-8-30-82] gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook[^romeinen-8-30-83] verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v30)

**31** [^romeinen-8-31-84] Wat zullen wij dan[^romeinen-8-31-85] tot deze dingen zeggen?[^romeinen-8-31-q] Zo God[^romeinen-8-31-86] voor ons is, wie zal[^romeinen-8-31-87] tegen ons zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v31)

**32** Die ook[^romeinen-8-32-r] Zijn eigen Zoon[^romeinen-8-32-88] niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor[^romeinen-8-32-89] ons allen[^romeinen-8-32-90] overgegeven, hoe zal Hij ons ook[^romeinen-8-32-91] met Hem niet[^romeinen-8-32-92] alle dingen[^romeinen-8-32-93] schenken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v32)

**33** Wie zal[^romeinen-8-33-94] beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God?[^romeinen-8-33-s] God is het, Die[^romeinen-8-33-95] rechtvaardig maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v33)

**34** Wie is[^romeinen-8-34-96] het, die verdoemt? Christus is[^romeinen-8-34-97] het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook[^romeinen-8-34-98] opgewekt is, Die ook[^romeinen-8-34-99] aan de rechterhand van God is,[^romeinen-8-34-100][^romeinen-8-34-t] Die ook voor ons bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v34)

**35** [^romeinen-8-35-1] Wie zal ons scheiden[^romeinen-8-35-2] van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v35)

**36** (Zoals geschreven is:[^romeinen-8-36-v] Want om Uwentwil worden wij[^romeinen-8-36-3] de hele dag[^romeinen-8-36-4] gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v36)

**37** Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door[^romeinen-8-37-5] Hem, Die ons liefgehad heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v37)

**38** Want[^romeinen-8-38-6] ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch[^romeinen-8-38-7] engelen,[^romeinen-8-38-8] noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v38)

**39** Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van[^romeinen-8-39-9] de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/8.html#v39)

[^romeinen-8-1-1]: Kanttekening 1: Dit woordje 'dus' slaat op wat de apostel tot hier toe in deze brief heeft geleerd, namelijk dat de mens niet door de wet maar door het geloof in Christus rechtvaardig is, en dat hij door de Geest van Christus van de heerschappij van de zonde is verlost, al is er nog strijd in hem over.
[^romeinen-8-1-2]: Kanttekening 2: Gr. katakrima (κατάκριμα), veroordeling. Hij zegt niet: niets verdoemelijks, want de zonde is in zichzelf altijd verdoemelijk (Rom. 3:19). Maar ze leidt de gelovigen niet tot veroordeling, omdat de zonde hun om Christus' wil wordt vergeven. Daarom voegt hij erbij: voor hen die in Christus Jezus zijn, dat wil zeggen: die door het ware geloof met Hem verenigd zijn. Ef. 3:17.
[^romeinen-8-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die de begeerten van het vlees niet volgen of daarnaar niet leven. Dit stelt de apostel als een kenmerk van hen die door het geloof werkelijk met Christus zijn verenigd en daarom van alle veroordeling zijn verlost. Joh. 15:2, 3.
[^romeinen-8-2-a]: Verwijzing a: Joh. 8:36, Rom. 6:18, 22, Gal. 5:1.
[^romeinen-8-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de levendmakende Geest die in Christus Jezus is.
[^romeinen-8-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de kracht van de zonde die eerder in ons heeft geheerst. Dit is een krachtig bewijs van het laatste deel van vers 1, dat de gelovigen niet naar het vlees maar naar de Geest wandelen.
[^romeinen-8-3-6]: Kanttekening 6: In deze twee verzen bewijst hij het eerste deel van vers 1, namelijk dat er geen veroordeling is voor de gelovigen.
[^romeinen-8-3-b]: Verwijzing b: Hand. 13:39, Rom. 3:28, Gal. 2:16, Hebr. 7:18.
[^romeinen-8-3-7]: Kanttekening 7: Gr. to adynaton tou nomou (τὸ ἀδύνατον τοῦ νόμου), het onmogelijke van de wet. Dat wil zeggen: omdat het de wet onmogelijk was de zonde te vernietigen of de mens voor God te rechtvaardigen.
[^romeinen-8-3-8]: Kanttekening 8: Of: onmachtig. Namelijk door de verdorvenheid van onze natuur, om ons te rechtvaardigen en het leven te geven.
[^romeinen-8-3-9]: Kanttekening 9: Christus' mensheid was een ware menselijke natuur, maar geen zondige natuur; ze had alleen de gelijkenis van een zondige natuur, omdat Hij al onze zwakheden heeft gedragen waarmee we door de zonde waren beladen. Fil. 2:7.
[^romeinen-8-3-10]: Kanttekening 10: Gr. tēs hamartias (τῆς ἁμαρτίας), van de zonde. Dat wil zeggen: van het vlees van de zonde.
[^romeinen-8-3-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: als een offer voor de zonde. Hebr. 10:6. Of: tot verzoening en vernietiging van de zonde. Rom. 4:25, 1 Kor. 15:3.
[^romeinen-8-3-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 5:21, Gal. 3:13.
[^romeinen-8-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: gestraft, gedood en beroofd van de kracht om te beschuldigen.
[^romeinen-8-3-13]: Kanttekening 13: Namelijk van Christus; dat wil zeggen: door het offer van Christus die in het vlees voor ons heeft geleden.
[^romeinen-8-4-14]: Kanttekening 14: Gr. dikaiōma (δικαίωμα), rechtseis. Dat wil zeggen: wat de wet eiste, die het leven beloofde aan degenen die haar volledig onderhielden — welke eis Christus voor ons heeft vervuld. Gal. 3:13, 14 en 4:4, 5.
[^romeinen-8-4-15]: Kanttekening 15: Dit herhaalt de apostel uit vers 1, niet als een oorzaak van de rechtvaardiging — wat hij zelf van Abraham en David heeft ontkend in hoofdstuk 4 — maar als een kenmerk waaraan de gelovigen de werkelijkheid van hun geloof en hun rechtvaardiging kunnen kennen en zeker zijn.
[^romeinen-8-5-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 2:14.
[^romeinen-8-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: in wie de natuurlijke verdorvenheid nog haar volle kracht heeft.
[^romeinen-8-5-17]: Kanttekening 17: Gr. phroneō (φρονέω), bedenken, bezinnen. Dat wil zeggen: met hun verstand en met al hun zinnen streven naar vleselijke dingen, waarvan de vruchten uitvoerig worden beschreven in Gal. 5:19-21.
[^romeinen-8-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die door de Geest van God zijn wedergeboren.
[^romeinen-8-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: zij begeven zich aan en streven naar geestelijke dingen, die door de apostel ook uitvoerig worden beschreven in Gal. 5:22.
[^romeinen-8-6-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: leidt de mens tot de dood.
[^romeinen-8-6-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: is de weg tot het eeuwige leven en tot de eeuwige vrede. Rom. 2:10.
[^romeinen-8-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: vijandig gezind tegen God; niet dat de vleselijke mens altijd van plan is God als vijand te haten, maar omdat wat hem behaagt God vijandig en hatelijk is, en hij daardoor zichzelf hatelijk maakt voor God. Deut. 5:9, Rom. 1:30.
[^romeinen-8-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk zichzelf aan Gods wet onderwerpen en die van harte gehoorzamen — vanwege de verdorvenheid en verkeerdheid die daarin is. 1 Joh. 2:15, 16.
[^romeinen-8-8-24]: Kanttekening 24: Namelijk zolang ze door Christus' Geest niet daaruit zijn verlost.
[^romeinen-8-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk u die in Christus gelooft; want hij schrijft eigenlijk aan hen. Rom. 1:7.
[^romeinen-8-9-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: naar het vlees, zoals vers 5 uitlegt.
[^romeinen-8-9-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: naar de Geest. Vers 5.
[^romeinen-8-9-28]: Kanttekening 28: Of: aangezien, omdat. Zo ook in vers 17.
[^romeinen-8-9-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 3:16.
[^romeinen-8-9-29]: Kanttekening 29: Namelijk door zijn genadige werkingen, zoals verlichting van het verstand, versterking van het geloof, zekerheid van de zaligheid, opwekking tot het gebed, beweging tot geestelijke begeerten, troost in kruis en aanvechting.
[^romeinen-8-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: dezelfde Geest die in het vorige vers de Geest van God, namelijk de Vader, wordt genoemd, wordt hier ook de Geest van Christus genoemd, omdat Hij ook van Christus voortkomt en ons door Christus is verworven. Joh. 14:26 en 16:7, Gal. 4:6.
[^romeinen-8-9-31]: Kanttekening 31: Namelijk als een echt lid van zijn lichaam, dat alleen door deze Geest leeft en zijn geestelijke beweging heeft.
[^romeinen-8-10-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: nog sterfelijk of aan de lichamelijke dood onderworpen, zoals vers 11 uitlegt.
[^romeinen-8-10-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: vanwege de overblijfselen van de zonde die nog in u zijn. 1 Kor. 15:56.
[^romeinen-8-10-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: uw ziel die door Gods Geest is vernieuwd, zoals blijkt uit de tegenstelling met het lichaam.
[^romeinen-8-10-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: deelt in het eeuwige leven en zal altijd bij God zijn in heerlijkheid, al moet het lichaam voor een tijd worden afgelegd. 2 Kor. 5:1, 8.
[^romeinen-8-10-36]: Kanttekening 36: Namelijk waardoor u gerechtvaardigd bent en waarop ook de heiligmaking volgt die Christus hier in ons begint en hierna in ons zal voltooien.
[^romeinen-8-11-f]: Verwijzing f: Rom. 6:4, 5, 1 Kor. 6:14, 2 Kor. 4:14, Ef. 2:5, Kol. 2:13.
[^romeinen-8-11-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: weer opwekken tot een eeuwig leven, waar geen zonde of dood meer zal zijn.
[^romeinen-8-11-38]: Kanttekening 38: Want zoals de Vader de doden opwekt, zo wekt ook de Zoon de doden op (Joh. 5:21), en hier ook de Heilige Geest als dezelfde God met hen en van dezelfde kracht.
[^romeinen-8-12-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: gehouden en verplicht door de weldaden die we al hebben ontvangen en nog verwachten.
[^romeinen-8-13-40]: Kanttekening 40: Namelijk de eeuwige dood, zoals blijkt uit het leven dat hier wordt beloofd. Dit zegt de apostel niet om de gelovigen aan hun zaligheid te laten twijfelen, maar om hen des te meer te wapenen tegen het vlees.
[^romeinen-8-13-41]: Kanttekening 41: Namelijk die in u woont en u al kracht daartoe heeft gegeven, als u maar door gebeden en andere oefeningen van de godsvrucht die behoorlijk opwekt. 1 Kor. 15:10, 2 Tim. 1:6.
[^romeinen-8-13-42]: Kanttekening 42: Gr. praxeis (πράξεις), daden, handelingen. Dat wil zeggen: de begeerten en bewegingen van de zonde die nog in u over zijn.
[^romeinen-8-13-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: weerstaat het, onderwerpt het, zodat het in u niet leeft of heerst.
[^romeinen-8-14-g]: Verwijzing g: Gal. 5:18.
[^romeinen-8-14-44]: Kanttekening 44: Gr. agontai (ἄγονται), geleid worden. Dat wil zeggen: in hun verstand verlicht en in hun wil en genegenheden geregeerd en gestuurd worden om te doen wat God behaagt.
[^romeinen-8-14-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die hebben de zekere kenmerken dat ze door God door het geloof in Christus als kinderen zijn aangenomen. Joh. 1:12, Ef. 1:13.
[^romeinen-8-15-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 2:12, 2 Tim. 1:7.
[^romeinen-8-15-46]: Kanttekening 46: Zo noemt hij de werking van Gods Geest door de wet, die de harten van de mensen door de dreigingen tegen de overtreders versloeg en bang maakte.
[^romeinen-8-15-i]: Verwijzing i: Jes. 56:5, Gal. 3:26 en 4:5, 6.
[^romeinen-8-15-47]: Kanttekening 47: Gr. pneuma huiothesias (πνεῦμα υἱοθεσίας), geest van aanneming tot kinderen. Hieronder wordt verstaan de genadige werking van de Heilige Geest door de prediking van het heilige evangelie, die de harten van de gelovigen verkwikt en hen van hun aanneming tot kinderen verzekert. Zie Gal. 4:6, Ef. 4:30.
[^romeinen-8-15-48]: Kanttekening 48: Gr. abba (Ἀββά), Aramees voor 'vader'. Dat wil zeggen: we durven Hem vrijmoedig aanroepen als onze Vader. Zo heeft ook Christus deze verdubbeling van het woord 'Vader' in zijn grootste benauwdheid gebruikt. Mark. 14:36. En aan het kruis de verdubbeling 'Mijn God, mijn God'. Mark. 15:34. Zie ook vers 26.
[^romeinen-8-16-k]: Verwijzing k: 2 Kor. 1:22 en 5:5, Ef. 1:13 en 4:30.
[^romeinen-8-16-49]: Kanttekening 49: Gr. symmartyrei (συμμαρτυρεῖ), getuigt mee. Dat wil zeggen: de Heilige Geest beweegt ons niet alleen om God als onze Vader aan te roepen, maar getuigt ook inwendig tot onze geest dat we Gods kinderen zijn.
[^romeinen-8-17-50]: Kanttekening 50: Namelijk als van onze Vader, die ons met Hem deel geeft aan zijn hemelse goederen.
[^romeinen-8-17-51]: Kanttekening 51: Namelijk als van onze eerstgeboren broeder, aan wie die van nature toekomen, en die ons daarvan deelgenoot maakt uit genade. Zie vers 29, Luk. 22:29, Hebr. 1:2.
[^romeinen-8-17-l]: Verwijzing l: 2 Tim. 2:11, 12.
[^romeinen-8-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: bereid zijn te lijden en daarin geduldig zijn als God het belieft ons daartoe te roepen. Hand. 5:41, 2 Tim. 2:12.
[^romeinen-8-17-53]: Kanttekening 53: Namelijk met Christus. Fil. 3:20, 21.
[^romeinen-8-18-m]: Verwijzing m: Matt. 5:12, 2 Kor. 4:10, 17, Fil. 3:20, 1 Petr. 4:13, 1 Joh. 3:1, 2.
[^romeinen-8-18-54]: Kanttekening 54: Gr. tou nyn kairou (τοῦ νῦν καιροῦ), van de tijd van nu.
[^romeinen-8-18-55]: Kanttekening 55: Gr. ouk axia (οὐκ ἄξια), niet waard, niet gelijkwaardig. Dat wil zeggen: geen gelijkheid in waarde heeft met de heerlijkheid. 2 Kor. 4:17. Dit is de eerste reden om ons tot geduld te bewegen.
[^romeinen-8-19-56]: Kanttekening 56: Gr. apokaradokia (ἀποκαραδοκία), het verlangen of afwachten met opgeheven hoofd. Zie ook Fil. 1:20.
[^romeinen-8-19-57]: Kanttekening 57: Gr. ktisis (κτίσις), schepping. Namelijk van hemel en aarde, die nu in strijd met Gods oorspronkelijke ordening aan de ijdelheid is onderworpen. Dit is de tweede reden om de gelovigen tot geduld te bewegen.
[^romeinen-8-20-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: niet uit zichzelf of naar de orde die God bij de schepping heeft gesteld. Want geen schepsel zoekt zijn eigen verderf. Zie ook vers 38, 39.
[^romeinen-8-20-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: vanwege de zonde van de mens, waardoor ook naar Gods rechtvaardig oordeel de vloek over de aarde is gekomen (Gen. 3:17) en over alle andere schepselen.
[^romeinen-8-21-60]: Kanttekening 60: Gr. elpis (ἐλπίς), hoop. Want hoop is een geduldig verwachten. God heeft deze algemene verlossing van de schepping van verderf en misbruik beloofd.
[^romeinen-8-23-61]: Kanttekening 61: Zo noemt hij de wedergeborenen, omdat ze de eerste gaven van de Heilige Geest hebben ontvangen en verwachten dat de overige gaven die ons zijn beloofd, zullen volgen.
[^romeinen-8-23-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: in het binnenste van onze harten. Zie Rom. 7:24.
[^romeinen-8-23-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: de volledige bezitting van de erfenis die ons bij deze aanneming is beloofd.
[^romeinen-8-23-64]: Kanttekening 64: Gr. apolytrōsis (ἀπολύτρωσις), verlossing. Namelijk van het verderf en de ijdelheid. 1 Kor. 15:43, 44. Dit is de derde reden van onze troost.
[^romeinen-8-23-n]: Verwijzing n: Luk. 21:28.
[^romeinen-8-24-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: waarbij de gehoopte zaak aanwezig is of al wordt bezeten.
[^romeinen-8-24-66]: Kanttekening 66: Gr. ti kai elpizei (τί καὶ ἐλπίζει), waarom hoopt hij het ook?
[^romeinen-8-25-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: nog niet ten volle bezitten, hoewel het ons door God is beloofd en te zijner tijd zal volgen.
[^romeinen-8-26-68]: Kanttekening 68: Gr. synantilambanetai (συναντιλαμβάνεται), mee te hulp komen. Dit woord drukt een hulp uit waarbij iemand die sterk is een last samen opneemt met een ander die te zwak is.
[^romeinen-8-26-69]: Kanttekening 69: Namelijk die we in kruis en lijden nog zijn onderworpen, zowel in onze geest als in ons lichaam dat broos en zwak is.
[^romeinen-8-26-o]: Verwijzing o: Matt. 20:22, Jak. 4:3.
[^romeinen-8-26-70]: Kanttekening 70: Namelijk van onszelf, als we in benauwdheid zijn en geen toevlucht kunnen nemen dan tot God door het gebed.
[^romeinen-8-26-71]: Kanttekening 71: Gr. hyperentynchanei (ὑπερεντυγχάνει), voor iemand bidden. Dit woord wordt van Christus gebruikt in vers 34. Hier betekent het dat de Heilige Geest ons tot bidden met onuitsprekelijk zuchten opwekt.
[^romeinen-8-27-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: God, die alleen de harten van de mensen kent. 1 Kon. 8:39, Openb. 2:23.
[^romeinen-8-27-73]: Kanttekening 73: Gr. phronēma (φρόνημα), bedoeling, overweging. Namelijk van het gebed dat de Geest in ons werkt.
[^romeinen-8-27-74]: Kanttekening 74: Gr. kata Theon (κατὰ Θεόν), naar God, dat wil zeggen: naar Gods wil. Dit is het vierde fundament van onze troost.
[^romeinen-8-28-75]: Kanttekening 75: Hier begint de laatste reden van troost, die de gelovigen in al hun moeilijkheden stellen tegenover alle aanvechtingen en vervolgingen, ontleend aan Gods eeuwige raad.
[^romeinen-8-28-76]: Kanttekening 76: Gr. panta synergei (πάντα συνεργεῖ), alle dingen werken mee. Dat wil zeggen: alle moeilijkheden en vervolgingen waarover hij tot nu toe heeft gesproken.
[^romeinen-8-28-77]: Kanttekening 77: Gr. prothesis (πρόθεσις), voornemen. Namelijk dat Hij in Zichzelf heeft voorgenomen om mensen uit genade door Christus zalig te maken. Zie Ef. 1:9, 11.
[^romeinen-8-28-78]: Kanttekening 78: Namelijk tot het ware geloof dat door de liefde krachtig is, niet alleen door een uitwendige maar ook door een inwendige en krachtige roeping, waarop de gehoorzaamheid zeker volgt. Joh. 6:44, 65, 1 Kor. 1:24, 26.
[^romeinen-8-29-79]: Kanttekening 79: Gr. proginōskō (προγινώσκω), tevoren kennen. Namelijk als de zijnen, zoals Joh. 10:14, 27.
[^romeinen-8-29-80]: Kanttekening 80: Gr. symmorphos (σύμμορφος), gelijkvormig. Namelijk niet alleen in het lijden, maar ook en in het bijzonder in de heiligmaking en verheerlijking die daarna zal volgen.
[^romeinen-8-29-p]: Verwijzing p: Kol. 1:18.
[^romeinen-8-30-81]: Kanttekening 81: Namelijk tot het geloof en de gehoorzaamheid van het geloof door een krachtige roeping. Vers 28.
[^romeinen-8-30-82]: Kanttekening 82: Namelijk voor Hem, door het geloof, zoals dit woord in deze hele brief wordt genomen. Want deze rechtvaardiging is de naaste stap tot de verheerlijking.
[^romeinen-8-30-83]: Kanttekening 83: Namelijk hier, in de beginselen door de heiligmaking en aanneming tot kinderen, en hierna door de volle bezitting van die heerlijkheid. Vers 17, 21 en 2 Kor. 3:18.
[^romeinen-8-31-84]: Kanttekening 84: Hier besluit de apostel de behandeling van de voorgaande leer van deze brief, met een heilige roem in Christus tegenover alle beschuldigingen en vervolgingen.
[^romeinen-8-31-85]: Kanttekening 85: Namelijk die tot zover geleerd en uitgelegd zijn.
[^romeinen-8-31-q]: Verwijzing q: Num. 14:18.
[^romeinen-8-31-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: met ons door Christus verzoend is, ons heeft gekozen, geroepen, gerechtvaardigd en ons zal verheerlijken. Vers 29, 30.
[^romeinen-8-31-87]: Kanttekening 87: Namelijk die ons zou kunnen beschuldigen of beschadigen. Ps. 56:12 en 118:6.
[^romeinen-8-32-r]: Verwijzing r: Gen. 22:12, Jes. 53:5, Joh. 3:16.
[^romeinen-8-32-88]: Kanttekening 88: Namelijk en daarmee als een onweerlegbaar getuigenis heeft getoond dat Hij met ons is. Rom. 5:8.
[^romeinen-8-32-89]: Kanttekening 89: Namelijk die in Hem geloven, die Hem liefhebben en naar zijn voornemen zijn geroepen.
[^romeinen-8-32-90]: Kanttekening 90: Namelijk in de dood. Rom. 4:25.
[^romeinen-8-32-91]: Kanttekening 91: Namelijk Christus Jezus, die de allerkostbaarste gave is, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn (Kol. 2:3), zodat wie Hem heeft, alles heeft wat tot zaligheid nodig is.
[^romeinen-8-32-92]: Kanttekening 92: Dat wil zeggen: alles wat ons tot onze eeuwige zaligheid nodig is.
[^romeinen-8-32-93]: Kanttekening 93: Gr. charizomai (χαρίζομαι), schenken uit genade. Dit wordt gesteld tegenover alle verdiensten van de mensen.
[^romeinen-8-33-94]: Kanttekening 94: Gr. egkaleō (ἐγκαλέω), beschuldigen. Namelijk van zonde of schuld van zonde. Want daarmee zouden we door de wet (Joh. 5:45), door ons eigen geweten (Rom. 2:15) of door de satan (Openb. 12:10) voor God kunnen worden beschuldigd.
[^romeinen-8-33-s]: Verwijzing s: Jes. 50:8.
[^romeinen-8-33-95]: Kanttekening 95: Dat wil zeggen: die ons van zonde en straf van zonde vrijspreekt.
[^romeinen-8-34-96]: Kanttekening 96: Gr. katakrinō (κατακρίνω), veroordelen. Dat wil zeggen: die de vloek en straf van de zonde tegen ons zou uitvoeren.
[^romeinen-8-34-97]: Kanttekening 97: Namelijk om ons van de vloek en straf van de zonde te bevrijden. Gal. 3:13.
[^romeinen-8-34-98]: Kanttekening 98: Namelijk om ons de gerechtigheid toe te brengen. Rom. 4:25.
[^romeinen-8-34-99]: Kanttekening 99: Namelijk om ons van alle vijanden te verlossen en de Heilige Geest tot zekerheid daarvan te geven. Joh. 16:7, Hand. 2:33.
[^romeinen-8-34-100]: Kanttekening 100: Gr. entynchanō (ἐντυγχάνω), voorbidden. Namelijk om ons zijn gerechtigheid door zijn voorbede toe te eigenen. Joh. 17:20. In deze vier zaken bestaat onze gehele verzoening met God.
[^romeinen-8-34-t]: Verwijzing t: Hebr. 7:25.
[^romeinen-8-35-1]: Kanttekening 1: De voorgaande roem was gericht tegen de zonde en de straf van de zonde; deze is gericht tegen het geweld van de vervolgingen en verdrukkingen van de wereld.
[^romeinen-8-35-2]: Kanttekening 2: Gr. agapē tou Christou (ἀγάπη τοῦ Χριστοῦ), liefde van Christus. Namelijk waarmee Hij ons liefheeft, zoals vers 37 en 39.
[^romeinen-8-36-v]: Verwijzing v: Ps. 44:23, 1 Kor. 4:9, 2 Kor. 4:11.
[^romeinen-8-36-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: voortdurend, zonder ophouden.
[^romeinen-8-36-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: ter dood toe vervolgd, of nu de één, dan de ander omgebracht.
[^romeinen-8-37-5]: Kanttekening 5: Namelijk Christus, of God in Christus. Want beide worden hier uitgedrukt: het ene in vers 35 en het andere in vers 39.
[^romeinen-8-38-6]: Kanttekening 6: Gr. pepeismai (πέπεισμαι), ik ben overtuigd, ik ben verzekerd. Namelijk door de belofte van het heilige evangelie aan alle gelovigen (Joh. 5:24) en door het getuigenis van de Heilige Geest in het hart (vers 16).
[^romeinen-8-38-7]: Kanttekening 7: Namelijk boze engelen; want de goede proberen ons niet van Christus te scheiden. Vgl. Gal. 1:8, 9.
[^romeinen-8-38-8]: Kanttekening 8: Gr. archai (ἀρχαί), overheden. Sommigen nemen dit ook als namen van engelen (Kol. 1:16), hoewel het hier ook kan worden verstaan van tyrannen en machthebbers van deze wereld.
[^romeinen-8-39-9]: Kanttekening 9: Namelijk waarmee Hij ons liefheeft, als we door het geloof met Christus zijn verenigd. Zoals vers 35.

### Romeinen 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/9.json)

*De apostel betuigt zijn uitmuntende verdriet over de hardnekkigheid van de Joden tegen Christus en zijn voorgaande leer. 4 En verhaalt de voordelen die God hun in het Oude Testament boven andere volken gegeven heeft. 6 Bewijst dat Gods beloften toch niet krachteloos zijn, aangezien die niet de kin deren van het vlees maar de kin deren van de belofte, dat is de uitverkorenen, eigenlijk gedaan zijn; en dat eerst met het voorbeeld van Ismaël en Izak. 10 Daarna met het voorbeeld van Ezau en Jakob. 14 Verklaart dat God in het verkiezen van de ene en verwerpen van de andere altijd rechtvaardig is, door het voorbeeld van Mozes en Farao. 19 Beantwoordt enige tegenwerpingen van het vlees, en toont dat God de macht heeft om zo te handelen, met de gelijkenis van een pottenbakker. 24 Hij verklaart verder dat deze uitverkorenen ook daadwerkelijk door God geroepen worden, zowel uit de Joden als vooral uit de heidenen. 25 Wat hij bewijst met verschillende getuigenisn van de profeten. 30 Besluit ten slotte met een verklaring van de directe oorzaak waarom de heidenen de gerechtigheid door de Messias verkregen hebben en het merendeel van de Joden daarvan vervreemd is.*

**1** [^romeinen-9-1-a] Ik zeg de waarheid[^romeinen-9-1-1] in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee[^romeinen-9-1-2] getuigenis gevende[^romeinen-9-1-3] door de Heilige Geest), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v1)

**2** Dat het mij[^romeinen-9-2-4] een grote verdriet, en mijn hart een voortdurende smart is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v2)

**3** [^romeinen-9-3-b] Want[^romeinen-9-3-5] ik zou zelf wel[^romeinen-9-3-6] wensen verbannen te zijn[^romeinen-9-3-7] van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn[^romeinen-9-3-8] naar het vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v3)

**4** [^romeinen-9-4-9][^romeinen-9-4-c] Die[^romeinen-9-4-10] Israëlieten zijn, van wie is[^romeinen-9-4-11] de aanneming tot kinderen, en[^romeinen-9-4-12] de heerlijkheid,[^romeinen-9-4-d] en[^romeinen-9-4-13] de verbonden, en[^romeinen-9-4-14] de wetgeving, en[^romeinen-9-4-15] de dienst van God, en[^romeinen-9-4-16] de beloftenissen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v4)

**5** [^romeinen-9-5-17] Van wie de vaders zijn, en[^romeinen-9-5-18] uit wie Christus is,[^romeinen-9-5-19] zoveel het vlees betreft,[^romeinen-9-5-e] Die is God[^romeinen-9-5-20] boven allen[^romeinen-9-5-21] te prijzen in de eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v5)

**6** [^romeinen-9-6-22] Maar ik zeg dit niet,[^romeinen-9-6-f] alsof[^romeinen-9-6-24] het woord van God was[^romeinen-9-6-25] uitgevallen;[^romeinen-9-6-g] want[^romeinen-9-6-26] die zijn niet allen Israël,[^romeinen-9-6-27] die uit Israël zijn.[^romeinen-9-6-23] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v6)

**7** [^romeinen-9-7-h] Noch omdat zij[^romeinen-9-7-28] Abrahams zaad zijn, zijn zij alle[^romeinen-9-7-29] kinderen;[^romeinen-9-7-i] maar: In Izaak zal u[^romeinen-9-7-30] het zaad genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v7)

**8** Dat is, niet[^romeinen-9-8-31] de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God;[^romeinen-9-8-k] maar[^romeinen-9-8-32] de kinderen van de[^romeinen-9-8-33] beloftenis worden voor het zaad gerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v8)

**9** Want dit is het woord van de[^romeinen-9-9-34][^romeinen-9-9-l] beloftenis: Ongeveer deze tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v9)

**10** [^romeinen-9-10-35] En niet alleen deze,[^romeinen-9-10-m] maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit één zwanger was, namelijk Izaak, onze vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v10)

**11** Want als[^romeinen-9-11-36] de kinderen nog niet geboren waren,[^romeinen-9-11-37] noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat[^romeinen-9-11-38] het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar[^romeinen-9-11-39] uit de Roepende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v11)

**12** Zo werd tot haar gezegd:[^romeinen-9-12-40][^romeinen-9-12-n] De meerdere zal de[^romeinen-9-12-41] mindere dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v12)

**13** Zoals geschreven is:[^romeinen-9-13-o] Jakob[^romeinen-9-13-42] heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v13)

**14** Wat zullen wij dan zeggen?[^romeinen-9-14-43][^romeinen-9-14-p] Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v14)

**15** Want Hij zegt tot Mozes:[^romeinen-9-15-44][^romeinen-9-15-q] Ik zal Mij ontfermen,[^romeinen-9-15-45] wie Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, die Ik barmhartig ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v15)

**16** Zo is het dan niet[^romeinen-9-16-46] degene, die wil, noch degene, die loopt, maar[^romeinen-9-16-47] van God die zich ontfermt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v16)

**17** Want de Schrift zegt[^romeinen-9-17-48] tot Farao:[^romeinen-9-17-r] Tot ditzelve heb Ik u[^romeinen-9-17-49] verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd wordt op de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v17)

**18** Zo ontfermt Hij Zich dan, wie Hij wil, en[^romeinen-9-18-50] verhardt, die Hij[^romeinen-9-18-51] wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v18)

**19** U zult dan tot mij zeggen:[^romeinen-9-19-52] Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v19)

**20** Maar toch,[^romeinen-9-20-53] o mens, wie bent u, die[^romeinen-9-20-54] tegen God antwoordt?[^romeinen-9-20-s] Zal ook[^romeinen-9-20-55] het maaksel tot degenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v20)

**21** [^romeinen-9-21-56] Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om[^romeinen-9-21-57] uit dezelfde klomp te maken,[^romeinen-9-21-t] het ene voorwerp[^romeinen-9-21-58] ter ere, en het andere[^romeinen-9-21-59] ter onere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v21)

**22** [^romeinen-9-22-60] En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele geduld verdragen heeft[^romeinen-9-22-61] de voorwerpen van de[^romeinen-9-22-62] toorn, tot het verderf toebereid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v22)

**23** En[^romeinen-9-23-63] opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over[^romeinen-9-23-64] de voorwerpen van de barmhartigheid, die Hij[^romeinen-9-23-65] te voren bereid heeft tot heerlijkheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v23)

**24** [^romeinen-9-24-66] Die Hij ook[^romeinen-9-24-67] geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v24)

**25** Zoals Hij ook in Hosea[^romeinen-9-25-v] zegt: Ik[^romeinen-9-25-68] zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet geliefd was, Mijn geliefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v25)

**26** En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was:[^romeinen-9-26-x] U bent Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v26)

**27** [^romeinen-9-27-69] En Jesaja roept over Israël:[^romeinen-9-27-y] Al was het getal van de Israëlieten zoals het zand van de zee, zo zal[^romeinen-9-27-70] het overblijfsel[^romeinen-9-27-71] behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v27)

**28** Want Hij voltooit[^romeinen-9-28-72] een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v28)

**29** En zoals Jesaja te voren gezegd heeft:[^romeinen-9-29-z] Als de Heere Zebaoth ons[^romeinen-9-29-73] geen zaad had[^romeinen-9-29-74] overgelaten, zo waren wij[^romeinen-9-29-a] als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v29)

**30** [^romeinen-9-30-75] Wat zullen wij dan zeggen? Dat[^romeinen-9-30-76] de heidenen, die de rechtvaardigheid[^romeinen-9-30-77] niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, maar de rechtvaardigheid,[^romeinen-9-30-78] die uit het geloof is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v30)

**31** Maar Israël,[^romeinen-9-31-b] die[^romeinen-9-31-79] de wet van de rechtvaardigheid zocht, is[^romeinen-9-31-80] tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v31)

**32** Waarom? Omdat zij die zochten niet[^romeinen-9-32-81] uit het geloof, maar als uit de werken van[^romeinen-9-32-82] de wet, want zij hebben zich gestoten[^romeinen-9-32-83] aan de steen van de aanstoot; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v32)

**33** [^romeinen-9-33-84] Zoals geschreven is:[^romeinen-9-33-c] Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots van de[^romeinen-9-33-d] aanstoot; en een ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/9.html#v33)

[^romeinen-9-1-a]: Verwijzing a: Romeinen 1:9. 2 Korintiërs 1:23 en 11:31. Galaten 1:20. Filippenzen 1:8. 1 Tessalonicenzen 2:5 en 5:27.
[^romeinen-9-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: bij Christus, zoals het woord 'in' wordt gebruikt in Matteüs 5, vers 34, 35, 36. En dit is een manier van zweren die de Schrift bij gewichtige zaken vaker gebruikt. Of: zoals het iemand betaamt die in Christus is, dat wil zeggen: die een lid van Christus is. Zie Genesis 22:16. 2 Korintiërs 12:2.
[^romeinen-9-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk dat ik zo in mijn hart voel als ik spreek of schrijf. 2 Korintiërs 1:12.
[^romeinen-9-1-3]: Kanttekening 3: Dit voegt de apostel erbij om te bewijzen dat wat hij hier zal zeggen niet voortkomt uit enige overhaaste onbezonnenheid of vleselijke beweging, maar uit een ernstig gemoed dat door de Heilige Geest wordt bewogen.
[^romeinen-9-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk dat ik zie dat het volk van de Joden zo vele openbare tekenen geeft van het verachten, verwerpen en vervolgen van de evangelische leer, dat ze door God en Christus zijn verworpen, zoals uit het volgende vers blijkt.
[^romeinen-9-3-b]: Verwijzing b: Exodus 32:32. Romeinen 10:1.
[^romeinen-9-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk als het mogelijk was of Gods wil was, zoals Christus bij een dergelijke onmogelijke bede deze conditie eraan toevoegt in Matteüs 26:39.
[^romeinen-9-3-6]: Kanttekening 6: Grieks: ἀνάθεμα (anathema). Sommigen verstaan dit als: ik zou wel verbannen of van Christus gescheiden willen worden. Anderen als: ik zou wel willen wensen dat dit kon, als het mogelijk was — als een uiting van Paulus' diepe bewogenheid, niet als een daadwerkelijke bereidheid. Zie Exodus 32:32.
[^romeinen-9-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: van Christus' aangezicht.
[^romeinen-9-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: zijn verwanten naar het vlees, de Israëlieten. Grieks: συγγενῶν (syngenōn), dat wil zeggen: verwanten.
[^romeinen-9-4-9]: Kanttekening 9: In deze twee verzen somt hij de voordelen op die de Joden boven andere volken in het Oude Testament hadden genoten, om te laten zien dat hij niet zonder grote reden zulk een wens deed, en dat wat hij hierna over de Joden en hun verwerping zou verklaren, niet voortkwam uit enige kwade wil tegenover hen of geringschatting van hen, maar alleen uit een heilige ijver tot verdediging van Gods eer, waarheid en trouw in het vervullen van zijn beloften.
[^romeinen-9-4-c]: Verwijzing c: Deuteronomium 7:6. Romeinen 2:17 en 3:2.
[^romeinen-9-4-10]: Kanttekening 10: Dit is de eerste eretitel van de Joden: dat ze afstamden van Jakob, die door God zelf, toen hij met hem om de zegen had geworsteld, Israël is genoemd, dat wil zeggen: een overwinnaar van God. Genesis 32:28.
[^romeinen-9-4-11]: Kanttekening 11: Dit moet niet worden verstaan van de aanneming tot kinderen waarover de apostel spreekt in Romeinen 8, vers 15, 29 en Efeziërs 1:5 — want die kan ons door niemand worden afgenomen (Romeinen 8, vers 38, 39) — maar van de aanneming van dit volk boven andere volken tot een volk van God. Exodus 4:22. Deuteronomium 4:7 en 7:6. Jeremia 31:20.
[^romeinen-9-4-12]: Kanttekening 12: Hieronder wordt verstaan de heerlijkheid waarmee God hen heeft verheven boven anderen door vele wonderbaarlijke verlossingen; of de ark van het verbond, die de heerlijkheid van God wordt genoemd (1 Samuël 4, vers 21, 22), omdat de cherubs der heerlijkheid die bedekten en zij een schaduw en teken was van Gods heerlijkheid en majesteit. Psalm 26:8. Hebreeën 9:5.
[^romeinen-9-4-d]: Verwijzing d: Efeziërs 2:12.
[^romeinen-9-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de tafelen van het verbond of van de wet. Deuteronomium 9:11. Hebreeën 9:4.
[^romeinen-9-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk die door God zelf hun vanuit de hemel is geschied. Deuteronomium 4, vers 8, 32. Of: de wetgeving, wetsinstelling — en dan kan men ook de wet van de staat verstaan, zoals tevoren de zedenwet.
[^romeinen-9-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk van de ceremoniën die God door de priesters eerst in de tabernakel en daarna in de tempel wilde laten plegen.
[^romeinen-9-4-16]: Kanttekening 16: Namelijk van de Messias en zijn weldaden, eerst aan Abraham gedaan, en door Mozes en andere profeten herhaaldelijk vernieuwd. Handelingen 2:39. Efeziërs 2:12.
[^romeinen-9-5-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: die afstammen van de patriarchen en andere voorvaders, die Gods vrienden en profeten waren.
[^romeinen-9-5-18]: Kanttekening 18: Namelijk de Joden, zoals het woordje 'en' aanwijst. Want Christus is gesproten uit de stam van Juda. Hebreeën 7:14. Openbaring 5:5.
[^romeinen-9-5-19]: Kanttekening 19: Of: naar het vlees, dat wil zeggen: naar zijn menselijke natuur. Romeinen 1:3.
[^romeinen-9-5-e]: Verwijzing e: Jeremia 23:6. Johannes 1:1. Handelingen 20:28. Romeinen 1:4. Hebreeën 1, vers 8, 9, 10.
[^romeinen-9-5-20]: Kanttekening 20: Namelijk dingen, naar zijn goddelijke natuur.
[^romeinen-9-5-21]: Kanttekening 21: Door deze titel wordt de waarachtige en eeuwige God onderscheiden van alle anderen aan wie de naam van God zou kunnen worden gegeven (Romeinen 1:25), zodat daarmee de Here Christus wordt verklaard de waarachtige en eeuwige God te zijn met de Vader en de Heilige Geest.
[^romeinen-9-6-22]: Kanttekening 22: Of: maar het is onmogelijk dat het woord van God gevallen zou zijn. Hier begint de apostel een grote moeilijkheid te beantwoorden die tegen zijn voorgaande leer kon worden ingebracht, namelijk hoe het kan dat de gerechtigheid en heiligheid alleen door het geloof in Jezus Christus wordt verkregen, terwijl de Joden met wie God zijn verbond had gesloten en aan wie de beloften van de gerechtigheid door de Messias voornamelijk waren gedaan, Christus en het geloof in hem verwierpen.
[^romeinen-9-6-f]: Verwijzing f: Numeri 23:19. Romeinen 3:3. 2 Timotheüs 2:13.
[^romeinen-9-6-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: de beloften van God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan, en door de profeten herhaaldelijk vermeld.
[^romeinen-9-6-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: teniet gedaan of krachteloos gemaakt, zoals een aarden pot die iemand ontvalt en in stukken breekt.
[^romeinen-9-6-g]: Verwijzing g: Johannes 8:39. Romeinen 2:28.
[^romeinen-9-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: echte Israëlieten waarop Gods beloften eigenlijk hebben gezien.
[^romeinen-9-6-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: van Jakob afstammen.
[^romeinen-9-6-23]: Kanttekening 23: Namelijk van de verwerping van de Joden in vers 3.
[^romeinen-9-7-h]: Verwijzing h: Galaten 4:23.
[^romeinen-9-7-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: van Abraham naar het vlees geboren.
[^romeinen-9-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: ware kinderen en erfgenamen van de beloften.
[^romeinen-9-7-i]: Verwijzing i: Genesis 21:12. Galaten 3:29. Hebreeën 11:18.
[^romeinen-9-7-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: het ware nageslacht dat erfgenaam zal zijn van de beloften — en niet in Ismaël, die van de beloofde erfenis is uitgesloten, hoewel hij ook vleselijk van Abraham was geboren.
[^romeinen-9-8-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die alleen naar het vlees van Abraham zijn geboren.
[^romeinen-9-8-k]: Verwijzing k: Galaten 4:28.
[^romeinen-9-8-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die, zoals Isaäk uit kracht van de belofte van God tegen de loop van de natuur is geboren, ook door kracht van Gods verkiezing en belofte tot het geloof zullen worden gebracht.
[^romeinen-9-8-33]: Kanttekening 33: Namelijk aan wie God zijn geestelijke zegen en erfdeel belooft.
[^romeinen-9-9-34]: Kanttekening 34: Namelijk het komende jaar.
[^romeinen-9-9-l]: Verwijzing l: Genesis 18:10.
[^romeinen-9-10-35]: Kanttekening 35: Omdat in het vorige voorbeeld enige ongelijkheid leek te bestaan — waarom God Isaäk boven Ismaël had verkozen, die een zoon was van een dienstmaagd en al tot enige jaren was gekomen waarop hij enige tekenen van verkeerdheid had getoond — gaat hij nu over tot het tweede voorbeeld van Esau en Jakob, waarbij geen ongelijkheid tussen de personen, noch in hun geboorte noch in hun werken kon worden gespeurd, maar alleen de genadige en onverdiende verkiezing van God werkzaam was.
[^romeinen-9-10-m]: Verwijzing m: Genesis 25:21.
[^romeinen-9-11-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: nog in de moederschoot waren. Genesis 25, vers 22, 23.
[^romeinen-9-11-37]: Kanttekening 37: Namelijk waardoor ze van elkaar konden worden onderscheiden. Want overigens waren ze al in zonden ontvangen, en leefden ze in de moederschoot toen dit goddelijke antwoord over hen geschiedde.
[^romeinen-9-11-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: het voornemen van God dat volgens zijn verkiezing werkt. Sommige uitleggers verstaan dit als Gods onvoorwaardelijke verkiezing vóór alle werken (Efeziërs 1:4), terwijl anderen menen dat God in zijn verkiezing rekening houdt met het door hem voorziene geloof. De apostel benadrukt hier in elk geval dat het voornemen van God niet afhankelijk is van menselijke verdiensten of werken, maar van zijn eigen barmhartigheid en roeping.
[^romeinen-9-11-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: uit de onverdiende genade en gunst van God, die degenen die hij heeft uitverkoren ook krachtig roept en tot het geloof en de godsvrucht brengt. Romeinen 8:30. 2 Timotheüs 1:9. Zie ook Galaten 5:8. 1 Tessalonicenzen 2:12.
[^romeinen-9-12-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: de oudere, want Esau zou de eerstgeborene zijn en Jakob de laatste. Genesis 25, vers 25, 26.
[^romeinen-9-12-n]: Verwijzing n: Genesis 25:23.
[^romeinen-9-12-41]: Kanttekening 41: Dit wordt niet verstaan van een uitwendige dienstbaarheid of heerschappij — want Esau heeft Jakob zo niet gediend — maar van de eeuwige en geestelijke heerschappij die de kinderen van God hierna zullen hebben, waarvan de erfenis en heerschappij in het land Kanaän een voorbeeld was. Hebreeën 11, vers 13, 14, 15, 16. En waarvan Esau verstoken is geweest.
[^romeinen-9-13-o]: Verwijzing o: Maleachi 1:2.
[^romeinen-9-13-42]: Kanttekening 42: Omdat het woord 'dienen' niet duidelijk genoeg leek om de verkiezing van Jakob en de verwerping van Esau in Gods voornemen te betekenen, brengt de apostel deze tekst uit Maleachi 1:2 nog daarbij, ter verklaring van het eerste, en bewijst dat dit dienen van Esau aan Jakob gepaard ging met Gods eeuwige en onverdiende liefde tegenover Jakob en rechtvaardige haat tegenover Esau, zoals uit het volgende uitvoeriger blijkt.
[^romeinen-9-14-43]: Kanttekening 43: Namelijk dat hij de mensen, die aan elkaar gelijk zijn, zo ongelijk behandelt, zodat hij de één liefheeft en verkiest, en de ander haat en verwerpt. Dit lijkt de natuurlijke rede vreemd. Maar de apostel antwoordt dat hier geen ongerechtigheid is, omdat God degene die hij verkiest uit genade verkiest, en degene die hij verwerpt rechtvaardig verwerpt. Dit bewijst hij uit Gods woord, het eerste met het voorbeeld van Mozes, en het andere met het voorbeeld van Farao.
[^romeinen-9-14-p]: Verwijzing p: Deuteronomium 32:4. 2 Kronieken 19:7. Job 34:10.
[^romeinen-9-15-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: ik zal mij daadwerkelijk en voortdurend blijven ontfermen, of: mij steeds meer ontfermen.
[^romeinen-9-15-q]: Verwijzing q: Exodus 33:19.
[^romeinen-9-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: over wie ik heb voorgenomen mij te ontfermen, of: over wie ik ben begonnen mij te ontfermen. Zodat door de verdubbeling van deze woorden de eerste oorsprong en de volharding daarin worden verstaan. Is het dan ontferming, dan is het geen ongerechtigheid. Want ontferming ziet op de ellende van de mens en is een weldaad die onverdiend is en uit louter goedwilligheid voortkomt, en niet van ongerechtigheid kan worden beschuldigd als ze niet met andermans onrecht gepaard gaat.
[^romeinen-9-16-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: van de mens, die door zijn goede wil en goede levensloop God daartoe zou bewegen. Romeinen 11:35. Filippenzen 2:13. Want niemand heeft dit van zichzelf.
[^romeinen-9-16-47]: Kanttekening 47: Namelijk die dit alles besluit en doet naar het welbehagen van zijn wil. Vers 18. Efeziërs 1:11.
[^romeinen-9-17-48]: Kanttekening 48: Met dit voorbeeld van Farao bewijst hij het tweede lid van het antwoord op de voorgaande tegenwerping, namelijk dat er ook geen onrechtvaardigheid is ten aanzien van hen die in hun zonden worden gelaten en verworpen, aangezien God dit rechtvaardig doet en tot eer van zijn naam richt.
[^romeinen-9-17-r]: Verwijzing r: Exodus 9:16.
[^romeinen-9-17-49]: Kanttekening 49: Dit woord 'verwekken' (Grieks: ἐξήγειρα, exēgeira) kan worden genomen als de opwekking van Farao tot het koningschap, of als zijn bewaring te midden van alle plagen die God over hem en zijn volk had gebracht. Daaronder wordt ook zijn verharding tegenover het volk Israël verstaan — niet dat God hem tot zondigen zou hebben opgewekt, want dat kan niet zijn (Jakobus 1:13). Maar God heeft hem in zijn zonden gelaten en zijn eigen boze en hoogmoedige begeerten hun gang laten gaan, waardoor hij tegen God en zijn gebod zo lang heeft geworsteld totdat God de verdiende straf over hem heeft uitgevoerd en zijn eer en macht zo voor de hele wereld aan hem heeft betoond. Zie Spreuken 16:4. Habakuk 1:12.
[^romeinen-9-18-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: hij verwijdert de hardheid van het hart die ze van zichzelf hebben niet, maar geeft hen er juist aan over. Zie hierover uitvoeriger in de aantekening bij Romeinen 1:24.
[^romeinen-9-18-51]: Kanttekening 51: Het woord 'willen' wordt hier niet genomen voor een wil die geen reden zou hebben voor zijn handelen. Want de wil van God is een regel van alle gerechtigheid (Deuteronomium 32:4) en is nooit gescheiden van zijn wijsheid en gerechtigheid, al zijn de redenen daarvan ons niet geopenbaard of gaan ze ons verstand te boven (Romeinen 11, vers 33, 34). En daarmee moeten we ons ook altijd tevreden houden. En dit is de conclusie van Paulus uit de voorgaande voorbeelden van Mozes en Farao.
[^romeinen-9-19-52]: Kanttekening 52: Of: waarom beschuldigt en vertoornt hij zich nog? Namelijk over hen die hij verhardt, aangezien ze naar zijn wil, die onweerstaanbaar is, worden verhard. Dit is een nieuwe tegenwerping van het vlees tegen de voorgaande woorden van Paulus, waarop het antwoord volgt.
[^romeinen-9-20-53]: Kanttekening 53: In het woord 'mens' ligt de eerste reden van het antwoord, omdat een breekbaar mens niet behoort te redetwisten met God, als te klein en te onbekwaam om over Gods handelen te oordelen.
[^romeinen-9-20-54]: Kanttekening 54: Of: God tegenspreekt?
[^romeinen-9-20-s]: Verwijzing s: Jesaja 45:9. Jeremia 18:6.
[^romeinen-9-20-55]: Kanttekening 55: Dit is het tweede deel van Paulus' antwoord, waarmee hij toont dat het de mens niet past God rekenschap te vragen van zijn handelen, aangezien God zijn Schepper is en hij zijn maaksel of schepsel. Zie Jesaja 45:9.
[^romeinen-9-21-56]: Kanttekening 56: Dit is de derde reden van Paulus' antwoord, ontleend aan het recht en de macht van God over alle mensen, die niet minder is dan de macht van de pottenbakker over zijn leem.
[^romeinen-9-21-57]: Kanttekening 57: Waarmee wordt uitgebeeld de oorsprong van het gehele verdorven menselijke geslacht uit één bloed. Handelingen 17:26.
[^romeinen-9-21-t]: Verwijzing t: 2 Timotheüs 2:20.
[^romeinen-9-21-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: voor eerlijk gebruik. 2 Timotheüs 2:20.
[^romeinen-9-21-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: voor gewoner of verachtelijker gebruik.
[^romeinen-9-22-60]: Kanttekening 60: Dit is de vierde reden van Paulus' antwoord, ontleend aan het prijzenswaardige doel waarvoor God dit doet, namelijk om toorn, dat wil zeggen: rechtvaardige straf, te oefenen tegenover de vaten van de toorn, nadat hij ze met groot geduld in hun verdorvenheid en weerspannigheid heeft verdragen.
[^romeinen-9-22-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: over wie God zijn rechtvaardige toorn heeft voorgenomen te bewijzen.
[^romeinen-9-22-62]: Kanttekening 62: Namelijk: ten dele door henzelf, aangezien ze in hun verdorvenheid en weerspannigheid een welgevallen hebben. En ten dele doordat God hen in hun verdorvenheid heeft gelaten. Over de verhouding tussen menselijke verantwoordelijkheid en Gods soevereiniteit bestaan in de christelijke traditie verschillende opvattingen: sommigen benadrukken Gods actieve beschikking, anderen benadrukken dat God de mens overlaat aan zijn eigen keuze. In beide gevallen blijft de mens verantwoordelijk voor zijn zonde.
[^romeinen-9-23-63]: Kanttekening 63: Dit is het tweede doel dat God voor ogen heeft gehad bij het verkiezen van de zijnen, namelijk het bewijzen van zijn overvloedige genade en heerlijkheid, waaraan hij hen deelgenoot wil maken. Romeinen 8:29.
[^romeinen-9-23-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: over wie hij zich heeft willen ontfermen, om hen door Christus van het verderf te verlossen.
[^romeinen-9-23-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: van eeuwigheid af heeft bestemd en uitverkoren tot het eeuwige leven. Efeziërs 1, vers 4, 5, 6. Over de grond van deze verkiezing — of deze ligt in Gods onvoorwaardelijk besluit alleen, of mee in het door God voorziene geloof — hebben christelijke uitleggers altijd verschillend gedacht.
[^romeinen-9-24-66]: Kanttekening 66: Tot hier toe heeft de apostel gesproken over Gods voornemen van de verkiezing van sommigen en de verwerping van anderen. Nu gaat hij verder en spreekt over de roeping van degenen die zijn gekozen, deels uit de Joden maar voor het grootste deel uit de heidenen. Deze roeping is het middel en het kenmerk waardoor de uitverkorenen van God van anderen worden onderscheiden.
[^romeinen-9-24-67]: Kanttekening 67: Namelijk: niet alleen uitwendig door het woord, maar ook innerlijk door zijn Geest, zoals het woordje 'uit' ook meebrengt. Want overigens zijn zowel de Jood als de heiden naar de uitwendige roeping geroepen. Matteüs 22:14. Romeinen 8, vers 28, 30. 1 Korintiërs 1:26.
[^romeinen-9-25-v]: Verwijzing v: Hosea 2:22.
[^romeinen-9-25-68]: Kanttekening 68: Namelijk de heidenen, die hij in het Oude Testament had voorbijgegaan en nu door Christus ook tot zijn volk zou aannemen naast de uitverkorenen uit de Joden. Efeziërs 2:13. 1 Petrus 2:10. Zo bewijst de apostel dat hij niets anders leerde dan wat door de profeten was voorzegd dat zou gebeuren, namelijk dat hij uit heidenen en Joden het ware Israël van God zou vergaderen. Romeinen 11:26. 1 Petrus 2:10.
[^romeinen-9-26-x]: Verwijzing x: Hosea 1:10. 1 Petrus 2:10.
[^romeinen-9-27-69]: Kanttekening 69: In deze drie verzen bewijst hij dat het was voorzegd dat God in zijn krachtige roeping het grootste deel van de Joden zou voorbijgaan en alleen het overblijfsel daarvan naast de uitverkorenen uit de heidenen zou behouden.
[^romeinen-9-27-y]: Verwijzing y: Jesaja 10:22.
[^romeinen-9-27-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: een kleine groep die hij heeft laten overblijven uit de grote menigte die verloren gaat, zoals in Romeinen 11:5.
[^romeinen-9-27-71]: Kanttekening 71: Het Hebreeuwse woord bij de profeet in hoofdstuk 10:22 betekent eigenlijk: zal in of tot hem terugkeren, namelijk tot God, zoals in vers 21 wordt uitgedrukt. Maar de betekenis is dezelfde.
[^romeinen-9-28-72]: Kanttekening 72: Grieks: een woord of rede. Sommigen nemen dit als een dreiging tegen de goddeloze Joden, die God zou afsnijden en verwerpen, terwijl hij de zijnen toch altijd daaronder zou behouden. Anderen nemen het voor het besluit, of de standvastigheid van Gods besluit om de zijnen te behouden, ondanks de weerspannigheid van de grootste menigte der anderen.
[^romeinen-9-29-z]: Verwijzing z: Jesaja 1:9.
[^romeinen-9-29-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: een kleine groep, zoals een weinig overgebleven zaad is ten opzichte van een heel gewas; welk overblijfsel God daarna heeft gebruikt als een zaad om daaruit zijn kerk uit Joden en heidenen opnieuw te laten opgroeien.
[^romeinen-9-29-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: krachtig voor zichzelf bewaard had, te midden van alle goddelozen en huichelaars. Zie Romeinen 11, vers 4, 5.
[^romeinen-9-29-a]: Verwijzing a: Genesis 19:24. Jesaja 13:19. Jeremia 50:40. Ezechiël 16:46.
[^romeinen-9-30-75]: Kanttekening 75: Hiermee besluit de apostel deze behandeling van de verkiezing en roeping van sommigen en de verwerping van anderen, met een conclusie die hij hieruit trekt over de vervulling zelf, zowel onder Joden als heidenen — zoals het de gewoonte van de apostel is om met zulke conclusies te besluiten, zoals te zien is in Romeinen 8:31.
[^romeinen-9-30-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: de uitverkorenen onder de heidenen.
[^romeinen-9-30-77]: Kanttekening 77: Dat wil zeggen: die zich met anderen overgaven aan alle ongerechtigheid en goddeloosheid voor ze door de kracht van deze roeping tot Christus zijn bekeerd. Romeinen 1:18. Efeziërs 2, vers 1, 2, 3 enz.
[^romeinen-9-30-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: de gerechtigheid van Christus door het ware geloof aangenomen. 2 Korintiërs 5:21. Filippenzen 3:9.
[^romeinen-9-31-b]: Verwijzing b: Romeinen 10:2 en 11:7.
[^romeinen-9-31-79]: Kanttekening 79: Namelijk in de uitwendige onderhouding van de wet en de ceremoniën.
[^romeinen-9-31-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: tot de verkrijging of het werkelijke bezit van de gerechtigheid die voor God bestaat, niet gekomen.
[^romeinen-9-32-81]: Kanttekening 81: Namelijk in Christus, zoals in het volgende vers wordt uitgedrukt.
[^romeinen-9-32-82]: Kanttekening 82: Namelijk daarin schoten ze ver tekort, zoals de apostel eerder heeft aangetoond in Romeinen 3:20.
[^romeinen-9-32-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: ze hebben zich geërgerd aan de geringe uitwendige staat en het kruis van Christus. Zie 1 Korintiërs 1:23.
[^romeinen-9-33-84]: Kanttekening 84: Namelijk bij de profeet Jesaja in hoofdstuk 8:14 en 28:16, welke twee teksten de apostel bij elkaar voegt. En Christus wordt hier een steen des aanstoots genoemd ten aanzien van de ongehoorzamen en weerspannigen, zoals Petrus uitlegt in 1 Petrus 2, vers 7, 8.
[^romeinen-9-33-c]: Verwijzing c: Psalm 118:22. Jesaja 8:14 en 28:16. Matteüs 21:42. 1 Petrus 2:6.
[^romeinen-9-33-d]: Verwijzing d: Psalm 2:12. Spreuken 16:20. Jesaja 28:16. Jeremia 17:7.

### Romeinen 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/10.json)

*Na een betuiging van zijn genegenheid voor de Joden handelt de apostel uitvoeriger over de directe oorzaak van hun weerspannigheid tegen Christus. 5 Stelt daarna een onderscheid, zelfs met de woorden van Mozes, tussen de gerechtigheid van de Wet, waar de Joden zich aan hielden, en de gerechtigheid van het geloof, dat zij verwierpen, en beschrijft ze beide met hun eigenschappen. 12 Verklaart verder dat God door de prediking van het Evangelie nu in de hele wereld zowel Joden als Grieken roept tot het geloof in Christus. 16 Maar dat het merendeel van de Joden deze roeping ongehoorzaam was, en dat de heidenen daarentegen wel gehoorzaamden. 19 Wat hij bewijst als door de profeten voorzegd te zijn.*

**1** Broeders, de toegenegenheid van mijn hart, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is[^romeinen-10-1-1] tot hun zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v1)

**2** Want ik geef hun getuigenis, dat zij[^romeinen-10-2-2][^romeinen-10-2-a] een ijver tot God hebben, maar[^romeinen-10-2-3] niet met verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v2)

**3** Want zo zij[^romeinen-10-3-4] de rechtvaardigheid van God niet kennen, en[^romeinen-10-3-5] hun eigen gerechtigheid zoeken[^romeinen-10-3-6] op te richten, zo zijn zij van de rechtvaardigheid van God[^romeinen-10-3-7] niet onderworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v3)

**4** [^romeinen-10-4-b] Want[^romeinen-10-4-8] het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v4)

**5** [^romeinen-10-5-9] Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is,[^romeinen-10-5-c] zeggende: De mens,[^romeinen-10-5-10] die deze dingen doet, zal daardoor leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v5)

**6** Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is,[^romeinen-10-6-11] spreekt zo:[^romeinen-10-6-12][^romeinen-10-6-d] Zeg niet[^romeinen-10-6-13] in uw hart:[^romeinen-10-6-14] Wie zal in de hemel opklimmen?[^romeinen-10-6-15] Hetzelfde is Christus van boven afbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v6)

**7** Of, wie zal[^romeinen-10-7-16] in de afgrond nederdalen?[^romeinen-10-7-17] Hetzelfde is Christus uit de doden opbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v7)

**8** Maar[^romeinen-10-8-18] wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart.[^romeinen-10-8-19] Dit is het Woord van het geloof,[^romeinen-10-8-20] dat wij prediken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v8)

**9** Namelijk, als u met uw mond[^romeinen-10-9-21] zult belijden[^romeinen-10-9-22] de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit[^romeinen-10-9-23] de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v9)

**10** Want met het hart[^romeinen-10-10-24] gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond[^romeinen-10-10-25] belijdt men ter zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v10)

**11** Want de Schrift zegt: Een ieder die[^romeinen-10-11-26][^romeinen-10-11-e] in Hem gelooft, die[^romeinen-10-11-27] zal niet beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v11)

**12** [^romeinen-10-12-f] Want er is[^romeinen-10-12-28] geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want[^romeinen-10-12-29] eenzelfde is Heere van allen,[^romeinen-10-12-30] rijk zijnde over allen,[^romeinen-10-12-31] die Hem aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v12)

**13** [^romeinen-10-13-g] Want een ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v13)

**14** [^romeinen-10-14-32] Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij[^romeinen-10-14-33] niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder[^romeinen-10-14-34] die hun predikt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v14)

**15** En[^romeinen-10-15-35] hoe zullen zij prediken, als zij niet[^romeinen-10-15-36] gezonden worden? Zoals geschreven is:[^romeinen-10-15-h] Hoe[^romeinen-10-15-37] liefelijk zijn de voeten van degenen, die[^romeinen-10-15-38] vrede verkondigen, van degenen, die het goede verkondigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v15)

**16** Maar zij zijn niet[^romeinen-10-16-39] allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt:[^romeinen-10-16-i] Heere, wie heeft onze[^romeinen-10-16-40] prediking geloofd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v16)

**17** Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor[^romeinen-10-17-41] door het Woord van God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v17)

**18** Maar ik zeg: Hebben[^romeinen-10-18-42] zij het niet gehoord?[^romeinen-10-18-43] Ja toch,[^romeinen-10-18-44][^romeinen-10-18-k] hun geluid is over de hele aarde uitgegaan, en hun woorden[^romeinen-10-18-45] tot de einden van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v18)

**19** Maar ik[^romeinen-10-19-46] zeg: Heeft Israël[^romeinen-10-19-47] het niet verstaan? Mozes[^romeinen-10-19-48] zegt eerst:[^romeinen-10-19-l] Ik zal u[^romeinen-10-19-49] tot jaloërsheid verwekken door[^romeinen-10-19-50] degenen, die geen volk zijn; door[^romeinen-10-19-51] een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v19)

**20** En Jesaja[^romeinen-10-20-52] verstout zich, en zegt:[^romeinen-10-20-m] Ik ben[^romeinen-10-20-53] gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden degenen,[^romeinen-10-20-54] die naar Mij niet vraagden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v20)

**21** Maar tegen Israël zegt Hij:[^romeinen-10-21-n] De hele dag heb Ik[^romeinen-10-21-55] Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en[^romeinen-10-21-56] tegensprekend volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/10.html#v21)

[^romeinen-10-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: opdat ze bekeerd en zo gered mochten worden. Dit wordt verstaan van hen die uit onwetendheid dwaalden, zoals het volgende vers duidelijk maakt — niet van hen die tegen de Heilige Geest zondigden, over wie Christus spreekt in Matteüs 12:31.
[^romeinen-10-2-2]: Kanttekening 2: Grieks: ijver van God, dat wil zeggen: een ijverig verlangen hebben om de wet van God en de godsdienst door Mozes ingesteld te handhaven en degenen te weerstaan die die schenen te willen veranderen.
[^romeinen-10-2-a]: Verwijzing a: Romeinen 9:31. Handelingen 22:3. Galaten 4:17.
[^romeinen-10-2-3]: Kanttekening 3: Grieks: niet naar kennis, dat wil zeggen: niet met de juiste kennis waartoe de wet en de godsdienst in het Oude Testament was ingesteld, zoals het volgende vers ook meebrengt.
[^romeinen-10-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: die God in het evangelie heeft geopenbaard en die God ons door Christus schenkt. 2 Korintiërs 5:21. Filippenzen 3:9.
[^romeinen-10-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk door hun eigen werken of door de gehoorzaamheid aan de wet, waarbij ze echter ver tekort schieten, zoals is bewezen van alle mensen in hoofdstuk 3 en van Abraham en David in hoofdstuk 4.
[^romeinen-10-3-6]: Kanttekening 6: Grieks: te stellen. Hier wordt de vermetelheid van het menselijk gemoed aangeduid, dat zijn eigen gerechtigheid staande wil houden voor God, zoals de Farizeeën. Lucas 18, vers 11, 12.
[^romeinen-10-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: ze willen zich die niet onderwerpen, en daarom kunnen ze niet komen tot de gerechtigheid die voor God bestaat, zoals in Romeinen 8:7.
[^romeinen-10-4-b]: Verwijzing b: Matteüs 5:17. Handelingen 13:38. 2 Korintiërs 3:13. Galaten 3:24.
[^romeinen-10-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: het oogmerk waarvoor de wet door Mozes is gegeven, is dat de mensen daardoor tot kennis van hun zonden worden gebracht en hun toevlucht nemen tot Christus en zijn gerechtigheid, die de wet voor ons volmaakt heeft vervuld. Zie Galaten 3:19 enz.
[^romeinen-10-5-9]: Kanttekening 9: In de zeven volgende verzen stelt de apostel een duidelijk onderscheid tussen de gerechtigheid van de wet en die van het geloof, en bewijst zowel de ene als de andere met de woorden van Mozes zelf.
[^romeinen-10-5-c]: Verwijzing c: Leviticus 18:5. Ezechiël 20:11. Galaten 3:12.
[^romeinen-10-5-10]: Kanttekening 10: Namelijk volmaakt en zonder iets na te laten. Deuteronomium 27:26. Galaten 3:10. Jakobus 2:10.
[^romeinen-10-6-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: luidt aldus. Of: hiervan wordt aldus gesproken in Deuteronomium 30, vers 11, 12.
[^romeinen-10-6-12]: Kanttekening 12: Sommigen menen dat deze woorden eigenlijk door Mozes zijn gesproken over de geboden van het geloof, omdat hij net daarvoor had gehandeld over de besnijdenis van het hart en de ware bekering, die eigenlijk beloften zijn van het evangelie en niet van de wet. Anderen menen, omdat Paulus niet zegt: 'Mozes spreekt aldus' maar 'de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus', dat deze drie verzen door Paulus bij accommodatie op het geloof worden toegepast.
[^romeinen-10-6-d]: Verwijzing d: Deuteronomium 30:12.
[^romeinen-10-6-13]: Kanttekening 13: Namelijk twijfelend, waar u de weg van de zaligheid moet zoeken en vinden.
[^romeinen-10-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk om vandaar Gods wil over onze gerechtigheid en zaligheid naar beneden te halen.
[^romeinen-10-6-15]: Kanttekening 15: Namelijk voor ons christenen zoveel als of we ontkenden dat Christus eens vanuit de hemel is neergedaald om ons die weg te openbaren en de gerechtigheid te verwerven, en dat hij daartoe nog eens zou moeten afdalen.
[^romeinen-10-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk om te zien hoe we uit de hel zouden kunnen worden verlost en die kennis van daar halen.
[^romeinen-10-7-17]: Kanttekening 17: Dat is evenveel als of men wilde dat Christus, om ons te verlossen, de smarten van de dood en de hel nog eens zou moeten lijden en zo daarvandaan opstaan. Wat hij nu eenmaal heeft gedaan en ons voldoende is geopenbaard.
[^romeinen-10-8-18]: Kanttekening 18: Namelijk de gerechtigheid die uit het geloof is, zoals tevoren in vers 6. Daar heeft hij geantwoord wat ze niet zegt, maar nu antwoordt hij wat ze zegt.
[^romeinen-10-8-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: van het evangelie waardoor we tot het geloof worden vermaand en gebracht. Romeinen 1:16.
[^romeinen-10-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk de apostelen, als getuigen en boodschappers van Christus in zijn naam. 2 Korintiërs 5:20.
[^romeinen-10-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk oprecht, naar het geloof van uw hart. En de apostel stelt hier de belijdenis voorop omdat die door anderen het eerst wordt gekend.
[^romeinen-10-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk dat hij uw Here en Zaligmaker is, naar het voorbeeld van Paulus in Galaten 2:20. 1 Timotheüs 1, vers 15, 16.
[^romeinen-10-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk nadat hij tot verzoening van uw zonden was gestorven. Romeinen 4:25.
[^romeinen-10-10-24]: Kanttekening 24: Namelijk als zijnde een middel waardoor de gerechtigheid van Christus wordt aangenomen, ons toegerekend en geschonken. Romeinen 3, vers 24, 25 en 4:5.
[^romeinen-10-10-25]: Kanttekening 25: De ware belijdenis wordt hier gesteld als een weg waarlangs we tot het behoud, dat ons door Christus' gerechtigheid is verworven, moeten komen (Matteüs 10:32), en als een kenmerk van het ware geloof dat in het hart verborgen is. 1 Johannes 4:15.
[^romeinen-10-11-26]: Kanttekening 26: Namelijk Christus, over wie door Jesaja wordt geprofeteerd in hoofdstuk 28:16.
[^romeinen-10-11-e]: Verwijzing e: Jesaja 28:16. Romeinen 9:33.
[^romeinen-10-11-27]: Kanttekening 27: Het Hebreeuwse woord in Jesaja 28:16 betekent eigenlijk: zal zich niet haasten. Maar het wordt in de Griekse vertaling weergegeven als: zal niet beschaamd worden, dat wil zeggen: in zijn verwachting niet worden bedrogen. Want wie zich erg haast zonder te weten waarheen hij zijn toevlucht zal nemen, wordt licht beschaamd of bedrogen.
[^romeinen-10-12-f]: Verwijzing f: Handelingen 15:9. Romeinen 3:22.
[^romeinen-10-12-28]: Kanttekening 28: Namelijk nu in de tijden van het Nieuwe Testament. Efeziërs 2:13.
[^romeinen-10-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk God in Christus. Of: dezelfde Heer over allen is rijk over allen enz.
[^romeinen-10-12-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: overvloedig genadig of goedertieren.
[^romeinen-10-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk door het ware geloof, zoals volgt. En hieruit blijkt dat het woord 'belijden' in vers 9 en 10 ook de ware aanroeping inbegrijpt, die een voornaam deel is van onze belijdenis voor God en de mensen. Daniël 6:10.
[^romeinen-10-13-g]: Verwijzing g: Joël 2:32. Handelingen 2:21.
[^romeinen-10-14-32]: Kanttekening 32: In de rest van dit hoofdstuk legt de apostel het middel uit waardoor het ware geloof in Christus wordt verkregen, namelijk door de prediking van het evangelie, gepredikt door degenen die daartoe wettig zijn gezonden, hoewel die niet in allen de gewenste vrucht heeft.
[^romeinen-10-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: geen kennis hebben die ze door het horen van Gods woord wordt bijgebracht, aangezien kennis noodzakelijk voor het geloof is vereist. Johannes 17:3.
[^romeinen-10-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk het woord van God. Het Griekse woord keryssein (κηρύσσοντος) betekent eigenlijk een uitroeping of openbare bekendmaking doen, die door de stadsomroepers vanwege de overheid aan de burgers geschiedt, en wordt hier, zoals ook doorgaans in de Heilige Schrift, genomen voor de verkondiging van het evangelie die door de apostelen en andere leraren van Christus' wege aan de mensen wordt gedaan. Zie Matteüs 3:1 en 4:17, 23. Marcus 1, vers 4, 7 en 16:15. 2 Korintiërs 5, vers 19, 20.
[^romeinen-10-15-35]: Kanttekening 35: Namelijk recht en behoorlijk, van Christus' wege en in Christus' naam, zoals tevoren. Want er zijn er overigens ook geweest die liepen en profeteerden voor ze waren gezonden. Jeremia 23:21.
[^romeinen-10-15-36]: Kanttekening 36: Namelijk door hem wiens woord ze verkondigen, hetzij dat dit buitengewoon door God en Christus zelf, hetzij dat het op gewone wijze door de gemeenten en hun opzieners die daartoe door God zijn gelast, geschiedt.
[^romeinen-10-15-h]: Verwijzing h: Jesaja 52:7. Nahum 1:15.
[^romeinen-10-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: aangenaam. Deze woorden zijn ontleend aan Jesaja 52:7, waar over de verlossing en uitbreiding van Gods gemeente door Christus en de verkondiging van die verlossing wordt gehandeld.
[^romeinen-10-15-38]: Kanttekening 38: Namelijk vrede met God door Christus. Zie Romeinen 5:1. Efeziërs 2:14.
[^romeinen-10-16-39]: Kanttekening 39: Namelijk aan wie het evangelie is gepredikt.
[^romeinen-10-16-i]: Verwijzing i: Jesaja 53:1. Johannes 12:38.
[^romeinen-10-16-40]: Kanttekening 40: Grieks: gehoor. Zie Johannes 12:38.
[^romeinen-10-17-41]: Kanttekening 41: Namelijk dat is gepredikt. Of: door het bevel van God die hen tot het prediken heeft gezonden.
[^romeinen-10-18-42]: Kanttekening 42: Namelijk Joden en heidenen; want van beiden spreekt hij daarna afzonderlijk.
[^romeinen-10-18-43]: Kanttekening 43: Namelijk ze hebben het werkelijk allemaal gehoord.
[^romeinen-10-18-44]: Kanttekening 44: Deze tekst, ontleend aan Psalm 19, die eigenlijk spreekt over de kennis van God die alle mensen hebben kunnen opdoen uit de beschouwing van de hemel en de schepselen daarin, menen sommigen dat ook een profetie in zich bevat van wat ten tijde van de apostelen zou gebeuren. Maar omdat de apostel dit niet eigenlijk aanhaalt als door David voorzegd (zoals hij elders wel doet), kan dit heel goed worden genomen als een heilige accommodatie of toepassing van deze woorden tot het doel van de apostel.
[^romeinen-10-18-k]: Verwijzing k: Psalm 19:5.
[^romeinen-10-18-45]: Kanttekening 45: Namelijk door de apostelen en evangelisten onder alle volken van de wereld, ook onder de heidenen, naar het bevel van Christus (Matteüs 28:19. Marcus 16:15). Waarvan de vervulling alsdan al plaatsvond. Romeinen 1:8 en 15:19. Kolossenzen 1:6.
[^romeinen-10-19-46]: Kanttekening 46: Hier bewijst de apostel met drie verschillende teksten uit het Oude Testament dat de Joden het ook hebben gehoord evenals de heidenen, maar dat de heidenen het hebben aangenomen en de Joden het voor het grootste deel hebben verworpen. En zo legt hij de grond voor wat hij in het volgende hoofdstuk over de aanneming van de heidenen en de verwerping van de Joden had voorgenomen te behandelen.
[^romeinen-10-19-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: het niet gehoord — namelijk het woord van het evangelie of van de gerechtigheid van het geloof.
[^romeinen-10-19-48]: Kanttekening 48: Namelijk tot Israël, dat wil zeggen: tot het Joodse volk.
[^romeinen-10-19-l]: Verwijzing l: Deuteronomium 32:21.
[^romeinen-10-19-49]: Kanttekening 49: Namelijk doordat u zult zien dat ik de heidenen, die nu mijn volk niet zijn, ten tijde van de Messias meer voordeel zal geven in het aannemen van het evangelie dan u Joden die nu mijn volk bent. En dat om uw ondankbaarheid te straffen en u daardoor tot bekering op te roepen en te bewegen. Want jaloëzie is eigenlijk een onbehagen dat iemand erover heeft dat hij ziet dat een ander meer deel heeft in iemands liefde of weldaad dan hijzelf, terwijl hij meent dat het hem meer toekomt. Zie verderop hoofdstuk 11:11.
[^romeinen-10-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk van God, zoals de heidenen destijds waren.
[^romeinen-10-19-51]: Kanttekening 51: Zo noemt hij de heidenen, omdat ze de juiste kennis van God en zijn rechten niet hadden. Psalm 147, vers 19, 20.
[^romeinen-10-20-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: spreekt nog vrijmoediger over de bekering van de heidenen en hun roeping, ondanks de ondankbaarheid van de Joden.
[^romeinen-10-20-m]: Verwijzing m: Jesaja 65:1.
[^romeinen-10-20-53]: Kanttekening 53: Namelijk door de verkondiging van mijn evangelie en de krachtige werking van mijn Geest aan de heidenen, die God niet zochten maar hun eigen wegen gingen ten verderve. Zie Handelingen 14:16 en 17:30.
[^romeinen-10-20-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: die zorgeloos hun onwetendheid en wereldse lusten navolgden. Zie Efeziërs 2:1 enz. Titus 3, vers 3, 4, 5.
[^romeinen-10-21-n]: Verwijzing n: Jesaja 65:2.
[^romeinen-10-21-55]: Kanttekening 55: Namelijk om hen tot mij en mijn gerechtigheid te roepen en te nodigen. Zie een dergelijke manier van spreken in Spreuken 1:20 enz.
[^romeinen-10-21-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: weerspannig, moedwillig. Zie een voorbeeld in Jeremia 44:16. Ezechiël 3:7.

### Romeinen 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/11.json)

*1 Nadat de apostel gesproken heeft over de verwerping van de Joden en de roeping van de heidenen, leert hij verder dat deze verwerping niet algemeen is over alle Joden, hetgeen hij bewijst met zijn eigen voorbeeld, 2 alsook uit de onveranderlijkheid van Gods verkiezing en met het voorbeeld van de tijd van Elia. 5 Doch dat zij die uit hen behouden worden, niet uit hun werken, maar uit genade behouden worden, 7 en dat de anderen door hun hardnekkigheid verloren gaan, 8 hetgeen hij uit de Schrift bewijst. 11 Daarna vermaant hij de heidenen dat zij zich niet moeten verheffen tegen de Joden, aangezien hun verwerping een aanleiding is geweest tot de roeping van de heidenen, waardoor de Joden ook zullen worden opgewekt om naar hun voorbeeld mede te geloven, omdat zij tot het verbond behoren, 17 en de heidenen, voordat zij geroepen werden, daarvan vreemd waren, maar uit enkel genade zijn geroepen. 19 Daarom dat de heidenen wel moeten toezien dat ook zij om hun ongehoorzaamheid niet verworpen worden. 25 Met dat doel openbaart hij een verborgenheid, dat na de bekering van de heidenen ook de Joden bekeerd zullen worden, 26 hetgeen hij bevestigt uit de Schrift, 28 en omdat God hen om der vaderen wil nog liefheeft, 30 zodat dezelfde God Die de heidenen genade gedaan heeft, dat ook aan de Joden zal willen doen. 33 Ten slotte besluit hij met een verwondering over de grote wijsheid van God in het besturen van de zaligheid van de mensen, 36 waarvan het begin, de voortgang en het einde Hem alleen worden toegeschreven.*

**1** [^romeinen-11-1-1] Ik zeg dan:[^romeinen-11-1-a] Heeft God[^romeinen-11-1-2] Zijn volk[^romeinen-11-1-3] verstoten? Volstrekt niet;[^romeinen-11-1-b] want ik ben ook[^romeinen-11-1-4] een Israëliet,[^romeinen-11-1-5] uit het zaad van Abraham, van de stam[^romeinen-11-1-6] Benjamin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v1)

**2** God heeft[^romeinen-11-2-7] Zijn volk niet[^romeinen-11-2-8] verstoten, dat Hij te voren[^romeinen-11-2-9] gekend heeft. Of[^romeinen-11-2-10] weet u niet, wat de Schrift zegt[^romeinen-11-2-11] van Elia, hoe hij God[^romeinen-11-2-12] aanspreekt[^romeinen-11-2-13] tegen Israël, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v2)

**3** [^romeinen-11-3-c] Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en[^romeinen-11-3-14] Uw altaren[^romeinen-11-3-15] omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij[^romeinen-11-3-16] zoeken mijn ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v3)

**4** Maar wat zegt tot hem[^romeinen-11-4-17] het Goddelijk antwoord?[^romeinen-11-4-d] Ik heb Mijzelf nog[^romeinen-11-4-18] zeven duizend[^romeinen-11-4-19] mannen[^romeinen-11-4-20] overgelaten, die[^romeinen-11-4-21] de knie voor het[^romeinen-11-4-22] beeld van Baäl niet gebogen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v4)

**5** [^romeinen-11-5-e] Zo is er dan ook[^romeinen-11-5-23] in deze tegenwoordige tijd[^romeinen-11-5-24] een overblijfsel geworden,[^romeinen-11-5-25] naar de verkiezing van de genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v5)

**6** [^romeinen-11-6-f] En als het[^romeinen-11-6-26] door genade is,[^romeinen-11-6-27] zo is het niet meer[^romeinen-11-6-28] uit de werken;[^romeinen-11-6-29] anders is de genade[^romeinen-11-6-30] geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het[^romeinen-11-6-31] geen genade meer; anders is het werk[^romeinen-11-6-32] geen werk meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v6)

**7** [^romeinen-11-7-33] Wat dan?[^romeinen-11-7-34][^romeinen-11-7-g] Wat[^romeinen-11-7-35] Israël[^romeinen-11-7-36] zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar[^romeinen-11-7-37] de uitverkorenen hebben het verkregen, en[^romeinen-11-7-38] de anderen zijn[^romeinen-11-7-39] verhard geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v7)

**8** (Zoals geschreven is:[^romeinen-11-8-h] God heeft hun gegeven een[^romeinen-11-8-40] geest[^romeinen-11-8-41] van diepe slaap;[^romeinen-11-8-42][^romeinen-11-8-i] ogen om niet te zien, en oren om niet te horen)[^romeinen-11-8-43] tot op de huidige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v8)

**9** En[^romeinen-11-9-44] David zegt:[^romeinen-11-9-k] Hun[^romeinen-11-9-45] tafel worde[^romeinen-11-9-46] tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en[^romeinen-11-9-47] tot een vergelding voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v9)

**10** Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en[^romeinen-11-10-48] verkrom hun rug alle tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v10)

**11** [^romeinen-11-11-49] Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij[^romeinen-11-11-50] vallen zouden? Volstrekt niet; maar door hun[^romeinen-11-11-51] val[^romeinen-11-11-52] is de zaligheid de heidenen geworden,[^romeinen-11-11-53] om hen[^romeinen-11-11-54] tot jaloërsheid te verwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v11)

**12** En als[^romeinen-11-12-55] hun val[^romeinen-11-12-56] de rijkdom is[^romeinen-11-12-57] van de wereld, en[^romeinen-11-12-58] hun vermindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer[^romeinen-11-12-59] hun volheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v12)

**13** [^romeinen-11-13-60] Want ik spreek tot u, heidenen,[^romeinen-11-13-61][^romeinen-11-13-l] voor zoveel ik[^romeinen-11-13-62] de heidenen apostel ben; ik maak[^romeinen-11-13-63] mijn bediening[^romeinen-11-13-64] heerlijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v13)

**14** Of ik enigszins[^romeinen-11-14-65] mijn vlees tot[^romeinen-11-14-66] jaloërsheid verwekken, en[^romeinen-11-14-67] enige[^romeinen-11-14-68] uit hen[^romeinen-11-14-69] behouden mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v14)

**15** Want als[^romeinen-11-15-70] hun[^romeinen-11-15-71] verwerping[^romeinen-11-15-72] de verzoening is[^romeinen-11-15-73] van de wereld, wat zal[^romeinen-11-15-74] de aanneming wezen, anders dan[^romeinen-11-15-75] het leven uit de doden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v15)

**16** En als[^romeinen-11-16-76] de eerstelingen[^romeinen-11-16-77] heilig zijn, zo is ook[^romeinen-11-16-78] het deeg heilig, en als[^romeinen-11-16-79] de wortel heilig is, zo zijn ook[^romeinen-11-16-80] de takken heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v16)

**17** En zo[^romeinen-11-17-81] enige van de[^romeinen-11-17-82] takken afgebroken zijn, en[^romeinen-11-17-83] u,[^romeinen-11-17-84] een wilde olijfboom zijnde,[^romeinen-11-17-85] in van die plaats[^romeinen-11-17-86] bent ingeent, en[^romeinen-11-17-87] van de wortel en van de[^romeinen-11-17-88][^romeinen-11-17-m] vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v17)

**18** Zo roem niet tegen[^romeinen-11-18-89] de takken; en als u daartegen roemt,[^romeinen-11-18-90] u draagt de wortel niet, maar de wortel u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v18)

**19** [^romeinen-11-19-91] U zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v19)

**20** [^romeinen-11-20-92] Het is wel;[^romeinen-11-20-93] zij zijn door ongeloof afgebroken, en[^romeinen-11-20-94] u staat door het geloof.[^romeinen-11-20-95] Bent niet hooggevoelende, maar[^romeinen-11-20-96] vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v20)

**21** Want is het, dat God[^romeinen-11-21-97] de natuurlijke takken niet[^romeinen-11-21-98] gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk[^romeinen-11-21-99] u niet spare. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v21)

**22** [^romeinen-11-22-100] Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u afgehouwen worden.[^romeinen-11-22-101][^romeinen-11-22-102][^romeinen-11-22-103][^romeinen-11-22-104][^romeinen-11-22-105][^romeinen-11-22-106][^romeinen-11-22-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v22)

**23** [^romeinen-11-23-n] Maar ook zij, als zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig daarom weer in te enten.[^romeinen-11-23-108][^romeinen-11-23-109][^romeinen-11-23-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v23)

**24** Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?[^romeinen-11-24-111][^romeinen-11-24-112][^romeinen-11-24-113][^romeinen-11-24-114][^romeinen-11-24-115][^romeinen-11-24-116] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v24)

**25** Want ik wil niet, broeders, dat u dit geheim onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is,[^romeinen-11-25-o] totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.[^romeinen-11-25-117][^romeinen-11-25-118][^romeinen-11-25-119][^romeinen-11-25-120][^romeinen-11-25-121][^romeinen-11-25-122][^romeinen-11-25-123] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v25)

**26** En zo zal geheel Israël zalig worden;[^romeinen-11-26-p] zoals geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.[^romeinen-11-26-124][^romeinen-11-26-125][^romeinen-11-26-126][^romeinen-11-26-127][^romeinen-11-26-128][^romeinen-11-26-129] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v26)

**27** En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.[^romeinen-11-27-130] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v27)

**28** Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij geliefden, om de vaders wil;[^romeinen-11-28-131][^romeinen-11-28-132][^romeinen-11-28-133][^romeinen-11-28-134][^romeinen-11-28-135][^romeinen-11-28-136][^romeinen-11-28-137] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v28)

**29** Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk.[^romeinen-11-29-138] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v29)

**30** Want zoals ook u vroeger voor God ongehoorzaam geweest bent, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door deze ongehoorzaamheid;[^romeinen-11-30-139][^romeinen-11-30-140][^romeinen-11-30-141][^romeinen-11-30-142][^romeinen-11-30-143] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v30)

**31** Zo zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.[^romeinen-11-31-144][^romeinen-11-31-145][^romeinen-11-31-146] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v31)

**32** [^romeinen-11-32-q] Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.[^romeinen-11-32-147][^romeinen-11-32-148][^romeinen-11-32-149] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v32)

**33** O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God[^romeinen-11-33-r], hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen![^romeinen-11-33-150][^romeinen-11-33-151][^romeinen-11-33-152][^romeinen-11-33-153] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v33)

**34** [^romeinen-11-34-s] Want wie heeft de zin van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?[^romeinen-11-34-154][^romeinen-11-34-155] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v34)

**35** [^romeinen-11-35-t] Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?[^romeinen-11-35-156][^romeinen-11-35-157] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v35)

**36** [^romeinen-11-36-v] Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen.[^romeinen-11-36-158][^romeinen-11-36-159][^romeinen-11-36-160][^romeinen-11-36-161][^romeinen-11-36-162] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/11.html#v36)

[^romeinen-11-1-1]: Kanttekening 1: zeg dan: Dat is, wat ik tevoren gezegd heb van de verwerping van de Joden, daarmede wil ik niet zeggen dat God al de Joden zou hebben verstoten; gelijk iemand daaruit zou kunnen besluiten.
[^romeinen-11-1-a]: Verwijzing a: Jer. 31:37 . Jeremia 31:37 : Zo zegt YHWH: Als de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het gehele zaad van Israël verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt YHWH.
[^romeinen-11-1-2]: Kanttekening 2: Zijn volk: Dat is, de Joden, die Hij tot Zijn volk bijzonder had gekozen.
[^romeinen-11-1-3]: Kanttekening 3: Grieks, afgestoten; namelijk van die waardigheid, waar zij in gesteld waren, zodat zij de beloofde zegening in Christus niet meer zouden deelachtig zijn.
[^romeinen-11-1-b]: Verwijzing b: 2 Kor. 11:22 ; Fil. 3:5 . 2 Korinthiërs 11:22 : Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. Filippenzen 3:5 : Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër;
[^romeinen-11-1-4]: Kanttekening 4: een Israëliet: Dat is, een Jood van afkomst, en nochtans van God niet verstoten.
[^romeinen-11-1-5]: Kanttekening 5: uit het zaad van Abraham: Namelijk naar het vlees; en ook naar de genade van het verbond, dat God met Abraham en zijn zaad gemaakt heeft; Gen. 17:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
[^romeinen-11-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk de zoon van Jakob, uit Rachel, één van de aanzienlijkste stammen van Israël, uit welke ook de koning Saul gesproten is geweest, 1 Sam. 9:1 , en de koningin Esther; Esth. 2:5 . 1 Samuël 9:1 : Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held. Esther 2:5 : Er was een Joods man op de burg Susan, wiens naam was Mordechai, een zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, een man van Jemini;
[^romeinen-11-2-7]: Kanttekening 7: Zijn volk: Namelijk dat waarlijk Zijn volk was, niet naar het vlees alleen, maar ook naar de belofte.
[^romeinen-11-2-8]: Kanttekening 8: Zie vers 1 . Romeinen 11:1 : Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
[^romeinen-11-2-9]: Kanttekening 9: gekend heeft: Dat is, voor de Zijnen erkend en gekozen heeft; Matt. 7:23 ; Joh. 10:14 ; Rom. 8:29 ; 2 Tim. 2:19 ; 1 Petr. 1:2 , 1:20 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Johannes 10:14 : Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, de beelde Zijn Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. 2 Timotheüs 2:19 : Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 1 Petrus 1:20 : Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^romeinen-11-2-10]: Kanttekening 10: weet u niet: Dat is, ik meen dat u wel weet.
[^romeinen-11-2-11]: Kanttekening 11: van Elia: Grieks, in Elia (Ἠλίᾳ); dat is, in de geschiedenis van Elia, die beschreven wordt 1 Kon. 17 , en in de volgende hoofdstukken.
[^romeinen-11-2-12]: Kanttekening 12: Grieks, bejegent, ontmoet; namelijk met woorden.
[^romeinen-11-2-13]: Kanttekening 13: tegen Israël: Dit kan gevoegd worden, òf met het woord aanspreekt, òf met het woord zeggende; namelijk klagende over de afval van de Israëlieten.
[^romeinen-11-3-c]: Verwijzing c: 1 Kon. 19:10 . 1 Koningen 19:10 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de heirscharen; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
[^romeinen-11-3-14]: Kanttekening 14: Uw altaren: Dat is, die eertijds tot uw dienst en eer opgericht waren geweest.
[^romeinen-11-3-15]: Kanttekening 15: Grieks, ondergraven; dat is, met ondergraving omvergeworpen; 1 Kon. 19:10 , 19:14 . 1 Koningen 19:10 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de heirscharen; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 1 Koningen 19:14 : En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor YHWH, de God van de heirscharen; want de kinderen van Israël hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.
[^romeinen-11-3-16]: Kanttekening 16: zoeken mijn ziel: Dat is, zij staan naar mijn leven; Matt. 2:20 . Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^romeinen-11-4-17]: Kanttekening 17: het Goddelijk antwoord: Of, de goddelijke openbaring. Zie Matt. 2:12 , 2:22 ; Luk. 2:26 . Mattheüs 2:12 : En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in de droom, dat zij niet zouden terugkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weer naar hun land. Mattheüs 2:22 : Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea. Lukas 2:26 : En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, voordat hij de Christus van de Heer zou zien.
[^romeinen-11-4-d]: Verwijzing d: 1 Kon. 19:18 . 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft.
[^romeinen-11-4-18]: Kanttekening 18: zeven duizend: Dat is, enige duizenden. Hebreeuws. Gen. 33:3 ; Ps. 12:7 . Genesis 33:3 : En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam. Psalmen 12:7 : De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
[^romeinen-11-4-19]: Kanttekening 19: Dat is, mensen, waardoor ook zonder twijfel vrouwen waren.
[^romeinen-11-4-20]: Kanttekening 20: Dat is, doen overblijven, of gemaakt dat zij overgebleven zijn, door mijne genade hen behoudende dat zij niet in afgoderij gevallen zijn.
[^romeinen-11-4-21]: Kanttekening 21: de knie voor het beeld : Namelijk om godsdienstige of enige andere eer te bewijzen; Ex. 20:5 ; Fil. 2:10 . Exodus 20:5 : U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, YHWH uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^romeinen-11-4-22]: Kanttekening 22: Baäl niet gebogen hebben: Dit woord betekent iemand, die over anderen macht en gebied heeft, gelijk de man over de vrouw en een heer over zijn knecht; en met deze naam werd genaamd een afgod van de Babyloniërs, Moabieten en Samaritanen; Num. 22:41 ; 1 Kon. 16:31 , 16:32 ; 2 Kon. 10:26 ; Jer. 11:13 ; Hos. 2:12 , 2:16 . Numeri 22:41 : En het geschiedde 's morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste van het volk. 1 Koningen 16:31 : En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem. 1 Koningen 16:32 : En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. 2 Koningen 10:26 : En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze. Jeremia 11:13 : Want naar het getal uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken. Hosea 2:12 : En Ik zal over haar bezoeken de dagen van de Baäls, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt YHWH. Hosea 2:16 : En Ik zal de namen van de Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.
[^romeinen-11-5-e]: Verwijzing e: Rom. 9:27 . Romeinen 9:27 : En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal van de kinderen van Israël gelijk het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
[^romeinen-11-5-23]: Kanttekening 23: in deze tegenwoordige tijd: Namelijk van de prediking van het Evangelie.
[^romeinen-11-5-24]: Kanttekening 24: een overblijfsel geworden: Dat is, God heeft nog enige Joden laten overblijven, die het Evangelie niet verwerpen maar aannemen, en krachtiglijk geroepen zijn; die maar voor een overblijfsel tot overschot mogen gerekend worden, ten aanzien van de grote menigte dergenen, die het verwerpen en ongelovig blijven.
[^romeinen-11-5-25]: Kanttekening 25: naar de verkiezing van de genade: Dat is, de genadige verkiezing, namelijk die uit enkel genade van eeuwigheid ter zaligheid zijn gekozen, en in de tijd krachtiglijk geroepen; Rom. 8:30 . Romeinen 8:30 : En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
[^romeinen-11-6-f]: Verwijzing f: Deut. 9:4 . Deuteronomium 9:4 : Wanneer hen nu YHWH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De YHWH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen YHWH voor uw aangezicht uit de bezitting.
[^romeinen-11-6-26]: Kanttekening 26: door genade is: Namelijk dat deze tot de zaligheid uitverkoren en krachtiglijk geroepen zijn.
[^romeinen-11-6-27]: Kanttekening 27: zo is het niet meer: Of, zo is het gewisselijk niet.
[^romeinen-11-6-28]: Kanttekening 28: uit de werken: Dat is, uit de verdiensten of waardigheid van hun werken.
[^romeinen-11-6-29]: Kanttekening 29: anders is de genade: Namelijk zo het ware uit de werken alleen, of uit de genade en werken tezamen.
[^romeinen-11-6-30]: Kanttekening 30: geen genade meer; en: Namelijk omdat genade alle schuld, verdienste of waardigheid uitsluit, en daarmede niet kan bestaan; want genade is geen genade enigszins zo zij niet is genade alleszins; Rom. 4:4 . Romeinen 4:4 : Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
[^romeinen-11-6-31]: Kanttekening 31: geen genade meer; anders: Namelijk maar een verdiend loon. Dat is, zo is hun verkiezing en roeping niet uit genade geschied.
[^romeinen-11-6-32]: Kanttekening 32: geen werk meer: Dat is, geen verdienend werk.
[^romeinen-11-7-33]: Kanttekening 33: Wat dan: Namelijk zullen wij zeggen? gelijk Rom. 6:1 , en Rom. 7:7 , en Rom. 8:31. Dit is ene tegenwerping van iemand, die meent ongerijmd te zijn dat de Joden de gerechtigheid niet zouden verkrijgen, daar zij zozeer naar dezelfde trachten. Romeinen 6:1 : Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Romeinen 7:7 : Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren.
[^romeinen-11-7-34]: Kanttekening 34: Namelijk dit zullen wij zeggen.
[^romeinen-11-7-g]: Verwijzing g: Rom. 9:31 . Romeinen 9:31 : Maar Israël, die de wet van de rechtvaardigheid zocht, is tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen.
[^romeinen-11-7-35]: Kanttekening 35: Dat is, de Israëlieten, dat is, de meeste hoop derzelve, die naar het vlees alleen Israëlieten zijn; Rom. 9:31 ; 2 Kor. 11:22 . Romeinen 9:31 : Maar Israël, die de wet van de rechtvaardigheid zocht, is tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen. 2 Korinthiërs 11:22 : Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
[^romeinen-11-7-36]: Kanttekening 36: Dat is, dat hij tracht te verkrijgen door zijn werken, namelijk de gerechtigheid voor God en het eeuwige leven.
[^romeinen-11-7-37]: Kanttekening 37: de uitverkorenen: Grieks, de verkiezing heeft het verkregen; dat is, al de uitverkorenen onder de Israëlieten, ten aanzien en omdat zij uit genade zijn uitverkoren.
[^romeinen-11-7-38]: Kanttekening 38: de anderen: Namelijk die niet gekozen en krachtig geroepen zijn.
[^romeinen-11-7-39]: Kanttekening 39: verhard geworden: Grieks, vereeld. Zie Mark. 3:5 . Marcus 3:5 : En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
[^romeinen-11-8-h]: Verwijzing h: Jes. 29:10 . Jesaja 29:10 : Want YHWH heeft over u uitgegoten een geest van de diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.
[^romeinen-11-8-40]: Kanttekening 40: Dat is, gemoed.
[^romeinen-11-8-41]: Kanttekening 41: van de diepe slaap: Of, een knagende, prikkelende geest, gelijk het Griekse woord ook betekent. Maar het eerste komt met het Hebreeuwse woord Jes. 29:10 beter overeen. Jesaja 29:10 : Want YHWH heeft over u uitgegoten een geest van de diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.
[^romeinen-11-8-42]: Kanttekening 42: ogen om niet te zien: Dat is, die onbekwaam zijn om te zien.
[^romeinen-11-8-i]: Verwijzing i: Jes. 6:9 ; Ez. 12:2 ; Matt. 13:14 ; Mark. 4:12 ; Lukas 8:10 ; Joh. 12:40 ; Hand. 28:26 . Jesaja 6:9 : Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Ezechiël 12:2 : Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis. Mattheüs 13:14 : En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Marcus 4:12 : Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. Lukas 8:10 : En Hij zei: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. Johannes 12:40 : Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. Handelingen 28:26 : Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken.
[^romeinen-11-8-43]: Kanttekening 43: tot op de huidige dag: Deze woorden moeten gevoegd worden met het woord verhard, vers 7 . Zie ook 2 Kor. 3:15 . Romeinen 11:7 : Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. 2 Korinthiërs 3:15 : Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
[^romeinen-11-9-44]: Kanttekening 44: David zegt: Namelijk als een voorbeeld van Christus en van Christus profeterende.
[^romeinen-11-9-k]: Verwijzing k: Ps. 69:23 . Psalmen 69:23 : Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
[^romeinen-11-9-45]: Kanttekening 45: tafel worde: Dat is, al hun vermaak.
[^romeinen-11-9-46]: Kanttekening 46: tot een strik: Dat is, tot hun verderf; gelijk ook een val, waar wilde beesten mee gevangen worden, en een aanstoot, hetzelfde betekenen bij gelijkenis.
[^romeinen-11-9-47]: Kanttekening 47: tot een vergelding voor hen: Dat is, tot wat hun vergolden zal worden, dat is het eeuwig verderf.
[^romeinen-11-10-48]: Kanttekening 48: verkrom hun rug alle tijd: Hebreeuws, doet hun leden waggelen; dat is, dat hun conscientiën mogen beven en benauwd zijn; of beneemt hun hun kracht.
[^romeinen-11-11-49]: Kanttekening 49: Zo zeg ik dan: Of, zij dan, zeg ik, hebben zij, enz.
[^romeinen-11-11-50]: Kanttekening 50: vallen zouden: Namelijk in ongeloof, met het verwerpen van het Evangelie zonder hoop van bekering. Of, vervallen, verloren gaan, gelijk Openb. 18:2 . Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^romeinen-11-11-51]: Kanttekening 51: val is : Dat is de verwerping van het Evangelie van het merendeel onder hen.
[^romeinen-11-11-52]: Kanttekening 52: de zaligheid: Dat is, ene gelegenheid geweest, dat aan de heidenen het Evangelie is gepredikt, en dat zij daardoor tot de zaligheid geroepen en gebracht zijn.
[^romeinen-11-11-53]: Kanttekening 53: om hen: Namelijk de Joden, die het Evangelie niet aannemen.
[^romeinen-11-11-54]: Kanttekening 54: tot jaloërsheid te verwekken: Dat is, door het voorbeeld van de gelovige heidenen mogen opgewekt worden, om hetzelfde navolgende, het Evangelie mee aan te nemen en zich tot Christus te bekeren, en daardoor de zaligheid mee te verkrijgen. Want jaloërsheid is ook ene beweging van het gemoed, waardoor iemand een ander enig goed ziende hebben, dat hij niet heeft, met een ijver en lust wordt ontstoken om naar hetzelfde goed mee te trachten en dat te verkrijgen.
[^romeinen-11-12-55]: Kanttekening 55: hun val: Dat is, de ongelovigheid van de Joden en verwerping van het Evangelie. Zie vers 11 . Romeinen 11:11 : Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken.
[^romeinen-11-12-56]: Kanttekening 56: de rijkdom is: Dat is tot een rijke en overvloedige kennis van Christus en van het Evangelie gelegenheid gegeven heeft.
[^romeinen-11-12-57]: Kanttekening 57: van de wereld: Dat is, van de heidenen door de gehele wereld verstrooid, gelijk daarna verklaard wordt.
[^romeinen-11-12-58]: Kanttekening 58: hun vermindering: Dat is, dat zo weinigen onder hen het Evangelie hebben aangenomen, gelegenheid is geweest, dat hetzelfde zo rijk aan de heidenen is bediend geworden.
[^romeinen-11-12-59]: Kanttekening 59: hun volheid: Dat is, wanneer de Joden met grote hopen en menigte het Evangelie zullen aannemen, namelijk zal hetzelfde wezen de rijkdom van de heidenen.
[^romeinen-11-13-60]: Kanttekening 60: Want ik spreek tot u: Hij spreekt nu dat deel van de gemeente van Rome aan, dat uit de heidenen geroepen was.
[^romeinen-11-13-61]: Kanttekening 61: voor zoveel ik: Of, omdat; en daarom mijn dienst en vermaning bij de heidenen veel behoort te gelden.
[^romeinen-11-13-l]: Verwijzing l: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 ; Hand. 22:21 ; Gal. 1:16 ; Gal. 2:8 ; Ef. 3:8 ; 1 Tim. 2:7 ; 2 Tim. 1:11 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Efeziërs 3:8 : Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 1 Timotheüs 2:7 : Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid. 2 Timotheüs 1:11 : Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen;
[^romeinen-11-13-62]: Kanttekening 62: van de heidenen apostel ben: Namelijk voornamelijk; anders was hij ook gesteld om de Joden mee het Evangelie te verkondigen, gelijk hij ook gedaan heeft en hier nog doet.
[^romeinen-11-13-63]: Kanttekening 63: mijn bediening: Namelijk van het apostelschap.
[^romeinen-11-13-64]: Kanttekening 64: Grieks, verheerlijke; dat is, versiere die met dezelfde te bedienen in alle naarstigheid en getrouwheid om vele heidenen tot Christus te bekeren; dat een eer en sieraad is voor mijn dienst; Fil. 4:1 ; 1 Thess. 2:19 . Filippenzen 4:1 : Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heer, geliefden! 1 Thessalonicensen 2:19 : Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Bent u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^romeinen-11-14-65]: Kanttekening 65: mijn vlees: Dat is, mijne bloedverwanten, de Joden. Zie Gen. 29:14 ; Jes. 58:7 ; Rom. 9:3 . Genesis 29:14 : Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand. Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? Romeinen 9:3 : Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees;
[^romeinen-11-14-66]: Kanttekening 66: jaloërsheid verwekken: Zie de aantekeningen vers 11 . Romeinen 11:11 : Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken.
[^romeinen-11-14-67]: Kanttekening 67: Namelijk weinigen; zo hij wist dat de tijd nog niet was gekomen, dat zij met grote menigte zouden bekeerd worden.
[^romeinen-11-14-68]: Kanttekening 68: uit hen: Namelijk de Joden, die mijn vlees zijn.
[^romeinen-11-14-69]: Kanttekening 69: behouden mocht: Namelijk hen brengende door mijn dienst tot het geloof in Christus, door wie de zaligheid alleen verkregen wordt. Zie 1 Kor. 3:5 , en 1 Tim. 4:16 . 1 Korinthiërs 3:5 : Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heer aan een ieder gegeven heeft? 1 Timotheüs 4:16 : Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^romeinen-11-15-70]: Kanttekening 70: Dat is, van het merendeel van hen.
[^romeinen-11-15-71]: Kanttekening 71: Of, verwerping, verstoting; namelijk, om de verachting en verwerping van het Evangelie.
[^romeinen-11-15-72]: Kanttekening 72: de verzoening: Dat is, gelegenheid is geweest dat aan de heidenen het Evangelie, dat de bediening is van de verzoening, 2 Kor. 5:18 , is verkondigd geweest; Hand. 13:46 . 2 Korinthiërs 5:18 : En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. Handelingen 13:46 : Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelven van het eeuwige leven niet waard oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.
[^romeinen-11-15-73]: Kanttekening 73: van de wereld: Dat is, van de heidenen, die verre het merendeel van de wereld bewonen, en door de gehele wereld verstrooid zijn.
[^romeinen-11-15-74]: Kanttekening 74: de aanneming wezen: Namelijk tot de gemeente van Christus, wanneer de Joden met grote menigte zich tot Christus zullen bekeren.
[^romeinen-11-15-75]: Kanttekening 75: het leven uit de doden: Dit is een algemeen spreekwoord, waarmee te kennen gegeven wordt ene zeer grote verandering ten beste, alsof iemand dood zijnde opnieuw levend werd. Dat geschiedt door de predikatie van het Evangelie, waardoor degenen die dood waren, Ef. 2:1 , levend gemaakt worden; Joh. 6:68 ; Fil. 2:16 . Efeziërs 2:1 : En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Johannes 6:68 : Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heer, tot Wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven. Filippenzen 2:16 : Voorhoudende het woord van het leven, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gewerkt.
[^romeinen-11-16-76]: Kanttekening 76: de eerstelingen: Dat is, Abraham en de patriarchen van wie de Joden afkomstig waren. De apostel neemt hier ene gelijkenis van de eerste broden, die naar de wet opgeofferd werden, tot heiliging van de andere vruchten; Lev. 23:14 , 23:17 ; Num. 15:20 . Leviticus 23:14 : En u zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dienzelven dag, dat u de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen. Leviticus 23:17 : Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen YHWH. Numeri 15:20 : De eerstelingen uws deegs, een koek zult u tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer van de dorsvloer zult u dat offeren.
[^romeinen-11-16-77]: Kanttekening 77: heilig zijn: Dat is, tot het verbond behoren; 1 Kor. 7:14 . 1 Korinthiërs 7:14 : Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
[^romeinen-11-16-78]: Kanttekening 78: het deeg heilig : Dat is, de nakomelingen, die van hen afkomstig zijn, zo God het verbond gemaakt heeft niet alleen met hen, maar ook met hun zaad; Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^romeinen-11-16-79]: Kanttekening 79: de wortel heilig is: Dit is een andere gelijkenis, genomen van de bomen, om hetzelfde te verklaren; en worden daardoor ook de patriarchen verstaan, uit wie de Joden gesproten zijn.
[^romeinen-11-16-80]: Kanttekening 80: de takken heilig : Dat is, de Joden, die als takken van deze wortel zijn gesproten.
[^romeinen-11-17-81]: Kanttekening 81: enige van de takken: Dat is, enige ongelovige Joden. Van hier af vermaant de apostel de geroepen heidenen dat zij zich niet moeten beroemen tegen de verstoten Joden; maar toezien dat zij door hun voorbeeld mogen gewaarschuwd worden, om zich te wachten dat zij niet mee tot ongeloof vervallen, opdat hun hetzelfde ook niet overkome.
[^romeinen-11-17-82]: Kanttekening 82: afgebroken zijn: Namelijk van de wortel en stam; dat is, verstoten zijn van het verbond.
[^romeinen-11-17-83]: Kanttekening 83: Namelijk geroepen heidenen. De apostel spreekt hier aan het gehele lichaam van de geroepen heidenen, niet deze of gene in het bijzonder.
[^romeinen-11-17-84]: Kanttekening 84: een wilde olijfboom zijnde: Dat is, een spruit of ent, van een wilden olijfboom genomen, dat is, uit de heidenen, die een ongelovig volk waren.
[^romeinen-11-17-85]: Kanttekening 85: in derzelver plaats : Dat is, in plaats van de afgebroken takken, welke zijn de ongelovige Joden. Grieks, in dezelfde.
[^romeinen-11-17-86]: Kanttekening 86: zijt ingeent: Dat is, in de gemeente van God ingelijfd.
[^romeinen-11-17-87]: Kanttekening 87: van de wortel en van de vettigheid: Dat is, van het sap, dat uit de wortel voortkomt en zich verspreidt in de takken; welke hier ook vettigheid genaamd wordt. En worden daardoor verstaan de voordelen en beloften aan de Joden van God gedaan.
[^romeinen-11-17-88]: Kanttekening 88: van de olijfboom mee deelachtig zijt geworden: Dat is, van de Israëlietische gemeente.
[^romeinen-11-17-m]: Verwijzing m: Jer. 11:16 . Jeremia 11:16 : De YHWH had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om dezelfde aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.
[^romeinen-11-18-89]: Kanttekening 89: de takken: Dat is, de Joden, die om hun ongeloof nu afgebroken zijn, alsof u van nature deze genade waardiger was.
[^romeinen-11-18-90]: Kanttekening 90: u draagt de wortel niet: Namelijk zo zal u dit geantwoord worden, dat u gene oorzaak hebt te roemen tegen hen, omdat u een ent bent, die de wortel niet draagt, maar van dezelfde gedragen wordt.
[^romeinen-11-19-91]: Kanttekening 91: U zult dan zeggen: Dit is, dit zult u dan gedenken en zeggen, waarom u tegen hen zoudt mogen roemen.
[^romeinen-11-20-92]: Kanttekening 92: Het is wel: Dat is, het is zo, dit antwoordt de apostel.
[^romeinen-11-20-93]: Kanttekening 93: zij zijn door ongeloof afgebroken: Dat is, maar dit moet u daarbij weten en gedenken dat zij afgebroken zijn door hun ongelovigheid, waartoe u ook van nature bent genegen, en mee zoudt kunnen vervallen, zo u hun voorbeeld zoudt navolgen.
[^romeinen-11-20-94]: Kanttekening 94: u staat door het geloof: Dat is, zijt ingeënt en tot nog toe staande gebleven.
[^romeinen-11-20-95]: Kanttekening 95: Zijt niet hooggevoelende: Namelijk òf van enige uwe waardigheid, waarom u zoudt ingeëent zijn, òf van uwe krachten bij uzelven, om staande te blijven.
[^romeinen-11-20-96]: Kanttekening 96: Namelijk dat u niet mee in ongeloof valt en daardoor ook afgehouwen wordt. Deze vrees is een heilige zorgvuldigheid om in het geloof te volharden, die met de verzekering van de zaligheid wel kan bestaan; Fil. 2:12 . Filippenzen 2:12 : Zo dan, mijn geliefden, gelijk u altijd gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn aanwezigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven:
[^romeinen-11-21-97]: Kanttekening 97: de natuurlijke takken: Grieks, die naar de natuur zijn (φύσις); dat is, de Joden, die natuurlijkerwijze afkomstig zijn van de heilige vaders, met wie en hun zaad God Zijn verbond heeft opgericht, Gen. 17:7, en die in de Joodse gemeente geboren zijn.
[^romeinen-11-21-98]: Kanttekening 98: gespaard heeft: Namelijk maar uit Zijn gemeente en verbond verstoten.
[^romeinen-11-21-99]: Kanttekening 99: u niet spare: Namelijk die uit een wilden olijfboom genomen zijnde, als een vreemde tak ingeënt zijt, dat Hij u ook om dezelfde oorzaak niet verstote.
[^romeinen-11-22-100]: Kanttekening 100: Zie dan: Dat is, let dan wel in deze zaak op beide deze eigenschappen Gods, die zich daarin vertonen.
[^romeinen-11-22-101]: Kanttekening 101: de goedertierenheid: Of, goedaardigheid; dat is genade, barmhartigheid.
[^romeinen-11-22-102]: Kanttekening 102: de strengheid van God: Grieks, afsnijding, of afgesnedenheid, preciesheid, gelijk degenen, die straf zijn, hun woorden kort afsnijden; dat is, strenge rechtvaardigheid.
[^romeinen-11-22-103]: Kanttekening 103: over degenen: Dat is, over de Joden, die in ongeloof zijn gevallen, en daarom van God rechtvaardig zijn verstoten, namelijk om door hun voorbeeld vermaand en gewaarschuwd te worden, u te wachten dat u niet mee tot ongeloof vervalt, en zo ook met hen niet rechtvaardig verstoten wordt.
[^romeinen-11-22-104]: Kanttekening 104: over u: Namelijk die uit de heidenen genadig geroepen zijt, zonder enige uw waardigheid of verdienste; om daardoor vermaand te worden, dat u tegen de Joden niet behoort te roemen.
[^romeinen-11-22-105]: Kanttekening 105: als u in de goedertierenheid blijft: Dat is, in de stand van de genade en van het geloof, waarin u door de genade en goedertierenheid van God gesteld bent. Zie dergelijke wijze van spreken vers 31 . Romeinen 11:31 : Zo zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.
[^romeinen-11-22-106]: Kanttekening 106: De apostel spreekt hier ook van het gehele lichaam van de geroepen heidenen, gelijk vers 17 . Romeinen 11:17 : En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden,
[^romeinen-11-22-107]: Kanttekening 107: afgehouwen worden: Namelijk als onnutte takken; Joh. 15:2 , 15:6 . Dat is, verstoten worden. Johannes 15:2 : Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Johannes 15:6 : Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, zoals de rank, en is verdord; en men vergadert dezelfde, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
[^romeinen-11-23-n]: Verwijzing n: 2 Kor. 3:16 . 2 Korinthiërs 3:16 : Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
[^romeinen-11-23-108]: Kanttekening 108: zij, als zij: Namelijk de Joden, of het Joodse volk.
[^romeinen-11-23-109]: Kanttekening 109: ingeent worden: Dat is, wedergebracht worden tot de gemeente van God.
[^romeinen-11-23-110]: Kanttekening 110: weer in te enten: Dat is, hun verstokt hart te veranderen, hen met het geloof te begaven, en daardoor opnieuw als in de enten.
[^romeinen-11-24-111]: Kanttekening 111: Namelijk geroepen heidenen.
[^romeinen-11-24-112]: Kanttekening 112: afgehouwen bent uit de olijfboom: Namelijk niet om weggeworpen, maar om ingeënt te worden.
[^romeinen-11-24-113]: Kanttekening 113: die van nature wild was: Dat is, uit de heidenen, die van nature vreemd waren van de Testamenten van de beloften; Ef. 2:12 . Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^romeinen-11-24-114]: Kanttekening 114: tegen nature in de goede olijfboom ingeent: Namelijk van uwe afkomst, omdat u een wilde olijfboom was, en door een zonderlinge genade van God in de rechte of tamme olijfboom zijt ingeënt.
[^romeinen-11-24-115]: Kanttekening 115: deze, die natuurlijke takken zijn: Namelijk Joden, die van de vaderen, met wie God Zijn verbond gemaakt heeft, afkomstig zijn.
[^romeinen-11-24-116]: Kanttekening 116: hun eigen olijfboom geent worden: Namelijk waar zij van afgehouwen waren.
[^romeinen-11-25-o]: Verwijzing o: Lukas 21:24 . Lukas 21:24 : En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.
[^romeinen-11-25-117]: Kanttekening 117: deze verborgenheid onbekend zij: Dat is, deze zaak, die tot nog toe weinig bekend is geweest.
[^romeinen-11-25-118]: Kanttekening 118: wijs zijt: Dat is, laatdunkend of hoogmoedig in uwe ogen; Spreuk. 3:7 ; Rom. 12:16 . Spreuken 3:7 : Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
[^romeinen-11-25-119]: Kanttekening 119: de verharding: Dat is, de ongehoorzaamheid, gelijk vers 30 , 11:32 ; zie vers 7 . Romeinen 11:30 : Want zoals ook u eertijds voor God ongehoorzaam geweest bent, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaamheid van dezen; Romeinen 11:32 : Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. Romeinen 11:7 : Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
[^romeinen-11-25-120]: Kanttekening 120: voor een deel: Dat is, niet van alle Joden, maar van enige, hoewel zeer velen. Want daar is nog altijd enig overblijfsel behouden geweest, en daarna zullen zij zich met grote menigte bekeren.
[^romeinen-11-25-121]: Kanttekening 121: Israël gekomen is: Dat is, het Israëlietische volk, de Joden.
[^romeinen-11-25-122]: Kanttekening 122: de volheid van de heidenen: Dat is, het volle getal, of de menigte van de heidenen, en gelijk als het lichaam derzelve. Zie dergelijk vers 12 . Romeinen 11:12 : En als hun val de rijkdom is van de wereld, en hun vermindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
[^romeinen-11-25-123]: Kanttekening 123: ingegaan zijn: Namelijk door belijdenis van het Christelijke geloof in de gemeente van God.
[^romeinen-11-26-p]: Verwijzing p: Ps. 14:7 ; Jes. 27:9 ; Jes. 59:20 ; Jer. 31:31 ; idem v. 32 ; idem v. 33 ; idem v. 34 ; 2 Kor. 3:16 ; Hebr. 8:8 ; Hebr. 10:16 . Psalmen 14:7 : Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als YHWH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. Jesaja 27:9 : Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de gehele vrucht, dat Hij daarvan zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. Jesaja 59:20 : En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt YHWH. Jeremia 31:31 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Jeremia 31:32 : Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33 : Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broeder, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. 2 Korinthiërs 3:16 : Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. Hebreeën 8:8 : Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Hebreeën 10:16 : Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;
[^romeinen-11-26-124]: Kanttekening 124: zo zal: Dat is, alsdan, namelijk als de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
[^romeinen-11-26-125]: Kanttekening 125: geheel Israël: Dat is, niet enige weinigen, maar ene zeer grote menigte, en gelijk als de gehele Joodse natie.
[^romeinen-11-26-126]: Kanttekening 126: zalig worden: Namelijk door de predikatie van het Evangelie krachtig geroepen, en door het geloof gerechtvaardigd zijnde.
[^romeinen-11-26-127]: Kanttekening 127: De Verlosser zal uit Sion komen: Grieks, die uittrekt (ἥκω); namelijk iemand uit enige zwarigheid. Hebreeuws, Goël. Waardoor de Messias verstaan wordt, die, als een naaste bloedverwant van de Joden, hen uit het verderf zal trekken en verlossen.
[^romeinen-11-26-128]: Kanttekening 128: de goddeloosheden: Namelijk hen door de Geest van de wedergeboorte van dezelfde bekerende, en hen die vergevende.
[^romeinen-11-26-129]: Kanttekening 129: van Jakob: Dat is, van de Joden, die Jakobs nakomelingen zijn.
[^romeinen-11-27-130]: Kanttekening 130: hun een verbond van Mij: Namelijk de Joden, die daarom, zo dit verbond onveranderlijk en vast is, nog bekeerd zullen worden tot het geloof, opdat hun zonden daardoor mogen vergeven en weggenomen worden.
[^romeinen-11-28-131]: Kanttekening 131: Zo zijn zij wel: Dit is een antwoord op ene tegenwerping, dat het niet wel gelofelijk was dat de Joden opnieuw zouden aangenomen worden, omdat zij door het verwerpen van het Evangelie van God gehaat waren. De apostel bekent dat zij wel daarom gehaat waren, maar dat zij ook evenwel om een andere reden bemind waren, namelijk omdat zij afkomstig zijn van de vaderen, die God gekozen had tot Zijn volk.
[^romeinen-11-28-132]: Kanttekening 132: Dat is, van God gehaat.
[^romeinen-11-28-133]: Kanttekening 133: aangaande het Evangelie: Dat is, omdat zij nu tegenwoordig het Evangelie verwerpen en bestrijden.
[^romeinen-11-28-134]: Kanttekening 134: om uwentwil: Dat is, omdat zij u vanwege de belijdenis van het Evangelie haten en vervolgen, of opdat u, heidenen, in hun plaats zoudt geroepen en ingeënt worden.
[^romeinen-11-28-135]: Kanttekening 135: aangaande de verkiezing: Dat is, omdat God deze natie uit alle andere tot Zijn volk uitverkoren heeft, en nog onder haar Zijn uitverkorenen heeft.
[^romeinen-11-28-136]: Kanttekening 136: Namelijk van God, dat is voor God aangenaam.
[^romeinen-11-28-137]: Kanttekening 137: vanwege de vaderen: Dat is om het verbond, dat God met Abraham en zijn nakomelingen en de andere patriarchen, van wie de Joden afkomstig zijn, gemaakt heeft; Gen. 17:7 . Genesis 17:7 : En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
[^romeinen-11-29-138]: Kanttekening 138: Dat is, zodanig, dat God van dezelfde geen berouw krijgt, dat is, onveranderlijk is; want bij de mensen ontstaat veranderen van voornemen daaruit, dat het hun berouwt zulk een voornemen genomen te hebben; 1 Sam. 15:29 ; 2 Kor. 7:10 . 1 Samuël 15:29 : En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou. 2 Korinthiërs 7:10 : Want het verdriet naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar het verdriet van de wereld werkt de dood.
[^romeinen-11-30-139]: Kanttekening 139: Namelijk geroepenen uit de heidenen.
[^romeinen-11-30-140]: Kanttekening 140: eertijds voor God: Namelijk eer Christus gekomen en u gepredikt is geweest.
[^romeinen-11-30-141]: Kanttekening 141: ongehoorzaam geweest zijt: Namelijk niet gelovende Zijn woord en niet houdende Zijn geboden.
[^romeinen-11-30-142]: Kanttekening 142: barmhartigheid verkregen hebt: Dat is, uit enkele barmhartigheid van God, door de predikatie van het Evangelie, tot het geloof geroepen zijt.
[^romeinen-11-30-143]: Kanttekening 143: door deze ongehoorzaamheid: Dat is, bij gelegenheid dat de Joden het Evangelie ongehoorzaam zijn geweest, heeft God het Evangelie tot u laten komen, vers 11 . Ongehoorzaamheid is meer dan ongelovigheid, want het betekent ene hardnekkigheid van niet te willen geloven. Romeinen 11:11 : Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken.
[^romeinen-11-31-144]: Kanttekening 144: nu ongehoorzaam geweest: Namelijk nadat Christus gekomen en u gepredikt is.
[^romeinen-11-31-145]: Kanttekening 145: door uw barmhartigheid zouden: Namelijk die u geschied is, dat is, door de krachtige roeping en het geloof, dat God u, heidenen, uit enkel barmhartigheid en genade gegeven heeft.
[^romeinen-11-31-146]: Kanttekening 146: barmhartigheid verkrijgen: Namelijk aanmerkende de barmhartigheid, die de heidenen geschied is, en hun geloof, door dezelfde genade zouden opgewekt worden, om hun voorbeeld te volgen, en zo mee derzelver barmhartigheid van God deelachtig te worden.
[^romeinen-11-32-q]: Verwijzing q: Gal. 3:22 . Galaten 3:22 : Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.
[^romeinen-11-32-147]: Kanttekening 147: allen onder de ongehoorzaamheid: Namelijk zo Joden als heidenen.
[^romeinen-11-32-148]: Kanttekening 148: Of, gelijk als tezamen gebonden.
[^romeinen-11-32-149]: Kanttekening 149: allen zou barmhartig zijn: Dat is, opdat allen, zo Joden als heidenen, zalig gemaakt zouden worden alleen uit Gods barmhartigheid en genade, en niet uit hun verdiensten. Zodat het woord allen niet verstaan wordt van een ieder mens in het bijzonder, want dat geschiedt niet; maar van allen, die uit de Joden of heidenen zalig worden; namelijk dat niemand van hen zalig wordt dan uit barmhartigheid. Zie Joh. 12:32 ; Gal. 3:22 . Johannes 12:32 : En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. Galaten 3:22 : Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.
[^romeinen-11-33-r]: Verwijzing r: Ps. 36:7 . Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten.
[^romeinen-11-33-150]: Kanttekening 150: O diepte van de rijkdom: Dat is, zeer overvloedige verborgenheid van de geestelijke wijsheid.
[^romeinen-11-33-151]: Kanttekening 151: Niet die God in ons werkt, maar die in God zelf is, door welke Hij alles wijselijk overlegt en bestuurt.
[^romeinen-11-33-152]: Kanttekening 152: Zijn oordelen: Dat is, Zijn wijze die Hij houdt in het beschikken en besturen van de verkiezing en verwerping van de mensen.
[^romeinen-11-33-153]: Kanttekening 153: Zijn wegen: Dat is, Zijn redenen, waarom Hij dus of zo doet.
[^romeinen-11-34-s]: Verwijzing s: Jes. 40:13 ; 1 Kor. 2:16 . Jesaja 40:13 : Wie heeft de Geest van YHWH bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? 1 Korinthiërs 2:16 : Want wie heeft de zin van de Heer gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
[^romeinen-11-34-154]: Kanttekening 154: de zin van de Heer: Of, mening, gedachten, voornemen, raad.
[^romeinen-11-34-155]: Kanttekening 155: Namelijk die Hem raad zou gegeven hebben, hoe en aan wie Hij de zaligheid tot Zijn meeste eer zou teweegbrengen; niemand namelijk dan Hij zelf, naar Zijn oneindelijke wijsheid.
[^romeinen-11-35-t]: Verwijzing t: Job 41:2 . Job 41:2 : Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de gansen hemel is, is het Mijne.
[^romeinen-11-35-156]: Kanttekening 156: eerst gegeven: Of, tevoren gegeven; dat is, eerst iets goeds gehad of gedaan tot Gods eer, waardoor God aan hem zou verplicht zijn.
[^romeinen-11-35-157]: Kanttekening 157: wedervergolden worden: Namelijk naar verdienste; te weten, zo er iemand is, die voor God eerst gegeven heeft. Waarmee hij wil tonen dat zo God niemand schuldig is ene vergelding te geven, dat dan de zaligheid niet uit verdienste, maar uit genade van Hem gegeven wordt; Ps. 16:2 . Psalmen 16:2 : O mijn ziel! u hebt tot YHWH gezegd: U bent YHWH, mijn goedheid raakt niet tot U;
[^romeinen-11-36-v]: Verwijzing v: Spreuk. 16:4 ; 1 Kor. 8:6 . Spreuken 16:4 : De YHWH heeft alles gewrocht om Zijn Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad. 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^romeinen-11-36-158]: Kanttekening 158: uit Hem: Namelijk als de eerste oorzaak, die alles naar Zijn wijzen raad schikt en ordineert.
[^romeinen-11-36-159]: Kanttekening 159: door Hem: Namelijk als die alles, wat de mens ter zaligheid nodig is, werkt en wat naar Zijn wijzen raad bestemd is, krachtig uitvoert.
[^romeinen-11-36-160]: Kanttekening 160: tot Hem: Namelijk als tot het uiterste einde, tot wiens eer alles moet strekken en gebracht worden; Spreuk. 16:4 . Spreuken 16:4 : YHWH heeft alles gewrocht om Zijn Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad.
[^romeinen-11-36-161]: Kanttekening 161: alle dingen: Namelijk die niet alleen de schepping, onderhouding en regering van alle schepselen, maar voornamelijk die de zaligmaking van de mensen aangaan, waarvan hier in het bijzonder gehandeld wordt.
[^romeinen-11-36-162]: Kanttekening 162: Van dit woord, zie Matt. 6:13 . Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen.

### Romeinen 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/12.json)

*1 Nadat de apostel tot zover in de voorgaande hoofdstukken de voornaamste leerstukken van de christelijke godsdienst behandeld heeft, begint hij nu, volgens zijn gebruikelijke orde in vrijwel al zijn brieven, het deel van deze brief dat bestaat uit vermaningen tot een godzalig christelijk leven, waarvan de eerste is dat wij onszelf aan God opofferen en de wereld niet gelijkvormig worden. 3 Daarna vermaant hij ernstig en in het bijzonder hen die in de gemeente openbare diensten en bijzondere gaven hadden, dat zij zich op hun diensten of gaven niet verhovaardigen, maar die tot de meeste stichting van de gemeente trouw bedienen en besteden, 6 zo de leraars van het woord, 8 als de ouderlingen en diakenen. 9 Hij voegt daarbij verscheidene vermaningen tot allerlei christelijke deugden, zoals oprechte broederlijke liefde, 11 vurige ijver tot Gods eer, 12 lijdzaamheid, bidden, hoop, 13 mededeelzaamheid, 14 zachtmoedigheid, 15 medelijden, 16 eendrachtigheid, nederigheid, 17 verdraagzaamheid, 18 vreedzaamheid, 19 het afleggen van wraakgierigheid, 20 liefde voor de vijanden 21 en standvastigheid in het goede.*

**1** [^romeinen-12-1-1] Ik bid u dan, broeders,[^romeinen-12-1-2] door de ontfermingen van God,[^romeinen-12-1-a] dat u[^romeinen-12-1-3] uw lichamen[^romeinen-12-1-4][^romeinen-12-1-b] stelt tot[^romeinen-12-1-5] een levende,[^romeinen-12-1-6] heilige[^romeinen-12-1-7] en voor God welbehagelijke offergave, dat[^romeinen-12-1-8] is uw redelijke godsdienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v1)

**2** [^romeinen-12-2-c] En wordt[^romeinen-12-2-9] deze wereld[^romeinen-12-2-10] niet gelijkvormig; maar[^romeinen-12-2-11] wordt veranderd door de vernieuwing van[^romeinen-12-2-12] uw[^romeinen-12-2-d] gemoed, opdat u mag[^romeinen-12-2-13] beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte[^romeinen-12-2-14] wil van God zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v2)

**3** Want door[^romeinen-12-3-15] de genade,[^romeinen-12-3-e] die mij gegeven is,[^romeinen-12-3-16] zeg ik[^romeinen-12-3-17] een ieder die onder u is,[^romeinen-12-3-f] dat hij niet[^romeinen-12-3-18] wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij[^romeinen-12-3-19] wijs zij tot[^romeinen-12-3-20] matigheid, zoals[^romeinen-12-3-21][^romeinen-12-3-g] God[^romeinen-12-3-22] ieder[^romeinen-12-3-23] de mate van het[^romeinen-12-3-24] geloof gedeeld heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v3)

**4** [^romeinen-12-4-25] Want[^romeinen-12-4-h] zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v4)

**5** [^romeinen-12-5-i] Zo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkaars leden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v5)

**6** [^romeinen-12-6-26] Hebbende nu[^romeinen-12-6-k] verscheidene[^romeinen-12-6-27] gaven, naar de genade, die ons gegeven is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v6)

**7** [^romeinen-12-7-28] Zo laat ons die[^romeinen-12-7-29][^romeinen-12-7-l] gaven besteden, hetzij profetie,[^romeinen-12-7-30] naar de mate van[^romeinen-12-7-m] het geloof;[^romeinen-12-7-31] hetzij bediening, in het bedienen; hetzij[^romeinen-12-7-32] die leert, in het leren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v7)

**8** Hetzij[^romeinen-12-8-33] die vermaant, in het vermanen;[^romeinen-12-8-34] die uitdeelt,[^romeinen-12-8-35][^romeinen-12-8-n] in eenvoud;[^romeinen-12-8-36] die een voorstander is, in ijver;[^romeinen-12-8-37] die barmhartigheid doet,[^romeinen-12-8-38][^romeinen-12-8-o] in blijmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v8)

**9** [^romeinen-12-9-39] De liefde zij[^romeinen-12-9-40] ongeveinsd.[^romeinen-12-9-p] Heb[^romeinen-12-9-41] een afkeer van het boze, en[^romeinen-12-9-42] hangt het goede aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v9)

**10** [^romeinen-12-10-q] Heb elkaar[^romeinen-12-10-43] hartelijk lief met[^romeinen-12-10-44] broederlijke liefde.[^romeinen-12-10-r] Ga elkaar voor in eerbetoon[^romeinen-12-10-45]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v10)

**11** Wees niet[^romeinen-12-11-46] traag[^romeinen-12-11-47] in het beijveren.[^romeinen-12-11-48] Wees vurig van geest.[^romeinen-12-11-49] Dient de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v11)

**12** [^romeinen-12-12-50][^romeinen-12-12-s] Verblijd u[^romeinen-12-12-51] in de hoop.[^romeinen-12-12-t] Bent geduldig[^romeinen-12-12-v] in de verdrukking. Volhard in het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v12)

**13** [^romeinen-12-13-52][^romeinen-12-13-x] Deel mee tot de behoeften[^romeinen-12-13-53] van de[^romeinen-12-13-54][^romeinen-12-13-y] heiligen. Tracht naar gastvrijheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v13)

**14** [^romeinen-12-14-z] Zegen hen, die u vervolgen;[^romeinen-12-14-55] zegen en[^romeinen-12-14-56] vervloekt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v14)

**15** [^romeinen-12-15-57] Verblijd u met de blijden; en weent met de wenenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v15)

**16** [^romeinen-12-16-a] Wees[^romeinen-12-16-58] eensgezind onder elkaar.[^romeinen-12-16-b] Tracht niet naar[^romeinen-12-16-59] de hoge dingen,[^romeinen-12-16-60] maar voegt u[^romeinen-12-16-61] tot de nederige.[^romeinen-12-16-62] Wees niet wijs bij uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v16)

**17** [^romeinen-12-17-63][^romeinen-12-17-c] Vergeld niemand kwaad voor kwaad.[^romeinen-12-17-64][^romeinen-12-17-d] Bezorg wat eerlijk is[^romeinen-12-17-65] voor alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v17)

**18** [^romeinen-12-18-e] Als het[^romeinen-12-18-66] mogelijk is,[^romeinen-12-18-67] zoveel in u is, houdt vrede met[^romeinen-12-18-68] alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v18)

**19** [^romeinen-12-19-f] Wreek uzelf niet, geliefden, maar[^romeinen-12-19-69] geeft de toorn plaats; want er is geschreven:[^romeinen-12-19-g] Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v19)

**20** [^romeinen-12-20-h] Als dan[^romeinen-12-20-70] uw vijand[^romeinen-12-20-71] hongert, zo[^romeinen-12-20-72] spijzigt hem; als hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult u[^romeinen-12-20-73] kolen vuurs op zijn hoofd hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v20)

**21** Wordt[^romeinen-12-21-74] van het kwade niet[^romeinen-12-21-75] overwonnen, maar[^romeinen-12-21-76] overwint het kwade[^romeinen-12-21-77] door het goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/12.html#v21)

[^romeinen-12-1-1]: Kanttekening 1: bid u dan, broeders: Of, ik vermaan.
[^romeinen-12-1-2]: Kanttekening 2: door de ontfermingen Gods: Dat is, omdat dan God ons zo veelvoudige barmhartigheid in Christus heeft betoond, gelijk in het voorgaande geleerd is, dat het woord dan aanwijst.
[^romeinen-12-1-a]: Verwijzing a: 1 Petr. 2:5 . 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^romeinen-12-1-3]: Kanttekening 3: uw lichamen: Dat is, uzelven, geheel een Hebreeuwse manier van spreken, waardoor een deel voor het geheel genomen wordt; gelijk hetzelfde uitgelegd wordt 1 Thess. 5:23 . 1 Thessalonicensen 5:23 : En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus.
[^romeinen-12-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, offert op; gelijk de offeranden voor de Heer werden aangeboden en voor Hem daargesteld en zo Hem toegeëigend.
[^romeinen-12-1-b]: Verwijzing b: Rom. 6:13 ; idem v. 16 . Romeinen 6:13 : En stelt uwe leden niet van de zonde tot wapenen van de ongerechtigheid; maar stelt uzelven voor God, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden voor God tot wapenen van de gerechtigheid. Romeinen 6:16 : Weet u niet, dat wie u uzelven stelt tot dienaren ter gehoorzaamheid, u dienaren bent van degene, die u gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
[^romeinen-12-1-5]: Kanttekening 5: een levende: Dat is, niet lichamelijk door slachting gedood, maar geestelijk door doding van de begeerlijkheden geslacht zijnde, om voor God te leven; Rom. 6:11 ; 2 Kor. 5:15 ; Kol. 3:3 , 3:5 . Romeinen 6:11 : Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer. 2 Korinthiërs 5:15 : Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Kolossensen 3:3 : Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Kolossensen 3:5 : Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
[^romeinen-12-1-6]: Kanttekening 6: Dat is, gelijk de beesten, die in het Oude Testament opgeofferd werden, zonder vlek of gebrek moesten zijn; Ex. 12:5 ; Lev. 1:10 ; Deut. 15:21 , dat zo wij ons afzonderen van alle onheiligheden. Exodus 12:5 : U zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. Leviticus 1:10 : En als zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. Deuteronomium 15:21 : Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u YHWH, uw God, niet offeren;
[^romeinen-12-1-7]: Kanttekening 7: voor God welbehagelijke offerande: Dat is, voortkomende uit een oprecht en verslagen hart door het geloof gereinigd, zonder welk God gene offeranden behagen; Jes. 1:11 , en Jes. 66:3 ; Jer. 6:20 , en Jer. 7:29 ; Hos. 6:6 ; Hebr. 11:4 , 11:6 . Jesaja 1:11 : Waartoe zal Mij zijn de veelheid uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jesaja 66:3 : Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie spijsoffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun verfoeiselen. Jeremia 6:20 : Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Jeremia 7:29 : Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef een weeklacht op de hoge plaatsen; want YHWH heeft het geslacht Zijn toorn verworpen en verlaten. Hosea 6:6 : Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandofferen. Hebreeën 11:4 : Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. Hebreeën 11:6 : Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.
[^romeinen-12-1-8]: Kanttekening 8: redelijke godsdienst: Dat is, een godsdienst, die niet bestaat in uiterlijk opofferen van onredelijke dieren, gelijk in het Oude Testament, maar in een geestelijk opofferen van redelijke mensen, dat is, van uzelven; Hebr. 13:15 ; 1 Petr. 2:5 . Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lofs, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^romeinen-12-2-c]: Verwijzing c: Joh. 2:15 . Johannes 2:15 : En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit de tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld van de wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om.
[^romeinen-12-2-9]: Kanttekening 9: van deze wereld: Grieks, van deze eeuw (αἰών); namelijk die in het boze gelegen is; 1 Joh. 5:19 . 1 Johannes 5:19 : Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
[^romeinen-12-2-10]: Kanttekening 10: niet gelijkvormig: Dat is, neemt niet aan de vorm of de gedaante van deze boze wereld. Hoedanig deze vorm nu was, beschrijft de apostel Rom. 13:13 ; Ef. 4:18 , 4:19 , en Petrus, 1 Petr. 4:3 , en Johannes, 1 Joh. 2:16 . Romeinen 13:13 : Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; Efeziërs 4:19 : Welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven. 1 Petrus 4:3 : Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen; 1 Johannes 2:16 : Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.
[^romeinen-12-2-11]: Kanttekening 11: wordt veranderd door de vernieuwing: Grieks, in vorm, of gedaante hersteld; niet naar lichaam, gelijk de poëten in hun fabelen dichten, somwijlen geschied te zijn, maar naar de ziel en krachten derzelve, namelijk naar het verstand en naar de wil en de genegenheden.
[^romeinen-12-2-12]: Kanttekening 12: Of, verstands. Zie Ef. 1:18 , en Ef. 2:3 , en Ef. 4:23 ; Kol. 1:21 . Efeziërs 1:18 : Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat u mag weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; Efeziërs 2:3 : Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen; Efeziërs 4:23 : En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, Kolossensen 1:21 : En Hij heeft u, die eertijds vervreemd was, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend,
[^romeinen-12-2-d]: Verwijzing d: Ef. 5:17 ; 1 Thes. 4:3 . Efeziërs 5:17 : Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil van de Heer zij. 1 Thessalonicensen 4:3 : Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u u onthoudt van de hoererij;
[^romeinen-12-2-13]: Kanttekening 13: Dat is, onderscheiden; of ene proeve geven door uw godzalig leven, dat u verstaat welke de goede wil van God zij.
[^romeinen-12-2-14]: Kanttekening 14: wil van God zij: Namelijk naar welke als de enige en volmaakten regel wij ons leven moeten aanstellen, die Hij in zijn Woord ons volkomen geopenbaard heeft.
[^romeinen-12-3-15]: Kanttekening 15: de genade: Dat is, naar het ambt van het apostelschap, dat mij uit genade bevolen is, en naar het gezag, dat mij als een apostel en gezant Gods van hem gegeven is.
[^romeinen-12-3-e]: Verwijzing e: Rom. 1:5 . Romeinen 1:5 : (Door Welke wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam;
[^romeinen-12-3-16]: Kanttekening 16: zeg ik een: Dat is, Ik gebied.
[^romeinen-12-3-17]: Kanttekening 17: Namelijk die enige openbare bediening, of bijzondere gave heeft; Deut. 29:29 ; Spreuk. 25:27 ; Pred. 7:16 . Deuteronomium 29:29 : De verborgen dingen zijn voor YHWH, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet. Spreuken 25:27 : Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer. Prediker 7:16 : Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt u verwoesting over u brengen?
[^romeinen-12-3-f]: Verwijzing f: Ef. 4:7 . Efeziërs 4:7 : Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^romeinen-12-3-18]: Kanttekening 18: wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn: Grieks, overwijs zij; namelijk boven zijn begrip of beroeping. Of, zich niet late voorstaan, dat bij hem overvloediger wijsheid is dan bij andere.
[^romeinen-12-3-19]: Kanttekening 19: wijs zij tot: Namelijk in goddelijke zaken; want die mogen en moeten ook van ons met eerbieding en aandachtige naarstigheid onderzocht worden.
[^romeinen-12-3-20]: Kanttekening 20: Namelijk van het verstand of van de wetenschap; gelijk het Griekse woord medebrengt; zich tevreden houdende met kennis van de dingen, die ter zaligheid nodig of dienstig zijn.
[^romeinen-12-3-21]: Kanttekening 21: Dat is, gedenkende dat het God is, die de kennis, die u hebt, u gegeven heeft, 1 Kor. 7:17 , en dat u daarom u niet over dezelfde moet verhovaardigen. 1 Korinthiërs 7:17 : Maar gelijk God aan een iedereen heeft uitgedeeld, gelijk de Heer een iedereen geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten.
[^romeinen-12-3-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 12:11 ; Ef. 4:7 . 1 Korinthiërs 12:11 : Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iedereen in het bijzonder, zoals Hij wil. Efeziërs 4:7 : Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^romeinen-12-3-22]: Kanttekening 22: een iedereen: Dat is, gedenkende ook dat u die kennis alleen niet hebt, maar dat dezelfde, en dikwijl ook nog meerder, aan anderen is medegedeeld.
[^romeinen-12-3-23]: Kanttekening 23: de mate van het geloof: Dat is, naar het deel, dat elk van de gelovigen van God uitgedeeld is. Want er is niemand, die een volmaakte kennis van alles heeft, maar de ene heeft mindere, de andere meerdere; 1 Kor. 7:7 , en 1 Kor. 13:9 ; Ef. 4:7 . 1 Korinthiërs 7:7 : Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 1 Korinthiërs 13:9 : Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Efeziërs 4:7 : Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^romeinen-12-3-24]: Kanttekening 24: gedeeld heeft: Namelijk als een huisvader, die elk zijn huisgenoten zijn deel uitdeelt, de één wat meerder, de ander wat minder, de één dit, de ander wat anders.
[^romeinen-12-4-25]: Kanttekening 25: Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben: Dit verklaart hij met de gelijkenis van een lichaam en van zijn ledematen; waarmee hij bewijst, dat al de diensten en gaven, die het ene of het andere lidmaat van de gemeente heeft, volgens de gemeenschap van de heiligen, tot algemene stichting van het gehele lichaam van de gemeente moeten besteed worden. Zie van deze gelijkenis ook 1 Kor. 10:17 , en 1 Kor. 12:12 , enz; Ef. 4:12 , 4:16 , 4:25 , en Ef. 5:30 ; Kol. 2:19 , en Kol. 3:15 . 1 Korinthiërs 10:17 : Want een brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen eens broods deelachtig zijn. 1 Korinthiërs 12:12 : Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, zo ook Christus. Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 4:16 : Uit Welke het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van een iedereen deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Efeziërs 4:25 : Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iedereen met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden. Efeziërs 5:30 : Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Kolossensen 2:19 : En het Hoofd niet behoudende, uit dat het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom. Kolossensen 3:15 : En de vrede van God heerse in uw harten, tot welke u ook geroepen bent in een lichaam; en weest dankbaar.
[^romeinen-12-4-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 12:27 ; Ef. 1:23 ; Ef. 4:16 ; Ef. 5:23 ; Kolos. 1:24 . 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Efeziërs 1:23 : Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Van Degene, Die alles in allen vervult. Efeziërs 4:16 : Uit Welke het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van een iedereen deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde. Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. Kolossensen 1:24 : Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^romeinen-12-5-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 12:4 ; 2 Kor. 10:13 ; 1 Petr. 4:10 . 1 Korinthiërs 12:4 : En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest; 2 Korinthiërs 10:13 : Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat van de regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 1 Petrus 4:10 : Een iedereen, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God.
[^romeinen-12-6-26]: Kanttekening 26: Hebbende nu verscheidene: Namelijk sommige buitengewone, van welke de apostel handelt 1 Kor. 12:14 , sommige gewone, van welke hier voornamelijk gehandeld wordt; die ook verscheiden zijn, gelijk hierna verklaard wordt. 1 Korinthiërs 12:14 : Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden.
[^romeinen-12-6-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 12:4 . 1 Korinthiërs 12:4 : En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest;
[^romeinen-12-6-27]: Kanttekening 27: Grieks, Charismata (χαρίσματα); zo worden de bedieningen en de gaven daartoe nodig genaamd, omdat zij van God de mensen uit genade geschonken worden.
[^romeinen-12-7-28]: Kanttekening 28: Zo laat ons die gaven besteden : Anderen vervullen dit aldus, hetzij profetie, zo laat ons wijs zijn naar de mate van het geloof, enz.
[^romeinen-12-7-29]: Kanttekening 29: Dat is, de gave of beroeping om te profeteren; waardoor verstaan wordt de gave niet zozeer om toekomende dingen te voorzeggen, gelijk gehad hebben de profeten van het Oude Testament, en in het Nieuwe Agabus, Paulus, Petrus, Johannes en anderen, gelijk dit woord genomen wordt 1 Kor. 12:28 ; Ef. 4:11 , als van het recht verstand van de Heilige Schrift uit te leggen en tot vertroosting en vermaning de gemeente toe te passen. Zie 1 Kor. 14:1 , 14:3 . 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; 1 Korinthiërs 14:1 : Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat u mag profeteren. 1 Korinthiërs 14:3 : Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting.
[^romeinen-12-7-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 12:10 . 1 Korinthiërs 12:10 : En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^romeinen-12-7-30]: Kanttekening 30: de mate van het geloof: Grieks, analogian; waardoor verstaan wordt, òf de mate van kennis, die iemand van God gegeven is, gelijk vers 3 , en Ef. 4:7 , òf de gelijkmatigheid en overeenkomstig van de hoofdstukken van de Christelijke leer, duidelijk uitgedrukt in Gods Woord en in de artikelen van het geloof, die als een regel zijn, naar welke alle uitleggingen van de Heilige Schrift moeten gedaan worden. Romeinen 12:3 : Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iedereen, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iedereen de mate van het geloof gedeeld heeft. Efeziërs 4:7 : Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^romeinen-12-7-m]: Verwijzing m: 1 Petr. 4:10 ; idem v. 11 . 1 Petrus 4:10 : Een iedereen, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God. 1 Petrus 4:11 : Als iemand spreekt, die spreke als de woorden van God; als iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welke toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.
[^romeinen-12-7-31]: Kanttekening 31: bediening, in het bedienen: Grieks, diakonian (διακονίαν); welk woord hier in het algemeen genomen wordt voor de bedieningen, die hierna in bijzondere soorten afgedeeld worden. Zie Hand. 1:17 ; 1 Kor. 12:5 . Handelingen 1:17 : Want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen. 1 Korinthiërs 12:5 : En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer;
[^romeinen-12-7-32]: Kanttekening 32: die leert, in het leren: Dat is, die geroepen is om een leraar te zijn; welke leraars, zo zij hier van de Vermaners onderschieden worden; zo menen sommigen dat hierdoor in het bijzonder verstaan worden degenen, die voornamelijk geroepen zijn om de Christelijke leer te verklaren, en dezelfde tegen de valse leraars en tegensprekers te verdedigen.
[^romeinen-12-8-33]: Kanttekening 33: die vermaant, in het vermanen: Of, vertroost; waardoor verstaan kunnen worden de leraars, die voornamelijk geroepen zijn om de Christelijke leer van de gemeente toe te passen tot vermaning en vertroosting; die anders herders genaamd worden; Jer. 3:15 , en Jer. 23:4 ; Zach. 10:2 ; Ef. 4:11 ; 1 Petr. 5:2 , 5:4 . Jeremia 3:15 : En Ik zal u herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand. Jeremia 23:4 : En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt YHWH. Zacharia 10:2 : Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; 1 Petrus 5:2 : Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuil winst, maar met een volvaardig gemoed; 1 Petrus 5:4 : En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^romeinen-12-8-34]: Kanttekening 34: die uitdeelt: Dat is, die geroepen is, om de aalmoezen en collecten van de gemeente te vergaderen, en aan de armen, naar hun nood, uit te delen, die bijzonderlijk diakenen genoemd worden. Zie van dezelfde Hand. 6 .
[^romeinen-12-8-35]: Kanttekening 35: in eenvoudigheid: Namelijk van het hart; niet straf of hoogmoedig zijnde tegen de armen, niet uit gunst of nijd gevende; maar met een medelijdend en eenvoudig hart hun nood aanziende, en hen naar dezelfde getrouwelijk bijstaande.
[^romeinen-12-8-n]: Verwijzing n: Matt. 6:1 ; idem v. 2 ; idem v. 3 . Mattheüs 6:1 : Hebt acht, dat u uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 6:2 : Wanneer u dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg. Mattheüs 6:3 : Maar als u aalmoes doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet;
[^romeinen-12-8-36]: Kanttekening 36: die een voorstander is: Of, die over anderen gesteld is. Waardoor verstaan kunnen worden de ouderlingen, die in het Woord niet arbeiden, 1 Tim. 5:17 , maar met de herders opzicht hebben over de gemeente, om haar te regeren en in Christelijken vrede en tuchtte houden; die anders genaamd worden regeringen; 1 Kor. 12:28 . 1 Timotheüs 5:17 : Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^romeinen-12-8-37]: Kanttekening 37: die barmhartigheid doet: Daardoor kan verstaan worden een zekere soort van diakenen en diakonessen, die bijzondere opzicht en bediening hadden over de zieken, ballingen en vreemdelingen, 1 Tim. 5:9 , dat één van de bijzondere werken van de barmhartigheid is. 1 Timotheüs 5:9 : Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke van een man vrouw geweest zij;
[^romeinen-12-8-38]: Kanttekening 38: in blijmoedigheid: Dat is, met een gewillig en toegenegen hart, zonder zich die moeilijken dienst te laten verdrieten, of zich tegen de armen gemelijk te tonen.
[^romeinen-12-8-o]: Verwijzing o: Deut. 15:7 ; 2 Kor. 9:7 . Deuteronomium 15:7 : Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broeders, in een uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is; 2 Korinthiërs 9:7 : Een iedereen doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit verdriet, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.
[^romeinen-12-9-39]: Kanttekening 39: De liefde: Onder de Christelijke deugden wordt deze vooraan gesteld, omdat alle andere deugden daarin begrepen zijn, en met dezelfde vergezelschapt moeten worden; Rom. 13:8 , 13:9 , 13:10 ; 1 Kor. 13:2 ; 1 Tim. 1:5 . Romeinen 13:8 : Zijt niemand iets schuldig, dan elkaar lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. Romeinen 13:10 : De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling van de wet. 1 Korinthiërs 13:2 : En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. 1 Timotheüs 1:5 : Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.
[^romeinen-12-9-40]: Kanttekening 40: Dat is, bestaande niet alleen in woorden en uiterlijke gebaren, maar voornamelijk in een oprechte toegenegenheid van het hart; 1 Joh. 3:18 ; 1 Petr. 1:22 . 1 Johannes 3:18 : Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met de woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid. 1 Petrus 1:22 : Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart;
[^romeinen-12-9-p]: Verwijzing p: Ps. 97:10 ; Amos 5:15 . Psalmen 97:10 : U liefhebbers van YHWH! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijn gunstgenoten; Hij redt hen uit van de goddelozen hand. Amos 5:15 : Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal YHWH, de God van de heirscharen, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn.
[^romeinen-12-9-41]: Kanttekening 41: een afkeer van het boze: Hij vermaant het kwaad niet alleen te vluchten, maar ook als een gruwelijke zaak te haten; Ps. 139:22 . Psalmen 139:22 : Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
[^romeinen-12-9-42]: Kanttekening 42: hangt het goede aan: Grieks, kleeft aan (ἀγαθός), of wordt aangekleefd; namelijk gelijk als met lijm, vast aan het goede houdende, zonder daarvan afgetrokken te worden; 1 Kor. 6:16 , 6:17 . In deze twee stukken bestaat de gehele bekering van de mensen; Ps. 34:15 ; Jes. 1:16 . 1 Korinthiërs 6:16 : Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen. 1 Korinthiërs 6:17 : Maar die de Heer aanhangt, is een geest met Hem. Psalmen 34:15 : Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na. Jesaja 1:16 : Wast u, reinigt u, doet de boosheid uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
[^romeinen-12-10-q]: Verwijzing q: Ef. 4:1 ; 2 Hebr. 13:1 ; 1 Petr. 1:22 ; 1 Petr. 2:17 . Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Hebreeën 13:1 : Dat de broederlijke liefde blijve. 1 Petrus 1:22 : Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart; 1 Petrus 2:17 : Eert een iedereen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning.
[^romeinen-12-10-43]: Kanttekening 43: hartelijk lief: Het Griekse woord betekent zulke liefde, waarmee de ouders hun kinderen van nature liefhebben, welke is de grootste en heftigste.
[^romeinen-12-10-44]: Kanttekening 44: broederlijke liefde: Dat is, zulke als betaamt dengenen, die niet alleen van één vlees zijn, Jes. 58:7 , maar die ook door het geloof broeders zijn van éénen Vader in de hemelen; 1 Thess. 4:9 ; Hebr. 13:1 ; 1 Petr. 1:22 , en 1 Petr. 2:17 . Jesaja 58:7 : Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u u voor uw vlees niet verbergt? 1 Thessalonicensen 4:9 : Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. Hebreeën 13:1 : Dat de broederlijke liefde blijve. 1 Petrus 1:22 : Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart; 1 Petrus 2:17 : Eert een iedereen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning.
[^romeinen-12-10-r]: Verwijzing r: Fil. 2:3 ; 1 Petr. 5:5 . Filippenzen 2:3 : Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één de ander uitmuntender dan zichzelven. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^romeinen-12-10-45]: Kanttekening 45: Dat is, bejegent elkaar met alle burgerlijke eerbieding en beleefdheid naar de staat van een ieder, zonder te verwachten dat u eerst van uw broeder zo bejegend wordt.
[^romeinen-12-11-46]: Kanttekening 46: Of, lui.
[^romeinen-12-11-47]: Kanttekening 47: in het benaarstigen: Grieks, in de benaarstiging; dat is, in de werken van uw beroeping naarstiglijk waar te nemen.
[^romeinen-12-11-48]: Kanttekening 48: Zijt vurig van geest: Dat is, ijverig, niet lauw; Openb. 3:16 . Openbaring 3:16 : Zo dan, omdat u lauw bent, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
[^romeinen-12-11-49]: Kanttekening 49: Dient de Heer: Dat is, wilt als dienaren van de Heer vlijtig betrachten alles wat tot Zijn dienst en eer vereist wordt; Ps. 2:11 ; Ef. 6:7 . Anderen lezen in het Grieks voor Kyrio, dat is de Heer, Kairo, dat is de tijd; in zulken in gelijk Ef. 5:16 ; Kol. 4:5 . Psalmen 2:11 : Dient YHWH met vreze, en verheugt u met beving. Efeziërs 6:7 : Dienende met goedwilligheid de Heer, en niet de mensen; Efeziërs 5:16 : De tijd uitkopende, omdat de dagen boos zijn. Kolossensen 4:5 : Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, de bekwamen tijd uitkopende.
[^romeinen-12-12-50]: Kanttekening 50: Verblijdt u: In vers 12 worden drie middelen aangewezen om te gebruiken in tijd van kruis en tegenspoed. Romeinen 12:12 : Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.
[^romeinen-12-12-s]: Verwijzing s: Rom. 15:13 ; 1 Thes. 5:16 . Romeinen 15:13 : De God nu van de hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, door de kracht van de Heiligen Geestes. 1 Thessalonicensen 5:16 : Verblijdt u altijd.
[^romeinen-12-12-51]: Kanttekening 51: in de hoop: Namelijk van de verlossing en van de zaligheid.
[^romeinen-12-12-t]: Verwijzing t: Hebr. 10:36 ; Hebr. 12:1 ; Jak. 5:7 . Hebreeën 10:36 : Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen; Hebreeën 12:1 : Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Jakobus 5:7 : Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst van de Heer. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht van het land, lankmoedig zijnde over dezelfde, totdat het de vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.
[^romeinen-12-12-v]: Verwijzing v: Lukas 18:1 ; Ef. 6:18 ; Kolos. 4:2 ; 1 Thes. 5:17 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; Kolossensen 4:2 : Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelfde met dankzegging; 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^romeinen-12-13-52]: Kanttekening 52: Deelt mee tot de behoeften: Dat is, hebt ook mee uw deel in het geven tot onderhoud van de armen. Of, hebt gemeenschap aan de noden van de heiligen.
[^romeinen-12-13-x]: Verwijzing x: 1 Kor. 16:1 . 1 Korinthiërs 16:1 : Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook u zo.
[^romeinen-12-13-53]: Kanttekening 53: van de heiligen: Dat is, van de arme gebreklijdende Christenen.
[^romeinen-12-13-54]: Kanttekening 54: Tracht naar herbergzaamheid: Grieks, volgt of vervolgt de herbergzaamheid, jaagt haar na; gelijk Abraham en Loth deden; Gen. 18:1 , 18:2 en Gen. 19:1 , 19:2 . Genesis 18:1 : Daarna verscheen hem YHWH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. Genesis 18:2 : En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. Genesis 19:1 : En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. Genesis 19:2 : En hij zei: Ziet nu, mijne heren! keert toch in in het huis van uw knecht, en overnacht, en wast uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten.
[^romeinen-12-13-y]: Verwijzing y: Hebr. 13:2 ; 1 Petr. 4:9 . Hebreeën 13:2 : Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. 1 Petrus 4:9 : Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren.
[^romeinen-12-14-z]: Verwijzing z: Matt. 5:44 ; 1 Kor. 4:12 . Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;
[^romeinen-12-14-55]: Kanttekening 55: zegent en: Dit woord herhaalt nog eens om te tonen hoe nodig deze vermaning is.
[^romeinen-12-14-56]: Kanttekening 56: vervloekt niet: Namelijk gelijk gemeenlijk de vleselijke mensen doen; 1 Kor. 4:12 ; 1 Petr. 2:23 . 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 1 Petrus 2:23 : Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Die, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
[^romeinen-12-15-57]: Kanttekening 57: Verblijdt u met de blijden: Dat is, zo het uw naaste welgaat, dat hij oorzaak heeft om daarover blij te zijn, verblijdt u ook over zijn voorspoed; en zo hij daarentegen in ellende en tegenspoed is, en daarover bedroefd is, laat u ook zijn ellende ter hart gaan, alsof het uzelven aanging; 1 Kor. 12:26 ; Hebr. 13:3 . 1 Korinthiërs 12:26 : En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mee; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mee. Hebreeën 13:3 : Gedenkt van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld was.
[^romeinen-12-16-a]: Verwijzing a: Rom. 15:5 ; 1 Kor. 1:10 ; Fil. 2:2 ; Fil. 3:16 ; 1 Petr. 3:8 . Romeinen 15:5 : Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 1 Korinthiërs 1:10 : Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippenzen 2:2 : Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Filippenzen 3:16 : Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar deze regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 1 Petrus 3:8 : En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^romeinen-12-16-58]: Kanttekening 58: eensgezind onder elkaar: Dit wordt verstaan niet alleen van de enigheid van gevoelen en verstand in de hoofdstukken van de Christelijke leer, maar ook voornamelijk van de enigheid van de gemoederen en genegenheden tot elkaar.
[^romeinen-12-16-b]: Verwijzing b: Spreuk. 3:7 ; Jes. 5:21 . Spreuken 3:7 : Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Jesaja 5:21 : Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
[^romeinen-12-16-59]: Kanttekening 59: naar de hoge dingen: Namelijk die uw begrip, krachten of beroeping teboven gaan; of gevoelt niet, namelijk van uzelven, hoge dingen.
[^romeinen-12-16-60]: Kanttekening 60: maar voegt u: Het Griekse woord betekent zich van iemand mee laten leiden, dat is zich naar iemand voegen.
[^romeinen-12-16-61]: Kanttekening 61: tot de nederige: Namelijk dingen of zaken, gelijk hij tevoren hoge dingen heeft uitgedrukt, dat is, dingen die naar nederigheid zien.
[^romeinen-12-16-62]: Kanttekening 62: Zijt niet wijs bij uzelven: Zie vers 3 . Romeinen 12:3 : Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iedereen, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iedereen de mate van het geloof gedeeld heeft.
[^romeinen-12-17-63]: Kanttekening 63: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad: Hetzelfde leert ook Christus Matt. 5:39 . Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
[^romeinen-12-17-c]: Verwijzing c: Spreuk. 20:22 ; Matt. 5:39 ; 1 Kor. 6:7 ; 1 Thes. 5:15 . Spreuken 20:22 : Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op YHWH, en Hij zal u verlossen. Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; 1 Korinthiërs 6:7 : Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 1 Thessalonicensen 5:15 : Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen.
[^romeinen-12-17-64]: Kanttekening 64: Bezorgt wat eerlijk is: Dat is, bevlijtigt u om zorgvuldig te betrachten.
[^romeinen-12-17-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 8:21 ; 1 Petr. 2:12 . 2 Korinthiërs 8:21 : Als die bezorgen, wat eerlijk is, niet alleen voor de Heer, maar ook voor de mensen. 1 Petrus 2:12 : En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking.
[^romeinen-12-17-65]: Kanttekening 65: voor alle mensen: Dat is, in aanwezigheid niet alleen voor God, maar ook voor allerlei mensen, zowel voor de ongelovigen als voor de gelovigen; 2 Kor. 8:21 . 2 Korinthiërs 8:21 : Als die bezorgen, wat eerlijk is, niet alleen voor de Heer, maar ook voor de mensen.
[^romeinen-12-18-e]: Verwijzing e: Mark. 9:50 ; Hebr. 12:14 . Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar. Hebreeën 12:14 : Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal;
[^romeinen-12-18-66]: Kanttekening 66: mogelijk is: Namelijk dat het met goede consciëntie kan gedaan worden; of tenzij de boosheid van de mensen zo groot zij, dat het onmogelijk is met dezelfde vrede te houden.
[^romeinen-12-18-67]: Kanttekening 67: zoveel in u is: Dat is, dat u gene oorzaak van onvrede geeft, en aan uwe zijde alles toebrengt wat dienstig is om de vrede te houden of te maken.
[^romeinen-12-18-68]: Kanttekening 68: alle mensen: Namelijk niet alleen met de gelovigen, waartoe hij ons vermaant vers 16 , maar ook met de ongelovigen die buiten zijn. Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
[^romeinen-12-19-f]: Verwijzing f: Matt. 5:39 ; Lukas 6:29 . Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Lukas 6:29 : Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u de mantel neemt, verhindert ook de rok niet te nemen.
[^romeinen-12-19-69]: Kanttekening 69: geeft de toorn plaats: Sommigen verstaan dit van de toorn van de mensen, namelijk òf van degene, die verongelijkt is, dat hij zijn toorn over het ongelijk, hem aangedaan, plaats, dat is tijd, geve om te stillen: òf van degene, die ongelijk doet, dat men dezelfde niet tegensta om hem niet meer te verbitteren, maar zijn toorn wijke en zo plaats geve. Maar wat er volgt schijnt te vereisen dat dit moet verstaan worden van de toorn, dat is van de wraak Gods, die Hij doen zal over dengene, die ongelijk doet, welke wraak men plaats geeft als men voor God de wraak opgeeft.
[^romeinen-12-19-g]: Verwijzing g: Deut. 32:35 ; Hebr. 10:30 . Deuteronomium 32:35 : Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. Hebreeën 10:30 : Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer. En opnieuw: De Heer zal Zijn volk oordelen.
[^romeinen-12-20-h]: Verwijzing h: Spreuk. 25:21 ; Matt. 5:44 . Spreuken 25:21 : Als dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; Mattheüs 5:44 : Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
[^romeinen-12-20-70]: Kanttekening 70: uw vijand: Dat is, die zich vijandig tegen u gedraagt, niet die u haat of vijand bent, want dat betaamt de Christenen niet.
[^romeinen-12-20-71]: Kanttekening 71: Dat is, in enige nood is, en daarin uwe hulp van doen heeft; een deel voor het geheel genomen.
[^romeinen-12-20-72]: Kanttekening 72: spijzigt hem: Dat is, bewijs hem alle diensten van de liefde in zijn nood.
[^romeinen-12-20-73]: Kanttekening 73: kolen vuurs op zijn hoofd hopen: Dat is, u zult hem daarmede opwekken, om zijn ongelijk te kennen, hem daarvan te bekeren, en ophouden u meer kwaad te doen, gelijk iemand, die een kool vuur op zijn hoofd gelegd wordt, hetzelfde meteen gevoelt en afschudt, als hetzelfde niet kunnende verdragen.
[^romeinen-12-21-74]: Kanttekening 74: van het kwade niet: Dat is van het ongelijk, dat u aangedaan wordt.
[^romeinen-12-21-75]: Kanttekening 75: Namelijk om daardoor tot wraakgierigheid gebracht te worden.
[^romeinen-12-21-76]: Kanttekening 76: overwint het kwade: Dat is, neem weg, verbreek, verzacht.
[^romeinen-12-21-77]: Kanttekening 77: door het goede: Dat is, met lankmoedigheid en weldadigheid.

### Romeinen 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/13.json)

*1 De apostel vermaant verder de gelovigen zich aan de overheden met verschuldigde gehoorzaamheid te onderwerpen, omdat hun roeping van God is, en dat zij die dat niet doen, daarmee zichzelf straffen over de hals halen en hun geweten bezeren. 6 En hij gebiedt dienovereenkomstig ook tol en belasting te betalen en alle eerbied te bewijzen. 8 Daarna vermaant hij hen tot het beoefenen van de broederlijke liefde, met een verhaal over de geboden van de tweede tafel van de wet. 11 Ten slotte vermaant hij hen, aangezien de nacht van de onwetendheid voorbij is en het licht van het Evangelie hun is verschenen, dat zij zich wachten voor dronkenschap, hoererij, haat, twist en dergelijke zonden, en naar de daartegen strijdende deugden trachten 14 en daartoe de Heere Christus aandoen en de verzorging van het vlees tot lusten afleggen.*

**1** [^romeinen-13-1-a] Alle[^romeinen-13-1-1] ziel zij[^romeinen-13-1-2] de machten,[^romeinen-13-1-3] over haar[^romeinen-13-1-4] gesteld, onderworpen;[^romeinen-13-1-b] want er is[^romeinen-13-1-5] geen macht[^romeinen-13-1-6] dan van God, en de machten,[^romeinen-13-1-7] die er zijn, die zijn van God[^romeinen-13-1-8] bestemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v1)

**2** Zo dat die zich[^romeinen-13-2-9] tegen de macht stelt, de instelling van God weerstaat; en die ze weerstaan, zullen over zichzelf[^romeinen-13-2-10] een oordeel[^romeinen-13-2-11] halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v2)

**3** Want[^romeinen-13-3-12] de oversten zijn niet[^romeinen-13-3-13] tot een vrees voor[^romeinen-13-3-14] de goede werken, maar voor[^romeinen-13-3-15] de kwade.[^romeinen-13-3-16] Wilt u nu de macht niet vrezen, doe het goede, en u zult[^romeinen-13-3-17] lof van haar hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v3)

**4** Want zij is[^romeinen-13-4-18] Gods dienares,[^romeinen-13-4-19] u ten goede. Maar als u[^romeinen-13-4-20] kwaad doet,[^romeinen-13-4-21] zo vrees; want zij[^romeinen-13-4-22] draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares,[^romeinen-13-4-23] een wreekster[^romeinen-13-4-24] tot straf degene, die kwaad doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v4)

**5** Daarom is[^romeinen-13-5-25] het nodig onderworpen te zijn, niet alleen[^romeinen-13-5-26] om de straffe, maar ook[^romeinen-13-5-27] omwille van het geweten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v5)

**6** Want[^romeinen-13-6-28] daarom[^romeinen-13-6-29] betaalt u ook[^romeinen-13-6-30] belastingen;[^romeinen-13-6-31] want zij[^romeinen-13-6-32] zijn[^romeinen-13-6-33] dienaren van God, in ditzelve[^romeinen-13-6-34] steeds bezig zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v6)

**7** [^romeinen-13-7-c] Zo[^romeinen-13-7-35] geeft dan[^romeinen-13-7-36] ieder, wat u schuldig bent;[^romeinen-13-7-37] belasting, die u de belasting,[^romeinen-13-7-38] tol, die u de tol, vrees,[^romeinen-13-7-39] die u de vrees, eer,[^romeinen-13-7-40] die u de eer schuldig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v7)

**8** [^romeinen-13-8-41] Wees niemand iets schuldig,[^romeinen-13-8-42] dan elkaar lief te hebben;[^romeinen-13-8-d] want die[^romeinen-13-8-43] de ander liefheeft, die heeft[^romeinen-13-8-44] de wet[^romeinen-13-8-45] vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v8)

**9** Want dit:[^romeinen-13-9-46][^romeinen-13-9-e] U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt[^romeinen-13-9-47] in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit:[^romeinen-13-9-f] U zult uw naaste liefhebben zoals uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v9)

**10** [^romeinen-13-10-48] De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde[^romeinen-13-10-49] de vervulling van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v10)

**11** En dit[^romeinen-13-11-50][^romeinen-13-11-g] zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit[^romeinen-13-11-51] de slaap opwaken; want[^romeinen-13-11-52] de zaligheid[^romeinen-13-11-53] is ons nu nader, dan[^romeinen-13-11-54] toen wij eerst geloofd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v11)

**12** [^romeinen-13-12-h] De[^romeinen-13-12-55] nacht is[^romeinen-13-12-56] voorbijgegaan, en[^romeinen-13-12-57] de dag[^romeinen-13-12-58] is nabij gekomen.[^romeinen-13-12-i] Laat ons dan[^romeinen-13-12-59] afleggen[^romeinen-13-12-60] de werken van de duisternis, en[^romeinen-13-12-61] aandoen[^romeinen-13-12-62] de wapenen[^romeinen-13-12-63] van het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v12)

**13** Laat ons,[^romeinen-13-13-64] als in de[^romeinen-13-13-65][^romeinen-13-13-k] dag,[^romeinen-13-13-66] eerlijk wandelen;[^romeinen-13-13-l] niet in[^romeinen-13-13-67] brasserijen en[^romeinen-13-13-68] dronkenschappen,[^romeinen-13-13-m] niet[^romeinen-13-13-69] in slaapkameren en[^romeinen-13-13-70] ontuchten,[^romeinen-13-13-n] niet in twist en afgunst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v13)

**14** [^romeinen-13-14-o] Maar[^romeinen-13-14-71] doet aan[^romeinen-13-14-72] de Heere Jezus Christus,[^romeinen-13-14-p] en verzorgt[^romeinen-13-14-73][^romeinen-13-14-74] het vlees niet tot[^romeinen-13-14-75] begeerlijkheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/13.html#v14)

[^romeinen-13-1-a]: Verwijzing a: Titus 3:1 ; 1 Petr. 2:13 . Titus 3:1 : Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot elk goed werk bereid zijn; 1 Petrus 2:13 : Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, vanwege de Heer; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende;
[^romeinen-13-1-1]: Kanttekening 1: ziel zij: Dat is, een ieder mens van welk geslacht, staat, beroeping of ouderdom hij zij; en dus ook de kerkedienaren.
[^romeinen-13-1-2]: Kanttekening 2: de machten: Dat is, de overheden, die van God over andere met macht en autoriteit gesteld zijn.
[^romeinen-13-1-3]: Kanttekening 3: over haar gesteld: Grieks, over hebbende, op uitnemende; dat is, overste macht hebbende; waardoor verstaan worden niet alleen de hoge overheden, maar ook allen, die onder hen in enig ambt van regering gesteld zijn; 1 Tim. 2:2 ; 1 Petr. 2:13 , 2:14 . 1 Timotheüs 2:2 : Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 1 Petrus 2:13 : Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, vanwege de Heer; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende; 1 Petrus 2:14 : Hetzij de stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
[^romeinen-13-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, moeten hun niet alleen gehoorzaam zijn, maar ook behoorlijk erkennen en eer bewijzen.
[^romeinen-13-1-b]: Verwijzing b: Spreuk. 8:15 ; Dan. 4:32 . Spreuken 8:15 : Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. Daniël 4:32 : En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te smaken geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil.
[^romeinen-13-1-5]: Kanttekening 5: geen macht: Dat is geen overheid met macht bekleed.
[^romeinen-13-1-6]: Kanttekening 6: dan van God: Namelijk die niet alleen het ambt van de overheid heeft ingesteld, maar die ook de personen \[hoewel meest door het middel van mensen\] daartoe verkiest en stelt; Spreuk. 8:15 ; Dan. 4:32 . Spreuken 8:15 : Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. Daniël 4:32 : En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te smaken geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil.
[^romeinen-13-1-7]: Kanttekening 7: die er zijn: Namelijk hetzij hoge of lage, hetzij opperste of onder anderen gesteld; 1 Petr. 2:13 , 2:14 . 1 Petrus 2:13 : Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, vanwege de Heer; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende; 1 Petrus 2:14 : Hetzij de stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
[^romeinen-13-1-8]: Kanttekening 8: Dat is, ingesteld onder het menselijk geslacht, om hetzelfde in Gods plaats met orde te regeren; hoewel sommigen hun macht dikwijls misbruiken, dat God toelaat om de zonden van het volk te straffen; Job 34:30 . Job 34:30 : Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken van het volk zijn.
[^romeinen-13-2-9]: Kanttekening 9: tegen de macht stelt: Namelijk niet alleen met opstand, gelijk Absalom, maar ook met ongehoorzaamheid in zaken, die tegen Gods Woord niet strijden.
[^romeinen-13-2-10]: Kanttekening 10: een oordeel: Dat is, ene straf, zo van God als van de overheden.
[^romeinen-13-2-11]: Kanttekening 11: Grieks, ontvangen.
[^romeinen-13-3-12]: Kanttekening 12: de oversten: Dat is, de overheden over ons gesteld.
[^romeinen-13-3-13]: Kanttekening 13: tot een vreze: Namelijk van te zullen straffen.
[^romeinen-13-3-14]: Kanttekening 14: de goede werken: Dat is, als u weldoet en hun bevelen gehoorzaam bent.
[^romeinen-13-3-15]: Kanttekening 15: de kwade: Namelijk, werken, dat is, als u kwaaddoet en hun bevelen overtreedt.
[^romeinen-13-3-16]: Kanttekening 16: Wilt u nu de macht niet vrezen: Dat is, wilt u vrij zijn van de vrees om van hen gestraft te worden.
[^romeinen-13-3-17]: Kanttekening 17: lof van haar hebben: Dat is, van hen geprezen worden en met vergelding vereerd. Want het ambt van de overheid is, niet alleen het kwaad te straffen, maar ook het goed te belonen; door welke twee zaken als door zenuwen het lichaam van de staat samengebonden en bijeengehouden wordt.
[^romeinen-13-4-18]: Kanttekening 18: Gods dienares: Dat is, van God gesteld, om als een instrument Gods u te dienen.
[^romeinen-13-4-19]: Kanttekening 19: u ten goede: Dat is, om door dezelfde alle goeds u toe te brengen en voor uw welvaren te zorgen. Zie de aantekeningen 1 Tim. 2:2 . 1 Timotheüs 2:2 : Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.
[^romeinen-13-4-20]: Kanttekening 20: kwaad doet: Dat is, de goede wetten van de overheden overtreedt.
[^romeinen-13-4-21]: Kanttekening 21: zo vrees: Namelijk van hen daarover gestraft te zullen worden.
[^romeinen-13-4-22]: Kanttekening 22: draagt het zwaard niet tevergeefs: Dat is, heeft de macht ontvangen om de kwaaddoeners zelfs ook met de dood te straffen, Gen. 9:6 ; en laat niet zonder oorzaak het zwaard voor zich dragen, of draagt het aan zijn zijde, om te kennen te geven dat hij zulke macht heeft en die tegen de boosdoeners ook zal uitvoeren. Genesis 9:6 : Wie het bloed van de mens vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt.
[^romeinen-13-4-23]: Kanttekening 23: een wreekster: Namelijk van Gods wege, die de wraak toekomt; Rom. 12:19 . Romeinen 12:19 : Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heer.
[^romeinen-13-4-24]: Kanttekening 24: tot straf dengene: Grieks, toorn. Zie dergelijke Matt. 3:7 ; Luk. 21:23 ; Rom. 2:8 . Mattheüs 3:7 : Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? Lukas 21:23 : Maar wee de bevruchten en de zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. Romeinen 2:8 : Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;
[^romeinen-13-5-25]: Kanttekening 25: nodig onderworpen te zijn: Namelijk om rechte onderdanen, en voornamelijk rechte Christenen te zijn.
[^romeinen-13-5-26]: Kanttekening 26: om de straffe: Dat is, uit vrees van straf. Grieks, toorn.
[^romeinen-13-5-27]: Kanttekening 27: vanwege het geweten: Dat is, omdat wij weten, dat God zulks verordineerd en bevolen heeft, en dat overzulks niemand met een goede en geruste consciëntie kan zijn, die dat niet doet.
[^romeinen-13-6-28]: Kanttekening 28: Dat is, het blijkt dat u de overheden onderworpen bent en behoort te zijn, omdat u schatting betaalt; zie Matt. 22:21 . Mattheüs 22:21 : Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is.
[^romeinen-13-6-29]: Kanttekening 29: betaalt u ook: Namelijk aan de overheden, of die van hen daartoe gesteld zijn.
[^romeinen-13-6-30]: Kanttekening 30: Daardoor worden verstaan alle lasten, die de onderdanen opgelegd worden.
[^romeinen-13-6-31]: Kanttekening 31: want zij zijn: Dit is ene reden, om te bewijzen billijk te zijn, dat men de overheden gehoorzaam zij en schatting betale.
[^romeinen-13-6-32]: Kanttekening 32: dienaren van God: Grieks, Leitourgoi (λειτουργοὶ); welk woord men hier ziet niet alleen van kerkelijke diensten, gelijk Hand. 13:2 , maar ook van staatkundige en burgerlijke diensten gebruikt te worden; zie ook Rom. 15:27 ; Hebr. 1:14 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Romeinen 15:27 : Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^romeinen-13-6-33]: Kanttekening 33: in ditzelve: Namelijk om God te dienen in het regeren van het volk.
[^romeinen-13-6-34]: Kanttekening 34: geduriglijk bezig zijnde: Grieks, tot datzelve volhardende; dat is, in deze dienst veel arbeid, zwarigheid, moeiten en zorgen gedurig uitstaande. Zie van dit woord Hand. 1:14 . Handelingen 1:14 : Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broeders.
[^romeinen-13-7-c]: Verwijzing c: Matt. 22:21 . Mattheüs 22:21 : Zij zeiden tot Hem: Van de keizers. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizers is, en voor God, dat Gods is.
[^romeinen-13-7-35]: Kanttekening 35: geeft dan: Grieks, geeft opnieuw, of vergeldt een iedereen de schulden.
[^romeinen-13-7-36]: Kanttekening 36: een iedereen: Namelijk overheid; hoewel het ook in het algemeen kan genomen worden.
[^romeinen-13-7-37]: Kanttekening 37: Is eigenlijk wat gesteld wordt op de personen of vaste goederen.
[^romeinen-13-7-38]: Kanttekening 38: tol, die u de tol: Is wat gesteld wordt op de koopmanschappen, of op de uit- en inkomende goederen en waren.
[^romeinen-13-7-39]: Kanttekening 39: die u de vreze: Namelijk de overheden en hun dienaren, die hen gebruiken om de kwaaddoeners te straffen.
[^romeinen-13-7-40]: Kanttekening 40: die u de eer schuldig bent : Namelijk de overheden, hetzij hoge of lage; 1 Petr. 2:17 . 1 Petrus 2:17 : Eert een iedereen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning.
[^romeinen-13-8-41]: Kanttekening 41: Zijt niemand iets schuldig: Dat is, betaalt een iedereen datgene waartoe u aan hem verplicht bent, hetzij geld, diensten of iets anders. Dat als men niet doet, zo blijft de verplichting en schuld.
[^romeinen-13-8-42]: Kanttekening 42: dan elkaar lief te hebben: Want die verplichting kan nimmermeer afgedaan of betaald worden, maar blijft altijd een verse schuld die geduriglijk moet betaald worden.
[^romeinen-13-8-d]: Verwijzing d: Gal. 5:14 ; 1 Tim. 1:5 . Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. 1 Timotheüs 1:5 : Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.
[^romeinen-13-8-43]: Kanttekening 43: de ander: Dat is, zijn naaste.
[^romeinen-13-8-44]: Kanttekening 44: de wet vervuld: Dat is, de geboden van de tweede tafel van de wet, gelijk in vers 9 verklaard wordt. Romeinen 13:9 : Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.
[^romeinen-13-8-45]: Kanttekening 45: Dat is, gedaan en onderhouden wat niet alleen in een of twee geboden, maar in al de geboden tezamen geëist wordt, ten aanzien van al de delen zelve; hoewel niemand ten aanzien van de trappen van de volmaaktheid in dit leven hetzelfde kan volbrengen, zo onze liefde hier nog onvolmaakt is; 1 Kon. 8:46 ; Ps. 19:13 ; Spreuk. 20:9 ; Jak. 3:2 ; 1 Joh. 1:8 . 1 Koningen 8:46 : Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in van de vijand land, dat verre of nabij is. Psalmen 19:13 : Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. Spreuken 20:9 : Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Jakobus 3:2 : Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. 1 Johannes 1:8 : Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.
[^romeinen-13-9-46]: Kanttekening 46: U zult geen overspel doen: De apostel houdt de orde van de geboden niet, gelijk zij in de tien geboden voorgesteld worden, omdat daaraan niet zoveel is gelegen, als maar al de geboden wel onderhouden worden.
[^romeinen-13-9-e]: Verwijzing e: Ex. 20:13 ; Deut. 5:17 ; Matt. 19:18 . Exodus 20:13 : U zult niet doodslaan. Deuteronomium 5:17 : U zult niet doodslaan. Mattheüs 19:18 : Hij zei tot Hem: Welke? En Jezus zei: Deze: U zult niet doden; u zult geen overspel doen; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven;
[^romeinen-13-9-47]: Kanttekening 47: in dit woord als in een hoofdsom begrepen: Dat is, in dit ene gebod.
[^romeinen-13-9-f]: Verwijzing f: Lev. 19:18 ; Matt. 22:39 ; Mark. 12:31 ; Gal. 5:14 ; Jak. 2:8 . Leviticus 19:18 : U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Mattheüs 22:39 : En het tweede aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Marcus 12:31 : En het tweede aan dit gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven. Jakobus 2:8 : Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet u wel;
[^romeinen-13-10-48]: Kanttekening 48: De liefde doet de naaste geen kwaad: Hij beschrijft hier de aard van de liefde, gelijk ook 1 Kor. 13 .
[^romeinen-13-10-49]: Kanttekening 49: de vervulling van de wet: Zie vers 8 , en 1 Tim. 1:5 . Romeinen 13:8 : Zijt niemand iets schuldig, dan elkaar lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. 1 Timotheüs 1:5 : Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.
[^romeinen-13-11-50]: Kanttekening 50: omdat wij de gelegenheid van de tijd weten: Dat is, zo wij nu niet meer ongelovig zijn, gelijk wij in voortijden waren, zijnde in de duisteren nacht van de onwetendheid, Ef. 4:18 ; Kol. 1:13 ; 1 Joh. 2:8 , maar zo Christus de Zon van de gerechtigheid, Mal. 4:2 , en het licht van de wereld, Joh. 8:12 , ons nu verschenen is. Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde; 1 Johannes 2:8 : Opnieuw schrijf ik u een nieuw gebod: wat waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu. Maleachi 4:2 : Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. Johannes 8:12 : Jezus dan sprak opnieuw tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.
[^romeinen-13-11-g]: Verwijzing g: Ef. 5:14 ; 1 Thes. 5:6 . Efeziërs 5:14 : Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^romeinen-13-11-51]: Kanttekening 51: de slaap opwaken: Namelijk van de zonden; Ef. 5:14 ; 1 Thess. 5:6 . Efeziërs 5:14 : Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^romeinen-13-11-52]: Kanttekening 52: de zaligheid: Of, onze zaligheid is nu nader; dit is, de prijs onzer hemelse roeping in Christus Jezus, waar wij naar lopen en jagen, 1 Kor. 9:24 , 9:25 ; Fil. 3:14 , welke is het einde onzes geloofs; 1 Petr. 1:9 . 1 Korinthiërs 9:24 : Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 1 Korinthiërs 9:25 : En een iedereen, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. Filippenzen 3:14 : Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus. 1 Petrus 1:9 : Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid van de zielen.
[^romeinen-13-11-53]: Kanttekening 53: is ons nu nader: Dat is, wij zijn nu voor onze Christelijken loop dezelfde nader bijgekomen, om dezelfde haast te grijpen, Fil. 3:12 ; 1 Tim. 6:12 ; en daarom moeten wij niet verflauwen om deze Christelijken loop te voltooien, 2 Tim. 4:7 , zo het grote schande en schade zou zijn, dat wij, zo nabij gekomen zijnde, door verflauwen of afwijken dezelfde niet zouden verkrijgen. Want hoe nader iemand aan de prijs komt, hoe sterker hij behoort te lopen. Filippenzen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 1 Timotheüs 6:12 : Strijd de goede strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, tot dat u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^romeinen-13-11-54]: Kanttekening 54: toen wij eerst geloofd hebben: Dat is, toen wij eerst tot het geloof in Christus geroepen en bekeerd zijn.
[^romeinen-13-12-h]: Verwijzing h: 1 Thes. 5:5 . 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent alle kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^romeinen-13-12-55]: Kanttekening 55: nacht is: Namelijk van de onwetendheid; 1 Thess. 5:5 . 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^romeinen-13-12-56]: Kanttekening 56: Het Griekse woord betekent dat dezelfde ten merendeel voorbijgegaan is. Want al de duisternis is nog uit onze harten niet volkomen weggedaan; 1 Kor. 13:9 , 13:10 . 1 Korinthiërs 13:9 : Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 1 Korinthiërs 13:10 : Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden.
[^romeinen-13-12-57]: Kanttekening 57: de dag: Namelijk van de zaligmakende kennis, vers 13 ; 1 Thess. 5:5 . Romeinen 13:13 : Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^romeinen-13-12-58]: Kanttekening 58: is nabij gekomen: Dat is, wij zijn tot het zaligmakende licht van de kennis van Christus gekomen, maar niet volkomen, zolang wij in dit leven zijn, maar hebben zulk een licht, gelijk er is als de dag begint aan te breken en te lichten.
[^romeinen-13-12-i]: Verwijzing i: Kolos. 3:8 . Kolossensen 3:8 : Maar nu legt ook u dit alles af, namelijk toorn, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.
[^romeinen-13-12-59]: Kanttekening 59: Namelijk gelijk de mensen, als het dag is geworden, de nachtklederen en dekens verwerpen, en met dezelfde gene gemeenschap meer hebben; Ef. 4:22 . Efeziërs 4:22 : Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding;
[^romeinen-13-12-60]: Kanttekening 60: de werken van de duisternis: Dat is, de zonden, die degenen, die nog in de duisternis van de onwetendheid zijn, gewoon zijn te doen, en voornamelijk die lelijke zonden, welke ook de mensen zich schamen openbaar in het licht te doen, maar die zij van de nacht in duisternis bedrijven; Job 24:15 , 24:16 ; Joh. 3:20 , 3:21 ; 1 Thess. 5:7 . Waarvan enige in het vers 13 verhaald worden. Job 24:15 : Ook neemt het oog van de overspelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. Job 24:16 : In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich van de dag afgetekend hadden; zij kennen het licht niet. Johannes 3:20 : Want een iedereen, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Johannes 3:21 : Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. 1 Thessalonicensen 5:7 : Want die slapen, slapen van de nacht, en die dronken zijn, zijn van de nacht dronken; Romeinen 13:13 : Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
[^romeinen-13-12-61]: Kanttekening 61: Of, aantrekken; gelijk degenen doen, die, uit de slaap opstaande, hun kleren aantrekken of hun naaktheid te bedekken en eerbaar in de dag te wandelen.
[^romeinen-13-12-62]: Kanttekening 62: de wapenen: Dit woord betekent al wat waarmee het lichaam bedekt wordt tegen alle kwetsingen; en worden daardoor alhier verstaan allerlei Christelijke deugden, met welke onze ziel niet alleen bekleed en versierd wordt, maar ook als gewapend tegen de kwetsingen en verzoekingen van de duivel en van het vlees. Zie Rom. 6:13 ; 2 Kor. 6:7 ; Ef. 6:11 , 6:12 , enz.; 1 Thess. 5:8 . Romeinen 6:13 : En stelt uwe leden niet van de zonde tot wapenen van de ongerechtigheid; maar stelt uzelven voor God, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden voor God tot wapenen van de gerechtigheid. 2 Korinthiërs 6:7 : In het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapenen van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde; Efeziërs 6:11 : Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel. Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.
[^romeinen-13-12-63]: Kanttekening 63: van het licht: Dat is, die voortkomen van het licht van de ware kennis van God en tot Zijn eer voor de mensen lichten, en die betamen dengenen, die tot dit licht geroepen zijn en in het licht eerbaar willen wandelen.
[^romeinen-13-13-64]: Kanttekening 64: als in de dag: Dat is, gelijk betaamt dengenen, wie door de genade van God het licht van de zaligmakende kennis verschenen is.
[^romeinen-13-13-65]: Kanttekening 65: Dat is, niet alleen godzalig voor God, maar ook eerbaar voor de mensen.
[^romeinen-13-13-k]: Verwijzing k: Fil. 4:8 ; 1 Thes. 4:12 . Filippenzen 4:8 : Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve; 1 Thessalonicensen 4:12 : Opdat u eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding nodig hebt.
[^romeinen-13-13-66]: Kanttekening 66: Dat is, ons leven aanstellen, en onder de mensen verkeren.
[^romeinen-13-13-l]: Verwijzing l: Lukas 21:34 ; 1 Thes. 5:6 . Lukas 21:34 : En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van deze levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^romeinen-13-13-67]: Kanttekening 67: Waardoor verstaan worden, niet eerlijke en matige maaltijden, Gen. 21:8 ; Joh. 2:1 , maar gulzige en ontuchtige, in welke allerlei overdadigheid, dartelheid, danserij en lichtvaardigheid gepleegd wordt. Genesis 21:8 : En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag, als Izak gespeend werd. Johannes 2:1 : En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar.
[^romeinen-13-13-68]: Kanttekening 68: Of, onmatig zuipen van wijn of sterken drank; Jes. 5:22 . Jesaja 5:22 : Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!
[^romeinen-13-13-m]: Verwijzing m: 1 Kor. 6:10 ; Ef. 5:5 . 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. Efeziërs 5:5 : Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.
[^romeinen-13-13-69]: Kanttekening 69: in slaapkameren: Dat is, overspelen, of hoererijen, die in de slaapkamers gemeenlijk gepleegd worden.
[^romeinen-13-13-70]: Kanttekening 70: Dat is, geile en onkuise dartelheden.
[^romeinen-13-13-n]: Verwijzing n: Jak. 3:14 . Jakobus 3:14 : Maar als u bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
[^romeinen-13-14-o]: Verwijzing o: Gal. 3:27 . Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan.
[^romeinen-13-14-71]: Kanttekening 71: doet aan: Of, trekt aan; namelijk als uw kleed en wapen.
[^romeinen-13-14-72]: Kanttekening 72: de Heer Jezus Christus: Namelijk aannemende door het geloof Zijn gerechtigheid, en al Zijn deugden navolgende, daarmede uwe ziel bekledende en versierende; Gal. 3:27 . Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan.
[^romeinen-13-14-p]: Verwijzing p: 1 Petr. 2:11 . 1 Petrus 2:11 : Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat u u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
[^romeinen-13-14-73]: Kanttekening 73: Grieks, maakt geen voorzorg van het vlees.
[^romeinen-13-14-74]: Kanttekening 74: het vlees niet: Dat is, het lichaam, waarmee niet wordt verboden dat men het lichaam zou mogen verzorgen met een eerlijk kleed, voedsel, drank, medicijnen en andere dingen tot onderhoud van hetzelfde nodig; want dat wordt ook geprezen; Ef. 5:29 ; 1 Tim. 5:8 , 5:23 , maar om het in zijn kwade lusten te voldoen; 1 Kor. 9:27 . Efeziërs 5:29 : Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, zoals ook de Heer de Gemeente. 1 Timotheüs 5:8 : Maar zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. 1 Timotheüs 5:23 : Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden. 1 Korinthiërs 9:27 : Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.
[^romeinen-13-14-75]: Kanttekening 75: Namelijk die strekken tot onmatigheid, hovaardij, gulzigheid, onkuisheid, om het daarin te voeden en zijn eis te geven; 1 Joh. 2:16 . 1 Johannes 2:16 : Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.

### Romeinen 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/14.json)

*1 De apostel leert nu verder hoe de gelovigen zich moeten gedragen tegenover de zwakken, die de vrijheid van de christenen, vooral aangaande het onderscheid van spijzen en dagen, nog niet goed begrepen, namelijk dat zij de zwakken moeten aannemen en niet met hen daarover moeten twisten, en dat de zwakken de anderen niet moeten veroordelen. 5 Dat zowel zwakken als sterken eenzelfde doel moeten hebben, om God daarmee te dienen, 7 aangezien wij in leven en sterven altijd verplicht zijn Zijn eer te bevorderen, 9 zoals ook Christus daarom gestorven en opgestaan is, opdat wij Hem, als onze Heere en Rechter, rekenschap zouden geven van al ons doen. 13 Dat dan de sterken toezien dat zij de zwakken geen aanstoot geven. 14 Dat het onderscheid van spijzen en dagen wel ophoudt, maar dat deze vrijheid niet gebruikt moet worden tot droefheid en verzwakking van anderen, voor wie Christus ook gestorven is, 17 aangezien de christelijke godsdienst niet bestaat in eten of drinken. 19 Dat men hierin altijd moet trachten naar vrede 20 en liever niet eten of drinken wat de zwakken zou ergeren, 22 en voorts hierin aan beide zijden niet handelen met een twijfelend geweten, aangezien dat zonde is.*

**1** Degene nu,[^romeinen-14-1-1] die zwak is in het geloof,[^romeinen-14-1-2] neemt aan, maar niet[^romeinen-14-1-3] tot twistige[^romeinen-14-1-4] samensprekingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v1)

**2** [^romeinen-14-2-5] De één gelooft wel, dat men[^romeinen-14-2-6] alles eten mag, maar[^romeinen-14-2-7] die zwak is,[^romeinen-14-2-8] eet moeskruiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v2)

**3** [^romeinen-14-3-9][^romeinen-14-3-a] Die daar eet,[^romeinen-14-3-10] verachte hem niet,[^romeinen-14-3-11] die niet eet; en die niet eet, oordele[^romeinen-14-3-12] hem niet, die daar eet; want God heeft[^romeinen-14-3-13] hem aangenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v3)

**4** [^romeinen-14-4-14][^romeinen-14-4-b] Wie bent u, die de huisknecht van een ander oordeelt[^romeinen-14-4-15][^romeinen-14-4-16]?[^romeinen-14-4-17] Hij staat, of hij[^romeinen-14-4-18] valt[^romeinen-14-4-19] onder zijn eigen heer; maar hij zal[^romeinen-14-4-20] vastgesteld worden, want God is[^romeinen-14-4-21] machtig hem vast te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v4)

**5** [^romeinen-14-5-22][^romeinen-14-5-c] De[^romeinen-14-5-23] één acht wel de één dag boven de andere dag;[^romeinen-14-5-24] maar de ander[^romeinen-14-5-25] acht al de dagen gelijk.[^romeinen-14-5-26] Ieder zij[^romeinen-14-5-27] in zijn eigen gemoed[^romeinen-14-5-28] ten volle verzekerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v5)

**6** Die[^romeinen-14-6-29] de dag waarneemt, die neemt hem[^romeinen-14-6-30] waar de Heere; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Heere.[^romeinen-14-6-31] Die daar eet, die eet dat de Heere,[^romeinen-14-6-d] want[^romeinen-14-6-32] hij dankt God; en die niet eet, die eet dat de Heere niet, en[^romeinen-14-6-33] hij dankt God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v6)

**7** [^romeinen-14-7-e] Want niemand[^romeinen-14-7-34] van ons[^romeinen-14-7-35] leeft voor zichzelf, en niemand[^romeinen-14-7-36] sterft voor zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v7)

**8** Want hetzij dat wij leven,[^romeinen-14-8-37] wij leven de Heere; hetzij dat wij sterven,[^romeinen-14-8-38] wij sterven de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven,[^romeinen-14-8-39] wij zijn van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v8)

**9** [^romeinen-14-9-40] Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weer levend geworden, opdat Hij beiden over[^romeinen-14-9-41] doden en levende heersen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v9)

**10** Maar[^romeinen-14-10-42] u, wat[^romeinen-14-10-43] oordeelt u[^romeinen-14-10-44] uw broeder? Of ook[^romeinen-14-10-45] u, wat[^romeinen-14-10-46] veracht u[^romeinen-14-10-47] uw broeder?[^romeinen-14-10-f] Want wij zullen allen[^romeinen-14-10-48] voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v10)

**11** Want er is geschreven:[^romeinen-14-11-49][^romeinen-14-11-g] Ik leef,[^romeinen-14-11-50] zegt de Heere;[^romeinen-14-11-51] voor Mij zal alle[^romeinen-14-11-52] knie zich buigen, en[^romeinen-14-11-53] alle tong zal God[^romeinen-14-11-54] belijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v11)

**12** [^romeinen-14-12-h] Zo dan[^romeinen-14-12-55] ieder van ons zal[^romeinen-14-12-56] voor zichzelf[^romeinen-14-12-57] voor God[^romeinen-14-12-58] rekenschap geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v12)

**13** Laat ons dan elkaar niet meer[^romeinen-14-13-59] oordelen; maar[^romeinen-14-13-60] oordeelt dit liever, namelijk,[^romeinen-14-13-i] dat[^romeinen-14-13-61] u[^romeinen-14-13-62] de broeder geen[^romeinen-14-13-63] aanstoot of[^romeinen-14-13-64] struikelblok geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v13)

**14** [^romeinen-14-14-65][^romeinen-14-14-k] Ik weet en ben verzekerd[^romeinen-14-14-66] in de Heere Jezus, dat[^romeinen-14-14-67] geen ding[^romeinen-14-14-68] onrein is[^romeinen-14-14-69] in zichzelf; dan[^romeinen-14-14-70] die acht iets onrein te zijn,[^romeinen-14-14-71] die is het onrein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v14)

**15** Maar als[^romeinen-14-15-72] uw broeder[^romeinen-14-15-73] vanwege het voedsel[^romeinen-14-15-74] bedroefd wordt, zo wandelt u niet meer[^romeinen-14-15-75] naar liefde.[^romeinen-14-15-l] Verderf[^romeinen-14-15-76] die niet[^romeinen-14-15-77] met uw voedsel,[^romeinen-14-15-78] voor welke Christus gestorven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v15)

**16** Dat dan[^romeinen-14-16-79] uw goed niet[^romeinen-14-16-80] gelasterd worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v16)

**17** [^romeinen-14-17-m] Want[^romeinen-14-17-81] het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar[^romeinen-14-17-82] rechtvaardigheid, en[^romeinen-14-17-83] vrede, en[^romeinen-14-17-84] blijdschap,[^romeinen-14-17-85] door de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v17)

**18** Want die Christus[^romeinen-14-18-86] in deze dingen[^romeinen-14-18-87] dient, is voor God welbehaaglijk, en[^romeinen-14-18-88] aangenaam[^romeinen-14-18-89] voor de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v18)

**19** Zo dan laat ons[^romeinen-14-19-90] najagen,[^romeinen-14-19-91] wat tot de vrede, en wat tot de[^romeinen-14-19-92] stichting[^romeinen-14-19-93] onder elkaar dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v19)

**20** [^romeinen-14-20-94] Verbreek[^romeinen-14-20-95] het werk van God niet[^romeinen-14-20-96] om het voedsel wil.[^romeinen-14-20-97][^romeinen-14-20-n] Alle dingen zijn wel rein; maar het is[^romeinen-14-20-98] kwaad de mens, die[^romeinen-14-20-99] met aanstoot eet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v20)

**21** [^romeinen-14-21-100][^romeinen-14-21-o] Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of ten val komt, of waarin hij zwak is.[^romeinen-14-21-101][^romeinen-14-21-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v21)

**22** Hebt u geloof? heb dat bij uzelf voor God. Zalig is hij, die zichzelf niet oordeelt in wat hij voor goed houdt.[^romeinen-14-22-103][^romeinen-14-22-104][^romeinen-14-22-105][^romeinen-14-22-106][^romeinen-14-22-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v22)

**23** Maar die twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet.[^romeinen-14-23-p] En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.[^romeinen-14-23-108][^romeinen-14-23-109][^romeinen-14-23-110][^romeinen-14-23-111] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/14.html#v23)

[^romeinen-14-1-1]: Kanttekening 1: die zwak is in het geloof: Dat is, die het stuk van de afdoening van de ceremoniën van het Oude Testament nog niet recht verstaat uit zwakheid; gelijk vele Joden waren toen ter tijd, die tot de Christelijke religie bekeerd waren, welke, omdat de ceremoniën van God zelf ingesteld waren en zij in dezelfde waren opgebracht, toen nog niet wel konden geloven dat zij nagelaten mochten of behoorden te worden, en daarom zich ergerden als de gelovigen uit de heidenen die niet onderhielden. Hij spreekt dan hier niet van degenen, die uit hardnekkigheid staande hielden en leerden dat de onderhouding van de ceremoniën ter zaligheid nog noodzakelijk was, tegen welke hij handelt in de brief aan de Galaten.
[^romeinen-14-1-2]: Kanttekening 2: neemt aan: Namelijk als een broeder, met alle vriendelijkheid, verdragende in hem zijn zwakheid. Zie Fil. v.12 , 17 . Filemon 1:12 : Maar u, neem hem, dat is mijn ingewanden, weer aan; Filemon 1:17 : Als u mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.
[^romeinen-14-1-3]: Kanttekening 3: tot twistige: Grieks, twistingen van de samensprekingen; of twijfelingen van de gedachten; namelijk dat u hem daartoe niet brengt.
[^romeinen-14-1-4]: Kanttekening 4: Of, overleggingen, disputeringen; dat is, dat u niet te zeer en te heftig hierover met hem disputeert, twist en hem verwart, en tot meerdere twijfeling brengt; of, dat hij met u ten gevalle doe tegen zijn consciëntie.
[^romeinen-14-2-5]: Kanttekening 5: De een gelooft wel: Namelijk die de Christelijke vrijheid recht verstaat.
[^romeinen-14-2-6]: Kanttekening 6: alles eten mag: Dat is, allerlei eetbaar voedsel, zonder onderscheid van reine of onreine, dat in het Oude Testament was; Lev. 11:4 ; Deut. 14:7 . Leviticus 11:4 : Deze nochtans zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: de kameel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet; die zal u onrein zijn; Deuteronomium 14:7 : Maar deze zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die de gekloofde klauw alleen verdelen: de kameel, en de haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen de klauw niet; onrein zullen zij u zijn.
[^romeinen-14-2-7]: Kanttekening 7: die zwak is: Namelijk in het geloof, vers 1 . Romeinen 14:1 : Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.
[^romeinen-14-2-8]: Kanttekening 8: eet moeskruiden: Namelijk liever dan dat hij hier de wet niet zou houden; dat is, laat hem genoegen met een slecht voedsel, dat in de wet toegelaten was, en onthoudt hem van het vlees van zwijnen, hazen, konijnen en andere in de wet verboden; Lev. 11:5 , enz. Leviticus 11:5 : En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt de klauw niet; dat zal u onrein zijn;
[^romeinen-14-3-9]: Kanttekening 9: Die daar eet: Dat is, die gelooft dat men allerlei voedsel mag eten, en zulks ook doet.
[^romeinen-14-3-a]: Verwijzing a: Kolos. 2:16 . Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdags, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^romeinen-14-3-10]: Kanttekening 10: verachte hem niet: Grieks, houde hem niet als niets. Zie van dit woord Mark. 9:12 ; Luk. 23:11 . Marcus 9:12 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en het zal gebeuren, gelijk geschreven is van de Zoon van de mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden. Lukas 23:11 : En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weer tot Pilatus.
[^romeinen-14-3-11]: Kanttekening 11: die niet eet; en: Namelijk allerlei voedsel, omdat hij meent dat zulks niet geoorloofd is.
[^romeinen-14-3-12]: Kanttekening 12: oordele hem niet: Dat is, veroordeel, namelijk dat hij daaraan zou zondigen; of dat hij daarom een ongodsdienstig mens of een verachter van de wet zou zijn.
[^romeinen-14-3-13]: Kanttekening 13: hem aangenomen: Dat is, zowel de één als de ander tot het geloof gebracht en tot één van zijn kinderen in de gemeenschap van zijn kerk aangenomen; en behoort daarom van de mensen niet veracht of veroordeeld te worden.
[^romeinen-14-4-14]: Kanttekening 14: Wie bent u: Hij bestraft beiden, de zwakken en de sterken, dat zij elkaar verachtten en veroordeelden.
[^romeinen-14-4-b]: Verwijzing b: Jak. 4:12 . Jakobus 4:12 : Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Maar wie bent u, die een anderen oordeelt?
[^romeinen-14-4-15]: Kanttekening 15: eens anderen huisknecht: Dat is, uw broeder, die niet uw maar Gods dienaar is. Waarmee hij toont dat zulk veroordelen strijdt, zelfs tegen het recht van de natuur, waarnaar niemand de dienaar van een ander, over wie hij geen recht heeft, mag veroordelen.
[^romeinen-14-4-16]: Kanttekening 16: Dat is, veroordeelt, vers 3 . Romeinen 14:3 : Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
[^romeinen-14-4-17]: Kanttekening 17: Hij staat: Dat is, zo hij wel doet.
[^romeinen-14-4-18]: Kanttekening 18: Dat is, zo hij zondigt.
[^romeinen-14-4-19]: Kanttekening 19: zijn eigen heer: Namelijk wie hij toekomt, en die alleen recht heeft om hem te oordelen; wanneer die hem dan niet veroordeelt, zo behoort hem zijn mededienstknecht niet te veroordelen.
[^romeinen-14-4-20]: Kanttekening 20: vastgesteld worden: Dat is, in het geloof meer en meer toenemen en bevestigd worden.
[^romeinen-14-4-21]: Kanttekening 21: machtig hem vast te stellen: Dat is, heeft niet alleen de wil, want Hij heeft hem aangenomen, vers 3 , maar ook de macht om hem te versterken in het geloof, zodat u niet veel met hem daarover behoeft te twisten. Romeinen 14:3 : Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
[^romeinen-14-5-22]: Kanttekening 22: De een: Namelijk de gelovige Jood, die de Christelijke vrijheid nog niet recht verstaat.
[^romeinen-14-5-c]: Verwijzing c: Gal. 4:10 ; Kolos. 2:16 . Galaten 4:10 : U onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdags, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^romeinen-14-5-23]: Kanttekening 23: acht wel de ene dag boven de andere dag: Grieks, oordeelt; dat is meent, dat de feestdagen van het Oude Testament nog moeten onderhouden worden, en dat overzulks de ene dag heiliger is dan de andere.
[^romeinen-14-5-24]: Kanttekening 24: de ander: Namelijk de gelovige heiden, die de Christelijke vrijheid verstaat.
[^romeinen-14-5-25]: Kanttekening 25: acht al de dagen gelijk : Grieks, allen dag, of een iegelijken dag; dat is, houdt dat het onderscheid van de dagen nu ophoudt, en dat wij nu aan de feestdagen van het Oude Testament niet verbonden zijn.
[^romeinen-14-5-26]: Kanttekening 26: Ieder zij: Namelijk hetzij dat hij eet of niet eet, de dagen onderscheidt of niet onderscheidt.
[^romeinen-14-5-27]: Kanttekening 27: in zijn eigen gemoed: Of in zijn eigen verstand.
[^romeinen-14-5-28]: Kanttekening 28: ten volle verzekerd: Namelijk dat hij, zulks doende, niet zondigt en niet voorheeft God te vertoornen, en wetens tegen zijn wil te doen; en dat hij dienvolgens ook naarstiglijk onderzoeke, welk van beiden de Heer behaagt.
[^romeinen-14-6-29]: Kanttekening 29: de dag waarneemt: Dat is, de feestdagen van het Oude Testament, welke de zwakken uit de Joden meenden, ook in het Nieuwe Testament te moeten onderhouden worden.
[^romeinen-14-6-30]: Kanttekening 30: de Heer; en die: Dat is, heeft anders niets voor, dan daarmede de Heer dienst en ere te bewijzen. Zodat zij beiden, de zwakken en sterken enerlei doel en oogmerk voorhebben, en daarom elkaar niet moeten veroordelen.
[^romeinen-14-6-31]: Kanttekening 31: Die daar eet: Namelijk allerlei voedsel, en gelooft dat zulks geoorloofd is, vers 2 . Romeinen 14:2 : De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.
[^romeinen-14-6-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 10:31 ; 1 Tim. 4:3 . 1 Korinthiërs 10:31 : Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods. 1 Timotheüs 4:3 : Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^romeinen-14-6-32]: Kanttekening 32: hij dankt God; en die niet eet: Namelijk de sterke voor deze vrijheid en voor het voedsel, die hij met goede consciëntie nuttigt.
[^romeinen-14-6-33]: Kanttekening 33: hij dankt God: Namelijk de zwakke, hoewel hij meent sommige spijzen verboden te zijn, dat evenwel God hem verleent, waarmee hij met goede consciëntie kan gevoed worden; 1 Tim. 4:5 . 1 Timotheüs 4:5 : Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.
[^romeinen-14-7-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 5:15 ; Gal. 2:20 ; 1 Thes. 5:10 ; 1 Petr. 4:2 . 2 Korinthiërs 5:15 : Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Galaten 2:20 : Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 1 Thessalonicensen 5:10 : Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. 1 Petrus 4:2 : Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^romeinen-14-7-34]: Kanttekening 34: van ons: Namelijk gelovigen Christenen, hetzij sterken of zwakken.
[^romeinen-14-7-35]: Kanttekening 35: leeft zichzelven: Dat is, moet zijn leven aanstellen niet naar zijn eigen lust of voordeel; of gelijk hij wil, zo hij zijn zelfs eigen niet is, maar onder een ander, namelijk de Heer staat; naar wiens bevel en tot wiens dienst hij zijn leven moet richten.
[^romeinen-14-7-36]: Kanttekening 36: sterft zichzelven: Namelijk gelijk of het met zijn dood ten enenmale met hem uit ware.
[^romeinen-14-8-37]: Kanttekening 37: wij leven de Heer: Dat is, wij staan onder het gebied van de Heer Jezus Christus, als Zijn eigen dienaren zijnde, door Zijn bloed gekocht, en moeten overzulks ons leven tot Zijn dienst en eer besteden.
[^romeinen-14-8-38]: Kanttekening 38: wij sterven de Heer: Dat is, wij moeten bereid zijn, om ten dienste en ere van onze Heer ons leven af te leggen, als het Hem belieft, en zullen na onze dood van ons doen rekenschap geven.
[^romeinen-14-8-39]: Kanttekening 39: wij zijn van de Heer: Dat is, wij zijn Christus' eigendom en dienaren, die onder Hem staan en naar Zijn bevel leven en sterven moeten.
[^romeinen-14-9-40]: Kanttekening 40: Want daartoe is Christus ook gestorven: Hier bewijst hij dat Christus onze Heer is, en dat hij dit recht van heerschappij door Zijn dood en opstanding over ons verkregen heeft; 1 Kor. 6:20 ;; 1 Petr. 1:18 . 1 Korinthiërs 6:20 : Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. 1 Petrus 1:18 : Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;
[^romeinen-14-9-41]: Kanttekening 41: doden en levende heersen zou: Dat is, over alle gelovigen, zowel, die nog leven als die in de Heer gestorven zijn, en die opnieuw van Hem zullen opgewekt worden.
[^romeinen-14-10-42]: Kanttekening 42: Namelijk zwakke.
[^romeinen-14-10-43]: Kanttekening 43: oordeelt u: Dat is, veroordeelt, vers 3 . Romeinen 14:3 : Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
[^romeinen-14-10-44]: Kanttekening 44: uw broeder: Dat is, de gelovige Christenen, die de Christelijke vrijheid verstaan en gebruiken.
[^romeinen-14-10-45]: Kanttekening 45: Namelijk sterke in het geloof.
[^romeinen-14-10-46]: Kanttekening 46: veracht u: Zie vers 3 . Romeinen 14:3 : Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
[^romeinen-14-10-47]: Kanttekening 47: uw broeder: Namelijk die de Christelijke vrijheid nog niet verstaat, noch durft gebruiken, vanwege deze zwakheid.
[^romeinen-14-10-f]: Verwijzing f: Matt. 25:31 ; 2 Kor. 5:10 . Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijn heerlijkheid. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^romeinen-14-10-48]: Kanttekening 48: voor de rechterstoel van Christus: Dat is, voor het oordeel van God, dat Christus als Rechter houden zal, 2 Kor. 5:10 , aan wie het alleen ook toekomt over de conscientiën te oordelen; en aan wie wij rekenschap moeten geven van al ons doen en laten, vers 12 . 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Romeinen 14:12 : Zo dan ieder van ons zal voor zichzelven voor God rekenschap geven.
[^romeinen-14-11-49]: Kanttekening 49: Ik leef: Dat is, zo waarachtiglijk als Ik leef; ene manier van eedzweren, die de Heer dikwijls gebruikt, Num. 14:21 , 14:28 ; Jes. 49:18 ; Jer. 22:24 ; Ez. 5:11 , en Ez. 14:16 , 14:18 , en Ez. 20:3 . Numeri 14:21 : Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden! Numeri 14:28 : Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, als Ik u zo niet doe, gelijk als u in Mijn oren gesproken hebt! Jesaja 49:18 : Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, zekerlijk, u zult u met alle deze als met een sieraad bekleden, en u zult ze u aanbinden, gelijk een bruid. Jeremia 22:24 : Zo waarachtig als Ik leef, spreekt YHWH, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. Ezechiël 5:11 : Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen! Ezechiël 14:16 : Die drie mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo zij zonen, en zo zij dochters bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. Ezechiël 14:18 : Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden. Ezechiël 20:3 : Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Komt u, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heer YHWH.
[^romeinen-14-11-g]: Verwijzing g: Jes. 45:23 ; Fil. 2:10 . Jesaja 45:23 : Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^romeinen-14-11-50]: Kanttekening 50: zegt de Heer: Wat van YHWH, de ware God, bij de profeet gezegd is, wordt hier Christus toegeëigend, om te tonen dat Hij ook de waarachtige God is.
[^romeinen-14-11-51]: Kanttekening 51: voor Mij zal: Namelijk Christus, de Zoon van God en Zaligmaker. Zie Ef. 1:20 , 1:22 ; Fil. 2:10 . Efeziërs 1:20 : Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^romeinen-14-11-52]: Kanttekening 52: knie zich buigen: Dat is, eerbied en gehoorzaamheid als hun Heer betonen; zie Fil. 2:10 . Filippenzen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^romeinen-14-11-53]: Kanttekening 53: alle tong zal God: Dat is, de gelovigen uit alle natiën, zowel sterken als zwakken, zullen met hun tongen en monden mij belijden de ware God en hun Heer en rechter te zijn; Rom. 10:9 , 10:10 . Romeinen 10:9 : Namelijk, als u met uw mond zult belijden de Heer Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden. Romeinen 10:10 : Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid.
[^romeinen-14-11-54]: Kanttekening 54: Of, loven, danken.
[^romeinen-14-12-h]: Verwijzing h: Ps. 62:13 ; Jer. 17:10 ; Jer. 32:19 ; Matt. 16:27 ; Rom. 2:6 ; 1 Kor. 3:8 ; 2 Kor. 5:10 ; Gal. 6:5 ; Openb. 2:23 ; Openb. 22:12 . Psalmen 62:13 : En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; 1 Korinthiërs 3:8 : En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Galaten 6:5 : Want een iedereen zal zijn eigen pak dragen. Openbaring 2:23 : En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken. Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^romeinen-14-12-55]: Kanttekening 55: ieder: Wie hij ook zij, groot of klein; zwak of sterk.
[^romeinen-14-12-56]: Kanttekening 56: voor zichzelven: Dat is, van zijn eigen doen en laten, en niet van het doen van een ander.
[^romeinen-14-12-57]: Kanttekening 57: Dat is, de Heer Christus, die waarachtig God is en Gods gericht houden zal.
[^romeinen-14-12-58]: Kanttekening 58: rekenschap geven: Namelijk hoe wij ons gedragen hebben in dit leven. Zie Matt. 25:2 ; 2 Kor. 5:10 . Mattheüs 25:2 : En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^romeinen-14-13-59]: Kanttekening 59: Dat is, veroordelen, vers 4 , 14:10 , namelijk omdat het oordeel de Heer Christus toekomt. Romeinen 14:4 : Wie bent u, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; maar hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. Romeinen 14:10 : Maar u, wat oordeelt u uw broeder? Of ook u, wat veracht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden.
[^romeinen-14-13-60]: Kanttekening 60: oordeelt dit liever: Dat is, acht en bekent dat dit het beste en meest passend is.
[^romeinen-14-13-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 10:32 ; 2 Kor. 6:3 . 1 Korinthiërs 10:32 : Weest zonder aanstoot te geven, en de Joden, en de Grieken, en van de Gemeente van God. 2 Korinthiërs 6:3 : Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde.
[^romeinen-14-13-61]: Kanttekening 61: Namelijk sterke.
[^romeinen-14-13-62]: Kanttekening 62: de broeder: Namelijk die nog zwak is.
[^romeinen-14-13-63]: Kanttekening 63: aanstoot of ergernis: Namelijk dat u door uw ontijdig gebruik van de Christelijke vrijheid, of lichtvaardig veroordelen, niet worde vervreemd van de Christelijke godsdienst. Zie 1 Kor. 8:9 . 1 Korinthiërs 8:9 : Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot worde dengenen, die zwak zijn.
[^romeinen-14-13-64]: Kanttekening 64: Grieks, stelt, of legt.
[^romeinen-14-14-65]: Kanttekening 65: Ik weet en ben verzekerd: Dat is, hoewel ik wel weet.
[^romeinen-14-14-k]: Verwijzing k: Matt. 15:11 ; Hand. 10:15 ; 1 Kor. 8:4 ; 1 Tim. 4:4 . Mattheüs 15:11 : Wat in de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar wat in de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens. Handelingen 10:15 : En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken. 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;
[^romeinen-14-14-66]: Kanttekening 66: in de Heer Jezus: Dat is, voor de Heer Christus. Zie Hand. 10:15 . Handelingen 10:15 : En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken.
[^romeinen-14-14-67]: Kanttekening 67: geen ding: Dat is, geen voedsel.
[^romeinen-14-14-68]: Kanttekening 68: onrein is: Grieks, gemeen is. Zie Hand. 10:14 , namelijk, nu in het Nieuwe Testament na de komst van Christus. Handelingen 10:14 : Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.
[^romeinen-14-14-69]: Kanttekening 69: in zichzelven: Of, door zichzelven; dat is, uit zijn eigen natuur; Gen. 1:31 , en Gen. 9:2 , 9:3 . Hij spreekt van eetbare spijzen; hoewel dan daarna enige derzelve ten aanzien van het gebod van God voor een tijd onrein zijn geweest; zo zijn zij nu alle voor rein te houden, omdat die schaduwen nu ophouden; Kol. 2:16 ; 1 Tim. 4:3 , 4:4 . Genesis 1:31 : En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. Genesis 9:2 : En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte van de aarde, en over al het gevogelte van de hemel; in al wat zich op de aardbodem roert, en in alle vissen van de zee; zij zijn in uw hand overgegeven. Genesis 9:3 : Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot voedsel; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; 1 Timotheüs 4:3 : Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend. 1 Timotheüs 4:4 : Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;
[^romeinen-14-14-70]: Kanttekening 70: die acht iets onrein te zijn: Dat is, die nog niet gelooft dat het onderscheid van het voedsel nu ophoudt, maar meent dat dit verbod Gods nog moet achtervolgd worden. Want de middelmatige zaken zijn ons zodanig, gelijk wij dezelfde achten, wanneer zij zonder ergernis kunnen gedaan of gelaten worden.
[^romeinen-14-14-71]: Kanttekening 71: die is het onrein: Dat is, die mag tegen zijn gevoelen zulk voedsel niet eten; want daarmede zou hij doen wat hijzelf zonde houdt te wezen.
[^romeinen-14-15-72]: Kanttekening 72: uw broeder: Dat is, de zwakke medegelovige.
[^romeinen-14-15-73]: Kanttekening 73: vanwege het voedsel: Dat is, omdat hij ziet dat u voedsel eet, dat hij houdt van God de Christenen verboden te zijn.
[^romeinen-14-15-74]: Kanttekening 74: bedroefd wordt: Namelijk als hij ziet dat u, die sterk bent, voedsel eet, dat in het Oude Testament verboden was, menende dat u daaraan u bezondigt tegen God; dat de godzaligen bedroeft. Of, ziende dat u daarmede hen als veracht en veroordeelt.
[^romeinen-14-15-75]: Kanttekening 75: naar liefde: Want die bedroeft of ergert niemand, maar zoekt de zwakken tegemoet te gaan, toe te geven en in het geloof te sterken; 1 Kor. 13:4 , enz. 1 Korinthiërs 13:4 : De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet hoogmoedig;
[^romeinen-14-15-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 8:11 . 1 Korinthiërs 8:11 : En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welke Christus gestorven is?
[^romeinen-14-15-76]: Kanttekening 76: Verderf die niet: Namelijk zoveel in u is; hem daarmede vervremende van de Christelijke godsdienst. Of, zo hij uw voorbeeld volgt tegen zijn consciëntie, dezelfde daarmede kwetsende, waardoor zijn geloof in gevaar gebracht wordt.
[^romeinen-14-15-77]: Kanttekening 77: met uw voedsel: Dat is, etende voor hem voedsel, dat hij meent nog verboden te zijn.
[^romeinen-14-15-78]: Kanttekening 78: voor welke Christus gestorven is: Namelijk om hem te behouden, die u, zoveel in u is, verderft, dat een gruwelijke zonde is, die ook tegen Christus gedaan wordt; 1 Kor. 8:12 . Anders moet men al degenen, die het geloof van Christus belijden, naar het oordeel van de liefde, houden voor zodanig, die van Christus door zijn dood verlost zijn. Want dat degenen, die waarlijk door de dood van Christus eens verlost zijn, niet zullen verloren gaan, wordt geleerd Matt. 24:24 ; Joh. 10:28 ; 1 Petr. 1:5 . 1 Korinthiërs 8:12 : Maar u, zo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus. Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Johannes 10:28 : En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. 1 Petrus 1:5 : Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^romeinen-14-16-79]: Kanttekening 79: uw goed niet: Dat is, uwe Christelijke vrijheid en het gebruik derzelve.
[^romeinen-14-16-80]: Kanttekening 80: gelasterd worde: Zo van de zwakke Christenen als van degenen, die buiten zijn, als zij zullen zien dat de Christenen om zulke geringe zaken met elkaar twisten.
[^romeinen-14-17-m]: Verwijzing m: 1 Kor. 8:8 . 1 Korinthiërs 8:8 : De voedsel nu maakt ons voor God niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.
[^romeinen-14-17-81]: Kanttekening 81: het Koninkrijk van God: Dat is, het koninkrijk van de heerlijkheid of van de eeuwige zaligheid wordt niet verkregen door voedsel eten of niet eten, en het rijk van de genade of de ware godzaligheid wordt daardoor niet bevorderd. Zie 1 Kor. 8:8 . 1 Korinthiërs 8:8 : Het voedsel nu maakt ons voor God niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.
[^romeinen-14-17-82]: Kanttekening 82: Namelijk Gods of van het geloof, die tevoren beschreven is, Rom. 4:5 . Waarmee de heiligheid van het leven ook gevoegd moet zijn. Romeinen 4:5 : Maar dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
[^romeinen-14-17-83]: Kanttekening 83: Namelijk gerustheid in onze harten en conscientiën door de verzekering, dat wij en ons doen door het geloof voor God aangenaam zijn, Rom. 5:1 , en ook uiterlijke vrede en enigheid onder de broeders. Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^romeinen-14-17-84]: Kanttekening 84: Dat is, een geestelijke vreugde in het hart, ontstaande uit de vaste hoop van de zaligheid en uit aanmerking van de welstand van de gemeente in vrede bloeiende.
[^romeinen-14-17-85]: Kanttekening 85: door de Heilige Geest: Grieks, in de Heilige Geest (ἅγιος); dat is, die van de Heilige Geest gewrocht en ontstoken wordt, en een geestelijke, niet een wereldse blijdschap is.
[^romeinen-14-18-86]: Kanttekening 86: in deze dingen: Dat is, die zijn gerechtigheid door het geloof in Christus zoekt, naar ware heiligheid staat, en in zichzelven gevoelt de vrede en de blijdschap van de Heilige Geest, en altijd naar vrede tracht.
[^romeinen-14-18-87]: Kanttekening 87: Bewijst Christus de gehoorzaamheid en de godsdienst, die Hij van u eist.
[^romeinen-14-18-88]: Kanttekening 88: Grieks, beproeft; dat is voor goed en godzalig bevonden en gehouden.
[^romeinen-14-18-89]: Kanttekening 89: de mensen: Namelijk die recht oordelen.
[^romeinen-14-19-90]: Kanttekening 90: Grieks, vervolgen; dat is, op alle manieren zoeken. Zie dergelijke Ps. 34:15 . Psalmen 34:15 : Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na.
[^romeinen-14-19-91]: Kanttekening 91: wat tot de vrede: Dat is, laat ons alle middelen aanwenden om vrede onder de gelovigen te houden, en vluchten al wat die zou kunnen verbreken of verhinderen.
[^romeinen-14-19-92]: Kanttekening 92: Ene gelijkenis, genomen van het opbouwen van een huis of tempel; dat is, laat ons trachten naar datgene waardoor de kerk van God, die het huis is van de levende God, 1 Tim. 3:15 , en Hebr. 3:6 mag opgebouwd en gesticht worden; Matt. 16:18 ; 1 Kor. 3:9 ; 2 Kor. 13:10 ; Ef. 4:12 ; 1 Tim. 1:4 . 1 Timotheüs 3:15 : Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid. Hebreeën 3:6 : Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen. 1 Korinthiërs 3:9 : Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u. 2 Korinthiërs 13:10 : Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heer gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping. Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; 1 Timotheüs 1:4 : Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is.
[^romeinen-14-19-93]: Kanttekening 93: onder elkaar dient : Dat is, aan wederzijden, elk toebrengende, wat tot stichting van de gemeente dienstig is, de zwakke met toenemen in de kennis van de Christelijke vrijheid, en niet te veroordelen de andere; en de sterke in het aannemen van de zwakken, met vermijding van ergernis en van verachting van de zwakken.
[^romeinen-14-20-94]: Kanttekening 94: Grieks, ontbind niet, of maak niet los; namelijk zoveel in u is, met ontijdig gebruik van de Christelijke vrijheid, verachting en aanstoot; dit wordt gesteld tegen opbouwen of stichten.
[^romeinen-14-20-95]: Kanttekening 95: het werk van God niet: Dat is, het geloof van de zwakke broeder, dat God heeft begonnen in hem tot zijn zaligheid te werken; want het is een grote zonde af te breken wat God bouwt.
[^romeinen-14-20-96]: Kanttekening 96: vanwege het voedsel: Dat is, om zulk ene geringe zaak, als daar is dit of dat voedsel te eten.
[^romeinen-14-20-97]: Kanttekening 97: Alle dingen zijn wel rein: Dat is, ik beken wel dat de Christenen nu geoorloofd is allerlei voedsel te eten. Zie vers 14 . Romeinen 14:14 : Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.
[^romeinen-14-20-n]: Verwijzing n: Titus 1:15 . Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^romeinen-14-20-98]: Kanttekening 98: kwaad de mens: Dat is, zondig en schadelijk.
[^romeinen-14-20-99]: Kanttekening 99: met aanstoot eet: Namelijk van de zwakken.
[^romeinen-14-21-100]: Kanttekening 100: Het is goed geen vlees te eten: Dat is, dienstig tot stichting van de zwakken in de gemeente.
[^romeinen-14-21-o]: Verwijzing o: 1 Kor. 8:13 . 1 Korinthiërs 8:13 : Daarom, als de voedsel mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.
[^romeinen-14-21-101]: Kanttekening 101: uw broeder zich: Namelijk die nog zwak is in het geloof.
[^romeinen-14-21-102]: Kanttekening 102: stoot, of geërgerd wordt: Dat is, wanneer dat eten of drinken, enz., de zwakken aanstoot geeft. Zodat het onthouden van zulk eten of drinken goed is, om het vermijden van ergernis. Zie 1 Kor. 8:13 . 1 Korinthiërs 8:13 : Daarom, als het voedsel mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.
[^romeinen-14-22-103]: Kanttekening 103: Hebt u geloof: Namelijk waardoor u weet en verzekerd bent dat de Christenen de vrijheid hebben om allerlei voedsel te eten. Zie vers 2 , 14:14 ; 1 Kor. 8:1 . Romeinen 14:2 : De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Romeinen 14:14 : Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein. 1 Korinthiërs 8:1 : Aangaande nu de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt hoogmoedig, maar de liefde sticht.
[^romeinen-14-22-104]: Kanttekening 104: hebt dat bij uzelven: Namelijk in uw eigen consciëntie zonder het te tonen met ergernis voor de zwakke broeders.
[^romeinen-14-22-105]: Kanttekening 105: voor God: Namelijk die evenwel weet dat u dat geloof hebt, al toont u het in zulker voege niet. Of, heb het zo, dat het gebruik daarvan God mag behagen, aan wie wij rekenschap zullen geven, en die wij niet mogen vertoornen.
[^romeinen-14-22-106]: Kanttekening 106: Dat is, veroordeelt, namelijk de vrijheid zo misbruikende met ergernis, dat hij daarmede verdient van de broeders gestraft en van God geoordeeld te worden.
[^romeinen-14-22-107]: Kanttekening 107: in wat hij voor goed houdt: Dat is, wat hij verstaat en acht geoorloofd te zijn, als het zonder ergernis geschiedt. Grieks, in wat hij beproeft.
[^romeinen-14-23-p]: Verwijzing p: Titus 1:15 . Titus 1:15 : Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^romeinen-14-23-108]: Kanttekening 108: die twijfelt: Dat is, die nog niet volkomen verzekerd is dat allerlei voedsel nu rein en geoorloofd is.
[^romeinen-14-23-109]: Kanttekening 109: als hij eet: Namelijk enig voedsel in het Oude Testament verboden.
[^romeinen-14-23-110]: Kanttekening 110: is veroordeeld: Dat is, kwetst zijn consciëntie en maakt zich schuldig aan de verdoemenis.
[^romeinen-14-23-111]: Kanttekening 111: uit het geloof niet is: Dat is, gedaan wordt zonder verzekerd te zijn dat het werk, dat wij doen, God behaagt in Christus. Of, dat niet voortkomt uit een gelovig hart, waarzonder noch onze werken, noch onze personen God kunnen behagen; Hebr. 11:6 . Hebreeën 11:6 : Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.

### Romeinen 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/15.json)

*1 De apostel vermaant verder de sterken dat zij zich voegen naar de zwakheid van hun broeders, 3 door het voorbeeld van Christus, Die niet Zichzelf heeft gezocht, maar ons voordeel, hetgeen hij bevestigt uit de Schriften van het Oude Testament, die ook tot onze troost geschreven zijn, 5 en dat zij met eendrachtige harten God en de Heere Christus dienen. 7 Hij verklaart uitvoeriger het voorbeeld van Christus, hoe Hij gediend heeft, zowel de Joden 9 als ook de heidenen, hetgeen hij ook uit diezelfde Schriften bewijst, 13 daarbij voegend een wens dat zij in alle christelijke deugden en kennis mogen toenemen. 14 Daarna begint hij deze zendbrief te besluiten, en verontschuldigt zijn vrijheid in het schrijven 17 en verhaalt hoe krachtig God zijn dienst gezegend heeft en hoe trouw hij die bediend heeft. 22 Hij belooft dat hij naar Rome zal komen op zijn reis naar Spanje 25 en geeft te kennen dat hij eerst naar Jeruzalem moest reizen om daar de aalmoezen van de gemeenten van Macedonië en Achaje te brengen. 30 Hij verzoekt hun dat zij voor hem en zijn dienst willen bidden 33 en wenst hun alles goeds van God.*

**1** [^romeinen-15-1-a] Maar[^romeinen-15-1-1] wij,[^romeinen-15-1-2] die sterk zijn,[^romeinen-15-1-3] zijn schuldig[^romeinen-15-1-4] de zwakheden[^romeinen-15-1-5] van de[^romeinen-15-1-6] onsterken te dragen, en niet[^romeinen-15-1-7] onszelf te behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v1)

**2** Dat dan[^romeinen-15-2-8] ieder van ons[^romeinen-15-2-9] zijn naaste behage[^romeinen-15-2-10] ten goede,[^romeinen-15-2-11] tot stichting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v2)

**3** Want ook[^romeinen-15-3-12] Christus heeft[^romeinen-15-3-13] Zichzelf niet behaagd,[^romeinen-15-3-14] maar zoals geschreven is:[^romeinen-15-3-15][^romeinen-15-3-b] De smaad van degenen, die U smaden,[^romeinen-15-3-16] is op Mij gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v3)

**4** [^romeinen-15-4-c] Want al wat[^romeinen-15-4-17] te voren geschreven is, dat is tot onze[^romeinen-15-4-18] onderwijzing te voren geschreven, opdat wij, door volharding en troost[^romeinen-15-4-19] van de Schriften,[^romeinen-15-4-20] hoop hebben zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v4)

**5** Maar de God[^romeinen-15-5-21] van de volharding en van de troost geve u,[^romeinen-15-5-d] dat u[^romeinen-15-5-22] eensgezind bent onder elkaar[^romeinen-15-5-23] naar Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v5)

**6** Opdat u[^romeinen-15-6-24] eensgezind, met één mond, mag verheerlijken de God[^romeinen-15-6-25] en Vader van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v6)

**7** Daarom[^romeinen-15-7-26] neemt[^romeinen-15-7-27] elkaar aan,[^romeinen-15-7-28] zoals ook Christus ons[^romeinen-15-7-29] aangenomen heeft,[^romeinen-15-7-30] tot de heerlijkheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v7)

**8** [^romeinen-15-8-31] En ik zeg, dat Jezus Christus[^romeinen-15-8-32] een dienaar geworden is van[^romeinen-15-8-33] de besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen[^romeinen-15-8-34] van de vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v8)

**9** En[^romeinen-15-9-35] de heidenen God[^romeinen-15-9-36] vanwege de barmhartigheid zouden[^romeinen-15-9-37] verheerlijken;[^romeinen-15-9-38] zoals geschreven is:[^romeinen-15-9-e] Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v9)

**10** En opnieuw zegt Hij:[^romeinen-15-10-f] Wees vrolijk, u heidenen met Zijn volk! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v10)

**11** En opnieuw:[^romeinen-15-11-g] Loof de Heere, al u heidenen, en prijst Hem, al u volken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v11)

**12** En opnieuw zegt Jesaja:[^romeinen-15-12-h] Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v12)

**13** De God nu[^romeinen-15-13-39] van de hoop vervulle u met[^romeinen-15-13-40] alle blijdschap en vrede[^romeinen-15-13-41] in het geloven, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop,[^romeinen-15-13-42] door de kracht van de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v13)

**14** [^romeinen-15-14-43] Maar, mijn broeders, ook ik zelf[^romeinen-15-14-44] ben verzekerd van u, dat u ook zelf vol bent van[^romeinen-15-14-45] goedheid, vervuld met[^romeinen-15-14-46] alle kennis, machtig om ook elkaar te vermanen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v14)

**15** Maar ik heb u[^romeinen-15-15-47] deels[^romeinen-15-15-48] te stoutelijker geschreven, broeders, u als opnieuw[^romeinen-15-15-49] dit indachtig makende,[^romeinen-15-15-50] om de genade, die mij van God gegeven is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v15)

**16** Opdat ik[^romeinen-15-16-51] een dienaar van Jezus Christus zij[^romeinen-15-16-52] onder de heidenen, het Evangelie[^romeinen-15-16-53] van[^romeinen-15-16-54] God bedienende, opdat[^romeinen-15-16-55] de offergave van de[^romeinen-15-16-56] heidenen aangenaam wordt,[^romeinen-15-16-57] geheiligd door de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v16)

**17** Zo heb ik dan[^romeinen-15-17-58] roem[^romeinen-15-17-59] in Christus Jezus in die dingen,[^romeinen-15-17-60] die God aangaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v17)

**18** Want ik zou[^romeinen-15-18-61] niet durven iets[^romeinen-15-18-62] zeggen, dat Christus door mij niet gewerkt heeft,[^romeinen-15-18-63] tot gehoorzaamheid van de[^romeinen-15-18-64] heidenen, met woorden en[^romeinen-15-18-65] werken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v18)

**19** Door kracht van tekenen en wonderen, en door[^romeinen-15-19-66] de kracht van de Geest van God, zodat ik, van Jeruzalem af, en[^romeinen-15-19-67] rondom, tot[^romeinen-15-19-68] Illyrikum toe,[^romeinen-15-19-69] het Evangelie van Christus vervuld heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v19)

**20** En zo[^romeinen-15-20-70] zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar[^romeinen-15-20-71] Christus[^romeinen-15-20-72] genoemd was, opdat ik niet op[^romeinen-15-20-73] van een ander fundament zou bouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v20)

**21** Maar zoals geschreven is:[^romeinen-15-21-i] Die van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v21)

**22** [^romeinen-15-22-74] Waarom ik ook dikwijls[^romeinen-15-22-k] verhinderd geweest ben tot u te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v22)

**23** Maar nu[^romeinen-15-23-75] geen plaats meer hebbende in deze[^romeinen-15-23-76] gewesten, en van over vele jaren[^romeinen-15-23-l] groot verlangen hebbende, om tot u te komen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v23)

**24** Zo zal ik, wanneer ik[^romeinen-15-24-77] naar[^romeinen-15-24-78] Spanje reis, tot u komen; want[^romeinen-15-24-79] ik hoop[^romeinen-15-24-80] in het doorreizen u te zien, en[^romeinen-15-24-81] van u daarheen geleid te worden, als ik eerst van uw aanwezigheid[^romeinen-15-24-82] deels[^romeinen-15-24-83] verzadigd zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v24)

**25** [^romeinen-15-25-m] Maar nu[^romeinen-15-25-84] reis ik naar Jeruzalem,[^romeinen-15-25-85] dienende de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v25)

**26** Want het heeft[^romeinen-15-26-86] die van Macedonië en Achaje[^romeinen-15-26-87] goed[^romeinen-15-26-88] gedacht een enige handreiking te doen aan de armen onder[^romeinen-15-26-89] de heiligen, die te Jeruzalem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v26)

**27** Want[^romeinen-15-27-90] het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij[^romeinen-15-27-91] hun schuldenaars;[^romeinen-15-27-n] want als de heidenen[^romeinen-15-27-92] van hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook[^romeinen-15-27-93] schuldig hen van[^romeinen-15-27-94] lichamelijke goederen te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v27)

**28** Als ik dan[^romeinen-15-28-95] dit volbracht, en hun[^romeinen-15-28-96] deze vrucht[^romeinen-15-28-97] verzegeld zal hebben, zo zal ik[^romeinen-15-28-98] door uw stad naar Spanje afkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v28)

**29** [^romeinen-15-29-o] En[^romeinen-15-29-99] ik weet, dat ik, tot u komende,[^romeinen-15-29-100] met volle zegen van het Evangelie van Christus komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v29)

**30** En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus, en door de liefde van de[^romeinen-15-30-p] Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;[^romeinen-15-30-101][^romeinen-15-30-102][^romeinen-15-30-103][^romeinen-15-30-104][^romeinen-15-30-105][^romeinen-15-30-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v30)

**31** [^romeinen-15-31-q] Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij de heiligen;[^romeinen-15-31-107][^romeinen-15-31-108][^romeinen-15-31-109][^romeinen-15-31-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v31)

**32** [^romeinen-15-32-r] Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen, en met u verfrist worden.[^romeinen-15-32-111][^romeinen-15-32-112] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v32)

**33** En de God van de vrede zij met u allen. Amen.[^romeinen-15-33-113] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/15.html#v33)

[^romeinen-15-1-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 9:22 ; Gal. 6:1 . 1 Korinthiërs 9:22 : Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou. Galaten 6:1 : Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^romeinen-15-1-1]: Kanttekening 1: De apostel begrijpt zichzelven mee, opdat de vermaning te krachtiger zij.
[^romeinen-15-1-2]: Kanttekening 2: die sterk zijn: Namelijk in het geloof en de kennis van de Christelijke leer, voornamelijk van de Christelijke vrijheid.
[^romeinen-15-1-3]: Kanttekening 3: zijn schuldig: Of, zijn verplicht, gehouden; namelijk om de redenen, die Paulus hierna zal verklaren.
[^romeinen-15-1-4]: Kanttekening 4: de zwakheden: Dat is de onwetendheden en dwalingen, die uit zwakheid nog bij hen zijn, voornamelijk in dit stuk van de leer.
[^romeinen-15-1-5]: Kanttekening 5: van de onsterken: Dat is, van de zwakken. Zie Rom. 14:1 . Romeinen 14:1 : Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.
[^romeinen-15-1-6]: Kanttekening 6: te dragen: Dat is, verdragen, als een last van hen nemen, en hen helpen dragen. Zie Gal. 6:1 , 6:2 . Galaten 6:1 : Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt. Galaten 6:2 : Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus.
[^romeinen-15-1-7]: Kanttekening 7: onszelven te behagen: Dat is, onze zinnelijkheden volgen, of ons gemak en voordeel zoeken, onszelven toegeven.
[^romeinen-15-2-8]: Kanttekening 8: een iedereen van ons: Namelijk wie hij zij. Niemand wordt hier uitgenomen.
[^romeinen-15-2-9]: Kanttekening 9: zijn naaste behage: Veel meer, dan zijn zwakken broeder.
[^romeinen-15-2-10]: Kanttekening 10: ten goede: Of, in het goede; dat is, in zaken die niet kwaad zijn of tot goed voordeel en zaligheid van de naaste.
[^romeinen-15-2-11]: Kanttekening 11: tot stichting: Zie Rom. 14:19 . Romeinen 14:19 : Zo dan laat ons najagen, wat tot de vrede, en wat tot de stichting onder elkaar dient.
[^romeinen-15-3-12]: Kanttekening 12: Christus heeft: Het voorbeeld van Christus behoort veel te gelden bij de Christenen, als zijnde een regel, naar welke zij hun leven moeten aanstellen, Joh. 13:15 , 13:34 ; Fil. 2:5 , en het grote schande voor hen zou zijn, dat zij anders zouden doen dan Hij hun voor gedaan en geleerd heeft. Johannes 13:15 : Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet. Johannes 13:34 : Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Filippenzen 2:5 : Want dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was;
[^romeinen-15-3-13]: Kanttekening 13: Zichzelven niet behaagd: Dat is, niet gezocht zijn gemak, eer of voordeel; Matt. 20:28 . Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
[^romeinen-15-3-14]: Kanttekening 14: maar gelijk geschreven is: Namelijk Hij heeft Zich zo gedragen; of, Hem is geschied.
[^romeinen-15-3-15]: Kanttekening 15: De smadingen dergenen: Dat is, de zonden, door welke de mensen God smaadheid aandoen, of allerlei verachting en ongelijk van de goddelozen.
[^romeinen-15-3-b]: Verwijzing b: Ps. 69:10 ; Jes. 53:4 ; idem v. 5 . Psalmen 69:10 : Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
[^romeinen-15-3-16]: Kanttekening 16: zijn op Mij gevallen: Dat is, heb Ik op mij genomen, of zijn mij opgelegd, om die te boeten. David spreekt hier als een voorbeeld van de Messias en van Hem profeterende, die onze zonden op Zich genomen heeft om daarvoor te betalen; Jes. 53:4 , 53:5 ; 2 Kor. 5:21 . Omdat dan daaruit blijkt dat Christus niet Zijn gemak en voordeel heeft gezocht, maar het onze, en zoveel om onzentwil gedaan heeft, zo behoren wij ook te zoeken het beste van onze naaste, en alles te doen wat tot zijn zaligheid dienstig is. Zie Fil. 2:5 , 2:6 , 2:7 , 2:8 ; 1 Joh. 3:16 . Jesaja 53:4 : Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Jesaja 53:5 : Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Filippenzen 2:5 : Want dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was; Filippenzen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Filippenzen 2:7 : Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Filippenzen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. 1 Johannes 3:16 : Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.
[^romeinen-15-4-c]: Verwijzing c: Rom. 4:23 ; idem v. 24 . Romeinen 4:23 : Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; Romeinen 4:24 : Maar ook om onzentwil, welke het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heer, uit de doden opgewekt heeft;
[^romeinen-15-4-17]: Kanttekening 17: te voren geschreven is: Namelijk in de Schriften van het Oude Testament; dat nu ook gezegd kan worden van de Schriften van het Nieuwe.
[^romeinen-15-4-18]: Kanttekening 18: lering te voren geschreven: Of, onderwijzing; namelijk in zaken, die onze eeuwige zaligheid aangaan. Zie Joh. 5:39 ; 2 Tim. 3:15 , 3:16 . Johannes 5:39 : Onderzoekt de Schriften; want u meent daarin het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. 2 Timotheüs 3:15 : En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is. 2 Timotheüs 3:16 : Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;
[^romeinen-15-4-19]: Kanttekening 19: van de Schriften: Dat is, die uit het lezen, aanhoren en overleggen van de Schriften verkregen worden.
[^romeinen-15-4-20]: Kanttekening 20: hoop hebben zouden: Namelijk van de zaligheid door Christus zekerlijk te zullen verkrijgen.
[^romeinen-15-5-21]: Kanttekening 21: van de volharding: Die deze in ons werkt, door het middel van de Heilige Schrift, vers 4 . Romeinen 15:4 : Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop hebben zouden.
[^romeinen-15-5-d]: Verwijzing d: Rom. 12:16 ; 1 Kor. 1:10 ; Fil. 2:2 ; Fil. 3:16 ; 1 Petr. 3:8 . Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. 1 Korinthiërs 1:10 : Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippenzen 2:2 : Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Filippenzen 3:16 : Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar deze regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 1 Petrus 3:8 : En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^romeinen-15-5-22]: Kanttekening 22: eensgezind zijt onder elkaar: Namelijk in gevoelen aangaande de rechte leer en in goede genegenheden van de harten tot elkaar. Zie Rom. 12:16 . Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.
[^romeinen-15-5-23]: Kanttekening 23: naar Christus Jezus: Dat is, naar de rechtzinnige leer van Christus. Of, naar Christus Jezus' voorbeeld.
[^romeinen-15-6-24]: Kanttekening 24: Grieks, eenmoediglijk; dat is, met één hart en ziel; Hand. 4:32 . Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
[^romeinen-15-6-25]: Kanttekening 25: en Vader van onze Heer Jezus Christus: Dat is, God, die daar is de Vader onzes Heeren Jezus Christus; Ef. 1:3 , 1:17 . Efeziërs 1:3 : Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Efeziërs 1:17 : Opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u geve de Geest van de wijsheid en van de openbaring in Zijn kennis;
[^romeinen-15-7-26]: Kanttekening 26: Zie Rom. 14:1 , 14:3 . Romeinen 14:1 : Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. Romeinen 14:3 : Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.
[^romeinen-15-7-27]: Kanttekening 27: elkaar aan: Dat is, zowel de sterken de zwakken, als de zwakken de sterken; houdende elkaar voor broeders en broederlijk elkaar bejegenende in liefde en vrede.
[^romeinen-15-7-28]: Kanttekening 28: gelijk ook Christus: Dat is, naar het voorbeeld van Christus.
[^romeinen-15-7-29]: Kanttekening 29: aangenomen heeft: Namelijk zo dat Hij voor ons ook de dood is gestorven.
[^romeinen-15-7-30]: Kanttekening 30: tot de heerlijkheid van God: Dat is, om ons de heerlijkheid van God deelachtig te maken. Of, opdat daardoor de heerlijkheid van God zou verklaard worden.
[^romeinen-15-8-31]: Kanttekening 31: En ik zeg: Hier verklaart hij breder hoe Christus aangenomen heeft zowel Joden als heidenen, om daardoor beiden te vermanen, dat zij ook zo elkaar moeten aannemen.
[^romeinen-15-8-32]: Kanttekening 32: een dienaar geworden is: Dat is, van de Joden, die besneden zijn, Rom. 4:12 , die Hij, zijnde de Heer over allen, als een dienaar, de weg van de zaligheid heeft verkondigd, en onder hen alleen zijn dienst bedient; Matt. 15:24 , en Matt. 20:28 . Romeinen 4:12 : En een vader van de besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. Mattheüs 15:24 : Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
[^romeinen-15-8-33]: Kanttekening 33: vanwege de waarheid Gods: Namelijk opdat die niet zou gekrenkt worden; maar dat God waarachtig zou worden bevonden in Zijn beloften.
[^romeinen-15-8-34]: Kanttekening 34: van de vaderen: Dat is, die de vaderen eertijds in het Oude Testament zijn gedaan. Zie 2 Kor. 1:20 . 2 Korinthiërs 1:20 : Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons.
[^romeinen-15-9-35]: Kanttekening 35: de heidenen God: Hier bewijst hij het tweede deel, namelijk dat Christus ook de heidenen heeft aangenomen; volgens de beloften en toezeggingen Gods in het Oude Testament.
[^romeinen-15-9-36]: Kanttekening 36: vanwege de barmhartigheid: Of, over de barmhartigheid; namelijk die uit enkele genade ook aan hen betoond is, gelijk de Joden geschied was; Deut. 7:7 , 7:8 . Deuteronomium 7:7 : De YHWH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het weinigste van alle volken. Deuteronomium 7:8 : Maar omdat YHWH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u YHWH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.
[^romeinen-15-9-37]: Kanttekening 37: Dat is, tot de kennis van de ware God en tot het geloof gebracht zijnde, Hem zouden danken, eren en dienen, en eindelijk Zijn heerlijkheid mee deelachtig worden.
[^romeinen-15-9-38]: Kanttekening 38: gelijk geschreven is: In al deze plaatsen, die hier uit het Oude Testament tot bewijs worden voortgebracht, moet voornamelijk gelet worden op het woord heidenen. De verklaringen, zie op elke plaats.
[^romeinen-15-9-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 22:50 ; Ps. 18:50 . 2 Samuël 22:50 : Daarom zal ik U, o YHWH, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen. Psalmen 18:50 : Daarom zal ik U, o YHWH! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;
[^romeinen-15-10-f]: Verwijzing f: Deut. 32:43 . Deuteronomium 32:43 : Juicht, u heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.
[^romeinen-15-11-g]: Verwijzing g: Ps. 117:1 . Psalmen 117:1 : Looft YHWH, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!
[^romeinen-15-12-h]: Verwijzing h: Jes. 11:10 ; Openb. 5:5 ; Openb. 22:16 . Jesaja 11:10 : Want het zal gebeuren ten zelven dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier van de volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. Openbaring 5:5 : En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. Openbaring 22:16 : Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^romeinen-15-13-39]: Kanttekening 39: van de hoop vervulle u: Dat is, op wie men hopen moet; 1 Tim. 6:17 , en die de hoop in ons werkt door Zijn beloften en geest; 1 Petr. 1:3 . 1 Timotheüs 6:17 : Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijk verleent, om te genieten; 1 Petrus 1:3 : Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
[^romeinen-15-13-40]: Kanttekening 40: met alle blijdschap en vrede: Dat is, met een rechte en gedurige geestelijke blijdschap; Fil. 4:4 . Filippenzen 4:4 : Verblijdt u in de Heer altijd; opnieuw zeg ik: Verblijdt u.
[^romeinen-15-13-41]: Kanttekening 41: in het geloven: Dat is, terwijl u gelooft in dit leven. Of, naast uw geloof, met dat altijd vergezelschapt is blijdschap en vrede.
[^romeinen-15-13-42]: Kanttekening 42: door de kracht van de Heilige Geest: Grieks, in de kracht van de Heilige Geest (ἅγιος); die nu deze geestelijke gaven en deugden door Zijn kracht in de mensen werkt; 1 Kor. 12:6 , 12:11 . 1 Korinthiërs 12:6 : En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 1 Korinthiërs 12:11 : Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iedereen in het bijzonder, zoals Hij wil.
[^romeinen-15-14-43]: Kanttekening 43: Maar, mijn broeders: Hier begint de apostel deze brief te besluiten, zich ontschuldigende, dat hij zo breed en zo vrijmoedig aan hen had geschreven, en belovende dat hij zelf tot hen zou komen.
[^romeinen-15-14-44]: Kanttekening 44: ben verzekerd van u: Dat is, ik vertrouw of verzeker mij vastelijk, naar het oordeel van de liefde, die alles gelooft, 1 Kor. 13:7 , omdat ik weet dat u zulks metterdaad betoont. 1 Korinthiërs 13:7 : Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
[^romeinen-15-14-45]: Kanttekening 45: En dat daarom die onenigheid, onder u ontstaan over het gebruik van de middelmatige dingen, niet uit boosheid of haat tegen elkaar, maar uit zwakheid voortkomt.
[^romeinen-15-14-46]: Kanttekening 46: alle kennis: Dat is, allerlei kennis, namelijk van geestelijke zaken ter zaligheid nodig. Want hoewel onder hen vele zwakken en onverstandigen waren, zo waren er ook vele godzaligen, verstandigen en welgeoefenden in de Christelijke leer, te wier aanzien hij dit zegt. Zie dergelijke 1 Kor. 1:5 . 1 Korinthiërs 1:5 : Dat u in alles rijk bent geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;
[^romeinen-15-15-47]: Kanttekening 47: Dat is, enigszins; of ten dele te stoutelijker.
[^romeinen-15-15-48]: Kanttekening 48: te stoutelijker geschreven: Namelijk met hier en daar uwe gebreken vrijmoedig aan te wijzen en te bestraffen.
[^romeinen-15-15-49]: Kanttekening 49: indachtig makende: Dat is, opdat u op deze dingen, die gijzelf wel weet, en niet wel in het werk stelt, met ernst zoudt denken en die betrachten.
[^romeinen-15-15-50]: Kanttekening 50: om de genade: Namelijk van het apostelschap, Rom. 1:5 , dat is, omdat ik van God daartoe gesteld en geroepen ben, en ik mij in mijn ambt getrouw moet kwijten; zie vers 16 . Of, door de genade. Romeinen 1:5 : (Door Welke wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam; Romeinen 15:16 : Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest.
[^romeinen-15-16-51]: Kanttekening 51: een dienaar van Jezus Christus: Grieks, leitourgos (λειτουργὸν). Zie van dit woord Hand. 13:2 ; Rom. 13:6 ; Hebr. 8:2 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Romeinen 13:6 : Want daarom betaalt u ook schattingen; want zij zijn dienaren van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde. Hebreeën 8:2 : Een Dienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welke de Heer heeft opgericht, en geen mens.
[^romeinen-15-16-52]: Kanttekening 52: onder de heidenen: Zie Hand. 9:15 , en Hand. 13:2 ; Rom. 11:13 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Romeinen 11:13 : Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik van de heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;
[^romeinen-15-16-53]: Kanttekening 53: van God: Dat is, dat God mij toevertrouwd heeft en belast te leren met prediken en schrijven.
[^romeinen-15-16-54]: Kanttekening 54: Of, opofferende; dat is, als een heilig werk bedienende; gelijk het werk van de priesters was.
[^romeinen-15-16-55]: Kanttekening 55: de offerande van de heidenen: Dat is, niet die de heidenen zullen opofferen, gelijk Rom. 12:1 , maar die ik uit de heidenen tot God zal bekeren, en zo voor God zal opofferen door mijn dienst. Zie dergelijke Mal. 1:11 . Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Maleachi 1:11 : Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de heirscharen.
[^romeinen-15-16-56]: Kanttekening 56: aangenaam worde: Zie Rom. 12:1 . Romeinen 12:1 : Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
[^romeinen-15-16-57]: Kanttekening 57: geheiligd door de Heilige Geest: Zie ook daar.
[^romeinen-15-17-58]: Kanttekening 58: Namelijk doordien ik zoveel heidenen door mijn dienst tot het geloof gebracht heb.
[^romeinen-15-17-59]: Kanttekening 59: in Christus Jezus: Die mijn dienst gezegend heeft, en die als de enige auteur van hun bekering, door mijn als zijn instrument gewrocht heeft.
[^romeinen-15-17-60]: Kanttekening 60: die God aangaan: Grieks, die tot God; namelijk als de enige auteur van de zegen en bevordering van mijn dienst behoren.
[^romeinen-15-18-61]: Kanttekening 61: niet durven iets zeggen: Dat is, niet met goede consciëntie iets kunnen voortbrengen.
[^romeinen-15-18-62]: Kanttekening 62: dat Christus: Dat is, dat Christus niet zowel door mij als door iemand van de andere apostelen krachtig gewrocht heeft; Gal. 2:8 . Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);
[^romeinen-15-18-63]: Kanttekening 63: tot gehoorzaamheid van de heidenen: Dat is, om de heidenen, wiens apostel ik voornamelijk ben, tot de gehoorzaamheid van het geloof en van het Evangelie te brengen.
[^romeinen-15-18-64]: Kanttekening 64: met woorden: Grieks, met woord en met werk (λόγος); dat is, met de predikatie van het Evangelie.
[^romeinen-15-18-65]: Kanttekening 65: Dat is, met veel arbeid, zwarigheid en moeite. Of, met wonderwerken en tekenen; gelijk in vers 19 verklaard wordt. Romeinen 15:19 : Door kracht van tekenen en wonderen, en door de kracht van de Geest van God, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.
[^romeinen-15-19-66]: Kanttekening 66: de kracht van de Geest van God: De krachtige werkingen van de Heilige Geest in de harten van de mensen.
[^romeinen-15-19-67]: Kanttekening 67: Dat is, in de omliggende landen, als namelijk in Arabië, Gal. 1:17 ; in Damascus, Gal. 1:17 ; te Antiochië, Hand. 13:1 ; te Seleucië, Hand. 13:4 ; in Cyprus, Hand. 13:4 ; in Pamfylië, Hand. 13:13 ; in Pisidië, Hand. 13:14 ; in Lycaonië, Hand. 14:6 ; in Cilicië, Hand. 15:41 ; in Frygië, Hand. 16:6 ; in Galatië, Hand. 16:6 ; te Troas, Hand. 16:8 ; te Athene, Hand. 17:15 ; te Efeze, Hand. 19:1 ; in Achaja, Hand. 18:27 ; in Macedonië, Hand. 16:10 , en andere. Of, in het rond, van het ene land reizende in het andere, herwaarts en daarheen. Galaten 1:17 : En ben niet opnieuw gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabië, en keerde opnieuw naar Damascus. Galaten 1:17 : En ben niet opnieuw gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabië, en keerde opnieuw naar Damascus. Handelingen 13:1 : En er waren te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus. Handelingen 13:4 : Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. Handelingen 13:4 : Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. Handelingen 13:13 : En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem. Handelingen 13:14 : En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, zaten zij neder. Handelingen 14:6 : Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; Handelingen 15:41 : En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de Gemeenten. Handelingen 16:6 : En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. Handelingen 16:6 : En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. Handelingen 16:8 : En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas. Handelingen 17:15 : En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. Handelingen 19:1 : En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen van het land doorreisd hebbende, te Efeze kwam; en enige discipelen daar vindende, Handelingen 18:27 : En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade. Handelingen 16:10 : Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij meteen naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heer geroepen had, om hun het Evangelie te verkondigen.
[^romeinen-15-19-68]: Kanttekening 68: Illyrikum toe: Een land, gelegen aan de Adriatische zee, en grenzende aan Macedonië, nu genaamd Slavonië.
[^romeinen-15-19-69]: Kanttekening 69: het Evangelie van Christus vervuld heb: Dat is, al die landen met de predikatie en kennis van het Evangelie van Christus vervuld heb.
[^romeinen-15-20-70]: Kanttekening 70: zeer begerig geweest ben: Namelijk met een heilige en prijzenswaardige eergierigheid, mij bevlijtigende boven anderen, om alom eerst te prediken.
[^romeinen-15-20-71]: Kanttekening 71: Dat is, de kennis en leer van Christus.
[^romeinen-15-20-72]: Kanttekening 72: genoemd was: Dat is, verkondig, of beken.
[^romeinen-15-20-73]: Kanttekening 73: van een ander fondament zou bouwen: Dat is, dat van een ander daar eerst gelegd was. Zie 1 Kor. 3:10 . 1 Korinthiërs 3:10 : Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iedereen zie toe, hoe hij daarop bouwe.
[^romeinen-15-21-i]: Verwijzing i: Jes. 52:15 . Jesaja 52:15 : Zo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
[^romeinen-15-22-74]: Kanttekening 74: Waarom ik ook dikwijls: Namelijk om het Evangelie in die landen te verbreiden, waar het nog niet verkondigd was geweest, en om daar nieuwe kerken te planten. Zie Rom. 1:13 . Romeinen 1:13 : Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen.
[^romeinen-15-22-k]: Verwijzing k: Rom. 1:13 ; 1 Thes. 2:18 . Romeinen 1:13 : Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. 1 Thessalonicensen 2:18 : Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet.
[^romeinen-15-23-75]: Kanttekening 75: geen plaats meer hebbende: Namelijk waar het Evangelie opnieuw behoeft gepredikt te worden.
[^romeinen-15-23-76]: Kanttekening 76: Namelijk van Syrië, Griekenland en Azië. Grieks, climasi (κλίμασι); waarmee betekend worden landstreken, die op verscheidene hoogten liggen.
[^romeinen-15-23-l]: Verwijzing l: Rom. 1:10 ; Rom. 15:32 ; 1 Thes. 3:10 ; 2 Tim. 1:4 . Romeinen 1:10 : Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Romeinen 15:32 : Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden. 1 Thessalonicensen 3:10 : Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, wat aan uw geloof ontbreekt. 2 Timotheüs 1:4 : Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap mag vervuld worden;
[^romeinen-15-24-77]: Kanttekening 77: zo zal ik: Namelijk door Gods wil, of zo het God zal believen, vers 32 ; Rom. 1:10 . Romeinen 15:32 : Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden. Romeinen 1:10 : Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen.
[^romeinen-15-24-78]: Kanttekening 78: naar Spanje reis: Namelijk dat ik voorgenomen heb te doen, omdat daar het Evangelie nog niet is verkondigd geweest.
[^romeinen-15-24-79]: Kanttekening 79: ik hoop: Dat is, ik ben daarvan wel nog niet verzekerd door enige openbaring, maar heb evenwel hoop daarvan, gelijk blijkt Rom. 1:10 . Romeinen 1:10 : Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen.
[^romeinen-15-24-80]: Kanttekening 80: in het doorreizen u te zien: Dat is, mijne reis zo te nemen dat ik over Italië en door Rome zal gaan. Want anders het naaste en rechtste, om te varen uit Syrië of ook Griekenland naar Spanje, is niet over Italië, maar tussen Afrika en Sicilië door, latende Sicilië met Italië aan de rechterhand.
[^romeinen-15-24-81]: Kanttekening 81: van u daarheen geleid te worden: Dat is, van enige van uwe gemeente, om mij te vergezelschappen en ook in de dienst bij te staan.
[^romeinen-15-24-82]: Kanttekening 82: Dat is, een weinig, gelijk vers 15 . Romeinen 15:15 : Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als opnieuw dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;
[^romeinen-15-24-83]: Kanttekening 83: verzadigd zal zijn: Grieks, vervuld.
[^romeinen-15-25-m]: Verwijzing m: Hand. 19:21 ; Hand. 24:17 . Handelingen 19:21 : En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. Handelingen 24:17 : Maar na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden.
[^romeinen-15-25-84]: Kanttekening 84: reis ik naar Jeruzalem: Dat is, dat ik niet meteen mij op reis begeef om tot u te komen, is omdat ik eerst noodzakelijk van hier naar Jeruzalem moet reizen.
[^romeinen-15-25-85]: Kanttekening 85: dienende de heiligen: Dat is, om de armen en verdrukten gelovigen binnen Jeruzalem de aalmoezen te brengen, die voor hen vergaderd zijn, gelijk in vers 26 verklaard wordt. Romeinen 15:26 : Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.
[^romeinen-15-26-86]: Kanttekening 86: die van Macedonië: Dat is, de gemeenten in Macedonië.
[^romeinen-15-26-87]: Kanttekening 87: goed gedacht: Namelijk uit eigen en vrijwillige beweging en medelijden.
[^romeinen-15-26-88]: Kanttekening 88: een gemene handreiking te doen: Grieks, een zekere gemeenschap, of mededeling.
[^romeinen-15-26-89]: Kanttekening 89: de heiligen: Dat is, gelovigen, vers 25 . Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
[^romeinen-15-27-90]: Kanttekening 90: het heeft hun zo goed gedacht: Dit verhaalt hij opnieuw om deze hun vrijwilligheid te prijzen, en daarmede de Romeinen stilzwijgende te vermanen, dat zij hun voorbeeld behoorden na te volgen, zo zij niet minder in goeden voorspoed waren als die van Griekenland.
[^romeinen-15-27-91]: Kanttekening 91: hun schuldenaars: Dat is, zijn verplicht om hun bijstand te doen. Dit zegt hij niet om hun vrijwilligheid te verminderen, maar om de Romeinen daarmede heuselijk te vermanen, dat zij ook daartoe verplicht zijn om dezelfde reden die volgt.
[^romeinen-15-27-n]: Verwijzing n: 1 Kor. 9:11 ; Gal. 6:6 . 1 Korinthiërs 9:11 : Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Galaten 6:6 : En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
[^romeinen-15-27-92]: Kanttekening 92: hun geestelijke goederen : Dat is, de leer van het Evangelie van Christus, in welke alle schatten van de geestelijke goederen verborgen zijn, welke goederen van de Joden, of van de gemeente te Jeruzalem genaamd worden, omdat Christus de Joden voornamelijk is beloofd, en omdat het Evangelie uit de gemeente van Jeruzalem door de gehele wereld onder de heidenen verbreid is; Jes. 2:3 ; Hand. 1:4 , 1:8 . Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Handelingen 1:4 : En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt. Handelingen 1:8 : Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.
[^romeinen-15-27-93]: Kanttekening 93: Dat is, door de grote weldaad van hen ontvangen verplicht, om dat enigszins te vergelden. Zie 1 Kor. 9:11 ; Gal. 6:6 . 1 Korinthiërs 9:11 : Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Galaten 6:6 : En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
[^romeinen-15-27-94]: Kanttekening 94: lichamelijke goederen te dienen: Grieks, vleselijke (λειτουργέω); dat is, nodig tot onderhoud van het vlees, dat is van het lichaam.
[^romeinen-15-28-95]: Kanttekening 95: dit volbracht: Dat is, deze reis en deze dienst.
[^romeinen-15-28-96]: Kanttekening 96: deze vrucht: Namelijk van het geloof en van de liefde, die de voorzegde gemeenten voortgebracht hebben. Zo wordt genaamd hun milddadigheid, omdat het ware geloof zulke vruchten moet voortbrengen, en door de werken van de liefde dadig zijn; Gal. 5:6 , 5:22 . Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Galaten 5:22 : Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
[^romeinen-15-28-97]: Kanttekening 97: verzegeld zal hebben: Dat is, getrouw zal overgebracht hebben, zo het in mijne handen vertrouwd en als verzegeld is, gelijk een schat in een kist verzegeld wordt, opdat daarvan niets afgenomen worde.
[^romeinen-15-28-98]: Kanttekening 98: door ulieder stad : Grieks, door u; dat is, door uwent, of door uwe stad.
[^romeinen-15-29-o]: Verwijzing o: Rom. 1:11 . Romeinen 1:11 : Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, ten einde u versterkt zoudt worden;
[^romeinen-15-29-99]: Kanttekening 99: ik weet: Zie hiervan vers 24 . Romeinen 15:24 : Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u daarheen geleid te worden, als ik eerst van ulieder aanwezigheid eensdeels verzadigd zal zijn.
[^romeinen-15-29-100]: Kanttekening 100: met vollen zegen: Grieks, in volheid van de zegen; dat is ik zal met mij brengen een volle, overvloedige zegening, om u te versterken door mijne predikatiën in de Christelijke leer, door welke ons de eeuwige zegening Gods verkondigd wordt.
[^romeinen-15-30-p]: Verwijzing p: 2 Kor. 1:11 . 2 Korinthiërs 1:11 : Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.
[^romeinen-15-30-101]: Kanttekening 101: ik bid u: Of, ik vermaan.
[^romeinen-15-30-102]: Kanttekening 102: door onze Heer Jezus Christus: Dat is, zo lief als u de Heer Jezus Christus hebt; of, doet het niet zozeer of alleen om mijnent, als voornamelijk om Christus' wil.
[^romeinen-15-30-103]: Kanttekening 103: de liefde: Namelijk òf waarmee God u liefheeft, Rom. 5:5 ; òf, waarmee u God en uw naaste liefhebt. Romeinen 5:5 : En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
[^romeinen-15-30-104]: Kanttekening 104: van de Geest: Dat is, die de Heilige Geest in onze harten werkt en ontsteekt. Of, waarmee Hij ons liefheeft.
[^romeinen-15-30-105]: Kanttekening 105: Dat is, ernstig, heftig en gedurig aanhoudt, gelijk doen degenen die strijden, die elkaar bijstaan en met strijden aanhouden, totdat zij de overwinning verkrijgen. Zie Gen. 32:26 . Genesis 32:26 : En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent.
[^romeinen-15-30-106]: Kanttekening 106: in de gebeden tot God voor mij: Namelijk die de wapenen zijn, met welke de gelovigen hun vijanden bestrijden.
[^romeinen-15-31-q]: Verwijzing q: 2 Thes. 3:2 . 2 Thessalonicensen 3:2 : En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.
[^romeinen-15-31-107]: Kanttekening 107: van de ongehoorzamen in Judea: Namelijk die de leer van het Evangelie verwerpen en tegenstaan, en mij daarom haten. Deze hebben de apostel te Jeruzalem gezocht te doden, maar hij is uit hun handen verlost. Zie Hand. 21:27 , 21:33 . Dit wist Paulus tevoren dat hem wedervaren zou; Hand. 20:22 . Zie 2 Thess. 3:2 . Handelingen 21:27 : Als nu de zeven dagen zouden voltooid worden, zagen hem de Joden van Azië in de tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem, Handelingen 21:33 : Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had. Handelingen 20:22 : En nu ziet, ik, gebonden zijnde door de Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal; 2 Thessalonicensen 3:2 : En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.
[^romeinen-15-31-108]: Kanttekening 108: deze mijn dienst: Namelijk van de vergaderde aalmoezen getrouwelijk over te brengen.
[^romeinen-15-31-109]: Kanttekening 109: aan Jeruzalem doe : Dat is, aan de arme gelovigen binnen Jeruzalem.
[^romeinen-15-31-110]: Kanttekening 110: de heiligen: Zie vers 25 , 15:26 . Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. Romeinen 15:26 : Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.
[^romeinen-15-32-r]: Verwijzing r: Rom. 1:10 ; Rom. 15:23 . Romeinen 1:10 : Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Romeinen 15:23 : Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,
[^romeinen-15-32-111]: Kanttekening 111: door de wil van God: Dat is, zo het Gods wil zal zijn. Zie Rom. 1:10 , en Jak. 4:13 , 4:14 , 4:15 . Romeinen 1:10 : Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Jakobus 4:13 : Welaan nu u, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Jakobus 4:14 : U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. Jakobus 4:15 : In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^romeinen-15-32-112]: Kanttekening 112: verkwikt worden: Grieks, mag rust nemen. Zie Matt. 11:28 . Namelijk door onze onderlinge aanwezigheid en samensprekingen. Mattheüs 11:28 : Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
[^romeinen-15-33-113]: Kanttekening 113: God van de vrede zij met u allen: Dat is, die de auteur is van alle zegening, goed en voorspoed; en die wil dat onder Zijn kinderen altijd vrede gehouden worde; Rom. 16:20 ; 1 Kor. 14:33 ; 2 Kor. 13:11 , 13:13 ; Fil. 4:9 ; 1 Thess. 5:23 ; 2 Thess. 3:16 ; Hebr. 13:20 . Romeinen 16:20 : En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen. 1 Korinthiërs 14:33 : Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten van de heiligen. 2 Korinthiërs 13:11 : Verder, broeders, zijt blij, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God van de liefde en van de vrede zal met u zijn. 2 Korinthiërs 13:13 : De genade van de Heer Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met u allen. Amen. Filippenzen 4:9 : Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn. 1 Thessalonicensen 5:23 : En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus. 2 Thessalonicensen 3:16 : De Heer nu van de vrede Zelf geve u vrede altijd, in allerlei wijze. De Heer zij met u allen. Hebreeën 13:20 : De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwige testament, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heer Jezus Christus,

### Romeinen 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/romeinen/16.json)

*1 De apostel beveelt Febe aan bij de gemeente van Rome 3 en groet met name enige van de bijzonderste broeders en zusters in diezelfde gemeente, en prijst hun godzaligheid. 17 Hij vermaant de Romeinen dat zij zich wachten voor de aanstichters van tweedracht en ergernissen, en dat zij wijs zijn in het goede, 20 belovend dat God de satan onder hun voeten zal vertreden. 21 Hij groet de gemeente vanwege enige broeders die bij hem waren. 24 En ten slotte besluit hij deze zendbrief met een wens en lofprijzing van God over de overvloedige openbaring van het Evangelie.*

**1** En ik[^romeinen-16-1-1] beveel u Febe, onze[^romeinen-16-1-2] zuster, die[^romeinen-16-1-3] een dienares is van de Gemeente, die te[^romeinen-16-1-4] Kenchreen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v1)

**2** Opdat u haar[^romeinen-16-2-5] ontvangt[^romeinen-16-2-6] in de Heere,[^romeinen-16-2-7] zoals het de heiligen past, en haar[^romeinen-16-2-8] bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is[^romeinen-16-2-9] een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v2)

**3** [^romeinen-16-3-a] Groet[^romeinen-16-3-10] Priscilla en[^romeinen-16-3-11] Aquila, mijn[^romeinen-16-3-12] medewerkers in Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v3)

**4** Die voor mijn[^romeinen-16-4-13] leven[^romeinen-16-4-14] hun hals gesteld hebben; die niet alleen ik danke, maar ook[^romeinen-16-4-15] al de Gemeenten van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v4)

**5** Groet[^romeinen-16-5-16] ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn[^romeinen-16-5-17] geliefde, die[^romeinen-16-5-18] de eersteling is[^romeinen-16-5-19] van Achaje in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v5)

**6** Groet Maria, die veel voor[^romeinen-16-6-20] ons[^romeinen-16-6-21] gewerkt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v6)

**7** Groet Andronikus en Junias,[^romeinen-16-7-22] mijn familieleden, en mijn[^romeinen-16-7-23] medegevangenen, die beroemd zijn onder[^romeinen-16-7-24] de apostelen, die ook[^romeinen-16-7-25] voor mij[^romeinen-16-7-26] in Christus geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v7)

**8** Groet Amplias, mijn geliefde[^romeinen-16-8-27] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v8)

**9** Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn geliefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v9)

**10** Groet Apelles, die[^romeinen-16-10-28] beproefd is in Christus. Groet hen, die van[^romeinen-16-10-29] het huisgezin van Aristobulus zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v10)

**11** Groet Herodion,[^romeinen-16-11-30] die van mijn familie is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen[^romeinen-16-11-31] namelijk, die in de Heere zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v11)

**12** Groet Tryfena en Tryfosa,[^romeinen-16-12-32] vrouwen die in de Heere arbeiden. Groet Persis, de geliefde zuster, die veel gewerkt heeft in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v12)

**13** Groet Rufus,[^romeinen-16-13-33] de uitverkorene in de Heere, en[^romeinen-16-13-34] zijn moeder en[^romeinen-16-13-35] de mijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v13)

**14** Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v14)

**15** Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v15)

**16** [^romeinen-16-16-b] Groet elkaar[^romeinen-16-16-36] met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v16)

**17** [^romeinen-16-17-c] En ik bid u, broeders, neemt acht op[^romeinen-16-17-37] degenen, die tweedracht en struikelblokken veroorzaken tegen de leer, die u van ons geleerd hebt;[^romeinen-16-17-d] en wijkt af daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v17)

**18** [^romeinen-16-18-38] Want zulke dienen onze Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten[^romeinen-16-18-39][^romeinen-16-18-40][^romeinen-16-18-e] van[^romeinen-16-18-f] de eenvoudigen.[^romeinen-16-18-41] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v18)

**19** Want[^romeinen-16-19-42] uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan over u;[^romeinen-16-19-g] en ik wil, dat u wijs bent in het goede, maar onnozel in het kwade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v19)

**20** En[^romeinen-16-20-43] de God van de vrede[^romeinen-16-20-44] zal de satan[^romeinen-16-20-45] haast[^romeinen-16-20-46] onder uw voeten verpletteren.[^romeinen-16-20-47] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v20)

**21** U groeten,[^romeinen-16-21-h] Timotheüs, mijn medearbeider, en[^romeinen-16-21-i] Lucius, en[^romeinen-16-21-k] Jason, en[^romeinen-16-21-l] Socipater, mijn bloedverwanten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v21)

**22** Ik, Tertius,[^romeinen-16-22-48] die de brief geschreven heb, groet u in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v22)

**23** U groet[^romeinen-16-23-49] Gajus, de huiswaard van mij en van de hele[^romeinen-16-23-50] Gemeente. U groet[^romeinen-16-23-m] Erastus,[^romeinen-16-23-51] de rentmeester[^romeinen-16-23-52] van de stad, en de broeder Quartus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v23)

**24** [^romeinen-16-24-53] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v24)

**25** [^romeinen-16-25-n] Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar[^romeinen-16-25-54] mijn Evangelie[^romeinen-16-25-55] en de prediking van Jezus[^romeinen-16-25-o] Christus, naar de openbaring[^romeinen-16-25-56] van het geheim, die[^romeinen-16-25-57] van de tijden van de eeuwen[^romeinen-16-25-58] verzwegen is geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v25)

**26** Maar[^romeinen-16-26-59] nu geopenbaard is, en door[^romeinen-16-26-60] de profetische Schriften,[^romeinen-16-26-61] naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder al de heidenen[^romeinen-16-26-62] bekend is gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v26)

**27** [^romeinen-16-27-63] Dezelfde alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/romeinen/16.html#v27)

[^romeinen-16-1-1]: Kanttekening 1: beveel u Febe: Dat is, recommandeer.
[^romeinen-16-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk in Christus.
[^romeinen-16-1-3]: Kanttekening 3: een dienares is van de Gemeente: Namelijk niet in de dienst van prediken; want die wordt aan de vrouwen verboden, 1 Kor. 14:34 , en 1 Tim. 2:12 , maar òf een diakones, die de zieken verzorgde, 1 Tim. 5:9 , 5:10 , òf, dat waarschijnlijker is, die de gemeente diende in het ontvangen en herbergen van de verjaagde Christenen, en ook van de apostelen en leraars, gelijk blijkt uit vers 2 . 1 Korinthiërs 14:34 : Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 1 Timotheüs 2:12 : Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. 1 Timotheüs 5:9 : Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke van een man vrouw geweest zij; 1 Timotheüs 5:10 : Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij graag heeft geherbergd, zo zij van de heiligen voeten heeft gewassen, zo zij de verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij elk goed werk nagetracht heeft. Romeinen 16:2 : Opdat u haar ontvangt in de Heer, gelijk het de heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelf.
[^romeinen-16-1-4]: Kanttekening 4: Ene haven van Korinthe; zie van deze plaats Hand. 18:18 . Handelingen 18:18 : En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.
[^romeinen-16-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, herbergt en vriendelijk bejegent.
[^romeinen-16-2-6]: Kanttekening 6: in de Heer: Dat is, vanwege de Heer, of in de Naam van de Heer.
[^romeinen-16-2-7]: Kanttekening 7: gelijk het de heiligen betaamt: Dat is, gelijk haar, die een heilige en godzalige vrouw is, en ook u, die vrome Christenen bent, betaamt. Grieks, waardiglijk de heiligen.
[^romeinen-16-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk met raad en daad, om haar haar zaken te helpen verrichten, die zij te Rome te doen heeft.
[^romeinen-16-2-9]: Kanttekening 9: een voorstandster geweest van velen: Of, herbergster; namelijk die vele verjaagde Christenen in haar huis heeft ontvangen. Zie 1 Tim. 5:10 . Het schijnt dan dat zij een welgestelde vrouw geweest is. 1 Timotheüs 5:10 : Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij graag heeft geherbergd, zo zij van de heiligen voeten heeft gewassen, zo zij de verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij elk goed werk nagetracht heeft.
[^romeinen-16-3-a]: Verwijzing a: Hand. 18:2 ; idem v. 26 . Handelingen 18:2 : En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; Handelingen 18:26 : En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit.
[^romeinen-16-3-10]: Kanttekening 10: De huisvrouw van Aquila, die een zeer kloeke en godzalige vrouw was.
[^romeinen-16-3-11]: Kanttekening 11: De man van Priscilla, een tentenmaker uit Pontus. Zie van beiden Hand. 18:2 , enz.; 1 Kor. 16:19 ; 2 Tim. 4:19 . Deze waren tevoren uit Rome verdreven door het gebod van de keizer Claudius, en waren te Korinthe, toen Paulus daar kwam, Hand. 18:2 ; en zo hier blijkt dat zij nu opnieuw te Rome waren, zo schijnt wel dat de apostel tweemaal te Korinthe is geweest, want deze zendbrief is uit Korinthe geschreven. Handelingen 18:2 : En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; 1 Korinthiërs 16:19 : U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heer Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is. 2 Timotheüs 4:19 : Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus. Handelingen 18:2 : En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;
[^romeinen-16-3-12]: Kanttekening 12: medewerkers in Christus Jezus: Namelijk in het verbreiden van de Evangelische leer, waarin zij naar hun gelegenheid en beroeping het beste deden.
[^romeinen-16-4-13]: Kanttekening 13: Grieks, ziel. Zie Matt. 2:20 . Mattheüs 2:20 : Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten.
[^romeinen-16-4-14]: Kanttekening 14: hun hals gesteld hebben: Grieks, hun hals onder gesteld heeft; dat is, hun leven gewaagd hebben. Dit is geschied, òf in de oploop te Korinthe tegen Paulus, Hand. 18:12 , òf in de oploop te Efeze, Hand. 19:23 , alwaar zij toen met Paulus waren; Hand. 18:18 . Handelingen 18:12 : Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel. Handelingen 19:23 : Maar op dienzelfde tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege de weg van de Heer. Handelingen 18:18 : En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.
[^romeinen-16-4-15]: Kanttekening 15: al de Gemeenten van de heidenen: Omdat die daardoor verkregen hebben die weldaad, dat ik nog in het leven ben gebleven om die te leren en te versterken.
[^romeinen-16-5-16]: Kanttekening 16: de Gemeente in hun huis: Dat is, de gelovigen, die òf tot hun huisgezin behoorden, òf die in hun huis vergaderden. Zie Kol. 4:15 ; Filem. v. 2 . Kolossensen 4:15 : Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is. Filemon 1:2 : En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onze medestrijder, en aan de Gemeente, die te uw huize is:
[^romeinen-16-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk om zijn bijzondere godzaligheid.
[^romeinen-16-5-18]: Kanttekening 18: de eersteling is: Dat is, die één van de eerste is, die ik door mijne predikatie tot het geloof gebracht heb. Zie Rom. 11:16 ; 1 Kor. 15:20 , en 1 Kor. 16:15 . Romeinen 11:16 : En als de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en als de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. 1 Korinthiërs 15:20 : Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. 1 Korinthiërs 16:15 : En ik bid u, broeders, u kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelven de heiligen ten dienst hebben geschikt;
[^romeinen-16-5-19]: Kanttekening 19: van Achaje in Christus: Dat is, van al de gelovigen, die in Achaje zijn.
[^romeinen-16-6-20]: Kanttekening 20: Dat is, voor de gelovigen, en voornamelijk voor de leraars.
[^romeinen-16-6-21]: Kanttekening 21: gewerkt heeft: Namelijk met hen te herbergen, en andere diensten te doen.
[^romeinen-16-7-22]: Kanttekening 22: mijn magen: Dat is, Joden van mijne familie.
[^romeinen-16-7-23]: Kanttekening 23: Dat is, die ook mee, gelijk als ik, vanwege het Evangelie gevangen zijn geweest; Kol. 4:10 ; Filem. v. 23 . Kolossensen 4:10 : U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; Filemon 1:23 : U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,
[^romeinen-16-7-24]: Kanttekening 24: de apostelen: Dat is, onder degenen, die het Evangelie hier en daar prediken. Want dit woord wordt niet alleen de twaalf apostelen bijzonder toegeschreven, maar ook somwijlen anderen leraars; zie 2 Kor. 8:23 . Of, wel bekend, bij de apostelen. 2 Korinthiërs 8:23 : Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten van de Gemeenten, en een eer van Christus.
[^romeinen-16-7-25]: Kanttekening 25: Dat is, voordat ik bekeerd ben geweest.
[^romeinen-16-7-26]: Kanttekening 26: in Christus geweest zijn: Dat is, tot de Christelijke godsdienst zijn bekeerd geweest.
[^romeinen-16-8-27]: Kanttekening 27: in de Heer: Dat is, omdat hij ook in de Heer gelooft.
[^romeinen-16-10-28]: Kanttekening 28: beproefd is in Christus: Dat is, die door vele gevaren en zwarigheden geoefend zijnde, oprecht is bevonden.
[^romeinen-16-10-29]: Kanttekening 29: Aristobulus zijn : Het schijnt dat deze Aristobulus nog zelf geen Christen was, omdat de Apostel hem niet doet groeten; maar het blijkt evenwel dat hij een bescheiden man is geweest, die de Christenen in zijn huisgezin duldde.
[^romeinen-16-11-30]: Kanttekening 30: die van mijn familie is: Zie vers 7 . Romeinen 16:7 : Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.
[^romeinen-16-11-31]: Kanttekening 31: die in de Heer zijn: Dat is, die Christenen zijn. Want die nog heidenen waren in dat huisgezin, die groet hij niet.
[^romeinen-16-12-32]: Kanttekening 32: die in de Heer arbeiden: Zie vers 5 . Romeinen 16:5 : Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.
[^romeinen-16-13-33]: Kanttekening 33: de uitverkorene in de Heer: Dat is, die een uitgelezen en bijzonder man is.
[^romeinen-16-13-34]: Kanttekening 34: zijn moeder: Namelijk naar de natuur.
[^romeinen-16-13-35]: Kanttekening 35: de mijne: Namelijk naar de liefde en toegenegenheid. Zie 1 Tim. 5:2 . 1 Timotheüs 5:2 : De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid.
[^romeinen-16-16-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 16:20 ; 2 Kor. 13:12 ; 1 Thes. 5:26 ; 1 Petr. 5:14 . 1 Korinthiërs 16:20 : U groeten al de broeders. Groet elkaar met een heilige kus. 2 Korinthiërs 13:12 : Groet elkaar met een heilige kus. U groeten al de heiligen. 1 Thessalonicensen 5:26 : Groet al de broeders met een heilige kus. 1 Petrus 5:14 : Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.
[^romeinen-16-16-36]: Kanttekening 36: met een heilige kus: Dat is, met een kus van vrede en broederschap, met welke de gelovigen, naar het gebruik van die landen en tijden, elkaar plachten te groeten. En wordt heilig genaamd, omdat zij niet uit vleselijke maar geestelijke liefde en zonder geveinsdheid gegeven worden; Gen. 29:11 . Genesis 29:11 : En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
[^romeinen-16-17-c]: Verwijzing c: Kolos. 2:8 ; Titus 3:10 ; 2 Joh. v. 10 . Kolossensen 2:8 : Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld, en niet naar Christus; Titus 3:10 : Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning; 2 Johannes 1:10 : Als iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.
[^romeinen-16-17-37]: Kanttekening 37: Hij verstaat door zulke zo andere ketters als degenen, die, de Christelijke godsdienst aangenomen hebbende, leerden dat de ceremoniën van de wet nog noodzakelijk moesten onderhouden worden ter zaligheid. Zie Gal. 1:7 ; Fil. 3:2 ; 1 Tim. 4:1 ; 2 Tim. 3:1 , enz.; Tit. 3:10 . Galaten 1:7 : Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. Filippenzen 3:2 : Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 1 Timotheüs 4:1 : Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Timotheüs 3:1 : En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Titus 3:10 : Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;
[^romeinen-16-17-d]: Verwijzing d: Matt. 18:17 ; 2 Thes. 3:6 ; 2 Tim. 3:5 . Mattheüs 18:17 : En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 2 Thessalonicensen 3:6 : En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van een iedereen broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. 2 Timotheüs 3:5 : Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze.
[^romeinen-16-18-38]: Kanttekening 38: Want zulke: Hij beschrijft hen, opdat zij mogen bekend en te beter gemeden worden.
[^romeinen-16-18-39]: Kanttekening 39: dienen onze Heer Jezus Christus niet: Namelijk hoewel zij zich voor dienaren van de Heer uitgeven.
[^romeinen-16-18-40]: Kanttekening 40: hun buik: Dat is, leren om vuil gewins wil, en om hun buik te verzadigen; 1 Tim. 6:5 ; Tit. 1:11 . 1 Timotheüs 6:5 : Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een winst zij. Wijk af van zulke. Titus 1:11 : Welke men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
[^romeinen-16-18-e]: Verwijzing e: Fil. 3:19 . Filippenzen 3:19 : Welke einde is het verderf, welke God is de buik, en welke heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken.
[^romeinen-16-18-f]: Verwijzing f: Ez. 13:18 . Ezechiël 13:18 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen van de armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, om de zielen te jagen! Zult u de zielen Mijns volks jagen, en zult u u de zielen in het leven behouden?
[^romeinen-16-18-41]: Kanttekening 41: van de eenvoudigen: Grieks, dergenen, die niet kwaad zijn.
[^romeinen-16-19-42]: Kanttekening 42: uw gehoorzaamheid: Namelijk welke u betoont in het aannemen van de leer van het Evangelie, die hij geloof noemt; Rom. 1:8 . Zie 1 Thess. 1:8 . Romeinen 1:8 : Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. 1 Thessalonicensen 1:8 : Want van u is het Woord van de Heer luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat u op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet nodig hebben, iets daarvan te spreken.
[^romeinen-16-19-g]: Verwijzing g: Matt. 10:16 ; 1 Kor. 14:20 . Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
[^romeinen-16-20-43]: Kanttekening 43: de God van de vrede: Zie Rom. 15:33 . Romeinen 15:33 : En de God van de vrede zij met u allen. Amen.
[^romeinen-16-20-44]: Kanttekening 44: de satan: Namelijk die door zijn middelen u zoekt te verleiden.
[^romeinen-16-20-45]: Kanttekening 45: Dat hier wel begint, maar in het einde van deze wereld, dat aanstaande is, Openb. 22:12 , volkomen zal gebeuren. Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^romeinen-16-20-46]: Kanttekening 46: onder uw voeten verpletteren: Dat is, doen, dat u hem door Christus volkomen zult overwinnen. De apostel schijnt hier te zien op de eerste belofte van het Evangelie; Gen. 3:15 . Zie ook Openb. 12:11 . Genesis 3:15 : En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe.
[^romeinen-16-20-47]: Kanttekening 47: De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u: Deze wens gebruikt de apostel in al zijn zendbrieven. Zie 2 Thess. 3:17 . 2 Thessalonicensen 3:17 : De groetenis met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iederen zendbrief; zo schrijf ik.
[^romeinen-16-21-h]: Verwijzing h: Hand. 16:1 ; Fil. 2:19 ; Kolos. 1:1 ; 1 Thes. 3:2 ; 1 Tim. 1:2 . Handelingen 16:1 : En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Filippenzen 2:19 : En ik hoop in de Heer Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. Kolossensen 1:1 : Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, 1 Thessalonicensen 3:2 : En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof; 1 Timotheüs 1:2 : Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^romeinen-16-21-i]: Verwijzing i: Hand. 13:1 . Handelingen 13:1 : En er waren te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus.
[^romeinen-16-21-k]: Verwijzing k: Hand. 17:5 . Handelingen 17:5 : Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
[^romeinen-16-21-l]: Verwijzing l: Hand. 20:4 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus.
[^romeinen-16-22-48]: Kanttekening 48: die de brief geschreven heb: Namelijk uit de mond van Paulus.
[^romeinen-16-23-49]: Kanttekening 49: Zie van hem Hand. 20:4 ; 1 Kor. 1:14 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. 1 Korinthiërs 1:14 : Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
[^romeinen-16-23-50]: Kanttekening 50: huiswaard van mij: Dat is, die in zijn huis de apostel herbergde en andere gelovigen, die daar niet woonachtig waren. Zie vers 1 . Romeinen 16:1 : En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is van de Gemeente, die te Kenchreen is;
[^romeinen-16-23-m]: Verwijzing m: Hand. 19:22 ; 2 Tim. 4:20 . Handelingen 19:22 : En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. 2 Timotheüs 4:20 : Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete ziek gelaten.
[^romeinen-16-23-51]: Kanttekening 51: de rentmeester: Of, bezorger, ontvanger. Zie Luk. 16:1 . Lukas 16:1 : En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
[^romeinen-16-23-52]: Kanttekening 52: van de stad: Dat is, van Korinthe, vanwaar de apostel deze brief geschreven heeft.
[^romeinen-16-24-53]: Kanttekening 53: De genade van onze Heer Jezus Christus: Zie vers 20 . De apostel herhaalt deze wens opnieuw, om te tonen hoe nodig die is, en dat deze brief uit grote toegenegenheid van hem is geschreven. Romeinen 16:20 : En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.
[^romeinen-16-25-n]: Verwijzing n: Ef. 3:20 . Efeziërs 3:20 : Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,
[^romeinen-16-25-54]: Kanttekening 54: mijn Evangelie: Dat is, dat door mij gepredikt is. Zie Rom. 2:16 . Romeinen 2:16 : In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.
[^romeinen-16-25-55]: Kanttekening 55: en de prediking van Jezus Christus: Dat is, dat is de prediking, namelijk òf die de Heer Christus zelf gepredikt heeft; Hebr. 1:1 , 1:2 , òf wiens inhoud is de Heer Christus; 1 Kor. 2:2 . Hebreeën 1:1 : God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon; Hebreeën 1:2 : Welke Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; 1 Korinthiërs 2:2 : Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
[^romeinen-16-25-o]: Verwijzing o: Ef. 1:9 ; Ef. 3:9 ; Kolos. 1:26 ; 2 Tim. 1:10 ; Titus 1:2 ; 1 Petr. 1:20 . Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven. Efeziërs 3:9 : En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:26 : Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 2 Timotheüs 1:10 : Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie; Titus 1:2 : In de hoop van de eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd; 1 Petrus 1:20 : Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^romeinen-16-25-56]: Kanttekening 56: van de verborgenheid: Dat is, van de leer van het Evangelie van Christus nu in het vlees gekomen zijnde, welke vóór deze zo niet is bekend geweest, en in welke leer zodanig ene wijsheid van God geopenbaard wordt, die door gener creaturen verstand kon doorgrond worden; 1 Petr. 1:12 . 1 Petrus 1:12 : Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^romeinen-16-25-57]: Kanttekening 57: van de tijden van de eeuwen: Grieks, eeuwige tijden; of van de tijden van de wereld; dat is, nadat de wereld geschapen is geweest.
[^romeinen-16-25-58]: Kanttekening 58: verzwegen is geweest: Dit is te verstaan, niet zo, dat men in het Oude Testament van de Evangelische leer niet zou hebben geweten; want in vers 26 wordt verklaard, dat de openbaring van deze leer ook geschied is door de profetische schriften; maar ten aanzien van die klare openbaring en verkondiging nu in het Nieuwe Testament geschied, zo Christus toen nog niet was gekomen; en de heidenen daarvan ganselijk niet wisten; Ps. 147:20 ; Ef. 2:12 . Romeinen 16:26 : Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder al de heidenen bekend is gemaakt; Psalmen 147:20 : Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah! Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^romeinen-16-26-59]: Kanttekening 59: nu geopenbaard is: Namelijk in de tijden van het Nieuwe Testament.
[^romeinen-16-26-60]: Kanttekening 60: de profetische Schriften: Namelijk in welke de Messias beloofd en beschreven wordt, met al zijn omstandigheden en weldaden; Hand. 26:22 ; Rom. 1:2 , en Rom. 3:21 ; 1 Petr. 1:10 , wanneer die worden vergeleken met wat in het Nieuwe Testament wordt beschreven in Christus vervuld te zijn. Handelingen 26:22 : Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende zowel klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou; Romeinen 1:2 : (Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften). Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
[^romeinen-16-26-61]: Kanttekening 61: naar het bevel: Of, ordonnantie Gods, die goedgevonden heeft zo de zaligheid van de mensen teweeg te brengen, en die niet is gehouden daarvan iemand rekenschap te geven.
[^romeinen-16-26-62]: Kanttekening 62: bekend is gemaakt: Namelijk daar het tevoren onder hen verzwegen was, vers 25 . Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest;
[^romeinen-16-27-63]: Kanttekening 63: De zelven : Of, de eeuwige wijze God, of, de alleen wijze God, door Jezus Christus, wie zij de heerlijkheid in eeuwigheid.

## 1 Korinthiërs

### 1 Korinthiërs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/1.json)

*1 In de inleiding, die tot vers 10 duurt, stelt de apostel vooraan zijn naam als schrijver van deze brief en de naam van hen aan wie hij schrijft, met de gebruikelijke apostolische groet. 4 Dankt voorts God voor de weldaden die hij deze gemeente reeds bewezen had. 8 en verzekert hen van de trouw van Christus in het volbrengen van zijn begonnen werk. 10 Komt daarna tot de zaak zelf en verklaart dat hij vernomen heeft dat er verdeeldheid onder hen was, en dat de een zei: ik ben van Paulus, en de ander: ik ben van Cefas, enz. 13 Berispt hen daarover met verschillende redenen en toont dat zij tot een teken van eenheid alleen in de naam van Christus gedoopt zijn. 18 Handelt daarna tegen hen die op de wereldse welsprekendheid roemden, en verklaart dat God daardoor onder hen niet krachtig was geweest, maar door de eenvoud van de prediking van de gekruisigde Christus. 26 En dat deze kracht zich aan hen geopenbaard had in de bekering, niet van veel wijzen en machtigen onder hen, maar van de geringen en onwijzen naar de wereld. 29 opdat zij niet in zichzelf zouden roemen, maar alleen in Christus, in wie zij alles hadden wat nodig is tot zaligheid.*

**1** [^1korinthiers-1-1-1] Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en[^1korinthiers-1-1-2] Sosthenes,[^1korinthiers-1-1-3] de broeder, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v1)

**2** Aan de Gemeente van God, die te[^1korinthiers-1-2-4] Korinthe is,[^1korinthiers-1-2-5][^1korinthiers-1-2-a] de geheiligden in Christus Jezus,[^1korinthiers-1-2-6][^1korinthiers-1-2-b] de geroepen heiligen,[^1korinthiers-1-2-c] met allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus[^1korinthiers-1-2-7] aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v2)

**3** [^1korinthiers-1-3-8][^1korinthiers-1-3-d] Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v3)

**4** Ik dank[^1korinthiers-1-4-9] mijn God alle tijd over u, vanwege de genade van God, die u gegeven is[^1korinthiers-1-4-10] in Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v4)

**5** [^1korinthiers-1-5-e] Dat u[^1korinthiers-1-5-11] in alles rijk bent geworden in Hem,[^1korinthiers-1-5-12] in alle rede en alle kennis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v5)

**6** Zoals[^1korinthiers-1-6-13] de getuigenis van[^1korinthiers-1-6-14] Christus bevestigd is onder u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v6)

**7** Zo dat het u[^1korinthiers-1-7-15] aan geen gave ontbreekt,[^1korinthiers-1-7-16][^1korinthiers-1-7-f] verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v7)

**8** [^1korinthiers-1-8-g] Welke God u ook zal[^1korinthiers-1-8-17] bevestigen tot het einde toe,[^1korinthiers-1-8-18] om[^1korinthiers-1-8-19] onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v8)

**9** [^1korinthiers-1-9-h] God is[^1korinthiers-1-9-20] getrouw, door Welke u geroepen bent tot[^1korinthiers-1-9-21][^1korinthiers-1-9-i] de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v9)

**10** Maar[^1korinthiers-1-10-22] ik bid u, broeders,[^1korinthiers-1-10-23] door de Naam van onze Heere Jezus[^1korinthiers-1-10-k] Christus, dat u[^1korinthiers-1-10-24] allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen[^1korinthiers-1-10-25] scheuringen zijn, maar[^1korinthiers-1-10-26] dat u samengevoegd bent in eenzelfde[^1korinthiers-1-10-27] zin, en in een zelfde gevoelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v10)

**11** Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van[^1korinthiers-1-11-28] het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v11)

**12** En dit zeg ik, dat ieder van u zegt:[^1korinthiers-1-12-l] Ik ben[^1korinthiers-1-12-29] van Paulus, en ik[^1korinthiers-1-12-30][^1korinthiers-1-12-m] van Apollos; en ik[^1korinthiers-1-12-31] van Cefas; en ik[^1korinthiers-1-12-32] van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v12)

**13** [^1korinthiers-1-13-33] Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of bent u[^1korinthiers-1-13-34] in Paulus naam gedoopt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v13)

**14** Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;[^1korinthiers-1-14-n][^1korinthiers-1-14-o] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v14)

**15** Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v15)

**16** Maar ik heb ook het huisgezin van[^1korinthiers-1-16-p] Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v16)

**17** Want Christus heeft mij[^1korinthiers-1-17-35] niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen;[^1korinthiers-1-17-36][^1korinthiers-1-17-q] niet met wijsheid van[^1korinthiers-1-17-37] woorden, opdat[^1korinthiers-1-17-38] het kruis van Christus niet[^1korinthiers-1-17-39] verijdeld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v17)

**18** Want[^1korinthiers-1-18-40] het woord van het kruis is wel van hen, die verloren gaan,[^1korinthiers-1-18-41] dwaasheid;[^1korinthiers-1-18-r] maar ons, die behouden worden, is het[^1korinthiers-1-18-42] een kracht van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v18)

**19** Want er is geschreven:[^1korinthiers-1-19-s] Ik zal de wijsheid[^1korinthiers-1-19-43] van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v19)

**20** [^1korinthiers-1-20-t] Waar is[^1korinthiers-1-20-44] de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? Heeft God[^1korinthiers-1-20-45] de wijsheid van deze wereld niet[^1korinthiers-1-20-46] dwaas gemaakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v20)

**21** [^1korinthiers-1-21-v] Want aangezien,[^1korinthiers-1-21-47] in de wijsheid van God, de wereld God[^1korinthiers-1-21-48] niet heeft gekend[^1korinthiers-1-21-49] door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door[^1korinthiers-1-21-50] de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v21)

**22** Omdat[^1korinthiers-1-22-x] de Joden[^1korinthiers-1-22-51] een teken begeren, en de Grieken[^1korinthiers-1-22-52] wijsheid zoeken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v22)

**23** Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde,[^1korinthiers-1-23-y] de Joden wel[^1korinthiers-1-23-53] een struikelblok, en de Grieken[^1korinthiers-1-23-54] een dwaasheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v23)

**24** Maar hun,[^1korinthiers-1-24-55] die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken,[^1korinthiers-1-24-56] prediken wij Christus, de kracht van God, en[^1korinthiers-1-24-z] de wijsheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v24)

**25** Want[^1korinthiers-1-25-57] het dwaze van God is wijzer dan de mensen; en[^1korinthiers-1-25-58] het zwakke van God is sterker dan de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v25)

**26** Want[^1korinthiers-1-26-59] u ziet uw roeping, broeders,[^1korinthiers-1-26-a] dat u niet vele wijzen[^1korinthiers-1-26-60] bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v26)

**27** Maar[^1korinthiers-1-27-61] het dwaze van de wereld heeft God[^1korinthiers-1-27-62] uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke[^1korinthiers-1-27-63] zou beschamen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v27)

**28** En het onedele van de wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en[^1korinthiers-1-28-64] wat niets is, opdat Hij[^1korinthiers-1-28-65] wat iets is,[^1korinthiers-1-28-66] te niet zou maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v28)

**29** Opdat[^1korinthiers-1-29-67] geen vlees zou roemen voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v29)

**30** Maar[^1korinthiers-1-30-68] uit Hem bent u[^1korinthiers-1-30-69] in Christus Jezus,[^1korinthiers-1-30-b] Die ons geworden is[^1korinthiers-1-30-70] wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en[^1korinthiers-1-30-71] verlossing; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v30)

**31** Opdat het zij, zoals geschreven is:[^1korinthiers-1-31-c] Die roemt,[^1korinthiers-1-31-72] roeme in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/1.html#v31)

[^1korinthiers-1-1-1]: Kanttekening 1: Van de naam van Paulus en wat volgt, zie de aantekeningen Hand. 13:9; Rom. 1:1. Handelingen 13:9: Maar Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zei: Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,
[^1korinthiers-1-1-2]: Kanttekening 2: Deze menen enige dat geweest is dezelfde Sosthenes, die tevoren was een overste van de synagoge te Korinthe, en tot Christus bekeerd is, Hand. 18:17, en dat hij nu bij Paulus was, of met hem van Korinthe was vertrokken, om de vervolging tegen hem, maar dit is onzeker. Handelingen 18:17: Maar al de Grieken namen Sosthenes, de overste van de synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.
[^1korinthiers-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 de broeder: Zo noemt hij deze Sosthenes, niet alleen omdat hij een discipel van Christus was, maar ook een voornaam leraar en metgezel van Paulus, en bij de gemeente in grote achting. Zie dergelijke 2 Kor. 1:1; Gal. 1:2. 2 Korinthiërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: Galaten 1:2: En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatië:
[^1korinthiers-1-2-4]: Kanttekening 4: (Of Corinthe) Deze was de hoofdstad van Achaje in Griekenland, gelegen tussen twee zeeën, in de engte waarmee Peloponesus vast was aan Achaje, een zeer rijke en vermaarde koopstad, en daarbij vol weelde en overdaad, die eens was verwoest geweest van de Romeinen, maar daarna ten tijde van de keizer Augustus opnieuw opgebouwd, en tot haar vorigen bloeienden stand gebracht. Zie Hand. 18:1. Handelingen 18:1: En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;
[^1korinthiers-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 de geheiligden: Dat is, die door Christus en zijn gemeenschap van de gemenen hoop van de wereld zijn afgezonderd tot ene gemeente van God.
[^1korinthiers-1-2-a]: Verwijzing a: Joh. 17:19; Hand. 15:9; 1 Thes. 4:7. Johannes 17:19: En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. Handelingen 15:9: En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. 1 Tessalonicenzen 4:7: Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.
[^1korinthiers-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 de geroepenen heiligen: Namelijk niet alleen uitwendig door het Woord, maar ook inwendig door de kracht van de Heilige Geest, waardoor hij het beste deel van de gemeente, dat is de ware gelovigen, verstaat, waarvan Christus spreekt Hand. 18:10. Handelingen 18:10: Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.
[^1korinthiers-1-2-b]: Verwijzing b: Rom. 1:7; Efez. 1:1. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Efeziërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
[^1korinthiers-1-2-c]: Verwijzing c: 2 Tim. 2:22. 2 Timotheüs 2:22: Maar vlied de begeerlijkheden van de jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heer aanroepen uit een rein hart.
[^1korinthiers-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 in alle plaats: Namelijk van Achaje, waar Korinthe in lag, gelijk 2 Kor. 1:1 wordt uitgedrukt. Of, van de gehele wereld, waar de naam van Christus aangeroepen wordt, gelijk Hand. 9:14; 2 Tim. 2:22 de gelovigen daardoor beschreven worden. Want wat Paulus aan ééne gemeente schrijft, is een voorschrift, waarnaar zich alle gemeenten moeten gedragen; gelijk Christus zei tot Zijn discipelen; Mark. 13:37. 2 Korinthiërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: Handelingen 9:14: En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen. 2 Timotheüs 2:22: Maar vlied de begeerlijkheden van de jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heer aanroepen uit een rein hart. Marcus 13:37: En wat Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.
[^1korinthiers-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 Genade zij u: Zie hiervan, Rom. 1:7. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^1korinthiers-1-3-d]: Verwijzing d: Rom. 1:7; 2 Kor. 1:2; Efez. 1:2; 1 Petr. 1:2. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 2 Korinthiërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Efeziërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^1korinthiers-1-4-9]: Kanttekening 9: 9 mijn God: Dit is het woord van het geloof, dat God voor zijn God erkent, Rom. 1:8, en Christus voor zijn Zaligmaker, Gal. 2:20; niet om andere gelovigen daarvan uit te sluiten, maar om hun een voorbeeld van de ware belijdenis voor te schrijven. Zie dergelijke Job 19:25; Ps. 18:3, en Ps. 23:1, en Ps. 27:1; Jes. 63:16; Joh. 20:28; 1 Tim. 1:15, enz. Romeinen 1:8: Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Job 19:25: Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; Psalmen 18:3: YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting. Psalmen 23:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Psalmen 27:1: Een psalm van David. YHWH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? YHWH is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn? Jesaja 63:16: U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. Johannes 20:28: En Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God! 1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
[^1korinthiers-1-4-10]: Kanttekening 10: 10 in Christus Jezus: Of, door Christus Jezus.
[^1korinthiers-1-5-e]: Verwijzing e: Kolos. 1:9. Kolossenzen 1:9: Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat u mag vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;
[^1korinthiers-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 in alles rijk zijt: Dat is, met allerlei geestelijke gaven overvloedig begaafd geworden door hem. Hiermede legt hij een fondament om hun te tonen dat zij door deze gaven niet hoogmoedig moeten worden, of tegen elkaar roemen, maar dat zij God in Christus daarover moeten danken, en die gebruiken tot stichting van elkaar in vrede en enigheid.
[^1korinthiers-1-5-12]: Kanttekening 12: 12 in alle rede: Of, in allen woord. Dit wordt verstaan, òf van de gave van bekwamelijk te kunnen uitspreken wat door de kennis van hen begrepen was, of van het woord van de apostel zelf, waardoor zij tot deze kennis van alle verborgenheden van het geloof gebracht waren; Hand. 20:20. Handelingen 20:20: Hoe ik niets achtergehouden heb van wat nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;
[^1korinthiers-1-6-13]: Kanttekening 13: 13 de getuigenis: Dat is, het woord van het Evangelie van Christus, Rom. 1:16, gelijk hierna 1 Kor. 2:1. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 1 Korinthiërs 2:1: En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.
[^1korinthiers-1-6-14]: Kanttekening 14: 14 bevestigd is: Namelijk uitwendig door verscheidene wonderen, die onder hen geschied waren, 2 Kor. 12:12, en inwendig door de verzegeling van de Heilige Geest in hun harten, 1 Kor. 2:12, en 2 Kor. 1:22. Zie ook Mark. 16:20. 2 Korinthiërs 12:12: De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle volharding, met tekenen, en wonderen, en krachten. 1 Korinthiërs 2:12: Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.
[^1korinthiers-1-7-15]: Kanttekening 15: 15 aan gene gave: Namelijk tot zaligheid en stichting nodig. Anders kennen wij hier maar ten dele, en profeteren mar ten dele; 1 Kor. 13:9. En dit zegt hier de apostel in het algemeen van de ware christenen, die onder hen waren, welke hij daarna over het misbruik van deze gaven berispt ten aanzien van de gebreken, die ook onder sommigen van hen waren ingeslopen. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
[^1korinthiers-1-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk in zijn tweede toekomst, in welke wij, in al wat ons nog ontbreekt, eerst zullen volmaakt worden; 1 Kor. 13:10, 13:11, 13:12. Zie ook 1 Petr. 1:7, 1:13. 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 1 Korinthiërs 13:11: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat eens kinds was. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 1 Petrus 1:13: Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchter zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.
[^1korinthiers-1-7-f]: Verwijzing f: Fil. 3:20; Titus 2:13. Filippenzen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Titus 2:13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus;
[^1korinthiers-1-8-g]: Verwijzing g: 1 Thes. 3:13; 1 Thes. 5:23. 1 Tessalonicenzen 3:13: Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heer Jezus Christus met al Zijn heiligen. 1 Tessalonicenzen 5:23: En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus.
[^1korinthiers-1-8-17]: Kanttekening 17: Of, versterken; namelijk in het geloof en begonnen goed, dat al in u is.
[^1korinthiers-1-8-18]: Kanttekening 18: Dat is eigenlijk, die niemand zal kunnen beschuldigen; Rom. 1,33.
[^1korinthiers-1-8-19]: Kanttekening 19: 19 in de dag: Dat is, in de uiterste dag, wanneer Christus zal verschijnen om te oordelen en om de Zijnen volkomenlijk te verlossen; Rom. 2:16; Ef. 4:30. Romeinen 2:16: In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^1korinthiers-1-9-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 10:13; 1 Thes. 5:24. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 1 Tessalonicenzen 5:24: Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.
[^1korinthiers-1-9-20]: Kanttekening 20: Namelijk in het uitvoeren van zijn beloften, waarmee Hij beloofd heeft dat Hij de Zijnen niet zal verlaten. Zie Jes. 49:15. Jesaja 49:15: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.
[^1korinthiers-1-9-21]: Kanttekening 21: 21 de gemeenschap: Namelijk niet alleen de uitwendige, waardoor wij belijdeni gemeenschap te hebben aan Christus en Zijn weldaden, maar in het bijzonder de inwendige, waarin wij door het geloof en door de Geest van Christus, met Hem verenigd en al Zijn weldaden deelachtig zijn. Zie Rom. 8:32; Ef. 3:17; 1 Joh. 1:3. Romeinen 8:32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Efeziërs 3:17: Opdat Christus door het geloof in uw harten woont, en u in de liefde geworteld en gegrond bent; 1 Johannes 1:3: Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
[^1korinthiers-1-9-i]: Verwijzing i: Jer. 32:40; Joh. 15:5; Galat. 2:20; 1 Joh. 1:3. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 1 Johannes 1:3: Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
[^1korinthiers-1-10-22]: Kanttekening 22: 22 ik bid u: Of, vermaan u. Hier begint de apostel hen te vermanen tegen de scheuringen, en hen te waarschuwen dat zij gene uitnemers moeten zijn van de personen onder de leraars, zo daaruit onenigheid rijst; noch om de uitwendige gaven de één meer aanhangen dan de ander. En de leraars zelf, da zij het Evangelie niet oppronken met menselijke wijsheid, of welsprekendheid, maar voorstellen in eenvoudigheid en kracht van de Geest van Christus.
[^1korinthiers-1-10-23]: Kanttekening 23: 23 door de naam: Dat is, door Christus, of om Christus' wil.
[^1korinthiers-1-10-k]: Verwijzing k: Rom. 12:16; Rom. 15:5; Fil. 2:2; Fil. 3:16; 1 Petr. 3:8. Romeinen 12:16: Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. Romeinen 15:5: Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; Filippenzen 2:2: Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Filippenzen 3:16: Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelfde regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 1 Petrus 3:8: En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^1korinthiers-1-10-24]: Kanttekening 24: 24 hetzelfde spreekt: Dat is, enerlei wijze van spreken gebruikt van hetzelfde geloof, of van de gronden van dat geloof; omdat namelijk uit de verscheidenheid van spreken dikwijls komt verscheidenheid van gevoelen, of tenminste ijdele twisting.
[^1korinthiers-1-10-25]: Kanttekening 25: Gr. schismata (σχίσματα); welke eigenlijk verdeeldheden zijn, die in de gemeente rijzen over enige verschillen in het geloof, die niet fondamenteel zijn; of die het geloof zelf niet aangaan, maar de liefde en uitwendige ordeningen alleen; die zowel als ketterijen \[welke eigenlijk de fondamenten van de leer raken\] onder de werken van het vlees geteld worden, Gal. 5:20; hoewel het somwijlen ook breder genomen wordt. Galaten 5:20: Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,
[^1korinthiers-1-10-26]: Kanttekening 26: Of, verenigd; ene gelijkenis, genomen van ene zaak, die uit vele delen bestaat, welke, in elkaar gevoegd, een volkomen werk of lichaam maken.
[^1korinthiers-1-10-27]: Kanttekening 27: Of, mening; dit is het andere middel, om ware enigheid te houden in de gemeente, namelijk onder dezelfde wijze van spreken te houden enerlei mening of gevoelen.
[^1korinthiers-1-11-28]: Kanttekening 28: 28 van Chloë: Deze schijnt geweest te zijn een vrome bejaarde vrouw, en van aanzien onder de gemeente van Korinthe.
[^1korinthiers-1-12-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 3:4. 1 Korinthiërs 3:4: Want als de één zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; bent u niet vleselijk?
[^1korinthiers-1-12-29]: Kanttekening 29: 29 van Paulus: Namelijk discipel, gelijk ook in vers 13. 1 Korinthiërs 1:13: Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of bent u in Paulus naam gedoopt?
[^1korinthiers-1-12-30]: Kanttekening 30: 30 van Apollos: Dat deze Apollos ook te Korinthe velen tot het geloof gebracht heeft, blijkt uit Hand. 18:24, 18:27. Handelingen 18:24: En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. Handelingen 18:27: En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.
[^1korinthiers-1-12-m]: Verwijzing m: Hand. 18:24; 1 Kor. 16:12. Handelingen 18:24: En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 1 Korinthiërs 16:12: En wat betreft Apollos, de broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broeders tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; maar hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.
[^1korinthiers-1-12-31]: Kanttekening 31: Dat is, Petrus, zie Joh. 1:43; Gal. 2:9, waaruit nochtans niet volgt dat Petrus te Korinthe ook gepredikt heeft, maar het kan zijn dat enige van zijn discipelen daar geweest zijn, die zich op Petrus of op Petrus' leer beroemd hebben. Want dat zij ook Paulus, Cefas en Apollo's namen hiertoe hebben misbruikt, en niet alleen de namen van andere leraars, blijkt uit wat volgt 1 Kor. 4:6. Johannes 1:43: En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genaamd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus. Galaten 2:9: En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan; 1 Korinthiërs 4:6: En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat u aan ons zoudt leren, niet te gevoelen boven wat geschreven is, dat u niet, de één vanwege een ander, hoogmoedig wordt tegen de ander.
[^1korinthiers-1-12-32]: Kanttekening 32: 32 van Christus: Deze waren de eenvoudige en oprechte Christenen die geen partijnamen van leraars hebben willen aannemen, en daaraan welgedaan hebben.
[^1korinthiers-1-13-33]: Kanttekening 33: 33 Is Christus gedeeld: Van hier voort brengt de apostel verscheidene redenen bij, waarmee hij bewijst dat zulke verdeeldheden onbehoorlijk zijn. Want vooreerst schijnt hieruit dat men Christus wil verdelen, die alleen het hoofd is van Zijn gemeente, wanneer men een deel van de gemeente alleen naar Christus noemt, en de andere delen naar Paulus, Petrus, Apollos en andere leraars. Daarenboven dat ook Christus niet alleen de Verlosser is van Zijn gemeente, eindelijk dat zij in iemands anders naam, dan in Christus' naam zouden gedoopt zijn.
[^1korinthiers-1-13-34]: Kanttekening 34: 34 in Paulus' naam: Namelijk om Paulus' naam hierdoor aan te nemen. Zie van deze wijze van spreken Matt. 28:19. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
[^1korinthiers-1-14-n]: Verwijzing n: Hand. 18:8. Handelingen 18:8: En Crispus, de overste van de synagoge, geloofde aan de Heer met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.
[^1korinthiers-1-14-o]: Verwijzing o: Rom. 16:23. Romeinen 16:23: U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus.
[^1korinthiers-1-16-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 16:15; idem v. 17. 1 Korinthiërs 16:15: En ik bid u, broeders, u kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelf de heiligen ten dienst hebben geschikt; 1 Korinthiërs 16:17: En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaïkus, want deze hebben vervuld wat mij aan u ontbrak;
[^1korinthiers-1-17-35]: Kanttekening 35: 35 niet gezonden: Dat is, niet voornamelijk. Want al de apostelen zijn gezonden geweest om te dopen, Matt. 28:19, en anders zou de apostel ook deze niet hebben mogen dopen. Maar zij hebben deze dienst, waartoe minder gaven nodig waren dan tot het prediken, om geen tijd te verliezen, aan anderen van hun discipelen en leraars overgelaten. Zie Hand. 10:48. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Handelingen 10:48: En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heer. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.
[^1korinthiers-1-17-36]: Kanttekening 36: 36 niet met wijsheid: In de navolgende woorden ontdekt de apostel de oorsprong, waaruit deze verdeeldheden onder de Corinthiërs waren gesproten, namelijk daaruit, dat enige leraars de oprechtheid in de eenvoudigheid van het Evangelie van Christus zochten op te pronken met menselijke welsprekendheid en te vermengen met menselijke wijsheid of wijsbegeerte, waardoor de oren van sommige toehoorders kittelig werden, en andere oprechte leraars verachtten, of voorbijgingen; welk doen de apostel met zijn voorbeeld en andere redenen weerlegt.
[^1korinthiers-1-17-q]: Verwijzing q: 1 Kor. 2:1; idem v. 4; 2 Petr. 1:16. 1 Korinthiërs 2:1: En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^1korinthiers-1-17-37]: Kanttekening 37: Gr. woord, of rede; namelijk die de menselijke wijsheid leert, 1 Kor. 2:4; of met kunstige welsprekendheid. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht;
[^1korinthiers-1-17-38]: Kanttekening 38: 38 het kruis van: Dat is, het woord van het kruis, gelijk in vers 18 verklaard wordt. 1 Korinthiërs 1:18: Want het woord van het kruis is wel van hen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God;
[^1korinthiers-1-17-39]: Kanttekening 39: 39 verijdeld worde: Dat is, van zijn lof en kracht beroofd worde, dat geschiedt als men het aan de menselijke wijsheid of welsprekendheid toeschrijft.
[^1korinthiers-1-18-40]: Kanttekening 40: 40 het woord van het kruis: Dat is, de leer van het Evangelie van Christus, die voor ons gekruisigd is.
[^1korinthiers-1-18-41]: Kanttekening 41: Dat is, wordt van hen voor dwaasheid gehouden en van de wereldwijzen gerekend.
[^1korinthiers-1-18-r]: Verwijzing r: Rom. 1:16. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^1korinthiers-1-18-42]: Kanttekening 42: 42 een kracht van God: Dat is, een middel, waardoor de Geest van Christus in ons krachtig werkt het geloof en de wedergeboorte tot onze zaligheid; Rom. 1:16; 2 Kor. 3:3, 3:4. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart. 2 Korinthiërs 3:4: En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.
[^1korinthiers-1-19-s]: Verwijzing s: Job 5:12; Jes. 29:14. Job 5:12: Hij maakt te niet de gedachten van de arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten. Jesaja 29:14: Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijn wijzen zal vergaan, en het verstand zijn verstandigen zal zich verbergen.
[^1korinthiers-1-19-43]: Kanttekening 43: 43 van de wijzen: Dat is, die voor wereldwijzen gehouden worden, of die zichzelf zulke wijsheid toeschrijven. De profeet verhaalt deze woorden tegen degenen, die het woord van God, van de profeten voorgesteld, verachtten, en meer hielden van menselijke leringen.
[^1korinthiers-1-20-t]: Verwijzing t: Jes. 33:18. Jesaja 33:18: Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de betaalsheer? Waar is hij, die de torens telt?
[^1korinthiers-1-20-44]: Kanttekening 44: 44 de wijze: Dat is, wereldwijzen. Deze woorden schijnen genomen te zijn uit Jes. 33:18, waar dergelijke, maar wat veranderd, gevonden worden, of zijn de woorden van Paulus zelf, die hij uit de voorgaande getuigenis trekt. Dan de zin komt op een uit. Jesaja 33:18: Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de betaalsheer? Waar is hij, die de torens telt?
[^1korinthiers-1-20-45]: Kanttekening 45: 45 de wijsheid: Namelijk wanneer de mensen de goddelijke zaken naar die willen afmeten.
[^1korinthiers-1-20-46]: Kanttekening 46: 46 dwaas gemaakt: Dat is, getoond dwaas te zijn, of ook door een rechtvaardig oordeel tot dwaasheid overgegeven. Zie Rom. 1:21, 1:22. Romeinen 1:21: Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; Romeinen 1:22: Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
[^1korinthiers-1-21-v]: Verwijzing v: Matt. 11:25; Lukas 10:21. Mattheüs 11:25: In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. Lukas 10:21: Te dier ure verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde; dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want zo is geweest het welbehagen voor U.
[^1korinthiers-1-21-47]: Kanttekening 47: 47 in de wijsheid van God: Dat is, in de schepselen van de hemel en de aarde, door welke God Zijn wijsheid zonderling openbaart; Rom. 1:20. Romeinen 1:20: Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
[^1korinthiers-1-21-48]: Kanttekening 48: 48 niet heeft gekend: Namelijk zo het behoort en ter zaligheid nodig is; Rom. 1:18, 1:20. Romeinen 1:18: Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Romeinen 1:20: Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
[^1korinthiers-1-21-49]: Kanttekening 49: 49 door de wijsheid: Door hun natuurlijk verstand en rede.
[^1korinthiers-1-21-50]: Kanttekening 50: 50 de dwaasheid van de: Dat is, door de prediking van de gekruisigde Christus, die de wereldse mensen voor dwaasheid houden, vers 23. 1 Korinthiërs 1:23: Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid;
[^1korinthiers-1-22-x]: Verwijzing x: Matt. 12:38; Matt. 16:1; Joh. 4:48. Mattheüs 12:38: Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. Mattheüs 16:1: En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. Johannes 4:48: Jezus dan zei tot hem: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven.
[^1korinthiers-1-22-51]: Kanttekening 51: 51 een teken: Dat is, wonderen. Zie Matt. 16:4; Joh. 4:48. Mattheüs 16:4: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg. Johannes 4:48: Jezus dan zei tot hem: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven.
[^1korinthiers-1-22-52]: Kanttekening 52: 52 wijsheid zoeken: Dat is, redenen, die van het menselijk vernuft voor wijsheid gehouden worden.
[^1korinthiers-1-23-y]: Verwijzing y: Matt. 11:6; Joh. 6:60; idem v. 66. Mattheüs 11:6: En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden. Johannes 6:60: Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelfde horen? Johannes 6:66: Van toen af gingen velen Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.
[^1korinthiers-1-23-53]: Kanttekening 53: 53 een ergernis: Namelijk vanwege Zijn geringen en verachten staat in de wereld, omdat zij een machtigen koning in de wereld verwachten, die hen als kleine koningen over anderen zou doen heersen. Zie ook Luk. 2:34. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
[^1korinthiers-1-23-54]: Kanttekening 54: 54 een dwaasheid: Namelijk dat wij het leven door de dood van een gekruisigden mens zouden verwerven.
[^1korinthiers-1-24-55]: Kanttekening 55: 55 die geroepen zijn: Namelijk niet alleen uitwendig door het Woord, want zo zijn ook de voorgaanden, die verloren gaan, geroepen; maar ook inwendig en krachtig door de Geest van God en naar Zijn voornemen; Rom. 8:28, 8:30 en hier vers 26, 1:27. Romeinen 8:28: En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. 1 Korinthiërs 1:26: Want u ziet uw roeping, broeders, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. 1 Korinthiërs 1:27: Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;
[^1korinthiers-1-24-56]: Kanttekening 56: 56 prediken wij Christus: Hierdoor kan verstaan worden, òf de predikatie van Christus, welke tevoren, vers 18, ook de kracht van God is genoemd; òf Christus zelf, die de macht en wijsheid van God genoemd wordt, omdat Hij is het uitgedrukte beeld van de persoon van de Vader, door welke Hij Zijn goddelijke macht en wijsheid, in het verlossen van de mensen, boven alle dingen heeft betoond, vers 30. Zie Spreuk. 8:1; Matt. 11:19; Luk. 11:49. 1 Korinthiërs 1:18: Want het woord van het kruis is wel hen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God; 1 Korinthiërs 1:30: Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; Spreuken 8:1: Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem? Mattheüs 11:19: De Zoon van de mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen. Lukas 11:49: Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;
[^1korinthiers-1-24-z]: Verwijzing z: Kolos. 2:3. Kolossenzen 2:3: In Denwelken al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn.
[^1korinthiers-1-25-57]: Kanttekening 57: 57 het dwaze Gods: Dat is, wat zij voor zwak en van geen kracht houden om de mensen tot de zaligheid te brengen, is sterker of krachtiger dan zij met al hun vermetele welsprekendheid en aanzienlijkheid.
[^1korinthiers-1-25-58]: Kanttekening 58: 58 het zwakke Gods: Dat is, wat zij voor zwak en van geen kracht houden om de mensen tot de zaligheid te brengen, is sterker of krachtiger dan zij met al hun vermetele welsprekendheid en aanzienlijkheid.
[^1korinthiers-1-26-59]: Kanttekening 59: 59 u ziet uw roeping: Of, ziet uwe roeping; dat is, hoe u geroepen bent; of, degenen, die geroepen zijn onder u, namelijk tot de gemeenschap van Christus van van Zijn gemeente.
[^1korinthiers-1-26-a]: Verwijzing a: Joh. 7:48; Jak. 2:5. Johannes 7:48: Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeën? Jakobus 2:5: Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen van deze wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij belooft hen, die Hem liefhebben?
[^1korinthiers-1-26-60]: Kanttekening 60: 60 naar het vlees: Dat is, naar de uitwendige staat en achting van de mensen.
[^1korinthiers-1-27-61]: Kanttekening 61: 61 het dwaze van de wereld: Dat is, degenen, die de wereldwijzen voor dwazen, zwakken, onedelen, enz. houden.
[^1korinthiers-1-27-62]: Kanttekening 62: Dat is, naar Zijn eeuwige verkiezing tot Zijn gemeente gebracht.
[^1korinthiers-1-27-63]: Kanttekening 63: 63 zou beschamen: Dat is, betonen zou dat het in zaken van de zaligheid voor God niet geldt, maar ijdel is.
[^1korinthiers-1-28-64]: Kanttekening 64: 64 wat niets is: Dat is, dat zo gering geacht wordt, alsof het niets ware; 1 Kor. 3:7. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.
[^1korinthiers-1-28-65]: Kanttekening 65: 65 wat iets is: Dat is, dat geacht wordt iets, of wat groots te zijn.
[^1korinthiers-1-28-66]: Kanttekening 66: 66 te niet zou: Dat is, ijdel en onnut zou betonen te zijn.
[^1korinthiers-1-29-67]: Kanttekening 67: 67 geen vlees: Dat is, geen mens, gelijk Gal. 2:16, namelijk alsof er iets in hem ware, waardoor God bewogen zou zijn om hem deze genade meer dan andere te doen. Galaten 2:16: Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.
[^1korinthiers-1-30-68]: Kanttekening 68: Dat is, uit Zijn genade en kracht; gelijk Rom. 11:36. Zie 1 Joh. 4:1, 4:2, 4:4, 4:6. Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Johannes 4:1: Als dan de Heer verstond, dat de Farizeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; Johannes 4:2: (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), Johannes 4:4: En Hij moest door Samaria gaan. Johannes 4:6: En daar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat zo neder naast de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
[^1korinthiers-1-30-69]: Kanttekening 69: Dat is, met Christus, door het geloof verenigd; Rom. 8:1. Romeinen 8:1: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
[^1korinthiers-1-30-b]: Verwijzing b: Jer. 23:5; Joh. 17:19. Jeremia 23:5: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. Johannes 17:19: En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
[^1korinthiers-1-30-70]: Kanttekening 70: Dat is, een oorzaak en stof van alle rechte wijsheid, en rechtvaardigheid, en heiligmaking.
[^1korinthiers-1-30-71]: Kanttekening 71: Namelijk, van alle kwaden en ellenden van het lichaam en van de ziel, welke verlossing volkomelijk zal gebeuren ten uitersten dage, die daarom de dag van de verlossing genaamd wordt, Ef. 4:30. Zie ook Luk. 21:28, Rom. 8:23. Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing. Lukas 21:28: Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is. Romeinen 8:23: En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.
[^1korinthiers-1-31-c]: Verwijzing c: Jes. 65:16; Jer. 9:23; idem v. 24; 2 Kor. 10:17. Jesaja 65:16: Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in de God van de waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij de God van de waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn. Jeremia 9:23: Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; Jeremia 9:24: Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik YHWH ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt YHWH. 2 Korinthiërs 10:17: Maar wie roemt, die roeme in de Heer.
[^1korinthiers-1-31-72]: Kanttekening 72: 72 roeme in de Heer: Dat is, alles Hem alleen toeschrijve, met dankzegging; Jer. 9:23. Jeremia 9:23: Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;

### 1 Korinthiërs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/2.json)

*1 De apostel bewijst met zijn eigen voorbeeld hoe het evangelie van Christus voorgesteld moet worden, namelijk niet met menselijke wijsheid of welsprekendheid, maar in eenvoud en geestelijke kracht. 6 Verklaart voorts welke hemelse wijsheid daarin begrepen is. 10 en hoe die door Gods Geest, en niet door menselijk verstand, geopenbaard is. 13 Verhaalt opnieuw met welke woorden die uitgesproken moet worden. 14 en hoe die niet door de natuurlijke, maar door de geestelijke mens onderscheiden en beoordeeld wordt.*

**1** En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben[^1korinthiers-2-1-a] niet gekomen met[^1korinthiers-2-1-1] uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende[^1korinthiers-2-1-2] de getuigenis van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v1)

**2** Want ik heb[^1korinthiers-2-2-3] niet voorgenomen[^1korinthiers-2-2-4] iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en[^1korinthiers-2-2-5] Die gekruisigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v2)

**3** [^1korinthiers-2-3-b] En ik was bij u in[^1korinthiers-2-3-6][^1korinthiers-2-3-c] zwakheid, en in vrees, en in vele beving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v3)

**4** En mijn rede, en mijn[^1korinthiers-2-4-d] prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in[^1korinthiers-2-4-7] betoning van de geest en van de kracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v4)

**5** Opdat uw geloof[^1korinthiers-2-5-8] niet zou zijn[^1korinthiers-2-5-9] in wijsheid van de mensen,[^1korinthiers-2-5-e] maar[^1korinthiers-2-5-10] in de kracht van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v5)

**6** [^1korinthiers-2-6-f] En wij spreken[^1korinthiers-2-6-11] wijsheid onder[^1korinthiers-2-6-12] de volmaakten; maar een wijsheid,[^1korinthiers-2-6-g] niet[^1korinthiers-2-6-13] van deze wereld, noch[^1korinthiers-2-6-14] van de oversten van deze[^1korinthiers-2-6-h] wereld, die[^1korinthiers-2-6-15] te niet worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v6)

**7** Maar wij spreken[^1korinthiers-2-7-16] de wijsheid van God[^1korinthiers-2-7-i],[^1korinthiers-2-7-k] bestaande in[^1korinthiers-2-7-17] geheim, die bedekt was,[^1korinthiers-2-7-18] welke God te voren bestemd heeft tot heerlijkheid van[^1korinthiers-2-7-19] ons, voordat de wereld was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v7)

**8** [^1korinthiers-2-8-l] Die[^1korinthiers-2-8-20] niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft;[^1korinthiers-2-8-m] want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij[^1korinthiers-2-8-21] de Heere van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v8)

**9** Maar zoals geschreven is:[^1korinthiers-2-9-n] Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en[^1korinthiers-2-9-22] in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v9)

**10** [^1korinthiers-2-10-o] Maar God heeft[^1korinthiers-2-10-23] het ons geopenbaard door[^1korinthiers-2-10-24] Zijn Geest; want de Geest[^1korinthiers-2-10-25] onderzoekt alle dingen, ook[^1korinthiers-2-10-26] de diepten van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v10)

**11** [^1korinthiers-2-11-p] Want wie van de mensen weet, wat van de mensen is, dan[^1korinthiers-2-11-27] de geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook[^1korinthiers-2-11-28] niemand, wat Gods is, dan de Geest van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v11)

**12** Maar wij hebben niet ontvangen de geest[^1korinthiers-2-12-29] van de[^1korinthiers-2-12-q] wereld, maar de Geest,[^1korinthiers-2-12-30] Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God[^1korinthiers-2-12-31] geschonken zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v12)

**13** Die wij ook spreken,[^1korinthiers-2-13-r] niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met[^1korinthiers-2-13-32][^1korinthiers-2-13-33] woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke[^1korinthiers-2-13-34] samenvoegende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v13)

**14** Maar[^1korinthiers-2-14-35] de natuurlijke mens[^1korinthiers-2-14-36] begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem[^1korinthiers-2-14-37] dwaasheid, en hij[^1korinthiers-2-14-38] kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk[^1korinthiers-2-14-39] onderscheiden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v14)

**15** [^1korinthiers-2-15-s] Maar[^1korinthiers-2-15-40] de geestelijke mens onderscheidt wel[^1korinthiers-2-15-41] alle dingen, maar hij zelf wordt van[^1korinthiers-2-15-42] niemand[^1korinthiers-2-15-43] onderscheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v15)

**16** [^1korinthiers-2-16-t] Want wie heeft[^1korinthiers-2-16-44] de zin van de Heere gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben[^1korinthiers-2-16-45] de zin van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/2.html#v16)

[^1korinthiers-2-1-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 1:17; 1 Kor. 2:4. 1 Korinthiërs 1:17: Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht;
[^1korinthiers-2-1-1]: Kanttekening 1: Gr. uitnemendheid van woord; of rede; dat is, een opgepronkte manier van spreken, door welke ik boven anderen wijs zocht te schijnen, of uit te munten; of, om u te overreden. Zie 1 Kor. 4:19. 1 Korinthiërs 4:19: Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heer wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die hoogmoedig zijn, maar de kracht.
[^1korinthiers-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 de getuigenis: Dat is, het Evangelie, dat ons van God is geopenbaard, en getuigt van de wil van God tot onze zaligheid; 1 Kor. 1:6. 1 Korinthiërs 1:6: Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;
[^1korinthiers-2-2-3]: Kanttekening 3: 3 niet voorgenomen: Gr. geoordeeld. Want al was de apostel in vele andere zaken ervaren, zo had hij evenwel niet willen voordragen dan wat tot hun zaligheid nodig was.
[^1korinthiers-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 iets te weten: Dat is, van enige andere wetenschap bij u te spreken.
[^1korinthiers-2-2-5]: Kanttekening 5: 5 die gekruisigd: Dat is, die door Zijn dood en volgende opstanding ons van onze zonden verlost en de eeuwige zaligheid deelachtig heeft gemaakt; Rom. 4:25, en Rom. 10:9, 10:10. Romeinen 4:25: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Romeinen 10:9: Namelijk, als u met uw mond zult belijden de Heer Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden. Romeinen 10:10: Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid.
[^1korinthiers-2-3-b]: Verwijzing b: Hand. 18:1. Handelingen 18:1: En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;
[^1korinthiers-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 in zwakheid: Deze dingen kunnen verstaan worden, òf van de nederige stand, waarin zich de apostel gehouden heeft toen hij te Korinthe was, opdat niet hij, maar alleen zijn leer in aanzien zou wezen bij hen, tegen de opgeblazenheid dergenen, die deze scheuringen veroorzaakten; òf van de voorzichtigheid en beschroomheid, die hij gebruikt heeft in het voorstellen van de leer van de zaligheid, om niets menselijks daaronder te vermengen, opdat de kracht derzelve niet aan zijn wijsheid of welsprekendheid, maar alleen aan de aard van de leer, die hij predikte, en aan de medewerking van de Geest van God zou worden toegeschreven: dat met het volgende best overeenkomt.
[^1korinthiers-2-3-c]: Verwijzing c: Hand. 18:3; 2 Kor. 10:10. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 2 Korinthiërs 10:10: Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de aanwezigheid van het lichaam is zwak, en de rede is verachtelijk.
[^1korinthiers-2-4-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 1:17; 1 Kor. 2:1; 2 Petr. 1:16. 1 Korinthiërs 1:17: Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 1 Korinthiërs 2:1: En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^1korinthiers-2-4-7]: Kanttekening 7: 7 betoning van de geest: Dat is, betoning van de geestelijke kracht, die uiterlijk door wonderen en inwendig door de werking van de Heilige Geest bij zijn woord was gevoegd, 2 Kor. 3:3. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart.
[^1korinthiers-2-5-8]: Kanttekening 8: 8 niet zou zijn: Dat is, zijn oorzaak of fondament niet zou hebben.
[^1korinthiers-2-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, in redenen of woorden, die de menselijke wijsheid bedenkt.
[^1korinthiers-2-5-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 4:7. 2 Korinthiërs 4:7: Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons;
[^1korinthiers-2-5-10]: Kanttekening 10: 10 in de kracht van God: Dat is, in de goddelijkheid van de leer, door de kracht van de Geest van God aan onze harten betuigd; Hand. 16:14. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^1korinthiers-2-6-f]: Verwijzing f: Job 28:21. Job 28:21: Want zij is verborgen voor de ogen alle levenden, en voor het gevogelte van de hemel is zij verborgen.
[^1korinthiers-2-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, de zwaarste verborgenheden van Gods Woord, gelijk vers 7. Anders heeft hij ook de zwakken en tederen met melk gespijsd. Zie 1 Kor. 3:2; Hebr. 5:12. 1 Korinthiërs 2:7: Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; 1 Korinthiërs 3:2: Ik heb u met melk gevoed, en niet met vast voedsel; want u vermocht toen nog niet; ja, u vermoogt ook nu nog niet. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel.
[^1korinthiers-2-6-12]: Kanttekening 12: 12 de volmaakten: Dat is, die in de zaken van het geloof meer toegenomen zijn, en nu niet meer in de eerste beginselen behoeven onderricht te worden. Zie Rom. 14:1, 14:2, en Rom. 15:1; Fil. 3:15; Hebr. 5:14. Deze worden bij vergelijking van anderen, volmaakten genoemd: anders is hier niemand volmaakt in kennis zolang hij leeft; 1 Kor. 13:9. Romeinen 14:1: Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. Romeinen 14:2: De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Romeinen 15:1: Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. Hebreeën 5:14: Maar van de volmaakten is het vaste voedsel, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding zowel van het goede als van het kwaad. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
[^1korinthiers-2-6-g]: Verwijzing g: Jak. 3:15. Jakobus 3:15: Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivel.
[^1korinthiers-2-6-13]: Kanttekening 13: 13 van deze wereld: Dat is, die van het menselijke vernuft bedacht en groot geacht wordt.
[^1korinthiers-2-6-14]: Kanttekening 14: 14 van de oversten: Dat is, van de wijzen en machtigen, gelijk vers 8. 1 Korinthiërs 2:8: Welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heer van de heerlijkheid niet gekruist hebben.
[^1korinthiers-2-6-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 15:24. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^1korinthiers-2-6-15]: Kanttekening 15: 15 teniet worden: Namelijk met al hun wijsheid en macht, omdat die buiten deze wereld geen gebruik heeft.
[^1korinthiers-2-7-16]: Kanttekening 16: 16 de wijsheid van God: Dat is, die God ons tot onze zaligheid heeft geopenbaard.
[^1korinthiers-2-7-i]: Verwijzing i: Rom. 16:25. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest;
[^1korinthiers-2-7-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 4:1. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods.
[^1korinthiers-2-7-17]: Kanttekening 17: Zo noemt de apostel de leer van het Evangelie, omdat die door geen menselijke wijsheid ooit is gevonden, maar was voor haar bedekt, totdat God die door Zijn profeten en apostelen heeft geopenbaard.
[^1korinthiers-2-7-18]: Kanttekening 18: 18 welke God: Namelijk wijsheid van God; waardoor verstaan wordt òf de persoon van Christus, die 1 Kor. 24 ook de wijsheid van God genaamd wordt; òf de verborgenheden van onze zaligheid, in Christus bij God voorgenomen, en daarna in het Evangelie geopenbaard tot onze heerlijkheid; Luk. 2:32. Beide komt met het volgende wel overeen. Lukas 2:32: Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
[^1korinthiers-2-7-19]: Kanttekening 19: 19 voordat de wereld: Gr. voor de eeuwen (αἰών).
[^1korinthiers-2-8-l]: Verwijzing l: Matt. 11:25; Joh. 7:48; Hand. 13:27; 2 Kor. 3:14. Mattheüs 11:25: In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. Johannes 7:48: Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeën? Handelingen 13:27: Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Deze niet kennende, hebben ook de stemmen van de profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld; 2 Korinthiërs 3:14: Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van de Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
[^1korinthiers-2-8-20]: Kanttekening 20: 20 niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft: Namelijk uit hun natuurlijke rede of verstand, hoe groot en hoe kloek het ook was. Hoedanige Herodes, Pilatus, Kajafas en andere machtigen in deze wereld geweest zijn, alsook de wijsgeren, schriftgeleerden en dergelijken. Anders heeft Abraham ook door Gods Geest en openbaring zijn dag gezien, Joh. 8:56, en David heeft zich daarin verheugd, Ps. 16:9, met anderen godzalige koningen en profeten, Luk. 10:24, en ook sommigen van de oversten van de Joden, gelijk Nikodemus en Jozef van Arimathea, hebben hem gekend; dan deze waren weinigen, en hebben in Zijn dood niet gestemd; Luk. 23:51. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 3:32. Johannes 8:56: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Psalmen 16:9: Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. Lukas 10:24: Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat u ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat u hoort, en hebben het niet gehoord. Lukas 23:51: (Deze had niet mee bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad van de Joden, en die ook zelf het Koninkrijk van God verwachtte; Johannes 3:32: En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.
[^1korinthiers-2-8-m]: Verwijzing m: Joh. 16:3; Hand. 3:17; Hand. 13:27; 1 Tim. 1:13. Johannes 16:3: En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij. Handelingen 3:17: En nu, broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten. Handelingen 13:27: Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Deze niet kennende, hebben ook de stemmen van de profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld; 1 Timotheüs 1:13: Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^1korinthiers-2-8-21]: Kanttekening 21: 21 de Heer van de heerlijkheid: Namelijk die het hoofdstuk is van deze wijsheid van God. Zo wordt Christus genaamd ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, Ps. 24:7; Hand. 7:2, die gekruisigd is naar Zijn menselijke natuur. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 3:13; Hand. 3:15, en Hand. 20:28. Psalmen 24:7: Heft uw hoofden op, u poorten, en verheft u, u eeuwige deuren, opdat de Koning van de ere inga! Handelingen 7:2: En hij zei: U mannen broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran; Johannes 3:13: En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is. Handelingen 3:15: En de Vorst van het leven hebt u gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^1korinthiers-2-9-n]: Verwijzing n: Jes. 64:4. Jesaja 64:4: Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God! wat Hij doen zal die, die op Hem wacht.
[^1korinthiers-2-9-22]: Kanttekening 22: 22 in het hart van de mensen: Deze woorden voegt de apostel, tot nadere verklaring van de voorgaande profetische woorden, daartussen, om te tonen dat de verborgenheden van het Evangelie, en de grootte van de heerlijkheid, die God Zijn gelovigen hiernamaals bereid heeft, zo waard zijn, dat niet alleen geen oog en geen oor, maar zelfs geen vernuft die ooit heeft kunnen van zichzelf bedenken of ook verstaan. Zie 1 Petr. 1:10, 1:11, 1:12. 1 Petrus 1:10: Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^1korinthiers-2-10-o]: Verwijzing o: Matt. 13:11; 2 Kor. 3:18. Mattheüs 13:11: En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Heer Geest.
[^1korinthiers-2-10-23]: Kanttekening 23: Namelijk die God liefhebben. Want dat de apostel niet alleen van de apostelen spreekt, maar ook van degenen, die door hun woord in Christus geloven, blijkt uit het volgende.
[^1korinthiers-2-10-24]: Kanttekening 24: 24 Zijn Geest: Namelijk welke door het Woord en met het Woord in ons krachtig is. Zie 2 Kor. 3:8; 1 Joh. 2:27. 2 Korinthiërs 3:8: Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^1korinthiers-2-10-25]: Kanttekening 25: 25 onderzoekt alle dingen: Dit zegt de apostel, niet omdat de Heilige Geest, die in ons woont, van enige goddelijke zaak onwetend zou zijn, die Hij zou moeten zoeken te weten, maar omdat Hem ook de allerdiepste zaken Gods, als eenzelfde God met de Vader en met de Zoon, duidelijk bekend zijn; gelijk God wordt gezegd de harten en nieren te doorzoeken omdat zij voor Hem bloot en bekend zijn; Rom. 8:27; Openb. 2:23. Romeinen 8:27: En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt. Openbaring 2:23: En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven ieder naar uw werken.
[^1korinthiers-2-10-26]: Kanttekening 26: 26 de diepten Gods: Dat is, de allerverborgenste raad van God. Zie Jes. 40:13. Jesaja 40:13: Wie heeft de Geest van YHWH bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
[^1korinthiers-2-11-p]: Verwijzing p: Spreuk. 27:19; Jer. 17:9. Spreuken 27:19: Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, zo is van de mensen hart tegen de mens. Jeremia 17:9: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
[^1korinthiers-2-11-27]: Kanttekening 27: 27 de geest van de mensen: Dat is, de redelijke ziel en het verstand van de mensen weet wat in hem is. Zie 1 Joh. 3:20. 1 Johannes 3:20: Want als ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.
[^1korinthiers-2-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk onder de schepselen. Want de Zoon kent de Vader, en de Vader de Zoon, Matt. 11:27, en hier ook de Heilige Geest, als een enig God met de Vader en de Zoon; Rom. 8:27. Mattheüs 11:27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren. Romeinen 8:27: En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt.
[^1korinthiers-2-12-29]: Kanttekening 29: 29 van de wereld: Dat is, die wereldse dingen leert en in wereldse dingen zijn vermaak heeft, of geluk stelt.
[^1korinthiers-2-12-q]: Verwijzing q: Rom. 8:15. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^1korinthiers-2-12-30]: Kanttekening 30: 30 die uit God is: Dat is, die van God uitgaat en Zijn kinderen beloofd en gegeven wordt; Joh. 14:16; Rom. 8:15. Johannes 14:16: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^1korinthiers-2-12-31]: Kanttekening 31: 31 geschonken zijn: Namelijk tot onze troost en onze zaligheid, dat is, Christus en Zijn weldaden; Rom. 8:32; Kol. 2:9, 2:10. Romeinen 8:32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Kolossenzen 2:9: Want in Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; Kolossenzen 2:10: En u bent in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
[^1korinthiers-2-13-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 1:17; 1 Kor. 2:4; 2 Petr. 1:16. 1 Korinthiërs 1:17: Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^1korinthiers-2-13-32]: Kanttekening 32: Of, redenen, bewegingen.
[^1korinthiers-2-13-33]: Kanttekening 33: 33 die de Heilige Geest leert: Namelijk in Zijn goddelijke ingevingen en schriften, niet opgepronkt met menselijk welsprekendheid, maar krachtig in hun geestelijke eenvoudigheid.
[^1korinthiers-2-13-34]: Kanttekening 34: Of, vergelijkende. Gr. tezamen oordelende; dat is, gelijk de leer geestelijk is, zo stellen wij ook die voor, niet met wereldse, maar met geestelijke woorden.
[^1korinthiers-2-14-35]: Kanttekening 35: 35 de natuurlijke mens: Gr. de ziellijke mens (ψυχικός); dat is, die geen andere hogere wijsheid heeft, dan die hem het licht van de natuur en het menselijke vernuft leert. Zie Jud. 19.
[^1korinthiers-2-14-36]: Kanttekening 36: 36 begrijpt niet: Namelijk om dezelfde aan te nemen en zichzelf tot zaligheid toe te eigenen; Rom. 8:5. Zie een voorbeeld Hand. 17:18, en Hand. 25:19. Romeinen 8:5: Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de Geest zijn, bedenken, dat van de Geest is. Handelingen 17:18: En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. Handelingen 25:19: Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zei te leven.
[^1korinthiers-2-14-37]: Kanttekening 37: Zie 1 Kor. 1:21, 1:22, 1:23. 1 Korinthiërs 1:21: Want aangezien, in de wijsheid van God, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven; 1 Korinthiërs 1:22: Omdat de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; 1 Korinthiërs 1:23: Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid;
[^1korinthiers-2-14-38]: Kanttekening 38: 38 kan ze niet: Namelijk dan door de genade en kracht van Gods Geest, die het verstand verlicht en de harten opent; Hand. 16:14. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^1korinthiers-2-14-39]: Kanttekening 39: 39 onderscheiden worden: Gr. geoordeeld; dat is van menselijke en wereldse leringen met oordeel onderscheiden.
[^1korinthiers-2-15-s]: Verwijzing s: Spreuk. 28:5. Spreuken 28:5: De kwade mensen verstaan het recht niet; maar die YHWH zoeken, verstaan alles.
[^1korinthiers-2-15-40]: Kanttekening 40: 40 de geestelijke mens: Dat is, die door de Geest van God is verlicht en wedergeboren.
[^1korinthiers-2-15-41]: Kanttekening 41: 41 alle dingen: Namelijk ter zaligheid nodig. Want ook de gelovigen dwalen somtijds wel in sommige zaken, maar die ter zaligheid zo nodig niet zijn; of wanneer zij deze gave van de onderscheiding niet genoeg opwekken door naarstigheid en gebeden. Zie Joh. 10:4, 10:27; 1 Thess. 5:21; 1 Joh. 4:1. Johannes 10:4: En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Johannes 10:27: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelfde, en zij volgen Mij. 1 Tessalonicenzen 5:21: Beproeft alle dingen; behoudt het goede. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^1korinthiers-2-15-42]: Kanttekening 42: Namelijk die niet wedergeboren of geestelijk is; anders moet ook de geest van de profeten de profeten onderworpen zijn; 1 Kor. 14:29, 14:32. 1 Korinthiërs 14:29: En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. 1 Korinthiërs 14:32: En de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen.
[^1korinthiers-2-15-43]: Kanttekening 43: Of, geoordeeld; dat is met oordeel onderscheiden; gelijk vers 14. 1 Korinthiërs 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
[^1korinthiers-2-16-t]: Verwijzing t: Jes. 40:13; Rom. 11:34. Jesaja 40:13: Wie heeft de Geest van YHWH bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Romeinen 11:34: Want wie heeft de zin van de Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
[^1korinthiers-2-16-44]: Kanttekening 44: 44 de zin van de Heer: Of, de Geest van de Heer, gelijk Jes. 40:13, waar deze woorden staan, uitgedrukt wordt; dat is, de zin of de mening van de Geest van de Heer; Rom. 8:27. Jesaja 40:13: Wie heeft de Geest van YHWH bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Romeinen 8:27: En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt.
[^1korinthiers-2-16-45]: Kanttekening 45: 45 de zin van Christus: Dat is, de mening van Christus is ons bekend gemaakt door Zijn woord en door Zijn Geest, gelijk hier voren verklaard is, vers 10, 2:12. 1 Korinthiërs 2:10: Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 1 Korinthiërs 2:12: Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;

### 1 Korinthiërs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/3.json)

*1 De apostel geeft nog andere redenen waarom hij het evangelie in alle eenvoud onder hen gepredikt heeft, namelijk vanwege hun kinderlijkheid in de kennis en hun vleselijkheid in hun onenigheden. 5 Verklaart voorts in welk aanzien de leraars moeten staan, en hoe de lof van hun werk niet aan hen die planten en water geven, maar aan God die de groei geeft, moet worden toegeschreven. 10 Dat hun ambt is op Christus, het fundament, niet hooi, stro en stoppels, maar goud, zilver en kostbare stenen te bouwen. 13 en dat ieders werk door vuur beproefd zal worden, en zij dan loon naar bevinding zullen ontvangen. 16 Dat de tempel van God door onenigheden niet geschonden mag worden. 18 omdat de wijsheid van de mensen dwaasheid is voor God, 21 dat dan niemand op mensen mag roemen, omdat wij van Christus zijn.*

**1** En ik, broeders, kon tot u niet spreken[^1korinthiers-3-1-1] als tot geestelijken, maar[^1korinthiers-3-1-2] als tot vleselijken, als tot[^1korinthiers-3-1-3] jonge kinderen in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v1)

**2** [^1korinthiers-3-2-a] Ik heb u met[^1korinthiers-3-2-4] melk gevoed, en niet met[^1korinthiers-3-2-5] vaste voedsel; want u kon toen nog niet; ja, u kunt ook nu nog niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v2)

**3** Want u bent nog vleselijk;[^1korinthiers-3-3-b] want omdat onder u afgunst is, en twist, en tweedracht, bent u niet vleselijk, en wandelt[^1korinthiers-3-3-6] u niet naar de mens? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v3)

**4** Want als de één[^1korinthiers-3-4-c] zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; bent u niet[^1korinthiers-3-4-7] vleselijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v4)

**5** Wie is dan Paulus, en wie is[^1korinthiers-3-5-d] Apollos, anders dan dienaren,[^1korinthiers-3-5-8] door wie u geloofd hebt, en dat, zoals de Heere[^1korinthiers-3-5-9] aan ieder gegeven heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v5)

**6** [^1korinthiers-3-6-10] Ik heb geplant,[^1korinthiers-3-6-e] Apollos heeft[^1korinthiers-3-6-11] nat gemaakt; maar God heeft[^1korinthiers-3-6-12] de wasdom gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v6)

**7** Zo is dan noch hij, die plant,[^1korinthiers-3-7-13] iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v7)

**8** En die plant, en die nat maakt,[^1korinthiers-3-8-14] zijn één;[^1korinthiers-3-8-f] maar ieder zal zijn loon ontvangen[^1korinthiers-3-8-15] naar zijn arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v8)

**9** Want[^1korinthiers-3-9-16] wij zijn[^1korinthiers-3-9-17] Gods[^1korinthiers-3-9-g] medearbeiders;[^1korinthiers-3-9-18] Gods akkerwerk,[^1korinthiers-3-9-19] Gods[^1korinthiers-3-9-h] gebouw bent u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v9)

**10** [^1korinthiers-3-10-20] Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik[^1korinthiers-3-10-21] als een wijs bouwmeester[^1korinthiers-3-10-22] het fundament gelegd; en[^1korinthiers-3-10-23] een ander bouwt daarop. Maar ieder zie toe,[^1korinthiers-3-10-24] hoe hij daarop bouwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v10)

**11** Want niemand kan een ander fundament leggen,[^1korinthiers-3-11-25] dan wat[^1korinthiers-3-11-i] gelegd is,[^1korinthiers-3-11-26] dat is Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v11)

**12** En als iemand[^1korinthiers-3-12-27] op dit fundament bouwt:[^1korinthiers-3-12-28] goud, zilver, kostelijke stenen,[^1korinthiers-3-12-29] hout, hooi, stoppelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v12)

**13** Eens[^1korinthiers-3-13-30] iegelijks[^1korinthiers-3-13-31] werk zal openbaar worden;[^1korinthiers-3-13-k] want[^1korinthiers-3-13-32] de dag zal het[^1korinthiers-3-13-33] verklaren, omdat het door[^1korinthiers-3-13-34] vuur ontdekt wordt; en hoedanig van een ieder werk is, zal het vuur beproeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v13)

**14** Zo iemands werk[^1korinthiers-3-14-35] blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal[^1korinthiers-3-14-36] loon ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v14)

**15** Zo iemands werk zal[^1korinthiers-3-15-37] verbrand worden, die zal[^1korinthiers-3-15-38] schade lijden; maar zelf zal hij[^1korinthiers-3-15-39] behouden worden, maar zo[^1korinthiers-3-15-40] als door vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v15)

**16** [^1korinthiers-3-16-l] Weet u niet, dat[^1korinthiers-3-16-41] u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v16)

**17** [^1korinthiers-3-17-42] Zo iemand de tempel van God schendt, die zal God[^1korinthiers-3-17-43] schenden; want de tempel van God is heilig, welke u bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v17)

**18** [^1korinthiers-3-18-m] Niemand[^1korinthiers-3-18-44] bedriege zichzelf. Zo iemand onder u denkt, dat hij[^1korinthiers-3-18-45] wijs is in deze wereld,[^1korinthiers-3-18-46] die worde dwaas, opdat hij[^1korinthiers-3-18-47] wijs mag worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v18)

**19** Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven:[^1korinthiers-3-19-n] Hij[^1korinthiers-3-19-48] vat de wijzen in hun sluwheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v19)

**20** En opnieuw:[^1korinthiers-3-20-o] De Heere kent de overleggingen[^1korinthiers-3-20-49] van de[^1korinthiers-3-20-50] wijzen, dat zij ijdel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v20)

**21** Niemand dan[^1korinthiers-3-21-51] roeme op mensen; want alles is[^1korinthiers-3-21-52] van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v21)

**22** Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v22)

**23** Maar u[^1korinthiers-3-23-53] bent van Christus, en Christus[^1korinthiers-3-23-54] is van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/3.html#v23)

[^1korinthiers-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 als tot geestelijken: Dat is, als tot zodanigen die door Gods Geest uitnemend verlicht zijn en in de kennis zeer toegenomen. Zie Gal. 6:1. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^1korinthiers-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 als tot vleselijken: Dat is, als tot zodanigen, in welke het vlees, of menselijke genegenheden zich nog te veel openbaren, gelijk in de kinderen pleegt te gebeuren, die de genegenheden meer volgen dan de rede.
[^1korinthiers-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 jonge kinderen: Dat is, die nog zeer teder en onwetend zijn in de leer van Christus; en hiermede verklaart Hij het woord vleselijke, opdat het niet zou genomen worden voor mensen, die geheel vreemd zijn van de Geest van Christus, gelijk het dikwijls in de Heilige Schrift gebruikt wordt. Zie Rom. 8:8. Romeinen 8:8: En die in het vlees zijn, kunnen voor God niet behagen.
[^1korinthiers-3-2-a]: Verwijzing a: Hebr. 5:12; 1 Petr. 2:2. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vaste voedsel. 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen;
[^1korinthiers-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 melk gevoed: Dat is, met de eerste verklaringen van de fondamenten van de Christelijke leer, die met eenvoudige en naakte woorden voorgesteld worden. Gr. met melk gedrenkt.
[^1korinthiers-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 vaste voedsel: Dat is, de hogere verklaringen van de Christelijke leer, die met hogere woorden en diepzinniger redenen worden voorgesteld. Zie breder Hebr. 5:12, enz. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel.
[^1korinthiers-3-3-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 1:11; Galat. 5:19; Jak. 3:16. 1 Korinthiërs 1:11: Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn. Galaten 5:19: De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Jakobus 3:16: Want waar nijd en twistgierigheid is, daar is verwarring en alle boze handel.
[^1korinthiers-3-3-6]: Kanttekening 6: 6 naar de mens: Dat is, gelijk de natuurlijk mensen plegen, dat voor u onbetamelijk is.
[^1korinthiers-3-4-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 1:12. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat een iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^1korinthiers-3-4-7]: Kanttekening 7: Dat is, nog door vleselijke of kinderlijke genegenheden gedreven in het onderscheiden van uwe leraars.
[^1korinthiers-3-5-d]: Verwijzing d: Hand. 18:24; 1 Kor. 1:12; 1 Kor. 16:12. Handelingen 18:24: En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat een iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. 1 Korinthiërs 16:12: En wat betreft Apollos, de broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broeders tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; maar hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.
[^1korinthiers-3-5-8]: Kanttekening 8: 8 door welke u: Dat is, door wier dienst en prediking; Rom. 10:17. Romeinen 10:17: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God,
[^1korinthiers-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 ieder: Namelijk van Zijn dienaren, aan wie Hij Zijn gaven verscheidenlijk uitdeelt. Zie 1 Kor. 12:4, enz. 1 Korinthiërs 12:4: En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest;
[^1korinthiers-3-6-10]: Kanttekening 10: 10 Ik heb geplant: Dat is, de eerste grond van de gemeente door mijne predikatie gelegd, gelijk hierna verklaard wordt, vers 10. 1 Korinthiërs 3:10: Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe.
[^1korinthiers-3-6-e]: Verwijzing e: Hand. 18:26; Hand. 19:1. Handelingen 18:26: En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit. Handelingen 19:1: En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen van het land doorreisd hebbende, te Efeze kwam; en enige discipelen daar vindende,
[^1korinthiers-3-6-11]: Kanttekening 11: 11 nat gemaakt: Dat is, wat ik begonnen had, heeft Hij door Zijn leer bevorderd en versterkt.
[^1korinthiers-3-6-12]: Kanttekening 12: 12 de wasdom: Dat is, het Woord, dat uitwendig van ons was gepredikt, in de harten van de toehoorders krachtig gemaakt tot hun bekering. Zie Joh. 6:44, 6:65; Hand. 11:21, en Hand. 16:14, enz. Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:65: En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. Handelingen 11:21: En de hand van de Heer was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heer. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^1korinthiers-3-7-13]: Kanttekening 13: Te achten of te roemen; dat zo niet is te verstaan, alsof Paulus de dienaren wilde geacht hebben \[want 1 Kor. 4:1 zal hij het tegendeel zeggen\]; maar omdat niemand zich op de gaven van de dienaren, wie zij ook zijn, zo moet vergapen, dat hij hun de eer zou geven, die de opperste auteur van dit werk toekomt; zo het God is die hen stelt, die hun bekwame gaven geeft, en door hun arbeid krachtig is in de harten van de mensen; vers 5, en 1 Kor. 12:6; Gal. 3:5. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. 1 Korinthiërs 3:5: Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heer aan ieder gegeven heeft? 1 Korinthiërs 12:6: En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. Galaten 3:5: Die u dan de Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?
[^1korinthiers-3-8-14]: Kanttekening 14: 14 zijn één: Dat is, arbeiden in een zelfde zaak, en tot een zelfde einde, namelijk om een zelfde leer van het Evangelie te verbreiden en de gemeente van Christus te stichten, hoewel met verscheidene gaven. Want hij spreekt hier nog van het ambt van de trouwe leraars, gelijk hij en Apollos waren.
[^1korinthiers-3-8-f]: Verwijzing f: Ps. 62:13; Jer. 17:10; Jer. 32:19; Matt. 16:27; Rom. 2:6; Rom. 14:12; 2 Kor. 5:10; Galat. 6:5; Openb. 2:23; Openb. 22:12. Psalmen 62:13: En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19: Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Mattheüs 16:27: Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6: Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 14:12: Zo dan een iedereen van ons zal voor zichzelf voor God rekenschap geven. 2 Korinthiërs 5:10: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Galaten 6:5: Want een iedereen zal zijn eigen pak dragen. Openbaring 2:23: En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken. Openbaring 22:12: En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^1korinthiers-3-8-15]: Kanttekening 15: 15 naar zijn arbeid: Dat is, nadat hij zich in dit zijn ambt wel zal hebben gekweten en benaarstigd; Matt. 25:20, enz. Mattheüs 25:20: En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt u mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelfde gewonnen.
[^1korinthiers-3-9-16]: Kanttekening 16: 16 wij zijn: Namelijk die dienaren van Gods Woord zijn.
[^1korinthiers-3-9-17]: Kanttekening 17: 17 Gods medearbeiders: Namelijk die onder God aan de bouw van de gemeente medearbeiden als werktuigen, die God heeft geliefd daartoe te gebruiken, hoewel het voornaamste werk van Hem komt en de bekwaamheid van deze werktuigen ook zelfs van Hem komt; 2 Kor. 3:5, 3:6. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^1korinthiers-3-9-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 6:1. 2 Korinthiërs 6:1: En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat u de genade van God niet tevergeefs mag ontvangen hebben.
[^1korinthiers-3-9-18]: Kanttekening 18: 18 Gods akkerwerk: Dat is, u als leden van de gemeente van God bent degenen aan wie deze arbeid besteed wordt als aan een groot akkerwerk.
[^1korinthiers-3-9-19]: Kanttekening 19: 19 Gods gebouw: Een andere gelijkenis, genomen van een groot gesticht, waar een groot meester het beleid van heeft, en waar hij zijn dienaren bezig aan houdt, welke gelijkenis hij daarna breder uitlegt en toeëigent.
[^1korinthiers-3-9-h]: Verwijzing h: Efez. 2:20; Kolos. 2:7; 1 Petr. 2:5. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Kolossenzen 2:7: Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, zoals u geleerd bent, overvloedig zijnde in hetzelfde, met dankzegging. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^1korinthiers-3-10-20]: Kanttekening 20: 20 Naar de genade: Namelijk door welke ik tot een apostel van Christus ben geroepen, en met welke Hij mij tot nu toe in mijne bediening heeft bijgestaan en vergezelschapt. Waarmee hij alles, wat hij is en doet, niet in zichzelf, maar God toeschrijft.
[^1korinthiers-3-10-21]: Kanttekening 21: 21 als een wijs bouwmeester: Dat is, gelijk een recht, voorzichtig, en getrouw bouwmeester betaamt.
[^1korinthiers-3-10-22]: Kanttekening 22: 22 het fondament: Namelijk naast de andere apostelen in het eerste oprichten van de gemeente van Christus door de gehele wereld, en ik als de eerste die uwe gemeente heb opgericht; Rom. 15:20; Ef. 2:20; Openb. 21:14. Romeinen 15:20: En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op het fondament van een ander zou bouwen; Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Openbaring 21:14: En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en daarin de namen van de twaalf apostelen van het Lam.
[^1korinthiers-3-10-23]: Kanttekening 23: 23 een ander bouwt daarop: Dit zegt hij van de gewone dienaren, die na de apostelen in de opgerichte gemeenten zijn geroepen en gesteld, en op het werk van de apostelen voortgingen; Rom. 15:20. Romeinen 15:20: En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op het fondament van een ander zou bouwen;
[^1korinthiers-3-10-24]: Kanttekening 24: 24 hoe hij daarop bouwe: Sommigen verstaan dit van de personen, die door de leraars op het fondament gebouwd worden, gelijk het woord werk zo genoemd wordt; 1 Kor. 9:1. Maar zo de apostel hier zegt ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt, en niet, wie hij daarop bouwt, zo wordt dit gemeenlijk en bekwamelijker verstaan, dat de apostel hier de leraars wil vermanen, dat zij toezien welke leer zij op het fondament, dat de apostelen gelegd hebben, voorstellen tot versterking en vermeerdering van de opgerichte gemeenten. 1 Korinthiërs 9:1: Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heer, gezien? Bent u niet mijn werk in de Heer?
[^1korinthiers-3-11-25]: Kanttekening 25: 25 dan wat: Of, behalve wat; namelijk van mij en de andere apostelen.
[^1korinthiers-3-11-i]: Verwijzing i: Jes. 28:16; Matt. 16:18. Jesaja 28:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen.
[^1korinthiers-3-11-26]: Kanttekening 26: 26 dat is: Christus wordt het fondament van de gemeente genoemd, òf ten aanzien van hem zelven, waar de zaligheid van de gemeente op steunt, omdat Hij als waarachtig God en mens ons de zaligheid heeft verworven, en die door Zijn Geest toeëigent; Matt. 16:18; 1 Petr. 2:6, òf ten aanzien van de leer, waardoor wij tot Hem als de enige Zaligmaker worden gewezen en gebracht, en door het geloof in Hem ontvangen gerechtigheid, heiligheid en het eeuwige leven. Op deze leer ziet de apostel hier, en verklaart dat wij in de leer van het Evangelie tot niemand anders mogen worden gewezen om zaligheid te vinden, dan tot zijn persoon en verdiensten. Zie Joh. 14:6; Hand. 4:12; Ef. 2:20. Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. 1 Petrus 2:6: Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1korinthiers-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 op dit fondament: Dat is, op deze leer van de zaligheid in Christus Jezus alleen te zoeken.
[^1korinthiers-3-12-28]: Kanttekening 28: 28 goud, zilver, kostelijke stenen: Dat is, stichtelijke leringen, niet getrokken uit menselijke wijsheid, maar uit de rechte gronden van Gods Woord; 2 Tim. 1:13. 2 Timotheüs 1:13: Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.
[^1korinthiers-3-12-29]: Kanttekening 29: 29 hout, hooi, stoppelen: Hierdoor worden verstaan, niet enige ketterijen of valse leringen, die het fondament omstoten, waardoor de gemeente van Christus verleid of gescheurd wordt, want zulke veroordeelt Gods woord als werken van het vlees, die de mensen van de zaligheid beroven, Hand. 20:30; Gal. 5:20; 1 Tim. 4:1, 4:2, 4:3; maar enige leringen, dwalingen, of inzettingen van minder gewicht, uit menselijk vernuft voortgebracht, die het fondament niet omstoten, of enige zonderlinge en onnodige geschillen, die niet stichten, en opgepronkte wijzen van spreken buiten Gods Woord, welke de apostel in deze eerste vier hoofdstukken doorgaans bestraft. Handelingen 20:30: En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Galaten 5:20: Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 1 Timotheüs 4:2: Door geveinsdheid van de leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid; 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^1korinthiers-3-13-30]: Kanttekening 30: Namelijk leraars. Want van die en hun werk spreekt hier de apostel alleen.
[^1korinthiers-3-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, leer, die Hij voorstelt.
[^1korinthiers-3-13-k]: Verwijzing k: Jes. 8:20; Jes. 48:10; Jer. 23:29; 1 Petr. 1:7; 1 Petr. 4:12. Jesaja 8:20: Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. Jesaja 48:10: Ziet, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. Jeremia 23:29: Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt YHWH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving uws geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 1 Petrus 4:12: Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame;
[^1korinthiers-3-13-32]: Kanttekening 32: 32 de dag: Dat is, de tijd; of het licht van de waarheid; Rom. 13:12, 13:13; Ef. 5:13; 2 Petr. 1:19. Romeinen 13:12: De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van het licht. Romeinen 13:13: Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Efeziërs 5:13: Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^1korinthiers-3-13-33]: Kanttekening 33: Namelijk of het hout, hooi, stro en stoppelen, dan of het goud, zilver en kostelijke stenen zijn.
[^1korinthiers-3-13-34]: Kanttekening 34: 34 vuur ontdekt: Door dit vuur kan hier niet verstaan worden een vagevuur, waardoor de mensen na dit leven van hun zonden zouden gevaagd of gereinigd worden, omdat door dit vuur, waar Paulus hier van spreekt, niet alleen het werk, dat vergaat of verbrand wordt, maar ook dat blijft en beloond wordt, zal beproefd worden; maar wordt verstaan òf van het vuur van de Heilige Geest, die door het licht van Gods Woord de vaste arbeid en trouwe leringen van de leraren mettertijd ontdekt in de gemeente van God, en die de onnodige of zonderlinge leer onderscheidt en doet verdwijnen; niet anders dan het goud door het vuur van zijn onreinheden wordt gezuiverd; Ps. 12:7; Jer. 23:29. Of, het vuur van vervolging, zwarigheid en verzoeking, waardoor de oprechte leer gelijk als beproefd wordt, omdat zij alsdan ons een vasten troost geeft, dat de andere niet doen kan; Jak. 1:2; 1 Petr. 1:6, 1:7. Psalmen 12:7: De redenen van YHWH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. Jeremia 23:29: Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt YHWH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt; 1 Petrus 1:6: In welke u zich verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^1korinthiers-3-14-35]: Kanttekening 35: Dat is, leer door Gods Woord vast en bondig geoordeeld wordt; 1 Thess. 5:21. 1 Tessalonicenzen 5:21: Beproeft alle dingen; behoudt het goede.
[^1korinthiers-3-14-36]: Kanttekening 36: 36 loon ontvangen: Namelijk ten uitersten dage, uit genade, ook in het bijzonder over dit zijn werk; Dan. 12:3; 1 Kor. 15:41, 15:42. Daniël 12:3: De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig. 1 Korinthiërs 15:41: Een andere is de heerlijkheid van de zon, en een andere is de heerlijkheid van de maan, en een andere is de heerlijkheid van de sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 1 Korinthiërs 15:42: Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
[^1korinthiers-3-15-37]: Kanttekening 37: 37 verbrand worden: Dat is, zo iemands lering na gedane beproeving uit Gods Woord zal verdwijnen en ijdel geacht worden.
[^1korinthiers-3-15-38]: Kanttekening 38: 38 schade lijden: Namelijk van deze zijn arbeid.
[^1korinthiers-3-15-39]: Kanttekening 39: 39 behouden worden: Namelijk omdat hij in zijn leer het fondament nog vast heeft behouden.
[^1korinthiers-3-15-40]: Kanttekening 40: 40 als door vuur: Dat is, moeilijk, gelijk iemand zichzelf uit de brand behoudt, daarin alles latende wat hij heeft; Jud. 23. Judas 1:23: Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is.
[^1korinthiers-3-16-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 6:19; 2 Kor. 6:16; Hebr. 3:6; 1 Petr. 2:5. 1 Korinthiërs 6:19: Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^1korinthiers-3-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk die in Christus gelooft; 1 Petr. 2:5. Zie Ef. 2:21. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer;
[^1korinthiers-3-17-42]: Kanttekening 42: 42 Zo iemand de: Dat is, zo iemand de gemeente van God door leringen van de menselijke wijsheid, of door bijzonder aanhangen aan deze of genen leraar, verdeelt of scheurt.
[^1korinthiers-3-17-43]: Kanttekening 43: Gr. verderven; dat is te schande maken.
[^1korinthiers-3-18-m]: Verwijzing m: Spreuk. 3:7; Jes. 5:21. Spreuken 3:7: Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Jesaja 5:21: Wee hen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelf verstandig zijn!
[^1korinthiers-3-18-44]: Kanttekening 44: Of, verleide.
[^1korinthiers-3-18-45]: Kanttekening 45: 45 wijs is in deze wereld: Dat is, begaafd met menselijke wijsheid.
[^1korinthiers-3-18-46]: Kanttekening 46: 46 die worde dwaas: Namelijk naar het oordeel van de wereldwijzen, wanneer hij de kennis van Christus' kruis en de nederigheid voor zijn hoogste wijsheid houdt, die de wereld houdt voor dwaasheid. Zie 1 Kor. 1:21, 1:22, 1:23, 1:24. 1 Korinthiërs 1:21: Want aangezien, in de wijsheid van God, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven; 1 Korinthiërs 1:22: Omdat de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; 1 Korinthiërs 1:23: Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid; 1 Korinthiërs 1:24: Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God.
[^1korinthiers-3-18-47]: Kanttekening 47: 47 wijs mag worden: Namelijk in God en in de zaken van zijn zaligheid.
[^1korinthiers-3-19-n]: Verwijzing n: Job 5:13. Job 5:13: Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad van de verdraaiden gestort wordt.
[^1korinthiers-3-19-48]: Kanttekening 48: 48 vat de wijzen: Dat is, Hij verwart hun wereldse en listige raadslagen tegen God en de vromen, zo, dat zij zelf daardoor vergaan.
[^1korinthiers-3-20-o]: Verwijzing o: Ps. 94:11. Psalmen 94:11: De YHWH weet de gedachten van de mensen, dat zij ijdelheid zijn.
[^1korinthiers-3-20-49]: Kanttekening 49: 49 van de wijzen: Dat is, wereldwijzen, gelijk voren. De tekst Ps. 94:11, heeft mensen, namelijk die op hun wijsheid steunen. Psalmen 94:11: YHWH weet de gedachten van de mensen, dat zij ijdelheid zijn.
[^1korinthiers-3-20-50]: Kanttekening 50: 50 dat zij ijdel: Dat is, hun wijsheid tevergeefs in het werk stellen tegen Gods wijsheid.
[^1korinthiers-3-21-51]: Kanttekening 51: 51 roeme op mensen: Dat is, vergape zich niet en vertrouwe op geen menselijke wijsheid.
[^1korinthiers-3-21-52]: Kanttekening 52: Dat is, van God tot de dienst van uwe zaligheid geschikt en verordineerd; zelfs de voornaamsten onder de leraars zijn niet voor zichzelf, maar voor de gemeente. En daarom moeten zij alles richten niet tot hun eigen eer, maar tot de eer van Christus en uwe zaligheid.
[^1korinthiers-3-23-53]: Kanttekening 53: 53 zijt van Christus: Namelijk lichaam of bruid, als van uw hoofd.
[^1korinthiers-3-23-54]: Kanttekening 54: 54 is Gods: Namelijk de welgeliefde Zoon en Gezant van de Vader, om ons tot de eeuwige erve met Hem te brengen. Zie 1 Kor. 11:3, en 1 Kor. 15:27, 15:28. 1 Korinthiërs 11:3: Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus. 1 Korinthiërs 15:27: Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. 1 Korinthiërs 15:28: En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

### 1 Korinthiërs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/4.json)

*1 De apostel leert waarvoor de dienaars van de gemeente gehouden moeten worden en wat van hen geeist wordt. 3 Acht het oordeel van de mensen gering en toont met zijn voorbeeld dat zij voornamelijk voor God rekenschap zullen geven van hun bediening. 6 Vermaant niet alleen de leraars, maar ook alle gelovigen tot een gematigd oordeel over zichzelf. 7 omdat niet zij zichzelf, maar God door zijn gaven hen onderscheidt. 8 Stelt een tegenstelling tussen het hoge gevoelen dat zij van zichzelf hadden en de nederige en ellendige staat van de laatste apostelen in deze wereld. 14 opdat zij door deze vergelijking ook een geringer oordeel over zichzelf zouden hebben. 17 Verklaart dat hij ook Timotheus daartoe naar hen zond. 18 Berispt opnieuw hun opgeblazenheid en dreigt hen met zijn komst. 20 opdat zij bijtijds het kwaad uit zich zouden weren en de roede ontgaan.*

**1** Zo houde ons een ieder mens,[^1korinthiers-4-1-a] als dienaren van Christus, en[^1korinthiers-4-1-1] uitdelers van de geheimen van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v1)

**2** En verder wordt in de uitdelers vereist,[^1korinthiers-4-2-b] dat elk[^1korinthiers-4-2-2] getrouw bevonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v2)

**3** Maar mij is voor het minste, dat ik van u geoordeeld word, of van[^1korinthiers-4-3-3] een menselijk oordeel; ja, ik[^1korinthiers-4-3-4] oordeel ook mijzelf niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v3)

**4** Want ik ben mijzelf van[^1korinthiers-4-4-5] geen ding bewust;[^1korinthiers-4-4-c] maar ik ben[^1korinthiers-4-4-6] daardoor niet gerechtvaardigd; maar[^1korinthiers-4-4-7] Die mij oordeelt, is de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v4)

**5** [^1korinthiers-4-5-d] Zo dan oordeelt niets[^1korinthiers-4-5-8] voor de tijd, voordat de Heere zal gekomen zijn,[^1korinthiers-4-5-e] Welke ook in het licht zal brengen,[^1korinthiers-4-5-9] wat in de duisternis verborgen is, en openbaren[^1korinthiers-4-5-10] de raadslagen van de harten; en als dan zal ieder[^1korinthiers-4-5-11] lof hebben van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v5)

**6** En[^1korinthiers-4-6-12] deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast,[^1korinthiers-4-6-13] om uwentwil; opdat u aan ons zou leren,[^1korinthiers-4-6-14][^1korinthiers-4-6-f] niet te gevoelen[^1korinthiers-4-6-15] boven wat geschreven is, dat u niet,[^1korinthiers-4-6-16] de één vanwege een ander, hoogmoedig wordt tegen de ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v6)

**7** Want[^1korinthiers-4-7-17] wie onderscheidt u?[^1korinthiers-4-7-g] En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v7)

**8** [^1korinthiers-4-8-18] Al bent u verzadigd, al bent u rijk geworden,[^1korinthiers-4-8-19] zonder ons hebt u geheerst; en[^1korinthiers-4-8-20] och, of u heerstet, opdat ook[^1korinthiers-4-8-21] wij met u heersen mochten! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v8)

**9** [^1korinthiers-4-9-22] Want ik acht, dat God ons,[^1korinthiers-4-9-23] die de laatste apostelen zijn,[^1korinthiers-4-9-24] ten toon heeft gesteld[^1korinthiers-4-9-h] als tot de dood verwezen; want wij zijn[^1korinthiers-4-9-i] een schouwspel geworden[^1korinthiers-4-9-25] van de wereld, en de engelen, en de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v9)

**10** [^1korinthiers-4-10-26][^1korinthiers-4-10-k] Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar[^1korinthiers-4-10-27] u bent wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar u sterken; u bent heerlijken, maar wij verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v10)

**11** Tot op dit huidige uur lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten[^1korinthiers-4-11-l] geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v11)

**12** [^1korinthiers-4-12-m] En arbeiden,[^1korinthiers-4-12-28] werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en[^1korinthiers-4-12-n] wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v12)

**13** Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als[^1korinthiers-4-13-29] uitvaagsels van de wereld en aller afschraapsel[^1korinthiers-4-13-30] tot nu toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v13)

**14** Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar[^1korinthiers-4-14-o] als mijn lieve kinderen[^1korinthiers-4-14-31] vermaan ik u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v14)

**15** Want al had u tien duizend[^1korinthiers-4-15-32] leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders;[^1korinthiers-4-15-p] want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie[^1korinthiers-4-15-33] geteeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v15)

**16** Zo vermaan ik u dan:[^1korinthiers-4-16-q] wees mijn[^1korinthiers-4-16-34] navolgers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v16)

**17** Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die[^1korinthiers-4-17-35] mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heere, welke u zal indachtig maken[^1korinthiers-4-17-36] mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik overal in alle Gemeenten leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v17)

**18** Maar[^1korinthiers-4-18-37] sommigen zijn hoogmoedig, alsof ik tot u niet[^1korinthiers-4-18-38] komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v18)

**19** Maar ik zal haast tot u komen,[^1korinthiers-4-19-r] zo de Heere wil, en ik zal dan[^1korinthiers-4-19-39] verstaan, niet de woorden van degenen, die hoogmoedig zijn,[^1korinthiers-4-19-40] maar de kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v19)

**20** [^1korinthiers-4-20-s] Want[^1korinthiers-4-20-41] het Koninkrijk van God is niet gelegen in woorden, maar in kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v20)

**21** Wat wilt u? Zal ik[^1korinthiers-4-21-42] met de roede tot u komen, of[^1korinthiers-4-21-43] in liefde en in de geest van de zachtmoedigheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/4.html#v21)

[^1korinthiers-4-1-a]: Verwijzing a: Matt. 24:45; 2 Kor. 6:4; Kolos. 1:25; Titus 1:7. Mattheüs 24:45: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, Kolossenzen 1:25: Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord van God; Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst;
[^1korinthiers-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 uitdelers van de: Gr. Oikonomous (οἰκονόμους). Dat is, huisverzorgers, of uitdelers van Gods huis. Namelijk in het uitdelen en bedienen van Zijn Woord en Zijn sacramenten, 1 Kor. 2:7. Zie van dit woord Luk. 16:1. 1 Korinthiërs 2:7: Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; Lukas 16:1: En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
[^1korinthiers-4-2-b]: Verwijzing b: Lukas 12:42. Lukas 12:42: En de Heer zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel voedsel te geven?
[^1korinthiers-4-2-2]: Kanttekening 2: 2 getrouw bevonden: Dat is, zijn last hierin niet tebuiten ga, of tekort doe; Hebr. 3:5. Hebreeën 3:5: En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden;
[^1korinthiers-4-3-3]: Kanttekening 3: 3 een menselijk oordeel: Gr. een menselijken dag; ene manier van spreken genomen van de gewone gerichten, in welke op zekere vastgestelde dagen vierschaar wordt gehouden, om te oordelen wat voorvalt. Niet dat de ene profeet ook van de ander niet zou mogen oordelen, want het tegendeel beveelt hij 1 Kor. 14:29; maar hij spreekt van zulk een oordeel, als in de volgende woorden zal aangetekend worden. En Paulus ziet hier in het bijzonder op de uiterste dag, wanneer alles zal geoordeeld worden naar behoren; Matt. 25:14, enz.; Luk. 19:12. 1 Korinthiërs 14:29: En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. Mattheüs 25:14: Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienaren riep, en gaf hun zijn goederen over. Lukas 19:12: Hij zei dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en dan weer te keren.
[^1korinthiers-4-3-4]: Kanttekening 4: 4 oordeel ook mijzelf: Dit wordt verstaan, niet van een oordeel van de beproeving van onszelven, of wij in het geloof zijn en hoe wij met God staan, 1 Kor. 11:28, en 2 Kor. 13:5, maar van een oordeel, waardoor iemand zichzelf boven een ander verheft en prijst in zijn dienst; of beneden een ander stelt of misprijst, gelijk dit hier in sommigen bestraft wordt, dat de één Paulus boven Petrus, enz. verhief, en de ander opnieuw Petrus of Apollos, enz. boven hen zette. Dit is het, dat hij aan Gods oordeel hier onderwerpt, omdat de mensen hierin dikwijls uit genegenheden oordelen, gelijk het volgende ook uitwijst. 1 Korinthiërs 11:28: Maar de mens beproeve zichzelf, en ete zo van het brood, en drinke van de drinkbeker. 2 Korinthiërs 13:5: Onderzoekt uzelven, of u in het geloof bent, beproeft uzelven. Of kent u uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent.
[^1korinthiers-4-4-5]: Kanttekening 5: 5 geen ding bewust: Namelijk wat betreft het trouwelijk bedienen mijns apostelschaps; daarin heb ik een goede consciëntie; want hiervan alleen spreekt de apostel.
[^1korinthiers-4-4-c]: Verwijzing c: Ex. 34:7; Job 9:2; Ps. 143:2. Exodus 34:7: Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde lid. Job 9:2: Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? Psalmen 143:2: En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^1korinthiers-4-4-6]: Kanttekening 6: 6 daardoor niet: Namelijk voor God, of in Gods gericht; gelijk David ook spreekt Ps. 143:2, en Paulus Gal. 2:16. Want iets anders is het, een goede consciëntie te hebben in zijn doen voor God, tot zijn eigen troost, 1 Joh. 3:21, en iets anders door zijn doen voor God rechtvaardig te zijn. Het eerste toont de naarstigheid en oprechtheid van zijn doen, die David ook dikwijls in zijn psalmen betuigt; het andere ene volmaaktheid zonder gebreken, die Paulus, gelijk ook David, in zichzelf niet vond; Ps. 19:13; Fil. 3:12, 3:13, enz. Psalmen 143:2: En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Galaten 2:16: Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden. 1 Johannes 3:21: Geliefden! Als ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God; Psalmen 19:13: Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. Filippenzen 3:12: Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filippenzen 3:13: Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.
[^1korinthiers-4-4-7]: Kanttekening 7: 7 die mij oordeelt: Namelijk als opperste rechter, niet alleen in de uitwendige zaak mijner bediening, maar ook mijner consciëntie, waarvan de Heer Christus alleen de rechter is, die daarvan metterdaad ten uitersten dage zal richten, gelijk het volgende vers vers 5 verklaart. 1 Korinthiërs 4:5: Zo dan oordeelt niets voor de tijd, totdat de Heer zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal een ieder lof hebben van God.
[^1korinthiers-4-5-d]: Verwijzing d: Matt. 7:1; Rom. 2:1. Mattheüs 7:1: Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Romeinen 2:1: Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelven; want u, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
[^1korinthiers-4-5-8]: Kanttekening 8: 8 vóór de tijd: Namelijk van het oordeel, in welke Christus ook de verborgen zaken van de consciëntie zal aan de dag brengen; Rom. 2:16. Romeinen 2:16: In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.
[^1korinthiers-4-5-e]: Verwijzing e: Dan. 7:10; Openb. 20:12. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^1korinthiers-4-5-9]: Kanttekening 9: 9 wat in de: Gr. de verborgen dingen van de duisternis.
[^1korinthiers-4-5-10]: Kanttekening 10: 10 de raadslagen van de: Dat is, met welke oprechtheid, en tot welk einde elk zijn doen in zijn dienst zal gericht hebben. Waardoor hij schijnt te bestraffen degenen, die het Evangelie wel prediken, maar meer tot hun eigen eer of om gunst van mensen, dan tot Gods eer, en uit begeerte van de zaligheid van de mensen.
[^1korinthiers-4-5-11]: Kanttekening 11: 11 lof hebben van God: Dat is, niet alleen een openbare getuigenis van zijn weldoen, maar ook beloning; Rom. 2:6; 2 Kor. 5:10. Romeinen 2:6: Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken; 2 Korinthiërs 5:10: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^1korinthiers-4-6-12]: Kanttekening 12: 12 deze dingen: Sommigen verstaan daardoor wat de apostel van de gebreken en opgeblazenheid van enige leraars hiervoren gezegd heeft, en dat hij die in zijn en Apollos' persoon zou bestraft hebben, zonder hun namen uit te drukken, om hen te sparen; maar zo hiervoren vele dingen in de persoon van Paulus, Cefas en Apollos gezegd zijn, die op zulke leraars niet kunnen passen, en ook Paulus niet gewoon is zodanige gebreken op zich te nemen, om die te sparen, maar veel meer zijn voorbeeld tegen zodanigen te stellen om de gemeente voor hen te waarschuwen; zo wordt dit wel zo gevoegelijk verstaan van de gebreken van de gemeente zelve, die zodanig onderscheid onder de getrouwe leraars en apostelen maakten, waardoor deze verdeeldheden werden veroorzaakt, zonder dat al de leraars daarvan de schuld hadden; en verklaart dat hij in zijn en Apollos' persoon hun had getoond waarvoor zij de leraars, wie zij ook waren, moesten houden, namelijk alleen als dienaren van Christus, die hen tot Christus wezen, en tot de rechte enigheid in Christus, en niet tot zichzelf, om een bijzonderen aanhang te maken.
[^1korinthiers-4-6-13]: Kanttekening 13: 13 om uwentwil: Dat is, om u recht te onderwijzen, hoe u u ten aanzien van uw leraars moet gedragen, en in welke achting u hen moet hebben.
[^1korinthiers-4-6-14]: Kanttekening 14: 14 niet te gevoelen: Namelijk nog van uwe leraars, noch van uzelven, die door hen onderwezen zijt.
[^1korinthiers-4-6-f]: Verwijzing f: Spreuk. 3:7; Rom. 12:3. Spreuken 3:7: Zijt niet wijs in uw ogen; vrees YHWH, en wijk van het kwade. Romeinen 12:3: Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iedereen, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iedereen de mate van het geloof gedeeld heeft.
[^1korinthiers-4-6-15]: Kanttekening 15: 15 boven wat: Namelijk doorgaans in het Woord van God, dat ons alom de nederigheid en enigheid aanprijst; of boven wat hiervoren van ons aan u is geschreven.
[^1korinthiers-4-6-16]: Kanttekening 16: 16 de één om eens: Dat is, de ene lidmaat van de gemeente tegen de ander, omdat hij door deze of door die leraar tot Christus is gebracht, en door zijn dienst zulke of zulke gaven tot stichting van Christus' gemeente is deelachtig geworden.
[^1korinthiers-4-7-17]: Kanttekening 17: 17 wie onderscheidt u: Namelijk hetzij dat u een leraar bent, die in gaven anderen teboven gaat, hetzij een lidmaat van de gemeente, die door deze of die leraar tot het geloof in Christus en andere geestelijke gaven gebracht zijt. Het is dan God in Christus \[wil hij zeggen\], die door Zijn genade u onderscheidt van anderen niet de leraar, niet u uzelven. Want hoewel Paulus plant, Apollos natmaakt, het is God alleen die de wasdom geeft; 1 Kor. 3:6. 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven.
[^1korinthiers-4-7-g]: Verwijzing g: Joh. 3:27; Jak. 1:17. Johannes 3:27: Johannes antwoordde en zei: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. Jakobus 1:17: Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^1korinthiers-4-8-18]: Kanttekening 18: 18 Al zijt: Dat is, u beeldt uzelven in dat u nu geheel gelukkig bent, en dat u in geestelijke gaven niet meer ontbreekt, maar dat u de volmaaktheid in alles hebt verkregen en boven alle anderen uitmunt, gelijk een koning in zijn rijk. Dat de apostel verwijtenswijze zegt, om hen daarna door zijn voorbeelden de aanmerking van zijn ellendigen staat tot nederigheid te vermanen. Zie dergelijke Openb. 3:17. Openbaring 3:17: Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.
[^1korinthiers-4-8-19]: Kanttekening 19: 19 zonder ons hebt: Dat is, zonder dat wij aan uwe heerschappij of inbeelding van heerschappij, rust en welstand, deel gehad hebben.
[^1korinthiers-4-8-20]: Kanttekening 20: 20 och of u: Namelijk inderdaad en waarheid.
[^1korinthiers-4-8-21]: Kanttekening 21: 21 wij met u: Dit zegt hij, omdat iemand, die een ander bemint, daarover vrolijk is als het hem welgaat en als hij in alles voorspoedig is, en het geluk van de zodanige als zijn eigen acht.
[^1korinthiers-4-9-22]: Kanttekening 22: 22 Want ik acht: Hier begint hij, tot ene waarschuwing, zijn voorbeeld en dat van de andere apostelen voor te stellen, om hen tot nadenken en een nederig gevoelen van zichzelf en van hun staat te brengen, en hen veel meer tot lijden dan tot roem te vermanen.
[^1korinthiers-4-9-23]: Kanttekening 23: 23 die de laatste: Dat is, die het laatst geroepen zijn na Christus' hemelvaart, als Paulus, Barnabas, Silas, Apollos, Timotheüs en dergelijken, welke daarom van sommigen ook uit kleinachting laatste apostelen werden genaamd. Zie van deze naam Rom. 16:7; 2 Kor. 8:23. Romeinen 16:7: Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn. 2 Korinthiërs 8:23: Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten van de Gemeenten, en een eer van Christus.
[^1korinthiers-4-9-24]: Kanttekening 24: 24 ten toon heeft gesteld: Of, tevoorschijn gebracht. Paulus ziet hier op de gewoonte van de heidenen, die de misdadigers in de openbare schouwplaatsen tevoorschijn brachten, om hen tot vermaak van anderen de wilde beesten voor te werpen, of hen tegen deze beesten tot de dood toe te doen vechten. Dat ook aan de Christenen bij hen dikwijls is geschied; 1 Kor. 15:32. 1 Korinthiërs 15:32: Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
[^1korinthiers-4-9-h]: Verwijzing h: Ps. 44:23; Rom. 8:36; 2 Kor. 4:11. Psalmen 44:23: Maar om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen. Romeinen 8:36: (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 2 Korinthiërs 4:11: Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
[^1korinthiers-4-9-i]: Verwijzing i: Hebr. 10:33. Hebreeën 10:33: Ten dele, als u door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden bent; en ten dele, als u gemeenschap gehad hebt met degenen, die zo behandeld werden.
[^1korinthiers-4-9-25]: Kanttekening 25: 25 van de wereld: Dat is, de redelijke creaturen in de wereld, die hij verdeelt in engelen en mensen, waarvan de goede engelen en goede mensen getuigen waren van hun lijden en met hen medelijden hadden; en de kwade engelen en mensen daar ook een vermaak in hadden, gelijk in de schouwplaatsen allerlei volk en oordelen werden bevonden.
[^1korinthiers-4-10-26]: Kanttekening 26: 26 Wij zijn dwazen: Dat is, voor dwazen geacht van de wereld.
[^1korinthiers-4-10-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 2:3. 1 Korinthiërs 2:3: En ik was bij u in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.
[^1korinthiers-4-10-27]: Kanttekening 27: 27 u bent wijzen: Namelijk naar uwe mening en inbeelding.
[^1korinthiers-4-11-l]: Verwijzing l: Hand. 23:2. Handelingen 23:2: Maar de hogepriester Ananias beval hen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan.
[^1korinthiers-4-12-m]: Verwijzing m: Hand. 18:3; Hand. 20:34; 1 Thes. 2:9; 2 Thes. 3:8. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 1 Tessalonicenzen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. 2 Tessalonicenzen 3:8: En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
[^1korinthiers-4-12-28]: Kanttekening 28: 28 werkende met onze: Zie hiervan een voorbeeld in Paulus; Hand. 18:3, en 1 Kor. 9:6. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 1 Korinthiërs 9:6: Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken?
[^1korinthiers-4-12-n]: Verwijzing n: Matt. 5:44; Lukas 6:28; Lukas 23:34; Hand. 7:60; Rom. 12:14. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel hen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Lukas 6:28: Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen. Lukas 23:34: En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Handelingen 7:60: En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. Romeinen 12:14: Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.
[^1korinthiers-4-13-29]: Kanttekening 29: 29 uitvaagsels van de wereld: Dat is, waar wij komen, de wereldse mensen zoeken ons kwijt te raken, en werpen ons uit als vuiligheid en afschrapsel, of ook als vervloekte mensen, gelijk het Griekse woord katharma ook somwijlen wordt genomen. Zie Klaagl. 3:45. Klaagliederen 3:45: Samech. U hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden van de volken.
[^1korinthiers-4-13-30]: Kanttekening 30: 30 tot nu toe: Dat is, niet eens of twee maal, maar geduriglijk tot nu toe.
[^1korinthiers-4-14-o]: Verwijzing o: 1 Thes. 2:11. 1 Tessalonicenzen 2:11: Gelijk u weet, hoe wij een iedereen van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,
[^1korinthiers-4-14-31]: Kanttekening 31: 31 vermaan ik u: Namelijk om u tot nadenken en betering van deze gebreken te brengen.
[^1korinthiers-4-15-32]: Kanttekening 32: 32 leermeesters in Christus: Gr. Paidagogous (παιδαγωγοὺς); dat is, leermeesters of tuchtmeesters; namelijk die u in de zaken van Christus verder onderwijzen, nadat u van mij door het Evangelie van Christus bent gewonnen. En dit zegt de apostel, omdat een vader met meerder beweging en oprechter liefde zijn kinderen onderricht dan wel een tuchtmeester; zie 2 Kor. 11:20. 2 Korinthiërs 11:20: Want u verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.
[^1korinthiers-4-15-p]: Verwijzing p: Hand. 18:11; Galat. 4:19; Filem. v. 10; Jak. 1:18. Handelingen 18:11: En hij onthield zich daar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God. Galaten 4:19: Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Filemon 1:10: Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; Jakobus 1:18: Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen.
[^1korinthiers-4-15-33]: Kanttekening 33: Of, gewonnen, gegenereerd; dat is, eerst tot het geloof gebracht. Want de predikatie van het Evangelie is het middel, waardoor wij van Gods Geest wedergeboren worden; Filem.:10; 1 Petr. 1:23. Filemon 1:10: Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.
[^1korinthiers-4-16-q]: Verwijzing q: 1 Kor. 11:1; Fil. 3:17; 1 Thes. 1:6; 2 Thes. 3:9. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. Filippenzen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 1 Tessalonicenzen 1:6: En u bent onze navolgers geworden, en van de Heer, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest; 2 Tessalonicenzen 3:9: Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
[^1korinthiers-4-16-34]: Kanttekening 34: Namelijk in nederigheid, vreedzaamheid, volharding, eenvoudigheid, enz.
[^1korinthiers-4-17-35]: Kanttekening 35: 35 mijn lieve en: Namelijk niet alleen omdat ik hem voor Christus door het Evangelie heb gewonnen, maar ook omdat hij mijne voetstappen, als een oprecht zoon in alles navolgt; 1 Tim. 1:2, en 1 Tim. 4:6. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 1 Timotheüs 4:6: Als u deze dingen de broeders voorstelt, zo zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden van het geloof en van de goede leer, welke u achtervolgd hebt.
[^1korinthiers-4-17-36]: Kanttekening 36: 36 mijne wegen: Dat is, mijn wandel in mijn leven, Ps. 1:1, 1:6, en mijne wijze van doen in het Evangelie van Christus, met alle oprechtheid en eenvoudigheid voor te stellen, gelijk hij meteen daarbij voegt. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan.
[^1korinthiers-4-18-37]: Kanttekening 37: 37 sommigen zijn: Dit zegt hij niet alleen van sommige leraars, die zich vanwege enige uiterlijke welsprekendheid veel lieten voorstaan, en Paulus' eenvoudigheid verachtten; maar ook van deze onderwezen zijnde, zichzelf, hoewel hun nog veel ontbrak, voor grote meester hielden, en anderen naast hen verachten, gelijk in de volgende verzen verklaard wordt.
[^1korinthiers-4-18-38]: Kanttekening 38: 38 niet komen zou: Namelijk om zulke gebreken te beteren en naar behoren te straffen.
[^1korinthiers-4-19-r]: Verwijzing r: Hand. 18:21; Hebr. 6:3; Jak. 4:15. Handelingen 18:21: Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze. Hebreeën 6:3: En dit zullen wij ook doen, als het God toelaat. Jakobus 4:15: In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^1korinthiers-4-19-39]: Kanttekening 39: 39 niet de woorden: Dat is, de roem van welsprekendheid, of van kennis in geestelijke zaken.
[^1korinthiers-4-19-40]: Kanttekening 40: 40 maar de kracht: Namelijk die zij metterdaad bewijzen in geloof, liefde, en andere Christelijke deugden of gaven, die Gods Geest krachtig werkt; 1 Joh. 3:18. 1 Johannes 3:18: Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
[^1korinthiers-4-20-s]: Verwijzing s: 1 Kor. 2:4; 1 Thes. 1:5; 2 Petr. 1:16. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 1 Tessalonicenzen 1:5: Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk u weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^1korinthiers-4-20-41]: Kanttekening 41: 41 het koninkrijk van God: Dat is, de staat van een Christenmens, of kind van God, waarin God Zijn rijk opricht; Rom. 14:17. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^1korinthiers-4-21-42]: Kanttekening 42: 42 met de roede: Dat is, met oefening van straf en tuchtiging; 2 Kor. 10:6. 2 Korinthiërs 10:6: En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^1korinthiers-4-21-43]: Kanttekening 43: 43 in liefde en: Dat is, vriendelijkheid en toegenegenheid. Want anders komt ook de straf van een vader uit liefde; Hebr. 12:6. Hebreeën 12:6: Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.

### 1 Korinthiërs 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/5.json)

*1 De apostel gaat verder en bewijst uit de gebreken die in hun gemeente nog waren, dat de Korinthiers meer reden hadden om zich te vernederen dan om te roemen en zich te verheffen, en eerst vanwege het dulden van bloedschande onder hen. 2 Vermaant hen ernstig dat zij hem die zoiets beging uit hun midden zouden verwijderen en aan de satan overgeven. 6 Brengt daartoe verschillende redenen aan, in het bijzonder ontleend aan de gelijkenis van een zuurdesem, die bij het houden van het pascha in het Oude Testament uitgezuiverd moest worden. 9 Onderricht hen daarna uitvoeriger tegen welke mensen deze kerkelijke tucht uitgeoefend moet worden. 11 Namelijk tegen hen die broeders genoemd worden en dergelijke ergernissen gaven. 12 terwijl hij hen die buiten de gemeente waren aan Gods oordeel overlaat.*

**1** Men hoort[^1korinthiers-5-1-1] geheel, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen[^1korinthiers-5-1-2] niet genoemd wordt, zo dat er één[^1korinthiers-5-1-3][^1korinthiers-5-1-a] de huisvrouw van zijn vader heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v1)

**2** En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer[^1korinthiers-5-2-4] leed gedragen, opdat hij[^1korinthiers-5-2-5] uit het midden van u weggedaan wordt, die deze daad begaan heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v2)

**3** [^1korinthiers-5-3-b] Maar ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde[^1korinthiers-5-3-6] met de geest, heb al, alsof ik tegenwoordig ware, degene, die dat zo bedreven heeft, besloten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v3)

**4** [^1korinthiers-5-4-7] In de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest samen verzameld zullen zijn,[^1korinthiers-5-4-8] met de kracht van onze Heere Jezus Christus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v4)

**5** [^1korinthiers-5-5-c] Die zodanige[^1korinthiers-5-5-9] over te geven aan de satan,[^1korinthiers-5-5-10] tot verderf van het vlees, opdat[^1korinthiers-5-5-11] de geest behouden mag worden in de dag van de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v5)

**6** [^1korinthiers-5-6-12] Uw roem is niet goed.[^1korinthiers-5-6-d] Weet u niet, dat[^1korinthiers-5-6-13] een weinig zuurdesem het hele deeg zuur maakt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v6)

**7** [^1korinthiers-5-7-14] Zuiver dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, zoals u ongezuurd bent. Want ook[^1korinthiers-5-7-15] ons[^1korinthiers-5-7-e] Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v7)

**8** [^1korinthiers-5-8-16] Zo dan laat ons[^1korinthiers-5-8-f] feest houden, niet[^1korinthiers-5-8-17] in de[^1korinthiers-5-8-g] oude zuurdesem, noch[^1korinthiers-5-8-18] in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid,[^1korinthiers-5-8-19] maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v8)

**9** Ik heb u geschreven[^1korinthiers-5-9-20] in de brief,[^1korinthiers-5-9-h] dat u zich niet zou[^1korinthiers-5-9-21] vermengen met de ontuchtplegers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v9)

**10** [^1korinthiers-5-10-22] Maar niet geheel met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zou u moeten[^1korinthiers-5-10-23] uit de wereld gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v10)

**11** [^1korinthiers-5-11-24] Maar nu heb ik u geschreven, dat u zich niet zult vermengen, namelijk als iemand,[^1korinthiers-5-11-25] een broeder genoemd zijnde, een ontuchtpleger is, of een gierigaard, of[^1korinthiers-5-11-26] een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover;[^1korinthiers-5-11-i] dat u met zodanig een ook niet[^1korinthiers-5-11-27] zult eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v11)

**12** Want wat heb ik ook[^1korinthiers-5-12-28] die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet[^1korinthiers-5-12-29] die binnen zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v12)

**13** Maar die buiten zijn[^1korinthiers-5-13-30] oordeelt God.[^1korinthiers-5-13-k] En doet u deze boze uit u weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/5.html#v13)

[^1korinthiers-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, niet als een onzeker gerucht, maar als een gewisse zaak.
[^1korinthiers-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 niet genoemd: Namelijk, zonder afkeer of verfoeiing. Want hoewel hier en daarin de Griekse, Romeinse en andere geschiedenissen zulke voorbeelden gevonden zijn, zo worden die nochtans van hen als onbehoorlijk en onwettelijk altijd veroordeeld.
[^1korinthiers-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 zijn vaders huisvrouw: Dat is, zijn stiefmoeder, gelijk die ook zo in Gods Woord genoemd wordt; Lev. 18:8. Leviticus 18:8: U zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders.
[^1korinthiers-5-1-a]: Verwijzing a: Lev. 18:8; Deut. 27:20. Leviticus 18:8: U zult de schaamte van de huisvrouw uws vaders niet ontdekken; het is de schaamte uws vaders. Deuteronomium 27:20: Vervloekt zij, die bij de vrouw zijn vaders ligt, omdat hij zijn vaders slippe ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^1korinthiers-5-2-4]: Kanttekening 4: 4 leed gedragen: Namelijk gelijk men doet wanneer er oorzaak is van algemenen rouw. Want hoewel zulke zonden zonden zijn van bijzondere personen, zo gaan zij nochtans de gehele gemeente aan, omdat Gods naam daarom wordt gelasterd en Zijn toorn daardoor over de gehele gemeente ontstoken, als zij naar behoren niet worden gestraft.
[^1korinthiers-5-2-5]: Kanttekening 5: 5 uit het midden: Dat is, door de Christelijke ban uit uwe vergadering geworpen, gelijk hierna vers 7, 5:11 verklaard wordt. 1 Korinthiërs 5:7: Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.
[^1korinthiers-5-3-b]: Verwijzing b: Kolos. 2:5. Kolossenzen 2:5: Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastheid van uw geloof in Christus.
[^1korinthiers-5-3-6]: Kanttekening 6: 6 met de geest: Dat is, met mijne gedachten, wil en kracht van de geest. Zie dergelijke 2 Kon. 5:26; Kol. 2:5. 2 Koningen 5:26: Maar hij zei tot hem: Ging niet mijn hart mee, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om kleren te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden? Kolossenzen 2:5: Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastheid van uw geloof in Christus.
[^1korinthiers-5-4-7]: Kanttekening 7: 7 In de naam: Dat is, volgens het bevel en last van Christus, en met aanroeping van Zijn naam; Matt. 18:15. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen.
[^1korinthiers-5-4-8]: Kanttekening 8: 8 met de kracht: Dat is, de krachtige werking van Christus in de harten dergenen, onder wie en tegen wie deze straf wettelijk wordt gebruikt. Zie Matt. 18:18, 18:19, 18:20. Mattheüs 18:18: Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Mattheüs 18:19: Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
[^1korinthiers-5-5-c]: Verwijzing c: 1 Tim. 1:20. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^1korinthiers-5-5-9]: Kanttekening 9: 9 over te geven: Dat is, uit uwe gemeenschap te bannen, of, gelijk Christus spreekt Matt. 18:17, te houden als een heiden en tollenaar. Want buiten de gemeente van Christus heeft de Satan zijn rijk. Zie 2 Tim. 2:25, 2:26. Mattheüs 18:17: En als hij hun geen gehoor geeft; zo zeg het de gemeente; en als hij ook de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 2 Timotheüs 2:25: Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis van de waarheid; 2 Timotheüs 2:26: En zij opnieuw ontwaken mochten uit de strik van de duivel, onder welke zij gevangen waren tot zijn wil.
[^1korinthiers-5-5-10]: Kanttekening 10: 10 tot verderf van het vlees: Dat is, tot doding en vernietiging van de oude mens, dat is van de verdorven natuur, die doorgaans vlees wordt genaamd. Zie Rom. 8:13; Gal. 5:24. Romeinen 8:13: Want als u naar het vlees leeft, zo zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult u leven. Galaten 5:24: Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.
[^1korinthiers-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 de geest behouden: Dat is de nieuwe mens, die door deze vleselijke begeerten en zonden als dood en begraven scheen, opnieuw verwekt worde en de overhand verkrijge, totdat hij in de dag van de toekomst van Christus in ons geheel en alleen zal heersen.
[^1korinthiers-5-6-12]: Kanttekening 12: 12 Uw roem is niet: Namelijk waarmee u roemt alsof u en uwe gemeente geheel volmaakt ware.
[^1korinthiers-5-6-d]: Verwijzing d: Galat. 5:9. Galaten 5:9: Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.
[^1korinthiers-5-6-13]: Kanttekening 13: 13 een weinig: Gr. een kleine zuurdesem. Met deze gelijkenis verklaart de apostel dat een ergerlijk mens als hij niet gestraft wordt in de gemeente, anderen lichtelijk tot navolging trekt.
[^1korinthiers-5-7-14]: Kanttekening 14: 14 Zuivert dan de: Dit kan òf in het bijzonder verstaan worden van de uitzuivering of uitwerping van deze ergerlijken mens, opdat de gehele gemeente mocht zijn buiten opspraak en gevaar van verdere besmetting, zo zij al door de Geest van God van de zuurdesem van de natuurlijke verdorvenheid grotendeels waren bevrijd; òf, in het algemeen voor ene algemene vermaning uit aanleiding van de voorgaande gelijkenis, dat namelijk elk in het bijzonder de oude zuurdesem van de zonde uit zich meer en meer zou uitzuiveren, gelijk zij al van de heerschappij derzelve verlost waren. Zie Ef. 4:22; Kol. 3:5, 3:9, 3:10. Efeziërs 4:22: Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Kolossenzen 3:5: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Kolossenzen 3:9: Liegt niet tegen elkaar, omdat u uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken, Kolossenzen 3:10: En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Van Degene, Die hem geschapen heeft;
[^1korinthiers-5-7-15]: Kanttekening 15: 15 ons pascha: Of, ons pascha is voor ons geofferd; dat is, het pascha, dat voor ons tot verzoening van onze zonden is geofferd. Christus wordt hier genaamd het pascha, door een oneigenlijke manier van spreken, die van de sacramenten dikwijls gebruikt wordt \[gelijk het brood in het Avondmaal genaamd wordt het lichaam van Christus en de gemeenschap van het lichaam van Christus\], omdat het paaslam een teken en figuur van Christus en zijn offerande was. Zie Joh. 19:36. Johannes 19:36: Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.
[^1korinthiers-5-7-e]: Verwijzing e: Jes. 53:7; Joh. 1:29; 1 Kor. 15:3. Jesaja 53:7: Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Johannes 1:29: Van de anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 1 Korinthiërs 15:3: Want ik heb u ten eerste overgegeven, wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
[^1korinthiers-5-8-16]: Kanttekening 16: 16 Zo dan laat: Wat de Israëlieten na het slachten van het uiterlijke pascha, in het voorbeeld moesten doen op de voorbereiding van pascha met het uitzuiveren van allen zuurdesem, en met zeven dagen lang zich van gezuurde broden te onthouden, volgens Gods bevel, Ex. 12:15, dat gebiedt de apostel de Christenen in de betekende zaak al hun leven lang te doen; namelijk heilig en rechtvaardig te wandelen voor God en de mensen, en daarom ook alle ergernissen uit hen te werpen, nadat zij door de offerande en besprenging van het bloed van Christus met God verzoend zijn. Exodus 12:15: Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël.
[^1korinthiers-5-8-f]: Verwijzing f: Ex. 12:3; idem v. 15. Exodus 12:3: Spreekt tot de gehele vergadering van Israël, zeggende: Aan de tienden van deze maand neme een iedereen een lam, naar de huizen van de vaderen, een lam voor een huis. Exodus 12:15: Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël.
[^1korinthiers-5-8-17]: Kanttekening 17: 17 in de ouden: Dat is, in de besmetting van de aangeboren natuurlijke verborgenheid.
[^1korinthiers-5-8-g]: Verwijzing g: Deut. 16:3. Deuteronomium 16:3: U zult niets gedesemds op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood van de ellende, (want in van de haast bent u uit Egypteland uitgetogen); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws leven.
[^1korinthiers-5-8-18]: Kanttekening 18: 18 in de zuurdesem: Dat is, nog in andere moedwillige zonden en boosheden, die de natuurlijke mensen nog dagelijks daarbij hopen.
[^1korinthiers-5-8-19]: Kanttekening 19: 19 in de ongezuurde broden: Dat is, in een zuiveren en onbesmetten wandel.
[^1korinthiers-5-9-20]: Kanttekening 20: 20 in de brief: Dit verstaan sommigen van een anderen brief, die de apostel voor deze aan de gemeente van Korinthe zou geschreven hebben, omdat de woorden, die volgen, met zovele letters hiervoren niet uitgedrukt staan; maar zo de zin van deze woorden hiervoren in vers 2, 5:7 verhaald is, zo kan dit bekwamelijk van deze zelfde brief van Paulus verstaan worden. 1 Korinthiërs 5:2: En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft? 1 Korinthiërs 5:7: Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
[^1korinthiers-5-9-h]: Verwijzing h: Deut. 7:2; Matt. 18:17; 2 Kor. 6:14; Efez. 5:11; 2 Thes. 3:14. Deuteronomium 7:2: En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 2 Korinthiërs 6:14: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? Efeziërs 5:11: En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer. 2 Tessalonicenzen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^1korinthiers-5-9-21]: Kanttekening 21: 21 vermengen met: Dat is, tot de gemeenschap van uw gemeente toelaten, en met hen als broeders gemeenzaam verkeren. Zie vers 11. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.
[^1korinthiers-5-10-22]: Kanttekening 22: 22 Maar niet: Dat is, dit versta ik niet in het algemeen van al zulke ergerlijke mensen, die onder u, of bij u wonen.
[^1korinthiers-5-10-23]: Kanttekening 23: 23 uit de wereld: Namelijk zo de wereld vol is van zulke mensen, waar u dagelijks mee te doen hebt, welker voetstappen u niet moet volgen, maar die u moet zoeken voor Christus te winnen; Matt. 5:16; Ef. 5:11. En hoewel dit op alle eeuwen past, zo paste het nochtans allermeest op die eeuw, in welke het heidendom de overhand had, die allen afgodendienaars waren, daar deze andere zonden gemeenlijk op volgen. Mattheüs 5:16: Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. Efeziërs 5:11: En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
[^1korinthiers-5-11-24]: Kanttekening 24: 24 Maar nu heb: Dat is, heb nodig geacht u te schrijven, opdat u mij wel verstaat.
[^1korinthiers-5-11-25]: Kanttekening 25: 25 een broeder: Dat is, voor een lidmaat van de gemeente gehouden en gekend wordt, gelijk de Christenen doorgaans in de Handelingen van de apostelen, en de brieven, broeders genaamd worden, gelijk ook Christus van deze kerketucht zo spreekt; Matt. 18:15. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen.
[^1korinthiers-5-11-26]: Kanttekening 26: 26 een afgodendienaar: Dat de Christenen alsdan zich ook somwijlen in afgoderij verliepen, blijkt 1 Kor. 10:20; Openb. 2:14, 2:20. 1 Korinthiërs 10:20: Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de duivelen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de duivelen gemeenschap hebt. Openbaring 2:14: Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u daar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde de kinderen van Israël een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. Openbaring 2:20: Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat u de vrouw Jezabel, die zich zelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienaren verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.
[^1korinthiers-5-11-i]: Verwijzing i: Num. 12:14; Matt. 18:17; 2 Thes. 3:14; 2 Joh. v. 10. Numeri 12:14: En YHWH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 2 Tessalonicenzen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde; 2 Johannes 1:10: Als iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.
[^1korinthiers-5-11-27]: Kanttekening 27: 27 zult eten: Dat is, zult geen gemeenzame en openbare onderlinge vriendschap met zulken onderhouden, opdat zij zich mogen schamen. Zie 2 Thess. 3:14; 2 Joh:10. Anders verbiedt de apostel niet, dat van man en vrouw, ouders en kinderen en dergelijke, de burgerlijke gemeenschap \[waar de wet van de natuur en zeden de mensen aan verbindt\] zelfs met zodanigen onderhouden worde; zo de kerkelijke tucht zulke maar ontbloot van de gemeenschap die Christenen als Christenen, zo in het geestelijke als in het wereldlijke, eigen hebben; niet waarmee zij als mensen of burgers in het algemeen aan elkaar verbonden zijn. 2 Tessalonicenzen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^1korinthiers-5-12-28]: Kanttekening 28: 28 die buiten zijn: Dat is, nog vreemd van de gemeente van Christus, en van het geloof; Ef. 2:12. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^1korinthiers-5-12-29]: Kanttekening 29: 29 die binnen zijn: Dat is, die voor leden van de gemeente gehouden worden, die hij vers 11 broeders noemt. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.
[^1korinthiers-5-13-30]: Kanttekening 30: 30 oordeelt God: Dat is, behoudt die tot zijn eigen oordeel, om die te straffen of te bekeren. Waarmee hij toont dat al is het dat zulke buiten de tucht van de kerk zijn, dat zij daarom van Gods oordeel niet vrij zijn. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Kor. 11:32. 1 Korinthiërs 11:32: Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heer getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
[^1korinthiers-5-13-k]: Verwijzing k: Deut. 13:5. Deuteronomium 13:5: En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen.

### 1 Korinthiërs 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/6.json)

*1 De apostel bestraft hier nog enkele gebreken onder de Korinthiers, waarvan het eerste is dat zij de geschillen die onder hen waren over wereldse zaken niet liever onderling in der minne afhandelden, dan dat zij die voor ongelovige overheden brachten. 2 Bewijst dat dit de gelovigen niet betaamde, aangezien zij de wereld en de engelen zullen oordelen. 7 Wijst daarna de oorsprong aan waaruit zulke geschillen ontstonden, namelijk uit gebrek aan liefde, verdraagzaamheid en rechtvaardigheid. 9 Betuigt dat de onrechtvaardigen en andere ergerlijke mensen het koninkrijk der hemelen niet zullen beerven. 11 en dat het voor hen onbehoorlijk was dat zij hun voortaan nog gelijk zouden zijn, omdat zij door de Geest van God van de heerschappij van zulke zonden verlost waren. 12 Bestraft nog een ander gebrek in hen, bestaande uit het misbruik van spijzen en andere zaken die de buik aangaan, maar voornamelijk de hoererij. 15 Bewijst daarna met vele redenen hoe onbetamelijk die is voor de christenen. 19 wier lichamen tempels van de Heilige Geest zijn, die duur gekocht zijn en God in lichaam en geest moeten verheerlijken.*

**1** Durft iemand van u, die[^1korinthiers-6-1-1] een zaak heeft tegen een ander,[^1korinthiers-6-1-2] te recht gaan voor[^1korinthiers-6-1-3] de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v1)

**2** [^1korinthiers-6-2-a] Weet u niet, dat[^1korinthiers-6-2-4] de heiligen de wereld oordelen zullen? En als[^1korinthiers-6-2-5] door[^1korinthiers-6-2-6] u de wereld geoordeeld[^1korinthiers-6-2-7] wordt, bent u onwaardig[^1korinthiers-6-2-8] de minste gerechtzaken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v2)

**3** Weet u niet, dat wij[^1korinthiers-6-3-9] de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v3)

**4** Zo u dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die[^1korinthiers-6-4-10] daarover, die in de Gemeente[^1korinthiers-6-4-11] minst geacht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v4)

**5** Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan zo onder u geen, die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordelen[^1korinthiers-6-5-12] tussen zijn broeders? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v5)

**6** Maar de ene broeder[^1korinthiers-6-6-13] gaat met de anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v6)

**7** Zo is er dan nu geheel[^1korinthiers-6-7-14] tekortkoming onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt.[^1korinthiers-6-7-b] Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v7)

**8** Maar[^1korinthiers-6-8-15] u doet ongelijk, en doet schade, en dat de broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v8)

**9** Of weet u niet, dat de[^1korinthiers-6-9-16] onrechtvaardigen[^1korinthiers-6-9-17] het Koninkrijk van God niet zullen beërven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v9)

**10** [^1korinthiers-6-10-18] Dwaal niet;[^1korinthiers-6-10-c] noch ontuchtplegers, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers[^1korinthiers-6-10-19] zullen het Koninkrijk van God beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v10)

**11** [^1korinthiers-6-11-d] En dit was u[^1korinthiers-6-11-20] sommigen; maar[^1korinthiers-6-11-21] u bent[^1korinthiers-6-11-e] afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd,[^1korinthiers-6-11-22] in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest van onze God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v11)

**12** [^1korinthiers-6-12-23][^1korinthiers-6-12-f] Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet raadzaam; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik[^1korinthiers-6-12-24] zal onder de macht van geen mij laten brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v12)

**13** De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal zowel[^1korinthiers-6-13-25] deze als die te niet doen. Maar het lichaam is niet[^1korinthiers-6-13-26] voor de hoererij, maar[^1korinthiers-6-13-27] voor de Heere en[^1korinthiers-6-13-28] de Heere voor het lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v13)

**14** [^1korinthiers-6-14-g] En God heeft ook de Heere opgewekt, en zal[^1korinthiers-6-14-29] ons opwekken door Zijn kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v14)

**15** Weet u niet, dat[^1korinthiers-6-15-30] uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden van een hoer? Volstrekt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v15)

**16** Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is?[^1korinthiers-6-16-h] Want[^1korinthiers-6-16-31] die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v16)

**17** Maar[^1korinthiers-6-17-32] die de Heere aanhangt, is[^1korinthiers-6-17-33] één geest met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v17)

**18** Vlucht weg van de hoererij.[^1korinthiers-6-18-34] Alle zonde, die de mens doet,[^1korinthiers-6-18-35] is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft,[^1korinthiers-6-18-36] zondigt[^1korinthiers-6-18-37] tegen zijn eigen lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v18)

**19** Of weet u niet,[^1korinthiers-6-19-i] dat uw lichaam[^1korinthiers-6-19-38] een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is,[^1korinthiers-6-19-39] Die u van God hebt, en dat[^1korinthiers-6-19-40] u van uzelf niet bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v19)

**20** [^1korinthiers-6-20-k] Want u bent[^1korinthiers-6-20-41] duur gekocht: zo verheerlijkt dan God[^1korinthiers-6-20-42] in uw lichaam en in uw geest,[^1korinthiers-6-20-43] die van God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/6.html#v20)

[^1korinthiers-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 een zaak: Dat is, geschil over wereldse dingen. Zie vers 3. 1 Korinthiërs 6:3: Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?
[^1korinthiers-6-1-2]: Kanttekening 2: 2 te recht gaan: Gr. geoordeeld worden (ἄδικος), of zich laten oordelen.
[^1korinthiers-6-1-3]: Kanttekening 3: 3 de onrechtvaardigen: Namelijk overheden, die Hij zo noemt, omdat de overheden alstoen meest heidenen waren en vreemd van het geloof in Christus en de ware gerechtigheid, en voor het merendeel ook verdrukkers van de Christenen.
[^1korinthiers-6-2-a]: Verwijzing a: Matt. 19:28; Lukas 22:30. Mattheüs 19:28: En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Lukas 22:30: Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^1korinthiers-6-2-4]: Kanttekening 4: 4 de heiligen: Dat is, de gelovigen, die hij zo noemt omdat zij door de Geest van Christus geheiligd en door hun heilige belijdenis en de heilige sacramenten van anderen afgescheiden zijn.
[^1korinthiers-6-2-5]: Kanttekening 5: Gr. in u.
[^1korinthiers-6-2-6]: Kanttekening 6: 6 u de wereld: Namelijk als bijzitters van Christus de algemene rechter, wiens vonnis zij ook zullen goedvinden en rechtvaardigen; Matt. 19:28; Luk. 22:30. Mattheüs 19:28: En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Lukas 22:30: Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^1korinthiers-6-2-7]: Kanttekening 7: 7 wordt, zijt: Dat is, zal worden.
[^1korinthiers-6-2-8]: Kanttekening 8: 8 de minste: Zo noemt hij de zaken van dit leven en van deze wereld, omdat zij ten aanzien van de hemelse en geestelijke niets zijn te achten.
[^1korinthiers-6-3-9]: Kanttekening 9: 9 de engelen: Namelijk die gezondigd hebben en met ketenen van de duisternis bewaard worden tot de dag van het grote oordeel. Zie Matt. 25:41; 2 Petr. 2:4; Jud. 6. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Judas 1:6: En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^1korinthiers-6-4-10]: Kanttekening 10: 10 die in de gemeente: Namelijk liever dan de onrechtvaardigen of heidenen. Dit zegt de apostel bij vergelijking tegen degenen, die meenden dat niemand in de gemeente kloek genoeg was om hun geschillen te scheiden; maar de apostel verklaart dit in het vers 5, en beveelt dat zij de kloeksten en verstandigsten van hen in deze zaken tot middelaars zouden nemen. Zie Ex. 18:21. 1 Korinthiërs 6:5: Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan zo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders? Exodus 18:21: Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen.
[^1korinthiers-6-4-11]: Kanttekening 11: 11 minst geacht zijn: Gr. voor niets geacht zijn; namelijk naar het oordeel van sommigen onder u.
[^1korinthiers-6-5-12]: Kanttekening 12: 12 tussen zijn broeders: Gr. zijn broeder (ἀδελφός); dat is, tussen de ene gelovige en de andere, gelijk vers 6 verklaart. 1 Korinthiërs 6:6: Maar de ene broeder gaat met de andere broeder te recht, en dat voor ongelovigen.
[^1korinthiers-6-6-13]: Kanttekening 13: 13 gaat met de: De apostel verbiedt hier dan niet ganselijk dat men voor overheden zou rechten, maar alleen voor ongelovigen met ergernis en aanstoot; gelijk hij ook niet verbiedt, wanneer iemand van anderen verdrukt wordt, of voor het recht geroepen, dat hij zichzelf door de hulp van de ongelovige overheden zou mogen beschermen. Want hij zelf heeft in zulke gevallen ook op ongelovige overheden zich beroepen en hun hulp gebruikt, niet alleen tegen heidenen, maar ook tegen de Joden. Zie Hand. 22:25, en Hand. 23:17, en Hand. 25:10. Handelingen 22:25: En zo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romeinsen mens, en die onveroordeeld, te geselen? Handelingen 23:17: En Paulus riep tot zich één van de hoofdmannen over honderd, en zei: Leid deze jongeling heen tot de overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. Handelingen 25:10: En Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld moet worden; de Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk u ook zeer wel weet.
[^1korinthiers-6-7-14]: Kanttekening 14: 14 tekortkoming onder u: Gr. Hettema. Dat hier betekent een tekortkoming van liefde of kloekmoedigheid, waardoor de kwade genegenheden worden overwonnen.
[^1korinthiers-6-7-b]: Verwijzing b: Spreuk. 20:22; Matt. 5:39; Rom. 12:17; 1 Thes. 5:15; 1 Petr. 3:9. Spreuken 20:22: Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op YHWH, en Hij zal u verlossen. Mattheüs 5:39: Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Romeinen 12:17: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 1 Tessalonicenzen 5:15: Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen. 1 Petrus 3:9: Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zoudt beërven.
[^1korinthiers-6-8-15]: Kanttekening 15: 15 u doet: Dat is, sommigen onder u.
[^1korinthiers-6-9-16]: Kanttekening 16: Dat is, die andere ongelijk of onrecht aandoen.
[^1korinthiers-6-9-17]: Kanttekening 17: 17 het koninkrijk: Dat is, die eeuwige heerlijkheid in de hemel, die hier een erve genaamd wordt, omdat zij wordt gegeven niet uit verdienste, maar hen alleen, die God uit genade tot Zijn kinderen heeft aangenomen.
[^1korinthiers-6-10-18]: Kanttekening 18: 18 Dwaalt niet: Of, bedriegt uzelven niet.
[^1korinthiers-6-10-c]: Verwijzing c: Galat. 5:19; Efez. 5:5; Openb. 22:15. Galaten 5:19: De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Efeziërs 5:5: Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Openbaring 22:15: Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^1korinthiers-6-10-19]: Kanttekening 19: 19 zullen het koninkrijk: Namelijk tenzij dat zij zich bekeren en aflaten van zodanigen meer te zijn, Matt. 21:31, 21:32, gelijk vers 11 medebrengt. Mattheüs 21:31: Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God. Mattheüs 21:32: Want Johannes is tot u gekomen in de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; maar u, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest van onze God;
[^1korinthiers-6-11-d]: Verwijzing d: Efez. 2:2; Kolos. 3:7; Titus 3:3. Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Kolossenzen 3:7: In dewelke ook u eertijds hebt gewandeld, toen u in dezelfde leefde. Titus 3:3: Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende.
[^1korinthiers-6-11-20]: Kanttekening 20: Namelijk de één in het een en de ander in het ander. Want hoewel in alle heidenen niet al deze zonden altijd openbaar zijn geweest, nochtans is de wortel van allen in hen, en de één of de ander breekt bij gelegenheden altijd uit; en allen waren zij afgodendienaars. Zie Rom. 1:29; Ef. 2:1, 2:2, 2:3, en Ef. 4:17, 4:18. Romeinen 1:29: Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; Efeziërs 2:1: En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Efeziërs 2:3: Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden van ons vlees, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen; Efeziërs 4:17: Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Efeziërs 4:18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
[^1korinthiers-6-11-21]: Kanttekening 21: 21 u bent afgewassen: Dat is, van de heersende macht van zulke zonden gezuiverd; namelijk door uwe heiligmaking; bestaande in de vergeving van de zonden en toerekening van de gerechtigheid van Christus, waarvan de doop een teken en zegel is. Zie Mark. 1:4; Hand. 22:16; Rom. 6:4; Ef. 5:26; Tit. 3:5; 1 Petr. 3:21. Marcus 1:4: Johannes was dopende in de woestijn, en predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. Handelingen 22:16: En nu, wat vertoeft u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heer. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Titus 3:5: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; 1 Petrus 3:21: Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
[^1korinthiers-6-11-e]: Verwijzing e: Hebr. 10:22. Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.
[^1korinthiers-6-11-22]: Kanttekening 22: 22 in de naam: Dat is, om Jezus Christus' en Zijn verdiensten wil. Want het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle onze zonden; 1 Joh. 1:7; Openb. 1:5. 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^1korinthiers-6-12-23]: Kanttekening 23: 23 Alle dingen zijn: Namelijk die middelmatig zijn en in Gods Woord niet verboden, van welker gebruik hij hier kortelijk spreekt, en hierna breder zal spreken 1 Kor. 7; 1 Kor. 8; 1 Kor. 9; 1 Kor. 10; 1 Kor. 11, en zal die van andere onderscheiden.
[^1korinthiers-6-12-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 10:23. 1 Korinthiërs 10:23: Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
[^1korinthiers-6-12-24]: Kanttekening 24: 24 onder de macht: Dat is dat ik mij door enig menselijk gebod zou laten verbinden, om wat de Heer mij vrijgelaten heeft, niet te gebruiken, wanneer ik zonder aanstoot van andere zulks doen kan. Zie Rom. 14:14; 1 Kor. 7:23, en 1 Kor. 10:23. Of, ik zal mij van geen ding laten overheersen, namelijk zo dat ik mij de middelmatige dingen zou dienstbaar maken, om die niet te gebruiken tot stichting mijns naasten. Romeinen 14:14: Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein. 1 Korinthiërs 7:23: U bent duur gekocht, wordt geen dienaren van de mensen. 1 Korinthiërs 10:23: Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
[^1korinthiers-6-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk buik; niet ten aanzien van zijn wezen, dat een deel van het lichaam van de mens is, dat geheel zal opstaan; maar ten aanzien van zijn gebruik in dit tijdelijke en natuurlijke leven, dat dan niet meer nodig zal zijn. Zie Matt. 22:30; 1 Kor. 15:44; Openb. 7:16, 7:17. Mattheüs 22:30: Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen van God in de hemel. 1 Korinthiërs 15:44: Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. Openbaring 7:16: Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Openbaring 7:17: Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
[^1korinthiers-6-13-26]: Kanttekening 26: 26 voor de hoererij: Namelijk die de heidenen voor een middelmatige zaak hielden, en die zelf te Korinthe, waar voor deze zonde een openbare tempel was opgericht, zeer algemeen was. Daarom handelt de apostel daarvan eerst en bijzonder, voordat hij tot andere zaken komt, die zij ook voor middelmatig hielden, en in welke zij zichzelf onnodige strikken legden of zwaar bezondigden.
[^1korinthiers-6-13-27]: Kanttekening 27: 27 voor de Heer: Dat is, om het tot de dienst van de Heer Jezus Christus te gebruiken.
[^1korinthiers-6-13-28]: Kanttekening 28: 28 de Heer voor het lichaam: Dat is, de Heer is ook een Heer van het lichaam, omdat Hij Zichzelven niet alleen tot verlossing van de ziel, maar ook van het lichaam overgegeven heeft, vers 20. 1 Korinthiërs 6:20: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.
[^1korinthiers-6-14-g]: Verwijzing g: Rom. 8:11; 2 Kor. 4:14. Romeinen 8:11: En als de Geest Van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 2 Korinthiërs 4:14: Wetende, dat Hij, Die de Heer Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met u daar zal stellen.
[^1korinthiers-6-14-29]: Kanttekening 29: 29 ons opwekken door: Dat is, onze lichamen tot heerlijkheid; Rom. 8:11; Fil. 3:21. Romeinen 8:11: En als de Geest Van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. Filippenzen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^1korinthiers-6-15-30]: Kanttekening 30: 30 uw lichamen: Dat is, ook uwe lichamen. Want omdat de ware gelovigen in het geheel met Christus als met hun hoofd verenigd zijn, 1 Kor. 12:12, 12:27, zo zijn ook hun lichamen een deel van Zijn geestelijk lichaam. 1 Korinthiërs 12:12: Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, zo ook Christus. 1 Korinthiërs 12:27: En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.
[^1korinthiers-6-16-h]: Verwijzing h: Gen. 2:24; Matt. 19:5; Mark. 10:8; Efez. 5:31. Genesis 2:24: Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Mattheüs 19:5: En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; Marcus 10:8: En die twee zullen tot een vlees zijn, zo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Efeziërs 5:31: Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.
[^1korinthiers-6-16-31]: Kanttekening 31: 31 die twee, zegt hij: Deze plaats, genomen uit Gen. 2:24, wordt eigenlijk van de band van het huwelijk gezegd; maar Paulus past dit ook op de hoererij, omdat zulke oneerlijke liefde en vleselijke vereniging deze personen aan elkaar oneerlijk en onwettelijk verbindt, gelijk het huwelijk hen wettelijk en eerlijk verbindt. Genesis 2:24: Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.
[^1korinthiers-6-17-32]: Kanttekening 32: 32 die de Heer: Namelijk door het ware geloof en oprechte liefde.
[^1korinthiers-6-17-33]: Kanttekening 33: 33 één geest met Hem: Dat is geestelijk; of door Zijn Geest met Hem verenigd; 1 Kor. 12:13. 1 Korinthiërs 12:13: Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.
[^1korinthiers-6-18-34]: Kanttekening 34: 34 Alle zonde, die: Namelijk die in de uitwendige daad van de mensen geschiedt.
[^1korinthiers-6-18-35]: Kanttekening 35: 35 is buiten het: Dat is, misbruikt iets, of doet leed aan iets, dat buiten de mens zelf is.
[^1korinthiers-6-18-36]: Kanttekening 36: Dit moet verstaan worden bij vergelijking, namelijk meer dan enige andere zonde. Want hoewel een dronkaard en brasser zijn lichaam ook misbruikt, zo geschiedt het nochtans door iets dat geen deel aan zijn lichaam is, als voedsel en drank, en doet ook zijn lichaam veel schade en schande aan, maar niet zo zwaar als de hoererij.
[^1korinthiers-6-18-37]: Kanttekening 37: Of, in.
[^1korinthiers-6-19-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; Efez. 2:21; Hebr. 3:6; 1 Petr. 2:5. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^1korinthiers-6-19-38]: Kanttekening 38: 38 een tempel is: Die daarom zuiver en rein moet gehouden worden, en waarin God wil gediend zijn; dat de apostel van de hele mens ook betuigt; 2 Kor. 6:16. 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn.
[^1korinthiers-6-19-39]: Kanttekening 39: 39 die u van God: Namelijk om u van uwe aanneming tot kinderen te verzekeren; Rom. 8:11, 8:15; 2 Kor. 1:22. Romeinen 8:11: En als de Geest Van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven.
[^1korinthiers-6-19-40]: Kanttekening 40: 40 uws zelfs niet zijt: Namelijk om uw eigen wil te doen, maar de wil van degene aan wie u toebehoort.
[^1korinthiers-6-20-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 7:23; Galat. 3:13; Hebr. 9:12; 1 Petr. 1:18. 1 Korinthiërs 7:23: U bent duur gekocht, wordt geen dienaren van de mensen. Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die aan het hout hangt. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 1 Petrus 1:18: Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;
[^1korinthiers-6-20-41]: Kanttekening 41: 41 duur gekocht: Gr. door voedsel; namelijk door het dierbaar bloed van Jezus Christus; 1 Petr. 1:18, 1:19; Openb. 5:9. 1 Petrus 1:18: Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is; 1 Petrus 1:19: Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; Openbaring 5:9: En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;
[^1korinthiers-6-20-42]: Kanttekening 42: 42 in uw lichaam: Dat is, met lichaam en met ziel, die door de Heilige Geest is vernieuwd.
[^1korinthiers-6-20-43]: Kanttekening 43: 43 welke Godes zijn: Namelijk niet alleen door het recht van de schepping, maar ook door het recht van de verlossing.

### 1 Korinthiërs 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/7.json)

*1 De apostel beantwoordt een gestelde vraag, of het goed is een vrouw te nemen. 3 De getrouwden gebiedt hij zich niet van elkaar te onthouden. 5 tenzij met onderling goedvinden voor een tijd, om zich tot vasten en bidden te begeven. 8 Verklaart voorts aan de ongetrouwden en weduwen dat het goed is ongetrouwd te blijven, namelijk voor degenen die de gave daartoe hebben, maar niet voor anderen. 10 Beveelt de getrouwden dat zij niet zullen scheiden. 12 zelfs niet de gelovige van de ongelovige, als die tevreden is bij de gelovige te blijven. 15 Maar als de ongelovige wil scheiden, betuigt hij dat de gelovige dan niet gebonden is. 18 Verklaart voorts dat ieder tevreden moet zijn met de staat waarin hij tot Christus geroepen is, zowel besnedene als onbesnedene. 21 zowel dienstknecht als vrije. 25 Spreekt daarna over de maagden die onder iemands gezag staan, en toont in welk geval het goed is die uit te huwelijken of niet. 29 Voegt daarbij een algemene vermaning hoe het huwelijk en andere zaken van deze wereld gebruikt moeten worden. 32 en welk voordeel de ongetrouwden boven de getrouwden hebben om de Heere goed aan te hangen. 36 Echter zo dat zij niet zondigen die hun maagden uithuwelijken. 39 en verklaart opnieuw dat de getrouwden aan elkaar gebonden zijn zolang zij leven.*

**1** Voor wat betreft nu de dingen, waarvan u mij geschreven hebt; het is[^1korinthiers-7-1-1] een mens[^1korinthiers-7-1-2] goed geen vrouw[^1korinthiers-7-1-3] aan te raken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v1)

**2** Maar vanwege[^1korinthiers-7-2-4] de hoererijen zal ieder[^1korinthiers-7-2-5] man zijn eigen vrouw hebben, en iedere vrouw zal haar eigen man hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v2)

**3** [^1korinthiers-7-3-a] De man zal aan de vrouw[^1korinthiers-7-3-6] de schuldige goedwilligheid betalen; en evenzo ook de vrouw aan de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v3)

**4** De vrouw heeft[^1korinthiers-7-4-7] de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v4)

**5** [^1korinthiers-7-5-b] Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u zich tot vasten en[^1korinthiers-7-5-8] bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan[^1korinthiers-7-5-9] niet verzoeke, omdat u zich niet kunt onthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v5)

**6** [^1korinthiers-7-6-10] Maar dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v6)

**7** [^1korinthiers-7-7-c] Want[^1korinthiers-7-7-11] ik wilde, dat alle mensen waren, zoals ikzelf ben;[^1korinthiers-7-7-d] maar ieder heeft zijn eigen gave van God, de één wel zo, maar de andere zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v7)

**8** Maar ik zeg[^1korinthiers-7-8-12] de ongetrouwden, en de weduwen: Het is hun[^1korinthiers-7-8-13] goed, als zij blijven, zoals ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v8)

**9** [^1korinthiers-7-9-e] Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen[^1korinthiers-7-9-14] dan te branden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v9)

**10** Maar de getrouwden gebiede[^1korinthiers-7-10-15] niet ik, maar de Heere,[^1korinthiers-7-10-f] dat de vrouw van de man niet scheide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v10)

**11** En[^1korinthiers-7-11-16] als zij ook scheidt,[^1korinthiers-7-11-17] dat zij ongetrouwd blijve, of met de man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v11)

**12** Maar[^1korinthiers-7-12-18] de anderen zeg[^1korinthiers-7-12-19] ik,[^1korinthiers-7-12-20] niet de Heere: Als enig broeder een[^1korinthiers-7-12-21] ongelovige vrouw heeft, en zij tevreden is[^1korinthiers-7-12-22] bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v12)

**13** En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v13)

**14** Want de ongelovige man[^1korinthiers-7-14-23] is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders[^1korinthiers-7-14-24] waren uw kinderen onrein, maar nu[^1korinthiers-7-14-25] zijn zij heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v14)

**15** Maar als de ongelovige[^1korinthiers-7-15-26] scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt[^1korinthiers-7-15-27] in zodanige gevallen niet[^1korinthiers-7-15-28] dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons[^1korinthiers-7-15-29] tot vrede geroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v15)

**16** [^1korinthiers-7-16-g] Want wat weet[^1korinthiers-7-16-30] u, vrouw, of u de man[^1korinthiers-7-16-31] zult zalig maken? Of wat weet u, man, of u de vrouw zult zalig maken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v16)

**17** [^1korinthiers-7-17-32] Maar zoals God aan ieder heeft uitgedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v17)

**18** Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich[^1korinthiers-7-18-33] geen voorhuid aantrekken; is iemand,[^1korinthiers-7-18-34] in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v18)

**19** De besnijdenis[^1korinthiers-7-19-35] is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding van de geboden van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v19)

**20** [^1korinthiers-7-20-h] Ieder[^1korinthiers-7-20-36] blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v20)

**21** Bent u, een dienaar zijnde, geroepen,[^1korinthiers-7-21-37] laat u dat niet bekommeren; maar als u ook[^1korinthiers-7-21-38] kunt vrij worden, gebruik dat liever. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v21)

**22** Want die in de Heere[^1korinthiers-7-22-39] geroepen is, een dienaar zijnde, die is[^1korinthiers-7-22-40] een vrijgelatene van de Heere; evenzo ook, die[^1korinthiers-7-22-41] vrij zijnde geroepen is, die is[^1korinthiers-7-22-42] een dienaar van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v22)

**23** [^1korinthiers-7-23-i] U bent[^1korinthiers-7-23-43] duur gekocht, wordt[^1korinthiers-7-23-44] geen dienaren van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v23)

**24** Een ieder waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelfde[^1korinthiers-7-24-45] bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v24)

**25** Voor wat betreft de maagden nu, heb ik[^1korinthiers-7-25-46] geen bevel van de Heere; maar ik[^1korinthiers-7-25-47] zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heere gekregen heb,[^1korinthiers-7-25-48] om getrouw te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v25)

**26** Ik houd dan dit[^1korinthiers-7-26-49] goed te zijn, om de[^1korinthiers-7-26-50] aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens[^1korinthiers-7-26-51] goed is zo te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v26)

**27** Bent u aan een vrouw verbonden,[^1korinthiers-7-27-52] zoek geen ontbinding; bent u ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v27)

**28** Maar als u ook trouwt, u zondigt niet; en als een maagd trouwt, zij zondigt niet. Maar zulke zullen[^1korinthiers-7-28-53] verdrukking hebben[^1korinthiers-7-28-54] in het vlees;[^1korinthiers-7-28-55] en ik spare u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v28)

**29** Maar dit zeg ik, broeders, dat[^1korinthiers-7-29-56] de tijd verder kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn[^1korinthiers-7-29-57] als niet hebbende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v29)

**30** En[^1korinthiers-7-30-58] die huilen, als niet huilend; en[^1korinthiers-7-30-59] die blij zijn, als niet blij zijnde; en die kopen,[^1korinthiers-7-30-60] als niet bezittende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v30)

**31** En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende;[^1korinthiers-7-31-k] want[^1korinthiers-7-31-61] de gedaante van deze wereld gaat voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v31)

**32** En[^1korinthiers-7-32-62] ik wil, dat u zonder zorgen bent.[^1korinthiers-7-32-l] De ongetrouwde[^1korinthiers-7-32-63] bekommert zich met de dingen van de Heere, hoe hij de Heere zal behagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v32)

**33** Maar die getrouwd is,[^1korinthiers-7-33-64] bekommert zich met de dingen[^1korinthiers-7-33-65] van de wereld, hoe hij[^1korinthiers-7-33-66] de vrouw zal behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v33)

**34** Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heere, opdat zij heilig zij, zowel aan lichaam als aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen van de wereld, hoe zij de man zal behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v34)

**35** En dit zeg ik[^1korinthiers-7-35-67] tot uw eigen voordeel; niet opdat ik[^1korinthiers-7-35-68] een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heere wel aan te hangen, zonder[^1korinthiers-7-35-69] herwaarts en daarheen getrokken te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v35)

**36** Maar zo iemand[^1korinthiers-7-36-70] acht, dat hij[^1korinthiers-7-36-71] ongepast handelt met zijn maagd, als zij over de jeugdige tijd gaat, en het[^1korinthiers-7-36-72] zo moet gebeuren; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v36)

**37** Maar die vast staat in zijn[^1korinthiers-7-37-73] hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd[^1korinthiers-7-37-74] zal bewaren, die doet wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v37)

**38** Zo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft,[^1korinthiers-7-38-75] die doet beter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v38)

**39** [^1korinthiers-7-39-m] Een vrouw is door[^1korinthiers-7-39-76] de wet verbonden, zo lange tijd[^1korinthiers-7-39-77] haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen[^1korinthiers-7-39-78] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v39)

**40** Maar zij is[^1korinthiers-7-40-79] gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En[^1korinthiers-7-40-80] ik meen ook[^1korinthiers-7-40-n] de Geest van God te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/7.html#v40)

[^1korinthiers-7-1-1]: Kanttekening 1: 1 een mens: Dat is, een man.
[^1korinthiers-7-1-2]: Kanttekening 2: Door dit woord goed wordt hier verstaan niet dat eerlijk, deugdzaam, of heilig is; want de apostel betuigt dat de huwelijke staat eerlijk is, Hebr. 13:4; gelijk ook doorgaans de Heilige Schrift, maar voor wat minder moeite, bekommering en ongemak heeft, gelijk de apostel hierna vers 26 hetzelfde verklaart. Hebreeën 13:4: Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. 1 Korinthiërs 7:26: Ik houde dan dit goed te zijn, om de aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens goed is zo te zijn.
[^1korinthiers-7-1-3]: Kanttekening 3: 3 aan te raken: Dat is, te trouwen of te bekennen, gelijk dit woord zo genomen wordt Gen. 20:6. Genesis 20:6: En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat u dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
[^1korinthiers-7-2-4]: Kanttekening 4: 4 van de hoererijen: Hij spreekt in het getal van velen, om daardoor allerlei onkuisheid en ontucht uit te drukken.
[^1korinthiers-7-2-5]: Kanttekening 5: 5 zijn eigen vrouw: Gr. zijn zelfs vrouw (γυνή); dat is een getrouwde huisvrouw, en niet vele.
[^1korinthiers-7-3-a]: Verwijzing a: 1 Petr. 3:7. 1 Petrus 3:7: U mannen, ook, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook mee-erfgenamen van de genade van het leven met haar zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.
[^1korinthiers-7-3-6]: Kanttekening 6: 6 de schuldige: Hoewel dit verstaan kan worden in het algemeen van alle schuldige plichten tussen man en vrouw, Ef. 5:22, zo wordt het nochtans hier voornamelijk verstaan van die plichten, die het huwelijk eigen zijn, gelijk uit vers 4 blijkt. Efeziërs 5:22: U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer; 1 Korinthiërs 7:4: De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.
[^1korinthiers-7-4-7]: Kanttekening 7: 7 de macht: Namelijk om de man in deze schuldige goedwilligheid zonder reden haar lichaam te onttrekken, gelijk vers 5 verklaart. 1 Korinthiërs 7:5: Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u u tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u u niet kunt onthouden.
[^1korinthiers-7-5-b]: Verwijzing b: Joël 2:16. Joël 2:16: Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
[^1korinthiers-7-5-8]: Kanttekening 8: 8 bidden mag: Hij spreekt hier niet van gewoon bidden, waartoe alle Christenen ten allen tijde moeten bereid zijn, maar van buitengewone noden van bidden, hetzij die noden de getrouwden in het bijzonder, of de gemeente van Christus in het algemeen aangaan, gelijk uit het bijvoegen van vasten blijkt, dat niet in alle gelegenheden, maar in het bidden in bijzondere noden vereist wordt. Zie Ex. 19:15; Joël. 2:16; Matt. 17:21; Hand. 13:2. Exodus 19:15: En hij zei tot het volk: Weest gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw. Mattheüs 17:21: Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.
[^1korinthiers-7-5-9]: Kanttekening 9: 9 niet verzoeke: Dat is, bij deze gelegenheid niet verwekke tot onbehoorlijke lusten of andere onkuisheid.
[^1korinthiers-7-6-10]: Kanttekening 10: 10 Maar dit zeg ik: Dit wordt niet verstaan van wat de apostel gezegd heeft op het 2e vs.: zo hen, die de gave van de onthouding niet hebben, niet alleen wordt toegelaten te trouwen, maar ook bevolen; gelijk ook in vers 9; maar van wat meteen tevoren van het onthouden voor een tijd, en dan weer bijeen te komen, gezegd is, dat hij in de vrijheid van de getrouwden wil laten, nadat zij zichzelf daarin sterk of zwak bevinden, en naar dat hun nood en beroep zal verdragen. 1 Korinthiërs 7:9: Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.
[^1korinthiers-7-7-c]: Verwijzing c: Hand. 26:29. Handelingen 26:29: En Paulus zei: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen u, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.
[^1korinthiers-7-7-11]: Kanttekening 11: 11 ik wilde: De apostel verklaart, om de redenen die daar zullen verhaald worden, dat hij liever had dat zij allen de gave van de onthouding hadden. Maar evenwel dat een ieder moet letten op de gaven, die hij van God daartoe ontvangen heeft; de één namelijk om zich te onthouden, de ander om het huwelijk in eer en matigheid te gebruiken.
[^1korinthiers-7-7-d]: Verwijzing d: Matt. 19:12; 1 Kor. 12:11. Mattheüs 19:12: Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, om het Koninkrijk van de hemelen. Die dit vatten kan, vatte het. 1 Korinthiërs 12:11: Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iedereen in het bijzonder, zoals Hij wil.
[^1korinthiers-7-8-12]: Kanttekening 12: 12 de ongetrouwden: Namelijk die zichzelf zijn, gelijk het Griekse woord mee brengt. Want van de maagden, die onder eens anderen macht staan, zal hij hierna in vers 9 beginnen te behandelen. 1 Korinthiërs 7:9: Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.
[^1korinthiers-7-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, raadzaam, dienstig en onbekommerlijker. Zie vers 26. 1 Korinthiërs 7:26: Ik houde dan dit goed te zijn, om de aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens goed is zo te zijn.
[^1korinthiers-7-9-e]: Verwijzing e: 1 Tim. 5:14. 1 Timotheüs 5:14: Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de tegenstander geven.
[^1korinthiers-7-9-14]: Kanttekening 14: 14 dan te branden: Dat is, het is goed te trouwen, om niet door de begeerten van het vlees tot kwade lusten te worden ontstoken en in gevaar te blijven van tot onkuisheid te vervallen, dat altijd kwaad is.
[^1korinthiers-7-10-15]: Kanttekening 15: 15 niet ik: Namelijk als de eerste voorsteller van dit gebod, maar als een verhaler van wat Christus de Heer tevoren uitdrukkelijk verboden heeft. Zie Matt. 19:3, enz. Mattheüs 19:3: En de Farizeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?
[^1korinthiers-7-10-f]: Verwijzing f: Mal. 2:14; Matt. 5:32; Matt. 19:9; Mark. 10:11; Lukas 16:18. Maleachi 2:14: U nu zegt: Waarom? Daarom YHWH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uw jeugd, met dewelke u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbond is. Mattheüs 5:32: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Mattheüs 19:9: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel. Marcus 10:11: En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. Lukas 16:18: Een iedereen, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iedereen, die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel.
[^1korinthiers-7-11-16]: Kanttekening 16: 16 als zij: Namelijk anders dan vanwege het overspel van de man. Zie Matt. 5:32, en Matt. 19:9. Mattheüs 5:32: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Mattheüs 19:9: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.
[^1korinthiers-7-11-17]: Kanttekening 17: 17 dat zij: Dat is, dat zij tot geen ander huwelijk in de gemeente worde toegelaten, zo zij met de man niet kan verzoend worden.
[^1korinthiers-7-12-18]: Kanttekening 18: 18 de anderen zeg: Namelijk gelovigen, die met ongelovigen getrouwd zijn.
[^1korinthiers-7-12-19]: Kanttekening 19: Namelijk als een apostel van Christus, door Zijn Geest onderricht en gedreven.
[^1korinthiers-7-12-20]: Kanttekening 20: 20 niet de Heer: Namelijk door een uitgedrukt bevel, gelijk het voorgaande was, vers 10. De reden hiervan schijnt te zijn dat Christus het Evangelie alleen onder de Joden, die in Gods verbond nog waren, en niet onder de heidenen, daar dit onderscheid toenmaals voorviel, heeft gepredikt, dat Hij hierom te Zijner tijd door Zijn apostelen heeft laten voorstellen en gebieden. 1 Korinthiërs 7:10: Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heer, dat de vrouw van de man niet scheide.
[^1korinthiers-7-12-21]: Kanttekening 21: Dat is, vreemd van de Christelijke religie, gelijk de heidenen waren.
[^1korinthiers-7-12-22]: Kanttekening 22: 22 bij hem te wonen: Namelijk gelijk de getrouwden plegen, en gelijk hun betaamt.
[^1korinthiers-7-14-23]: Kanttekening 23: 23 is geheiligd door de vrouw: Gr. geheiligd in de vrouw (γυνή), als ook daarna in de man; namelijk ten aanzien, dat de gelovigen zijn erfgenamen van het verbond Gods met hun kinderen, Gen. 17:7; Hand. 2:39, welk voordeel de ongelovige wederhelft niet kan beletten door zijn ongelovigheid, omdat Gods genade in het heiligen van zulk huwelijk krachtiger is dan het geloof van de andere wederhelft, om het te ontheiligen. Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal.
[^1korinthiers-7-14-24]: Kanttekening 24: 24 waren uw kinderen onrein: Dat is, vreemd van Gods verbond, gelijk van de ongelovigen en hun zaad wordt betuigd; Ef. 2:12. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^1korinthiers-7-14-25]: Kanttekening 25: 25 zijn zij heilig: Dat is, zijn in het uiterlijk verbond Gods begrepen, en hebben toegang tot de tekenen en zegelen van Gods genade, zowel als degenen, die van beide gelovige ouders zijn geboren.
[^1korinthiers-7-15-26]: Kanttekening 26: 26 scheidt, dat hij: Dat is, de gelovige verlaat, of van zich jaagt, en de band van het huwelijk hardnekkig van zijn zijde tenietdoet; gelijk toen bij de heidenen gewoonlijk was, en nu ook bij de Turken.
[^1korinthiers-7-15-27]: Kanttekening 27: 27 in zodanige: Namelijk wanneer die zo de band van het huwelijk van hun zijde breken, uit haat alleen van het geloof.
[^1korinthiers-7-15-28]: Kanttekening 28: 28 dienstbaar gemaakt: Dat is, niet gehouden van hun zijde de band van het huwelijk verder te houden, of ongetrouwd te blijven, gelijk hij de getrouwden, vers 11, in het algemeen had bevolen; van welk gebod die ook uitgenomen worden. 1 Korinthiërs 7:11: En als zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met de man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.
[^1korinthiers-7-15-29]: Kanttekening 29: 29 tot vrede geroepen: Gr. in vrede (καλέω); dat is, om in vrede en met een geruste consciëntie, hetzij in het huwelijk of daarbuiten te leven.
[^1korinthiers-7-16-g]: Verwijzing g: 1 Petr. 3:1. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige de Woorde ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^1korinthiers-7-16-30]: Kanttekening 30: 30 u, vrouw, of u: Namelijk die gelovig zijt en bij de ongelovige man in vrede leeft.
[^1korinthiers-7-16-31]: Kanttekening 31: 31 zult zalig maken: Namelijk door uw vreedzamen en Christelijken wandel voor Christus winnen zal. Zie 1 Tim. 4:16; Jak. 5:20; 1 Petr. 3:1, 3:2. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen. Jakobus 5:20: Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een ziel van de dood zal behouden, en menigte van de zonden zal bedekken. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden; 1 Petrus 3:2: Als zij zullen ingezien hebben uw kuisen wandel in vreze.
[^1korinthiers-7-17-32]: Kanttekening 32: 32 Maar gelijk: Dat is, een ieder zij tevreden en schikke zich naar de gaven en het beroep, dat hij van de Heer verkregen heeft, hetzij in de huwelijkse staat of daarbuiten; dat hij daarna ook tot andere beroepen van de mensen uitstrekt, opdat door de Christenen, onder de naam van de Christelijke godsdienst, de staat van de maatschappij niet worde beroerd of de gemeente worde hatelijk gemaakt.
[^1korinthiers-7-18-33]: Kanttekening 33: 33 geen voorhuid: Gelijk door de kunst van heelkunde gebeuren kan. Zie 1 Machab 1:16; Jozef.Antiq.lib. 12, cap. 6. Namelijk als menende dat hij voor God daardoor te aangenamer zou zijn. 1 Makkabeeën 1:16: En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen. 1 Makkabeeën 1:16: En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.
[^1korinthiers-7-18-34]: Kanttekening 34: 34 in de voorhuid: Dat is, onbesneden.
[^1korinthiers-7-19-35]: Kanttekening 35: 35 is niets: Dat is, van geen kracht tot de godzaligheid. Dat de apostel verstaat, voornamelijk van de tijden van het Nieuwe Testament, wanneer de belijdenis geen sacrament meer is. Zie Gal. 5:6. Galaten 5:6: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
[^1korinthiers-7-20-h]: Verwijzing h: Efez. 4:1; Fil. 1:27; Kolos. 1:10; 1 Thes. 2:12. Efeziërs 4:1: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Filippenzen 1:27: Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; Kolossenzen 1:10: Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 1 Tessalonicenzen 2:12: En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^1korinthiers-7-20-36]: Kanttekening 36: 36 blijve in die: Dat is, zij gerust en late zich genoegen.
[^1korinthiers-7-21-37]: Kanttekening 37: 37 laat u dat: Namelijk alsof u voor God daarom te min zoudt behagen, zo u maar een oprecht Christen bent. Zie 1 Kor. 12:13; Gal. 3:28. 1 Korinthiërs 12:13: Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt. Galaten 3:28: Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus.
[^1korinthiers-7-21-38]: Kanttekening 38: 38 kunt vrij worden: Namelijk door wettelijke en behoorlijke wegen, gelijk onder de heidenen, waar de slavernij in zwang was, verscheidene wegen waren, waardoor de slaven tot hun vrijheid konden komen.
[^1korinthiers-7-22-39]: Kanttekening 39: 39 geroepen is: Dat is, tot het geloof in Christus bekeerd is, nog een dienaar of slaaf zijnde.
[^1korinthiers-7-22-40]: Kanttekening 40: 40 een vrijgelatene: Dat is, door de Heer van de dienstbaarheid van de zonde en van de duivel bevrijd. Zie Joh. 8:34, 8:35, 8:36. Johannes 8:34: Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een ieder, die de zonde doet, is een dienaar van de zonde. Johannes 8:35: En de dienaar blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. Johannes 8:36: Als dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u waarlijk vrij zijn.
[^1korinthiers-7-22-41]: Kanttekening 41: 41 vrij zijnde geroepen: Namelijk naar de burgerlijke of uitwendige stand.
[^1korinthiers-7-22-42]: Kanttekening 42: 42 een dienaar: Dat is, Zijn macht en geboden onderworpen, gelijk een dienaar aan zijn heer.
[^1korinthiers-7-23-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 6:20; Hebr. 9:12; 1 Petr. 1:18. 1 Korinthiërs 6:20: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 1 Petrus 1:18: Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;
[^1korinthiers-7-23-43]: Kanttekening 43: 43 duur gekocht: Gr. door prijs. Zie 1 Kor. 6:20. 1 Korinthiërs 6:20: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.
[^1korinthiers-7-23-44]: Kanttekening 44: 44 geen dienaren: Namelijk om iets te doen tot dienst of gehoorzaamheid van mensen, wat zou strijden tegen de geboden en de dienst van God. Of, laat u in geesteijke zaken van geen mensen dienstbaar maken, om niet vrij te gebruiken wat ons de Heer vrijgesteld heeft. Zie Gal. 5:1; Kol. 2:20. Galaten 5:1: Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet opnieuw met het juk van de dienstbaarheid bevangen. Kolossenzen 2:20: Als u dan met Christus de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, gelijk of u in de wereld leefde, met inzettingen belast?
[^1korinthiers-7-24-45]: Kanttekening 45: 45 bij God: Dat is, als in Gods aanwezigheid; of om zich in zulk beroep behoorlijk te kwijten.
[^1korinthiers-7-25-46]: Kanttekening 46: 46 geen bevel van de: Of, ordinantie; dat is, geen uitgedrukt bevel Gods of van Christus; namelijk dat iemand zou moeten maagd blijven. Waaruit blijkt dat de woorden van Christus, Matt. 19:12, die dit vatten kan, vatte het, geen gebod, maar alleen ene toelating is. Mattheüs 19:12: Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, om het Koninkrijk van de hemelen. Die dit vatten kan, vatte het.
[^1korinthiers-7-25-47]: Kanttekening 47: 47 zeg mijn: Gr. geve.
[^1korinthiers-7-25-48]: Kanttekening 48: 48 getrouw te zijn: Namelijk in mijne leer en bediening, en daarom ook in wat ik hier verklaar. Zie vers 40, en 1 Kor. 4:1, 4:2. Of, geloofwaardig te zijn. 1 Korinthiërs 7:40: Maar zij is gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook de Geest van God te hebben. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. 1 Korinthiërs 4:2: En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.
[^1korinthiers-7-26-49]: Kanttekening 49: 49 goed te zijn: Dat is, oorbaar en dienstig, gelijk vers 1, 7:8. 1 Korinthiërs 7:1: Aangaande nu de dingen, waarvan u mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken. 1 Korinthiërs 7:8: Maar ik zeg de ongetrouwden, en de weduwen: Het is hun goed, als zij blijven, gelijk als ik.
[^1korinthiers-7-26-50]: Kanttekening 50: 50 aanstaanden nood: Of, tegenwoordigen nood; namelijk van de gemeente van Christus, die nu in gedurige vervolging, zwarigheid en ballingschap is. Zie dergelijke wijze van spreken 2 Kor. 6:4, en 1 Thess. 3:7, welke noden beter en lichter kunnen uitgestaan worden van de ongetrouwden dan van de getrouwden, die met huisgezin en kinderen belast zijn. 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, 1 Tessalonicenzen 3:7: Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;
[^1korinthiers-7-26-51]: Kanttekening 51: 51 zo te zijn: Dat is, ongetrouwd. Waarbij ook altijd verstaan wordt de voorwaarde hiervoren in vers 8, 7:9 gesteld, gelijk ook hierna in vers 35, 7:36 van de gave van de onthouding. 1 Korinthiërs 7:8: Maar ik zeg de ongetrouwden, en de weduwen: Het is hun goed, als zij blijven, gelijk als ik. 1 Korinthiërs 7:9: Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 1 Korinthiërs 7:35: En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heer wel aan te hangen, zonder herwaarts en daarheen getrokken te worden. 1 Korinthiërs 7:36: Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, als zij over de jeugdige tijd gaat, en het zo moet gebeuren; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.
[^1korinthiers-7-27-52]: Kanttekening 52: 52 zoek geen ontbinding: Namelijk zelfs niet om de aanstaande nood, gelijk iemand zijn vorige woorden had kunnen misduiden.
[^1korinthiers-7-28-53]: Kanttekening 53: 53 verdrukking hebben: Dat is, zwarigheden, ongenoegen en vele zorgen.
[^1korinthiers-7-28-54]: Kanttekening 54: 54 in het vlees: Dat is, naar de uitwendige mens, of naar het tegenwoordig leven. En dit zegt hij voor degenen, die zichzelf niet dan gemak en vermaak in het huwelijk inbeelden.
[^1korinthiers-7-28-55]: Kanttekening 55: 55 en ik spare u: Dat is, ik wilde wel dat u van zulke bekommernissen en zwarigheden, als het huwelijk medebrengt, vrij was, gelijk hierna vers 32, en vervolgens nader wordt verklaard, namelijk om de Heer te vrijer te kunnen dienen. 1 Korinthiërs 7:32: En ik wil, dat u zonder bekommernis bent. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer zal behagen;
[^1korinthiers-7-29-56]: Kanttekening 56: 56 de tijd verder: Gr. de tijd is tezamen, of ingetrokken. Dit kan verstaan worden, òf van de tijd van het leven van ieder mens, zo de eeuwen dagelijks verzwakken, en daarom de mens te meer op het geestelijke moet denken, dat eeuwigdurend is; òf van de tijd, dat de wereld nog zal staan, welke ook kort gezegd wordt te zijn, ten aanzien van de voorgaande tijd, en daarom de laatste ure genaamd wordt, opdat wij ons te zorgvuldiger zouden bereiden, om Christus onze rechter haast uit de hemel te verwachten. Zie 1 Petr. 4:7; 2 Petr. 3:8. Anderen lezen: De tijd is kort; zo is overig, dat ook die vrouwen hebben, enz. 1 Petrus 4:7: En het einde van alle dingen is nabij; zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden. 2 Petrus 3:8: Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
[^1korinthiers-7-29-57]: Kanttekening 57: 57 als niet hebbende: Dit zegt Paulus niet om het gebruik van het huwelijk de getrouwden te verbieden, want zulks zou strijden met wat tevoren, vers 3, 7:4, 7:5, gezegd is; maar om hen tot maat en nadenken in dat gebruik te vermanen, opdat de geestelijke plichten derzelve daardoor niet worden verhinderd, gelijk ook in wat volgt. 1 Korinthiërs 7:3: De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en evenzo ook de vrouw aan de man. 1 Korinthiërs 7:4: De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. 1 Korinthiërs 7:5: Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u u tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u u niet kunt onthouden.
[^1korinthiers-7-30-58]: Kanttekening 58: 58 die wenen: Dat is, die in verdriet zijn, voornamelijk over de ongevallen, die het huwelijk medebrengt, door het afsterven van man, vrouw, kinderen, of dergelijke zwarigheden en tegenspoeden, die in het huwelijk voorvallen.
[^1korinthiers-7-30-59]: Kanttekening 59: 59 die blij zijn: Namelijk over de oorzaken, die de huwelijke staat ook somwijlen hiertoe geeft, in het krijgen van kinderen, uit huwelijken, of andere gemakken en vermakingen.
[^1korinthiers-7-30-60]: Kanttekening 60: 60 als niet bezittende: Dat is, hun hart daarop niet stellende, zo dat zij door het gebruik derzelve van het voornaamste goed zouden afgekeerd worden. Zie Matt. 6:19, 6:33, gelijk ook de volgende woorden verklaren. Mattheüs 6:19: Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Mattheüs 6:33: Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
[^1korinthiers-7-31-k]: Verwijzing k: Jes. 40:6; Jak. 1:10; Jak. 4:14; 1 Petr. 1:24; 1 Joh. 2:17. Jesaja 40:6: Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. Jakobus 1:10: En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. Jakobus 4:14: U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. 1 Petrus 1:24: Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; 1 Johannes 2:17: En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.
[^1korinthiers-7-31-61]: Kanttekening 61: 61 de gedaante van deze: Dat is, de dingen, die de wereld als een groot goed en geluk acht, maar die niets anders dan een schijn daarvan zijn, gelijk enige vertoningen in de schouwspelen plegen, waarvan het Griekse woord schema (σχῆμα) genomen is; zie Pred. 1:2; 1 Joh. 2:16, 2:17. Prediker 1:2: IJdelheid van de ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid van de ijdelheden, het is al ijdelheid. 1 Johannes 2:16: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. 1 Johannes 2:17: En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.
[^1korinthiers-7-32-62]: Kanttekening 62: 62 En ik wil: Dat is, ik zou wel willen, of wensen.
[^1korinthiers-7-32-l]: Verwijzing l: 1 Tim. 5:5. 1 Timotheüs 5:5: Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.
[^1korinthiers-7-32-63]: Kanttekening 63: 63 bekommert zich: Dat is, behoort zich te bekommeren; en kan dat vrijelijker doen, omdat hij door de zorg van het huishouden niet wordt verhinderd.
[^1korinthiers-7-33-64]: Kanttekening 64: 64 bekommert zich met: Dat is, pleegt zulks gewoonlijk te doen, en is vanwege de zorg van het huishouden en om zijn wederhelft te behagen, meer daaraan gebonden.
[^1korinthiers-7-33-65]: Kanttekening 65: 65 van de wereld, hoe: Het woord wereld wordt hier niet genomen voor de wereldse begeerlijkheden, die ongeoorloofd zijn en alom in Gods Woord verboden, maar voor zulke dingen, waardoor het huisgezin in deze wereld wordt onderhouden, als voedsel, drank, kleding, woning, nering, en dergelijke, die in zichzelf niet ongeoorloofd zijn, 1 Tim. 3:4, en 1 Tim. 5:8, maar evenwel de mens bekommeren, om op het geestelijke niet altijd zo ernstig en gedurig te denken, en waarin de ongetrouwden min verhindering hebben dan de getrouwden, wanneer de gaven en beroep zulks toelaten. Zie een voorbeeld hiervan in Maria en Martha; Luk. 10:39. 1 Timotheüs 3:4: Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; 1 Timotheüs 5:8: Maar zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. Lukas 10:39: En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
[^1korinthiers-7-33-66]: Kanttekening 66: 66 vrouw zal behagen: Niet om iets te doen tegen Gods wil. Want zo mogen wij geen mensen behagen, Luk. 14:26; Gal. 1:10, maar om in liefde en vrede met hen te leven, Ef. 5:25; dat ook zo moet verstaan worden van de bekommering van de vrouw tegenover de man in vers 35. Lukas 14:26: Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. Galaten 1:10: Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienaar van Christus. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; 1 Korinthiërs 7:35: En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heer wel aan te hangen, zonder herwaarts en daarheen getrokken te worden.
[^1korinthiers-7-35-67]: Kanttekening 67: 67 tot uw eigen: Dat is, gemak en oorbaar. En zo verklaart hij in dit vers wat hij tevoren goed of niet goed genaamd heeft.
[^1korinthiers-7-35-68]: Kanttekening 68: 68 een strik over u: Namelijk om u tot het ongetrouwde leven stipt te verbinden.
[^1korinthiers-7-35-69]: Kanttekening 69: 69 herwaarts en daarheen getrokken: Of, onaftrekkelijk; namelijk met de zorgen en bekommernissen van deze wereld.
[^1korinthiers-7-36-70]: Kanttekening 70: Dat is, uit alle tekenen, dat hij daarvan bespeurt, gewaar wordt of oordeelt. Hij spreekt hier eigenlijk van ouders of voogden, waar de maagden onder staan.
[^1korinthiers-7-36-71]: Kanttekening 71: Dat is, niet wel passend, of wel bedachtelijk, zo hij zijn maagd tegen haar natuur of genegenheid zou beletten te trouwen; of ook wel tegen de eis van de gelegenheid van zijn familie.
[^1korinthiers-7-36-72]: Kanttekening 72: 72 zo moet gebeuren: Namelijk om meerdere zwarigheden zo ten aanzien van haar als van zijn familie, voor te komen.
[^1korinthiers-7-37-73]: Kanttekening 73: 73 geen noodzaak hebbende: Namelijk òf voor zichzelf tot behoudenis van zijn familie en andere gelegenheden, die de ouders dikwijls noodzaken hun kinderen uit te huwelijken; of vanwege de broosheid van de kinderen, waarvan in vers 37 is gesproken. 1 Korinthiërs 7:37: Maar die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.
[^1korinthiers-7-37-74]: Kanttekening 74: 74 zal bewaren: Namelijk ongetrouwd.
[^1korinthiers-7-38-75]: Kanttekening 75: 75 die doet beter: Dat is, die doet wat dienstig of oorbaarder is tot de rust van zijn maagd, gelijk vers 1, 7:8, 7:26, en gelijk verklaard wordt vers 35, 7:40. 1 Korinthiërs 7:1: Aangaande nu de dingen, waarvan u mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken. 1 Korinthiërs 7:8: Maar ik zeg de ongetrouwden, en de weduwen: Het is hun goed, als zij blijven, gelijk als ik. 1 Korinthiërs 7:26: Ik houde dan dit goed te zijn, om de aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens goed is zo te zijn. 1 Korinthiërs 7:35: En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heer wel aan te hangen, zonder herwaarts en daarheen getrokken te worden. 1 Korinthiërs 7:40: Maar zij is gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook de Geest van God te hebben.
[^1korinthiers-7-39-m]: Verwijzing m: Rom. 7:2. Romeinen 7:2: Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levenden man verbonden door de wet; maar als de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet van de man.
[^1korinthiers-7-39-76]: Kanttekening 76: 76 de wet verbonden: Namelijk van het huwelijk. Zie Rom. 7:2. Romeinen 7:2: Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar als de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet van de man.
[^1korinthiers-7-39-77]: Kanttekening 77: 77 haar man leeft: Namelijk tenzij uit oorzaak van overspel, Matt. 19:9, of van het scheiden van de ongelovige wederhelft, hiervoren vers 15. Mattheüs 19:9: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel. 1 Korinthiërs 7:15: Maar als de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.
[^1korinthiers-7-39-78]: Kanttekening 78: 78 in de Heer: Dat is, alleen dat zulks geschiede in de vrees voor de Heer, waartoe ook zonderling dient, dat zij, nu vrij zijnde, geen juk aantrekke met de ongelovigen; 2 Kor. 6:14. 2 Korinthiërs 6:14: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?
[^1korinthiers-7-40-79]: Kanttekening 79: Namelijk zo ten aanzien van de bekommeringen, die het huwelijk medebrengt, als van de vrijheid, die zij heeft om de Heer onbekommerlijker te dienen, gelijk hiervoren van de apostel is verklaard. Maar dit moet ook altijd verstaan worden met de vorige voorwaarden, zo zij de gave van de onthouding heeft, en haar beroep zulks toelaat, gelijk hij dit bepaald heeft, vers 7, 7:17. 1 Korinthiërs 7:7: Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een ieder heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 1 Korinthiërs 7:17: Maar gelijk God aan een ieder heeft uitgedeeld, gelijk de Heer een ieder geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten.
[^1korinthiers-7-40-80]: Kanttekening 80: 80 ik meen: Dit zegt de apostel niet alsof hij daaraan twijfelde, maar om beleefd van zichzelf te spreken, tegen de valse waan, welke sommigen onder hen van zichzelf hadden. Zie hiervoren vers 25. 1 Korinthiërs 7:25: Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heer; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heer gekregen heb, om getrouw te zijn.
[^1korinthiers-7-40-n]: Verwijzing n: 1 Thes. 4:8. 1 Tessalonicenzen 4:8: Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven.

### 1 Korinthiërs 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/8.json)

*1 De apostel beantwoordt nog een vraag over het eten van afgodenoffer, en toont dat het daartoe niet genoeg is dat men weet dat de afgod niets is. 5 en dat wij maar een God en een Heere hebben. 7 omdat er velen zwak zijn die door zulk doen aanstoot zouden lijden. 10 en vrijheid zouden nemen om dat ook te doen, naar hun voorbeeld, met een kwaad geweten, en zo verloren gaan. 12 Verklaart dat zulke mensen tegen Christus zondigen. 13 daar zelfs niemand om het gebruik van enige spijs zijn broeder behoort te ergeren.*

**1** Voor wat betreft nu de dingen, die[^1korinthiers-8-1-1] de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat[^1korinthiers-8-1-2] wij allen samen kennis hebben. De kennis maakt[^1korinthiers-8-1-3] hoogmoedig, maar[^1korinthiers-8-1-4] de liefde sticht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v1)

**2** En zo iemand[^1korinthiers-8-2-5] denkt iets te weten, die heeft nog niets gekend, zoals men behoort te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v2)

**3** Maar zo iemand[^1korinthiers-8-3-6] God liefheeft, die is[^1korinthiers-8-3-7] van Hem gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v3)

**4** [^1korinthiers-8-4-a] Voor wat betreft dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten,[^1korinthiers-8-4-b] dat een afgod[^1korinthiers-8-4-8] niets is in de wereld,[^1korinthiers-8-4-c] en dat er geen ander God is dan één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v4)

**5** Want hoewel er ook zijn,[^1korinthiers-8-5-9] die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde[^1korinthiers-8-5-10] (zoals er vele goden en vele heren zijn), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v5)

**6** [^1korinthiers-8-6-d] Toch hebben wij[^1korinthiers-8-6-11] maar één God, de Vader,[^1korinthiers-8-6-e][^1korinthiers-8-6-12] uit Welke alle dingen zijn, en wij[^1korinthiers-8-6-13] tot Hem;[^1korinthiers-8-6-f] en[^1korinthiers-8-6-14] maar één Heere, Jezus Christus,[^1korinthiers-8-6-15] door Welke alle dingen zijn, en[^1korinthiers-8-6-16] wij door Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v6)

**7** Maar in allen[^1korinthiers-8-7-17] is de kennis niet;[^1korinthiers-8-7-g] maar sommigen,[^1korinthiers-8-7-18] met een geweten van de[^1korinthiers-8-7-19] afgod tot nog toe, eten als iets dat aan de afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde,[^1korinthiers-8-7-20] wordt bevlekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v7)

**8** [^1korinthiers-8-8-21][^1korinthiers-8-8-h] Het voedsel nu maakt ons voor God niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij[^1korinthiers-8-8-22] hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v8)

**9** [^1korinthiers-8-9-i] Maar ziet toe, dat[^1korinthiers-8-9-23] deze uw macht niet enigerwijze[^1korinthiers-8-9-24] een aanstoot wordt van hen, die zwak zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v9)

**10** Want zo iemand u,[^1korinthiers-8-10-25] die de kennis hebt, ziet[^1korinthiers-8-10-26] in de tempel van de afgoden aanzitten, zal zijn geweten, dat zwak is, niet[^1korinthiers-8-10-27] aangezet worden,[^1korinthiers-8-10-28] om te eten de dingen, die de afgoden geofferd zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v10)

**11** [^1korinthiers-8-11-k] En zal de broeder, die zwak is,[^1korinthiers-8-11-29] door uw kennis[^1korinthiers-8-11-30] verloren gaan,[^1korinthiers-8-11-31] om welke[^1korinthiers-8-11-32] Christus gestorven is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v11)

**12** Maar u, zo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten[^1korinthiers-8-12-33] kwetsende, zondigt[^1korinthiers-8-12-34] tegen Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v12)

**13** [^1korinthiers-8-13-l] Daarom,[^1korinthiers-8-13-35] als het voedsel mijn broeder ten val brengt, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ten val breng. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/8.html#v13)

[^1korinthiers-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 de afgoden: Het Griekse woord Eidolon (εἰδωλοθύτων), dat wij afgod noemen, betekent allerlei beeld of gelijkenis, en in het algemeen al wat buiten of naast God, enige godsdienstige eer aangedaan wordt, en wordt hier genomen voor een beeld, waardoor men enige afgod eert, of dat men goddelijke of godsdienstige eer aandoet, onder welke schijn het ook zij. Omdat nu de heidenen een deel van de offeranden, die zij hun afgoden opofferden, gebruikten tot maaltijden, die zij in hun huis, of ook in de tempels van de afgoden hielden, waar de Christenen ook somwijlen toe uitgenodigd werden, zo is de apostel gevraagd, of het ook hun geoorloofd was, hetzij buiten, hetzij binnen de tempels van de afgoden, zich tot zulke maaltijden te begeven; waarop de apostel, ten dele in dit hoofdstuk, ten dele in het tiende, antwoordt.
[^1korinthiers-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 wij allen te zamen: Namelijk die van God en Zijn natuur, en ook van de Christelijke vrijheid, behoorlijk onderricht zijn. Want Hij zondert zelf daarna de zwakken hiervan uit, vers 7; en hier schijnt de apostel de woorden te herhalen, die enige mensen onder zich gebruikten om hun doen te verontschuldigen. 1 Korinthiërs 8:7: Maar in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten als iets dat aan de afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.
[^1korinthiers-8-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, eigendunkelijk en verachters van de naasten, wanneer de kennis zonder liefde en rechte godvrezendheid is, gelijk de volgende woorden medebrengen.
[^1korinthiers-8-1-4]: Kanttekening 4: 4 de liefde sticht: Dat is, maakt dat de kennis gebruikt worde tot stichting van ons en onze naasten. Zie Rom. 14:19. Romeinen 14:19: Zo dan laat ons najagen, wat tot de vrede, en wat tot de stichting onder elkaar dient.
[^1korinthiers-8-2-5]: Kanttekening 5: 5 meent iets: Namelijk zonder bijvoeging van de liefde, gelijk voren.
[^1korinthiers-8-3-6]: Kanttekening 6: 6 God liefheeft: Namelijk en vervolgens ook zijn naaste vanwege God, welke twee dingen niet kunnen gescheiden zijn; 1 Joh. 4:20, en 1 Joh. 5:1, 5:2. 1 Johannes 4:20: Als iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? 1 Johannes 5:1: Iedereen, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en iedereen, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is. 1 Johannes 5:2: Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.
[^1korinthiers-8-3-7]: Kanttekening 7: 7 van Hem gekend: Dat is, voor de zijnen gekend, gelijk Joh. 10:14; Rom. 8:29, en daarom ook van Hem geleerd, gelijk sommigen het woord kennen nemen. Zie ook 1 Kor. 13:12, en Gal. 4:9. Johannes 10:14: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. Galaten 4:9: En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert u u opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, welke u opnieuw van voren aan wilt dienen?
[^1korinthiers-8-4-a]: Verwijzing a: Rom. 14:14. Romeinen 14:14: Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.
[^1korinthiers-8-4-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 10:19. 1 Korinthiërs 10:19: Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
[^1korinthiers-8-4-8]: Kanttekening 8: 8 niets is in de: Dat is, geen God is, noch goddelijke kracht heeft om de spijzen te bezoedelen of te heiligen; anders zijn de afgoden ook iets in de wereld, namelijk goud, zilver, stenen, zon, maan, afgestorven mensen, boze geesten en dergelijke, die de heidenen voor goden hielden, maar hebben geen goddelijke kracht, gelijk zij meenden; waarom zij ook in Gods woord ijdelheden en leugens genaamd worden.
[^1korinthiers-8-4-c]: Verwijzing c: Deut. 4:39; Efez. 4:6. Deuteronomium 4:39: Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! Efeziërs 4:6: Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.
[^1korinthiers-8-5-9]: Kanttekening 9: 9 die goden genaamd: Namelijk van de blinde mensen, die zulke schepselen, of ook hun eigen verzinselen, voor goden hielden; Rom. 1:21, enz. Romeinen 1:21: Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
[^1korinthiers-8-5-10]: Kanttekening 10: 10 (gelijk er vele goden: Namelijk zodanige versierde goden, of ook die Gods Woord zelf goden noemt, als daar zijn de engelen en overheden; Ps. 8:6, en Ps. 82:1. Psalmen 8:6: En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Psalmen 82:1: Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden;
[^1korinthiers-8-6-d]: Verwijzing d: Mal. 2:10; Efez. 4:6. Maleachi 2:10: Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos de één tegen de ander, ontheiligende het verbond onze vaderen? Efeziërs 4:6: Één God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.
[^1korinthiers-8-6-11]: Kanttekening 11: 11 maar één God: Namelijk die waarlijk en wezenlijk de eeuwige God is.
[^1korinthiers-8-6-e]: Verwijzing e: Rom. 11:36. Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
[^1korinthiers-8-6-12]: Kanttekening 12: 12 uit welke alle: Dat is, door wiens schikking en almachtige kracht. Zie dergelijke Rom. 11:36. Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
[^1korinthiers-8-6-13]: Kanttekening 13: 13 tot Hem; en: Dat is, tot Zijn dienst en tot Zijn eer; Spreuk. 16:4, en 1 Kor. 10:31. Spreuken 16:4: YHWH heeft alles gewrocht om Zijn Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad. 1 Korinthiërs 10:31: Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
[^1korinthiers-8-6-f]: Verwijzing f: Joh. 13:13; 1 Kor. 12:3; Fil. 2:11. Johannes 13:13: U heet Mij Meester en Heer; en u zegt wel, want Ik ben het. 1 Korinthiërs 12:3: Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heer te zijn, dan door de Heilige Geest. Filippenzen 2:11: En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heer zij, tot heerlijkheid van God van de Vader.
[^1korinthiers-8-6-14]: Kanttekening 14: 14 één Heer: Namelijk die volstrekte macht en gebied over ons en onze conscientiën heeft. Dat de apostel zegt, niet om de Vader en de Heilige Geest hiervan uit te sluiten, die ook doorgaans in de Schrift onze Heer genaamd worden, maar alleen alle schepselen en versierde goden, gelijk hij tevoren de Vader een God heeft gezegd te zijn, niet om de Zoon en de Heilige Geest, maar alleen de schepselen en versierde goden daarvan uit te sluiten.
[^1korinthiers-8-6-15]: Kanttekening 15: 15 door Welke: Namelijk als een medewerker van de Vader in al Zijn goddelijke werken; Joh. 1:3, en Joh. 5:19. Johannes 1:3: Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Johannes 5:19: Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelfde doet ook de Zoon evenzo.
[^1korinthiers-8-6-16]: Kanttekening 16: 16 wij door Hem: Hierdoor verstaat hij het werk van de verlossing.
[^1korinthiers-8-7-17]: Kanttekening 17: 17 is de kennis: Namelijk dat de afgod niets is, of geen macht heeft om wat geofferd is te bevlekken.
[^1korinthiers-8-7-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 10:28. 1 Korinthiërs 10:28: Maar zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om van degene wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en vanwege de geweten. Want de aarde is van de Heer, en de volheid derzelve.
[^1korinthiers-8-7-18]: Kanttekening 18: 18 met een geweten: Dat is, met een consciëntie, die gevoelt dat de afgod wat is en macht heeft om het voedsel te bezoedelen.
[^1korinthiers-8-7-19]: Kanttekening 19: 19 tot nog toe: Dat is, zonder dat zij tot nu toe tot een ander gevoelen zijn kunnen gebracht worden.
[^1korinthiers-8-7-20]: Kanttekening 20: 20 wordt bevlekt: Namelijk omdat zij evenwel eten wat zij voor bevlekt houden, en dat tegen hun gemoed.
[^1korinthiers-8-8-21]: Kanttekening 21: 21 Het voedsel nu: Dat is, het eenvoudig gebruik van het voedsel. Sommigen nemen dit voor de woorden van de apostel, die de sterken hiermede zou onderwijzen, dat zij des te beter zulk voedsel mogen nalaten; anderen nemen het voor de woorden dergenen zelf, die onder dit voorwendsel durfden van het afgodenoffer eten. Beide komt niet kwalijk overeen met wat volgt.
[^1korinthiers-8-8-h]: Verwijzing h: Rom. 14:17. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^1korinthiers-8-8-22]: Kanttekening 22: 22 hebben geen overvloed: Namelijk in het geestelijke, of ten aanzien van de aangenaamheid voor God. Zo ook het volgende. Zie Rom. 14:17. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^1korinthiers-8-9-i]: Verwijzing i: Galat. 5:13. Galaten 5:13: Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkaar door de liefde.
[^1korinthiers-8-9-23]: Kanttekening 23: 23 deze uw macht: Namelijk die u hebt, of vermeend te hebben in het gebruiken van zulk voedsel.
[^1korinthiers-8-9-24]: Kanttekening 24: 24 een aanstoot: Het woord aanstoot beduidt somwijlen een verdriet, dat men heeft over wat iemand onbehoorlijk doet, maar hier beduidt het ene vrijmoedigheid, die iemand neemt om te doen gelijk een ander, hoewel hij gevoelt dat de ander kwalijk doet, gelijk het volgende uitwijst.
[^1korinthiers-8-10-25]: Kanttekening 25: 25 die de kennis: Namelijk dat de afgod niets is, gelijk voren.
[^1korinthiers-8-10-26]: Kanttekening 26: 26 in de tempel van de afgoden: Of, gelijk sommigen dit verstaan, aan de tafel van de afgoden; dat is in de maaltijd, die ter ere van de afgod gehouden wordt.
[^1korinthiers-8-10-27]: Kanttekening 27: 27 gestijfd worden: Gr. gesticht; dat hier ten kwade wordt genomen.
[^1korinthiers-8-10-28]: Kanttekening 28: 28 om te eten de: Namelijk daar hij het evenwel daarvoor houdt dat de afgod deze dingen heeft ontreinigd, of, gelijk de afgodendienaars spraken, zichzelf toegeheiligd.
[^1korinthiers-8-11-k]: Verwijzing k: Rom. 14:15. Romeinen 14:15: Maar als uw broeder vanwege de voedsel bedroefd wordt, zo wandelt u niet meer naar liefde. Verderf die niet met uw voedsel, voor welke Christus gestorven is.
[^1korinthiers-8-11-29]: Kanttekening 29: 29 door uw kennis: Of, om uwe kennis; dat is, door of om het misbruik van uw kennis, omdat u dezelfde niet gebruikt tot stichting, maar met ergernis van de zwakken.
[^1korinthiers-8-11-30]: Kanttekening 30: 30 verloren gaan: Namelijk omdat u daarmede, zoveel in u is, deze uw zwakken broeder met uw voorbeeld oorzaak geeft om zo allengskens tot de afgod te vervallen, en van de Christelijke godsdienst af te vallen en zo verloren te gaan. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 5:28; Rom. 14:15. Mattheüs 5:28: Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelfde te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan. Romeinen 14:15: Maar als uw broeder vanwege het voedsel bedroefd wordt, zo wandelt u niet meer naar liefde. Verderf die niet met uw voedsel, voor welke Christus gestorven is.
[^1korinthiers-8-11-31]: Kanttekening 31: 31 om welke: Namelijk zwakken broeder.
[^1korinthiers-8-11-32]: Kanttekening 32: 32 Christus gestorven is: Namelijk om hem van het verderf te behouden, en tot dat einde ook van de afgodendienst en de vorige ijdele wandelingen te verlossen; 1 Petr. 1:18. Want hoewel degenen, voor wie Christus gestorven is en die Hij door Zijn dood waarlijk verlost heeft, niet door de verleidende kracht van de ergernissen kunnen verleid worden, Matt. 24:24; Joh. 10:15, 10:28, nochtans zo doen degenen, die ergernis geven, anders niet, zoveel in hen is, dan dat zij de zwakgelovigen in het verderf zouden brengen, tenware zij door de kracht van God en Christus' voorbidding bewaard werden; Luk. 22:31, 22:32; 1 Petr. 1:5. 1 Petrus 1:18: Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is; Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Johannes 10:15: Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Johannes 10:28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Lukas 22:31: En de Heer zei: Simon, Simon, ziet, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Lukas 22:32: Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en u, als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders. 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^1korinthiers-8-12-33]: Kanttekening 33: 33 kwetsende, zondigt: Gr. slaande; dat ene zaak is van grote onbarmhartigheid, de consciëntie van zodanigen, die van zelf zwak is, met slaan of kwetsen nog zwakker maken, en gelijk als doden.
[^1korinthiers-8-12-34]: Kanttekening 34: 34 tegen Christus: Namelijk wiens leden zij zijn. Zie Hand. 9:4. Handelingen 9:4: En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij?
[^1korinthiers-8-13-l]: Verwijzing l: Rom. 14:21; 2 Kor. 11:29. Romeinen 14:21: Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geërgerd wordt, of waarin hij zwak is. 2 Korinthiërs 11:29: Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?
[^1korinthiers-8-13-35]: Kanttekening 35: 35 als het voedsel: Namelijk van wat soort die ware. Hier stelt de apostel een algemenen regel, waarnaar de consciëntie aller gelovigen moet geregeld worden, ten aanzien van de middelmatige dingen en van de zwakken; maar niet ten aanzien van de halsstarrigen of moedwilligen. Zie Matt. 15:12, en Gal. 2:3, enz. Mattheüs 15:12: Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet U wel, dat de Farizeën deze rede horende, geërgerd zijn geweest? Galaten 2:3: Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

### 1 Korinthiërs 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/9.json)

*1 De apostel, om de Korinthiers beter te brengen tot het juiste gebruik van de middelmatige dingen, stelt hun zijn eigen voorbeeld voor, en voegt daartoe hier een behandeling in van het onderhoud van de kerkdienaars, en betuigt dat hij evenals andere apostelen het recht had om onderhoud te ontvangen. 7 Brengt verschillende redenen aan om dat te bewijzen, ontleend aan hen die in de oorlog dienen, die een wijngaard planten en een kudde weiden. 9 aan de os die dorst. 11 aan een zaaier. 13 aan hen die de tempel of het altaar dienen. 15 En verklaart dat hij dit recht evenwel niet heeft gebruikt en ook nog niet heeft willen gebruiken, omdat hij dat niet stichtelijk onder hen oordeelde, en om zo zijn recht niet te misbruiken. 19 Maar dat hij zich naar de zwakke christenen, zowel Joden als heidenen, in middelmatige zaken in alles geschikt heeft, om hen beter te winnen. 24 Vermaant ten slotte door de gelijkenissen van hen die om de prijs in de loopbaan lopen en kampvechten of worstelen, en ook door zijn eigen voorbeeld, tot soberheid en ijverige voortgang in de godzaligheid.*

**1** Ben ik niet een apostel? Ben ik niet[^1korinthiers-9-1-1] vrij?[^1korinthiers-9-1-a] Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere,[^1korinthiers-9-1-2] gezien?[^1korinthiers-9-1-b] Bent u niet[^1korinthiers-9-1-3] mijn werk in de Heere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v1)

**2** Zo ik anderen geen apostel ben, toch[^1korinthiers-9-2-4] ben ik het u; want[^1korinthiers-9-2-5] het zegel van mijn apostelschap bent u in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v2)

**3** Mijn verantwoording aan degenen,[^1korinthiers-9-3-6] die onderzoek over mij doen, is deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v3)

**4** [^1korinthiers-9-4-c] Hebben wij niet macht,[^1korinthiers-9-4-7] om te eten en te drinken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v4)

**5** Hebben wij niet macht, om[^1korinthiers-9-5-8] een vrouw, een zuster zijnde,[^1korinthiers-9-5-9] met ons om te leiden, zoals ook de andere apostelen, en[^1korinthiers-9-5-10] de broeders van de Heere, en[^1korinthiers-9-5-11][^1korinthiers-9-5-d] Cefas? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v5)

**6** Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht[^1korinthiers-9-6-12] van niet te werken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v6)

**7** Wie[^1korinthiers-9-7-e] dient ooit in de oorlog op eigen soldij? Wie[^1korinthiers-9-7-f] plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of[^1korinthiers-9-7-g] wie weidt een kudde, en eet niet van de melk van de kudde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v7)

**8** Spreek ik dit[^1korinthiers-9-8-13] naar de mens, of zegt ook[^1korinthiers-9-8-14] de wet hetzelfde niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v8)

**9** Want in de wet van Mozes is geschreven:[^1korinthiers-9-9-h] U zult[^1korinthiers-9-9-15] een dorsenden os niet muilbanden.[^1korinthiers-9-9-16] Zorg ook God voor de ossen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v9)

**10** Of zegt Hij dat geheel om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt,[^1korinthiers-9-10-17] op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v10)

**11** [^1korinthiers-9-11-i] Als[^1korinthiers-9-11-18] wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe,[^1korinthiers-9-11-19] dat lichamelijk is, maaien? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v11)

**12** Als[^1korinthiers-9-12-20] anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij?[^1korinthiers-9-12-k] Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet[^1korinthiers-9-12-21] enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v12)

**13** Weet u niet,[^1korinthiers-9-13-l] dat degenen,[^1korinthiers-9-13-22] die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die[^1korinthiers-9-13-23] steeds bij het altaar zijn, met[^1korinthiers-9-13-24] het altaar delen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v13)

**14** [^1korinthiers-9-14-m] Zo heeft ook[^1korinthiers-9-14-25] de Heere bestemd van hen, die het Evangelie verkondigen, dat zij[^1korinthiers-9-14-26] van het Evangelie leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v14)

**15** Maar ik heb[^1korinthiers-9-15-27] geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het zo aan mij gebeuren zou; want het ware mij[^1korinthiers-9-15-28] beter te[^1korinthiers-9-15-29] sterven, dan dat iemand[^1korinthiers-9-15-30] deze mijn roem zou ijdel maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v15)

**16** Want als ik het Evangelie[^1korinthiers-9-16-31] verkondige, het is mij geen roem;[^1korinthiers-9-16-n] want[^1korinthiers-9-16-32] de nood is mij opgelegd. En[^1korinthiers-9-16-33] wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v16)

**17** Want als ik dat[^1korinthiers-9-17-34] gewillig doe, zo heb ik[^1korinthiers-9-17-35] loon, maar als[^1korinthiers-9-17-36] onwillig, de uitdeling is mij[^1korinthiers-9-17-37] evenwel toebetrouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v17)

**18** [^1korinthiers-9-18-38] Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om[^1korinthiers-9-18-39] mijn macht in het Evangelie niet te[^1korinthiers-9-18-40] misbruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v18)

**19** Want daar ik[^1korinthiers-9-19-41] van allen vrij was, heb ik mijzelf[^1korinthiers-9-19-42] allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou[^1korinthiers-9-19-43] winnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v19)

**20** [^1korinthiers-9-20-o] En ik ben[^1korinthiers-9-20-44] de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; van hen, die onder[^1korinthiers-9-20-45] de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v20)

**21** [^1korinthiers-9-21-p] Degenen,[^1korinthiers-9-21-46] die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (voor God toch zijnde niet zonder de wet, maar[^1korinthiers-9-21-47] voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v21)

**22** [^1korinthiers-9-22-q] Ik ben[^1korinthiers-9-22-48] de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers[^1korinthiers-9-22-49] enige behouden zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v22)

**23** En dit doe ik omwille van het[^1korinthiers-9-23-50] Evangelie, opdat ik hetzelfde mee deelachtig zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v23)

**24** [^1korinthiers-9-24-51] Weet u niet, dat die in[^1korinthiers-9-24-r] de loopbaan[^1korinthiers-9-24-52] lopen, allen wel lopen, maar[^1korinthiers-9-24-53] dat één de prijs ontvangt? Loop[^1korinthiers-9-24-54] zo, dat u die[^1korinthiers-9-24-55] mag verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v24)

**25** [^1korinthiers-9-25-s] En een ieder[^1korinthiers-9-25-56] die om prijs strijdt,[^1korinthiers-9-25-57] onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij[^1korinthiers-9-25-58] een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij[^1korinthiers-9-25-59][^1korinthiers-9-25-t] een onverderfelijke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v25)

**26** Ik loop dan zo,[^1korinthiers-9-26-60] niet als op het onzekere; ik kamp zo, niet[^1korinthiers-9-26-61] als de lucht slaande; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v26)

**27** Maar ik[^1korinthiers-9-27-62] bedwing mijn lichaam, en breng het[^1korinthiers-9-27-63] tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik[^1korinthiers-9-27-64] anderen gepredikt heb,[^1korinthiers-9-27-65] zelf verwerpelijk word. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/9.html#v27)

[^1korinthiers-9-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de ceremoniën van de wet, en daarom om allerlei voedsel te eten, dat mij voorgesteld zou mogen worden, zowel als iemand van de andere apostelen. Zie een tegenovergesteld voorbeeld Dan. 1:8, en Hand. 10:14, 10:28. Daniël 1:8: Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van het voedsel van de koning, noch met de wijn van zijn drank; daarom verzocht hij van de overste van de kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. Handelingen 10:14: Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was. Handelingen 10:28: En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.
[^1korinthiers-9-1-a]: Verwijzing a: Hand. 9:3; idem 9:17; Hand. 22:14; idem 22:18; Hand. 23:11; 1 Kor. 15:8; 2 Kor. 12:2. Handelingen 9:3: En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel; Handelingen 9:17: En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden. Handelingen 22:14: En hij zei: De God onze vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. Handelingen 22:18: En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei: Spoed u, en ga in van de haast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen. Handelingen 23:11: En de volgenden nacht stond de Heer bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen. 1 Korinthiërs 15:8: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derden hemel;
[^1korinthiers-9-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk zowel als de andere apostelen, toen ik van Hem tot het apostelschap ben geroepen, en daarna in gezicht, vertrekking van zinnen en opgetrokken zijnde in de hemel; zie Hand. 9:17; 2 Kor. 12:2. Handelingen 9:17: En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel;
[^1korinthiers-9-1-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 4:15. 1 Korinthiërs 4:15: Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
[^1korinthiers-9-1-3]: Kanttekening 3: 3 mijn werk in de: Dat is, die door mijn dienst tot de Heer bekeerd zijn.
[^1korinthiers-9-2-4]: Kanttekening 4: 4 ben ik het u: Dat is, u hebt nochtans geen reden om daaraan te twijfelen.
[^1korinthiers-9-2-5]: Kanttekening 5: 5 het zegel mijns apostelschaps: Dat is, de bevestiging, dat ik waarlijk een apostel ben, omdat u door mijn dienst bekeerd bent, en God mijne beroeping onder u door vele krachten en tekenen heeft bevestigd; 2 Kor. 12:12. 2 Korinthiërs 12:12: De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle volharding, met tekenen, en wonderen, en krachten.
[^1korinthiers-9-3-6]: Kanttekening 6: 6 die onderzoek over mij doen: Of, die mij ondervragen, of, veroordelen. Dat is, die zich als rechters durven aanmatigen over mij te oordelen.
[^1korinthiers-9-4-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 9:14; 1 Thes. 2:6; 2 Thes. 3:9. 1 Korinthiërs 9:14: Zo heeft ook de Heer bestemd hen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 1 Tessalonicenzen 2:6: Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' apostelen; 2 Tessalonicenzen 3:9: Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
[^1korinthiers-9-4-7]: Kanttekening 7: 7 om te eten: Namelijk tot last en kosten van de gemeente.
[^1korinthiers-9-5-8]: Kanttekening 8: 8 een vrouw: Gr. ene zuster (γυνή), ene vrouw, of ene huisvrouw. Sommigen menen hieruit dat de apostel ene huisvrouw gehad heeft, maar dat hij haar niet alom met zich heeft geleid, om de gemeente niet te bezwaren. Maar dit schijnt te strijden met wat hij van zichzelf zegt 1 Kor. 7:7. Anderen menen dat hierdoor verstaan worden enige vrouwen, die de apostelen volgden, om hen te dienen en van haar middelen te verzorgen, gelijk de vrouwen die Christus volgden; Luk. 8:3. Maar bovendien dat dit nergens wordt gelezen, zo is het ook niet waarschijnlijk. Want hierdoor zouden de apostelen hun dienst verdacht gemaakt hebben, en de gemeenten zouden hierdoor verlicht zijn geworden, daar de apostel dit merkelijk invoert om te tonen dat hij de gemeenten hiermede niet wilde bezwaren. Zodat dit dan te verstaan is van ene huisvrouw, niet die hij had, maar die hij zou hebben kunnen nemen, en vervolgens ook met zich leiden, gelijk sommige andere apostelen deden. 1 Korinthiërs 7:7: Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. Lukas 8:3: En Johanna, de huisvrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.
[^1korinthiers-9-5-9]: Kanttekening 9: 9 met ons: Namelijk van de ene plaats naar de andere, waar wij gaan prediken, ten koste van de gemeente.
[^1korinthiers-9-5-10]: Kanttekening 10: 10 de broeders van de: Dat is, neven. Hebr. want Johannes en Jakobus, en ook Judas en Simon, waren Christus' neven, of moeders zusters zonen. Zie Gen. 13:8, en Gen. 29:15; Matt. 12:46, en Matt. 13:55. Genesis 13:8: En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders. Genesis 29:15: Daarna zei Laban tot Jakob: Omdat u mijn broeder bent, zoudt u mij daarom om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn? Mattheüs 12:46: En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken. Mattheüs 13:55: Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?
[^1korinthiers-9-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, Petrus, van wiens huisvrouw men leest Matt. 8:14. Mattheüs 8:14: En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.
[^1korinthiers-9-5-d]: Verwijzing d: Matt. 8:14. Mattheüs 8:14: En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.
[^1korinthiers-9-6-12]: Kanttekening 12: 12 van niet te: Namelijk, met onze handen tot onze onderhouding. Zie Hand. 18:3, en Hand. 20:34. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben.
[^1korinthiers-9-7-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 10:4. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten;
[^1korinthiers-9-7-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 3:6; idem v. 7; idem v. 8. 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft. 1 Korinthiërs 3:8: En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.
[^1korinthiers-9-7-g]: Verwijzing g: Joh. 21:15; 1 Petr. 5:2. Johannes 21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heer! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. 1 Petrus 5:2: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuil winst, maar met een volvaardig gemoed;
[^1korinthiers-9-8-13]: Kanttekening 13: 13 naar de mens: Dat is, bewijs ik dit alleen met redenen, die genomen zijn uit het doen van de mensen?
[^1korinthiers-9-8-14]: Kanttekening 14: 14 de wet: Namelijk beschreven door Mozes.
[^1korinthiers-9-9-h]: Verwijzing h: Deut. 25:4; 1 Tim. 5:18. Deuteronomium 25:4: Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. 1 Timotheüs 5:18: Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard.
[^1korinthiers-9-9-15]: Kanttekening 15: 15 een dorsenden os: In die landen, gelijk ook in andere, slaat men het koren uit de aren niet met vlegels, gelijk men hier doet, maar men doet er de beesten, in het bijzonder de ossen, over gaan, en hetzelfde zo betreden met zijn aren los trappen, of de dorswagen daarvoor trekken. Zie Deut. 25:4; Jes. 28:27. Deuteronomium 25:4: Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. Jesaja 28:27: Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok;
[^1korinthiers-9-9-16]: Kanttekening 16: 16 Zorgt ook God: Namelijk voornamelijk, of meer dan voor de mensen, als Hij deze wet gesteld heeft. Want anders is er zelfs niet een musje vergeten voor de Heer; zie Matt. 10:29. Zodat dit te verstaan is bij vergelijking, dat God deze wet gesteld heeft, meer om de mensen dan om ossen, om te kennen te geven, als God wil dat men de arbeidende os zijn voedsel niet zal onthouden, dat men het veel weiniger de mensen, die arbeiden, onthouden moet. Mattheüs 10:29: Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.
[^1korinthiers-9-10-17]: Kanttekening 17: 17 op hoop moet ploegen: Namelijk van de vruchten van zijn arbeid daarna te genieten.
[^1korinthiers-9-11-i]: Verwijzing i: Rom. 15:27; Galat. 6:6. Romeinen 15:27: Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. Galaten 6:6: En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
[^1korinthiers-9-11-18]: Kanttekening 18: 18 wij u het: Namelijk ik en Barnabas, die u het Woord van God verkondigd hebben. Zie Rom. 15:27. Romeinen 15:27: Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.
[^1korinthiers-9-11-19]: Kanttekening 19: 19 dat lichamelijk is: Gr. vleselijk; dat is de goederen, die dienen tot onderhouding van onze lichamen.
[^1korinthiers-9-12-20]: Kanttekening 20: 20 anderen deze: Namelijk gewone leraars, die wij daar hebben gelaten, om het begonnen werk na ons te volvoeren.
[^1korinthiers-9-12-k]: Verwijzing k: Hand. 20:33; 2 Kor. 11:9; 2 Kor. 12:13. Handelingen 20:33: Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd. 2 Korinthiërs 11:9: Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 2 Korinthiërs 12:13: Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.
[^1korinthiers-9-12-21]: Kanttekening 21: 21 enige verhindering: Namelijk eensdeels voor de ongelovigen, die uit vrees van de onkosten het Woord hadden mogen vluchten; eensdeels voor enige valse apostelen, die Paulus zouden hebben mogen lasteren, alsof hij het Evangelie omwille van het onderhoud predikte, daar zij hetzelfde voor niet wilden schijnen te doen, om de gemeenten zo aan zich te trekken; zie 2 Kor. 11:12. 2 Korinthiërs 11:12: Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden hen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.
[^1korinthiers-9-13-l]: Verwijzing l: Deut. 18:1. Deuteronomium 18:1: De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten.
[^1korinthiers-9-13-22]: Kanttekening 22: 22 die de heilige: Gelijk er waren als de Levieten in het Oude Testament, die daarom de tienden ontvingen en hun deel hadden in wat geofferd werd. Zie Num. 18; Deut. 18.
[^1korinthiers-9-13-23]: Kanttekening 23: 23 het altaar zijn: Gr. bij het altaar gestadiglijk zitten (θυσιαστήριον). Gelijk er waren de priesters, de nakomelingen van Aärons, die ook de tienden van de tienden van de Levieten ontvingen, en een bijzonder deel hadden in alle offeranden, uitgenomen die geheel voor de Heer moesten verbrand worden; Num. 18:26, enz. Numeri 18:26: U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de kinderen van Israël de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van YHWH offeren, de tienden van die tienden;
[^1korinthiers-9-13-24]: Kanttekening 24: 24 met het altaar delen: Omdat op het altaar een deel werd verbrand en van het vuur verteerd, en een ander deel voor de priesters werd bewaard.
[^1korinthiers-9-14-m]: Verwijzing m: Lev. 19:13; Deut. 24:14; Deut. 25:4; Matt. 10:10; Lukas 10:7; 1 Tim. 5:18. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloners arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Deuteronomium 24:14: U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Deuteronomium 25:4: Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. Lukas 10:7: En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis. 1 Timotheüs 5:18: Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard.
[^1korinthiers-9-14-25]: Kanttekening 25: 25 de Heer: Hij ziet hier op de ordinantie van Christus, Matt. 10:10; Luk. 10:7. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. Lukas 10:7: En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.
[^1korinthiers-9-14-26]: Kanttekening 26: 26 van het Evangelie: Dat is, van de arbeid, die zij doen in het prediken van het Evangelie en het regeren van de gemeente.
[^1korinthiers-9-15-27]: Kanttekening 27: 27 geen van deze: Namelijk onder u, hoewel hij van andere gemeenten somwijlen enige milddadigheid heeft ontvangen; 2 Kor. 11:8. 2 Korinthiërs 11:8: Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.
[^1korinthiers-9-15-28]: Kanttekening 28: 28 beter te: Gr. goed liever te sterven; dat is, raadzamer, of oorbaarder.
[^1korinthiers-9-15-29]: Kanttekening 29: 29 sterven, dan dat: Namelijk van gebrek.
[^1korinthiers-9-15-30]: Kanttekening 30: 30 deze mijn roem: Namelijk van het Evangelie zonder aanstoot en zonder uwe kosten onder u gepredikt te hebben. De reden hiervan, zie tevoren vers 12. 1 Korinthiërs 9:12: Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.
[^1korinthiers-9-16-31]: Kanttekening 31: 31 het is mij: Dat is, ik doe niet dan wat ik schuldig ben te doen; Luk. 17:10. Lukas 17:10: Zo ook u, wanneer u zult gedaan hebben al wat u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienaren; want wij hebben maar gedaan, wat wij schuldig waren te doen.
[^1korinthiers-9-16-n]: Verwijzing n: Rom. 1:14. Romeinen 1:14: Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar.
[^1korinthiers-9-16-32]: Kanttekening 32: 32 de nood is mij: Of, de nood ligt op mij, namelijk door mijn beroep en Christus' bevel; Rom. 1:14. Romeinen 1:14: Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar.
[^1korinthiers-9-16-33]: Kanttekening 33: 33 wee mij: Gr. wee is mij; dat is, de straf is mij bereid, die Christus de ontrouwe dienaar heeft gedreigd; Matt. 24:8, enz. Niet dat de apostel twijfelde of hij getrouw in zijn dienst zou blijven, maar dit zegt hij om zichzelf en anderen door zulke sporen tot naarstigheid en voorzichtigheid in hun dienst meer en meer te verwekken. Mattheüs 24:8: Maar al die dingen zijn maar een begin van de smarten.
[^1korinthiers-9-17-34]: Kanttekening 34: 34 gewillig doe: Dat is, gene, en met behoorlijke vlijt en naarstigheid, zonder op menselijke oordelen te zien; Rom. 12:8, 12:11. Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. Romeinen 12:11: Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient de Heer.
[^1korinthiers-9-17-35]: Kanttekening 35: Namelijk de kroon van de heerlijkheid, die aan de getrouwe en naarstige dienaren van de Heer uit genade is beloofd, Matt. 24:46, 24:47; 2 Tim. 4:7, 4:8, en de roem van getrouwheid in dit leven, tegen de valse apostelen. Mattheüs 24:46: Zalig is die dienaar, welke zijn heer, komende, zal vinden zo doende. Mattheüs 24:47: Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^1korinthiers-9-17-36]: Kanttekening 36: 36 onwillig, de uitdeling: Dat is, alleen uit vrees van straf, of om eer en voordeel te hebben bij de mensen; gelijk de huurlingen en slaven plegen hun heren te dienen.
[^1korinthiers-9-17-37]: Kanttekening 37: Namelijk om daarvan hiernamaals rekenschap te geven.
[^1korinthiers-9-18-38]: Kanttekening 38: 38 Wat loon heb: Dat is, ik heb dan eerst loon te verwachten van de Heer, zo ik het met vlijt en getrouwheid doe, alleen ziende op de ere Gods en de meeste stichting van de gemeente, zonder hoop van menselijke loon. En omdat ik merkte dat het ontvangen van menselijk loon aanstoot zou geven en de stichting en de loop van het Evangelie verhinderen, zo heb ik dat niet willen ontvangen; en daarover mag ik bij u roemen, maar niet bij God. Zie Rom. 4:2; 2 Kor. 11:10. Romeinen 4:2: Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. 2 Korinthiërs 11:10: De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden.
[^1korinthiers-9-18-39]: Kanttekening 39: 39 mijn macht: Namelijk die ik heb om onbehoorlijk onderhoud te nemen.
[^1korinthiers-9-18-40]: Kanttekening 40: Dat is, met aanstoot te gebruiken, en met opspraak van de valse apostelen, vers 15. 1 Korinthiërs 9:15: Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het zo aan mij gebeuren zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand deze mijn roem zou ijdel maken.
[^1korinthiers-9-19-41]: Kanttekening 41: 41 van allen vrij was: Namelijk lasten en jukken, waarvan de Christelijke en apostolische vrijheid ons vrijmaakt. De apostel gaat dan voort van dit stuk, waarin hij zijn vrijheid vanwege de stichting niet heeft gebruikt, tot meer andere stukken, waarin hij ook dezelfde niet heeft gebruikt, om de Corinthiërs te meer te overtuigen, dat zij naar zijn voorbeeld evenzo behoren te doen, en hun vrijheid niet gebruiken tot aanstoot en verachtering van de loop van het Evangelie.
[^1korinthiers-9-19-42]: Kanttekening 42: 42 allen dienstbaar: Dat is, ik heb mij gevoegd naar de zwakheid van een ieder, of gelijk een dienaar zich altijd voegen moet naar de gelegenheid en genegenheid van degene, die hij dient. Maar dit moet altijd verstaan worden in middelmatige zaken. Zo ook vers 22. 1 Korinthiërs 9:22: Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou.
[^1korinthiers-9-19-43]: Kanttekening 43: Dat is, tot het geloof in Christus brengen. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Petr. 3:1. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^1korinthiers-9-20-o]: Verwijzing o: Hand. 16:3; Hand. 18:18; Hand. 21:23. Handelingen 16:3: Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, vanwege de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was. Handelingen 18:18: En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan. Handelingen 21:23: Doe dan wat wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.
[^1korinthiers-9-20-44]: Kanttekening 44: 44 de Joden geworden: Namelijk in zaken die middelmatig waren, gelijk toen nog was de onderhouding van de ceremoniën van het Oude Testament bij de zwakke Joden, gelijk hij om hunnentwil Timotheüs heeft doen besnijden, te Cenchreën door belofte zijn hoofd heeft laten bescheren, en te Jeruzalem in de tempel zichzelf heeft geheiligd.
[^1korinthiers-9-20-45]: Kanttekening 45: 45 de wet zijn, ben ik geworden: Namelijk van de ceremoniën, die alstoen wel door Christus' lijden teniet gedaan was, zoveel betreft wat daarin godsdienstig was, maar voor een tijd als een middelmatige zaak nog werd gedragen, om de zwakke Joden niet te vervreemden. Zie Hand. 21:20. Handelingen 21:20: En zij, dat gehoord hebbende, loofden de Heer, en zeiden tot hem: U ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet.
[^1korinthiers-9-21-p]: Verwijzing p: Galat. 2:3. Galaten 2:3: Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.
[^1korinthiers-9-21-46]: Kanttekening 46: 46 die zonder de wet zijn: Dat is, de heidenen, die de wet van de ceremoniën niet hadden, en ook niet gehouden waren te gebruiken, volgens het besluit van de apostelen; Hand. 15:28, en Hand. 21:25. Handelingen 15:28: Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: Handelingen 21:25: Maar van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van wat aan de afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.
[^1korinthiers-9-21-47]: Kanttekening 47: 47 Christus onder de wet: Dit voegt hij daarbij, opdat niemand zou misduiden, wat hij tevoren gezegd had, dat hij geweest was als zonder wet, omdat hij in alles wat hij deed de wet en geboden van Christus in het duiden van de zwakken en in het vluchten van ergernissen altijd voor ogen had; Gal. 6:2. Galaten 6:2: Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus.
[^1korinthiers-9-22-q]: Verwijzing q: Rom. 15:1; 1 Kor. 10:33; Galat. 6:1. Romeinen 15:1: Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. 1 Korinthiërs 10:33: Zoals ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^1korinthiers-9-22-48]: Kanttekening 48: 48 de zwakken geworden: Namelijk Christenen, of gelovigen, die het fondament van het Christengeloof wel aannamen, maar wat de Christelijke vrijheid betreft nog in alles niet wel konden begrijpen; Rom. 14:1; Gal. 6:2. Romeinen 14:1: Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. Galaten 6:2: Draagt elkanders lasten, en vervult zo de wet van Christus.
[^1korinthiers-9-22-49]: Kanttekening 49: 49 enige behouden zou: Hiermede verklaart hij wat hij tevoren genaamd heeft winnen. Zie 1 Tim. 4:16. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^1korinthiers-9-23-50]: Kanttekening 50: 50 opdat ik hetzelfde: Dat is, opdat niet alleen anderen door mijne predikatie zouden zalig worden, maar opdat ik ook zelf deze zaligheid mag deelachtig worden, dat niet zou gebeuren, als ik zelf niet deed wat ik anderen leer.
[^1korinthiers-9-24-51]: Kanttekening 51: 51 Weet u: Van hier verder leert de apostel, dat het zover vandaar is, dat zij om voedsel en drank, of maaltijden van afgodendienaars zeer moeten bekommerd zijn, dat zij veel meer zich moeten bekommeren om in alle soberheid, matigheid en verdraagzaamheid zichzelf te oefenen, dat hij met de voorbeelden dergenen, die om prijs strijden, en ook met zijn eigen voorbeeld bewijst.
[^1korinthiers-9-24-r]: Verwijzing r: Galat. 2:2; Galat. 5:7; Fil. 2:16; 2 Tim. 4:7; Hebr. 6:18. Galaten 2:2: En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben. Galaten 5:7: U liept wel; wie heeft u verhinderd van de waarheid niet gehoorzaam te zijn? Filippenzen 2:16: Voorhoudende het woord van het leven, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gewerkt. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goeden strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; Hebreeën 6:18: Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
[^1korinthiers-9-24-52]: Kanttekening 52: 52 lopen, allen wel lopen: Namelijk om prijs.
[^1korinthiers-9-24-53]: Kanttekening 53: 53 een de prijs: Namelijk die niet alleen met anderen wel begint, maar voor anderen wel voltooit.
[^1korinthiers-9-24-54]: Kanttekening 54: Dat is, zo naarstig en standvastig tot het einde toe.
[^1korinthiers-9-24-55]: Kanttekening 55: Of, grijpen; namelijk de voorgestelde prijs van de heerlijkheid van God; Fil. 3:12, 3:13, 3:14. Filippenzen 3:12: Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filippenzen 3:13: Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Filippenzen 3:14: Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus.
[^1korinthiers-9-25-s]: Verwijzing s: 2 Tim. 2:4. 2 Timotheüs 2:4: Niemand, die in de krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen van de leeftochts, opdat hij die mag behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft.
[^1korinthiers-9-25-56]: Kanttekening 56: 56 die om prijs: Namelijk met lopen, worstelen, of vechten, gelijk onder de ouden zulke soorten van strijden om prijs waren.
[^1korinthiers-9-25-57]: Kanttekening 57: 57 onthoudt zich: Of, matigt zich; namelijk van veel voedsel, drank, slaap, en andere dingen, die hem traag of onnut maken in deze strijd.
[^1korinthiers-9-25-58]: Kanttekening 58: 58 een verderfelijke kroon: Namelijk van laurieren, olijftakken, eikenbladeren en dergelijke, of ten hoogste van zilver of goud, gelijk hen, die om prijs streden, voorgesteld worden.
[^1korinthiers-9-25-59]: Kanttekening 59: 59 een onverderfelijke: Dat is, onvergankelijke, of eeuwigdurende; 1 Petr. 1:4. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^1korinthiers-9-25-t]: Verwijzing t: 2 Tim. 4:8; 1 Petr. 1:4; 1 Petr. 5:4. 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^1korinthiers-9-26-60]: Kanttekening 60: 60 niet als op: Namelijk gelijk deze kampers of lopers om prijs doen, die niet weten of zij de prijs zullen bekomen of niet; 2 Tim. 4:7, 4:8. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^1korinthiers-9-26-61]: Kanttekening 61: 61 als de lucht slaande: Namelijk gelijk die doen, die uit geen ernst kampen of strijden, maar alleen spiegelvechten, en zich tegen de lucht oefenen, waaruit gene overwinning van partijen valt, dat wij tegen de zonde en de duivel met ernst moeten doen; Ef. 6:11. Efeziërs 6:11: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel.
[^1korinthiers-9-27-62]: Kanttekening 62: Het Griekse woord betekent onder de ogen slaan, iets met slagen temmen of onder zijn gehoorzaamheid brengen. Zie van dit woord ook Luk. 18:5. Lukas 18:5: Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.
[^1korinthiers-9-27-63]: Kanttekening 63: 63 tot dienstbaarheid: Namelijk om hetzelfde de Geest te onderwerpen, en niet door te veel voedsel en door te grote weelde de geest te verzwaren.
[^1korinthiers-9-27-64]: Kanttekening 64: 64 gepredikt heb: Namelijk om die tot zaligheid te brengen.
[^1korinthiers-9-27-65]: Kanttekening 65: 65 verwerpelijk worde: Dat is, mijzelf onbekwaam of afkerig make van de prijs, waar ik anderen toe aanspoor; waarmee de apostel niet wil zeggen dat hij van zijn verkiezing en van deze prijs te verkrijgen onzeker zou zijn, want het tegendeel blijkt duidelijk Rom. 8:38; 2 Tim. 4:7, 4:8; maar dit is ene gelijkenis, genomen van hetzelfde strijden om prijs, waarin de tragen of luien, die zichzelf te veel gemest hadden, verworpen en afgekeurd werden, als daartoe onbekwaam. Romeinen 8:38: Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.

### 1 Korinthiërs 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/10.json)

*1 De apostel verklaart dat alle Israelieten in de woestijn gedoopt zijn in de wolk en in de zee. 3 en dat zij allen dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken hebben. 5 maar dat zij toch door God gestraft zijn. 7 wanneer zij tot afgoderij, 8 of tot hoererij vervielen. 9 en wanneer zij Christus verzochten. 10 of tegen hem morden. 11 Betuigt dat dit ons tot waarschuwing dient, om zulke zonden niet te begaan. 13 Belooft daarover Gods hulp in de verzoeking en een goede afloop. 14 Vermaant hen opnieuw om de afgodendienst te ontvluchten. 15 omdat zij door het gebruik van het avondmaal gemeenschap hebben aan het lichaam en bloed van Christus, maar door afgodendienst met de duivelen, wier tafels zij daarom moeten mijden. 22 en onder geen dekmantel God tergen of hun naaste aanstoot geven. 25 Staat echter toe zonder navragen alles te eten wat in het vleeshuis verkocht wordt. 27 en, bij een ongelovige te huis genodigd, alles wat voorgezet wordt, tenzij iemand dat te kennen geeft. 31 En besluit deze behandeling met een algemene vermaning om alles te doen tot eer van God en stichting van onze naaste.*

**1** En ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent,[^1korinthiers-10-1-a] dat[^1korinthiers-10-1-1] onze vaders allen onder[^1korinthiers-10-1-2] de wolk waren, en[^1korinthiers-10-1-b] allen door de zee doorgegaan zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v1)

**2** En allen[^1korinthiers-10-2-3] in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v2)

**3** [^1korinthiers-10-3-c] En allen[^1korinthiers-10-3-4] hetzelfde[^1korinthiers-10-3-5] geestelijke voedsel gegeten hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v3)

**4** [^1korinthiers-10-4-d] En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots,[^1korinthiers-10-4-6] die volgde; en de steenrots[^1korinthiers-10-4-7] was Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v4)

**5** Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad;[^1korinthiers-10-5-e] want zij zijn in de woestijn[^1korinthiers-10-5-8] ter nedergeslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v5)

**6** En deze dingen zijn gebeurd ons[^1korinthiers-10-6-9] tot voorbeelden, opdat wij[^1korinthiers-10-6-10] geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals[^1korinthiers-10-6-f] zij lust gehad hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v6)

**7** En wordt geen afgodendienaars, zoals[^1korinthiers-10-7-11] sommigen van hen, zoals geschreven staat:[^1korinthiers-10-7-g] Het volk zat neer om te eten, en om te drinken, en zij stonden op[^1korinthiers-10-7-12] om te spelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v7)

**8** En laat ons niet ontucht plegen,[^1korinthiers-10-8-h] zoals sommigen van hen[^1korinthiers-10-8-13] gehoereerd hebben, en er vielen op één dag[^1korinthiers-10-8-14] drie en twintig duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v8)

**9** En laat ons Christus niet[^1korinthiers-10-9-15] verzoeken,[^1korinthiers-10-9-i] zoals ook sommigen van hen[^1korinthiers-10-9-16] verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v9)

**10** En mort niet,[^1korinthiers-10-10-k] zoals ook sommigen van hen[^1korinthiers-10-10-17] gemurmureerd hebben, en werden vernield[^1korinthiers-10-10-18] van de verderver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v10)

**11** En deze dingen alle zijn hun overkomen[^1korinthiers-10-11-19] tot voorbeelden;[^1korinthiers-10-11-l] en zijn beschreven tot waarschuwing van ons,[^1korinthiers-10-11-m] op die de einden[^1korinthiers-10-11-20] van de eeuwen[^1korinthiers-10-11-21] gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v11)

**12** Zo dan,[^1korinthiers-10-12-22] die denkt te staan,[^1korinthiers-10-12-23] zie toe, dat hij niet valle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v12)

**13** U heeft[^1korinthiers-10-13-24] geen verzoeking bevangen[^1korinthiers-10-13-25] dan menselijke; maar[^1korinthiers-10-13-n] God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden[^1korinthiers-10-13-26] boven wat u aankunt; maar Hij zal[^1korinthiers-10-13-27] met de verzoeking ook de uitkomst[^1korinthiers-10-13-28] geven, opdat u ze kunt verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v13)

**14** [^1korinthiers-10-14-29] Daarom, mijn geliefden, vlucht van[^1korinthiers-10-14-30] de afgodendienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v14)

**15** Als tot[^1korinthiers-10-15-31] verstandigen spreek ik; oordeel u, wat ik zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v15)

**16** [^1korinthiers-10-16-32] De drinkbeker van de dankzegging, die wij[^1korinthiers-10-16-33] dankzeggende zegenen, is die niet[^1korinthiers-10-16-34] een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v16)

**17** Want[^1korinthiers-10-17-35] één brood is het, zo zijn wij velen[^1korinthiers-10-17-o][^1korinthiers-10-17-36] één lichaam, omdat wij allen van één brood deelachtig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v17)

**18** Zie Israël,[^1korinthiers-10-18-37] dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offergaven eten,[^1korinthiers-10-18-38] gemeenschap met het altaar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v18)

**19** Wat zeg ik dan?[^1korinthiers-10-19-p] Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v19)

**20** Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren,[^1korinthiers-10-20-q] zij[^1korinthiers-10-20-39] de demonen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de demonen gemeenschap hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v20)

**21** [^1korinthiers-10-21-40] U kunt de drinkbeker van de Heere niet drinken, en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heere, en aan de[^1korinthiers-10-21-41] tafel van[^1korinthiers-10-21-42] de demonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v21)

**22** Of tergen wij de Heere?[^1korinthiers-10-22-44] Zijn wij sterker dan Hij?[^1korinthiers-10-22-43] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v22)

**23** [^1korinthiers-10-23-45][^1korinthiers-10-23-r] Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar[^1korinthiers-10-23-46] alle dingen zijn niet raadzaam; alle dingen[^1korinthiers-10-23-47] zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v23)

**24** [^1korinthiers-10-24-s] Niemand zoeke[^1korinthiers-10-24-48] dat van zichzelf is; maar ieder[^1korinthiers-10-24-49] zoeke dat van de anderen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v24)

**25** Eet[^1korinthiers-10-25-50] al wat in het vleeshuis verkocht wordt,[^1korinthiers-10-25-51] niets ondervragende, vanwege het geweten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v25)

**26** [^1korinthiers-10-26-t] Want[^1korinthiers-10-26-52] de aarde is van de Heere, en de volheid daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v26)

**27** En als u iemand[^1korinthiers-10-27-53] van de ongelovigen noodt, en u[^1korinthiers-10-27-54] daar gaan wilt,[^1korinthiers-10-27-v] eet[^1korinthiers-10-27-55] al wat u voorgesteld wordt,[^1korinthiers-10-27-56] niets ondervragende,[^1korinthiers-10-27-x] vanwege het geweten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v27)

**28** Maar[^1korinthiers-10-28-57] zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, omwille van degene, die u dat te kennen gegeven heeft, en omwille van het geweten. Want[^1korinthiers-10-28-58] de aarde is van de Heere, en de volheid daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v28)

**29** Maar ik zeg: om het geweten, niet van uzelf, maar van de anderen;[^1korinthiers-10-29-59] want waarom wordt[^1korinthiers-10-29-60] mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v29)

**30** En als ik[^1korinthiers-10-30-61] door genade van het voedsel deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over wat,[^1korinthiers-10-30-y] waarvoor ik dankzeg? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v30)

**31** [^1korinthiers-10-31-z] Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v31)

**32** [^1korinthiers-10-32-a] Wees zonder aanstoot te geven,[^1korinthiers-10-32-62] en de Joden, en de Grieken, en van de Gemeente van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v32)

**33** Zoals ik ook[^1korinthiers-10-33-63] in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten[^1korinthiers-10-33-b] behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/10.html#v33)

[^1korinthiers-10-1-a]: Verwijzing a: Ex. 13:21; Num. 9:18; Deut. 1:33; Neh. 9:12; idem v. 19; Ps. 78:14; Ps. 105:39. Exodus 13:21: En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. Numeri 9:18: Naar de mond van YHWH, verreisden de kinderen van Israël, en naar de mond van YHWH legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over de tabernakel bleef, legerden zij zich. Deuteronomium 1:33: Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar u zoudt legeren; van de nacht in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zoudt gaan, en van de dag in de wolk. Nehemia 9:12: En U hebt ze van de dag geleid met een wolkkolom, en van de nacht met een vuurkolom, om hen te lichten op de weg, waarin zij zouden wandelen. Nehemia 9:19: Hebt U hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen van de dag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom van de nacht, om hen te lichten, en dat, op de weg, waarin zij zouden wandelen. Psalmen 78:14: En Hij leidde hen van de dag met een wolk, en de gansen nacht met een licht van het vuur. Psalmen 105:39: Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten.
[^1korinthiers-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 onze vaders: Namelijk die met Mozes uit Egypte zijn getrokken.
[^1korinthiers-10-1-2]: Kanttekening 2: 2 de wolk: Namelijk die zich zette tussen het leger van de Egyptenaars en dat van de Israëlieten, en die de Israëlieten bedauwde en beschermde toen zij door de Rode zee trokken; Ex. 14:19, enz; Ps. 105:39. Dat Paulus hier betuigt een tegenbeeld geweest te zijn van onze doop, gelijk Petrus spreekt van de verlossing van Noach in de ark uit het midden van de zondvloed; 1 Petr. 3:21. Exodus 14:19: En de Engel van God, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Psalmen 105:39: Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten. 1 Petrus 3:21: Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
[^1korinthiers-10-1-b]: Verwijzing b: Ex. 14:22; Joz. 4:23; Ps. 78:13. Exodus 14:22: En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. Jozua 4:23: Want YHWH, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat u er was doorgegaan; gelijk als YHWH, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren; Psalmen 78:13: Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop.
[^1korinthiers-10-2-3]: Kanttekening 3: 3 in Mozes: Dat is, door Mozes, of door Mozes' dienst. Of, in de leer van Mozes, gelijk Hand. 19:3 gezegd wordt dat sommigen gedoopt zijn in de doop van Johannes, dat is, in de leer van Johannes, die door zijn doop werd bevestigd. Handelingen 19:3: En hij zei tot hen: Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes.
[^1korinthiers-10-3-c]: Verwijzing c: Ex. 16:15. Exodus 16:15: Toen het de kinderen van Israël zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat YHWH u te eten gegeven heeft.
[^1korinthiers-10-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk in de tekenen, of, die een zelfde zaak betekenden, en dat niet alleen met elkaar, maar ook met ons, dat daaruit blijkt, dat Paulus hier de naam van de doop gebruikt, en hierna zegt dat de steenrots was Christus, en omdat anders de sluitreden van Paulus niet vast zou zijn, tenzij zij enerlei voedsel in de betekenis met ons hadden gegeten.
[^1korinthiers-10-3-5]: Kanttekening 5: 5 geestelijke voedsel: Namelijk het manna, dat een geestelijk voedsel genaamd wordt, omdat het de Israëlieten diende niet alleen tot een lichamelijk voedsel, maar ook om te zijn tot een buitengewoon teken van Christus' vlees, en daarom een geestelijke beduiding op Christus had, gelijk Christus in het brede verklaart, Joh. 6, en gelijk hierna, om dezelfde reden, de steenrots geestelijk genaamd wordt.
[^1korinthiers-10-4-d]: Verwijzing d: Ex. 17:6; Num. 20:11; Ps. 78:15. Exodus 17:6: Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. Numeri 20:11: Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. Psalmen 78:15: Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden.
[^1korinthiers-10-4-6]: Kanttekening 6: 6 die volgde: Namelijk, de Israëlieten, met de stromen of beken die uit haar vloten, nadat ze van Mozes was geslagen, Num. 20:8, Ps. 105:41. Numeri 20:8: Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broeder, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken. Psalmen 105:41: Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
[^1korinthiers-10-4-7]: Kanttekening 7: 7 was Christus: Dat is, was een teken en voorbeeld van Christus, die van de Vader ter dood om onzentwil geslagen zijnde, ons de stromen van het levende water zou uitgeven; Joh. 7:38. En dit is ene wijze van spreken, gebruikelijk in de sacramenten, gelijk het brood en de wijn in het Avondmaal het lichaam en bloed van Christus worden genaamd, omdat zij daarvan een teken en zegel zijn. Dat sommigen willen zeggen, dat de zin zou zijn: Christus was de steenrots, strijdt niet alleen met de orde van de woorden van de tekst, maar ook met de zaak zelve, omdat al de Israëlieten niet kunnen gezegd worden uit Christus gedronken te hebben, omdat velen van hen niet geloofden, en God in hen geen welgevallen gehad heeft, vers 5, en Hebr. 4:2. Johannes 7:38: Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. 1 Korinthiërs 10:5: Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. Hebreeën 4:2: Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.
[^1korinthiers-10-5-e]: Verwijzing e: Num. 26:65. Numeri 26:65: Want YHWH had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.
[^1korinthiers-10-5-8]: Kanttekening 8: 8 ter nedergeslagen: Namelijk, om hun ongeloofs wille, gelijk Paulus verklaart Hebr. 3:17, 3:18, 3:19. Hebreeën 3:17: Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn? Hebreeën 3:18: En welke heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan hen, die ongehoorzaam geweest waren? Hebreeën 3:19: En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.
[^1korinthiers-10-6-9]: Kanttekening 9: Dat is, tot voorbeelden en waarschuwingen, namelijk dat wij, zo wij dergelijke zonden navolgen, niettegenstaande wij deze heilige tekenen ook zullen deelachtig geweest zijn, dezelfde straf, die hun daarom overkomen is, ook niet zullen ontgaan. Zie van dit woord vers 11; Fil. 3:17; 1 Tim. 4:12; Tit. 2:7. 1 Korinthiërs 10:11: En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden van de eeuwen gekomen zijn. Filippenzen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid. Titus 2:7: Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;
[^1korinthiers-10-6-10]: Kanttekening 10: 10 geen lust tot het kwaad: Gr. geen begeerders zijn van kwade dingen (κακός); namelijk van afgoderij, hoererij en dergelijke, welke hierna verhaald worden.
[^1korinthiers-10-6-f]: Verwijzing f: Num. 11:4; idem v. 33; Ps. 106:14. Numeri 11:4: En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:33: Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. Psalmen 106:14: Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.
[^1korinthiers-10-7-11]: Kanttekening 11: 11 sommigen van hen: Dat is, een groot deel van hen, namelijk die met het gegoten kalf afgoderij bedreven.
[^1korinthiers-10-7-g]: Verwijzing g: Ex. 32:6. Exodus 32:6: En zij stonden van de anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.
[^1korinthiers-10-7-12]: Kanttekening 12: 12 om te spelen: Dat is, om te dansen, lachen en reien, gelijk de afgodendienaars, en hun afgodische maaltijden, gemeenlijk plachten te doen; Ex. 32:6. Exodus 32:6: En zij stonden de volgende dag vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.
[^1korinthiers-10-8-h]: Verwijzing h: Num. 25:1; idem v. 9; Ps. 106:29. Numeri 25:1: En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochters van de Moabieten. Numeri 25:9: Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend. Psalmen 106:29: En zij hebben de Heer tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.
[^1korinthiers-10-8-13]: Kanttekening 13: 13 gehoereerd hebben: Namelijk in het land van de Midianieten, door de raad van Bileam tot afgoderij en hoererij verlokt zijnde; Num. 25.
[^1korinthiers-10-8-14]: Kanttekening 14: 14 drie en twintig duizend: Num. 25:9 wordt gezegd vier en twintig duizend. Maar het kan zijn dat er tussen de drie en vier en twintig duizend gebleven zijn, waarvan de apostel het minder getal heeft gehouden. Anderen menen dat er drie en twintig duizend met het zwaard zouden gedood zijn, naar het voorbeeld van de ijver van Pinehas, en dat de andere duizend van de voornaamsten daarna zouden gehangen zijn door het bevel van Mozes. Numeri 25:9: Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.
[^1korinthiers-10-9-15]: Kanttekening 15: Dat is, tergen, of zijn macht in het straffen van de ondankbaren in twijfel trekken, gelijk de Israëlieten, Num. 21:5, als zij met het manna niet tevreden waren, noch met de wateren, die hun de Heer wonderbaarlijk verleende; en gelijk de Corinthiërs, die de maaltijden van de afgodendienaren, die vol aanstoot en gevaar waren, liever volgden dan de eenvoudige kost, die de Heer hun tehuis verleende. Numeri 21:5: En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
[^1korinthiers-10-9-i]: Verwijzing i: Num. 21:5; Ps. 106:14. Numeri 21:5: En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Psalmen 106:14: Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.
[^1korinthiers-10-9-16]: Kanttekening 16: 16 verzocht hebben: Namelijk Christus, die hij meteen genoemd had. Want het was de engel van het verbond, de eeuwige Zoon van God, die hen in de woestijn geleidde, en die zij tergden. Zie Ex. 14:19, en Ex. 23:20, en Jes. 63:9. Exodus 14:19: En de Engel van God, Die voor het heir van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. Exodus 23:20: Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. Jesaja 63:9: In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.
[^1korinthiers-10-10-k]: Verwijzing k: Ex. 16:2; Ex. 17:2; Num. 14:36; Ps. 106:25. Exodus 16:2: En de gehele vergadering van de kinderen van Israël morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. Exodus 17:2: Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH? Numeri 14:36: En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; Psalmen 106:25: Maar zij morden in hun tenten; naar de stem van YHWH hoorden zij niet.
[^1korinthiers-10-10-17]: Kanttekening 17: 17 gemurmureerd hebben: De Israëlieten hebben in de woestijn dikwijls tegen God gemurmureerd, wanneer hun iets ontbrak, of wanneer zij niet tevreden waren met de weldaden, die God hun deed; maar hier wordt in het bijzonder gezien op de geschiedenissen, Num. 11:4, 11:33, wanneer zij vlees begeerden en daarover van God door verscheidene plagen vernield werden; en Num. 16:1, 16:2, wanneer Korach met zijn hoop tegen Mozes en Aäron murmureerden en sommigen zijn verbrand, sommigen verzonken in de aarde. Numeri 11:4: En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen van Israël opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Numeri 11:33: Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van YHWH tegen het volk, en YHWH sloeg het volk met een zeer grote plaag. Numeri 16:1: Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben. Numeri 16:2: En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen van Israël, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam.
[^1korinthiers-10-10-18]: Kanttekening 18: Deze naam wordt wel in deze geschiedenis niet gevonden, maar wordt van Paulus daarbij gevoegd, òf om de strengheid van God zelf in deze straffen hierdoor te verstaan, òf een engel, die God tot deze vernieling heeft gebruikt, gelijk Hij gedaan heeft Ex. 12:23, en Jes. 37:36. Exodus 12:23: Want YHWH zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal YHWH de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. Jesaja 37:36: Toen voer de engel van YHWH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
[^1korinthiers-10-11-19]: Kanttekening 19: 19 tot voorbeelden: Dat is, voorbeelden van de straffen over de zodanige. Zie vers 6.
[^1korinthiers-10-11-l]: Verwijzing l: Rom. 15:4; 1 Kor. 9:10. Romeinen 15:4: Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop hebben zouden. 1 Korinthiërs 9:10: Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
[^1korinthiers-10-11-m]: Verwijzing m: Fil. 4:5; Hebr. 10:25. Filippenzen 4:5: Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heer is nabij. Hebreeën 10:25: En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen; en dat zoveel te meer, als u ziet, dat de dag nadert.
[^1korinthiers-10-11-20]: Kanttekening 20: 20 de einden van de eeuwen: Dat is, de laatste tijden, in welke de genade van God krachtiger is en de boosheid meerder; waarom wij ons door de genade van God te meer moeten wachten; 1 Tim. 4:1; 2 Petr. 3:3. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Petrus 3:3: Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
[^1korinthiers-10-11-21]: Kanttekening 21: 21 gekomen zijn: Gr. ontmoeten, of ontmoet zijn.
[^1korinthiers-10-12-22]: Kanttekening 22: 22 die meent te staan: Dat is, die zich laat dunken zo vast te zijn in het geloof, dat hij in zulke zonden niet zou vervallen.
[^1korinthiers-10-12-23]: Kanttekening 23: 23 zie toe, dat hij niet valle: Dat is, zij zorgvuldig, dat hij daardoor niet worde gebracht ten val, om te begaan die zonden en ergernissen, waarover God de Israëlieten gestraft heeft. Waaruit blijkt dat de apostel de gelovigen niet vermaant tot twijfeling aan hun zaligheid, tegen zijn eigen leer, Rom. 5:1 en 8:31, maar dat hij de eigendunkigen alleen waarschuwt om op zichzelf niet te steunen, en de oorzaken te vluchten, waardoor zij ten val mochten gebracht worden. Want de ware gelovigen, wanneer zij uit zwakte zouden mogen vallen, hebben de belofte van wederoprichting. Zie Ps. 37:24 en het volgende vers alhier. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 8:31: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Psalmen 37:24: Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want YHWH ondersteunt zijn hand.
[^1korinthiers-10-13-24]: Kanttekening 24: 24 geen verzoeking: Namelijk waardoor u gebracht bent tot de gemeenschap van de afgodendienaren en hun maaltijden.
[^1korinthiers-10-13-25]: Kanttekening 25: Dat is, die uit uw menselijke zwakheid en uit vrees van de ongenade van de afgodendienaars, welke u daartoe verzocht hebben, gesproten is. Hij troost hen hiermede, en vermaant hen in het toekomende tot meerdere standvastigheid, omdat God ons deze belofte doet, dat Hij de Zijnen niet zal laten verzoeken boven hun vermogen.
[^1korinthiers-10-13-n]: Verwijzing n: 1 Kor. 1:8; 1 Thes. 5:24; 2 Petr. 2:9. 1 Korinthiërs 1:8: Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heer Jezus Christus. 1 Tessalonicenzen 5:24: Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. 2 Petrus 2:9: Zo weet de Heer de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden;
[^1korinthiers-10-13-26]: Kanttekening 26: 26 boven wat u vermoogt: Dat is, boven de kracht, die u door Gods Geest al hebt ontvangen. Want uit onszelven vermogen wij niets; Joh. 15:5; 2 Kor. 3:5; Fil. 4:13. Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; Filippenzen 4:13: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.
[^1korinthiers-10-13-27]: Kanttekening 27: Namelijk die Hij over u zal laten komen, alwaar zij vrij meerder dan tot nog toe geschied is; Joh. 16:33. Johannes 16:33: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
[^1korinthiers-10-13-28]: Kanttekening 28: Gr. maken.
[^1korinthiers-10-14-29]: Kanttekening 29: Dat is, omdat wij dan deze voorbeelden van Gods straf aan de ene zijde en van Gods trouwe belofte aan de andere zijde hebben.
[^1korinthiers-10-14-30]: Kanttekening 30: Namelijk niet alleen die inderdaad zodanig is, maar ook die daartoe aanleiding of vermoeden zouden geven, of die tekenen daarvan zijn; van welke hij tot nog toe gesproken heeft.
[^1korinthiers-10-15-31]: Kanttekening 31: 31 Als tot verstandigen: Dat is, als tot degenen die in de verborgentheden onses geloofs ervaren ende onderricht zijt.
[^1korinthiers-10-16-32]: Kanttekening 32: 32 drinkbeker van de dankzegging: Of, de drinkbeker van de zegening. Want het Griekse woord Eulogia (εὐλογίας) betekent zowel dankzegging als zegening. Maar omdat de apostel hierna, 1 Kor. 11:24, het woord dankzeggen, of danken gebruikt, gelijk ook de Evangelisten, Matt. 26:27; Mark. 14:23; Luk. 22:17, zo wordt daarom dit woord dankzegging hier ook in de tekst behouden. 1 Korinthiërs 11:24: En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Mattheüs 26:27: En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit; Marcus 14:23: En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die; en zij dronken allen uit dezelfde. Lukas 22:17: En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zei Hij: Neemt deze, en deelt hem onder u.
[^1korinthiers-10-16-33]: Kanttekening 33: 33 dankzeggende zegenen: Gr. Eulogoumen (εὐλογίας); welk woord zowel zegenen als dankzeggen betekent. Maar moet hier zegenen en niet dankzeggen overgezet worden, omdat niet gezegd kan worden dat wij de drinkbeker dankzeggen, gelijk Griekse samenvoeging van de woorden, of constructie, zou vereisen; maar wel de drinkbeker zegenen. En wordt door dit zegenen verstaan, niet door kracht van enige woorden de wijn veranderen in het wezenlijke bloed van Christus maar met gebeden, dankzegging en verhaal van de instelling en het doel van het Heilig Avondmaal heiligen, of van andere algemene drank afzonderen en tot dit heilige gebruik toeeigenen, gelijk het woord zegenen ook gebruikt wordt Gen. 2:3; Ex. 20:11, waar God gezegd wordt de zevende dag gezegend en geheiligd te hebben, omdat Hij die van andere gemene dagen heeft afgezonderd en tot een heilig gebruik toegeëigend. Zie hiervan de verklaring in de aantekening Matt. 26:26. Genesis 2:3: En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken. Exodus 20:11: Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde dezelfde. Mattheüs 26:26: En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
[^1korinthiers-10-16-34]: Kanttekening 34: 34 een gemeenschap van het bloed van Christus: Dat is, een teken en onderpand van de geestelijke gemeenschap die wij met Christus' bloed en lichaam hebben, gelijk vers 18 gezegd wordt dat de Israëlieten gemeenschap hadden met het altaar, en vers 20 dat degenen die afgodenoffer aten gemeenschap hadden met de duivelen. Een wijze van spreken in de sacramenten gebruikelijk. Zie vers 4, en 1 Kor. 11:24, 11:25. 1 Korinthiërs 11:24: En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:25: Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^1korinthiers-10-17-35]: Kanttekening 35: 35 een brood: Namelijk, dat gebroken wordt en waaraan wij gemeenschap hebben. Of, Want wij velen zijn één brood, en één lichaam.
[^1korinthiers-10-17-o]: Verwijzing o: Rom. 12:5; 1 Kor. 12:27. Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27: En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.
[^1korinthiers-10-17-36]: Kanttekening 36: 36 een lichaam: Dat is, een geestelijk lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Zie Rom. 12:5, 1 Kor. 6:15 en 12:12, etc. Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 6:15: Weet u niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre. 1 Korinthiërs 12:12: Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, zo ook Christus.
[^1korinthiers-10-18-37]: Kanttekening 37: 37 dat naar het vlees is: Dat is, het Joodse volk, afkomstig naar het vlees van Israël, dat toentertijd hun tempel en godsdienst nog hadden, hoewel de kracht daarvan door Christus’ komst was tenietgedaan.
[^1korinthiers-10-18-38]: Kanttekening 38: 38 gemeenschap met het altaar: Dat is, met de godsdienst, die op het altaar en daarbij van hen werd gepleegd, en die zij betuigden daarmede nog voor goed te houden.
[^1korinthiers-10-19-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 8:4. 1 Korinthiërs 8:4: Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.
[^1korinthiers-10-20-q]: Verwijzing q: Lev. 17:7; Deut. 32:17. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Deuteronomium 32:17: Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.
[^1korinthiers-10-20-39]: Kanttekening 39: 39 de duivelen offeren: Want vele van de heidense afgoden, die zij door hun beelden eerden, waren boze geesten. Zie Lev. 17:7, en Deut. 32:17. En hoewel zij somwijlen enige gestorvene mensen en andere creaturen daardoor wilden eren, of ook zelfs de Schepper van de hemel en van de aarde, gelijk Hand. 17:23; Rom. 1:21 te zien is, zo worden zij nochtans gezegd de duivelen die eer aan te doen, omdat de duivel van zulken beeldendienst een ingever en insteller was, waardoor God niet geëerd maar onteerd werd; Jes. 40:18, en Jes. 42:8. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Deuteronomium 32:17: Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben. Handelingen 17:23: Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, waarop een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Die u niet kennende dient, verkondig ik u. Romeinen 1:21: Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; Jesaja 40:18: Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen? Jesaja 42:8: Ik ben YHWH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof de gesneden beelden.
[^1korinthiers-10-21-40]: Kanttekening 40: 40 U kunt de drinkbeker: Namelijk met recht en behoorlijkheid, zo dat u, zulks doende, ook God zoudt kunnen behagen. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 6:24; 2 Kor. 6:14. Mattheüs 6:24: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon. 2 Korinthiërs 6:14: Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?
[^1korinthiers-10-21-41]: Kanttekening 41: 41 de tafel van de Heer: Dat is, van het voedsel en van de drank van de tafel van de Heer, die tot een teken van de gemeenschap met Christus van de Christenen wordt genoten.
[^1korinthiers-10-21-42]: Kanttekening 42: 42 de tafel van de duivelen: Dat is, van het voedsel en van de drank van de maaltijden, die tot een teken van de gemeenschap met de duivelen wordt genoten.
[^1korinthiers-10-22-44]: Kanttekening 44: Namelijk om zijn straffende hand van ons te weren, wanneer die ons zal treffen.
[^1korinthiers-10-22-43]: Kanttekening 43: 43 tergen wij: Dat is, willen wij hem tot toorn verwekken door ons doen, en dienvolgens zijn straf ons over de hals halen; Deut. 32:21. Het Griekse woord betekent eigenlijk tot jaloërsheid verwekken. Deuteronomium 32:21: Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
[^1korinthiers-10-23-45]: Kanttekening 45: 45 Alle dingen: Namelijk die middelmatig zijn, in zichzelf van God niet geboden in het Nieuwe Testament, gelijk onder anderen was het eten van allerlei voedsel, als het zonder ergernis kon gebeuren. De apostel handelt nu verder van twee andere gevallen, die hij onder zekere bepalingen in het vervolg toelaat.
[^1korinthiers-10-23-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 6:12. 1 Korinthiërs 6:12: Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.
[^1korinthiers-10-23-46]: Kanttekening 46: 46 niet oorbaar: Namelijk voor mijzelf.
[^1korinthiers-10-23-47]: Kanttekening 47: 47 stichten niet: Namelijk voor mijn naaste.
[^1korinthiers-10-24-s]: Verwijzing s: 1 Kor. 13:5; Fil. 2:4. 1 Korinthiërs 13:5: Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; Filippenzen 2:4: Een iedereen zie niet op het zijn, maar een iedereen zie ook op wat van de anderen is.
[^1korinthiers-10-24-48]: Kanttekening 48: 48 dat zijn zelfs is: Namelijk alleen, of met nadeel en ontstichting van zijn naaste, Rom. 15:2. Romeinen 15:2: Dat dan iedereen van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.
[^1korinthiers-10-24-49]: Kanttekening 49: 49 dat van de anderen is: Dat is, zoeke ook dat van de anderen is, want wij moeten onze naaste liefhebben als onszelven; wij mogen dan onszelven ook wel liefhebben, maar niet tegen de liefde van onze naaste.
[^1korinthiers-10-25-50]: Kanttekening 50: 50 al wat in het vleeshuis verkocht wordt: Dat is, allerlei. Hier laat dan de apostel vooreerst toe dát alles, wat ter markt komt, van ons mag worden gebruikt tot voedsel, hoewel het nochtans dikwijls geschiedde, dat een deel van wat aan de afgoden geofferd was, daar ook werd verkocht, wanneer het in maaltijden of offeranden niet werd gebezigd. Maar wanneer het ter markt of in de vleeshuizen werd gebracht, zo werd de afgod daar niet meer mee geëerd, maar werd het voor gemeen voedsel gehouden.
[^1korinthiers-10-25-51]: Kanttekening 51: 51 niets ondervragende: Of, geen onderscheid makende; namelijk of het tevoren geofferd was of niet, want beide betekent het Griekse woord.
[^1korinthiers-10-26-t]: Verwijzing t: Ex. 19:5; Ps. 24:1; Ps. 50:12. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Psalmen 24:1: Een psalm van David. De aarde is van YHWH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. Psalmen 50:12: Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid.
[^1korinthiers-10-26-52]: Kanttekening 52: 52 de aarde is van de Heer: Dat is, al is het dat het tevoren van de afgodendienaars was misbruikt, nochtans houdt het niet op te blijven een schepsel van de Heer, die het geschapen heeft om met dankzegging te gebruiken; 1 Tim. 4:4. 1 Timotheüs 4:4: Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;
[^1korinthiers-10-27-53]: Kanttekening 53: 53 van de ongelovigen: Namelijk te zijn huize, zonder dat de maaltijd ter ere van de afgod is gereedgemaakt, gelijk de heidenen het overschot van al zulke geofferde beesten of spijzen tot bijzondere en burgerlijke maaltijden dikwijls gebruikten.
[^1korinthiers-10-27-54]: Kanttekening 54: 54 daar gaan wilt: Dat is, oorbaar acht te gaan om burgerlijke gemeenschap of gebuurschap te onderhouden. Waardoor de apostel te kennen geeft dat men ook, voordat men daar gaat, wel moet overwegen waartoe men daar uitgenodigd wordt.
[^1korinthiers-10-27-v]: Verwijzing v: Lukas 10:7. Lukas 10:7: En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.
[^1korinthiers-10-27-55]: Kanttekening 55: 55 al wat u: Dat is, van alles.
[^1korinthiers-10-27-56]: Kanttekening 56: 56 niets ondervragende: Of, geen onderscheid makende.
[^1korinthiers-10-27-x]: Verwijzing x: 1 Kor. 8:7. 1 Korinthiërs 8:7: Maar in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten als iets dat aan de afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.
[^1korinthiers-10-28-57]: Kanttekening 57: 57 zo iemand tot: Namelijk van de zwakgelovigen, die daardoor aanstoot zou mogen lijden; of ook van de ongelovige, die met u aanzit, en daardoor u zou mogen aanzien voor een mens, die zonder godsdienst of van hun heidense religie zou zijn, zo u, vermaand zijnde, evenwel daarvan zoudt eten.
[^1korinthiers-10-28-58]: Kanttekening 58: 58 de aarde is van de Heer: Deze zelfde plaats, genomen uit de 24ste Psalm, brengt de apostel hier opnieuw voort, om te bewijzen dat men zulk voedsel wel kan laten, omdat er meer spijzen zijn, die God op de aarde geschapen heeft tot ons gebruik.
[^1korinthiers-10-29-59]: Kanttekening 59: 59 van de anderen: Namelijk die u zulks vermaant, en daardoor aanstoot lijdt, om de reden tevoren verhaald.
[^1korinthiers-10-29-60]: Kanttekening 60: 60 mijn vrijheid: Dat is, waarom zal ik met het ergerlijk gebruik van vrijheid oorzaak geven, dat de consciëntie van een ander mijn doen veroordele of het lastere. Of, omdat ik weet uit Gods Woord, dat mij dit nu vrijstaat, waarom zal ik het oordeel van mijne consciëntie het oordeel van de consciëntie van een ander, die nog zwak is, onderwerpen, of mij van zulke laten lasteren; het is mij genoeg, dat ik het eten van zulk voedsel voor die tijd om hunnentwil nalaat, en evenwel in mijn gemoed de vrijheid behoud om op een anderen tijd zonder aanstoot zulks te doen en God daarvoor te danken.
[^1korinthiers-10-30-61]: Kanttekening 61: 61 door genade: Namelijk van het Evangelie, waarin ons Christus van het juk van de ceremoniën en het onderscheid van de spijzen heeft vrijgesteld.
[^1korinthiers-10-30-y]: Verwijzing y: Rom. 14:6; 1 Tim. 4:3. Romeinen 14:6: Die de dag waarneemt, die neemt hem waar de Heer; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Heer. Die daar eet, die eet zulks de Heer, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks de Heer niet, en hij dankt God. 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^1korinthiers-10-31-z]: Verwijzing z: Kolos. 3:17. Kolossenzen 3:17: En al wat u doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heer Jezus, dankende God en de Vader door Hem.
[^1korinthiers-10-32-a]: Verwijzing a: Rom. 14:13. Romeinen 14:13: Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat u de broeder geen aanstoot of ergernis geeft.
[^1korinthiers-10-32-62]: Kanttekening 62: 62 en de Joden, en de: Onder deze drie soorten begrijpt de apostel alle mensen, die òf Joden waren, òf heidenen, òf Christenen, van wie gene voor ons moeten geërgerd worden door het gebruik van onze vrijheid; wel verstaande, als het zodanige personen zijn, waar men hoop van heeft dat zij daardoor van ons kunnen gewonnen worden.
[^1korinthiers-10-33-63]: Kanttekening 63: 63 in alles allen behaag: Dat is, zoek te behagen. Dit moet verstaan worden gelijk het volgende, namelijk ten aanzien van het gebruik of nalaten van de Christelijke vrijheid, niet ten aanzien van de leer of andere zaken, die van God geboden of verboden zijn. Zie Gal. 1:8, 1:10. Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Galaten 1:10: Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienaar van Christus.
[^1korinthiers-10-33-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 9:22. 1 Korinthiërs 9:22: Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou.

### 1 Korinthiërs 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/11.json)

*1 De apostel vermaant de Korinthiers hem na te volgen en prijst hen dat zij zijn instellingen hielden. 3 Verbetert enkele misbruiken die in hun samenkomsten gevonden werden: ten eerste dat bij het bidden en profeteren de mannen hun hoofd bedekt hadden en de vrouwen onbedekt. 4 wat hij onbetamelijk bewijst te zijn, zowel voor de mannen, omdat zij het hoofd van de vrouw zijn, als voor de vrouwen, die, omdat zij onder de man staan, tot een teken daarvan hun hoofd behoren te bedekken; anders dat zowel mannen als vrouwen hun hoofd onteren. 14 en tegen de natuur doen. 18 Daarna dat in hun samenkomsten verdeeldheden waren. 20 En bovendien dat het avondmaal van de Heere onder hen niet juist gehouden werd, omdat de rijken vooraf afzonderlijk maaltijden hielden, waardoor sommigen dronken tot het avondmaal kwamen. 23 Om deze misbruiken te verbeteren legt hij hun de instelling van het avondmaal en de betekenis daarvan voor. 26 en leert tot welk doel en op welke wijze het gehouden moet worden. 29 en welke straffen te verwachten zijn, en reeds door God over sommigen gezonden waren, die het niet juist gebruikten. 33 Ten slotte leert hij hoe zij deze misbruiken zullen verbeteren.*

**1** [^1korinthiers-11-1-a] Wees mijn navolgers, zoals ook ik[^1korinthiers-11-1-1] van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v1)

**2** En ik prijs u, broeders, dat u[^1korinthiers-11-2-2] in alles van mijn gedachtig bent, en de voorschriften behoudt,[^1korinthiers-11-2-3] zoals ik die u overgegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v2)

**3** Maar ik wil,[^1korinthiers-11-3-4] dat u weet,[^1korinthiers-11-3-b] dat Christus[^1korinthiers-11-3-5] het Hoofd is[^1korinthiers-11-3-6] van iedere man, en de man het hoofd van de[^1korinthiers-11-3-c] vrouw, en[^1korinthiers-11-3-7] God het Hoofd van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v3)

**4** Ieder man,[^1korinthiers-11-4-8] die bidt of[^1korinthiers-11-4-9] profeteert, hebbende[^1korinthiers-11-4-10] iets op het hoofd,[^1korinthiers-11-4-11] die onteert zijn eigen hoofd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v4)

**5** Maar iedere[^1korinthiers-11-5-12] vrouw, die[^1korinthiers-11-5-13] bidt of profeteert met ongedekt hoofd,[^1korinthiers-11-5-14] onteert haar eigen hoofd; want het is[^1korinthiers-11-5-15] één en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v5)

**6** Want als een vrouw niet gedekt is,[^1korinthiers-11-6-16] dat zij ook geschoren worde;[^1korinthiers-11-6-d] maar als het lelijk is voor een vrouw[^1korinthiers-11-6-17] geschoren te zijn, of het[^1korinthiers-11-6-18] haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v6)

**7** Want de man moet het hoofd niet dekken,[^1korinthiers-11-7-e] omdat hij[^1korinthiers-11-7-19] het beeld en[^1korinthiers-11-7-20] de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is[^1korinthiers-11-7-21] de heerlijkheid van de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v7)

**8** [^1korinthiers-11-8-f] Want de man is[^1korinthiers-11-8-22] uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v8)

**9** Want ook is de man niet geschapen[^1korinthiers-11-9-23] om de vrouw, maar de vrouw[^1korinthiers-11-9-24] om de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v9)

**10** Daarom moet de vrouw[^1korinthiers-11-10-25] een macht op het hoofd hebben,[^1korinthiers-11-10-26] omwille van de engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v10)

**11** [^1korinthiers-11-11-27] Toch is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man,[^1korinthiers-11-11-28] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v11)

**12** Want zoals de vrouw[^1korinthiers-11-12-29] uit de man is, zo is ook de man[^1korinthiers-11-12-30] door de vrouw; maar[^1korinthiers-11-12-31] alle dingen zijn uit God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v12)

**13** [^1korinthiers-11-13-32] Oordeelt u onder uzelf: is het passend, dat de vrouw ongedekt tot God bidt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v13)

**14** Of leert u ook[^1korinthiers-11-14-33] de natuur zelf niet, dat zo een man lang haar draagt, het[^1korinthiers-11-14-34] hem een oneer is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v14)

**15** Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor[^1korinthiers-11-15-35] een deksel haar is gegeven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v15)

**16** [^1korinthiers-11-16-g] Maar als iemand schijnt[^1korinthiers-11-16-36] twistgierig te zijn, wij hebben[^1korinthiers-11-16-37] zulke gewoonten niet, noch[^1korinthiers-11-16-38] de Gemeenten van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v16)

**17** [^1korinthiers-11-17-39] Dit nu, wat[^1korinthiers-11-17-40] ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat u niet[^1korinthiers-11-17-41] tot beter, maar tot erger samenkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v17)

**18** Want als eerste, als u samenkomt in de[^1korinthiers-11-18-42] Gemeente, zo[^1korinthiers-11-18-43] hoor ik, dat er[^1korinthiers-11-18-44] scheuringen zijn onder u; en[^1korinthiers-11-18-45] ik geloof het ten dele; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v18)

**19** [^1korinthiers-11-19-h] Want er[^1korinthiers-11-19-46] moeten ook[^1korinthiers-11-19-47] ketterijen[^1korinthiers-11-19-48][^1korinthiers-11-19-i] onder u zijn, opdat degenen,[^1korinthiers-11-19-49] die oprecht zijn,[^1korinthiers-11-19-50] openbaar mogen worden onder u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v19)

**20** Als u dan bijeen samenkomt, dat[^1korinthiers-11-20-51][^1korinthiers-11-20-52] is niet van de Heere avondmaal eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v20)

**21** Want[^1korinthiers-11-21-53] in het eten neemt[^1korinthiers-11-21-54] ieder[^1korinthiers-11-21-55] te voren[^1korinthiers-11-21-56] zijn eigen avondmaal; en[^1korinthiers-11-21-57] deze is hongerig, en de andere is dronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v21)

**22** Hebt u dan[^1korinthiers-11-22-58] geen huizen, om er te eten en te drinken? Of[^1korinthiers-11-22-59] veracht u de Gemeente van God, en[^1korinthiers-11-22-60] beschaamt u degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen?[^1korinthiers-11-22-61] In deze prijs ik u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v22)

**23** [^1korinthiers-11-23-62] Want ik heb[^1korinthiers-11-23-63] van de Heere ontvangen, wat ik ook u[^1korinthiers-11-23-64] overgegeven heb,[^1korinthiers-11-23-65][^1korinthiers-11-23-k] dat de Heere Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v23)

**24** En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doe dat tot Mijn herinnering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v24)

**25** Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe[^1korinthiers-11-25-66] Testament in Mijn bloed. Doe dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn herinnering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v25)

**26** Want telkens als u[^1korinthiers-11-26-67] dit brood zult eten, en deze[^1korinthiers-11-26-68] drinkbeker zult drinken,[^1korinthiers-11-26-69] zo verkondigt de dood van de[^1korinthiers-11-26-70][^1korinthiers-11-26-l] Heere, totdat Hij komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v26)

**27** [^1korinthiers-11-27-m] Zo dan, wie[^1korinthiers-11-27-71] onwaardig dit brood eet, of de drinkbeker van de Heere drinkt, die[^1korinthiers-11-27-72] zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v27)

**28** [^1korinthiers-11-28-n] Maar de mens[^1korinthiers-11-28-73] beproeve zichzelf, en[^1korinthiers-11-28-74] ete zo[^1korinthiers-11-28-75] van het brood, en drinke[^1korinthiers-11-28-76] van de drinkbeker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v28)

**29** Want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf[^1korinthiers-11-29-77] een oordeel,[^1korinthiers-11-29-78] niet onderscheidende het lichaam van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v29)

**30** [^1korinthiers-11-30-79] Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen[^1korinthiers-11-30-80] slapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v30)

**31** [^1korinthiers-11-31-o] Want als wij onszelf[^1korinthiers-11-31-81] oordeelden, zo zouden wij niet[^1korinthiers-11-31-82] geoordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v31)

**32** [^1korinthiers-11-32-83] Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v32)

**33** Zo dan, mijn broeders, als u samenkomt[^1korinthiers-11-33-84] om te eten,[^1korinthiers-11-33-85] verwacht elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v33)

**34** Maar zo iemand hongert,[^1korinthiers-11-34-86] dat hij te huis ete, opdat u niet[^1korinthiers-11-34-87] tot een oordeel samenkomt.[^1korinthiers-11-34-88] De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/11.html#v34)

[^1korinthiers-11-1-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 4:16; Fil. 3:17; 1 Thes. 1:6; 2 Thes. 3:9. 1 Korinthiërs 4:16: Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers. Filippenzen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 1 Tessalonicenzen 1:6: En u bent onze navolgers geworden, en van de Heer, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest; 2 Tessalonicenzen 3:9: Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
[^1korinthiers-11-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk navolger ben; namelijk die het volmaaktste voorbeeld is van alle deugden, zodat men de leraars wel moet navolgen, maar zo ver als zij Christus navolgen.
[^1korinthiers-11-2-2]: Kanttekening 2: 2 in alles mijner: Of, dat u al mijne dingen, dat is, leringen en vermaningen, gedenkt.
[^1korinthiers-11-2-3]: Kanttekening 3: 3 de inzettingen: Gr. overgevingen, of overleveringen, waardoor dan verstaan worden, gelijk hij zelf daarna verklaart, enige van zijn ordinantiën niet die artikelen van het geloof zijn, maar die aangingen de uiterlijke wijze, die in de vergaderingen en het plegen van de godsdienst behoorden gehouden te worden.
[^1korinthiers-11-3-4]: Kanttekening 4: 4 dat u weet: Dat is, dat u let op de orde van onderwerping, die God onder de mensen in Zijn geestelijk lichaam gesteld heeft, opdat u niet doet wat daartegen strijdt.
[^1korinthiers-11-3-b]: Verwijzing b: Efez. 5:23. Efeziërs 5:23: Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^1korinthiers-11-3-5]: Kanttekening 5: 5 het hoofd is: Dat is, over Hem gesteld, heerschappij over Hem hebbende, gelijk het hoofd doet boven en over de andere leden.
[^1korinthiers-11-3-6]: Kanttekening 6: 6 eens iegelijken mans: Namelijk behorende tot Zijn geestelijk lichaam, want van dat wordt hier eigenlijk gehandeld. Niet dat Hij ook niet zou zijn het hoofd van de vrouw, want Hij is het hoofd van Zijn gehele lichaam; Ef. 5:23. Efeziërs 5:23: Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^1korinthiers-11-3-c]: Verwijzing c: Joh. 14:28; 1 Kor. 3:23; 1 Kor. 15:27. Johannes 14:28: U hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weer tot u. Als u Mij liefhadt, zo zoudt u u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik. 1 Korinthiërs 3:23: Maar u bent van Christus, en Christus is Gods. 1 Korinthiërs 15:27: Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.
[^1korinthiers-11-3-7]: Kanttekening 7: 7 God het hoofd van: Namelijk God de Vader, onder wie de Zoon van God Jezus Christus staat, niet ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, naar welke Hij de Vader in waardigheid en hoogheid even gelijk is, Joh. 10:30; Fil. 2:6, maar naar Zijn Middelaarsambt, naar hetwelk Hij om onzentwil zichzelf de Vader heeft onderworpen en minder is dan de Vader, Joh. 14:28; gelijk een gezant onder de mensen als zodanig minder is dan degene die hem zendt, hoewel zij van nature evengelijk zijn. Johannes 10:30: Ik en de Vader zijn een. Filippenzen 2:6: Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft aan God even gelijk te zijn; Johannes 14:28: U hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weer tot u. Als u Mij liefhadt, zo zoudt u u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.
[^1korinthiers-11-4-8]: Kanttekening 8: 8 die bidt of: Dat is, het algemeen gebed in de vergaderingen òf voorzegt, òf aanhoort en mee bidt.
[^1korinthiers-11-4-9]: Kanttekening 9: Of de Schriften van de profeten in de vergaderingen voorleest en uitlegt, 1 Kor. 14:3, 14:29, enz. of enige toekomende dingen voorzegt uit goddelijke openbaring. Want die gave werd toen sommigen van God gegeven tot troost van de gemeente, 1 Kor. 14:26; Ef. 4:11; of die zodanige uitleggingen in de vergaderingen aanhoort. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting. 1 Korinthiërs 14:29: En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. 1 Korinthiërs 14:26: Wat is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, ieder van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen gebeuren tot stichting; Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^1korinthiers-11-4-10]: Kanttekening 10: 10 iets op het: Namelijk enig deksel, als daar is het lang haar, vers 14, of een hoed, sluier, of dergelijke, vers 7, gelijk de heidenen hun afgoden met gedekte hoofden plachten te dienen. Zie Vergil. Aen. 3, Sueton. in Vitell. 1 Korinthiërs 11:14: Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? 1 Korinthiërs 11:7: Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
[^1korinthiers-11-4-11]: Kanttekening 11: 11 die onteert: Namelijk omdat de ontdekking van het hoofd toen een teken was van macht en heerschappij, gelijk nu hedendaags daarentegen degenen, die macht over anderen hebben, hun hoofden zullen gedekt houden, en die onder anderen staan voor hen hun hoofden zullen ontdekken. Maar in deze allen moet men altijd zien op het gebruik van verscheidene tijden en landen, en wat daarin eerlijk en stichtelijk is; 1 Kor. 14:40; Fil. 4:8. 1 Korinthiërs 14:40: Laat alle dingen eerlijk en met orde gebeuren. Filippenzen 4:8: Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;
[^1korinthiers-11-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk die getrouwd is en onder de macht staat van haar man. Zie vers 3. Hoewel de anderen hier niet uitgesloten worden. 1 Korinthiërs 11:3: Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus.
[^1korinthiers-11-5-13]: Kanttekening 13: Dat is, die in de vergadering de algemene gebeden, of de uitlegging van de profetische schriften aanhoort; want dat ene vrouw openlijk in de vergadering de gebeden zou doen, of de Schrift uitleggen, wordt haar verboden; 1 Kor. 14:34, 14:35; 1 Tim. 2:12, of die met buitengewone gave van bidden of toekomende dingen te voorzeggen, begaafd zijnde, dezelfde in de vergadering zal willen voorstellen, daartoe door een goddelijk ingeven gedreven zijnde. Zie Joël. 2:28; Luk. 2:36; Hand. 21:9. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 1 Korinthiërs 14:35: En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken. 1 Timotheüs 2:12: Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. Lukas 2:36: En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was tot grote ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. Handelingen 21:9: Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.
[^1korinthiers-11-5-14]: Kanttekening 14: 14 onteert haar eigen hoofd: Of, beschaamt haar hoofd, doet haar hoofd schande aan; namelijk omdat zij door dat teken schijnt te willen ontkennen, dat zij onder de man staat; en ook enigszins dat Christus niet zou zijn het hoofd van Zijn gemeente. Zie vers 4. 1 Korinthiërs 11:4: Ieder man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;
[^1korinthiers-11-5-15]: Kanttekening 15: 15 een en hetzelfde: Dat is, van enerlei onbetamelijkheid, namelijk als zij het deksel aflegt, dat gemaakt wordt, dat is, zoveel als zij het natuurlijke deksel aflegde.
[^1korinthiers-11-6-16]: Kanttekening 16: 16 dat zij ook geschoren: Dat is, het is evenveel en even schandelijk, alsof zij geschoren ware.
[^1korinthiers-11-6-d]: Verwijzing d: Num. 5:18; Deut. 22:5. Numeri 5:18: Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van YHWH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer van de gedachtenis op haar handen leggen, dat het spijsoffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt. Deuteronomium 22:5: Het kleed van een man zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is YHWH, uw God, een gruwel.
[^1korinthiers-11-6-17]: Kanttekening 17: 17 geschoren te zijn: Namelijk met de schaar.
[^1korinthiers-11-6-18]: Kanttekening 18: 18 afgesneden te hebben: Namelijk met het scheermes.
[^1korinthiers-11-7-e]: Verwijzing e: Gen. 1:26; idem 1:27; Gen. 5:1; Gen. 9:6; Kolos. 3:10. Genesis 1:26: En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 1:27: En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Genesis 5:1: Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods. Genesis 9:6: Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Kolossenzen 3:10: En aangedaan hebt de nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Van Degene, Die hem geschapen heeft;
[^1korinthiers-11-7-19]: Kanttekening 19: 19 het beeld: Namelijk ten aanzien van zijn macht en heerschappij, die hij heeft over de vrouw. Want anders, ten aanzien van de heiligheid en gerechtigheid, is de vrouw zoveel naar het beeld van God geschapen als de man; Gen. 1:26, 1:27. Genesis 1:26: En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 1:27: En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
[^1korinthiers-11-7-20]: Kanttekening 20: 20 heerlijkheid van God: Namelijk omdat God in de heerschappij van de man over de vrouw, de heerlijkheid en het gebied doet blijken, dat Hij heeft over Zijn schepselen.
[^1korinthiers-11-7-21]: Kanttekening 21: 21 de heerlijkheid van de man: Namelijk omdat de onderdanigheid van de vrouw onder de man een bewijs is van de macht, het gezag en de uitnemendheid van de man boven de vrouw.
[^1korinthiers-11-8-f]: Verwijzing f: Gen. 2:18; idem v. 21. Genesis 2:18: Ook had YHWH God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij. Genesis 2:21: Toen deed YHWH God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
[^1korinthiers-11-8-22]: Kanttekening 22: 22 uit de vrouw niet: Namelijk eerstmaal van God geschapen. Zie Gen. 2:21, 2:22. Anders worden de mannen nu naar de loop van de natuur van vrouwen geboren; Job 14:1. Zie ook vers 12. Genesis 2:21: Toen deed YHWH God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees. Genesis 2:22: En YHWH God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. Job 14:1: De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust. 1 Korinthiërs 11:12: Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God.
[^1korinthiers-11-9-23]: Kanttekening 23: 23 om de vrouw: Namelijk om haar onderworpen te zijn en zo te dienen.
[^1korinthiers-11-9-24]: Kanttekening 24: 24 om de man: Namelijk om hem tot zijn dienst onderworpen te zijn, en ene hulp te wezen, die bij hem zou zijn; Gen. 2:18. Genesis 2:18: Ook had YHWH God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
[^1korinthiers-11-10-25]: Kanttekening 25: 25 een macht op het hoofd: Dat is, een deksel, tot een teken dat zij staat onder de macht en het gebied van de man. Zie Gen. 24:65; een wijze van spreken, waardoor het teken toegeschreven wordt de naam van de betekende zaak, dat in de sacramenten ook zeer gebruikelijk is. Genesis 24:65: En zij zei tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zei: Dat is mijn heer! Toen nam zij de sluier, en bedekte zich.
[^1korinthiers-11-10-26]: Kanttekening 26: 26 vanwege de engelen: Dit verstaan sommigen van de leraars van de gemeente, die in de Schrift ook engelen, dat is, boden of gezanten Gods genaamd worden, Mal. 2:7; Openb. 1:20. Maar kan bekwamelijker verstaan worden van de dienstbare geesten, die vanwege hun ambt eigenlijk engelen doorgaans genaamd worden. Want omdat dezelfde in de vergaderingen van de gelovigen tegenwoordig zijn, Ps. 34:8, en Matt. 18:10, en door onordelijkheid of ongeschiktheid, die daar zou mogen gepleegd worden, bedroefd worden, zo vermaant de apostel de vrouwen, dat zij deze heilige geesten ook behoren te ontzien, om hen hierin niet te bedroeven. Maleachi 2:7: Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de heirscharen. Openbaring 1:20: De verborgenheid van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. Psalmen 34:8: Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Mattheüs 18:10: Ziet toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^1korinthiers-11-11-27]: Kanttekening 27: 27 Nochtans is noch: Dit doet de apostel daarbij, opdat omwille van deze heerschappij noch de mannen zich verhovaardigen, noch de vrouwen zich bedroeven zouden.
[^1korinthiers-11-11-28]: Kanttekening 28: 28 in de Heer: Namelijk Jezus Christus, aan wie, ten aanzien van Zijn genade en verdiensten, de vrouwen zowel gemeenschap hebben als de mannen. Zie Gal. 3:28. Galaten 3:28: Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus.
[^1korinthiers-11-12-29]: Kanttekening 29: 29 uit de man is: Zie vers 8. 1 Korinthiërs 11:8: Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man.
[^1korinthiers-11-12-30]: Kanttekening 30: 30 door de vrouw: Namelijk omdat hij van ene vrouw ontvangen en geboren wordt, naar de natuurlijke geboorte. Waarom hij de vrouw ook niet behoort te verachten, maar in ere te houden en lief te hebben, hoewel hij over haar heerschappij heeft.
[^1korinthiers-11-12-31]: Kanttekening 31: 31 alle dingen zijn uit God: Dat is, zowel de vrouw als de man, zijn beiden van God geschapen; en zowel de onderdanigheid van de vrouw, als de heerschappij van de man zijn beide van God bestemd. Anders is het ook in het algemeen waar, dat alle schepselen van God zijn. Zie Rom. 11:36; 1 Kor. 8:6. Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. 1 Korinthiërs 8:6: Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^1korinthiers-11-13-32]: Kanttekening 32: 32 Oordeelt u onder uzelven: Of, oordeelt bij uzelven. Gr. in uzelven. De apostel wil tonen dat deze zaak, die hij hier drijft, zo klaar en bekend is dat hij de Corinthiërs zelf tot rechters daarvan wel wil stellen; gelijk 1 Kor. 10:15. 1 Korinthiërs 10:15: Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt u, wat ik zeg.
[^1korinthiers-11-14-33]: Kanttekening 33: 33 de natuur zelve: Namelijk die onder anderen het vrouwelijk geslacht van het mannelijke daarmede ook onderscheiden heeft, dat de vrouwen het haar van het hoofd langer en dichter wast dan de mannen, en dat het haar dient tot een sieraard en deksel.
[^1korinthiers-11-14-34]: Kanttekening 34: 34 hem een oneer is: Namelijk omdat dit lange haar op zijn hoofd als een deksel is, en een teken van onderdanigheid, daar hij het hoofd is van de vrouw, en daarom zulk een teken niet behoort te dragen, waarmee hij zijn heerschappij schijnt te verzaken. Daarnaast, omdat hij zich zo gelijk als herschept in ene vrouw, dragende een sieraad, dat de vrouwen eigen is, en zo gelijk als zijn geslacht verzaakt, dat God in de wet verbiedt; Deut. 22:5. Deuteronomium 22:5: Het kleed van een man zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is YHWH, uw God, een gruwel.
[^1korinthiers-11-15-35]: Kanttekening 35: 35 een deksel: Gr. een omwerpsel; namelijk om haar te dienen tot een deksel, en volgens die ook tot een teken van onderdanigheid, dat dan eer voor haar is, dat zij dezelfde haar onderdanigheid, volgens de ordinantie Gods, daarmede bekent.
[^1korinthiers-11-16-g]: Verwijzing g: 1 Tim. 6:4. 1 Timotheüs 6:4: Die is hoogmoedig, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.
[^1korinthiers-11-16-36]: Kanttekening 36: 36 twistgierig te zijn: Of, twist lief te hebben; dat is, die tegen deze zaak en redenen nog veel zou willen twisten, met hem willen wij niet verder twisten.
[^1korinthiers-11-16-37]: Kanttekening 37: 37 zulke gewoonten niet: Namelijk om te twisten over zaken, die zo klaar en bekend zijn.
[^1korinthiers-11-16-38]: Kanttekening 38: 38 de Gemeenten Gods: Welker voorbeeld of gebruik in zulke zaken men heilig behoort te volgen.
[^1korinthiers-11-17-39]: Kanttekening 39: 39 Dit nu, wat: Namelijk wat volgt.
[^1korinthiers-11-17-40]: Kanttekening 40: Of, verhaal, vermeld, verkondig.
[^1korinthiers-11-17-41]: Kanttekening 41: 41 tot beter, maar tot erger samenkomt: Dat is, niet tot verbetering, maar tot verergering. Want de vergaderingen worden daartoe aangesteld, opdat de gelovigen in dezelfde gesticht en gebeterd worden; dat niet geschiedt, wanneer in dezelfde ongeschiktheden worden gepleegd.
[^1korinthiers-11-18-42]: Kanttekening 42: 42 in de gemeente: Dat is, in de vergadering van de gelovigen, die toen nog niet werden gehouden in kerken, omdat de Christenen toen nog geen kerken hadden gelijk nu, maar in huizen en andere gelegen plaatsen.
[^1korinthiers-11-18-43]: Kanttekening 43: 43 zo hoor ik: Van wie hij het gehoord had, verklaart hij 1 Kor. 1:11. 1 Korinthiërs 1:11: Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn.
[^1korinthiers-11-18-44]: Kanttekening 44: 44 scheuringen zijn onder u: Scheuring is, wanneer onder de lidmaten van ene gemeente, in het stuk van de leer en in de gronden derzelve eens zijnde, om andere misverstanden, onenigheid en verdeeldheid ontstaat, elke partij zijn hoofd en leidsman volgende, waardoor de enigheid van het lichaam van Christus gescheurd en verbroken wordt; dat onder de werken van het vlees mee geteld wordt; Gal. 5:20. Zie breder hiervan 1 Kor. 1:12. Galaten 5:20: Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^1korinthiers-11-18-45]: Kanttekening 45: 45 ik geloof het ten dele: Namelijk omdat ik sommiger, die onder u zijn, opgeblazenheid en twistgierigheid ken.
[^1korinthiers-11-19-h]: Verwijzing h: Matt. 18:7; Lukas 17:1. Mattheüs 18:7: Wee van de wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt! Lukas 17:1: En Hij zei tot de discipelen: Het kan niet wezen, dat er geen ergernissen komen; maar wee hem, door welke zij komen;
[^1korinthiers-11-19-46]: Kanttekening 46: 46 moeten ook: Namelijk omdat de oorzaken van ketterijen daar altijd zullen zijn, als opgeblazenheid, vermetelheid, eergierigheid en stoutheid van sommige mensen, die daardoor aangedreven worden om ketterijen te verwekken en aan te hangen. Zolang er zulke mensen zullen zijn, zo moeten er ook ketterijen wezen. Zie dergelijke wijze van spreken en nadere verklaring daarvan Matt. 18:7. Mattheüs 18:7: Wee de wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt!
[^1korinthiers-11-19-47]: Kanttekening 47: Ketterij is een twist, ontstaande over de leer, wanneer sommigen enige dwalingen hardnekkiglijk drijven of aannemen, strijdende tegen de grondstukken van de zaligmakende leer. Zodat ketterij erger en schadelijker is dan scheuring. En hiermede geeft de apostel reden, waarom hij gelooft dat er onder hen scheuringen zijn, omdat er ook nog erger kwaad onder hen gevonden werd, namelijk ketterij, die hij daarna beschrijft en weerlegt; 1 Kor. 15.
[^1korinthiers-11-19-48]: Kanttekening 48: 48 onder u zijn: Dat is, in het midden van de gemeente. Zie Hand. 20:30; 1 Joh. 2:19. Handelingen 20:30: En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.
[^1korinthiers-11-19-i]: Verwijzing i: Hand. 20:30; 1 Joh. 2:19. Handelingen 20:30: En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.
[^1korinthiers-11-19-49]: Kanttekening 49: 49 die oprecht zijn: Gr. die beproefd zijn; dat is, die in de beproeving door scheuringen en ketterijen standvastig blijven bij de enigheid van de gemeente en bij de gezonde leer, en zo oprecht bevonden worden; ene gelijkenis, genomen van goud, dat in de proef door het vuur bestaat; 1 Petr. 1:7. 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^1korinthiers-11-19-50]: Kanttekening 50: 50 openbaar mogen worden: Dat is, bekend dat zij oprecht zijn. Wanneer de gemeente in vrede is, zonder scheuring of ketterij, zo worden allen, die de godsdienst belijden, voor oprecht gehouden; maar als er scheuring en ketterij ontstaat, zo wordt het openbaar en bekend, wie bij de enigheid van de kerk en bij de gezondheid van de leer standvastig blijven of niet, gelijk het kaf van het koren door de wan gescheiden wordt; Matt. 3:12. Mattheüs 3:12: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.
[^1korinthiers-11-20-51]: Kanttekening 51: Namelijk wat u doet.
[^1korinthiers-11-20-52]: Kanttekening 52: 52 is niet van de Heer avondmaal eten: Namelijk omdat het onwettelijk eten is als niet eten. Of, omdat zulks niet is van de Heer, maar zijn eigen Avondmaal eten, gelijk in vers 21. 1 Korinthiërs 11:21: Want in het eten neemt ieder te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.
[^1korinthiers-11-21-53]: Kanttekening 53: 53 in het eten: Dit wordt verstaan van het eten van enig voedsel, dat de rijken medebrachten als men het Avondmaal van de Heer zou houden, om daarna met de armen een maaltijd te houden; welke maaltijden in het Grieks genaamd worden Agapai; dat is maaltijden van liefde. Zie hiervan Jud:12.
[^1korinthiers-11-21-54]: Kanttekening 54: 54 ieder: Namelijk van de rijken, zonder de armen te verwachten. Of, ieder met degenen, die het met hen hielden.
[^1korinthiers-11-21-55]: Kanttekening 55: 55 te voren: Namelijk voordat de armen daarbij zijn gekomen. Of, voordat het Avondmaal van de Heer gehouden wordt.
[^1korinthiers-11-21-56]: Kanttekening 56: 56 zijn eigen avondmaal: Dat is, een Avondmaal, dat niet in het algemeen van de gehele gemeente gehouden wordt, gelijk het Avondmaal van de Heer gehouden moet worden, maar dan van enigen alleen met uitsluiting van anderen in het bijzonder wordt gehouden.
[^1korinthiers-11-21-57]: Kanttekening 57: 57 deze is hongerig: Dat is, de armen zijn hongerig, omdat men hen niet wil verwachten, en de rijken zijn dronken, omdat zij bij elkaar op die maaltijden dikwijls tevoren zo toefden, dat zij beschonken werden.
[^1korinthiers-11-22-58]: Kanttekening 58: 58 geen huizen: In welke u tevoren kunt eten en uw honger stillen, zonder dat u zulks openlijk in de plaatsen van de vergaderingen doet. Zie vers 34. 1 Korinthiërs 11:34: Maar zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.
[^1korinthiers-11-22-59]: Kanttekening 59: 59 veracht u de: Dat is, past u niet op de ergernissen, die daardoor in de gemeente ontstaan?
[^1korinthiers-11-22-60]: Kanttekening 60: 60 beschaamt u: Dat is, de armen, die tot zulke maaltijden niet konden toebrengen, die u òf niet wilt toelaten tot dezelfde, òf niet wilt verwachten, en zo openlijk betoont hen te verachten.
[^1korinthiers-11-22-61]: Kanttekening 61: 61 In deze prijs ik: Dat is, in deze misbruiken van het Avondmaal kan ik u geen gelijk geven; of prijzen als wèl gedaan.
[^1korinthiers-11-23-62]: Kanttekening 62: 62 Want ik heb: De apostel, om deze misbruiken te beteren, houdt hun voor de instelling van het Heilig Avondmaal, zoals hetzelfde van Christus eerst is ingesteld; dat de beste en zekerste wijze is om misbruiken te beteren en weg te nemen, omdat alles naar de instelling Gods en Christus in de godsdienst moet gericht worden.
[^1korinthiers-11-23-63]: Kanttekening 63: 63 van de Heer: Namelijk en niet van mensen; Gal. 1:12. Dit is geschied door openbaringen, die de Heer Christus zelf aan Paulus dikwijls gedaan heeft. Galaten 1:12: Want ik heb ook hetzelfde niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
[^1korinthiers-11-23-64]: Kanttekening 64: 64 overgegeven heb: Of, overgeleverd; dat is, getrouwelijk heb geleerd, niet als mijne leer, maar van de Heer Christus zelven.
[^1korinthiers-11-23-65]: Kanttekening 65: 65 dat de Heer Jezus: De verklaring van deze volgende instelling van het Avondmaal, zie Matt. 26:26, enz. Mattheüs 26:26: En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
[^1korinthiers-11-23-k]: Verwijzing k: Matt. 26:26; Mark. 14:22; Lukas 22:19. Mattheüs 26:26: En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Marcus 14:22: En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Lukas 22:19: En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
[^1korinthiers-11-25-66]: Kanttekening 66: Of, verbond, Ex. 24:8. Dat is, een teken en zegel van het Nieuwe Testament of verbond. Want de beker is het verbond zelf niet, maar een teken en zegel daarvan. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met u gemaakt heeft over al die woorden.
[^1korinthiers-11-26-67]: Kanttekening 67: 67 dit brood: Het is dan brood, dat in het Avondmaal gegeten wordt.
[^1korinthiers-11-26-68]: Kanttekening 68: Dat is, de wijn die in de drinkbeker is: een oneigenlijke wijze van spreken.
[^1korinthiers-11-26-69]: Kanttekening 69: 69 zo verkondigt de dood van de Heer: De dood van de Heer moet in het Avondmaal verkondigd worden, zo van de dienaren van het Woord, die bij de bediening het volk moeten onderwijzen, dat dit gebroken brood en deze wijn een teken en verzegeling is van de bitteren dood van Christus aan het kruis, en van de weldaden daardoor voor ons verkregen, alsook van degenen, die het genieten, die in hun hart moeten overdenken, geloven en met dankzegging belijden, dat de Heer Christus voor hen is gestorven om hen van de eeuwigen dood te verlossen en zalig te maken, dat alles door de woorden: Doet dit tot mijne gedachtenis, vers 25, te kennen gegeven is. 1 Korinthiërs 11:25: Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^1korinthiers-11-26-70]: Kanttekening 70: 70 totdat Hij komt: Namelijk om te oordelen de levenden en de doden; want gelijk de sacramenten van het Oude Testament duurden tot op de eerste toekomst van Christus in het vlees, zo zullen de sacramenten van het Nieuwe Testament duren tot zijn tweede komst in heerlijkheid.
[^1korinthiers-11-26-l]: Verwijzing l: Joh. 14:3; Hand. 1:11. Johannes 14:3: En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben. Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.
[^1korinthiers-11-27-m]: Verwijzing m: Num. 9:10; idem v. 13; Joh. 6:51; idem 6:63; idem 6:64; Joh. 13:27; 1 Kor. 10:21. Numeri 9:10: Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog YHWH het pascha houden. Numeri 9:13: Als een man, die rein is, en op de weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande van YHWH op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen. Johannes 6:51: Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld. Johannes 6:63: De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. Johannes 6:64: Maar er zijn sommigen van u, die niet geloven. Want Jezus wist van de beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou. Johannes 13:27: En na het brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastig. 1 Korinthiërs 10:21: U kunt de drinkbeker van de Heer niet drinken, en de drinkbeker van de duivelen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heer, en aan de tafel van de duivelen.
[^1korinthiers-11-27-71]: Kanttekening 71: Dat geschiedt wanneer de personen niet recht gesteld zijn, die ten Avondmaal gaan, zijnde òf openbare ergerlijke mensen, die ook daarvan moeten geweerd zijn, òf bedekte huichelaars, en in twist staande met hun naaste, en met haat, nijd, gierigheid en ongerechtigheid beladen, òf ook wanneer de gelovigen zelf zich daartoe niet behoorlijk hebben bereid, òf met behoorlijke aandacht het niet nuttigen.
[^1korinthiers-11-27-72]: Kanttekening 72: 72 zal schuldig zijn aan: Namelijk omdat hij het teken van het lichaam en bloed van Christus door zulke misbruiken smaadheid aandoet. Want de smaadheid, die men het zegel van de koning aandoet, wordt gehouden alsof zij de koning zelf aangedaan ware.
[^1korinthiers-11-28-n]: Verwijzing n: 2 Kor. 13:5. 2 Korinthiërs 13:5: Onderzoekt uzelven, of u in het geloof bent, beproeft uzelven. Of kent u uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent.
[^1korinthiers-11-28-73]: Kanttekening 73: 73 beproeve zichzelf: Dat is, onderzoeke zijn gemoed en consciëntie, of hij ook in zijn hart gevoelt een recht leedwezen en verdriet over zijn zonden, alsook een vast geloof en vertrouwen op de verdiensten van Jezus Christus, en daarenboven een ongeveinsd voornemen om de zonden meer en meer af te sterven, en in een nieuw godzalig leven voor God te wandelen. Zie Gen. 17:1; 2 Kor. 13:5. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 2 Korinthiërs 13:5: Onderzoekt uzelven, of u in het geloof bent, beproeft uzelven. Of kent u uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent.
[^1korinthiers-11-28-74]: Kanttekening 74: 74 ete zo: Namelijk nadat hij zichzelf terecht zal beproefd en zo bevonden hebben.
[^1korinthiers-11-28-75]: Kanttekening 75: 75 van het brood: Gr. uit (ἄρτος).
[^1korinthiers-11-28-76]: Kanttekening 76: 76 van de drinkbeker: Gr. uit.
[^1korinthiers-11-29-77]: Kanttekening 77: 77 een oordeel: Dat is, ene schuld of straf. Zie Matt. 23:14; Luk. 23:40; Rom. 2:3, en Rom. 5:16, en Rom. 13:2; Jak. 3:1. Dat verstaan wordt, òf van de eeuwige straffen ten aanzien van de huichelaars; òf van de tijdelijke kastijdingen ten aanzien van de gelovigen, het Avondmaal niet waardiglijk gebruikende, gelijk hierna verklaard wordt vers 30. Mattheüs 23:14: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. Lukas 23:40: Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? Romeinen 2:3: En denkt u dit, o mens, die oordeelt hen, die zulke dingen doen, en dezelfde doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten? Romeinen 5:16: En niet, gelijk de schuld was door de één, die gezondigd heeft, zo is de gift; want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking. Romeinen 13:2: Zo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelf een oordeel halen. Jakobus 3:1: Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen. 1 Korinthiërs 11:30: Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen.
[^1korinthiers-11-29-78]: Kanttekening 78: 78 niet onderscheidende het: Dat is, omdat hij geen onderscheid maakt tussen het brood van het Avondmaal, dat een heilig teken is van het lichaam van de Heer, en tussen algemeen voedsel; en zo zonder beproeving en eerbiedigheid hetzelfde eet, gelijk ander algemeen brood.
[^1korinthiers-11-30-79]: Kanttekening 79: Dat is, om dit misbruik van het heilige Avondmaal.
[^1korinthiers-11-30-80]: Kanttekening 80: Dat is, zijn al gestorven. Zie Matt. 9:24, en Matt. 27:52; Joh. 11:11; 1 Kor. 7:39, en 1 Kor. 15:6, 15:18; 1 Thess. 4:13. Mattheüs 9:24: Zei Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem. Mattheüs 27:52: En de graven werden geopend, en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; Johannes 11:11: Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken. 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer. 1 Korinthiërs 15:6: Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welke het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. 1 Korinthiërs 15:18: Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 1 Tessalonicenzen 4:13: Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
[^1korinthiers-11-31-o]: Verwijzing o: Ps. 32:5; Spreuk. 18:17. Psalmen 32:5: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor YHWH; en U vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela. Spreuken 18:17: Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.
[^1korinthiers-11-31-81]: Kanttekening 81: Of, onderscheiden; dat is, na een goede en ernstige beproeving van onszelven, recht oordeelden hoe het met ons gesteld is, of wij waardiglijk aan de tafel van de Heer mogen gaan of niet; en zo wij ons bevinden onwaardig, dat wij ons onthouden van dat heilige voedsel, totdat wij ons leven zullen gebeterd hebben.
[^1korinthiers-11-31-82]: Kanttekening 82: 82 geoordeeld worden: Dat is, gestraft of gekastijd van de Heer met zodanige plagen, als tevoren verhaald zijn vers 30. 1 Korinthiërs 11:30: Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen.
[^1korinthiers-11-32-83]: Kanttekening 83: 83 Maar als wij: Deze troost doet de apostel daarbij, opdat de gelovigen door de hardheid van de voorgaande bestraffingen niet te zeer zouden verslagen worden. De troost bestaat in twee delen: Eerstelijk, dat zulke plagen geen straffen eigenlijk zijn, maar vaderlijke kastijdingen of tuchtigingen; ten tweede, dat zij tot een goed einde van God toegezonden worden, namelijk tot onze zaligheid, opdat wij daardoor tot ware bekering gebracht worden en met de goddelozen niet verdoemd worden.
[^1korinthiers-11-33-84]: Kanttekening 84: 84 om te eten: Namelijk het Avondmaal van de Heer, of ook om daarna te houden de maaltijden van de liefde, in welke de rijken de armen niet verwachtten, uit verachting derzelven.
[^1korinthiers-11-33-85]: Kanttekening 85: 85 verwacht elkaar: Namelijk totdat u alle bijeengekomen bent; of dat de ene wacht totdat de ander aan de tafel zal geweest zijn, om niet ongeschikt elkaar te verdringen.
[^1korinthiers-11-34-86]: Kanttekening 86: 86 dat hij te huis ete: Dat is, zo iemand zolang niet kan vasten, totdat het Avondmaal van de Heer is gehouden, dat hij liever in zijn huis zich ontnuchtere, voordat hij in de vergadering komt en aan de tafel van de Heer gaat.
[^1korinthiers-11-34-87]: Kanttekening 87: 87 tot een oordeel: Dat is, met onordelijkheid en ongeschiktheid u ene straf op de hals haalt. Zie vers 29. 1 Korinthiërs 11:29: Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heer.
[^1korinthiers-11-34-88]: Kanttekening 88: 88 De overige dingen: Namelijk aangaande de goede orde, die in het plegen van de uiterlijken godsdienst in uwe vergaderingen moet onderhouden worden; want daarvan spreekt hij hier, en niet van zaken die de leer of zeden aangaan, gelijk het woord ordineren, dat hij hier gebruikt, ook medebrengt.

### 1 Korinthiërs 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/12.json)

*1 De apostel bestraft voorts de onenigheid onder de Korinthiers, ontstaan uit de verscheidenheid van de geestelijke gaven en de kerkelijke bedieningen, en leert dat zij zich daarom niet moeten verheffen of anderen verachten, aangezien zij tevoren allen heidenen zijn geweest en de Heilige Geest hun deze verleend heeft. 4 Dat dezelfde Geest deze gaven in de een minder, in de ander meer, verschillend werkt naar zijn welbehagen, opdat zij tot gemeenschappelijk gebruik en nut van de hele gemeente besteed worden: welke gaven hij er negen opnoemt. 12 Dit verklaart hij door een gelijkenis van de verschillende leden van een lichaam, waarmee hij leert dat ook de geringste gaven hun nut en noodzaak hebben, en dat daarom zij die de voortreffelijkste gaven ontvangen hebben, niet mogen verachten die mindere hebben. 25 maar dat ieder zijn gaven moet besteden tot dienst van anderen en van het hele lichaam van de gemeente. 28 Dat God, evenals de gaven, ook de bedieningen in de gemeente niet eenvormig, noch even waardig, heeft ingesteld. 31 Doch dat ieder evenwel moet streven naar de beste gaven.*

**1** En van[^1korinthiers-12-1-1] de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet,[^1korinthiers-12-1-2] dat u onwetend bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v1)

**2** U weet, dat u heidenen was,[^1korinthiers-12-2-3] tot de stomme afgoden[^1korinthiers-12-2-4] heengetrokken,[^1korinthiers-12-2-5] naar dat u geleid werdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v2)

**3** Daarom maak ik u bekend,[^1korinthiers-12-3-a] dat niemand, die[^1korinthiers-12-3-6] door de Geest van God spreekt, Jezus[^1korinthiers-12-3-7] een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus[^1korinthiers-12-3-8] de[^1korinthiers-12-3-b] Heere te zijn, dan[^1korinthiers-12-3-9] door de Heilige Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v3)

**4** [^1korinthiers-12-4-c] En er is[^1korinthiers-12-4-10] verscheidenheid[^1korinthiers-12-4-11] van de gaven, maar het is[^1korinthiers-12-4-12] dezelfde Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v4)

**5** En er is verscheidenheid[^1korinthiers-12-5-13] van de bedieningen, en het is[^1korinthiers-12-5-14] dezelfde Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v5)

**6** En er is verscheidenheid[^1korinthiers-12-6-15] van de werkingen, maar het is[^1korinthiers-12-6-16] dezelfde God, Die alles in allen werkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v6)

**7** Maar aan ieder wordt[^1korinthiers-12-7-17] de openbaring van de Geest gegeven[^1korinthiers-12-7-18] tot wat raadzaam is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v7)

**8** Want deze wordt door de Geest gegeven[^1korinthiers-12-8-19] het woord van de wijsheid, en een ander[^1korinthiers-12-8-20] het woord van de[^1korinthiers-12-8-21] kennis, door dezelfde Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v8)

**9** En een ander[^1korinthiers-12-9-22] het geloof,[^1korinthiers-12-9-23] door dezelfde Geest; en een ander de gaven[^1korinthiers-12-9-24] van de[^1korinthiers-12-9-25] gezondmakingen, door dezelfde Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v9)

**10** En een ander[^1korinthiers-12-10-26] de werkingen van de krachten; en een ander[^1korinthiers-12-10-27] profetie; en een ander[^1korinthiers-12-10-28] onderscheidingen van de geesten; en een ander[^1korinthiers-12-10-29] menigerlei talen; en een ander uitlegging[^1korinthiers-12-10-30] van de talen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v10)

**11** Maar deze dingen alle[^1korinthiers-12-11-d] werkt[^1korinthiers-12-11-31] één en dezelfde Geest,[^1korinthiers-12-11-e] delende aan ieder in het[^1korinthiers-12-11-32] bijzonder, zoals Hij wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v11)

**12** [^1korinthiers-12-12-33][^1korinthiers-12-12-f] Want zoals het lichaam[^1korinthiers-12-12-34] één is, en[^1korinthiers-12-12-35] vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn,[^1korinthiers-12-12-36] zo ook Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v12)

**13** Want ook[^1korinthiers-12-13-37] wij allen[^1korinthiers-12-13-38] zijn door één Geest[^1korinthiers-12-13-39] tot één lichaam gedoopt;[^1korinthiers-12-13-40][^1korinthiers-12-13-g] hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen[^1korinthiers-12-13-41] tot één Geest[^1korinthiers-12-13-42] gedrenkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v13)

**14** Want ook het lichaam is niet één[^1korinthiers-12-14-43] lid, maar vele leden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v14)

**15** Als de voet zei: Omdat ik de hand niet ben, zo ben ik[^1korinthiers-12-15-44] van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v15)

**16** En als het oor zei: Omdat ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v16)

**17** [^1korinthiers-12-17-45] Ware het hele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het hele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v17)

**18** Maar nu heeft God de leden gezet, ieder daarvan[^1korinthiers-12-18-46] in het lichaam,[^1korinthiers-12-18-47] zoals Hij gewild heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v18)

**19** [^1korinthiers-12-19-48] Waren zij alle maar één lid,[^1korinthiers-12-19-49] waar zou het lichaam zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v19)

**20** Maar nu zijn er wel[^1korinthiers-12-20-50] vele leden,[^1korinthiers-12-20-51] maar slechts één lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v20)

**21** En[^1korinthiers-12-21-52] het oog kan niet zeggen tot[^1korinthiers-12-21-53] de hand: Ik heb u niet nodig; of opnieuw het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet nodig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v21)

**22** Ja eerder, de leden, die ons dunken de zwakste van het lichaam te zijn,[^1korinthiers-12-22-54] die zijn nodig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v22)

**23** En die[^1korinthiers-12-23-55] ons dunken de minst eerlijke leden van het lichaam te zijn, dezelfde[^1korinthiers-12-23-56] doen wij overvloediger eer aan; en onze[^1korinthiers-12-23-57] onsierlijke leden hebben[^1korinthiers-12-23-58] overvloediger versiering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v23)

**24** Maar onze sierlijke[^1korinthiers-12-24-59] hebben het niet nodig; maar God heeft het lichaam[^1korinthiers-12-24-60] zo samengevoegd,[^1korinthiers-12-24-61] gevende overvloediger eer[^1korinthiers-12-24-62] aan wat dezelfde gebrek heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v24)

**25** Opdat[^1korinthiers-12-25-63] geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkaar[^1korinthiers-12-25-64] gelijke zorg zouden dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v25)

**26** En hetzij dat één lid lijdt,[^1korinthiers-12-26-65] zo lijden al de leden mee; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v26)

**27** [^1korinthiers-12-27-h] En[^1korinthiers-12-27-66] u bent het lichaam van Christus, en leden[^1korinthiers-12-27-67] in het bijzonder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v27)

**28** En God heeft er[^1korinthiers-12-28-68] sommigen in de Gemeente gesteld,[^1korinthiers-12-28-69][^1korinthiers-12-28-i] ten eerste apostelen,[^1korinthiers-12-28-70][^1korinthiers-12-28-k] ten tweede profeten, ten derde[^1korinthiers-12-28-71] leraars, daarna[^1korinthiers-12-28-72] krachten, daarna[^1korinthiers-12-28-73] gaven van de[^1korinthiers-12-28-74] gezondmakingen, behulpsels,[^1korinthiers-12-28-75] regeringen,[^1korinthiers-12-28-76] menigerlei talen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v28)

**29** [^1korinthiers-12-29-77] Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v29)

**30** Hebben zij allen gaven van de gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij[^1korinthiers-12-30-78] allen uitleggers? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v30)

**31** Maar ijvert naar[^1korinthiers-12-31-79] de beste gaven; en ik wijs u[^1korinthiers-12-31-80] een weg, die nog uitmuntender is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/12.html#v31)

[^1korinthiers-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 de geestelijke gaven: Hij verstaat daardoor niet zozeer de inwendige geestelijke gave van het geloof en van de wedergeboorte, als de uitwendige en wonderbaarlijke gaven, die met oplegging van de handen toentertijd sommigen door de Heilige Geest gegeven werden, en hier genaamd worden gaven, vers 4, en werkingen, vers 6, en verhaald worden vers 8, 12:9, 12:10. 1 Korinthiërs 12:4: En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest; 1 Korinthiërs 12:6: En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 1 Korinthiërs 12:8: Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest; 1 Korinthiërs 12:9: En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-12-1-2]: Kanttekening 2: 2 dat u onwetende bent: Namelijk vanwaar die komen, tot welk einde die gegeven worden, en hoe zij gebruikt moeten worden.
[^1korinthiers-12-2-3]: Kanttekening 3: 3 tot de stomme: Om die te dienen en hen van toekomende dingen te vragen, die noch leven, noch verstand, noch spraak hebben; zie Ps. 115:4, 115:5, 115:6, 115:7; Hab. 2:18. Psalmen 115:4: Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de handen van de mens; Psalmen 115:5: Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; Psalmen 115:6: Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet; Psalmen 115:7: Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel. Habakuk 2:18: Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, dat een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
[^1korinthiers-12-2-4]: Kanttekening 4: Namelijk als domme beesten u latende verleiden door allerlei leugens en bedriegerijen. Zie dergelijke 2 Tim. 2:26. 2 Timotheüs 2:26: En zij opnieuw ontwaken mochten uit de strik van de duivel, onder welke zij gevangen waren tot zijn wil.
[^1korinthiers-12-2-5]: Kanttekening 5: 5 naar dat u geleid werdt: Namelijk van de afgodische papen, waarzeggers en andere instrumenten van de duivel, de ene tot de ene, de andere tot de andere afgod.
[^1korinthiers-12-3-a]: Verwijzing a: Mark. 9:39. Marcus 9:39: Maar Jezus zei: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastig van Mij zal kunnen kwalijk spreken.
[^1korinthiers-12-3-6]: Kanttekening 6: Gr. in.
[^1korinthiers-12-3-7]: Kanttekening 7: 7 een vervloeking: Gr. Anathema (Αναθεμα); van welk woord zie Hand. 23:12; Rom. 9:3; Gal. 1:8, 1:9. Dit deden de heidenen en vijanden van de Christelijken godsdienst. Zie Plin. ad Trajan. lib. 10, Epist 97. Handelingen 23:12: En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenspanning, en vervloekten zichzelf, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. Romeinen 9:3: Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees; Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Galaten 1:9: Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu opnieuw: Als u iemand een Evangelie verkondigt, buiten wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt.
[^1korinthiers-12-3-8]: Kanttekening 8: 8 de Heer te zijn: Dat is, erkennen en belijden dat Hij is de ware Zoon van God, de beloofde Messias en Zaligmaker van de wereld.
[^1korinthiers-12-3-b]: Verwijzing b: Joh. 13:13; 1 Kor. 8:6. Johannes 13:13: U heet Mij Meester en Heer; en u zegt wel, want Ik ben het. 1 Korinthiërs 8:6: Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^1korinthiers-12-3-9]: Kanttekening 9: Gr. in.
[^1korinthiers-12-4-c]: Verwijzing c: Rom. 12:6; 1 Petr. 4:10. Romeinen 12:6: Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, 1 Petrus 4:10: Een iedereen, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God.
[^1korinthiers-12-4-10]: Kanttekening 10: Gr. daar zijn verscheidenheden; dat is, de gaven zijn velerhande, de ene treffelijker dan de andere, en ook verscheidenlijk gedeeld, aan deze en niet aan genen, en dat met verscheidene mate. Zie vers 8, enz. 1 Korinthiërs 12:8: Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest;
[^1korinthiers-12-4-11]: Kanttekening 11: 11 van de gaven: Namelijk van profeteren, met vreemde talen spreken en dergelijke, die hierna verhaald worden.
[^1korinthiers-12-4-12]: Kanttekening 12: 12 dezelfde Geest: Namelijk die al deze gaven werkt en uitdeelt, en daarom behoort degene, die de treffelijkste ontvangen heeft, zich daarover niet te verhovaardigen, of dengene, die mindere heeft, te verachten, omdat Hij aan dezelfde immers zo treffelijke gaven had kunnen geven als aan de andere.
[^1korinthiers-12-5-13]: Kanttekening 13: 13 van de bedieningen: Dat is, kerkelijke diensten, die verhaald worden vers 28. 1 Korinthiërs 12:28: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^1korinthiers-12-5-14]: Kanttekening 14: 14 dezelfde Heer: Namelijk Jezus Christus, die ze heeft ingesteld, en die de ene beroept tot deze dienst, en de andere tot een andere, zo het hem belieft. Zie Ef. 4:11. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^1korinthiers-12-6-15]: Kanttekening 15: 15 van de werkingen: Dat is, van de wonderbaarlijke gaven van gezondmakingen en andere mirakelen. Zie vers 9, 12:10. 1 Korinthiërs 12:9: En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-12-6-16]: Kanttekening 16: 16 dezelfde God: Namelijk de Vader door zijn Zoon en Heilige Geest, aan wie de werkingen van deze gaven mee toegeschreven worden; Joh. 5:19, 5:21, en hier, vers 11. Johannes 5:19: Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelfde doet ook de Zoon evenzo. Johannes 5:21: Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. 1 Korinthiërs 12:11: Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan ieder in het bijzonder, zoals Hij wil.
[^1korinthiers-12-7-17]: Kanttekening 17: 17 de openbaring: Of, betoning; dat is, de gave, waardoor betoond en bekend wordt dat de Geest zulks in hem gewrocht heeft.
[^1korinthiers-12-7-18]: Kanttekening 18: 18 tot wat oorbaar is: Namelijk tot stichting van de gemeente, en tot algemenen dienst van allen. En daarom moeten zij ook tot geen ander einde gebruikt worden, niet tot verhovaardiging, of tot verachting van anderen.
[^1korinthiers-12-8-19]: Kanttekening 19: 19 het woord van de wijsheid: Dat is, de gave van uitnemend wel te verstaan de goddelijke dingen, en dezelfde tot zaligheid en dienst van de mensen voorzichtig te kunnen toepassen en gebruiken.
[^1korinthiers-12-8-20]: Kanttekening 20: 20 het woord van de kennis: Dat is, de gave van wèl ervaren te zijn in de Heilige Schrift, en de rechten zin derzelve grondig te verstaan; welke gave sommigen wel hebben, al is het dat zij daarbij niet hebben bekwaamheid om deze kennis, òf anderen mee te delen, òf tot gebruik wel toe te passen.
[^1korinthiers-12-8-21]: Kanttekening 21: 21 door dezelfde Geest: Of, naar dezelfde Geest.
[^1korinthiers-12-9-22]: Kanttekening 22: 22 het geloof: Namelijk van wonderen te doen, dat is een bijzonder vertrouwen, dat God hierin ons zal geven, wat wij van Hem in Christus' naam zullen bidden, te boven gaande de loop van de natuur. Zie Matt. 17:20; Hand. 14:8; 1 Kor. 13:2. Mattheüs 17:20: En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Handelingen 14:8: En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld. 1 Korinthiërs 13:2: En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
[^1korinthiers-12-9-23]: Kanttekening 23: 23 door dezelfde Geest: Grieks, in dezelfde Geest (πνεῦμα).
[^1korinthiers-12-9-24]: Kanttekening 24: 24 van de gezondmakingen: Namelijk niet door gewone middelen van medicijnen, maar met een woord, met aanraken of anders bij wonder, gelijk Petrus, Hand. 3:6, Paulus, Hand. 28:8. Zie ook Hand. 14:3, en Hand. 19:11, 19:12; Jak. 5:14, 5:15. Handelingen 3:6: En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geve ik u; in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel! Handelingen 28:8: En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en de roden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond. Handelingen 14:3: Zij verbleven dan daar een langen tijd, vrijmoedig sprekende in de Heer, Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen. Handelingen 19:11: En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus; Handelingen 19:12: Zo dat ook van zijn lijf op de zieken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren. Jakobus 5:14: Is iemand ziek onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen van de Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in de Naam van de Heer. Jakobus 5:15: En het gebed van het geloof zal de zieke behouden, en de Heer zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.
[^1korinthiers-12-9-25]: Kanttekening 25: Grieks, in.
[^1korinthiers-12-10-26]: Kanttekening 26: 26 de werkingen van de krachten: Hierdoor wordt verstaan de gave om wonderen te doen, niet alleen tot hulp en dienst van de mensen, maar ook tot straf van de huichelaars of vijanden van Christus en van Zijn leer. Zie Hand. 5:5, in Petrus, en Hand. 13:11, in Paulus. Handelingen 5:5: En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden. Handelingen 13:11: En nu zie, de hand van de Heer is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En ogenblikkelijk viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
[^1korinthiers-12-10-27]: Kanttekening 27: Dat is om toekomende dingen zekerlijk tevoren te zeggen, welke gave gehad hebben Agabus, Hand. 11:27, 11:28, en Hand. 21:10; de vier dochters van Filippus, Hand. 21:9, of ook om de profetische schriften uit te leggen, tot stichting, vermaning en vertroosting, 1 Kor. 14:3; zie Rom. 12:7. Dan, hier schijnt het voor de eerste soort van profeteren genomen te worden. Handelingen 11:27: En in dezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. Handelingen 11:28: En één uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder de keizer Claudius. Handelingen 21:10: En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea, met name Agabus; Handelingen 21:9: Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting. Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;
[^1korinthiers-12-10-28]: Kanttekening 28: 28 onderscheidingen van de geesten: Dat is, de gave om de oprechte en valse leraars te onderkennen, en de gemeente voor de valse te waarschuwen. Zie 1 Joh. 4:1. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^1korinthiers-12-10-29]: Kanttekening 29: 29 menigerlei talen: Gr. soorten van tongen; namelijk die zij niet geleerd hebben, maar die zij door een bijzonder wonder en goddelijke onderwijzing en ingeven kunnen spreken. Zie Mark. 16:17, en Hand. 2:4. Marcus 16:17: En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken. Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
[^1korinthiers-12-10-30]: Kanttekening 30: 30 van de talen: Gr. van de tongen; dat is, die wat in een onbekende taal geschreven of gesproken was, met een bekende taal duidelijk konden uitleggen en anderen, die dezelfde niet verstaan, verklaren.
[^1korinthiers-12-11-d]: Verwijzing d: Rom. 12:3; idem v. 6; Efez. 4:7. Romeinen 12:3: Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iedereen, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iedereen de mate van het geloof gedeeld heeft. Romeinen 12:6: Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, Efeziërs 4:7: Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^1korinthiers-12-11-31]: Kanttekening 31: 31 een en dezelfde Geest: Zie vers 4. 1 Korinthiërs 12:4: En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest;
[^1korinthiers-12-11-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 7:7; 2 Kor. 10:13. 1 Korinthiërs 7:7: Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 2 Korinthiërs 10:13: Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat van de regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen.
[^1korinthiers-12-11-32]: Kanttekening 32: 32 zoals Hij wil: Namelijk de Heilige Geest, die aan niemand gehouden of door niemands bekwaamheid bewogen zijnde, deze gaven geeft naar zijn vrij believen en welbehagen.
[^1korinthiers-12-12-33]: Kanttekening 33: 33 Want gelijk: Deze gelijkenis gebruikt ook de apostel, Rom. 12:4, 12:5; Ef. 4:12, 4:16, en is zeer bekwaam om de leden van een geestelijk lichaam tot vrede en enigheid te vermanen. Romeinen 12:4: Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. Efeziërs 4:12: Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 4:16: Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijn zelfs opbouwing in de liefde.
[^1korinthiers-12-12-f]: Verwijzing f: Rom. 12:4; idem v. 5; Efez. 4:16. Romeinen 12:4: Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. Efeziërs 4:16: Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van een iedereen deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijn zelfs opbouwing in de liefde.
[^1korinthiers-12-12-34]: Kanttekening 34: 34 één is: Dat is, niet in vele lichamen verdeeld, zo is ook de algemene Christelijke Kerk maar één geestelijk lichaam, Hoogl. 6:9; Rom. 12:5; Ef. 2:14, en Ef. 4:4, 4:5, welke enigheid niemand door twist of scheuringen moet verbreken. Hooglied 6:9: Een enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige van haar moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. Efeziërs 2:14: Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende, Efeziërs 4:4: Een lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping; Efeziërs 4:5: Één Heer, één geloof, één doop,
[^1korinthiers-12-12-35]: Kanttekening 35: 35 vele leden heeft: Namelijk hebbende verscheidene gaven, waardigheid en bediening.
[^1korinthiers-12-12-36]: Kanttekening 36: 36 zo ook Christus: Namelijk heeft maar één lichaam, waarvan hij het hoofd is, en dat vele en verscheidene leden heeft. Of, zo ook Christus, dat is het lichaam van Christus, namelijk de gemeente, die zo van hun hoofd genaamd wordt.
[^1korinthiers-12-13-37]: Kanttekening 37: 37 wij allen: Namelijk gelovigen, die tot dit lichaam van Christus als leden behoren.
[^1korinthiers-12-13-38]: Kanttekening 38: 38 zijn door één Geest: Gr. in enen Geest (πνεῦμα); dat is, door de Geest van de wedergeboorte, die maar één is, en dienvolgens ons ook tot enigheid vermaant en verbindt.
[^1korinthiers-12-13-39]: Kanttekening 39: 39 tot één lichaam gedoopt: Namelijk de gemeente van Christus, die wij ingelijfd worden door de doop, welke het bad van de wedergeboorte is, Ef. 5:26; Tit. 3:5, en ons ook tot enigheid verbindt. Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Titus 3:5: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest;
[^1korinthiers-12-13-40]: Kanttekening 40: 40 hetzij Joden: Dat is, van wat afkomst, staat, of rang wij zijn.
[^1korinthiers-12-13-g]: Verwijzing g: Galat. 3:28. Galaten 3:28: Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus.
[^1korinthiers-12-13-41]: Kanttekening 41: 41 tot één Geest: Of, door één Geest.
[^1korinthiers-12-13-42]: Kanttekening 42: Dat is, ook het Avondmaal van de Heer, waarin wij allen éénen drank uit éénen drinkbeker drinken, vermaant en verbindt ons dat wij, alle verdeeldheden vermijdende, naar enigheid staan om een geestelijk lichaam en eensgezind te zijn. Dergelijke rede gebruikt de apostel 1 Kor. 10:17, dat gelijk wij in het Avondmaal allen eens broods deelachtig zijn, wij zo ook daardoor vermaand worden, dat wij velen één lichaam zijn. 1 Korinthiërs 10:17: Want een brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen eens broods deelachtig zijn.
[^1korinthiers-12-14-43]: Kanttekening 43: 43 één lid: Namelijk alleen, of bestaat niet uit één lid alleen, maar uit vele en verscheidene, zo bestaat ook het lichaam van de gemeente uit vele leden, die verscheidene gaven en bedieningen hebben, van welke sommigen regeren, anderen geregeerd worden, sommigen leren, anderen geleerd worden, sommigen in de gemeente spreken, en anderen toehoren.
[^1korinthiers-12-15-44]: Kanttekening 44: 44 van het lichaam niet: Gr. uit het lichaam niet (σῶμα). Bij de voet en het oor vergelijkt de apostel hier dengen, die mindere gaven of bedieningen hebben in de gemeente, en bij de hand en het oog, die meerdere en treffelijker hebben; en vermaant daarmede de eersten, dat zij de anderen hun grote gaven en bedieningen niet moeten misgunnen, maar met hun staat en toestand tevreden zijn; Deut. 28:13. Deuteronomium 28:13: En YHWH zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van YHWH, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
[^1korinthiers-12-17-45]: Kanttekening 45: 45 Ware het gehele lichaam: De apostel wijst hiermede aan, hoe nodig het is dat in de gemeente deze verscheidenheid van de gaven en bedieningen is, tot welstand derzelve.
[^1korinthiers-12-18-46]: Kanttekening 46: 46 in het lichaam: Elk namelijk op zijn plaats, en elk tot zijn bijzonder gebruik en dienst voor het gehele lichaam; zo doet hij ook aangaande de leden van de gemeente, die hij schikt elk tot zijn bijzonderen dienst, en daartoe elk zijn gaven mededeelt.
[^1korinthiers-12-18-47]: Kanttekening 47: 47 gelijk Hij gewild heeft: Zie tevoren vers 11. 1 Korinthiërs 12:11: Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan ieder in het bijzonder, zoals Hij wil.
[^1korinthiers-12-19-48]: Kanttekening 48: 48 Waren zij alle maar een lid: Dat is, hadden de leden van de gemeente allen enerlei bediening en gaven.
[^1korinthiers-12-19-49]: Kanttekening 49: 49 waar zou het: Dat is, hoe zou de gemeente kunnen bestaan, en gesticht worden? Want één lid kan dat niet alleen doen.
[^1korinthiers-12-20-50]: Kanttekening 50: 50 vele leden: Namelijk hebbende verscheidene beroepingen, gaven en werkingen.
[^1korinthiers-12-20-51]: Kanttekening 51: 51 maar slechts één lichaam: Namelijk tot wier nut en stichting elk het zijne moet besteden en toebrengen.
[^1korinthiers-12-21-52]: Kanttekening 52: 52 het oog kan niet: Dat is, degenen, die de treffelijkste beroepingen, gaven of bedieningen hebben, gelijk mee door het hoofd verstaan worden de voorstanders en regeerders van de gemeente.
[^1korinthiers-12-21-53]: Kanttekening 53: 53 tot de hand: Dat is, tot degenen, die ook wel treffelijke gaven of bedieningen hebben, maar zo uitnemend niet als het oog. Zie Deut. 28:13. Deuteronomium 28:13: En YHWH zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van YHWH, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
[^1korinthiers-12-22-54]: Kanttekening 54: 54 die zijn nodig: Namelijk tot onderhouding en dienst van het hele lichaam, want het oog kan niets krijgen of aangrijpen zonder de hand, en het hoofd niet wandelen zonder de voeten.
[^1korinthiers-12-23-55]: Kanttekening 55: 55 ons dunken de minst: Gene ledematen, aan het lichaam van God geschapen, zijn in zichzelf onaanzienlijk; maar dat sommige daarvoor gehouden worden, dat geschiedt naar het dunken van de mensen, volgens het gebruik dat zij in het lichaam hebben.
[^1korinthiers-12-23-56]: Kanttekening 56: 56 doen wij overvloediger eer: Gr. dezelfde omzetten wij overvloediger eer; namelijk met dezelfde te dekken en dezelfde met eerbaarheid te noemen.
[^1korinthiers-12-23-57]: Kanttekening 57: 57 onsierlijke leden: Namelijk die mismaakt, verdraaid of verkort zijn, of enig ander gebrek hebben, of die omwille van de eerbaarheid moeten gedekt worden.
[^1korinthiers-12-23-58]: Kanttekening 58: 58 overvloediger versiering: Zo men dezelfde gebreken zoekt te dekken of met enig sieraad van kleding te verschonen. Zo behoort men ook te doen de eenvoudigen lidmaten van de gemeente, die men daarom niet moet verachten, maar veel meer vereren en hun gebreken dekken.
[^1korinthiers-12-24-59]: Kanttekening 59: 59 hebben het niet nodig: Namelijk om meer versierd te worden, zijnde sierlijk genoeg van zichzelf.
[^1korinthiers-12-24-60]: Kanttekening 60: Gr. tezamen gemengd, of getemperd.
[^1korinthiers-12-24-61]: Kanttekening 61: 61 gevende overvloediger eer: Dat is, ons lerende en bevelende door de natuurlijke eerbaarheid zulke leden te eren.
[^1korinthiers-12-24-62]: Kanttekening 62: 62 aan wat dezelfde gebrek heeft: Dat is, aan zulk een lid, dat deze eer van doen heeft. Dat ons dan moet vermanen, dat wij hetzelfde ook behoren te doen aan de onaanzienlijke lidmaten van de gemeente.
[^1korinthiers-12-25-63]: Kanttekening 63: 63 geen tweedracht: Gr. scheuring; namelijk die noodzakelijk zou ontstaan als het ene lid het andere niet zou willen dienen naar behoren; en hetzelfde zou noodzakelijk strekken tot ondergang van het hele lichaam. Zo ook in de gemeente.
[^1korinthiers-12-25-64]: Kanttekening 64: Gr. dezelfde.
[^1korinthiers-12-26-65]: Kanttekening 65: 65 zo lijden al de: Dat is, tonen metterdaad, dat het hem mee betreft, en alles toebrengen om het lijdende lid van het lijden te bevrijden. Zo moeten ook doen de leden van de gemeente Hebr. 13:3. Hebreeën 13:3: Gedenkt van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld was.
[^1korinthiers-12-27-h]: Verwijzing h: Rom. 12:5; Efez. 1:23; Efez. 4:12; Efez. 5:23; Kolos. 1:24. Romeinen 12:5: Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. Efeziërs 1:23: Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Van Degene, Die alles in allen vervult. Efeziërs 4:12: Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 5:23: Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behoudervan het lichaamm. Kolossenzen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^1korinthiers-12-27-66]: Kanttekening 66: 66 u bent het: De apostel past nu de voorgaande gelijkenis op de gemeente, die het geestelijk lichaam van Christus is, waarvan elk gelovige in het bijzonder een lidmaat is, die zich daarom tegen zijn medelidmaten zo behoort te gedragen, gelijk in de gelijkenis aangewezen is, dat de uiterlijke lidmaten van een lichaam tegen elkaar doen.
[^1korinthiers-12-27-67]: Kanttekening 67: 67 in het bijzonder: Gr. uit een deel; dat is, elk gelovige is een bijzonder lid en deel van hetzelfde lichaam, dat bestaat uit alle delen en lidmaten samengevoegd; zo moet dan elk deel in zijn orde aangezien en geacht worden, en alles toebrengen tot dienst en nut van het geheel.
[^1korinthiers-12-28-68]: Kanttekening 68: 68 in de gemeente gesteld: Namelijk om in dezelfde enige diensten te bedienen. Van welke bedieningen hij nu verder handelt, tot verklaring van vers 5. 1 Korinthiërs 12:5: En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer;
[^1korinthiers-12-28-69]: Kanttekening 69: 69 ten eerste apostelen: Van het woord apostelen, zie Luk. 6:13. Aan dezen wordt de eerste en voornaamste plaats toegeschreven onder de kerkedienaars van het Nieuwe Testament, omdat zij van Christus zelf zonder middel van mensen geroepen waren, Gal. 1:1, in het leren niet konden dwalen, door de gehele wereld gezonden werden om te prediken, en met bijzondere macht om wonderen te doen en de ongehoorzamen te straffen, voorzien waren. Lukas 6:13: En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft,
[^1korinthiers-12-28-i]: Verwijzing i: Efez. 4:11. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^1korinthiers-12-28-70]: Kanttekening 70: 70 ten tweede profeten: Zie vers 10, en Rom. 12:7; Ef. 4:11. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen. Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^1korinthiers-12-28-k]: Verwijzing k: Efez. 2:20. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1korinthiers-12-28-71]: Kanttekening 71: Dat is, die gewoonlijk geroepen zijn om de Schrift tot stichting van de gemeente uit te leggen, en de leer derzelve tegen de valse leraars voor te staan en te verdedigen. Zie Ef. 4:11. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^1korinthiers-12-28-72]: Kanttekening 72: Dat is, die begaafd zijn met de gave om door wonderen de leer te bevestigen, en met macht om de hardnekkigen wonderbaarlijk te straffen.
[^1korinthiers-12-28-73]: Kanttekening 73: 73 gaven van de gezondmakingen: Die zulke gave hebben om door wonderen ongeneeslijke en alle andere ziekten te genezen. Zie vers 9. 1 Korinthiërs 12:9: En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest.
[^1korinthiers-12-28-74]: Kanttekening 74: Dat is, die de armen en zieken bezorgen en helpen.
[^1korinthiers-12-28-75]: Kanttekening 75: Dat is, die gesteld zijn, om de gemeente in goed orde te houden en te bestieren, welke zijn de ouderlingen; Rom. 12:8; 1 Tim. 5:17. Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
[^1korinthiers-12-28-76]: Kanttekening 76: 76 menigerlei talen: Gr. soorten van tongen. Zie vers 10. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-12-29-77]: Kanttekening 77: 77 Zijn zij allen apostelen: Dat is, omdat dan de dienaren van de kerk niet alle enerlei, noch evenwaardige bedieningen hebben, zo behoren degenen, die de hoogste hebben, niet te verachten degenen, die een mindere hebben; noch deze behoren de anderen zulks niet te misgunnen, en zo onder elkaar te twisten, maar hun dienst, elk in het zijne, te besteden tot stichting en vrede.
[^1korinthiers-12-30-78]: Kanttekening 78: Of, vertalers, namelijk van vreemde talen. Zie vers 10; 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-12-31-79]: Kanttekening 79: 79 de beste: Gr. de betere; dat is, hoewel de gaven verscheiden zijn, de ene treffelijker dan de andere, en dat elk met het zijne tevreden zijnde, hoe gering het ook is, hetzelfde moet zien te besteden tot het meeste nut en stichting van de gemeente, zo is het nochtans ook prijselijk, dat men daarna door behoorlijke middelen trachte, dat men de beste en treffelijkste mag bekomen.
[^1korinthiers-12-31-80]: Kanttekening 80: 80 een weg, die nog uitmuntender is: Gr. een weg naar uitnemendheid (ὁδός); namelijk die hij in het volgende hoofdstuk 1 Kor. 13. aanwijst, welke is, dat wij alle twisting, hovaardigheid en verachting nalatende, uit en naar liefde al ons doen aanstellen.

### 1 Korinthiërs 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/13.json)

*1 Wat de apostel aan het eind van het voorgaande hoofdstuk beloofd had, dat hij de Korinthiers een uitnemender weg zou wijzen, dat doet hij in dit hoofdstuk, lerend dat de liefde de voornaamste gave is waarnaar de christenen moeten streven, wat hij bewijst door vergelijking met andere grote gaven, zoals verschillende talen, profetie, kennis, wonderen doen, de armen mild bijstaan en moedig om de naam van Christus zelfs de dood lijden: en toont dat al zulke gaven zonder de liefde niets zijn. 4 en prijst de liefde vanwege haar voortreffelijke eigenschappen en werkingen. 8 en ook omdat zij altijd zal duren en blijven, terwijl de andere gaven zullen ophouden. 9 omdat zij in dit leven onvolmaakt zijn. 10 wat hij verklaart met de gelijkenis van de kennis van een kind en van een volwassen man, en van het zien in een spiegel en in het aangezicht zelf. 13 en ten slotte omdat de liefde groter en voortreffelijker is dan geloof en hoop.*

**1** Al was het, dat ik de[^1korinthiers-13-1-1] talen[^1korinthiers-13-1-2] van de mensen en[^1korinthiers-13-1-3] van de engelen sprak, en de liefde niet had, zo was ik een[^1korinthiers-13-1-4] klinkend[^1korinthiers-13-1-5] metaal, of luidende schel geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v1)

**2** [^1korinthiers-13-2-a] En al was het dat ik de[^1korinthiers-13-2-6] gave van de profetie had, en[^1korinthiers-13-2-7] wist al de geheimen en al de wetenschap; en al was het, dat ik al het[^1korinthiers-13-2-8] geloof had, zodat ik[^1korinthiers-13-2-b] bergen[^1korinthiers-13-2-9] verzette, en de liefde niet had,[^1korinthiers-13-2-10] zo was ik niets. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v2)

**3** En al was het, dat ik al mijn goederen[^1korinthiers-13-3-11] tot onderhoud van de armen uitdeelde, en al was het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik[^1korinthiers-13-3-12] verbrand zou worden, en[^1korinthiers-13-3-13] had de liefde niet, zo zou het mij[^1korinthiers-13-3-14] geen nut geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v3)

**4** [^1korinthiers-13-4-15][^1korinthiers-13-4-c] De liefde is[^1korinthiers-13-4-16] geduldig, zij is[^1korinthiers-13-4-17] goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet[^1korinthiers-13-4-18] lichtvaardig, zij is niet[^1korinthiers-13-4-19] hoogmoedig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v4)

**5** Zij handelt niet[^1korinthiers-13-5-20] ongeschiktelijk,[^1korinthiers-13-5-d] zij zoekt[^1korinthiers-13-5-21] zichzelf niet, zij wordt niet[^1korinthiers-13-5-22] verbitterd, zij[^1korinthiers-13-5-23] denkt geen kwaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v5)

**6** Zij verblijdt zich niet[^1korinthiers-13-6-24] in de[^1korinthiers-13-6-e] ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich[^1korinthiers-13-6-25] in de waarheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v6)

**7** Zij[^1korinthiers-13-7-26] bedekt alle dingen, zij[^1korinthiers-13-7-27] gelooft alle dingen, zij[^1korinthiers-13-7-28] hoopt alle dingen, zij[^1korinthiers-13-7-29] verdraagt alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v7)

**8** De liefde[^1korinthiers-13-8-30] vergaat[^1korinthiers-13-8-31] nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij[^1korinthiers-13-8-32] zullen[^1korinthiers-13-8-33] te niet gedaan worden; hetzij talen, zij[^1korinthiers-13-8-34] zullen[^1korinthiers-13-8-35] ophouden; hetzij kennis, zij[^1korinthiers-13-8-36] zal te niet gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v8)

**9** Want[^1korinthiers-13-9-37] wij kennen[^1korinthiers-13-9-38] ten dele, en wij profeteren ten dele; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v9)

**10** Maar wanneer[^1korinthiers-13-10-39] het volmaakte[^1korinthiers-13-10-40] zal gekomen zijn, dan zal wat[^1korinthiers-13-10-41] ten dele is, te niet gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v10)

**11** [^1korinthiers-13-11-42] Toen ik een kind was, sprak ik als een kind,[^1korinthiers-13-11-43] was ik gezind als een kind,[^1korinthiers-13-11-44] overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet[^1korinthiers-13-11-45] gedaan wat van een kind was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v11)

**12** [^1korinthiers-13-12-f] Want wij zien[^1korinthiers-13-12-46] nu door een[^1korinthiers-13-12-47] spiegel[^1korinthiers-13-12-48] in een raadsel, maar[^1korinthiers-13-12-49] dan zullen[^1korinthiers-13-12-51] wij zien aangezicht tot aangezicht;[^1korinthiers-13-12-52] nu[^1korinthiers-13-12-53] ken ik ten dele, maar[^1korinthiers-13-12-54] dan zal ik kennen, zoals ook ik[^1korinthiers-13-12-55] gekend ben.[^1korinthiers-13-12-50] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v12)

**13** En[^1korinthiers-13-13-56] nu[^1korinthiers-13-13-57] blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de[^1korinthiers-13-13-58] meeste van deze is de liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/13.html#v13)

[^1korinthiers-13-1-1]: Kanttekening 1: Gr. met tongen (τῶν).
[^1korinthiers-13-1-2]: Kanttekening 2: 2 van de mensen: Dat is, die enige mensen ter wereld zouden mogen spreken.
[^1korinthiers-13-1-3]: Kanttekening 3: 3 van de engelen: De engelen, die geesten zijn, Hebr. 1:14, hebben eigenlijk geen tongen, gelijk wij, maar dit moet verstaan worden van de voortreffelijkheid en menigte van de talen, die ook de engelen zouden mogen spreken, wanneer zij bij de mensen zijn. Hebreeën 1:14: Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^1korinthiers-13-1-4]: Kanttekening 4: Of, weerklinkende.
[^1korinthiers-13-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, metalen instrument waar men een groot geluid mee maakt zonder aangenaamheid of verstand.
[^1korinthiers-13-2-a]: Verwijzing a: Matt. 7:22; Rom. 12:7. Mattheüs 7:22: Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;
[^1korinthiers-13-2-6]: Kanttekening 6: 6 gave van de profetie had: Zie van deze gave Rom. 12:7, en 1 Kor. 12:10. Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-13-2-7]: Kanttekening 7: 7 wist al de verborgenheden: Zie ook van deze gave 1 Kor. 12:8, 12:10. 1 Korinthiërs 12:8: Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest; 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-13-2-8]: Kanttekening 8: 8 geloof had, zodat ik: Namelijk om allerlei wonderen te doen. Zie 1 Kor. 12:9, 12:10. 1 Korinthiërs 12:9: En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-13-2-b]: Verwijzing b: Matt. 17:20; Matt. 21:21; Mark. 11:23; Lukas 17:6. Mattheüs 17:20: En Jezus zei tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof hadt als een mosterdzaad, u zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Mattheüs 21:21: Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Als u geloof hadt, en niet twijfelde, u zoudt niet alleen doen, wat de vijgeboom is geschied; maar als u ook tot deze berg zeide: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou gebeuren. Marcus 11:23: Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt. Lukas 17:6: En de Heer zei: Zo u een geloof hadt als een mostaardzaad, u zoudt tegen deze moerbeziënboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.
[^1korinthiers-13-2-9]: Kanttekening 9: 9 bergen verzette: Dat is, één van de grootste wonderen deed, hoedanig zou zijn het verzetten van een berg van de ene plaats in een andere.
[^1korinthiers-13-2-10]: Kanttekening 10: 10 zo ware ik niets: Dat is, zo waren de gaven mij niet nut en dienstig ter zaligheid.
[^1korinthiers-13-3-11]: Kanttekening 11: 11 tot onderhoud: Het Griekse woord betekent het brood in stukken of beten snijden, om iemand te spijzigen.
[^1korinthiers-13-3-12]: Kanttekening 12: 12 verbrand zou worden: Namelijk om Christus' naam en waarheid; dat is het grootste werk van de Christelijke kloekmoedigheid.
[^1korinthiers-13-3-13]: Kanttekening 13: 13 had de liefde niet: Dat is, dat niet deed uit liefde van Gods eer, en om de gemeente daarmede te stichten en in de waarheid te bevestigen, maar uit eergierigheid of andere noden en inzichten.
[^1korinthiers-13-3-14]: Kanttekening 14: 14 gene nuttigheid geven: Of, niet baten.
[^1korinthiers-13-4-15]: Kanttekening 15: 15 De liefde is: Dat is, een mens, die de rechte liefde heeft.
[^1korinthiers-13-4-c]: Verwijzing c: Spreuk. 10:12; 1 Petr. 4:8. Spreuken 10:12: Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 1 Petrus 4:8: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.
[^1korinthiers-13-4-16]: Kanttekening 16: Dat is, verdraagt door de genade van de Heilige Geest de smaadheden en ongelijken haar aangedaan, en bedwingt de toorn en de wraakgierigheid.
[^1korinthiers-13-4-17]: Kanttekening 17: Dat is, genegen en bereid om iedereen, ook de vijanden, goed te doen.
[^1korinthiers-13-4-18]: Kanttekening 18: Of, verkeerd, voorbaarlijk, dartelijk; namelijk met woorden of met werken.
[^1korinthiers-13-4-19]: Kanttekening 19: Dat is, hovaardig, eergierig, veel van zichzelf houdende en anderen verachtende.
[^1korinthiers-13-5-20]: Kanttekening 20: Of, onbetamelijk.
[^1korinthiers-13-5-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 10:24; Fil. 2:4. 1 Korinthiërs 10:24: Niemand zoeke dat zijn zelfs is; maar een iedereen zoeke dat van de anderen is. Filippenzen 2:4: Een iedereen zie niet op het zijn, maar een iedereen zie ook op wat van de anderen is.
[^1korinthiers-13-5-21]: Kanttekening 21: 21 zichzelf niet: Gr. de dingen die zich zelfs zijn; dat is, de dingen, die hun eigen voordeel aangaan, maar het welvaren van de naaste en van velen.
[^1korinthiers-13-5-22]: Kanttekening 22: Namelijk tot toorn, hevigheid en wraakgierigheid.
[^1korinthiers-13-5-23]: Kanttekening 23: 23 zij denkt geen kwaad: Dat is, overlegt niet in haar gemoed, hoe zij de naaste enig kwaad zal doen uit wraakgierigheid. Of, vermoedt niets kwaads in het doen van de naaste, uit argwaan en kwaad nadenken, of rekent het kwaad niet toe.
[^1korinthiers-13-6-24]: Kanttekening 24: 24 in de ongerechtigheid: Of, over de ongerechtigheid; namelijk als iemand onrecht doet, of ook als iemand onrecht aangedaan wordt.
[^1korinthiers-13-6-e]: Verwijzing e: 2 Joh. v. 4. 2 Johannes 1:4: Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van de Vader.
[^1korinthiers-13-6-25]: Kanttekening 25: 25 in de waarheid: Of, met de waarheid; dat is, als iemand doet, of aan iemand gedaan wordt, dat recht en behoorlijk is.
[^1korinthiers-13-7-26]: Kanttekening 26: 26 Zij bedekt alle dingen: Of, verdraagt. Want het Griekse woord betekent beide. Maar omdat van de verdraagzaamheid daarin in vers 7 gesproken wordt, zo wordt het woord bedekken hier beter gebruikt, zo dit ook een eigen werk van de liefde is; Spreuk. 10:12; 1 Petr. 4:8. Of, zij neemt alle dingen in het goede en ten beste. 1 Korinthiërs 13:7: Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. Spreuken 10:12: Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 1 Petrus 4:8: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.
[^1korinthiers-13-7-27]: Kanttekening 27: 27 gelooft alle dingen: Namelijk die enigszins gelooflijk en niet openbaar vals zijn, namelijk aangaande het doen van zijn naaste, hetzelfde altijd ten beste duidende, zolang het tegendeel niet blijkt.
[^1korinthiers-13-7-28]: Kanttekening 28: 28 hoopt alle dingen: Namelijk van God, dat Hij hem verlossen en bijstaan zal, Job 13:15, en van de mensen, dat zij het zo kwalijk niet gemeend, gesproken of gedaan zullen hebben, of dat zij gevallen zijnde opnieuw zullen opstaan. Job 13:15: Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
[^1korinthiers-13-7-29]: Kanttekening 29: 29 verdraagt alle dingen: Dat is, lijdt alle ongelijken, haar aangedaan vanwege de vrede, zonder zichzelf te wreken.
[^1korinthiers-13-8-30]: Kanttekening 30: 30 vergaat nimmermeer: Gr. valt nimmermeer uit, gelijk Rom. 9:6. Romeinen 9:6: Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
[^1korinthiers-13-8-31]: Kanttekening 31: Dat is, nog in dit leven laat zij niet af deze vruchten voort te brengen, en in het toekomende leven zal zij niet ophouden, maar altijd blijven en volmaakt zijn, hoewel niet altijd met enerlei werking bezig.
[^1korinthiers-13-8-32]: Kanttekening 32: Zie 1 Kor. 12:10. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-13-8-33]: Kanttekening 33: 33 zullen te niet gedaan: Namelijk zo in dit leven als die gave zal ophouden, gelijk na de tijden van de apostelen geschied is; als in het toekomende, waarin de voorzegging van toekomende dingen niet nodig zal zijn.
[^1korinthiers-13-8-34]: Kanttekening 34: Gr. tongen. Zie 1 Kor. 12:10. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-13-8-35]: Kanttekening 35: 35 zullen ophouden: Namelijk gelijk de profetieën.
[^1korinthiers-13-8-36]: Kanttekening 36: Namelijk die onvolmaakte kennis, die wij nu verkrijgen door de dienst van het Woord in dit leven, gelijk verklaard wordt in de volgende verzen.
[^1korinthiers-13-9-37]: Kanttekening 37: 37 wij kennen: Namelijk nu in dit leven.
[^1korinthiers-13-9-38]: Kanttekening 38: 38 ten dele: Niet dat wij nu zouden weten al wat ons tot de zaligheid nodig is, Joh. 16:13; 1 Kor. 1:5; 2 Tim. 3:15, maar de apostel spreekt zo ten aanzien en in vergelijking van de kennis, die wij van goddelijke zaken zullen hebben in het toekomende leven, bij welke deze onze kennis, die wij nu hebben, maar een klein deel is te rekenen. Johannes 16:13: Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. 1 Korinthiërs 1:5: Dat u in alles rijk bent geworden in Hem, in alle rede en alle kennis; 2 Timotheüs 3:15: En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is.
[^1korinthiers-13-10-39]: Kanttekening 39: 39 het volmaakte: Dat is, de volmaakte kennis van goddelijke zaken, zoveel een bloot mens zal kunnen vatten, en ons tot volmaakte vreugde en zaligheid zal nodig zijn.
[^1korinthiers-13-10-40]: Kanttekening 40: 40 zal gekomen zijn: Dat eerst wezen zal in het toekomende leven.
[^1korinthiers-13-10-41]: Kanttekening 41: 41 ten dele is: Dat is, deze onvolmaakte kennis. Zie vers 8. 1 Korinthiërs 13:8: De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.
[^1korinthiers-13-11-42]: Kanttekening 42: 42 Toen ik een kind was: De apostel vergelijkt de kennis, die wij nu in dit leven hebben, bij de kennis die de kleine kinderen hebben; en de kennis, die wij in het toekomende leven zullen hebben, bij de kennis van volwassen mannen. Zulk een onderscheid is er tussen beide, en nog veel groter.
[^1korinthiers-13-11-43]: Kanttekening 43: 43 was ik gezind als een kind: Of, bevroedde ik, dacht ik.
[^1korinthiers-13-11-44]: Kanttekening 44: 44 overlegde ik als een kind: Namelijk met mijn verstand de dingen overwegende.
[^1korinthiers-13-11-45]: Kanttekening 45: 45 wat eens kinds was: Dat is, die kleine, slechte en kinderlijke kennis, die bij mij was.
[^1korinthiers-13-12-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 3:18. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Heer Geest.
[^1korinthiers-13-12-46]: Kanttekening 46: Namelijk zolang wij in dit leven zijn.
[^1korinthiers-13-12-47]: Kanttekening 47: Dat is, tussen onze tegenwoordige kennis, en die wij na dit leven zullen hebben, is zodanig een onderscheid, als daar is, wanneer iemand het beeld van het aangezicht eens anderen in een spiegel ziet, en wanneer hij het aangezicht zelf aanschouwt.
[^1korinthiers-13-12-48]: Kanttekening 48: 48 in een duistere rede: Gr. in een raadsel; dat is, zulk onderscheid is er ook, als wanneer iemand iets duister voorstelt in de wijze van een raadsel, en wanneer hij hetzelfde doet met klare, eigen en duidelijke woorden.
[^1korinthiers-13-12-49]: Kanttekening 49: Namelijk in het toekomende leven.
[^1korinthiers-13-12-51]: Kanttekening 51: 51 aangezicht tot aangezicht: Dat is, klaar en volmaakt. Zie 1 Joh. 3:2. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^1korinthiers-13-12-52]: Kanttekening 52: Namelijk in dit leven.
[^1korinthiers-13-12-53]: Kanttekening 53: 53 ken ik ten dele: Dat is, ook ik zelf, hoewel ik een apostel ben en opgenomen geweest in de derde hemel, en daar gehoord heb onuitsprekelijke woorden; 2 Kor. 12:4. 2 Korinthiërs 12:4: Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.
[^1korinthiers-13-12-54]: Kanttekening 54: Namelijk in het toekomende leven.
[^1korinthiers-13-12-55]: Kanttekening 55: 55 gekend ben: Namelijk van God, die mij volkomen kent, mij liefheeft, voor de Zijne erkent, en door deze Zijn liefde dezelfde kennis mij zal geven.
[^1korinthiers-13-12-50]: Kanttekening 50: Dat is, kennen, namelijk God en alle goddelijke zaken.
[^1korinthiers-13-13-56]: Kanttekening 56: Zie vers 12.
[^1korinthiers-13-13-57]: Kanttekening 57: 57 blijft geloof, hoop en liefde: Dat is, hebben wij nodig, dat al deze deugden in ons zijn en blijven. Want zonder geloof kunnen wij niet gerechtvaardigd worden, en is het onmogelijk God te behagen; en zonder hoop kan het geloof niet staande blijven, en door de liefde moet het geloof dadig zijn.
[^1korinthiers-13-13-58]: Kanttekening 58: 58 meeste van deze is de liefde: Gr. meerdere (ἀγάπη); namelijk omdat het geloof en de hoop zullen ophouden in het toekomende leven, omdat wij alsdan dadelijk zullen genieten en bezitten de goederen, die wij nu geloven en hopen; maar de liefde zal eeuwig blijven en volmaakt zijn. Zie vers 8. 1 Korinthiërs 13:8: De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

### 1 Korinthiërs 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/14.json)

*1 De apostel, die de voorgaande vermaning tot liefde besluit, leert voorts dat zij die naar geestelijke gaven streven, vooral moeten streven naar de gave van profeteren, 5 Dat de gave van vreemde talen evenwel niet te verachten is, maar gebruikt moet worden met uitlegging daarvan. 7 wat hij bewijst met de gelijkenissen van een fluit, citer en bazuin. 10 en toont dat het strijdt tegen de natuur en niet anders is dan alsof men tot barbaren sprak. 13 Leert voorts dat men zo moet bidden dat dit gebeurt niet alleen met de geest, maar ook met het verstand. 16 anders dat iemand die de vreemde taal niet verstaat, geen amen kan zeggen op zo'n gebed. 18 bevestigt dit met zijn eigen voorbeeld, dat hij vermaant na te volgen. 21 en bewijst uit de Schrift dat de vreemde talen soms meer een straf dan een gave zijn. 23 leert ook dat het bespottelijk zou zijn als zij allen met vreemde talen spraken, maar stichtelijk als zij allen profeteerden. 26 Daarna stelt hij enkele regels die men moet volgen bij het gebruik van de bijzondere gaven, namelijk dat men alles moet doen tot stichting. 27 als men met vreemde talen spreekt, dat een ander dat uitlegt. 29 dat het profeteren bij beurten gebeurt. 32 en dat de andere profeten daarover oordelen. 34 Dat de vrouwen in de gemeente zwijgen. 37 Dat deze zijn verordeningen geboden van de Heere zijn. 40 Ten slotte dat alles eerlijk en met orde in de gemeente moet gebeuren.*

**1** [^1korinthiers-14-1-1] Jaag de liefde na, en[^1korinthiers-14-1-2] ijvert[^1korinthiers-14-1-3] om de geestelijke gaven, maar meest, dat u mag[^1korinthiers-14-1-4] profeteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v1)

**2** Want die[^1korinthiers-14-2-5] een vreemde taal spreekt, spreekt niet[^1korinthiers-14-2-6] de mensen, maar[^1korinthiers-14-2-7] tot God; want niemand[^1korinthiers-14-2-8] verstaat het, maar[^1korinthiers-14-2-9] met de geest spreekt hij[^1korinthiers-14-2-10] geheimen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v2)

**3** Maar[^1korinthiers-14-3-11] die profeteert,[^1korinthiers-14-3-12] spreekt de mensen[^1korinthiers-14-3-13] stichting, en terechtwijzing en troost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v3)

**4** Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v4)

**5** En[^1korinthiers-14-5-14] ik wil wel, dat u allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat u profeteert; want die profeteert,[^1korinthiers-14-5-15] is meer dan die vreemde talen spreekt,[^1korinthiers-14-5-16] tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting mag ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v5)

**6** En nu, broeders, als ik tot u kwam, en sprak vreemde talen,[^1korinthiers-14-6-17] wat nut zou ik u doen, zo ik tot u[^1korinthiers-14-6-18] niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in onderwijzing? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v6)

**7** Zelfs ook[^1korinthiers-14-7-19] de levenloze dingen, die[^1korinthiers-14-7-20] geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen[^1korinthiers-14-7-21] onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden,[^1korinthiers-14-7-22] wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v7)

**8** Want ook als de[^1korinthiers-14-8-23] bazuin[^1korinthiers-14-8-24] een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot de oorlog bereiden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v8)

**9** Zo ook u, als u niet[^1korinthiers-14-9-25] door de taal een[^1korinthiers-14-9-26] duidelijke rede geeft, hoe zal[^1korinthiers-14-9-27] verstaan worden wat gesproken wordt? Want u zult zijn als die[^1korinthiers-14-9-28] in de lucht spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v9)

**10** Er zijn,[^1korinthiers-14-10-29] naar het voorvalt, zo[^1korinthiers-14-10-30] vele soorten van stemmen in de wereld, en geen daarvan is[^1korinthiers-14-10-31] zonder stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v10)

**11** Als ik dan[^1korinthiers-14-11-32] de kracht van de stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt,[^1korinthiers-14-11-33] barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal[^1korinthiers-14-11-34] bij mij barbaars zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v11)

**12** Zo ook u, omdat u[^1korinthiers-14-12-35] ijverig bent naar[^1korinthiers-14-12-36] geestelijke gaven, zo zoekt dat u mag[^1korinthiers-14-12-37] overvloedig zijn[^1korinthiers-14-12-38] tot stichting van de Gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v12)

**13** Daarom, die in een vreemde[^1korinthiers-14-13-39] taal spreekt, die[^1korinthiers-14-13-40] bidde, dat hij het mag uitleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v13)

**14** Want als ik in een vreemde[^1korinthiers-14-14-41] taal[^1korinthiers-14-14-42] bid, mijn geest bidt wel, maar[^1korinthiers-14-14-43] mijn verstand is[^1korinthiers-14-14-44] vruchteloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v14)

**15** [^1korinthiers-14-15-45] Wat is het dan?[^1korinthiers-14-15-46] Ik zal wel met de geest bidden, maar ik zal ook[^1korinthiers-14-15-47] met het verstand bidden;[^1korinthiers-14-15-a] ik zal wel met de geest[^1korinthiers-14-15-48] zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v15)

**16** Anders, als u[^1korinthiers-14-16-49] dankzegt met de geest, hoe zal degene, die[^1korinthiers-14-16-50] de plaats van een ongeleerde[^1korinthiers-14-16-51] vervult,[^1korinthiers-14-16-52] amen zeggen op uw dankzegging, omdat hij niet weet, wat u zegt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v16)

**17** Want u[^1korinthiers-14-17-53] dankzegt wel behoorlijk, maar[^1korinthiers-14-17-54] de ander wordt niet gesticht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v17)

**18** [^1korinthiers-14-18-55] Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan u allen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v18)

**19** Maar ik wil[^1korinthiers-14-19-56] liever in de Gemeente[^1korinthiers-14-19-57] vijf woorden spreken[^1korinthiers-14-19-58] met[^1korinthiers-14-19-59] mijn verstand, opdat ik ook anderen mag onderwijzen, dan[^1korinthiers-14-19-60] tien duizend woorden in een vreemde taal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v19)

**20** [^1korinthiers-14-20-b] Broeders,[^1korinthiers-14-20-61] wordt geen kinderen in het verstand, maar wees kinderen[^1korinthiers-14-20-62] in de boosheid, en wordt[^1korinthiers-14-20-63] in het[^1korinthiers-14-20-64] verstand volwassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v20)

**21** [^1korinthiers-14-21-65][^1korinthiers-14-21-c] In de wet is geschreven: Ik zal door mensen[^1korinthiers-14-21-66] van andere talen, en door[^1korinthiers-14-21-67] andere lippen[^1korinthiers-14-21-68] tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij[^1korinthiers-14-21-69] niet horen, zegt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v21)

**22** Zo dan, de vreemde talen zijn[^1korinthiers-14-22-70] tot een teken niet van hen, die geloven, maar de ongelovigen; en de profetie niet de ongelovigen, maar van hen, die geloven.[^1korinthiers-14-22-71][^1korinthiers-14-22-72][^1korinthiers-14-22-73] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v22)

**23** Als dan de hele Gemeente bijeenvergaderd was, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden[^1korinthiers-14-23-74] of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen,[^1korinthiers-14-23-75] dat u buiten zinnen was? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v23)

**24** Maar als zij[^1korinthiers-14-24-76] allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt[^1korinthiers-14-24-77] van allen[^1korinthiers-14-24-78] overtuigd, en hij wordt van allen[^1korinthiers-14-24-79] geoordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v24)

**25** En zo worden[^1korinthiers-14-25-80] de verborgen dingen van zijn hart openbaar; en zo,[^1korinthiers-14-25-81] vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen,[^1korinthiers-14-25-82] dat God werkelijk[^1korinthiers-14-25-83] onder u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v25)

**26** [^1korinthiers-14-26-84] Wat is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, ieder van u, heeft hij[^1korinthiers-14-26-85] een psalm, heeft hij[^1korinthiers-14-26-86] een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij[^1korinthiers-14-26-87] een openbaring, heeft hij[^1korinthiers-14-26-88] een uitlegging; laat alle dingen gebeuren tot stichting; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v26)

**27** En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het[^1korinthiers-14-27-89] door twee, of ten meeste drie gebeure, en[^1korinthiers-14-27-90] bij beurte; en dat[^1korinthiers-14-27-91] één het uitlegge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v27)

**28** Maar als er[^1korinthiers-14-28-92] geen uitlegger is, dat[^1korinthiers-14-28-93] hij zwijge in de Gemeente; maar dat hij[^1korinthiers-14-28-94] tot zichzelf spreke, en[^1korinthiers-14-28-95] tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v28)

**29** En dat[^1korinthiers-14-29-96] twee of drie[^1korinthiers-14-29-97] profeten[^1korinthiers-14-29-98] spreken, en dat[^1korinthiers-14-29-99] de anderen[^1korinthiers-14-29-100] oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v29)

**30** Maar als een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.[^1korinthiers-14-30-101][^1korinthiers-14-30-102][^1korinthiers-14-30-103][^1korinthiers-14-30-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v30)

**31** Want u kunt allen, de één na de ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.[^1korinthiers-14-31-105][^1korinthiers-14-31-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v31)

**32** En de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen.[^1korinthiers-14-32-107][^1korinthiers-14-32-108] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v32)

**33** Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, zoals in al de Gemeenten van de heiligen.[^1korinthiers-14-33-109][^1korinthiers-14-33-110][^1korinthiers-14-33-111] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v33)

**34** [^1korinthiers-14-34-d] Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, zoals ook[^1korinthiers-14-34-e] de wet zegt.[^1korinthiers-14-34-112][^1korinthiers-14-34-113][^1korinthiers-14-34-114][^1korinthiers-14-34-115] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v34)

**35** En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.[^1korinthiers-14-35-116][^1korinthiers-14-35-117][^1korinthiers-14-35-118] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v35)

**36** Is het Woord van God van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?[^1korinthiers-14-36-119][^1korinthiers-14-36-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v36)

**37** Als iemand denkt een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, wat ik u schrijf, van de Heere geboden zijn.[^1korinthiers-14-37-121][^1korinthiers-14-37-122][^1korinthiers-14-37-123][^1korinthiers-14-37-124] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v37)

**38** Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.[^1korinthiers-14-38-125][^1korinthiers-14-38-126] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v38)

**39** Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.[^1korinthiers-14-39-127] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v39)

**40** Laat alle dingen eerlijk en met orde gebeuren.[^1korinthiers-14-40-128][^1korinthiers-14-40-129][^1korinthiers-14-40-130] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/14.html#v40)

[^1korinthiers-14-1-1]: Kanttekening 1: 1 Jaagt de liefde na: Gr. vervolgt de liefde (ἀγάπη). Dit is het besluit van het voorgaande hoofdstuk.
[^1korinthiers-14-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, tracht evenwel daarnaar, dat de één de ander daarin mag overtreffen.
[^1korinthiers-14-1-3]: Kanttekening 3: 3 om de geestelijke gaven: Om de buitengewone gaven te verkrijgen, die de Heilige Geest toen in velen wrocht. Zie 1 Kor. 12:1, 12:8, 12:9, 12:10. Hoewel men ook moet ijveren om de gewone gaven. 1 Korinthiërs 12:1: En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat u onwetende bent. 1 Korinthiërs 12:8: Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest; 1 Korinthiërs 12:9: En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen.
[^1korinthiers-14-1-4]: Kanttekening 4: Wat dit is, zie Rom. 12:7; 1 Kor. 12:10, en vers 3. Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting.
[^1korinthiers-14-2-5]: Kanttekening 5: 5 een vreemde taal: Gr. met een tong; gelijk ook in het volgende.
[^1korinthiers-14-2-6]: Kanttekening 6: 6 de mensen: Dat is, dat hij hen daarmede zou bekendmaken de gedachten van zijn hart, dat het doel is van de spraak, waartoe zij gebruikt wordt.
[^1korinthiers-14-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, dat het wel verstaan wordt door God, maar niet door de mensen. Dat niet genoeg is.
[^1korinthiers-14-2-8]: Kanttekening 8: 8 verstaat het: Gr. hoort het; namelijk met verstand. Zie Gen. 11:7. Genesis 11:7: Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak daar verwarren, opdat iedereen de spraak van zijn naaste niet hore.
[^1korinthiers-14-2-9]: Kanttekening 9: 9 met de geest: Dat is, met de gave, die de Heilige Geest in hem gewrocht heeft. Of, zijn gemoed.
[^1korinthiers-14-2-10]: Kanttekening 10: Dit kan verstaan worden, òf van de verborgenheden van het koninkrijk van de hemelen, Matt. 13:11; 1 Kor. 4:1, en 1 Kor. 13:2, die te treffelijk zijn, dan dat zij zonder vrucht en aandacht in onbekende taal zouden voorgesteld worden; òf dat die in onbekende taal spreekt, niet anders doet dan of hij enige verborgen dingen voorstelde, die niemand verstaan kan. Mattheüs 13:11: En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. 1 Korinthiërs 13:2: En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
[^1korinthiers-14-3-11]: Kanttekening 11: 11 die profeteert: Dat is, die profetische schriften in een bekende taal uitlegt. Zie vers 1. 1 Korinthiërs 14:1: Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat u mag profeteren.
[^1korinthiers-14-3-12]: Kanttekening 12: 12 spreekt de mensen: Dat is, spreekt zo, dat de mensen het kunnen verstaan en daaruit vrucht scheppen.
[^1korinthiers-14-3-13]: Kanttekening 13: 13 stichting en vermaning: Dat is, wat dienen kan tot stichting of onderwijzing van de onwetenden, vermaning van de ongeregelden en vertroosting van de bedroefden. Tot deze drie nuttigheden moeten alle uitleggingen van Gods Woord gepast worden; Rom. 15:4; 2 Tim. 3:16. En hierom is de gave van profeteren beter dan van vreemde talen, omdat daardoor deze nuttigheden niet worden bekomen. Romeinen 15:4: Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop hebben zouden. 2 Timotheüs 3:16: Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;
[^1korinthiers-14-5-14]: Kanttekening 14: 14 ik wil wel: Dat is, ik wilde of wenste wel; zover is het vandaar, dat ik de gave van vreemde talen hiermede zou willen veracht hebben.
[^1korinthiers-14-5-15]: Kanttekening 15: 15 is meer dan die: Dat is, heeft treffelijker gave en dienstiger tot stichting van de gemeente.
[^1korinthiers-14-5-16]: Kanttekening 16: Of, overzette; namelijk in een andere bekende taal, zo dat de gemeente het verstaan kan.
[^1korinthiers-14-6-17]: Kanttekening 17: 17 wat nuttigheid: Namelijk tot uwe stichting.
[^1korinthiers-14-6-18]: Kanttekening 18: 18 niet sprak, of in openbaring: Of, niet sprak of door openbaring, enz.; dat is, in bekende taal u niet predikte, zodat u zoudt kunnen verstaan wat ik u voorstelde, òf enige openbaring van verborgenheden, òf enige wetenschap hoe men in twijfelachtige zaken zich moet gedragen, òf enige verklaring van de profetische schriften, òf enige bevestiging van enig artikel van het geloof.
[^1korinthiers-14-7-19]: Kanttekening 19: 19 de levenloze dingen: Gr. zielloze (ἄψυχος); dat is, muziekinstrumenten.
[^1korinthiers-14-7-20]: Kanttekening 20: 20 geluid geven: Gr. stem (δίδωμι).
[^1korinthiers-14-7-21]: Kanttekening 21: 21 onderscheid met hun klank: Dat is, verscheidenheid van tonen, maar altijd enerlei toon, dat zeer onaangenaam en verdrietig is om te horen.
[^1korinthiers-14-7-22]: Kanttekening 22: 22 hoe zal bekend worden: Dat is, welk gezang of lied.
[^1korinthiers-14-8-23]: Kanttekening 23: Of trompet, waardoor de krijgslieden ten strijde worden vermaand en opgewekt.
[^1korinthiers-14-8-24]: Kanttekening 24: 24 een onzeker geluid: Of, onbekend; namelijk uit welke men niet kan verstaan, dat men daardoor vermaand en opgewekt wordt om zich tot de strijd te bereiden. Want daartoe placht een zekere soort van trompetten gebruikt te worden welke classicum genaamd werd.
[^1korinthiers-14-9-25]: Kanttekening 25: 25 door de taal: Of, door de tong.
[^1korinthiers-14-9-26]: Kanttekening 26: 26 duidelijke rede geeft: Dat is, woorden spreekt, die men verstaan kan, wat u daarmede wilt zeggen.
[^1korinthiers-14-9-27]: Kanttekening 27: 27 verstaan worden: Namelijk van de toehoorders, die de talen niet verstaan.
[^1korinthiers-14-9-28]: Kanttekening 28: 28 in de lucht spreekt: Dat is, enig geluid maakt en uitwerpt in de lucht, dat daar verdwijnt zonder enig nut. Zie 1 Kor. 9:26. 1 Korinthiërs 9:26: Ik loop dan zo, niet als op het onzekere; ik kamp zo, niet als de lucht slaande;
[^1korinthiers-14-10-29]: Kanttekening 29: 29 naar het voorvalt: Dat is, gelijk het naar gelegenheid van de tijden en plaatsen gebeurt.
[^1korinthiers-14-10-30]: Kanttekening 30: 30 vele soorten: Namelijk niet alleen onder de mensen, die hun verscheidene spraken hebben, maar ook onder allerlei soorten van dieren en vogels.
[^1korinthiers-14-10-31]: Kanttekening 31: 31 zonder stem: Dat is, zonder zodanig een geluid, dat de mensen van enerlei taal daardoor elkaar kunnen verstaan, en dat men uit het geluid van de dieren en vogels elke soort van dezelfde kan onderkennen, zodat zij nog enige betekenis hebben, dat in vreemde onbekende talen niet is.
[^1korinthiers-14-11-32]: Kanttekening 32: 32 de kracht van de stem: Dat is, de beduidenis van wat gesproken wordt niet versta.
[^1korinthiers-14-11-33]: Kanttekening 33: 33 barbaars zijn: Dat is, een mens van onbekende taal. De Grieken en Romeinen noemden alle andere natiën, die hun taal niet spraken of verstonden, Barbaren. Zie Hand. 28:2, 28:4; Rom. 1:14; Kol. 3:11. Handelingen 28:2: En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om de regen, die overkwam, en om de koude. Handelingen 28:4: En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze mens is gewisselijk een moordenaar, welke de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. Romeinen 1:14: Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar. Kolossenzen 3:11: Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen.
[^1korinthiers-14-11-34]: Kanttekening 34: 34 bij mij barbaars zijn: Gr. in mij (βάρβαρος).
[^1korinthiers-14-12-35]: Kanttekening 35: 35 ijverig zijt naar: Gr. ijveraars zijt van geestelijke gaven; dat is, om strijd daarnaar poogt, dat u de beste geestelijke gaven mag hebben, dat een prijslijke ijver en strijd is.
[^1korinthiers-14-12-36]: Kanttekening 36: 36 geestelijke gaven: Gr. geesten (πνεῦμα).
[^1korinthiers-14-12-37]: Kanttekening 37: 37 overvloedig zijn: Gr. Of uitnemende.
[^1korinthiers-14-12-38]: Kanttekening 38: 38 tot stichting van de gemeente: Dat is, dat u zodanige gaven mag hebben en gebruiken, waardoor de gemeente meest kan gesticht worden.
[^1korinthiers-14-13-39]: Kanttekening 39: Dat is, spreken kan en wil in de gemeente.
[^1korinthiers-14-13-40]: Kanttekening 40: 40 bidde, dat hij: Dat is, dat God hem, naast de gave van vreemde talen, ook wil verlenen de gave van hetzelfde in bekende taal duidelijk over te zetten en uit te leggen. Want dit was ook een bijzondere gave van de Geest. Zie 1 Kor. 12:10, 12:30, en vers 26, 14:27; en hoewel zij zelf wel verstonden wat zij zeiden, zo hadden zij evenwel niet altijd daarbij de gave van het duidelijk te kunnen vertalen. Of, dat hij zo bidde, namelijk in de gemeente, dat hij het gebed, in onbekende taal gedaan, ook in een bekende taal uitlegge. 1 Korinthiërs 12:10: En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen. 1 Korinthiërs 12:30: Hebben zij allen gaven van de gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers? 1 Korinthiërs 14:26: Wat is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, een ieder van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen gebeuren tot stichting; 1 Korinthiërs 14:27: En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat een het uitlegge.
[^1korinthiers-14-14-41]: Kanttekening 41: Dat is, een gebed doe openlijk in de gemeente.
[^1korinthiers-14-14-42]: Kanttekening 42: 42 mijn geest bidt wel: Dat is, ik doe in mijn gemoed wel een gebed door de gave van de Heilige Geest, dat goed is.
[^1korinthiers-14-14-43]: Kanttekening 43: 43 mijn verstand is: Namelijk dat ik heb van die taal, zie vers 4, of de mening mijns gebeds. 1 Korinthiërs 14:4: Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente.
[^1korinthiers-14-14-44]: Kanttekening 44: Namelijk bij de toehoorders, die zulk een gebed niet verstaan.
[^1korinthiers-14-15-45]: Kanttekening 45: 45 Wat is het dan: Dat is, wat zal men dan moeten doen, om deze gave recht te gebruiken.
[^1korinthiers-14-15-46]: Kanttekening 46: 46 Ik zal wel met de geest bidden: Dat is, ik zal wel deze gave van de Heilige Geest gebruiken, om het gebed te doen in de gemeente in vreemde taal.
[^1korinthiers-14-15-47]: Kanttekening 47: 47 met het verstand bidden: Dat is, ik zal daarbij voegen een duidelijke uitlegging, dat de toehoorders het zullen kunnen verstaan.
[^1korinthiers-14-15-a]: Verwijzing a: Efez. 5:19; Kolos. 3:16. Efeziërs 5:19: Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heer in uw hart; Kolossenzen 3:16: Het woord van Christus woon rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart.
[^1korinthiers-14-15-48]: Kanttekening 48: Namelijk psalmen en geestelijke liedekens, in de vergadering van de gemeente.
[^1korinthiers-14-16-49]: Kanttekening 49: 49 dankzegt met de geest: Of zegent, dat is met deze gave van de Heilige Geest begaafd zijnde, openbare dankzegging doet in de gemeente.
[^1korinthiers-14-16-50]: Kanttekening 50: 50 die de plaats eens: Dat is, die onder de gemene mensen of toehoorders zit. Want het schijnt dat de leraars in een bijzondere en verhevene plaats hebben gezeten in de vergaderingen.
[^1korinthiers-14-16-51]: Kanttekening 51: 51 ongeleerden vervult: Gr. idiotes (ἰδιώτου); dat is, die de vreemde talen niet verstaat, en die geen openbare bediening of buitengewone gaven heeft, om in de gemeente te leren, het gebed of dankzegging te doen.
[^1korinthiers-14-16-52]: Kanttekening 52: 52 Amen zeggen: Dit woord Amen komt van een Hebreeuws woord, betekenende waarheid, zekerheid, vastheid, en wordt gebruikt tot besluit van het gebed, Rom. 15:33; 2 Tim. 4:22, om daarmede te verklaren dat men toestemt wat gebeden is en wenst dat het mag gebeuren. Zie Deut. 27:15, enz; Neh. 5:13; Jer. 11:5; Luk. 24:53; Rom. 1:25, en Rom. 9:5; Openb. 22:20, 22:21. Romeinen 15:33: En de God van de vrede zij met u allen. Amen. 2 Timotheüs 4:22: De Heer Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u. Amen. Deuteronomium 27:15: Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van YHWH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. Nehemia 5:13: Ook schudde ik mijn boezem uit, en zei: Zo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij zo uitgeschud en leeg. En de gehele gemeente zei: Amen! En zij prezen YHWH. En het volk deed naar dit woord. Jeremia 11:5: Opdat Ik de eed bevestige, die Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te deze dage. Toen antwoordde ik en zei: Amen, o YHWH! Lukas 24:53: En zij waren alle tijd in de tempel, lovende en dankende God. Amen. Romeinen 1:25: Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid, amen. Romeinen 9:5: Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees betreft, Dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen. Openbaring 22:20: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus! Openbaring 22:21: De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen.
[^1korinthiers-14-17-53]: Kanttekening 53: 53 dankzegt wel behoorlijk: Dat is, u doet wel een goede dankzegging, die u kan stichten, omdat u de taal verstaat.
[^1korinthiers-14-17-54]: Kanttekening 54: 54 de ander wordt: Namelijk die uwe dankzegging hoort en de taal niet verstaat, waarin u dankzegt.
[^1korinthiers-14-18-55]: Kanttekening 55: 55 dat ik meer vreemde talen spreek, dan u allen: Of, dat ik vreemde talen spreek meer dan u allen. De apostel stelt zijn eigen voorbeeld de Corinthiërs voor, dat zij billijk behoorden na te volgen. Hij dankt God voor de gave van de vreemde talen, die hij overvloediger ontvangen had dan iemand van henlieden, die daarmede in de vergaderingen pronkten, om te tonen dat hij deze gave niet veracht, maar alleen het misbruik derzelve bestraft.
[^1korinthiers-14-19-56]: Kanttekening 56: 56 in de gemeente: Dat is, in de vergadering van de gelovigen, waar ook vele ongeleerden tegenwoordig zijn.
[^1korinthiers-14-19-57]: Kanttekening 57: 57 vijf woorden spreken: Dat is, enige weinige.
[^1korinthiers-14-19-58]: Kanttekening 58: Of, door.
[^1korinthiers-14-19-59]: Kanttekening 59: 59 mijn verstand: Dat is, zo dat ik mijn verstand of de gedachten mijns gemoeds uitdruk met klare, bekende en duidelijke woorden, die iedereen verstaan kan.
[^1korinthiers-14-19-60]: Kanttekening 60: 60 tien duizend woorden in een: Dat is, een grote en lange rede; zie 1 Kor. 4:15. Waaruit duidelijk blijkt dat diegenen regelrecht tegen de leer van de apostel doen, die de godsdienst en hun gebeden tot God doen in een vreemde taal, die zij zelf of hun toehoorders niet verstaan, en die dezelfde gebeden met vijftigen en honderden God als toetellen. 1 Korinthiërs 4:15: Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
[^1korinthiers-14-20-b]: Verwijzing b: Matt. 18:3; Matt. 19:14; Efez. 4:14; 1 Petr. 2:1; idem v. 2. Mattheüs 18:3: En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. Mattheüs 19:14: Maar Jezus zei: Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk van de hemelen. Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; 1 Petrus 2:1: Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen; 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door dezelfde mag opwassen;
[^1korinthiers-14-20-61]: Kanttekening 61: 61 wordt gene kinderen in het verstand: Dat is, toont dat u beter verstand hebt dan de kinderen, zo het geheel kinderlijk is, dat men in de vergadering wil pronken met vreemde talen zonder enige stichting. Of, blijft niet altijd in de kinderlijke en geringe kennis van geestelijke zaken. Zie Hebr. 5:12, en Hebr. 6:1. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. Hebreeën 6:1: Daarom, nalatende het begin van de leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet opnieuw leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,
[^1korinthiers-14-20-62]: Kanttekening 62: 62 in de boosheid: Dat is, volgt de kinderen na, niet in hun onverstand, maar in hun eenvoudigheid, omdat de kinderen, hoewel zij geboren worden met een verdorven natuur, nochtans die nog zo metterdaad niet tonen als de volwassenen.
[^1korinthiers-14-20-63]: Kanttekening 63: 63 in het verstand: Namelijk van geestelijke zaken ter zaligheid nodig.
[^1korinthiers-14-20-64]: Kanttekening 64: Gr. volmaakt; dat is, neemt dagelijks in dit verstand in zulker voege toe, dat tussen het verstand, dat u nu hebt van geestelijke zaken, en dat u nog zult verkrijgen, zulk een onderscheid is, als er is tussen het verstand van een kind en van een volwassen man. Want dat wij in dit leven tot de geheel volmaakte kennis van de geestelijke dingen niet zullen komen, heeft de apostel in het voorgaande hoofdstuk geleerd, 1 Kor. 13:9, 13:10, 13:11, 13:12. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 1 Korinthiërs 13:11: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat eens kinds was. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^1korinthiers-14-21-65]: Kanttekening 65: 65 In de wet is geschreven: Dat is, in de Schriften van het Oude Testament. Zie Joh. 10:34. Johannes 10:34: Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, u bent goden?
[^1korinthiers-14-21-c]: Verwijzing c: Deut. 28:49; Jes. 28:11. Deuteronomium 28:49: De YHWH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, gelijk als een adelaar vliegt; een volk, welks spraak u niet zult verstaan; Jesaja 28:11: Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;
[^1korinthiers-14-21-66]: Kanttekening 66: 66 van andere talen: Dat is, van onbekende talen, die zij niet verstaan zullen.
[^1korinthiers-14-21-67]: Kanttekening 67: 67 andere lippen: Dat is, onbekende spraak.
[^1korinthiers-14-21-68]: Kanttekening 68: 68 tot dit volk spreken: Namelijk om hetzelfde daarmede te straffen. Omdat dan God de onbekende talen en spraken als een straf gebruikt, zo behoort men dezelfde in de gemeente zonder verklaring niet te gebruiken, omdat zulks zou strekken meer tot straf dan tot stichting derzelve. Zie verdere verklaring Jes. 28:11. Jesaja 28:11: Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;
[^1korinthiers-14-21-69]: Kanttekening 69: 69 niet horen: Dat is, niet verstaan.
[^1korinthiers-14-22-70]: Kanttekening 70: 70 tot een teken niet: Namelijk van Gods toorn.
[^1korinthiers-14-22-71]: Kanttekening 71: 71 de ongelovigen: Dat is, die hardnekkig het Woord van God verwerpen, die zendt God tot ene straf wat tot hen gesproken wordt in een onbekende taal.
[^1korinthiers-14-22-72]: Kanttekening 72: 72 de profetie: Zie vers 3, 14:4. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting. 1 Korinthiërs 14:4: Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente.
[^1korinthiers-14-22-73]: Kanttekening 73: 73 niet de ongelovigen: Want hoewel de profetie ook kan dienen om een ongelovige te bekeren, nochtans zo de ongelovigen in de vergadering niet veel komen, zo wordt zij voornamelijk aangesteld om de gelovigen te vermanen, vertroosten en versterken.
[^1korinthiers-14-23-74]: Kanttekening 74: Namelijk die nog tot de Christelijke godsdienst niet bekeerd zijn.
[^1korinthiers-14-23-75]: Kanttekening 75: 75 dat u uitzinnig was: Namelijk als u voor het volk spreekt wat zij niet verstaan, dat geen wijze maar uitzinnige mensen doen. Waardoor dan een ongelovige meer en meer van de Christelijke godsdienst vervreemd wordt, als die hem schijnen zou de mensen uitzinnig te maken.
[^1korinthiers-14-24-76]: Kanttekening 76: 76 allen profeteerden: Namelijk die de gaven van de profetie hebben, de één na de ander. Zie vers 28, 14:29, 14:30. 1 Korinthiërs 14:28: Maar als er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; maar dat hij tot zichzelf spreke, en tot God. 1 Korinthiërs 14:29: En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. 1 Korinthiërs 14:30: Maar als een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
[^1korinthiers-14-24-77]: Kanttekening 77: 77 van allen: Namelijk die de gave van profetie in de gemeente recht gebruiken.
[^1korinthiers-14-24-78]: Kanttekening 78: Of, bestraft; dat is, overwonnen in zijn consciëntie dat de Christelijke religie de rechte en ware religie is.
[^1korinthiers-14-24-79]: Kanttekening 79: Dat is, veroordeeld, namelijk over zijn voorgaande zonden, en als hij wat door het profeteren uit Gods Woord voorgesteld wordt niet met waar geloof wil aannemen, zo wordt hij buiten alle onschuld gesteld. Zie Hand. 24:25. Handelingen 24:25: En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.
[^1korinthiers-14-25-80]: Kanttekening 80: 80 de verborgen dingen zijn harten: Dat is, als door profeteren Gods Woord uitgelegd wordt, blijkt hoe een mens in zijn hart gesteld is, namelijk of hij in zijn ongelovigheid hardnekkig wil blijven, of het Evangelie geloven. Zie 2 Kor. 2:15, 2:16. 2 Korinthiërs 2:15: Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 2:16: Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar genen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?
[^1korinthiers-14-25-81]: Kanttekening 81: 81 vallende op zijn: Namelijk degene, die door het profeteren in zijn hart overtuigd is van de waarheid van de Christelijke godsdienst, die zal zich meteen met allen eerbied begeven om de ware God te dienen en de Christelijke godsdienst voor de ware te belijden.
[^1korinthiers-14-25-82]: Kanttekening 82: 82 dat God waarlijk: Dat is, dat in uwe gemeente de ware religie recht geleerd en geoefend wordt.
[^1korinthiers-14-25-83]: Kanttekening 83: 83 onder u is: Gr. in u.
[^1korinthiers-14-26-84]: Kanttekening 84: 84 Wat is het dan: Dat is, omdat wat tevoren gezegd is, zo inderdaad is, wat zal men dan verder doen? Hier begint de apostel enige regelen voor te schrijven, die men in de gemeente moet onderhouden in het gebruiken van de gaven.
[^1korinthiers-14-26-85]: Kanttekening 85: 85 een psalm: Of, lofzang; namelijk door ingeven van de Heilige Geest van hem gemaakt tot Gods eer en stichting van de gemeente.
[^1korinthiers-14-26-86]: Kanttekening 86: 86 een leer: Dat is, een bijzondere onderwijzing, vermaning of vertroosting, door de Heilige Geest hem bijzonder ingegeven.
[^1korinthiers-14-26-87]: Kanttekening 87: 87 een openbaring: Namelijk van de Heilige Geest van enige onbekende of toekomende dingen. Zie Openb. 1:1. Openbaring 1:1: De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;
[^1korinthiers-14-26-88]: Kanttekening 88: 88 een uitlegging: Dat is, de gave van vreemde talen in bekende spraken te vertalen; of ook van enige duistere plaatsen van de Heilige Schrift wel en duidelijk te verklaren.
[^1korinthiers-14-27-89]: Kanttekening 89: 89 door twee, of ten meeste drie: Dat is, dat niet velen daarmede de tijd doorbrengen; maar zo men immers vreemde talen wil spreken, dat zulks van zo weinigen geschiede, als het doenlijk is.
[^1korinthiers-14-27-90]: Kanttekening 90: 90 bij beurte: Dat is, niet tevens op één tijd overhoop, maar de één na de ander.
[^1korinthiers-14-27-91]: Kanttekening 91: 91 één het uitlegge: Namelijk opdat de gemeenten daardoor mogen verstaan wat het is, dat in onbekende taal gesproken is geweest.
[^1korinthiers-14-28-92]: Kanttekening 92: 92 geen uitlegger is: Namelijk òf hij zelf, die vreemde talen spreekt, òf een ander, die de gave heeft om deze vreemde talen over te zetten in bekende te vertalen.
[^1korinthiers-14-28-93]: Kanttekening 93: 93 zwijge in de gemeente: Namelijk die met vreemde talen spreekt.
[^1korinthiers-14-28-94]: Kanttekening 94: 94 tot zichzelf: Of, bij zichzelf, in het bijzonder, niet openlijk in de gemeente.
[^1korinthiers-14-28-95]: Kanttekening 95: 95 tot God: Namelijk inwendig God, die de gedachten van de harten weet en alle talen verstaat, aanroepende en dankende.
[^1korinthiers-14-29-96]: Kanttekening 96: 96 twee of drie: Namelijk om de tijd met profeteren alleen niet door te brengen.
[^1korinthiers-14-29-97]: Kanttekening 97: Zie vers 3, 14:4. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting. 1 Korinthiërs 14:4: Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente.
[^1korinthiers-14-29-98]: Kanttekening 98: Namelijk in de gemeente, en dat bij beurte, vers 27. 1 Korinthiërs 14:27: En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat een het uitlegge.
[^1korinthiers-14-29-99]: Kanttekening 99: 99 de anderen: Namelijk die dezelfde gaven van profeteren hebben, of de gave van de geesten te onderscheiden.
[^1korinthiers-14-29-100]: Kanttekening 100: Namelijk of die profetie overeenkomt met Gods Woord, aan welke alle leringen en openbaringen moeten getoetst worden. Zie Jes. 8:20; Joh. 5:39. Jesaja 8:20: Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. Johannes 5:39: Onderzoekt de Schriften; want u meent in dezelfde het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.
[^1korinthiers-14-30-101]: Kanttekening 101: 101 een ander: Namelijk die mee de gave van profeteren heeft.
[^1korinthiers-14-30-102]: Kanttekening 102: 102 die er zit: Dat is, die nog geen beurt heeft gehad om op te staan en te spreken.
[^1korinthiers-14-30-103]: Kanttekening 103: 103 iets geopenbaard is: Namelijk dat de ander, die daar spreekt, òf niet, òf niet zo duidelijk is geopenbaard, als aan hem.
[^1korinthiers-14-30-104]: Kanttekening 104: 104 dat de eerste zwijge: Namelijk om plaats te geven aan die tweede, om te spreken.
[^1korinthiers-14-31-105]: Kanttekening 105: 105 zij allen leren: Dat is, zo de profeten als de algemene toehoorders onderwezen worden.
[^1korinthiers-14-31-106]: Kanttekening 106: 106 getroost worden: Of, vermaand.
[^1korinthiers-14-32-107]: Kanttekening 107: 107 de geesten: Dat is, de leringen, die de profeten door de gave en ingeving van de Heilige Geest voorstellen.
[^1korinthiers-14-32-108]: Kanttekening 108: 108 zijn de profeten: Dat is, staan onder het oordeel van de andere profeten, die hen horen, aan welk oordeel zij ook zich graag onderwerpen. Want hoewel deze profetering van de Heilige Geest, die niet dwalen kan, werd ingegeven, zo werd nochtans niet altijd aan één alles geopenbaard, en wat de één geopenbaard werd, dat werd ook dikwijls meer anderen mee geopenbaard. Daar zou ook van enige profeten iets van het hunne daarbij gemengd kunnen worden. Zo moet dan beproefd en geoordeeld worden van de anderen of de profetering ook geschiedt door ingeving van de Heilige Geest en naar de mate van het geloof. Zie Jes. 8:20; Rom. 12:7. Jesaja 8:20: Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;
[^1korinthiers-14-33-109]: Kanttekening 109: 109 geen God van: Of, geen auteur, of liefhebber.
[^1korinthiers-14-33-110]: Kanttekening 110: Of, beroerte.
[^1korinthiers-14-33-111]: Kanttekening 111: 111 gelijk in al de: Namelijk van mij geleerd wordt. Of, nodig is.
[^1korinthiers-14-34-d]: Verwijzing d: 1 Tim. 2:12. 1 Timotheüs 2:12: Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
[^1korinthiers-14-34-e]: Verwijzing e: Gen. 3:16; Efez. 5:22; Kolos. 3:18; Titus 2:5; 1 Petr. 3:1. Genesis 3:16: Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. Efeziërs 5:22: U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer; Kolossenzen 3:18: U vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in de Heer. Titus 2:5: Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige de Woorde ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^1korinthiers-14-34-112]: Kanttekening 112: Dat is, openlijk niet spreken tot de gemeente, al zijn zij ook met goede kennis begaafd. Zie 1 Kor. 11:5. 1 Korinthiërs 11:5: Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.
[^1korinthiers-14-34-113]: Kanttekening 113: 113 te spreken: Namelijk openlijk in de gemeente iets te leren of voor te stellen. Zie 1 Tim. 2:12. 1 Timotheüs 2:12: Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
[^1korinthiers-14-34-114]: Kanttekening 114: 114 onderworpen te zijn: Namelijk aan de mannen, om van hen onderwijzing te ontvangen. Want die een ander in openbare vergaderingen onderwijst, heeft daardoor enig gezag over of boven dengene, die onderwezen wordt.
[^1korinthiers-14-34-115]: Kanttekening 115: 115 de wet zegt: Namelijk Gen. 3:16. Genesis 3:16: Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.
[^1korinthiers-14-35-116]: Kanttekening 116: Dat is, van enige leerstukken breder onderwezen worden.
[^1korinthiers-14-35-117]: Kanttekening 117: 117 haar eigen mannen: Namelijk zo die bekwaam zijn om haar te onderwijzen; anders zo mogen zij ook wel in het bijzonder de leraars van de gemeente of enige andere eerlijke en beschaafde mannen ondervragen.
[^1korinthiers-14-35-118]: Kanttekening 118: 118 lelijk voor de vrouwen: Dat is, onbetamelijk, kwalijk passende, omdat daarmede de orde omgekeerd wordt, die God gesteld heeft tussen man en vrouw, en dat zulks ook strijd tegen de eerbare schaamte, die bij de vrouwen behoort te zijn.
[^1korinthiers-14-36-119]: Kanttekening 119: 119 van u uitgegaan: Dat is, van u, Corinthische leraars, die op uwe gaven zo hoogmoedig bent, en niet veel meer van ons apostelen, die het Woord van God u eerst gepredikt hebben.
[^1korinthiers-14-36-120]: Kanttekening 120: 120 u alleen gekomen: Dat is, u gedraagt u zo hoogmoedig, alsof u alleen alle wijsheid hadt. Een ernstige bestraffing van die hoogmoedige geesten, waarmee ook meteen getoond wordt dat zij geen reden hebben om zich zo te verheffen.
[^1korinthiers-14-37-121]: Kanttekening 121: 121 meent een profeet te zijn: Dat is, met de gave van profeteren begaafd is inderdaad, of zulks zich laat voorstaan, en voor zodanig zich uitgeeft.
[^1korinthiers-14-37-122]: Kanttekening 122: Dat is, begaafd met enige buitengewone gave van de Heilige Geest. Of, overvloedig in de Christelijke leer geoefend; 1 Kor. 2:15, en 1 Kor. 3:1; Gal. 6:1. 1 Korinthiërs 2:15: Maar de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 1 Korinthiërs 3:1: En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^1korinthiers-14-37-123]: Kanttekening 123: Dat is, die zal moeten of behoren te erkennen; namelijk als hij zodanig is als hij zich uitgeeft.
[^1korinthiers-14-37-124]: Kanttekening 124: 124 van de Heer geboden zijn: Namelijk Jezus Christus, die als onze Heer macht heeft om ons te gebieden, en wij, Zijn dienaren, schuldig zijn te gehoorzamen.
[^1korinthiers-14-38-125]: Kanttekening 125: 125 onwetend is: Dat is, moedwillig hetzelfde niet wil weten of erkennen.
[^1korinthiers-14-38-126]: Kanttekening 126: 126 die zij onwetend: Dat is, zo hij moedwillig in zijn onwetendheid wil blijven, en zich door mijn schrijven niet laat onderrichten, die mag zulks doen op zijn eigen gevaar; ik wil mij met zulke niet bemoeien, zo ik het mijne gedaan heb om hen uit die onwetendheid te brengen. Zie dergelijke manier van spreken Openb. 22:11. Openbaring 22:11: Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.
[^1korinthiers-14-39-127]: Kanttekening 127: 127 verhindert niet: Dat is, hoewel ik acht dat het profeteren meer stichting voortbrengt in de gemeente dan met vreemde talen te spreken, zo wil ik daarmede het gebruik van vreemde talen niet ten enenmale verworpen of verhinderd hebben, als het maar behoorlijk geschiedt en met uitlegging.
[^1korinthiers-14-40-128]: Kanttekening 128: 128 alle dingen: Die te doen zijn in de vergaderingen van de gemeente, als daar zijn profeteren, of het Woord van God prediken, de algemene gebeden en dankzeggingen doen, de sacramenten bedienen en dergelijke.
[^1korinthiers-14-40-129]: Kanttekening 129: Of geschikt; zodat het een goede gedaante hebbe, die passend is aan de Christelijke eerbaarheid en eenvoudigheid.
[^1korinthiers-14-40-130]: Kanttekening 130: 130 met orde gebeuren: Dat is, zonder verwarring, elk op zijn behoorlijken tijd, beurt, plaats, enz.

### 1 Korinthiërs 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/15.json)

*1 De apostel bewijst de waarheid van de opstanding van de doden met vele vaste redenen, waarvan de eerste ontleend is aan de opstanding van Christus, die hij bevestigt uit de hoofdsom van zijn leer, die hij hun naar de Schriften had voorgesteld. 4 en uit de getuigenissen van Petrus, 6 van meer dan vijfhonderd broeders, 7 van Jakobus en van alle apostelen, 8 en van hemzelf. 13 Besluit dat anders ook Christus niet zou zijn opgewekt. 14 wat hij ongerijmd bewijst te zijn, omdat daarmee teniet gedaan zouden worden hun getuigenissen, de gronden van het christelijke geloof en de hoop van de christenen. 21 Leert dat Christus degene is die de doden zal opwekken, en dat het zal gebeuren bij zijn komst, wanneer hij al zijn vijanden zal teniet doen en alles aan God zal onderwerpen. 29 Dat ook anders tevergeefs de doop gebruikt wordt voor de doden. 30 dat de gelovigen, evenals hij ook, tevergeefs zoveel gevaren zouden doorstaan: en dat de epicuristen gelijk zouden hebben. 35 Daarna leert hij dat zij met andere geestelijke hoedanigheden, zoals onverderfelijkheid, heerlijkheid en onsterfelijkheid, opgewekt zullen worden. 47 en dat de gelovigen lichamen zullen hebben niet zoals Adam had, maar zoals Christus de Heere nu heeft. 51 Openbaart ook een geheim, dat zij die bij de komst van Christus leven, niet zullen sterven, maar veranderd worden. 54 en dat dan de dood verslonden zal worden: waarover hij een triomflied zingt en God dankt. 58 met een vermaning aan de Korinthiers dat zij standvastig in het geloof willen blijven.*

**1** Verder, broeders,[^1korinthiers-15-1-1] ik maak u bekend het Evangelie,[^1korinthiers-15-1-a] dat ik u[^1korinthiers-15-1-2] verkondigd heb, dat u ook[^1korinthiers-15-1-3] aangenomen hebt, in dat u ook[^1korinthiers-15-1-4] staat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v1)

**2** [^1korinthiers-15-2-b] Door dat u ook[^1korinthiers-15-2-5] zalig wordt, als u het[^1korinthiers-15-2-6] behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat u[^1korinthiers-15-2-7] tevergeefs geloofd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v2)

**3** Want ik heb u ten[^1korinthiers-15-3-8] eerste[^1korinthiers-15-3-9] overgegeven,[^1korinthiers-15-3-10] wat ik ook ontvangen heb,[^1korinthiers-15-3-c] dat Christus gestorven is[^1korinthiers-15-3-11] voor onze zonden, naar[^1korinthiers-15-3-12] de Schriften; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v3)

**4** En dat Hij is[^1korinthiers-15-4-d] begraven, en dat Hij is[^1korinthiers-15-4-e] opgewekt op de derde dag, naar de Schriften; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v4)

**5** En dat Hij is van[^1korinthiers-15-5-13] Cefas[^1korinthiers-15-5-f][^1korinthiers-15-5-g] gezien, daarna van[^1korinthiers-15-5-14] de twaalven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v5)

**6** Daarna is Hij gezien[^1korinthiers-15-6-15] van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welke het merendeel[^1korinthiers-15-6-16] nog over is, en sommigen ook zijn[^1korinthiers-15-6-17] ontslapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v6)

**7** Daarna is Hij gezien[^1korinthiers-15-7-18] van Jakobus, daarna[^1korinthiers-15-7-19] van al de apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v7)

**8** En ten laatste van allen is Hij ook[^1korinthiers-15-8-h] van mij, als[^1korinthiers-15-8-20] van een ontijdig geborene, gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v8)

**9** Want ik ben[^1korinthiers-15-9-i] de minste van de apostelen, die[^1korinthiers-15-9-21] niet waard ben een apostel genoemd te worden,[^1korinthiers-15-9-k] daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v9)

**10** Maar door de genade van God ben ik,[^1korinthiers-15-10-22] dat ik ben; en Zijn genade,[^1korinthiers-15-10-23] die aan mij bewezen is, is[^1korinthiers-15-10-24] niet ijdel geweest,[^1korinthiers-15-10-l] maar ik heb overvloediger[^1korinthiers-15-10-25] gewerkt dan[^1korinthiers-15-10-26] zij allen; maar[^1korinthiers-15-10-27] niet ik, maar de genade van God,[^1korinthiers-15-10-28] Die met mij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v10)

**11** Hetzij dan ik, hetzij[^1korinthiers-15-11-29] zij,[^1korinthiers-15-11-30] zo prediken wij, en zo hebt u geloofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v11)

**12** Als nu Christus[^1korinthiers-15-12-31] gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is,[^1korinthiers-15-12-32] hoe zeggen[^1korinthiers-15-12-33] sommigen onder u, dat er geen opstanding van de[^1korinthiers-15-12-34] doden is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v12)

**13** En als er geen opstanding van de doden is,[^1korinthiers-15-13-35] zo is Christus ook niet opgewekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v13)

**14** En als Christus niet opgewekt is, zo is dan[^1korinthiers-15-14-36] onze prediking[^1korinthiers-15-14-37] ijdel, en[^1korinthiers-15-14-38] ijdel is ook uw geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v14)

**15** En zo worden wij ook bevonden valse getuigen van God;[^1korinthiers-15-15-39] want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Die Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v15)

**16** Want als de doden niet opgewekt worden,[^1korinthiers-15-16-40] zo is ook Christus niet opgewekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v16)

**17** En als Christus niet opgewekt is, zo is uw[^1korinthiers-15-17-41] geloof tevergeefs,[^1korinthiers-15-17-42] zo bent u nog in uw zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v17)

**18** Zo zijn dan ook[^1korinthiers-15-18-43] verloren, die[^1korinthiers-15-18-44] in Christus[^1korinthiers-15-18-45] ontslapen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v18)

**19** Als wij[^1korinthiers-15-19-46] alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de[^1korinthiers-15-19-47] ellendigste van alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v19)

**20** Maar nu,[^1korinthiers-15-20-m] Christus[^1korinthiers-15-20-48] is opgewekt uit de doden,[^1korinthiers-15-20-49] en is[^1korinthiers-15-20-n] de Eersteling geworden van degenen,[^1korinthiers-15-20-50] die ontslapen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v20)

**21** Want omdat[^1korinthiers-15-21-o] de dood door[^1korinthiers-15-21-51] een mens is,[^1korinthiers-15-21-52] zo is ook de opstanding van de doden door[^1korinthiers-15-21-53] een Mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v21)

**22** Want zoals zij[^1korinthiers-15-22-54] allen in Adam[^1korinthiers-15-22-55] sterven, zo zullen zij[^1korinthiers-15-22-56] ook in Christus[^1korinthiers-15-22-57] allen[^1korinthiers-15-22-58] levend gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v22)

**23** Maar ieder[^1korinthiers-15-23-59] in zijn orde:[^1korinthiers-15-23-60] de eersteling Christus, daarna[^1korinthiers-15-23-61] die van Christus zijn,[^1korinthiers-15-23-62] in Zijn toekomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v23)

**24** Daarna zal[^1korinthiers-15-24-63] het einde zijn, wanneer[^1korinthiers-15-24-64] Hij[^1korinthiers-15-24-65] het Koninkrijk[^1korinthiers-15-24-66] aan God en de Vader zal overgegeven hebben;[^1korinthiers-15-24-p] wanneer Hij zal[^1korinthiers-15-24-67] te niet gedaan hebben[^1korinthiers-15-24-68] alle heerschappij, en alle macht en kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v24)

**25** [^1korinthiers-15-25-q] Want Hij moet[^1korinthiers-15-25-69] als Koning[^1korinthiers-15-25-70] heersen, totdat Hij al[^1korinthiers-15-25-71] de vijanden[^1korinthiers-15-25-72] onder Zijn voeten zal gelegd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v25)

**26** [^1korinthiers-15-26-73] De laatste[^1korinthiers-15-26-74] vijand, die[^1korinthiers-15-26-75] te niet gedaan wordt, is[^1korinthiers-15-26-76] de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v26)

**27** [^1korinthiers-15-27-r] Want[^1korinthiers-15-27-77] Hij heeft[^1korinthiers-15-27-78] alle dingen[^1korinthiers-15-27-79] Zijn[^1korinthiers-15-27-80] voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat[^1korinthiers-15-27-81] Hij uitgezonderd wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.[^1korinthiers-15-27-82] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v27)

**28** En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf[^1korinthiers-15-28-83] onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat[^1korinthiers-15-28-84] God zij[^1korinthiers-15-28-85] alles in allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v28)

**29** Anders,[^1korinthiers-15-29-86] wat zullen zij doen, die[^1korinthiers-15-29-87] voor de doden[^1korinthiers-15-29-88] gedoopt worden, als de doden geheel niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v29)

**30** Waarom zijn ook[^1korinthiers-15-30-89] wij elk uur[^1korinthiers-15-30-90] in gevaar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v30)

**31** [^1korinthiers-15-31-91] Ik sterf alle dagen,[^1korinthiers-15-31-92] dat ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v31)

**32** Zo ik,[^1korinthiers-15-32-93] naar de mens,[^1korinthiers-15-32-94] tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nut is het[^1korinthiers-15-32-95] mij, als de doden niet opgewekt worden?[^1korinthiers-15-32-96][^1korinthiers-15-32-s] Laat ons eten en drinken, want[^1korinthiers-15-32-97] morgen[^1korinthiers-15-32-98] sterven wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v32)

**33** [^1korinthiers-15-33-99] Dwaal niet.[^1korinthiers-15-33-100] Kwade samensprekingen verderven goede zeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v33)

**34** Waak op rechtvaardig, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.[^1korinthiers-15-34-101][^1korinthiers-15-34-102][^1korinthiers-15-34-103][^1korinthiers-15-34-104][^1korinthiers-15-34-105][^1korinthiers-15-34-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v34)

**35** Maar, zal iemand zeggen:[^1korinthiers-15-35-t] Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?[^1korinthiers-15-35-107][^1korinthiers-15-35-108][^1korinthiers-15-35-109][^1korinthiers-15-35-110] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v35)

**36** U[^1korinthiers-15-36-v] dwaas, wat u zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;[^1korinthiers-15-36-111][^1korinthiers-15-36-112][^1korinthiers-15-36-113] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v36)

**37** En wat u zaait, daarvan zaait u het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig van de andere granen.[^1korinthiers-15-37-114][^1korinthiers-15-37-115][^1korinthiers-15-37-116][^1korinthiers-15-37-117] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v37)

**38** Maar God geeft hetzelfde één lichaam, zoals Hij wil, en aan ieder zaad zijn eigen lichaam.[^1korinthiers-15-38-118][^1korinthiers-15-38-119] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v38)

**39** Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees van de mensen, en een ander is het vlees van de beesten, en een ander van de vissen, en een ander van de vogels.[^1korinthiers-15-39-120][^1korinthiers-15-39-121] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v39)

**40** En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid van de hemelse, en een andere van de aardse.[^1korinthiers-15-40-122][^1korinthiers-15-40-123][^1korinthiers-15-40-124] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v40)

**41** Een andere is de heerlijkheid van de zon, en een andere is de heerlijkheid van de maan, en een andere is de heerlijkheid van de sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.[^1korinthiers-15-41-125][^1korinthiers-15-41-126] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v41)

**42** [^1korinthiers-15-42-x] Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid;[^1korinthiers-15-42-127][^1korinthiers-15-42-128] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v42)

**43** Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.[^1korinthiers-15-43-129][^1korinthiers-15-43-130][^1korinthiers-15-43-131][^1korinthiers-15-43-132] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v43)

**44** Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.[^1korinthiers-15-44-133][^1korinthiers-15-44-134][^1korinthiers-15-44-135] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v44)

**45** Zo is er ook geschreven:[^1korinthiers-15-45-y] De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.[^1korinthiers-15-45-136][^1korinthiers-15-45-137][^1korinthiers-15-45-138][^1korinthiers-15-45-139] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v45)

**46** Maar het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.[^1korinthiers-15-46-140][^1korinthiers-15-46-141] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v46)

**47** De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit de Hemel.[^1korinthiers-15-47-142][^1korinthiers-15-47-143][^1korinthiers-15-47-144][^1korinthiers-15-47-145][^1korinthiers-15-47-146] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v47)

**48** Zoals de aardse is, zo zijn ook de aardsen; en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelsen.[^1korinthiers-15-48-147][^1korinthiers-15-48-148][^1korinthiers-15-48-149][^1korinthiers-15-48-150] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v48)

**49** En[^1korinthiers-15-49-z] zoals wij het beeld van de aardsen gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelsen dragen.[^1korinthiers-15-49-151][^1korinthiers-15-49-152] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v49)

**50** Maar dit zeg ik, broeders,[^1korinthiers-15-50-a] dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet.[^1korinthiers-15-50-153][^1korinthiers-15-50-154][^1korinthiers-15-50-155][^1korinthiers-15-50-156] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v50)

**51** Zie, ik zeg u een[^1korinthiers-15-51-b] geheim: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;[^1korinthiers-15-51-157][^1korinthiers-15-51-158][^1korinthiers-15-51-159][^1korinthiers-15-51-160] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v51)

**52** In een punt van de tijd, in een ogenblik, met[^1korinthiers-15-52-c] de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.[^1korinthiers-15-52-161][^1korinthiers-15-52-162][^1korinthiers-15-52-163][^1korinthiers-15-52-164] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v52)

**53** Want dit verderfelijke moet onvergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke[^1korinthiers-15-53-d] moet onsterfelijkheid aandoen.[^1korinthiers-15-53-165][^1korinthiers-15-53-166][^1korinthiers-15-53-167] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v53)

**54** En wanneer dit verderfelijke zal onvergankelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, dan zal het woord gebeuren, dat geschreven is:[^1korinthiers-15-54-e] De dood is verslonden tot overwinning.[^1korinthiers-15-54-168][^1korinthiers-15-54-169][^1korinthiers-15-54-170][^1korinthiers-15-54-171][^1korinthiers-15-54-172] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v54)

**55** Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?[^1korinthiers-15-55-173][^1korinthiers-15-55-174][^1korinthiers-15-55-175][^1korinthiers-15-55-176] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v55)

**56** De prikkel nu van de dood is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet.[^1korinthiers-15-56-177][^1korinthiers-15-56-178] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v56)

**57** [^1korinthiers-15-57-f] Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.[^1korinthiers-15-57-179][^1korinthiers-15-57-180] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v57)

**58** Zo dan, mijn geliefde broeders! Wees standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heere, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere.[^1korinthiers-15-58-181][^1korinthiers-15-58-182][^1korinthiers-15-58-183][^1korinthiers-15-58-184][^1korinthiers-15-58-185][^1korinthiers-15-58-186] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/15.html#v58)

[^1korinthiers-15-1-1]: Kanttekening 1: 1 ik maak u bekend: Dat is, ik breng u opnieuw in gedachtenis.
[^1korinthiers-15-1-a]: Verwijzing a: Galat. 1:11. Galaten 1:11: Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, dat van mij verkondigd is, niet is naar de mens.
[^1korinthiers-15-1-2]: Kanttekening 2: 2 verkondigd heb: Gr. geëvangeliseerd.
[^1korinthiers-15-1-3]: Kanttekening 3: 3 aangenomen hebt: Namelijk tot het geloof.
[^1korinthiers-15-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, tot nog toe standvastig zijt gebleven.
[^1korinthiers-15-2-b]: Verwijzing b: Rom. 1:16; 1 Kor. 1:21. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 1 Korinthiërs 1:21: Want aangezien, in de wijsheid van God, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven;
[^1korinthiers-15-2-5]: Kanttekening 5: 5 zalig wordt, als: Of, zalig zult worden.
[^1korinthiers-15-2-6]: Kanttekening 6: 6 behoudt op zodanige: Of, onthoudt met wat reden, of woorden.
[^1korinthiers-15-2-7]: Kanttekening 7: 7 tevergeefs geloofd heb: Namelijk dat geschiedt als men in het geloof niet volhardt, dat dan een bewijs zou zijn van geen oprecht geloof; zie Gal. 3:4. Galaten 3:4: Hebt u zoveel tevergeefs geleden? Als maar ook tevergeefs!
[^1korinthiers-15-3-8]: Kanttekening 8: 8 ten eerste: Dat is, voornamelijk als de eerste en voornaamste hoofdstukken van onze Christelijke godsdienst, 1 Kor. 2:2; 2 Tim. 2:8. Of, onder de eerste, namelijk hoofdstukken van het Evangelie; Hebr. 6:2. 1 Korinthiërs 2:2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. 2 Timotheüs 2:8: Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit het zaad Davids, naar mijn Evangelie; Hebreeën 6:2: Van de leer van de dopen, en van de oplegging van de handen, en van de opstanding van de doden, en van het eeuwig oordeel.
[^1korinthiers-15-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk met leren en prediken.
[^1korinthiers-15-3-10]: Kanttekening 10: 10 wat ik ook: Namelijk van God en onze Heer Jezus Christus. Zie 1 Kor. 11:23. Zodat dit niet is ene leer door mij of enige mensen bedacht, maar van God gekomen en ons van Hem gegeven om de mensen te verkondigen. 1 Korinthiërs 11:23: Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, in welke Hij verraden werd, het brood nam;
[^1korinthiers-15-3-c]: Verwijzing c: Jes. 53:7; Dan. 9:24; idem v. 26; 1 Kor. 5:7; 1 Petr. 2:24. Jesaja 53:7: Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Daniël 9:26: En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorsten, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. 1 Korinthiërs 5:7: Zuivert dan de ouden zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 1 Petrus 2:24: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent.
[^1korinthiers-15-3-11]: Kanttekening 11: 11 voor onze zonden: Namelijk om voor die daardoor te voldoen, tot onze verzoening; 1 Petr. 3:18. 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^1korinthiers-15-3-12]: Kanttekening 12: 12 de schriften: Namelijk van het Oude Testament. Zie Hand. 26:22; Rom. 1:2; Ef. 2:20. Handelingen 26:22: Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende zowel klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou; Romeinen 1:2: (Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften). Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1korinthiers-15-4-d]: Verwijzing d: Ps. 16:10; Jes. 53:9; Jona 1:17; Matt. 12:40. Psalmen 16:10: Want U zult mijn ziel in de hel niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Jesaja 53:9: En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. Jona 1:17: De YHWH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis, drie dagen en drie nachten. Mattheüs 12:40: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^1korinthiers-15-4-e]: Verwijzing e: Ps. 16:10; Jes. 53:8; Matt. 12:40. Psalmen 16:10: Want U zult mijn ziel in de hel niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Jesaja 53:8: Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest. Mattheüs 12:40: Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon van de mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde.
[^1korinthiers-15-5-13]: Kanttekening 13: 13 van Cefas: Dat is, van Petrus. Zie van deze naam Joh. 1:43; 1 Kor. 1:12; Gal. 2:9. Johannes 1:43: En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genaamd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. Galaten 2:9: En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^1korinthiers-15-5-f]: Verwijzing f: Lukas 24:34; Hand. 10:41. Lukas 24:34: Welke zeiden: De Heer is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. Handelingen 10:41: Niet al de volk, maar de getuigen, die van God te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.
[^1korinthiers-15-5-g]: Verwijzing g: Joh. 20:19. Johannes 20:19: Als het dan avond was, op dezelfde eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u!
[^1korinthiers-15-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk apostelen, die, hoewel zij toen maar elf waren, door Judas' uitvallen het getal verminderd zijnde, nochtans de naam van dat getal behielden, omdat het kort daarna opnieuw vervuld werd. Zie Joh. 20:24; Hand. 1:25. Johannes 20:24: En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. Handelingen 1:25: Om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.
[^1korinthiers-15-6-15]: Kanttekening 15: 15 van meer dan: Wanneer dit geschied is, wordt van de evangelisten niet beschreven. Sommigen menen dat het geschied is op de Olijfberg, als Hij ten hemel opgevaren is; Luk. 24:50; Hand. 1:9. Anderen menen dat dit geschied is in Galilea, waar Hij vele discipelen had. Zie Matt. 28:7. Lukas 24:50: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. Mattheüs 28:7: En gaat haastig heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult u Hem zien. Ziet, ik heb het u gezegd.
[^1korinthiers-15-6-16]: Kanttekening 16: 16 nog over is: Gr. tot nu toe blijven; dat is, nog in het leven zijn.
[^1korinthiers-15-6-17]: Kanttekening 17: Dat is, gestorven zijn. Zie Ps. 13:4; Dan. 12:2; Matt. 9:24, en Matt. 27:52; Hand. 7:60; 1 Kor. 7:39, en 1 Kor. 11:30, en ook hier vers 18, 15:20, 15:51. Psalmen 13:4: Aanschouw, verhoor mij, YHWH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape; Daniël 12:2: En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Mattheüs 9:24: Zei Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem. Mattheüs 27:52: En de graven werden geopend, en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; Handelingen 7:60: En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer. 1 Korinthiërs 11:30: Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen. 1 Korinthiërs 15:18: Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 1 Korinthiërs 15:20: Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
[^1korinthiers-15-7-18]: Kanttekening 18: 18 van Jakobus: Onder de apostelen zijn er twee geweest, die Jakobus genaamd zijn. Een die een zoon van Zebedeüs was en een broeder van Johannes, Matt. 4:21, en Matt. 10:2, van Herodes gedood, Hand. 12:2; en een, die een zoon van Alfeüs was, toegenaamd de kleine, Mark. 15:40, en de broeder van de Heer, Gal. 1:19, omdat hij een zoon was van de zuster van de moeder van onze Heer. Zie de aantekeningen Mark. 15:40; Hand. 12:2,17, en Hand. 15:13. Van wie van beiden dit verstaan moet worden, is onzeker, omdat de Evangelisten van deze verschijning ook geen gewag maken. Mattheüs 4:21: En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen. Mattheüs 10:2: De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Handelingen 12:2: En hij doodde Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard. Marcus 15:40: En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome; Galaten 1:19: En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, de broeder van de Heer. Marcus 15:40: En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome; Handelingen 12:2: En hij doodde Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard. Handelingen 15:13: En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
[^1korinthiers-15-7-19]: Kanttekening 19: 19 van al de apostelen: Waardoor sommigen verstaan de apostelen, of al de elf tezamen zijnde bijeenvergaderd, en dat vers 5 die ook verstaan worden, toen zij zonder Thomas waren vergaderd; Joh. 20:24. Maar anderen verstaan het niet alleen van de twaalven, vers 5, maar ook van al de anderen, die van hem uitgezonden waren, om het Evangelie te prediken; Luk. 10:1; Rom. 16:7. 1 Korinthiërs 15:5: En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Johannes 20:24: En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. 1 Korinthiërs 15:5: En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Lukas 10:1: En na deze stelde de Heer nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou. Romeinen 16:7: Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.
[^1korinthiers-15-8-h]: Verwijzing h: Hand. 9:3; idem 9:17; Hand. 23:11; 1 Kor. 9:1; 2 Kor. 12:2. Handelingen 9:3: En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel; Handelingen 9:17: En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden. Handelingen 23:11: En de volgenden nacht stond de Heer bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen. 1 Korinthiërs 9:1: Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heer, gezien? Zijt u niet mijn werk in de Heer? 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derden hemel;
[^1korinthiers-15-8-20]: Kanttekening 20: 20 van een ontijdig geborene: De apostel vergelijkt zichzelf hierbij, ten aanzien van zijn plotselinge en onverwachte bekering en beroeping, die beschreven wordt Hand. 9, en geschied is nadat de Heer Christus ten hemel gevaren was, en omdat hij Christus tevoren had vervolgd.
[^1korinthiers-15-9-i]: Verwijzing i: Efez. 3:8. Efeziërs 3:8: Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
[^1korinthiers-15-9-21]: Kanttekening 21: 21 niet waard ben: Gr. niet genoegzaam.
[^1korinthiers-15-9-k]: Verwijzing k: Hand. 8:3; Hand. 9:1; Hand. 22:4; Hand. 26:9; Galat. 1:13; 1 Tim. 1:13. Handelingen 8:3: En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1: En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:4: Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Handelingen 26:9: Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. Galaten 1:13: Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte; 1 Timotheüs 1:13: Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^1korinthiers-15-10-22]: Kanttekening 22: 22 dat ik ben: Namelijk een gelovig Christen en bovendien een apostel van de Heer.
[^1korinthiers-15-10-23]: Kanttekening 23: 23 die aan mij: Of, in mij, tegen mij.
[^1korinthiers-15-10-24]: Kanttekening 24: 24 niet ijdel geweest: Dat is, niet zonder vele vruchten voort te brengen.
[^1korinthiers-15-10-l]: Verwijzing l: 2 Kor. 11:23; 2 Kor. 12:11. 2 Korinthiërs 11:23: Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls. 2 Korinthiërs 12:11: Ik ben roemende onwijs geworden; u hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.
[^1korinthiers-15-10-25]: Kanttekening 25: 25 gewerkt dan: Namelijk zo in het bedienen van het apostelschap, als in het verdragen van allerlei verdrukking en vervolging, die hij beschrijft 2 Kor. 11.
[^1korinthiers-15-10-26]: Kanttekening 26: 26 zij allen: Namelijk de andere apostelen, die vóór de hemelvaart van Christus beroepen zijn geweest en met Hem op de aarde verkeerd hebben, gelijk ook in vers 11. 1 Korinthiërs 15:11: Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, zo prediken wij, en zo hebt u geloofd.
[^1korinthiers-15-10-27]: Kanttekening 27: 27 niet ik: Namelijk als door mijn eigen krachten dat werkende, omdat ik daarvan maar een instrument ben.
[^1korinthiers-15-10-28]: Kanttekening 28: 28 Die met mij is: Dat is, die God mij heeft bewezen en waardoor Hij mijn arbeid zegent.
[^1korinthiers-15-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk de andere apostelen. Zie vers 10. 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^1korinthiers-15-11-30]: Kanttekening 30: 30 zo prediken wij: Namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, begraven, en opgestaan van de doden. Zie vers 3, 15:4. 1 Korinthiërs 15:3: Want ik heb u ten eerste overgegeven, wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 1 Korinthiërs 15:4: En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt op de derde dag, naar de Schriften;
[^1korinthiers-15-12-31]: Kanttekening 31: 31 gepredikt wordt: Namelijk van mij en van de andere apostelen.
[^1korinthiers-15-12-32]: Kanttekening 32: 32 hoe zeggen: Dat is, hoe kan dan bestaan wat sommigen zeggen? Deze vraag brengt mee ene berisping en aanwijzing van de ongerijmdheid van deze dwaling.
[^1korinthiers-15-12-33]: Kanttekening 33: 33 sommigen onder u: Zo was dan deze dwaling niet van de gehele gemeente gemeen, maar sommigen alleen, wier namen niet uitgedrukt worden, gelijk 2 Tim. 2:17, opdat hij hen door hen te beschamen van de bekering niet zou afschrikken. 2 Timotheüs 2:17: En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymeneüs en Filetus;
[^1korinthiers-15-12-34]: Kanttekening 34: Dat is, wezen zal in de laatste toekomst van Christus.
[^1korinthiers-15-13-35]: Kanttekening 35: 35 zo is Christus ook: Dat is, zo zal deze ongerijmdheid daaruit moeten volgen, dat Christus niet opgewekt is uit de doden. De reden hiervan is, omdat Christus het hoofd is en de gelovigen Zijn leden zijn, die tezamen één lichaam maken. Zo de leden niet levend zouden gemaakt worden, zo zou het hoofd ook niet levend zijn. Want het zou een wanschapen lichaam zijn, waarvan het hoofd zou leven en de leden dood zijn en blijven.
[^1korinthiers-15-14-36]: Kanttekening 36: 36 onze prediking: Dat is, mijne en van de andere apostelen.
[^1korinthiers-15-14-37]: Kanttekening 37: Dat is, vals, onwaarachtig.
[^1korinthiers-15-14-38]: Kanttekening 38: 38 ijdel is ook uw geloof: Dat is, uw geloof heeft geen vasten grond, en het zal het einde daarvan niet bekomen, dat is de zaligheid van de zielen.
[^1korinthiers-15-15-39]: Kanttekening 39: 39 want wij hebben: Of, omdat wij tegen God getuigd hebben.
[^1korinthiers-15-16-40]: Kanttekening 40: 40 zo is ook Christus: De reden van dit gevolg, zie de aantekeningen, vers 13. 1 Korinthiërs 15:13: En als er geen opstanding van de doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.
[^1korinthiers-15-17-41]: Kanttekening 41: Namelijk omdat u gelooft, dat Christus om uw zonden wil overgeleverd is in de dood, en om uw rechtvaardiging is opgewekt, Rom. 4:25, dat tevergeefs zou geloofd worden zo Hij niet opgewekt ware. Zie vers 14. Romeinen 4:25: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. 1 Korinthiërs 15:14: En als Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.
[^1korinthiers-15-17-42]: Kanttekening 42: 42 zo bent u nog: Dat is, om uw zonden wil de verdoemenis nog onderworpen, omdat het een bewijs zou wezen dat door Christus voor uwe zonden niet zou voldaan zijn, als Hij in de dood gebleven ware.
[^1korinthiers-15-18-43]: Kanttekening 43: Dat is, eeuwig verdoemd.
[^1korinthiers-15-18-44]: Kanttekening 44: 44 in Christus: Dat is in het geloof van Christus, en in de hoop van de zalige opstanding door Christus; 1 Thess. 4:14; Openb. 14:13. 1 Tessalonicenzen 4:14: Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem. Openbaring 14:13: En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.
[^1korinthiers-15-18-45]: Kanttekening 45: 45 ontslapen zijn: Dat is, gestorven. Zie vers 6. 1 Korinthiërs 15:6: Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welke het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.
[^1korinthiers-15-19-46]: Kanttekening 46: 46 alleen in dit leven: Dat is, ziende alleen op die dingen, of alleen om die dingen, die dit leven aangaan, en die ons in dit leven zouden kunnen toekomen; dat zou zijn als er gene opstanding van de doden zou wezen.
[^1korinthiers-15-19-47]: Kanttekening 47: 47 ellendigste van alle mensen: Gr. ellendiger. Want de Christenen verzaken niet alleen de wereldse wellusten, maar zijn ook om de belijdenis van de waarheid veel kruis, verdrukking en vervolging onderworpen.
[^1korinthiers-15-20-m]: Verwijzing m: 1 Petr. 1:3. 1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
[^1korinthiers-15-20-48]: Kanttekening 48: 48 is opgewekt uit de: Dat is, uit de voorgaande bewijsredenen blijkt dat het zeker is, dat Christus van de doden is opgewekt.
[^1korinthiers-15-20-49]: Kanttekening 49: 49 is de Eersteling: Dat is, omdat Hij eerst opgestaan is, volgt daaruit dat ook degenen, die in Hem ontslapen zijn, zullen opgewekt worden, gelijk door de eerstelingen van de vruchten, voor God opgeofferd zijnde, de gehele massa derzelve geheiligd werd; Ex. 22:29; Deut. 26:1; Rom. 11:16. Exodus 22:29: Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven. Deuteronomium 26:1: Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u YHWH, uw God, ten erve geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; Romeinen 11:16: En als de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en als de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
[^1korinthiers-15-20-n]: Verwijzing n: Kolos. 1:18; Openb. 1:5. Kolossenzen 1:18: En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^1korinthiers-15-20-50]: Kanttekening 50: 50 die ontslapen zijn: Namelijk in Christus. Zie vers 18. 1 Korinthiërs 15:18: Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
[^1korinthiers-15-21-o]: Verwijzing o: Gen. 2:17; Gen. 3:6; Rom. 5:12; idem 5:18; Rom. 6:23. Genesis 2:17: Maar van de boom van de kennis van de goeds en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u de dood sterven. Genesis 3:6: En de vrouw zag, dat die boom goed was tot voedsel, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben. Romeinen 5:18: Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; zo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking van het leven. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.
[^1korinthiers-15-21-51]: Kanttekening 51: 51 een mens is: Namelijk Adam, vers 22. 1 Korinthiërs 15:22: Want gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
[^1korinthiers-15-21-52]: Kanttekening 52: 52 zo is ook de: Dat is, zo heeft ook God bestemd dat de opwekking van de doden door een mens zou gedaan worden.
[^1korinthiers-15-21-53]: Kanttekening 53: 53 een mens: Namelijk Christus, vers 22. 1 Korinthiërs 15:22: Want gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
[^1korinthiers-15-22-54]: Kanttekening 54: 54 in Adam: Of, door Adam; dat is, door de zonde die Adam heeft gedaan, en al zijn nakomelingen in hem, als zijnde in zijn lenden; Rom. 5:12. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben.
[^1korinthiers-15-22-55]: Kanttekening 55: Dat is, de schuld en noodzakelijkheid van te sterven, of van de tijdelijke dood \[want van deze wordt hier alleen gesproken\] over zich gehaald en gebracht hebben.
[^1korinthiers-15-22-56]: Kanttekening 56: 56 in Christus: Of, door Christus.
[^1korinthiers-15-22-57]: Kanttekening 57: Namelijk gelovigen, die in Christus zijn ontslapen; gelijk de tegenstelling hier vereist. Want hoewel Christus alle mensen in het algemeen zal opwekken, ook de goddelozen en ongelovigen, als hun rechtvaardige rechter, om hen aan lichaam en ziel eeuwig te straffen, Matt. 25:32; Joh. 5:28; Hand. 24:15; 2 Kor. 5:10; Openb. 20:12, 20:13, zo worden hier nochtans verstaan degenen, die van Christus zijn en die Hij opwekken zal als hun hoofd, waarvan hij de eersteling is, vers 23. Mattheüs 25:32: En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. Johannes 5:28: Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; Handelingen 24:15: Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen. 2 Korinthiërs 5:10: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 20:13: En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, iedereen naar hun werken. 1 Korinthiërs 15:23: Maar iedereen in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.
[^1korinthiers-15-22-58]: Kanttekening 58: 58 levend gemaakt worden: Dat is, opgewekt uit de doden. Want daarvan wordt hier gesproken, niet van de geestelijke levendmaking.
[^1korinthiers-15-23-59]: Kanttekening 59: 59 in zijn orde: Namelijk van de tijd van God daartoe bestemd.
[^1korinthiers-15-23-60]: Kanttekening 60: 60 de eersteling Christus: Dat is, gelijk tussen de opoffering van de eerstelingen en het inzamelen van de vruchten enige tijd tussenbeiden was, Ex. 23:16, en Ex. 34:22, zo is er ook tijd tussen de opstanding van Christus en van de gelovigen. Exodus 23:16: En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. Exodus 34:22: Het feest van de weken zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is.
[^1korinthiers-15-23-61]: Kanttekening 61: 61 die van Christus zijn: Dat is, die Hem toebehoren, die Zijn lidmaten zijn, Hem door een waar geloof ingelijfd. Zie de aantekeningen op vers 22. 1 Korinthiërs 15:22: Want gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
[^1korinthiers-15-23-62]: Kanttekening 62: 62 in Zijn toekomst: Namelijk om te oordelen de levenden en doden, ten uitersten dage.
[^1korinthiers-15-24-63]: Kanttekening 63: 63 het einde zijn: Namelijk van deze tegenwoordige eeuw of wereld, of van deze regering van Christus, die hij nu als Middelaar bedient.
[^1korinthiers-15-24-64]: Kanttekening 64: Namelijk Christus.
[^1korinthiers-15-24-65]: Kanttekening 65: 65 het koninkrijk: Namelijk dat Hij nu als Middelaar bedient, door de predikatie van het Woord Zijn kerk vergaderende, door Zijn Geest haar wederbarende, en door Zijn kracht tegen de vijanden beschermende. Want dat zal alsdan niet meer nodig zijn.
[^1korinthiers-15-24-66]: Kanttekening 66: 66 God en de Vader: Dat is, God, die daar is Vader, namelijk van Christus, en ook van de gelovigen; Joh. 20:17. Johannes 20:17: Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
[^1korinthiers-15-24-p]: Verwijzing p: 1 Kor. 2:6. 1 Korinthiërs 2:6: En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden;
[^1korinthiers-15-24-67]: Kanttekening 67: 67 te niet gedaan hebben: Dat zij niet alleen de overhand niet hebbe, maar ook niet meer zij.
[^1korinthiers-15-24-68]: Kanttekening 68: 68 alle heerschappij, en alle macht en kracht: Dit verstaan sommigen van alle overheden, ook wettige en goede, want die zullen alsdan niet meer nodig zijn; anderen, van alle heerschappij en macht, hetzij van de onreine geesten, of van de mensen, die zich tegen Christus' rijk gesteld hebben.
[^1korinthiers-15-25-q]: Verwijzing q: Ps. 110:1; Hand. 2:34; Efez. 1:20; Kolos. 3:1; Hebr. 1:13; Hebr. 10:12. Psalmen 110:1: Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Handelingen 2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Kolossenzen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Hebreeën 1:13: En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? Hebreeën 10:12: Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God;
[^1korinthiers-15-25-69]: Kanttekening 69: 69 als Koning heersen: Dat is, zijn Koninklijk ambt als Middelaar volvoeren. Dat dan Psalm 110:1 gezegd wordt (waarop de apostel hier ziet) dat Hij zou zitten ter rechterhand van God, wordt hier uitgelegd van de apostel, heersen als Koning, gelijk ook in dezelfde psalm vers 2 heerst in het midden van uwe vijanden. Psalmen 110:1: Een psalm van David. YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Psalmen 110:2: YHWH zal de scepter van Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden.
[^1korinthiers-15-25-70]: Kanttekening 70: 70 totdat Hij al: Daarom, zolang dit niet is volvoerd, zal Christus de gelovigen uit de dood niet opwekken. En daarna zal Hij ophouden te regeren of heersen, op dezelfde manier gelijk Hij nu als Middelaar doet.
[^1korinthiers-15-25-71]: Kanttekening 71: 71 de vijanden: Namelijk van Zijn koninkrijk, en voornamelijk de duivel en al zijn instrumenten, die zich tegen Hem stellen, of niet willen dat Hij over hen zal heersen; Luk. 19:27. Lukas 19:27: Maar deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.
[^1korinthiers-15-25-72]: Kanttekening 72: 72 onder Zijn voeten: Dat is, ten enemale overwonnen en vernield zal hebben. Zie Joz. 10:24. Jozua 10:24: En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zei tot de oversten van het krijgsvolk, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.
[^1korinthiers-15-26-73]: Kanttekening 73: 73 De laatste: Dat is, die laatst zal overwonnen en teniet gedaan worden.
[^1korinthiers-15-26-74]: Kanttekening 74: 74 vijand, die: Namelijk van het leven en de zaligheid van de mensen. Want de dood vernielt het leven, en is daardoor als een vijand van de natuur.
[^1korinthiers-15-26-75]: Kanttekening 75: 75 te niet gedaan wordt: Dat is, weggenomen wordt, en in plaats van die het leven opnieuw door de opstanding gegeven. Zie vers 54. 1 Korinthiërs 15:54: En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
[^1korinthiers-15-26-76]: Kanttekening 76: 76 de dood: Namelijk de tijdelijke en lichamelijke dood; want daarvan wordt hier gesproken.
[^1korinthiers-15-27-r]: Verwijzing r: Ps. 8:7; Matt. 11:27; Matt. 28:18; Efez. 1:22; Hebr. 2:8. Psalmen 8:7: U doet hem heersen over de werken van Uw handen; U hebt alles onder zijn voeten gezet; Mattheüs 11:27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren. Mattheüs 28:18: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Hebreeën 2:8: Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;
[^1korinthiers-15-27-77]: Kanttekening 77: Namelijk God de Vader.
[^1korinthiers-15-27-78]: Kanttekening 78: 78 alle dingen: En dienvolgens ook alle vijanden, waaronder ook de tijdelijke dood is.
[^1korinthiers-15-27-79]: Kanttekening 79: Namelijk Christus. Zie van deze plaats bredere verklaring Hebr. 2:6. Hebreeën 2:6: Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de zoon van de mens, dat U hem bezoekt!
[^1korinthiers-15-27-80]: Kanttekening 80: 80 voeten onderworpen: Dat is, onder Hem gesteld, om al wat vijandig is teniet te doen, dat het zijn Rijk niet meer beschadige.
[^1korinthiers-15-27-81]: Kanttekening 81: 81 Hij uitgenomen wordt: Namelijk God de Vader. Of, dat het is zonder die.
[^1korinthiers-15-27-82]: Kanttekening 82: 82 Hem alle dingen onderworpen heeft: Namelijk Christus.
[^1korinthiers-15-28-83]: Kanttekening 83: 83 onderworpen worden: Namelijk afgelegd hebben, niet Zijn goddelijke natuur en macht, maar deze wijze van bediening van Zijn Middelaarsambt, welke Hij, als een gezant van de Vader, alsdan volkomen volbracht en uitgevoerd zal hebben.
[^1korinthiers-15-28-84]: Kanttekening 84: Namelijk de Vader.
[^1korinthiers-15-28-85]: Kanttekening 85: 85 alles in allen: Dat is, zijn gemeente verder door Hem zelf, als ware God met de Zoon en de Heilige Geest zonder middel verheerlijke.
[^1korinthiers-15-29-86]: Kanttekening 86: 86 wat zullen zij doen: Dat is, wat nut en voordeel zullen zij voor dat doen verkrijgen?
[^1korinthiers-15-29-87]: Kanttekening 87: 87 voor de doden: Of, over de doden.
[^1korinthiers-15-29-88]: Kanttekening 88: 88 gedoopt worden: Of, doping gebruiken. Dit wordt verscheidenlijk uitgelegd. Sommigen verstaan het van het sacrament van de doop, waardoor wij gemeenschap hebben aan de dood van Christus, en openlijk betuigen dat wij als voor doden en van de wereld afgestorvenen willen gehouden zijn; Rom. 6:2, 6:3. Anderen verstaan het van degenen, die met kruis en vervolging zo worden gedoopt, dat zij gelijk als in een gedurigen dood zijn. Want zo wordt het woord dopen altemet genomen; Mark. 10:38; Luk. 12:50. Enige verstaan het van degenen, die de lichamen van de doden wiessen, omdat de woorden, voor de doden gedoopt worden, ook wel kunnen overgezet worden, over de doden dopen, dat is, wassen; welke wijze van doen ten tijde van de apostelen gebruikelijk was, Hand. 9:37, en het woord dopen altemet ook wassen betekent, Mark. 7:4; Luk. 11:38; Hebr. 9:10, dat met het oogmerk van de apostel ook niet kwalijk overeenkomt. Romeinen 6:2: Dat zij verre. Wij, die van de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in haar leven? Romeinen 6:3: Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Marcus 10:38: Maar Jezus zei tot hen: U weet niet, wat u begeert. Kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drink, en met de doop gedoopt worden, daar Ik mee gedoopt word? Lukas 12:50: Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij! Handelingen 9:37: En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal. Marcus 7:4: En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen van de drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden. Lukas 11:38: En de Farizeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had. Hebreeën 9:10: Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd.
[^1korinthiers-15-30-89]: Kanttekening 89: Namelijk apostelen, leraars, en ook alle gelovigen.
[^1korinthiers-15-30-90]: Kanttekening 90: 90 in gevaar: Namelijk van niet alleen onze goederen en goeden naam, maar ook ons leven te verliezen om Christus' wil. Dit zou van ons tevergeefs gedaan worden zo er gene opstanding ware.
[^1korinthiers-15-31-91]: Kanttekening 91: 91 Ik sterf alle dagen: Dat is, ik ben niet alleen in gevaar van het leven, maar word ook dagelijks met zoveel verdrukkingen overvallen, dat mijn leven meer een gedurige dood is dan een leven; 2 Kor. 11:23. Zie hiervan 1 Kor. 4, en 2 Kor. 11,12. 2 Korinthiërs 11:23: Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls.
[^1korinthiers-15-31-92]: Kanttekening 92: 92 bij onze roem: Dat is, bij de getrouwheid, die ik in Christus' zaak altijd heb getoond, waarvan ik met recht mag roemen. Anders, bij uw roem; dat is bij de roem, die ik heb van u, dat ik u door mijn dienst tot het geloof gebracht heb. Zie 2 Kor. 7:4. 2 Korinthiërs 7:4: Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.
[^1korinthiers-15-32-93]: Kanttekening 93: 93 naar de mens: Dat is, gelijk somtijds bij de mensen geschiedt. Of, opdat ik ook van mijzelf wat zeg, gelijk de mensen plegen te doen; Rom. 3:5; 2 Kor. 11:16, 11:17, 11:21. Romeinen 3:5: Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.) 2 Korinthiërs 11:16: Ik zeg opnieuw, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; maar zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig mag roemen. 2 Korinthiërs 11:17: Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heer, maar als in onwijsheid, in deze vaste grond van de roeming. 2 Korinthiërs 11:21: Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.
[^1korinthiers-15-32-94]: Kanttekening 94: 94 tegen de beesten gevochten: Dit kan verstaan worden eigenlijk, dat de apostel te Efeze in de schouwplaats de wilde beesten zou voorgeworpen zijn geweest, om van hen verscheurd te worden, zijnde nochtans van God wonderbaar daarvan verlost. Dan, omdat Lukas, beschrijvende wat hem binnen Efeze overkomen is, Hand. 19, hiervan geen gewag maakt, zo verstaan sommigen dit oneigenlijk van de strijd, die de apostel binnen Efeze gehad heeft met zijn tegenpartijen, die hij bij wilde beesten vergelijkt, omdat zij hem zochten te verscheuren en vernielen, gelijk hij de keizer Nero ook vergelijkt bij een leeuw; 2 Tim. 4:17. 2 Timotheüs 4:17: Maar de Heer heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.
[^1korinthiers-15-32-95]: Kanttekening 95: 95 als de doden niet: Dit kan ook bekwamelijk gevoegd worden met de volgende woorden.
[^1korinthiers-15-32-96]: Kanttekening 96: 96 Laat ons eten en drinken: Dat is, laat ons in wellusten leven en goede sier alle dagen maken. De apostel verhaalt de woorden, die de Epicuristen plegen te gebruiken, zijnde ook verhaald Jes. 22:13, en wil zeggen dat zij daarin gelijk zouden hebben als er gene opstanding zou zijn. Jesaja 22:13: Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.
[^1korinthiers-15-32-s]: Verwijzing s: Jes. 22:13; Jes. 56:12. Jesaja 22:13: Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. Jesaja 56:12: Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.
[^1korinthiers-15-32-97]: Kanttekening 97: Dat is, zeer haast.
[^1korinthiers-15-32-98]: Kanttekening 98: 98 sterven wij: Dat is, zullen wij door de dood uit dit leven weggenomen worden.
[^1korinthiers-15-33-99]: Kanttekening 99: 99 Dwaalt niet: Dat is laat u door zulke redenen van de Epicuristen niet verleiden.
[^1korinthiers-15-33-100]: Kanttekening 100: Of, kwade omgang. Dit is een vers genomen uit een heidensen poëet Menander, waarmee Paulus de voorgaande rede van de Epicuristen weerlegt, tonende de schade, die zulke redenen medebrengen.
[^1korinthiers-15-34-101]: Kanttekening 101: 101 Waakt op: Namelijk uit de slaap van de zorgeloosheid.
[^1korinthiers-15-34-102]: Kanttekening 102: Dat is, waarlijk, ernstig. Of, om rechtvaardig te wandelen.
[^1korinthiers-15-34-103]: Kanttekening 103: 103 en zondigt niet: Dat is, wacht u, dat u niet vervalt in de gruwelijkste zonde van Epicuristerij en zorgeloosheid.
[^1korinthiers-15-34-104]: Kanttekening 104: 104 sommigen hebben: Namelijk van uwe gemeente, gelijk vers 12. 1 Korinthiërs 15:12: Als nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding van de doden is?
[^1korinthiers-15-34-105]: Kanttekening 105: 105 de kennis van God niet: Namelijk de rechte kennis, hoedanigen zijn degenen, die de opstanding van de doden loochenen.
[^1korinthiers-15-34-106]: Kanttekening 106: 106 tot schaamte: Dat is, opdat u u mag schamen dat er onder u zijn, die zulke grove en schadelijke dwalingen volgen, en daardoor te beter bewogen worden om zulke dwalingen te vluchten.
[^1korinthiers-15-35-t]: Verwijzing t: Ez. 37:3. Ezechiël 37:3: En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zei: Heer YHWH, U weet het!
[^1korinthiers-15-35-107]: Kanttekening 107: Namelijk van die Epicuristen.
[^1korinthiers-15-35-108]: Kanttekening 108: Dat is, hier tegenwerpen.
[^1korinthiers-15-35-109]: Kanttekening 109: 109 Hoe zullen de: Gr. hoe worden de doden opgewekt? dat is, hoe is het mogelijk, dat de doden, wier lichaam vergaan, verrot, van de beesten gegeten of met vuur verbrand zijn, enz. weer zouden levend worden?
[^1korinthiers-15-35-110]: Kanttekening 110: 110 met hoedanig een: Deze vraag wordt beantwoord vers 37, enz. 1 Korinthiërs 15:37: En wat u zaait, daarvan zaait u het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig van de andere granen.
[^1korinthiers-15-36-v]: Verwijzing v: Joh. 12:24. Johannes 12:24: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Als het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelfde alleen; maar als het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.
[^1korinthiers-15-36-111]: Kanttekening 111: 111 U dwaas: Dit zegt de apostel niet, om te scheiden, Matt. 5:22, maar om aan te wijzen hun onverstand in deze zaak; Gal. 3:1. Mattheüs 5:22: Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Galaten 3:1: O u uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u van de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?
[^1korinthiers-15-36-112]: Kanttekening 112: 112 wordt niet levend: Gr. wordt niet levend gemaakt (ζωο-ποιέω); dat is, wast niet op en brengt gene vruchten voort; want ook het gewas van de aarde heeft zijn leven.
[^1korinthiers-15-36-113]: Kanttekening 113: 113 gestorven is: Dat is, verrotte in de aarde. Zo het dan niet onmogelijk is dat een verrot zaad of graan weer opwast en groeit, gelijk wij dagelijks zien op onze akkers en in onze tuinen, zo is het ook niet onmogelijk dat God de verrotte lichamen opnieuw levend maakt.
[^1korinthiers-15-37-114]: Kanttekening 114: 114 dat worden zal: Dat is, dat voortkomen en groeien zal uit het gezaaide zaad.
[^1korinthiers-15-37-115]: Kanttekening 115: 115 een bloot graan: Namelijk dat dor en verstorven schijnt te zijn.
[^1korinthiers-15-37-116]: Kanttekening 116: 116 naar het voorvalt: Dat is, gelijk bijvoorbeeld.
[^1korinthiers-15-37-117]: Kanttekening 117: 117 van de andere granen: Of, van de andere zaden.
[^1korinthiers-15-38-118]: Kanttekening 118: 118 God geeft hetzelfde een lichaam: Dat is, hoewel God in de eerste schepping de aarde kracht gegeven heeft om kruiden, granen en vruchten voort te brengen, zo is het nochtans, dat Hij zelf door Zijn almachtigheid zodanige gewassen ook dagelijks voortbrengt, naar Zijn believen; Ps. 104:13, 104:14 enz; 1 Kor. 3:7. Psalmen 104:13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken. Psalmen 104:14: Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.
[^1korinthiers-15-38-119]: Kanttekening 119: 119 zijn eigen lichaam: Dat is, van dezelfde soort zijnde waar het zaad van is, waaruit het voortkomt.
[^1korinthiers-15-39-120]: Kanttekening 120: 120 Alle vlees is niet: Omdat tegen geworpen zij kunnen worden: Aangezien het vlees van andere dieren niet opgewekt wordt, dat zo het vlees van de mensen ook niet zal opgewekt worden, aangezien het enerlei schijnt te zijn, zo antwoordt de apostel dat er onderscheid tussen het vlees van de mensen en van andere dieren. De reden wordt niet uitgedrukt, maar is deze de voornaamste, omdat het vlees van de mensen door een redelijke en onsterflijke ziel levendgemaakt is geweest, en het lichaam van de andere dieren door een onredelijke ziel, die met het vlees sterft en vergaat, en ook omdat God aan de redelijke mensen, niet aan de onredelijke dieren, Zijn genade en rechtvaardigheid, naar lichaam en ziel, eeuwig wil betonen.
[^1korinthiers-15-39-121]: Kanttekening 121: 121 hetzelfde vlees: Dat is, van enerlei gehalte; zo dat het met het ene vlees zou moeten gaan gelijk met het andere.
[^1korinthiers-15-40-122]: Kanttekening 122: 122 hemelse lichamen: Dat is, die in de hemel zijn, of met hemelse hoedanigheden begaafd; gelijk er zijn de sterren van de hemel, en gelijk wezen zullen de verheerlijkte lichamen van de gelovigen.
[^1korinthiers-15-40-123]: Kanttekening 123: 123 aardse lichamen: Dat is, die òf van de aarde voortgekomen zijn, òf op de aarde zijn, en aan aardse hoedanigheden onderworpen.
[^1korinthiers-15-40-124]: Kanttekening 124: 124 de heerlijkheid van de: Dat is, de glans en hoedanigheid.
[^1korinthiers-15-41-125]: Kanttekening 125: 125 Een andere is de heerlijkheid van de zon: Dat is, zelfs ook is er onderscheid onder de lichamen, die in de hemel zijn, aangaande hun glans.
[^1korinthiers-15-41-126]: Kanttekening 126: Dat is, van de andere sterren. Want ook de zon en de maan zijn sterren.
[^1korinthiers-15-42-x]: Verwijzing x: Dan. 12:3; Matt. 13:43. Daniël 12:3: De leraars nu zullen blinken, als de glans van de uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altijd en eeuwig. Mattheüs 13:43: Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore.
[^1korinthiers-15-42-127]: Kanttekening 127: 127 Zo zal ook: Dat is, gelijk er onderscheid is tussen vlees en vlees, en tussen lichamen en lichamen, in heerlijkheid, zo zal ook in de opstanding onderscheid zijn tussen de hoedanigheden van onze lichamen, die wij nu hebben op de aarde en die wij hebben zullen na de opstanding in de hemel.
[^1korinthiers-15-42-128]: Kanttekening 128: 128 Het lichaam wordt: Dat is, deze onze lichamen, die wij nu op de aarde hebben, worden afgelegd, zijnde nu de verderflijkheid onderworpen; maar opgewekt zijnde, zullen zij voortaan onverderflijk zijn; blijvende wel dezelfde lichamen, maar begaafd met andere hoedanigheden.
[^1korinthiers-15-43-129]: Kanttekening 129: 129 in oneer, het wordt: Dat is, zijnde een dood lichaam, dat lelijk en onaangenaam is om te zien en te handelen. Zie Fil. 3:21. Filippenzen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^1korinthiers-15-43-130]: Kanttekening 130: 130 in heerlijkheid: Dat is, schoon en blinkende, gelijk de sterren en de zon; Matt. 13:43, en Matt. 17:2. Mattheüs 13:43: Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore. Mattheüs 17:2: En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht.
[^1korinthiers-15-43-131]: Kanttekening 131: 131 in zwakheid: Dat is, zijnde allerlei zwakheid, ziekte en mismaaktheid onderworpen.
[^1korinthiers-15-43-132]: Kanttekening 132: Namelijk om alle verderlijkheid tegen te staan en te weren, en om zichzelf krachtig en haastig te bewegen gelijk de mens zal willen.
[^1korinthiers-15-44-133]: Kanttekening 133: 133 Een natuurlijk lichaam: Gr. ziellijk (ψυχικός), dat is, dat van de ziel bewogen wordt in alle natuurlijke werkingen, tot voedsel, beweging, voortteling en dergelijke, strekkende.
[^1korinthiers-15-44-134]: Kanttekening 134: 134 een geestelijk lichaam: Dat is, niet ten aanzien van het wezen, maar alleen ten aanzien van de geestelijke hoedanigheden, waarmee het versierd zal wezen, en omdat het door de Geest van God zal bewogen worden, de ziel met het licht van de Geest vervuld zijnde.
[^1korinthiers-15-44-135]: Kanttekening 135: 135 Er is een natuurlijk lichaam: Dat is, zo blijkt dan dat de mens tweeërlei lichaam toegeschreven wordt, niet ten aanzien van het wezen, maar vanwege de hoedanigheden, zijnde hier een natuurlijk lichaam, en zal hiernamaals zijn een geestelijk lichaam.
[^1korinthiers-15-45-y]: Verwijzing y: Gen. 2:7. Genesis 2:7: En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^1korinthiers-15-45-136]: Kanttekening 136: Namelijk Gen. 2:7. Genesis 2:7: En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^1korinthiers-15-45-137]: Kanttekening 137: 137 tot een levende ziel: Dat is, nadat God zijn lichaam geschapen had uit het stof van de aarde, heeft Hij hem een redelijke en onsterflijke ziel ingeblazen, waardoor het lichaam levend is gemaakt en bewogen wordt, en zo heeft hij boven het verstand, ook een dierlijk of natuurlijk leven, gelijk andere dieren, ontvangen.
[^1korinthiers-15-45-138]: Kanttekening 138: 138 de laatste Adam: Namelijk Jezus Christus, die ook tegen de eerste Adam gesteld wordt, Rom. 5:17, 5:18, 5:19. Deze woorden worden hier verhaald gelijk daar of ergens elders geschreven, maar worden van de apostel gesteld tegen wat van de eerste Adam gezegd is, dat namelijk gelijk wij van de eerste Adam een natuurlijk of dierlijk lichaam ontvangen hebben, wij ook zo door de tweede Adam, namelijk Christus, een geestelijk lichaam zullen verkrijgen. Romeinen 5:17: Want als door de misdaad van een de dood geheerst heeft door die enen, veel meer zullen degenen, die de overvloed van de genade en van de gave van de rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door die Enen, namelijk Jezus Christus. Romeinen 5:18: Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; zo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking van het leven. Romeinen 5:19: Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
[^1korinthiers-15-45-139]: Kanttekening 139: 139 tot een levendmakenden geest: Dat is, door de vereniging van de menselijke natuur met de eeuwige goddelijke natuur, die een levendmakende geest is, is Hij ons geworden een vorst van het leven, Hand. 3:15. En gelijk Hij nu na de opstanding een geestelijk lichaam heeft, dat onsterflijk en onverderflijk is, zo zal Hij ook zodanige lichamen geven aan al degenen, die van Hem afkomstig zijn, niet door een natuurlijke voortteling, maar door een bovennatuurlijke wedergeboorte. Want elke Adam deelt zijn nakomelingen mee zulks als hij heeft. Handelingen 3:15: En de Vorst van het leven hebt u gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
[^1korinthiers-15-46-140]: Kanttekening 140: 140 het geestelijke: Namelijk lichaam. Zie vers 44. 1 Korinthiërs 15:44: Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.
[^1korinthiers-15-46-141]: Kanttekening 141: 141 niet eerst, maar het: De apostel beantwoordt hiermede wat iemand zou mogen tegenwerpen: Waarom geeft ons Christus zodanige geestelijke lichamen niet zo haast wij wedergeboren zijn? en zegt, dat alles op orde moet gebeuren, dat het natuurlijke moet voorgaan en daarna het geestelijke volgen, gelijk het volmaakte volgt op het onvolmaakte.
[^1korinthiers-15-47-142]: Kanttekening 142: 142 De eerste mens is: Namelijk Adam.
[^1korinthiers-15-47-143]: Kanttekening 143: 143 uit de aarde: Namelijk ten aanzien van de stof, waaruit zijn lichaam geschapen is; Gen. 2:7. Genesis 2:7: En YHWH God had de mens geformeerd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel.
[^1korinthiers-15-47-144]: Kanttekening 144: Dat is, hebbende een lichaam, dat aards is en na de val sterflijk en verderflijk is geworden; Gen. 3:19. Gr. van stof; namelijk van de aarde. Genesis 3:19: In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^1korinthiers-15-47-145]: Kanttekening 145: 145 de tweede mens is: Namelijk Christus, die een waarachtig mens is en de tweede genaamd wordt vanwege de tijd, omdat Hij na de eerste gekomen is, gelijk Matt. 3:11; Joh. 1:27; en een tegenbeeld van de eerste is geworden; Rom. 5:14. Mattheüs 3:11: Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. Johannes 1:27: Dezelfde is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. Romeinen 5:14: Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid van de overtreding van Adam, welke een voorbeeld is van Degene, Die komen zou.
[^1korinthiers-15-47-146]: Kanttekening 146: 146 de Heer uit de hemel: Dat is, de hemelse Heer, gelijk in de volgende verzen uitgelegd wordt. Anderen lezen: is hemels uit de hemel, om de tegenstelling haar volle betekenis te beter te geven. Maar alle Griekse boeken lezen: de Heer uit de hemel, en dat past ook wel op de tegenstelling, omdat de apostel hier tegen elkaar stelt niet de oorsprong van de lichamen, maar de afkomst en waardigheid van beide deze personen, die elk zodanig lichamen aan degenen, die van hen afkomstig zijn, mededelen als zij zelf hebben, vers 48. En Hij wordt gezegd uit de hemel te zijn, niet ten aanzien dat zijn menselijke natuur uit enige hemelse stof zou zijn voortgebracht, maar ten aanzien dat Hij, mens zijnde, ook waarachtig God is in één persoon, en die nu, in de hemel zijnde, een verheerlijkt lichaam heeft, dat met hemelse en geestelijke hoedanigheden versierd is. 1 Korinthiërs 15:48: Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.
[^1korinthiers-15-48-147]: Kanttekening 147: 147 Hoedanig de aardse is: Dat is, hoedanig lichaam Adam na de val gehad heeft, namelijk sterflijk en verderflijk.
[^1korinthiers-15-48-148]: Kanttekening 148: 148 zodanige zijn ook de aardsen: Dat is, zulk een lichaam hebben ook alle mensen, natuurlijkerwijze van Hem afkomstig, zolang zij op de aarde zijn.
[^1korinthiers-15-48-149]: Kanttekening 149: 149 hoedanig de hemelse is: Dat is, zulk een lichaam als Christus nu in de hemel heeft, namelijk verheerlijkt, onsterflijk, onverderflijk, enz.
[^1korinthiers-15-48-150]: Kanttekening 150: 150 zodanige zijn ook de hemelsen: Zulke lichamen zullen ook hebben alle gelovigen, nadat zij van de doden opgewekt en in de hemel zullen opgenomen zijn. En hieruit blijkt duidelijk dat de apostel niet spreekt van enige verscheidenheid in het wezen van de lichamen, maar alleen in de hoedanigheden.
[^1korinthiers-15-49-z]: Verwijzing z: 2 Kor. 4:11. 2 Korinthiërs 4:11: Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
[^1korinthiers-15-49-151]: Kanttekening 151: 151 het beeld van de aardse: Dat is, Adam hier gelijkvormig zijn in sterflijkheid en verderflijkheid; Gen. 5:3. Genesis 5:3: En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
[^1korinthiers-15-49-152]: Kanttekening 152: 152 zo zullen: Dat is, zo zullen wij ook Christus gelijkvormig zijn in heerlijkheid en onsterflijkheid; Rom. 8:17, 8:29; Fil. 3:21; 1 Joh. 3:2. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. Filippenzen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^1korinthiers-15-50-a]: Verwijzing a: Joh. 1:13. Johannes 1:13: Welke niet uit de bloede, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn.
[^1korinthiers-15-50-153]: Kanttekening 153: 153 vlees en bloed: Dat is, zulke lichamen, die verderflijk zijn, gelijk het vlees en bloed in dit leven is, en dat ten aanzien dat zij zodanig zijn gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Gal. 1:16; Ef. 6:12; Hebr. 2:14. Galaten 1:16: Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; Efeziërs 6:12: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^1korinthiers-15-50-154]: Kanttekening 154: 154 niet beërven kunnen: Dat is, verkrijgen als bij erfenis, dat is, uit genade en niet uit verdienste. Zie Matt. 25:34. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^1korinthiers-15-50-155]: Kanttekening 155: 155 de verderfelijkheid: Dat is, een lichaam dat aan de verderflijkheid onderworpen is. De apostel drukt alleen de hoedanigheid uit, om te tonen dat hij spreekt niet van het wezen, maar van de hoedanigheden van de lichamen. Zie vers 48. 1 Korinthiërs 15:48: Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.
[^1korinthiers-15-50-156]: Kanttekening 156: 156 de onverderflijkheid: Dat is, het eeuwige leven, dat onverderflijk en onvergankelijk is. Dat, omdat de gelovigen zullen bezitten, zowel naar ziel als lichaam, zo volgt dat hun lichamen ook onsterflijk moeten zijn. Want sterflijkheid en onsterflijkheid strijden tegen elkaar en kunnen tezamen niet bestaan.
[^1korinthiers-15-51-b]: Verwijzing b: 1 Thes. 4:16. 1 Tessalonicenzen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^1korinthiers-15-51-157]: Kanttekening 157: 157 een verborgenheid: Dat is, een zaak, die alle mensen, ook de profeten en apostelen tot nog toe onbekend is geweest.
[^1korinthiers-15-51-158]: Kanttekening 158: 158 Wij zullen wel niet allen: Namelijk mensen die alsdan zullen leven; 1 Thess. 4:17. Want de dag van de toekomst van Christus is onzeker. 1 Tessalonicenzen 4:17: Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^1korinthiers-15-51-159]: Kanttekening 159: Dat is, sterven; dat niet strijd met wat staat Hebr. 9:27. Want daar wordt gesproken van de gewone wet van de natuur, en niet van wat in het laatst van de wereld God aan sommigen zal willen doen. Ook zal deze verandering denzulken wezen in plaats van de dood. Hebreeën 9:27: En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;
[^1korinthiers-15-51-160]: Kanttekening 160: 160 veranderd worden: Dat is, van sterflijk onsterflijk worden. Dat niet alleen de gelovigen zal gebeuren, maar ook de ongelovigen, maar tot verscheiden doeleinden; deze om de eeuwige dood onderworpen te zijn, en genen om de eeuwige gelukzaligheid te genieten; en ook op verscheidene wijzen: de lichamen van de gelovigen bekleed met heerlijkheid, en die van de ongelovigen met smaadheid; Dan. 12:2; Joh. 5:29. En deze verandering zal gebeuren niet in het wezen van de lichamen, maar in hun hoedanigheden, vers 48. Daniël 12:2: En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 5:29: En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis. 1 Korinthiërs 15:48: Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.
[^1korinthiers-15-52-c]: Verwijzing c: Matt. 24:31; 1 Thes. 4:16. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve. 1 Tessalonicenzen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^1korinthiers-15-52-161]: Kanttekening 161: 161 In een punt van de tijd: Dat is, geheel haastig en snel.
[^1korinthiers-15-52-162]: Kanttekening 162: 162 de laatste bazuin: Dat is, met een groot en verschrikkelijk geluid, gelijk daar is van de bazuinen of trompetten. Dit geluid wordt genaamd de stem van de Zoon van God, Joh. 5:28; een geschrei en stem van de Archangel en bazuin Gods, 1 Thess. 4:16. Johannes 5:28: Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; 1 Tessalonicenzen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^1korinthiers-15-52-163]: Kanttekening 163: 163 de doden zullen: Dat is, die vóór die tijd zullen gestorven zijn.
[^1korinthiers-15-52-164]: Kanttekening 164: 164 wij zullen veranderd: Namelijk die alsdan leven zullen; zie vers 51. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
[^1korinthiers-15-53-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 5:4. 2 Korinthiërs 5:4: Want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; aangezien wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.
[^1korinthiers-15-53-165]: Kanttekening 165: 165 dit verderfelijke: Namelijk lichaam, dat wij nu hebben en dragen; Job 19:26, 19:27. Job 19:26: En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Job 19:27: Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
[^1korinthiers-15-53-166]: Kanttekening 166: 166 moet onverderfelijkheid: De reden van deze noodwendigheid wordt aangewezen vers 50. 1 Korinthiërs 15:50: Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
[^1korinthiers-15-53-167]: Kanttekening 167: Namelijk als een nieuw kleed. Zie 2 Kor. 5:2, 5:3. Hetzelfde wezen van de lichamen dan zal blijven, maar zij zullen hun ouden sterflijken toestand afleggen en de onsterflijkheid als een nieuw kleed en sieraad aandoen. En dit zal zijn de verandering, waarvan tevoren is gesproken. 2 Korinthiërs 5:2: Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden. 2 Korinthiërs 5:3: Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.
[^1korinthiers-15-54-e]: Verwijzing e: Jes. 25:8; Hosea 13:14; Hebr. 2:14. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Hosea 13:14: Maar Ik zal hen van het geweld van de hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^1korinthiers-15-54-168]: Kanttekening 168: Dat is, volkomenlijk vervuld worden.
[^1korinthiers-15-54-169]: Kanttekening 169: 169 dat geschreven is: Namelijk Jes. 25:8. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken.
[^1korinthiers-15-54-170]: Kanttekening 170: 170 De dood: Dit wordt verstaan van de tijdelijke dood, ten aanzien van de gelovigen; en kan ook verstaan worden van de eeuwige dood. Maar de apostel past dit hier op de tijdelijke dood, gelijk uit het voorgaande blijkt.
[^1korinthiers-15-54-171]: Kanttekening 171: 171 is verslonden: Namelijk van Christus, vers 57. Dat is, ganselijk weggenomen, dat er geen dood of sterven meer onder de mensen zal wezen. Zie dergelijke wijze van spreken 2 Kor. 5:4. 1 Korinthiërs 15:57: Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus. 2 Korinthiërs 5:4: Want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; aangezien wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.
[^1korinthiers-15-54-172]: Kanttekening 172: 172 tot overwinning: Dat is, dat Hij geheel overwonnen, weggenomen en teniet gedaan is; Openb. 21:4. Het Hebreeuwse woord, dat Jesaja hier gebruikt kan ook overgezet worden in eeuwigheid. Openbaring 21:4: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
[^1korinthiers-15-55-173]: Kanttekening 173: 173 Dood, waar is uw: Dat is als een triomflied, dat de apostel zingt over de overwinning van de dood, genomen, zo het schijnt, uit de profeet Hosea, Hos. 13:14, hoewel met enige verandering en bijvoeging van woorden. Hosea 13:14: Maar Ik zal hen van het geweld van de hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,
[^1korinthiers-15-55-174]: Kanttekening 174: Namelijk waarmee u ons mensen de doodsteek pleegt te geven.
[^1korinthiers-15-55-175]: Kanttekening 175: Of graf, want het Hebreeuwse woord Scheol, en het Griekse Hades, welke van de profeet en van de apostel hier gebruikt worden, betekent beide. Het schijnt dat het hier voornamelijk het graf betekent, omdat de apostel hier handelt van de wegdoening van de tijdelijke dood.
[^1korinthiers-15-55-176]: Kanttekening 176: Namelijk waardoor u de doden onder uw geweld tot nog toe gehouden hebt, die u alsdan weer zult moeten geven, en niet langer onder uw geweld kunnen behouden. Zie Openb. 20:13, 20:14. Openbaring 20:13: En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iedereen naar hun werken. Openbaring 20:14: En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood.
[^1korinthiers-15-56-177]: Kanttekening 177: 177 de zonde: Want vanwege de zonde heeft de dood macht over ons, en is overzulks gelijk als het wapen om ons te doden; Rom. 5:12, en Rom. 6:23. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.
[^1korinthiers-15-56-178]: Kanttekening 178: 178 is de wet: Want de zonde wordt niet gekend noch toegerekend dan door de wet; en als de wet iets gebiedt, zo streeft ons verdorven vlees daartegen des te meer, om te doen wat verboden is. Zie Rom. 5:13, en Rom. 7:7, 7:8, 7:13. Romeinen 5:13: Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. Romeinen 7:7: Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren. Romeinen 7:8: Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood. Romeinen 7:13: Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede de dood; opdat de zonde boven mate wierd zondigende door het gebod.
[^1korinthiers-15-57-f]: Verwijzing f: 1 Joh. 5:5. 1 Johannes 5:5: Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
[^1korinthiers-15-57-179]: Kanttekening 179: 179 die ons de overwinning: Namelijk van deze voorgenoemde en alle andere vijanden.
[^1korinthiers-15-57-180]: Kanttekening 180: 180 door onze Heer Jezus Christus: Die deze overwinning heeft te weeggebracht, niet voor zichzelf maar voor ons, als Hij door Zijn dood volkomen voor de zonden, naar eis van de wet, betaald heeft, en door kracht van Zijn opstanding onze zielen wederbaart, en onze lichamen ten uitersten dage zal opwekken in heerlijkheid.
[^1korinthiers-15-58-181]: Kanttekening 181: Of, wel gegrond, namelijk in het geloof.
[^1korinthiers-15-58-182]: Kanttekening 182: Namelijk tegen de stormwinden of watervloeden van verzoekingen.
[^1korinthiers-15-58-183]: Kanttekening 183: 183 overvloedig zijnde: Dat is, met een ernstigen ijver en vlijt altijd voortgaande en toenemende.
[^1korinthiers-15-58-184]: Kanttekening 184: 184 in het werk van de Heer: Dat is, in het werk, dat de Heer door de dienst van de apostelen in uwe harten gewrocht heeft, of dat Hij ons gebiedt dat wij doen zullen; Joh. 6:29. Johannes 6:29: Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
[^1korinthiers-15-58-185]: Kanttekening 185: Dat is, verzekerd zijn door de beloften van God.
[^1korinthiers-15-58-186]: Kanttekening 186: 186 niet ijdel is in de Heer: Dat is, niet zonder vrucht en genadige vergelding zal zijn.

### 1 Korinthiërs 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1korinthiers/16.json)

*1 De apostel vermaant de gemeente van Korinthe dat zij naar het voorbeeld van de gemeenten van Galatie een collecte wil houden voor de arme gelovigen in Jeruzalem. 2 Wijst hun aan hoe die op de eerste dag van de week op gepaste wijze gehouden kan worden. 3 en door wie ze daarheen gezonden moet worden, terwijl hij ook zelf zijn dienst daartoe aanbiedt. 5 Belooft dat hij door Macedonie naar hen toe zal komen en een tijd lang bij hen zal blijven. 8 Geeft reden waarom hij tot pinksteren in Efeze moet blijven. 10 Vermaant hen dat zij Timotheus vriendelijk ontvangen en laten vertrekken, en dat zij het goed opnemen dat Apollos zijn komst wat uitstelt. 13 Voegt daarbij een algemene vermaning tot standvastigheid in geloof en liefde. 15 en in het bijzonder dat zij het huisgezin van Stefanas in achting nemen, omdat hij met Fortunatus en Achaicus hem zeer verkwikt heeft. 19 Groet de gemeente van Korinthe namens de gemeenten van Asia, en in het bijzonder van Aquila en Priscilla. 21 en groet hen ook zelf met zijn eigen hand. 22 Spreekt de vloek uit over allen die Christus niet oprecht liefhebben. 23 Wenst de gelovigen de genade van God en belooft hun zijn liefde.*

**1** Wat betreft nu[^1korinthiers-16-1-1] de verzameling,[^1korinthiers-16-1-2] die voor de heiligen gebeurt, zoals ik[^1korinthiers-16-1-3] aan de Gemeenten in Galatië[^1korinthiers-16-1-4] verordend heb,[^1korinthiers-16-1-5] doet ook u zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v1)

**2** [^1korinthiers-16-2-a] Op elke[^1korinthiers-16-2-6] eerste[^1korinthiers-16-2-7] dag van de week, legge[^1korinthiers-16-2-8] ieder van u[^1korinthiers-16-2-9] iets bij zichzelf weg,[^1korinthiers-16-2-10] vergaderende een schat, naar dat hij[^1korinthiers-16-2-11] welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen[^1korinthiers-16-2-12] dan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v2)

**3** En wanneer ik daar zal gekomen zijn,[^1korinthiers-16-3-13] zal ik hen, die u zult bekwaam achten[^1korinthiers-16-3-14] door brieven, zenden, om uw[^1korinthiers-16-3-15] gave naar Jeruzalem over te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v3)

**4** En als het[^1korinthiers-16-4-16] van de moeite waard mocht zijn,[^1korinthiers-16-4-17] dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v4)

**5** Maar[^1korinthiers-16-5-b] ik zal tot u komen,[^1korinthiers-16-5-18] wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v5)

**6** En ik zal[^1korinthiers-16-6-19] mogelijk bij u blijven, of ook[^1korinthiers-16-6-20] overwinteren, opdat[^1korinthiers-16-6-21] u mij mag geleiden,[^1korinthiers-16-6-22] waar ik zal henenreizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v6)

**7** Want ik wil u nu niet zien[^1korinthiers-16-7-23] in het voorbijgaan, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven,[^1korinthiers-16-7-24] als het de Heere zal toelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v7)

**8** Maar ik zal[^1korinthiers-16-8-25] te Efeze blijven tot[^1korinthiers-16-8-26] de pinkster dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v8)

**9** Want mij is een grote en[^1korinthiers-16-9-27] krachtige[^1korinthiers-16-9-28] deur geopend, en er zijn[^1korinthiers-16-9-29] vele tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v9)

**10** Zo nu[^1korinthiers-16-10-30] Timotheüs komt, ziet, dat hij[^1korinthiers-16-10-31] buiten vrees bij u zij; want hij werkt[^1korinthiers-16-10-32] het werk van de[^1korinthiers-16-10-33] Heere, zoals ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v10)

**11** Dat hem dan niemand[^1korinthiers-16-11-34] verachte; maar geleidt hem[^1korinthiers-16-11-35] in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v11)

**12** En wat betreft[^1korinthiers-16-12-36] Apollos, de broeder, ik heb hem[^1korinthiers-16-12-37] zeer[^1korinthiers-16-12-38] gebeden, dat hij met de broeders tot u komen zou; maar het was[^1korinthiers-16-12-39] geheel zijn wil niet, dat hij nu zou komen; maar hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v12)

**13** [^1korinthiers-16-13-40] Waak,[^1korinthiers-16-13-41] staat in het geloof,[^1korinthiers-16-13-42] houdt u mannelijk,[^1korinthiers-16-13-43] wees sterk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v13)

**14** [^1korinthiers-16-14-44] Dat al uw dingen in de liefde gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v14)

**15** En ik bid u, broeders, u kent[^1korinthiers-16-15-45] het huis van[^1korinthiers-16-15-46] Stefanas, dat het is[^1korinthiers-16-15-47] de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelf[^1korinthiers-16-15-48] de heiligen ten dienst hebben[^1korinthiers-16-15-49] geschikt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v15)

**16** Dat u ook u aan de zodanigen[^1korinthiers-16-16-50] onderwerpt, en aan een ieder die[^1korinthiers-16-16-51] medewerkt en arbeidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v16)

**17** En ik verblijde mij[^1korinthiers-16-17-52] over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaïkus, want deze hebben vervuld[^1korinthiers-16-17-53] wat mij aan u ontbrak; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v17)

**18** Want zij hebben[^1korinthiers-16-18-54] mijn geest[^1korinthiers-16-18-55] verfrist, en[^1korinthiers-16-18-56] ook de uwe.[^1korinthiers-16-18-57] Erken dan de zodanigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v18)

**19** U groeten de Gemeenten[^1korinthiers-16-19-58] van Azië. U groeten zeer in de[^1korinthiers-16-19-59] Heere Aquila en Priscilla, met[^1korinthiers-16-19-60] de Gemeente, die bij hen thuis is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v19)

**20** U groeten al de broeders.[^1korinthiers-16-20-c] Groet elkaar[^1korinthiers-16-20-61] met een heilige kus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v20)

**21** De groet[^1korinthiers-16-21-62] met mijn hand van Paulus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v21)

**22** Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij[^1korinthiers-16-22-63] een vervloeking;[^1korinthiers-16-22-64] Maran-atha! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v22)

**23** [^1korinthiers-16-23-65] De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v23)

**24** [^1korinthiers-16-24-66] Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1korinthiers/16.html#v24)

[^1korinthiers-16-1-1]: Kanttekening 1: 1 de verzameling: Namelijk van de penningen, die vergaderd worden uit de gemeente.
[^1korinthiers-16-1-2]: Kanttekening 2: 2 die voor de heiligen: Dat is, voor de arme gelovigen te Jeruzalem zijnde, onder wie groot gebrek was, zo vanwege de dure tijd, van Agabus voorzegd, Hand. 11:28, alsook om de harde vervolging tegen deze gemeente, die daardoor genoodzaakt was bijstand te verzoeken bij de Griekse gemeenten, die toen bloeiden. Van deze inzameling, zie ook Rom. 15:25, 15:26; 2 Kor. 8:1; Gal. 2:10. Handelingen 11:28: En één uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder de keizer Claudius. Romeinen 15:25: Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. Romeinen 15:26: Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. 2 Korinthiërs 8:1: Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonië gegeven is. Galaten 2:10: Alleen, dat wij de armen zouden gedenken; dat zelf ik ook benaarstigd heb te doen.
[^1korinthiers-16-1-3]: Kanttekening 3: 3 aan de gemeente: Zie van deze gemeenten Gal. 1:2. Galaten 1:2: En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatië:
[^1korinthiers-16-1-4]: Kanttekening 4: 4 verordineerd heb: Namens op welke wijze en tijd deze inzameling bekwamelijk kan aangesteld en gedaan worden.
[^1korinthiers-16-1-5]: Kanttekening 5: 5 doet ook u zo: Dat is, volgt haar voorbeeld na, zo in het mildelijk geven, Rom. 12:13, als in het onderhouden van de orde in het inzamelen, die in vers 2 beschreven wordt. Romeinen 12:13: Deelt mee tot de behoeften van de heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 1 Korinthiërs 16:2: Op elke eerste dag van de week, legge een ieder van u iets bij zichzelf weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn.
[^1korinthiers-16-2-a]: Verwijzing a: Hand. 11:29; 2 Kor. 8:4; 2 Kor. 9:1. Handelingen 11:29: En naardat een iedereen van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden. 2 Korinthiërs 8:4: Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap van deze bediening, die voor de heiligen geschiedt. 2 Korinthiërs 9:1: Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.
[^1korinthiers-16-2-6]: Kanttekening 6: 6 eerste dag: Gr. enen. Hebr. Zie dergelijke wijze van spreken Gen. 1:5; Dan. 9:1. Zie ook Matt. 28:1; Mark. 16:9; Luk. 24:1. Genesis 1:5: En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. Daniël 9:1: In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het zaad van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën; Mattheüs 28:1: En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien. Marcus 16:9: En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Lukas 24:1: En op de eerste dag van de week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.
[^1korinthiers-16-2-7]: Kanttekening 7: 7 van de week, legge: Gr. van de sabbaten (σαββάτου), waardoor de gehele week dikwijls wordt genoemd. Zie Mark. 16:9; Joh. 20:1. Deze eerste dag wordt van Johannes genaamd de dag van de Heer, Openb. 1:10, omdat de Heer Christus op die dag van de doden is opgestaan. Op deze dag plegen de apostelen hun vergaderingen te houden; Joh. 20:19, 20:26; Hand. 20:7. Marcus 16:9: En als Jezus opgestaan was, 's morgens vroeg, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Johannes 20:1: En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen. Openbaring 1:10: En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin, Johannes 20:19: Als het dan avond was, op dezelfde eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u! Johannes 20:26: En na acht dagen waren Zijn discipelen opnieuw binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zei: Vrede zij u! Handelingen 20:7: En op de eerste dag van de week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende de andere dag verreizen; en hij strekte zijn rede uit tot de middernacht.
[^1korinthiers-16-2-8]: Kanttekening 8: 8 een iegenlijk van u: Namelijk lidmaat van uw gemeente, die enige middelen heeft.
[^1korinthiers-16-2-9]: Kanttekening 9: 9 iets bij zichzelf: Namelijk om tot de nooddruft van de armen gegeven te worden. Want altemet wat weg te leggen, bezwaart zozeer niet, en veel kleine maken een grote.
[^1korinthiers-16-2-10]: Kanttekening 10: 10 vergaderende een schat: Dat is, zo mettertijd gelijk een schat bijeenbrengende. Of, verzekerd zijnde dat u u daarmede een schat zult vergaderen in de hemel; Matt. 6:20. Mattheüs 6:20: Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
[^1korinthiers-16-2-11]: Kanttekening 11: 11 welvaren verkregen: Het Griekse woord betekent eigenlijk een goeden weg of reis hebben, gelijk Rom. 1:10, en wordt bij gelijkenis voor allerlei voorspoed genomen. Elk moet dan geven naar dat hem de Heer gezegend heeft; 2 Kor. 8:12. Romeinen 1:10: Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. 2 Korinthiërs 8:12: Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is, zo is iemand aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft.
[^1korinthiers-16-2-12]: Kanttekening 12: 12 alsdan niet eerst: Namelijk dat alsdan inderhaast zo bekwamelijk en vruchtbaar voor de armen niet zal kunnen gebeuren.
[^1korinthiers-16-3-13]: Kanttekening 13: 13 die u zult bekwaam: Namelijk om de vergaderde aalmoezen getrouw over te brengen.
[^1korinthiers-16-3-14]: Kanttekening 14: 14 door brieven, die zal: Dit door brieven kan gevoegd worden bij het voorgaande woord bekwaam acht, in deze zin: die u door brieven aan mijzelf zult noemen en te kennen geven, dat u die daartoe bekwaam en getrouw acht. Of, met het volgende woord zal ik zenden, namelijk met mijne brieven van aanbeveling aan de gemeente van Jeruzalem.
[^1korinthiers-16-3-15]: Kanttekening 15: 15 gave naar Jeruzalem: Gr. uwe genade (Ἱερουσαλήμ); dat is, uw aalmoes, die u hun zult geven uit enkele goedheid en barmhartigheid, door de genade van God. Zie 2 Kor. 8:1. 2 Korinthiërs 8:1: Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonië gegeven is.
[^1korinthiers-16-4-16]: Kanttekening 16: 16 waard mocht zijn: Of, nodig is.
[^1korinthiers-16-4-17]: Kanttekening 17: 17 dat ik ook zelf: De apostel biedt zijn dienst aan om die moeite graag te nemen, zo het nodig geacht werd; dat hij ook gedaan heeft, gelijk blijkt Hand. 24:17, en Rom. 15:25. Handelingen 24:17: Maar na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden. Romeinen 15:25: Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
[^1korinthiers-16-5-b]: Verwijzing b: 2 Kor. 1:15. 2 Korinthiërs 1:15: En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat u een tweede genade zoudt hebben;
[^1korinthiers-16-5-18]: Kanttekening 18: 18 wanneer ik Macedonië: Zo was dan de apostel toen, als hij deze brief schreef, nog niet in Macedonië gekomen, maar het blijkt uit vers 8, 16:19, dat hij toen nog te Efeze was. Waaruit volgt dat het niet zeker gaat, wat onder deze brief gesteld wordt, dat dezelfde zou geschreven zijn te Filippi, welke ene stad was in Macedonië gelegen Hand. 16:12. 1 Korinthiërs 16:8: Maar ik zal te Efeze blijven tot de pinkster dag. 1 Korinthiërs 16:19: U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heer Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is. Handelingen 16:12: En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
[^1korinthiers-16-6-19]: Kanttekening 19: 19 mogelijk bij u: Dat is, als het de Heer zal toelaten. Zie vers 7; Jak. 4:15. 1 Korinthiërs 16:7: Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven, als het de Heer zal toelaten. Jakobus 4:15: In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^1korinthiers-16-6-20]: Kanttekening 20: Dat is, de ganse winter over bij u blijven, opdat u mijn dienst genoegzaam mag gebruiken.
[^1korinthiers-16-6-21]: Kanttekening 21: 21 u mij mag geleiden: Dat is, enige uit uwe gemeente, die u daartoe bestemmen zult.
[^1korinthiers-16-6-22]: Kanttekening 22: 22 waar ik zal heenreizen: Namelijk hetzij naar Jeruzalem, zo het nodig gevonden wordt, dat ik deze dienst zelf zal doen, of ergens elders zal reizen om het Evangelie te verbreiden.
[^1korinthiers-16-7-23]: Kanttekening 23: 23 in het voorbijgaan: Of, als doorreizende, zonder bij u te blijven.
[^1korinthiers-16-7-24]: Kanttekening 24: 24 als het de: Omdat Hij bijzonder door Zijn Geest onze reizen bestuurt, waar Hij ons wil heenzenden, en door dezelfde ook somtijds verhindert, dat wij niet mogen gaan waar wij voorgenomen hadden. Zie daarvan een voorbeeld Hand. 16:7. Zie ook Jer. 10:23; Rom. 1:10; Jak. 4:15. Handelingen 16:7: En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. Jeremia 10:23: Ik weet, o YHWH! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. Romeinen 1:10: Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Jakobus 4:15: In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^1korinthiers-16-8-25]: Kanttekening 25: 25 te Efeze: Waar hij al twee jaren geweest was; Hand. 19:10. Handelingen 19:10: En dit geschiedde twee jaren lang, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heer Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
[^1korinthiers-16-8-26]: Kanttekening 26: 26 de pinkster-dag: Zie van dit woord de aantekeningen Hand. 2:1, en Hand. 20:16. Handelingen 2:1: En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. Handelingen 20:16: Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet de tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk was) op de pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
[^1korinthiers-16-9-27]: Kanttekening 27: Ten aanzien van de krachtige zegen, die de Heer geeft tot verbreiding van het Evangelie en veler bekering.
[^1korinthiers-16-9-28]: Kanttekening 28: 28 deur geopend: Dat is, goede gelegenheid wordt mij hier gegeven, om het Evangelie te verbreiden. Zie Hand. 14:27; 2 Kor. 2:12; Openb. 3:8. Handelingen 14:27: En daar gekomen zijnde, en de Gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof geopend had. 2 Korinthiërs 2:12: Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; Openbaring 3:8: Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want u hebt kleine kracht, en u hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.
[^1korinthiers-16-9-29]: Kanttekening 29: 29 vele tegenstanders: Namelijk die de loop van het Evangelie zoeken te verhinderen; waarom mijne aanwezigheid hier nog nodig is, om dezelfde tegen te staan en de gemeente tegen dezelfde te sterken.
[^1korinthiers-16-10-30]: Kanttekening 30: Zie van hem Hand. 16:1; 1 Tim. 1:2. Deze had Paulus gezonden om met Erastus de gemeenten te bezoeken; Hand. 19:22. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. Handelingen 19:22: En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië.
[^1korinthiers-16-10-31]: Kanttekening 31: 31 buiten vrees: Namelijk van de vijanden van het Evangelie, zo van de heidenen als van de valse broeders, die de vrome leraars van het Evangelie veel verdriet aandeden en in gevaar brachten.
[^1korinthiers-16-10-32]: Kanttekening 32: 32 het werk van de: Namelijk van de predikatie van het Evangelie; 1 Tim. 3:1. 1 Timotheüs 3:1: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.
[^1korinthiers-16-10-33]: Kanttekening 33: 33 gelijk als ik: Die met gelijke naarstigheid en trouw het Evangelie verkondigd, en de dienst van het Woord bedient als ik, Fil. 2:20, hoewel hij geen apostel was, maar een evangelist; 2 Tim. 4:5. Filippenzen 2:20: Want ik heb niemand, die even zo gemoed is, dewelke oprecht voor uw zaken zal zorgen. 2 Timotheüs 4:5: Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
[^1korinthiers-16-11-34]: Kanttekening 34: 34 verachte, maar: Namelijk om zijn jonkheid wil; 1 Tim. 4:12. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid.
[^1korinthiers-16-11-35]: Kanttekening 35: 35 in vrede, opdat: Dat is, dat hij zeker en voorspoedig zonder zwarigheid en gevaar tot mij mag komen.
[^1korinthiers-16-12-36]: Kanttekening 36: Zie van deze Apollos Hand. 18:24, enz., en Hand. 19:1; 1 Kor. 1:12, en 1 Kor. 3:6, 3:22. Handelingen 18:24: En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. Handelingen 19:1: En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen van het land doorreisd hebbende, te Efeze kwam; en enige discipelen daar vindende, 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat een ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. 1 Korinthiërs 3:6: Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 1 Korinthiërs 3:22: Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
[^1korinthiers-16-12-37]: Kanttekening 37: Gr. veel.
[^1korinthiers-16-12-38]: Kanttekening 38: Of, vermaand.
[^1korinthiers-16-12-39]: Kanttekening 39: 39 ganselijk zijn wil niet: Daarvan heeft hij zonder twijfel gewichtige redenen gehad; enige menen om met zijn aanwezigheid niet te stijven de partij, die zei: ik ben van Apollos; 1 Kor. 1:12. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat een ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^1korinthiers-16-13-40]: Kanttekening 40: Namelijk tegen de listen en lagen van de satan; 1 Petr. 5:8. 1 Petrus 5:8: Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^1korinthiers-16-13-41]: Kanttekening 41: 41 staat in het geloof: Dat is, blijft standvastig; 1 Kor. 15:58. 1 Korinthiërs 15:58: Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heer, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heer.
[^1korinthiers-16-13-42]: Kanttekening 42: 42 houdt u mannelijk: Namelijk in alle zwarigheden en gevaren, dat u kloekmoedig dezelfde overwint.
[^1korinthiers-16-13-43]: Kanttekening 43: 43 zijt sterk: Namelijk naar de ziel met een geestelijke sterkte aangedaan, om daardoor alle verzoekingen tegen te staan en te overwinnen.
[^1korinthiers-16-14-44]: Kanttekening 44: 44 Dat al uwe: Deze vermaning heeft de apostel tevoren in het brede voorgesteld, 1 Kor. 13, en hij verhaalt dezelfde hier opnieuw in het besluit van de brief, omdat zij zeer nodig is om alle tweespalt en scheuring weg te nemen, die gemeenlijk ontstaan uit gebrek aan liefde.
[^1korinthiers-16-15-45]: Kanttekening 45: 45 het huis van: Dat is, het huisgezin.
[^1korinthiers-16-15-46]: Kanttekening 46: Zie van deze 1 Kor. 1:16. Het schijnt dat hij diaken geweest is van de gemeente te Korinthe en een man van aanzien. 1 Korinthiërs 1:16: Maar ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.
[^1korinthiers-16-15-47]: Kanttekening 47: 47 de eersteling van: Dat is, dat hetzelfde onder de eerste in Achaje geweest is, die het Evangelie heeft aangenomen en tot Christus bekeerd is, en van mijzelf gedoopt; 1 Kor. 1:16. Epenetus wordt ook zo genaamd, Rom. 16:5, omdat hij mee één van de eerste geweest is; die daarom te meer te prijzen en in achting te houden zijn. 1 Korinthiërs 1:16: Maar ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. Romeinen 16:5: Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.
[^1korinthiers-16-15-48]: Kanttekening 48: 48 de heiligen ten: Om de arme gelovigen te dienen met vergaderen en uitdelen van de aalmoezen, en anderen handreiking te bewijzen; Hand. 6:1; Rom. 15:25. Handelingen 6:1: En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering van de Grieken tegen de Hebreën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. Romeinen 15:25: Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
[^1korinthiers-16-15-49]: Kanttekening 49: Gr. verordineerd; dat is, hebben zichzelf vrijwillig en geheel tot die dienst begeven, welverstaande als zij daartoe wettig zijn beroepen geweest; Hand. 6:3, 6:5. Handelingen 6:3: Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol van de Heilige Geest en van de wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak. Handelingen 6:5: En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij kozen Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochië;
[^1korinthiers-16-16-50]: Kanttekening 50: Namelijk niet alleen door gehoorzaamheid in de zaken hun dienst aangaande, maar ook door eerbieding om huns diensten wil; Ef. 5:21. Efeziërs 5:21: Elkaar onderdanig zijnde in de vrees voor God.
[^1korinthiers-16-16-51]: Kanttekening 51: 51 medewerkt en arbeidt: Namelijk met hen, in dezelfde of gelijke dienst, die men alle, om hun dienst in ere moet houden; 1 Thess. 5:13. 1 Tessalonicenzen 5:13: En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkaar.
[^1korinthiers-16-17-52]: Kanttekening 52: 52 Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus: Deze drie waren van Korinthe naar Paulus gereisd, om hem de staat van de gemeente daar bekend te maken, die hij, om hen van alle kwaad nadenken te bevrijden, prijst, en verklaart hun komst hem aangenaam geweest te zijn.
[^1korinthiers-16-17-53]: Kanttekening 53: 53 wat mij aan u ontbrak: Namelijk uw afwezen; dat is, ik ben door hun komst zo vermaakt geweest, alsof ik in deze weinigen alle andere lidmaten van de gemeente van Korinthe bij mij gehad had.
[^1korinthiers-16-18-54]: Kanttekening 54: 54 mijn geest: Dat is, mijne ziel, mijn hart.
[^1korinthiers-16-18-55]: Kanttekening 55: 55 verkwikt, en: Of, rust gegeven; namelijk door hun samensprekingen en onderrichtingen van de gelegenheid van uw kerk.
[^1korinthiers-16-18-56]: Kanttekening 56: 56 ook de uwe: Namelijk omdat ik verzekerd ben, als u zult verstaan dat mijne ziel verkwikt is, dat ook de uwe daarmede verkwikt zal worden.
[^1korinthiers-16-18-57]: Kanttekening 57: 57 Erkent dan de: Dat is, houdt hen in goede achting, waarde en liefde.
[^1korinthiers-16-19-58]: Kanttekening 58: 58 van Azië: Zo is dan de apostel toen in Azië geweest en niet in Macedonië. Zie vers 5, 16:8. 1 Korinthiërs 16:5: Maar ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan) 1 Korinthiërs 16:8: Maar ik zal te Efeze blijven tot de pinkster dag.
[^1korinthiers-16-19-59]: Kanttekening 59: Zie van deze Rom. 16:3. Deze waren met Paulus van Korinthe naar Efeze vertrokken; Hand. 18:2. Romeinen 16:3: Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus; Handelingen 18:2: En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;
[^1korinthiers-16-19-60]: Kanttekening 60: 60 de gemeente: Zie ook Rom. 16:5. Romeinen 16:5: Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.
[^1korinthiers-16-20-c]: Verwijzing c: Rom. 16:16; 2 Kor. 13:12; 1 Thes. 5:26; 1 Petr. 5:14. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 2 Korinthiërs 13:12: Groet elkaar met een heilige kus. U groeten al de heiligen. 1 Tessalonicenzen 5:26: Groet al de broeders met een heilige kus. 1 Petrus 5:14: Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.
[^1korinthiers-16-20-61]: Kanttekening 61: 61 met een heilige kus: Zie de aantekeningen Rom. 16:16. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u.
[^1korinthiers-16-21-62]: Kanttekening 62: 62 met mijne hand: Namelijk met welke ik deze brief heb ondertekend. Het schijnt dat de apostel een bijzondere wijze gehad heeft om zijn hand te tekenen, die de gemeente bekend was; met mijne hand Paulus. Zie Kol. 4:18; 2 Thess. 3:17, opdat zijn brieven te beter van andere zouden onderkend worden; en dat hij de volgende apostolische wens, vers 23, ook met zijn eigen hand onder al de zendbrieven placht te stellen. Kolossenzen 4:18: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. 2 Tessalonicenzen 3:17: De groetenis met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iederen zendbrief; zo schrijf ik. 1 Korinthiërs 16:23: De genade van de Heer Jezus Christus zij met u.
[^1korinthiers-16-22-63]: Kanttekening 63: 63 ene vervloeking: Gr. Anathema (ἀνάθεμα); van welk woord, zie Rom. 9:3; Gal. 1:8. Romeinen 9:3: Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees; Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^1korinthiers-16-22-64]: Kanttekening 64: Dit is een Chaldeeuws of Syrisch woord, dat toen gebruikelijk schijnt geweest te zijn, om een zeer grote vervloeking, die bij de Hebreën Cherem genaamd wordt, uit te drukken; en betekent, gelijk sommigen menen, de Heer komt, of onze Heer komt. Deze vloek spreekt de apostel uit over de onbekeerlijke mensen, niet uit een kwade beweging van het gemoed, maar uit een apostolischen geest en heiligen ijver. Zie Jud.:14, 1:15. Judas 1:14: En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Judas 1:15: Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddeloos gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
[^1korinthiers-16-23-65]: Kanttekening 65: 65 De genade van de: Dit is het gewone besluit van al de zendbrieven van de apostel.
[^1korinthiers-16-24-66]: Kanttekening 66: 66 Mijne liefde: Omdat de apostel sommigen dingen in deze brief wat hard voorstelt, zo verklaart hij hier dat zulks niet uit kwaadwilligheid, maar uit liefde tot hen geschied is.

## 2 Korinthiërs

### 2 Korinthiërs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de brief 3 dankt Paulus God voor de vertroostingen die hij in alle verdrukkingen door Christus ontving, anderen tot voorbeeld. 8 Daarna komt hij tot het verhaal van de grote vervolging die hem in Asia was overkomen, 10 waaruit hij toch verlost was door hun gebeden. 12 Hij getuigt dat hij oprecht in de wereld, maar vooral onder hen had verkeerd, 15 en dat hij ook oprecht had voorgenomen weer naar hen toe te komen, 17 hoewel dat nog niet was gebeurd. 18 Niet omdat zijn woord ja en nee was, 20 want alle beloften van God zijn in Christus ja en zeker, 21 en worden door de Heilige Geest in ons bevestigd. 23 Maar hij getuigt met een eed dat hij zijn komst naar hen nog had uitgesteld om hen te sparen.*

**1** [^2korinthiers-1-1-1] Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en[^2korinthiers-1-1-2][^2korinthiers-1-1-a] Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel[^2korinthiers-1-1-3] Achaje zijn: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v1)

**2** [^2korinthiers-1-2-b] Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v2)

**3** [^2korinthiers-1-3-c] Geloofd zij[^2korinthiers-1-3-4] de God en Vader van onze Heere Jezus[^2korinthiers-1-3-5] Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God van alle vertroosting; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v3)

**4** [^2korinthiers-1-4-d] Die ons[^2korinthiers-1-4-6] vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen troosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de troost, met welke wij zelf van God vertroost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v4)

**5** [^2korinthiers-1-5-e] Want zoals[^2korinthiers-1-5-7] het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus[^2korinthiers-1-5-8] onze troost overvloedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v5)

**6** Maar hetzij dat wij verdrukt worden,[^2korinthiers-1-6-9] het is tot uw troost en zaligheid,[^2korinthiers-1-6-f] die[^2korinthiers-1-6-10] gewerkt wordt in de volharding van hetzelfde lijden, dat wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden,[^2korinthiers-1-6-11] het is tot uw troost en zaligheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v6)

**7** En onze hoop[^2korinthiers-1-7-12] van u is vast, als die weten, dat, zoals u gemeenschap hebt aan het lijden, u ook zo gemeenschap hebt aan de troost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v7)

**8** [^2korinthiers-1-8-13] Want wij willen niet, broeders, dat u onwetend bent van onze verdrukking,[^2korinthiers-1-8-g] die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest[^2korinthiers-1-8-14] boven onze macht, zo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v8)

**9** Ja, wij hadden al zelf[^2korinthiers-1-9-15] in onszelf het vonnis van de[^2korinthiers-1-9-h] dood, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God,[^2korinthiers-1-9-16] Die de doden verwekt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v9)

**10** [^2korinthiers-1-10-i] Die ons[^2korinthiers-1-10-17] uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v10)

**11** [^2korinthiers-1-11-k] Zo u ook medearbeidt voor ons door het[^2korinthiers-1-11-l] gebed, opdat over[^2korinthiers-1-11-18] de gave,[^2korinthiers-1-11-19] door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons[^2korinthiers-1-11-20] dankzegging door velen gedaan wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v11)

**12** Want[^2korinthiers-1-12-21] onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoud en[^2korinthiers-1-12-22] oprechtheid van God, niet in[^2korinthiers-1-12-23] vleselijke wijsheid, maar[^2korinthiers-1-12-24] in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en[^2korinthiers-1-12-25] allermeest bij u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v12)

**13** Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die u[^2korinthiers-1-13-26] kent, of ook erkent; en ik hoop, dat u ze ook tot het einde toe erkennen zult; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v13)

**14** Zoals u ook[^2korinthiers-1-14-27] ten dele ons erkend hebt, dat wij[^2korinthiers-1-14-28] uw roem zijn,[^2korinthiers-1-14-m] zoals u ook[^2korinthiers-1-14-29] de onze bent,[^2korinthiers-1-14-30] in de dag van de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v14)

**15** [^2korinthiers-1-15-n] En[^2korinthiers-1-15-31] op dit betrouwen[^2korinthiers-1-15-32] wilde ik te voren tot u komen, opdat u[^2korinthiers-1-15-33] een tweede genade zou hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v15)

**16** En door uw stad naar Macedonië gaan, en opnieuw van Macedonië tot u komen, en[^2korinthiers-1-16-34] van u naar Judea geleid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v16)

**17** Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het[^2korinthiers-1-17-35] naar het vlees voor, wat ik voorneem, opdat bij mij zou wezen,[^2korinthiers-1-17-36] ja, ja, en nee, nee? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v17)

**18** Maar[^2korinthiers-1-18-37] God is getrouw, dat[^2korinthiers-1-18-38] ons woord, dat tot u is[^2korinthiers-1-18-o] gebeurd, niet is geweest[^2korinthiers-1-18-39] ja en nee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v18)

**19** Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs,[^2korinthiers-1-19-40] was niet ja en nee, maar is geweest ja[^2korinthiers-1-19-41] in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v19)

**20** Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn[^2korinthiers-1-20-42] in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid[^2korinthiers-1-20-43] door ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v20)

**21** Maar Die ons met u[^2korinthiers-1-21-44] bevestigt[^2korinthiers-1-21-45] in Christus, en Die ons[^2korinthiers-1-21-46] gezalfd heeft, is God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v21)

**22** [^2korinthiers-1-22-p] Die ons ook heeft[^2korinthiers-1-22-47] verzegeld, en[^2korinthiers-1-22-48] het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v22)

**23** [^2korinthiers-1-23-q] Maar ik roep God aan tot een Getuige[^2korinthiers-1-23-49] over mijn ziel, dat ik,[^2korinthiers-1-23-50] om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v23)

**24** [^2korinthiers-1-24-r] Niet dat wij[^2korinthiers-1-24-51] heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want u staat door het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/1.html#v24)

[^2korinthiers-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 een apostel van: Van de naam Paulus, zijn apostelschap en deze hele apostolische groet, zie de verklaring Rom. 1:1, 1:7, en 1 Kor. 1:1, 1:2, 1:3. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Korinthiërs 1:1: Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Sosthenes, de broeder, 1 Korinthiërs 1:2: Aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heer; 1 Korinthiërs 1:3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^2korinthiers-1-1-2]: Kanttekening 2: Omdat Timotheüs tevoren van hem tot Korinthe was gezonden, en nu weer tot hem gekeerd was, door wie hij van de stand van de gemeente bericht was, zo voegt hij hem hier bij zich, om hem in te meerder aanzien bij hen te maken, gelijk hij in de zendbrief Sosthenes met dezelfde titel van broeder, ook bij zich gevoegd had; 1 Kor. 1:1. Zie ook 1 Kor. 16:10, 16:11. 1 Korinthiërs 1:1: Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Sosthenes, de broeder, 1 Korinthiërs 16:10: Zo nu Timotheüs komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk van de Heer, gelijk als ik. 1 Korinthiërs 16:11: Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broeders.
[^2korinthiers-1-1-a]: Verwijzing a: Fil. 1:1. Filippenzen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:
[^2korinthiers-1-1-3]: Kanttekening 3: Dit is de naam van een voorname provincie in Griekenland, waar Korinthe in lag en het hoofd van was. Zie 1 Kor. 1:3. 1 Korinthiërs 1:3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^2korinthiers-1-2-b]: Verwijzing b: Rom. 1:7; 1 Kor. 1:3; Efez. 1:2; 1 Petr. 1:2. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Korinthiërs 1:3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Efeziërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2korinthiers-1-3-c]: Verwijzing c: Efez. 1:3; 1 Petr. 1:3. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. 1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
[^2korinthiers-1-3-4]: Kanttekening 4: 4 de God en Vader: Dat is, God die de Vader is van onze Heer Jezus Christus. Zie 1 Kor. 15:24. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^2korinthiers-1-3-5]: Kanttekening 5: 5 de Vader van de barmhartigheden: Dat is, die zelf zeer barmhartig is over ons, en de oorsprong aller barmhartigheid en vertroosting in ons.
[^2korinthiers-1-4-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 7:6. 2 Korinthiërs 7:6: Maar God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus.
[^2korinthiers-1-4-6]: Kanttekening 6: 6 vertroost in al: Namelijk door Zijn Woord en door Zijn Geest, gelijk Christus belooft Joh. 14:16. Johannes 14:16: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid;
[^2korinthiers-1-5-e]: Verwijzing e: Ps. 34:20; Ps. 94:19. Psalmen 34:20: Resch. Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem YHWH. Psalmen 94:19: Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
[^2korinthiers-1-5-7]: Kanttekening 7: 7 het lijden van: Dat is, dat wij om Christus' wil lijden; of, dat wij lijden als leden van Christus, naar het voorbeeld van Christus, die het lijden, dat Zijn leden aangedaan wordt als Zijn eigen rekent; Hand. 9:4; Rom. 8:17; Kol. 1:24. Gr. de lijdingen. Handelingen 9:4: En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Kolossenzen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^2korinthiers-1-5-8]: Kanttekening 8: 8 onze vertroosting: Namelijk waarmee wij zelf vertroost worden en dienvolgens ook bekwaamheid krijgen, om anderen te beter te troosten. Zie vers 4. 2 Korinthiërs 1:4: Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.
[^2korinthiers-1-6-9]: Kanttekening 9: 9 tot uw vertroosting: Namelijk niet alleen omdat u door ons voorbeeld zoudt gesterkt worden, maar ook omdat wij daardoor meer stof en ervaring zouden krijgen om u te troosten en te sterken. Zie de aantekeningen Kol. 1:24. Kolossenzen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^2korinthiers-1-6-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 4:17. 2 Korinthiërs 4:17: Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid;
[^2korinthiers-1-6-10]: Kanttekening 10: 10 gewrocht wordt: Dat is, teweeggebracht wordt. Of, die krachtig is door de volharding. Want de volharding werkt bevinding van Gods hulp en trouw, en vervolgens ook hoop van de zaligheid; Rom. 5:3, 5:4. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Romeinen 5:4: En de volharding bevinding, en de bevinding hoop;
[^2korinthiers-1-6-11]: Kanttekening 11: 11 tot uw vertroosting en zaligheid: Namelijk omdat wij vertroost zijnde, u zich daarover ook verheugt, en wij u zo te beter ook kunnen troosten, en uwe zaligheid bevorderen.
[^2korinthiers-1-7-12]: Kanttekening 12: 12 van u is vast: Gr. over u.
[^2korinthiers-1-8-13]: Kanttekening 13: 13 Want wij willen niet: Hier begint de apostel tot de verhandeling van de zaak zelve te komen, en verhaalt de eerste oorzaak die hem verhinderd heeft tot hen te komen, namelijk de overgrote verdrukking in Azië, waarvan te lezen is Hand. 19.
[^2korinthiers-1-8-g]: Verwijzing g: Hand. 19:23. Handelingen 19:23: Maar op dienzelfden tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege de weg van de Heer.
[^2korinthiers-1-8-14]: Kanttekening 14: 14 boven onze macht: Dat is, zo moeizaam, dat wij daaronder zouden zijn bezweken, tenware ons de Heer wonderbaarlijk had gesterkt, en door Zijn macht bewaard, gelijk in vers 9, 1:10 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 1:9: Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis van de dood, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; 2 Korinthiërs 1:10: Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.
[^2korinthiers-1-9-15]: Kanttekening 15: 15 in onszelven het: Dat is, wij hadden al rekening gemaakt van niet te zullen ontkomen.
[^2korinthiers-1-9-h]: Verwijzing h: Jer. 17:5; idem v. 7. Jeremia 17:5: Zo zegt YHWH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van YHWH afwijkt! Jeremia 17:7: Gezegend daarentegen is de man, die op YHWH vertrouwt, en wiens vertrouwen YHWH is!
[^2korinthiers-1-9-16]: Kanttekening 16: 16 die de doden: Dat is, die dan veel meer, die in gevaar van de dood zijn, door dezelfde macht kan verlossen.
[^2korinthiers-1-10-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 15:31. 1 Korinthiërs 15:31: Ik sterf alle dagen, dat ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heer.
[^2korinthiers-1-10-17]: Kanttekening 17: 17 uit zo groten: Dat is, uit zo groot een gevaar van de dood; Ex. 10:17. Exodus 10:17: En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot YHWH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme.
[^2korinthiers-1-11-k]: Verwijzing k: Rom. 15:30; Fil. 1:19. Romeinen 15:30: En ik bid u, broeders, door onze Heer Jezus Christus, en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; Filippenzen 1:19: Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid strekken zal, door uw gebed en ondersteuning van de Geest van Jezus Christus.
[^2korinthiers-1-11-l]: Verwijzing l: 2 Kor. 4:15. 2 Korinthiërs 4:15: Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid van God.
[^2korinthiers-1-11-18]: Kanttekening 18: 18 de gave: Dat is, de genadige verlossing.
[^2korinthiers-1-11-19]: Kanttekening 19: 19 door vele personen: Dat is, door het voorbidden van velen.
[^2korinthiers-1-11-20]: Kanttekening 20: 20 dankzegging door: Namelijk die tevoren voor ons hadden gebeden. Want dankzegging moet volgen op het verhoren van de gebeden.
[^2korinthiers-1-12-21]: Kanttekening 21: 21 onze roem is deze: Zo spreekt de apostel om tevoorkomen de lasteringen van de valse apostelen, die de apostel zochten verdacht te maken van ongestadigheid in zijn beloften, en van lichtvaardigheid in zijn hele handel, omdat hij volgens zijn toezegging, in het einde van de voorgaande zendbrief nog tot hen niet was overgekomen.
[^2korinthiers-1-12-22]: Kanttekening 22: 22 oprechtheid Gods: Dat is, die God van ons eist, en waarvan God getuige is.
[^2korinthiers-1-12-23]: Kanttekening 23: 23 vleselijke wijsheid: Dat is, bedriegelijke, gelijk de vleselijke mensen plachten te gebruiken, en onder die ook de valse apostelen, om anderen te misleiden en hun eigen eer en voordeel te bevorderen.
[^2korinthiers-1-12-24]: Kanttekening 24: 24 in de genade van God: Dat is, in de kracht en oprechte wijsheid, die God uit genade mededeelt.
[^2korinthiers-1-12-25]: Kanttekening 25: 25 allermeest bij u: Gr. overvloediglijker. Dit zegt Paulus, niet alsof hij elders minder oprecht geweest was, maar ten aanzien van de lange tijd, die hij onder hen meer dan in andere gemeenten verkeerd had; Hand. 18:11. Handelingen 18:11: En hij onthield zich daar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God.
[^2korinthiers-1-13-26]: Kanttekening 26: 26 kent, of ook erkent: Namelijk uit mijn woord en wandel toen ik onder u was. Of leest, namelijk in de brief aan u geschreven, die klaar en eenvoudig is.
[^2korinthiers-1-14-27]: Kanttekening 27: 27 ten dele ons erkend: Dit zegt de apostel, of ten aanzien van het beste deel, die zulks altijd graag erkenden, òf ook ten aanzien van de gehele gemeente, die al enige gebreken, op zijn voorgaand schrijven had verbeterd, gelijk blijkt uit het tweede en zevende hoofdstuk; hoewel zij nog te veel gehoor gaven aan sommigen, die het uiterlijk aanzien en de wereldse wijsheid te veel achtten.
[^2korinthiers-1-14-28]: Kanttekening 28: 28 uw roem zijn: Dat is, dat wij uwe leermeesters zijn, op wie u roemt en door wie u bekent tot Christus gebracht te zijn.
[^2korinthiers-1-14-m]: Verwijzing m: Fil. 2:16; 1 Thes. 2:19. Filippenzen 2:16: Voorhoudende het woord van het leven, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gewerkt. 1 Tessalonicenzen 2:19: Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roems? Zijt u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^2korinthiers-1-14-29]: Kanttekening 29: 29 de onze zijt: Namelijk daar wij in Christus van roemen, dat wij u tot Christus' kennis en gemeenschap gebracht hebben, en door welke u met vele geestelijke gaven versierd bent.
[^2korinthiers-1-14-30]: Kanttekening 30: 30 in de dag van de Heer Jezus: Dat is, ten uitersten dage, als Christus zal verschijnen om het doen van een ieder te richten; dat Paulus daarbij voegt om te tonen dat deze zijn en hun roem niet vleselijk of ijdel, maar welgegrond was, en van Christus zelf ten uitersten dage zou goedgekend worden.
[^2korinthiers-1-15-n]: Verwijzing n: 1 Kor. 16:5. 1 Korinthiërs 16:5: Maar ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan)
[^2korinthiers-1-15-31]: Kanttekening 31: 31 op dit betrouwen: Namelijk dat u in zulke achting bij mij bent, en ik bij u was.
[^2korinthiers-1-15-32]: Kanttekening 32: 32 wilde ik te voren: Namelijk volgens mijn schrijven; 1 Kor. 16:5, 16:6, 16:7. 1 Korinthiërs 16:5: Maar ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan) 1 Korinthiërs 16:6: En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat u mij mag geleiden, waar ik zal henenreizen. 1 Korinthiërs 16:7: Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven, als het de Heer zal toelaten.
[^2korinthiers-1-15-33]: Kanttekening 33: 33 een tweede genade: Dat is, die mij meer en meer versterkt zoudt worden in de genade en gaven van Christus, waarmee u in mijn eerste komst tot u al begenadigd was.
[^2korinthiers-1-16-34]: Kanttekening 34: 34 van u naar: Dat is, van enige van u daartoe bestemd.
[^2korinthiers-1-17-35]: Kanttekening 35: 35 naar het vlees: Dat is, naar de wijze van vleselijke mensen; of uit vleselijke bedenkingen, die ongestadig zijn, en lichtelijk komen te veranderen; 2 Kor. 10:3. 2 Korinthiërs 10:3: Want wandelende in het vlees, voeren wij de krijg niet naar het vlees;
[^2korinthiers-1-17-36]: Kanttekening 36: 36 ja, ja, en: Dat is, zeggen en loochenen; of zeggen en niet doen, wat men zegt.
[^2korinthiers-1-18-37]: Kanttekening 37: 37 God is getrouw, dat: Een wijze van spreken, wanneer men iets sterk wil betuigen, en is zoveel alsof hij zei: Zo waarachtig als God getrouw is, zo is ons woord, enz. Of, God, die getrouw is, weet dat, enz.
[^2korinthiers-1-18-38]: Kanttekening 38: 38 ons woord: Namelijk dat van ons tot u is gepredikt. Want in deze volgende vijf verzen wederspreekt de apostel eerst het besluit van de valse leraars, die omdat de apostel deze belofte van tot hen te komen niet scheen gehouden te hebben, daaruit wilden besluiten dat dan zijn gehele predikatie onvast was, en daarop niet was te steunen. Maar op de belofte zelve van tot hen te komen, antwoordt hij hierna vers 23, 1:24. 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 1:24: Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want u staat door het geloof.
[^2korinthiers-1-18-o]: Verwijzing o: Matt. 5:37; Jak. 5:12. Mattheüs 5:37: Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit de boze. Jakobus 5:12: Maar voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat u in geen oordeel valt.
[^2korinthiers-1-18-39]: Kanttekening 39: 39 ja en neen: Dat is, onvast en onzeker, gelijk als de mensen, die nu ja nu en neen zeggen over een zelfde zaak, onvast en onzeker zijn in hun woorden en doen.
[^2korinthiers-1-19-40]: Kanttekening 40: 40 was niet ja en neen: Namelijk in onze prediking. Gelijk Christus de Zaligmaker niet veranderlijk is, maar gisteren, heden en in eeuwigheid dezelfde is, Hebr. 13:8, zo is Hij ook niet anders van ons gepredikt en is altijd hetzelfde Evangelie van Christus aan de gemeente van ons voorgesteld. Zie Gal. 1:7, 1:8, 1:9. Hebreeën 13:8: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid. Galaten 1:7: Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Galaten 1:9: Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu opnieuw: Als u iemand een Evangelie verkondigt, buiten wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt.
[^2korinthiers-1-19-41]: Kanttekening 41: 41 in Hem: Namelijk God. Want gelijk hij Hem de Zoon van God genaamd had, zo betuigt hij ook dat Christus is Ja, dat is, standvastigheid en waarheid in God of in Gods beloften, die enkel waarheid en vastheid zijn, gelijk in vers 20 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 1:20: Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons.
[^2korinthiers-1-20-42]: Kanttekening 42: 42 in Hem ja, en zijn: Namelijk in Christus Jezus. Want gelijk Christus altijd dezelfde is in Gods beloften, die onveranderlijk zijn, zo zijn alle beloften van God van onze zaligheid Ja, dat is waarheid, en Amen, dat is gewisheid en vastheid, in Christus, omdat God in het Nieuwe Verbond gene beloften van de zaligheid doet noch volbrengt dan in Christus en door Christus. Zie Joh. 14:6; Hand. 4:12; Ef. 1:3, enz. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.
[^2korinthiers-1-20-43]: Kanttekening 43: 43 door ons: Dat is, door de dienst van ons apostelen en leraars, die in deze leer ook niemand moeten kennen dan Christus en die gekruisigd; 1 Kor. 2:2; Kol. 2:9, 2:10, enz. 1 Korinthiërs 2:2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. Kolossenzen 2:9: Want in Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; Kolossenzen 2:10: En u bent in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;
[^2korinthiers-1-21-44]: Kanttekening 44: Namelijk in de waarheid.
[^2korinthiers-1-21-45]: Kanttekening 45: 45 in Christus: Dat is, om de vrucht en kracht van alle beloften van God te zoeken in Christus en door de gemeenschap met Christus.
[^2korinthiers-1-21-46]: Kanttekening 46: 46 gezalfd heeft: Dat is, met de gaven van de Heilige Geest begaafd heeft, die in de Schrift dikwijls bij olie of zuivere zalf wordt vergeleken. Zie Ps.. 45:8; Hand. 4:27, en Hand. 10:38; 1 Joh. 2:20, 2:27. Handelingen 4:27: Want in waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; Handelingen 10:38: Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem. 1 Johannes 2:20: Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^2korinthiers-1-22-p]: Verwijzing p: Rom. 8:16; 2 Kor. 5:5; Efez. 1:13; Efez. 4:30. Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 2 Korinthiërs 5:5: Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Efeziërs 1:13: In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte; Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^2korinthiers-1-22-47]: Kanttekening 47: Dat is, als met opdrukking van zijn zegel verzekerd, namelijk van onze gemeenschap met Christus, en vervolgens van onze aanneming tot kinderen en tot erfgenamen Gods; Rom. 8:15, 8:16; 1 Kor. 2:12. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 1 Korinthiërs 2:12: Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
[^2korinthiers-1-22-48]: Kanttekening 48: 48 het onderpand: Gr. Arrhabon, welk woord, gelijk ook Arrha, eigenlijk betekent een onderpand, dat een deel of begin is van het toekomende goed, dat ons beloofd en verzekerd wordt, gelijk als iemand enig geld gereed geeft tot een begin en verzekering van de betaling die beloofd is. Zie 2 Kor. 5:5; Ef. 1:13, 1:14. De eerste gave dan van de Geest en van het leven is een onderpand van onze gehele erve; zo dat deze zalving, verzegeling en onderpand tot een zelfde einde dienen. Maar dit verhaal van deze weldaad dient daartoe, om te bewijzen dat die in onze harten altijd krachtiger en gewisser wordt. 2 Korinthiërs 5:5: Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Efeziërs 1:13: In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte; Efeziërs 1:14: Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid.
[^2korinthiers-1-23-q]: Verwijzing q: Rom. 1:9; Rom. 9:1; 2 Kor. 11:31; Galat. 1:20; Fil. 1:8; 1 Thes. 2:5; 1 Tim. 5:21; 2 Tim. 4:1. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 11:31: De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Galaten 1:20: Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippenzen 1:8: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Tessalonicenzen 2:5: Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Timotheüs 5:21: Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 2 Timotheüs 4:1: Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
[^2korinthiers-1-23-49]: Kanttekening 49: 49 over mijn ziel: Namelijk dat Hij die straffe, zo ik de waarheid niet zeg. Een rechte wijze van een waren eed, die de apostel daarom hierbij voegt, omdat er zeer veel aan gelegen was dat zijn woord niet voor onvast zou gehouden worden.
[^2korinthiers-1-23-50]: Kanttekening 50: 50 om u te sparen: Dat is, om niet te moeten gebruiken de apostolische macht in het straffen van de ongehoorzamen. Zie 2 Kor. 10.
[^2korinthiers-1-24-r]: Verwijzing r: 1 Petr. 5:3. 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^2korinthiers-1-24-51]: Kanttekening 51: 51 heerschappij voeren: De apostel spreekt zo om te verzachten wat hij meteen tevoren gezegd had van hen niet te sparen; waarvan de zin is dat hij zulks niet zei om hen te dreigen of te overmeesteren als een heer over hen en hun geloof, maar om hen als een dienaar en medewerker van Christus tot rechte erkentenis en betering van hun fouten, en vervolgens tot rechte blijdschap met hem te brengen, tevoren, voordat hij tot hen kwam, en om hun geloof, waarin zij stonden, zo meer en meer te versterken, gelijk in het begin van het volgende hoofdstuk verklaard wordt.

### 2 Korinthiërs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/2.json)

*1 De apostel gaat voort met het uiteenzetten van de redenen waarom hij tot nog toe niet was gekomen, namelijk omdat hij niet met droefheid, maar met blijdschap bij hen wilde zijn. 4 Hij getuigt dat wat hij eerder over de bloedschender aan hen had geschreven, met tranen en uit liefde tot hen was gebeurd. 6 Hij beveelt hun dat zij hem vanwege zijn berouw nu weer aannemen en troosten, zodat hij niet door te grote droefheid in wanhoop vervalt. 12 Verder verhaalt hij hoe hij het Evangelie te Troas alleen had gepredikt, en daarna in Macedonie. 14 Hij getuigt dat zijn prediking overal voor God een aangename geur is, zowel voor hen die behouden worden als voor hen die verloren gaan, 17 omdat hij het overal oprecht voorstelt.*

**1** Maar ik heb dit bij mijzelf voorgenomen, dat ik niet opnieuw[^2korinthiers-2-1-1] in verdriet tot u komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v1)

**2** Want[^2korinthiers-2-2-2] als ik u bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v2)

**3** En[^2korinthiers-2-3-3] ditzelfde heb ik u[^2korinthiers-2-3-4] geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou verdriet hebben[^2korinthiers-2-3-5] van degenen, van wie ik moest verblijd worden;[^2korinthiers-2-3-a] vertrouwende van u allen,[^2korinthiers-2-3-6] dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v3)

**4** Want ik heb u uit[^2korinthiers-2-4-7] vele verdrukking en benauwdheid van het hart, met vele tranen geschreven, niet opdat u zou bedroefd worden, maar opdat u[^2korinthiers-2-4-8] de liefde zou verstaan, die ik overvloedig tot u heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v4)

**5** Maar als iemand bedroefd heeft, die heeft[^2korinthiers-2-5-9] niet mij bedroefd, maar[^2korinthiers-2-5-10] ten dele (opdat ik hem niet bezware) u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v5)

**6** [^2korinthiers-2-6-b] Voor zo iemand is[^2korinthiers-2-6-11] deze bestraffing genoeg, die van velen gebeurd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v6)

**7** Zo dat u daarentegen hem liever[^2korinthiers-2-7-12] moet vergeven en troosten, opdat zo iemand door al te overvloedige verdriet niet enigszins wordt[^2korinthiers-2-7-13] verslonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v7)

**8** Daarom[^2korinthiers-2-8-14] bid ik u, dat u[^2korinthiers-2-8-15] de liefde aan hem bevestigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v8)

**9** Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik[^2korinthiers-2-9-16] uw beproeving mocht verstaan, of u[^2korinthiers-2-9-17] in alles gehoorzaam bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v9)

**10** Die u nu iets[^2korinthiers-2-10-18] vergeeft, die vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, die ik vergeven heb, heb ik het[^2korinthiers-2-10-19] vergeven om uwentwil,[^2korinthiers-2-10-20] voor het aangezicht van Christus, opdat de satan[^2korinthiers-2-10-21] over ons geen voordeel krijgt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v10)

**11** Want[^2korinthiers-2-11-22] zijn gedachten zijn ons niet onbekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v11)

**12** Verder,[^2korinthiers-2-12-c] als ik te[^2korinthiers-2-12-23] Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij[^2korinthiers-2-12-24] een deur geopend was in de Heere, zo heb ik[^2korinthiers-2-12-25] geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v12)

**13** Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v13)

**14** En Gode zij dank, Die ons[^2korinthiers-2-14-26] alle tijd doet[^2korinthiers-2-14-27] triomferen[^2korinthiers-2-14-28] in Christus,[^2korinthiers-2-14-d] en de[^2korinthiers-2-14-29] reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v14)

**15** Want wij zijn voor God[^2korinthiers-2-15-30] een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v15)

**16** [^2korinthiers-2-16-e] Deze wel[^2korinthiers-2-16-31] een reuk van de dood ten dode; maar anderen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen[^2korinthiers-2-16-32] bekwaam? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v16)

**17** Want wij[^2korinthiers-2-17-33] dragen niet, zoals velen, het Woord van God te koop, maar als uit oprechtheid, maar als[^2korinthiers-2-17-34] uit God, in de aanwezigheid van God, spreken wij het[^2korinthiers-2-17-35] in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/2.html#v17)

[^2korinthiers-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 in verdriet tot: Dat is, om u en mij te bedroeven door de kerkelijke straffen, die tegen enige onder u moeten geoefend worden.
[^2korinthiers-2-2-2]: Kanttekening 2: 2 als ik u: Dit zegt hij, omdat wanneer een lid van de gemeente moet gestraft worden, al de andere leden daarvoor zich moeten bedroeven. Zie 1 Kor. 5:2. 1 Korinthiërs 5:2: En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?
[^2korinthiers-2-3-3]: Kanttekening 3: 3 ditzelfde heb: Namelijk van het wegnemen en beteren van de gebreken onder u.
[^2korinthiers-2-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk in mijn eerste brief, 2 Kor. 5.
[^2korinthiers-2-3-5]: Kanttekening 5: 5 van degenen, van: Dit zegt hij niet alleen van de bloedschender, maar van al de Corinthiërs, die deze en andere gebreken onder zich hadden geduld.
[^2korinthiers-2-3-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 8:22; Galat. 5:10. 2 Korinthiërs 8:22: Wij hebben ook met hen gezonden onze broeder, welke wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot u. Galaten 5:10: Ik vertrouw van u in de Heer, dat u niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.
[^2korinthiers-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 dat mijn blijdschap: Dat is, de oorzaak van mijne blijdschap, namelijk het weren van zodanige ergernissen ook zou zijn een oorzaak van uwe blijdschap, wanneer namelijk zulke ergernis zou geweerd zijn en de gemeente in goeden stand gebracht.
[^2korinthiers-2-4-7]: Kanttekening 7: 7 vele verdrukking en: Of, grote druk. Dit kan verstaan worden, òf van de gelegenheid van de tijd, in welke hij de voorgaande brief schreef, omdat men in de tijd van verdrukking op alles nauwer en beter let, en met meer mededogendheid en rijperen raad schrijft wat men schrijft; òf van de bekommeringen en verdriet, die de apostel in zijn gemoed gehad heeft over zodanige ergernis als onder hen was toen hij de brief schreef.
[^2korinthiers-2-4-8]: Kanttekening 8: 8 de liefde zoudt: Namelijk die niet kon verdragen dat men zou gevoelen dat u geen behoorlijk mishagen zoudt hebben in zulke fouten. Of dat u zich aan zulk ene fout zoudt schuldig maken.
[^2korinthiers-2-5-9]: Kanttekening 9: 9 niet mij bedroefd, maar: Namelijk alleen.
[^2korinthiers-2-5-10]: Kanttekening 10: 10 ten dele (opdat: Dat is, enigszins. Zo spreekt de apostel van deze fout, niet om die te verkleinen, maar omdat deze persoon nu behoorlijk leedwezen daarvan had, en hij hen tot weer aanneming van hem meteen vermanen zou.
[^2korinthiers-2-6-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 5:3. 1 Korinthiërs 5:3: Maar ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met de geest, heb al, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat zo bedreven heeft, besloten,
[^2korinthiers-2-6-11]: Kanttekening 11: 11 deze bestraffing genoeg: Dit verstaan sommigen van de uiterste kerkelijke straf of ban, die de apostel bevolen had dat men tegen deze mens zou oefenen, 1 Kor. 5:3, en verstaan het woord genoeg van de korte tijd, welke hij deze straf zou hebben gedragen. Maar anderen menen uit al de omstandigheden van deze tekst dat deze mens nu door de regeerders van de gemeente vermaand en ernstig bestraft zijnde, de kerkelijke ban met zijn boetvaardigheid is voorgekomen, zo de ban de uiterste straf is van de kerken, en die niet alleen voor velen, maar voor de gehele gemeente moest gebeuren, en dat de Corinthiërs Paulus' raad door Titus hierover hebben begeerd, wat zij nu verder, zo hij boetvaardig was, in zijn zaak doen zouden, gelijk blijkt uit het volgende 7e hoofdstuk; waarop hij antwoordt dat deze bestraffing van velen, dat is, van de regeerders van de gemeente gedaan, waarop zulk ernstig leedwezen was gevolgd, nu genoeg was, en dat zij hem verder weer zouden opnemen, om hem door te groot verdriet niet tot wanhoop te brengen. 1 Korinthiërs 5:3: Maar ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met de geest, heb al, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat zo bedreven heeft, besloten,
[^2korinthiers-2-7-12]: Kanttekening 12: 12 vergeven en: Dat is, niet verder tegen hem handelen, maar hem weer aannemen en van de uiterste straf ontslaan. Deze woorden van Paulus zien niet op enige macht van de kerk om de zonden voor God te vergeven, dat God alleen toekomt, maar om volgens Gods Woord te verklaren dat aan de boetvaardige de zonden voor God vergeven zijn, en dienvolgens denzulken te vertroosten en zijn ontbinding voor de gemeente, die door hem ontsticht was, te verklaren. Zie Matt. 18:18; Joh. 20:23. Mattheüs 18:18: Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. Johannes 20:23: Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden.
[^2korinthiers-2-7-13]: Kanttekening 13: Dat is, tot zulk een verdriet vervalt, dat hij daardoor in wanhoop geraken zou.
[^2korinthiers-2-8-14]: Kanttekening 14: 14 bid ik u: Of, vermaan.
[^2korinthiers-2-8-15]: Kanttekening 15: 15 de liefde aan hem: Namelijk die Christus tegen de boetvaardige zondaar wil bewezen of bevestigd hebben; Matt. 18:21, 18:22. Mattheüs 18:21: Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heer! hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? Mattheüs 18:22: Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.
[^2korinthiers-2-9-16]: Kanttekening 16: 16 uw beproeving mocht verstaan: Dat is, een proef van u nemen, en daaruit uwe oprechtheid verstaan in dit stuk.
[^2korinthiers-2-9-17]: Kanttekening 17: 17 in alles gehoorzaam zijt: Dat is, in het onderhouden van al de geboden van Christus, waarvan dit er ook een is. Zie Matt. 16:19, en Matt. 18:15. Mattheüs 16:19: En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen.
[^2korinthiers-2-10-18]: Kanttekening 18: 18 vergeeft, die vergeef: zie hiervan de verklaring 2 Kor. 1:7. 2 Korinthiërs 1:7: En onze hoop van u is vast, als die weten, dat, gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden, u ook zo gemeenschap hebt aan de vertroosting.
[^2korinthiers-2-10-19]: Kanttekening 19: 19 om uwentwil: Dat is, om mijne eenstemmigheid met u in het waarnemen van Christus' bevelen en onze onderlinge liefde hierin te betonen.
[^2korinthiers-2-10-20]: Kanttekening 20: 20 voor het aangezicht van: Dat is, oprecht als in Christus' aanwezigheid, die alles ziet en hoort. Of, in de persoon Christus, gelijk dit woord in het voorgaande hoofdstuk, 2 Kor. 1:11, is genomen, dat is in de naam van Christus. Zie 2 Kor. 5:20. 2 Korinthiërs 1:11: Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde. 2 Korinthiërs 5:20: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^2korinthiers-2-10-21]: Kanttekening 21: 21 over ons geen: Of, opdat wij van de Satan niet worden overvallen, overwonnen, ingenomen. Het Griekse woord betekent meer krijgen of hebben dan iemand toekomt, wordt van de gierigaards voornamelijk gebruikt, en is ene gelijkenis, genomen van de gierige kooplieden, die alle gelegenheden zoeken om de mensen te bedriegen.
[^2korinthiers-2-11-22]: Kanttekening 22: 22 zijn gedachten: Dat is, zijn listen, raadslagen of aanslagen, 2 Kor. 10:5, die somwijlen door te grote slapheid van de kerktucht de zondaren in slaap zoekt te wiegen, en somwijlen door te grote strengheid tot wanhoop te brengen. 2 Korinthiërs 10:5: Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;
[^2korinthiers-2-12-c]: Verwijzing c: Hand. 16:8. Handelingen 16:8: En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas.
[^2korinthiers-2-12-23]: Kanttekening 23: 23 Troas kwam: Van deze plaats en reis van Paulus, zie breder Hand. 16:8, enz. Handelingen 16:8: En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas.
[^2korinthiers-2-12-24]: Kanttekening 24: 24 een deur: Dat is, gelegenheid. Zie 1 Kor. 16:9. 1 Korinthiërs 16:9: Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.
[^2korinthiers-2-12-25]: Kanttekening 25: 25 geen rust gehad: Namelijk om daar zeer lang stil te zijn, hoewel Paulus daar ook ene gemeente gesticht heeft, gelijk blijkt uit vers 14 en uit 2 Tim. 4:13. 2 Korinthiërs 2:14: En Gode zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus, en de reuk Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 2 Timotheüs 4:13: Breng de reismantel mee, die ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als u komt, en de boeken, in het bijzonder de perkamenten.
[^2korinthiers-2-14-26]: Kanttekening 26: 26 alle tijd doet: Dat is, hetzij wij lange tijd, hetzij korte tijd in ene plaats het Evangelie prediken.
[^2korinthiers-2-14-27]: Kanttekening 27: Of, overwonnen.
[^2korinthiers-2-14-28]: Kanttekening 28: 28 in Christus, en: Dat is, in de zaak van Christus, of door Christus.
[^2korinthiers-2-14-d]: Verwijzing d: Kolos. 1:27. Kolossenzen 1:27: Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop van de heerlijkheid;
[^2korinthiers-2-14-29]: Kanttekening 29: 29 reuk Zijn: Dat is, het gerucht of de voortgang; ene gelijkenis, genomen van de reukoffers van het Oude Testament, die, door vuur ontstoken zijnde, zich verspreiden door de tempel en over de vergadering.
[^2korinthiers-2-15-30]: Kanttekening 30: 30 een goede reuk van: Dat is, aangenaam en welgevallig, omdat Gods barmhartigheid wordt geopenbaard in degenen, die zalig worden, en Zijn rechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan. Zie Luk. 2:34. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
[^2korinthiers-2-16-e]: Verwijzing e: Lukas 2:34. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
[^2korinthiers-2-16-31]: Kanttekening 31: 31 een reuk van de dood ten dode: Dat is, die dodelijk is en hun de dood toebrengt. Niet dat het Evangelie uit zijn natuur iemand de dood toebrengt, want het is een dienst van het leven, 2 Kor. 3:6, 3:7, en ene kracht van God ter zaligheid allen die geloven, Rom. 1:16, maar omdat degenen, die ongelovig zijn, door hun eigen moedwilligheid, zich daartegen stellen, en zo Gods zwaarder oordeel over zich trekken. Zie Joh. 3:36; 1 Petr. 2:7, 2:8. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 3:7: En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij voor het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Johannes 3:36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. 1 Petrus 2:7: U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar aan de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoeksteen, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; 1 Petrus 2:8: Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^2korinthiers-2-16-32]: Kanttekening 32: Of, genoegzaam, namelijk uit zichzelf, of door zichzelf, gelijk hierna verklaard wordt 2 Kor. 3:5, 3:6. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^2korinthiers-2-17-33]: Kanttekening 33: 33 dragen niet: Of, vervalsen niet het Woord van God. Gr. Kapelenontes (καπηλεύοντες), welk woord betekent iets in het klein veil hebben of te koop dragen, en het, om beter te verkopen, dikwijls een anderen reuk, of smaak, of schijn geven, en wordt bij gelijkenis ook genomen voor iets onder een valsen reuk, of smaak, of schijn gelijk als te koop stellen, welke betekenis hier wel past, omdat de apostel hier betuigt, dat hij het Evangelie niet oppronkt, of naar de wil van de mensen en goeddunken buigt of verdraait, maar het in oprechtheid en zuiverheid leert, zonder op het behagen van mensen te zien, voor God de uitkomst daarvan bevelende.
[^2korinthiers-2-17-34]: Kanttekening 34: 34 uit God, in de: Dat is, uit Gods ingeven en van Gods wege, 2 Kor. 5:19. 2 Korinthiërs 5:19: Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.
[^2korinthiers-2-17-35]: Kanttekening 35: 35 in Christus: Of, van Christus, omdat Christus is het gehele wit en voorstel van ons Evangelie; 1 Kor. 2:2. 1 Korinthiërs 2:2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.

### 2 Korinthiërs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/3.json)

*1 De apostel geeft de reden waarom hij de dienst van het Evangelie aan het eind van het voorgaande hoofdstuk zo hoog had geprezen, en hij beroept zich eerst op de ervaring van de Korinthiers zelf, die door deze dienst van hem tot Christus bekeerd waren. 5 Hij voegt eraan toe dat deze kracht niet uit hem, maar uit God was. 6 Hij bewijst dit verder door een vergelijking van de dienst van Mozes, die hij een dodende letter noemt, gegrift in stenen tafelen, en een bediening van de verdoemenis die niet blijft, met de dienst van de apostelen, die hij een dienst van de Geest, van het leven en van de gerechtigheid noemt, en die altijd blijft. 13 Hij verklaart dat op het gezicht van Mozes een sluier lag, en ook op het lezen van de wet, zodat de Joden het einddoel daarvan niet begrepen. 16 Deze sluier zal van hen weggenomen worden wanneer zij tot God bekeerd zijn. 17 Maar de dienst van het Nieuwe Testament is helder, en een middel waardoor de Geest van de Heere krachtig is tot onze vernieuwing.*

**1** [^2korinthiers-3-1-a] Beginnen[^2korinthiers-3-1-1] wij onszelf opnieuw[^2korinthiers-3-1-2] u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, zoals sommigen,[^2korinthiers-3-1-3] brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v1)

**2** [^2korinthiers-3-2-4] U bent onze brief,[^2korinthiers-3-2-5] geschreven in onze harten, bekend en gelezen[^2korinthiers-3-2-6] van alle mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v2)

**3** Als die openbaar bent geworden, dat u een brief van Christus bent,[^2korinthiers-3-3-7] en door onze dienst bereid, die geschreven is niet[^2korinthiers-3-3-8] met inkt, maar door de Geest[^2korinthiers-3-3-9] van de levende God, niet[^2korinthiers-3-3-10][^2korinthiers-3-3-b] in stenen tafelen,[^2korinthiers-3-3-c] maar[^2korinthiers-3-3-11] in vlezen tafelen van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v3)

**4** En[^2korinthiers-3-4-12] zulk een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v4)

**5** Niet dat wij[^2korinthiers-3-5-13] van onszelf bekwaam zijn iets[^2korinthiers-3-5-14] te denken, als uit onszelf; maar[^2korinthiers-3-5-d] onze bekwaamheid is uit God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v5)

**6** Die ons ook bekwaam gemaakt heeft,[^2korinthiers-3-6-e] om[^2korinthiers-3-6-f] te zijn dienaren[^2korinthiers-3-6-15] van het Nieuwe Testament, niet[^2korinthiers-3-6-16] van de letter, maar[^2korinthiers-3-6-17] van de Geest; want de letter[^2korinthiers-3-6-18] doodt, maar de Geest[^2korinthiers-3-6-19] maakt levend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v6)

**7** En als de bediening van de dood in letteren bestaande,[^2korinthiers-3-7-g] en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest,[^2korinthiers-3-7-h] zo dat de Israëlieten het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien,[^2korinthiers-3-7-20] om de heerlijkheid van zijn aangezicht,[^2korinthiers-3-7-21] die te niet gedaan zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v7)

**8** Hoe zal niet veel meer de bediening[^2korinthiers-3-8-22] van de Geest in heerlijkheid zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v8)

**9** Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening[^2korinthiers-3-9-23] van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v9)

**10** Want ook[^2korinthiers-3-10-24] het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in deze dele,[^2korinthiers-3-10-25] ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v10)

**11** Want als wat te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer[^2korinthiers-3-11-26] is, wat blijft, in heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v11)

**12** Omdat wij dan zulke hoop hebben, zo gebruiken wij veel[^2korinthiers-3-12-27] vrijmoedigheid in het spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v12)

**13** En doen[^2korinthiers-3-13-i] niet zoals Mozes, die een deksel op zijn aangezicht[^2korinthiers-3-13-28] legde, opdat de Israëlieten niet zouden sterk zien[^2korinthiers-3-13-29][^2korinthiers-3-13-k] op het einde van wat te niet gedaan wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v13)

**14** [^2korinthiers-3-14-l] Maar hun zinnen zijn[^2korinthiers-3-14-30] verhard geworden; want tot op de dag van vandaag blijft[^2korinthiers-3-14-31] hetzelfde deksel in het lezen van het Oude Testament, zonder ontdekt te worden,[^2korinthiers-3-14-32] dat door Christus te niet gedaan wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v14)

**15** Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v15)

**16** [^2korinthiers-3-16-m] Maar zo wanneer het tot de Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v16)

**17** [^2korinthiers-3-17-33][^2korinthiers-3-17-n] De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is,[^2korinthiers-3-17-34] daar is vrijheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v17)

**18** [^2korinthiers-3-18-o] En[^2korinthiers-3-18-35] wij allen,[^2korinthiers-3-18-36] met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid,[^2korinthiers-3-18-37] als van de Geest van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/3.html#v18)

[^2korinthiers-3-1-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 5:12; 2 Kor. 10:8. 2 Korinthiërs 5:12: Want wij prijzen onszelven u niet opnieuw aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat u stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart. 2 Korinthiërs 10:8: Want als ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden;
[^2korinthiers-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 wij onszelven opnieuw: De apostel spreekt hier in het getal van velen, omdat deze brief niet alleen in zijn naam, maar ook in de naam van Timotheüs is geschreven. Zie 2 Kor. 1:1. 2 Korinthiërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn:
[^2korinthiers-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 u aan te prijzen: Gr. aanbevelen.
[^2korinthiers-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 brieven van voorschrijving: Of, aanbevelingen, om ons en onze dienst bij u en anderen aangenaam te maken.
[^2korinthiers-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 Gijlieden zijt onze brief: Dat is, uwe bekering en andere zonderlinge gaven, die door onze dienst onder u zijn teweeg gebracht, zijn getuigen van de waardigheid van onze dienst, zowel bij u als bij anderen; gelijk in vers 3 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart.
[^2korinthiers-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 geschreven in onze harten: Dit zegt de apostel vanwege de liefde, die hij met Timotheüs en Silvanus hun toedroeg, en de achting waarin zij bij hen waren.
[^2korinthiers-3-2-6]: Kanttekening 6: 6 van alle mensen: Namelijk die uwe bekering en gaven aanmerken en verstaan.
[^2korinthiers-3-3-7]: Kanttekening 7: 7 en door onze dienst bereid: Gr. door ons bediend geworden.
[^2korinthiers-3-3-8]: Kanttekening 8: 8 met inkt: Namelijk gelijk men andere brieven pleegt te schrijven.
[^2korinthiers-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 van de levende God: Dat is, die niet alleen zelf het leven heeft, maar ook het mededeelt degenen, in wie Hij door Zijn Geest werkt en Zijn wetten inschrijft; Jer. 31:33; Hebr. 8:10. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^2korinthiers-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 in stenen tafelen: Paulus ziet hier op het schrijven van de wet van God in de twee tafelen van het verbond, Ex. 24:12, welk uiterlijk inschrijven de harten van de verdorven mensen niet kon bekeren. Zie Rom. 8:3; Gal. 3:21. Exodus 24:12: Toen zei YHWH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Galaten 3:21: Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want als er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.
[^2korinthiers-3-3-b]: Verwijzing b: Ex. 24:12; Ex. 34:1. Exodus 24:12: Toen zei YHWH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. Exodus 34:1: Toen zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt.
[^2korinthiers-3-3-c]: Verwijzing c: Jer. 31:33; Ez. 11:19; Ez. 36:26; Hebr. 8:10. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Ezechiël 11:19: En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^2korinthiers-3-3-11]: Kanttekening 11: 11 in vlezen tafelen van het hart: Hierdoor wordt niet verstaan wat vlees of vleselijk, dat is, verdorven in Gods Woord dikwijls genaamd wordt, maar wordt hier genomen voor harten, die door Gods Geest zijn bekwaam gemaakt en vernieuwd om het woord van het Evangelie met het geloof aan te nemen, gelijk Ez. 36:26, en gelijk de goede aarde, waarvan Christus spreekt Matt. 13:23, waarom de apostel ook zegt in het Grieks sarkinais, niet sarkikais. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Mattheüs 13:23: Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud.
[^2korinthiers-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 zodanig een vertrouwen: Namelijk van de kracht en van de vruchten van onze dienst onder u.
[^2korinthiers-3-5-13]: Kanttekening 13: 13 van onszelven bekwaam: Dat is, door onze eigen wijsheid of natuurlijke scherpzinnigheid.
[^2korinthiers-3-5-14]: Kanttekening 14: 14 te denken: Of, te bedenken; namelijk dat bekwaam zou zijn om de harten van de mensen te bekeren, of om ons en anderen tot zaligheid te brengen. Zie Joh. 15:4, 15:5; Fil. 2:13. Johannes 15:4: Blijft in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; zo ook u niet, zo u in Mij niet blijft. Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. Filippenzen 2:13: Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
[^2korinthiers-3-5-d]: Verwijzing d: Fil. 2:13. Filippenzen 2:13: Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
[^2korinthiers-3-6-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 5:18. 2 Korinthiërs 5:18: En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.
[^2korinthiers-3-6-f]: Verwijzing f: Hebr. 8:6; idem v. 8. Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbond Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 8:8: Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;
[^2korinthiers-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 nieuwen Testaments, niet: Of verbond. Zo wordt genaamd het verbond van de genade, waarin God Zijn volk belooft de vergeving van de zonden en de rechtvaardigheid door het geloof in Christus, en ook de vernieuwing door de Heilige Geest, wiens kracht zich in de predikatie van het Evangelie aan de harten van de uitverkorenen openbaart, gelijk beloofd wordt Jer. 31:31; Ez. 36:25; waarom ook het Evangelie een dienst van de Geest en van het leven, vers 6, 3:8, en van de rechtvaardigheid, vers 9, wordt genaamd. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 3:8: Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? 2 Korinthiërs 3:9: Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
[^2korinthiers-3-6-16]: Kanttekening 16: 16 van de letter: Dat is, van het verbond van de wet, dat letter genaamd wordt, omdat de wet alleen met letteren in stenen tafelen geschreven is; gelijk in vers 7 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 3:7: En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden.
[^2korinthiers-3-6-17]: Kanttekening 17: 17 van de Geest: Dat is, van de leer en de predikatie van het Evangelie, waardoor de Heilige Geest het geloof in ons werkt. Zie Hand. 16:14; Gal. 3:2, 3:3, enz. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd. Galaten 3:2: Dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof? Galaten 3:3: Bent u zo uitzinnig? Daar u met de Geest begonnen bent, voltooit u nu met het vlees?
[^2korinthiers-3-6-18]: Kanttekening 18: Namelijk omdat de wet, hoewel zij de weg tot het leven aanwijst, de verdorven mens de kracht niet toebrengt om die te onderhouden, noch gene beloften om de overtreder de zonden te vergeven, maar vervloekt iedereen, die niet blijft in al wat er geschreven is, Gal. 3:10, en overtuigt ons van onze overtreding en dienvolgens dat wij de dood, die de overtreders wordt gedreigd, waard en daaraan onderworpen zijn; Rom. 7:7, enz. Waarom ook zij ene bediening van de verdoemenis genaamd wordt, vers 9. Zie hiervan breder Rom. 8:2, 8:3, 8:4, en Rom. 10:3, 10:4, 10:5; Gal. 3:5, enz., en Gal. 4:21, enz; Hebr. 8:6, enz., waar de apostel het onderscheid van deze twee verbonden nader verklaart. Galaten 3:10: Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is iedereen, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen. Romeinen 7:7: Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren. 2 Korinthiërs 3:9: Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. Romeinen 8:2: Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Romeinen 8:4: Opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Romeinen 10:3: Want zo zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen. Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor iedereen, die gelooft. Romeinen 10:5: Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven. Galaten 3:5: Die u dan de Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof? Galaten 4:21: Zegt mij, u, die onder de wet wilt zijn, hoort u de wet niet? Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook Middelaar van een beter verbond is, dat in betere beloftenissen bevestigd is.
[^2korinthiers-3-6-19]: Kanttekening 19: 19 maakt levend: Dat is, het Evangelie wijst niet alleen aan de weg tot het leven en de zaligheid, door het geloof in Jezus Christus, maar is ook vergezelschapt met de kracht van de Heilige Geest, waardoor het geloof in de uitverkorenen gewrocht en bewaard wordt, en zij uit de dood van de zonden opgewekt en levend gemaakt worden.
[^2korinthiers-3-7-g]: Verwijzing g: Ex. 24:12; Ex. 34:1; Deut. 10:1. Exodus 24:12: Toen zei YHWH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. Exodus 34:1: Toen zei YHWH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt. Deuteronomium 10:1: Ter zelver tijd zei YHWH tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult u u een kist van hout maken.
[^2korinthiers-3-7-h]: Verwijzing h: Ex. 34:30. Exodus 34:30: Als nu Aäron en al de kinderen van Israël Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijn aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
[^2korinthiers-3-7-20]: Kanttekening 20: 20 om de heerlijkheid van zijn aangezicht: Namelijk heerlijkheid van het aangezicht van Mozes, welke, gelijk zij teniet gedaan is, ook een voorbeeld is geweest dat de wet, door hem gegeven, ook zou afgedaan worden. Zie de geschiedenis hiervan Ex. 34:30, en vervolgens, welke de apostel duidt als een voorbeeld op de leer van Mozes, in schaduwen en rechtvaardigmakingen van de wet bestaande. Exodus 34:30: Als nu Aäron en al de kinderen van Israël Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
[^2korinthiers-3-7-21]: Kanttekening 21: 21 die te niet gedaan zou worden: Dit zegt de apostel van de wet van Mozes, niet alleen ten aanzien van de ceremoniën, die maar tot Christus' komst zouden duren, maar ook ten aanzien van de wet van de tien geboden, aangaande de vloek, welke zij de overtreders dreigt, en de rechtvaardigmaking, die de daders van de wet wordt beloofd; in welke beide leden zij door Christus' dood en gehoorzaamheid moest teniet gedaan worden. Zie vers 11. 2 Korinthiërs 3:11: Want als wat te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is, wat blijft, in heerlijkheid.
[^2korinthiers-3-8-22]: Kanttekening 22: 22 van de Geest: Zie vers 6, 3:9. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 3:9: Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
[^2korinthiers-3-9-23]: Kanttekening 23: 23 van de rechtvaardigheid: Dat is, van de rechtvaardigmaking, die alleszins gesteld wordt tegen verdoemenis. Zie Rom. 8:33, 8:34. Romeinen 8:33: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Romeinen 8:34: Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt.
[^2korinthiers-3-10-24]: Kanttekening 24: 24 het verheerlijkte: Dat is, de wet, die, in zichzelf aangezien, een bijzondere heerlijkheid heeft en met heerlijkheid aan het volk van Israël gegeven is.
[^2korinthiers-3-10-25]: Kanttekening 25: 25 ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid: Dat is, vergeleken met de uitnemende heerlijkheid van het woord van het Evangelie en zijn kracht in onze harten.
[^2korinthiers-3-11-26]: Kanttekening 26: 26 wat blijft: Namelijk het Evangelie dat blijven zal, zonder aan verandering onderworpen te zijn, totdat Christus zal komen om te oordelen; Matt. 28:19, 28:20; 1 Kor. 11:26; Openb. 2:25. Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Mattheüs 28:20: En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. 1 Korinthiërs 11:26: Want telkens als u dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood van de Heer, totdat Hij komt. Openbaring 2:25: Maar wat u hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.
[^2korinthiers-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 vrijmoedigheid in het spreken: Namelijk gevoegd met klaarheid, gelijk dit ook genomen wordt Mark. 8:32; Joh. 10:24, en Joh. 16:29. Marcus 8:32: En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen; Johannes 10:24: De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel op? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. Johannes 16:29: Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt U vrijuit, en zegt geen gelijkenis.
[^2korinthiers-3-13-i]: Verwijzing i: Ex. 34:35. Exodus 34:35: Zo zagen dan de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes het deksel weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.
[^2korinthiers-3-13-28]: Kanttekening 28: 28 opdat de kinderen van Israël: Met deze woorden wordt eigenlijk Mozes' mening in het dekken van zijn aangezicht niet verklaard, waarvan te lezen is Ex. 34:33, maar het oogmerk van Gods voorzienigheid, die dit tot zulk een einde heeft gericht, en hier laten verklaren. Exodus 34:33: Zo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
[^2korinthiers-3-13-29]: Kanttekening 29: 29 op het einde van wat: Dat is, de binnenste grond, of het doel en oogmerk van de wet en van de ceremoniën, die op Christus en Zijn rechtvaardigheid haar oogmerk hadden. Want de gehele wet was een leidsman tot Christus, Gal. 3:24. Wat het merendeel van de Joden niet verstonden, maar wilden buiten Christus in de gehoorzaamheid van de wet, zo van de zeden als van de ceremoniën, hun rechtvaardigheid zoeken. En dit is het deksel, waar de apostel van spreekt. Galaten 3:24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
[^2korinthiers-3-13-k]: Verwijzing k: Rom. 10:4. Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iedereen, die gelooft.
[^2korinthiers-3-14-l]: Verwijzing l: Jes. 6:10; Ez. 12:2; Matt. 13:11; Hand. 28:26; Rom. 11:8. Jesaja 6:10: Maak het hart van deze volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. Ezechiël 12:2: Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis. Mattheüs 13:11: En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. Handelingen 28:26: Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. Romeinen 11:8: (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van de diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidigen dag.
[^2korinthiers-3-14-30]: Kanttekening 30: 30 verhard geworden: Namelijk door een rechtvaardig oordeel van God in dit hun gevoelen van de wet van Mozes.
[^2korinthiers-3-14-31]: Kanttekening 31: 31 hetzelfde deksel: Dat is, hetzelfde verkeerde verstand, dat hun de wet gegeven was om door haar gerechtvaardigd en geheiligd te worden. Zie Rom. 10:3. Romeinen 10:3: Want zo zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen.
[^2korinthiers-3-14-32]: Kanttekening 32: 32 dat door Christus: Namelijk deksel teniet gedaan wordt door de kennis en de Geest van Christus, wanneer zij tot Christus bekeerd zullen zijn, gelijk vers 16 verklaard wordt. Want alsdan worden zij, gelijk ook wij, tot het recht verstand van de wet gebracht, en in hun harten overtuigd, dat de wet tot dat einde niet is gegeven, maar dat zij de rechtvaardigheid buiten haar in Christus door het geloof moeten zoeken. Zie Rom. 10:4; Gal. 3:21, enz. 2 Korinthiërs 3:16: Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor iedereen, die gelooft. Galaten 3:21: Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want als er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.
[^2korinthiers-3-16-m]: Verwijzing m: Matt. 13:11; Rom. 11:23; 1 Kor. 2:10. Mattheüs 13:11: En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. Romeinen 11:23: Maar ook zij, als zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig om dezelfde weer in te enten. 1 Korinthiërs 2:10: Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
[^2korinthiers-3-17-33]: Kanttekening 33: 33 De Heer nu is de Geest: Dat is, Jezus Christus is de levendmakende Geest, die door de kracht van zijn Heilige Geest en door de predikatie van het heilige Evangelie het deksel wegneemt, en de harten krachtig tot God bekeert. Of, de Heilige Geest is de Heer, door wie wij bekeerd en in vrijheid gesteld worden, zo Hij door Zijn goddelijke kracht en door de leer van het Evangelie, die ene bediening van de Geest is, vers 8, zulks in ons werkt, en daartoe van de Heer Christus gezonden wordt, waarom Hij ook de Geest van de Heer genaamd wordt, vers 17, 3:18. Of, Christus is het geestelijk wezen, en gelijk als de ziel van de ceremoniën van de wet; gelijk dit woord Geest ook genomen wordt Joh. 6:63. Of, de Heer, die onze harten tot Christus bekeert en dit deksel wegneemt, is de Heilige Geest. Of, de leer van het Evangelie van de Heer Christus, is de geest, die tegen de letter gesteld wordt, vers 6. 2 Korinthiërs 3:8: Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? 2 Korinthiërs 3:17: De Heer nu is de Geest; en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. Johannes 6:63: De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^2korinthiers-3-17-n]: Verwijzing n: Joh. 4:24. Johannes 4:24: God is één Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
[^2korinthiers-3-17-34]: Kanttekening 34: 34 daar is vrijheid: Namelijk van het deksel van de onwetendheid, van het juk van de wet en slavernij van de zonde en van de dood; Rom. 8:15, 8:16; Gal. 4:7. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Galaten 4:7: Zo dan, u bent niet meer een dienaar, maar een zoon; en als u een zoon bent, zo bent u ook een erfgenaam van God door Christus.
[^2korinthiers-3-18-o]: Verwijzing o: 1 Kor. 13:12; 2 Kor. 5:7. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 2 Korinthiërs 5:7: (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)
[^2korinthiers-3-18-35]: Kanttekening 35: 35 wij allen: Namelijk die deze Geest van de Heer ontvangen hebben.
[^2korinthiers-3-18-36]: Kanttekening 36: 36 met ongedekten aangezichte: Hier ziet de apostel opnieuw op het voorbeeld van Mozes, die het deksel van zijn aangezicht deed, als hij voor de Heer zelf verscheen, en door dit aanschouwen van God in Zijn aangezicht verheerlijkt werd; zo ook, zegt hij, hebben wij een vrijmoedigen toegang tot God door het Evangelie, dat is als een klare spiegel, waarin Gods heerlijk aangezicht van onszelven wordt gezien, en wij naar hetzelfde beeld van God in ons gemoed meer en meer vernieuwd en verheerlijkt worden.
[^2korinthiers-3-18-37]: Kanttekening 37: 37 als van de Geest van de Heer: Of, als van de Heer de Geest, dat is, van de Geest, die de Heer is, namelijk eenswezens met de Vader en met de Zoon.

### 2 Korinthiërs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/4.json)

*1 De apostel getuigt dat hij het Evangelie van Christus oprecht en duidelijk voorstelt voor het geweten van alle mensen. 3 En als het voor iemand bedekt is, dan is het bedekt voor hen die verloren gaan, en van wie de satan de zinnen heeft verblind. 5 Dat deze kracht toch niet van de dienaren, maar van Christus is, en van God die de harten verlicht. 8 Dat deze kracht zich ook wonderlijk openbaart in de apostelen van Christus zelf, in het overwinnen van allerlei verdrukkingen en moeilijkheden die hun dagelijks overkomen. 13 Daarna noemt hij verschillende redenen tot vertroosting, waarmee zij zichzelf en anderen versterken, ontleend aan het voorbeeld van David, 14 aan de zalige opstanding, 15 aan de dankbaarheid voor zulke verlossingen, 16 aan de vernieuwing van de innerlijke mens, 17 en ten slotte aan de grootte van de eeuwige heerlijkheid die hierop zal volgen.*

**1** Daarom omdat wij[^2korinthiers-4-1-1] deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons gebeurd is, zo[^2korinthiers-4-1-2] vertragen wij niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v1)

**2** Maar wij hebben[^2korinthiers-4-2-3] verworpen[^2korinthiers-4-2-4] de bedekselen van de schande,[^2korinthiers-4-2-a] niet wandelende in sluwheid, noch het Woord van God vervalsende, maar door openbaring van de waarheid onszelf[^2korinthiers-4-2-5][^2korinthiers-4-2-b] aangenaam makende[^2korinthiers-4-2-6] bij alle gewetens van de mensen, in de aanwezigheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v2)

**3** Maar als ook ons Evangelie[^2korinthiers-4-3-7] bedekt is, zo is het bedekt in degenen,[^2korinthiers-4-3-c] die verloren gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v3)

**4** In die[^2korinthiers-4-4-8] de god van deze eeuw[^2korinthiers-4-4-d] de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale[^2korinthiers-4-4-9] de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van[^2korinthiers-4-4-e] Christus, Die[^2korinthiers-4-4-10] het Beeld van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v4)

**5** Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus, de Heere; en onszelf, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v5)

**6** Want God,[^2korinthiers-4-6-f] Die[^2korinthiers-4-6-11] gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene,[^2korinthiers-4-6-g] Die[^2korinthiers-4-6-12] in onze harten[^2korinthiers-4-6-13] geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid[^2korinthiers-4-6-14] van God in het aangezicht van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v6)

**7** Maar wij hebben deze[^2korinthiers-4-7-15] schat[^2korinthiers-4-7-h] in[^2korinthiers-4-7-16] aarden kruiken, opdat de uitnemendheid[^2korinthiers-4-7-17] van de kracht[^2korinthiers-4-7-18] zij[^2korinthiers-4-7-i] van God, en niet uit ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v7)

**8** Als die in alles verdrukt worden, maar niet[^2korinthiers-4-8-19] benauwd; twijfelmoedig, maar niet mismoedig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v8)

**9** Vervolgd, maar niet daarin verlaten; neergeworpen, maar niet verdorven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v9)

**10** [^2korinthiers-4-10-k] Altijd[^2korinthiers-4-10-20] de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook[^2korinthiers-4-10-21] het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v10)

**11** [^2korinthiers-4-11-l] Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus'[^2korinthiers-4-11-m] wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v11)

**12** Zo dan,[^2korinthiers-4-12-22] de dood werkt wel in ons, maar[^2korinthiers-4-12-23] het leven in u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v12)

**13** Omdat wij nu[^2korinthiers-4-13-24] deze Geest van het geloof hebben, zoals er geschreven is:[^2korinthiers-4-13-25][^2korinthiers-4-13-n] Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom[^2korinthiers-4-13-26] spreken wij ook; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v13)

**14** [^2korinthiers-4-14-o] Wetende, dat Hij, Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken,[^2korinthiers-4-14-27] en met u daar zal stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v14)

**15** Want[^2korinthiers-4-15-28] al deze dingen zijn om uwentwil,[^2korinthiers-4-15-p] opdat[^2korinthiers-4-15-29] de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig wordt ter heerlijkheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v15)

**16** Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze[^2korinthiers-4-16-30] uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt toch[^2korinthiers-4-16-31] de inwendige vernieuwd van dag tot dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v16)

**17** [^2korinthiers-4-17-q] Want onze[^2korinthiers-4-17-32] lichte verdrukking,[^2korinthiers-4-17-33] die zeer haast voorbij gaat,[^2korinthiers-4-17-34] werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v17)

**18** Omdat wij niet beschouwen[^2korinthiers-4-18-35] de dingen,[^2korinthiers-4-18-36] die men ziet, maar de dingen,[^2korinthiers-4-18-37] die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/4.html#v18)

[^2korinthiers-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 deze bediening: Namelijk niet van de letter, noch van de dood, maar van de geest en van het leven, waarvan in het voorgaande hoofdstuk, 2 Kor. 3:6, enz. gesproken is. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^2korinthiers-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 vertragen wij niet: Of, bezwijken, of blijven niet in gebreke; namelijk niettegenstaande al de zwarigheden, die ons in deze bediening overkomen, gelijk blijkt uit vers 10. Zie van dit woord ook Luk. 18:1. 2 Korinthiërs 4:10: Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. Lukas 18:1: En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;
[^2korinthiers-4-2-3]: Kanttekening 3: Gr. opgezegd, of afgezegd.
[^2korinthiers-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 de bedekselen van de schande: Of, de bedekte schandelijkheden; waardoor hij verstaat de uitvluchten, oppronkingen en bedriegerijen van de valse apostelen, die hun predikingen naar de menselijke wijsheid wilden voegen, of naar de genegenheden van de mensen, om die te behagen en hun eigen gemak en eer onderwijl met zulke bemantelingen te bevorderen, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^2korinthiers-4-2-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 2:17. 2 Korinthiërs 2:17: Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord van God te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de aanwezigheid Gods, spreken wij het in Christus.
[^2korinthiers-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 aangenaam makende: Gr. recommanderende; namelijk dat wij daarin eenvoudig handelen.
[^2korinthiers-4-2-b]: Verwijzing b: 2 Kor. 6:4. 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,
[^2korinthiers-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 bij alle conscientiën van de mensen: Namelijk die oprecht en met verstand oordelen.
[^2korinthiers-4-3-7]: Kanttekening 7: 7 bedekt is, zo: Dat is, duister en vreemd schijnende is.
[^2korinthiers-4-3-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 2:15; 2 Thes. 2:10. 2 Korinthiërs 2:15: Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 2 Tessalonicenzen 2:10: En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
[^2korinthiers-4-4-8]: Kanttekening 8: 8 de god van deze eeuw: Dat is, de Satan, die door een rechtvaardig oordeel van God over de ongelovige mensen zulke heerschappij verkrijgt, alsof hij een god van hen ware, en die zij als hun god dienen. Zie Joh. 12:31; Ef. 2:2, en Ef. 6:12. Johannes 12:31: Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Efeziërs 6:12: Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
[^2korinthiers-4-4-d]: Verwijzing d: Jes. 6:10; Joh. 12:40. Jesaja 6:10: Maak het hart van deze volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. Johannes 12:40: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.
[^2korinthiers-4-4-9]: Kanttekening 9: Of, schijne, lichte.
[^2korinthiers-4-4-e]: Verwijzing e: Joh. 14:9; Fil. 2:6; Kolos. 1:15; Hebr. 1:3. Johannes 14:9: Jezus zei tot hem: Ben Ik zo langen tijd met u, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt u: Toon ons de Vader? Filippenzen 2:6: Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Kolossenzen 1:15: Dewelke het Beeld is van de onzichtbare Gods, de Eerstgeborene alle kreaturen. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^2korinthiers-4-4-10]: Kanttekening 10: 10 het beeld van God is: Namelijk niet alleen ten aanzien van Zijn goddelijke natuur, zijnde het eeuwige Woord en de wijsheid van de Vader, maar ook ten aanzien dat hij is God geopenbaard in het vlees, door wie Gods heerlijkheid, rechtvaardigheid, genade, wijsheid en macht ons in het Evangelie als in een spiegel worden uitgedrukt. Zie Kol. 1:15; Hebr. 1:3. Kolossenzen 1:15: Dewelke het Beeld is van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van alle kreaturen. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^2korinthiers-4-6-f]: Verwijzing f: Gen. 1:3. Genesis 1:3: En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^2korinthiers-4-6-11]: Kanttekening 11: 11 gezegd heeft dat: Dat is, bevolen heeft, namelijk in het begin van de schepping, wanneer de duisternis de aarde bedekte; Gen. 1:3. Genesis 1:3: En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht.
[^2korinthiers-4-6-g]: Verwijzing g: 2 Petr. 1:19. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^2korinthiers-4-6-12]: Kanttekening 12: 12 in onze harten: Namelijk die ook duister en onwetend van nature waren. Hij spreekt hier in het bijzonder van de apostelen, door wie dit licht daarna moest verbreid worden onder alle volken.
[^2korinthiers-4-6-13]: Kanttekening 13: 13 geschenen heeft om: Namelijk door Zijn Heilige Geest.
[^2korinthiers-4-6-14]: Kanttekening 14: 14 in het aangezicht van: Dat is, de heerlijkheid van God, die in het aangezicht van Mozes blonk en van hem werd bedekt, schijnt nu veel heerlijker in het aangezicht van Christus, en wordt van ons niet bedekt, maar ongedekt voorgesteld voor allen, om deze daardoor te verlichten.
[^2korinthiers-4-7-15]: Kanttekening 15: 15 schat in: Namelijk van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Christus.
[^2korinthiers-4-7-h]: Verwijzing h: 2 Kor. 5:1. 2 Korinthiërs 5:1: Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
[^2korinthiers-4-7-16]: Kanttekening 16: 16 aarden vaten: Dat is, wij zijn zwakke, verachte en tedere instrumenten in het midden van alle vervolgingen.
[^2korinthiers-4-7-17]: Kanttekening 17: 17 van de kracht: Namelijk van dit Woord van het Evangelie.
[^2korinthiers-4-7-18]: Kanttekening 18: 18 zij van God, en niet uit ons: Dat is, aan God alleen toegeschreven mag worden, gelijk die alleen uit God is en niet uit ons. Zie 2 Kor. 3:5, 3:6. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^2korinthiers-4-7-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 2:5. 1 Korinthiërs 2:5: Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God.
[^2korinthiers-4-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk zo dat er geen uitkomst is. Anders wordt deze benauwing ook van de gelovige gezegd; Rom. 8:35; 2 Kor. 6:4. Romeinen 8:35: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,
[^2korinthiers-4-10-k]: Verwijzing k: Rom. 8:17; Galat. 6:17; Fil. 3:10; 2 Tim. 2:11; idem v. 12; 1 Petr. 4:13. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Galaten 6:17: Verder, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van de Heer Jezus in mijn lichaam. Filippenzen 3:10: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijn opstanding, en de gemeenschap Zijn lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; 2 Timotheüs 2:11: Dit is een getrouw woord; want als wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; 2 Timotheüs 2:12: Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 1 Petrus 4:13: Maar gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen.
[^2korinthiers-4-10-20]: Kanttekening 20: 20 de doding van de Heer Jezus: Dat is, het gevaar van de dood om Christus' wil. Of, de vervolgingen en benauwdheden tot de dood toe, om Christus' wil en naar het voorbeeld van Christus, en die Christus ook rekent Zichzelven te gebeuren, Hand. 9:4, gelijk in vers 12 wordt verklaard. Handelingen 9:4: En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? 2 Korinthiërs 4:12: Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in u.
[^2korinthiers-4-10-21]: Kanttekening 21: 21 het leven van Jezus: Dat is, de levendmakende kracht van Christus en Zijn Geest, die zich in onze bediening alhier openbaart en hiernamaals tot onze verlossing ten volle zal openbaren, gelijk ook vers 12 verklaart. Zie Rom. 8:10, 8:11. 2 Korinthiërs 4:12: Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in u. Romeinen 8:10: En als Christus in u is, zo is wel het lichaam dood vanwege de zonden; maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. Romeinen 8:11: En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.
[^2korinthiers-4-11-l]: Verwijzing l: Ps. 44:23; Matt. 5:11; Rom. 8:36; 1 Kor. 4:9. Psalmen 44:23: Maar om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen. Mattheüs 5:11: Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Romeinen 8:36: (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 1 Korinthiërs 4:9: Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot de dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden van de wereld, en de engelen, en de mensen.
[^2korinthiers-4-11-m]: Verwijzing m: 1 Kor. 15:49; Kolos. 3:4. 1 Korinthiërs 15:49: En zoals wij het beeld van de aardsen gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelsen dragen. Kolossenzen 3:4: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
[^2korinthiers-4-12-22]: Kanttekening 22: 22 de dood werkt wel in ons: Dat is, het gevaar van de dood hangt ons gedurig boven het hoofd en werkt in ons door de kracht van Christus tot meerdere ijver tot naarstige uitvoering van onze bediening.
[^2korinthiers-4-12-23]: Kanttekening 23: 23 het leven in: Dat is, maar u wordt door onze dienst en al onze verdrukkingen en doodsgevaren in het leven van de Geest meer en meer versterkt, zo dat zelfs al deze benauwdheden, die ons overvallen, u ten goede komen en tot het leven gedijden.
[^2korinthiers-4-13-24]: Kanttekening 24: 24 dezelfde geest: Dat is, hetzelfde geloof door dezelfde Geest, die alle gelovigen, zo van het Oude als van het Nieuwe Testament, deelachtig zijn; 1 Petr. 1:11. 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^2korinthiers-4-13-25]: Kanttekening 25: 25 Ik heb geloofd: Dit spreekt David Ps. 116:10, wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, zijn vertrouwen van zijn verlossing heeft betuigd, of wanneer hij, in vele zwarigheden zijnde, het betrouwen, dat hij op God ook in het toekomende had, voor iedereen heeft beleden. Psalmen 116:10: Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
[^2korinthiers-4-13-n]: Verwijzing n: Ps. 116:10. Psalmen 116:10: Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
[^2korinthiers-4-13-26]: Kanttekening 26: 26 spreken wij ook: Dat is, belijden en prediken voor een ieder wat wij geloven.
[^2korinthiers-4-14-o]: Verwijzing o: Rom. 8:11; 1 Kor. 6:14. Romeinen 8:11: En als de Geest Van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 1 Korinthiërs 6:14: En God heeft ook de Heer opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.
[^2korinthiers-4-14-27]: Kanttekening 27: 27 en met u: Namelijk ten uitersten dage, wanneer Christus zal verschijnen op Zijn rechterstoel; Ef. 5:27. Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^2korinthiers-4-15-28]: Kanttekening 28: 28 al deze dingen zijn: Namelijk die ik verhaald heb van de gevaren van de dood over ons en van de wonderlijke verlossingen, die God daarop geeft.
[^2korinthiers-4-15-p]: Verwijzing p: 2 Kor. 1:11. 2 Korinthiërs 1:11: Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.
[^2korinthiers-4-15-29]: Kanttekening 29: 29 de vermenigvuldigde: Namelijk die Hij bewijst in onze wonderbaarlijke verlossingen tot uwe vertroosting en stichting, en tot verbreiding van Gods eer, door uwe dankzeggingen voor ons.
[^2korinthiers-4-16-30]: Kanttekening 30: 30 uitwendige mens: Gr. de mens buiten; dat is ons lichaam, met onze lichamelijke sterkte, gezondheid en uitwendigen welstand.
[^2korinthiers-4-16-31]: Kanttekening 31: 31 de inwendige vernieuwd: Gr. de mens binnen; dat is de ziel, door Gods Geest vernieuwd zijnde, wordt dagelijks in het midden van deze zwarigheden meer en meer vernieuwd en gesterkt.
[^2korinthiers-4-17-q]: Verwijzing q: Ps. 30:6; Matt. 5:12; Rom. 8:18; 1 Joh. 3:2. Psalmen 30:6: Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; van de avond overnacht het geween, maar van de morgen is er gejuich. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Romeinen 8:18: Want ik houde het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^2korinthiers-4-17-32]: Kanttekening 32: 32 lichte verdrukking: Gr. het licht, of de lichtigheid van onze verdrukking. Dit zegt de apostel niet, omdat de verdrukking in zichzelf licht is, maar omdat de Heer haar, door de versterking en troost van Zijn Geest, ons licht maakt. Zie Rom. 5:3, en Rom. 8:37. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Romeinen 8:37: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
[^2korinthiers-4-17-33]: Kanttekening 33: 33 die zeer haast: Namelijk gelijk ons leven niet lang is. Want na dit leven worden alle tranen van onze ogen gewist; Openb. 7:16, 7:17. Openbaring 7:16: Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Openbaring 7:17: Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
[^2korinthiers-4-17-34]: Kanttekening 34: 34 werkt ons een geheel: Dat is, brengt voort, niet uit enige verdienste, maar uit enkel genade, om Christus' wil; Rom. 8:17, 8:18. Gr. een eeuwig gewicht van de heerlijkheid, naar uitnemendheid tot uitnemendheid. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8:18: Want ik houde het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
[^2korinthiers-4-18-35]: Kanttekening 35: 35 aanmerken de dingen: Namelijk als op een wit waarnaar wij trachten, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt.
[^2korinthiers-4-18-36]: Kanttekening 36: 36 die men ziet, maar de dingen: Dat is, de wereldse eer of oneer, gemakken en ongemakken van dit leven, die wij dagelijks voor onze ogen zien.
[^2korinthiers-4-18-37]: Kanttekening 37: 37 die men niet ziet; want de dingen die men ziet: Namelijk door de ogen van het lichaam, dat is, de geestelijke en hemelse heerlijkheid en vreugde, die beloofd is, en die wij geloven en hopen, waarvan hij breder handelt in 2 Kor. 5. Zie Hebr. 11:1. Hebreeën 11:1: Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet.

### 2 Korinthiërs 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/5.json)

*1 De apostel gaat voort met het beschrijven van de hoop op de zaligheid, waardoor wij verzekerd zijn dat wij, als dit lichaam (dat een aardse tent is) afgebroken wordt, een eeuwige woning in de hemel hebben, 4 waarmee wij verlangen overkleed te worden, 6 aangezien wij, zolang wij in dit lichaam wonen, ver van de Heere wonen. 9 Dat dus ieder ijverig moet zijn om Hem te behagen, 10 omdat wij allen voor de rechterstoel van Christus moeten verschijnen. 11 Daarom getuigt hij ook van zijn ijver onder hen, 12 niet om zichzelf te prijzen, maar om hun stof tot roem te geven tegen de valse apostelen. 15 Hij leert dat Christus voor allen gestorven en opgewekt is, zodat zij allen voor Hem zouden leven. 16 Daarom kent hij voortaan niemand meer naar het vlees, 17 maar naar de nieuwe schepping die uit God is in Christus. 19 Daartoe worden zij als gezanten van God gebruikt om de mensen met God in Christus te verzoenen.*

**1** Want wij weten, dat, zo[^2korinthiers-5-1-1] ons[^2korinthiers-5-1-a] aardse huis van deze tabernakel[^2korinthiers-5-1-2] gebroken wordt, wij[^2korinthiers-5-1-3] een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v1)

**2** [^2korinthiers-5-2-b] Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v2)

**3** [^2korinthiers-5-3-c] Zo wij ook[^2korinthiers-5-3-4] bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v3)

**4** Want ook wij,[^2korinthiers-5-4-5] die in deze tabernakel zijn, zuchten,[^2korinthiers-5-4-6] bezwaard zijnde;[^2korinthiers-5-4-7] aangezien wij niet willen ontkleed,[^2korinthiers-5-4-8] maar overkleed worden,[^2korinthiers-5-4-d] opdat[^2korinthiers-5-4-9] het sterfelijke[^2korinthiers-5-4-10] van het leven verslonden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v4)

**5** Die ons nu[^2korinthiers-5-5-11] tot ditzelfde bereid heeft, is God,[^2korinthiers-5-5-e] Die ons ook[^2korinthiers-5-5-12] het onderpand van de Geest gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v5)

**6** Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen[^2korinthiers-5-6-13] van de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v6)

**7** [^2korinthiers-5-7-f](Want wij wandelen[^2korinthiers-5-7-14] door geloof[^2korinthiers-5-7-15] en niet door aanschouwen.) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v7)

**8** Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heere in te wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v8)

**9** Daarom zijn wij ook[^2korinthiers-5-9-16] zeer begerig,[^2korinthiers-5-9-17] hetzij inwonende,[^2korinthiers-5-9-18] hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v9)

**10** [^2korinthiers-5-10-g] Want wij allen moeten[^2korinthiers-5-10-19] geopenbaard worden voor de rechterstoel van[^2korinthiers-5-10-h] Christus, opdat ieder[^2korinthiers-5-10-20] wegdrage, wat[^2korinthiers-5-10-21] door het lichaam gebeurt, naardat hij gedaan heeft,[^2korinthiers-5-10-22] hetzij goed,[^2korinthiers-5-10-23] hetzij kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v10)

**11** Wij dan, wetende[^2korinthiers-5-11-24] de schrik van de Heere, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn voor God openbaar geworden; maar ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v11)

**12** [^2korinthiers-5-12-i] Want wij[^2korinthiers-5-12-25] prijzen onszelf u niet opnieuw aan, maar wij geven u oorzaak[^2korinthiers-5-12-26] van roem over ons, opdat u stof zou hebben tegen degenen,[^2korinthiers-5-12-27] die in het aangezicht roemen en niet in het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v12)

**13** Want hetzij dat wij[^2korinthiers-5-13-28] buiten zinnen zijn, wij zijn het voor God; hetzij dat wij[^2korinthiers-5-13-29] gematigd van zinnen zijn, wij zijn het u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v13)

**14** Want[^2korinthiers-5-14-30] de liefde van[^2korinthiers-5-14-31] Christus dringt ons; [^2korinthiers-5-14-32] als die dit oordelen, dat, als[^2korinthiers-5-14-33] Een[^2korinthiers-5-14-34] voor allen[^2korinthiers-5-14-35] gestorven is,[^2korinthiers-5-14-36] zij dan allen gestorven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v14)

**15** En Hij is voor allen gestorven,[^2korinthiers-5-15-k] opdat degenen, die leven, niet meer[^2korinthiers-5-15-37] zichzelf zouden leven, maar[^2korinthiers-5-15-38] Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v15)

**16** [^2korinthiers-5-16-l] Zo dan, wij kennen van nu aan niemand[^2korinthiers-5-16-39] naar het vlees; en[^2korinthiers-5-16-40] als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, toch kennen wij[^2korinthiers-5-16-41] Hem nu niet meer naar het vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v16)

**17** Zo dan, als iemand[^2korinthiers-5-17-42] in Christus is, die is[^2korinthiers-5-17-43] een nieuw schepsel;[^2korinthiers-5-17-m] het oude is voorbijgegaan, ziet,[^2korinthiers-5-17-44] het is alles nieuw geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v17)

**18** En[^2korinthiers-5-18-45] al deze dingen zijn uit God,[^2korinthiers-5-18-n] Die[^2korinthiers-5-18-46] ons met Zichzelf[^2korinthiers-5-18-47] verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v18)

**19** [^2korinthiers-5-19-48][^2korinthiers-5-19-o] Want God was in Christus[^2korinthiers-5-19-49] de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de[^2korinthiers-5-19-50] verzoening in ons gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v19)

**20** Zo zijn wij dan[^2korinthiers-5-20-p] gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege:[^2korinthiers-5-20-51] laat u met God verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v20)

**21** [^2korinthiers-5-21-q] Want Die, Die geen zonde[^2korinthiers-5-21-52] gekend heeft,[^2korinthiers-5-21-r] heeft Hij[^2korinthiers-5-21-53] zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden[^2korinthiers-5-21-54] rechtvaardigheid van God[^2korinthiers-5-21-55] in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/5.html#v21)

[^2korinthiers-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 ons aardse huis: Dit is, ons zwak en sterflijk lichaam, dat wij op deze aarde dragen, dat van aarde gemaakt is, en met een tabernakel of hut wordt vergeleken, die men in het reizen lichtelijk opmaakt, en in het vertrekken opnieuw afbreekt, of laat vervallen. Zie dergelijke Job 4:19; 2 Petr. 1:13, 1:14. Job 4:19: Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten. 2 Petrus 1:13: En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning; 2 Petrus 1:14: Zo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij heeft geopenbaard.
[^2korinthiers-5-1-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 4:7. 2 Korinthiërs 4:7: Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons;
[^2korinthiers-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 gebroken wordt: Gr. ontbonden, losgemaakt.
[^2korinthiers-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 een gebouw van God: Sommigen nemen dit voor de hemelse heerlijkheid, waarmee onze lichamen ten uitersten dage eerst zullen verheerlijkt worden. Maar zo de apostel hier merkelijk spreekt van een gebouw, of huis, dat wij, nadat deze tabernakel gebroken is, van God zullen hebben, en dat in de hemel, en zo haast wij uit dit lichaam gaan wonen, gelijk blijkt uit vers 6, 5:8; zo wordt het wel zo bekwamelijk voor de hemelse heerlijkheid in het algemeen genomen, waarmee de ziel versierd en gelijk als bekleed wordt, zo haast zij deze tabernakel aflegt, en waarmee het lichaam daarna zal bekleed worden, als het uit de doden zal opgewekt zijn. Zie van het eerste Hebr. 11:14, 11:16; Openb. 7:14, en van het andere 1 Kor. 15:42, 15:43; Fil. 3:20, 3:21. 2 Korinthiërs 5:6: Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heer; 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. Hebreeën 11:14: Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Openbaring 7:14: En ik sprak tot hem: Heer, u weet het. En hij zei tot mij: Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen, en hebben hun lange kleren wit gemaakt in het bloed van het Lam. 1 Korinthiërs 15:42: Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid; 1 Korinthiërs 15:43: Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Filippenzen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Filippenzen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^2korinthiers-5-2-b]: Verwijzing b: Rom. 8:23. Romeinen 8:23: En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing ons lichaam.
[^2korinthiers-5-3-c]: Verwijzing c: Openb. 3:18; Openb. 16:15. Openbaring 3:18: Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag. Openbaring 16:15: Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^2korinthiers-5-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk met het ware bruiloftskleed, dat is, die met de gerechtigheid en heiligheid van Christus in deze verhuisdag zullen bevonden worden. Want anderen, die daarvan ontbloot zijn, hebben deze heerlijkheid niet te verwachten. Anderen zetten het over: Zo, of nadermaal wij ook bekleed, enz, en nemen het voor ene verklaring van het voorgaande.
[^2korinthiers-5-4-5]: Kanttekening 5: 5 die in deze tabernakel: Dat is, die in het aardse en sterflijke lichaam nog leven.
[^2korinthiers-5-4-6]: Kanttekening 6: 6 bezwaard zijnde: Namelijk door het pak van de zonde en van de verdrukkingen.
[^2korinthiers-5-4-7]: Kanttekening 7: 7 aangezien wij niet: Dat is, geheel ontbloot worden van ons lichaam, dat wij nu dragen, om het eeuwig te derven. Of, in welke, namelijk tabernakel, zijnde, wij niet willen, enz.
[^2korinthiers-5-4-8]: Kanttekening 8: 8 maar overkleed worden: Namelijk met de hemelse heerlijkheid, naar de ziel, meteen na de dood, en naar het lichaam, wanneer het ons zal wedergegeven worden ten uitersten dage. Sommigen menen dat Paulus hier zou wensen te mogen leven in dit lichaam, totdat Christus zal komen om onze lichamen te veranderen, zonder dat wij die behoeven af te leggen; van welke verborgenheid gesproken wordt 1 Kor. 15:51 en 1 Thess. 4:17. Maar dit is niet waarschijnlijk, zo hij vers 8 zegt, dat hij liever heeft uit het lichaam te gaan uitwonen, namelijk voor een tijd, en bij de Heer in te wonen. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 1 Tessalonicenzen 4:17: Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen.
[^2korinthiers-5-4-d]: Verwijzing d: Rom. 8:11; 1 Kor. 15:53. Romeinen 8:11: En als de Geest Van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 1 Korinthiërs 15:53: Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
[^2korinthiers-5-4-9]: Kanttekening 9: 9 het sterfelijke: Dat is, de sterflijkheid, waar ons lichaam nu mee bezwaard is en in het graf bezwaard blijft.
[^2korinthiers-5-4-10]: Kanttekening 10: 10 van het leven verslonden worde: Dat is, van de zalige onsterflijkheid geheel weggenomen worde, wanneer namelijk Christus het weer zal opwekken, en Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig maken; Fil. 3:21. Filippenzen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^2korinthiers-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 tot ditzelfde bereid: Dat is, tot deze heerlijkheid in onze ziel, en deze onsterflijkheid in ons lichaam. Gr. gewrocht, of toegemaakt.
[^2korinthiers-5-5-e]: Verwijzing e: Rom. 8:16; 2 Kor. 1:22; Efez. 1:13; Efez. 4:30. Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Efeziërs 1:13: In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte; Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^2korinthiers-5-5-12]: Kanttekening 12: 12 het onderpand van de Geest: Namelijk de Heilige Geest tot een onderpand, om ons hiervan te verzekeren. Zie Rom. 8:16; 2 Kor. 1:22; Ef. 4:30. Romeinen 8:16: Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^2korinthiers-5-6-13]: Kanttekening 13: 13 van de Heer: Namelijk Jezus Christus, wiens lichamelijk aanschouwen en aanwezigheid wij zolang moeten derven, gelijk blijkt vers 8, en verklaard wordt Fil. 1:23. 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. Filippenzen 1:23: Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.
[^2korinthiers-5-7-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 13:12; 2 Kor. 3:18. 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Heer Geest.
[^2korinthiers-5-7-14]: Kanttekening 14: 14 door geloof: Namelijk dat eigenlijk aanneemt en zich toeëigent de dingen, die men niet ziet; Hebr. 11:1. Hebreeën 11:1: Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet.
[^2korinthiers-5-7-15]: Kanttekening 15: 15 niet door aanschouwen.: Namelijk van de dingen, die wij hopen. Zie Rom. 8:24; 1 Kor. 13:12; hoewel er anders ook een aanschouwen is van het geloof; Joh. 6:40 en Joh. 8:56. Romeinen 8:24: Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 1 Korinthiërs 13:12: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. Johannes 6:40: En dit is de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, dat iedereen, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 8:56: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.
[^2korinthiers-5-9-16]: Kanttekening 16: 16 zeer begerig: Gr. eergierig. Zie ook Rom. 15:20. Romeinen 15:20: En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op het fondament van een ander zou bouwen;
[^2korinthiers-5-9-17]: Kanttekening 17: 17 hetzij inwonende: Namelijk bij Hem in de hemel, gelijk vers 8. Zie Openb. 7:17, en Openb. 14:4. Of, in het lichaam gelijk vers 6. 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. Openbaring 7:17: Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Openbaring 14:4: Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen voor God en het Lam. 2 Korinthiërs 5:6: Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heer;
[^2korinthiers-5-9-18]: Kanttekening 18: 18 hetzij uitwonende: Namelijk van Christus buiten de hemel, terwijl wij nog dit sterflijke lichaam dragen, of uit het lichaam, gelijk vers 8. 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen.
[^2korinthiers-5-10-g]: Verwijzing g: Matt. 25:32; Rom. 14:10. Mattheüs 25:32: En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. Romeinen 14:10: Maar u, wat oordeelt u uw broeder? Of ook u, wat veracht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden.
[^2korinthiers-5-10-19]: Kanttekening 19: 19 geopenbaard worden: Namelijk niet alleen ten aanzien van onze personen, maar ook van onze gedachten, woorden en werken; Rom. 2:16; Openb. 2:23, en Openb. 20:12. Romeinen 2:16: In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. Openbaring 2:23: En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven iedereen naar uw werken. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^2korinthiers-5-10-h]: Verwijzing h: Ps. 62:13; Jer. 17:10; Jer. 32:19; Matt. 16:27; Rom. 2:6; Rom. 14:12; 1 Kor. 3:8; Galat. 6:5; Openb. 2:23; Openb. 22:12. Psalmen 62:13: En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10: Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19: Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Mattheüs 16:27: Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6: Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 14:12: Zo dan een iedereen van ons zal voor zichzelf voor God rekenschap geven. 1 Korinthiërs 3:8: En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. Galaten 6:5: Want een iedereen zal zijn eigen pak dragen. Openbaring 2:23: En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken. Openbaring 22:12: En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^2korinthiers-5-10-20]: Kanttekening 20: 20 wegdrage, wat: Namelijk tot ene vergelding.
[^2korinthiers-5-10-21]: Kanttekening 21: 21 door het lichaam: Namelijk hier in dit leven, of terwijl wij dit lichaam dragen.
[^2korinthiers-5-10-22]: Kanttekening 22: 22 hetzij goed: Dat is, het loon van het goede, uit genade.
[^2korinthiers-5-10-23]: Kanttekening 23: 23 hetzij kwaad: Dat is, het loon van het kwaad, uit verdienste. Zie van beide Matt. 25:34, 25:41; Rom. 6:23. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.
[^2korinthiers-5-11-24]: Kanttekening 24: 24 de schrik van de Heer: Dat is, dit schrikkelijk en vreeslijk oordeel van de Heer, waardoor wij zorgvuldig moeten zijn, om voor Hem altijd oprecht te wandelen.
[^2korinthiers-5-12-i]: Verwijzing i: 2 Kor. 3:1; 2 Kor. 10:8. 2 Korinthiërs 3:1: Beginnen wij onszelven opnieuw u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? 2 Korinthiërs 10:8: Want als ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden;
[^2korinthiers-5-12-25]: Kanttekening 25: 25 prijzen onszelven: Dat is, aanbevelen.
[^2korinthiers-5-12-26]: Kanttekening 26: 26 van roem over ons: Namelijk dat wij trouwe apostelen van Christus zijn, en dat onze leer ene leer is, die de harten bekeert.
[^2korinthiers-5-12-27]: Kanttekening 27: 27 die in het aangezicht: Dat is, alleen in gemaakte en opgepronkte wijze van spreken en dergelijke, die wel een uitwendigen schijn hebben voor de mensen, maar het hart niet raken.
[^2korinthiers-5-13-28]: Kanttekening 28: 28 uitzinnig zijn: Zo spreekt de apostel, als hij zichzelf en zijn dienst moet prijzen, omdat het werk van uitzinnige en dwaze mensen schijnt te zijn van zichzelf te roemen, en verklaart dat hij dit doet, niet om zichzelf deze eer te geven, maar om voor God zijn eer te bewaren.
[^2korinthiers-5-13-29]: Kanttekening 29: 29 gematigd van zinnen: Zo spreekt de apostel, wanneer hij, zonder van zichzelf te moeten spreken, zijn dienst van hen eenvoudig uitvoert, dat hij verklaart ook tot hun best te strekken. Zie 2 Kor. 11:1, 11:16, 11:17, enz., gelijk ook doorgaans in het 2 Kor. 12. 2 Korinthiërs 11:1: Och, of u mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij! 2 Korinthiërs 11:16: Ik zeg opnieuw, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; maar zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig mag roemen. 2 Korinthiërs 11:17: Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heer, maar als in onwijsheid, in deze vaste grond van de roeming.
[^2korinthiers-5-14-30]: Kanttekening 30: 30 de liefde van Christus: Dit kan verstaan worden, òf van de liefde, waarmee Christus ons liefheeft, òf van de liefde, waarmee wij Hem liefhebben, omdat Hij Zichzelven voor ons gegeven heeft, dat het navolgende vers schijnt mee te brengen, hoewel ook deze onze liefde uit Zijn liefde tegenover ons vloeit.
[^2korinthiers-5-14-31]: Kanttekening 31: 31 dringt ons: Dat is, bezit ons geheel en beweegt ons om hetzelfde te doen. Zie ook Hand. 18:5. Handelingen 18:5: En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, betuigende de Joden, dat Jezus is de Christus.
[^2korinthiers-5-14-32]: Kanttekening 32: 32 Als die dit oordelen: Dat is, voor vast houden.
[^2korinthiers-5-14-33]: Kanttekening 33: Namelijk Christus.
[^2korinthiers-5-14-34]: Kanttekening 34: 34 voor allen: Namelijk die in Hem geloven; Joh. 3:16; Hand. 10:43; Rom. 3:22, en Rom. 10:4; Hebr. 5:9, en Hebr. 10:14. Johannes 3:16: Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Handelingen 10:43: Deze geven getuigenis al de profeten, dat iedereen, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam. Romeinen 3:22: Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid iedereen, die gelooft. Hebreeën 5:9: En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden; Hebreeën 10:14: Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
[^2korinthiers-5-14-35]: Kanttekening 35: 35 gestorven is: Namelijk om hun zonden te vernietigen.
[^2korinthiers-5-14-36]: Kanttekening 36: 36 zij dan allen gestorven zijn: Namelijk met Hem, om door Zijn dood niet alleen vergeving van de zonden en verzoening met God te verkrijgen, maar ook om de zonde af te sterven, gelijk Rom. 6:6; Hebr. 9:26, 9:27, 9:28. Romeinen 6:6: Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Hebreeën 9:26: (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande. Hebreeën 9:27: En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; Hebreeën 9:28: Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
[^2korinthiers-5-15-k]: Verwijzing k: Rom. 14:7; Galat. 2:20; 1 Thes. 5:10; 1 Petr. 4:2. Romeinen 14:7: Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 1 Tessalonicenzen 5:10: Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. 1 Petrus 4:2: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^2korinthiers-5-15-37]: Kanttekening 37: 37 zichzelf zouden: Dat is, tot hun zelfs gemak, nut en eer.
[^2korinthiers-5-15-38]: Kanttekening 38: 38 Die, Die voor hen: Dat is, tot dienst en eer van die.
[^2korinthiers-5-16-l]: Verwijzing l: Matt. 12:50; Joh. 15:14; Galat. 5:6; Galat. 6:15; Kolos. 3:11. Mattheüs 12:50: Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, dezelfde is Mijn broeder, en zuster, en moeder. Johannes 15:14: U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede. Galaten 5:6: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Galaten 6:15: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Kolossenzen 3:11: Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen.
[^2korinthiers-5-16-39]: Kanttekening 39: 39 naar het vlees: Dat is, naar uiterlijk aanzien, familie, gestalte, eer, wijsheid, of welsprekendheid; maar, (wil hij zeggen) alleen naar de Geest, dat is, naar de geestelijke kracht die in hem is en door hem gewrocht wordt.
[^2korinthiers-5-16-40]: Kanttekening 40: 40 als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben: Gelijk Paulus getuigt dat hij ook Christus gezien heeft; 1 Kor. 9:1. 1 Korinthiërs 9:1: Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heer, gezien? Bent u niet mijn werk in de Heer?
[^2korinthiers-5-16-41]: Kanttekening 41: 41 nu niet meer: Namelijk om daarover te roemen, of onze achting daardoor te zoeken, gelijk sommiger doen.
[^2korinthiers-5-17-42]: Kanttekening 42: 42 in Christus: Dat is, waarlijk Christus kent, en met Hem verenigd is.
[^2korinthiers-5-17-43]: Kanttekening 43: 43 een nieuw schepsel: Dat is, door de kracht en de Geest van Christus wedergeboren, zonder op die vleselijke dingen meer te achten, of zijn geluk daarin te zoeken; Gal. 6:15. Galaten 6:15: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.
[^2korinthiers-5-17-m]: Verwijzing m: Jes. 43:18; Openb. 21:5. Jesaja 43:18: Gedenkt van de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. Openbaring 21:5: En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
[^2korinthiers-5-17-44]: Kanttekening 44: 44 het is alles nieuw: Namelijk in het rijk van Christus, en hier ziet de apostel op de beloften van God, Jes. 65:17, en Jes. 66:22, daar deze vernieuwing van alle dingen, die alleen voor God geldt, onder het rijk van Christus beloofd wordt; waarvan een deel nu vervuld is in de ware gelovigen, die door Gods Geest vernieuwd zijn, en het overige vervuld zal worden in het toekomende leven, na de opstanding. Zie 2 Petr. 3:13; Openb. 21:5. Jesaja 65:17: Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 66:22: Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. 2 Petrus 3:13: Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. Openbaring 21:5: En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
[^2korinthiers-5-18-45]: Kanttekening 45: 45 al deze dingen zijn: Namelijk die deze nieuwe schepping aangaan.
[^2korinthiers-5-18-n]: Verwijzing n: Kolos. 1:20; 1 Joh. 2:2; 1 Joh. 4:10. Kolossenzen 1:20: En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. 1 Johannes 2:2: En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld. 1 Johannes 4:10: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.
[^2korinthiers-5-18-46]: Kanttekening 46: 46 ons met Zichzelven: Namelijk die in Christus geloven.
[^2korinthiers-5-18-47]: Kanttekening 47: 47 verzoend heeft: Namelijk toen wij nog Zijn vijanden waren; gelijk Paulus spreekt Rom. 5:8, enz. Romeinen 5:8: Maar God bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
[^2korinthiers-5-19-48]: Kanttekening 48: 48 Want God: Of, hoe dat God, enz.
[^2korinthiers-5-19-o]: Verwijzing o: Rom. 3:24; idem v. 25; Kolos. 1:20. Romeinen 3:24: En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Kolossenzen 1:20: En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
[^2korinthiers-5-19-49]: Kanttekening 49: 49 de wereld: Dat is, de uitverkorenen en gelovigen door de gehele wereld, gelijk Joh. 6:33, 6:51. Johannes 6:33: Want het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel neerdaalt, en Die de wereld het leven geeft. Johannes 6:51: Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.
[^2korinthiers-5-19-50]: Kanttekening 50: 50 in ons gelegd: Dat is, ons toebetrouwd, om het in Zijn naam te verkondigen.
[^2korinthiers-5-20-p]: Verwijzing p: 2 Kor. 3:6. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van de Nieuwen Testaments, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^2korinthiers-5-20-51]: Kanttekening 51: 51 laat u met God verzoenen: Namelijk door het geloof in Christus en Zijn bloed; Rom. 3:25. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;
[^2korinthiers-5-21-q]: Verwijzing q: Jes. 53:9; 1 Petr. 2:22; 1 Joh. 3:5. Jesaja 53:9: En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. 1 Petrus 2:22: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; 1 Johannes 3:5: En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
[^2korinthiers-5-21-52]: Kanttekening 52: 52 Die geen zonde gekend heeft: Dat is, die van alle zonde vrij is geweest; 1 Petr. 2:22. 1 Petrus 2:22: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;
[^2korinthiers-5-21-r]: Verwijzing r: Jes. 53:12; Rom. 8:3; Galat. 3:13. Jesaja 53:12: Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iedereen, die aan het hout hangt.
[^2korinthiers-5-21-53]: Kanttekening 53: 53 zonde voor ons gemaakt: Dat is, ene offerande voor de zonde, gelijk Lev. 7:2. Of, zonde, door toerekening van onze zonden, gelijk Hij ook gezegd wordt een vloek geworden te zijn; Gal. 3:13. Leviticus 7:2: In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal zijn bloed rondom op het altaar sprengen. Galaten 3:13: Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is iedereen, die aan het hout hangt.
[^2korinthiers-5-21-54]: Kanttekening 54: 54 rechtvaardigheid van God: Dat is, rechtvaardigd voor God. Of, dat de rechtvaardigheid van God ons zou toegerekend worden; Rom. 4:4, 4:5, enz. Romeinen 4:4: Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Romeinen 4:5: Maar dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
[^2korinthiers-5-21-55]: Kanttekening 55: 55 in Hem: Namelijk Christus, ten aanzien dat wij in Hem zijn, en Zijn gerechtigheid ons wordt toegerekend; Rom. 8:1, enz. Romeinen 8:1: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

### 2 Korinthiërs 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/6.json)

*1 Paulus vermaant de Korinthiers dat zij de genade die hun door hem, als een gezant van Christus, was aangeboden, niet tevergeefs zouden ontvangen. 3 Hij verhaalt hoe trouw hij zijn dienst had volbracht, zelfs te midden van alle moeilijkheden en verdrukkingen, 6 en met welke deugden en krachten van de Geest zijn arbeid gepaard was gegaan. 11 Verder verklaart hij zijn grote genegenheid voor hen, 13 en vraagt diezelfde genegenheid van hen terug. 14 Hij vermaant hen geen juk samen aan te trekken met de ongelovigen, 16 en geen gemeenschap te hebben met de afgoden, omdat de gelovigen Gods tempel zijn, 17 maar zich daarvan af te scheiden, 18 omdat God hun Vader is en zij zijn kinderen zijn.*

**1** En[^2korinthiers-6-1-1] wij,[^2korinthiers-6-1-2][^2korinthiers-6-1-a] als[^2korinthiers-6-1-3] medearbeidende, bidden u ook,[^2korinthiers-6-1-b] dat[^2korinthiers-6-1-4] u de genade van God niet[^2korinthiers-6-1-5] tevergeefs mag ontvangen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v1)

**2** [^2korinthiers-6-2-c] Want[^2korinthiers-6-2-6] Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen.[^2korinthiers-6-2-7] Zie,[^2korinthiers-6-2-8] nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v2)

**3** [^2korinthiers-6-3-d] Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat[^2korinthiers-6-3-9] de bediening niet[^2korinthiers-6-3-10] gelasterd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v3)

**4** Maar wij,[^2korinthiers-6-4-e] als dienaren van[^2korinthiers-6-4-11] God, maken onszelf in alles aangenaam,[^2korinthiers-6-4-f] in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v4)

**5** In slagen, in gevangenissen, in[^2korinthiers-6-5-12] onlusten, in arbeid, in waken, in vasten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v5)

**6** In[^2korinthiers-6-6-13] reinheid, in kennis, in geduld, in goedertierenheid,[^2korinthiers-6-6-14] in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v6)

**7** In[^2korinthiers-6-7-15] het woord van de waarheid, in[^2korinthiers-6-7-16] de kracht van[^2korinthiers-6-7-17] God, door de wapens van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v7)

**8** [^2korinthiers-6-8-18] Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en toch waarachtigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v8)

**9** Als onbekenden, en toch[^2korinthiers-6-9-19][^2korinthiers-6-9-g] bekend; als stervenden, en[^2korinthiers-6-9-20] ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v9)

**10** Als droevig zijnde,[^2korinthiers-6-10-21] maar altijd blij;[^2korinthiers-6-10-22] als arm, maar velen[^2korinthiers-6-10-23] rijk makende; als niets hebbende, en toch[^2korinthiers-6-10-24] alles bezittende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v10)

**11** [^2korinthiers-6-11-25] Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v11)

**12** [^2korinthiers-6-12-26] U bent niet nauw in ons, maar[^2korinthiers-6-12-27] u bent nauw in uw ingewanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v12)

**13** Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik[^2korinthiers-6-13-h] spreek als tot mijn kinderen) zo[^2korinthiers-6-13-28] wordt u ook uitgebreid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v13)

**14** [^2korinthiers-6-14-i] Trek niet[^2korinthiers-6-14-29] een ander juk aan met de ongelovigen;[^2korinthiers-6-14-k] want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v14)

**15** En wat samenstemming heeft Christus met[^2korinthiers-6-15-30] Belial, of wat deel heeft de gelovige met de ongelovige? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v15)

**16** Of wat samenvoeging heeft[^2korinthiers-6-16-31] de tempel van God[^2korinthiers-6-16-l] met de afgoden?[^2korinthiers-6-16-m] Want[^2korinthiers-6-16-32] u bent de tempel[^2korinthiers-6-16-33] van de levende God; zoals[^2korinthiers-6-16-34] God gezegd heeft:[^2korinthiers-6-16-n] Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v16)

**17** [^2korinthiers-6-17-35] Daarom[^2korinthiers-6-17-o] gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v17)

**18** [^2korinthiers-6-18-p] En Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/6.html#v18)

[^2korinthiers-6-1-1]: Kanttekening 1: Hij begrijpt met zich Timotheüs, uit wiens naam hij ook schrijft.
[^2korinthiers-6-1-2]: Kanttekening 2: Of, medewerkende; namelijk met God, gelijk de dienaren van het Woord als instrumenten en gezanten Gods ook elders genaamd worden; 1 Kor. 3:9, 3:10. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u. 1 Korinthiërs 3:10: Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar iedereen zie toe, hoe hij daarop bouwe.
[^2korinthiers-6-1-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 3:9. 1 Korinthiërs 3:9: Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u.
[^2korinthiers-6-1-3]: Kanttekening 3: 3 bidden u: Of, vermanen.
[^2korinthiers-6-1-b]: Verwijzing b: Hebr. 12:15. Hebreeën 12:15: Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade van God; dat niet enige wortel van de bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelfde velen ontreinigd worden.
[^2korinthiers-6-1-4]: Kanttekening 4: 4 u de genade van God: Namelijk die u door het Evangelie en onze dienst is aangeboden en van u ontvangen.
[^2korinthiers-6-1-5]: Kanttekening 5: 5 tevergeefs mag: Dat is, zonder behoorlijke vruchten van dankbaarheid en toeneming in het geloof voort te brengen.
[^2korinthiers-6-2-c]: Verwijzing c: Jes. 49:8. Jesaja 49:8: Zo zegt YHWH: In die tijd van de welbehagens heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om het aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;
[^2korinthiers-6-2-6]: Kanttekening 6: 6 Hij zegt: Namelijk Jes. 49:8, waar God de Vader zo spreekt tot Zijn Zoon, en de opbouwing van Zijn gemeente door Hem in Zijn toekomst belooft. Jesaja 49:8: Zo zegt YHWH: In die tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om de aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;
[^2korinthiers-6-2-7]: Kanttekening 7: 7 Ziet, nu is het: Dit zijn nu de woorden van Paulus, met welke hij de voorgaande woorden verklaart en op de tijd van het Nieuwe Testament past.
[^2korinthiers-6-2-8]: Kanttekening 8: 8 de welaangename tijd: Of, de tijd van het welbehagen, gelijk het Hebreeuwse woord bij Jesaja eigenlijk luidt, die God in Zijn welbehagen bestemd had, om de mensen alom door Christus en Zijn dienaren tot bekering te roepen en hun krachtig door Zijn Geest daartoe te brengen; Hand. 2:16, 2:17, en Hand. 17:30, 17:31, enz. Handelingen 2:16: Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël: Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Handelingen 17:30: God dan, de tijden van de onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren. Handelingen 17:31: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^2korinthiers-6-3-d]: Verwijzing d: Rom. 14:13; 1 Kor. 10:32. Romeinen 14:13: Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat u de broeder geen aanstoot of ergernis geeft. 1 Korinthiërs 10:32: Weest zonder aanstoot te geven, en de Joden, en de Grieken, en van de Gemeente van God.
[^2korinthiers-6-3-9]: Kanttekening 9: 9 de bediening: Namelijk van het Heilige Evangelie, die ons toebetrouwd is, en van welke hij in het einde van het voorgaande hoofdstuk heeft gesproken.
[^2korinthiers-6-3-10]: Kanttekening 10: 10 gelasterd worde: Of, berispt, bestraft, gelijk het Griekse woord eigenlijk medebrengt; dat placht te gebeuren wanneer het leven van de dienaren van het Woord met hun leer niet overeenkomt.
[^2korinthiers-6-4-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 4:1. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods.
[^2korinthiers-6-4-11]: Kanttekening 11: 11 maken onszelven: Gr. recommanderen wij onszelven, of maken dat wij na gedane proeve goed gekend worden. Of bewijzen.
[^2korinthiers-6-4-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 11:23. 2 Korinthiërs 11:23: Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls.
[^2korinthiers-6-5-12]: Kanttekening 12: 12 in beroerten: Of, verwarringen, onvastigheden; waardoor verstaan wordt de staat dergenen, die herwaarts en daarheen gejaagd of verdreven worden.
[^2korinthiers-6-6-13]: Kanttekening 13: 13 In reinheid: Of, kuisheid. Zo verhaalt de apostel van hier voort de deugden en middelen, waardoor hij de vorige zwarigheden is te boven gekomen.
[^2korinthiers-6-6-14]: Kanttekening 14: 14 in de Heilige Geest: Hierdoor verstaat hij de vrijmoedigheid en vreugde van de Geest, die ons ondersteunt ook in het midden van alle verdrukkingen; Joh. 16:33; Rom. 5:3, 5:4, 5:5, en Rom. 14:17. Johannes 16:33: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Romeinen 5:4: En de volharding bevinding, en de bevinding hoop; Romeinen 5:5: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^2korinthiers-6-7-15]: Kanttekening 15: 15 het woord van de waarheid: Dat is, de predikatie van het Evangelie, gelijk Joh. 17:17. Johannes 17:17: Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
[^2korinthiers-6-7-16]: Kanttekening 16: 16 de kracht van God: Namelijk die deze predikatie van de apostelen vergezelschapte, niet alleen met tekenen en wonderen, Hebr. 2:3, 2:4, maar ook met macht om de bozen te wederstaan en ten onder te brengen, als met wapenen die machtig waren in God om van alle zijden de uitverkorenen van Christus te winnen en de anderen van zich te weren; 2 Kor. 10:4, 10:5, 10:6. Hebreeën 2:3: Hoe zullen wij ontvluchten, als wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heer, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; Hebreeën 2:4: God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen van de Heilige Geest, naar Zijn wil. 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 2 Korinthiërs 10:5: Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 2 Korinthiërs 10:6: En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.
[^2korinthiers-6-7-17]: Kanttekening 17: 17 door de wapenen van de: Of, door de rechter- en linkerwapenen van de gerechtigheid.
[^2korinthiers-6-8-18]: Kanttekening 18: 18 Door eer en oneer: Dat is, in het midden van eer en oneer; namelijk, eer bij de vrome en oneer bij de goddelozen en wereldse mensen. Versta hetzelfde onderscheid ook in de volgende tegenstellingen, en zie een voorbeeld in Christus, Joh. 7:12, en in Paulus, Hand. 17:18, 17:32. Johannes 7:12: En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij verleidt de schare. Handelingen 17:18: En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. Handelingen 17:32: Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen.
[^2korinthiers-6-9-19]: Kanttekening 19: 19 als stervenden: Namelijk naar het oordeel van de mensen voor doden gehouden.
[^2korinthiers-6-9-g]: Verwijzing g: Ps. 118:18; Jes. 26:19. Psalmen 118:18: De YHWH heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven. Jesaja 26:19: Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.
[^2korinthiers-6-9-20]: Kanttekening 20: 20 ziet, wij leven: Namelijk door de bijzondere genade en beschutting Gods; Ps. 118:18. Psalmen 118:18: YHWH heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
[^2korinthiers-6-10-21]: Kanttekening 21: 21 maar altijd blij: Dat is, getroost in God; Rom. 5:3; 1 Thess. 5:16. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; 1 Tessalonicenzen 5:16: Verblijdt u altijd.
[^2korinthiers-6-10-22]: Kanttekening 22: 22 als arm: Namelijk naar de wereldse rijkdommen.
[^2korinthiers-6-10-23]: Kanttekening 23: 23 rijk makende: Namelijk met geestelijke gaven.
[^2korinthiers-6-10-24]: Kanttekening 24: 24 alles bezittende: Namelijk in Christus en met Christus; 1 Kor. 3:21, 3:22. 1 Korinthiërs 3:21: Niemand dan roeme op mensen; want alles is van u. 1 Korinthiërs 3:22: Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
[^2korinthiers-6-11-25]: Kanttekening 25: 25 Onze mond is: Dat is, ik spreek vrijmoedig en in het brede met u van al mijne gelegenheden, gelijk mijn genegenheid en goed hart tegen u ook groot is. Een Hebreeuwse wijze van spreken.
[^2korinthiers-6-12-26]: Kanttekening 26: 26 U bent niet nauw: Dat is, u bezit ons hart in het geheel. Wij doen ons hart voor u wijd open.
[^2korinthiers-6-12-27]: Kanttekening 27: 27 u bent nauw in uw ingewanden: Dat is, u doet uw hart niet genoeg open, maar houdt dat nog ten dele gelijk gesloten voor ons.
[^2korinthiers-6-13-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 4:14. 1 Korinthiërs 4:14: Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u.
[^2korinthiers-6-13-28]: Kanttekening 28: 28 wordt u ook: Namelijk in uwe ingewanden, of hart; om ons gelijke genegenheid of liefde toe te dragen.
[^2korinthiers-6-14-i]: Verwijzing i: Deut. 7:2; 1 Kor. 5:9. Deuteronomium 7:2: En YHWH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen ganselijk verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. 1 Korinthiërs 5:9: Ik heb u geschreven in de brief, dat u u niet zoudt vermengen met de hoereerders;
[^2korinthiers-6-14-29]: Kanttekening 29: 29 een ander juk aan met: Dat is een juk, of gemeenschap met degenen, die van ongelijke religie zijn, gelijk de afgodische heidenen waren. Waarmee hij niet allerlei gemeenschap verbiedt, want dat zou strijden met wat hij gezegd heeft 1 Kor. 5:10, maar alleen zulke gemeenschap, waardoor zij ook tot de gemeenschap van hun afgoderij of andere zonden zouden worden gebracht, of de ongelovigen in hun zonden gesterkt; en is ene gelijkenis, genomen uit de wet, Deut. 22:10, waar God verbiedt, dat zij in het ploegen de os en de ezel niet zouden samenvoegen. 1 Korinthiërs 5:10: Maar niet geheellijk met de hoereerders van deze wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt u moeten uit de wereld gaan. Deuteronomium 22:10: U zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.
[^2korinthiers-6-14-k]: Verwijzing k: 1 Sam. 5:1; idem v. 2; 1 Kon. 18:21; 1 Kor. 10:21; Efez. 5:11. 1 Samuël 5:1: De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod. 1 Samuël 5:2: En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. 1 Koningen 18:21: Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord. 1 Korinthiërs 10:21: U kunt de drinkbeker van de Heer niet drinken, en de drinkbeker van de duivelen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heer, en aan de tafel van de duivelen. Efeziërs 5:11: En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
[^2korinthiers-6-15-30]: Kanttekening 30: Dit is een Hebreeuws woord, en betekent een die zonder juk is, of niemand nuttig. Hier wordt het genomen voor de Satan zelf, die alle gehoorzaamheid Gods van zich heeft geworpen. Zie 1 Sam. 1:16. 1 Samuël 1:16: Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet.
[^2korinthiers-6-16-31]: Kanttekening 31: 31 de tempel van God: Namelijk die tot de dienst van de ware God is geheiligd.
[^2korinthiers-6-16-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 10:7; idem v. 14. 1 Korinthiërs 10:7: En wordt geen afgodendienaars, zoals als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 1 Korinthiërs 10:14: Daarom, mijn geliefden, vliedt van de afgodendienst.
[^2korinthiers-6-16-m]: Verwijzing m: 1 Kor. 3:16; 1 Kor. 6:19; Efez. 2:21; Hebr. 3:6; 1 Petr. 2:5. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 1 Korinthiërs 6:19: Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^2korinthiers-6-16-32]: Kanttekening 32: Namelijk die in Christus gelooft, Ef. 2:21, 2:22; 1 Petr. 2:5. Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^2korinthiers-6-16-33]: Kanttekening 33: 33 van de levende God: Dat is, die niet alleen zelf leeft, maar allen een auteur van het leven is, Hand. 17:25, en wordt deze titel hier God gegeven tegen de stomme en dode afgoden. Handelingen 17:25: En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft;
[^2korinthiers-6-16-34]: Kanttekening 34: 34 God gezegd heeft: Deze woorden zijn genomen ten dele uit Lev. 26:11, 26:12, ten dele uit Ez. 37:26. Leviticus 26:11: En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Ezechiël 37:26: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
[^2korinthiers-6-16-n]: Verwijzing n: Ex. 29:45; Lev. 26:11; Ez. 37:26. Exodus 29:45: En Ik zal in het midden van de kinderen van Israël wonen, en Ik zal hun tot een God zijn. Leviticus 26:11: En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Ezechiël 37:26: En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.
[^2korinthiers-6-17-35]: Kanttekening 35: 35 Daarom gaat uit het: Deze woorden zijn genomen uit Jes. 52:11, zo dat deze vermaning van Paulus uit verscheidene plaatsen bijeengevoegd is. Jesaja 52:11: Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt!
[^2korinthiers-6-17-o]: Verwijzing o: Jes. 52:11; Openb. 18:4. Jesaja 52:11: Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt! Openbaring 18:4: En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt.
[^2korinthiers-6-18-p]: Verwijzing p: Jer. 31:1. Jeremia 31:1: Ter zelfder tijd, spreekt YHWH, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.

### 2 Korinthiërs 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/7.json)

*1 De apostel leidt uit de voorgaande beloften van God een nieuwe vermaning tot heiliging af. 2 Hij verantwoordt opnieuw zijn levenswandel onder hen. 3 Hij getuigt van zijn bijzondere genegenheid voor hen, zelfs te midden van alle verdrukkingen, en verzekert zich ook van hun genegenheid voor hem. 6 In dat gevoel is hij door de komst en het getuigenis van Titus nog meer versterkt. 8 En hoewel hij hen door zijn ernstige bestraffing eerder bedroefd had, erkent hij toch dat deze droefheid een droefheid naar God is geweest, 10 wat hij bewijst uit de vruchten van diezelfde droefheid, 13 en uit de blijdschap van Titus na zijn terugkeer, 14 die alles bij hen zo had bevonden als de apostel hun had toevertrouwd.*

**1** Omdat wij dan[^2korinthiers-7-1-1] deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting[^2korinthiers-7-1-2] van het vlees en van[^2korinthiers-7-1-3] de geest, voleindigende de heiligmaking in de vrees voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v1)

**2** [^2korinthiers-7-2-4] Geef ons plaats; wij hebben niemand[^2korinthiers-7-2-5] verongelijkt, wij hebben niemand[^2korinthiers-7-2-6] verdorven, wij hebben bij niemand[^2korinthiers-7-2-7] ons voordeel gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v2)

**3** Ik zeg dit niet[^2korinthiers-7-3-8] tot uw veroordeling; want ik heb[^2korinthiers-7-3-a] te voren gezegd, dat u in onze harten bent, om[^2korinthiers-7-3-9] samen te sterven en samen te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v3)

**4** Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met troost;[^2korinthiers-7-4-b] ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v4)

**5** Want ook, als wij in Macedonië gekomen zijn, zo heeft[^2korinthiers-7-5-10] ons vlees geen rust gehad;[^2korinthiers-7-5-c] maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was[^2korinthiers-7-5-11] strijd, van binnen[^2korinthiers-7-5-12] vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v5)

**6** [^2korinthiers-7-6-d] Maar God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost[^2korinthiers-7-6-13] door de komst van Titus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v6)

**7** En niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde[^2korinthiers-7-7-14] uw verlangen,[^2korinthiers-7-7-15] uw kermen,[^2korinthiers-7-7-16] uw ijver voor mij; zo dat ik te meer verblijd ben geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v7)

**8** Want hoewel ik u[^2korinthiers-7-8-17] in de zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij[^2korinthiers-7-8-18] berouwd heeft; want ik zie, dat dezelfde zendbrief, hoewel voor een kleine tijd, u bedroefd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v8)

**9** Nu verblijde ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering; want u bent bedroefd geweest naar God,[^2korinthiers-7-9-19] zodat u in geen ding schade van ons geleden hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v9)

**10** [^2korinthiers-7-10-e] Want de droefheid[^2korinthiers-7-10-20] naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar[^2korinthiers-7-10-21] de droefheid van de wereld werkt de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v10)

**11** Want ziet, ditzelfde dat u naar God bent bedroefd geworden, hoe grote[^2korinthiers-7-11-22] ijver heeft het in u gewerkt? Ja,[^2korinthiers-7-11-23] verantwoording, ja,[^2korinthiers-7-11-24] onlust, ja,[^2korinthiers-7-11-25] vrees, ja,[^2korinthiers-7-11-26] verlangen, ja,[^2korinthiers-7-11-27] ijver, ja,[^2korinthiers-7-11-28] wraak; in alles hebt u uzelf bewezen[^2korinthiers-7-11-29] rein te zijn in deze[^2korinthiers-7-11-30] zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v11)

**12** Hoewel ik dan aan u geschreven heb,[^2korinthiers-7-12-31] dat is niet omwille van die,[^2korinthiers-7-12-32] die onrecht gedaan had, noch omwille van die,[^2korinthiers-7-12-33] die onrecht gedaan was; maar opdat[^2korinthiers-7-12-34] onze vlijtigheid[^2korinthiers-7-12-35] voor u bij u openbaar zou worden, in de aanwezigheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v12)

**13** Daarom zijn wij vertroost geworden over uw troost; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest[^2korinthiers-7-13-36] van u allen verfrist is geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v13)

**14** Want als ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar zoals wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook onze roem, die ik bij Titus geroemd[^2korinthiers-7-14-37] heb, waarheid geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v14)

**15** En zijn[^2korinthiers-7-15-38] innerlijke gevoelens zijn te overvloediger tegenover u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe u hem met vrees en beven hebt ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v15)

**16** Ik verblijde mij dan, dat ik in alles[^2korinthiers-7-16-39] van u vertrouwen mag hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/7.html#v16)

[^2korinthiers-7-1-1]: Kanttekening 1: 1 deze beloften hebben: Namelijk waarvan in het einde van het voorgaande hoofdstuk is gesproken.
[^2korinthiers-7-1-2]: Kanttekening 2: 2 van het vlees: Dat is, van het lichaam en van de ziel, gelijk hoererij, afgoderij, enz. zowel lichaam als ziel besmetten. Zie 1 Kor. 6:20. 1 Korinthiërs 6:20: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.
[^2korinthiers-7-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, meer en meer volbrengende door het voortbrengen van de vruchten derzelve. Zie Joh. 15:1, 15:2. Johannes 15:1: Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
[^2korinthiers-7-2-4]: Kanttekening 4: 4 Geeft ons plaats: Dat is, geeft onze vermaning plaats. Of, geeft ons plaats in uw hart, gelijk wij u doen in het onze. Zie hiervoren, 2 Kor. 6:11, 6:12, 6:13. 2 Korinthiërs 6:11: Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid. 2 Korinthiërs 6:12: U bent niet nauw in ons, maar u bent nauw in uw ingewanden. 2 Korinthiërs 6:13: Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt u ook uitgebreid.
[^2korinthiers-7-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk door heerschappijzucht over u.
[^2korinthiers-7-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk door valse leringen of kwade voorbeelden.
[^2korinthiers-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 ons voordeel gezocht: Namelijk door pluimstrijkingen, om winst van u te hebben. Zie van de eigenschap van dit woord 2 Kor. 2:10. En deze zijn de drie fouten, waardoor hij meteen de valse apostelen beschrijft. 2 Korinthiërs 2:10: Die u nu iets vergeeft, die vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, die ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge;
[^2korinthiers-7-3-8]: Kanttekening 8: 8 tot uwe veroordeling: Namelijk alsof u ondankbaar of trouweloos tegenover mij geweest was. Of, alsof ik mij van u beklaagde; maar \[wil hij zeggen\] om de valse apostelen, die mij bij u zoeken verdacht te maken, de mond te stoppen, en om mijne zorg over u te bewijzen, gelijk vers 12 wordt verklaard. 2 Korinthiërs 7:12: Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet vanwege die, die onrecht gedaan had, noch vanwege die, die onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de aanwezigheid Gods.
[^2korinthiers-7-3-a]: Verwijzing a: 2 Kor. 6:11; idem v. 12; idem v. 13. 2 Korinthiërs 6:11: Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid. 2 Korinthiërs 6:12: U bent niet nauw in ons, maar u bent nauw in uw ingewanden. 2 Korinthiërs 6:13: Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt u ook uitgebreid.
[^2korinthiers-7-3-9]: Kanttekening 9: 9 tezamen te: Ene manier van spreken, waardoor de meeste liefde en gunst tegenover iemand wordt uitgedrukt, namelijk dat hij bereid is met hem te leven en te sterven.
[^2korinthiers-7-4-b]: Verwijzing b: Matt. 5:12; Hand. 5:41; Fil. 2:17; Kolos. 1:24. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Handelingen 5:41: Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden. Filippenzen 2:17: Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloof, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. Kolossenzen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^2korinthiers-7-5-10]: Kanttekening 10: 10 ons vlees geen: Dat is, ons lichaam. Niet dat de ziel niet mee haar deel heeft aan de verdrukkingen, maar omdat de vervolgingen meest op de uitwendige mens aangericht worden, en God daarentegen de geest dikwijls verkwikt en vertroost.
[^2korinthiers-7-5-c]: Verwijzing c: Hand. 16:19; idem v. 23. Handelingen 16:19: Als nu de heren van dezelfde zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten. Handelingen 16:23: En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden de stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.
[^2korinthiers-7-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk die ons aangedaan werd van de heidenen en Joden, die buiten de gemeente waren.
[^2korinthiers-7-5-12]: Kanttekening 12: Namelijk door de zorg, die wij hadden van de zwarigheden, die binnen de gemeente gerezen waren; 2 Kor. 11:28, 11:29. Zie dergelijk wijze van spreken 1 Kor. 5:12. 2 Korinthiërs 11:28: Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten. 2 Korinthiërs 11:29: Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande? 1 Korinthiërs 5:12: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn?
[^2korinthiers-7-6-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 1:4. 2 Korinthiërs 1:4: Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.
[^2korinthiers-7-6-13]: Kanttekening 13: 13 door de komst: Namelijk die ons tegen de vervolging van buiten door zijn aanwezigheid heeft gesterkt, en van de stand van uw gemeente van binnen, en van uwe genegenheid tot ons beter heeft onderricht, gelijk vers 7 verklaart. 2 Korinthiërs 7:7: En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; zo dat ik te meer verblijd ben geweest.
[^2korinthiers-7-7-14]: Kanttekening 14: 14 uw verlangen: Namelijk na mijne komst tot u.
[^2korinthiers-7-7-15]: Kanttekening 15: 15 uw kermen: Namelijk over mijne verdrukkingen en ongenoegen.
[^2korinthiers-7-7-16]: Kanttekening 16: 16 uw ijver voor mij: Namelijk tegen de ongehoorzamen, en ook in het aannemen van de bestraffingen en vermaningen in de voorgaande brief tot u door mij gedaan, waarvan hij in de volgende verzen breder handelt.
[^2korinthiers-7-8-17]: Kanttekening 17: 17 in de zendbrief bedroefd: Namelijk door mijn ernstig schrijven en bestraffen over het duiden van de bloedschender en andere gebreken onder u. Zie 1 Kor. 5, en vervolgens.
[^2korinthiers-7-8-18]: Kanttekening 18: 18 berouwd heeft: Dat is, wee gedaan heeft, dat ik zo hard moest schrijven, gelijk het een vader wee doet wanneer hij zijn kinderen hard moet bestraffen, hoewel hij zulks met recht doet en tot hun best.
[^2korinthiers-7-9-19]: Kanttekening 19: 19 zodat u in geen: Of, opdat hij in geen ding schade van ons zoudt lijden.
[^2korinthiers-7-10-e]: Verwijzing e: 2 Sam. 12:13; Matt. 26:75; Lukas 18:13. 2 Samuël 12:13: Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen YHWH! En Nathan zei tot David: De YHWH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven. Mattheüs 26:75: En meteen kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Lukas 18:13: En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
[^2korinthiers-7-10-20]: Kanttekening 20: 20 naar God werkt: Dat is, die van God komt, voor God aangenaam is en de zondaar tot God brengt; wanneer namelijk het hart van de zondaar daarover recht bedroefd is, dat hij God zijn Vader door zijn zonde vertoornd heeft, met een vertrouwen van de vergeving derzelve door Christus Jezus, vergezelschapt met een vast voornemen van de zonde te vluchten, gelijk de voorbeelden van David, van de verloren zoon, van de zondares, Petrus en anderen uitwijzen.
[^2korinthiers-7-10-21]: Kanttekening 21: 21 het verdriet van de: Dat is, welke in wereldse mensen is, om het verlies van wereldse zaken, of die uit vrees van Gods straf alleen wordt veroorzaakt, waarop verharding in de zonde, wanhoop en eindelijk de verdoemenis zelve volgt, gelijk in Kaïn, Achitofel, Achab, Judas en dergelijken te zien is.
[^2korinthiers-7-11-22]: Kanttekening 22: 22 naarstigheid heeft het in u: Of, zorgvuldigheid en bekommering over de zonde, die begaan was om die te beteren.
[^2korinthiers-7-11-23]: Kanttekening 23: 23 verantwoording, ja: Of, verontschuldiging; namelijk dat zulks niet was geschied uit moedwil of toestemming van de begane zonde.
[^2korinthiers-7-11-24]: Kanttekening 24: 24 onlust, ja: Of, bezwaardheid over dezelfde zonde, verdrietigheid, kwalijkneming.
[^2korinthiers-7-11-25]: Kanttekening 25: 25 vrees, ja: Namelijk van de goddelijke en kerkelijk straf over die zonde, zo zij niet werd gebeterd.
[^2korinthiers-7-11-26]: Kanttekening 26: 26 verlangen, ja: Dat is, gewilligheid en zonderlinge begeerte om dezelfde te beteren.
[^2korinthiers-7-11-27]: Kanttekening 27: 27 ijver, ja: Namelijk in het volbrengen van wat de apostel hun bevolen had tot wering van deze ergernis.
[^2korinthiers-7-11-28]: Kanttekening 28: 28 wraak; in alles: Dit kan verstaan worden van de kerkelijke straf zelve over deze zonde, of ook van het verdriet, dat zij hierover hebben bewezen, dat als een wraak was over henzelven, dat zij tevoren zo nalatig hierin geweest waren.
[^2korinthiers-7-11-29]: Kanttekening 29: 29 rein te zijn: Namelijk niet van alle fouten, want nalatigheid is ook ene fout, maar van enig genoegen daaraan te hebben, of van moedwillig daarin gehandeld te hebben.
[^2korinthiers-7-11-30]: Kanttekening 30: Of, handel, daad.
[^2korinthiers-7-12-31]: Kanttekening 31: 31 dat is niet: Namelijk zozeer, of voornamelijk. Ene manier van spreken, gelijk 1 Kor. 9:9, 9:10. 1 Korinthiërs 9:9: Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? 1 Korinthiërs 9:10: Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
[^2korinthiers-7-12-32]: Kanttekening 32: 32 die onrecht gedaan had: Dat is, van de persoon, die de bloedschande gedaan heeft. Of dergenen, die hun broeders voor ongelovige rechters getrokken of verongelijkt hadden.
[^2korinthiers-7-12-33]: Kanttekening 33: 33 die onrecht gedaan was: Hierdoor verstaan sommigen de vader van deze persoon, wiens huisvrouw hij bij zich genomen had. Anderen verstaan het van die, wie ongelijk geschied was voor het gericht van de ongelovige overheden, waarvan hij geschreven had, 1 Kor. 6:1, enz. 1 Korinthiërs 6:1: Durft iemand van u, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?
[^2korinthiers-7-12-34]: Kanttekening 34: 34 onze vlijtigheid: Dat is, onze zorg voor de welstand en goeden naam van de gehele gemeente. Anderen lezen uwe vlijtigheid voor ons.
[^2korinthiers-7-12-35]: Kanttekening 35: 35 voor u bij u: Of, aan u, dat is, die tot uw dienst aangewend is.
[^2korinthiers-7-13-36]: Kanttekening 36: 36 van u allen verkwikt: Namelijk ziende hoe gewillig u geweest bent, om mijne vermaningen en zijn persoon aan te nemen en hem alle gunst te bewijzen.
[^2korinthiers-7-14-37]: Kanttekening 37: 37 waarheid geworden: Dat is, waarachtig bevonden.
[^2korinthiers-7-15-38]: Kanttekening 38: 38 innerlijke bewegingen: Gr. ingewanden; dat is, genegenheid en liefde; een Hebreeuwse wijze van spreken.
[^2korinthiers-7-16-39]: Kanttekening 39: 39 van u vertrouwen: Gr. in u vertrouwe.

### 2 Korinthiërs 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/8.json)

*1 Paulus houdt de Korinthiers het voorbeeld voor van de gemeenten van Macedonie, die een milde bijdrage hadden geleverd voor de arme gelovigen te Jeruzalem. 6 Hij verklaart dat hij Titus opdracht had gegeven om iets dergelijks ook bij hen te bevorderen. 9 Hij houdt hun ook het voorbeeld voor van Christus, die arm is geworden om ons door zijn armoede rijk te maken. 10 Hij vermaant hen nu goed te voltooien wat zij een jaar geleden waren begonnen, 13 echter niet zo dat zij zichzelf in moeilijkheden zouden brengen om anderen te verlichten, maar om uit hun overvloed het gebrek van de anderen aan te vullen, 15 zoals bij het verzamelen van het manna was gebeurd. 16 Verder getuigt hij dat Titus naar hen toe gereisd was om dit over te brengen, 18 met nog een andere broeder die daartoe door de gemeenten was gekozen, 20 om alle kwaadsprekerij te voorkomen, 22 en nog een derde, wiens trouw nu meermaals beproefd was, zowel door hem als door de gemeenten.*

**1** Verder maken wij u bekend, broeders,[^2korinthiers-8-1-1] de genade van God, die[^2korinthiers-8-1-2] in de Gemeenten van Macedonië gegeven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v1)

**2** Dat in vele beproeving van[^2korinthiers-8-2-3] de verdrukking de overvloed van hun blijdschap, en[^2korinthiers-8-2-4] hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is[^2korinthiers-8-2-5] tot de rijkdom van hun[^2korinthiers-8-2-6] goeddadigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v2)

**3** Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v3)

**4** [^2korinthiers-8-4-a] Ons met vele[^2korinthiers-8-4-7] terechtwijzing biddende, dat wij wilden[^2korinthiers-8-4-8] aannemen[^2korinthiers-8-4-9] de gave en[^2korinthiers-8-4-10] de gemeenschap van deze bediening, die voor[^2korinthiers-8-4-11] de heiligen gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v4)

**5** En[^2korinthiers-8-5-12] zij deden niet alleen, zoals wij gehoopt hadden, maar[^2korinthiers-8-5-13] gaven zichzelf eerst aan de Heere en daarna aan ons, door de wil van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v5)

**6** Zo dat wij Titus vermaanden, dat, zoals hij te voren[^2korinthiers-8-6-14] begonnen had, hij ook zo nog[^2korinthiers-8-6-15] deze gave bij u[^2korinthiers-8-6-16] voltooien zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v6)

**7** Zo dan, zoals u in alles overvloedig bent, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle ijver, en in uw liefde tot ons, ziet, dat u ook in deze gave overvloedig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v7)

**8** Ik zeg dit niet[^2korinthiers-8-8-17] als gebiedende, maar[^2korinthiers-8-8-18] als door de ijver van anderen ook de oprechtheid van uw liefde beproevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v8)

**9** Want u weet de genade van onze Heere Jezus[^2korinthiers-8-9-b] Christus, dat Hij om uwentwil[^2korinthiers-8-9-19] is arm geworden,[^2korinthiers-8-9-20] daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou[^2korinthiers-8-9-21] rijk worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v9)

**10** En[^2korinthiers-8-10-22] ik zeg in deze mijn mening; want dit is u raadzaam, als die niet alleen het doen, maar ook[^2korinthiers-8-10-23] het willen van over een jaar te voren hebt begonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v10)

**11** Maar nu voltooit ook het doen; opdat, zoals er geweest is de volvaardigheid van het gemoed om te willen, er ook zo zij het voltooien[^2korinthiers-8-11-24] uit wat u hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v11)

**12** [^2korinthiers-8-12-c] Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is,[^2korinthiers-8-12-d] zo is iemand[^2korinthiers-8-12-25] aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v12)

**13** Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en u[^2korinthiers-8-13-26] verdrukking; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v13)

**14** Maar opdat uit gelijkheid, in deze tegenwoordigen tijd, uw[^2korinthiers-8-14-27] overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook[^2korinthiers-8-14-28] hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v14)

**15** Zoals[^2korinthiers-8-15-29] geschreven is:[^2korinthiers-8-15-e] Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v15)

**16** Maar Gode zij dank, Die[^2korinthiers-8-16-30] dezelfde ijver voor u in het hart van Titus gegeven heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v16)

**17** Dat hij de terechtwijzing heeft aangenomen, en zeer ijverig zijnde, gewillig tot u[^2korinthiers-8-17-31] gereisd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v17)

**18** En wij hebben ook met hem gezonden[^2korinthiers-8-18-32] de broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v18)

**19** En dat niet alleen, maar hij is ook[^2korinthiers-8-19-33] van de Gemeenten gekozen, om met ons te reizen[^2korinthiers-8-19-34] met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid van de Heere Zelf, en[^2korinthiers-8-19-35] de volvaardigheid van uw gemoed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v19)

**20** [^2korinthiers-8-20-36] Dit verhoedende, dat ons niemand mag[^2korinthiers-8-20-37] lasteren in deze overvloed, die van ons wordt bediend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v20)

**21** [^2korinthiers-8-21-f] Als die bezorgen, wat eerlijk is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v21)

**22** Wij hebben ook met hen gezonden[^2korinthiers-8-22-38] onze broeder, die wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij ijverig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen,[^2korinthiers-8-22-39] dat hij heeft tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v22)

**23** Hetzij dan[^2korinthiers-8-23-40] Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij[^2korinthiers-8-23-41] onze broeders, zij zijn[^2korinthiers-8-23-42] afgezanten van de Gemeenten,[^2korinthiers-8-23-43] en een eer van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v23)

**24** Bewijs dan aan hen de bewijzing van uw liefde, en van onze roem van u, ook[^2korinthiers-8-24-44] voor het aangezicht van de Gemeenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/8.html#v24)

[^2korinthiers-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 de genade van God: Dat is, de weldadigheid door de genade van God, die hun harten bewogen heeft om zo milde handreiking te doen aan de armen te Jeruzalem, gelijk vers 2 verklaart. 2 Korinthiërs 8:2: Dat in vele beproeving van de verdrukking de overvloed van hun blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot de rijkdom van hun goeddadigheid.
[^2korinthiers-8-1-2]: Kanttekening 2: Of, door.
[^2korinthiers-8-2-3]: Kanttekening 3: 3 de overvloed van hun blijdschap: Namelijk spruitende uit het geloof in Christus, niettegenstaande alle verdrukking. Zie Rom. 5:3. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt;
[^2korinthiers-8-2-4]: Kanttekening 4: 4 hun zeer diepe armoede: Dat is, hoewel zij door de grote verdrukkingen tot de uiterste armoede schenen gekomen te zijn, nochtans zijn zij overvloedig geweest in het geven.
[^2korinthiers-8-2-5]: Kanttekening 5: 5 tot de rijkdom van hun: Dat is, tot overvloedige mildheid, gelijk vers 4 uitwijst. 2 Korinthiërs 8:4: Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap van deze bediening, die voor de heiligen geschiedt.
[^2korinthiers-8-2-6]: Kanttekening 6: Of, eenvoudigheid, oprechtheid, in het geven.
[^2korinthiers-8-4-a]: Verwijzing a: Hand. 11:29; Rom. 15:26; 1 Kor. 16:2; 2 Kor. 9:1. Handelingen 11:29: En naardat een iedereen van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden. Romeinen 15:26: Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. 1 Korinthiërs 16:2: Op elke eerste dag van de week, legge een iedereen van u iets bij zichzelf weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn. 2 Korinthiërs 9:1: Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.
[^2korinthiers-8-4-7]: Kanttekening 7: 7 vermaning biddende: Of, vertroosting.
[^2korinthiers-8-4-8]: Kanttekening 8: Dat is, op ons nemen.
[^2korinthiers-8-4-9]: Kanttekening 9: 9 de gave en: Gr. de genade, dat is de goedwillige gave.
[^2korinthiers-8-4-10]: Kanttekening 10: 10 de gemeenschap van deze bediening: Dat is, de zorg om die inzameling wel te bestellen en ter rechter plaats te doen komen, als een teken van hun gemeenschap met dezelfde.
[^2korinthiers-8-4-11]: Kanttekening 11: 11 de heiligen geschiedt: Namelijk te Jeruzalem. Zie 1 Kor. 16:3, 16:4; Rom. 15:26. 1 Korinthiërs 16:3: En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die u zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen. 1 Korinthiërs 16:4: En als het van de moeite waard mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen. Romeinen 15:26: Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.
[^2korinthiers-8-5-12]: Kanttekening 12: 12 niet alleen: Dat is, deden meer dan wij gehoopt of verwacht hadden.
[^2korinthiers-8-5-13]: Kanttekening 13: 13 gaven zichzelf: Namelijk nog vlijtiger en overvloediger.
[^2korinthiers-8-6-14]: Kanttekening 14: 14 begonnen had: Namelijk u tot alle geestelijke deugden te verwekken, gelijk in vers 8 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 8:8: Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid van uw liefde beproevende.
[^2korinthiers-8-6-15]: Kanttekening 15: 15 deze gave: Gr. genade; dat is, deze gift van de weldadigheid, gelijk vers 1, 8:7, 8:19. 2 Korinthiërs 8:1: Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonië gegeven is. 2 Korinthiërs 8:7: Zo dan, gelijk u in alles overvloedig bent, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat u ook in deze gave overvloedig bent. 2 Korinthiërs 8:19: En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten gekozen, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid van de Heer Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;
[^2korinthiers-8-6-16]: Kanttekening 16: 16 voltooien zou: Dat is, tot een goed einde zou brengen.
[^2korinthiers-8-8-17]: Kanttekening 17: 17 als gebiedende: Gr. naar bevel.
[^2korinthiers-8-8-18]: Kanttekening 18: 18 door de naarstigheid: Dat is, door het voorbeeld van de naarstigheid en milddadigheid van de gemeenten in Macedonië.
[^2korinthiers-8-9-b]: Verwijzing b: Lukas 9:58. Lukas 9:58: En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon van de mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.
[^2korinthiers-8-9-19]: Kanttekening 19: 19 is arm geworden: Namelijk toen Hij zichzelf heeft vernietigd, de gedaante van een dienaar aannemende; Fil. 2:5, enz. Filippenzen 2:5: Want dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was;
[^2korinthiers-8-9-20]: Kanttekening 20: 20 daar Hij rijk was: Namelijk een heer van alle dingen. Zie Hebr. 1:2. Hebreeën 1:2: Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^2korinthiers-8-9-21]: Kanttekening 21: 21 rijk worden: Dat is, al zijn geestelijke en hemelse goederen deelachtig worden; 1 Kor. 1:30. 1 Korinthiërs 1:30: Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
[^2korinthiers-8-10-22]: Kanttekening 22: 22 ik zeg in deze: Gr. ik geef; gelijk 1 Kor. 7:25. 1 Korinthiërs 7:25: Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heer; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heer gekregen heb, om getrouw te zijn.
[^2korinthiers-8-10-23]: Kanttekening 23: 23 het willen van over: Dat is, het doen met vlijtigheid en gewilligheid. Want dat is meer dan alleen willen, of alleen doen.
[^2korinthiers-8-11-24]: Kanttekening 24: 24 uit wat u hebt: Dat is, naar de mate van wat u hebt.
[^2korinthiers-8-12-c]: Verwijzing c: Mark. 12:43; Lukas 21:3. Marcus 12:43: En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Lukas 21:3: En Hij zei: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen.
[^2korinthiers-8-12-d]: Verwijzing d: Spreuk. 3:28; 1 Petr. 4:10. Spreuken 3:28: Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weer, en morgen zal ik geven, omdat het bij u is. 1 Petrus 4:10: Een iedereen, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God.
[^2korinthiers-8-12-25]: Kanttekening 25: Namelijk voor God, in het uitdelen van zijn gaven. Zie Mark. 12:43; 2 Kor. 9:7. Marcus 12:43: En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. 2 Korinthiërs 9:7: Iedereen doe, gelijk hij in zijn hart, voorneemt; niet uit verdriet, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.
[^2korinthiers-8-13-26]: Kanttekening 26: Dat is, opdat anderen overvloed door uwe gaven zouden verkrijgen, en u gebrek hebben, of u te zeer benauwen.
[^2korinthiers-8-14-27]: Kanttekening 27: 27 opdat ook hun overvloed: Namelijk wanneer u in de tijd van de vervolging, of anders, hun hulp ook zoudt mogen nodig hebben. Anderen nemen het van de overvloed van de geestelijke gaven, welke die van Jeruzalem de heidenen te vlijtiger en te bekwamer zouden mededelen, wanneer zij om de tijdelijke leeftocht zich niet zouden moeten bekommeren.
[^2korinthiers-8-14-28]: Kanttekening 28: 28 opdat er gelijkheid worde: Namelijk in het geven of ontvangen naar de nood en overvloed van een ieder. Of, opdat het ene lid niet te zeer overvloeie, en het andere niet te benauwd zij; dat met vers 15 wel zowel overeen komt. 2 Korinthiërs 8:15: Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.
[^2korinthiers-8-15-29]: Kanttekening 29: 29 geschreven is: Namelijk Ex. 16:18, in het verzamelen van het manna. Want die veel verzameld hadden, namen daaruit maar elk een gomer tot hun leeftocht, die weinig, vervulden die gomer uit wat van anderen verzameld was, dat iemand meer tehuis bracht bedierf en ging verloren. Exodus 16:18: Maar als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; iedereen verzamelde zoveel, als hij eten mocht.
[^2korinthiers-8-15-e]: Verwijzing e: Ex. 16:18. Exodus 16:18: Maar als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iedereen verzamelde zoveel, als hij eten mocht.
[^2korinthiers-8-16-30]: Kanttekening 30: 30 dezelfde naarstigheid: Dat is, deze zorgvuldigheid om u ook hiertoe te vermanen en bewegen, gelijk vers 17 verklaart. 2 Korinthiërs 8:17: Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.
[^2korinthiers-8-17-31]: Kanttekening 31: 31 gereisd is: Gr. uitgegaan.
[^2korinthiers-8-18-32]: Kanttekening 32: 32 de broeder, die lof heeft: Deze menen vele oude leraars dat Lukas zou geweest zijn, die het Evangelie van Christus beschreven heeft; maar zo hier niet van het Evangelie te beschrijven, maar van het te prediken gesproken wordt, zo is dat onzeker; gelijk ook dat het Barnabas zou zijn.
[^2korinthiers-8-19-33]: Kanttekening 33: 33 van de gemeenten gekozen: Het Griekse woord betekent eigenlijk ene verkiezing, die met opsteking of uitreiking van de handen geschiedt; zo dat Paulus niet alleen zelf deze hiertoe had verordineerd, maar ook de gemeenten van Macedonië. Zie van die woord ook Hand. 14:23. Handelingen 14:23: En als zij in elke Gemeente, met opsteken van de handen, ouderlingen gekozen hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen de Heer, in Welke zij geloofd hadden.
[^2korinthiers-8-19-34]: Kanttekening 34: 34 met deze gave: Dat is, weldaad, gift, weldadige handreiking, gelijk meermalen tevoren.
[^2korinthiers-8-19-35]: Kanttekening 35: 35 de volvaardigheid uws gemoeds: Dat is, tot een bewijs van uw goedwilligheid en milddadigheid.
[^2korinthiers-8-20-36]: Kanttekening 36: 36 Dit verhoedende: Namelijk door het bijvoegen van anderen, die deze last naast ons hebben aangenomen, gelijk vers 22 verklaart. 2 Korinthiërs 8:22: Wij hebben ook met hen gezonden onze broeder, welke wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot u.
[^2korinthiers-8-20-37]: Kanttekening 37: Of, berispen, met kwaad achterdenken bezwaren, zo wij zodanige overvloedige aalmoezen alleen hadden overgebracht, dat van de valse apostelen en andere vijanden van het Evangelie, lichtelijk had kunnen gebeuren.
[^2korinthiers-8-21-f]: Verwijzing f: Rom. 12:17. Romeinen 12:17: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen.
[^2korinthiers-8-22-38]: Kanttekening 38: 38 onze broeder: Deze menen sommigen dat Apollos geweest zou zijn. Maar is ook onzeker.
[^2korinthiers-8-22-39]: Kanttekening 39: 39 dat hij heeft: Of, dat wij hebben.
[^2korinthiers-8-23-40]: Kanttekening 40: Gr. van Titus (Τίτου), dat is, wil men weten wie Titus is.
[^2korinthiers-8-23-41]: Kanttekening 41: 41 onze broeders: Namelijk die van de gemeenten van Macedonië naast Titus hiertoe zijn gekozen, waarvan hij gesproken had vers 18, 8:22. 2 Korinthiërs 8:18: En wij hebben ook met hem gezonden de broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; 2 Korinthiërs 8:22: Wij hebben ook met hen gezonden onze broeder, welke wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot u.
[^2korinthiers-8-23-42]: Kanttekening 42: 42 afgezanten van de Gemeenten: Gr. Apostelen (ἀπόστολοι); gelijk dit woord ook voor allerlei leraars en gezanten somwijlen genomen wordt. Zie Rom. 16:7. Romeinen 16:7: Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.
[^2korinthiers-8-23-43]: Kanttekening 43: 43 een eer van Christus: Gr. een heerlijkheid van Christus (Χριστοῦ); dat is, zulke personen, waardoor de eer van Christus zonderling wordt bevorderd.
[^2korinthiers-8-24-44]: Kanttekening 44: 44 voor het aangezicht van de Gemeenten: Dat is, gelijk die tot getuigen van deze uwe liefde en weldadigheid zult hebben al de gemeenten, die daarvan kennis zullen krijgen.

### 2 Korinthiërs 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/9.json)

*1 De apostel getuigt dat hij voldoende verzekerd is van de bereidwilligheid van de Korinthiers om deze inzameling te bevorderen. 3 Hij geeft de reden waarom hij de genoemde broeders vooruit naar hen heeft gezonden, namelijk zodat alles gereed zou zijn wanneer hij komt. 6 Hij vermaant hen mild en gewillig te geven, met verschillende argumenten ontleend aan Gods milde zegen, liefde en genade over hen die mild zullen zaaien, 11 en aan de dankzegging die daarover tot God zal opklimmen van hen die in hun mildheid zullen delen, 14 en aan de gebeden die zij voor hen tot God zullen doen.*

**1** [^2korinthiers-9-1-a] Want van[^2korinthiers-9-1-1] de bediening, die voor de heiligen gebeurt, is mij onnodig[^2korinthiers-9-1-2] aan u te schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v1)

**2** Want ik weet de volvaardigheid van uw gemoed, van welke ik roem over u bij de Macedoniërs, dat[^2korinthiers-9-2-3] Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v2)

**3** Maar ik heb[^2korinthiers-9-3-4] deze broeders gezonden, opdat onze roem, die wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in deze dele; opdat (zoals ik gezegd heb) u[^2korinthiers-9-3-5] bereid mag zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v3)

**4** En dat niet mogelijk, zo[^2korinthiers-9-4-6] de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden[^2korinthiers-9-4-7] in deze vasten grond van de roeming. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v4)

**5** Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw[^2korinthiers-9-5-8] te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, zo[^2korinthiers-9-5-9] als een zegen, en niet[^2korinthiers-9-5-10] als een gierigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v5)

**6** En dit zeg[^2korinthiers-9-6-b] ik: Die karig zaait, zal ook karig maaien; en die[^2korinthiers-9-6-11] in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen[^2korinthiers-9-6-12] maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v6)

**7** Ieder doe, zoals hij in zijn[^2korinthiers-9-7-13] hart, voorneemt;[^2korinthiers-9-7-c] niet uit verdriet, of uit[^2korinthiers-9-7-14] nooddwang;[^2korinthiers-9-7-d] want God heeft een blijmoedige gever lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v7)

**8** En God is machtig[^2korinthiers-9-8-15] alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat u in alles altijd, alle genoegzaamheid[^2korinthiers-9-8-16] hebbende, tot elk goed werk overvloedig mag zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v8)

**9** Zoals[^2korinthiers-9-9-17] er geschreven is:[^2korinthiers-9-9-e] Hij heeft gestrooid, hij heeft de armen gegeven;[^2korinthiers-9-9-18] Zijn gerechtigheid[^2korinthiers-9-9-19] blijft in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v9)

**10** Maar Die het zaad de zaaier verleent,[^2korinthiers-9-10-20] Die verlene ook brood tot voedsel, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten van uw[^2korinthiers-9-10-21] gerechtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v10)

**11** Dat u in alles rijk wordt tot alle[^2korinthiers-9-11-22] goeddadigheid, die door ons[^2korinthiers-9-11-23] werkt dankzegging tot God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v11)

**12** Want de bediening van deze[^2korinthiers-9-12-24] dienst vervult niet alleen het gebrek van de heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v12)

**13** Omdat zij door de[^2korinthiers-9-13-25] beproeving van deze bediening God verheerlijken over de[^2korinthiers-9-13-26] onderwerping van uw belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid van de mededeling aan hen en aan allen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v13)

**14** En door[^2korinthiers-9-14-27] hun gebed voor u, die[^2korinthiers-9-14-28] naar u verlangen,[^2korinthiers-9-14-29] om de uitnemende genade van God over u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v14)

**15** [^2korinthiers-9-15-30] Maar Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/9.html#v15)

[^2korinthiers-9-1-a]: Verwijzing a: Hand. 11:29; Rom. 15:26; 1 Kor. 16:2; 2 Kor. 8:4. Handelingen 11:29: En naardat een iedereen van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste van de broeders, die in Judea woonden. Romeinen 15:26: Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. 1 Korinthiërs 16:2: Op elke eerste dag van de week, legge een iedereen van u iets bij zichzelf weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn. 2 Korinthiërs 8:4: Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap van deze bediening, die voor de heiligen geschiedt.
[^2korinthiers-9-1-1]: Kanttekening 1: 1 de bediening: Hierdoor kan verstaan worden, òf de handreiking zelve, òf de wijze van die in te zamelen en naar Jeruzalem af te zenden, die hij geheel aan hun goeddunken overgeeft, omdat hij wist dat zij daartoe al overlang volvaardig waren geweest en genoegzame voorzichtigheid hadden, om het wel en behoorlijk te doen.
[^2korinthiers-9-1-2]: Kanttekening 2: 2 aan u te schrijven: Namelijk breder of verder.
[^2korinthiers-9-2-3]: Kanttekening 3: Waarvan Korinthe de hoofdstad was. Zie Rom. 15:26; 1 Kor. 1:2. Romeinen 15:26: Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. 1 Korinthiërs 1:2: Aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heer;
[^2korinthiers-9-3-4]: Kanttekening 4: 4 deze broeders gezonden: Namelijk Titus met de twee anderen, waarvan in 2 Kor. 8 vermaand is.
[^2korinthiers-9-3-5]: Kanttekening 5: 5 bereid mag zijn: Namelijk tegen dat ik kom, gelijk vers 4 verklaart. 2 Korinthiërs 9:4: En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden in deze vasten grond van de roeming.
[^2korinthiers-9-4-6]: Kanttekening 6: 6 de Macedoniërs: Dat is, de broeders, die van de gemeente van Macedonië gekozen waren tot het overbrengen van hun collecte.
[^2korinthiers-9-4-7]: Kanttekening 7: 7 in deze vasten grond van de roeming: Gr. in die zelfstandigheid van de roem; dat is, in mijn vertrouwen en vrijmoedigen roem over u, namelijk dat het aan u niet zou ontbreken.
[^2korinthiers-9-5-8]: Kanttekening 8: 8 te voren aangedienden zegen: Dat kan verstaan worden, òf van wat Titus van hen Paulus had aangediend in zijn terugkeren van hen, gelijk af te nemen is uit 2 Kor. 7:13; òf van wat Paulus aan hen daarvan tevoren had geschreven in de eerste brief aan het begin van het 16e hoofdstuk (1 Kor. 16?). 2 Korinthiërs 7:13: Daarom zijn wij vertroost geworden over uw vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden.
[^2korinthiers-9-5-9]: Kanttekening 9: 9 als een zegen: Dat is, als een vrijwillige en milde gave, gelijk een zegen, die eigenschap heeft dat hij uit een toegenegen en mild hart voortkomt; een Hebreeuwse wijze van spreken.
[^2korinthiers-9-5-10]: Kanttekening 10: 10 als een vrekheid: Dat is, als ene gift van vrekkige mensen afgeperst. Het Griekse woord betekent eigenlijk gierigheid, of begeerte om meer te hebben; van hoedanige mensen men zeer kwalijk kan verkrijgen dat zij iets geven, of zo zij iets geven, het is onwillig en als van hen uitgeperst.
[^2korinthiers-9-6-b]: Verwijzing b: Spreuk. 11:24; Galat. 6:7. Spreuken 11:24: Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek. Galaten 6:7: Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
[^2korinthiers-9-6-11]: Kanttekening 11: 11 in zegeningen zaait: Dat is, vrijwillig en mild, gelijk in vers 5. Versta altijd, naar dat iemand heeft, gelijk 2 Kor. 8:12. 2 Korinthiërs 9:5: Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, zo als een zegen, en niet als een vrekheid. 2 Korinthiërs 8:12: Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is, zo is iemand aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft.
[^2korinthiers-9-6-12]: Kanttekening 12: Dat is, van God overvloedige vergelding ontvangen; Gal. 6:9. Galaten 6:9: Maar laat ons, goed doende, niet vertragen; want op zijn tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
[^2korinthiers-9-7-13]: Kanttekening 13: Of, willekeurt, verkiest; namelijk uit vrijwilligheid.
[^2korinthiers-9-7-c]: Verwijzing c: Deut. 15:7; Rom. 12:8. Deuteronomium 15:7: Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broeders, in een uw poorten, in uw land, dat YHWH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is; Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.
[^2korinthiers-9-7-14]: Kanttekening 14: 14 nooddwang; want: Dat is, uit vrees van anders doende berispt te worden, of zijn aanzien bij de mensen te verliezen.
[^2korinthiers-9-7-d]: Verwijzing d: Ex. 25:2; Ex. 35:5. Exodus 25:2: Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen. Exodus 35:5: Neemt van wat, dat u hebt, een hefoffer YHWH; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer van YHWH: goud, en zilver, en koper;
[^2korinthiers-9-8-15]: Kanttekening 15: 15 alle genade te doen: Dat is, middel om weldadig te mogen zijn tegen een ieder.
[^2korinthiers-9-8-16]: Kanttekening 16: 16 alle genoegzaamheid hebbende: Namelijk niet alleen bij uzelven in uw gemoed, dat een groot winst is, 1 Tim. 6:6, maar ook overvloed om anderen in allerlei nood te hulp te kunnen komen. 1 Timotheüs 6:6: Maar de godzaligheid is een groot winst met vergenoeging.
[^2korinthiers-9-9-17]: Kanttekening 17: 17 geschreven is: Namelijk Ps. 112:9, waar de profeet de eigenschappen van een godzalig man ook op deze wijze beschrijft. Psalmen 112:9: Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
[^2korinthiers-9-9-e]: Verwijzing e: Ps. 112:9. Psalmen 112:9: Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
[^2korinthiers-9-9-18]: Kanttekening 18: 18 Zijn gerechtigheid: Dat is, zijn weldadigheid, of zijn werken van de barmhartigheid, gelijk dit woord bij de Hebreën dikwijls zo wordt genomen. Zie Ps. 112:9. Psalmen 112:9: Pe. Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
[^2korinthiers-9-9-19]: Kanttekening 19: 19 blijft in eeuwigheid: Namelijk in de gedachtenis van de mensen en ook van God, om in de eeuwigheid uit genade beloond te worden; Matt. 25:34, enz; Luk. 12:33, en Luk. 16:9, enz. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Lukas 12:33: Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. Lukas 16:9: En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten.
[^2korinthiers-9-10-20]: Kanttekening 20: 20 Die verlene ook: Anderen onderscheiden dit zo: En ook brood tot voedsel, die verlene en vermenigvuldige, enz.
[^2korinthiers-9-10-21]: Kanttekening 21: Dat is, weldadigheid, gelijk vers 9. 2 Korinthiërs 9:9: Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft de armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid.
[^2korinthiers-9-11-22]: Kanttekening 22: 22 goeddadigheid, welke: Of, eenvoudigheid.
[^2korinthiers-9-11-23]: Kanttekening 23: 23 werkt dankzegging: Namelijk bij de armen en gebreklijdenden, die verwekt worden om God te danken, wanneer zij zodanige weldaden van ons ontvangen, gelijk de volgende verzen nader verklaren.
[^2korinthiers-9-12-24]: Kanttekening 24: 24 dienst vervult: Gr. Leitourgias (λειτουργίας); welk woord wel betekent allerlei openbaren dienst, gelijk Hand. 13:2 is aangetekend, maar wordt ook somwijlen genomen voor een dienst van de offering, gelijk de aalmoezen ook geestelijke offeranden genaamd worden, Fil. 4:18; Hebr. 13:16, welke betekenis daarom hier ook niet kwalijk past. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Filippenzen 4:18: Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, voor God welgevallig. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
[^2korinthiers-9-13-25]: Kanttekening 25: 25 de beproeving van deze: Of, goedkenning, goedachting.
[^2korinthiers-9-13-26]: Kanttekening 26: 26 onderwerping uw: Dat is, dat u hiermee openlijk belijdt of getuigt, dat u u in alles het Evangelie van Christus onderwerpt, dat ook de werken van de liefde bijzonder aanprijst.
[^2korinthiers-9-14-27]: Kanttekening 27: 27 hun gebed voor u: Namelijk dat de gelovigen te Jeruzalem, door uwe weldadigheid verwekt zijnde, te ijveriger voor u doen zullen.
[^2korinthiers-9-14-28]: Kanttekening 28: 28 naar u verlangen: Of, zeer begerig zijn naar u; namelijk om uw welstand dagelijks te mogen horen. Het kan ook overgezet worden: Welke u grote genegenheid toedragen.
[^2korinthiers-9-14-29]: Kanttekening 29: 29 om de uitnemende: Dat is, omdat zij door ons en anderen verstaan hebben, hoe grote genade en welke grote gaven de Heer uwe gemeente gegeven heeft; Hand. 21:18, 21:19. Handelingen 21:18: En de volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. Handelingen 21:19: En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.
[^2korinthiers-9-15-30]: Kanttekening 30: 30 Maar Gode zij dank: Hiermede besluit de apostel deze hele handel, om hen te vermanen dat de eer van al de voorverhaalden roem en gaven, waarvan hij gesproken en waarover hij hen geprezen had, niet eigenlijk hun, maar aan God alleen moest toegeschreven worden, tot hun vernedering.

### 2 Korinthiërs 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/10.json)

*1 Omdat sommige valse apostelen onder hen zeiden dat zijn schrijven wel indrukwekkend was, maar zijn persoonlijke aanwezigheid weinig voorstelde, 3 spreekt Paulus over de apostolische macht die God hem had gegeven om de ongehoorzamen in zijn gemeente te bedwingen, 4 niet door vleselijke maar door geestelijke wapens, die daartoe krachtig zijn door God. 8 Toch is deze macht hem gegeven tot opbouw en niet tot afbraak, 10 wat hij niet alleen in afwezigheid door brieven, maar ook in aanwezigheid metterdaad tegen zulke mensen zal bewijzen. 12 Met deze macht versterkt had hij het Evangelie tot daar toe verbreid, 15 niet daar waar anderen eerder hadden gearbeid, 16 en hij was van plan dat nog verder te doen, niet alleen bij hen, om hen te versterken, maar ook in de landen daarbuiten. 17 Toch zegt hij dit niet om zichzelf, maar om Gods genade onder hen te roemen.*

**1** Verder ik Paulus zelf[^2korinthiers-10-1-1] bid u, door de zachtmoedigheid en[^2korinthiers-10-1-2] goedertierenheid van Christus, die,[^2korinthiers-10-1-3] tegenwoordig zijnde, wel[^2korinthiers-10-1-4] gering ben onder u, maar als ik afwezig ben, stoutmoedig tegen u ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v1)

**2** Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde,[^2korinthiers-10-2-5] niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmee ik geacht word[^2korinthiers-10-2-6] stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, alsof wij[^2korinthiers-10-2-7] naar het vlees wandelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v2)

**3** Want[^2korinthiers-10-3-8] wandelende in het vlees, voeren wij de oorlog[^2korinthiers-10-3-9] niet[^2korinthiers-10-3-10] naar het vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v3)

**4** [^2korinthiers-10-4-a] Want[^2korinthiers-10-4-11] de wapens van onze strijd zijn niet[^2korinthiers-10-4-12] vleselijk, maar[^2korinthiers-10-4-13] krachtig door God,[^2korinthiers-10-4-b] tot nederwerping[^2korinthiers-10-4-14] van de vestingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v4)

**5** Omdat wij[^2korinthiers-10-5-15] de overleggingen ter[^2korinthiers-10-5-16] nederwerpen, en elke[^2korinthiers-10-5-17] hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en elke gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid[^2korinthiers-10-5-18] van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v5)

**6** En gereed hebbende, wat dient om[^2korinthiers-10-6-19] te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal[^2korinthiers-10-6-20] vervuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v6)

**7** Ziet u aan wat[^2korinthiers-10-7-21] voor ogen is? Als iemand bij zichzelf betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit opnieuw uit zichzelf, dat zoals hij van Christus is, zo ook wij van Christus zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v7)

**8** Want als ik ook iets overvloediger zou roemen[^2korinthiers-10-8-22] van onze macht, die de Heere ons gegeven heeft[^2korinthiers-10-8-c] tot[^2korinthiers-10-8-23] stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v8)

**9** Opdat ik niet zou schijnen, alsof ik u[^2korinthiers-10-9-24] door de brieven wilde verschrikken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v9)

**10** Want de brieven (zeggen[^2korinthiers-10-10-25] zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de aanwezigheid van het lichaam is zwak,[^2korinthiers-10-10-26] en de rede is verachtelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v10)

**11** Dezulke bedenke dit, dat zoals wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zo zijn[^2korinthiers-10-11-27] inderdaad, als wij tegenwoordig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v11)

**12** [^2korinthiers-10-12-d] Want wij durven onszelf niet[^2korinthiers-10-12-28] rekenen of vergelijken met sommigen, die zichzelf prijzen; maar[^2korinthiers-10-12-29] deze verstaan niet, dat zij zichzelf[^2korinthiers-10-12-30] met zichzelf meten, en zichzelf[^2korinthiers-10-12-31] met zichzelf vergelijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v12)

**13** Maar wij zullen niet roemen[^2korinthiers-10-13-32] buiten de maat;[^2korinthiers-10-13-e] maar dat wij, naar de maat van de regel,[^2korinthiers-10-13-33] die maat ons God toegedeeld heeft,[^2korinthiers-10-13-34] ook tot u toe zijn gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v13)

**14** Want wij strekken onszelf niet te wijd uit,[^2korinthiers-10-14-35] als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v14)

**15** Niet roemende[^2korinthiers-10-15-36] buiten de maat[^2korinthiers-10-15-37] in anderer mensen arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal[^2korinthiers-10-15-38] gewassen zijn, dat wij onder u overvloedig zullen[^2korinthiers-10-15-39] vergroot worden[^2korinthiers-10-15-40] naar onze regel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v15)

**16** Om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen, die aan de overzijde van u gelegen zijn; niet om te roemen[^2korinthiers-10-16-41] in van een ander regel over wat al bereid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v16)

**17** [^2korinthiers-10-17-f] Maar wie roemt, die roeme[^2korinthiers-10-17-42] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v17)

**18** [^2korinthiers-10-18-g] Want niet die zichzelf prijst, maar die de Heere prijst, die is[^2korinthiers-10-18-43] beproefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/10.html#v18)

[^2korinthiers-10-1-1]: Kanttekening 1: Of, vermaan.
[^2korinthiers-10-1-2]: Kanttekening 2: Gr. billijkheid, bescheidenheid.
[^2korinthiers-10-1-3]: Kanttekening 3: 3 tegenwoordig zijnde: Gr. naar het aangezicht; dat is, tegenwoordig, of naar het uiterlijk gelaat.
[^2korinthiers-10-1-4]: Kanttekening 4: Of, nederig. Deze woorden verhaalt Paulus, als uit de mond van enige valse apostelen, die de ernstige vermaningen van de apostel in de voorgaanden brief gesteld, op zulke wijze zochten krachteloos te maken.
[^2korinthiers-10-2-5]: Kanttekening 5: 5 niet stout mag zijn: Dat is, niet gedwongen worden door de ongehoorzaamheid van deze, om tegenwoordig zijnde, zulke vrijmoedigheid in het straffen metterdaad te gebruiken.
[^2korinthiers-10-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk in het schrijven en dreigen, wanneer ik niet tegenwoordig ben.
[^2korinthiers-10-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, vleselijke of menselijke wijzen van doen gebruiken, om ons bij de mensen aanzien te maken.
[^2korinthiers-10-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, in dit leven, gelijk een zwak en gering mens. Zie Hebr. 5:7. Hebreeën 5:7: Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
[^2korinthiers-10-3-9]: Kanttekening 9: Zo noemt hij zijn handel en wandel onder de mensen in het verbreiden van het heilige Evangelie. Zie 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 4:7. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in die de goeden strijd strijdt; 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goeden strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^2korinthiers-10-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, naar de wijze van vleselijke of bedriegelijke mensen. Zie 2 Kor. 1:17; want zo pleegt de apostel dit woord naar de vlese op verscheidene plaatsen te gebruiken. 2 Korinthiërs 1:17: Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor, wat ik voorneem, opdat bij mij zou wezen, ja, ja, en neen, neen?
[^2korinthiers-10-4-a]: Verwijzing a: Efez. 6:13. Efeziërs 6:13: Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt wederstaan in de bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
[^2korinthiers-10-4-11]: Kanttekening 11: 11 de wapenen: Dat is, de middelen, die wij gebruiken om door het Evangelie van Christus de mensen te bekeren, en onder het rijk en de gehoorzaamheid van Christus te brengen.
[^2korinthiers-10-4-12]: Kanttekening 12: Dat is, zulke als de natuurlijke mensen plegen te gebruiken, om anderen of met welsprekendheid, of met bedriegerij, of met geweld onder zich te brengen.
[^2korinthiers-10-4-13]: Kanttekening 13: 13 krachtig door God: Gr. voor God krachtig; dat is, door de kracht, die God daar bijvoegt, zo in het doen van wondertekenen, Mark. 16:20, als in het bewegen en overtuigen van de harten door Zijn Geest, Hand. 16:14, en ook mee in het straffen van degenen, die zulks zochten te wederstaan. Zie een voorbeeld in Bar-Jesus, Hand. 13:8. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd. Handelingen 13:8: Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het geloof af te keren.
[^2korinthiers-10-4-b]: Verwijzing b: Jer. 1:10. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.
[^2korinthiers-10-4-14]: Kanttekening 14: 14 van de sterkten: Zo noemt de apostel al wat de Satan de wereld, hetzij met vervolgingen, hetzij met wereldse wijsheid en welsprekendheid voorwerpt om de loop van het Evangelie te stuiten, gelijk de twee navolgende verzen verklaren. Zie ook Jer. 1:10, 1:18, 1:19. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. Jeremia 1:18: Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. Jeremia 1:19: En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt YHWH, om u uit te helpen.
[^2korinthiers-10-5-15]: Kanttekening 15: 15 de overleggingen: Namelijk die de natuurlijke rede van de mensen voortbrengt, om het Evangelie zijn aanzien te benemen.
[^2korinthiers-10-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, Christus en Zijn woord onderwerpen. Want de rede van de mensen moet geen richter zijn over het Evangelie, maar zich daaronder buigen en gevangen geven; gelijk de volgende woorden ook verklaren.
[^2korinthiers-10-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk van aanzienlijke wijsheid of kloekheid.
[^2korinthiers-10-5-18]: Kanttekening 18: Dat is, van het Evangelie van Christus, dat hen, die verloren gaan, wel dwaasheid is, maar hen, die behouden worden, is het de macht Gods, 1 Kor. 1:18. 1 Korinthiërs 1:18: Want het woord van het kruis is wel hen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God;
[^2korinthiers-10-6-19]: Kanttekening 19: Dit spreekt de apostel niet van enige uitwendige of wereldse wraak. Want die heeft Christus Zijn apostelen verboden, Matt. 20:25, en Matt. 26:52; maar van de verkondiging van de wraak Gods over de hardnekkigen en van het oefenen van de kerkelijken bans tegen degenen, die zich voor leden van de gemeente uitgevende, nochtans onchristelijk leren of leven. Mattheüs 20:25: En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij: U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de grote gebruiken macht over hen. Mattheüs 26:52: Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
[^2korinthiers-10-6-20]: Kanttekening 20: 20 vervuld zijn: Dat is, volbracht, of ten volle bewezen zijn. En dit zegt de apostel tot verzachting van het voorgaande dreigement, om hen tot voorkomen van deze straf, door verbetering van zulke ergernissen, te bewegen; omdat daar ook behoorlijke tijd en middel tot bekering aan zulken moet gegeven worden voordat de uiterste straf mag worden gebruikt.
[^2korinthiers-10-7-21]: Kanttekening 21: 21 wat voor ogen is: Gr. de dingen, die naar het aangezicht zijn; dat is, wat een uitwendigen schijn heeft voor de mensen; of waar iemand uiterlijk van wil roemen.
[^2korinthiers-10-8-22]: Kanttekening 22: 22 onze macht: Namelijk die wij als apostelen van Christus meer dan andere discipelen van Christus ontvangen hebben.
[^2korinthiers-10-8-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 13:10. 2 Korinthiërs 13:10: Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heer gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping.
[^2korinthiers-10-8-23]: Kanttekening 23: 23 tot stichting: Dat is, om die zo te gebruiken dat de zondaar daardoor tot bekering, en niet tot wanhoop gebracht wordt. Zie 1 Kor. 5:5, 2 Kor. 2:6, 2:7, 2:8. 1 Korinthiërs 5:5: Denzulken over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heer Jezus. 2 Korinthiërs 2:6: De zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is. 2 Korinthiërs 2:7: Zo dat u daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedig verdriet niet enigszins worde verslonden. 2 Korinthiërs 2:8: Daarom bid ik u, dat u de liefde aan hem bevestigt.
[^2korinthiers-10-9-24]: Kanttekening 24: 24 door de brieven: Dat is, door de zwaarwichtigheid en aanzienlijkheid van de brieven alleen wilde verschrikt maken. En zo beantwoordt de apostel een andere lastering van enige valse apostelen, gelijk van hem hierna breder wordt verklaard.
[^2korinthiers-10-10-25]: Kanttekening 25: 25 (zeggen zij: Namelijk de valse apostelen. Anderen lezen (zegt hij) alsof hij van een bijzondere onder hen sprak.
[^2korinthiers-10-10-26]: Kanttekening 26: 26 de rede is verachtelijk: Dat is, zijn redenen en woorden hebben niets aanzienlijks, of uitmuntende, als hij tegenwoordig is.
[^2korinthiers-10-11-27]: Kanttekening 27: Dat is, in het uitvoeren van wat wij door de brieven dreigen.
[^2korinthiers-10-12-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 3:1; 2 Kor. 5:12. 2 Korinthiërs 3:1: Beginnen wij onszelven opnieuw u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? 2 Korinthiërs 5:12: Want wij prijzen onszelven u niet opnieuw aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat u stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart.
[^2korinthiers-10-12-28]: Kanttekening 28: Of, vervoegen; dat is, onder zulken niet rekenen of oordelen te zijn.
[^2korinthiers-10-12-29]: Kanttekening 29: 29 verstaan niet: Of, zijn niet wijs.
[^2korinthiers-10-12-30]: Kanttekening 30: 30 met zichzelf: Gr. in zichzelf; dat is, naar hun eigen goeddunken of behagen willen geacht hebben.
[^2korinthiers-10-12-31]: Kanttekening 31: 31 met zichzelf vergelijken: Namelijk zonder op andere te zien, die de Heer meer gaven en macht heeft medegedeeld, gelijk er waren de apostelen van Christus.
[^2korinthiers-10-13-32]: Kanttekening 32: 32 buiten de maat: Gr. tot, of in dingen die zonder maat zijn; dat is, buiten de maat, die ons God heeft toegedeeld, gelijk als deze anderen doen.
[^2korinthiers-10-13-e]: Verwijzing e: Efez. 4:7. Efeziërs 4:7: Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^2korinthiers-10-13-33]: Kanttekening 33: 33 welke maat ons God toegedeeld heeft: Of, welke God ons tot ene maat toegedeeld heeft; dat is, die ons God voorgeschreven, en waar Hij onze dienst mee bepaald heeft; een gelijkenis, genomen van degenen, die elk zijn erve uitdeelt om daar te bouwen, of zijn akker om daarop te zaaien, of wijnberg om daarop te planten.
[^2korinthiers-10-13-34]: Kanttekening 34: 34 ook tot u toe zijn gekomen: Namelijk in het verbreiden van het heilige Evangelie, en voortplanten van de gemeente van Christus.
[^2korinthiers-10-14-35]: Kanttekening 35: 35 als die tot u niet zouden komen: Dat is, alsof wij tot u niet moesten komen. Gr. als tot u niet komende.
[^2korinthiers-10-15-36]: Kanttekening 36: 36 de maat: Namelijk ons van Christus voorgeschreven, of bepaald.
[^2korinthiers-10-15-37]: Kanttekening 37: 37 in anderer mensen arbeid: Dat is, waar het Evangelie van Christus al door anderen is verbreid.
[^2korinthiers-10-15-38]: Kanttekening 38: 38 gewassen zijn: Dat is, toegenomen hebben of versterkt zijn.
[^2korinthiers-10-15-39]: Kanttekening 39: 39 vergroot worden: Of, uitgebreid, namelijk in de voorgeschreven grenzen van onze prediking. Anderen voegen deze woorden zo bijeen: Wanneer uw geloof zal gewassen, of gesterkt zijn onder u, dat wij overvloedig zullen vergroot worden, dat is uitgebreid worden.
[^2korinthiers-10-15-40]: Kanttekening 40: 40 naar onze regel: Dat is, in de uitbreiding van ons voorgeschreven perk, zo dat het woord regel hier genomen wordt voor het perk, of de afgepaalde maat van landen en steden, waar iedere apostel zijn arbeid moest besteden; en dit komt wel overeen met het volgende vers. Want dit is het wat de apostel hier verklaart: dat hun zwakheden en gebreken nog een hinderpaal waren, dat hij in de landen boven hen gelegen nog niet kon reizen om daar het Evangelie te planten, maar wanneer zij die gebreken zouden gebeterd hebben en in het geloof behoorlijk versterkt zijn, dat hij dan vrijmoedig en zonder achterdocht tot anderen zou mogen voortgaan.
[^2korinthiers-10-16-41]: Kanttekening 41: 41 in van een ander regel: Dat is, waar een ander al de grenzen van zijn beroep had en predikte. Zie Rom. 15:20. Romeinen 15:20: En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op het fondament van een ander zou bouwen;
[^2korinthiers-10-17-f]: Verwijzing f: Jes. 65:16; Jer. 9:23; 1 Kor. 1:31. Jesaja 65:16: Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in de God van de waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij de God van de waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn. Jeremia 9:23: Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; 1 Korinthiërs 1:31: Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heer.
[^2korinthiers-10-17-42]: Kanttekening 42: 42 in de Heer: Dat is, schrijf de Heer al de lof van zijn arbeid toe, zo de kracht om zelf te arbeiden, en de vruchten daarvan, alleen van zijn zegen voortkomen. Zie 1 Kor. 3:5, en 1 Kor. 15:10. 1 Korinthiërs 3:5: Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heer aan iedereen gegeven heeft? 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^2korinthiers-10-18-g]: Verwijzing g: Spreuk. 27:2. Spreuken 27:2: Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
[^2korinthiers-10-18-43]: Kanttekening 43: Dat is, na beproeving trouw en oprecht gekend, gekeurd en bevonden.

### 2 Korinthiërs 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/11.json)

*1 De apostel getuigt van zijn ijver voor de gemeente van Korinthe, om hen te bewaren bij de eenvoud die in Christus is, 3 en vermaant hen dat zij zich daarvan niet laten afbrengen, zoals Eva door de satan verleid is, 4 aangezien niet alleen geen valse apostelen, maar zelfs geen andere apostel van Christus hun iets kon bijbrengen dat zij niet door hem hadden ontvangen. 6 Want onder hen had hij niet geroemd zoals dezen, maar zich nederig gedragen, en zelfs geen onderhoud ontvangen, zoals hij wel van andere gemeenten had gedaan. 11 Dat was niet gebeurd omdat hij hen niet liefhad, 12 maar om de valse apostelen hun roem te ontnemen, die zich veranderden in engelen van het licht. 16 En hoewel het niet verstandig is veel te roemen, 18 bewijst hij toch dat niemand van dezen iets kan roemen waarvan ook hij niet kan roemen, 23 ja, dat hij in lijden en arbeid voor de zaak van Christus hen allen overtrof, 28 naast de zorg die hij had voor alle gemeenten, 32 en de moeilijkheden die hij in het begin van zijn dienst te Damascus had doorstaan, waar hij over de muren van de stad in een mand was ontsnapt.*

**1** Och, of u mij een weinig verdroeg[^2korinthiers-11-1-1] in de onwijsheid;[^2korinthiers-11-1-2] ja ook, verdraagt mij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v1)

**2** Want ik ben[^2korinthiers-11-2-3] ijverig over u met een[^2korinthiers-11-2-4] ijver van God; want ik heb u toebereid,[^2korinthiers-11-2-5] om[^2korinthiers-11-2-a] u als een reine maagd aan één man voor te stellen, namelijk aan Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v2)

**3** Maar ik vrees, dat niet enigszins,[^2korinthiers-11-3-b] zoals[^2korinthiers-11-3-6] de slang Eva[^2korinthiers-11-3-7] door haar sluwheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden,[^2korinthiers-11-3-8] om af te wijken van de eenvoud, die in Christus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v3)

**4** [^2korinthiers-11-4-c] Want als degene,[^2korinthiers-11-4-9] die komt,[^2korinthiers-11-4-10] een andere Jezus predikte, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvingt, die u niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat u niet hebt aangenomen, zo verdroegt u[^2korinthiers-11-4-11] hem met recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v4)

**5** Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest[^2korinthiers-11-5-12] dan de uitnemendste apostelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v5)

**6** En als ik ook[^2korinthiers-11-6-13] slecht ben in woorden, toch ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen[^2korinthiers-11-6-14] onder u openbaar geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v6)

**7** Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelf[^2korinthiers-11-7-15] vernederd heb, opdat u zou verhoogd worden, omdat ik u het Evangelie van God[^2korinthiers-11-7-d] om niet[^2korinthiers-11-7-16] verkondigd heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v7)

**8** Ik heb andere Gemeenten[^2korinthiers-11-8-17] beroofd, soldij van haar nemende,[^2korinthiers-11-8-18] om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek[^2korinthiers-11-8-e] had, ben ik niemand[^2korinthiers-11-8-19] lastig gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v8)

**9** [^2korinthiers-11-9-f] Want mijn gebrek hebben[^2korinthiers-11-9-20] de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren,[^2korinthiers-11-9-21] en zal mij nog zo houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v9)

**10** [^2korinthiers-11-10-22] De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal[^2korinthiers-11-10-23] verhinderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v10)

**11** Waarom? Is het, omdat ik u[^2korinthiers-11-11-24] niet liefheb?[^2korinthiers-11-11-25] God weet het! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v11)

**12** Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden van hen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden[^2korinthiers-11-12-26] zoals wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v12)

**13** Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende[^2korinthiers-11-13-27] in apostelen van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v13)

**14** En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich[^2korinthiers-11-14-28] in een engel van het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v14)

**15** Zo is het dan niets groots, als ook zijn dienaren zich veranderen, als waren zij dienaren van de[^2korinthiers-11-15-29] gerechtigheid; van wie het einde zal zijn naar hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v15)

**16** Ik zeg opnieuw, dat niemand mene,[^2korinthiers-11-16-30] dat ik onwijs ben;[^2korinthiers-11-16-31] maar zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig mag roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v16)

**17** Dat ik spreek, spreek ik[^2korinthiers-11-17-32] niet naar de Heere, maar als in onwijsheid, in deze[^2korinthiers-11-17-33] vasten grond van de roeming. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v17)

**18** [^2korinthiers-11-18-g] Omdat velen roemen[^2korinthiers-11-18-34] naar het vlees, zo zal ik ook roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v18)

**19** Want u verdraagt graag de onwijzen,[^2korinthiers-11-19-35] omdat u wijs bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v19)

**20** Want u verdraagt het,[^2korinthiers-11-20-36] zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand[^2korinthiers-11-20-37] in het aangezicht slaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v20)

**21** Ik zeg[^2korinthiers-11-21-38] dit naar[^2korinthiers-11-21-39] oneer, zoals of wij zwak waren geweest;[^2korinthiers-11-21-h] maar waarin iemand[^2korinthiers-11-21-40] stoutmoedig is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stoutmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v21)

**22** Zijn zij Hebreën?[^2korinthiers-11-22-i] Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v22)

**23** Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde)[^2korinthiers-11-23-41][^2korinthiers-11-23-k] ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in[^2korinthiers-11-23-42] doodsgevaar dikwijls.[^2korinthiers-11-23-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v23)

**24** Van de Joden heb ik[^2korinthiers-11-24-43][^2korinthiers-11-24-m] veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v24)

**25** [^2korinthiers-11-25-n] Driemaal ben ik[^2korinthiers-11-25-44] met roeden gegeseld geweest,[^2korinthiers-11-25-o] eens ben ik gestenigd,[^2korinthiers-11-25-p] drie keer heb ik schipbreuk geleden, een ganse nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v25)

**26** In het reizen dikwijls in gevaren van rivieren, in gevaren van[^2korinthiers-11-26-45] moordenaars, in gevaren[^2korinthiers-11-26-46] van mijn geslacht, in gevaren[^2korinthiers-11-26-47] van de heidenen, in gevaren[^2korinthiers-11-26-48] in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v26)

**27** In arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v27)

**28** Zonder de dingen,[^2korinthiers-11-28-49] die van buiten zijn,[^2korinthiers-11-28-50] overvalt mij dagelijks[^2korinthiers-11-28-q] de zorg van al de Gemeenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v28)

**29** [^2korinthiers-11-29-r] Wie[^2korinthiers-11-29-51] is er zwak, dat ik niet[^2korinthiers-11-29-52] zwak ben? Wie komt er ten val, dat ik niet[^2korinthiers-11-29-53] brande? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v29)

**30** Als men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen[^2korinthiers-11-30-54] van mijn zwakheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v30)

**31** [^2korinthiers-11-31-s]De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die geprezen is in de[^2korinthiers-11-31-55] eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v31)

**32** [^2korinthiers-11-32-56] De stadhouder[^2korinthiers-11-32-t] van de koning Aretas in Damascus, bezette de stad van de Damaskenen, willende mij vangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v32)

**33** En ik werd door een venster in een mand[^2korinthiers-11-33-57] over de muur nedergelaten, en ontvluchtte zijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/11.html#v33)

[^2korinthiers-11-1-1]: Kanttekening 1: 1 in de onwijsheid: Dit zegt de apostel, niet omdat hij onwijs wilde doen, maar omdat hij zou doen gelijk de onwijzen somwijlen plegen, die hun eigen lof graag verbreiden. Maar de apostel heeft het hier moeten doen om de mond te stoppen aan de valse apostelen, die zichzelf boven Paulus verhieven, opdat zij zijn Evangelie zo zouden verdacht maken en het hunne aanprijzen, en bij die van Korinthe te beter zouden gehoor krijgen.
[^2korinthiers-11-1-2]: Kanttekening 2: 2 ja ook, verdraagt mij: Of, maar u verdraagt mij ook.
[^2korinthiers-11-2-3]: Kanttekening 3: Of, jaloërs.
[^2korinthiers-11-2-4]: Kanttekening 4: Of, jaloëzie.
[^2korinthiers-11-2-5]: Kanttekening 5: Of, versierd, toegepast, dat is, door de predikatie van het Evangelie tot het geloof, en door het geloof tot Christus gebracht, en aan hem gelijk als ondertrouwd, waarop het geestelijk huwelijk moet volgen. Zie Ps. 45:10, Ez. 16:8, Hosea 2:18, Ef. 5:23, etc. Psalmen 45:10: Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. Ezechiël 16:8: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heer YHWH en u werdt de Mijne. Hosea 2:18: En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. Efeziërs 5:23: Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^2korinthiers-11-2-a]: Verwijzing a: Lev. 21:13. Leviticus 21:13: Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen.
[^2korinthiers-11-3-b]: Verwijzing b: Gen. 3:4; Joh. 8:44. Genesis 3:4: Toen zei de slang tot de vrouw: Gijlieden zult de dood niet sterven; Johannes 8:44: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
[^2korinthiers-11-3-6]: Kanttekening 6: 6 de slang: Dat is, de Satan door de slang.
[^2korinthiers-11-3-7]: Kanttekening 7: 7 door haar arglistigheid: Grieks in, dat is, onder schijn van vriendschap, en van haar tot meerdere eer en achting te willen brengen.
[^2korinthiers-11-3-8]: Kanttekening 8: 8 de eenvoudigheid: Dat is, oprechtheid, zonder oppronken van menselijke welsprekendheid, of bijvoegen van menselijke wijsheid, waar deze valse apostelen hun allengs mee zochten te verleiden, en van Christus af te leiden.
[^2korinthiers-11-4-c]: Verwijzing c: Galat. 1:8. Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^2korinthiers-11-4-9]: Kanttekening 9: 9 die komt: Hiermede menen enige dat hij de voornaamste onder die betekent; maar het kan ook in het algemeen verstaan worden voor iemand wie het ook zij.
[^2korinthiers-11-4-10]: Kanttekening 10: 10 een anderen Jezus: Namelijk waar u de krachten en vruchten meer van zoudt gevoelen dan van de waren Jezus, die ik u gepredikt heb; en zo ook in het volgende. Anders zo vervloekt de apostel zelfs een engel uit de hemel, die anders zou prediken; Gal. 1:8. Hij zegt dat dit bij ene wijze van toelating van ene zaak, die evenwel niet zijn kan, om hen tot meerder achterdenken te brengen. Galaten 1:8: Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^2korinthiers-11-4-11]: Kanttekening 11: 11 met recht: Gr. wel.
[^2korinthiers-11-5-12]: Kanttekening 12: 12 dan de uitnemendste apostelen: Sommigen nemen dit als van de valse apostelen gezegd, die zichzelf voortreffelijker hielden dan de apostelen zelf. Maar het kan ook wel van de ware apostelen genomen worden, die onder de anderen uitmuntten, wier autoriteit en navolging deze te Korinthe valselijk voorwenden, waarom de apostel zichzelf met deze vergelijkt. Zie dergelijke Gal. 2:6, 2:9. Galaten 2:6: En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Galaten 2:9: En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^2korinthiers-11-6-13]: Kanttekening 13: 13 slecht ben in woorden: Gr. Idiotes (ἰδιώτης). Zie van dit woord 1 Kor. 14:16. Namelijk gelijk deze roemen van hun welsprekendheid en menselijke wijsheid mij nageven. Want anders, zo gaat de eenvoudige stijl van de apostels in kracht en goddelijkheid alle menselijke welsprekendheid en schriften verre teboven. Zie 1 Kor. 1:25, en 1 Kor. 2:4, 2:5. 1 Korinthiërs 14:16: Anders, als u dankzegt met de geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, omdat hij niet weet, wat u zegt? 1 Korinthiërs 1:25: Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 1 Korinthiërs 2:5: Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God.
[^2korinthiers-11-6-14]: Kanttekening 14: 14 onder u openbaar: Of, aan u, in u; namelijk door de krachten, gaven en werkingen, die u door ons Evangelie ontvangen hebt.
[^2korinthiers-11-7-15]: Kanttekening 15: 15 vernederd heb: Namelijk om mijzelf met mijn eigen handen te onderhouden, zonder u te bezwaren, Hand. 18:3. En het schijnt, dat deze valse apostelen hetzelfde ook Paulus kwalijk hebben nageduid, alsof hij zich daarmede verachtelijk onder hen gedragen had, of die van Korinthe niet genoeg geacht had, om van hen zijn onderhoud te willen ontvangen; op welke beide hij daarna bescheidenlijk antwoordt. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.
[^2korinthiers-11-7-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 9:12. 1 Korinthiërs 9:12: Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.
[^2korinthiers-11-7-16]: Kanttekening 16: 16 verkondigd heb: Gr. geëvangeliseerd.
[^2korinthiers-11-8-17]: Kanttekening 17: 17 beroofd, bezolding: Dat is, van hen ontvangen, dat u schuldig was te geven.
[^2korinthiers-11-8-18]: Kanttekening 18: 18 om u te bedienen: Gr. tot uw bediening.
[^2korinthiers-11-8-e]: Verwijzing e: Hand. 20:33; 2 Kor. 12:13; 1 Thes. 2:9; 2 Thes. 3:8. Handelingen 20:33: Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd. 2 Korinthiërs 12:13: Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 1 Tessalonicenzen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. 2 Tessalonicenzen 3:8: En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
[^2korinthiers-11-8-19]: Kanttekening 19: 19 lastig gevallen: Het Griekse woord betekent eigenlijk iemand zo te drukken, dat hij het gevoel verliest, gelijk een lid dat slaapt of verdoofd is. Anderen zetten het over: leeg zijn tot iemands nadeel. Zie van hetzelfde woord 2 Kor. 12:13, 12:14. 2 Korinthiërs 12:13: Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 2 Korinthiërs 12:14: Ziet, ik ben ten derden male gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.
[^2korinthiers-11-9-f]: Verwijzing f: Fil. 4:15. Filippenzen 4:15: En ook u, Filippenzen, weet, dat in het begin van het Evangelie, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaven en ontvangst, dan u alleen.
[^2korinthiers-11-9-20]: Kanttekening 20: 20 de broeders vervuld: Namelijk die mededienaars van Paulus waren, 2 Kor. 8:16, 8:18, en 2 Kor. 9:3. Zie ook Fil. 4:15. 2 Korinthiërs 8:16: Maar Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; 2 Korinthiërs 8:18: En wij hebben ook met hem gezonden de broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; 2 Korinthiërs 9:3: Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, die wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in deze dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) u bereid mag zijn; Filippenzen 4:15: En ook u, Filippenzen, weet, dat in het begin van het Evangelie, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaven en ontvangst, dan u alleen.
[^2korinthiers-11-9-21]: Kanttekening 21: 21 en zal mij nog zo: Namelijk ook voortaan zo, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^2korinthiers-11-10-22]: Kanttekening 22: 22 De waarheid van Christus: Dat is, zo waarachtig als de waarheid van Christus in mij is. Een wijze van eedzwering. Zie Rom. 9:1. Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest),
[^2korinthiers-11-10-23]: Kanttekening 23: 23 verhinderd worden: Gr. gestopt, toegestopt, of opgestopt, gelijk een weg met een tuin of heg toegestopt wordt, dat is, verhinderd, of benomen, of opgehouden wordt. De reden waarom Paulus het in Achaje, waar Korinthe de hoofdstad van was, niet anders heeft willen doen, wordt in vers 12 verklaard. 2 Korinthiërs 11:12: Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden hen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.
[^2korinthiers-11-11-24]: Kanttekening 24: 24 niet liefheb: Namelijk alsof ik u daarmede verachtte, gelijk u deze mensen willen wijsmaken.
[^2korinthiers-11-11-25]: Kanttekening 25: 25 God weet het: Namelijk dat ik u liefheb.
[^2korinthiers-11-12-26]: Kanttekening 26: 26 gelijk als wij: Sommigen duiden dit zo, alsof deze valse apostelen ook de gemeenten voor niet dienden, gelijk Paulus; maar dit strijdt met wat vers 20 van hen getuigd wordt. De mening dan is dat Paulus daarom ook zonder vergelding in de gemeenten van Achaje wil dienen, opdat, zo hij veranderde van doen, en bezolding van hen ontving, deze mensen niet zouden roemen, dat zij daarin deden gelijk Paulus en de zijnen, die wel in het eerst voor niets schenen gediend te hebben, wanneer zij nog slecht en klein waren onder hen, maar als zij vrijmoediger en van meerder aanzien geworden waren, ook hun bezolding namen, zowel als zij; tot welke roem hij hun geen gelegenheid wil geven. 2 Korinthiërs 11:20: Want u verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.
[^2korinthiers-11-13-27]: Kanttekening 27: 27 in apostelen van Christus: Dat is, de schijn en gedaante van de apostelen van Christus aannemende, alsof zij hen wilden navolgen.
[^2korinthiers-11-14-28]: Kanttekening 28: 28 in een engel van het licht: Dat is, in de gedaante van een heilige engel, die bij God woont in het eeuwige licht; gelijk daartegen het rijk van de Satan een rijk van de duisternis genaamd wordt, en zijn woonplaats duisternis, Kol. 1:13; 2 Petr. 2:4; Jud. v. 6. Kolossenzen 1:13: Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde; 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Judas 1:6: En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^2korinthiers-11-15-29]: Kanttekening 29: 29 einde zal zijn naar: Dat is, de eindelijke vergelding of beloning. Zie Matt. 25:41; zo wordt dit woord ook genomen 1 Petr. 1:9. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. 1 Petrus 1:9: Verkrijgende het einde van uw geloof, namelijk de zaligheid van de zielen.
[^2korinthiers-11-16-30]: Kanttekening 30: 30 dat ik onwijs ben: Namelijk zo ik mijzelf ga vergelijken met deze mensen, omdat zij met hun roemen mij daartoe dwingen.
[^2korinthiers-11-16-31]: Kanttekening 31: 31 maar zo niet: Dat is, zo u oordeelt dat ik hierin niet wijs doe, hoort mij tenminste in mijne onwijsheid, gelijk u anderen hoort; een wijze van spreken bij toelating genomen.
[^2korinthiers-11-17-32]: Kanttekening 32: 32 niet naar de Heer: Dat is, niet gelijk de Heer waard is, of zijn dienaren, namelijk zo u de uitwendige woorden alleen aanziet, en niet op het doel of einde let, waarom ik zulks doe, dat is om mijn apostelschap onder u tegen deze roemers te verdedigen, dat ik vanwege de Heer ook gehouden ben te doen.
[^2korinthiers-11-17-33]: Kanttekening 33: 33 vasten grond van de roeming: Gr. zelfstandigheid van de roeming. Of, vertrouwen, vrijmoedigheid. Zie 2 Kor. 9:4. 2 Korinthiërs 9:4: En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden in deze vasten grond van de roeming.
[^2korinthiers-11-18-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 10:13; 2 Kor. 12:5; idem 12:6. 2 Korinthiërs 10:13: Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat van de regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 2 Korinthiërs 12:5: Van de zodanige zal ik roemen, maar van mijzelf zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden. 2 Korinthiërs 12:6: Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven wat hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.
[^2korinthiers-11-18-34]: Kanttekening 34: 34 naar het vlees: Dat is, van zaken, die de uitwendigen staat van de mensen aangaan.
[^2korinthiers-11-19-35]: Kanttekening 35: 35 omdat u wijs bent: Dat is, wijs meent te zijn; een wijze van spreken, wanneer men het ene zegt en het tegendeel verstaat, tot berisping en verbetering van zulke.
[^2korinthiers-11-20-36]: Kanttekening 36: 36 zo u iemand: Dit zegt de apostel, gelijk ook het volgende van de valse apostelen, die hoog spraken en zich als heren onder hen gedroegen, met groot gevolg en pracht, en daarentussen de gemeente verachtten en uitmergelden.
[^2korinthiers-11-20-37]: Kanttekening 37: 37 in het aangezicht slaat: Dat is, de meeste oneer, smaadheid en verachting aandoet; dat is bij gelijkenis gesproken.
[^2korinthiers-11-21-38]: Kanttekening 38: 38 naar oneer: Dat is, wat betreft de oneer, of vanwege de oneer, of tot oneer.
[^2korinthiers-11-21-39]: Kanttekening 39: 39 gelijk of wij zwak waren geweest: Dat is, alsof het waarachtig ware, als deze zeggen dat wij zwak en verachtelijk onder u waren geweest. Anderen zetten het over: gelijk dat wij zwak zijn geweest; dat is, dat wij verachtelijk onder u zijn geweest, dat zij ons ook tot oneer nazeggen.
[^2korinthiers-11-21-h]: Verwijzing h: Fil. 3:4. Filippenzen 3:4: Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; als iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer.
[^2korinthiers-11-21-40]: Kanttekening 40: 40 stout is: Dat is, stoutelijk handelt of spreekt.
[^2korinthiers-11-22-i]: Verwijzing i: Hand. 22:3. Handelingen 22:3: Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent;
[^2korinthiers-11-23-41]: Kanttekening 41: 41 Ik ben boven hen: Dat is, ik heb in de dienst van Christus meer gedaan, geleden en uitgestaan dan zij, dat hij met de volgende voorbeelden bewijst.
[^2korinthiers-11-23-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 15:10. 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^2korinthiers-11-23-42]: Kanttekening 42: Gr. doden; dat is, merkelijke gevaren van de dood. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Kor. 15:31, en 2 Kor. 1:10. 1 Korinthiërs 15:31: Ik sterf alle dagen, dat ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heer. 2 Korinthiërs 1:10: Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.
[^2korinthiers-11-23-l]: Verwijzing l: Hand. 9:16; Hand. 21:11; 2 Kor. 6:4. Handelingen 9:16: Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam. Handelingen 21:11: En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelf handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen. 2 Korinthiërs 6:4: Maar wij, als dienaren van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,
[^2korinthiers-11-24-43]: Kanttekening 43: 43 veertig slagen min een: Paulus ziet hier op de wet, Deut. 25:3, waar geboden wordt, dat de rechters niet meer dan veertig slagen in het straffen zouden laten geven, welk getal de Joden, opdat zij dat niet zouden teboven gaan, zo gaven zij een minder. Deuteronomium 25:3: Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.
[^2korinthiers-11-24-m]: Verwijzing m: Deut. 25:3. Deuteronomium 25:3: Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.
[^2korinthiers-11-25-n]: Verwijzing n: Hand. 16:22. Handelingen 16:22: En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de kleren afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.
[^2korinthiers-11-25-44]: Kanttekening 44: 44 met roeden gegeseld: Of, met stokken geslagen; namelijk, van de heidense overheden, boven de vijf maal, dat ik van de Joden zo geslagen ben geweest, waarvan hij in vers 24 heeft gesproken. 2 Korinthiërs 11:24: Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.
[^2korinthiers-11-25-o]: Verwijzing o: Hand. 14:19. Handelingen 14:19: Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.
[^2korinthiers-11-25-p]: Verwijzing p: Hand. 27:9; idem v. 41. Handelingen 27:9: En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus, Handelingen 27:41: Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld van de baren.
[^2korinthiers-11-26-45]: Kanttekening 45: Of, straatschenders.
[^2korinthiers-11-26-46]: Kanttekening 46: 46 van mijn geslacht: Gr. uit mijn geslacht, namelijk van de Joden, gelijk uit de tegenstelling van de heidenen blijkt.
[^2korinthiers-11-26-47]: Kanttekening 47: Gr. uit.
[^2korinthiers-11-26-48]: Kanttekening 48: 48 in de stad: Dat is, in de steden, tenware men de stad van Jeruzalem hierdoor verstond, die om haar uitnemendheid zo hier kan genoemd worden.
[^2korinthiers-11-28-49]: Kanttekening 49: 49 die van buiten zijn: Dat is, die van degenen, die buiten de gemeenten zijn, aangedaan worden. Of, die mij naar de uitwendigen mens aangedaan worden.
[^2korinthiers-11-28-50]: Kanttekening 50: 50 overvalt mij dagelijks: Gr. mijne overvalling die dagelijks is.
[^2korinthiers-11-28-q]: Verwijzing q: Hand. 20:18. Handelingen 20:18: En als zij tot hem gekomen waren, zei hij tot hen: Gijlieden weet, van de eerste dag af, dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u de gansen tijd geweest ben;
[^2korinthiers-11-29-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 8:13. 1 Korinthiërs 8:13: Daarom, als de voedsel mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.
[^2korinthiers-11-29-51]: Kanttekening 51: 51 is er zwak: Of, wie wordt er angstig of verdriet aangedaan.
[^2korinthiers-11-29-52]: Kanttekening 52: 52 zwak ben: Hij spreekt hier niet van zwakheid in het gemoed of geloof, omdat hij hen allen moest troosten en sterken, maar van de angst en het medelijden, dat hij met hen had.
[^2korinthiers-11-29-53]: Kanttekening 53: Namelijk met een brandende ijver voor de ere Gods en de zaligheid dergenen, die geërgerd worden.
[^2korinthiers-11-30-54]: Kanttekening 54: 54 mijner zwakheid: Dat is, mijner tegenspoeden en benauwdheden, namelijk omdat ik daardoor tot gevoel en bevinding van Gods genade, die mij daarin meer en meer sterkt, gebracht word.
[^2korinthiers-11-31-s]: Verwijzing s: Rom. 1:9; Rom. 9:1; 2 Kor. 1:23; Galat. 1:20; Fil. 1:8; 1 Thes. 2:5. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. Galaten 1:20: Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippenzen 1:8: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Tessalonicenzen 2:5: Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige!
[^2korinthiers-11-31-55]: Kanttekening 55: 55 weet, dat ik niet lieg: Een wijzen van eedzweren, of aanroeping Gods tot getuige van wat hij zegt; gelijk 2 Kor. 1:23. 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen.
[^2korinthiers-11-32-56]: Kanttekening 56: 56 De stadhouder: Gr. de overste van het volk (πόλις); namelijk tegen mij opgewekt zijnde van de Joden. Zie Hand. 9:24, 9:25. Handelingen 9:24: Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, zowel van de dag als van de nacht, opdat zij hem doden mochten. Handelingen 9:25: Maar de discipelen namen hem van de nacht, en lieten hem neder door de muur, hem aflatende in een mand.
[^2korinthiers-11-32-t]: Verwijzing t: Hand. 9:24. Handelingen 9:24: Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, zowel van de dag als van de nacht, opdat zij hem doden mochten.
[^2korinthiers-11-33-57]: Kanttekening 57: Of, door.

### 2 Korinthiërs 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/12.json)

*1 Om te tonen hoeveel reden hij heeft om boven anderen te roemen, verhaalt de apostel hoe hij in de derde hemel was opgenomen en daar gehoord heeft wat geen mens kan uitspreken. 7 Dat hem daarom tot zijn vernedering een engel van de satan was gegeven, die hem met vuisten sloeg. 8 Hij had de Heere driemaal gebeden dat die van hem zou wijken, en het antwoord gekregen dat Gods genade hem genoeg moest zijn. 10 Daarom roemt hij liever in zijn zwakheid en nederigheid. 11 Hij verontschuldigt zich dat hij opnieuw moet roemen van de ware kentekenen van zijn apostelschap onder hen, 12 die zij toch metterdaad genoeg ervaren hadden. 14 Hij getuigt dat hij nu voor de derde maal naar hen toe zal komen, zonder hen ergens in tot last te willen zijn, 16 zoals ook anderen die door hem gezonden waren, en Titus, hun nergens in tot last waren geweest. 20 Ten slotte waarschuwt hij hen dat zij de gebreken van twist, hoogmoed, hoererij enzovoort onder hen verbeteren voordat hij komt, zodat hij niet tot zijn verdriet gedwongen wordt zijn apostolische macht over zulke mensen te gebruiken.*

**1** Te roemen is mij werkelijk[^2korinthiers-12-1-1] niet raadzaam; want ik zal komen tot visioenen en openbaringen[^2korinthiers-12-1-2] van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v1)

**2** [^2korinthiers-12-2-a] Ik ken een mens[^2korinthiers-12-2-3] in Christus, voor veertien jaren (of[^2korinthiers-12-2-4] het gebeurd zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat zo iemand opgetrokken is geweest[^2korinthiers-12-2-5] tot in de derde hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v2)

**3** En ik ken zulk een mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam gebeurd zij, weet ik niet, God weet het), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v3)

**4** Dat hij opgetrokken is geweest in het[^2korinthiers-12-4-6] paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens[^2korinthiers-12-4-7] niet geoorloofd is te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v4)

**5** Van zo iemand zal ik roemen, maar van mijzelf zal ik niet roemen, dan[^2korinthiers-12-5-8] in mijn zwakheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v5)

**6** Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houd daarvan af, opdat niemand van mij denke boven wat hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v6)

**7** En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven[^2korinthiers-12-7-9] een scherpe doorn in het vlees, namelijk een[^2korinthiers-12-7-10] engel van de satan,[^2korinthiers-12-7-b] dat hij mij[^2korinthiers-12-7-11] met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v7)

**8** Hierover heb ik de Heere[^2korinthiers-12-8-12] drie keer gebeden, opdat hij van mij zou wijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v8)

**9** En Hij heeft tot mij gezegd:[^2korinthiers-12-9-13] Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid[^2korinthiers-12-9-14] volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij[^2korinthiers-12-9-15] woon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v9)

**10** Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want[^2korinthiers-12-10-16] als ik zwak ben, dan ben ik[^2korinthiers-12-10-17] machtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v10)

**11** Ik ben roemende onwijs geworden; u hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn;[^2korinthiers-12-11-c] want ik ben in geen ding[^2korinthiers-12-11-18] minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik[^2korinthiers-12-11-19] niets ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v11)

**12** [^2korinthiers-12-12-d] De[^2korinthiers-12-12-20] merktekenen van een apostel zijn onder u[^2korinthiers-12-12-21] betoond in alle volharding,[^2korinthiers-12-12-22] met tekenen, en wonderen, en krachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v12)

**13** Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan[^2korinthiers-12-13-23] de andere Gemeenten,[^2korinthiers-12-13-e] anders, dan dat ik zelf u[^2korinthiers-12-13-24] niet tot last ben geweest?[^2korinthiers-12-13-25] Vergeef mij dit ongelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v13)

**14** Zie, ik ben[^2korinthiers-12-14-26] voor de derde keer gereed, om tot u te komen, en zal u niet tot last zijn;[^2korinthiers-12-14-f] want ik zoek[^2korinthiers-12-14-27] niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten verzamelen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v14)

**15** En ik zal zeer graag[^2korinthiers-12-15-28] de kosten doen, en[^2korinthiers-12-15-29] voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, meer van u[^2korinthiers-12-15-g] houdende, minder geliefd word. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v15)

**16** Maar het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar[^2korinthiers-12-16-30] zo ik listig was, heb ik u met bedrog[^2korinthiers-12-16-31] gevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v16)

**17** Heb ik door iemand van degenen, die ik tot u gezonden heb,[^2korinthiers-12-17-32] van u mijn voordeel gezocht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v17)

**18** Ik heb Titus gebeden, en de broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet[^2korinthiers-12-18-33] in deze geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v18)

**19** Denkt u opnieuw, dat wij ons bij u[^2korinthiers-12-19-34] verontschuldigen? Wij spreken in de aanwezigheid van[^2korinthiers-12-19-35] God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v19)

**20** Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden[^2korinthiers-12-20-36] zoals ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoals[^2korinthiers-12-20-37] u niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, ruzie, roddel, laster, opgeblazenheden,[^2korinthiers-12-20-38] onlusten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v20)

**21** Opdat opnieuw, als ik zal gekomen zijn, mijn God[^2korinthiers-12-21-39] mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die[^2korinthiers-12-21-40] te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinheid, en hoererij, en[^2korinthiers-12-21-41] ontucht, die zij gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/12.html#v21)

[^2korinthiers-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 niet oorbaar: Of, voegt mij niet wel; namelijk omdat het roemen een schijn heeft van eigendunkendheid. Versta dan dit, tenware ik tot handhaving mijns apostelschaps daartoe gedwongen worde. Zie hier vers 11, 12:12. 2 Korinthiërs 12:11: Ik ben roemende onwijs geworden; u hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. 2 Korinthiërs 12:12: De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle volharding, met tekenen, en wonderen, en krachten.
[^2korinthiers-12-1-2]: Kanttekening 2: 2 van de Heer: Dat is, die mij de Heer gedaan of vertoond heeft.
[^2korinthiers-12-2-a]: Verwijzing a: Hand. 9:3; Hand. 22:17; 1 Kor. 15:8. Handelingen 9:3: En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel; Handelingen 22:17: En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was; 1 Korinthiërs 15:8: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
[^2korinthiers-12-2-3]: Kanttekening 3: 3 in Christus: Dat is, die in Christus is, of een Christen. Zo spreekt hij van zichzelf in de derden persoon, tot een teken van nederigheid, alsof het ene zaak ware, die buiten hem ware. Anderen nemen dit woord in Christus, voor bij Christus, voor een vorm van eed, gelijk Rom. 9:1, en hierna vers 19. Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 12:19: Meent u opnieuw, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de aanwezigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting.
[^2korinthiers-12-2-4]: Kanttekening 4: 4 (of het geschied zij: Dat is, of het alleen door een vertrekking van zinnen mij is vertoond in mijn geest; of dat mijn geest voor een tijd uit mijn lichaam in de hemel is opgebracht, om zulks te zien en te horen, weet ik niet. Anderen nemen het zo: Of ik met lichaam en ziel in de hemel ben opgeheven, of met de ziel alleen, dat weet ik niet.
[^2korinthiers-12-2-5]: Kanttekening 5: 5 tot in de derden hemel: Dat is, in de woonplaats van de engelen en heiligen zielen, die hij vers 4 het paradijs noemt, bij gelijkenis genomen van het aardse paradijs. Zie Luk. 23:43; Openb. 2:7. De oorzaak waarom dit de derde hemel genaamd wordt, is omdat de lucht de eerste hemel gerekend wordt, de zichtbare hemelen, waar de sterren in zijn, de tweede, en de hemel boven al de hemelen de derde. Zie 1 Kon. 8:27. 2 Korinthiërs 12:4: Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Lukas 23:43: En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult u met Mij in het Paradijs zijn. Openbaring 2:7: Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs Gods is. 1 Koningen 8:27: Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
[^2korinthiers-12-4-6]: Kanttekening 6: Zie vers 2. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derden hemel;
[^2korinthiers-12-4-7]: Kanttekening 7: 7 niet geoorloofd is te spreken: Of, niet kan uitspreken; namelijk omdat zij het begrip van de mensen in dit leven teboven gaan; of, omdat God zulks niet heeft gewild, zo deze dingen Paulus alleen gediend hebben om hem te sterken tegen al de zwarigheden, die hem in zijn dienst bejegenden. Anders heeft Paulus de gansen raad van God van de zaligheid van de mensen aan de gemeenten geopenbaard. Zie Hand. 20:27. Handelingen 20:27: Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad van God.
[^2korinthiers-12-5-8]: Kanttekening 8: 8 in mijn zwakheden: Dat is, in mijne zwarigheden en verdrukkingen, die over mij gekomen zijn, gelijk hiervoor, 2 Kor. 11:23, enz. en hierna vers 9 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 11:23: Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls. 2 Korinthiërs 12:9: En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.
[^2korinthiers-12-7-9]: Kanttekening 9: 9 een scherpe doorn in het vlees: Gr. scolops (σκόλοψ); welk woord betekent een scherpen paal, of stekeligen splinter, of doornachtig hout, dat iemand in de benen, of in het vlees steekt, wanneer men door de boomgaarden of bosschajen gaat. Het betekent ook somtijds een voetangel, die de paarden of mensen in hun gang wordt voorgeworpen, om hen te verhinderen of te vertragen. Beide betekenissen passen wel op Paulus' rede. Zie Num. 33:55; Ez. 28:24. Numeri 33:55: Maar als u de inwoners van het land niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het gebeuren, dat, die u van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin u woont. Ezechiël 28:24: En het huis van Israël zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heer YHWH ben.
[^2korinthiers-12-7-10]: Kanttekening 10: 10 engel van de satan: Of, een engelsatan, die namelijk een instrument is geweest, dat hem deze kwelling tot zijn vernedering aangedaan heeft, gelijk in het voorbeeld van Job te zien is.
[^2korinthiers-12-7-b]: Verwijzing b: Job 2:6. Job 2:6: En YHWH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar verschoon zijn leven.
[^2korinthiers-12-7-11]: Kanttekening 11: 11 met vuisten slaan zou: Of, kinnebakslagen geven zou, dat is versmaadheid en kwelling aandoen. Wat dit nu voor ene kwelling geweest is, drukt de apostel niet uit. Sommigen menen dat het de vervolgingen en verdrukkingen zelf zijn geweest; anderen enige pijnen en benauwdheden van het lichaam, die hem somwijlen aankwamen; anderen dat het zijn geweest kwellingen en aanvechtingen van de ziel. Maar alles is onzeker; dit blijkt alleen uit vers 9, 12:10, dat het enige bijzondere zwakheden geweest zijn van de ziel of van het lichaam. 2 Korinthiërs 12:9: En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. 2 Korinthiërs 12:10: Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.
[^2korinthiers-12-8-12]: Kanttekening 12: 12 driemaal gebeden: Dat is, meermalen.
[^2korinthiers-12-9-13]: Kanttekening 13: 13 Mijn genade: Namelijk waardoor ik u tegen deze zwakheden zo sterk, dat u die overwint. Zie 1 Kor. 10:13. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen.
[^2korinthiers-12-9-14]: Kanttekening 14: Dat is, ten einde gebracht, of bewezen volmaakt te zijn, gelijk Jak. 2:22. Jakobus 2:22: Ziet u wel, dat het geloof mee gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?
[^2korinthiers-12-9-15]: Kanttekening 15: 15 in mij woon: Of, over u woon. Het Griekse woord betekent iets bewonen, of overschaduwen als een loofhut of tabernakel.
[^2korinthiers-12-10-16]: Kanttekening 16: 16 als ik zwak ben: Namelijk in mijzelf door al zulke benauwdheden en kwellingen.
[^2korinthiers-12-10-17]: Kanttekening 17: Namelijk door God, die mij in het midden derzelve sterkt en troost.
[^2korinthiers-12-11-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 15:10. 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^2korinthiers-12-11-18]: Kanttekening 18: 18 minder geweest: Namelijk door de genade van God, die mij geleid en bijgestaan heeft; 1 Kor. 15:10. 1 Korinthiërs 15:10: Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is.
[^2korinthiers-12-11-19]: Kanttekening 19: 19 niets ben: Namelijk van mijzelf; 1 Kor. 3:7. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.
[^2korinthiers-12-12-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 9:2. 1 Korinthiërs 9:2: Zo ik anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het u; want het zegel mijns apostelschaps bent u in de Heer.
[^2korinthiers-12-12-20]: Kanttekening 20: 20 merktekenen van een apostel: Namelijk waaraan een recht apostel van Christus wordt gekend.
[^2korinthiers-12-12-21]: Kanttekening 21: Gr. uitgewrocht.
[^2korinthiers-12-12-22]: Kanttekening 22: Gr. in.
[^2korinthiers-12-13-23]: Kanttekening 23: 23 de andere gemeenten: Namelijk die van andere apostelen zijn geplant en gesticht, met welke hij zichzelf hier vergelijkt.
[^2korinthiers-12-13-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 9:12; 2 Kor. 11:9. 1 Korinthiërs 9:12: Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. 2 Korinthiërs 11:9: Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden.
[^2korinthiers-12-13-24]: Kanttekening 24: 24 niet lastig ben: Namelijk van onderhoud van u te nemen voor mij en degenen, die met mij waren.
[^2korinthiers-12-13-25]: Kanttekening 25: 25 Vergeeft mij dit ongelijk: Een scherpe berisping door een wijze van spreken, waarvan zie 2 Kor. 11:19. Of, deze ongerechtigheid. 2 Korinthiërs 11:19: Want u verdraagt graag de onwijzen, omdat u wijs bent.
[^2korinthiers-12-14-26]: Kanttekening 26: 26 ten derden male: Zie hiervan 2 Kor. 13:1. 2 Korinthiërs 13:1: Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
[^2korinthiers-12-14-f]: Verwijzing f: Hand. 20:33. Handelingen 20:33: Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.
[^2korinthiers-12-14-27]: Kanttekening 27: 27 niet het uwe, maar u: Dat is, niet uwe goederen, maar uwe zaligheid.
[^2korinthiers-12-15-28]: Kanttekening 28: 28 de kosten doen: Namelijk om mij en de mijnen onder u te onderhouden.
[^2korinthiers-12-15-29]: Kanttekening 29: 29 voor uw zielen ten koste gegeven worden: Dat is, voor de zaligheid van uw zielen ook mijn leven in gevaar geven.
[^2korinthiers-12-15-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 6:12. 2 Korinthiërs 6:12: U bent niet nauw in ons, maar u bent nauw in uw ingewanden.
[^2korinthiers-12-16-30]: Kanttekening 30: 30 zo ik listig was: Dit is een lastering van de valse apostelen, wier woorden hij verhaalt en daarna weerlegt.
[^2korinthiers-12-16-31]: Kanttekening 31: Of, ingenomen; dat is, zo met een zoeten toon tot mij gebracht, om daarna mijn voordeel met u te doen.
[^2korinthiers-12-17-32]: Kanttekening 32: 32 van u mijn voordeel gezocht: Of, u iets afgedrongen, door gierigheid iets afgeperst, gelijk het Griekse woord medebrengt, zo ook in vers 18. 2 Korinthiërs 12:18: Ik heb Titus gebeden, en de broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in dezelfde geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?
[^2korinthiers-12-18-33]: Kanttekening 33: 33 in dezelfde Geest: Dat is, zijn wij niet door dezelfde Geest van God in onze handel en wandel onder u geleid geweest?
[^2korinthiers-12-19-34]: Kanttekening 34: Namelijk om onze zaken alleen bij u schoon te maken en niet veel meer om uwentwil, om u in de aangenomene waarheid te bevestigen.
[^2korinthiers-12-19-35]: Kanttekening 35: 35 in Christus: Zie hiervoor de aantekeningen vers 2. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derden hemel;
[^2korinthiers-12-20-36]: Kanttekening 36: 36 zodanigen als ik wil: Dat is, velen onder u in dezelfde gebreken zorgeloos voortgaande, gelijk in het einde van dit vers vers 20 verklaard wordt. 2 Korinthiërs 12:20: Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zodanig als u niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten;
[^2korinthiers-12-20-37]: Kanttekening 37: 37 als u niet wilt: Dat is, scherper in het oefenen van de kerkelijke straf, dan u tot nog toe ervaren hebt.
[^2korinthiers-12-20-38]: Kanttekening 38: Of, oproer, ontroeringen.
[^2korinthiers-12-21-39]: Kanttekening 39: 39 mij niet vernedere bij u: Dit zegt de apostel, omdat er niets was, dat hem verhoogde en verblijdde, dan dat zijn arbeid zijn behoorlijke vruchten onder hen had; en dat hem niets meer vernederde en bedroefde, dan wanneer door zonden en ergernissen zijn arbeid afbreuk scheen te lijden. Zie 1 Thess. 2:19, 2:20. 1 Tessalonicenzen 2:19: Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Zijt u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst? 1 Tessalonicenzen 2:20: Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap.
[^2korinthiers-12-21-40]: Kanttekening 40: 40 te voren gezondigd hebben: Namelijk, waarvan hij in de voorgaande brief had geschreven.
[^2korinthiers-12-21-41]: Kanttekening 41: Of, geilheid, dartelheid, wulpsheid.

### 2 Korinthiërs 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2korinthiers/13.json)

*1 De apostel getuigt nu opnieuw dat hij, als de voorgaande zonden niet verbeterd worden, zal komen om zonder verder uitstel de daders ervan te straffen, 3 en hen metterdaad te laten ervaren hoe krachtig Christus in hem was. 5 Hij vermaant hen dat zij zichzelf onderzoeken of Christus in hen is. 7 Hij wenst opnieuw dat zij de straf voorkomen door goed te doen, 9 en verklaart dat hij zich dan over hen zal verblijden, 10 omdat zijn macht moet strekken tot opbouw en niet tot afbraak. 11 Daarna besluit hij de brief met een vermaning tot verschillende christelijke deugden, 12 met de gebruikelijke groet, 13 en met een gebed voor hen tot God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.*

**1** Dit is[^2korinthiers-13-1-1] de derde maal, dat ik tot u kom;[^2korinthiers-13-1-a] in de mond van twee[^2korinthiers-13-1-2] of drie getuigen zal[^2korinthiers-13-1-3] alle woord bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v1)

**2** Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezende aan degenen,[^2korinthiers-13-2-4] die te voren gezondigd hebben, en aan[^2korinthiers-13-2-5] al de anderen, dat, zo ik opnieuw kom, ik[^2korinthiers-13-2-6] hen niet zal sparen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v2)

**3** Omdat u[^2korinthiers-13-3-7] zoekt een proeve van Christus, Die[^2korinthiers-13-3-8] in mij spreekt, Die in u[^2korinthiers-13-3-9] niet zwak is, maar krachtig is onder u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v3)

**4** Want hoewel Hij[^2korinthiers-13-4-10] gekruist is[^2korinthiers-13-4-11] door zwakheid,[^2korinthiers-13-4-12] zo leeft Hij toch[^2korinthiers-13-4-13] door de kracht van God. Want ook[^2korinthiers-13-4-14] wij zijn zwak[^2korinthiers-13-4-15] in Hem, maar[^2korinthiers-13-4-16] zullen met Hem leven door de kracht van God in u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v4)

**5** [^2korinthiers-13-5-17][^2korinthiers-13-5-b] Onderzoek uzelf, of u in het geloof bent,[^2korinthiers-13-5-18] beproef uzelf. Of kent u uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins[^2korinthiers-13-5-19] verwerpelijk bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v5)

**6** Maar ik hoop,[^2korinthiers-13-6-20] dat u zult verstaan, dat wij[^2korinthiers-13-6-21] niet verwerpelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v6)

**7** En ik wens van God, dat u geen kwaad doet;[^2korinthiers-13-7-22] niet opdat wij[^2korinthiers-13-7-23] beproefd zouden[^2korinthiers-13-7-24] bevonden worden, maar opdat u het goede zou doen, en wij[^2korinthiers-13-7-25] als verwerpelijk zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v7)

**8** Want wij kunnen niets uitrichten tegen de waarheid, maar[^2korinthiers-13-8-26] voor de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v8)

**9** Want wij verblijden ons, wanneer wij[^2korinthiers-13-9-27] zwak zijn, en u[^2korinthiers-13-9-28] sterk bent. En wij wensen ook dit, namelijk[^2korinthiers-13-9-29] uw volmaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v9)

**10** Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou[^2korinthiers-13-10-30] gebruiken, naar de macht,[^2korinthiers-13-10-c] die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot[^2korinthiers-13-10-31] nederwerping. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v10)

**11** Verder, broeders, wees blij, wordt[^2korinthiers-13-11-32] volmaakt, wees getroost,[^2korinthiers-13-11-d] wees eensgezind,[^2korinthiers-13-11-e] leeft in vrede; en de God van de liefde en van de vrede zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v11)

**12** [^2korinthiers-13-12-f] Groet elkaar[^2korinthiers-13-12-33] met een heilige kus. U groeten al de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v12)

**13** [^2korinthiers-13-13-34] De genade van de Heere Jezus Christus, en[^2korinthiers-13-13-35] de liefde van God, en[^2korinthiers-13-13-36] de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2korinthiers/13.html#v13)

[^2korinthiers-13-1-1]: Kanttekening 1: 1 derde maal: Dit zegt hij, niet dat hij driemalen te Korinthe is geweest, maar omdat hij daar eens geweest zijnde, Hand. 18, daarna tweemalen voorgenomen en beloofd had te komen; eens in de eerste brief, 1 Kor. 16:5, en nu hier vers 1 opnieuw. 1 Korinthiërs 16:5: Maar ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan) 2 Korinthiërs 13:1: Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
[^2korinthiers-13-1-a]: Verwijzing a: Num. 35:30; Deut. 17:6; Deut. 19:15; Matt. 18:16; Joh. 8:17; Hebr. 10:28. Numeri 35:30: Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Deuteronomium 17:6: Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Deuteronomium 19:15: Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. Mattheüs 18:16: Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. Johannes 8:17: En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. Hebreeën 10:28: Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
[^2korinthiers-13-1-2]: Kanttekening 2: Gr. en.
[^2korinthiers-13-1-3]: Kanttekening 3: 3 alle woord bestaan: Dat is, alle zaken, of waarheid bevestigd worden.
[^2korinthiers-13-2-4]: Kanttekening 4: 4 die te voren gezondigd hebben: Namelijk, daer van hy in de voorgaenden brief heeft geschreven, ende die haer niet en hebben bekeert.
[^2korinthiers-13-2-5]: Kanttekening 5: 5 de anderen: Namelijk die hun voorbeeld daarna gevolgd zijn.
[^2korinthiers-13-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk in het dadelijk volvoeren van de gedreigde straf, of geestelijke tucht en ban.
[^2korinthiers-13-3-7]: Kanttekening 7: Dat is, schijnt te zoeken. Want van hem die gewaarschuwd zijnde zich niet bekeert, wordt gezegd Gods straf te zoeken.
[^2korinthiers-13-3-8]: Kanttekening 8: 8 in mij: Of, door mij.
[^2korinthiers-13-3-9]: Kanttekening 9: 9 niet zwak is: Namelijk in het doen van krachtige tekenen en gaven van de Geest, kennis van de talen en andere dergelijke.
[^2korinthiers-13-4-10]: Kanttekening 10: 10 gekruist is: Dat is, als een zwak mens Zich heeft laten kruisigen, en tot de dood overgegeven voor ons, daar Hij nochtans ook in de gestalte Gods was, Fil. 2:7. Filippenzen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^2korinthiers-13-4-11]: Kanttekening 11: Gr. uit; gelijk ook in vers 5. 2 Korinthiërs 13:5: Onderzoekt uzelven, of u in het geloof bent, beproeft uzelven. Of kent u uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent.
[^2korinthiers-13-4-12]: Kanttekening 12: 12 zo leeft Hij: Dat is, is opgestaan en verheven in heerlijkheid.
[^2korinthiers-13-4-13]: Kanttekening 13: 13 door de kracht van God: Dat is, door de kracht van Zijn goddelijke natuur, welke zich alsdan heeft geopenbaard, hoewel zij zich tevoren heeft ingehouden, Joh. 2:19, en Joh. 10:18. Want dat Paulus hier spreekt van de goddelijke kracht, die in Christus is, blijkt hieruit, dat hij hen dreigt met deze kracht, die Christus door hem tegen de opstandigen zal betonen, welke hij zegt dezelfde te zijn, waardoor Christus zichzelf uit de doden heeft verwekt. Zie Rom. 1:4, en 1 Petr. 3:18. Johannes 2:19: Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik dezelfde oprichten. Johannes 10:18: Niemand neemt hetzelfde van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht hetzelfde af te leggen, en heb macht hetzelfde opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. Romeinen 1:4: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer: 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^2korinthiers-13-4-14]: Kanttekening 14: 14 wij zijn zwak: Dat is, wij gedragen ons alsof wij maar zwakke, verachtelijke mensen waren.
[^2korinthiers-13-4-15]: Kanttekening 15: 15 in Hem: Dat is, als Zijn leden zijnde, en als Hem daarin gelijkvormig.
[^2korinthiers-13-4-16]: Kanttekening 16: 16 zullen met Hem leven: Dat is, naar het voorbeeld van Christus zullen wij tegen u tonen dat de kracht van Christus in ons leeft, en zich tegen de ongehoorzamen door Zijn straffende hand zal openbaren.
[^2korinthiers-13-5-17]: Kanttekening 17: 17 Onderzoekt uzelven: Namelijk om zekerlijk in uw gemoed overtuigd te worden van de waarheid van mijn apostelschap; want zulks doende zult u bevinden dat u het ware geloof in Christus hebt, en dat Christus in u door Zijn Geest leeft, dat u door mijn Evangelie hebt verkregen.
[^2korinthiers-13-5-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 11:28. 1 Korinthiërs 11:28: Maar de mens beproeve zichzelf, en ete zo van het brood, en drinke van de drinkbeker.
[^2korinthiers-13-5-18]: Kanttekening 18: 18 beproeft uzelven: Namelijk aan de ware proeven en merktekenen van het ware geloof en van de ware vereniging met Christus.
[^2korinthiers-13-5-19]: Kanttekening 19: 19 verwerpelijk zijt: Of, verworpen zijt, dat is, zodanige mensen zijt, die de proef niet zoudt kunnen uitstaan. Het woord enigszins verzacht dit dreigement van de apostel, alsof hij zei: Zo u zulks niet bevindt, zo bent u in gevaar van verwerpelijk of verworpen te zijn. Want wie in Christus oprecht gelooft, die is wel verzekerd dat hij uitverkoren is, Joh. 6:37, en Joh. 8:47; Rom. 8:30, enz., maar die de predikatie van het Evangelie door een waar geloof niet aanneemt, en de aangeboden genade verzuimt of veracht, is wel in gevaar van een verworpen mens te zijn, maar men moet van hem niet wanhopen zolang hij leeft; omdat de Heer de mensen ook somwijlen ter elfder ure roept, Matt. 20:6, 20:9, en ook in het laatste ogenblik van hun leven, gelijk de moordenaar aan het kruis, Luk. 23:40, enz.; Hebr. 3:7, 3:13. En daarom kan dit hier zo niet genomen worden. Anderen nemen dit woord verwerpelijk voor onbekwaam tot het geloof; maar alle mensen zijn daartoe van nature onbekwaam, totdat zij door Gods Geest bekwaam gemaakt worden; 2 Kor. 3:5. Johannes 6:37: Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen. Johannes 8:47: Die uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u uit God niet bent. Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Mattheüs 20:6: En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen leeg staande, en zei tot hen: Wat staat u hier de hele dag leeg? Mattheüs 20:9: En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning. Lukas 23:40: Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? Hebreeën 3:7: Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort, Hebreeën 3:13: Maar vermaant elkaar te alle dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding van de zonde. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^2korinthiers-13-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk zo u uzelven recht onderzoekt.
[^2korinthiers-13-6-21]: Kanttekening 21: 21 verwerpelijk zijn: Dat is, verwerpelijke of verachtelijke apostelen, gelijk deze ons nageven.
[^2korinthiers-13-7-22]: Kanttekening 22: 22 niet opdat wij: Dat is, niet zozeer.
[^2korinthiers-13-7-23]: Kanttekening 23: Dat is getrouw en oprecht; voor trouwe apostelen zouden gekeurd en gekend worden.
[^2korinthiers-13-7-24]: Kanttekening 24: 24 bevonden worden: Gr. openbaar worden, of schijnen.
[^2korinthiers-13-7-25]: Kanttekening 25: Namelijk voor de ogen en naar het achten van de mensen, omdat wij in zulk een geval geen tekenen van onze geestelijke macht in het straffen van de zonden zouden geven.
[^2korinthiers-13-8-26]: Kanttekening 26: Dat is, tot handhaving en sterking van de waarheid; waaronder hij hier ook de oprechtheid van het leven verstaat.
[^2korinthiers-13-9-27]: Kanttekening 27: 27 zwak zijn: Dat is, in verdrukking en verachting, gelijk meermaals hiervoren.
[^2korinthiers-13-9-28]: Kanttekening 28: 28 sterk zijt: Namelijk in de gaven en genade van God.
[^2korinthiers-13-9-29]: Kanttekening 29: Of, herstelling, oprichting, wederopbouwing.
[^2korinthiers-13-10-30]: Kanttekening 30: Grieks, strengelijk.
[^2korinthiers-13-10-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 10:8. 2 Korinthiërs 10:8: Want als ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heer ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden;
[^2korinthiers-13-10-31]: Kanttekening 31: Dat is, om iemand door deze straffende hand te verbreken, of neder te slaan, of van het lichaam van de gemeente te scheuren; maar om hem daardoor weer op te richten, en met Christus en Zijn gemeente weer te verzoenen en enigen. Zie 1 Kor. 5:5. 1 Korinthiërs 5:5: Denzulken over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heer Jezus.
[^2korinthiers-13-11-32]: Kanttekening 32: Of, weer opgericht, weer opgebouwd; namelijk tot vereniging met elkaar.
[^2korinthiers-13-11-d]: Verwijzing d: Rom. 12:16; Rom. 15:5; 1 Kor. 1:10; Fil. 2:2; 1 Petr. 3:8. Romeinen 12:16: Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. Romeinen 15:5: Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 1 Korinthiërs 1:10: Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippenzen 2:2: Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. 1 Petrus 3:8: En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^2korinthiers-13-11-e]: Verwijzing e: Rom. 12:18; Hebr. 12:14. Romeinen 12:18: Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. Hebreeën 12:14: Jaagt de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heer zien zal;
[^2korinthiers-13-12-f]: Verwijzing f: Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 1 Thes. 5:26; 1 Petr. 5:14. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 1 Korinthiërs 16:20: U groeten al de broeders. Groet elkaar met een heilige kus. 1 Tessalonicenzen 5:26: Groet al de broeders met een heilige kus. 1 Petrus 5:14: Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.
[^2korinthiers-13-12-33]: Kanttekening 33: 33 een heilige kus: Namelijk, naar de gewoonte van die oosterse landen, waar dit een teken van enigheid was, en van eer die zij de andere aandeden. Zie Gen. 41:40, Psalm 2:12. Genesis 41:40: U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. Psalmen 2:12: Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^2korinthiers-13-13-34]: Kanttekening 34: 34 De genade van de Heer Jezus Christus: Namelijk, waardoor Hij ons met God heeft verzoend, Rom. 5:10. Romeinen 5:10: Want als wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.
[^2korinthiers-13-13-35]: Kanttekening 35: 35 de liefde van God: Namelijk, waarmee Hij ons in Christus Jezus liefheeft, en als Zijn kinderen aanneemt en bewaart, Rom. 8:39. Romeinen 8:39: Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer.
[^2korinthiers-13-13-36]: Kanttekening 36: 36 de gemeenschap van de Heilige Geest: Namelijk waardoor wij in deze genade en liefde meer en meer gesterkt, en daarvan verzekerd worden; Rom. 8:15. Zo dat hier een klaar getuigenis is van de Heilige Drievuldigheid; hoewel de orde van de personen hier niet gesteld wordt gelijk Matt. 28:19. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Mattheüs 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.

## Galaten

### Galaten 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/1.json)

*1 Na het opschrift van de brief, 3 de gebruikelijke groet, 4 en een dankzegging tot God, 6 bestraft de apostel de gemeenten van Galatië, dat zij zo spoedig waren afgeweken van de apostolische leer. 7 terwijl er toch geen andere leer tot zaligheid kan zijn. 8 al ware het dat een engel die predikte. 10 en dat hij de leer die hij hun gepredikt heeft, niet van mensen, maar van de Heere Christus Zelf geleerd heeft. 13 wat hij bewijst uit zijn vroegere toestand en ijver in het Jodendom, 15 en uit zijn wonderlijke bekering en roeping tot het apostelschap. 17 alsook omdat hij, toen hij geroepen was, met de andere apostelen niet over de leer gesproken heeft, maar terstond naar Arabië is gereisd. 18 en na drie jaren van zijn dienst pas Petrus en Jakobus alleen heeft gezien. 21 Dat hij daarna weer naar Syrië en Cilicië is gereisd, en dat hij alleen door geruchten bij de gemeenten in Judea bekend was.*

**1** Paulus,[^galaten-1-1-1] een apostel, geroepen[^galaten-1-1-2] niet van mensen, noch door een mens, maar[^galaten-1-1-a] door Jezus Christus, en God de Vader,[^galaten-1-1-3] Die Hem uit de doden opgewekt heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v1)

**2** En[^galaten-1-2-4] al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van[^galaten-1-2-5] Galatië: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v2)

**3** [^galaten-1-3-b] Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v3)

**4** [^galaten-1-4-c] Die[^galaten-1-4-6] Zichzelf[^galaten-1-4-7] gegeven heeft[^galaten-1-4-8] voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze[^galaten-1-4-9] wereld,[^galaten-1-4-10] naar de wil van onze God en Vader; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v4)

**5** Die zij de heerlijkheid[^galaten-1-5-11] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v5)

**6** [^galaten-1-6-12] Ik verwonder mij, dat u[^galaten-1-6-13] zo haast[^galaten-1-6-14] wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft,[^galaten-1-6-15] overgebracht wordt[^galaten-1-6-16] tot een ander Evangelie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v6)

**7** [^galaten-1-7-17] Daar er geen ander is;[^galaten-1-7-18] maar er zijn sommigen,[^galaten-1-7-d] die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen[^galaten-1-7-19] verdraaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v7)

**8** [^galaten-1-8-e] Maar al was het ook, dat[^galaten-1-8-20] wij, of[^galaten-1-8-21] een engel uit de hemel u een Evangelie[^galaten-1-8-22] verkondigde, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij[^galaten-1-8-23] vervloekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v8)

**9** Zoals wij[^galaten-1-9-24] te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu[^galaten-1-9-25] opnieuw: Als u iemand een Evangelie verkondigt, anders dan wat u[^galaten-1-9-26] ontvangen hebt, die zij vervloekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v9)

**10** Want[^galaten-1-10-27][^galaten-1-10-f] predik ik nu de mensen,[^galaten-1-10-28] of God?[^galaten-1-10-29][^galaten-1-10-g] Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik[^galaten-1-10-30] nog[^galaten-1-10-31] mensen[^galaten-1-10-32] behaagde, zo was ik geen[^galaten-1-10-33] dienaar van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v10)

**11** [^galaten-1-11-h] Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, dat van mij verkondigd is,[^galaten-1-11-34] niet is naar de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v11)

**12** [^galaten-1-12-i] Want ik heb ook hetzelfde[^galaten-1-12-35] niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v12)

**13** [^galaten-1-13-k] Want u hebt mijn levenswandel gehoord, die[^galaten-1-13-36] vroeger in het Jodendom was, dat ik[^galaten-1-13-37] uitermate zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde[^galaten-1-13-38] verwoestte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v13)

**14** En dat ik in het Jodendom toenam boven velen[^galaten-1-14-39] van mijn ouderdom[^galaten-1-14-40] in mijn geslacht, zijnde[^galaten-1-14-41] overvloedig ijverig[^galaten-1-14-42] voor mijn vaderlijke[^galaten-1-14-43] voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v14)

**15** [^galaten-1-15-l] Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij[^galaten-1-15-44] van mijn moeders lijf aan[^galaten-1-15-45] afgezonderd heeft, en geroepen[^galaten-1-15-46] door Zijn genade, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v15)

**16** [^galaten-1-16-47] Zijn Zoon[^galaten-1-16-48] in mij te openbaren,[^galaten-1-16-m] opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik[^galaten-1-16-49] meteen niet te[^galaten-1-16-50] rade gegaan[^galaten-1-16-51][^galaten-1-16-n] met vlees en bloed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v16)

**17** En ben[^galaten-1-17-52] niet opnieuw gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die[^galaten-1-17-53] voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar[^galaten-1-17-54] Arabië, en keerde opnieuw naar[^galaten-1-17-55] Damascus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v17)

**18** Daarna kwam ik na drie[^galaten-1-18-56] jaar weer te Jeruzalem om Petrus[^galaten-1-18-57] te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v18)

**19** En zag geen ander van de apostelen, dan[^galaten-1-19-58] Jakobus,[^galaten-1-19-59] de broeder van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v19)

**20** [^galaten-1-20-60] Wat nu ik u schrijf, ziet, ik[^galaten-1-20-61][^galaten-1-20-o] getuig voor God, dat ik niet lieg! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v20)

**21** Daarna ben ik gekomen in de gewesten van[^galaten-1-21-62] Syrië en van Cilicië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v21)

**22** En ik was van gezicht onbekend aan de Gemeenten[^galaten-1-22-63] in Judea,[^galaten-1-22-64] die in Christus zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v22)

**23** Maar zij hadden alleen gehoord, dat[^galaten-1-23-65] men zei: Degene, die[^galaten-1-23-66] ons vroeger vervolgde, verkondigt nu[^galaten-1-23-67] het geloof, dat hij vroeger verwoestte.[^galaten-1-23-68] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v23)

**24** En zij verheerlijkten God[^galaten-1-24-69] in mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/1.html#v24)

[^galaten-1-1-1]: Kanttekening 1: een apostel: Zie van dit woord, Luk. 6:13 . Lukas 6:13 : En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
[^galaten-1-1-2]: Kanttekening 2: niet van mensen: Namelijk die bloot mensen, of niet dan mensen zijn. Deze beschrijving doet de apostel daarbij, om zijn apostolische beroeping en gezag staande te houden tegen de lasteringen van de valse apostelen, die zeiden dat hij niet wettiglijk tot het apostelschap was beroepen. Want er zijn tweeërlei wettige beroepingen tot de dienst van het Woord; een die gewoon is, welke wel van God geschiedt, maar door mensen, de orde Gods daarin volgende: zodanige is de beroeping van de gewone dienaren van het Woord. En er is ene beroeping, die zonder dienst van de mensen van God zelf, of van de Heer Christus geschiedt; zodanig is geweest de beroeping van de profeten in het Oude Testament, en van de apostelen in het Nieuwe Testament. Deze beroeping is buitengewoon, en altijd vergezelschapt met de gave van niet te kunnen dwalen in het leren, 2 Petr. 1:21 ; Joh. 16:13 . Dat de apostel Paulus door zulke een extra-ordinaire beroeping geroepen is, wordt duidelijk beschreven Hand. 9:22 . 2 Petrus 1:21 : Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Johannes 16:13 : Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. Handelingen 9:22 : Maar Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die in Damascus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.
[^galaten-1-1-a]: Verwijzing a: Titus 1:3 . Titus 1:3 : Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^galaten-1-1-3]: Kanttekening 3: Die Hem uit: En daarmede openlijk heeft betoond dat Hij de eigen Zoon van God was. Zie Hand. 13:32 ; Rom. 1:4 . Handelingen 13:32 : En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelfde vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft. Romeinen 1:4 : Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer:
[^galaten-1-2-4]: Kanttekening 4: al de broeders: Namelijk niet alleen mijne medebroeders in de dienst, maar ook al de andere gelovigen. Dit doet de apostel daarbij, niet zozeer om zijn schrijven daarmede aanzienlijk te maken, als om door de eenstemmigheid van de gemeente met hem, de gemeenten van Galatië te beter te bewegen tot aflegging van hun dwalingen.
[^galaten-1-2-5]: Kanttekening 5: Galatië was één van de grootste provinciën in Klein-Azië, grenzende aan Frygië, Bithynië, Pontus, Cappadocië en Pamfilië; was zo genaamd van een volk, dat uit Gallië, nu Frankrijk genaamd, gekomen zijnde, die provincie ingenomen en lang bewoond heeft. Zie Hand. 16:6 ; 1 Kor. 16:1 ; 2 Tim. 4:10 ; 1 Petr. 1:1 . Handelingen 16:6 : En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. 1 Korinthiërs 16:1 : Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook u zo. 2 Timotheüs 4:10 : Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 1 Petrus 1:1 : Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië,
[^galaten-1-3-b]: Verwijzing b: Rom. 1:7 ; 1 Kor. 1:3 ; Efez. 1:2 ; 1 Petr. 1:2 . Romeinen 1:7 : Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Korinthiërs 1:3 : Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Efeziërs 1:2 : Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^galaten-1-4-c]: Verwijzing c: Matt. 20:28 ; Galat. 2:20 ; Efez. 5:2 ; Titus 2:14 ; Hebr. 9:14 . Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Galaten 2:20 : Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Titus 2:14 : Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^galaten-1-4-6]: Kanttekening 6: Namelijk vrijwillig; Filipp. 2:8 . Filippensen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^galaten-1-4-7]: Kanttekening 7: gegeven heeft: Namelijk in de dood. Dit voegt de apostel in het begin daarbij, omdat dit bewijs alleen genoegzaam is, om de leer van de valse apostelen te weerleggen. Want hij zou tevergeefs zulks gedaan hebben, als de mens door de werken van de wet kon gerechtvaardigd worden. Zie Gal. 2:21 . Galaten 2:21 : Ik doe de genade van God niet te niet; want als de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.
[^galaten-1-4-8]: Kanttekening 8: voor onze zonden: Namelijk om die te verzoenen door zijn dood; 1 Joh. 1:7 , en 1 Joh. 2:2 . Zodat de verzoening en vergeving van de zonden daarin alleen, en niet in de werken van de wet, moet gezocht worden. 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 1 Johannes 2:2 : En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
[^galaten-1-4-9]: Kanttekening 9: boze wereld: Grieks eeuw; dat is, uit de zondigen en ellendigen staat, waarin de gehele wereld gelegen is; 1 Joh. 5:19 . 1 Johannes 5:19 : Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
[^galaten-1-4-10]: Kanttekening 10: naar de wil: Dat is, naar het eeuwig besluit en welbehagen, Hand. 2:23 , en Hand. 4:28 ; Hebr. 10:7 , 10:10 . Zo is dan de Vader met dit rantsoen Zijn Zoons tevreden. Handelingen 2:23 : Deze, door de bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Handelingen 4:28 : Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou. Hebreeën 10:7 : Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God! Hebreeën 10:10 : In welke wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied.
[^galaten-1-5-11]: Kanttekening 11: in alle eeuwigheid: Grieks tot eeuwen van de eeuwen, of tot eeuwigheden van de eeuwigheden. Hebreeuws.
[^galaten-1-6-12]: Kanttekening 12: Ik verwonder mij: Deze verwondering is ook vergezelschapt geweest met een groot mishagen en droefenis.
[^galaten-1-6-13]: Kanttekening 13: zo haast: Dat is, in zo korte tijd, nadat u het Evangelie van ons ontvangen hebt; of, nadat de verleiders u anders geleerd hebben. Daarmede bestraft hij hunne lichtvaardigheid.
[^galaten-1-6-14]: Kanttekening 14: wijkende van: Namelijk van God, die u door onze predikatie geroepen heeft, om u door de genade van Christus, en niet door de werken van de wet, zalig te maken. Of, wijkende van Christus, die u geroepen heeft in de genade.
[^galaten-1-6-15]: Kanttekening 15: overgebracht wordt: Namelijk van degenen, die u verleiden; welke Hij de meeste schuld geeft, omdat hij hoop had hen opnieuw op de rechte weg te brengen; Gal. 5:10 . Galaten 5:10 : Ik vertrouw van u in de Heer, dat u niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.
[^galaten-1-6-16]: Kanttekening 16: tot een ander Evangelie: Dat is, tot een andere leer om zalig te worden, die de verleiders wel het Evangelie noemen, maar die het rechte Evangelie niet is, en verre verschilt van wat wij u gepredikt hebben.
[^galaten-1-7-17]: Kanttekening 17: Daar er geen ander is: Grieks dat geen ander is; Namelijk dan wat, of dan, wat wij u gepredikt hebben. Zie Hand. 4:12 . Handelingen 4:12 : En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
[^galaten-1-7-18]: Kanttekening 18: maar er zijn sommigen: Namelijk die uit de secte van de Farizeën zich tot de Christelijken godsdienst begeven hebbende, de wet en het Evangelie, en de rechtvaardigheid van de werken met de rechtvaardigheid van het geloof zochten te vermengen. Zie Hand. 15:5 . Handelingen 15:5 : Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte van de Farizeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.
[^galaten-1-7-d]: Verwijzing d: Hand. 15:1 . Handelingen 15:1 : En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden.
[^galaten-1-7-19]: Kanttekening 19: Dat is, vervalsen, ijdel of teniet maken.
[^galaten-1-8-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 11:4 . 2 Korinthiërs 11:4 : Want als degene, die komt, een anderen Jezus predikte, die wij niet gepredikt hebben, of als u een anderen geest ontvingt, die u niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat u niet hebt aangenomen, zo verdroegt u hem met recht.
[^galaten-1-8-20]: Kanttekening 20: Namelijk ik en de broeders, die bij mij zijn. Of, wij apostelen.
[^galaten-1-8-21]: Kanttekening 21: een engel uit: Dit is wel in zichzelf niet mogelijk, maar de apostel wil met het stellen van deze onmogelijke veronderstelling te krachtiger aanwijzen de zekerheid van de vloek, die komen zal over degenen, die een ander Evangelie prediken. Zie dergelijke Joh. 8:55 ; 1 Kor. 13:2 . Johannes 8:55 : En u kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik u gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord. 1 Korinthiërs 13:2 : En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
[^galaten-1-8-22]: Kanttekening 22: buiten wat wij: Dat is, niet alleen tegen hetzelfde, maar ook die iets daarbij doen, buiten wat wij gepredikt hebben; dat de valse apostelen deden, lerende dat men niet alleen door het geloof, maar ook door de werken van de wet gerechtvaardigd wordt.
[^galaten-1-8-23]: Kanttekening 23: Grieks Anathema; dat is, vervloeking. Zie van dit woord Rom. 9:3 ; 1 Kor. 16:22 . Romeinen 9:3 : Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees; 1 Korinthiërs 16:22 : Als iemand de Heer Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
[^galaten-1-9-24]: Kanttekening 24: te voren gezegd: Namelijk in vers 8 . Galaten 1:8 : Maar al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
[^galaten-1-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk om te tonen dat dit van mij niet uit haastigheid is gezegd.
[^galaten-1-9-26]: Kanttekening 26: ontvangen hebt: Namelijk door onze predikatie hebt gehoord en aangenomen.
[^galaten-1-10-27]: Kanttekening 27: predik ik nu: Grieks raad ik nu aan de mensen of God? Namelijk te horen of geloven. Want het Griekse woord, dat de apostel hier gebruikt, alsook Hand. 28:23 , en 2 Kor. 5:11 , betekent eigenlijk iemand met redenen bewegen of overreden, en is hier de zin: Zoek ik in mijne predikatiën u te bewegen, dat u mij of enig mens zoudt aanhangen? Hij wil zeggen: dat doe ik in geen geval. Handelingen 28:23 : En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk van God uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, zowel uit de wet van Mozes als de profeten, van de morgen vroeg tot de avond toe. 2 Korinthiërs 5:11 : Wij dan, wetende de schrik van de Heer, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn voor God openbaar geworden; maar ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.
[^galaten-1-10-f]: Verwijzing f: 1 Thes. 2:4 . 1 Thessalonicensen 2:4 : Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar voor God, Die onze harten beproeft.
[^galaten-1-10-28]: Kanttekening 28: of God: Dat is, dat u uw vertrouwen zoudt stellen op God in Christus; dat, wil hij zeggen, ik doe in al mijne predikatiën.
[^galaten-1-10-29]: Kanttekening 29: Of zoek ik mensen: Dat is, zoek ik in mijne predikatiën de gunst van enige mensen? In geen geval, wil hij zeggen. En dit schijnt dat de valse apostelen de Galaten zochten wijs te maken, om de leer van de apostel verdacht te maken.
[^galaten-1-10-g]: Verwijzing g: Jak. 4:4 . Jakobus 4:4 : Overspelers en overspeleressen, weet u niet, dat de vriendschap van de wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
[^galaten-1-10-30]: Kanttekening 30: Namelijk nu tot Christus bekeerd zijnde, gelijk ik deed in het Jodendom, als ik, om de hogepriesters en Joden te behagen, de gemeente vervolgde.
[^galaten-1-10-31]: Kanttekening 31: Namelijk die van Christus vreemd zijn, of naar hunne gezindheid willen gepredikt hebben; 2 Tim. 4:3 . Anders mogen en moeten ook de vrome leraars zich zo gedragen in leer en leven, dat zij de vromen en Godzaligen mensen in Christus mogen behagen; 1 Kor. 10:33 . 2 Timotheüs 4:3 : Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelf leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; 1 Korinthiërs 10:33 : Zoals ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.
[^galaten-1-10-32]: Kanttekening 32: Dat is, alleen hunne gunst zocht in het prediken.
[^galaten-1-10-33]: Kanttekening 33: dienaar van Christus: Dat is, een waar, oprecht en getrouw dienaar. Want niemand kan twee heren dienen; Matt. 6:24 . Mattheüs 6:24 : Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de enen haten en de anderen liefhebben, of hij zal de enen aanhangen en de anderen verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon.
[^galaten-1-11-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 15:1 . 1 Korinthiërs 15:1 : Verder, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat u ook aangenomen hebt, in dat u ook staat;
[^galaten-1-11-34]: Kanttekening 34: niet is naar de mens: Dat is, mij is niets van mensen gegeven, of van mijzelf versierd, of steunende op gezag van enige mensen, gelijk in vers 12 verklaard wordt. Galaten 1:12 : Want ik heb ook hetzelfde niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
[^galaten-1-12-i]: Verwijzing i: Efez. 3:3 . Efeziërs 3:3 : Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;
[^galaten-1-12-35]: Kanttekening 35: niet van een mens: De apostel wil daarmede niet verwerpen de onderwijzing in de leer van het Evangelie, die door mensen gewoonlijk geschiedt, 2 Tim. 3:15 ; maar wil zeggen dat hij als een apostel op zulke gewone wijze deze leer niet heeft ontvangen, maar door een extra-ordinaire openbaring en onderwijzing van Christus zelven. Zie Hand. 9:3 ; 1 Kor. 15:8 , en 2 Kor. 12 . 2 Timotheüs 3:15 : En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is. Handelingen 9:3 : En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snel een licht van de hemel; 1 Korinthiërs 15:8 : En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
[^galaten-1-13-k]: Verwijzing k: Hand. 8:3 ; Hand. 9:1 ; Hand. 22:4 ; Hand. 26:9 ; Filip. 3:6 ; 1 Tim. 1:13 . Handelingen 8:3 : En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Handelingen 26:9 : Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. Filippensen 3:6 : Naar de ijver een vervolger van de Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^galaten-1-13-36]: Kanttekening 36: eertijds in: Namelijk voordat ik tot de Christelijken godsdienst bekeerd was.
[^galaten-1-13-37]: Kanttekening 37: uitnemend zeer: Deze vervolging van Paulus wordt beschreven Hand. 7:58 , en Hand. 9:1 , enz., en Hand. 22:4 , 22:5 . Handelingen 7:58 : En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Handelingen 22:5 : Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad van de ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.
[^galaten-1-13-38]: Kanttekening 38: Dat is, dezelfde, zoveel in mij was, geheel zocht uit te roeien en verdelgen.
[^galaten-1-14-39]: Kanttekening 39: van mijn ouderdom: Dat is, jonge mensen. Zie Hand. 7:58 . Dat drukt hij uit, opdat hij niet zou schijnen zich uit laatdunkendheid te stellen boven de oude leraars van de Joden. Handelingen 7:58 : En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.
[^galaten-1-14-40]: Kanttekening 40: in mijn geslacht: Dat is, onder de Joden.
[^galaten-1-14-41]: Kanttekening 41: overvloedig ijverig: Grieks overvloediglijker een ijveraar; namelijk met een ijver, die niet was met wetenschap, Rom. 10:2 ; Filipp. 3:5 , 3:6 ; 1 Tim. 1:13 . Hiermede bestraft hij ook de verkeerden ijver van de Joden in zijn persoon. Romeinen 10:2 : Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Filippensen 3:5 : Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër; Filippensen 3:6 : Naar de ijver een vervolger van de Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^galaten-1-14-42]: Kanttekening 42: voor mijn vaderlijke: Namelijk van welke ik meer hield, dan van de leer van de profeten. Wat dit voor inzettingen waren, kan men zien Matt. 5:21 , enz., en Matt. 15:2 , en Matt. 23:3 , enz.; Mark. 7:5 , enz.; 1 Petr. 1:18 . Mattheüs 5:21 : U hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. Mattheüs 15:2 : Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting van de ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten. Mattheüs 23:3 : Daarom, al wat zij u zeggen, dat u houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. Marcus 7:5 : Daarna vraagden Hem de Farizeën en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting van de ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? 1 Petrus 1:18 : Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;
[^galaten-1-14-43]: Kanttekening 43: Grieks overleveringen; namelijk niet alleen die in de Schriftuur geboden en beschreven zijn, maar ook die, welke van mensen ingesteld, en van de ouders aan de kinderen als van hand tot hand overgeleverd waren.
[^galaten-1-15-l]: Verwijzing l: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.
[^galaten-1-15-44]: Kanttekening 44: van mijner moeders: Grieks uit; dat is, voordat ik van mijne moeder geboren was. Zie dergelijke Jer. 1:5 . Jeremia 1:5 : Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en voordat u uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u de volken tot een profeet gesteld.
[^galaten-1-15-45]: Kanttekening 45: afgezonderd heeft: Dat is, voorgenomen en besloten heeft, mij af te zonderen uit de algemenen hoop van de andere mensen, om op zijn tijd tot een apostel te beroepen.
[^galaten-1-15-46]: Kanttekening 46: door Zijn genade: Namelijk als de enige oorzaak, waarom Hij dat gedaan heeft, en daarom zonder enige waardigheid of verdiensten in mij voorgezien; gelijk ook tevoren Gods welbehagen de oorzaak daarvan gesteld wordt. Zie Ef. 1:5 , 1:6 , 1:9 , 1:11 . Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil. Efeziërs 1:6 : Tot prijs van de heerlijkheid Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. Efeziërs 1:11 : In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil;
[^galaten-1-16-47]: Kanttekening 47: Zijn Zoon: Namelijk Jezus Christus de waren Messias.
[^galaten-1-16-48]: Kanttekening 48: in mij te openbaren: Dat is, aan mij; in mijne ziel. Of, door mij te openbaren, dat is, bekend te maken, dat ik Hem voor de Zoon van God en de waren Messias heb erkend, en in Hem geloof; Matt. 16:17 . Mattheüs 16:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^galaten-1-16-m]: Verwijzing m: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 ; Hand. 22:21 ; Galat. 2:8 ; Efez. 3:8 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Efeziërs 3:8 : Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
[^galaten-1-16-49]: Kanttekening 49: meteen niet te: Namelijk zo haast ik tot Christus bekeerd ben geweest.
[^galaten-1-16-50]: Kanttekening 50: rade gegaan: Dat is, over de leer van het Evangelie met iemand gesproken en gehandeld, om in dezelfde beter of breder onderwezen te worden.
[^galaten-1-16-51]: Kanttekening 51: met vlees en: Dat is, met enige mensen, die uit vlees en bloed bestaan. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 16:17 ; Ef. 6:12 , ook zelfs niet met mijn eigen natuurlijk vernuft. Mattheüs 16:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
[^galaten-1-16-n]: Verwijzing n: Matt. 16:17 . Mattheüs 16:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^galaten-1-17-52]: Kanttekening 52: niet opnieuw gegaan: Of, niet opgegaan; gelijk ook vers 18 . Dit schijnt te strijden met wat Lukas zegt, Hand. 9:26 . Maar wat Lukas daar zegt, moet verstaan worden geschied te zijn nadat Paulus drie jaren in Arabië geweest zijnde, vandaar opnieuw in Damascus gekomen was. Want Lukas maakt daar geen gewag van Paulus' reis naar Arabië, gelijk hij ook vele andere daden en reizen van Paulus nalaat, die Paulus zelf verhaalt 2 Kor. 11 ,12. Galaten 1:18 : Daarna kwam ik na drie jaren weer te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. Handelingen 9:26 : Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.
[^galaten-1-17-53]: Kanttekening 53: voor mij apostelen: Namelijk iemand van de twaalven, die lang vóór mij tot het apostelschap waren beroepen.
[^galaten-1-17-54]: Kanttekening 54: Een landschap, gelegen ten zuiden van het Joodse land, waarin de berg Sinaï was, Gal. 4:25 , tussen de Rode Zee en de inham van Perzië. Galaten 4:25 : Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
[^galaten-1-17-55]: Kanttekening 55: Van deze stad zie de aantekeningen Hand. 9:2 . Handelingen 9:2 : En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij dezelfde, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.
[^galaten-1-18-56]: Kanttekening 56: na drie jaren: Namelijk die ik zo in Arabië, als in Damascus geweest was.
[^galaten-1-18-57]: Kanttekening 57: te bezoeken: Het Griekse woord betekent iemand te gaan zien of bezoeken, om hem te horen, en met hem te spreken en te handelen.
[^galaten-1-19-58]: Kanttekening 58: Daar zijn er twee geweest onder de apostelen van deze naam. Zie van beiden Matt. 10:2 , 10:3 ; Hand. 12:2 , 12:17 en van deze Hand. 12:17 en Hand. 15:13 . Mattheüs 10:2 : De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Mattheüs 10:3 : Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs; Handelingen 12:2 : En hij doodde Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard. Handelingen 12:17 : En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heer uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Boodschapt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. Handelingen 12:17 : En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heer uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Boodschapt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. Handelingen 15:13 : En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
[^galaten-1-19-59]: Kanttekening 59: de broeder: Dat is, neef, een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie Gen. 14:14 ; Matt. 12:46 , 12:47 ; 1 Kor. 9:5 ; van deze zie Matt. 10:3 , Mark. 15:40 . Genesis 14:14 : Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. Mattheüs 12:46 : En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken. Mattheüs 12:47 : En iemand zei tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken. 1 Korinthiërs 9:5 : Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders van de Heer, en Cefas? Mattheüs 10:3 : Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs; Marcus 15:40 : En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome;
[^galaten-1-20-60]: Kanttekening 60: Wat nu: Namelijk aangaande dat ik het Evangelie van Christus zelf heb ontvangen, zonder enige beroeping of onderwijzing van mensen.
[^galaten-1-20-61]: Kanttekening 61: voor God: Ene wijze van eedzweren, met welke de apostel nodig geacht heeft dit te bevestigen, om de gewichtigheid van de zaak. Zie Rom. 9:1 . Romeinen 9:1 : Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest),
[^galaten-1-20-o]: Verwijzing o: Rom. 1:9 ; Rom. 9:1 ; 2 Kor. 1:23 ; 2 Kor. 11:31 ; 1 Thes. 2:5 ; 1 Tim. 5:21 ; 2 Tim. 4:1 . Romeinen 1:9 : Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1 : Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23 : Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31 : De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. 1 Thessalonicensen 2:5 : Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Timotheüs 5:21 : Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 2 Timotheüs 4:1 : Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
[^galaten-1-21-62]: Kanttekening 62: Syrië en van Cilicië: Deze zijn landschappen, gelegen in Azië. Zie van dezelfde Matt. 4:24 ; Hand. 15:23 , 15:41 , en Hand. 27:5 . Mattheüs 4:24 : En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelfde. Handelingen 15:23 : En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zaligheid. Handelingen 15:41 : En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de Gemeenten. Handelingen 27:5 : En de zee, die langs Cilicië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycië.
[^galaten-1-22-63]: Kanttekening 63: in Judea: Namelijk al zou ik, volgens mijne beroeping, het Evangelie prediken niet onder de Joden daar, maar onder de heidenen. Zie vers 16 . Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed;
[^galaten-1-22-64]: Kanttekening 64: die in Christus: Dat is, die de Christelijke leer hebben aangenomen en belijden.
[^galaten-1-23-65]: Kanttekening 65: Degene, die: Namelijk Paulus. Dit zijn de woorden van de voorzegde gemeenten, die Paulus herhaalt.
[^galaten-1-23-66]: Kanttekening 66: Namelijk Christenen.
[^galaten-1-23-67]: Kanttekening 67: het geloof: Dat is, de leer van het Evangelie, die men ter zaligheid moet geloven. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Tim. 1:19 , vergelijk met 2 Tim. 2:18 . 1 Timotheüs 1:19 : Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben; 2 Timotheüs 2:18 : Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^galaten-1-23-68]: Kanttekening 68: Zie vers 13 . Galaten 1:13 : Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte;
[^galaten-1-24-69]: Kanttekening 69: in mij: Grieks om mijnentwil; dat is, om de genade, die mij God gedaan heeft.

### Galaten 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/2.json)

*1 De apostel verhaalt dat hij te Jeruzalem met de voornaamste apostelen, Jakobus, Petrus en Johannes, over zijn leer gehandeld had, en dat zij die in alle delen voor goed erkend hadden, zonder er iets aan af of toe te doen. 3 dat hij tegenover de valse broeders Titus had verdedigd, dat hij niet besneden zou worden. 7 Dat de apostelen hem en Barnabas, tot een teken van eenheid in de leer, de rechterhand van de gemeenschap hebben gegeven. 9 met de afspraak dat zij onder de heidenen, en de andere apostelen onder de Joden zouden prediken. 10 alleen dat zij voor de arme Joden bij de heidenen zouden zorgen. 11 Hij betuigt ook dat hij daarna te Antiochië de apostel Petrus bestraft heeft, omdat hij, hoewel hij tevoren onder de heidenen de christelijke vrijheid gebruikt had, dit ter wille van sommige Joden naliet, en zo met zijn voorbeeld de heidenen tot het Jodendom bracht. 15 Daarna bewijst hij dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar uit het geloof in Christus, 17 en dat Christus daarmee niet tot een dienaar van de zonde wordt gemaakt. 19 Aangezien het geloof in Christus ook de doding van de zonden en een nieuw leven leert en vereist. En hij bewijst verder: als de gerechtigheid uit de wet ware, dat Christus dan tevergeefs gestorven zou zijn.*

**1** Daarna ben ik,[^galaten-2-1-1] na veertien jaren,[^galaten-2-1-2] opnieuw[^galaten-2-1-a] naar Jeruzalem[^galaten-2-1-3] opgegaan met Barnabas,[^galaten-2-1-4] ook Titus meegenomen hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v1)

**2** En ik ging op[^galaten-2-2-5][^galaten-2-2-b] door een openbaring, en[^galaten-2-2-6] stelde[^galaten-2-2-7] hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en[^galaten-2-2-8] in het bijzonder aan degenen, die[^galaten-2-2-9] in achting waren, opdat ik niet enigszins[^galaten-2-2-10] tevergeefs zou lopen[^galaten-2-2-11] of gelopen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v2)

**3** [^galaten-2-3-c] Maar ook Titus, die met mij was,[^galaten-2-3-12] een Griek zijnde, werd niet[^galaten-2-3-13] genoodzaakt zich te laten besnijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v3)

**4** [^galaten-2-4-14][^galaten-2-4-d] En dat vanwege[^galaten-2-4-15] de[^galaten-2-4-16] ingekropen valse broeders, die[^galaten-2-4-17] van bezijden ingekomen waren, om te[^galaten-2-4-18] bespioneren[^galaten-2-4-19] onze vrijheid, die wij[^galaten-2-4-20] in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden[^galaten-2-4-21] tot dienstbaarheid brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v4)

**5** Die wij ook[^galaten-2-5-22] niet één uur hebben[^galaten-2-5-23] geweken[^galaten-2-5-24] met onderwerping,[^galaten-2-5-25] opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v5)

**6** En van[^galaten-2-6-26] degenen, die geacht waren, wat te zijn,[^galaten-2-6-27] hoe zij vroeger waren,[^galaten-2-6-28] verschilt mij niet;[^galaten-2-6-29][^galaten-2-6-e] God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren,[^galaten-2-6-30] hebben mij niets toegebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v6)

**7** Maar[^galaten-2-7-31] daarentegen, als[^galaten-2-7-32] zij zagen, dat aan mij het Evangelie[^galaten-2-7-33] van de[^galaten-2-7-34] voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan[^galaten-2-7-35] Petrus dat van de besnijdenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v7)

**8** (Want[^galaten-2-8-36][^galaten-2-8-37] Die in Petrus krachtig werkte tot het apostelschap van de[^galaten-2-8-f] besnijdenis, Die werkte ook krachtig[^galaten-2-8-38] in mij[^galaten-2-8-39] onder de heidenen); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v8)

**9** En als[^galaten-2-9-40] Jakobus, en[^galaten-2-9-41] Cefas, en[^galaten-2-9-42] Johannes, die geacht waren[^galaten-2-9-43] pilaren te zijn,[^galaten-2-9-44] de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas[^galaten-2-9-45] de rechterhand van de gemeenschap, opdat[^galaten-2-9-46] wij tot de heidenen, en[^galaten-2-9-47] zij tot[^galaten-2-9-48] de besnijdenis zouden gaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v9)

**10** Alleen, dat wij[^galaten-2-10-49] de armen zouden[^galaten-2-10-g] gedenken; dat zelf ik ook[^galaten-2-10-50] beijverd heb te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v10)

**11** En toen Petrus te[^galaten-2-11-51] Antiochië gekomen was, wederstond ik hem[^galaten-2-11-52] in het aangezicht, omdat hij[^galaten-2-11-53] te bestraffen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v11)

**12** Want voordat sommigen[^galaten-2-12-54] van Jakobus gekomen waren,[^galaten-2-12-55] at hij mee[^galaten-2-12-56] met de heidenen; maar toen zij gekomen waren,[^galaten-2-12-57] onttrok hij zich en scheidde zichzelf af,[^galaten-2-12-58] vrezende degenen, die uit de besnijdenis[^galaten-2-12-59] waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v12)

**13** En ook[^galaten-2-13-60] de andere Joden[^galaten-2-13-61] huichelden met hem; zo dat ook[^galaten-2-13-62] Barnabas mee afgetrokken werd door hun huichelarij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v13)

**14** Maar als ik zag, dat zij[^galaten-2-14-63] niet recht wandelden[^galaten-2-14-64] naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus[^galaten-2-14-65] in aller aanwezigheid:[^galaten-2-14-h] Als u, die een Jood bent,[^galaten-2-14-66] naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom[^galaten-2-14-67] noodzaakt u de heidenen[^galaten-2-14-68] naar de Joodse wijze te leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v14)

**15** [^galaten-2-15-69] Wij zijn[^galaten-2-15-70] van nature Joden, en[^galaten-2-15-71] niet zondaars uit de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v15)

**16** [^galaten-2-16-72][^galaten-2-16-i] Maar wetende, dat[^galaten-2-16-73] de mens niet[^galaten-2-16-74] gerechtvaardigd wordt uit de werken[^galaten-2-16-75] van de wet,[^galaten-2-16-76] maar[^galaten-2-16-77] door het geloof van Jezus[^galaten-2-16-78] Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet;[^galaten-2-16-79][^galaten-2-16-k] daarom dat uit de werken van de wet[^galaten-2-16-80] geen[^galaten-2-16-81] vlees zal gerechtvaardigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v16)

**17** [^galaten-2-17-82] Maar als wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelf[^galaten-2-17-83] zondaars bevonden worden,[^galaten-2-17-84] is dan Christus[^galaten-2-17-85] een dienaar van de[^galaten-2-17-86] zonde? Volstrekt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v17)

**18** Want als ik,[^galaten-2-18-87] wat ik afgebroken heb,[^galaten-2-18-88] het opnieuw opbouw, zo stel ik mijzelf tot een[^galaten-2-18-89] overtreder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v18)

**19** [^galaten-2-19-90][^galaten-2-19-l] Want ik ben[^galaten-2-19-91] door de wet[^galaten-2-19-92] voor de wet gestorven,[^galaten-2-19-m] opdat ik[^galaten-2-19-93] voor God leven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v19)

**20** Ik ben[^galaten-2-20-94] met Christus gekruist; en[^galaten-2-20-95] ik leef,[^galaten-2-20-96] maar niet meer ik,[^galaten-2-20-97] maar Christus leeft in mij; en wat ik nu[^galaten-2-20-98] in het vlees leef,[^galaten-2-20-99] dat leef ik door het geloof van de Zoon van[^galaten-2-20-n] God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij[^galaten-2-20-100] overgegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v20)

**21** Ik doe de genade van God niet te niet; want[^galaten-2-21-o] als de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.[^galaten-2-21-101][^galaten-2-21-102][^galaten-2-21-103] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/2.html#v21)

[^galaten-2-1-1]: Kanttekening 1: na veertien jaren: Namelijk boven de drie jaren, die hij in Arabië geweest is, Gal. 1:18 , zijnde zeventien jaren na zijne bekering, en het een en vijftigste jaar na Christus' geboorte. Galaten 1:18 : Daarna kwam ik na drie jaren weer te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.
[^galaten-2-1-2]: Kanttekening 2: opnieuw naar Jeruzalem: De apostel is na zijne bekering ettelijke malen naar Jeruzalem gegaan; eerst als hij weer uit Arabië na drie jaren gekomen was, Hand. 9:26 ; Gal. 1:18 ; daarna brengende met Barnabas de collecte te Jeruzalem, Hand. 11:30 en Hand. 12:25 , en als hij van de gemeente van Antiochië gezonden werd met Barnabas tot de synode van Jeruzalem Hand. 15:2 , opnieuw Hand. 18:18 , en eindelijk vanwege de belofte, en om de collecte daar te brengen, wanneer hij daar gevangen werd, Hand. 21:15 . Het schijnt dat de apostel hier spreekt van de reis, als hij naar de synode werd gezonden, die gehouden is in het zeventiende jaar na zijne bekering. Handelingen 9:26 : Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was. Galaten 1:18 : Daarna kwam ik na drie jaren weer te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. Handelingen 11:30 : Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. Handelingen 12:25 : Barnabas nu en Saulus keerden opnieuw van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. Handelingen 15:2 : Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij bestemd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. Handelingen 18:18 : En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan. Handelingen 21:15 : En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.
[^galaten-2-1-a]: Verwijzing a: Hand. 15:2 . Handelingen 15:2 : Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij bestemd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
[^galaten-2-1-3]: Kanttekening 3: opgegaan met: Zo spreekt de Schrift, als men naar Jeruzalem toe reist, omdat het in de hoogte op bergen lag; gelijk daarentegen die van Jeruzalem kwamen, worden gezegd af te komen of te gaan. Zie Mark. 3:22 ; Hand. 18:22 . Marcus 3:22 : En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de duivelen werpt Hij de duivelen uit. Handelingen 18:22 : En als hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië.
[^galaten-2-1-4]: Kanttekening 4: Titus meegenomen: Zie van hem Tit. 1:3 . Deze schijnt hij meegenomen te hebben nog onbesneden zijnde, om zo voor de valse broeders in hem te tonen de vrijheid van de wet van de ceremoniën. Titus 1:3 : Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^galaten-2-2-5]: Kanttekening 5: door een openbaring: Namelijk Gods, die door zijn Geest en in gezichten Paulus alleszins openbaarde, waar Hij zijn dienst wilde gebruiken. Zie Hand. 13:2 , en Hand. 16:7 , 16:10 , en Hand. 18:9 , en Hand. 19:21 , en Hand. 22:17 , en Hand. 23:11 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 16:7 : En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. Handelingen 16:10 : Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij meteen naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heer geroepen had, om dezelfde het Evangelie te verkondigen. Handelingen 18:9 : En de Heer zei tot Paulus door een gezicht in de nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. Handelingen 19:21 : En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. Handelingen 22:17 : En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was; Handelingen 23:11 : En de volgenden nacht stond de Heer bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen.
[^galaten-2-2-b]: Verwijzing b: Hand. 19:21 . Handelingen 19:21 : En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.
[^galaten-2-2-6]: Kanttekening 6: Het Griekse woord betekent iemand enige zaak met onderlinge samenreding verhalen.
[^galaten-2-2-7]: Kanttekening 7: hun het Evangelie: Namelijk de apostelen en leraars, die te Jeruzalem waren. Dit geschiedde in het openbaar voor allen.
[^galaten-2-2-8]: Kanttekening 8: in het bijzonder: Namelijk om zo te beter gelegenheid te hebben, om mijne leer van mij te verstaan en hunne overeenstemming met mij te betuigen.
[^galaten-2-2-9]: Kanttekening 9: in achting waren: Namelijk van wege hunne gaven en aanzien in de gemeente, ouderdom, of, anders; en dienvolgens de bekwaamste waren om daarvan te oordelen. Deze worden genoemd vers 9 . Galaten 2:9 : En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^galaten-2-2-10]: Kanttekening 10: tevergeefs zou: Dat is, zonder vrucht te doen onder de heidenen, dat zou geschied zijn, als hij de lasteringen van de valse broeders hiermede niet had weerlegd en teniet gedaan.
[^galaten-2-2-11]: Kanttekening 11: lopen of: Dat is, de dienst van het Evangelie volbrengen; ene gelijkenis van dergenen, die om strijd lopen in een loopbaan, om de prijs te winnen; 2 Tim. 4:7 . 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goeden strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^galaten-2-3-c]: Verwijzing c: Hand. 16:3 ; 1 Kor. 9:21 . Handelingen 16:3 : Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, vanwege de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was. 1 Korinthiërs 9:21 : Degenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (voor God nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou.
[^galaten-2-3-12]: Kanttekening 12: een Griek zijnde: Dat is, van heidense ouders geboren en onbesneden.
[^galaten-2-3-13]: Kanttekening 13: genoodzaakt zich: Namelijk door de apostelen, die te Jeruzalem waren, zo zij ook verstonden dat de besnijdenis nu afgedaan was. Maar waarom evenwel Paulus Timotheüs heeft laten besnijden, zie Hand. 16:3 . Handelingen 16:3 : Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, vanwege de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.
[^galaten-2-4-14]: Kanttekening 14: En dat om: De apostel geeft hier reden, waarom hij Titus niet wilde laten besnijden, opdat de valse broeders, die de besnijdenis nog nodig hielden ter zaligheid, Hand. 15:1 , in hunne dwaling niet zouden gestijfd, maar met de Christelijke vrijheid te beter bekend worden. Handelingen 15:1 : En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden.
[^galaten-2-4-d]: Verwijzing d: Hand. 15:24 . Handelingen 15:24 : Aangezien wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat u moet besneden worden, en de wet onderhouden; welke wij dat niet bevolen hadden;
[^galaten-2-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, die zich met bedrog en veinzing tot de gemeente van de gelovigen begeven hadden.
[^galaten-2-4-16]: Kanttekening 16: valse broeders: Dat is, dragende wel de naam van broeders en gelovigen, maar inderdaad zijnde vijanden van de zaligmakende leer.
[^galaten-2-4-17]: Kanttekening 17: van bezijden: Dat is, met geveinsde nederigheid en belijdenis bedektelijk ingeslopen in de gemeente.
[^galaten-2-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk ten kwade, om in het geheim te vernemen of zij niet enige oorzaak zouden kunnen vinden, om ons te lasteren.
[^galaten-2-4-19]: Kanttekening 19: onze vrijheid: Namelijk van de wet van de ceremoniën, waaronder ook de besnijdenis was, om daaruit oorzaak te nemen van ons te lasteren.
[^galaten-2-4-20]: Kanttekening 20: in Christus Jezus: Dat is, door Christus ons verkregen, als wat door de ceremoniën afgebeeld was, in Hem en door Hem vervuld is; Kol. 2:17 . Kolossensen 2:17 : Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.
[^galaten-2-4-21]: Kanttekening 21: tot dienstbaarheid: Dat is, dat wij de Christelijke vrijheid verlatende, van het juk van de ceremoniën, als ter zaligheid nodig, zouden onderwerpen.
[^galaten-2-5-22]: Kanttekening 22: niet een uur: De zwakken Joden hebben de apostelen een tijdlang toegegeven in het onderhouden van de ceremoniën, om hen te winnen, 1 Kor. 9:20 , 9:22 , en allengskens te brengen tot kennis van de Christelijke vrijheid; maar deze valsen broeders hebben zij de minsten tijd niet willen ontwijken of toegeven, om hen in hunne dwalingen en hardnekkigheid niet te stijven. 1 Korinthiërs 9:20 : En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou. 1 Korinthiërs 9:22 : Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou.
[^galaten-2-5-23]: Kanttekening 23: Ene gelijkenis, genomen van kampvechters of worstelaars, die hunne partij sterkelijk wederstaan en niet wijken. Zie de waarheid van dit zeggen Hand. 15:1 , 15:2 , enz. Handelingen 15:1 : En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden. Handelingen 15:2 : Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij bestemd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
[^galaten-2-5-24]: Kanttekening 24: met onderwerping: Dat is, dat wij hun zouden onderdanig zijn, of ons hun onderwerpen in het onderhouden van de ceremoniën.
[^galaten-2-5-25]: Kanttekening 25: opdat de waarheid: Dat is, dit hebben wij niet gedaan uit hardnekkigheid of twistgierigheid, maar om de zuiverheid van de leer van het Evangelie tegen hen te verdedigen en staande te houden in de gemeenten, voornamelijk van Galatië.
[^galaten-2-6-26]: Kanttekening 26: degenen, die: Dat is, de andere apostelen, die met rechten bij de gemeenten in grote achting zijn.
[^galaten-2-6-27]: Kanttekening 27: hoedanigen zij: Dat is, wat zij geweest zijn voordat zij tot apostelen geroepen waren. Of, wat voordelen zij voor mij gehad hebben, voordat ik tot een apostel ben geroepen geweest.
[^galaten-2-6-28]: Kanttekening 28: verschilt mij niet: Dat is, daar is mij niet aan gelegen. Of, daar zie ik niet op. Of, dat verschilt niet van mijn doen en leren.
[^galaten-2-6-29]: Kanttekening 29: God neemt de: Van deze wijze van spreken, zie Matt. 22:16 ; Hand. 10:34 . Dat is, in zaken van waarheid ziet God niet op enige uiterlijke voordelen of aanzien dergenen, die de waarheid leren, maar alleen op de zaak zelve. Mattheüs 22:16 : En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is;
[^galaten-2-6-e]: Verwijzing e: Deut. 10:17 ; 2 Kron. 19:7 ; Job 34:19 ; Hand. 10:34 ; Rom. 2:11 ; Efez. 6:9 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^galaten-2-6-30]: Kanttekening 30: hebben mij niets: Namelijk aangaande de leer van het Evangelie, dat ik van hen iets zou geleerd hebben, dat mij de Heer Christus zelf niet zou geopenbaard hebben.
[^galaten-2-7-31]: Kanttekening 31: Dat is, zij hebben niet alleen in mijne leer niets berispt, maar ook daarentegen die voor goed en oprecht gekend.
[^galaten-2-7-32]: Kanttekening 32: zij zagen: Dat is, bekenden, verstonden; gelijk vers 9 . Galaten 2:9 : En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^galaten-2-7-33]: Kanttekening 33: van de voorhuid: Dat is, van de heidenen die onbesneden zijn, vers 8 . Zie Rom. 2:26 , en Rom. 3:30 , en Rom. 4:12 . Namelijk om hetzelfde voornamelijk onder hen te prediken. Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Romeinen 2:26 : Als dan de voorhuid de rechten van de wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden? Romeinen 3:30 : Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. Romeinen 4:12 : En een vader van de besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was.
[^galaten-2-7-34]: Kanttekening 34: toebetrouwd was: Namelijk van Christus zelf en God de Vader; gelijk Gal. 1:1 . Galaten 1:1 : Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft,
[^galaten-2-7-35]: Kanttekening 35: van de besnijdenis: Dat is, van de besneden Joden, om hetzelfde onder hen te prediken. Zie Rom. 3:30 , en Rom. 15:8 . Romeinen 3:30 : Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. Romeinen 15:8 : En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is van de besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen van de vaderen;
[^galaten-2-8-36]: Kanttekening 36: De apostel wijst hier aan waaruit de apostelen gezien en bekend hebben, dat hem het Evangelie was toevertrouwd, namelijk uit de krachtige werking Gods door zijne predikatie tot bekering van de heidenen.
[^galaten-2-8-37]: Kanttekening 37: Die in Petrus: Namelijk de Heer Christus, die de dienst van Petrus vergezelschapt heeft met de krachtige werking van Zijn Geest.
[^galaten-2-8-f]: Verwijzing f: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 ; Hand. 22:21 ; Galat. 1:16 ; Efez. 3:8 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; Efeziërs 3:8 : Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
[^galaten-2-8-38]: Kanttekening 38: in mij: Of, door mij, dat is, door mijn dienst.
[^galaten-2-8-39]: Kanttekening 39: onder de heidenen: Namelijk tot hunne bekering.
[^galaten-2-9-40]: Kanttekening 40: Zie van hem Gal. 1:19 . Galaten 1:19 : En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, de broeder van de Heer.
[^galaten-2-9-41]: Kanttekening 41: Dat is, Petrus. Zie van deze naam Matt. 16:18 , en Joh. 1:43 . Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen. Johannes 1:43 : En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genaamd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus.
[^galaten-2-9-42]: Kanttekening 42: Namelijk de zoon van Zebedeüs, een broeder van Jakobus de Grote, die van Herodes is onthalsd; Hand. 12 . Zie van hem Matt. 4:21 , en Matt. 10:2 , en Matt. 17:1 . Mattheüs 4:21 : En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen. Mattheüs 10:2 : De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Mattheüs 17:1 : En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen.
[^galaten-2-9-43]: Kanttekening 43: pilaren te zijn: Namelijk zo van het gezelschap van de apostelen, als van de gemeente, omdat zij door hun dienst de waarheid van het Evangelie standvastig voorstonden en staande hielden, en in het bijzonder in groot aanzien waren bij de gemeente, als een sieraad derzelve. Zie Jer. 1:18 , Openb. 3:12 . Jeremia 1:18 : Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gehele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. Openbaring 3:12 : Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.
[^galaten-2-9-44]: Kanttekening 44: de genade: Namelijk van het apostelschap, Rom. 1:4 . Of de werken en vruchten van de genade. Of, de gaven, als daar waren met vreemde talen te spreken, profetie, wonderwerken en dergelijke. Romeinen 1:4 : Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer:
[^galaten-2-9-45]: Kanttekening 45: de rechter hand : Namelijk tot een teken en verzekering dat zij erkenden, dat wij met hem gemeenschap hadden, zo in de dienst van het apostelschap, als in de zuiverheid van de leer van het Evangelie.
[^galaten-2-9-46]: Kanttekening 46: Namelijk ik en Barnabas.
[^galaten-2-9-47]: Kanttekening 47: Namelijk Petrus en de andere twee apostelen.
[^galaten-2-9-48]: Kanttekening 48: de besnijdenis: Dat is, tot de besneden Joden. Zie vers 7 . Galaten 2:7 : Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie van de voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat van de besnijdenis;
[^galaten-2-10-49]: Kanttekening 49: de armen zouden: Namelijk om voor hen ene collecte onder de gemeente uit de heidenen te verzorgen.
[^galaten-2-10-g]: Verwijzing g: Hand. 11:30 ; Hand. 24:17 ; Rom. 15:25 ; 1 Kor. 16:1 ; 2 Kor. 8:1 ; 2 Kor. 9:1 . Handelingen 11:30 : Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. Handelingen 24:17 : Maar na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden. Romeinen 15:25 : Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. 1 Korinthiërs 16:1 : Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook u zo. 2 Korinthiërs 8:1 : Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonië gegeven is. 2 Korinthiërs 9:1 : Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.
[^galaten-2-10-50]: Kanttekening 50: Dit blijkt doorgaans ook in zijne zendbrieven, en voornamelijk Rom. 15:27 ; 1 Kor. 16:1 ; 2 Kor. 9:1 . Romeinen 15:27 : Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 1 Korinthiërs 16:1 : Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook u zo. 2 Korinthiërs 9:1 : Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.
[^galaten-2-11-51]: Kanttekening 51: Zie van deze stad Hand. 11:19 . Handelingen 11:19 : Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden.
[^galaten-2-11-52]: Kanttekening 52: in het aangezicht: Dat is, in zijne en aller aanwezigheid, gelijk vers 14 verklaard wordt. Zie ook 2 Kor. 10:1 . Galaten 2:14 : Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in aller aanwezigheid: Als u, die een Jood bent, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt u de heidenen naar de Joodse wijze te leven? 2 Korinthiërs 10:1 : Verder ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u;
[^galaten-2-11-53]: Kanttekening 53: te bestraffen was: Dat is, verdiende bestraft te worden.
[^galaten-2-12-54]: Kanttekening 54: van Jakobus: Waarom Jakobus deze naar Antiochië gezonden had, is onzeker; sommigen menen om te laten vernemen naar de staat van de gemeente daar, of iets de apostelen, daar zijnde, te kennen te geven.
[^galaten-2-12-55]: Kanttekening 55: at hij mee: Namelijk allerlei voedsel, ook dat in het Oude Testament verboden was, volgende de Christelijke vrijheid, waarvan hij door een hemels gezicht verzekerd was, Hand. 10 , zodat hij daaraan weldeed.
[^galaten-2-12-56]: Kanttekening 56: met de heidenen: Namelijk die tot Christus bekeerd waren, en het juk van de ceremoniële wet nooit waren onderworpen geweest.
[^galaten-2-12-57]: Kanttekening 57: onttrok hij zich : Dat is, wilde hij met de gelovige heidenen niet meer eten, daarmede veinzende alsof hij verstond, dat het eten van allerlei voedsel de Christenen ongeoorloofd zou zijn; waaraan hij zeer kwalijk deed, gelijk in het volgende blijkt.
[^galaten-2-12-58]: Kanttekening 58: vrezende degenen: Dat is, vrezende dat hij deze Joden daarmede oorzaak zou geven om kwalijk van hem te spreken. Zie dergelijke Hand. 11:2 . Handelingen 11:2 : En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,
[^galaten-2-12-59]: Kanttekening 59: die uit de besnijdenis waren: Dat is, de Joden, die tot de Christelijken godsdienst bekeerd waren, en nog het onderscheid van de spijzen onderhielden, volgens de wet van de ceremoniën, van de afdoening derzelve nog niet ten volle onderricht zijnde.
[^galaten-2-13-60]: Kanttekening 60: de andere Joden: Namelijk die Christenen geworden waren, en die de Christelijke vrijheid enigszins geleerd en gebruikt hadden.
[^galaten-2-13-61]: Kanttekening 61: veinsden met hem: De apostel noemt deze daad van Petrus tweemalen in vers 13 ene veinzing, welke is als iemand anders doet of spreekt dan hij in zijn hart of gemoed gevoelt; dat nimmermeer geoorloofd is te doen. Dit deden ook deze Joden, door het voorbeeld van Petrus verleid zijnde. Galaten 2:13 : En ook de andere Joden veinsden met hem; zo dat ook Barnabas mee afgetrokken werd door hun veinzing.
[^galaten-2-13-62]: Kanttekening 62: Barnabas mee: Van deze, zie Hand. 11:22 , 11:30 , en Hand. 13:1 , 13:2 , en Hand. 15:2 . Handelingen 11:22 : En het gerucht van hen kwam tot de oren van de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe. Handelingen 11:30 : Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. Handelingen 13:1 : En er waren te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 15:2 : Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij bestemd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
[^galaten-2-14-63]: Kanttekening 63: niet recht wandelden: Grieks de voeten niet recht stelden; dat is, gelijk als hinkten, niet rechtuit gingen om tot het doel en einde van de Christelijke leer te komen; 1 Kon. 18:21 ; Hebr. 12:13 . 1 Koningen 18:21 : Toen naderde Elia tot het gehele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo YHWH God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord. Hebreeën 12:13 : En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
[^galaten-2-14-64]: Kanttekening 64: naar de waarheid: Dat is, naar de zuiverheid; naar de ware leer van het Evangelie, aangaande de Christelijke vrijheid.
[^galaten-2-14-65]: Kanttekening 65: in aller aanwezigheid: Namelijk omdat hij openlijk voor allen zondigde en ergernis gaf; 1 Tim. 5:20 . 1 Timotheüs 5:20 : Bestraf die zondigen in aanwezigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.
[^galaten-2-14-h]: Verwijzing h: Hand. 10:28 . Handelingen 10:28 : En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.
[^galaten-2-14-66]: Kanttekening 66: naar heidense wijze: Dat is, allerlei voedsel vóór deze gegeten hebt, gelijk de Christenen, uit de heidenen bekeerd, ook doen, volgende de Christelijke vrijheid, vers 12 . Galaten 2:12 : Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mee met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelf af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren.
[^galaten-2-14-67]: Kanttekening 67: noodzaakt u de: Namelijk met uw kwaad exempel, dat hen noodzakelijk moet bewegen om na te volgen, of omdat u dezelfde voor geen rechte Christenen schijnt te erkennen, zo zij, gelijk u, zich aan de wet van de ceremoniën niet onderwerpen.
[^galaten-2-14-68]: Kanttekening 68: naar de Joodse wijze: Namelijk de wet van de ceremoniën te onderhouden; dat de Joden in het Oude Testament deden, en de bekeerden Joden, die de Christelijke vrijheid nog niet verstonden, voor een tijd nog toegelaten werd als een middelmatige zaak, vanwege de stichting. Maar aangaande degenen, die uit de heidenen bekeerd waren, is in de synode van Jeruzalem goedgevonden, dat men hen daarmede niet zou bezwaren. Zie Hand. 15:10 , 15:28 . Handelingen 15:10 : Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Handelingen 15:28 : Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
[^galaten-2-15-69]: Kanttekening 69: Wij zijn: Of, wij Joden van nature, en niet zondaars uit de heidenen, wetende, enz. Wij, namelijk, ik en ook u, Petrus. Want de apostel verhaalt hier nog, hoe hij Petrus heeft aangesproken.
[^galaten-2-15-70]: Kanttekening 70: van nature Joden: Dat is, van afkomst en geboorte, Rom. 2:17 , 2:28 , en dus geboren onder de wet van de ceremoniën. Romeinen 2:17 : Zie, u wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God, Romeinen 2:28 : Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;
[^galaten-2-15-71]: Kanttekening 71: niet zondaars: Dat is, niet van heidense afkomst, welke afgodendienaars waren en grote zondaren, vreemd van het verbond Gods. Zie Ef. 2:11 . De apostel wil zeggen: Aangezien wij apostelen, die Joden zijn, onze rechtvaardigmaking niet zoeken in de werken van de wet, maar in het geloof van Christus, zo moet men veel min de heidenen leren of noodzaken hunne rechtvaardigheid te zoeken in de onderhouding van de wet; Rom. 3:9 . Efeziërs 2:11 : Daarom gedenkt, dat u, die eertijds heidenen was in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Romeinen 3:9 : Wat dan? Zijn wij uitmuntender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;
[^galaten-2-16-72]: Kanttekening 72: wetende, dat: Dat is, omdat wij het zekerlijk weten.
[^galaten-2-16-i]: Verwijzing i: Hand. 13:38 ; Rom. 3:28 ; Rom. 8:3 ; Hebr. 7:18 . Handelingen 13:38 : Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt; Romeinen 3:28 : Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. Romeinen 8:3 : Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Hebreeën 7:18 : Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijn zwakheids en onprofijtelijkheids wil;
[^galaten-2-16-73]: Kanttekening 73: de mens niet: Wie, of hoe heilig hij ook zou mogen zijn.
[^galaten-2-16-74]: Kanttekening 74: Wat het zij gerechtvaardigd te worden, zie in de aantekeningen Rom. 3:20 . Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.
[^galaten-2-16-75]: Kanttekening 75: van de wet: Namelijk Mozes, zo van de zeden als van de ceremoniën.
[^galaten-2-16-76]: Kanttekening 76: Of, dan, gelijk Matt. 12:4 ; 1 Kor. 7:17 ; Gal. 1:7 ; Openb. 21:27 . Dat is, alleen door het geloof, gelijk de volgende woorden dat duidelijk medebrengen. Mattheüs 12:4 : Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen. 1 Korinthiërs 7:17 : Maar gelijk God aan iedereen heeft uitgedeeld, gelijk de Heer iedereen geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten. Galaten 1:7 : Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^galaten-2-16-77]: Kanttekening 77: door het geloof: Dat is, als wij met een oprecht en levend geloof de gerechtigheid van Christus aannemen; Rom. 3:24 , 3:28 . Romeinen 3:24 : En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3:28 : Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.
[^galaten-2-16-78]: Kanttekening 78: zo hebben wij ook: Dat is, dit is de oorzaak, waarom wij apostelen Christus met waar geloof aangenomen hebben. Want hadden wij door de wet kunnen gerechtvaardigd worden, zo zouden wij niet behoefd hebben tot Christus te gaan.
[^galaten-2-16-79]: Kanttekening 79: daarom dat uit: Dit bewijs is genomen uit de Schriftuur van het Oude Testament, Ps. 143:2 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
[^galaten-2-16-k]: Verwijzing k: Rom. 3:20 ; Galat. 3:11 . Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Galaten 3:11 : En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^galaten-2-16-80]: Kanttekening 80: geen \[vlees zal gerechtvaardigd worden.: Grieks, niet zal gerechtvaardigd worden alle vlees; dat is, geen vlees; een Hebreeuwse wijze van spreken; gelijk Ps. 143:2 ; Rom. 3:20 . Psalmen 143:2 : En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.
[^galaten-2-16-81]: Kanttekening 81: vlees zal gerechtvaardigd: Dat is, mens. Zie Gen. 6:12 ; Jes. 40:6 . Genesis 6:12 : Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. Jesaja 40:6 : Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld.
[^galaten-2-17-82]: Kanttekening 82: Maar als wij: Hier spreekt de apostel nu verder de Galaten aan, en beantwoordt ene tegenwerping, die zij tegen de voorgaande leer zouden mogen voorwerpen; namelijk dat dezelfde de mens zorgeloos maakt, tot zondigen aanleidt, en dat zo Christus de mensen in het zondigen zou stijven. Van deze tegenwerping zie ook Rom. 3:31 , en Rom. 6:1 , 6:2 , 6:3 . Romeinen 3:31 : Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet. Romeinen 6:1 : Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Romeinen 6:2 : Dat zij verre. Wij, die van de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelfde leven? Romeinen 6:3 : Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
[^galaten-2-17-83]: Kanttekening 83: zondaars bevonden: Dat is, nog dagelijks zondigen.
[^galaten-2-17-84]: Kanttekening 84: is dan Christus: Dat is, en zal daaruit niet volgen dat dan Christus, enz.
[^galaten-2-17-85]: Kanttekening 85: een dienaar van de zonde: Dat is, dat deze leer van de rechtvaardigmaking van de mensen zonder de werken van de wet, alleen door het geloof van Christus, dienen zal en de mensen oorzaak zal geven om te vrijer te zondigen.
[^galaten-2-17-86]: Kanttekening 86: Dat zij verre: Zie de aantekeningen op Rom. 6:2 . Romeinen 6:2 : Dat zij verre. Wij, die van de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelfde leven?
[^galaten-2-18-87]: Kanttekening 87: wat ik afgebroken: Namelijk door mijn ernstige en gedurige vermaningen om de zonden te vluchten.
[^galaten-2-18-88]: Kanttekening 88: datzelve opnieuw: Namelijk door ene leer, die zulke vermaningen krachteloos zou maken en de mensen tot zondigen verwekken.
[^galaten-2-18-89]: Kanttekening 89: Namelijk van Gods bevel, en van de wetten van de oprechtheid, die in een getrouw leraar behoort te wezen.
[^galaten-2-19-90]: Kanttekening 90: Want ik ben: Dat deze leer van de apostel uit zichzelf de mensen tot zondigen niet verwekt, bewijst hij met zijn eigen voorbeeld, voorbijgaande de voorbeelden van anderen, omdat het kan gebeuren, dat deze leer van sommigen wel daartoe misbruikt zou worden. Maar wat hij van zichzelf zegt, is ook waar in alle ware gelovigen.
[^galaten-2-19-l]: Verwijzing l: Rom. 7:4 . Romeinen 7:4 : Zo dan, mijn broeders, u bent ook van de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u zoudt worden van een Ander, namelijk Degene, Die van de doden opgewekt is, opdat wij voor God vruchten dragen zouden.
[^galaten-2-19-91]: Kanttekening 91: door de wet: Dat is, door de dienst van de wet.
[^galaten-2-19-92]: Kanttekening 92: van de wet gestorven: Dat is, ik heb door de wet geleerd dat ik een groot zondaar ben, naar de wet de vloek en dood onderworpen, en dat de gerechtigheid, die de wet eist, in mij niet is, en dienvolgens dat de wet mij in de dood laat.
[^galaten-2-19-m]: Verwijzing m: Rom. 14:7 ; 2 Kor. 5:15 ; 1 Thes. 5:10 ; Hebr. 9:14 ; 1 Petr. 4:2 . Romeinen 14:7 : Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. 2 Korinthiërs 5:15 : Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 1 Thessalonicensen 5:10 : Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen? 1 Petrus 4:2 : Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^galaten-2-19-93]: Kanttekening 93: voor God leven zou: Dat is, een nieuw en heilig leven zou leiden, dat voor God behagelijk is, volgens zijne geboden, en overzulks niet van de zonde. Zie Rom. 6:11 . Romeinen 6:11 : Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer.
[^galaten-2-20-94]: Kanttekening 94: met Christus gekruist: Hoe dit te verstaan is, zie Rom. 6:6 , waar hetzelfde gezegd en nader verklaard wordt. Romeinen 6:6 : Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.
[^galaten-2-20-95]: Kanttekening 95: ik leef, maar : Namelijk nu waarlijk een geestelijk leven.
[^galaten-2-20-96]: Kanttekening 96: niet meer ik: Namelijk zodanig als ik was vóór mijne bekering en wedergeboorte.
[^galaten-2-20-97]: Kanttekening 97: maar Christus leeft in: Namelijk door Zijn Heilige Geest, door welke Hij mij geleidt in de wegen Gods en mij vruchtbaar maakt tot goede werken.
[^galaten-2-20-98]: Kanttekening 98: in het vlees leef: Dat is, in dit mijn natuurlijk leven; dat hij onderscheidt van het geestelijke.
[^galaten-2-20-99]: Kanttekening 99: dat leef ik door het: Dat is, hoewel ik mijne zwakheden in dat vlees heb, zo geloof en vertrouw ik dat de Zoon van God voor dezelfde door Zijn dood voldaan heeft; die mij ook door Zijn Geest levend maakt.
[^galaten-2-20-n]: Verwijzing n: Galat. 1:4 ; Efez. 5:2 ; Titus 2:14 . Galaten 1:4 : Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Titus 2:14 : Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
[^galaten-2-20-100]: Kanttekening 100: overgegeven heeft: Namelijk in de dood; Rom. 4:25 . Romeinen 4:25 : Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
[^galaten-2-21-o]: Verwijzing o: Hebr. 7:11 . Hebreeën 7:11 : Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelfde heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?
[^galaten-2-21-101]: Kanttekening 101: de genade van God: Namelijk die door Christus geschied is, waarvan hij in vers 20 gesproken heeft. Galaten 2:20 : Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.
[^galaten-2-21-102]: Kanttekening 102: te niet: Dat geschiedt, wanneer men niet gelooft dat Christus volkomenlijk onze gerechtigheid is.
[^galaten-2-21-103]: Kanttekening 103: tevergeefs gestorven: Of, om niet, dat is, zonder oorzaak, reden, nood, of vrucht; Joh. 15:25 . Johannes 15:25 : Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.

### Galaten 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/3.json)

*1 De apostel bewijst, na een scherpe berisping van de Galaten, verder dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de werken van de wet, maar door het geloof in Christus. 2 aangezien zij zelf hadden ondervonden dat zij de gaven van de Geest niet door de wet maar door het geloof ontvangen hadden. 6 Hij bewijst het ook door het voorbeeld van Abraham, die een vader is van alle gelovigen. 10 en door enige duidelijke getuigenissen van de Heilige Schrift. 13 Hij betuigt dat Christus ons van de vloek van de wet verlost heeft en de zegen verworven heeft. 15 Dat met deze leer de wet niet wordt tenietgedaan, noch krachteloos gemaakt, noch in strijd is met de belofte van God. 19 maar dat die ons de zonde aanwijst. 24 en als een tuchtmeester tot Christus leidt. 25 Daarna leert hij hoe de wet van Mozes door Christus afgedaan is voor alle gelovigen: zonder onderscheid van volken of hoedanigheden. 29 omdat zij allen Abrahams zaad zijn.*

**1** O u[^galaten-3-1-1] dwaze Galaten,[^galaten-3-1-a] wie heeft u[^galaten-3-1-2] betoverd, dat u[^galaten-3-1-3] om de waarheid niet zou[^galaten-3-1-4] gehoorzaam zijn; die Jezus Christus voor de ogen te voren[^galaten-3-1-5] geschilderd is geweest, onder u[^galaten-3-1-6] gekruist zijnde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v1)

**2** [^galaten-3-2-7] Dit alleen wil ik[^galaten-3-2-8] van u leren: hebt u[^galaten-3-2-9] de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of[^galaten-3-2-10] uit de prediking van het geloof? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v2)

**3** Bent u zo[^galaten-3-3-11] dwaas? Daar u[^galaten-3-3-12] met de Geest[^galaten-3-3-13] begonnen bent, voltooit u nu[^galaten-3-3-14] met het vlees? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v3)

**4** Hebt u[^galaten-3-4-15] zoveel[^galaten-3-4-16] tevergeefs geleden?[^galaten-3-4-17] Als maar ook tevergeefs! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v4)

**5** Die u dan de Geest verleent, en[^galaten-3-5-19] krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of[^galaten-3-5-20] uit de prediking van het geloof?[^galaten-3-5-18] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v5)

**6** [^galaten-3-6-b] Zoals[^galaten-3-6-21] Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v6)

**7** [^galaten-3-7-22] Zo verstaat u dan, dat degenen,[^galaten-3-7-23] die uit het geloof zijn,[^galaten-3-7-24] Abrahams kinderen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v7)

**8** En[^galaten-3-8-25] de Schrift,[^galaten-3-8-26] te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft[^galaten-3-8-27] te voren aan Abraham[^galaten-3-8-28] het Evangelie verkondigd[^galaten-3-8-c],[^galaten-3-8-29] zeggende: In u zullen al de[^galaten-3-8-30] volken[^galaten-3-8-31] gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v8)

**9** Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend[^galaten-3-9-32] met de gelovige Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v9)

**10** Want zovelen als er[^galaten-3-10-33] uit de werken van de wet zijn,[^galaten-3-10-34] die zijn onder de vloek; want[^galaten-3-10-35] er is geschreven:[^galaten-3-10-d] Vervloekt is[^galaten-3-10-36] een ieder die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet,[^galaten-3-10-37] om dat te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v10)

**11** [^galaten-3-11-e] En dat niemand[^galaten-3-11-38] door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar;[^galaten-3-11-f] want[^galaten-3-11-39] de rechtvaardige zal uit het geloof leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v11)

**12** Maar de wet[^galaten-3-12-40] is niet uit het geloof; maar[^galaten-3-12-g] de mens,[^galaten-3-12-41] die deze dingen doet, zal[^galaten-3-12-42] daardoor[^galaten-3-12-43] leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v12)

**13** [^galaten-3-13-h] Christus heeft ons[^galaten-3-13-44] verlost[^galaten-3-13-45] van de vloek van de wet,[^galaten-3-13-46] een vloek geworden zijnde[^galaten-3-13-47] voor ons; want[^galaten-3-13-48] er is geschreven:[^galaten-3-13-i] Vervloekt is een ieder die[^galaten-3-13-49] aan het hout hangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v13)

**14** Opdat[^galaten-3-14-50] de zegening van[^galaten-3-14-51] Abraham tot de heidenen[^galaten-3-14-52] komen zou[^galaten-3-14-53] in Christus Jezus, en opdat[^galaten-3-14-54] wij[^galaten-3-14-55] de belofte van de Geest verkrijgen[^galaten-3-14-56] zouden door het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v14)

**15** Broeders, ik spreek[^galaten-3-15-57] naar de mens:[^galaten-3-15-k] zelfs het verbond van een mens[^galaten-3-15-58],[^galaten-3-15-59] dat bevestigd is,[^galaten-3-15-60] doet niemand te niet, of[^galaten-3-15-61] niemand doet daartoe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v15)

**16** [^galaten-3-16-l] Nu zo zijn[^galaten-3-16-62] de beloftenissen tot Abraham en zijn[^galaten-3-16-63] zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van één: En uw zade;[^galaten-3-16-64] dat is Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v16)

**17** [^galaten-3-17-65] En dit zeg ik:[^galaten-3-17-66] Het verbond, dat[^galaten-3-17-67] te voren van God bevestigd is[^galaten-3-17-68] op Christus, wordt[^galaten-3-17-69] door de wet,[^galaten-3-17-70] die[^galaten-3-17-m] na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet[^galaten-3-17-71] krachteloos gemaakt, om[^galaten-3-17-72] de beloftenis te niet te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v17)

**18** [^galaten-3-18-n] Want als[^galaten-3-18-73] de erfenis[^galaten-3-18-74] uit de wet is, zo is zij niet meer[^galaten-3-18-75] uit de belofte; maar God heeft[^galaten-3-18-76] ze Abraham[^galaten-3-18-77] door de belofte[^galaten-3-18-78] genadig gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v18)

**19** [^galaten-3-19-79] Waartoe is dan de wet?[^galaten-3-19-o] Zij is[^galaten-3-19-80] omwille van de overtredingen[^galaten-3-19-81] daarbij gesteld, totdat[^galaten-3-19-82] het zaad zou gekomen zijn,[^galaten-3-19-83] die het beloofd was; en[^galaten-3-19-84] zij is[^galaten-3-19-85][^galaten-3-19-p] door de engelen[^galaten-3-19-86] besteld[^galaten-3-19-87] in de[^galaten-3-19-88][^galaten-3-19-q] hand van de Middelaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v19)

**20** En de Middelaar is niet[^galaten-3-20-89] Middelaar van één, maar God[^galaten-3-20-90] is één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v20)

**21** [^galaten-3-21-91] Is dan de wet tegen de beloften van God?[^galaten-3-21-92] Volstrekt niet; want als er een wet[^galaten-3-21-93] gegeven was,[^galaten-3-21-94] die machtig was levend te maken,[^galaten-3-21-95] zo zou werkelijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v21)

**22** [^galaten-3-22-96][^galaten-3-22-r] Maar[^galaten-3-22-97] de Schrift heeft het alles[^galaten-3-22-98] onder de zonde besloten,[^galaten-3-22-99] opdat de belofte[^galaten-3-22-100] uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.[^galaten-3-22-101][^galaten-3-22-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v22)

**23** Maar voordat het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.[^galaten-3-23-103][^galaten-3-23-104][^galaten-3-23-105] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v23)

**24** [^galaten-3-24-s] Zo dan, de wet is onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.[^galaten-3-24-106][^galaten-3-24-107][^galaten-3-24-108][^galaten-3-24-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v24)

**25** Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de leermeester.[^galaten-3-25-110][^galaten-3-25-111] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v25)

**26** [^galaten-3-26-t] Want u bent alle kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.[^galaten-3-26-112][^galaten-3-26-113][^galaten-3-26-114][^galaten-3-26-115] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v26)

**27** [^galaten-3-27-v] Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan.[^galaten-3-27-116][^galaten-3-27-117][^galaten-3-27-118] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v27)

**28** Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw;[^galaten-3-28-x] want u allen bent één in Christus Jezus.[^galaten-3-28-119][^galaten-3-28-120][^galaten-3-28-121] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v28)

**29** [^galaten-3-29-y] En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.[^galaten-3-29-122][^galaten-3-29-123][^galaten-3-29-124][^galaten-3-29-125] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/3.html#v29)

[^galaten-3-1-1]: Kanttekening 1: Of, onverstandige, onwijze. Zo noemt hij hen, om te tonen dat hij houdt, dat zij dit deden meer uit onbezonnenheid of onvoorzichtigheid dan uit boosheid. Zie dergelijke Luk. 24:25 , waarmee hij dan niets doet tegen de leer van Christus, Matt. 5:22 . Zie ook 1 Kor. 15:36 . Lukas 24:25 : En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten gesproken hebben! Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. 1 Korinthiërs 15:36 : U dwaas, wat u zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;
[^galaten-3-1-a]: Verwijzing a: Galat. 5:7 . Galaten 5:7 : U liept wel; wie heeft u verhinderd van de waarheid niet gehoorzaam te zijn?
[^galaten-3-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, de ogen uws verstands zo verblindt, dat u de rechte waarheid niet kunt zien, gelijk de goochelaars de uiterlijke ogen van de mensen betoveren, dat zij menen te zien wat zij niet zien. Hij vergelijkt dan deze valse leraars bij goochelaars, en geeft hun de voornaamste schuld van deze verleiding, die als bedriegers met schoonspreken en listigheden de eenvoudigen verleiden.
[^galaten-3-1-3]: Kanttekening 3: van de waarheid: Namelijk van het Evangelie, dat de mens voor God gerechtvaardigd wordt door het geloof; waarvan gesproken is Gal. 2:5 , 2:14 . Galaten 2:5 : Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven. Galaten 2:14 : Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in aller aanwezigheid: Als u, die een Jood bent, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt u de heidenen naar de Joodse wijze te leven?
[^galaten-3-1-4]: Kanttekening 4: gehoorzaam zijn: Dat is, aannemen en geloven.
[^galaten-3-1-5]: Kanttekening 5: geschilderd is: Of, voorgeschilderd, dat is, zo duidelijk door mijne predikatiën u voorgedragen, alsof het in een tafereel geschilderd was of voorgeschreven.
[^galaten-3-1-6]: Kanttekening 6: gekruist zijnde: Dat is, van wiens kruisiging, en ook van de oorzaken en vruchten derzelve, dat wij namelijk daardoor van de vloek van de wet en dienstbaarheid van de ceremoniën verlost zijn, ik u zo overvloedig en klaar heb geleerd, alsof Hij zelf voor uwe ogen gekruisigd was geweest.
[^galaten-3-2-7]: Kanttekening 7: Dit alleen wil ik: Namelijk uit vele andere zaken, die u zouden kunnen overtuigen van dwalingen.
[^galaten-3-2-8]: Kanttekening 8: van u leren: Dat is, antwoordt mij op deze zaak alleen. Niet dat hij het niet zou geweten hebben, maar zulks zegt hij om te tonen dat hij met hun eigen zeggen hierin zal tevreden zijn.
[^galaten-3-2-9]: Kanttekening 9: de Geest ontvangen: Dat is, de gaven van de Heilige Geest, als daar zijn de geest van de wedergeboorte, van de heiligmaking, en van de aanneming tot kinderen.
[^galaten-3-2-10]: Kanttekening 10: uit de prediking: Grieks uit het gehoor; dat is, uit de prediking van de leer van het Evangelie. Zie Jes. 53:1 ; Joh. 12:38 ; Rom. 10:16 . Jesaja 53:1 : Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard? Johannes 12:38 : Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heer, wie heeft onze prediking geloofd, en wie is de arm van de Heer geopenbaard? Romeinen 10:16 : Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd?
[^galaten-3-3-11]: Kanttekening 11: Of, zonder verstand, dwaas.
[^galaten-3-3-12]: Kanttekening 12: met de Geest: Dat is, met de genade en leer van het geloof, dat de Heilige Geest werkt.
[^galaten-3-3-13]: Kanttekening 13: begonnen zijt: Namelijk als u eerst tot Christus bent bekeerd, om door Hem de zaligheid te zoeken.
[^galaten-3-3-14]: Kanttekening 14: met het vlees: Dat is, met de werken van de wet en met de ceremoniën, die uiterlijk gedaan en gezien worden; dat de valse leraars van de Galaten leerden.
[^galaten-3-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk vervolgingen, versmaadheden en verongelijkingen om de zaak en de leer van Christus.
[^galaten-3-4-16]: Kanttekening 16: tevergeefs geleden: Dat is, zonder vrucht en vergelding, dat gebeuren zou zo u van die leer opnieuw zoudt afwijken.
[^galaten-3-4-17]: Kanttekening 17: Als maar ook: Dat is, het zij verre dat zulks zou gebeuren, hopende dat zulks hun niet zou wedervaren. Of, zo het maar daar alleen bij bleef, en dat u niet nog andere zwarigheden om uwe afwijkingen zoudt te verwachten hebben.
[^galaten-3-5-19]: Kanttekening 19: Dat is, wonderwerken. Zie 1 Kor. 12:10 , 12:28 . 1 Korinthiërs 12:10 : En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen. 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^galaten-3-5-20]: Kanttekening 20: uit de prediking: Zie vers 2 . Galaten 3:2 : Dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?
[^galaten-3-5-18]: Kanttekening 18: de Geest verleent: Dat is, die geestelijke gaven. Zie vers 2 . Galaten 3:2 : Dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?
[^galaten-3-6-b]: Verwijzing b: Gen. 15:6 ; Rom. 4:3 ; Jak. 2:23 . Genesis 15:6 : En hij geloofde in YHWH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Romeinen 4:3 : Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. Jakobus 2:23 : En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
[^galaten-3-6-21]: Kanttekening 21: Abraham voor God geloofd heeft: Zie van dit voorbeeld Gen. 15:6 , en Rom. 4:3 , enz. Genesis 15:6 : En hij geloofde in YHWH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Romeinen 4:3 : Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
[^galaten-3-7-22]: Kanttekening 22: Zo verstaat u dan: Of, verstaat dan.
[^galaten-3-7-23]: Kanttekening 23: die uit het geloof zijn: Dat is, die hunne gerechtigheid zoeken in Christus door het geloof.
[^galaten-3-7-24]: Kanttekening 24: Abrahams kinderen zijn: Namelijk geestelijke kinderen, niet naar het vlees, maar naar de belofte. Zie Joh. 8:39 ; Rom. 4:11 , en Rom. 9:6 , 9:7 , 9:8 ; vers 29 . Gelijk dan de vader gerechtvaardigd is, zo worden ook de kinderen gerechtvaardigd, zo er maar ééne wijze is om gerechtvaardigd te worden, namelijk door het geloof in Christus. Zie Rom. 3:30 . Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen. Romeinen 4:11 : En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. Galaten 3:29 : En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. Romeinen 3:30 : Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.
[^galaten-3-8-25]: Kanttekening 25: de Schrift: Dat is, de Heilige Geest, sprekende in de Heilige Schrift.
[^galaten-3-8-26]: Kanttekening 26: te voren ziende: Namelijk Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^galaten-3-8-27]: Kanttekening 27: te voren aan Abraham: Namelijk ook zelfs in het Oude Testament.
[^galaten-3-8-28]: Kanttekening 28: het Evangelie verkondigd: Grieks te voren geëvangeliseerd.
[^galaten-3-8-c]: Verwijzing c: Gen. 12:3 ; Gen. 18:18 ; Gen. 22:18 ; Gen. 26:4 ; Gen. 49:10 ; Hand. 3:25 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 18:18 : Omdat Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 26:4 : En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Handelingen 3:25 : Gijlieden zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^galaten-3-8-29]: Kanttekening 29: In u: Dat is, in het zaad dat u beloofd is en van u zal voortkomen, dat is Christus, gelijk vers 16 verklaard wordt. Zie ook Gen. 22:18 . Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^galaten-3-8-30]: Kanttekening 30: Dat is, zowel heidenen als Joden.
[^galaten-3-8-31]: Kanttekening 31: gezegend worden: Dat is, gerechtvaardigd en zalig worden.
[^galaten-3-9-32]: Kanttekening 32: met de gelovige Abraham: Dat is, op dezelfde manier als de gelovige Abraham is gezegend of gerechtvaardigd geweest. Zie vers 6 , 3:7 . Galaten 3:6 : Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; Galaten 3:7 : Zo verstaat u dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.
[^galaten-3-10-33]: Kanttekening 33: uit de werken van de: Dat is, die hunne rechtvaardigheid en zaligheid zoeken door de onderhouding van de wet van Mozes.
[^galaten-3-10-34]: Kanttekening 34: die zijn onder de vloek: Namelijk omdat zij de wet niet volkomen onderhouden, en daarom door de wet de zegening of rechtvaardigmaking niet kunnen verkrijgen. Want zegening en vloek strijden tegen elkaar.
[^galaten-3-10-35]: Kanttekening 35: er is geschreven: Namelijk Deut. 27:26 . Deuteronomium 27:26 : Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende die! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^galaten-3-10-d]: Verwijzing d: Deut. 27:26 . Deuteronomium 27:26 : Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende dezelfde! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^galaten-3-10-36]: Kanttekening 36: een ieder, die: De apostel volgt hier de Griekse overzetting, zo deze de mening van de Hebreeuwse grondtekst zeer wel uitdrukt, hoewel de woorden een ieder en al daar niet uitgedrukt staan.
[^galaten-3-10-37]: Kanttekening 37: om dat te doen: Namelijk volmaakt in alle delen, en op dezelfde manier als God beveelt. En daaruit blijkt dat door de werken van de wet hier verstaan worden, niet alleen de werken van de wet van de ceremoniën, maar ook van de zeden of tien geboden.
[^galaten-3-11-e]: Verwijzing e: Rom. 3:20 ; Galat. 2:16 . Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Galaten 2:16 : Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.
[^galaten-3-11-38]: Kanttekening 38: door de wet: Grieks in de wet. De apostel gebruikt deze wijze van spreken door de wet, uit de wet, uit de werken van de wet, in de wet, in enen zin.
[^galaten-3-11-f]: Verwijzing f: Habak. 2:4 ; Rom. 1:17 ; Hebr. 10:38 . Habakuk 2:4 : Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Romeinen 1:17 : Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Hebreeën 10:38 : Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
[^galaten-3-11-39]: Kanttekening 39: de rechtvaardige: Of, de rechtvaardige uit het geloof zal leven. Zie Rom. 1:17 . Romeinen 1:17 : Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^galaten-3-12-40]: Kanttekening 40: is niet uit het geloof: Want de wet belooft het leven niet dengenen, die uit het geloof willen gerechtvaardigd worden, maar die de wet volmaakt onderhouden; dat hij bewijst uit de belofte, die bij de wet wordt gedaan; Lev. 18:5 ; Ez. 20:11 . Leviticus 18:5 : Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens deze zal doen, die zal daardoor leven; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:11 : Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven.
[^galaten-3-12-g]: Verwijzing g: Lev. 18:5 ; Ez. 20:11 ; Rom. 10:5 . Leviticus 18:5 : Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u houden; welk mens dezelfde zal doen, die zal door dezelfde leven; Ik ben YHWH! Ezechiël 20:11 : Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelfde leven. Romeinen 10:5 : Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelfde leven.
[^galaten-3-12-41]: Kanttekening 41: die deze dingen doet: Of, gedaan zal hebben; namelijk volmaakt, gelijk vers 10 . Galaten 3:10 : Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen.
[^galaten-3-12-42]: Kanttekening 42: door dezelfde: Dat is, door zulke volmaakte onderhouding van de wet.
[^galaten-3-12-43]: Kanttekening 43: Namelijk eeuwig, en dienvolgens daardoor gerechtvaardigd worden, als hij de wet in alles volkomen zou onderhouden, dat nochtans niemand doet noch doen kan; Rom. 3:9 , enz. Romeinen 3:9 : Wat dan? Zijn wij uitmuntender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;
[^galaten-3-13-h]: Verwijzing h: Rom. 8:3 ; 2 Kor. 5:21 . Romeinen 8:3 : Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^galaten-3-13-44]: Kanttekening 44: verlost van de vloek: Grieks uitgekocht uit de vloek. Want deze verlossing is geschied door betaling van een rantsoengeld voor ons; Matt. 20:28 ; 1 Tim. 2:6 . Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 1 Timotheüs 2:6 : Die Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis op zijn tijd;
[^galaten-3-13-45]: Kanttekening 45: van de vloek: Dat is, van de straf, tijdelijke en eeuwige, die de wet de overtreders dreigt, en die wij door onze overtredingen verdiend hadden.
[^galaten-3-13-46]: Kanttekening 46: een vloek geworden: Dat is, heeft de toorn van God en de straf van de zonden op zich genomen, om die te dragen en daarmede Gods straffende gerechtigheid te voldoen.
[^galaten-3-13-47]: Kanttekening 47: voor ons: Dat is, in onze plaats, gelijk onze borg; Hebr. 7:22 . Hebreeën 7:22 : Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.
[^galaten-3-13-48]: Kanttekening 48: er is geschreven: Namelijk Deut. 21:23 . Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^galaten-3-13-i]: Verwijzing i: Deut. 21:23 . Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^galaten-3-13-49]: Kanttekening 49: aan het hout hangt: Dat is, aan het kruis opgehangen wordt. Zie Hand. 5:30 ; 1 Petr. 2:24 ; dat te verstaan is, niet dat zij allen zouden verdoemd zijn, die gekruisigd worden \[want het tegendeel blijkt uit het voorbeeld van de bekeerde moordenaar, Luk. 23:43 \], maar omdat God deze wijze van straf, als zijnde de wreedste en smadelijkste, tot een voorbeeld gesteld heeft van de straf, die Zijn Zoon, om ons van de vloek te verlossen, zou moeten lijden. Handelingen 5:30 : De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken u omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout. 1 Petrus 2:24 : Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent. Lukas 23:43 : En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult u met Mij in het Paradijs zijn.
[^galaten-3-14-50]: Kanttekening 50: de zegening van Abraham: Dat is, de genade van de verzoening en van de rechtvaardigmaking, alsook de erfenis van het eeuwige leven, die Abraham en zijn zaad beloofd was; Gen. 12:3 , en Gen. 22:18 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^galaten-3-14-51]: Kanttekening 51: tot de heidenen: Of, tot de volken; gelijk hem beloofd was, dat in hem alle volken zouden gezegend worden; Gen. 12:3 . Genesis 12:3 : En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
[^galaten-3-14-52]: Kanttekening 52: komen zou: Dat is, afvloeien zou, gelijk uit de fontein.
[^galaten-3-14-53]: Kanttekening 53: in Christus Jezus: Dat is, door Christus, als zijnde het gezegend zaad, dat Abraham beloofd was, vers 16 . Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus.
[^galaten-3-14-54]: Kanttekening 54: Zo Joden als heidenen.
[^galaten-3-14-55]: Kanttekening 55: de belofte van de Geest: Dat is, de geestelijke belofte, niet van tijdelijke, maar van eeuwige goederen.
[^galaten-3-14-56]: Kanttekening 56: door het geloof: Dat is, door Christus met waar geloof aangenomen.
[^galaten-3-15-57]: Kanttekening 57: naar de mens: Dat is, ik zal gebruiken een exempel van menselijke zaken genomen. Zie Rom. 3:5 ; 1 Kor. 9:8 . Romeinen 3:5 : Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.) 1 Korinthiërs 9:8 : Spreek ik dit naar de mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet?
[^galaten-3-15-k]: Verwijzing k: Hebr. 9:17 . Hebreeën 9:17 : Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
[^galaten-3-15-58]: Kanttekening 58: Het Griekse woord diatheke (διαθήκην), wordt somtijds in het bijzonder genomen voor een testament, Hebr. 9:17 , somtijds in het algemeen voor allerlei verbonden of contacten tussen twee partijen. Het kan hier in beide betekenissen genomen worden. Hebreeën 9:17 : Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
[^galaten-3-15-59]: Kanttekening 59: dat bevestigd is: Namelijk met onderlinge beloften, eden, ondertekeningen, of dergelijke wijze bij de mensen gebruikelijk.
[^galaten-3-15-60]: Kanttekening 60: doet niemand te niet: Dat is, behoort nog en kan niet teniet doen.
[^galaten-3-15-61]: Kanttekening 61: doet daartoe: Grieks verordineert iets daarboven; namelijk niet afdoen, bijdoen, of veranderen.
[^galaten-3-16-l]: Verwijzing l: Galat. 3:8 . Galaten 3:8 : En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.
[^galaten-3-16-62]: Kanttekening 62: de beloftenissen: Dat is, zo ook kan niemand het verbond, dat God met Abraham en alle gelovigen gemaakt heeft, teniet maken of veranderen. In dat verbond, omdat de beloftenissen, die God daarin aan Zijne zijde gedaan heeft, gegrond zijn niet op de onderhouding van de wet, maar op Christus het beloofde zaad van Abraham, zo moet dat ook altijd vast en onveranderlijk blijven, gelijk in vers 17 breder verklaard wordt. Galaten 3:17 : En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.
[^galaten-3-16-63]: Kanttekening 63: zijn zaad: Zie Gen. 22:18 . Het woord zaad wordt somtijds genomen voor al de nakomelingen, gelijk Gen. 15:18 , en Gen. 22:17 ; somtijds voor iemand in het bijzonder uit hen, gelijk Gen. 4:25 , en Gen. 21:13 ; dat het in deze tweede betekenis hier moet genomen worden, bewijst hier de apostel, en leert dat dit zaad Christus is. Zie ook Gen. 13:15 , en Gen. 17:10 . Genesis 22:18 : En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Genesis 4:25 : En Adam bekende opnieuw zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. Genesis 21:13 : Maar Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. Genesis 13:15 : Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Genesis 17:10 : Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.
[^galaten-3-16-64]: Kanttekening 64: dat is Christus: Zie hiervan het bewijs in het geslachtsregister van Christus, Matt. 1:1 , 1:2 , 1:16 , en Luk. 3:23 , 3:34 , gelijk ook Izak een voorbeeld van Christus is geweest, Gen. 21:12 ; Rom. 9:7 ; Hebr. 11:18 . Mattheüs 1:1 : Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Mattheüs 1:2 : Abraham verwekte Izak, en Izak verwekte Jakob, en Jakob verwekte Juda, en zijn broeders; Mattheüs 1:16 : En Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus. Lukas 3:23 : En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli, Lukas 3:34 : De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor, Genesis 21:12 : Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Hebreeën 11:18 : (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;
[^galaten-3-17-65]: Kanttekening 65: En dit zeg ik: Dat is, dit wil ik zeggen met het voorgaande exempel van menselijke verbonden of testamenten.
[^galaten-3-17-66]: Kanttekening 66: Het verbond: Dat is, dat dan veel meer het verbond Gods vast blijft, zonder verandering.
[^galaten-3-17-67]: Kanttekening 67: te voren van God bevestigd is: Namelijk met ede, Gen. 12:2 , en Gen. 15:18 , en Gen. 17:4 , en Gen. 22:17 ; Hebr. 6:14 , 6:15 , enz., en met andere uiterlijke tekenen en zegelen. Genesis 12:2 : En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! Genesis 15:18 : Ten zelfden dage maakte YHWH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: Genesis 17:4 : Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden! Genesis 22:17 : Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. Hebreeën 6:14 : Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. Hebreeën 6:15 : En zo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.
[^galaten-3-17-68]: Kanttekening 68: op Christus: Namelijk omdat het door de dood van Christus als van de testamentmaker zou bevestigd worden, Hebr. 9:15 , dat ook Christus deze geestelijke zegeningen ons moest verdienen door een volkomen voldoening voor onze zonden, waarvan de ceremoniën van de wet voorbeelden waren; en dat wij die niet kunnen deelachtig worden, dan door het geloof in Christus. Hebreeën 9:15 : En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden.
[^galaten-3-17-69]: Kanttekening 69: door de wet: Zo iemand hiertegen had kunnen zeggen, dat voordat de wet gegeven was, het met de zaak van Gods verbond zo mocht gelegen zijn; maar als de wet gegeven is geweest, dat toen het verbond Gods zou veranderd zijn geworden; zo bewijst hier de apostel zulks ook onwaarachtig te zijn.
[^galaten-3-17-70]: Kanttekening 70: die na: Dat is, omdat de wet zoveel jaren daarna op de berg Sinaï gegeven is. Het begin van deze vier honderd en dertig jaren moet gerekend worden van die tijd aan, als God Abraham beval uit zijn land te vertrekken, Gen. 12:1 . Zie hiervan breder Ex. 12:40 ; Hand. 7:6 . Genesis 12:1 : YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. Exodus 12:40 : De tijd nu van de woning, die de kinderen van Israël in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Handelingen 7:6 : En God sprak zo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.
[^galaten-3-17-m]: Verwijzing m: Gen. 15:13 ; Ex. 12:40 ; Hand. 7:6 . Genesis 15:13 : Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Exodus 12:40 : De tijd nu van de woning, die de kinderen van Israël in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Handelingen 7:6 : En God sprak zo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.
[^galaten-3-17-71]: Kanttekening 71: krachteloos gemaakt: Of, onvast. Grieks de wet, enz., en maakt het verbond, enz. niet krachteloos.
[^galaten-3-17-72]: Kanttekening 72: de beloftenis: Zie vers 16 . Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus.
[^galaten-3-18-n]: Verwijzing n: Rom. 4:14 . Romeinen 4:14 : Want als degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.
[^galaten-3-18-73]: Kanttekening 73: de erfenis: Namelijk van het eeuwige leven, waarvan de erfenis van het land Kanaän een voorbeeld was.
[^galaten-3-18-74]: Kanttekening 74: uit de wet is: Dat is, door de volkomen onderhouding van de wet te verkrijgen is.
[^galaten-3-18-75]: Kanttekening 75: uit de beloftenis: Dat is, uit het geloof, waarmee de genade en zegening, in Christus beloofd, aangenomen wordt. Want deze twee strijden tegen elkaar, en kunnen tezamen niet bestaan. Zie Rom. 11:6 . Romeinen 11:6 : En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer.
[^galaten-3-18-76]: Kanttekening 76: Dit is tevoren bewezen vers 6 , enz., en zo zullen dan ook alle Abrahams kinderen de erfenis ontvangen; zo er maar één weg ter zaligheid is. Galaten 3:6 : Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;
[^galaten-3-18-77]: Kanttekening 77: door de beloftenis: Namelijk met ware geloof aangenomen.
[^galaten-3-18-78]: Kanttekening 78: genadiglijk gegeven: Dat is, zonder enige zijn verdienste; Rom. 4:13 , 4:16 . Romeinen 4:13 : Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof. Romeinen 4:16 : Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
[^galaten-3-19-79]: Kanttekening 79: Waartoe is dan de wet: Dit was ene tegenwerping van de valse leraars, als de wet de mens niet rechtvaardigt, dat zij dan geen gebruik heeft en tevergeefs gegeven is.
[^galaten-3-19-o]: Verwijzing o: Joh. 15:22 ; Rom. 4:15 ; Rom. 5:20 ; Rom. 7:8 . Johannes 15:22 : Als Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Romeinen 4:15 : Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding. Romeinen 5:20 : Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; Romeinen 7:8 : Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.
[^galaten-3-19-80]: Kanttekening 80: om van de overtredingen: Namelijk bekend te maken, Rom. 3:20 , en Rom. 5:20 , en Rom. 7:7 , en daarvan te overtuigen. Romeinen 3:20 : Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Romeinen 5:20 : Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; Romeinen 7:7 : Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren.
[^galaten-3-19-81]: Kanttekening 81: daarbij gesteld: Of, bestemd.
[^galaten-3-19-82]: Kanttekening 82: het zaad: Namelijk dat beloofde zaad van Abraham, welk is Christus, zie vers 16 , die het einde van de wet is; Rom. 10:4 . Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus. Romeinen 10:4 : Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft.
[^galaten-3-19-83]: Kanttekening 83: die het beloofd was: Namelijk het erfdeel, als zijnde het hoofd van al degenen die erfgenamen zullen zijn, want van Hem, in Hem, en door Hem ishet dat wij allen de erfenis verkrijgen en medeërfgenamen met Hem worden; Rom. 8:17 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
[^galaten-3-19-84]: Kanttekening 84: Namelijk de wet.
[^galaten-3-19-85]: Kanttekening 85: door de engelen: Dat is, door de dienst van de engelen; dat, hoewel het in de historie van de wetgeving niet vermeld wordt, zo is het nochtans, dat zulks uit andere plaatsen afgenomen kan worden en in de gemeente beloofd is geweest. Zie Hand. 7:38 , 7:53 ; Hebr. 2:2 . Handelingen 7:38 : Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Handelingen 7:53 : U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden! Hebreeën 2:2 : Want als het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;
[^galaten-3-19-p]: Verwijzing p: Hand. 7:38 ; idem v. 53 . Handelingen 7:38 : Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Handelingen 7:53 : U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden!
[^galaten-3-19-86]: Kanttekening 86: Of bestemd.
[^galaten-3-19-87]: Kanttekening 87: in de hand: Dat is, door de bediening, Hebreeuws. Mal. 1:1 . Maleachi 1:1 : De last van het woord van YHWH tot Israël, door de dienst van Maleachi.
[^galaten-3-19-88]: Kanttekening 88: van de Middelaar: Waardoor sommigen verstaan Mozes, die God gebruikt heeft als een bode en tussenspreker tussen hem en het volk in het geven van de wet, Ex. 19:21 . Anderen verstaan Christus, door welke God het volk van Israël uit Egypte door de woestijn heeft geleid, en tot Mozes op de berg Sinaï heeft gesproken, Hand. 7:38 ; 1 Tim. 2:5 . Exodus 19:21 : En YHWH zei tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot YHWH, om te zien, en velen van hen vallen. Handelingen 7:38 : Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. 1 Timotheüs 2:5 : Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en van de mensen, de Mens Christus Jezus;
[^galaten-3-19-q]: Verwijzing q: Deut. 5:5 ; Joh. 1:17 ; Hand. 7:38 . Deuteronomium 5:5 : (Ik stond in die tijd tussen YHWH en tussen u, om u van YHWH woord aan te zeggen; want u vreesde voor het vuur en klomt niet op de berg) zeggende: Johannes 1:17 : Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Handelingen 7:38 : Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.
[^galaten-3-20-89]: Kanttekening 89: van een: Dat is, van ééne partij, maar is altijd van twee verschillende partijen, om die te verenigen.
[^galaten-3-20-90]: Kanttekening 90: is een: Dat is, blijft altijd dezelfde, zonder dat Hij veranderd wordt, niet alleen in Zijn wezen, maar ook in Zijn wil, voornemen en besluiten. Of, is de ene partij van beiden.
[^galaten-3-21-91]: Kanttekening 91: Is dan de wet: Dit is een tweede tegenwerping, die de valse apostelen tegen wat de apostel meteen gezegd heeft, zouden kunnen voorstellen, namelijk zo de wet de overtredingen ontdekt en verdoemt, en de beloftenissen derzelve bedekt en vergeeft, zo schijnen deze tegen elkaar te strijden.
[^galaten-3-21-92]: Kanttekening 92: Dat zij verre: Dat is, dat volgt in geen geval.
[^galaten-3-21-93]: Kanttekening 93: gegeven ware: Namelijk tot zulk een einde, opdat de mens daardoor zou gerechtvaardigd worden. Of, die zodanig ware, dat de mens die volkomenlijk zou kunnen onderhouden.
[^galaten-3-21-94]: Kanttekening 94: die machtig was: Dat is, de mensen rechtvaardigen en het eeuwige leven toebrengen.
[^galaten-3-21-95]: Kanttekening 95: zo zou waarlijk: Dat is, zo dat zo ware, zo zou de wet strijden tegen de beloftenis. Maar dat is zo niet, en daarom zo is hier geen strijd. Zie Rom. 8:3 . Romeinen 8:3 : Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
[^galaten-3-22-96]: Kanttekening 96: Dat is, dit is een bewijs, dat de wet niet kan levend maken of rechtvaardigen, omdat niemand de wet volmaakt onderhoudt, maar alle mensen daardoor overtuigd worden van zonde.
[^galaten-3-22-r]: Verwijzing r: Rom. 3:9 ; Rom. 11:32 . Romeinen 3:9 : Wat dan? Zijn wij uitmuntender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn; Romeinen 11:32 : Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
[^galaten-3-22-97]: Kanttekening 97: de Schrift: Dat is, de geschreven wet, en de profeten als uitleggers derzelve.
[^galaten-3-22-98]: Kanttekening 98: onder de zonde: Ene gelijkenis, genomen van misdadigers, die in de kerker gesloten worden om bewaard te worden tot de straf. Zie dergelijke Rom. 11:32 . Romeinen 11:32 : Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
[^galaten-3-22-99]: Kanttekening 99: opdat de belofte: Dat is, de beloofde zegening en erfenis.
[^galaten-3-22-100]: Kanttekening 100: uit het geloof: Dat is, door het geloof in Christus, als door een werktuig, waarmee de beloofde zegening aangenomen wordt.
[^galaten-3-22-101]: Kanttekening 101: aan de gelovigen: Grieks de gelovenden; namelijk in Christus, en niet de werkenden, dat is, die door de werken van de wet de gerechtigheid zoeken; Joh. 3:16 ; Rom. 3:22 , en Rom. 4:4 , 4:5 . Johannes 3:16 : Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Romeinen 3:22 : Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Romeinen 4:4 : Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Romeinen 4:5 : Maar dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
[^galaten-3-22-102]: Kanttekening 102: zou gegeven worden: Namelijk van God, uit genade, omniet.
[^galaten-3-23-103]: Kanttekening 103: voordat het geloof kwam: Dat is, eer Christus, die het fondament van het geloof is, waar het geloof op ziet en steunt, in het vlees is gekomen. Zie vers 19 . Galaten 3:19 : Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.
[^galaten-3-23-104]: Kanttekening 104: in bewaring gesteld: Het Griekse woord betekent zulk ene bewaring, die met krijgsvolk en wacht geschiedt, in een vaste plaats. De apostel gebruikt hier opnieuw dezelfde gelijkenis als in vers 22 , gelijk uit het volgende woord blijkt. Maar de apostel schijnt hier ook te zien op dit gebruik van de wet, dat zij gediend heeft om de Joden van de andere volken daarmede als af te sluiten en gelijk als alleen te bewaren. Zie Deut. 4:7 ; Ps. 147:19 ; Ef. 2:14 . Galaten 3:22 : Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. Deuteronomium 4:7 : Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als YHWH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? Psalmen 147:19 : Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Efeziërs 2:14 : Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende,
[^galaten-3-23-105]: Kanttekening 105: tot op het geloof: Dat is, tot op Christus, die geopenbaard zou worden, gelijk tevoren.
[^galaten-3-24-s]: Verwijzing s: Matt. 5:17 ; Hand. 13:38 ; Rom. 10:4 . Mattheüs 5:17 : Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Handelingen 13:38 : Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt; Romeinen 10:4 : Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iedereen, die gelooft.
[^galaten-3-24-106]: Kanttekening 106: Namelijk de Joden, die onder de wet waren.
[^galaten-3-24-107]: Kanttekening 107: Grieks Paedagoges; dat betekent een die de kinderen ter school leidt, onderwijst en tuchtigt. Zo vergelijkt hij dan de Joden onder de wet bij kinderen, en de gelovige Christenen bij volwassenen, die geen tuchtmeester meer nodig hebben.
[^galaten-3-24-108]: Kanttekening 108: tot Christus: Dat is, om ons te leiden tot Christus. Dat de wet van de zeden doet, als zij ons van zonde overtuigt en de vloek verkondigt, en daarom ons toont dat wij dan, om behouden te worden, onze toevlucht tot Christus moeten nemen, die ons van de zonde en de vloek verlost heeft; en de wet van de ceremoniën, omdat deze de mensen niet alleen overtuigde van hunne zonden, maar ook voorbeelden en afbeeldingen van Christus en Zijne weldaden waren, 1 Kor. 5:7 ; Kol. 2:17 , en leerden dat wat door die afgebeeld was, in Christus alleen te vinden is; Hebr. 9:10 , 9:11 , enz. 1 Korinthiërs 5:7 : Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Kolossensen 2:17 : Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Hebreeën 9:10 : Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd. Hebreeën 9:11 : Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^galaten-3-24-109]: Kanttekening 109: uit het geloof: Dat is, door de verdiensten van Christus met waar geloof van ons aangenomen, en ons van God uit genade toegerekend.
[^galaten-3-25-110]: Kanttekening 110: het geloof: Dat is, Christus, op wie het geloof ziet, gelijk vers 23 . Galaten 3:23 : Maar voordat het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.
[^galaten-3-25-111]: Kanttekening 111: niet meer onder de tuchtmeester: Omdat hij deze zijn dienst nu volbracht heeft, en wij nu tot mannelijken ouderdom zijn gekomen; Ef. 4:13 . Efeziërs 4:13 : Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus;
[^galaten-3-26-t]: Verwijzing t: Jes. 56:5 ; Joh. 1:12 ; Rom. 8:15 ; Galat. 4:5 . Jesaja 56:5 : Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan van de zonen en dan van de dochters; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. Johannes 1:12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Galaten 4:5 : Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
[^galaten-3-26-112]: Kanttekening 112: u bent allen: Namelijk die het Evangelie hebt aangenomen, zowel heidenen als Joden.
[^galaten-3-26-113]: Kanttekening 113: kinderen van God: Grieks zonen; namelijk volwassenen, die niet meer staan onder de tuchtmeester. Want hoewel de gelovigen van het Oude Testament onder de wet ook Gods kinderen geweest zijn, zo is het nochtans dat zij als kleine kinderen onder de tuchtmeester gehouden worden, en daarom van dienaren niet verschilden; Gal. 4:1 . Galaten 4:1 : Maar ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienaar, hoewel hij een heer is van alles;
[^galaten-3-26-114]: Kanttekening 114: door het geloof: Zie Joh. 1:12 . Johannes 1:12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
[^galaten-3-26-115]: Kanttekening 115: in Christus Jezus: Dat is, door Christus, welke zijnde de eigen en eniggeboren Zoon van God, ons verdiend heeft dat wij om Zijnentwil uit genade tot kinderen aangenomen worden; Ef. 1:5 . Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.
[^galaten-3-27-v]: Verwijzing v: Rom. 6:3 . Romeinen 6:3 : Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
[^galaten-3-27-116]: Kanttekening 116: zovelen als u: Dit is, allen die gedoopt zijn; dat verstaan moet worden van al degenen, die niet alleen de uitwendige doop van het water, maar ook de inwendige doop van de Geest ontvangen, 1 Petr. 3:21 , gelijk blijkt in Simon de tovenaar, Hand. 8:13 , 8:21 , die wel de uitwendige, maar de inwendige doop niet heeft ontvangen. 1 Petrus 3:21 : Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus; Handelingen 8:13 : En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich. Handelingen 8:21 : U hebt geen part noch deel in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.
[^galaten-3-27-117]: Kanttekening 117: in Christus gedoopt: Dat is, in de naam en in het geloof van Christus.
[^galaten-3-27-118]: Kanttekening 118: Namelijk als een geestelijk kleed, waarmee onze geestelijke naaktheid en schaamte bedekt wordt, en wij als met een bruiloftskleed versierd worden; Rom. 13:14 . Romeinen 13:14 : Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.
[^galaten-3-28-x]: Verwijzing x: Joh. 17:21 . Johannes 17:21 : Opdat zij allen een zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat U Mij gezonden hebt.
[^galaten-3-28-119]: Kanttekening 119: Daarin is noch: Wat hij in het algemeen gezegd had van alle gelovigen, dat verklaart hij breder en betuigt, dat onder hen geen onderscheid meer is, van welke natie, stand, of geslacht zij zijn.
[^galaten-3-28-120]: Kanttekening 120: Dat is, als een mens, de één zowel als de ander, door Christus erfgenaam gemaakt van het eeuwige leven.
[^galaten-3-28-121]: Kanttekening 121: in Christus Jezus: Niet in de politie of huishouding, waar ongelijkheid is, maar aangaande de weldaden van Christus.
[^galaten-3-29-y]: Verwijzing y: Gen. 21:12 ; Rom. 9:7 ; Hebr. 11:18 . Genesis 21:12 : Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Hebreeën 11:18 : (Tot denwelken gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;
[^galaten-3-29-122]: Kanttekening 122: u van Christus bent: Namelijk Galaten, die tevoren heidenen was, en nu in Christus gelooft.
[^galaten-3-29-123]: Kanttekening 123: Abrahams zaad: Dat is Abrahams kinderen, gelijk gesproken wordt vers 7 , van welke allen Christus het hoofd is, als het beloofde zaad van Abraham, vers 16 , 3:19 . Galaten 3:7 : Zo verstaat u dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. Galaten 3:16 : Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; dat is Christus. Galaten 3:19 : Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.
[^galaten-3-29-124]: Kanttekening 124: naar de beloftenis: Namelijk die Abraham en zijn zaad gedaan is, en dienvolgens niet uit de werken van de wet. Zie vers 18 . Galaten 3:18 : Want als de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.
[^galaten-3-29-125]: Kanttekening 125: Namelijk van het eeuwige leven, waarvan het land Kanaän een voorbeeld was; Hebr. 11:9 . Hebreeën 11:9 : Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren van diezelfde belofte.

### Galaten 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/4.json)

*1 De apostel verklaart verder wat hij tevoren gezegd had over het tuchtmeesterschap van de wet, met een gelijkenis ontleend aan een onmondig kind, dat nog onder de voogden staat, 4 en betuigt dat wij nu door de komst van de Zoon van God in het vlees van de voogdij en dienstbaarheid van de wet verlost zijn. 6 Zodat wij nu kinderen van God zijn, die, mondig geworden zijnde, onze erfenis zelf mogen bezitten. 8 Hij bestraft de Galaten dat zij, hoewel zij uit de heidense afgoderij bekeerd waren, zich weer begaven tot de dienstbaarheid van uiterlijke ceremoniën. 12 Hij vermaant hen dat zij volharden in de ijver en goede genegenheid jegens hem, waarmee zij eerst het Evangelie hadden ontvangen. 17 hen waarschuwend voor de verkeerde ijver van de valse leraars. 19 Daarna verzacht hij deze bestraffing met een liefdevolle aanspraak, wensend dat hij bij hen mocht zijn. 21 Hij bewijst verder uit de wet zelf, dat wij aan haar dienstbaarheid niet meer onderworpen zijn, noch door de wet gerechtvaardigd kunnen worden, door toepassing van de voorbeelden van de twee zonen van Abraham, namelijk Izak en Ismaël, en van hun moeders Sara en Hagar. 24 alsook van de berg Sinaï en de stad Jeruzalem: waardoor de twee verbonden worden aangeduid, 28 Hij leert dat de erfenis met Izak door de belofte van het Evangelie te verkrijgen is, hoewel met vervolging. 30 En dat zij die door de wet zalig zoeken te worden, met Ismaël van de erfenis verstoten zullen worden.*

**1** Maar[^galaten-4-1-1] ik zeg, zolang de erfgenaam[^galaten-4-1-2] een kind is, zo verschilt hij[^galaten-4-1-3] niets van een dienaar, hoewel hij[^galaten-4-1-4] een heer is van alles; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v1)

**2** Maar hij is[^galaten-4-2-5] onder voogden en verzorgers,[^galaten-4-2-6] tot de tijd van de vader te voren bepaald. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v2)

**3** Zo[^galaten-4-3-7] wij ook,[^galaten-4-3-8] toen wij kinderen waren, zo waren wij[^galaten-4-3-9] dienstbaar gemaakt[^galaten-4-3-10] onder de eerste beginselen van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v3)

**4** [^galaten-4-4-a] Maar wanneer[^galaten-4-4-11] de volheid van de tijd gekomen is, heeft God[^galaten-4-4-12] Zijn Zoon uitgezonden,[^galaten-4-4-13] geworden[^galaten-4-4-14] uit een vrouw,[^galaten-4-4-b] geworden[^galaten-4-4-15] onder de wet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v4)

**5** Opdat Hij[^galaten-4-5-16] degenen, die onder de wet waren,[^galaten-4-5-17] verlossen zou,[^galaten-4-5-c] en opdat wij[^galaten-4-5-18] de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v5)

**6** [^galaten-4-6-d] En omdat u kinderen bent, zo heeft God[^galaten-4-6-21] de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten,[^galaten-4-6-22] Die roept:[^galaten-4-6-23] Abba, Vader![^galaten-4-6-19][^galaten-4-6-20] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v6)

**7** Zo dan,[^galaten-4-7-24] u bent[^galaten-4-7-25] niet meer[^galaten-4-7-26] een dienaar, maar een zoon; en als u[^galaten-4-7-27] een zoon bent, zo bent u ook[^galaten-4-7-28] een erfgenaam van[^galaten-4-7-29] God door Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v7)

**8** Maar toen,[^galaten-4-8-30] als u God niet kende,[^galaten-4-8-31] diende u[^galaten-4-8-32] degenen,[^galaten-4-8-33][^galaten-4-8-e] die van nature geen goden zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v8)

**9** En nu, als u[^galaten-4-9-34] God kent,[^galaten-4-9-35] ja, veelmeer van God[^galaten-4-9-36] gekend bent,[^galaten-4-9-37][^galaten-4-9-f] hoe keert u zich[^galaten-4-9-38] opnieuw[^galaten-4-9-39] tot de zwakke en arme beginselen, die u[^galaten-4-9-40] opnieuw[^galaten-4-9-41] van voren aan[^galaten-4-9-42] wilt dienen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v9)

**10** [^galaten-4-10-43][^galaten-4-10-g] U[^galaten-4-10-44] onderhoudt[^galaten-4-10-45] dagen, en[^galaten-4-10-46] maanden, en[^galaten-4-10-47] tijden, en[^galaten-4-10-48] jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v10)

**11** Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins[^galaten-4-11-49] tevergeefs aan u gewerkt heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v11)

**12** Wees u[^galaten-4-12-50] als ik, want ook[^galaten-4-12-51] ik ben als u; broeders,[^galaten-4-12-52] ik bid u; u hebt[^galaten-4-12-53] mij geen ongelijk gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v12)

**13** En[^galaten-4-13-54] u weet, dat ik u[^galaten-4-13-55] door zwakheid van het vlees[^galaten-4-13-56] het Evangelie de eerste keer verkondigd heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v13)

**14** En[^galaten-4-14-57] mijn verzoeking,[^galaten-4-14-58] die in mijn vlees gebeurde, hebt u[^galaten-4-14-59] niet veracht noch[^galaten-4-14-60] verfoeid; maar u nam mij aan[^galaten-4-14-61][^galaten-4-14-h] als een engel van God,[^galaten-4-14-62][^galaten-4-14-i] ja, als Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v14)

**15** [^galaten-4-15-63] Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat u,[^galaten-4-15-64] zo het mogelijk was,[^galaten-4-15-65] uw ogen zou uitgegraven, en mij gegeven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v15)

**16** Ben ik dan[^galaten-4-16-66] uw vijand geworden,[^galaten-4-16-67] u de waarheid zeggende? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v16)

**17** [^galaten-4-17-68][^galaten-4-17-k] Zij ijveren[^galaten-4-17-69] niet recht over u; maar zij willen[^galaten-4-17-70] ons[^galaten-4-17-71] uitsluiten, opdat u[^galaten-4-17-72] over hen zou ijveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v17)

**18** Maar[^galaten-4-18-73] in het goede[^galaten-4-18-74] altijd te ijveren is goed, en niet alleen,[^galaten-4-18-75] als ik bij u tegenwoordig ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v18)

**19** [^galaten-4-19-76][^galaten-4-19-l] Mijn kinderen,[^galaten-4-19-77] die ik opnieuw arbeide te baren, totdat[^galaten-4-19-78] Christus[^galaten-4-19-79] een gestalte in u krijge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v19)

**20** Maar ik wilde, dat ik nu[^galaten-4-20-80] tegenwoordig bij u was, en mijn[^galaten-4-20-81] stem mocht veranderen; want ik ben[^galaten-4-20-82] in twijfel over u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v20)

**21** [^galaten-4-21-83] Zeg mij, u,[^galaten-4-21-84] die onder de wet wilt zijn,[^galaten-4-21-85] hoort u de wet niet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v21)

**22** [^galaten-4-22-86] Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had,[^galaten-4-22-87][^galaten-4-22-m] één uit[^galaten-4-22-88] de dienstmaagd,[^galaten-4-22-n] en[^galaten-4-22-89] één uit[^galaten-4-22-90] de vrije. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v22)

**23** [^galaten-4-23-o] Maar de één, die uit de dienstmaagd was, is[^galaten-4-23-91] naar het vlees geboren geweest; maar de ander, die uit de vrije was,[^galaten-4-23-92] door de beloftenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v23)

**24** Dat dingen zijn,[^galaten-4-24-93] die andere beduiding hebben; want[^galaten-4-24-94] deze[^galaten-4-24-95] zijn[^galaten-4-24-96] de twee verbonden;[^galaten-4-24-97] het ene[^galaten-4-24-98] van de berg Sinai,[^galaten-4-24-99] tot dienstbaarheid barende,[^galaten-4-24-100] dat is Hagar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v24)

**25** Want dit, namelijk Hagar, is Sinai, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.[^galaten-4-25-101][^galaten-4-25-102][^galaten-4-25-103][^galaten-4-25-104][^galaten-4-25-105][^galaten-4-25-106][^galaten-4-25-107][^galaten-4-25-108] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v25)

**26** [^galaten-4-26-p] Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder.[^galaten-4-26-109][^galaten-4-26-110][^galaten-4-26-111][^galaten-4-26-112] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v26)

**27** Want er is geschreven:[^galaten-4-27-q] Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft.[^galaten-4-27-113][^galaten-4-27-114][^galaten-4-27-115][^galaten-4-27-116][^galaten-4-27-117] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v27)

**28** [^galaten-4-28-r] Maar wij, broeders, zijn kinderen van de belofte, als Izak was.[^galaten-4-28-118][^galaten-4-28-119][^galaten-4-28-120] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v28)

**29** Maar zoals toen, die naar het vlees geboren was,[^galaten-4-29-s] vervolgde degene, die naar de Geest geboren was, zo ook nu.[^galaten-4-29-121][^galaten-4-29-122][^galaten-4-29-123][^galaten-4-29-124][^galaten-4-29-125] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v29)

**30** Maar wat zegt de Schrift?[^galaten-4-30-t] Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon van de dienstmaagd zal in geen geval erven met de zoon van de vrije.[^galaten-4-30-126][^galaten-4-30-127] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v30)

**31** Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd, maar van de vrije.[^galaten-4-31-128][^galaten-4-31-129][^galaten-4-31-130] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/4.html#v31)

[^galaten-4-1-1]: Kanttekening 1: ik zeg: Dat is, wat ik gezegd heb, Gal. 3:24 , 3:25 , dat de wet onze tuchtmeester is, verklaar ik nu met een andere gelijkenis ook van menselijke zaken genomen. Zie dergelijke 1 Kor. 5:6 ; 2 Kor. 9:6 . Galaten 3:24 : Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. Galaten 3:25 : Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. 1 Korinthiërs 5:6 : Uw roem is niet goed. Weet u niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^galaten-4-1-2]: Kanttekening 2: een kind is: Dat is, nog onmondig is en minderjarig.
[^galaten-4-1-3]: Kanttekening 3: niets van een: Namelijk wat betreft het tegenwoordig gebruik van het erfgoed, dat hij zo weinig mag aantasten en gebruiken als een dienaar, zo hij hierin zijn eigen meester nog niet is, maar onder anderen staat.
[^galaten-4-1-4]: Kanttekening 4: een heer is van alles: De eigendom van al het goed van het erfdeel hem toebehoort.
[^galaten-4-2-5]: Kanttekening 5: onder voogden: Dat is, onder de macht en het opzicht dergenen, die tot regering en verzorging van zijn goederen gesteld zijn. Van deze woorden, zie Matt. 20:8 ; Luk. 12:42 , en Luk. 16:1 ; 1 Kor. 4:1 . Mattheüs 20:8 : Als het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eerste. Lukas 12:42 : En de Heer zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel voedsel te geven? Lukas 16:1 : En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht. 1 Korinthiërs 4:1 : Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods.
[^galaten-4-2-6]: Kanttekening 6: tot de tijd: De minderjarigheid heeft zijn tijd in rechten gesteld, welke de vaders ook door hun testament kunnen verkorten of verlangen, naardat zij zullen goedvinden.
[^galaten-4-3-7]: Kanttekening 7: wij ook: Namelijk Joden, die nu leden van de gemeente van Christus zijn.
[^galaten-4-3-8]: Kanttekening 8: toen wij kinderen: Namelijk ten tijde van het Oude Testament, voor de toekomst van Christus.
[^galaten-4-3-9]: Kanttekening 9: dienstbaar gemaakt: Dat is, onderworpen en schuldig te onderhouden.
[^galaten-4-3-10]: Kanttekening 10: onder de eerste: Grieks elementen; dat is onder de ceremoniën die in uiterlijke en aardse dingen bestaan, en gelijk als de eerste aanleiding en begin waren van de zaligmakende kennis. Zie Kol. 2:8 . Kolossensen 2:8 : Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld, en niet naar Christus;
[^galaten-4-4-a]: Verwijzing a: Gen. 49:10 ; Dan. 9:24 . Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^galaten-4-4-11]: Kanttekening 11: de volheid van de tijd: Dat is, de volwassene ouderdom van de gemeente, om uit deze voogdij gesteld te worden. Of, als de tijd vervuld was, die God bestemd had om Zijn Zoon in de wereld te zenden.
[^galaten-4-4-12]: Kanttekening 12: Zijn Zoon: Namelijk Jezus Christus, die Gods Zoon van eeuwigheid is geweest, eer Hij mens is geworden; Ps. 2:7 ; Spreuk. 8:24 ; Micha 5:1 ; Hand. 13:33 . Psalmen 2:7 : Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Spreuken 8:24 : Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Handelingen 13:33 : Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^galaten-4-4-13]: Kanttekening 13: Anders, geboren.
[^galaten-4-4-14]: Kanttekening 14: uit een vrouw: Dat is, uit het vlees en bloed van de maagd Maria; Luk. 1:31 , en Luk. 2:7 . Lukas 1:31 : En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Lukas 2:7 : En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
[^galaten-4-4-b]: Verwijzing b: Matt. 5:17 . Mattheüs 5:17 : Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.
[^galaten-4-4-15]: Kanttekening 15: onder de wet: Dat is, Christus heeft Zichzelf, niet alleen aan de wet van de ceremoniën onderworpen, maar ook aan de wet van de zeden, die Hij volmaakt voor ons heeft onderhouden, en de vloek derzelve op zich genomen, en ons daarvan verlost; 2 Kor. 5:21 . 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^galaten-4-5-16]: Kanttekening 16: degenen, die: Dat is, die onder het juk waren van de wet van de ceremoniën, en ook onder de vloek en de scherpe gehoorzaamheid van de wet van de zeden, waar hij in Gal. 4 ook van spreekt. Zie vers 21 . Galaten 4:21 : Zegt mij, u, die onder de wet wilt zijn, hoort u de wet niet?
[^galaten-4-5-17]: Kanttekening 17: verlossen zou: Grieks uitkopen; namelijk betalende voor hen een volkomen rantsoengeld voor hunne zonden. Zie Gal. 3:13 . Galaten 3:13 : Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.
[^galaten-4-5-c]: Verwijzing c: Joh. 1:12 ; Galat. 3:26 . Johannes 1:12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Galaten 3:26 : Want u bent alle kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.
[^galaten-4-5-18]: Kanttekening 18: de aanneming: Grieks stelling tot zonen. Daarom moest de Zoon van God gezonden worden om ons te verlossen, opdat Hij het recht van zoonschap, dat Hij van nature had, allen gelovigen, niet alleen zonen, maar ook dochters, 2 Kor. 6:18 , zou verkrijgen en uit genade mededelen. 2 Korinthiërs 6:18 : En Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Almachtige.
[^galaten-4-6-d]: Verwijzing d: Rom. 8:15 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^galaten-4-6-21]: Kanttekening 21: de Geest Zijn: Dat is, de Heilige Geest, die als een onderpand in uwe harten u verzekert van deze genadige aanneming tot kinderen, en van de erfenis die de kinderen toekomt; 2 Kor. 1:22 , en 2 Kor. 5:5 ; Ef. 1:13 . 2 Korinthiërs 1:22 : Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. 2 Korinthiërs 5:5 : Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Efeziërs 1:13 : In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte;
[^galaten-4-6-22]: Kanttekening 22: Die roept: Dat is, door welke wij roepen, Rom. 8:15 . Dat is, die in ons werkt, dat wij vrijmoedig en met verzekering tot God roepen. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 8:26 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
[^galaten-4-6-23]: Kanttekening 23: Abba, Vader: Zie de verklaring hiervan op de aantekeningen Rom. 8:15 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^galaten-4-6-19]: Kanttekening 19: Namelijk gelovige Galaten, die tevoren heidenen was.
[^galaten-4-6-20]: Kanttekening 20: kinderen zijt: Namelijk Gods, door de Zoon van God geworden, en om Zijnentwil van God tot kinderen aangenomen, die tevoren kinderen van de toorn en vijanden Gods was. Zie Rom. 5:10 ; Ef. 2:12 , en nu het recht en de vrijheid geniet van Gods kinderen, gesteld buiten de voogdij van de wet, en bevrijd van haar vloek. Romeinen 5:10 : Want als wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^galaten-4-7-24]: Kanttekening 24: u bent: Namelijk die nu in Christus gelooft.
[^galaten-4-7-25]: Kanttekening 25: niet meer: Namelijk gelijk tevoren.
[^galaten-4-7-26]: Kanttekening 26: een dienaar: Namelijk staande onder de voogdij en dienstbaarheid van de wet.
[^galaten-4-7-27]: Kanttekening 27: een zoon zijt: Namelijk Gods, die nu tot uwe jaren gekomen zijnde uit de voorzegde voogdij gesteld zijt.
[^galaten-4-7-28]: Kanttekening 28: een erfgenaam van God: Zie van dit besluit Rom. 8:17 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
[^galaten-4-7-29]: Kanttekening 29: door Christus: Namelijk die ons deze erfenis verdiend en verkregen heeft, en wiens medeërfgenamen wij zullen zijn; Rom. 8:17 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
[^galaten-4-8-30]: Kanttekening 30: als u God: Dat is, als u nog in het heidendom was en van de God geen kennis hadt.
[^galaten-4-8-31]: Kanttekening 31: diende u: Namelijk als slaven en dienaren van de afgoden.
[^galaten-4-8-32]: Kanttekening 32: Dat is, de afgoden.
[^galaten-4-8-33]: Kanttekening 33: die van nature: Dat is, waarlijk en wezenlijk, maar alleen naar het goeddunken door versiering van de mensen; Jer. 10:11 . Jeremia 10:11 : (Aldus zult u tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.)
[^galaten-4-8-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 8:4 . 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.
[^galaten-4-9-34]: Kanttekening 34: God kent: Dat is, de ware God, die van nature en naar zijn wezen God is.
[^galaten-4-9-35]: Kanttekening 35: ja, veelmeer: Dit doet de apostel daarbij, om aan te wijzen dat zij deze kennis niet hebben uit zichzelf, door kloekheid huns verstands, maar door de genade van God, door welke Hij hun is voorgekomen en hen tot deze kennis gebracht heeft.
[^galaten-4-9-36]: Kanttekening 36: gekend zijt: Namelijk voor de Zijnen. Zie Matt. 7:23 ; 2 Tim. 2:19 . Dat is, die God uit enkel barmhartigheid verwaardigd heeft met Zijne kennis te verlichten. Zie ook 1 Kor. 8:3 , en 1 Kor. 13:12 . Mattheüs 7:23 : En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! 2 Timotheüs 2:19 : Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. 1 Korinthiërs 8:3 : Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend. 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^galaten-4-9-37]: Kanttekening 37: hoe keert u u: Dat is, wilt u niet keren.
[^galaten-4-9-f]: Verwijzing f: Kolos. 2:20 . Kolossensen 2:20 : Als u dan met Christus de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, gelijk of u in de wereld leefde, met inzettingen belast?
[^galaten-4-9-38]: Kanttekening 38: Namelijk van de ene dienstbaarheid tot de andere; van de dienstbaarheid van de afgoden tot de dienstbaarheid van de ceremoniën.
[^galaten-4-9-39]: Kanttekening 39: tot de zwakke: Dat is, tot de ceremoniën en de leer van de wet, die gene macht hebben om u daardoor te rechtvaardigen. Zie Hebr. 7:18 , 7:19 . Hebreeën 7:18 : Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om zijn zwakheids en onprofijtelijkheids wil; Hebreeën 7:19 : Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.
[^galaten-4-9-40]: Kanttekening 40: Namelijk gelijk u tevoren de afgoden diende.
[^galaten-4-9-41]: Kanttekening 41: van voren aan: Of, van boven af.
[^galaten-4-9-42]: Kanttekening 42: wilt dienen: Dat is, tot dienstbaarheid derzelve u begeven, omdat u namelijk de leer van de valse apostelen wilt volgen.
[^galaten-4-10-43]: Kanttekening 43: Hier verhaalt de apostel enige soorten van de voorzegde elementen of eerste beginselen, aangaande de onderhouding van de Joodse feestdagen. Zie Rom. 14:5 . Romeinen 14:5 : De een acht wel de ene dag boven de andere dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.
[^galaten-4-10-g]: Verwijzing g: Rom. 14:5 ; Kolos. 2:16 . Romeinen 14:5 : De een acht wel de enen dag boven de anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iedereen zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdags, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^galaten-4-10-44]: Kanttekening 44: Namelijk naar de wijze van de Joden, om daarmede God dienst te doen en daardoor gerechtvaardigd te worden.
[^galaten-4-10-45]: Kanttekening 45: Dat is, de sabbaten, alle weken eens omkomende, Ex. 20:8 ; Kol. 2:16 . Namelijk voorzoveel die ceremonieel en de Joden eigen waren. Exodus 20:8 : Gedenkt de sabbatdag, dat u die heiligt. Kolossensen 2:16 : Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten;
[^galaten-4-10-46]: Kanttekening 46: Dat is, de feesten van de nieuwe maanden; Num. 28:11 . Numeri 28:11 : En in de beginselen van uw maanden zult u een brandoffer voor YHWH offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
[^galaten-4-10-47]: Kanttekening 47: Dat is, de grote jaarlijkse feesten van pasen, pinksteren en loofhutten, Ex. 23:15 , 23:16 , enz. Exodus 23:15 : Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in dezelfde bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. Exodus 23:16 : En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.
[^galaten-4-10-48]: Kanttekening 48: Dat is, het zevende en ook het vijftigste jaar; Ex. 23:10 ; Lev. 25:4 , 25:6 , 25:10 , enz. Exodus 23:10 : U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen; Leviticus 25:4 : Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor YHWH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. Leviticus 25:6 : En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren; Leviticus 25:10 : En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.
[^galaten-4-11-49]: Kanttekening 49: tevergeefs aan: Dat is, zonder vrucht; dat al mijn arbeid en moeite, die ik aangewend heb om u tot Christus te bekeren, vruchteloos zou zijn, en hun doel niet bereiken, dat is uw zaligheid, die u niet zult kunnen verkrijgen, zo u door de wet zoudt willen gerechtvaardigd worden.
[^galaten-4-12-50]: Kanttekening 50: als ik: Namelijk die eertijds ook zeer geijverd heb voor de wet, maar daarna Christus recht kennende, al die uiterlijke ceremoniën verworpen en als schade beschouwd heb; Filipp. 3:7 , 3:8 . Filippensen 3:7 : Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd. Filippensen 3:8 : Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer; vanwege Wien ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus mag winnen.
[^galaten-4-12-51]: Kanttekening 51: ik ben als u: Namelijk eertijds geweest, immers zozeer ijverende voor het Jodendom, als u zoudt mogen doen, Gal. 1:14 . Anderen verstaan dit van de goede genegenheid, die Paulus hun toedroeg; en dat hij hen hier vermaant dat zij hem gelijke genegenheid willen toedragen. Galaten 1:14 : En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.
[^galaten-4-12-52]: Kanttekening 52: ik bid u: Dat is, kan ik u met bestraffen niet bewegen, zo wordt dan bewogen door mijn vriendelijk bidden, dat u bij de waarheid van het Evangelie wilt blijven.
[^galaten-4-12-53]: Kanttekening 53: mij geen ongelijk gedaan: Dat is, wat mijn persoon betreft, zo hebt u mij geen oorzaak gegeven dat ik u uit verstoordheid of weerwraak zo scherpelijk zou bestraffen. En daarmede wil hij stilzwijgend aanwijzen, dat zij in deze Christus ongelijk deden.
[^galaten-4-13-54]: Kanttekening 54: u weet, dat: Dat is, het is zoverre vandaar, dat u mij ongelijk zoudt gedaan hebben, dat, gelijk u weet, u mij, als ik het Evangelie bij u predikte, de meeste eer en liefde getoond hebt, die men zou kunnen doen.
[^galaten-4-13-55]: Kanttekening 55: door zwakheid: Dat is, in een nederigen en slechten staat zonder uiterlijken luister. Of, met vele verdrukkingen, smaadheden, moeite, haat en gevaren uiterlijk mij overgekomen. Zie 1 Kor. 2:3 , en 2 Kor. 11:30 , en 2 Kor. 12:9 . 1 Korinthiërs 2:3 : En ik was bij u in zwakheid, en in vreze, en in vele beving. 2 Korinthiërs 11:30 : Als men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid. 2 Korinthiërs 12:9 : En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij woont.
[^galaten-4-13-56]: Kanttekening 56: de eerste maal: Dat is, toen u, als u nog heidenen was, het Evangelie van mij eerst gepredikt is geweest. Zie Hand. 16:6 , en Hand. 18:23 . Handelingen 16:6 : En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. Handelingen 18:23 : En als hij daar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen.
[^galaten-4-14-57]: Kanttekening 57: mijn verzoeking: Of, beproeving, dat is, mijne verdrukkingen, die hij tevoren zwakheid genoemd heeft, waardoor God mijn geloof en getrouwheid heeft willen beproeven.
[^galaten-4-14-58]: Kanttekening 58: die in mijn vlees: Dat is, die mij uiterlijk aangedaan werd.
[^galaten-4-14-59]: Kanttekening 59: niet veracht noch: Grieks voor niet geacht.
[^galaten-4-14-60]: Kanttekening 60: verfoeid; maar: Grieks uitgespogen; dat is, daaraan hebt u u niet gestoten, of daardoor bent u niet afgewend om het Evangelie niet aan te nemen, mijne leer te verachten of te verwerpen.
[^galaten-4-14-61]: Kanttekening 61: als een engel van God: Dat is, alsof ik één van de heilige engelen en dienstbare geesten ware geweest. Of, als een gezant Gods; want dat betekent ook het woord engel.
[^galaten-4-14-h]: Verwijzing h: Mal. 2:7 . Maleachi 2:7 : Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van YHWH van de heirscharen.
[^galaten-4-14-62]: Kanttekening 62: ja , als Christus Jezus: Dat is, niet als een dienaar van Christus, maar alsof ik de Heer zelf ware geweest. De apostel wil hiermede aanwijzen dat het grote schande voor de Galaten zou zijn, dat zij hem, die zij tevoren zulk ene eer en liefde betoond hadden, zo lichtvaardiglijk zouden verlaten, en tot de valse apostelen vallen; dat zij dan in het vorige behoorden te volharden.
[^galaten-4-14-i]: Verwijzing i: Matt. 10:40 ; Joh. 13:20 . Mattheüs 10:40 : Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Johannes 13:20 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^galaten-4-15-63]: Kanttekening 63: Welke was dan uw gelukachting: Dat is, hoe gelukkig achttet u nu uzelven? Zie van dit woord Rom. 4:9 . Romeinen 4:9 : Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.
[^galaten-4-15-64]: Kanttekening 64: zo het mogelijk: Namelijk dat men iemand met het uitgraven en geven van zijne ogen dienst zou kunnen doen.
[^galaten-4-15-65]: Kanttekening 65: uw ogen zoudt: Dat is, al wat u allerliefst en aangenaamst hebt, zoudt u mij gegeven hebben. Zie Matt. 5:29 . Mattheüs 5:29 : Als dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een van uw leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.
[^galaten-4-16-66]: Kanttekening 66: uw vijand geworden: Namelijk gelijk ik gelasterd word van de valse apostelen. Of, gelijk men zou menen dat deze scherpe bestraffing uit haat of vijandschap van mij zou gedaan zijn.
[^galaten-4-16-67]: Kanttekening 67: u de waarheid zeggende: Namelijk tot uw best en zaligheid; want dit is een werk niet van vijanden, maar van vrienden. Zie Spreuk. 27:6 . Spreuken 27:6 : De wonden van de liefhebber zijn getrouw; maar de kussingen van de hater zijn af te bidden.
[^galaten-4-17-68]: Kanttekening 68: Zij ijveren: Dat is, de valse leraars, die u zoeken te verleiden, tonen wel alsof zij grote ijver hadden om u tot de zaligheid te brengen, of grote genegenheid tot u droegen.
[^galaten-4-17-k]: Verwijzing k: Rom. 10:2 ; 2 Kor. 11:12 . Romeinen 10:2 : Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. 2 Korinthiërs 11:12 : Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.
[^galaten-4-17-69]: Kanttekening 69: niet recht over u: Dat is, met geen waren, maar met een huichelaars ijver of genegenheid.
[^galaten-4-17-70]: Kanttekening 70: Namelijk de rechte apostelen en leraars.
[^galaten-4-17-71]: Kanttekening 71: Namelijk dat u ons niet meer zoudt horen, volgen of aanhangen. Anderen lezen: u insluiten; dat is, u gelijk als in ene gevangenis sluiten, en hun onderwerpen.
[^galaten-4-17-72]: Kanttekening 72: over hen zoudt ijveren: Dat is, hen met een ijver en grote genegenheid volgen en aanhangen.
[^galaten-4-18-73]: Kanttekening 73: in het goede: Dat is, over een goede zaak; want daar is tweeërlei ijver, een goede ijver, die hier beschreven wordt, en een verkeerde, die geschiedt over een kwade zaak, die men meent goed te zijn, en die daarom met onverstand gemengd is. Zie Rom. 10:2 . Romeinen 10:2 : Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
[^galaten-4-18-74]: Kanttekening 74: altijd te ijveren: Dat is, met een ijver, die altijd standvastig blijft en niet ophoudt.
[^galaten-4-18-75]: Kanttekening 75: als ik bij u: Namelijk toen u met zulk een ijver en genegenheid ontstoken was tegen mij en mijne leer, daarin behoorde u gebleven te hebben, hoewel ik nu bij u niet ben.
[^galaten-4-19-76]: Kanttekening 76: Mijn kinderen: Namelijk die ik door het Evangelie gebaard heb; 1 Kor. 4:15 . 1 Korinthiërs 4:15 : Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
[^galaten-4-19-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 4:15 ; Filem. v. 10 ; Jak. 1:18 . 1 Korinthiërs 4:15 : Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. Filemon 1:10 : Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; Jakobus 1:18 : Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen.
[^galaten-4-19-77]: Kanttekening 77: die ik opnieuw: Grieks van welke ik opnieuw in barensnood of pijn ben; dat is, die u eerst met veel moeite en arbeid bekeerd heeft uit het heidendom tot Christus, en over welke ik nu opnieuw grote arbeid en moeite zal moeten aanwenden, om u opnieuw van deze uwe dwalingen te brengen.
[^galaten-4-19-78]: Kanttekening 78: Dat is, de zaligmakende kennis van Christus.
[^galaten-4-19-79]: Kanttekening 79: een gestalte in u: Dat is, gelijk een moeder haar kind zo lang draagt, totdat het een volmaakte gestalte heeft gekregen, en dan hetzelfde baart; zo zal ik niet ophouden te arbeiden, totdat u in de rechte kennis van Christus zult bevestigd zijn.
[^galaten-4-20-80]: Kanttekening 80: tegenwoordig bij: Namelijk om te beter mijne liefde tot u te betonen, en u breder van alles te kunnen onderrichten, dan wel door schrijven kan gebeuren.
[^galaten-4-20-81]: Kanttekening 81: stem mocht veranderen: Dat is, mijne redenen en woorden voegen naar de gelegenheid van een ieder, of van de zaken, nu zoeter, dan scherper, u aansprekende.
[^galaten-4-20-82]: Kanttekening 82: in twijfel over u: Dat is, ik weet niet hoe ik het met u heb, of ik wel of kwalijk van u zal hopen; of, hoe deze uwe afwijking zal uitvallen, of, hoe ik u van dezelfde het best weer zal terechtbrengen.
[^galaten-4-21-83]: Kanttekening 83: Zegt mij, u: Dat is, antwoord mij eens op wat ik u uit de wet zelve zal voorstellen.
[^galaten-4-21-84]: Kanttekening 84: die onder de wet: Dat is, die door de werken van de wet en de onderhouding van de ceremoniën zoekt gerechtvaardigd te worden.
[^galaten-4-21-85]: Kanttekening 85: hoort u de wet niet: Dat is, wilt u u aan de wet niet onderwerpen om aan te nemen wat in de wet en boeken van Mozes geschreven staat? Namelijk dat de wet zelve van de erfenis uitsluit degenen, die dienaren van de wet zijn, gelijk in de volgende verzen bewezen wordt. Het woord wet wordt hier in tweeërlei betekenis genomen, gelijk Rom. 3:21 . Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:
[^galaten-4-22-86]: Kanttekening 86: Want er is geschreven: Namelijk in de wet van Mozes van het elfde hoofdstuk van Genesis tot het twee en twintigste hoofdstuk.
[^galaten-4-22-87]: Kanttekening 87: Namelijk Ismaël.
[^galaten-4-22-m]: Verwijzing m: Gen. 16:15 . Genesis 16:15 : En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.
[^galaten-4-22-88]: Kanttekening 88: de dienstmaagd: Of, slavin; namelijk, Agar (Hagar).
[^galaten-4-22-n]: Verwijzing n: Gen. 21:2 ; Hand. 7:8 ; Hebr. 11:11 . Genesis 21:2 : En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had. Handelingen 7:8 : En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis; en zo verwekte hij Izak, en besneed hem op de achtsten dag; en Izak verwekte Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. Hebreeën 11:11 : Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.
[^galaten-4-22-89]: Kanttekening 89: Namelijk Izak.
[^galaten-4-22-90]: Kanttekening 90: de vrije: Namelijk Sara.
[^galaten-4-23-o]: Verwijzing o: Joh. 8:39 ; Rom. 9:7 . Johannes 8:39 : Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zoudt u de werken van Abraham doen. Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.
[^galaten-4-23-91]: Kanttekening 91: naar het vlees geboren: Dat is, naar de kracht, werking en loop van de natuur. Want Agar was nog jong toen zij haar zoon ontving, en Abraham nog bekwaam om kinderen te winnen.
[^galaten-4-23-92]: Kanttekening 92: door de beloftenis: Namelijk is geboren geweest, dat is, door bovennatuurlijke werking Gods, die Abraham van God beloofd was; Gen. 18:10 . Want Sara was onvruchtbaar, en nu negentig jaren oud, en Abraham honderd, beiden onbekwaam naar de natuur om kinderen te winnen; Gen. 17:17 ; Rom. 4:19 . Genesis 18:10 : En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, omtrent deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, welke achter Hem was. Genesis 17:17 : Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? Romeinen 4:19 : En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^galaten-4-24-93]: Kanttekening 93: die andere beduiding: Grieks allegoroumena; dat is, die wel een ware historie of geschiedenis zijn, maar naast die ook wat anders beduiden, als zijnde voorbeelden of afbeeldingen van geestelijke zaken; gelijk ook de koperen slang, Joh. 3:14 , het huwelijk van Adam en Eva, Ef. 5:32 , de doorgang van de Israëlieten door de Rode Zee, 1 Kor. 10:1 , 10:2 , de zondvloed, 1 Petr. 3:20 . Johannes 3:14 : En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon van de mensen verhoogd worden; Efeziërs 5:32 : Deze verborgenheid is groot; maar ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente. 1 Korinthiërs 10:1 : En ik wil niet, broeders, dat u onwetende bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 1 Korinthiërs 10:2 : En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 1 Petrus 3:20 : Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
[^galaten-4-24-94]: Kanttekening 94: Namelijk twee vrouwen, Sara en Agar.
[^galaten-4-24-95]: Kanttekening 95: Dat is, beduiden, betekenen, afbeelden; een sacramentelijke wijze van spreken. Zie Gen. 41:26 , 41:27 ; Matt. 26:26 . Genesis 41:26 : Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is een. Genesis 41:27 : En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van de oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren van de honger wezen. Mattheüs 26:26 : En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
[^galaten-4-24-96]: Kanttekening 96: de twee verbonden: Namelijk het oude van de wet, waarin beloofd wordt dat hij, die de wet volkomenlijk onderhoudt, de zaligheid daardoor verkrijgen zal, en het nieuwe van het Evangelie, waarin het eeuwige leven beloofd wordt de zondaren die in Christus geloven. Zie Jer. 31:31 , enz.; Hebr. 8:8 , 8:9 , 8:10 . Jeremia 31:31 : Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Hebreeën 8:8 : Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; Hebreeën 8:9 : Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heer. Hebreeën 8:10 : Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^galaten-4-24-97]: Kanttekening 97: het ene: Namelijk het verbond van de wet.
[^galaten-4-24-98]: Kanttekening 98: van de berg Sinaï: Dat is, dat zijn oorsprong daarvan heeft, waar het van God het volk door Mozes is voorgesteld en van het volk aangenomen.
[^galaten-4-24-99]: Kanttekening 99: tot dienstbaarheid: Dat is, kinderen voorbrengende, die onder de dienstbaarheid zijn. Want de wet eist van de mensen een volkomen gehoorzaamheid, of bij gebrek van die verkondigt hun de vloek.
[^galaten-4-24-100]: Kanttekening 100: dat is Agar: Dat is, dat door de dienstmaagd Agar is afgebeeld, die zelve een slavin zijnde, uit het huis is gedreven, en wier kinderen met de zonen van de vrije niet erven, Gen. 21:10 ; want die van ene slaven geboren worden zijn ook slaven en geen erfgenamen. Genesis 21:10 : En zij zei tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.
[^galaten-4-25-101]: Kanttekening 101: dit, namelijk Agar: Dat is, dit verbond, dat door Agar is afgebeeld. Of, dit woord Agar.
[^galaten-4-25-102]: Kanttekening 102: is Sinaï: Dat is, wordt ook genaamd Sinaï. Want de berg, die wij noemen Sinaï, wordt, gelijk sommigen menen, van de Arabieren genaamd Agar, en daarvan worden ook de Arabieren Agarenen genaamd, 1 Kron. 5:10 , 5:19 ; Ps. 83:7 . Of, is ene afbeelding van Sinaï, en van het verbond van de wet, dat op de berg Sinaï gegeven is. 1 Kronieken 5:10 : En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead. 1 Kronieken 5:19 : En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. Psalmen 83:7 : De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen;
[^galaten-4-25-103]: Kanttekening 103: een berg in Arabië: Dat is, gelegen in de woestijn van Arabië, waarheen Agar met haar zoon Ismaël gevlucht is, als zij uit het huis van Abraham was gedreven, en heeft hem daar een Egyptische huisvrouw gegeven; Gen. 21:14 , 21:20 , 21:21 . Genesis 21:14 : Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. Genesis 21:20 : En God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. Genesis 21:21 : En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
[^galaten-4-25-104]: Kanttekening 104: komt overeen: Namelijk hetzelfde verbond, dat is, heeft ééne gelijkenis en enigheid.
[^galaten-4-25-105]: Kanttekening 105: met Jeruzalem: Dat is, met de Joodse synagoge of godsdienst, die binnen Jeruzalem de overhand en haar zitplaats heeft.
[^galaten-4-25-106]: Kanttekening 106: dat nu is: Namelijk na de toekomst van Christus, door wie al de ceremoniën vervuld en afgedaan zijn; en evenwel houdt, dat de onderhouding van de ceremoniën nog ter zaligheid nodig is.
[^galaten-4-25-107]: Kanttekening 107: dienstbaar is: Of, want het is dienstbaar; dat is, het draagt nog het juk van de ceremoniën, en zoekt daardoor de zaligheid.
[^galaten-4-25-108]: Kanttekening 108: met haar kinderen: Dat is, met al degenen die deze religie aanhangen, en door het verbond van de wet hunne zaligheid zoeken. En daarom wordt het bij Agar en haar zoon met recht vergeleken; en zal ook als Agar met haar zoon van de erfenis verstoten worden.
[^galaten-4-26-p]: Verwijzing p: Openb. 21:2 . Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^galaten-4-26-109]: Kanttekening 109: Dat is, de Christelijke Kerk en religie, die haar zaligheid zoekt, niet door het eerste verbond van de wet, namelijk door de werken van de wet, maar door het tweede van het Evangelie, namelijk door de verdiensten van Christus met een waar geloof aangenomen; welke haar oorsprong heeft van de hemel, door de krachtige roeping van de Heilige Geest. Zie Hebr. 12:22 ; Openb. 3:12 , en Openb. 21:10 . Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 3:12 : Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam. Openbaring 21:10 : En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.
[^galaten-4-26-110]: Kanttekening 110: dat is vrij: Namelijk van de dienstbaarheid en vloek van de wet; en wordt bij Sara en Izak, die vrije personen waren, met recht vergeleken; waarom het ook de erfenis van de hemel beërven zal.
[^galaten-4-26-111]: Kanttekening 111: ons aller: Namelijk gelovigen, zo Joden als heidenen die hunne zaligheid in Christus alleen zoeken.
[^galaten-4-26-112]: Kanttekening 112: Gelijk Sara de moeder was van Izak, die de erfgenaam zijns vaders was, omdat hij uit een vrije moeder was geboren.
[^galaten-4-27-q]: Verwijzing q: Jes. 54:1 . Jesaja 54:1 : Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH.
[^galaten-4-27-113]: Kanttekening 113: Want er is geschreven: Namelijk Jes. 54:1 . De apostel bevestigt dit afgebeeld onderscheid van de twee verbonden, volken en gemeenten, van de wet en van het Evangelie, met de getuigenis en voorzegging van de profeet Jesaja, opdat hij niet schijne deze toepassing buiten de Schrift versierd te hebben. Jesaja 54:1 : Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH.
[^galaten-4-27-114]: Kanttekening 114: u onvruchtbare: Dat is, u gemeente dergenen, die uwe zaligheid alleen in Christus zoekt, die ten tijde van Christus weinige waren, zodat het scheen alsof zij geen kinderen had; dat ook betekend wordt, gelijk de profeet zegt, dat zij geen barensnood heeft en eenzaam is. 115 de kinderen van de eenzame Dat is, ledematen derzelve.
[^galaten-4-27-115]: Kanttekening 115: de kinderen: Dat is, lidmaten derzelve.
[^galaten-4-27-116]: Kanttekening 116: veel meer, dan dergene: Daardoor wordt voorzegd de grote menigte dergenen, die uit het Jodendom en voornamelijk uit het heidendom, zich tot deze gemeente zullen begeven, dat na Christus' hemelvaart geschied is.
[^galaten-4-27-117]: Kanttekening 117: die de man heeft: Dat is, de Joodse kerk of synagoge, die zich alleen Gods gemeente en eigendom roemde te zijn, en vele aanhangers had.
[^galaten-4-28-r]: Verwijzing r: Rom. 9:7 ; idem v. 8 . Romeinen 9:7 : Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Romeinen 9:8 : Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.
[^galaten-4-28-118]: Kanttekening 118: wij, broeders: Namelijk die onze zaligheid niet door de wet, maar door het geloof in Christus zoeken.
[^galaten-4-28-119]: Kanttekening 119: kinderen van de belofte: Dat is, wie de erfenis van het eeuwige leven toegezegd is, en haar zullen deelachtig worden.
[^galaten-4-28-120]: Kanttekening 120: als Izak was: Grieks naar Izak; dat is, naar het voorbeeld van Izak, namelijk gelijk Izak uit kracht van de belofte, boven de kracht van de natuur, van een vrije moeder geboren zijnde, erfgenaam is geweest van zijns vaders goed; zo zullen ook allen, die door het ware geloof de beloften van het Evangelie aannemen, als vrije kinderen van God, de hemelse erfenis deelachtig worden.
[^galaten-4-29-s]: Verwijzing s: Gen. 21:9 . Genesis 21:9 : En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottende.
[^galaten-4-29-121]: Kanttekening 121: Namelijk ten tijde van Abraham.
[^galaten-4-29-122]: Kanttekening 122: naar het vlees: Namelijk Ismaël. Zie vers 23 . Galaten 4:23 : Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; maar deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;
[^galaten-4-29-123]: Kanttekening 123: vervolgde dengene: Namelijk met bittere bespotting. Zie Gen. 21:9 . Genesis 21:9 : En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottende.
[^galaten-4-29-124]: Kanttekening 124: naar de Geest: Dat is, Izak, die geboren was uit kracht van de belofte van God, van zijne ouders aangenomen met waar geloof, dat de Geest van God in hen gewrocht heeft.
[^galaten-4-29-125]: Kanttekening 125: zo ook nu: Namelijk worden de gelovigen, die hunne zaligheid alleen in Christus zoeken gelijk Izak, nog vervolgd van de Joodse synagoge, die door de wet wil zalig worden, waarvan Ismaël een voorbeeld was. Daarmede vermaant hij de gelovigen tot volharding en standvastigheid.
[^galaten-4-30-t]: Verwijzing t: Gen. 21:10 . Genesis 21:10 : En zij zei tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.
[^galaten-4-30-126]: Kanttekening 126: wat zegt de Schrift: Dat is, let toch wel op wat de Heilige Schrift in deze historie nog verder zegt.
[^galaten-4-30-127]: Kanttekening 127: Werp de dienstmaagd: Door deze uitwerping van Hagar en Ismaël uit het huis van Abraham wordt afgebeeld, dat zo ook allen, die door het verbond van de wet zoeken zalig te worden, uit het huis van God zullen uitgeworpen worden, en de erfenis van het eeuwige leven niet verkrijgen. Maar dat die uit het geloof van Christus zijn, daarin blijven zullen en alleen zalig worden.
[^galaten-4-31-128]: Kanttekening 128: wij zijn niet kinderen: Namelijk die de zaligheid alleen in Christus en niet in de wet zoeken.
[^galaten-4-31-129]: Kanttekening 129: van de dienstmaagd: Namelijk van Agar, dat is, van het verbond van de wet, waarvan Agar een voorbeeld was, die niet erven zullen, maar uitgeworpen worden.
[^galaten-4-31-130]: Kanttekening 130: van de vrije: Namelijk Sara; dat is, van het genadeverbond van het Evangelie, waarvan Sara een voorbeeld was, die de erfenis zullen verkrijgen.

### Galaten 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/5.json)

*1 Nadat de apostel de vrijheid van de christenen van het juk van de wet verklaard en bewezen heeft, vermaant hij de Galaten dat zij in die vrijheid blijven en volharden. 2 dat anders Christus hun niet van nut is, 5 en dat de gerechtigheid niet verkregen wordt dan door een geloof dat werkt door de liefde. 7 Hij betuigt dat het gevoelen van de valse leraars niet uit God is, maar als een zuurdesem werkt: en dat zij door God gestraft zullen worden. 11 dat zij ook ten onrechte de naam van de apostel misbruikten. 13 Hij leert dat deze vrijheid gebruikt moet worden met liefde tot de naaste, zonder twist. 16 Hij vermaant hen dat zij de begeerlijkheden van het vlees door de kracht van de Geest overwinnen, 17 Hij beschrijft daarom de strijd van het vlees tegen de Geest in de gelovigen. 19 verhaalt de vruchten van het vlees, 22 en van de Geest. 24 aanwijzend dat dit de echte christenen zijn, die door de Geest het vlees overwinnen.*

**1** [^galaten-5-1-1] Sta[^galaten-5-1-a] dan[^galaten-5-1-2] in de vrijheid, met welke ons[^galaten-5-1-3] Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet[^galaten-5-1-4] opnieuw[^galaten-5-1-b] met[^galaten-5-1-5] het juk van de[^galaten-5-1-6] dienstbaarheid bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v1)

**2** Zie,[^galaten-5-2-7] ik Paulus zeg u,[^galaten-5-2-8][^galaten-5-2-c] zo u zich laat besnijden,[^galaten-5-2-9] dat Christus u niet nut zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v2)

**3** En ik betuig opnieuw ieder mens,[^galaten-5-3-10] die zich laat besnijden, dat hij[^galaten-5-3-11] een schuldenaar is[^galaten-5-3-12] de hele wet te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v3)

**4** Christus is u[^galaten-5-4-13] ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd[^galaten-5-4-14] wilt worden; u bent[^galaten-5-4-15] van de genade[^galaten-5-4-16] vervallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v4)

**5** Want[^galaten-5-5-17] wij[^galaten-5-5-18] verwachten[^galaten-5-5-19] door de Geest,[^galaten-5-5-20] uit het geloof, de hoop van de rechtvaardigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v5)

**6** [^galaten-5-6-d] Want[^galaten-5-6-21] in Christus Jezus heeft noch[^galaten-5-6-22] besnijdenis enige[^galaten-5-6-23] kracht noch[^galaten-5-6-24] voorhuid, maar[^galaten-5-6-25] het geloof,[^galaten-5-6-26] door de liefde[^galaten-5-6-27][^galaten-5-6-e] werkend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v6)

**7** U[^galaten-5-7-28] liept wel;[^galaten-5-7-29][^galaten-5-7-f] wie heeft u verhinderd[^galaten-5-7-30] van de waarheid[^galaten-5-7-31] niet gehoorzaam te zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v7)

**8** [^galaten-5-8-32] Dit gevoelen is niet uit[^galaten-5-8-33] Hem, Die u roept. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v8)

**9** [^galaten-5-9-34][^galaten-5-9-g] Een weinig zuurdesem verzuurt het hele deeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v9)

**10** [^galaten-5-10-h] Ik vertrouw van u in de Heere, dat u[^galaten-5-10-35] niet anders zult gevoelen; maar[^galaten-5-10-36] die u ontroert, zal[^galaten-5-10-37] het oordeel dragen,[^galaten-5-10-38] wie hij ook zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v10)

**11** Maar ik, broeders! Als ik[^galaten-5-11-39] nog[^galaten-5-11-40] de besnijdenis predik,[^galaten-5-11-41] waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan[^galaten-5-11-42][^galaten-5-11-i] het struikelblok van het[^galaten-5-11-43] kruis vernietigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v11)

**12** [^galaten-5-12-k] Och, of zij ook[^galaten-5-12-44] afgesneden werden, die u[^galaten-5-12-45] onrustig maken! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v12)

**13** Want u bent[^galaten-5-13-46] tot vrijheid[^galaten-5-13-47] geroepen, broeders,[^galaten-5-13-l] alleen[^galaten-5-13-48] gebruikt de vrijheid niet tot[^galaten-5-13-49] een oorzaak voor het vlees; maar[^galaten-5-13-50] dient elkaar door de liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v13)

**14** [^galaten-5-14-m] Want[^galaten-5-14-51] de hele wet wordt in[^galaten-5-14-52] één woord[^galaten-5-14-53] vervuld, namelijk in dit:[^galaten-5-14-n] U zult uw naaste liefhebben, zoals uzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v14)

**15** Maar[^galaten-5-15-o] als u elkaar[^galaten-5-15-54] bijt en vereet, ziet toe, dat u van elkaar niet[^galaten-5-15-55] verteerd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v15)

**16** En[^galaten-5-16-56] ik zeg:[^galaten-5-16-p] Wandel[^galaten-5-16-57] door de geest[^galaten-5-16-58] en volbrengt[^galaten-5-16-59] de begeerlijkheden van het vlees niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v16)

**17** [^galaten-5-17-q] Want het vlees[^galaten-5-17-60] begeert tegen de geest, en de geest tegen het vlees; en deze[^galaten-5-17-61] staan tegen elkaar, zo[^galaten-5-17-62] dat u niet doet, wat[^galaten-5-17-63] u wilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v17)

**18** Maar als u[^galaten-5-18-64] door de geest geleid wordt, zo bent u[^galaten-5-18-65] niet onder de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v18)

**19** [^galaten-5-19-r] De werken[^galaten-5-19-66] van het vlees nu[^galaten-5-19-67] zijn openbaar; die zijn overspel, hoererij, onreinheid,[^galaten-5-19-68] ontucht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v19)

**20** Afgoderij,[^galaten-5-20-69] venijngeving, vijandschappen, twisten,[^galaten-5-20-70] afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v20)

**21** Afgunst, moord, dronkenschappen,[^galaten-5-21-71] brasserijen, en[^galaten-5-21-72] dergelijke;[^galaten-5-21-s] van die ik u[^galaten-5-21-73] te voren zeg, zoals ik ook[^galaten-5-21-74] te voren gezegd heb, dat[^galaten-5-21-75] die zulke dingen doen,[^galaten-5-21-76] het Koninkrijk van God[^galaten-5-21-77] niet zullen[^galaten-5-21-78] beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v21)

**22** [^galaten-5-22-t] Maar[^galaten-5-22-79] de vrucht van de Geest is liefde,[^galaten-5-22-80] blijdschap, vrede, geduld, goedertierenheid, goedheid,[^galaten-5-22-81] geloof, zachtmoedigheid,[^galaten-5-22-82] matigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v22)

**23** [^galaten-5-23-v] Tegen[^galaten-5-23-83] zulke dingen[^galaten-5-23-84] is de wet niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v23)

**24** [^galaten-5-24-x] Maar[^galaten-5-24-85] die van Christus zijn,[^galaten-5-24-86] hebben het vlees gekruist met[^galaten-5-24-87] de hartstochten en begeerlijkheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v24)

**25** Als wij door[^galaten-5-25-88] de Geest leven, zo laat ons ook[^galaten-5-25-89] door de Geest wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v25)

**26** [^galaten-5-26-90] Laat ons niet zijn[^galaten-5-26-91] zoekers van ijdele eer, elkaar[^galaten-5-26-92] tergende, elkaar[^galaten-5-26-93] benijdende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/5.html#v26)

[^galaten-5-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: blijf standvastig zonder af te wijken. Zie 1 Korintiërs 16:13.
[^galaten-5-1-a]: Verwijzing a: Johannes 8:32. Romeinen 6:18. 1 Petrus 2:16.
[^galaten-5-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk: van de slavernij aan de wet, waarover in de voorgaande hoofdstukken is gesproken.
[^galaten-5-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk: die ons van de vloek en dwang van de wet bevrijd heeft, en alle ceremonies van de wet vervuld en afgeschaft heeft. Zie Johannes 8:36.
[^galaten-5-1-4]: Kanttekening 4: Net zoals u vroeger onderworpen was aan de slavernij van de afgoden en daarvan verlost bent — aanvaard nu niet opnieuw een nieuwe slavernij van ceremonies. Zie Galaten 4:8.
[^galaten-5-1-b]: Verwijzing b: Jesaja 9:4.
[^galaten-5-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: het zware en moeizame onderhouden van de ceremonies, die Petrus in Handelingen 15:10 een ondraaglijk juk noemt.
[^galaten-5-1-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: als met touwen en strikken daaraan gebonden en vastgemaakt. Een beeld ontleend aan ossen, waaraan men het juk aan de horens vastbindt om hen te dwingen.
[^galaten-5-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk: ik die een apostel van Jezus Christus ben, niet door mensen of via mensen, maar door God zelf daartoe geroepen. Zie Galaten 1:1. Hij stelt hier zijn apostolisch gezag tegenover het aanzien van de valse apostelen.
[^galaten-5-2-8]: Kanttekening 8: Grieks: als u besneden wordt. Namelijk met de bedoeling dat de besnijdenis nog noodzakelijk is voor de zaligheid en dat u daardoor gerechtvaardigd zult worden.
[^galaten-5-2-c]: Verwijzing c: Handelingen 15:1.
[^galaten-5-2-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: dat u dan geen deel hebt aan de gerechtigheid van Christus. Want wie zijn eigen gerechtigheid probeert op te richten, is de gerechtigheid van God niet onderworpen. Romeinen 10:3. En wie de besnijdenis nog houdt als noodzakelijk, verwerpt daarmee dat Christus heeft vervuld wat daardoor was afgebeeld.
[^galaten-5-3-10]: Kanttekening 10: Grieks: die besneden wordt. Zoals eerder in vers 2.
[^galaten-5-3-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: dat hij zichzelf daarmee verplicht en bindt.
[^galaten-5-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: de gehele wet volledig in alles te onderhouden om door de wet gerechtvaardigd te worden. Maar omdat niemand dat doet of nu kan doen, zijn allen die in de wet hun gerechtigheid zoeken, aan de vloek onderworpen. Deuteronomium 27:26. Jakobus 2:10.
[^galaten-5-4-13]: Kanttekening 13: Grieks: u bent van Christus verijdeld of vernietigd (Χριστοῦ). Dat wil zeggen: hoewel u de gerechtigheid van Christus wilt vermengen met de wet, zal u dat niets baten, omdat zo'n vermenging onmogelijk is en de gerechtigheid van Christus teniet wordt gedaan zodra de gerechtigheid uit de wet komt. Galaten 2:21.
[^galaten-5-4-14]: Kanttekening 14: Grieks: gerechtvaardigd wordt.
[^galaten-5-4-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: van de gunst van God, en daarmee van alle weldaden van God die daaruit voortvloeien, zoals de krachtige roeping, het geloof, de vergeving van zonden, de rechtvaardiging, de heiliging en het eeuwige leven. Want gerechtvaardigd worden door werken en door genade kunnen niet tegelijk bestaan. Romeinen 11:6.
[^galaten-5-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: u zou afvallen, als u door de wet gerechtvaardigd wilt worden. Of hij spreekt dit niet met het oog op de ware gelovigen, die nooit geheel en definitief van Gods genade afvallen, 1 Petrus 1:5; 1 Johannes 3:9, maar met het oog op de huichelaars, die schenen in Gods genade te staan en gezegd worden daarvan te vallen wanneer het openbaar wordt dat zij nooit in Gods genade gestaan hebben. 1 Johannes 2:19.
[^galaten-5-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk: gelovigen uit de Joden, aan wie de wet gegeven was. Hoeveel te meer behoort u dan, die uit de heidenen bent en de wet nooit gehad hebt, ook door het geloof en niet door de wet de gerechtigheid te zoeken. Galaten 2:15-16.
[^galaten-5-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: wij vertrouwen erop dat wij de gerechtigheid hebben en de vrucht daarvan, die wij nu hopen, zeker zullen ontvangen. Romeinen 8:24. Titus 2:13.
[^galaten-5-5-19]: Kanttekening 19: Namelijk: Gods Geest, die dit vertrouwen in ons werkt.
[^galaten-5-5-20]: Kanttekening 20: Namelijk: in Christus, waarmee wij de verdiensten van Christus aannemen. En niet uit de werken van de wet.
[^galaten-5-6-d]: Verwijzing d: Matteüs 12:50. Johannes 15:14. 1 Korintiërs 7:19. 2 Korintiërs 5:17. Galaten 6:15. Kolossenzen 3:11.
[^galaten-5-6-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: nu in het koninkrijk van Christus onder het Nieuwe Testament — om een christen te zijn.
[^galaten-5-6-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: alle ceremonies en voorrechten die de Joden vroeger gegeven waren.
[^galaten-5-6-23]: Kanttekening 23: Namelijk: om te rechtvaardigen.
[^galaten-5-6-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: onbesneden zijn bevordert noch schaadt de zaligheid. Zie Romeinen 3:30.
[^galaten-5-6-25]: Kanttekening 25: Namelijk: het geloof heeft als enige die kracht, als het instrument waardoor wij de gerechtigheid van Christus aannemen en deelachtig worden.
[^galaten-5-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: door het tonen van daden van liefde tegenover God en de naaste. Daarmee wordt het ware geloof onderscheiden van de uiterlijke geloofsbelijdenis van huichelaars, die een dood geloof is en niet kan zaligmaken. Zie Jakobus 2:14, 20, 26. Met deze beschrijving beantwoordt hij ook de laster van de valse leraren, die beweerden dat de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen zorgeloze en goddeloze mensen maakt.
[^galaten-5-6-27]: Kanttekening 27: Of: werkzaam en daadwerkelijk actief zijnde.
[^galaten-5-6-e]: Verwijzing e: 1 Tessalonicenzen 1:3.
[^galaten-5-7-28]: Kanttekening 28: Namelijk: op de loopbaan van het ware geloof, dat wil zeggen: vasthoudend aan de juiste leer van de rechtvaardiging en de christelijke vrijheid. Een beeld ontleend aan hen die in de wedstrijd op de renbaan lopen. Zie 1 Korintiërs 9:24, 26. Filippenzen 3:14.
[^galaten-5-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: uw loop gestopt en als afgesneden. Hij vraagt dit terwijl hij zich verwondert over hun grote onstandvastigheid in de zuivere leer. Tegelijk legt hij de voornaamste schuld bij de verleiders, om hun te laten zien dat hij geloofde dat zij uit zwakheid en niet uit boosaardigheid zondigden, en zo hen beter te winnen.
[^galaten-5-7-f]: Verwijzing f: Galaten 3:1.
[^galaten-5-7-30]: Kanttekening 30: Namelijk: de waarheid over de rechtvaardiging van de mens uit genade, door het geloof, zonder de werken. Galaten 2:5.
[^galaten-5-7-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die niet te aanvaarden, niet te geloven en er niet standvastig bij te blijven.
[^galaten-5-8-32]: Kanttekening 32: Grieks: dit wijsmaken, of: dit overreden. Namelijk van de valse apostelen, die u willen laten geloven dat de gerechtigheid ook uit de wet komt en niet alleen door Christus.
[^galaten-5-8-33]: Kanttekening 33: Namelijk: God of Christus. Zie Galaten 1:6. En dus is het niet goed, noch in overeenstemming met de waarheid.
[^galaten-5-9-34]: Kanttekening 34: Zie over dit beeld 1 Korintiërs 5:6. Met dit zuurdesem kan bedoeld zijn: de valse leer zelf, zoals in Matteüs 16:6, 12; of de mensen die deze leer propageerden, die, hoe weinig ze ook waren, toch grote schade aanrichtten om de hele gemeente uiteindelijk te bederven, en daarom des te meer gemeden moesten worden.
[^galaten-5-9-g]: Verwijzing g: 1 Korintiërs 5:6.
[^galaten-5-10-h]: Verwijzing h: 2 Korintiërs 2:3 en 8:22.
[^galaten-5-10-35]: Kanttekening 35: Namelijk: zoals ik u geleerd heb en nog in deze brief leer.
[^galaten-5-10-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: wie met valse en vreemde leer uw geweten onrustig maakt en de vrede van de gemeente verstoort.
[^galaten-5-10-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: door God rechtvaardig en zeker gestraft worden. Een Hebreeuwse uitdrukkingswijze. Zie Matteüs 23:14.
[^galaten-5-10-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: wie daarin schuldig is, welk aanzien hij ook mag hebben.
[^galaten-5-11-39]: Kanttekening 39: Namelijk: zoals ik deed toen ik nog een farizeeër was, met de bedoeling om daardoor gerechtvaardigd te worden.
[^galaten-5-11-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: ik leer dat de besnijdenis en de andere ceremonies van de wet nodig zijn om ter zaligheid onderhouden te worden, zoals de valse apostelen mij toeschrijven.
[^galaten-5-11-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: dat zo'n toeschrijving onjuist is, blijkt uit de vervolgingen die de Joden mij dagelijks aandoen, om geen andere reden dan dat ik leer dat de besnijdenis en andere ceremonies door Christus zijn afgeschaft.
[^galaten-5-11-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: de aanstoot die de Joden nemen aan de christelijke leer, die leert dat Christus door zijn kruisiging en dood alleen ons van de vloek verlost en de zaligheid verworven heeft. 1 Korintiërs 1:23.
[^galaten-5-11-i]: Verwijzing i: 1 Korintiërs 1:23.
[^galaten-5-11-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: zou ophouden.
[^galaten-5-12-k]: Verwijzing k: Jozua 7:25.
[^galaten-5-12-44]: Kanttekening 44: Namelijk: van de gemeente en de gemeenschap van de gelovigen. Dit wenst hij uit apostolische ijver voor Gods eer en de zaligheid van mensen — niet uit een wraakzuchtig hart. Daarom is dit niet in strijd met het gebod van Christus, Matteüs 5:44, noch met zijn eigen leer. Romeinen 12:14.
[^galaten-5-12-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: in verwarring brengen, zoals in vers 10.
[^galaten-5-13-46]: Kanttekening 46: Zie vers 1.
[^galaten-5-13-47]: Kanttekening 47: Namelijk: door God en door Christus. Zie vers 8 en Galaten 1:6.
[^galaten-5-13-l]: Verwijzing l: 1 Korintiërs 8:9. Judas vers 4 en 1 Petrus 2:16.
[^galaten-5-13-48]: Kanttekening 48: Eerder heeft hij hen vermaand om standvastig te blijven bij de christelijke vrijheid; hier vermaant hij hen verder tot het juiste gebruik ervan.
[^galaten-5-13-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: om deze vrijheid te misbruiken voor het bevredigen van de begeerten van het vlees en als dekmantel voor de zonden. 1 Petrus 2:16.
[^galaten-5-13-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: hoewel u vrij bent van de slavernij aan de wet, moet u toch elkaar diensten van liefde bewijzen. Want hoewel u vrij bent van de wet van de ceremonies, bent u niet vrij van de wet van de liefde. Romeinen 13:8. 1 Petrus 2:17.
[^galaten-5-14-m]: Verwijzing m: Romeinen 13:8.
[^galaten-5-14-51]: Kanttekening 51: Grieks: de gehele wet. Namelijk: van de tweede tafel, waarin God ons voorschrijft hoe wij ons tegenover onze naaste moeten gedragen. Zie Romeinen 13:8.
[^galaten-5-14-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: in één gebod. Zie Deuteronomium 4:13.
[^galaten-5-14-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: kort en bondig als in één hoofdpunt samengevat. Zie Leviticus 19:18. Matteüs 22:39. Romeinen 13:8.
[^galaten-5-14-n]: Verwijzing n: Leviticus 19:18. Matteüs 22:39. Marcus 12:31. Jakobus 2:8.
[^galaten-5-15-o]: Verwijzing o: 2 Korintiërs 12:20.
[^galaten-5-15-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: door twisten, lasteren en onenigheid over dit punt van de christelijke vrijheid elkaar kwelt en leed aandoet.
[^galaten-5-15-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: dat door uw twisten uw geloof niet wordt verzwakt en de welstand, vrede en rust van de gemeente niet worden verbroken.
[^galaten-5-16-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: dit is wat ik bedoel. Zie Galaten 3:17 en 4:1. Hij legt hier nader uit wat hij in vers 13 had gezegd, en wijst het middel aan waardoor het misbruik van de vrijheid wordt voorkomen.
[^galaten-5-16-p]: Verwijzing p: Romeinen 13:14. 1 Petrus 2:11.
[^galaten-5-16-57]: Kanttekening 57: Wanneer geest en vlees in de mens tegenover elkaar worden gesteld, wordt met de geest bedoeld: het deel van de mens dat door de Geest is wedergeboren; en met het vlees: de natuurlijke verdorvenheid die de wedergeborene nog aankleeft. Zie Romeinen 8:1.
[^galaten-5-16-58]: Kanttekening 58: Of: en u zult niet volbrengen — wijzend op de vrucht die volgt als men naar de Geest wandelt. Dit is dan ook het middel om het misbruik van de vrijheid te voorkomen.
[^galaten-5-16-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: de kwade gedachten, neigingen, impulsen en lusten van de verdorven natuur die de wedergeborene nog aanhangen.
[^galaten-5-17-q]: Verwijzing q: Romeinen 7:15 e.v.
[^galaten-5-17-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: de kwade begeerten van het vlees strijden tegen de goede begeerten die de Heilige Geest in de wedergeborene opwekt.
[^galaten-5-17-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: het zijn tegenstrijdige begeerten.
[^galaten-5-17-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: u kunt het niet altijd volbrengen.
[^galaten-5-17-63]: Kanttekening 63: Namelijk: overeenkomstig de goede begeerten die de Heilige Geest in u heeft gewerkt. Evenzo verhinderen de begeerten van de Geest dat u de begeerten van het vlees volbrengt. Romeinen 7:19 e.v.
[^galaten-5-18-64]: Kanttekening 64: Namelijk: zodanig dat de Geest en de goede begeerten die Hij in u werkt, de overhand in u hebben, zodat u zich daardoor op de wegen van God laat leiden.
[^galaten-5-18-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: niet onder de dwang van de wet, die voortkomt uit angst voor de dreiging van de wet, noch onder haar vloek, noch onder het juk van de ceremonies. Want deze Geest die de wedergeborene leidt, is niet een geest van slavernij tot vrees, maar van aanneming tot kinderen en van vrijheid. Zie Romeinen 8:15. Galaten 4:6.
[^galaten-5-19-r]: Verwijzing r: 1 Korintiërs 3:3. Jakobus 3:14.
[^galaten-5-19-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: die het vlees, dat wil zeggen de verdorvenheid van onze natuur, voortbrengt — en waarin de verdorven aard van de mens zijn behagen vindt.
[^galaten-5-19-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: ze zijn voldoende bekend, want men weet uit het licht van de natuur dat ze slecht, schandelijk en oneerlijk zijn. Of: ze kunnen niet verborgen blijven, hoe hard mensen ze ook proberen te verbergen.
[^galaten-5-19-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: geilheid, dartelheid, wulpsheid.
[^galaten-5-20-69]: Kanttekening 69: Of: toverij.
[^galaten-5-20-70]: Kanttekening 70: Of: jaloëzie — wanneer men het zijn naaste niet gunt dat het hem goed gaat, of zijn voordeel zoekt ten koste van zijn naaste.
[^galaten-5-21-71]: Kanttekening 71: Zie Romeinen 13:13. Efeziërs 5:18.
[^galaten-5-21-72]: Kanttekening 72: Dit wordt erbij vermeld omdat er nog veel meer zijn, en het te lang zou worden om ze allemaal op te noemen.
[^galaten-5-21-s]: Verwijzing s: 1 Korintiërs 6:10. Efeziërs 5:5. Kolossenzen 3:6. Openbaring 22:15.
[^galaten-5-21-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: niet alleen als leraar onderricht, maar ook als profeet van tevoren zeker verkondig en waarschuw.
[^galaten-5-21-74]: Kanttekening 74: Namelijk: 1 Korintiërs 6:9-10. Efeziërs 5:5.
[^galaten-5-21-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: zulke en dergelijke werken van het vlees.
[^galaten-5-21-76]: Kanttekening 76: Namelijk: het koninkrijk van de heerlijkheid, dat wil zeggen: de eeuwige zaligheid in de hemel.
[^galaten-5-21-77]: Kanttekening 77: Namelijk: tenzij zij zich van zulke zonden van harte bekeren.
[^galaten-5-21-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: verkrijgen en bezitten. Want dit koninkrijk wordt niet verworven uit verdienste, maar uit genade, als een erfenis. Zie Matteüs 19:29 en 25:34. 1 Korintiërs 6:10.
[^galaten-5-22-t]: Verwijzing t: Efeziërs 5:9.
[^galaten-5-22-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: de werken die de Geest van God in de wedergeborene werkt, en waaraan de wedergeboorte wordt herkend.
[^galaten-5-22-80]: Kanttekening 80: Namelijk: door de Heilige Geest. Romeinen 14:17 — voortkomend uit de zekerheid dat wij vrede met God hebben.
[^galaten-5-22-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: trouw in beloften en in de uitoefening van zijn taak.
[^galaten-5-22-82]: Kanttekening 82: Of: kuisheid, onthouden van ongeoorloofde begeerten.
[^galaten-5-23-v]: Verwijzing v: 1 Timoteüs 1:9.
[^galaten-5-23-83]: Kanttekening 83: Dat wil zeggen: die deze en dergelijke deugden in hun leven beoefenen en tonen.
[^galaten-5-23-84]: Kanttekening 84: Namelijk: een wet die hen zal veroordelen. Zie vers 18.
[^galaten-5-24-x]: Verwijzing x: Romeinen 6:6 en 13:14. Galaten 2:20. 1 Petrus 2:11.
[^galaten-5-24-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: die door het ware geloof in Christus zijn ingelijfd en Hem toebehoren — die echte christenen zijn.
[^galaten-5-24-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: ze zijn niet alleen verplicht hun verdorven aard te doden en die niet te laten heersen — maar door de kracht van de Geest van Christus, die zij ontvangen hebben, doen zij dit ook werkelijk.
[^galaten-5-24-87]: Kanttekening 87: Namelijk: niet de natuurlijke hartstochten en begeerten, maar die welke tegen de wet van God ingaan en voortkomen uit de verdorven aard van de mens. Romeinen 1:24, 26.
[^galaten-5-25-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: door de Heilige Geest uit de dood van de zonden tot een nieuw leven zijn opgewekt.
[^galaten-5-25-89]: Kanttekening 89: Dat wil zeggen: in ons leven de leiding van de Heilige Geest volgen en de genoemde vruchten ervan voortbrengen. Romeinen 8:5 e.v.
[^galaten-5-26-90]: Kanttekening 90: De apostel vermaant nu de Galaten verder om bepaalde zonden te vluchten en deugden te beoefenen. Sommigen laten daarom het zesde hoofdstuk hier beginnen.
[^galaten-5-26-91]: Kanttekening 91: Dat wil zeggen: eerzuchtig zijn om boven anderen uit te steken of over anderen te heersen.
[^galaten-5-26-92]: Kanttekening 92: Grieks: uitdagend of tergend. Namelijk: met minachting, smaad, schelden of dergelijke.
[^galaten-5-26-93]: Kanttekening 93: Namelijk: elkaars deugden, posities of omstandigheden, wat gewoonlijk uit eerzucht voortkomt en daarmee gepaard gaat.

### Galaten 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/galaten/6.json)

*1 De apostel vermaant de Galaten voorts tot verscheidene christelijke deugden, namelijk tot zachtmoedigheid in het bestraffen van hen die uit zwakheid zondigen. 2 tot onderlinge verdraagzaamheid. 3 tot zelfonderzoek en een nederig oordeel over zichzelf. 6 tot onderhoud van de leraars. 7 tot toezien wat men zaait. 9 en tot mildheid jegens de armen, vooral hen die gelovig zijn. 11 Daarna besluit hij de brief, tonend hoe lief en waard hij hen heeft. 12 en hen waarschuwend voor de valse apostelen, van wie hij de eerzucht en geveinsdheid beschrijft, 14 en hij stelt zijn voorbeeld daartegenover. 15 Hij leert kort waarin het ware christendom bestaat, en wat dit te verwachten heeft. 17 Hij vermaant dat niemand hem verder lastigvalt. 18 en eindigt met de gebruikelijke groet.*

**1** [^galaten-6-1-a] Broeders, als ook een mens[^galaten-6-1-1] vervallen was[^galaten-6-1-2] door[^galaten-6-1-3] enige misdaad, u,[^galaten-6-1-4] die geestelijk bent,[^galaten-6-1-5] brengt zo iemand te recht[^galaten-6-1-6] met de geest van de[^galaten-6-1-7] zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook u niet[^galaten-6-1-8] verzocht wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v1)

**2** [^galaten-6-2-9][^galaten-6-2-b] Draag elkaars[^galaten-6-2-10] lasten, en[^galaten-6-2-11] vervult zo[^galaten-6-2-12] de wet van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v2)

**3** Want zo iemand[^galaten-6-3-13] denkt iets te zijn,[^galaten-6-3-14] daar hij niets is, die[^galaten-6-3-15] bedriegt zichzelf in zijn gemoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v3)

**4** Maar ieder[^galaten-6-4-16] beproeve[^galaten-6-4-17] zijn eigen werk; en[^galaten-6-4-18] dan zal hij[^galaten-6-4-19] aan zichzelf alleen[^galaten-6-4-20] roem hebben, en[^galaten-6-4-21] niet aan een anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v4)

**5** [^galaten-6-5-c] Want ieder zal[^galaten-6-5-22] zijn eigen pak dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v5)

**6** [^galaten-6-6-d] En die[^galaten-6-6-23] onderwezen wordt[^galaten-6-6-24] in het Woord,[^galaten-6-6-25] dele mee[^galaten-6-6-26] van alle goederen degene, die[^galaten-6-6-27] hem onderwijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v6)

**7** [^galaten-6-7-28][^galaten-6-7-e] Dwaal niet; God laat Zich niet[^galaten-6-7-29] bespotten;[^galaten-6-7-f] want zo wat de mens[^galaten-6-7-30] zaait, dat zal hij ook maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v7)

**8** Want die[^galaten-6-8-31] in zijn eigen vlees zaait, zal[^galaten-6-8-32] uit het vlees[^galaten-6-8-33] verderfenis[^galaten-6-8-34] maaien; maar die[^galaten-6-8-35] in de Geest zaait, zal[^galaten-6-8-36] uit de Geest[^galaten-6-8-37] het eeuwige leven maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v8)

**9** [^galaten-6-9-g] Maar laat ons,[^galaten-6-9-38] goed[^galaten-6-9-39] doende, niet vertragen; want[^galaten-6-9-40] te zijner tijd zullen wij[^galaten-6-9-41] maaien, zo wij niet verslappen.[^galaten-6-9-42] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v9)

**10** Zo dan,[^galaten-6-10-43] terwijl wij tijd hebben, laat ons[^galaten-6-10-44] goed doen aan[^galaten-6-10-45] allen, maar[^galaten-6-10-h] meest aan de[^galaten-6-10-46] huisgenoten van het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v10)

**11** [^galaten-6-11-47] Zie,[^galaten-6-11-48] hoe grote brief ik u geschreven heb[^galaten-6-11-49] met mijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v11)

**12** Al degenen,[^galaten-6-12-50] die een schoon gezicht willen tonen[^galaten-6-12-51] naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleen opdat zij vanwege het[^galaten-6-12-52] kruis van Christus[^galaten-6-12-53] niet zouden vervolgd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v12)

**13** Want ook zij zelf,[^galaten-6-13-54] die besneden worden,[^galaten-6-13-55] houden de wet niet; maar zij willen, dat u besneden wordt, opdat zij[^galaten-6-13-56] in uw vlees roemen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v13)

**14** Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders[^galaten-6-14-57] dan in het kruis van onze Heere Jezus[^galaten-6-14-58] Christus; door Welke[^galaten-6-14-59] de wereld[^galaten-6-14-60] mij gekruisigd is, en[^galaten-6-14-61] ik van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v14)

**15** [^galaten-6-15-i] Want[^galaten-6-15-62] in Christus Jezus heeft noch besnijdenis[^galaten-6-15-63] enige kracht, noch voorhuid, maar een[^galaten-6-15-64] nieuw schepsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v15)

**16** [^galaten-6-16-k] En zovelen als er[^galaten-6-16-65] naar deze regel zullen wandelen, daarover[^galaten-6-16-66][^galaten-6-16-67] zal zijn vrede en[^galaten-6-16-68] barmhartigheid, en[^galaten-6-16-69] over het Israël van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v16)

**17** Verder,[^galaten-6-17-70] niemand doe mij moeite aan;[^galaten-6-17-l] want ik draag[^galaten-6-17-71] de littekenen van de Heere Jezus in mijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v17)

**18** [^galaten-6-18-72] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw[^galaten-6-18-73] geest, broeders! Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/galaten/6.html#v18)

[^galaten-6-1-a]: Verwijzing a: Rom. 14:1 ; Rom. 15:1 ; 1 Kor. 9:22 . Romeinen 14:1 : Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. Romeinen 15:1 : Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. 1 Korinthiërs 9:22 : Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou.
[^galaten-6-1-1]: Kanttekening 1: vervallen ware: Of, voorgekomen, verrast, namelijk uit onvoorzichtigheid, of zwakheid, niet uit moedwillig opzet.
[^galaten-6-1-2]: Kanttekening 2: Grieks in.
[^galaten-6-1-3]: Kanttekening 3: enige misdaad: Namelijk waardoor hij u of anderen heeft geërgerd.
[^galaten-6-1-4]: Kanttekening 4: die geestelijk zijt: Dat is, die door Gods Geest verlicht zijt, en begaafd met bekwaamheid om anderen te kunnen vermanen. Zie 1 Kor. 3:1 . 1 Korinthiërs 3:1 : En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.
[^galaten-6-1-5]: Kanttekening 5: brengt de zodanige te recht: Namelijk met goede onderwijzing en vermaning. Het Griekse woord betekent eigenlijk heelmaken, volmaken, het gebrek vervullen, of iets herstellen. Zie Matt. 4:21 . Mattheüs 4:21 : En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.
[^galaten-6-1-6]: Kanttekening 6: met de geest: Grieks in de geest.
[^galaten-6-1-7]: Kanttekening 7: ziende op uzelven: Dat is, gedenkende aan zijn eigen zwakheden, dat hij ook daardoor lichtelijk met dergelijke zonden zou kunnen overvallen worden.
[^galaten-6-1-8]: Kanttekening 8: verzocht wordt: Dat is, door verzoekingen van de duivel en van het vlees tot dergelijke zonden gebracht wordt.
[^galaten-6-2-9]: Kanttekening 9: Draagt elkanders: Dat is, helpt dragen, om die te verdragen, beteren, en weg te nemen met Christelijke bescheidenheid en medelijden.
[^galaten-6-2-b]: Verwijzing b: Matt. 11:29 ; Joh. 13:14 ; Rom. 15:1 ; 1 Thes. 4:15 . Mattheüs 11:29 : Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. Johannes 13:14 : Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkanders voeten te groeien. Romeinen 15:1 : Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. 1 Thessalonicensen 4:15 : Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heer, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
[^galaten-6-2-10]: Kanttekening 10: Dat is, zwakheden en gebreken, die als een zware last op de mensen liggen.
[^galaten-6-2-11]: Kanttekening 11: Dat is, voldoet, volbrengt, onderhoudt.
[^galaten-6-2-12]: Kanttekening 12: de wet van Christus: Namelijk van elkaar lief te hebben, Joh. 13:34 , 13:35 ; welke, hoewel ze ook van Mozes beschreven is, Lev. 19:18 , zo wordt zij Christus' wet bijzonderlijk genoemd, omdat Hij die zijn discipelen op het hoogste heeft bevolen, zo met vermanen als met Zijn voorbeeld Joh. 15:12 ; 1 Joh. 3:16 . Johannes 13:34 : Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Johannes 13:35 : Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar. Leviticus 19:18 : U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Johannes 15:12 : Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. 1 Johannes 3:16 : Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.
[^galaten-6-3-13]: Kanttekening 13: meent iets te zijn: Dat is, meent iets groots, heiligs of bijzonders te zijn, veel van zichzelf houdt, en acht dat hij beter is dan zijn naasten. Waaruit gemeenlijk spruit, dat men de gebreken van de naaste zo hard bestraft.
[^galaten-6-3-14]: Kanttekening 14: daar hij niets is: Dat is, daar hij uit zichzelf niets goeds heeft, en al wat hij heeft van God heeft ontvangen; 1 Kor. 4:7 ; 2 Kor. 3:5 . 1 Korinthiërs 4:7 : Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen hadt? 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^galaten-6-3-15]: Kanttekening 15: bedriegt zichzelf: Dat is, maakt zichzelf dwaselijk wijs, wat zo niet is.
[^galaten-6-4-16]: Kanttekening 16: Dat is, onderzoeke en toetse, niet naar zijn eigen goeddunken, maar naar de regel en toetssteen van de wet van God.
[^galaten-6-4-17]: Kanttekening 17: zijn eigen werk: Dat is, zijn eigen doen en handelingen; niet zozeer het doen van anderen.
[^galaten-6-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk als hij bevindt dat zijn doen met de wet van God overeenkomt.
[^galaten-6-4-19]: Kanttekening 19: aan zichzelf: Dat is, uit zijn eigen goeden wandel, en in zijn eigen consciëntie.
[^galaten-6-4-20]: Kanttekening 20: roem hebben: Dat is, met goede consciëntie zal mogen roemen, niet van zijne waardigheid of verdiensten, Rom. 3:27 ; 1 Kor. 1:29 , 1:31 ; maar dat hij oprecht voor God wandelt naar Zijne wet; 1 Kor. 9:15 ; 2 Kor. 1:12 . Romeinen 3:27 : Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof. 1 Korinthiërs 1:29 : Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. 1 Korinthiërs 1:31 : Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heer. 1 Korinthiërs 9:15 : Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het zo aan mij gebeuren zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand deze mijn roem zou ijdel maken. 2 Korinthiërs 1:12 : Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij u.
[^galaten-6-4-21]: Kanttekening 21: niet aan een anderen: Dat is, niet zich met anderen vergelijkende, die hij zou menen zo goed niet te zijn, als hij, gelijk de Farizeër deed; Luk. 18:11 . Lukas 18:11 : De Farizeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.
[^galaten-6-5-c]: Verwijzing c: Ps. 62:13 ; Jer. 17:10 ; Jer. 32:19 ; Matt. 16:27 ; Rom. 2:6 ; Rom. 14:12 ; 1 Kor. 3:8 ; 2 Kor. 5:10 ; Openb. 2:23 ; Openb. 22:12 . Psalmen 62:13 : En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 14:12 : Zo dan een iedereen van ons zal voor zichzelf voor God rekenschap geven. 1 Korinthiërs 3:8 : En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iedereen zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Openbaring 2:23 : En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken. Openbaring 22:12 : En zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iedereen te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
[^galaten-6-5-22]: Kanttekening 22: zijn eigen pak dragen: Dat is, voor God rekenschap geven van zijn eigen werken, en naar zijn eigen doen geoordeeld worden.
[^galaten-6-6-d]: Verwijzing d: Rom. 15:27 ; 1 Kor. 9:11 . Romeinen 15:27 : Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 1 Korinthiërs 9:11 : Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien?
[^galaten-6-6-23]: Kanttekening 23: onderwezen wordt: Het Griekse woord catechoumenos betekent wel iemand, die in de eerste beginselen van de godsdienst wordt onderwezen, maar hier wordt het breder genomen voor allerlei toehoorders, die door de predikatie van het goddelijke woord in de Christelijke religie worden onderwezen, van welke staat zij ook zijn.
[^galaten-6-6-24]: Kanttekening 24: in het Woord: Namelijk Gods.
[^galaten-6-6-25]: Kanttekening 25: dele mee: Dat is, geve ook zijn deel tot onderhoud van de leraars.
[^galaten-6-6-26]: Kanttekening 26: van alle goederen: Grieks in alle goederen; dat is, mildelijk, opdat de leraars des te beter, zonder verhindernis, al hun tijd tot het bedienen van hun ambt mogen besteden.
[^galaten-6-6-27]: Kanttekening 27: Grieks catechiseert; gelijk tevoren.
[^galaten-6-7-28]: Kanttekening 28: Dwaalt niet: Dat is, wilt uzelven niet ijdelijk inbeelden of laten wijsmaken.
[^galaten-6-7-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 6:10 . 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven.
[^galaten-6-7-29]: Kanttekening 29: Grieks God wordt niet gespot; namelijk met ijdele uitvluchten, die vele gebruiken om de bevelen Gods niet te gehoorzamen; omdat Hij die uitvluchten niet aanneemt, en ook niet zonder straf laat heengaan.
[^galaten-6-7-f]: Verwijzing f: Lukas 16:25 . Lukas 16:25 : Maar Abraham zei: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten.
[^galaten-6-7-30]: Kanttekening 30: Dat is, medegedeeld zal hebben zo aan de leraars, waarvan tevoren gesproken is, als aan de armen, waarvan hij in het volgende spreekt; ene gelijkenis, waarmee de overvloedige vrucht van de mededeelzaamheid aangewezen wordt. Gelijk uit een graam dat gezaaid wordt, dikwijls honderd opnieuw opwassen en gemaaid worden; Gen. 26:12 . Zie van dezelfde 2 Kor. 9:6 . Genesis 26:12 : En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want YHWH zegende hem. 2 Korinthiërs 9:6 : En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^galaten-6-8-31]: Kanttekening 31: in zijn eigen vlees: Die zijne goederen besteedt alleen om wellustiglijk daarvan te leven, of schatten voor zichzelf te vergaderen, en niet denkt op de onderhouding van de kerkedienaars, noch van de armen.
[^galaten-6-8-32]: Kanttekening 32: uit het vlees: Dat is, uit dit misbruik van de goederen, die alleen tot zijn vlees besteed worden.
[^galaten-6-8-33]: Kanttekening 33: Namelijk, tijdelijk en eeuwig.
[^galaten-6-8-34]: Kanttekening 34: Dat is, daarvan zal hij vergelding en vrucht verkrijgen.
[^galaten-6-8-35]: Kanttekening 35: in de Geest zaait: Dat is, die zijne goederen besteedt tot geestelijke zaken, om Gods eer en de zaligheid van de mensen daardoor te bevorderen, en de armen goed te doen.
[^galaten-6-8-36]: Kanttekening 36: uit de Geest: Dat is, omdat hij zijne goederen tot geestelijke zaken besteed heeft.
[^galaten-6-8-37]: Kanttekening 37: het eeuwige leven maaien: Dat is, niet alleen hier in dit leven tijdelijken zegen ontvangen, maar ook hiernamaals de eeuwige gelukzaligheid, als ene vrucht van de weldadigheid, niet uit verdienste, maar uit genade. Zie Matt. 25:34 , 25:35 , enz. Mattheüs 25:34 : Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Mattheüs 25:35 : Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij geherbergd.
[^galaten-6-9-g]: Verwijzing g: 2 Thes. 3:13 . 2 Thessalonicensen 3:13 : En u, broeders, vertraagt niet in goed te doen.
[^galaten-6-9-38]: Kanttekening 38: goed doende: Dat is, weldadigheid betonende.
[^galaten-6-9-39]: Kanttekening 39: niet vertragen: Het Griekse woord betekent door enig kwaad in het goede verslappen; gelijk veeltijds geschiedt in deze zaak, omdat de menigte van de armen groot is, en onder hen dikwijls vele onwaardigen en vele ondankbaren zijn; en omdat de tijd van de vergelding niet meteen komt.
[^galaten-6-9-40]: Kanttekening 40: op zijn tijd: Dat is, hoewel de tijd van vergelding uitgesteld wordt, gelijk er tijd is tussen zaaien en maaien, zo zal evenwel dezelfde zekerlijk komen.
[^galaten-6-9-41]: Kanttekening 41: Zie vers 8 . Galaten 6:8 : Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien.
[^galaten-6-9-42]: Kanttekening 42: Grieks ontbonden, of, losgemaakt zijn.
[^galaten-6-10-43]: Kanttekening 43: terwijl wij tijd hebben: Namelijk om te zaaien, dat is, om de armen goed te doen; dat in de tijd van dit leven moet gebeuren, die kort en onzeker is.
[^galaten-6-10-44]: Kanttekening 44: goed doen: Grieks het goede werken; dat is, weldadigheid betonen.
[^galaten-6-10-45]: Kanttekening 45: Namelijk armen, of anderen, die onze hulp en bijstand nodig hebben. Zie Luk. 10:36 , 10:37 . Lukas 10:36 : Wie dan van deze drie denkt u de naaste geweest te zijn van degene, die onder de moordenaars gevallen was? Lukas 10:37 : En hij zei: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zei dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe u evenzo.
[^galaten-6-10-h]: Verwijzing h: 1 Tim. 5:8 . 1 Timotheüs 5:8 : Maar zo iemand de zijn, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.
[^galaten-6-10-46]: Kanttekening 46: huisgenoten van het geloof: Dat is, de gelovige Christenen, die met ons ledematen zijn van de gemeente, welke is het huis van de levende God, 1 Tim. 3:15 ; aan deze zijn wij meer verbonden, en het zou onbehoorlijk zijn dat zij, die tot één huis behoren, elkaar honger en gebrek zouden laten lijden. 1 Timotheüs 3:15 : Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid.
[^galaten-6-11-47]: Kanttekening 47: Of, u ziet.
[^galaten-6-11-48]: Kanttekening 48: hoe grote brief: Of, met hoevele woorden, of schriften.
[^galaten-6-11-49]: Kanttekening 49: met mijn hand: Namelijk zonder dat door de hand van een ander te hebben laten schrijven, gelijk hij wel heeft gedaan Rom. 16:22 , en alleen zijn naam met de groetenis daar onder geschreven, 1 Kor. 16:21 ; Kol. 4:18 ; daarmede toont hij dan hoezeer dat hij de Galaten acht; en heeft zulks gedaan opdat de valse apostelen niet zouden zeggen dat het Paulus' brief niet was, of een anderen brief, alsof die van hem geschreven ware, in plaats van die zouden voortbrengen, gelijk zij wel plachten te doen, 2 Thess. 2:2 . Romeinen 16:22 : Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in de Heer. 1 Korinthiërs 16:21 : De groetenis met mijn hand van Paulus. Kolossensen 4:18 : De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. 2 Thessalonicensen 2:2 : Dat u niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
[^galaten-6-12-50]: Kanttekening 50: die een schoon gelaat willen tonen: Of, die willen wel aangezien, of aanzienlijk zijn. Hij verstaat hier de valse apostelen.
[^galaten-6-12-51]: Kanttekening 51: naar het vlees: Grieks in het vlees; dat is, door het onderhouden van de uiterlijke en lichamelijke ceremoniën.
[^galaten-6-12-52]: Kanttekening 52: vanwege het kruis: Dat is, om de leer van Christus, die zo genoemd wordt, omdat haar somma en inhoud is, dat door het kruis van Christus het leven ons verkregen is; 1 Kor. 2:2 . 1 Korinthiërs 2:2 : Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
[^galaten-6-12-53]: Kanttekening 53: niet zouden vervolgd worden: Namelijk van de Joden, gelijk wij dagelijks van hen meest vervolgd worden, omdat wij leren dat de wet van Mozes door Christus vervuld en afgedaan is.
[^galaten-6-13-54]: Kanttekening 54: die besneden worden: Namelijk en de besnijdenis zo sterk drijven als ter zaligheid nog nodig.
[^galaten-6-13-55]: Kanttekening 55: houden de wet niet: Namelijk in de andere stukken, die mee in de wet geboden worden, maar leiden een ongeregeld of geveinsd leven.
[^galaten-6-13-56]: Kanttekening 56: in uw vlees roemen: Dat is, zij onder u vele aanhangers mogen krijgen en daarvan zinloos roemen bij de Joden.
[^galaten-6-14-57]: Kanttekening 57: dan in het kruis van: Dat is, in de rechtzinnige leer van Christus voor ons gekruisigd; 1 Kor. 2:2 . 1 Korinthiërs 2:2 : Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
[^galaten-6-14-58]: Kanttekening 58: door Welke: Namelijk kruis van Christus; of, Christus de gekruisigde. De zin komt overeen uit.
[^galaten-6-14-59]: Kanttekening 59: de wereld: Dat is, de eer, gunst en aanzienlijkheid bij de mensen.
[^galaten-6-14-60]: Kanttekening 60: mij gekruisigd is: Dat is, van mij veracht en verworpen wordt.
[^galaten-6-14-61]: Kanttekening 61: ik van de wereld: Namelijk omdat ik om de leer van Christus van de wereld veracht, vervolgd en verstoten wordt; 1 Kor. 4:12 , 4:13 . 1 Korinthiërs 4:12 : En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 1 Korinthiërs 4:13 : Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels van de wereld en aller afschrapsel tot nu toe.
[^galaten-6-15-i]: Verwijzing i: Matt. 12:50 ; Joh. 15:14 ; 2 Kor. 5:16 ; Galat. 5:6 ; Kolos. 3:11 . Mattheüs 12:50 : Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, dezelfde is Mijn broeder, en zuster, en moeder. Johannes 15:14 : U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebiede. 2 Korinthiërs 5:16 : Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Kolossensen 3:11 : Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen.
[^galaten-6-15-62]: Kanttekening 62: in Christus Jezus: Dat is, in het rijk en de gemeente van Christus, of, naar de leer van Christus. Zie Gal. 5:6 . Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
[^galaten-6-15-63]: Kanttekening 63: enige kracht: Namelijk om door de besnijdenis het eeuwige leven te verkrijgen, of door de voorhuid verhinderd te worden van hetzelfde te verkrijgen.
[^galaten-6-15-64]: Kanttekening 64: nieuw schepsel: Of, nieuw creatuur, of, waardoor verstaan wordt de wedergeboorte en vernieuwing van de mens door de Heilige Geest. Zie 2 Kor. 5:17 . 2 Korinthiërs 5:17 : Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.
[^galaten-6-16-k]: Verwijzing k: Ps. 125:5 . Psalmen 125:5 : Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal YHWH weg doen gaan met de werkers van de ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!
[^galaten-6-16-65]: Kanttekening 65: naar deze regel: Dat is, naar deze leer, die ik in deze zendbrief van de rechtvaardigmaking van de mens voor God, van de Christelijke vrijheid, en van de Christelijke wandel heb voorgesteld en verklaard.
[^galaten-6-16-66]: Kanttekening 66: zal zijn : Of zij.
[^galaten-6-16-67]: Kanttekening 67: vrede en: Dat is, allerlei geestelijke zegeningen, en voornamelijk verzoening met God en verzekering daarvan door de Heilige Geest in hun gemoed; Rom. 5:1 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^galaten-6-16-68]: Kanttekening 68: Namelijk van God, die de fontein is, waaruit de verzoening en zaligheid van de mens vloeit.
[^galaten-6-16-69]: Kanttekening 69: over het Israël Gods: Dat is, over alle ware gelovigen, die oprechte Israëlieten zijn en van God daarvoor gekend worden; dat hij daarbij doet om deze van de Israëlieten naar het vlees te onderscheiden. Zie Rom. 2:28 , 2:29 , en Rom. 9:6 , enz. Romeinen 2:28 : Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Romeinen 9:6 : Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
[^galaten-6-17-70]: Kanttekening 70: Namelijk van deze valse apostelen. Dit spreekt hij met apostolische autoriteit om hun verderen moedwil te bedwingen.
[^galaten-6-17-l]: Verwijzing l: 2 Kor. 4:10 . 2 Korinthiërs 4:10 : Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
[^galaten-6-17-71]: Kanttekening 71: de littekenen: Namelijk van de slagen, banden en wonden, die ik om Christus en Zijne leer ontvangen heb. Hiermede wil hij tonen dat hij gene vervolging heeft ontzien, gelijk de valse apostelen deden. Zie 2 Kor. 11:23 , enz. 2 Korinthiërs 11:23 : Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls.
[^galaten-6-18-72]: Kanttekening 72: De genade van: Dat is een groet en wens, met welke de apostel zijne zendbrieven eindigt, gelijk hij zelf betuigt, 2 Thess. 3:17 . Zie ook Rom. 16:24 ; 1 Kor. 16:23 , en 2 Kor. 13:13 . 2 Thessalonicensen 3:17 : De groetenis met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iederen zendbrief; zo schrijf ik. Romeinen 16:24 : De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen. 1 Korinthiërs 16:23 : De genade van de Heer Jezus Christus zij met u. 2 Korinthiërs 13:13 : De genade van de Heer Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met u allen. Amen.
[^galaten-6-18-73]: Kanttekening 73: Dat is, ziel, gemoed.

## Efeziërs

### Efeziërs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de brief 3 dankt de apostel God voor alle geestelijke zegeningen waarmee wij door Hem in Christus zijn gezegend: 4 namelijk dat wij in Hem van eeuwigheid zijn uitverkoren, 5 dat wij in Hem bestemd zijn om als kinderen aangenomen te worden, 7 dat wij door zijn bloed met God zijn verzoend, 8 dat Hij ons door het Evangelie heeft geroepen, 10 en dat alle uitverkorenen door Hem tot een geheel worden samengebracht, zowel die in de hemel als die op de aarde zijn. 13 Ook de Efeziers, die in Christus geloven, horen daarbij, en hebben tot bevestiging daarvan het onderpand van de Geest ontvangen. 15 Daarna bidt hij God dat Hij hun verstand hierin meer en meer wil verlichten, 19 en hen door zijn Geest wil laten ervaren hoe groot de kracht van zijn werking in dit alles is. 20 Dat is dezelfde kracht waardoor Hij Christus uit de doden heeft opgewekt en verheven heeft tot zijn rechterhand, 22 om het hoofd van zijn gemeente te zijn.*

**1** [^efeziers-1-1-1] Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God,[^efeziers-1-1-a] aan de heiligen, die te Efeze zijn, en[^efeziers-1-1-2] gelovigen in Christus Jezus: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v1)

**2** [^efeziers-1-2-b] Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v2)

**3** [^efeziers-1-3-3] Gezegend zij[^efeziers-1-3-c] de God[^efeziers-1-3-4] en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met[^efeziers-1-3-5] alle geestelijke zegening[^efeziers-1-3-6] in de hemel[^efeziers-1-3-7] in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v3)

**4** [^efeziers-1-4-d]Zoals Hij ons[^efeziers-1-4-8] uitverkoren heeft[^efeziers-1-4-9] in Hem,[^efeziers-1-4-10] voor de grondlegging van de[^efeziers-1-4-e] wereld, opdat wij zouden[^efeziers-1-4-11] heilig en[^efeziers-1-4-12] smetteloos zijn voor Hem[^efeziers-1-4-13] in de liefde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v4)

**5** Die ons[^efeziers-1-5-14] te voren bestemd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus,[^efeziers-1-5-15] in Zichzelf,[^efeziers-1-5-16] naar het welbehagen van Zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v5)

**6** [^efeziers-1-6-17]Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, waardoor Hij ons[^efeziers-1-6-18] begenadigd heeft[^efeziers-1-6-f] in de[^efeziers-1-6-19] Geliefde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v6)

**7** [^efeziers-1-7-20][^efeziers-1-7-g] In Hem hebben wij[^efeziers-1-7-21] de verlossing[^efeziers-1-7-22] door Zijn bloed,[^efeziers-1-7-23] namelijk de vergeving van de misdaden, naar[^efeziers-1-7-24] de rijkdom van Zijn genade, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v7)

**8** Waarmee Hij[^efeziers-1-8-25] overvloedig is geweest over ons[^efeziers-1-8-26] in alle wijsheid en[^efeziers-1-8-27] voorzichtigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v8)

**9** Ons bekend gemaakt hebbende[^efeziers-1-9-28][^efeziers-1-9-h] het geheim van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij[^efeziers-1-9-29] voorgenomen had in Zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v9)

**10** Om[^efeziers-1-10-30] in de[^efeziers-1-10-31] bedeling van[^efeziers-1-10-i] de volheid van de tijden, opnieuw alles[^efeziers-1-10-32] tot één te verzamelen in Christus,[^efeziers-1-10-33] zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v10)

**11** [^efeziers-1-11-34] In Hem, in Wie[^efeziers-1-11-35] wij ook[^efeziers-1-11-k] een[^efeziers-1-11-36] erfdeel geworden zijn, wij,[^efeziers-1-11-37] die te voren bestemd waren[^efeziers-1-11-38] naar het voornemen Van Degene, Die[^efeziers-1-11-39] alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v11)

**12** Opdat wij zouden zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid,[^efeziers-1-12-40] wij, die eerst in Christus[^efeziers-1-12-41] gehoopt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v12)

**13** [^efeziers-1-13-42] In Welken[^efeziers-1-13-43] ook u bent, nadat u[^efeziers-1-13-44] het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Wie u[^efeziers-1-13-45] ook, nadat u geloofd hebt,[^efeziers-1-13-l] bent[^efeziers-1-13-46] verzegeld geworden met de Heilige Geest[^efeziers-1-13-47] van de belofte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v13)

**14** Die[^efeziers-1-14-48] het onderpand is van onze erfenis,[^efeziers-1-14-49] tot[^efeziers-1-14-m] de verkregene verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v14)

**15** [^efeziers-1-15-n] Daarom ook[^efeziers-1-15-50] ik, gehoord hebbende het geloof in de Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v15)

**16** Houd niet op voor u te danken, gedenkende aan u in mijn gebeden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v16)

**17** Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de[^efeziers-1-17-51] heerlijkheid, u geve de Geest van de wijsheid en van de[^efeziers-1-17-52] openbaring in Zijn kennis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v17)

**18** [^efeziers-1-18-53] Namelijk verlichte ogen van uw verstand, opdat u mag weten, welke zij[^efeziers-1-18-54] de hoop van Zijn roeping, en welke[^efeziers-1-18-55] de rijkdom zij van de heerlijkheid van[^efeziers-1-18-56] Zijn erfenis in de heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v18)

**19** En welke de uitnemende grootheid[^efeziers-1-19-57] van Zijn kracht zij aan ons, die geloven,[^efeziers-1-19-o] naar de werking van de sterkte van Zijn macht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v19)

**20** [^efeziers-1-20-58] Die Hij gewerkt heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt;[^efeziers-1-20-p] en heeft[^efeziers-1-20-59] Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v20)

**21** [^efeziers-1-21-60] Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en[^efeziers-1-21-61] alle naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook[^efeziers-1-21-62] in de toekomende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v21)

**22** [^efeziers-1-22-q] En heeft[^efeziers-1-22-63] alle dingen[^efeziers-1-22-64] Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven[^efeziers-1-22-65] tot een Hoofd boven alle dingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v22)

**23** [^efeziers-1-23-r] Die Zijn lichaam is, en de[^efeziers-1-23-66] vervulling van Degene, Die alles in allen vervult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/1.html#v23)

[^efeziers-1-1-1]: Kanttekening 1: Zie voor dit gehele opschrift van Paulus de aantekeningen op Romeinen 1:1 en 1 Korintiërs 1:1-2.
[^efeziers-1-1-a]: Verwijzing a: Romeinen 1:7; 1 Korintiërs 1:2; 2 Korintiërs 1:1.
[^efeziers-1-1-2]: Kanttekening 2: Deze laatste titel voegt hij toe ter verklaring van de eerste: hij bedoelt zulke heiligen die door geloof en Geest van Christus geheiligd zijn (Handelingen 15:8-9; 1 Petrus 1:22) — niet zoals vele Joden zichzelf heiligen noemden omdat ze uiterlijk door de ceremoniën geheiligd waren (Hebreeën 9:13, 23).
[^efeziers-1-2-b]: Verwijzing b: Galaten 1:3; 1 Petrus 1:2.
[^efeziers-1-3-3]: Kanttekening 3: Het woord zegenen wordt in dit vers op twee manieren gebruikt. De mens zegent God als hij Hem looft en dankt. God zegent de mens als Hij hem zijn genade en weldaden bewijst. Beide zijn een Hebreeuwse manier van spreken. De apostel verwijst naar de woorden van het verbond: "In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden" (Genesis 22:18).
[^efeziers-1-3-c]: Verwijzing c: 2 Korintiërs 1:3; 1 Petrus 1:3.
[^efeziers-1-3-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: God, die de Vader is van onze Heer Jezus Christus (1 Korintiërs 15:24). Paulus en de andere apostelen gebruiken in het Nieuwe Testament deze benaming voor God, in plaats van de aanduidingen die in het Oude Testament bij zulke zegeningen voorkomen: YHWH, de God van Israël, of de God van Abraham, Isaak en Jakob. Zie Lucas 1:68.
[^efeziers-1-3-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: allerlei soorten.
[^efeziers-1-3-6]: Kanttekening 6: Grieks: in de hemelse, of bovenhemelse plaatsen, zoals ook in vers 20 en hoofdstuk 2:6. Hiermee wordt aangeduid dat God ons deze geestelijke zegeningen als van zijn troon heeft meegedeeld, en dat ze bestemd zijn om ons in de hemel gelukkig te maken (Matteüs 5:12; 1 Petrus 1:4). Deze zegeningen worden hierna tot vers 15 afzonderlijk opgesomd.
[^efeziers-1-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk als in ons hoofd. Zie verzen 22-23 en hoofdstuk 2:5-7 en 4:15-16. Zie ook Johannes 1:16; Filippenzen 3:20. Of: om ons zalig te maken.
[^efeziers-1-4-d]: Verwijzing d: Johannes 15:16; 2 Timotheüs 1:9.
[^efeziers-1-4-8]: Kanttekening 8: Of: uitgekozen. Namelijk uit de massa van verdorven mensen. Zie Johannes 15:16, 19; Romeinen 8:29; 2 Tessalonicenzen 2:13; 1 Petrus 1:1-2.
[^efeziers-1-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk in Christus als ons hoofd, zoals in het vorige vers, om ons gelijkvormig te maken aan het beeld van zijn Zoon (Johannes 17:6; Romeinen 8:29). Of: door Hem (Johannes 15:16, 19).
[^efeziers-1-4-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: van eeuwigheid, zoals deze uitdrukking overal zo wordt opgevat. Zie Johannes 17:24; 1 Petrus 1:20. Zie ook Psalm 90:2; Spreuken 8:23.
[^efeziers-1-4-e]: Verwijzing e: Lucas 1:75; Efeziërs 5:27; Kolossenzen 1:22; 2 Timotheüs 1:9; Titus 2:12.
[^efeziers-1-4-11]: Kanttekening 11: Hieronder valt ook het ware geloof, dat nooit zonder heiligheid bestaat, zoals ook heiligheid en liefde niet zonder echt geloof kunnen bestaan. Want door het geloof worden onze harten gereinigd (Handelingen 15:9; 1 Petrus 1:22). Dat wij ook uit genade in Christus tot het geloof zijn gekozen, blijkt uit Handelingen 13:48; Romeinen 8:30; 2 Timotheüs 1:9; Jakobus 2:5.
[^efeziers-1-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: niet alleen voor de mensen, zoals geveinsten soms ook tijdelijk kunnen zijn, maar oprecht, als in Gods aanwezigheid (Genesis 17:1; Lucas 1:6). Deze heiligheid en onberispelijkheid is in dit leven wel oprecht en door de kracht van Gods Geest begonnen, maar zal in het toekomende leven pas in alle opzichten volmaakt worden (1 Korintiërs 13:9; Efeziërs 5:27; Filippenzen 3:12). Onze onvolmaakte heiligheid is in Christus Jezus ook in dit leven God welgevallig en als volkomen door Hem aangenomen, omdat Hij ons onze gebreken door het geloof in Christus vergeeft en in Christus over het hoofd ziet (Kolossenzen 2:10; Hebreeën 13:21; 1 Petrus 2:5).
[^efeziers-1-4-13]: Kanttekening 13: Sommigen verstaan dit als de liefde waarmee God ons heeft liefgehad, en verbinden het met het voorgaande woord uitverkoren. Maar het kan ook goed bij de naaste woorden heilig en onberispelijk worden gevoegd en worden opgevat als onze liefde tot God en de naaste, waarin deze heiligheid zich voornamelijk openbaart. Zie 1 Korintiërs 13:1; Galaten 5:6.
[^efeziers-1-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk van eeuwigheid, zoals in het vorige vers. Hier wordt het hoogste doel van onze verkiezing tot heerlijkheid nader uitgedrukt: onze aanneming als kinderen en erfgenamen van God en mee-erfgenamen van Christus. Hiervan hebben wij hier wel de beginselen en de verwachting (Johannes 1:12; Romeinen 8:15), maar de volle vervulling van dit kindschap en deze erfenis zullen wij hierna ontvangen (Romeinen 8:23; Galaten 4:5; Hebreeën 9:15; 1 Johannes 3:2).
[^efeziers-1-5-15]: Kanttekening 15: Of: tot Zichzelf. Dat wil zeggen: tot zijn eer, vanwege Zichzelf, voor Zichzelf, aan Zichzelf. Want God de Vader heeft ons in Christus tot zijn kinderen en erfgenamen bestemd (Romeinen 8:17).
[^efeziers-1-5-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: niet uit enige verdienste of waardigheid van ons, maar alleen naar zijn onverdiende gunst, genade en welbehagen. Zie Romeinen 9:11-12, 15-16 en 11:6; 2 Timotheüs 1:9. Zoals ook in het volgende vers wordt uitgelegd.
[^efeziers-1-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: opdat deze zijn heerlijke genade door ons geloofd en geprezen wordt. Dit is het hoogste doel van deze eeuwige en genadige verkiezing van God (Romeinen 9:23).
[^efeziers-1-6-18]: Kanttekening 18: Of: aangenaam heeft gemaakt. Namelijk voor Hem — zoals dit woord in Lucas 1:28 ook van de maagd Maria wordt gebruikt.
[^efeziers-1-6-f]: Verwijzing f: Matteüs 3:17.
[^efeziers-1-6-19]: Kanttekening 19: Namelijk Christus, zijn geliefde Zoon (Matteüs 3:17).
[^efeziers-1-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk de geliefde Zoon Jezus Christus. Want zoals wij van eeuwigheid in Hem zijn uitverkoren tot de zaligheid en de middelen daartoe, zoals in de drie vorige verzen gezegd is, zo is ook de uitvoering van dit eeuwige voornemen van God in Hem en door Hem te zijner tijd volbracht.
[^efeziers-1-7-g]: Verwijzing g: Handelingen 20:28; Kolossenzen 1:14; Hebreeën 9:12; 1 Petrus 1:18.
[^efeziers-1-7-21]: Kanttekening 21: Het Griekse woord betekent eigenlijk een verlossing die door betaling van losgeld of prijs geschiedt. Zie Matteüs 20:28; 1 Korintiërs 6:20; 1 Petrus 1:18.
[^efeziers-1-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: zijn bloedige offergave, volbracht aan het kruis (Hebreeën 9:12).
[^efeziers-1-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk de eerste vrucht van deze verlossing voor hen die haar door het geloof zich toe-eigenen (Romeinen 3:24-25), waarop de eeuwige zaligheid volgt (Romeinen 8:30).
[^efeziers-1-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: zijn overgrote en overvloedige genade (Romeinen 2:4; Efeziërs 2:7).
[^efeziers-1-8-25]: Kanttekening 25: Namelijk doordat Hij ons dit door zijn evangelie en door zijn Geest heeft geopenbaard, zoals in vers 9 wordt uitgelegd.
[^efeziers-1-8-26]: Kanttekening 26: Sommigen verstaan dit van de wijsheid van God die Hij gebruikt bij het uitdelen van deze weldaden, maar het wordt beter opgevat als de wijsheid waarmee God ons door het evangelie begiftigt: de kennis van Hem en van Jezus Christus onze Middelaar (Johannes 17:3; 1 Korintiërs 1:24 en 2:6-7).
[^efeziers-1-8-27]: Kanttekening 27: Of: verstandigheid — een deugd waarmee deze wijsheid goed wordt geleid en gebruikt tot Gods eer en de opbouw van de naaste.
[^efeziers-1-9-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: de verborgen raad van God over onze verlossing door Christus, die geen mens van nature kent. Een deel daarvan is wat in het volgende vers wordt vermeld. Zie 1 Korintiërs 2:8; Efeziërs 3:9; Kolossenzen 1:26; 1 Timotheüs 3:16.
[^efeziers-1-9-h]: Verwijzing h: Romeinen 16:25; Efeziërs 3:9; Kolossenzen 1:26; 2 Timotheüs 1:9; Titus 1:2; 1 Petrus 1:20.
[^efeziers-1-9-29]: Kanttekening 29: Of: voorgesteld. Dat wil zeggen: zonder daartoe door iets buiten Hem bewogen te zijn, of iets in de mensen vooruit te zien dat Hem daartoe had kunnen bewegen. Hij heeft dit besluit alleen genomen uit zijn eigen wijsheid, genade en barmhartigheid (Romeinen 11:26, 35).
[^efeziers-1-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: in, of tegen de tijd van de bedeling. Het Griekse woord betekent zulk een huishoudelijk beheer als een huisvader gebruikt bij het besturen van zijn huis, waarbij hij voor elke zaak en behoefte de tijd, personen en handelwijze regelt. Zo heeft God ook in zijn huis, dat wil zeggen zijn gemeente, van het begin van de wereld bepaalde personen, handelwijzen en tijden verordend, waardoor en waarmee alles zo moest worden verricht en geopenbaard.
[^efeziers-1-10-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: van de bestemde tijd waarop God besloten had zijn Zoon te zenden en door zijn evangelie ook de heidenen tot de gemeenschap van zijn Zoon te roepen, evenals de Joden (Galaten 4:4).
[^efeziers-1-10-i]: Verwijzing i: Genesis 49:10; Daniël 9:24; Galaten 4:4.
[^efeziers-1-10-32]: Kanttekening 32: Grieks: tot één hoofd, of: tot één hoofdsom bijeenbrengen.
[^efeziers-1-10-33]: Kanttekening 33: Sommigen verstaan hieronder de gelovigen die reeds in de hemel zijn en zij die nog op aarde zijn. Anderen vergelijken deze plaats met Kolossenzen 1:16, 20 en menen dat onder hen die in de hemel zijn de engelen moeten worden verstaan, die met de gelovigen op aarde van alle tijden door Christus onder Hem als hoofd zijn vergaderd en met elkaar verzoend, zodat zij één lichaam zijn geworden — mensen en engelen die door de zonden van de mensen eerder als van elkaar gescheurd waren (Hebreeën 12:22-23; Openbaring 19:10).
[^efeziers-1-11-34]: Kanttekening 34: Namelijk Christus als ons hoofd, zoals eerder uitgelegd.
[^efeziers-1-11-35]: Kanttekening 35: Namelijk zij die uit de Joden tot Christus zijn bekeerd, zoals ook in het volgende vers wordt uitgelegd.
[^efeziers-1-11-k]: Verwijzing k: Romeinen 8:17.
[^efeziers-1-11-36]: Kanttekening 36: Of: een lot verkregen hebben. Namelijk het deel van de Heer in zijn gemeente. De apostel lijkt hier te verwijzen naar de verdeling van het land Kanaän bij lot onder de twaalf stammen van Israël, die een schaduw en voorbeeld was van deze eeuwige erfenis, verkregen door onze ware Jozua. Zie Numeri 26:55 en 33:53; Jozua 13:6.
[^efeziers-1-11-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: niet allen die het vleselijk nageslacht van Abraham waren, maar de kinderen van de belofte (Romeinen 9:8), en die Hij van tevoren uit genade had uitverkoren onder dit volk (Romeinen 11:2, 5-7).
[^efeziers-1-11-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: niet vanwege enige waardigheid in ons of enige van onze werken, maar uit louter genade (2 Timotheüs 1:9). Dit doet de apostel erbij opdat de gelovigen uit de Joden niet zouden menen dat er iets in hen was, meer dan in de heidenen, waardoor zij deze bestemming tot deze erfenis waard waren. Zie Romeinen 8:29.
[^efeziers-1-11-39]: Kanttekening 39: Namelijk die de zaligheid van Joden of heidenen aangaan, waarover hij hier spreekt (Filippenzen 2:13). Hoewel het in het algemeen ook waar is van alle andere dingen (Psalm 115:3).
[^efeziers-1-12-40]: Kanttekening 40: Namelijk zij uit de Joden, aan wie dit voorrecht door God was beloofd (Handelingen 13:46; Romeinen 15:8).
[^efeziers-1-12-41]: Kanttekening 41: Namelijk door het geloof in Hem. Want het geloof neemt de beloften aan, waarvan de hoop de vervulling verwacht (Romeinen 8:24-25; Hebreeën 11:1).
[^efeziers-1-13-42]: Kanttekening 42: Namelijk Christus Jezus, zoals eerder.
[^efeziers-1-13-43]: Kanttekening 43: Of: ook u bent tot een erfdeel geworden. Want zoals hij over de gelovigen uit de Joden sprak in vers 11, zo spreekt hij nu over de heidenen, die ook een deel aan de erfenis hebben verkregen. Zie Handelingen 26:17-18.
[^efeziers-1-13-44]: Kanttekening 44: Het evangelie wordt zo genoemd, niet alleen omdat het de zuivere waarheid van God is, buitengewoon aan ons geopenbaard tot onze zaligheid (Johannes 17:17), maar ook omdat de waarheid van alle schaduwen van het Oude Testament daarin vervuld is. Zie Johannes 1:17.
[^efeziers-1-13-45]: Kanttekening 45: Of: zodra u tot geloof bent gekomen. Want deze verzegeling van de Geest geschiedt door het geloof en op het geloof (Galaten 3:2).
[^efeziers-1-13-l]: Verwijzing l: Romeinen 8:15; 2 Korintiërs 1:22 en 5:5; Efeziërs 4:30.
[^efeziers-1-13-46]: Kanttekening 46: Deze manier van spreken is ontleend aan mensen die ter bevestiging van beloften verzegelde brieven plegen te geven, vaak met de afdruk van hun eigen wapen of afbeelding. De beloften van vergeving van zonden, aanneming als kinderen en onze eeuwige erfenis worden ons gedaan door het evangelie en door het geloof ons toegeëigend. De verzegeling van de Geest die daarbij wordt gevoegd, is de wedergeboorte of vernieuwing van Gods beeld in ons, waarmee Hij onze zielen begiftigt en daarin afdrukt als wij in Christus geloven, om ons steeds meer te verzekeren van de uitvoering van zijn beloften (2 Korintiërs 1:21-22 en 3:18). Bovendien getuigt hij dit aan ons gemoed als met een goddelijke ingeving, waardoor wij ook God als onze Vader durven aanroepen (Romeinen 8:15; Galaten 4:6) en roemen op de hoop van de heerlijkheid van God (Romeinen 5:2 en 8:38-39).
[^efeziers-1-13-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: die ons beloofd is. Of: waardoor de beloften van God in ons worden verzekerd.
[^efeziers-1-14-48]: Kanttekening 48: Grieks: arrabon (ἀρραβὼν). Zie voor dit woord 2 Korintiërs 1:22 en 5:5. Zie ook Efeziërs 4:30; Romeinen 8:23.
[^efeziers-1-14-49]: Kanttekening 49: Grieks: tot de verlossing van de verkrijging. Dat wil zeggen: tot de volle genieting van de verlossing die Christus ons heeft verworven. Of: tot de volle verlossing van zijn verkregen, dat wil zeggen eigen volk (1 Petrus 2:9).
[^efeziers-1-14-m]: Verwijzing m: Exodus 19:5; Deuteronomium 7:6 en 14:2 en 26:18; Romeinen 8:23; 1 Petrus 2:9.
[^efeziers-1-15-n]: Verwijzing n: Filippenzen 1:3; Kolossenzen 1:3; 1 Tessalonicenzen 1:2; 2 Tessalonicenzen 1:3.
[^efeziers-1-15-50]: Kanttekening 50: Namelijk niet alleen toen ik bij u aanwezig was, maar ook nu ik van u afwezig ben in deze mijn gevangenschap (Efeziërs 6:20).
[^efeziers-1-17-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: u geve dat u steeds meer toeneemt in wijsheid door de heilige Geest.
[^efeziers-1-17-52]: Kanttekening 52: Of: met zijn kennis, of: in zijn erkenning. Want de ware wijsheid bestaat niet alleen in de kennis van God, maar ook in de erkenning van zijn genade en majesteit.
[^efeziers-1-18-53]: Kanttekening 53: Dit ziet op het voorgaande woord "u geve". Anderen lezen: verlicht zijn naar de ogen van uw verstand.
[^efeziers-1-18-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: de gehoopte zaak, die in de volgende woorden wordt uitgelegd. Zie 1 Petrus 1:3-4.
[^efeziers-1-18-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: de overvloed, zoals in vers 7.
[^efeziers-1-18-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: ware gelovigen. Want anderen zijn bij deze erfenis niet betrokken.
[^efeziers-1-19-57]: Kanttekening 57: Namelijk waardoor wij nu wedergeboren zijn en daarin steeds meer worden versterkt, totdat wij door diezelfde kracht naar ziel en lichaam hierna ten volle verlost en verheerlijkt zullen worden. De apostel wil niet alleen dat zij dit weten, maar ook dat zij naar zijn voorbeeld God bidden dat die kracht in hen steeds meer geopenbaard mag worden — welke kracht hij met zeer krachtige woorden verheft.
[^efeziers-1-19-o]: Verwijzing o: Kolossenzen 2:12.
[^efeziers-1-20-58]: Kanttekening 58: Dit voegt de apostel eraan toe omdat onze wedergeboorte en verheerlijking ook afhangen van de opstanding en verheerlijking van Christus, en omdat dezelfde macht die in Christus als ons hoofd dit werk heeft verricht, ook in ons als zijn ledematen werkt — niet alleen de toekomstige opwekking uit de doden, maar ook de opwekking uit de geestelijke dood van de zonden, zoals wordt uitgelegd in het volgende hoofdstuk, verzen 1 en 4. Zie ook Romeinen 6:4 en 8:11; Filippenzen 3:21; 1 Petrus 1:3 en 2:1, 3.
[^efeziers-1-20-p]: Verwijzing p: Psalm 110:1; Handelingen 2:34; 1 Korintiërs 15:25; Kolossenzen 3:1; Hebreeën 1:3 en 10:12; 1 Petrus 3:22.
[^efeziers-1-20-59]: Kanttekening 59: Met het gezet zijn aan Gods rechterhand wordt bedoeld dat God Hem heeft verhoogd tot de hoogste macht en heerlijkheid. Een vergelijking ontleend aan vorsten en koningen die op hun troon zitten en aan hun rechterhand plaatsen wie na hen het machtigst en grootst is in het rijk. Zie Psalm 45:10; Matteüs 20:21. Dit wordt zo uitgelegd in Hebreeën 1:3 en 8:1 en 1 Korintiërs 15:25, vergeleken met Psalm 110:1.
[^efeziers-1-21-60]: Kanttekening 60: Deze titels worden niet alleen aan overheden en machten in deze wereld gegeven, maar ook aan de engelen in de hemel (Kolossenzen 1:16), boven wie allen Christus, zelfs naar zijn menselijke natuur, ver is verheven.
[^efeziers-1-21-61]: Kanttekening 61: Namelijk van hoogheid en heerlijkheid.
[^efeziers-1-21-62]: Kanttekening 62: Sommigen verstaan dit van het koninkrijk van de hemelen, of van de staat van de hemelse schepselen. Maar omdat deze toestand nu ook al aanwezig is, wordt het beter opgevat als de staat van alle schepselen ook na de voleinding van deze wereld, wanneer de gelovigen verheerlijkt zullen worden en Christus toch, ook naar zijn menselijke natuur als het hoofd, ver boven alle schepselen verheven zal blijven (Lucas 1:32-33; Openbaring 5:13).
[^efeziers-1-22-q]: Verwijzing q: Psalm 8:7; Matteüs 28:18; 1 Korintiërs 15:27; Hebreeën 2:8.
[^efeziers-1-22-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: ook zij die vreemd zijn, ja, vijanden zijn van zijn gemeente (1 Korintiërs 15:25-26).
[^efeziers-1-22-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: onder zijn macht en gezag (Matteüs 28:18).
[^efeziers-1-22-65]: Kanttekening 65: Namelijk niet alleen om haar te regeren, maar ook om haar te beschermen en haar het geestelijke leven en beweging te geven, zoals het hoofd dat aan de leden doet. Zie Efeziërs 4:8, 10; Kolossenzen 2:10, 19.
[^efeziers-1-23-r]: Verwijzing r: Romeinen 12:5; 1 Korintiërs 12:27; Efeziërs 4:16 en 5:23.
[^efeziers-1-23-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: waardoor Christus als een volledig persoon wordt voorgesteld, bestaande uit het hoofd en zijn lichaam. Zoals het woord Christus voor beiden soms wordt gebruikt (1 Korintiërs 12:12-13), vanwege de nauwe verbondenheid tussen beiden.

### Efeziërs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/2.json)

*1 Om de grootte te tonen van de weldaad die God ons bewijst in onze herstelling, beschrijft de apostel de ellendige toestand waaruit wij verlost zijn. 4 Hij verklaart dat Hij uit louter genade, toen wij dood waren in onze zonden, ons levend heeft gemaakt met Christus en ons in de hemel met Hem heeft geplaatst. 8 Dat wij dus zalig zijn geworden door het geloof, niet uit de werken, 10 maar dat God ons in Christus tot goede werken heeft geschapen. 11 Verder getuigt hij dat de heidenen buiten het verbond van God waren en zonder hoop op zaligheid, 13 maar dat zij nu in Christus, die de scheidsmuur heeft weggenomen en de wet van de inzettingen, mededeelgenoten van deze genade zijn geworden. 17 Daarom worden zowel heidenen als Joden door het Evangelie geroepen en hebben zij door een Geest toegang tot God. 19 Daaruit besluit hij dat zij dus samen gebouwd zijn op het fundament van de profeten en de apostelen, waarvan Christus de hoeksteen is, 21 en dat tot een tempel en woning van God.*

**1** [^efeziers-2-1-a] En u[^efeziers-2-1-1] heeft Hij mee levend gemaakt, daar u[^efeziers-2-1-2] dood was door de misdaden en de zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v1)

**2** [^efeziers-2-2-b] In welke u[^efeziers-2-2-3] vroeger gewandeld hebt,[^efeziers-2-2-4] naar de eeuw van deze wereld,[^efeziers-2-2-5] naar de[^efeziers-2-2-c] overste[^efeziers-2-2-6] van de macht van de lucht, van de[^efeziers-2-2-7] geest, die nu werkt in[^efeziers-2-2-8] de kinderen van de ongehoorzaamheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v2)

**3** Waaronder ook[^efeziers-2-3-9] wij allen vroeger verkeerd hebben in de begeerten[^efeziers-2-3-10] van ons vlees, doende[^efeziers-2-3-11] de wil van het vlees en[^efeziers-2-3-12] van de gedachten; en wij waren[^efeziers-2-3-13] van nature[^efeziers-2-3-14] kinderen van[^efeziers-2-3-15] de toorn, zoals ook de anderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v3)

**4** Maar God,[^efeziers-2-4-16] Die rijk is in barmhartigheid[^efeziers-2-4-17] door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v4)

**5** Ook toen wij[^efeziers-2-5-18] dood waren door de misdaden,[^efeziers-2-5-d] heeft[^efeziers-2-5-19] ons levend[^efeziers-2-5-20] gemaakt met Christus;[^efeziers-2-5-e] (uit genade bent u zalig geworden), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v5)

**6** En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel[^efeziers-2-6-21] in Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v6)

**7** Opdat Hij zou[^efeziers-2-7-22] betonen in[^efeziers-2-7-23] de toekomende eeuwen de uitnemenden rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v7)

**8** Want[^efeziers-2-8-24] uit genade bent u[^efeziers-2-8-25] zalig geworden[^efeziers-2-8-26] door het geloof; en[^efeziers-2-8-27] dat niet uit u,[^efeziers-2-8-f] het is Gods gave; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v8)

**9** [^efeziers-2-9-28] Niet uit de werken,[^efeziers-2-9-g] opdat niemand roeme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v9)

**10** Want[^efeziers-2-10-29] wij zijn Zijn maaksel,[^efeziers-2-10-h] geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die[^efeziers-2-10-30] God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v10)

**11** Daarom gedenkt, dat u, die vroeger heidenen was[^efeziers-2-11-31] in het vlees, en die[^efeziers-2-11-32] voorhuid genoemd werdt van degenen, die genoemd zijn[^efeziers-2-11-33] besnijdenis in het vlees, die met handen gebeurt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v11)

**12** Dat u in die tijd was[^efeziers-2-12-34] zonder Christus, vervreemd van[^efeziers-2-12-35] het burgerschap van Israël, en vreemdelingen[^efeziers-2-12-i] van[^efeziers-2-12-36] de verbonden van de[^efeziers-2-12-37] belofte, geen hoop hebbende, en[^efeziers-2-12-38] zonder God in de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v12)

**13** Maar nu in Christus Jezus, bent u, die vroeger[^efeziers-2-13-39] verre was, nabij geworden door[^efeziers-2-13-40] het bloed van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v13)

**14** [^efeziers-2-14-k] Want Hij is[^efeziers-2-14-41] onze vrede, Die[^efeziers-2-14-42] deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur[^efeziers-2-14-43] van het afscheidsel gebroken hebbende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v14)

**15** Heeft Hij[^efeziers-2-15-44] de vijandschap[^efeziers-2-15-45] in Zijn vlees te niet gemaakt,[^efeziers-2-15-46] namelijk de wet van de geboden in voorschriften bestaande; opdat Hij[^efeziers-2-15-47] die twee in[^efeziers-2-15-48] Zichzelf tot[^efeziers-2-15-49] één nieuwe mens zou scheppen,[^efeziers-2-15-50] vrede makende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v15)

**16** En opdat[^efeziers-2-16-51] Hij die beiden met God in[^efeziers-2-16-52] één lichaam zou verzoenen door het kruis,[^efeziers-2-16-53] de vijandschap[^efeziers-2-16-54] aan hetzelfde[^efeziers-2-16-55] gedood hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v16)

**17** [^efeziers-2-17-l] En[^efeziers-2-17-56] komende, heeft Hij door het Evangelie[^efeziers-2-17-57] vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v17)

**18** [^efeziers-2-18-m] Want[^efeziers-2-18-58] door Hem hebben wij beiden de toegang door[^efeziers-2-18-59] één Geest tot de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v18)

**19** Zo bent[^efeziers-2-19-60] u dan[^efeziers-2-19-61] niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar[^efeziers-2-19-62] medeburgers van de heiligen, en[^efeziers-2-19-63][^efeziers-2-19-n] huisgenoten Gods; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v19)

**20** [^efeziers-2-20-o] Gebouwd[^efeziers-2-20-p] op[^efeziers-2-20-64] het fundament van de apostelen en profeten,[^efeziers-2-20-65][^efeziers-2-20-q] waarvan Jezus Christus is[^efeziers-2-20-66] de uiterste Hoeksteen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v20)

**21** [^efeziers-2-21-r]Op Welken het hele gebouw, vakkundig samengevoegd zijnde, verrijst[^efeziers-2-21-s] tot een heilige[^efeziers-2-21-67] tempel in de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v21)

**22** [^efeziers-2-22-68] Op Welken ook[^efeziers-2-22-69] u mee gebouwd wordt tot een woning van God[^efeziers-2-22-70] in de Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/2.html#v22)

[^efeziers-2-1-a]: Verwijzing a: Romeinen 5:6; Kolossenzen 2:13.
[^efeziers-2-1-1]: Kanttekening 1: Deze woorden, in cursief gedrukt, worden ter verduidelijking hier aangehaald uit vers 5 dat volgt, waar de uitleg te vinden is.
[^efeziers-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: niet alleen onderworpen aan de tijdelijke en eeuwige dood, maar ook zonder enig leven en beweging in geestelijke zaken — zoals dit woord "dood zijn" ook elders wordt gebruikt (Romeinen 6:13; Efeziërs 5:14; Kolossenzen 2:13; 1 Timotheüs 5:6).
[^efeziers-2-2-b]: Verwijzing b: 1 Korintiërs 6:11; Kolossenzen 3:7; Titus 3:3.
[^efeziers-2-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk vóór uw bekering tot het geloof in Christus.
[^efeziers-2-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: naar de gewone levenswijze van wereldse mensen.
[^efeziers-2-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: naar de wil en ingeving van de overste.
[^efeziers-2-2-c]: Verwijzing c: Johannes 12:31 en 14:30 en 16:11; Efeziërs 6:12.
[^efeziers-2-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: de Satan, zoals meteen wordt verklaard. Hij wordt zo genoemd omdat hij een geestelijk wezen is en nog grote macht heeft in de lucht, zoals blijkt uit het verhaal van Job. Vanuit de lucht voert hij nog voortdurend strijd tegen de gelovigen (Efeziërs 6:12; 1 Petrus 5:8).
[^efeziers-2-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: door zijn werkingen en ingevingen leidt hij waarheen hij wil. Het woordje "nu" voegt hij erbij omdat de Satan zijn werking en heerschappij die hij eerder over hen allen had, nu in de gelovigen had verloren — hoewel hij hen nog bestrijdt — maar zijn macht alleen nog in de ongelovigen heeft behouden (2 Korintiërs 4:3-4; 2 Tessalonicenzen 2:9-10).
[^efeziers-2-2-8]: Kanttekening 8: De ongelovige mensen die het evangelie ongehoorzaam zijn (Efeziërs 5:6; Kolossenzen 3:6). Ze worden ook elders kinderen van Belial genoemd. Zie Deuteronomium 13:13.
[^efeziers-2-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk zij die uit de Joden tot Christus zijn bekeerd. Dit voegt hij erbij om te bewijzen dat hun bekering, evenals die van de heidenen, uit louter genade heeft plaatsgevonden.
[^efeziers-2-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: onze verdorven natuur. Deze manier van spreken komt overal voor en wordt door Paulus uitgelegd in Romeinen 8:7-8.
[^efeziers-2-3-11]: Kanttekening 11: Grieks: de willen, dat wil zeggen: de lusten en neigingen van het vlees.
[^efeziers-2-3-12]: Kanttekening 12: Het Griekse woord dianoia (διανοιῶν) betekent het verstand, of het redelijke deel van de menselijke ziel, dat de mens vóór zijn bekering ook slechts tot ijdelheid en wereldse dingen drijft (Romeinen 1:22 en 8:7; Kolossenzen 2:18).
[^efeziers-2-3-13]: Kanttekening 13: Of: door de natuur, dat wil zeggen: van onze geboorte of moeders schoot af, zoals dit woord natuur ook wordt gebruikt in Galaten 2:15 en elders. Zie Job 14:4; Psalm 51:7; Johannes 3:6; Romeinen 5:12-14.
[^efeziers-2-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: door onze aangeboren zonde onderworpen aan de toorn van God. Zie Romeinen 1:18 en 9:22.
[^efeziers-2-3-15]: Kanttekening 15: Namelijk de heidenen. Zie Romeinen 3:9.
[^efeziers-2-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: overvloedig.
[^efeziers-2-4-17]: Kanttekening 17: Of: vanwege, om.
[^efeziers-2-5-18]: Kanttekening 18: Zie de aantekening bij vers 1.
[^efeziers-2-5-d]: Verwijzing d: Romeinen 6:8 en 8:11; Kolossenzen 3:1, 3.
[^efeziers-2-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: verlost uit de dood van de zonde, door onze rechtvaardiging en wedergeboorte, zoals meteen hierna wordt uitgelegd.
[^efeziers-2-5-20]: Kanttekening 20: Want toen Christus, die om onze zonden gestorven was, werd opgewekt, heeft Hij daarmee daadwerkelijk bewezen dat Hij de schuld van onze zonde en het lichaam van onze zonden had tenietgedaan. Dit heeft Hij eerst vóór ons en daarna ook in ons volbracht uit kracht van zijn dood en opstanding (Romeinen 4:25 en 6:6-8) — toen Hij ons het geloof heeft geschonken, ons door het geloof heeft gerechtvaardigd en door zijn Geest heeft vernieuwd en geheiligd. Zie 1 Korintiërs 1:30.
[^efeziers-2-5-e]: Verwijzing e: Handelingen 15:11; Titus 3:5.
[^efeziers-2-6-21]: Kanttekening 21: Namelijk als ons hoofd, in wie wij deze weldaden reeds bezitten en in hoop bezitten (Romeinen 8:24), en die wij ook zeker te zijner tijd zullen ontvangen. Zie Romeinen 8:11; 1 Korintiërs 15:20; Filippenzen 3:21; Kolossenzen 3:1-2.
[^efeziers-2-7-22]: Kanttekening 22: Het Griekse woord betekent zoveel als een voorbeeld of duidelijk bewijs stellen. Want God heeft in die tijd dit voorbeeld van zijn barmhartigheid aan heidenen en Joden betoond, opdat ook wij, hun nakomelingen, dit begrijpend onze toevlucht tot dezelfde genade zouden nemen (1 Timotheüs 1:16).
[^efeziers-2-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk aan de mensen van de komende eeuwen of tijden.
[^efeziers-2-8-24]: Kanttekening 24: Of: door de genade. Namelijk Gods genade in Christus, zoals uitgelegd in het vorige vers.
[^efeziers-2-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: verlost van de zonde en de straf van de zonde, en gesteld tot erfgenamen van de eeuwige zaligheid.
[^efeziers-2-8-26]: Kanttekening 26: Namelijk waardoor deze genade van God in Christus door ons wordt aangenomen en ons toegeëigend (Johannes 1:12; Romeinen 3:24-25).
[^efeziers-2-8-27]: Kanttekening 27: Namelijk dat is niet uit u — dat u gelooft. Want anders zou de apostel hetzelfde twee keer zeggen. Niet alleen de zaligheid zelf, maar ook het geloof is een gave van God (Filippenzen 1:29; 2 Timotheüs 1:9).
[^efeziers-2-8-f]: Verwijzing f: Matteüs 16:17; Efeziërs 1:19.
[^efeziers-2-9-28]: Kanttekening 28: Namelijk noch geheel, noch gedeeltelijk. Zie Romeinen 4:4-5 en 11:6, zoals ook de volgende woorden aantonen.
[^efeziers-2-9-g]: Verwijzing g: Romeinen 3:27; 1 Korintiërs 1:29.
[^efeziers-2-10-29]: Kanttekening 29: De apostel spreekt hier niet van de eerste schepping, maar van de vernieuwing en wedergeboorte, die in Gods woord een tweede of nieuwe schepping wordt genoemd. Zie 2 Korintiërs 5:17.
[^efeziers-2-10-h]: Verwijzing h: 2 Korintiërs 5:17; Efeziërs 1:4 en 4:24; Titus 2:14.
[^efeziers-2-10-30]: Kanttekening 30: Of: die God tevoren heeft bereid. Namelijk in zijn eeuwige raad, of ook door zijn Geest in ons. Zie Hebreeën 8:10.
[^efeziers-2-11-31]: Kanttekening 31: Sommigen verstaan dit als de onbesnedenheid van de heidenen. Maar ook na hun bekering tot Christus waren zij zo, en de naam Voorhuid die volgt, maakt dit duidelijk genoeg. Het woord vlees wordt dus beter genomen als de verdorvenheid van de natuur, waarin zij voor hun bekering waren (Johannes 3:6; Romeinen 8:5).
[^efeziers-2-11-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: onbesneden, en dat met minachting. Zie 1 Samuël 17:26; Ezechiël 44:7.
[^efeziers-2-11-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: door de Joden die besneden waren — een teken dat zij tot Gods verbond behoorden (Genesis 17:11).
[^efeziers-2-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: zonder gemeenschap te hebben met Christus die komen zou, buiten wie er geen zaligheid was (Johannes 14:6; Handelingen 4:12). De Israëlieten die het koninkrijk van Israël verwachtten, hadden gemeenschap met Christus die beloofd was. Zie Johannes 8:56; Handelingen 13:26, 32 en 15:11 en 26:6-7; Hebreeën 11:26.
[^efeziers-2-12-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de gemeente van God, die was begrepen in het burgerschap van Israël.
[^efeziers-2-12-i]: Verwijzing i: Romeinen 9:4.
[^efeziers-2-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: van de geestelijke beloften die God in zijn verbond met de Israëlieten had gesloten, gedaan en dikwijls vernieuwd. Daarom noemt hij het verbonden in het meervoud.
[^efeziers-2-12-37]: Kanttekening 37: Namelijk geen ware hoop op de vergeving van zonden en de eeuwige zaligheid.
[^efeziers-2-12-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: zonder de ware kennis en dienst van de ware God. Want al hadden zij vele goden en godsdiensten, die waren door hen verzonnen en bedacht (Romeinen 1:21). Al kenden sommigen God als Schepper, toch hadden zij, omdat zij de Zoon niet kenden en eerden, ook de Vader niet (Johannes 5:23).
[^efeziers-2-13-39]: Kanttekening 39: Namelijk van de weldaden en voordelen waarover in het vorige hoofdstuk is gesproken. De apostel verwijst hier naar de tekst in Jesaja 49:1. Zie Handelingen 2:39.
[^efeziers-2-13-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: door de dood en bloedige offergave van Christus, waardoor dit onderscheid tussen de volken is weggenomen.
[^efeziers-2-14-k]: Verwijzing k: Jesaja 9:5; Micha 5:5; Johannes 16:33; Handelingen 10:39; Romeinen 5:1; Kolossenzen 1:20.
[^efeziers-2-14-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: de bewerker en oorzaak van onze vrede, zowel tussen God en de mensen als tussen de mensen onderling, namelijk Joden en heidenen.
[^efeziers-2-14-42]: Kanttekening 42: Namelijk Joden en heidenen.
[^efeziers-2-14-43]: Kanttekening 43: Of: van de omheining. Namelijk die de Joden van de heidenen scheidde en afsloot, zoals een muur twee huizen of plaatsen van elkaar pleegt te scheiden. Hieronder wordt de wet van de ceremoniën verstaan, die dit onderscheid tussen Joden en heidenen maakte. Het lijkt erop dat Paulus hier ook verwijst naar het scheuren van het voorhangsel van de tempel, dat scheurde toen Christus leed (Matteüs 27:51; Lucas 23:45).
[^efeziers-2-15-44]: Kanttekening 44: Namelijk tussen Joden en heidenen, zoals uit het vervolg blijkt, ontstaan uit het verschil van godsdienst.
[^efeziers-2-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: in zijn lichaam, of menselijke natuur, geofferd aan het kruis (Johannes 1:14; 1 Petrus 4:1). Een vergelijking met slachtoffers, waarvan het vlees op het altaar werd verbrand.
[^efeziers-2-15-46]: Kanttekening 46: Namelijk waardoor de ceremoniën waren ingesteld en gegeven tot de tijd van de verbetering (Hebreeën 9:10).
[^efeziers-2-15-47]: Kanttekening 47: Namelijk volken, dat wil zeggen: de uitverkorenen uit beide volken (Romeinen 9:24 en 11:7).
[^efeziers-2-15-48]: Kanttekening 48: Dit zegt de apostel omdat wij eerst met Christus zelf moeten zijn verenigd door het geloof, voordat wij uit Joden en heidenen tot één lichaam kunnen worden.
[^efeziers-2-15-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: door de heilige Geest en de kracht van de wedergeboorte vernieuwd. De apostel spreekt hier over alle gelovigen als over één mens, omdat zij allen onder Christus het hoofd als leden van één geestelijk lichaam als het ware tot één vernieuwd mens worden gesteld.
[^efeziers-2-15-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: eenheid en gemeenschap, nadat de oorzaak en het middel van de tweespalt is weggenomen.
[^efeziers-2-16-51]: Kanttekening 51: Dit zegt de apostel omdat door Christus' kruis niet alleen Joden en heidenen tot één zijn gebracht, maar ook samen met God verzoend.
[^efeziers-2-16-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: in één zelfde gemeente, die het geestelijke lichaam van Christus is. Sommigen verstaan hier het lichaam van Christus zelf, dat hij in vers 15 zijn vlees heeft genoemd.
[^efeziers-2-16-53]: Kanttekening 53: Namelijk zowel tussen God en ons vanwege de zonde, als ook tussen Joden en heidenen. Want over beide verzoeningen heeft hij hiervoor gesproken.
[^efeziers-2-16-54]: Kanttekening 54: Namelijk kruis.
[^efeziers-2-16-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: volledig weggenomen hebbende door zijn dood. Want door één offer heeft hij voor eeuwig geheiligd wie geheiligd worden (Hebreeën 10:14).
[^efeziers-2-17-l]: Verwijzing l: Jesaja 57:19; Efeziërs 3:12.
[^efeziers-2-17-56]: Kanttekening 56: Namelijk zowel door Hemzelf in de dagen van zijn vlees onder de Joden als dienaar van de besnijdenis, als na zijn hemelvaart door zijn apostelen aan allen zonder onderscheid. Door deze apostelen en met hen was Hij krachtig werkzaam tot bekering van allen, zowel van heidenen als van Joden (Marcus 16:20; Johannes 10:16; 2 Korintiërs 13:3).
[^efeziers-2-17-57]: Kanttekening 57: Namelijk tussen God en de mensen, en daarmee ook tussen de mensen onderling (Lucas 2:14; Romeinen 10:15; 2 Korintiërs 5:19).
[^efeziers-2-18-m]: Verwijzing m: Johannes 10:9 en 14:6; Romeinen 5:2; Efeziërs 3:12; Hebreeën 10:19.
[^efeziers-2-18-58]: Kanttekening 58: Namelijk Christus, door het geloof aangenomen (Romeinen 5:2).
[^efeziers-2-18-59]: Kanttekening 59: Namelijk de Geest van de aanneming tot kinderen (Romeinen 8:15), die ook dit gehele lichaam zijn leven en beweging geeft.
[^efeziers-2-19-60]: Kanttekening 60: Namelijk heidenen die in Christus gelooft.
[^efeziers-2-19-61]: Kanttekening 61: Namelijk zoals vroeger. Zie verzen 11-12.
[^efeziers-2-19-62]: Kanttekening 62: Namelijk van dit geestelijke Jeruzalem (Galaten 4:26).
[^efeziers-2-19-63]: Kanttekening 63: Want Gods gemeente wordt overal Gods huis en tempel genoemd. Zie 2 Korintiërs 6:16; 1 Timotheüs 3:15; Hebreeën 3:2. Zo staan zij dan onder één hoofd en zorg en heeft ieder zijn dienst en deel in dit huis.
[^efeziers-2-19-n]: Verwijzing n: Galaten 6:10.
[^efeziers-2-20-o]: Verwijzing o: 1 Korintiërs 3:9-10.
[^efeziers-2-20-p]: Verwijzing p: Jesaja 28:16; Matteüs 16:18; 1 Korintiërs 3:10; Openbaring 21:14.
[^efeziers-2-20-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: de leer van de apostelen en de profeten, zowel van het Oude als het Nieuwe Testament. Daarom worden ook de namen van de twaalf apostelen op de twaalf fundamenten van het hemelse Jeruzalem gezet (Openbaring 21:14).
[^efeziers-2-20-65]: Kanttekening 65: Want de leer van de profeten en apostelen wijst ons in zaken van de zaligheid naar niemand toe op wie wij mogen steunen dan op Jezus Christus, op zijn voldoening en verdienste (1 Korintiërs 1:30 en 2:2).
[^efeziers-2-20-q]: Verwijzing q: 1 Petrus 2:4.
[^efeziers-2-20-66]: Kanttekening 66: Of: waarbij Jezus Christus zelf de hoeksteen is. Namelijk waarop het gehele gebouw steunt met de muren en stenen ervan, dat wil zeggen: alle ware gelovigen uit Joden en heidenen bijeenvergaderd worden en door één Geest aan elkaar kleven, zoals volgt. Zie ook 1 Petrus 2:4. Dat deze hoeksteen ook het enige fundament is van dit gehele gebouw, blijkt uit Jesaja 28:16 en 1 Korintiërs 3:10-11.
[^efeziers-2-21-r]: Verwijzing r: Efeziërs 4:16.
[^efeziers-2-21-s]: Verwijzing s: 1 Korintiërs 6:19; 2 Korintiërs 6:16.
[^efeziers-2-21-67]: Kanttekening 67: Namelijk waarin de Heer met zijn genade woont en waarin Hij daarom wil worden geëerd en gediend, zoals een huisvader in zijn huis.
[^efeziers-2-22-68]: Kanttekening 68: Namelijk de uiterste hoeksteen, Christus.
[^efeziers-2-22-69]: Kanttekening 69: Namelijk u die uit de heidenen naar zijn voornemen bent geroepen en daarnaar ook in Hem heeft geloofd.
[^efeziers-2-22-70]: Kanttekening 70: Of: door de Geest.

### Efeziërs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/3.json)

*1 Paulus getuigt dat hij gevangen was vanwege zijn standvastigheid in de leer van de genadige roeping der heidenen, 3 die hij door een bijzondere openbaring van God had ontvangen, 5 en dat die in de voorgaande eeuwen op deze wijze nooit aan de mensen bekend was gemaakt. 7 Dat hij tot dienaar van het Evangelie was aangesteld om deze leer onder de heidenen te verkondigen, 10 en door de gemeente de veelvuldige wijsheid van God bekend te maken, zelfs aan de engelen in de hemel. 13 Hij vermaant hen dat zij in zijn verdrukkingen niet de moed verliezen, 14 en bidt God dat Hij hen meer en meer mag versterken, 17 zodat Christus door het geloof in hun harten woont 18 en zij de breedte, lengte, diepte en hoogte van deze genade en van de liefde van Christus mogen begrijpen. 20 Hij besluit met een dankzegging tot God.*

**1** Om deze oorzaak ben ik Paulus[^efeziers-3-1-a] de gevangene[^efeziers-3-1-1] van Christus[^efeziers-3-1-2] Jezus, voor u, die heidenen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v1)

**2** Als u tenminste gehoord hebt van[^efeziers-3-2-3] de bedeling[^efeziers-3-2-4][^efeziers-3-2-b] van de genade van God,[^efeziers-3-2-c] die mij gegeven is[^efeziers-3-2-5] aan u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v2)

**3** Dat Hij mij[^efeziers-3-3-d] door openbaring heeft bekend gemaakt[^efeziers-3-3-6][^efeziers-3-3-e] deze geheim, (zoals ik met weinig[^efeziers-3-3-7] woorden te voren geschreven heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v3)

**4** Waaraan u, dit lezend, kunt merken[^efeziers-3-4-8] mijn wetenschap, in deze geheim van Christus), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v4)

**5** [^efeziers-3-5-9] Dat in andere[^efeziers-3-5-10] eeuwen de kinderen van de mensen niet is bekend gemaakt,[^efeziers-3-5-11][^efeziers-3-5-f] zoals zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen[^efeziers-3-5-12] en profeten, door de Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v5)

**6** Namelijk dat de heidenen zijn[^efeziers-3-6-13] mee-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v6)

**7** Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is,[^efeziers-3-7-14][^efeziers-3-7-g] naar de werking van Zijn kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v7)

**8** Mij,[^efeziers-3-8-15][^efeziers-3-8-h] de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om[^efeziers-3-8-i] onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen[^efeziers-3-8-16] de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v8)

**9** En allen[^efeziers-3-9-17] te verlichten, dat zij mogen verstaan, wat de gemeenschap[^efeziers-3-9-k] van het geheim zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest[^efeziers-3-9-18] in God, Die[^efeziers-3-9-19] alle dingen[^efeziers-3-9-l] geschapen heeft door Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v9)

**10** [^efeziers-3-10-m] Opdat nu,[^efeziers-3-10-20] door de Gemeente, bekend gemaakt wordt[^efeziers-3-10-21] aan de overheden en de machten[^efeziers-3-10-22] in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v10)

**11** [^efeziers-3-11-23] Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v11)

**12** [^efeziers-3-12-24][^efeziers-3-12-n]In Hem hebben wij[^efeziers-3-12-25] de vrijmoedigheid, en[^efeziers-3-12-26] de toegang[^efeziers-3-12-27] met vertrouwen, door het geloof[^efeziers-3-12-28] aan Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v12)

**13** [^efeziers-3-13-o] Daarom bid ik, dat u niet vertraagt[^efeziers-3-13-29] in mijn verdrukkingen[^efeziers-3-13-30][^efeziers-3-13-p] voor u,[^efeziers-3-13-31] dat is uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v13)

**14** Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot[^efeziers-3-14-32] de Vader van onze Heere Jezus Christus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v14)

**15** [^efeziers-3-15-33] Uit Wie[^efeziers-3-15-34] al het geslacht[^efeziers-3-15-35] in de hemelen en op de aarde[^efeziers-3-15-36] genoemd wordt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v15)

**16** Opdat Hij u geve, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, met kracht[^efeziers-3-16-q] versterkt te worden door Zijn Geest in de[^efeziers-3-16-37] inwendigen mens; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v16)

**17** Opdat Christus door het geloof[^efeziers-3-17-38] in uw harten woon, en u in[^efeziers-3-17-39] de liefde[^efeziers-3-17-40][^efeziers-3-17-r] geworteld en gegrond bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v17)

**18** Opdat u ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke[^efeziers-3-18-41] de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v18)

**19** En bekennen de liefde van Christus, die[^efeziers-3-19-42] de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al[^efeziers-3-19-43] de volheid Gods. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v19)

**20** Hem nu, Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht,[^efeziers-3-20-44] die in ons werkt,[^efeziers-3-20-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v20)

**21** Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid[^efeziers-3-21-45] in de Gemeente, door Christus[^efeziers-3-21-46] Jezus, in alle geslachten,[^efeziers-3-21-47] tot alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/3.html#v21)

[^efeziers-3-1-a]: Verwijzing a: Hand. 21:33 ; Efez. 4:1 ; Filip. 1:7 ; idem v. 13 ; idem v. 14 ; idem v. 16 ; Kolos. 4:3 ; 2 Tim. 1:8 ; Filem. v. 1 . Handelingen 21:33 : Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Filippensen 1:7 : Gelijk het bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat u, zowel in mijn banden, als in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, u allen, zeg ik, mijner genade mee deelachtig bent. Filippensen 1:13 : Zo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het gehele rechthuis, en aan alle anderen; Filippensen 1:14 : En dat het meerderdeel van de broeders in de Heer, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken. Filippensen 1:16 : Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen; Kolossensen 4:3 : Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; 2 Timotheüs 1:8 : Schaam u dan niet van het getuigenis onzes Heern, noch mijns die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht van God; Filemon 1:1 : Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medearbeider,
[^efeziers-3-1-1]: Kanttekening 1: Christus Jezus: Dat is, om de zaak van Christus, of, om Christus' wil, gelijk Hij Zichzelf deze titel ook geeft; 2 Tim. 1:8 , en Filem. 1:1 . 2 Timotheüs 1:8 : Schaam u dan niet van het getuigenis onzes Heeren, noch mijns die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht van God; Filemon 1:1 : Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medearbeider,
[^efeziers-3-1-2]: Kanttekening 2: voor u, die: Dat is, omdat ik u heidenen, van Christus tot nu toe heb gepredikt, en nog zelfs in deze mijne banden predik, niettegenstaande de Joden daarover tegen mij zo zijn verbitterd, en mij in de handen van de ongelovigen hebben overgegeven, Hand. 21 . Of ook, om u door mijn exempel en volharding in de waarheid van deze leer te versterken, gelijk hierna vers 13 . Efeziërs 3:13 : Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid.
[^efeziers-3-2-3]: Kanttekening 3: de bedeling: Zie van de kracht van het woord hier voor de aantekeningen Ef. 1:10 . Efeziërs 1:10 : Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot een te vergaderen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is;
[^efeziers-3-2-4]: Kanttekening 4: van de genade van God: Dat is, mijne roeping uit genade tot een apostel. Waarvan zie Hand. 9:15 , en Hand. 22:21 , enz. Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.
[^efeziers-3-2-b]: Verwijzing b: Rom. 1:5 . Romeinen 1:5 : (Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam;
[^efeziers-3-2-c]: Verwijzing c: Hand. 13:2 ; Efez. 3:8 . Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Efeziërs 3:8 : Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus,
[^efeziers-3-2-5]: Kanttekening 5: aan u: Of, onder u; namelijk heidenen; Hand. 26:17 , 26:18 . Handelingen 26:17 : Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zend; Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^efeziers-3-3-d]: Verwijzing d: Hand. 22:17 ; idem 22:21 ; Hand. 26:16 ; idem 26:17 ; Galat. 1:11 ; idem v. 12 . Handelingen 22:17 : En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was; Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Handelingen 26:16 : Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige van de dingen, zowel die u gezien hebt als in welke Ik u nog zal verschijnen; Handelingen 26:17 : Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zend; Galaten 1:11 : Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, dat van mij verkondigd is, niet is naar de mens. Galaten 1:12 : Want ik heb ook hetzelfde niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
[^efeziers-3-3-6]: Kanttekening 6: deze verborgenheid: Namelijk van het Evangelie van Christus, en voornamelijk van de beroeping van de heidenen, gelijk hierna wordt verhaald. Waarom dit nu ene verborgenheid genoemd wordt, zie de aantekeningen Ef. 1:9 . Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf.
[^efeziers-3-3-e]: Verwijzing e: Rom. 16:25 . Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest;
[^efeziers-3-3-7]: Kanttekening 7: te voren geschreven: Namelijk in Ef. 1 , en Ef. 2 , waarin het geheel van de leer van het Evangelie van hem kortelijk is voorgesteld.
[^efeziers-3-4-8]: Kanttekening 8: mijn wetenschap: Dat is, hoe volkomen mij de Heer zulks heeft geopenbaard.
[^efeziers-3-5-9]: Kanttekening 9: Welke in andere: Namelijk verborgenheid, waarvan gesproken is in vers 3 . Efeziërs 3:3 : Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;
[^efeziers-3-5-10]: Kanttekening 10: eeuwen de: Of, geslachten, tijden, namelijk vóór de komst van Jezus Christus in het vlees en Zijne verheerlijking.
[^efeziers-3-5-11]: Kanttekening 11: gelijk zij nu: Dit woord toont dat er wel enige openbaringen in het Oude Testament geschied zijn aan de profeten, van de roeping van de heidenen tot de gemeenschap van de Messias, gelijk Paulus ook in de brief tot de Romeinen, Rom. 9 , Rom. 10 , Rom. 11 , uit de wet en de profeten zulks bewijst; maar dat zulks nimmer zo klaar en zo onderscheidenlijk is geopenbaard als nu, en in het bijzonder dit stuk, dat de heidenen tot de gemeenschap van Christus zouden worden geroepen zonder dat zij aan de besnijdenis en andere ceremoniën van de wet zouden gehouden zijn; omdat meest al de voorgaande voorzeggingen van de profeten figuurlijk zijn uitgesproken, en zo schenen te luiden dat de heidenen tot de gemeenschap van dezelfde ceremoniën zouden gebracht worden. Welke voorzeggingen door de apostelen nu nader en duidelijker zijn verklaard, en betuigd dat zulks niet van de uiterlijke ceremoniën, maar van de geestelijke gemeenschap aan de godsdienst van de Joden moet verstaan worden; gelijk Petrus door een gezicht door Christus nader is onderricht, Hand. 10:14 , 10:15 ; en gelijk de apostelen ook gezamenlijk dit hebben verklaard in hunne synode; Hand. 15 . Handelingen 10:14 : Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was. Handelingen 10:15 : En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken.
[^efeziers-3-5-f]: Verwijzing f: Hand. 10:28 . Handelingen 10:28 : En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.
[^efeziers-3-5-12]: Kanttekening 12: en profeten: Namelijk van het Nieuwe Testament, die de Geest van de verklaring van Gods Woord buitengewoon hebben ontvangen, waarvan zie 1 Kor. 12:28 ; Ef. 4:11 . 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^efeziers-3-6-13]: Kanttekening 13: Dit woord mee ziet hier op de Joden, die in Christus hebben geloofd, met welke de gelovige heidenen, zonder andere uiterlijke gemeenschap met de Joden in hunne ceremoniën te moeten houden, erfgenamen zijn van de zaligheid, en van hetzelfde lichaam van de gemeente van Christus en deelgenoten derzelfde beloften van de vergeving van de zonden, van de Geest van de wedergeboorte en aanneming tot kinderen, enz., daar zij anders van tevoren vreemd waren, gelijk hiervoor Ef. 2:12 is betuigd. Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^efeziers-3-7-14]: Kanttekening 14: naar de werking: Dat is, na zijn krachtige werking, niet alleen waarmee ik ben geroepen, maar ook in mijn dienst versterkt en gezegend.
[^efeziers-3-7-g]: Verwijzing g: Efez. 1:19 ; Kolos. 2:12 . Efeziërs 1:19 : En welke de uitnemende grootheid Zijn kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte Zijn macht, Kolossensen 2:12 : Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke u ook met Hem opgewekt bent door het geloof van de werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^efeziers-3-8-15]: Kanttekening 15: de allerminste: Dit zegt de apostel ten aanzien van zijn staat voor zijne bekering, toen hij een vervolger was van Christus' gemeente. Zie 1 Kor. 15:9 , 15:10 , en 1 Tim. 1:13 . 1 Korinthiërs 15:9 : Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. 1 Korinthiërs 15:10 : Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is. 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^efeziers-3-8-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 15:9 ; 1 Tim. 1:15 . 1 Korinthiërs 15:9 : Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. 1 Timotheüs 1:15 : Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
[^efeziers-3-8-i]: Verwijzing i: Hand. 9:15 ; Hand. 13:2 ; Hand. 22:21 ; Galat. 1:16 ; Galat. 2:8 ; 1 Tim. 2:7 ; 2 Tim. 1:11 . Handelingen 9:15 : Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2 : En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21 : En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; Galaten 2:8 : (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); 1 Timotheüs 2:7 : Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid. 2 Timotheüs 1:11 : Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen;
[^efeziers-3-8-16]: Kanttekening 16: de onnaspeurlijken: Dat is, de ondoorgrondelijke overvloed van de genade van Christus; een gelijkenis, genomen van het wild, welks voetstappen men dikwijls niet kan bespeuren, om dat te volgen en te vinden, gelijk Rom. 11:33 . Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^efeziers-3-9-17]: Kanttekening 17: te verlichten: Dat is, door de predikatie van het Evangelie hunne ogen te openen, gelijk Christus tot Paulus spreekt, Hand. 26:18 . Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^efeziers-3-9-k]: Verwijzing k: Rom. 16:25 ; Efez. 1:9 ; Kolos. 1:26 ; 2 Tim. 1:10 ; Titus 1:2 ; 1 Petr. 1:20 . Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. Kolossensen 1:26 : Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 2 Timotheüs 1:10 : Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie; Titus 1:2 : In de hoop van de eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd; 1 Petrus 1:20 : Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^efeziers-3-9-18]: Kanttekening 18: in God, Welke alle: Dat is, in Gods raad en voornemen, gelijk hierna vers 11 wordt verklaard. Efeziërs 3:11 : Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heer;
[^efeziers-3-9-19]: Kanttekening 19: dingen geschapen: Dat is, alle volken, zowel heidenen als Joden, en wat hun betreft. Waaruit de apostel wil besluiten, dat het dan gevoeglijk was, dat niet alleen de Joden, maar ook de heidenen door Christus zouden verzoend en verenigd worden. Zie Kol. 1:16 , 1:17 , 1:18 . Andere nemen het van de tweede schepping, maar daarvan heeft de apostel tevoren gesproken. Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Kolossensen 1:17 : En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem; Kolossensen 1:18 : En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.
[^efeziers-3-9-l]: Verwijzing l: Gen. 1:3 ; Ps. 33:6 ; Joh. 1:3 ; Kolos. 1:16 ; Hebr. 1:2 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Johannes 1:3 : Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Hebreeën 1:2 : Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^efeziers-3-10-m]: Verwijzing m: 1 Petr. 1:12 . 1 Petrus 1:12 : Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^efeziers-3-10-20]: Kanttekening 20: door de Gemeente: Dat is, door de verscheiden stand van de gemeente onder het Oude en Nieuwe Testament.
[^efeziers-3-10-21]: Kanttekening 21: de overheden: Dat is, van de engelen, gelijk hiervoor Ef. 1:21 , en Kol. 1:16 ; zo genoemd, omdat God hun dienst dikwijls gebruikt in de regering van landen en koninkrijken, Dan. 4:13 , en Dan. 10:13 . Want ook de engelen zelf zijn begerig deze veelvuldige wijsheid van God in de verscheidenheid van de regering van de gemeente en van de weldaden, die Hij de gelovigen door Christus doet, te aanschouwen; 1 Petr. 1:12 . Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Daniël 4:13 : Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel, Daniël 10:13 : Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. 1 Petrus 1:12 : Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^efeziers-3-10-22]: Kanttekening 22: in de hemel: Grieks, hemelse (ἐπουράνιος), of in de overhemelse, namelijk plaatsen.
[^efeziers-3-11-23]: Kanttekening 23: Naar het eeuwig: Grieks, naar het voornemen van de eeuwen; dat is, naar Zijn eeuwigen raad en besluit. Zie Ef. 1:4 , enz. Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^efeziers-3-12-24]: Kanttekening 24: In Denwelken: Namelijk Christus Jezus.
[^efeziers-3-12-n]: Verwijzing n: Joh. 10:9 ; Joh. 14:6 ; Rom. 5:2 ; Efez. 2:18 ; Hebr. 10:19 . Johannes 10:9 : Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. Johannes 14:6 : Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Romeinen 5:2 : Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Efeziërs 2:18 : Want door Hem hebben wij beiden de toegang door een Geest tot de Vader. Hebreeën 10:19 : Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
[^efeziers-3-12-25]: Kanttekening 25: de vrijmoedigheid: Namelijk om God onze Vader als kinderen aan te spreken, gelijk het Griekse woord parrhesia medebrengt; en om te roemen op de hoop van de heerlijkheid van God, Rom. 5:2 , en Rom. 8:15 , enz. Romeinen 5:2 : Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^efeziers-3-12-26]: Kanttekening 26: de toegang: Of, toeleiding; namelijk door denzelfden Geest, die ons als met de hand tot God leidt; Rom. 8:26 . Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
[^efeziers-3-12-27]: Kanttekening 27: met vertrouwen: Namelijk van het geloof op God.
[^efeziers-3-12-28]: Kanttekening 28: aan Hem: Namelijk Christus. Want door het geloof in Christus als onze Middelaar, geloven of vertrouwen wij op God, en hebben een vrijmoedigen toegang tot God; 1 Petr. 1:21 . Grieks, deszelven. 1 Petrus 1:21 : Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.
[^efeziers-3-13-o]: Verwijzing o: Filip. 1:14 ; 1 Thes. 3:3 . Filippensen 1:14 : En dat het meerderdeel van de broeders in de Heer, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken. 1 Thessalonicensen 3:3 : Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want u weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.
[^efeziers-3-13-29]: Kanttekening 29: vertraagt in: Het Griekse woord betekent eigenlijk verergeren, of door enig kwaad verslappen; zie Gal. 6:9 ; en is ene gelijkenis van degenen, die door een ijver de loop beginnen, en enige zwarigheden voor zich ziende, wijken of vertragen, uit vrees van daarin te vallen. Galaten 6:9 : Maar laat ons, goed doende, niet vertragen; want op zijn tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
[^efeziers-3-13-30]: Kanttekening 30: voor u: Dat is, om uwentwil; of, om u een voorbeeld van standvastigheid in het geloof te zijn. Zie de aantekeningen vers 1 . Efeziërs 3:1 : Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent.
[^efeziers-3-13-p]: Verwijzing p: Kolos. 1:24 . Kolossensen 1:24 : Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^efeziers-3-13-31]: Kanttekening 31: hetwelke is: Dat is, hierin bestaat uwe heerlijkheid, namelijk dat u niet vertraagt, horende deze mijne verdrukkingen.
[^efeziers-3-14-32]: Kanttekening 32: de Vader: Deze titel geeft de apostel hier aan God de Vader, omdat wij geen toegang hebben tot Hem dan door Christus. Zie Joh. 14:6 . Johannes 14:6 : Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.
[^efeziers-3-15-33]: Kanttekening 33: Uit Welken: Dit kan van God de Vader, of ook van Christus verstaan worden.
[^efeziers-3-15-34]: Kanttekening 34: al het geslacht: Of, familie, gelijk Luk. 2:4 ; dat is, die van éénen Vader afkomstig zijn, en onder één Hoofd staan; gelijk de gemeente van Christus, en door Christus, onder God als hun Vader gesteld is, en van Hem alle geestelijk leven en welvaren ontvangt, en een geestelijke familie is. Lukas 2:4 : En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
[^efeziers-3-15-35]: Kanttekening 35: in de hemelen: Dat is, van de gelovigen, niet alleen die hier op aarde nog leven, maar ook welker zielen in de hemel de aanneming tot kinderen al door Christus en met Christus genieten. Zie 2 Kor. 5:8 ; Filipp. 1:23 ; hoewel sommigen dit ook tot de engelen uitstrekken. Zie Ef. 1:10 . 2 Korinthiërs 5:8 : Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. Filippensen 1:23 : Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. Efeziërs 1:10 : Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot een te vergaderen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is;
[^efeziers-3-15-36]: Kanttekening 36: genoemd wordt: Dat is, niet alleen met woorden, maar ook inderdaad is, gelijk dit woord elders ook zo genomen wordt. Zie Luk. 1:32 ; Rom. 9:26 , enz. Lukas 1:32 : Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Romeinen 9:26 : En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genaamd worden.
[^efeziers-3-16-q]: Verwijzing q: Efez. 6:10 . Efeziërs 6:10 : Verder, mijn broeders, wordt krachtig in de Heer, en in de sterkte Zijn macht.
[^efeziers-3-16-37]: Kanttekening 37: inwendigen mens: Sommigen nemen dit woord voor het wedergeboren deel van de mens, gelijk Rom. 7:22 , waarin de apostel wenst dat zij meer en meer versterkt mogen worden; anderen voor het inwendige deel van de mens, namelijk de ziel van de gelovigen met al haar bewegingen, waarin hij wenst dat zij met sterkte en kloekheid worden begaafd, om al de verdrukkingen, die hun van buiten aangedaan worden, te kunnen wederstaan. Zie 2 Kor. 4:16 . Romeinen 7:22 : Want ik heb een vermaak in de wet van God, naar de inwendige mens; 2 Korinthiërs 4:16 : Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
[^efeziers-3-17-38]: Kanttekening 38: in uw harten: Dat is, geduriglijk met Zijne werkingen blijve, gelijk Joh. 6:56 , en Joh. 14:23 . Johannes 6:56 : Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem. Johannes 14:23 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
[^efeziers-3-17-39]: Kanttekening 39: de liefde: Namelijk tegen God en uw naaste, welke een onderscheidelijke vrucht en metgezel van het geloof is; 1 Kor. 13:1 ; Gal. 5:6 . Anderen nemen het voor de liefde waarmee ons God liefheeft. 1 Korinthiërs 13:1 : Al ware het, dat ik de talen van de mensen en van de engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
[^efeziers-3-17-40]: Kanttekening 40: Dat is, bevestigd zijt, gesterkt zijt.
[^efeziers-3-17-r]: Verwijzing r: Kolos. 2:7 . Kolossensen 2:7 : Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, zoals u geleerd bent, overvloedig zijnde in hetzelfde, met dankzegging.
[^efeziers-3-18-41]: Kanttekening 41: de breedte: Dat is, de uitnemende waardigheid en ondoorgrondelijkheid van het werk onzer verlossing door Christus; ene gelijkenis, genomen van de landmeters, die, om enig werk of gebouw volkomenlijk te kennen, deze zaken plegen af te meten en bijeen te overleggen.
[^efeziers-3-19-42]: Kanttekening 42: de kennis: Namelijk van alle natuurlijke mensen, die wij alleen door de Geest van Christus, naar de mate van de gave van Christus, hier kunnen bekennen, zoveel ons nodig is ter zaligheid, maar hiernamaals eerst ten volle begrijpen zullen. Zie 1 Kor. 2:9 , enz. en 1 Kor. 13:9 , enz. 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mens niet is opgeklommen, wat God bereid heeft hun, die Hem liefhebben. 1 Korinthiërs 13:9 : Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
[^efeziers-3-19-43]: Kanttekening 43: de volheid Gods: Dat is, van de kennis en van de werking Gods, niet waarmee God vervuld is, maar die Hij ons hier wil mededelen. Zie Ef. 4:12 , 4:13 . Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 4:13 : Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus;
[^efeziers-3-20-44]: Kanttekening 44: die in ons werkt: Hiermede toont de apostel dat hij in deze dankzegging niet ziet op de macht Gods, die in hem verborgen is, maar waarvan hij zelf een bewijs in onze bekering getoond heeft, en nog dagelijks in ons toont in het volvoeren van deze genade.
[^efeziers-3-20-f]: Verwijzing f: Rom. 16:25 . Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest;
[^efeziers-3-21-45]: Kanttekening 45: in de Gemeente: Namelijk waarin deze kracht en heerlijkheid van God door Jezus Christus alleen bekend wordt, en behoorlijk geprezen moet worden, en in alle eeuwen geprezen zal worden, hoezeer de wereld daartegen ook roemt en woelt.
[^efeziers-3-21-46]: Kanttekening 46: in alle geslachten: Of, tot alle tijden.
[^efeziers-3-21-47]: Kanttekening 47: tot alle eeuwigheid: Grieks, tot de eeuw van de eeuwen.

### Efeziërs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/4.json)

*1 Nadat de apostel in de voorgaande drie hoofdstukken de leer van het Evangelie kort had voorgesteld, komt hij nu, zoals zijn gewoonte is in al zijn brieven, met de vermaningen tot godzaligheid. Eerst vermaant hij in het algemeen tot een levenswandel die past bij hun roeping. 2 Daarna in het bijzonder tot verdraagzaamheid in de liefde, 3 en ten derde tot vrede en eenheid, welke vermaning hij met veel argumenten versterkt. 7 Verder getuigt hij dat Christus, na opgevaren te zijn naar de hemel, de mensen wel verschillende gaven heeft gegeven 11 en verschillende ambten van apostelen, profeten, leraren enzovoort heeft ingesteld, 12 maar dat alles ertoe dient dat de gemeente opgebouwd wordt en in eenheid van het geloof tegen alle dwalingen behouden mag blijven. 16 Toch komt deze heilzame kracht alleen uit Christus, als uit het hoofd, in alle leden tot bloei. 17 Daarna komt hij weer terug op de algemene vermaningen en waarschuwt hen dat zij niet zo wandelen als zij gewoon waren toen zij nog heidenen waren, 22 maar dat zij de oude mens afleggen 23 en de nieuwe mens aandoen; 25 dat zij ook de leugen afleggen, 26 de zon niet laten ondergaan over hun toorn, 28 niet stelen, 29 vuile taal vermijden waardoor de Heilige Geest bedroefd wordt, 31 en alle boosheid; 32 maar dat zij elkaar vergeven, zoals God in Christus ons vergeven heeft.*

**1** Zo[^efeziers-4-1-1] bid ik u dan, ik, de[^efeziers-4-1-2] gevangene[^efeziers-4-1-3] in de Heere,[^efeziers-4-1-a] dat u wandelt[^efeziers-4-1-4] waardig in de roeping waarmee[^efeziers-4-1-5] u geroepen bent; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v1)

**2** [^efeziers-4-2-b] Met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, verdragende elkaar[^efeziers-4-2-6] in liefde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v2)

**3** U beijverende te behouden de eenheid[^efeziers-4-3-7] van de[^efeziers-4-3-8] Geest door de band van de vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v3)

**4** Eén lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent[^efeziers-4-4-9] tot één hoop van uw roeping; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v4)

**5** [^efeziers-4-5-10][^efeziers-4-5-c] Één Heere, één geloof,[^efeziers-4-5-11] één doop, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v5)

**6** [^efeziers-4-6-12] Eén God en Vader[^efeziers-4-6-13] van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v6)

**7** [^efeziers-4-7-d] Maar[^efeziers-4-7-14] aan elk van ons is de genade gegeven,[^efeziers-4-7-15] naar de maat van de gave van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v7)

**8** Daarom zegt[^efeziers-4-8-16] Hij:[^efeziers-4-8-e] Als[^efeziers-4-8-17] Hij opgevaren is[^efeziers-4-8-18] in de hoogte, heeft Hij[^efeziers-4-8-19] de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen[^efeziers-4-8-20] gaven gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v8)

**9** [^efeziers-4-9-f] Nu dit: Hij is opgevaren;[^efeziers-4-9-21] wat is het, dan dat Hij ook eerst is[^efeziers-4-9-22] nedergedaald[^efeziers-4-9-23] in de nederste delen van de aarde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v9)

**10** Die nedergedaald is, is[^efeziers-4-10-24] Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij[^efeziers-4-10-25] alle dingen vervullen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v10)

**11** [^efeziers-4-11-g] En Dezelfde heeft gegeven sommigen[^efeziers-4-11-26] tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen[^efeziers-4-11-27] tot evangelisten, en sommigen[^efeziers-4-11-28] tot herders en leraars; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v11)

**12** Tot[^efeziers-4-12-29] de volmaking van de[^efeziers-4-12-30] heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing[^efeziers-4-12-h] van het lichaam van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v12)

**13** Totdat wij allen zullen komen[^efeziers-4-13-31] tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon[^efeziers-4-13-32] van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v13)

**14** [^efeziers-4-14-i] Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn,[^efeziers-4-14-k] die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door[^efeziers-4-14-33] de bedriegerij van de mensen, door sluwheid, om listig tot dwaling te brengen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v14)

**15** Maar de waarheid betrachtende[^efeziers-4-15-34] in liefde, alleszins zouden opgroeien in Hem, Die[^efeziers-4-15-l] het Hoofd is, namelijk Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v15)

**16** [^efeziers-4-16-m] Uit Wie het hele lichaam vakkundig samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle[^efeziers-4-16-35] voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn[^efeziers-4-16-36] maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijn eigen opbouwing in de liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v16)

**17** [^efeziers-4-17-37] Ik zeg dan dit,[^efeziers-4-17-n] en betuig het in de Heere,[^efeziers-4-17-o] dat u niet meer wandelt, zoals de andere heidenen wandelen in de zinloosheid van hun gemoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v17)

**18** Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van[^efeziers-4-18-38] het leven van God,[^efeziers-4-18-p] door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding van hun harten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v18)

**19** Die,[^efeziers-4-19-39] ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot[^efeziers-4-19-40] ontucht, om alle onreinheid[^efeziers-4-19-41] begerig te bedrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v19)

**20** Maar u hebt[^efeziers-4-20-42] Christus zo niet geleerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v20)

**21** Als u naar[^efeziers-4-21-43] Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd bent,[^efeziers-4-21-44] zoals de waarheid in Jezus is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v21)

**22** Te weten dat u zou[^efeziers-4-22-q] afleggen, aangaande de vorige wandeling,[^efeziers-4-22-45] de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden[^efeziers-4-22-46] van de verleiding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v22)

**23** En dat u zou vernieuwd worden[^efeziers-4-23-47] in de geest van uw gemoed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v23)

**24** [^efeziers-4-24-r] En[^efeziers-4-24-48] de nieuwe mens[^efeziers-4-24-49] aandoen, die naar God geschapen is[^efeziers-4-24-50] in ware rechtvaardigheid en heiligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v24)

**25** Daarom legt af de leugen,[^efeziers-4-25-s] en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste; want wij zijn elkaars leden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v25)

**26** [^efeziers-4-26-51][^efeziers-4-26-t] Wordt boos, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw boosheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v26)

**27** [^efeziers-4-27-v] En geeft de duivel geen[^efeziers-4-27-52] plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v27)

**28** Die gestolen heeft, stele niet meer,[^efeziers-4-28-x] maar arbeide liever, werkend[^efeziers-4-28-53] dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mee te delen degene, die nood heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v28)

**29** [^efeziers-4-29-y] Geen[^efeziers-4-29-54] vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is[^efeziers-4-29-55] tot nuttige opbouw, opdat zij[^efeziers-4-29-56] genade geve die, die dezelfde horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v29)

**30** En[^efeziers-4-30-57] bedroeft de Heilige Geest van God niet,[^efeziers-4-30-58][^efeziers-4-30-z] door Welke u[^efeziers-4-30-59] verzegeld bent tot de dag[^efeziers-4-30-a] van de verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v30)

**31** [^efeziers-4-31-b] Alle bitterheid, en boosheid, en toorn, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v31)

**32** [^efeziers-4-32-c] Maar wees tegenover elkaar goedertieren, barmhartig,[^efeziers-4-32-d] vergevende elkaar, zoals ook God[^efeziers-4-32-60] in Christus u vergeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/4.html#v32)

[^efeziers-4-1-1]: Kanttekening 1: bid ik u dan: Of, vermaan.
[^efeziers-4-1-2]: Kanttekening 2: Grieks, gebonden. Zie Ef. 3:1 . Efeziërs 3:1 : Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent.
[^efeziers-4-1-3]: Kanttekening 3: in de Heer: Dat is, om de zaak van de Heer, namelijk Christus, gelijk Ef. 3:1 . Efeziërs 3:1 : Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent.
[^efeziers-4-1-a]: Verwijzing a: Gen. 17:1 ; 1 Kor. 7:20 ; Filip. 1:27 ; Kolos. 1:10 ; 1 Thes. 2:12 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 1 Korinthiërs 7:20 : Een iedereen blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. Filippensen 1:27 : Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; Kolossensen 1:10 : Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 1 Thessalonicensen 2:12 : En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^efeziers-4-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, passend, gelijk Matt. 3:8 . Mattheüs 3:8 : Brengt dan vruchten voort, van de bekering waard.
[^efeziers-4-1-5]: Kanttekening 5: u geroepen bent: Namelijk tot de gemeenschap van Christus, en daarom ook van de godzaligheid in Christus. De apostel spreekt hier niet alleen van de uitwendige, maar ook van de inwendige en krachtige beroeping, waardoor zij tot het geloof in Christus gebracht waren; gelijk uit de volgende verzen blijkt.
[^efeziers-4-2-b]: Verwijzing b: Kolos. 1:11 ; Kolos. 3:12 ; 1 Thes. 5:14 . Kolossensen 1:11 : Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en lankmoedigheid, met blijdschap; Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; 1 Thessalonicensen 5:14 : En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, bent lankmoedig tegenover allen.
[^efeziers-4-2-6]: Kanttekening 6: in liefde: Dat is, door de liefde. Want de liefde verdraagt alle dingen; 1 Kor. 13:7 . Hij spreekt hier van het verdragen van zulke beledigingen, die elk in het bijzonder aangaan, gelijk Matt. 18:15 . Anders prijst Christus ook deze gemeente van Efeze, Openb. 2:2 , dat zij de kwaden niet konden verdragen, namelijk die verkeerde leringen zochten in te voeren en de gemeente beroerden. 1 Korinthiërs 13:7 : Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. Mattheüs 18:15 : Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. Openbaring 2:2 : Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw volharding, en dat u de kwaden niet kunt dragen; en dat u beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;
[^efeziers-4-3-7]: Kanttekening 7: van de Geest: Dat is, de geestelijke enigheid met al de leden van de gemeente van Christus, hetzij uit Joden, hetzij uit heidenen, welke Christus' lichaam is, waarvan de Heilige Geest de band en samenvoeger is, gelijk in vers 4 verklaard wordt. Efeziërs 4:4 : Een lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping;
[^efeziers-4-3-8]: Kanttekening 8: door de band: Grieks, in de band, of samenbinding.
[^efeziers-4-4-9]: Kanttekening 9: tot één hoop: Grieks, in ene hoop (ἐλπίς); dat is, gehoopte zaak, waartoe u geroepen bent, welke is de zaligheid van uw zielen.
[^efeziers-4-5-10]: Kanttekening 10: Een Heer: Namelijk Jezus Christus, gelijk blijkt uit vers 6 , waar God en de Vader van hem onderscheiden wordt. Efeziërs 4:6 : Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.
[^efeziers-4-5-c]: Verwijzing c: Deut. 4:39 ; Mal. 2:10 ; 1 Kor. 8:4 ; idem v. 6 . Deuteronomium 4:39 : Zo zult u heden weten, en in uw hart hervatten, dat YHWH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! Maleachi 2:10 : Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos de één tegen de ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen? 1 Korinthiërs 8:4 : Aangaande dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een. 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem.
[^efeziers-4-5-11]: Kanttekening 11: een doop: Namelijk niet alleen in het getal, maar ook de bediening over u allen; Rom. 6:3 , 6:4 . Romeinen 6:3 : Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Romeinen 6:4 : Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden.
[^efeziers-4-6-12]: Kanttekening 12: Een God: Gelijk in vers 5 door het woord één Heer, de Vader niet wordt uitgesloten van onze Heer te zijn, noch ook de Heilige Geest, die ook de Heer genaamd wordt, Jes. 6:8 , vergelijk met Hand. 28:25 ; 2 Kor. 3:18 ; zo wordt ook hier door het woord een God, de Zoon niet uitgesloten, noch de Heilige Geest. Zie 1 Kor. 12:4 , 12:5 , 12:6 , maar wordt met deze verscheidenheid van de titels alleen aangewezen de orde en eigenschap, die elk persoon in deze werking en samenvoeging van dit lichaam, dat is, van de gemeente, heeft. Efeziërs 4:5 : Één Heer, één geloof, één doop, Jesaja 6:8 : Daarna hoorde ik de stem van de Heer, dewelke zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen. Handelingen 28:25 : En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen, 2 Korinthiërs 3:18 : En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. 1 Korinthiërs 12:4 : En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest; 1 Korinthiërs 12:5 : En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heer; 1 Korinthiërs 12:6 : En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
[^efeziers-4-6-13]: Kanttekening 13: van allen: Hier wordt eigenlijk niet gesproken van alle schepselen of mensen in het algemeen, omdat God niet is aller Vader in Christus; maar hier wordt gesproken van alle ware leden van de gemeente, die het lichaam van Christus is, over welke allen God de Vader het hoogste gebied heeft, door welke allen Hij zijn bijzondere regering uitstrekt, dat zij beide met andere mensen gemeen hebben, en in welke allen Hij als een Vader met Zijne genade en Geest woont, dat de gelovigen eigen is; Joh. 14:23 . Johannes 14:23 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.
[^efeziers-4-7-d]: Verwijzing d: Rom. 12:6 ; 1 Kor. 12:11 ; 2 Kor. 10:13 ; 1 Petr. 4:10 . Romeinen 12:6 : Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, 1 Korinthiërs 12:11 : Maar deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iedereen in het bijzonder, zoals Hij wil. 2 Korinthiërs 10:13 : Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat van de regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 1 Petrus 4:10 : Een iedereen, gelijk hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God.
[^efeziers-4-7-14]: Kanttekening 14: elk van: Namelijk die leden van dit lichaam zijn.
[^efeziers-4-7-15]: Kanttekening 15: naar de maat: Dat is, naar dat het Christus belieft aan een ieder in zijne beroeping de gaven uit te meten, tot volmaking en vereniging van dit lichaam; Joh. 1:16 ; Rom. 12:3 . Johannes 1:16 : En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Romeinen 12:3 : Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een ieder, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een ieder de mate van het geloof gedeeld heeft.
[^efeziers-4-8-16]: Kanttekening 16: Namelijk God.
[^efeziers-4-8-e]: Verwijzing e: Ps. 68:19 . Psalmen 68:19 : U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o YHWH God!
[^efeziers-4-8-17]: Kanttekening 17: Namelijk Christus, gelijk uit de volgende verklaring blijkt. Want dit is ene profetie van Christus' koninkrijk.
[^efeziers-4-8-18]: Kanttekening 18: in de hoogte: Dat is, in de hemel, gelijk verklaard wordt vers 10 . Efeziërs 4:10 : Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
[^efeziers-4-8-19]: Kanttekening 19: de gevangenis: Dat is, degenen die ons gevangen hielden, namelijk, zonde, duivel, dood en verdoemenis; over welke alle Christus door Zijn dood, verrijzenis en hemelvaart heeft getriomfeerd, Kol. 2:15 ; zo, dat hoewel zij ons nog bestrijden, wij nochtans in Christus de overwinning over allen hebben, Joh. 16:33 ; Rom. 8:37 , 8:38 , 8:39 . Of, gevangenen, dat is, een grote menigte van gevangenen, gelijk 2 Kron. 28:5 . Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Johannes 16:33 : Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. Romeinen 8:37 : Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. Romeinen 8:38 : Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Romeinen 8:39 : Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer. 2 Kronieken 28:5 : Daarom gaf hem YHWH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag.
[^efeziers-4-8-20]: Kanttekening 20: gaven gegeven: Namelijk uit de hemel, wanneer Hij is gezeten ter rechterhand van God, Zijn Vader; Hand. 2:33 . Handelingen 2:33 : Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.
[^efeziers-4-9-f]: Verwijzing f: Joh. 3:13 ; Joh. 6:62 . Johannes 3:13 : En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mensen, Die in de hemel is. Johannes 6:62 : Wat zou het dan zijn, zo u de Zoon van de mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?
[^efeziers-4-9-21]: Kanttekening 21: wat is het: Dat is, wat geeft het anders te kennen?
[^efeziers-4-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk door mijn bijzondere werking in het aannemen van de menselijke natuur, uit de maagd Maria, gelijk Joh. 6:33 , 6:42 ; zonder dat Hij daarom de hemel, naar Zijn goddelijke natuur heeft verlaten. Zie Joh. 3:13 , gelijk Hij ook na Zijne hemelvaart evenwel, naar Zijn goddelijke natuur en Geest, bij ons is tot de voleinding van de wereld; Matt. 28:20 . Johannes 6:33 : Want het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel neerdaalt, en Die de wereld het leven geeft. Johannes 6:42 : En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald? Johannes 3:13 : En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mens, Die in de hemel is. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^efeziers-4-9-23]: Kanttekening 23: in de nederste: Dat is, in de aarde, die het nederste deel van de wereld is. Want het woord is vlees geworden en heeft bij ons gewoond, Joh. 1:14 . Zie Ps. 139:15 . Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Psalmen 139:15 : Mijn gebeente was voor U niet verborgen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen van de aarde.
[^efeziers-4-10-24]: Kanttekening 24: Dezelfde ook: Namelijk persoon, hoewel Hij naar een andere natuur is nedergedaald.
[^efeziers-4-10-25]: Kanttekening 25: alle dingen vervullen: Dat is, al de leden van Zijn gemeente door Zijn Geest en gaven, gelijk vers 8 . Anderen nemen het voor de vervulling van de voorzeggingen van de profeten, waarvan deze profetie van David ook ene is. Dan, het eerste komt met de volgende verzen wel zo bekwamelijk overeen. Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^efeziers-4-11-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 12:28 . 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^efeziers-4-11-26]: Kanttekening 26: tot apostelen: Van het onderscheid tussen apostelen en profeten, zie de aantekeningen 1 Kor. 12:28 . 1 Korinthiërs 12:28 : En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^efeziers-4-11-27]: Kanttekening 27: tot evangelisten: Van het ambt van deze, zie Hand. 21:8 . Handelingen 21:8 : En de volgende dag, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.
[^efeziers-4-11-28]: Kanttekening 28: tot herders: Enige onderscheiden deze twee ambten zo, dat de herders de gemeente niet alleen zouden leren en onderwijzen, maar ook door de kerkelijke tucht leiden en regeren, gelijk de herders de schapen doen, en dat de leraars alleen bezig zouden zijn om de Schrift te verklaren, en de waarheid van de leer tegen de ketterijen en dwalingen te verdedigen. Maar omdat het woord sommigen hier tussen niet staat, gelijk in de voorgaande verscheidene beroepingen, zo nemen het anderen voor enerlei ambt; en dat deze twee namen hier bijeenstaan om aan te wijzen dat alle herders ook leraars moeten zijn, gelijk deze twee namen de één voor de ander in de Schrift dikwijls worden gesteld, en Paulus deze twee zaken bijeenvoegt in de beproeving van de kerkedienaars, 1 Tim. 3 , en Tit. 1 .
[^efeziers-4-12-29]: Kanttekening 29: de volmaking: Of, samenvoeging. Want daartoe zijn deze diensten in Gods kerk ingesteld, opdat de leden van de gemeente meer en meer samengevoegd of volmaakt, dat is, tot een volmaakt lichaam onder Christus hun Hoofd, gesteld zouden worden.
[^efeziers-4-12-30]: Kanttekening 30: tot het werk: Dat is, opdat het werk van de bediening zijn volle leden zou hebben, bestaande in de predikatie van Gods woord, bediening van de sacramenten, oefening van de kerkelijke tucht, en regering van de gemeente. Welke zaken door deze ingestelde diensten haar volle leden al de wereld door hebben verkregen, en in de gemeente zijn bevestigd, en blijven moeten tot de voleinding van de wereld; Matt. 28:20 , en 1 Kor. 11:26 . Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. 1 Korinthiërs 11:26 : Want telkens als u dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood van de Heer, totdat Hij komt.
[^efeziers-4-12-h]: Verwijzing h: Rom. 12:5 ; 1 Kor. 12:27 ; Efez. 1:23 ; Efez. 5:23 ; Kolos. 1:24 . Romeinen 12:5 : Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Efeziërs 1:23 : Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Degene, Die alles in allen vervult. Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. Kolossensen 1:24 : Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^efeziers-4-13-31]: Kanttekening 31: tot de enigheid: Dat is, tot een en hetzelfde geloof en kennis of erkentenis van de Zoon van God; dat hier in deze wereld wel enigszins geschiedt, maar hiernamaals ten volle gebeuren zal, als God in Christus zal zijn alles in allen, 1 Kor. 13:11 , 13:12 ; dat ook de navolgende woorden medebrengen. 1 Korinthiërs 13:11 : Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat van een kind was. 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^efeziers-4-13-32]: Kanttekening 32: tot een volkomen: Dat is, tot de volkomen mannelijke kennis, en de volkomen mate van de gaven die wij uit Christus' volheid ontvangen moeten; Joh. 1:16 . Johannes 1:16 : En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
[^efeziers-4-14-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 14:20 . 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.
[^efeziers-4-14-k]: Verwijzing k: Matt. 11:7 . Mattheüs 11:7 : Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt?
[^efeziers-4-14-33]: Kanttekening 33: de bedriegerij: Of, ongestadigheid. Grieks, teerling, of, teerlingspel; waardoor de apostel de bedriegerijen of streken van zodanige mensen verstaat, die de discipelen van Christus door dwaling zoeken aan zich te trekken, niet anders dan de tuischers of teerlingspelers, wonderlijke streken en valsheden weten te gebruiken om anderer mensen goed aan zich te brengen, gelijk de volgende woorden ook verklaren.
[^efeziers-4-15-34]: Kanttekening 34: in liefde: Dit zet de apostel daarbij, omdat somwijlen de waarheid kan voorgestaan worden tegen de liefde; gelijk ook onder het deksel van de liefde de waarheid kan tekortgedaan worden. Anderen zetten het over oprecht handelende in de liefde, gelijk het woord waarheid ook oprechtheid betekent.
[^efeziers-4-15-l]: Verwijzing l: Efez. 5:23 ; Kolos. 1:18 . Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. Kolossensen 1:18 : En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.
[^efeziers-4-16-m]: Verwijzing m: Rom. 12:5 ; 1 Kor. 12:27 ; Efez. 2:21 . Romeinen 12:5 : Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Efeziërs 2:21 : Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer;
[^efeziers-4-16-35]: Kanttekening 35: Dat is, door alle gewrichten of leden, door welk het leven en voedsel aan de andere leden wordt toegebracht. De apostel noemt de voegselen van de ondersteuning de verbindingen en samenvoegingen van de leden, waardoor de sterkte en het voedsel van het ene lid in het andere komt, gelijk er zijn zenuwen, aderen en dergelijke, die langs de samenvoegingen in de leden doorgaan, en hun het voedsel en sterkte toebrengen, en dat in het bijzonder uit het hoofd; waarbij dan de apostel bekwamelijk vergelijkt al de ambten en gaven van de Geest in de gemeente, die allen van Christus afhangen, en het gehele lichaam aaneenhouden en het zijn geestelijke sterkte en voedsel mededelen; 1 Kor. 12:12 , 12:14 . 1 Korinthiërs 12:12 : Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, zo ook Christus. 1 Korinthiërs 12:14 : Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden.
[^efeziers-4-16-36]: Kanttekening 36: de wasdom: Grieks, de wasdom van het lichaam maakt; dat is, zijn wasdom verkrijgt, Hebreeuws.
[^efeziers-4-17-37]: Kanttekening 37: Ik zeg dan dit: Namelijk als een besluit uit het voorgaande; omdat wij ledematen van Christus zijn en zodanig Zijn gaven deelachtig, dat u dan, enz.; en komt zo opnieuw tot nieuwe vermaningen.
[^efeziers-4-17-n]: Verwijzing n: Rom. 1:9 . Romeinen 1:9 : Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke;
[^efeziers-4-17-o]: Verwijzing o: Rom. 1:18 ; 1 Petr. 4:3 . Romeinen 1:18 : Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. 1 Petrus 4:3 : Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;
[^efeziers-4-18-38]: Kanttekening 38: het leven van God: Namelijk niet waardoor God in zichzelf leeft, maar waarmee Hij in ons door Zijn Geest leeft in Christus. Zie Ef. 2:1 . Efeziërs 2:1 : En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden;
[^efeziers-4-18-p]: Verwijzing p: 1 Thes. 4:5 . 1 Thessalonicensen 4:5 : Niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.
[^efeziers-4-19-39]: Kanttekening 39: ongevoelig geworden: Ene gelijkenis genomen van degenen, die door vele slagen of brandmerken in enige delen van het lichaam zo verhard zijn, dat zij geen gevoel daarvan meer hebben; zo gaat het ook met vele mensen, die door gedurig kwaad doen het gevoel of wroegen van hunne conscientiën zo verdoven, dat zij het niet meer gevoelen. Zie Rom. 1:28 ; 1 Tim. 4:2 . Romeinen 1:28 : En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen; 1 Timotheüs 4:2 : Door geveinsdheid van de leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;
[^efeziers-4-19-40]: Kanttekening 40: tot ontuchtigheid: Of, geilheid, dartelheid.
[^efeziers-4-19-41]: Kanttekening 41: Grieks, in gierigheid, of, onverzadelijkheid; dat is, met een grote begeerte en welbehagen, gelijk de gierige zijne ziel zegent in onrechtvaardigheid; Ps. 10:3 . Psalmen 10:3 : Want de goddeloze roemt over de wens van zijn ziel; hij zegent de gierigaard, hij lastert YHWH.
[^efeziers-4-20-42]: Kanttekening 42: Dat is, de leer van Christus en van de gemeenschap met Hem.
[^efeziers-4-21-43]: Kanttekening 43: Namelijk sprekende in Zijn woord door ons tot u.
[^efeziers-4-21-44]: Kanttekening 44: gelijk de waarheid in Jezus is: Dat is, gelijk de waarheid van Christus vereist, en gelijk het in waarheid moet zijn.
[^efeziers-4-22-q]: Verwijzing q: Kolos. 3:9 ; Hebr. 12:1 ; 1 Petr. 2:1 . Kolossensen 3:9 : Liegt niet tegen elkaar, omdat u uitgedaan hebt de ouden mens met zijn werken, Hebreeën 12:1 : Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; 1 Petrus 2:1 : Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
[^efeziers-4-22-45]: Kanttekening 45: de oude mens: Zo wordt genoemd de gehele verdorvenheid en boosheid, die in de mens van nature is, Rom. 6:6 , welke ook vlees genoemd wordt, Rom. 8:5 ; Gal. 5:19 . Romeinen 6:6 : Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Romeinen 8:5 : Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de Geest zijn, bedenken, dat van de Geest is. Galaten 5:19 : De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,
[^efeziers-4-22-46]: Kanttekening 46: van de verleiding: Dat is, die de mens tot alle zonden verlokken en verleiden, zo hij door Gods Geest die niet wederstaat; Jak. 1:13 , 1:14 , 1:15 . Jakobus 1:13 : Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Jakobus 1:14 : Maar een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Jakobus 1:15 : Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voltooid zijnde baart de dood.
[^efeziers-4-23-47]: Kanttekening 47: in de geest: Dat is, in het binnenste en verstandigste deel van uwe ziel, gelijk Rom. 12:2 . Als dan datzelve moet vernieuwd en wedergeboren zijn om God te kunnen dienen, zo zijn dan ook de wil en alle andere genegenheden van nature niet beter, tenzij dat ze door dezelfde kracht vernieuwd worden. Romeinen 12:2 : En wordt van deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
[^efeziers-4-24-r]: Verwijzing r: Rom. 6:4 ; Kolos. 3:10 ; 1 Petr. 4:2 . Romeinen 6:4 : Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Kolossensen 3:10 : En aangedaan hebt de nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Degene, Die hem geschapen heeft; 1 Petrus 4:2 : Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^efeziers-4-24-48]: Kanttekening 48: de nieuwe: Zo noemt de apostel de wedergeboorte of vernieuwing van de mensen, bestaande in de verlichting van het verstand, en verandering van de wil tot heiligheid en rechtvaardigheid, in welke het beeld van God bestaat, waarvan het laatste hier wordt uitgedrukt, en het eerste hierna, Kol. 3:10 , van de apostel zal uitgedrukt worden. Kolossensen 3:10 : En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Degene, Die hem geschapen heeft;
[^efeziers-4-24-49]: Kanttekening 49: De apostel vergelijkt hier deze vernieuwing van de mens bij een nieuw kleed, gelijk vers 22 de natuurlijke verdorvenheid bij een oud verdorven kleed, dat hij zegt dat de gelovigen moeten afleggen en het nieuwe aandoen; omdat zij nu door de Geest van God wedergeboren zijnde, in beide meer en meer moeten voortgaan en toenemen, door het gebruik van de middelen, die God daartoe heeft bestemd; namelijk met kloekmoediglijk tegen de zonde door de Geest van God te strijden, Rom. 8:13, en de gave van God te verwekken, 2 Tim. 1:6 , 1:7 . Gods woord naarstiglijk te horen en overleggen, Ps. 1:2 ; 2 Tim. 3:16 , 3:17 , de sacramenten waardiglijk te gebruiken, 1 Kor. 11:17 , 11:18 , enz., ijverige gebeden tot God te storten, Ef. 6:18 , en dergelijke. Zie ook Joh. 15:2 ; 1 Kor. 9:25 , 9:26 , enz. Efeziërs 4:22 : Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; 2 Timotheüs 1:6 : Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen. 2 Timotheüs 1:7 : Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid. Psalmen 1:2 : Maar zijn lust is in de wet van YHWH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. 2 Timotheüs 3:16 : Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; 2 Timotheüs 3:17 : Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust. 1 Korinthiërs 11:17 : Dit nu, wat ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat u niet tot beter, maar tot erger samenkomt. 1 Korinthiërs 11:18 : Want eerstelijk, als u samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele; Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; Johannes 15:2 : Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. 1 Korinthiërs 9:25 : En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 1 Korinthiërs 9:26 : Ik loop dan zo, niet als op het onzekere; ik kamp zo, niet als de lucht slaande;
[^efeziers-4-24-50]: Kanttekening 50: in ware rechtvaardigheid: Grieks in rechtvaardigheid en heiligheid van de waarheid.
[^efeziers-4-25-s]: Verwijzing s: Zach. 8:16 . Zacharia 8:16 : Dit zijn de dingen, die u doen zult: spreekt de waarheid, een iedereen met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel van de vrede in uw poorten.
[^efeziers-4-26-51]: Kanttekening 51: Wordt toornig: Met deze woorden uit Ps. 4 genomen, verbiedt de apostel niet alle toorn, want zulke bewegingen zijn van God in het hart geschapen, en wordt ook somwijlen aan God en Christus toorn toegeschreven, namelijk over de zonde en ondankbaarheid van de mensen; maar is deze de mening van de apostel, dat, zo er rechtvaardige oorzaken van toorn gegeven worden, dat die de maat niet tebuiten moet gaan, noch te lang duren, maar haastiglijk weer nedergelegd worden.
[^efeziers-4-26-t]: Verwijzing t: Ps. 4:5 . Psalmen 4:5 : Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
[^efeziers-4-27-v]: Verwijzing v: Jak. 4:7 ; 1 Petr. 5:9 . Jakobus 4:7 : Zo onderwerpt u dan voor God; wederstaat de duivel, en hij zal van u vluchten. 1 Petrus 5:9 : Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^efeziers-4-27-52]: Kanttekening 52: Of, ruimte; dat is, geen tijd noch gelegenheid om door uw toorn u tot andere zonden te brengen, zo uw gemoed zonder genoegzame oorzaak te lang ontsteld zou blijven; 1 Petr. 5:8 , 5:9 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden; 1 Petrus 5:9 : Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^efeziers-4-28-x]: Verwijzing x: Hand. 20:35 ; 1 Thes. 4:11 ; 2 Thes. 3:8 ; idem v. 12 . Handelingen 20:35 : Ik heb u in alles getoond, dat men, zo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van de Heer Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen. 1 Thessalonicensen 4:11 : En dat u u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben; 2 Thessalonicensen 3:8 : En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn; 2 Thessalonicensen 3:12 : Maar de zodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heer Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.
[^efeziers-4-28-53]: Kanttekening 53: dat goed is: Dat is, dat prijzenswaardig en eerlijk is; want alle arbeid, waar winst van komt, is niet altijd prijzenswaardig en voor God aangenaam.
[^efeziers-4-29-y]: Verwijzing y: Matt. 12:36 ; Efez. 5:3 ; idem v. 4 . Mattheüs 12:36 : Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, dat de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelfde zullen rekenschap geven in de dag van het oordeel. Efeziërs 5:3 : Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen betaamt, Efeziërs 5:4 : Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.
[^efeziers-4-29-54]: Kanttekening 54: vuile rede: Grieks, verrotte.
[^efeziers-4-29-55]: Kanttekening 55: tot nuttige: Grieks, tot stichting van het gebruik, of van de nuttigheid, of van de noodwendigheid; dat is, nodige stichting.
[^efeziers-4-29-56]: Kanttekening 56: genade geve: Dat is, enige geestelijke gave toebrenge. Of, aangenaamheid. Sommigen nemen dit woord voor dank of dankzegging, zo dat dit de zin zou zijn: Opdat u de vromen, die het horen, daarover mogen danken.
[^efeziers-4-30-57]: Kanttekening 57: Ene wijze van spreken bij gelijkenis, uit Jes. 63:10 , waardoor te kennen wordt gegeven dat de Geest van God, die in ons woont, door dergelijke zonden, waar Hij een afkeer van heeft, Zijne vriendelijke werking in ons verduistert, en in plaats van Zijne liefde ons Zijne toorn laat gevoelen (gelijk een vader een droevig aangezicht aantrekt over zijne kinderen, wanneer zij in zijne aanwezigheid kwaad doen, en in plaats van vriendschap te bewijzen hen, hoewel ongaarne, moet straffen), waaruit ook een bedroefd gemoed rijst in de gelovigen, en de zekerheid van hun zaligheid wordt verduisterd. Zie Ps. 6:2 , en Ps. 31:10 , 31:11 , en Ps. 51:11 , enz. Jesaja 63:10 : Maar zij zijn opstandig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. Psalmen 6:2 : O YHWH, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! Psalmen 31:10 : Wees mij genadig, YHWH! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. Psalmen 31:11 : Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd. Psalmen 51:11 : Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
[^efeziers-4-30-58]: Kanttekening 58: door Welke u: Grieks, in welke.
[^efeziers-4-30-z]: Verwijzing z: Rom. 8:16 ; 2 Kor. 1:22 ; 2 Kor. 5:5 ; Efez. 1:13 . Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 2 Korinthiërs 1:22 : Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. 2 Korinthiërs 5:5 : Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. Efeziërs 1:13 : In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte;
[^efeziers-4-30-59]: Kanttekening 59: verzegeld zijt: Namelijk als door het opgedrukt zegel van Gods evenbeeld van de ongelovigen zijt onderscheiden, en van de toekomende zaligheid wordt verzekerd. Zie Ef. 1:13 . Efeziërs 1:13 : In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte;
[^efeziers-4-30-a]: Verwijzing a: Lukas 21:28 ; Rom. 8:23 ; Efez. 1:14 . Lukas 21:28 : Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is. Romeinen 8:23 : En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. Efeziërs 1:14 : Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijn heerlijkheid.
[^efeziers-4-31-b]: Verwijzing b: Kolos. 3:19 . Kolossensen 3:19 : U mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
[^efeziers-4-32-c]: Verwijzing c: Filip. 2:1 ; Kolos. 3:12 . Filippensen 2:1 : Als er dan enige vertroosting is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;
[^efeziers-4-32-d]: Verwijzing d: Matt. 6:14 ; Mark. 11:25 ; Kolos. 3:13 . Mattheüs 6:14 : Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Marcus 11:25 : En wanneer u staat om te bidden, vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. Kolossensen 3:13 : Verdragende elkaar, en vergevende de één de anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; zoals als Christus u vergeven heeft, doet ook u zo.
[^efeziers-4-32-60]: Kanttekening 60: in Christus: Dat is, om Christus en Zijn verzoening wil, gelijk 2 Kor. 5:19 . Of, door Christus. 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.

### Efeziërs 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/5.json)

*1 De apostel gaat voort met de vermaningen, en eerst tot onderlinge liefde, naar het voorbeeld van God en van Christus. 3 Verder vermaant hij hen afstand te doen van alle onkuisheid, hebzucht (die afgoderij is), dwaze praat enzovoort, en verklaart dat zulke mensen het koninkrijk der hemelen niet zullen bezitten. 8 En aangezien zij nu in het licht zijn, moeten zij wandelen als kinderen van het licht 11 en geen gemeenschap meer hebben met de werken van de duisternis, maar die ontmaskeren. 15 Verder vermaant hij hen dat zij voorzichtig wandelen en als wijzen de tijd uitkopen. 18 Dat zij niet dronken zijn, maar vol van de Geest. 19 Dat zij de Heere psalmen en lofzangen zingen. 21 In het algemeen vermaant hij dat zij elkaar onderdanig zijn in de vreze Gods, 22 maar in het bijzonder de vrouwen, dat zij hun mannen onderdanig zijn, zoals de gemeente aan Christus. 25 Evenzo vermaant hij de mannen dat zij hun vrouwen liefhebben, zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad, 28 en zoals iemand zijn eigen lichaam liefheeft. 31 Hij bewijst ook uit Gods instelling dat man en vrouw een vlees zijn, en betrekt dat ook op Christus en zijn gemeente. 33 Hij besluit met een vermaning aan man en vrouw.*

**1** Wees dan[^efeziers-5-1-1] navolgers van God, als geliefde kinderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v1)

**2** [^efeziers-5-2-a] En wandelt in de liefde,[^efeziers-5-2-b] zoals ook Christus ons liefgehad heeft,[^efeziers-5-2-c] en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offergave en een slachtoffer, voor God[^efeziers-5-2-2] tot een aangename geur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v2)

**3** [^efeziers-5-3-d] Maar hoererij en alle[^efeziers-5-3-3] onreinheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen past, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v3)

**4** Noch oneerbaarheid, noch dwaze praat,[^efeziers-5-4-4] of gekkigheid, die niet passen; maar veelmeer[^efeziers-5-4-5] dankzegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v4)

**5** [^efeziers-5-5-e] Want dit weet u, dat geen ontuchtpleger, of onreine, of gierigaard,[^efeziers-5-5-6] die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk[^efeziers-5-5-7] van Christus en van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v5)

**6** [^efeziers-5-6-f] Dat u niemand verleide met lichtzinnige woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over[^efeziers-5-6-8] de kinderen van de ongehoorzaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v6)

**7** Zo wees dan niet hun metgezellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v7)

**8** [^efeziers-5-8-g] Want u was vroeger[^efeziers-5-8-9] duisternis, maar nu bent u[^efeziers-5-8-10] licht in de Heere; wandel als[^efeziers-5-8-11] kinderen van het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v8)

**9** (Want[^efeziers-5-9-12][^efeziers-5-9-h] de vrucht van de Geest is in alle goedheid, en rechtvaardigheid, en waarheid), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v9)

**10** [^efeziers-5-10-13] Beproef wat de Heere welbehaaglijk zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v10)

**11** [^efeziers-5-11-i] En hebt geen gemeenschap met de[^efeziers-5-11-14] onvruchtbare werken van de duisternis, maar[^efeziers-5-11-15] bestraft ze ook eerder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v11)

**12** Want wat in het geheim van hen gebeurt, is[^efeziers-5-12-16] schandelijk ook te zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v12)

**13** [^efeziers-5-13-k] Maar al deze dingen,[^efeziers-5-13-17] van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt,[^efeziers-5-13-18] is licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v13)

**14** Daarom[^efeziers-5-14-19] zegt Hij:[^efeziers-5-14-l] Ontwaakt, u,[^efeziers-5-14-20] die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal[^efeziers-5-14-21] over u lichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v14)

**15** [^efeziers-5-15-m] Zie dan, hoe u voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v15)

**16** [^efeziers-5-16-n] De[^efeziers-5-16-22] tijd uitbuitend, omdat[^efeziers-5-16-23] de dagen boos zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v16)

**17** Daarom wees niet onverstandig,[^efeziers-5-17-o] maar verstaat, wat de wil van de Heere is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v17)

**18** [^efeziers-5-18-p] En wordt niet dronken in wijn,[^efeziers-5-18-24] waarin overdaad is, maar[^efeziers-5-18-25] wordt vervuld met de Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v18)

**19** [^efeziers-5-19-q] Sprekende onder elkaar met[^efeziers-5-19-26] psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heere[^efeziers-5-19-27] in uw hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v19)

**20** [^efeziers-5-20-r] Dankende altijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v20)

**21** Elkaar[^efeziers-5-21-28] onderdanig zijnde[^efeziers-5-21-29] in de vrees voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v21)

**22** U vrouwen, wees aan uw eigen mannen onderdanig,[^efeziers-5-22-30] gelijk aan de Heere;[^efeziers-5-22-f] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v22)

**23** [^efeziers-5-23-t] Want de man is het hoofd van de[^efeziers-5-23-v] vrouw, zoals ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en[^efeziers-5-23-31] Hij is de[^efeziers-5-23-32] Behouder[^efeziers-5-23-x] van het lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v23)

**24** Daarom, zoals de Gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan haar eigen mannen[^efeziers-5-24-33] in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v24)

**25** [^efeziers-5-25-y] U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, zoals ook Christus de Gemeente liefgehad heeft,[^efeziers-5-25-z] en Zichzelf voor haar heeft[^efeziers-5-25-34] overgegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v25)

**26** Opdat Hij haar[^efeziers-5-26-35] heiligen zou,[^efeziers-5-26-a] haar gereinigd hebbende[^efeziers-5-26-36] met het bad van het[^efeziers-5-26-37] water door het Woord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v26)

**27** [^efeziers-5-27-38] Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks,[^efeziers-5-27-b] maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v27)

**28** Zo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen[^efeziers-5-28-39] lief te hebben, zoals hun[^efeziers-5-28-40] eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelf lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v28)

**29** Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, zoals ook de Heere de Gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v29)

**30** [^efeziers-5-30-c] Want wij zijn[^efeziers-5-30-41] leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v30)

**31** [^efeziers-5-31-d] Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en[^efeziers-5-31-42] zij twee zullen[^efeziers-5-31-e] tot één vlees wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v31)

**32** [^efeziers-5-32-43] Deze geheim is groot; maar ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v32)

**33** [^efeziers-5-33-44] Zo dan ook u, elk in het bijzonder, ieder hebbe zijn eigen vrouw, zo lief als zichzelf; en de vrouw zie, dat zij[^efeziers-5-33-45] de man vreze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/5.html#v33)

[^efeziers-5-1-1]: Kanttekening 1: navolgers Gods: Namelijk in het vergeven van elkanders gebreken en misdaden, gelijk in Ef. 4:32 uitgedrukt wordt. Efeziërs 4:32 : Maar zijt tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.
[^efeziers-5-2-a]: Verwijzing a: Joh. 13:34 ; Joh. 15:12 ; 1 Thes. 4:9 ; 1 Joh. 3:23 ; 1 Joh. 4:21 . Johannes 13:34 : Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Johannes 15:12 : Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. 1 Thessalonicensen 4:9 : Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. 1 Johannes 3:23 : En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. 1 Johannes 4:21 : En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
[^efeziers-5-2-b]: Verwijzing b: Galat. 2:20 ; Titus 2:14 ; 1 Petr. 3:18 . Galaten 2:20 : Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Titus 2:14 : Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. 1 Petrus 3:18 : Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^efeziers-5-2-c]: Verwijzing c: Hebr. 8:3 ; Hebr. 9:14 . Hebreeën 8:3 : Want een iedereen hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren. Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^efeziers-5-2-2]: Kanttekening 2: tot een welriekenden: Grieks, tot een reuk van de welriekendheid; ene gelijkenis, genomen van de offeranden van het Oude Testament. Zie Gen. 8:21 , welke een welriekenden reuk voor God worden gezegd te hebben, niet om haar zelfswil, maar op de beduiding, die zij hadden op Christus' offerande en gehoorzaamheid. Zie Ps. 40:7 ; Hebr. 10:8 , enz. Genesis 8:21 : En YHWH rook die liefelijken reuk, en YHWH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mensen; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Psalmen 40:7 : U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. Hebreeën 10:8 : Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt U niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);
[^efeziers-5-3-d]: Verwijzing d: Mark. 7:21 ; Efez. 4:29 ; Kolos. 3:5 . Marcus 7:21 : Want van binnen uit het hart van de mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, Efeziërs 4:29 : Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen. Kolossensen 3:5 : Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.
[^efeziers-5-3-3]: Kanttekening 3: Of, vuiligheid.
[^efeziers-5-4-4]: Kanttekening 4: Grieks, Eutrapelia (εὐτραπελία); welk woord somwijlen in het goede genomen wordt voor eerlijke, vermakelijke redenen, die in tijden en gelegenheden geoorloofd en stichtelijk zijn, gelijk daarvan voorbeelden zijn in Gods woord; 1 Kon. 18:27 ; maar het wordt hier in het kwade genomen voor gekkernij of spotternij, die dartele mensen en spotvogels onder elkaar tot vermaak plegen voort te brengen, en men eigenlijk guiterij noemt. 1 Koningen 18:27 : En het geschiedde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roept met luide stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.
[^efeziers-5-4-5]: Kanttekening 5: Grieks, Eucharistia (εὐχαριστία); dat is, dankzegging; hoewel dit woord hier wat breder wordt genomen voor woorden, die aangenaam en dankwaardig zijn.
[^efeziers-5-5-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 6:10 ; Galat. 5:19 ; Kolos. 3:5 ; Openb. 22:15 . 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. Galaten 5:19 : De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Kolossensen 3:5 : Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^efeziers-5-5-6]: Kanttekening 6: die een afgodendienaar: Namelijk omdat hij zijn vertrouwen stelt op het goed, en daarin zijn leven en gelukzaligheid stelt, in plaats van datzelve te stellen en zoeken in de levende God. Zie Kol. 3:5 ; 1 Tim. 6:17 . Kolossensen 3:5 : Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. 1 Timotheüs 6:17 : Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijk verleent, om te genieten;
[^efeziers-5-5-7]: Kanttekening 7: Niet dat dit twee koninkrijken zijn, maar omdat Christus als Middelaar hetzelfde heeft verworven en eerst ingenomen, en wij met Hem van God in de bezitting van hetzelfde gezet zullen worden. Zie Openb. 3:21 . Openbaring 3:21 : Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
[^efeziers-5-6-f]: Verwijzing f: Jer. 29:8 ; Matt. 24:4 ; Mark. 13:5 ; Lukas 21:8 ; Kolos. 2:4 ; idem v. 18 ; 2 Thes. 2:3 ; 1 Joh. 4:1 . Jeremia 29:8 : Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Mattheüs 24:4 : En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Marcus 13:5 : En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Lukas 21:8 : En Hij zei: Ziet, dat u niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na. Kolossensen 2:4 : En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben. Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses; 2 Thessalonicensen 2:3 : Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 1 Johannes 4:1 : Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^efeziers-5-6-8]: Kanttekening 8: de kinderen: Dat is, die van de ongehoorzaamheid, als kinderen hun vader, zijn overgegeven, gelijk Ef. 2:2 . Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;
[^efeziers-5-8-g]: Verwijzing g: 1 Thes. 5:4 . 1 Thessalonicensen 5:4 : Maar u, broeders, u bent niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
[^efeziers-5-8-9]: Kanttekening 9: Dat is, duister of onwetend van verstand, om het goede van het kwade behoorlijk te onderscheiden. Zie Ef. 4:18 . Efeziërs 4:18 : Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
[^efeziers-5-8-10]: Kanttekening 10: licht in de Heer: Dat is, door Gods Geest verlicht, om het goede van het kwade te onderscheiden, en anderen met een goed voorbeeld als lichten voor te gaan.
[^efeziers-5-8-11]: Kanttekening 11: kinderen van het licht: Dat is, die het licht van het Evangelie deelachtig zijt, en daarvan belijdenis doet, en u daarvan noemt en roemt, gelijk kinderen van hun vader, 1 Thess. 5:5 . 1 Thessalonicensen 5:5 : U bent alle kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^efeziers-5-9-12]: Kanttekening 12: de vrucht: Dat is, werking; of, wat de Heilige Geest voortbrengt.
[^efeziers-5-9-h]: Verwijzing h: Galat. 5:22 . Galaten 5:22 : Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
[^efeziers-5-10-13]: Kanttekening 13: Dat is, naarstiglijk onderzoekende, en na onderzoek proeve daarvan gevende en doende, gelijk Rom. 12:2 . Romeinen 12:2 : En wordt van deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
[^efeziers-5-11-i]: Verwijzing i: Matt. 18:17 ; 1 Kor. 5:8 ; 1 Kor. 10:20 ; 2 Kor. 6:14 ; 2 Thes. 3:14 . Mattheüs 18:17 : En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 1 Korinthiërs 5:8 : Zo dan laat ons feest houden, niet in de ouden zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid. 1 Korinthiërs 10:20 : Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de duivelen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de duivelen gemeenschap hebt. 2 Korinthiërs 6:14 : Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 2 Thessalonicensen 3:14 : Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^efeziers-5-11-14]: Kanttekening 14: Dat is, die niet alleen geen goede vruchten, maar niets dan kwade vruchten voortbrengen.
[^efeziers-5-11-15]: Kanttekening 15: Namelijk altijd door uw Christelijken wandel, en door Gods Woord, wanneer zulks met vrucht kan gebeuren. Zie 1 Kor. 14:24 . Anders zegt ook Christus dat zulke parels voor varkens niet moeten gestrooid worden; Matt. 7:6 . 1 Korinthiërs 14:24 : Maar als zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld. Mattheüs 7:6 : Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^efeziers-5-12-16]: Kanttekening 16: Veel meer dan is het schandelijk te doen.
[^efeziers-5-13-k]: Verwijzing k: Joh. 3:20 ; idem v. 21 . Johannes 3:20 : Want een iedereen, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. Johannes 3:21 : Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.
[^efeziers-5-13-17]: Kanttekening 17: van het licht: Of, bestraft zijnde, worden van het licht geopenbaard.
[^efeziers-5-13-18]: Kanttekening 18: is licht: Dat is, het licht gelijk, namelijk in het zuiveren en verklaren van alle dingen. Want Gods Woord en de goede voorbeelden van de gelovigen zijn het vuur gelijk, dat verlicht en zuivert. Zie Matt. 5:16 ; 1 Kor. 3:13 . Mattheüs 5:16 : Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. 1 Korinthiërs 3:13 : Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, omdat het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig ieders werk is, zal het vuur beproeven.
[^efeziers-5-14-19]: Kanttekening 19: zegt Hij: Sommigen nemen dit voor de woorden van de apostel, die door de Geest van Christus gedreven zijnde, zo spreekt, gelijk de profeten doorgaans betuigen: Zo spreekt de Heer, namelijk door mij tot u. Anderen nemen het voor een verhaal van woorden uit de profeten, die Paulus samen voegt en verklaart. Zie Jes. 9:1 , en Jes. 26:19 , en Jes. 60:1 ; waarin de somma van de bekering van de mens is begrepen. Jesaja 9:1 : Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over dezelfde zal een licht schijnen. Jesaja 26:19 : Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. Jesaja 60:1 : Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van YHWH gaat over u op.
[^efeziers-5-14-l]: Verwijzing l: Rom. 13:11 ; 1 Thes. 5:6 . Romeinen 13:11 : En dit zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit de slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. 1 Thessalonicensen 5:6 : Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^efeziers-5-14-20]: Kanttekening 20: die slaapt: Namelijk de geestelijken slaap van de zonde en dood van de zonde, zijnde wakker en levend gemaakt door het woord en de Geest van Christus, gelijk Ef. 2:1 gezegd is. Welke vermaning ten dele de gelovigen betreft, die somwijlen ook in enige algemene zonden slapen; ten dele de ongelovigen, die in dezelfde zonden dood zijn. De eerste vermaant hij wakker te worden door de kracht van de Geest van God, welke zij al deelachtig zijn; de andere, uit de doden op te staan, opdat zij door zulke vermaningen de levendmakende kracht van Christus gevoelende, ook die zouden gehoorzaam zijn, gelijk Lazarus uit de lichamelijken dood door Christus' woord en kracht is opgestaan; Joh. 11:43 , 11:44 . Efeziërs 2:1 : En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Johannes 11:43 : En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit! Johannes 11:44 : En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zei tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.
[^efeziers-5-14-21]: Kanttekening 21: over u lichten: Namelijk gelijk de zon van de gerechtigheid, om u wel te leiden, en als kinderen van de dag voorzichtig te doen wandelen, gelijk vers 15 verklaart. Efeziërs 5:15 : Ziet dan, hoe u voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
[^efeziers-5-15-m]: Verwijzing m: Kolos. 4:5 . Kolossensen 4:5 : Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, de bekwamen tijd uitkopende.
[^efeziers-5-16-n]: Verwijzing n: Rom. 13:11 . Romeinen 13:11 : En dit zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit de slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.
[^efeziers-5-16-22]: Kanttekening 22: tijd uitkopende: Dat is, de goede gelegenheden van weldoen en anderen voor Christus te winnen, voorzichtig waarnemende; ene gelijkenis, genomen van wijze kooplieden.
[^efeziers-5-16-23]: Kanttekening 23: de dagen boos zijn: Namelijk zo vanwege de ongeregeldheid van de mensen, als vanwege de vervolgingen. Hij gaat dan voort in de gelijkenis, genomen van kooplieden, die in dure en zorgelijke tijden allervoorzichtigst moeten zijn, om hun handel wel te drijven, de kwade gelegenheden te mijden en de goede niet te verzuimen.
[^efeziers-5-17-o]: Verwijzing o: Rom. 12:2 ; 1 Thes. 4:3 . Romeinen 12:2 : En wordt van deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. 1 Thessalonicensen 4:3 : Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u u onthoudt van de hoererij;
[^efeziers-5-18-p]: Verwijzing p: Spreuk. 23:29 ; Jes. 5:11 ; idem v. 22 ; Lukas 21:34 . Spreuken 23:29 : Bij wie is wee? bij wie och arme? bij wie gekijf? bij wie het beklag? bij wie wonden zonder oorzaak? bij wie de roodheid van de ogen? Jesaja 5:11 : Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! Jesaja 5:22 : Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen! Lukas 21:34 : En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van deze levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^efeziers-5-18-24]: Kanttekening 24: waarin overdaad: Namelijk wanneer die misbruikt wordt tot dronkenschap, en niet gebruikt tot nooddruft en matige vrolijkheid.
[^efeziers-5-18-25]: Kanttekening 25: wordt vervuld: Dat is, zoekt uwe vermakingen niet in vleselijke wellusten, maar in geestelijke vermakingen, waarvan het gezang één van de voornaamste is.
[^efeziers-5-19-q]: Verwijzing q: Kolos. 3:16 . Kolossensen 3:16 : Het woord van Christus woon rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart.
[^efeziers-5-19-26]: Kanttekening 26: Deze drie soorten van geestelijke gezangen dienen tot één einde, namelijk om de geest te vermaken, en worden van sommige zo onderscheiden, dat psalmen allerlei geestelijke gezangen zijn, die niet alleen met de stem, maar ook met snarenspel geoefend worden; lofzangen, dankzeggingen tot God, of lofdichten van Gods genade tegenover ons, en geestelijke liedekens zulke dichten in welke allerlei geestelijke leringen worden begrepen. Zie ook Kol. 3:16 , en schijnen deze verscheidene namen uit de verscheidene opschriften van de psalmen Davids genomen te zijn. Kolossensen 3:16 : Het woord van Christus woon rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart.
[^efeziers-5-19-27]: Kanttekening 27: in uw hart: Dat is, niet alleen met de tong of instrumenten, maar ook met de harten.
[^efeziers-5-20-r]: Verwijzing r: Kolos. 3:17 ; 1 Thes. 5:18 . Kolossensen 3:17 : En al wat u doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heer Jezus, dankende God en de Vader door Hem. 1 Thessalonicensen 5:18 : Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.
[^efeziers-5-21-28]: Kanttekening 28: Of, onderworpen, dat is, een ieder naar zijn beroep de ander met eerbieding voorgaande of elkaar in nederigheid bejegenende; Filipp. 2:3 . Filippensen 2:3 : Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één de ander uitmuntender dan zichzelf.
[^efeziers-5-21-29]: Kanttekening 29: in de vrees voor God: Dat is, zo nochtans, dat de vrees voor God altijd regel en richtsnoer zij van uwe onderdanigheid.
[^efeziers-5-22-30]: Kanttekening 30: gelijk aan de Heer: Namelijk Jezus Christus, gelijk uitgedrukt wordt, Ef. 6:5 . De reden hiervan is omdat de man Christus' beeld draagt in het regeren van de vrouw; 1 Kor. 11:3 , 11:7 . Efeziërs 6:5 : U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; 1 Korinthiërs 11:3 : Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus. 1 Korinthiërs 11:7 : Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
[^efeziers-5-22-f]: Verwijzing f: Gen. 3:16 ; 1 Kor. 14:34 ; Kolos. 3:18 ; Titus 2:5 ; 1 Petr. 3:1 . Genesis 3:16 : Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 1 Korinthiërs 14:34 : Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Kolossensen 3:18 : U vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in de Heer. Titus 2:5 : Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde. 1 Petrus 3:1 : Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige de Woorde ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^efeziers-5-23-t]: Verwijzing t: 1 Kor. 11:3 . 1 Korinthiërs 11:3 : Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is van ieder mans, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus.
[^efeziers-5-23-v]: Verwijzing v: Efez. 1:22 ; Efez. 4:15 ; Kolos. 1:18 . Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 4:15 : Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; Kolossensen 1:18 : En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.
[^efeziers-5-23-31]: Kanttekening 31: Namelijk Christus. Want van de plicht van de mannen zal hierna vers 25 en vervolgens gesproken worden. Efeziërs 5:25 : U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven;
[^efeziers-5-23-32]: Kanttekening 32: Behouder van het lichaam: Of, zaligmaker.
[^efeziers-5-23-x]: Verwijzing x: Rom. 12:5 ; 1 Kor. 12:27 ; Efez. 1:23 ; Efez. 4:12 ; Kolos. 1:24 . Romeinen 12:5 : Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Efeziërs 1:23 : Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Degene, Die alles in allen vervult. Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Kolossensen 1:24 : Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^efeziers-5-24-33]: Kanttekening 33: in alles: Namelijk in de vrees voor God, gelijk in vers 21 uitgedrukt wordt; dat is, zolang het niet strijdt tegen de liefde of het bevel van Christus, die het opperhoofd is van de man en de vrouw. Zie Luk. 14:26 . Efeziërs 5:21 : Elkaar onderdanig zijnde in de vrees voor God. Lukas 14:26 : Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
[^efeziers-5-25-y]: Verwijzing y: Kolos. 3:19 . Kolossensen 3:19 : U mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
[^efeziers-5-25-z]: Verwijzing z: Galat. 1:4 ; Efez. 5:2 . Galaten 1:4 : Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk.
[^efeziers-5-25-34]: Kanttekening 34: Namelijk in de dood.
[^efeziers-5-26-35]: Kanttekening 35: heiligen zou: Dat is, afzonderen zou van alle wereldse mensen, en zich alleen toeëigenen. Waarmee de apostel te kennen geeft, dat ook de mannen hunne vrouwen heilig tot zich moeten nemen, en van alle wereldse wulpsheden en schandvlekken vrijhouden.
[^efeziers-5-26-a]: Verwijzing a: Titus 3:5 ; 1 Petr. 3:21 . Titus 3:5 : Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heiligen Geestes; 1 Petrus 3:21 : Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
[^efeziers-5-26-36]: Kanttekening 36: met het bad: Dat is, door Zijn bloed en Geest, waarvan het bad van het water in de doop een teken en zegel is, en meteen een middel, waardoor de Geest van God deze reiniging meer en meer versterkt. Zie Matt. 3:11 ; 2 Kor. 3:3 ; 1 Petr. 3:21 . Mattheüs 3:11 : Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. 2 Korinthiërs 3:3 : Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart. 1 Petrus 3:21 : Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
[^efeziers-5-26-37]: Kanttekening 37: door het Woord: Grieks, in het woord (ῥῆμα).
[^efeziers-5-27-38]: Kanttekening 38: Opdat Hij haar: Hierdoor wordt het einde van de reiniging door het bloed en de Geest van Christus verstaan; waarvan het begin in de gelovigen ook in dit leven wordt teweeg gebracht, en de uiterste volbrenging hiernamaals, wanneer de gemeente van Christus van haar bruidegom Christus tot deze geestelijke bruiloft ten volle zal bereid zijn. Zie Hoogl. 2:14 , en Hoogl. 4:7 ; Openb. 19:7 . Hooglied 2:14 : Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk. Hooglied 4:7 : Geheel bent u schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. Openbaring 19:7 : Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid.
[^efeziers-5-27-b]: Verwijzing b: Kolos. 1:22 . Kolossensen 1:22 : In het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldig voor Zich stellen;
[^efeziers-5-28-39]: Kanttekening 39: lief te hebben: Onder het woord liefde wordt ook de behoorlijke zorg verstaan, gelijk vers 29 wordt verklaard, en de eer, die de man zijne vrouw als het zwakkere vat schuldig is; 1 Petr. 3:7 . Efeziërs 5:29 : Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, zoals ook de Heer de Gemeente. 1 Petrus 3:7 : U mannen, ook, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook mee-erfgenamen van de genade van het leven met haar zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.
[^efeziers-5-28-40]: Kanttekening 40: eigen lichamen: De apostel ziet hier op de schepping van de vrouw uit de rib van de man, en dus uit het lichaam van de man; Gen. 2:21 , 2:22 , gelijk hierna vers 31 verklaard wordt. Genesis 2:21 : Toen deed YHWH God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees. Genesis 2:22 : En YHWH God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. Efeziërs 5:31 : Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.
[^efeziers-5-30-c]: Verwijzing c: Rom. 12:5 ; 1 Kor. 12:27 . Romeinen 12:5 : Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.
[^efeziers-5-30-41]: Kanttekening 41: leden van Zijn lichaam: Namelijk van Christus; en hier spreekt de apostel niet van de gemeenschap van de natuur, waardoor Christus ook het vlees en bloed deelachtig is geworden, gelijk de kinderen, Hebr. 2:14 , maar van de geestelijke gemeenschap tussen Hem en de ware gelovigen, van welke Hij het hoofd, en zij Zijne leden zijn. Zie Ef. 1:22 , en Ef. 2:15 , en Ef. 4:12 , enz. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 2:15 : Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet van de geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende; Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus;
[^efeziers-5-31-d]: Verwijzing d: Gen. 2:24 ; Matt. 19:5 ; Mark. 10:7 . Genesis 2:24 : Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Mattheüs 19:5 : En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; Marcus 10:7 : Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
[^efeziers-5-31-42]: Kanttekening 42: zij twee zullen: Zie hiervan Matt. 19:5 . Mattheüs 19:5 : En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn;
[^efeziers-5-31-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 6:16 . 1 Korinthiërs 6:16 : Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.
[^efeziers-5-32-43]: Kanttekening 43: Deze verborgenheid: Niet van het lichamelijke huwelijk, maar van het geestelijke huwelijk, en de vereniging tussen Christus en Zijne gemeente, gelijk de apostel hier verklaart; welke vereniging hij ene verborgenheid noemt, omdat zulks van geen natuurlijk mens wordt begrepen, ja, wordt ook zelfs van geen verstand volkomen doorgrond, dan door het geloof bekend, dat Christus ons hoofd en onze bruidegom is, en wij Zijne geestelijke bruid en leden zijn, waardoor alle verworven weldaden en gaven, ter zaligheid nodig, van Christus in ons als Zijne ledematen vloeien.
[^efeziers-5-33-44]: Kanttekening 44: Zo dan ook: Hiermede komt de apostel weer tot de vermaning van man en vrouw, nadat hij de verborgenheid van de vereniging van Christus met Zijne gemeente tussen beiden had verklaard.
[^efeziers-5-33-45]: Kanttekening 45: de man vreze: Dat is, met eerbied de man onderdanig zijn, gelijk hij tevoren heeft vermaand.

### Efeziërs 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/efeziers/6.json)

*1 De apostel komt verder tot de plicht van de kinderen tegenover hun ouders, 4 en van de vaders tegenover hun kinderen, 5 daarna van de dienstknechten tegenover hun heren 9 en van de heren tegenover hun dienstknechten. 10 Ten slotte vermaant hij hen in het algemeen sterk te zijn in de Heere. 11 Hij beschrijft de listigheid en de macht van de satan, tegen wie zij de strijd hebben te voeren. 13 Hij wapent hen daartegen met de hele wapenrusting van God, die hij in al haar onderdelen beschrijft. 18 Daarnaast vermaant hij hen tot voortdurend bidden, 19 en dat ook voor hem, zodat hij in zijn gevangenschap het Evangelie vrijmoedig mag spreken. 21 Hij getuigt dat hij daarom Tychikus naar hen toe zendt, om hun van zijn omstandigheden in alles kennis te geven, 23 en besluit de brief met een wens van vrede, liefde, met geloof en genade.*

**1** [^efeziers-6-1-a] U kinderen, wees je ouders gehoorzaam[^efeziers-6-1-1] in de Heere; want dat is recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v1)

**2** [^efeziers-6-2-b] Eer uw vader en moeder (dat het eerste gebod is[^efeziers-6-2-2] met een belofte), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v2)

**3** Opdat het u goedgaat, en dat u lang leeft[^efeziers-6-3-3] op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v3)

**4** En u vaders, verwek uw kinderen niet[^efeziers-6-4-4] tot toorn,[^efeziers-6-4-c] maar voedt hen op in[^efeziers-6-4-5] de onderwijzing en[^efeziers-6-4-6] terechtwijzing van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v4)

**5** [^efeziers-6-5-d]U dienaren, wees gehoorzaam aan uw[^efeziers-6-5-7] heren naar het[^efeziers-6-5-8] vlees, met vrees[^efeziers-6-5-9] en beven, in eenvoud van uw hart,[^efeziers-6-5-10] zoals aan Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v5)

**6** Niet[^efeziers-6-6-11] naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienaren van Christus, doende[^efeziers-6-6-12] de wil van God van harte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v6)

**7** Dienende met goedwilligheid[^efeziers-6-7-13] de Heere, en[^efeziers-6-7-14] niet de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v7)

**8** Wetende, dat zo wat goed ieder gedaan zal hebben, hij[^efeziers-6-8-15] het van de Heere[^efeziers-6-8-16] zal ontvangen, hetzij als dienaar, hetzij als vrije. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v8)

**9** [^efeziers-6-9-e] En u heren,[^efeziers-6-9-17] doet hetzelfde bij hen, nalatend de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is,[^efeziers-6-9-f] en dat geen[^efeziers-6-9-18] aanneming van de persoon bij Hem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v9)

**10** Verder, mijn broeders,[^efeziers-6-10-19] wordt krachtig in de Heere, en in de sterkte van Zijn macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v10)

**11** [^efeziers-6-11-g] Doe aan de hele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de[^efeziers-6-11-20] listige omleidingen van de duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v11)

**12** Want wij hebben de strijd[^efeziers-6-12-21] niet tegen[^efeziers-6-12-22] vlees en bloed, maar tegen[^efeziers-6-12-23] de overheden,[^efeziers-6-12-h] tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld,[^efeziers-6-12-24] van de duisternis van deze eeuw, tegen[^efeziers-6-12-25] de geestelijke boosheden[^efeziers-6-12-26] in de lucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v12)

**13** Daarom neemt aan[^efeziers-6-13-27][^efeziers-6-13-i] de hele wapenrusting van God, opdat u kunt weerstaan in[^efeziers-6-13-28] de boze dag, en alles[^efeziers-6-13-29] verricht hebbende, staande blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v13)

**14** [^efeziers-6-14-30][^efeziers-6-14-k] Sta dan, uw middel[^efeziers-6-14-31] omgord hebbende met[^efeziers-6-14-32] de waarheid,[^efeziers-6-14-l] en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid;[^efeziers-6-14-33] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v14)

**15** En[^efeziers-6-15-34] de voeten geschoeid hebbende met[^efeziers-6-15-35] bereidheid van het[^efeziers-6-15-36] Evangelie van de vrede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v15)

**16** Bovenal aangenomen hebbende het schild van het geloof, met dat u al de[^efeziers-6-16-37] vurige pijlen van[^efeziers-6-16-38] de bozen zult kunnen[^efeziers-6-16-39] uitblussen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v16)

**17** [^efeziers-6-17-m] En neemt de helm[^efeziers-6-17-40] van de[^efeziers-6-17-n] zaligheid, en het zwaard[^efeziers-6-17-41] van de Geest, dat is Gods Woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v17)

**18** Met alle[^efeziers-6-18-42] bidding en smeking, biddende[^efeziers-6-18-o] altijd[^efeziers-6-18-43] in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle volharding en smeking[^efeziers-6-18-44] voor al de heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v18)

**19** En[^efeziers-6-19-p] voor mij, opdat mij[^efeziers-6-19-45] het Woord gegeven wordt in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om het geheim van het Evangelie bekend te maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v19)

**20** [^efeziers-6-20-q] Waarover ik[^efeziers-6-20-46] een gezant ben[^efeziers-6-20-47][^efeziers-6-20-r] in een keten, opdat ik in hetzelfde vrijmoedig mag spreken, zoals mij past te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v20)

**21** [^efeziers-6-21-s] En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles[^efeziers-6-21-48] zal u[^efeziers-6-21-49][^efeziers-6-21-t] Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere, bekend maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v21)

**22** Die ik met datzelfde doel[^efeziers-6-22-v] tot u gezonden heb, opdat u onze zaken zou weten, en hij[^efeziers-6-22-50] uw harten zou troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v22)

**23** [^efeziers-6-23-51] Vrede zij de broeders, en[^efeziers-6-23-52] liefde met geloof, van God de Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v23)

**24** De genade zij met al degenen, die onze Heere Jezus Christus liefhebben[^efeziers-6-24-53] in onvergankelijkheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/efeziers/6.html#v24)

[^efeziers-6-1-a]: Verwijzing a: Kolos. 3:20 . Kolossensen 3:20 : U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heer welgevallig.
[^efeziers-6-1-1]: Kanttekening 1: in de Heer: Gelijk Ef. 5:21 , in de vrees voor God, dat is, in alles dat tegen de Heer, of Zijn bevel en vrees niet strijdt; zie Luk. 14 , Luk. 26 . Efeziërs 5:21 : Elkaar onderdanig zijnde in de vrees voor God.
[^efeziers-6-2-b]: Verwijzing b: Ex. 20:12 ; Deut. 5:16 ; Deut. 27:16 ; Matt. 15:4 ; Mark. 7:10 . Exodus 20:12 : Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u YHWH uw God geeft. Deuteronomium 5:16 : Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als YHWH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u YHWH, uw God, geven zal. Deuteronomium 27:16 : Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen. Mattheüs 15:4 : Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. Marcus 7:10 : Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
[^efeziers-6-2-2]: Kanttekening 2: met een belofte: Grieks, in belofte; dat is, met een bijzondere belofte van een lang leven en voorspoed. Want anders heeft het tweede gebod ook een algemene belofte van Gods barmhartigheid over vele duizenden.
[^efeziers-6-3-3]: Kanttekening 3: op de aarde: Wat het vijfde gebod zegt: in het land, dat de Heer u zal geven, ziende op het land Kanaän, dat zegt Paulus in het algemeen op de aarde, omdat de Heer onder het Nieuwe Testament alle landen van de gehele aarde nu heeft geheiligd, en Zijn zegen beloofd aan degenen, die Hem gehoorzamen, in welk land zij ook zijn. Want de godzaligheid heeft de beloften van het tegenwoordige en van het toekomende leven, 1 Tim. 4:8 . 1 Timotheüs 4:8 : Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven.
[^efeziers-6-4-4]: Kanttekening 4: tot toorn: Dat is, door te grote hardheid tot zulk een toorn, waaruit mismoedigheid zou rijzen, of een weerzin van de kinderen tegen de ouders; anders gebiedt God ook somwijlen behoorlijke strengheid te gebruiken tegen de grote gebreken van de kinderen. Zie Spreuk. 13:24 , en Spreuk. 19:18 , en Spreuk. 23:13 , enz. Spreuken 13:24 : Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging. Spreuken 19:18 : Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden. Spreuken 23:13 : Weer de tucht van de jongen niet; als u hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
[^efeziers-6-4-c]: Verwijzing c: Deut. 6:7 ; idem v. 20 ; Ps. 78:4 ; Spreuk. 19:18 ; Spreuk. 29:17 . Deuteronomium 6:7 : En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u nederligt, en als u opstaat. Deuteronomium 6:20 : Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die YHWH, onze God, u geboden heeft? Psalmen 78:4 : Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden van YHWH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. Spreuken 19:18 : Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden. Spreuken 29:17 : Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
[^efeziers-6-4-5]: Kanttekening 5: de lering: Of, tuchtiging, gelijk dit woord ook betekent. Zie Hebr. 12:7 . Hebreeën 12:7 : Als u de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt?)
[^efeziers-6-4-6]: Kanttekening 6: Of, onderwijzing, die tot de vrees voor de Heer kan leiden, of uit het woord van de Heer is aangenomen.
[^efeziers-6-5-d]: Verwijzing d: Kolos. 3:22 ; 1 Tim. 6:1 ; Titus 2:9 ; 1 Petr. 2:18 . Kolossensen 3:22 : U dienaren, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van de harten, vrezende God. 1 Timotheüs 6:1 : De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde. Titus 2:9 : Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welgevallig zijn, niet tegensprekende; 1 Petrus 2:18 : U huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden.
[^efeziers-6-5-7]: Kanttekening 7: naar het vlees: Dat is, naar het lichaam, of naar de uiterlijke stand van de mens. Want over de consciëntie en in het geestelijke is God alleen een Heer.
[^efeziers-6-5-8]: Kanttekening 8: met vreze: Dat is, met eerbieding.
[^efeziers-6-5-9]: Kanttekening 9: en beven: Dat is, zorgvuldigheid van hen niet te vertoornen. Want een slaafse vrees, die alleen uit bedenking van een bereide straf voortkomt, prijst de apostel in de Christenen niet, gelijk de volgende woorden verklaren. Zie Rom. 13:5 . Romeinen 13:5 : Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen vanwege de straf, maar ook vanwege het geweten.
[^efeziers-6-5-10]: Kanttekening 10: gelijk als: Namelijk onzer aller Heer. Zie Ef. 5:22 . Efeziërs 5:22 : U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer;
[^efeziers-6-6-11]: Kanttekening 11: Dat is, om in de aanwezigheid en voor de ogen van de heren hen alleen wel te dienen, gelijk sommige dienaren plegen, die zij achter hun rug dikwijls bespotten en bestelen.
[^efeziers-6-6-12]: Kanttekening 12: de wil van God van hart: Namelijk van trouwelijk en oprecht te dienen. Want dat is Gods wil aangaande de dienaren. Grieks, doende de wil van God uit de ziel.
[^efeziers-6-7-13]: Kanttekening 13: de Heer: Namelijk Christus Jezus, in deze uw dienst, als die deze u in dit beroep opgelegd heeft. Zie Joh. 14:14 . Johannes 14:14 : Zo u iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
[^efeziers-6-7-14]: Kanttekening 14: niet de mensen: Namelijk alleen of voornamelijk.
[^efeziers-6-8-15]: Kanttekening 15: datzelve van de Heer: Dat is, het loon van datzelve. Hij spreekt hier van loon uit genade, gelijk Paulus daarom dit loon van de dienaren, die God zal geven dengenen, die getrouwelijk zullen gediend hebben, noemt ene vergelding van de erfenis; Kol. 3:24 . Kolossensen 3:24 : Wetende, dat u van de Heer zult ontvangen de vergelding van de erfenis; want u dient de Heer Christus.
[^efeziers-6-8-16]: Kanttekening 16: zal ontvangen: Of, zal behalen, wegdragen; namelijk in het uiterste oordeel. Zie 2 Kor. 5:10 . 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^efeziers-6-9-e]: Verwijzing e: Kolos. 4:1 . Kolossensen 4:1 : U heren, doet uw dienaren recht en gelijk, wetende, dat ook u een Heer hebt in de hemelen.
[^efeziers-6-9-17]: Kanttekening 17: doet hetzelfde: Namelijk dat goed is en van de Heer beloond wordt, gelijk hij in vers 8 , van de dienaren heeft gesproken. Want hij gebiedt de heren niet hun dienaren te gehoorzamen of te dienen, maar hen in alle billijkheid en zachtmoedigheid te gebieden en regeren, gelijk de volgende woorden verklaren. Efeziërs 6:8 : Wetende, dat zo wat goed een ieder gedaan zal hebben, hij datzelve van de Heer zal ontvangen, hetzij dienaar, hetzij vrije.
[^efeziers-6-9-f]: Verwijzing f: Deut. 10:17 ; 2 Kron. 19:7 ; Job 34:19 ; Hand. 10:34 ; Rom. 2:11 ; Galat. 2:6 ; Kolos. 3:25 ; 1 Petr. 1:17 . Deuteronomium 10:17 : Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 2 Kronieken 19:7 : Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 34:19 : Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Galaten 2:6 : En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Kolossensen 3:25 : Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^efeziers-6-9-18]: Kanttekening 18: Dat is, de Heer zal de uiterlijke staat van de mens niet aanzien in zijn oordeel, namelijk of iemand heer of knecht, edel of onedel, rijk of arm is, maar of hij Zijne geboden, elk in zijn beroep, heeft gehoorzaamd. Zie Rom. 2:11 . Romeinen 2:11 : Want er is geen aanneming van de persoon bij God.
[^efeziers-6-10-19]: Kanttekening 19: wordt krachtig: Dat is, weest dagelijks meer en meer, door de kracht van de Heer, tegen uwe vijanden versterkt. Waartoe de middelen van vers 13 verder worden voorgesteld. Efeziërs 6:13 : Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt wederstaan in de bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
[^efeziers-6-11-g]: Verwijzing g: Kolos. 3:12 ; 1 Thes. 5:8 . Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.
[^efeziers-6-11-20]: Kanttekening 20: Dat is, bedriegelijke verleidingen. Zie Ef. 4:14 . Efeziërs 4:14 : Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^efeziers-6-12-21]: Kanttekening 21: niet tegen: Namelijk alleen, of voornamelijk. Want ook de wereld en ons eigen vlees leveren ons gedurigen strijd; maar onze voornaamste vijand, die ook de wereld en ons vlees daartoe gebruikt, is de Satan. Zie 1 Petr. 5:8 . 1 Petrus 5:8 : Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden;
[^efeziers-6-12-22]: Kanttekening 22: vlees en bloed: Dat is, zwakke mensen, gelijk wij ook zelf zijn. Zie Matt. 16:17 ; Gal. 1:16 . Mattheüs 16:17 : En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig zijt u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. Galaten 1:16 : Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed;
[^efeziers-6-12-23]: Kanttekening 23: De apostel geeft hier de Satan en zijn engelen deze titels, niet omdat zij van God tot rechte oversten en regeerders van de wereld gesteld zijn, gelijk God de dienst van de goede engelen dikwijls gebruikt, Ef. 1:21 , en Ef. 3:10 , maar omdat zij hunne macht, die de goede engelen van God hebben, en deze door hun val verloren hebben, nochtans als tyrannen met list en geweld over de verdorven en boze wereld nog gebruiken; en dat door een rechtvaardig oordeel van God hun dat, tot straf van de kwaden en een oefening van de goeden, voor enen tijd wordt toegelaten. Zie 2 Kor. 4:4 ; 2 Thess. 2:9 , 2:10 . Zie ook de aantekeningen Ef. 2:2 . Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 3:10 : Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; 2 Thessalonicensen 2:10 : En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;
[^efeziers-6-12-h]: Verwijzing h: Efez. 2:2 . Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;
[^efeziers-6-12-24]: Kanttekening 24: van de duisternis: Zo wordt het rijk van de Satan genaamd, omdat hij door onkennis of onwetendheid van God en Zijn woord de mensen tot allerlei zonden en boosheden brengt. Zie Hand. 26:18 ; Kol. 1:13 . Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde;
[^efeziers-6-12-25]: Kanttekening 25: de geestelijke boosheden: Grieks, de geestelijke van de boosheid (πνευματικός); dat is, geesten, die tot alle boosheid zijn genegen, en de mensen daartoe ook zoeken te brengen.
[^efeziers-6-12-26]: Kanttekening 26: in de lucht: Grieks, in de hemelse, of, overhemelse plaatsen; en wordt dit woord hier anders verstaan dan in de andere plaatsen van deze brief, omdat de lucht somwijlen hemel wordt genaamd, Lev. 26:19 ; Matt. 6:26 , en de apostel noemt hier voor, Ef. 2:2, de Satan uitdrukkelijk de overste van de macht van de lucht; want dat de Satan gene plaats noch macht meer heeft in de rechten hemel, blijkt uit 2 Petr. 2:4 ; Jud.:6; Openb. 12:8 , enz. Leviticus 26:19 : Want Ik zal de hovaardigheid van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. Mattheüs 6:26 : Aanziet de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelfde; gaat u dezelfde niet zeer veel te boven? 2 Petrus 2:4 : Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Openbaring 12:8 : En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel.
[^efeziers-6-13-27]: Kanttekening 27: de gehele: Of, de gehele wapening; namelijk waarmee ons God in Zijn woord wapent tegen alle aanvallen van de Satan.
[^efeziers-6-13-i]: Verwijzing i: 2 Kor. 10:4 . 2 Korinthiërs 10:4 : Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten;
[^efeziers-6-13-28]: Kanttekening 28: de bozen dag: Dat is, de tijd van de verzoeking, gelijk Christus spreekt Luk. 8:13 ; want hoewel wij altijd op onze hoede moeten zijn, zijn er nochtans enige tijden en gelegenheden, in welke ons de Satan allermeest zoekt te bestrijden, om ons tot de val te brengen. Lukas 8:13 : En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in de tijd van de verzoeking wijken zij af.
[^efeziers-6-13-29]: Kanttekening 29: verricht hebbende: Of, uitgewrocht hebbende; namelijk wat ons in deze strijd te doen staat tot overwinning van deze vijanden, dat daarna wordt beschreven.
[^efeziers-6-14-30]: Kanttekening 30: Staat dan: Namelijk als goede krijgslieden, wakker, en elk in zijne orde, zonder in het minste toe te geven, of te wijken. Zie 1 Petr. 5:9 . 1 Petrus 5:9 : Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^efeziers-6-14-k]: Verwijzing k: Lukas 12:35 ; 1 Petr. 1:13 . Lukas 12:35 : Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. 1 Petrus 1:13 : Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchter zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.
[^efeziers-6-14-31]: Kanttekening 31: omgord hebbende: De krijgsgordels waren eertijds breed en sterk, van sterke stof gemaakt, en met ijzeren of koperen plaatjes beslagen, waardoor de zwakste partijen van het lichaam, dat is, de lenden en opperbuik werden gegord, gestijfd, en beschermd.
[^efeziers-6-14-32]: Kanttekening 32: de waarheid: Sommigen verstaan hierdoor oprechtheid gesteld tegen geveinsdheid; anderen, de waarheid van de leer, gesteld tegen alle dwalingen en ketterijen. Zie 1 Tim. 1:18 , 1:19 . 1 Timotheüs 1:18 : Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goeden strijd strijdt; 1 Timotheüs 1:19 : Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;
[^efeziers-6-14-l]: Verwijzing l: Jes. 59:17 ; 2 Kor. 6:7 . Jesaja 59:17 : Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. 2 Korinthiërs 6:7 : In het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapenen van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde;
[^efeziers-6-14-33]: Kanttekening 33: van de gerechtigheid: Dat is, godzaligheid van het leven, en een goede consciëntie, gelijk Paulus tot Timotheüs ook spreekt in de aangehaalde plaats.
[^efeziers-6-15-34]: Kanttekening 34: de voeten geschoeid: Waardoor ook de schenen, of benen tot de knieën toe worden verstaan, die de ouden in de krijg tezamen met laarsjes en scheendekselen wapenden, niet alleen tegen de ongemakken van het weer, maar ook om een pijl of slag te wederstaan.
[^efeziers-6-15-35]: Kanttekening 35: Dat is, met altijd bereid te zijn om het geloof te belijden en rekenschap te geven van de hope die in u is, Rom. 10:10 ; 1 Petr. 3:15 , want de schaamachtigen, of vreesachtigen in dit stuk, pleegt de satan lichtelijk tot zware zonden te brengen. Romeinen 10:10 : Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid. 1 Petrus 3:15 : Maar heiligt God, de Heer, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een ieder, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.
[^efeziers-6-15-36]: Kanttekening 36: van de vrede: Dat is, waardoor ons de vrede met God wordt verkondigd; Rom. 10:15 . Romeinen 10:15 : En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
[^efeziers-6-16-37]: Kanttekening 37: het schild: Dat is, van het ware vertrouwen op God door Christus. Want hierdoor worden al de onvolmaaktheden van de voorgaande wapenen gedekt, en wij tegen alle aanvallen van de satan beschermd; Ps. 91:1 , enz.; 1 Petr. 5:9 , enz. Psalmen 91:1 : Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. 1 Petrus 5:9 : Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^efeziers-6-16-38]: Kanttekening 38: de vurige: Sommigen verstaan dit van venijnige pijlen, die door hun venijn het lichaam en de kwetsuur ontsteken als met een brand, gelijk er eertijds in de krijg vele plachten gebruikt te worden; andere van pijlen, die met de punten in het vuur gelegd werden, om te harder te zijn en meer te schaden; of ook om de brand ergens in te schieten. Dit alles komt met de natuur van de verzoekingen van de satan overeen, die als een venijn en vuur de ziel kwetsen en doordringen, zo zij niet intijds gestuit en geblust worden.
[^efeziers-6-16-39]: Kanttekening 39: Dat is, niet alleen af te weren, maar ook al hun venijnige kracht van beschadigen te benemen.
[^efeziers-6-17-m]: Verwijzing m: Jes. 59:17 ; 1 Thes. 5:8 . Jesaja 59:17 : Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid.
[^efeziers-6-17-40]: Kanttekening 40: van de zaligheid: Dat is, van de hoop van de zaligheid, gelijk Paulus daarbij voegt, 1 Thess. 5:8 , waardoor wij bewogen worden om alle vergankelijke dingen te verachten; Rom. 8:18 , 8:24 . 1 Thessalonicensen 5:8 : Maar wij, die van de dag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid. Romeinen 8:18 : Want ik houde het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Romeinen 8:24 : Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?
[^efeziers-6-17-n]: Verwijzing n: Hebr. 4:12 ; Openb. 2:16 . Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van de mergs, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van de harten. Openbaring 2:16 : Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.
[^efeziers-6-17-41]: Kanttekening 41: van de Geest: Dat is, van de Heilige Geest, dat Hij ons gelijk als in de hand geeft, om de Satan op alle voorgestelde verzoekingen te wederstaan. Zie Hebr. 4:12 , en het exempel van Christus tegen de Satan; Matt. 4:1 , enz. Hebreeën 4:12 : Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. Mattheüs 4:1 : Toen werd Jezus van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de duivel.
[^efeziers-6-18-42]: Kanttekening 42: Sommigen onderscheiden dit zo, dat door het woord bidding verstaan wordt een afbidden van het kwaad, of van de verzoeking; en door het woord smeking verstaan wordt een ernstig gebed om Gods hulp en genade, ten einde, zo het God immers belieft ons daarin te laten vallen, wij in de verzoeking kunnen bestaan, en een goede uitkomst mogen verkrijgen, 1 Kor. 10:13 . Zie van dit onderscheid ook 1 Tim. 2:1 . 1 Korinthiërs 10:13 : Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 1 Timotheüs 2:1 : Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;
[^efeziers-6-18-o]: Verwijzing o: Lukas 18:1 ; Rom. 12:12 ; Kolos. 4:2 ; 1 Thes. 5:17 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Romeinen 12:12 : Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Kolossensen 4:2 : Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelfde met dankzegging; 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^efeziers-6-18-43]: Kanttekening 43: in de Geest: Dat is, met ernst en van hart, gelijk Joh. 4:24 . Of, door de Geest, dat is, de Heilige Geest; Rom. 8:26 , 8:27 . Johannes 4:24 : God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Romeinen 8:26 : En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. Romeinen 8:27 : En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt.
[^efeziers-6-18-44]: Kanttekening 44: voor al de heiligen: Dat is, gelovigen, die in deze wereld ook in dergelijken strijd zijn.
[^efeziers-6-19-p]: Verwijzing p: Hand. 4:29 ; 2 Thes. 3:1 . Handelingen 4:29 : En nu dan, Heer, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienaren met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken; 2 Thessalonicensen 3:1 : Verder, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord van de Heer zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
[^efeziers-6-19-45]: Kanttekening 45: het Woord: Dat is, de bekwaamheid om het Woord van God te spreken met standvastigheid en vrijmoedigheid; een Hebreeuwse wijze van spreken, gelijk vers 20 verklaart. Efeziërs 6:20 : Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelfde vrijmoedig mag spreken, gelijk mij betaamt te spreken.
[^efeziers-6-20-q]: Verwijzing q: 2 Kor. 5:20 . 2 Korinthiërs 5:20 : Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^efeziers-6-20-46]: Kanttekening 46: een gezant ben: Namelijk van Gods en Christus' wege. Zie 2 Kor. 5:19 , enz. 2 Korinthiërs 5:19 : Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.
[^efeziers-6-20-47]: Kanttekening 47: in een keten: Van deze wijze van gevangenis, zie de aantekeningen op Hand. 28:16 . Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^efeziers-6-20-r]: Verwijzing r: Hand. 28:20 . Handelingen 28:20 : Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.
[^efeziers-6-21-s]: Verwijzing s: Kolos. 4:7 . Kolossensen 4:7 : Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer;
[^efeziers-6-21-48]: Kanttekening 48: wat mij: Of, mijne zaken, dat is, hoe mijne zaken hier te Rome in mijne gevangenis staan, dat Lukas, Hand. 28 , in het kort verhaalt van Hand. 28:16 tot Hand. 28:31 . Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde. Handelingen 28:31 : Predikende het Koninkrijk van God, en lerende van de Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.
[^efeziers-6-21-49]: Kanttekening 49: Deze Tychicus heeft Paulus overal vergezelschapt in zijne reizen door Azië, gelijk te zien is Hand. 20:4 , en heeft hem in zijne gevangenis te Rome niet verlaten, welke Paulus ook heeft gebruikt om naar Efeze en andere kerken in Azië te zenden, tot versterking derzelve. Zie van hem ook Kol. 4:7 ; Tit. 3:12 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Kolossensen 4:7 : Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer; Titus 3:12 : Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren.
[^efeziers-6-21-t]: Verwijzing t: Hand. 20:4 ; Kolos. 4:7 ; Titus 3:12 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Kolossensen 4:7 : Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer; Titus 3:12 : Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren.
[^efeziers-6-22-v]: Verwijzing v: 2 Tim. 4:12 . 2 Timotheüs 4:12 : Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.
[^efeziers-6-22-50]: Kanttekening 50: uw harten: Namelijk niet alleen door andere redenen uit Gods Woord als een dienaar van Christus, maar ook door het bericht, dat hij u doen zal van de vrijheid, die mij in mijne banden van de keizer wordt gegeven.
[^efeziers-6-23-51]: Kanttekening 51: Vrede zij de: Hierdoor wordt, naar de wijze van spreken van de Hebreën, allerlei gelukzaligheid naar ziel en lichaam verstaan.
[^efeziers-6-23-52]: Kanttekening 52: liefde met geloof: Dat is, toestemming of vermeerdering in de liefde met geloof. Want hij schrijft tot degenen, die al geloofden, Ef. 1:1 . Efeziërs 1:1 : Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
[^efeziers-6-24-53]: Kanttekening 53: in onverderfelijkheid: Dat is, tot verkrijging van de onverderfelijkheid en onverwelkelijke erve in de hemel, gelijk Petrus spreekt 1 Petr. 1:4 . Anderen verstaan door dit woord onverderfelijkheid de oprechtheid van de liefde, waarvan hij hier spreekt. 1 Petrus 1:4 : Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.

## Filippenzen

### Filippenzen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/filippenzen/1.json)

*1 Na het opschrift van deze brief en de gebruikelijke groet, 3 verklaart de apostel dat hij God dankt over de gemeenschap van de Filippenzen aan het Evangelie. 6 en dat hij vertrouwt dat zij daarin, en verder in alle christelijke deugden, meer en meer zullen toenemen. 12 Beschrijft zijn verdrukking en banden, die hij leed omwille van het Evangelie, en de vrucht die daardoor ontstond. 15 Leert dat het Evangelie door sommigen gepredikt wordt uit goedwilligheid en liefde, tot zijn verlichting, en door anderen uit nijd en twist, tot zijn bezwaring in zijn banden. 19 Maar dat hij vertrouwt dat dit zal uitlopen op zijn zaligheid en op de grootmaking van Christus, hetzij door het leven, hetzij door de dood. 21 Verklaart dat hij tot beide bereid is, aangezien beide nuttig waren: te blijven in het leven, voor de gemeente, en te sterven, voor hemzelf. 25 en dat hij hoopt dat hij nog enige tijd in het leven zal blijven ten dienste van de gemeente. 27 Voegt daar opnieuw een vermaning aan toe tot eenheid, kloekmoedigheid en lijdzaamheid in de verdrukkingen, 30 naar zijn voorbeeld.*

**1** Paulus en[^filippenzen-1-1-1] Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te[^filippenzen-1-1-2] Filippi zijn, met de[^filippenzen-1-1-3] opzieners en[^filippenzen-1-1-4] diakenen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v1)

**2** [^filippenzen-1-2-a] Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v2)

**3** [^filippenzen-1-3-b] Ik dank mijn God, telkens als ik aan U gedenk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v3)

**4** (Altijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v4)

**5** [^filippenzen-1-5-5] Over[^filippenzen-1-5-6] uw gemeenschap aan het Evangelie, van[^filippenzen-1-5-7] de eerste dag af tot nu toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v5)

**6** Vertrouwende ditzelve, dat[^filippenzen-1-6-8] Hij, Die in u[^filippenzen-1-6-9][^filippenzen-1-6-c] een goed werk begonnen heeft,[^filippenzen-1-6-10] dat voltooien zal tot[^filippenzen-1-6-11] op de dag van Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v6)

**7** Zoals het[^filippenzen-1-7-12] bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat u, zowel[^filippenzen-1-7-d] in mijn banden, als[^filippenzen-1-7-13] in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, u allen, zeg[^filippenzen-1-7-14] ik, van mijn genade mee deelachtig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v7)

**8** [^filippenzen-1-8-e] Want[^filippenzen-1-8-15] God is mijn Getuige, hoezeer ik[^filippenzen-1-8-16] begerig ben naar u allen,[^filippenzen-1-8-17] met innerlijke bewegingen[^filippenzen-1-8-18] van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v8)

**9** En dit bid ik God, dat[^filippenzen-1-9-19] uw liefde nog meer en meer overvloedig wordt[^filippenzen-1-9-20] in erkentenis en alle[^filippenzen-1-9-21] gevoelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v9)

**10** Opdat u[^filippenzen-1-10-22] beproeft[^filippenzen-1-10-23] de dingen, die daarvan verschillen, opdat u[^filippenzen-1-10-24] oprecht bent, en[^filippenzen-1-10-25] zonder aanstoot te geven, tot[^filippenzen-1-10-26] de dag van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v10)

**11** Vervuld met vruchten[^filippenzen-1-11-27] van de[^filippenzen-1-11-28] gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn[^filippenzen-1-11-29] tot heerlijkheid en prijs van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v11)

**12** En[^filippenzen-1-12-30] ik wil, dat u weet, broeders, dat[^filippenzen-1-12-31] wat aan mij is gebeurd, meer[^filippenzen-1-12-32] tot bevordering van het Evangelie gekomen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v12)

**13** Zo dat[^filippenzen-1-13-33] mijn banden[^filippenzen-1-13-34] in Christus openbaar geworden zijn[^filippenzen-1-13-35] in het hele rechthuis, en[^filippenzen-1-13-36] aan alle anderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v13)

**14** [^filippenzen-1-14-f] En dat het meerderdeel van de broeders in de Heere,[^filippenzen-1-14-37] door mijn banden[^filippenzen-1-14-38] vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger[^filippenzen-1-14-39] het Woord onbevreesd durven spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v14)

**15** [^filippenzen-1-15-40] Sommigen prediken ook wel Christus[^filippenzen-1-15-41] door afgunst en[^filippenzen-1-15-42] twist, maar sommigen ook[^filippenzen-1-15-43] door goedwilligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v15)

**16** Anderen verkondigen wel Christus uit twisting,[^filippenzen-1-16-44] niet zuiver, menende aan mijn banden[^filippenzen-1-16-45] verdrukking toe te brengen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v16)

**17** Maar deze[^filippenzen-1-17-46] uit liefde, omdat zij weten, dat ik[^filippenzen-1-17-47] tot verantwoording van het[^filippenzen-1-17-48] Evangelie gezet ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v17)

**18** [^filippenzen-1-18-49] Wat dan? Toch wordt Christus op[^filippenzen-1-18-50] allerlei wijze, hetzij[^filippenzen-1-18-51] onder een deksel, hetzij in[^filippenzen-1-18-52] van de waarheid, verkondigd; en[^filippenzen-1-18-53] daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v18)

**19** [^filippenzen-1-19-g] Want ik weet,[^filippenzen-1-19-54] dat dit mij ter zaligheid strekken zal,[^filippenzen-1-19-55] door uw gebed en ondersteuning van de Geest van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v19)

**20** Volgens mijn[^filippenzen-1-20-56] ernstige verwachting en hoop,[^filippenzen-1-20-h] dat ik in geen zaak zal[^filippenzen-1-20-57] beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid,[^filippenzen-1-20-58] zoals altijd, zo ook nu, Christus zal[^filippenzen-1-20-59] groot gemaakt worden[^filippenzen-1-20-60] in mijn lichaam,[^filippenzen-1-20-61] hetzij door het leven,[^filippenzen-1-20-62] hetzij door de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v20)

**21** [^filippenzen-1-21-63] Want[^filippenzen-1-21-64] het leven is mij Christus, en[^filippenzen-1-21-65] het sterven is mij winst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v21)

**22** Maar[^filippenzen-1-22-66] of te leven in het[^filippenzen-1-22-67] vlees, hetzelfde mij raadzaam zij, en[^filippenzen-1-22-68] wat ik verkiezen zal,[^filippenzen-1-22-69] weet ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v22)

**23** Want ik word van[^filippenzen-1-23-70] deze twee[^filippenzen-1-23-71] gedrongen, hebbende begeerte, om[^filippenzen-1-23-72] ontbonden te worden en[^filippenzen-1-23-73] met Christus te zijn; want dat is[^filippenzen-1-23-74] zeer verre het beste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v23)

**24** Maar[^filippenzen-1-24-75] in het vlees te blijven, is noodzakelijker[^filippenzen-1-24-76] om uwentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v24)

**25** En[^filippenzen-1-25-77] dit vertrouw en weet ik, dat ik zal[^filippenzen-1-25-78] blijven, en[^filippenzen-1-25-79] met u allen zal verblijven[^filippenzen-1-25-80] tot uw bevordering en blijdschap[^filippenzen-1-25-81] van het geloof; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v25)

**26** Opdat[^filippenzen-1-26-82] uw roem in Christus Jezus overvloedig zij[^filippenzen-1-26-83] aan mij, door[^filippenzen-1-26-84] mijn aanwezigheid opnieuw bij u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v26)

**27** Alleen[^filippenzen-1-27-85] wandelt[^filippenzen-1-27-86] waardig het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in één geest, met[^filippenzen-1-27-87] één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie;[^filippenzen-1-27-i] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v27)

**28** En dat u in geen ding verschrikt wordt van degenen,[^filippenzen-1-28-88] die tegenstaan; dat[^filippenzen-1-28-89] hun wel[^filippenzen-1-28-90] een bewijs is van het verderf,[^filippenzen-1-28-91] maar u van de zaligheid, en dat[^filippenzen-1-28-92] van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v28)

**29** Want u is[^filippenzen-1-29-93] uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in[^filippenzen-1-29-94] Hem te geloven, maar ook[^filippenzen-1-29-95] voor Hem[^filippenzen-1-29-96] te lijden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v29)

**30** Deze strijd[^filippenzen-1-30-97] hebbende, die u[^filippenzen-1-30-98] in mij gezien hebt, en[^filippenzen-1-30-99] nu in mij hoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/1.html#v30)

[^filippenzen-1-1-1]: Kanttekening 1: Hij voegt Timotheüs hier bij zich als een oprecht leraars van het Evangelie, om te tonen dat deze ook toestemt al wat de apostel aan hen schrijft. Zie 2 Kor. 1:1 ; 1 Thess. 1:1 , en 2 Thess. 1:1 . 2 Korinthiërs 1:1 : Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: 1 Thessalonicensen 1:1 : Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 2 Thessalonicensen 1:1 : Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus:
[^filippenzen-1-1-2]: Kanttekening 2: Filippi zijn: Van deze stad in Macedonië, zie Hand. 16:12 . Handelingen 16:12 : En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
[^filippenzen-1-1-3]: Kanttekening 3: Grieks Episcopois; dat is, opzieners, waarvan het woord bisschop komt, dat gemeen is allen opzieners van de Kerk. Zie Hand. 20:17 , 20:28 ; 1 Tim. 3:1 ; Tit. 1:5 , 1:7 ; want hier blijkt, dat in ene gemeente meer zulke bisschoppen zijn geweest dan een. Handelingen 20:17 : Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 1 Timotheüs 3:1 : Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Titus 1:5 : Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zoudt te recht brengen, en dat u van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb: Titus 1:7 : Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst;
[^filippenzen-1-1-4]: Kanttekening 4: Dit woord wordt somtijds in het algemeen genomen voor allerlei dienaren, Matt. 20:26 ; Rom. 13:4 , ook voor de leraars van de Kerk, 1 Kor. 3:5 , en 2 Kor. 11:23 ; Ef. 3:7 ; somtijds in het bijzonder, gelijk hier, voor degenen die de gemeente dienen in het verzorgen van de armen, 1 Tim. 3:8 , 3:12 , van welke instelling en ambt, zie Hand. 6 . Mattheüs 20:26 : Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; Romeinen 13:4 : Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet. 1 Korinthiërs 3:5 : Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heer aan iedereen gegeven heeft? 2 Korinthiërs 11:23 : Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls. Efeziërs 3:7 : Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is, naar de werking van Zijn kracht. 1 Timotheüs 3:8 : De diakenen ook moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuil-gewinzoekers; 1 Timotheüs 3:12 : Dat de diakenen van een vrouw mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren.
[^filippenzen-1-2-a]: Verwijzing a: Rom. 1:7 ; 1 Petr. 1:2 . Romeinen 1:7 : Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^filippenzen-1-3-b]: Verwijzing b: Efez. 1:15 ; Kolos. 1:3 ; 1 Thes. 1:2 ; 2 Thes. 1:3 . Efeziërs 1:15 : Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heer Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, Kolossensen 1:3 : Wij danken de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd voor u biddende; 1 Thessalonicensen 1:2 : Wij danken God altijd over u allen, uw gedachtig zijnde in onze gebeden; 2 Thessalonicensen 1:3 : Wij moeten God altijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde van ieder van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt;
[^filippenzen-1-5-5]: Kanttekening 5: Namelijk ik dank God, vers 3 . Filippensen 1:3 : Ik dank mijn God, telkens als ik u gedenk.
[^filippenzen-1-5-6]: Kanttekening 6: uw gemeenschap: Dat is, over de grote weldaad, dat u ook het Evangelie is gepredikt, en dat u met het geloof hebt aangenomen. Zie 1 Joh. 1:3 . 1 Johannes 1:3 : Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
[^filippenzen-1-5-7]: Kanttekening 7: de eerste dag: Namelijk dat u het Evangelie hebt ontvangen en aangenomen.
[^filippenzen-1-6-8]: Kanttekening 8: Hij, Die: Namelijk God de Vader.
[^filippenzen-1-6-9]: Kanttekening 9: een goed werk: Namelijk van het geloof in Christus en van de bekering tot God.
[^filippenzen-1-6-c]: Verwijzing c: Joh. 6:29 ; 1 Thes. 1:3 . Johannes 6:29 : Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft. 1 Thessalonicensen 1:3 : Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en de arbeid van de liefde, en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heer Jezus Christus, voor onze God en Vader;
[^filippenzen-1-6-10]: Kanttekening 10: Dat is, meer en meer zal vermeerderen, versterken en bewaren.
[^filippenzen-1-6-11]: Kanttekening 11: op de dag van: Namelijk op welke Christus u uit dit leven tot Zich zal nemen, of uit de doden zal opwekken ten uitersten dage van het oordeel.
[^filippenzen-1-7-12]: Kanttekening 12: bij mij recht is: Namelijk naar het recht en de wet van de liefde, die geen kwaad denkt, en alle dingen gelooft, en alle dingen hoopt; 1 Kor. 13:5 , 13:7 . 1 Korinthiërs 13:5 : Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; 1 Korinthiërs 13:7 : Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.
[^filippenzen-1-7-d]: Verwijzing d: Efez. 3:1 ; Efez. 4:1 ; Kolos. 4:3 ; idem v. 18 ; 2 Tim. 1:8 . Efeziërs 3:1 : Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Kolossensen 4:3 : Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; Kolossensen 4:18 : De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. 2 Timotheüs 1:8 : Schaam u dan niet van het getuigenis onzes Heern, noch mijns die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht van God;
[^filippenzen-1-7-13]: Kanttekening 13: Namelijk in het rechthuis en elders. Zie vers 13 . Filippensen 1:13 : Zo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het gehele rechthuis, en aan alle anderen;
[^filippenzen-1-7-14]: Kanttekening 14: mijner genade: Dat is, die mij van God gegeven is, niet alleen om te geloven in Christus, maar ook om Zijnentwil te lijden.
[^filippenzen-1-8-e]: Verwijzing e: Rom. 1:9 ; Rom. 9:1 ; 2 Kor. 1:23 ; 2 Kor. 11:31 ; Galat. 1:20 ; 1 Thes. 2:5 ; 1 Tim. 5:21 ; 2 Tim. 4:1 . Romeinen 1:9 : Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1 : Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23 : Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31 : De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Galaten 1:20 : Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! 1 Thessalonicensen 2:5 : Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Timotheüs 5:21 : Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 2 Timotheüs 4:1 : Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
[^filippenzen-1-8-15]: Kanttekening 15: God is mijn: Dit is ene wijze van eedzweren, welke de apostel hier gebruikt, omdat het nodig was dat de Filippensen van zijne liefde tot hen verzekerd zouden zijn.
[^filippenzen-1-8-16]: Kanttekening 16: begerig ben: Dat is, u allen liefheb, of naar u allen verlang. Zie 2 Kor. 9:14 . 2 Korinthiërs 9:14 : En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade van God over u.
[^filippenzen-1-8-17]: Kanttekening 17: met innerlijke: Grieks in de ingewanden; een Hebreeuwse wijze van spreken omdat door een grote inwendige liefde de ingewanden als ontroerd en ontsteld worden. Zie Luk. 1:78 . Lukas 1:78 : door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;
[^filippenzen-1-8-18]: Kanttekening 18: Jezus Christus: Dat is, welke affectie of liefde ontstaat in mij om Christus' wil, die u met geloof hebt aangenomen, of omdat wij Jezus Christus tot een algemenen Zaligmaker hebben.
[^filippenzen-1-9-19]: Kanttekening 19: uw liefde nog: Dat is, de deugd van de liefde, die in u is tot God en uw naaste, in welke alle deugden van de eerste en tweede tafel begrepen zijn.
[^filippenzen-1-9-20]: Kanttekening 20: in erkentenis: Of, met, door kennis, namelijk van goddelijke zaken, die ter zaligheid nodig zijn.
[^filippenzen-1-9-21]: Kanttekening 21: Namelijk inwendig gevoelen van het verstand, waardoor de goddelijke zaken begrepen en onderscheiden worden.
[^filippenzen-1-10-22]: Kanttekening 22: Dat is, na beproeving en toetsing van de leringen aan Gods woord, recht mag verstaan en onderscheiden.
[^filippenzen-1-10-23]: Kanttekening 23: de dingen, die: Of, die uitnemend zijn. Het Griekse woord betekent beide. Want de kennis van deze goddelijke zaken verschilt veel, en is uitmuntender dan enige andere kennis van wereldse zaken. Zie Rom. 2:18 . Romeinen 2:18 : En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;
[^filippenzen-1-10-24]: Kanttekening 24: oprecht zijt: Dat is, zonder geveinsdheid of bedrog.
[^filippenzen-1-10-25]: Kanttekening 25: zonder aanstoot: Namelijk aan iemand, Matt. 18:7 ; waardoor hij zou verhinderd worden, of ten val gebracht, in de Christelijke loopbaan. Grieks onergerlijk, of onaanstotelijk. Mattheüs 18:7 : Wee de wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; maar wee die mens, door welke de ergernis komt!
[^filippenzen-1-10-26]: Kanttekening 26: de dag van Christus: Zie vers 4 . Filippensen 1:4 : (Altijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende)
[^filippenzen-1-11-27]: Kanttekening 27: van de gerechtigheid: Dat is, van de Godzaligheid, vroomheid en nieuwe gehoorzaamheid.
[^filippenzen-1-11-28]: Kanttekening 28: die door Jezus Christus: Dat is, die door de Geest van Christus in ons gewrocht en voortgebracht worden.
[^filippenzen-1-11-29]: Kanttekening 29: tot heerlijkheid: Dit is het einde waartoe en waarom alle goede werken moeten gedaan worden. Zie Ps. 115:1 ; Matt. 5:16 ; 1 Kor. 10:31 ; 1 Petr. 2:12 , en 1 Petr. 4:11 . Psalmen 115:1 : Niet ons, o YHWH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, vanwege Uw goedertierenheid, vanwege Uw waarheid. Mattheüs 5:16 : Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. 1 Korinthiërs 10:31 : Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods. 1 Petrus 2:12 : En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking. 1 Petrus 4:11 : Als iemand spreekt, die spreke als de woorden van God; als iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.
[^filippenzen-1-12-30]: Kanttekening 30: ik wil, dat: Dat is, wordt niet verslagen of geërgerd aan mijne gevangenis, maar wilt uit mij dit verstaan.
[^filippenzen-1-12-31]: Kanttekening 31: wat aan mij: Dat is, deze mijne gevangenis en verdrukking, die ik lijd vanwege het Evangelie.
[^filippenzen-1-12-32]: Kanttekening 32: tot bevordering: Dat is, dat het zover van daar is, dat dezelfde de loop en verbreiding van de Evangelische leer hinderlijk zou zijn, dat zulks ook, door de bestiering Gods, daartoe dienstig en bevorderlijk is.
[^filippenzen-1-13-33]: Kanttekening 33: mijn banden: Dat is, de oorzaak waarom ik met banden of ketenen gevangen ben en gehouden word; dat die niet enig kwaad feit bij mij bedreven is, maar alleen de leer van het Evangelie.
[^filippenzen-1-13-34]: Kanttekening 34: in Christus: Dat is, waarmee ik gebonden ben om Christus' wil. Zie Ef. 4:1 . Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent;
[^filippenzen-1-13-35]: Kanttekening 35: in het gehele: Of, hof, of, huis van de keizer Nero; dat is, aan zijne raadsheren en hofgezin. Zie Filipp. 4:22 . Filippensen 4:22 : Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis van de keizer zijn.
[^filippenzen-1-13-36]: Kanttekening 36: alle anderen: Namelijk plaatsen of mensen, namelijk in deze stad van Rome en hieromtrent.
[^filippenzen-1-14-f]: Verwijzing f: Efez. 3:13 ; 1 Thes. 3:3 . Efeziërs 3:13 : Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid. 1 Thessalonicensen 3:3 : Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want u weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.
[^filippenzen-1-14-37]: Kanttekening 37: door mijn banden: Dat is, door mijne onnozelheid, standvastigheid, en kloekmoedigheid, die blijkt en van mij getoond wordt in deze mijne gevangenis.
[^filippenzen-1-14-38]: Kanttekening 38: vertrouwen gekregen: Dat is, kloekmoedig of vrijmoedig geworden zijnde.
[^filippenzen-1-14-39]: Kanttekening 39: het Woord onbevreesd: Namelijk Gods, dat is, de leer van het Evangelie belijden en verkondigen.
[^filippenzen-1-15-40]: Kanttekening 40: Sommigen prediken: Door deze verstaat de apostel enige leraars, die de rechtzinnige leer wel predikten, omdat er staat dat zij Christus predikten, maar dat hun hart niet zuiver was, maar met nijd en twist tegen Paulus beladen.
[^filippenzen-1-15-41]: Kanttekening 41: door nijd en: Dat is, misgunnende Paulus de eer, die hem aangedaan werd van degenen, die door zijne predikatiën bekeerd werden.
[^filippenzen-1-15-42]: Kanttekening 42: twist, maar: Of, strijd, dat is, tegen Paulus en de andere oprechte leraars, die zij daarmede zochten hinderlijk te zijn, of een deel van zijne eer aan zich te trekken.
[^filippenzen-1-15-43]: Kanttekening 43: door goedwilligheid: Grieks door een welbehagen; dat is, met een oprecht, goedwillig en genegen hart tot bevordering van de zaligheid van de mensen.
[^filippenzen-1-16-44]: Kanttekening 44: niet zuiver: Dat is, ten aanzien van hun hart, waarmee zij de leer predikten, niet met een zuiver en oprecht gemoed. Zie vers 15 . Filippensen 1:15 : Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid.
[^filippenzen-1-16-45]: Kanttekening 45: verdrukking toe: Dat is, mijn kruis nog meer te verzwaren, doordien zij met hunne predikatiën mij bij de gemeente zoeken verdacht en veracht te maken.
[^filippenzen-1-17-46]: Kanttekening 46: uit liefde: Namelijk tot Gods eer, stichting van de gemeente en zaligheid van de mensen.
[^filippenzen-1-17-47]: Kanttekening 47: tot verantwoording: Dat is, om de leer van het Evangelie ook in deze banden te verkondigen en te verdedigen tegen alle vijanden derzelve; dat, omdat het door de banden mij dikwijls verhinderd wordt, zij uit liefde mij daarin te hulp komen. Of, vanwege de verantwoording.
[^filippenzen-1-17-48]: Kanttekening 48: gezet ben: Of, hier lig, namelijk gevangen. Of, van God hiertoe geroepen ben.
[^filippenzen-1-18-49]: Kanttekening 49: Wat dan: Namelijk zal dit zijn, of teweegbrengen? Zal dit, of u of mij ontroeren? In geen geval.
[^filippenzen-1-18-50]: Kanttekening 50: allerlei wijze: Grieks alle.
[^filippenzen-1-18-51]: Kanttekening 51: onder een deksel: Namelijk van ijver tot verbreiding van het Evangelie, waarmee zij hun nijd en twist zoeken te bedekken.
[^filippenzen-1-18-52]: Kanttekening 52: in de waarheid: Dat is met een oprecht en zuiver gemoed, zonder geveinsdheid of bedrog.
[^filippenzen-1-18-53]: Kanttekening 53: daarin verblijd: Namelijk niet alleen dat Christus in de waarheid gepredikt wordt, maar ook dat Hij van deze anderen, hoewel met geen oprecht gemoed, immers gepredikt en Zijne leer tot zaligheid van de mensen door hen zo verbreid wordt.
[^filippenzen-1-19-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 1:11 . 2 Korinthiërs 1:11 : Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.
[^filippenzen-1-19-54]: Kanttekening 54: dat dit mij: Dat is, deze verdrukking, die zij mij uit nijdigheid en haat aandoen.
[^filippenzen-1-19-55]: Kanttekening 55: door uw gebed: Dat is, door de ondersteuning of verlening van de Heilige Geest, die ik door uw gebed voor mij van Christus verkrijgen zal.
[^filippenzen-1-20-56]: Kanttekening 56: ernstige verwachting: Het Griekse woord betekent ene verwachting als met uitgestrekten hoofde of hals. Zie Rom. 8:19 . Romeinen 8:19 : Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring van de kinderen van God.
[^filippenzen-1-20-h]: Verwijzing h: Rom. 5:5 . Romeinen 5:5 : En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
[^filippenzen-1-20-57]: Kanttekening 57: beschaamd worden: Dat is, te schande komen door afwijking of bezwijking.
[^filippenzen-1-20-58]: Kanttekening 58: gelijk altijd: Namelijk voordezen, in de voorgaande jaren van mijn dienst, in welke mij ook vele verdrukkingen overkomen, en van mij kloekmoedig overwonnen zijn.
[^filippenzen-1-20-59]: Kanttekening 59: groot gemaakt: Dat is, geëerd, geroemd. Zie van dit woord Luk. 1:46 . Lukas 1:46 : En Maria zei: Mijn ziel maakt groot de Heer;
[^filippenzen-1-20-60]: Kanttekening 60: in mijn lichaam: Dat is, door het lijden, dat mij in het lichaam zou mogen aangedaan worden. Of, door mijne verlossing.
[^filippenzen-1-20-61]: Kanttekening 61: hetzij door het leven: Dat is, hetzij dat ik het leven nog behoud, om Hem nog te dienen en te verheerlijken door de prediking van het Evangelie.
[^filippenzen-1-20-62]: Kanttekening 62: hetzij door de dood: Dat is, hetzij dat ik van de keizer omgebracht en gedood word, om Christus met mijn dood te vereren en Zijne leer met mijn bloed te bevestigen.
[^filippenzen-1-21-63]: Kanttekening 63: Of, want Christus is mijn winst in het leven en in het sterven.
[^filippenzen-1-21-64]: Kanttekening 64: het leven is mij: Dat is, zo ik nog in het leven blijf, zal ik het besteden ter ere en ten dienste van Christus.
[^filippenzen-1-21-65]: Kanttekening 65: het sterven is: Dat is, zo ik gedood word, dat zal mij geen schade, maar grote winst toebrengen, zo ik voor de aarde de hemel, en voor dit ellendig sterflijk leven een gelukzalig eeuwig leven zal winnen.
[^filippenzen-1-22-66]: Kanttekening 66: of te leven in: Dit betekent hier niet naar de lusten van het vlees te leven, gelijk Rom. 8:1 , maar in dit lichamelijk en tijdelijke leven te blijven. Romeinen 8:1 : Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
[^filippenzen-1-22-67]: Kanttekening 67: hetzelfde mij: Of, of het leven in het vlees mij nog gebeurde, hetzelfde zou mij oorbaarlijk zijn. Grieks ene vrucht van het werk.
[^filippenzen-1-22-68]: Kanttekening 68: wat ik verkiezen zal: Namelijk als mij de keuze van beide gegeven werd, òf te sterven, òf nog in het leven te blijven.
[^filippenzen-1-22-69]: Kanttekening 69: weet ik niet: Namelijk omdat er aan wederzijden zeer gewichtige redenen zijn; zodat ik kwalijk weet welke als de gewichtigste mij het meest behoren te bewegen.
[^filippenzen-1-23-70]: Kanttekening 70: deze twee: Namelijk verscheidene begeerten, die daarna uitgedrukt worden.
[^filippenzen-1-23-71]: Kanttekening 71: Namelijk in mijn gemoed, niet wetende wat ik voor het beste zal houden, omdat er wederzijds krachtige en dringende redenen zijn.
[^filippenzen-1-23-72]: Kanttekening 72: ontbonden te: Of, te verhuizen, te verherbergen; dat is, uit dit leven te scheiden; ene gelijkenis, genomen van degenen, die uit ene herberg scheiden, om hunne reis naar hun vaderland voort te zetten of ook die naar een ander land of plaats te scheep willen reizen, het touw van het schip losmaken om de reis aan te nemen. Zie dergelijke 2 Tim. 4:6 . 2 Timotheüs 4:6 : Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
[^filippenzen-1-23-73]: Kanttekening 73: met Christus: Namelijk in de hemel, met mijne ziel, die zij niet kunnen doden. Zie Matt. 10:28 ; Luk. 23:43 . Mattheüs 10:28 : En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. Lukas 23:43 : En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult u met Mij in het Paradijs zijn.
[^filippenzen-1-23-74]: Kanttekening 74: zeer verre het beste: Grieks veel meer beter; namelijk voor mij. Zie Ps. 16:11 ; Rom. 8:18 . Psalmen 16:11 : U zult mij het pad van het leven bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwig. Romeinen 8:18 : Want ik houde het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
[^filippenzen-1-24-75]: Kanttekening 75: in het vlees: Dat is, in dit lichamelijke leven. Zie vers 22 . Filippensen 1:22 : Maar of te leven in het vlees, hetzelfde mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet.
[^filippenzen-1-24-76]: Kanttekening 76: om uwentwil: Namelijk om u en andere gemeenten in het geloof te versterken, en nog vele anderen voor Christus te winnen.
[^filippenzen-1-25-77]: Kanttekening 77: dit vertrouw: Sommige oude leraars menen dat de apostel dat zekerlijk wist uit een bijzondere openbaring van God, \[gelijk Hand. 23:11 ;\] dat hij in deze eerste gevangenis niet zou omgebracht worden, en dat hij, vrijgelaten zijnde, daarna in Azië, Syrië, Griekenland en elders, nog wel tien jaren zou gepredikt hebben, en daarna opnieuw te Rome gevangen en omgebracht zijn. Maar dat is onzeker, en het blijkt Filipp. 2:17 , dat hij dit zegt niet van een zekere wetenschap, door goddelijke openbaring, maar van een waarschijnlijke gissing en hoop uit al de omstandigheden van de zaak, dat hij in deze eerste verantwoording niet zou ter dood veroordeeld worden, dat ook is geschied, gelijk uit de brieven, daarna in zijne banden geschreven, kan blijken. In zijn tweede verantwoording verklaart hij, dat de tijd van zijn ontbinding nabij was; 2 Tim. 4:6 , 4:16 . Handelingen 23:11 : En de volgende nacht stond de Heer bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want gelijk u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen. Filippensen 2:17 : Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. 2 Timotheüs 4:6 : Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 2 Timotheüs 4:16 : In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.
[^filippenzen-1-25-78]: Kanttekening 78: blijven, en: Namelijk in het leven.
[^filippenzen-1-25-79]: Kanttekening 79: met u allen: Dat is, tot u Filippensen nog zal komen, en ene wijle bij u verblijven.
[^filippenzen-1-25-80]: Kanttekening 80: tot uw bevordering: Dat is, om met mijne leringen en predikatiën u meer en meer in kennis en godzaligheid te doen toenemen.
[^filippenzen-1-25-81]: Kanttekening 81: van het geloof: Dat is, spruitende uit het geloof, of, die ontstaan zal om de vermeerdering uws geloofs.
[^filippenzen-1-26-82]: Kanttekening 82: uw roem in Christus: Namelijk dat u van mij, een apostel van Christus, tot het geloof bekeerd en daarin versterkt zijt.
[^filippenzen-1-26-83]: Kanttekening 83: aan mij, door: Grieks in mij; namelijk als u door uwe gebeden mijne verlossing zult verkregen hebben.
[^filippenzen-1-26-84]: Kanttekening 84: mijn aanwezigheid: Namelijk die ik hoop dat de Heer geven zal.
[^filippenzen-1-27-85]: Kanttekening 85: Of, draagt u. Het Griekse woord betekent, als een goed burger zich behoorlijk in zijne stad gedragen, zijn omgang en wandel stellen. Zie ook Filipp. 3:20 . Filippensen 3:20 : Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^filippenzen-1-27-86]: Kanttekening 86: waardiglijk het: Dat is, gelijk betaamt dengenen, die de leer van het Evangelie hebben geleerd en aangenomen. Zie Ef. 4:1 ; 1 Thess. 2:12 . Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; 1 Thessalonicensen 2:12 : En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^filippenzen-1-27-87]: Kanttekening 87: een gemoed: Grieks ziel. Zie Hand. 4:32 . Door de geest wordt betekend het verstand, en door de ziel de wil en genegenheid. Of, het ene kan ene verklaring zijn van het andere. Anderen verstaan door dit woord geest de Heilige Geest. Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
[^filippenzen-1-27-i]: Verwijzing i: Gen. 17:1 ; 1 Kor. 7:20 ; Efez. 4:1 ; Kolos. 1:10 ; 1 Thes. 2:12 ; 1 Thes. 4:1 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 1 Korinthiërs 7:20 : Een iedereen blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Kolossensen 1:10 : Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 1 Thessalonicensen 2:12 : En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 1 Thessalonicensen 4:1 : Verder dan, broeders, wij bidden en vermanen u in de Heer Jezus, gelijk u van ons ontvangen hebt, hoe u moet wandelen en voor God behagen, dat u daarin meer overvloedig wordt.
[^filippenzen-1-28-88]: Kanttekening 88: die tegenstaan: Dat is, die òf met valse leer, òf met zware vervolgingen en dreigementen zich stellen tegen de leer van Christus, om die te verdelgen.
[^filippenzen-1-28-89]: Kanttekening 89: hun wel: Namelijk de vervolgers en valsen leraars.
[^filippenzen-1-28-90]: Kanttekening 90: een bewijs is: Dat is, een zeker teken dat zij ten verderve lopen. Zie 2 Thess. 1:5 . 2 Thessalonicensen 1:5 : Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, waarvoor u ook lijdt;
[^filippenzen-1-28-91]: Kanttekening 91: u van de zaligheid: Namelijk gelovigen, die u noch door valse leer laat verleiden, noch door vrees van vervolgingen verschrikken, om van het ware geloof af te wijken.
[^filippenzen-1-28-92]: Kanttekening 92: van God: Dat doet hij daarbij, opdat zij niet zouden menen dat hunne standvastigheid een verdienende oorzaak zou zijn van de zaligheid, en opdat zij zouden weten dat deze standvastigheid niet van henzelven, maar van God komt, gelijk in vers 29 verklaard wordt. Filippensen 1:29 : Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;
[^filippenzen-1-29-93]: Kanttekening 93: uit genade: Of, geschonken om Christus' wil. Zie Ef. 2:8 . Efeziërs 2:8 : Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
[^filippenzen-1-29-94]: Kanttekening 94: Hem te geloven: Namelijk Christus.
[^filippenzen-1-29-95]: Kanttekening 95: voor Hem: Dat is, om Zijnentwil; om Zijne leer en zaken wil.
[^filippenzen-1-29-96]: Kanttekening 96: te lijden: Om Christus' wil verdrukkingen en vervolgingen onderworpen te zijn, en die volhardende te verdragen en overwinnen; Matt. 5:12 ; Hand. 5:41 . Mattheüs 5:12 : Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Handelingen 5:41 : Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden.
[^filippenzen-1-30-97]: Kanttekening 97: Namelijk te strijden en uit te staan.
[^filippenzen-1-30-98]: Kanttekening 98: in mij gezien: Namelijk als ik bij u was. Zie hiervan Hand. 16:19 , enz. Handelingen 16:19 : Als nu de heren van dezelfde zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.
[^filippenzen-1-30-99]: Kanttekening 99: nu in mij hoort: Namelijk uit de geruchten, wat ik hier te Rome dagelijks te lijden heb in mijne banden.

### Filippenzen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/filippenzen/2.json)

*1 De apostel vermaant de Filippenzen zeer aandringend tot eenheid, 3 en tot nederigheid en dienstvaardigheid. 5 daartoe hun het voorbeeld voorstellend van de Heere Jezus Christus, 6 die, terwijl Hij de waarachtige God is, zichzelf zo vernietigd heeft dat Hij onze menselijke natuur heeft aangenomen en aan het kruis voor ons gestorven is. 9 en daarna weer zeer uitnemend verhoogd. 12 Voegt daaraan een algemene vermaning toe tot gehoorzaamheid, vrees voor God en allerlei christelijke deugden, 15 om zich als lichten te tonen te midden van de ongelovigen. 17 Verklaart, als hij te Rome gedood zou worden, dat hij zich daarover zou verblijden, en dat zij hetzelfde behoren te doen. 19 Belooft dat hij Timotheüs spoedig naar hen zal zenden, 24 en hoopt zelf ook tot hen te komen. 25 Beveelt hun zeer ernstig hun herder Epafroditus aan, die deze brief hun bracht. 26 Verklaart dat deze zeer ziek was geweest, maar door de Heere weer gesterkt. 29 Vermaant de Filippenzen dat zij hem blij willen ontvangen, omdat hij omwille van hun dienst in levensgevaar was geweest.*

**1** Als er dan enige[^filippenzen-2-1-1] troost[^filippenzen-2-1-2] is[^filippenzen-2-1-3] in Christus, als er[^filippenzen-2-1-4] enige troost is[^filippenzen-2-1-5] van de liefde, als er[^filippenzen-2-1-6] enige gemeenschap is van de Geest, als er[^filippenzen-2-1-7] enige innerlijke bewegingen en[^filippenzen-2-1-8] ontfermingen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v1)

**2** Zo[^filippenzen-2-2-9] vervult mijn blijdschap, dat u[^filippenzen-2-2-a] mag[^filippenzen-2-2-10] eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende,[^filippenzen-2-2-11] van één gemoed en van één gevoelen zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v2)

**3** Doe geen ding door twisting of ijdele eer,[^filippenzen-2-3-b] maar door nederigheid achte de één de ander[^filippenzen-2-3-12] uitmuntender dan zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v3)

**4** [^filippenzen-2-4-c] Ieder[^filippenzen-2-4-13] zie niet op[^filippenzen-2-4-14] het zijne, maar ieder zie ook op wat van[^filippenzen-2-4-15] de anderen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v4)

**5** [^filippenzen-2-5-d] Want[^filippenzen-2-5-16] dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v5)

**6** [^filippenzen-2-6-e] Die in de[^filippenzen-2-6-17] gestalte van God zijnde,[^filippenzen-2-6-18] geen roof geacht heeft[^filippenzen-2-6-19] voor God even gelijk te zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v6)

**7** [^filippenzen-2-7-f] Maar heeft[^filippenzen-2-7-20] Zichzelf[^filippenzen-2-7-21] vernietigd,[^filippenzen-2-7-22][^filippenzen-2-7-g] de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende,[^filippenzen-2-7-23] en is de mensen gelijk geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v7)

**8** [^filippenzen-2-8-h] En[^filippenzen-2-8-24] in gedaante[^filippenzen-2-8-25] gevonden[^filippenzen-2-8-26] als een mens, heeft Hij[^filippenzen-2-8-27] Zichzelf[^filippenzen-2-8-i] vernederd,[^filippenzen-2-8-28] gehoorzaam geworden zijnde[^filippenzen-2-8-29] tot de dood, ja,[^filippenzen-2-8-30] de dood van het kruis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v8)

**9** [^filippenzen-2-9-31][^filippenzen-2-9-k] Daarom heeft Hem ook[^filippenzen-2-9-32] God[^filippenzen-2-9-33] bovenmate verhoogd, en heeft Hem[^filippenzen-2-9-34][^filippenzen-2-9-l] een Naam[^filippenzen-2-9-35] gegeven, die[^filippenzen-2-9-36] boven alle naam is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v9)

**10** [^filippenzen-2-10-37][^filippenzen-2-10-m] Opdat[^filippenzen-2-10-38] in de Naam van Jezus zich[^filippenzen-2-10-39] zou buigen alle knie van degenen,[^filippenzen-2-10-40] die in de hemel, en[^filippenzen-2-10-41] die op de aarde, en[^filippenzen-2-10-42] die onder de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v10)

**11** [^filippenzen-2-11-n] En[^filippenzen-2-11-43] alle tong zou belijden,[^filippenzen-2-11-44] dat Jezus Christus de Heere zij,[^filippenzen-2-11-45] tot heerlijkheid van God van de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v11)

**12** Zo dan, mijn geliefden, zoals u altijd[^filippenzen-2-12-46] gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn aanwezigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen,[^filippenzen-2-12-47] werkt uw zaligheid[^filippenzen-2-12-48] met vrees en beven: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v12)

**13** [^filippenzen-2-13-o]Want het is God,[^filippenzen-2-13-49] Die in u werkt zowel[^filippenzen-2-13-50] het willen als[^filippenzen-2-13-51] het werken,[^filippenzen-2-13-52] naar Zijn welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v13)

**14** [^filippenzen-2-14-p] Doe[^filippenzen-2-14-53] alle dingen[^filippenzen-2-14-54][^filippenzen-2-14-q] zonder morren en[^filippenzen-2-14-55] tegenspreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v14)

**15** Opdat u mag[^filippenzen-2-15-56] onberispelijk en[^filippenzen-2-15-57] oprecht zijn, kinderen van God zijnde, onstraffelijk in het midden van[^filippenzen-2-15-58] een krom en verdraaid geslacht,[^filippenzen-2-15-r] onder[^filippenzen-2-15-59] wie[^filippenzen-2-15-60] u schijnt als[^filippenzen-2-15-61] lichten in de wereld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v15)

**16** [^filippenzen-2-16-62] Voorhoudende het woord van[^filippenzen-2-16-63] het[^filippenzen-2-16-s] leven, mij tot een roem tegen[^filippenzen-2-16-64] de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb[^filippenzen-2-16-65] gelopen, noch tevergeefs gewerkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v16)

**17** Ja, als[^filippenzen-2-17-66] ik ook[^filippenzen-2-17-67] tot een drankoffer geofferd word[^filippenzen-2-17-68] over de offergave en[^filippenzen-2-17-69] bediening van uw geloof,[^filippenzen-2-17-t] zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v17)

**18** En om hetzelfde[^filippenzen-2-18-70] verblijdt u zich ook, en verblijdt ook u met mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v18)

**19** En ik hoop[^filippenzen-2-19-71] in de Heere Jezus[^filippenzen-2-19-v] Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v19)

**20** Want ik heb niemand, die[^filippenzen-2-20-72] even zo gemoed is, die[^filippenzen-2-20-73] oprecht[^filippenzen-2-20-74] voor uw zaken zal zorgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v20)

**21** [^filippenzen-2-21-x] Want zij zoeken[^filippenzen-2-21-75] allen[^filippenzen-2-21-76] het hunne, niet[^filippenzen-2-21-77] wat van Christus Jezus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v21)

**22** En u weet[^filippenzen-2-22-78] zijn beproeving, dat hij,[^filippenzen-2-22-79] als een kind zijn vader,[^filippenzen-2-22-80] met mij gediend heeft in het Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v22)

**23** Ik hoop dan wel[^filippenzen-2-23-81] deze[^filippenzen-2-23-82] ogenblikkelijk te zenden, zo snel als ik in[^filippenzen-2-23-83] mijn zaken zal voorzien hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v23)

**24** Maar ik[^filippenzen-2-24-84] vertrouw in de Heere, dat ik ook zelf spoedig tot u komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v24)

**25** Maar ik heb nodig geacht[^filippenzen-2-25-85] tot u te zenden[^filippenzen-2-25-86] Epafroditus,[^filippenzen-2-25-87] mijn broeder, en[^filippenzen-2-25-88] medearbeider en[^filippenzen-2-25-89] medestrijder, en uw[^filippenzen-2-25-90] afgezondene, en[^filippenzen-2-25-91] dienaar van wat ik nodig heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v25)

**26** Omdat hij vurig verlangde[^filippenzen-2-26-92] naar u allen, en zeer[^filippenzen-2-26-93] angstig was, omdat u gehoord had, dat[^filippenzen-2-26-94] hij ziek was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v26)

**27** En hij is ook ziek geweest[^filippenzen-2-27-95] tot nabij de dood; maar God heeft Zich[^filippenzen-2-27-96] over hem ontfermd; en niet alleen over hem, maar ook[^filippenzen-2-27-97] over mij, opdat ik niet verdriet op verdriet[^filippenzen-2-27-98] zou[^filippenzen-2-27-99] hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v27)

**28** Zo heb ik dan hem[^filippenzen-2-28-100] des te sneller gezonden, opdat u, hem ziende, opnieuw u zou verblijden, en ik minder verdriet zou hebben.[^filippenzen-2-28-101] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v28)

**29** Ontvang hem dan in de Heere, met alle blijdschap,[^filippenzen-2-29-y] en houdt zulke mensen in ere.[^filippenzen-2-29-102][^filippenzen-2-29-103][^filippenzen-2-29-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v29)

**30** Want om het werk van Christus was hij tot nabij de dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het tekort van uw bediening aan mij vervullen zou.[^filippenzen-2-30-105][^filippenzen-2-30-106][^filippenzen-2-30-107][^filippenzen-2-30-108][^filippenzen-2-30-109] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/2.html#v30)

[^filippenzen-2-1-1]: Kanttekening 1: Of, vermaning. Want het Griekse woord betekent liefde.
[^filippenzen-2-1-2]: Kanttekening 2: Of, plaats heeft bij u; of bij u gelden mag.
[^filippenzen-2-1-3]: Kanttekening 3: in Christus: Dat is, in Christus' naam, of om Christus' wil.
[^filippenzen-2-1-4]: Kanttekening 4: troost is: Dat is, troostelijke aanspraak.
[^filippenzen-2-1-5]: Kanttekening 5: van de liefde: Dat is, uit oprechte liefde gedaan.
[^filippenzen-2-1-6]: Kanttekening 6: gemeenschap is van de Geest: Dat is, zo u ook de genade van de wedergeboorte toont in het betrachten van deze vermaning. Of zo u door éénen geest aan elkaar verbonden bent.
[^filippenzen-2-1-7]: Kanttekening 7: innerlijke bewegingen: Grieks ingewanden. Zie Filipp. 1:8 . Filippensen 1:8 : Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus.
[^filippenzen-2-1-8]: Kanttekening 8: Dat is, medelijden, namelijk met mijne banden en verdrukkingen. Zie Kol. 3:12 ; Hebr. 10:28 . Kolossensen 3:12 : Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid; Hebreeën 10:28 : Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;
[^filippenzen-2-2-9]: Kanttekening 9: vervult mijn blijdschap: Dat is, vermeerdert die hoe langer hoe meer met uw Christelijke wandel.
[^filippenzen-2-2-a]: Verwijzing a: Rom. 12:16 ; Rom. 15:5 ; 1 Kor. 1:10 ; Filip. 3:16 ; 1 Petr. 3:8 . Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. Romeinen 15:5 : Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 1 Korinthiërs 1:10 : Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippensen 3:16 : Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 1 Petrus 3:8 : En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^filippenzen-2-2-10]: Kanttekening 10: eensgezind zijn: Door deze enigheid van zinnen wordt verstaan, niet alleen enerlei gevoelen in het verstand, aangaande hoofdstukken van de Christelijke leer, maar ook enigheid in wil, genegenheden en liefde, gelijk hetzelfde hier ook uitgedrukt wordt. Zie Hand. 4:32 . Handelingen 4:32 : En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
[^filippenzen-2-2-11]: Kanttekening 11: van een gemoed: Grieks van ééne ziel; of, de zielen tezamengevoegd hebbende.
[^filippenzen-2-3-b]: Verwijzing b: Rom. 12:10 ; 1 Petr. 5:5 . Romeinen 12:10 : Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. 1 Petrus 5:5 : Evenzo u jongen, zijt de ouden onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^filippenzen-2-3-12]: Kanttekening 12: Namelijk van gaven, of van diensten.
[^filippenzen-2-4-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 10:24 ; 1 Kor. 13:5 . 1 Korinthiërs 10:24 : Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iedereen zoeke dat van de anderen is. 1 Korinthiërs 13:5 : Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
[^filippenzen-2-4-13]: Kanttekening 13: zie niet op: Namelijk voornamelijk, of, alleen. Want anders moet ook een Christen zijne huisgenoten verzorgen, 1 Tim. 5:8 . De apostel gebruikt hier een woord, dat eigenlijk betekent te zien op iets als op een doelwit waar men naar schiet. 1 Timotheüs 5:8 : Maar zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.
[^filippenzen-2-4-14]: Kanttekening 14: het zijne: Dat is, zijn voordeel, eer, of gemak.
[^filippenzen-2-4-15]: Kanttekening 15: van de anderen is: Dat is, dat tot zijns naasten voordeel, eer, dienst en stichting strekt.
[^filippenzen-2-5-d]: Verwijzing d: Matt. 11:29 ; Joh. 13:15 ; 1 Petr. 2:21 ; 1 Joh. 2:6 . Mattheüs 11:29 : Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. Johannes 13:15 : Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet. 1 Petrus 2:21 : Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zoudt navolgen; 1 Johannes 2:6 : Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf zo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.
[^filippenzen-2-5-16]: Kanttekening 16: dat gevoelen: Grieks hetzelfde worde gevoeld; dat is, dat dan in u dezelfde gezindheid en genegenheid zij tot nederigheid.
[^filippenzen-2-6-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 4:4 ; Kolos. 1:15 ; Hebr. 1:3 . 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Kolossensen 1:15 : Dewelke het Beeld is van de onzichtbare Gods, de Eerstgeborene alle kreaturen. Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^filippenzen-2-6-17]: Kanttekening 17: gestalte van God: Grieks morphe; dat is, gedaante, of, gestalte, met welk woord hetzelfde hier overgezet is, omdat daardoor hier betekend wordt, niet alleen een goddelijke majesteit en heerlijkheid, maar ook het goddelijke wezen zelf, omdat zonder hetzelfde geen ware goddelijke majesteit en heerlijkheid kan wezen, en deze ook bij niemand kunnen zijn dan bij de waarachtige God, Jes. 42:8 . En uit het volgende blijkt dat door dit woord hier ook het wezen Gods betekend wordt, gelijk gezegd wordt, vers 6 , dat hij God evengelijk was, en vers 7 , dat hij de gestalte van een dienaar heeft aangenomen; dat is, niet alleen een dienstbare en knechtelijke hoedanigheid, maar ook een ware menselijke natuur zelve met zodanige hoedanigheid bekleed. Zodat de woorden gestalte van God te verstaan zijn van zijn wezen en staat, in welke hij geweest is van alle eeuwigheid, voordat hij de menselijke natuur heeft aangenomen. Zie Joh. 1:1 , 1:14 , en Joh. 17:5 . Jesaja 42:8 : Ik ben YHWH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof aan de gesneden beelden. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 17:5 : En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was.
[^filippenzen-2-6-18]: Kanttekening 18: geen roof: Dat is, geen zaak die ongeoorloofd, of onrechtvaardig was, die Hem met recht niet toebehoorde, alsof Hij ze geroofd had.
[^filippenzen-2-6-19]: Kanttekening 19: voor God even gelijk te zijn: Dat is, God Zijn Vader naar Zijn goddelijk wezen, en dienvolgens ook in majesteit en heerlijkheid volkomen gelijk te zijn en te blijven, als zijnde één met de Vader. Zie Joh. 5:18 , 5:26 , en Joh. 10:20 , en Joh. 16:15 ; Hebr. 1:3 . Johannes 5:18 : Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zei, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelf God evengelijk makende. Johannes 5:26 : Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelf; Johannes 10:20 : En velen van hen zeiden: Hij heeft de duivel, en is uitzinnig; wat hoort u Hem? Johannes 16:15 : Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^filippenzen-2-7-f]: Verwijzing f: Ps. 8:6 . Psalmen 8:6 : En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
[^filippenzen-2-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk geheel vrijwillig.
[^filippenzen-2-7-21]: Kanttekening 21: Grieks verijdeld; of leeg gemaakt; dat is, heeft het gebruik van Zijn goddelijke heerlijkheid voor een tijd, om het werk onzer verlossing in de staat van de nederigheid te volbrengen, gelijk als afgelegd, en Zich daarvan gelijk als leeg gemaakt, en in Zijn menselijke natuur verborgen gehouden, alleen enige kleine stralen derzelve door Zijne wonderwerken en anders, altemet latende schijnen, Joh. 1:14 , en Joh. 2:11 . In het volgende vers 8 wordt het verklaard met het woord vernederd. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 2:11 : Dit begin van de tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem. Filippensen 2:8 : En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^filippenzen-2-7-22]: Kanttekening 22: de gestalte: Dit wordt verklaard met de volgende woorden, namelijk dat Hij een ware menselijke natuur heeft aangenomen, en met dezelfde een geheel nederigen en verachten staat, als van een slaaf of dienaar, om zo voor onze zonden te voldoen, en tot onze verlossing Zijn Vader te dienen. Zie Jes. 53:11 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
[^filippenzen-2-7-g]: Verwijzing g: Matt. 20:28 ; Joh. 13:14 . Mattheüs 20:28 : Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Johannes 13:14 : Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkanders voeten te groeien.
[^filippenzen-2-7-23]: Kanttekening 23: en is de mensen gelijk geworden: Grieks in gelijkmaking van de mensen geworden zijnde; dat is, de mensen gelijk gemaakt zijnde, namelijk niet alleen naar de menselijke natuur door Hem aangenomen, maar ook naar alle zwakheden derzelve, zonder zonde. Zie Hebr. 2:17 , en Hebr. 4:15 . Of, als een slecht en veracht mens. Zie Richt. 16:7 , 16:11 , Ps. 82:7 . Hebreeën 2:17 : Waarom Hij in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen. Hebreeën 4:15 : Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. Richteren 16:7 : En Simson zei tot haar: Als zij mij bonden met zeven verse zelen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens. Richteren 16:11 : En hij zei tot haar: Als zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens. Psalmen 82:7 : Nochtans zult u sterven als een mens; en als één van de vorsten zult u vallen.
[^filippenzen-2-8-h]: Verwijzing h: Hebr. 2:14 ; idem 2:17 ; Hebr. 4:15 . Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Hebreeën 2:17 : Waarom Hij in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen. Hebreeën 4:15 : Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde.
[^filippenzen-2-8-24]: Kanttekening 24: in gedaante: Daardoor wordt verstaan hetzelfde dat tevoren genoemd is gestalte en gelijkmaking; gevoegd met de uitwendige wandel onder de mensen.
[^filippenzen-2-8-25]: Kanttekening 25: Dat is, bevonden te zijn.
[^filippenzen-2-8-26]: Kanttekening 26: als een mens: Dat is, als een waar en ook als een slecht en veracht mens. Zie vers 7 . Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^filippenzen-2-8-27]: Kanttekening 27: Hij Zichzelf vernederd: Zie het voorgaande vers vers 7 . Filippensen 2:7 : Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^filippenzen-2-8-i]: Verwijzing i: Hebr. 2:9 ; Hebr. 12:2 . Hebreeën 2:9 : Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou. Hebreeën 12:2 : Ziende op de oversten Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.
[^filippenzen-2-8-28]: Kanttekening 28: gehoorzaam geworden: Namelijk Zich aan de wil van Zijn Vader in alles gewillig onderwerpende.
[^filippenzen-2-8-29]: Kanttekening 29: tot de dood: Dat is, niet alleen in allerlei bevelen, maar ook in de zwaarste, om de dood te sterven; die Hij anders niet onderworpen was, noch naar Zijn goddelijke natuur, die onsterflijk is, 1 Tim. 1:17 ; noch naar Zijn menselijke, omdat in dezelfde gene zonde was, 1 Joh. 3:5 , en daarom de bezolding derzelve niet verdiend had, Rom. 6:23 . 1 Timotheüs 1:17 : De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 1 Johannes 3:5 : En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem. Romeinen 6:23 : Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.
[^filippenzen-2-8-30]: Kanttekening 30: de dood van het kruis: Dat is, de allerbitterste en allersmadelijkste dood, die ook van God vervloekt was, Deut. 21:23 . Onder deze uiterste trap van vernedering begrijpt de apostel alle andere, die dezelfde voorgegaan zijn naar lichaam en naar ziel, en drukt deze uit om te beter de uiterste vernedering van Christus voor ogen te stellen, en de gelovigen daarmede tot nederigheid te vermanen. Deuteronomium 21:23 : Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u YHWH, uw God, ten erve geeft.
[^filippenzen-2-9-31]: Kanttekening 31: Daarom heeft: Met dit woord daarom wordt niet aangewezen dat Christus met deze vernedering de volgende heerlijkheid voor Zichzelf zou verdiend hebben; want al wat Christus verdiend heeft, dat heeft Hij voor ons verdiend, Joh. 17:19 ; maar wijst alleen aan wat hierop gevolgd is, of passend was te volgen. Zie dergelijke Hand. 20:26 ; Hebr. 3:7 ; 2 Petr. 1:10 . Johannes 17:19 : En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. Handelingen 20:26 : Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen. Hebreeën 3:7 : Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort, 2 Petrus 1:10 : Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult u nimmermeer struikelen.
[^filippenzen-2-9-k]: Verwijzing k: Hand. 2:33 . Handelingen 2:33 : Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.
[^filippenzen-2-9-32]: Kanttekening 32: Namelijk de Vader.
[^filippenzen-2-9-33]: Kanttekening 33: bovenmate verhoogd: Namelijk nadat Hij van de doden opgestaan en ten hemel opgevaren zijnde, ter rechterhand van God gezet is in de hoogste heerlijkheid, Ef. 1:20 ; Hebr. 1:3 , welke Hij wel naar Zijn goddelijke natuur van eeuwigheid heeft gehad, Joh. 17:5 ; maar zo hij het gebruik van die in de staat van Zijn nederigheid gelijk als afgelegd had, zo heeft Hij hetzelfde na Zijne hemelvaart opnieuw aangenomen en heerlijk vertoond, en Zijn menselijke natuur is naar lichaam en naar ziel met zo hoge heerlijkheid en gelukzaligheid versierd, als een schepsel ontvangen kan, verre tebovengaande alle heerlijkheid van engelen en andere mensen. Efeziërs 1:20 : Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Johannes 17:5 : En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was.
[^filippenzen-2-9-34]: Kanttekening 34: een Naam: Daardoor wordt verstaan niet de blote naam, waardoor hij van andere mensen onderscheiden is; want die heeft Hij ook in de staat van Zijn nederheid gehad; noch ook alleen de vermaardheid van Zijn persoon, maar de majesteit en heerlijkheid daarvan. Zie Ef. 1:21 . Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;
[^filippenzen-2-9-l]: Verwijzing l: Hebr. 1:4 . Hebreeën 1:4 : Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitmuntender Naam boven hen geërfd heeft.
[^filippenzen-2-9-35]: Kanttekening 35: Of, geschonken. Zie Filipp. 1:29 . Waarmee te kennen gegeven wordt dat deze verhoging geschied is naar de wil en het believen van de Vader. Filippensen 1:29 : Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;
[^filippenzen-2-9-36]: Kanttekening 36: boven alle naam is: Dat is, de allergrootste en hoogste heerlijkheid.
[^filippenzen-2-10-37]: Kanttekening 37: Of, zodat.
[^filippenzen-2-10-m]: Verwijzing m: Jes. 45:23 ; Rom. 14:11 . Jesaja 45:23 : Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. Romeinen 14:11 : Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.
[^filippenzen-2-10-38]: Kanttekening 38: in de Naam: Dat is, deze Jezus Christus aldus verheerlijkt zijnde, en vanwege deze Zijne heerlijkheid.
[^filippenzen-2-10-39]: Kanttekening 39: buigen alle knie: Dat is, alle redegebruikende schepselen zich onderwerpen, zelfs ook Zijne vijanden tegen hun dank. De apostel ziet hier op wat God zegt, Jes. 45:23 , en past dit hier op Jezus Christus toe, gelijk ook Rom. 14:11 . Deze woorden moeten dan niet eigenlijk verstaan worden, te weten, dat als de naam Jezus genoemd wordt, men de knieën zou moeten buigen, gelijk sommigen uit misverstand van deze plaats, niet zonder bijgeloof doen, want de engelen en boze geesten, van welke hier ook gesproken wordt, eigenlijk geen knieën hebben; maar bij gelijkenis van de uiterlijke eerbied, die men koningen of prinsen daarmede betoont, onder welke men staat, wordt hier verstaan de onderwerping van alle schepselen onder Christus, als de Heer van de heren, en Koning van de koningen, Openb. 19:16 , de overste van de koningen van de aarde, Openb. 1:5 , en de Heer overal, Hand. 10:36 . Jesaja 45:23 : Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. Romeinen 14:11 : Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren. Openbaring 1:5 : En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Handelingen 10:36 : Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft aan de kinderen van Israël, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heer van allen.
[^filippenzen-2-10-40]: Kanttekening 40: die in de hemel: Namelijk de heilige engelen en zalige zielen, Openb. 5:13 . Openbaring 5:13 : En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelfde is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
[^filippenzen-2-10-41]: Kanttekening 41: die op de aarde: Dat is, alle mensen op de aarde levende.
[^filippenzen-2-10-42]: Kanttekening 42: die onder de aarde zijn: Dat is, alle mensen, die gestorven en in de graven zijn, of, ook alle boze geesten en verdoemde mensen, die in de hel zijn, dat is, alle redegebruikende schepselen in welke plaats van de geschapen wereld zij ook zouden mogen zijn. Want hoewel de duivelen en de goddeloze en verdoemde mensen Christus de behoorlijke onderdanigheid en eer niet tonen, zo moeten zij nochtans, ook tegen hun dank, Hem, als de Heer en Rechter over allen, onderworpen zijn. Zie Ps. 22:30 , en Ps. 72:9 . Psalmen 22:30 : Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. Psalmen 72:9 : De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken.
[^filippenzen-2-11-n]: Verwijzing n: Joh. 13:13 ; 1 Kor. 8:6 ; 1 Kor. 12:3 . Johannes 13:13 : U heet Mij Meester en Heer; en u zegt wel, want Ik ben het. 1 Korinthiërs 8:6 : Nochtans hebben wij maar een God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heer, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem. 1 Korinthiërs 12:3 : Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heer te zijn, dan door de Heilige Geest.
[^filippenzen-2-11-43]: Kanttekening 43: alle tong zou belijden: Namelijk van alle natiën en volken, en ook van alle redegebruikende schepselen, niet alleen van de goeden maar ook van de kwaden, dewelke, hoe zeer zij zich tegen Christus stellen, evenwel Hem, tegen hun dank, dikwijls hebben moeten belijden, Mark. 5:7 ; Hand. 16:17 ; en zullen in het laatste oordeel Hem moeten erkennen voor de Rechter van de levenden en van de doden, en voor de Heer, Matt. 7:22 . Marcus 5:7 : En met een grote stem roepende, zei hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt! Handelingen 16:17 : Dezelfde volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienaren van God, de Allerhoogste, die ons de weg van de zaligheid verkondigen. Mattheüs 7:22 : Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?
[^filippenzen-2-11-44]: Kanttekening 44: dat Jezus Christus de Heer zij: Of, dat de Heer Jezus zij Christus, dat is, de Gezalfde.
[^filippenzen-2-11-45]: Kanttekening 45: tot heerlijkheid: Dat is, welke belijdenis strekt tot uitbreiding van de heerlijkheid van de Vader, die uit enkel barmhartigheid en genade tegenover ons, deze Zijn Zoon Jezus tot een Heer en Zaligmaker gesteld en gegeven heeft.
[^filippenzen-2-12-46]: Kanttekening 46: gehoorzaam geweest zijt: Namelijk het Evangelie, hetzelfde met een waar geloof aannemende, en met een godzaligen wandel belevende.
[^filippenzen-2-12-47]: Kanttekening 47: werkt uws zelfs: Dat is, benaarstigt, bearbeidt, gebruikende de middelen die God tot bevordering derzelve heeft verordineerd.
[^filippenzen-2-12-48]: Kanttekening 48: met vreze en beven: Dat is, met een nederig gevoelen van uzelven en met grote en kinderlijke zorgvuldigheid, vrezende dat u iets zoudt mogen doen of nalaten, waarmee u God zoudt mogen vertoornen, of dat ter zaligheid hinderlijk zou mogen zijn. Zie van deze wijze van spreken Ps. 2:11 ; 1 Kor. 2:3 ; 2 Kor. 7:15 ; Ef. 6:5 ; Hebr. 12:28 ; 1 Petr. 1:17 . Psalmen 2:11 : Dient YHWH met vreze, en verheugt u met beving. 1 Korinthiërs 2:3 : En ik was bij u in zwakheid, en in vreze, en in vele beving. 2 Korinthiërs 7:15 : En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger tegenover u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe u hem met vreze en beven hebt ontvangen. Efeziërs 6:5 : U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Hebreeën 12:28 : Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welgevallig voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 1 Petrus 1:17 : En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar van een ieder werk, zo wandelt in vreze de tijd uw inwoning;
[^filippenzen-2-13-o]: Verwijzing o: 2 Kor. 3:5 . 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;
[^filippenzen-2-13-49]: Kanttekening 49: Die in u werkt: Dit wordt daarbij gedaan opdat men uit deze voorgaande vermaning niet zou denken of besluiten, dat de mens uit zichzelf en door zijn eigen krachten de zaligheid zou kunnen werken. Zie Filipp. 1:6 ; 2 Kor. 3:5 ; Jak. 1:17 . Filippensen 1:6 : Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus; 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^filippenzen-2-13-50]: Kanttekening 50: het willen: Dat is, niet alleen het kunnen willen, maar ook het willen zelf; de wil krachtiglijk neigende en buigende om het goede te verkiezen, en zo van onwilligen gewilligen makende, door de kracht van de Heiligen Geestes; Joh. 3:5 , en Joh. 6:44 ; Rom. 9:16 ; 1 Petr. 1:3 . Johannes 3:5 : Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan. Johannes 6:44 : Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Romeinen 9:16 : Zo is het dan niet degene, die wil, noch degene, die loopt, maar van de ontfermenden Gods. 1 Petrus 1:3 : Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
[^filippenzen-2-13-51]: Kanttekening 51: het werken: Of, het uitwerken; dat is, het doen en volbrengen van het goede dat men wil.
[^filippenzen-2-13-52]: Kanttekening 52: naar Zijn welbehagen: Dat is, niet naar enige voorgaande goede schikking of voorbereiding, die Hij in de mens zou vinden, maar naar Zijn believen, uit loutere genade. Zie Ef. 1:5 , 1:9 , 1:11 , en Ef. 2:8 ; 2 Tim. 1:9 . Efeziërs 1:5 : Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil. Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. Efeziërs 1:11 : In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; Efeziërs 2:8 : Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; 2 Timotheüs 1:9 : Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen;
[^filippenzen-2-14-p]: Verwijzing p: Rom. 12:17 ; 1 Petr. 2:12 . Romeinen 12:17 : Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 1 Petrus 2:12 : En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking.
[^filippenzen-2-14-53]: Kanttekening 53: alle dingen: Namelijk die u de Heer beveelt, hoe zwaar die ook het vlees zouden mogen zijn.
[^filippenzen-2-14-54]: Kanttekening 54: zonder morren: Dat is, gewillig en geduldig.
[^filippenzen-2-14-q]: Verwijzing q: 1 Petr. 4:9 . 1 Petrus 4:9 : Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren.
[^filippenzen-2-14-55]: Kanttekening 55: Of, twistingen, overleggingen; namelijk, of u wat God gebiedt zult doen of niet. Want het Griekse woord betekent òf in zijn gemoed, òf met woorden, over en weer disputeren of knibbelen.
[^filippenzen-2-15-56]: Kanttekening 56: Dat is, zo dat de mensen uw wandel met recht niet mogen berispten. Zie Luk. 1:6 ; Ef. 5:26 , 5:27 . Lukas 1:6 : En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Heer, onberispelijk. Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^filippenzen-2-15-57]: Kanttekening 57: oprecht zijn: Of, eenvoudig, zonder bedrog. Zie Matt. 10:16 . Mattheüs 10:16 : Ziet, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.
[^filippenzen-2-15-58]: Kanttekening 58: een krom: Dat is, ongelovige en onwedergeboren mensen. Zie Hand. 2:40 . Handelingen 2:40 : En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
[^filippenzen-2-15-r]: Verwijzing r: Spreuk. 4:18 ; Matt. 5:14 . Spreuken 4:18 : Maar het pad van de rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de vollen dag toe. Mattheüs 5:14 : U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
[^filippenzen-2-15-59]: Kanttekening 59: Namelijk mensen.
[^filippenzen-2-15-60]: Kanttekening 60: u schijnt als: Dat is, voortaan ook moet schijnen en voorlichten.
[^filippenzen-2-15-61]: Kanttekening 61: lichten in de wereld: Of, voorlichters, gesternten. Zie Spreuk. 4:18 ; Matt. 5:14 . Spreuken 4:18 : Maar het pad van de rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de vollen dag toe. Mattheüs 5:14 : U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.
[^filippenzen-2-16-62]: Kanttekening 62: Dat is, de gezonde leer van het Evangelie standvastig behoudende, belijdende en betrachtende, of voordragende.
[^filippenzen-2-16-63]: Kanttekening 63: Dat is, in dat ons het eeuwige leven, en de weg om daartoe te komen, aangewezen wordt, en dat ons daartoe leidt. Zie Joh. 6:68 . Johannes 6:68 : Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heer, tot Wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden van de eeuwigen levens.
[^filippenzen-2-16-s]: Verwijzing s: 2 Kor. 1:14 ; 1 Thes. 2:19 . 2 Korinthiërs 1:14 : Zoals u ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk u ook de onze bent, in de dag van de Heer Jezus. 1 Thessalonicensen 2:19 : Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roems? Bent u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^filippenzen-2-16-64]: Kanttekening 64: de dag van: Namelijk als Hij zal komen om alle mensen te oordelen, of mij uit dit leven te verlossen.
[^filippenzen-2-16-65]: Kanttekening 65: Namelijk in de loopbaan van mijn dienst aan u bediend door de predikatie van dit woord.
[^filippenzen-2-17-66]: Kanttekening 66: ik ook: Namelijk mijn bloed vergietende vanwege het Evangelie.
[^filippenzen-2-17-67]: Kanttekening 67: tot een drankoffer: Het Griekse woord betekent zo geofferd te worden, gelijk in het Oude Testament, naast het offer van meel, ook wijn tot drankoffer opgeofferd werd. De apostel ziet hier op het storten zijns bloed; want het bloed van de martelaren is de Heer een aangename offerande; Ps. 116:15 . Psalmen 116:15 : Kostelijk is in de ogen van YHWH de dood Zijn gunstgenoten.
[^filippenzen-2-17-68]: Kanttekening 68: over de offerande: Dat is, omdat ik u door de predikatie van het Evangelie Gods gelijk als opgeofferd en toegeheiligd heb, en daarmede u gediend heb, om tot het geloof te brengen, waarin u door mijn dood zult bevestigd worden.
[^filippenzen-2-17-69]: Kanttekening 69: Grieks Leitourgia. Zie van dit woord Rom. 15:16 ; 2 Kor. 9:12 ; Hebr. 8:2 , 8:6 . Romeinen 15:16 : Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande van de heidenen aangenaam worde, geheiligd door de Heilige Geest. 2 Korinthiërs 9:12 : Want de bediening van deze dienst vervult niet alleen het gebrek van de heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; Hebreeën 8:2 : Een Dienaar van het heiligdom, en van de waren tabernakels, welke de Heer heeft opgericht, en geen mens. Hebreeën 8:6 : En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is.
[^filippenzen-2-17-t]: Verwijzing t: 2 Kor. 7:4 . 2 Korinthiërs 7:4 : Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.
[^filippenzen-2-18-70]: Kanttekening 70: verblijdt u: Dit kan verstaan worden of vermanender wijze, dat zij zich dan zullen verblijden; of, verhalenderwijze, dat zij zulks deden.
[^filippenzen-2-19-71]: Kanttekening 71: in de Heer: Dat is, met hulp en door de genade van de Heer, zo het Hem zal believen. Zie Hand. 18:21 ; 1 Thess. 3:2 . Handelingen 18:21 : Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze. 1 Thessalonicensen 3:2 : En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;
[^filippenzen-2-19-v]: Verwijzing v: Hand. 16:1 ; Rom. 16:21 ; 1 Thes. 3:2 . Handelingen 16:1 : En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Romeinen 16:21 : U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten. 1 Thessalonicensen 3:2 : En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;
[^filippenzen-2-20-72]: Kanttekening 72: even zo gemoed: Grieks gelijkzielig; dat is, die u even zo goed hart toedraagt als ik en als hij.
[^filippenzen-2-20-73]: Kanttekening 73: Het Griekse woord betekent eigenlijk zo oprecht, als het van de natuur zelve komt, gelijk de ouders voor hunne kinderen zorgen, die van hen geboren zijn.
[^filippenzen-2-20-74]: Kanttekening 74: uw zaken zal: Namelijk die aangaan de stichting van uwe gemeente en uwe zaligheid.
[^filippenzen-2-21-x]: Verwijzing x: 1 Kor. 10:24 ; 1 Kor. 13:5 . 1 Korinthiërs 10:24 : Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iedereen zoeke dat van de anderen is. 1 Korinthiërs 13:5 : Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;
[^filippenzen-2-21-75]: Kanttekening 75: Dat is, bijna allen, of meest allen, gelijk Matt. 10:22 ; Mark. 1:5 ; Joh. 10:8 . Mattheüs 10:22 : En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. Marcus 1:5 : En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden. Johannes 10:8 : Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.
[^filippenzen-2-21-76]: Kanttekening 76: het hunne: Dat is, hun eigen gemak, nut, of eer.
[^filippenzen-2-21-77]: Kanttekening 77: wat van Christus: Dat is, wat tot bevordering van Christus' rijk, eer en leer behoort.
[^filippenzen-2-22-78]: Kanttekening 78: zijn beproeving: Dat is, de proefstukken van zijne oprechtheid en getrouwheid, die hij voor deze dikwijls heeft getoond. Of, hoe dat hij altijd oprecht en getrouw bevonden is geweest.
[^filippenzen-2-22-79]: Kanttekening 79: als een kind: Dat is, niet als een knecht uit bedwang, maar met een onderdanige en bereidwillige genegenheid. Zie 1 Kor. 4:17 ; 2 Tim. 2:1 . 1 Korinthiërs 4:17 : Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer. 2 Timotheüs 2:1 : U dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is;
[^filippenzen-2-22-80]: Kanttekening 80: met mij gediend: Dat is, mij geholpen heeft in het verkondigen, verbreiden en verdedigen van de leer van het Evangelie.
[^filippenzen-2-23-81]: Kanttekening 81: Namelijk Timotheüs, zulk een treffelijk jonge man en getrouw leraar, die mij zo dienstig en behulpzaam is geweest.
[^filippenzen-2-23-82]: Kanttekening 82: ogenblikkelijk: Dit kan, òf tot het woord zenden, òf tot het woord voorzien, gevoegd worden.
[^filippenzen-2-23-83]: Kanttekening 83: mijn zaken: Namelijk die aangaan de bediening van mijn ambt.
[^filippenzen-2-24-84]: Kanttekening 84: Dat is, ik hoop vastelijk en twijfel weinig daaraan; want dit betekent hier niet een vaste zekerheid van de harten, maar een grote en sterke hoop. Zie Filipp. 1:25 . Filippensen 1:25 : En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap van het geloof;
[^filippenzen-2-25-85]: Kanttekening 85: tot u te: Namelijk nu meteen met deze zendbrief.
[^filippenzen-2-25-86]: Kanttekening 86: Zie van hem ook Filipp. 4:18 . Sommige menen, dat hij dezelfde zou zijn die Epafras genaamd wordt, Kol. 1:7 , en Kol. 4:12 ; Filem. v. 23 , maar dat is onzeker. Filippensen 4:18 : Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, voor God welgevallig. Kolossensen 1:7 : Gelijk u ook geleerd hebt van Epafras, onze geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u; Kolossensen 4:12 : U groet Epafras, die uit de uw is, een dienaar van Christus, te alle tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God. Filemon 1:23 : U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,
[^filippenzen-2-25-87]: Kanttekening 87: mijn broeder: Dat is, mijn medebroeder en een leraar van de Heiligen Evangelies.
[^filippenzen-2-25-88]: Kanttekening 88: Namelijk in het werk van de verkondiging van het Evangelie.
[^filippenzen-2-25-89]: Kanttekening 89: Namelijk in de geestelijken strijd tegen de vijanden van het Evangelie, met grote moeite en gevaar zijns levens.
[^filippenzen-2-25-90]: Kanttekening 90: Grieks Apostolon; welk woord in het bijzonder betekent enen die van Christus zelf geroepen en uitgezonden is, om het Evangelie te prediken door de gehele wereld, Gal. 1:1 ; Ef. 4:11 ; maar hier wordt het breder genomen in het algemeen, voor een die van iemand afgezonden is, om uit zijn naam of voor zich iets uit te brengen wat zij tot zijn onderhoud toegevoegd hadden. Of ook, uw leraar; want zo wordt dit woord ook somtijds genomen voor allerlei leraars. Zie Rom. 16:7 ; 2 Kor. 8:23 . Galaten 1:1 : Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; Romeinen 16:7 : Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn. 2 Korinthiërs 8:23 : Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten van de Gemeenten, en een eer van Christus.
[^filippenzen-2-25-91]: Kanttekening 91: Waarom de apostel hem zo noemt, wordt breder verklaard Filipp. 4:23 . Filippensen 4:23 : De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen. Amen.
[^filippenzen-2-26-92]: Kanttekening 92: naar u allen: Dat is, om u allen weer te zien en bij u te zijn.
[^filippenzen-2-26-93]: Kanttekening 93: angstig was: Het Griekse woord betekent een zeer bekommerlijke verwachting van enig kwaad of leed, met grote benauwdheid van de harten. Zie Matt. 26:37 ; Mark. 14:33 . Mattheüs 26:37 : En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeüs, begon Hij droevig en zeer angstig te worden. Marcus 14:33 : En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer angstig te worden;
[^filippenzen-2-26-94]: Kanttekening 94: u gehoord hadt: Namelijk wist dat u, die Hem zo lief en waard hebt, daarover ten uiterste zoudt bedroefd zijn.
[^filippenzen-2-27-95]: Kanttekening 95: tot nabij de dood: Dat is, zo dat hij in groot gevaar is geweest, dat hij aan die ziekte zou gestorven zijn.
[^filippenzen-2-27-96]: Kanttekening 96: zijn ontfermd: Dat is, heeft hem uit genade bij het leven behouden en tot gezondheid wedergebracht.
[^filippenzen-2-27-97]: Kanttekening 97: ook mijner: Namelijk zo ik houd de genade, die hem geschied is, alsof zij mijzelf gedaan ware, om de hulp die ik van hem heb.
[^filippenzen-2-27-98]: Kanttekening 98: verdriet op: Namelijk om de dood van zo een treffelijk leraar en dienstig werktuig in de kerk van God.
[^filippenzen-2-27-99]: Kanttekening 99: verdriet zou hebben: Namelijk die mij in deze banden van de vijanden van het Evangelie dagelijks aangedaan wordt.
[^filippenzen-2-28-100]: Kanttekening 100: te spoediger gezonden: Namelijk zo haast hij weer gezond is geworden. Of, te vlijtiger, te naarstiger.
[^filippenzen-2-28-101]: Kanttekening 101: te min zou: Namelijk gelijk ik ben geweest als u uw getrouwen leraar zo lang hebt moeten ontberen.
[^filippenzen-2-29-y]: Verwijzing y: 1 Kor. 9:14 ; Galat. 6:6 ; 1 Thes. 5:12 ; 1 Tim. 5:17 ; Hebr. 13:17 . 1 Korinthiërs 9:14 : Zo heeft ook de Heer bestemd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. Galaten 6:6 : En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst. 1 Thessalonicensen 5:12 : En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heer, en u vermanen; 1 Timotheüs 5:17 : Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Hebreeën 13:17 : Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^filippenzen-2-29-102]: Kanttekening 102: in de Heer: Dat is, vanwege de Heer, wiens dienaar hij is; of, onthaalt niet met een wereldse vreugde, maar gelijk de Heer aangenaam is.
[^filippenzen-2-29-103]: Kanttekening 103: Dat is, die dienaren zijn van het Evangelie, en voornamelijk die zo getrouw zijn als hij en Timotheüs.
[^filippenzen-2-29-104]: Kanttekening 104: in waarde: Of, in eer; of, dierbaar.
[^filippenzen-2-30-105]: Kanttekening 105: om het werk: Dat is, om het werk waartoe Christus hem beroepen had; of, dat hij tot verbreiding van het rijk van Christus en tot Zijne eer aangenomen had. Waardoor verstaan wordt, òf in het algemeen de dienst van het Woord met al wat daaraan kleeft, òf in het bijzonder de dienst, die hij de apostel gedaan had, in het overbrengen van wat de Filippensen hem gezonden hadden, en die hij nog deed in hem te dienen in zijne banden; dat alles ook strekte tot verbreiding en dienst van het rijk van Christus.
[^filippenzen-2-30-106]: Kanttekening 106: tot nabij de dood: Dat is, is in groot gevaar zijns levens geweest, namelijk òf op die gevaarlijke reis, òf hier te Rome, omdat hij mij helpt en dient in het Evangelie te verbreiden.
[^filippenzen-2-30-107]: Kanttekening 107: zijn leven: Grieks zijne ziel.
[^filippenzen-2-30-108]: Kanttekening 108: niet achtende: Het Griekse woord betekent raad nemen zonder op zijn ziel of leven te achten of te letten; dat is, dat hij, overlegd hebbende wat hij behoorde te doen, zijn leven in gevaar te stellen, of zijn dienst na te laten, besloten en raad genomen heeft zijn leven liever te wagen.
[^filippenzen-2-30-109]: Kanttekening 109: het tekort: Dat is, opdat, omdat u zelf hier niet tegenwoordig kunt zijn om mij te dienen in mijne banden, hij in uw aller plaats hetzelfdezou mogen doen. Grieks uw tekort van de bediening aan mij.

### Filippenzen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/filippenzen/3.json)

*1 De apostel waarschuwt de Filippenzen verder tegen de verleiding van de valse apostelen, die de Wet en het Evangelie samen vermengden. 3 en leert daartegen dat niet de uiterlijke besnijdenis, maar de geestelijke ter zaligheid nodig is. 4 wat hij met zijn eigen voorbeeld en geloof bevestigt. 5 En tot dat doel verhaalt hij dat hij ook al die uiterlijke voordelen had waarop dezen zich beroemden. 7 maar dat hij die dingen niet achtte, en daarop geen vertrouwen stelde, maar alleen op Christus. 9 niet steunend op zijn eigen gerechtigheid die uit de Wet is, maar alleen op de gerechtigheid van Christus, die hij beschrijft met haar vruchten. 12 Erkent toch zijn onvolmaaktheid, hoezeer hij ook naar de volmaaktheid streeft. 15 En vermaant de Filippenzen dat zij hetzelfde ook doen, naar deze regel en naar zijn voorbeeld. 18 terwijl hij hen bestraft die anders deden, met verkondiging aan hen van het eeuwig verderf. 20 en troost de ware gelovigen met de heerlijkheid, ook van het lichaam, die de Heere Christus ons zal toebrengen.*

**1** Verder, mijn broeders,[^filippenzen-3-1-a] verblijdt u[^filippenzen-3-1-1] in de Heere.[^filippenzen-3-1-2] Deze dingen aan u te schrijven,[^filippenzen-3-1-3] is mij niet verdrietig, en[^filippenzen-3-1-4] het geeft u zekerheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v1)

**2** [^filippenzen-3-2-5][^filippenzen-3-2-b] Zie op de honden, ziet op de[^filippenzen-3-2-6] kwade arbeiders, ziet op de[^filippenzen-3-2-7] versnijding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v2)

**3** [^filippenzen-3-3-c] Want[^filippenzen-3-3-8] wij zijn[^filippenzen-3-3-9] de besnijding, wij, die[^filippenzen-3-3-d] God[^filippenzen-3-3-10] in de Geest dienen, en[^filippenzen-3-3-11] in Christus Jezus roemen, en niet in[^filippenzen-3-3-12] het vlees betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v3)

**4** [^filippenzen-3-4-13] Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; als[^filippenzen-3-4-14] iemand anders denkt te betrouwen in het vlees,[^filippenzen-3-4-15][^filippenzen-3-4-e] ik nog meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v4)

**5** [^filippenzen-3-5-16] Besneden op de achtste dag, uit het geslacht[^filippenzen-3-5-f] van Israël, van de stam[^filippenzen-3-5-g] van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën,[^filippenzen-3-5-17] naar de wet[^filippenzen-3-5-h] een Farizeër; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v5)

**6** [^filippenzen-3-6-18] Naar de ijver[^filippenzen-3-6-i] een vervolger[^filippenzen-3-6-19] van de Gemeente;[^filippenzen-3-6-20] naar de rechtvaardigheid, die in de wet is,[^filippenzen-3-6-21] zijnde onberispelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v6)

**7** [^filippenzen-3-7-k] Maar wat[^filippenzen-3-7-22] voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil[^filippenzen-3-7-23] als schade beschouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v7)

**8** Ja, zeker,[^filippenzen-3-8-24] ik acht ook[^filippenzen-3-8-25] alle dingen schade te zijn,[^filippenzen-3-8-l] om de uitnemendheid[^filippenzen-3-8-26] van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wie ik[^filippenzen-3-8-27] al die dingen schade gerekend heb, en acht die[^filippenzen-3-8-28] mest te zijn, opdat ik[^filippenzen-3-8-29] Christus mag winnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v8)

**9** En[^filippenzen-3-9-30] in Hem[^filippenzen-3-9-31] gevonden word,[^filippenzen-3-9-32] niet hebbende mijn rechtvaardigheid,[^filippenzen-3-9-33] die uit de wet is, maar[^filippenzen-3-9-34] die door het geloof van Christus is,[^filippenzen-3-9-35] namelijk de rechtvaardigheid,[^filippenzen-3-9-36][^filippenzen-3-9-m] die uit God is[^filippenzen-3-9-37] door het geloof; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v9)

**10** [^filippenzen-3-10-38] Opdat ik[^filippenzen-3-10-39] Hem[^filippenzen-3-10-40] kenne, en[^filippenzen-3-10-41] de kracht van Zijn opstanding,[^filippenzen-3-10-n] en[^filippenzen-3-10-42] de gemeenschap van Zijn lijden,[^filippenzen-3-10-43] Zijn dood gelijkvormig wordende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v10)

**11** [^filippenzen-3-11-44] Of ik enigszins mag komen[^filippenzen-3-11-45] tot de wederopstanding van de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v11)

**12** Niet dat ik[^filippenzen-3-12-46] het al gekregen heb, of al[^filippenzen-3-12-47] volmaakt ben; maar[^filippenzen-3-12-48] ik jaag er naar,[^filippenzen-3-12-49] of ik het ook grijpen mocht,[^filippenzen-3-12-50] waartoe[^filippenzen-3-12-51] ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v12)

**13** Broeders,[^filippenzen-3-13-52] ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v13)

**14** Maar[^filippenzen-3-14-53] één ding doe[^filippenzen-3-14-54] ik, vergetende, wat[^filippenzen-3-14-55] achter is, en[^filippenzen-3-14-56] strekkende mij[^filippenzen-3-14-57] tot wat voor is,[^filippenzen-3-14-58][^filippenzen-3-14-o] jaag ik[^filippenzen-3-14-59] naar het doel,[^filippenzen-3-14-60] tot de prijs[^filippenzen-3-14-61] van de roeping[^filippenzen-3-14-62] van God, die van boven is[^filippenzen-3-14-63] in Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v14)

**15** Zovelen dan als wij[^filippenzen-3-15-64] volmaakt zijn, laat ons[^filippenzen-3-15-65] dit gevoelen; en als u[^filippenzen-3-15-66] iets anders gevoelt, ook[^filippenzen-3-15-67] dat zal u God openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v15)

**16** Maar,[^filippenzen-3-16-68] daar wij toe gekomen zijn, laat ons[^filippenzen-3-16-p] daarin[^filippenzen-3-16-69] naar deze regel wandelen,[^filippenzen-3-16-q] laat ons hetzelfde gevoelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v16)

**17** Wees[^filippenzen-3-17-70] mee[^filippenzen-3-17-71][^filippenzen-3-17-r] mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die[^filippenzen-3-17-72] zo wandelen, zoals u ons[^filippenzen-3-17-s] tot een voorbeeld hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v17)

**18** [^filippenzen-3-18-t] Want[^filippenzen-3-18-73] velen wandelen anders; van wie ik u[^filippenzen-3-18-74] dikwijls gezegd heb, en[^filippenzen-3-18-75] nu ook[^filippenzen-3-18-76] huilend zeg, dat zij[^filippenzen-3-18-77] vijanden van het kruis van Christus zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v18)

**19** [^filippenzen-3-19-78]Hun einde is het verderf, hun God is de buik[^filippenzen-3-19-79], en[^filippenzen-3-19-80] hun heerlijkheid is in hun schande[^filippenzen-3-19-81], die[^filippenzen-3-19-82] aardse dingen[^filippenzen-3-19-83] bedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v19)

**20** [^filippenzen-3-20-v] Maar[^filippenzen-3-20-84] onze wandel[^filippenzen-3-20-85] is in de hemelen,[^filippenzen-3-20-86][^filippenzen-3-20-x] waaruit wij ook de Zaligmaker[^filippenzen-3-20-87] verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v20)

**21** [^filippenzen-3-21-y]Die ons[^filippenzen-3-21-88] vernederd lichaam[^filippenzen-3-21-89] veranderen zal, opdat hetzelfde[^filippenzen-3-21-90] gelijkvormig zou worden[^filippenzen-3-21-91] aan Zijn heerlijk[^filippenzen-3-21-92] lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/3.html#v21)

[^filippenzen-3-1-a]: Verwijzing a: Filip. 4:4 ; Jak. 1:2 ; 1 Petr. 4:13 . Filippensen 4:4 : Verblijdt u in de Heer altijd; opnieuw zeg ik: Verblijdt u. Jakobus 1:2 : Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt; 1 Petrus 4:13 : Maar gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen.
[^filippenzen-3-1-1]: Kanttekening 1: in de Heer: Dat is, om de genade, die ons de Heer gedaan heeft. Of, met ene vreugde, die de Heer aangenaam is, namelijk midden in de verdrukkingen.
[^filippenzen-3-1-2]: Kanttekening 2: Dezelfde dingen: Namelijk die ik u tevoren mondeling geleerd heb. Zie 2 Thess. 2:15 . 2 Thessalonicensen 2:15 : Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief.
[^filippenzen-3-1-3]: Kanttekening 3: is mij niet verdrietig: Of, is mij niet zwaar, moeilijk, vervelend.
[^filippenzen-3-1-4]: Kanttekening 4: het is u zeker: Dat is, het strekt en is dienstig tot uwe verzekering, om daardoor in de waarheid van de Christelijke leer en in het geloof meer en meer bevestigd te worden.
[^filippenzen-3-2-5]: Kanttekening 5: Ziet op de honden: Dat is, let op de honden, en wacht u van de valse apostelen, die hij van deze smadelijke naam van honden noemt, om hun aard uit te drukken, dat zij onbeschaamd de rechte leraars met hunne lasteringen aanblaffen en bijten.
[^filippenzen-3-2-b]: Verwijzing b: Jes. 56:10 . Jesaja 56:10 : Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
[^filippenzen-3-2-6]: Kanttekening 6: kwade arbeiders: Dat is, die wel veel arbeid en moeite aannemen, maar om een kwade en verderflijke leer de mensen in te planten.
[^filippenzen-3-2-7]: Kanttekening 7: Dat is, die uit de besnijdenis zijn, daarop roemen, en leren dat de besnijdenis ter zaligheid nodig is. Dat niet zozeer ene besnijding, als wel ene versnijding met recht mag genoemd worden. De apostel verandert hier zeer aardiglijk het woord besnijding in versnijding, omdat deze valse leer dier apostelen de mensen die haar aannemen, van Christus afsnijdt, en hen ter verderve als in stukken versnijdt.
[^filippenzen-3-3-c]: Verwijzing c: Deut. 10:16 ; Deut. 30:6 ; Jer. 4:4 ; Rom. 2:29 ; Kolos. 2:11 . Deuteronomium 10:16 : Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer. Deuteronomium 30:6 : En YHWH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om YHWH, uw God, lief te hebben met uw gehele hart en met uw gehele ziel, opdat u levet. Jeremia 4:4 : Besnijdt u YHWH en doet weg de voorhuiden uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uw handelingen. Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van de harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. Kolossensen 2:11 : In Welken u ook besneden bent met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus;
[^filippenzen-3-3-8]: Kanttekening 8: Want wij zijn: Namelijk die onze gerechtigheid in Christus alleen zoeken en stellen, gelijk hierna verklaard wordt.
[^filippenzen-3-3-9]: Kanttekening 9: de besnijding: Dat is, de rechte besnijding, die voor God geldt, welke is de inwendige besnijding van het hart. Zie Rom. 2:29 . Romeinen 2:29 : Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
[^filippenzen-3-3-d]: Verwijzing d: Joh. 4:24 . Johannes 4:24 : God is één Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.
[^filippenzen-3-3-10]: Kanttekening 10: in de Geest dienen: Of, met de geest; dat is, inwendig met de ziel en het hart, Joh. 4:24 ; Ef. 6:18 . Of, door de kracht van de Heilige Geest. Johannes 4:24 : God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;
[^filippenzen-3-3-11]: Kanttekening 11: in Christus: Namelijk dat wij in Hem en in Zijne gerechtigheid alleen onze zaligheid hebben; 1 Kor. 1:30 , 1:31 . 1 Korinthiërs 1:30 : Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 1 Korinthiërs 1:31 : Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heer.
[^filippenzen-3-3-12]: Kanttekening 12: het vlees betrouwen: Dat is, op die uiterlijke ceremoniën van de wet of uiterlijke besnijding van het vlees en onderhouding derzelve, om daardoor zalig te worden; en wordt gesteld tegen het woord, geest, tevoren gebruikt.
[^filippenzen-3-4-13]: Kanttekening 13: Hoewel ik heb: Grieks hoewel ik betrouwen heb ook in het vlees; dat is, hoewel ik ook stof heb aangaande die uiterlijke besnijding en andere ceremoniën van de wet, en ook de uiterlijke voordelen van de Joden, om daarop te betrouwen, namelijk zo men zijn vertrouwen om zalig te worden daarop mocht stellen.
[^filippenzen-3-4-14]: Kanttekening 14: iemand anders: Namelijk van deze valse apostelen, die altijd op dat uiterlijke zeer roemden, en daarin hunne zaligheid zochten.
[^filippenzen-3-4-15]: Kanttekening 15: ik nog meer: Dat is, ik zou daarin nog meer stof hebben om te vertrouwen.
[^filippenzen-3-4-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 11:21 . 2 Korinthiërs 11:21 : Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.
[^filippenzen-3-5-16]: Kanttekening 16: Besneden ten: Grieks achtdaagse besnijdenis.
[^filippenzen-3-5-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 11:22 . 2 Korinthiërs 11:22 : Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
[^filippenzen-3-5-g]: Verwijzing g: Gen. 49:27 . Genesis 49:27 : Benjamin zal als een wolf verscheuren; van de morgen zal hij roof eten, en van de avond zal hij buit uitdelen.
[^filippenzen-3-5-17]: Kanttekening 17: naar de wet: Dat is, ten aanzien van het verstand van de wet; of, uit die drie secten, die onder het Joodse volk waren, Sadduceën, Esseën en Farizeën, was ik toegedaan de secte van de Farizeën, die de allerbescheidenste wordt gehouden, Hand. 26:5 . Handelingen 26:5 : Als die van over lang mij te voren gekend hebben (als zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onze godsdienst, als een Farizeër geleefd heb.
[^filippenzen-3-5-h]: Verwijzing h: Hand. 23:6 . Handelingen 23:6 : En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceën, en het andere van de Farizeën, riep in de raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding van de doden geoordeeld.
[^filippenzen-3-6-18]: Kanttekening 18: Naar de ijver: Namelijk voor de onderhouding van de ceremoniën van de wet; waarin de valse apostelen ook zeer, maar verkeerd, ijverden.
[^filippenzen-3-6-i]: Verwijzing i: Hand. 8:3 ; Hand. 9:1 ; Hand. 22:3 ; idem 22:4 ; Galat. 1:13 ; 1 Tim. 1:13 . Handelingen 8:3 : En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1 : En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:3 : Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent; Handelingen 22:4 : Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Galaten 1:13 : Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte; 1 Timotheüs 1:13 : Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^filippenzen-3-6-19]: Kanttekening 19: van de Gemeente: Namelijk van de Christenen, die hunne zaligheid niet zochten in de werken van de wet, maar in Christus alleen.
[^filippenzen-3-6-20]: Kanttekening 20: die in de wet is: Dat is, die de wet uiterlijk van de mensen eist.
[^filippenzen-3-6-21]: Kanttekening 21: zijnde onberispelijk: Namelijk zo dat de mensen mij niet konden bestraffen over enige moedwillige overtreding van de wet, omdat mijn uiterlijke werken aan de wet van God gelijkvormig waren. Waardoor hij verklaart nochtans niet gerechtvaardigd te zijn.
[^filippenzen-3-7-k]: Verwijzing k: Matt. 13:44 . Mattheüs 13:44 : Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een schat, in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap over dezelfde, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.
[^filippenzen-3-7-22]: Kanttekening 22: voor mij winst was: Grieks die mij winsten waren; dat is, dat ik in die tijd mij nuttig en voordelig achtte te zijn ter zaligheid.
[^filippenzen-3-7-23]: Kanttekening 23: als schade beschouwd: Dat is, daarentegen als schade aanbrengende verworpen.
[^filippenzen-3-8-24]: Kanttekening 24: ik acht ook: Dat is, ik heb dat niet alleen zo geacht als ik eerst tot Christus bekeerd ben geweest, maar acht het als nog zo, en blijf bij dezelfde mening.
[^filippenzen-3-8-25]: Kanttekening 25: alle dingen: Namelijk door welke de mensen hunne zaligheid zoeken buiten Christus.
[^filippenzen-3-8-l]: Verwijzing l: Jes. 53:11 ; Jer. 9:23 ; Joh. 17:3 ; Kolos. 2:2 . Jesaja 53:11 : Om de arbeid Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Jeremia 9:23 : Zo zegt YHWH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; Johannes 17:3 : En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. Kolossensen 2:2 : Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid van de verstand, tot kennis van de verborgenheid van God en de Vader, en van Christus;
[^filippenzen-3-8-26]: Kanttekening 26: van de kennis: Namelijk niet van de blote kennis alleen, maar van de zaligmakende kennis, die met vertrouwen en geloof vergezelschapt is, Joh. 17:3 ; gelijk de woorden van mijn Heer ook te kennen geven. Johannes 17:3 : En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^filippenzen-3-8-27]: Kanttekening 27: al die dingen: Grieks alle dier dingen schade geleden hebben.
[^filippenzen-3-8-28]: Kanttekening 28: drek te zijn: Het Griekse woord betekent eigenlijk dingen, die òf van de honden uitgeworpen, òf aan de honden voorgeworpen worden; dat is, vuile en verwerpelijke dingen.
[^filippenzen-3-8-29]: Kanttekening 29: Christus mag winnen: Dat is, de gerechtigheid van Christus deelachtig worden, dat de grootste winst is.
[^filippenzen-3-9-30]: Kanttekening 30: in Hem: Dat is, in Zijne gemeenschap, Hem door het geloof ingelijfd en Zijne gerechtigheid deelachtig zijnde.
[^filippenzen-3-9-31]: Kanttekening 31: gevonden worde: Namelijk in het gericht Gods.
[^filippenzen-3-9-32]: Kanttekening 32: niet hebbende: Dat is, mij niet verlatende op mijn eigen gerechtigheid.
[^filippenzen-3-9-33]: Kanttekening 33: die uit de wet: Dat is, die bestaat in volkomen onderhouding van de wet, zo van de zeden als van de ceremoniën.
[^filippenzen-3-9-34]: Kanttekening 34: die door het geloof: Dat is, die men verkrijgt als men in Christus gelooft en Zijne gerechtigheid daardoor aanneemt, en die aan de gelovigen van God uit genade als hunne gerechtigheid wordt toegerekend.
[^filippenzen-3-9-35]: Kanttekening 35: de rechtvaardigheid: Namelijk Christus.
[^filippenzen-3-9-36]: Kanttekening 36: die uit God is: Dat is, die God ons schenkt en genadiglijk toerekent; Rom. 4:6 . Romeinen 4:6 : Gelijk ook David de mens zalig spreekt, welke God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
[^filippenzen-3-9-m]: Verwijzing m: Rom. 1:17 ; Rom. 3:21 . Romeinen 1:17 : Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Romeinen 3:21 : Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:
[^filippenzen-3-9-37]: Kanttekening 37: door het geloof: Grieks in; dat is, die wij verkrijgen en ons toeëigenen door het geloof, als door een geestelijk instrument, waardoor deze gerechtigheid aangenomen wordt.
[^filippenzen-3-10-38]: Kanttekening 38: Opdat ik: Hiermede beschrijft hij het ware zaligmakende en rechtvaardigmakende geloof, waarin dat bestaat, waarop het ziet en wat het voorbrengt.
[^filippenzen-3-10-39]: Kanttekening 39: Namelijk Christus.
[^filippenzen-3-10-40]: Kanttekening 40: kenne, en: Zie vers 8 . Filippensen 3:8 : Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer; vanwege Wien ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus mag winnen.
[^filippenzen-3-10-41]: Kanttekening 41: de kracht Zijn: Dat is, de vruchten en weldaden, die Hij, door Zijn dood ons verkregen hebbende, door Zijne opstanding krachtig toeëigent en toebrengt, namelijk onze rechtvaardigmaking voor God, en de kracht om uit de dood van de zonden op te staan. Zie Rom. 4:25 , en Rom. 6:3 , 6:4 , enz., en Rom. 8:11 ; 1 Petr. 4:1 , 4:2 . Romeinen 4:25 : Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Romeinen 6:3 : Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Romeinen 6:4 : Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Romeinen 8:11 : En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 1 Petrus 4:1 : Omdat dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent u u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde; 1 Petrus 4:2 : Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^filippenzen-3-10-n]: Verwijzing n: Rom. 8:17 ; 2 Kor. 4:10 ; 2 Tim. 2:11 ; idem v. 12 ; 1 Petr. 4:13 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 2 Korinthiërs 4:10 : Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 2 Timotheüs 2:11 : Dit is een getrouw woord; want als wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; 2 Timotheüs 2:12 : Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 1 Petrus 4:13 : Maar gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen.
[^filippenzen-3-10-42]: Kanttekening 42: de gemeenschap Zijn: Dat is, opdat ik deel heb aan de vruchten van het lijden van Christus; namelijk dat ik daardoor van de straf van de zonden verlost en tot een nieuw leven opgewekt worde, en om Zijnentwil graag verdrage alle lijden, kruis en verdrukking, die mij om Zijnentwil zou mogen overkomen.
[^filippenzen-3-10-43]: Kanttekening 43: Zijn dood: Namelijk de oude mens in mij gedood zijnde, Rom. 6:5 , 6:6 , en om Zijnentwil de ganse dag gedood wordende; Rom. 8:36 . Romeinen 6:5 : Want als wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding; Romeinen 6:6 : Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. Romeinen 8:36 : (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)
[^filippenzen-3-11-44]: Kanttekening 44: Of ik enigszins: Deze woorden betekenen hier niet enige onzekerheid van deze zaak, maar de zwaarheid om die te verkrijgen, om daarmede de lust en vlijt op te scherpen. En de zin is: Daarna vlijtiglijk trachtende of ik enigszins, enz.
[^filippenzen-3-11-45]: Kanttekening 45: tot de wederopstanding: Namelijk de zalige opstanding van de rechtvaardigen, en daardoor tot de eeuwige heerlijkheid en gelukzaligheid, Luk. 14:14 ; Joh. 6:39 , 6:40 , 6:44 , 6:54 ; waarom de gelovigen en rechtvaardigen alleen genaamd worden kinderen van de opstanding, Luk. 20:36 . Niet dat de goddelozen ook niet zullen opstaan, Dan. 12:2 ; Hand. 24:15 ; maar hunne opstanding zal zijn ter verdoemenis, Joh. 5:29 , en overzulks meer een val dan ene opstanding. Lukas 14:14 : En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen. Johannes 6:39 : En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. Johannes 6:40 : En dit is de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, dat iedereen, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:44 : Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 6:54 : Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Lukas 20:36 : Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn de engelen gelijk; en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Handelingen 24:15 : Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen. Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis.
[^filippenzen-3-12-46]: Kanttekening 46: het al gekregen: Namelijk de volmaaktheid van de wedergeboorte in dit leven.
[^filippenzen-3-12-47]: Kanttekening 47: volmaakt ben: Namelijk in wedergeboorte.
[^filippenzen-3-12-48]: Kanttekening 48: ik jaag er naar: Grieks ik vervolg; namelijk met grote lust en vlijt.
[^filippenzen-3-12-49]: Kanttekening 49: of ik het ook: Daarmede wil hij niet zeggen, dat hij onzeker is of hij het verkrijgen zal, maar wijst de zwaarheid van de zaak aan en zijn ijver daarnaar, gelijk in vers 11 . Filippensen 3:11 : Of ik enigszins mag komen tot de wederopstanding van de doden.
[^filippenzen-3-12-50]: Kanttekening 50: Dat is, om welke te verkrijgen.
[^filippenzen-3-12-51]: Kanttekening 51: ik van Christus: Dat is, van Christus , gelijk als gegrepen en gevangen, toen ik Zijne kerk vervolgende, en gelijk als in het verderf lopende, op de weg naar Damascus van Hem aangegrepen en tot Hem bekeerd ben, Hand. 9 . Zie dergelijke 1 Kor. 13:12 . 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.
[^filippenzen-3-13-52]: Kanttekening 52: ik acht niet: Dat is ik laat mij dat niet voorstaan, gelijk sommigen zouden mogen denken, omdat ik zozeer roem van de gemeenschap van Christus en Zijne weldaden.
[^filippenzen-3-14-53]: Kanttekening 53: een ding doe ik : Namelijk als het voornaamste waarin ik mij met alle vlijt oefen, Ps. 27:4 ; Luk. 10:42 . Psalmen 27:4 : Een ding heb ik van YHWH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis van YHWH, om de liefelijkheid van YHWH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. Lukas 10:42 : Maar een ding is nodig; maar Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden.
[^filippenzen-3-14-54]: Kanttekening 54: vergetende, wat: Dat is, niet tevreden zijnde met wat van mij goeds zou mogen gedaan zijn voor deze.
[^filippenzen-3-14-55]: Kanttekening 55: achter is: Dat is, dat voorbij is, waarmee verstaan wordt wat hij tot nog toe gedaan heeft, ook nu bekeerd zijnde tot Christus; ene gelijkenis, genomen van degenen, die in ene loopbaan al ver gelopen zijn, en de afgelopen plaats achter zich laten. Zie 1 Kor. 9:24 . 1 Korinthiërs 9:24 : Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen.
[^filippenzen-3-14-56]: Kanttekening 56: strekkende mij: Of, uitstrekkende, gelijk de lopers hun hoofd, hals, armen en lichaam voorwaarts uitstrekken, om te sterker te lopen; bij welke gelijkenis hij zijn grote en naarstige vlijt verklaart, die hij met alle kracht aanwendt om daartoe te geraken.
[^filippenzen-3-14-57]: Kanttekening 57: tot wat voor: Dat is, dat nog afgelopen moet worden, om tot het einde of perk te komen. Of, tot de beloften van het Evangelie, die ons zijn voorgesteld, om die te bekomen en te grijpen.
[^filippenzen-3-14-58]: Kanttekening 58: jaag ik: Grieks vervolg, gelijk vers 12 . Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
[^filippenzen-3-14-o]: Verwijzing o: 1 Kor. 9:24 ; 2 Tim. 4:7 . 1 Korinthiërs 9:24 : Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goeden strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^filippenzen-3-14-59]: Kanttekening 59: naar het doel: Dat is, naar het perk aan het einde van de loopbaan gesteld, waarnaar de lopers met strijd lopen, om die eerst te grijpen, en zo de prijs te winnen.
[^filippenzen-3-14-60]: Kanttekening 60: tot de prijs: Grieks brabeion: waardoor verstaan wordt ene kroon of andere verering, die gegeven werd aan dengene, die in de loopbaan gewonnen had. En de apostel verstaat daardoor de eeuwige zaligheid, die hij noemt ene kroon van de gerechtigheid; 2 Tim. 4:8 . 2 Timotheüs 4:8 : Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^filippenzen-3-14-61]: Kanttekening 61: van de roeping van God: Dat is, die gegeven zal worden dengenen, die God krachtig heeft geroepen tot de gemeenschap van de zaligheid, en die deze roeping gehoorzaam zijn, en dienvolgens tot het einde toe deze loopbaan standvastig uitlopen.
[^filippenzen-3-14-62]: Kanttekening 62: die van boven is: Dat is, die ons van God uit de hemel gewordt, en ons tot de hemelse gelukzaligheid nodigt en brengt.
[^filippenzen-3-14-63]: Kanttekening 63: in Christus Jezus: Dat is, die door de verdiensten van Christus alleen te verkrijgen is, en die om dezelve, en door Hem ons gegeven wordt.
[^filippenzen-3-15-64]: Kanttekening 64: volmaakt zijn: Door dit woord verstaat de apostel niet degenen, die in de onderhouding van de wet geheel volmaakt zouden zijn, want dat heeft hij tevoren van zichzelf ontkend, vers 12 , 3:13 , maar degenen, die in de hoofdstukken van de Christelijke godsdienst wel en grondig verstaan, en daarin gelijk als tot volwassen ouderdom gekomen zijn, Ef. 4:13 , tegen welke gesteld worden degenen, die nog als kinderen zijn in kennis. Zie 1 Kor. 2:6 , en 1 Kor. 3:1 ; Hebr. 5:13 , 5:14 . Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Filippensen 3:13 : Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Efeziërs 4:13 : Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus; 1 Korinthiërs 2:6 : En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden; 1 Korinthiërs 3:1 : En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. Hebreeën 5:13 : Want iedereen, die van de melk deelachtig is, die is onervaren in het woord van de gerechtigheid; want hij is een kind. Hebreeën 5:14 : Maar van de volmaakten is het vaste voedsel, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding zowel van het goede als van het kwaad.
[^filippenzen-3-15-65]: Kanttekening 65: dit gevoelen: Namelijk dat van mij hier tevoren geleerd is; namelijk van de rechtvaardigmaking van de mensen voor God, vers 9 , en van onze onvolmaaktheid in dit leven, vers 12 , en dergelijke. Filippensen 3:9 : En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof; Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
[^filippenzen-3-15-66]: Kanttekening 66: iets anders: Namelijk in zaken van minder gewicht.
[^filippenzen-3-15-67]: Kanttekening 67: dat zal u God: Namelijk doende u mettertijd in kennis toenemen en opwassen, mits dat u u leerzaam aanstelt en de middelen daartoe naarstiglijk gebruikt. Dit zegt hij niet van geheime openbaringen buiten het woord van God, maar van de gewone openbaringen of bekendmakingen, die hij doet door de predikatiën zijns woords, vergezelschapt met de verlichting van Zijn Geest. En dit wordt gezegd voornamelijk tot troost van de zwakken, die nog niet recht konden verstaan, dat de wet van de ceremoniën geheel was afgedaan; dat namelijk God hun mettertijd dat ook zou te verstaan geven. Zie hiervan ook Rom. 14 .
[^filippenzen-3-16-68]: Kanttekening 68: daar wij toe: Dat is, in die stukken van de leer tot welker verstand wij door de genade van God zijn volbracht.
[^filippenzen-3-16-p]: Verwijzing p: Galat. 6:16 . Galaten 6:16 : En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, over dezelfde zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
[^filippenzen-3-16-69]: Kanttekening 69: denzelfden regel: Dat is, naar de kennis, die wij daarvan hebben uit Gods Woord, dat als een regel of richtsnoer is, waarnaar wij ons geloof en wandel moeten richten.
[^filippenzen-3-16-q]: Verwijzing q: Rom. 12:16 ; Rom. 15:5 ; 1 Kor. 1:10 ; Filip. 2:2 ; 1 Petr. 3:8 . Romeinen 12:16 : Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. Romeinen 15:5 : Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 1 Korinthiërs 1:10 : Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippensen 2:2 : Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. 1 Petrus 3:8 : En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;
[^filippenzen-3-17-70]: Kanttekening 70: Of, tezamen, tegelijk.
[^filippenzen-3-17-71]: Kanttekening 71: mijn navolgers: Namelijk in gevoelen en in wandel. Zie 1 Kor. 11:1 . 1 Korinthiërs 11:1 : Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.
[^filippenzen-3-17-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 4:16 ; 1 Kor. 11:1 ; 1 Thes. 1:6 . 1 Korinthiërs 4:16 : Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers. 1 Korinthiërs 11:1 : Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. 1 Thessalonicensen 1:6 : En u bent onze navolgers geworden, en van de Heer, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heiligen Geestes;
[^filippenzen-3-17-72]: Kanttekening 72: zo wandelen: Namelijk gelijk ik wandel; gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^filippenzen-3-17-s]: Verwijzing s: 2 Thes. 3:9 ; 1 Petr. 5:3 . 2 Thessalonicensen 3:9 : Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen. 1 Petrus 5:3 : Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^filippenzen-3-18-t]: Verwijzing t: Rom. 16:17 . Romeinen 16:17 : En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde.
[^filippenzen-3-18-73]: Kanttekening 73: velen wandelen: Namelijk van de leraars, die het woord prediken en wandelen in hunne beroeping niet, gelijk wij doen.
[^filippenzen-3-18-74]: Kanttekening 74: dikwijls gezegd: Namelijk als ik bij u was, u voor hen in mijne predikatiën waarschuwende.
[^filippenzen-3-18-75]: Kanttekening 75: nu ook: Namelijk door dit mijn schrijven.
[^filippenzen-3-18-76]: Kanttekening 76: wenende zeg: Dat is, met verdriet van het hart, ontstaande daaruit, dat deze mensen met hun valse leer en ongeregeld leven de gemeente verleiden en verstoren, en zichzelf het verderf over de hals halen.
[^filippenzen-3-18-77]: Kanttekening 77: vijanden van de: Dat is, tonende dat zij vijanden zijn van de leer, waardoor geleerd wordt dat de mensen niet door de onderhouding van de wet, maar door de enige offerande van Christus aan het kruis geschied, zalig worden; 1 Kor. 1:23 , 1:24 , en 1 Kor. 2:2 . 1 Korinthiërs 1:23 : Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid; 1 Korinthiërs 1:24 : Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God. 1 Korinthiërs 2:2 : Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.
[^filippenzen-3-19-78]: Kanttekening 78: Hun einde: Dat is, die eindelijk van God met de eeuwige verdoemenis zullen gestraft worden, Openb. 19:20 , 19:21 . Zie ook Filipp. 1:28 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die zijn beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees. Filippensen 1:28 : En dat u in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; dat hun wel een bewijs is van het verderf, maar u van de zaligheid, en dat van God.
[^filippenzen-3-19-79]: Kanttekening 79: God is de buik: Dat is, die in plaats van God te dienen en Zijne eer te verbreiden, anders niets zoeken dan een lekker en gemakkelijk leven te leiden, en hun buik, alsof die hun God was, te dienen.
[^filippenzen-3-19-80]: Kanttekening 80: Dat is, eer, die zij bij de mensen zoeken en waarop zij roemen.
[^filippenzen-3-19-81]: Kanttekening 81: is in hun schande: Dat is, zoeken hunne eer in wat hun schandelijk is, dat is zal hun strekken tot tijdelijke en eeuwige schande. Of, tot hunne schande.
[^filippenzen-3-19-82]: Kanttekening 82: aardse dingen: Dat is, tijdelijke wellust en gemak.
[^filippenzen-3-19-83]: Kanttekening 83: Of, bevroeden; dat is, met de zinnen en het verstand naar trachten.
[^filippenzen-3-20-v]: Verwijzing v: Hebr. 13:14 . Hebreeën 13:14 : Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
[^filippenzen-3-20-84]: Kanttekening 84: onze wandel: Of, burgerschap, dat is, burgerlijke verkering en wijze van leven van de rechte Christenen. Zie Filipp. 1:27 . Filippensen 1:27 : Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie;
[^filippenzen-3-20-85]: Kanttekening 85: is in de hemelen: Dat is, zodanig, dat zij altijd trachten niet naar aardse dingen, maar naar hemelse, en naar de heerlijkheid, die in de hemelen is weggelegd. Zie Kol. 3:1 , 3:2 . Kolossensen 3:1 : Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Kolossensen 3:2 : Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
[^filippenzen-3-20-86]: Kanttekening 86: waaruit wij: Grieks uit welke; namelijk plaats van de hemelen. Zie dergelijke Matt. 2:9 . Mattheüs 2:9 : En zij, de koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kind was.
[^filippenzen-3-20-x]: Verwijzing x: 1 Kor. 1:7 ; 1 Thes. 1:10 ; Titus 2:13 . 1 Korinthiërs 1:7 : Zo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heer Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 1:10 : En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn. Titus 2:13 : Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus;
[^filippenzen-3-20-87]: Kanttekening 87: Namelijk om te komen oordelen de levenden en de doden; Hand. 1:11 . Handelingen 1:11 : Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.
[^filippenzen-3-21-y]: Verwijzing y: 1 Kor. 15:51 ; Kolos. 3:4 ; 1 Joh. 3:2 . 1 Korinthiërs 15:51 : Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; Kolossensen 3:4 : Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^filippenzen-3-21-88]: Kanttekening 88: vernederd lichaam: Grieks het lichaam onzer vernedering, of, ons lichaam van de vernedering; dat is, dit ons sterflijk en verderflijk lichaam.
[^filippenzen-3-21-89]: Kanttekening 89: veranderen zal: Het Griekse woord betekent in gedaante of hoedanigheid veranderen. Zie 1 Kor. 15:52 , enz. 1 Korinthiërs 15:52 : In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
[^filippenzen-3-21-90]: Kanttekening 90: gelijkvormig worde: Namelijk in onverderflijkheid, onsterflijkheid en andere geestelijke eigenschappen. Zie 1 Kor. 15:48 , 15:49 . 1 Korinthiërs 15:48 : Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen. 1 Korinthiërs 15:49 : En zoals wij het beeld van de aardse gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen.
[^filippenzen-3-21-91]: Kanttekening 91: Zijn heerlijk lichaam: Grieks het lichaam van Zijn heerlijkheid, of Zijn lichaam van de heerlijkheid, namelijk dat Hij na Zijne opstanding, en nu nog in de hemel heeft.
[^filippenzen-3-21-92]: Kanttekening 92: naar de werking: Dat is, naar Zijn goddelijke en alvermogende kracht, waardoor Hij alles vermag, en daarom ook de opwekking en verandering onzer lichamen teweeg kan brengen.

### Filippenzen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/filippenzen/4.json)

*1 De apostel vermaant de Filippenzen tot standvastigheid in het geloof. 2 en twee vrouwen onder hen tot eenheid. 4 verder tot christelijke blijdschap. 5 bescheidenheid. 6 gerustheid van het gemoed. 8 en tot verschillende andere christelijke deugden. 10 Daarna bedankt hij de Filippenzen voor het onderhoud dat zij hem door Epafroditus gezonden hadden: 11 dat hij dat niet uit hebzucht had genoten, omdat hij geleerd had gebrek te lijden. 14 Dat zij daaraan goed hadden gedaan, en meer dan alle andere gemeenten. 18 Dat hij het wel van Epafroditus had ontvangen. 19 en dat God het zou vergelden. 20 Tenslotte besluit hij deze brief met lofzegging tot God, en de gebruikelijke groeten en wensen.*

**1** [^filippenzen-4-1-1] Zo dan, mijn geliefde en[^filippenzen-4-1-2] zeer gewenste broeders,[^filippenzen-4-1-3] mijn blijdschap[^filippenzen-4-1-4][^filippenzen-4-1-a] en kroon,[^filippenzen-4-1-5] staat[^filippenzen-4-1-6] zo[^filippenzen-4-1-7] in de Heere, geliefden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v1)

**2** Ik vermaan[^filippenzen-4-2-8] Euodia en ik vermaan Syntyche, dat zij[^filippenzen-4-2-9] eensgezind zijn[^filippenzen-4-2-10] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v2)

**3** En ik bid u[^filippenzen-4-3-11] ook, oprechte[^filippenzen-4-3-12] medestrijder, help[^filippenzen-4-3-13] deze[^filippenzen-4-3-14] vrouwen, die samen met mij[^filippenzen-4-3-15] gestreden hebben voor het evangelie,[^filippenzen-4-3-16] ook met Clemens en mijn overige[^filippenzen-4-3-17] medearbeiders,[^filippenzen-4-3-18] van wie de namen[^filippenzen-4-3-19][^filippenzen-4-3-b] zijn[^filippenzen-4-3-20] in het boek van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v3)

**4** [^filippenzen-4-4-21][^filippenzen-4-4-c] Verblijd u in de Heere[^filippenzen-4-4-22] altijd; opnieuw zeg ik: Verblijd u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v4)

**5** Uw[^filippenzen-4-5-23] bescheidenheid zij allen mensen bekend.[^filippenzen-4-5-24][^filippenzen-4-5-d] De Heere is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v5)

**6** [^filippenzen-4-6-e] Wees in geen ding[^filippenzen-4-6-25] bezorgd; maar laat[^filippenzen-4-6-26] uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging[^filippenzen-4-6-27] bekend worden bij God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v6)

**7** [^filippenzen-4-7-f] En[^filippenzen-4-7-28] de vrede van God,[^filippenzen-4-7-29] die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw[^filippenzen-4-7-30] zinnen[^filippenzen-4-7-31] bewaren in Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v7)

**8** Verder, broeders, al wat waarachtig is,[^filippenzen-4-8-32][^filippenzen-4-8-g] al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat[^filippenzen-4-8-33][^filippenzen-4-8-h] rein is, al wat[^filippenzen-4-8-34] liefelijk is, al wat[^filippenzen-4-8-35] wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt[^filippenzen-4-8-36] het; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v8)

**9** [^filippenzen-4-9-37] Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en[^filippenzen-4-9-38] de God van de[^filippenzen-4-9-39] vrede zal met u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v9)

**10** En ik ben enorm verblijd geweest[^filippenzen-4-10-40] in de Heere, dat u nu eenmaal opnieuw[^filippenzen-4-10-41] wakker geworden bent[^filippenzen-4-10-i] om[^filippenzen-4-10-42] aan mij te gedenken; waaraan u ook[^filippenzen-4-10-43] gedacht hebt, maar u hebt[^filippenzen-4-10-44] de gelegenheid niet gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v10)

**11** Niet dat ik dit[^filippenzen-4-11-45] zeg vanwege gebrek; want ik[^filippenzen-4-11-46][^filippenzen-4-11-k] heb geleerd[^filippenzen-4-11-47] tevreden te zijn[^filippenzen-4-11-48] in wat ik ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v11)

**12** En[^filippenzen-4-12-49] ik weet[^filippenzen-4-12-50][^filippenzen-4-12-l] vernederd te worden, ik weet ook[^filippenzen-4-12-51] overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik[^filippenzen-4-12-52] onderwezen, zowel verzadigd te zijn als honger te lijden, zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v12)

**13** [^filippenzen-4-13-53] Ik vermag[^filippenzen-4-13-54] alle dingen door Christus, die mij[^filippenzen-4-13-55] kracht geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v13)

**14** Toch hebt u wel gedaan, dat u[^filippenzen-4-14-56] met mijn verdrukking[^filippenzen-4-14-57] gemeenschap gehad hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v14)

**15** [^filippenzen-4-15-m] En ook u, Filippensen, weet, dat[^filippenzen-4-15-58] in het begin van het Evangelie, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen Gemeente[^filippenzen-4-15-59] mij iets medegedeeld heeft[^filippenzen-4-15-60] tot rekening van uitgaven en ontvangst, dan u alleen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v15)

**16** Want ook[^filippenzen-4-16-61] in Thessalonica hebt u mij eenmaal en andermaal gezonden, tot wat ik nodig had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v16)

**17** Niet dat ik de gave[^filippenzen-4-17-62] zoek, maar ik zoek[^filippenzen-4-17-63] de vrucht, die overvloedig is[^filippenzen-4-17-64] tot uw rekening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v17)

**18** Maar ik heb[^filippenzen-4-18-65] alles ontvangen, en[^filippenzen-4-18-66] ik heb overvloed; ik ben[^filippenzen-4-18-67] vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden[^filippenzen-4-18-68] was,[^filippenzen-4-18-n] als een aangename geur, een aangename offergave, voor God welbehaaglijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v18)

**19** Maar[^filippenzen-4-19-69] mijn God zal[^filippenzen-4-19-70] naar Zijn rijkdom[^filippenzen-4-19-71] vervullen[^filippenzen-4-19-72] al uw behoefte,[^filippenzen-4-19-73] in heerlijkheid,[^filippenzen-4-19-74] door Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v19)

**20** Onze God nu[^filippenzen-4-20-75] en Vader zij de heerlijkheid[^filippenzen-4-20-76] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v20)

**21** Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die[^filippenzen-4-21-77] met mij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v21)

**22** Al de heiligen groeten u, en meest die[^filippenzen-4-22-78] van het huis van de keizer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v22)

**23** [^filippenzen-4-23-79] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filippenzen/4.html#v23)

[^filippenzen-4-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk, omdat ons burgerschap in de hemelen is en Christus ons daar zo'n heerlijkheid naar lichaam en ziel bereid heeft — zoals aan het einde van het vorige hoofdstuk is uitgelegd, waarop deze woorden betrekking hebben.
[^filippenzen-4-1-2]: Kanttekening 2: Grieks: zeer begeerden. Dat wil zeggen: die ik met groot verlangen en genegenheid van hart bemin en naar wie ik hevig verlang. Zie Filippenzen 1:8.
[^filippenzen-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die mij reden geven om mij over uw geloof en christelijke wandel te verblijden en te verheugen.
[^filippenzen-4-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: een eer en sieraad van mijn dienst, waardoor u tot Christus bekeerd bent. Zo wordt een deugdzame vrouw de kroon van haar man genoemd (Spreuken 12:4) en godvrezende kinderen de kroon van hun ouders (Spreuken 17:6). Zie 1 Tessalonicenzen 2:19 en Openbaring 3:11.
[^filippenzen-4-1-a]: Verwijzing a: 1 Tessalonicenzen 2:19.
[^filippenzen-4-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: blijf standvastig. Een beeldspraak ontleend aan soldaten die in de strijd niet wijken of vluchten, maar standhouden. Zie 1 Korintiërs 16:13; Galaten 5:1; Efeziërs 6:11; Kolossenzen 4:12; 2 Tessalonicenzen 2:15.
[^filippenzen-4-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk, zoals u tot nu toe gedaan heeft. Of: zoals ik u nu onderwezen heb.
[^filippenzen-4-1-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: in het geloof en de gehoorzaamheid aan de Heer Christus. Of: door de kracht van de Heer.
[^filippenzen-4-2-8]: Kanttekening 8: Deze twee vrouwen, zoals uit het volgende vers blijkt, waren leden van de gemeente te Filippi en hadden veel goeds gedaan voor de voortgang van het evangelie, maar tussen hen was een misverstand en twist ontstaan die voor de gemeente aanstootgevend en schadelijk was.
[^filippenzen-4-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk niet alleen wat betreft de leer, maar ook wat betreft de gezindheid van het hart. Zie Filippenzen 2:2 en 3:16.
[^filippenzen-4-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: met een heilige eensgezindheid zoals de Heer ons gebiedt en die Hem welgevallig is.
[^filippenzen-4-3-11]: Kanttekening 11: Zie over dit woord Filippenzen 2:20 en 1 Timotheüs 1:2; Titus 1:3.
[^filippenzen-4-3-12]: Kanttekening 12: Of: jukgenoot. Het Griekse woord betekent iemand die samen met een ander een juk trekt. Hiermee wordt niet de vrouw van Paulus bedoeld, zoals sommigen hebben gemeend; want het is zeker dat Paulus niet getrouwd was toen hij de eerste brief aan de Korintiërs schreef (zie 1 Korintiërs 7:7), en nergens staat te lezen — en het is ook niet aannemelijk — dat hij daarna getrouwd is. Bovendien laat het Grieks dit woord niet goed toe als verwijzing naar een vrouw. Hier wordt iemand van de leraren in de gemeente te Filippi bedoeld, die het juk van de dienst aan het evangelie trouw samen met de apostel gedragen heeft, zoals hij zo iemand elders zijn medestrijder noemt (Filippenzen 2:25; Filemon vers 2). Een beeldspraak van twee ossen die samen een juk trekken. Zie 2 Korintiërs 6:14.
[^filippenzen-4-3-13]: Kanttekening 13: Namelijk de vrouwen die zojuist genoemd zijn.
[^filippenzen-4-3-14]: Kanttekening 14: Namelijk om hen weer tot eenheid te brengen.
[^filippenzen-4-3-15]: Kanttekening 15: Dit moet zo worden verstaan, niet dat zij het evangelie samen met Paulus openlijk hebben gepredikt — want dat verbiedt de apostel aan vrouwen (1 Korintiërs 14:34-35; 1 Timotheüs 2:12) — maar dat zij vanwege de belijdenis van de leer van het evangelie veel tegenspoed en verdrukking standvastig hebben doorstaan. De apostel gebruikt hier een beeldspraak ontleend aan degenen die om een prijs streden. Zie 2 Timotheüs 2:5; Hebreeën 10:32.
[^filippenzen-4-3-16]: Kanttekening 16: Dit kan verbonden worden ofwel met het woord 'behulpzaam', ofwel met het woord 'gestreden'. Of deze Clemens later een opziener van de kerk te Rome is geweest, is onzeker.
[^filippenzen-4-3-17]: Kanttekening 17: Namelijk in het werk van de dienst aan het evangelie. Zie Romeinen 16:3, 9, 21; Filippenzen 2:25; Filemon verzen 1 en 24.
[^filippenzen-4-3-18]: Kanttekening 18: Dit zegt de apostel van zijn medearbeiders naar het oordeel van de liefde (1 Korintiërs 13:7).
[^filippenzen-4-3-19]: Kanttekening 19: Namelijk: ingeschreven. Een beeldspraak ontleend aan de inschrijving van burgers of soldaten in een register, om hen te kennen en als echte burgers of soldaten te beschouwen.
[^filippenzen-4-3-b]: Verwijzing b: Exodus 32:32; Psalm 69:29; Openbaring 3:5; 20:12; 21:27.
[^filippenzen-4-3-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: in het register van de uitverkorenen ten eeuwigen leven, waarmee Gods besluit van de eeuwige verkiezing wordt bedoeld. Zie Exodus 32:32-33; Lucas 10:20; Openbaring 3:5; 17:8; 20:12, 15.
[^filippenzen-4-4-21]: Kanttekening 21: Zie Romeinen 12:12; 2 Korintiërs 13:11; Filippenzen 3:1.
[^filippenzen-4-4-c]: Verwijzing c: 1 Tessalonicenzen 5:16.
[^filippenzen-4-4-22]: Kanttekening 22: Namelijk niet alleen in tijden van voorspoed, maar ook in tijden van tegenspoed en verdrukking, want ook die zijn de christenen tot heil (Jakobus 1:2). Zie Filippenzen 2:17-18.
[^filippenzen-4-5-23]: Kanttekening 23: Of: billijkheid, redelijkheid. Dit is een bijzondere, voortreffelijke en noodzakelijke deugd, wanneer iemand niet strak op zijn uiterste recht blijft staan, maar zijn naaste vanwege vrede en stichting tegemoetkomt en als het ware wijkt, voor zover Gods Woord en een goed geweten dat toelaten. Zie Romeinen 15:1-2; 1 Korintiërs 9:19; 2 Timotheüs 2:24; Titus 3:2.
[^filippenzen-4-5-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: Hij is overal bij ons en hoort en ziet al onze woorden en daden. Of: Hij is nabij met zijn komst om te oordelen, wanneer wij van al onze woorden en daden rekenschap zullen moeten geven (Jakobus 5:9).
[^filippenzen-4-5-d]: Verwijzing d: 1 Korintiërs 10:11; Hebreeën 10:25.
[^filippenzen-4-6-e]: Verwijzing e: Psalm 55:23; Matteüs 6:25; 1 Timotheüs 6:8, 17; 1 Petrus 5:7.
[^filippenzen-4-6-25]: Kanttekening 25: Namelijk met angstige bekommernis, voortkomend uit wantrouwen in Gods voorzienigheid (Matteüs 6:25). In andere zin zijn gelovigen wel verplicht voor de hunnen te zorgen (1 Timotheüs 5:8).
[^filippenzen-4-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de zaken die u verlangt en vraagt.
[^filippenzen-4-6-27]: Kanttekening 27: Dit wordt naar menselijke wijze van spreken gezegd; want God kent uit zichzelf al onze nood en behoefte beter dan wijzelf. Zie Matteüs 6:32.
[^filippenzen-4-7-f]: Verwijzing f: Johannes 14:27; Romeinen 5:1; Efeziërs 2:14.
[^filippenzen-4-7-28]: Kanttekening 28: Zie over deze vrede Romeinen 5:1 en 14:17.
[^filippenzen-4-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: die zo'n groot en voortreffelijk goed is dat het door geen menselijk verstand begrepen, laat staan met menselijke tong uitgesproken kan worden.
[^filippenzen-4-7-30]: Kanttekening 30: Of: uw gedachten.
[^filippenzen-4-7-31]: Kanttekening 31: Het Griekse woord betekent iets bewaren met een wacht of bezetting tegen de vijanden. Zie 1 Petrus 1:5.
[^filippenzen-4-8-32]: Kanttekening 32: Of: deftig, statig.
[^filippenzen-4-8-g]: Verwijzing g: Romeinen 13:13.
[^filippenzen-4-8-33]: Kanttekening 33: Of: kuis.
[^filippenzen-4-8-h]: Verwijzing h: 1 Tessalonicenzen 4:3-5.
[^filippenzen-4-8-34]: Kanttekening 34: Of: vriendelijk.
[^filippenzen-4-8-35]: Kanttekening 35: Of: van goede naam is, waarover men goed spreekt.
[^filippenzen-4-8-36]: Kanttekening 36: Namelijk om dat met een ernstig voornemen en ijver na te streven en te beoefenen.
[^filippenzen-4-9-37]: Kanttekening 37: Hier legt de apostel nader uit wat hij eerder in het algemeen had vermaand, namelijk dat zij hem zouden navolgen (Filippenzen 3:17).
[^filippenzen-4-9-38]: Kanttekening 38: Zie Romeinen 15:33 en 16:20; 2 Korintiërs 13:11; 1 Tessalonicenzen 5:23.
[^filippenzen-4-9-39]: Kanttekening 39: Namelijk met zijn genadige aanwezigheid, bijstand en zegen.
[^filippenzen-4-10-40]: Kanttekening 40: Zie vers 4.
[^filippenzen-4-10-41]: Kanttekening 41: Grieks: opnieuw ontsproten of uitgegroeid zijn. Een beeldspraak ontleend aan bomen die in de winter schijnen te zijn afgestorven en in de zomer weer uitlopen en groen worden.
[^filippenzen-4-10-i]: Verwijzing i: 2 Korintiërs 11:9.
[^filippenzen-4-10-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: aan mijn nood in deze gevangenschap. Of: voor mij te zorgen.
[^filippenzen-4-10-43]: Kanttekening 43: Namelijk eerder al, hoewel u het toen niet heeft gestuurd.
[^filippenzen-4-10-44]: Kanttekening 44: Namelijk om de gave op een geschikte manier aan mij over te sturen.
[^filippenzen-4-11-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: alsof ik gebrek had moeten lijden of het niet had kunnen verdragen.
[^filippenzen-4-11-46]: Kanttekening 46: Namelijk zowel uit Gods Woord als door ervaring en oefening.
[^filippenzen-4-11-k]: Verwijzing k: 1 Timotheüs 6:6.
[^filippenzen-4-11-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: tevreden en rustig van gemoed te zijn. Zie over deze deugd 1 Timotheüs 6:6 en Hebreeën 13:5.
[^filippenzen-4-11-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: met de dingen die ik heb, al zijn ze weinig en sober. Of: in de toestand waarin ik verkeer.
[^filippenzen-4-12-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: ik heb geleerd, zoals eerder gezegd.
[^filippenzen-4-12-50]: Kanttekening 50: Namelijk door armoede en gebrek, en daarin tevreden te zijn.
[^filippenzen-4-12-l]: Verwijzing l: 1 Korintiërs 4:11; 2 Korintiërs 11:27.
[^filippenzen-4-12-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: bij overvloed aan levensonderhoud, dat op de juiste manier te gebruiken.
[^filippenzen-4-12-52]: Kanttekening 52: De apostel gebruikt hier een Grieks woord dat eigenlijk betekent ingewijd worden in de verborgenheden van een godsdienst, die niet aan iedereen werden geopenbaard. Daarmee wil hij te kennen geven dat hij deze zaak volledig begrijpt en heeft geleerd.
[^filippenzen-4-13-53]: Kanttekening 53: Dit voegt hij eraan toe, opdat hij deze deugd niet aan zichzelf en zijn eigen krachten zou lijken toe te schrijven.
[^filippenzen-4-13-54]: Kanttekening 54: Namelijk alle bovengenoemde en dergelijke zaken.
[^filippenzen-4-13-55]: Kanttekening 55: Namelijk door de genade en het werk van zijn heilige Geest, zonder welke wij niets goeds kunnen denken of doen. Zie Johannes 15:5; 2 Korintiërs 3:5; Filippenzen 1:29 en 2:13.
[^filippenzen-4-14-56]: Kanttekening 56: Namelijk die ik hier lijd in gevangenschap, gebrek en armoede.
[^filippenzen-4-14-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: dat u die ter harte hebt genomen, alsof het u zelf betrof (Hebreeën 13:3). Of: dat u mij daarin hebt bijgestaan met uw bijdrage.
[^filippenzen-4-15-m]: Verwijzing m: 2 Korintiërs 11:9.
[^filippenzen-4-15-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: vanaf de tijd dat ik het evangelie voor het eerst onder u gepredikt heb.
[^filippenzen-4-15-59]: Kanttekening 59: Of: met mij gemeenschap heeft gehad in rekening, enz. Namelijk hetzij voor mijn eigen behoeften, hetzij om aan andere arme gemeenten te geven.
[^filippenzen-4-15-60]: Kanttekening 60: Een beeldspraak van trouwe rentmeesters of kooplieden, die nauwkeurig in hun kasboeken optekenen wat en van wie zij iets ontvangen hebben, wat zij uitgeven en waarvoor dat is besteed, om goede verantwoording te kunnen houden en afleggen.
[^filippenzen-4-16-61]: Kanttekening 61: Zie over deze stad en het verblijf van de apostel daar Handelingen 17.
[^filippenzen-4-17-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: dat mij zo veel gelegen zou zijn aan de gaven die u mij hebt gestuurd.
[^filippenzen-4-17-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: dat uw geloof door zulke vruchten overvloedig tot uiting komt. Of: dat u de vrucht en beloning van uw vrijgevigheid rijk mag ontvangen.
[^filippenzen-4-17-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: opdat ik als het ware in mijn kasboek kan aantekenen dat ik dit van u ontvangen heb. Hij sluit hier ook aan bij de voorgaande beeldspraak.
[^filippenzen-4-18-65]: Kanttekening 65: Namelijk wat u mij gestuurd hebt, zoals hierna wordt uitgelegd.
[^filippenzen-4-18-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: meer dan genoeg voor mijn levensonderhoud, zodat u niet meer hoeft te sturen — wat ook de volgende woorden 'ik ben...', enz. aangeven.
[^filippenzen-4-18-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: ik heb genoeg en overvloed.
[^filippenzen-4-18-68]: Kanttekening 68: Grieks: als een geur van welriekendheid. De apostel doelt hier op de dankoffers van het Oude Testament, die voorbeelden waren van onze geestelijke dankoffers in het Nieuwe Testament. Daartoe behoren ook de werken van weldadigheid tegenover de dienaren van het Woord en de armen, waarvan hij met deze omschrijving verklaart dat ze de Heer zeer welgevallig zijn, om hen daartoe steeds meer aan te sporen. Zie Hebreeën 13:16.
[^filippenzen-4-18-n]: Verwijzing n: Hebreeën 13:16.
[^filippenzen-4-19-69]: Kanttekening 69: Namelijk in wie ik geloof en die ik dien in zijn gemeente.
[^filippenzen-4-19-70]: Kanttekening 70: Namelijk omdat alle goederen van deze wereld Hem toebehoren (Psalm 24:1; 1 Korintiërs 10:26). Of: naar de rijkdom van zijn goedheid (Efeziërs 2:4).
[^filippenzen-4-19-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: u overvloedig geven.
[^filippenzen-4-19-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: alles wat u nodig heeft voor uw levensonderhoud.
[^filippenzen-4-19-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: op zeer heerlijke en vrijgevige wijze.
[^filippenzen-4-19-74]: Kanttekening 74: Grieks: in Christus Jezus (Χριστῷ).
[^filippenzen-4-20-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: die onze Vader is geworden door Christus, en wij Zijn kinderen, voor wie Hij vaderlijk gezind is en die Hij vaderlijk zal verzorgen. Zie Matteüs 6:32 en Johannes 20:17.
[^filippenzen-4-20-76]: Kanttekening 76: Grieks: tot in de eeuwen van de eeuwen.
[^filippenzen-4-21-77]: Kanttekening 77: Namelijk hier te Rome.
[^filippenzen-4-22-78]: Kanttekening 78: Grieks: uit. Dat wil zeggen: enkelen die aan het hof van keizer Nero dienen en tot zijn hofhouding behoren. Zie Filippenzen 1:13.
[^filippenzen-4-23-79]: Kanttekening 79: Zie Galaten 6:18.

## Kolossenzen

### Kolossenzen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/kolossenzen/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de brief 3 dankt Paulus God dat de Kolossenzen het geloof in Christus hebben aangenomen, 5 door de prediking van het Evangelie, die nu in de gehele wereld vruchten voortbracht, 7 zoals het ook onder hen gebeurde naar het getuigenis van Epafras, hun trouwe leraar. 9 Hij bidt God dat zij in alle christelijke deugden meer en meer bekrachtigd worden. 12 Daarna komt hij tot de behandeling van de leer en verklaart hoe zij uit de macht van de duisternis door het bloed van Christus verlost zijn. 15 Hij beschrijft Zijn persoon, namelijk dat Hij het beeld van de onzienlijke God is, 16 dat alle dingen door Hem geschapen zijn, 18 dat Hij het hoofd van de gemeente is, 20 dat door het bloed van Zijn kruis alles verzoend is wat in de hemel en op de aarde is. 23 Hij vermaant hen in dit geloof te volharden, 24 waarom hij het lijden van Christus ook voor hen vervult, 25 aangezien hij geroepen is om onder de heidenen deze verborgenheid te verkondigen 28 en alle mensen in Christus alleen volmaakt te stellen, naar de werking van God in hem.*

**1** [^kolossenzen-1-1-1] Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v1)

**2** De heiligen en gelovige broeders in Christus, die te[^kolossenzen-1-2-2] Kolosse zijn;[^kolossenzen-1-2-a] genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v2)

**3** [^kolossenzen-1-3-3][^kolossenzen-1-3-b] Wij danken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, altijd voor u biddend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v3)

**4** Zo wij van[^kolossenzen-1-4-4] uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die u hebt tot alle heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v4)

**5** Om[^kolossenzen-1-5-5] de hoop,[^kolossenzen-1-5-c] die u[^kolossenzen-1-5-6] weggelegd is in de hemelen, van welke u te voren gehoord hebt,[^kolossenzen-1-5-7] door het Woord van de waarheid, namelijk van het Evangelie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v5)

**6** Dat tot u gekomen is, zoals ook[^kolossenzen-1-6-8] in de hele[^kolossenzen-1-6-d] wereld, en[^kolossenzen-1-6-9] het brengt vruchten voort, zoals ook[^kolossenzen-1-6-10] onder u, van die dag af dat u gehoord hebt, en de genade van God[^kolossenzen-1-6-11] in waarheid bekend hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v6)

**7** Zoals u ook geleerd hebt van[^kolossenzen-1-7-e] Epafras, onze geliefde mededienstknecht, die een getrouw dienaar van Christus is[^kolossenzen-1-7-12] voor u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v7)

**8** Die ons ook verklaard heeft uw liefde[^kolossenzen-1-8-13] in de Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v8)

**9** [^kolossenzen-1-9-f] Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben,[^kolossenzen-1-9-14] niet ophouden voor u te bidden en te begeren,[^kolossenzen-1-9-g] dat u mag vervuld worden met de kennis van[^kolossenzen-1-9-15] Zijn wil,[^kolossenzen-1-9-16] in alle wijsheid en geestelijk verstand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v9)

**10** [^kolossenzen-1-10-h] Opdat u mag wandelen[^kolossenzen-1-10-17] waardig de Heere,[^kolossenzen-1-10-18] tot alle behagelijkheid, in alle goede werken[^kolossenzen-1-10-i] vrucht dragende, en groeiende in de kennis van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v10)

**11** [^kolossenzen-1-11-19] Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle[^kolossenzen-1-11-20] volharding en geduld,[^kolossenzen-1-11-21] met blijdschap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v11)

**12** [^kolossenzen-1-12-22] Dankende de Vader, Die ons[^kolossenzen-1-12-23] bekwaam gemaakt heeft, om[^kolossenzen-1-12-24] deel te hebben in de erfenis van de[^kolossenzen-1-12-25] heiligen in het licht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v12)

**13** [^kolossenzen-1-13-k] Die ons getrokken heeft uit[^kolossenzen-1-13-26] de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk[^kolossenzen-1-13-27][^kolossenzen-1-13-l] van de Zoon van Zijn liefde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v13)

**14** [^kolossenzen-1-14-28] In Wie wij de verlossing[^kolossenzen-1-14-29] hebben[^kolossenzen-1-14-m] door Zijn bloed,[^kolossenzen-1-14-30] namelijk de vergeving van de zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v14)

**15** [^kolossenzen-1-15-n] Die het Beeld is[^kolossenzen-1-15-31] van[^kolossenzen-1-15-32][^kolossenzen-1-15-o] de[^kolossenzen-1-15-33] onzichtbare God, de Eerstgeborene van alle schepselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v15)

**16** [^kolossenzen-1-16-p] Want[^kolossenzen-1-16-34] door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij[^kolossenzen-1-16-35] tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en[^kolossenzen-1-16-36] tot Hem geschapen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v16)

**17** En Hij is[^kolossenzen-1-17-37] voor alle dingen, en alle dingen[^kolossenzen-1-17-38] bestaan samen door Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v17)

**18** [^kolossenzen-1-18-q] En Hij is[^kolossenzen-1-18-39] het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die[^kolossenzen-1-18-40] het Begin is,[^kolossenzen-1-18-r] de[^kolossenzen-1-18-41] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij[^kolossenzen-1-18-42] in allen de Eerste zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v18)

**19** Want het is het welbehagen[^kolossenzen-1-19-43] van de Vader geweest, dat[^kolossenzen-1-19-s] in Hem[^kolossenzen-1-19-44] al de volheid wonen zou; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v19)

**20** [^kolossenzen-1-20-t] En dat Hij, door Hem[^kolossenzen-1-20-v] vrede gemaakt hebbende[^kolossenzen-1-20-45] door het bloed van Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen,[^kolossenzen-1-20-46] die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v20)

**21** En Hij heeft[^kolossenzen-1-21-47] u, die[^kolossenzen-1-21-48] vroeger vervreemd was,[^kolossenzen-1-21-49] en vijanden door het verstand[^kolossenzen-1-21-50] in de boze werken, nu ook verzoend, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v21)

**22** [^kolossenzen-1-22-51] In het lichaam van Zijn vlees, door de dood,[^kolossenzen-1-22-x] opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en[^kolossenzen-1-22-52] onschuldig voor Zich stellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v22)

**23** [^kolossenzen-1-23-y] Als u maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van[^kolossenzen-1-23-53] de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is onder[^kolossenzen-1-23-54] al de schepselen, die onder de hemel zijn;[^kolossenzen-1-23-55] van dat ik Paulus een dienaar geworden ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v23)

**24** [^kolossenzen-1-24-z] Die mij nu verblijde in mijn[^kolossenzen-1-24-56] lijden[^kolossenzen-1-24-a] voor u, en vervulle in mijn vlees[^kolossenzen-1-24-57] de overblijfselen van[^kolossenzen-1-24-58] de verdrukkingen van[^kolossenzen-1-24-b] Christus, voor[^kolossenzen-1-24-59] Zijn lichaam, dat is de Gemeente; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v24)

**25** Waarvan ik dienaar geworden ben, naar[^kolossenzen-1-25-60] de bedeling van[^kolossenzen-1-25-c] God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v25)

**26** Namelijk het geheim,[^kolossenzen-1-26-61] dat verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten,[^kolossenzen-1-26-d] maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v26)

**27** [^kolossenzen-1-27-e] Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij[^kolossenzen-1-27-62] de rijkdom van de heerlijkheid van dit geheim onder de heidenen,[^kolossenzen-1-27-63] dat[^kolossenzen-1-27-64] is Christus onder u,[^kolossenzen-1-27-65][^kolossenzen-1-27-f] de Hoop van de heerlijkheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v27)

**28** Die wij verkondigen, vermanende ieder mens, en lerende ieder mens[^kolossenzen-1-28-66] in alle wijsheid, opdat wij zouden[^kolossenzen-1-28-67] ieder mens[^kolossenzen-1-28-68] volmaakt stellen in Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v28)

**29** Waartoe ik ook arbeide,[^kolossenzen-1-29-69] strijdende[^kolossenzen-1-29-70] naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/1.html#v29)

[^kolossenzen-1-1-1]: Kanttekening 1: een apostel: Van dit gehele opschrift zie de aantekeningen op de andere zendbrieven en voornamelijk Ef. 1:1 , 1:2 . Efeziërs 1:1 : Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus: Efeziërs 1:2 : Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^kolossenzen-1-2-2]: Kanttekening 2: Dat was een voorname stad in Frygië, niet ver van Hierapolis en Laodicea, gelijk te zien is Kol. 4:13 , 4:16 , waar de apostel zelf nooit was geweest, Kol. 2:1 , hoewel hij in Pamfilië, een landschap niet ver vandaar gelegen, het Evangelie meermalen gepredikt had; vanwaar het schijnt dat hij Epafras en enige anderen daarheen gezonden heeft. Zie Hand. 13:13 , en Hand. 14:24 . Kolossensen 4:13 : Want ik geef hem getuigenis, dat hij grote ijver heeft over u en degenen, die in Laodicea zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn. Kolossensen 4:16 : En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente van de Laodicensen gelezen worde, en dat ook u die leest, die uit Laodicea geschreven is. Kolossensen 2:1 : Want ik wil, dat u weet, hoe grote strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; Handelingen 13:13 : En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem. Handelingen 14:24 : En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië.
[^kolossenzen-1-2-a]: Verwijzing a: Rom. 1:7 ; Galat. 1:3 ; Efez. 1:2 ; 1 Petr. 1:2 . Romeinen 1:7 : Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Galaten 1:3 : Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heer Jezus Christus; Efeziërs 1:2 : Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2 : De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^kolossenzen-1-3-3]: Kanttekening 3: Wij danken: Zie van deze benaming Gods, 1 Kor. 15:24 ; Ef. 1:3 . 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. Efeziërs 1:3 : Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.
[^kolossenzen-1-3-b]: Verwijzing b: Efez. 1:15 ; Filip. 1:3 ; 1 Thes. 1:2 ; 2 Thes. 1:3 . Efeziërs 1:15 : Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heer Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, Filippensen 1:3 : Ik dank mijn God, telkens als ik uw gedenk. 1 Thessalonicensen 1:2 : Wij danken God altijd over u allen, uw gedachtig zijnde in onze gebeden; 2 Thessalonicensen 1:3 : Wij moeten God altijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde van ieder van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt;
[^kolossenzen-1-4-4]: Kanttekening 4: uw geloof: Dat is, de belijdenis uws geloofs van Christus Jezus, op welke het ware geloof bijzonderlijk ziet, om door Hem vergeving van de zonden en de zaligheid te verkrijgen; Hand. 10:43 ; Rom. 3:24 , 3:25 , enz. Handelingen 10:43 : Deze geven getuigenis al de profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam. Romeinen 3:24 : En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; Romeinen 3:25 : Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;
[^kolossenzen-1-5-5]: Kanttekening 5: de hoop: De eeuwige zaligheid, die wij hier hopen, en hiernamaals in de hemel genieten zullen; Rom. 8:24 ; Ef. 1:18 . Romeinen 8:24 : Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Efeziërs 1:18 : Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat u mag weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;
[^kolossenzen-1-5-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 1:4 . 1 Petrus 1:4 : Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^kolossenzen-1-5-6]: Kanttekening 6: weggelegd is: Dat is, bewaard wordt, gelijk Petrus spreekt, 1 Petr. 1:4 , om op zijn tijd daar te ontvangen. 1 Petrus 1:4 : Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^kolossenzen-1-5-7]: Kanttekening 7: door het Woord: Grieks in het woord; Ef. 1:13 . Efeziërs 1:13 : In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Welke u ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte;
[^kolossenzen-1-6-8]: Kanttekening 8: in de gehele wereld: Dat is, onder al de volken van de wereld, gelijk hierna vers 23 verklaard wordt. Zie Rom. 10:18 . Kolossensen 1:23 : Als u maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is onder al de kreature, die onder de hemel is; van dat ik Paulus een dienaar geworden ben; Romeinen 10:18 : Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
[^kolossenzen-1-6-d]: Verwijzing d: Mark. 4:8 ; Joh. 15:16 . Marcus 4:8 : En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. Johannes 15:16 : U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
[^kolossenzen-1-6-9]: Kanttekening 9: het brengt vruchten: Namelijk van het ware geloof, en die de ware bekering passend zijn. Zie Matt. 3:8 , en Matt. 13:23 , alsook Jes. 55:10 . Mattheüs 3:8 : Brengt dan vruchten voort, van de bekering waard. Mattheüs 13:23 : Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud. Jesaja 55:10 : Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet terugkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier, en brood de eter;
[^kolossenzen-1-6-10]: Kanttekening 10: ook onder u: Grieks in u.
[^kolossenzen-1-6-11]: Kanttekening 11: in waarheid: Dat is, waarlijk en oprecht, gelijk Hand. 10:34 , dat van de Colossensen verstaan wordt, die oprecht en zonder geveinsdheid de waarheid van het Evangelie hebben bekend; of van degenen, die hun dat eerst hebben gepredikt, welke het hun oprecht en zonder vermenging van menselijke leringen hebben voorgesteld, gelijk hij meteen van Epafras getuigt. Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is;
[^kolossenzen-1-7-e]: Verwijzing e: Kolos. 4:12 ; Filem. v. 23 . Kolossensen 4:12 : U groet Epafras, die uit de uw is, een dienaar van Christus, te alle tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God. Filemon 1:23 : U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,
[^kolossenzen-1-7-12]: Kanttekening 12: is voor u: Dat is, u ten goede en tot uwe zaligheid.
[^kolossenzen-1-8-13]: Kanttekening 13: in de Geest: Of, door de Geest; dat is, die door de Heilige Geest in u gewrocht is, en uit een geestelijk gemoed en oorzaak voortkomt; dat de apostel daarbij doet, om deze liefde te onderscheiden van wereldse liefde, die uit wereldse oorzaken haar oorsprong heeft. Zie Rom. 14:17 , en Ef. 6:18 . Romeinen 14:17 : Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;
[^kolossenzen-1-9-f]: Verwijzing f: Efez. 1:15 . Efeziërs 1:15 : Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heer Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen,
[^kolossenzen-1-9-14]: Kanttekening 14: niet ophouden: Dat is, zo dikwijls als wij bidden, ook voor u te bidden.
[^kolossenzen-1-9-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 1:5 . 1 Korinthiërs 1:5 : Dat u in alles rijk bent geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;
[^kolossenzen-1-9-15]: Kanttekening 15: Zijn wil: Dat is, Gods wil in het Evangelie geopenbaard, van welke hij vers 6 gesproken had. Kolossensen 1:6 : Dat tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van die dag af dat u gehoord hebt, en de genade van God in waarheid bekend hebt.
[^kolossenzen-1-9-16]: Kanttekening 16: in alle wijsheid: Deze twee gaven worden zo onderscheiden, dat wijsheid is eigenlijk het begrip van de geestelijke verborgenheden en leringen, ons in het Evangelie geopenbaard; maar het verstand de bekwaamheid om de ware leer van het Evangelie wel te kunnen onderscheiden van menselijke bijvoegselen, en die tot stichting en vertroosting te kunnen aanleggen, gelijk de apostel hierna ook deze beide dingen voorstelt.
[^kolossenzen-1-10-h]: Verwijzing h: Gen. 17:1 ; 1 Kor. 7:20 ; Efez. 4:1 ; Filip. 1:27 ; 1 Thes. 2:12 . Genesis 17:1 : Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 1 Korinthiërs 7:20 : Een iedereen blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Filippensen 1:27 : Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; 1 Thessalonicensen 2:12 : En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-10-17]: Kanttekening 17: Dat is, gelijk het betaamt degenen, die de Heer kennen, belijden en liefhebben. Zie dergelijke Rom. 16:2 ; Ef. 4:1 . Romeinen 16:2 : Opdat u haar ontvangt in de Heer, gelijk het de heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelf. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent;
[^kolossenzen-1-10-18]: Kanttekening 18: tot alle behagelijkheid: Dat is, om de Heer in al uw wandel te mogen behagen.
[^kolossenzen-1-10-i]: Verwijzing i: Joh. 15:16 . Johannes 15:16 : U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
[^kolossenzen-1-11-19]: Kanttekening 19: Met alle kracht: Dat is, met allerlei kracht, die Hij ons in onze zwakheid mededeelt, om al deze onze vijanden te overwinnen, wanneer wij die sterkte door het geloof van Hem begeren. Zie vers 27 ; 2 Kor. 12:9 ; Jak. 1:5 , 1:17 . 1 Korinthiërs 1:27 : Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; 2 Korinthiërs 12:9 : En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Jakobus 1:5 : En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die ieder mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Jakobus 1:17 : Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.
[^kolossenzen-1-11-20]: Kanttekening 20: De volharding ziet op de grootte van de verdrukking, die zij volhardend verdraagt; de lankmoedigheid op de langdurigheid derzelve, waardoor zij daaronder niet bezwijkt, noch zichzelf wreekt, al is zulks somwijlen in haar macht. Zie Jes. 30:15 ; Klaagl. 3:25 . Jesaja 30:15 : Want zo zegt de Heer YHWH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zoudt u behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar u hebt niet gewild. Klaagliederen 3:25 : Teth. YHWH is goed dengenen, die Hem verwachten, de ziele, die Hem zoekt.
[^kolossenzen-1-11-21]: Kanttekening 21: met blijdschap: Niet om de verdrukkingen zelf, die ook de gelovigen verdriet aandoen en tranen uitpersen, Joh. 16:20 , maar om de vertroostingen die zij daarin gevoelen, en de vruchten en beloningen, die zij daardoor verkrijgen. Zie Matt. 5:12 ; Hand. 5:41 ; Rom. 5:3 ; vers 5 , enz. Johannes 16:20 : Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u zult huilen, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet zal tot blijdschap worden. Mattheüs 5:12 : Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Handelingen 5:41 : Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden. Romeinen 5:3 : En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; 2 Korinthiërs 1:5 : Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig.
[^kolossenzen-1-12-22]: Kanttekening 22: Namelijk wij, van welke hij in vers 9 gesproken heeft. En hier begint de apostel het tweede deel van deze zendbrief, bestaande in de voorstelling van de leer van de zaligheid en in de weerlegging van de tegenstrijdige dwalingen. Kolossensen 1:9 : Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat u mag vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;
[^kolossenzen-1-12-23]: Kanttekening 23: bekwaam gemaakt: Namelijk door Zijn woord en Geest.
[^kolossenzen-1-12-24]: Kanttekening 24: deel te hebben : Of, deel te hebben in het lot; dat is, in het erfdeel lot te hebben, gelijk Hand. 26:18 . Handelingen 26:18 : Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^kolossenzen-1-12-25]: Kanttekening 25: in het licht: Dat is, in het rijk van Zijn genade en heerlijkheid, dat licht wordt genaamd vanwege de ware kennis van God, die daarin heerst; en vanwege de eeuwige heerlijkheid en klaarheid in de hemel, die daarop volgt, gesteld tegen het rijk van de duisternis, waarvan in vers 13 wordt gesproken. Kolossensen 1:13 : Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde;
[^kolossenzen-1-13-k]: Verwijzing k: Efez. 2:4 ; 1 Thes. 2:12 . Efeziërs 2:4 : Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, 1 Thessalonicensen 2:12 : En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-13-26]: Kanttekening 26: de macht van de duisternis: Van de zonde en van de eeuwige dood, waarover de Satan als een prins van de duisternis, Ef. 6:12 , de macht toegeschreven wordt, Hebr. 2:14 , omdat hij door afleiding en onkennis van God en Zijn wil, over de ongelovige mensen heerst, 2 Kor. 4:3 , 4:4 , en hen zo tot de eeuwige dood in de eeuwige duisternis brengt; Matt. 8:12 ; 2 Petr. 2:17 ; Jud. v.6 . Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; 2 Korinthiërs 4:3 : Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Mattheüs 8:12 : En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. 2 Petrus 2:17 : Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. Judas 1:6 : En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^kolossenzen-1-13-27]: Kanttekening 27: van de Zoon van Zijn liefde: Dat is, van Zijn welgeliefden Zoon, Matt. 3:17 , en Matt. 17:5 ; een Hebreeuwse wijze van spreken, gelijk Ps. 15:1 , de berg Zion de berg van Zijn heerlijkheid genaamd wordt, dat is, Zijn heilige berg. Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:5 : Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Psalmen 15:1 : Een psalm van David. YHWH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid?
[^kolossenzen-1-13-l]: Verwijzing l: Matt. 3:17 ; Matt. 17:15 ; 2 Petr. 1:17 . Mattheüs 3:17 : En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:15 : Heer! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water. 2 Petrus 1:17 : Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
[^kolossenzen-1-14-28]: Kanttekening 28: In Denwelke: Namelijk Zoon van Zijn liefde, dat is, Christus Jezus, wiens persoon hij daarna gaat beschrijven.
[^kolossenzen-1-14-29]: Kanttekening 29: de verlossing: Grieks vrijmaking, of, lossing door rantsoen. Zie ook Ef. 1:7 . Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade,
[^kolossenzen-1-14-m]: Verwijzing m: Hand. 20:28 ; Efez. 1:7 ; Hebr. 9:14 ; 1 Petr. 1:19 . Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, Hebreeën 9:14 : Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen? 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^kolossenzen-1-14-30]: Kanttekening 30: namelijk : Hier wordt deze verlossing, die wij in Christus Jezus hebben, nader verklaard, en wordt de vergeving van de zonden hier, gelijk ook Luk. 1:77 , alleen uitgedrukt, niet omdat wij door de verlossing van Christus niet meer hebben, maar omdat deze het eerste deel is van onze verlossing, en de grond, waarop het recht tot het eeuwige leven en de heiligmaking, en ook het pand van de Heilige Geest, noodwendig volgt, gelijk de apostel elders alom verklaart, voornamelijk Ef. 1:7 , enz., waarvan deze brief een kort begrip is. Zie ook Gal. 3:12 , enz. Lukas 1:77 : Om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden, Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, Galaten 3:12 : Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven.
[^kolossenzen-1-15-n]: Verwijzing n: 2 Kor. 4:4 ; Filip. 2:6 ; Hebr. 1:3 . 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^kolossenzen-1-15-31]: Kanttekening 31: het Beeld: Christus wordt hier zo genaamd, zo ten aanzien van Zijn eeuwige geboorte van de Vader, omdat Hij is het uitgedrukte en eeuwige beeld van de persoon van de Vader, eenswezens met de Vader, Spreuk. 8:22 ; Micha 5:1 ; Joh. 10:30 ; Hebr. 1:3 , alsook ten aanzien dat Hij mens geworden zijnde, God in Hem en door Hem Zijne eigenschappen, namelijk Zijne wijsheid, goedigheid, rechtvaardigheid en almachtigheid, voor onze ogen gelijk als afbeeldt. Zie Joh. 14:9 ; 1 Tim. 3:16 . Spreuken 8:22 : YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. Micha 5:1 : En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Johannes 10:30 : Ik en de Vader zijn een. Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Johannes 14:9 : Jezus zei tot hem: Ben Ik zo langen tijd met u, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt u: Toon ons de Vader? 1 Timotheüs 3:16 : En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-15-32]: Kanttekening 32: van de onzichtbare: Namelijk van de Vader, die daarom onzichtbaar genoemd wordt, omdat Zijn wezen onzichtbaar is, 1 Tim. 6:16 , en omdat Hij Zichzelf voor de ogen van de mensen niet heeft geopenbaard, gelijk wel de Zoon in Zijn aangenomen menselijke natuur heeft gedaan. Zie Joh. 1:18 , 1:33 . 1 Timotheüs 6:16 : Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 1:33 : En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt.
[^kolossenzen-1-15-o]: Verwijzing o: Openb. 3:14 . Openbaring 3:14 : En schrijf aan de engel van de Gemeente van de Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van God:
[^kolossenzen-1-15-33]: Kanttekening 33: Hij zegt niet de eerstgeschapene, maar eerstgeborene, dat verstaan moet worden van Zijn goddelijke natuur en eeuwige geboorte van de Vader vóór alle schepselen, en van Zijne waardigheid boven alle schepselen, gelijk op het woord beeld aangetekend is, en nader blijkt Joh. 1:1 , vergelijk met vers 14 . Te meer omdat Hij hier gezegd wordt de eerstgeborene niet onder vele broeders, gelijk Rom. 8:29 , maar aller creaturen, waardoor Hij merkelijk van alle schepselen wordt onderscheiden, en dienvolgens niet als een schepsel, maar als de Schepper van alles wordt ingevoerd, gelijk in vers 16 breder verklaard wordt. Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Kolossensen 1:14 : In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^kolossenzen-1-16-p]: Verwijzing p: Gen. 1:3 ; Ps. 33:6 ; Joh. 1:3 ; Efez. 3:9 ; Hebr. 1:2 . Genesis 1:3 : En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Johannes 1:3 : Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Efeziërs 3:9 : En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Hebreeën 1:2 : Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^kolossenzen-1-16-34]: Kanttekening 34: door Hem: Grieks in Hem; dat is, door Hem als een medewerker van de Vader, gelijk aan het einde van vers 16 verklaard wordt. Zie ook Joh. 1:3 , en Joh. 5:19 . Kolossensen 1:16 : Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Johannes 1:3 : Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Johannes 5:19 : Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelf doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelfde doet ook de Zoon evenzo.
[^kolossenzen-1-16-35]: Kanttekening 35: Deze namen worden hier de engelen in de hemel gegeven, omdat God hen als koningen, \[welke eigenlijk de tronen toekomen\] prinsen, overheden en machtigen dikwijls gebruikt in het regeren van landen en koninkrijken, gelijk bij Daniël, Zacharias en andere profeten te zien is. Zie ook Ef. 1:21 , en Ef. 3:10 . Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 3:10 : Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God;
[^kolossenzen-1-16-36]: Kanttekening 36: tot Hem geschapen: Dat is, om Zijnentwil, opdat Hij een erfgenaam en Heer zou zijn ook van al deze. Zie Hebr. 1:2 . Of, tot Zijne eer, gelijk tot de eer van de Vader en van de Heilige Geest. Zie Joh. 5:23 ; Rom. 11:36 . Hebreeën 1:2 : Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; Johannes 5:23 : Opdat zij allen de Zoon eren, gelijk zij de Vader eren. Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft. Romeinen 11:36 : Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
[^kolossenzen-1-17-37]: Kanttekening 37: voor alle dingen: Dat is, eer er enige dingen geschapen zijn geweest, gelijk Spreuk. 8:22 ; Joh. 17:5 . Spreuken 8:22 : YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. Johannes 17:5 : En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was.
[^kolossenzen-1-17-38]: Kanttekening 38: bestaan te zamen: Dat is, alle creaturen worden in wezen, leven en bewegen van Hem onderhouden. Zie Hebr. 1:3 , en Joh. 5:17 , enz. door welk alles de eeuwige godheid van de Zoon, en dienvolgens de enigheid van Zijn wezen met de Vader en de Heilige Geest bewezen wordt, zo er maar een enig God is, die hemel en aarde geschapen heeft en onderhoudt. Zie 1 Joh. 5:7 . Hebreeën 1:3 : Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Johannes 5:17 : En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. 1 Johannes 5:7 : Want Drie zijn er, Die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
[^kolossenzen-1-18-q]: Verwijzing q: Efez. 1:22 ; Efez. 4:15 ; Efez. 5:23 . Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 4:15 : Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^kolossenzen-1-18-39]: Kanttekening 39: het Hoofd van het: In de voorgaande verzen heeft Hij gesproken van de uitnemendheid van de persoon van Christus, als de eeuwige Zoon van God, en Schepper en onderhouder van alle dingen, nu bewijst Hij ook de uitnemendheid van Zijn persoon boven al Zijn uitverkoren leden, ten aanzien dat Hij als God en mens een Middelaar is geworden tussen God en de mensen; waarvan het eerste is, dat Hij het geestelijk lichaam is, dat van Hem door Zijne verdienste en Geest alle geestelijk leven en zaligheid ontvangt; waarvan zie Ef. 1:22 , en Ef. 4:15 , 4:16 . Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 4:15 : Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; Efeziërs 4:16 : Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.
[^kolossenzen-1-18-40]: Kanttekening 40: het Begin is: Dat is, de eersteling uit de doden, gelijk Hem Paulus zo noemt 1 Kor. 15:20 ; en Christus wordt zo genoemd, omdat Hij niet alleen is degene, die door Zijn eigen kracht is opgestaan, en door wiens kracht alle anderen opgestaan zijn, en hiernamaals opstaan zullen, maar ook omdat Hij de eerste is, die tot de eeuwige heerlijkheid opgestaan is, opdat Hij al Zijne gelovigen met Hem tot dezelfde heerlijkheid hiernamaals zou verwekken. Zie 1 Kor. 15:23 ; 1 Thess. 4:14 , enz. 1 Korinthiërs 15:20 : Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. 1 Korinthiërs 15:23 : Maar ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. 1 Thessalonicensen 4:14 : Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem.
[^kolossenzen-1-18-r]: Verwijzing r: 1 Kor. 15:20 ; Openb. 1:5 . 1 Korinthiërs 15:20 : Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Openbaring 1:5 : En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^kolossenzen-1-18-41]: Kanttekening 41: Dat is, de eerstgeborene onder degenen, die tot de eeuwige heerlijkheid uit de doden zullen opstaan, waardoor, gelijk ook door het woord begin, te kennen gegeven wordt, niet alleen dat Hij de eerste in orde is en de oorzaak van de opstanding van de anderen, maar bovendien ook dat Hij in heerlijkheid boven anderen, zelfs naar Zijn menselijke natuur, verre zal uitsteken, gelijk de eerstgeborenen in het Oude Testament boven al hun broeders gezet waren, dat ook de volgende woorden, opdat Hij, enz., merkelijk medebrengen.
[^kolossenzen-1-18-42]: Kanttekening 42: in allen: Of, onder allen, namelijk Zijne broeders.
[^kolossenzen-1-19-43]: Kanttekening 43: van de Vader : Dat is, van God Zijn Vader, van denwelken Hij ook in de volgende verzen spreekt. Zie 2 Kor. 5:18 . 2 Korinthiërs 5:18 : En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.
[^kolossenzen-1-19-s]: Verwijzing s: Joh. 1:14 ; idem v. 16 ; Kolos. 2:9 . Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:16 : En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Kolossensen 2:9 : Want in Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk;
[^kolossenzen-1-19-44]: Kanttekening 44: al de volheid: Namelijk van alle geestelijke gaven en heerlijkheid, namelijk niet alleen om die voor zich te bezitten, maar ook om al de leden, naarmate Zijn gaven, die mee te delen. Zie Joh. 1:14 , 1:16 , en Joh. 3:34 , 3:35 ; Ef. 4:7 , enz. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:16 : En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate. Johannes 3:35 : De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. Efeziërs 4:7 : Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^kolossenzen-1-20-t]: Verwijzing t: 2 Kor. 5:18 ; 1 Joh. 4:10 . 2 Korinthiërs 5:18 : En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. 1 Johannes 4:10 : Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.
[^kolossenzen-1-20-v]: Verwijzing v: Jes. 9:6 ; Joh. 16:33 ; Hand. 10:36 ; Rom. 5:1 ; Efez. 2:14 . Jesaja 9:6 : Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van YHWH van de heirscharen zal zulks doen. Johannes 16:33 : Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. Handelingen 10:36 : Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft de kinderen van Israël, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heer van allen. Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Efeziërs 2:14 : Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van de afscheidsels gebroken hebbende,
[^kolossenzen-1-20-45]: Kanttekening 45: door het bloed: Dat is, door Zijn bloedige offerande eenmaal aan het kruis volbracht; Hebr. 10:10 , enz. Hebreeën 10:10 : In welke wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied.
[^kolossenzen-1-20-46]: Kanttekening 46: die op de aarde: Zie de verklaring van deze plaats in de aantekeningen op Ef. 1:10 . Efeziërs 1:10 : Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot een te vergaderen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is;
[^kolossenzen-1-21-47]: Kanttekening 47: Namelijk gelovigen uit de heidenen.
[^kolossenzen-1-21-48]: Kanttekening 48: eertijds vervreemd: Namelijk voordat u tot Christus bekeerd was. Zie Ef. 2:12 , enz. Efeziërs 2:12 : Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
[^kolossenzen-1-21-49]: Kanttekening 49: en vijanden: Dat is, God hatende en van God gehaat. Zie Rom. 1:30 , en Rom. 5:10 ; Joh. 15:25 ; Jak. 4:4 . Romeinen 1:30 : Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam; Romeinen 5:10 : Want als wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Johannes 15:25 : Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. Jakobus 4:4 : Overspelers en overspeleressen, weet u niet, dat de vriendschap van de wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
[^kolossenzen-1-21-50]: Kanttekening 50: in de boze werken: Dat is, dat Hem altijd in het boze bezig houdt, Gen. 6:5 . Genesis 6:5 : En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was.
[^kolossenzen-1-22-51]: Kanttekening 51: In het lichaam: Dat is, in Zijn lichaam, bestaande uit vlees en bloed, en ons in alle zwakheden gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14 ; welke titel de apostel daarbij doet, opdat Hij Zijn lichaam, dat Hij voor ons in de dood gegeven heeft, zou onderscheiden van Zijn geestelijk lichaam van Zijn gemeente, waarvan hij kort tevoren heeft gesproken, en ook van Zijn verheerlijkt lichaam, waarmee Hij in de hemel triumfeert, en dat aan gene zwakheid of sterflijkheid meer is onderworpen; Rom. 6:9 , 6:10 . Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Romeinen 6:9 : Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Romeinen 6:10 : Want dat Hij gestorven is, dat is Hij van de zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij voor God.
[^kolossenzen-1-22-x]: Verwijzing x: Lukas 1:75 ; Efez. 1:4 ; Efez. 5:27 ; 2 Tim. 1:9 ; Titus 2:12 . Lukas 1:75 : In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. 2 Timotheüs 1:9 : Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; Titus 2:12 : En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
[^kolossenzen-1-22-52]: Kanttekening 52: Namelijk omdat de gerechtigheid van Christus ons door het geloof wordt toegerekend, en al onze gebreken door Zijn bloed en voorbidden bedekt worden, Rom. 8:33 , 8:34 ; en wij, door Gods Geest wedergeboren zijnde, ook zelf van alle overblijfselen van de zonde hierna zullen bevrijd worden; Ef. 5:26 , 5:27 . Romeinen 8:33 : Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Romeinen 8:34 : Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt. Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^kolossenzen-1-23-y]: Verwijzing y: Joh. 15:6 . Johannes 15:6 : Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, zoals de rank, en is verdord; en men vergadert dezelfde, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
[^kolossenzen-1-23-53]: Kanttekening 53: de hope van het: Dat is, de hoop van de eeuwige zaligheid, die de gelovigen door het Evangelie wordt beloofd.
[^kolossenzen-1-23-54]: Kanttekening 54: al de kreature: Dat is, alle volken, of soorten van mensen in de wereld, gelijk Christus verklaart, Matt. 28:19 , en Markus ook spreekt Mark. 16:15 . Mattheüs 28:19 : Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Marcus 16:15 : En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
[^kolossenzen-1-23-55]: Kanttekening 55: van dat ik: Namelijk het Evangelie onder alle volken.
[^kolossenzen-1-24-z]: Verwijzing z: 2 Kor. 7:4 . 2 Korinthiërs 7:4 : Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.
[^kolossenzen-1-24-56]: Kanttekening 56: lijden voor u: Dat is, om u met mijn voorbeeld te versterken in de aangenomen waarheid. Zie 2 Kor. 12:15 ; 2 Tim. 2:10 . 2 Korinthiërs 12:15 : En ik zal zeer graag de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, u overvloediger beminnende, weiniger bemind worde. 2 Timotheüs 2:10 : Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-24-a]: Verwijzing a: Efez. 3:13 ; Filip. 2:17 ; 2 Tim. 2:10 . Efeziërs 3:13 : Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid. Filippensen 2:17 : Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. 2 Timotheüs 2:10 : Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-24-57]: Kanttekening 57: de overblijfselen: Of, wat ontbreekt. Dit wordt niet verstaan van het lijden van Christus voor onze zonden, alsof daaraan iets zou ontbreken tot onze verlossing, want dat is volkomen en in alle delen volmaakt, zodat daaraan niets ontbreekt, vers 20 ; Hebr. 10:14 ; 1 Joh. 1:7 , en 1 Joh. 2:2 ; maar van het lijden, dat zijn leden aangedaan wordt om Zijnentwil. Zie vers 5 ; Hebr. 11:26 . Kolossensen 1:20 : En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. Hebreeën 10:14 : Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 1 Johannes 2:2 : En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld. 2 Korinthiërs 1:5 : Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. Hebreeën 11:26 : Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.
[^kolossenzen-1-24-58]: Kanttekening 58: de verdrukkingen: Dat is, òf Christus lijdt in Zijne ledematen, Hand. 9:4 ; vers 5 , òf de gelovigen om Christus' zaak lijden, 2 Kor. 4:10 ; Hebr. 11:26 . Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? 2 Korinthiërs 1:5 : Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. 2 Korinthiërs 4:10 : Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. Hebreeën 11:26 : Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.
[^kolossenzen-1-24-b]: Verwijzing b: Rom. 12:5 ; 1 Kor. 12:27 ; Efez. 4:12 ; Efez. 5:23 . Romeinen 12:5 : Zo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkanders leden. 1 Korinthiërs 12:27 : En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. Efeziërs 4:12 : Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^kolossenzen-1-24-59]: Kanttekening 59: voor Zijn lichaam: Dat is, tot versterking en stichting van Zijne gemeente, gelijk Hij tevoren gezegd heeft voor u.
[^kolossenzen-1-25-60]: Kanttekening 60: de bedeling: Dat is, nadat Hij mij deze Zijn last en deze Zijne gaven uitgedeeld heeft, als een heer over zijn huis. Zie de verklaring van dit woord Ef. 1:10 . Efeziërs 1:10 : Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot een te vergaderen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is;
[^kolossenzen-1-25-c]: Verwijzing c: Rom. 16:25 ; Efez. 1:9 ; Efez. 3:9 ; 2 Tim. 1:10 ; Titus 1:3 ; 1 Petr. 1:20 . Romeinen 16:25 : Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. Efeziërs 3:9 : En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; 2 Timotheüs 1:10 : Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie; Titus 1:3 : Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof: 1 Petrus 1:20 : Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^kolossenzen-1-26-61]: Kanttekening 61: die verborgen is: Zie de verklaring hiervan in de aantekeningen Ef. 3:5 , enz. Efeziërs 3:5 : Welke in andere eeuwen de kinderen van de mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door de Geest;
[^kolossenzen-1-26-d]: Verwijzing d: Matt. 13:11 . Mattheüs 13:11 : En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven.
[^kolossenzen-1-27-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 2:14 . 2 Korinthiërs 2:14 : En Gode zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus, en de reuk Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen.
[^kolossenzen-1-27-62]: Kanttekening 62: de rijkdom van de heerlijkheid: Dat is, de overvloed en heerlijkheid; of de heerlijke overvloedigheid.
[^kolossenzen-1-27-63]: Kanttekening 63: Namelijk rijkdom van de heerlijkheid.
[^kolossenzen-1-27-64]: Kanttekening 64: is Christus: Want in Hem zijn alle schatten van de wijsheid en kennis van God verborgen, gelijk Hij hierna spreekt Kol. 2:3 . Die dan Christus in zich heeft wonende door het geloof, die heeft alles met Hem; Rom. 8:32 . Kolossensen 2:3 : In Denwelken al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn. Romeinen 8:32 : Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
[^kolossenzen-1-27-65]: Kanttekening 65: de Hoop van de heerlijkheid: Dat is, in wie en door wie wij de hoop van de eeuwige heerlijkheid ontvangen.
[^kolossenzen-1-27-f]: Verwijzing f: 1 Tim. 1:1 . 1 Timotheüs 1:1 : Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onze Zaligmaker, en de Heer Jezus Christus, Die onze Hope is,
[^kolossenzen-1-28-66]: Kanttekening 66: in alle wijsheid: Namelijk ter zaligheid nodig. Zie Hand. 20:27 ; 2 Tim. 3:15 . Handelingen 20:27 : Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad van God. 2 Timotheüs 3:15 : En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is.
[^kolossenzen-1-28-67]: Kanttekening 67: ieder mens: Namelijk wie hij ook zij, hetzij Jood of heiden.
[^kolossenzen-1-28-68]: Kanttekening 68: volmaakt stellen: Dat is, leren zijne volmaaktheid alleen in Christus te stellen en te zoeken; of in Christus' geloof en leer. Zie Hand. 4:12 ; Rom. 1:16 . Handelingen 4:12 : En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. Romeinen 1:16 : Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^kolossenzen-1-29-69]: Kanttekening 69: Ene gelijkenis, genomen van degenen, die om prijs strijden of vechten, die al hunne krachten, die zij hebben, gebruiken om te overwinnen.
[^kolossenzen-1-29-70]: Kanttekening 70: naar Zijn werking: Dat is, naar de mate van Zijn werking, die in ons niet leeg is. Zie 1 Kor. 15:10 ; 2 Tim. 1:6 , 1:7 . 1 Korinthiërs 15:10 : Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is. 2 Timotheüs 1:6 : Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen. 2 Timotheüs 1:7 : Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid.

### Kolossenzen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/kolossenzen/2.json)

*1 De apostel betuigt hoe zorgvuldig hij is voor de Kolossenzen en anderen bij wie hij zelf nooit gepredikt had, opdat zij meer en meer gesterkt zouden worden in de rechte kennis van God en van Christus, in Wie alle schatten van de wijsheid verborgen zijn. 4 Hij vermaant hen dat zij zich door geen schijnredenen van deze aangenomen leer zouden laten afleiden. 8 Hij waarschuwt hen dat zij deze leer met geen filosofie noch andere inzettingen van de wet zouden vermengen, 9 aangezien de gehele Godheid in Christus lichamelijk woont en wij in Hem volmaakt zijn, 11 en aangezien wij ook in Christus geestelijk besneden zijn, 12 en de doop daarvan een zegel is, 13 aangezien ook Christus de wet van de ceremoniën, als een handschrift, aan het kruis tenietgedaan heeft en zelfs over de satan daaraan getriomfeerd heeft. 16 Hij handelt verder tegen het onderscheid van spijzen en tijden, 18 tegen de dienst van de engelen 20 en tegen alle inzettingen van de mensen en eigenwillige godsdiensten.*

**1** [^kolossenzen-2-1-1] Want ik wil, dat u weet, hoe grote[^kolossenzen-2-1-2] strijd ik voor u heb, en voor degenen, die[^kolossenzen-2-1-3] te Laodicea zijn, en zo velen als[^kolossenzen-2-1-4] er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v1)

**2** [^kolossenzen-2-2-5] Opdat hun harten[^kolossenzen-2-2-6] vertroost mogen worden,[^kolossenzen-2-2-7] en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom[^kolossenzen-2-2-8] van de volle verzekerdheid van het[^kolossenzen-2-2-9][^kolossenzen-2-2-a] verstand, tot kennis van het geheim van God en de Vader, en van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v2)

**3** [^kolossenzen-2-3-10][^kolossenzen-2-3-b] In Wie al de schatten[^kolossenzen-2-3-11] van de wijsheid en van de[^kolossenzen-2-3-12] kennis verborgen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v3)

**4** En dit zeg[^kolossenzen-2-4-c] ik, opdat niet iemand u misleide[^kolossenzen-2-4-13] met[^kolossenzen-2-4-14] beweegredenen, die een schijn hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v4)

**5** Want[^kolossenzen-2-5-d] hoewel ik[^kolossenzen-2-5-15] met het vlees van u ben, toch ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en[^kolossenzen-2-5-16] ziende[^kolossenzen-2-5-17] uw[^kolossenzen-2-5-e] ordening, en de vastheid[^kolossenzen-2-5-18] van uw geloof in Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v5)

**6** Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt[^kolossenzen-2-6-19] aangenomen, wandelt[^kolossenzen-2-6-20] zo in Hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v6)

**7** [^kolossenzen-2-7-f] Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof,[^kolossenzen-2-7-21] zoals u geleerd bent,[^kolossenzen-2-7-g] overvloedig zijnde in hetzelfde,[^kolossenzen-2-7-22] met dankzegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v7)

**8** [^kolossenzen-2-8-23][^kolossenzen-2-8-h] Zie toe, dat niemand u[^kolossenzen-2-8-24] als een roof vervoere door[^kolossenzen-2-8-25] de filosofie, en ijdele verleiding, naar de[^kolossenzen-2-8-26] overlevering van de mensen, naar[^kolossenzen-2-8-27] de eerste beginselen van de wereld, en[^kolossenzen-2-8-28] niet naar Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v8)

**9** [^kolossenzen-2-9-i] Want[^kolossenzen-2-9-29] in Hem[^kolossenzen-2-9-30] woont al[^kolossenzen-2-9-31] de volheid van de[^kolossenzen-2-9-32] Godheid lichamelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v9)

**10** [^kolossenzen-2-10-k] En u bent[^kolossenzen-2-10-33] in Hem[^kolossenzen-2-10-34] volmaakt, Die het Hoofd is van[^kolossenzen-2-10-35] alle overheid en macht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v10)

**11** [^kolossenzen-2-11-36][^kolossenzen-2-11-l] In Welken u ook[^kolossenzen-2-11-37] besneden bent met een besnijdenis, die[^kolossenzen-2-11-38] zonder handen gebeurt, in de uittrekking[^kolossenzen-2-11-39] van het lichaam van de[^kolossenzen-2-11-40] zonden van het[^kolossenzen-2-11-41] vlees, door de besnijdenis van Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v11)

**12** [^kolossenzen-2-12-m] Zijnde met Hem[^kolossenzen-2-12-42] begraven in de doop,[^kolossenzen-2-12-43] waarin u ook met Hem opgewekt bent[^kolossenzen-2-12-44][^kolossenzen-2-12-n] door het geloof[^kolossenzen-2-12-45] van de werking van God, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v12)

**13** [^kolossenzen-2-13-o] En Hij heeft[^kolossenzen-2-13-46] u, als u[^kolossenzen-2-13-47] dood was in de misdaden, en[^kolossenzen-2-13-48] in de voorhuid van uw vlees,[^kolossenzen-2-13-49] mee levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u[^kolossenzen-2-13-50] vergevende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v13)

**14** [^kolossenzen-2-14-51] Uitgewist hebbende[^kolossenzen-2-14-52] het handschrift, dat tegen ons was,[^kolossenzen-2-14-53] in voorschriften bestaande, dat, zeg[^kolossenzen-2-14-54] ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft het uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v14)

**15** [^kolossenzen-2-15-55][^kolossenzen-2-15-p] En de overheden en de machten[^kolossenzen-2-15-56] uitgetogen hebbende, heeft Hij die[^kolossenzen-2-15-57] in[^kolossenzen-2-15-58] het openbaar tentoongesteld, en heeft[^kolossenzen-2-15-59] door hetzelfde over hen[^kolossenzen-2-15-60] getriomfeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v15)

**16** [^kolossenzen-2-16-61][^kolossenzen-2-16-q] Dat u dan niemand[^kolossenzen-2-16-62] oordele[^kolossenzen-2-16-63] in voedsel of[^kolossenzen-2-16-64] in drank,[^kolossenzen-2-16-65] of in het stuk[^kolossenzen-2-16-66][^kolossenzen-2-16-r] van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v16)

**17** Die zijn[^kolossenzen-2-17-s] een schaduw van de toekomende dingen, maar[^kolossenzen-2-17-67] het lichaam is van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v17)

**18** [^kolossenzen-2-18-t] Dat dan[^kolossenzen-2-18-68] niemand u overheerse[^kolossenzen-2-18-69] naar zijn wil in nederigheid en[^kolossenzen-2-18-70] dienst van de engelen,[^kolossenzen-2-18-71] intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs[^kolossenzen-2-18-72] hoogmoedig zijnde door het[^kolossenzen-2-18-73] verstand van zijn vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v18)

**19** En[^kolossenzen-2-19-74] het Hoofd niet behoudende, uit dat het hele[^kolossenzen-2-19-75] lichaam, door[^kolossenzen-2-19-76] de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde,[^kolossenzen-2-19-77] verrijst met goddelijke wasdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v19)

**20** [^kolossenzen-2-20-78] Als u dan met Christus[^kolossenzen-2-20-79][^kolossenzen-2-20-v] de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, zoals of u[^kolossenzen-2-20-80] in de wereld leefde,[^kolossenzen-2-20-81] met voorschriften belast? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v20)

**21** [^kolossenzen-2-21-82] Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v21)

**22** Die dingen alle[^kolossenzen-2-22-83] verderven door het gebruik,[^kolossenzen-2-22-x] ingevoerd[^kolossenzen-2-22-84] naar de geboden en onderwijzingen van de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v22)

**23** [^kolossenzen-2-23-y] Die wel hebben een schijnrede[^kolossenzen-2-23-85] van wijsheid[^kolossenzen-2-23-86] in eigenwillige godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen,[^kolossenzen-2-23-87] maar zijn niet in enige waarde,[^kolossenzen-2-23-88][^kolossenzen-2-23-z] maar tot verzadiging van het vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/2.html#v23)

[^kolossenzen-2-1-1]: Kanttekening 1: Dit woordje 'want' sluit aan bij wat Paulus aan het einde van het vorige hoofdstuk heeft gezegd, en geeft daarmee aan dat hij niet alleen met alle kracht gewerkt heeft voor hen bij wie hij zelf had gepredikt, maar ook bezorgd was voor hen bij wie hij zelf niet geweest was.
[^kolossenzen-2-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk door bezorgde gedachten, gebeden, vermaningen aan hen die daarheen reizen, en door het zenden van boodschappers — en dat alles ondanks de hindernissen die de Satan daartegen opwerpt; daarom noemt hij dit een strijd.
[^kolossenzen-2-1-3]: Kanttekening 3: Een stad niet ver van Kolosse gelegen, waar het lijkt dat deze valse leraars dezelfde dwalingen verspreidden. Daarom draagt hij ook op deze brief bij hen te laten lezen. Kolossenzen 4:16.
[^kolossenzen-2-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: die mijn lichamelijke aanwezigheid nooit hebben gehad, zoals in Handelingen 20:38.
[^kolossenzen-2-2-5]: Kanttekening 5: Deze drie dingen — namelijk troost, liefde en volle zekerheid — kunnen ofwel de vrucht zijn van Paulus' strijd voor hen, ofwel de zaak zelf waarmee deze zorg en strijd van Paulus zich bezig hield.
[^kolossenzen-2-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk doordat zij zijn zorg voor hen begrijpen, en zijn getuigenis van de oprechtheid van de leer die zij door Epafras en anderen hadden ontvangen.
[^kolossenzen-2-2-7]: Kanttekening 7: Een vergelijking met timmerwerk dat samengevoegd en in elkaar gesloten zijnde sterker en vaster is. Niets bindt de harten meer samen dan eenheid in het ware geloof, waaruit ook de echte liefde voortvloeit. Handelingen 4:32.
[^kolossenzen-2-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk door de Heilige Geest in ons gewerkt. Want hoewel het evangelie zelf ons deze zekerheid van het geloof bijbrengt, kan de volle zekerheid daarvan toch niet in ons hart zijn dan door deze bijzondere verzekering van de Geest. Zie Efeziërs 1:13.
[^kolossenzen-2-2-9]: Kanttekening 9: Dit is een nadere uitleg van de kennis van het geloof waarover hij eerder sprak. Want hierin bestaat de kern van de leer van de zaligheid: dat wij God de Vader recht kennen, en Jezus Christus die Hij gezonden heeft. Johannes 17:3.
[^kolossenzen-2-2-a]: Verwijzing a: Jesaja 53:11; Jeremia 9:23; Johannes 17:3; Filippenzen 3:8.
[^kolossenzen-2-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk in Christus. Of: in welk geheimenis van God de Vader en Christus. Want het Griekse woordje kan op beiden betrokken worden, zodat de zin is dat in Christus, of in de leer van God de Vader en van Christus, alle schatten van wijsheid en kennis (namelijk die tot de zaligheid nodig zijn) verborgen zijn. Dit wordt door de apostel zo getuigd om de Kolossers te tonen dat de zaligheid dan nergens anders gezocht moet worden dan in deze leer, die ons tot God door Christus wijst. 1 Korintiërs 1:30 en 2:2.
[^kolossenzen-2-3-b]: Verwijzing b: 1 Korintiërs 1:24.
[^kolossenzen-2-3-11]: Kanttekening 11: Deze twee woorden onderscheiden sommigen aldus: dat met wijsheid de kennis van alle geloofsartikelen bedoeld wordt, en met kennis de wetenschap van alle geboden van Christus die nodig zijn voor de christelijke wandel.
[^kolossenzen-2-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: besloten of opgesloten zijn. De apostel gebruikt het woord 'verborgen' echter, omdat de natuurlijke mens deze dingen niet begrijpt, maar dat zij geestelijk onderscheiden worden. Matteüs 11:25; 1 Korintiërs 1:23.
[^kolossenzen-2-4-c]: Verwijzing c: Efeziërs 5:6; Kolossenzen 2:18.
[^kolossenzen-2-4-13]: Kanttekening 13: Het Griekse woord betekent iemand overreden met bedrieglijke redeneringen of sluitredenen.
[^kolossenzen-2-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk zoals de redenaren en filosofen plachten te gebruiken, waardoor zij onder de schijn van aannemelijke argumenten — die dikwijls geen vastheid hadden — de harten innamen en mensen wijs maakten wat zij wilden.
[^kolossenzen-2-5-d]: Verwijzing d: 1 Korintiërs 5:3.
[^kolossenzen-2-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: naar mijn lichaam, zoals hij spreekt in 1 Korintiërs 5:3.
[^kolossenzen-2-5-16]: Kanttekening 16: Namelijk in mijn geest, zoals hij eerder getuigde, en zoals hij spreekt in 1 Korintiërs 5:3 — hetzij dat de apostel dit verstaat van de wetenschap die hij hiervan had door het berichten van Epafras en anderen, hetzij ook door bijzondere openbaringen van de Heilige Geest, zoals Elisa had van de daden van zijn dienaar Gehazi. 2 Koningen 5:26.
[^kolossenzen-2-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk in uw gezamenlijke wandel en ook in het uitoefenen van de discipline en het bestuur van uw gemeente.
[^kolossenzen-2-5-e]: Verwijzing e: 1 Korintiërs 14:40.
[^kolossenzen-2-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: van uw belijdenis van het geloof, zonder daarvan in het minste te wijken, wat men u ook wijs tracht te maken — welke standvastigheid de apostel in hen prijst om hen daarin steeds meer te versterken.
[^kolossenzen-2-6-19]: Kanttekening 19: Namelijk door het ware geloof. Johannes 1:12.
[^kolossenzen-2-6-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: zoals het hem of zijn gemeenschap waard is.
[^kolossenzen-2-7-f]: Verwijzing f: Efeziërs 3:17.
[^kolossenzen-2-7-21]: Kanttekening 21: Namelijk door Epafras en uw eerdere trouwe leraars, niet zoals deze anderen u wijs proberen te maken.
[^kolossenzen-2-7-g]: Verwijzing g: 1 Korintiërs 1:5.
[^kolossenzen-2-7-22]: Kanttekening 22: Namelijk voor de genade die u al ontvangen hebt. Kolossenzen 1:12.
[^kolossenzen-2-8-23]: Kanttekening 23: Hier begint de apostel het overzicht van de dwalingen waartegen hij hen waarschuwt, namelijk filosofie, menselijke instellingen en vermengingen met de ceremoniewet, die hij het ene na het andere weerspreekt.
[^kolossenzen-2-8-h]: Verwijzing h: Romeinen 16:17; Hebreeën 13:9.
[^kolossenzen-2-8-24]: Kanttekening 24: Of: berove, als roof wegrove. Namelijk van Christus en zijn waarheid naar andere leringen of middelen tot zaligheid buiten Christus. Een vergelijking ontleend aan rovers die niet alleen goederen maar ook mensen als buit wegroofden om hen tot slaven te maken. Zie een voorbeeld in 1 Samuël 30.
[^kolossenzen-2-8-25]: Kanttekening 25: Hiermee wordt niet de ware filosofie bedoeld, die een gave van God is en zelfs een instrument is dat nuttig is om Gods woord beter te verstaan en te verklaren, maar de sofisterij of bedrieglijke schijnwijsheid van sommige heidense filosofen — zoals de volgende woorden 'ijdele misleiding' verklaren — zoals Paulus hierover spreekt in Romeinen 1:21-22. Deze filosofen hadden in hun schijnwijsheid sommige dingen over God en de weg naar het hoogste goed voorgesteld die deze leraars met het evangelie wilden vermengen, zoals ook de scholastieke leraars in het pausdom doen, waardoor de eenvoud en oprechtheid van de zaligmakende leer van het evangelie merkelijk is verduisterd en vervalst.
[^kolossenzen-2-8-26]: Kanttekening 26: Dit is de tweede dwaling die zij bij het evangelie van Christus wilden voegen om naar hun mening aan de eenvoud van het evangelie meer glans bij de mensen te geven, zoals de Farizeeën eertijds deden. Matteüs 15:3.
[^kolossenzen-2-8-27]: Kanttekening 27: Grieks: elementen. Zo noemt de apostel de ceremonieën van de wet, omdat het God behaagd heeft in de verdeling van de tijden de Israëlieten — en daarin ook de rest van de wereld die zalig werd — door dit middel zo tot Christus te leiden, zoals een kind door het leren van het alfabet tot lezen wordt bereid en als door een schoolmeester tot meer wijsheid gebracht. Zie hierover uitgebreider in Galaten 3:24 en 4:3, 9.
[^kolossenzen-2-8-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: naar de leer of instelling van Christus, die alleen in de gemeente van Christus moet gelden. Galaten 1:6, 8-9.
[^kolossenzen-2-9-i]: Verwijzing i: Johannes 1:14; Kolossenzen 1:19.
[^kolossenzen-2-9-29]: Kanttekening 29: Namelijk als waarachtig mens die onder ons heeft gewoond, vol genade en heerlijkheid. Johannes 1:14.
[^kolossenzen-2-9-30]: Kanttekening 30: Namelijk met een wezenlijke inwoning van de Zoon van God in de menselijke natuur, door de vereniging van zijn goddelijke natuur met de menselijke in de eenheid van zijn persoon — zoals het lichaam een tabernakel en woning van onze ziel wordt genoemd (2 Korintiërs 5:1), en zoals Christus zijn menselijke natuur ook een tempel noemt waarin zijn Godheid woonde, die hij zou herbouwen. Johannes 2:19.
[^kolossenzen-2-9-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: de gehele Godheid van de Zoon, met al zijn eigenschappen — niet alleen ten aanzien van bepaalde gaven, zoals hij ook in de profeten, apostelen en andere heiligen woont.
[^kolossenzen-2-9-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: persoonlijk, zoals het Griekse woord 'soma' soms een persoon betekent. Of: wezenlijk, werkelijk — tegengesteld aan de schaduwen en figuren van het Oude Testament, zoals het woord 'soma' in dit zelfde hoofdstuk vers 17 genomen wordt. De zaak komt echter op hetzelfde neer: want God wordt in het Oude Testament wel gezegd te wonen in de tabernakel, de tempel en de ark van het verbond, maar slechts als in schaduwen of figuren van Christus' menselijke natuur, die hij in de volheid van de tijd zou aannemen om persoonlijk, werkelijk en wezenlijk daarin te wonen met al zijn volheid. Als hij dan waarachtig God en waarachtig mens is in één persoon, en de volheid van de Godheid in hem woont, wil de apostel zeggen dat wij buiten hem geen zaligheid moeten zoeken — niet in de ceremonieën van de wet, niet in de filosofische aanbevelingen van de dienst van de engelen, niet in enige andere menselijke instellingen of bedenkingen, maar alleen in hem en in zijn woord.
[^kolossenzen-2-10-k]: Verwijzing k: Johannes 1:16.
[^kolossenzen-2-10-33]: Kanttekening 33: Grieks: in hem vervuld. Dat wil zeggen: wij hebben alles in hem wat voor onze volmaakte zaligheid nodig is. 1 Korintiërs 1:30.
[^kolossenzen-2-10-34]: Kanttekening 34: Zie Efeziërs 1:23 en 4:16.
[^kolossenzen-2-10-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: ook van de engelen in de hemel die onder hem staan, zoals Kolossenzen 1:16 getuigt. Hieruit blijkt dat wij de zaligheid niet in hen, maar in Christus hebben. Want dit vereist de eigenschap van het hoofd en zijn werking: dat alle leden — waartoe hier ook de engelen uitdrukkelijk gerekend worden — van hem afhangen en hun geestelijk leven van hem ontvangen. Efeziërs 5:23. En hoewel de goede engelen de verlossing door Christus niet nodig hadden, omdat zij niet gevallen waren, blijkt hieruit toch dat zij ook door hem in hun gelukkige staat in eeuwigheid bewaard worden. Daarom worden zij ook onder de vergadering gerekend waartoe de gelovigen zijn gekomen (Hebreeën 12:22), uitverkoren engelen genoemd (1 Timotheüs 5:21), en stellen zij zichzelf als dienaren van Christus en medeknechten van de gelovigen. Openbaring 22:9.
[^kolossenzen-2-11-36]: Kanttekening 36: Namelijk in Christus.
[^kolossenzen-2-11-l]: Verwijzing l: Deuteronomium 10:16; Jeremia 4:4; Romeinen 2:29; Filippenzen 3:3.
[^kolossenzen-2-11-37]: Kanttekening 37: Namelijk niet met de uiterlijke besnijdenis, die door Christus' dood samen met de andere ceremonieën van het Oude Testament tenietgedaan is — zoals de apostel hier leert en in Galaten 5:1-2 — maar met de innerlijke besnijdenis van het hart, in de geest, die de aangeduide zaak was van de uiterlijke besnijdenis, en die de apostel in de volgende woorden nader verklaart. Hieruit wil hij concluderen dat de uiterlijke besnijdenis ons dan niet meer nodig noch nuttig is.
[^kolossenzen-2-11-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: door God zelf, door zijn Geest. Deuteronomium 30:6; Romeinen 2:29.
[^kolossenzen-2-11-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: van de gehele massa van de verdorvenheid, die bij een lichaam wordt vergeleken dat vele leden heeft. Zie Romeinen 6:6; Kolossenzen 3:5 — vanwege de velerlei begeerten die de zonde in ons werkt.
[^kolossenzen-2-11-40]: Kanttekening 40: Hierdoor wordt verklaard waaruit deze zondige aard zijn oorsprong heeft, namelijk uit de vleselijke geboorte. Johannes 3:6.
[^kolossenzen-2-11-41]: Kanttekening 41: Niet in eigenlijke zin, waardoor Christus zelf op de achtste dag besneden is geweest, maar waardoor hij ons met zijn Geest in onze harten besnijdt — dat wil zeggen: van de schuld en de heerschappij van de zonde verlost en onze harten reinigt — zoals de volgende verzen uitgebreider verklaren.
[^kolossenzen-2-12-m]: Verwijzing m: Romeinen 6:4; Galaten 3:27.
[^kolossenzen-2-12-42]: Kanttekening 42: Of: begraven door de doop. Want in de doop wordt ons aangetoond en bezegeld dat onze oude mens door de dood van Christus gedood is en dus ook begraven — dat wil zeggen: door Christus' lijden en sterven zijn heersende kracht heeft verloren, zodat hij is als een dood en begraven lichaam, dat zich niet kan bewegen om te heersen, hoewel het zijn stank nog wel verspreidt, totdat hij door diezelfde dood en Geest van Christus geheel vernietigd wordt. Zie Romeinen 6:3.
[^kolossenzen-2-12-43]: Kanttekening 43: Namelijk de doop, of Christus. Want beide is waar, maar op verschillende wijze: want door de kracht van Christus' opstanding zijn wij opgewekt tot nieuwheid van leven, en door de doop wordt het ook bezegeld. Zie Romeinen 6:4. En hiermee wil de apostel bewijzen dat wij zelfs het zegel van de besnijdenis in het Nieuwe Testament niet meer nodig hebben, omdat de doop ons nu hetzelfde aanduidt en bezegelt.
[^kolossenzen-2-12-44]: Kanttekening 44: Namelijk zonder welk geloof de uiterlijke doop geen kracht heeft. Want wie gelooft en gedoopt is, zal zalig worden. Marcus 16:16. Het geloof neemt dan de weldaad aan die de doop ons aanwijst en bezegelt.
[^kolossenzen-2-12-n]: Verwijzing n: Efeziërs 1:19 en 3:7.
[^kolossenzen-2-12-45]: Kanttekening 45: Hierdoor kan verstaan worden ofwel de kracht van God waardoor het geloof in ons gewerkt wordt, ofwel het steunpunt van het geloof waarop het in onze vernieuwing ziet — namelijk op de kracht van God die Christus uit de doden heeft opgewekt, waardoor wij ook uit de dood van de zonde worden opgewekt.
[^kolossenzen-2-13-o]: Verwijzing o: Efeziërs 2:1.
[^kolossenzen-2-13-46]: Kanttekening 46: Namelijk u die nu in Christus gelooft en gedoopt bent.
[^kolossenzen-2-13-47]: Kanttekening 47: Zie Efeziërs 2:1.
[^kolossenzen-2-13-48]: Kanttekening 48: Dit wordt niet gezegd van de eigenlijk genoemde voorhuid, die de gelovige Kolossers nog hadden, maar van de natuurlijke verdorvenheid waarin zij voor hun bekering verkeerden, die zo bij wijze van vergelijking genoemd wordt, omdat de voorhuid in het Oude Testament iets schandelijks en verachtelijks was bij de Israëlieten. Zie een soortgelijke spreekwijze in Deuteronomium 10:16 en Jeremia 9:25.
[^kolossenzen-2-13-49]: Kanttekening 49: Zie Efeziërs 2:5.
[^kolossenzen-2-13-50]: Kanttekening 50: Of: genadevol vergevend. Of: vergeven hebbende. Want door het geloof worden ons onze overtredingen en zondige aard uit kracht van Christus' verdienste vergeven, en wordt het lichaam van de zonde — de oude mens — in ons ook gedood. Van beide weldaden is de doop een teken en zegel in het Nieuwe Testament, zoals de besnijdenis dat in het Oude was. Romeinen 2:29 en 4:11.
[^kolossenzen-2-14-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: doorgestreept en geheel en al gecasseerd, zoals wij zeggen.
[^kolossenzen-2-14-52]: Kanttekening 52: Het Griekse woord 'cheirographon', dat wil zeggen 'handschrift', nemen sommigen hier voor een schrift dat met Gods hand zelf in stenen tafelen was geschreven, zoals van de wet van de tien geboden getuigd wordt in Exodus 34:1. Zij verstaan dit dan van de zedenwet of de tien geboden, die 'tegen ons' gezegd wordt te zijn, hetzij vanwege haar scherpe eis van volkomen gehoorzaamheid, hetzij vanwege haar vervloeking bij gebrek daaraan, die Christus voor ons aan het kruis heeft gedragen en waarvan hij ons heeft verlost. Galaten 3:10, 13. Maar omdat de apostel hier eigenlijk handelt tegen het onderhouden van de besnijdenis en andere ceremonieën, wordt dit handschrift hier verstaan van de ceremoniewet van het Oude Testament, die een handschrift wordt genoemd dat tegen ons was, omdat zij als een obligatie of schuldbrief was waardoor de mensen hun misdaden en schulden dagelijks voor God beleden, en toch door het uiterlijk oefenen ervan nooit werden verlost — zoals Paulus verklaart in Hebreeën 10:1. Dit blijkt ook uit de vergelijking van deze plaats met Efeziërs 2:14-15, waar dit woord 'handschrift in instellingen' 'de wet van de geboden in instellingen' wordt genoemd. Het woord 'dogmasi', dat wil zeggen 'bepalingen of instellingen', wordt nergens in Gods woord voor de wet van de tien geboden gebruikt, noch ook het woord 'dogmatizesthe' in vers 20. En wat Paulus daar bijvoegt, bewijst dat ook duidelijk: want de zedenwet maakt eigenlijk geen vijandschap tussen Joden en heidenen, omdat zij ook in de natuur is geschreven (Romeinen 2:14); het is alleen de ceremoniewet waardoor dit onderscheid en deze vijandschap tussen die volkeren werd veroorzaakt.
[^kolossenzen-2-14-53]: Kanttekening 53: Of: door de instellingen of geboden. Hierdoor verstaan sommigen de instellingen of leringen van het Nieuwe Testament, waardoor de ceremoniewet is verklaard tenietgedaan te zijn. Maar de vergelijking met de plaats in Efeziërs 2:15 toont dat dit handschrift in deze instellingen bestond, en hier geleerd wordt dat dit handschrift niet simpelweg door de leer en instellingen van Christus, maar door de dood van Christus aan het kruis tenietgedaan is — die het aan het kruis heeft genageld en geheel gecasseerd, toen hij voor onze misdaden en schulden aan het kruis heeft voldaan. Want waar voldoening van schuld is, is geen handschrift of schuldbrief meer nodig en wordt hij gecasseerd.
[^kolossenzen-2-14-54]: Kanttekening 54: Of: in het verborgene, in het geheim. Namelijk omdat de wassingen, offeranden en andere ceremonieën van het Oude Testament de mensen wel schenen te reinigen, maar in werkelijkheid dat niet deden, maar hen slechts van hun schuld overtuigden, tenzij zij daardoor tot Christus werden gebracht, wiens bloed alleen de gewetens kon reinigen van dodelijke werken. Hebreeën 9:9.
[^kolossenzen-2-15-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: de Satan met al zijn boze geesten, die grote macht over de mensen hebben zolang zij niet van de heerschappij van de zonde verlost zijn. Zie Efeziërs 6:12; 2 Timotheüs 2:26.
[^kolossenzen-2-15-p]: Verwijzing p: Genesis 3:15; Matteüs 12:29; Lukas 11:22; Johannes 12:31 en 16:11.
[^kolossenzen-2-15-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: van hun macht en wapens ontbloot hebbende, welke wapens de zonde en de dood waren, wier kracht de wet was. 1 Korintiërs 15:55-56. Zie ook Lukas 11:22. Een vergelijking ontleend aan overwonnen veldheren met hun soldaten, die aldus van hun wapens ontbloot voor aller ogen als een schouwspel werden rondgeleid, totdat zij in de gevangenis werden gebracht en daar opgesloten of omgebracht werden.
[^kolossenzen-2-15-57]: Kanttekening 57: Of: vrijmoedig, met vrijmoedigheid.
[^kolossenzen-2-15-58]: Kanttekening 58: Of: te schande gemaakt. Namelijk tot hun verkleining en smaad. Zie voor dit woord Matteüs 1:19.
[^kolossenzen-2-15-59]: Kanttekening 59: Of: in het kruis. Want door zijn dood heeft hij de Satan, die de macht van de dood had, de macht ontnomen om ons te beschadigen of te beschuldigen. En hoewel hij ons nog strijd aandoet, zijn wij toch verzekerd van de volledige overwinning in Christus Jezus. Lukas 10:17; Romeinen 16:20; Hebreeën 2:14; Openbaring 12:10.
[^kolossenzen-2-15-60]: Kanttekening 60: Dit wordt verstaan van een geestelijke triomftocht, waarbij Christus, aan de Satan alle geestelijke macht ontnomen hebbende, als overwinnaar van hel, dood en verdoemenis is gebleven.
[^kolossenzen-2-16-61]: Kanttekening 61: Hiermee sluit de apostel de voorgaande behandeling af, en gaat eerst in tegen de ceremonieën, daarna tegen de Platoonse filosofie, en tenslotte tegen de instellingen van mensen.
[^kolossenzen-2-16-q]: Verwijzing q: Leviticus 11:2; Romeinen 14:2; Galaten 4:10.
[^kolossenzen-2-16-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: veroordele als onrein en als overtreder van de wet, zoals de Joden plachten te doen.
[^kolossenzen-2-16-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: omdat u een dergelijk onderscheid van voedsel of drank niet meer onderhoudt, zoals God in het Oude Testament had ingesteld.
[^kolossenzen-2-16-64]: Kanttekening 64: Zoals de Joden in het Oude Testament in bepaalde gevallen ook bevolen werd onderscheid te maken in drank. Numeri 6:3.
[^kolossenzen-2-16-65]: Kanttekening 65: Of: vanwege de zaak van een feestdag, zoals deze spreekwijze ook gebruikt wordt in 1 Petrus 4:16.
[^kolossenzen-2-16-66]: Kanttekening 66: Hieronder worden verstaan de drie jaarlijkse feestdagen die God in het Oude Testament had ingesteld (Leviticus 23:4), zoals door de nieuwe maan de maandelijkse feesten (Numeri 28:11), en door het woord 'sabbatsdagen' de jaarlijkse sabbatsjaren en in het bijzonder de wekelijkse, voor zover die ceremonieel waren (Exodus 20:11; Leviticus 19:3) — welke door de komst van Christus tenietgedaan zijn ten aanzien van hun bijzondere en hogere heiligheid, die zij door Gods instelling hadden, alsmede vanwege hun betekenis en noodzakelijkheid. De christelijke kerk heeft echter ook bepaalde feestdagen in vrijheid van christenen goed gevonden te onderhouden, ter gedachtenis aan bijzondere weldaden van Christus, om God daarin naar zijn gebod te dienen met het horen van zijn woord, het gebruik van de heilige sacramenten, openbare en gemeenschappelijke gebeden en lofzangen, en het geven van aalmoezen. Aan welke dagen het geweten van de christenen echter niet verder is gebonden dan tot het bewaren van goede orde en om elkaar in de christelijke samenkomsten door onderlinge opwekking meer en meer te stichten en te versterken. Wat ook op andere tijden gedaan kan worden, wanneer het met goede orde kan gebeuren. 1 Korintiërs 11:17 en 14:23. Maar in plaats van de wekelijkse sabbat is van de tijden van de apostelen af de eerste dag van de week tot hetzelfde doel altijd onderhouden. Zie Handelingen 20:7; 1 Korintiërs 16:1-2; Openbaring 1:10.
[^kolossenzen-2-16-r]: Verwijzing r: Leviticus 23:23.
[^kolossenzen-2-17-s]: Verwijzing s: Hebreeën 8:5 en 10:1.
[^kolossenzen-2-17-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: de aangeduide zaak is van Christus, dat wil zeggen: in Christus vervuld. Want alle schaduwen van het Oude Testament wezen op Christus en zijn weldaden, door wier komst zij ook een einde hebben gekregen. Zie Johannes 1:17; Galaten 4:3-4.
[^kolossenzen-2-18-t]: Verwijzing t: Jeremia 29:8; Matteüs 24:4; Efeziërs 5:6; 2 Tessalonicenzen 2:9; 1 Johannes 4:1.
[^kolossenzen-2-18-68]: Kanttekening 68: Of: de prijs ontroove. Het Griekse woord 'katabrabeuein' betekent misbruik maken van de macht die iemand over anderen gegeven is. Het is eigenlijk ontleend aan hen die in de openbare hardloop- of strijdspelen het gezag hebben om ieder zijn beurt van lopen of strijden te vergunnen en daarna de prijs — die in het Grieks 'brabeion' wordt genoemd (1 Korintiërs 9:24) — te geven aan wie hem verdiend heeft. Als nu iemand dit niet naar behoorlijkheid maar met onrecht of naar zijn eigen wil doet, wordt hij gezegd 'katabrabeuein' of daarin heersend op te treden.
[^kolossenzen-2-18-69]: Kanttekening 69: Grieks: willende, dat wil zeggen: eigenwillig, opzettelijk.
[^kolossenzen-2-18-70]: Kanttekening 70: Deze dienst van de engelen probeerden sommigen vanuit de Platoonse filosofie in te voeren in de gemeenten van Frygië, zoals sommige oude schrijvers getuigen. Hiertegen is zelfs lang na deze tijd een synode te Laodicea gehouden. Deze verleiders gaven voor dat men uit nederigheid niet rechtstreeks tot God noch tot Christus moest gaan, maar door de engelen die dienaren van God waren en die als middelaars zouden dienen tussen God en ons — zoals tegenwoordig sommigen beweren van de gestorven heiligen.
[^kolossenzen-2-18-71]: Kanttekening 71: Of: indringend. Namelijk met hun spitsvondige en gedurfde voorstellingen, en sprekend over deze zaken alsof zij uit de hemel kwamen, terwijl het niets anders waren dan menselijke vondsten en bedenkingen zonder grondslag.
[^kolossenzen-2-18-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: zichzelf hierin behagende en verhovaardigd, alsof hij grote dingen had gevonden.
[^kolossenzen-2-18-73]: Kanttekening 73: Of: vernuft van zijn vlees. Dat wil zeggen: niet door Gods ingeving verlicht, maar door de verdorven natuur misleid. Want het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Romeinen 8:7.
[^kolossenzen-2-19-74]: Kanttekening 74: Namelijk Christus Jezus, die het hoofd is van zijn gemeente en ook van alle engelen, van welk hoofd en de werking van dit hoofd in alle leden zulke mensen afwijken.
[^kolossenzen-2-19-75]: Kanttekening 75: Namelijk de gemeente. Zie Kolossenzen 1:24.
[^kolossenzen-2-19-76]: Kanttekening 76: Zie over deze hele vergelijking de aantekening op Efeziërs 4:16, waar dezelfde woorden ook aangehaald en verklaard worden.
[^kolossenzen-2-19-77]: Kanttekening 77: Grieks: groeit de groei van God.
[^kolossenzen-2-20-78]: Kanttekening 78: Met deze conclusie komt de apostel tot de laatste soort van dwalingen, namelijk de menselijke instellingen.
[^kolossenzen-2-20-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: de ceremonieën van de wet door God zelf in het Oude Testament ingesteld, zoals hij die ook in vers 8 zo heeft genoemd. Hoeveel te meer, wil hij zeggen, bent u dan vrij van de instellingen die alleen op menselijk goedvinden gegrond zijn.
[^kolossenzen-2-20-v]: Verwijzing v: Galaten 4:9.
[^kolossenzen-2-20-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: alsof uw leven en gelukzaligheid in deze uiterlijke wereldse beginselen gelegen waren.
[^kolossenzen-2-20-81]: Kanttekening 81: Of: geboden. Dat wil zeggen: laat u door zulke leraars niet met instellingen belasten.
[^kolossenzen-2-21-82]: Kanttekening 82: Dit zijn de woorden van deze bijgelovige mensen die Paulus aanhaalt, en waarmee hij met deze drievoudige spreekwijze aangeeft dat het bijgeloof altijd groeit. Want eerst verbieden zij aan te raken — namelijk om te eten of te drinken; daarna zelfs niet om te proeven; tenslotte zelfs niet om aan te roeren. Want dat hier alleen gesproken wordt van dingen waarmee het lichaam geoefend en gevoed wordt, blijkt uit de twee volgende verzen, in welke dingen vele valse leraars vroeger en nu grote heiligheid hebben gesteld, tegen de leer van Paulus hier en in Romeinen 14:17 en 1 Timotheüs 4:3-4.
[^kolossenzen-2-22-83]: Kanttekening 83: Grieks: zijn ten verderve. Dat wil zeggen: vergaan zelf in het lichaam van de mens wanneer zij nu gebruikt zijn, en dienen alleen tot onderhoud van dit vergankelijke leven, maar hebben geen kracht om het geestelijk leven in ons voort te brengen. Zie Matteüs 15:11; 1 Korintiërs 6:13 en 8:8. Maar wie naar Gods woord doet, blijft in eeuwigheid. 1 Johannes 2:17.
[^kolossenzen-2-22-x]: Verwijzing x: Jesaja 29:13; Matteüs 15:19; Titus 1:14.
[^kolossenzen-2-22-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: zijn ingesteld niet door God, maar naar het goedvinden van mensen, terwijl toch in zaken van godsdienst en geweten Gods woord alleen moet gelden. Zie Deuteronomium 12:32 en Matteüs 15:9.
[^kolossenzen-2-23-y]: Verwijzing y: 1 Timotheüs 4:8.
[^kolossenzen-2-23-85]: Kanttekening 85: Dat wil zeggen: van een zeer verheven leer, waarover de menselijke wijsheid zich verwondert.
[^kolossenzen-2-23-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: in zo'n godsdienst die de mensen zichzelf opleggen, alsof zij meer willen doen dan God van hen eist. Want dit voorwendsel, evenals de volgende twee andere — van nederigheid en beteugeling van het lichaam — plegen zulke mensen gewoonlijk voor te wenden.
[^kolossenzen-2-23-87]: Kanttekening 87: Of: zijn niet in enige eer. Namelijk die men het lichaam aandoet, tot verzadiging van het vlees. Dat wil zeggen: zij hebben geen enkel aanzien bij God of enige kracht tot de zaligheid. Zie 1 Korintiërs 8:8; 1 Timotheüs 4:8; Hebreeën 13:9.
[^kolossenzen-2-23-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: dienen alleen om het lichaam te versterken en van noodzakelijk voedsel te voorzien.
[^kolossenzen-2-23-z]: Verwijzing z: 1 Timotheüs 5:23.

### Kolossenzen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/kolossenzen/3.json)

*1 Nadat de apostel, naar zijn gewoonte, de gronden van de leer tot hier toe voorgesteld heeft, komt hij in de twee volgende hoofdstukken tot de vermaningen tot godzaligheid, en bovenal vermaant hij hen in het algemeen dat zij zouden zoeken hetgeen in de hemel is, 3 waarvan zij nu wel enige beginselen hebben, maar het volle bezit in de openbaring van Christus verwachten. 5 Daarna houdt hij hun de weg voor die daartoe leidt, namelijk het doden van de oude mens met zijn leden of ondeugden, die hij opsomt, 10 en het aandoen van de nieuwe mens, die naar Gods beeld geschapen is, met zijn geestelijke deugden. 16 Hij voegt daarbij enige middelen die daartoe dienstig zijn, zoals de rijke inwoning van Gods woord onder hen, het zingen van psalmen en dergelijke. 17 Hij vermaant hen dat zij alles richten tot Gods eer. 18 Daarna komt hij tot de bijzondere plichten, namelijk van de vrouwen en mannen tegenover elkaar, 20 van de kinderen tegenover hun ouders en van de vaders tegenover hun kinderen, 22 en ten slotte van de dienstknechten tegenover hun heren.*

**1** [^kolossenzen-3-1-1] Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen,[^kolossenzen-3-1-2] die boven zijn,[^kolossenzen-3-1-a] waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v1)

**2** [^kolossenzen-3-2-3] Bedenk de dingen, die boven zijn, niet[^kolossenzen-3-2-4] die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v2)

**3** [^kolossenzen-3-3-b] Want[^kolossenzen-3-3-5] u bent gestorven, en[^kolossenzen-3-3-6] uw leven is met Christus[^kolossenzen-3-3-7][^kolossenzen-3-3-c] verborgen in God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v3)

**4** [^kolossenzen-3-4-d] Wanneer nu Christus[^kolossenzen-3-4-8] zal geopenbaard zijn,[^kolossenzen-3-4-9] Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v4)

**5** [^kolossenzen-3-5-10][^kolossenzen-3-5-e] Dood dan[^kolossenzen-3-5-11][^kolossenzen-3-5-f] uw leden,[^kolossenzen-3-5-12] die op de aarde zijn, namelijk[^kolossenzen-3-5-13] hoererij,[^kolossenzen-3-5-14][^kolossenzen-3-5-g] onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid,[^kolossenzen-3-5-h] die is[^kolossenzen-3-5-15] afgodendienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v5)

**6** [^kolossenzen-3-6-i] Om welke[^kolossenzen-3-6-16] de toorn van God komt over[^kolossenzen-3-6-17] de kinderen van de ongehoorzaamheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v6)

**7** [^kolossenzen-3-7-k] In die ook u[^kolossenzen-3-7-18] vroeger hebt gewandeld, toen u daarin leefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v7)

**8** [^kolossenzen-3-8-l] Maar nu legt ook u dit alles af,[^kolossenzen-3-8-19] namelijk toorn, boosheid,[^kolossenzen-3-8-20] kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v8)

**9** [^kolossenzen-3-9-m] Liegt niet tegen elkaar, omdat u uitgedaan hebt[^kolossenzen-3-9-21] de oude mens met zijn werken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v9)

**10** [^kolossenzen-3-10-n] En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt[^kolossenzen-3-10-23] tot kennis,[^kolossenzen-3-10-o] naar het evenbeeld Van Degene,[^kolossenzen-3-10-24] Die hem geschapen heeft;[^kolossenzen-3-10-22] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v10)

**11** [^kolossenzen-3-11-25] Waarin[^kolossenzen-3-11-26][^kolossenzen-3-11-p] niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth,[^kolossenzen-3-11-27][^kolossenzen-3-11-q] dienaar en vrije;[^kolossenzen-3-11-28] maar Christus is alles en in allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v11)

**12** [^kolossenzen-3-12-r] Zo doet dan aan,[^kolossenzen-3-12-s] als uitverkorenen van God, heiligen en[^kolossenzen-3-12-29] geliefden,[^kolossenzen-3-12-30] de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v12)

**13** Verdragende elkaar,[^kolossenzen-3-13-t] en vergevende de één de anderen, zo iemand tegen iemand[^kolossenzen-3-13-31] enige klacht heeft; zoals Christus u vergeven heeft, doet ook u zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v13)

**14** [^kolossenzen-3-14-v] En boven dit alles doet aan de liefde, die[^kolossenzen-3-14-x] is[^kolossenzen-3-14-32] de band van de volmaaktheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v14)

**15** En[^kolossenzen-3-15-33] de vrede van God[^kolossenzen-3-15-34] heerse in uw harten, tot welke u ook geroepen bent[^kolossenzen-3-15-35] in één lichaam; en[^kolossenzen-3-15-36] wees dankbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v15)

**16** [^kolossenzen-3-16-37] Het woord van[^kolossenzen-3-16-38] Christus wone rijk in u,[^kolossenzen-3-16-39] in alle wijsheid;[^kolossenzen-3-16-y] leer en vermaant elkaar,[^kolossenzen-3-16-40] met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met[^kolossenzen-3-16-41] aangenaamheid[^kolossenzen-3-16-42] in uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v16)

**17** En al wat u doet met woorden of met werken, doet het alles[^kolossenzen-3-17-43] in de Naam van de Heere[^kolossenzen-3-17-z] Jezus, dankende God en de Vader door Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v17)

**18** [^kolossenzen-3-18-a] U vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig, zoals het past[^kolossenzen-3-18-44] in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v18)

**19** [^kolossenzen-3-19-b] U mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v19)

**20** [^kolossenzen-3-20-c] U kinderen, wees uw ouderen gehoorzaam[^kolossenzen-3-20-45] in alles, want dat is de Heere welbehaaglijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v20)

**21** U vaders,[^kolossenzen-3-21-46] tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v21)

**22** [^kolossenzen-3-22-d] U dienaren, wees[^kolossenzen-3-22-47] in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met[^kolossenzen-3-22-48] ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoud van het[^kolossenzen-3-22-49] hart, vrezende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v22)

**23** En al wat u doet, doet dat van harte als voor de Heere en[^kolossenzen-3-23-50] niet voor de mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v23)

**24** Wetende, dat u van de Heere zult ontvangen[^kolossenzen-3-24-51] de vergelding van de erfenis; want u dient de Heere Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v24)

**25** Maar[^kolossenzen-3-25-52] die onrecht doet, die zal[^kolossenzen-3-25-53] het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen[^kolossenzen-3-25-54] aanneming van de persoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/3.html#v25)

[^kolossenzen-3-1-1]: Kanttekening 1: u dan met Christus: Dit besluit ziet op Kol. 2:12 , 2:14 , waar Paulus getuigd had dat wij door de doop met Christus begraven en opgewekt zijn, om te bewijzen dat wij noch de ceremoniën van de wet, noch de leer van de filosofie, noch de menselijke inzettingen nodig hebben. Waaruit hij ook nu deze vermaningen trekt; zie de aantekeningen op Kol. 2:12 , 2:14 . Kolossensen 2:12 : Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke u ook met Hem opgewekt bent door het geloof van de werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. Kolossensen 2:14 : Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende; Kolossensen 2:12 : Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke u ook met Hem opgewekt bent door het geloof van de werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. Kolossensen 2:14 : Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende;
[^kolossenzen-3-1-2]: Kanttekening 2: die boven zijn: Dat is, de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, waarvan Christus in de hemel het bezit ingenomen heeft, en ook de geestelijke gaven tot de zaligheid nodig, die Christus aan de rechterhand van Zijn Vader aan Zijne gemeente mededeelt, gelijk Hand. 2:33 ; Ef. 4:8 , enz. verklaard wordt. Handelingen 2:33 : Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort. Efeziërs 4:8 : Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^kolossenzen-3-1-a]: Verwijzing a: Efez. 1:20 . Efeziërs 1:20 : Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel;
[^kolossenzen-3-2-3]: Kanttekening 3: Bedenkt de dingen: Dat is, bevroedt die en tracht daarnaar, gelijk dit woord ook elders wordt genomen; Rom. 8:5 . Romeinen 8:5 : Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de Geest zijn, bedenken, dat van de Geest is.
[^kolossenzen-3-2-4]: Kanttekening 4: die op de aarde zijn: Dat is, aardse en vergankelijke dingen, Filipp. 3:19 ; of menselijke en aardse inzettingen, die met het gebruik vergaan, waarvan hij tevoren ook had gesproken. Filippensen 3:19 : Hun einde is het verderf, hun God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken.
[^kolossenzen-3-3-b]: Verwijzing b: Rom. 6:2 . Romeinen 6:2 : Dat zij verre. Wij, die van de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelfde leven?
[^kolossenzen-3-3-5]: Kanttekening 5: u bent gestorven: Namelijk van de zonde en van de wereld. Zie Rom. 6:2 , enz. Romeinen 6:2 : Dat zij verre. Wij, die van de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelfde leven?
[^kolossenzen-3-3-6]: Kanttekening 6: uw leven is met Christus: Dat is, uw geestelijk en onvergankelijk leven. Want al hebben de gelovigen enige beginselen daarvan, nochtans blijkt dat voor de wereld niet, en zijzelven verwachten de volheid daarvan in Christus en met Christus, uit de hemel, met ene hoop, die niet bedriegt; Rom. 8:24 , 8:25 . Romeinen 8:24 : Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Romeinen 8:25 : Maar als wij hopen, wat wij niet zien, zo verwachten wij het met volharding.
[^kolossenzen-3-3-7]: Kanttekening 7: verborgen in God: Dat is, gelijk Christus ter rechterhand van Zijn Vader is in het bezit van Zijn heerlijkheid, hoewel zulks voor de ogen van de wereld is verborgen, zo wordt ook het leven, dat ons in Christus en met Christus toekomt, daar bewaard om op Zijn tijd aan ons geopenbaard te worden voor de ogen van de gehele wereld; 1 Petr. 1:4 , 1:5 , enz. 1 Petrus 1:4 : Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. 1 Petrus 1:5 : Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^kolossenzen-3-3-c]: Verwijzing c: Rom. 8:24 ; 2 Kor. 5:7 . Romeinen 8:24 : Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 2 Korinthiërs 5:7 : (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)
[^kolossenzen-3-4-d]: Verwijzing d: Filip. 3:21 ; 1 Joh. 3:2 . Filippensen 3:21 : Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^kolossenzen-3-4-8]: Kanttekening 8: zal geopenbaard zijn: Namelijk door Zijne komst tot het oordeel, om ons Zichzelf in heerlijkheid gelijkvormig te maken. Zie Filipp. 3:21 ; 1 Joh. 3:2 . Filippensen 3:21 : Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^kolossenzen-3-4-9]: Kanttekening 9: Die ons Leven is: Dat is, de fontein en oorzaak van ons geestelijk en eeuwig leven; Hebr. 2:10 . Hebreeën 2:10 : Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.
[^kolossenzen-3-5-10]: Kanttekening 10: Doodt dan: Namelijk meer en meer; want hij heeft tevoren gezegd, dat zij al gestorven waren, vers 3 , namelijk, ten aanzien van de heersende macht van de zonde, hoewel de overblijfselen daarvan allengskens meer en meer moesten teniet gedaan worden; Rom. 6:12 , enz. Kolossensen 3:3 : Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Romeinen 6:12 : Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van datzelfde lichaam.
[^kolossenzen-3-5-e]: Verwijzing e: Efez. 4:22 ; Efez. 5:3 . Efeziërs 4:22 : Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Efeziërs 5:3 : Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen betaamt,
[^kolossenzen-3-5-11]: Kanttekening 11: uw leden: Dat is, de kwade bewegingen, die nog in uwe leden zijn, of, die als leden zijn van dit lichaam van de zonde, gelijk hij tevoren heeft gesproken, Kol. 2:11 ; want gelijk de mens door de leden zijns lichaams zijns werkingen uitvoert, zo werpt ook deze verdorvenheid in de mens door haar verscheidene begeerten, haar lusten uit, tenzij die door Gods Geest van ons wederstaan en gedood worden. Zie Rom. 8:13 , 8:14 . Kolossensen 2:11 : In Welken u ook besneden bent met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus; Romeinen 8:13 : Want als u naar het vlees leeft, zo zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult u leven. Romeinen 8:14 : Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.
[^kolossenzen-3-5-f]: Verwijzing f: Rom. 7:5 ; idem v. 23 . Romeinen 7:5 : Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen van de zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om de dood vruchten te dragen. Romeinen 7:23 : Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet van de zonde, die in mijn leden is.
[^kolossenzen-3-5-12]: Kanttekening 12: die op de aarde zijn: Zo noemt de apostel de kwade begeerten, omdat zij de mens altijd tot aardse dingen bewegen, namelijk tot begeerlijkheid van het vlees, begeerlijkheid van de ogen en hovaardij van het leven, 1 Joh. 2:16 ; waarvan wij in de hemel geheel vrij zullen zijn; Openb. 21:27 . 1 Johannes 2:16 : Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^kolossenzen-3-5-13]: Kanttekening 13: Daardoor worden de andere soorten van onkuisheid verstaan, als overspel en dergelijke besmettingen van het vlees.
[^kolossenzen-3-5-14]: Kanttekening 14: schandelijke : Het Griekse woord Pathos (πάθος) betekent zulke beweging, waardoor iemand ontucht lijdt, ook zelfs die tegen de natuur is, gelijk Paulus daarvan breder handelt Rom. 1:26 , enz. Romeinen 1:26 : Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
[^kolossenzen-3-5-g]: Verwijzing g: 1 Thes. 4:5 . 1 Thessalonicensen 4:5 : Niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.
[^kolossenzen-3-5-h]: Verwijzing h: Efez. 5:5 . Efeziërs 5:5 : Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.
[^kolossenzen-3-5-15]: Kanttekening 15: De reden, waarom de gierigheid afgodendienst genaamd wordt, zie in de aantekening op Ef. 5:5 ; Openb. 22:15 . Efeziërs 5:5 : Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^kolossenzen-3-6-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 6:10 ; Galat. 5:19 ; Efez. 5:5 ; Openb. 22:15 . 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. Galaten 5:19 : De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, Efeziërs 5:5 : Want dit weet u, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^kolossenzen-3-6-16]: Kanttekening 16: de toorn van God: Dat is Gods rechtvaardige wraak en straf, zie Rom. 1:18 . Romeinen 1:18 : Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
[^kolossenzen-3-6-17]: Kanttekening 17: de kinderen: Grieks zonen, dat is, mensen van de ongehoorzaamheid overgegeven, gelijk Ef. 2:2 , en Ef. 5:6 ; want hoewel God ook de gelovigen, wanneer zij in enige zulke zonden komen te vallen, wel zwaar kastijdt, zo geschiedt zulks nochtans niet om hen te verderven, maar om hen tot bekering te brengen, gelijk in David en anderen te zien is. Zie Ps. 6:2 , en Ps. 103:8 , enz., Hebr. 12:5 , enz. Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Efeziërs 5:6 : Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Psalmen 6:2 : O YHWH, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! Psalmen 103:8 : Barmhartig en genadig is YHWH, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hebreeën 12:5 : En u hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding van de Heer, en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt;
[^kolossenzen-3-7-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 6:11 ; Efez. 2:1 ; Titus 3:3 . 1 Korinthiërs 6:11 : En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; Efeziërs 2:1 : En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Titus 3:3 : Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende.
[^kolossenzen-3-7-18]: Kanttekening 18: eertijds hebt gewandeld: Namelijk vóór uwe bekering tot Christus. Zo waren dan in hen gene werken van de voorbereiding, die sommigen verkeerd menen in de mensen te zijn voor de bekering, waardoor God zou bewogen worden om hen door het Evangelie tot Christus te roepen. Zie 1 Kor. 6:11 ; Ef. 2:2 , en Ef. 4:17 ; Tit. 3:3 , enz. 1 Korinthiërs 6:11 : En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Efeziërs 4:17 : Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Titus 3:3 : Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende.
[^kolossenzen-3-8-l]: Verwijzing l: Efez. 4:22 ; Hebr. 12:1 ; Jak. 1:21 ; 1 Petr. 2:1 . Efeziërs 4:22 : Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Hebreeën 12:1 : Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Jakobus 1:21 : Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken. 1 Petrus 2:1 : Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
[^kolossenzen-3-8-19]: Kanttekening 19: toorn, toornigheid: Hoe dit moet verstaan worden, zie de aantekeningen op Ef. 4:26 . Efeziërs 4:26 : Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
[^kolossenzen-3-8-20]: Kanttekening 20: kwaadheid, lastering: Hierdoor wordt verstaan het kwade hart, dat iemand behoudt tegen een ander, schoon de toorn en toorn schijnt over te zijn, waardoor hij gelegenheid zoekt om zich over een ander te wreken, gelijk Kaïn tegen Abel deed, Gen. 4:5 . Zie ook Ef. 4:31 . Genesis 4:5 : Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. Efeziërs 4:31 : Alle bitterheid, en toornigheid, en toorn, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;
[^kolossenzen-3-9-m]: Verwijzing m: Efez. 4:25 . Efeziërs 4:25 : Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iedereen met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.
[^kolossenzen-3-9-21]: Kanttekening 21: de oude mens: Zie hiervan, gelijk ook van wat de apostel zegt in vers 10 van de nieuwe mens, de aantekening op Ef. 4:22 , 4:24 . Kolossensen 3:10 : En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Degene, Die hem geschapen heeft; Efeziërs 4:22 : Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Efeziërs 4:24 : En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
[^kolossenzen-3-10-n]: Verwijzing n: Rom. 6:4 . Romeinen 6:4 : Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden.
[^kolossenzen-3-10-23]: Kanttekening 23: tot kennis: Of, tot erkentenis. Want daartoe worden wij door de Geest van Christus in ons verstand verlicht, opdat wij God recht zouden kennen, en voor onze God erkennen, gelijk Hij in de eerste schepping gekend en erkend was.
[^kolossenzen-3-10-o]: Verwijzing o: Gen. 1:26 ; Gen. 5:1 ; Gen. 9:6 ; 1 Kor. 11:7 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 5:1 : Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods. Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. 1 Korinthiërs 11:7 : Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.
[^kolossenzen-3-10-24]: Kanttekening 24: Die hem geschapen heeft: Namelijk naar Zijn evenbeeld, Gen. 1:26 , 1:27 , waartoe wij nu opnieuw door de Geest van Christus worden herschapen, vers 18 . Genesis 1:26 : En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Genesis 1:27 : En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. 2 Korinthiërs 3:18 : En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer.
[^kolossenzen-3-10-22]: Kanttekening 22: die vernieuwd: Namelijk van dag tot dag, gelijk Paulus daar bijvoegt, 2 Kor. 4:16 . Want hoewel de gelovigen de oude mens al hebben aangelegd en de nieuwe aangedaan, ten aanzien van de heersende kracht van beide, zo moeten dezelfde nochtans daarin dagelijks toenemen, gelijk de apostel hier vermaant, door het gebruik van de middelen, daartoe van God ingesteld, waarvan zie de aantekeningen Ef. 4:24 . 2 Korinthiërs 4:16 : Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Efeziërs 4:24 : En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
[^kolossenzen-3-11-25]: Kanttekening 25: Dat is, in welke stand de wedergeboorte, ten tijde van het Nieuwe Testament.
[^kolossenzen-3-11-26]: Kanttekening 26: niet is Griek: Dat is, voor God niet aangezien of geacht wordt op Grieks en Jood, enz., gelijk Gal. 3:28 . Galaten 3:28 : Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus.
[^kolossenzen-3-11-p]: Verwijzing p: Galat. 3:28 ; Galat. 5:6 ; Galat. 6:15 . Galaten 3:28 : Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus. Galaten 5:6 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Galaten 6:15 : Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.
[^kolossenzen-3-11-27]: Kanttekening 27: Dit woord doet de apostel daarbij, omdat deze onder de volken, die van de Grieken barbaren genoemd werden, wel de grofste en wreedste gehouden werden, gelijk nu nog de Tartaren, van hen afkomstig.
[^kolossenzen-3-11-q]: Verwijzing q: 1 Kor. 7:21 ; idem 7:22 ; 1 Kor. 12:13 . 1 Korinthiërs 7:21 : Zijt u, een dienaar zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar als u ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. 1 Korinthiërs 7:22 : Want die in de Heer geroepen is, een dienaar zijnde, die is een vrijgelatene van de Heer; evenzo ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienaar van Christus. 1 Korinthiërs 12:13 : Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.
[^kolossenzen-3-11-28]: Kanttekening 28: Christus is: Dat is, Christus door het geloof maakt alleen de mens, wie hij ook zij, aangenaam voor God, en de mens, van welke staat hij ook zij, vindt in Hem alleen alles ter zaligheid nodig. Zie Hand. 4:12 ; 1 Kor. 1:30 . Handelingen 4:12 : En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. 1 Korinthiërs 1:30 : Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
[^kolossenzen-3-12-r]: Verwijzing r: Efez. 4:32 ; Efez. 6:11 . Efeziërs 4:32 : Maar zijt tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft. Efeziërs 6:11 : Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel.
[^kolossenzen-3-12-s]: Verwijzing s: 1 Thes. 1:4 . 1 Thessalonicensen 1:4 : Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;
[^kolossenzen-3-12-29]: Kanttekening 29: Namelijk van God, die daarom God weer moeten beminnen en gehoorzamen.
[^kolossenzen-3-12-30]: Kanttekening 30: de innerlijke: Grieks de ingewanden van de barmhartigheden; een Hebreeuwse wijze van spreken, waardoor innerlijke of hartelijke beweging tot enige zaak verstaan wordt. Zie Ef. 4:32 ; Filipp. 1:8 , en Filipp. 2:1 . Efeziërs 4:32 : Maar zijt tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft. Filippensen 1:8 : Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. Filippensen 2:1 : Als er dan enige vertroosting is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;
[^kolossenzen-3-13-t]: Verwijzing t: Matt. 6:14 ; Mark. 11:25 ; Efez. 4:32 . Mattheüs 6:14 : Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Marcus 11:25 : En wanneer u staat om te bidden, vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. Efeziërs 4:32 : Maar zijt tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.
[^kolossenzen-3-13-31]: Kanttekening 31: enige klacht heeft: Dat is, enige oorzaak van klacht.
[^kolossenzen-3-14-v]: Verwijzing v: Joh. 13:34 ; Joh. 15:12 ; Efez. 5:2 ; 1 Thes. 4:9 ; 1 Joh. 3:23 ; 1 Joh. 4:21 . Johannes 13:34 : Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Johannes 15:12 : Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. 1 Thessalonicensen 4:9 : Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. 1 Johannes 3:23 : En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. 1 Johannes 4:21 : En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
[^kolossenzen-3-14-x]: Verwijzing x: Efez. 4:3 ; Kolos. 2:2 . Efeziërs 4:3 : U benaarstigende te behouden de enigheid van de Geest door de band van de vrede. Kolossensen 2:2 : Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid van de verstand, tot kennis van de verborgenheid van God en de Vader, en van Christus;
[^kolossenzen-3-14-32]: Kanttekening 32: de band van de volmaaktheid: Namelijk waardoor al de leden van de gemeente ten volle met elkaar verenigd zijn, en elkaar alle behoorlijke diensten en broederlijke toegenegenheid bewijzen. Of, de band van de volmaaktheid van al de Christelijke deugden, die alle in de liefde zijn begrepen, Rom. 13:8 ; Gal. 5:14 . Naarmate dan dat de liefde in ons is, zo zijn ook de andere deugden in ons. Romeinen 13:8 : Zijt niemand iets schuldig, dan elkaar lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. Galaten 5:14 : Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.
[^kolossenzen-3-15-33]: Kanttekening 33: de vrede van God: Namelijk niet alleen die wij met God hebben in onze consciëntie door het geloof, Rom. 5:1 ; Filipp. 4:7 , maar ook die de gelovigen onder elkaar moeten hebben, die God hun gebiedt, en waarvan Hij de oorsprong is; Mark. 9:50 ; Ef. 4:3 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Filippensen 4:7 : En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus. Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar. Efeziërs 4:3 : U benaarstigende te behouden de enigheid van de Geest door de band van de vrede.
[^kolossenzen-3-15-34]: Kanttekening 34: heerse in uw harten: Dat is, hebbe de overhand, het beleid en bestier, om alles in rust tot een goed einde te richten. Het Griekse woord is genomen van degenen, die het beleid hadden in de strijd en schouwspelen, waarvan zie breder hiervoren Kol. 2:18 . Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses;
[^kolossenzen-3-15-35]: Kanttekening 35: in een lichaam: Dat is, in ene gemeente, die het geestelijke lichaam van Christus is, waarvan al de leden aan de andere in vrede moeten verbonden zijn, Ef. 1:22 , 1:23 . Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 1:23 : Welke Zijn lichaam is, en de vervulling van Degene, Die alles in allen vervult.
[^kolossenzen-3-15-36]: Kanttekening 36: weest dankbaar: Namelijk niet alleen tegen uw naaste, om vrede met hem te houden, maar ook tegen God. Want die tegen God dankbaar is, die zal zijne gemeente niet zoeken te verstoren of te verdelen.
[^kolossenzen-3-16-37]: Kanttekening 37: Het Woord van Christus: Dat is, de leer van het Evangelie, die ons door Christus is verkondigd, en begrepen wordt niet alleen in het Nieuwe, maar ook in het Oude Testament; 1 Petr. 1:10 , 1:11 . 1 Petrus 1:10 : Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; 1 Petrus 1:11 : Onderzoekende, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^kolossenzen-3-16-38]: Kanttekening 38: woon rijk in u: Dat is, zijt daarmede veel bezig; want daar men mee woont daar spreekt men en verkeert men veel mee.
[^kolossenzen-3-16-39]: Kanttekening 39: in alle wijsheid: Dat is, om met alle eerbiedigheid daardoor in wijsheid en kennis gesticht te worden.
[^kolossenzen-3-16-y]: Verwijzing y: Efez. 5:19 . Efeziërs 5:19 : Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heer in uw hart;
[^kolossenzen-3-16-40]: Kanttekening 40: met psalmen: Van het onderscheid van deze, zie de aantekeningen op Ef. 5:19 . Efeziërs 5:19 : Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heer in uw hart;
[^kolossenzen-3-16-41]: Kanttekening 41: Of, dankbaarheid, want het Griekse woord betekent beide. Zie Ef. 4:29 ; Kol. 4:6 . Efeziërs 4:29 : Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen. Kolossensen 4:6 : Uw woord zij te alle tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u iedereen moet antwoorden.
[^kolossenzen-3-16-42]: Kanttekening 42: in uw hart: Dat is, niet alleen met de mond, maar ook met het hart.
[^kolossenzen-3-17-43]: Kanttekening 43: in de Naam: Dat is, naar zijn bevel en tot zijne eer met aanroeping van de hulp van Christus. Want al deze dingen begrijpt deze wijze van spreken. Zie Ps. 31:4 ; Matt. 18:20 . Psalmen 31:4 : Want U bent mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, vanwege Uw Naam. Mattheüs 18:20 : Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
[^kolossenzen-3-17-z]: Verwijzing z: Efez. 5:20 ; 1 Thes. 5:18 . Efeziërs 5:20 : Dankende altijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heer Jezus Christus; 1 Thessalonicensen 5:18 : Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.
[^kolossenzen-3-18-a]: Verwijzing a: Gen. 3:16 ; 1 Kor. 14:34 ; Efez. 5:22 ; Titus 2:5 ; 1 Petr. 3:1 . Genesis 3:16 : Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 1 Korinthiërs 14:34 : Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Efeziërs 5:22 : U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer; Titus 2:5 : Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde. 1 Petrus 3:1 : Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige de Woorde ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^kolossenzen-3-18-44]: Kanttekening 44: in de Heer: Dat is, volgens het bevel van de Heer, die u zulks heeft willen opleggen. Of, zo dat u nochtans in deze gehoorzaamheid niet doet tegen het bevel van de Heer. Zie Hand. 5:29 . Handelingen 5:29 : Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet voor God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen.
[^kolossenzen-3-19-b]: Verwijzing b: Efez. 5:25 . Efeziërs 5:25 : U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven;
[^kolossenzen-3-20-c]: Verwijzing c: Efez. 6:1 . Efeziërs 6:1 : U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in de Heer; want dat is recht.
[^kolossenzen-3-20-45]: Kanttekening 45: in alles: Namelijk in de Heer, gelijk hij uitdrukt Ef. 6:1 . Efeziërs 6:1 : U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in de Heer; want dat is recht.
[^kolossenzen-3-21-46]: Kanttekening 46: tergt uw kinderen niet: Namelijk door al te grote en gedurige hardheid; zie de aantekeningen Ef. 6:4 . Efeziërs 6:4 : En u vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning van de Heer.
[^kolossenzen-3-22-d]: Verwijzing d: Efez. 6:5 ; 1 Tim. 6:1 ; Titus 2:9 ; 1 Petr. 2:18 . Efeziërs 6:5 : U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; 1 Timotheüs 6:1 : De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde. Titus 2:9 : Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welgevallig zijn, niet tegensprekende; 1 Petrus 2:18 : U huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden.
[^kolossenzen-3-22-47]: Kanttekening 47: in alles gehoorzaam: Gelijk vers 20 . Kolossensen 3:20 : U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heer welgevallig.
[^kolossenzen-3-22-48]: Kanttekening 48: Zie van dit woord en het gehele vers de aantekeningen Ef. 6:5 , 6:6 , 6:7 . Efeziërs 6:5 : U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Efeziërs 6:6 : Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienaren van Christus, doende de wil van God van hart; Efeziërs 6:7 : Dienende met goedwilligheid de Heer, en niet de mensen;
[^kolossenzen-3-22-49]: Kanttekening 49: vrezende God: Namelijk die u deze dienst voor een tijd heeft opgelegd, en die u hierin ook moet gehoorzaam zijn en vrezen.
[^kolossenzen-3-23-50]: Kanttekening 50: niet de mensen: Dat is, niet alleen, of voornamelijk. Want die dient, moet ook de mensen dienen, maar voornamelijk de Heer, die hij van al zijn doen rekenschap moet geven; Ef. 6:7 . Efeziërs 6:7 : Dienende met goedwilligheid de Heer, en niet de mensen;
[^kolossenzen-3-24-51]: Kanttekening 51: de vergelding: Dat is, zult tot ene vergelding van uw trouwen dienst ontvangen de eeuwige erfenis van de kinderen van God, wanneer u van alle slavernij en dienst van de mensen zult vrijgesteld zijn, en de aanneming tot kinderen in u zal geopenbaard worden, Rom. 8:23 . Zo is dan deze vergelding niet uit verdienste, maar uit genade, zo de erfenis onder gene verdienste valt, maar aan de kinderen vanwege hunne geboorte alleen, of aanneming toekomt. Zie Rom. 8:15 , 8:16 , 8:17 . Romeinen 8:23 : En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
[^kolossenzen-3-25-52]: Kanttekening 52: die onrecht doet: Namelijk hetzij heer of dienaar. Dit doet de apostel daarbij, om de ontrouwe dienaren te waarschuwen en de trouwe te vertroosten, dat God eenmaal wraak zal doen over de hardheid eniger heren, daar zij hier onder moeten staan.
[^kolossenzen-3-25-53]: Kanttekening 53: het onrecht dragen: Dat is, de straf van het onrecht, gelijk 2 Kor. 5:10 . 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^kolossenzen-3-25-54]: Kanttekening 54: aanneming van de persoon: Of, aanneming. Zie hiervan de aantekeningen Matt. 22:16 ; Hand. 10:34 . Mattheüs 22:16 : En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; Handelingen 10:34 : En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is;

### Kolossenzen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/kolossenzen/4.json)

*1 De apostel vermaant de heren tot billijkheid tegenover hun dienstknechten 2 en ieder tot volharding in het gebed, 3 en in het bijzonder voor hem, opdat hij door zijn banden in het werk van het Evangelie niet verhinderd zou worden. 5 Hij vermaant hen wijs te wandelen en te spreken onder hen die buiten zijn. 7 Hij betuigt dat hij hun Tychikus en Onesimus zendt om hen te vertroosten en over al zijn zaken in te lichten. 10 Hij groet hen vanwege Aristarchus en verscheidene anderen, wier ijver voor hen hij prijst. 15 Hij beveelt dat zij de broeders in Laodicea zullen groeten en hun deze brief ook laten lezen, 17 en aan Archippus zeggen dat hij zijn dienst vervult, 18 en besluit zo deze brief met zijn groet.*

**1** [^kolossenzen-4-1-a] U heren, doet uw[^kolossenzen-4-1-1] dienaren recht en billijk, wetende, dat ook u een Heere hebt in de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v1)

**2** [^kolossenzen-4-2-2][^kolossenzen-4-2-b] Houd sterk aan in het gebed, en[^kolossenzen-4-2-3] waakt in hetzelfde met dankzegging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v2)

**3** Biddende meteen ook voor ons, dat God ons[^kolossenzen-4-3-4] de deur van het Woord opene,[^kolossenzen-4-3-c] om te spreken[^kolossenzen-4-3-5] het geheim van Christus, om welke ik ook[^kolossenzen-4-3-6] gebonden ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v3)

**4** Opdat ik dezelfde mag openbaren, zoals[^kolossenzen-4-4-7] ik moet spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v4)

**5** [^kolossenzen-4-5-d] Wandel[^kolossenzen-4-5-8] met wijsheid bij degenen,[^kolossenzen-4-5-9] die buiten zijn,[^kolossenzen-4-5-e] de bekwame tijd[^kolossenzen-4-5-10] uitkopende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v5)

**6** [^kolossenzen-4-6-f] Uw woord zij altijd in aangenaamheid,[^kolossenzen-4-6-11] met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u[^kolossenzen-4-6-12] ieder moet antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v6)

**7** [^kolossenzen-4-7-13] Al mijn zaken zal u bekend maken[^kolossenzen-4-7-g] Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v7)

**8** Die ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij[^kolossenzen-4-8-14] uw zaken wete, en uw harten[^kolossenzen-4-8-15] vertrooste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v8)

**9** Met[^kolossenzen-4-9-h] Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, die[^kolossenzen-4-9-16] uit de uw is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v9)

**10** [^kolossenzen-4-10-17] U groet[^kolossenzen-4-10-18][^kolossenzen-4-10-i] Aristarchus, mijn medegevangene; en[^kolossenzen-4-10-19][^kolossenzen-4-10-k] Markus,[^kolossenzen-4-10-20] de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt,[^kolossenzen-4-10-21] ontvangt hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v10)

**11** En Jezus, gezegd[^kolossenzen-4-11-22] Justus,[^kolossenzen-4-11-23] die uit de besnijdenis zijn;[^kolossenzen-4-11-24] deze alleen zijn mijn[^kolossenzen-4-11-25] medearbeiders in het Koninkrijk van God, die mij een troost geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v11)

**12** U groet[^kolossenzen-4-12-l] Epafras, die[^kolossenzen-4-12-26] uit de uwen is, een dienaar van Christus, te allen[^kolossenzen-4-12-27] tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag[^kolossenzen-4-12-28] volmaakt en[^kolossenzen-4-12-29] volkomen in al de wil van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v12)

**13** Want ik geef hem getuigenis, dat hij grote ijver heeft over u en degenen, die in[^kolossenzen-4-13-30] Laodicea zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v13)

**14** U groet[^kolossenzen-4-14-31][^kolossenzen-4-14-m] Lukas,[^kolossenzen-4-14-32] de dokter, de geliefde, en[^kolossenzen-4-14-33][^kolossenzen-4-14-n] Demas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v14)

**15** Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente,[^kolossenzen-4-15-34] die in zijn huis is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v15)

**16** En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij[^kolossenzen-4-16-35] ook in de gemeente van de Laodicensen gelezen wordt, en dat ook u die leest, die[^kolossenzen-4-16-36] uit Laodicea geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v16)

**17** En zegt[^kolossenzen-4-17-37] aan Archippus: Zie op de bediening, die u aangenomen hebt[^kolossenzen-4-17-38] in de Heere, dat u die[^kolossenzen-4-17-39] vervult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v17)

**18** [^kolossenzen-4-18-o] De groetenis[^kolossenzen-4-18-40] met mijn hand, van[^kolossenzen-4-18-p] Paulus. Gedenk van mijn banden.[^kolossenzen-4-18-41] De genade zij met u.[^kolossenzen-4-18-42] Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/kolossenzen/4.html#v18)

[^kolossenzen-4-1-a]: Verwijzing a: Efez. 6:9 . Efeziërs 6:9 : En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is.
[^kolossenzen-4-1-1]: Kanttekening 1: recht en gelijk: Grieks het recht en de gelijkheid. Door het eerste woord kan bekwamelijk verstaan worden wat de heren, volgens de wetten van het land, schuldig zijn te doen aan hunne dienaren; door het andere, wat de billijkheid en Christelijke mededogendheid daarbij nog vereisen.
[^kolossenzen-4-2-2]: Kanttekening 2: Houdt sterk aan: Of, zijt gedurig. Want het Griekse woord betekent beide, namelijk met ijver en gedurigheid in het gebed aanhouden. Zie Luk. 18:1 ; Ef. 6:18 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;
[^kolossenzen-4-2-b]: Verwijzing b: Lukas 18:1 ; Rom. 12:12 ; Efez. 6:18 ; 1 Thes. 5:17 . Lukas 18:1 : En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Romeinen 12:12 : Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Efeziërs 6:18 : Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; 1 Thessalonicensen 5:17 : Bidt zonder ophouden.
[^kolossenzen-4-2-3]: Kanttekening 3: waakt in hetzelfde: Dat is, zijt zorgvuldig en aandachtig, opdat niet alleen de mond, maar ook het hart en verstand wakker zijn in het bidden. Zie Mark. 13:33 , enz.; Openb. 3:2 , enz. Marcus 13:33 : Ziet toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. Openbaring 3:2 : Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.
[^kolossenzen-4-3-4]: Kanttekening 4: de deur van het woord: Dat is, goede gelegenheid en vrijmoedigheid verlenen, om het woord van het Evangelie te mogen verbreiden, gelijk 1 Kor. 16:9 , en 2 Kor. 2:12 . 1 Korinthiërs 16:9 : Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders. 2 Korinthiërs 2:12 : Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;
[^kolossenzen-4-3-c]: Verwijzing c: Efez. 6:19 ; 2 Thes. 3:1 . Efeziërs 6:19 : En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; 2 Thessalonicensen 3:1 : Verder, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord van de Heer zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;
[^kolossenzen-4-3-5]: Kanttekening 5: de verborgenheid: Dat is, het Evangelie, of de leer van Christus. Waarom hetzelfde ene verborgenheid genaamd wordt; zie Ef. 1:9 , en Kol. 2:2 . Efeziërs 1:9 : Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. Kolossensen 2:2 : Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid van het verstand, tot kennis van de verborgenheid van God en de Vader, en van Christus;
[^kolossenzen-4-3-6]: Kanttekening 6: gebonden ben: Dat is, gevangen. Zie van de wijze van deze gevangenschap, Hand. 28:16 . Handelingen 28:16 : En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^kolossenzen-4-4-7]: Kanttekening 7: ik moet spreken: Namelijk uit kracht mijner beroeping; Rom. 1:14 ; 1 Kor. 9:16 . Romeinen 1:14 : Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar. 1 Korinthiërs 9:16 : Want als ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!
[^kolossenzen-4-5-d]: Verwijzing d: Efez. 5:15 . Efeziërs 5:15 : Ziet dan, hoe u voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
[^kolossenzen-4-5-8]: Kanttekening 8: met wijsheid: Grieks in wijsheid; dat is, wijselijk, voorzichtig, dat is, zo dat u uzelven zonder nood in geen gevaar brengt, noch dat u hunne zonden, afgoderijen of valse leringen niet toegeeft, maar hen bij elke gelegenheid zoekt te winnen.
[^kolossenzen-4-5-9]: Kanttekening 9: die buiten zijn: Dat is, nog vreemd zijn van het geloof, of de gemeente van God, die het huis van God is. Zie dergelijke 1 Kor. 5:12 , 5:13 . 1 Korinthiërs 5:12 : Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn? 1 Korinthiërs 5:13 : Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet u deze boze uit u weg.
[^kolossenzen-4-5-e]: Verwijzing e: Efez. 5:16 . Efeziërs 5:16 : De tijd uitkopende, omdat de dagen boos zijn.
[^kolossenzen-4-5-10]: Kanttekening 10: Van deze wijze van spreken, zie de aantekeningen Ef. 5:16 . Efeziërs 5:16 : De tijd uitkopende, omdat de dagen boos zijn.
[^kolossenzen-4-6-f]: Verwijzing f: Mark. 9:50 . Marcus 9:50 : Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkaar.
[^kolossenzen-4-6-11]: Kanttekening 11: met zout besprengd: Grieks geconfijt; dat is, zo gerecht tot aangenaamheid dergenen waar u bij verkeert, dat daarentussen alle vuile, verdervende en onstichtelijke redenen daaruit zijn geweerd, gelijk door het zout het voedsel smakelijk wordt gemaakt, en uit dezelfde alle bederving wordt gehouden. Zie 1 Kor. 15:33 ; Ef. 4:29 . 1 Korinthiërs 15:33 : Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden. Efeziërs 4:29 : Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen.
[^kolossenzen-4-6-12]: Kanttekening 12: een iedereen: Namelijk hetzij dezelfde buiten of binnen de gemeente zij; hetzij om rekenschap te geven van uw geloof, 1 Petr. 3:15 ; hetzij om elkaar te vertroosten of te vermanen; 1 Thess. 5:11 . 1 Petrus 3:15 : Maar heiligt God, de Heer, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan iedereen, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze. 1 Thessalonicensen 5:11 : Daarom vermaant elkaar, en sticht de één de ander, gelijk u ook doet.
[^kolossenzen-4-7-13]: Kanttekening 13: Al mijn zaken: Of, de dingen die mij aangaan; namelijk van mijne gelegenheid in deze gevangenschap, en wat ik hier doe.
[^kolossenzen-4-7-g]: Verwijzing g: Hand. 20:4 ; Efez. 6:21 ; 2 Tim. 4:12 . Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Efeziërs 6:21 : En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, bekend maken; 2 Timotheüs 4:12 : Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.
[^kolossenzen-4-8-14]: Kanttekening 14: uw zaken wete: Dat is, de staat waar uwe gemeente in is.
[^kolossenzen-4-8-15]: Kanttekening 15: Namelijk zo met zijne gaven, alsook door het verhaal van de vrijheid die ik hier heb, om het Evangelie te verbreiden in mijne banden, en de voortgang van hetzelfde. Zie Hand. 28:30 ; Filipp. 1:2 . Handelingen 28:30 : En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; Filippensen 1:2 : Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^kolossenzen-4-9-h]: Verwijzing h: Filem. v. 10 . Filemon 1:10 : Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus;
[^kolossenzen-4-9-16]: Kanttekening 16: uit de uwen is: Dat is, niet alleen uit uwe stads- en landslieden, maar ook een dienaar van uw gemeente, gelijk dergelijke wijze van spreken hierna vers 12 te zien is. Kolossensen 4:12 : U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienaar van Christus, te alle tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God.
[^kolossenzen-4-10-17]: Kanttekening 17: U groet: Groeten is eigenlijk iemand vrede, geluk en zaligheid toewensen. Zie Luk. 10:5 . Lukas 10:5 : En in wat huis u zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij deze huize!
[^kolossenzen-4-10-18]: Kanttekening 18: Deze is een vermaard discipel geweest, geboren uit Macedonië, een gedurig metgezel van Paulus, die hem ook tot Rome toe in zijne banden was gevolgd. Zie Hand. 19:29 , en Hand. 20:4 , en Hand. 27:2 . Handelingen 19:29 : En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. Handelingen 20:4 : En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Handelingen 27:2 : En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons.
[^kolossenzen-4-10-i]: Verwijzing i: Hand. 27:2 . Handelingen 27:2 : En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons.
[^kolossenzen-4-10-19]: Kanttekening 19: Die ook Johannes genoemd wordt, wiens moeder Maria een zeer godzalige vrouw was, in wier huis de vergaderingen van de apostelen en van de andere gelovigen veeltijds gehouden werden, Hand. 12:12 , die wel met Barnabas van Paulus is gescheiden, Hand. 15:38 ; maar evenwel in de dienst van het Evangelie volstandig gebleven, en weer tot Paulus is gekeerd, gelijk hier blijkt vers 10 en 2 Tim. 4:11 , hoewel hij daarna zich bij Petrus heeft begeven, 1 Petr. 5:13 , in wiens gezelschap hij zijn Evangelie heeft geschreven, gelijk enige oude leraars getuigen. Handelingen 12:12 : En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren. Handelingen 15:38 : Maar Paulus achtte het juist, dat men die niet zou meenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk. Kolossensen 4:10 : U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; 2 Timotheüs 4:11 : Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst. 1 Petrus 5:13 : U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Babylon is, en Markus, mijn zoon.
[^kolossenzen-4-10-k]: Verwijzing k: Hand. 15:37 ; 2 Tim. 4:11 . Handelingen 15:37 : En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden meenemen. 2 Timotheüs 4:11 : Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst.
[^kolossenzen-4-10-20]: Kanttekening 20: de neef van Barnabas: Dat is, broeders of zusterszoon.
[^kolossenzen-4-10-21]: Kanttekening 21: ontvangt hem: Namelijk met alle eer en vriendelijkheid, dat Paulus daarbij doet om hem zijn aanzien bij deze gemeente te vermeerderen.
[^kolossenzen-4-11-22]: Kanttekening 22: Van deze zie Hand. 18:7 . Handelingen 18:7 : En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.
[^kolossenzen-4-11-23]: Kanttekening 23: welke uit de besnijdenis: Dat is, uit de Joden.
[^kolossenzen-4-11-24]: Kanttekening 24: deze alleen zijn: Namelijk uit de Joden; want uit de Grieken waren er veel meer, gelijk uit deze groetenis zelve blijkt; maar uit de Joden waren er velen, die Paulus wederstonden; Hand. 28:24 , enz. Handelingen 28:24 : En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.
[^kolossenzen-4-11-25]: Kanttekening 25: in het Koninkrijk: Dat is, in de dienst van het Evangelie, waardoor het rijk Gods, zo van de genade als van de heerlijkheid van de profeten beloofd onder de Messias, wordt bevorderd. Zie Matt. 4:23 ; Mark. 4:11 . Mattheüs 4:23 : En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Marcus 4:11 : En Hij zei tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk van God; maar dengenen, die buiten zijn, gebeuren al deze dingen door gelijkenissen;
[^kolossenzen-4-12-l]: Verwijzing l: Kolos. 1:7 ; Filem. v. 23 . Kolossensen 1:7 : Gelijk u ook geleerd hebt van Epafras, onze geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u; Filemon 1:23 : U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,
[^kolossenzen-4-12-26]: Kanttekening 26: uit de uwen is: Gelijk hier voren vers 9 . Kolossensen 4:9 : Met Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is.
[^kolossenzen-4-12-27]: Kanttekening 27: strijdende voor u: Dat is, met grote ijver en gedurigheid aanhoudende.
[^kolossenzen-4-12-28]: Kanttekening 28: volmaakt en: Dat is, volmaaktelijk onderwezen, en wordt dit gesteld tegen degenen, die nog kinderen of nieuwelingen waren in de leer, gelijk 1 Kor. 2:6 , en 1 Kor. 14:20 ; Filipp. 3:12 . 1 Korinthiërs 2:6 : En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden; 1 Korinthiërs 14:20 : Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. Filippensen 3:12 : Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
[^kolossenzen-4-12-29]: Kanttekening 29: Grieks vervuld.
[^kolossenzen-4-13-30]: Kanttekening 30: Deze twee vermaarde steden waren niet ver van hen gelegen, gelijk aangetekend is Kol. 1:2 . Kolossensen 1:2 : Aan de heilige en gelovige broeders in Christus, die te Kolosse zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^kolossenzen-4-14-31]: Kanttekening 31: Deze is de evangelist Lukas, die zijn Evangelie door de Heilige Geest heeft beschreven, en een gedurig metgezel van Paulus in zijne reizen ook tot Rome toe in zijne gevangenschap is geweest. Zie Hand. 27:1 , en Hand. 28:14 . Handelingen 27:1 : En als het besloten was, dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Julius van de keizerlijke bende. Handelingen 28:14 : Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar Rome.
[^kolossenzen-4-14-m]: Verwijzing m: 2 Tim. 4:11 . 2 Timotheüs 4:11 : Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst.
[^kolossenzen-4-14-32]: Kanttekening 32: de dokter: Namelijk van stijl of beroep, gelijk Mattheüs een tollenaar genaamd wordt, ook na zijne bekering en beroeping tot het apostelschap; Matt. 10:3 . Mattheüs 10:3 : Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs;
[^kolossenzen-4-14-33]: Kanttekening 33: Deze is wel een medearbeider van Paulus in zijne gevangenschap voor een tijd geweest, Fil.:24, maar heeft hem daarna schandelijk verlaten; 2 Tim. 4:10 . 2 Timotheüs 4:10 : Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.
[^kolossenzen-4-14-n]: Verwijzing n: 2 Tim. 4:10 . 2 Timotheüs 4:10 : Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.
[^kolossenzen-4-15-34]: Kanttekening 34: die in zijn huis is: Dit kan verstaan worden, òf van de gemeente, die in het huis van deze man haar vergadering hield, òf ook van zijn huisgezin, dat als een kleine gemeente in zijn huis was, en in zeer Christelijke orde van hen werd gehouden, gelijk van het huis van Aquila en Priscilla gezegd wordt; Rom. 16:5 , en 1 Kor. 16:19 . Romeinen 16:5 : Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. 1 Korinthiërs 16:19 : U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heer Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is.
[^kolossenzen-4-16-35]: Kanttekening 35: in de gemeente: Dat wil hij niet alleen, omdat dit een vermaarde gemeente in dat landschap was, maar ook omdat sommigen dezelfde dwalingen daar zochten in te voeren, waarvoor Paulus in de twee eerste hoofdstukken, Kol. 1 ,2, van deze zendbrief de Colossensen heeft gewaarschuwd.
[^kolossenzen-4-16-36]: Kanttekening 36: uit Laodicea geschreven : De apostel spreekt hier niet van een brief, die hij aan de Laodicensen zou geschreven hebben, gelijk sommigen gemeend hebben, en een brief hebben verzonnen, die in sommige Latijnse en ook Nederlanse Testamenten wordt gevonden, maar altijd voor apocrief gehouden; maar van een brief, die uit Laodicea geschreven is, waardoor sommigen verstaan de eerste zendbrief van Paulus aan Timotheüs, omdat in het onderschrift staat dat dezelfde van Laodicea geschreven zou zijn, maar bij merkelijken misslag dergenen, die deze onderschriften bij de brieven van Paulus hebben gesteld, zo het blijkt Kol. 2:1 , dat de gemeente van Colosse en Laodicea het aangezicht van Paulus nimmer gezien hadden; maar het is waarschijnlijkst dat Paulus spreekt van een brief, die hij uit Laodicea had ontvangen, òf van de gemeente zelve, òf van enige apostolische mannen daar, in welke brief van deze dwalingen, of van de bewerkers derzelve, nadere verklaring werd gedaan, die de Colossensen ook tot nadere waarschuwing en onderrichting mocht dienen, wanneer dezelfde met deze brief van Paulus zou worden vergeleken. Kolossensen 2:1 : Want ik wil, dat u weet, hoe grote strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;
[^kolossenzen-4-17-37]: Kanttekening 37: Deze schijnt de mededienaar van Epafras in deze gemeente geweest te zijn, die na het vertrek van Epafras, in zijn ijver en dienst was verslapt, waarom hem de apostel deze vermaning wil hebben gedaan.
[^kolossenzen-4-17-38]: Kanttekening 38: in de Heer: Dat is, door de Heer, of van Zijnentwege; want het is ook de Heer zelf, die arbeiders in Zijn oogst uitzendt, al is het dat zij merendeels door de gemeenten beroepen worden. Zie Matt. 9:38 ; Hand. 20:28 . Mattheüs 9:38 : Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^kolossenzen-4-17-39]: Kanttekening 39: Dat is, ten volle of behoorlijk bediend, niet tevreden zijnde met de titel alleen, maar het werk van die getrouwelijk uitvoerende. Zie dergelijke 2 Tim. 4:5 . 2 Timotheüs 4:5 : Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
[^kolossenzen-4-18-o]: Verwijzing o: 2 Thes. 3:17 . 2 Thessalonicensen 3:17 : De groetenis met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iederen zendbrief; zo schrijf ik.
[^kolossenzen-4-18-40]: Kanttekening 40: met mijn hand: Hierdoor verstaat hij de woorden van de volgende groet van genade, die hij met zijn eigen hand onder al zijne brieven placht te schrijven, hoewel hij de hand van anderen in het uitschrijven van de brieven dikwijls gebruikte, gelijk hij zelf betuigt 2 Thess. 3:17 . Zie verder de aantekeningen 1 Kor. 16:21 . 2 Thessalonicensen 3:17 : De groetenis met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iederen zendbrief; zo schrijf ik. 1 Korinthiërs 16:21 : De groetenis met mijn hand van Paulus.
[^kolossenzen-4-18-p]: Verwijzing p: Hebr. 13:3 . Hebreeën 13:3 : Gedenkt van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld was.
[^kolossenzen-4-18-41]: Kanttekening 41: De genade zij met u: Dat is, de bijzondere gunst van God in Christus tegenover ons, met al de weldaden, die daaruit vloeien.
[^kolossenzen-4-18-42]: Kanttekening 42: Zie van dit woord de aantekeningen Matt. 6:13 , en Matt. 28:20 . Mattheüs 6:13 : En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.

## 1 Tessalonicensen

### 1 Tessalonicensen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1tessalonicensen/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de brief, 2 dankt de apostel God over hun geloof, liefde en hoop op Christus. 4 hen verzekerend dat hun verkiezing van God was. 5 wat hij bewijst uit de kracht die God door zijn Geest aan het woord heeft toegevoegd. 6 en uit hun gehoorzaamheid aan het evangelie bewezen. 8 wat ook op alle plaatsen bekend is geworden. 9 en nog dagelijks verkondigd wordt, hoe zij van de afgoden tot God bekeerd zijn. 10 om de Zoon van God, die ons verlost heeft, uit de hemel te verwachten.*

**1** Paulus, en[^1tessalonicensen-1-1-1] Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van[^1tessalonicensen-1-1-2] de Thessalonicensen,[^1tessalonicensen-1-1-3] die is in God de Vader, en de Heere Jezus Christus:[^1tessalonicensen-1-1-4][^1tessalonicensen-1-1-a] genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v1)

**2** [^1tessalonicensen-1-2-b] Wij danken God[^1tessalonicensen-1-2-5] altijd over u allen, wanneer we aan u denken in onze gebeden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v2)

**3** Zonder ophouden gedenkende[^1tessalonicensen-1-3-6][^1tessalonicensen-1-3-c] het werk van uw geloof, en de arbeid van de liefde, en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heere Jezus Christus,[^1tessalonicensen-1-3-7] voor onze God en Vader; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v3)

**4** Wetende, geliefde broeders,[^1tessalonicensen-1-4-8] uw verkiezing[^1tessalonicensen-1-4-9] van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v4)

**5** [^1tessalonicensen-1-5-d] Want[^1tessalonicensen-1-5-10] ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook[^1tessalonicensen-1-5-11] in kracht, en[^1tessalonicensen-1-5-12] in de Heilige Geest, en[^1tessalonicensen-1-5-13] in vele verzekerdheid;[^1tessalonicensen-1-5-e] zoals u weet, hoe wij onder u geweest zijn om uwentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v5)

**6** [^1tessalonicensen-1-6-f] En u bent[^1tessalonicensen-1-6-14] onze navolgers geworden,[^1tessalonicensen-1-6-15] en van de Heere, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap[^1tessalonicensen-1-6-16] van de Heilige Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v6)

**7** Zo dat u[^1tessalonicensen-1-7-17] voorbeelden geworden bent al de gelovigen in Macedonië en Achaje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v7)

**8** Want[^1tessalonicensen-1-8-18] van u is het Woord van de Heere luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje; maar ook[^1tessalonicensen-1-8-19] in alle plaatsen is[^1tessalonicensen-1-8-20] uw geloof, dat u op God hebt,[^1tessalonicensen-1-8-21] uitgegaan, zodat wij niet nodig hebben,[^1tessalonicensen-1-8-22] iets daarvan te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v8)

**9** Want[^1tessalonicensen-1-9-23] zijzelven verkondigen van ons,[^1tessalonicensen-1-9-24] wat voor ingang wij tot u hebben, en hoe u tot God bekeerd bent[^1tessalonicensen-1-9-25] van de afgoden, om[^1tessalonicensen-1-9-26] de levenden en waarachtige God te dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v9)

**10** [^1tessalonicensen-1-10-g] En Zijn Zoon[^1tessalonicensen-1-10-27] uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons[^1tessalonicensen-1-10-28] verlost van de komende[^1tessalonicensen-1-10-29] toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/1.html#v10)

[^1tessalonicensen-1-1-1]: Kanttekening 1: Deze wordt ook Silas genaamd, Hand. 17:4, en is gedurig metgezel van Paulus geweest in de reizen door de landschappen van Macedonië, Griekenland en andere landen; Hand. 15:16. Handelingen 17:4: En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. Handelingen 15:16: Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal dezelfde weer oprichten.
[^1tessalonicensen-1-1-2]: Kanttekening 2: Van de ligging van deze stad, en van de bekering en oprichting van deze gemeente, zie het begin Hand. 17.
[^1tessalonicensen-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 in God de Vader: Dat is, de naam van God de Vader en van Jezus Christus belijden. Zie Joh. 17:3 of, die door de kracht van God de Vader in Christus is geroepen. Waardoor de ware gemeente wordt onderscheiden van heidenen en joden. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^1tessalonicensen-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 genade zij u en vrede van God: Zie van deze groet Rom. 1:7. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^1tessalonicensen-1-1-a]: Verwijzing a: Rom. 1:7; Efez. 1:2; 1 Petr. 1:2. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Efeziërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^1tessalonicensen-1-2-b]: Verwijzing b: Efez. 1:16; Filip. 1:3; Kolos. 1:3; 2 Thes. 1:3. Efeziërs 1:16: Houde niet op voor u te danken, gedenkende uw in mijn gebeden; Filippensen 1:3: Ik dank mijn God, telkens als ik uw gedenk. Kolossensen 1:3: Wij danken de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd voor u biddende; 2 Thessalonicensen 1:3: Wij moeten God altijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt;
[^1tessalonicensen-1-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, op alle gelegenheid, en telkens als wij bidden.
[^1tessalonicensen-1-3-6]: Kanttekening 6: 6 het werk uws geloofs: Of, uw werk van het geloof; dat is, uw geloof dat God in u werkt, en dat niet leeg is, maar zijne vruchten en werkingen voortbrengt. Gelijk de arbeid van de liefde voor de arbeidzame liefde en de verdraagzaamheid van de hoop, voor de volhardende en verdraagzame hoop wordt gesteld. Zie 1 Kor. 13:13; Gal. 5:6; Jak. 2:17, enz. 1 Korinthiërs 13:13: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde. Galaten 5:6: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende. Jakobus 2:17: Zo ook het geloof, als het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood.
[^1tessalonicensen-1-3-c]: Verwijzing c: Joh. 6:29. Johannes 6:29: Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
[^1tessalonicensen-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 voor onze God: Sommigen voegen dit bij het voorgaande woord gedenkende, zo dat dit de zin is: gedenkende in onze gebeden voor God. Anderen voegen het bij de naastvoorgaande woorden, geloof, liefde en hoop voor God, om de oprechtheid derzelve te kennen te geven, zo dat zij als in Gods aanwezigheid zich in deze deugden bevlijtigden. Zie dergelijke wijze van spreken Gen. 17:1; Luk. 1:6. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! Lukas 1:6: En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Heer, onberispelijk.
[^1tessalonicensen-1-4-8]: Kanttekening 8: 8 uw verkiezing: Namelijk waarmee u uitverkoren bent ten eeuwigen leven, Hand. 13:48; 1 Kor. 1:26, enz.; dat hij uit de voorgaande en volgende merktekenen bewijst en besluit. Handelingen 13:48: Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heer; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven. 1 Korinthiërs 1:26: Want u ziet uw roeping, broeders, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
[^1tessalonicensen-1-4-9]: Kanttekening 9: 9 van God: Deze woorden kunnen òf bij het woord geliefde gevoegd worden, namelijk geliefde van God; of bij het woord verkiezing. Zie 2 Thess. 2:13. 2 Thessalonicensen 2:13: Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heer bemind bent, dat u God van de beginne gekozen heeft tot zaligheid, in heiligmaking van de Geest, en geloof van de waarheid;
[^1tessalonicensen-1-5-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 2:4; 1 Kor. 4:20. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 1 Korinthiërs 4:20: Want het Koninkrijk van God is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
[^1tessalonicensen-1-5-10]: Kanttekening 10: 10 ons Evangelie: Dat is, onze prediking van het Evangelie.
[^1tessalonicensen-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 in kracht: Dat is, vergezelschapt geweest met krachtige wondertekenen onder u en de werking van de Heilige Geest in u; Mark. 16:20; 1 Kor. 2:4, enz. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht;
[^1tessalonicensen-1-5-12]: Kanttekening 12: 12 in de Heilige Geest: Dat is, ingevingen van de Heilige Geest, waarmee de gelovigen begaafd werden, gelijk te zien is Hand. 19:6, of, door de inwendige werkingen van de Heilige Geest in hun harten waardoor het geloof in het is gewrocht Hand. 16:14. Handelingen 19:6: En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^1tessalonicensen-1-5-13]: Kanttekening 13: 13 in vele verzekerdheid: Enige verstaan dit van de verzekerdheid van het geloof in de Thessalonicensen zelven; maar wat volgt schijnt mee te brengen dat hier gesproken wordt van de verzekerdheid die Paulus in zijn predikatiën betoond heeft, tot overtuiging van de conscientiën van de uitverkorenen, niettegenstaande al de zwarigheden, die hem daarom overkwamen, waarop ook de verzekerheid van het geloof in de uitverkorenen is gevolgd.
[^1tessalonicensen-1-5-e]: Verwijzing e: 1 Thes. 2:1. 1 Thessalonicensen 2:1: Want u weet zelven, broeders, onze ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;
[^1tessalonicensen-1-6-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 4:16; 1 Kor. 11:1; Filip. 3:17; 2 Thes. 3:9. 1 Korinthiërs 4:16: Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. Filippensen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 2 Thessalonicensen 3:9: Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
[^1tessalonicensen-1-6-14]: Kanttekening 14: Hij spreekt hier, gelijk ook meermalen tevoren in het getal van velen, omdat hij in het begin van de brief Silvanus en Timotheüs bij zich heeft gevoegd.
[^1tessalonicensen-1-6-15]: Kanttekening 15: 15 en van de Heer: Namelijk in het verdragen van verdrukkingen, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Zie 1 Kor. 11:1. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus.
[^1tessalonicensen-1-6-16]: Kanttekening 16: 16 van de Heilige Geest: Dat is, door de Heilige Geest in u gewrocht. Want verdrukking moeten somwijlen ook anderen lijden, maar daarover verheugd te zijn, omdat zij Christus hierin gelijkvormig worden, is een werk van de Heilige Geest in de gelovigen. Zie Hand. 5:41; Rom. 5:3, enz. en Rom. 14:17; Filipp. 1:29. Handelingen 5:41: Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Filippensen 1:29: Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;
[^1tessalonicensen-1-7-17]: Kanttekening 17: Of, exempelen, patronen; namelijk van standvastigheid en volharding.
[^1tessalonicensen-1-8-18]: Kanttekening 18: 18 van u is het Woord van de Heer luidbaar geworden: Dat is, het gerucht van Gods Woord is door uw doen en voorbeeld bekend geworden.
[^1tessalonicensen-1-8-19]: Kanttekening 19: 19 in alle plaatsen: Namelijk rondom Macedonië en Achaje.
[^1tessalonicensen-1-8-20]: Kanttekening 20: 20 uw geloof: Dat is, de belijdenis en vruchten uws geloofs. Zie Rom. 1:8. Romeinen 1:8: Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.
[^1tessalonicensen-1-8-21]: Kanttekening 21: Dat is, geboodschapt of bekend geworden.
[^1tessalonicensen-1-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk om anderen zulks bekend te maken, of u bij anderen daarover te prijzen.
[^1tessalonicensen-1-9-23]: Kanttekening 23: 23 zij zelven: Namelijk de gelovigen, die uit andere landen of gemeenten tot ons komen. Zie vers 7. 1 Thessalonicensen 1:7: Zo dat u voorbeelden geworden bent voor al de gelovigen in Macedonië en Achaje.
[^1tessalonicensen-1-9-24]: Kanttekening 24: 24 hoedanigen ingang: Hoe vlijtig en ijverig u ons tot u hebt ingelaten, en het woord van het Evangelie hebt aangenomen. Zie Hand. 17:4. Handelingen 17:4: En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.
[^1tessalonicensen-1-9-25]: Kanttekening 25: 25 van de afgoden: Dat is, van de dienst van de afgoden.
[^1tessalonicensen-1-9-26]: Kanttekening 26: 26 de levenden: Door de eerste titel wordt God van de stomme beelden en andere levenloze schepselen, die de heidenen dienden, onderscheiden; door de andere titel van de versierde goden, die uit de mensen of andere levende schepselen van hen tot afgoden waren opgeworpen.
[^1tessalonicensen-1-10-g]: Verwijzing g: Hand. 1:11; Filip. 3:20; 2 Thes. 1:10; Openb. 1:7. Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; 2 Thessalonicensen 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. Openbaring 1:7: Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^1tessalonicensen-1-10-27]: Kanttekening 27: 27 uit de hemelen: Namelijk in Zijn tweede toekomst, om te oordelen de levenden en de doden.
[^1tessalonicensen-1-10-28]: Kanttekening 28: Namelijk door Zijne verdienste en kracht, en zalig maakt hier en hiernamaals eeuwig.
[^1tessalonicensen-1-10-29]: Kanttekening 29: Dat is, straf en wraak, die Hij ten uitersten dage zal oefenen tegen alle ongelovigen. Zie Matt. 3:7; Rom. 1:18, en Rom. 5:9. Mattheüs 3:7: Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? Romeinen 1:18: Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Romeinen 5:9: Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn.

### 1 Tessalonicensen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1tessalonicensen/2.json)

*1 Paulus gaat verder met het verklaren van zijn oprechtheid en standvastigheid in het voortplanten van het evangelie onder hen. 6 zonder eer van mensen of voordeel bij hen te zoeken, hoewel hij hun als apostel van Christus wel lastig had kunnen vallen. 10 Stelt hun voor ogen hoe vriendelijk en heilig hij met hen gehandeld heeft, om hen te bewegen tot een wandel het evangelie waardig. 13 en hoe zij zijn woord als dat van God, en niet als dat van een mens, hebben aangenomen. 14 en navolgers zijn geworden van de gemeenten in Judea, die ook door de hardnekkige Joden, hun landgenoten, vervolgd zijn. 15 welke Joden, nadat zij Christus gedood hebben, hun zonden vol maken, en over wie de toorn van God ten einde toe gekomen is. 17 Betuigt daarna zijn grote verlangen om hen weer te zien. 19 omdat zij zijn roem en heerlijkheid zijn bij de komst van Christus.*

**1** [^1tessalonicensen-2-1-a] Want u weet zelf, broeders, onze[^1tessalonicensen-2-1-1] komst tot u, dat die niet[^1tessalonicensen-2-1-2] tevergeefs is geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v1)

**2** Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaad aangedaan was, zoals u weet,[^1tessalonicensen-2-2-3][^1tessalonicensen-2-2-b] te Filippi, zo hebben wij toch vrijmoedigheid[^1tessalonicensen-2-2-4] gebruikt in onze God, om het Evangelie van[^1tessalonicensen-2-2-c] God tot u te spreken[^1tessalonicensen-2-2-5] in veel strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v2)

**3** Want[^1tessalonicensen-2-3-6] onze terechtwijzing is niet geweest[^1tessalonicensen-2-3-7] uit verleiding, noch[^1tessalonicensen-2-3-8] uit onreinheid,[^1tessalonicensen-2-3-9] noch met bedrog; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v3)

**4** Maar, zoals wij van God[^1tessalonicensen-2-4-10] beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie[^1tessalonicensen-2-4-11] zou toebetrouwd worden, zo spreken wij,[^1tessalonicensen-2-4-d] niet als mensen behagende, maar voor God, Die onze[^1tessalonicensen-2-4-12] harten beproeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v4)

**5** Want wij hebben nooit met[^1tessalonicensen-2-5-13] pluimstrijkende woorden omgegaan, zoals u weet, noch met[^1tessalonicensen-2-5-14] enig bedeksel van gierigheid;[^1tessalonicensen-2-5-e] God is getuige! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v5)

**6** Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen;[^1tessalonicensen-2-6-f] hoewel wij u[^1tessalonicensen-2-6-15] tot last konden zijn als Christus' apostelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v6)

**7** Maar wij zijn[^1tessalonicensen-2-7-16] vriendelijk geweest in het midden van u, zoals een voedster haar kinderen koestert; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v7)

**8** Zo wij,[^1tessalonicensen-2-8-17] tot u zeer genegen zijnde, hebben u graag willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar[^1tessalonicensen-2-8-18] ook onze eigen zielen, daarom dat u ons[^1tessalonicensen-2-8-19] lief geworden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v8)

**9** [^1tessalonicensen-2-9-g] Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag[^1tessalonicensen-2-9-20] werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v9)

**10** U bent getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft,[^1tessalonicensen-2-10-21] geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v10)

**11** Zoals u weet, hoe wij ieder van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en troostten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v11)

**12** En betuigden,[^1tessalonicensen-2-12-h] dat u zou wandelen,[^1tessalonicensen-2-12-22] waardig voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v12)

**13** Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als u het Woord[^1tessalonicensen-2-13-23] van de prediking van God van ons[^1tessalonicensen-2-13-24] ontvangen hebt, u dat[^1tessalonicensen-2-13-25] aangenomen hebt, niet als van de mensen woord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods[^1tessalonicensen-2-13-26] Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v13)

**14** Want u, broeders, bent navolgers geworden van de Gemeenten van God, die in Judea zijn,[^1tessalonicensen-2-14-27] in Christus Jezus; omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw[^1tessalonicensen-2-14-28][^1tessalonicensen-2-14-i] eigen medeburgers, zoals zij van de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v14)

**15** [^1tessalonicensen-2-15-k] Die ook[^1tessalonicensen-2-15-29] gedood hebben de Heere Jezus,[^1tessalonicensen-2-15-l] en hun[^1tessalonicensen-2-15-30] eigen profeten; en ons hebben[^1tessalonicensen-2-15-31] vervolgd, en voor God niet behagen, en[^1tessalonicensen-2-15-32] allen mensen tegen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v15)

**16** [^1tessalonicensen-2-16-m] En verhinderen ons[^1tessalonicensen-2-16-33] te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij altijd[^1tessalonicensen-2-16-34] hun zonden[^1tessalonicensen-2-16-35] vervullen zouden. En[^1tessalonicensen-2-16-36] de toorn is over hen gekomen[^1tessalonicensen-2-16-37] tot het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v16)

**17** Maar wij, broeders,[^1tessalonicensen-2-17-38] van u[^1tessalonicensen-2-17-39] beroofd geweest zijnde[^1tessalonicensen-2-17-40] voor een korte tijd,[^1tessalonicensen-2-17-41] naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger beijverd, om uw aangezicht[^1tessalonicensen-2-17-42] te zien,[^1tessalonicensen-2-17-43] met grote begeerte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v17)

**18** [^1tessalonicensen-2-18-n] Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus)[^1tessalonicensen-2-18-44] eenmaal en andermaal, maar de satan[^1tessalonicensen-2-18-45] heeft ons belet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v18)

**19** [^1tessalonicensen-2-19-o] Want welke is[^1tessalonicensen-2-19-46] onze hoop, of blijdschap, of[^1tessalonicensen-2-19-47] kroon van de roem?[^1tessalonicensen-2-19-48] Bent u die ook niet voor onze Heere Jezus Christus in Zijn toekomst? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v19)

**20** Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/2.html#v20)

[^1tessalonicensen-2-1-a]: Verwijzing a: 1 Thes. 1:5; idem v. 9. 1 Thessalonicensen 1:5: Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk u weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil. 1 Thessalonicensen 1:9: Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe u tot God bekeerd bent van de afgoden, om de levenden en waarachtigen God te dienen;
[^1tessalonicensen-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, eerste komst tot u om het Evangelie onder u te prediken. Zie Hand. 17:1, Hand. 17:4. Handelingen 17:1: En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge van de Joden was. Handelingen 17:4: En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.
[^1tessalonicensen-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, zonder kracht of vrucht.
[^1tessalonicensen-2-2-3]: Kanttekening 3: 3 te Filippi: Ook een voorname stad in Macedonië, gelijk Hand. 16:12 verklaard is. Wat Paulus nu daar gedaan en geleden heeft, zie ook daar. Handelingen 16:12: En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.
[^1tessalonicensen-2-2-b]: Verwijzing b: Hand. 16:22. Handelingen 16:22: En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de kleren afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.
[^1tessalonicensen-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 in onze: Dat is, door de hulp en bijstand van onze God.
[^1tessalonicensen-2-2-c]: Verwijzing c: Hand. 17:2. Handelingen 17:2: En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,
[^1tessalonicensen-2-2-5]: Kanttekening 5: 5 in veel: Namelijk die ons, zo van de hardnekkige Joden als van de onwetende heidenen aangedaan, werd.
[^1tessalonicensen-2-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk om u tot de gehoorzaamheid van het Evangelie van Christus te brengen.
[^1tessalonicensen-2-3-7]: Kanttekening 7: 7 uit verleiding: Namelijk gelijk van de zodanigen was, die de wet met het Evangelie vermengden, om de haat van de Joden te ontgaan. Zie 2 Kor. 11:13, enz.; Gal. 5:11, en elders meer. 2 Korinthiërs 11:13: Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. Galaten 5:11: Maar ik, broeders! Als ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis van het kruis vernietigd.
[^1tessalonicensen-2-3-8]: Kanttekening 8: 8 uit onreinigheid: Namelijk gelijk van dezulke was, die de heiden in hunne wellusten toegaven en pluimstreken. Zie 2 Petr. 2:13; Jud. v. 10, enz. 2 Petrus 2:13: En zullen verkrijgen het loon van de ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; Judas 1:10: Maar deze, wat zij niet weten, dat lasteren zij; en wat zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelfde verderven zij zich.
[^1tessalonicensen-2-3-9]: Kanttekening 9: 9 noch met: Namelijk om van hun eer, of geld, of andere wereldse voordelen behendiglijk te trekken, gelijk 2 Kor. 11:20 van sommigen wordt betuigd, en hierna vers 5, vers 6 wordt verklaard. 2 Korinthiërs 11:20: Want u verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat. 1 Thessalonicensen 2:5: Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Thessalonicensen 2:6: Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' apostelen;
[^1tessalonicensen-2-4-10]: Kanttekening 10: Dat is, bekwaam gekeurd, of geacht zijn, dat is, proefbaar of bekwaam gemaakt zijn. Zie Hand. 9:15; 2 Kor. 3:5, 2 Kor. 3:6; Gal. 1:15, Gal. 1:16, enz. Handelingen 9:15: Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Galaten 1:15: Maar wanneer het God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Galaten 1:16: Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed;
[^1tessalonicensen-2-4-11]: Kanttekening 11: Dat is, bevolen, of bij ons in bewaring gelegd worden, om hetzelfde naar Gods wil aan anderen uit te delen. Zie 1 Kor. 4:1, 1 Kor. 4:2; 2 Kor. 5:19; 1 Tim. 1:11. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. 1 Korinthiërs 4:2: En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde. 2 Korinthiërs 5:19: Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 1 Timotheüs 1:11: Naar het Evangelie van de heerlijkheid van de zalige God, dat mij toebetrouwd is.
[^1tessalonicensen-2-4-d]: Verwijzing d: Galat. 1:10. Galaten 1:10: Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienaar van Christus.
[^1tessalonicensen-2-4-12]: Kanttekening 12: Het woord beproeven wordt hier een weinig anders genomen dan hiervoren, namelijk voor onderzoeken of kennen, gelijk de oprechtheid van het goud door vuur beproefd en gekeurd wordt.
[^1tessalonicensen-2-5-13]: Kanttekening 13: 13 met pluimstrijkende: Gr. in rede van pluimstrijking; namelijk gelijk de bedriegers plegen om de harten van de mensen aan zich te trekken, niets lerende dan wat zij weten hun aangenaam te zijn.
[^1tessalonicensen-2-5-14]: Kanttekening 14: Dat is, om uit gierigheid, onder enige andere schijn of deksel, iets van u te begeren.
[^1tessalonicensen-2-5-e]: Verwijzing e: Rom. 1:9; Rom. 9:1; 2 Kor. 1:23; 2 Kor. 11:31; Galat. 1:20; Filip. 1:8; 1 Tim. 5:21; 2 Tim. 4:1. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31: De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Galaten 1:20: Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippensen 1:8: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Timotheüs 5:21: Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 2 Timotheüs 4:1: Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
[^1tessalonicensen-2-6-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 9:3; 2 Thes. 3:9. 1 Korinthiërs 9:3: Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze. 2 Thessalonicensen 3:9: Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.
[^1tessalonicensen-2-6-15]: Kanttekening 15: Dit nemen sommigen voor de autoriteit en het groot aanzien, die hij onder hen niet heeft willen gebruiken, maar veel meer vriendelijkheid en nederigheid als tegenover tedere en gehoorzame kinderen, gelijk de volgende woorden mee brengen. Zie ook 1 Kor. 4:21. Anderen nemen het voor de lastigheid van onderhoud en andere onkosten, die voor de apostel en zijn gevolg nodig waren, gelijk hij hiervan ook uitdrukkelijk spreekt vers 9. 1 Korinthiërs 4:21: Wat wilt u? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in de geest van de zachtmoedigheid? 1 Thessalonicensen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.
[^1tessalonicensen-2-7-16]: Kanttekening 16: Of, zachtmoedig, goedertieren.
[^1tessalonicensen-2-8-17]: Kanttekening 17: Gr. u zeer begerende.
[^1tessalonicensen-2-8-18]: Kanttekening 18: Dat is, ons leven; niet dat het Evangelie niet meerder is dan het leven, maar omdat het nog zwaarder is, en van meerder toegenegenheid, het leven voor iemand te stellen, dan het Evangelie mee te delen.
[^1tessalonicensen-2-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk vanwege uw ijver in het aannemen van het Evangelie, en uwe geduldigheid in het lijden voor hetzelfde.
[^1tessalonicensen-2-9-g]: Verwijzing g: Hand. 18:3; Hand. 20:34; 1 Kor. 4:12; 2 Kor. 11:9; 2 Kor. 12:13; 2 Thes. 3:8. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 1 Korinthiërs 4:12: En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 2 Korinthiërs 11:9: Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 2 Korinthiërs 12:13: Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 2 Thessalonicensen 3:8: En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;
[^1tessalonicensen-2-9-20]: Kanttekening 20: Namelijk met onze handen in het tentenmaken, om mij en de mijnen zonder uwe kosten te onderhouden, Hand. 18:3, waarvan zie de oorzaak 2 Kor. 11:12. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 2 Korinthiërs 11:12: Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.
[^1tessalonicensen-2-10-21]: Kanttekening 21: Dat is, ons onder u gedragen hebben.
[^1tessalonicensen-2-12-h]: Verwijzing h: Gen. 17:1; 1 Kor. 7:20; Efez. 4:1; Filip. 1:27; Kolos. 1:10. Genesis 17:1: Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen YHWH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! 1 Korinthiërs 7:20: Een iedereen blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. Efeziërs 4:1: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Filippensen 1:27: Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; Kolossensen 1:10: Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;
[^1tessalonicensen-2-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, gelijk het betaamt dengenen die God kennen, gehoorzaam zijn en Zijn naam belijden.
[^1tessalonicensen-2-13-23]: Kanttekening 23: 23 van de prediking: Gr. van het gehoor; dat is, dat u hebt horen prediken, en God door Zijne dienaren ons laat horen; een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie Jes. 53:1; Rom. 10:16, Rom. 10:17. Jesaja 53:1: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard? Romeinen 10:16: Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd? Romeinen 10:17: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God,
[^1tessalonicensen-2-13-24]: Kanttekening 24: Namelijk met de uitwendige oren.
[^1tessalonicensen-2-13-25]: Kanttekening 25: Namelijk met het hart en het geloof, gelijk Hand. 16:14. Handelingen 16:14: En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heer heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd.
[^1tessalonicensen-2-13-26]: Kanttekening 26: 26 dat ook: Of, die, namelijk God ook werkt; namelijk de verzekerheid van de vergeving van uw zonden, de vrijmoedige toegang tot God door de Heilige Geest, liefde tot God en uw naaste, hoop van de zaligheid, volharding en dergelijke deugden.
[^1tessalonicensen-2-14-27]: Kanttekening 27: 27 in Christus: Hiermede onderscheidt hij de ware gemeente van de Joden van de andere synagogen onder de joden, die zich ook voor Gods volk hielden, hoewel zij de anderen hun broeders, die Christus beleden, vervolgden. Zie Hand. 12:1; Hebr. 10:32, enz. Handelingen 12:1: En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. Hebreeën 10:32: Maar gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat u verlicht bent geweest, u veel strijd van het lijden hebt verdragen.
[^1tessalonicensen-2-14-28]: Kanttekening 28: Namelijk die van de Joden daartoe opgemaakt waren. Zie daarvan Hand. 17:5. Het Griekse woord betekent eigenlijk degenen die van één stam, volk of gilde zijn. Handelingen 17:5: Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.
[^1tessalonicensen-2-14-i]: Verwijzing i: Hand. 17:5; idem v. 13. Handelingen 17:5: Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen. Handelingen 17:13: Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.
[^1tessalonicensen-2-15-k]: Verwijzing k: Hand. 7:52. Handelingen 7:52: Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardigen, van Welke u nu verraders en moordenaars geworden bent.
[^1tessalonicensen-2-15-29]: Kanttekening 29: Dat is, ter dood vervolgd hebben, en niet gerust voordat zij Hem door de handen van de ongelovigen aan het kruis hebben doen ombrengen. Zie Hand. 2:23. Handelingen 2:23: Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
[^1tessalonicensen-2-15-l]: Verwijzing l: Matt. 23:37; Lukas 13:34. Mattheüs 23:37: Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild. Lukas 13:34: Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en u hebt niet gewild?
[^1tessalonicensen-2-15-30]: Kanttekening 30: Dat is, die uit hun eigen volk tot hen bijzonder van God waren gezonden.
[^1tessalonicensen-2-15-31]: Kanttekening 31: Het Griekse woord betekent iemand zo vervolgen, dat hij door de vervolging verjaagd en uitgeworpen wordt.
[^1tessalonicensen-2-15-32]: Kanttekening 32: Namelijk die hunne zaligheid in Christus zoeken.
[^1tessalonicensen-2-16-m]: Verwijzing m: Hand. 17:13. Handelingen 17:13: Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.
[^1tessalonicensen-2-16-33]: Kanttekening 33: 33 te spreken: Namelijk het Evangelie van Christus, dat alleen een kracht van God ter zaligheid is; Rom. 1:16. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^1tessalonicensen-2-16-34]: Kanttekening 34: 34 altijd: Dat is, gelijk voor deze aan Christus en Zijne profeten, ook nu aan Zijne apostelen en anderen uitgezondenen. Zie Hand. 7:51, Hand. 7:52. Handelingen 7:51: U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u. Handelingen 7:52: Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van Welke u nu verraders en moordenaars geworden bent.
[^1tessalonicensen-2-16-35]: Kanttekening 35: De mensen worden gezegd hunne zonden, of de maat van hun zonden te vervullen, wanneer hun voor een tijd, door Gods lankmoedigheid, het voortgaan in de zonden niet wordt verhinderd, totdat zij op het hoogste zijn gekomen, en God die alsdan met zware straffen te huis zoekt. Zie Gen. 15:16; Matt. 23:32, enz. Genesis 15:16: En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Mattheüs 23:32: U dan ook, vervult de mate van uw vaderen!
[^1tessalonicensen-2-16-36]: Kanttekening 36: 36 de toorn: Namelijk Gods, die hen rechtvaardiglijk in hun zonden vanwege hunne ondankbaarheid verhardt; Rom. 9:18, Rom. 9:22; 2 Thess. 2:11, 2 Thess. 2:12. Romeinen 9:18: Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, die Hij wil. Romeinen 9:22: En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid; 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thessalonicensen 2:12: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
[^1tessalonicensen-2-16-37]: Kanttekening 37: 37 tot het einde: Of, ten uitersten. Dit wordt van sommigen verstaan van de zwakheid van de straf, of van de toorn van God, die God zodanigen mensen hiernamaals pleegt over de hals te zenden; van anderen, wel zo bekwamelijk, van de gedurigheid van deze straf, of van de toorn van God, welke dit hardnekkig geslacht van de Joden is overkomen kort na die tijd, wanneer God hen met het merendeel van de anderen uit alle gewesten te Jeruzalem vergaderd door de Romeinen voorbeeldig heeft gestraft, en zo uitgeroeid, dat zij nog geen volk meer zijn, maar verstrooid blijven onder alle volken, en in het algemeen verhard zijn in hun ongelovigheid; dat de profetie van Daniël, Dan. 9:26, enz. en de woorden van Christus, Matt. 23:38, Ziet, uw huis wordt u woest gelaten, ook schijnen te bevestigen, gelijk ook Matt. 24:15; Luk. 21:20, enz. Enige nemen dit woord einde voor het einde van de wereld, zo dat de toorn van God van dit volk nimmermeer zou ophouden; maar dit strijdt tegen de belofte en voorzegging van de apostel Paulus, Rom. 11:25, enz. en ook 2 Kor. 3:15, 2 Kor. 3:16 en andere plaatsen, waar de toekomende bekering van het volk van de joden tot Christus wordt geprofeteerd. Daniël 9:26: En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk van de vorsten, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. Mattheüs 23:38: Ziet, uw huis wordt u woest gelaten. Mattheüs 24:15: Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Lukas 21:20: Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. Romeinen 11:25: Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. 2 Korinthiërs 3:15: Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. 2 Korinthiërs 3:16: Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
[^1tessalonicensen-2-17-38]: Kanttekening 38: Dat is, van uwe aanwezigheid.
[^1tessalonicensen-2-17-39]: Kanttekening 39: Het Griekse woord betekent eigenlijk zulk ene afscheiding, gelijk een vader, van zijn kinderen gescheiden zijnde, hen als wezen alleen laat.
[^1tessalonicensen-2-17-40]: Kanttekening 40: Of, op een uur tijds. Want Paulus heeft haastig door de vervolging van de joden van hen moeten scheiden. Zie Hand. 17:10. Handelingen 17:10: En de broeders zonden meteen 's nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge van de Joden;
[^1tessalonicensen-2-17-41]: Kanttekening 41: 41 naar het aangezicht: Dat is, naar de lichamelijke aanwezigheid.
[^1tessalonicensen-2-17-42]: Kanttekening 42: 42 te zien: Dat is, opnieuw te zien, of tot u te komen.
[^1tessalonicensen-2-17-43]: Kanttekening 43: Gr. in vele begeerte.
[^1tessalonicensen-2-18-n]: Verwijzing n: Rom. 1:13; Rom. 15:22. Romeinen 1:13: Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen. Romeinen 15:22: Waarom ik ook dikwijls verhinderd geweest ben tot u te komen.
[^1tessalonicensen-2-18-44]: Kanttekening 44: Dat is, meermalen, gelijk Filipp. 4:16. Filippensen 4:16: Want ook in Thessalonica hebt u mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.
[^1tessalonicensen-2-18-45]: Kanttekening 45: Namelijk door andere vervolgingen en verhinderingen, of door nieuwe moeiten, die hij in andere gemeenten heeft verwekt, die onze aanwezigheid vereisten.
[^1tessalonicensen-2-19-o]: Verwijzing o: 2 Kor. 1:14; Filip. 2:16; Filip. 4:1. 2 Korinthiërs 1:14: Zoals u ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk u ook de onze bent, in de dag van de Heer Jezus. Filippensen 2:16: Voorhoudende het woord van het leven, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gewerkt. Filippensen 4:1: Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heer, geliefden!
[^1tessalonicensen-2-19-46]: Kanttekening 46: 46 onze hoop: Dat is, stof of oorzaak van hoop en blijdschap.
[^1tessalonicensen-2-19-47]: Kanttekening 47: Dat is, heerlijke roem, gelijk vers 20 verklaart. 1 Thessalonicensen 2:20: Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap.
[^1tessalonicensen-2-19-48]: Kanttekening 48: Namelijk naast andere gemeenten door mij tot Christus bekeerd, waarover ik in Christus mag roemen, en mij de eeuwige roem, blijdschap en heerlijkheid van God uit genade zal worden vergolden. Zie 2 Tim. 4:7. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;

### 1 Tessalonicensen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1tessalonicensen/3.json)

*1 De apostel verklaart dat hij, bezorgd om hen, Timotheus gezonden had om hen in het geloof te versterken. 3 en te troosten in de verdrukkingen, waartoe de gelovigen gesteld zijn. 6 Doch dat hij zeer verblijd was geweest door de terugkomst van Timotheus, vernemend hun standvastigheid en welstand. 9 Waarover hij God dankt, en bidt dat hij tot volmaking van hun geloof gelegenheid van God mocht krijgen om weer tot hen te komen. 12 En besluit dit hoofdstuk en eerste deel van de brief met een ernstig gebed tot God, dat zij overvloedig mogen worden in liefde en heiliging, met het oog op de komst van Christus met al zijn heiligen.*

**1** Daarom,[^1tessalonicensen-3-1-1] deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij graag willen te Athene alleen gelaten worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v1)

**2** En hebben gezonden[^1tessalonicensen-3-2-a] Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider[^1tessalonicensen-3-2-2] in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen[^1tessalonicensen-3-2-3] van uw geloof; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v2)

**3** [^1tessalonicensen-3-3-b] Opdat niemand[^1tessalonicensen-3-3-4] bewogen wordt in deze verdrukkingen; want u weet zelf,[^1tessalonicensen-3-3-c] dat wij[^1tessalonicensen-3-3-5] hiertoe[^1tessalonicensen-3-3-6] gesteld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v3)

**4** Want ook, toen wij bij u waren,[^1tessalonicensen-3-4-7] voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, zoals ook gebeurd is, en u weet het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v4)

**5** Daarom ook deze[^1tessalonicensen-3-5-8] begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik[^1tessalonicensen-3-5-9] hem gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien[^1tessalonicensen-3-5-10] de verzoeker u zou verzocht hebben, en[^1tessalonicensen-3-5-11] onze arbeid[^1tessalonicensen-3-5-12] ijdel zou wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v5)

**6** Maar als Timotheüs nu van u tot ons[^1tessalonicensen-3-6-13] gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had[^1tessalonicensen-3-6-14] van uw geloof en liefde, en dat u altijd goede herinnering van ons hebt, zeer begerig zijnde om ons te zien, zoals wij ook om u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v6)

**7** Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden[^1tessalonicensen-3-7-15] door uw geloof; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v7)

**8** Want nu[^1tessalonicensen-3-8-16] leven wij, als u[^1tessalonicensen-3-8-17] vast staat in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v8)

**9** Want wat dankzegging kunnen wij voor God tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmee wij ons om uwentwil verblijden[^1tessalonicensen-3-9-18] voor onze God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v9)

**10** [^1tessalonicensen-3-10-d] Nacht en dag zeer overvloedig biddende,[^1tessalonicensen-3-10-19] om uw aangezicht te mogen zien, en[^1tessalonicensen-3-10-20] te volmaken, wat aan uw geloof ontbreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v10)

**11** Maar onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onze weg tot u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v11)

**12** En de Heere[^1tessalonicensen-3-12-21] vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde tegenover elkaar en tegenover allen, zoals[^1tessalonicensen-3-12-22] wij ook zijn tegenover u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v12)

**13** [^1tessalonicensen-3-13-e] Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader,[^1tessalonicensen-3-13-23] in de toekomst van onze Heere Jezus Christus met al[^1tessalonicensen-3-13-24] Zijn heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/3.html#v13)

[^1tessalonicensen-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 deze begeerte: Dat is, dit verlangen naar u, waarvan hij in 1 Thess. 2:17, 1 Thess. 2:18 heeft gesproken. 1 Thessalonicensen 2:17: Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezicht te zien, met grote begeerte. 1 Thessalonicensen 2:18: Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet.
[^1tessalonicensen-3-2-a]: Verwijzing a: Hand. 16:1; Rom. 16:21; Filip. 2:19. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Romeinen 16:21: U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten. Filippensen 2:19: En ik hoop in de Heer Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben.
[^1tessalonicensen-3-2-2]: Kanttekening 2: 2 in het Evangelie: Dat is, in de prediking en verbreiding van het Evangelie.
[^1tessalonicensen-3-2-3]: Kanttekening 3: 3 van uw geloof: Of, aangaande uw geloof; of vanwege uw geloof. Anderen lezen, ons geloof.
[^1tessalonicensen-3-3-b]: Verwijzing b: Efez. 3:13; Filip. 1:14. Efeziërs 3:13: Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid. Filippensen 1:14: En dat het meerderdeel van de broeders in de Heer, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken.
[^1tessalonicensen-3-3-4]: Kanttekening 4: Namelijk om van het geloof te wijken of te twijfelen, Zie 2 Thess. 2:2. Het Griekse woord betekent herwaarts en daarheen bewogen te worden. 2 Thessalonicensen 2:2: Dat u niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
[^1tessalonicensen-3-3-c]: Verwijzing c: Hand. 14:22; 2 Tim. 3:12. Handelingen 14:22: Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God. 2 Timotheüs 3:12: En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
[^1tessalonicensen-3-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk om voor de naam van Christus te lijden. Zie 2 Tim. 3:12. 2 Timotheüs 3:12: En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
[^1tessalonicensen-3-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, geschikt, verordineerd zijn, namelijk van God, gelijk dit woord ook genomen wordt Luk. 2:34. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
[^1tessalonicensen-3-4-7]: Kanttekening 7: Namelijk gelijk hij aan andere gemeenten ook heeft gedaan. Zie Hand. 14:22; Rom. 8:17, Rom. 8:29. Handelingen 14:22: Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders.
[^1tessalonicensen-3-5-8]: Kanttekening 8: 8 deze begeerte: Dat is, dit verlangen naar u, gelijk vers 1. 1 Thessalonicensen 3:1: Daarom, deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij graag willen te Athene alleen gelaten worden;
[^1tessalonicensen-3-5-9]: Kanttekening 9: Namelijk Timotheüs.
[^1tessalonicensen-3-5-10]: Kanttekening 10: 10 de verzoeker: Dat is, de Satan door de vervolgingen en andere verleidingen. Zie Matt. 4:3. Mattheüs 4:3: En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zei: Als U Gods Zoon bent, zeg, dat deze stenen broden worden.
[^1tessalonicensen-3-5-11]: Kanttekening 11: 11 onze arbeid: Namelijk die wij aangewend hebben om u het Evangelie te verkondigen.
[^1tessalonicensen-3-5-12]: Kanttekening 12: Dat is, vruchteloos.
[^1tessalonicensen-3-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, wedergekomen was, namelijk bij ons te Korinthe, nadat wij hem tot u van Athene gezonden hadden. Zie Hand. 18:1, Hand. 18:5. Handelingen 18:1: En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe; Handelingen 18:5: En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, betuigende de Joden, dat Jezus is de Christus.
[^1tessalonicensen-3-6-14]: Kanttekening 14: 14 van uw geloof: Dat is, van uwe standvastigheid in het geloof.
[^1tessalonicensen-3-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, door het getuigenis, dat wij gehoord hebben van uw geloof.
[^1tessalonicensen-3-8-16]: Kanttekening 16: Dat is, wij zijn vrolijk en welgemoed, gelijk vers 9 verklaart. 1 Thessalonicensen 3:9: Want wat dankzegging kunnen wij God tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmee wij ons om uwentwil verblijden voor onze God?
[^1tessalonicensen-3-8-17]: Kanttekening 17: Dat is, in het geloof op de Heer; want door het geloof worden wij met Christus verenigd.
[^1tessalonicensen-3-9-18]: Kanttekening 18: 18 voor onze God: Dat is, oprecht als in Gods aanwezigheid, niet alleen voor de mensen, gelijk Luk. 1:6. Lukas 1:6: En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Heer, onberispelijk.
[^1tessalonicensen-3-10-d]: Verwijzing d: Rom. 1:10; idem 1:11; Rom. 15:23; 2 Tim. 1:4. Romeinen 1:10: Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. Romeinen 1:11: Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, ten einde u versterkt zoudt worden; Romeinen 15:23: Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen, 2 Timotheüs 1:4: Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap mag vervuld worden;
[^1tessalonicensen-3-10-19]: Kanttekening 19: Dat is, om bij u tegenwoordig te zijn.
[^1tessalonicensen-3-10-20]: Kanttekening 20: 20 te volmaken: Dat is, u in het geloof volkomenlijker te onderwijzen, dat de apostel daarom zegt, omdat hij door de bittere vervolging van de Joden weinig tijd bij hen had kunnen blijven. Zie Hand. 17:10. Handelingen 17:10: En de broeders zonden meteen 's nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge van de Joden;
[^1tessalonicensen-3-12-21]: Kanttekening 21: 21 vermeerdere u: Dat is, make dat u meer en meer toeneemt, die het gebrek Zijn dienaren door Zijn Geest lichtelijk kan vervullen.
[^1tessalonicensen-3-12-22]: Kanttekening 22: Namelijk overvloedig in de liefde tegenover u.
[^1tessalonicensen-3-13-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 1:8; 1 Thes. 5:23; 2 Thes. 2:17. 1 Korinthiërs 1:8: Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heer Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 5:23: En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus. 2 Thessalonicensen 2:17: Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
[^1tessalonicensen-3-13-23]: Kanttekening 23: 23 in de toekomst: Of, tegen de toekomst.
[^1tessalonicensen-3-13-24]: Kanttekening 24: 24 Zijn heiligen: Namelijk engelen, gelijk uitgedrukt wordt 2 Thess. 1:7, hoewel het ook breder kan genomen worden voor de heilige zielen, die met Christus uit de hemel in het gezelschap van de engelen zullen afkomen, om met hunne lichamen weer verenigd en verheerlijkt te worden. 2 Thessalonicensen 1:7: En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht;

### 1 Tessalonicensen 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1tessalonicensen/4.json)

*1 De apostel vermaant hen voorts in het algemeen tot een godzalige wandel. 3 en in het bijzonder tot kuisheid en eerbaarheid. 6 tot rechtvaardigheid in hun handel. 9 tot broederlijke liefde. 11 tot een rustig leven en het doen van hun eigen zaken. 13 Hij vermaant hen ook dat zij hun droefheid zullen matigen over hen die ontslapen zijn. 14 omdat die door Christus weer opgewekt zullen worden. 15 die uit de hemel zal komen met een groot geroep en de stem van de aartsengel, om hen die gestorven zijn eerst uit de doden op te wekken. 17 en daarna hen samen met de anderen, die dan nog zullen leven, tot zich op te nemen.*

**1** [^1tessalonicensen-4-1-1] Verder dan, broeders, wij bidden en vermanen u[^1tessalonicensen-4-1-2] in de Heere Jezus, zoals u van ons[^1tessalonicensen-4-1-3] ontvangen hebt,[^1tessalonicensen-4-1-a] hoe u moet wandelen en voor God behagen, dat u daarin meer overvloedig wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v1)

**2** Want u weet,[^1tessalonicensen-4-2-4] wat bevelen wij u gegeven hebben[^1tessalonicensen-4-2-5] door de Heere Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v2)

**3** [^1tessalonicensen-4-3-b] Want dit is[^1tessalonicensen-4-3-6] de wil van God,[^1tessalonicensen-4-3-7] uw heiligmaking: dat u zich onthoudt van de hoererij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v3)

**4** Dat ieder van u wete[^1tessalonicensen-4-4-8] zijn lichaam te bezitten in heiligmaking en[^1tessalonicensen-4-4-9] eer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v4)

**5** Niet in[^1tessalonicensen-4-5-10] kwade beweging van de begeerlijkheid, zoals de heidenen,[^1tessalonicensen-4-5-c] die God[^1tessalonicensen-4-5-11] niet kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v5)

**6** Dat niemand zijn broeder[^1tessalonicensen-4-6-12] vertrede, noch[^1tessalonicensen-4-6-13] bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, zoals wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v6)

**7** Want God heeft ons niet geroepen tot[^1tessalonicensen-4-7-14] onreinheid,[^1tessalonicensen-4-7-d] maar tot heiligmaking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v7)

**8** [^1tessalonicensen-4-8-e] Zo dan die[^1tessalonicensen-4-8-15] dit verwerpt, die verwerpt[^1tessalonicensen-4-8-16] geen mens, maar God,[^1tessalonicensen-4-8-f] Die ook Zijn Heilige Geest[^1tessalonicensen-4-8-17] in ons heeft gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v8)

**9** [^1tessalonicensen-4-9-g] Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelf bent[^1tessalonicensen-4-9-18] van God geleerd om elkaar lief te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v9)

**10** Want[^1tessalonicensen-4-10-19] u doet ook hetzelfde aan al de broeders, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat u meer overvloedig wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v10)

**11** [^1tessalonicensen-4-11-h] En dat u[^1tessalonicensen-4-11-20] zich beijvert stil te zijn, en uw eigen dingen te doen,[^1tessalonicensen-4-11-i] en te werken[^1tessalonicensen-4-11-21] met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v11)

**12** Opdat u[^1tessalonicensen-4-12-22] eerlijk wandelt bij degenen,[^1tessalonicensen-4-12-23] die buiten zijn, en[^1tessalonicensen-4-12-24] geen ding nodig hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v12)

**13** Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent van degenen,[^1tessalonicensen-4-13-25] die ontslapen zijn,[^1tessalonicensen-4-13-k] opdat u niet bedroefd bent,[^1tessalonicensen-4-13-26] zoals de anderen,[^1tessalonicensen-4-13-27] die geen hoop hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v13)

**14** Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn[^1tessalonicensen-4-14-28] in Jezus,[^1tessalonicensen-4-14-29] weer brengen[^1tessalonicensen-4-14-30] met Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v14)

**15** Want dat zeggen wij u[^1tessalonicensen-4-15-31] door het Woord van de[^1tessalonicensen-4-15-l] Heere, dat[^1tessalonicensen-4-15-32] wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heere, niet zullen[^1tessalonicensen-4-15-33] voorkomen degenen, die ontslapen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v15)

**16** [^1tessalonicensen-4-16-m] Want de Heere Zelf zal met[^1tessalonicensen-4-16-34] een geroep, met[^1tessalonicensen-4-16-35] de stem[^1tessalonicensen-4-16-36] van de aartsengel, en met de bazuin van God nederdalen van de hemel; en die[^1tessalonicensen-4-16-37] in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v16)

**17** Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen samen met hen[^1tessalonicensen-4-17-38] opgenomen worden[^1tessalonicensen-4-17-39] in de wolken, de Heere tegemoet, in[^1tessalonicensen-4-17-40] de lucht; en zo zullen wij altijd[^1tessalonicensen-4-17-41] met de Heere wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v17)

**18** Zo dan, vertroost elkaar[^1tessalonicensen-4-18-42] met deze woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/4.html#v18)

[^1tessalonicensen-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 Verder dan, broeders: Of, wat overig is, broeders.
[^1tessalonicensen-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 in de Heer Jezus: Dat is, in de naam van de Heer Jezus of om Jezus Christus' wil. Zie 2 Kor. 5:20. 2 Korinthiërs 5:20: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^1tessalonicensen-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 ontvangen hebt: Dat is, geleerd of onderwezen zijt.
[^1tessalonicensen-4-1-a]: Verwijzing a: Filip. 1:27; 1 Thes. 2:12. Filippensen 1:27: Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; 1 Thessalonicensen 2:12: En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^1tessalonicensen-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 wat bevelen: Hij spreekt hier niet van enige verholene geheime bevelen, maar van openbare, die Hij daarna weer herhaalt.
[^1tessalonicensen-4-2-5]: Kanttekening 5: Dat is, vanwege de Heer, of uit last van de Heer Jezus.
[^1tessalonicensen-4-3-b]: Verwijzing b: Rom. 12:2; Efez. 5:27; Filip. 4:8. Romeinen 12:2: En wordt van deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Filippensen 4:8: Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;
[^1tessalonicensen-4-3-6]: Kanttekening 6: 6 de wil van God: Dat is, wat God van u eist, of wil gedaan hebben.
[^1tessalonicensen-4-3-7]: Kanttekening 7: Dit woord kan in het algemeen genomen worden voor allerlei heiligheid of in het bijzonder voor de kuisheid of eerbaarheid, gelijk hierna verklaard wordt.
[^1tessalonicensen-4-4-8]: Kanttekening 8: 8 zijn vat: Dat is, Zijn lichaam, dat naar een Hebreeuwse wijze van spreken zo genaamd wordt, omdat het een werktuig van de ziel is.
[^1tessalonicensen-4-4-9]: Kanttekening 9: Dat is, eerbaarheid. Want niets onteert het lichaam van de mens meer dan onkuisheid. Zie 1 Kor. 6:16, enz. 1 Korinthiërs 6:16: Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.
[^1tessalonicensen-4-5-10]: Kanttekening 10: 10 kwade beweging: Of, ontuchtige beweging.
[^1tessalonicensen-4-5-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 15:34; Efez. 4:18. 1 Korinthiërs 15:34: Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte. Efeziërs 4:18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
[^1tessalonicensen-4-5-11]: Kanttekening 11: 11 niet kennen: Namelijk gelijk het behoort, en Hij in Zijn woord Zich geopenbaard heeft, 2 Thess. 1:8. Anders kennen de heidenen God ook uit de natuur, maar deze kennis was niet krachtig genoeg om hen tot Zijne liefde en gehoorzaamheid behoorlijk te bewegen; Rom. 1:19, enz. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Romeinen 1:19: Omdat wat van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
[^1tessalonicensen-4-6-12]: Kanttekening 12: Gr. overklimme, en betekent iemand door geweld verongelijken, of meer afnemen dan behoorlijk is, gelijk het volgende woord verklaart.
[^1tessalonicensen-4-6-13]: Kanttekening 13: Gr. vergierige; dat betekent iemand uit gierigheid bedriegen of verongelijken. Zie 2 Kor. 1:2, en 2 Kor. 12:17. 2 Korinthiërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 2 Korinthiërs 12:17: Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht?
[^1tessalonicensen-4-7-14]: Kanttekening 14: Hieronder begrijpt de apostel niet alleen de ontuchtigheid, maar ook de gierigheid en onrechtvaardigheid, waardoor de ziel zelve bezoedeld wordt.
[^1tessalonicensen-4-7-d]: Verwijzing d: Joh. 17:19; 1 Kor. 1:2. Johannes 17:19: En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 1 Korinthiërs 1:2: Aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepenen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heer;
[^1tessalonicensen-4-8-e]: Verwijzing e: Lukas 10:16. Lukas 10:16: Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.
[^1tessalonicensen-4-8-15]: Kanttekening 15: Dat is, deze voorgemelde bevelen, gelijk hij die in vers 2 heeft genoemd. 1 Thessalonicensen 4:2: Want u weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door de Heer Jezus.
[^1tessalonicensen-4-8-16]: Kanttekening 16: 16 geen mens: Namelijk alleen, maar voornamelijk God, die zelf deze bevelen, door Zijne profeten en apostelen, heeft gegeven.
[^1tessalonicensen-4-8-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 7:40. 1 Korinthiërs 7:40: Maar zij is gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook de Geest van God te hebben.
[^1tessalonicensen-4-8-17]: Kanttekening 17: 17 in ons heeft gegeven.: Dit kan òf van de apostelen verstaan worden, die door Gods Geest gedreven zijnde, deze bevelen hebben gegeven; òf ook van alle Christenen, die door Gods Geest zijn geheiligd, opdat zij niet meer de begeerten van het vlees, maar van de Geest zouden volgen; Gal. 5:24, Gal. 5:25. Galaten 5:24: Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Galaten 5:25: Als wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen.
[^1tessalonicensen-4-9-g]: Verwijzing g: Lev. 19:18; Matt. 22:39; Joh. 13:34; Joh. 15:12; Efez. 5:2; 1 Petr. 4:8; 1 Joh. 3:23; 1 Joh. 4:21. Leviticus 19:18: U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Mattheüs 22:39: En het tweede aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelven. Johannes 13:34: Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Johannes 15:12: Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. 1 Petrus 4:8: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 1 Johannes 3:23: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. 1 Johannes 4:21: En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
[^1tessalonicensen-4-9-18]: Kanttekening 18: 18 van God geleerd: Gr. godgeleerden; waarvan zie Joh. 6:45. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.
[^1tessalonicensen-4-10-19]: Kanttekening 19: 19 u doet: Dat is, u bewijst ook metterdaad, dat u de broeders liefhebt.
[^1tessalonicensen-4-11-h]: Verwijzing h: 2 Thes. 3:7; idem v. 12. 2 Thessalonicensen 3:7: Want u weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; 2 Thessalonicensen 3:12: Maar de zodanigen bevelen en vermanen wij door onze Heer Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.
[^1tessalonicensen-4-11-20]: Kanttekening 20: 20 u benaarstigt: Namelijk als die doen die naar eer staan, of eer ergens in stellen, gelijk het Griekse woord medebrengt. Dit zegt de apostel, omdat de wereldse mensen gemeenlijk eer stellen en naarstig zijn, om zich met vele dingen te bemoeien, die hen zelfs niet aangaan, tegen welk gebrek hij de gelovigen hier waarschuwt, en vermaant hen liever eer te zoeken en zich te benaarstigen, om in stilte hun eigen dingen waar te nemen.
[^1tessalonicensen-4-11-i]: Verwijzing i: Hand. 20:34; Efez. 4:28. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. Efeziërs 4:28: Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mee te delen dengene, die nood heeft.
[^1tessalonicensen-4-11-21]: Kanttekening 21: 21 met uw eigen handen: Namelijk om u en de uwen van behoorlijke nooddruft te verzorgen. Dat de apostel spreekt tot degenen, die, onder het deksel van zich met algemene zaken buiten hun beroep te bemoeien, op de arbeid van andere mensen zochten te leven, waarvan breder gesproken wordt 2 Thess. 3:10, enz. 2 Thessalonicensen 3:10: Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
[^1tessalonicensen-4-12-22]: Kanttekening 22: Dat is, buiten opspraak. Want de heidenen zelfs misprijzen ook zulk doen. Het Griekse woord betekent, wat welvoegt of welstaat.
[^1tessalonicensen-4-12-23]: Kanttekening 23: 23 die buiten zijn: Dat is, die nog van het geloof vreemd zijn, gelijk 1 Kor. 5:12. 1 Korinthiërs 5:12: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn?
[^1tessalonicensen-4-12-24]: Kanttekening 24: 24 geen ding: Of, geens, of niemand; namelijk dergenen die buiten zijn; want het Griekse woord kan beide lijden.
[^1tessalonicensen-4-13-25]: Kanttekening 25: 25 die ontslapen zijn: Dat is, gestorven of gerust zijn, gelijk Joh. 11:11, enz. Johannes 11:11: Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken.
[^1tessalonicensen-4-13-k]: Verwijzing k: Lev. 19:28; Deut. 14:1; 2 Sam. 12:20. Leviticus 19:28: U zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben YHWH! Deuteronomium 14:1: Gijlieden zijt kinderen van YHWH, uws Gods; u zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. 2 Samuël 12:20: Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis van YHWH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.
[^1tessalonicensen-4-13-26]: Kanttekening 26: Hiermede toont de apostel dat hij niet alle verdriet over de gestorvenen verbiedt, die ook Christus zelf over Lazarus, Joh. 11:35; de gemeente over Stefanus, Hand. 8:2; en Paulus over Epafroditus, als hij dodelijk ziek was, Filip. 2:27, bewezen hebben: maar hij spreekt hier alleen van het onmatige en heidense verdriet. Johannes 11:35: Jezus weende. Handelingen 8:2: En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave en maakten grote rouw over hem. Filippensen 2:27: En hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar God heeft Zich over hem ontfermd; en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet verdriet op verdriet zou hebben.
[^1tessalonicensen-4-13-27]: Kanttekening 27: 27 die geen hoop hebben: Namelijk van de zalige opstanding, waarvan hij in de volgende verzen spreekt. Want hoewel de heidenen aan de onsterfelijkheid van de zielen geloofden, nochtans hebben zij nooit de opstanding van de lichamen en wedervereniging met hunne zielen kunnen begrijpen of geloven. Zie Hand. 17:32, en Hand. 26:23, enz. Handelingen 17:32: Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen. Handelingen 26:23: Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding van de doden zijnde, een licht zou verkondigen aan dit volk, en aan de heidenen.
[^1tessalonicensen-4-14-28]: Kanttekening 28: 28 in Jezus: Of, door Jezus, dat is, door de kracht van Jezus, de rechter van de levenden en doden; Joh. 5:21, enz. Johannes 5:21: Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.
[^1tessalonicensen-4-14-29]: Kanttekening 29: 29 weer brengen: Namelijk in het leven en in heerlijkheid, wanneer Hij hen uit de graven zal opgewekt en met hunne zielen zal verenigd hebben.
[^1tessalonicensen-4-14-30]: Kanttekening 30: 30 met Hem: Namelijk als Hij zal verschijnen uit de hemel ten laatsten dage, in het oordeel.
[^1tessalonicensen-4-15-31]: Kanttekening 31: 31 door het Woord van de Heer: Gr. in het woord van de Heer (λόγος); waardoor sommigen verstaan de beloften van Christus, Matt. 24:31; Joh. 5:28; daar bijna dergelijke woorden staan. Anderen een bijzondere en nadere openbaring van Christus hiervan aan Paulus geschied, gelijk Hij betuigt 1 Kor. 15:51. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve. Johannes 5:28: Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
[^1tessalonicensen-4-15-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 15:22; idem v. 51. 1 Korinthiërs 15:22: Want gelijk zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
[^1tessalonicensen-4-15-32]: Kanttekening 32: Namelijk gelovigen mensen, stellende zichzelf ook daaronder, om de onzekerheid van de dag van Christus' toekomst. Zie hiervan verder 1 Kor. 15:51. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
[^1tessalonicensen-4-15-33]: Kanttekening 33: Namelijk om van Christus verheerlijkt te worden.
[^1tessalonicensen-4-16-m]: Verwijzing m: Matt. 24:31; 1 Kor. 15:52; 2 Thes. 1:7. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve. 1 Korinthiërs 15:52: In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 2 Thessalonicensen 1:7: En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen Zijn kracht;
[^1tessalonicensen-4-16-34]: Kanttekening 34: 34 een geroep: Het Griekse woord Keleusma (κελεύσματι) betekent eigenlijk een geroep, dat met een bevel gevoegd is, gelijk aan degenen placht te gebeuren, die enig werk gelijkelijk moeten doen, of een schip gelijkelijk voortroeien, of een strijd beginnen.
[^1tessalonicensen-4-16-35]: Kanttekening 35: 35 de stem: Wat dit voor ene stem of bazuin zal zijn, verklaart de Schrift niet breder, dan, daardoor wordt de grote macht en heerlijkheid van Christus in Zijn tweede toekomst voor ogen gesteld, die met Zijne engelen, als een overste zijn leger, met trompettengeluid en groot geschal zal komen, dat schrikkelijk zal zijn voor zijne vijanden, en moed en troost geven aan zijne vrienden. Zie dergelijke beschrijvingen Matt. 25:31; Joh. 5:28; 1 Kor. 15:52; 2 Thess. 1:7, 2 Thess. 1:8; Jud. v. 14; Openb. 11:15. Mattheüs 25:31: En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. Johannes 5:28: Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; 1 Korinthiërs 15:52: In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 2 Thessalonicensen 1:7: En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht; 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Judas 1:14: En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Openbaring 11:15: En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heer en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
[^1tessalonicensen-4-16-36]: Kanttekening 36: 36 van de archangel: Dat is, van de overste engel, die hier uitdrukkelijk wordt onderscheiden van Christus. Zie hiervan nader Jud. v. 9. Judas 1:9: Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u!
[^1tessalonicensen-4-16-37]: Kanttekening 37: 37 in Christus: Dat is, in het geloof van Christus, gelijk Openb. 14:13. Openbaring 14:13: En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.
[^1tessalonicensen-4-17-38]: Kanttekening 38: Gr. gerukt, getrokken; namelijk nadat zij zullen veranderd en Zijn verheerlijkt lichaam in een ogenblik tijds gelijkvormig gemaakt zijn; 1 Kor. 15:51; Filipp. 3:20, Filipp. 3:21. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Filippensen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^1tessalonicensen-4-17-39]: Kanttekening 39: 39 in de wolken: Die namelijk als een wagen zullen zijn, waardoor zij tot Christus in de lucht opgevoerd zullen worden, gelijk van Elia gezegd wordt, 2 Kon. 2:11, en van Christus zelf, Hand. 1:9. 2 Koningen 2:11: En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. Handelingen 1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
[^1tessalonicensen-4-17-40]: Kanttekening 40: 40 in de lucht: Namelijk waar Hij Zijn gericht zal houden, voor de ogen van alle mensen, die door de engelen zullen bijeengebracht zijn tot Zijne rechter- en tot Zijne linkerhand. Zie Matt. 25:31, enz.; Openb. 1:7. Mattheüs 25:31: En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. Openbaring 1:7: Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^1tessalonicensen-4-17-41]: Kanttekening 41: 41 met de Heer: Namelijk Christus Jezus in de hemel; Joh. 14:2, Joh. 14:3. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Johannes 14:3: En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben.
[^1tessalonicensen-4-18-42]: Kanttekening 42: 42 met deze woorden: Gr. in deze woorden (λόγος); dat is, redenen of bedenkingen.

### 1 Tessalonicensen 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1tessalonicensen/5.json)

*1 De apostel leert dat Christus onverwacht ten oordeel zal komen, als een dief in de nacht, en als de barensnood over een vrouw: 4 Vermaant hen daarom altijd op hun hoede en nuchter te zijn. 8 en gewapend met het borstwapen van het geloof en de liefde, en met de helm van de hoop van de zaligheid. 12 Bidt dat zij hun voorgangers in ere zullen houden. 14 en vermaant hen voorts tot verschillende christelijke deugden. 17 ook tot bidden en danken. 19 tot het waarnemen van de Geest en de profetie, om het goede te behouden. 23 Bidt daarna God dat hij hen onberispelijk beware tot de komst van Christus, met de belofte dat hij het ook zal doen. 25 Vermaant hen dat zij voor hem bidden en elkaar groeten. 27 en bezweert hen dat deze brief voor allen gelezen wordt.*

**1** Maar van de tijden en[^1tessalonicensen-5-1-1] de gelegenheden, broeders! heb u niet nodig, dat men u schrijve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v1)

**2** Want u weet zelf zeer wel,[^1tessalonicensen-5-2-a] dat[^1tessalonicensen-5-2-2] de dag van de Heere zo[^1tessalonicensen-5-2-3] zal komen,[^1tessalonicensen-5-2-4] zoals een dief in de nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v2)

**3** Want wanneer[^1tessalonicensen-5-3-5] zij zullen[^1tessalonicensen-5-3-6] zeggen: Het is vrede, en[^1tessalonicensen-5-3-7] zonder gevaar; dan zal[^1tessalonicensen-5-3-8][^1tessalonicensen-5-3-b] een haastig verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v3)

**4** [^1tessalonicensen-5-4-c] Maar u, broeders, u bent niet[^1tessalonicensen-5-4-9] in duisternis, dat u die dag[^1tessalonicensen-5-4-10] als een dief zou bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v4)

**5** [^1tessalonicensen-5-5-11] U bent alle[^1tessalonicensen-5-5-12][^1tessalonicensen-5-5-d] kinderen van het licht, en kinderen[^1tessalonicensen-5-5-e] overdag; wij zijn niet in de nacht, noch van de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v5)

**6** [^1tessalonicensen-5-6-f] Zo laat ons dan niet[^1tessalonicensen-5-6-13] slapen, zoals de anderen, maar[^1tessalonicensen-5-6-g] laat ons[^1tessalonicensen-5-6-14] waken,[^1tessalonicensen-5-6-h] en[^1tessalonicensen-5-6-15] nuchter zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v6)

**7** Want die slapen, slapen in de nacht, en die dronken zijn,[^1tessalonicensen-5-7-16] zijn in de nacht dronken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v7)

**8** Maar wij,[^1tessalonicensen-5-8-17] die overdag zijn, laat ons nuchter zijn,[^1tessalonicensen-5-8-i] aangedaan hebbende[^1tessalonicensen-5-8-18] het borstwapen van het geloof en van de liefde, en[^1tessalonicensen-5-8-19] tot een helm, de hoop van de zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v8)

**9** Want God heeft ons niet[^1tessalonicensen-5-9-20] gesteld[^1tessalonicensen-5-9-21] tot toorn, maar tot[^1tessalonicensen-5-9-22] verkrijging van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v9)

**10** Die voor ons gestorven is,[^1tessalonicensen-5-10-k] opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij[^1tessalonicensen-5-10-23] slapen, samen met Hem leven zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v10)

**11** Daarom[^1tessalonicensen-5-11-24] vermaant elkaar, en[^1tessalonicensen-5-11-25] sticht de één de anderen, zoals u ook doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v11)

**12** [^1tessalonicensen-5-12-l] En wij bidden u, broeders,[^1tessalonicensen-5-12-26] erkent degenen, die onder u[^1tessalonicensen-5-12-27] arbeiden, en uw[^1tessalonicensen-5-12-28] voorstanders zijn[^1tessalonicensen-5-12-29] in de Heere, en[^1tessalonicensen-5-12-30] u vermanen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v12)

**13** En acht hen zeer veel[^1tessalonicensen-5-13-31] in liefde,[^1tessalonicensen-5-13-32] omwille van hun werk. Wees vreedzaam onder elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v13)

**14** En wij bidden u, broeders, vermaant[^1tessalonicensen-5-14-33] de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen,[^1tessalonicensen-5-14-34] ondersteunt de zwakken, wees geduldig tegenover allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v14)

**15** [^1tessalonicensen-5-15-m] Zie, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd[^1tessalonicensen-5-15-35] het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v15)

**16** [^1tessalonicensen-5-16-36][^1tessalonicensen-5-16-n] Verblijd u altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v16)

**17** [^1tessalonicensen-5-17-o] Bid[^1tessalonicensen-5-17-37] zonder ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v17)

**18** [^1tessalonicensen-5-18-p] Dank[^1tessalonicensen-5-18-38] God in alles; want dit is[^1tessalonicensen-5-18-39] de wil van God in Christus Jezus over u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v18)

**19** [^1tessalonicensen-5-19-q] Blus[^1tessalonicensen-5-19-40] de Geest niet uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v19)

**20** Veracht[^1tessalonicensen-5-20-41] de profetieën niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v20)

**21** [^1tessalonicensen-5-21-42][^1tessalonicensen-5-21-r] Beproef alle dingen;[^1tessalonicensen-5-21-43] behoudt[^1tessalonicensen-5-21-44] het goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v21)

**22** [^1tessalonicensen-5-22-s] Onthoud u[^1tessalonicensen-5-22-45] van allen schijn van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v22)

**23** [^1tessalonicensen-5-23-t] En[^1tessalonicensen-5-23-46] de God van de vrede Zelf heilige u[^1tessalonicensen-5-23-47] geheel en al; en uw geheel oprechte[^1tessalonicensen-5-23-48] geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard[^1tessalonicensen-5-23-49] in de toekomst van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v23)

**24** [^1tessalonicensen-5-24-v] Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook[^1tessalonicensen-5-24-50] doen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v24)

**25** Broeders, bidt voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v25)

**26** [^1tessalonicensen-5-26-x] Groet al de broeders[^1tessalonicensen-5-26-51] met een heilige kus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v26)

**27** [^1tessalonicensen-5-27-52] Ik bezweer[^1tessalonicensen-5-27-53] u bij de Heere, dat deze zendbrief al de heiligen broeders gelezen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v27)

**28** [^1tessalonicensen-5-28-54] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1tessalonicensen/5.html#v28)

[^1tessalonicensen-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 de gelegenheden: Namelijk van de tijden; bij het eerste wordt verstaan het jaar, maand, of dag; bij het laatste wordt verstaan, of het licht, nacht, morgenstond of middernacht zal zijn, of dergelijke. Zie Mark. 13:34, Mark. 13:35; Hand. 1:7. Marcus 13:34: Gelijk een mens, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienaren macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken; Marcus 13:35: Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, 's avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond); Handelingen 1:7: En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
[^1tessalonicensen-5-2-a]: Verwijzing a: Matt. 24:43; 2 Petr. 3:10; Openb. 3:3; Openb. 16:15. Mattheüs 24:43: Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3: Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15: Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^1tessalonicensen-5-2-2]: Kanttekening 2: 2 de dag van de Heer: Zo wordt de laatste dag doorgaans genoemd, omdat alsdan Christus 's nachts zal komen als een Heer, om te oordelen de levenden en de doden.
[^1tessalonicensen-5-2-3]: Kanttekening 3: 3 zal komen: Gr. komt (ἔρχομαι). Zo spreken de profeten van toekomende dingen, alsof zij reeds tegenwoordig waren, om de zekerheid derzelve.
[^1tessalonicensen-5-2-4]: Kanttekening 4: 4 gelijk een dief in de nacht: Hieruit volgt niet dat Christus 's nachts zal komen, gelijk sommigen menen; maar daarmede wordt geleerd dat Hij onverhoeds en onverwachts komen zal, namelijk ten aanzien van de wereldse mensen, gelijk het volgende verklaart; vers 3 want de godzaligen moeten daarnaar altijd verlangen, en daartegen op hun hoede zijn, gelijk hierna, vers 4, wordt betuigd. Zie ook Matt. 24:42, enz. 1 Thessalonicensen 5:3: Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten; 1 Thessalonicensen 5:4: Maar u, broeders, u bent niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Mattheüs 24:42: Waakt dan; want u weet niet, in welke ure uw Heer komen zal.
[^1tessalonicensen-5-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk de wereldse en goddeloze mensen.
[^1tessalonicensen-5-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk òf met woorden, òf tenminste in hun hart, gelijk Ps. 14:1. Psalmen 14:1: Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
[^1tessalonicensen-5-3-7]: Kanttekening 7: 7 zonder gevaar: Gr. zekerheid, dat is, daar is geen ongeval te vrezen. Zie Matt. 24:37, enz. Mattheüs 24:37: En gelijk de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon van de mensen.
[^1tessalonicensen-5-3-8]: Kanttekening 8: 8 een haastig: Of, onvoorzien; Luk. 21:34. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^1tessalonicensen-5-3-b]: Verwijzing b: 2 Thes. 1:9. 2 Thessalonicensen 1:9: Zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht van de Heer, en van de heerlijkheid Zijn sterkte,
[^1tessalonicensen-5-4-c]: Verwijzing c: Efez. 5:8. Efeziërs 5:8: Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht.
[^1tessalonicensen-5-4-9]: Kanttekening 9: 9 in duisternis: Dat is, in onwetendheid en zorgeloosheid, gelijk de anderen waarvan hij tevoren gesproken heeft.
[^1tessalonicensen-5-4-10]: Kanttekening 10: 10 als een dief: Namelijk die onverwachts en in het duister pleeft te komen.
[^1tessalonicensen-5-5-11]: Kanttekening 11: Namelijk die in Christus gelooft.
[^1tessalonicensen-5-5-12]: Kanttekening 12: 12 kinderen van het licht: Dat is, met de ware kennis van Christus en van Zijn wil begaafd, en daaraan als kinderen hun vader gehoorzamen.
[^1tessalonicensen-5-5-d]: Verwijzing d: Lukas 16:8; Efez. 5:8. Lukas 16:8: En de heer prees de onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen van deze wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen van het licht, in hun geslacht. Efeziërs 5:8: Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht.
[^1tessalonicensen-5-5-e]: Verwijzing e: Rom. 13:12. Romeinen 13:12: De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van het licht.
[^1tessalonicensen-5-6-f]: Verwijzing f: Rom. 13:11; idem v. 13; Efez. 5:14. Romeinen 13:11: En dit zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit de slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. Romeinen 13:13: Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; Efeziërs 5:14: Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
[^1tessalonicensen-5-6-13]: Kanttekening 13: Dat is, in vleselijke zorgeloosheid leven.
[^1tessalonicensen-5-6-g]: Verwijzing g: Lukas 21:36. Lukas 21:36: Waakt dan altijd, biddende, dat u mag waard geacht worden te ontvluchten al deze dingen, die gebeuren zullen, en te staan voor de Zoon van de mensen.
[^1tessalonicensen-5-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, op onze hoede zijn, en met geestelijk zorg op Hem wachten.
[^1tessalonicensen-5-6-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 15:34. 1 Korinthiërs 15:34: Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
[^1tessalonicensen-5-6-15]: Kanttekening 15: Dit wordt gesteld niet tegen matig eten en drinken, maar tegen brasserij, dronkenschap en andere wereldse bezwaringen, gelijk Christus zelf verklaart Luk. 21:34. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^1tessalonicensen-5-7-16]: Kanttekening 16: 16 zijn van de nacht dronken: Dat is, plegen gemeenlijk 's nachts dronken te zijn. Hij neemt hier enen reden van wat meest placht te gebeuren; want anders zijn er ook wel, die 's morgens vroeg opstaan om sterken drank te drinken; Jes. 5:11. Jesaja 5:11: Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!
[^1tessalonicensen-5-8-17]: Kanttekening 17: 17 die van de dag zijn: Dat is, die kinderen van het licht zijn, gelijk hij vers 5 gesproken heeft. 1 Thessalonicensen 5:5: U bent allen kinderen van het licht, en kinderen van de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis.
[^1tessalonicensen-5-8-i]: Verwijzing i: Jes. 59:17; Efez. 6:14. Jesaja 59:17: Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. Efeziërs 6:14: Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid;
[^1tessalonicensen-5-8-18]: Kanttekening 18: 18 het borstwapen: Dat is, voorzien zijnde met het geloof en de liefde, als met een borstwapen tegen aanvallen van de Satan. Zie 1 Petr. 5:8, 1 Petr. 5:9. 1 Petrus 5:8: Zijt nuchter, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden; 1 Petrus 5:9: Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^1tessalonicensen-5-8-19]: Kanttekening 19: 19 tot een helm: Dat is, als een helm. zie van deze gehele geestelijke wapenrusting eens Christens, Ef. 6:11, enz. Efeziërs 6:11: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel.
[^1tessalonicensen-5-9-20]: Kanttekening 20: Dat is, bestemd, of geschikt, gelijk 1 Petr. 2:8. 1 Petrus 2:8: Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^1tessalonicensen-5-9-21]: Kanttekening 21: 21 tot toorn: Dat is, om te zijn vaten van de toorn, of om een rechtvaardige straf en het verderf over ons te brengen. Zie Rom. 9:22. Romeinen 9:22: En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid;
[^1tessalonicensen-5-9-22]: Kanttekening 22: 22 verkrijging van de zaligheid: Het Griekse woord betekent eigenlijk veel doen omtrent ene zaak om die te verkrijgen, gelijk Hand. 20:28; 1 Petr. 2:9. Hoewel God ons ter zaligheid heeft uitverkoren, en Christus ons die heeft verworven, zo moeten wij evenwel zorgvuldig zijn, om de middelen te gebruiken, waardoor ons God ter zaligheid brengt. Zie Ef. 2:10, en Filipp. 2:12. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Efeziërs 2:10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen. Filippensen 2:12: Zo dan, mijn geliefden, gelijk u altijd gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn aanwezigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven:
[^1tessalonicensen-5-10-k]: Verwijzing k: Rom. 14:7; 2 Kor. 5:15; Galat. 2:20; 1 Petr. 4:2. Romeinen 14:7: Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. 2 Korinthiërs 5:15: Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 1 Petrus 4:2: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^1tessalonicensen-5-10-23]: Kanttekening 23: Dit woord slapen wordt hier niet genomen gelijk tevoren vers 6, want die in de zonden slapen, leven met Christus niet; maar wordt genomen òf voor de natuurlijke slaap van de mens, òf veeleer voor ontslapen of gestorven zijn. Want Christus is daartoe gestorven, opdat hetzij dat wij waken, dat is hier leven, of dat wij slapen, dat is gestorven zijn, wij met Christus zouden leven, namelijk hier een geestelijk leven, en hiernamaals een eeuwig en onvergankelijk leven in heerlijkheid. Zie dergelijke Rom. 14:8, enz. 1 Thessalonicensen 5:6: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn. Romeinen 14:8: Want hetzij dat wij leven, wij leven voor de Heer; hetzij dat wij sterven, wij sterven voor de Heer. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Heer.
[^1tessalonicensen-5-11-24]: Kanttekening 24: Of, vertroost; want het Griekse woord betekent beide.
[^1tessalonicensen-5-11-25]: Kanttekening 25: Namelijk zo met goede exempelen, als met goede onderrichtingen.
[^1tessalonicensen-5-12-l]: Verwijzing l: Rom. 15:27; 1 Kor. 9:11; 1 Kor. 16:18; Galat. 6:6; Filip. 2:29; 1 Tim. 5:17; Hebr. 13:7; idem v. 17. Romeinen 15:27: Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 1 Korinthiërs 9:11: Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? 1 Korinthiërs 16:18: Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook de uw. Erkent dan de zodanigen. Galaten 6:6: En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst. Filippensen 2:29: Ontvangt hem dan in de Heer, met alle blijdschap, en houdt zulke in waarde. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hun wandeling. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^1tessalonicensen-5-12-26]: Kanttekening 26: Namelijk voor zodanigen als zij vanwege hun beroep zijn, en behoren gehouden te worden. Zie 1 Kor. 16:18. 1 Korinthiërs 16:18: Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook de uwe. Erkent dan de zodanigen.
[^1tessalonicensen-5-12-27]: Kanttekening 27: Namelijk in het woord en de leer, gelijk hij daar bijvoegt, 1 Tim. 5:17. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
[^1tessalonicensen-5-12-28]: Kanttekening 28: Namelijk naast de leraars in de regering van de gemeente en uitoefening van de tucht, gelijk de apostel deze twee soorten van ouderlingen ook duidelijk onderscheidt, 1 Tim. 5:17. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
[^1tessalonicensen-5-12-29]: Kanttekening 29: 29 in de Heer: Dat is, in het werk van de Heer, namelijk om die te onderscheiden van de werelse overheden, waar zij onder stonden.
[^1tessalonicensen-5-12-30]: Kanttekening 30: 30 u vermanen: Dit kan beiden worden verstaan, zo van de ouderlingen, die in het woord arbeiden, alsook van degenen, die alleen voorstanders zijn in de regering, welke de bijzonder vermaningen ook toekomen naast de leraars. Zie hiervan Rom. 12:8; 1 Kor. 12:28. Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 1 Korinthiërs 12:28: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^1tessalonicensen-5-13-31]: Kanttekening 31: 31 in liefde: Dat is, niet uit vrees of dwang, maar uit toegenegenheid.
[^1tessalonicensen-5-13-32]: Kanttekening 32: 32 om huns werks wil: Dat is, vanwege de dienst, die zij u van Christus' wege doen, en tot bevordering van de dienst.
[^1tessalonicensen-5-14-33]: Kanttekening 33: 33 de ongeregelden: Namelijk lediggangers en dergelijke, waarvan hij breder handelt 2 Thess. 3:10, enz. 2 Thessalonicensen 3:10: Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
[^1tessalonicensen-5-14-34]: Kanttekening 34: 34 ondersteunt de zwakken: Of, houdt staande de zwakken; namelijk in het geloof; gelijk Rom. 15:1. Romeinen 15:1: Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.
[^1tessalonicensen-5-15-m]: Verwijzing m: Lev. 19:18; Spreuk. 20:22; Spreuk. 24:29; Matt. 5:39; Rom. 12:17; 1 Kor. 6:7; 1 Petr. 3:9. Leviticus 19:18: U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Spreuken 20:22: Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op YHWH, en Hij zal u verlossen. Spreuken 24:29: Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. Mattheüs 5:39: Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Romeinen 12:17: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 1 Korinthiërs 6:7: Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 1 Petrus 3:9: Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zoudt beërven.
[^1tessalonicensen-5-15-35]: Kanttekening 35: 35 het goede: Dat is, goeddadigheid, zo dit hier wordt gesteld tegen wraakgierigheid.
[^1tessalonicensen-5-16-36]: Kanttekening 36: Dat is, zijt altijd goedsmoeds en wel tevreden, zelfs in het midden van alle verdrukkingen; Rom. 5:3; 2 Kor. 6:10. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; 2 Korinthiërs 6:10: Als droevig zijnde, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.
[^1tessalonicensen-5-16-n]: Verwijzing n: Matt. 5:12; Lukas 10:20; Rom. 12:12; Filip. 4:4. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Romeinen 12:12: Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Filippensen 4:4: Verblijdt u in de Heer altijd; opnieuw zeg ik: Verblijdt u.
[^1tessalonicensen-5-17-o]: Verwijzing o: Lukas 18:1; Rom. 12:12; Kolos. 4:2. Lukas 18:1: En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; Romeinen 12:12: Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Kolossensen 4:2: Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelfde met dankzegging;
[^1tessalonicensen-5-17-37]: Kanttekening 37: Dat is, bij alle gelegenheden en al uw nood.
[^1tessalonicensen-5-18-p]: Verwijzing p: Efez. 5:20. Efeziërs 5:20: Dankende altijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heer Jezus Christus;
[^1tessalonicensen-5-18-38]: Kanttekening 38: 38 in alles: Dat is, zowel in tegenspoed als in voorspoed, u de wil van de Heer zo graag onderwerpende. Zie Job 1:21; Matt. 5:11, Matt. 5:12. Job 1:21: En hij zei: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd! Mattheüs 5:11: Zalig bent u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^1tessalonicensen-5-18-39]: Kanttekening 39: 39 de wil: Dat is, wat God aangenaam is in Christus Jezus; Hebr. 13:21. Of, het welbehagen Gods over u. Zie 1 Petr. 3:17. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 1 Petrus 3:17: Want het is beter, dat u, weldoende, (als het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.
[^1tessalonicensen-5-19-q]: Verwijzing q: 1 Kor. 14:30. 1 Korinthiërs 14:30: Maar als een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
[^1tessalonicensen-5-19-40]: Kanttekening 40: Dit kan verstaan worden, òf van de verlichting en andere gaven van de Geest, die in de gelovigen zelf zijn, en die door de middelen daartoe bestemd, geduriglijk moeten opgewekt worden, gelijk Paulus vermaant 2 Tim. 1:6, 2 Tim. 1:7, en door het verzuimen van welke middelen de Geest in ons wordt bedroefd, en zijn gaven als uitgeblust worden, Ef. 4:30; òf, van de geestelijke gaven, die in anderen zijn, die door verachting en tegenspreking somwijlen onderdrukt worden. Dit laatste schijnt met wat volgt het best overeen te komen. 2 Timotheüs 1:6: Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen. 2 Timotheüs 1:7: Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid. Efeziërs 4:30: En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
[^1tessalonicensen-5-20-41]: Kanttekening 41: 41 de profetieën: Dat is, de verklaringen en toeëigeningen van Gods woord, waarvan de apostel in het brede handelt 1 Kor. 14:3, enz., dat zo wel van gewone als buitengewone profetiën kan verstaan worden, tegen degenen, die zichzelf wijs genoeg achtten, en meenden zodanig niet nodig te hebben. Zie Hebr. 10:25; 2 Petr. 1:19, enz. 1 Korinthiërs 14:3: Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting. Hebreeën 10:25: En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen; en dat zoveel te meer, als u ziet, dat de dag nadert. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^1tessalonicensen-5-21-42]: Kanttekening 42: 42 Beproeft alle dingen: Namelijk die u van de leraars voorgesteld worden, aan de toeststeen van Gods Woord. Zie een prijzenswaardig exempel Hand. 17:11. Handelingen 17:11: En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren.
[^1tessalonicensen-5-21-r]: Verwijzing r: 1 Joh. 4:1. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^1tessalonicensen-5-21-43]: Kanttekening 43: Namelijk standvastig, zonder daarvan af te wijken.
[^1tessalonicensen-5-21-44]: Kanttekening 44: 44 het goede: Dat is, de goede leer, die u in Gods Woord vast gegrondvest vindt.
[^1tessalonicensen-5-22-s]: Verwijzing s: Filip. 4:8. Filippensen 4:8: Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;
[^1tessalonicensen-5-22-45]: Kanttekening 45: 45 van allen schijn van het kwaad: Of, van allen kwaden schijn: veel meer dan onthoud u van het kwaad zelve.
[^1tessalonicensen-5-23-t]: Verwijzing t: 1 Kor. 1:8; Filip. 4:9; 1 Thes. 3:13. 1 Korinthiërs 1:8: Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heer Jezus Christus. Filippensen 4:9: Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn. 1 Thessalonicensen 3:13: Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heer Jezus Christus met al Zijn heiligen.
[^1tessalonicensen-5-23-46]: Kanttekening 46: 46 de God van de vrede: Dat is, God, die de oorsprong is van al het geluk en heil, gelijk dit woord vrede doorgaans in de Schrift genomen wordt. Of, die een auteur is van de rechte vrede met God en met onze naaste. Zie Rom. 5:1, en Rom. 14:17. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^1tessalonicensen-5-23-47]: Kanttekening 47: 47 geheel en al: Of, in alle delen; dat is, dengene die het goede werk in u heeft begonnen, voleindige het ook tot de dag van Jezus Christus, gelijk Hij spreekt Filipp. 1:6. Filippensen 1:6: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus;
[^1tessalonicensen-5-23-48]: Kanttekening 48: 48 geest, en ziel, en lichaam: Door het woord geest wordt bekwamelijk verstaan het verstand van de mensen, en door het woord ziel de wil en genegenheden, en door het lichaam de leden zelf, waardoor wat het verstand beraamt en de wil besluit, eindelijk wordt uitgevoerd; gelijk dergelijk onderscheid bijna ook te zien is in de woorden van Christus, Matt. 22:37; Luk. 10:27; want hoewel de mens maar ééne ziel heeft, zo zijn in dezelfde nochtans verscheidene krachten, die, omdat zij allen in de natuurlijke mens zijn bedorven, Ef. 4:17, Ef. 4:18, zo allen door de Geest van God moeten vernieuwd en geheiligd worden. Mattheüs 22:37: En Jezus zei tot hem: U zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Lukas 10:27: En hij, antwoordende, zei: U zult de Heer, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven. Efeziërs 4:17: Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Efeziërs 4:18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
[^1tessalonicensen-5-23-49]: Kanttekening 49: 49 in de toekomst: Dit doet de apostel daarbij om aan te wijzen dat deze heiligmaking van al onze krachten dan eerste ten volle zal gebeuren, hoewel wij daarin dagelijks meer en meer moeten toenemen. Zie 1 Kor. 13:9, 1 Kor. 13:10; Filipp. 3:12, enz. 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. Filippensen 3:12: Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
[^1tessalonicensen-5-24-v]: Verwijzing v: 1 Kor. 1:9; 1 Kor. 10:13; 2 Kor. 1:18; 2 Thes. 3:3. 1 Korinthiërs 1:9: God is getrouw, door Welke u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 2 Korinthiërs 1:18: Maar God is getrouw, dat ons woord, dat tot u is geschied, niet is geweest ja en neen. 2 Thessalonicensen 3:3: Maar de Heer is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van de boze.
[^1tessalonicensen-5-24-50]: Kanttekening 50: 50 het ook doen zal: Dat is, u naar Zijne belofte geheel en al heilige op Zijn tijd.
[^1tessalonicensen-5-26-x]: Verwijzing x: Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12; 1 Petr. 5:14. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 1 Korinthiërs 16:20: U groeten al de broeders. Groet elkaar met een heilige kus. 2 Korinthiërs 13:12: Groet elkaar met een heilige kus. U groeten al de heiligen. 1 Petrus 5:14: Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.
[^1tessalonicensen-5-26-51]: Kanttekening 51: Zie hiervan de aantekening Rom. 16:16. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u.
[^1tessalonicensen-5-27-52]: Kanttekening 52: 52 Ik bezweer: Zie dergelijke Matt. 26:63. Mattheüs 26:63: Maar Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt, of U bent de Christus, de Zoon van God?
[^1tessalonicensen-5-27-53]: Kanttekening 53: Namelijk regeerders en voorstanders van de gemeente, aan wie deze brief gezonden is, om dezelfde daarna de gehele gemeente mee te delen. Waarom kwalijk doen degenen, die het lezen van de brieven van Paulus en van de gehele Schrift van de gemeenten zoeken te ontrekken.
[^1tessalonicensen-5-28-54]: Kanttekening 54: 54 De genade: Van dit besluit, zie Rom. 16:20. Romeinen 16:20: En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.

## 2 Tessalonicensen

### 2 Tessalonicensen 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2tessalonicensen/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de zendbrief, 3 dankt de apostel God voor hun overvloedige toename in geloof, liefde en verdraagzaamheid in de verdrukkingen. 6 Hij betuigt dat God hun verdrukkers zal straffen, maar hen verlossen en verkwikken op de dag van de heerlijke komst van Christus, die hij uitvoeriger beschrijft. 11 Hij bidt God dat Hij hen nog meer in het goede zal versterken. 12 opdat de naam van Christus in hen des te meer verheerlijkt wordt.*

**1** Paulus, en[^2tessalonicensen-1-1-1] Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen,[^2tessalonicensen-1-1-2] die is in God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v1)

**2** [^2tessalonicensen-1-2-3][^2tessalonicensen-1-2-a] Genade zij u, en vrede, van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v2)

**3** [^2tessalonicensen-1-3-b] Wij moeten God altijd danken over u, broeders, zoals[^2tessalonicensen-1-3-4] behoorlijk is, omdat uw geloof[^2tessalonicensen-1-3-5] zeer groeit, en dat de liefde van ieder van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v3)

**4** Zo dat wij zelf[^2tessalonicensen-1-4-6][^2tessalonicensen-1-4-c] van u roemen in de Gemeenten van God, over uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die u verdraagt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v4)

**5** [^2tessalonicensen-1-5-7][^2tessalonicensen-1-5-d] Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, voor dat u[^2tessalonicensen-1-5-8] ook[^2tessalonicensen-1-5-e] lijdt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v5)

**6** [^2tessalonicensen-1-6-f] Zo het recht is bij God verdrukking te vergelden van hen, die u verdrukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v6)

**7** En[^2tessalonicensen-1-7-9] u, die verdrukt wordt, verkwikking[^2tessalonicensen-1-7-10] met ons,[^2tessalonicensen-1-7-g] in de[^2tessalonicensen-1-7-11] openbaring van de Heere Jezus van de hemel[^2tessalonicensen-1-7-12] met de engelen van Zijn kracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v7)

**8** [^2tessalonicensen-1-8-13][^2tessalonicensen-1-8-h] Met vlammend vuur wraak doende[^2tessalonicensen-1-8-i] over degenen, die God[^2tessalonicensen-1-8-14] niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus[^2tessalonicensen-1-8-15] Christus niet gehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v8)

**9** [^2tessalonicensen-1-9-k] Zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf,[^2tessalonicensen-1-9-16] van het aangezicht van de Heere, en van[^2tessalonicensen-1-9-17] de heerlijkheid van Zijn sterkte, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v9)

**10** [^2tessalonicensen-1-10-l] Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en[^2tessalonicensen-1-10-18] wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden)[^2tessalonicensen-1-10-19] in die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v10)

**11** Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u[^2tessalonicensen-1-11-20] waard achte[^2tessalonicensen-1-11-21] van de roeping, en vervulle al[^2tessalonicensen-1-11-22] het welbehagen van Zijn goedheid, en[^2tessalonicensen-1-11-23] het werk van het[^2tessalonicensen-1-11-24] geloof met kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v11)

**12** Opdat[^2tessalonicensen-1-12-25] de Naam van onze Heere Jezus[^2tessalonicensen-1-12-26] Christus verheerlijkt wordt in u, en u in Hem, naar[^2tessalonicensen-1-12-27] de genade van onze God en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/1.html#v12)

[^2tessalonicensen-1-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, Silas. Zie 1 Thess. 1:1. 1 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^2tessalonicensen-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 in God, onze Vader: Zie de aantekening 1 Thess. 1:1. 1 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^2tessalonicensen-1-2-3]: Kanttekening 3: 3 Genade zij u: Zie hiervan in het begin van de voorgaande zendbrieven.
[^2tessalonicensen-1-2-a]: Verwijzing a: 1 Kor. 1:3; 1 Thes. 1:1; 1 Petr. 1:2. 1 Korinthiërs 1:3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2tessalonicensen-1-3-b]: Verwijzing b: Efez. 1:15; Filip. 1:3; Kolos. 1:3; 1 Thes. 1:2. Efeziërs 1:15: Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heer Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, Filippensen 1:3: Ik dank mijn God, telkens als ik uw gedenk. Kolossensen 1:3: Wij danken de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, altijd voor u biddende; 1 Thessalonicensen 1:2: Wij danken God altijd over u allen, uw gedachtig zijnde in onze gebeden;
[^2tessalonicensen-1-3-4]: Kanttekening 4: Gr. waard; dat is, billijk of passend. Zie Matt. 3:8; Hand. 26:20. Mattheüs 3:8: Brengt dan vruchten voort, van de bekering waard. Handelingen 26:20: Maar heb eerst dengenen, die in Damascus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en de heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende van de bekering waard.
[^2tessalonicensen-1-3-5]: Kanttekening 5: 5 zeer wast: Gr. overwast; namelijk boven wat zij tevoren geweest waren.
[^2tessalonicensen-1-4-6]: Kanttekening 6: 6 van u roemen: Gr. in u roemen; dat is, u prijzen en God danken vanwege Zijn zegen over u, en u voorstellen de andere gemeenten tot een voorbeeld ter navolging.
[^2tessalonicensen-1-4-c]: Verwijzing c: 1 Thes. 2:19. 1 Thessalonicensen 2:19: Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Zijt u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^2tessalonicensen-1-5-7]: Kanttekening 7: 7 Een bewijs: Dat is, dat een bewijs is, dat Gods rechtvaardig oordeel eens over de wereld zal komen, daar de vromen hier moeten lijden, en de goddelozen de overhand hebben. Zie ook Filipp. 1:28. Filippensen 1:28: En dat u in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; dat hun wel een bewijs is van het verderf, maar u van de zaligheid, en dat van God.
[^2tessalonicensen-1-5-d]: Verwijzing d: Judas v. 6. Judas 1:6: En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^2tessalonicensen-1-5-8]: Kanttekening 8: 8 waard geacht: Of, waard gemaakt; namelijk van God uit genade, gelijk vers 11 wordt verklaard, en hiervoor Kol. 1:12. Niet omdat de verdraagzaamheid van de vervolgingen zulks in zichzelf waard is, of verdient want dit ontkent de apostel uitdrukkelijk, Rom. 8:18; maar omdat God Zijn kinderen in Christus dit koninkrijk genadig waard acht of maakt, als die in het lijden van Christus gelijk gemaakt worden, opdat zij ook daarna in Zijne heerlijkheid Hem gelijk mogen worden; Rom. 8:17; 2 Tim. 2:12; Openb. 3:21. 2 Thessalonicensen 1:11: Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waard achte van de roeping, en vervulle al het welbehagen van Zijn goedigheid, en het werk van het geloof met kracht. Kolossensen 1:12: Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve van de heiligen in het licht; Romeinen 8:18: Want ik houde het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 2 Timotheüs 2:12: Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; Openbaring 3:21: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
[^2tessalonicensen-1-5-e]: Verwijzing e: 1 Thes. 2:14. 1 Thessalonicensen 2:14: Want u, broeders, bent navolgers geworden van de Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
[^2tessalonicensen-1-6-f]: Verwijzing f: Zach. 2:8. Zacharia 2:8: Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
[^2tessalonicensen-1-7-9]: Kanttekening 9: 9 u, die verdrukt wordt: Namelijk, is het recht bij God verkwikking te vergelden. Dat niet zo moet verstaan worden, als of zulke verdrukkingen en kastijdingen van de gelovigen deze verkwikking verdienden en waard waren voor God, gelijk de verdrukkers de rechtvaardige straf Gods verdienen en waard zijn. Want het tegendeel betuigt ons Gods Woord doorgaans. Zie Jes. 47:6, enz. en Jes. 51:21; Dan. 9:16; Hebr. 12:6, Hebr. 12:7; 1 Petr. 4:16, 1 Petr. 4:17, enz.; maar omdat de gelovigen zulks lijden van de verdrukkers aangedaan wordt, om Christus' en van de gerechtigheid wil, waarvoor hun God zulke beloningen van verkwikking belooft uit genade, Matt. 5:11, Matt. 5:12; 1 Petr. 4:14, enz. En omdat God rechtvaardig en getrouw is in het volbrengen van Zijn genadige beloften, zo wordt gezegd dat het recht of rechtvaardig is bij God, dat Hij zulks doet, gelijk het woord recht en rechtvaardig ook elders voor deze getrouwheid en waarheid Gods wordt genomen. Zie Ps. 143:1; 1 Joh. 1:9. Jesaja 47:6: Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u bewees hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de oude maakte u uw juk zeer zwaar. Jesaja 51:21: Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! Daniël 9:16: O Heer! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want vanwege onze zonden en vanwege de ongerechtigheden van onze vaderen, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn. Hebreeën 12:6: Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12:7: Als u de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt?) 1 Petrus 4:16: Maar als iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in deze dele. 1 Petrus 4:17: Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? Mattheüs 5:11: Zalig bent u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. 1 Petrus 4:14: Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt. Psalmen 143:1: Een psalm van David. O YHWH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 1 Johannes 1:9: Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
[^2tessalonicensen-1-7-10]: Kanttekening 10: 10 met ons: Namelijk apostelen van Jezus Christus, die zulk een belofte van Christus ook bijzonder ontvangen hebben; Matt. 19:28. Mattheüs 19:28: En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^2tessalonicensen-1-7-g]: Verwijzing g: 1 Thes. 4:16. 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^2tessalonicensen-1-7-11]: Kanttekening 11: Dat is, openbare toekomst; Matt. 24:30. Mattheüs 24:30: En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid.
[^2tessalonicensen-1-7-12]: Kanttekening 12: 12 met de engelen van Zijn kracht: Dat is, met Zijn krachtige engelen, waardoor Hij Zijne oordelen krachtig zal uitvoeren; Ps. 103:20; Matt. 13:41, Matt. 13:42, en Matt. 24:31. Psalmen 103:20: Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Mattheüs 13:41: De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen; Mattheüs 13:42: En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve.
[^2tessalonicensen-1-8-13]: Kanttekening 13: 13 Met vlammend vuur wraak doende: Gr. in het vuur van de vlammen wraak gevende (πῦρ); een Hebr. wijze van spreken. gelijk tevoren engelen van Zijn kracht. Zie een nadere beschrijving daarvan Ps. 50:2, enz. Psalmen 50:2: Uit Sion, de volkomenheid van de schoonheid, verschijnt God blinkende.
[^2tessalonicensen-1-8-h]: Verwijzing h: 2 Petr. 3:7. 2 Petrus 3:7: Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen.
[^2tessalonicensen-1-8-i]: Verwijzing i: Rom. 2:8. Romeinen 2:8: Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal toorn en toorn vergolden worden;
[^2tessalonicensen-1-8-14]: Kanttekening 14: 14 niet kennen: Namelijk gelijk het behoort, en daarom ook niet liefhebben, noch op Hem vertrouwen.
[^2tessalonicensen-1-8-15]: Kanttekening 15: 15 niet gehoorzaam zijn: Dat is, niet geloven, en daarnaar hun leven niet aanstellen.
[^2tessalonicensen-1-9-k]: Verwijzing k: Jes. 2:19. Jesaja 2:19: Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
[^2tessalonicensen-1-9-16]: Kanttekening 16: 16 van het aangezicht: Dat is, òf, dat het toornig aangezicht van Christus de rechter hun dit verderf zal aandoen; òf, dat zij zullen lijden, van het aangezicht van Christus verstoten zijnde. Zie Matt. 25:41. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
[^2tessalonicensen-1-9-17]: Kanttekening 17: 17 de heerlijkheid van Zijn sterkte: Dat is, Zijne sterke heerlijkheid, gelijk tevoren, vers 8, en Ef. 1:7. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. Efeziërs 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade,
[^2tessalonicensen-1-10-l]: Verwijzing l: Hand. 1:11; 1 Thes. 1:10; Openb. 1:7. Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 1 Thessalonicensen 1:10: En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn. Openbaring 1:7: Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^2tessalonicensen-1-10-18]: Kanttekening 18: 18 wonderbaar te worden: Dat is, Zijn wonderlijke kracht en goedheid in de verheerlijking van zijn gelovigen te bewijzen.
[^2tessalonicensen-1-10-19]: Kanttekening 19: 19 in die dag: Namelijk van de openbaring van Christus, gelijk vers 7. 2 Thessalonicensen 1:7: En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht;
[^2tessalonicensen-1-11-20]: Kanttekening 20: 20 waard achte: Of, waard make. Zie vers 5. 2 Thessalonicensen 1:5: Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, waarvoor u ook lijdt;
[^2tessalonicensen-1-11-21]: Kanttekening 21: 21 van de roeping: Dat is, van de heerlijkheid, waartoe u geroepen bent; want zij waren tevoren al krachtig tot het geloof geroepen en gebracht.
[^2tessalonicensen-1-11-22]: Kanttekening 22: 22 het welbehagen van Zijn goedigheid: Dat is, al wat Hij naar Zijn welbehagen en goedheid over u heeft besloten. Zie Matt. 25:34, enz.; Luk. 12:32. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. Lukas 12:32: Vreest niet, u klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, u het Koninkrijk te geven.
[^2tessalonicensen-1-11-23]: Kanttekening 23: 23 het werk van het geloof: Dat is, het geloof, dat Hij in u gewrocht heeft; Filipp. 1:6; 1 Thess. 1:3. Filippensen 1:6: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus; 1 Thessalonicensen 1:3: Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en de arbeid van de liefde, en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heer Jezus Christus, voor onze God en Vader;
[^2tessalonicensen-1-11-24]: Kanttekening 24: 24 met kracht: Dat is, krachtig, of door Zijne kracht.
[^2tessalonicensen-1-12-25]: Kanttekening 25: 25 de naam: Dat is, Jezus Christus met al Zijn eigenschappen, gelijk Filipp. 2:10. Filippensen 2:10: Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.
[^2tessalonicensen-1-12-26]: Kanttekening 26: 26 verheerlijkt worde: Dat is, heerlijk bekend en geroemd.
[^2tessalonicensen-1-12-27]: Kanttekening 27: 27 de genade: Dat is, naar de mate van de genade of gaven van Christus, gelijk Hij spreekt Ef. 4:7. Efeziërs 4:7: Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.

### 2 Tessalonicensen 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2tessalonicensen/2.json)

*1 De apostel verklaart dat de komst van Christus tot het oordeel niet zo spoedig zal geschieden als sommigen hun probeerden wijs te maken. 3 maar dat de afval en de antichrist eerst moeten komen, van wie hij de kentekenen beschrijft. 5 Hij betuigt dat hij hun ditzelfde tevoren gezegd had, evenals wat het was dat hem nog tegenhield. 8 Hij verklaart dat hij daarna werkelijk zal komen, en dat hij zal blijven totdat de Heere hem teniet zal doen. 9 Hij waarschuwt hen voor de kracht van zijn verleiding bij hen die verloren gaan. 11 en dat door een rechtvaardig oordeel van God over de ondankbaarheid van de mensen. 13 maar hij verzekert de Tessalonicenzen van hun verkiezing tot zaligheid in geloof en heiligmaking. 15 Hij vermaant hen daarbij vast te blijven. 16 en bidt God dat Hij hen vertroost en versterkt.*

**1** En wij bidden u, broeders,[^2tessalonicensen-2-1-1] door de toekomst van onze Heere Jezus Christus, en[^2tessalonicensen-2-1-2] onze toevergadering tot Hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v1)

**2** [^2tessalonicensen-2-2-a] Dat u niet haastig[^2tessalonicensen-2-2-3] bewogen wordt[^2tessalonicensen-2-2-4] van verstand, of[^2tessalonicensen-2-2-5] verschrikt, noch[^2tessalonicensen-2-2-6] door geest, noch[^2tessalonicensen-2-2-7] door woord, noch[^2tessalonicensen-2-2-8] door zendbrief, als van ons geschreven, alsof[^2tessalonicensen-2-2-9] de dag van Christus aanstaande was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v2)

**3** Dat u niemand[^2tessalonicensen-2-3-10] verleide op enigerlei wijze; want[^2tessalonicensen-2-3-11][^2tessalonicensen-2-3-b] die komt niet, tenzij dat eerst[^2tessalonicensen-2-3-12] de afval gekomen zij, en[^2tessalonicensen-2-3-13] dat geopenbaard zij[^2tessalonicensen-2-3-14] de mens van[^2tessalonicensen-2-3-15] de zonde, de zoon van het verderf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v3)

**4** Die zich[^2tessalonicensen-2-4-16] tegenstelt, en[^2tessalonicensen-2-4-17] verheft boven al wat God genoemd, of als God geëerd wordt, zo dat hij[^2tessalonicensen-2-4-18] in de tempel van God[^2tessalonicensen-2-4-19] als een God zal[^2tessalonicensen-2-4-20][^2tessalonicensen-2-4-c] zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v4)

**5** Gedenkt u niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v5)

**6** En nu, wat[^2tessalonicensen-2-6-21][^2tessalonicensen-2-6-22] hem wederhoudt,[^2tessalonicensen-2-6-23] weet u, opdat hij geopenbaard wordt[^2tessalonicensen-2-6-24] te van zijn eigen tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v6)

**7** Want[^2tessalonicensen-2-7-25] het geheim van de ongerechtigheid wordt al gewerkt; alleen,[^2tessalonicensen-2-7-26] Die hem nu wederhoudt, Die zal[^2tessalonicensen-2-7-27] hem wederhouden,[^2tessalonicensen-2-7-28] totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v7)

**8** En[^2tessalonicensen-2-8-29] dan zal[^2tessalonicensen-2-8-30] de ongerechtige[^2tessalonicensen-2-8-31] geopenbaard worden,[^2tessalonicensen-2-8-d] die de Heere[^2tessalonicensen-2-8-32] verdoen zal[^2tessalonicensen-2-8-33] door de Geest van Zijn mond, en te niet maken[^2tessalonicensen-2-8-34] door de verschijning van Zijn toekomst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v8)

**9** [^2tessalonicensen-2-9-35] Hem, zeg ik, wiens toekomst is[^2tessalonicensen-2-9-e] naar de werking[^2tessalonicensen-2-9-36] van de[^2tessalonicensen-2-9-37][^2tessalonicensen-2-9-f] satan, in alle kracht, en tekenen, en[^2tessalonicensen-2-9-38] wonderen van de leugen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v9)

**10** En in[^2tessalonicensen-2-10-39] alle[^2tessalonicensen-2-10-40] verleiding van de[^2tessalonicensen-2-10-g] onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan;[^2tessalonicensen-2-10-41] daarvoor dat zij[^2tessalonicensen-2-10-42] de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v10)

**11** [^2tessalonicensen-2-11-h] En daarom zal[^2tessalonicensen-2-11-43] God hun zenden een kracht van de[^2tessalonicensen-2-11-i] dwaling, dat zij de[^2tessalonicensen-2-11-44] leugen zouden geloven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v11)

**12** Opdat zij allen[^2tessalonicensen-2-12-45] veroordeeld worden, die[^2tessalonicensen-2-12-46] de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de[^2tessalonicensen-2-12-47] ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v12)

**13** Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die door de Heere geliefd bent, dat u God[^2tessalonicensen-2-13-48] van de beginne gekozen heeft tot zaligheid,[^2tessalonicensen-2-13-49] in heiligmaking van de Geest, en[^2tessalonicensen-2-13-50] geloof van de waarheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v13)

**14** Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie,[^2tessalonicensen-2-14-51] tot verkrijging van de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v14)

**15** Zo dan, broeders, staat vast[^2tessalonicensen-2-15-k] en houdt[^2tessalonicensen-2-15-52] de voorschriften, die u geleerd zijn, hetzij[^2tessalonicensen-2-15-53] door ons woord, hetzij door onze zendbrief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v15)

**16** En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft[^2tessalonicensen-2-16-54] een eeuwige troost en[^2tessalonicensen-2-16-55] goede hoop[^2tessalonicensen-2-16-56] in genade, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v16)

**17** Vertrooste uw harten, en[^2tessalonicensen-2-17-l] versterke u in alle[^2tessalonicensen-2-17-57] goed woord en werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/2.html#v17)

[^2tessalonicensen-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 door de toekomst: Dat is, zo zeker als u deze toekomst van Christus en onze toevergadering tot Hem gelooft en verwacht. Anderen zetten het over: wat betreft de toekomst; enz. namelijk waarvan hij in de voorgaande brief, 1 Thess. 4:5, had gesproken, dat enige onder hen niet wel schenen verstaan te hebben, waarom hij hen daarvan hier nader onderricht. Maar het eerste komt met de Griekse woorden het best overeen. 1 Thessalonicensen 4:5: Niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.
[^2tessalonicensen-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 onze toevergadering: Namelijk ten uitersten dage, in Zijne heerlijkheid, waarvan hij in de voorgaande brief, 1 Thess. 4:16, had gehandeld. 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^2tessalonicensen-2-2-a]: Verwijzing a: Jer. 29:8; Matt. 24:4; Efez. 5:6; Kolos. 2:18; 1 Joh. 4:1. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Mattheüs 24:4: En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Efeziërs 5:6: Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Kolossensen 2:18: Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand van zijn vlees; 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^2tessalonicensen-2-2-3]: Kanttekening 3: Ene gelijkenis genomen van de baren van de zee, die door verschillende winden herwaarts en daarheen worden gedreven.
[^2tessalonicensen-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 van verstand: Dat is, van de rechte mening over dit artikel van het geloof. Anderen nemen het voor het wezenlijk verstand van de mensen zelf, die, wanneer zij zulke voorzeggingen van Christus' tweede komst, met uitdrukking van dag en uur, beginnen aan te nemen, dan gelijk uitzinnige mensen plegen gedreven te worden, gelijk eertijds zodanigen onder de Chiliasten (voorstanders van het duizendjarig rijk) zijn geweest, en in onze tijd onder enige soorten van drijvers.
[^2tessalonicensen-2-2-5]: Kanttekening 5: Of, ontroerd, ontzet, gelijk men pleegt over een haastig en onverwacht groot geroep van woelende mensen ontzet te worden.
[^2tessalonicensen-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 door geest: Dat is, door voorwending van geestelijke openbaringen, welke zulke mensen plegen voort te brengen. Zie ook 1 Joh. 4:1. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^2tessalonicensen-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 door woord: Of, rede; namelijk als van mij of Timotheüs en Silas gehoord. Anderen nemen het voor enige waarschijnlijke redenen hier en daar uit Gods Woord zonder grond bijeengebracht.
[^2tessalonicensen-2-2-8]: Kanttekening 8: 8 door zendbrief: Namelijk van hen op onze naam verdicht, die zodanige mensen ook plegen tevoorschijn te brengen.
[^2tessalonicensen-2-2-9]: Kanttekening 9: 9 de dag van Christus: Namelijk van Christus' tweede komst tot het oordeel, alsof die meteen daarna zou gebeuren.
[^2tessalonicensen-2-3-10]: Kanttekening 10: 10 verleide op enigerlei wijze: Dit zegt de apostel, omdat deze mensen de gemeenten onder zulken schijn afkeerden van hun beroep en van hun gewonen arbeid, als voortaan onnodig, omdat Christus in deze Zijne komst aan alles een einde zou maken, en een hemels leven invoeren, waarvan hij in het volgende hfdst. breder zal spreken. Anderen werden daardoor verleid om te twijfelen aan de vastheid van het Evangelie, omdat zij tevergeefs op de belofte van deze toekomst schenen te wachten, gelijk van zodanigen gesproken wordt 2 Petr. 3:3, 2 Petr. 3:8, 2 Petr. 3:9. 2 Petrus 3:3: Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, 2 Petrus 3:8: Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. 2 Petrus 3:9: De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enige dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
[^2tessalonicensen-2-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk de dag van Christus, waarvan hij meteen had melding gemaakt.
[^2tessalonicensen-2-3-b]: Verwijzing b: Matt. 24:23; 1 Tim. 4:1; 1 Joh. 2:18. Mattheüs 24:23: Alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 1 Johannes 2:18: Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk u gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
[^2tessalonicensen-2-3-12]: Kanttekening 12: 12 de afval: Gr. Apostasia (ἀποστασία); dat enige oude leraars verstaan van de afval veler koninkrijken van het Romeinse rijk, maar beter wordt genomen voor een algemenen afval van de zuiverheid van het Evangelie, welke Paulus ook voorzegt 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3, 2 Tim. 4, Openb. 11, Openb. 12, en elders. Daar dit woord apostasia in het Nieuwe Testament altijd een afval van de leer betekent, en Paulus hier eigenlijk van de leer ook handelt.
[^2tessalonicensen-2-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, Zijne geestelijke heerschappij over het Christendom openlijk zal hebben bekend gemaakt en bevestigd, gelijk dit woord hierna ook gebruikt wordt, vers 6, vers 8. 2 Thessalonicensen 2:6: En nu, wat hem wederhoudt, weet u, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. 2 Thessalonicensen 2:8: En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst;
[^2tessalonicensen-2-3-14]: Kanttekening 14: 14 de mens van de zonde: Dat is, de antichrist, de mens tot alle zonden overgegeven. Hieruit, gelijk ook uit het volgende woord de zoon, de ongerechtige, enz., willen sommigen besluiten, dat de antichrist, maar een persoon zou zijn, die zij zeggen, dat drie en een half jaar zal heersen; dat hij al de Joden de gehele wereld door tot zich zal trekken, de tempel te Jeruzalem opnieuw opbouwen, en zich daarin als God zal laten eren, en zo alle koninkrijken van de aarde onder zijn gebied brengen, enz. Maar dit zijn verdichtselen, strijdende tegen alle menselijk beleid en macht, om de rechte antichrist te verduisteren, daar de werkingen en eigenschappen, die hem hierna, en doorgaans in de Openbaring van Johannes, worden toegeschreven, aan zulke verklaringen geheel vreemd zijn. Daarom, hoewel de antichrist hier onder de naam van een mens wordt beschreven, zo wordt noodzakelijk daaronder, niet één mens alleen, maar ene langdurige opvolging van mensen verstaan, die de één na de ander enerlei, ambt, macht en heerschappij hebben, gelijk zulk een manier van spreken in zodanige voorzeggingen gebruikelijk is. Zie Jes. 10:5 en Jes. 14:12; Jer. 48:40; Dan. 7:17; Hebr. 9:25; 1 Joh. 4:3; Openb. 17:10; te meer, omdat de apostel in vers 7, betuigt dat deze verborgenheid van de ongerechtigheid nu reeds in zijn tijd begon te werken. Jesaja 10:5: Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Jesaja 14:12: Hoe bent u uit de hemel gevallen, o morgenster, u zoon van de dageraad! hoe bent u ter aarde nedergehouwen, u, die de heidenen krenkte! Jeremia 48:40: Want zo zegt YHWH: Ziet, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugelen over Moab uitbreiden. Daniël 7:17: Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. Hebreeën 9:25: Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; 1 Johannes 4:3: En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van de antichrist, welke geest u gehoord hebt, dat komen zal, en is nu al in de wereld. Openbaring 17:10: En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. 2 Thessalonicensen 2:7: Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt al gewrocht; alleen, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
[^2tessalonicensen-2-3-15]: Kanttekening 15: 15 de zoon van het verderf: Dat is, die anderen verderft en zelf ten verderve gaat, en daartoe door Gods rechtvaardig oordeel beschikt is. Zie Joh. 17:12; Openb. 9:11. Johannes 17:12: Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. Openbaring 9:11: En zij hadden over zich tot een koning de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon.
[^2tessalonicensen-2-4-16]: Kanttekening 16: Namelijk tegen Christus en Zijne leer, waarom hij ook de antichrist, dat is tegenchrist wordt genoemd, dat verstaan wordt, niet van wat hij met woorden zal voorgeven, maar dat zijn leer en daden zodanig zullen zijn, dat hij daardoor de ware leer van Christus en Zijn kerk zal zoeken te verdrukken, hoewel hij een anderen schijn zal willen hebben. Daarom worden hem twee hoornen toegeschreven, gelijk het lam, maar hij spreekt nochtans als de draak, en doet de werken van het eerste beest; Openb. 13:11, enz. Openbaring 13:11: En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, de hoornen van het Lam gelijk, en het sprak als de draak.
[^2tessalonicensen-2-4-17]: Kanttekening 17: Dat is, neemt meerder gezag aan, dan iets dat God genoemd wordt in de hemel en op de aarde. Zie Ps. 82:6, en Ps. 115:3; 1 Kor. 8:5. Of, verheft tegen al. Anderen lezen, boven al dat God genoemd wordt. Psalmen 82:6: Ik heb wel gezegd: U bent goden; en u bent allen kinderen van de Allerhoogste; Psalmen 115:3: Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. 1 Korinthiërs 8:5: Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn),
[^2tessalonicensen-2-4-18]: Kanttekening 18: 18 in de tempel van God: Of, tegen de tempel van God. Waardoor de tempel van Jeruzalem niet kan verstaan worden, gelijk enige voorgeven, omdat deze nu over vijftien honderd jaren verwoest is geweest, en ook verwoest moet blijven, naar de getuigenis van de engel, Dan. 9:27, en van Christus Matt. 23:37, Matt. 23:38, en Matt. 24:1, Matt. 24:2. Die ook, zo hij van de antichrist weer gebouwd werd, om daarin geëerd te worden, niet de tempel van God zou kunnen genoemd worden, maar de tempel van de antichrist, of van de duivel. Maar hierdoor wordt verstaan de gemeente van God, waar de antichrist zichzelf in of tegen zal zetten, en welke hij met zijne heerschappij zal drukken, gelijk dit woord tempel van God ook elders in de Schrift wordt gebruikt, 1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16; 1 Tim. 3:15; 1 Petr. 2:5,enz.; en gelijk het woord zitten ook van de antichrist gebruikt wordt, Openb. 17:15, en Openb. 18:7. Daniël 9:27: En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. Mattheüs 23:37: Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild. Mattheüs 23:38: Ziet, uw huis wordt u woest gelaten. Mattheüs 24:1: En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. Mattheüs 24:2: En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet een steen op de andere steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. 1 Timotheüs 3:15: Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. Openbaring 17:15: En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 18:7: Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
[^2tessalonicensen-2-4-19]: Kanttekening 19: 19 als een God zal zitten: Namelijk op aarde, zich zelven Goddelijke macht toeschrijvende.
[^2tessalonicensen-2-4-20]: Kanttekening 20: 20 zichzelf vertonende, dat hij God is: Dat is, zodanige majesteit, macht en heerschappij aannemende en oefenende, alsof hij God ware.
[^2tessalonicensen-2-4-c]: Verwijzing c: Dan. 11:36. Daniël 11:36: En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God van de goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de toorn voltooid zij, want het is vastelijk besloten, het zal gebeuren.
[^2tessalonicensen-2-6-21]: Kanttekening 21: Namelijk de antichrist.
[^2tessalonicensen-2-6-22]: Kanttekening 22: Dat is, zijn openbaring, of openlijke opkomst nog verhindert en ophoudt. Hierdoor wordt door sommigen verstaan de zuivere prediking van het Evangelie, en de oprechtheid van de leraars in de gemeente van God, die zolang zij in Christus' Kerk zijn behouden, zulke geestelijke heerszucht en dwaling hebben wederstaan en tegengehouden. Maar door meest alle oude leraars en van onze tijd wordt hierdoor verstaan de opperste autoriteit en aanzien van de oude keizers in het Romeinse rijk, die door hun wereldlijke macht de opkomende geestelijke macht van de antichrist over de Christenheid heeft wederhouden, totdat hun keizerlijke autoriteit door de Saracenen en Mohammedanen in het Oosten, en door verscheidene barbaarse volken in het Westen, zeer is gebroken en onder de voet gebracht; bij welke gelegenheid deze geestelijke overheersende macht in het Christendom is doorgebroken, en heeft haar heerschappij zelfs over keizers, koningen, prinsen en volken openlijk bevestigd, dat omtrent zes honderd jaren na de geboorte van Christus van velen uit de historiën (geschiedenis) van die tijd bewezen is. Wie nu deze antichrist is, die deze macht in het Christendom vele honderden jaren heeft overheerst, wordt duidelijk aangewezen Openb. 13:17, Openb. 13:18. Openbaring 13:17: En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal van zijn naam. Openbaring 13:18: Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.
[^2tessalonicensen-2-6-23]: Kanttekening 23: 23 weet u: Namelijk door de waarschuwing van mij aan u gedaan, dat de apostel daarom hier niet uitdrukt, om, zoals vele ouden menen, de keizers van Rome niet te zeer te vertoornen tegen de Christenen, zo de Romeinen voorgaven dat hunne heerschappij geen einde zou hebben in de wereld.
[^2tessalonicensen-2-6-24]: Kanttekening 24: 24 te zijner eigen tijd: Namelijk van God verordineerd, en de antichrist toegelaten, gelijk hier voor is verklaard.
[^2tessalonicensen-2-7-25]: Kanttekening 25: 25 de verborgenheid van de ongerechtigheid: Dat is, de geheime opkomst van deze ongerechtige antichristische heerschappij wordt allengskens in de Kerk van Christus bevorderd, namelijk door de Satan en enige van zijn werktuigen, die door begeerte van heersen \[gelijk een Diotrephes daarover bestraft wordt, 3 Joh. 9, 3 Joh. 10\]; en door invoering van valse en bijgelovige leerlingen en menselijke inzettingen, hier in de Satan, al van de tijden van de apostelen af, de hand hebben geboden. Zie 1 Joh. 2:18. Of, de verborgenheid van de ongerechtigheid werkt al. 1 Johannes 2:18: Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk u gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
[^2tessalonicensen-2-7-26]: Kanttekening 26: 26 Die hem: Namelijk de antichrist in zijne opkomst wederhoudt, waarvan in het voorgaande vs. is gesproken.
[^2tessalonicensen-2-7-27]: Kanttekening 27: Namelijk die hem wederhoudt.
[^2tessalonicensen-2-7-28]: Kanttekening 28: 28 uit het midden: Dat is, zo gebroken zal worden, en zijn kracht verliezen, dat hij deze opkomende geestelijke heerschappij niet langer zal kunnen wederstaan. Wie deze nu is, is op het voorgaande vers 6 verklaard. 2 Thessalonicensen 2:6: En nu, wat hem wederhoudt, weet u, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
[^2tessalonicensen-2-8-29]: Kanttekening 29: Dat is, nadat hij nu zijne kracht van wederhouden zal verloren hebben.
[^2tessalonicensen-2-8-30]: Kanttekening 30: 30 de ongerechtige: Dat is, de antichrist die zo genoemd wordt, omdat hij zich aan geen wetten zou onderwerpen, maar zichzelf boven alle wetten zou roemen te zijn; gelijk het Griekse woord anomos (ἄνομος) eigenlijk zonder wet, of wetteloos betekent.
[^2tessalonicensen-2-8-31]: Kanttekening 31: Zie hiervoor de aantekening op vers 3. 2 Thessalonicensen 2:3: Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf;
[^2tessalonicensen-2-8-d]: Verwijzing d: Job 4:9; Jes. 11:4. Job 4:9: Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. Jesaja 11:4: Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
[^2tessalonicensen-2-8-32]: Kanttekening 32: Of, verteren. Het Griekse woord analosei betekent eigenlijk voedsel, drank, geld, goed, allengskens ombrengen en teniet maken. Zo zal dan Christus op Zijn tijd ook de antichrist allengskens verdoen, en zijn aanzien benemen in de Christenheid.
[^2tessalonicensen-2-8-33]: Kanttekening 33: 33 door de Geest: Dat is, door de zuivere prediking van het heilig Evangelie, waardoor de Geest van de Heer krachtig is in de harten van de mensen. Zie dergelijke Jes. 11:4; Hebr. 4:12; Openb. 1:16. Jesaja 11:4: Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Hebreeën 4:12: Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. Openbaring 1:16: En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.
[^2tessalonicensen-2-8-34]: Kanttekening 34: 34 door de verschijning van Zijn toekomst: Dat is, door Zijn verschijning in Zijn laatste komst. Want alsdan zal het beest en de valse profeet gedood en in de poel van het vuur geworpen worden; Openb. 19:20. Openbaring 19:20: En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die het beeld daarvan aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^2tessalonicensen-2-9-35]: Kanttekening 35: Namelijk antichrist, waarvan hij in het begin van het voorgaande vers 8 had gesproken. 2 Thessalonicensen 2:8: En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst;
[^2tessalonicensen-2-9-e]: Verwijzing e: Joh. 8:41; 2 Kor. 4:4; Efez. 2:2. Johannes 8:41: U doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God. 2 Korinthiërs 4:4: In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;
[^2tessalonicensen-2-9-36]: Kanttekening 36: 36 van de satan: Dat is, met zodanige werking als de Satan pleegt te gebruiken om de mensen te verleiden, welke werking in de volgende verzen wordt verklaard.
[^2tessalonicensen-2-9-37]: Kanttekening 37: 37 in alle kracht, …: Dat is, kracht van tekenen, of wonderen, die de Satan zal te voorschijn brengen, om de heerschappij en valse leer van de antichrist te bevestigen. Zie Matt. 24:24; Openb. 13:13, enz. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Openbaring 13:13: En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.
[^2tessalonicensen-2-9-f]: Verwijzing f: Deut. 13:1; Openb. 13:13. Deuteronomium 13:1: Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; Openbaring 13:13: En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.
[^2tessalonicensen-2-9-38]: Kanttekening 38: 38 wonderen van de leugen: Dat is, die ten dele verzonnen zullen zijn, ten dele van de Satan te weeg gebracht, om zijn dienaren in aanzien, en de arme verblinde mensen in hun valse voorgevingen en bijgelovigheden te houden.
[^2tessalonicensen-2-10-39]: Kanttekening 39: Dat is, allerlei. Want de Satan heeft ene bepaalde macht.
[^2tessalonicensen-2-10-40]: Kanttekening 40: Dat is, tot ongerechtige en valse leer, gelijk het woord waarheid uitwijst, dat daartegen gesteld wordt, en gelijk hierna vers 12. 2 Thessalonicensen 2:12: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
[^2tessalonicensen-2-10-g]: Verwijzing g: 2 Kor. 2:15; 2 Kor. 4:3. 2 Korinthiërs 2:15: Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 4:3: Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
[^2tessalonicensen-2-10-41]: Kanttekening 41: Dat is, in vergelding dat zij, enz., dat het Griekse woord medebrengt. Het is dan ene rechtvaardige straf Gods over de verkeerdheid en ondankbaarheid van zulke mensen, gelijk in het volgende vers 11 nader uitgedrukt wordt. 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^2tessalonicensen-2-10-42]: Kanttekening 42: 42 de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben: Dat is, de waarheid niet lief gehad hebben, en dientengevolgen ook niet geloofd en behouden. Zie dergelijke straf van God over de heidenen, die de natuurlijke kennis van God niet hebben behouden; Rom. 1:28. Romeinen 1:28: En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
[^2tessalonicensen-2-11-h]: Verwijzing h: Rom. 1:24. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;
[^2tessalonicensen-2-11-43]: Kanttekening 43: Dat is, God zal de Satan de toom over hen los laten, om zijn kracht van verleiding tegen hen te gebruiken, en zal Zijne genade, die hen nog wederhield, voortaan inhouden, en hen zo aan hunne eigen begeerten overgeven waardoor zij krachtiglijk tot dwaling zullen gebracht worden. Zie dergelijke oordelen van God over de ondankbare mensen, Deut. 28:28; 2 Kron. 18:22; Job 12:17; Jes. 19:14; Rom. 1:24, en Rom. 11:8; 2 Kor. 4:3, 2 Kor. 4:4, enz. Deuteronomium 28:28: YHWH zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid van het hart; 2 Kronieken 18:22: Nu dan, zie, YHWH heeft een leugengeest in de mond van deze uw profeten gegeven, en YHWH heeft kwaad over u gesproken. Job 12:17: Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig, Jesaja 19:14: YHWH heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; Romeinen 11:8: (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag. 2 Korinthiërs 4:3: Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; 2 Korinthiërs 4:4: In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is.
[^2tessalonicensen-2-11-i]: Verwijzing i: 1 Tim. 4:1. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen,
[^2tessalonicensen-2-11-44]: Kanttekening 44: Dat is, verzonnen en valse leer.
[^2tessalonicensen-2-12-45]: Kanttekening 45: Gr. geoordeeld; dat is, veroordeeld, of verdoemd, gelijk meermalen in andere plaatsen.
[^2tessalonicensen-2-12-46]: Kanttekening 46: 46 de waarheid: Namelijk van het Evangelie.
[^2tessalonicensen-2-12-47]: Kanttekening 47: Dat is, valse en ongerechtige leer, gelijk vers 10. 2 Thessalonicensen 2:10: En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
[^2tessalonicensen-2-13-48]: Kanttekening 48: 48 van de beginne: Namelijk van de wereld, gelijk Micha 5:1; 1 Joh. 1:1. Dat is, van eeuwigheid, of voor de grondlegging van de wereld, Ef. 1:4; hoewel het enige anderen verstaan van het begin toen hun het Evangelie is verkondigd, wanneer hen God door Zijn Geest uit de verdorven hoop van de mensen heeft gekozen, of uitgezonderd; gelijk het woord verkiezen of uitnemen, ook elders wordt genomen. Zie Joh. 15:16, en 1 Kor. 1:27. Dan, de eerste verklaring schijnt op het volgende vers 14 wel zo bekwamelijk te passen, omdat de verkiezing, waar Paulus hier van spreekt, voor de roeping gaat, gelijk ook te zien is Rom. 8:29, Rom. 8:30, en Rom. 9:23, Rom. 9:24; maar de dadelijke uitverkiezing uit de verdorven hoop van de mensen, die in de tijd geschiedt, volgt na de roeping, omdat deze uitzondering door de roeping van het Evangelie wordt teweeggebracht. Micha 5:1: En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. 1 Johannes 1:1: Wat van de beginne was, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord van het leven; Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Johannes 15:16: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve. 1 Korinthiërs 1:27: Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; 2 Thessalonicensen 2:14: Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging van de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Romeinen 9:23: En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? Romeinen 9:24: Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
[^2tessalonicensen-2-13-49]: Kanttekening 49: 49 in heiligmaking: Of door, dat is, welke zaligheid door de heiligmaking van de Geest en het geloof wordt verkregen, en daarom van uwe eeuwige verkiezing een onfeilbaar merkteken is; Rom. 8:14; 2 Kor. 1:22. Romeinen 8:14: Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. 2 Korinthiërs 1:22: Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven.
[^2tessalonicensen-2-13-50]: Kanttekening 50: 50 geloof van de waarheid: Dat is, dat op de waarheid van het Evangelie ziet en steunt.
[^2tessalonicensen-2-14-51]: Kanttekening 51: 51 tot verkrijging van de heerlijkheid: Dat is, om de eeuwige heerlijkheid door Christus en met Christus te verkrijgen; Rom. 8:17; Openb. 3:21. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Openbaring 3:21: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
[^2tessalonicensen-2-15-k]: Verwijzing k: 2 Thes. 3:6. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van een iedereen broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
[^2tessalonicensen-2-15-52]: Kanttekening 52: 52 de inzettingen: Gr. overleveringen, overgevingen. Zo noemt de apostel de vermaningen en leringen, die zij van hem hadden ontvangen, zowel de leer, als het leven aangaande, niet alleen als hij bij hen tegenwoordig was, maar ook die hij nu in deze zendbrieven heeft voorgesteld. Zie 1 Kor. 11:2; 2 Thess. 3:6. 1 Korinthiërs 11:2: En ik prijs u, broeders, dat u in alles mijner gedachtig bent, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
[^2tessalonicensen-2-15-53]: Kanttekening 53: 53 door ons woord: Namelijk als ik bij u tegenwoordig was.
[^2tessalonicensen-2-16-54]: Kanttekening 54: 54 een eeuwige vertroosting: Dat is een vaste vertroosting, gegrond op de belofte van het eeuwige leven.
[^2tessalonicensen-2-16-55]: Kanttekening 55: 55 goede hoop: Namelijk van onze verlossing en eeuwige zaligheid; 1 Petr. 1:3, 1 Petr. 1:4. 1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^2tessalonicensen-2-16-56]: Kanttekening 56: 56 in genade: Dat is, door Zijne genade.
[^2tessalonicensen-2-17-l]: Verwijzing l: 1 Thes. 3:13. 1 Thessalonicensen 3:13: Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heer Jezus Christus met al Zijn heiligen.
[^2tessalonicensen-2-17-57]: Kanttekening 57: 57 goed woord en werk: Dat is, geven dat u u zelven en anderen met godzalige woorden en werken altijd mag stichten en versterken.

### 2 Tessalonicensen 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2tessalonicensen/3.json)

*1 De apostel vermaant de Tessalonicenzen dat zij voor hem bidden. 3 en betuigt zijn vertrouwen dat de Heere hen zal versterken. 5 Hij bidt ook voor hen. 6 en beveelt dat zij zich onttrekken van iedere broeder die ongeregeld wandelt. 7 Hij bewijst met zijn voorbeeld dat ieder moet werken om in zijn onderhoud te voorzien. 10 Of dat hij anders niet moet eten. 13 Hij vermaant hen dat zij niet verslappen in het goeddoen. 14 en dat zij hen aanwijzen en bestraffen die zijn bevel hierin niet gehoorzaam zijn. 16 Hij besluit met de gebruikelijke groet, 17 die hij in al zijn zendbrieven met zijn eigen hand erbij voegt.*

**1** Verder, broeders,[^2tessalonicensen-3-1-a] bidt voor ons, opdat[^2tessalonicensen-3-1-1] het Woord van de Heere[^2tessalonicensen-3-1-2] zijn loop hebbe, en[^2tessalonicensen-3-1-3] verheerlijkt wordt, zoals ook bij u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v1)

**2** [^2tessalonicensen-3-2-b] En opdat wij mogen[^2tessalonicensen-3-2-4] verlost worden van de ongeschikte en slechte mensen;[^2tessalonicensen-3-2-c] want het geloof[^2tessalonicensen-3-2-5] is niet van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v2)

**3** [^2tessalonicensen-3-3-d] Maar de Heere is getrouw, Die u zal[^2tessalonicensen-3-3-6] versterken[^2tessalonicensen-3-3-e] en bewaren[^2tessalonicensen-3-3-7] van de boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v3)

**4** En wij vertrouwen van u in de Heere, dat u, wat wij u[^2tessalonicensen-3-4-8] bevelen, ook doet, en doen zult. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v4)

**5** Maar de Heere[^2tessalonicensen-3-5-9] richte uw harten tot[^2tessalonicensen-3-5-10] de liefde van God, en tot[^2tessalonicensen-3-5-11] de volharding van Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v5)

**6** [^2tessalonicensen-3-6-f] En wij bevelen u, broeders,[^2tessalonicensen-3-6-12] in de Naam van onze Heere Jezus[^2tessalonicensen-3-6-13] Christus, dat u zich onttrekt van ieder[^2tessalonicensen-3-6-14] broeder,[^2tessalonicensen-3-6-15] die ongeregeld wandelt, en niet naar[^2tessalonicensen-3-6-16][^2tessalonicensen-3-6-g] de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v6)

**7** Want u weet,[^2tessalonicensen-3-7-h] hoe men[^2tessalonicensen-3-7-17] ons behoort na te volgen;[^2tessalonicensen-3-7-i] want wij hebben ons niet[^2tessalonicensen-3-7-18] ongeregeld gedragen onder u; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v7)

**8** [^2tessalonicensen-3-8-k] En wij hebben[^2tessalonicensen-3-8-19] geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag[^2tessalonicensen-3-8-20] werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v8)

**9** [^2tessalonicensen-3-9-l] Niet, dat wij[^2tessalonicensen-3-9-21] de macht niet hebben, maar opdat wij onszelf u geven zouden[^2tessalonicensen-3-9-m] tot een voorbeeld, om[^2tessalonicensen-3-9-22] ons na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v9)

**10** Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat,[^2tessalonicensen-3-10-23] zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v10)

**11** Want[^2tessalonicensen-3-11-24] wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar[^2tessalonicensen-3-11-25] ijdele dingen doende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v11)

**12** [^2tessalonicensen-3-12-n] Maar zulke mensen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus, dat zij met rust[^2tessalonicensen-3-12-o] werkende,[^2tessalonicensen-3-12-26] hun eigen brood eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v12)

**13** En u, broeders,[^2tessalonicensen-3-13-p] vertraagt[^2tessalonicensen-3-13-27] niet in goed te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v13)

**14** Maar als iemand[^2tessalonicensen-3-14-28] ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt[^2tessalonicensen-3-14-29][^2tessalonicensen-3-14-30][^2tessalonicensen-3-14-q] u niet met hem, opdat hij[^2tessalonicensen-3-14-31] beschaamd wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v14)

**15** En houdt hem niet[^2tessalonicensen-3-15-32] als een vijand, maar vermaant[^2tessalonicensen-3-15-33] hem als een broeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v15)

**16** [^2tessalonicensen-3-16-34][^2tessalonicensen-3-16-r] De Heere nu van de vrede Zelf geve u vrede altijd,[^2tessalonicensen-3-16-35] in allerlei wijze. De Heere zij met u allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v16)

**17** [^2tessalonicensen-3-17-s] De groet met mijn hand, van Paulus; dat is[^2tessalonicensen-3-17-36] een teken in iedere zendbrief; zo schrijf ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v17)

**18** De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2tessalonicensen/3.html#v18)

[^2tessalonicensen-3-1-a]: Verwijzing a: Matt. 9:38; Efez. 6:19; Kolos. 4:3. Mattheüs 9:38: Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Efeziërs 6:19: En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; Kolossensen 4:3: Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben;
[^2tessalonicensen-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 het Woord van de Heer: Dat is, de prediking van het Evangelie.
[^2tessalonicensen-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 zijn loop hebbe: Gr. lope; dat is, haastig en gelukkig mag verbreid en bevorderd worden.
[^2tessalonicensen-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 verheerlijkt worde: Dat is, in eer en achtig mag gehouden worden, en waardige vruchten voortbrengen.
[^2tessalonicensen-3-2-b]: Verwijzing b: Rom. 15:31. Romeinen 15:31: Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij de heiligen;
[^2tessalonicensen-3-2-4]: Kanttekening 4: 4 verlost worden: Dat is, ontslagen, of vrij gehouden van zulke mensen, die de loop van het Evangelie zoeken te verhinderen, gelijk de hardnekkige Joden en hun aanhang onder hen waren geweest; Hand. 17, Hand. 18.
[^2tessalonicensen-3-2-c]: Verwijzing c: Joh. 6:44. Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
[^2tessalonicensen-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 is niet aller: Dat is, het is niet allen gegeven in Christus te geloven. Zie Matt. 13:11; Joh. 6:44, enz. Mattheüs 13:11: En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
[^2tessalonicensen-3-3-d]: Verwijzing d: 1 Thes. 5:24. 1 Thessalonicensen 5:24: Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.
[^2tessalonicensen-3-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk in het geloof.
[^2tessalonicensen-3-3-e]: Verwijzing e: Joh. 17:15. Johannes 17:15: Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart van de boze.
[^2tessalonicensen-3-3-7]: Kanttekening 7: 7 van de boze: Namelijk waar hij in het voorgaande vs. van had gehandeld; of, van het boze; namelijk dat u daarin niet vervalt. Of, van de duivel, dat u van hem niet verzocht wordt; Matt. 6:13. Mattheüs 6:13: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in eeuwigheid, amen.
[^2tessalonicensen-3-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk in de naam van de Heer, gelijk hierna vers 6 uitgedrukt wordt en hiervoor 1 Thess. 4:2. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. 1 Thessalonicensen 4:2: Want u weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door de Heer Jezus.
[^2tessalonicensen-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 richte uw harten: Dat is, besture uwe harten recht zonder aan de ene of de andere zijde te wankelen.
[^2tessalonicensen-3-5-10]: Kanttekening 10: 10 de liefde van God: Dit kan verstaan worden, òf van de liefde waarmee wij God liefhebben, òf de liefde waarmee God ons liefheeft, opdat wij namelijk in het gevoel derzelve meer en meer worden gesterkt. Zie Rom. 5:5, en Rom. 8:39. Romeinen 5:5: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. Romeinen 8:39: Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer.
[^2tessalonicensen-3-5-11]: Kanttekening 11: 11 de volharding van Christus: Dat is, de verdraagzaamheid in het kruis en de verdrukking om Christus' wil; of, tot de volhardende verwachting van Christus tot het oordeel.
[^2tessalonicensen-3-6-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 5:11; 2 Thes. 3:14; Titus 3:10. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten. 2 Thessalonicensen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde; Titus 3:10: Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;
[^2tessalonicensen-3-6-12]: Kanttekening 12: 12 in de Naam van: Dat is, als gelast zijnde, of gezag daartoe hebbende van Christus. Zie 2 Kor. 5:19, 2 Kor. 5:20. 2 Korinthiërs 5:19: Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 2 Korinthiërs 5:20: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.
[^2tessalonicensen-3-6-13]: Kanttekening 13: 13 dat u u onttrekt: Dat is, schuwt, geen gemeenzamen omgang houdt met zodanigen; namelijk nadat behoorlijke kennis in de gemeente daarvan is genomen, en hij, vermaand zijnde, ongehoorzaam blijft. Zie Matt. 18:15, enz.; 1 Kor. 5:11 en hierna vers 14. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten. 2 Thessalonicensen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^2tessalonicensen-3-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, die belijdenis doet van het geloof in Christus, hoewel hij zulks niet recht beleeft, gelijk Paulus verklaart 1 Kor. 5:11. 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.
[^2tessalonicensen-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 die ongeregeld wandelt: Dit kan hier in het algemeen voor alle ongeregeldheid worden genomen, waardoor ergenis wordt gegeven in de gemeente Gods; of van die bijzondere ongeregeldheid, waarvan hij vers 11 nadere verklaring doet; namelijk dergenen die ledig omgingen en ijdele dingen pleegden, zonder hun beroep behoorlijk waar te nemen, gelijk het vervolg schijnt te vereisen. 2 Thessalonicensen 3:11: Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
[^2tessalonicensen-3-6-16]: Kanttekening 16: 16 de inzetting: Dat is, bevelen en vermaningen, gelijk hier voor 2 Thess. 2:15. 2 Thessalonicensen 2:15: Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief.
[^2tessalonicensen-3-6-g]: Verwijzing g: 2 Thes. 2:15. 2 Thessalonicensen 2:15: Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief.
[^2tessalonicensen-3-7-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 11:1; 1 Thes. 1:6; idem v. 7. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. 1 Thessalonicensen 1:6: En u bent onze navolgers geworden, en van de Heer, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest; 1 Thessalonicensen 1:7: Zo dat u voorbeelden geworden bent al de gelovigen in Macedonië en Achaje.
[^2tessalonicensen-3-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk niet alleen mij, maar ook Timotheüs en Silvanus, uit wier naam deze brief ook is geschreven.
[^2tessalonicensen-3-7-i]: Verwijzing i: 1 Thes. 2:10. 1 Thessalonicensen 2:10: U bent getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn.
[^2tessalonicensen-3-7-18]: Kanttekening 18: 18 ongeregeld gedragen: Namelijk gelijk deze lediggangers of dieners van ijdele dingen buiten hun beroep.
[^2tessalonicensen-3-8-k]: Verwijzing k: Hand. 18:3; Hand. 20:34; 1 Kor. 4:12; 2 Kor. 11:9; 2 Kor. 12:13; 1 Thes. 2:9. Handelingen 18:3: En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 1 Korinthiërs 4:12: En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 2 Korinthiërs 11:9: Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 2 Korinthiërs 12:13: Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk. 1 Thessalonicensen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.
[^2tessalonicensen-3-8-19]: Kanttekening 19: 19 geen brood bij iemand: Of, geen brood van iemand; dat is, geen voedsel en drank genoten; gelijk Gen. 3:19. Genesis 3:19: In het zweet uws aangezichts zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren.
[^2tessalonicensen-3-8-20]: Kanttekening 20: Dat is, boven het zorgvuldig waarnemen van ons apostelambt, ook werkende met onze handen om onszelven te onderhouden, Zie Hand. 20:34, en hier voor 1 Thess. 2:9. Handelingen 20:34: En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben. 1 Thessalonicensen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.
[^2tessalonicensen-3-9-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 9:3; idem v. 6; 1 Thes. 2:9. 1 Korinthiërs 9:3: Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze. 1 Korinthiërs 9:6: Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken? 1 Thessalonicensen 2:9: Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.
[^2tessalonicensen-3-9-21]: Kanttekening 21: 21 de macht: Van u lastig te vallen, of onderhoud van u te nemen, gelijk andere apostelen deden, en hij elders leert, dat de Dienaren van het Woord ook vermogen te doen. Zie hiervan breder 1 Kor. 9:3, enz. 1 Korinthiërs 9:3: Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.
[^2tessalonicensen-3-9-m]: Verwijzing m: 1 Kor. 4:16; 1 Kor. 11:1; Filip. 3:17; 1 Thes. 1:6. 1 Korinthiërs 4:16: Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers. 1 Korinthiërs 11:1: Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. Filippensen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 1 Thessalonicensen 1:6: En u bent onze navolgers geworden, en van de Heer, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest;
[^2tessalonicensen-3-9-22]: Kanttekening 22: 22 ons na te volgen: Namelijk in het waarnemen van uw arbeid, elk in zijn beroep, en niet onder een dekmantel, òf van het Evangelie te willen bevorderen, òf dat Christus tot het oordeel haast zou komen, uw lediggang en plegen van ijdele dingen te verontschuldigen.
[^2tessalonicensen-3-10-23]: Kanttekening 23: 23 zo iemand niet wil werken: Namelijk gezondheid, sterkte en gelegenheid daartoe hebbende; want anders is de gemeente gehouden ook een ieder die gebrek heeft, zoveel doenlijk is, te verzorgen. Zie 2 Kor. 8, 2 Kor. 9.
[^2tessalonicensen-3-11-24]: Kanttekening 24: 24 wij horen: Dit doet de apostel daarbij, om aan te wijzen, dat hij deze voorgaande vermaninge en voorbeelden hun niet tevergeefs voorstelt; en dit hangt eigenlijk aan wat door hem vers 6 is gezegd. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
[^2tessalonicensen-3-11-25]: Kanttekening 25: 25 ijdele dingen doende: Dat is, doende dingen zonder beroep en tegen hun beroep; gelijk dit woord van sommige lediggaande weduwen ook gebruikt wordt; 1 Tim. 5:13. 1 Timotheüs 5:13: En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, wat niet betaamt.
[^2tessalonicensen-3-12-n]: Verwijzing n: 1 Thes. 4:11. 1 Thessalonicensen 4:11: En dat u u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;
[^2tessalonicensen-3-12-o]: Verwijzing o: Efez. 4:28. Efeziërs 4:28: Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mee te delen dengene, die nood heeft.
[^2tessalonicensen-3-12-26]: Kanttekening 26: 26 hun eigen brood: Dat is, dat zij met hun eigen arbeid hebben verkregen. Zie 1 Thess. 4:11. 1 Thessalonicensen 4:11: En dat u u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;
[^2tessalonicensen-3-13-p]: Verwijzing p: Galat. 6:9. Galaten 6:9: Maar laat ons, goed doende, niet vertragen; want op zijn tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
[^2tessalonicensen-3-13-27]: Kanttekening 27: Het Griekse woord betekent eigenlijk erger, dat is, slapper of trager worden, en de apostel doet dit hierbij om hen te vermanen, dat zij om het misbruik van deze lediggangers niet slapper of trager moesten worden in het weldoen aan de rechte armen.
[^2tessalonicensen-3-14-28]: Kanttekening 28: 28 ons woord: Dat is, deze onze vermaning van in stilheid te werken, zijn eigen zaken waar te nemen, en een geregeld leven te leiden. Zie verder vers 6. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
[^2tessalonicensen-3-14-29]: Kanttekening 29: Sommigen voegen dit woord tekenen bij het voorgaande woord brief, alsof de apostel zei: tekent die, of wijst mij die aan door een brief; maar deze samenvoeging komt met het Griekse woord semeiousthai (σημειοῦσθε) en met wat volgt niet wel overeen. Want dit Griekse woord betekent eigenlijk niet iemand aanwijzen, maar iemand merken, of merktekenen, die men enige schande aandoet, of uit enige eerlijke vergaderingen laat, en zijn naam, als de eer van zulk een onwaardig, aantekenen, of uitdoen. Zodat dit woord hier door anderen zeer bekwamelijk wordt verstaan van de Christelijke ban en uitsluiting uit de gemeenschap van de Kerk, volgens de orde door Christus ingesteld, Matt. 18:15; gelijk ook de volgende woorden klaar medebrengen. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen.
[^2tessalonicensen-3-14-30]: Kanttekening 30: Zie van ditzelfde woord en de zaak daardoor betekend, breder 1 Kor. 5:9, 1 Kor. 5:11. 1 Korinthiërs 5:9: Ik heb u geschreven in de brief, dat u u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 1 Korinthiërs 5:11: Maar nu heb ik u geschreven, dat u u niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten.
[^2tessalonicensen-3-14-q]: Verwijzing q: Matt. 18:17; 1 Kor. 5:9; 2 Thes. 3:6. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 1 Korinthiërs 5:9: Ik heb u geschreven in de brief, dat u u niet zoudt vermengen met de hoereerders; 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van een iedereen broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.
[^2tessalonicensen-3-14-31]: Kanttekening 31: En door deze schaamte wederkere tot zijn schuldigen plicht, gelijk het Griekse woord medebrengt. Zie Matt. 21:37. Mattheüs 21:37: En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.
[^2tessalonicensen-3-15-32]: Kanttekening 32: 32 een vijand: Namelijk die u geheel moet vluchten, of verlaten, gelijk men vijanden pleegt te doen.
[^2tessalonicensen-3-15-33]: Kanttekening 33: 33 een broeder: Namelijk die verdwaald is, en die men daarom weer op de rechte weg moet brengen; 2 Kor. 2:7. 2 Korinthiërs 2:7: Zo dat u daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedig verdriet niet enigszins worde verslonden.
[^2tessalonicensen-3-16-34]: Kanttekening 34: 34 De Heer nu: Dat is, die een auteur is van allen vrede en gelukzaligheid.
[^2tessalonicensen-3-16-r]: Verwijzing r: Rom. 15:33; Rom. 16:20; 1 Kor. 14:33; 2 Kor. 13:11; Filip. 4:9; 1 Thes. 5:23. Romeinen 15:33: En de God van de vrede zij met u allen. Amen. Romeinen 16:20: En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen. 1 Korinthiërs 14:33: Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten van de heiligen. 2 Korinthiërs 13:11: Verder, broeders, zijt blij, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God van de liefde en van de vrede zal met u zijn. Filippensen 4:9: Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn. 1 Thessalonicensen 5:23: En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus.
[^2tessalonicensen-3-16-35]: Kanttekening 35: 35 in allerlei wijze: Dat is, zo met God als onder de anderen.
[^2tessalonicensen-3-17-s]: Verwijzing s: 1 Kor. 16:21; Kolos. 4:18. 1 Korinthiërs 16:21: De groetenis met mijn hand van Paulus. Kolossensen 4:18: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen.
[^2tessalonicensen-3-17-36]: Kanttekening 36: 36 een teken: Namelijk waardoor mijn eigen brieven van andere, die op mijn naam zouden mogen versierd zijn, bij de gemeente kunnen worden onderscheiden. Zie Kol. 4:18. Kolossensen 4:18: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen.

## 1 Timotheüs

### 1 Timotheüs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/1.json)

*1 Na het gebruikelijke opschrift van de brief, 3 verklaart de apostel dat hij Timotheüs in Efeze had achtergelaten om ervoor te zorgen dat geen vreemde of ijdele leringen in de gemeente zouden worden voortgebracht. 5 Toont ook wat het juiste doel van de wet is. 8 die niet voor de rechtvaardige, maar voor de onrechtvaardige is gegeven. 11 Maar dat hem het Evangelie van God was toevertrouwd. 13 waarvan hij de korte inhoud, met een verhaal over de grote genade die hem door Christus geschied was, voorstelt. 17 waarover hij God dankt. 18 en Timotheüs gebiedt daaraan vast te houden. 20 Betuigt dat hij Hymeneüs en Alexander, die schipbreuk van het geloof hadden geleden, daarom aan de satan had overgegeven.*

**1** Paulus, een apostel van Jezus[^1timotheus-1-1-a] Christus, naar het bevel van[^1timotheus-1-1-1] God, onze Zaligmaker, en de Heere Jezus Christus,[^1timotheus-1-1-2][^1timotheus-1-1-b] Die onze Hoop is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v1)

**2** [^1timotheus-1-2-c] Aan[^1timotheus-1-2-3] Timotheüs, mijn oprechte[^1timotheus-1-2-d] zoon[^1timotheus-1-2-4] in het geloof;[^1timotheus-1-2-5][^1timotheus-1-2-e] genade,[^1timotheus-1-2-6] barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v2)

**3** Zoals ik u[^1timotheus-1-3-7] vermaand heb, dat u te Efeze zou blijven,[^1timotheus-1-3-8] als ik[^1timotheus-1-3-f] naar Macedonië reisde, zo[^1timotheus-1-3-9] vermaan ik het u nog, opdat u sommigen beveelt geen[^1timotheus-1-3-10] andere leer te leren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v3)

**4** [^1timotheus-1-4-g] Noch zich[^1timotheus-1-4-11] te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, die meer[^1timotheus-1-4-h] twist vragen voortbrengen dan[^1timotheus-1-4-12] stichting van God, die in het geloof is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v4)

**5** [^1timotheus-1-5-i] Maar het einde[^1timotheus-1-5-13] van het gebod is[^1timotheus-1-5-14] liefde uit een[^1timotheus-1-5-15] rein hart, en uit een[^1timotheus-1-5-16] goed geweten, en uit een[^1timotheus-1-5-17] ongeveinsd geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v5)

**6** [^1timotheus-1-6-18] Van die sommigen[^1timotheus-1-6-19] afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot[^1timotheus-1-6-20] ijdelspreking; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v6)

**7** Willende leraars van de wet zijn,[^1timotheus-1-7-21] niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v7)

**8** Maar wij weten,[^1timotheus-1-8-k] dat de wet[^1timotheus-1-8-22] goed is, zo iemand die[^1timotheus-1-8-23] wettig gebruikt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v8)

**9** En hij dit weet,[^1timotheus-1-9-l] dat[^1timotheus-1-9-24] de rechtvaardigen[^1timotheus-1-9-25] de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de halsstarrigen, de goddelozen en[^1timotheus-1-9-26] de zondaren, de onheiligen en de ongoddelijken, de vadermoorders en de moedermoorders, de moordenaars, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v9)

**10** De ontuchtplegers, die, die bij mannen liggen, de mensendieven, de leugenaars, de meinedigen, en zo er iets anders[^1timotheus-1-10-27] tegen de gezonde leer is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v10)

**11** [^1timotheus-1-11-28] Naar het Evangelie van de[^1timotheus-1-11-m] heerlijkheid van de zalige[^1timotheus-1-11-n] God, dat mij[^1timotheus-1-11-29] toebetrouwd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v11)

**12** En ik dank Hem, Die mij[^1timotheus-1-12-30] bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heere, dat Hij mij[^1timotheus-1-12-31] getrouw geacht heeft,[^1timotheus-1-12-32] mij in de bediening gesteld hebbende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v12)

**13** [^1timotheus-1-13-o] Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en[^1timotheus-1-13-33] een verdrukker; maar mij is barmhartigheid gebeurd,[^1timotheus-1-13-p] omdat ik het[^1timotheus-1-13-34] onwetend gedaan heb in mijn ongeloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v13)

**14** Maar de genade van onze Heere is zeer overvloedig geweest,[^1timotheus-1-14-35] met geloof en liefde, die er is[^1timotheus-1-14-36] in Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v14)

**15** Dit is[^1timotheus-1-15-37] een getrouw woord, en alle aanneming waard,[^1timotheus-1-15-q] dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van wie ik[^1timotheus-1-15-38] de voornaamste ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v15)

**16** Maar daarom is mij[^1timotheus-1-16-39] barmhartigheid gebeurd, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben,[^1timotheus-1-16-40] al Zijn geduld zou[^1timotheus-1-16-41] betonen, tot een voorbeeld van degenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v16)

**17** [^1timotheus-1-17-42] De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de[^1timotheus-1-17-43] alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid[^1timotheus-1-17-44] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v17)

**18** Dit gebod[^1timotheus-1-18-45] beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u[^1timotheus-1-18-46] naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn,[^1timotheus-1-18-r] daarin[^1timotheus-1-18-47] [^1timotheus-1-18-48] de goede strijd strijdt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v18)

**19** [^1timotheus-1-19-49][^1timotheus-1-19-s] Houdende[^1timotheus-1-19-50] het geloof, en[^1timotheus-1-19-51] een goed geweten,[^1timotheus-1-19-52] dat sommigen[^1timotheus-1-19-53] verstoten hebbende,[^1timotheus-1-19-54] van het geloof[^1timotheus-1-19-55] schipbreuk geleden hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v19)

**20** Onder welke is[^1timotheus-1-20-t] Hymeneüs en[^1timotheus-1-20-56][^1timotheus-1-20-v] Alexander,[^1timotheus-1-20-x] die ik[^1timotheus-1-20-57] de satan overgegeven heb, opdat zij[^1timotheus-1-20-58] zouden leren niet meer te[^1timotheus-1-20-59] lasteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/1.html#v20)

[^1timotheus-1-1-a]: Verwijzing a: Hand. 9:15. Handelingen 9:15: Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël.
[^1timotheus-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 onze Zaligmaker: Zo wordt God de Vader ook elders genoemd, gelijk Luk. 1:47; 1 Tim. 2:3; Tit. 1:3, omdat Hij ons door Christus de zaligheid geeft. Zie 2 Kor. 5:18, enz. Anderen lezen, Gods van de Vader, en onzes Zaligmakers Jezus Christus. Lukas 1:47: En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; 1 Timotheüs 2:3: Want dat is goed en aangenaam voor God, onze Zaligmaker; Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof: 2 Korinthiërs 5:18: En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.
[^1timotheus-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 onze Hope is: Dat is, de auteur en grond van de hoop, die wij van onze zaligheid hebben. Zie Hand. 4:12. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
[^1timotheus-1-1-b]: Verwijzing b: Kolos. 1:27. Kolossensen 1:27: Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop van de heerlijkheid;
[^1timotheus-1-2-c]: Verwijzing c: Hand. 16:1; 1 Thes. 3:2. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; 1 Thessalonicensen 3:2: En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;
[^1timotheus-1-2-3]: Kanttekening 3: 3 mijn oprechten: Dat is, mijn zeer lieven zoon, gelijk hij spreekt 2 Tim. 1:2; want het Griekse woord gnesios (γνησίῳ), of rechte, wordt niet gesteld tegen onrechte of verbasterde zonen, maar betekent een bijzondere trap van de liefde van Paulus tegenover hem, en ene bijzondere genegenheid en eerbied van Timotheüs tegenover Paulus. Het is dan eigenlijk een zoon, die de aard van de vader wel uitdrukt, gelijk hij Titus ook noemt; Tit. 1:3. 2 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heer. Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^1timotheus-1-2-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 4:17. 1 Korinthiërs 4:17: Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer.
[^1timotheus-1-2-4]: Kanttekening 4: 4 in het geloof: Dat is, naar het algemeen geloof, gelijk hij spreekt Tit. 1:3; waarmee Paulus aanwijst, dat hij niet spreekt van ene natuurlijke geboorte, maar van ene bovennatuurlijke, waardoor hij hem door het Evangelie van Christus gewonnen, en tot het algemeen geloof had gebracht. Zie 1 Kor. 4:14, 4:15. Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof: 1 Korinthiërs 4:14: Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u. 1 Korinthiërs 4:15: Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
[^1timotheus-1-2-5]: Kanttekening 5: Zie hiervan het begin van de andere zendbrieven van Paulus.
[^1timotheus-1-2-e]: Verwijzing e: Galat. 1:3; 1 Petr. 1:2. Galaten 1:3: Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heer Jezus Christus; 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^1timotheus-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 barmhartigheid, vrede: Dit is ene vrucht van de genade van God; want gelijk door de genade de eeuwige genade van onze verkiezing hier bekwamelijk wordt verstaan, zo wordt door de barmhartigheid de vergeving van onze zonden door het geloof, en door de vrede de gerustheid van onze conscientiën in God verstaan; Rom. 5:1, enz. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^1timotheus-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 vermaand heb: Of, gebeden heb.
[^1timotheus-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 als ik naar Macedonië: Van deze reis van Paulus, zie Hand. 20:1, enz. Handelingen 20:1: Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.
[^1timotheus-1-3-f]: Verwijzing f: Hand. 20:1. Handelingen 20:1: Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.
[^1timotheus-1-3-9]: Kanttekening 9: 9 zo vermaan ik: Dit of iets dergelijks moet hier noodzakelijk aangevuld worden uit het voorgaande, om de zin vol te maken; en hier wordt het doel uitgedrukt waarom Paulus Timotheüs te Efeze heeft gelaten, niet om daar altijd te blijven en daar bisschop te zijn, gelijk sommigen menen, maar voor een tijd, om als een evangelist en medearbeider van de apostelen de gemeente te versterken tegen degenen, die verkeerde leringen zochten in te voeren, gelijk hij Hand. 20:29 spreekt. Want dat Timotheüs daarna weer tot Paulus is teruggekeerd, blijkt uit 2 Tim. 4:9, 4:10, 4:11. Handelingen 20:29: Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 2 Timotheüs 4:9: Benaarstig u haastig tot mij te komen. 2 Timotheüs 4:10: Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 2 Timotheüs 4:11: Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst.
[^1timotheus-1-3-10]: Kanttekening 10: 10 andere leer te leren: Dat is, vreemde of verkeerde leer.
[^1timotheus-1-4-g]: Verwijzing g: 1 Tim. 4:7; 1 Tim. 6:20; 2 Tim. 2:16; Titus 1:14; Titus 3:9. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap; 2 Timotheüs 2:16: Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^1timotheus-1-4-11]: Kanttekening 11: 11 te begeven tot: Of, te houden aan fabelen, acht hebben op fabelen. Hoewel ook de Grieken veel fabelen onder hun godsdienst mengden, en geslachtsrekeningen van hun goden; nochtans schijnt hier Paulus op enige te zien, die uit het Jodendom kwamen, en die hunne Talmudische fabelen en oneindige geslachtsrekeningen bij Gods Woord voegden, gelijk zij ook de wet met het Evangelie zochten te vermengen; voor welke dingen Paulus hier Timotheüs waarschuwt, gelijk hij die ook uitdrukkelijk Joodse fabelen noemt; Tit. 1:14. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren.
[^1timotheus-1-4-h]: Verwijzing h: 1 Tim. 6:4. 1 Timotheüs 6:4: Die is hoogmoedig, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.
[^1timotheus-1-4-12]: Kanttekening 12: 12 stichting Gods: Dat is, stichting die naar God is. Anderen lezen uitdeling Gods; gelijk 1 Kor. 4:1. 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods.
[^1timotheus-1-5-i]: Verwijzing i: Rom. 13:8; Galat. 5:14. Romeinen 13:8: Zijt niemand iets schuldig, dan elkaar lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. Galaten 5:14: Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.
[^1timotheus-1-5-13]: Kanttekening 13: 13 van het gebod is: Door het Griekse woord parangelia; dat is, gebod, bevel, of aanmaning, dat vers 5 en vers 18 gebruikt wordt, verstaan sommigen de last, die Paulus hier Timotheüs oplegt, waarvan het doel is liefde uit een rein hart, enz. Anderen verstaan door dit woord gebod de wet van God, welke enige zonder verstand zochten in te voeren naast het Evangelie, waarvan de apostel leert, dat het rechte doelwit onder het Evangelie moet zijn liefde tot God en onze naasten uit reine harten, enz., zonder dat deze wet zo moet zijn geleerd, gelijk sommigen die verkeerd dreven. En deze verklaring komt met het zevende en de andere volgende verzen beter overeen. 1 Timotheüs 1:5: Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt;
[^1timotheus-1-5-14]: Kanttekening 14: 14 liefde uit een rein: Namelijk tegen God en de naaste; Matt. 22:37, enz. Mattheüs 22:37: En Jezus zei tot hem: U zult liefhebben de Heer, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.
[^1timotheus-1-5-15]: Kanttekening 15: 15 hart, en uit een: Dat is, een oprecht hart zonder geveinsdheid.
[^1timotheus-1-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, die recht en wel onderricht is van zijn doen uit Gods Woord, en door Gods Geest is vernieuwd, Hebr. 9:14. Zie verder de aantekeningen op vers 19. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? 1 Timotheüs 1:19: Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;
[^1timotheus-1-5-17]: Kanttekening 17: 17 ongeveinsd geloof: Namelijk in Christus onze Verlosser, waardoor wij voor God rechtvaardig zijn, en van Zijne genade tegenover ons verzekerd, uit welk geloof de andere gaven spruiten; Rom. 5:1, 5:2; Gal. 5:6, enz. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Galaten 5:6: Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
[^1timotheus-1-6-18]: Kanttekening 18: 18 Van dewelke sommigen: Namelijk voorgaande deugden en doel.
[^1timotheus-1-6-19]: Kanttekening 19: 19 afgeweken zijnde: Het Griekse woord betekent een afwijken of missen van het doel, dat voorgesteld is.
[^1timotheus-1-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk van het doel van de wet, dat zij niet hebben verstaan, maar hebben de wet willen invoeren als een last, die noch wij, noch onze vaders hebben kunnen dragen, gelijk Petrus spreekt Hand. 15:10, en gelijk vers 7 verklaart. Handelingen 15:10: Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? 1 Timotheüs 1:7: Willende leraars van de wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.
[^1timotheus-1-7-21]: Kanttekening 21: 21 niet verstaande: Namelijk gelijk het behoort.
[^1timotheus-1-8-k]: Verwijzing k: Rom. 7:12. Romeinen 7:12: Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.
[^1timotheus-1-8-22]: Kanttekening 22: 22 goed is, zo: Namelijk in zich zelve en recht verstaan zijnde, gelijk Rom. 7:12, 7:14. Romeinen 7:12: Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed. Romeinen 7:14: Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.
[^1timotheus-1-8-23]: Kanttekening 23: 23 wettelijk gebruikt: Dat is, tot het doel waartoe die van God is gegeven. Zie Rom. 10:4; Gal. 3:19. Romeinen 10:4: Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid iedereen, die gelooft. Galaten 3:19: Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.
[^1timotheus-1-9-l]: Verwijzing l: Galat. 5:23. Galaten 5:23: Tegen de zodanigen is de wet niet.
[^1timotheus-1-9-24]: Kanttekening 24: 24 de rechtvaardigen: Dat is, die die, door het geloof in Christus gerechtvaardigd en door Zijn Geest geheiligd zijnde, graag en gewillig God dienen en gehoorzamen.
[^1timotheus-1-9-25]: Kanttekening 25: 25 de wet niet is gezet: Namelijk om deze te veroordelen, of met haar dreigende macht te verslaan, of uit vrees van straf, alleen tot gehoorzaamheid te dwingen. Zie Rom. 6:14, en Rom. 7:6. Romeinen 6:14: Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade. Romeinen 7:6: Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, omdat wij die gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren; zo dat wij dienen in nieuwigheid van de geest, en niet in de oudheid van de letter.
[^1timotheus-1-9-26]: Kanttekening 26: 26 de zondaren, de: Dat is, die hun werk van zondigen maken, of met lust in de zonden voortgaan, gelijk Ps. 1:1; Joh. 9:31. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Johannes 9:31: En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^1timotheus-1-10-27]: Kanttekening 27: 27 de gezonde leer is: Dat is, de leer van de Godzaligheid, zo genoemd, omdat zij in zichzelf volmaakt is, en de mens tot zijn geestelijke gezondheid brengt. Zie Ps. 19:8, enz.; 2 Tim. 1:13. Psalmen 19:8: De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende. 2 Timotheüs 1:13: Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.
[^1timotheus-1-11-28]: Kanttekening 28: 28 Naar het Evangelie: Dat is, volgens de leer van het Evangelie, waarin de heerlijkheid van God van onze Zaligmaker wordt voorgesteld.
[^1timotheus-1-11-m]: Verwijzing m: 1 Tim. 6:15. 1 Timotheüs 6:15: Welke op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heer, de Koning van de koningen, en Heer van de heren;
[^1timotheus-1-11-n]: Verwijzing n: 1 Thes. 2:4. 1 Thessalonicensen 2:4: Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar voor God, Die onze harten beproeft.
[^1timotheus-1-11-29]: Kanttekening 29: 29 toebetrouwd is: Dat is, opgelegd of bevolen is.
[^1timotheus-1-12-30]: Kanttekening 30: 30 bekrachtigd heeft: Dat is, kracht en bekwaamheid gegeven heeft; 2 Kor. 3:5, 3:6; of ook, tot nog toe zo gesterkt heeft, dat ik onder de last niet bezweek. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^1timotheus-1-12-31]: Kanttekening 31: 31 getrouw geacht heeft: Dit moet niet verstaan worden van enige getrouwheid, die God in Paulus voorzag, eer Hij zich over hem ontfermde, maar waartoe hij door Gods ontferming gekomen was, gelijk hij verklaart 1 Kor. 7:25, en 2 Kor. 4:1; 1 Thess. 2:4. 1 Korinthiërs 7:25: Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heer; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heer gekregen heb, om getrouw te zijn. 2 Korinthiërs 4:1: Daarom omdat wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet; 1 Thessalonicensen 2:4: Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar voor God, Die onze harten beproeft.
[^1timotheus-1-12-32]: Kanttekening 32: 32 in de bediening gesteld: Namelijk van het apostelschap.
[^1timotheus-1-13-o]: Verwijzing o: Hand. 8:3; Hand. 9:1; Hand. 22:4; Hand. 26:9; 1 Kor. 15:9; Galat. 1:13. Handelingen 8:3: En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. Handelingen 9:1: En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heer, ging tot de hogepriester, Handelingen 22:4: Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. Handelingen 26:9: Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. 1 Korinthiërs 15:9: Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. Galaten 1:13: Want u hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte;
[^1timotheus-1-13-33]: Kanttekening 33: 33 een verdrukker: Of, een smader.
[^1timotheus-1-13-p]: Verwijzing p: Joh. 9:39; idem v. 41; Hand. 3:17. Johannes 9:39: En Jezus zei: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. Johannes 9:41: Jezus zei tot hen: Als u blind was, zo zoudt u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; zo blijft dan uw zonde. Handelingen 3:17: En nu, broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.
[^1timotheus-1-13-34]: Kanttekening 34: 34 ontwetende gedaan: Namelijk van de Goddelijkheid en waarheid van het Evangelie, gelijk Hand. 3:17; waarmee hij zich niet verontschuldigt, alsof hij daarover voor God niet strafbaar ware geweest, want het tegendeel betuigt hij van zichzelf hierna, vers 15, 1:16, gelijk in het algemeen 2 Thess. 1:8; maar geeft hiermede te kennen, dat zijne zonde gene zonde tegen de Heilige Geest was geweest, uit moedwilligheid en haat tegen de bekende waarheid geschied, en daarom door de genade en verdienste van Christus vergeeflijk. Handelingen 3:17: En nu, broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten. 1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. 1 Timotheüs 1:16: Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
[^1timotheus-1-14-35]: Kanttekening 35: 35 met geloof en liefde: Namelijk in Christus en Zijn Evangelie. Het geloof wordt gesteld tegen zijn voorgaande onwetendheid, en de liefde tegen zijn lastering en vervolging.
[^1timotheus-1-14-36]: Kanttekening 36: 36 in Christus Jezus: Dat is, door genade van Christus Jezus, of in de staat die daar is in Christus Jezus.
[^1timotheus-1-15-37]: Kanttekening 37: 37 een getrouw woord: Dat is, een zeker en waarachtig woord.
[^1timotheus-1-15-q]: Verwijzing q: Matt. 9:13; Mark. 2:17; Lukas 5:32; Lukas 19:10; 1 Joh. 3:5. Mattheüs 9:13: Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Marcus 2:17: En Jezus, dat horende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Lukas 5:32: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. Lukas 19:10: Want de Zoon van de mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. 1 Johannes 3:5: En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
[^1timotheus-1-15-38]: Kanttekening 38: 38 de voornaamste ben: Gr. eerste; dat is, van de meeste, ten aanzien namelijk van mijne voorgaande lastering en vervolging. Zie ook 1 Kor. 15:9. 1 Korinthiërs 15:9: Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb.
[^1timotheus-1-16-39]: Kanttekening 39: 39 barmhartigheid geschied: Of, God heeft zich mijner ontfermd, gelijk vers 13. 1 Timotheüs 1:13: Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, omdat ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.
[^1timotheus-1-16-40]: Kanttekening 40: 40 al Zijn lankmoedigheid: Namelijk die God in het Evangelie beloofd heeft te gebruiken, opdat Hij de zondaar tot bekering brenge.
[^1timotheus-1-16-41]: Kanttekening 41: 41 tot een voorbeeld: Of, voorbeeld; namelijk dat niemand, hoe groot zondaar hij ook zij, behoeft te mistrouwen de genade van God, zo hij maar tot Christus door het geloof zijne toevlucht neemt.
[^1timotheus-1-17-42]: Kanttekening 42: 42 De Koning nu van de eeuwen: Dat is, van alle schepselen, gelijk dit woord eeuwen genomen wordt Hebr. 1:2. Of, die van eeuwigheid is, en in eeuwigheid leeft. Hebreeën 1:2: Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^1timotheus-1-17-43]: Kanttekening 43: 43 alleen wijzen God: Dat is, die alleen van Zichzelven en volmaakt wijs is, gelijk Hij ook in zulken zin alleen goed wordt genaamd; Matt. 19:17. Mattheüs 19:17: En Hij zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Maar wilt u in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
[^1timotheus-1-17-44]: Kanttekening 44: 44 in alle eeuwigheid: Gr. in of tot eeuwigheden van de eeuwigheden.
[^1timotheus-1-18-45]: Kanttekening 45: 45 beveel ik u: Het Griekse woord betekent eigenlijk iemand iets bevelen, dat men bij hem weglegt, of hem te bewaren geeft.
[^1timotheus-1-18-46]: Kanttekening 46: 46 naar de profetieën: Dat is, voorzeggingen. Want ten tijde van de apostelen werden enige mannen van God, door het bevel van de Heilige Geest, tot de dienst van het Evangelie afgezonderd, gelijk Paulus en Barnabas zo werden uitgezonden, Hand. 13:2; of van hen werd voorzegd door enige profetieën wat hun zou overkomen, gelijk te zien is Hand. 11:27, 11:28, en Hand. 20:23, en Hand. 21:11. Van Timotheüs wordt zulks ook betuigd hierna 1 Tim. 4:14. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 11:27: En in dezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. Handelingen 11:28: En één uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder de keizer Claudius. Handelingen 20:23: Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. Handelingen 21:11: En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelf handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man, wiens deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^1timotheus-1-18-r]: Verwijzing r: 1 Tim. 6:12. 1 Timotheüs 6:12: Strijd de goeden strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, tot dat u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.
[^1timotheus-1-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk voorzeggingen of profetieën, dat is, in die dingen die u te voren voorzegd zijn.
[^1timotheus-1-18-48]: Kanttekening 48: 48 de goeden strijd strijdt: Dat niet alleen van de arbeid, vlijt en strijd verstaan wordt, die allen gelovigen in hun algemeen beroep opgelegd is, maar ook de trouwe leraars in het bijzonder. Zie 2 Tim. 4:7, 4:8. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^1timotheus-1-19-49]: Kanttekening 49: Gr. hebbende; dat is, behoudende, of vast houdende.
[^1timotheus-1-19-s]: Verwijzing s: 1 Tim. 3:9. 1 Timotheüs 3:9: Houdende de verborgenheid van het geloof in een rein geweten.
[^1timotheus-1-19-50]: Kanttekening 50: 50 het geloof, en: Dat is, de belijdenis, of de leer van het ware geloof, gelijk blijkt uit de tegenstelling van de lasteringen van Hymeneüs en Alexander in het vers 20. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^1timotheus-1-19-51]: Kanttekening 51: 51 een goed geweten: Dat is, een oprecht geweten, dat zichzelf in al zijn doen richt naar wat, waarvan hij uit Gods Woord is onderricht, en niet naar eergierigheid, geldgierigheid, of andere genegenheden; waarvan lichtelijk kan geoordeeld worden bij degenen die de woorden van de mensen met hun doen vergelijken.
[^1timotheus-1-19-52]: Kanttekening 52: 52 dat sommigen: Namelijk goede of oprechte consciëntie.
[^1timotheus-1-19-53]: Kanttekening 53: 53 verstoten hebbende: Dat is, niet nagekomen, of waargenomen hebbende.
[^1timotheus-1-19-54]: Kanttekening 54: 54 van het geloof: Of, omtrent, in, aangaande het geloof, dat is, van de ware leer, of bekentenis van het geloof, gelijk vers 20 vereist, en gelijk Paulus nader verklaart 2 Tim. 2:17, 2:18. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren. 2 Timotheüs 2:17: En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymeneüs en Filetus; 2 Timotheüs 2:18: Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^1timotheus-1-19-55]: Kanttekening 55: 55 schipbreuk geleden hebben: Dat is, vervallen, of afgevallen zijn; ene gelijkenis, genomen van degenen die door schipbreuk hunne goederen verliezen. Zie hierna 1 Tim. 4:1. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen,
[^1timotheus-1-20-t]: Verwijzing t: 2 Tim. 2:17. 2 Timotheüs 2:17: En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymeneüs en Filetus;
[^1timotheus-1-20-56]: Kanttekening 56: 56 Alexander, die ik: Velen menen, dat deze dezelfde Alexander is, waarvan gesproken wordt Hand. 19:33, dat evenwel niet vaststaat. Maar omdat hij hier bij Hymeneüs wordt gesteld, zo moet hij ook aan dezelfde dwalingen en lasteringen schuldig zijn geweest, waarvan deze Hymeneüs door Paulus beschuldigd wordt, 2 Tim. 2:18; namelijk dat hij de opstanding van de doden loochende. Handelingen 19:33: En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, zo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 2 Timotheüs 2:18: Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^1timotheus-1-20-v]: Verwijzing v: 2 Tim. 4:14. 2 Timotheüs 4:14: Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken.
[^1timotheus-1-20-x]: Verwijzing x: 1 Kor. 5:5. 1 Korinthiërs 5:5: Denzulken over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heer Jezus.
[^1timotheus-1-20-57]: Kanttekening 57: 57 de satan overgegeven: Namelijk door de Kerkelijke ban; zie daarvan nadere verklaring 1 Kor. 5:5. 1 Korinthiërs 5:5: Denzulken over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heer Jezus.
[^1timotheus-1-20-58]: Kanttekening 58: 58 zouden leren niet meer: Dat is, zich beter mochten bedenken en tot erkentenis van hunne dwalingen komen, dat het doel van de Kerkelijke tucht is, gelijk Paulus ook betuigt 1 Kor. 5:5, en 2 Thess. 3:14. Of, zo zij zich niet bekeerden, zij de Kerk van God te minder schade zouden doen, en door hunne straf een voorbeeld voor andere lasteraars en verleiders zouden zijn. Want het Griekse woord betekent zowel geleerd als getuchtigd te worden. 1 Korinthiërs 5:5: Denzulken over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heer Jezus. 2 Thessalonicensen 3:14: Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;
[^1timotheus-1-20-59]: Kanttekening 59: Dat is, van de gezonde leer of Goddelijke waarheid kwalijk spreken, gelijk hetzelfde woord blasphemein ook van de leer gebruikt wordt hierna 1 Tim. 6:1, en Tit. 2:5. 1 Timotheüs 6:1: De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde. Titus 2:5: Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde.

### 1 Timotheüs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/2.json)

*1 Paulus gebiedt dat men bidt voor alle mensen, maar inzonderheid voor koningen en andere overheden. 3 omdat dit God aangenaam is, en Christus een middelaar is van allen. 8 Beveelt de mannen dat zij heilige handen opheffen op alle plaatsen. 9 maar de vrouwen dat zij in een eerbaar gewaad, en in alle stilte zich laten onderwijzen. 12 zonder in het openbaar anderen te mogen onderwijzen, of over de man te heersen. 13 aangezien Adam eerst is geschapen, en de vrouw eerst is verleid. 15 Betuigt echter dat zij zalig zal worden door het geloof in het baren van kinderen.*

**1** Ik vermaan dan voor alle dingen,[^1timotheus-2-1-1] dat gedaan worden[^1timotheus-2-1-2] smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen,[^1timotheus-2-1-3] voor alle mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v1)

**2** [^1timotheus-2-2-a] Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn;[^1timotheus-2-2-4] opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle[^1timotheus-2-2-5] godzaligheid en eerbaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v2)

**3** Want[^1timotheus-2-3-6] dat is goed en aangenaam voor God, onze Zaligmaker; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v3)

**4** [^1timotheus-2-4-b] Die wil, dat[^1timotheus-2-4-7] alle mensen zalig worden, en tot[^1timotheus-2-4-8] kennis van de waarheid komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v4)

**5** [^1timotheus-2-5-c] Want er is[^1timotheus-2-5-9] één God, er is ook[^1timotheus-2-5-d] één Middelaar van God en van de mensen,[^1timotheus-2-5-10] de Mens Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v5)

**6** [^1timotheus-2-6-e] Die Zichzelf gegeven heeft[^1timotheus-2-6-11] tot een losprijs[^1timotheus-2-6-12] voor allen,[^1timotheus-2-6-13] zijnde de[^1timotheus-2-6-14] getuigenis te zijner tijd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v6)

**7** [^1timotheus-2-7-15] Waartoe ik[^1timotheus-2-7-f] gesteld ben[^1timotheus-2-7-16] een prediker en apostel (ik[^1timotheus-2-7-g] zeg de waarheid[^1timotheus-2-7-17] in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v7)

**8** Ik wil dan, dat de mannen[^1timotheus-2-8-h] bidden[^1timotheus-2-8-18] in alle plaatsen,[^1timotheus-2-8-i] opheffende[^1timotheus-2-8-19] heilige handen, zonder[^1timotheus-2-8-20] toorn en twisting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v8)

**9** [^1timotheus-2-9-k] Evenzo ook, dat[^1timotheus-2-9-21] de vrouwen, in[^1timotheus-2-9-22] een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelf versieren, niet in[^1timotheus-2-9-23] vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v9)

**10** Maar (dat de vrouwen past,[^1timotheus-2-10-24] die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v10)

**11** Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v11)

**12** [^1timotheus-2-12-l] Maar ik laat de vrouw niet toe,[^1timotheus-2-12-25] dat zij[^1timotheus-2-12-m] lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v12)

**13** [^1timotheus-2-13-n] Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v13)

**14** [^1timotheus-2-14-o] En Adam is[^1timotheus-2-14-26] niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde,[^1timotheus-2-14-27] is in overtreding geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v14)

**15** Maar zij zal zalig worden[^1timotheus-2-15-28] in kinderen te baren,[^1timotheus-2-15-29] zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/2.html#v15)

[^1timotheus-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 dat gedaan worden: Namelijk niet alleen in het bijzonder, maar voornamelijk in de vergadering van de gelovigen, omdat de openbare gebeden een deel zijn van de bediening van de leraren. Zie Hand. 6:4. Handelingen 6:4: Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening van het Woord.
[^1timotheus-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 smekingen, gebeden: Hoewel deze soorten van gebeden somwijlen wat breder worden genomen, zo kunnen nochtans deze hier bekwamelijk worden onderscheiden, namelijk dat smekingen zijn verbiddingen van allerlei straffen en zwarigheden; gebeden, begeerten van Gods hulp en van allerlei zegen; voorbiddingen, gebeden of ook klachten, die wij bij God doen voor anderen; dankzeggingen, die gebeuren voor de weldaden Gods door ons of anderen ontvangen.
[^1timotheus-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 voor alle mensen: Dat is, voor allerlei mensen, van welk beroep of volk zij zijn, hogen of lagen, gelijk dit woord alle dikwijls in Gods Woord voor allerlei wordt genomen. Zie Matt. 4:23; Luk. 11:42; Ef. 1:3; 1 Kor. 10:25. En dat het woord alle hier zo moet worden genomen, blijkt uit Joh. 17:9; Gal. 5:12; 2 Tim. 4:14; 1 Joh. 5:16; Openb. 6:10, waar betuigd wordt, dat wij voor allen en ieder niet moeten bidden, ja dat de gelovigen ook tegen sommigen hebben gebeden. Mattheüs 4:23: En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. Lukas 11:42: Maar wee u, Farizeën, want u vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en u gaat voorbij het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. 1 Korinthiërs 10:25: Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, vanwege het geweten; Johannes 17:9: Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw. Galaten 5:12: Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! 2 Timotheüs 4:14: Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken. 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelfde zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. Openbaring 6:10: En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^1timotheus-2-2-a]: Verwijzing a: Jer. 29:7. Jeremia 29:7: En zoekt de vrede van de stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot YHWH; want in haar vrede zult u vrede hebben.
[^1timotheus-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 opdat wij een gerust: Dit nemen sommigen als het doel, of de oorzaak, waartoe de overheden in hoogheid gesteld zijn, namelijk opdat wij onder hunne regering in rust zouden mogen leven, gelijk Paulus ook leert, Rom. 13:3, 13:4. Het wordt van anderen ook bekwamelijk gebruikt voor de zaak, om welke wij voor de overheden moeten bidden, daar er dikwijls overheden zijn, gelijk ten tijde van de apostelen, die de Kerk van God vervolgen en zoeken te beletten, dat haar leden in Godzaligheid en rust zouden leven. Romeinen 13:3: Want de oversten zijn niet tot een vreze de goeden werken, maar de kwaden. Wilt u nu de macht niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben; Romeinen 13:4: Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.
[^1timotheus-2-2-5]: Kanttekening 5: Dit gaat de Godsdienst of de eerste tafel van de geboden van God aan, gelijk het volgende woord eerbaarheid, of zedigheid, op de geboden van de tweede tafel, en op de diensten, die de één de ander schuldig is, slaat. Want de rechte overheden zijn bewaarders, of beschermers, van de beide tafelen van de wet.
[^1timotheus-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 dat is goed: Namelijk te bidden voor alle mensen, gelijk de volgende verzen aantonen.
[^1timotheus-2-4-b]: Verwijzing b: Ez. 18:23; 2 Petr. 3:9. Ezechiël 18:23: Zou Ik enigzins lust hebben aan de dood van de goddelozen, spreekt de Heer YHWH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? 2 Petrus 3:9: De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enige dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
[^1timotheus-2-4-7]: Kanttekening 7: 7 alle mensen zalig: Dit woord alle wordt hier ook gebruikt voor allerlei, gelijk blijkt uit vers 2, waarvan vers 4 een reden geeft; alsook uit het woord wil, want zo God wil dat alle mensen zalig worden, zo zullen ook allen zalig worden, omdat God doet al wat Hij wil, Ps. 115:3; Rom. 9:19; Ef. 1:11. En dit wordt ook bewezen uit wat de apostel daarbij voegt, dat God wil dat zij allen tot de kennis van de waarheid komen, daar de Schrift getuigt, dat dit is een voorrecht van Gods volk. Zie Ps. 147:19, 147:20; Matt. 11:25; Joh. 6:45; Ef. 2:12, enz. Dat iemand zou willen zeggen, dat God zulks wil, als de mensen ook willen; dat is de zaligheid ten dele aan Gods wil, ten dele aan de wil van de mens hangen, dat strijdt met wat de apostel leert, Rom. 9:16, 9:23, en Rom. 10:20, en Rom. 11:35, 11:36; en doorgaans elders. 1 Timotheüs 2:2: Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 1 Timotheüs 2:4: Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen. Psalmen 115:3: Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. Romeinen 9:19: U zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan? Efeziërs 1:11: In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; Psalmen 147:19: Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Psalmen 147:20: Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah! Mattheüs 11:25: In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt die aan de kinderen geopenbaard. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Efeziërs 2:12: Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Romeinen 9:16: Zo is het dan niet van degene, die wil, noch van degene, die loopt, maar van de ontfermende God. Romeinen 9:23: En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? Romeinen 10:20: En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Romeinen 11:35: Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
[^1timotheus-2-4-8]: Kanttekening 8: 8 kennis van de waarheid: Namelijk in het Evangelie geopenbaard, gelijk de volgende verzen aanduiden.
[^1timotheus-2-5-c]: Verwijzing c: Joh. 17:3; Rom. 3:30. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. Romeinen 3:30: Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.
[^1timotheus-2-5-9]: Kanttekening 9: 9 één God, er is: Namelijk in het getal; of één enig God, gelijk ook één Middelaar, dat is, één enige Middelaar. Zie Joh. 14:6; Hand. 4:12. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
[^1timotheus-2-5-d]: Verwijzing d: Galat. 3:19; Hebr. 9:15. Galaten 3:19: Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar. Hebreeën 9:15: En daarom is Hij de Middelaar van de nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden.
[^1timotheus-2-5-10]: Kanttekening 10: 10 de Mens Christus Jezus: Dit zegt Paulus niet om Zijn Godheid van dit Middelaars-ambt uit te sluiten, want Hij is God geopenbaard in het vlees, 1 Tim. 3:16, en God heeft door Zijn bloed Zijn kerk verkregen, Hand. 20:28, maar om aan te wijzen dat Hij in Zijn menselijke natuur het rantsoen voor ons heeft betaald, en dat Hij als een mens ons ook gelijk is, en daarom alle soorten van mensen door het geloof tot Hem, en tot Zijn offerande een vrijmoedigen toegang hebben. Zie Hebr. 2:10, enz. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Hebreeën 2:10: Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.
[^1timotheus-2-6-e]: Verwijzing e: Matt. 20:28; Efez. 1:7; Kolos. 1:14. Mattheüs 20:28: Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Efeziërs 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, Kolossensen 1:14: In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden;
[^1timotheus-2-6-11]: Kanttekening 11: 11 tot een rantsoen: Dat is, voldoening voor de zonde.
[^1timotheus-2-6-12]: Kanttekening 12: 12 voor allen: Namelijk die in Hem geloven. Zie Matt. 20:28; Joh. 10:15; Rom. 3:25. Mattheüs 20:28: Gelijk de Zoon van de mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Johannes 10:15: Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;
[^1timotheus-2-6-13]: Kanttekening 13: 13 de getuigenis: Of om te zijn, de getuigenis op Zijn tijd te openbaren. Of geopenbaard, namelijk van Gods overgrote liefde tegenover de mens, gelijk Paulus spreekt Rom. 5:8; of, de Zaligmaker waar de profeten van getuigd hebben, om op Zijn tijd geopenbaard te worden, 1 Petr. 1:11, 1:12. Romeinen 5:8: Maar God bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^1timotheus-2-6-14]: Kanttekening 14: 14 op zijn tijd: Grieks tot eigene tijden; namelijk van God daartoe bestemd, dat de apostel de volheid van de tijd noemt, Gal. 4:4. Galaten 4:4: Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
[^1timotheus-2-7-15]: Kanttekening 15: 15 Waartoe ik gesteld: Of, tot welk, namelijk getuigenis, waarvan in vers 6 is gesproken. 1 Timotheüs 2:6: Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis op zijn tijd;
[^1timotheus-2-7-f]: Verwijzing f: Hand. 9:15; Hand. 13:2; Hand. 22:21; Galat. 1:16; Galat. 2:8; Efez. 3:8; 2 Tim. 1:11. Handelingen 9:15: Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21: En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 1:16: Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; Galaten 2:8: (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Efeziërs 3:8: Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 2 Timotheüs 1:11: Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen;
[^1timotheus-2-7-16]: Kanttekening 16: 16 een prediker: Van de betekenis van dit woord, zie de aantekeningen op Rom. 10:14. Romeinen 10:14: Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
[^1timotheus-2-7-g]: Verwijzing g: Rom. 1:9; Rom. 9:1. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest),
[^1timotheus-2-7-17]: Kanttekening 17: 17 in Christus: Dat is, door Christus, of bij Christus, een wijze van eed, gelijk Rom. 9:1. Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest),
[^1timotheus-2-8-h]: Verwijzing h: Joh. 4:21. Johannes 4:21: Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden.
[^1timotheus-2-8-18]: Kanttekening 18: 18 in alle plaatsen: Dat is, niet alleen tehuis, en in het bijzonder, maar ook in de vergaderingen van de gemeente, waar die ook gebeuren. Dit stelt Paulus hierbij, omdat in het Oude Testament de gebeden aan de tempel te Jeruzalem meest gebonden waren, dat ten tijde van het Nieuwe Testament in alle plaatsen zonder uitzondering gebeuren mag, naar de voorzegging, Mal. 1:11; Joh. 4:21. Zie ook Matt. 18:19, 18:20. Maleachi 1:11: Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt YHWH van de heirscharen. Johannes 4:21: Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. Mattheüs 18:19: Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
[^1timotheus-2-8-i]: Verwijzing i: Ps. 134:2. Psalmen 134:2: Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft YHWH.
[^1timotheus-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 heilige handen: Dat is, die vrij zijn van alle onrecht en verdrukking van de onschuldigen. Zie Ps. 26:6; Jes. 1:15, 1:16, en worden ook de heilige handen gesteld tegen de wassingen en reinigingen, die in de wet van de ceremoniën gebruikelijk waren. Zie Hebr. 9:10. Psalmen 26:6: Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o YHWH! Jesaja 1:15: En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. Jesaja 1:16: Wast u, reinigt u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Hebreeën 9:10: Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd.
[^1timotheus-2-8-20]: Kanttekening 20: 20 toorn en twisting: Door het eerste worden bekwamelijk verstaan alle kwade genegenheden van het hart tegen de naaste, en door het andere de twijfeling en twisting van het gemoed, of murmurering van het ongeloof tegen Gods beloften, welke beide gebreken uit onze gebeden moeten geweerd zijn. Zie Matt. 5:22, 5:23, 5:24; Jak. 1:6, 1:7, 1:8. Mattheüs 5:22: Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. Mattheüs 5:23: Zo u dan uw gave zult op het altaar offeren, en daar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; Mattheüs 5:24: Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave. Jakobus 1:6: Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en nedergeworpen wordt. Jakobus 1:7: Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van de Heer. Jakobus 1:8: Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.
[^1timotheus-2-9-k]: Verwijzing k: Titus 2:3; 1 Petr. 3:3. Titus 2:3: De oude vrouwen ook, dat zij in haar dracht zijn, gelijk de heiligen betaamt, dat zij geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede; 1 Petrus 3:3: Welker versiersel zij, niet wat uiterlijk is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van kleren aan te trekken;
[^1timotheus-2-9-21]: Kanttekening 21: 21 de vrouwen: Namelijk overal, maar in het bijzonder, wanneer zij in de openbare vergaderingen verschijnen; want daarvan spreekt hij hier voornamelijk, gelijk uit het volgende blijkt, daar velen van het vrouwelijke geslacht gewend zijn zichzelf meest op te pronken, als zij in zulke vergaderingen moeten verschijnen.
[^1timotheus-2-9-22]: Kanttekening 22: 22 een eerbaar gewaad: Of, een sierlijk gewaad, waardoor niet alleen de kleding, maar ook alle andere versiering wordt verstaan, die de apostel wil dat noch slordig en onachtzaam, noch opgepronkt en kostelijk zij, maar eerbaar en welvoegend, elk naar haar beroep. Zie ook de eigenschap van hetzelfde woord hierna 1 Tim. 3:2. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren;
[^1timotheus-2-9-23]: Kanttekening 23: 23 vlechtingen van het haar: Niet alle vlechting van het haar, noch aandoen van goud of parels wordt hier verboden, gelijk te zien is Gen. 24:22, 24:53; Ex. 35:22; Spreuk. 31:22; Luk. 15:22; maar die strekt tot hovaardij, lichtvaardigheid, onmatigheid, of ergerlijke oppronking van de lichamen van de vrouwen tegen of boven haar staat en beroep. Zie Jes. 3:16, enz.; 1 Petr. 3:3, enz. Genesis 24:22: En het geschiedde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht was tien sikkelen gouds. Genesis 24:53: En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden. Exodus 35:22: Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer YHWH offerde, Spreuken 31:22: Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper. Lukas 15:22: Maar de vader zei tot zijn dienaren: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; Jesaja 3:16: Verder zegt YHWH: Daarom dat de dochters van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarheen treden, en alsof haar voeten gebonden waren. 1 Petrus 3:3: Welker versiersel zij, niet wat uiterlijk is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van kleren aan te trekken;
[^1timotheus-2-10-24]: Kanttekening 24: 24 die de godvruchtigheid: Dat is, belijdenis doen van de ware godsdienstigheid, of belofte doen van godzalig en christelijk te leven.
[^1timotheus-2-12-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 14:34. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.
[^1timotheus-2-12-25]: Kanttekening 25: 25 dat zij lere: Namelijk anderen, in de openbare vergaderingen, gelijk Paulus uitdrukt, 1 Kor. 14:34. Anders mogen ook de vrouwen haar kinderen tehuis onderwijzen, gelijk de moeder van Salomo deed, Spreuk. 31:1, ja zelfs ook wel anderen, wanneer de nood of stichting zulks vordert. Zie 1 Sam. 25:24; Hand. 18:26, enz. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Spreuken 31:1: De woorden van de koning Lemuël; de last, waarmee zijn moeder hem onderwees. 1 Samuël 25:24: En zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd. Handelingen 18:26: En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God bescheidenlijker uit.
[^1timotheus-2-12-m]: Verwijzing m: Gen. 3:16; Efez. 5:24. Genesis 3:16: Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. Efeziërs 5:24: Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles.
[^1timotheus-2-13-n]: Verwijzing n: Gen. 1:27; Gen. 2:22. Genesis 1:27: En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Genesis 2:22: En YHWH God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.
[^1timotheus-2-14-o]: Verwijzing o: Gen. 3:6. Genesis 3:6: En de vrouw zag, dat die boom goed was tot voedsel, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.
[^1timotheus-2-14-26]: Kanttekening 26: 26 niet verleid geworden: Namelijk eerst en door de Satan zelf.
[^1timotheus-2-14-27]: Kanttekening 27: 27 is in overtreding: Namelijk niet alleen voor zichzelf, maar ook voor haar man, die zij tot de zonde en overtreding heeft gebracht.
[^1timotheus-2-15-28]: Kanttekening 28: 28 in kinderen te baren: Zo wordt het Griekse woord dia (διὰ) ook voor in genomen Rom. 4:11 en elders. De zin is: dat, hoewel het kinderbaren met smart de vrouwen tot een straf is opgelegd, het nochtans haar zaligheid niet zal hinderen, zo zij blijven in het geloof, enz. Romeinen 4:11: En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
[^1timotheus-2-15-29]: Kanttekening 29: 29 zo zij blijft in het: Grieks zo zij blijven; namelijk de vrouwen. De apostel spreekt hier zo veelvoudig, om te tonen, dat deze troost allen gelovigen vrouwen toekomt; dat sommigen wel op de kinderen passen; maar daar de ouders niet zullen dragen de schuld van hun kinderen, wanneer zij door hun eigen schuld verloren gaan, Ez. 18:3, 18:4, zo wordt het noodzakelijk van de vrouwen verstaan, en is hierin het getal van een uitgedrukt, om deze twijfelachtigheid weg te nemen. Ezechiël 18:3: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo het u meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken! Ezechiël 18:4: Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel van de vader, zo ook de ziel van de zoon, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven.

### 1 Timotheüs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/3.json)

*1 De apostel verklaart de aard van het ambt van een leraar. 2 en beschrijft de deugden en eigenschappen die in hem vereist worden, en de ondeugden waarvan hij vrij moet zijn. 8 Hetzelfde doet hij ook over de diakenen. 11 en over hun vrouwen. 12 alsmede hoe hun huisgezinnen gesteld moeten zijn. 14 Wijst het doel aan waarom hij dit aan Timotheüs schrijft. 15 en verklaart de waardigheid van Gods gemeente, als zijnde een pilaar en vastigheid van de waarheid. 16 Vat daarna in een samenvatting de voornaamste verborgenheden van het geloof samen, betreffende de persoon van Christus en zijn ambt.*

**1** Dit is een[^1timotheus-3-1-1] getrouw woord: zo iemand tot het ambt van een opziener[^1timotheus-3-1-2][^1timotheus-3-1-3] lust heeft, die begeert[^1timotheus-3-1-4] een voortreffelijk[^1timotheus-3-1-5] werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v1)

**2** [^1timotheus-3-2-a] Een opziener dan moet[^1timotheus-3-2-6] onberispelijk zijn,[^1timotheus-3-2-7] een man met één vrouw,[^1timotheus-3-2-8] wakker, matig,[^1timotheus-3-2-9] eerbaar, graag herbergende,[^1timotheus-3-2-b] bekwaam om te leren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v2)

**3** Niet[^1timotheus-3-3-10] genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar[^1timotheus-3-3-11] bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v3)

**4** Die zijn eigen[^1timotheus-3-4-12] huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle[^1timotheus-3-4-13] waardigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v4)

**5** (Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente van God zorg dragen?) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v5)

**6** Geen[^1timotheus-3-6-14] nieuweling, opdat hij niet[^1timotheus-3-6-15] hoogmoedig wordt,[^1timotheus-3-6-16] en in het oordeel van de duivel valle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v6)

**7** En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen,[^1timotheus-3-7-17] die buiten zijn, opdat hij niet valle in[^1timotheus-3-7-18] smaad, en[^1timotheus-3-7-19] in de strik van de duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v7)

**8** [^1timotheus-3-8-c] De[^1timotheus-3-8-20] diakenen ook[^1timotheus-3-8-21] moeten eerbaar zijn, niet[^1timotheus-3-8-22] tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuil-gewinzoekers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v8)

**9** [^1timotheus-3-9-23][^1timotheus-3-9-d] Houdende[^1timotheus-3-9-24] het geheim van het geloof in[^1timotheus-3-9-25] een rein geweten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v9)

**10** En dat deze ook[^1timotheus-3-10-26] eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij[^1timotheus-3-10-27] onbestraffelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v10)

**11** [^1timotheus-3-11-28] De vrouwen ook moeten eerbaar zijn, geen kwaadsprekers,[^1timotheus-3-11-29] wakker,[^1timotheus-3-11-30] getrouw in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v11)

**12** Dat de diakenen van één vrouw mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v12)

**13** [^1timotheus-3-13-e] Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelf een goede[^1timotheus-3-13-31] opgang, en[^1timotheus-3-13-32] vele vrijmoedigheid in het geloof, dat is in Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v13)

**14** Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v14)

**15** Maar zo ik wacht, opdat u mag weten, hoe men[^1timotheus-3-15-33][^1timotheus-3-15-f] in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God,[^1timotheus-3-15-34] een pilaar en vastheid van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v15)

**16** En buiten allen twijfel,[^1timotheus-3-16-35] het geheim van de godzaligheid is groot;[^1timotheus-3-16-36][^1timotheus-3-16-g] God is[^1timotheus-3-16-37] geopenbaard[^1timotheus-3-16-38] in het vlees, is[^1timotheus-3-16-39] gerechtvaardigd[^1timotheus-3-16-40] in de Geest, is gezien[^1timotheus-3-16-41] van de engelen,[^1timotheus-3-16-h] is gepredikt onder de heidenen, is geloofd[^1timotheus-3-16-42] in de[^1timotheus-3-16-i] wereld, is[^1timotheus-3-16-43] opgenomen in heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/3.html#v16)

[^1timotheus-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 getrouw woord: Of, gewis geloofwaardig, zeker.
[^1timotheus-3-1-2]: Kanttekening 2: Grieks Episcopes; waarvan het woord episcopus, of bisschop komt; waardoor alle opzieners en leraars van de gemeente zonder onderscheid worden verstaan, gelijk hierna uit de volgende beschrijving blijkt en ook uit de vergelijking met andere plaatsen. Zie Hand. 20:17, 20:28; Filipp. 1:1; Tit. 1:5, 1:7, enz. Handelingen 20:17: Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: Titus 1:5: Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zoudt te recht brengen, en dat u van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb: Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst;
[^1timotheus-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 lust heeft: Of, begerig is. Hij spreekt niet van enige lust of begeerte van eergierigheid, maar van ene toegenegenheid van het gemoed, dat hem zelf door behoorlijke middelen daartoe bereid en gewillig toont; zich zelf evenwel altijd onderwerpende aan het oordeel van de gemeente, en een wettelijk beroep verwachtende.
[^1timotheus-3-1-4]: Kanttekening 4: 4 een treffelijk: Grieks goed, schoon, eerlijk.
[^1timotheus-3-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, arbeid of arbeidzaam werk. Het is in gene eretitels alleen gelegen, maar gepaard met arbeid en moeite, waarom Christus die ook werkers of arbeiders noemt; Matt. 9:37, 9:38, en Matt. 10:10. Mattheüs 9:37: Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige; Mattheüs 9:38: Bidt dan de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard.
[^1timotheus-3-2-a]: Verwijzing a: Titus 1:6. Titus 1:6: Als iemand onberispelijk is, een man met één vrouw, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.
[^1timotheus-3-2-6]: Kanttekening 6: 6 onberispelijk zijn: Namelijk ten aanzien van zijn handel en wandel onder de mensen.
[^1timotheus-3-2-7]: Kanttekening 7: 7 een man met één vrouw: Niet dat hij noodzakelijk getrouwd moet zijn, daar Paulus zelf niet getrouwd was, 1 Kor. 7:7, maar omdat hij niet veel vrouwen, òf te gelijk, of de ene na de andere door echtscheiding mocht hebben, gelijk bij de Joden en Grieken, en in het bijzonder in die Oosterse landen zeer lang gebruikelijk is geweest; dat voor een tijd wel in anderen geduld schijnt geweest te zijn, maar in de leraars niet mocht geduld worden. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Tim. 5:9. 1 Korinthiërs 7:7: Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 1 Timotheüs 5:9: Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke de vrouw van één man geweest zij;
[^1timotheus-3-2-8]: Kanttekening 8: 8 wakker, matig: Of, nuchter.
[^1timotheus-3-2-9]: Kanttekening 9: 9 eerbaar, graag herbergende: Het Griekse woord kosmios (κόσμιον) betekent eigenlijk een, die in zijn gedrag en hele wandel eerbaar is, en niets doet dan wat wel schikt of voegt. Zie 1 Tim. 2:9. 1 Timotheüs 2:9: Evenzo ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelf versieren, niet in vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding;
[^1timotheus-3-2-b]: Verwijzing b: 2 Tim. 2:24. 2 Timotheüs 2:24: En een dienaar van de Heer moet niet twisten, maar vriendelijk zijn tegenover allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;
[^1timotheus-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 genegen tot de wijn: Of zittende bij de wijn; dat is, zich niet begevende tot veel wijn, gelijk hij hierna spreekt, vers 8. 1 Timotheüs 3:8: De diakenen ook moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuil-gewinzoekers;
[^1timotheus-3-3-11]: Kanttekening 11: Dat is, die anderen kan wijken en in redelijkheid verdragen, gelijk het Griekse woord medebrengt.
[^1timotheus-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 huis wel regeert: Dat is, huisgezin, namelijk vrouw, kinderen, dienstboden. Of zijn huis wel voorstaat.
[^1timotheus-3-4-13]: Kanttekening 13: Of zedigheid, deftigheid, gestadigheid, eerbaarheid. Zie 1 Tim. 2:2. 1 Timotheüs 2:2: Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.
[^1timotheus-3-6-14]: Kanttekening 14: 14 nieuweling, opdat: Grieks neophytos; dat betekent nieuw geplant; dat is, die kort tevoren tot het geloof of tot de gemeente zich heeft begeven.
[^1timotheus-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 hoogmoedig worde: Namelijk door gedachte van grote wijsheid, die hij zou menen te hebben, wanneer hij zo spoedig tot het leerambt zou zijn bevorderd.
[^1timotheus-3-6-16]: Kanttekening 16: 16 en in het oordeel: Dat is, in zulk oordeel waarin de duivel gevallen is, toen hij zich over zijn wijsheid, pas geschapen zijnde, tegen God heeft willen verheffen. Anderen nemen hier het Griekse woord diabolos (διάβολος) voor een lasteraar, gelijk het eigenlijk betekent en gebruikt wordt in vers 11, en 2 Tim. 3:3, en verklaren het aldus: opdat hij zich zelf verheffende, niet valle in het oordeel of beschuldiging van de lasteraar, tot verkleining en ergernis van Christus' gemeente, gelijk in vers 7 ook wordt gesproken. 1 Timotheüs 3:11: De vrouwen ook moeten eerbaar zijn, geen lasteressen, wakker, getrouw in alles. 2 Timotheüs 3:3: Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 1 Timotheüs 3:7: En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in de strik van de duivel.
[^1timotheus-3-7-17]: Kanttekening 17: 17 die buiten zijn: Dat is, nog vreemd zijn van gemeente, gelijk 1 Kor. 5:12. 1 Korinthiërs 5:12: Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn?
[^1timotheus-3-7-18]: Kanttekening 18: 18 smaadheid, en: Of verachting; namelijk bij degenen, waaronder hij tevoren lichtvaardig of onrechtvaardig verkeerd mocht hebben, zo hij met een volgend goed leven, nu gelovig geworden zijnde, het een tijd lang niet heeft verbeterd en bedekt.
[^1timotheus-3-7-19]: Kanttekening 19: 19 in de strik van de duivel: Of strik van de lasteraar; gelijk vers 6, waardoor sommigen verstaan enige kleinmoedigheid, die hem daardoor zou mogen overkomen, als een strik over zijne ziel; anderen, zulke versmaadheid, waardoor hij als met een strik van de duivel zou belet zijn de gemeente in dit zijn beroep behoorlijk te stichten. 1 Timotheüs 3:6: Geen nieuweling, opdat hij niet hoogmoedig worde, en in het oordeel van de duivel valle.
[^1timotheus-3-8-c]: Verwijzing c: Hand. 6:3. Handelingen 6:3: Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol van de Heilige Geest en van de wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.
[^1timotheus-3-8-20]: Kanttekening 20: Van de instelling en het bijzonder ambt van de diakenen in het verzorgen van de armen, zie Hand. 6:1, 6:2, enz. Handelingen 6:1: En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering van de Grieken tegen de Hebreën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. Handelingen 6:2: En de twaalven riepen de menigte van de discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord van God nalaten, en de tafelen dienen.
[^1timotheus-3-8-21]: Kanttekening 21: 21 eerbaar zijn: Of stemmig; gelijk hiervoor vers 4. 1 Timotheüs 3:4: Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid;
[^1timotheus-3-8-22]: Kanttekening 22: Grieks tweewoordig; dat is, ijdel en ongestadig van woorden.
[^1timotheus-3-9-23]: Kanttekening 23: Grieks hebbende; dat is, behoudende of bewarende.
[^1timotheus-3-9-d]: Verwijzing d: 1 Tim. 1:19. 1 Timotheüs 1:19: Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;
[^1timotheus-3-9-24]: Kanttekening 24: 24 de verborgenheid: Dat is, de leer of de belijdenis van de leer van het evangelie, die doorgaans ene verborgenheid wordt genoemd, omdat deze de mens niet uit de natuur, maar door Gods openbaring bekend is gemaakt. Zie 1 Kor. 2:6, 2:7. 1 Korinthiërs 2:6: En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden; 1 Korinthiërs 2:7: Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was;
[^1timotheus-3-9-25]: Kanttekening 25: 25 een rein geweten: Dat is, goed of oprecht geweten, waarvan zie hiervoor 1 Tim. 1:19; want al was het ambt van de diakenen niet om in de vergaderingen openlijk te leren, zo bracht nochtans hun dienst mee, dat zij met vele soorten van mensen verkeerden, die zij ook moesten onderrichten en troosten, en soms ook wederspreken, gelijk een voorbeeld is in Stefanus, Hand. 7. Dat Filippus de Moorman onderricht en gedoopt heeft, is door buitengewone roeping geschied, toen hij tot een evangelist was gesteld. Zie Hand. 8:29, en Hand. 21:8. 1 Timotheüs 1:19: Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben; Handelingen 8:29: En de Geest zei tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen. Handelingen 21:8: En de volgende dag, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.
[^1timotheus-3-10-26]: Kanttekening 26: 26 eerst beproefd worden: Dit vatten sommigen zo op, alsof er nog een lagere trap in deze bediening ware geweest, die zij onder diakenen noemen, waarin zij eerst voor een tijd moesten worden beproefd; maar dat is niet nodig, daar dit woord bekwamelijk kan genomen worden van de beproeving van zulke personen aan de regelen hier voorgesteld, die door de regeerders van de gemeente geschiedt.
[^1timotheus-3-10-27]: Kanttekening 27: 27 onbestraffelijk zijn: Grieks onschuldig; namelijk in hun handel en wandel geoordeeld en bevonden worden.
[^1timotheus-3-11-28]: Kanttekening 28: 28 De vrouwen ook: Dit moet zowel op de vrouwen van de opzieners, als van de diakenen, toegepast worden. Want van de weduwen die diakonessen waren, zal hierna 1 Tim. 5:9 en vervolgens gehandeld worden. 1 Timotheüs 5:9: Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke de vrouw van één man geweest zij;
[^1timotheus-3-11-29]: Kanttekening 29: Of, nuchter. Zie vers 2. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren;
[^1timotheus-3-11-30]: Kanttekening 30: 30 getrouw in alles: Dit schijnt de apostel hier in de huisvrouwen van de opzieners en diakenen te vereisen, niet alleen omdat zij haar mannen moeten getrouw zijn, maar omdat haar ook somtijds enige dingen de regering van de Kerk en de bewaring en uitdeling van de aalmoezen aangaande, bekend worden, waarin getrouwheid nodig is.
[^1timotheus-3-13-e]: Verwijzing e: Matt. 25:21. Mattheüs 25:21: En zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar! over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.
[^1timotheus-3-13-31]: Kanttekening 31: 31 opgang, en: Of trap; waardoor verstaan wordt, òf een goede achting en aanzien in Gods gemeente, òf ook een toegang tot meerdere en hogere diensten; namelijk van het ouderlingschap, of van het leerambt, gelijk ook bij de ouden veel gebruikelijk is geweest.
[^1timotheus-3-13-32]: Kanttekening 32: 32 vele vrijmoedigheid: Namelijk zo in hun geloof, omdat het met een goede consciëntie vergezeld is; als ook in hun doen en spreken voor Gods Kerk, omdat zij trouw daarin handelen. Dat de apostel hier schijnt te stellen tegen de lasteringen en strikken van de satan, waarvan hij heeft gesproken vers 6, 3:7. 1 Timotheüs 3:6: Geen nieuweling, opdat hij niet hoogmoedig worde, en in het oordeel van de duivel valle. 1 Timotheüs 3:7: En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in de strik van de duivel.
[^1timotheus-3-15-33]: Kanttekening 33: 33 in het huis van God: Zo wordt de gemeente genoemd, omdat God met Zijn Geest en Woord daarin woont. Zie 1 Kor. 3:16; Hebr. 3:4, 3:5, 3:6. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? Hebreeën 3:4: Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God. Hebreeën 3:5: En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden; Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
[^1timotheus-3-15-f]: Verwijzing f: 2 Tim. 2:20. 2 Timotheüs 2:20: Maar in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.
[^1timotheus-3-15-34]: Kanttekening 34: 34 een pilaar: Zo wordt de gemeente van God genoemd, omdat God in Zijne gemeente de waarheid bevestigt, en door haar aan anderen openlijk bekend maakt, gelijk de overheid haar plakkaten en wetten aan pilaren of andere vastigheden pleegt aan te slaan en hechten, om allen bekend te worden. En hier wordt volgens die verklaard het ambt, de schuldige plicht van de gemeente te zijn, deze waarheid te verbreiden en tegen alle dwalingen te bevestigen. Wanneer zij dit niet doet, valt zij lichtelijk in scheuringen en dolingen. Zie Mal. 2:5, enz.; gelijk Paulus ook de gemeente van Efeze, waar Timotheüs toen was, gelijk blijkt 1 Tim. 1:3, hiertegen waarschuwt, Hand. 20:28, enz.; en Christus zelf Openb. 2:1, enz. Anderen voegen deze woorden bij het volgende vers, vers 16. Maleachi 2:5: Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt. 1 Timotheüs 1:3: Gelijk ik u vermaand heb, dat u te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat u sommigen beveelt geen andere leer te leren; Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Openbaring 2:1: Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt: 1 Timotheüs 3:16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^1timotheus-3-16-35]: Kanttekening 35: 35 de verborgenheid van de godzaligheid: Zo noemt de apostel de leer van het Evangelie, gelijk hiervoor, vers 9, de verborgenheid van het geloof, waarvan hij een korte som in de volgende woorden voorstelt. 1 Timotheüs 3:9: Houdende de verborgenheid van het geloof in een rein geweten.
[^1timotheus-3-16-36]: Kanttekening 36: 36 God is: Dat is, de eeuwige Zoon van God, gelijk dit woord God ook voor God de Zoon gebruikt wordt; Joh. 1:1; Hand. 20:28; Rom. 9:5; 1 Joh. 5:20, en elders. Johannes 1:1: In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Romeinen 9:5: Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees betreft, Dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen. 1 Johannes 5:20: Maar wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
[^1timotheus-3-16-g]: Verwijzing g: Joh. 1:14. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid.
[^1timotheus-3-16-37]: Kanttekening 37: Dat is, is mens geworden, en heeft door woorden en werken Zijn godheid bekend gemaakt. Zie Luk. 24:19; Joh. 1:14. Lukas 24:19: En Hij zei tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.
[^1timotheus-3-16-38]: Kanttekening 38: 38 in het vlees: Dat is, in de menselijke natuur, die door Hem in enigheid van de persoon is aangenomen, gelijk Joh. 1:14; Rom. 1:3; Hebr. 2:14. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Romeinen 1:3: Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^1timotheus-3-16-39]: Kanttekening 39: Voor onschuldig en rechtvaardig erkend, gelijk Matt. 11:19; Luk. 7:29; Rom. 3:4. Mattheüs 11:19: De Zoon van de mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen. Lukas 7:29: En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Romeinen 3:4: Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^1timotheus-3-16-40]: Kanttekening 40: 40 in de Geest: Of door de Geest. Dat te verstaan is van de Goddelijke natuur van Christus, waardoor Hij Zichzelf uit de doden heeft verwekt, en volgens die ook bewezen rechtvaardig en onschuldig te zijn, hoewel Hij door de Joden en heidenen voor schuldig was veroordeeld. Enige nemen het voor de gaven van de Heilige Geest, die Hij na Zijn verrijzenis op Zijn discipelen en andere gelovigen heeft uitgestort. Dit komt met Paulus' doel niet overeen, daar deze gaven van de Heilige Geest eerst na Christus' verheerlijking zijn gegeven, waarvan hij in het laatste lid spreekt, en wordt ook het eerste met dergelijke wijze van spreken bevestigd; Rom. 1:4; 1 Petr. 3:18. Romeinen 1:4: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer: 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^1timotheus-3-16-41]: Kanttekening 41: 41 van de engelen: Namelijk als Zijn dienaren en boden, zo in Zijn geboorte, Luk. 2:13, als in Zijn verzoeking, Matt. 4:11, in Zijn lijden, Luk. 22:43, en in Zijn opstanding en hemelvaart, Luk. 24:4; Hand. 1:10. Lukas 2:13: En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van het hemelse heirleger, prijzende God en zeggende: Mattheüs 4:11: Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem. Lukas 22:43: En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte. Lukas 24:4: En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleren. Handelingen 1:10: En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
[^1timotheus-3-16-h]: Verwijzing h: Efez. 3:5; idem v. 6. Efeziërs 3:5: Welke in andere eeuwen de kinderen van de mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door de Geest; Efeziërs 3:6: Namelijk dat de heidenen zijn mee-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijn belofte in Christus, door het Evangelie;
[^1timotheus-3-16-42]: Kanttekening 42: 42 in de wereld: Dat is, onder alle volken van de wereld, zowel heidenen als Joden; Rom. 10:18; Kol. 1:6. Romeinen 10:18: Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. Kolossensen 1:6: Dat tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van die dag af dat u gehoord hebt, en de genade van God in waarheid bekend hebt.
[^1timotheus-3-16-i]: Verwijzing i: Mark. 16:19; Lukas 9:51; Hand. 1:2. Marcus 16:19: De Heer dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. Lukas 9:51: En het geschiedde, als de dagen Zijn opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. Handelingen 1:2: Tot op de dag, in welke Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.
[^1timotheus-3-16-43]: Kanttekening 43: 43 opgenomen in heerlijkheid: Namelijk ter rechterhand van Zijn Vader, vanwaar Hij de gaven van Zijn Geest in Zijn gemeente heeft uitgestort, en door krachten en wonderen Zijn heerlijkheid heeft betoond; Mark. 16:19, 16:20; Hand. 1:2, 1:8, en Hand. 2:33, enz. Marcus 16:19: De Heer dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. Handelingen 1:2: Tot op de dag, in welke Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven. Handelingen 1:8: Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde. Handelingen 2:33: Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.

### 1 Timotheüs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/4.json)

*1 Paulus voorzegt de afval van sommigen in de laatste dagen. 3 die het huwelijk zullen verbieden, en het gebruik van sommige spijzen. 6 Vermaant Timotheüs de juiste leer voor te stellen, en de fabels te verwerpen. 8 en zich vooral in de godzaligheid te oefenen, en naar zijn voorbeeld in alle smaad op God te hopen. 12 Beveelt dat hij zichzelf tot een voorbeeld stelt van alle deugden. 13 dat hij aanhoudt in het lezen, 14 De gave niet verzuimt die hij heeft ontvangen. 15 In het goede toeneemt en volhardt. 16 met de belofte dat hij door zo te handelen zichzelf en zijn toehoorders zal behouden.*

**1** [^1timotheus-4-1-a] Maar[^1timotheus-4-1-1] de Geest zegt duidelijk, dat[^1timotheus-4-1-2] in de laatste tijden sommigen zullen[^1timotheus-4-1-b] afvallen[^1timotheus-4-1-3] van het geloof, zich begevende tot[^1timotheus-4-1-4] verleidende geesten, en onderwijzingen[^1timotheus-4-1-5] van de demonen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v1)

**2** Door[^1timotheus-4-2-6] huichelarij van de leugensprekers, hebbende hun eigen geweten[^1timotheus-4-2-7] als met een brandijzer toegeschroeid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v2)

**3** Verbiedende te huwelijken,[^1timotheus-4-3-8] gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft,[^1timotheus-4-3-c] tot nuttiging[^1timotheus-4-3-d] met dankzegging, voor de gelovigen, en[^1timotheus-4-3-9] die de waarheid hebben bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v3)

**4** [^1timotheus-4-4-e] Want alle schepsel van God is goed, en er is[^1timotheus-4-4-10] niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v4)

**5** Want het wordt[^1timotheus-4-5-11] geheiligd[^1timotheus-4-5-12] door het Woord van God, en[^1timotheus-4-5-13] door het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v5)

**6** Als u deze dingen de broeders voorstelt, zo zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn,[^1timotheus-4-6-14][^1timotheus-4-6-f] opgevoed in de woorden[^1timotheus-4-6-15] van het geloof en van de goede leer, die u achtervolgd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v6)

**7** [^1timotheus-4-7-g] Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse[^1timotheus-4-7-16] fabelen; en oefen uzelf tot godzaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v7)

**8** [^1timotheus-4-8-h] Want[^1timotheus-4-8-17] de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut,[^1timotheus-4-8-18] hebbende de belofte van de tegenwoordigen en van het toekomende leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v8)

**9** Dit is[^1timotheus-4-9-19] een getrouw woord, en alle aanneming waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v9)

**10** Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij[^1timotheus-4-10-20] gehoopt hebben op de levende God, Die[^1timotheus-4-10-21] een Behouder is van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v10)

**11** Beveel deze dingen, en leer ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v11)

**12** [^1timotheus-4-12-22][^1timotheus-4-12-i] Niemand verachte uw jeugd,[^1timotheus-4-12-k] maar wees een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde,[^1timotheus-4-12-23] in de geest, in geloof, in reinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v12)

**13** Houd aan[^1timotheus-4-13-24] in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v13)

**14** [^1timotheus-4-14-25] Verzuim[^1timotheus-4-14-26] de gave niet, die in u is, die u gegeven is door[^1timotheus-4-14-27] de profetie,[^1timotheus-4-14-l] met oplegging van de handen[^1timotheus-4-14-28] van de ouderlingschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v14)

**15** Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat[^1timotheus-4-15-29] uw vordering openbaar zij[^1timotheus-4-15-30] in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v15)

**16** Heb acht op uzelf en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en[^1timotheus-4-16-31] uzelf behouden, en die u horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/4.html#v16)

[^1timotheus-4-1-a]: Verwijzing a: 2 Tim. 3:1; 2 Petr. 3:3; Judas v. 18. 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Petrus 3:3: Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, Judas 1:18: Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
[^1timotheus-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 de Geest zegt duidelijk: Namelijk de Heilige Geest, door Zijn buitengewoon ingeven in de apostelen en andere profeten. Zie Hand. 20:23, en Hand. 21:4. Handelingen 20:23: Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. Handelingen 21:4: En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
[^1timotheus-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 in de laatste tijden: Of in de volgende tijden. Zie 2 Tim. 3:1. 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
[^1timotheus-4-1-b]: Verwijzing b: Matt. 24:23; 2 Thes. 2:3. Mattheüs 24:23: Alsdan, zo iemand tot u zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 2 Thessalonicensen 2:3: Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf;
[^1timotheus-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 van het geloof: Dat is, van de ware leer van het geloof, gelijk de volgende woorden bewijzen. Zie 2 Thess. 2:3; 2 Petr. 2:1. 2 Thessalonicensen 2:3: Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelf brengende;
[^1timotheus-4-1-4]: Kanttekening 4: 4 verleidende geesten: Hierdoor worden òf de boze geesten zelf verstaan, gelijk in het volgende lid, òf de geesten van de valse leraars, gelijk 1 Joh. 4:1. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^1timotheus-4-1-5]: Kanttekening 5: 5 van de duivelen: Dat is, waarvan de duivel auteur of ingever is.
[^1timotheus-4-2-6]: Kanttekening 6: Grieks in geveinsdheid; dat is, onder de schijn van heiligheid en van een harder leven te willen leiden; het is ene gelijkenis, genomen van de toneelspelers, die dikwijls een persoon voorstellen die zij niet zijn.
[^1timotheus-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 met een brandijzer: Namelijk zo toegeschroeid dat zij geen gevoel heeft, want daartoe vervallen eindelijk door een rechtvaardig oordeel van God de valse leraars, of bijgelovige mensen. Zie Ef. 4:19; 2 Thess. 2:11. Efeziërs 4:19: Welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven. 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^1timotheus-4-3-8]: Kanttekening 8: Dat dit tegenovergesteld woord hier moet verstaan worden, blijkt klaar uit de volgende woorden, gelijk zulke voorbeelden meer voorkomen. Zie een ander 1 Kor. 14:34, en hiervoor 1 Tim. 2:12. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 1 Timotheüs 2:12: Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
[^1timotheus-4-3-c]: Verwijzing c: Gen. 1:29; Gen. 9:3. Genesis 1:29: En God zei: Ziet, Ik heb u al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de gehele aarde is, en alle geboomte, in dat zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot voedsel! Genesis 9:3: Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot voedsel; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.
[^1timotheus-4-3-d]: Verwijzing d: Rom. 14:6; 1 Kor. 10:30. Romeinen 14:6: Die de dag waarneemt, die neemt hem waar de Heer; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Heer. Die daar eet, die eet zulks de Heer, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks de Heer niet, en hij dankt God. 1 Korinthiërs 10:30: En als ik door genade van de voedsel deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over wat, waarvoor ik dankzeg?
[^1timotheus-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 die de waarheid: Dat is de ware gelovigen, wie alle dingen rein zijn, ook alle voedsel met matigheid gebruikt; Tit. 1:15. Titus 1:15: Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^1timotheus-4-4-e]: Verwijzing e: Gen. 1:31; Hand. 10:15; Rom. 14:14. Genesis 1:31: En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. Handelingen 10:15: En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken. Romeinen 14:14: Ik weet en ben verzekerd in de Heer Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.
[^1timotheus-4-4-10]: Kanttekening 10: 10 niets verwerpelijk: Namelijk in zich zelf, ten tijde van het Nieuwe Testament, nu het onderscheid van de spijzen is weggenomen. Zie Hand. 10:15. Handelingen 10:15: En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken.
[^1timotheus-4-5-11]: Kanttekening 11: Dat is, tot een recht en heilig gebruik gericht of bekwaam gemaakt, gelijk 1 Kor. 7:14. 1 Korinthiërs 7:14: Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.
[^1timotheus-4-5-12]: Kanttekening 12: 12 door het Woord: Dat is, door de verklaring, die ons Gods woord daarvan geeft. Zie Tit. 1:15. Titus 1:15: Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt.
[^1timotheus-4-5-13]: Kanttekening 13: 13 het gebed: Namelijk dat het ons tot gezondheid en zegen mag strekken waaronder ook de dankzegging wordt begrepen. Zie Matt. 15:36; Joh. 6:11. Mattheüs 15:36: En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare. Johannes 6:11: En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden.
[^1timotheus-4-6-14]: Kanttekening 14: 14 opgevoed in de woorden: Namelijk van uwe kindsheid af, gelijk hij daarbij doet 2 Tim. 3:15. 2 Timotheüs 3:15: En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is.
[^1timotheus-4-6-f]: Verwijzing f: 2 Tim. 1:5; 2 Tim. 3:14; idem 3:15. 2 Timotheüs 1:5: Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont. 2 Timotheüs 3:14: Maar blijft u in wat u geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wie u het geleerd hebt; 2 Timotheüs 3:15: En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is.
[^1timotheus-4-6-15]: Kanttekening 15: 15 van het geloof en van de: Dat is, van de gezonde leer van het geloof, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^1timotheus-4-7-g]: Verwijzing g: 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 6:20; 2 Tim. 2:16; Titus 1:14; Titus 3:9. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap; 2 Timotheüs 2:16: Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^1timotheus-4-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk waar de Joodse Talmudisten nog vol van zijn, waarvan Paulus ook spreekt Tit. 1:14, en Tit. 3:9, en waartoe hij voorzegt, dat ook enige christen-leraars in de laatste tijden zullen vervallen; 2 Tim. 4:4. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel. 2 Timotheüs 4:4: En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.
[^1timotheus-4-8-h]: Verwijzing h: Kolos. 2:23. Kolossensen 2:23: Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, maar zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
[^1timotheus-4-8-17]: Kanttekening 17: 17 de lichamelijke oefening: Hierdoor verstaan sommigen de oefening dergenen, die om de prijs streden met worstelen, lopen en anders, gelijk het Griekse woord gymnasia (γυμνασία) soms betekent, waardoor maar enige lichamelijk weldaad werd verkregen; maar daar Paulus hier handelt van zaken, die de godsdienst aangaan, zo verstaan anderen dit bekwamelijker van enige oefening van het lichaam, waardoor het getemd of getuchtigd wordt, gelijk daar is vasten, waken, onthouding van enige spijzen of kleding, anders geoorloofd. Van deze zegt de apostel, dat zij wel enige nuttigheid kunnen hebben, maar nochtans weinig ten aanzien van de godzaligheid zelf, daar die ook kunnen misbruikt worden, en in bijgelovigheden verkeren, gelijk Paulus getuigt Kol. 2:23; maar de godzaligheid is voor God altijd aangenaam en tot alles dienstig. Kolossensen 2:23: Dewelke wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwilligen godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, maar zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
[^1timotheus-4-8-18]: Kanttekening 18: 18 hebbende de belofte: Namelijk van Christus zelf, Matt. 6:33. Mattheüs 6:33: Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
[^1timotheus-4-9-19]: Kanttekening 19: 19 een getrouw woord: Dat is, ene vaste en waarachtige belofte.
[^1timotheus-4-10-20]: Kanttekening 20: 20 gehoopt hebben: Namelijk in al onze zwarigheden en verdrukkingen.
[^1timotheus-4-10-21]: Kanttekening 21: 21 een Behouder is: Grieks soter; welk woord sommigen hier overzetten Zaligmaker. Maar daar God geen Zaligmaker is dan van de gelovigen, Joh. 3:36 en elders, zo kan het hier in die zin niet genomen worden, maar alleen voor een beschermer en behoeder, gelijk het Griekse woord sozein in het algemeen voor allerlei behoeden en bewaren dikwijls wordt gebruikt, ja ook Ps. 36:6, 36:7, om de goedheid Gods tegenover de Zijnen te prijzen, gezegd wordt, dat Hij mensen en vee behoedt. Johannes 3:36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. Psalmen 36:6: O YHWH! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Psalmen 36:7: Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten.
[^1timotheus-4-12-22]: Kanttekening 22: 22 Niemand verachte uw jonkheid: Dat is, geef niemand oorzaak door uw handel en wandel, dat u iemand om uwe jonkheid met reden zou kunnen verachten; welke zin de volgende woorden vereisen.
[^1timotheus-4-12-i]: Verwijzing i: Titus 2:15. Titus 2:15: Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte.
[^1timotheus-4-12-k]: Verwijzing k: Titus 2:7; 1 Petr. 5:3. Titus 2:7: Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid; 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^1timotheus-4-12-23]: Kanttekening 23: 23 in de geest: Dat is, ijver van de Geest, of gaven van de Geest.
[^1timotheus-4-13-24]: Kanttekening 24: 24 in het lezen: Namelijk van de Heilige Schrift, gelijk hij daarbij voegt; 2 Tim. 3:14, enz. 2 Timotheüs 3:14: Maar blijft u in wat u geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wie u het geleerd hebt;
[^1timotheus-4-14-25]: Kanttekening 25: Dat is, verwek haar en leg haar wel aan, besteed haar wel, 2 Tim. 1:6, 1:7. 2 Timotheüs 1:6: Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen. 2 Timotheüs 1:7: Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid.
[^1timotheus-4-14-26]: Kanttekening 26: 26 de gave niet: Hierdoor wordt zowel het beroep als de gave daartoe nodig verstaan, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
[^1timotheus-4-14-27]: Kanttekening 27: 27 de profetie: Zie hiervan de aantekening op 1 Tim. 1:18. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt;
[^1timotheus-4-14-l]: Verwijzing l: Hand. 6:6; Hand. 8:17; Hand. 13:3; Hand. 19:6; 1 Tim. 5:22; 2 Tim. 1:6. Handelingen 6:6: Welken zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. Handelingen 8:17: Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. Handelingen 13:3: Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. Handelingen 19:6: En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. 1 Timotheüs 5:22: Leg niemand haastig de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein. 2 Timotheüs 1:6: Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen.
[^1timotheus-4-14-28]: Kanttekening 28: 28 van het ouderlingschap: Dat is, van de vergadering van de ouderlingen, of de opzieners van de gemeente, in wier naam en aanwezigheid Paulus de handen Timotheüs had opgelegd 1 Tim. 6:12; want dat Paulus dit zelf gedaan heeft, blijkt uit 2 Tim. 1:6, en wel te Lystre, gelijk af te leiden is uit Hand. 16:1, 16:2. 1 Timotheüs 6:12: Strijd de goede strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 2 Timotheüs 1:6: Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Handelingen 16:2: Welken goeden getuigenis gegeven werd van de broeders te Lystre en Ikonium.
[^1timotheus-4-15-29]: Kanttekening 29: 29 uw toenemen: Namelijk in gaven en godzaligheid.
[^1timotheus-4-15-30]: Kanttekening 30: 30 in alles: Namelijk dingen; of, onder alle; namelijk mensen.
[^1timotheus-4-16-31]: Kanttekening 31: 31 uzelven behouden: Namelijk door het woord, als een instrument en dienaar van Christus, in wie het woord van de verzoening is gelegd, 2 Kor. 5:19; zo nochtans, dat noch die plant iets is noch die nat maakt, maar God die de wasdom geeft; 1 Kor. 3:7. 2 Korinthiërs 5:19: Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 1 Korinthiërs 3:7: Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft.

### 1 Timotheüs 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/5.json)

*1 De apostel wijst aan hoe de vermaningen tegen ouderen en jongeren moeten gebeuren. 3 beveelt dat men alle echte weduwen eert. 4 Maar de kinderen en kleinkinderen, dat zij hun weduwen en voorouders zelf onderhouden. 9 Beschrijft daarna de ouderdom en andere eigenschappen van de weduwen die geschikt zijn voor de dienst van de gemeente. 11 maar wil dat de jonge weduwen hierin gepasseerd worden. 14 en dat zij trouwen. 17 Hij komt daarna tot de ouderlingen, en wijst aan welke eer men hun verschuldigd is. 19 Dat men ook geen beschuldigingen tegen hen mag aannemen dan onder getuigen. 21 Betuigt voor God en de heilige engelen, dat hij hierin handelt zonder partijdigheid. 23 wil ook dat hij niet langer water drinkt. 24 en besluit met een verklaring waardoor diezelfde ouderlingen gekend kunnen worden.*

**1** [^1timotheus-5-1-a] Bestraf een[^1timotheus-5-1-1] oude man[^1timotheus-5-1-2] niet hard, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v1)

**2** De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v2)

**3** [^1timotheus-5-3-3] Eer de weduwen, die[^1timotheus-5-3-4] werkelijk weduwen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v3)

**4** Maar zo enige weduwe[^1timotheus-5-4-5] kinderen heeft, of kleinkinderen, dat[^1timotheus-5-4-6] die leren eerst aan[^1timotheus-5-4-7] hun eigen huis godzaligheid oefenen,[^1timotheus-5-4-b] en de voorouderen[^1timotheus-5-4-8] wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v4)

**5** [^1timotheus-5-5-c] Die nu werkelijk weduwe is, en[^1timotheus-5-5-9] alleen gelaten,[^1timotheus-5-5-d] die[^1timotheus-5-5-10] hoopt op God, en[^1timotheus-5-5-11] blijft in smekingen en gebeden nacht en dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v5)

**6** Maar die haar hartstocht volgt, die is[^1timotheus-5-6-12] levende gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v6)

**7** En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v7)

**8** [^1timotheus-5-8-e] Maar[^1timotheus-5-8-13] zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof[^1timotheus-5-8-14] verloochend, en is erger[^1timotheus-5-8-15] dan een ongelovige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v8)

**9** Dat een weduwe[^1timotheus-5-9-16] gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, die[^1timotheus-5-9-17] van één man vrouw geweest zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v9)

**10** Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft,[^1timotheus-5-10-f] zo zij graag heeft geherbergd,[^1timotheus-5-10-g] zo zij van de[^1timotheus-5-10-18] heiligen voeten heeft gewassen, zo zij de verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij elk goed werk[^1timotheus-5-10-19] nagetracht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v10)

**11** Maar neem de jonge weduwen niet[^1timotheus-5-11-20] aan; want als zij[^1timotheus-5-11-21] weelderig geworden zijn[^1timotheus-5-11-22] tegen Christus, zo willen zij trouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v11)

**12** [^1timotheus-5-12-23] Hebbende haar oordeel, omdat zij haar[^1timotheus-5-12-24] eerste geloof hebben te niet gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v12)

**13** En[^1timotheus-5-13-25] meteen ook leren zij leeg omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen leeg, maar ook[^1timotheus-5-13-h] roddelachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, wat niet past. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v13)

**14** [^1timotheus-5-14-26] Ik wil dan, dat de jonge[^1timotheus-5-14-i] weduwen trouwen, kinderen krijgen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering[^1timotheus-5-14-27] aan de tegenstander geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v14)

**15** Want[^1timotheus-5-15-28] enige hebben zich al[^1timotheus-5-15-29] afgewend achter de satan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v15)

**16** Zo enig gelovig man, of gelovige[^1timotheus-5-16-30] vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard wordt, opdat[^1timotheus-5-16-31] zij degenen, die[^1timotheus-5-16-32] werkelijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v16)

**17** [^1timotheus-5-17-k] Dat de ouderlingen, die wel regeren,[^1timotheus-5-17-33] dubbele eer waard geacht worden,[^1timotheus-5-17-34] voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v17)

**18** Want de Schrift zegt:[^1timotheus-5-18-35][^1timotheus-5-18-l] Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en:[^1timotheus-5-18-36][^1timotheus-5-18-m] De arbeider is zijn loon waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v18)

**19** Neem tegen een ouderling[^1timotheus-5-19-37] geen beschuldiging aan, anders[^1timotheus-5-19-n] dan onder twee of drie getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v19)

**20** [^1timotheus-5-20-38] Bestraf die zondigen in aanwezigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v20)

**21** [^1timotheus-5-21-o] Ik betuig voor God, en de Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u[^1timotheus-5-21-39] deze dingen onderhoudt,[^1timotheus-5-21-40][^1timotheus-5-21-p] zonder vooroordeel, niets doende naar[^1timotheus-5-21-41] toegenegenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v21)

**22** [^1timotheus-5-22-q] Leg niemand[^1timotheus-5-22-42] haastig de handen op, en heb geen gemeenschap[^1timotheus-5-22-43] aan zonden van anderen; bewaar uzelf[^1timotheus-5-22-44] rein. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v22)

**23** Drink niet langer water[^1timotheus-5-23-45] alleen, maar gebruik een weinig wijn,[^1timotheus-5-23-r] om uw maag en uw veelvuldige[^1timotheus-5-23-46] zwakheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v23)

**24** Van sommige mensen zijn de zonden[^1timotheus-5-24-47] te voren[^1timotheus-5-24-s] openbaar, en gaan voor[^1timotheus-5-24-48] tot hun veroordeling; en in sommigen ook[^1timotheus-5-24-49] volgen zij na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v24)

**25** Evenzo ook de goede werken zijn te voren openbaar, en[^1timotheus-5-25-50] daar het anders mee gelegen is, kunnen niet verborgen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/5.html#v25)

[^1timotheus-5-1-a]: Verwijzing a: Lev. 19:32. Leviticus 19:32: Voor het grauwe haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de ouden vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben YHWH!
[^1timotheus-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 ouden man: Dat het Griekse woord presbyteros (Πρεσβυτέρῳ) hier in het algemeen moet genomen worden voor alle oude mannen, blijkt uit de volgende tegenstellingen.
[^1timotheus-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 bestraf niet hardelijk: Het Griekse woord betekent eigenlijk iemand met woorden slaan.
[^1timotheus-5-3-3]: Kanttekening 3: 3 Eer de weduwen: Dat is, bevorder haar, doet haar alle hulp en bijstand, gelijk het navolgende vers vers 4 vereist. Zie ook vers 17. 1 Timotheüs 5:4: Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kleinkinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en de voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
[^1timotheus-5-3-4]: Kanttekening 4: 4 waarlijk weduwen zijn: Dat is, zonder kinderen of vrienden die haar kunnen helpen, of die van alle menselijke hulp ontbloot zijn, gelijk vers 5 wordt verklaard. 1 Timotheüs 5:5: Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.
[^1timotheus-5-4-5]: Kanttekening 5: 5 kinderen heeft, of: Namelijk die tot hunne jaren zijn gekomen en middelen hebben om haar te helpen.
[^1timotheus-5-4-6]: Kanttekening 6: 6 die leren eerst aan: Namelijk kinderen of kleinkinderen. Anderen verstaan het van de weduwen, maar het getal van velen en het woord leren \[dat in het Grieks niet onderwijzen, maar zich laten onderwijzen betekent\] en de Griekse woorden wedervergelding doen, strijden daartegen.
[^1timotheus-5-4-7]: Kanttekening 7: 7 hun eigen huis godzaligheid: Dat is, hun eigen geslacht en navrienden.
[^1timotheus-5-4-b]: Verwijzing b: Gen. 45:10; idem v. 11; Matt. 15:4; Mark. 7:10; Efez. 6:1; idem v. 2. Genesis 45:10: En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt. Genesis 45:11: En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! Mattheüs 15:4: Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. Marcus 7:10: Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. Efeziërs 6:1: U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in de Heer; want dat is recht. Efeziërs 6:2: Eert uw vader en moeder (dat het eerste gebod is met een belofte),
[^1timotheus-5-4-8]: Kanttekening 8: 8 wedervergelding te doen: Dat is, haar opnieuw helpen en voeden, gelijk zij de kinderen in hunne jonkheid hebben gedaan.
[^1timotheus-5-5-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 7:32. 1 Korinthiërs 7:32: En ik wil, dat u zonder bekommernis bent. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer zal behagen;
[^1timotheus-5-5-9]: Kanttekening 9: 9 alleen gelaten: Dat is, zonder middelen of vrienden, die haar kunnen of willen helpen.
[^1timotheus-5-5-d]: Verwijzing d: Lukas 2:36. Lukas 2:36: En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was tot grote ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.
[^1timotheus-5-5-10]: Kanttekening 10: 10 hoopt op God: Namelijk alleen, die een vader is van weduwen en wezen; Ps. 68:6. Psalmen 68:6: Hij is een Vader van de wezen, en een Rechter van de weduwen; God, in de woonstede van Zijn heiligheid.
[^1timotheus-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 blijft in smekingen: Namelijk gelijk van Anna de profetes wordt verhaald; Luk. 2:36, enz. Lukas 2:36: En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was tot grote ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.
[^1timotheus-5-6-12]: Kanttekening 12: 12 levende gestorven: Dat is, al leeft zij naar het lichaam, zo is zij geestelijk dood, gelijk Matt. 8:22. Mattheüs 8:22: Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
[^1timotheus-5-8-e]: Verwijzing e: Galat. 6:10. Galaten 6:10: Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten van het geloof.
[^1timotheus-5-8-13]: Kanttekening 13: 13 zo iemand de zijnen: Namelijk gezondheid en middel daartoe hebbende.
[^1timotheus-5-8-14]: Kanttekening 14: Namelijk inderdaad, al belijdt hij het nog met de mond. Zie Tit. 1:16. Titus 1:16: Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, zo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot elk goed werk ongeschikt.
[^1timotheus-5-8-15]: Kanttekening 15: 15 dan een ongelovige: Namelijk daar die ook naar de wet van de natuur dit plegen te doen.
[^1timotheus-5-9-16]: Kanttekening 16: 16 gekozen worde niet minder dan van zestig jaren: Namelijk tot het ambt ener diakones welke in de eerste Kerk de gemeente diende onder zieke, vreemde en arme mensen, en die daarvoor door de gemeente, in de nood zijnde, werden onderhouden.
[^1timotheus-5-9-17]: Kanttekening 17: 17 ééns mans vrouw: Niet dat de vrouwen veel mannen te gelijk hadden, maar dat door de echtscheiding, die in gebruik was, de vrouwen veel mannen, de één na de ander dikwijls hadden, die nog te zamen in leven waren, dat door Christus wordt bestraft, Matt. 5:32; Mark. 10:12. Anderen nemen het voor ééne die maar eens getrouwd is geweest, maar dit strijdt met wat Paulus zegt Rom. 7:1, enz., en 1 Kor. 7:39. Mattheüs 5:32: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. Marcus 10:12: En als een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel. Romeinen 7:1: Weet u niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over de mens, zo langen tijd als hij leeft? 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer.
[^1timotheus-5-10-f]: Verwijzing f: 1 Petr. 4:9. 1 Petrus 4:9: Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren.
[^1timotheus-5-10-g]: Verwijzing g: Gen. 18:4; Gen. 19:2; Lukas 7:38; idem v. 44. Genesis 18:4: Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder deze boom. Genesis 19:2: En hij zei: Ziet nu, mijne heren! keert toch in in het huis van uw knecht, en overnacht, en wast uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten. Lukas 7:38: En staande achter Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. Lukas 7:44: En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zei tot Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt u niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd.
[^1timotheus-5-10-18]: Kanttekening 18: 18 voeten heeft gewassen: Gelijk dit in die warme landen veel gebruik was, waar de mensen blootvoets en alleen op zolen gingen, en daarom vermoeid zijnde of van stof vervuild, zulke diensten tot verkwikking veel pleegden te gebruiken. Zie Joh. 13:5, 13:14, en hierdoor wordt een voorbeeld van beleefdheid, allerlei zorg en dienst verstaan. Johannes 13:5: Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten van de discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was. Johannes 13:14: Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkanders voeten te wassen.
[^1timotheus-5-10-19]: Kanttekening 19: 19 nagetracht heeft: Grieks nagevolgd.
[^1timotheus-5-11-20]: Kanttekening 20: 20 neem … niet aan: Of, verwerp, weiger. Namelijk te verkiezen in het getal van de diakonessen. Want anders werden zij van het getal van de leden van de gemeente niet verworpen, wanneer zij goed waren van leven, gelijk uit vers 14 blijkt, en ook uit Rom. 7:3; 1 Kor. 7:39; tevoren aangetekend; en zelfs ook niet van de hulp van de gemeente, wanneer zij die nodig hadden, en geen kinderen of vrienden hadden, die haar konden helpen, gelijk Paulus vers 16 besluit. 1 Timotheüs 5:14: Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de tegenstander geven. Romeinen 7:3: Daarom dan, als zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar als de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, zo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt. 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer. 1 Timotheüs 5:16: Zo enig gelovig man, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen mag.
[^1timotheus-5-11-21]: Kanttekening 21: 21 weelderig geworden zijn: Dat is, in de dienst en onderhouding van de gemeente nu wel gevoed en vleselijk gezind geworden zijn. Zie Openb. 18:7, 18:9. Openbaring 18:7: Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. Openbaring 18:9: En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien;
[^1timotheus-5-11-22]: Kanttekening 22: 22 tegen Christus: Dat is, zonder aanzien van de dienst, die zij Christus en Zijne gemeente beloofd hebben.
[^1timotheus-5-12-23]: Kanttekening 23: 23 Hebbende haar oordeel: Of, hebbende schuld, dat is, hebbende een daad begaan die bestraffelijk is, en waarover zij te misprijzen of te blameren zijn. Anderen nemen het woord oordeel, voor veroordeling, of verdoemenis, en het eerste geloof voor het christelijke geloof, dat zij tevoren in de doop hadden beleden. Dan, waar Paulus hier van het huwelijk spreekt, dat niemand in de doop verzegt, noch verlooft, zo wordt het hier bekwamelijk wat zachter genomen, voor misprijzen of blameren, gelijk uit vers 14 ook af te leiden is. 1 Timotheüs 5:14: Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de tegenstander geven.
[^1timotheus-5-12-24]: Kanttekening 24: 24 haar eerste geloof: Dat is, haar eerste belofte of trouw; namelijk van zich zelf tot de dienst van de gemeente te laten gebruiken, waartoe zij zich met haar ontijdig huwelijk onbekwaam maken. Want dat hierdoor gene bepaalde belofte van niet te trouwen verstaan wordt, blijkt uit wat gezegd wordt vers 14. 1 Timotheüs 5:14: Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de tegenstander geven.
[^1timotheus-5-13-25]: Kanttekening 25: 25 meteen ook leren zij: Namelijk enige anderen van deze jonge weduwen, die ten dienste van de gemeente waren gekozen, onder de schijn van de één of de ander te gaan bezoeken, zijn tot zulke ijdelheid vervallen.
[^1timotheus-5-13-h]: Verwijzing h: Titus 2:3. Titus 2:3: De oude vrouwen ook, dat zij in haar dracht zijn, gelijk de heiligen betaamt, dat zij geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede;
[^1timotheus-5-14-26]: Kanttekening 26: 26 Ik wil dan: Dat is, gebied, namelijk zo zij de gave van onthouding niet hebben; 1 Kor. 7:7, 7:9. 1 Korinthiërs 7:7: Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar iedereen heeft zijn eigen gave van God, de één wel aldus, maar de andere zo. 1 Korinthiërs 7:9: Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.
[^1timotheus-5-14-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 7:9. 1 Korinthiërs 7:9: Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.
[^1timotheus-5-14-27]: Kanttekening 27: 27 aan de tegenstander geven: Dat is, die vreemd zijn van het geloof en maar oorzaken van lasteren zoeken. Anderen nemen het voor de satan zelf.
[^1timotheus-5-15-28]: Kanttekening 28: Namelijk van deze jonge weduwen, die daarover worden misprezen en van de gemeente min geacht.
[^1timotheus-5-15-29]: Kanttekening 29: 29 afgewend achter de satan: Dat is, zijn van het geloof afgeweken, en weer tot de satan gekeerd, die zij tevoren dienden, namelijk uit spijt en schaamte, die zij vanwege haar verkeerde handeling in de gemeente leden. Anderen nemen het voor: de verzoeking van de satan te hebben gehoor gegeven, en tot onkuisheid te zijn vervallen.
[^1timotheus-5-16-30]: Kanttekening 30: Namelijk in hun geslacht of onder hunne voorouders; versta, zo zij de middelen hebben om zulks te kunnen doen.
[^1timotheus-5-16-31]: Kanttekening 31: 31 zij degenen, die: Namelijk de gemeente.
[^1timotheus-5-16-32]: Kanttekening 32: 32 waarlijk weduwen zijn: Dat is, zonder volwassen kinderen of kleinkinderen, en van alle vrienden en hulp verlaten, gelijk vers 5. 1 Timotheüs 5:5: Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.
[^1timotheus-5-17-k]: Verwijzing k: Rom. 15:27; 1 Kor. 9:11; Galat. 6:6; Filip. 2:29; 1 Thes. 5:12; Hebr. 13:17. Romeinen 15:27: Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 1 Korinthiërs 9:11: Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Galaten 6:6: En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst. Filippensen 2:29: Ontvangt hem dan in de Heer, met alle blijdschap, en houdt zulke in waarde. 1 Thessalonicensen 5:12: En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heer, en u vermanen; Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^1timotheus-5-17-33]: Kanttekening 33: 33 dubbele eer waard: Dat is, meerder of overvloediger. Onder welke eer ook hun onderhoud verstaan wordt, gelijk de volgende verzen uitwijzen, en het woord eer bij de Hebreën zo gebruikelijk is. Zie Matt. 7:10, 7:11, enz. Mattheüs 7:10: En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? Mattheüs 7:11: Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!
[^1timotheus-5-17-34]: Kanttekening 34: 34 voornamelijk die arbeiden: Hieruit blijkt duidelijk, dat er toen twee soorten van ouderlingen in de gemeente waren, namelijk enige die in het woord arbeidden, en anderen die alleen tot de regering van de gemeente gebruikt werden, gelijk die ook voorstaanders of regeerders worden genoemd; Rom. 12:8; 1 Kor. 12:28, en elders. Want dat sommigen dit zo willen uitleggen, dat degenen die zich boven anderen wel kweten en naarstig waren in hun dienst met moeite en grote arbeid, verstaan zouden worden door de woorden arbeiden in het woord, is ongegrond, omdat Paulus zulke leraars die zich niet geheel wel kweten, of slapper waren in hun dienst dan anderen, nimmer heeft geprezen, noch gezegd dat zij wel regeren, evenmin dat zij dubbele eer waard waren. Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 1 Korinthiërs 12:28: En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.
[^1timotheus-5-18-35]: Kanttekening 35: 35 Een dorsenden os: Zie hiervan de aantekeningen 1 Kor. 9:9. 1 Korinthiërs 9:9: Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?
[^1timotheus-5-18-l]: Verwijzing l: Deut. 25:4; 1 Kor. 9:9. Deuteronomium 25:4: Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. 1 Korinthiërs 9:9: Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?
[^1timotheus-5-18-36]: Kanttekening 36: 36 De arbeider is zijn: Deze woorden worden gevonden Matt. 10:10. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard.
[^1timotheus-5-18-m]: Verwijzing m: Lev. 19:13; Deut. 24:14; Matt. 10:10; Lukas 10:7. Leviticus 19:13: U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; van de dagloner arbeidsloon zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. Deuteronomium 24:14: U zult de armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. Mattheüs 10:10: Noch male tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. Lukas 10:7: En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.
[^1timotheus-5-19-37]: Kanttekening 37: 37 Neem … geen beschuldiging aan: Dat is, veroordeel hem niet alleen niet zonder genoegzame getuigen, dat aan niemand mocht gebeuren, volgens de wet van Mozes, Deut. 19:15, maar neem zelfs geen beschuldiging aan om daarover te oordelen. De reden is, omdat zulken, die in deze openbare dienst van de regering van de gemeente zijn, daar zij een ieder moeten vermanen, en de ongeregelden bestraffen, licht tegen zich tegenzin en kwaadwilligheden kunnen verwekken, en dat zelfs het aannemen van de beschuldigingen om daarover te oordelen, een man verdacht maakt, en daarom tot ergernis van de gemeente en tot opspraak van dezelfde strekt. Deuteronomium 19:15: Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
[^1timotheus-5-19-n]: Verwijzing n: Deut. 19:15. Deuteronomium 19:15: Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.
[^1timotheus-5-20-38]: Kanttekening 38: 38 die zondigen: Namelijk onder de ouderlingen, als zij openbaar zondigen, of, wanneer zij genoegzaam overtuigd zijn. Want van deze had hij pas gesproken; dat nochtans op anderen ook kan en moet geduid worden, daar de redenen van de apostel niet minder tegen die gelden. Zie Matt. 18:17. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het aan de gemeente; en als hij ook aan de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
[^1timotheus-5-21-o]: Verwijzing o: Rom. 1:9; Rom. 9:1; 2 Kor. 1:23; 2 Kor. 11:31; Galat. 1:20; Filip. 1:8; 1 Thes. 2:5; 1 Thes. 5:27; 1 Tim. 6:13. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31: De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Galaten 1:20: Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippensen 1:8: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 2:5: Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Thessalonicensen 5:27: Ik bezweer u bij de Heer, dat deze zendbrief al de heiligen broeders gelezen worde. 1 Timotheüs 6:13: Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,
[^1timotheus-5-21-39]: Kanttekening 39: 39 deze dingen onderhoudt: Namelijk die tevoren gezegd zijn, en hierna nog gezegd zullen worden; omdat zij de dienaren van de gemeente aangaan gebruikt de apostel hier bij Timotheüs een zo hoge betuiging.
[^1timotheus-5-21-40]: Kanttekening 40: 40 zonder vooroordeel: Of zonder dat u de één hierin meer voordeel doet dan de ander, gelijk het Griekse woord prokrima (προκρίματος) meest betekent.
[^1timotheus-5-21-p]: Verwijzing p: Deut. 17:4; Deut. 19:18. Deuteronomium 17:4: En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; Deuteronomium 19:18: En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder;
[^1timotheus-5-21-41]: Kanttekening 41: Of, toeneiging; ene gelijkenis, genomen van de balans of weegschaal, waarin de ene schaal meer uitslaat dan de andere.
[^1timotheus-5-22-q]: Verwijzing q: Hand. 6:6; Hand. 8:17; Hand. 13:3; Hand. 19:6; 1 Tim. 4:14; 2 Tim. 1:6. Handelingen 6:6: Welken zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. Handelingen 8:17: Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. Handelingen 13:3: Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. Handelingen 19:6: En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap. 2 Timotheüs 1:6: Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging mijner handen.
[^1timotheus-5-22-42]: Kanttekening 42: 42 haastig de handen: Dat is, zonder behoorlijke en genoegzame beproeving van de persoon, zijn leven en zijn leer gedaan te hebben.
[^1timotheus-5-22-43]: Kanttekening 43: 43 aan anderer zonden: Dit kan verstaan worden òf van degenen die een onbekwaam persoon tot de dienst willen kiezen, òf van de persoon, die, onbekwaam zijnde, gekozen wordt.
[^1timotheus-5-22-44]: Kanttekening 44: Dat is, vrij van zulke zonden, of zonder schuld, gelijk dit Griekse woord hagnos ook gebruikt wordt 2 Kor. 7:11. 2 Korinthiërs 7:11: Want ziet, ditzelfde dat u naar God bent bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt u uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.
[^1timotheus-5-23-45]: Kanttekening 45: Het woord alleen, is wel in de Griekse tekst niet, maar moet noodwendig daarbij verstaan worden, gelijk het vervolg uitwijst. Want Paulus verbiedt hem niet water te drinken, maar niet alleen water.
[^1timotheus-5-23-r]: Verwijzing r: Ps. 104:15. Psalmen 104:15: En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.
[^1timotheus-5-23-46]: Kanttekening 46: Namelijk waar u soms in vervalt bij gebrek van genoegzaam steunsel, of voedsel.
[^1timotheus-5-24-47]: Kanttekening 47: 47 te voren openbaar: Namelijk voordat zij tot de dienst gekozen worden, gelijk van Simon de tovenaar gezegd wordt; Hand. 8:18. Handelingen 8:18: En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan,
[^1timotheus-5-24-s]: Verwijzing s: Galat. 5:19. Galaten 5:19: De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,
[^1timotheus-5-24-48]: Kanttekening 48: 48 tot hun veroordeling: Of, om hen te veroordelen; namelijk als onbekwaam tot de kerkedienst, dat is, om hen te verwerpen, of tot de dienst van de gemeente niet te verkiezen.
[^1timotheus-5-24-49]: Kanttekening 49: 49 volgen zij na: Dit verstaan enige aldus, dat sommiger ergerlijk leven of kwade leer tevoren genoeg bekend is, zelfs voordat men daarover onderzoek doet, en zij daarom zonder zwarigheid kunnen voorbij gegaan worden; maar sommigen zouden navolgen, dat is, eerst bekend worden, nadat behoorlijk onderzoek daarover gedaan is, en daarom dat men naarstig onderzoek moet doen voordat men verkiest. Anderen nemen voor bekend worden nadat zij al gekozen zijn, omdat zij van tevoren zich, gelijk de huichelaars plegen te doen, voor enen tijd wel hebben geschikt, en dat daarom degenen die hen gekozen hebben aan zulke geheime zonden, als maar behoorlijk onderzoek gedaan is, gene schuld hebben.
[^1timotheus-5-25-50]: Kanttekening 50: 50 daar het anders mee gelegen is: Grieks die anders hebben; dat is, wier goede werken en bekwaamheid tot de dienst nog niet bekend zijn, maar bij gebrek aan gelegenheid, of vanwege kwade mensen verduisterd, die zal God op Zijn tijd wel aan het licht brengen. Zo wil dan de apostel dat men hierin ook naarstig onderzoek doe.

### 1 Timotheüs 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1timotheus/6.json)

*1 De apostel vermaant de dienstknechten dat zij hun heren gehoorzamen. 3 Beschrijft de valse en bedrieglijke leraars, en beveelt dat men hen ontvlucht. 6 Vermaant tot godzaligheid en tevredenheid, en het mijden van hebzucht. 11 en tot verschillende andere christelijke deugden. 13 Betuigt voor God en Jezus Christus, dat hij dit zo waarneemt. 15 En uit overdenking van Christus' komst ten oordeel, en van de heerlijkheid van God, breekt hij uit tot Gods lof. 17 Schrijft de rijken voor hoe zij zich moeten gedragen voor God en de mensen. 20 Waarschuwt hem nog eens met grote ernst voor valse en bedrieglijke leer. 21 en besluit de brief met de gebruikelijke groet.*

**1** [^1timotheus-6-1-a] De dienaren, zovelen als er onder[^1timotheus-6-1-1] het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer[^1timotheus-6-1-2] niet gelasterd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v1)

**2** En die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die[^1timotheus-6-2-3] deze weldaad mee deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v2)

**3** Als iemand[^1timotheus-6-3-4] een andere leer leert, en[^1timotheus-6-3-5] niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v3)

**4** Die is hoogmoedig,[^1timotheus-6-4-6] en weet niets, maar[^1timotheus-6-4-7] hij raast ongeveer twist vragen en woordenstrijd;[^1timotheus-6-4-b] uit welke komt afgunst, twist, lasteringen, kwade nadenkingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v4)

**5** [^1timotheus-6-5-8][^1timotheus-6-5-c] Verkeerde ruzies van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid[^1timotheus-6-5-9] een winst zij. Wijk af van zulke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v5)

**6** [^1timotheus-6-6-d] Maar de godzaligheid[^1timotheus-6-6-10] is een groot winst[^1timotheus-6-6-11] met vergenoeging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v6)

**7** [^1timotheus-6-7-e] Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v7)

**8** [^1timotheus-6-8-f] Maar als wij voedsel en deksel hebben,[^1timotheus-6-8-g] wij zullen daarmee[^1timotheus-6-8-12] tevreden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v8)

**9** [^1timotheus-6-9-h] Maar die[^1timotheus-6-9-13] rijk willen worden, vallen in verzoeking, en[^1timotheus-6-9-14] in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, die de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v9)

**10** [^1timotheus-6-10-i] Want de[^1timotheus-6-10-15] geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald[^1timotheus-6-10-16] van het geloof, en hebben zichzelf[^1timotheus-6-10-17] met vele smarten doorstoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v10)

**11** [^1timotheus-6-11-k] Maar u,[^1timotheus-6-11-18] o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v11)

**12** [^1timotheus-6-12-l] Strijd de goede[^1timotheus-6-12-19] strijd van het[^1timotheus-6-12-20] geloof, grijp naar het eeuwige leven, tot dat u ook geroepen bent, en[^1timotheus-6-12-21] de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v12)

**13** [^1timotheus-6-13-m] Ik beveel u voor God,[^1timotheus-6-13-n] Die alle ding[^1timotheus-6-13-22] levend maakt, en voor Christus[^1timotheus-6-13-23][^1timotheus-6-13-o] Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v13)

**14** Dat u[^1timotheus-6-14-24] dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onze Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v14)

**15** Die op Zijn tijd[^1timotheus-6-15-25] vertonen zal[^1timotheus-6-15-p] de zalige en[^1timotheus-6-15-26] alleen machtige Heere,[^1timotheus-6-15-q] de Koning van de koningen, en Heere van de heren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v15)

**16** Die alleen onsterfelijkheid heeft, en[^1timotheus-6-16-27] een ontoegankelijk licht bewoont;[^1timotheus-6-16-r] Die geen mens[^1timotheus-6-16-28] gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v16)

**17** Beveel de rijken in deze tegenwoordige[^1timotheus-6-17-29] wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn,[^1timotheus-6-17-s] noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons[^1timotheus-6-17-30] alle dingen rijk verleent,[^1timotheus-6-17-31] om te genieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v17)

**18** Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, graag mededelende zijn,[^1timotheus-6-18-32] en gemeenzaam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v18)

**19** [^1timotheus-6-19-t] Leggende zichzelf weg tot een schat[^1timotheus-6-19-33] een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v19)

**20** O Timotheüs, bewaar[^1timotheus-6-20-34] het pand u[^1timotheus-6-20-v] toebetrouwd, een afkeer hebbende van[^1timotheus-6-20-35] het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de[^1timotheus-6-20-36] tegenstellingen van de vals genaamde wetenschap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v20)

**21** Die sommigen[^1timotheus-6-21-37] voorgevende, zijn[^1timotheus-6-21-38] van het geloof[^1timotheus-6-21-39] afgeweken.[^1timotheus-6-21-40] De genade zij met u. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1timotheus/6.html#v21)

[^1timotheus-6-1-a]: Verwijzing a: Efez. 6:5; Kolos. 3:22; Titus 2:9; 1 Petr. 2:18. Efeziërs 6:5: U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Kolossensen 3:22: U dienaren, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van de harten, vrezende God. Titus 2:9: Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welgevallig zijn, niet tegensprekende; 1 Petrus 2:18: U huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden.
[^1timotheus-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 het juk zijn: Dat is, slavernij of dienstbaarheid, welke een juk wordt genoemd, om de zwaarte en lastigheid daarvan in die tijden.
[^1timotheus-6-1-2]: Kanttekening 2: 2 niet gelasterd worde: Namelijk alsof de Christelijke godsdienst de dienaren of slaven, onder de dekmantel van de christelijke vrijheid, aan hunne heren onttrok of van hunne gehoorzaamheid, ondanks dat zij hunne heren zijn, losmaakte.
[^1timotheus-6-2-3]: Kanttekening 3: 3 deze weldaad mee deelachtig zijn: Namelijk de verlossing door Christus verworven. Anderen verstaan dit van de weldaad welke de dienaren van hunne heren opnieuw hebben te verwachten, die, wanneer zij gelovig zijn, niet zullen nalaten de trouwe dienst van de dienaren met dergelijke zorg en weldaad te belonen; en zetten het over: die dit weldoen weer zullen aannemen of vergelden.
[^1timotheus-6-3-4]: Kanttekening 4: 4 een andere leer leert, en: Namelijk gelijk ik geleerd heb.
[^1timotheus-6-3-5]: Kanttekening 5: 5 niet overeenkomt met: Grieks niet komt tot de gezonde woorden; dat is, daaraan niet vasthoudt.
[^1timotheus-6-4-6]: Kanttekening 6: 6 weet niets: Namelijk hoewel hij zichzelf wijs acht, of graag voor wijs zou gehouden worden.
[^1timotheus-6-4-7]: Kanttekening 7: 7 hij raast: Grieks is ziek, of krank; namelijk van zinnen of verstand, gelijk dwaalgeesten en bedriegelijke leraars plegen, die de eenvoudige leer van de godzaligheid te gering achten, en daarom met hogere spitsvondigheden of nieuwe leringen voor de gemeente zoeken te pronken, welke de apostel verklaard ongezond van verstand te zijn, omdat zij de gezonde leer verwerpen of voorbijgaan.
[^1timotheus-6-4-b]: Verwijzing b: 1 Tim. 1:4; 2 Tim. 2:23; Titus 3:9. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 2 Timotheüs 2:23: En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^1timotheus-6-5-8]: Kanttekening 8: Of oefeningen, disputeringen, waarmee zij hunne en anderder verstanden gelijk als verslijten, zonder dat van zulke krakelingen of twistingen enige vaste nuttigheid tot een oprecht geloof, en de oprechte godzaligheid voortkomt.
[^1timotheus-6-5-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 11:16. 1 Korinthiërs 11:16: Maar als iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.
[^1timotheus-6-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, slechts dient om wereldse eer of winst daardoor te zoeken, gelijk de bedriegelijke leraars onder hunne discipelen plegen te doen, waar de één met nieuwe gevoelens, spitsvondigheden en twisten de discipelen van anderen naar zich zoekt te trekken.
[^1timotheus-6-6-d]: Verwijzing d: Spreuk. 15:16; Hebr. 13:5. Spreuken 15:16: Beter is weinig met de vrees voor YHWH, dan een grote schat, en onrust daarbij. Hebreeën 13:5: Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
[^1timotheus-6-6-10]: Kanttekening 10: 10 is een grote winst: Dat is, in de godzaligheid zelve is de grootste winst gelegen, omdat die de belofte heeft van het tegenwoordige en van het toekomende leven, gelijk hij 1 Tim. 4:8 spreekt. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven.
[^1timotheus-6-6-11]: Kanttekening 11: 11 met vergenoeging: Dat is, met een gemoed, dat genoeg heeft en tevreden is met wat hem de Heer verleent, welke vergenoeging ook zelf uit de godzaligheid spruit. Want die Christus heeft, die heeft alles met Hem.
[^1timotheus-6-7-e]: Verwijzing e: Job 1:21; Job 27:19; Ps. 49:18. Job 1:21: En hij zei: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. De YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd! Job 27:19: Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. Psalmen 49:18: Want hij zal in zijn sterven niet met al meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
[^1timotheus-6-8-f]: Verwijzing f: Spreuk. 27:26. Spreuken 27:26: De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs van het veld.
[^1timotheus-6-8-g]: Verwijzing g: Ps. 55:23; Matt. 6:25; 1 Petr. 5:7. Psalmen 55:23: Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Mattheüs 6:25: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? 1 Petrus 5:7: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^1timotheus-6-8-12]: Kanttekening 12: 12 tevreden zijn: Namelijk zonder naar andere rijkdommen gierig te staan.
[^1timotheus-6-9-h]: Verwijzing h: Spreuk. 11:28; Matt. 13:22; Jak. 5:1. Spreuken 11:28: Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof. Mattheüs 13:22: En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar. Jakobus 5:1: Welaan nu, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.
[^1timotheus-6-9-13]: Kanttekening 13: 13 rijk willen worden: Dat is, hunne zinnen daarmede te zeer bekommeren, of met al te grote begeerte trachten om rijk te worden.
[^1timotheus-6-9-14]: Kanttekening 14: 14 in de strik: Namelijk van de duivel, die hen door deze begeerte van rijk te worden tot vele onbehoorlijke dingen verzoekt, en als met een strik in de wereld vasthoudt. Zie Matt. 6:24. Mattheüs 6:24: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of hij zal de ene aanhangen en de andere verachten; u kunt niet God dienen en de Mammon.
[^1timotheus-6-10-i]: Verwijzing i: Ex. 23:8; Deut. 16:19; Spreuk. 15:16. Exodus 23:8: Ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak van de rechtvaardigen. Deuteronomium 16:19: U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. Spreuken 15:16: Beter is weinig met de vrees voor YHWH, dan een grote schat, en onrust daarbij.
[^1timotheus-6-10-15]: Kanttekening 15: Grieks liefde van het geld.
[^1timotheus-6-10-16]: Kanttekening 16: 16 van het geloof: Dat is, van de gezonde leer van het geloof.
[^1timotheus-6-10-17]: Kanttekening 17: 17 met vele smarten doorstoken: Dat is, hun zielen met angst en zorg vele kwellingen aangedaan, om die te vergaderen, en als zij vergaderd zijn, om die te behouden. Waarom Christus haar ook bij doornen vergelijkt, Matt. 13:22, die de mensen kwetsen en het goede zaad verstikken. Mattheüs 13:22: En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
[^1timotheus-6-11-k]: Verwijzing k: 2 Tim. 2:22. 2 Timotheüs 2:22: Maar vlied de begeerlijkheden van de jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heer aanroepen uit een rein hart.
[^1timotheus-6-11-18]: Kanttekening 18: 18 o mens van God: Aldus noemt de Schrift degenen, die door Gods Geest worden geregeerd, en in het bijzonder de trouwe profeten en leraars. Zie 2 Kon. 1:9, enz.; 2 Tim. 3:17. 2 Koningen 1:9: En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: U, man van God! de koning zegt: Kom af. 2 Timotheüs 3:17: Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust.
[^1timotheus-6-12-l]: Verwijzing l: 1 Tim. 1:18. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goeden strijd strijdt;
[^1timotheus-6-12-19]: Kanttekening 19: 19 strijd van het geloof: Dat is, benaarstig u met alle vlijt niet alleen in het prediken van het woord van het geloof, maar ook in het beleven daarvan, 2 Tim. 4:7. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^1timotheus-6-12-20]: Kanttekening 20: 20 grijp naar het eeuwige leven: Ene gelijkenis, genomen van degenen die om de prijs lopen, en al lopende hunne handen uitsteken om te grijpen, als zij omtrent de eindpaal komen. Zie 1 Kor. 9:24; Filipp. 3:13, 3:14. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. Filippensen 3:13: Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Filippensen 3:14: Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus.
[^1timotheus-6-12-21]: Kanttekening 21: 21 de goede belijdenis beleden: Namelijk van Christus getrouw te zullen dienen, toen u van mij tot een evangelist in de aanwezigheid van de ouderlingen bent gekozen. Zie hiervoor 1 Tim. 4:14. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^1timotheus-6-13-m]: Verwijzing m: 1 Tim. 5:21. 1 Timotheüs 5:21: Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.
[^1timotheus-6-13-n]: Verwijzing n: Deut. 32:39; 1 Sam. 2:6. Deuteronomium 32:39: Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 1 Samuël 2:6: De YHWH doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weer opkomen.
[^1timotheus-6-13-22]: Kanttekening 22: 22 levend maakt, en voor: Dat is, onderhoudt en alles het leven geeft, wat leven heeft, Hand. 17:25; ja ook tot het leven verwekt wat reeds gestorven is; dat Paulus hierbij doet, om Timotheüs tegen alle gevaar van de dood te versterken. Handelingen 17:25: En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft;
[^1timotheus-6-13-23]: Kanttekening 23: 23 Die onder: Of, die voor. Zie hiervan Joh. 18:37, enz. Johannes 18:37: Pilatus dan zei tot Hem: Bent U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Iedereen, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
[^1timotheus-6-13-o]: Verwijzing o: Matt. 27:11; Joh. 18:37. Mattheüs 27:11: En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt U de Koning van de Joden? En Jezus zei tot hem: U zegt het. Johannes 18:37: Pilatus dan zei tot Hem: Zijt U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Een iedereen, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
[^1timotheus-6-14-24]: Kanttekening 24: 24 dit gebod houdt: Dat is, deze bevelen, die ik u tot hiertoe heb gegeven, zelf onderhoudt en anderen beveelt te onderhouden.
[^1timotheus-6-15-25]: Kanttekening 25: 25 vertonen zal de zalige: Dat is, te voorschijn zal brengen uit de hemel om te oordelen de levenden en de doden.
[^1timotheus-6-15-p]: Verwijzing p: 1 Tim. 1:17. 1 Timotheüs 1:17: De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijken, de onzichtbare, de alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^1timotheus-6-15-26]: Kanttekening 26: 26 alleen machtige Heer: Zo wordt God de Vader alleen wijs, 1 Tim. 1:17, en alleen goed genoemd, Matt. 19:17, en in het volgende vers vers 16 gezegd de onsterfelijkheid alleen te bezitten, omdat hij die alleen van zichzelf en volmaakt heeft. En de apostel spreekt hier zo, niet om Christus hier uit te sluiten, die deze titels ook worden gegeven, Openb. 1:8, en Openb. 19:16, en elders, maar om God zo van alle schepselen te onderscheiden, en om aan te wijzen, dat wij geen macht, die tegen ons is, in de wereld hebben te vrezen, wanneer wij ons beroep getrouw uitvoeren, en daarom God voor ons hebben, die door Christus eenmaal alles zal richten. Zie ook Joh. 17:3. 1 Timotheüs 1:17: De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Mattheüs 19:17: En Hij zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Maar wilt u in het leven ingaan, onderhoud de geboden. 1 Timotheüs 6:16: Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. Openbaring 1:8: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 19:16: En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^1timotheus-6-15-q]: Verwijzing q: Openb. 17:14; Openb. 19:16. Openbaring 17:14: Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Openbaring 19:16: En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^1timotheus-6-16-27]: Kanttekening 27: 27 een ontoegankelijk licht bewoont: Dat is, een volmaaktheid en heerlijkheid in zichzelf bezit, die niemand kan begrijpen, gelijk het woord licht ook genomen wordt; 1 Joh. 1:5, enz. 1 Johannes 1:5: En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en geheel geen duisternis in Hem is.
[^1timotheus-6-16-r]: Verwijzing r: Ex. 33:20; Deut. 4:12; 1 Joh. 4:12. Exodus 33:20: Hij zei verder: U zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. Deuteronomium 4:12: Zo sprak YHWH tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zaagt geen gelijkenis, behalve de stem. 1 Johannes 4:12: Niemand heeft ooit God aanschouwd; als wij elkaar liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.
[^1timotheus-6-16-28]: Kanttekening 28: 28 gezien heeft, noch zien kan: Namelijk met het oog van het lichaam, omdat hij een geestelijk wezen is, gelijk hij daarom onzichtbaar genaamd wordt; 1 Tim. 1:17. Zie ook Joh. 1:18, en 1 Joh. 4:20. 1 Timotheüs 1:17: De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 1 Johannes 4:20: Als iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft?
[^1timotheus-6-17-29]: Kanttekening 29: Grieks eeuw.
[^1timotheus-6-17-s]: Verwijzing s: Mark. 4:18; Lukas 8:14. Marcus 4:18: En deze zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk degenen, die het Woord horen; Lukas 8:14: En dat in de doornen valt, zijn deze, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten van het leven, en voldragen geen vrucht.
[^1timotheus-6-17-30]: Kanttekening 30: 30 alle dingen rijk verleent: Zelfs ook de rijkdommen.
[^1timotheus-6-17-31]: Kanttekening 31: 31 om te genieten: Grieks tot genieting; namelijk met dankbaarheid en matigheid. Zie Deut. 8:10, enz. Deuteronomium 8:10: Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u YHWH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
[^1timotheus-6-18-32]: Kanttekening 32: Deze deugd van gemeenzaamheid wordt gesteld tegen de trots en de teruggetrokkenheid van sommige rijken, die de kleinen en armen verachten, en zelfs niet willen te woord staan. Anderen nemen het voor een gemeenzaamheid om aan anderen graag alle vriendschap en hulp te bewijzen, gelijk de mededeelzaamheid, welke voorafgaat, alleen de goederen betreft. Zie Gal. 6:6; Hebr. 13:16. Galaten 6:6: En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen dengene, die hem onderwijst. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
[^1timotheus-6-19-t]: Verwijzing t: Matt. 6:20; Lukas 12:33; Lukas 16:9. Mattheüs 6:20: Maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; Lukas 12:33: Verkoopt wat u hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. Lukas 16:9: En Ik zeg u: Maakt uzelven vrienden uit de onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten.
[^1timotheus-6-19-33]: Kanttekening 33: 33 een goed fondament: Namelijk van hoop; niet dat de weldadigheid van de rijken zulks verdient, maar omdat deze een vrucht is van het geloof, en God beloofd heeft deze uit genade om Christus' wil te belonen. Zie Hebr. 13:21, en 1 Petr. 2:5. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^1timotheus-6-20-34]: Kanttekening 34: 34 het pand u toebetrouwd: Dat is, de gezonde leer van het geloof, welke u als een pand is te bewaren gegeven, om het wel aan te leggen en ook anderen te bewaren te geven.
[^1timotheus-6-20-v]: Verwijzing v: 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 2 Tim. 2:16; Titus 1:14; Titus 3:9. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 2 Timotheüs 2:16: Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^1timotheus-6-20-35]: Kanttekening 35: 35 het ongoddelijk ijdel-roepen: Grieks onheilige ijdele roepingen; waardoor de apostel weer de spitsvondige krakelingen van de bedriegelijke leraars verstaat, die door hen met grote heftigheid en roepen zonder stichting worden gevoerd.
[^1timotheus-6-20-36]: Kanttekening 36: Namelijk zo tegen de gezonde leer, als ook zelfs tegen elkaar in zaken waar geen zaligheid aan hangt, gelijk de bedriegelijke leraars plegen van de ene ijdele kwestie tot de andere te vervallen.
[^1timotheus-6-21-37]: Kanttekening 37: Dat is, daarvan belijdenis doende, en zichzelf voor zulken uitgevende.
[^1timotheus-6-21-38]: Kanttekening 38: 38 van het geloof: Dat is, van de gezonde leer van het geloof, gelijk vers 10. 1 Timotheüs 6:10: Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken.
[^1timotheus-6-21-39]: Kanttekening 39: Of gemist; gelijk iemand die het doel mist; wanneer hij scheen te schieten. Want zulken mensen overkomt dit dikwijls, dat zij door hunne spitsvondigheid en ijdele wijsheid van de ware wijsheid vervallen. Zie 2 Tim. 2:18. 2 Timotheüs 2:18: Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^1timotheus-6-21-40]: Kanttekening 40: 40 De genade zij met u. Amen: Zie hiervoor het besluit van de anderen brieven.

## 2 Timotheüs

### 2 Timotheüs 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2timotheus/1.json)

*1 Na het opschrift en de gebruikelijke groet, 3 verklaart de apostel de grote liefde die hij Timotheüs toedraagt, en met bidden voor hem toont. 4 alsook de reden waarom hij hem liefheeft, namelijk om zijn godzaligheid, waarin hij van kindsbeen af door zijn grootmoeder en moeder was opgevoed. 6 Vermaant hem dat hij zijn gaven wil opwekken, 7 en niet vrezen noch zich schamen de leer van het Evangelie vrijmoedig te prediken, en daarvoor verdrukking te lijden. 9 Beschrijft daartoe de voortreffelijkheid van onze roeping en het nut van diezelfde leer. 11 En stelt hem ook zijn eigen voorbeeld voor. 13 Vermaant hem ook dat hij diezelfde leer tot een voorbeeld wil houden, en haar vast wil bewaren. 15 Verklaart dat allen die uit Asia te Rome bij hem waren, hem verlaten hadden. 16 Maar dat Onesiforus hem trouw was bijgebleven. 18 waarom hij God bidt dat hij dat hem genadig wil vergelden.*

**1** Paulus, een apostel van Jezus[^2timotheus-1-1-1] Christus, door de wil van[^2timotheus-1-1-2] God, naar de belofte van het leven, dat in Christus Jezus is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v1)

**2** [^2timotheus-1-2-3] Aan Timotheüs, mijn geliefde[^2timotheus-1-2-4] zoon:[^2timotheus-1-2-a] genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v2)

**3** [^2timotheus-1-3-5] Ik dank God,[^2timotheus-1-3-b] Wie ik dien[^2timotheus-1-3-6] van mijn voorouderen aan[^2timotheus-1-3-7] in een rein geweten,[^2timotheus-1-3-c] zoals ik zonder ophouden aan u gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v3)

**4** Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw[^2timotheus-1-4-8] tranen, opdat ik[^2timotheus-1-4-9] met blijdschap mag vervuld worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v4)

**5** [^2timotheus-1-5-10] Als ik mij in herinnering breng het[^2timotheus-1-5-11] ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst[^2timotheus-1-5-12] gewoond heeft in uw[^2timotheus-1-5-13] grootmoeder Lois, en in uw moeder[^2timotheus-1-5-14] Eunice; en[^2timotheus-1-5-15] ik ben verzekerd, dat het ook in u woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v5)

**6** Om die reden maak ik u indachtig, dat u[^2timotheus-1-6-16] opwekt[^2timotheus-1-6-17] de gave van God,[^2timotheus-1-6-18][^2timotheus-1-6-d] die in u is, door de oplegging[^2timotheus-1-6-19] van mijn handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v6)

**7** [^2timotheus-1-7-e] Want God heeft ons niet gegeven[^2timotheus-1-7-20] een geest van de vreesachtigheid,[^2timotheus-1-7-21] maar van de kracht, en van de liefde, en[^2timotheus-1-7-22] van de gematigdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v7)

**8** [^2timotheus-1-8-f] Schaam u dan niet[^2timotheus-1-8-23] van het getuigenis van onze Heere, noch van mij die[^2timotheus-1-8-g][^2timotheus-1-8-24] Zijn gevangene ben; maar lijd[^2timotheus-1-8-25] verdrukkingen met het Evangelie,[^2timotheus-1-8-26] naar de kracht van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v8)

**9** [^2timotheus-1-9-h] Die ons heeft[^2timotheus-1-9-27] zalig gemaakt, en[^2timotheus-1-9-28] geroepen[^2timotheus-1-9-29] met een heilige roeping;[^2timotheus-1-9-30] niet naar onze werken,[^2timotheus-1-9-31] maar naar Zijn eigen voornemen en[^2timotheus-1-9-32] genade,[^2timotheus-1-9-33] die ons gegeven is in Christus Jezus,[^2timotheus-1-9-35] voor de tijden van de eeuwen;[^2timotheus-1-9-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v9)

**10** [^2timotheus-1-10-i] Maar nu geopenbaard is door[^2timotheus-1-10-36] de verschijning van onze Zaligmaker Jezus[^2timotheus-1-10-k] Christus, Die[^2timotheus-1-10-37] de dood heeft[^2timotheus-1-10-38] te niet gedaan, en[^2timotheus-1-10-39] het leven en de onvergankelijkheid[^2timotheus-1-10-40] aan het licht gebracht door het Evangelie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v10)

**11** [^2timotheus-1-11-41][^2timotheus-1-11-l] Waartoe ik[^2timotheus-1-11-42] gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v11)

**12** Om welke oorzaak ik ook[^2timotheus-1-12-43] deze dingen lijde, maar word[^2timotheus-1-12-44] niet beschaamd; want ik weet,[^2timotheus-1-12-45] in Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij[^2timotheus-1-12-46] machtig is,[^2timotheus-1-12-47] mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot[^2timotheus-1-12-48] die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v12)

**13** [^2timotheus-1-13-49][^2timotheus-1-13-m] Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt,[^2timotheus-1-13-50] in geloof en liefde,[^2timotheus-1-13-51] die in Christus Jezus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v13)

**14** [^2timotheus-1-14-52] Bewaar het goede pand,[^2timotheus-1-14-53] dat u toebetrouwd is, door[^2timotheus-1-14-54] de Heilige Geest,[^2timotheus-1-14-55] Die in ons woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v14)

**15** U weet dit,[^2timotheus-1-15-n] dat[^2timotheus-1-15-56] allen, die in Azië zijn, zich van mij[^2timotheus-1-15-57] afgewend hebben; onder die is Fygellus en Hermogenes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v15)

**16** De Heere geve[^2timotheus-1-16-58] de huize[^2timotheus-1-16-o] van[^2timotheus-1-16-59] Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls[^2timotheus-1-16-60] verfrist, en heeft zich[^2timotheus-1-16-61] voor mijn boeien niet geschaamd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v16)

**17** Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer ijverig[^2timotheus-1-17-62] gezocht, en heeft mij gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v17)

**18** De Heere geve hem,[^2timotheus-1-18-63] dat hij barmhartigheid vinde[^2timotheus-1-18-64] bij de Heere,[^2timotheus-1-18-65] in die dag; en hoeveel hij mij[^2timotheus-1-18-66] te Efeze gediend heeft, weet u[^2timotheus-1-18-67] zeer wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/1.html#v18)

[^2timotheus-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 door de wil van God: Dat is, die van God zelf, naar Zijn believen, tot het apostelschap gekozen en beroepen ben. Zie Rom. 1:1; Gal. 1:1, 1:15. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Galaten 1:15: Maar wanneer het God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,
[^2timotheus-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 naar de belofte van het leven: Dat is, om te verkondigen het Evangelie, waarin voorgesteld wordt de belofte van het eeuwige leven, die God gedaan heeft aan al degenen die in Christus Jezus geloven. Zie Rom. 1:2, 1:16; Tit. 1:1, 1:2, 1:3. Romeinen 1:2: (Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften). Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Titus 1:1: Paulus, een dienaar van God, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God, en de kennis van de waarheid, die naar de godzaligheid is; Titus 1:2: In de hoop van het eeuwige leven, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd; Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^2timotheus-1-2-3]: Kanttekening 3: 3 Aan Timotheüs: Van deze zie Hand. 16:1; Rom. 16:21; 1 Kor. 4:17; 2 Kor. 1:1; Filipp. 2:19; 1 Tim. 1:2, en doorgaans in de Handelingen van de apostelen, en in de zendbrieven van Paulus. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Romeinen 16:21: U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten. 1 Korinthiërs 4:17: Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer. 2 Korinthiërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: Filippensen 2:19: En ik hoop in de Heer Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^2timotheus-1-2-4]: Kanttekening 4: Grieks kind; zie 1 Tim. 1:2. Zo noemt hem de apostel, die nu een oud man was, Filem.:9, omdat hij nog jong was, 1 Tim. 4:12, en omdat hij hem door het Evangelie had gebaard, en tegenover hem vaderlijk gezind was, gelijk het woord geliefde ook te kennen geeft. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. Filemon 1:9: Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid.
[^2timotheus-1-2-a]: Verwijzing a: Galat. 1:3; 1 Tim. 1:2; 1 Petr. 1:2. Galaten 1:3: Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heer Jezus Christus; 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2timotheus-1-3-5]: Kanttekening 5: 5 Ik dank God: Aldus kan dit ook overgezet worden uit vergelijking van deze plaats met Rom. 1:8, 1:9, 1:10. Ik dank God voor u. En God is mijn getuige, die ik diene, enz. hoe ik zonder ophouden uw gedachtig ben, enz. Of deze woorden: ik dank God, kunnen gevoegd worden bij vers 5. Romeinen 1:8: Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 1:10: Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd, door de wil van God, om tot u te komen. 2 Timotheüs 1:5: Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.
[^2timotheus-1-3-b]: Verwijzing b: Hand. 22:3; Rom. 1:9. Handelingen 22:3: Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent; Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke;
[^2timotheus-1-3-6]: Kanttekening 6: 6 van mijn voorouderen aan: Dat is, naar het voorbeeld van de heilige patriarchen, profeten en gelovige Joden in het Oude Testament, van wie ik afkomstig ben. Zie Hand. 22:3; 2 Kor. 11:22; Filipp. 3:5. Handelingen 22:3: Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, zoals u allen heden bent; 2 Korinthiërs 11:22: Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. Filippensen 3:5: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër;
[^2timotheus-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 in een rein geweten: Dat is, gereinigd zijnde door de Heilige Geest en het bloed van Jezus Christus; Hebr. 9:14, en Hebr. 10:22. Dat moet verstaan worden van de tijd van zijn bekering; hoewel hem enigszins een goed geweten kan toegeschreven worden voor zijne bekering, om de redenen verklaard; Hand. 23:1. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven aan God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Handelingen 23:1: En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag.
[^2timotheus-1-3-c]: Verwijzing c: 1 Thes. 1:2; 1 Thes. 3:10. 1 Thessalonicensen 1:2: Wij danken God altijd over u allen, uw gedachtig zijnde in onze gebeden; 1 Thessalonicensen 3:10: Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, wat aan uw geloof ontbreekt.
[^2timotheus-1-4-8]: Kanttekening 8: Namelijk die u om mijnentwil dikwijls gestort hebt, horende van mijn verdrukkingen, en voornamelijk toen u van mij scheidde. Zie Hand. 20:37, 20:38. Handelingen 20:37: En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem; Handelingen 20:38: Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.
[^2timotheus-1-4-9]: Kanttekening 9: 9 met blijdschap: Namelijk als ik u weer zal mogen zien.
[^2timotheus-1-5-10]: Kanttekening 10: 10 Als ik mij in gedachtenis: Grieks gedachtenis nemende van uw geloof.
[^2timotheus-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 ongeveinsd geloof: Dit wist de apostel uit menigvuldige ervaring van zijn oprechtheid.
[^2timotheus-1-5-12]: Kanttekening 12: 12 gewoond heeft in uw: Dat is, altijd en gedurig in haar is geweest, en gelijk als een vaste woonstede in haar hart genomen had.
[^2timotheus-1-5-13]: Kanttekening 13: 13 grootmoeder Lois: Namelijk vanwege uwe moeder. Want zijn vader was van Griekse of heidense afkomst en godsdienst. Zie Hand. 16:1. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader;
[^2timotheus-1-5-14]: Kanttekening 14: 14 Eunice; en: Die een gelovige Joodse vrouw wordt genoemd; Hand. 16:1. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader;
[^2timotheus-1-5-15]: Kanttekening 15: 15 ik ben verzekerd: Namelijk door al de overvloedige betoningen van de oprechtheid uws geloofs, die niet toelaten enigszins daaraan te twijfelen.
[^2timotheus-1-6-16]: Kanttekening 16: Het Griekse woord anazopyrein (ἀναζωπυρεῖν), dat de apostel hier gebruikt, betekent eigenlijk een klein vuur, dat bijna uitgegaan is, of onder de as geraakt, door blazen opnieuw levend en brandend maken; een zeer geschikte gelijkenis, waardoor aangewezen wordt, dat zo ook de gaven van de Heilige Geest door bidden, aanhouden in het lezen en vlijtige bediening van onze roeping, vermeerderd en als brandende gemaakt worden.
[^2timotheus-1-6-17]: Kanttekening 17: 17 de gave van God: Zie 1 Tim. 4:14. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^2timotheus-1-6-18]: Kanttekening 18: 18 die in u is, door de oplegging: Dat is, die ik met deze plechtigheid van de oplegging van de handen te kennen heb gegeven, door de werking van de Heilige Geest in u te zijn; en die, door de krachtige gebeden van de gemeente bij deze ceremonie gevoegd, van God in u nog zullen vermeerderd worden.
[^2timotheus-1-6-d]: Verwijzing d: Hand. 6:6; Hand. 8:17; Hand. 13:3; Hand. 19:6; 1 Tim. 4:14; 1 Tim. 5:22. Handelingen 6:6: Welken zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. Handelingen 8:17: Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. Handelingen 13:3: Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. Handelingen 19:6: En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap. 1 Timotheüs 5:22: Leg niemand haastig de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.
[^2timotheus-1-6-19]: Kanttekening 19: 19 mijner handen: In de eerste zendbrief, 1 Tim. 4:14, zegt de apostel van het ouderlingschap; dat beide waar is, daar de apostel Paulus hem de handen heeft opgelegd in aanwezigheid en uit naam van de gehele vergadering van de ouderlingen, als zijnde de voornaamsten onder deze en bovendien een apostel. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^2timotheus-1-7-e]: Verwijzing e: Rom. 8:15. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^2timotheus-1-7-20]: Kanttekening 20: 20 een geest van de vreesachtigheid: Dat is, ene beweging van het hart en van het gemoed, die, als zij kwaad is, van de boze, en als zij goed is, van de Heilige Geest in de mensen gewrocht wordt, en daarom Geest genaamd wordt.
[^2timotheus-1-7-21]: Kanttekening 21: 21 van de kracht, en van de liefde: Dat is, van de sterkte en kloekmoedigheid van het hart in het bedienen van ons ambt, midden onder alle vijanden, gevaren en verdrukkingen.
[^2timotheus-1-7-22]: Kanttekening 22: 22 van de gematigdheid: Grieks sophronismou; waardoor eigenlijk verstaan wordt een gematigd of gezond verstand, dat bij de kloekmoedigheid moet gevoegd worden, opdat deze niet in roekeloosheid, tieren, razen en onbescheidenheid verandere.
[^2timotheus-1-8-f]: Verwijzing f: Rom. 1:16. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
[^2timotheus-1-8-23]: Kanttekening 23: 23 van het getuigenis van onze Heer: Dat is, de leer van het Evangelie, waarin getuigd wordt wie onze Heer en Zaligmaker is, en hoe de Heer Zijne macht, wijsheid, rechtvaardigheid en barmhartigheid aan de mensen betoont. Zie Ps. 19:8, en Ps. 119:2; 1 Kor. 1:6, en 1 Kor. 2:1. Psalmen 19:8: De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende. Psalmen 119:2: Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser hart zoeken; 1 Korinthiërs 1:6: Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 1 Korinthiërs 2:1: En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.
[^2timotheus-1-8-g]: Verwijzing g: Hand. 21:33; Efez. 3:1; Efez. 4:1; Kolos. 4:18; Filem. v. 1; idem v. 9; idem v. 13. Handelingen 21:33: Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had. Efeziërs 3:1: Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. Efeziërs 4:1: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Kolossensen 4:18: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. Filemon 1:1: Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medearbeider, Filemon 1:9: Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus. Filemon 1:13: Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden van het Evangelie.
[^2timotheus-1-8-24]: Kanttekening 24: 24 Zijn gevangene ben: Dat is, om Zijnentwil gevangen.
[^2timotheus-1-8-25]: Kanttekening 25: 25 verdrukkingen met het Evangelie: Dat is, die het Evangelie zelf, en vanwege het Evangelie onderworpen zijn al degenen, die het prediken, aannemen en belijden; 2 Tim. 3:12. 2 Timotheüs 3:12: En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
[^2timotheus-1-8-26]: Kanttekening 26: 26 naar de kracht van God: Dat is, naar dat u God sterkte verleent, om die verdrukkingen volhardend en standvastig te verdragen. Dit doet hij daarbij, opdat wij zulks niet aan onze eigene krachten toeschrijven; zie Filipp. 1:29; 1 Tim. 1:12. Filippensen 1:29: Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden; 1 Timotheüs 1:12: En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heer, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende;
[^2timotheus-1-9-h]: Verwijzing h: Efez. 1:3; Titus 3:4; idem v. 5; idem v. 6. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Titus 3:4: Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, Titus 3:5: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; Titus 3:6: Denwelken Hij over ons rijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker;
[^2timotheus-1-9-27]: Kanttekening 27: 27 zalig gemaakt: Namelijk door Zijn Zoon Jezus Christus.
[^2timotheus-1-9-28]: Kanttekening 28: Namelijk uiterlijk door de prediking van het Evangelie, en inwendig door de krachtige werking van Zijn Geest.
[^2timotheus-1-9-29]: Kanttekening 29: 29 met een heilige roeping: Dat is, die in zichzelf heilig is, en die ons roept tot heiligheid; Luk. 1:75; Ef. 1:4; Kol. 1:22. Lukas 1:75: In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Kolossensen 1:22: In het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldig voor Zich stellen;
[^2timotheus-1-9-30]: Kanttekening 30: 30 niet naar onze werken: Namelijk die als een voorgaande of voorgeziene oorzaak deze roeping zouden verdienen, of God daartoe zouden hebben bewogen; zie Rom. 9:11; Ef. 2:9; Tit. 3:5. Romeinen 9:11: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende; Efeziërs 2:9: Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Titus 3:5: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest;
[^2timotheus-1-9-31]: Kanttekening 31: 31 maar naar Zijn eigen voornemen: Dat is, naar dat het hem beliefd en behaagd heeft van eeuwigheid, bij zichzelf, over ons te besluiten; zie Rom. 8:28, en Rom. 9:11; Ef. 1:11, en Ef. 3:11. Romeinen 8:28: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Romeinen 9:11: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende; Efeziërs 1:11: In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; Efeziërs 3:11: Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heer;
[^2timotheus-1-9-32]: Kanttekening 32: Dat is, genadig voornemen, welks enige en eerste bewegende oorzaak is de onverdiende genade en barmhartigheid van God; Rom. 6:23, en Rom. 11:5, 11:6; Gal. 1:15; Ef. 1:6; Tit. 3:7. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer. Romeinen 11:5: Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade. Romeinen 11:6: En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer. Galaten 1:15: Maar wanneer het God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Efeziërs 1:6: Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; Titus 3:7: Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope van het eeuwige leven.
[^2timotheus-1-9-33]: Kanttekening 33: 33 die ons gegeven is: Dat is, die God in Zijn raad voorgenomen en besloten heeft ons te geven. Zie dergelijke Joh. 17:24; want deze genade is ons metterdaad niet van eeuwigheid, maar in de tijd gegeven, wanneer wij geroepen worden; maar wordt zo gezegd, omdat deze werkelijke schenking geschiedt, naar dat eeuwig voornemen Gods, dat zo vast is alsof het reeds volbracht ware. Johannes 17:24: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld.
[^2timotheus-1-9-35]: Kanttekening 35: 35 voor de tijden van de eeuwen: Dat is, van eeuwigheid, of, gelijk hij elders spreekt, voor de grondlegging van de wereld; Ef. 1:4. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^2timotheus-1-9-34]: Kanttekening 34: 34 in Christus Jezus: Dat is, om derzelver vruchten door Jezus Christus te verkrijgen. Zie verder Ef. 1:4. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
[^2timotheus-1-10-i]: Verwijzing i: Rom. 16:25; Efez. 1:9; Efez. 3:9; Kolos. 1:26; Titus 1:2; 1 Petr. 1:20. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Efeziërs 1:9: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven. Efeziërs 3:9: En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:26: Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; Titus 1:2: In de hoop van de eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd; 1 Petrus 1:20: Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^2timotheus-1-10-36]: Kanttekening 36: 36 de verschijning van: Namelijk in het vlees, in Zijne eerste komst.
[^2timotheus-1-10-k]: Verwijzing k: Jes. 25:8; Hebr. 2:14. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^2timotheus-1-10-37]: Kanttekening 37: 37 de dood: Namelijk de eeuwige dood.
[^2timotheus-1-10-38]: Kanttekening 38: 38 te niet gedaan, en: Namelijk door Zijn dood; Hebr. 2:14. Versta, ten aanzien van de gelovigen, die door Hem daarvan verlost en bevrijd zijn. Want op de ongelovigen blijft de toorn van God; Joh. 3:36. Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Johannes 3:36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
[^2timotheus-1-10-39]: Kanttekening 39: 39 het leven en de onverderfelijkheid: Namelijk het eeuwige leven, gelijk het volgende woord onverderfelijkheid, ter verklaring bijgevoegd, aantoont.
[^2timotheus-1-10-40]: Kanttekening 40: 40 aan het licht gebracht: Dat is, teweeggebracht door zijn verdiensten, en tevoorschijn gebracht of bekend gemaakt door de prediking van het Evangelie.
[^2timotheus-1-11-41]: Kanttekening 41: Dat is, om dit Evangelie te prediken, voornamelijk onder de heidenen.
[^2timotheus-1-11-l]: Verwijzing l: Hand. 9:15; Hand. 13:2; Hand. 22:21; Galat. 1:15; Galat. 2:8; Efez. 3:8; 1 Tim. 2:7. Handelingen 9:15: Maar de Heer zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Handelingen 22:21: En Hij zei tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. Galaten 1:15: Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Galaten 2:8: (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap van de besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen); Efeziërs 3:8: Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 1 Timotheüs 2:7: Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid.
[^2timotheus-1-11-42]: Kanttekening 42: 42 gesteld ben een prediker: Namelijk van God, die mij daartoe afgezonderd, geroepen en verordineerd heeft. Zie Hand. 13:2; Rom. 1:1; Gal. 1:1. Handelingen 13:2: En als zij de Heer dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zondert Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft,
[^2timotheus-1-12-43]: Kanttekening 43: 43 deze dingen lijde: Dat is, deze verdrukkingen en banden.
[^2timotheus-1-12-44]: Kanttekening 44: 44 niet beschaamd: Of, ik schaam mij daarvan niet.
[^2timotheus-1-12-45]: Kanttekening 45: 45 Wie ik geloofd heb: Dat is, op wiens toezeggingen ik vertrouwd heb.
[^2timotheus-1-12-46]: Kanttekening 46: 46 machtig is: Dat is, dat hij niet alleen de wil heeft, dat uit zijne toezeggingen blijkt, maar ook de macht om die te volbrengen.
[^2timotheus-1-12-47]: Kanttekening 47: 47 mijn pand: Dat is, de eeuwige gelukzaligheid en heerlijkheid, die God zijn kinderen en getrouwe dienaren beloofd heeft, en van Hem in de hemel als een toevertrouwd pand voor hen weggelegd is, en getrouw bewaard wordt.
[^2timotheus-1-12-48]: Kanttekening 48: 48 die dag: Namelijk van de toekomst van Christus tot het oordeel, wanneer hij het hun zal geven om werkelijk en eeuwig te bezitten.
[^2timotheus-1-13-49]: Kanttekening 49: 49 Houd het voorbeeld: Dat is, houd altijd in uw zin een kort begrip van de gezonde leer, waarin de voornaamste hoofdstukken daarvan in het kort gelijk als ontworpen en afgebeeld zijn, waarnaar u uwe leringen mag richten. Of, gelijk sommigen uitleggen, laat de gezonde woorden, dat is, de gezonde leer, die u van mij gehoord hebt, en de manier, die ik in het leren houd, u een voorschrift zijn, dat u in het leren volgt.
[^2timotheus-1-13-m]: Verwijzing m: 2 Tim. 3:14. 2 Timotheüs 3:14: Maar blijft u in wat u geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wie u het geleerd hebt;
[^2timotheus-1-13-50]: Kanttekening 50: 50 in geloof en liefde: Dit zijn twee hoofdstukken, waartoe al de artikelen of stukken van de gezonde leer gebracht kunnen worden, en waarin deze begrepen zijn. Zie Tit. 3:8. Titus 3:8: Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn voor de mensen.
[^2timotheus-1-13-51]: Kanttekening 51: 51 die in Christus Jezus is: Dat is, welk geloof Christus Jezus tot een fondament heeft, en welke liefde om Christus' wil betoond moet worden. Zie 1 Tim. 1:14. 1 Timotheüs 1:14: Maar de genade onzes Heern is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.
[^2timotheus-1-14-52]: Kanttekening 52: 52 het goede pand: Namelijk van de gezonde leer. Zie 1 Tim. 6:20. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap;
[^2timotheus-1-14-53]: Kanttekening 53: 53 dat u toebetrouwd is: Namelijk van God, om wel te bewaren, en anderen zuiver en getrouw mee te delen.
[^2timotheus-1-14-54]: Kanttekening 54: 54 door de Heilige Geest: Dit doet hij daarbij, opdat Timotheüs deze bewaring niet zichzelf, of aan zijne krachten zou toeschrijven, daar dit in ons een werk en gave van de Heilige Geest is; Rom. 15:13; 1 Kor. 12:3. Romeinen 15:13: De God nu van de hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest. 1 Korinthiërs 12:3: Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heer te zijn, dan door de Heilige Geest.
[^2timotheus-1-14-55]: Kanttekening 55: 55 Die in ons woont: Zie Rom. 8:9, 8:11; 1 Kor. 3:16. Romeinen 8:9: Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, zo anders de Geest van God in u woont. Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Romeinen 8:11: En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont?
[^2timotheus-1-15-n]: Verwijzing n: Hand. 19:10. Handelingen 19:10: En dit geschiedde twee jaren lang, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heer Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.
[^2timotheus-1-15-56]: Kanttekening 56: 56 allen, die in Azië zijn: Dat is, meest alle dienaren van het Evangelie, die òf van Azië zijn, òf nu in Azië, te Efeze en elders zich ophouden. Zie de aantekeningen op Hand. 20:4. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus.
[^2timotheus-1-15-57]: Kanttekening 57: 57 afgewend hebben: Dat is, verlaten hebben, zonder mij in mijn dienst, of verantwoording bij te staan. Dergelijke klachten zie 2 Tim. 4:10, 4:16. 2 Timotheüs 4:10: Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 2 Timotheüs 4:16: In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.
[^2timotheus-1-16-58]: Kanttekening 58: 58 de huize van Onesiforus: Dat is, het gehele huisgezin, dat het goede voorbeeld van de huisvader, om Paulus te verkwikken, zonder twijfel nagevolgd heeft.
[^2timotheus-1-16-o]: Verwijzing o: 2 Tim. 4:19. 2 Timotheüs 4:19: Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus.
[^2timotheus-1-16-59]: Kanttekening 59: Dat is, alles goeds naar lichaam en ziel, dat zo genoemd wordt, omdat God de mensen het niet uit verdiensten, maar uit genadige ontferming verleent. Zie 1 Tim. 1:2. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^2timotheus-1-16-60]: Kanttekening 60: 60 verkwikt, en heeft zich: Het Griekse woord betekent eigenlijk, heeft mij verkoeling gedaan; ene gelijkenis van degenen, die, verhit zijnde, door de verkoeling verkwikt worden. Zie Ps. 39:14, en Ps. 66:12; Hand. 3:19. Psalmen 39:14: Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, voordat ik heenga, en ik niet meer zij. Psalmen 66:12: U hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. Handelingen 3:19: Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht van de Heer,
[^2timotheus-1-16-61]: Kanttekening 61: 61 mijner keten niet geschaamd: Dat is, mijn vernederden staat in mijn gevangenschap. Zie van deze keten de aantekeningen Hand. 28:16. Handelingen 28:16: En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde.
[^2timotheus-1-17-62]: Kanttekening 62: 62 gezocht, en heeft mij gevonden: Namelijk omdat Rome een zeer grote stad was en vol volks uit de gehele wereld.
[^2timotheus-1-18-63]: Kanttekening 63: 63 dat hij barmhartigheid: Zie vers 16. 2 Timotheüs 1:16: De Heer geve de huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.
[^2timotheus-1-18-64]: Kanttekening 64: 64 bij de Heer: Dat is, bij Hem, die onze Heer en Rechter is.
[^2timotheus-1-18-65]: Kanttekening 65: 65 in die dag: Namelijk als deze Heer de levenden en doden zal oordelen, en de straffen en de beloningen zal uitdelen.
[^2timotheus-1-18-66]: Kanttekening 66: 66 te Efeze gediend heeft: Namelijk boven de dienst, die Hij mij daarna hier te Rome heeft bewezen.
[^2timotheus-1-18-67]: Kanttekening 67: 67 zeer wel: Grieks beter.

### 2 Timotheüs 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2timotheus/2.json)

*1 De apostel vermaant Timotheüs verder dat hij het Evangelie door trouwe mensen wil voortplanten. 3 en daarvoor verdrukkingen lijden. 4 waartegen hij hem troost met de gelijkenissen van een krijgsman, kampvechter en landman. 7 Vermaant hem dat hij zijn vermaningen wil behartigen, en ijverig het artikel van Christus' opstanding inscherpen. 9 Stelt hem ook tot troost zijn eigen voorbeeld voor, en de zekere vergelding die door Christus na het lijden gegeven zal worden. 14 Vermaant hem dat hij het woord van God recht snijdt, en zich verzet tegen woordenstrijd, ijdel geroep, en leringen van de afvalligen, en met name van Hymeneüs en Filetus, die de opstanding loochenden. 19 Dat hoewel sommigen afvallen, het fundament van de eeuwige verkiezing toch vaststaat, en wijst aan waaraan men kan kennen dat men uitverkoren is. 22 Ten slotte vermaant hij hem de begeerten van de jeugd, dwaze vragen en twistingen te ontvluchten, en te trachten naar verschillende christelijke deugden, die in een leraar nodig zijn.*

**1** U dan,[^2timotheus-2-1-1] mijn zoon, word[^2timotheus-2-1-2] gesterkt[^2timotheus-2-1-3] in de genade,[^2timotheus-2-1-4] die in Christus Jezus is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v1)

**2** En wat u van mij gehoord hebt[^2timotheus-2-2-5] onder vele getuigen,[^2timotheus-2-2-6][^2timotheus-2-2-a] betrouw dat aan[^2timotheus-2-2-7] getrouwe mensen, die[^2timotheus-2-2-8] bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v2)

**3** U dan,[^2timotheus-2-3-9] lijd verdrukkingen, als[^2timotheus-2-3-10] een goed soldaat van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v3)

**4** [^2timotheus-2-4-11][^2timotheus-2-4-b] Niemand, die in de oorlog dient, wordt ingewikkeld in de handelingen van het levensonderhoud, opdat hij die mag behagen,[^2timotheus-2-4-12] die hem tot de oorlog aangenomen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v4)

**5** En als ook iemand[^2timotheus-2-5-13] strijdt, die wordt[^2timotheus-2-5-14] niet gekroond, zo hij niet[^2timotheus-2-5-15] wettelijk heeft gestreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v5)

**6** [^2timotheus-2-6-16][^2timotheus-2-6-c] De landman, als hij arbeidt, moet zo eerst de vruchten genieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v6)

**7** Merk, wat[^2timotheus-2-7-17] ik zeg;[^2timotheus-2-7-18] maar de Heere geve u verstand in alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v7)

**8** [^2timotheus-2-8-19] Houd in herinnering,[^2timotheus-2-8-20] dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt,[^2timotheus-2-8-d] Die is uit het zaad van David,[^2timotheus-2-8-21] naar mijn Evangelie; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v8)

**9** [^2timotheus-2-9-22][^2timotheus-2-9-e] Om dat ik verdrukkingen lijde[^2timotheus-2-9-23][^2timotheus-2-9-f] tot de banden toe,[^2timotheus-2-9-24] als een kwaaddoener; maar[^2timotheus-2-9-25] het Woord van God is niet gebonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v9)

**10** Daarom verdraag ik alles[^2timotheus-2-10-26] om de uitverkorenen,[^2timotheus-2-10-27] opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen,[^2timotheus-2-10-28] die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v10)

**11** [^2timotheus-2-11-29] Dit is een getrouw woord;[^2timotheus-2-11-g] want als wij[^2timotheus-2-11-30] met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met[^2timotheus-2-11-31] Hem leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v11)

**12** [^2timotheus-2-12-h] Als wij[^2timotheus-2-12-32] verdragen, wij zullen ook met[^2timotheus-2-12-33] Hem[^2timotheus-2-12-i] heersen; als wij[^2timotheus-2-12-34] Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v12)

**13** [^2timotheus-2-13-k] Als wij[^2timotheus-2-13-35] ontrouw zijn,[^2timotheus-2-13-36] Hij blijft getrouw; Hij kan[^2timotheus-2-13-37] Zichzelf niet verloochenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v13)

**14** [^2timotheus-2-14-38] Breng deze dingen in herinnering, en betuig[^2timotheus-2-14-39] voor de Heere, dat zij[^2timotheus-2-14-40] geen woordenstrijd voeren,[^2timotheus-2-14-41] dat tot geen ding nut is, dan tot[^2timotheus-2-14-42] verkering van de toehoorders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v14)

**15** Doe uw best om uzelf voor God[^2timotheus-2-15-43] beproefd voor te stellen,[^2timotheus-2-15-44] een arbeider,[^2timotheus-2-15-45] die niet beschaamd wordt, die[^2timotheus-2-15-46] het Woord van de[^2timotheus-2-15-47] waarheid recht snijdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v15)

**16** [^2timotheus-2-16-48][^2timotheus-2-16-l] Maar stel u tegen[^2timotheus-2-16-49] het ongoddelijk[^2timotheus-2-16-50] ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid[^2timotheus-2-16-51] toenemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v16)

**17** En[^2timotheus-2-17-52] hun[^2timotheus-2-17-53] woord zal[^2timotheus-2-17-54] voorteten, zoals[^2timotheus-2-17-55] de kanker; onder wie is[^2timotheus-2-17-56] Hymeneüs en Filetus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v17)

**18** Die[^2timotheus-2-18-57] van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding[^2timotheus-2-18-58] al gebeurd is, en verkeren sommiger[^2timotheus-2-18-59] geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v18)

**19** [^2timotheus-2-19-60] Evenwel[^2timotheus-2-19-61] het vaste fundament van God[^2timotheus-2-19-62] staat, hebbende[^2timotheus-2-19-63] dit zegel:[^2timotheus-2-19-m] De Heere[^2timotheus-2-19-64] kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder[^2timotheus-2-19-65] die de Naam van Christus noemt, sta af[^2timotheus-2-19-66] van ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v19)

**20** [^2timotheus-2-20-n] Maar[^2timotheus-2-20-67] in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren voorwerpen, maar ook houten en aarden voorwerpen; en sommige[^2timotheus-2-20-68] ter ere, maar sommige[^2timotheus-2-20-69] ter onere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v20)

**21** Als dan iemand[^2timotheus-2-21-70] zichzelf[^2timotheus-2-21-71] van deze[^2timotheus-2-21-72] reinigt, die[^2timotheus-2-21-73] zal een voorwerp zijn ter ere,[^2timotheus-2-21-74] geheiligd en[^2timotheus-2-21-75] bekwaam tot gebruik van de[^2timotheus-2-21-76] Heere, tot elk goed werk[^2timotheus-2-21-77] toebereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v21)

**22** [^2timotheus-2-22-o] Maar vlucht voor[^2timotheus-2-22-78] de begeerlijkheden van de jeugd; en[^2timotheus-2-22-79] jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede,[^2timotheus-2-22-80] met degenen, die de Heere aanroepen uit een rein hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v22)

**23** [^2timotheus-2-23-p] En verwerp[^2timotheus-2-23-81] de vragen, die dwaas en[^2timotheus-2-23-82] zonder onderwijzing zijn, wetende, dat[^2timotheus-2-23-83] zij twistingen voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v23)

**24** En[^2timotheus-2-24-84] een dienaar van de Heere moet niet[^2timotheus-2-24-85] twisten, maar vriendelijk zijn tegenover allen,[^2timotheus-2-24-q] bekwaam om te leren,[^2timotheus-2-24-86] en die de kwaden kan verdragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v24)

**25** [^2timotheus-2-25-r] Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen,[^2timotheus-2-25-87] die tegenstaan;[^2timotheus-2-25-88] of hun God te eniger[^2timotheus-2-25-89] tijd bekering gave tot erkentenis van de waarheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v25)

**26** En zij[^2timotheus-2-26-90] opnieuw ontwaken mochten uit[^2timotheus-2-26-91] de strik van de duivel, onder welke zij[^2timotheus-2-26-92] gevangen waren[^2timotheus-2-26-93] tot zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/2.html#v26)

[^2timotheus-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 mijn zoon, word: Zie van deze benaming 1 Kor. 4:17; 1 Tim. 1:2, en 2 Tim. 1:2. 1 Korinthiërs 4:17: Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer. 2 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^2timotheus-2-1-2]: Kanttekening 2: Of, sterk; dat is, met sterkte en kracht aangedaan, namelijk, om de kracht van de dienst te verdragen, en allerlei verdrukkingen met standvastigheid te lijden.
[^2timotheus-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 in de genade: Of, door de genade.
[^2timotheus-2-1-4]: Kanttekening 4: 4 die in Christus Jezus is: Dat is, die God ons bewezen en betuigd heeft door Jezus Christus.
[^2timotheus-2-2-5]: Kanttekening 5: 5 onder vele getuigen: Grieks door vele getuigen; gelijk 2 Kor. 2:4, en 2 Kor. 3:11. Dat is, dat u openbaar hebt gehoord in aanwezigheid van zovelen mijner toehoorders, die allen getuigen kunnen, dat wat u leert, u dit van mij gehoord en ontvangen hebt. 2 Korinthiërs 2:4: Want ik heb u uit vele verdrukking en benauwdheid van het hart, met vele tranen geschreven, niet opdat u zoudt bedroefd worden, maar opdat u de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb. 2 Korinthiërs 3:11: Want als wat te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is, wat blijft, in heerlijkheid.
[^2timotheus-2-2-6]: Kanttekening 6: 6 betrouw dat aan: Of, leg het weg bij getrouwe, enz.
[^2timotheus-2-2-a]: Verwijzing a: Titus 1:5. Titus 1:5: Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zoudt te recht brengen, en dat u van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:
[^2timotheus-2-2-7]: Kanttekening 7: 7 getrouwe mensen: Namelijk in het bewaren en voorstellen van de zuivere leer en in het bedienen van hun ambt.
[^2timotheus-2-2-8]: Kanttekening 8: 8 bekwaam zullen zijn: Dat is, die niet alleen in de leer geoefend zijn, maar ook bekwaamheid hebben, om deze stichtelijk voor te dragen.
[^2timotheus-2-3-9]: Kanttekening 9: 9 lijd verdrukkingen, als: Grieks lijd kwaad; gelijk ook vers 9, en 2 Tim. 4:5. 2 Timotheüs 2:9: Om dat ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden. 2 Timotheüs 4:5: Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
[^2timotheus-2-3-10]: Kanttekening 10: 10 een goed krijgsknecht: Dat is, de Heer Christus en die onder Christus, in een geestelijken oorlog, tegen de vijanden van Hem en Zijn uitverkorenen. Zie 2 Kor. 10:3, 10:4, enz.; 1 Tim. 1:18. Want een recht krijgsman moet zich geen arbeid, moeite, ongemak, noch gevaren ontzien. 2 Korinthiërs 10:3: Want wandelende in het vlees, voeren wij de krijg niet naar het vlees; 2 Korinthiërs 10:4: Want de wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de sterkten; 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, daarin de goede strijd strijdt;
[^2timotheus-2-4-11]: Kanttekening 11: 11 Niemand, die in de: Dat is, gelijk de krijgslieden zich niet kunnen bemoeien met koopmanschap, ambachten, of landbouw, waardoor de leeftocht of kost gewoon gewonnen wordt, maar altijd moeten passen op hunne wachten, tochten en andere diensten de krijg aangaande, naar het bevel van hun oversten, zo moet ook een getrouw leraar van het Evangelie evenzo doen, en zich met geen andere wereldlijke dingen bemoeien, om zijn ambt getrouw te bedienen, opdat hij voor God aangenaam mag zijn; 2 Kor. 5:9. 2 Korinthiërs 5:9: Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welgevallig te zijn.
[^2timotheus-2-4-b]: Verwijzing b: 1 Kor. 9:25. 1 Korinthiërs 9:25: En een iedereen, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.
[^2timotheus-2-4-12]: Kanttekening 12: 12 die hem tot de krijg aangenomen heeft: Dat is, zijn overste of kapitein.
[^2timotheus-2-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk met worstelen, lopen, of dergelijke strijden, die om de prijs werden ingesteld. Zie 1 Kor. 9:24. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen.
[^2timotheus-2-5-14]: Kanttekening 14: 14 wordt niet gekroond: Dat is, ontvangt de prijs niet, welke gewoonlijk een gevlochten kroon was.
[^2timotheus-2-5-15]: Kanttekening 15: 15 wettelijk heeft gestreden: Dat is, volgens de bepalingen voor zodanige strijden gesteld; zo hij die niet behoorlijk voldaan heeft.
[^2timotheus-2-6-16]: Kanttekening 16: 16 De landman, als hij: Dat is, gelijk een landbouwer eerst moet ploegen, eggen, zaaien, wieden, maaien, planten, nat maken, enz voordat hij vruchten kan genieten, zo moet ook een leraar van het Evangelie eerst vlijtigen arbeid aanwenden, voordat hij enige vrucht kan genieten òf voor de gemeente, òf voor zichzelf; Ps. 126:6; Jes. 65:23; Matt. 13:3, enz; 1 Kor. 9:10. Psalmen 126:6: Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven. Jesaja 65:23: Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad van de gezegenden van YHWH, en hun nakomelingen met hen. Mattheüs 13:3: En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien. 1 Korinthiërs 9:10: Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
[^2timotheus-2-6-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 9:10. 1 Korinthiërs 9:10: Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.
[^2timotheus-2-7-17]: Kanttekening 17: 17 ik zeg: Dat is, wil zeggen met deze gelijkenissen, om u deze toe te passen in uw dienst.
[^2timotheus-2-7-18]: Kanttekening 18: 18 maar de Heer geve: Maar zo wij van nature niet kunnen begrijpen de dingen, die van de Geest van God zijn, en geestelijk onderscheiden worden, 1 Kor. 2:14, zo bid ik God, dat Hij u, zo in deze als in andere dingen, de zaligheid en uw ambt aangaande, uw verstand wil verlichten, om alles volkomen en recht te begrijpen. 1 Korinthiërs 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
[^2timotheus-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 Houd in gedachtenis: Dat is, wees altijd gedachtig om dit artikel van het geloof dikwijls te overdenken en naarstig in te scherpen, zo tot uw troost en die van de gemeente, als tot weerlegging van de valse leraars, die de opstanding loochenen; zie 1 Kor. 15:12, 15:13, enz. en hier vers 18. 1 Korinthiërs 15:12: Als nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding van de doden is? 1 Korinthiërs 15:13: En als er geen opstanding van de doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. 2 Timotheüs 2:18: Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^2timotheus-2-8-20]: Kanttekening 20: 20 dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit de zade Davids: Of, dat Jezus Christus, die uit de doden opgewekt is, uit de zade Davids is.
[^2timotheus-2-8-d]: Verwijzing d: 2 Sam. 7:12; Ps. 132:11; Jes. 11:1; Matt. 1:1; Hand. 2:30; Hand. 13:23; Rom. 1:3. 2 Samuël 7:12: Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Psalmen 132:11: De YHWH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Mattheüs 1:1: Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. Handelingen 2:30: Zo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijn lenden, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; Handelingen 13:23: Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; Romeinen 1:3: Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;
[^2timotheus-2-8-21]: Kanttekening 21: 21 naar mijn Evangelie: Dat is, naar de leer van het Evangelie, die ik altijd en standvastig heb geleerd, waarvan dit artikel één van de voornaamste is.
[^2timotheus-2-9-22]: Kanttekening 22: 22 Om dat ik verdrukkingen: Grieks in welke; ene Hebreeuwse wijze van spreken.
[^2timotheus-2-9-e]: Verwijzing e: Efez. 3:13; Kolos. 1:24. Efeziërs 3:13: Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid. Kolossensen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^2timotheus-2-9-23]: Kanttekening 23: 23 tot de banden toe: Dat is, zo veel en zo ver, dat ik daarom hier te Rome ben gevangen gebracht, en met een keten gebonden en bewaard wordt, om van de keizer gericht te worden.
[^2timotheus-2-9-f]: Verwijzing f: Efez. 3:1; Efez. 4:1; Filip. 1:7; Kolos. 4:3; idem v. 18; 2 Tim. 1:8. Efeziërs 3:1: Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. Efeziërs 4:1: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; Filippensen 1:7: Gelijk het bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat u, zowel in mijn banden, als in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, u allen, zeg ik, mijner genade mee deelachtig bent. Kolossensen 4:3: Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; Kolossensen 4:18: De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijner banden. De genade zij met u. Amen. 2 Timotheüs 1:8: Schaam u dan niet van het getuigenis onzes Heern, noch mijns die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht van God;
[^2timotheus-2-9-24]: Kanttekening 24: 24 als een kwaaddoener: Dat is, word zo behandeld, alsof ik enige boze feiten bedreven had.
[^2timotheus-2-9-25]: Kanttekening 25: 25 het Woord van God is niet gebonden: Dat is, de prediking van het Evangelie gaat evenwel voort, niettegenstaande mijne gevangenschap; zie Filipp. 1:12, 1:13. Filippensen 1:12: En ik wil, dat u weet, broeders, dat wat aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is; Filippensen 1:13: Zo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het gehele rechthuis, en aan alle anderen;
[^2timotheus-2-10-26]: Kanttekening 26: 26 om de uitverkorenen: Dat is, ten beste en dienst van de uitverkorenen, niet om daarmede voor hen te voldoen tot hun verzoening met God; want dat heeft Christus alleen en volkomen gedaan, Jes. 63:3; Hand. 4:12; 1 Tim. 2:5; maar tot stichting en versterking derzelve in het geloof. Zie Kol. 1:24. Jesaja 63:3: Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. 1 Timotheüs 2:5: Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en van de mensen, de Mens Christus Jezus; Kolossensen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente;
[^2timotheus-2-10-27]: Kanttekening 27: 27 opdat ook zij de: Namelijk in het geloof gesterkt zijnde door mijn standvastigheid in het lijden omwille van het Evangelie.
[^2timotheus-2-10-28]: Kanttekening 28: 28 die in Christus Jezus is: Dat is, die Christus ons verdiend en verkregen heeft, en die aan de uitverkorenen om Christus' wil geschonken wordt.
[^2timotheus-2-11-29]: Kanttekening 29: 29 Dit is een getrouw woord: Zie 1 Tim. 1:15, en 1 Tim. 3:1, en 1 Tim. 4:9; Tit. 3:8. 1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. 1 Timotheüs 3:1: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 1 Timotheüs 4:9: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard. Titus 3:8: Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn voor de mensen.
[^2timotheus-2-11-g]: Verwijzing g: Rom. 6:8. Romeinen 6:8: Als wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;
[^2timotheus-2-11-30]: Kanttekening 30: 30 met Hem gestorven zijn: Dat is, om Zijnentwil, onschuldig zullen verdrukt of gedood worden, Rom. 8:36; 2 Kor. 4:10; gelijk in vers 12 verklaard wordt. Romeinen 8:36: (Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 2 Korinthiërs 4:10: Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 2 Timotheüs 2:12: Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;
[^2timotheus-2-11-31]: Kanttekening 31: Namelijk hier namaals eeuwig.
[^2timotheus-2-12-h]: Verwijzing h: Rom. 8:17; 2 Kor. 4:10; Filip. 3:10; 1 Petr. 4:13. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 2 Korinthiërs 4:10: Altijd de doding van de Heer Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. Filippensen 3:10: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijn opstanding, en de gemeenschap Zijn lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; 1 Petrus 4:13: Maar gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen.
[^2timotheus-2-12-32]: Kanttekening 32: 32 verdragen, wij zullen: Namelijk allerlei verdrukkingen, met volharding en standvastigheid in het geloof.
[^2timotheus-2-12-33]: Kanttekening 33: Grieks als koningen heersen, of, regeren.
[^2timotheus-2-12-i]: Verwijzing i: Matt. 10:33; Mark. 8:38; Lukas 9:26; Lukas 12:9. Mattheüs 10:33: Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Marcus 8:38: Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon van de mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijn Vader, met de heilige engelen. Lukas 9:26: Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon van de mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader, en van de heilige engelen. Lukas 12:9: Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God.
[^2timotheus-2-12-34]: Kanttekening 34: 34 Hem verloochenen: Namelijk Christus, of Zijne leer. zie Matt. 10:33. Mattheüs 10:33: Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
[^2timotheus-2-13-k]: Verwijzing k: Num. 23:19; Rom. 3:3; Rom. 9:6. Numeri 23:19: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? Romeinen 3:3: Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Romeinen 9:6: Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
[^2timotheus-2-13-35]: Kanttekening 35: 35 ontrouw zijn: Namelijk in Hem standvastig aan te hangen en te belijden, of in Hem getrouw te dienen. Of ongelovig zijn; dat is, niet geloven of betrouwen op Zijne beloften.
[^2timotheus-2-13-36]: Kanttekening 36: 36 Hij blijft getrouw: Namelijk evenwel, in al Zijne woorden, bedreigingen en beloften; Rom. 3:3, 3:4. Romeinen 3:3: Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? Romeinen 3:4: Dat zij verre. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.
[^2timotheus-2-13-37]: Kanttekening 37: 37 Zichzelven niet verloochenen: Dat is, iets doen dat tegen de volmaaktheid Zijn natuur strijdt, gelijk het zou zijn, als Hij iets zou zeggen, of beloven, of dreigen, en dat niet zou volbrengen; Num. 23:19. Numeri 23:19: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?
[^2timotheus-2-14-38]: Kanttekening 38: 38 Breng deze dingen in gedachtenis: Of, doe hun deze dingen gedenken, namelijk ze bij alle gelegenheden de gemeente inscherpende.
[^2timotheus-2-14-39]: Kanttekening 39: 39 voor de Heer: Dat is, in de naam van de Heer Jezus Christus, en als in Zijn aanwezigheid, zo lief als zij de Heer hebben.
[^2timotheus-2-14-40]: Kanttekening 40: 40 woordenstrijd voeren: Zie daarvan 1 Tim. 6:4. 1 Timotheüs 6:4: Die is hoogmoedig, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.
[^2timotheus-2-14-41]: Kanttekening 41: 41 tot geen ding nut is: Dat is, tot geen stichting van de gemeente in het geloof, of godzaligheid.
[^2timotheus-2-14-42]: Kanttekening 42: 42 verkering van de toehoorders: Dat is, verwarring, ontstichting, verzwakking van het geloof, of ook afkering van de gezonde leer.
[^2timotheus-2-15-43]: Kanttekening 43: Dat is na lange beproeving door arbeid en verdrukkingen getrouw en oprecht bevonden.
[^2timotheus-2-15-44]: Kanttekening 44: 44 een arbeider: Namelijk in het werk van de Heer, in het prediken van Gods woord, in alle naarstigheid en getrouwheid.
[^2timotheus-2-15-45]: Kanttekening 45: 45 die niet beschaamd wordt: Dat is, die van wege enige nalatigheid, onzuiverheid, of ontrouwheid zich niet behoefte te schamen.
[^2timotheus-2-15-46]: Kanttekening 46: 46 het Woord van de waarheid: Dat is, de zuivere en waarachtige leer van het Evangelie. Zie 2 Kor. 6:7; Kol. 1:5; Jak. 1:18. 2 Korinthiërs 6:7: In het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapenen van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde; Kolossensen 1:5: Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke u te voren gehoord hebt, door het Woord van de waarheid, namelijk van het Evangelie; Jakobus 1:18: Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen.
[^2timotheus-2-15-47]: Kanttekening 47: 47 recht snijdt: Dat is, ordelijk al de hoofdstukken en leden daarvan voorstelt en toepast, naar het begrip en gelegenheid van de toehoorders; ene gelijkenis genomen òf van de priesters van het Oude Testament, die de beesten tot offerande geslacht, bekwamelijk ontleedden en verdeelden, òf van de huishouders, die de huisgenoten hun voedsel voorsnijden en uitdelen, iedereen naar zijne gelegenheid. Zie 1 Kor. 3:2; Hebr. 5:12, enz. 1 Korinthiërs 3:2: Ik heb u met melk gevoed, en niet met vast voedsel; want u vermocht toen nog niet; ja, u vermoogt ook nu nog niet. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel.
[^2timotheus-2-16-48]: Kanttekening 48: Grieks sta om; dat is, wacht u niet alleen daarvan, maar bestraf en belet het ook in anderen.
[^2timotheus-2-16-l]: Verwijzing l: 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 1 Tim. 6:20; Titus 1:14; Titus 3:9. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap; Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^2timotheus-2-16-49]: Kanttekening 49: Dat is, wat de godzaligheid niet bevordert, maar veel meer hinderlijk is, en daarom godzaligen leraars niet betaamt.
[^2timotheus-2-16-50]: Kanttekening 50: Waarvan zie 1 Tim. 6:20. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap;
[^2timotheus-2-16-51]: Kanttekening 51: Namelijk als dat in hen eerst plaats greep, en men hen niet meteen tegengaat.
[^2timotheus-2-17-52]: Kanttekening 52: Namelijk van de ijdelroepers.
[^2timotheus-2-17-53]: Kanttekening 53: Dat is, valse leer, die zij met zulk ijdelroepen en menselijke welsprekendheid oppronken en instampen.
[^2timotheus-2-17-54]: Kanttekening 54: Dat is, verspreid worden door het lichaam van de gemeente en het verderven; ene gelijkenis, genomen van inetende gezwellen of wonden, die het vlees van het lichaam verteren en altijd voortkruipen, gelijk het volgende woord verklaart.
[^2timotheus-2-17-55]: Kanttekening 55: Grieks gangraina, wond, eigenlijk niet wat men kanker noemt, hoewel het ook altijd als kanker voortkruipt, en het vlees verteert; maar wat men gewoonlijk noemt het vuur, of koud vuur; dat zeer haastig voortspruit en het leven en gevoel beneemt, tenzij dat men het meteen zoekt weg te nemen.
[^2timotheus-2-17-56]: Kanttekening 56: 56 Hymeneüs en Filetus: Van deze; zie 1 Tim. 1:20. Hij noemt hier de voornaamste ijdelroepers, opdat zij, bekend zijnde, te beter mogen gemeden worden. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^2timotheus-2-18-57]: Kanttekening 57: 57 van de waarheid: Dat is, van de rechtzinnige leer van het Evangelie, die zij tevoren beleden hadden.
[^2timotheus-2-18-58]: Kanttekening 58: 58 al geschied is: Dat is, dat er dan geen opstanding van het vlees zal wezen, en dat al wat de Schrift zegt van de opstanding, verstaan moet worden van de geestelijke opstanding van de zielen uit de dood van de zonden.
[^2timotheus-2-18-59]: Kanttekening 59: Dat is, hunne historische kennis en toestemming, die zij gehad hebben van de rechte leer. Zie van zulk geloof Matt. 13:21; Jak. 2:19. Mattheüs 13:21: Maar hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd. Jakobus 2:19: U gelooft, dat God een enig God is; u doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
[^2timotheus-2-19-60]: Kanttekening 60: Namelijk hoewel sommigen van de waarheid afwijken, en sommiger geloof verdorven wordt, zo moeten wij ons daaraan niet stoten, alsof de zaligheid van de uitverkorenen in het onzeker stond, daar daaruit blijkt, dat de zodanigen niet geweest zijn uit het getal van de uitverkorenen, die niet kunnen verleid worden; Matt. 24:24. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
[^2timotheus-2-19-61]: Kanttekening 61: 61 het vaste fondament Gods: Dat is, het voornemen Gods van de eeuwige verkiezing, dat vast en onveranderlijk is, Jes. 14:27, en Jes. 46:10; Mal. 3:6; Jak. 1:17, en gelijk een wel gelegd fondament, de zaligheid van de uitverkorenen steunt; en dit fondament wordt gesteld tegen wat tevoren gezegd is, dat sommiger geloof verkeerd of omgekeerd wordt, gelijk een huis, dat geen vast fondament heeft. Zie Matt. 7:24, enz.; Luk. 10:20. Jesaja 14:27: Want YHWH van de heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren? Jesaja 46:10: Die van de beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Maleachi 3:6: Want Ik, YHWH, word niet veranderd; daarom bent u, o kinderen van Jakob! niet verteerd. Jakobus 1:17: Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering. Mattheüs 7:24: Iedereen dan, die deze Mijn woorden hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
[^2timotheus-2-19-62]: Kanttekening 62: Dat is, is bestendig, vast en zeker; 1 Kor. 16:13; 2 Kor. 1:24; Filipp. 1:27, en Filipp. 4:1. 1 Korinthiërs 16:13: Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk. 2 Korinthiërs 1:24: Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want u staat door het geloof. Filippensen 1:27: Alleen wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; Filippensen 4:1: Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heer, geliefden!
[^2timotheus-2-19-63]: Kanttekening 63: 63 dit zegel: Dat is, dit teken, waarmee het boek van het leven, waarin de namen van de uitverkorenen zijn geschreven, als met een zegel bevestigd is; en waarmee het getal van de uitverkorenen in de voorwetenschap Gods, als in een toegesloten boek verzegeld is, Openb. 22:10. Of waardoor bekend gemaakt wordt of iemand van God is uitverkoren of niet; Openb. 7:3, 7:4. Openbaring 22:10: En hij zei tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij. Openbaring 7:3: Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Openbaring 7:4: En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen van Israël.
[^2timotheus-2-19-m]: Verwijzing m: Joh. 10:14. Johannes 10:14: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijn, en worde van de Mijn gekend.
[^2timotheus-2-19-64]: Kanttekening 64: 64 kent degenen, die de Zijnen zijn: Dat is, weet, wie Hij voor de Zijnen houdt, uitverkoren heeft en liefheeft, Ps. 1:6; Matt. 7:23; Joh. 13:18; en maakt ook dikwijls, dat sommigen die van de mensen voor uitverkorenen aangezien waren, door hun afwijking van de gezonde leer en tot goddeloosheid vervallende, bekend worden zodanigen nimmer geweest te zijn. Zie Num. 16:5, en 1 Joh. 2:19. Psalmen 1:6: Want YHWH kent de weg van de rechtvaardigen; maar de weg van de goddelozen zal vergaan. Mattheüs 7:23: En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! Johannes 13:18: Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. Numeri 16:5: En hij sprak tot Korach, en tot zijn gehele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal YHWH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.
[^2timotheus-2-19-65]: Kanttekening 65: 65 die de Naam van Christus noemt: Dat is, die zich uitgeeft voor een gelovig Christen, en volgens die uitverkoren van God.
[^2timotheus-2-19-66]: Kanttekening 66: 66 van ongerechtigheid: Dat is, van allerlei zonde, welke is ongerechtigheid, 1 Joh. 3:4, en in het bijzonder van valse leer, gelijk daar was de ketterij van Hymeneus en Filetus. Dit is dan een kenteken van onze verkiezing, als wij van zonde en valse leer afwijken, de ware godzaligheid betrachten, en bij de zuivere leer volstandig blijven. En die zulks niet doet, kan niet verzekerd zijn, dat hij gekozen is. 1 Johannes 3:4: Een iedereen, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.
[^2timotheus-2-20-n]: Verwijzing n: Rom. 9:21. Romeinen 9:21: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?
[^2timotheus-2-20-67]: Kanttekening 67: 67 in een groot huis: Dat is, gelijk in een groot huis of paleis, dat door een rijk of machtig man bewoond wordt, allerlei vaten zijn van verscheidene stof, waardij en gebruik, zo worden ook in de uiterlijke en zichtbare gemeente, welke het huis van God is, 1 Tim. 3:15, gevonden, niet alleen oprechte gelovigen, van God uitverkoren tot Zijn eer, maar ook huichelaars, die nimmer van God voor de Zijnen gekend zijn, en op Zijn tijd ontdekt worden. Zie Matt. 3:12, en Matt. 13:26, 13:47, en Matt. 22:11, 22:14, en Matt. 25:1. 1 Timotheüs 3:15: Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid. Mattheüs 3:12: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden. Mattheüs 13:26: Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. Mattheüs 13:47: Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Mattheüs 22:11: En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij daar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; Mattheüs 22:14: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Mattheüs 25:1: Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet.
[^2timotheus-2-20-68]: Kanttekening 68: 68 ter ere, maar sommige: Dat is, die gebruikt worden tot eerlijke, of treffelijke diensten. Daarbij worden de uitverkorenen vergeleken.
[^2timotheus-2-20-69]: Kanttekening 69: 69 ter onere: Dat is, die gebruikt worden tot slechte en vuile diensten. Bij deze worden vergeleken de huichelaars en verworpenen. Zie dergelijke Rom. 9:21. Romeinen 9:21: Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?
[^2timotheus-2-21-70]: Kanttekening 70: Daarmede wordt niet te kennen gegeven, dat iemand door zijn eigen kracht zich zou kunnen reinigen; want dat moet gebeuren door de genade van de Heilige Geest, die als rein water ons reinigt, Ez. 36:25; 1 Kor. 6:11; maar dat wij niet moeten zien op anderen die afvallen, om ons daaraan te stoten, maar dat elk zichzelf zo moet gedragen in reinheid, dat hij hierdoor van zijne verkiezing mag verzekerd zijn. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods;
[^2timotheus-2-21-71]: Kanttekening 71: 71 van deze: Namelijk mensen, die vaten zijn ter onere, dat is, van de goddeloze en verworpene huichelaars, en van verleiders, als daar Hymeneus en Filetus waren. Of van deze dingen, die bij deze mensen gevonden worden, dat is, van hunne dwalingen, ijdel roepen, en goddeloosheid.
[^2timotheus-2-21-72]: Kanttekening 72: 72 reinigt, die: Dat is, daarvan afstand doet, of zich wacht om daarmede niet besmet te worden.
[^2timotheus-2-21-73]: Kanttekening 73: 73 zal een vat zijn ter ere: Dat is, zal daarmede betonen, dat hij waarlijk zulk een vat, dat is, uitverkoren is, en zal daarvoor erkend worden. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 15:8. Johannes 15:8: Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt; en u zult Mijn discipelen zijn.
[^2timotheus-2-21-74]: Kanttekening 74: 74 geheiligd en: Dat is, gereinigd van de vuiligheid van de zonden, en ten dienste van de Heer toegeëigend.
[^2timotheus-2-21-75]: Kanttekening 75: 75 bekwaam tot gebruik van de Heer: Dat is, wat tot eerlijke en treffelijke diensten van de heer van het huis kan gebruikt worden.
[^2timotheus-2-21-76]: Kanttekening 76: 76 tot elk goed werk: Dat is, tot een heiligen en godzaligen wandel, en tot oefening van allerlei goede werken.
[^2timotheus-2-21-77]: Kanttekening 77: Namelijk door God, door Zijne genade; 1 Kor. 4:7; Ef. 2:10. 1 Korinthiërs 4:7: Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen hadt? Efeziërs 2:10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.
[^2timotheus-2-22-o]: Verwijzing o: 1 Tim. 6:11. 1 Timotheüs 6:11: Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
[^2timotheus-2-22-78]: Kanttekening 78: 78 de begeerlijkheden van de jonkheid: Dat is, waaraan de jonge mensen meest onderworpen zijn, als door zijn eergierigheid, moedigheid, ongestadigheid, ijdele eer, wellustigheid en dergelijke.
[^2timotheus-2-22-79]: Kanttekening 79: 79 jaag naar rechtvaardigheid: Of, vervolg.
[^2timotheus-2-22-80]: Kanttekening 80: 80 met degenen: Dat is, met de oprechte gelovigen, namelijk, voornamelijk; want anders moeten wij ook met alle mensen in vrede leven; Rom. 12:18. Romeinen 12:18: Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
[^2timotheus-2-23-p]: Verwijzing p: 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 6:4; Titus 3:9. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 6:4: Die is hoogmoedig, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen. Titus 3:9: Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.
[^2timotheus-2-23-81]: Kanttekening 81: 81 de vragen, die dwaas en: Dat is, de kwesties waarover men twist.
[^2timotheus-2-23-82]: Kanttekening 82: 82 zonder lering zijn: Grieks ongeleerd; dat is, die ons niet kunnen leren wat tot onze stichting dient of nodig is.
[^2timotheus-2-23-83]: Kanttekening 83: 83 twistingen voortbrengen: Grieks gevecht; namelijk met woorden.
[^2timotheus-2-24-84]: Kanttekening 84: 84 een dienaar van de Heer: Dat is, die de Heer dient in het leerambt.
[^2timotheus-2-24-85]: Kanttekening 85: Grieks vechten; gelijk in vers 23, dat is, om ijdele dingen veel ongenoegen maken, of de waarheid met kibbelen verstaan. 2 Timotheüs 2:23: En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.
[^2timotheus-2-24-q]: Verwijzing q: 1 Tim. 3:2. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren;
[^2timotheus-2-24-86]: Kanttekening 86: 86 die de kwaden kan verdragen: Of het kwaad, namelijk van lastering en vervolging.
[^2timotheus-2-25-r]: Verwijzing r: Galat. 6:1. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^2timotheus-2-25-87]: Kanttekening 87: 87 die tegenstaan: Namelijk de gezonde leer van het Evangelie. Of die van een tegenstrijdig gevoelen zijn.
[^2timotheus-2-25-88]: Kanttekening 88: 88 of hun God te eniger tijd: Hiermee wordt aangewezen hoe moelijk iemand van dwalingen tot de kennis van de waarheid kan gebracht worden.
[^2timotheus-2-25-89]: Kanttekening 89: 89 bekering gave tot: Namelijk van hunne dwaling.
[^2timotheus-2-26-90]: Kanttekening 90: 90 opnieuw ontwaken mochten: Het Griekse woord betekent eigenlijk opnieuw nuchter te worden uit de dronkenschap; ene gelijkenis van het lichaam genomen, om op de ziel toe te passen.
[^2timotheus-2-26-91]: Kanttekening 91: 91 de strik van de duivel: Dat is, uit de onwetendheid, dwalingen, of ketterijen waarmee de Satan hen verstrikt houdt.
[^2timotheus-2-26-92]: Kanttekening 92: 92 gevangen waren: Het Griekse woord betekent levend gevangen te worden, gelijk de wilde beesten van de jagers in de strikken of netten gevangen worden.
[^2timotheus-2-26-93]: Kanttekening 93: 93 tot zijn wil: Dat is om de wil van de Satan te doen, waartoe zij van God door een rechtvaardig oordeel zijn overgegeven; Joh. 8:44; Ef. 2:2. Johannes 8:44: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;

### 2 Timotheüs 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2timotheus/3.json)

*1 De apostel voorzegt hoedanige mensen en verleiders in de laatste tijden zullen opstaan, en vermaant Timotheüs zulke te schuwen. 6 Leert op welke wijze en hoe zij de mensen zullen verleiden, voornamelijk de vrouwtjes. 8 Dat zij aan Jannes en Jambres gelijk zullen zijn, in het weerstaan van de waarheid. 10 Vermaant hem verder zijn voorbeeld te willen volgen in het verdragen van vervolgingen, die alle godzaligen te verwachten hebben. 14 en standvastig te blijven bij de zuivere leer, die hij van hem geleerd had. 15 daarbij aanwijzend de volmaaktheid, goddelijkheid en veelvuldige nuttigheid van de heilige Schrift, die hij van kindsbeen af geleerd had, waarin deze leer gegrond is.*

**1** [^2timotheus-3-1-a] En[^2timotheus-3-1-1] weet dit, dat[^2timotheus-3-1-2] in de laatste dagen[^2timotheus-3-1-3] ontstaan zullen[^2timotheus-3-1-4] zware tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v1)

**2** Want[^2timotheus-3-2-5] de mensen zullen zijn[^2timotheus-3-2-6] liefhebbers van zichzelf, geldgierig,[^2timotheus-3-2-7] grootsprakig, hoogmoedig, lasteraars, de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v2)

**3** [^2timotheus-3-3-8] Zonder natuurlijke liefde,[^2timotheus-3-3-9] onverzoenlijk, roddelaars,[^2timotheus-3-3-10] onmatig,[^2timotheus-3-3-11] wreed, zonder liefde[^2timotheus-3-3-12] tot de goeden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v3)

**4** Verraders,[^2timotheus-3-4-13] roekeloos, hoogmoedig, meer liefhebbers van de hartstochten dan liefhebbers van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v4)

**5** Hebbende[^2timotheus-3-5-14] een gedaante van godzaligheid, maar die[^2timotheus-3-5-15] de kracht daarvan verloochend hebben.[^2timotheus-3-5-16][^2timotheus-3-5-b] Heb ook een afkeer van deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v5)

**6** [^2timotheus-3-6-c] Want van deze zijn het, die in de[^2timotheus-3-6-17] huizen[^2timotheus-3-6-18] insluipen, en[^2timotheus-3-6-19] nemen de[^2timotheus-3-6-20] vrouwtjes gevangen, die met zonden[^2timotheus-3-6-21] geladen zijn, en door menigerlei[^2timotheus-3-6-22] begeerlijkheden[^2timotheus-3-6-23] gedreven worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v6)

**7** Vrouwtjes, die[^2timotheus-3-7-24] altijd leren, en nimmermeer tot kennis[^2timotheus-3-7-25] van de[^2timotheus-3-7-26] waarheid kunnen komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v7)

**8** [^2timotheus-3-8-d] Zoals nu[^2timotheus-3-8-27] Jannes en[^2timotheus-3-8-28] Jambres Mozes tegenstonden, zo staan ook deze[^2timotheus-3-8-29] de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde[^2timotheus-3-8-30] van verstand,[^2timotheus-3-8-31] verwerpelijk aangaande het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v8)

**9** Maar zij zullen[^2timotheus-3-9-32] niet meerder toenemen; want[^2timotheus-3-9-33] hun dwaasheid zal allen openbaar worden, zoals ook[^2timotheus-3-9-34] die van genen geworden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v9)

**10** Maar u hebt[^2timotheus-3-10-35] achtervolgd mijn leer,[^2timotheus-3-10-36] wijze van doen,[^2timotheus-3-10-37] voornemen,[^2timotheus-3-10-38] geloof,[^2timotheus-3-10-39] geduld,[^2timotheus-3-10-40] liefde,[^2timotheus-3-10-41] volharding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v10)

**11** [^2timotheus-3-11-42][^2timotheus-3-11-e] Mijn vervolgingen, mijn lijden, dat als mij overkomen is[^2timotheus-3-11-43] in Antiochië, in[^2timotheus-3-11-f] Ikonium en in[^2timotheus-3-11-g] Lystre;[^2timotheus-3-11-44] zoals vervolgingen ik geleden heb,[^2timotheus-3-11-h] en de Heere heeft mij uit alle verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v11)

**12** [^2timotheus-3-12-i] En ook allen,[^2timotheus-3-12-45] die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen[^2timotheus-3-12-46] vervolgd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v12)

**13** Maar[^2timotheus-3-13-47] de slechte mensen en[^2timotheus-3-13-48] bedriegers zullen[^2timotheus-3-13-49] tot erger voortgaan,[^2timotheus-3-13-50] verleidende en[^2timotheus-3-13-51] wordende verleid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v13)

**14** Maar blijft u in wat u geleerd hebt, en[^2timotheus-3-14-52] waarvan u verzekering gedaan is, wetende,[^2timotheus-3-14-53] van wie u het geleerd hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v14)

**15** En dat u[^2timotheus-3-15-54] van kinds af de[^2timotheus-3-15-55] heilige Schriften geweten hebt, die u[^2timotheus-3-15-56] wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v15)

**16** [^2timotheus-3-16-57][^2timotheus-3-16-k] Al de Schrift is[^2timotheus-3-16-58] van God ingegeven, en is nuttig tot[^2timotheus-3-16-59] onderwijzing, tot[^2timotheus-3-16-60] weerlegging, tot[^2timotheus-3-16-61] verbetering, tot[^2timotheus-3-16-62] onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v16)

**17** Opdat[^2timotheus-3-17-63] de mens van God[^2timotheus-3-17-64] volmaakt zij, tot elk goed werk[^2timotheus-3-17-65] volmaaktelijk toegerust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/3.html#v17)

[^2timotheus-3-1-a]: Verwijzing a: 1 Tim. 4:1; 2 Petr. 2:3; Judas v. 18. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Petrus 2:3: En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet. Judas 1:18: Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
[^2timotheus-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 weet dit, dat: Namelijk zo, dat u zich daartegen wapent en anderen waarschuwt.
[^2timotheus-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 in de laatste dagen: Zo worden genaamd de tijden van het Nieuwe Testament; van de verbreiding van het Evangelie af tot het einde van de wereld. Zie 1 Kor. 10:11; 1 Tim. 4:1. Of in de volgende tijden; Hand. 2:17. 1 Korinthiërs 10:11: En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden van de eeuwen gekomen zijn. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^2timotheus-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 ontstaan zullen: Of aanstaan.
[^2timotheus-3-1-4]: Kanttekening 4: 4 zware tijden: Dat is, moeilijk, vol verdriet en gevaarlijkheid voor de godzaligen.
[^2timotheus-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 de mensen zullen zijn: Dat is, het merendeel of grootste hoop van de mensen.
[^2timotheus-3-2-6]: Kanttekening 6: 6 liefhebbers van zichzelf: Of eigenlievend; dat is, zichzelf te zeer lievende, te veel van zichzelf houdende, en hun eigen nut in alle dingen zoekende.
[^2timotheus-3-2-7]: Kanttekening 7: 7 laatdunkend, hovaardig: Dat is, pochers, roemers van hunne gaven en deugden.
[^2timotheus-3-3-8]: Kanttekening 8: 8 Zonder natuurlijke liefde: Namelijk die God van nature geplant heeft in de harten van de ouders tegenover hunne kinderen, en van de kinderen tegenover hunne ouders, die men ook de onredelijke beesten van nature ziet ingeplant. Zie Jes. 49:15; Rom. 1:31. Jesaja 49:15: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Romeinen 1:31: Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
[^2timotheus-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 onverzoenlijk, achterklappers: Dat is, met wie geen verbond van vriendschap kan gemaakt worden. Of, verbondbrekers; Rom. 1:31. Romeinen 1:31: Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
[^2timotheus-3-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk in voedsel, drank of vleselijken wellust.
[^2timotheus-3-3-11]: Kanttekening 11: Of wild, niet tam, of niet gevoegelijk, met wie het zwaar is om te gaan.
[^2timotheus-3-3-12]: Kanttekening 12: 12 tot de goeden: Of tot het goede; dat is tot de deugd.
[^2timotheus-3-4-13]: Kanttekening 13: 13 roekeloos, hoogmoedig: Dat is, die zich door hun genegenheden haastiglijk herwaarts of daarheen laten drijven.
[^2timotheus-3-5-14]: Kanttekening 14: 14 een gedaante van godzaligheid: Grieks morphosin; welk woord ook wel betekent een afbeelding of voorschrift, Rom. 2:20; maar hier wordt gebruikt voor een uiterlijke gedaante of schijn. Romeinen 2:20: Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester van de onwetenden, hebbende de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet.
[^2timotheus-3-5-15]: Kanttekening 15: 15 de kracht derzelve: Dat is, de dadelijke oefening ervan betrachten zij niet.
[^2timotheus-3-5-16]: Kanttekening 16: 16 Heb ook een afkeer van deze: Dat is, houd geen gemeenschap met zulke mensen, maar vlied hen.
[^2timotheus-3-5-b]: Verwijzing b: Matt. 18:17; Rom. 16:17; 2 Thes. 3:6; Titus 3:10; 2 Joh. v. 10. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van een iedereen broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. Titus 3:10: Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning; 2 Johannes 1:10: Als iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.
[^2timotheus-3-6-c]: Verwijzing c: Matt. 23:14; Titus 1:11. Mattheüs 23:14: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. Titus 1:11: Welken men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
[^2timotheus-3-6-17]: Kanttekening 17: Of huisgezinnen.
[^2timotheus-3-6-18]: Kanttekening 18: Dat is, loos en onbeschaamd zich voegen in deze.
[^2timotheus-3-6-19]: Kanttekening 19: Dat is, met schoonspreken haar harten tot zich trekken, en leiden ze waar zij willen, gelijk men doet degenen, die in de krijg gevangen worden.
[^2timotheus-3-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk die lichtvaardig van zinnen en ongestadig zijn.
[^2timotheus-3-6-21]: Kanttekening 21: 21 geladen zijn: Of opgehoopt; die met het pak van haar zonden, gelijk een opgehoopte last, zwaar beladen zijn.
[^2timotheus-3-6-22]: Kanttekening 22: Namelijk zotte en lichtvaardige, die bij zulke vrouwtjes vele en verscheidene gevonden worden.
[^2timotheus-3-6-23]: Kanttekening 23: 23 gedreven worden: Namelijk gelijk men de onvernuftige dieren voor zich heen drijft.
[^2timotheus-3-7-24]: Kanttekening 24: 24 altijd leren: Dat is, die uit zonderlingheid en ongestadigheid van zinnen altijd wat nieuws willen leren, en tot dat einde leraars zoeken, die hunne curieusheid zouden voldoen.
[^2timotheus-3-7-25]: Kanttekening 25: 25 van de waarheid: Namelijk van het ware en oprechte fondament van de christelijke religie, in welke de rechte kennis van de zonden en de troost van het geweten tegen de zonde moet gezocht worden.
[^2timotheus-3-7-26]: Kanttekening 26: 26 kunnen komen: Namelijk daar zulke leraars dat fondament zelf niet kennen, noch anderen leren.
[^2timotheus-3-8-d]: Verwijzing d: Ex. 7:11. Exodus 7:11: Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
[^2timotheus-3-8-27]: Kanttekening 27: 27 Jannes en: Dit zijn de namen van de Egyptische tovenaars, die de wonderen van Mozes zochten krachteloos te maken, Ex. 7, wier namen in de Heilige Schrift, Ex. 7:11, niet staan uitgedrukt; maar worden van de apostel, òf uit enige Joodse schrijvers, òf door enige oude overleveringen van hand tot hand hier verhaald. Waaruit men niet mag besluiten, dat er enige onbeschrevene overleveringen zouden zijn aangaande enige hoofdstukken van de leer, daar dit alleen de geschiedenis betreft. Zie van deze: Eusib, de praep. Euang. Lib. 9, cap. 3, die uit een Pythagorisch wijsgeer Numenius deze namen verhaalt; gelijk ook Plinius, lib. 30, cap. 1, van deze Jannes verhaalt. Waaruit blijkt dat deze namen niet alleen onder de Joden, maar ook onder de heidenen toen bekend zijn geweest. Exodus 7:11: Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
[^2timotheus-3-8-28]: Kanttekening 28: Andere noemen hem Mambres.
[^2timotheus-3-8-29]: Kanttekening 29: 29 de waarheid: Namelijk de leer van het Evangelie, en degenen, die deze waarheid leren en voorstaan.
[^2timotheus-3-8-30]: Kanttekening 30: 30 van verstand: Of van zinnen, door hunne boze genegenheden verblind zijn.
[^2timotheus-3-8-31]: Kanttekening 31: 31 verwerpelijk aangaande het geloof: Dat is zijn voor geen oprechte leraars van de leer van het geloof, of voor gelovigen te houden. Zie 1 Kor. 9:27. 1 Korinthiërs 9:27: Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.
[^2timotheus-3-9-32]: Kanttekening 32: 32 niet meerder toenemen: Namelijk in aanzien bij de mensen, om die daardoor te verleiden, hoewel zij toenemen zullen in het boze, vers 13. 2 Timotheüs 3:13: Maar de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.
[^2timotheus-3-9-33]: Kanttekening 33: 33 hun uitzinnigheid zal: Dat is, hun dwaze en valse leer, of hun geveinsdheid en schijnheiligheid.
[^2timotheus-3-9-34]: Kanttekening 34: 34 van genen geworden is: Namelijk van de Egyptische tovenaars, tevoren genoemd.
[^2timotheus-3-10-35]: Kanttekening 35: 35 achtervolgd mijn leer: Of nagetracht, dat is, mij gestadig volgende geleerd en nagevolgd. Of verstaan, zo van mij als van anderen. Want Timotheüs was toen bij Paulus nog niet, toen hij te Antiochië deze vervolging leed, Hand. 16:1. Zie van dit woord Luk. 1:3, en 1 Tim. 4:6. Handelingen 16:1: En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, daar was een zeker discipel, met name Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; Lukas 1:3: Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! 1 Timotheüs 4:6: Als u deze dingen de broeders voorstelt, zo zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden van het geloof en van de goede leer, welke u achtervolgd hebt.
[^2timotheus-3-10-36]: Kanttekening 36: 36 wijze van doen: Of beleid; namelijk zo in mijn leven aan te stellen, als in mijn ambt te bedienen.
[^2timotheus-3-10-37]: Kanttekening 37: Dat is, mijn oogmerk en doel, dat ik mij altijd heb voorgesteld in mijn bediening.
[^2timotheus-3-10-38]: Kanttekening 38: Of getrouwheid, vertrouwen, standvastigheid in het geloof.
[^2timotheus-3-10-39]: Kanttekening 39: Namelijk zo tegenover de tegensprekers, om hen te winnen of overtuigen, als tegenover de broeders in het verdragen van hunne zwakheden.
[^2timotheus-3-10-40]: Kanttekening 40: Namelijk zo tegenover de vijanden als tegenover de vrienden betoond.
[^2timotheus-3-10-41]: Kanttekening 41: Namelijk in het verdragen van ongelijk, lasteringen, smaadheden en allerlei vervolgingen.
[^2timotheus-3-11-42]: Kanttekening 42: Namelijk die ik geleden heb, of die mij zijn aangedaan.
[^2timotheus-3-11-e]: Verwijzing e: Hand. 13:50. Handelingen 13:50: Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun gebied.
[^2timotheus-3-11-43]: Kanttekening 43: 43 in Antiochië: Namelijk niet in Syrië, maar in Pisidië gelegen, omtrent Iconië en Lystre. Zie de geschiedenis hiervan Hand. 13, Hand. 14.
[^2timotheus-3-11-f]: Verwijzing f: Hand. 14:2. Handelingen 14:2: Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen van de heidenen tegen de broeders.
[^2timotheus-3-11-g]: Verwijzing g: Hand. 14:19. Handelingen 14:19: Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.
[^2timotheus-3-11-44]: Kanttekening 44: 44 hoedanige vervolgingen: Namelijk nog vele andere dergelijke. Zie 2 Kor. 11:23, enz. 2 Korinthiërs 11:23: Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls.
[^2timotheus-3-11-h]: Verwijzing h: Ps. 34:20; 2 Kor. 1:10. Psalmen 34:20: Resch. Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem YHWH. 2 Korinthiërs 1:10: Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.
[^2timotheus-3-12-i]: Verwijzing i: Matt. 16:24; Lukas 24:26; Joh. 17:14; Hand. 14:22; 1 Thes. 3:3. Mattheüs 16:24: Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij. Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? Johannes 17:14: Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. Handelingen 14:22: Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God. 1 Thessalonicensen 3:3: Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want u weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.
[^2timotheus-3-12-45]: Kanttekening 45: 45 die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus: Dat is, die de christelijke leer of godsdienst standvastig willen belijden, beleven en verbreiden.
[^2timotheus-3-12-46]: Kanttekening 46: 46 vervolgd worden: Namelijk van de goddeloze mensen. En daarom moeten zij zich daartoe bereiden, en zich daartegen met volharding en standvastigheid wapenen.
[^2timotheus-3-13-47]: Kanttekening 47: 47 de boze mensen: Hoedanig zijn de tirannen en vervolgers.
[^2timotheus-3-13-48]: Kanttekening 48: 48 bedriegers zullen: Grieks goochelaars; die de mensen met valse leer gelijk als betoveren; Gal. 3:1. Galaten 3:1: O u uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u van de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?
[^2timotheus-3-13-49]: Kanttekening 49: 49 tot erger voortgaan: Dat is, meer en meer afwijken van de zuivere leer, en hoe langer hoe meer de mensen zoeken te verleiden en de godzaligen te haten, kwellen en vervolgen.
[^2timotheus-3-13-50]: Kanttekening 50: Dat is, alle listigheden en vlijt aanwendende, om de mensen te verleiden van de rechte weg van de zaligheid.
[^2timotheus-3-13-51]: Kanttekening 51: 51 wordende verleid: Of zijnde verleid; zelf dwalende, op de dwaalweg zijnde.
[^2timotheus-3-14-52]: Kanttekening 52: 52 waarvan u verzekering: Namelijk dat het de rechte leer is. Of, dat u toevertrouwd is.
[^2timotheus-3-14-53]: Kanttekening 53: 53 van wie u het geleerd hebt: Namelijk van mij die een apostel ben, van de Heer Christus zelf geroepen, Gal. 1:1, en in de derde hemel ben opgenomen geweest, 2 Kor. 12:2, enz. Zie 2 Tim. 2:2. Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; 2 Timotheüs 2:2: En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
[^2timotheus-3-15-54]: Kanttekening 54: 54 van kinds af de: Namelijk van uwe grootmoeder en moeder in de Schrift geoefend zijnde. Zie 2 Tim. 1:5. 2 Timotheüs 1:5: Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.
[^2timotheus-3-15-55]: Kanttekening 55: 55 heilige Schriften geweten: Namelijk met welke mijne leer volkomen overeenkomt, en waaruit deze genomen is en bevestigd wordt. Zie Hand. 26:22. Handelingen 26:22: Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende zowel klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou;
[^2timotheus-3-15-56]: Kanttekening 56: 56 wijs kunnen maken: Of onderwijzen; dat is, u kunnen leren als de wijsheid, die de mensen nodig is te weten, om tot de zaligheid te komen.
[^2timotheus-3-16-57]: Kanttekening 57: 57 Al de Schrift is: Dat is, de gehele Schrift, gelijk dit woord alle genomen wordt 1 Kor. 13:2; waardoor verstaan worden voornamelijk de schriften van het Oude Testament, van welke de schriften van het Nieuwe Testament ene nadere verklaring zijn, en die daarom mee daaronder begrepen worden, zoveel van deze geschreven waren, toen Paulus deze brief schreef, kort voor zijn dood, 2 Tim. 4:6; dat ook van de andere, die toen nog niet geschreven waren, evenzo moet verstaan worden; zie 2 Petr. 3:16; Openb. 1:1, en Openb. 22:16, enz. 1 Korinthiërs 13:2: En al ware het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. 2 Timotheüs 4:6: Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. 2 Petrus 3:16: Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. Openbaring 1:1: De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 22:16: Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^2timotheus-3-16-k]: Verwijzing k: 2 Petr. 1:20. 2 Petrus 1:20: Dit eerst wetende, dat geen profetie van de Schrift is van eigen uitlegging;
[^2timotheus-3-16-58]: Kanttekening 58: 58 van God ingegeven: Grieks van God ingeblazen; dat is, door ingeven van de Heilige Geest, die een Geest van de waarheid is, en de schrijvers van deze schriften in alle waarheid geleid heeft, dat zij niet hebben kunnen dwalen; zie Joh. 16:13; 2 Petr. 1:20, 1:21. Johannes 16:13: Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. 2 Petrus 1:20: Dit eerst wetende, dat geen profetie van de Schrift is van eigen uitlegging; 2 Petrus 1:21: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^2timotheus-3-16-59]: Kanttekening 59: Namelijk van de hoofdstukken van de christelijke religie.
[^2timotheus-3-16-60]: Kanttekening 60: Of bestraffing, overtuiging; namelijk van dwalingen en valse leringen.
[^2timotheus-3-16-61]: Kanttekening 61: Namelijk van het leven en van de kwade zeden.
[^2timotheus-3-16-62]: Kanttekening 62: Dat is leer volkomen wat recht en onrecht is, eerlijk en oneerlijk, en hoe men matig, rechtvaardig en godzalig moet leven in deze wereld; Tit. 2:12. Titus 2:12: En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
[^2timotheus-3-17-63]: Kanttekening 63: 63 de mens van God: Zie van dit woord 1 Tim. 6:11. 1 Timotheüs 6:11: Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid.
[^2timotheus-3-17-64]: Kanttekening 64: 64 volmaakt zij: Volkomen daaruit lere en versta al de delen van zijn ambt.
[^2timotheus-3-17-65]: Kanttekening 65: 65 volmaaktelijk toegerust: Dat is, van alles wel voorzien.

### 2 Timotheüs 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2timotheus/4.json)

*Paulus vermaant Timotheüs opnieuw met grote ernst zijn ambt voortdurend en trouw in alle delen te betrachten. 3 daarbij aanwijzend hoe nodig het is vanwege de boosheid van de mensen die er in de toekomende tijden zal zijn. 6 Voorzegt dat hij weldra gedood zal worden. 7 en troost zichzelf met een goed geweten, en met de vergelding die hij en alle gelovigen van de Heere verwachten, 9 Vermaant hem ook tot hem te komen, omdat sommigen hem verlaten hadden. 11 en Marcus mee te brengen, 13 met zijn reismantel en boeken. 14 waarschuwt hem voor Alexander, een kopersmid die hem veel kwaad gedaan had. 16 Klaagt over de broeders, dat zij hem bij zijn eerste verantwoording verlaten hadden. 17 Maar dat de Heere hem had bijgestaan, en voor die keer verlost. 18 vertrouwend dat hij hem voortaan zal bijstaan. 19 En sommigen latende groeten, 22 besluit hij deze zendbrief met de gebruikelijke groet.*

**1** [^2timotheus-4-1-a] Ik[^2timotheus-4-1-1] betuig dan voor God en de Heere Jezus Christus, Die[^2timotheus-4-1-2] de levenden en[^2timotheus-4-1-3] doden[^2timotheus-4-1-4] oordelen zal[^2timotheus-4-1-5] in Zijn verschijning en[^2timotheus-4-1-6] in Zijn Koninkrijk: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v1)

**2** [^2timotheus-4-2-7] Predik[^2timotheus-4-2-8] het woord;[^2timotheus-4-2-9] houd aan[^2timotheus-4-2-10] tijdig,[^2timotheus-4-2-11] ontijdig;[^2timotheus-4-2-12] weerleg,[^2timotheus-4-2-13] bestraf,[^2timotheus-4-2-14] vermaan[^2timotheus-4-2-15] in alle geduld en[^2timotheus-4-2-16] leer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v2)

**3** Want er zal een tijd zijn, wanneer zij[^2timotheus-4-3-17] de gezonde leer niet zullen[^2timotheus-4-3-18] verdragen; maar[^2timotheus-4-3-19] kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelf leraars[^2timotheus-4-3-20] opgaderen,[^2timotheus-4-3-21] naar hun eigen begeerlijkheden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v3)

**4** En zullen[^2timotheus-4-4-22] hun gehoor[^2timotheus-4-4-23] van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot[^2timotheus-4-4-24] fabelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v4)

**5** Maar u, wees[^2timotheus-4-5-25] wakker in alles,[^2timotheus-4-5-26] lijd verdrukkingen; doe het werk[^2timotheus-4-5-27] van een evangelist, maak, dat men van uw dienst[^2timotheus-4-5-28] ten volle verzekerd zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v5)

**6** [^2timotheus-4-6-b] Want ik[^2timotheus-4-6-29] word nu[^2timotheus-4-6-30] tot een drankoffer geofferd, en de tijd van mijn[^2timotheus-4-6-31] ontbinding is aanstaande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v6)

**7** Ik heb[^2timotheus-4-7-32] de goede strijd gestreden, ik heb de loop[^2timotheus-4-7-33] geëindigd, ik heb[^2timotheus-4-7-34] het geloof behouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v7)

**8** [^2timotheus-4-8-c] Verder is voor mij weggelegd[^2timotheus-4-8-35] de kroon van de rechtvaardigheid, die mij de Heere, de rechtvaardige Rechter,[^2timotheus-4-8-36] in die dag[^2timotheus-4-8-37] geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die[^2timotheus-4-8-38] Zijn[^2timotheus-4-8-39] verschijning liefgehad hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v8)

**9** Doe uw best[^2timotheus-4-9-40] haastig tot mij te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v9)

**10** Want[^2timotheus-4-10-d] Demas[^2timotheus-4-10-41] heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige[^2timotheus-4-10-42] wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar[^2timotheus-4-10-43] Dalmatië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v10)

**11** [^2timotheus-4-11-44][^2timotheus-4-11-e] Lukas is alleen met mij. Neem[^2timotheus-4-11-45][^2timotheus-4-11-f] Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut[^2timotheus-4-11-46] tot de dienst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v11)

**12** [^2timotheus-4-12-g] Maar[^2timotheus-4-12-47] Tychikus heb ik[^2timotheus-4-12-48] naar Efeze gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v12)

**13** [^2timotheus-4-13-49] Breng de reismantel mee, die ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als u komt, en[^2timotheus-4-13-50] de boeken, in het bijzonder[^2timotheus-4-13-51] de perkamenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v13)

**14** [^2timotheus-4-14-52][^2timotheus-4-14-h] Alexander,[^2timotheus-4-14-53] de kopersmid, heeft mij[^2timotheus-4-14-54] veel kwaad betoond;[^2timotheus-4-14-55] de Heere vergelde hem naar zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v14)

**15** [^2timotheus-4-15-56] Wees ook u op uw hoede voor hem, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v15)

**16** In mijn[^2timotheus-4-16-57] eerste verantwoording is[^2timotheus-4-16-58] niemand[^2timotheus-4-16-59] bij mij geweest, maar zij hebben mij allen[^2timotheus-4-16-60] verlaten.[^2timotheus-4-16-61] Het worde hun niet toegerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v16)

**17** Maar de Heere heeft mij[^2timotheus-4-17-62] bijgestaan, en[^2timotheus-4-17-63] heeft mij[^2timotheus-4-17-64] bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en[^2timotheus-4-17-65] alle heidenen dezelfde zouden horen. En ik ben[^2timotheus-4-17-66] uit de muil van de leeuw verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v17)

**18** En de Heere[^2timotheus-4-18-67] zal mij verlossen[^2timotheus-4-18-68] van alle boos werk, en bewaren[^2timotheus-4-18-69] tot Zijn hemels Koninkrijk; Die zij de heerlijkheid[^2timotheus-4-18-70] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v18)

**19** Groet[^2timotheus-4-19-71][^2timotheus-4-19-i] Priska en Aquila, en het huis[^2timotheus-4-19-72] van Onesiforus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v19)

**20** [^2timotheus-4-20-73] Erastus is te Korinthe gebleven; en[^2timotheus-4-20-74] Trofimus heb ik[^2timotheus-4-20-75] te Milete ziek gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v20)

**21** Doe uw best om voor de winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v21)

**22** De Heere Jezus Christus zij[^2timotheus-4-22-76] met uw geest. De genade zij met[^2timotheus-4-22-77] u. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2timotheus/4.html#v22)

[^2timotheus-4-1-a]: Verwijzing a: Rom. 1:9; Rom. 9:1; 2 Kor. 1:23; 2 Kor. 11:31; Galat. 1:20; Filip. 1:8; 1 Thes. 2:5; 1 Tim. 5:21; 1 Tim. 6:13. Romeinen 1:9: Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijn Zoons, hoe ik zonder nalaten uw gedenke; Romeinen 9:1: Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Korinthiërs 1:23: Maar ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 2 Korinthiërs 11:31: De God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die geprezen is in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Galaten 1:20: Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! Filippensen 1:8: Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 1 Thessalonicensen 2:5: Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 1 Timotheüs 5:21: Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 1 Timotheüs 6:13: Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,
[^2timotheus-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 betuig dan voor God: Dat is, ik bid, vermaan u vanwege God, of ik bezweer u voor God, dat is, ik neem God tot getuige, dat ik u ernstig vermaan. Zie dergelijke 1 Tim. 5:21. 1 Timotheüs 5:21: Ik betuig voor God, en de Heer Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.
[^2timotheus-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 de levenden en: Dat is, die in het leven zullen bevonden worden als Christus zal komen tot het oordeel. Zie 1 Kor. 15:51; 1 Thess. 4:16, 4:17. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 1 Thessalonicensen 4:17: Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
[^2timotheus-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, die tevoren zullen gestorven zijn en weer opgewekt; Joh. 5:28, 5:29; Openb. 20:12. Johannes 5:28: Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; Johannes 5:29: En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis. Openbaring 20:12: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^2timotheus-4-1-4]: Kanttekening 4: 4 oordelen zal: Hij stelt hem voor het laatste oordeel, opdat hij en wij allen, daardoor opgewekt mogen worden tot getrouwheid in onze bediening, als die daarvan dan rekenschap zullen moeten geven. Zie 2 Kor. 5:10, 5:11. 2 Korinthiërs 5:10: Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Korinthiërs 5:11: Wij dan, wetende de schrik van de Heer, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn voor God openbaar geworden; maar ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.
[^2timotheus-4-1-5]: Kanttekening 5: 5 in Zijn verschijning: Namelijk in de wolken, met Zijne engelen en met de heerlijkheid van Zijn Vader om te oordelen.
[^2timotheus-4-1-6]: Kanttekening 6: 6 in Zijn Koninkrijk: Namelijk van de heerlijkheid.
[^2timotheus-4-2-7]: Kanttekening 7: Dit woord betekent eigenlijk met luide stem, gelijk de uitroepers, iets verkondigen. Zie Jes. 40:9. Jesaja 40:9: O Sion, u verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God!
[^2timotheus-4-2-8]: Kanttekening 8: 8 het woord: Namelijk van het Evangelie.
[^2timotheus-4-2-9]: Kanttekening 9: 9 houd aan: Grieks sta aan; namelijk met gedurig leren en vermanen.
[^2timotheus-4-2-10]: Kanttekening 10: Dat is, wanneer daartoe goede gelegenheid is, zonder die te verzuimen; Spreuk. 25:11. Spreuken 25:11: Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
[^2timotheus-4-2-11]: Kanttekening 11: Daarmede wil Paulus niet zeggen, dat Timotheüs en andere predikers onbeleefdheid zouden gebruiken, maar dat zij gedurig en ijverig moeten aanhouden, zonder enige tijd of gelegenheid te verzuimen, hoewel het, òf hun zelf zo wel niet te pas komt, òf somtijds ook de toehoorders zouden menen, dat het hun niet wel gelegen is de vermaningen te horen.
[^2timotheus-4-2-12]: Kanttekening 12: Namelijk de dwalingen dergenen, die de waarheid nog niet weten of niet toestaan.
[^2timotheus-4-2-13]: Kanttekening 13: Namelijk degenen die kwaad en ongeregeld van leven zijn.
[^2timotheus-4-2-14]: Kanttekening 14: Namelijk tot oefening van alle christelijke deugden. Of vertroost; namelijk alle zwakke en bedroefde mensen.
[^2timotheus-4-2-15]: Kanttekening 15: 15 in alle lankmoedigheid: Dat is, zonder hevigheid of bitterheid, verdragende geduldig het onverstand en de onbescheidenheid van de mensen. Zie Gal. 6:1; 2 Tim. 2:24. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt. 2 Timotheüs 2:24: En een dienaar van de Heer moet niet twisten, maar vriendelijk zijn tegenover allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;
[^2timotheus-4-2-16]: Kanttekening 16: Dat is, zo, dat de hoofdstukken van de leer altijd klaar en duidelijk voorgedragen worden.
[^2timotheus-4-3-17]: Kanttekening 17: 17 de gezonde leer niet: Namelijk van het heilige Evangelie. Zie 2 Tim. 1:13. 2 Timotheüs 1:13: Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.
[^2timotheus-4-3-18]: Kanttekening 18: 18 verdragen; maar: Dat is, niet alleen niet aannemen, maar ook niet willen toestaan dat deze hun voorgedragen wordt.
[^2timotheus-4-3-19]: Kanttekening 19: 19 kittelachtig zijnde: Dat is, hebbende een hart en oren, die jeuken naar wat nieuws en vreemds.
[^2timotheus-4-3-20]: Kanttekening 20: Of ophopen; dat is, de één voor en de ander na opwerpen en verkiezen, die hun wat nieuws leren.
[^2timotheus-4-3-21]: Kanttekening 21: 21 naar hun eigen begeerlijkheden: Dat is, die ene leer voordragen met hunne kwade lusten overeenkomende.
[^2timotheus-4-4-22]: Kanttekening 22: 22 hun gehoor: Dat is, niet willen horen.
[^2timotheus-4-4-23]: Kanttekening 23: 23 van de waarheid afwenden: Dat is, van de zuivere en waarachtige leer van het Evangelie.
[^2timotheus-4-4-24]: Kanttekening 24: Zie van deze fabelen 1 Tim. 1:4, en 1 Tim. 4:7; Tit. 1:14; 2 Petr. 1:16. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
[^2timotheus-4-5-25]: Kanttekening 25: 25 wakker in alles: Of, nuchter; namelijk niet alleen naar het lichaam, maar naar de ziel voornamelijk.
[^2timotheus-4-5-26]: Kanttekening 26: 26 lijd verdrukkingen: Grieks lijd het kwaad; gelijk 2 Tim. 2:3, 2:9. 2 Timotheüs 2:3: U dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus. 2 Timotheüs 2:9: Om dat ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden.
[^2timotheus-4-5-27]: Kanttekening 27: 27 van een evangelist: Dat is, van een getrouw leraar van het heilige Evangelie. Zie van het ambt van een evangelist Hand. 21:8; Ef. 4:11. Handelingen 21:8: En de volgende dag, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem. Efeziërs 4:11: En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^2timotheus-4-5-28]: Kanttekening 28: 28 ten volle verzekerd zij: Dat is, gedraag u in uw dienst met zodanige naarstigheid en getrouwheid, dat een ieder mag zien en verzekerd zijn, dat u een oprecht leraar bent, die alle delen van zijn ambt wel bedient en volvoert, en daardoor in de waarheid meer en meer versterkt worde; zie vers 17. 2 Timotheüs 4:17: Maar de Heer heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen deze zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.
[^2timotheus-4-6-b]: Verwijzing b: 2 Petr. 1:14. 2 Petrus 1:14: Zo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij heeft geopenbaard.
[^2timotheus-4-6-29]: Kanttekening 29: 29 word nu: Dat is, zal nu haast geofferd of gedood worden. Dit wist de apostel, òf uit een bijzondere openbaring, òf door aanmerking van de gelegenheid en omstandigheden van zijn zaken. Zie dergelijke 2 Petr. 1:14. 2 Petrus 1:14: Zo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij heeft geopenbaard.
[^2timotheus-4-6-30]: Kanttekening 30: 30 tot een drankoffer: Zie hiervan de aantekeningen op Filipp. 2:17. Filippensen 2:17: Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen.
[^2timotheus-4-6-31]: Kanttekening 31: 31 ontbinding is aanstaande: Of, loslating, verhuizing. Zo noemt hij zijn dood, gelijk ook Filipp. 1:23. Zie de aantekeningen daar. Filippensen 1:23: Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.
[^2timotheus-4-7-32]: Kanttekening 32: 32 de goede strijd gestreden: De apostel vergelijkt de loop van zijn dienst en leven bij een strijd of kamp, die eertijds ingesteld werd met lopen, worstelen en anders, om daardoor een prijs of kroon te behalen. Zie van deze gelijkenis 1 Kor. 9:24, 9:25; 2 Tim. 2:5. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 1 Korinthiërs 9:25: En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 2 Timotheüs 2:5: En als ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.
[^2timotheus-4-7-33]: Kanttekening 33: Namelijk daar ik nu tot het uiterste en einde mijns levens gekomen ben.
[^2timotheus-4-7-34]: Kanttekening 34: 34 het geloof behouden: Daardoor wordt verstaan het zaligmakend geloof en de trouw, die hij Christus in het bedienen van het apostelschap beloofd had.
[^2timotheus-4-8-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 9:25; 1 Petr. 5:4. 1 Korinthiërs 9:25: En een iedereen, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^2timotheus-4-8-35]: Kanttekening 35: 35 de kroon van de rechtvaardigheid: Dat is, het eeuwige leven, waarmee de rechtvaardige, of gerechtvaardigde, gelijk als met een prijs, naar Gods genadige belofte, gekroond wordt; een gelijkenis, genomen van de strijders of kampvechters, die tot prijs een kroon ontvingen, als zij wettig gestreden hadden; zie 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 2:5; Jak. 1:12; Openb. 2:10, en Openb. 3:11. 1 Korinthiërs 9:25: En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 2 Timotheüs 2:5: En als ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden. Jakobus 1:12: Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon van het leven ontvangen, welke de Heer beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben. Openbaring 2:10: Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Ziet, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven. Openbaring 3:11: Zie, Ik kom haastig; houd dat u hebt, opdat niemand uw kroon neme.
[^2timotheus-4-8-36]: Kanttekening 36: 36 in die dag: Namelijk mijner ontbinding, en ten volle in de dag van het laatste oordeel, gelijk 1 Kor. 1:8; 2 Kor. 1:14; 2 Tim. 1:12, 1:18. 1 Korinthiërs 1:8: Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heer Jezus Christus. 2 Korinthiërs 1:14: Zoals u ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk u ook de onze bent, in de dag van de Heer Jezus. 2 Timotheüs 1:12: Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag. 2 Timotheüs 1:18: De Heer geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij de Heer, in die dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet u zeer wel.
[^2timotheus-4-8-37]: Kanttekening 37: 37 geven zal: Grieks wedergeven; namelijk tot een genadige vergelding.
[^2timotheus-4-8-38]: Kanttekening 38: 38 Zijn verschijning: Zie vers 1. 2 Timotheüs 4:1: Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:
[^2timotheus-4-8-39]: Kanttekening 39: 39 liefgehad hebben: Dat is, die bewust zijnde van hun oprechtheid, naar deze verlangd hebben, met verzekering en vertrouwen, dat zij dan niet veroordeeld zullen worden, maar de kroon van het leven zullen ontvangen.
[^2timotheus-4-9-40]: Kanttekening 40: 40 haastig tot mij te komen: Dat is, nog voor de winter, vers 21. 2 Timotheüs 4:21: Benaarstig u, om voor de winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders.
[^2timotheus-4-10-d]: Verwijzing d: Kolos. 4:14; Filem. v. 24. Kolossensen 4:14: U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas. Filemon 1:24: Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.
[^2timotheus-4-10-41]: Kanttekening 41: 41 heeft mij verlaten: Dat is, van hier vertrokken, scheidende uit de dienst, die hij hier met mij deed in het prediken. Zie Filem.:24.
[^2timotheus-4-10-42]: Kanttekening 42: 42 wereld liefgekregen: Grieks eeuw; dat is, het gemak van dit leven zoekende, om arbeid en gevaar te ontgaan, of om zijn tijdelijke zaken te verzorgen; waaruit dan niet volgt, dat hij ganselijk van het geloof zou afgevallen zijn.
[^2timotheus-4-10-43]: Kanttekening 43: Dit landschap is een deel van Illyricum, grenzende oostwaarts aan Macedonië, en west- en zuidwaarts aan de Adriatische zee.
[^2timotheus-4-11-44]: Kanttekening 44: 44 Lukas is alleen met mij: Zie van hem Kol. 4:14, en Filem.:24. Kolossensen 4:14: U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas.
[^2timotheus-4-11-e]: Verwijzing e: Kolos. 4:14. Kolossensen 4:14: U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas.
[^2timotheus-4-11-45]: Kanttekening 45: 45 Markus mee: Deze was een neef van Barnabas, Kol. 4:10, genaamd Johannes en toegenaamd Markus, Hand. 12:12, 12:25, en Hand. 15:39. Zie ook van hem Filem.:24; 1 Petr. 5:13. Kolossensen 4:10: U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; Handelingen 12:12: En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren. Handelingen 12:25: Barnabas nu en Saulus keerden opnieuw van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. Handelingen 15:39: Er ontstond dan een verbittering, zo dat zij van elkaar gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus meenam, en naar Cyprus afscheepte; 1 Petrus 5:13: U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Babylon is, en Markus, mijn zoon.
[^2timotheus-4-11-f]: Verwijzing f: Hand. 15:37; Kolos. 4:10; Filem. v. 24. Handelingen 15:37: En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden meenemen. Kolossensen 4:10: U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; Filemon 1:24: Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.
[^2timotheus-4-11-46]: Kanttekening 46: 46 tot de dienst: Namelijk van het Evangelie, en niet zozeer om mij in het bijzonder te dienen.
[^2timotheus-4-12-g]: Verwijzing g: Hand. 20:4; Kolos. 4:7. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Kolossensen 4:7: Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer;
[^2timotheus-4-12-47]: Kanttekening 47: Zie van hem Hand. 20:4; Ef. 6:21; Kol. 4:7; Tit. 3:12. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Efeziërs 6:21: En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, bekend maken; Kolossensen 4:7: Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heer; Titus 3:12: Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren.
[^2timotheus-4-12-48]: Kanttekening 48: 48 naar Efeze gezonden: Namelijk om die kerk in uwe plaats te verzorgen.
[^2timotheus-4-13-49]: Kanttekening 49: 49 Breng de reismantel: Grieks phelonen. Lat. penulam; welke een mantel was, om in het reizen te gebruiken tegen regen en koude. Sommigen verstaan daardoor een koffertje, om boeken in te leggen.
[^2timotheus-4-13-50]: Kanttekening 50: 50 de boeken: Namelijk van de heilige Schrift, of andere, handelende van Gods woord.
[^2timotheus-4-13-51]: Kanttekening 51: 51 de perkamenten: Grieks membranas; een Latijns woord, betekenende enige dunne vellen van beesten, toebereid om op te schrijven, bij ons genoemd perkamenten, omdat zij eerst in de stad Pergamos zijn gevonden en bereid.
[^2timotheus-4-14-52]: Kanttekening 52: Van deze, zie 1 Tim. 1:20. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^2timotheus-4-14-h]: Verwijzing h: 1 Tim. 1:20. 1 Timotheüs 1:20: Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.
[^2timotheus-4-14-53]: Kanttekening 53: 53 de kopersmid: Of, koperslager.
[^2timotheus-4-14-54]: Kanttekening 54: 54 veel kwaads betoond: Namelijk met lasteren en de gezonde leer tegen te staan, gelijk verklaard wordt vers 15. 2 Timotheüs 4:15: Van welke wacht u u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.
[^2timotheus-4-14-55]: Kanttekening 55: 55 de Heer vergelde: Dit is geen vervloeking uit een wraakgierig hart voortgekomen, tegen de leer van Christus, Matt. 5:44, en ook van Paulus zelf, Rom. 12:14, maar ook profetische dreiging uit een Goddelijken ijver tot Gods eer en ingeven van de Heilige Geest, van de straf die hem genakende was, daar hij zich betoonde geheel onbekeerlijk en verhard te zijn. Zie dergelijke Neh. 4:4, enz.; Ps. 5:11. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Romeinen 12:14: Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet. Nehemia 4:4: Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weer op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land van de gevangenis. Psalmen 5:11: Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen heen om de veelheid hun overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U.
[^2timotheus-4-15-56]: Kanttekening 56: 56 Van welke wacht u u ook: Namelijk dat hij u ook dergelijk kwaad niet doe, of de gemeente geen schade doe.
[^2timotheus-4-16-57]: Kanttekening 57: 57 eerste verantwoording: Namelijk gedaan voor de Keizer Nero.
[^2timotheus-4-16-58]: Kanttekening 58: Namelijk van mijn medehelpers in de dienst van het Woord, of die mij plachten te volgen en vergezellen. Het schijnt dat hij Lukas uitzondert, vers 11. Als Petrus toen te Rome zou geweest zijn, gelijk voorgegeven wordt, zo zou dat een grote schande voor hem geweest zijn, dat niet gelofelijk is. 2 Timotheüs 4:11: Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst.
[^2timotheus-4-16-59]: Kanttekening 59: 59 bij mij geweest: Namelijk om mij met raad, voorspraak, getuigenis, of anders te helpen.
[^2timotheus-4-16-60]: Kanttekening 60: Dat is, alleen gelaten, niet vergezeld.
[^2timotheus-4-16-61]: Kanttekening 61: 61 Het worde hun niet toegerekend: Omdat zij dit uit zwakheid en vrees van het gevaar gedaan hadden, zo bidt hij God voor hen, daar hij tevoren tegen de moedwillige en verstokte Alexander gebeden heeft, vers 14; zie dergelijke Luk. 23:34; Hand. 7:60. 2 Timotheüs 4:14: Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken. Lukas 23:34: En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. Handelingen 7:60: En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
[^2timotheus-4-17-62]: Kanttekening 62: Namelijk met de genade van Zijn Geest, gelijk hij beloofd heeft, Luk. 21:14, 21:15. Of, heeft gestaan bij mij, gelijk Hand. 27:23, en mij vertroost en versterkt. Lukas 21:14: Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe u zich verantwoorden zult; Lukas 21:15: Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten. Handelingen 27:23: Want deze zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel van God, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,
[^2timotheus-4-17-63]: Kanttekening 63: 63 heeft mij bekrachtigd: Namelijk met wijsheid, voorzichtigheid en kloekmoedigheid.
[^2timotheus-4-17-64]: Kanttekening 64: 64 opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking: Of, opdat door mij de prediking vervuld zou worden. Zie vers 5. 2 Timotheüs 4:5: Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.
[^2timotheus-4-17-65]: Kanttekening 65: 65 alle heidenen dezelfde: Dat is, opdat ik nog tijd en gelegenheid zou hebben om het Evangelie onder de heidenen, wier apostel ik ben, Rom. 11:13, verder te verbreiden. Romeinen 11:13: Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik van de heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;
[^2timotheus-4-17-66]: Kanttekening 66: 66 uit de muil van de leeuw verlost: Dat is, uit een groot en tegenwoordig gevaar van de dood, gelijk daarin zijn degenen, die reeds in de muil en de kaken van een wreden leeuw zijn geraakt, Ps. 22:22, en Ps. 58:7. Anderen verstaan door de leeuw de keizer Nero, die om zijn wreedheid zo wordt genoemd, gelijk doorgaans de tirannen en vijanden van de Kerk, Ps. 35:17, en Ps. 91:13; Spreuk. 28:15; Jer. 2:15, en Jer. 4:7. Zo noemt Christus de koning Herodes om zijn loosheid een vos; Luk. 13:32. Psalmen 22:22: Verlos mij uit de muil van de leeuwen; en verhoor mij van de hoornen van de eenhoornen. Psalmen 58:7: O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden van de jonge leeuwen, o YHWH! Psalmen 35:17: YHWH! hoe lang zult U toezien? Breng mijn ziel weer van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen. Psalmen 91:13: Op de felle leeuw en de adder zult u treden, u zult de jonge leeuw en de draak vertreden. Spreuken 28:15: De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weer loopt. Jeremia 2:15: De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. Jeremia 4:7: De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in wone. Lukas 13:32: En Hij zei tot hen: Gaat heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en op de derde dag worde Ik voltooid.
[^2timotheus-4-18-67]: Kanttekening 67: 67 zal mij verlossen: Dat is, ik ben daarvan verzekerd uit Zijne beloften; Ps. 34:20, en Ps. 41:3, en Ps. 55:23. Psalmen 34:20: Resch. Vele zijn de tegenspoeden van de rechtvaardige; maar uit alle die redt hem YHWH. Psalmen 41:3: YHWH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in de begeerte van zijn vijanden. Psalmen 55:23: Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
[^2timotheus-4-18-68]: Kanttekening 68: 68 van alle boos werk: Dat is, van verzaking of krenking van de waarheid en vertwijfeling aan zijn hulp.
[^2timotheus-4-18-69]: Kanttekening 69: 69 tot Zijn hemels Koninkrijk: Dat is, totdat hij het eindelijk zal geven.
[^2timotheus-4-18-70]: Kanttekening 70: 70 in alle eeuwigheid: Grieks in eeuwigheden van de eeuwigheden.
[^2timotheus-4-19-71]: Kanttekening 71: 71 Priska en Aquila: Zie van deze, Hand. 18:2; Rom. 16:3. Handelingen 18:2: En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; Romeinen 16:3: Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;
[^2timotheus-4-19-i]: Verwijzing i: Hand. 18:2; Rom. 16:3. Handelingen 18:2: En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; Romeinen 16:3: Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;
[^2timotheus-4-19-72]: Kanttekening 72: Zie van deze, 2 Tim. 1:16. 2 Timotheüs 1:16: De Heer geve de huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.
[^2timotheus-4-20-73]: Kanttekening 73: Zie van hem, Hand. 19:22; Rom. 16:23. Handelingen 19:22: En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. Romeinen 16:23: U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus.
[^2timotheus-4-20-74]: Kanttekening 74: Zie van hem, Hand. 20:4, en Hand. 21:29. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Handelingen 21:29: Want zij hadden te voren Trofimus, de Efezier, met hem in de stad gezien, welke zij meenden, dat Paulus in de tempel gebracht had.
[^2timotheus-4-20-75]: Kanttekening 75: 75 te Milete: Zie van deze stad, Hand. 20:15, 20:17. Handelingen 20:15: En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij de volgende dag tegen Chios over, en de dag daarna legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en de dag daaraan kwamen wij te Milete. Handelingen 20:17: Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente.
[^2timotheus-4-22-76]: Kanttekening 76: 76 met uw geest: Dat is, geve u zijne genade, voornamelijk naar de ziel.
[^2timotheus-4-22-77]: Kanttekening 77: Dat is, niet alleen met u Timotheüs, maar ook met alle gelovigen te Efeze.

## Titus

### Titus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/titus/1.json)

*1 Na het opschrift van de brief, waarin Paulus de waardigheid van zijn apostelschap beschrijft. 5 verklaart hij met welk doel hij Titus op het eiland Kreta gelaten had. 6 En beschrijft de hoedanigheden en gaven die vereist worden in een goede leraar of opziener. 10 Vermaant hem de holle praters en verleiders tegen te staan en hun de mond te stoppen. 12 en, omdat de Kretenzen slechte mensen waren naar het getuigenis van een van hun eigen dichters, dat hij hen scherp bestraft. 14 en hen vermaant Joodse fabels en menselijke instellingen te ontvluchten. 15 voornamelijk over het onderscheid van de spijzen. 16 en beschrijft de geveinsdheid van deze verleiders, om die beter te mijden.*

**1** Paulus,[^titus-1-1-1] een dienaar van God, en een apostel van Jezus[^titus-1-1-2] Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God, en[^titus-1-1-3] de kennis van de[^titus-1-1-4] waarheid, die naar de godzaligheid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v1)

**2** [^titus-1-2-5] In de hoop van het eeuwige leven,[^titus-1-2-6] die God,[^titus-1-2-a] Die niet liegen kan, beloofd heeft,[^titus-1-2-7][^titus-1-2-b] voor de tijden van de eeuwen, maar[^titus-1-2-8] geopenbaard heeft[^titus-1-2-9] op Zijn tijd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v2)

**3** [^titus-1-3-10] Namelijk Zijn[^titus-1-3-11] Woord, door de prediking,[^titus-1-3-c] die mij toebetrouwd is,[^titus-1-3-12] naar het bevel van God, onze[^titus-1-3-d] Zaligmaker; aan[^titus-1-3-13] Titus, mijn oprechte zoon, naar[^titus-1-3-14] het gemeenschappelijk geloof: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v3)

**4** [^titus-1-4-e] Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en de Heere Jezus Christus, onze Zaligmaker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v4)

**5** Om die oorzaak heb ik u op[^titus-1-5-15] Kreta achtergelaten, opdat u,[^titus-1-5-16] wat nog ontbrak, verder zou[^titus-1-5-17] te recht brengen,[^titus-1-5-f] en dat u van stad tot stad zou[^titus-1-5-18] ouderlingen aanstellen,[^titus-1-5-19] zoals ik u[^titus-1-5-20] bevolen heb: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v5)

**6** [^titus-1-6-g] Als iemand[^titus-1-6-21] onberispelijk is,[^titus-1-6-22] een man met één vrouw, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v6)

**7** Want[^titus-1-7-23] een opziener moet onberispelijk zijn,[^titus-1-7-h] als een huisverzorger van God,[^titus-1-7-24] niet eigenzinnig, niet genegen tot boosheid,[^titus-1-7-i] niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas,[^titus-1-7-k] geen zoeker van oneerlijke winst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v7)

**8** Maar die[^titus-1-8-l] graag herbergt, die[^titus-1-8-25] de goeden liefheeft,[^titus-1-8-26] matig, rechtvaardig, heilig, rein; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v8)

**9** Die vasthoudt aan[^titus-1-9-27] het getrouwe woord, dat[^titus-1-9-28] naar de leer is, opdat hij machtig zij, zowel om te vermanen door de gezonde leer, als om de tegensprekers[^titus-1-9-29] te weerleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v9)

**10** [^titus-1-10-m] Want er zijn ook vele[^titus-1-10-30] ongeregelden,[^titus-1-10-31] ijdelheidsprekers en misleiders, in het bijzonder[^titus-1-10-32] die uit de besnijdenis zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v10)

**11** Die men moet[^titus-1-11-33] de mond stoppen, die hele[^titus-1-11-34][^titus-1-11-n] huizen[^titus-1-11-35] verwarren, lerende wat niet behoort, om schandelijke winst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v11)

**12** [^titus-1-12-36] Één uit hen, zijnde hun eigen[^titus-1-12-37] profeet, heeft gezegd: De Kretensen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten,[^titus-1-12-38] luilakken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v12)

**13** Deze getuigenis[^titus-1-13-39] is waar.[^titus-1-13-40] Daarom bestraf[^titus-1-13-41] hen scherp, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v13)

**14** [^titus-1-14-o] En zich niet begeven tot[^titus-1-14-42] Joodse fabelen, en geboden van de mensen,[^titus-1-14-43] die hen van de waarheid afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v14)

**15** [^titus-1-15-44][^titus-1-15-p] Alle dingen zijn wel[^titus-1-15-45] rein voor[^titus-1-15-46] de reinen,[^titus-1-15-q] maar voor[^titus-1-15-47] de bevlekten en ongelovigen[^titus-1-15-48] is geen ding rein, maar zowel[^titus-1-15-49] hun verstand als geweten zijn bevlekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v15)

**16** [^titus-1-16-50] Zij[^titus-1-16-51] belijden,[^titus-1-16-52] dat zij God kennen, maar zij verloochenen[^titus-1-16-53] Hem met de werken, zo zij[^titus-1-16-54] gruwelijk zijn en[^titus-1-16-55] ongehoorzaam, en tot elk goed werk[^titus-1-16-56] ongeschikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/1.html#v16)

[^titus-1-1-1]: Kanttekening 1: Zie Rom. 1:1; Filipp. 1:1; Jak. 1:1; 2 Petr. 1:1; Jud. 1:1; Openb. 1:1. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. 2 Petrus 1:1: Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus; Judas 1:1: Judas, een dienaar van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: Openbaring 1:1: De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;
[^titus-1-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, predikende dezelfde leer, die de uitverkorenen van God van alle tijden geloofd hebben. Of het Evangelie predikende, waardoor alleen de uitverkorenen van God tot het zaligmakend geloof gebracht worden; gelijk Rom. 1:5; 2 Tim. 1:1. Romeinen 1:5: (Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam; 2 Timotheüs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, naar de belofte van het leven, dat in Christus Jezus is,
[^titus-1-1-3]: Kanttekening 3: Zo wordt het geloof genoemd, omdat zonder kennis van de waarheid van het Evangelie geen zaligmakend geloof kan zijn. Zie Jes. 53:11; Joh. 17:3; Kol. 1:9, 1:10; 1 Tim. 2:4; Hebr. 10:26; 1 Joh. 4:16. Jesaja 53:11: Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. Kolossensen 1:9: Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat u mag vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; Kolossensen 1:10: Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 1 Timotheüs 2:4: Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 1 Johannes 4:16: En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. Johannes 4:16: Jezus zei tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.
[^titus-1-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, die zodanig is, dat zij niet alleen geweten, maar ook door oefening van ware godzaligheid in het werk gesteld moet worden, en die de ware godzaligheid voorschrijft, eist, en daartoe de mensen verwekt en brengt. Zie 1 Tim. 6:3. 1 Timotheüs 6:3: Als iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,
[^titus-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 In de hoop: Of, tot de hoop, op de hoop; die door deze leer in de harten van de gelovigen gewrocht wordt en bevestigd; Rom. 5:4, 5:5. Romeinen 5:4: En de volharding bevinding, en de bevinding hoop; Romeinen 5:5: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven.
[^titus-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 welke God: Namelijk waarheid.
[^titus-1-2-a]: Verwijzing a: Num. 23:19; 2 Tim. 2:13. Numeri 23:19: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? 2 Timotheüs 2:13: Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.
[^titus-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 voor de tijden: Grieks, voor de eeuwige tijden; dat is, van het begin van de wereld, voordat men eeuwen begon te tellen. Zie Gen. 3:15; Rom. 16:25, 16:26. Genesis 3:15: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Romeinen 16:26: Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder al de heidenen bekend is gemaakt;
[^titus-1-2-b]: Verwijzing b: Rom. 16:25; Efez. 1:9; Efez. 3:9; Kolos. 1:26; 1 Petr. 1:20. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Efeziërs 1:9: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven. Efeziërs 3:9: En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:26: Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 1 Petrus 1:20: Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^titus-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 geopenbaard heeft: Namelijk klaar, zonder deksel van schaduwen en voorbeelden, en onder alle volken. Anderen voegen deze woorden bij het volgende vers 3 en zetten het over: Maar heeft geopenbaard op Zijn tijd Zijn Woord, door, enz. Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^titus-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 op Zijn tijd: Dat is, in de volheid van de tijd, Gal. 4:4; namelijk die God bestemd had om Zijn Zoon in de wereld te zenden. Galaten 4:4: Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
[^titus-1-3-10]: Kanttekening 10: 10 Zijn woord: Namelijk van het Evangelie, welks prediking mij toevertrouwd is.
[^titus-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 door de prediking: Grieks, in de prediking (κήρυγμα).
[^titus-1-3-c]: Verwijzing c: Hand. 20:24; Galat. 1:1. Handelingen 20:24: Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik, van de Heer Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade van God. Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft,
[^titus-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 naar het bevel: Zie 1 Tim. 1:1.
[^titus-1-3-d]: Verwijzing d: 2 Kor. 2:12; 2 Kor. 7:14; 2 Kor. 8:6; idem 8:16; Galat. 2:3. 2 Korinthiërs 2:12: Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heer, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; 2 Korinthiërs 7:14: Want als ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook onze roem, die ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 2 Korinthiërs 8:6: Zo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook zo nog deze gave bij u voltooien zou. 2 Korinthiërs 8:16: Maar Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft; Galaten 2:3: Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.
[^titus-1-3-13]: Kanttekening 13: 13 mijn oprechte zoon: Zie hiervan ook 1 Tim. 1:2.
[^titus-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 het gemeenschappelijk geloof: Dat is, dat ons beiden en allen uitverkorenen gemeen is; waarmee hij te kennen geeft, dat hij niet zijn natuurlijke zoon is, maar geestelijke. Zie de aantekening bij 1 Tim. 1:2. Filip. 2:5. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^titus-1-4-e]: Verwijzing e: Efez. 1:2; Kolos. 1:2; 2 Tim. 1:2; 1 Petr. 1:2. Efeziërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Kolossensen 1:2: De heiligen en gelovigen broeders in Christus, die te Kolosse zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 2 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^titus-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, een eiland in de Middellandse zee, nu genoemd Kandia. Zie van dit eiland Hand. 2:11, en Hand. 27:7, 27:12. Het is een groot eiland, en had eertijds honderd steden. Handelingen 2:11: Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken. Handelingen 27:7: En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, omdat het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmone. Handelingen 27:12: En zo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerderdeel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten.
[^titus-1-5-16]: Kanttekening 16: 16 wat nog ontbrak: Grieks, wat nog gelaten is; namelijk ongedaan.
[^titus-1-5-17]: Kanttekening 17: 17 te recht brengen: Niet wat kwalijk gedaan was te verbeteren, gelijk sommigen uitleggen, maar verder vervullen wat tot stichting van de gemeente nodig, nog overgebleven is te verzorgen.
[^titus-1-5-f]: Verwijzing f: 2 Tim. 2:2. 2 Timotheüs 2:2: En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.
[^titus-1-5-18]: Kanttekening 18: Namelijk die in het woord arbeiden, dat is, leraars, 1 Tim. 5:17, zie Filip. 1:7 ook bisschoppen, of, opzieners genoemd worden; waaruit blijkt, dat door ouderlingen en opzieners hier enerlei bediening aangeduid wordt. Zie Hand. 20:17, 20:28; Filipp. 1:1; 1 Tim. 5:17; 1 Petr. 5:1, 5:2. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Handelingen 20:17: Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. 1 Petrus 5:1: De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige van het lijden van Christus ben, en deelachtig van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: 1 Petrus 5:2: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuile winst, maar met een volvaardig gemoed;
[^titus-1-5-19]: Kanttekening 19: 19 gelijk ik u: Dat is, niet op uw eigen gezag en goedvinden alleen, maar naar de orde, die ik u voorgeschreven en zelf gehouden heb. Zie van deze orde Hand. 14:23; 1 Tim. 4:14. Handelingen 14:23: En als zij in elke Gemeente, met opsteken van de handen, ouderlingen gekozen hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen de Heer, in Welke zij geloofd hadden. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^titus-1-5-20]: Kanttekening 20: 20 bevolen heb: Grieks, verordineerd heb.
[^titus-1-6-g]: Verwijzing g: 1 Tim. 3:2. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren;
[^titus-1-6-21]: Kanttekening 21: Grieks, onschuldig, onbestraffelijk. Zie 1 Tim. 3:10. 1 Timotheüs 3:10: En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn.
[^titus-1-6-22]: Kanttekening 22: 22 een man met één vrouw: Zie hiervan de aantekening bij 1 Tim. 3:2.
[^titus-1-7-23]: Kanttekening 23: 23 een opziener: Grieks, episcopos (ἐπίσκοπον); van welk woord zie Hand. 20:28; Filipp. 1:1; 1 Tim. 3:1. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: 1 Timotheüs 3:1: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.
[^titus-1-7-h]: Verwijzing h: Matt. 24:45; 1 Kor. 4:1; 1 Tim. 3:15. Mattheüs 24:45: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd? 1 Korinthiërs 4:1: Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de verborgenheden Gods. 1 Timotheüs 3:15: Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levenden Gods, een pilaar en vastheid van de waarheid.
[^titus-1-7-24]: Kanttekening 24: 24 niet eigenzinnig: Of, niet eigendunkend, zichzelf behagende; dat is, die zijn hoofd alleen volgen wil, en stout het gevoelen van anderen verwerpt en die voor niemand wil wijken.
[^titus-1-7-i]: Verwijzing i: Lev. 10:9; Efez. 5:18. Leviticus 10:9: Wijn en sterken drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten; Efeziërs 5:18: En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de Geest;
[^titus-1-7-k]: Verwijzing k: 1 Tim. 3:3; 1 Petr. 5:2. 1 Timotheüs 3:3: Niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. 1 Petrus 5:2: Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuil winst, maar met een volvaardig gemoed;
[^titus-1-8-l]: Verwijzing l: 1 Tim. 3:2. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren;
[^titus-1-8-25]: Kanttekening 25: 25 de goeden liefheeft: Of, het goede.
[^titus-1-8-26]: Kanttekening 26: Of, voorzichtig.
[^titus-1-9-27]: Kanttekening 27: 27 het getrouwe woord: Of, het woord dat geloofwaardig is, en met geloof wordt aangenomen.
[^titus-1-9-28]: Kanttekening 28: 28 naar de leer is: Dat is, naar de zuivere leer van het heilig Evangelie. Zie Joh. 7:17; Rom. 16:17. Johannes 7:17: Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelf spreek. Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde.
[^titus-1-9-29]: Kanttekening 29: 29 te weerleggen: Dat is, met bondige redenen uit de Schrift te overtuigen van hunne dwalingen.
[^titus-1-10-m]: Verwijzing m: Hand. 15:1. Handelingen 15:1: En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden.
[^titus-1-10-30]: Kanttekening 30: Dat is, die zich aan gene orde willen onderwerpen. Zie 1 Tim. 1:9. 1 Timotheüs 1:9: En hij dit weet, dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de halsstarrigen, de goddelozen en de zondaren, de onheiligen en de ongoddelijken, de vadermoorders en de moedermoorders, de moordenaars,
[^titus-1-10-31]: Kanttekening 31: Zie van dit woord 1 Tim. 1:6. 1 Timotheüs 1:6: Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking;
[^titus-1-10-32]: Kanttekening 32: 32 die uit de besnijdenis: Dat is, die Joden zijn, Hand. 11:2; Rom. 3:30; Gal. 2:12; Kol. 4:11, die allerhardst dreven op de onderhouding van de wet, en deze met het Evangelie vermengden. Dat in Kreta veel Joden waren, blijkt uit Hand. 2:11. Handelingen 11:2: En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren, Romeinen 3:30: Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. Galaten 2:12: Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mee met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelf af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. Kolossensen 4:11: En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk van God, die mij een vertroosting geweest zijn. Handelingen 2:11: Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken.
[^titus-1-11-33]: Kanttekening 33: 33 de mond stoppen: Namelijk met weerlegging van hunne valse leringen en lasteringen. Zie vers 9, en Matt. 22:34. Titus 1:9: Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, zowel om te vermanen door de gezonde leer, als om de tegensprekers te weerleggen. Mattheüs 22:34: En de Farizeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceën de mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.
[^titus-1-11-34]: Kanttekening 34: Dat is, huisgezinnen, gelijk Luk. 10:5, Hand. 16:15 en 18:8, 1 Kor. 1:16, 1 Tim. 3:4 en 5:4, 2 Tim. 1:16. Lukas 10:5: En in wat huis u zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij deze huize! Handelingen 16:15: En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik de Heer getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons. Handelingen 18:8: En Crispus, de overste van de synagoge, geloofde aan de Heer met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt. 1 Korinthiërs 1:16: Maar ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. 1 Timotheüs 3:4: Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; 1 Timotheüs 5:4: Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kleinkinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en de voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God. 2 Timotheüs 1:16: De Heer geve de huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.
[^titus-1-11-n]: Verwijzing n: Matt. 23:14; 2 Tim. 3:6. Mattheüs 23:14: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. 2 Timotheüs 3:6: Want van deze zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;
[^titus-1-11-35]: Kanttekening 35: Of, omkeren; dat is, van het rechte geloof afkeren en in het verderf brengen.
[^titus-1-12-36]: Kanttekening 36: 36 Één uit hen: Dat is, één uit de Kretensen, die in Kreta geboren is, namelijk Epimenides, gelijk ook het eerst bij Calimachus nog te lezen is.
[^titus-1-12-37]: Kanttekening 37: Dat is, poëet, of dichter. Want de heidenen hielden hunne poëten bijna in dezelfde achting, als de Joden hunne profeten, en geloofden, hoewel verkeerd, dat deze enige Goddelijke ingevingen hadden; waarom zij ook Vates, dat is profeten genoemd worden. Elders noemt hij zulken ook poëten; Hand. 17:28. Handelingen 17:28: Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
[^titus-1-12-38]: Kanttekening 38: 38 luilakken: Dat is, vraatachtige en luie mensen.
[^titus-1-13-39]: Kanttekening 39: 39 is waar: Namelijk van de grootste hoop van de Kretensen, die zodanige mensen zijn.
[^titus-1-13-40]: Kanttekening 40: 40 Daarom bestraf hen: Grieks, om welker oorzaak wille.
[^titus-1-13-41]: Kanttekening 41: Of streng. Grieks, afsnijdelijk; gelijk Rom. 11:22; 2 Kor. 13:10; ene gelijkenis genomen van de geneeskundigen, die het verstorven vlees afsnijden. Romeinen 11:22: Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u afgehouwen worden. 2 Korinthiërs 13:10: Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heer gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping.
[^titus-1-14-o]: Verwijzing o: Jes. 29:13; Matt. 15:9; Kolos. 2:22; 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 1 Tim. 6:20. Jesaja 29:13: Want de Heer heeft gezegd: Daarom dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; Mattheüs 15:9: Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn. Kolossensen 2:22: Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen van de mensen; 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap;
[^titus-1-14-42]: Kanttekening 42: 42 Joodse fabelen: Zie hiervan de aantekening bij 1 Tim. 1:4, en 1 Tim. 4:7. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid.
[^titus-1-14-43]: Kanttekening 43: 43 die hen van: Of die de waarheid afkeren.
[^titus-1-15-44]: Kanttekening 44: 44 Alle dingen: Dat is, allerlei spijzen. Want de Joden dreven, dat men in het Nieuwe Testament nog onderhouden moest het onderscheid van de spijzen, in het Oude Testament bevolen: Lev. 11.
[^titus-1-15-p]: Verwijzing p: Matt. 15:11; Hand. 10:15; Rom. 14:20. Mattheüs 15:11: Wat in de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar wat in de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens. Handelingen 10:15: En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken. Romeinen 14:20: Verbreek het werk van God niet vanwege de voedsel. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad de mens, die met aanstoot eet.
[^titus-1-15-45]: Kanttekening 45: Dat is, geoorloofd te eten. Zie 1 Tim. 4:3. 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^titus-1-15-46]: Kanttekening 46: 46 de reinen: Dat is, de gelovigen, wier harten door het geloof gereinigd zijn; Hand. 15:9. Handelingen 15:9: En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
[^titus-1-15-q]: Verwijzing q: Matt. 23:25; Rom. 14:23. Mattheüs 23:25: Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbekers, en van de schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Romeinen 14:23: Maar die twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
[^titus-1-15-47]: Kanttekening 47: 47 de bevlekten: Dat is, wier harten door het geloof nog niet gereinigd zijn, gelijk het volgende woord ongelovigen nader verklaart.
[^titus-1-15-48]: Kanttekening 48: 48 is geen ding rein: Dat is, gebruiken geen voedsel rein, zo het behoort. Of geen onthouden van enig voedsel kan hun rein maken.
[^titus-1-15-49]: Kanttekening 49: 49 hun verstand: Dat is, de onreinheid is niet gelegen in het uiterlijk onthouden van enig voedsel; maar is inwendig in de ziel van de mens en in de krachten daarvan, die in de gelovigen allen onrein en met zonden besmet zijn, hoezeer zij zich van enige spijzen zouden mogen onthouden. Zie Matt. 15:11. Mattheüs 15:11: Wat in de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar wat uit de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens.
[^titus-1-16-50]: Kanttekening 50: Namelijk deze verleiders en drijvers van het onderscheid van de spijzen.
[^titus-1-16-51]: Kanttekening 51: Namelijk met de mond en uiterlijke schijn.
[^titus-1-16-52]: Kanttekening 52: 52 dat zij God kennen: Dat is, dat zij de ware religie en godsdienst oefenen.
[^titus-1-16-53]: Kanttekening 53: 53 met de werken: Namelijk die kwaad en tegen de ware religie strijdig zijn, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^titus-1-16-54]: Kanttekening 54: 54 gruwelijk zijn: Dat is, niet alleen geringe, maar ook lelijke en gruwelijke zonden bedrijven. Zie Job 15:16; Ps. 14:3. Job 15:16: Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water? Psalmen 14:3: Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.
[^titus-1-16-55]: Kanttekening 55: Dat is, die de waarheid geen plaats willen geven, of die zich niet willen laten bewegen, om deze te geloven en aan te nemen.
[^titus-1-16-56]: Kanttekening 56: Grieks, verwerpelijk, of, afgekeurd; dat is, die, omdat zij gene goede werken voortbrengen, met recht afgekeurd worden, dat zij gene oprechte gelovigen zijn, maar verwerpelijk.

### Titus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/titus/2.json)

*1 De apostel vermaant Titus de gezonde leer juist voor te stellen en te onderwijzen, 2 de oude mannen, 3 en de oude vrouwen, 4 en door hen de jonge vrouwen, 6 en de jonge mannen, hoe zij zich behoren te gedragen, en hen daartoe te vermanen, zowel met woorden, 7 als ook met zijn eigen voorbeeld, in wandel en in leer. 9 Daarna ook de gelovige dienstknechten, hoe zij zich moeten gedragen. 11 En voegt daarbij redenen die ieder tot godzaligheid en tot alle christelijke deugden behoren te bewegen, ontleend zowel aan het doel waartoe God ons zijn evangelie geopenbaard heeft, 13 als aan de hoop van de vergelding bij de komst van Christus. 14 en aan de grootheid, vrucht en het doel van de weldaden van Christus aan ons bewezen. 15 willende dat hij dit ernstig aandringt en inprent.*

**1** Maar[^titus-2-1-1] u, spreek wat van[^titus-2-1-2] de gezonde leer past. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v1)

**2** Dat de oude mannen nuchter zijn,[^titus-2-2-3] stemmig,[^titus-2-2-4] voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v2)

**3** De oude vrouwen ook,[^titus-2-3-a] dat zij in[^titus-2-3-5] haar gedrag zijn, zoals de heiligen past, dat[^titus-2-3-b] zij geen kwaadsprekers zijn,[^titus-2-3-6] zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v3)

**4** Opdat[^titus-2-4-7] zij de jonge vrouwen[^titus-2-4-8] leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v4)

**5** [^titus-2-5-9] Matig te zijn, rein te zijn,[^titus-2-5-10] het huis te bewaren,[^titus-2-5-11] goed te zijn,[^titus-2-5-c] haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God[^titus-2-5-12] niet gelasterd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v5)

**6** Vermaan de jonge mannen ook, dat zij[^titus-2-6-13] matig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v6)

**7** [^titus-2-7-d] Betoon uzelf in alles een voorbeeld van goede werken,[^titus-2-7-14] betoon in de leer[^titus-2-7-15] onvervalstheid,[^titus-2-7-16] deftigheid, oprechtheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v7)

**8** [^titus-2-8-17] Het woord gezond en[^titus-2-8-18] onverwerpelijk,[^titus-2-8-e] opdat degene,[^titus-2-8-19] die daartegen is,[^titus-2-8-20] beschaamd wordt, en niets kwaads hebbe van[^titus-2-8-21] u te[^titus-2-8-22] zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v8)

**9** [^titus-2-9-f] Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat[^titus-2-9-23] zij in alles welbehaaglijk zijn, niet[^titus-2-9-24] tegensprekende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v9)

**10** Niet[^titus-2-10-25] onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij[^titus-2-10-26] de leer van God, onze Zaligmaker, in alles[^titus-2-10-27] mogen versieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v10)

**11** [^titus-2-11-28] Want[^titus-2-11-29] de zaligmakende genade van God[^titus-2-11-30] is verschenen[^titus-2-11-31] aan alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v11)

**12** En onderwijst ons,[^titus-2-12-g] dat wij, de goddeloosheid en[^titus-2-12-h] de[^titus-2-12-32] wereldse begeerlijkheden[^titus-2-12-33] verzakende,[^titus-2-12-34] matig en[^titus-2-12-35] rechtvaardig, en[^titus-2-12-36] godzalig leven zouden in deze tegenwoordige[^titus-2-12-37] wereld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v12)

**13** [^titus-2-13-i] Verwachtende[^titus-2-13-38] de zalige hoop en[^titus-2-13-39] verschijning[^titus-2-13-40] van de[^titus-2-13-41] heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v13)

**14** [^titus-2-14-k] Die Zichzelf voor ons[^titus-2-14-42] gegeven heeft,[^titus-2-14-43] opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf[^titus-2-14-44] een eigen volk zou[^titus-2-14-45] reinigen,[^titus-2-14-l] ijverig in goede werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v14)

**15** Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen[^titus-2-15-46] ernst.[^titus-2-15-m] Dat niemand u verachte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/2.html#v15)

[^titus-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 u, spreek: Namelijk doe niet gelijk deze verleiders, maar als een getrouw leraar, nalatende zulke fabelen, ijdele woorden en geboden van mensen, predik de leer van het Evangelie zuiver.
[^titus-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 van de gezonde leer: Zie 1 Tim. 1:10, en 1 Tim. 6:3. 1 Timotheüs 1:10: De hoereerders, die, die bij mannen liggen, de mensendieven, de leugenaars, de meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is; 1 Timotheüs 6:3: Als iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,
[^titus-2-2-3]: Kanttekening 3: Of, statig, deftig, eerbaar.
[^titus-2-2-4]: Kanttekening 4: Of, matig.
[^titus-2-3-a]: Verwijzing a: 1 Tim. 2:9; 1 Petr. 3:3. 1 Timotheüs 2:9: Evenzo ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelf versieren, niet in vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding; 1 Petrus 3:3: Welker versiersel zij, niet wat uiterlijk is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van kleren aan te trekken;
[^titus-2-3-5]: Kanttekening 5: 5 haar dracht: Grieks, gestalte; namelijk zowel in kleding als in hun hele wandel.
[^titus-2-3-b]: Verwijzing b: 1 Tim. 5:13. 1 Timotheüs 5:13: En meteen ook leren zij leeg omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen leeg, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, wat niet betaamt.
[^titus-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 zich niet tot: Grieks, haar niet tot slavinnen van veel wijn makende.
[^titus-2-4-7]: Kanttekening 7: 7 zij de jonge: Namelijk de oude vrouwen, waardoor de jonge vrouwen beter en met minder opspraak kunnen onderwezen worden dan door de mannen, namelijk in het bijzonder. Want openlijk in de gemeente te leren is de vrouwen verboden; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:12. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. 1 Timotheüs 2:12: Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.
[^titus-2-4-8]: Kanttekening 8: 8 voorzichtig te zijn: Of, matig, gelijk in vers 5. Titus 2:5: Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde.
[^titus-2-5-9]: Kanttekening 9: 9 Matig te zijn: Of, voorzichtig.
[^titus-2-5-10]: Kanttekening 10: 10 het huis te bewaren: Dat is, niet ledig om te lopen bij de huizen, gelijk 1 Tim. 5:13; maar bij huis te blijven. 1 Timotheüs 5:13: En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, wat niet betaamt.
[^titus-2-5-11]: Kanttekening 11: 11 goed te zijn: Dat is, goedertieren en goedaardig.
[^titus-2-5-c]: Verwijzing c: Gen. 3:16; 1 Kor. 14:34; Efez. 5:22; Kolos. 3:18; 1 Petr. 3:1. Genesis 3:16: Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Efeziërs 5:22: U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer; Kolossensen 3:18: U vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in de Heer. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige de Woorde ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^titus-2-5-12]: Kanttekening 12: 12 niet gelasterd worde: Namelijk gelijk placht te gebeuren door de vijanden van de waarheid, die uit het kwade leven dergenen, die Gods woord aangenomen hebben, oorzaak nemen, om het woord zelf te lasteren, alsof dit het kwade leven zou voorstaan; Rom. 2:24. Romeinen 2:24: Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
[^titus-2-6-13]: Kanttekening 13: 13 matig zijn: Of, voorzichtig; gelijk vers 2, 2:4. Titus 2:2: Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding. Titus 2:4: Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;
[^titus-2-7-d]: Verwijzing d: 1 Tim. 4:12; 1 Petr. 5:3. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid. 1 Petrus 5:3: Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heer, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde.
[^titus-2-7-14]: Kanttekening 14: 14 in de leer: Dat is, in het voorstellen en prediken van de Evangelische leer.
[^titus-2-7-15]: Kanttekening 15: Grieks, onverdorvenheid; dat is, zonder er enige valse leer bij te mengen, of instellingen van de mensen, waardoor de zuivere leer bedorven en vervalst wordt.
[^titus-2-7-16]: Kanttekening 16: Of, gestadigheid. Het eerste gaat de leer zelf aan, en dit de manier waarop deze moet voorgesteld worden.
[^titus-2-8-17]: Kanttekening 17: 17 Het woord gezond: Zie 1 Tim. 1:10, en 1 Tim. 6:3; 2 Tim. 1:13, en 2 Tim. 4:3; Tit. 1:9, 1:13; namelijk wat u openlijk zult prediken, of in het bijzonder zult gebruiken bij de mensen. 1 Timotheüs 1:10: De hoereerders, die, die bij mannen liggen, de mensendieven, de leugenaars, de meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is; 1 Timotheüs 6:3: Als iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, 2 Timotheüs 1:13: Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. 2 Timotheüs 4:3: Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelf leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; Titus 1:9: Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, zowel om te vermanen door de gezonde leer, als om de tegensprekers te weerleggen. Titus 1:13: Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.
[^titus-2-8-18]: Kanttekening 18: Of, onbestraffelijk, onverdoemelijk, onverachtelijk; dat zowel van het woord als van de persoon van Titus kan verstaan worden.
[^titus-2-8-e]: Verwijzing e: 1 Petr. 2:12; idem 2:15; 1 Petr. 3:16. 1 Petrus 2:12: En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking. 1 Petrus 2:15: Want zo is het de wil van God, dat u, weldoende, de mond stopt aan de onwetendheid van de dwaze mensen; 1 Petrus 3:16: En hebt een goed geweten, opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.
[^titus-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 die daartegen is: Dat is, die nog vreemd en een vijand is van de evangelische leer.
[^titus-2-8-20]: Kanttekening 20: 20 beschaamd worde: Namelijk in zijn lasteringen tegen de leer of leraars van het Evangelie.
[^titus-2-8-21]: Kanttekening 21: Anderen lezen onze mensen; namelijk onze Dienaren van het Evangelie.
[^titus-2-8-22]: Kanttekening 22: 22 te zeggen: Namelijk met waarheid.
[^titus-2-9-f]: Verwijzing f: Efez. 6:5; Kolos. 3:22; 1 Tim. 6:1; idem v. 2; 1 Petr. 2:18. Efeziërs 6:5: U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Kolossensen 3:22: U dienaren, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van de harten, vrezende God. 1 Timotheüs 6:1: De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde. 1 Timotheüs 6:2: En die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mee deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. 1 Petrus 2:18: U huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig de heren, niet alleen de goeden en bescheidenen, maar ook de harden.
[^titus-2-9-23]: Kanttekening 23: 23 in alles: Namelijk dat niet strijdt tegen de bevelen van de opperste Heer Jezus Christus. Zie Hand. 4:19, en Hand. 5:29, en de aantekening bij Kol. 3:18, 3:22. Handelingen 4:19: Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt u, of het recht is voor God, u meer te horen dan God. Handelingen 5:29: Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet voor God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen. Kolossensen 3:18: U vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in de Heer. Kolossensen 3:22: U dienaren, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van de harten, vrezende God.
[^titus-2-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk tegen de bevelen of bestraffingen van de heren.
[^titus-2-10-25]: Kanttekening 25: Dat is, in het geheim met listigheid en steelsgewijze iets van de goederen van de heren tot zich trekkende. Zie van dit woord Hand. 5:2, 5:3. Handelingen 5:2: En onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten van de apostelen. Handelingen 5:3: En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat u de Heilige Geest liegen zoudt, en onttrekken van de prijs van het land?
[^titus-2-10-26]: Kanttekening 26: 26 de leer van God: Namelijk die zulks gebiedt en die zij aangenomen hebben en belijden.
[^titus-2-10-27]: Kanttekening 27: 27 mogen versieren: Dat geschiedt, als zij deze in het werk stellen en in alles volgen.
[^titus-2-11-28]: Kanttekening 28: De apostel geeft nu reden, waarom Titus allerlei soort van mensen, ouden en jongen, en zelfs ook de slaven of dienaren, moet vermanen, dat zij zich godzalig gedragen.
[^titus-2-11-29]: Kanttekening 29: 29 de zaligmakende: Dat is, de leer van de genade van God ons door Christus bewezen en in het Evangelie vervat.
[^titus-2-11-30]: Kanttekening 30: 30 is verschenen: Namelijk als een licht in de duisternis van de schaduwen van het Oude Testament, en de onwetendheid van het heidendom; Jes. 42:7, 42:16; Hand. 26:18; Ef. 5:8; 1 Petr. 2:9; 1 Joh. 2:8. Jesaja 42:7: Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten. Jesaja 42:16: En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten. Handelingen 26:18: Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. Efeziërs 5:8: Want u was eertijds duisternis, maar nu bent u licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; 1 Johannes 2:8: Opnieuw schrijf ik u een nieuw gebod: wat waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.
[^titus-2-11-31]: Kanttekening 31: 31 alle mensen: Dat is, allerlei soorten van mensen, mannen, vrouwen, ouden, jongen, vrijen en dienstbaren, gelijk uit het voorgaande blijkt. Zie dergelijke 1 Tim. 2:1, 2:2, 2:4. Sommigen voegen de woorden alle mensen bij het woord zaligmakende, in deze zin: De genade van God alle mensen zaligmakende is verschenen. 1 Timotheüs 2:1: Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen; 1 Timotheüs 2:2: Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 1 Timotheüs 2:4: Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen.
[^titus-2-12-g]: Verwijzing g: Efez. 1:4; Kolos. 1:22; 2 Tim. 1:9. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Kolossensen 1:22: In het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldig voor Zich stellen; 2 Timotheüs 1:9: Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen;
[^titus-2-12-h]: Verwijzing h: 1 Joh. 2:16. 1 Johannes 2:16: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.
[^titus-2-12-32]: Kanttekening 32: 32 de wereldse begeerlijkheden: Dat is, die in de wereldse en onwedergeborene mensen gevonden worden en heersen, en beschreven worden 1 Petr. 4:3; 1 Joh. 2:16. 1 Petrus 4:3: Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen; 1 Johannes 2:16: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.
[^titus-2-12-33]: Kanttekening 33: Zie Matt. 16:24. Mattheüs 16:24: Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
[^titus-2-12-34]: Kanttekening 34: Namelijk ten aanzien van onszelf.
[^titus-2-12-35]: Kanttekening 35: Namelijk ten aanzien van onze naaste.
[^titus-2-12-36]: Kanttekening 36: 36 godzalig leven: Namelijk ten aanzien van God.
[^titus-2-12-37]: Kanttekening 37: Grieks, eeuw.
[^titus-2-13-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 1:7; Filip. 3:20. 1 Korinthiërs 1:7: Zo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heer Jezus Christus. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^titus-2-13-38]: Kanttekening 38: 38 de zalige hoop: Dat is, de zaligheid die de gelovigen hopen.
[^titus-2-13-39]: Kanttekening 39: Namelijk om te oordelen de levenden en de doden. Want zo wordt dit woord doorgaans genomen. Zie 2 Thess. 2:8; 1 Tim. 6:14; 2 Tim. 4:1, 4:8. 2 Thessalonicensen 2:8: En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst; 1 Timotheüs 6:14: Dat u dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onze Heer Jezus Christus; 2 Timotheüs 4:1: Ik betuig dan voor God en de Heer Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk: 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^titus-2-13-40]: Kanttekening 40: 40 van de heerlijkheid: Want deze verschijning zal met grote heerlijkheid gebeuren. Zie Matt. 16:27, en Matt. 19:28, en Matt. 24:30, en Matt. 25:31; 1 Petr. 4:13. Mattheüs 16:27: Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij iedereen vergelden naar zijn doen. Mattheüs 19:28: En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Mattheüs 24:30: En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Mattheüs 25:31: En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. 1 Petrus 4:13: Maar gelijk u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen.
[^titus-2-13-41]: Kanttekening 41: 41 van de grote God: Dat is, Jezus Christus onze grote God en Zaligmaker, want beide titels worden Jezus Christus hier toegeschreven, gelijk blijkt daar hier van Zijn heerlijke verschijning tot het oordeel gesproken wordt, gelijk de samenvoeging van de Griekse woorden uitwijst.
[^titus-2-14-k]: Verwijzing k: Galat. 1:4; Galat. 2:20; Efez. 5:2; Hebr. 9:14. Galaten 1:4: Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^titus-2-14-42]: Kanttekening 42: 42 gegeven heeft: Namelijk in de dood.
[^titus-2-14-43]: Kanttekening 43: 43 opdat Hij ons: Dat is, niet alleen om ons met God te verzoenen door een volkomen betaling voor onze zonden door Zijn bloed, Ef. 1:7; 1 Petr. 1:18; 1 Joh. 1:7; Openb. 5:9; maar ook om ons door Zijn Geest van de wedergeboorte te verlossen van de heerschappij van de zonde en ongerechtigheid; Rom. 6:3, enz; Gal. 5:24; Kol. 2:11, 2:12; 1 Petr. 4:1, 4:2. Efeziërs 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, 1 Petrus 1:18: Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is; 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Openbaring 5:9: En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Romeinen 6:3: Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Galaten 5:24: Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Kolossensen 2:11: In Welken u ook besneden bent met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus; Kolossensen 2:12: Zijnde met Hem begraven in de doop, in welke u ook met Hem opgewekt bent door het geloof van de werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. 1 Petrus 4:1: Omdat dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent u u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde; 1 Petrus 4:2: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^titus-2-14-44]: Kanttekening 44: 44 een eigen volk: Grieks, periousion (περιούσιον), met welk woord de Griekse overzetters van het Oude Testament het Hebr. woord Segullah, Ex. 19:5, verklaren en eigenlijk betekent dat als wat bijzonders, uitnemend, en kostelijk weggelegd wordt om te bewaren. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn;
[^titus-2-14-45]: Kanttekening 45: Namelijk door Zijn Geest, waardoor, als door rein water, de gelovigen van de vuiligheden van de zonden gereinigd en tot een volk van God afgezonderd worden. Zie Ez. 36:25, 36:26. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.
[^titus-2-14-l]: Verwijzing l: Efez. 2:10. Efeziërs 2:10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen.
[^titus-2-15-46]: Kanttekening 46: Grieks, bevel, gezag. Zie van dit woord Rom. 16:26; 1 Kor. 7:6, 7:25; 2 Kor. 8:8. Dat is, toon in het leren, dat u spreekt als een gezant Gods, wiens bevelen u met ernst moet voordragen. Romeinen 16:26: Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder al de heidenen bekend is gemaakt; 1 Korinthiërs 7:6: Maar dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 1 Korinthiërs 7:25: Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heer; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heer gekregen heb, om getrouw te zijn. 2 Korinthiërs 8:8: Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid van uw liefde beproevende.
[^titus-2-15-m]: Verwijzing m: 1 Tim. 4:12. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid.

### Titus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/titus/3.json)

*1 Hij vermaant Titus zijn toehoorders te willen inprenten dat zij de overheden gehoorzaam zijn. 2 Niet lasteren en twisten, maar tegen alle mensen zachtmoedigheid gebruiken. 3 daartoe de verdorven staat voorstellend waarin zij voor hun bekering geweest zijn. 4 en op welke wijze en met welk doel zij daaruit door Christus verlost zijn. 8 Dat hij hen ernstig vermaant goede werken voor te staan. 9 Dat hij alle dwaze vragen en twisten verwerpt. 10 en de ketterse mensen mijdt. 12 Draagt hem op tot hem te komen te Nikopolis. 13 Zenas te begeleiden en verzorgen. 14 Dat de gelovigen geleerd worden goede werken voor te staan. 15 en besluit de brief met de gebruikelijke groeten.*

**1** [^titus-3-1-1][^titus-3-1-a] Vermaan[^titus-3-1-2] hen, dat zij[^titus-3-1-3] aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat[^titus-3-1-4] zij tot elk goed werk bereid zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v1)

**2** Dat zij niemand lasteren,[^titus-3-2-5] geen vechters zijn,[^titus-3-2-b] maar bescheiden zijn,[^titus-3-2-c] alle zachtmoedigheid bewijzende tegenover alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v2)

**3** [^titus-3-3-d] Want ook wij waren[^titus-3-3-6] vroeger onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en hartstochten dienende, in boosheid en afgunst levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v3)

**4** Maar wanneer[^titus-3-4-7] de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen[^titus-3-4-8] verschenen is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v4)

**5** [^titus-3-5-e] Heeft Hij ons zalig gemaakt,[^titus-3-5-f] niet[^titus-3-5-9] uit de werken[^titus-3-5-10] van de[^titus-3-5-11] rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden,[^titus-3-5-g] maar naar Zijn barmhartigheid,[^titus-3-5-12] door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v5)

**6** [^titus-3-6-13][^titus-3-6-h] Die Hij over ons rijk heeft[^titus-3-6-14] uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v6)

**7** Opdat wij,[^titus-3-7-15] gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden[^titus-3-7-16] naar de hoop van het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v7)

**8** Dit is[^titus-3-8-17] een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u[^titus-3-8-18] ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen,[^titus-3-8-19] om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en[^titus-3-8-20] nuttig zijn de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v8)

**9** [^titus-3-9-i] Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v9)

**10** [^titus-3-10-k] Verwerp een[^titus-3-10-21] ketterse mens[^titus-3-10-22] na[^titus-3-10-23] de eerste en tweede terechtwijzing; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v10)

**11** Wetende, dat zo iemand[^titus-3-11-24] verkeerd is, en[^titus-3-11-25] zondigt,[^titus-3-11-26] zijnde bij zichzelf veroordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v11)

**12** Als ik Artemas tot u zal zenden, of[^titus-3-12-l] Tychikus, zo doe uw best om tot mij te komen[^titus-3-12-27] te Nikopolis; want[^titus-3-12-28] daar heb ik[^titus-3-12-29] voorgenomen te overwinteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v12)

**13** Geleid[^titus-3-13-30] Zenas, de wetgeleerde, en[^titus-3-13-m] Apollos[^titus-3-13-31] zorgvuldig, opdat hun[^titus-3-13-32] niets ontbreke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v13)

**14** En dat ook[^titus-3-14-33] de onze leren,[^titus-3-14-34] goede werken voor te staan[^titus-3-14-35] tot nodig gebruik, opdat zij niet[^titus-3-14-36] onvruchtbaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v14)

**15** Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in[^titus-3-15-37] het geloof. De genade zij met[^titus-3-15-38] u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/titus/3.html#v15)

[^titus-3-1-1]: Kanttekening 1: Grieks, breng hen in gedachtenis.
[^titus-3-1-a]: Verwijzing a: Rom. 13:1; 1 Petr. 2:13. Romeinen 13:1: Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd. 1 Petrus 2:13: Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, vanwege de Heer; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende;
[^titus-3-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk de Kretensen, uwe toehoorders.
[^titus-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 de overheden: Namelijk hoedanig die ook zijn, niet alleen de gelovigen, gelijk zij toen meest allen nog waren.
[^titus-3-1-4]: Kanttekening 4: 4 tot elk goed werk: Namelijk, zowel wat hun van de overheden belast wordt en tegen Gods woord niet strijdt, als ook in het algemeen, gelijk de volgende vermaningen medebrengen.
[^titus-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 geen vechters zijn: Namelijk, met woorden of ook anders.
[^titus-3-2-b]: Verwijzing b: Filip. 4:5. Filippensen 4:5: Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heer is nabij.
[^titus-3-2-c]: Verwijzing c: 2 Tim. 2:24; idem v. 25. 2 Timotheüs 2:24: En een dienaar van de Heer moet niet twisten, maar vriendelijk zijn tegenover allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen; 2 Timotheüs 2:25: Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis van de waarheid;
[^titus-3-3-d]: Verwijzing d: 1 Kor. 6:11; Efez. 2:1; Kolos. 3:7; 1 Petr. 4:3. 1 Korinthiërs 6:11: En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heer Jezus, en door de Geest onzes Gods; Efeziërs 2:1: En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; Kolossensen 3:7: In dewelke ook u eertijds hebt gewandeld, toen u in dezelfde leefde. 1 Petrus 4:3: Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;
[^titus-3-3-6]: Kanttekening 6: 6 eertijds onwijs: Namelijk voor onze bekering tot Christus, in geestelijke zaken de zaligheid aangaande; zie 1 Kor. 2:14; Ef. 4:17, 4:18. 1 Korinthiërs 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Efeziërs 4:17: Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Efeziërs 4:18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;
[^titus-3-4-7]: Kanttekening 7: 7 de goedertierenheid: Namelijk die de eerste oorzaak is van onze zaligheid, waardoor God bewogen is om ons deze mee te delen. Zie Joh. 3:16; Rom. 5:8; 1 Joh. 4:9. Johannes 3:16: Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Romeinen 5:8: Maar God bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. 1 Johannes 4:9: Hierin is de liefde van God tegenover ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
[^titus-3-4-8]: Kanttekening 8: 8 verschenen is: Namelijk door de prediking van het Evangelie, gelijk Tit. 2:11. Titus 2:11: Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen.
[^titus-3-5-e]: Verwijzing e: Efez. 1:4; 2 Tim. 1:9. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; 2 Timotheüs 1:9: Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen;
[^titus-3-5-f]: Verwijzing f: Rom. 3:20; idem 3:28; Rom. 4:2; idem 4:6; Rom. 9:11; Rom. 11:6; Galat. 2:16; Efez. 2:9. Romeinen 3:20: Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. Romeinen 3:28: Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. Romeinen 4:2: Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. Romeinen 4:6: Gelijk ook David de mens zalig spreekt, welke God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; Romeinen 9:11: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende; Romeinen 11:6: En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer. Galaten 2:16: Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden. Efeziërs 2:9: Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
[^titus-3-5-9]: Kanttekening 9: 9 uit de werken: Namelijk als oorzaken die de zaligheid zouden verdienen of waard zijn.
[^titus-3-5-10]: Kanttekening 10: 10 van de rechtvaardigheid: Grieks, die in de rechtvaardigheid zijn (δικαιοσύνη); dat is, die gedaan zijn naar de wet van God, die de regel is van alle rechtvaardigheid; zodat hier klaar uitgesloten worden alle goede werken, gedaan niet alleen naar de wet van de ceremoniën, maar ook naar de wet van de zeden of de tien geboden.
[^titus-3-5-11]: Kanttekening 11: 11 die wij gedaan hadden: Namelijk niet alleen voor onze bekering en rechtvaardigmaking, alsof wij ons door deze daartoe zouden bereid hebben, maar ook die na de bekering zijn gedaan, zodat tegen deze werken niet gesteld worden de werken na de bekering, maar de barmhartigheid van God, die alle werken uitsluit; Rom. 9:16, en Rom. 11:6. Romeinen 9:16: Zo is het dan niet van degene, die wil, noch van degene, die loopt, maar van de ontfermende God. Romeinen 11:6: En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer.
[^titus-3-5-g]: Verwijzing g: Hand. 15:11; Efez. 2:4. Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij. Efeziërs 2:4: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft,
[^titus-3-5-12]: Kanttekening 12: 12 door het bad: Dat is, door de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest, die als een waterbad is, waardoor de vuiligheden van onze zonden gewassen en gereinigd worden, Ez. 36:25, 36:26, 36:27, waarvan het waterbad van de doop een teken en zegel is. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 4:11. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Ezechiël 36:26: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. Ezechiël 36:27: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. Romeinen 4:11: En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;
[^titus-3-6-13]: Kanttekening 13: 13 Denwelken Hij: Namelijk Heilige Geest.
[^titus-3-6-h]: Verwijzing h: Ez. 36:25. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
[^titus-3-6-14]: Kanttekening 14: Dat is, overvloedig medegedeeld. Hij blijft bij de gelijkenis van het water. Zie dergelijke Jes. 44:3; Ez. 36:25 en Ez. 39:19; Joel 2:28; Zach. 12:10; Hand. 2:17, en Hand. 10:45. Jesaja 44:3: Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Ezechiël 39:19: En u zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Zacharia 12:10: Maar over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest van de genade en van de gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. Handelingen 10:45: En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd.
[^titus-3-7-15]: Kanttekening 15: Dat is, vrijgesproken in het oordeel van God, door toerekening van de gerechtigheid van Christus en vergeving van de zonden.
[^titus-3-7-16]: Kanttekening 16: 16 naar de hope: Dat is, van het eeuwige leven, waarop de gelovigen hopen, gelijk Tit. 1:2. Titus 1:2: In de hoop van het eeuwige leven, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd;
[^titus-3-8-17]: Kanttekening 17: 17 een getrouw woord: Zie 1 Tim. 1:15; 2 Tim. 2:11. 1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. 2 Timotheüs 2:11: Dit is een getrouw woord; want als wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven;
[^titus-3-8-18]: Kanttekening 18: 18 ernstig bevestigt: Dat is, met vaste en bondige redenen uit de Schrift de toehoorders inscherpe, dat zij zulks vast geloven en naarstig betrachten.
[^titus-3-8-19]: Kanttekening 19: 19 om goede werken: Dat is, om hen daarin vooral te oefenen, en met goede voorbeelden voor te gaan.
[^titus-3-8-20]: Kanttekening 20: 20 nuttig zijn: Namelijk daar God deze uit genade zal vergelden.
[^titus-3-9-i]: Verwijzing i: 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 1 Tim. 6:20; Titus 1:14. 1 Timotheüs 1:4: Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 1 Timotheüs 4:7: Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid. 1 Timotheüs 6:20: O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de valselijk genaamde wetenschap; Titus 1:14: En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren.
[^titus-3-10-k]: Verwijzing k: Matt. 18:17; Rom. 16:17; 2 Thes. 3:6; 2 Tim. 3:5; 2 Joh. v. 10. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde. 2 Thessalonicensen 3:6: En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u u onttrekt van een iedereen broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. 2 Timotheüs 3:5: Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. 2 Johannes 1:10: Als iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.
[^titus-3-10-21]: Kanttekening 21: Of, mijd, schuw; dat is, heb met hem niets gemeen, laat hem heengaan, zonder met hem meer te twisten, en het heilige voor zulke honden te werpen, Matt. 7:6; laat hem niet blijven in de uiterlijke gemeenschap van de Kerk. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^titus-3-10-22]: Kanttekening 22: 22 kettersen mens: Dat is, die valse leer hardnekkig drijft en voorstaat, tot verontrusting en scheuring van de gemeente. Zie van dit woord Hand. 5:17, en Hand. 15:5; 1 Kor. 11:19. Handelingen 5:17: En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte van de Sadduceën), en werden vervuld met nijdigheid; Handelingen 15:5: Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte van de Farizeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. 1 Korinthiërs 11:19: Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
[^titus-3-10-23]: Kanttekening 23: 23 na de eerste: Namelijk aan hem gedaan door de gemeente tot afstand van zijn dwalingen en scheurmakingen; zie Matt. 18:17. Mattheüs 18:17: En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het de gemeente; en als hij ook de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
[^titus-3-11-24]: Kanttekening 24: 24 verkeerd is: Namelijk gelijk een huis dat ten gronde toe afgebroken en omgekeerd is.
[^titus-3-11-25]: Kanttekening 25: Namelijk moedwillig en zwaar.
[^titus-3-11-26]: Kanttekening 26: 26 zijnde bij zichzelf: Dat is, in zijn eigen gemoed overtuigd dat hij zich tegen de waarheid stelt.
[^titus-3-12-l]: Verwijzing l: Hand. 20:4; Efez. 6:21; 2 Tim. 4:12. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Efeziërs 6:21: En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, bekend maken; 2 Timotheüs 4:12: Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.
[^titus-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 te Nikopolis: Er zijn verscheidene steden geweest van deze naam, waarom sommigen menen, dat hier verstaan wordt Nikopolis in Thracië gelegen, niet ver van Filippi; anderen Nikopolis in Epirus, gebouwd door Augustus, ter gedachtenis van de overwinning, die hij daar ter zee gehad heeft over Antonius, nu genaamd Prevesia.
[^titus-3-12-28]: Kanttekening 28: 28 daar heb ik: Zo schijnt dan deze brief niet geschreven te zijn te Nikopolis, gelijk het onderschrift meldt.
[^titus-3-12-29]: Kanttekening 29: Grieks, geoordeeld; dat is, besloten.
[^titus-3-13-30]: Kanttekening 30: 30 de wetgeleerde: Zo werden genoemd die in de wet van Mozes ervaren waren, en deze het volk uitlegden. Zie Matt. 22:35; Luk. 7:30, en Luk. 10:25, en Luk. 11:45, en Luk. 14:3. Mattheüs 22:35: En één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende: Lukas 7:30: Maar de Farizeën en de wetgeleerden hebben de raad van God tegen zichzelf verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. Lukas 10:25: En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Lukas 11:45: En één van de wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als U deze dingen zegt, zo doet U ook ons smaadheid aan.
[^titus-3-13-m]: Verwijzing m: Hand. 18:24; 1 Kor. 1:12. Handelingen 18:24: En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat een iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.
[^titus-3-13-31]: Kanttekening 31: Grieks, naarstig.
[^titus-3-13-32]: Kanttekening 32: 32 niets ontbreke: Dat is, geen reisgeld en andere nooddruft tot de reis nodig.
[^titus-3-14-33]: Kanttekening 33: 33 de onzen leren: Dat is, de leraars zelf, die van onze roeping en orde zijn.
[^titus-3-14-34]: Kanttekening 34: 34 goede werken: Dit kan verstaan worden, òf in het algemeen van alle goede werken, òf, in het bijzonder van de werken van de goeddadigheid tegenover de behoeftigen, gelijk de volgende woorden schijnen mee te brengen.
[^titus-3-14-35]: Kanttekening 35: 35 tot nodig gebruik: Of, tot nooddruft die nodig is.
[^titus-3-14-36]: Kanttekening 36: 36 onvruchtbaar zijn: Namelijk in het voortbrengen van de vruchten van het geloof en van de liefde.
[^titus-3-15-37]: Kanttekening 37: 37 in het geloof: Dat is, met zulke liefde als het christelijk geloof vereist. Of omwille van het algemene geloof.
[^titus-3-15-38]: Kanttekening 38: 38 u allen: Namelijk met alle gelovigen die bij u zijn.

## Filemon

### Filemon 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/filemon/1.json)

**1** Paulus,[^filemon-1-1-1][^filemon-1-1-a] een gevangene van Christus Jezus, en[^filemon-1-1-2] Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en[^filemon-1-1-3] onze medearbeider, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v1)

**2** En[^filemon-1-2-4] aan Appia, de geliefde, en[^filemon-1-2-5][^filemon-1-2-b] aan Archippus,[^filemon-1-2-6] onze medestrijder, en aan de Gemeente,[^filemon-1-2-c] die te[^filemon-1-2-7] uw huize is: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v2)

**3** [^filemon-1-3-8] Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v3)

**4** [^filemon-1-4-d] Ik dank mijn God, uw altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v4)

**5** Zo ik hoor uw liefde en geloof, dat u hebt aan[^filemon-1-5-9] de Heere Jezus, en tegenover al de[^filemon-1-5-10] heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v5)

**6** Opdat[^filemon-1-6-11] de gemeenschap van uw geloof[^filemon-1-6-12] krachtig wordt[^filemon-1-6-13] in de bekendmaking[^filemon-1-6-14] van alle goed, dat in u is[^filemon-1-6-15] door Christus Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v6)

**7** Want wij hebben grote[^filemon-1-7-16] vreugde en troost over uw liefde, dat[^filemon-1-7-17] de ingewanden van de[^filemon-1-7-18] heiligen verfrist zijn geworden door u,[^filemon-1-7-19] broeder! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v7)

**8** Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb[^filemon-1-8-20] in Christus, om u te bevelen, wat passend is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v8)

**9** Zo bid ik toch liever[^filemon-1-9-21] door de liefde, daar ik zo iemand ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook[^filemon-1-9-22] een gevangene van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v9)

**10** [^filemon-1-10-e] Ik bid u dan voor[^filemon-1-10-23] mijn[^filemon-1-10-f] zoon, die ik in mijn banden[^filemon-1-10-24] heb geteeld, namelijk Onesimus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v10)

**11** Die vroeger[^filemon-1-11-25] u onnut was, maar nu u en mij[^filemon-1-11-26] zeer nuttig; die ik wedergezonden heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v11)

**12** Maar u, neem hem, dat is[^filemon-1-12-27] mijn ingewanden,[^filemon-1-12-28] weer aan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v12)

**13** Die ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij[^filemon-1-13-29] voor u dienen zou in de banden[^filemon-1-13-30] van het Evangelie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v13)

**14** Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat[^filemon-1-14-31] uw goeddadigheid niet zou zijn als naar[^filemon-1-14-32] bedwang, maar naar vrijwilligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v14)

**15** Want[^filemon-1-15-33] wellicht is hij daarom[^filemon-1-15-34] voor een kleine tijd[^filemon-1-15-35] van u gescheiden geweest, opdat u hem[^filemon-1-15-36] eeuwig zou weer hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v15)

**16** Nu[^filemon-1-16-37] voortaan niet als een dienaar, maar meer dan een dienaar,[^filemon-1-16-38] namelijk een geliefde broeder, in het bijzonder mij, hoeveel te meer dan u, zowel[^filemon-1-16-39] in het vlees als in[^filemon-1-16-40] de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v16)

**17** Als u mij dan houdt voor[^filemon-1-17-41] een metgezel, zo neem hem aan,[^filemon-1-17-42] zoals mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v17)

**18** En als hij u[^filemon-1-18-43] iets verongelijkt heeft, of schuldig is,[^filemon-1-18-44] reken dat mij toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v18)

**19** [^filemon-1-19-45] Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zeg, dat u[^filemon-1-19-46] ook uzelf mij daartoe schuldig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v19)

**20** [^filemon-1-20-47] Ja, broeder, laat mij[^filemon-1-20-48] van u[^filemon-1-20-49] hierin genieten[^filemon-1-20-50] in de Heere;[^filemon-1-20-51] verkwik[^filemon-1-20-52] mijn ingewanden in de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v20)

**21** Ik heb aan u geschreven, vertrouwende[^filemon-1-21-53] op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat u doen zult ook boven wat ik zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v21)

**22** [^filemon-1-22-54] En bereid mij ook tegelijk[^filemon-1-22-g] een herberg;[^filemon-1-22-h] want ik hoop, dat ik[^filemon-1-22-55] door uw gebeden u zal[^filemon-1-22-56] geschonken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v22)

**23** U groeten[^filemon-1-23-i] Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v23)

**24** [^filemon-1-24-k] Markus,[^filemon-1-24-l] Aristarchus,[^filemon-1-24-m] Demas,[^filemon-1-24-n] Lukas, mijn medearbeiders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v24)

**25** De genade van onze Heere Jezus Christus zij[^filemon-1-25-57] met uw geest. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/filemon/1.html#v25)

[^filemon-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 een gevangene: Namelijk te Rome om Christus' zaak, Hand. 28:16, 28:20. Hij verhaalt hier meteen zijn banden, om Filemon te beter te bewegen dit verzoek niet te weigeren. Handelingen 28:16: En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de krijgsknecht, die hem bewaarde. Handelingen 28:20: Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israëls ben ik met deze keten omvangen.
[^filemon-1-1-a]: Verwijzing a: Efez. 3:1; Efez. 4:1. Efeziërs 3:1: Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. Efeziërs 4:1: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent;
[^filemon-1-1-2]: Kanttekening 2: Deze voegt hij dikwijls bij zich in de opschriften van zijn zendbrieven. Zie 2 Kor. 1:1; Filipp. 1:1; Kol. 1:1; 1 Thess. 1:1; 2 Thess. 1:1; hier doet hij het ook, opdat het voorbidden van twee te meer kracht zou hebben. 2 Korinthiërs 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: Kolossensen 1:1: Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, 1 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 2 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus:
[^filemon-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 onze medearbeider: Namelijk òf in het prediken van het Evangelie, of dat hij het door alle goede diensten hielp bevorderen, gelijk in deze zin ook vrouwen zo genoemd worden; Rom. 16:3. Romeinen 16:3: Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;
[^filemon-1-2-4]: Kanttekening 4: Het is zeer waarschijnlijk, dat deze geweest is de huisvrouw van Filemon, die daarbij gevoegd wordt, omdat haar de zaak mee aanging.
[^filemon-1-2-5]: Kanttekening 5: Deze was een dienaar van de gemeente te Colosse, Kol. 4:17, en wordt hier bijgevoegd, opdat hij de verzoening van Onesimus zou helpen bevorderen met zijn aanwezigheid en aanzien. Kolossensen 4:17: En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die u aangenomen hebt in de Heer, dat u die vervult.
[^filemon-1-2-b]: Verwijzing b: Kolos. 4:17. Kolossensen 4:17: En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die u aangenomen hebt in de Heer, dat u die vervult.
[^filemon-1-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk in die krijg, waarvan de apostel spreekt 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 2:3. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt; 2 Timotheüs 2:3: U dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
[^filemon-1-2-c]: Verwijzing c: Rom. 16:5; 1 Kor. 16:19; Kolos. 4:15. Romeinen 16:5: Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. 1 Korinthiërs 16:19: U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heer Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is. Kolossensen 4:15: Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is.
[^filemon-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 uw huize is: Dit wordt verstaan van het huis van Filemon, aan wie deze brief vooral geschreven is.
[^filemon-1-3-8]: Kanttekening 8: 8 Genade zij: Dit is, de gewone groetenis van Paulus meest in al zijne zendbrieven.
[^filemon-1-4-d]: Verwijzing d: 1 Thes. 1:2; 2 Thes. 1:3. 1 Thessalonicensen 1:2: Wij danken God altijd over u allen, uw gedachtig zijnde in onze gebeden; 2 Thessalonicensen 1:3: Wij moeten God altijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt;
[^filemon-1-5-9]: Kanttekening 9: 9 de Heer Jezus: Dit moet gevoegd worden bij het woord geloof, gelijk de volgende woorden bij het woord liefde.
[^filemon-1-5-10]: Kanttekening 10: Dat is, gelovigen, hier op de aarde nog zijnde, die door het bloed en de Geest van Christus geheiligd zijn.
[^filemon-1-6-11]: Kanttekening 11: 11 de gemeenschap: Dat is, uw geloof, dat u met ons gemeen hebt. Of de mededeling van de vruchten uws geloofs, vooral uw goeddadigheid, die uit het geloof spruit. Zie Hebr. 13:16. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
[^filemon-1-6-12]: Kanttekening 12: 12 krachtig worde: Dat is, krachtig zich betone door de krachtige werking daarvan. Zie gelijke plaats 1 Kor. 16:9. 1 Korinthiërs 16:9: Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.
[^filemon-1-6-13]: Kanttekening 13: 13 in de bekendmaking: Grieks, erkentenis; dat is, opdat allen daardoor bekend gemaakt worde al dat goed.
[^filemon-1-6-14]: Kanttekening 14: 14 van alle goed: Dat is, alle Christelijke deugden.
[^filemon-1-6-15]: Kanttekening 15: 15 door Christus Jezus: Grieks eis; dat is, in Christus Jezus. Eis voor dia; dat is, door, gelijk 1 Kor. 10:2. Want wij hebben niets goeds dan door de weldaad van Christus en Zijn Geest, Joh. 15:5. Of, tegen Christus betoond. Want al het goed, dat wij aan de heiligen betonen, rekent Christus alsof het aan Hem gedaan ware; Matt. 25:35, enz. 1 Korinthiërs 10:2: En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; Johannes 15:5: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. Mattheüs 25:35: Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij geherbergd.
[^filemon-1-7-16]: Kanttekening 16: Grieks, charan (χαρὰν); dat is vreugde. Waarvoor anderen lezen charin; dat is aangenaamheid.
[^filemon-1-7-17]: Kanttekening 17: 17 de ingewanden: Dat is, de harten. Hebr. Zie 2 Kor. 6:12, en 2 Kor. 7:15, en hier vers 12, 1:20; 1 Joh. 3:17. 2 Korinthiërs 6:12: U bent niet nauw in ons, maar u bent nauw in uw ingewanden. 2 Korinthiërs 7:15: En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger tegenover u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe u hem met vreze en beven hebt ontvangen. Filemon 1:12: Maar u, neem hem, dat is mijn ingewanden, weer aan; Filemon 1:20: Ja, broeder, laat mij van u hierin genieten in de Heer; verkwik mijn ingewanden in de Heer. 1 Johannes 3:17: Zo wie nu het goed van de wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde van God in hem?
[^filemon-1-7-18]: Kanttekening 18: Grieks, tot rust zijn gebracht; namelijk door uw weldadigheid aan hen betoond.
[^filemon-1-7-19]: Kanttekening 19: Dit vriendelijk woord doet hij daarbij, om daarmede uit te drukken de grootheid van zijn genegenheid tot hem.
[^filemon-1-8-20]: Kanttekening 20: 20 in Christus: Dat is, vanwege mijn apostel-ambt, waarin mij de Heer Christus gesteld heeft, en dat Christus met zulk een gezag voorzien heeft.
[^filemon-1-9-21]: Kanttekening 21: 21 door de liefde: Of, vanwege de liefde. Dit kan verstaan worden, òf van de liefde van Filemon tot Paulus, òf van Paulus tot hem, dat het waarschijnlijkst is. Want deze liefde wordt gesteld tegenover de autoriteit.
[^filemon-1-9-22]: Kanttekening 22: 22 een gevangene: Zie vers 1. Filemon 1:1: Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medearbeider,
[^filemon-1-10-e]: Verwijzing e: Kolos. 4:9. Kolossensen 4:9: Met Onesimus, de getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uw is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is.
[^filemon-1-10-23]: Kanttekening 23: 23 mijn zoon: Grieks, mijn kind; zie 1 Tim. 1:2, 1:18; 2 Tim. 1:2, en 2 Tim. 2:1. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 1 Timotheüs 1:18: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, in dezelfde de goede strijd strijdt; 2 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heer. 2 Timotheüs 2:1: U dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is;
[^filemon-1-10-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 4:15; Galat. 4:19. 1 Korinthiërs 4:15: Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. Galaten 4:19: Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.
[^filemon-1-10-24]: Kanttekening 24: 24 heb geteeld: Of, gewonnen, gegenereerd; dat is, door het Evangelie heeft bekeerd.
[^filemon-1-11-25]: Kanttekening 25: 25 u onnut was: Namelijk door zijne ontrouw, als hij van u wegliep, en iets ontstal.
[^filemon-1-11-26]: Kanttekening 26: 26 zeer nuttig: Het schijnt dat de apostel ziet op zijn naam Onesimus, waarvan zie vers 20; welke hij tevoren niet had betracht, maar dat nu doet. Filemon 1:20: Ja, broeder, laat mij van u hierin genieten in de Heer; verkwik mijn ingewanden in de Heer.
[^filemon-1-12-27]: Kanttekening 27: 27 mijn ingewanden: Dat is, die ik van harte liefheb; of die mij zo lief is als mijn eigen hart.
[^filemon-1-12-28]: Kanttekening 28: 28 weer aan: Namelijk in genade en in uzelf gedaan ware.
[^filemon-1-13-29]: Kanttekening 29: 29 voor u dienen: Dat is, in uwe plaats; als die zijn dienst houden zou of zij door uzelf gedaan ware.
[^filemon-1-13-30]: Kanttekening 30: 30 van het Evangelie: Dat is, die ik vanwege het Evangelie lijd.
[^filemon-1-14-31]: Kanttekening 31: 31 uw goeddadigheid: Grieks, uw goed (ἀγαθός). Hebr.
[^filemon-1-14-32]: Kanttekening 32: Grieks, noodzakelijkheid.
[^filemon-1-15-33]: Kanttekening 33: Dit woord stelt hier niet enige twijfelachtigheid, maar verzacht wat gezegd wordt.
[^filemon-1-15-34]: Kanttekening 34: 34 voor een kleinen: Grieks, voor een uur, of, korte wijle.
[^filemon-1-15-35]: Kanttekening 35: 35 van u gescheiden: Zo verzacht Paulus Onesimus' misdaad van weglopen, om hem te beter met zijn heer te verzoenen.
[^filemon-1-15-36]: Kanttekening 36: 36 eeuwig zoudt weer: Dat is, al zijn leven lang, Hebr. Want omdat hij nu een vromen Christen geworden was, zo zou hij niet eens denken om opnieuw weg te lopen, of zijn heer ontrouw te zijn. Het schijnt dat hij enigszins ziet op de wetten van eeuwige slavernij; Ex. 21:6; Deut. 15:17. Exodus 21:6: Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. Deuteronomium 15:17: Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen.
[^filemon-1-16-37]: Kanttekening 37: 37 niet als een: Dat is, niet alleen als een dienaar. Want hij verzoekt hier geen vrijlating, maar alleen verzoening.
[^filemon-1-16-38]: Kanttekening 38: 38 een geliefden broeder: Dat is, als een Christen, die de Christenen behoren lief te hebben, en die mij lief is.
[^filemon-1-16-39]: Kanttekening 39: 39 in het vlees: Dat is, die aangaande zijn uiterlijken en vleselijken staat onder u staat, en u veel dienst zal doen in de dingen, die de uiterlijke zaken van dit leven in het vlees aangaan.
[^filemon-1-16-40]: Kanttekening 40: Namelijk die nu ook in de Heer Christus gelooft.
[^filemon-1-17-41]: Kanttekening 41: 41 een metgezel: Of, medegenoot; namelijk in het geloof en ook in de dienst van het Woord.
[^filemon-1-17-42]: Kanttekening 42: 42 gelijk als mij: Dat is, zoals u zoudt doen omtrent mijzelf.
[^filemon-1-18-43]: Kanttekening 43: 43 iets verongelijkt: Zo verzacht hij de misdaad van ontvreemding of dieverij, met een algemeen en zachter woord, gelijk ook vers 11 en vers 15. Evenzo vertroostte ook Jozef zijn broeders; Gen. 45:5. Filemon 1:11: Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb. Filemon 1:15: Want wellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat u hem eeuwig zoudt weer hebben. Genesis 45:5: Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven.
[^filemon-1-18-44]: Kanttekening 44: 44 reken dat mij toe: Namelijk alsof ik het u schuldig ware. Hier ziet men wat eigenlijk het woord toerekenen betekent, dat bij gelijkenis van borgtocht gebruikt wordt in de leer van de rechtvaardigmaking van de mens voor God; Gen. 15:6; Rom. 4:3, enz. Genesis 15:6: En hij geloofde in YHWH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Romeinen 4:3: Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
[^filemon-1-19-45]: Kanttekening 45: 45 Ik, Paulus: Dit is als een handschrift of obligatie, waarin hij belooft voor Onesimus de schade te betalen, die hij zijn heer gedaan had, opdat de verzoening daarom niet achterblijve.
[^filemon-1-19-46]: Kanttekening 46: 46 uzelven mij: Namelijk daar ik door mijn prediking en onderwijzing u tot Christus bekeerd en behouden heb; om welke grote weldaad u niet alleen uw goederen, maar uzelf mij schuldig zijt. En daarom behoort u deze betaling van mij niet te begeren.
[^filemon-1-20-47]: Kanttekening 47: Grieks, Nai (Ναί); welk woord gebruikt wordt niet alleen om de waarheid te bevestigen, maar ook om te smeken; gelijk het Hebr. woord ana, of, na, en het woord edoch, eilieve, in onze taal. Zie Matt. 15:27; Openb. 22:20. Mattheüs 15:27: En zij zei: Ja, Heer! maar de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Openbaring 22:20: Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heer Jezus!
[^filemon-1-20-48]: Kanttekening 48: Dat is, deze vrucht of weldaad van u.
[^filemon-1-20-49]: Kanttekening 49: Hij gebruikt hier een Grieks woord, waarnaar Onesimus genaamd was, dat zoveel is te zeggen als profijtig, of een waarvan men vrucht, hulp, of vreugde geniet.
[^filemon-1-20-50]: Kanttekening 50: 50 in de Heer: Dat is, volgens het bevel en de wil van de Heer; of, in de Naam van de Heer, vanwege de Heer, tot wie hij nu bekeerd is.
[^filemon-1-20-51]: Kanttekening 51: Zie van deze wijze van spreken vers 7. Filemon 1:7: Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden van de heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!
[^filemon-1-20-52]: Kanttekening 52: 52 mijn ingewanden: Dit kan verstaan worden, òf van Onesimus, gelijk vers 12. Filemon 1:12: Maar u, neem hem, dat is mijn ingewanden, weer aan;
[^filemon-1-21-53]: Kanttekening 53: 53 op uw gehoorzaamheid: Dat is, dat u naar mij zult luisteren en mijn verzoek plaats geven.
[^filemon-1-22-54]: Kanttekening 54: 54 En bereid mij: Dit doet hij er bij, opdat Filemon, verstaande dat Paulus zelf daar zou komen, te minder dit hem zou weigeren.
[^filemon-1-22-g]: Verwijzing g: Hebr. 13:2. Hebreeën 13:2: Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^filemon-1-22-h]: Verwijzing h: Filip. 1:25. Filippensen 1:25: En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap van het geloof;
[^filemon-1-22-55]: Kanttekening 55: 55 door uw gebeden: Die u voor mijn verlossing doet.
[^filemon-1-22-56]: Kanttekening 56: 56 zal geschonken worden: Dat is, zal van God uit genade verlost worden, en u gelijk als uit de dood wedergegeven worden. Zie dergelijke wijze van spreken Hand. 27:24; Filipp. 1:25. Handelingen 27:24: Zeggende: Vrees niet, Paulus, u moet voor de keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen. Filippensen 1:25: En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap van het geloof;
[^filemon-1-23-i]: Verwijzing i: Kolos. 1:7; Kolos. 4:12. Kolossensen 1:7: Gelijk u ook geleerd hebt van Epafras, onze geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u; Kolossensen 4:12: U groet Epafras, die uit de uw is, een dienaar van Christus, te alle tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God.
[^filemon-1-24-k]: Verwijzing k: Hand. 12:12; idem 12:25; Hand. 15:37; Kolos. 4:10; 2 Tim. 4:11; 1 Petr. 5:13. Handelingen 12:12: En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren. Handelingen 12:25: Barnabas nu en Saulus keerden opnieuw van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. Handelingen 15:37: En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden meenemen. Kolossensen 4:10: U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; 2 Timotheüs 4:11: Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst. 1 Petrus 5:13: U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Babylon is, en Markus, mijn zoon.
[^filemon-1-24-l]: Verwijzing l: Hand. 19:29; Hand. 20:4; Hand. 27:2; Kolos. 4:10. Handelingen 19:29: En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Handelingen 27:2: En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons. Kolossensen 4:10: U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;
[^filemon-1-24-m]: Verwijzing m: Kolos. 4:14; 2 Tim. 4:10. Kolossensen 4:14: U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas. 2 Timotheüs 4:10: Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.
[^filemon-1-24-n]: Verwijzing n: Kolos. 4:14; 2 Tim. 4:11. Kolossensen 4:14: U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas. 2 Timotheüs 4:11: Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst.
[^filemon-1-25-57]: Kanttekening 57: 57 met uw geest: Dat is, met ulieder geest. Zie Gal. 6:18; 2 Tim. 4:22. Galaten 6:18: De genade van onze Heer Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen. 2 Timotheüs 4:22: De Heer Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u. Amen.

## Hebreeën

### Hebreeën 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/1.json)

*1 De apostel betuigt dat God weliswaar eertijds door de profeten tot de vaderen heeft gesproken, maar nu tot ons door zijn Zoon. 2 Wiens Godheid, majesteit en ambt hij kort beschrijft. 4 Bewijst daarna uit verscheidene plaatsen van het Oude Testament dat de heerlijkheid van de Zoon ver uitgaat boven de heerlijkheid van de engelen. 8 Dat Hij een goddelijke en eeuwige troon heeft, en dat Hij gezalfd is boven al zijn metgezellen. 10 Bewijst verder dat hemel en aarde door Hem geschapen zijn, en een einde zullen hebben, maar dat Hij begin noch einde heeft. 13 En dat Hij alleen zit aan de rechterhand van zijn Vader. 14 Maar dat alle engelen dienende geesten zijn.*

**1** [^hebreeen-1-1-1] God,[^hebreeen-1-1-2] voorheen[^hebreeen-1-1-3] veelmaal en[^hebreeen-1-1-4] op allerlei wijze, tot de vaders gesproken hebbende door de profeten, heeft in[^hebreeen-1-1-5] deze laatste dagen tot[^hebreeen-1-1-6] ons gesproken[^hebreeen-1-1-7] door de Zoon; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v1)

**2** Die Hij[^hebreeen-1-2-8] gesteld heeft[^hebreeen-1-2-a] tot een Erfgenaam van alles,[^hebreeen-1-2-b] door Welke Hij ook[^hebreeen-1-2-9] de wereld gemaakt heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v2)

**3** [^hebreeen-1-3-c] Die, zo Hij is[^hebreeen-1-3-10] het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en[^hebreeen-1-3-11] het uitgedrukte Beeld[^hebreeen-1-3-12] van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen[^hebreeen-1-3-13] draagt[^hebreeen-1-3-14] door het woord van Zijn[^hebreeen-1-3-15] kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft,[^hebreeen-1-3-16] is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v3)

**4** Zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen,[^hebreeen-1-4-17] als Hij[^hebreeen-1-4-d] uitmuntender Naam boven hen[^hebreeen-1-4-18] geërfd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v4)

**5** Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd:[^hebreeen-1-5-19][^hebreeen-1-5-e] U bent Mijn Zoon,[^hebreeen-1-5-20] vandaag heb ik U[^hebreeen-1-5-21] gegenereerd? En opnieuw:[^hebreeen-1-5-22][^hebreeen-1-5-f] Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v5)

**6** En als Hij opnieuw de Eerstgeborene[^hebreeen-1-6-23] inbrengt in de wereld, zegt[^hebreeen-1-6-g] Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v6)

**7** En[^hebreeen-1-7-24] tot de engelen zegt Hij wel:[^hebreeen-1-7-h] Die Zijn engelen[^hebreeen-1-7-25] maakt geesten, en Zijn dienaren[^hebreeen-1-7-26] een vlam van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v7)

**8** Maar[^hebreeen-1-8-27] tot de Zoon zegt[^hebreeen-1-8-i] Hij:[^hebreeen-1-8-28] Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter van Uw koninkrijk is[^hebreeen-1-8-29] een rechte scepter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v8)

**9** U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God![^hebreeen-1-9-30] Uw God[^hebreeen-1-9-31] gezalfd[^hebreeen-1-9-32] met olie van de vreugde boven Uw[^hebreeen-1-9-33] metgezellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v9)

**10** [^hebreeen-1-10-34] En:[^hebreeen-1-10-k] U, Heere! heb[^hebreeen-1-10-35] in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v10)

**11** [^hebreeen-1-11-l] Dezelfde zullen vergaan, maar[^hebreeen-1-11-36] U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v11)

**12** En als[^hebreeen-1-12-37] een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen[^hebreeen-1-12-38] veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v12)

**13** En tot welke van de engelen heeft Hij ooit[^hebreeen-1-13-39][^hebreeen-1-13-m] gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v13)

**14** Zijn zij niet allen[^hebreeen-1-14-40] gedienstige geesten, die tot dienst[^hebreeen-1-14-41] uitgezonden worden, omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/1.html#v14)

[^hebreeen-1-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk de Vader, gelijk blijkt uit de naam Zoon, die in het einde van het vers wordt uitgedrukt.
[^hebreeen-1-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk in de tijden van het Oude Testament.
[^hebreeen-1-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, op menigerlei stonden en gelegenheden. Grieks in vele gedeelten.
[^hebreeen-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 op velerlei wijze: Namelijk door aanspraken, dromen, gezichten, verschijningen. zie Num. 12:6. Numeri 12:6: En Hij zei: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, YHWH, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.
[^hebreeen-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 deze laatste: Zo noemt de apostel de tijd van het Nieuwe Testament, omdat daaronder geen verandering meer in het leren is te verwachten, maar alles zo moet blijven, zonder toe of afdoen, gelijk het van Christus is geleerd en bestemd tot de laatste dag; zie ook Joël 2:28; Hand. 2:17. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^hebreeen-1-1-6]: Kanttekening 6: 6 ons gesproken: Namelijk apostelen en andere Hebreën, die het woord uit Zijn mond hebben gehoord en door wie het door de gehele wereld is verbreid.
[^hebreeen-1-1-7]: Kanttekening 7: 7 door de Zoon: Grieks in de Zoon; dat is, de eigen en eniggeboren Zoon van de Vader, in het vlees geopenbaard, Joh. 1:14; want anders waren ook de profeten kinderen van God, en zijn het ook alle gelovigen; Joh. 1:12; 1 Joh. 3:1. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:12: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 1 Johannes 3:1: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
[^hebreeen-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 gesteld heeft: Dit recht van Heer en bezitter van alles te zijn, heeft de Zoon van God, niet alleen doordien Hij alles heeft geschapen, zoals de volgende woorden medebrengen, maar is ook tot een erfgenaam van alles gesteld, doordien Hij van de Vader van eeuwigheid tot een middelaar is uitverkoren, 1 Petr. 1:20, en van deze in de wereld is gebracht, als Hij Hem de menselijke natuur heeft laten aannemen; Luk. 1:32, en Luk. 2:11; vers 6; en eindelijk als Hij Hem, het werk van onze verlossing volvoerd hebbende, tot Zijn rechterhand heeft verheven; Ef. 1:21, 1:22; Fil. 2:9, 2:10, 2:11. 1 Petrus 1:20: Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, Lukas 1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 2:11: Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heer, in de stad van David. Hebreeën 1:6: En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. Efeziërs 1:21: Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Filippensen 2:10: Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Filippensen 2:11: En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heer zij, tot heerlijkheid van God van de Vader.
[^hebreeen-1-2-a]: Verwijzing a: Matt. 21:38. Mattheüs 21:38: Maar de landbouwers, de zoon ziende, zeiden onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.
[^hebreeen-1-2-b]: Verwijzing b: Gen. 1:3; Ps. 33:6; Joh. 1:3; Ef. 3:9; Kolos. 1:16. Genesis 1:3: En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. Psalmen 33:6: Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Johannes 1:3: Alle dingen zijn door Het gemaakt, en zonder Het is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Efeziërs 3:9: En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^hebreeen-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 de wereld: Grieks de eeuwen; zoals Hebr. 11:3. Dat is, de wereld met alles wat daarin is, Joh. 1:3; Kol. 1:16. Dat de apostel bij het voorgaande voegt als de eerste reden, waarom Hem de Vader tot een erfgenaam en een Heer van alles heeft gesteld, namelijk daar Hij alles door Hem heeft geschapen, waarop de andere redenen in vers 3 volgen, genomen van de heerlijkheid van Zijn persoon en evengelijkheid met de Vader, en van de onderhouding van alle dingen. Hebreeën 11:3: Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord van God is toebereid, zo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. Johannes 1:3: Alle dingen zijn door Het gemaakt, en zonder Het is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^hebreeen-1-3-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 4:4; Filip. 2:6; Kolos. 1:15. 2 Korinthiërs 4:4: In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Filippensen 2:6: Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Kolossensen 1:15: Dewelke het Beeld is van het onzichtbare Gods, de Eerstgeborene alle kreaturen.
[^hebreeen-1-3-10]: Kanttekening 10: 10 het afschijnsel: Namelijk in wie de gehele heerlijkheid van de Vader, dat is Zijn Goddelijk wezen en Goddelijke eigenschappen, volkomen zijn, en als in een uitgedrukt beeld voor ogen gesteld worden. Dat enige verstaan van Christus naar Zijn menselijke natuur, waarin Hij door Zijn leer, werken en wonderdaden, de wijsheid, rechtvaardigheid, almachtigheid en grondeloze barmhartigheid van God ons ten volle heeft geopenbaard, zoals Joh. 1:14, 1:18, en Joh. 14:9, 14:10, 14:11, ook wordt aangewezen. Maar waar deze titels hier de Zoon van God worden gegeven als Schepper en Onderhouder van alle dingen, dat Hem naar Zijn Goddelijke natuur alleen toekomt, zo moeten deze twee titels van Christus verstaan worden voorzover Hij de eeuwige Zoon van God is, en een licht van het eeuwige licht, van één wezen en heerlijkheid met de Vader, nochtans van de zelfstandigheid van de Vader onderscheiden, door wie de Vader Zijn werkingen uitvoert, en eigenschappen betoont, zoals de zon door haar licht de hare. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Johannes 14:9: Jezus zei tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt u: Toon ons de Vader? Johannes 14:10: Gelooft u niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken. Johannes 14:11: Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en als niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.
[^hebreeen-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 het uitgedrukte: Of afdruksel. Omdat de persoon van de Zoon de persoon van de Vader volkomenlijk afbeeldt, gelijk een afdruk van het zegel. Waarom Hij ook het beeld van de onzichtbare God wordt genoemd; Kol. 1:15. Kolossensen 1:15: Dewelke het Beeld is van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van alle kreaturen.
[^hebreeen-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 Zijn zelfstandigheid: Grieks hypostaseos; dat is, van de zelfstandigheid, of persoon, waardoor de persoon van de Vader wordt verstaan, voorzover Hij van de Zoon is onderscheiden, en van Zichzelf en in Zichzelf bestaat, en als een oorsprong is van de persoon van de Zoon, door ene eeuwige en onuitsprekelijke generatie (voortbrenging). Zie Spreuk. 8:22, enz.; Micha 5:1; Joh. 1:14, 1:18. Spreuken 8:22: De YHWH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. Micha 5:1: En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.
[^hebreeen-1-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, ondersteunt of onderhoudt of doet bestaan; Kol. 1:17. Kolossensen 1:17: En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;
[^hebreeen-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 door het woord: Dat is, door Zijn almachtigen wil of bevel; Ps. 33:9. Psalmen 33:9: Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
[^hebreeen-1-3-15]: Kanttekening 15: 15 nadat Hij: Dit is een nieuwe reden, waarom de Zoon van God tot een erfgenaam en Heer van alles is gesteld, namelijk omdat Hij de reinigmaking van onze zonden heeft teweeggebracht, toen Hij het vlees heeft aangenomen, en zichzelf door de eeuwige Geest Zijn Vader als onze enige hogepriester onstraffelijk heeft opgeofferd, en daarvoor ter rechterhand van God, als onze eeuwige Koning, is gesteld, waarover in Hebr. 2,5 breder zal worden gehandeld.
[^hebreeen-1-3-16]: Kanttekening 16: 16 is gezeten: Hiervan zie de verklaringen op Ef. 1:20; 1 Kor. 15:25, en elders. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; 1 Korinthiërs 15:25: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
[^hebreeen-1-4-17]: Kanttekening 17: 17 uitmuntender Naam: Grieks verschilliger, of, verscheidener naam; dat is, waardiger, of uitmuntender. Zie hierna Hebr. 8:6; welke naam is de naam van Zoon, gelijk vers 5 bewijst. Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 1:5: Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^hebreeen-1-4-d]: Verwijzing d: Filip. 2:9. Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^hebreeen-1-4-18]: Kanttekening 18: 18 geërfd heeft: Namelijk naar Zijn Goddelijke natuur, door Zijn eeuwige geboorte van de Vader, met welke de menselijke natuur in enigheid van de persoon is verenigd. Want Christus is maar één Zoon, in welke deze twee naturen bestaan.
[^hebreeen-1-5-19]: Kanttekening 19: 19 U bent Mijn Zoon: Namelijk eigen en natuurlijke Zoon; want anders zijn ook de engelen kinderen van God, ten opzichte dat zij door God en naar Zijn evenbeeld zijn geschapen, en tot kinderen aangenomen. Zie Job 1:6; Ps. 89:7. Job 1:6: Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor YHWH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. Psalmen 89:7: Want wie mag in de hemel tegen YHWH geschat worden? Wie is YHWH gelijk, onder de kinderen van de sterken?
[^hebreeen-1-5-e]: Verwijzing e: Ps. 2:7; Hand. 13:33; Hebr. 5:5. Psalmen 2:7: Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Handelingen 13:33: Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Hebreeën 5:5: Zo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^hebreeen-1-5-20]: Kanttekening 20: 20 heden heb ik u: Dat is, van eeuwigheid, welke heden genoemd wordt, omdat in de eeuwigheid noch begin is noch einde, maar ene gedurigheid die altijd tegenwoordig is. Anderen verstaan het van de tijd waarin deze eeuwige geboorte in de wereld is geopenbaard.
[^hebreeen-1-5-21]: Kanttekening 21: Of geteeld, gewonnen, geboren; namelijk door een eeuwige, bovennatuurlijke en onbegrijpelijke generatie. Want Hij spreekt van zulk een geboorte, op welke wijze geen engelen noch mensen zijn geboren, maar alleen de Zoon. Waarom Hij ook de eniggeborene van de Vader genoemd wordt, Joh. 1:18; en de eigen Zoon van God, Rom. 8:32. Deze plaats wordt ook Hand. 13:33, op Zijn opstanding uit de doden toegepast, omdat Hij toen krachtig is bewezen de Zoon van God te zijn, gelijk Paulus spreekt Rom. 1:4. Johannes 1:18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Romeinen 8:32: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Handelingen 13:33: Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Romeinen 1:4: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer:
[^hebreeen-1-5-22]: Kanttekening 22: 22 Ik zal Hem tot een Vader zijn: Deze woorden worden wel van Salomo als een voorbeeld van Christus, die de tempel te Jeruzalem zou bouwen, uitgesproken, maar van Christus Jezus, als de betekenende zaak, vooral verstaan, die de geestelijke tempel, dat is de gemeente van God, alleen heeft gebouwd, en een Heer daarvan is, gelijk de apostel hierna, Hebr. 3,4,5,6, betuigt en die alleen een koninkrijk zonder einde heeft, gelijk de engel verklaart; Luk. 1:32, 1:33. Lukas 1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden; en God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. Lukas 1:33: En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn.
[^hebreeen-1-5-f]: Verwijzing f: 2 Sam. 7:14; 1 Kron. 22:10. 2 Samuël 7:14: Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. 1 Kronieken 22:10: Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon van Zijn rijk over Israël bevestigen tot in eeuwigheid.
[^hebreeen-1-6-23]: Kanttekening 23: 23 inbrengt in de wereld: Namelijk in de Ps. 97, waar een beschrijving is van de komst van de Heer in de wereld, om een nieuw koninkrijk op te richten; dat is vervuld toen Christus mens is geworden en onder ons heeft gewoond, vol genade en heerlijkheid, Joh. 1:14, toen ook de menigte van de hemelse heirscharen Hem hebben aangebeden, en Zijn naam groot gemaakt; Luk. 2:13, enz. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Lukas 2:13: En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van het hemelse heirlegers, prijzende God en zeggende:
[^hebreeen-1-6-g]: Verwijzing g: Ps. 97:7. Psalmen 97:7: Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle u goden!
[^hebreeen-1-7-24]: Kanttekening 24: 24 tot de engelen: Of van de engelen, naar een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie Gen. 20:2; Jes. 41:7. Genesis 20:2: Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. Jesaja 41:7: En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.
[^hebreeen-1-7-h]: Verwijzing h: Ps. 104:4. Psalmen 104:4: Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaren tot een vlammend vuur.
[^hebreeen-1-7-25]: Kanttekening 25: 25 maakt geesten: Dat is, als geesten of winden om Hem snel te gehoorzamen.
[^hebreeen-1-7-26]: Kanttekening 26: 26 een vlam van het vuur: Dat is, gelijk een vlam van het vuur, om als een vuur en bliksem Zijn bevelen krachtig uit te voeren.
[^hebreeen-1-8-27]: Kanttekening 27: 27 tot de Zoon: Of van de Zoon, gelijk vers 7. Hebreeën 1:7: En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur.
[^hebreeen-1-8-i]: Verwijzing i: Ps. 45:7. Psalmen 45:7: Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter van de rechtmatigheid.
[^hebreeen-1-8-28]: Kanttekening 28: 28 troon, o God: Deze woorden in Ps. 45, moeten noodzakelijk van Christus, de waren bruidegom en koning van Zijn gemeente, verstaan worden. Want dat de Joden nu zeggen, dat zij van Salomo moeten verstaan worden, is ongerijmd, daar Salomo nergens God wordt genoemd, noch zijn troon eeuwig is geweest, maar alleen veertig jaren geduurd heeft, en zijn scepter, en de scepter van zijn nakomelingen is niet altijd geweest een scepter van de gerechtigheid, omdat er vele gebreken en ongerechtigheden in zijn regering en die van zijn nakomelingen zijn geweest, zoals de boeken van de Koningen betuigen. En het is niet waarschijnlijk, dat het huwelijk van Salomo met de dochter van Faraö gedurig in de gemeente van God zou moeten geprezen en gezongen worden, gelijk het opschrift van Ps. 45:1, meebrengt. Dat zo klaar is, dat zelfs de Joodse rabbijnen erkennen, dat deze psalm van de Messias moet verstaan worden. Maar de autoriteit van de apostel is hierin genoeg en boven alle tegenspraak. Door de troon wordt de heerlijkheid, en door de scepter de kracht van deze regering verstaan. Psalmen 45:1: Een onderwijzing, een lied van de liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.
[^hebreeen-1-8-29]: Kanttekening 29: 29 een rechte schepter: Dat is, een scepter van het recht, of van de rechtheid, dat is, waar geen kromheid noch onrecht plaats heeft.
[^hebreeen-1-9-30]: Kanttekening 30: 30 Uw God: Zie de aantekeningen Joh. 20:17. Johannes 20:17: Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
[^hebreeen-1-9-31]: Kanttekening 31: Namelijk met de Heilige Geest, die Hij in Zijn menselijke natuur ontvangen heeft zonder mate; Joh. 3:34. Johannes 3:34: Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^hebreeen-1-9-32]: Kanttekening 32: 32 met olie van de vreugde: Zo worden de gaven van de Heilige Geest genoemd, omdat zij het hart van de mensen wakker en verheugd maken in God en tot hun beroep bekwaam en gewillig; Hand. 10:38. Handelingen 10:38: Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
[^hebreeen-1-9-33]: Kanttekening 33: Dat is, uwe broeders, of andere kinderen van God, waarvan Christus is de eerstgeborene. Want al de leden van het lichaam van Christus, dat is van Zijne gemeente, zijn eenzelfde Geest met Christus deelachtig, zo nochtans dat de volheid van de gaven in Christus het hoofd is, maar in de andere leden naar de mate van de gave van Christus. Zie Joh. 1:16; Ef. 4:7. Johannes 1:16: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Efeziërs 4:7: Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
[^hebreeen-1-10-34]: Kanttekening 34: U, Heer: Namelijk tot of van de Zoon zegt Hij gelijk vers 8, welke woorden de apostel hier getuigt dat van de Zoon van God gezegd zijn, gelijk ook het doel van de psalm aanwijst, daar hij daar van de wederoprichting van het koninkrijk van God spreekt en van de verbreiding daarvan onder de heidenen, dat beide door Christus is geschied; Ps. 102:14, enz. Hebreeën 1:8: Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter. Psalmen 102:14: U zult opstaan, U zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
[^hebreeen-1-10-k]: Verwijzing k: Ps. 102:26. Psalmen 102:26: u hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen;
[^hebreeen-1-10-35]: Kanttekening 35: 35 in de beginne: Namelijk van de schepping van alle dingen; gelijk Gen. 1:1; Joh. 1:1. Genesis 1:1: In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Johannes 1:1: In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
[^hebreeen-1-11-l]: Verwijzing l: Jes. 51:6; 2 Petr. 3:7; idem v. 10. Jesaja 51:6: Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. 2 Petrus 3:7: Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heern zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^hebreeen-1-11-36]: Kanttekening 36: 36 u blijft altijd: Namelijk van eeuwigheid tot eeuwigheid, zonder verandering; gelijk ook van Christus getuigd wordt, Openb. 1:8, en Openb. 22:13. Zie ook Hebr. 13:8. Openbaring 1:8: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 22:13: Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste. Hebreeën 13:8: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid.
[^hebreeen-1-12-37]: Kanttekening 37: 37 een dekkleed: Namelijk dat ergens over wordt gelegd om iets te dekken en te bewaren tegen regen, wind en hitte; dat als het genoeg gebruikt is pleegt opgerold en ter zijde gelegd te worden.
[^hebreeen-1-12-38]: Kanttekening 38: 38 veranderd worden: Zie 2 Petr. 3:10. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^hebreeen-1-13-39]: Kanttekening 39: 39 Zit aan Mijn rechterhand: Zie hiervan vers 3 en de aantekeningen 1 Kor. 15:24, 15:25. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 1 Korinthiërs 15:25: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
[^hebreeen-1-13-m]: Verwijzing m: Ps. 110:1; Hand. 2:34; 1 Kor. 15:25; Ef. 1:20; Hebr. 10:12. Psalmen 110:1: Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Handelingen 2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. 1 Korinthiërs 15:25: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Hebreeën 10:12: Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God;
[^hebreeen-1-14-40]: Kanttekening 40: 40 gedienstige geesten: Of bedienende; dat is die altijd voor God ten dienste zijn, of om te dienen voor Hem gereed staan. Zie Jes. 6:2; Ezech. 10:8; Dan. 7:10; Zach. 1:8; Openb. 5:11, enz. Jesaja 6:2: De serafs stonden boven Hem; een ieder had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. Ezechiël 10:8: Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen hand onder hun vleugelen. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Zacharia 1:8: Ik zag in de nacht, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden. Openbaring 5:11: En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
[^hebreeen-1-14-41]: Kanttekening 41: 41 uitgezonden worden: Namelijk van God en van Christus Jezus zelf, Openb. 1:1, enz. Er wordt dan hier niemand van de engelen uitgezonderd, die ten dienste van de gelovigen door God niet worden uitgezonden, gelijk sommigen menen. Openbaring 1:1: De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;

### Hebreeën 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/2.json)

*1 Uit de leer over de voortreffelijkheid van de persoon van Christus, in het voorgaande hoofdstuk voorgesteld, trekt de apostel hier een waarschuwing, dat wij dan zorgvuldig moeten zijn om op zijn woord goed acht te geven. 5 Gaat daarna voort, en bewijst eerst de nederigheid en daarna de waardigheid van de menselijke natuur van Christus met een plaats uit de achtste Psalm. 8 En past die toe op Christus. 11 Bewijst uit nog andere plaatsen van het Oude Testament dat Hij dezelfde natuur en aandoening met ons deelachtig is. 16 En niet met de engelen. 17 En dat met dit doel, opdat Hij een getrouw en barmhartig Hogepriester voor ons zou zijn.*

**1** [^hebreeen-2-1-1] Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger[^hebreeen-2-1-2] tijd doorvloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v1)

**2** Want als[^hebreeen-2-2-a] het woord,[^hebreeen-2-2-3] door de engelen gesproken, vast is geweest, en[^hebreeen-2-2-b] alle overtreding en ongehoorzaamheid[^hebreeen-2-2-4] rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v2)

**3** [^hebreeen-2-3-c] Hoe zullen wij[^hebreeen-2-3-5] ontvluchten, als wij op[^hebreeen-2-3-6] zo grote zaligheid geen acht nemen?[^hebreeen-2-3-d] die,[^hebreeen-2-3-7] begonnen zijnde verkondigd te worden door[^hebreeen-2-3-8] de Heere, aan ons[^hebreeen-2-3-9] bevestigd is geworden[^hebreeen-2-3-10] van degenen, die Hem gehoord hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v3)

**4** [^hebreeen-2-4-e] God bovendien[^hebreeen-2-4-11] medegetuigende door tekenen, en wonderen, en allerlei krachten en bedelingen van de Heilige Geest, naar Zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v4)

**5** [^hebreeen-2-5-12] Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen[^hebreeen-2-5-13] de toekomende wereld, van welke wij spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v5)

**6** Maar iemand heeft[^hebreeen-2-6-14] ergens betuigd, zeggende[^hebreeen-2-6-f]:[^hebreeen-2-6-15] Wat is de mens, dat U hem[^hebreeen-2-6-16] gedenkt, of de mensenzoon, dat U hem bezoekt! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v6)

**7** U hebt hem[^hebreeen-2-7-17] een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond, en U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v7)

**8** [^hebreeen-2-8-g] Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij[^hebreeen-2-8-18] niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij;[^hebreeen-2-8-19] maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v8)

**9** [^hebreeen-2-9-20] Maar wij zien Jezus[^hebreeen-2-9-h] met heerlijkheid en eer gekroond,[^hebreeen-2-9-i] Die een weinig minder dan de engelen geworden was,[^hebreeen-2-9-21] vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God[^hebreeen-2-9-22] voor allen de dood[^hebreeen-2-9-23] smaken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v9)

**10** Want het paste[^hebreeen-2-10-24] Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele[^hebreeen-2-10-25] kinderen[^hebreeen-2-10-26] tot de heerlijkheid leidende,[^hebreeen-2-10-27] de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou[^hebreeen-2-10-28] heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v10)

**11** Want[^hebreeen-2-11-29] en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden,[^hebreeen-2-11-k] zijn allen[^hebreeen-2-11-30] uit één; om welke oorzaak[^hebreeen-2-11-31] Hij Zich[^hebreeen-2-11-32] niet schaamt hen broeders te noemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v11)

**12** [^hebreeen-2-12-33] Zeggende:[^hebreeen-2-12-l] Ik zal Uw naam Mijn broeders verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v12)

**13** En opnieuw:[^hebreeen-2-13-34][^hebreeen-2-13-m] Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen.[^hebreeen-2-13-35] En opnieuw:[^hebreeen-2-13-n] Zie daar, Ik en de kinderen,[^hebreeen-2-13-36] die Mij God gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v13)

**14** Omdat dan[^hebreeen-2-14-37] de kinderen[^hebreeen-2-14-38] van het vlees en bloed deelachtig zijn,[^hebreeen-2-14-o] zo is Hij ook[^hebreeen-2-14-39] evenzo daaraan deelachtig geworden,[^hebreeen-2-14-p] opdat Hij door de dood[^hebreeen-2-14-40] te niet doen zou degene, die het geweld van de dood[^hebreeen-2-14-41] had, dat is,[^hebreeen-2-14-42] de duivel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v14)

**15** En verlossen zou allen[^hebreeen-2-15-43] die met vrees voor de dood, door al hun leven,[^hebreeen-2-15-44][^hebreeen-2-15-q] aan de dienstbaarheid onderworpen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v15)

**16** Want werkelijk,[^hebreeen-2-16-45] Hij neemt de engelen niet aan, maar[^hebreeen-2-16-46] Hij neemt het zaad van Abraham aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v16)

**17** [^hebreeen-2-17-r] Waarom Hij[^hebreeen-2-17-47] in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen,[^hebreeen-2-17-48] die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v17)

**18** [^hebreeen-2-18-s] Want in wat Hij Zelf,[^hebreeen-2-18-49] verzocht zijnde, geleden heeft,[^hebreeen-2-18-50] kan Hij van hen, die verzocht worden, te hulp komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/2.html#v18)

[^hebreeen-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 moeten wij ons te meer houden: Dat is, daar wij nu bewezen hebben hoe voortreffelijk de persoon van Christus is, van wie wij spreken.
[^hebreeen-2-1-2]: Kanttekening 2: Dit wordt door sommigen verstaan van het woord, dat wij gehoord hebben, en moeten zorg dragen dat het in ons niet doorvloeit, zoals in vergetelijke toehoorders pleegt te gebeuren. Door anderen wordt het verstaan van de personen zelf, die gezegd worden door te vloeien, wanneer zij als water, dat doorvloeit, vergaan of verloren gaan. Zie 2 Sam. 14:14; Ps. 58:8. 2 Samuël 14:14: Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. Psalmen 58:8: Laat hen smelten als water, laat hen daarheen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
[^hebreeen-2-2-a]: Verwijzing a: Hand. 7:53; Gal. 3:19. Handelingen 7:53: u, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden! Galaten 3:19: Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.
[^hebreeen-2-2-3]: Kanttekening 3: 3 door de engelen gesproken: Waardoor verstaan worden al de openbaringen, die God in het Oude Testament aan de profeten door de engelen heeft gedaan, en bijzonder ook het geven van de wet, die wel van God zelf, maar toch door de dienst van de engelen gegeven is, gelijk Stefanus getuigt, Hand. 7:53, en Paulus, Gal. 3:19. Handelingen 7:53: U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden! Galaten 3:19: Waartoe is dan de wet? Zij is vanwege de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar.
[^hebreeen-2-2-b]: Verwijzing b: Gen. 19:17; idem v. 26; Deut. 27:26. Genesis 19:17: En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze gehele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. Genesis 19:26: En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. Deuteronomium 27:26: Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende die! En al het volk zal zeggen: Amen.
[^hebreeen-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 rechtvaardige vergelding: Grieks rechtvaardige loonvergelding, namelijk van de straffen, die daarom over hen zijn gekomen. Zie enige voorbeelden daarvan 1 Kor. 10:5, enz. 1 Korinthiërs 10:5: Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
[^hebreeen-2-3-c]: Verwijzing c: Hebr. 12:25. Hebreeën 12:25: Ziet toe, dat u Die, Die spreekt, niet verwerpt; want als deze niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvluchten, zo wij ons van Die afkeren, Die van de hemelen is;
[^hebreeen-2-3-5]: Kanttekening 5: Namelijk de rechtvaardige vergelding van de straffen.
[^hebreeen-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 zo grote zaligheid: Dat is, zo klare en krachtige leer, die ons ter zaligheid roept; waardoor het Evangelie verstaan wordt, dat ook een dienst van de Geest en van het leven wordt genoemd, daar de wet een doodslaande letter is, waarvan zie de verklaring op 2 Kor. 3:6, 3:7. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 3:7: En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de kinderen van Israël het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van Zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden.
[^hebreeen-2-3-d]: Verwijzing d: Matt. 4:17; Marc. 1:14. Mattheüs 4:17: Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. Marcus 1:14: En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk van God.
[^hebreeen-2-3-7]: Kanttekening 7: 7 begonnen zijnde verkondigd te worden: Grieks begin genomen hebbende gesproken te worden.
[^hebreeen-2-3-8]: Kanttekening 8: 8 de Heer, aan ons: Namelijk Jezus Christus, toen Hij in de dagen van Zijn vlees onder ons heeft gepredikt als een dienaar van de besnijdenis.
[^hebreeen-2-3-9]: Kanttekening 9: 9 bevestigd is geworden: Dat is, meer en meer versterkt.
[^hebreeen-2-3-10]: Kanttekening 10: 10 van degenen: Hieruit willen sommigen besluiten dat Paulus deze brief niet zou hebben geschreven, daar hij niet door mensen, maar van Christus zelf het Evangelie gehoord heeft, en tot een apostel is beroepen, 2 Kor. 12:4, enz.; Gal. 1:1, en Gal. 2:6. Maar dit is een zeer zwak bewijs, omdat de apostelen, door een figuurlijke wijze van spreken, zichzelf dikwijls in de vermaningen insluiten, hoewel zij hun eigenlijk niet aangaan, gelijk in deze drie voorgaande verzen meermalen geschiedt. Zie ook een opmerkelijk voorbeeld 1 Kor. 10:8, 10:9; 1 Petr. 4:3; daarenboven, hoewel Paulus de leer van het Evangelie van niemand heeft geleerd dan van Christus, nochtans is hij daarin ook versterkt door Ananias, Hand. 9:17, en door onderlinge handeling met de andere apostelen, gelijk de andere apostelen ook door de handelingen met hem, gelijk hijzelf in het brede getuigt, Gal. 2:2, enz. 2 Korinthiërs 12:4: Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Galaten 1:1: Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Galaten 2:6: En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. 1 Korinthiërs 10:8: En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. 1 Korinthiërs 10:9: En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 1 Petrus 4:3: Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen; Handelingen 9:17: En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwaamt, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zoudt worden. Galaten 2:2: En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.
[^hebreeen-2-4-e]: Verwijzing e: Marc. 16:20; Hand. 14:3; Hand. 19:11. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. Handelingen 14:3: Zij verbleven dan daar een langen tijd, vrijmoedig sprekende in de Heer, Die getuigenis gaf aan het Woord Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen. Handelingen 19:11: En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;
[^hebreeen-2-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk met de apostelen en evangelisten, die ons het Evangelie hebben verkondigd. Zie Mark. 16:20. Marcus 16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer wrocht mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.
[^hebreeen-2-5-12]: Kanttekening 12: 12 Want Hij heeft: Na het einde van de tussengevoegde vermaning komt de apostel weer tot verklaring van de leer. Want deze woorden sluiten aan bij het einde van het voorgaande hoofdstuk, waar hij gezegd had, dat God de Vader alles aan de voeten van Christus had onderworpen, en hij gaat zo voort tot de verklaring van de nederheid en verhoging van de mensheid van Christus.
[^hebreeen-2-5-13]: Kanttekening 13: 13 de toekomende wereld: Dat is, van wier toekomst of stand de profeten zoveel hebben gesproken, en waar David van spreekt in de aangetekende plaats, Ps. 110; welke wereld toekomende wordt genoemd, ten opzichte van Gods beloften in het Oude Testament, en van de oprichting van alle dingen, die door het zitten van Christus ter rechterhand van Zijn Vader, door de gehele wereld is begonnen, en ten uitersten dage zal voltooid worden.
[^hebreeen-2-6-14]: Kanttekening 14: 14 iemand heeft ergens betuigd: Namelijk die genoeg bekend is, te weten de profeet David, in Ps. 8.
[^hebreeen-2-6-f]: Verwijzing f: Ps. 8:5. Psalmen 8:5: Wat is de mens, dat u Zijn gedenkt, en de zoon van de mensen, dat u hem bezoekt?
[^hebreeen-2-6-15]: Kanttekening 15: 15 Wat is de Mens: Deze plaats; Ps. 8:5, menen sommigen dat hier maar door enige toepassing van de woorden van de profeet David op Christus wordt geduid, hoewel zij door David in een anderen zin zouden gesproken zijn, gelijk dat dikwijls bij vele schrijvers geschiedt, en waar van een voorbeeld is Rom. 10:6, 10:18. Want wat van een zaak of persoon gezegd is kan ook wel met waarheid van een ander bij vergelijking gezegd worden; veel meer dan kan zulks door de ingeving van de Heilige Geest gebeuren. Maar daar de apostel deze plaats, als van Christus gesproken, ook verhaalt, 1 Kor. 15:27; Ef. 1:22, en daaruit daar en ook hier een bewijs neemt van wat hij van Christus wil leren, zo moet zij van David tot dat einde ook noodzakelijk zijn waartoe de apostel die voortbrengt. Want al is het dat David daar ten eersten aanzien schijnt te spreken van de mens en zijn waardigheid in het algemeen boven andere schepselen, nochtans terwijl de eerste mens deze waardigheid door zijne ongehoorzaamheid meteen heeft verloren, en daarom geen recht daartoe van nature meer heeft; waarom ook veel schepselen zich aan zijn gehoorzaamheid hebben onttrokken, ja vijand van hem zijn geworden; zo heeft de profeet hoger gezien, namelijk op Christus en de wederoprichting van de mensen in Christus, die een volkomen autoriteit en macht over alle schepselen groot en klein ontvangen heeft, zelfs over de engelen in de hemel en al het gedierte op aarde; Ef. 1:20, 1:21, 1:22; Fil. 2:9, 2:10; waarom zelfs de engelen Hem, toen Hij hier in het vlees wandelde, hebben gediend, en de vissen in de zee en andere gedierte Hem als een volkomen Heer zijn onderworpen geweest, gelijk daarvan gedurig voorbeelden in het Evangelie voorkomen. Zie Matt. 8:31, en Matt. 21:2; Luk. 5:6; Joh. 21:6; welke waardigheid ook alle gelovigen in Christus nu weer deelachtig zijn geworden, 1 Kor. 3:22; Ef. 2:6, enz. Psalmen 8:5: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de zoon van de mensen, dat U hem bezoekt? Romeinen 10:6: Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Het is Christus van boven afbrengen. Romeinen 10:18: Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. 1 Korinthiërs 15:27: Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Efeziërs 1:21: Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Filippensen 2:10: Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Mattheüs 8:31: En de duivelen baden Hem, zeggende: Als U ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen. Mattheüs 21:2: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en u zult meteen een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij. Lukas 5:6: En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde. Johannes 21:6: En Hij zei tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en u zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen. 1 Korinthiërs 3:22: Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Efeziërs 2:6: En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus;
[^hebreeen-2-6-16]: Kanttekening 16: Dit woord gedenkt, gelijk ook het volgende bezoekt, of aanmerkt, ziet zowel op de staat van de vernedering van Christus, waaruit Hij verhoogd is, als op de ellendige staat van de mensen, waarin hij door de zonde is gevallen, waarin hem God met Zijn ontfermende ogen als aangezien en tot een beteren staat genadig heeft voorgenomen te brengen, gelijk deze wijze van spreken zulks alom medebrengt. Zie Gen. 8:1, en Gen. 21:1; Ezech. 16:4, enz. Genesis 8:1: En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. Genesis 21:1: En YHWH bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en YHWH deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had. Ezechiël 16:4: En aangaande uw geboorten: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
[^hebreeen-2-7-17]: Kanttekening 17: 17 een weinig minder gemaakt: Of een weinig tijds; gelijk ook vers 9, wat dit woord beide betekent. En dit wordt van de apostel op de gelovigen en vooral op Christus hun Hoofd geduid, omdat zij hier wel een weinig of een weinig tijds minder zijn dan de engelen, gelijk ook Christus is geweest in Zijn nederigen staat voor de ogen van de mensen, maar dat zij door Christus de engelen zullen gelijk worden in de toekomende wereld, Matt. 22:30, en dat Christus, het Hoofd derzelve, ook naar Zijn mensheid, ver boven alle engelen na Zijne hemelvaart is verheven, gelijk de Schrift alom getuigt. Hebreeën 2:9: Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou. Mattheüs 22:30: Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen van God in de hemel.
[^hebreeen-2-8-g]: Verwijzing g: Ps. 8:7; Matt. 28:18; 1 Kor. 15:27; Ef. 1:22. Psalmen 8:7: u doet hem heersen over de werken van Uw handen; u hebt alles onder zijn voeten gezet; Mattheüs 28:18: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 1 Korinthiërs 15:27: Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. Efeziërs 1:22: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;
[^hebreeen-2-8-18]: Kanttekening 18: 18 niets uitgelaten: Zelfs ook dan niet de engelen.
[^hebreeen-2-8-19]: Kanttekening 19: 19 maar nu zien wij nog niet: Met deze woorden bewijst de apostel, dat deze plaats eerst en vooral van Christus moet verstaan worden, daar in geen ander mens ter wereld dit tot nog toe in alles is vervuld.
[^hebreeen-2-9-20]: Kanttekening 20: 20 Maar wij zien Jezus: Dat is, wij weten en geloven uit Gods Woord, en ervaren het in de regering van Zijn gemeente, dat nu in Jezus Christus dit alles is vervuld, en dat het daarom ook in Zijn leden op Zijn tijd, naar hunne mate, vervuld zal worden, zoals in vers 10 wordt uitgedrukt. Hebreeën 2:10: Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.
[^hebreeen-2-9-h]: Verwijzing h: Hand. 2:33. Handelingen 2:33: Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort.
[^hebreeen-2-9-i]: Verwijzing i: Filip. 2:7; idem v. 8. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Filippensen 2:8: En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^hebreeen-2-9-21]: Kanttekening 21: 21 vanwege het lijden van de dood: Dat is, omdat Hij de dood moest lijden, of door het lijden van de dood. Zie Luk. 24:26. Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?
[^hebreeen-2-9-22]: Kanttekening 22: 22 voor allen de dood: Namelijk zijn leden, of broeders, die hij Zijn heerlijkheid zou deelachtig maken; gelijk Joh. 10:11; Rom. 8:33, 8:34, enz. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Romeinen 8:33: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Romeinen 8:34: Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt.
[^hebreeen-2-9-23]: Kanttekening 23: 23 smaken zou: Dat is, lijden, gelijk Christus zelf Zijn lijden bij een drinkbeker vergelijkt, Matt. 20:22, en Matt. 26:39. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 16:28; Mark. 9:1; Luk. 9:27; Joh. 8:52. Mattheüs 20:22: Maar Jezus antwoordde en zei: Gijlieden weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Mattheüs 26:39: En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, gelijk Ik wil, maar gelijk U wilt. Mattheüs 16:28: Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke de dood niet smaken zullen, totdat zij de Zoon van de mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. Marcus 9:1: En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is. Lukas 9:27: En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk van God zullen gezien hebben. Johannes 8:52: De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat U de duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt U: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal de dood niet smaken in eeuwigheid?
[^hebreeen-2-10-24]: Kanttekening 24: Namelijk God de Vader; gelijk Rom. 11:36. Romeinen 11:36: Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
[^hebreeen-2-10-25]: Kanttekening 25: Grieks zonen; waarvan Christus de eerstgeborene wordt genoemd, wiens beeld de anderen moesten gelijkvormig worden; Rom. 8:29. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders.
[^hebreeen-2-10-26]: Kanttekening 26: 26 tot de heerlijkheid: Dat is, tot de gemeenschap van de heerlijkheid van Zijn Zoon, waar hij in vers 9 van gesproken had. Hebreeën 2:9: Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou.
[^hebreeen-2-10-27]: Kanttekening 27: 27 de oversten Leidsman: Dat is, auteur of oorzaak en voorganger, gelijk hij hierna, Hebr. 5:9, en Hand. 3:15, hem noemt. Hebreeën 5:9: En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden; Handelingen 3:15: En de Vorst van het leven hebt u gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
[^hebreeen-2-10-28]: Kanttekening 28: Grieks teleiosai; dat eigenlijk betekent volmaken, somwijlen heiligen, of, inwijden, welke betekenissen op Christus hier kunnen gepast worden. Hoewel het woord heiligen hier gehouden is, omdat Christus dit woord zo van zichzelf verklaart, Joh. 17:19, en vers 11 zulks ook medebrengt. En door dit woord heiligen wordt alhier verstaan, dat de Vader bestemd heeft dat Christus door Zijn gehoorzaamheid tot de dood van het kruis in Zijn heerlijkheid zou ingaan, en ons met Hem daartoe ook bekwaam maken. Johannes 17:19: En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. Hebreeën 2:11: Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.
[^hebreeen-2-11-29]: Kanttekening 29: 29 en Hij, Die heiligt: Deze regel is genomen uit de wijze van heiligen in het Oude Testament, waar de hogepriester, en de anderen die hij heiligde, van eenzelfde natuur en oorsprong waren. Waar ook de eerstelingen waren van ééne natuur en oorsprong met de gehele massa, die daardoor geheiligd werden. Zie Rom. 11:16; Hebr. 5:1. Romeinen 11:16: En als de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en als de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. Hebreeën 5:1: Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;
[^hebreeen-2-11-k]: Verwijzing k: Hand. 17:26. Handelingen 17:26: En heeft uit een bloede het gehele geslacht van de mensen gemaakt, om op de heel aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning;
[^hebreeen-2-11-30]: Kanttekening 30: 30 uit één: Het Griekse woord Henos, dat is, een massa, kan òf een Vader, òf, een natuur, betekenen. Maar daar de engelen ook een algemenen Vader, namelijk God, hebben, met de gelovigen, en de apostel hier wil bewijzen, dat Christus met Zijn gelovigen ééne gemeenschap heeft, die Hij met de engelen niet heeft, zo moet het woord een hier noodwendig van de enigheid van de natuur worden genomen, gelijk de eerstelingen en de gehele massa van ééne natuur waren.
[^hebreeen-2-11-31]: Kanttekening 31: 31 Hij Zich: Namelijk de Zoon van God, of de leidsman van hun zaligheid.
[^hebreeen-2-11-32]: Kanttekening 32: 32 niet schaamt: Dat is, niet verontwaardigt, namelijk, hoewel hij zeer veel waardiger is dan zij zijn.
[^hebreeen-2-12-33]: Kanttekening 33: Namelijk in Ps. 22, welke psalm een gedurig verhaal is van de geschiedenis van het lijden van Christus, gelijk die daarom altijd voor het vroegoffer, volgens het opschrift van de psalm, tot een verklaring van de betekenende zaak van deze offerande, werd gezongen. En daarom worden bij de evangelisten, wanneer zij handelen van het lijden van Christus, meer plaatsen uit deze psalm aangehaald, dan uit enig ander hoofdstuk van het Oude Testament.
[^hebreeen-2-12-l]: Verwijzing l: Ps. 22:23. Psalmen 22:23: Zo zal ik Uw Naam mijn broeders vertellen; in het midden van de gemeente zal ik U prijzen.
[^hebreeen-2-13-34]: Kanttekening 34: 34 Ik zal Mijn betrouwen: Met deze plaats, genomen uit Ps. 18:3, bewijst de apostel, dat Christus enerlei bewegingen van het gemoed, en die enerlei natuur met de gelovigen deelachtig is. Psalmen 18:3: YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting.
[^hebreeen-2-13-m]: Verwijzing m: Ps. 18:3. Psalmen 18:3: De YHWH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welke ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Vesting.
[^hebreeen-2-13-35]: Kanttekening 35: 35 En opnieuw: Zie daar: Deze plaats is genomen uit Jes. 8:18, waar Christus, de ware Emmanuel, de profeet aanspreekt, en in zijn lijden vertroost met zijn en aller kinderen van God voorbeeld, die dergelijke zwarigheden altijd onderworpen zijn geweest, gelijk dat gehele hoofdstuk van het achtste vers af een profetie van Christus is. Jesaja 8:18: Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de heirscharen, Die op de berg Sion woont.
[^hebreeen-2-13-n]: Verwijzing n: Jes. 8:18. Jesaja 8:18: Ziet, ik en de kinderen, die mij YHWH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van YHWH van de heirscharen, Die op de berg Sion woont.
[^hebreeen-2-13-36]: Kanttekening 36: 36 die Mij God gegeven heeft: Namelijk uit de wereld, om mijzelf voor hen te heiligen. Zie Joh. 17:6. Johannes 17:6: Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en U hebt Mij die gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.
[^hebreeen-2-14-37]: Kanttekening 37: 37 de kinderen: Namelijk waarvan Jesaja spreekt; dat is, de ware gelovigen, die uit God geboren en leden van Christus zijn.
[^hebreeen-2-14-38]: Kanttekening 38: 38 van het vlees en bloed: Dat is, bestaan uit vlees en bloed; of, de zwakke menselijke natuur deelachtig zijn; gelijk 1 Kor. 15:50. 1 Korinthiërs 15:50: Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
[^hebreeen-2-14-o]: Verwijzing o: Joh. 1:14; Filip. 2:7. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^hebreeen-2-14-39]: Kanttekening 39: 39 derzelve deelachtig geworden: Dat is, heeft deze in enigheid van Zijn persoon aangenomen, gelijk hij hierna spreekt vers 16 en Fil. 2:7. Hebreeën 2:16: Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^hebreeen-2-14-p]: Verwijzing p: Jes. 25:8; Hosea 13:14; 1 Kor. 15:54; 2 Tim. 1:10. Jesaja 25:8: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Hosea 13:14: Maar Ik zal hen van het geweld van de hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, 1 Korinthiërs 15:54: En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 2 Timotheüs 1:10: Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;
[^hebreeen-2-14-40]: Kanttekening 40: 40 te niet doen zou dengene: Dat is, zijne macht of tirannie over de kinderen van God verbreken en wegnemen.
[^hebreeen-2-14-41]: Kanttekening 41: 41 het geweld van de dood had: Namelijk door de zonde, waar hij de mensen toe gebracht had, en waaronder hij die nog hield; om welke zonde de mens de vervloekte dood was onderworpen. Zie Rom. 5:12, en 1 Kor. 15:56. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben. 1 Korinthiërs 15:56: De prikkel nu van de dood is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet.
[^hebreeen-2-14-42]: Kanttekening 42: 42 de duivel: Namelijk met al zijn engelen, gelijk Christus spreekt Matt. 25:41. Want onder deze overste worden allen, die onder hem staan, begrepen. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.
[^hebreeen-2-15-43]: Kanttekening 43: 43 die met vrees voor de dood: Dat is, van de eeuwige en vervloekte dood, welke vrees alle zondige mensen noodwendig bevangt, totdat zij van hun verlossing verzekerd zijn. Zie Luk. 1:74. Lukas 1:74: Dat wij, verlost zijnde uit de hand onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.
[^hebreeen-2-15-44]: Kanttekening 44: 44 van de dienstbaarheid: Dat is van de knechtelijke vrees, of de geest van de dienstbaarheid; gelijk hij spreekt Rom. 8:15. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^hebreeen-2-15-q]: Verwijzing q: Rom. 8:15. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^hebreeen-2-16-45]: Kanttekening 45: 45 Hij neemt de engelen niet aan: Dat is, de Schrift zegt nergens, dat Hij de engelen zou aannemen, maar wel het zaad van Abraham, Gen. 12:3, en Gen. 22:18; gelijk ook zulks inderdaad in Zijne menswording is gebleken. Genesis 12:3: En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 22:18: En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^hebreeen-2-16-46]: Kanttekening 46: 46 Hij neemt het zaad van Abraham aan: Dat is, de menselijke natuur uit het zaad van Abraham. Want dat enige het woord aannemen door helpen verklaren is ongerijmd, omdat de goede engelen geen hulp nodig hebben tot hun verlossing, daar zij niet hebben gezondigd.
[^hebreeen-2-17-r]: Verwijzing r: Filip. 2:7; Hebr. 4:15. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde.
[^hebreeen-2-17-47]: Kanttekening 47: 47 in alles de broeders: Namelijk uitgenomen de zonde, gelijk de apostel daarbij voegt; Hebr. 4:15. Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde.
[^hebreeen-2-17-48]: Kanttekening 48: 48 die bij God: Namelijk om de mens met God te verzoenen.
[^hebreeen-2-18-s]: Verwijzing s: Hebr. 4:15; idem v. 16. Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
[^hebreeen-2-18-49]: Kanttekening 49: 49 verzocht zijnde: Namelijk in de staat van Zijn vernedering, met allerlei lijden en verdriet.
[^hebreeen-2-18-50]: Kanttekening 50: 50 kan Hij degenen: Namelijk te beter, zo Hij deze ook ervaren heeft, en daarom met meer medelijden tegen hen ontstoken is.

### Hebreeën 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/3.json)

*1 De apostel gaat voort tot de ambten van Christus, in het bijzonder zijn profetisch en priesterlijk ambt, en spreekt daartussen ook over zijn koninklijk ambt; en hij begint met zijn profetisch ambt, en leert dat zij zijn woord gehoorzaam moeten zijn. 2 Vergelijkt Christus met Mozes, en verklaart dat Hij zoveel groter dan Mozes is als de bouwer van het huis meer is dan het huis. 5 En als de zoon van het huis meer is dan de dienaar. 7 Versterkt zijn vermaning met een soortgelijke vermaning van David tot de Israëlieten uit Psalm 95. 12 En waarschuwt de Hebreeën dat ook zij hun hart niet moeten verharden. 14 Maar in het geloof standvastig moeten blijven. 15 Legt de aangehaalde plaats van de Psalm uit, en past die toe op de Hebreeën. 17 En waarschuwt hen dat zij het voorbeeld van hun ongehoorzaamheid niet moeten volgen, als zij niet aan dezelfde straf deelachtig willen worden.*

**1** [^hebreeen-3-1-1] Hierom, heilige broeders, die[^hebreeen-3-1-2] van de hemelse roeping deelachtig bent,[^hebreeen-3-1-3] beschouw de[^hebreeen-3-1-4] Apostel en[^hebreeen-3-1-5][^hebreeen-3-1-a] Hogepriester[^hebreeen-3-1-6] van onze belijdenis, Christus Jezus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v1)

**2** Die getrouw is Degene,[^hebreeen-3-2-7] Die Hem gesteld heeft,[^hebreeen-3-2-b] zoals ook Mozes in geheel[^hebreeen-3-2-8] zijn huis was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v2)

**3** Want[^hebreeen-3-3-9] Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis[^hebreeen-3-3-10] gebouwd heeft, meerder eer heeft,[^hebreeen-3-3-11] dan het huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v3)

**4** Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd;[^hebreeen-3-4-c] maar[^hebreeen-3-4-12] Die dit alles gebouwd heeft,[^hebreeen-3-4-13] is God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v4)

**5** En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar,[^hebreeen-3-5-14][^hebreeen-3-5-d] tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v5)

**6** Maar Christus,[^hebreeen-3-6-15] als de Zoon over Zijn eigen huis;[^hebreeen-3-6-e] Wiens[^hebreeen-3-6-16] huis wij zijn,[^hebreeen-3-6-f] als wij maar[^hebreeen-3-6-17] de vrijmoedigheid en[^hebreeen-3-6-18] de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v6)

**7** Daarom, zoals de Heilige Geest zegt:[^hebreeen-3-7-g] Vandaag, als u[^hebreeen-3-7-20] Zijn stem[^hebreeen-3-7-21] hoort,[^hebreeen-3-7-19] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v7)

**8** Zo[^hebreeen-3-8-22] verhardt uw harten niet,[^hebreeen-3-8-h] zoals[^hebreeen-3-8-23] het gebeurd is in de verbittering,[^hebreeen-3-8-24] op de dag van de verzoeking, in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v8)

**9** Alwaar Mij uw vaders[^hebreeen-3-9-25] verzocht hebben; zij hebben[^hebreeen-3-9-26] Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v9)

**10** Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd[^hebreeen-3-10-27] dwalen zij met het hart, en zij hebben[^hebreeen-3-10-28] Mijn wegen[^hebreeen-3-10-29] niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v10)

**11** [^hebreeen-3-11-i] Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn;[^hebreeen-3-11-30] Als zij[^hebreeen-3-11-31] in Mijn rust zullen ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v11)

**12** Zie toe,[^hebreeen-3-12-32] broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij[^hebreeen-3-12-33] een boos, ongelovig hart, om af te wijken van de levende God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v12)

**13** Maar vermaant[^hebreeen-3-13-34] elkaar elke dag,[^hebreeen-3-13-35] zolang als het vandaag genoemd wordt, opdat niet iemand uit u verhard wordt door de verleiding van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v13)

**14** Want wij zijn[^hebreeen-3-14-36] Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin[^hebreeen-3-14-37] van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v14)

**15** [^hebreeen-3-15-38] Terwijl er gezegd wordt:[^hebreeen-3-15-k] Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, zoals in de verbittering gebeurd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v15)

**16** Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem[^hebreeen-3-16-39] verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v16)

**17** Over wie nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen,[^hebreeen-3-17-40] die gezondigd hadden,[^hebreeen-3-17-l] van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn[^hebreeen-3-17-41]? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v17)

**18** [^hebreeen-3-18-m] En welke heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan van hen, die ongehoorzaam geweest waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v18)

**19** En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan[^hebreeen-3-19-42] vanwege hun ongeloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/3.html#v19)

[^hebreeen-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 heilige broeders: Namelijk omdat wij verstaan hebben, dat Christus waarachtig God is, en ééne natuur met ons deelachtig is geworden, gelijk in Hebr. 1,2 is bewezen.
[^hebreeen-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 van de hemelse roeping: Dat is, die uit de hemel is, Fil. 3:14, en ons tot hemelse dingen vermaant, 2 Thess. 2:14. En zo onderscheidt hij de gelovige Joden van de ongelovigen en hardnekkigen. Filippensen 3:14: Maar een ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus. 2 Thessalonicensen 2:14: Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging van de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus.
[^hebreeen-3-1-3]: Kanttekening 3: 3 aanmerkt de: Namelijk zo, dat u Hem gehoorzaam blijft. Het Griekse woord betekent ene aanmerking met grote aandacht.
[^hebreeen-3-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, gezant van de Vader, om ons de raad van God van onze zaligheid te openbaren. Zie Joh. 20:21. Johannes 20:21: Jezus dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij ulieden, zoals Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden.
[^hebreeen-3-1-5]: Kanttekening 5: Namelijk om ons met God te verzoenen; van welk ambt hij breder zal handelen in Hebr. 5,6.
[^hebreeen-3-1-a]: Verwijzing a: Hebr. 4:14; Hebr. 6:20; Hebr. 8:1; Hebr. 9:11. Hebreeën 4:14: Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-3-1-6]: Kanttekening 6: 6 onze belijdenis, Christus Jezus: Dat is, van de evangelische leer, waarvan wij belijdenis doen.
[^hebreeen-3-2-7]: Kanttekening 7: 7 Die Hem gesteld heeft: Grieks die hem gemaakt heeft; namelijk tot een apostel, profeet en hogepriester. Zie 1 Sam. 12:6; Hand. 2:36. 1 Samuël 12:6: Verder zei Samuël tot het volk: Het is YHWH, Die Mozes en Aäron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft. Handelingen 2:36: Zo wete dan zekerlijk het gehele huis van Israël, dat God Hem tot een Heer en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt.
[^hebreeen-3-2-b]: Verwijzing b: Num. 12:7. Numeri 12:7: Zo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn gehele huis getrouw is.
[^hebreeen-3-2-8]: Kanttekening 8: 8 zijn huis was: Dat is, Zijne gemeente, die het huis van God genoemd wordt, omdat Hij daarin door Zijn woord, genade en Geest woont. Zie Matt. 18:20; 1 Tim. 3:15. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. 1 Timotheüs 3:15: Maar zo ik vertoef, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid.
[^hebreeen-3-3-9]: Kanttekening 9: 9 Deze is zoveel meerder: Namelijk Christus, de apostel en hogepriester van onze belijdenis.
[^hebreeen-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 gebouwd heeft: Of toegerust, toebereid.
[^hebreeen-3-3-11]: Kanttekening 11: 11 dan het huis: Namelijk dat door Hem gebouwd is, namelijk Zijn gemeente, waarvan Mozes een lidmaat is.
[^hebreeen-3-4-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 5:17; idem v. 18; Ef. 2:10. 2 Korinthiërs 5:17: Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 2 Korinthiërs 5:18: En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. Efeziërs 2:10: Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in die zouden wandelen.
[^hebreeen-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 Die dit alles gebouwd heeft: Dat is, teweeggebracht heeft, wat tot de welstand van Zijn gemeente behoort.
[^hebreeen-3-4-13]: Kanttekening 13: 13 is God: Waaruit dan noodwendig volgt dat Christus ook deze ware God is, die dit alles heeft gebouwd, zoals hij in vers 3 getuigd had. Hebreeën 3:3: Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis.
[^hebreeen-3-5-14]: Kanttekening 14: 14 tot getuiging van de dingen: Of tot getuigenis. Dit zegt de apostel van de voorzeggingen en ceremoniën van het Oude Testament, die door Mozes en de profeten zijn voorgesteld, en daarna door Christus en de apostelen nader en breder zouden verklaard worden, gelijk Mozes zelf getuigt; Deut. 18:15. Deuteronomium 18:15: Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen;
[^hebreeen-3-5-d]: Verwijzing d: Deut. 18:15; idem v. 18. Deuteronomium 18:15: Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broeders, als mij, zal u YHWH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; Deuteronomium 18:18: Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hun broeders, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
[^hebreeen-3-6-15]: Kanttekening 15: 15 als de Zoon: Dat is, als de eigen Zoon en erfgenaam, want anders was ook Mozes een zoon van God door het geloof.
[^hebreeen-3-6-e]: Verwijzing e: 1 Kor. 3:16; 1 Kor. 6:19; 2 Kor. 6:16; 1 Petr. 2:5. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in ulieden woont? 1 Korinthiërs 6:19: Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? 2 Korinthiërs 6:16: Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levenden Gods; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^hebreeen-3-6-16]: Kanttekening 16: 16 huis wij zijn: Dat is, gemeente, of huisgenoten; gelijk vers 2. Hebreeën 3:2: Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.
[^hebreeen-3-6-f]: Verwijzing f: Rom. 5:2. Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God.
[^hebreeen-3-6-17]: Kanttekening 17: 17 de vrijmoedigheid: Dat is, het geloof of vertrouwen op Christus, waardoor wij een vrijmoedigen toegang hebben tot God, als tot onze Vader. Zie hierna Hebr. 10:22, en Rom. 8:15, enz. Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
[^hebreeen-3-6-18]: Kanttekening 18: 18 de roem van de hoop: Dat is, waardoor wij van Gods gunst en toekomende heerlijkheid durven roemen; Rom. 5:2, 5:3. Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt;
[^hebreeen-3-7-g]: Verwijzing g: Ps. 95:7; Hebr. 4:7. Psalmen 95:7: Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijn weide, en de schapen Zijn hand. Heden, zo u Zijn stem hoort, Hebreeën 4:7: Zo bepaalt Hij opnieuw een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo langen tijd daarna (zoals gezegd is): Heden, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.
[^hebreeen-3-7-20]: Kanttekening 20: 20 Zijn stem: Namelijk Gods of van de Messias' stem, waardoor God ook tot hen zou spreken; Hebr. 1:1. Hebreeën 1:1: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon;
[^hebreeen-3-7-21]: Kanttekening 21: Of zult horen. Waarmee de profeet aanwijst, dat hij dit niet alleen verstaat van zijn stem, die toen sprak, maar nog van een andere stem, namelijk van de Messias, die daarna nog tot hen zou spreken.
[^hebreeen-3-7-19]: Kanttekening 19: 19 de Heilige Geest zegt: Namelijk door de mond van de profeet David, gelijk daarbij gevoegd wordt, Hand. 1:16. Zie ook 2 Sam. 23:2, en 2 Petr. 1:21. Handelingen 1:16: Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door de mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is degenen, die Jezus vingen; 2 Samuël 23:2: De Geest van YHWH heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest. 2 Petrus 1:21: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
[^hebreeen-3-8-22]: Kanttekening 22: 22 verhardt uw harten niet: De mensen worden gezegd hun harten te verharden, wanneer zij de stem van de Heer niet ter harte nemen, of tot hun harten laten ingaan, om die te geloven en te gehoorzamen. Zie Zach. 7:11, enz. Zacharia 7:11: Maar zij weigerden op te merken, en togen hun schouder terug, en zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden.
[^hebreeen-3-8-h]: Verwijzing h: Ex. 17:2. Exodus 17:2: Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u YHWH?
[^hebreeen-3-8-23]: Kanttekening 23: 23 in de verbittering: Dat is, in de tijd van de verbittering, toen de Israëlieten God door hun opstandigheid vertoornden of verbitterden, dat meermalen in de woestijn is geschied in de tijd van veertig jaren, maar in het bijzonder Ex. 17:7; Num. 20:13. Exodus 17:7: En hij noemde de naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist van de kinderen van Israël, en omdat zij YHWH verzocht hadden, zeggende: Is YHWH in het midden van ons, of niet? Numeri 20:13: Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen van Israël met YHWH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
[^hebreeen-3-8-24]: Kanttekening 24: 24 op de dag van de verzoeking: Dat is, ten tijde van de verzoeking, toen zij mij in de woestijn verzochten. En de apostel stelt hun dit voorbeeld voor, omdat zij altijd op hun voorouders roemden.
[^hebreeen-3-9-25]: Kanttekening 25: 25 verzocht hebben: De mens wordt gezegd God te verzoeken, wanneer hij Gods beloften of macht moedwillig in twijfel trekt, of de gewone middelen van Gods regering veracht, en buitengewone verzoekt, gelijk de Israëlieten hier deden, en de Farizeën Christus verzoeken; Matt. 16:1. Mattheüs 16:1: En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
[^hebreeen-3-9-26]: Kanttekening 26: 26 Mij beproefd: Sommigen nemen dit voor een verklaring van het voorgaande woord verzoeken, maar wordt door anderen wel zo geschikt in het goede genomen voor: genoegzame proeve of ervarenheid hebben van Gods macht en goeden wil in het verlossen van hen, en spijzigen van hen, al die voorgaande tijd, gelijk de volgende woorden deze zin ook medebrengen.
[^hebreeen-3-10-27]: Kanttekening 27: 27 dwalen zij met het hart: Dat is, keren zich als dwalende mensen van mij af, en van de gehoorzaamheid, die zij mij schuldig zijn.
[^hebreeen-3-10-28]: Kanttekening 28: 28 Mijn wegen: Dat is mijn geboden, die Ik hun gegeven heb, en mijn weldaden, die Ik hun gedaan heb.
[^hebreeen-3-10-29]: Kanttekening 29: 29 niet gekend: Dat is, niet ter harte genomen; of, in hun kennis die niet gezocht te houden, om die behoorlijk te erkennen en waar te nemen.
[^hebreeen-3-11-i]: Verwijzing i: Num. 14:21; Deut. 1:34. Numeri 14:21: Maar zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de gehele aarde met de heerlijkheid van YHWH vervuld worden! Deuteronomium 1:34: Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:
[^hebreeen-3-11-30]: Kanttekening 30: 30 Als zij: Ene wijze van eedzweren bij de Hebreën gebruikelijk. Zie Mark. 8:12. Dat is, dat zij niet zullen ingaan. Marcus 8:12: En Hij, moeizaam zuchtende in Zijn geest, zei: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!
[^hebreeen-3-11-31]: Kanttekening 31: 31 in Mijn rust zullen ingaan: Zo wordt hier genoemd het land Kanaän, omdat het geweest is een einde van de dwalingen van de Israëlieten in de woestijn, en wordt alhier meteen voorgesteld als een voorbeeld van de toekomende rust na dit leven, in het eeuwige leven, gelijk Paulus in Hebr. 4 nader zal verklaren.
[^hebreeen-3-12-32]: Kanttekening 32: Zo noemt hij hier de Hebreën, die belijdenis van Christus deden, en vermaant hen nu elk in het bijzonder toe te zien, dat zij de meerdere hoop van de hardnekkige Joden niet zouden volgen, gelijk vele van hun vaders in de woestijn gedaan hadden, en daarom uit de rust van het land Kanaän waren uitgesloten.
[^hebreeen-3-12-33]: Kanttekening 33: 33 een boos: Grieks een boos hart van het ongeloof; dat is, dat onder de schijn van een Christen te zijn, evenwel ongelovig is, en daarom lichtelijk tot afwijking van zijn belijdenis te brengen. Zie Matt. 13:20, 13:21. Mattheüs 13:20: Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt; Mattheüs 13:21: Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd.
[^hebreeen-3-13-34]: Kanttekening 34: 34 elkaar te alle dage: Namelijk tot standvastigheid en toenemen in het geloof. Het kan ook overgezet worden: vermaant uzelf; maar de volgende woorden, opdat niet iemand van u, schijnen de eerste overzetting te vereisen, gelijk dit Griekse woord heautous ook gebruikt wordt, Ef. 4:32; Kol. 3:16; 1 Thess. 5:13. Efeziërs 4:32: Maar zijt tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus ulieden vergeven heeft. Kolossensen 3:16: Het woord van Christus wone rijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heer met aangenaamheid in uw hart. 1 Thessalonicensen 5:13: En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkaar.
[^hebreeen-3-13-35]: Kanttekening 35: 35 zolang als het heden: Dat is, zolang als de Heer u tijd en gelegenheid daartoe geeft, en u daartoe roept, welke roeping wij moeten waarnemen. Want anders zendt de Heer dikwijls door Zijn rechtvaardigheid een kracht van de dwaling over de mensen, die het Evangelie niet gehoorzaam zijn, tot een straf voor hun ondankbaarheid. Zie 2 Thess. 2:11, 2:12. 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thessalonicensen 2:12: Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
[^hebreeen-3-14-36]: Kanttekening 36: 36 Christus deelachtig geworden: Of Christus' medegenoten; namelijk in Zijne hemelse erve, Rom. 8:17; 1 Petr. 1:3, 1:4. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 1 Petrus 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^hebreeen-3-14-37]: Kanttekening 37: 37 deze vaste grond: Grieks hypostaseos; dat is, van de zelfstandigheid; zo noemt hij het geloof en vast vertrouwen op Christus, omdat het ons Gods beloften bevestigd en in ons doet bestaan. Dergelijke betekenis van dit woord, zie 2 Kor. 9:4, en 2 Kor. 11:17, en hierna Hebr. 11:1; hoewel hetzelfde woord hier voor, Hebr. 1:3, in ene andere betekenis wordt genomen. 2 Korinthiërs 9:4: En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden in deze vaste grond van de roeming. 2 Korinthiërs 11:17: Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heer, maar als in onwijsheid, in deze vaste grond van de roeming. Hebreeën 11:1: Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^hebreeen-3-15-38]: Kanttekening 38: 38 Terwijl er gezegd wordt: Of zo lang; namelijk ook tot u door de geest van Christus en Zijn gezanten gezegd wordt, gelijk het eertijds gezegd is door Mozes tot uwe vaders.
[^hebreeen-3-15-k]: Verwijzing k: Hebr. 3:7. Hebreeën 3:7: Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
[^hebreeen-3-16-39]: Kanttekening 39: 39 maar niet allen: Namelijk gelijk Jozua, Kaleb, vele Levieten en anderen; dat de apostel daarbij voegt, om te tonen dat God altijd ook Zijn overblijfsel onder het volk heeft behouden, en daarom onder hen ook behouden zal, niettegenstaande de verharding van velen.
[^hebreeen-3-17-40]: Kanttekening 40: 40 die gezondigd hadden: Dat is, tegen God gemurmureerd hadden, en van Hem afvallig geworden waren.
[^hebreeen-3-17-l]: Verwijzing l: Num. 14:36; Ps. 106:26; 1 Kor. 10:10; Judas v. 5. Numeri 14:36: En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de gehele vergadering tegen hem hadden doen morren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; Psalmen 106:26: Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn; 1 Korinthiërs 10:10: En mort niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver. Judas 1:5: Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heer, het volk uit Egypteland verlost hebbende, opnieuw degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.
[^hebreeen-3-17-41]: Kanttekening 41: 41 lichamen gevallen zijn: Grieks leden. Niet dat allen die in de woestijn gestorven zijn noodzakelijk ook uit de hemel zijn gesloten; want ook Aäron en Mozes zijn daar gestorven; maar die zonder berouw en betering, nadat zij God verzocht hadden, daarin zijn gestorven, waarvan het uitsluiten uit het beloofde land maar een voorbeeld was.
[^hebreeen-3-18-m]: Verwijzing m: Deut. 1:34. Deuteronomium 1:34: Als nu YHWH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:
[^hebreeen-3-19-42]: Kanttekening 42: 42 vanwege hun ongeloof: Dat is, omdat zij niet betrouwden op Gods beloften, maar tegen Hem morden zonder berouw.

### Hebreeën 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/4.json)

*1 De apostel gaat voort in de vermaning tot gehoorzaamheid aan het Evangelie, en waarschuwt hen met het voorgaande voorbeeld van de Israëlieten, die wegens hun ongelovigheid niet ingegaan zijn tot de rust van God. 4 Bewijst dat de plaats in Psalm 95 niet verstaan kan worden van de rust van de zevende dag. 6 Noch van de rust in het land Kanaän. 9 Maar van een andere rust, die door de voorgaande werd afgebeeld. 12 Versterkt zijn vermaning met de beschrijving van de doordringende kracht van Gods woord. 13 En van de alwetendheid van Christus. 14 En omdat Christus de Zoon van God is, en een groot en getrouw Hogepriester. 16 Zo vermaant hij hen dat zij met een vast vertrouwen hun toevlucht tot Hem zouden nemen.*

**1** Laat ons dan[^hebreeen-4-1-1] vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan[^hebreeen-4-1-2] nagelaten zijnde, iemand van u schijne[^hebreeen-4-1-3] achtergebleven te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v1)

**2** Want ook ons is het Evangelie verkondigd,[^hebreeen-4-2-4] zoals aan hen; maar het woord[^hebreeen-4-2-5] van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet[^hebreeen-4-2-6] gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v2)

**3** Want wij, die geloofd hebben,[^hebreeen-4-3-7] gaan in de rust,[^hebreeen-4-3-8] zoals Hij gezegd heeft:[^hebreeen-4-3-a] Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn:[^hebreeen-4-3-9] Als zij zullen ingaan in Mijn rust![^hebreeen-4-3-10] hoewel Zijn werken van de grondlegging van de wereld af[^hebreeen-4-3-11] al volbracht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v3)

**4** Want Hij heeft[^hebreeen-4-4-12] ergens van de zevende dag zo gesproken:[^hebreeen-4-4-b] En God heeft op de zevende dag[^hebreeen-4-4-13] van al Zijn werken[^hebreeen-4-4-14] gerust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v4)

**5** En[^hebreeen-4-5-15] in deze plaats opnieuw: Als zij in Mijn rust zullen ingaan! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v5)

**6** Omdat dan[^hebreeen-4-6-16] blijft, dat sommigen daarin rust ingaan, en degenen, die het Evangelie[^hebreeen-4-6-17] eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v6)

**7** Zo bepaalt[^hebreeen-4-7-18] Hij opnieuw een zekere dag, namelijk vandaag,[^hebreeen-4-7-19] door David zeggende, zo lange[^hebreeen-4-7-20] tijd daarna (zoals gezegd is):[^hebreeen-4-7-c] Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v7)

**8** Want als[^hebreeen-4-8-21] Jozua hen[^hebreeen-4-8-22] in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een andere dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v8)

**9** Er blijft dan[^hebreeen-4-9-23] een rust over[^hebreeen-4-9-24] voor het volk van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v9)

**10** [^hebreeen-4-10-25] Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v10)

**11** Laat ons dan ons beijveren, om[^hebreeen-4-11-26] in die rust in te gaan; opdat niet iemand[^hebreeen-4-11-27] in hetzelfde voorbeeld van[^hebreeen-4-11-28] de ongelovigheid valle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v11)

**12** [^hebreeen-4-12-29] Want het Woord van God is[^hebreeen-4-12-30] levend en krachtig, en scherpsnijdender[^hebreeen-4-12-31][^hebreeen-4-12-d] dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot[^hebreeen-4-12-32] de verdeling van de ziel, en van de geest, en[^hebreeen-4-12-33] van de samenvoegselen, en van het merg, en is[^hebreeen-4-12-34] een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v12)

**13** [^hebreeen-4-13-e] En er is geen schepsel onzichtbaar[^hebreeen-4-13-35] voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en[^hebreeen-4-13-36] geopend voor de ogen Van Degene,[^hebreeen-4-13-37] met Welke wij te doen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v13)

**14** [^hebreeen-4-14-38][^hebreeen-4-14-f] Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die[^hebreeen-4-14-39] door de hemelen[^hebreeen-4-14-40] doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons[^hebreeen-4-14-41] deze belijdenis vasthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v14)

**15** [^hebreeen-4-15-g] Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden,[^hebreeen-4-15-h] maar Die[^hebreeen-4-15-42] in alle dingen,[^hebreeen-4-15-43] zoals wij, is verzocht geweest,[^hebreeen-4-15-i] maar zonder zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v15)

**16** Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan[^hebreeen-4-16-k] tot[^hebreeen-4-16-44] de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden,[^hebreeen-4-16-45] om geholpen te worden[^hebreeen-4-16-46] op het juiste tijdstip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/4.html#v16)

[^hebreeen-4-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, met zorgvuldigheid daarop letten. Zie Fil. 2:12; dat met het vast vertrouwen op Christus niet strijdt, gelijk blijkt vers 16. Filippensen 2:12: Zo dan, mijn geliefden, gelijk u altijd gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn aanwezigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
[^hebreeen-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 nagelaten zijnde: Dat is, ons nog overgelaten zijnde. Anderen nemen het woord nalaten voor verlaten of niet waarnemen; maar de overzetting komt met vers 2 wel zo goed overeen. Hebreeën 4:2: Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.
[^hebreeen-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 achtergebleven te zijn: Dat is, tot het einddoel, dat hem voorgesteld is, niet gekomen; een gelijkenis, genomen van de Israëlieten in de woestijn, die wel Egypte hadden verlaten, om naar het land Kanaän te reizen, maar waren door hun ongelovigheid verhinderd, dat zij tot daartoe niet zijn gekomen. Of daarvan verstoken te zijn, dat men ze moet derven.
[^hebreeen-4-2-4]: Kanttekening 4: 4 gelijk als hun: Namelijk ten tijde van Mozes en van David, waarvan hij tevoren had gesproken. Waaruit blijkt dat de zaligheid in het Oude Testament niemand is medegedeeld dan door de leer van het Evangelie. Zie ook Joh. 8:56; Hand. 15:10, 15:11; Hebr. 11. Johannes 8:56: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Handelingen 15:10: Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij.
[^hebreeen-4-2-5]: Kanttekening 5: 5 van de prediking: Grieks van het gehoor; dat is, van de prediking, waardoor het gehoor van het woord komt, gelijk Jes. 53:1; Rom. 10:16. Jesaja 53:1: Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van YHWH geopenbaard? Romeinen 10:16: Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heer, wie heeft onze prediking geloofd?
[^hebreeen-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 gemengd was: Dat is, gevoegd, vergezeld, gelijk dingen, die men mengt, bij elkaar worden gevoegd.
[^hebreeen-4-3-7]: Kanttekening 7: 7 gaan in de rust: Namelijk waar David Ps. 95 van spreekt en de apostel hierna vers 9. Hebreeën 4:9: Er blijft dan een rust over voor het volk van God.
[^hebreeen-4-3-8]: Kanttekening 8: 8 gelijk Hij gezegd heeft: Namelijk niet met klare woorden, maar door een noodwendig gevolg. Want als God zweert, dat de ongelovigen in Gods rust niet zullen ingaan, zo belooft Hij daarentegen, dat de gelovigen daar zullen ingaan.
[^hebreeen-4-3-a]: Verwijzing a: Ps. 95:11. Psalmen 95:11: Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
[^hebreeen-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 Als zij zullen ingaan: Zie hiervoor Hebr. 3:11. Hebreeën 3:11: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Als zij in Mijn rust zullen ingaan!
[^hebreeen-4-3-10]: Kanttekening 10: 10 hoewel Zijn werken: Of daar nochtans; en de apostel wil daarmee bewijzen, dat elders in de Schrift wel wordt gesproken van tweeërlei rusten, namelijk van de Sabbatdag en van het land Kanaän, maar dat David in Ps. 95 van geen van deze twee eigenlijk spreekt, maar van een andere rust, die door deze twee was betekend, en de gelovigen nog open stond. De reden waarmee de apostel dat bewijst, is omdat de rust van God op de Sabbat na de schepping van alle dingen zo lang, namelijk omtrent drie duizend jaren voorbij was, en dat de Israëlieten al lang, namelijk over de vierhonderd jaren, tevoren door Jozua in de rust van het land Kanaän gebracht waren, daar David hier spreekt van ene rust, waar de gelovigen nog dagelijks toe worden uitgenodigd, gelijk hij uit het woord heden bewijst, en die daarom voor hen nog werd bewaard en opengehouden, gelijk hij in vers 9 besluit. Hebreeën 4:9: Er blijft dan een rust over voor het volk van God.
[^hebreeen-4-3-11]: Kanttekening 11: 11 al volbracht waren: Grieks geworden, of geschied waren. Want in zes dagen heeft God hemel en aarde geschapen en rustte daarvan op de zevende dag.
[^hebreeen-4-4-12]: Kanttekening 12: Namelijk Gen. 2:2; Ex. 20:11. Genesis 2:2: Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. Exodus 20:11: Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde die.
[^hebreeen-4-4-b]: Verwijzing b: Gen. 2:2; Ex. 20:11; Ex. 31:17. Genesis 2:2: Als nu God op de zevenden dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevenden dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. Exodus 20:11: Want in zes dagen heeft YHWH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende YHWH de sabbatdag, en heiligde die. Exodus 31:17: Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen van Israël een teken in eeuwigheid zijn; omdat YHWH, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.
[^hebreeen-4-4-13]: Kanttekening 13: 13 van al Zijn werken: Namelijk die Hij voorgenomen had te scheppen. Want van het onderhouden van alle dingen en weer oprichten van wat daarin vervalt, rust God nimmermeer; Ps. 104:13, enz.; Joh. 5:17; Hand. 17:25, enz. Psalmen 104:13: Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken. Johannes 5:17: En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Handelingen 17:25: En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft;
[^hebreeen-4-4-14]: Kanttekening 14: Dat is, opgehouden van nieuwe soorten van schepselen voort te brengen. Want God wordt niet vermoeid, noch afgearbeid, Jes. 40:28, daarom heeft Hij geen zulke rust daartegen nodig. Jesaja 40:28: Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, YHWH, de Schepper van de einden van de aarde, noch moe noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
[^hebreeen-4-5-15]: Kanttekening 15: 15 in deze plaats: Namelijk Ps. 95, waarvan in het voorgaande is gesproken.
[^hebreeen-4-6-16]: Kanttekening 16: Of overblijft; namelijk door een noodwendig gevolg, gelijk op Hebr. 5:3 is aangetekend. Hebreeën 5:3: En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, zo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.
[^hebreeen-4-6-17]: Kanttekening 17: 17 eerst verkondigd was: Namelijk door Mozes in de woestijn, gelijk op Hebr. 3:2 is aangetekend. Hebreeën 3:2: Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.
[^hebreeen-4-7-18]: Kanttekening 18: Namelijk God de Heilige Geest, gelijk uitgedrukt wordt Hebr. 3:7. Hebreeën 3:7: Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
[^hebreeen-4-7-19]: Kanttekening 19: 19 door David zeggende: Grieks in David; dat is, in de Psalmen Davids; of door David; gelijk dit woord in ook genomen wordt Rom. 9:25. Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
[^hebreeen-4-7-20]: Kanttekening 20: 20 tijd daarna: Namelijk dat de Israëlieten uit Egypte verlost en in het land Kanaän gekomen zijn.
[^hebreeen-4-7-c]: Verwijzing c: Ps. 95:7; Hebr. 3:7. Psalmen 95:7: Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijn weide, en de schapen Zijn hand. Heden, zo u Zijn stem hoort, Hebreeën 3:7: Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, als u Zijn stem hoort,
[^hebreeen-4-8-21]: Kanttekening 21: Dat is, Jozua, de zoon van Nun, die de kinderen van Israël in het land Kanaän gebracht heeft. Zie Hand. 7:45. Handelingen 7:45: Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onze vaderen, tot de dagen van David toe;
[^hebreeen-4-8-22]: Kanttekening 22: 22 in de rust gebracht heeft: Of, in de rust gesteld; namelijk waar het opperste geluk van de mensen in gelegen is, en die David aanwijst. Want hoewel het land Kanaän ook een rustplaats was voor de Israëlieten, zo was daarin hun opperste goed niet gelegen, maar was alleen een schaduw van deze uiterste en geestelijke rust, en moesten daarom ook naarstigheid doen, om door het geloof daartoe te komen.
[^hebreeen-4-9-23]: Kanttekening 23: 23 een rust: Grieks Sabbatismos; dat is, een rust, namelijk boven de rust van het land Kanaän en van de zevende dag, welke is de geestelijke en eeuwige rust, die hierdoor wordt betekend, en die hij in vers 10 beschrijft. Hebreeën 4:10: Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.
[^hebreeen-4-9-24]: Kanttekening 24: 24 voor het volk van God: Dat is, voor de ware gelovigen, die de ware Israëlieten en kinderen van de belofte zijn.
[^hebreeen-4-10-25]: Kanttekening 25: 25 Want die ingegaan: Door het woord die, wordt verstaan een ieder van de gelovigen, die gezegd worden in te gaan in de rust van God, wanneer zij hier rusten van de volbrenging van de werken van het vlees, en hiernamaals ten volle zullen rusten van al hun arbeid, Openb. 14:13, van welke rust de Sabbat hier ook als een sacramenteel teken en figuur wordt aangemerkt. Openbaring 14:13: En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.
[^hebreeen-4-11-26]: Kanttekening 26: 26 in die rust in te gaan: Namelijk door een standvastig geloof, gelijk de volgende woorden medebrengen.
[^hebreeen-4-11-27]: Kanttekening 27: 27 in hetzelfde voorbeeld: Dat is, een voorbeeld van ongehoorzaamheid worde, gelijk onze vaders in de woestijn zijn geweest. Anderen nemen het woord vallen, voor verloren gaan.
[^hebreeen-4-11-28]: Kanttekening 28: 28 ongelovigheid valle: Of, ongehoorzaamheid.
[^hebreeen-4-12-29]: Kanttekening 29: 29 Want het Woord van God: Sommigen verstaan dit van Christus, die het Woord van God, genoemd wordt, Joh. 1:1; Openb. 19:13, en de gehele beschrijving, die volgt, komt daarmede ook wel overeen. Maar omdat Paulus de persoon van Christus in zijn andere Schriften met deze naam niet noemt, zo kan het hiervoor het woord van het Evangelie geschikter genomen worden, welks kracht ook elders wordt beschreven. Zie Rom. 1:16; 2 Kor. 3:8, 3:9; 1 Petr. 1:23, 1:25. Johannes 1:1: In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Openbaring 19:13: En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 2 Korinthiërs 3:8: Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? 2 Korinthiërs 3:9: Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. 1 Petrus 1:25: Maar het Woord van de Heere blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.
[^hebreeen-4-12-30]: Kanttekening 30: 30 levend en krachtig: Namelijk door de werking van de Heilige Geest, die dit leven en kracht daardoor in onze harten openbaart.
[^hebreeen-4-12-31]: Kanttekening 31: 31 dan enig tweesnijdend zwaard: Grieks boven alle tweesnijdend zwaard. Het Griekse woord betekent eigenlijk een zwaard dat twee monden heeft, en van twee zijden bijt of snijdt, gelijk uit Christus' mond een scherp zwaard ook wordt gezegd te gaan, Openb. 19:15. Zie ook Jes. 11:4, en Ef. 6:17. Waardoor bij gelijkenis te kennen gegeven wordt, dat Gods Woord op de ene zijde de harten verslaat door de overtuiging van de zonden en straffen, die de mens heeft verdiend, en aan de andere zijde de harten zuivert, en de kwade begeerlijkheden doodt, om voor Christus voortaan te leven. Zie een voorbeeld Hand. 2:37, 2:38. Openbaring 19:15: En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God. Jesaja 11:4: Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. Efeziërs 6:17: En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. Handelingen 2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? Handelingen 2:38: En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
[^hebreeen-4-12-d]: Verwijzing d: Jes. 49:2; Pred. 12:11; Ef. 6:17. Jesaja 49:2: En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. Prediker 12:11: De woorden van de wijzen zijn gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters van de verzamelingen, die gegeven zijn van de enige Herder. Efeziërs 6:17: En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord.
[^hebreeen-4-12-32]: Kanttekening 32: 32 de verdeling van de ziel: Dat is, tot de binnenste bewegingen van de wil en het verstand van de mensen. Zie ook 1 Thess. 5:23. 1 Thessalonicensen 5:23: En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heer Jezus Christus.
[^hebreeen-4-12-33]: Kanttekening 33: 33 van de samenvoegselen: Dat is, van wat daar meest verborgen schijnt te zijn in de mens, gelijk het merg en de samenvoeging van de leden zijn.
[^hebreeen-4-12-34]: Kanttekening 34: 34 een oordeler van de gedachten: Gods Woord wordt gezegd de gedachten en overlegging van de harten te oordelen of te onderscheiden, omdat de mens door Gods Woord onderricht en vermaand zijnde, zichzelf onschuldigt, of beschuldigt voor Gods oordeel, en zich zelven daarover voor God vernedert, of ook moed geeft om tot de troon van Zijn genade vrijmoedig te gaan. Zie 1 Kor. 14:24, 14:25. 1 Korinthiërs 14:24: Maar als zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld. 1 Korinthiërs 14:25: En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar; en zo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is.
[^hebreeen-4-13-e]: Verwijzing e: Ps. 33:13. Psalmen 33:13: De YHWH schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen.
[^hebreeen-4-13-35]: Kanttekening 35: 35 voor Hem: Namelijk God, vers 12, met wie wij te doen hebben, gelijk in het volgende lid wordt uitgedrukt. Zo klimt hij dan hier van het Woord van God tot God zelf, die een kenner en richter is van allen. En het is een nieuwe reden, waarom wij op Zijn woord wel moeten acht geven, daar dit woord zulk een kracht over onze zielen heeft, van Degene die alles weet en richt. Hebreeën 4:12: Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart.
[^hebreeen-4-13-36]: Kanttekening 36: 36 geopend voor de ogen Van Degene: Het Griekse woord betekent de nek, of de hals, openen; om de delen of inwendige leden te mogen zien, die in de borst zijn; gelijk de priesters de dieren, die geofferd werden, van de hals af eerst de borst plachten te openen, om te zien of alle delen, daarin rein en gaaf waren.
[^hebreeen-4-13-37]: Kanttekening 37: 37 met Welke wij te doen hebben: Of, aan wie wij moeten rekening doen; of tot wie wij spreken; namelijk in onze gebeden. Of, van wie wij het woord hebben; of spreken, namelijk in deze onze handeling.
[^hebreeen-4-14-38]: Kanttekening 38: 38 Omdat wij dan: Hier besluit de apostel de handeling van het profetisch ambt van Christus, en gaat voort tot Zijn priesterlijk en koninklijk ambt, gelijk hij Hem meteen ook een troon toeschrijft en met Melchizedek vergelijkt; en noemt Hem een grote hogepriester, omdat Hij meerder is dan al de hogepriesters van het Oude Testament, die maar schaduwen van Christus' priesterambt zijn geweest, gelijk in de vijf volgende hoofdstukken breder zal verklaard worden.
[^hebreeen-4-14-f]: Verwijzing f: Hebr. 3:1; Hebr. 6:20; Hebr. 8:1; Hebr. 9:11. Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onze belijdenis, Christus Jezus; Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-4-14-39]: Kanttekening 39: 39 door de hemelen: Namelijk die zichtbaar zijn.
[^hebreeen-4-14-40]: Kanttekening 40: 40 doorgegaan is: Namelijk tot in de derde hemel, die de troon van God is, en de heerlijke woonstede van de heilige engelen en geesten, welke door het heilige van de heiligen werd betekend, gelijk Hebr. 9:24 verklaard wordt. Zie ook 2 Kor. 5:8, en 2 Kor. 12:2, 12:4. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 2 Korinthiërs 5:8: Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; 2 Korinthiërs 12:4: Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.
[^hebreeen-4-14-41]: Kanttekening 41: 41 deze belijdenis vasthouden: Dat is, de leer van deze zo grote hogepriester door het ware geloof standvastig belijden, niettegenstaande alle zwarigheden en vervolgingen, die ons daardoor zouden mogen overkomen.
[^hebreeen-4-15-g]: Verwijzing g: Hebr. 2:18. Hebreeën 2:18: Want in wat Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulp komen.
[^hebreeen-4-15-h]: Verwijzing h: Filip. 2:7. Filippensen 2:7: Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
[^hebreeen-4-15-42]: Kanttekening 42: 42 in alle dingen: Namelijk die de mens niet alleen in dit leven van nature onderworpen is, maar ook zelfs de zwarigheden en straffen, die door de zonde daarbij gekomen zijn; alleen de zonde zelf uitgenomen, die door gehoorzaamheid, heiligheid en rechtvaardigheid moest teniet gedaan worden.
[^hebreeen-4-15-43]: Kanttekening 43: 43 gelijk als wij: Grieks naar gelijkheid.
[^hebreeen-4-15-i]: Verwijzing i: Jes. 53:9; 2 Kor. 5:21; 1 Petr. 2:22; 1 Joh. 3:5. Jesaja 53:9: En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. 2 Korinthiërs 5:21: Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. 1 Petrus 2:22: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; 1 Johannes 3:5: En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
[^hebreeen-4-16-k]: Verwijzing k: Rom. 3:25. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;
[^hebreeen-4-16-44]: Kanttekening 44: 44 de troon van de genade: Namelijk die God in Christus heeft opgericht. En de apostel schijnt hier te zien op de genadestoel, die op de ark van het verbond was, waardoor de tafelen van de wet, die de uiterste gehoorzaamheid of straf in het eerste verbond vereiste, werden bedekt; gelijk Christus zo ook genoemd wordt, Rom. 3:25. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;
[^hebreeen-4-16-45]: Kanttekening 45: 45 om geholpen te worden: Grieks tot tijdige hulp, of tot hulp ter bekwamer tijd.
[^hebreeen-4-16-46]: Kanttekening 46: 46 ter bekwamer tijd: Namelijk wanneer ons zulks tot onze zaligheid bevorderlijk of nodig is.

### Hebreeën 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/5.json)

*1 Nadat de apostel het profetisch ambt van Jezus Christus verklaard heeft, gaat hij voort met het verklaren van zijn priesterambt, en verhaalt de eigenschappen die in een hogepriester nodig zijn, 4 zoals die ook daartoe wettig geroepen moet zijn. 5 Betuigt dat Christus door zijn Vader, naar de ordening van Melchizedek, daartoe geroepen is. 7 En dat Hij in de dagen van zijn vlees gebeden en smekingen heeft geofferd. 9 En zo een oorzaak van onze zaligheid en een hogepriester is geworden. 11 Over deze verborgenheid van Melchizedek, waarover hij uitvoeriger zou willen handelen, wekt hij hun harten daartoe op. 12 Omdat velen van hen nog onervaren waren, en meer, zoals de kinderen, melk dan vaste spijze, als volwassenen, nodig hadden.*

**1** Want[^hebreeen-5-1-1] elke hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld[^hebreeen-5-1-2] voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere[^hebreeen-5-1-3] gaven en slachtoffers voor de zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v1)

**2** Die[^hebreeen-5-2-4] behoorlijk medelijden kan hebben met[^hebreeen-5-2-5] de onwetenden en dwalende, omdat hij ook zelf[^hebreeen-5-2-6] met zwakheid omvangen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v2)

**3** En vanwege die zwakheid[^hebreeen-5-3-7] moet hij[^hebreeen-5-3-a] zoals voor het volk, zo ook[^hebreeen-5-3-8] voor zichzelf, offeren voor de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v3)

**4** [^hebreeen-5-4-b] En niemand neemt[^hebreeen-5-4-9] zichzelf[^hebreeen-5-4-10] die eer aan, maar die van God geroepen wordt,[^hebreeen-5-4-c] zoals Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v4)

**5** Zo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar[^hebreeen-5-5-11] Die tot Hem gesproken heeft:[^hebreeen-5-5-12][^hebreeen-5-5-d] U bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik U gegenereerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v5)

**6** Zoals Hij ook[^hebreeen-5-6-13] in een andere plaats[^hebreeen-5-6-e] zegt: U bent Priester in de eeuwigheid,[^hebreeen-5-6-14] naar de ordening van Melchizedek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v6)

**7** [^hebreeen-5-7-f] Die[^hebreeen-5-7-15] in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Degene, Die Hem uit de dood kon verlossen,[^hebreeen-5-7-16] met sterke roeping en tranen[^hebreeen-5-7-17] geofferd hebbende, en verhoord zijnde[^hebreeen-5-7-18] uit de vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v7)

**8** [^hebreeen-5-8-g] Hoewel Hij de Zoon was, toch[^hebreeen-5-8-19] gehoorzaamheid geleerd heeft, uit wat Hij heeft geleden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v8)

**9** En[^hebreeen-5-9-20] geheiligd zijnde, is Hij allen,[^hebreeen-5-9-21] die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v9)

**10** En is[^hebreeen-5-10-22] van God genoemd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizedek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v10)

**11** [^hebreeen-5-11-23] Van Welke wij hebben vele[^hebreeen-5-11-24] dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen,[^hebreeen-5-11-25] omdat u[^hebreeen-5-11-26] traag om te horen geworden bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v11)

**12** [^hebreeen-5-12-h] Want u, daar u leraars behoorde te zijn[^hebreeen-5-12-27] vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke[^hebreeen-5-12-28] de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die[^hebreeen-5-12-29] melk nodig hebben, en niet vast[^hebreeen-5-12-30] voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v12)

**13** Want een ieder die van de melk deelachtig is, die is[^hebreeen-5-13-31] onervaren in het woord van de gerechtigheid; want[^hebreeen-5-13-32] hij is een kind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v13)

**14** Maar[^hebreeen-5-14-33] van de volmaakten is[^hebreeen-5-14-34] het vaste voedsel, die[^hebreeen-5-14-35] door de gewoonheid[^hebreeen-5-14-36] de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding zowel van het goede als van het kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/5.html#v14)

[^hebreeen-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 alle hogepriester: Namelijk gelijk die zijn geweest, die uit de nakomelingen van Aäron wettelijke priesters zijn geworden. Want Paulus heeft deze brief geschreven terwijl de tempel nog stond, en ziet op de wijze van doen, die toen nog genoeg bekend was.
[^hebreeen-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 voor de mensen: Dat is, vanwege de mensen, tot hun voordeel en dienst, om de mensen met God te verzoenen, of enige weldaden van God te verwerven.
[^hebreeen-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 gaven en slachtofferen: Door deze eerste soort worden verstaan de offeranden, die van de vruchten en andere dergelijke dingen werden geofferd; door de tweede, de offeranden van gedierten of beesten, die aan het altaar werden geslacht en zo geofferd.
[^hebreeen-5-2-4]: Kanttekening 4: 4 behoorlijk medelijden: Of, matiglijk; dat is, in behoorlijke mate. Het Griekse woord metriopathein (μετριοπαθεῖν) betekent eigenlijk medelijden hebben met mate, of naarmate; dat is zo veel nodig is, om hem, die het nodig heeft, te hulp te komen.
[^hebreeen-5-2-5]: Kanttekening 5: 5 de onwetenden: Dat is, zondaren, ene Hebreeuwse wijze van spreken; en wordt door het eerste verstaan, de zonde die uit onwetendheid of zwakheid van het verstand geschiedt; door de tweede de zonde waarin de mens valt, doordien hij zichzelf verleidt, of toegeeft, en niet zonder zijn wil tot de zonde voortgaat, hoewel er dwaling bij is, als het verstand door de begeerlijkheid verduisterd wordt, Jak. 1:14, 1:15. Tegen beide heeft God offeranden ter verzoening verordineerd. Zie Lev. 4,5,6; maar voor de moedwillige zonde tegen de Heilige Geest niet. Zie Hebr. 10:26, 10:27. Jakobus 1:14: Maar iedereen wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Jakobus 1:15: Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voltooid zijnde baart de dood. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; Hebreeën 10:27: Maar een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en hitte van het vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.
[^hebreeen-5-2-6]: Kanttekening 6: 6 met zwakheid omvangen is: Dat is, met zonde, gelijk vers 3 aantoont; waarin Christus de andere hogepriesters ongelijk is, omdat Hij wel in alles gelijkelijk verzocht is, maar zonder zonde. Zie Hebr. 4:15, en Hebr. 7:26, 7:27. Hebreeën 5:3: En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, zo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden. Hebreeën 4:15: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. Hebreeën 7:26: Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden; Hebreeën 7:27: Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.
[^hebreeen-5-3-7]: Kanttekening 7: 7 moet hij gelijk: Grieks is hij schuldig.
[^hebreeen-5-3-a]: Verwijzing a: Levit. 9:7; Levit. 16:6; Hebr. 7:26. Leviticus 9:7: En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als YHWH geboden heeft. Leviticus 16:6: Daarna zal Aäron de var van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen. Hebreeën 7:26: Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;
[^hebreeen-5-3-8]: Kanttekening 8: 8 voor zichzelven: Zie hiervan Lev. 4:3, en Lev. 9:7, en Lev. 16:6, wanneer hij eens in het jaar in het heilige van de heiligen ging, en eerst voor zijn eigen zonden, en daarna voor de zonden van het volk offerde, en wanneer hij zelf enige ergerlijke zonden begaan had. Leviticus 4:3: Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, YHWH ten zondoffer. Leviticus 9:7: En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als YHWH geboden heeft. Leviticus 16:6: Daarna zal Aäron de var van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.
[^hebreeen-5-4-b]: Verwijzing b: 2 Kron. 26:16. 2 Kronieken 26:16: Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen YHWH, zijn God; want hij ging in de tempel van YHWH, om te roken op het reukaltaar.
[^hebreeen-5-4-9]: Kanttekening 9: Namelijk zonder voorgaand beroep.
[^hebreeen-5-4-10]: Kanttekening 10: 10 die eer aan: Namelijk om hogepriester te worden. Hij spreekt van degenen die wettelijke priesters waren.
[^hebreeen-5-4-c]: Verwijzing c: Ex. 28:1; 1 Kron. 23:13. Exodus 28:1: Daarna zult u uw broeder Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de kinderen van Israël, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. 1 Kronieken 23:13: De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht van YHWH, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.
[^hebreeen-5-5-11]: Kanttekening 11: 11 Die tot Hem gesproken heeft: Dat is, God Zijn Vader, namelijk heeft Hem hiertoe verheerlijkt.
[^hebreeen-5-5-12]: Kanttekening 12: 12 u bent Mijn Zoon: Sommigen menen, dat met deze woorden alleen beschreven wordt de persoon van de Vader, die de Zoon tot het priesterambt heeft verheerlijkt, en dat alleen in vers 6 het bewijs daarvan zou volgen. Anderen verstaan, dat in vers 5 ook bewijsredenen zouden begrepen zijn, dat Hem de Vader tot een hogepriester wettelijk gesteld heeft; eerstelijk in de woorden, die daar in de psalm volgen: begeer van mij, enz.; daar dit het eigen werk is van een priester voor het volk te bidden; als ook in het woord mijn Zoon, daar de eerstgeboren zonen, voor de instelling van het Levietische priesterdom, gewoon het Priesterdom na de dood van de huisvader in de familiën bedienden. Zie Gen. 25:31, en voornamelijk in de woorden heden van mij geboren; waardoor hoewel in het bijzonder verstaan wordt de eeuwige geboorte van de Zoon van de Vader, Hebr. 1:5; zo worden die ook geschikt door Paulus toegepast op de openbaring daarvan, die in de tijd geschied is, voornamelijk door Zijn opstanding uit de doden, Hand. 13:33; dat een klaar bewijs is, dat Hij van de Vader tot een Middelaar, en vervolgens ook tot een hogepriester wettig is gesteld geweest. Hebreeën 5:6: Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: u bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 5:5: Zo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Genesis 25:31: Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte. Hebreeën 1:5: Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: u bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? Handelingen 13:33: Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
[^hebreeen-5-5-d]: Verwijzing d: Ps. 2:7; Hand. 13:33; Hebr. 1:5. Psalmen 2:7: Ik zal van het besluit verhalen: YHWH heeft tot Mij gezegd: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Handelingen 13:33: Gelijk ook in de tweede psalm geschreven staat: u bent Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Hebreeën 1:5: Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: u bent Mijn Zoon, heden heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?
[^hebreeen-5-6-13]: Kanttekening 13: 13 in een andere plaats, zegt: Namelijk in Ps. 110, welke ook Christus zelf op de Messias duidde, Matt. 22:44, 22:45. Mattheüs 22:44: De Heer heeft gezegd tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. Mattheüs 22:45: Als Hem dan David noemt zijn Heer, hoe is Hij zijn Zoon?
[^hebreeen-5-6-e]: Verwijzing e: Ps. 110:4; Hebr. 7:17. Psalmen 110:4: De YHWH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: u bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 7:17: Want Hij getuigt: u bent Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.
[^hebreeen-5-6-14]: Kanttekening 14: 14 naar de ordening van Melchizedek: Dat is, naar de wijze en gelijkenis van Melchizedek, gelijk Hebr. 7:15, verklaard wordt. Hebreeën 7:15: En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat:
[^hebreeen-5-7-f]: Verwijzing f: Matt. 26:39; Matt. 27:46; idem 27:50; Joh. 17:1. Mattheüs 26:39: En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, gelijk Ik wil, maar gelijk u wilt. Mattheüs 27:46: En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt u Mij verlaten! Mattheüs 27:50: En Jezus, opnieuw met een grote stem roepende, gaf de geest. Johannes 17:1: Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zei: Vader, het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.
[^hebreeen-5-7-15]: Kanttekening 15: 15 in de dagen van Zijn vlees: Dat is, wanneer Hij onze zwakke natuur aangenomen had, en daarin onder ons wandelde en leed. Want hoewel Hij onze natuur ook in de hemel draagt, zo heeft Hij nochtans de zwakheden daarvan afgelegd.
[^hebreeen-5-7-16]: Kanttekening 16: 16 met sterke roeping en tranen: De apostel ziet hier wel op de gehele vernedering van Christus, maar voornamelijk op de angst en uiterste benauwdheid van Christus in de hof, als Hij bloedige druppelen heeft gezweet, en op Zijn sterk roepen aan het kruis, wanneer Hij riep: mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten.
[^hebreeen-5-7-17]: Kanttekening 17: 17 geofferd hebbende: Dat is, Zijn Vader voorgedragen, en Zijn leven voor ons in handen van Zijn Vader opgedragen hebbende.
[^hebreeen-5-7-18]: Kanttekening 18: 18 uit de vreze: Grieks Eulabeias, welk woord dikwijls vrees betekent, gelijk te zien is Hand. 23:10, en is hetzelfde wat Markus, Mark. 14:33, thambos en ademonian, dat is, verbaasdheid en grote angst noemt, welke in Christus menselijke natuur geweest is, uit het voorzien en voorgevoel van de helse benauwdheden, die Christus in Zijn ziel voor ons aan het kruis zou lijden, nochtans zonder zonde, daar Hij in het geloof altijd vast is gebleven, en zich in al deze de wil van Zijn Vader volkomen heeft onderworpen. Uit welke vrees, of, verschrikking Hij hier wordt gezegd verhoord geweest te zijn, omdat Hij door Zijn gebed gesterkt en verzekerd was, dat Hij door de kracht van Zijn goddelijke natuur alles zou overwinnen, en zo de duivel en de dood zelf onder Zijn voeten brengen. Anderen zetten het over: vanwege de godvruchtigheid; of, om Zijn godvruchtigheid wil, gelijk dit woord eulabeia ook betekent. Maar het Griekse woord apo (ἀπὸ), dat is, van of uit, kan deze verklaring niet wel lijden. Handelingen 23:10: En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen. Marcus 14:33: En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer angstig te worden;
[^hebreeen-5-8-g]: Verwijzing g: Filip. 2:6. Filippensen 2:6: Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn;
[^hebreeen-5-8-19]: Kanttekening 19: 19 geleerd heeft: Dat is, ervaren heeft, wat het is in zulke benauwdheden zichzelf de wil van Zijn Vader in alles gehoorzaam te onderwerpen.
[^hebreeen-5-9-20]: Kanttekening 20: 20 geheiligd zijnde: Of, volmaakt geworden zijnde, namelijk in deze Zijn gehoorzaamheid. Of, opgeofferd zijnde, namelijk aan het kruis door de eeuwige Geest, gelijk de apostel hierna spreekt Hebr. 9:14. Of volkomen ingewijd zijnde. Want al deze betekenissen heeft dit Griekse woord teleiotheis (τελειωθεὶς) in zich. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^hebreeen-5-9-21]: Kanttekening 21: 21 die Hem gehoorzaam zijn: Dat is, die in Hem geloven, en vervolgens ook dit geloof met de andere delen van de gehoorzaamheid vergezelschappen, gelijk de schrift doorgaans ook het geloof de gehoorzaamheid noemt, als de grond van alle ware gehoorzaamheid. Zie Joh. 3:36. Johannes 3:36: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
[^hebreeen-5-10-22]: Kanttekening 22: 22 van God genaamd een hogepriester: Of van God toegenaamd, dat is, van God gesteld of bestemd. Want die God de naam geeft, die geeft Hij ook de zaak zelf.
[^hebreeen-5-11-23]: Kanttekening 23: 23 Van Denwelken wij hebben: Namelijk Melchizedek. Of van welke, namelijk zaak.
[^hebreeen-5-11-24]: Kanttekening 24: Grieks reden.
[^hebreeen-5-11-25]: Kanttekening 25: 25 omdat u: In deze woorden geeft de apostel reden van wat hij gezegd had, dat de zaken, die hij voor had te schrijven, zwaar waren om te verklaren, namelijk niet zozeer ten aanzien van de zaak zelf, als ten aanzien van hunne traagheid, waarom hij hen hiermede tot opmerkzaamheid aanmaant.
[^hebreeen-5-11-26]: Kanttekening 26: 26 traag om te horen: Of, traag in het gehoor, of van gehoor.
[^hebreeen-5-12-h]: Verwijzing h: 1 Kor. 3:1; idem v. 2; idem v. 3. 1 Korinthiërs 3:1: En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijke, maar als tot vleselijke, als tot jonge kinderen in Christus. 1 Korinthiërs 3:2: Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste voedsel; want u vermocht toen nog niet; ja, u vermoogt ook nu nog niet. 1 Korinthiërs 3:3: Want u bent nog vleselijk; want omdat onder u nijd is, en twist, en tweedracht, bent u niet vleselijk, en wandelt u niet naar de mens?
[^hebreeen-5-12-27]: Kanttekening 27: 27 vanwege de tijd: Of ten aanzien van de tijd, namelijk dat u in de leer van Christus geoefend bent.
[^hebreeen-5-12-28]: Kanttekening 28: 28 de eerste beginselen zijn: Grieks de elementen, of A B C van het begin, dat is, de eerste gronden en fondamenten van de christelijke leer, welke hij in Hebr. 6 zal verhalen. Anders worden ook de ceremoniën van het Oude Testament, waar de Hebreën licht toe vervielen, en altijd in bleven hangen, de eerste beginselen van de wereld en zwakke elementen genoemd, Gal. 4:9; Kol. 2:8; omdat God daardoor die als een A B C tot de geestelijke leer van de zaligheid had geleid, waarvan de Hebreën nu tot de zaak, daardoor betekend, moesten voortgaan, en daarin meer en meer toenemen. Galaten 4:9: En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert u u opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, welke u opnieuw van voren aan wilt dienen? Kolossensen 2:8: Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld, en niet naar Christus;
[^hebreeen-5-12-29]: Kanttekening 29: 29 melk nodig hebben: Dezelfde gelijkenis gebruikt de apostel ook 1 Kor. 3:2, om hun hunne traagheid en onwetendheid te doen verstaan in de zaken van de verborgenheden van het Evangelie, gelijk de volgende verzen verklaren. 1 Korinthiërs 3:2: Ik heb u met melk gevoed, en niet met vast voedsel; want u vermocht toen nog niet; ja, u vermoogt ook nu nog niet.
[^hebreeen-5-12-30]: Kanttekening 30: Grieks voedsel.
[^hebreeen-5-13-31]: Kanttekening 31: Dat is, niet genoeg onderwezen in de leer van het Evangelie, waarin de ware gerechtigheid, die in Gods oordeel bestaat en van ons geëist wordt, is geopenbaard.
[^hebreeen-5-13-32]: Kanttekening 32: Dat is, als een kind, namelijk in wetenschap. Zie 1 Kor. 14:20; Ef. 4:14. 1 Korinthiërs 14:20: Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^hebreeen-5-14-33]: Kanttekening 33: 33 van de volmaakten is: Dat is, van de volwassenen, gelijk 1 Kor. 2:6, en 1 Kor. 14:20; Ef. 4:13. 1 Korinthiërs 2:6: En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden; 1 Korinthiërs 14:20: Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. Efeziërs 4:13: Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus;
[^hebreeen-5-14-34]: Kanttekening 34: 34 het vaste voedsel: Dat is, ook de naakte en diepste verborgenheden en leerstukken van Gods Woord; gesteld eensdeels tegen de eerste beginselen van de leer, eensdeels tegen de ceremoniën, waartoe de Joden, als kinderen, altijd vervielen.
[^hebreeen-5-14-35]: Kanttekening 35: 35 door de gewoonheid: Dat is, door bekwaamheid, die een mens verkrijgt door vele oefeningen in enige kunst, of andere zaak.
[^hebreeen-5-14-36]: Kanttekening 36: 36 de zinnen geoefend hebben: Of, geoefende zinnen hebben. Het Griekse woord betekent de werktuigen, waardoor de zinnen hunne werkingen doen en geoefend worden, als ogen, oren, tongen, enz., waardoor de inwendige instrumenten van de ziel hier verstaan worden, als rede, verstand, wil, enz., welke door de kracht van de Geest verlicht en vernieuwd zijnde, ook de oefening van Gods Woord dagelijks meer en meer moeten gesterkt worden, om het kwade en het valse te kunnen verwerpen, en het goede en de waarheid te kunnen aannemen.

### Hebreeën 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/6.json)

*1 De apostel betuigt dat hij tot de volmaaktheid wil voortgaan, en nu niet wil handelen over de eerste beginselen van de christelijke leer, waarvan hij de hoofdpunten kort verhaalt. 3 Maar dat hij dat toch bij andere gelegenheid ook wil doen. 4 Omdat het onmogelijk is dat zij die daarvan afvallen, nadat zij de gaven van de Geest gesmaakt hebben, weer vernieuwd zouden worden tot bekering. 7 Verklaart dit door een gelijkenis van vruchtbare en onvruchtbare aarde. 9 Betuigt dat hij uit de vruchten van hun liefde beter over hen denkt. 11 Maar dat hij dit zegt om hen tot naarstigheid op te wekken, en tot vaster hoop op Gods beloften. 13 Omdat God die niet alleen met woorden gegeven heeft, maar ook met een eed aan Abraham en zijn zaad bevestigd heeft. 16 Welke eed een einde maakt aan alle tegenspreken onder de mensen, veel meer dan bij God, die niet kan liegen. 19 Daarom moeten wij onze hoop, als een anker van de ziel, vastmaken in de hemel. 20 Waar Christus, onze Hogepriester, voor ons is ingegaan.*

**1** Daarom, nalatende[^hebreeen-6-1-1] het begin van de leer van Christus, laat ons[^hebreeen-6-1-2] tot de volmaaktheid voortvaren; niet opnieuw leggende[^hebreeen-6-1-3] het fundament van de bekering[^hebreeen-6-1-4] van dode werken, en van het geloof[^hebreeen-6-1-5] in God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v1)

**2** Van de leer[^hebreeen-6-2-6] van de dopen, en[^hebreeen-6-2-7] van de oplegging van de handen, en[^hebreeen-6-2-8] van de opstanding van de doden, en[^hebreeen-6-2-9] van het eeuwig oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v2)

**3** En[^hebreeen-6-3-10] dit zullen wij ook doen,[^hebreeen-6-3-a] als het God toelaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v3)

**4** [^hebreeen-6-4-b] Want[^hebreeen-6-4-11] het is onmogelijk, degenen,[^hebreeen-6-4-12] die eens verlicht geweest zijn, en[^hebreeen-6-4-13] de hemelse gave gesmaakt hebben, en[^hebreeen-6-4-14] van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v4)

**5** En gesmaakt hebben[^hebreeen-6-5-15] het goede woord van God, en[^hebreeen-6-5-16] de krachten van de toekomende eeuw, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v5)

**6** En[^hebreeen-6-6-17] afvallig worden,[^hebreeen-6-6-18] die,[^hebreeen-6-6-19] zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering,[^hebreeen-6-6-20] als die zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v6)

**7** [^hebreeen-6-7-21] Want de aarde, die de regen, dikwijls op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door wie zij ook gebouwd wordt, die[^hebreeen-6-7-22] ontvangt zegen van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v7)

**8** Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en[^hebreeen-6-8-23] nabij de vervloeking, waarvan het einde tot verbranding is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v8)

**9** [^hebreeen-6-9-24] Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en[^hebreeen-6-9-25] met de zaligheid gevoegd, hoewel wij[^hebreeen-6-9-26] zo spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v9)

**10** [^hebreeen-6-10-c] Want God is niet[^hebreeen-6-10-27] onrechtvaardig dat Hij[^hebreeen-6-10-28] uw werk zou[^hebreeen-6-10-29] vergeten, en de arbeid van de liefde, die u[^hebreeen-6-10-30] aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v10)

**11** Maar wij begeren, dat ieder van u dezelfde ijver bewijze,[^hebreeen-6-11-31] tot de volle verzekerdheid van de[^hebreeen-6-11-32] hoop, tot het einde toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v11)

**12** Opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van degenen, die door geloof en[^hebreeen-6-12-33] geduld[^hebreeen-6-12-34] de beloftenissen beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v12)

**13** Want[^hebreeen-6-13-35] als God aan Abraham[^hebreeen-6-13-36] de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v13)

**14** Zeggende:[^hebreeen-6-14-37][^hebreeen-6-14-d] Werkelijk,[^hebreeen-6-14-38] zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v14)

**15** En zo,[^hebreeen-6-15-39] geduldig verwacht hebbende, heeft hij[^hebreeen-6-15-40] de belofte verkregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v15)

**16** Want de mensen zweren wel[^hebreeen-6-16-41] bij de meerdere dan zij zijn, en[^hebreeen-6-16-e] de[^hebreeen-6-16-42] eed[^hebreeen-6-16-43] tot bevestiging is dezelfde een einde van alle tegenspreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v16)

**17** Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed[^hebreeen-6-17-44] daartussen is gekomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v17)

**18** Opdat wij,[^hebreeen-6-18-45] door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God liege, een sterke troost zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om[^hebreeen-6-18-46] de voorgestelde hoop vast te houden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v18)

**19** [^hebreeen-6-19-47] Die wij hebben[^hebreeen-6-19-48] als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat[^hebreeen-6-19-49] in het binnenste van het voorhangsel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v19)

**20** Daar[^hebreeen-6-20-50] de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening[^hebreeen-6-20-51] van[^hebreeen-6-20-f] Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/6.html#v20)

[^hebreeen-6-1-1]: Kanttekening 1: 1 het begin van de leer van Christus: Grieks het woord van het begin van Christus; dat is, waardoor wij in het begin tot Christus' ledematen worden aangenomen, en als de kinderleer is van de eerst aankomenden; Hebr. 5:12. Hebreeën 5:12: Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel.
[^hebreeen-6-1-2]: Kanttekening 2: 2 tot de volmaaktheid voortvaren: Dat is, tot de volkomen kennis van de leer van Christus voortgaan, Ef. 4:13. Efeziërs 4:13: Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus;
[^hebreeen-6-1-3]: Kanttekening 3: 3 het fondament van de bekering: Of, eerste grond, waarvan hier zes hoofdstukken worden verhaald.
[^hebreeen-6-1-4]: Kanttekening 4: 4 van dode werken: Dat is, van zondige of vleselijke werken, waarvan het einde de dood is, Rom. 6:23; welker kennis in het bijzonder door de wet komt, Rom. 3:20. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer. Romeinen 3:20: Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.
[^hebreeen-6-1-5]: Kanttekening 5: 5 in God: Namelijk Vader, Zoon en Heilige Geest, waarvan de somma in de twaalf artikelen van het geloof is begrepen.
[^hebreeen-6-2-6]: Kanttekening 6: 6 van de dopen: Dat is, van de natuur, instelling en gebruik van de doop en van de Sacramenten waardoor het geloof en de bekering in ons wordt versterkt. Het woord dopen wordt hier in het meervoud gesteld, niet omdat er meer dan een doop is, Ef. 4:5, maar òf om de uitwendige en inwendige doop te betekenen 1 Petr. 3:21; òf, omdat in de eerste Kerk de volwassenen, die tot Christus bekeerd, en nu een tijdlang in de Christelijke godsdienst onderwezen waren, dikwijls tezamen in een aanmerkelijk getal werden gedoopt, zodat er vele dopen op een dag schenen gepleegd te worden. Efeziërs 4:5: Één Heer, één geloof, één doop, 1 Petrus 3:21: Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van de vuiligheid van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
[^hebreeen-6-2-7]: Kanttekening 7: 7 van de oplegging van de handen: Dat is, van de gaven van de Heilige Geest, die door de oplegging van de handen in de Kerk de gelovigen in het algemeen plachten medegedeeld te worden, Hand. 8:16, 8:17, en bijzonder in het instellen van de kerkdienaars, 1 Tim. 4:14. Handelingen 8:16: (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus.) Handelingen 8:17: Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. 1 Timotheüs 4:14: Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van het ouderlingschap.
[^hebreeen-6-2-8]: Kanttekening 8: 8 van de opstanding van de doden: Van welk artikel degenen, die tot de gemeenschap van de kerk van Christus toegelaten werden, bijzonder rekenschap moesten geven, omdat niet alleen de heidenen daarmede spotten, Hand. 17:32, maar ook de Sadduceën onder de Joden, Matt. 22:23, en vele ketters onder de Christenen deze loochenden; 2 Tim. 2:18. Handelingen 17:32: Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen. Mattheüs 22:23: Op dezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. 2 Timotheüs 2:18: Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al geschied is, en verkeren sommiger geloof.
[^hebreeen-6-2-9]: Kanttekening 9: 9 van het eeuwig oordeel: Namelijk over levenden en over doden, over de ongelovigen ten eeuwige dood, en over de gelovigen ten eeuwige leven. Dit zijn dan de zes hoofdstukken van de beginselen of fondamenten van de christelijke religie, die de aankomenden door vragen en antwoorden voorgesteld werden, die ook in onze catechismussen merendeels worden behandeld.
[^hebreeen-6-3-10]: Kanttekening 10: 10 dit zullen wij ook doen: Namelijk het leggen van de eerste fondamenten van de Christelijke religie, die Paulus nu wel voorbijgaat, omdat hij hen ook tot meer volkomen kennis van andere leerstukken wilde brengen, maar evenwel belooft bij andere gelegenheden deze te behandelen, als het de Heer toeliet, gelijk hij ook elders in zijne zendbrieven doet. Anderen verstaan dit van de verklaring van de meer volmaakte leer, die hij zal gaan voorstellen.
[^hebreeen-6-3-a]: Verwijzing a: Hand. 18:21; 1 Kor. 4:19; Jak. 4:15. Handelingen 18:21: Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze. 1 Korinthiërs 4:19: Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heer wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden degenen, die hoogmoedig zijn, maar de kracht. Jakobus 4:15: In plaats dat u zoudt zeggen: Als de Heer wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
[^hebreeen-6-4-b]: Verwijzing b: Matt. 12:31; Hebr. 10:26; 1 Joh. 5:16. Mattheüs 12:31: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^hebreeen-6-4-11]: Kanttekening 11: 11 het is onmogelijk: Namelijk ten aanzien van Gods rechtvaardig oordeel over zulke ondankbare mensen, naar de verklaring die Christus zelf gedaan heeft van degenen die tegen de Heilige Geest zondigen, Matt. 12:31, 12:32; gelijk de volgende verzen ook aantonen dat hier, gelijk ook hierna, Hebr. 10:26, van die zonde wordt gesproken. Waarom de apostel Johannes, 1 Joh. 5:16, gebiedt, dat men voor zulken niet zal bidden. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 12:39, 12:40. Mattheüs 12:31: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. Mattheüs 12:32: En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon van de mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. Johannes 12:39: Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw gezegd heeft: Johannes 12:40: Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.
[^hebreeen-6-4-12]: Kanttekening 12: 12 die eens verlicht geweest zijn: Namelijk in het verstand door de prediking van het Evangelie.
[^hebreeen-6-4-13]: Kanttekening 13: 13 de hemelse gave gesmaakt hebben: Dat is, het geloof, dat hier gezegd wordt, dat zij gesmaakt hebben, niet omdat zij het in zijn rechte wezen immer zouden ontvangen hebben, maar omdat zij een klein begin en gelijkenis of schijn daarvan gevoeld hebben, gelijk het woord smaken ook tegen innemen gesteld wordt, Matt. 27:34; welk smaken Christus in de gelijkenis van de zaaier, Matt. 13:20, 13:21, noemt een ontvangen van het woord met blijdschap; dat nochtans geen wortel, dat is, geen recht vertrouwen op Christus heeft, en geen behoorlijke vruchten in volstandigheid geeft, omdat het op steenachtige aarde, dat is, in een hart, dat niet behoorlijk voor God is vernederd, noch bereid, gevallen is. En dat dit hier ook de mening is, blijkt uit vers 7 en elders, waar deze vergeleken worden met aarde, die de regen niet indrinkt, en daarom in plaats van goed kruid, doornen en distelen voortbrengt. Mattheüs 27:34: Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. Mattheüs 13:20: Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt; Mattheüs 13:21: Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd. Hebreeën 6:7: Want de aarde, die de regen, dikwijls op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;
[^hebreeen-6-4-14]: Kanttekening 14: 14 van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn: Dat is, enige gaven van de Heilige Geest, die God in de eerste Kerk de discipelen mededeelde. Zie hiervan 1 Kor. 12:14. 1 Korinthiërs 12:14: Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden.
[^hebreeen-6-5-15]: Kanttekening 15: 15 het goede woord van God: Dat is, de beloften van het evangelie, waar deze ook enige smaak van ontvangen hebben, gelijk van het woord van Johannes de Doper in sommige Joden gezegd wordt, Joh. 5:35, dat zij in zijn licht zich voor een korte tijd hebben willen verheugen. Johannes 5:35: Hij was een brandende en lichtende kaars; en u hebt ulieden voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.
[^hebreeen-6-5-16]: Kanttekening 16: 16 de krachten van de toekomende eeuw: Dit kan geschikt van de krachten van het eeuwige leven verstaan worden, waarvan deze mensen ook somwijlen een kleinen smaak hebben, doordien zij dit woord met blijdschap ontvangen, en zich in de beloften daarvan een tijdlang verheugen, gelijk hiervoor vers 4 is aangewezen; en het woord smaken komt hiermede wel overeen. Hebreeën 6:4: Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn,
[^hebreeen-6-6-17]: Kanttekening 17: 17 afvallig worden: Of vervallen, waardoor niet allerlei zonden worden verstaan, waarin de ware gelovigen ook somwijlen vervallen, gelijk David, Petrus, enz., die daarna tot bekering komen; maar een geheel vervallen of afval van de Christelijke godsdienst, en die moedwillig geschiedt, gelijk Hebr. 10:26, wordt uitgedrukt, en met lastering derzelve, tegen de getuigenis van de Heilige Geest in hun gemoed, gevoed is, gelijk Christus betuigt Matt. 12:31. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; Mattheüs 12:31: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden.
[^hebreeen-6-6-18]: Kanttekening 18: 18 die, zeg ik,: Dit ziet op het voorgaande woord onmogelijk, vers 4. Het is dan onmogelijk die opnieuw te vernieuwen; welke onmogelijkheid niet alleen van de leraars te verstaan is, die tevergeefs zouden arbeiden om die te vernieuwen, of tot bekering te brengen, maar ook ten aanzien van Gods waarheid zelf, die eens dit rechtvaardig oordeel tegen hen heeft geveld, en niet veranderlijk is, en zich niet laat bespotten, Gal. 6:7; ja ook ten aanzien van Christus' verdienste, die deze moedwillig verzaken en verwerpen, gelijk volgt. Waarom ook Hebr. 10:26, gezegd wordt dat er geen offerande voor de zonde van zodanigen meer over is. Hebreeën 6:4: Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, Galaten 6:7: Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;
[^hebreeen-6-6-19]: Kanttekening 19: 19 opnieuw te vernieuwen: Dit woord opnieuw ziet op de staat waaruit zij vervallen zijn, welke staat een begin was van de vernieuwing, zo zij daarin gebleven en behoorlijk voortgegaan hadden, tot welke stand zij zelfs niet kunnen wedergebracht worden. Anderen nemen deze woorden opnieuw vernieuwen, bloot voor: vernieuwd worden, gelijk het Griekse woord palin (πάλιν), dat is, opnieuw, door een oneigenlijke wijze van spreken Pleonasmus genoemd, dikwijls overschiet. Zie een voorbeeld Joh. 4:54, en Joh. 13:12; Hand. 18:21, en wordt alleen daar bijgevoegd om de zaak krachtiger te betuigen. Johannes 4:54: Dit tweede teken heeft Jezus opnieuw gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was. Johannes 13:12: Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn kleren genomen had, zat Hij opnieuw aan, en zei tot hen: Verstaat u, wat Ik ulieden gedaan heb? Handelingen 18:21: Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.
[^hebreeen-6-6-20]: Kanttekening 20: 20 als welke zichzelven: In deze woorden wordt nog een reden gegeven, waarom zulke afvalligen niet kunnen vernieuwd worden tot bekering, namelijk omdat zij Christus, die de Vader tot een verzoening voor onze zonden heeft gegeven, zichzelf, dat is, zoveel in hen is, gelijk de Joden en heidenen tevoren aan Christus uiterlijk eens gedaan hadden, nieuwe smaad aandoen, en tegen hun gemoed tentoonstellen, of te schande te maken voor de gehele wereld, en tot hun verderf, dat God niet ongewroken wil laten, gelijk dit Griekse woord paradeigmatizein (παραδειγματίζοντας) ook betekent, Matt. 1:19, voor welk woord, Mark. 3:29, het woord blasphemein gebruikt wordt. Mattheüs 1:19: Jozef nu, haar man, zo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar in het geheim te verlaten. Marcus 3:29: Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig van het eeuwige oordeel.
[^hebreeen-6-7-21]: Kanttekening 21: 21 Want de aarde: Door deze gelijkenis toont de apostel de billijkheid van dit zwaar oordeel van God over zulke mensen, omdat dergelijke zelfs onder de mensen over zulke aarde placht te gebeuren.
[^hebreeen-6-7-22]: Kanttekening 22: 22 ontvangt zegen van God: Of, wordt de zegen van God deelachtig; dat is, wordt van God meer en meer bekwaam gemaakt om meer vruchten voort te brengen.
[^hebreeen-6-8-23]: Kanttekening 23: 23 nabij de vervloeking: Dat is, om geheel verlaten, en als ene vervloekte zaak tot de brand over gegeven te worden.
[^hebreeen-6-9-24]: Kanttekening 24: 24 Maar, geliefden: Met deze woorden verzacht de apostel het voorgaande dreigement en verklaart in het vervolg waarom hij de zware straf van de afvalligen hun voorgedragen heeft, namelijk niet omdat hij hen voor zodanigen zou houden, maar om hen te waarschuwen en tot vasthouden aan de leer van het evangelie en Gods beloften te vermanen.
[^hebreeen-6-9-25]: Kanttekening 25: 25 met de zaligheid gevoegd: Of, de zaligheid aanklevende.
[^hebreeen-6-9-26]: Kanttekening 26: 26 zo spreken: Dat is, zulk een zwaar oordeel uitspreken tegen de afvalligen.
[^hebreeen-6-10-c]: Verwijzing c: Spreuk. 14:31; Matt. 10:42; Matt. 25:40; Marc. 9:41; Joh. 13:20. Spreuken 14:31: Die de arme verdrukt, smaadt daarvan Maker; maar die zich van de nooddruftigen ontfermt, eert Hem. Mattheüs 10:42: En zo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water, in de naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Mattheüs 25:40: En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt u dat Mij gedaan. Marcus 9:41: Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Johannes 13:20: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
[^hebreeen-6-10-27]: Kanttekening 27: Dat is, ontrouw, of onstandvastig in het volbrengen van zijn beloften, gelijk Gods waarheid en standvastigheid in deze ook de rechtvaardigheid van God doorgaans genoemd wordt; zie Ps. 143:1; 1 Joh. 1:9. Psalmen 143:1: Een psalm van David. O YHWH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 1 Johannes 1:9: Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
[^hebreeen-6-10-28]: Kanttekening 28: 28 uw werk zou: Namelijk het ware geloof, dat hij in u reeds heeft gewrocht, Fil. 1:29. Filippensen 1:29: Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;
[^hebreeen-6-10-29]: Kanttekening 29: Namelijk dat hij het, volgens zijne belofte, tot het einde toe in u niet zou volbrengen, Fil. 1:6, en hier namaals niet genadig zou belonen. Filippensen 1:6: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus;
[^hebreeen-6-10-30]: Kanttekening 30: 30 aan Zijn Naam bewezen hebt: Of, in zijnen naam, dat is, niet alleen uit enige menselijke beweging tegen de armen en verdrukten, maar omdat zij om de naam van God, en om de belijdenis van Christus leden, dat een eigenschap is van het ware geloof en van de ware liefde, die Christus niet onbeloond laat; zie Matt. 10:41, 10:42, en Matt. 25:40; Mark. 9:41. Mattheüs 10:41: Die een profeet ontvangt in de naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. Mattheüs 10:42: En zo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water, in de naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. Mattheüs 25:40: En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt u dat Mij gedaan. Marcus 9:41: Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen.
[^hebreeen-6-11-31]: Kanttekening 31: 31 tot de volle verzekerdheid van de hoop: Want gelijk de hoop van de zaligheid uit het geloof voortkomt, zo wordt deze hoop ook meer en meer gesterkt door de ware vruchten van het geloof. Zie 2 Petr. 1:10. 2 Petrus 1:10: Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult u nimmermeer struikelen.
[^hebreeen-6-11-32]: Kanttekening 32: 32 tot het einde toe: Namelijk van uw leven, want die volstandig blijft tot het einde, die zal zalig worden; Matt. 10:22. Mattheüs 10:22: En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
[^hebreeen-6-12-33]: Kanttekening 33: Dat is, volhardende verwachting van de volbrenging van Gods belofte, gelijk hij daarna met het voorbeeld van Abraham en van alle ware gelovigen bewijst.
[^hebreeen-6-12-34]: Kanttekening 34: 34 de beloftenissen beërven: Dat is, de beloofde erve in de hemel nu genieten.
[^hebreeen-6-13-35]: Kanttekening 35: 35 als God aan Abraham: De apostel bewijst met het voorbeeld van Abraham, de vader aller gelovigen, wat hij in vers 12 van al de gelovige voorvaders had betuigd. Hebreeën 6:12: Opdat u niet traag wordt, maar navolgers zijt van degenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.
[^hebreeen-6-13-36]: Kanttekening 36: 36 de belofte deed: Namelijk Gen. 22:16, wanneer Abraham zijn zoon had geofferd, in welke beloften alle lichamelijke en geestelijke beloften zijn begrepen, namelijk van het beloofde zaad, en van de vermenigvuldiging van zijn zaad als van de vader van alle gelovigen, waarvan zie nadere verklaring Rom. 4:16; Gal. 3:14, enz. Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Romeinen 4:16: Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al het zaad, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen; Galaten 3:14: Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest verkrijgen zouden door het geloof.
[^hebreeen-6-14-37]: Kanttekening 37: Dit woord staat wel in de Hebreeuwse tekst niet, maar wordt uit de Griekse overzetting van Paulus daarbij verhaald, dat het in de zin zelf begrepen is. Anderen houden dat het woord ki, dat in de Hebreeuwse tekst staat, somwijlen ook waarlijk betekent; Job 8:6; Spreuk. 30:2. Job 8:6: Zo u zuiver en recht bent, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning van uw gerechtigheid volmaken. Spreuken 30:2: Werkelijk, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
[^hebreeen-6-14-d]: Verwijzing d: Gen. 12:3; Gen. 17:4; Gen. 22:16; Ps. 105:9; Lukas 1:73. Genesis 12:3: En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van het aarde gezegend worden. Genesis 17:4: Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden! Genesis 22:16: En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt YHWH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; Psalmen 105:9: Van het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eeds aan Izak; Lukas 1:73: En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven.
[^hebreeen-6-14-38]: Kanttekening 38: 38 zegenende zal Ik u zegenen: Dat is, zeer overvloedig en gedurig zegenen en zeer vermenigvuldigen.
[^hebreeen-6-15-39]: Kanttekening 39: 39 lankmoediglijk verwacht hebbende: Grieks lankmoedigheid geweest zijnde.
[^hebreeen-6-15-40]: Kanttekening 40: 40 de belofte verkregen: Dat is, wat God beloofd had; gelijk vers 12. Hebreeën 6:12: Opdat u niet traag wordt, maar navolgers zijt van degenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.
[^hebreeen-6-16-41]: Kanttekening 41: 41 bij de meerdere: Namelijk bij God. Want andere eden worden in Gods woord veroordeeld. Zie Deut. 6:13; Jer. 4:2, en Jer. 5:7. De reden is, omdat God alleen de harten van de mensen kent, en alle mensen, hoe groot zij zijn, kan straffen, zo zij vals zweren. Deuteronomium 6:13: u zult YHWH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. Jeremia 4:2: Maar zweer: Zo waarachtig als YHWH leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen. Jeremia 5:7: Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.
[^hebreeen-6-16-e]: Verwijzing e: Ex. 22:11. Exodus 22:11: Zo zal van YHWH eed tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan Zijn naasten bezittingen geslagen heeft; en derzelver heer zal die aannemen; en hij zal het niet wedergeven.
[^hebreeen-6-16-42]: Kanttekening 42: Dat is, de wettelijke en behoorlijke eed van mensen, op welke niets te zeggen valt.
[^hebreeen-6-16-43]: Kanttekening 43: 43 tot bevestiging: Namelijk van de beloften die aan iemand gedaan worden. Want zo er tweeërlei soort van eed is, een van zaken die geschied zijn, om de waarheid daarvan te betuigen, en een van wat beloofd wordt, om van de toekomende onderhouding anderen te verzekeren, spreekt Paulus hier in het bijzonder van de laatste soort van de eed.
[^hebreeen-6-17-44]: Kanttekening 44: 44 daartussen is gekomen: Of heeft door een eed gemiddeld; dat is, het middel van een eed gebruikt.
[^hebreeen-6-18-45]: Kanttekening 45: 45 door twee onveranderlijke dingen: Dat is, zijn beloften en zijn eed, die beide onveranderlijk zijn.
[^hebreeen-6-18-46]: Kanttekening 46: 46 de voorgestelde hoop: Dat is, de volhardende verwachting van de vervulling van de beloften door het geloof van ons aangenomen, Rom. 8:24, 8:25, zo, dat het woord hoop alhier in zijn eigen betekenis wordt genomen. Romeinen 8:24: Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Romeinen 8:25: Maar als wij hopen, wat wij niet zien, zo verwachten wij het met volharding.
[^hebreeen-6-19-47]: Kanttekening 47: 47 Welke wij hebben: Namelijk hoop wij gelovigen hebben, enz.
[^hebreeen-6-19-48]: Kanttekening 48: 48 als een anker van de ziel: Dat is, waar de ziel zich mee vasthoudt aan Gods beloften, tegen alle bewegingen en stormen van de wereld; gelijk een schip met zijn anker in zee tegen alle stormen.
[^hebreeen-6-19-49]: Kanttekening 49: 49 in het binnenste van het voorhangsel: Dat is, de hemel, waar Christus is zittende ter rechterhand van God en voor ons bidt; dat door de ingang van de hogepriester in het heilige van de heiligen beduid werd, gelijk hierna verklaard wordt, Hebr. 9:24. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
[^hebreeen-6-20-50]: Kanttekening 50: 50 de Voorloper voor ons is ingegaan: Namelijk die voor ons daarin gegaan is, om ons een plaats te bereiden, Joh. 14:2, 14:3. Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Johannes 14:3: En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben.
[^hebreeen-6-20-51]: Kanttekening 51: Dit voegt de apostel daarbij, om zo weer te keren tot de verklaring van het koninklijk priesterdom van Christus, dat hij had afgebroken, Hebr. 5:11, enz.; en herneemt die weer in het Hebr. 7. Hebreeën 5:11: Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, omdat u traag om te horen geworden bent.
[^hebreeen-6-20-f]: Verwijzing f: Hebr. 3:1; Hebr. 4:14; Hebr. 8:1; Hebr. 9:11. Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onze belijdenis, Christus Jezus; Hebreeën 4:14: Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,

### Hebreeën 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/7.json)

*1 De apostel verhaalt eerst de geschiedenis van Melchizedek. 2 Met nog enige andere eigenschappen waarin hij aan de Zoon van God gelijk was. 4 Verheft hem boven Abraham, omdat Abraham, en daarmee ook Levi, hem tienden heeft gegeven, en omdat hij Abraham heeft gezegend. 11 Bewijst dat de volkomenheid niet in het priesterdom van Levi was, omdat, naar de voorzegging van David, een ander priester naar de ordening van Melchizedek moest opstaan. 14 Namelijk onze Heere, die niet uit de stam Levi is, maar uit de stam Juda. 16 Wiens wet niet zwak noch veranderlijk zou zijn, maar onveranderlijk en volmaakt. 20 Wiens priesterdom daarom ook met een eed bevestigd is. 23 En altijd duurt, omdat Hij altijd leeft. 25 En daarom ook de zijnen volkomen zalig kan maken. 26 Waaruit hij alles besluit tot de heerlijkheid en waardigheid van onze Hogepriester. 27 En de volmaaktheid van zijn offerande, die eenmaal geschiedde.*

**1** [^hebreeen-7-1-a] Want[^hebreeen-7-1-1] deze Melchizedek was koning[^hebreeen-7-1-2] van Salem, een priester[^hebreeen-7-1-3] van de Allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij keerde terug van het slaan van de koningen, en[^hebreeen-7-1-4] hem zegende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v1)

**2** Aan welke ook Abraham van alles[^hebreeen-7-2-5] de tienden deelde;[^hebreeen-7-2-6] die allereerst overgezet wordt, koning[^hebreeen-7-2-7] van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is[^hebreeen-7-2-8] een koning van de vrede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v2)

**3** [^hebreeen-7-3-9] Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar[^hebreeen-7-3-10] de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v3)

**4** [^hebreeen-7-4-11] Let nu op, hoe groot deze geweest zij, aan die ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit de buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v4)

**5** En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen,[^hebreeen-7-5-12][^hebreeen-7-5-b] hebben wel bevel[^hebreeen-7-5-13] om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is,[^hebreeen-7-5-14] van hun broeders, hoewel die uit de middel van Abraham voortgekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v5)

**6** Maar hij, die zijn[^hebreeen-7-6-15] geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft[^hebreeen-7-6-16][^hebreeen-7-6-c] van Abraham tienden genomen, en[^hebreeen-7-6-17] hem, die de beloftenissen had, heeft[^hebreeen-7-6-18] hij gezegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v6)

**7** Nu, zonder[^hebreeen-7-7-19] enig tegenspreken, wat minder is, wordt gezegend[^hebreeen-7-7-20] van wat meerder is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v7)

**8** En hier nemen wel tienden[^hebreeen-7-8-21] de mensen, die sterven, maar daar neemt ze die,[^hebreeen-7-8-22] van welke getuigd wordt, dat hij leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v8)

**9** En,[^hebreeen-7-9-23] om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft[^hebreeen-7-9-24] door Abraham tienden gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v9)

**10** Want[^hebreeen-7-10-25] hij was nog in de middel van de vader, als hem Melchizedek tegemoet ging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v10)

**11** [^hebreeen-7-11-d] Als dan nu[^hebreeen-7-11-26] de volkomenheid door het Levietische priesterschap was (want[^hebreeen-7-11-27] onder hetzelfde heeft het volk[^hebreeen-7-11-28] de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat[^hebreeen-7-11-29] een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v11)

**12** Want het priesterschap veranderd zijnde, zo gebeurt er ook noodzakelijk[^hebreeen-7-12-30] verandering van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v12)

**13** Want Hij, op Wie deze dingen[^hebreeen-7-13-31] gezegd worden,[^hebreeen-7-13-32] behoort tot een andere stam, van welke[^hebreeen-7-13-33] niemand zich tot het altaar begeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v13)

**14** Want het is openbaar,[^hebreeen-7-14-e] dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welke stam Mozes niets gesproken heeft[^hebreeen-7-14-34] van het priesterschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v14)

**15** En dit is nog veel meer openbaar, zo er[^hebreeen-7-15-35] naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v15)

**16** Die dit niet[^hebreeen-7-16-36] naar de wet van het vleselijke gebod is geworden, maar[^hebreeen-7-16-37] naar de kracht van[^hebreeen-7-16-38] de onvergankelijken levens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v16)

**17** Want Hij getuigt:[^hebreeen-7-17-f] U bent Priester[^hebreeen-7-17-39] in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v17)

**18** Want[^hebreeen-7-18-40] de vernietiging van het voorgaande gebod gebeurt om zijn zwakheids en[^hebreeen-7-18-41] onprofijtelijkheids wil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v18)

**19** [^hebreeen-7-19-g] Want[^hebreeen-7-19-42] de wet heeft geen ding volmaakt,[^hebreeen-7-19-h] maar[^hebreeen-7-19-43] de aanleiding van een betere hoop, door welke[^hebreeen-7-19-44] wij tot God naderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v19)

**20** En voor zoveel het niet zonder eedzwering[^hebreeen-7-20-45] is gebeurd, (want[^hebreeen-7-20-46] anderen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v20)

**21** Maar[^hebreeen-7-21-47] Deze met eedzwering, door Die, Die tot Hem gezegd heeft:[^hebreeen-7-21-i] De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v21)

**22** [^hebreeen-7-22-48] Van een zoveel beter verbond is Jezus[^hebreeen-7-22-49] Borg geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v22)

**23** En anderen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v23)

**24** Maar Deze, omdat Hij in de eeuwigheid blijft, heeft een[^hebreeen-7-24-50] onvergankelijk Priesterschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v24)

**25** Waarom Hij ook[^hebreeen-7-25-51] volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem[^hebreeen-7-25-52] tot God gaan, zo Hij[^hebreeen-7-25-53] altijd leeft[^hebreeen-7-25-k] om[^hebreeen-7-25-54] voor hen te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v25)

**26** Want zulk een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en[^hebreeen-7-26-55] hoger dan de hemelen geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v26)

**27** Die het niet[^hebreeen-7-27-56] allen dag nodig was, zoals de hogepriesters,[^hebreeen-7-27-l] eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want[^hebreeen-7-27-57] dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelf opgeofferd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v27)

**28** Want[^hebreeen-7-28-58] de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar[^hebreeen-7-28-59] het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in de[^hebreeen-7-28-60] eeuwigheid geheiligd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/7.html#v28)

[^hebreeen-7-1-a]: Verwijzing a: Gen. 14:18. Genesis 14:18: En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste Gods.
[^hebreeen-7-1-1]: Kanttekening 1: 1 deze Melchizedek: De apostel verhaalt deze geschiedenis van Melchizedek uit Gen. 14:17, enz., gelijk ook hierna uit Ps. 110, in welke plaatsen van het Oude Testament alleen van hem gewag gemaakt wordt. Sommigen menen, dat deze geweest is Sem, de zoon van Noach, de voorvader van Abraham, welke Sem alsdan nog heeft geleefd, gelijk uit de vergelijking van zijn ouderdom met deze tijd, dat dit Abraham is geschied, blijkt, in wiens huisgezin zonder twijfel de rechte kennis en dienst van God is gebleven. Maar hiertegen strijdt, dat hij hierna gezegd wordt geweest te zijn zonder vader, zonder moeder en zonder geslachtregister. Genesis 14:17: En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij teruggekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal van de koning.
[^hebreeen-7-1-2]: Kanttekening 2: 2 van Salem: Meest al de oude leraars menen, dat dit Salem is geweest de stad die daarna Jeruzalem wordt genoemd; hoewel Hieronymus met enige anderen houden, dat dit Salem is geweest omtrent de Jordaan, waarvan gewag gemaakt wordt Joh. 3:23, omtrent welke stad enige vlakke velden zijn geweest, waarvan gesproken wordt Gen. 14:17; en Hieronymus getuigt dat in zijn tijd de overblijfselen van het paleis van Melchizedek in dit Salem aan de Jordaan nog werden getoond. Johannes 3:23: En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, omdat daar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. Genesis 14:17: En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij teruggekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal van de koning.
[^hebreeen-7-1-3]: Kanttekening 3: 3 van de allerhoogste God: Dat is, van de waarachtige God, de bezitter van hemel en aarde, gelijk Melchizedek spreekt Gen. 14:19; met welke titel hij hem onderscheidt van de priesters van de valse goden, waar de wereld eertijds mee vervuld was, welke ook zelfs enige voorouders van Abraham over de Eufraat gediend hebben; Joz. 24:14. Genesis 14:19: En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! Jozua 24:14: En nu, vreest YHWH, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan de overzijde van de rivier, en in Egypte; en dient YHWH.
[^hebreeen-7-1-4]: Kanttekening 4: 4 hem zegende: Namelijk als een priester van de Allerhoogste, en met priesterlijk gezag, gelijk het bewijs, dat Paulus vers 7 hieruit trekt, ook vereist. Hebreeën 7:7: Nu, zonder enig tegenspreken, wat minder is, wordt gezegend van wat meerder is.
[^hebreeen-7-2-5]: Kanttekening 5: 5 de tienden deelde: Dit was ook een daad van Abraham aan Melchizedek als priester. Van andere priesterlijke handelingen spreekt Paulus hier nergens, die hier nochtans alles overweegt, waarin het priesterschap van Melchizedek het priesterschap van Levi te boven ging. Zo wordt dan kwalijk van enige hier bijgebracht het offeren van brood en wijn, waar hier geen gewag van gemaakt wordt. Maar wordt Gen. 14:18 niet van het offeren, maar van het voortbrengen van brood en wijn gesproken, als van een koninklijk geschenk, daartoe dienende, om het gezelschap van Abraham, dat uit de slag vermoeid was, met voedsel en drank te verkwikken, gelijk Josefus dit ook zo verhaalt Antiq. Jud. lib. 1, cap. 11. Genesis 14:18: En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God.
[^hebreeen-7-2-6]: Kanttekening 6: 6 die vooreerst overgezet wordt: Namelijk Melchizedek, als een figuur en voorbeeld van Christus, waarvan de apostel de eigenschappen, zo van zijn namen als andere hoedanigheden zo aantekent, dat hij die meteen in Christus de Zoon van God bewijst waarlijk vervuld te zijn.
[^hebreeen-7-2-7]: Kanttekening 7: 7 koning van de gerechtigheid: Zo wordt Christus naar het voorbeeld van Melchizedek genoemd, niet alleen omdat hij zelf rechtvaardig is, maar ook omdat hij ons de ware rechtvaardigheid voor God geworden is; 1 Kor. 1:30; 2 Kor. 5:21. 1 Korinthiërs 1:30: Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 2 Korinthiërs 5:21: Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^hebreeen-7-2-8]: Kanttekening 8: 8 een koning van de vrede: Dat is, waarin hij ook was een voorbeeld van Christus, die ons de eeuwige vrede met God heeft verworven; Rom. 5:1. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus;
[^hebreeen-7-3-9]: Kanttekening 9: 9 Zonder vader: Dit volgende wordt van Melchizedek als Christus' voorbeeld gezegd, omdat in het verhaal van de geschiedenis Gen. 14, en Ps. 110 van geen van deze gewag gemaakt wordt, maar omdat hij ingevoerd wordt als een mens \[om zo te spreken\] uit de hemel gevallen, en zonder begin en einde, dat in Christus in waarheid vervuld wordt. Want hij is zonder vader, ten aanzien van zijn menselijke natuur, en zonder moeder en geslachtregister, ten aanzien van zijn Goddelijke natuur; gelijk ook zonder begin en einde van het leven.
[^hebreeen-7-3-10]: Kanttekening 10: 10 de Zoon van God: Hieruit blijkt, dat Melchizedek de Zoon van God zelf, die zich in menselijke gedaante aan Abraham zou vertoond hebben, niet is geweest, gelijk sommigen ook hebben gemeend; maar dat hij alleen een voorbeeld en gelijkenis van de Zoon van God heeft gedragen.
[^hebreeen-7-4-11]: Kanttekening 11: 11 Aanmerkt nu: Van hier af tot vers 11 verheft de apostel Melchizedek boven Abraham; en van vers 11 verder verheft hij het priesterschap van Christus boven het priesterschap van de Levieten en bewijst dat dit, als onvolmaakt, een einde moest hebben, maar Christus' Priesterschap altijd zou duren. Hebreeën 7:11: Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder het heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron? Hebreeën 7:11: Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder het heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron?
[^hebreeen-7-5-12]: Kanttekening 12: 12 hebben wel bevel: Namelijk van God. Zie de wet daarvan Num. 18:24, enz. Numeri 18:24: Want de tienden van de kinderen van Israël, die zij YHWH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen van Israël geen erfenis erven.
[^hebreeen-7-5-b]: Verwijzing b: Num. 18:21; Deut. 18:1; Joz. 14:4; 2 Kron. 31:5. Numeri 18:21: En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. Deuteronomium 18:1: De Levietische priesters, de gehele stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël; de vuuroffers van YHWH en zijn erfdeel zullen zij eten. Jozua 14:4: Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting. 2 Kronieken 31:5: Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen van Israël vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte.
[^hebreeen-7-5-13]: Kanttekening 13: 13 om tienden te nemen van het volk: Grieks om het volk te vertienen.
[^hebreeen-7-5-14]: Kanttekening 14: 14 van hun broeders: Dat is, de andere Israëlieten, die mee van Abraham afkomstig waren.
[^hebreeen-7-6-15]: Kanttekening 15: 15 uit hen niet heeft: Namelijk uit de Levieten.
[^hebreeen-7-6-16]: Kanttekening 16: 16 van Abraham tienden genomen: Grieks Abraham vertiend.
[^hebreeen-7-6-c]: Verwijzing c: Gen. 14:20. Genesis 14:20: En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
[^hebreeen-7-6-17]: Kanttekening 17: 17 hem, die de beloftenissen had: Namelijk Abraham de voorvader, die de belofte had dat in zijn zaad alle geslachten zouden gezegend worden; Gen. 12:3, en Gen. 22:18. Genesis 12:3: En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. Genesis 22:18: En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
[^hebreeen-7-6-18]: Kanttekening 18: 18 hij gezegend: Namelijk Melchizedek, Gen. 14:19. Genesis 14:19: En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
[^hebreeen-7-7-19]: Kanttekening 19: 19 enig tegenspreken: Grieks alle.
[^hebreeen-7-7-20]: Kanttekening 20: 20 van wat meerder is: Hij spreekt hier van een plechtige en priesterlijke zegening, waardoor iemand als een priester en gezant Gods een ander zegent, gelijk hier Melchizedek aan Abraham heeft gedaan. Want anders kan ook een mindere wel een meerdere zegenen, of voor hem bidden.
[^hebreeen-7-8-21]: Kanttekening 21: 21 de mensen: Dat is, de priesters, die door de dood worden weggenomen en voor andere navolgers plaats maken.
[^hebreeen-7-8-22]: Kanttekening 22: 22 van welke getuigd wordt: Dit verstaan sommigen van Melchizedek, omdat in de geschiedenis, Gen. 14, van zijn dood geen gewag wordt gemaakt, noch van iemand die in zijn priesterschap op aarde is gevolgd. Zie vers 3, 7:16. Maar kan dit ook uit Ps. 110 genomen zijn, waar gezegd wordt: u bent priester in eeuwigheid, dat van Christus verstaan wordt, die altijd leeft, en van Abraham tienden nam in de persoon van Melchizedek. Hebreeën 7:3: Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. Hebreeën 7:16: Die dit niet naar de wet van het vleselijke gebod is geworden, maar naar de kracht van het onvergankelijke leven.
[^hebreeen-7-9-23]: Kanttekening 23: 23 om zo te spreken: Of om met één woord te spreken.
[^hebreeen-7-9-24]: Kanttekening 24: 24 door Abraham tienden gegeven: Of in Abraham, gelijk dit Griekse woord dia (διά) soms betekent. Zie Rom. 4:11, en wordt uit vers 10 deze verklaring ook versterkt. Romeinen 4:11: En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; Hebreeën 7:10: Want hij was nog in de lenden van de vader, als hem Melchizedek tegemoet ging.
[^hebreeen-7-10-25]: Kanttekening 25: 25 hij was nog in de lenden van de vader: Namelijk Levi. Want hoewel ook Christus uit de lendenen van David, en vervolgens ook uit Abraham gesproten is, zo is dat nochtans alleen naar zijn menselijke natuur, en op een buitengewone wijze geschied, die zich daarom van deze onderwerping bevrijdde, gelijk ook van de zonde, waarmee allen in Adam gezondigd hebben; Rom. 5:12. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben.
[^hebreeen-7-11-d]: Verwijzing d: Gal. 2:21. Galaten 2:21: Ik doe de genade van God niet te niet; want als de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.
[^hebreeen-7-11-26]: Kanttekening 26: 26 de volkomenheid: Of heiligmaking; namelijk niet alleen de uitwendige naar het vlees, maar ook de inwendige naar de geest, en die voor God bestaat; waaronder ook de ware verzoening met God wordt begrepen. Zie Hebr. 10:14. Hebreeën 10:14: Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
[^hebreeen-7-11-27]: Kanttekening 27: 27 want onder het: Of naast; dat is, met de instelling van het priesterschap. Anderen zetten het over van over of het; namelijk Levietisch priesterschap heeft het volk van Israël de wet door Mozes ontvangen, dat is, heeft God door Mozes het volk van Israël aan de wet van het Levietisch priesterschap en zijn hele dienst verbonden, zo dat het volk in zijn heiligmaking de dienst en het beleid van het priesterschap alleen moest gebruiken.
[^hebreeen-7-11-28]: Kanttekening 28: 28 de wet ontvangen: Sommigen nemen dit alleen van de wet van de priesterlijke bediening en van de ceremoniën, die aan het Levietische priesterschap verbonden waren, gelijk ook hierna vers 12. Anderen nemen het breder voor de gehele wet van Mozes, zo van de zeden als van de ceremoniën, omdat God het priesterschap onder de Levieten heeft ingesteld, opdat zij bewaarders, uitleggers en bedienaars zouden zijn van deze wet. Zie Hag. 2:12; Mal. 2:6,7. Hebreeën 7:12: Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering van de wet. Haggai 2:12: Zo zegt YHWH van de heirscharen: Vraag nu de priesters de wet, zeggende:
[^hebreeen-7-11-29]: Kanttekening 29: 29 een ander priester: Namelijk gelijk God door David in Ps. 110 met eedzwering betuigt.
[^hebreeen-7-12-30]: Kanttekening 30: 30 verandering van de wet: Sommigen nemen dit ook alleen van de wet van het priesterschap in de stam van Levi met de ceremoniën, gelijk in vers 11 is aangetekend. Anderen nemen het voor de gehele wet, waardoor Gods ordinantie aaneen was gehecht, en de ene met de andere zo ingewikkeld, dat de ene zonder de andere niet kon veranderd worden, omdat dit priesterschap van Levi of Aäron een groot deel van dezelfde wet omvatte, gelijk in meest al de instellingen van de wet te zien is. En deze zin schijnen vers 18, 7:19 te bevestigen. Hebreeën 7:11: Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder het heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron? Hebreeën 7:18: Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om daarvan zwakheids en onprofijtelijkheids wil; Hebreeën 7:19: Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.
[^hebreeen-7-13-31]: Kanttekening 31: 31 gezegd worden: Namelijk in Ps. 110.
[^hebreeen-7-13-32]: Kanttekening 32: 32 behoort tot een anderen stam: Grieks is deelachtig geworden een anderen stam; namelijk de stam van Juda, gelijk Jakob Gen. 49:10 voorzegd had, dat de Silo, of Messias, uit de stam van Juda moest voortkomen, dat in de persoon van Jezus Christus vervuld te zijn aan alle Christenen aan wie Paulus hier schrijft, bekend was, gelijk in de volgende verzen wordt verklaard. Genesis 49:10: De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Die zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^hebreeen-7-13-33]: Kanttekening 33: 33 niemand zich tot het altaar begeven heeft: Namelijk wettelijk. Want als de koning Uzzia uit de stam van Juda zulks wil bestaan, is hij daarvoor door God met melaatsheid gestraft; 2 Kron. 26:19. 2 Kronieken 26:19: Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van YHWH, van boven het reukaltaar.
[^hebreeen-7-14-e]: Verwijzing e: Jes. 11:1; Matt. 1:3. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Mattheüs 1:3: En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram;
[^hebreeen-7-14-34]: Kanttekening 34: 34 van het priesterschap: Dat is, van de bediening van het priesterschap. Want anders moesten ook de koningen zorg dragen dat de priesters hun ambt recht bedienden, gelijk in David, Salomo, Hizkia, Josia en anderen te zien is.
[^hebreeen-7-15-35]: Kanttekening 35: 35 naar de gelijkenis van Melchizedek: Daarmede verklaart de apostel wat hij hier tevoren genoemd heeft de ordeningen van Melchizedek.
[^hebreeen-7-16-36]: Kanttekening 36: 36 naar de wet van het vleselijke gebod: Dat is, door de wet van de ceremoniëele geboden, die in uitwendige en vleselijke, of vergankelijke reinigmakingen en heiligmakingen bestonden, als daar waren van de kleding van de priesters, zalving, wassing, offerande, enz., waardoor zij in hun dienst ingewijd werden, en die het lichaam en de uitwendige stand van de mensen alleen raakten. Maar hier valt op te merken, dat de apostel van deze ceremoniën spreekt naar het algemeen gevoelen van de Joden, die in deze uitwendige dingen de heiligmaking zochten, daar zij die alleen hadden moeten aanzien als voorbeelden en schaduwen van Christus, gelijk in de volgende hoofdstukken wordt geleerd.
[^hebreeen-7-16-37]: Kanttekening 37: 37 naar de kracht: Dat is, door de kracht van God en zalving van de Heilige Geest, die onvergankelijk op hem zou blijven, en hem tot een eeuwig priester stellen, die altijd zou leven om voor ons te bidden, en de kracht van Zijn offerande ons ook tot een onvergankelijk leven toe te eigenen. Zie hierna vers 25; Rom. 6:9, 6:10; Openb. 1:18. Hebreeën 7:25: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, zo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Romeinen 6:9: Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Romeinen 6:10: Want dat Hij gestorven is, dat is Hij van de zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij voor God. Openbaring 1:18: En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood.
[^hebreeen-7-16-38]: Kanttekening 38: 38 onvergankelijke leven: Grieks onlosmakelijken.
[^hebreeen-7-17-f]: Verwijzing f: Ps. 110:4; Hebr. 5:6. Psalmen 110:4: De YHWH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: u bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Hebreeën 5:6: Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: u bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
[^hebreeen-7-17-39]: Kanttekening 39: 39 in eeuwigheid: Dat is, zonder dat het priesterdom van Christus aan enige veranderingen zou onderworpen zijn. Want hoewel ook sommige ceremoniën van het Oude Testament worden gezegd in eeuwigheid ingesteld te zijn, gelijk van de besnijdenis gezegd wordt, Gen. 17:13; van het Pascha, Ex. 12:14; van de Sabbat, Ex. 31:16; van de offeranden, Num. 18:19; nochtans kan dat van de ceremoniën, in zichzelf aangezien, niet verstaan worden, maar alleen te aanzien van haar betekenende zaak in Christus en tot een tijd van de komst van Christus, door wie de ceremoniën moesten teniet gedaan worden, gelijk de apostel hier en de Schrift elders alom getuigt. Genesis 17:13: De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond. Exodus 12:14: En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en u zult hem YHWH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. Exodus 31:16: Dat dan de kinderen van Israël de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond. Numeri 18:19: Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël YHWH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van YHWH, voor u en voor uw zaad met u.
[^hebreeen-7-18-40]: Kanttekening 40: 40 de vernietiging: Of afschaffing.
[^hebreeen-7-18-41]: Kanttekening 41: 41 onprofijtelijkheids wil: Namelijk om daardoor naar de geest gereinigd te worden, gelijk de Joden in het gebruik daarvan hunne heiligheid en volmaaktheid zochten; hoewel deze ceremoniën de oprechte Israëlieten dienden, om daardoor tot Christus en zijn heiligmaking gebracht te worden, dat een grote nuttigheid was, maar met de komst van Christus eindigde.
[^hebreeen-7-19-g]: Verwijzing g: Hand. 13:39; Rom. 3:28; Rom. 8:3; Gal. 2:16. Handelingen 13:39: En dat van alles, waarvan u niet konde gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een iedereen, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. Romeinen 3:28: Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Galaten 2:16: Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.
[^hebreeen-7-19-42]: Kanttekening 42: 42 de wet heeft geen ding volmaakt: Namelijk de ceremoniën, waarvan hij hier eigenlijk spreekt, noch ook zelfs de wet van de zeden, omdat zij door het vlees daartoe onmachtig was, gelijk Paulus betuigt Rom. 8:3. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
[^hebreeen-7-19-h]: Verwijzing h: Joh. 1:17; Rom. 3:21. Johannes 1:17: Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Romeinen 3:21: Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:
[^hebreeen-7-19-43]: Kanttekening 43: 43 de aanleiding van een betere hoop: Of, invoering van een betere hoop; namelijk volmaakt alle dingen, waardoor de kracht van het Nieuwe Verbond en van het priesterschap van Christus wordt verstaan, welke een betere hoop genaamd wordt, omdat het de ware heiligmaking in ons krachtig teweeg brengt. Anderen zetten het over: maar was een aanleiding tot ene betere hoop; namelijk de wet zelf, die daarom ook een leidsman tot Christus genaamd wordt, Gal. 3:24. Maar de eigen betekenis van het Griekse woord epelsàgoge vereist meer de eerste zin, daar het medebrengt een invoering of aanleiding van een zaak boven iets dat tevoren was. Galaten 3:24: Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
[^hebreeen-7-19-44]: Kanttekening 44: 44 wij tot God genaken: Want door Christus en zijn priesterschap hebben wij een open toegang tot God zelf; Rom. 5:2. Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God.
[^hebreeen-7-20-45]: Kanttekening 45: 45 is geschied: Namelijk dat Christus een eeuwig Priester is geworden.
[^hebreeen-7-20-46]: Kanttekening 46: 46 genen zijn wel zonder eedzwering: Namelijk de Levietische priesters.
[^hebreeen-7-21-47]: Kanttekening 47: 47 Deze met eedzwering: Namelijk Christus.
[^hebreeen-7-21-i]: Verwijzing i: Ps. 110:4. Psalmen 110:4: De YHWH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: u bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
[^hebreeen-7-22-48]: Kanttekening 48: 48 Van een zoveel beter verbond: Of voor zo veel is Jezus borg van een beter verbond geworden; namelijk omdat het door een onveranderlijken eed Gods is bevestigd, en daarom ook onveranderlijk is en krachtig om ons zalig te maken, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^hebreeen-7-22-49]: Kanttekening 49: 49 borg geworden: Dat is, Middelaar, gelijk hij ook genaamd wordt, Hebr. 8:6, en Hebr. 9:15, en Hebr. 12:24. Hebreeën 8:6: En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. Hebreeën 9:15: En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden. Hebreeën 12:24: En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.
[^hebreeen-7-24-50]: Kanttekening 50: 50 onvergankelijk Priesterschap: Het Griekse woord aparabaton (ἀπαράβατον) betekent eigenlijk, wat tot niemand anders over gaat, gelijk het Levietisch priesterschap tot de eeuwige priester naar de ordening van Melchizedek moest overgaan, en daarom het eerste vergaan en dit eeuwig blijven. Of wat niet van hem overgaat tot een anderen opvolger, gelijk het Levietisch priesterschap deed.
[^hebreeen-7-25-51]: Kanttekening 51: 51 volkomenlijk kan zalig maken: Of ten volle, tot het volle einde toe; zo dat er niets aan ontbreekt, dat het Griekse woord medebrengt. Zodat buiten hem geen deel van de zaligheid òf in ons zelf, òf in iemand anders te zoeken of te vinden is.
[^hebreeen-7-25-52]: Kanttekening 52: 52 tot God gaan: Namelijk door een waarachtig en levend geloof. Zie Hebr. 10:19, enz. Hebreeën 10:19: Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
[^hebreeen-7-25-53]: Kanttekening 53: 53 altijd leeft: Namelijk in de hemel, in zijn heerlijkheid, ter rechterhand van Zijn Vader, daar altijd vervullende het andere deel van zijn hogepriestersambt, de voorbidding.
[^hebreeen-7-25-k]: Verwijzing k: 1 Tim. 2:5; 1 Joh. 2:1. 1 Timotheüs 2:5: Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en van de mensen, de Mens Christus Jezus; 1 Johannes 2:1: Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige;
[^hebreeen-7-25-54]: Kanttekening 54: 54 voor hen te bidden: Zie de verklaring hiervan Rom. 8:34, en hierna Hebr. 9:24. Romeinen 8:34: Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
[^hebreeen-7-26-55]: Kanttekening 55: 55 hoger dan de hemelen geworden: Dat is, boven alle zichtbare hemelen, in de troon van Zijn Vader, tot de hoogste heerlijkheid verheven; Ef. 4:10; Openb. 3:21. Efeziërs 4:10: Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Openbaring 3:21: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
[^hebreeen-7-27-56]: Kanttekening 56: 56 allen dag nodig was: Dat is, dikwijls, of op alle bestemde dagen. Zie Hebr. 9:7. Hebreeën 9:7: Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelven en voor de misdaden van het volk.
[^hebreeen-7-27-l]: Verwijzing l: Levit. 9:7; Levit. 16:6; Hebr. 5:3. Leviticus 9:7: En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als YHWH geboden heeft. Leviticus 16:6: Daarna zal Aäron de var van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen. Hebreeën 5:3: En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, zo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.
[^hebreeen-7-27-57]: Kanttekening 57: 57 dat heeft Hij eenmaal gedaan: Namelijk voor de zonden van het volk geofferd, want hij zelf had geen zonde om voor zichzelf te offeren, gelijk in vers 26 is betuigd. Hebreeën 7:26: Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;
[^hebreeen-7-28-58]: Kanttekening 58: 58 de wet stelt: Namelijk door Mozes gegeven.
[^hebreeen-7-28-59]: Kanttekening 59: 59 het woord van de eedzwering: Namelijk door David, Ps. 110 verklaard, nadat de wet enige honderden jaren tevoren was gegeven, dat de apostel er bijvoegt, om te bewijzen dat de laatste instelling de vorige teniet doet.
[^hebreeen-7-28-60]: Kanttekening 60: 60 geheiligd is: Of volmaakt, ingewijd; gelijk meermalen tevoren. Zie Hebr. 2:10. Hebreeën 2:10: Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.

### Hebreeën 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/8.json)

*1 De apostel verhaalt, uit wat nu bewezen is, wat voor een uitnemende Hogepriester wij hebben. 3 En wat voor een offerande Hij ook moest hebben. 4 Bewijst dat zijn bediening niet moest zijn zoals die van de andere priesters, die het voorbeeld hier op aarde dienden, maar dat die moest zijn in de hemel, naar de hemelse afbeelding. 6 Komt daarna tot de beschrijving van de uitnemendheid van het Nieuwe Verbond, waarvan Hij Middelaar is. 8 En verhaalt uit Jeremia hoofdstuk 31 de instelling en beloften ervan. 13 En besluit daaruit dat het oude is tenietgedaan.*

**1** [^hebreeen-8-1-1] De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is,[^hebreeen-8-1-a] dat wij hebben zulk een Hogepriester,[^hebreeen-8-1-b] Die gezeten is[^hebreeen-8-1-2] aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v1)

**2** Een Dienaar[^hebreeen-8-2-3] van het heiligdom, en[^hebreeen-8-2-4] van de ware[^hebreeen-8-2-5] tabernakel, die de Heere heeft opgericht, en geen mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v2)

**3** [^hebreeen-8-3-6] Want ieder hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtoffers te offeren;[^hebreeen-8-3-c] waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze[^hebreeen-8-3-7] wat had, dat Hij zou offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v3)

**4** Want als Hij op aarde was,[^hebreeen-8-4-8] zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, omdat er priesters zijn, die[^hebreeen-8-4-9] naar de wet gaven offeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v4)

**5** [^hebreeen-8-5-d] Die het voorbeeld en de schaduw[^hebreeen-8-5-10] van de hemelse dingen dienen, zoals Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was,[^hebreeen-8-5-e] als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar[^hebreeen-8-5-11] de afbeelding,[^hebreeen-8-5-12] die u[^hebreeen-8-5-13] op de berg getoond is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v5)

**6** [^hebreeen-8-6-f] En nu heeft[^hebreeen-8-6-14] Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook[^hebreeen-8-6-15] Middelaar van een beter verbond is, dat in[^hebreeen-8-6-16] betere beloftenissen[^hebreeen-8-6-17] bevestigd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v6)

**7** Want als dat eerste[^hebreeen-8-7-18] verbond onberispelijk geweest was, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v7)

**8** Want[^hebreeen-8-8-19][^hebreeen-8-8-20] hen berispende, zegt Hij tot hen:[^hebreeen-8-8-g] Zie,[^hebreeen-8-8-21] de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal[^hebreeen-8-8-22] over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw[^hebreeen-8-8-23] verbond[^hebreeen-8-8-24] oprichten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v8)

**9** Niet naar het verbond, dat Ik[^hebreeen-8-9-25] met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb[^hebreeen-8-9-26] op hen niet geacht, zegt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v9)

**10** Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël[^hebreeen-8-10-27] maken zal na die dagen, zegt de Heere:[^hebreeen-8-10-h] Ik zal Mijn wetten[^hebreeen-8-10-28] in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven;[^hebreeen-8-10-i] en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v10)

**11** [^hebreeen-8-11-k]En zij zullen[^hebreeen-8-11-29] niet leren, ieder zijn naaste, en ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij[^hebreeen-8-11-30] allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v11)

**12** Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik[^hebreeen-8-12-31] in geen geval meer gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v12)

**13** [^hebreeen-8-13-32] Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste[^hebreeen-8-13-33] oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij[^hebreeen-8-13-34] de verdwijning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/8.html#v13)

[^hebreeen-8-1-1]: Kanttekening 1: 1 hoofdsom nu van de dingen: Of het hoofdstuk onder, of in de dingen; d.i., het voornaamste; want beide betekent het Griekse woord kephalaion (Κεφάλαιον).
[^hebreeen-8-1-a]: Verwijzing a: Hebr. 3:1; Hebr. 4:14; Hebr. 6:20; Hebr. 9:11. Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onze belijdenis, Christus Jezus; Hebreeën 4:14: Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-8-1-b]: Verwijzing b: Ef. 1:20; Kolos. 3:1; Hebr. 12:2. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Kolossensen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Hebreeën 12:2: Ziende op de oversten Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God.
[^hebreeen-8-1-2]: Kanttekening 2: 2 aan de rechterhand: Dat is, aan de rechterhand van God die gezeten is op de troon van Zijn Majesteit, of Heerlijkheid, in de derde of hoogste hemel. Zie Hebr. 1:3, Hand. 3:21. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Handelingen 3:21: Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.
[^hebreeen-8-2-3]: Kanttekening 3: 3 van het heiligdom: Grieks van de heilige; waardoor de hemel, van welke het heilige van de heiligen een voorbeeld is geweest, gelijk hierna Hebr. 9:8, 9:12, verstaan wordt; dat van het eerste deel van de tabernakel hier wordt onderscheiden, waar de priesters alle dagen ingingen; maar de hogepriester ging maar eenmaal per jaar in het heiligdom of heilige van de heiligen, gelijk in het begin van Hebr. 9 nader verklaard wordt. Hebreeën 9:8: Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
[^hebreeen-8-2-4]: Kanttekening 4: 4 van de ware: Het woord waren, wordt hier gesteld tegen de schaduwen, gelijk Joh. 1:17. Johannes 1:17: Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
[^hebreeen-8-2-5]: Kanttekening 5: Gelijk door het heilige van de heiligen de hemel wordt afgebeeld, zo wordt door deze tabernakel verstaan de menselijke natuur van Christus, die daarbij ook wordt vergeleken, Joh. 1:14, en Joh. 2:19 en Hebr. 9:11, en in welke de volheid van de Godheid lichamelijk woont, als in zijn tempel of tabernakel, Kol. 2:9, die door kracht van de Heilige Geest is ontvangen en door geen mens is opgericht, en door welker opoffering en bloed van Christus in het heilige van de heiligen is ingegaan, dat met vers 3 wel overeenkomt. Waarvan Christus ook een dienaar kan gezegd worden, omdat hij die zijn menselijke natuur heeft geheiligd tot een bekwame offerande, om daarin de zonden van Zijn volk te verzoenen, en het werk van onze zaligheid te volbrengen. Zie Joh. 17:19, en hierna Hebr. 9:11, waar dit zo in het brede wordt verklaard. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 2:19: Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik die oprichten. Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Kolossensen 2:9: Want in Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; Hebreeën 8:3: Want iedere hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren. Johannes 17:19: En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-8-3-6]: Kanttekening 6: 6 Want iedere hogepriester: Dit woord want, geeft reden waarom hij in vers 2 gezegd heeft, dat Christus is een dienaar van de ware tabernakel van Zijn lichaam, namelijk omdat hij als een hogepriester ook wat moest hebben dat hij zou offeren. Hebreeën 8:2: Een Dienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welken de Heer heeft opgericht, en geen mens.
[^hebreeen-8-3-c]: Verwijzing c: Ef. 5:2. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk.
[^hebreeen-8-3-7]: Kanttekening 7: 7 wat had: Namelijk zichzelf, of zijn eigen lichaam, gelijk hier voor Hebr. 7:27, en hierna Hebr. 9:14 wordt uitgedrukt. Hebreeën 7:27: Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^hebreeen-8-4-8]: Kanttekening 8: 8 zo zou Hij zelfs geen priester zijn: Namelijk omdat hij nu alles op aarde volbracht had, wat van hem, als priester, op aarde moest gebeuren. Daarom, zo zou hij uitgediend hebben; maar hij moest nog het overige deel van zijn priesterambt in de hemel in het ware heilige van de heiligen volbrengen.
[^hebreeen-8-4-9]: Kanttekening 9: 9 naar de wet gaven offeren: Dat is, behoorlijk en wettelijk. En in deze woorden is ook een reden begrepen, waarom Christus nu geen priester op aarde zou zijn, namelijk die wettelijk en volgens de ordinantie Gods het priesterschap hier bedienen zou, omdat de wet geen priester stelt dan uit de stam van Levi, en gene offeranden dan van ceremoniëele gaven, waarvan Christus geen dienaar was gesteld, maar een dienaar van wat hierdoor was afgebeeld, gelijk vers 5 ook medebrengt. Hebreeën 8:5: Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^hebreeen-8-5-d]: Verwijzing d: Kolos. 2:17; Hebr. 10:1. Kolossensen 2:17: Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Hebreeën 10:1: Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.
[^hebreeen-8-5-10]: Kanttekening 10: 10 van de hemelse dingen dienen: Dat is, van de dingen die van Christus ook in de hemel moesten bediend en volbracht worden, en die ons tot de ingang in de hemel nodig zijn.
[^hebreeen-8-5-e]: Verwijzing e: Ex. 25:40; Hand. 7:44. Exodus 25:40: Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Handelingen 7:44: De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
[^hebreeen-8-5-11]: Kanttekening 11: 11 de afbeelding: Of, voorschrift, voordruk, patroon, voorbeeld, waar men iets naar doet of bouwt.
[^hebreeen-8-5-12]: Kanttekening 12: 12 die u: Namelijk in een gezicht, of, op de berg, of veeleer in de geopenden hemel, gelijk hierna, Hebr. 9:23 verklaard wordt; want Mozes heeft op de berg zijnde, dit voorbeeld in de hemel zelf gezien. Hebreeën 9:23: Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze.
[^hebreeen-8-5-13]: Kanttekening 13: 13 op de berg: Grieks in de berg; dat is, op de berg, namelijk Horeb.
[^hebreeen-8-6-f]: Verwijzing f: 2 Kor. 3:6. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
[^hebreeen-8-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk de Heer Jezus Christus.
[^hebreeen-8-6-15]: Kanttekening 15: 15 eens beteren verbonds Middelaar is: Namelijk van het verbond van de wet, en van de ceremoniën was.
[^hebreeen-8-6-16]: Kanttekening 16: 16 betere beloftenissen: Namelijk die hierna, vers 10, 8:11, 8:12, worden uitgedrukt. Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Hebreeën 8:11: En zij zullen niet leren, iedereen zijn naaste, en iedereen zijn broeder, zeggende: Ken de Heer; want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. Hebreeën 8:12: Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik in geen geval meer gedenken.
[^hebreeen-8-6-17]: Kanttekening 17: 17 bevestigd is: Grieks gewettelijkt is.
[^hebreeen-8-7-18]: Kanttekening 18: 18 onberispelijk geweest was: Dat is, waar niets aan had ontbroken, of waar men niets meer in had kunnen vereisen. Want dat volmaakt is, heeft geen plaats te geven aan iets anders van gelijke gelegenheid. Want de wet van Mozes, waarvan de ceremoniën hier als een aanhangsel worden aangemerkt, was wel in zichzelf volmaakt, zo iemand die volmaakt had onderhouden; maar vanwege de onmacht van de verdorvene natuur van de mensen, die de wet niet kon wegnemen, kon zij niemand tot de zaligheid brengen; Rom. 8:3; Gal. 3:21. Daarom heeft God dit nieuwe verbond door Christus, in de plaats van het eerste, met de mens willen maken, opdat het gebrek van het eerste hierdoor zou worden verbeterd; van welk nieuw verbond de ceremoniën ook schaduwen en voorbeelden waren, Kol. 2:17; gelijk in Hebr. 9 zal worden aangewezen, en waarvan de oude vaders ook de beloften wel hadden ontvangen, Gal. 3:17, enz.; maar de volheid daarvan is ons door Christus geopenbaard, gelijk de apostel in het vervolg uit Jer. 31 bewijst. Romeinen 8:3: Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. Galaten 3:21: Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want als er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. Kolossensen 2:17: Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Galaten 3:17: En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.
[^hebreeen-8-8-19]: Kanttekening 19: Namelijk de Israëlieten; of het, namelijk verbond.
[^hebreeen-8-8-20]: Kanttekening 20: Of het gebrek hun aanwijzende; of over hen klagende; dat is, de zwakheid, die door hun verdorvenheid in dit verbond was, aanwijzende en daarover klagende.
[^hebreeen-8-8-g]: Verwijzing g: Jer. 31:31; idem v. 32; idem v. 33; idem v. 34. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broeder, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken.
[^hebreeen-8-8-21]: Kanttekening 21: 21 de dagen komen: Namelijk ten tijde van de Messias.
[^hebreeen-8-8-22]: Kanttekening 22: 22 over het huis van Israël: Hieronder worden ook alle uitverkorenen uit de heidenen verstaan, gelijk doorgaans bij de profeten is te zien, die door het geloof deze olijfboom zouden worden ingelijfd. Zie Rom. 11:17, 11:25, 11:26; Gal. 4:26, enz. Romeinen 11:17: En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden, Romeinen 11:25: Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. Romeinen 11:26: En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is de moeder van ons allen.
[^hebreeen-8-8-23]: Kanttekening 23: Of testament.
[^hebreeen-8-8-24]: Kanttekening 24: Grieks voltooien. Zie de aantekeningen vers 10. Hebreeën 8:10: Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^hebreeen-8-9-25]: Kanttekening 25: 25 met hun vaderen gemaakt heb: Namelijk door Mozes in de woestijn.
[^hebreeen-8-9-26]: Kanttekening 26: 26 op hen niet geacht: Of Ik heb hen niet geacht. Bij de profeet staat: zou Ik met hen in het huwelijk, of als ene heer gebleven zijn? dat één zin met deze woorden heeft. Maar de apostel heeft de Griekse overzetting willen behouden, omdat in de zaak geen verschil was.
[^hebreeen-8-10-27]: Kanttekening 27: 27 maken zal na die dagen: Dat is ten volle openbaren en door de gehele wereld verbreiden. Want de belofte van dit verbond was door de wet van Mozes niet teniet gedaan, Gal. 3:17; maar is eerst door Christus vervuld, ten volle geopenbaard, en in zijn volkomenheid opgericht. Galaten 3:17: En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.
[^hebreeen-8-10-h]: Verwijzing h: Jer. 31:33. Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^hebreeen-8-10-28]: Kanttekening 28: 28 in hun verstand geven: Dat is, niet alleen in stenen tafelen of perkamenten. Zie 2 Kor. 3:3, enz. 2 Korinthiërs 3:3: Als die openbaar zijt geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van de harten.
[^hebreeen-8-10-i]: Verwijzing i: Zach. 8:8. Zacharia 8:8: En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.
[^hebreeen-8-11-k]: Verwijzing k: Joh. 6:45; idem v. 65; 1 Joh. 2:27. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Johannes 6:65: En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. 1 Johannes 2:27: En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven.
[^hebreeen-8-11-29]: Kanttekening 29: 29 niet leren: Namelijk met woorden of met schriften alleen, gelijk in het verbond van de wet geschiedde, maar zij zullen vooral van God \[namelijk door zijn Geest\] geleerd zijn, gelijk Christus spreekt Joh. 6:45, 6:65, die nochtans met zijn eigen mond hun ook het Evangelie predikte en tot de kennis van God vermaande. Dit wordt dan niet volkomen of geheel ontkend, maar bij vergelijking van de manier van onderwijzing, die in het Oude Testament geschiedde, gelijk zulke wijzen van spreken meermalen voorkomen. Zie voorbeelden daarvan Joh. 5:30, 5:45; 1 Thess. 4:9. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Johannes 6:65: En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. Johannes 5:30: Ik kan van Mijzelf niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft. Johannes 5:45: Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij de Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welke u gehoopt hebt. 1 Thessalonicensen 4:9: Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben.
[^hebreeen-8-11-30]: Kanttekening 30: 30 allen kennen: Namelijk die het van God zullen geleerd hebben, gelijk Christus getuigt in de voormelde plaats, Joh. 6:45. Want, dat hier alleen gesproken wordt van de zaligmakende kennis, en van het waarachtig geloof, blijkt uit vers 12, omdat de zonden in het nieuwe verbond niemand worden vergeven dan door het waarachtig geloof, Rom. 3:30. Sommigen nemen dit van de stand van het toekomende leven, waar geen uitwendig onderwijs meer nodig zal wezen, wanneer wij hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht, 1 Kor. 13:11; 1 Joh. 3:2. Maar uit het gehele oogmerk van de apostel blijkt dat deze beloften alle uitverkorene gelovigen van het Nieuwe Testament ook in dit leven aangaan. Johannes 6:45: Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Iedereen dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Hebreeën 8:12: Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik in geen geval meer gedenken. Romeinen 3:30: Aangezien Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. 1 Korinthiërs 13:11: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat eens kinds was. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^hebreeen-8-12-31]: Kanttekening 31: 31 in geen geval meer gedenken: Namelijk om die te straffen. Zo behoudt dan God in het nieuwe verbond geen straffen meer, wanneer Hij de zonde eens heeft vergeven, gelijk enige drijven. Hoewel Hij de zijnen nog soms uit vaderlijke liefde kastijdt tot hun best. Zie Hebr. 12:6, 12:7. Hebreeën 12:6: Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Hebreeën 12:7: Als u de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet kastijdt?)
[^hebreeen-8-13-32]: Kanttekening 32: 32 Als Hij zegt: Dusverre zijn verhaald de woorden van de profeet: nu spreekt opnieuw de apostel. Grieks in het zeggen.
[^hebreeen-8-13-33]: Kanttekening 33: 33 oud gemaakt: Of doen verouden; dat is, verklaard oud te zijn.
[^hebreeen-8-13-34]: Kanttekening 34: 34 de verdwijning: Dat is, wegneming, zo dat het uit het midden is geweerd, en niet meer gebruikt wordt.

### Hebreeën 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/9.json)

*1 Om verder de voortreffelijkheid van het priesterdom van Christus boven het Levitische aan te wijzen, beschrijft de apostel de gestalte van de uiterlijke tabernakel en van wat daarin was. 6 Alsook de dienst van de priesters daarin. 8 Verklaart dat deze slechts schaduwen en voorbeelden waren, evenals ook de reinigingen die daarin geschiedden. 11 Maar dat Christus door zijn offerande en ingang in het ware heiligdom dit alles vervuld heeft, en een eeuwige verlossing teweeggebracht heeft. 15 Betuigt dat door zijn dood het Nieuwe Testament bevestigd is. 16 Zoals de dood van de testamentmaker alle testamenten bevestigt. 18 Dat daarom ook in het Oude Testament alles met bloed werd besprengd, en dat zonder bloedstorting geen vergeving geschiedde. 23 Maar dat de hemelse dingen door betere offeranden gereinigd moesten worden. 24 Dat Christus daarom in de hemel is ingegaan, om aldaar voor ons bij God te verschijnen. 25 Nadat Hij Zichzelf op aarde eenmaal had opgeofferd. 27 En dat Hij weer uit de hemel zal komen om hen te verlossen die op Hem wachten.*

**1** Zo had dan wel ook[^hebreeen-9-1-1] het eerste[^hebreeen-9-1-2] verbond rechten van de godsdienst, en[^hebreeen-9-1-3] het wereldlijk[^hebreeen-9-1-4] heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v1)

**2** [^hebreeen-9-2-a] Want de tabernakel was toebereid,[^hebreeen-9-2-5] namelijk de eerste, waarin was[^hebreeen-9-2-6] de kandelaar, en de tafel, en[^hebreeen-9-2-7][^hebreeen-9-2-b] de toonbroden, die genoemd wordt het heilige; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v2)

**3** Maar[^hebreeen-9-3-8] achter het tweede voorhangsel was[^hebreeen-9-3-9] de tabernakel, genoemd het heilige van de heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v3)

**4** Hebbende een gouden[^hebreeen-9-4-10] wierookvat, en[^hebreeen-9-4-c] de ark van het verbond, overal met goud overdekt,[^hebreeen-9-4-11] waarin was[^hebreeen-9-4-d] de gouden kruik, daar het Manna in was, en[^hebreeen-9-4-e] de staf van Aäron, die gebloeid had, en[^hebreeen-9-4-f] de tafelen van het verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v4)

**5** [^hebreeen-9-5-g] En boven over deze ark waren[^hebreeen-9-5-12] de cherubijnen van de heerlijkheid, die[^hebreeen-9-5-13] het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v5)

**6** Deze dingen nu, zo toebereid zijnde,[^hebreeen-9-6-h] zo gingen wel de priesters[^hebreeen-9-6-14] in de eerste tabernakel,[^hebreeen-9-6-15] altijd, om de godsdiensten te volbrengen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v6)

**7** [^hebreeen-9-7-i] Maar[^hebreeen-9-7-16] in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester,[^hebreeen-9-7-17] eenmaal per[^hebreeen-9-7-18] jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de misdaden van het[^hebreeen-9-7-19] volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v7)

**8** [^hebreeen-9-8-20] Waarmee de Heilige Geest dit beduidde,[^hebreeen-9-8-k] dat[^hebreeen-9-8-21] de weg van het[^hebreeen-9-8-22] heiligdom nog niet openbaar gemaakt was,[^hebreeen-9-8-23] zolang de eerste tabernakel nog stand had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v8)

**9** Die was[^hebreeen-9-9-24] een afbeelding voor die tegenwoordigen tijd, waarin gaven en slachtoffers geofferd werden, die[^hebreeen-9-9-25] degene, die de dienst pleegde,[^hebreeen-9-9-26] niet konden heiligen naar het geweten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v9)

**10** Bestaande alleen[^hebreeen-9-10-l] in spijzen, en dranken,[^hebreeen-9-10-m] en verscheidene[^hebreeen-9-10-27] wassingen en[^hebreeen-9-10-28] rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van[^hebreeen-9-10-29] de[^hebreeen-9-10-30] verbetering opgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v10)

**11** Maar Christus,[^hebreeen-9-11-n] de Hogepriester[^hebreeen-9-11-31] van de toekomende goederen,[^hebreeen-9-11-32] gekomen zijnde, is door[^hebreeen-9-11-33] de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet[^hebreeen-9-11-34] van dit maaksel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v11)

**12** Noch door het bloed[^hebreeen-9-12-35] van de bokken en kalveren,[^hebreeen-9-12-o] maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom,[^hebreeen-9-12-36] een eeuwige[^hebreeen-9-12-37] verlossing teweeggebracht hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v12)

**13** [^hebreeen-9-13-p] Want als het bloed van de stieren en bokken, en[^hebreeen-9-13-38] de as van de jonge koe, besprengende[^hebreeen-9-13-39] de onreinen, hen[^hebreeen-9-13-40] heiligt tot de reinigheid van het vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v13)

**14** Hoeveel te meer zal[^hebreeen-9-14-q] het bloed van[^hebreeen-9-14-r] Christus, Die[^hebreeen-9-14-41] door de eeuwige Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft,[^hebreeen-9-14-42] uw geweten reinigen van[^hebreeen-9-14-43] dode werken,[^hebreeen-9-14-s] om de levende God te dienen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v14)

**15** En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe[^hebreeen-9-15-44] testament,[^hebreeen-9-15-t] opdat, de dood daartussen gekomen zijnde,[^hebreeen-9-15-45] tot verzoening van de overtredingen,[^hebreeen-9-15-46] die onder het eerste testament waren, degenen,[^hebreeen-9-15-47] die geroepen zijn,[^hebreeen-9-15-48] de beloftenis van de eeuwige erfenis ontvangen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v15)

**16** Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood van de[^hebreeen-9-16-49] testamentmaker tussenkome; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v16)

**17** [^hebreeen-9-17-v] Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v17)

**18** Waarom ook[^hebreeen-9-18-50] het eerste[^hebreeen-9-18-51] niet zonder bloed is[^hebreeen-9-18-52] ingewijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v18)

**19** [^hebreeen-9-19-53] Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij[^hebreeen-9-19-54] het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde[^hebreeen-9-19-55] zowel het boek zelf, als[^hebreeen-9-19-56] al het volk, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v19)

**20** Zeggende:[^hebreeen-9-20-x] Dit is het bloed[^hebreeen-9-20-57] van het testament, dat God aan u heeft[^hebreeen-9-20-58] geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v20)

**21** [^hebreeen-9-21-59] En hij besprengde evenzo ook de tabernakel, en al de voorwerpen van de dienst met het bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v21)

**22** En alle dingen worden[^hebreeen-9-22-60] bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting gebeurt geen vergeving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v22)

**23** [^hebreeen-9-23-61] Zo was het dan noodzaak, dat wel[^hebreeen-9-23-62] de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen[^hebreeen-9-23-63] gereinigd werden,[^hebreeen-9-23-64] maar de hemelse dingen zelf[^hebreeen-9-23-65] door betere offergaven dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v23)

**24** Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld[^hebreeen-9-24-66] van het ware, maar in de hemel zelf,[^hebreeen-9-24-67] om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v24)

**25** Noch ook, opdat Hij Zichzelf dikwijls zou opofferen,[^hebreeen-9-25-y] zoals de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat[^hebreeen-9-25-68] met vreemd bloed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v25)

**26** (Anders[^hebreeen-9-26-69] had Hij dikwijls moeten lijden[^hebreeen-9-26-70] van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal[^hebreeen-9-26-71] in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offergave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v26)

**27** En[^hebreeen-9-27-72] zoals het de mensen gezet is,[^hebreeen-9-27-73] eenmaal te sterven, en[^hebreeen-9-27-74] daarna het oordeel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v27)

**28** [^hebreeen-9-28-z] Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om[^hebreeen-9-28-75] veler zonden weg te nemen, zal voor de tweede keer[^hebreeen-9-28-76] zonder zonde gezien worden van degenen,[^hebreeen-9-28-77] die Hem verwachten tot zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/9.html#v28)

[^hebreeen-9-1-1]: Kanttekening 1: 1 het eerste verbond: Vele Griekse boeken hebben de eerste tabernakel; maar uit Hebr. 8:13, alsook uit vers 2 blijkt, dat hier beter gelezen wordt: het eerste verbond. Hebreeën 8:13: Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. Hebreeën 9:2: Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welke was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige;
[^hebreeen-9-1-2]: Kanttekening 2: 2 rechten van de godsdienst: Of rechtvaardigmakingen, of instellingen; dat is, wijzen van doen, waarnaar de godsdienst moest gericht zijn, waarin de ceremoniëele rechtvaardigmaking bestond.
[^hebreeen-9-1-3]: Kanttekening 3: 3 het wereldlijk: Of, dat wereldlijk heiligdom; dat is, dat aards is en van vergankelijke stof gemaakt, gelijk alle dingen in de wereld zijn: waarvan zie Ex. 25,26,36,37. En wordt hier gesteld tegenover de hemelse en onvergankelijke, dat hierdoor betekend wordt: gelijk de apostel hierna zal verklaren.
[^hebreeen-9-1-4]: Kanttekening 4: Zo wordt genoemd het gebouw, dat in het Oude Testament door Gods ordinantie tot de godsdienst was geheiligd, in welks plaats daarna de tempel Salomo's is gekomen. Maar Paulus beschrijft hier niet de tempel, maar de tabernakel, omdat die eerst door Mozes, naar het voorbeeld hem van God op de berg getoond, was gebouwd, en dat Salomo daarna de tempel naar deze tabernakel heeft gemaakt, zo nochtans dat hij enige andere dingen daarbij heeft gevoegd.
[^hebreeen-9-2-a]: Verwijzing a: Ex. 26:1; Ex. 36:1. Exodus 26:1: De tabernakel nu zult u maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult u ze maken. Exodus 36:1: Toen wrocht Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken YHWH wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste van het heiligdom naar alles, dat YHWH geboden had.
[^hebreeen-9-2-5]: Kanttekening 5: 5 de eerste: Dat is, het eerste deel van de tabernakel. Want de voorhof van het volk en van de priesters, waarin de vergaderingen en slachtoffers geschiedden, gaat de apostel hier voorbij, en verklaart alleen de zaken, die in de gedekte tabernakel of hut waren, en de handelingen die daarin gepleegd werden; waarvan het eerste deel het heilige, het andere deel het heilige van de heilige genoemd werd.
[^hebreeen-9-2-6]: Kanttekening 6: 6 de kandelaar: Deze kandelaar, tafel en toonbroden waren in het eerste deel van de tabernakel; Ex. 25:23, enz. Exodus 25:23: U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.
[^hebreeen-9-2-7]: Kanttekening 7: 7 de toonbroden: Grieks de voorzetting van de broden.
[^hebreeen-9-2-b]: Verwijzing b: Levit. 24:5. Leviticus 24:5: u zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.
[^hebreeen-9-3-8]: Kanttekening 8: 8 achter het tweede voorhangsel: Dat was het voorhangsel, dat het heilige van het heilige van de heiligen scheidde, en wordt het tweede genoemd, ten opzichte van het eerste voorhangsel, dat de ingang van het heilige in de tabernakel bedekte. Zie Ex. 26:36; want in de tempel was dit met muren van de voorhoven gescheiden, waarin daarom maar één voorhangsel was, dat scheurde toen Christus aan het kruis is gestorven; Luk. 23:45. Exodus 26:36: U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. Lukas 23:45: En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel van de tempel scheurde midden door.
[^hebreeen-9-3-9]: Kanttekening 9: 9 de tabernakel: Dat is, het deel van de tabernakel; want beide deze delen waren onder één dak.
[^hebreeen-9-4-10]: Kanttekening 10: Grieks thymiaterion; waardoor sommigen verstaan het reuk-altaar zelf, dat in het heilige stond, waar de priesters alle dagen ingingen om daarop te roken, gelijk vers 6 ook wordt aangewezen, en Ex. 30:6 te zien is. Welk, gelijk het dicht aan het heilige van de heiligen stond, zo menen zij dat hier gezegd wordt, dat het heilige van de heiligen hem had. Maar deze manier van spreken zou zeer ongewoon zijn, omdat hier uitdrukkelijk staat, dat het heilige van de heiligen, dat achter het tweede voorhangsel was, dit thymiaterion had, gelijk ook de ark van het verbond. Daarom wordt het bekwamer genomen voor het wierookvat, waarmee de hogepriester eenmaal van het jaar in het heilige van de heiligen ging, om te roken; dat daarom ook in het heilige van de heiligen bewaard werd, gelijk Josefus getuigt, lib. 2, tegen Appion. En hoewel Mozes daarvan geen uitdrukkelijk gewag maakt, zo kan nochtans het uit Lev. 16:12 ook genomen worden. Hebreeën 9:6: Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, te alle tijde, om de godsdiensten te volbrengen; Exodus 30:6: En u zult het zetten voor de voorhang, die voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal. Leviticus 16:12: Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht van YHWH, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen de voorhang dragen.
[^hebreeen-9-4-c]: Verwijzing c: Ex. 25:10. Exodus 25:10: Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.
[^hebreeen-9-4-11]: Kanttekening 11: 11 in welke was: Sommigen menen, dat deze woorden in welke, zien op het woord tabernakel, waarvan in vers 3 gesproken is, omdat 1 Kon. 8:9 en 2 Kron. 5;10, uitdrukkelijk gezegd wordt, dat in de ark van het verbond niet was besloten dan de twee tafelen van de wet. Maar anderen verstaan het van de ark zelf, in of omtrent welke de gouden kruik met manna en de staf van Aäron ten tijde van de tabernakel geweest zijn, gelijk te zien is Ex. 16:33, 16:34, en Num. 17:10, hoewel die ten tijde toen de tempel van Salomo was gebouwd daar niet meer in of omtrent geweest zijn, of omdat zij vergaan waren, of omdat zij ergens in een ander deel van de tempel zijn gebracht, gelijk ook het echte boek van de wet, waarvan gewag wordt gemaakt Deut. 31:26; 2 Kron. 34:14. Hebreeën 9:3: Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige van de heiligen; 1 Koningen 8:9: Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren. Exodus 16:33: Ook zei Mozes tot Aäron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht van YHWH, tot bewaring voor uw geslachten. Exodus 16:34: Gelijk als YHWH aan Mozes geboden had, zo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring. Numeri 17:10: Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven. Deuteronomium 31:26: Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van YHWH, uws Gods, dat het daar zij ten getuige tegen u. 2 Kronieken 34:14: En als zij het geld uitnamen, dat in het huis van YHWH gebracht was, vond de priester Hilkia het wetboek van YHWH, gegeven door de hand van Mozes.
[^hebreeen-9-4-d]: Verwijzing d: Ex. 16:33. Exodus 16:33: Ook zei Mozes tot Aäron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht van YHWH, tot bewaring voor uw geslachten.
[^hebreeen-9-4-e]: Verwijzing e: Num. 17:10. Numeri 17:10: Toen zei YHWH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.
[^hebreeen-9-4-f]: Verwijzing f: Ex. 34:29; 1 Kon. 8:9; 2 Kron. 5:10. Exodus 34:29: En het geschiedde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel van Zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak. 1 Koningen 8:9: Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren. 2 Kronieken 5:10: Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als YHWH een verbond maakte met de kinderen van Israël, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.
[^hebreeen-9-5-g]: Verwijzing g: Ex. 25:22. Exodus 25:22: En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen van Israël.
[^hebreeen-9-5-12]: Kanttekening 12: 12 de cherubijnen van de heerlijkheid: Deze waren twee gedaanten van engelen, met hunne hoofden naar elkaar gebogen, en met hunne vleugelen elkaar rakende, gelijk te zien is Ex. 25:18, waartussen God aan Mozes antwoord gaf uit het opperste deel van de genadestoel, gelijk betuigt wordt Num. 7:89. Exodus 25:18: U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel. Numeri 7:89: En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem.
[^hebreeen-9-5-13]: Kanttekening 13: 13 het verzoendeksel beschaduwden: Of genadestoel, welk was het deksel van de ark, waar de twee stenen tafelen van de wet mee werden bedekt, en een voorbeeld was van Christus, die de wet bedekt, omdat hij voor ons onder de wet is geworden, en ons van de vloek van de wet heeft verlost, gelijk Christus ook daarom met de naam van verzoendeksel, of verzoening wordt genoemd, Rom. 3:25, en de engelen worden gezegd begerig te zijn om deze verborgenheden te aanschouwen; 1 Petr. 1:12. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^hebreeen-9-6-h]: Verwijzing h: Num. 28:3. Numeri 28:3: En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van de dag, tot een gedurig brandoffer.
[^hebreeen-9-6-14]: Kanttekening 14: 14 in de eerste tabernakel: Dat is, in het eerste deel, namelijk tabernakel, genaamd het heilige, gelijk vers 2. Hebreeën 9:2: Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welke was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige;
[^hebreeen-9-6-15]: Kanttekening 15: 15 te alle tijde: Dat is, elk in zijn dagordening, gelijk te zien is Luk. 1:8, 1:9. Lukas 1:8: En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt van zijn dagorde. Lukas 1:9: Naar de gewoonte van de priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zou ingaan in de tempel van de Heer om te reukofferen.
[^hebreeen-9-7-i]: Verwijzing i: Ex. 30:10; Levit. 16:2; idem v. 34; Hebr. 9:25. Exodus 30:10: En Aäron zal eens in het jaar over daarvan hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Leviticus 16:2: De YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. Leviticus 16:34: En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen van Israël van al hun zonden, eenmaal van de jaar, verzoening te doen. En men deed, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Hebreeën 9:25: Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;
[^hebreeen-9-7-16]: Kanttekening 16: 16 in de tweede: Dat is, in het tweede deel, namelijk het heilige van de heiligen, gelijk voren.
[^hebreeen-9-7-17]: Kanttekening 17: 17 eenmaal van het jaar: Namelijk op de tiende dag van de zevende maand van Thisri, op de plechtige dag van de vasten en van de verzoening van het gehele volk. Zie Lev. 16:29, enz. Leviticus 16:29: En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
[^hebreeen-9-7-18]: Kanttekening 18: 18 niet zonder bloed: Namelijk van de offerande van de verzoening, die buiten de tabernakel, op het grote altaar in de voorhof, was geslacht en geofferd; waarvan het bloed na de ontsteking van het reukwerk in het voorzeide wierookvat, door de priester in het heilige van de heiligen voor de ark en de genadestoel gebracht werd, en werd de genadestoel daarmee tot zeven malen besprengd, nadat hij met het reukwerk, als met een wolk was overdekt; gelijk Lev. 16:11, enz. te zien is. Welke schaduw en voorbeeld de apostel in vervolg van stuk tot stuk gaat verklaren. Leviticus 16:11: Aäron dan zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, toebrengen, en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, slachten.
[^hebreeen-9-7-19]: Kanttekening 19: Grieks onwetendheden, of onbedachtzaamheden; waardoor verstaan worden, niet alleen de zonden, die eigenlijk uit onwetendheid gedaan worden, maar ook alle soorten van zonden, gelijk uit de plaats Lev. 16:16, waarop Paulus hier ziet, genoeg blijkt, en hiervoor Hebr. 7:27, en elders meer. En worden ook de zonden zo genoemd, omdat alle zonden \[de zonde tegen de Heilige Geest uitgenomen\] met enige dwaling van het verstand door de verleiding van de Satan altijd zijn gevoegd. Leviticus 16:16: Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden van de kinderen van Israël, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, welke met hen woont in het midden van hun onreinigheden. Hebreeën 7:27: Die het niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.
[^hebreeen-9-8-20]: Kanttekening 20: 20 de Heilige Geest: Namelijk die een insteller was van al deze godsdiensten, en daarom een waarachtig eeuwig God met de Vader en de Zoon, en nochtans een onderscheiden persoon.
[^hebreeen-9-8-k]: Verwijzing k: Joh. 14:6. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.
[^hebreeen-9-8-21]: Kanttekening 21: 21 de weg van het heiligdom: Dat is, van het heilige van de heiligen, of van de hemel, gelijk hierna vers 12, 9:24 wordt verklaard. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
[^hebreeen-9-8-22]: Kanttekening 22: 22 nog niet openbaar gemaakt was: Dat is, nog niet zo klaar en volkomen bekend was gemaakt, gelijk daarna is geschied, toen Christus de zaken, hierdoor betekend, in zijn eerste komst heeft volbracht; gelijk 1 Joh. 3:2 gezegd wordt, dat het nog niet geopenbaard, of openbaar gemaakt is wat wij worden zullen; namelijk na Christus' tweede komst; hoewel wij nochtans ook hier enigszins daarvan onderricht zijn, maar niet zo klaar en volkomen als het ons zal bekend worden, wanneer de zaak zelf in ons zal vervuld zijn. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^hebreeen-9-8-23]: Kanttekening 23: 23 zolang de eerste tabernakel nog stand had: Dat is, zo lang de gemeente onder het Oude Testament door de ceremoniën en handelingen van de eerste tabernakel en vervolgens ook van de eerste tempel, alleen werd onderricht, zonder dat het Evangelie haar in zijn naaktheid en volle klaarheid werd voorgedragen, gelijk na de vervulling is geschied. Want dat enige dit zo duiden als of de gelovigen in het Oude Testament geen toegang hadden tot de hemel, voordat Christus ten hemel was opgevaren, strijdt tegen het voorbeeld van Elia, 2 Kon. 2:11, en van Lazarus, Luk. 16:22; vergeleken met Matt. 8:11, en van de moordenaar aan het kruis, Luk. 23:43, vergeleken met 2 Kor. 12:2, 12:3, 12:4, en met de hoop van de gelovige vaderen, Hebr. 11:16; en strijd ook met Christus' beloften, Matt. 5:10, 5:11, 5:12; die lang voor zijne verrijzenis zijn geschied. 2 Koningen 2:11: En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. Lukas 16:22: En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. Mattheüs 8:11: Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; Lukas 23:43: En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult u met Mij in het Paradijs zijn. 2 Korinthiërs 12:2: Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; 2 Korinthiërs 12:3: En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het), 2 Korinthiërs 12:4: Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God van hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want van hun is het Koninkrijk van de hemelen. Mattheüs 5:11: Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^hebreeen-9-9-24]: Kanttekening 24: 24 een afbeelding: Grieks parabole; dat is, ene gelijkenis die wat anders beduidt.
[^hebreeen-9-9-25]: Kanttekening 25: 25 dengene, die de dienst pleegde: Grieks de dienenden; dat is, die de dienst was doende.
[^hebreeen-9-9-26]: Kanttekening 26: 26 niet konden heiligen naar het geweten: Of niet konden volmaken, namelijk in zichzelf aangemerkt, of door hun kracht; anders konden zij, in hun recht gebruik, dienen om de gelovige vaderen op Christus te wijzen, door wiens offerande de conscientiën zouden gereinigd worden, gelijk hierna vers 14 wordt verklaard. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?
[^hebreeen-9-10-l]: Verwijzing l: Levit. 11:2. Leviticus 11:2: Spreekt tot de kinderen van Israël, zeggende: Dit is het gedierte, dat u eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.
[^hebreeen-9-10-m]: Verwijzing m: Num. 19:7. Numeri 19:7: Dan zal de priester zijn kleren groeien, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan de avond.
[^hebreeen-9-10-27]: Kanttekening 27: Grieks dopingen.
[^hebreeen-9-10-28]: Kanttekening 28: Dat is, uiterlijke inzettingen, die de mens naar de uitwendigen, of lichamelijken stand, alleen rechtvaardigden of heiligden. Zie vers 13. Hebreeën 9:13: Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees;
[^hebreeen-9-10-29]: Kanttekening 29: Grieks rechting; dat is, waarop het te recht zal worden gebracht, namelijk tot op de tijden van het Nieuwe Testament, waar Jeremia van gesproken had, waarin de betekende zaak zou vervuld worden, deze ceremoniën geweerd, en andere kortere godsdiensten ingesteld, waardoor de Heilige Geest krachtiger zou werken, 2 Kor. 3.
[^hebreeen-9-10-30]: Kanttekening 30: Namelijk als een juk, dat de vaders zelf niet hebben kunnen dragen, en door Christus is afgenomen; Hand. 15:10, 15:11. Handelingen 15:10: Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij.
[^hebreeen-9-11-n]: Verwijzing n: Hebr. 3:1; Hebr. 4:14; Hebr. 6:20; Hebr. 8:1. Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onze belijdenis, Christus Jezus; Hebreeën 4:14: Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 6:20: Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in eeuwigheid. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen:
[^hebreeen-9-11-31]: Kanttekening 31: 31 van de toekomende goederen: Dat is, al de geestelijke weldaden, die door de offerande van Christus aan het kruis, en door zijn ingang in de hemel verworven zijn; gelijk daar zijn: vergeving van de zonden, wedergeboorte, de geest van de aanneming tot kinderen, en de eeuwige zaligheid, die in het Oude Testament afgebeeld zijnde, in het Nieuwe door Christus zijn verworven.
[^hebreeen-9-11-32]: Kanttekening 32: 32 gekomen zijnde: Namelijk in het vlees, of in de wereld.
[^hebreeen-9-11-33]: Kanttekening 33: 33 de meerdere: Hierdoor wordt verstaan de menselijke natuur van Christus, waarin de volheid van de Godheid als in een tabernakel of tempel woont, Joh. 1:14, en Joh. 2:19; gelijk Hebr. 8:2 ook is aangewezen. Er wordt van Christus gezegd door deze tabernakel van Zijn vlees ingegaan te zijn in de hemel, omdat door de geestelijke kracht en waardigheid van Zijn offerande voor ons volbracht, hem de toegang tot de hemel is geopend, en hem een naam is gegeven boven alle namen, Fil. 2:8, 2:9; met welke verklaring overeenkomt wat hij hierna zegt Hebr. 10:20, van de nieuwe weg, die ons geopend is, om in te gaan in het heilige, door dit voorhangsel, dat is, het vlees van Christus. Want Christus is ons voorgegaan om ons plaats te bereiden, Joh. 14:2. Hij wil dan zeggen: gelijk Christus door zichzelf en door zijn eigen bloed ingegaan is in het heiligdom, dat wij ook door denzelfden weg daarin moeten komen. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 2:19: Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt deze tempel, en in drie dagen zal Ik die oprichten. Hebreeën 8:2: Een Dienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welke de Heer heeft opgericht, en geen mens. Filippensen 2:8: En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; Hebreeën 10:20: Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; Johannes 14:2: In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
[^hebreeen-9-11-34]: Kanttekening 34: 34 van dit maaksel: Grieks van deze schepping, of van dit schepsel.
[^hebreeen-9-12-35]: Kanttekening 35: 35 van de bokken en kalveren: Want beide deze soorten van dieren werden geslacht als de hogepriester in het heilige van de heiligen zou ingaan, Lev. 16:11, 16:15, met welker beider bloed hij ook in het heilige van de heiligen inging, vers 18. Leviticus 16:11: Aäron dan zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, toebrengen, en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal de var van het zondoffer, die voor hemzelven zal zijn, slachten. Leviticus 16:15: Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in de voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van de var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. Hebreeën 9:18: Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.
[^hebreeen-9-12-o]: Verwijzing o: Hand. 20:28; Ef. 1:7; Kolos. 1:14; Hebr. 10:10; 1 Petr. 1:19; Openb. 1:5; Openb. 5:9. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, Kolossensen 1:14: In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; Hebreeën 10:10: In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied. 1 Petrus 1:19: Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Openbaring 5:9: En zij zongen een nieuw lied, zeggende: u bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want u bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;
[^hebreeen-9-12-36]: Kanttekening 36: 36 een eeuwige: Dat is, altijddurend en van eeuwige kracht, gelijk Hebr. 10:14. Hebreeën 10:14: Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
[^hebreeen-9-12-37]: Kanttekening 37: 37 verlossing teweeggebracht: Grieks rantsoening; dat is, verlossing, die door rantsoen geschiedt, gevonden hebbende.
[^hebreeen-9-13-p]: Verwijzing p: Levit. 16:14; Num. 19:4; Hebr. 10:4. Leviticus 16:14: En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Numeri 19:4: En Eleazar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent van de samenkomst zevenmaal sprengen. Hebreeën 10:4: Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.
[^hebreeen-9-13-38]: Kanttekening 38: 38 de as van de jonge koe: Dit was nog een andere ceremonie, waardoor de onreinen naar de wet in het Oude Testament werden gereinigd, die ook op Christus en de besprenging van zijn bloed zag; waarvan zie Num. 19:2, enz. Numeri 19:2: Dit is de inzetting van de wet, die YHWH geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen van Israël, dat zij tot u brengen een rode volkomen vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is.
[^hebreeen-9-13-39]: Kanttekening 39: 39 de onreinen: Namelijk naar de wet, door het aanraken van enige dode, of gebeente, of graven; Num. 19:16. Grieks die gemeen gemaakt waren. Numeri 19:16: En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente eens mensen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.
[^hebreeen-9-13-40]: Kanttekening 40: 40 tot de reinigheid: Dat is, om uitwendig naar de wet rein te zijn en toegang te mogen hebben tot de vergaderingen en andere uitwendige godsdiensten van het Oude Testament.
[^hebreeen-9-14-q]: Verwijzing q: 1 Joh. 1:7; Openb. 1:5. 1 Johannes 1:7: Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^hebreeen-9-14-r]: Verwijzing r: Gal. 1:4; Ef. 5:2; Titus 2:14. Galaten 1:4: Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Titus 2:14: Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.
[^hebreeen-9-14-41]: Kanttekening 41: 41 door de eeuwige Geest: Dat is, door zijn eeuwige godheid, waardoor de kracht en waardigheid van de offerande van Christus is voortgekomen, gelijk Hand. 20:28 ook wordt aangewezen; en gelijk de eeuwige godheid van Christus ook een Geest wordt genoemd; Rom. 1:4; 1 Tim. 3:16; 1 Petr. 3:18. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Romeinen 1:4: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer: 1 Timotheüs 3:16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^hebreeen-9-14-42]: Kanttekening 42: 42 uw geweten: Dat is, uwe zielen, verstand, wil en genegenheid, waarvan de conscientiën ook het gevoel hebben, om te weten wat ons door God geschonken is; 1 Kor. 2:12. Anderen lezen: onze conscientiën. 1 Korinthiërs 2:12: Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
[^hebreeen-9-14-43]: Kanttekening 43: 43 dode werken: Dat is zonden. Zie Hebr. 6:1. Hebreeën 6:1: Daarom, nalatende het begin van de leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet opnieuw leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,
[^hebreeen-9-14-s]: Verwijzing s: Lukas 1:74; Rom. 6:13; Gal. 2:20; 1 Petr. 4:2. Lukas 1:74: Dat wij, verlost zijnde uit de hand onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. Romeinen 6:13: En stelt uwe leden niet van de zonde tot wapenen van de ongerechtigheid; maar stelt uzelven voor God, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden voor God tot wapenen van de gerechtigheid. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. 1 Petrus 4:2: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^hebreeen-9-15-44]: Kanttekening 44: Het Hebreeuwse woord berith, dat Jeremia gebruikt Jer. 31, betekent in het algemeen allerlei verbond of contract, hetzij het tussen twee partijen gemaakt wordt, of door één partij alleen, gelijk de testamenten plegen; waarvan voorbeelden zijn te lezen Gen. 6:18, en Gen. 9:9; Job 31:1. Dat nu dit Verbond een Testament is, stelt de apostel als zeker, omdat het alleen van Gods zijde komt, gelijk de plaats Jer. 31, in het voorgaande hoofdstuk verhaald, genoeg aantoont; en omdat alle voorbeelden daarvan zulks toonden, die met bloed van de gedode offeranden werden besprengd en verzegeld. Genesis 6:18: Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en u zult in de ark gaan, u, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen van uw zonen met u. Genesis 9:9: Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; Job 31:1: Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
[^hebreeen-9-15-t]: Verwijzing t: Rom. 5:6; 1 Petr. 3:18. Romeinen 5:6: Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is op Zijn tijd voor de goddelozen gestorven. 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^hebreeen-9-15-45]: Kanttekening 45: 45 tot verzoening van de overtredingen: Grieks verrantsoening.
[^hebreeen-9-15-46]: Kanttekening 46: 46 die onder het eerste testament waren: Dat is, die ten tijde van het Oude Testament geschied en onverzoend gebleven waren, maar door God voorbijgegaan en vergeven waren, om de offerande en genoegdoening van Christus, die daarna gebeuren zou. Zie Hand. 15:11; Rom. 3:25, 3:26. Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij. Romeinen 3:25: Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods; Romeinen 3:26: Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.
[^hebreeen-9-15-47]: Kanttekening 47: 47 die geroepen zijn: Namelijk met een krachtige roeping tot het geloof, gelijk Abraham en zijn geestelijke zaad waren; Rom. 4:16. Romeinen 4:16: Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
[^hebreeen-9-15-48]: Kanttekening 48: 48 de beloftenis: Dat is, de beloofde eeuwige erve. Zie hierna Hebr. 11:8, 11:9, 11:10. Hebreeën 11:8: Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. Hebreeën 11:9: Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren derzelfde belofte. Hebreeën 11:10: Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.
[^hebreeen-9-16-49]: Kanttekening 49: Grieks gebracht worde; namelijk voordat het vast is, gelijk vers 17 verklaart. Hebreeën 9:17: Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.
[^hebreeen-9-17-v]: Verwijzing v: Gal. 3:15. Galaten 3:15: Broeders, ik spreek naar de mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.
[^hebreeen-9-18-50]: Kanttekening 50: 50 het eerste: Namelijk verbond door Mozes gemaakt.
[^hebreeen-9-18-51]: Kanttekening 51: 51 niet zonder bloed is: Namelijk de geslachte of gedode dieren, die op de dood van de Middelaar van het Nieuwe Testament hun oogmerk hadden. Want terwijl de overtreding van de wet de dood verdiende, en God de overtreder door zijn genade naar de inhoud van het Nieuwe Testament daarvan zou vrijhouden, mits dat zijn gerechtigheid genoeg zou gebeuren, zo is Christus de Middelaar hiertussen gekomen, en heeft als borg, Hebr. 7:22, de voldoening op zich genomen en daarna door zijn dood de schuld van de overtreding betaald, en hun de eeuwige erve, die hem als de Zoon van God toekwam, ook verworven. Hebreeën 7:22: Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.
[^hebreeen-9-18-52]: Kanttekening 52: Dat is, openlijk ingesteld, gevierd en voor vast en bondig verklaard.
[^hebreeen-9-19-53]: Kanttekening 53: 53 Want als al de geboden: Dit verhaal van Paulus is genomen uit Ex. 24:3, enz. alleen dat de apostel hier water, purperen, wol en hysop bijvoegt uit Lev. 14:6, en Num. 19:6; waar deze dingen in dergelijke besprengingen gebruikt werden. Exodus 24:3: Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden van YHWH, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die YHWH gesproken heeft, zullen wij doen. Leviticus 14:6: Die levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel, die boven het levende water geslacht is. Numeri 19:6: En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van de brand van deze vaars.
[^hebreeen-9-19-54]: Kanttekening 54: 54 het bloed van de kalveren: Waarvan in andere plaatsen dikwijls wordt gewag gemaakt.
[^hebreeen-9-19-55]: Kanttekening 55: 55 beide het boek zelf: Dit wordt wel Ex. 24 niet uitdrukkelijk gezegd, maar kan evenwel uit het verhaal van Mozes daar genoeg genomen worden.
[^hebreeen-9-19-56]: Kanttekening 56: 56 al het volk: Dat is, de twaalf pilaren, die Mozes daar oprichtte, om de twaalf stammen van Israël te vertegenwoordigen, en dat ten overstaan en in de aanwezigheid van al het volk. Zie de aantekeningen op Ex. 24:8. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.
[^hebreeen-9-20-x]: Verwijzing x: Ex. 24:8; Matt. 26:28. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met ulieden gemaakt heeft over al die woorden. Mattheüs 26:28: Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden.
[^hebreeen-9-20-57]: Kanttekening 57: 57 van het testament: Dat is, een teken en zegel van het verbond of testament. Want het was het bloed van kalveren en bokken, dat tot inwijding of bevestiging van dit verbond werd gebruikt. Een sacramentele wijze van spreken, gelijk Luk. 22:19; 1 Kor. 11:24, 11:25. Lukas 22:19: En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:24: En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. 1 Korinthiërs 11:25: Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
[^hebreeen-9-20-58]: Kanttekening 58: Dat is, met u heeft gemaakt, naar of over al deze woorden of geboden; gelijk uitgedrukt wordt Ex. 24:8. Exodus 24:8: Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Ziet, dit is het bloed van het verbond, dat YHWH met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.
[^hebreeen-9-21-59]: Kanttekening 59: 59 En hij besprengde evenzo: Dat is genomen uit verscheidene andere plaatsen van de wet, in het bijzonder uit Ex. 29:12; Lev. 16:14, enz. Exodus 29:12: Daarna zult u van het bloed van de var nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar. Leviticus 16:14: En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.
[^hebreeen-9-22-60]: Kanttekening 60: 60 bijna door bloed gereinigd: Dit wordt er bij gedaan, omdat enige reinigmakingen van de wet alleen door water gebeuren, die ook op de offerande van Christus hun oogmerk hadden, daar in zijn dood, bloed en water zijn gevloten. Zie Joh. 19:34 en 1 Joh. 5:6. Johannes 19:34: Maar één van de krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en meteen kwam er bloed en water uit. 1 Johannes 5:6: Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.
[^hebreeen-9-23-61]: Kanttekening 61: 61 Zo was het dan noodzaak: Namelijk volgens Gods onveranderlijk bevel en ordinantie. Zie hierna Hebr. 10:9, 10:10. Hebreeën 10:9: Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. Hebreeën 10:10: In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied.
[^hebreeen-9-23-62]: Kanttekening 62: 62 de voorbeeldingen van de dingen: Of afbeeldingen, figuren.
[^hebreeen-9-23-63]: Kanttekening 63: 63 gereinigd werden: Dat is, van het algemeen gebruik afgezonderd en bekwaam gemaakt om godsdienstige gemeenschap daaraan te hebben.
[^hebreeen-9-23-64]: Kanttekening 64: 64 maar de hemelse dingen zelve: Dat is, de ingang tot de hemel zelf en de geestelijke gaven, welke ons, om daarin te komen, nodig zijn, en die door deze uitwendige reinigmakingen zijn betekend. Zie Ef. 1:3; Kol. 3:1, 3:2. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Kolossensen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Kolossensen 3:2: Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
[^hebreeen-9-23-65]: Kanttekening 65: 65 door betere offeranden dan deze: Dat is, door de offerande van Christus, die beter en van meerder waarde is. En die wordt hier in het meervoud gezet, hoewel die maar één is, en éénmaal geofferd, omdat zij de kracht van al de figuurlijke offeranden en zaken, daardoor betekend in zich bevat.
[^hebreeen-9-24-66]: Kanttekening 66: 66 van het ware: Namelijk van het heiligdom, dat is, van de hemel, dat door dit ander werd afgebeeld, gelijk volgt.
[^hebreeen-9-24-67]: Kanttekening 67: 67 om nu te verschijnen: Namelijk met Zijne overwinnende offerande, die Hij hier op aarde Zijn Vader onstraffelijk opgeofferd had, tot een verzoening voor alle zonden van Zijn gelovigen, en met een eeuwige begeerte, dat die ons tot onze zaligheid altijd zou worden toegeëigend. Zie Rom. 8:34; 1 Tim. 2:5, en 1 Joh. 2:1, 2:2. Romeinen 8:34: Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt. 1 Timotheüs 2:5: Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en van de mensen, de Mens Christus Jezus; 1 Johannes 2:1: Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; 1 Johannes 2:2: En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
[^hebreeen-9-25-y]: Verwijzing y: Ex. 30:10; Levit. 16:2; idem v. 34; Hebr. 9:7. Exodus 30:10: En Aäron zal eens in het jaar over daarvan hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Leviticus 16:2: De YHWH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te alle tijde ga in het heilige, binnen de voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. Leviticus 16:34: En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen van Israël van al hun zonden, eenmaal van de jaar, verzoening te doen. En men deed, gelijk als YHWH Mozes geboden had. Hebreeën 9:7: Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal van de jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelven en voor de misdaden van het volk.
[^hebreeen-9-25-68]: Kanttekening 68: 68 met vreemd bloed: Of van een ander; dat is, met bloed van geslachte dieren, die van een andere natuur zijn dan hijzelf.
[^hebreeen-9-26-69]: Kanttekening 69: 69 Anders had Hij dikwijls moeten lijden: Namelijk zo Hij Zichzelf dikwijls had moeten opofferen, aangezien Zijn offerande door lijden en met lijden werd volbracht, en zonder lijden niet kon volbracht worden.
[^hebreeen-9-26-70]: Kanttekening 70: 70 van de grondlegging van de wereld af: Dat is, van de beginne dat de mensen hebben gezondigd. Waaruit blijkt dat God de zonden nooit heeft vergeven, dan ten opzichte van deze offerande van Christus.
[^hebreeen-9-26-71]: Kanttekening 71: 71 in de voleinding van de eeuwen geopenbaard: Dat is, in de volheid van de tijd, die God daartoe bestemd had. Zie Gal. 4:4. Galaten 4:4: Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;
[^hebreeen-9-27-72]: Kanttekening 72: 72 gelijk het de mensen gezet is: Grieks na zo veel.
[^hebreeen-9-27-73]: Kanttekening 73: 73 eenmaal te sterven: Namelijk door Gods ordinantie, nadat de mens heeft gezondigd, Rom. 5:12. Want dat sommige mensen niet zijn gestorven, gelijk Henoch en Elia, en dat enige tweemaal zijn gestorven, gelijk daar zijn geweest die wonderbaarlijk in dit leven zijn opgewekt, is een bijzondere gunst en uitzondering geweest van deze algemene regel. Romeinen 5:12: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben.
[^hebreeen-9-27-74]: Kanttekening 74: 74 daarna het oordeel: Namelijk van elk een in het bijzonder meteen na de dood, en van allen in het algemeen hier namaals ten uitersten dage.
[^hebreeen-9-28-z]: Verwijzing z: Rom. 5:6; idem v. 8; 1 Petr. 3:18. Romeinen 5:6: Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is op Zijn tijd voor de goddelozen gestorven. Romeinen 5:8: Maar God bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^hebreeen-9-28-75]: Kanttekening 75: 75 veler zonden weg te nemen: Namelijk van al Zijne uitverkorenen en gelovigen. Of veler zonden op zich te nemen; of te dragen.
[^hebreeen-9-28-76]: Kanttekening 76: 76 zonder zonde: Dat is, zonder toerekening en straf van onze zonden meer te dragen, maar om in heerlijkheid alles te oordelen.
[^hebreeen-9-28-77]: Kanttekening 77: 77 die Hem verwachten: Namelijk door geloof en hoop. Zie 2 Tim. 4:8. 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.

### Hebreeën 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/10.json)

*1 De apostel verklaart dat de wet slechts een schaduw had van de toekomstige goederen, en door haar veelvuldige en jaarlijkse offeranden niets heeft kunnen volmaken. 5 En dat David daarom in Psalm 40 betuigt dat Christus in de wereld zou komen om de wil van God te doen. 10 En ons door de enige offerande van zijn lichaam in eeuwigheid te volmaken. 15 Hetzelfde bewijst hij weer uit de inhoud van het Nieuwe Verbond, Jeremia hoofdstuk 31, waarin de volkomen wegneming van de zonden wordt beloofd. 18 En besluit daarom dat geen offerande voor de zonden meer nodig is. 19 Hij komt daarna tot het andere deel van de brief, namelijk tot de vermaningen aangaande hun verschuldigde plicht; en allereerst vermaant hij de Hebreeën om met een vrijmoedig geloof tot God te gaan langs de weg die Christus ons heeft ingewijd. 23 Daarna vermaant hij hen tot standvastigheid in de belijdenis van deze hoop, en tot onwankelbare liefde. 25 En tot het bijwonen van hun samenkomsten. 26 Stelt hun daartoe voor ogen, aan de ene kant het schrikkelijke oordeel van God dat de afvalligen te wachten staat. 32 En aan de andere kant hun voorgaande lijdzaamheid en medelijden met de verdrukten, ook zelfs met zijn banden. 36 Alsook de beloften die de volhardenden zullen wegdragen. 37 Wat hij beide bewijst met een plaats uit Habakuk hoofdstuk 2 vers 4, die hij verhaalt en toepast.*

**1** [^hebreeen-10-1-a] Want[^hebreeen-10-1-1] de wet, hebbende[^hebreeen-10-1-2] een schaduw[^hebreeen-10-1-3] van de toekomende goederen, niet[^hebreeen-10-1-4] het beeld zelf van de zaken, kan met[^hebreeen-10-1-5] dezelfde offergaven, die zij alle jaren[^hebreeen-10-1-6] steeds opofferen, nimmermeer[^hebreeen-10-1-7] heiligen degenen, die[^hebreeen-10-1-8] daar toegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v1)

**2** [^hebreeen-10-2-9] Anders zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die de dienst pleegden,[^hebreeen-10-2-10] geen geweten meer zouden hebben van de zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v2)

**3** Maar nu gebeurt daarin alle jaren[^hebreeen-10-3-11] weer herinnering van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v3)

**4** [^hebreeen-10-4-b] Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken[^hebreeen-10-4-12] de zonden wegneme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v4)

**5** [^hebreeen-10-5-13] Daarom,[^hebreeen-10-5-14] komende in de wereld, zegt Hij:[^hebreeen-10-5-c] Slachtoffer en offergave[^hebreeen-10-5-15] hebt U niet gewild, maar U hebt Mij[^hebreeen-10-5-16] het lichaam toebereid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v5)

**6** Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v6)

**7** Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in[^hebreeen-10-7-17] het begin van het boek is van Mij geschreven),[^hebreeen-10-7-18] om Uw wil te doen, o God! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v7)

**8** Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offergave, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt U niet gewild, noch hebben U behaagd (die naar de wet geofferd worden); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v8)

**9** Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God![^hebreeen-10-9-19] Hij neemt het eerste weg,[^hebreeen-10-9-20] om het tweede te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v9)

**10** [^hebreeen-10-10-21] In welke wil[^hebreeen-10-10-22] wij geheiligd zijn,[^hebreeen-10-10-23][^hebreeen-10-10-d] door de offergave van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v10)

**11** En ieder priester stond wel alle dagen dienende, en[^hebreeen-10-11-24] dezelfde slachtoffers dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v11)

**12** Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden[^hebreeen-10-12-25] geofferd hebbende,[^hebreeen-10-12-e] is[^hebreeen-10-12-26] in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v12)

**13** [^hebreeen-10-13-27] Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank van Zijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v13)

**14** Want met één offergave heeft Hij in eeuwigheid[^hebreeen-10-14-28] volmaakt degenen, die geheiligd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v14)

**15** En[^hebreeen-10-15-29] de Heilige Geest[^hebreeen-10-15-30] getuigt het ons ook; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v15)

**16** Want nadat Hij te voren gezegd had:[^hebreeen-10-16-f] Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen,[^hebreeen-10-16-31] zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v16)

**17** En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v17)

**18** Waar nu vergeving daarvan is, daar is[^hebreeen-10-18-32] geen offergave meer voor de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v18)

**19** [^hebreeen-10-19-33] Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben,[^hebreeen-10-19-g] om[^hebreeen-10-19-34] in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v19)

**20** Op een[^hebreeen-10-20-35] versen en[^hebreeen-10-20-36] levende[^hebreeen-10-20-37] weg, die Hij ons[^hebreeen-10-20-38] ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is,[^hebreeen-10-20-39] door Zijn vlees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v20)

**21** En omdat wij hebben een grote Priester[^hebreeen-10-21-40] over het huis van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v21)

**22** Zo laat ons toegaan met een[^hebreeen-10-22-41] waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het[^hebreeen-10-22-42] geloof, onze[^hebreeen-10-22-43] harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en[^hebreeen-10-22-44] het lichaam gewassen zijnde[^hebreeen-10-22-45][^hebreeen-10-22-h] met rein water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v22)

**23** Laat ons de onwankelbare belijdenis[^hebreeen-10-23-46] van de hoop[^hebreeen-10-23-47] vast houden; (want Die het beloofd heeft,[^hebreeen-10-23-48] is getrouw); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v23)

**24** En laat ons op[^hebreeen-10-24-49] elkaar acht nemen, tot opscherping van de liefde en van de goede werken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v24)

**25** En laat ons onze onderlinge[^hebreeen-10-25-50] bijeenkomst niet nalaten, zoals sommigen[^hebreeen-10-25-51] de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen; en dat zoveel te meer, als u ziet, dat de dag nadert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v25)

**26** [^hebreeen-10-26-i] Want zo wij[^hebreeen-10-26-52] willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er[^hebreeen-10-26-53] geen slachtoffer meer over voor de zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v26)

**27** Maar een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en hitte van het vuur, dat[^hebreeen-10-27-54] de tegenstanders zal verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v27)

**28** Als iemand de wet van Mozes heeft[^hebreeen-10-28-55] te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid,[^hebreeen-10-28-k] onder twee of drie getuigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v28)

**29** Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van[^hebreeen-10-29-56] God vertreden heeft, en[^hebreeen-10-29-57] het bloed van het[^hebreeen-10-29-58] testament onrein geacht heeft, waardoor hij[^hebreeen-10-29-59] geheiligd was, en[^hebreeen-10-29-60] de Geest van de genade smaad heeft aangedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v29)

**30** Want wij kennen Hem,[^hebreeen-10-30-61] Die gezegd heeft:[^hebreeen-10-30-l] Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En opnieuw:[^hebreeen-10-30-m] De Heere zal Zijn volk oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v30)

**31** Vreselijk is het[^hebreeen-10-31-62] te vallen in de handen van de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v31)

**32** Maar gedenkt de vorige dagen, in die,[^hebreeen-10-32-63] nadat u verlicht bent geweest, u veel strijd van het lijden hebt verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v32)

**33** Ten dele, als u door smaadheden en verdrukkingen[^hebreeen-10-33-64] een schouwspel geworden bent; en ten dele, als u[^hebreeen-10-33-65] gemeenschap gehad hebt met degenen, die zo behandeld werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v33)

**34** Want u hebt ook[^hebreeen-10-34-66] over[^hebreeen-10-34-n] mijn banden medelijden gehad, en de roving van uw goederen[^hebreeen-10-34-67] met blijdschap aangenomen, wetende, dat u hebt[^hebreeen-10-34-68] in uzelf[^hebreeen-10-34-o] een beter en blijvend goed in de hemelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v34)

**35** Werp dan[^hebreeen-10-35-69] uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote[^hebreeen-10-35-70] vergelding van het loon heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v35)

**36** [^hebreeen-10-36-p] Want u hebt[^hebreeen-10-36-71] volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende,[^hebreeen-10-36-72] de beloftenis mag wegdragen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v36)

**37** [^hebreeen-10-37-q] Want:[^hebreeen-10-37-73] Nog een zeer korte tijd[^hebreeen-10-37-74] en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet talmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v37)

**38** [^hebreeen-10-38-r] Maar de rechtvaardige[^hebreeen-10-38-75] zal uit het geloof leven; en[^hebreeen-10-38-76] zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v38)

**39** [^hebreeen-10-39-77] Maar wij zijn niet[^hebreeen-10-39-78] van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar[^hebreeen-10-39-79] van degenen, die geloven tot behouding van de ziel.[^hebreeen-10-39-80][^hebreeen-10-39-81] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/10.html#v39)

[^hebreeen-10-1-a]: Verwijzing a: Kolos. 2:17; Hebr. 8:5. Kolossensen 2:17: Welke zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Hebreeën 8:5: Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is.
[^hebreeen-10-1-1]: Kanttekening 1: 1 de wet: Namelijk van de ceremoniën onder het Oude Testament.
[^hebreeen-10-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, een ruw ontwerp, gelijk de schilders plegen een beeld, dat zij daarna willen volmaken, eerst met enige lijnen en schaduwen in het ruw af te tekenen of ontwerpen.
[^hebreeen-10-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, van de geestelijke en hemelse zaken, die ons in het Nieuwe Testament zouden verworven en medegedeeld worden, dat is, van Christus zelf en Zijn weldaden.
[^hebreeen-10-1-4]: Kanttekening 4: 4 het beeld zelf: Sommigen verstaan hierdoor de volmaakte wijze van de uitwendige godsdienst, die God door Christus in het Nieuwe Testament zou instellen, die van de instellingen van het Oude Testament verschilden gelijk een schaduw of eerste ontwerp van het volmaakte beeld eniger zaak; gelijk die daarom ook de eerste beginselen of elementen van A B C van de wereld worden genaamd; Gal. 4:3, 4:9. Maar terwijl de apostel nergens in dit en in het voorgaande hoofdstuk enige tegenstelling maakt tussen de uitwendige godsdienst van het Oude en het Nieuwe Testament, maar alleen tussen de schaduwen van het Oude Testament en Christus zelf met Zijn offerande en weldaden, die Hij ons verworven heeft, zo wordt door anderen door deze woorden het beeld zelf bekwamer de betekenende zaak zelf, of het evenbeeld verstaan, waarnaar deze schaduwen zijn voorgesteld, gelijk wij worden gezegd geschapen te zijn naar Gods beeld of evenbeeld; welken zin het bijgevoegde woord het beeld zelf van de zaken, ook vereist; dat is, de zaken zelf in haar volle beeltenis of gedaan, gelijk zij moesten en zouden zijn. Galaten 4:3: Zo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld. Galaten 4:9: En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert u u opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, welke u opnieuw van voren aan wilt dienen?
[^hebreeen-10-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, van enerlei soort, of van eenzelfden aard en natuur.
[^hebreeen-10-1-6]: Kanttekening 6: Grieks in gedurigheid, of eeuwigheid; dat is, zonder nalaten, zolang dit priesterdom en deze wet moest duren.
[^hebreeen-10-1-7]: Kanttekening 7: Of, volmaken; namelijk naar de consciëntie, door het wegnemen van de zonde en de schuld van de zonde, gelijk hiervoor verklaard wordt, Hebr. 9:9. Hebreeën 9:9: Welke was een afbeelding voor die tegenwoordige tijd, in welke gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten;
[^hebreeen-10-1-8]: Kanttekening 8: Of, tot God gaan; namelijk met hun offeranden.
[^hebreeen-10-2-9]: Kanttekening 9: 9 Anders zouden zij: Anderen lezen: Zouden zij anders niet opgehouden hebben? vragenderwijze, maar de zin komt overeen.
[^hebreeen-10-2-10]: Kanttekening 10: 10 geen geweten meer: Dat is, niet meer van zonden bewust zijn; of geen wroeging van de consciëntie over de zonden zouden hebben; en zouden zich aan geen schuld van de zonden meer schuldig kennen, omdat zij eenmaal daarvan zouden gereinigd of verlost zijn.
[^hebreeen-10-3-11]: Kanttekening 11: 11 weer gedachtenis van de zonden: Namelijk niet alleen van de zonden, die dat jaar geschied waren, maar van al de zonden, die tevoren begaan waren. Zie Lev. 16:21. Leviticus 16:21: En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levende bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de kinderen van Israël, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.
[^hebreeen-10-4-b]: Verwijzing b: Levit. 16:14; Num. 19:4; Hebr. 9:13. Leviticus 16:14: En hij zal van het bloed van de var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen. Numeri 19:4: En Eleazar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent van de samenkomst zevenmaal sprengen. Hebreeën 9:13: Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees;
[^hebreeen-10-4-12]: Kanttekening 12: 12 de zonden wegneme: Namelijk door Zijn eigen waardigheid en kracht, daar dat maar een lichamelijke en vergankelijke zaak is, daar de zonde een geestelijk kwaad is, en in de ziel, die onsterflijk is, vooral haar plaats heeft.
[^hebreeen-10-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk Christus de hogepriester van de toekomende goederen, in wiens naam David in deze psalm spreekt, en van wiens komst hij profeteert, gelijk Paulus hier betuigt en de zaak zelf uitwijst.
[^hebreeen-10-5-14]: Kanttekening 14: 14 komende in de wereld: Namelijk wanneer Hij de menselijke natuur aannam en in een persoon met zich verenigde, gelijk hiervoor Hebr. 1:6, en Hebr. 9:11. Hebreeën 1:6: En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-10-5-c]: Verwijzing c: Ps. 40:7; Jes. 1:11; Jer. 6:20; Amos 5:21. Psalmen 40:7: u hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; u hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt u niet geëist. Jesaja 1:11: Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt YHWH; Ik ben zat van het brandoffer van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de varren, noch van de lammeren, noch van de bokken. Jeremia 6:20: Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet. Amos 5:21: Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken.
[^hebreeen-10-5-15]: Kanttekening 15: 15 hebt U niet gewild: Namelijk om die aan te nemen tot een verzoening en voldoening voor de zonde, gelijk de Joden zich inbeelden; anders heeft ze God ook gewild om gebruikt te worden voor de gelovigen van het Oude Testament als voorbeelden en sacramentele tekenen, die hen op de toekomende voldoening van de offerande van Christus wezen; maar dat ook niet langer dan tot de offerande zelf nu zou volbracht zijn, wanneer deze schaduwen moesten ophouden, gelijk in deze en andere plaatsen wordt bewezen.
[^hebreeen-10-5-16]: Kanttekening 16: 16 het lichaam toebereid: De Hebreeuwse tekst Ps. 40:7, zegt: U hebt mij de oren doorboord. Maar de apostel volgt hier de Griekse overzetting, gelijk meest in deze brief, omdat dezelfde zin in beiden is begrepen. Want de woorden: U hebt mij de oren doorboord, betekenen dat Christus nu mens wordende, zichzelf tot een gewilligen dienaar van Zijn Vader overgeeft, om Hem tot de dood van het kruis te gehoorzamen. Het is een gelijkenis genomen van de dienaren van de Hebreën, die nadat zij zes jaren hun heren hadden gediend, het zevende jaar uit de dienst van hun heren niet wilden scheiden, maar tot de dood daarin blijven; tot een getuigenis waarvan de oren hun aan de post van de deur werden doorboord, gelijk te zien is Ex. 21:6. Zo dan ook wordt God de Vader hier gezegd, Christus het lichaam toebereid te hebben; omdat Christus de menselijke natuur uit het vlees en bloed van de maagd Maria van Zijn Vader, door de kracht van de Heilige Geest ontvangen hebbende, deze hier overgeeft tot de dienst van Zijn Vader, om Hem gewillig in alles te gehoorzamen, zelfs tot de dood toe, om te zijn een Zoenoffer voor onze zonden. Het is dan zoveel of Hij zei: U hebt mij een lichaam gegeven, dat in uw dienst tot de dood toe gewillig en bereid is. Psalmen 40:7: U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. Exodus 21:6: Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.
[^hebreeen-10-7-17]: Kanttekening 17: 17 in het begin van het boek: Grieks in het hoofd, of in de rol van het boek, namelijk van uw wet. Want het wetboek placht bij de ouden in een rol geschreven te worden, gelijk bij ons de landkaarten, en gelijk de Joden nog hebben in hunne synagogen. Nu zijn er vele plaatsen in het boek van de wet, die van Christus' komst getuigen, ook zelfs in het begin van het boek, wanneer God het zaad van de vrouw beloofd heeft, dat de satan de kop zou vertreden, Gen. 3:15. Genesis 3:15: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en u zult het de verzenen vermorzelen.
[^hebreeen-10-7-18]: Kanttekening 18: 18 om Uw wil te doen: Dat is, om u gehoorzaam te zijn tot de dood van het kruis, tot verzoening aller gelovigen.
[^hebreeen-10-9-19]: Kanttekening 19: 19 Hij neemt het eerste weg: Namelijk allerlei soorten van zoenoffers, die in het Oude Testament gebracht werden.
[^hebreeen-10-9-20]: Kanttekening 20: 20 om het tweede: Namelijk zijn gehoorzaamheid onder de wil van Zijn Vader.
[^hebreeen-10-10-21]: Kanttekening 21: 21 In welken wil: Dat is, door de gehoorzaamheid van welke wil; gelijk Rom. 5:19. Romeinen 5:19: Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die ene mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
[^hebreeen-10-10-22]: Kanttekening 22: 22 geheiligd zijn: Dat is, alles hebben wat tot onze volkomen heiligmaking, namelijk vergeving van de zonden, vernieuwing van de Geest en eeuwige zaligheid nodig is.
[^hebreeen-10-10-23]: Kanttekening 23: Dat is, welke wil van God daarin ook bestond, dat Christus Zijn lichaam tot een zoenofferande voor onze zonden aan het kruis zou overgeven; Fil. 2:8. Filippensen 2:8: En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis.
[^hebreeen-10-10-d]: Verwijzing d: Hebr. 9:12. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
[^hebreeen-10-11-24]: Kanttekening 24: Dat is, van eenzelfde soort en natuur.
[^hebreeen-10-12-25]: Kanttekening 25: 25 geofferd hebbende: Namelijk aan het hout van het kruis.
[^hebreeen-10-12-e]: Verwijzing e: Ps. 110:1; Hand. 2:34; 1 Kor. 15:25; Ef. 1:20; Kolos. 3:1; Hebr. 1:13. Psalmen 110:1: Een psalm van David. De YHWH heeft tot mijn Heer gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. Handelingen 2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heer heeft gesproken tot Mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand. 1 Korinthiërs 15:25: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Kolossensen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Hebreeën 1:13: En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten?
[^hebreeen-10-12-26]: Kanttekening 26: 26 in eeuwigheid: Dit woord in eeuwigheid, wordt van enige gevoegd bij het woord geofferd hebbende, maar de eerste samenvoeging is de beste.
[^hebreeen-10-13-27]: Kanttekening 27: 27 Verder verwachtende: Dat is, in dit Zijn koninkrijk en priesterlijk ambt, gelijk Hij het nu bedient, als Middelaar zo lang volhardende, en de uitvoering daarvan gedurig betrachtende, totdat door Zijn tussenkomst en Zijn Vaders macht al de vijanden van onze zaligheid, en ten laatste ook de dood, zullen teniet gedaan zijn, wanneer Hij deze vorm van regering zal afleggen, en blijven met de Vader, en de Heilige Geest alles in allen. Zie 1 Kor. 15:24 enz. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^hebreeen-10-14-28]: Kanttekening 28: Dat is, die door Zijn Geest en woord in Hem geloven en wedergeboren worden. En wordt hiermede een bepaling gemaakt van degenen, die door Christus' offerande volmaakt worden. Want hoewel Zijn offerande in zichzelf genoegzaam is voor alle mensen, nochtans volmaakt zij niemand dan die door Hem geheiligd worden.
[^hebreeen-10-15-29]: Kanttekening 29: 29 de Heilige Geest: Namelijk in Zijn woord en bijzonder in het formulier van het nieuwe verbond, Jer. 31, dat Hij met ons heeft gemaakt. Waaruit dan blijkt, dat de Heilige Geest de ware God is, en een onderscheiden persoon in het Goddelijk wezen.
[^hebreeen-10-15-30]: Kanttekening 30: 30 getuigt het ons ook: Namelijk wat hij in vers 14 heeft gezegd. Want hoewel in het formulier van het nieuwe testament, Jer. 31, geen gewag wordt gemaakt van offerande, nochtans omdat volkomen vergeving van de zonden daar beloofd wordt, en de apostel tot hiertoe had bewezen, dat de dood van de testamentmaker daartussen moest komen, opdat het nieuwe testament vast zou zijn, en hij zulks ook bewezen had uit Ps. 40, zo besluit hij dan onwedersprekelijk, dat dit door deze enige offerande in het Nieuwe Verbond moest teweeg gebracht worden. Zo leert ons dan hier de apostel de Schrift met zichzelf vergelijken, om vaste besluiten in zaken van het geloof te maken. Hebreeën 10:14: Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
[^hebreeen-10-16-f]: Verwijzing f: Jer. 31:31; idem v. 32; idem v. 33; idem v. 34; Rom. 11:27; Hebr. 8:8. Jeremia 31:31: Ziet, de dagen komen, spreekt YHWH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt YHWH; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt YHWH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:34: En zij zullen niet meer, een iedereen zijn naaste, en een iedereen zijn broeder, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Romeinen 11:27: En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen. Hebreeën 8:8: Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;
[^hebreeen-10-16-31]: Kanttekening 31: 31 zegt de Heer: Dat is, zo zegt de Heer. Welke woorden hier kunnen genomen worden voor Paulus' woorden, hoewel dergelijke bij de profeet ook staan. Anders zou in het begin van vers 17 iets ontbreken, om het besluit van Paulus te vervullen, namelijk zo zegt hij, of dergelijke, dat ook enige boeken voor vers 17 hebben gesteld, omdat zij deze woorden, zegt de Heer, voor de woorden van de profeet hebben genomen. Hebreeën 10:17: En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken. Hebreeën 10:17: En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken.
[^hebreeen-10-18-32]: Kanttekening 32: 32 geen offerande meer: Namelijk van de verzoening; maar alleen offeranden van de dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament van ons worden geëist. Zie Rom. 12:1; Hebr. 13:15; 1 Petr. 2:5. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^hebreeen-10-19-33]: Kanttekening 33: 33 Omdat wij dan: Hier begint de apostel het tweede deel van deze brief; namelijk de vermaningen van de schuldige plicht van de gelovigen. En vermaant hen in het overige deel van dit hoofdstuk tot vrijmoedigheid in het geloof, tot standvastigheid in de belijdenis en tot volharding in de verdrukking.
[^hebreeen-10-19-g]: Verwijzing g: Joh. 10:9; Joh. 14:6; Rom. 5:2; Ef. 2:13; Ef. 3:12. Johannes 10:9: Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. Efeziërs 3:12: In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en de toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.
[^hebreeen-10-19-34]: Kanttekening 34: 34 in te gaan: Grieks tot de ingang van het heiligdom; dat is, om door geloof, hoop en gebeden regelrecht tot God te gaan in de hemel; Rom. 5:2; Ef. 3:12. Romeinen 5:2: Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Efeziërs 3:12: In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en de toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.
[^hebreeen-10-20-35]: Kanttekening 35: 35 versen en: Het Griekse woord betekent eigenlijk dat vers is geslacht; dat hier op de offerande van Christus ziet, die vers geslacht was en alle tijd in volle kracht blijft.
[^hebreeen-10-20-36]: Kanttekening 36: Dat is, levendmakenden, gelijk Joh. 6:51, want Christus' dood is ons leven. Johannes 6:51: Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.
[^hebreeen-10-20-37]: Kanttekening 37: Zo noemt hij Christus voor ons geofferd, omdat wij door Hem en Zijn verdiensten tot God toegang hebben. Zie Joh. 14:6. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.
[^hebreeen-10-20-38]: Kanttekening 38: 38 ingewijd heeft: Of, nieuw voorbereid, of voorgesteld heeft. Zie Hebr. 9:18. Hebreeën 9:18: Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.
[^hebreeen-10-20-39]: Kanttekening 39: 39 Zijn vlees: Dat is, Zijn menselijke natuur, waardoor Zijn Goddelijke natuur bedekt werd, gelijk door het voorhangsel de ark van het Verbond en de genadestoel, met het gehele heilige van de heiligen.
[^hebreeen-10-21-40]: Kanttekening 40: 40 over het huis van God: Dat is, de gehele gemeente van God. Zie hiervoor Hebr. 3:6. Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
[^hebreeen-10-22-41]: Kanttekening 41: 41 waarachtig hart: Dat is, ongeveinsd, oprecht gemoed.
[^hebreeen-10-22-42]: Kanttekening 42: 42 onze harten: Dat is, onze zielen of gedachten, wil en genegenheden.
[^hebreeen-10-22-43]: Kanttekening 43: 43 gereinigd zijnde: Grieks besprengd; dat is, met besprenging van het bloed van Christus gereinigd en bevrijd zijnde van de kwade consciëntie. Zie hiervoor Hebr. 9:14. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?
[^hebreeen-10-22-44]: Kanttekening 44: 44 het lichaam gewassen: Dat is, onze uitwendige daden of werken, die door het lichaam gebeuren.
[^hebreeen-10-22-45]: Kanttekening 45: 45 met rein water: Dat is, door de werking van de Geest van Christus, die door rein water doorgaans wordt aangeduid. Zie Ezech. 36:25; 1 Joh. 5:6. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. 1 Johannes 5:6: Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.
[^hebreeen-10-22-h]: Verwijzing h: Ezech. 36:25. Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
[^hebreeen-10-23-46]: Kanttekening 46: 46 van de hoop: Namelijk die in ons is; 1 Petr. 3:15. 1 Petrus 3:15: Maar heiligt God, de Heer, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iedereen, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.
[^hebreeen-10-23-47]: Kanttekening 47: Dat is, standvastig behouden, zonder daar af te wijken, of ons daarvan te laten afleiden.
[^hebreeen-10-23-48]: Kanttekening 48: 48 is getrouw): Namelijk in het volbrengen van wat hij beloofd heeft.
[^hebreeen-10-24-49]: Kanttekening 49: 49 elkaar acht nemen: Of, elkaar waarnemen.
[^hebreeen-10-25-50]: Kanttekening 50: 50 bijeenkomst niet nalaten: Namelijk in de Christelijke vergaderingen, die tot gehoor van Gods woord, algemene gebeden, en gebruik van de heilige sacramenten aangericht zijn. Zie Hand. 2:42, en Hand. 20:7; 1 Kor. 11:20, enz. Handelingen 2:42: En zij waren volhardende in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking van het brood, en in de gebeden. Handelingen 20:7: En op de eerste dag van de week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende op de andere dag verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot de middernacht. 1 Korinthiërs 11:20: Als u dan bijeen samenkomt, dat is niet het avondmaal van de Heer eten.
[^hebreeen-10-25-51]: Kanttekening 51: 51 de gewoonte hebben: Namelijk die van de waarheid afvallen, of uit vrees van de Joden, of ook door nalatigheid, of uit een groot gevoelen van zichzelf, of uit andere oorzaken hierin vertragen. Zie Matt. 18:20. Mattheüs 18:20: Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.
[^hebreeen-10-26-i]: Verwijzing i: Num. 15:30; Matt. 12:31; Hebr. 6:4; 2 Petr. 2:20; 1 Joh. 5:16. Numeri 15:30: Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; Mattheüs 12:31: Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. Hebreeën 6:4: Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, 2 Petrus 2:20: Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heer en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvloden zijn, en in die opnieuw ingewikkeld zijnde, van die overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^hebreeen-10-26-52]: Kanttekening 52: 52 willens zondigen: Dat is, moedwillig afvallen van dit geloof, dat de apostel hier heeft beschreven, gelijk hierna vers 29 deze zonde breder wordt verklaard, die de apostel ook hiervoor, Hebr. 6:6, een afvallen heeft genoemd. Hij spreekt dan hier niet van allerlei zonde of afval, maar van die zonde, die Christus noemt de zonde of lastering tegen de Heilige Geest, Matt. 12:32, en van de zonde tot de dood, waar Johannes van spreekt, 1 Joh. 5:16, gelijk blijkt uit de volgende eigenschappen, die hierna vermeld worden. Hebreeën 10:29: Hoeveel te zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest van de genade smaadheid heeft aangedaan? Hebreeën 6:6: En afvallig worden, die, zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken. Mattheüs 12:32: En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon van de mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. 1 Johannes 5:16: Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
[^hebreeen-10-26-53]: Kanttekening 53: 53 geen slachtoffer meer over: Namelijk omdat zodanigen het enige slachtoffer van het Nieuwe Testament, namelijk van de Heer Jezus en Zijn verdienste moedwillig verwerpen en verachten. En schijnt hier ook de apostel te zien op de plaats Num. 15:30, 15:31, daar ook zelfs naar de wet geen offerande tot verzoening wordt toegelaten voor degenen, die met opgeheven hand zondigden, en de Heer versmaadden, maar zonder genade uit het volk moesten uitgeroeid worden. Numeri 15:30: Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt YHWH; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; Numeri 15:31: Want zij heeft het woord van YHWH veracht en Zijn gebod vernietigd; diezelve ziel zal ganselijk uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid is op haar.
[^hebreeen-10-27-54]: Kanttekening 54: 54 de tegenstanders: Dat is, de vijanden van Gods waarheid en vervolgers van deze.
[^hebreeen-10-28-55]: Kanttekening 55: 55 te niet gedaan: Dat is, verworpen, verlaten, verloochend, of daarvan afvallig is geworden, gelijk Deut. 13:5, 13:6, 13:7, en Deut. 17:2, wordt verklaard. Want hoewel er meer moedwillige zonden waren, die met de dood werden gestraft, nochtans zo ziet de apostel in het bijzonder op deze zonde van de moedwillige afval, gelijk het Griekse woord athetein (ἀθετήσας), dat is, afzetten of teniet doen, en de vergelijking van vers 29 medebrengt. Deuteronomium 13:5: En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen YHWH, uw God, Die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u YHWH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. Deuteronomium 13:6: Wanneer uw broeder, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaderen; Deuteronomium 13:7: Van de goden van de volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; Deuteronomium 17:2: Wanneer in het midden van u, in een van uw poorten, die YHWH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van YHWH, uws Gods, overtredende Zijn verbond; Hebreeën 10:29: Hoeveel te zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest van de genade smaadheid heeft aangedaan?
[^hebreeen-10-28-k]: Verwijzing k: Num. 35:30; Deut. 17:6; Deut. 19:15; Matt. 18:16; Joh. 8:17; 2 Kor. 13:1. Numeri 35:30: Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. Deuteronomium 17:6: Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van een enige getuige zal hij niet gedood worden. Deuteronomium 19:15: Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. Mattheüs 18:16: Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. Johannes 8:17: En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. 2 Korinthiërs 13:1: Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.
[^hebreeen-10-29-56]: Kanttekening 56: 56 vertreden heeft: Dat is, moedwillig veracht en verworpen heeft. Want wat men vertreedt, pleegt men met verachting en verwerping zo te behandelen.
[^hebreeen-10-29-57]: Kanttekening 57: 57 het bloed van het testament: Dat is, het bloed van Jezus Christus, door dat het Nieuwe Testament is bevestigd; Matt. 26:28. Mattheüs 26:28: Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden.
[^hebreeen-10-29-58]: Kanttekening 58: 58 onrein geacht heeft: Grieks gemeen; dat is, profaan, onheilig, Mark. 7:2; Hand. 10:14. Want wat men verwerpt of verzaakt, dat houdt men voor onrein of onheilig in zaken van de godsdienst. Marcus 7:2: En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen. Handelingen 10:14: Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.
[^hebreeen-10-29-59]: Kanttekening 59: 59 geheiligd was: Namelijk uitwendig, ten aanzien van zijn voorgaande belijdenis, aangaande het gehoor van het Goddelijke woord, gebruik van de heilige Sacramenten en afscheiding van andere gemene mensen, namelijk Joden en heidenen. Hoewel de zodanige de ware wedergeboorte niet deelachtig was, gelijk Johannes getuigt, 1 Joh. 2:19, en gelijk zulke, 2 Petr. 2:22, evenwel nog honden en zeugen worden genoemd, al worden zij reeds van hun uitwendig slijk gewassen en de onreinheid van afgoderij en andere onheiligheden hadden verlaten. 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. 2 Petrus 2:22: Maar hun is overkomen, wat met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is teruggekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.
[^hebreeen-10-29-60]: Kanttekening 60: 60 de Geest van de genade: Dat is, de Heilige Geest, die in hen enige smaak van Gods genade begon te werken, waarover zij zich ook een tijd verblijdden. Zie hiervan breder Hebr. 6:5. Hebreeën 6:5: En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw,
[^hebreeen-10-30-61]: Kanttekening 61: 61 Die gezegd heeft: Namelijk Deut. 32:35, 32:36 waar de Heer belooft, dat Hij Zijn volk zal wreken over hunne vijanden, en oordelen, dat is, richten en beschermen tegen alle vervolgers en verdrukkers. En hier valt op te merken, dat de apostel de woorden van de Griekse overzetters naar de Hebreeuwsen tekst verandert en verbetert. Deuteronomium 32:35: Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. Deuteronomium 32:36: Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^hebreeen-10-30-l]: Verwijzing l: Deut. 32:35; Rom. 12:19. Deuteronomium 32:35: Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. Romeinen 12:19: Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heer.
[^hebreeen-10-30-m]: Verwijzing m: Deut. 32:36. Deuteronomium 32:36: Want YHWH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
[^hebreeen-10-31-62]: Kanttekening 62: 62 te vallen in de handen: Namelijk als Hij wraak doet over Zijn vijanden. Anders is het beter te vallen in de handen van God dan van de mensen, als Hij de Zijnen genadig tuchtigt; 2 Sam. 24:14. 2 Samuël 24:14: Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand van YHWH vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.
[^hebreeen-10-32-63]: Kanttekening 63: 63 nadat u verlicht bent geweest: Namelijk eerst, toen u gelovig geworden bent, en door de doop de gemeente van Christus zijt ingelijfd. Hoeveel te meer dan, wil hij zeggen, moet u standvastig zijn en tegen alle verdrukkingen gewapend, nadat u nu Christus lang hebt beleden en Hem gediend.
[^hebreeen-10-33-64]: Kanttekening 64: 64 een schouwspel geworden zijt: Dit kan genomen worden òf eigenlijk, omdat de Christenen dikwijls in de schouwspelen voor de beesten werden geworpen, 1 Kor. 15:32, òf bij gelijkenis, omdat zij in het openbaar in de synagogen en rechthuizen schandelijk ten toon werden gesteld en kwalijk behandeld, gelijk Christus voorzegt, Luk. 12:11, en Luk. 21:12, en Paulus van zich en andere apostelen spreekt, 1 Kor. 4:9. 1 Korinthiërs 15:32: Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. Lukas 12:11: En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; Lukas 21:12: Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en u zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil. 1 Korinthiërs 4:9: Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot de dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden van de wereld, en de engelen, en de mensen.
[^hebreeen-10-33-65]: Kanttekening 65: 65 gemeenschap gehad hebt: Dat is, medelijden gehad hebt, en alle broederlijke hulp bewezen hebt.
[^hebreeen-10-34-66]: Kanttekening 66: 66 over mijn banden medelijden gehad: Namelijk wanneer ik te Jeruzalem overvallen en gevangen ben, en genoodzaakt ben geweest mij op de keizer te beroepen, om het geweld van de Joden te ontgaan, toen zonder twijfel de gelovige Joden groot mededogen met Paulus hebben gehad en hem alle hulp bewezen. Zie Hand. 21:33. Handelingen 21:33: Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.
[^hebreeen-10-34-n]: Verwijzing n: Hand. 21:33. Handelingen 21:33: Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.
[^hebreeen-10-34-67]: Kanttekening 67: 67 met blijdschap aangenomen: Namelijk naar de vermaning en belofte van Christus, Matt. 5:11, 5:12, en naar het voorbeeld van de apostelen; Hand. 5:41. Zie ook 1 Thess. 2:14. Mattheüs 5:11: Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Handelingen 5:41: Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden. 1 Thessalonicensen 2:14: Want u, broeders, bent navolgers geworden van de Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
[^hebreeen-10-34-68]: Kanttekening 68: 68 in uzelven: Dat is, in de hoop die in u is.
[^hebreeen-10-34-o]: Verwijzing o: Matt. 5:12. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^hebreeen-10-35-69]: Kanttekening 69: 69 uw vrijmoedigheid niet weg: Dat is, uw vrijmoedige belijdenis, spruitende uit de vrijmoedigheid van het geloof en van de hoop op God, gelijk hiervoor vers 23 uitgedrukt staat. Of uw vertrouwen. Hebreeën 10:23: Laat ons de onwankelbare belijdenis van de hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);
[^hebreeen-10-35-70]: Kanttekening 70: 70 vergelding van het loon heeft: Namelijk uit genade en om Christus' wil. Zie Rom. 11:35; Kol. 3:24; Hebr. 13:21. Romeinen 11:35: Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Kolossensen 3:24: Wetende, dat u van de Heer zult ontvangen de vergelding van de erfenis; want u dient de Heer Christus. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^hebreeen-10-36-p]: Verwijzing p: Lukas 21:19. Lukas 21:19: Bezit uw zielen in uw volharding.
[^hebreeen-10-36-71]: Kanttekening 71: 71 volharding nodig: Dat is standvastigheid en volhardende verwachting van de vervulling van Gods belofte, gelijk het bewijs, dat de apostel hier uit de plaats van Habakuk haalt, medebrengt.
[^hebreeen-10-36-72]: Kanttekening 72: 72 de beloftenis mag wegdragen: Dat is, beloofde zaak of erfenis. Zie Gal. 3:22. Galaten 3:22: Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.
[^hebreeen-10-37-q]: Verwijzing q: Hag. 2:7; Habak. 2:3; 1 Petr. 1:6; 1 Petr. 5:10. Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven. 1 Petrus 1:6: In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 1 Petrus 5:10: De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Die volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.
[^hebreeen-10-37-73]: Kanttekening 73: 73 Nog een zeer weinig tijds: Namelijk is er overig. Deze woorden zijn genomen uit Hab. 2:3; Hag. 2:7, die de apostel niet van woord tot woord bijbrengt, maar vermeldt de zin daarvan en past ze tot zijn voornemen. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven. Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
[^hebreeen-10-37-74]: Kanttekening 74: 74 Hij, Die te komen staat: Namelijk de Messias, Christus.
[^hebreeen-10-38-r]: Verwijzing r: Habak. 2:4; Rom. 1:17; Gal. 3:11. Habakuk 2:4: Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid van God wordt in het geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Galaten 3:11: En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^hebreeen-10-38-75]: Kanttekening 75: 75 zal uit het geloof leven: Zie nader van deze overzetting Rom. 1:17. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid van God wordt in het geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^hebreeen-10-38-76]: Kanttekening 76: 76 zo iemand zich onttrekt: Namelijk van dit geloof en volhardende verwachting, door afval of verloochening van Christus en Zijn waarheid.
[^hebreeen-10-39-77]: Kanttekening 77: 77 Maar wij zijn niet: Hiermede verzacht de apostel het voorgaande dreigement, namelijk dat hij zulk gevoelen van hen niet heeft, hoewel hij zo spreekt, gelijk hij ook in dergelijke waarschuwing hiervoren, Hebr. 6:9, heeft gedaan. Hebreeën 6:9: Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij zo spreken.
[^hebreeen-10-39-78]: Kanttekening 78: 78 van degenen: Grieks van de onttrekking.
[^hebreeen-10-39-79]: Kanttekening 79: 79 van degenen, die geloven: Grieks van het geloof.
[^hebreeen-10-39-80]: Kanttekening 80: Of, verkrijging, verwerving.
[^hebreeen-10-39-81]: Kanttekening 81: 81 van de ziel: Dat is, van de zaligheid van de ziel; gelijk Christus ook spreekt Matt. 10:39. Mattheüs 10:39: Die zijn ziel vindt, zal die verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal die vinden.

### Hebreeën 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/11.json)

*1 Om de Hebreeën des te beter tot standvastigheid in het geloof te bewegen, beschrijft hij hun het geloof, met zijn eigenschappen en werkingen. 4 En brengt daartoe de voorbeelden voort van het geloof van de aartsvaderen van het Oude Testament, en allereerst van Abel. 5 En van Henoch. 7 En van Noach. 8 Daarna van Abraham. 11 En van Sara. 13 Die met hun zaad de beloften van het land Kanaän wel hebben ontvangen, maar de vervulling daarvan niet op aarde, maar in de hemel hebben verkregen. 17 Verder verhaalt hij het voorbeeld van het geloof van Abraham in het offeren van zijn zoon Izak. 20 En van Izak in het zegenen van zijn zoon Jakob. 21 En van Jakob in het zegenen van de zonen van Jozef. 22 En van Jozef op zijn sterfbed. 23 Daarna van de ouders van Mozes. 24 En van Mozes zelf in het verachten van zijn eer en gemak in het hof van Farao. 27 En in het vertrekken uit Egypte, het houden van het Pascha en het doorgaan door de Rode Zee. 30 Daarna van Jozua en van Rachab in het innemen van Jericho. 32 Alsook van de richters en koningen, die door het geloof grote dingen verricht hebben. 35 Daarna van enige vrouwen, die grote moeilijkheden daardoor hebben uitgestaan. 36 Zoals ook verscheidene andere profeten en martelaren. 39 Besluit dat dezen allen gestorven zijn in het geloof, hoewel zij de beloofde zaak zonder ons niet hebben verkregen.*

**1** Het geloof nu is[^hebreeen-11-1-1] een vaste grond van de dingen, die men hoopt,[^hebreeen-11-1-2] en een bewijs[^hebreeen-11-1-3] van de zaken, die men niet ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v1)

**2** Want door hetzelfde hebben[^hebreeen-11-2-4] de oude[^hebreeen-11-2-5] getuigenis bekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v2)

**3** Door het geloof verstaan wij,[^hebreeen-11-3-a] dat[^hebreeen-11-3-6] de wereld[^hebreeen-11-3-7] door het woord van God is[^hebreeen-11-3-8] toebereid,[^hebreeen-11-3-b] zo dat de dingen, die men ziet,[^hebreeen-11-3-9] niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v3)

**4** Door het geloof[^hebreeen-11-4-c] heeft Abel[^hebreeen-11-4-10] een meerdere offergave voor God geofferd dan Kaïn,[^hebreeen-11-4-11] door dat hij[^hebreeen-11-4-d] getuigenis bekomen heeft,[^hebreeen-11-4-12] dat hij rechtvaardig was, zo God[^hebreeen-11-4-13] over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde[^hebreeen-11-4-14] geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v4)

**5** Door het geloof is[^hebreeen-11-5-e] Henoch[^hebreeen-11-5-15] weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij[^hebreeen-11-5-16] werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij[^hebreeen-11-5-17] voor God behaagde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v5)

**6** Maar zonder geloof[^hebreeen-11-6-18] is het onmogelijk voor God te behagen. Want[^hebreeen-11-6-19] die tot God komt, moet geloven,[^hebreeen-11-6-20] dat Hij is, en[^hebreeen-11-6-21] een Beloner is van degenen,[^hebreeen-11-6-22] die Hem zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v6)

**7** Door het geloof heeft[^hebreeen-11-7-f] Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen,[^hebreeen-11-7-23] die nog niet gezien werden, en bevreesd[^hebreeen-11-7-24] geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark[^hebreeen-11-7-25] hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden[^hebreeen-11-7-26] een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v7)

**8** Door het geloof is[^hebreeen-11-8-g] Abraham,[^hebreeen-11-8-27] geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan[^hebreeen-11-8-28] naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v8)

**9** Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft[^hebreeen-11-9-29] in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren[^hebreeen-11-9-30] van diezelfde belofte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v9)

**10** Want hij verwachtte[^hebreeen-11-10-31] de stad,[^hebreeen-11-10-32] die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is[^hebreeen-11-10-33]. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v10)

**11** Door het geloof heeft ook[^hebreeen-11-11-h] Sara zelf kracht ontvangen,[^hebreeen-11-11-34] om zaad te geven, en[^hebreeen-11-11-35][^hebreeen-11-11-i] boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; omdat zij Hem[^hebreeen-11-11-36] getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v11)

**12** Daarom zijn ook van één,[^hebreeen-11-12-37] en dat één verstorvene, zovelen in menigte geboren,[^hebreeen-11-12-k] als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de[^hebreeen-11-12-38] oever van de zee is, dat ontallijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v12)

**13** [^hebreeen-11-13-l] Deze allen zijn in het geloof gestorven,[^hebreeen-11-13-39] de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden,[^hebreeen-11-13-m] dat zij[^hebreeen-11-13-40] gasten en vreemdelingen op de aarde waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v13)

**14** Want die[^hebreeen-11-14-41] zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij[^hebreeen-11-14-42] een vaderland zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v14)

**15** En als zij aan dat vaderland gedacht hadden,[^hebreeen-11-15-43] van dat zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v15)

**16** Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse.[^hebreeen-11-16-44] Daarom schaamt Zich God van hun niet,[^hebreeen-11-16-n] om hun God[^hebreeen-11-16-45] genoemd te worden; want Hij had hun[^hebreeen-11-16-46] een stad bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v16)

**17** [^hebreeen-11-17-o] Door het geloof heeft Abraham,[^hebreeen-11-17-47] als hij verzocht werd, Izak[^hebreeen-11-17-48] geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft[^hebreeen-11-17-49] zijn eniggeborene geofferd, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v17)

**18** (Tot[^hebreeen-11-18-50] die gezegd was:[^hebreeen-11-18-p] In Izak zal u het zaad genoemd worden)[^hebreeen-11-18-51] overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v18)

**19** Waaruit hij hem ook[^hebreeen-11-19-52] bij gelijkenis wedergekregen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v19)

**20** [^hebreeen-11-20-q] Door het geloof heeft Izak[^hebreeen-11-20-53] zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v20)

**21** [^hebreeen-11-21-r] Door het geloof heeft Jakob,[^hebreeen-11-21-54] stervende, ieder van de zonen van Jozef[^hebreeen-11-21-s] gezegend, en[^hebreeen-11-21-55] heeft aangebeden,[^hebreeen-11-21-56] leunende op het bovenste van zijn staf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v21)

**22** [^hebreeen-11-22-t] Door het geloof heeft Jozef, stervende,[^hebreeen-11-22-57] gemeld van de uitgang van de Israëlieten, en heeft bevel gegeven[^hebreeen-11-22-58] van zijn gebeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v22)

**23** [^hebreeen-11-23-v] Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn[^hebreeen-11-23-59] ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en[^hebreeen-11-23-60] zij vreesden het gebod van de koning niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v23)

**24** Door het geloof heeft Mozes, nu[^hebreeen-11-24-61] groot geworden zijnde, geweigerd[^hebreeen-11-24-62] een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v24)

**25** [^hebreeen-11-25-x] Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd[^hebreeen-11-25-63] de genieting van de zonde te hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v25)

**26** Achtende de versmaadheid[^hebreeen-11-26-64] van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag[^hebreeen-11-26-65] op de vergelding van het loon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v26)

**27** Door het geloof heeft hij[^hebreeen-11-27-66] Egypte verlaten, niet vrezende de toorn van de koning; want[^hebreeen-11-27-67] hij hield zich vast, als[^hebreeen-11-27-68] ziende[^hebreeen-11-27-69] de Onzichtbare. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v27)

**28** [^hebreeen-11-28-y] Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en[^hebreeen-11-28-70] de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen[^hebreeen-11-28-71] hen niet raken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v28)

**29** [^hebreeen-11-29-z] Door het geloof[^hebreeen-11-29-72] zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v29)

**30** [^hebreeen-11-30-a] Door[^hebreeen-11-30-73] het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe[^hebreeen-11-30-74] omringd waren geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v30)

**31** [^hebreeen-11-31-b] Door het geloof is Rachab,[^hebreeen-11-31-75] de hoer, niet omgekomen met[^hebreeen-11-31-76] de ongehoorzamen,[^hebreeen-11-31-c] als zij de spionnen[^hebreeen-11-31-77] met vrede had ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v31)

**32** En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen[^hebreeen-11-32-d] van Gideon,[^hebreeen-11-32-e] en Barak, en[^hebreeen-11-32-f] Samson, en[^hebreeen-11-32-g] Jeftha, en[^hebreeen-11-32-h] David, en[^hebreeen-11-32-i] Samuël, en[^hebreeen-11-32-78] de profeten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v32)

**33** Die door het geloof[^hebreeen-11-33-79] koninkrijken hebben overwonnen,[^hebreeen-11-33-80] gerechtigheid geoefend,[^hebreeen-11-33-81] de beloftenissen verkregen,[^hebreeen-11-33-82][^hebreeen-11-33-k] de muilen van de leeuwen toegestopt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v33)

**34** [^hebreeen-11-34-83][^hebreeen-11-34-l] De kracht van het vuur hebben uitgeblust,[^hebreeen-11-34-84][^hebreeen-11-34-m] de scherpte van het zwaard zijn ontvlucht,[^hebreeen-11-34-85][^hebreeen-11-34-n] uit zwakheid krachten hebben gekregen,[^hebreeen-11-34-86] in de oorlog sterk geworden zijn,[^hebreeen-11-34-87] legers van de vreemden op de vlucht hebben gebracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v34)

**35** [^hebreeen-11-35-88][^hebreeen-11-35-o] De vrouwen hebben haar doden[^hebreeen-11-35-89] uit de opstanding wedergekregen;[^hebreeen-11-35-p] en anderen zijn[^hebreeen-11-35-90] uitgerekt geworden,[^hebreeen-11-35-91] de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij[^hebreeen-11-35-92] een betere opstanding verkrijgen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v35)

**36** En anderen hebben[^hebreeen-11-36-93] bespottingen en geselen geproefd, en ook[^hebreeen-11-36-q] banden en gevangenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v36)

**37** [^hebreeen-11-37-r] Zijn[^hebreeen-11-37-94] gestenigd geworden,[^hebreeen-11-37-95] in stukken gezaagd,[^hebreeen-11-37-96] verzocht,[^hebreeen-11-37-97] door het zwaard ter dood gebracht;[^hebreeen-11-37-98] hebben gewandeld[^hebreeen-11-37-s] in[^hebreeen-11-37-99] schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v37)

**38** (Van wie de wereld niet waard was)[^hebreeen-11-38-100] hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in grotten, en in holen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v38)

**39** En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;[^hebreeen-11-39-101][^hebreeen-11-39-102] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v39)

**40** Zo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.[^hebreeen-11-40-103][^hebreeen-11-40-104][^hebreeen-11-40-105] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/11.html#v40)

[^hebreeen-11-1-1]: Kanttekening 1: 1 is een vaste grond: Of een vast vertrouwen; dat is, wat doet bestaan, of vast en als tegenwoordig staan de dingen die van God in Christus beloofd zijn, en die daarom door de hoop worden verwacht, dat niet alleen geschiedt door een toestemming van Gods beloften in ons verstand, maar ook door een vertrouwen op deze in onze wil; zie Rom. 4:18, enz. en hiervoor Hebr. 3:14. Grieks hypostasis; dat is, zelfstandigheid; van welk woord, zie ook 2 Kor. 9:4, en 2 Kor. 11:17. Romeinen 4:18: Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen. Hebreeën 3:14: Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden; 2 Korinthiërs 9:4: En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden in deze vaste grond van de roeming. 2 Korinthiërs 11:17: Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heer, maar als in onwijsheid, in deze vaste grond van de roeming.
[^hebreeen-11-1-2]: Kanttekening 2: 2 een bewijs: Of overtuiging; want het geloof ziende op Gods openbaring en belofte, overtuigt en verzekert het hart van de mens veel sterker van de waarheid van de zaak, dan enig ander bewijs uit de natuurlijke rede voortgebracht.
[^hebreeen-11-1-3]: Kanttekening 3: 3 van de zaken, die men niet ziet: Dat is, zelfs die door natuurlijke zinnen of rede door ons niet worden begrepen; of, die niet tegenwoordig zijn voor onze ogen. Want hoewel de dingen, die gezien worden ook wel geloofd worden, gelijk Christus tot Thomas spreekt, Joh. 20:29; nochtans is dit eigenlijk niet het Goddelijk geloof, dat in ons door de Heilige Geest wordt gewrocht, dat alleen op Gods belofte of openbaring ziet, het zij de dingen nu verleden, tegenwoordig, of toekomende zijn, gelijk uit de voorbeelden, die Paulus voortbrengt, zal blijken. Johannes 20:29: Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
[^hebreeen-11-2-4]: Kanttekening 4: 4 de ouden: Namelijk voorvaders, van wie wij afkomstig zijn, en welker voorbeelden wij moeten navolgen.
[^hebreeen-11-2-5]: Kanttekening 5: 5 getuigenis bekomen: Namelijk dat zij God behaagden, gelijk vers 5 wordt uitgedrukt. Hebreeën 11:5: Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde.
[^hebreeen-11-3-a]: Verwijzing a: Gen. 1:1; Ps. 33:6; Joh. 1:10; Ef. 3:9; Kolos. 1:16. Genesis 1:1: In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Psalmen 33:6: Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Johannes 1:10: Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Efeziërs 3:9: En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^hebreeen-11-3-6]: Kanttekening 6: 6 de wereld: Grieks de eeuwen; gelijk Hebr. 1:2. Hebreeën 1:2: Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft;
[^hebreeen-11-3-7]: Kanttekening 7: 7 door het woord van God: Dat is, door het krachtig bevel Gods. Zie Gen. 1; Ps. 33:6. Psalmen 33:6: Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir.
[^hebreeen-11-3-8]: Kanttekening 8: Dat is, geschapen en in zulke orde en gestalte gebracht, als wij die nu zien.
[^hebreeen-11-3-b]: Verwijzing b: Rom. 4:17; Kolos. 1:16. Romeinen 4:17: (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; Kolossensen 1:16: Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;
[^hebreeen-11-3-9]: Kanttekening 9: 9 niet geworden zijn uit dingen: Of, geworden zijn niet uit zichtbare, of geziene dingen; dat is, uit niet. Want dit is het geloof eigen, dat het uit Gods Woord gelooft dat de wereld uit niet is geschapen; waartoe geen wijsgeer door de natuurlijke rede heeft kunnen komen.
[^hebreeen-11-4-c]: Verwijzing c: Gen. 4:4. Genesis 4:4: En Abel bracht ook van de eerstgeborenen Zijn schapen, en van hun vet. En YHWH zag Abel en zijn offer aan;
[^hebreeen-11-4-10]: Kanttekening 10: 10 een meerdere offerande: Sommigen nemen dit woord meerder voor van meerder prijs, omdat Abel uit zijn vetste beesten zijn offerande heeft gedaan en Kaïn maar uit enige slechte vruchten. Maar wordt hier hetzelfde woord wel zo geschikt genomen voor waardiger en voor God aangenamer, dat de apostel daaruit besluit, dat God Abel en zijn offerande aanzag en van Kaïn niet, dat de apostel getuigt dat door het geloof van Abel is geschied; namelijk omdat Abel in deze offerande zag op dat zaad van de vrouw, dat de slang de kop zou vertreden, dat is, op Christus, die door Zijn dood de duivel zou teniet maken; Hebr. 2:14. Hebreeën 2:14: Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^hebreeen-11-4-11]: Kanttekening 11: 11 door dat hij: Namelijk geloof.
[^hebreeen-11-4-d]: Verwijzing d: Matt. 23:35. Mattheüs 23:35: Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abels af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welken u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^hebreeen-11-4-12]: Kanttekening 12: 12 dat hij rechtvaardig was: Dit staat wel niet met zoveel woorden Gen. 4:4, maar de apostel besluit dit uit wat daar staat, dat God hem en zijn offerande aanzag, welken titel van rechtvaardigheid Christus daarom aan Abel ook geeft; Matt. 23:35. Genesis 4:4: En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En YHWH zag Abel en zijn offer aan; Mattheüs 23:35: Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welken u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
[^hebreeen-11-4-13]: Kanttekening 13: 13 over zijn gave getuigenis gaf: Namelijk door Mozes, Gen. 4:4; of door een buitengewoon teken uit de hemel omtrent Zijn offerande, gelijk over Aärons offerande, Lev. 9:24; over Elia, 1 Kon. 18:38; van David, 1 Kron. 21:26; van Salomo, 2 Kron. 7:1, door het zenden van vuur uit de hemel is geschied. Dat daarom zeer gelofelijk is, omdat Kaïn, dit ziende, over zijn broeder met toorn en nijd is ontstoken. Genesis 4:4: En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En YHWH zag Abel en zijn offer aan; Leviticus 9:24: Want een vuur ging uit van het aangezicht van YHWH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het gehele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. 1 Koningen 18:38: Toen viel het vuur van YHWH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 1 Kronieken 21:26: Toen bouwde David daar YHWH een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij YHWH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. 2 Kronieken 7:1: Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis.
[^hebreeen-11-4-14]: Kanttekening 14: 14 spreekt hij nog: Namelijk niet alleen met zijn goed exempel in Gods Woord, maar ook door zijn bloed, dat na zijn dood wraak riep tot God. Zie Gen. 4:10; Hebr. 12:24. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broeder, dat tot Mij roept van de aardbodem. Hebreeën 12:24: En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.
[^hebreeen-11-5-e]: Verwijzing e: Gen. 5:24. Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
[^hebreeen-11-5-15]: Kanttekening 15: 15 weggenomen geweest: Grieks overgezet; namelijk van de aarde in de hemel, gelijk van Elia uitgedrukt wordt, 2 Kon. 2:1. 2 Koningen 2:1: Het geschiedde nu, als YHWH Elia met een onweer ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.
[^hebreeen-11-5-16]: Kanttekening 16: Dat is, lijden of gevoelen; gelijk dit woord zien ook genomen wordt Ps. 16:10; Joh. 8:51. Waaruit blijkt, dat zijn lichaam in deze opneming naar de hemel de sterfelijkheid heeft afgelegd, en in een onsterfelijk en verheerlijkt lichaam is veranderd, gelijk van Elia te lezen is, Luk. 9:30, en van alle gelovigen ten laatste dage; 1 Kor. 15:51, en 1 Thess. 4:15. Psalmen 16:10: Want u zult mijn ziel in de hel niet verlaten; u zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Johannes 8:51: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in eeuwigheid. Lukas 9:30: En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias. 1 Korinthiërs 15:51: Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 1 Thessalonicensen 4:15: Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heer, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
[^hebreeen-11-5-17]: Kanttekening 17: 17 voor God behaagde: Dit zegt wel niet de tekst Gen. 5:22, maar de apostel besluit dit uit wat daar staat dat hij geduriglijk voor God wandelde. Genesis 5:22: En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters.
[^hebreeen-11-6-18]: Kanttekening 18: 18 is het onmogelijk: Of is het onmogelijk dat hij God behaagd heeft, namelijk ter eeuwige zaligheid. De reden is, omdat niemand buiten Christus God zo behagen kan, Joh. 14:6; Hand. 4:12. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. Handelingen 4:12: En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden.
[^hebreeen-11-6-19]: Kanttekening 19: 19 die tot God komt: Dat is, die voor God gestadig wandelt, gelijk Mozes van Henoch spreekt, Gen. 5:22, 5:24. Of die God dient en Zijne gunst zoekt te genieten. Genesis 5:22: En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. Genesis 5:24: Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
[^hebreeen-11-6-20]: Kanttekening 20: 20 dat Hij is: Namelijk niet alleen een wezenlijke zaak, maar ook zodanig als Hij zich in Zijn Woord heeft geopenbaard, niet alleen volgens de wet, maar ook volgens het Evangelie, waar het geloof, waarvan Paulus hier spreekt, eigenlijk op ziet; Rom. 1:16, 1:17. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Romeinen 1:17: Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
[^hebreeen-11-6-21]: Kanttekening 21: 21 een Beloner is van degenen: Of, loongever, vergelder; dat is, volbrenger van zijn beloften in het belonen van degenen, die Hem zoeken. Want dit loon kan niet gehoopt worden dan uit vorige beloften, waar het geloof op ziet. Welke hier noodzakelijk moet zijn, niet een belofte van de wet, maar van het Evangelie, daar niemand de belofte van de eeuwige erve uit de wet kan deelachtig worden. Zie Gal. 3:18. Galaten 3:18: Want als de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.
[^hebreeen-11-6-22]: Kanttekening 22: 22 die Hem zoeken: Namelijk door de weg in het Evangelie geopenbaard; Joh. 17:3. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die u gezonden hebt.
[^hebreeen-11-7-f]: Verwijzing f: Gen. 6:13. Genesis 6:13: Daarom zei God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.
[^hebreeen-11-7-23]: Kanttekening 23: 23 die nog niet gezien werden: Dat is, die nog niet tegenwoordig waren, namelijk van de zondvloed en van zijn behoudenis in de ark.
[^hebreeen-11-7-24]: Kanttekening 24: 24 bevreesd geworden zijnde: Namelijk met eerbied en kinderlijke vrees voor Gods dreigementen tegen de wereld en van Gods belofte tegenover hem.
[^hebreeen-11-7-25]: Kanttekening 25: 25 de wereld heeft veroordeeld: Namelijk door zijn exempel, in de aanwezigheid van allen; gelijk Matt. 12:41, 12:42. Mattheüs 12:41: De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! Mattheüs 12:42: De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!
[^hebreeen-11-7-26]: Kanttekening 26: 26 een erfgenaam: Dat is, deelgenoot of bezitter, niet alleen van zijn leven, dat ook de goddeloze Cham deelachtig was, maar ook van het eeuwige leven, dat door de rechtvaardigheid van het geloof alleen wordt verkregen; Rom. 4:13, enz. Romeinen 4:13: Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof.
[^hebreeen-11-8-g]: Verwijzing g: Gen. 12:4. Genesis 12:4: En Abram toog heen, gelijk YHWH tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
[^hebreeen-11-8-27]: Kanttekening 27: 27 geroepen zijnde: Namelijk uit Ur van de Chaldeën. Zie Hand. 7:2, enz. Handelingen 7:2: En hij zei: u mannen broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran;
[^hebreeen-11-8-28]: Kanttekening 28: 28 naar de plaats: Dat is naar het land Kanaän, hoewel hem in zijn eerste beroeping zulks nog niet bekend was. Zie Gen. 12:1. Genesis 12:1: YHWH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
[^hebreeen-11-9-29]: Kanttekening 29: 29 in tenten gewoond: Namelijk gelijk vreemdelingen en reizigers plachten, om die weer te kunnen opnemen en naar andere plaatsen te voeren; gelijk daartoe bij ons de tenten plegen gebruikt te worden.
[^hebreeen-11-9-30]: Kanttekening 30: 30 derzelfde belofte: Namelijk van de toekomende bezitting van het land Kanaän en vervolgens ook van het eeuwige leven.
[^hebreeen-11-10-31]: Kanttekening 31: 31 de stad: Dat is, de hemel, of het hemelse Jeruzalem, waarvan het land Kanaän en daarna ook Jeruzalem maar schaduwen waren.
[^hebreeen-11-10-32]: Kanttekening 32: 32 die fondamenten heeft: Namelijk welke vast en onbewegelijk waren. De apostel stelt die tegen de tenten, die geen fundamenten hadden. Zie hierna Hebr. 13:14; Openb. 3:12, en Openb. 21:2, enz. Hebreeën 13:14: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Openbaring 3:12: Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwe Naam. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^hebreeen-11-10-33]: Kanttekening 33: 33 Kunstenaar en Bouwmeester God is: Dat is, aftekenaar of ordineerder naar de kunst, gelijk placht te gebeuren voordat men tot bouwen van de steden voortgaat.
[^hebreeen-11-11-h]: Verwijzing h: Gen. 17:19; Gen. 21:2. Genesis 17:19: En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. Genesis 21:2: En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, die hem God gezegd had.
[^hebreeen-11-11-34]: Kanttekening 34: 34 om zaad te geven: Grieks tot nederwerping, of tot grondlegging van het zaad. Dat niet alleen van Abraham verstaan wordt, uit wie Sara het zaad heeft ontvangen; maar ook van Sara zelve, die in deze ontvangenis haar eigen zaad in zulken ouderdom, door de kracht van het geloof, daarbij heeft gegeven, gelijk in alle natuurlijke ontvangenis geschiedt. Zie ook Lev. 12:2. Leviticus 12:2: Spreek tot de kinderen van Israël, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering harer ziekte zal zij onrein zijn.
[^hebreeen-11-11-35]: Kanttekening 35: 35 boven de tijd: Namelijk daar zij nu negentig jaren oud was en bovendien onvruchtbaar. Zie Gen. 16:1; Rom. 4:19. Genesis 16:1: Maar Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. Romeinen 4:19: En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^hebreeen-11-11-i]: Verwijzing i: Lukas 1:36. Lukas 1:36: En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
[^hebreeen-11-11-36]: Kanttekening 36: 36 getrouw heeft geacht: Want hoewel Sara daarover in het begin lachte, zo heeft zij nochtans daarna ook aan die belofte vastgehouden.
[^hebreeen-11-12-37]: Kanttekening 37: 37 en dat een verstorvene: Namelijk niet alleen ten aanzien van Sara, maar ook van hemzelf, gelijk Paulus verklaart Rom. 4:19. Dat Abraham dan na de dood van Sara, nog verscheidene kinderen uit Ketura heeft gekregen, moet de nieuwe jeugd toegeschreven worden, die hij door deze nieuwe belofte heeft ontvangen. Romeinen 4:19: En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
[^hebreeen-11-12-k]: Verwijzing k: Gen. 15:5; Gen. 22:17; Rom. 4:18. Genesis 15:5: Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Genesis 22:17: Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort Zijn vijanden erfelijk bezitten. Romeinen 4:18: Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen.
[^hebreeen-11-12-38]: Kanttekening 38: 38 oever van de zee is: Grieks lip.
[^hebreeen-11-13-l]: Verwijzing l: Joh. 8:53. Johannes 8:53: Zijt u meerder, dan onze vader Abraham, welke gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wie maakt u Uzelven?
[^hebreeen-11-13-39]: Kanttekening 39: 39 de beloften niet verkregen hebbende: Dat is, de zaak die hun verscheidene malen beloofd was, van de eigendom van het land Kanaän, en het zaad, waarin alle geslachten van de aarde zouden gezegend worden.
[^hebreeen-11-13-m]: Verwijzing m: Gen. 23:4; Gen. 47:9. Genesis 23:4: Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. Genesis 47:9: En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven mijner vaderen, in de dagen hun vreemdelingschappen.
[^hebreeen-11-13-40]: Kanttekening 40: 40 gasten en vreemdelingen: Gelijk van Jakob uitdrukkelijk wordt betuigd, toen hij voor Faraö stond, Gen. 47:9, en van anderen vóór en na hem; Gen. 15:13, en Gen. 28:4; Ps. 39:13. Genesis 47:9: En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven mijner vaderen, in de dagen van hun vreemdelingschappen. Genesis 15:13: Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. Genesis 28:4: En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land van uw vreemdelingschappen, dat God aan Abraham gegeven heeft. Psalmen 39:13: Hoor, YHWH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
[^hebreeen-11-14-41]: Kanttekening 41: 41 zulke dingen zeggen: Namelijk dat zij vreemdelingen en gasten zijn op aarde.
[^hebreeen-11-14-42]: Kanttekening 42: 42 een vaderland zoeken: Namelijk dat buiten deze wereld in de hemel is, gelijk vers 16 wordt verklaard. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^hebreeen-11-15-43]: Kanttekening 43: 43 van dat zij uitgegaan waren: Namelijk hier op aarde, gelijk daar was het land van Mesopotamië of Chaldea, waar Abraham met zijn geslachten uit vertrokken was.
[^hebreeen-11-16-44]: Kanttekening 44: 44 schaamt Zich God hun niet: Dat is, verontwaardigt zich niet.
[^hebreeen-11-16-n]: Verwijzing n: Ex. 3:6; Matt. 22:32; Hand. 7:32. Exodus 3:6: Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Mattheüs 22:32: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden. Handelingen 7:32: Zeggende: Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
[^hebreeen-11-16-45]: Kanttekening 45: 45 genaamd te worden: Namelijk zelfs na hun dood, gelijk hij doorgaans wordt genoemd de God van Abraham, Izak en Jakob. Zie Ex. 3:6. Waaruit Christus zelf besluit, dat deze dan niet alleen kinderen van God waren, terwijl zij op aarde leefden, maar dat hunne lichamen ook weer zouden opstaan, zo God niet is een God van doden, maar van levenden, Matt. 22:31, 22:32. Exodus 3:6: Hij zei verder: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. Mattheüs 22:31: En wat betreft de opstanding van de doden, hebt u niet gelezen, wat van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt: Mattheüs 22:32: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden.
[^hebreeen-11-16-46]: Kanttekening 46: 46 een stad bereid: Namelijk die fondamenten had in de hemel, waarin God zelf zijn heerlijkheid openbaarde, en hen als rechte burgers zou ontvangen, Fil. 3:20. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^hebreeen-11-17-o]: Verwijzing o: Gen. 22:10. Genesis 22:10: En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.
[^hebreeen-11-17-47]: Kanttekening 47: 47 als hij verzocht werd: Dat is, beproefd werd, of van God aangezocht werd, om vast bewijs te geven van zijn gehoorzaamheid; Gen. 22.
[^hebreeen-11-17-48]: Kanttekening 48: Dat is, bereid geweest om te offeren, of bezig met hem te offeren.
[^hebreeen-11-17-49]: Kanttekening 49: 49 zijn eniggeborene geofferd: Zo wordt Izak genoemd, omdat hij alleen uit de vrije was geboren, en Ismaël uit de dienstbare geen rechte erfgenaam was.
[^hebreeen-11-18-50]: Kanttekening 50: 50 (Tot denwelke gezegd was: Of van denwelken, gelijk dit Griekse woord pros (πρὸς) ook hiervoor genomen kan worden; Hebr. 1:7, 1:8. Hebreeën 1:7: En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur. Hebreeën 1:8: Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.
[^hebreeen-11-18-p]: Verwijzing p: Gen. 21:12; Rom. 9:7; Gal. 3:29. Genesis 21:12: Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Romeinen 9:7: Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Galaten 3:29: En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.
[^hebreeen-11-18-51]: Kanttekening 51: Dat is, bij zich door het geloof, dat vast stond op Gods beloften, besluitende of bedenkende.
[^hebreeen-11-19-52]: Kanttekening 52: 52 bij gelijkenis: Dit doet de apostel daarbij, omdat hij hem reeds voor dood moest houden, die God beval dat geslacht zou worden; uit welke stand, als een stand van de dood, hij hem daarna weer ontving; toen hem God zulks belette.
[^hebreeen-11-20-q]: Verwijzing q: Gen. 27:28; idem v. 39. Genesis 27:28: Zo geve u dan God van de dauw van de hemel, en de vettigheid van de aarde, en menigte van tarwe en most. Genesis 27:39: Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn.
[^hebreeen-11-20-53]: Kanttekening 53: 53 Jakob en Ezau: Dat is, in zijn zegen het land Kanaän en daaromtrent, zo verdeeld, en Ezau's nakomelingen aan Jakobs nakomelingen zo onderworpen, alsof hij de volle bezitting daarvan reeds gehad had.
[^hebreeen-11-21-r]: Verwijzing r: Gen. 48:15. Genesis 48:15: En hij zegende Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag;
[^hebreeen-11-21-54]: Kanttekening 54: Dat is, nabij de dood zijnde, in zijn sterfziekte.
[^hebreeen-11-21-s]: Verwijzing s: Gen. 47:31. Genesis 47:31: En hij zei: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.
[^hebreeen-11-21-55]: Kanttekening 55: 55 heeft aangebeden: Namelijk, niet zijn staf, gelijk enige verkeerd menen, maar op zijn staf de God van zijn vaderen, en de Engel, die hem tot die tijd toe had bijgestaan, en van vele zwarigheden verlost; Dat is, de Zoon van God; gelijk Gen. 48:3, 48:15 te zien is. Genesis 48:3: Daarna zei Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend; Genesis 48:15: En hij zegende Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag;
[^hebreeen-11-21-56]: Kanttekening 56: 56 op het opperste van zijn staf: De Hebreeuwse tekst Gen. 47:31, zegt, aan het hoofd, of hoofdeinde van het bed. Maar de Griekse overzetters hebben voor Mittah, dat is, bed gelezen Matteh; dat is, roede of staf, welke de apostel hier heeft gevolgd, zo beide waarachtig kan zijn. Want uit de vergelijking van Gen. 47:31, met Gen. 48:2 blijkt, dat Jakob, als hij de zonen van Jozef en daarna ook zijn zonen zegende, op zijn heeft gezeten, en vanwege zijn zwakheid op een staf heeft gesteund, zo zijne benen van het bed hingen, die hij na de zegen weer ingetrokken heeft; Gen. 49:33. Genesis 47:31: En hij zei: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed. Genesis 47:31: En hij zei: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed. Genesis 48:2: En men boodschapte Jakob, en men zei: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed. Genesis 49:33: Als Jakob voltooid had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf de geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.
[^hebreeen-11-22-t]: Verwijzing t: Gen. 50:24. Genesis 50:24: En Jozef zei tot zijn broeders: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
[^hebreeen-11-22-57]: Kanttekening 57: 57 gemeld van de uitgang: Dat is, betuigd dat God Zijn belofte zou volbrengen, van de verlossing van de kinderen van Israël uit Egypte. Zie Gen. 50:24, enz. Genesis 50:24: En Jozef zei tot zijn broeders: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
[^hebreeen-11-22-58]: Kanttekening 58: 58 van zijn gebeente: Dat is, van het meenemen van zijn gebeente naar het land Kanaän, niet uit enige bijgelovigheid of om zijn gebeente daar te laten aanbidden, dat nooit geschied is, maar om de gemeenschap die hij met zijne broeders aan de belofte van God had, en zijn hoop van de vervulling daarvan, ook na zijn dood, hierdoor te betuigen, en hunne nakomelingen daarin te versterken.
[^hebreeen-11-23-v]: Verwijzing v: Ex. 2:2; Hand. 7:20. Exodus 2:2: En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. Handelingen 7:20: In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis Zijn vaders.
[^hebreeen-11-23-59]: Kanttekening 59: 59 ouders verborgen: Grieks vaders dat is, ouders, namelijk Amram en Jochebed, Ex. 6:19, die door de schoonheid van het kind bewogen werden, om iets bijzonders daarvan te verwachten, dat de apostel hier hun geloof op Gods beloften toeschrijft. Josefus de geschiedschrijver getuigt, Antiq. lib. 2, cap. 5, dat de vader van Mozes door ene Goddelijke openbaring was bericht, dat deze zoon hen uit Egypte zou verlossen. Exodus 6:19: En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
[^hebreeen-11-23-60]: Kanttekening 60: 60 zij vreesden: Namelijk niet zo dat zij het kind naar het gebod van de koning, zouden hebben gedood, hoewel daar enige zwakheid in hun geloof is gekomen, toen zij het evenwel daarna aan de rivier te vondeling hebben gelegd, maar met hoop, dat iemand het zou vinden en opbrengen, gelijk geschied is. Een geloof dan, al is het met zwakheid gemengd, wordt hier ook voor een waarachtig geloof gerekend.
[^hebreeen-11-24-61]: Kanttekening 61: 61 groot geworden zijnde: Dat is, nu veertig jaren oud geworden zijnde, gelijk Stefanus getuigt, Hand. 7:23. Handelingen 7:23: Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen van Israël, te bezoeken.
[^hebreeen-11-24-62]: Kanttekening 62: 62 een zoon van Farao's dochter genoemd te worden: Want die had hem tot een zoon aangenomen, Ex. 2:10; Hand. 7:21. Exodus 2:10: En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zei: Want ik heb hem uit het water getogen. Handelingen 7:21: En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon.
[^hebreeen-11-25-x]: Verwijzing x: Ps. 84:11. Psalmen 84:11: Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
[^hebreeen-11-25-63]: Kanttekening 63: 63 de genieting van de zonde: Dat is, de vermakingen en gemakken van het hof van Farao, die hij, zonder zich tegen God te bezondigen, niet kon genieten.
[^hebreeen-11-26-64]: Kanttekening 64: 64 Christus meerdere rijkdom te zijn: Dat is, die hij om de verwachting van Christus en naar Christus' voorbeeld zou moeten lijden. Zie dergelijke 2 Kor. 1:5; Kol. 1:24. Want Mozes heeft ook de dag van Christus gezien en zich daarin verheugd, gelijk van Abraham gezegd wordt, Joh. 8:56. 2 Korinthiërs 1:5: Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. Kolossensen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente; Johannes 8:56: Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.
[^hebreeen-11-26-65]: Kanttekening 65: 65 op de vergelding van het loon: Namelijk die eeuwig en onvergankelijk zou zijn in de hemel, 1 Petr. 1:4, 1:5, 1:6; waar de gelovigen ook op mogen zien, als op een loon, niet dat God hun schuldig zou zijn, of dat zij zouden verdienen, maar dat God hun Vader hun als Zijne kinderen uit genade belooft te zullen geven. Zie Matt. 5:10, 5:11, 5:12. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 1 Petrus 1:6: In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. Mattheüs 5:11: Zalig zijt u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^hebreeen-11-27-66]: Kanttekening 66: 66 Egypte verlaten: Namelijk met het gehele volk van Israël, niettegenstaande de dreigementen van de koning. Zie Ex. 10:29. Exodus 10:29: Mozes nu zei: u hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!
[^hebreeen-11-27-67]: Kanttekening 67: 67 hij hield zich vast: Namelijk aan Gods bevel, zonder door enige vrees daarvan te wijken. Of, hij was kloekmoedig, standvastig.
[^hebreeen-11-27-68]: Kanttekening 68: Namelijk door het geloof.
[^hebreeen-11-27-69]: Kanttekening 69: 69 de Onzichtbare: Namelijk God. Zie Ps. 56:12, en Ps. 118:6; Rom. 8:31. Psalmen 56:12: Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen? Psalmen 118:6: YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? Romeinen 8:31: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
[^hebreeen-11-28-y]: Verwijzing y: Ex. 12:21. Exodus 12:21: Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.
[^hebreeen-11-28-70]: Kanttekening 70: 70 de besprenging van het bloed: Grieks aangieting; namelijk aan de dorpels en posten van de deuren van de Israëlieten; Ex. 12:21, enz. Exodus 12:21: Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.
[^hebreeen-11-28-71]: Kanttekening 71: 71 niet raken zou: Dat is, niet beschadigen of beledigen.
[^hebreeen-11-29-z]: Verwijzing z: Ex. 14:22. Exodus 14:22: En de kinderen van Israël zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
[^hebreeen-11-29-72]: Kanttekening 72: 72 zijn zij de Rode zee doorgegaan: Namelijk Mozes, Aäron en de andere Israëlieten. Want hoewel enige onder hen geen waarachtig geloof hadden, gelijk de apostel hiervoor, Hebr. 3:18, getuigd heeft, nochtans zo zijn er ook vele ware gelovigen met hem geweest. Zie hiervoor Hebr. 3:16, op welke hier eigenlijk gezien wordt. Hebreeën 3:18: En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan degenen, die ongehoorzaam geweest waren? Hebreeën 3:16: Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.
[^hebreeen-11-30-a]: Verwijzing a: Joz. 6:20. Jozua 6:20: Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.
[^hebreeen-11-30-73]: Kanttekening 73: 73 het geloof: Namelijk van Jozua en van de andere vrome Israëlieten, gelijk in vers 29. Hebreeën 11:29: Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.
[^hebreeen-11-30-74]: Kanttekening 74: 74 omringd waren geweest: Namelijk van het leger van de Israëlieten met bazuingeluid; Joz. 6:20. Jozua 6:20: Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.
[^hebreeen-11-31-b]: Verwijzing b: Joz. 6:23; Jak. 2:25. Jozua 6:23: Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israël. Jakobus 2:25: En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
[^hebreeen-11-31-75]: Kanttekening 75: 75 de hoer: Het Hebreeuwse woord zonah betekent ook ene waardin, en de verspieders zijn in haar huis gegaan om te overnachten, Joz. 2:1. Maar omdat de apostel alhier, gelijk ook Jakobus in zijn brief, Jak. 2:25, haar ene hoer noemt, zo schijnt dat zij van beide deze dingen belijdenis gedaan heeft; gelijk onder de heidenen meermalen geschiedde, omdat ook van haren man geen gewag wordt gemaakt, Joz. 2:18. Dan, daarna tot God gekeerd zijnde, is zij een exempel van geloof en vroomheid geworden en onder de Israëlieten getrouwd met Salmon, de vader van Boaz, één van de voorouders van David en vervolgens ook van Christus. Zie Matt. 1:5. Jozua 2:1: Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar. Jakobus 2:25: En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten? Jozua 2:18: Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult u dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, waardoor u ons zult nedergelaten hebben; en u zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het gehele huisgezin uws vaders. Mattheüs 1:5: En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai;
[^hebreeen-11-31-76]: Kanttekening 76: 76 de ongehoorzamen: Dat is, de andere halsstarrige en onboetvaardige mensen binnen Jericho.
[^hebreeen-11-31-c]: Verwijzing c: Joz. 2:1. Jozua 2:1: Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.
[^hebreeen-11-31-77]: Kanttekening 77: 77 met vrede had ontvangen: Dat is, beleefd en hun in alles behulpzaam zijnde.
[^hebreeen-11-32-d]: Verwijzing d: Richt. 6:11. Richteren 6:11: Toen kwam een Engel van YHWH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten.
[^hebreeen-11-32-e]: Verwijzing e: Richt. 4:6. Richteren 4:6: En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft YHWH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?
[^hebreeen-11-32-f]: Verwijzing f: Richt. 13:24. Richteren 13:24: Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en YHWH zegende het.
[^hebreeen-11-32-g]: Verwijzing g: Richt. 11:1; Richt. 12:7. Richteren 11:1: Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; maar Gilead had Jeftha gegenereerd. Richteren 12:7: Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.
[^hebreeen-11-32-h]: Verwijzing h: 1 Sam. 17:45. 1 Samuël 17:45: David daarentegen zei tot de Filistijn: u komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van YHWH van de heirscharen, de God van de slagorden van Israël, Die u gehoond hebt.
[^hebreeen-11-32-i]: Verwijzing i: 1 Sam. 12:20. 1 Samuël 12:20: Toen zei Samuël tot het volk: Vreest niet, u hebt al dit kwaad gedaan; maar wijkt niet van achter YHWH af, maar dient YHWH met uw gehele hart.
[^hebreeen-11-32-78]: Kanttekening 78: 78 de profeten: Namelijk die na Samuël en David onder het volk van Israël zijn geweest.
[^hebreeen-11-33-79]: Kanttekening 79: 79 koninkrijken hebben overwonnen: Namelijk als Jozua een en dertig koningen, en David al de omliggenden rondom het land Kanaän heeft overwonnen.
[^hebreeen-11-33-80]: Kanttekening 80: 80 gerechtigheid geoefend: Namelijk niet alleen in het leiden van een rechtvaardig leven, maar ook in het oefenen van openlijke rechtzaken, gelijk vele godzalige rechters en koningen hebben gedaan.
[^hebreeen-11-33-81]: Kanttekening 81: 81 de beloftenissen verkregen: Dat is, de vervulling van de beloften, die hun geschied waren, gelijk daar was de bezitting van het land Kanaän en van enige bijzonder weldaden, als aan Sara, Anna, enz., en ook in het algemeen van vergeving van de zonden, aanneming tot kinderen en de erve van het eeuwige leven. Zie hiervoren vers 16; Hand. 15:11. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij.
[^hebreeen-11-33-82]: Kanttekening 82: 82 de muilen van de leeuwen toegestopt: Namelijk gelijk Simson, Richt. 14:6; David, 1 Sam. 17:34, en Daniël, Dan. 6:23. Richteren 14:6: Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand; maar hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. 1 Samuël 17:34: Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen van zijn vader, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg. Daniël 6:23: Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.
[^hebreeen-11-33-k]: Verwijzing k: Richt. 14:6; 1 Sam. 17:34; Dan. 6:23. Richteren 14:6: Toen kwam de Geest van YHWH met kracht over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand; maar hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. 1 Samuël 17:34: Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen Zijn vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg. Daniël 6:23: Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.
[^hebreeen-11-34-83]: Kanttekening 83: 83 De kracht van het vuur hebben uitgeblust: Namelijk gelijk de metgezellen van Daniël; Dan. 3:25. Daniël 3:25: Hij antwoordde en zei: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is gelijk eens zoons van de goden.
[^hebreeen-11-34-l]: Verwijzing l: Dan. 3:25. Daniël 3:25: Hij antwoordde en zei: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is gelijk eens zoons van de goden.
[^hebreeen-11-34-84]: Kanttekening 84: 84 de scherpte van het zwaard zijn ontvloden: Grieks de monden van het zwaard; namelijk gelijk David het zwaard van Saul, 1 Sam. 20; Elia het zwaard van Achab, 1 Kon. 19; Elisa het zwaard van de Syriërs, 2 Kon. 6.
[^hebreeen-11-34-m]: Verwijzing m: 1 Sam. 20:1; 1 Kon. 19:3; 2 Kon. 6:16. 1 Samuël 20:1: Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam, en zei voor het aangezicht van Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht uws vaders, dat hij mijn ziel zoekt? 1 Koningen 19:3: Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om van Zijn leven wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. 2 Koningen 6:16: En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.
[^hebreeen-11-34-85]: Kanttekening 85: 85 uit zwakheid krachten hebben gekregen: Namelijk gelijk Job, Job 42; David, Ps. 6; Hiskia, Jes. 38.
[^hebreeen-11-34-n]: Verwijzing n: Job 42:10; Ps. 6:9; Jes. 38:21. Job 42:10: En YHWH wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en YHWH vermeerderde al wat Job gehad had tot dubbel zoveel. Psalmen 6:9: Wijkt van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want YHWH heeft de stem mijns geweens gehoord. Jesaja 38:21: Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.
[^hebreeen-11-34-86]: Kanttekening 86: 86 in de krijg sterk geworden zijn: Namelijk gelijk vele rechters en koningen.
[^hebreeen-11-34-87]: Kanttekening 87: 87 heirlegers van de vreemden op de vlucht hebben gebracht: Namelijk gelijk Jonathan; 1 Sam. 14.
[^hebreeen-11-35-88]: Kanttekening 88: 88 De vrouwen hebben haar doden: Als de weduwe van Sarepta door Elia; 1 Kon. 17, en de Sunamietische vrouw, 2 Kon. 4, door Elisa.
[^hebreeen-11-35-o]: Verwijzing o: 1 Kon. 17:23; 2 Kon. 4:36. 1 Koningen 17:23: En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zei: Zie, uw zoon leeft. 2 Koningen 4:36: En hij riep Gehazi, en zei: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zei: Neem uw zoon op.
[^hebreeen-11-35-89]: Kanttekening 89: 89 uit de opstanding wedergekregen: Dat is, nadat zij door de profeten uit de dood opgewekt waren.
[^hebreeen-11-35-p]: Verwijzing p: Hand. 22:25. Handelingen 22:25: En zo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsen mens, en die onveroordeeld, te geselen?
[^hebreeen-11-35-90]: Kanttekening 90: 90 uitgerekt geworden: Namelijk als het vel op een trommel, om daarna met stokken ter dood geslagen en gepijnigd te worden, gelijk het Griekse woord medebrengt. En hier ziet de apostel ook op het voorbeeld van Eleazarus en dergelijke pijnigingen onder de tiran Antiochus, waarvan te lezen is 2 Makk. 6:18, enz. 2 Makkabeeën 6:18: Een zekere Eleazar, één van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten.
[^hebreeen-11-35-91]: Kanttekening 91: 91 de aangeboden: Namelijk die door de dienaren van Antiochus was aangeboden, als hij maar toegaf tegen Gods wet te doen, gelijk zij verzochten.
[^hebreeen-11-35-92]: Kanttekening 92: 92 een betere opstanding verkrijgen zouden: Namelijk hiernamaals ten uitersten dage; Dan. 12:2. Daniël 12:2: En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwige leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
[^hebreeen-11-36-93]: Kanttekening 93: 93 bespottingen en geselen geproefd: Namelijk gelijk Micha, 1 Kon. 22, Amos, Jeremia, enz.
[^hebreeen-11-36-q]: Verwijzing q: Jer. 20:2. Jeremia 20:2: Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van YHWH is.
[^hebreeen-11-37-r]: Verwijzing r: 1 Kon. 21:13. 1 Koningen 21:13: Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.
[^hebreeen-11-37-94]: Kanttekening 94: 94 gestenigd geworden: Als Zacharias de zoon van Jojada; 2 Kron. 24.
[^hebreeen-11-37-95]: Kanttekening 95: 95 in stukken gezaagd: Gelijk de oude Joodse geschiedenissen getuigen van Jesaja onder de tirannie van Manasse. Waaruit blijkt, dat de apostel niet alleen uit de Schrift, maar ook uit andere aan de Hebreën bekende geschiedenissen voorbeelden verhaalt; gelijk bij vers 35 ook is aangetekend. Hebreeën 11:35: De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.
[^hebreeen-11-37-96]: Kanttekening 96: Namelijk door zware dreigementen en pijnigingen.
[^hebreeen-11-37-97]: Kanttekening 97: 97 door het zwaard ter dood gebracht: Grieks door de dood van het zwaard; gelijk velen ten tijde van Manasse, 2 Kon. 21:16, en onder andere tirannen. 2 Koningen 21:16: Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van YHWH.
[^hebreeen-11-37-98]: Kanttekening 98: 98 hebben gewandeld: Grieks hebben omgegaan; namelijk hier en daar dwalende.
[^hebreeen-11-37-s]: Verwijzing s: 2 Kon. 1:8; Matt. 3:4. 2 Koningen 1:8: En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Mattheüs 3:4: En die Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een leren gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
[^hebreeen-11-37-99]: Kanttekening 99: Gelijk van Elia betuigd wordt, 2 Kon. 1:8, en gelijk de dracht van de profeten in het algemeen was, gelijk te zien is Zach. 13:4. 2 Koningen 1:8: En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn lenden. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. Zacharia 13:4: En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, een ieder vanwege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen.
[^hebreeen-11-38-100]: Kanttekening 100: 100 niet waard was): De wereldse mensen hielden zulke gelovigen voor uitvaagsel van de wereld, maar de apostel getuigt daarentegen, dat de wereld hun niet waard was, en dat daarom God hen als buiten het gezelschap van de wereld onderhield; gelijk David lang in de wildernissen dwaalde, 1 Sam. 22,23,24; Elia onder Achab, 1 Kon. 19, en die honderd profeten die in de spelonken verstopt waren, 1 Kon. 18, gelijk ook vele anderen, waarvan de geschiedenissen gewag maken.
[^hebreeen-11-39-101]: Kanttekening 101: 101 deze allen: Namelijk van wie in Hebr. 11, melding wordt gemaakt.
[^hebreeen-11-39-102]: Kanttekening 102: 102 hebben de belofte niet verkregen: Dat is, de beloofde zaak, namelijk Christus in het vlees geopenbaard, met de vervulling van al de schaduwen van het Oude Testament, en de stand van de Kerk onder Hem door de gehele wereld beloofd. Zie Luk. 10:23, 10:24. Lukas 10:23: En Zich kerende naar de discipelen, zei Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, wat u ziet. Lukas 10:24: Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat u ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat u hoort, en hebben het niet gehoord.
[^hebreeen-11-40-103]: Kanttekening 103: 103 wat beters over ons voorzien had: Namelijk dat in onze tijd dit alles zou volbracht worden.
[^hebreeen-11-40-104]: Kanttekening 104: 104 opdat zij: Of zo dat zij zonder ons, enz.
[^hebreeen-11-40-105]: Kanttekening 105: 105 zonder ons niet zouden volmaakt worden: Sommigen verstaan dit van hunne zaligheid in de hemel; maar dit zou strijden tegen wat op het exempel van Henoch is aangetekend, vers 5, en tegen wat van hun hoop hiervoren is gezegd, vers 16, en tegen de belofte van Christus, Matt. 5:12, en andere plaatsen van de Schrift, ook tegen de tijd waarin Paulus dit schreef, toen Christus lang was opgevaren ten hemel, en daarom ook de voorvaders in de hemel, zelfs naar hun gevoelen waren gebracht. Zo wordt dan dit verstaan van de komst van Christus in het vlees, en van de volmaking van de stand van de Kerk onder het Nieuwe Testament, gelijk tevoren is aangewezen. Want ware de volmaaktheid in het Oude Testament geweest, zo zou het Nieuwe niet nodig zijn geweest, en zij zouden hun volmaking uit een andere oorzaak hebben gehad dan wij. Zonder ons, kan dan geschikt genomen worden voor: door een andere oorzaak dan wij. Hebreeën 11:5: Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hun niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.

### Hebreeën 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/12.json)

*1 Uit de voorbeelden van het voorgaande hoofdstuk vermaant de apostel de Hebreeën tot volharding in de christelijke hoop, en tot lijdzaamheid in de verdrukkingen. 2 Stelt hun daartoe het voorbeeld van Christus voor, die door lijden in zijn heerlijkheid is ingegaan. 5 Ook het voorbeeld van alle ware kinderen, die niet zonder de kastijding van hun vaders zijn. 9 Wijst hun de vruchten van de kastijdingen aan. 12 Vermaant hen daarna tot herstel in hun slapheid. 14 Alsook tot vrede en heiligheid. 15 Waarschuwt hen tegen afval, en tegen hoererij en onheiligheid, met het voorbeeld van Ezau. 18 Stelt hun daartoe ook de waardigheid voor ogen van de vergadering in hemel en op aarde, waartoe zij gekomen zijn, met een tegenstelling van de vreselijkheid van alle dingen bij het geven van de wet. 25 Waarschuwt hen weer tegen afval, met een plaats ontleend aan Haggaï 2. 28 En vermaant hen tot het vasthouden aan Gods genade, met een voorstelling van de straf die over de afvalligen zal komen.*

**1** Daarom dan ook, zo wij zo groot[^hebreeen-12-1-1] een wolk van de[^hebreeen-12-1-2] getuigen rondom ons hebben liggende,[^hebreeen-12-1-a] laat ons afleggen[^hebreeen-12-1-3] allen last, en[^hebreeen-12-1-4] de zonde,[^hebreeen-12-1-5] die ons licht omringt, en laat ons[^hebreeen-12-1-6][^hebreeen-12-1-b] met volharding[^hebreeen-12-1-c] lopen[^hebreeen-12-1-7] de loopbaan, die ons voorgesteld is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v1)

**2** [^hebreeen-12-2-8] Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof,[^hebreeen-12-2-d] Jezus,[^hebreeen-12-2-9] Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en[^hebreeen-12-2-10] schande veracht, en[^hebreeen-12-2-11] is gezeten aan de rechterhand[^hebreeen-12-2-e] van de troon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v2)

**3** Want beschouw[^hebreeen-12-3-12] Deze, Die zulk een[^hebreeen-12-3-13] tegenspreken[^hebreeen-12-3-14] van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verflauwt en[^hebreeen-12-3-15] bezwijkt[^hebreeen-12-3-16] in uw zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v3)

**4** [^hebreeen-12-4-f] U hebt nog[^hebreeen-12-4-17] tot de bloede toe niet tegengestaan, strijdende[^hebreeen-12-4-18] tegen de zonde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v4)

**5** [^hebreeen-12-5-19]En u hebt vergeten de[^hebreeen-12-5-20] terechtwijzing, die tot u als tot zonen spreekt:[^hebreeen-12-5-g] Mijn zoon, acht niet klein[^hebreeen-12-5-21] de vergelding van de Heere, en bezwijkt niet, als u van Hem[^hebreeen-12-5-22] bestraft wordt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v5)

**6** Want die de Heere liefheeft, straft Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon,[^hebreeen-12-6-23] die Hij aanneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v6)

**7** Als u de vergelding[^hebreeen-12-7-24] verdraagt,[^hebreeen-12-7-25] zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet straft?)[^hebreeen-12-7-26] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v7)

**8** Maar als u zonder vergelding bent, die allen deelachtig zijn geworden, zo bent u dan[^hebreeen-12-8-27] bastaarden, en niet zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v8)

**9** Verder, wij hebben de vaders[^hebreeen-12-9-28] van ons vlees wel tot tuchtmeesters gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer[^hebreeen-12-9-29] de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v9)

**10** Want anderen hebben ons wel[^hebreeen-12-10-30] voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gestraft; maar Deze straft ons tot ons nut, opdat wij[^hebreeen-12-10-31] van Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v10)

**11** En alle vergelding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich[^hebreeen-12-11-32] een vreedzame vrucht van de gerechtigheid van hen, die daardoor[^hebreeen-12-11-33] geoefend zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v11)

**12** [^hebreeen-12-12-34][^hebreeen-12-12-h] Daarom richt weer op de trage handen, en de slappe knieën; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v12)

**13** En maakt rechte[^hebreeen-12-13-35] paden voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet[^hebreeen-12-13-36] verdraaid wordt, maar dat het veelmeer genezen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v13)

**14** [^hebreeen-12-14-i] Jaag de vrede na[^hebreeen-12-14-37] met allen, en[^hebreeen-12-14-k] de heiligmaking, zonder[^hebreeen-12-14-38] welke niemand[^hebreeen-12-14-39] de Heere zien zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v14)

**15** [^hebreeen-12-15-l] Toeziende, dat niet iemand[^hebreeen-12-15-40] verachtere van de genade van God; dat niet[^hebreeen-12-15-41][^hebreeen-12-15-m] enige wortel van de bitterheid, omhoog[^hebreeen-12-15-42][^hebreeen-12-15-n] spruitende, onrust veroorzaakt en daardoor velen[^hebreeen-12-15-43] ontreinigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v15)

**16** [^hebreeen-12-16-o] Dat niet iemand zij een ontuchtpleger, of een[^hebreeen-12-16-44] onheilige,[^hebreeen-12-16-p] zoals Ezau, die om één voedsel[^hebreeen-12-16-45] het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v16)

**17** [^hebreeen-12-17-q] Want u weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven,[^hebreeen-12-17-46] verworpen werd; want hij vond geen plaats[^hebreeen-12-17-47] van het berouw, hoewel[^hebreeen-12-17-48] hij dezelfde met tranen zocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v17)

**18** [^hebreeen-12-18-49] Want u bent niet gekomen[^hebreeen-12-18-r] tot[^hebreeen-12-18-50] de tastelijken berg,[^hebreeen-12-18-s] en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v18)

**19** En tot het geklank van de bazuin, en[^hebreeen-12-19-51] de stem van de woorden; welke die ze hoorden,[^hebreeen-12-19-t] baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v19)

**20** (Want zij konden niet[^hebreeen-12-20-52] dragen, wat er geboden werd:[^hebreeen-12-20-v] Als ook[^hebreeen-12-20-53] een gedierte de berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v20)

**21** En[^hebreeen-12-21-54] Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zei: Ik ben geheel bevreesd en bevende). [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v21)

**22** Maar u bent gekomen tot[^hebreeen-12-22-55] de berg Sion, en de stad van de levende God, tot[^hebreeen-12-22-x] het hemelse Jeruzalem, en[^hebreeen-12-22-56] de vele duizenden van de engelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v22)

**23** Tot de algemene vergadering en de Gemeente[^hebreeen-12-23-57] van de eerstgeborenen, die[^hebreeen-12-23-y] in[^hebreeen-12-23-58] de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en[^hebreeen-12-23-59] de geesten van[^hebreeen-12-23-60] de volmaakte rechtvaardigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v23)

**24** En tot[^hebreeen-12-24-61] de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en[^hebreeen-12-24-62] het bloed[^hebreeen-12-24-z] van de besprenging, dat betere dingen spreekt[^hebreeen-12-24-63] dan[^hebreeen-12-24-a] Abel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v24)

**25** [^hebreeen-12-25-b] Zie toe, dat u[^hebreeen-12-25-64] Die, Die spreekt, niet verwerpt; want als deze niet zijn[^hebreeen-12-25-65] ontvlucht, die degene verwierpen,[^hebreeen-12-25-66] die op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvluchten, zo wij ons van Die afkeren,[^hebreeen-12-25-67] Die van de hemelen is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v25)

**26** [^hebreeen-12-26-68] Wiens stem toen[^hebreeen-12-26-69] de aarde bewoog; maar nu[^hebreeen-12-26-70] heeft Hij[^hebreeen-12-26-71] verkondigd, zeggende:[^hebreeen-12-26-c] Nog eenmaal[^hebreeen-12-26-72] zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v26)

**27** En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering[^hebreeen-12-27-73] van de bewegelijke dingen, als[^hebreeen-12-27-74] die gemaakt waren, opdat[^hebreeen-12-27-75] blijven zouden de dingen,[^hebreeen-12-27-76] die niet bewegelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v27)

**28** Daarom, zo wij[^hebreeen-12-28-77] een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons[^hebreeen-12-28-78] de genade vasthouden,[^hebreeen-12-28-d] door die wij[^hebreeen-12-28-79] welbehaaglijk voor God mogen dienen, met[^hebreeen-12-28-80] eerbied en godvruchtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v28)

**29** [^hebreeen-12-29-e] Want onze God is[^hebreeen-12-29-81] een verterend vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/12.html#v29)

[^hebreeen-12-1-1]: Kanttekening 1: 1 een wolk van de getuigen: Dat is, zulk één hoop of menigte van getuigen, als in Hebr. 11 verhaald zijn, die in het geloof en de hoop standvastig en volhardende hebben volhard.
[^hebreeen-12-1-2]: Kanttekening 2: 2 rondom ons hebben liggende: Zo spreekt de apostel, omdat gelijk een wolk, die rondom ons in het lucht hangt, altijd van ons gezien wordt, hoe wij ons keren, wij ook zo waar wij ons keren in Gods woord, deze voorbeelden voor ogen vinden.
[^hebreeen-12-1-a]: Verwijzing a: Rom. 6:4; Ef. 4:22; Kolos. 3:8; 1 Petr. 2:1; idem v. 2. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Efeziërs 4:22: Te weten dat u zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, de ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; Kolossensen 3:8: Maar nu legt ook u dit alles af, namelijk toorn, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond. 1 Petrus 2:1: Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen; 1 Petrus 2:2: En, als nieuwgeborene kinderen, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u door die mag opwassen;
[^hebreeen-12-1-3]: Kanttekening 3: 3 allen last: Namelijk van wereldse zorg, bekommering en wellusten, gelijk ook Christus de zijnen vermaant Luk. 21:34. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^hebreeen-12-1-4]: Kanttekening 4: 4 de zonde: Hij verstaat hier in het bijzonder de zonde van begeerlijkheid, die vanzelf uit de overblijfselen van de verdorvene natuur lichtelijk in ons rijst, of door de gelegenheden, die uitwendig voorvallen, ons in onze Christelijke loop verhinderingen voortbrengt, die wij moeten wederstaan en van ons werpen. Zie Rom. 8:1, 8:13. Romeinen 8:1: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Romeinen 8:13: Want als u naar het vlees leeft, zo zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult u leven.
[^hebreeen-12-1-5]: Kanttekening 5: 5 die ons lichtelijk omringt: Grieks die lichtelijk ons omstaat.
[^hebreeen-12-1-6]: Kanttekening 6: 6 met volharding lopen: Of door volharding lopen. Want als de loopbaan lang is en zwarigheden op de weg zijn, zo is ook volharding in het lopen nodig, om niet te bezwijken.
[^hebreeen-12-1-b]: Verwijzing b: Rom. 12:12; Hebr. 10:36. Romeinen 12:12: Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. Hebreeën 10:36: Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen;
[^hebreeen-12-1-c]: Verwijzing c: 1 Kor. 9:24. 1 Korinthiërs 9:24: Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen.
[^hebreeen-12-1-7]: Kanttekening 7: 7 de loopbaan: Of de loopstrijd. Want beide betekent het Griekse woord agon (ἀγῶνα). En elders vergelijkt de Heilige Schrift ook de stand en het leven van een Christen met een loop om de prijs, of een strijd in het lopen; 1 Kor. 9:24; 2 Tim. 4:7. 1 Korinthiërs 9:24: Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 2 Timotheüs 4:7: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden;
[^hebreeen-12-2-8]: Kanttekening 8: 8 Ziende op de overste Leidsman: Namelijk vooral; want, hoewel wij ook wèl doen, ziende op de voorgaande getuigen, zo moeten wij nochtans vooral onze ogen hierin op Christus slaan, die de leidsman tot het geloof is, en de volmaker daarvan.
[^hebreeen-12-2-d]: Verwijzing d: Lukas 24:26; Filip. 2:8; idem v. 9; 1 Petr. 1:11. Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? Filippensen 2:8: En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is; 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^hebreeen-12-2-9]: Kanttekening 9: 9 voor de vreugde: Dat is, in plaats van de vreugde, namelijk welker gebruik hij had kunnen behouden, tenzij hij zich om onzentwil had vernederd en het kruis gekozen; Fil. 2:6, enz. Anderen zetten het over, om de vreugde; namelijk waartoe Hij door Zijn lijden, niet alleen zelf zou komen, maar ook de gelovigen brengen; Luk. 24:26; 1 Petr. 1:11. Filippensen 2:6: Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft aan God even gelijk te zijn; Lukas 24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^hebreeen-12-2-10]: Kanttekening 10: 10 schande veracht: Namelijk die hem van de zondaren aangedaan werd in leven en sterven, gelijk in vers 3 verklaard wordt. Hebreeën 12:3: Want aanmerkt Deze, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.
[^hebreeen-12-2-11]: Kanttekening 11: 11 is gezeten aan de rechterhand: Namelijk daarna, als hij dit alles standvastig en volhardend had overwonnen, ons ook tot een voorbeeld van een gelukkige uitkomst.
[^hebreeen-12-2-e]: Verwijzing e: Hebr. 1:3; Hebr. 8:1. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onze zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen:
[^hebreeen-12-3-12]: Kanttekening 12: 12 Deze, Die zodanig: Namelijk Jezus, die zo groot en heerlijk is, dat wij bij Hem niet kunnen vergeleken worden.
[^hebreeen-12-3-13]: Kanttekening 13: Hierdoor wordt alle verachting, smaad en hoon verstaan, die Christus tot de schandelijke dood van het kruis toe is aangedaan.
[^hebreeen-12-3-14]: Kanttekening 14: 14 van de zondaren tegen Zich: Dat is, van de goddeloze en onrechtvaardige mensen, die Hij met één woord had kunnen verslaan, gelijk dit woord ook gebruikt wordt Ps. 1:1; Joh. 9:25, 9:31. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Johannes 9:25: Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. Johannes 9:31: En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^hebreeen-12-3-15]: Kanttekening 15: 15 verflauwt en bezwijkt: Of verslapt.
[^hebreeen-12-3-16]: Kanttekening 16: 16 in uw zielen: Dat is, in de volstandige hoop en volharding van uw ziel.
[^hebreeen-12-4-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 10:13. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen.
[^hebreeen-12-4-17]: Kanttekening 17: 17 tot de bloede toe niet tegengestaan: Dat is, tot het uiterste of tot de dood toe.
[^hebreeen-12-4-18]: Kanttekening 18: 18 tegen de zonde: Sommigen nemen hier het woord zonde voor zondaren, gelijk vers 3 is uitgedrukt. Anderen voor de zonde zelf, die in ons is, waar hij vers 1 van gesproken heeft, die wij met zwaren strijd moeten afleggen, ook zelfs door de kastijding en verdrukkingen, gelijk vers 10, 12:11 wordt verklaard. Hebreeën 12:3: Want aanmerkt Deze, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Hebreeën 12:10: Want genen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. Hebreeën 12:11: En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid voor degenen, die door die geoefend zijn.
[^hebreeen-12-5-19]: Kanttekening 19: 19 En u hebt vergeten: Of hebt u vergeten, enz.? vragenderwijze.
[^hebreeen-12-5-20]: Kanttekening 20: Namelijk van de wijsheid; Spreuk. 3;11,12.
[^hebreeen-12-5-g]: Verwijzing g: Job 5:17; Spreuk. 3:11; Openb. 3:19. Job 5:17: Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding van de Almachtige niet. Spreuken 3:11: Mijn zoon! verwerp de tucht van YHWH niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding; Openbaring 3:19: Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.
[^hebreeen-12-5-21]: Kanttekening 21: 21 de kastijding van de Heer: Het Griekse woord paideia (παιδείας) betekent eigenlijk een kastijding die aan de kinderen tot hunne verbetering wordt aangedaan.
[^hebreeen-12-5-22]: Kanttekening 22: 22 bestraft wordt: Of wedersproken, met woorden getuchtigd.
[^hebreeen-12-6-23]: Kanttekening 23: 23 die Hij aanneemt: Dat is, voor zijn zoon erkent en houdt.
[^hebreeen-12-7-24]: Kanttekening 24: Namelijk volhardend, of gewillig, als voren.
[^hebreeen-12-7-25]: Kanttekening 25: 25 zo gedraagt Zich God: Dat is, zulks is u een zeker teken, dat u rechte kinderen bent, en dat God u die toezendt als een vader. Want de goddelozen worden ook wel van God gestraft, maar als van een rechter, en spreken dikwijls godslasteringen tegen de God van de hemel in deze straffingen; zie Openb. 16:10, 16:11; of vallen in wanhoop, gelijk Saul, Judas, enz. Openbaring 16:10: En de vijfde engel goot zijn fiool uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn; Openbaring 16:11: En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.
[^hebreeen-12-7-26]: Kanttekening 26: 26 als zonen: Namelijk ware en rechte kinderen.
[^hebreeen-12-8-27]: Kanttekening 27: 27 bastaarden, en niet zonen: Namelijk die de vaders dikwijls verre van zich doen, en voor wie zij geen rechte zorg dikwijls dragen, omdat zij hunne rechte erfgenamen niet zijn.
[^hebreeen-12-9-28]: Kanttekening 28: 28 onzes vleses: Dat is, onze lichamen, gelijk de tegenstelling van de vader van de geesten vereist.
[^hebreeen-12-9-29]: Kanttekening 29: 29 de Vader van de geesten: Dat is, de vader van de zielen, gelijk dit woord geesten ook hierna vers 23 wordt gebruikt. En wordt God een Vader van de geesten bijzonder genoemd, omdat onze zielen van Hem zonder middel in de lichamen worden geschapen. Zie hiervan ook Num. 16:22, en Num. 27:16; Pred. 12:7; Zach. 12:1. Hebreeën 12:23: Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen; Numeri 16:22: Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult u U over deze gehele vergadering grotelijks vertoornen? Numeri 27:16: Dat YHWH, de God van de geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. Prediker 12:7: En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft. Zacharia 12:1: De last van het woord van YHWH over Israël. YHWH spreekt, Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en de geest van de mens in zijn binnenste formeert.
[^hebreeen-12-10-30]: Kanttekening 30: 30 voor een korte tijd: Grieks voor weinige dagen; dat is, in de jaren van onze jonkheid.
[^hebreeen-12-10-31]: Kanttekening 31: 31 Zijn heiligheid: Want door het afsterven van de zonde, en door de oefening van de volharding, nemen wij meer en meer toe in de heiligheid, waartoe de kastijdingen middelen en werktuigen zijn.
[^hebreeen-12-11-32]: Kanttekening 32: 32 een vreedzame vrucht: Dat is, van de gerechtigheid die onze conscientiën vrede en blijdschap toebrengt, in plaats van het verdriet, die ons de kastijding aandeed, namelijk omdat wij daardoor verzekerd worden, dat wij rechte kinderen zijn.
[^hebreeen-12-11-33]: Kanttekening 33: 33 geoefend zijn: Namelijk met geduld en volharding, gelijk voren.
[^hebreeen-12-12-34]: Kanttekening 34: 34 Daarom richt weer op: Namelijk om met blijdschap in de loopbaan tot het einde toe te lopen. En een besluit van deze vermaning is in vers 1 voorgesteld. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
[^hebreeen-12-12-h]: Verwijzing h: Jes. 35:3. Jesaja 35:3: Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.
[^hebreeen-12-13-35]: Kanttekening 35: 35 paden voor uw voeten: Of gangen met uwe voeten.
[^hebreeen-12-13-36]: Kanttekening 36: 36 verdraaid worde: Dat is, meer en meer uit de weg, of uit het lid wijken. De apostel gaat voort in de begonnen gelijkenis van het lopen in de rechte baan tot het einde toe, en dat zonder aan de ene of de andere zijde af te wijken. Want velen onder de Joden tot het christendom bekeerd, zagen altijd om naar het Jodendom, en gingen niet rechtuit, zie Hand. 15:1; Gal. 2:14. Handelingen 15:1: En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, zo kunt u niet zalig worden. Galaten 2:14: Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in aller aanwezigheid: Als u, die een Jood bent, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt u de heidenen naar de Joodse wijze te leven?
[^hebreeen-12-14-i]: Verwijzing i: Rom. 12:18; 2 Tim. 2:22. Romeinen 12:18: Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. 2 Timotheüs 2:22: Maar vlied de begeerlijkheden van de jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heer aanroepen uit een rein hart.
[^hebreeen-12-14-37]: Kanttekening 37: 37 met allen: Namelijk zoveel mogelijk is, en zoveel in u is, altijd behoudens een goede consciëntie en de vrede met God. Zie Rom. 12:18. Romeinen 12:18: Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.
[^hebreeen-12-14-k]: Verwijzing k: Matt. 5:8. Mattheüs 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
[^hebreeen-12-14-38]: Kanttekening 38: 38 welke niemand: Namelijk heiligmaking, gelijk het Griekse woord noodzakelijk medebrengt, hoewel het ook van beide waar is. Zie Matt. 5:8, 5:9; Joh. 13:35. Mattheüs 5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. Mattheüs 5:9: Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. Johannes 13:35: Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar.
[^hebreeen-12-14-39]: Kanttekening 39: 39 de Heer zien zal: Namelijk in het toekomende leven. Zie 1 Kor. 6:9. 1 Korinthiërs 6:9: Of weet u niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven?
[^hebreeen-12-15-l]: Verwijzing l: 2 Kor. 6:1. 2 Korinthiërs 6:1: En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat u de genade van God niet tevergeefs mag ontvangen hebben.
[^hebreeen-12-15-40]: Kanttekening 40: 40 verachtere van de genade van God: Dat is, achterblijve, afwijke.
[^hebreeen-12-15-41]: Kanttekening 41: 41 enige wortel van de bitterheid: Zo noemt de apostel vooral de verleiders, en die anderen tot afval zoeken te brengen, ziende op gelijke vermaning van Mozes, Deut. 29:18, omdat het einde van zodanigen is verdriet en bitterheid in de ziel. Deuteronomium 29:18: Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van YHWH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage;
[^hebreeen-12-15-m]: Verwijzing m: Deut. 29:18. Deuteronomium 29:18: Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van YHWH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage;
[^hebreeen-12-15-42]: Kanttekening 42: 42 beroerte make: Namelijk in uwe gemeente.
[^hebreeen-12-15-n]: Verwijzing n: Hand. 17:13; Gal. 5:12. Handelingen 17:13: Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. Galaten 5:12: Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!
[^hebreeen-12-15-43]: Kanttekening 43: 43 ontreinigd worden: Dat is, ook besmet en tot afval gebracht.
[^hebreeen-12-16-o]: Verwijzing o: Ef. 5:3; Kolos. 3:5; 1 Thes. 4:3. Efeziërs 5:3: Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen betaamt, Kolossensen 3:5: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. 1 Thessalonicensen 4:3: Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u u onthoudt van de hoererij;
[^hebreeen-12-16-44]: Kanttekening 44: Dat is, spotter, die naar geen heilige of goddelijke dingen vraagt.
[^hebreeen-12-16-p]: Verwijzing p: Gen. 25:33. Genesis 25:33: Toen zei Jakob: Zweer mij op deze dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
[^hebreeen-12-16-45]: Kanttekening 45: 45 het recht van zijn eerstgeboorte weggaf: Namelijk dat niet alleen voordeel in de familie gaf over de andere broeders, maar ook een voorbeeld was van alle geestelijk voordeel in het huis van God, gelijk hierna vers 23 wordt aangewezen. Hebreeën 12:23: Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen;
[^hebreeen-12-17-q]: Verwijzing q: Gen. 27:36. Genesis 27:36: Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden?
[^hebreeen-12-17-46]: Kanttekening 46: 46 verworpen werd: Of verstoten; namelijk van zijn vader Izak, ten aanzien van zijn eerste en geestelijke zegen, die Jakob had genomen.
[^hebreeen-12-17-47]: Kanttekening 47: 47 van het berouw: Namelijk bij zijn vader Izak, zo dat Izak berouw zou gehad hebben over het zegenen van Jakob. Want dit berouw was het dat Ezau met tranen zocht, gelijk Gen. 27:36, enz. te zien is. Genesis 27:36: Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden?
[^hebreeen-12-17-48]: Kanttekening 48: 48 die met tranen zocht: Namelijk zegening; of het, namelijk berouw van zijn vader. Want dat Ezau geen berouw van zijn eigen misdaad heeft gezocht, blijkt daaruit, dat hij meteen daarna Jakob naar zijn leven heeft gestaan.
[^hebreeen-12-18-49]: Kanttekening 49: 49 Want u bent niet gekomen: Dit hangt aan de voorgaande vermaning tot vrede, heiligmaking, enz., omdat de Israëlieten, als zij de wet zouden horen, Ex. 20, drie dagen tevoren zich moesten heiligen, hun kleren wassen en zich onthouden van hun vrouwen. Zie Ex. 19:10, enz. Hebben zij dan dit moeten doen, als zij God de wet hoorden uitspreken, hoeveel te meer moet u zich reinigen naar de Geest, nu u komt tot de vergadering van het Nieuwe Testament, om Christus' stem te horen. Exodus 19:10: Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren wassen,
[^hebreeen-12-18-r]: Verwijzing r: Ex. 19:10; Ex. 20:21. Exodus 19:10: Ook zei YHWH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun kleren groeien, Exodus 20:21: En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
[^hebreeen-12-18-50]: Kanttekening 50: 50 de tastelijken berg: Dat is, de zichtbare berg, namelijk Sinaï, of Horeb; waarvan zie Ex. 19:17, enz.; Deut. 5:2. Exodus 19:17: En Mozes leidde het volk uit het leger, God tegemoet; en zij stonden aan het onderste van de berg. Deuteronomium 5:2: YHWH, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.
[^hebreeen-12-18-s]: Verwijzing s: Ex. 19:16; Deut. 5:22. Exodus 19:16: En het geschiedde op de derden dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. Deuteronomium 5:22: Deze woorden sprak YHWH tot uw gehele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij.
[^hebreeen-12-19-51]: Kanttekening 51: 51 de stem van de woorden: Dat is van de tien woorden of geboden. Want daarop is deze begeerte van het volk gevolgd; Ex. 20:19, en Deut. 5:25. Exodus 20:19: En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! Deuteronomium 5:25: Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven.
[^hebreeen-12-19-t]: Verwijzing t: Ex. 20:19; Deut. 5:25; Deut. 18:16. Exodus 20:19: En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! Deuteronomium 5:25: Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij voortvoeren de stem van YHWH, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven. Deuteronomium 18:16: Naar alles, wat u van YHWH, uw God, aan Horeb, op de dag van de verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem van YHWH, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.
[^hebreeen-12-20-52]: Kanttekening 52: Dat is, verdragen, zonder zich daarvoor te ontzetten en te vrezen.
[^hebreeen-12-20-v]: Verwijzing v: Ex. 19:13. Exodus 19:13: Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen.
[^hebreeen-12-20-53]: Kanttekening 53: 53 een gedierte de berg aanraakt: Dit is, niet alleen enig mens, maar zelfs ook enig gedierte; Ex. 19:13. Exodus 19:13: Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen.
[^hebreeen-12-21-54]: Kanttekening 54: Deze woorden van Mozes worden wel Ex. 19 niet gevonden, maar de apostel heeft die besloten uit wat daar Ex. 19:19 van de aanspraak van Mozes in deze versaagdheid tot God gezegd wordt. Of hij heeft die uit enige geschiedkundige overlevering, gelijk wat hij zegt van Jannes en Jambres, 2 Tim. 3:8; of uit een bijzondere openbaring, gelijk Mozes de gehele orde van het werk van de schepping heeft gehad. Exodus 19:19: Toen het geluid van de bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem. 2 Timotheüs 3:8: Zoals nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, zo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.
[^hebreeen-12-22-55]: Kanttekening 55: 55 de berg Sion: Dat is, tot de algemene kerk en de ware gemeente van Jezus Christus, waarvan de berg Sion een voorbeeld was. Zie Ps. 2:6; Jes. 2:3, en Jes. 49:14, enz., die meteen ook de stad van God en het hemels Jeruzalem genoemd wordt, omdat zij van God uit de hemel wordt opgericht, bijzonder geregeerd en verheerlijkt. Zie Openb. 3:12, en Openb. 21:2, 21:10. Zie ook Zach. 2:4, enz. Psalmen 2:6: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van YHWH uit Jeruzalem. Jesaja 49:14: Maar Sion zegt: YHWH heeft mij verlaten, en YHWH heeft mij vergeten. Openbaring 3:12: Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwe Naam. Openbaring 21:2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Openbaring 21:10: En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God. Zacharia 2:4: En hij zei tot hem: Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten, die in het midden derzelve wezen zal.
[^hebreeen-12-22-x]: Verwijzing x: Gal. 4:26; Openb. 3:12; Openb. 21:10. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. Openbaring 3:12: Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalems, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwe Naam. Openbaring 21:10: En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.
[^hebreeen-12-22-56]: Kanttekening 56: 56 de vele duizenden van de engelen: Namelijk die ook dienaren van Christus zijn, en mee-dienaren van de gelovigen, gelijk de engel spreekt Openb. 19:10 en 22:9. Openbaring 19:10: En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en van uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. Openbaring 22:9: En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en van uw broeders, van de profeten, en van degenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God.
[^hebreeen-12-23-57]: Kanttekening 57: 57 van de eerstgeborenen: Dat is, van de uitverkorenen, die door de zonderlinge genade van God vele hemelse voorrechten boven andere mensen hebben ontvangen.
[^hebreeen-12-23-y]: Verwijzing y: Lukas 10:20. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
[^hebreeen-12-23-58]: Kanttekening 58: 58 de hemelen opgeschreven zijn: Namelijk in het boek van het leven. Zie Luk. 10:20; Fil. 4:3; Openb. 13:8. Lukas 10:20: Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Filippensen 4:3: En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 13:8: En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.
[^hebreeen-12-23-59]: Kanttekening 59: 59 de geesten van de: Dat is, de zielen van degenen die de volmaakte heiligheid en zaligheid in de hemel bezitten. Zie 1 Kor. 13:10; hoewel ze nog een andere volmaking ten uitersten dage met hunne lichamen verwachten, 2 Tim. 4:8. 1 Korinthiërs 13:10: Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^hebreeen-12-23-60]: Kanttekening 60: 60 volmaakte rechtvaardigen: Of geheiligden.
[^hebreeen-12-24-61]: Kanttekening 61: 61 de Middelaar: Namelijk gesteld tegen Mozes, die maar een voorbeeld van de ware middelaar Jezus Christus was.
[^hebreeen-12-24-62]: Kanttekening 62: 62 het bloed van de besprenging: Namelijk waarmee het Nieuwe Testament is bevestigd en onze conscientiën zijn gereinigd. Zie Hebr. 9:11, enz. Hebreeën 9:11: Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,
[^hebreeen-12-24-z]: Verwijzing z: Hebr. 10:22; 1 Petr. 1:2. Hebreeën 10:22: Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^hebreeen-12-24-63]: Kanttekening 63: 63 dan Abel: Dat is, dan het bloed van Abel, dat wraak riep voor God, Gen. 4:10; daar het bloed van Christus verzoening en vrede met God roept. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broeder, dat tot Mij roept van de aardbodem.
[^hebreeen-12-24-a]: Verwijzing a: Gen. 4:10; Hebr. 11:4. Genesis 4:10: En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broeder, dat tot Mij roept van de aardbodem. Hebreeën 11:4: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door het geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
[^hebreeen-12-25-b]: Verwijzing b: Hebr. 2:3. Hebreeën 2:3: Hoe zullen wij ontvluchten, als wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heer, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;
[^hebreeen-12-25-64]: Kanttekening 64: 64 Die, Die spreekt: Namelijk Christus, welke spreekt door Zijn geest en woord.
[^hebreeen-12-25-65]: Kanttekening 65: Namelijk de toorn of straf Gods.
[^hebreeen-12-25-66]: Kanttekening 66: 66 welke op aarde Goddelijke: Namelijk Mozes. Want de apostel stelt hun gedurig voor ogen het voorbeeld van de Israëlieten in de woestijn, hun oproer tegen Mozes en de straffen daarop gevolgd.
[^hebreeen-12-25-67]: Kanttekening 67: 67 Die van de hemelen is;: Namelijk Jezus Christus de Zoon van God, die van de hemel afgedaald is, Joh. 3:13, en de Heer is uit de hemel, 1 Kor. 15:47; en die nu in de hemel ter rechterhand van zijn Vader zijnde, door zijnen Geest en dienaren gedurig tot ons spreekt. Johannes 3:13: En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon van de mens, Die in de hemel is. 1 Korinthiërs 15:47: De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heer uit de Hemel.
[^hebreeen-12-26-68]: Kanttekening 68: 68 Wiens stem toen: Namelijk Jezus Christus; want Hij was die engel van het aangezicht van God die tot Mozes sprak, Ex. 3:2, 3:4, enz. en door wie ook de wet is gegeven; Hand. 7:38. Exodus 3:2: En de Engel van YHWH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. Exodus 3:4: Toen YHWH zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik! Handelingen 7:38: Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.
[^hebreeen-12-26-69]: Kanttekening 69: 69 de aarde bewoog: Namelijk in het geven van de wet; waarvan zie Ex. 19.
[^hebreeen-12-26-70]: Kanttekening 70: 70 heeft Hij: Namelijk dezelfde Jezus Christus, als de eeuwige Zoon van God en middelaar tussen God en de mensen. Want de gehele samenvoeging van de woorden vereist deze verklaring.
[^hebreeen-12-26-71]: Kanttekening 71: Namelijk door de profeet Haggaï, Hag. 2:7, waar hij van de komst van Christus en van de roeping van de heidenen profeteert. Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
[^hebreeen-12-26-c]: Verwijzing c: Hag. 2:7. Haggai 2:7: Want zo zegt YHWH van de heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
[^hebreeen-12-26-72]: Kanttekening 72: 72 zal Ik bewegen niet alleen de aarde: Namelijk eensdeels door grote wonderen aan hemel en aarde, gelijk in de komst van Christus, en ten tijde van Zijn lijden en van Zijn opstanding is geschied; maar in het bijzonder door de krachtige prediking van het evangelie en de zending van de Heilige Geest over de gehele aarde, waardoor de ceremoniëele dienst van de wet en de afgoderij van de heidenen is teniet gedaan, en de geestelijke godsdienst alom opgericht; dat een grote beweging en verandering, niet alleen op aarde, maar ook in de hemel veroorzaakt heeft, zo ook de engelen zich daarover verwonderen en begerig zijn daarin te zien; Ef. 3:10; 1 Petr. 1:12. Efeziërs 3:10: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
[^hebreeen-12-27-73]: Kanttekening 73: 73 van de bewegelijke dingen: Dat is, van de veranderlijke, gelijk de eerste tabernakel en de godsdienst daaraan klevende was.
[^hebreeen-12-27-74]: Kanttekening 74: 74 welke gemaakt waren: Namelijk met handen van mensen, uit vergankelijke stof.
[^hebreeen-12-27-75]: Kanttekening 75: 75 blijven zouden de dingen: Namelijk onveranderlijk in Gods gemeente.
[^hebreeen-12-27-76]: Kanttekening 76: 76 die niet bewegelijk zijn: Dat is, de geestelijke dingen, die daardoor waren betekend, en in het Nieuwe Testament teweeggebracht. Tot welke ook de nieuwe hemel en aarde behoort, waarvan Jesaja profeteert Jes. 65:17, enz. Jesaja 65:17: Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.
[^hebreeen-12-28-77]: Kanttekening 77: 77 een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen: Namelijk dat hier in ons begint, en hier namaals volkomen zal worden.
[^hebreeen-12-28-78]: Kanttekening 78: 78 de genade vasthouden: Namelijk die wij reeds ontvangen hebben.
[^hebreeen-12-28-d]: Verwijzing d: 1 Petr. 2:5. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.
[^hebreeen-12-28-79]: Kanttekening 79: 79 welgevallig voor God mogen dienen: Dat is, niet door ceremoniëele en uitwendige dingen, maar in geestelijke, die God altijd in Christus behagen. Zie Rom. 12:1, en Rom. 14:17, 14:18; Hebr. 13:21, enz. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. Romeinen 14:18: Want die Christus in deze dingen dient, is voor God welgevallig, en aangenaam voor de mensen. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^hebreeen-12-28-80]: Kanttekening 80: 80 eerbied en godvruchtigheid: Of schaamte en vrees.
[^hebreeen-12-29-e]: Verwijzing e: Deut. 4:24. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
[^hebreeen-12-29-81]: Kanttekening 81: 81 een verterend vuur: Dat is, als een verterend vuur, namelijk tegen degenen die ongehoorzaam of afvallig zijn. Zie Deut. 4:24; Hebr. 10:31. Deuteronomium 4:24: Want YHWH, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. Hebreeën 10:31: Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.

### Hebreeën 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/hebreeen/13.json)

*1 De apostel vermaant hen tot broederlijke liefde. 2 Tot gastvrijheid. 3 Tot het gedenken van de gevangenen. 4 Verklaart dat het huwelijk eerbaar is onder allen. 5 Waarschuwt hen tegen geldgierigheid, en vermaant hen tot tevredenheid, 7 en stelt hun het voorbeeld van hun voorgangers voor. 9 Waarschuwt hen ook tegen vreemde leringen, en in het bijzonder over het onderscheid van de spijzen. 10 Stelt hun daartoe een voorbeeld voor ogen in de offeranden van de verzoening, waarvan niemand mocht eten. 15 Vermaant hen tot offeranden van dankbaarheid, in het bijzonder tot de belijdenis van de Naam van God, en tot weldadigheid. 17 En tot gehoorzaamheid aan hun voorgangers. 18 Vermaant hen God voor hem te bidden om zijn bevrijding. 20 En bidt God dat Hij hen volmaakt in alle goede werken. 22 Besluit de brief met een nieuwe vermaning. 23 En belooft dat hij hen spoedig weer zal zien met Timotheüs, en wisselt enige groeten uit.*

**1** [^hebreeen-13-1-a] Dat de broederlijke liefde[^hebreeen-13-1-1] blijve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v1)

**2** [^hebreeen-13-2-b] Vergeet[^hebreeen-13-2-2] de gastvrijheid niet;[^hebreeen-13-2-c] want hierdoor hebben sommigen[^hebreeen-13-2-3] onwetend engelen geherbergd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v2)

**3** [^hebreeen-13-3-d] Gedenk van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en van degenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelf in het[^hebreeen-13-3-4] lichaam kwalijk gehandeld was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v3)

**4** Het huwelijk is[^hebreeen-13-4-5] eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v4)

**5** [^hebreeen-13-5-6][^hebreeen-13-5-e] Uw wandel zij zonder geldgierigheid;[^hebreeen-13-5-f] en wees tevreden[^hebreeen-13-5-7] met het tegenwoordige; want[^hebreeen-13-5-8] Hij heeft gezegd:[^hebreeen-13-5-g] Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v5)

**6** Zodat wij vrijmoedig[^hebreeen-13-6-9] durven zeggen:[^hebreeen-13-6-h] De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v6)

**7** Gedenk[^hebreeen-13-7-i] aan uw[^hebreeen-13-7-10] voorgangers, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v7)

**8** Jezus Christus is[^hebreeen-13-8-11] gisteren en vandaag dezelfde en in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v8)

**9** [^hebreeen-13-9-12][^hebreeen-13-9-k] Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde onderwijzingen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt[^hebreeen-13-9-13] door genade,[^hebreeen-13-9-l] niet door spijzen, door welke[^hebreeen-13-9-14] geen nut bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v9)

**10** Wij hebben[^hebreeen-13-10-15] een altaar, van dat geen macht hebben[^hebreeen-13-10-16] te eten,[^hebreeen-13-10-17] die de tabernakel dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v10)

**11** [^hebreeen-13-11-m] Want van die dieren het bloed[^hebreeen-13-11-18] voor de zonde gedragen werd[^hebreeen-13-11-19] in het heiligdom door de hogepriester,[^hebreeen-13-11-20] van die lichamen[^hebreeen-13-11-21] werden verbrand[^hebreeen-13-11-22] buiten de legerplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v11)

**12** [^hebreeen-13-12-23] Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed[^hebreeen-13-12-24] het volk zou heiligen,[^hebreeen-13-12-n] buiten de poort geleden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v12)

**13** Zo laat ons dan[^hebreeen-13-13-25] tot Hem[^hebreeen-13-13-26] uitgaan[^hebreeen-13-13-27] buiten de legerplaats,[^hebreeen-13-13-28] Zijn smaad dragende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v13)

**14** [^hebreeen-13-14-o] Want wij hebben hier[^hebreeen-13-14-29] geen blijvende stad, maar wij[^hebreeen-13-14-30] zoeken de toekomende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v14)

**15** Laat ons dan[^hebreeen-13-15-31] door Hem altijd voor God opofferen een offergave van lof, dat is,[^hebreeen-13-15-p] de[^hebreeen-13-15-32] vrucht van de lippen, die Zijn Naam[^hebreeen-13-15-33] belijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v15)

**16** En vergeet de goedertierenheid en de mededeelzaamheid niet;[^hebreeen-13-16-q] want aan[^hebreeen-13-16-34] zulke offergaven[^hebreeen-13-16-35] heeft God een welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v16)

**17** [^hebreeen-13-17-r] Wees uw[^hebreeen-13-17-36] voorgangeren[^hebreeen-13-17-37] gehoorzaam, en wees hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen,[^hebreeen-13-17-s] als die[^hebreeen-13-17-38] rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet[^hebreeen-13-17-39] al zuchtende; want dat is u niet nuttig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v17)

**18** Bid voor ons; want wij vertrouwen, dat wij[^hebreeen-13-18-40] een goed geweten hebben, als die[^hebreeen-13-18-41] in alles willen[^hebreeen-13-18-42] eerlijk wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v18)

**19** En ik bid u te meer, dat u dit doet, opdat ik te eerder u mag[^hebreeen-13-19-43] wedergegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v19)

**20** [^hebreeen-13-20-44] De God nu van de vrede, Die[^hebreeen-13-20-t] de[^hebreeen-13-20-45] grote Herder van de schapen,[^hebreeen-13-20-46] door het bloed[^hebreeen-13-20-47] van het eeuwige testament, uit de doden heeft teruggebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v20)

**21** [^hebreeen-13-21-v] Die[^hebreeen-13-21-48] volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen;[^hebreeen-13-21-49] werkende in u, wat voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus[^hebreeen-13-21-50] Christus; Die zij de heerlijkheid[^hebreeen-13-21-51] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v21)

**22** Maar ik bid u, broeders,[^hebreeen-13-22-52] verdraagt het woord van deze terechtwijzing; want ik heb u[^hebreeen-13-22-53] in het kort geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v22)

**23** Weet, dat de broeder[^hebreeen-13-23-54] Timotheüs losgelaten is, met welke (zo hij haast komt)[^hebreeen-13-23-55] ik u zal zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v23)

**24** Groet al uw[^hebreeen-13-24-56] voorgangeren, en al[^hebreeen-13-24-57] de heiligen. U groeten die[^hebreeen-13-24-58] van Italië zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v24)

**25** [^hebreeen-13-25-59] De genade zij met u allen. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/hebreeen/13.html#v25)

[^hebreeen-13-1-a]: Verwijzing a: Rom. 12:10; Ef. 4:3; 1 Petr. 1:22; 1 Petr. 2:17; 1 Petr. 4:8. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. Efeziërs 4:3: U benaarstigende te behouden de enigheid van de Geest door de band van de vrede. 1 Petrus 1:22: Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart; 1 Petrus 2:17: Eert een iedereen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning. 1 Petrus 4:8: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.
[^hebreeen-13-1-1]: Kanttekening 1: Dat is, volharde, gelijk u daarin wel begonnen hebt. Zie Hebr. 6:10. Hebreeën 6:10: Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.
[^hebreeen-13-2-b]: Verwijzing b: Rom. 12:13; 1 Petr. 4:9. Romeinen 12:13: Deelt mee tot de behoeften van de heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 1 Petrus 4:9: Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren.
[^hebreeen-13-2-2]: Kanttekening 2: Namelijk tegen de vreemdelingen en verjaagde christenen, die dikwijls hun vaderland moesten verlaten en niet wisten waar in te keren. Zie ook Rom. 12:13, en 1 Petr. 4:9, welke deugd in het bijzonder de herders wordt aangeprezen; 1 Tim. 3:2; Tit. 1:8. Romeinen 12:13: Deelt mee tot de behoeften van de heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. 1 Petrus 4:9: Zijt herbergzaam tegenover elkaar, zonder morren. 1 Timotheüs 3:2: Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren; Titus 1:8: Maar die graag herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis;
[^hebreeen-13-2-c]: Verwijzing c: Gen. 18:1; Gen. 19:1. Genesis 18:1: Daarna verscheen hem YHWH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. Genesis 19:1: En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
[^hebreeen-13-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk gelijk Abraham, Gen. 18:2, en Lot, Gen. 19:1. Genesis 18:2: En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. Genesis 19:1: En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
[^hebreeen-13-3-d]: Verwijzing d: Matt. 25:36. Mattheüs 25:36: Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u bent tot Mij gekomen.
[^hebreeen-13-3-4]: Kanttekening 4: 4 in het lichaam: Namelijk zo kwalijk gehandeld, of kwalijk gesteld als deze. Of als die ook zelf zijt in het lichaam; dat is, in dit lichamelijke leven, dat veel verdrukkingen onderworpen is. Anderen verstaan het van het lichaam van Christus, dat is, van Zijn gemeente, in deze zin, als die ook in het lichaam zijn; dat is, leden van hetzelfde lichaam. Zie 1 Kor. 12:25, 12:26. 1 Korinthiërs 12:25: Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. 1 Korinthiërs 12:26: En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mee; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mee.
[^hebreeen-13-4-5]: Kanttekening 5: 5 onder allen: Grieks in allen; dat is, in alle dingen of onder alle personen. Want op beide wijzen kan het genomen worden: in alle dingen; namelijk die de huwelijke staat naar Gods instelling medebrengt en vereist; of onder alle personen; namelijk van welke staat en roeping zij ook zijn, mits dat zij zulks wettelijk en in de Heer doen; Lev. 18; 1 Kor. 7:39. Anderen zetten het over: Het huwelijk zij eerlijk; zo dat de apostel hier de gehuwden een regel zou stellen, waarnaar zij zich hebben te gedragen. Maar het woord maat, dat volgt, duidt deze verklaring niet. De apostel stelt dan hier deze vermaning tegen het misbruik van vele mensen, die zich in hoererij of door echtscheiding in overspel verliepen, om de lasten en ongemakken van het huwelijk te ontgaan; en ook tegen sommige valse leraars, die ten tijde van de apostelen, en, ook daarna de huwelijke staat als oneerlijk en bevlekt verwierpen, van wie de apostel ook Timotheüs vermaant; 1 Tim. 4:3. 1 Korinthiërs 7:39: Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heer. 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.
[^hebreeen-13-5-6]: Kanttekening 6: 6 Uw wandel zij zonder geldgierigheid: Of uwe zeden; dat is, uw verkering en handel onder de mensen.
[^hebreeen-13-5-e]: Verwijzing e: Ex. 23:8; Deut. 16:19; Spreuk. 15:16. Exodus 23:8: Ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak van de rechtvaardige. Deuteronomium 16:19: u zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardige. Spreuken 15:16: Beter is weinig met de vrees voor YHWH, dan een grote schat, en onrust daarbij.
[^hebreeen-13-5-f]: Verwijzing f: Filip. 4:11; 1 Tim. 6:6; idem v. 8. Filippensen 4:11: Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd tevreden te zijn in wat ik ben. 1 Timotheüs 6:6: Maar de godzaligheid is een groot winst met vergenoeging. 1 Timotheüs 6:8: Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede tevreden zijn.
[^hebreeen-13-5-7]: Kanttekening 7: 7 met het tegenwoordige: Namelijk dat u de Heer door uwen arbeid en in uw beroep verleent, zonder door onbehoorlijke wegen, of te grote bekommering, naar meerder rijkdom te trachten. Zie Matt. 6:31, enz.; 1 Tim. 6:6. Mattheüs 6:31: Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? 1 Timotheüs 6:6: Maar de godzaligheid is een grote winst met vergenoeging.
[^hebreeen-13-5-8]: Kanttekening 8: 8 Hij heeft gezegd: Namelijk God tot Jozua, Joz. 1:5, en daarom in Zijn persoon tot alle gelovigen. Jozua 1:5: Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.
[^hebreeen-13-5-g]: Verwijzing g: Deut. 31:6; idem v. 8; Joz. 1:5; 1 Kron. 28:20. Deuteronomium 31:6: Weest sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is YHWH, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. Deuteronomium 31:8: De YHWH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. Jozua 1:5: Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. 1 Kronieken 28:20: En David zei tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goede moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want YHWH God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat u al het werk tot de dienst van het huis van YHWH zult volbracht hebben.
[^hebreeen-13-6-9]: Kanttekening 9: 9 durven zeggen: Namelijk met David door het geloof; Ps. 118:6. Psalmen 118:6: YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
[^hebreeen-13-6-h]: Verwijzing h: Ps. 56:5; Ps. 118:6. Psalmen 56:5: In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? Psalmen 118:6: De YHWH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
[^hebreeen-13-7-i]: Verwijzing i: Hebr. 13:17. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^hebreeen-13-7-10]: Kanttekening 10: Of leidslieden, gelijk vers 17. Hij spreekt in het bijzonder van de apostelen en andere getrouwe leraars, die hun leer met hun bloed hadden verzegeld, zonder op enige wereldse vergelding te letten, maar alleen op de eeuwige en hemelse hebben gezien, gelijk de volgende woorden uitwijzen. Hij wil dan dat zij altijd hun voorgangers leer, standvastigheid in het geloof en geduld in het lijden gedenken, maar niet dat zij die enige godsdienstige eer zouden aandoen. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^hebreeen-13-8-11]: Kanttekening 11: 11 gisteren en heden: Dat is, gelijk Hij hun helper is geweest in alle zwarigheden, en gelijk zij op Hem hun vertrouwen hebben gesteld, en gelijk hun leer Christus Jezus alleen voor het vaste fundament van de zaligheid heeft gehouden; zo is Hij ook dezelfde altijd geweest en is nog dezelfde, en zal het in eeuwigheid blijven; als zijnde eenzelfde God en eenzelfde middelaar, zo wel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Zie 1 Kor. 3:11; Ef. 2:20; Openb. 1:8, en Openb. 22:13. 1 Korinthiërs 3:11: Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Openbaring 1:8: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 22:13: Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
[^hebreeen-13-9-12]: Kanttekening 12: 12 Wordt niet omgevoerd: Dat is, zo wordt dan niet. Want het is een besluit uit de vermaningen van de twee voorgaande verzen, vers 7, 13:8, getrokken. Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. Hebreeën 13:8: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in eeuwigheid.
[^hebreeen-13-9-k]: Verwijzing k: Jer. 29:8; Matt. 24:4; Rom. 16:17; Ef. 4:14; Ef. 5:6; Kolos. 2:16; 2 Thes. 2:2; 1 Tim. 4:3; 1 Joh. 4:1. Jeremia 29:8: Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. Mattheüs 24:4: En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide. Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van die. Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen; Efeziërs 5:6: Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. Kolossensen 2:16: Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; 2 Thessalonicensen 2:2: Dat u niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. 1 Timotheüs 4:3: Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend. 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^hebreeen-13-9-13]: Kanttekening 13: 13 door genade: Dat is, door de zaak zelve, die door de ceremoniën van het Oude Testament was betekend, en niet door deze ceremoniëele schaduwen, waarvan hij een soort verhaalt, namelijk het onderscheid van de spijzen, de andere daaronder verstaande. Zie dergelijke betekenis van het woord genade, Joh. 1:17; Hand. 15:10, 15:11. Johannes 1:17: Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Handelingen 15:10: Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Handelingen 15:11: Maar wij geloven, door de genade van de Heer Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij.
[^hebreeen-13-9-l]: Verwijzing l: Joh. 6:27; Rom. 14:17. Johannes 6:27: Werkt niet om de voedsel, die vergaat, maar om de voedsel, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon van de mensen ulieden geven zal; want Deze heeft God de Vader verzegeld. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^hebreeen-13-9-14]: Kanttekening 14: 14 geen nuttigheid bekomen hebben: Namelijk voor de ziel, en in zichzelf aangezien. Want het koninkrijk van de hemelen is noch voedsel noch drank, maar rechtvaardigheid en vrede en vreugde door de Heilige Geest; Rom. 14:17. Romeinen 14:17: Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest.
[^hebreeen-13-10-15]: Kanttekening 15: 15 een altaar: Hierdoor wordt geen stenen of uitwendig altaar verstaan, want dan moest de apostel zeggen dat wij vele altaren hebben, of moeten hebben, namelijk in alle tempels of hoeken van de tempels; maar hij spreekt van een geestelijk altaar, namelijk Christus Jezus zelf, die door de eeuwige Geest zich zelven onstraffelijk heeft opgeofferd, Hebr. 9:14. Gelijk dan Christus' vlees de offerande is, zo is Christus ook de hogepriester en het altaar zelf, die deze offerande heeft geheiligd, gelijk het altaar de offerande placht te heiligen, naar de getuigenis van Christus, Matt. 23:19. En wordt ook Christus ons altaar genoemd, omdat wij op Hem onze gebeden en dankzegging voor God moeten opofferen. Zie Openb. 6:9, en Openb. 8:3. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Mattheüs 23:19: U dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? Openbaring 6:9: En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van degenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden. Openbaring 8:3: En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.
[^hebreeen-13-10-16]: Kanttekening 16: 16 te eten: Dat is, waaraan geen macht hebben, om geestelijke gemeenschap te hebben, gelijk Paulus verklaard 1 Kor. 10:16. 1 Korinthiërs 10:16: De drinkbeker van de dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus?
[^hebreeen-13-10-17]: Kanttekening 17: 17 die de tabernakel dienen: Dat is, die aan de ceremoniën van het Oude Testament nog gemeenschap willen hebben, om een deel van hun zaligheid daarin te zoeken. Zie Gal. 5:2. Galaten 5:2: Ziet, ik Paulus zeg u, zo u zich laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.
[^hebreeen-13-11-m]: Verwijzing m: Ex. 29:14; Levit. 4:21; Levit. 6:30; Levit. 16:27; Num. 19:3. Exodus 29:14: Maar het vlees van de var, en zijn vel, en zijn drek, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. Leviticus 4:21: Daarna zal hij die var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij de eerste var verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente. Leviticus 6:30: Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. Leviticus 16:27: Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, welker bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. Numeri 19:3: En u zult die geven aan Eleazar, de priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten.
[^hebreeen-13-11-18]: Kanttekening 18: 18 voor de zonde gedragen werd: Dat is, tot een offer voor de zonde.
[^hebreeen-13-11-19]: Kanttekening 19: 19 in het heiligdom: Dat is, in het heilige van de heiligen, op de verzoendag, welke was de tiende dag van de zevende maand; Lev. 23:27. Leviticus 23:27: Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult YHWH een vuuroffer offeren.
[^hebreeen-13-11-20]: Kanttekening 20: 20 derzelver lichamen: Namelijk van de geslachte dieren.
[^hebreeen-13-11-21]: Kanttekening 21: 21 werden verbrand: Namelijk door Gods bevel, waarvan zie Lev. 16:27. Leviticus 16:27: Maar de var van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, welker bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
[^hebreeen-13-11-22]: Kanttekening 22: 22 buiten de legerplaats: Namelijk van de Israëlieten in de woestijn; waaruit de apostel, als uit een voorbeeld, besluit, dat de gelovigen, die gemeenschap hebben aan het bloed van Jezus Christus en Zijn verdiensten, geen gemeenschap moeten hebben in hun uiterlijken godsdienst met dat vleselijk Israël of Jeruzalem, nadat onze hogepriester zijn offerande daar buiten heeft volbracht, en met zijn bloed in het ware heilige van de heiligen is ingegaan.
[^hebreeen-13-12-23]: Kanttekening 23: 23 Daarom heeft ook Jezus: Dat is het tweede besluit van de apostel, uit het voorgaande voorbeeld van het verbranden van de lichamen van de dieren buiten de legerplaats, namelijk dat Christus buiten de poort van de stad Jeruzalem, waarin al de ceremoniën van het Oude Testament gepleegd werden, het vuur van de toorn van God moest lijden, om ons met God te verzoenen.
[^hebreeen-13-12-24]: Kanttekening 24: 24 het volk zou heiligen: Dat is, het geestelijke Israël, de kinderen van de belofte, die de engel het volk van Christus noemt, Matt. 1:21, en Christus Zijne schapen, Joh. 10:15, 10:16, en die, die de Vader Hem gegeven heeft; Joh. 17:9, enz. Mattheüs 1:21: En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Johannes 10:15: Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. Johannes 10:16: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder. Johannes 17:9: Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.
[^hebreeen-13-12-n]: Verwijzing n: Joh. 19:17; idem v. 18. Johannes 19:17: En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha; Johannes 19:18: Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.
[^hebreeen-13-13-25]: Kanttekening 25: 25 tot Hem: Namelijk alleen.
[^hebreeen-13-13-26]: Kanttekening 26: Namelijk door een waarachtig geloof, zonder ons aan enige andere ceremoniën meer te binden.
[^hebreeen-13-13-27]: Kanttekening 27: 27 buiten de legerplaats: Namelijk in welke al de ceremoniën van de Israëlieten en priesters werden bediend en gebruikt.
[^hebreeen-13-13-28]: Kanttekening 28: 28 Zijn smaadheid dragende: Dit wordt om twee redenen daarbij gevoegd; eerst, omdat buiten de legerplaats, gelijk ook daarna buiten de stad Jeruzalem, de plaats was, waar men de misdadigers als het gezelschap van de mensen voortaan onwaardig, placht uit te brengen om gedood te worden, gelijk te zien is Lev. 24:14; Joz. 7:24; Hand. 7:58, enz. Daarna ook, omdat de Joden voor een grote smaadheid hielden geen gemeenschap te hebben aan de ceremoniën van de wet. Zie Hand. 10:14, 10:15, 10:28, en Gal. 2:12, 2:13. Paulus vermaant hen dan dat zij, niettegenstaande alle versmading en vervolging van de Joden en ook van de wereld over deze zaak, tot Christus alleen en Zijn offerande hun toevlucht zullen nemen, en daarbij standvastig blijven. Leviticus 24:14: Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen. Jozua 7:24: Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Handelingen 7:58: En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus. Handelingen 10:14: Maar Petrus zei: In geen geval, Heer! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was. Handelingen 10:15: En een stem geschiedde opnieuw ten tweede male tot hem: Wat God gereinigd heeft, zult u niet gemeen maken. Handelingen 10:28: En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. Galaten 2:12: Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mee met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. Galaten 2:13: En ook de andere Joden veinsden met hem; zo dat ook Barnabas mee afgetrokken werd door hun veinzing.
[^hebreeen-13-14-o]: Verwijzing o: Filip. 3:20. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus;
[^hebreeen-13-14-29]: Kanttekening 29: 29 geen blijvende stad: Dat is, geen vaste stad die vaste fondamenten heeft; of waar wij werk van moeten maken om lang te blijven en ons heil te zoeken.
[^hebreeen-13-14-30]: Kanttekening 30: 30 zoeken de toekomende: Dat is, die vaste fondamenten heeft en eeuwig is in de hemel. Zie hiervoor Hebr. 11:10, 11:16. Hebreeën 11:10: Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God voor hen niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.
[^hebreeen-13-15-31]: Kanttekening 31: 31 door Hem altijd: Namelijk Jezus Christus; dat is, steunende door het geloof op Hem, op Zijn verdienste en voorbidding. Zie 1 Petr. 2:5, en 1 Joh. 2:1. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. 1 Johannes 2:1: Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige;
[^hebreeen-13-15-p]: Verwijzing p: Hosea 14:3. Hosea 14:3: Neem deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onze lippen.
[^hebreeen-13-15-32]: Kanttekening 32: 32 vrucht van de lippen: Dat is, niet gelijk de Israëlieten uit de eerstelingen of vruchten van de aarde, maar de vrucht van onze lippen, welke Hosea, Hos. 14:3, noemt de kalven van de lippen; dat is, dankzegging voor de verworvene weldaden. Hosea 14:3: Neem deze woorden met u, en bekeer u tot YHWH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren van onze lippen.
[^hebreeen-13-15-33]: Kanttekening 33: Dat is, loven en danken, gelijk Matt. 11:25; Rom. 14:11. Mattheüs 11:25: In dienzelfden tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heer van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt die de kinderen geopenbaard. Romeinen 14:11: Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heer; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.
[^hebreeen-13-16-q]: Verwijzing q: Filip. 4:18. Filippensen 4:18: Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, voor God welgevallig.
[^hebreeen-13-16-34]: Kanttekening 34: 34 zodanige offeranden: Namelijk van de dankbaarheid. Want Christus is alleen de offerande van onze verzoening met God, gelijk de apostel meermalen heeft betuigd. Zie hiervoor Hebr. 9:25, 9:26, 9:27, 9:28, en Hebr. 10:14, 10:18. Hebreeën 9:25: Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; Hebreeën 9:26: (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offerande. Hebreeën 9:27: En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; Hebreeën 9:28: Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid. Hebreeën 10:14: Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Hebreeën 10:18: Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.
[^hebreeen-13-16-35]: Kanttekening 35: 35 heeft God een welbehagen: Namelijk in Christus Jezus, gelijk hierna vers 21 wordt uitgedrukt. Gelijk dan de gehoorzaamheid van een kind, al verdient het niets bij zijn vader en van een onderdaan aan zijn overheid, toch aangenaam is, zo is onze weldadigheid ook voor God in Christus behagelijk en aangenaam, al kunnen wij daarover van geen verdienste voor Hem roemen. Zie Luk. 17:10; Rom. 11:35. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Lukas 17:10: Zo ook u, wanneer u zult gedaan hebben al wat u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienaren; want wij hebben maar gedaan, wat wij schuldig waren te doen. Romeinen 11:35: Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
[^hebreeen-13-17-r]: Verwijzing r: Filip. 2:29; 1 Thes. 5:12; 1 Tim. 5:17. Filippensen 2:29: Ontvangt hem dan in de Heer, met alle blijdschap, en houdt zulke in waarde. 1 Thessalonicensen 5:12: En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heer, en u vermanen; 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.
[^hebreeen-13-17-36]: Kanttekening 36: Dat is, herders en leraars, gelijk tevoren vers 7. Waarmee niet alleen de waardigheid van het ambt van de leraars, maar ook hun schuldige plicht wordt uitgedrukt, gelijk ook in de volgende woorden, dat zij waken voor hunne zielen; dat is, voor de zaligheid van hun zielen. Zie Ezech. 3:18. Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^hebreeen-13-17-37]: Kanttekening 37: Namelijk in alles wat zij u uit Gods woord en volgens Gods woord gebieden, gelijk Ezech. 3:2, wordt uitgedrukt. Anders beveelt ook Christus Zijn discipelen, dat zij zich zullen wachten voor de zuurdesem, dat is, kwade leringen van de Farizeën, Matt. 16:6, 16:12. Ezechiël 3:2: Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten. Mattheüs 16:6: En Jezus zei tot hen: Ziet toe, en wacht u van de zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. Mattheüs 16:12: Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van de zuurdesem van het brood, maar van de leer van de Farizeën en Sadduceën?
[^hebreeen-13-17-s]: Verwijzing s: Ezech. 3:18; Ezech. 33:8. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: u zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Ezechiël 33:8: Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
[^hebreeen-13-17-38]: Kanttekening 38: 38 rekenschap geven zullen: Namelijk zo iemand door hun nalatigheid of kwade voorbeelden verloren gaat. Zie Ezech. 3:18; 1 Tim. 4:16. Ezechiël 3:18: Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^hebreeen-13-17-39]: Kanttekening 39: 39 al zuchtende: Namelijk over de ondankbaarheid of halsstarrigheid van het volk.
[^hebreeen-13-18-40]: Kanttekening 40: 40 een goed geweten hebben: Namelijk in al ons doen en leren, in het bijzonder wat betreft het verwerpen van de ceremoniën, waarvan hij kort tevoren had gesproken, en waartoe de Joden kwalijk konden komen. Zie dergelijke Hand. 23:1; 1 Kor. 4:4, en 2 Kor. 1:12. Handelingen 23:1: En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag. 1 Korinthiërs 4:4: Want ik ben mijzelf van geen ding bewust; maar ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heer. 2 Korinthiërs 1:12: Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden.
[^hebreeen-13-18-41]: Kanttekening 41: 41 in alles willen: Of onder allen; gelijk vers 4. Hebreeën 13:4: Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.
[^hebreeen-13-18-42]: Kanttekening 42: 42 eerlijk wandelen: Dat is, oprecht, naar Gods wil en bevel, gelijk 2 Kor. 1:12 wordt verklaard. 2 Korinthiërs 1:12: Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden.
[^hebreeen-13-19-43]: Kanttekening 43: 43 wedergegeven worden: Namelijk gelijk de apostel niet alleen hier, maar ook elders deze zijn hoop van verlost te zullen worden uit de banden betuigt. Zie Fil. 2:24; Filem. v. 22. Filippensen 2:24: Maar ik vertrouw in de Heer, dat ik ook zelf haast tot u komen zal. Filemon 1:22: En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden.
[^hebreeen-13-20-44]: Kanttekening 44: 44 De God nu van de vrede: Met dit gebed besluit de apostel naar zijn gewoonte de brief, en noemt God een God van de vrede, gelijk Rom. 15:33, en Rom. 16:20; 2 Kor. 13:11; ten aanzien van het Evangelie van de vrede, waardoor ons vrede met God en de mensen wordt verkondigd en inderdaad medegedeeld. Zie Luk. 2:14; Rom. 5:1; Ef. 2:14, 2:15. Romeinen 15:33: En de God van de vrede zij met u allen. Amen. Romeinen 16:20: En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met ulieden. Amen. 2 Korinthiërs 13:11: Verder, broeders, zijt blij, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God van de liefde en van de vrede zal met u zijn. Lukas 2:14: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Efeziërs 2:14: Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende, Efeziërs 2:15: Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet van de geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende;
[^hebreeen-13-20-t]: Verwijzing t: Jes. 40:11; Ezech. 34:23; Joh. 10:11; 1 Petr. 5:4. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^hebreeen-13-20-45]: Kanttekening 45: 45 grote Herder van de schapen: Namelijk Jezus Christus, gelijk volgt, die de apostel zo noemt, niet alleen omdat Hij op een bijzondere wijze Zijn schapen heeft verlost, maar ook omdat Hij is een herder van alle herders. Zie Joh. 10:11, enz.; 1 Petr. 5:4. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. 1 Petrus 5:4: En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen.
[^hebreeen-13-20-46]: Kanttekening 46: 46 door het bloed: Dat is, waardoor het nieuwe en daarom ook eeuwig blijvende Testament is bevestigd, Hebr. 9:12. En kunnen deze woorden in het bloed, of door het bloed gevoegd worden, òf bij de woorden grote herder van de schapen, zo dat Hij daarom een groot en goed herder is, omdat Hij Zijn schapen door Zijn bloed in eeuwigheid heeft verzoend; òf ook bij de woorden uit de doden heeft wedergebracht; omdat Hij door Zijn bloed het eeuwige Testament bevestigd hebbende, naar de voorzegging van de profeten, van de dood niet langer kon gehouden worden, gelijk Petrus getuigt Hand. 2:24, enz. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Handelingen 2:24: Welken God opgewekt heeft, de smarten van de dood ontbonden hebbende, zo het niet mogelijk was, dat Hij van die dood zou gehouden worden.
[^hebreeen-13-20-47]: Kanttekening 47: 47 van het eeuwige testament: Dat is, dat nimmermeer veranderd wordt, gelijk het eerste veranderd is; en dienvolgens van een eeuwigdurende kracht is.
[^hebreeen-13-21-v]: Verwijzing v: 2 Kor. 3:5; Filip. 2:13. 2 Korinthiërs 3:5: Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; Filippensen 2:13: Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
[^hebreeen-13-21-48]: Kanttekening 48: 48 volmake u in elk goed werk: Of bereide u, make u bekwaam in alle goede werken; dat is, volbrenge in u wat daar nog zou ontbreken, gelijk het Griekse woord eigenlijk beduidt.
[^hebreeen-13-21-49]: Kanttekening 49: 49 werkende in u: Grieks makende in u; namelijk door Zijn Heilige Geest. Zie Fil. 2:13. Filippensen 2:13: Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
[^hebreeen-13-21-50]: Kanttekening 50: 50 Denwelken zij de heerlijkheid: Namelijk Christus Jezus. Deze lof wordt niemand dan de ware en eeuwige God in Gods Woord immer gegeven.
[^hebreeen-13-21-51]: Kanttekening 51: 51 in alle eeuwigheid: Grieks in eeuwigheden eeuwigheden.
[^hebreeen-13-22-52]: Kanttekening 52: 52 verdraagt het woord van deze vermaning: De apostel spreekt hier zo, om te verzachten de scherpheid van sommige vermaningen, die in deze brief voorkomen, voornamelijk Hebr. 6 en Hebr. 10.
[^hebreeen-13-22-53]: Kanttekening 53: 53 in het kort geschreven: Dit wordt gezegd, niet ten opzichte van andere brieven, maar ten opzichte van de overvloedigheid en zwaarheid van de stof, die de apostel hier in het kort verhandelt.
[^hebreeen-13-23-54]: Kanttekening 54: 54 Timotheüs losgelaten is: Hieruit schijnt, dat Timotheüs ergens in Azië gevangen is geweest, gelijk enige ook besluiten uit 1 Tim. 6:12, hoewel Lukas in de handelingen van de apostelen daarvan geen gewag maakt, omdat hij in zijn geschiedenissen niet verder gaat dan tot de gevangenschap binnen Rome. 1 Timotheüs 6:12: Strijd de goede strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.
[^hebreeen-13-23-55]: Kanttekening 55: 55 ik u zal zien: Hieruit besluiten enige dat Paulus van zijn gevangenschap vrij was, toen hij deze brief schreef, gelijk zulks ook van velen genomen wordt uit 2 Tim. 4:17, 4:18, en vele oude leraars schrijven, dat hij na zijn eerste loslating te Rome nog een reis in Syrië en andere plaatsen heeft gedaan. Maar deze woorden kunnen ook verstaan worden van de goede hoop, die hij toen van zijn loslating had, waarvan in vers 19 hiervoor is gesproken. 2 Timotheüs 4:17: Maar de Heer heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost. 2 Timotheüs 4:18: En de Heer zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Hebreeën 13:19: En ik bid u te meer, dat u dit doet, opdat ik te eerder ulieden mag wedergegeven worden.
[^hebreeen-13-24-56]: Kanttekening 56: Dat is, herders en leraars, gelijk hiervoor vers 7, 13:17. Hebreeën 13:7: Gedenkt uw voorgangeren, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. Hebreeën 13:17: Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.
[^hebreeen-13-24-57]: Kanttekening 57: 57 de heiligen: Dat is, gelovige christenen, gelijk alom in de titels van de brieven van Paulus te zien is.
[^hebreeen-13-24-58]: Kanttekening 58: 58 van Italië zijn: Dat is, niet alleen van Rome, maar ook degenen, die uit geheel Italië hem in zijn gevangenschap dikwijls bezochten. Zie Hand. 28:30, 28:31. Handelingen 28:30: En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; Handelingen 28:31: Predikende het Koninkrijk van God, en lerende van de Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.
[^hebreeen-13-25-59]: Kanttekening 59: 59 De genade zij met u allen: Namelijk Jezus Christus; gelijk de apostel in andere brieven daarbij doet.

## Jakobus

### Jakobus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jakobus/1.json)

*1 Na het opschrift 2 vermaant de apostel de verstrooide gelovige Joden lijdzaam de beproevingen door het kruis te verdragen. 3 Om de vruchten die daaruit voortkomen. 5 En leert hen die deze wijsheid niet hebben, die van God te bidden. 6 Maar met geloof, anders zullen zij die niet verkrijgen. 9 Troost de vernederden. 10 Vermaant de rijken tot nederigheid, vanwege de vergankelijkheid van de rijkdommen en het leven. 13 Leert dat als iemand verzocht wordt tot zonde, dat niet van God komt, maar van zijn eigen begeerte, die de zonde ontvangt en baart. 17 Dat van God al het goede komt, en in het bijzonder de wedergeboorte. 19 Vermaant tot lankmoedigheid. 21 En zachtmoedigheid. 22 En Gods Woord niet alleen te horen maar ook te doen, anders is het tevergeefs gehoord. 23 Wat hij verklaart met de gelijkenis van iemand die zich spiegelt. 26 Leert ten slotte dat de beoefening van de ware godsdienst vooral bestaat in het bedwingen van zijn tong, 27 in het oefenen van liefde, vooral jegens weduwen en wezen, en in een heilig leven.*

**1** [^jakobus-1-1-1] Jakobus,[^jakobus-1-1-2] een dienaar van God en van[^jakobus-1-1-3] de Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen,[^jakobus-1-1-a] die in[^jakobus-1-1-4] de verstrooiing zijn:[^jakobus-1-1-5] zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v1)

**2** [^jakobus-1-2-b] Acht het voor[^jakobus-1-2-6] grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei[^jakobus-1-2-7] verzoekingen[^jakobus-1-2-8] valt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v2)

**3** [^jakobus-1-3-9][^jakobus-1-3-c] Wetende, dat[^jakobus-1-3-10] de beproeving van uw geloof[^jakobus-1-3-11] volharding werkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v3)

**4** Maar de volharding hebbe[^jakobus-1-4-12] een volmaakt werk, opdat u mag[^jakobus-1-4-13] volmaakt zijn en[^jakobus-1-4-14] geheel oprecht,[^jakobus-1-4-15] in geen ding[^jakobus-1-4-16] gebrekkig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v4)

**5** [^jakobus-1-5-d] En[^jakobus-1-5-17] als iemand van u[^jakobus-1-5-18] wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die[^jakobus-1-5-19] ieder[^jakobus-1-5-20] mildelijk geeft, en[^jakobus-1-5-21] niet verwijt; en[^jakobus-1-5-22][^jakobus-1-5-e] zij zal hem gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v5)

**6** Maar dat hij ze[^jakobus-1-6-23] begere in geloof,[^jakobus-1-6-24] niet twijfelende; want die twijfelt, is een golf van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en neergeworpen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v6)

**7** Want[^jakobus-1-7-25] die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v7)

**8** [^jakobus-1-8-26] Een dubbelhartig man[^jakobus-1-8-27][^jakobus-1-8-28] is[^jakobus-1-8-29] onstandvastig in al zijn wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v8)

**9** Maar de broeder,[^jakobus-1-9-30] die nederig is,[^jakobus-1-9-31] roeme in zijn[^jakobus-1-9-32] hoogheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v9)

**10** En[^jakobus-1-10-33] de rijke[^jakobus-1-10-34] in zijn vernedering; want[^jakobus-1-10-35] hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v10)

**11** [^jakobus-1-11-f] Want[^jakobus-1-11-36] de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante van haar aangezicht is vergaan; zo zal ook[^jakobus-1-11-37] de rijke[^jakobus-1-11-38] in zijn wegen[^jakobus-1-11-39] verwelken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v11)

**12** [^jakobus-1-12-g] Zalig is de man, die[^jakobus-1-12-40] verzoeking[^jakobus-1-12-41] verdraagt; want als hij[^jakobus-1-12-42] beproefd zal geweest zijn, zal hij[^jakobus-1-12-43][^jakobus-1-12-h] de kroon van het[^jakobus-1-12-44] leven ontvangen, die de Heere[^jakobus-1-12-i] beloofd heeft[^jakobus-1-12-45] aan hen, die Hem liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v12)

**13** Niemand,[^jakobus-1-13-46] als hij verzocht wordt,[^jakobus-1-13-47] zeg: Ik word van God verzocht; want God[^jakobus-1-13-48] kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij[^jakobus-1-13-49] Zelf verzoekt niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v13)

**14** Maar ieder[^jakobus-1-14-50] wordt verzocht,[^jakobus-1-14-51] als hij van zijn eigen begeerlijkheid[^jakobus-1-14-52] afgetrokken en[^jakobus-1-14-53] verlokt wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v14)

**15** Daarna de begeerlijkheid[^jakobus-1-15-54] ontvangen hebbende[^jakobus-1-15-55] baart zonde; en de zonde[^jakobus-1-15-56] voltooid zijnde[^jakobus-1-15-57] baart[^jakobus-1-15-58] de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v15)

**16** [^jakobus-1-16-59] Dwaal niet, mijn geliefde broeders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v16)

**17** [^jakobus-1-17-k] Alle goede gave, en alle[^jakobus-1-17-60] volmaakte gifte is[^jakobus-1-17-61] van boven, van de[^jakobus-1-17-62] Vader van de lichten afkomende,[^jakobus-1-17-l] bij Welke[^jakobus-1-17-63] geen verandering is, of[^jakobus-1-17-64] schaduw van[^jakobus-1-17-65] omkering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v17)

**18** [^jakobus-1-18-66][^jakobus-1-18-m] Naar Zijn wil heeft Hij ons[^jakobus-1-18-67] gebaard door[^jakobus-1-18-68] het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn[^jakobus-1-18-69] als eerstelingen[^jakobus-1-18-70] van Zijn schepselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v18)

**19** Zo dan, mijn geliefde broeders,[^jakobus-1-19-n] ieder mens zij haastig[^jakobus-1-19-71] om te horen, traag om[^jakobus-1-19-72] te spreken, traag tot toorn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v19)

**20** Want de toorn van de[^jakobus-1-20-73] man werkt Gods gerechtigheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v20)

**21** [^jakobus-1-21-o] Daarom,[^jakobus-1-21-74] afgelegd hebbende alle[^jakobus-1-21-75] vuiligheid en[^jakobus-1-21-76] overvloed van boosheid,[^jakobus-1-21-77] ontvangt met zachtmoedigheid[^jakobus-1-21-78] het Woord,[^jakobus-1-21-79] dat in u geplant wordt, dat uw zielen[^jakobus-1-21-80] kan zaligmaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v21)

**22** [^jakobus-1-22-p] En wees[^jakobus-1-22-81] daders van het Woord, en niet alleen hoorders, uzelf[^jakobus-1-22-82] met valse overlegging bedriegende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v22)

**23** [^jakobus-1-23-q] Want zo iemand een hoorder is van het Woord, en niet een dader, die is een man gelijk, die[^jakobus-1-23-83] zijn aangeboren aangezicht bemerkt in[^jakobus-1-23-84] een spiegel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v23)

**24** Want hij heeft zichzelf bemerkt, en is weggegaan, en heeft meteen vergeten, hoe hij was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v24)

**25** [^jakobus-1-25-r] Maar[^jakobus-1-25-85] die inziet[^jakobus-1-25-86] in de volmaakte wet,[^jakobus-1-25-87] die van de vrijheid is, en[^jakobus-1-25-88] daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader van het werk, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn[^jakobus-1-25-89] in dit zijn doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v25)

**26** [^jakobus-1-26-s] Als iemand onder u[^jakobus-1-26-90] denkt, dat hij godsdienstig is, en[^jakobus-1-26-91] hij zijn tong niet in toom houdt, maar[^jakobus-1-26-92] zijn hart verleidt,[^jakobus-1-26-93] zijn godsdienst is zinloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v26)

**27** De zuivere en onbevlekte godsdienst[^jakobus-1-27-94] voor God en de Vader is dit:[^jakobus-1-27-95] wezen en weduwen[^jakobus-1-27-96] bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf[^jakobus-1-27-97] onbesmet bewaren[^jakobus-1-27-98] van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/1.html#v27)

[^jakobus-1-1-1]: Kanttekening 1: Zie de aantekeningen op de titel.
[^jakobus-1-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk in de dienst van het apostelschap. Zie Romeinen 1:1; Filippenzen 1:1; 2 Petrus 1:1; Judas vers 1; Openbaring 1:1.
[^jakobus-1-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk van de Israëlieten of Joden, die in twaalf stammen of geslachten verdeeld waren; namelijk die onder hen het Evangelie hadden aangenomen. Zie Genesis 49:28; Exodus 24:4; Jozua 3:12; Handelingen 26:7.
[^jakobus-1-1-a]: Verwijzing a: Handelingen 8:1; 1 Petrus 1:1.
[^jakobus-1-1-4]: Kanttekening 4: De Israëlieten of Joden zijn dikwijls buiten hun vaderland verstrooid: de tien stammen door de Assyriërs en de twee door de Babyloniërs, die daarna wel zijn teruggekeerd, maar sommigen bleven in de verstrooiing. Zie nader Handelingen 2:5. Uiteindelijk zijn zij geheel verstrooid door de oorlogen van de Romeinen onder Vespasianus en Titus, in welke verstrooiing zij gebleven zijn tot op deze dag. Deze laatste verstrooiing lijkt nog niet geschied te zijn toen deze brief geschreven werd; zodat hier worden begrepen degenen die door de eerste verstrooiingen gebleven zijn in de landen van Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië, enz., zoals vermeld in 1 Petrus 1:1. En ook blijkt dat in die en andere verre landen de Joden verstrooid waren en sommigen van hen tot het christelijk geloof bekeerd, Handelingen 2:9-11,41.
[^jakobus-1-1-5]: Kanttekening 5: Grieks chairein: dat wil zeggen, wees verheugd — een gebruikelijke begroeting bij de Grieken. Zie Mattheüs 26:49 en 27:29; Johannes 19:3; Handelingen 15:23.
[^jakobus-1-2-b]: Verwijzing b: Mattheüs 5:11; Romeinen 5:3; 1 Petrus 1:6.
[^jakobus-1-2-6]: Kanttekening 6: Grieks: alle — dat wil zeggen, enkel vreugde, niets dan vreugde. Deze vreugde ontstaat niet uit het gevoel van de verdrukkingen, maar uit het gevoel van Gods genade te midden van de verdrukkingen, en uit het inzien van hun nuttigheid en vruchten, die in de volgende verzen worden uitgedrukt.
[^jakobus-1-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: verdrukkingen, die zo worden genoemd omdat God daarmee onze standvastigheid in het geloof beproeft en bekendmaakt, zoals in het volgende vers wordt uitgelegd. Zo wordt ook gezegd dat God Abraham beproefde (Genesis 22:1), dat wil zeggen: zijn geloof op de proef stelde. Zie ook 2 Petrus 2:9; Openbaring 3:10.
[^jakobus-1-2-8]: Kanttekening 8: Het Griekse woord betekent er midden in vallen, als van alle kanten ermee omgeven.
[^jakobus-1-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: aangezien u weet tot welk doel God u deze verdrukkingen laat overkomen en welk nut ze de gelovigen brengen. Deze wetenschap is de oorzaak van de vreugde waartoe hij vermaant.
[^jakobus-1-3-c]: Verwijzing c: Romeinen 5:3; 1 Petrus 1:7.
[^jakobus-1-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: de verdrukkingen, waardoor uw geloof, zoals goud door het vuur, beproefd wordt. 1 Petrus 1:7.
[^jakobus-1-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk niet uit zichzelf — want bij de ongelovigen brengt ze ongeduld en gemor tegen God voort — maar omdat God door zijn Geest het verstand van de gelovigen zo verlicht dat zij begrijpen dat Hij daarmee hun geloof wil beproeven, bekendmaken en hen daardoor tot de eeuwige vreugde bereiden. Dit strijdt niet met wat Paulus zegt in Romeinen 5:4: 'De volharding brengt beproefdheid voort', want met 'beproefdheid' bedoelt Paulus niet de verdrukkingen waarmee het geloof beproefd wordt (zoals hier Jakobus), maar de bevinding en ervaring van Gods hulp, bijstand, troost en trouw in zijn beloften.
[^jakobus-1-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: een oprecht, ongeveinsd en tot het einde toe durend werk. Mattheüs 10:22.
[^jakobus-1-4-13]: Kanttekening 13: Zoals eerder. Want dat de apostel dit niet bedoelt als een volkomen volmaaktheid naar de eis van de Wet, blijkt verderop in hoofdstuk 3:2.
[^jakobus-1-4-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: dat u niet alleen lijdt om een goede zaak (1 Petrus 4:15,16), maar ook in uw gehele leven alle oprechtheid bewijst, zodat ieder daarin kan zien dat u ten onrechte lijdt.
[^jakobus-1-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk wat de christelijke roeping van ons eist. Of: in geen enkele beproeving, hoe zwaar die ook zou zijn.
[^jakobus-1-4-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: nalatend wat u verplicht bent te doen als goede christenen.
[^jakobus-1-5-d]: Verwijzing d: Spreuken 2:3.
[^jakobus-1-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk zoals ze ons allen van nature ontbreekt.
[^jakobus-1-5-18]: Kanttekening 18: Dit kan worden verstaan van alle wijsheid, maar de apostel bedoelt hier voornamelijk de wijsheid van geestelijke en hemelse zaken, waarvan het begin de vrees voor God is, en in het bijzonder de wijsheid die nodig is in verdrukkingen: om de ware oorzaken ervan te begrijpen en hoe men zich daarin moet gedragen en troosten — waartoe grote wijsheid vereist is.
[^jakobus-1-5-19]: Kanttekening 19: Namelijk wie Hem daarvoor op de juiste manier bidt.
[^jakobus-1-5-20]: Kanttekening 20: Grieks: eenvoudigweg — dat wil zeggen, zonder moeite of zuinigheid.
[^jakobus-1-5-21]: Kanttekening 21: Namelijk dat Hij ons telkens en zo veel gegeven heeft, zoals mensen gewoonlijk doen die niet graag geven.
[^jakobus-1-5-22]: Kanttekening 22: Namelijk de wijsheid. Welke belofte ook uitgestrekt kan worden tot andere dingen die ons tot zaligheid nodig zijn. Zie Mattheüs 7:7 e.v.; Lucas 11:9; Johannes 16:23.
[^jakobus-1-5-e]: Verwijzing e: Jeremia 29:12; Mattheüs 7:7 en 21:22; Marcus 11:24; Johannes 16:24; 1 Johannes 3:22 en 5:14.
[^jakobus-1-6-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: met een vast vertrouwen dat hij verhoord zal worden. Marcus 11:22-24.
[^jakobus-1-6-24]: Kanttekening 24: Namelijk of hij verhoord zal worden of niet. Of: of God trouw is in zijn beloften of niet. Zie over dit woord Handelingen 10:20 en 11:12; Romeinen 4:20.
[^jakobus-1-7-25]: Kanttekening 25: Namelijk wie zo bidt, zonder vertrouwen en twijfelend.
[^jakobus-1-8-26]: Kanttekening 26: Grieks: een tweezielig man — dat wil zeggen, iemand die zijn ziel of hart als het ware in tweeën gedeeld heeft tussen God en zijn begeerten, en zo beiden wil dienen, zoals de Israëlieten hun hart gedeeld hadden tussen YHWH en Baäl. 1 Koningen 18:21; Hosea 10:2.
[^jakobus-1-8-27]: Kanttekening 27: Dit woord 'is' staat in de Griekse tekst niet; daarom verbinden sommigen deze woorden met de voorgaande woorden van vers 7: 'als zijnde een dubbelhartig man', enz.
[^jakobus-1-8-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: niet alleen veranderlijk van gedachten, maar ook onrustig in zijn gemoed.
[^jakobus-1-8-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: in al zijn gedachten, raadplegingen en handelingen.
[^jakobus-1-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: wie door kruis, armoede en verdrukkingen in een lage en ellendige toestand verkeert. Want zo wordt vernedering voor verdrukking dikwijls genomen. Zie Psalm 116:6 en 119:71.
[^jakobus-1-9-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: laat hij zich verheugen, zoals vers 2 en 1 Petrus 1:6.
[^jakobus-1-9-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in die heerlijke staat waartoe God hem geroepen heeft, zodat hij door het geloof een kind en erfgenaam van God is geworden. Johannes 1:12; Romeinen 8:17.
[^jakobus-1-10-33]: Kanttekening 33: Namelijk die aan zulke verdrukkingen niet onderworpen is, maar rijkdom, eer en alle andere gemakken van dit leven overvloedig heeft.
[^jakobus-1-10-34]: Kanttekening 34: Namelijk: laat hij roemen. Dat wil zeggen: hoewel hij in geen lage maar in een verheven staat verkeert naar de wereld, laat hij daarin niet zo sterk roemen, maar voornamelijk daarin dat hij een nederig hart heeft dat hem niet boven anderen verheft, maar, indachtig de vergankelijkheid van de dingen van deze wereld, zich in nederigheid gedraagt voor God en de mensen.
[^jakobus-1-10-35]: Kanttekening 35: Namelijk zo iemand als de rijke, zoals in het volgende vers wordt uitgedrukt.
[^jakobus-1-11-f]: Verwijzing f: Jesaja 40:6; 1 Korintiërs 7:31; Jakobus 4:14; 1 Petrus 1:24; 1 Johannes 2:17.
[^jakobus-1-11-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: zoals de zon, enz.
[^jakobus-1-11-37]: Kanttekening 37: Dit geldt wel voor alle mensen, maar wordt van de rijken in het bijzonder gezegd, omdat zij maar moeilijk af te brengen zijn van het vertrouwen op hun rijkdommen. Zie 1 Timotheüs 6:17.
[^jakobus-1-11-38]: Kanttekening 38: Zie de aantekening op vers 8. Grieks poreiais, dat wil zeggen: wandelingen.
[^jakobus-1-11-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: zijn hoogheid en heerlijkheid verliezen, zoals een bloem die verwelkt.
[^jakobus-1-12-g]: Verwijzing g: Job 5:17.
[^jakobus-1-12-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: verdrukking. Zie vers 2.
[^jakobus-1-12-41]: Kanttekening 41: Namelijk geduldig en standvastig.
[^jakobus-1-12-42]: Kanttekening 42: Namelijk door de verdrukkingen, en bevonden dat hij desondanks standvastig blijft in het geloof.
[^jakobus-1-12-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: het eeuwige leven, waarmee hij na de strijd en overwinning als met een kroon zal worden verheerlijkt.
[^jakobus-1-12-h]: Verwijzing h: 2 Timotheüs 4:8; 1 Petrus 5:4; Openbaring 2:10.
[^jakobus-1-12-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: verkrijgen — niet als een verdiend loon, want het lijden van de tegenwoordige tijd is niet op te wegen tegen de toekomende heerlijkheid (Romeinen 8:18), maar als een genadig geschenk. Romeinen 6:23.
[^jakobus-1-12-i]: Verwijzing i: Mattheüs 10:22 en 19:28,29.
[^jakobus-1-12-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: die in Christus geloven (Johannes 3:36 en 5:24) en hun geloof bewijzen met een standvastige liefde voor God en hun naaste. Zie 2 Timotheüs 4:8.
[^jakobus-1-13-46]: Kanttekening 46: Hier wordt het woord 'verzoeken' in een andere betekenis genomen dan eerder, namelijk voor verleiden of aanzetten tot kwaad of zonde. Dit doet de satan altijd, en daarom wordt hij ook 'de verzoeker' genoemd. Mattheüs 4:3; 1 Thessalonicenzen 3:5.
[^jakobus-1-13-47]: Kanttekening 47: Namelijk zoals sommigen schenen te doen, die uit het feit dat verdrukkingen (waardoor men tot afval en andere zonden wordt aangespoord om ze te vermijden) door Gods voorzienigheid over ons komen (Genesis 45:7; 2 Samuel 16:10), concludeerden dat God dan ook de auteur moest zijn van de aanzetting tot kwaad die door de verdrukkingen plaatsvindt — wat de apostel hier krachtig weerlegt.
[^jakobus-1-13-48]: Kanttekening 48: Grieks: is onbeproefbaar voor het kwade. Dat wil zeggen: kan wegens zijn volkomen goedheid zelf niet tot kwaad worden aangezet, noch iemand daartoe aanzetten, omdat Hij niet kan doen wat zijn natuur tegenstrijdt.
[^jakobus-1-13-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zet niemand aan tot kwaad.
[^jakobus-1-14-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: tot het kwade aangespoord, zoals eerder.
[^jakobus-1-14-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: door de kwade lusten van zijn vlees, die alle mensen van nature hebben en die hen na de val van de eerste ouders zijn aangeboren. Want hoewel ook de satan en de wereld ons tot kwaad verleiden, zouden zij niets uitrichten als deze kwade lusten als inwendige en voornaamste oorzaken er niet bij kwamen.
[^jakobus-1-14-52]: Kanttekening 52: Namelijk van het goede.
[^jakobus-1-14-53]: Kanttekening 53: Namelijk tot het kwade, als door het lokaas van de zoetheid ervan aangelokt. Dit is de eerste kwade beweging in het hart van de mens als hij tot het kwade verzocht of aangespoord wordt; welke beweging ook zonde is, omdat ze afwijkt van de oprechtheid die de Wet eist (1 Johannes 3:4), en Paulus haar dikwijls zonde noemt (Romeinen 7:7,8,9,11 enz.).
[^jakobus-1-15-54]: Kanttekening 54: Hij verduidelijkt dit met de vergelijking van een vrouw die eerst vrucht ontvangt en daarna baart. Door het 'ontvangen' van de begeerte wordt een tweede beweging in het hart bedoeld, waarbij ook de wil ermee instemt — zoals David door het aanschouwen van de vrouw van Uria eerst werd verleid om haar te begeren en daarna in zijn hart besloot haar te gebruiken, waarmee de zonde als het ware ontvangen was. 2 Samuel 11:2 enz.
[^jakobus-1-15-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: brengt voort en volvoert werkelijk de uitwendige zonde.
[^jakobus-1-15-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: uitwendig begaan zijnde.
[^jakobus-1-15-57]: Kanttekening 57: De apostel gebruikt hier een Grieks woord dat eigenlijk gezegd wordt van een vrouw die van haar vrucht scheidt en haar uit haar lichaam voortbrengt, om bij de vorige vergelijking te blijven.
[^jakobus-1-15-58]: Kanttekening 58: Namelijk de tijdelijke en eeuwige dood. Zie Deuteronomium 27:26; Ezechiël 18:4; Romeinen 1:32 en 6:23.
[^jakobus-1-16-59]: Kanttekening 59: Namelijk in dit punt voornamelijk: dat u God zou houden voor een auteur van de verzoekingen of verleidingen tot het kwade, want dat is godslasterlijk.
[^jakobus-1-17-k]: Verwijzing k: Spreuken 2:6; 1 Korintiërs 4:7.
[^jakobus-1-17-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: die nodig en dienstig is om de mens meer en meer te volmaken en tot zaligheid te brengen.
[^jakobus-1-17-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: van God, die boven in de hemel zijn troon heeft en van daaruit zijn gaven tot ons neerzendt. Zie Johannes 3:31.
[^jakobus-1-17-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: die niet alleen zelf het licht is (1 Johannes 1:5,7) en een ontoegankelijk licht bewoont (1 Timotheüs 6:16), maar ook ieder mens verlicht die in de wereld komt. Johannes 1:9.
[^jakobus-1-17-l]: Verwijzing l: Jesaja 14:27 en 46:10; Maleachi 3:6; Romeinen 11:29.
[^jakobus-1-17-63]: Kanttekening 63: Grieks: geen verandering in is. Namelijk in zijn wezen, natuur en eigenschappen.
[^jakobus-1-17-64]: Kanttekening 64: Grieks: beschaduwing — een vergelijking ontleend aan de zon, waarvan de schijn dikwijls door wolken als schaduwen wordt verduisterd.
[^jakobus-1-17-65]: Kanttekening 65: Namelijk van zijn wil, van goed naar kwaad.
[^jakobus-1-18-66]: Kanttekening 66: Grieks: willende, of: gewild hebbende — dat wil zeggen, naar zijn welbehagen, de oorsprong van onze wedergeboorte en zaligheid. Filippenzen 2:13.
[^jakobus-1-18-m]: Verwijzing m: 1 Korintiërs 4:15; Galaten 4:19; 1 Petrus 1:23.
[^jakobus-1-18-67]: Kanttekening 67: Het Griekse woord betekent eigenlijk: zoals een moeder haar kind ter wereld brengt, zoals in vers 15.
[^jakobus-1-18-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: door de prediking van het Evangelie, als het uitwendige middel daartoe. Zie Romeinen 10:14,17; 1 Petrus 1:23.
[^jakobus-1-18-69]: Kanttekening 69: Grieks: een zekere eersteling — dat wil zeggen, zoals de eerstelingen der vruchten aan God geheiligd waren, zo waren ook de gelovige Joden aan God geheiligd voor de andere volkeren.
[^jakobus-1-18-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: van de andere mensen, zowel heidenen als Joden, die in Christus nog zouden gaan geloven.
[^jakobus-1-19-n]: Verwijzing n: Spreuken 17:27; Prediker 5:1.
[^jakobus-1-19-71]: Kanttekening 71: Namelijk het woord der waarheid, om het te leren. Of ook in het algemeen: om iets goeds te leren.
[^jakobus-1-19-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: om uw oordeel uit te spreken over bepaalde zaken of personen.
[^jakobus-1-20-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: als hij te heftig is, wekt hij de mens niet op om te doen wat voor God recht is, maar brengt hem tot wraak, schelden, slaan en dergelijke boze werken. Zie Psalm 4:5; Mattheüs 5:22.
[^jakobus-1-21-o]: Verwijzing o: Romeinen 13:12; Kolossenzen 3:8.
[^jakobus-1-21-74]: Kanttekening 74: Dit is het eerste deel van de ware bekering: het kwade laten. Psalm 34:15; Jesaja 1:16.
[^jakobus-1-21-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: zonde, die vuil en stinkend is voor God, en in het bijzonder de vuile en lelijke zonden die Petrus noemt in 1 Petrus 4:3.
[^jakobus-1-21-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: alle overstromende en uitstekende boosheid. Christenen moeten alle boosheid, van welke aard ook, afleggen (1 Korintiërs 5:7; 1 Petrus 2:1), maar in het bijzonder wat uitsteekt en overvloeit.
[^jakobus-1-21-77]: Kanttekening 77: Namelijk door geloof en gehoorzaamheid.
[^jakobus-1-21-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: de leer van het Evangelie.
[^jakobus-1-21-79]: Kanttekening 79: Grieks: ingeplant. Namelijk door de dienst van de leraars die planten en begieten (1 Korintiërs 3:6), en het woord als een onvergankelijk zaad in de harten van mensen zaaien, waardoor zij wedergeboren worden en opwassen. Zie Lucas 8:11; 1 Petrus 1:23 en 2:2.
[^jakobus-1-21-80]: Kanttekening 80: Namelijk vergezeld van de kracht en werking van de heilige Geest, en door het geloof aangenomen. Johannes 3:5.
[^jakobus-1-22-p]: Verwijzing p: Mattheüs 7:21; Lucas 11:28; Romeinen 2:13; 1 Johannes 3:7.
[^jakobus-1-22-81]: Kanttekening 81: Of: doeners. Hiermee bedoelt de apostel niet degenen van wie Paulus spreekt in Romeinen 2:13, die door het doen van de Wet wilden worden gerechtvaardigd, maar degenen die met het hart gelovend tot rechtvaardigheid, hun leven naar de leer van Christus inrichten en hun geloof bewijzen met de vruchten van de bekering.
[^jakobus-1-22-82]: Kanttekening 82: Grieks paralogizomenoi: valse redeneringen makend waarmee zij zichzelf misleiden door te besluiten dat zij zalig zullen zijn omdat zij hoorders zijn van het woord. Want Christus zegt in Lucas 11:28 dat zalig zijn zij die Gods woord niet alleen horen, maar ook bewaren.
[^jakobus-1-23-q]: Verwijzing q: Lucas 2:26.
[^jakobus-1-23-83]: Kanttekening 83: Grieks: het gezicht van zijn geboorte.
[^jakobus-1-23-84]: Kanttekening 84: Want Gods woord is als een spiegel: de Wet om daarin onze vlekken en zonden te zien, en het Evangelie om daarin de genade van God in Christus te aanschouwen. Wie nu de Wet alleen aanziet en de zonden die daarin worden aangewezen niet betert en nalaat, en de genade die in het Evangelie wordt voorgesteld met waarachtig geloof niet aanneemt, lijkt op zo iemand — en zulk aanschouwen zal hem niet baten als het andere niet volgt.
[^jakobus-1-25-r]: Verwijzing r: Mattheüs 5:19.
[^jakobus-1-25-85]: Kanttekening 85: Grieks: die neerbukt — dat wil zeggen, wie neerbukkend inziet zoals men gewoonlijk doet als men iets nauwkeurig wil bekijken. Zie Lucas 24:12; Johannes 20:5; 1 Petrus 1:12.
[^jakobus-1-25-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: het ingeplante woord, namelijk van het Evangelie, zoals vers 21 zegt. Want het woord 'wet' wordt hier in het algemeen gebruikt voor een leer, zoals Paulus ook de leer van het Evangelie 'de wet van het geloof' noemt in Romeinen 3:27.
[^jakobus-1-25-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: die ons leert dat wij door de Zoon waarachtig zijn vrijgemaakt van de zonde, en waardoor wij de Geest van vrijheid ontvangen en niet van slavernij. Zie Johannes 8:36; Romeinen 8:2,15.
[^jakobus-1-25-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: in die wet of leer.
[^jakobus-1-25-89]: Kanttekening 89: Dat wil zeggen: wanneer hij bij deze leer blijft en die in de praktijk brengt. Dit is geen verdienende oorzaak van de zaligheid, die door het geloof alleen verkregen wordt (Habakuk 2:4; Romeinen 3:22 enz.; Galaten 2:16 en 3:8 enz.), maar een weg om daartoe te komen. Psalm 1:1,2; Efeziërs 2:10.
[^jakobus-1-26-s]: Verwijzing s: Psalm 34:14; 1 Petrus 3:10; Jakobus 3:6.
[^jakobus-1-26-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: zichzelf inbeeldt, zichzelf laat voorstaan.
[^jakobus-1-26-91]: Kanttekening 91: Namelijk van lasteren, liegen, vuilspreken, enz. Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond (Mattheüs 12:34). Eén soort zonde wordt hier genoemd, waaronder alle andere dergelijke ook worden begrepen.
[^jakobus-1-26-92]: Kanttekening 92: Namelijk door deze ijdele verbeelding.
[^jakobus-1-26-93]: Kanttekening 93: Namelijk die hij uitwendig bewijst en waarover hij roemt.
[^jakobus-1-27-94]: Kanttekening 94: Dat wil zeggen: die God de Vader van ons eist en Hem welgevallig is.
[^jakobus-1-27-95]: Kanttekening 95: Onder dit ene soort liefde voor de naaste worden alle andere begrepen, waarmee het geloof werkzaam moet zijn. Galaten 5:6.
[^jakobus-1-27-96]: Kanttekening 96: Of: toezicht houden over wezen en weduwen.
[^jakobus-1-27-97]: Kanttekening 97: Namelijk van de onreinheid waarover hij heeft gesproken in vers 21. Zie ook 2 Timotheüs 2:21.
[^jakobus-1-27-98]: Kanttekening 98: Dat wil zeggen: van de goddeloze mensen waarmee de wereld vol is (1 Johannes 5:19), en van de wereldse begeerten die in de wereldse mensen heersen. Zie 1 Johannes 2:15,16.

### Jakobus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jakobus/2.json)

*1 De apostel bestraft het aanzien des perzons onder de christenen. 2 Dat men een rijke zou eren alleen om zijn rijkdom en sierlijk kleed. 3 En een gelovige, omdat hij arm is en een eenvoudig kleed draagt, verachten. 5 Bewijst dat dit onbetamelijk is, gezien de waardigheid van de gelovigen bij God en de boosheid van vele rijken. 8 Dat het ook strijdt tegen de liefde voor onze naaste en de mens tot een overtreder van de wet maakt, 10 al zou hij ook alle andere geboden houden. 13 En verklaart dat zo iemand een onbarmhartig oordeel kan verwachten. 14 Leert verder, tegen de mondchristenen, dat een geloof dat geen goede werken voortbrengt, geen zaligmakend geloof is. 15 Zoals de liefde geen oprechte liefde is wanneer zij alleen met woorden en niet met de daad betoond wordt. 17 Omdat zulk een geloof dood is, 18 en niet getoond kan worden. 19 Dat ook de duivelen zulk geloof hebben. 20 En betuigt dat men niet gerechtvaardigd kan worden door zulk één geloof, wat hij bewijst met de voorbeelden van Abraham. 25 En van Rachab. 26 En met de gelijkenis van een dood lichaam zonder ziel.*

**1** Mijn broeders, hebt niet[^jakobus-2-1-1] het geloof van onze Heere Jezus Christus, de[^jakobus-2-1-2] Heere van de[^jakobus-2-1-3][^jakobus-2-1-a] heerlijkheid, met aanneming van de persoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v1)

**2** Want zo in uw[^jakobus-2-2-4] vergadering kwam[^jakobus-2-2-5] een man met een gouden ring aan de vinger, in een[^jakobus-2-2-6] sierlijke kleding, en er kwam ook[^jakobus-2-2-7] een arm man in[^jakobus-2-2-8] met een slechte kleding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v2)

**3** En u[^jakobus-2-3-9] zou aanzien degene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit u hier[^jakobus-2-3-10] op een eerlijke plaats; en zou zeggen tot[^jakobus-2-3-11] de arme: Sta u daar; of: Zit hier onder mijn voetbank; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v3)

**4** [^jakobus-2-4-12] Hebt u dan niet in uzelf een onderscheid gemaakt, en bent[^jakobus-2-4-13] rechters geworden met verkeerde overwegingen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v4)

**5** [^jakobus-2-5-b] Hoor, mijn geliefde broeders,[^jakobus-2-5-14] heeft God niet[^jakobus-2-5-15] uitverkoren[^jakobus-2-5-16] de armen van deze wereld, om[^jakobus-2-5-17] rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen[^jakobus-2-5-18] van het Koninkrijk, dat Hij[^jakobus-2-5-c] belooft van hen,[^jakobus-2-5-19] die Hem liefhebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v5)

**6** Maar u hebt de armen[^jakobus-2-6-20] oneer[^jakobus-2-6-21] aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken[^jakobus-2-6-22] zij u niet tot de rechterstoelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v6)

**7** Lasteren zij niet[^jakobus-2-7-23] de goede naam[^jakobus-2-7-24] die over u aangeroepen is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v7)

**8** Als u dan[^jakobus-2-8-25] de koninklijke wet[^jakobus-2-8-26] volbrengt, naar de Schrift:[^jakobus-2-8-d] U zult uw naaste liefhebben als uzelf, zo doet u wel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v8)

**9** Maar als u[^jakobus-2-9-27] de persoon aanneemt, zo[^jakobus-2-9-28] doet u zonde, en wordt van[^jakobus-2-9-29] de wet bestraft als overtreders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v9)

**10** [^jakobus-2-10-e] Want[^jakobus-2-10-30] wie[^jakobus-2-10-31] de hele wet zal houden, en in één zal[^jakobus-2-10-32] struikelen, die[^jakobus-2-10-33] is schuldig geworden aan alle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v10)

**11** Want Die gezegd heeft:[^jakobus-2-11-f] U zult geen overspel doen,[^jakobus-2-11-34] Die heeft ook gezegd: U zult niet doden. Als u nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo bent u een overtreder van de wet geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v11)

**12** [^jakobus-2-12-35] Spreek zo, en doet zo, als die door[^jakobus-2-12-36] de wet van de vrijheid zult geoordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v12)

**13** [^jakobus-2-13-g] Want[^jakobus-2-13-37] een onbarmhartig oordeel zal gaan over degene,[^jakobus-2-13-38] die geen barmhartigheid gedaan heeft; en[^jakobus-2-13-39] de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v13)

**14** [^jakobus-2-14-40][^jakobus-2-14-h] Wat nut is het, mijn broeders, als iemand[^jakobus-2-14-41] zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan[^jakobus-2-14-42] dat geloof hem[^jakobus-2-14-43] zaligmaken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v14)

**15** [^jakobus-2-15-i] Als er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v15)

**16** En iemand van u tot hen[^jakobus-2-16-44] zou zeggen: Ga heen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en u zou hun niet geven de levensbehoeften van het[^jakobus-2-16-45] lichaam, wat nut is dat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v16)

**17** Zo ook het geloof, als het de werken niet heeft,[^jakobus-2-17-46] is bij zichzelf dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v17)

**18** Maar iemand[^jakobus-2-18-47] zal[^jakobus-2-18-48] zeggen:[^jakobus-2-18-49] 'U hebt het geloof en[^jakobus-2-18-50] ik heb de werken.'[^jakobus-2-18-51] Toon mij uw geloof[^jakobus-2-18-52] uit uw werken, en ik zal u[^jakobus-2-18-53] uit[^jakobus-2-18-54] mijn werken mijn geloof tonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v18)

**19** U gelooft,[^jakobus-2-19-55] dat God één enig God is;[^jakobus-2-19-56] u doet wel;[^jakobus-2-19-k] de demonen[^jakobus-2-19-57] geloven het ook, en[^jakobus-2-19-58] zij sidderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v19)

**20** Maar[^jakobus-2-20-59] wilt u weten,[^jakobus-2-20-60] o ijdel mens, dat het geloof[^jakobus-2-20-61] zonder de werken dood is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v20)

**21** Abraham,[^jakobus-2-21-62] onze vader,[^jakobus-2-21-63] is hij niet uit de werken gerechtvaardigd,[^jakobus-2-21-l] als hij Izak, zijn zoon,[^jakobus-2-21-64] geofferd heeft op het altaar? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v21)

**22** [^jakobus-2-22-65] Ziet u wel, dat het geloof[^jakobus-2-22-66] mee gewerkt heeft met zijn werken, en het geloof[^jakobus-2-22-67] volmaakt is geweest uit de werken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v22)

**23** En[^jakobus-2-23-68] de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt:[^jakobus-2-23-m] En Abraham geloofde God, en[^jakobus-2-23-69] het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en[^jakobus-2-23-70] hij is een vriend van God genoemd geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v23)

**24** [^jakobus-2-24-71] Ziet u dan nu, dat een mens[^jakobus-2-24-72] uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet[^jakobus-2-24-73] alleen uit het geloof? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v24)

**25** En evenzo ook[^jakobus-2-25-n] Rachab,[^jakobus-2-25-74] de hoer, is zij niet[^jakobus-2-25-75] uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij[^jakobus-2-25-76] de gezondenen[^jakobus-2-25-77] heeft ontvangen, en[^jakobus-2-25-78] door een andere weg uitgelaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v25)

**26** Want zoals het lichaam[^jakobus-2-26-79] zonder geest dood is, zo is ook[^jakobus-2-26-80] het geloof[^jakobus-2-26-81] zonder de werken dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/2.html#v26)

[^jakobus-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: het christelijk geloof, waarvan Christus het fundament is. 1 Korintiërs 3:11.
[^jakobus-2-1-2]: Kanttekening 2: Hiermee wordt de waardigheid van het christelijk geloof aangewezen, dat niet alleen op Christus ziet zoals Hij voor ons gekruisigd is (1 Korintiërs 2:2), maar ook op Hem die van eeuwigheid God is en nu in heerlijkheid zit aan de rechterhand van God op de hoogste plaats. Zie 1 Korintiërs 2:8; Hebreeën 1:3; 1 Petrus 3:22.
[^jakobus-2-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: naar de uiterlijke gesteldheid van de mens, die voor de zaak niet relevant is, zoals rijkdom, macht, enz. Zie hierover de aantekening op Handelingen 10:34; Romeinen 2:11.
[^jakobus-2-1-a]: Verwijzing a: Leviticus 19:15; Deuteronomium 16:19; Spreuken 24:23; Mattheüs 22:16.
[^jakobus-2-2-4]: Kanttekening 4: Grieks: synagoge (συναγωγὴν). Hieronder worden niet de Joodse synagogen verstaan (want de christenen kwamen daar niet meer voor hun godsdienst), maar iedere plaats waar christenen bijeenkwamen voor de eredienst.
[^jakobus-2-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: rijke mensen die wegens hun rijkdom of praal worden voorgetrokken, onder wie dikwijls zulken werden gevonden als beschreven in verzen 6 en 7.
[^jakobus-2-2-6]: Kanttekening 6: Grieks: glanzend.
[^jakobus-2-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk hoewel hij vroom en gelovig is.
[^jakobus-2-2-8]: Kanttekening 8: Grieks: in vuile kleding.
[^jakobus-2-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: uw ogen allemaal op hem richten met eerbied.
[^jakobus-2-3-10]: Kanttekening 10: Grieks: wel, of: eervol.
[^jakobus-2-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk die de samenkomst binnenkomt. Zie vers 2.
[^jakobus-2-4-12]: Kanttekening 12: Of: bent u niet in uzelf veroordeeld? Dat wil zeggen: in uw geweten overtuigd dat u daarin verkeerd handelt.
[^jakobus-2-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: u hebt geoordeeld dat uw kwade overwegingen bij dit aanzien des persoons goed en behoorlijk waren. Of: rechters die kwade overwegingen hebben, dat wil zeggen: partijdige rechters.
[^jakobus-2-5-b]: Verwijzing b: Johannes 7:48; 1 Korintiërs 1:26 e.v.
[^jakobus-2-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: hebt u niet gelezen of geleerd en begrepen dat God, enz.
[^jakobus-2-5-15]: Kanttekening 15: Namelijk van eeuwigheid, voor de grondlegging der wereld (Efeziërs 1:4), en in de tijd geroepen.
[^jakobus-2-5-16]: Kanttekening 16: Niet allen, maar meer armen dan rijken. 1 Korintiërs 1:26.
[^jakobus-2-5-17]: Kanttekening 17: Of: om rijk te worden in het geloof. Zie een dergelijke uitdrukking in Romeinen 8:29. De volgende woorden vereisen noodzakelijk deze zin.
[^jakobus-2-5-18]: Kanttekening 18: Namelijk van de hemelen en van alle hemelse goederen, ook al hebben zij de goederen van deze wereld niet.
[^jakobus-2-5-c]: Verwijzing c: Exodus 20:6; 1 Samuel 2:30; Spreuken 8:17; Mattheüs 5:3.
[^jakobus-2-5-19]: Kanttekening 19: Namelijk hetzij arm of rijk. Dit voegt hij eraan toe opdat de rijken niet zouden menen dat zij van de verkiezing en dit koninkrijk geheel zijn uitgesloten.
[^jakobus-2-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk daarmee dat u zo iemand als de rijke meer eer bewijst dan een gelovige arme, die u veracht.
[^jakobus-2-6-21]: Kanttekening 21: Hij bewijst dat zulke rijken zulke eer niet waard zijn vanwege hun boosheid, omdat zij de gelovigen gewelddadig onderdrukken.
[^jakobus-2-6-22]: Kanttekening 22: Namelijk om daar door schijn van recht de gelovigen valselijk te beschuldigen en onbarmhartig te laten veroordelen. Zie Mattheüs 10:17.
[^jakobus-2-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk van de Heer Jezus Christus, de Zoon van God.
[^jakobus-2-7-24]: Kanttekening 24: Namelijk toen u in zijn naam gedoopt werd. Of: naar wie u genoemd wordt, namelijk christenen. Een Hebreeuwse uitdrukking. Zie dergelijke uitdrukkingen in Genesis 48:16; Jesaja 4:1.
[^jakobus-2-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: de voornaamste en algemene wet, waaronder alle andere zijn begrepen, zoals ook een gewone heerweg een koninklijke weg wordt genoemd (Numeri 21:22). Of: die God als een heer en koning over allen ons heeft voorgeschreven en geboden.
[^jakobus-2-8-26]: Kanttekening 26: Of: onderhoudt. Want aangenomen dat iemand de gehele wet van de liefde voor de naaste onderhield en toch aanzien des persoons toepaste, is hij een overtreder van diezelfde wet; want liefde voor de naaste kan geen plaats vinden waar de naaste wordt veracht, zoals in het volgende vers wordt uitgelegd.
[^jakobus-2-8-d]: Verwijzing d: Leviticus 19:18; Mattheüs 22:39; Marcus 12:31; Romeinen 13:9; Galaten 5:14; Efeziërs 5:2; 1 Thessalonicenzen 4:9.
[^jakobus-2-9-27]: Kanttekening 27: Namelijk zoals eerder is uitgelegd in verzen 1,2 enz.
[^jakobus-2-9-28]: Kanttekening 28: Grieks: werkt — dat wil zeggen, u doet een werk dat zonde is, als strijdend met de liefde voor de naaste.
[^jakobus-2-9-29]: Kanttekening 29: Namelijk die in het voorgaande vers wordt vermeld.
[^jakobus-2-10-e]: Verwijzing e: Deuteronomium 27:26; Mattheüs 5:19; Galaten 3:10.
[^jakobus-2-10-30]: Kanttekening 30: Niet dat iemand de gehele wet volkomen kan onderhouden, maar dit wordt gezegd onder conditie, of als iemand dat zou beweren, zoals de jongeling in Mattheüs 19:20.
[^jakobus-2-10-31]: Kanttekening 31: Namelijk met uitzondering van dit ene punt waarin hij struikelt.
[^jakobus-2-10-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: zondigt — een vergelijking ontleend aan wie tijdens het lopen zijn voet stoot en valt. Zie verderop hoofdstuk 3:2.
[^jakobus-2-10-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: heeft zich schuldig gemaakt aan de straf die de wet tegen overtreders uitspreekt (Deuteronomium 27:26: 'Vervloekt is hij die niet blijft in alle...'). Want wie de Wetgever in het ene durft te verachten, durft Hem ook in het andere te verachten.
[^jakobus-2-11-f]: Verwijzing f: Exodus 20:14; Mattheüs 5:27.
[^jakobus-2-11-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: het is één en dezelfde Wetgever die het ene net zo goed heeft verboden als het andere.
[^jakobus-2-12-35]: Kanttekening 35: Namelijk zonder aanzien des persoons.
[^jakobus-2-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: door het Evangelie, waardoor verkondigd wordt dat wij door Christus zijn vrijgemaakt van de strengheid van de wet. Zie eerder hoofdstuk 1:25. En dienovereenkomstig zullen wij een des te zwaarder oordeel hebben te verwachten als wij deze genade misbruiken tot onbarmhartigheid.
[^jakobus-2-13-g]: Verwijzing g: Mattheüs 6:15 en 18:35; Marcus 11:25; Lucas 16:25.
[^jakobus-2-13-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: een oordeel dat niet is verzacht of getemperd door barmhartigheid of genade van vergiffenis.
[^jakobus-2-13-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: wie geen liefde tegenover zijn naaste heeft betoond, waaronder ook begrepen zijn degenen die door aanzien des persoons de arme verachten. Zie Mattheüs 25.
[^jakobus-2-13-39]: Kanttekening 39: De barmhartigheid van de mens die hij aan zijn naaste heeft bewezen, stelt hem in staat in Christus te roemen en zich te verblijden tegenover het oordeel van de verdoemenis, dat over hem niet zal komen — want het is zeker dat het niet zal komen over de ware gelovigen (Johannes 5:24; Romeinen 8:1; 1 Korintiërs 15:55). En hij wordt door de werken van barmhartigheid en liefde verzekerd van de waarheid en oprechtheid van zijn geloof. Mattheüs 25:35; Galaten 5:6.
[^jakobus-2-14-40]: Kanttekening 40: Namelijk tot de troost en zaligheid van de mens.
[^jakobus-2-14-h]: Verwijzing h: Mattheüs 7:26; Jakobus 1:23.
[^jakobus-2-14-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: uiterlijk belijdt en roemt, terwijl hij in werkelijkheid geen waarachtig geloof heeft.
[^jakobus-2-14-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: zo'n geloof, dat zonder de werken is.
[^jakobus-2-14-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: rechtvaardigen voor God? Hij wil zeggen: in geen geval.
[^jakobus-2-15-i]: Verwijzing i: Lucas 3:11; 1 Johannes 3:17.
[^jakobus-2-16-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: zijn liefde aan hen alleen met woorden zou tonen.
[^jakobus-2-16-45]: Kanttekening 45: Hij wil zeggen: niets — noch voor de arme, noch voor degene die alleen met woorden liefheeft.
[^jakobus-2-17-46]: Kanttekening 46: Of: in zichzelf. Dat wil zeggen: het heeft geen nut tot rechtvaardigmaking, en geen kracht om zalig te maken, niet meer dan een dood lichaam zonder ziel kracht heeft om enige werkingen des levens voort te brengen. Zie vers 26.
[^jakobus-2-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk wie het ware en levende geloof heeft, dat werkzaam is door goede werken.
[^jakobus-2-18-48]: Kanttekening 48: Namelijk tot een schijnchristen die roemt van het geloof maar geen goede werken voortbrengt.
[^jakobus-2-18-49]: Kanttekening 49: Namelijk een geloof dat zonder de goede werken is. Of: u zegt dat u het geloof hebt. Laat het zo zijn.
[^jakobus-2-18-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: een geloof met de werken, of werkzaam door de goede werken.
[^jakobus-2-18-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: toon dan, als u een waarachtig geloof hebt zoals u roemt en inbeeldt, dat door de werken, zoals een boom door goede vruchten bewijst dat het een goede boom is. Mattheüs 7:17,18.
[^jakobus-2-18-52]: Kanttekening 52: Anderen lezen: zonder uw werken, wat ook een goede zin heeft. Maar de meeste Griekse handschriften hebben 'uit uw werken'.
[^jakobus-2-18-53]: Kanttekening 53: Namelijk als vruchten van een waarachtig geloof en een zeker bewijs ervan.
[^jakobus-2-18-54]: Kanttekening 54: Namelijk dat het een oprecht en waarachtig geloof is.
[^jakobus-2-19-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: u gelooft niet, zoals de heidenen, dat er vele goden zijn, maar dat er maar één God is die zich in zijn woord heeft geopenbaard. Deuteronomium 6:4; 1 Korintiërs 8:6.
[^jakobus-2-19-56]: Kanttekening 56: Namelijk voor zover u dat artikel gelooft als waarachtig te zijn, zoals het ook is. Maar zo'n kennis en instemming met de artikelen van het geloof is niet genoeg voor een oprecht en waarachtig geloof. Het bewijs volgt.
[^jakobus-2-19-k]: Verwijzing k: Marcus 1:24.
[^jakobus-2-19-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: zij weten en stemmen ook in dat er maar één God is, en hebben desondanks geen waarachtig geloof.
[^jakobus-2-19-58]: Kanttekening 58: Of: beven. Namelijk voor het verschrikkelijke oordeel van God waarvoor zij bewaard worden. 2 Petrus 2:4. En zij vertrouwen niet op de genade van God, noch zoeken zij Hem als hun Vader te dienen.
[^jakobus-2-20-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: wilt u nog duidelijker worden onderwezen in dit punt? Ik zal het u nog duidelijker bewijzen met de voorbeelden van Abraham en Rachab.
[^jakobus-2-20-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: u geveinsde mens, die ijdel van het geloof roemt zonder het met de werken te bewijzen.
[^jakobus-2-20-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: als het zonder goede werken is, zoals vers 17.
[^jakobus-2-21-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: die een vader is van alle ware gelovigen (Romeinen 4:1,11,16), wiens geestelijke kinderen bijgevolg door geen ander geloof worden gerechtvaardigd dan waardoor Abraham gerechtvaardigd is geweest.
[^jakobus-2-21-63]: Kanttekening 63: Dit schijnt te strijden met wat Paulus zegt in Romeinen 4 en Galaten 3, waar hij leert en bewijst dat Abraham gerechtvaardigd is niet uit de werken maar door het geloof. Maar als men de zaak goed inziet, is er volstrekt geen strijdigheid. Want het oogmerk van Paulus is te leren, tegen de valse apostelen, dat de mens voor God niet wordt gerechtvaardigd door zijn eigen gerechtigheid bestaande uit de werken der wet, maar alleen door het geloof. Het oogmerk van Jakobus is te leren, tegen de schijngelovigen, dat het geloof waardoor wij voor God worden gerechtvaardigd, niet alleen een kennis met instemming is, maar ook een vast vertrouwen van het hart op de genade van God in Christus, dat in de ware gelovigen goede werken voortbrengt, waardoor zij worden verzekerd en voor anderen bewijzen dat zij het ware zaligmakende geloof hebben.
[^jakobus-2-21-l]: Verwijzing l: Genesis 22:10.
[^jakobus-2-21-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: wilde offeren, of bezig was te offeren — welk werk een duidelijk bewijs was van een oprecht en zeer sterk geloof. Romeinen 4:18-20.
[^jakobus-2-22-65]: Kanttekening 65: Of: U ziet dan.
[^jakobus-2-22-66]: Kanttekening 66: Namelijk om krachtig te bewijzen en te betuigen door de goede werken dat hij voor God gerechtvaardigd was.
[^jakobus-2-22-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: verklaard en bewezen een geloof te zijn dat al zijn delen had en volmaakt of oprecht was — zoals het woord 'volmaakt worden' ook genomen wordt voor 'volmaakt bevonden worden'. 2 Korintiërs 12:9.
[^jakobus-2-23-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: door dat werk heeft hij bewezen waarachtig te zijn wat de Schrift van hem zegt, dat hij door het geloof gerechtvaardigd was, omdat uit dit werk blijkt dat hij het ware rechtvaardigmakende geloof had.
[^jakobus-2-23-m]: Verwijzing m: Genesis 15:6; Romeinen 4:3; Galaten 3:6.
[^jakobus-2-23-69]: Kanttekening 69: Zie de verklaring hiervan in Romeinen 4:3.
[^jakobus-2-23-70]: Kanttekening 70: Deze woorden worden in Genesis 15 niet gevonden, maar de zaak kan worden afgeleid uit wat gezegd wordt in Genesis 22:12,16,18, en hij wordt zo genoemd in 2 Kronieken 20:7 en Jesaja 41:8.
[^jakobus-2-24-71]: Kanttekening 71: Of: U ziet nu dan, zoals vers 22.
[^jakobus-2-24-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: gerechtvaardigd te zijn betuigd en bewezen wordt door de goede werken.
[^jakobus-2-24-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: niet door zo'n geloof dat zonder goede werken is, of dat geen goede werken tegelijk voortbrengt.
[^jakobus-2-25-n]: Verwijzing n: Jozua 2:1.
[^jakobus-2-25-74]: Kanttekening 74: Zie over dit woord Hebreeën 11:31.
[^jakobus-2-25-75]: Kanttekening 75: Zie de verklaring bij vers 21. Hieruit blijkt ook, aangezien zij door dit ene goede werk voor God niet werkelijk kon worden gerechtvaardigd, dat deze woorden oneigenlijk moeten worden verstaan: namelijk dat zij met dit werk heeft bewezen dat haar geloof een waarachtig en rechtvaardigmakend geloof was. Zie Hebreeën 11:31.
[^jakobus-2-25-76]: Kanttekening 76: Of: boden — namelijk die waren uitgezonden om het land Kanaän te verkennen.
[^jakobus-2-25-77]: Kanttekening 77: Namelijk in vrede (Hebreeën 11:31), zonder hen te verraden, maar hun alle hulp bewijzend.
[^jakobus-2-25-78]: Kanttekening 78: Namelijk om het gevaar te ontkomen. Zie Jozua 2.
[^jakobus-2-26-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: zonder de levendmakende ziel, die het beweegt en werkingen des levens voortbrengt. Psalm 104:29; Jesaja 2:22.
[^jakobus-2-26-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: de kennis en instemming met de artikelen van het geloof, of de uiterlijke belijdenis ervan.
[^jakobus-2-26-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: als het niet vergezeld gaat van de goede werken. Zie vers 17 en 20.

### Jakobus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jakobus/3.json)

*1 De apostel bestraft verder hen die als meesters anderen licht berispen, terwijl zij zelf ook dikwijls verkeerd doen. 2 En leert dat wie zijn tong kan bedwingen, ook alle andere ledematen goed kan regeren. 3 Zoals de paarden met een toom. 4 En de schepen met een roer bestuurd worden. 5 Maar als de tong niet bedwongen wordt, is zij als een vuur dat, hoe klein het is, veel hout kan aansteken. 7 Dat het bedwingen van de tong veel moeilijker is dan het temmen van enig wild dier, en dat een onbedwongen tong veel kwaad voortbrengt. 9 Dat het ongerijmd is dat men met een en dezelfde tong God zegent en zijn naaste vloekt. 11 Zoals een bron geen zout en zoet water tegelijk geeft, noch een boom verschillende vruchten. 13 Daarna vermaant hij tot zachtmoedigheid en tot het afleggen van nijd en twistzucht. 15 En beschrijft de aard en het karakter van aardse en van hemelse wijsheid. 18 En de vrucht die daardoor verkregen wordt.*

**1** [^jakobus-3-1-a] Wees niet[^jakobus-3-1-1] vele leermeesters, mijn broeders, wetende,[^jakobus-3-1-b] dat wij[^jakobus-3-1-2][^jakobus-3-1-3] een strenger oordeel zullen ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v1)

**2** Want wij[^jakobus-3-2-4] struikelen allen in vele.[^jakobus-3-2-c] Als iemand[^jakobus-3-2-5] in woorden niet struikelt, die[^jakobus-3-2-6] is een volmaakt man, machtig om ook[^jakobus-3-2-7] het hele lichaam[^jakobus-3-2-8] in de toom te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v2)

**3** Zie,[^jakobus-3-3-9] wij leggen de paarden bitten in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden[^jakobus-3-3-10] daarmee hun hele[^jakobus-3-3-11] lichaam om; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v3)

**4** Zie ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarheen ook[^jakobus-3-4-12] de begeerte van de stuurman wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v4)

**5** [^jakobus-3-5-d] Zo is ook de tong een klein lid, en[^jakobus-3-5-13] roemt toch grote dingen. Zie,[^jakobus-3-5-14] een klein vuur, hoe[^jakobus-3-5-15] grote hoop hout het aansteekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v5)

**6** [^jakobus-3-6-16] De tong[^jakobus-3-6-17] is ook een vuur,[^jakobus-3-6-18] een wereld van de ongerechtigheid; zo is de tong onder onze leden gesteld, die het hele lichaam[^jakobus-3-6-19] besmet, en[^jakobus-3-6-20] ontsteekt[^jakobus-3-6-21] onze levensloop, en wordt[^jakobus-3-6-22] ontstoken[^jakobus-3-6-23] van de hel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v6)

**7** Want[^jakobus-3-7-24] alle natuur, zowel van de wilde dieren als van de vogels, zowel van de kruipende als van de zeedieren, wordt[^jakobus-3-7-25] getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v7)

**8** Maar de tong[^jakobus-3-8-26] kan geen mens[^jakobus-3-8-27] temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad,[^jakobus-3-8-28] vol van dodelijk venijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v8)

**9** [^jakobus-3-9-29] Door haar loven wij God[^jakobus-3-9-30] en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen,[^jakobus-3-9-e] die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v9)

**10** Uit deze mond komt voort zegening en vervloeking.[^jakobus-3-10-31] Dit moet, mijn broeders, zo niet gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v10)

**11** Welt ook een fontein[^jakobus-3-11-32] uit een zelfde ader[^jakobus-3-11-33] het zoet en het bitter? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v11)

**12** Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom[^jakobus-3-12-34] olijven[^jakobus-3-12-35] voortbrengen, of een wijnstok[^jakobus-3-12-36] vijgen?[^jakobus-3-12-37] Zo kan geen bron zout en zoet water voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v12)

**13** [^jakobus-3-13-38] Wie is wijs en verstandig onder u?[^jakobus-3-13-f] Die bewijze uit[^jakobus-3-13-39] zijn goede wandel[^jakobus-3-13-40] zijn werken[^jakobus-3-13-41] in zachtmoedige wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v13)

**14** [^jakobus-3-14-g] Maar als u bittere[^jakobus-3-14-42] afgunst en twistgierigheid hebt in uw hart, zo[^jakobus-3-14-43] roemt en liegt[^jakobus-3-14-44] niet[^jakobus-3-14-45] tegen de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v14)

**15** [^jakobus-3-15-h] Deze is de wijsheid niet,[^jakobus-3-15-46] die van boven afkomt, maar is[^jakobus-3-15-47] aards,[^jakobus-3-15-48] natuurlijk,[^jakobus-3-15-49] duivels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v15)

**16** [^jakobus-3-16-i] Want waar afgunst en twistgierigheid is, daar is verwarring en alle boze handel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v16)

**17** Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste[^jakobus-3-17-50] zuiver, daarna vredelievend,[^jakobus-3-17-51] bescheiden,[^jakobus-3-17-52] voor rede vatbaar, vol van barmhartigheid en van goede vruchten,[^jakobus-3-17-53] onpartijdig oordelend en ongeveinsd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v17)

**18** En[^jakobus-3-18-54] de vrucht van de[^jakobus-3-18-55] rechtvaardigheid wordt in vrede[^jakobus-3-18-56] gezaaid voor hen,[^jakobus-3-18-57] die vrede maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/3.html#v18)

[^jakobus-3-1-a]: Verwijzing a: Mattheüs 23:8.
[^jakobus-3-1-1]: Kanttekening 1: Hiermee bestraft hij niet degenen die het leerambt begeren (1 Timotheüs 3:1), maar degenen die zich aanmatigen als grote meesters anderen lichtvaardig te oordelen en te berispen. Want de mensen zijn van nature zo gesteld dat zij de gebreken van anderen gemakkelijk zien en berispen maar hun eigen gebreken niet. Zie Mattheüs 7:1; Lucas 6:37.
[^jakobus-3-1-b]: Verwijzing b: Mattheüs 7:1; Lucas 6:37.
[^jakobus-3-1-2]: Kanttekening 2: Grieks: groter — dat wil zeggen: zeer groot en zwaar.
[^jakobus-3-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: straf, die gewoonlijk na het gevelde vonnis pleegt te volgen. Zie 1 Korintiërs 11:31. Deze straf wordt uitgedrukt in Mattheüs 7:2 en is rechtvaardig, omdat zij anderen veroordelen in datgene waaraan zij zelf schuldig zijn en zo ook het vonnis over zichzelf uitspreken.
[^jakobus-3-2-4]: Kanttekening 4: Of: stoten ons, zoals in hoofdstuk 2:10 — dat wil zeggen: wij zondigen, begaan dezelfde of dergelijke zonden dikwijls die wij in anderen bestraffen. Galaten 6:1.
[^jakobus-3-2-c]: Verwijzing c: Psalm 34:14; Jakobus 1:26.
[^jakobus-3-2-5]: Kanttekening 5: Grieks: in het woord — dat wil zeggen: in zeggen, spreken.
[^jakobus-3-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: begaafd met de rechte wijsheid en voorzichtigheid. Want dat dit niet wordt verstaan van een volkomen volmaaktheid die de Wet eist, is duidelijk, omdat hij inwendig in zijn hart met kwade lusten en uitwendig met de andere ledematen toch kan zondigen, ook al beheerst hij zijn tong. En omdat niemand zijn tong beheerst zoals het behoort (vers 8), is dat ook een duidelijk bewijs van de onvolmaaktheid van de mensen.
[^jakobus-3-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: de werkingen van alle andere leden van het lichaam.
[^jakobus-3-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: beheersen, zodat zij de regel niet te buiten gaan — een vergelijking ontleend aan de paarden die door het gebit worden gehouden op de rechte weg.
[^jakobus-3-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: zoals wij leggen, enz. Grieks: wij werpen.
[^jakobus-3-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk hoe groot en sterk het ook is.
[^jakobus-3-3-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: waarheen wij willen. Zo regeert de tong de gehele mens en al zijn doen, ten goede of ten kwade.
[^jakobus-3-4-12]: Kanttekening 12: Grieks: de drijving — dat wil zeggen: de beweging van zijn gemoed.
[^jakobus-3-5-d]: Verwijzing d: Spreuken 12:18 en 15:2.
[^jakobus-3-5-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: richt grote dingen aan. Of: verheft zich geweldig. Een vergelijking ontleend aan paarden die de nek opsteken. Psalm 12:3.
[^jakobus-3-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: zoals een klein vuur, al is het maar een vonkje.
[^jakobus-3-5-15]: Kanttekening 15: Grieks: hylen — een woord dat in het algemeen alle soorten materiaal aanduidt maar voornamelijk wat kan branden, waarom ook een bos zo kan worden genoemd.
[^jakobus-3-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk als ze niet wordt beheerst maar misbruikt.
[^jakobus-3-6-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: hoewel het een klein lid is, wordt er wanneer men het misbruikt dikwijls een grote brand van twist, oproer, oorlog enz. door aangestoken, waardoor kerken, landen en steden worden verwoest.
[^jakobus-3-6-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: zoals de wereld vol is van allerlei soorten ongerechtigheid, zo brengt ook een onbeheerste tong allerlei ongerechtigheid voort: kijven, lasteren, vechten, doodslaan, enz.
[^jakobus-3-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: brengt vele kwaden en zonden voort waarmee de mens wordt bevlekt. Zie Mattheüs 15:18-20.
[^jakobus-3-6-20]: Kanttekening 20: Namelijk zoals een vuur, om te verderven en te vernielen.
[^jakobus-3-6-21]: Kanttekening 21: Of: de loop van ons leven van de geboorte af, die als een rad is dat altijd rondloopt van 's morgens tot 's avonds, van de jeugd tot de ouderdom, van de geboorte tot de dood.
[^jakobus-3-6-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: opgewekt en in gang gebracht om te misbruiken.
[^jakobus-3-6-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: door de duivel, wiens pijnplaats de hel is. Grieks: geënna (γεέννης). Zie over dit woord Mattheüs 5:22.
[^jakobus-3-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: alle soorten wilde dieren, hoe wild ze ook van nature mogen zijn.
[^jakobus-3-7-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: tam gemaakt, zodat ze de mensen geen kwaad doen.
[^jakobus-3-8-26]: Kanttekening 26: Namelijk hoe heilig hij ook is en welke moeite en zorg hij er ook aan besteedt.
[^jakobus-3-8-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: zo beheersen dat ze nooit meer enig kwaad doet, zoals de volgende woorden verklaren. Daarom moet men des te meer en zorgvuldiger ijver aanwenden en de Heer des te vuriger om zijn genade bidden, opdat dit kwaad in ons steeds meer wordt bedwongen.
[^jakobus-3-8-28]: Kanttekening 28: Namelijk dat door de helse slang is ingeblazen. Want als de tong wordt misbruikt en als het ware het gif van lasteren, achterklap, schelden, vloeken enz. uitspuwt, brengt de lasteraar zichzelf in de dood, als hij zich daarvan niet bekeert. Psalm 140:4; Romeinen 1:30; 1 Korintiërs 6:10.
[^jakobus-3-9-29]: Kanttekening 29: Grieks: in haar. De apostel toont nu dat het misbruik van de tong ook een geheel wanstaltige en onbetamelijke zaak is: dat men met dezelfde tong waarmee men God looft, zijn naaste die naar Gods evenbeeld geschapen is, zou lasteren of vervloeken, en dat zo van een en dezelfde tong geheel tegenstrijdige werken zouden voortkomen.
[^jakobus-3-9-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: God die onze Vader is, zoals eerder in hoofdstuk 1:27.
[^jakobus-3-9-e]: Verwijzing e: Genesis 1:27.
[^jakobus-3-10-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: deze misbruiken van de tong die hiervoor zijn aangewezen.
[^jakobus-3-11-32]: Kanttekening 32: Grieks: uit dezelfde opening (ὀπή) — dat wil zeggen: bronader.
[^jakobus-3-11-33]: Kanttekening 33: Of: zoet en bitter water.
[^jakobus-3-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: vijgen en olijven tegelijk — dat wil zeggen: zoete en bittere vruchten.
[^jakobus-3-12-35]: Kanttekening 35: Grieks: maken.
[^jakobus-3-12-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: druiven en vijgen tegelijk, zoals eerder.
[^jakobus-3-12-37]: Kanttekening 37: Zie het voorgaande vers. Zo behoort dan ook de tong niet goed en kwaad voort te brengen, tegen de natuur van de andere schepselen.
[^jakobus-3-13-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: als er iemand onder u is die meent dat hij wijs en verstandig is of daarvoor wil worden gehouden, laat die zijn wijsheid bewijzen, enz. De apostel wijst nu verder de ware middelen aan tegen het meesterlijk veroordelen en het misbruik van de tong waarover hij tot nu toe heeft gesproken.
[^jakobus-3-13-f]: Verwijzing f: Efeziërs 5:8.
[^jakobus-3-13-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: omgang met de mensen, zowel in de kerk, de burgerlijke samenleving en het huishouden, als ook in het bijzonder met alle mensen.
[^jakobus-3-13-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: laat hij niet roemen van zijn wijsheid, maar ze werkelijk bewijzen met zijn werken, door zulk meesterschap na te laten en zijn tong te beheersen.
[^jakobus-3-13-41]: Kanttekening 41: Grieks: in de zachtmoedigheid van de wijsheid — dat wil zeggen: in zulke wijsheid die altijd vergezeld gaat van zachtmoedigheid.
[^jakobus-3-14-g]: Verwijzing g: Romeinen 13:13.
[^jakobus-3-14-42]: Kanttekening 42: Of: ijver — zoals Romeinen 10:2. Dit is de bron waaruit de genoemde zonden gewoonlijk voortkomen, en die de apostel daarom eerst wil stoppen.
[^jakobus-3-14-43]: Kanttekening 43: Namelijk dat u een oprecht christen bent.
[^jakobus-3-14-44]: Kanttekening 44: Namelijk als u dat roemt.
[^jakobus-3-14-45]: Kanttekening 45: Namelijk van het Evangelie, dat doorlopend leert dat zulke zonden niet kunnen bestaan met de christelijke roeping. Of: tegen de waarheid van de zaak, omdat u geen echt christen bent, noch echt verstandig, zoals u roemt te zijn.
[^jakobus-3-15-h]: Verwijzing h: 1 Korintiërs 2:6,7.
[^jakobus-3-15-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: van de hemel, van de Vader der lichten (hoofdstuk 1:17), van wie de rechte en zaligmakende wijsheid voortkomt en verkregen wordt. Zie ook Johannes 3:5.
[^jakobus-3-15-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: werelds, zoals de aardse en wereldse mensen die hebben.
[^jakobus-3-15-48]: Kanttekening 48: Grieks: zielelijk, zoals 1 Korintiërs 2:14 — dat wil zeggen: die voortkomt uit de ziel van de mens zoals die van nature is: onwedergeboren, verdorven en onverstandig in geestelijke zaken.
[^jakobus-3-15-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: zoals de duivel heeft en die hij de mensen ingeeft.
[^jakobus-3-16-i]: Verwijzing i: 1 Korintiërs 3:3; Galaten 5:20.
[^jakobus-3-17-50]: Kanttekening 50: Of: rein — niet besmet met zulke heersende gebreken en zonden.
[^jakobus-3-17-51]: Kanttekening 51: Niet handelend naar het uiterste recht, maar graag van haar recht wijkend. Zie Filippenzen 4:5.
[^jakobus-3-17-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: goede onderwijzingen en vermaningen graag een plaats gevend en niet hardnekkig op het eigen standpunt staand.
[^jakobus-3-17-53]: Kanttekening 53: Het Griekse woord betekent ook: iemand die een zaak niet te nauwkeurig onderzoekt of onderscheidt. De hemelse wijsheid maakt ook onderscheid en oordeelt tussen waarheid en onwaarheid, tussen goed en kwaad (1 Korintiërs 10:15; 1 Thessalonicenzen 5:21; 1 Johannes 4:1; Judas vers 22), maar oordeelt niet lichtvaardig of scherp over de woorden of werken van zijn naaste — wat de apostel hier bedoelt.
[^jakobus-3-18-54]: Kanttekening 54: Namelijk het eeuwige leven. Zie Romeinen 6:21,22; Galaten 6:8.
[^jakobus-3-18-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: wordt door vrede gezaaid. Of: de vrucht van de gerechtigheid die in vrede — dat wil zeggen: in de ware gelukzaligheid — bestaat, wordt gezaaid, enz.
[^jakobus-3-18-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: weggelegd en bewaard. Zie over deze vergelijking Psalm 97:11; Galaten 6:8.
[^jakobus-3-18-57]: Kanttekening 57: Of: beoefenen. Dat wil zeggen: die niet alleen vrede maken tussen twistende partijen, maar ook alle ijver en middelen aanwenden om met alle mensen, voor zover mogelijk, in vrede te leven.

### Jakobus 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jakobus/4.json)

*1 De apostel verhaalt verder de geneesmiddelen tegen de voorgaande zonden, en vermaant hen de vleselijke lusten, die de oorsprong ervan zijn, af te leggen, en wijst daartoe aan de schadelijke vruchten ervan, zoals twisten, 2 dat men niet verkrijgt wat men begeert en bidt, 4 en vijandschap met God. 5 Wat hij bewijst met de Schrift. 7 En vermaant dat zij zich aan God willen onderwerpen en de duivel weerstaan. 8 Daarbij doet hij een ernstige vermaning tot ware bekering, die hij met haar delen beschrijft. 11 En in het bijzonder zijn naaste niet te oordelen, omdat dat God alleen toekomt. 13 Bestraft ook hen die bij wat zij van plan zijn te doen, niet letten op de voorzienigheid van God noch op de broosheid van het leven. 17 En besluit dat wie weet wat hij doen moet en het niet doet, zwaarder zondigt.*

**1** Vanwaar[^jakobus-4-1-1] komen strijden en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk[^jakobus-4-1-2] uit uw hartstochten,[^jakobus-4-1-a] die[^jakobus-4-1-3] in uw lichaamsdelen[^jakobus-4-1-4] strijd voeren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v1)

**2** [^jakobus-4-2-5] U begeert, en[^jakobus-4-2-6] hebt niet; u[^jakobus-4-2-7] benijdt en[^jakobus-4-2-8] ijvert naar dingen, en[^jakobus-4-2-9] kunt ze niet verkrijgen; u[^jakobus-4-2-10] vecht en voert strijd, maar u[^jakobus-4-2-11] hebt niet,[^jakobus-4-2-12] omdat u niet bidt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v2)

**3** [^jakobus-4-3-13] U bidt, en u ontvangt niet,[^jakobus-4-3-b] omdat u[^jakobus-4-3-14] kwalijk bidt,[^jakobus-4-3-15] opdat u het in uw hartstochten doorbrengen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v3)

**4** [^jakobus-4-4-16] Overspelers en overspeleressen,[^jakobus-4-4-17] weet u niet, dat[^jakobus-4-4-18] de vriendschap van de[^jakobus-4-4-19] wereld een vijandschap van God is?[^jakobus-4-4-c] Zo wie dan een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v4)

**5** [^jakobus-4-5-20] Of denkt u, dat[^jakobus-4-5-21] de Schrift[^jakobus-4-5-22] tevergeefs zegt:[^jakobus-4-5-23][^jakobus-4-5-d] De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust[^jakobus-4-5-24] tot afgunst? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v5)

**6** [^jakobus-4-6-25] Ja, Hij geeft[^jakobus-4-6-26] grotere genade. Daarom zegt de[^jakobus-4-6-e] Schrift: God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v6)

**7** [^jakobus-4-7-27] Onderwerp u dan aan God;[^jakobus-4-7-f] bied weerstand aan[^jakobus-4-7-28] de duivel, en[^jakobus-4-7-29] hij zal van u vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v7)

**8** [^jakobus-4-8-30] Nader tot God, en Hij zal tot u[^jakobus-4-8-31] naderen.[^jakobus-4-8-g] Reinig[^jakobus-4-8-32] de handen, u zondaars, en zuivert de harten,[^jakobus-4-8-33] u dubbelhartigen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v8)

**9** [^jakobus-4-9-34][^jakobus-4-9-h] Gedraag u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in[^jakobus-4-9-35] bedroefdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v9)

**10** [^jakobus-4-10-i] Verneder u voor de Heere en Hij zal u verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v10)

**11** Broeders, spreekt[^jakobus-4-11-36] niet verkeerd van elkaar. Die van zijn broeder verkeerd spreekt en zijn broeder[^jakobus-4-11-37] oordeelt, die spreekt verkeerd van de wet, en[^jakobus-4-11-38] oordeelt de wet. Als u nu de wet oordeelt, zo bent u geen dader van de wet, maar[^jakobus-4-11-39] een rechter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v11)

**12** Er is[^jakobus-4-12-40] één enig Wetgever, Die behouden kan en verderven.[^jakobus-4-12-k] Maar wie bent u, die een anderen oordeelt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v12)

**13** Nu dan u, die daar zegt:[^jakobus-4-13-41][^jakobus-4-13-l] Wij zullen vandaag of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar[^jakobus-4-13-42] doorbrengen, en[^jakobus-4-13-43] handel drijven, en winst doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v13)

**14** U, die niet weet, wat morgen gebeuren[^jakobus-4-14-m] zal, want[^jakobus-4-14-44] wat is uw leven? Want het is[^jakobus-4-14-45] een damp, die voor een korte tijd[^jakobus-4-14-46] gezien wordt, en daarna verdwijnt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v14)

**15** In plaats dat u[^jakobus-4-15-47] zou zeggen:[^jakobus-4-15-n] Als de Heere wil,[^jakobus-4-15-48] en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v15)

**16** Maar nu[^jakobus-4-16-49] roemt u in uw hoogmoed; al zulk soort roem is boos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v16)

**17** [^jakobus-4-17-o] Wie dan[^jakobus-4-17-50] weet goed te doen, en niet doet,[^jakobus-4-17-51] die is het zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/4.html#v17)

[^jakobus-4-1-1]: Kanttekening 1: Hieronder worden niet openbare oorlogen met soldaten en wapens verstaan — want die waren er onder de christenen destijds niet — maar de hevige onderlinge twisten en ruzies die er onder hen waren en zowel met woorden als anders werden gevoerd, tot grote schande van het christelijk geloof en ergernis van de heidenen. Deze worden gesteld tegenover de vrede waarover hij aan het einde van het vorige hoofdstuk heeft gesproken.
[^jakobus-4-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: uit uw kwade en vleselijke begeerten, waaraan u uw lust geeft.
[^jakobus-4-1-a]: Verwijzing a: Romeinen 7:23; 1 Petrus 2:11.
[^jakobus-4-1-3]: Kanttekening 3: Hieronder verstaat hij niet alleen de uitwendige ledematen van het lichaam zoals tong, handen, voeten, ogen enz., maar ook de inwendige krachten en neigingen van de ziel, waarin de begeerte het meest heerst.
[^jakobus-4-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de ziel als het ware beoorlogen om haar in het verderf en te onder te brengen. Zie 1 Petrus 2:11.
[^jakobus-4-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk eer, rijkdom van deze wereld, enz.
[^jakobus-4-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: of u komt er niet toe, of als u het bekomt, zal het u niet voordelen maar schaden.
[^jakobus-4-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: u misgunt uw naaste het goed dat de Heer hem heeft gegeven. In veel Griekse handschriften staat phoneuete (u doodt) in plaats van phthoneite (u benijdt). Maar het woord doden past hier niet zo goed, tenzij men het verstaat als: zijn naaste haten, wat voor God een doodslag is (1 Johannes 3:15).
[^jakobus-4-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: u staat ook met grote ijver en genegenheid naar eer en rijkdom van deze wereld.
[^jakobus-4-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk de dingen die u anderen misgunnen, of die u ook zou willen hebben evenals uw naaste. Want God geeft deze dingen aan wie Hem behaagt.
[^jakobus-4-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: u twist en krakeelt uit nijd tegen elkaar om deze dingen, zoals in het voorgaande vers.
[^jakobus-4-2-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: u verkrijgt er niets mee. Zie Haggaï 1:6.
[^jakobus-4-2-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: deze goederen niet door gebed bij God hebt gevraagd, van wie zij moeten worden gegeven.
[^jakobus-4-3-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: hoewel u soms God om deze goederen zou mogen bidden, verkrijgt u ze toch niet, en dat door uw eigen schuld.
[^jakobus-4-3-b]: Verwijzing b: Mattheüs 20:22; Romeinen 8:26.
[^jakobus-4-3-14]: Kanttekening 14: Namelijk niet alleen omdat uw gebed voortkomt uit een nijdig hart, maar ook omdat u deze dingen niet vraagt met een goed doel, om ze te gebruiken zoals het behoort.
[^jakobus-4-3-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: opdat u daarmee uw kwade begeerten zou kunnen bevredigen en voeden.
[^jakobus-4-4-16]: Kanttekening 16: Zo noemt hij allen die de liefde die zij God en Christus, hun Bruidegom en Zaligmaker, verschuldigd zijn en Hem ook in de doop hebben beloofd, bewijzen aan de wereld — een vergelijking ontleend aan lichamelijk overspel, wat is als gehuwden de huwelijkse liefde die zij elkaar verschuldigd zijn aan anderen bewijzen. Zie Jeremia 13:27; Ezechiël 23:43,45; Hosea 2:1. Deze naam geeft hij hun om de lelijkheid van de zonde beter aan te wijzen.
[^jakobus-4-4-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: u kunt en mag hier dus niet onwetend van zijn.
[^jakobus-4-4-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: de vriendschap van de wereldse en ongelovige mensen om hen in het kwade te behagen of na te volgen, en de vriendschap van de wereldse dingen en begeerten om die na te streven met overtreding van Gods geboden of verloochening van de christelijke leer. Zie 1 Johannes 2:15.
[^jakobus-4-4-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: niet kan bestaan met de liefde, dienst en vriendschap van God, maar God tot een vijand maakt. Of: een vijandschap is tégen God, zoals Paulus spreekt in Romeinen 8:7.
[^jakobus-4-4-c]: Verwijzing c: Johannes 15:19; Galaten 1:10; 1 Johannes 2:15.
[^jakobus-4-5-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: wil toch niet menen.
[^jakobus-4-5-21]: Kanttekening 21: De volgende woorden staan wel nergens met zoveel woorden in de Heilige Schrift van het Oude Testament, maar de zin wordt er wel in gevonden. Sommigen menen dat de apostel ziet op de plaatsen in Genesis 6:5 en 8:21. Anderen menen beter dat hij zou zien op de plaats in Numeri 11:29.
[^jakobus-4-5-22]: Kanttekening 22: Grieks: ijdel — dat wil zeggen: dat het er niet zo zou zijn of niet tot onze stichting geschreven zou zijn. Romeinen 15:4.
[^jakobus-4-5-23]: Kanttekening 23: Sommigen verstaan dit van de verdorven geest van de mens, of van de gedachten van de harten der mensen (Genesis 6:5). Maar het wordt beter verstaan van de Geest van God waardoor wij wedergeboren worden, omdat daarbij wordt gezegd 'die in ons woont' — wat van de Geest van God in de Schrift dikwijls wordt gezegd. Exodus 25:8 en 29:45; Romeinen 8:11; 1 Korintiërs 3:16. Zo is dan de zin: de Geest van God die in ons woont, strijdt tegen de kwade neiging van de nijd, zoals Galaten 5:17. En daarom behoren degenen in wie de Geest van God woont (Romeinen 8:9; 1 Korintiërs 3:16) de vriendschap van de wereld niet lief te hebben.
[^jakobus-4-5-d]: Verwijzing d: Numeri 11:29.
[^jakobus-4-5-24]: Kanttekening 24: Of: de Geest die in ons woont, begeert tégen nijd. Zie de voorgaande verklaring.
[^jakobus-4-6-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: zal geven. Namelijk de Geest van God. Dit is zo ver verwijderd van lust tot nijd, dat Hij ook grotere genade geeft.
[^jakobus-4-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: een zeer grote genade, zoals in hoofdstuk 3:1.
[^jakobus-4-6-e]: Verwijzing e: Spreuken 3:34; 1 Petrus 5:5.
[^jakobus-4-7-27]: Kanttekening 27: Namelijk met gewillige gehoorzaamheid aan zijn geboden, al uw gedachten, begeerten en neigingen, woorden en werken richtend naar de regel van zijn wil in zijn woord voorgeschreven.
[^jakobus-4-7-f]: Verwijzing f: Efeziërs 4:27; 1 Petrus 5:9.
[^jakobus-4-7-28]: Kanttekening 28: Namelijk als hij u verzoekt en verlokt om uw vleselijke begeerten te vervullen en de vriendschap van de wereld te zoeken. Zie dezelfde vermaning in 1 Petrus 5:8 enz.
[^jakobus-4-7-29]: Kanttekening 29: Namelijk op dat moment dat u hem weerstaat.
[^jakobus-4-8-30]: Kanttekening 30: Namelijk door oprechte bekering, geloof, gehoorzaamheid en gebeden.
[^jakobus-4-8-31]: Kanttekening 31: Namelijk met zijn genade en weldaden.
[^jakobus-4-8-g]: Verwijzing g: Jesaja 1:15.
[^jakobus-4-8-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: al uw uitwendige ledematen, die als instrumenten van de ziel zijn, waartoe de handen het meest worden gebruikt. Zie Psalm 26:6; Jesaja 1:15,16; 1 Timotheüs 2:8.
[^jakobus-4-8-33]: Kanttekening 33: Grieks: u tweezieligen. Zie over dit woord hoofdstuk 1:8.
[^jakobus-4-9-34]: Kanttekening 34: Namelijk niet alleen uitwendig zoals de huichelaars vaak doen, maar voornamelijk inwendig in het hart: bedroefd zijnde over uw zonden en ellenden.
[^jakobus-4-9-h]: Verwijzing h: Mattheüs 5:4.
[^jakobus-4-9-35]: Kanttekening 35: Het Griekse woord betekent eigenlijk neerslachtigheid van ogen of gezicht, uit verdriet of schaamte.
[^jakobus-4-10-i]: Verwijzing i: Job 22:29; Spreuken 29:23; Mattheüs 23:12; Lucas 14:11 en 18:14; 1 Petrus 5:6.
[^jakobus-4-11-36]: Kanttekening 36: Grieks: tegen elkaar — dat wil zeggen: spreek niet wat de eer en goede naam van de ander tegengaat.
[^jakobus-4-11-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: veroordeelt, zoals Mattheüs 7:1.
[^jakobus-4-11-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: veroordeelt. Namelijk omdat hij met dit kwaadspreken bewijst dat hij er niet van overtuigd is dat de wet het kwaadspreken terecht heeft verboden. Leviticus 19:16.
[^jakobus-4-11-39]: Kanttekening 39: Namelijk van de wet — wat een grote en dwaze aanmatiging is voor een mens.
[^jakobus-4-12-40]: Kanttekening 40: Namelijk God de Heer, in wiens plaats zich dan aanmatigend stellen allen die hun naaste lichtvaardig oordelen en daarmee de wet van God die dit verbiedt als het ware veroordelen.
[^jakobus-4-12-k]: Verwijzing k: Romeinen 14:4.
[^jakobus-4-13-41]: Kanttekening 41: Of: Laten wij vandaag, enz.
[^jakobus-4-13-l]: Verwijzing l: Lucas 12:18.
[^jakobus-4-13-42]: Kanttekening 42: Grieks: maken.
[^jakobus-4-13-43]: Kanttekening 43: Onder dit ene soort menselijke plannen en zorgen worden alle andere ook begrepen; dit ene wordt speciaal genoemd omdat hierbij het meeste gebrek werd gevonden.
[^jakobus-4-14-m]: Verwijzing m: Jesaja 40:6; 1 Korintiërs 7:31; Jakobus 1:10; 1 Petrus 1:24; 1 Johannes 2:17.
[^jakobus-4-14-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: hoe kort, broos en onzeker.
[^jakobus-4-14-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: zoals een damp.
[^jakobus-4-14-46]: Kanttekening 46: Of: schijnt.
[^jakobus-4-15-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: behoort te zeggen — namelijk zo in uw hart als ook met woorden, om daarmee te laten zien dat u de voorzienigheid van God en de broosheid van uw leven juist verstaat en erkent.
[^jakobus-4-15-n]: Verwijzing n: Handelingen 18:21; 1 Korintiërs 4:19; Hebreeën 6:3.
[^jakobus-4-15-48]: Kanttekening 48: Of: als wij zullen leven, en dit of dat zullen doen.
[^jakobus-4-16-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: u spreekt zo aanmatigend alsof de uitkomst van de zaken en uw leven in uw hand en macht stonden.
[^jakobus-4-17-o]: Verwijzing o: Lucas 12:47.
[^jakobus-4-17-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: weet wat goed en wat kwaad is, wat men behoort te doen en wat men behoort te laten.
[^jakobus-4-17-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: die zondigt zwaarder dan wie het niet weet, en kan zich in geen geval verontschuldigen. Zie Lucas 12:47; Johannes 9:41 en 15:22.

### Jakobus 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jakobus/5.json)

*1 De apostel gaat voort met de vermaningen tot een christelijke wandel, en wijst de ellenden aan die komen over de rijken, 4 die de armen hun loon onthouden, 5 die de rijkdommen misbruiken tot wellust, 6 en die de vromen onderdrukken. 7 Vermaant de onderdrukten tot lankmoedige lijdzaamheid, met de komst van Christus, en met de voorbeelden van een landman, 10 van de profeten, en vooral van Job. 12 Maant af van lichtvaardig zweren. 13 Leert hoe men zich moet gedragen in tegenspoed en voorspoed. 14 En wat de zieken moeten doen, alzok welke dienst men aan hen moet bewijzen, vooral door hen te zalven en voor hen te bidden. 17 En wijst met het voorbeeld van Elia aan hoe krachtig het gebed van de gelovigen is. 19 En ten slotte vermaant hij de afgedwaalden weer tot de rechte weg en tot bekering te brengen. 20 En leert hoe heerlijk een werk dat is.*

**1** [^jakobus-5-1-a] Nu dan,[^jakobus-5-1-1] u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden,[^jakobus-5-1-2] die over u komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v1)

**2** [^jakobus-5-2-3] Uw rijkdom[^jakobus-5-2-4] is verrot, en[^jakobus-5-2-5] uw kleren zijn van de motten gegeten geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v2)

**3** [^jakobus-5-3-6] Uw goud en zilver[^jakobus-5-3-7] is verroest; en hun roest[^jakobus-5-3-8] zal u zijn[^jakobus-5-3-9] tot een getuigenis, en[^jakobus-5-3-10] zal uw vlees als een vuur verteren;[^jakobus-5-3-b] u hebt[^jakobus-5-3-11] schatten verzameld[^jakobus-5-3-12] in de laatste dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v3)

**4** Zie,[^jakobus-5-4-c] het loon van de arbeiders,[^jakobus-5-4-13] die uw landen gemaaid hebben, dat van u verkort is,[^jakobus-5-4-14] roept; en[^jakobus-5-4-15] het geschrei van degenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in[^jakobus-5-4-16] de oren van de[^jakobus-5-4-17] Heere Zebaoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v4)

**5** [^jakobus-5-5-d] U hebt[^jakobus-5-5-18] lekker geleefd op de aarde, en[^jakobus-5-5-19] hartstochten gevolgd; u hebt[^jakobus-5-5-20] uw harten gevoed als in[^jakobus-5-5-21] een dag van de slachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v5)

**6** U hebt veroordeeld, u hebt gedood[^jakobus-5-6-22] de rechtvaardige;[^jakobus-5-6-23] hij weerstaat u niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v6)

**7** Zo[^jakobus-5-7-24] wees dan geduldig, broeders,[^jakobus-5-7-25] tot de toekomst van de Heere. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht van het[^jakobus-5-7-26] land, geduldig zijnde daarover, totdat het[^jakobus-5-7-27] de vroegen en[^jakobus-5-7-28] spade regen zal hebben ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v7)

**8** Wees[^jakobus-5-8-29] u ook geduldig,[^jakobus-5-8-30] versterkt uw harten; want[^jakobus-5-8-31] de toekomst van de[^jakobus-5-8-32] Heere nadert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v8)

**9** [^jakobus-5-9-33] Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet veroordeeld wordt. Zie,[^jakobus-5-9-34] de Rechter[^jakobus-5-9-35] staat voor de deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v9)

**10** Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld[^jakobus-5-10-36] van het lijden, en van[^jakobus-5-10-37] de geduld de profeten, die[^jakobus-5-10-38] in de Naam van de Heere gesproken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v10)

**11** Zie,[^jakobus-5-11-e] wij houden hen gelukzalig, die verdragen; u hebt[^jakobus-5-11-f] de verdraagzaamheid van Job gehoord, en u hebt[^jakobus-5-11-39] het einde van de Heere[^jakobus-5-11-g] gezien, dat de Heere[^jakobus-5-11-40] zeer barmhartig is en een Ontfermer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v11)

**12** Maar voor alle dingen, mijn broeders,[^jakobus-5-12-41][^jakobus-5-12-h] zweert niet,[^jakobus-5-12-42] noch bij de hemel, noch bij de aarde,[^jakobus-5-12-43] noch enige anderen eed; maar[^jakobus-5-12-44] uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat u[^jakobus-5-12-45] in geen oordeel valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v12)

**13** Is iemand onder u[^jakobus-5-13-46] in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds?[^jakobus-5-13-i] Dat hij psalmzinge. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v13)

**14** Is iemand[^jakobus-5-14-47] ziek onder u? Dat hij tot zich roepe[^jakobus-5-14-48] de ouderlingen van de Gemeente, en dat zij[^jakobus-5-14-49] over hem[^jakobus-5-14-50] bidden,[^jakobus-5-14-k] hem[^jakobus-5-14-51] zalvende met olie[^jakobus-5-14-52] in de Naam van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v14)

**15** En[^jakobus-5-15-53] het gebed van het geloof zal de zieke[^jakobus-5-15-54] behouden, en[^jakobus-5-15-55] de Heere zal hem[^jakobus-5-15-56] oprichten, en zo hij[^jakobus-5-15-57] zonden gedaan zal hebben, het zal hem[^jakobus-5-15-58] vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v15)

**16** [^jakobus-5-16-59] Belijd elkaar de misdaden, en[^jakobus-5-16-60] bidt voor elkaar, opdat u[^jakobus-5-16-61] gezond wordt; een[^jakobus-5-16-62] krachtig gebed[^jakobus-5-16-63] van de rechtvaardigen vermag veel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v16)

**17** [^jakobus-5-17-l] Elia was een mens van gelijke[^jakobus-5-17-64] bewegingen als wij; en hij[^jakobus-5-17-65] bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet[^jakobus-5-17-66] op de aarde in drie jaren en zes maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v17)

**18** [^jakobus-5-18-m] En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v18)

**19** Broeders,[^jakobus-5-19-n] als iemand onder u[^jakobus-5-19-67] van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand[^jakobus-5-19-68] bekeert, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v19)

**20** Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een[^jakobus-5-20-69] ziel[^jakobus-5-20-70] van de dood[^jakobus-5-20-71] zal behouden,[^jakobus-5-20-o] en menigte van[^jakobus-5-20-72] de zonden[^jakobus-5-20-73] zal bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jakobus/5.html#v20)

[^jakobus-5-1-a]: Verwijzing a: Spreuken 11:28; Amos 6:1; Lucas 6:24; 1 Timotheüs 6:9.
[^jakobus-5-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk die de rijkdommen onrechtvaardig hebben vergaard of ze misbruiken, zoals het volgende aanwijst. Want overigens zijn de rijkdommen op zichzelf niet kwaad, maar een zegen van God (Spreuken 10:22), maar worden gewoonlijk en zeer gemakkelijk misbruikt tot schade van de zaligheid (Mattheüs 13:22 en 19:23,24). Hieronder worden verstaan niet alleen de gewone rijke gierigaards en verkwisters, maar ook zij die in publieke autoriteit zijn, als koningen, vorsten, stadhouders, rechters en dergelijke, die hun macht en autoriteit misbruiken tot onderdrukking van de armen, zoals blijkt uit vers 6.
[^jakobus-5-1-2]: Kanttekening 2: Of: die over u zullen komen. Namelijk zowel in dit leven als voornamelijk na dit leven. Zie Lucas 16:23.
[^jakobus-5-2-3]: Kanttekening 3: Namelijk die u had moeten besteden tot onderhoud van de armen.
[^jakobus-5-2-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: u hebt hem liever bij u laten verrotten dan hem met de armen te delen.
[^jakobus-5-2-5]: Kanttekening 5: Namelijk waarmee u de naakten had moeten kleden. Zie Jesaja 58:7.
[^jakobus-5-3-6]: Kanttekening 6: Namelijk dat u had moeten geven tot onderhoud van uw naaste, zoals eerder.
[^jakobus-5-3-7]: Kanttekening 7: Namelijk in uw kisten of comptoirs, waar u het gierig hebt bewaard zonder de armen ervan te laten delen.
[^jakobus-5-3-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: zal tegen u zijn. Zie een dergelijke uitdrukking in Mattheüs 10:18 en 23:31. Namelijk op de dag van het oordeel.
[^jakobus-5-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: om u te overtuigen van uw gierigheid en uw rechtvaardige verdoemenis. Zie Mattheüs 10:18; Marcus 1:44.
[^jakobus-5-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: zal als een vuur zijn waarmee u gepijnigd zult worden.
[^jakobus-5-3-b]: Verwijzing b: Mattheüs 6:19; Romeinen 2:5.
[^jakobus-5-3-11]: Kanttekening 11: Sommigen verstaan dit van de schat van Gods toorn die de gierigaards in de laatste dagen zal overvallen (Romeinen 2:5), maar het wordt beter verstaan van de schatten van de tijdelijke goederen waarmee gierigaards altijd en alleen bezig zijn. Zie Mattheüs 6:19.
[^jakobus-5-3-12]: Kanttekening 12: Namelijk van de wereld. Of: van uw leven — dat wil zeggen: tot het einde van uw leven toe. Of: tegen de laatste dagen.
[^jakobus-5-4-c]: Verwijzing c: Leviticus 19:13; Deuteronomium 24:14.
[^jakobus-5-4-13]: Kanttekening 13: Door dit ene soort ongerechtigheid worden alle andere dergelijke soorten begrepen.
[^jakobus-5-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk tot God, dat Hij wraak over hen zou willen doen. Zie Genesis 4:10; Hebreeën 12:24.
[^jakobus-5-4-15]: Kanttekening 15: Grieks: de roepingen — dat wil zeggen: de klachten van de arbeiders over deze uw ongerechtigheid.
[^jakobus-5-4-16]: Kanttekening 16: Dit moet bij wijze van vergelijking worden verstaan, waarbij God menselijke ledematen worden toegeschreven, niet eigenlijk (want Hij is een Geest, Johannes 4:24). Hiermee wordt bedoeld dat God hun klachten heeft gehoord. Zie Psalm 18:7; Jesaja 37:17.
[^jakobus-5-4-17]: Kanttekening 17: Of: Sebaoth, zoals de Hebreeën lezen. Dit is een Hebreeuws woord en betekent 'heirscharen', namelijk van hemel en aarde, die tot zijn dienst staan en voor Hem strijden tegen zijn vijanden. Deze titel wordt God dikwijls in het Oude Testament toegeschreven. Zie Jesaja 1:9; Jeremia 11:20; Romeinen 9:29. Het wordt hier door de apostel uitgedrukt om daarmee zijn grote macht aan te wijzen om de onderdrukkers van de rechtvaardige te straffen.
[^jakobus-5-5-d]: Verwijzing d: Job 21:13; Lucas 16:19,25.
[^jakobus-5-5-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: u hebt uw rijkdommen verkwist met overdadigheid, vraatzucht en brasserij, en de armen honger laten lijden. Zie een voorbeeld ervan in Lucas 16:19,20 enz.
[^jakobus-5-5-19]: Kanttekening 19: Zie ook 1 Timotheüs 5:6.
[^jakobus-5-5-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: niet alleen uw lichamen zo gemest, maar dit ook gedaan met groot behagen van uw harten om die te verzadigen.
[^jakobus-5-5-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: zoals op de grote feestdagen waarop de dankoffers werden geslacht de mensen dan goede sier plachten te maken, zo doet u dagelijks. Zie Spreuken 7:14; Jesaja 22:13.
[^jakobus-5-6-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: met geweld en wreedheid de onschuldige vervolgd. Dit moet dan worden verstaan van zulke rijken die ook in hoogheid en als overheid zijn gesteld.
[^jakobus-5-6-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: hij laat zich door u onderdrukken zonder iets daartegen te doen. Zie een voorbeeld in Naboth (1 Koningen 21:13) en in Stefanus (Handelingen 7:59,60).
[^jakobus-5-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: verdraagt geduldig het onrecht en geweld dat deze rijken u aandoen.
[^jakobus-5-7-25]: Kanttekening 25: Namelijk om te oordelen; die dan het onrecht de vrome mensen aangedaan zal wreken en hun verdrukkers rechtvaardig zal vergelden (2 Thessalonicenzen 1:5,6), en hen dan van hen volkomen zal verlossen. Lucas 21:28.
[^jakobus-5-7-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: deze geduldig afwachtend.
[^jakobus-5-7-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: die nodig is als het land pas bezaaid is.
[^jakobus-5-7-28]: Kanttekening 28: Die daarna tegen de tijd van de oogst het gewas bevordert. Zie Deuteronomium 11:14.
[^jakobus-5-8-29]: Kanttekening 29: Namelijk zoals de boer. Of: u dan wees geduldig.
[^jakobus-5-8-30]: Kanttekening 30: Namelijk met een vast vertrouwen dat de Heer zijn beloften aan de gelovigen gedaan, te zijner tijd zeker zal vervullen.
[^jakobus-5-8-31]: Kanttekening 31: Namelijk tot het oordeel, zoals eerder.
[^jakobus-5-8-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: zal niet lang toeven; en dan zal Hij u van de gemeenschap en het geweld van de goddelozen verlossen.
[^jakobus-5-9-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: geef elkaar geen aanleiding met onbehoorlijke woorden of daden om daarover tegen elkaar te zuchten — dat wil zeggen: bedroefd te zijn, of bij God te klagen.
[^jakobus-5-9-34]: Kanttekening 34: Namelijk Jezus Christus, die als Rechter van de wereld alle onrecht zal straffen.
[^jakobus-5-9-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: is nabij met zijn komst, zoals iemand die al tot de deur of poort is gekomen en bereid is binnen te gaan. Zie Mattheüs 24:33.
[^jakobus-5-10-36]: Kanttekening 36: Grieks: van het lijden van het kwade — dat wil zeggen: van de verdrukkingen.
[^jakobus-5-10-37]: Kanttekening 37: Hun voorbeeld stelt ook de Heer Christus tot dit doel voor in Mattheüs 5:12.
[^jakobus-5-10-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: uit last, bevel en ingeving van de Heer. Zie 2 Petrus 1:20,21.
[^jakobus-5-11-e]: Verwijzing e: Mattheüs 5:11.
[^jakobus-5-11-f]: Verwijzing f: Job 1:21,22.
[^jakobus-5-11-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: de goede uitkomst die de Heer aan Job heeft gegeven uit al zijn kwalen die hij geduldig heeft verdragen. Zie Job 42:10.
[^jakobus-5-11-g]: Verwijzing g: Numeri 14:18; Psalm 103:8.
[^jakobus-5-11-40]: Kanttekening 40: Grieks: is van vele ingewanden. Door de ingewanden wordt een inwendige beroering van het gemoed tot barmhartigheid verstaan. Zie Lucas 1:78; Filippenzen 2:1; Kolossenzen 3:12.
[^jakobus-5-12-41]: Kanttekening 41: Namelijk lichtvaardig, of uit mismoedigheid, zoals de mensen in tegenspoed dikwijls plegen. Zie ook Mattheüs 5:34 en 23:16,18. Want overigens is een wettig zweren bij de naam van God niet verboden. Hebreeën 6:16.
[^jakobus-5-12-h]: Verwijzing h: Mattheüs 5:34; 2 Korintiërs 1:17,18.
[^jakobus-5-12-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: niet bij enige schepselen, zoals velen gewend waren te doen, die meenden dat als zij de naam van God niet uitdrukkelijk noemden in hun woorden, zij die niet ontheiligden of lichtvaardig misbruikten — zoals ook de Farizeeën leerden. Zie Mattheüs 5:34 enz.
[^jakobus-5-12-43]: Kanttekening 43: Die lichtvaardig of bij enige andere schepselen zouden worden gedaan.
[^jakobus-5-12-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: de waarheid eenvoudigweg uitdrukken met 'ja', en evenzo als iets wordt ontkend, dat eenvoudigweg uitdrukken met 'nee', zonder enige eed daarbij te doen in uw gewone gesprekken of handelingen.
[^jakobus-5-12-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: straf, die God heeft gedreigd aan hen die zijn naam lichtvaardig misbruiken (Exodus 20:7). Zie over deze uitdrukking Mattheüs 23:14; Lucas 23:40; Romeinen 2:3 en 13:2; 1 Korintiërs 11:29; Jakobus 3:1.
[^jakobus-5-13-46]: Kanttekening 46: Namelijk van enig kwaad, zoals het Griekse woord meebrengt.
[^jakobus-5-13-i]: Verwijzing i: Efeziërs 5:19; Kolossenzen 3:16.
[^jakobus-5-14-47]: Kanttekening 47: Namelijk van lichamelijke ziekte.
[^jakobus-5-14-48]: Kanttekening 48: Namelijk die de gave hebben van genezing door wonderen, die destijds aan sommige leraars en ouderlingen werd gegeven. Zie 1 Korintiërs 12:9.
[^jakobus-5-14-49]: Kanttekening 49: Of: voor hem.
[^jakobus-5-14-50]: Kanttekening 50: Zo bad Elisa over de zoon van de weduwe (2 Koningen 4:33), Christus over Lazarus (Johannes 11:41) en Paulus over Eutychus (Handelingen 20:10). Namelijk dat God hem zijn zonden wil vergeven en zijn gezondheid wil herstellen.
[^jakobus-5-14-k]: Verwijzing k: Marcus 6:13.
[^jakobus-5-14-51]: Kanttekening 51: Namelijk naar het voorbeeld van de discipelen, die van Christus de gave van wonderbaarlijke genezing ontvangen hebbende, daartoe olie gebruikten (Marcus 6:13) — niet dat in olie enige verborgen kracht was om ziekten te genezen, maar zij gebruikten die als een buitengewoon teken waaruit bekend werd dat door hun dienst zulk een wonder van God geschiedde tot bevestiging van hun leer. Welke gave van wonderbaarlijke genezing, daar zij nu al vele honderd jaren is opgehouden als niet meer nodig zijnde — de evangelische leer is voldoende bevestigd door wonderen — zo wordt tevergeefs en spottend dit uiterlijke teken nog heden als een sacrament gebruikt.
[^jakobus-5-14-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de naam van de Heer aanroepend, die de Bewerker is van zulke wonderbaarlijke genezing.
[^jakobus-5-15-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: dat zowel door de ouderlingen als door de zieke uit waarachtig geloof tot de Heer wordt gedaan.
[^jakobus-5-15-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: zal de zieke verlossen van de lichamelijke ziekte, naar des Heren wil.
[^jakobus-5-15-55]: Kanttekening 55: Namelijk als de Bewerker van deze wonderbaarlijke genezing. Dit wordt er uitdrukkelijk bij gedaan opdat men niet zou menen dat de olie of het uitgesproken gebed zulke kracht op zichzelf zou hebben.
[^jakobus-5-15-56]: Kanttekening 56: Of: ophelpen. Namelijk uit zijn ziekte.
[^jakobus-5-15-57]: Kanttekening 57: Namelijk waarvoor God hem die ziekte zou kunnen hebben gezonden, zoals Johannes 5:14; 1 Korintiërs 11:30.
[^jakobus-5-15-58]: Kanttekening 58: Namelijk door de Heer, als men Hem daarvoor naar behoren bidt.
[^jakobus-5-16-59]: Kanttekening 59: De apostel wil hiermee niet leren dat de gelovigen al hun zonden moeten openbaren en belijden aan een kerkdienaar om van hem vrijspraak of vergiffenis te verkrijgen, zoals verkeerd wordt gemeend. Want hij spreekt hier uitdrukkelijk van een belijdenis die men aan elkaar moet doen — dat wil zeggen: de ene gelovige aan de andere, en ook onderling, naar gelang van de omstandigheden. En door de zonden worden verstaan ten eerste de zonden die de ene gelovige tegen de andere zou kunnen hebben gedaan, waardoor de liefde voor de naaste is verbroken en onvrede is ontstaan — waarvan de apostel wil dat wie tegen zijn naaste heeft misdaan, zijn schuld zal belijden of erkennen en met hem verzoening zoeken (zoals ook Christus leert in Mattheüs 5:23). Daarenboven: als iemand in een zonde is gevallen waarover hij zo bezwaard is dat hij zichzelf alleen niet goed kan troosten, laat hij die zonde dan openbaren aan een ander — hetzij kerkdienaar of enige andere goede vriend — om door die uit Gods woord te worden getroost en om hem te helpen bidden dat die zonde hem van God mag worden vergeven, zoals de volgende woorden meebrengen.
[^jakobus-5-16-60]: Kanttekening 60: Namelijk om vergiffenis van de zonden die men elkaar heeft beleden, en om de gezondheid van het lichaam wanneer iemand ziek is, zoals in het voorgaande vers.
[^jakobus-5-16-61]: Kanttekening 61: Namelijk naar lichaam en naar ziel.
[^jakobus-5-16-62]: Kanttekening 62: Dat wil zeggen: vurig en oprecht, of sterk aanhoudend.
[^jakobus-5-16-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: van een vroom gelovig mens.
[^jakobus-5-17-l]: Verwijzing l: 1 Koningen 17:1; Lucas 4:25.
[^jakobus-5-17-64]: Kanttekening 64: Of: lijden. Zie Handelingen 14:15. Dit wordt erbij gedaan opdat men niet zou menen dat Elia vanwege zijn grote ijver en godvrucht enige verdienste in het bidden bij God zou hebben gehad, omdat ook hij zijn zwakheden heeft gehad en alleen uit genade door God is verhoord.
[^jakobus-5-17-65]: Kanttekening 65: Of: bad met een gebed. Een Hebreeuwse uitdrukking waarbij de verdubbeling aangeeft dat hij zeer sterk bad.
[^jakobus-5-17-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: over het land van de Israëlieten. Want het was geen algemene droogte over de gehele wereld.
[^jakobus-5-18-m]: Verwijzing m: 1 Koningen 18:45.
[^jakobus-5-19-n]: Verwijzing n: Mattheüs 18:15.
[^jakobus-5-19-67]: Kanttekening 67: Namelijk van de evangelische leer, hetzij in inzicht, hetzij in wandel.
[^jakobus-5-19-68]: Kanttekening 68: Namelijk door onderrichting in de gezonde leer en ernstige vermaningen tot boetvaardigheid — welke middelen zijn waardoor God de mensen bekeert. En aan deze middelen wordt toegeschreven wat Gods eigen werk is, omdat Hij daardoor krachtig werkt.
[^jakobus-5-20-69]: Kanttekening 69: Namelijk van de dwalende. Judas vers 23.
[^jakobus-5-20-70]: Kanttekening 70: Namelijk van de eeuwige dood.
[^jakobus-5-20-71]: Kanttekening 71: Namelijk als instrument van deze behoudenis. Zie dergelijke uitdrukking in 1 Timotheüs 4:16.
[^jakobus-5-20-o]: Verwijzing o: Spreuken 10:12; 1 Petrus 4:8.
[^jakobus-5-20-72]: Kanttekening 72: Namelijk van de afgedwaalde.
[^jakobus-5-20-73]: Kanttekening 73: Dat wil zeggen: zal het daartoe brengen dat God de zonden van de afgedwaalde bedekt en hem niet toerekent; en ook dat zijn zonden bij de mensen in vergetelheid en vergiffenis zullen worden gehouden.

## 1 Petrus

### 1 Petrus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1petrus/1.json)

*1 Na het opschrift van de brief 3 dankt de apostel God dat Hij ons heeft wedergeboren tot een onvergankelijke erfenis, 5 en dat Hij ons door het geloof tot de zaligheid bewaart 6 en ons verheugt te midden van alle beproevingen. 8 Daarom hebben wij Hem ook met vreugde lief, hoewel wij Hem niet zien. 10 Verder getuigt hij dat de leer van deze genade niet nieuw is, en ook niet gering, maar dat de Geest van Christus die in de oude profeten al heeft voorzegd, 12 en dat de engelen verlangen daarin door te dringen. 13 Daarna komt hij tot verschillende vermaningen, en vooral tot een vaste hoop op deze genade, 14 tot heiligheid, 17 tot het verder afleggen van alle ijdele levenswandel waaruit wij door het bloed van Christus verlost zijn. 20 Hij leert dat God Christus tot dit middelaarsambt wel van eeuwigheid heeft uitverkoren, maar dat Hij nu geopenbaard is omwille van ons. 22 Daaruit leidt hij opnieuw een vermaning af tot onderlinge broederlijke liefde, 23 omdat wij door het onvergankelijke zaad van het Evangelie daartoe zijn wedergeboren.*

**1** [^1petrus-1-1-1] Petrus, een apostel van Jezus Christus,[^1petrus-1-1-2] aan de vreemdelingen,[^1petrus-1-1-a] verstrooid[^1petrus-1-1-3] in Pontus, Galatië, Kappadocië,[^1petrus-1-1-4] Azië en Bithynië, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v1)

**2** [^1petrus-1-2-5] De uitverkorenen[^1petrus-1-2-6] naar de voorkennis van God de[^1petrus-1-2-7] Vader, in de heiligmaking van de[^1petrus-1-2-8] Geest, tot gehoorzaamheid en[^1petrus-1-2-9][^1petrus-1-2-b] besprenging van het bloed van Jezus[^1petrus-1-2-c] Christus; genade en vrede zij u[^1petrus-1-2-10][^1petrus-1-2-d] vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v2)

**3** [^1petrus-1-3-11][^1petrus-1-3-e] Geloofd zij[^1petrus-1-3-12] de God en Vader van onze Heere Jezus[^1petrus-1-3-f] Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid[^1petrus-1-3-13] ons heeft wedergeboren, tot[^1petrus-1-3-14] een levende hoop,[^1petrus-1-3-15][^1petrus-1-3-g] door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v3)

**4** Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis,[^1petrus-1-4-h] die[^1petrus-1-4-16] in de hemelen bewaard is voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v4)

**5** Die in[^1petrus-1-5-17] de kracht van God[^1petrus-1-5-18] bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om[^1petrus-1-5-19] geopenbaard te worden[^1petrus-1-5-20] in de laatste tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v5)

**6** [^1petrus-1-6-21][^1petrus-1-6-i] In welke u zich[^1petrus-1-6-k] verheugt, nu een korte tijd[^1petrus-1-6-22] (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei[^1petrus-1-6-23] verzoekingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v6)

**7** [^1petrus-1-7-l] Opdat de beproeving van uw geloof,[^1petrus-1-7-24] die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt,[^1petrus-1-7-25] bevonden wordt te zijn[^1petrus-1-7-26] tot lof, en eer, en heerlijkheid,[^1petrus-1-7-27] in de openbaring van Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v7)

**8** [^1petrus-1-8-m] Die u[^1petrus-1-8-28] niet gezien hebt, en toch liefhebt, in Die u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende,[^1petrus-1-8-29] u verheugt met een[^1petrus-1-8-30] onuitsprekelijke en[^1petrus-1-8-31] heerlijke vreugde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v8)

**9** Verkrijgende[^1petrus-1-9-32] het einde van uw geloof, namelijk de zaligheid[^1petrus-1-9-33] van de zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v9)

**10** [^1petrus-1-10-34] Van welke zaligheid[^1petrus-1-10-35] ondervraagd en onderzocht hebben[^1petrus-1-10-n] de profeten, die geprofeteerd hebben[^1petrus-1-10-36] van de genade, aan u gebeurd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v10)

**11** [^1petrus-1-11-o] Onderzoekende, op welke of[^1petrus-1-11-37] wat voor tijd[^1petrus-1-11-38] de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde,[^1petrus-1-11-p] het lijden, dat op Christus komen zou, en de[^1petrus-1-11-39] heerlijkheid daarna volgende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v11)

**12** Die geopenbaard is,[^1petrus-1-12-40] dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben[^1petrus-1-12-q] door de Heilige Geest,[^1petrus-1-12-41] Die van de hemel gezonden is;[^1petrus-1-12-42][^1petrus-1-12-r] in welke dingen[^1petrus-1-12-43] de engelen begerig zijn in te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v12)

**13** [^1petrus-1-13-44][^1petrus-1-13-s] Daarom opschortende de middel van uw verstand,[^1petrus-1-13-45] en nuchter zijnde, hoopt[^1petrus-1-13-46] volkomen op de genade, die u[^1petrus-1-13-47] toegebracht wordt[^1petrus-1-13-48] in de openbaring van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v13)

**14** [^1petrus-1-14-49] Als gehoorzame kinderen, wordt niet[^1petrus-1-14-50] gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw[^1petrus-1-14-51] onwetendheid waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v14)

**15** Maar zoals Hij, Die u geroepen heeft, heilig is,[^1petrus-1-15-t] zo wordt ook u heilig in al uw wandel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v15)

**16** Daarom er geschreven is:[^1petrus-1-16-v] Wees heilig, want Ik ben heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v16)

**17** En als u[^1petrus-1-17-52] tot een Vader aanroept[^1petrus-1-17-53] Hem, Die zonder aanneming van de persoon[^1petrus-1-17-54][^1petrus-1-17-x] oordeelt naar het werk van ieder, zo wandelt in vrees de tijd[^1petrus-1-17-55] van uw inwoning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v17)

**18** [^1petrus-1-18-y] Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die[^1petrus-1-18-56] u van de vaders overgeleverd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v18)

**19** Maar[^1petrus-1-19-z] door het dierbaar bloed van[^1petrus-1-19-57] Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v19)

**20** Die wel[^1petrus-1-20-58][^1petrus-1-20-a] voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld,[^1petrus-1-20-59] maar geopenbaard is in deze laatste tijden[^1petrus-1-20-60] om uwentwil, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v20)

**21** Die door[^1petrus-1-21-61] Hem gelooft in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden,[^1petrus-1-21-b] en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v21)

**22** Hebbende dan uw zielen gereinigd[^1petrus-1-22-62] in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest,[^1petrus-1-22-c] tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar[^1petrus-1-22-63] vurig lief uit een[^1petrus-1-22-64] rein hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v22)

**23** U, die wedergeboren[^1petrus-1-23-d] bent,[^1petrus-1-23-65] niet uit vergankelijk, maar[^1petrus-1-23-66] uit[^1petrus-1-23-e] onvergankelijk[^1petrus-1-23-67] zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v23)

**24** [^1petrus-1-24-f] Want[^1petrus-1-24-68] alle vlees[^1petrus-1-24-69] is als gras, en[^1petrus-1-24-70] alle heerlijkheid van de mensen[^1petrus-1-24-71] is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v24)

**25** [^1petrus-1-25-72] Maar het Woord van de[^1petrus-1-25-73] Heere blijft in eeuwigheid; en[^1petrus-1-25-74] dit is het Woord, dat onder u verkondigd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/1.html#v25)

[^1petrus-1-1-1]: Kanttekening 1: De eigen naam van de apostel was Simon of Simeon, Joh. 21:2; 2 Petr. 1:1. Maar de naam van Petrus of in het Syrisch Cephas, Joh. 1:43; 1 Kor. 1:12, heeft hij van Christus ontvangen, toen Hij hem tot het apostelschap heeft geroepen, gelijk blijkt uit Mark. 3:16; Luk. 6:14; zie de reden hiervan in de aantekeningen Matt. 16:18. Johannes 21:2: Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeüs, en twee andere van Zijn discipelen. 2 Petrus 1:1: Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus; Johannes 1:43: En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genaamd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus. 1 Korinthiërs 1:12: En dit zeg ik, dat iedereen van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. Marcus 3:16: En Simon gaf Hij de toe naam Petrus; Lukas 6:14: Namelijk Simon, welke Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs; Mattheüs 16:18: En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
[^1petrus-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 de vreemdelingen: Grieks van de verstrooiing Sommigen verstaan hier door degenen die, omdat zij het geloof in Christus beleden, uit het Joodse land door de ongelovige Joden verdreven waren, gelijk Hand. 8:4, en Hand. 11:19 vermelden. Maar het schijnt niet, dat deze verdreven Christenen in zo korte tijd naar landen zo ver van Juda gelegen vertrokken zijn, maar dat die veeleer in de rondom Judea gelegen landen gebleven zijn. Daarom is het gevoelen van degenen geloofelijker, die hierdoor verstaan de Joden, die in die landen van Azië lang tevoren verstrooid geweest waren, door de wegvoering van de Assyriërs en door de vervolging onder Antiochius tevoren geschied, gelijk het Griekse woord parepidemois (παρεπιδήμοις) medebrengt; die wel vreemdelingen waren, maar onder dezelfde volken woonden, gelijk ook het Griekse woord diaspora; dat is, verstrooiing, zo gebruikt wordt Joh. 7:35, waaruit ook velen op de Pinksterdag te Jeruzalem gekomen zijnde, door de prediking van Petrus en andere apostelen bekeerd zijn, Hand. 2:10; die daarna te huis zijn gekeerd en het geloof hebben verbreid, hoewel niet zonder grote zwarigheid van de andere hardnekkige Joden; en dit gevoelen wordt ook bevestigd met de titel, die Jakobus in zijn zendbrief deze Joden geeft, als hij hun noemt de verstrooiden uit de twaalf stammen, aan welke hij zijn zendbrief schrijft. Zie Jak. 1:1. Tot hun versterking heeft dan Petrus, gelijk ook Jakobus, zijn zendbrief geschreven. Handelingen 8:4: Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord. Handelingen 11:19: Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. Johannes 7:35: De Joden dan zeiden tot elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren? Handelingen 2:10: En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
[^1petrus-1-1-a]: Verwijzing a: Jak. 1:1. Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
[^1petrus-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 in Pontus: Deze waren alle provinciën in Azië gelegen, waarin vele Joden tevoren hun woning hadden genomen, gelijk Hand. 2:9, 2:10, en uit de reizen van Paulus ook ten dele te zien is. Handelingen 2:9: Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. Handelingen 2:10: En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten;
[^1petrus-1-1-4]: Kanttekening 4: Dit was een deel van Azië, genoemd klein Azië, waarvan Efeze de hoofdstad was. Zie Hand. 2:9. Handelingen 2:9: Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië.
[^1petrus-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 De uitverkorenen: Hierdoor wordt niet eigenlijk de eeuwige verkiezing, \[die door de volgende titel verstaan wordt\] betekend, maar de verkiezing in de tijd uit de algemene hoop van de mensen en in het bijzonder van de Joden; welke verkiezing in de Schrift anders ook de roeping, of de roeping naar Gods voornemen genoemd wordt. Zie Joh. 15:19; Rom. 8:28; 1 Kor. 1:26. Johannes 15:19: Als u van de wereld was, zo zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Romeinen 8:28: En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. 1 Korinthiërs 1:26: Want u ziet uw roeping, broeders, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
[^1petrus-1-2-6]: Kanttekening 6: 6 naar de voorkennis: Dat is, naar het eeuwig besluit of voornemen. Zie Rom. 8:29, en vers 20. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. 1 Petrus 1:20: Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,
[^1petrus-1-2-7]: Kanttekening 7: 7 in de heiligmaking: Of door. Want deze verkiezing of roeping bestaat in de heiligmaking van de Geest, en geschiedt door de Heilige Geest, daar de werking van de Heilige Geest alleen ons afzondert van de gemene hoop van de verdorvene mensen.
[^1petrus-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 tot gehoorzaamheid: Namelijk van het geloof. Want door het geloof gehoorzamen wij het Evangelie van Christus. Zie hierna vers 22, en Rom. 1:5. 1 Petrus 1:22: Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart; Romeinen 1:5: (Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam;
[^1petrus-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 besprenging van de: Dat is, verzoening met God door het bloed van Christus, die wij met het geloof aannemen en waarvan de besprenging met het bloed van de offeranden in het Oude Testament een voorbeeld was. Zie Hebr. 9:18, enz. Zo worden hier dan in het kort verhaald al de voornaamste oorzaken onzer zaligheid. Hebreeën 9:18: Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.
[^1petrus-1-2-b]: Verwijzing b: Hebr. 12:24. Hebreeën 12:24: En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.
[^1petrus-1-2-c]: Verwijzing c: Rom. 1:7; 1 Kor. 1:3; Galat. 1:3; Efez. 1:2. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Korinthiërs 1:3: Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heer Jezus Christus. Galaten 1:3: Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heer Jezus Christus; Efeziërs 1:2: Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^1petrus-1-2-10]: Kanttekening 10: Dit zegt de apostel omdat zij reeds de beginselen van deze genade en vrede hadden ontvangen.
[^1petrus-1-2-d]: Verwijzing d: 2 Petr. 1:2; Judas v. 2. 2 Petrus 1:2: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onze Heer; Judas 1:2: Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
[^1petrus-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 Geloofd zij: Grieks gezegend; gelijk Ef. 1:3. Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.
[^1petrus-1-3-e]: Verwijzing e: 2 Kor. 1:3; Efez. 1:3. 2 Korinthiërs 1:3: Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God aller vertroosting; Efeziërs 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.
[^1petrus-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 de God en Vader: Zie hiervan 1 Kor. 15:24. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^1petrus-1-3-f]: Verwijzing f: Rom. 6:23; Jak. 1:18. Romeinen 6:23: Want de bezoldiging van de zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer. Jakobus 1:18: Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen.
[^1petrus-1-3-13]: Kanttekening 13: 13 ons heeft wedergeboren: Dat is, door zijn Geest vernieuwd of van de verdorvenheid onzer eerste geboorte en van de heerschappij van de inwonende zonde verlost. Zie Joh. 3:5, 3:6; Rom. 6:11, enz. Johannes 3:5: Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan. Johannes 3:6: Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Romeinen 6:11: Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer.
[^1petrus-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 een levende hoop: Dat is, een hoop van het eeuwige leven of ene levendmakende hoop, een hoop die in ons wakker en vast is en alle zwarigheden overwint, waaronder ook het geloof, waaruit deze hoop ontstaat, wordt begrepen.
[^1petrus-1-3-15]: Kanttekening 15: 15 door de opstanding: De apostel schrijft hier onze wedergeboorte aan de opstanding van Christus toe, niet om Zijn dood uit te sluiten, want daardoor zijn wij met God verzoend, en door de kracht van deze dood is onze oude mens ook gedood; maar omdat deze verzoening ons door Christus' opstanding wordt toegeëigend, en de nieuwe mens in ons wordt verwekt, gelijk Paulus Rom. 6:4, en vervolgens breder verklaart. Zie ook de aantekeningen op Rom. 4:25. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. Romeinen 4:25: Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
[^1petrus-1-3-g]: Verwijzing g: 1 Kor. 15:20. 1 Korinthiërs 15:20: Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden van degenen, die ontslapen zijn.
[^1petrus-1-4-h]: Verwijzing h: Kolos. 1:5; 2 Tim. 1:12. Kolossensen 1:5: Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke u te voren gehoord hebt, door het Woord van de waarheid, namelijk van het Evangelie; 2 Timotheüs 1:12: Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag.
[^1petrus-1-4-16]: Kanttekening 16: 16 in de hemelen: Dit zegt de apostel, omdat vele Joden een aards koninkrijk onder de Messias verwachten.
[^1petrus-1-5-17]: Kanttekening 17: 17 in de kracht van God: Of door.
[^1petrus-1-5-18]: Kanttekening 18: 18 bewaard wordt door: Het Griekse woord betekent een bewaring, die door uitgezette wachten geschiedt. Zo is dan de kracht van God gelijk een wacht en sterkte, waarmee wij tegen onze geestelijke vijanden rondom bezet zijn. Zie Ps. 34:7, 34:8, en Ps. 91:1, 91:2; Joh. 10:28, 10:29. Psalmen 34:7: Zain. Deze ellendige riep, en YHWH hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. Psalmen 34:8: Cheth. De Engel van YHWH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Psalmen 91:2: Ik zal tot YHWH zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welke ik vertrouw! Johannes 10:28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal deze uit Mijn hand rukken. Johannes 10:29: Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader.
[^1petrus-1-5-19]: Kanttekening 19: 19 geopenbaard te: Dat is, u in het openbaar gegeven en medegedeeld. Zie 1 Joh. 3:2. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^1petrus-1-5-20]: Kanttekening 20: 20 in de laatste tijd: Dat is, in de uiterste dag, als Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden.
[^1petrus-1-6-21]: Kanttekening 21: 21 In welke u zich: Namelijk God. Of in welke; namelijk zaak.
[^1petrus-1-6-i]: Verwijzing i: Rom. 5:3; Jak. 1:2. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt;
[^1petrus-1-6-k]: Verwijzing k: Hebr. 10:37; 1 Petr. 5:10. Hebreeën 10:37: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. 1 Petrus 5:10: De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke, en fondere u.
[^1petrus-1-6-22]: Kanttekening 22: 22 (zo het nodig is: Dat is, zo het Gods wil is, die wij ons graag moeten onderwerpen; en zo zulks dienstig is tot onze zaligheid; 1 Kor. 11:32. 1 Korinthiërs 11:32: Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heer getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
[^1petrus-1-6-23]: Kanttekening 23: Dat is, verdrukkingen of vervolgingen, gelijk Jak. 1:2. Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt;
[^1petrus-1-7-l]: Verwijzing l: Jes. 48:10; 1 Kor. 3:13; Jak. 1:3; 1 Petr. 4:12. Jesaja 48:10: Ziet, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. 1 Korinthiërs 3:13: Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, omdat het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig van een ieder werk is, zal het vuur beproeven. Jakobus 1:3: Wetende, dat de beproeving uws geloofs volharding werkt. 1 Petrus 4:12: Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame;
[^1petrus-1-7-24]: Kanttekening 24: 24 die veel kostelijker: Dat is, van meerdere kracht en waarde dan de beproeving van het goud door het vuur. Zie Job 23:10; Jak. 1:3. Job 23:10: Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. Jakobus 1:3: Wetende, dat de beproeving uws geloofs volharding werkt.
[^1petrus-1-7-25]: Kanttekening 25: 25 bevonden worde: Namelijk als u daardoor beproefd en standvastig in het geloof gebleven bent, niettegenstaande alle bezoekingen; zie Matt. 24:13. Mattheüs 24:13: Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
[^1petrus-1-7-26]: Kanttekening 26: 26 tot lof, en eer: Namelijk in de hemel voor God, gelijk Rom. 2:7; en dit wordt gesteld tegen smaad en oneer, die de wereldse mensen menen dat zij de gelovigen door de vervolging aandoen. Romeinen 2:7: Degenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;
[^1petrus-1-7-27]: Kanttekening 27: 27 in de openbaring: Zie hiervoor vers 5. 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^1petrus-1-8-m]: Verwijzing m: Joh. 20:29. Johannes 20:29: Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
[^1petrus-1-8-28]: Kanttekening 28: 28 niet gezien hebt: Anderen lezen niet gekend hebt; namelijk naar het vlees. Dat ook voor een teken van de vrucht van het ware geloof gesteld wordt; Joh. 20:29; 1 Joh. 4:20. Johannes 20:29: Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben. 1 Johannes 4:20: Als iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft?
[^1petrus-1-8-29]: Kanttekening 29: 29 u verheugt met een: De gelovigen bedroeven zich ook in de verdrukkingen, gelijk vers 6 gezegd is, omdat zij niet ongevoelig zijn in de kastijdingen; maar verheugen zich in de troost van de Geest, die zij daardoor gevoelen, Rom. 5:3, 5:4, en in het overdenken van de blijde uitkomst derzelve. Zie Hebr. 12:11. 1 Petrus 1:6: In welke u zich verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Romeinen 5:4: En de volharding bevinding, en de bevinding hoop; Hebreeën 12:11: En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid aan degenen, die door haar geoefend zijn.
[^1petrus-1-8-30]: Kanttekening 30: 30 onuitsprekelijke en: Dat is, die van de gelovigen door de werking van de Heilige Geest, zelfs in het midden van de verdrukkingen beter gevoeld dan met de mond voor anderen kan uitgesproken worden. Zie Joh. 14:17; Filipp. 4:4. Johannes 14:17: Namelijk de Geest van de waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar u kent Hem; want Hij blijft bij u, en zal in u zijn. Filippensen 4:4: Verblijdt u in de Heer altijd; opnieuw zeg ik: Verblijdt u.
[^1petrus-1-8-31]: Kanttekening 31: 31 heerlijke vreugde: Grieks verheerlijkte vreugde; dat is, die in dit leven uit goede en heerlijke oorzaken spruit en in het toekomende met de eeuwige heerlijkheid zal gemengd zijn. En deze eigenschap wordt hier gesteld tegen de wereldse vreugde, die dikwijls met oneer gemengd is en gewoonlijk tot schande uitvalt; Filipp. 3:19. Filippensen 3:19: Van wie het einde is het verderf, van wie de God is de buik, en van wie de heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken.
[^1petrus-1-9-32]: Kanttekening 32: 32 het einde uws: Of het loon van uw geloof; zo genoemd, omdat dat op het einde van de arbeid ons uit genade zal worden gegeven. Zie hiervan in de gelijkenis Matt. 20:1, enz. Mattheüs 20:1: Want het Koninkrijk van de hemelen is gelijk een heer van het huis, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.
[^1petrus-1-9-33]: Kanttekening 33: 33 van de zielen: Hoewel deze zaligheid, die wij door Christus verwerven, de hele mens toekomt, zo wordt zij nochtans van de zielen genoemd, omdat in dit leven en na dit leven deze zaligheid in de ziel begint, die na de opstanding van de doden ook het lichaam zal gemeen gemaakt worden; Filipp. 3:20, 3:21. Filippensen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; Filippensen 3:21: Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^1petrus-1-10-34]: Kanttekening 34: 34 Van welke zaligheid: Namelijk ons door Christus verworven, om hier en hiernamaals te genieten; zie Hand. 3:24, en Hand. 10:43, enz. Handelingen 3:24: En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. Handelingen 10:43: Deze geven getuigenis al de profeten, dat iedereen, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam.
[^1petrus-1-10-35]: Kanttekening 35: 35 ondervraagd en: Want de profeten, door Gods Geest daarvan onderricht zijnde, hebben altijd meer en meer daarvan gepoogd te weten; zie hiervan voorbeelden Jes. 63:1, enz.; Dan. 9:24, enz.; Luk. 10:24. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Lukas 10:24: Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat u ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat u hoort, en hebben het niet gehoord.
[^1petrus-1-10-n]: Verwijzing n: Gen. 49:10; Dan. 2:44; Hagg. 2:8; Zach. 6:12. Genesis 49:10: De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn. Daniël 2:44: Maar in de dagen van die koningen zal de God van het hemel een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt YHWH van de heirscharen. Zacharia 6:12: En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt YHWH van de heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal van YHWH tempel bouwen.
[^1petrus-1-10-36]: Kanttekening 36: 36 van de genade: Zo noemt de apostel de vervulling van de beloften, die in het Evangelie geschied is, gesteld tegen de blote voorbeelden en voorzeggingen van deze genade; zie Joh. 1:17. Johannes 1:17: Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
[^1petrus-1-11-o]: Verwijzing o: Dan. 9:24. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^1petrus-1-11-37]: Kanttekening 37: 37 hoedanigen tijd: Dat is, niet alleen de genade zelf is van hen onderzocht maar ook de tijd, wanneer die over het huis van Israël zou komen; zie Gen. 49:10; Jes. 11:1; Dan. 9:24. Genesis 49:10: De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Die zullen de volken gehoorzaam zijn. Jesaja 11:1: Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. Daniël 9:24: Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven.
[^1petrus-1-11-38]: Kanttekening 38: 38 de Geest van: Dat is, de Heilige Geest, door wie de heilige mannen van God gedreven zijn geweest en gesproken hebben, 2 Petr. 1:21; welke hier Christus' Geest genoemd wordt, omdat Hij van Christus voortkomt, en Hij Hem van de Vader, niet alleen tot de apostelen, maar ook tot de profeten heeft gezonden. Zie Joh. 12:41, en Joh. 15:26, vergeleken met Hand. 28:25; waarom Hij ook de Geest van de Zoon genoemd wordt; Gal. 4:6. 2 Petrus 1:21: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Johannes 12:41: Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. Johannes 15:26: Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. Handelingen 28:25: En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen, Galaten 4:6: En omdat u kinderen bent, zo heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
[^1petrus-1-11-p]: Verwijzing p: Ps. 22:7; Jes. 53:3. Psalmen 22:7: Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. Jesaja 53:3: Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en een iedereen was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
[^1petrus-1-11-39]: Kanttekening 39: 39 heerlijkheid daarna: Grieks de heerlijkheden.
[^1petrus-1-12-40]: Kanttekening 40: 40 dat zij niet zichzelven: De apostel spreekt hier van de zaak zelf, namelijk van Christus' komst in het vlees, Zijn lijden en Zijn heerlijkheid, gelijk in vers 11 is uitgedrukt, niet van de vruchten en werkingen derzelve in ons, die de gelovigen van het Oude Testament zowel als wij hebben ontvangen, gelijk hiervoor meermalen in aangewezen. 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^1petrus-1-12-q]: Verwijzing q: Hand. 2:4. Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
[^1petrus-1-12-41]: Kanttekening 41: 41 Die van de hemel: Namelijk op de Pinksterdag naar de profetie van Joël; Joël 2:28; Hand. 2:4, 2:16, 2:17. Joël 2:28: En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Handelingen 2:4: En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. Handelingen 2:16: Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël: Handelingen 2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
[^1petrus-1-12-42]: Kanttekening 42: 42 in welke dingen: Namelijk waarvan hij in vers 12 en in vers 11 heeft gesproken. 1 Petrus 1:12: Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. 1 Petrus 1:11: Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
[^1petrus-1-12-r]: Verwijzing r: Efez. 3:10. Efeziërs 3:10: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God;
[^1petrus-1-12-43]: Kanttekening 43: 43 de engelen: Namelijk vanwege de verwondering en het vermaak, dat zij hebben in het erkennen van Gods veelvoudige wijsheid, die Hij gebruikt in het werk onzer verlossing en in de uitdeling van Zijn genade over de gemeente, gelijk Paulus verklaart Ef. 3:10; en de apostel schijnt hier te zien op het voorbeeld van de ark van het verbond, waarover twee cherubijnen met uitgestrekte vleugels en gebogen hoofden naar de genadestoel of het verzoendeksel gedurig zagen. Zie Ex. 25:20; Hebr. 9:5. Efeziërs 3:10: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; Exodus 25:20: En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. Hebreeën 9:5: En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.
[^1petrus-1-13-44]: Kanttekening 44: 44 Daarom opschortende: Omdat de apostel vers 4, gezegd had, dat deze hoop in de hemel wordt bewaard, zo komt hij in dit andere deel van deze zendbrief, en vermaant hen, dat zij dan zullen pogen daartoe te komen door de voorgestelde weg, en alle hindernissen of belemmeringen, die hun in hun verstand zouden mogen voorkomen, op te schorten en van zich te weren, gelijk de mensen van die tijd hun lange kleren met gordels aan hun lenden opschortten, om te vaardiger hun weg te gaan. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^1petrus-1-13-s]: Verwijzing s: Lukas 12:35; Efez. 6:14. Lukas 12:35: Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. Efeziërs 6:14: Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid;
[^1petrus-1-13-45]: Kanttekening 45: 45 nuchter zijnde: Dit doet de apostel daarbij, gelijk ook Christus, Luk. 21:34, omdat een mens, die met voedsel en drank overladen is, even onbekwaam is om geestelijke dingen te betrachten als om zijn weg snel te vervolgen. Zie ook 1 Thess. 5:6. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. 1 Thessalonicensen 5:6: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn.
[^1petrus-1-13-46]: Kanttekening 46: 46 volkomenlijk op: Dat is, vast en oprecht.
[^1petrus-1-13-47]: Kanttekening 47: 47 toegebracht wordt: Grieks die u gebracht; dat is, toegebracht, of aangeboden wordt.
[^1petrus-1-13-48]: Kanttekening 48: 48 in de openbaring: Namelijk ten uitersten dage, gelijk hiervoor vers 7. Anderen verstaan het van de genade, die ons door het Evangelie nu geopenbaard en aangeboden wordt. 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^1petrus-1-14-49]: Kanttekening 49: 49 Als gehoorzame kinderen: Namelijk van God. Grieks als kinderen van de gehoorzaamheid.
[^1petrus-1-14-50]: Kanttekening 50: 50 gelijkvormig aan: Dat is, wandelt niet gelijk u tevoren deedt, toen u zich gelijkvormig maakte aan de begeerlijkheden, die in uwe onwetendheid waren. Zie dergelijke Rom. 12:2; Ef. 2:3. Romeinen 12:2: En wordt deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. Efeziërs 2:3: Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen;
[^1petrus-1-14-51]: Kanttekening 51: 51 onwetendheid waren: Dat is, Joodse en wereldse blindheid voor uw bekering tot Christus.
[^1petrus-1-15-t]: Verwijzing t: Lukas 1:75. Lukas 1:75: In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.
[^1petrus-1-16-v]: Verwijzing v: Lev. 11:44; idem 11:45; Lev. 19:2; Lev. 20:7. Leviticus 11:44: Want Ik ben YHWH, uw God; daarom zult u u heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert. Leviticus 11:45: Want Ik ben YHWH, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat u heilig bent, omdat Ik heilig ben. Leviticus 19:2: Spreek tot de gehele vergadering van de kinderen van Israël, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, YHWH, uw God, ben heilig! Leviticus 20:7: Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben YHWH, uw God!
[^1petrus-1-17-52]: Kanttekening 52: 52 tot enen Vader: Namelijk als oprechte kinderen. Zie Jak. 2:7. Jakobus 2:7: Lasteren zij niet de goede naam, die over u geroepen is?
[^1petrus-1-17-53]: Kanttekening 53: Dat is God de opperste rechter.
[^1petrus-1-17-54]: Kanttekening 54: 54 aanneming van de persoon: Grieks aanneming van het aangezicht; waarvan zie de aantekeningen Hand. 10:34. Handelingen 10:34: En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is;
[^1petrus-1-17-x]: Verwijzing x: Deut. 10:17; 2 Kron. 19:7; Job 34:19; Hand. 10:34; Rom. 2:11; Galat. 2:6; Efez. 6:9; Kolos. 3:25. Deuteronomium 10:17: Want YHWH, uw God, is een God van de goden, en een Heer van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 2 Kronieken 19:7: Nu dan, de verschrikking van YHWH zij op u; neemt waar, en doet het; want bij YHWH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. Job 34:19: Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen Zijn handen werk. Handelingen 10:34: En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in van de waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; Romeinen 2:11: Want er is geen aanneming van de persoon bij God. Galaten 2:6: En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. Efeziërs 6:9: En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. Kolossensen 3:25: Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon.
[^1petrus-1-17-55]: Kanttekening 55: 55 uw inwoning: Het Griekse woord Paroikia (παροικίας) betekent een inwoning voor een tijd in een plaats die ons vaderland niet is, gelijk te zien is Luk. 24:18, Hebr. 11:9; onze inwoning die hier is in het lichaam op de aarde, buiten de hemel, die eigenlijk ons vaderland is. Zie 2 Kor. 5:1, 5:6. Lukas 24:18: En de één, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zei tot Hem: Zijt U alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? Hebreeën 11:9: Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren van dezelfde belofte. 2 Korinthiërs 5:1: Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Korinthiërs 5:6: Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heer;
[^1petrus-1-18-y]: Verwijzing y: 1 Kor. 6:20; 1 Kor. 7:23. 1 Korinthiërs 6:20: Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn. 1 Korinthiërs 7:23: U bent duur gekocht, wordt geen dienaren van de mensen.
[^1petrus-1-18-56]: Kanttekening 56: 56 van de vaderen: Hij spreekt ten dele van de kwade voorbeelden van velen van hun voorvaderen, gelijk Ez. 20:18; Hand. 7:51; ten dele van vele ijdele en Farizese overleveringen, waarnaar zij zich meer voegden dan naar Gods geboden, gelijk doorgaans in het Evangelie te zien is. Ezechiël 20:18: Maar Ik zei tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen van uw vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun drekgoden. Handelingen 7:51: U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, zo ook u.
[^1petrus-1-19-z]: Verwijzing z: Hand. 20:28; Hebr. 9:12; Openb. 1:5. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Hebreeën 9:12: Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Openbaring 1:5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.
[^1petrus-1-19-57]: Kanttekening 57: 57 een onbestraffelijk en onbevlekt Lam: Dat is, als die is een onbestraffelijk en onbevlekt lam; een sacramentele wijze van spreken, waardoor wat van het paaslam gezegd was op Christus wordt geduid, omdat het paaslam een voorbeeld van Christus was, 1 Kor. 5:7; gelijk ook de andere lammeren, die tot dagelijkse zoenoffers zonder vlek moesten gekozen worden. Zie Num. 28:3; Joh. 1:29. 1 Korinthiërs 5:7: Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Numeri 28:3: En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u YHWH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren van de dag, tot een gedurig brandoffer. Johannes 1:29: Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!
[^1petrus-1-20-58]: Kanttekening 58: 58 voorgekend is: Dat is, tevoren verordineerd, namelijk tot een Middelaar en verzoening voor onze zonden. Zie ook van dit woord Rom. 8:29, en Rom. 11:2, en hiervoor vers 2. Romeinen 8:29: Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. Romeinen 11:2: God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet u niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^1petrus-1-20-a]: Verwijzing a: Rom. 16:25; Efez. 1:9; Efez. 3:9; Kolos. 1:26; 2 Tim. 1:9; Titus 1:2. Romeinen 16:25: Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; Efeziërs 1:9: Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelven. Efeziërs 3:9: En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap van de verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; Kolossensen 1:26: Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 2 Timotheüs 1:9: Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; Titus 1:2: In de hoop van de eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd;
[^1petrus-1-20-59]: Kanttekening 59: 59 geopenbaard is: Namelijk in het vlees; 1 Tim. 3:16. 1 Timotheüs 3:16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
[^1petrus-1-20-60]: Kanttekening 60: 60 om uwentwil: Dat is, omwille van uw zaligheid. Zie hiervan Hebr. 11:40, en de aantekeningen daar. Hebreeën 11:40: Zo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.
[^1petrus-1-21-61]: Kanttekening 61: 61 door Hem gelooft: Namelijk Christus. Want wij kunnen geen vertrouwen op God hebben, dan door het geloof in Christus, die alleen onze Middelaar en de weg is tot de Vader; Joh. 14:6. Johannes 14:6: Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.
[^1petrus-1-21-b]: Verwijzing b: Hand. 2:33; Filip. 2:9. Handelingen 2:33: Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort. Filippensen 2:9: Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^1petrus-1-22-62]: Kanttekening 62: 62 in de gehoorzaamheid: Dat is, door het geloof, dat door het gehoor van het Evangelie en door de Heilige Geest in u is gewrocht. Zie Hand. 15:9. Handelingen 15:9: En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
[^1petrus-1-22-c]: Verwijzing c: Rom. 12:10; Efez. 4:3; Hebr. 13:1; 1 Petr. 2:17. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. Efeziërs 4:3: U benaarstigende te behouden de enigheid van de Geest door de band van de vrede. Hebreeën 13:1: Dat de broederlijke liefde blijve. 1 Petrus 2:17: Eert een iedereen; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning.
[^1petrus-1-22-63]: Kanttekening 63: 63 vuriglijk lief: Grieks uitstrekkelijk; dat is, met een uitgestrekte of uitgespannen liefde.
[^1petrus-1-22-64]: Kanttekening 64: 64 rein hart: Dat is, oprecht, ongeveinsd.
[^1petrus-1-23-d]: Verwijzing d: Jak. 1:18. Jakobus 1:18: Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijn schepselen.
[^1petrus-1-23-65]: Kanttekening 65: 65 niet uit vergankelijk: Namelijk gelijk uw eerste geboorte is geweest. Want al wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; Joh. 3:6. Johannes 3:6: Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest.
[^1petrus-1-23-66]: Kanttekening 66: 66 onvergankelijk zaad: Zo wordt het woord van het Evangelie genoemd, omdat het met de onberouwelijke werking van de Heilige Geest gevoegd is, en dat de wedergeboorte, die daardoor in ons teweeg wordt gebracht, onvergankelijk is. Zie Rom. 11:29: Filipp. 1:6; 1 Joh. 5:4, 5:18, enz. Romeinen 11:29: Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk. Filippensen 1:6: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus; 1 Johannes 5:4: Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5:18: Wij weten, dat een iedereen, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
[^1petrus-1-23-e]: Verwijzing e: 1 Joh. 3:9. 1 Johannes 3:9: Een iedereen, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
[^1petrus-1-23-67]: Kanttekening 67: 67 door het levende: Of door het Woord van God, die daar leeft, en in eeuwigheid blijft.
[^1petrus-1-24-f]: Verwijzing f: Jes. 40:6; 1 Kor. 7:31; Jak. 1:10; Jak. 4:14; 1 Joh. 2:17. Jesaja 40:6: Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. 1 Korinthiërs 7:31: En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Jakobus 1:10: En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. Jakobus 4:14: U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. 1 Johannes 2:17: En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in eeuwigheid.
[^1petrus-1-24-68]: Kanttekening 68: 68 alle vlees: Dat is, alle mensen uit vlees geboren; of alle natuurlijke mensen.
[^1petrus-1-24-69]: Kanttekening 69: 69 is als gras: Dat is, verwelkt of vergaat als gras.
[^1petrus-1-24-70]: Kanttekening 70: 70 alle heerlijkheid: Bij Jes. 40:6, waaruit deze plaats gehaald wordt, staat: al de goedertierenheid van de mensen; dat is, al de heerlijkheid, waarmee God de natuurlijke mens uit zijn goedertierenheid nog versiert, namelijk in zaken de wereldse wijsheid en eer aangaande. Jesaja 40:6: Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld.
[^1petrus-1-24-71]: Kanttekening 71: 71 is als een bloem: Namelijk die wel een korte tijd schoon staat maar haast verdwijnt, gelijk meteen wordt verklaard.
[^1petrus-1-25-72]: Kanttekening 72: 72 Maar het Woord: Namelijk van het Evangelie, waarvan Jesaja in die plaats profeteert.
[^1petrus-1-25-73]: Kanttekening 73: 73 blijft in: Namelijk ten opzichte van zijn vernieuwende, wederbarende en zaligmakende kracht, gelijk hiervoor vers 23 is aangetekend. Zie ook Joh. 3:6; Jak. 1:21. 1 Petrus 1:23: U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Johannes 3:6: Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Jakobus 1:21: Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken.
[^1petrus-1-25-74]: Kanttekening 74: 74 dit is het Woord: Namelijk van het Evangelie. Zie 2 Kor. 3:6, enz. 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.

### 1 Petrus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1petrus/2.json)

*1 De apostel vermaant hen verder tot het afleggen van verschillende ondeugden, 2 en tot een verlangen naar de onvervalste melk van Gods Woord, om in het goede op te groeien 3 en om Gods goedheid te smaken. 4 Daarna vermaant hij hen dat zij als levende stenen in Christus opgebouwd worden tot een geestelijk huis en priesterschap, 6 aangezien Christus door God tot een hoeksteen is gesteld, kostbaar voor de gelovigen, maar een struikelblok voor de ongehoorzamen. 9 Hij getuigt dat zij nu dit uitverkoren geslacht en volk van God zijn, over wie Hij zich ontfermt. 11 Daarom vermaant hij hen tot een heilige levenswandel, zodat zij God daardoor verheerlijken, 13 en hij vermaant hen verder tot gehoorzaamheid aan hun overheden, hoog en laag, 18 en de dienstknechten aan hun heren, zelfs de harde. 21 Daartoe houdt hij hun het lijden van Christus en zijn verdraagzaamheid voor ogen, 24 en troost hen met de vruchten van dat lijden, als een oorzaak van hun bekering.*

**1** [^1petrus-2-1-1] Zo[^1petrus-2-1-a] legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en huichelarij, en afgunst, en alle roddel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v1)

**2** En,[^1petrus-2-2-2] als nieuwgeboren kinderen,[^1petrus-2-2-3] wees zeer begerig naar[^1petrus-2-2-4] de redelijke[^1petrus-2-2-5] onvervalste melk, opdat u daardoor mag opgroeien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v2)

**3** Als u anders[^1petrus-2-3-6][^1petrus-2-3-b] gesmaakt hebt, dat[^1petrus-2-3-7] de Heere goedertieren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v3)

**4** [^1petrus-2-4-8][^1petrus-2-4-c] Tot Welken komende, als[^1petrus-2-4-9] tot een levende Steen,[^1petrus-2-4-10] van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v4)

**5** Zo wordt u ook zelf,[^1petrus-2-5-11] als levende stenen,[^1petrus-2-5-12] gebouwd[^1petrus-2-5-d] tot een geestelijk huis,[^1petrus-2-5-e] tot een heilig priesterdom,[^1petrus-2-5-13] om[^1petrus-2-5-f] geestelijke offergaven op te offeren, die voor God aangenaam zijn[^1petrus-2-5-14] door Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v5)

**6** [^1petrus-2-6-15] Daarom is ook vervat in de Schrift:[^1petrus-2-6-g] Zie, Ik leg in Sion[^1petrus-2-6-16] een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal[^1petrus-2-6-17] niet beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v6)

**7** U dan, die gelooft, is Hij[^1petrus-2-7-18] dierbaar;[^1petrus-2-7-19] maar de ongehoorzamen wordt[^1petrus-2-7-h] gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben,[^1petrus-2-7-20] Deze is geworden tot een hoofd van de hoek, en[^1petrus-2-7-21][^1petrus-2-7-i] een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v7)

**8** Degene namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde,[^1petrus-2-8-22] waartoe zij ook gezet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v8)

**9** [^1petrus-2-9-k] Maar[^1petrus-2-9-23] u bent[^1petrus-2-9-24] een uitverkoren geslacht,[^1petrus-2-9-25][^1petrus-2-9-l] een koninklijk priesterdom, een heilig volk,[^1petrus-2-9-26] een verkregen volk; opdat u zou verkondigen[^1petrus-2-9-27] de deugden van Degene, Die u[^1petrus-2-9-28] uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn[^1petrus-2-9-29] wonderbaar licht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v9)

**10** [^1petrus-2-10-30][^1petrus-2-10-m] U, die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent; die vroeger niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v10)

**11** Geliefden, ik vermaan[^1petrus-2-11-31] u als inwoners en vreemdelingen,[^1petrus-2-11-n] dat u zich onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, die strijd voeren[^1petrus-2-11-32] tegen de ziel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v11)

**12** [^1petrus-2-12-o] En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen;[^1petrus-2-12-p] opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners,[^1petrus-2-12-q] zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen[^1petrus-2-12-33][^1petrus-2-12-r] in de dag van de bezoeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v12)

**13** [^1petrus-2-13-s] Wees dan alle[^1petrus-2-13-34] menselijke ordening[^1petrus-2-13-35] onderdanig,[^1petrus-2-13-36] omwille van[^1petrus-2-13-37] de Heere; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v13)

**14** Hetzij de stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot[^1petrus-2-14-38] straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs van degenen, die goed doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v14)

**15** Want zo is het de wil van[^1petrus-2-15-t] God, dat u, weldoende,[^1petrus-2-15-39] de mond stopt aan de onwetendheid van de dwaze mensen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v15)

**16** [^1petrus-2-16-40][^1petrus-2-16-v] Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel van de boosheid, maar als dienaren van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v16)

**17** [^1petrus-2-17-41][^1petrus-2-17-x] Eer ieder;[^1petrus-2-17-y] heb[^1petrus-2-17-42] de broederschap lief; vrees God;[^1petrus-2-17-z] eer de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v17)

**18** [^1petrus-2-18-a] U huisknechten, wees[^1petrus-2-18-43] met alle vrees[^1petrus-2-18-44] onderdanig de heren, niet alleen de goede en bescheidenen, maar ook[^1petrus-2-18-45] de harden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v18)

**19** [^1petrus-2-19-b] Want[^1petrus-2-19-46] dat is genade, als iemand[^1petrus-2-19-47] om het geweten voor God[^1petrus-2-19-48] zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v19)

**20** Want[^1petrus-2-20-49] wat lof is het, als u verdraagt,[^1petrus-2-20-50] als u zondigt, en[^1petrus-2-20-51] daarover geslagen wordt?[^1petrus-2-20-c] Maar als u verdraagt, als u[^1petrus-2-20-52] weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v20)

**21** Want[^1petrus-2-21-53] hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor ons geleden heeft,[^1petrus-2-21-d] ons[^1petrus-2-21-54] een voorbeeld nalatende, opdat u[^1petrus-2-21-55] Zijn voetstappen zou navolgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v21)

**22** [^1petrus-2-22-e] Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v22)

**23** [^1petrus-2-23-f] Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar[^1petrus-2-23-56] gaf het over aan Die, Die rechtvaardig oordeelt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v23)

**24** [^1petrus-2-24-g] Die[^1petrus-2-24-57] Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft[^1petrus-2-24-58] op het hout;[^1petrus-2-24-h] opdat wij, van de zonden[^1petrus-2-24-59] afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens[^1petrus-2-24-60] striemen u genezen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v24)

**25** Want u was[^1petrus-2-25-61][^1petrus-2-25-i] als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en[^1petrus-2-25-62] Opziener van uw zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/2.html#v25)

[^1petrus-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 legt dan af alle: Namelijk omdat u wedergeboren bent uit dit onvergankelijk zaad van de levende God. Want deze vermaning vloeit uit de voorgaande leer.
[^1petrus-2-1-a]: Verwijzing a: Matt. 18:3; Rom. 6:4; 1 Kor. 14:20; Efez. 4:23; Kolos. 3:8; Hebr. 12:1. Mattheüs 18:3: En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u u niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden. 1 Korinthiërs 14:20: Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. Efeziërs 4:23: En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, Kolossensen 3:8: Maar nu legt ook u dit alles af, namelijk toorn, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
[^1petrus-2-2-2]: Kanttekening 2: 2 als nieuwgeborene: Dat is, als mensen, die nu nieuw door Gods Geest en Woord zijt wedergeboren.
[^1petrus-2-2-3]: Kanttekening 3: 3 zijt zeer begerig: Namelijk tot uw geestelijk voedsel en versterking van de nieuwe mens, die reeds in u is.
[^1petrus-2-2-4]: Kanttekening 4: 4 de redelijke: Dat is, de geestelijke melk, gesteld tegen de lichamelijke melk, die de nieuwgeborene kinderen begeren, gelijk dit Grieks woord logicon ook genomen wordt Rom. 12:1. Anderen nemen het voor woordelijke melk; dat is, die in Gods Woord bestaat, om aan te wijzen, dat gelijk het Woord van God is het geestelijke zaad van onze wedergeboorte, hetzelfde Woord ook daarin het geestelijke voedsel is. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.
[^1petrus-2-2-5]: Kanttekening 5: 5 onvervalste melk: Dit doet Petrus daarbij, omdat, gelijk de zuivere melk het rechte voedsel geeft, zo ook het Woord van God, dat onvervalst is, het rechte voedsel geeft voor de ziel en de geestelijke mens.
[^1petrus-2-3-6]: Kanttekening 6: 6 gesmaakt hebt: Dat is, gevoeld hebt, waar geworden zijt in uw gemoed, namelijk door de kracht van Gods Woord en Geest. Hij gaat dan nog voort in de gelijkenis van de kinderen, die de rechte melk van hun voedsters van de vervalste gemakkelijk door de smaak plegen te onderscheiden, door de ene aan te nemen, de andere te verwerpen. Zie Joh. 10:4, 10:5. Johannes 10:4: En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Johannes 10:5: Maar een vreemde zullen zij in geen geval volgen, maar zullen van hem vluchten; omdat zij de stem van de vreemde niet kennen.
[^1petrus-2-3-b]: Verwijzing b: Ps. 34:9. Psalmen 34:9: Teth. Smaakt en ziet, dat YHWH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
[^1petrus-2-3-7]: Kanttekening 7: 7 de Heer goedertieren is: Namelijk Jezus Christus, gelijk vers 4 medebrengt. 1 Petrus 2:4: Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
[^1petrus-2-4-8]: Kanttekening 8: 8 Tot Welken komende: Namelijk Heer Jezus, gelijk de volgende verzen vereisen.
[^1petrus-2-4-c]: Verwijzing c: Efez. 2:20. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1petrus-2-4-9]: Kanttekening 9: 9 een levenden Steen: Dat is, een geestelijken steen; en Christus wordt zo genoemd tegen de levenloze stenen van de ceremoniële tempel, die een afbeelding was van het geestelijke huis van God, dat is, van Zijn gemeente, waarin God met zijn Geest en genade woont, 1 Kor. 3:16, waarvan Christus de fondamentsteen is, 1 Kor. 3:11, en de hoeksteen, waarop zowel Joden als heidenen tot een tempel van God gebouwd worden. Zie ook Ef. 2:20, enz. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 1 Korinthiërs 3:11: Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1petrus-2-4-10]: Kanttekening 10: 10 van de mensen wel: Dat is, van een groot deel van de mensen, wereldse en ongelovige, vooral de Joden en hun oversten.
[^1petrus-2-5-11]: Kanttekening 11: 11 als levende stenen: Dat is, geestelijke stenen, gelijk in het vervolg verklaard wordt.
[^1petrus-2-5-12]: Kanttekening 12: 12 gebouwd tot: Dat is, door het geloof meer en meer verenigd.
[^1petrus-2-5-d]: Verwijzing d: Hebr. 3:6. Hebreeën 3:6: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden.
[^1petrus-2-5-e]: Verwijzing e: Openb. 1:6; Openb. 5:10. Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10: En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^1petrus-2-5-13]: Kanttekening 13: 13 om geestelijke offeranden: Namelijk van de dankbaarheid, die in het Nieuwe Testament nu alleen worden gevorderd van alle gelovigen; als daar is de offerande van onze lichamen, dat is, van onszelf, de Heer tot een eigendom, Rom. 12:1, 12:2, en het offer van de lof en onzer gebeden voor God, en ook van de weldadigheid tegenover onze naasten; Hebr. 13:15, 13:16; Openb. 8:3, 8:4, en hierna vers 9. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Romeinen 12:2: En wordt deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:16: En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen. Openbaring 8:3: En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. Openbaring 8:4: En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de engel voor God. 1 Petrus 2:9: Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
[^1petrus-2-5-f]: Verwijzing f: Rom. 12:1; Hebr. 12:28. Romeinen 12:1: Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Hebreeën 12:28: Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welgevallig voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
[^1petrus-2-5-14]: Kanttekening 14: 14 door Jezus Christus: Want gelijk onze personen voor God niet aangenaam zijn dan door het geloof in Jezus Christus, Rom. 5:1, en Rom. 8:39; zo kunnen ook onze werken, vanwege hun onvolmaaktheid, voor God niet behagen dan in Christus Jezus, en om Zijnentwil; zie Hebr. 11:4, en Hebr. 13:15, 13:21. Romeinen 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 8:39: Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heer. Hebreeën 11:4: Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande voor God geofferd dan Kaïn, waardoor hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. Hebreeën 13:15: Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Hebreeën 13:21: Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welgevallig is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^1petrus-2-6-15]: Kanttekening 15: 15 Daarom is ook: Namelijk ten dele Jes. 8:14, en Jes. 28:16, en ten dele Ps. 118:22; uit welke plaatsen de apostel Petrus deze woorden haalt, latende enige woorden uit, die tot zijn voornemen niet dienden, maar de zin daarvan oprecht aanhalende. Anderen zetten het over: Daarom vervat Hij \[namelijk God\] ook in de Schrift. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Jesaja 28:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. Psalmen 118:22: De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden.
[^1petrus-2-6-g]: Verwijzing g: Jes. 28:16. Jesaja 28:16: Daarom, zo zegt de Heer YHWH: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.
[^1petrus-2-6-16]: Kanttekening 16: 16 een uitersten Hoeksteen: Zie hiervoor de aantekeningen vers 4. 1 Petrus 2:4: Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
[^1petrus-2-6-17]: Kanttekening 17: 17 niet beschaamd worden: Dat is, in zijn verwachting niet bedrogen worden; gelijk Rom. 5:5, en Rom. 10:11. Romeinen 5:5: En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. Romeinen 10:11: Want de Schrift zegt: Een iedereen, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
[^1petrus-2-7-18]: Kanttekening 18: Of eerlijk. Grieks dierbaarheid, of eerlijkheid; dat is, zeer eerlijk of dierbaar.
[^1petrus-2-7-19]: Kanttekening 19: 19 maar de ongehoorzamen: Namelijk in de Ps. 118:22, en Jes. 8:14, waarvan zie de verklaring Matt. 21:42; Ef. 2:20. Psalmen 118:22: De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Mattheüs 21:42: Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^1petrus-2-7-h]: Verwijzing h: Ps. 118:22; Matt. 21:42; Hand. 4:11. Psalmen 118:22: De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. Mattheüs 21:42: Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Handelingen 4:11: Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Welke tot een hoeksteen geworden is.
[^1petrus-2-7-20]: Kanttekening 20: 20 Deze is geworden tot: Namelijk voor Gods gemeente, niettegenstaande allen wederstand en woeling, die de ongehoorzamen daartegen hebben gedaan.
[^1petrus-2-7-21]: Kanttekening 21: 21 een steen van de aanstoot: Namelijk voor de ongehoorzamen zelf, die zich tegen deze steen door ongeloof hebben gekant, gelijk vers 8 verklaart. 1 Petrus 2:8: Degenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
[^1petrus-2-7-i]: Verwijzing i: Jes. 8:14; Rom. 9:33. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net de inwoners te Jeruzalem. Romeinen 9:33: Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; en een iedereen, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
[^1petrus-2-8-22]: Kanttekening 22: 22 waartoe zij ook: Dat is, waartoe zij ook verordineert zijn, gelijk het woord zetten of stellen ook wordt genomen Joh. 15:16; Hand. 13:47; 1 Thess. 5:9. Niet dat God iemand zou zetten of ordineren om Zijn Woord ongehoorzaam te zijn, voor zo veel dat zonde is. Want zulks zou strijden tegen Gods natuur, Ps. 5:5; Jak. 1:13; maar omdat God door zijn rechtvaardig oordeel deze halsstarrige mensen in hunne halsstarrigheid heeft overgegeven, om deze hun ongehoorzaamheid tegen Christus meer en meer te ontdekken, Luk. 2:34; en zich zelf zo de verdiende straf en toorn van God met hunne ongehoorzaamheid meer en meer op de hals te halen. Zie Jes. 8:14; Matt. 21:44, en de aantekeningen Rom. 1:24, en Rom. 9:17. Johannes 15:16: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve. Handelingen 13:47: Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. 1 Thessalonicensen 5:9: Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid, door onze Heer Jezus Christus. Psalmen 5:5: Want U bent geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. Jakobus 1:13: Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Lukas 2:34: En Simeon zegende henlieden, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. Jesaja 8:14: Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. Mattheüs 21:44: En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; Romeinen 9:17: Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de gehele aarde.
[^1petrus-2-9-k]: Verwijzing k: Ex. 19:5; Deut. 7:6; Deut. 14:2; Deut. 26:18; Efez. 1:14. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Deuteronomium 7:6: Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; u heeft YHWH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 14:2: Want u bent een heilig volk YHWH, uw God; en u heeft YHWH gekozen, om Hem tot een volk van de eigendoms te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn. Deuteronomium 26:18: En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van de eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden; Efeziërs 1:14: Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijn heerlijkheid.
[^1petrus-2-9-23]: Kanttekening 23: Namelijk die Christus met waar geloof hebt aangenomen.
[^1petrus-2-9-24]: Kanttekening 24: 24 een uitverkoren geslacht: Dat is, u komen al deze voorrechten en eretitels metterdaad toe, die het gehele volk van Israël doorgaans en in het bijzonder Ex. 19:5, 19:6; Deut. 26:18, 26:19, ten opzichte van het uiterlijk verbond worden gegeven; zie ook Mal. 3:16, 3:17, Rom. 9:8. Exodus 19:5: Nu dan, als u naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gehele aarde is Mijn; Exodus 19:6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. Deuteronomium 26:18: En YHWH heeft u heden doen zeggen, dat u Hem tot een volk van het eigendom zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden; Deuteronomium 26:19: Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor YHWH, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft. Maleachi 3:16: Alsdan spreken, die YHWH vrezen, een ieder tot zijn naaste: YHWH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die YHWH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. Maleachi 3:17: En zij zullen, zegt YHWH van de heirscharen, op die dag, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen sparen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient. Romeinen 9:8: Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.
[^1petrus-2-9-25]: Kanttekening 25: 25 een koninklijk priesterdom: Dat is, koningen en priesters, gelijk Johannes spreekt Openb. 1:6. Mozes zegt Ex. 19:6, een priesterlijk koninkrijk. Maar de apostel volgt de Griekse overzetting, omdat het één zin heeft. Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Exodus 19:6: En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult.
[^1petrus-2-9-l]: Verwijzing l: Openb. 1:6; Openb. 5:10. Openbaring 1:6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10: En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^1petrus-2-9-26]: Kanttekening 26: 26 een verkregen volk: Grieks een volk tot verkrijging; dat is, dat God Zichzelf door Zijn bloed tot een eigendom heeft verkregen; Hand. 20:28. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^1petrus-2-9-27]: Kanttekening 27: 27 de deugden van Degene: Dat is, de eigenschappen, namelijk de wijsheid, mogendheid, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid van God.
[^1petrus-2-9-28]: Kanttekening 28: 28 uit de duisternis: Namelijk van de onwetendheid en natuurlijke boosheid.
[^1petrus-2-9-29]: Kanttekening 29: 29 wonderbaar licht: Dat is, tot heiligheid en ware kennis van God. Zie Hand. 26:18. Handelingen 26:18: Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.
[^1petrus-2-10-30]: Kanttekening 30: 30 U, die eertijds: Deze plaats is genomen uit Hos. 2:22, die de apostel hier van de verstrooide Joden, die tot Christus bekeerd waren, en Paulus, Rom. 9:25, ook van de bekeerde heidenen verklaart, die nu beiden een volk van God in Christus zijn; Ef. 2:13, enz. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! Romeinen 9:25: Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. Efeziërs 2:13: Maar nu in Christus Jezus, bent u, die eertijds verre was, nabij geworden door het bloed van Christus.
[^1petrus-2-10-m]: Verwijzing m: Hosea 1:10; Hosea 2:22; Rom. 9:26. Hosea 1:10: Nochtans zal het getal van de kinderen van Israël zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levenden Gods. Hosea 2:22: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! Romeinen 9:26: En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levenden Gods genaamd worden.
[^1petrus-2-11-31]: Kanttekening 31: 31 als inwoners en vreemdelingen, dat u zich onthoudt: Of bijwoners, van welk woord, zie de aantekeningen 1 Petr. 1:17. 1 Petrus 1:17: En als u tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar het werk van een ieder, zo wandelt in vreze de tijd van uw inwoning;
[^1petrus-2-11-n]: Verwijzing n: Rom. 13:14; Galat. 5:16. Romeinen 13:14: Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Galaten 5:16: En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheden van het vlees niet.
[^1petrus-2-11-32]: Kanttekening 32: 32 tegen de ziel: Dat is, tegen de zaligheid van de ziel, namelijk om die te verderven. Ene andere zaak is het waarvan Paulus spreekt Rom. 7:23, en Gal. 5:17, als hij de strijd van vlees en geest tegen elkaar beschrijft. Romeinen 7:23: Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet van de zonde, die in mijn leden is. Galaten 5:17: Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, zo dat u niet doet, wat u wilde.
[^1petrus-2-12-o]: Verwijzing o: Rom. 12:17; 2 Kor. 8:21; Filip. 2:15. Romeinen 12:17: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 2 Korinthiërs 8:21: Als die bezorgen, wat eerlijk is, niet alleen voor de Heer, maar ook voor de mensen. Filippensen 2:15: Opdat u mag onberispelijk en oprecht zijn, kinderen van God zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke u schijnt als lichten in de wereld;
[^1petrus-2-12-p]: Verwijzing p: Titus 2:8; 1 Petr. 3:16. Titus 2:8: Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van u te zeggen. 1 Petrus 3:16: En hebt een goed geweten, opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goede wandel in Christus lasteren.
[^1petrus-2-12-q]: Verwijzing q: Matt. 5:16. Mattheüs 5:16: Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
[^1petrus-2-12-33]: Kanttekening 33: 33 in de dag van de bezoeking: Dat is, in die tijd als de Heer hen zal aanzoeken door Zijn genade tot bekering; zie dergelijke Luk. 1:68, en Luk. 19:44. Anderen nemen het voor de dag, waarin de gelovigen van de ongelovigen verzocht of vervolgd worden; omdat het dikwijls geschiedt, dat de vervolgers, ziende de godzaligheid en volharding van de vervolgden, daardoor tot nadenken worden gebracht, en die God zelf beginnen te prijzen, wiens kinderen zij tevoren vervolgden. Lukas 1:68: Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; Lukas 19:44: En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de ene steen op de andere steen niet laten; daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt.
[^1petrus-2-12-r]: Verwijzing r: Lukas 1:68; Lukas 19:44. Lukas 1:68: Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; Lukas 19:44: En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de enen steen op de andere steen niet laten; daarom dat u de tijd uw bezoeking niet bekend hebt.
[^1petrus-2-13-s]: Verwijzing s: Rom. 13:1; Titus 3:1. Romeinen 13:1: Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd. Titus 3:1: Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot elk goed werk bereid zijn;
[^1petrus-2-13-34]: Kanttekening 34: 34 menselijke ordening: Grieks menselijke schepping; welke woorden enigen voor de overheid zelf nemen, die zo genoemd wordt omdat zij uit mensen bestaat en door mensen gewoonlijk wordt gesteld. Anderen verstaan het van de ordinantiën en wetten, die de overheid tot onderhouding van de burgerlijke enigheid en welvaart maakt. Maar de eerste verklaring komt met de volgende woorden wel zo goed overeen.
[^1petrus-2-13-35]: Kanttekening 35: Namelijk in al wat zij u gebieden, zo zulks tegen God en Zijn bevel niet strijdt. Zie Hand. 4:19. Handelingen 4:19: Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt u, of het recht is voor God, u meer te horen dan God.
[^1petrus-2-13-36]: Kanttekening 36: 36 vanwege de Heer: Dat is, omdat het Gods wil is u door haar te regeren. Zie Rom. 13:1; 1 Tim. 2:2. Romeinen 13:1: Alle ziel zij aan de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd. 1 Timotheüs 2:2: Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.
[^1petrus-2-13-37]: Kanttekening 37: 37 de koning: Waardoor hier de Roomse keizer wordt verstaan, onder wiens gebied die provinciën toen stonden.
[^1petrus-2-14-38]: Kanttekening 38: 38 straf wel van de kwaaddoeners: Of wraak.
[^1petrus-2-15-t]: Verwijzing t: Titus 2:8. Titus 2:8: Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van u te zeggen.
[^1petrus-2-15-39]: Kanttekening 39: 39 de mond stopt: Dat is, hij geen oorzaak hebben om u te lasteren; een gelijkenis, genomen van de paarden of stieren, aan wie men een gebit in de mond legt of muilbandt, om hun het kwaaddoen te beletten. Zie Matt. 22:34; 1 Kor. 9:9. Mattheüs 22:34: En de Farizeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceën de mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd. 1 Korinthiërs 9:9: Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?
[^1petrus-2-16-40]: Kanttekening 40: 40 Als vrijen: Dat is, als door Christus wel vrijgemaakt, van de heerschappij van de duivel en van de zonde, maar niet om onder dit deksel u de gehoorzaamheid van de overheden te ontrekken of kwaad te doen, maar om God te dienen en zijne wetten te gehoorzamen.
[^1petrus-2-16-v]: Verwijzing v: Joh. 8:32; Rom. 6:18; Galat. 5:1. Johannes 8:32: En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. Romeinen 6:18: En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienaren van de gerechtigheid. Galaten 5:1: Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet opnieuw met het juk van de dienstbaarheid bevangen.
[^1petrus-2-17-41]: Kanttekening 41: 41 Eert een iedereen: Namelijk met de eer die hem volgens zijn staat en beroep toekomt.
[^1petrus-2-17-x]: Verwijzing x: Rom. 12:10; 1 Petr. 5:5. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. 1 Petrus 5:5: Evenzo u jongen, zijt de oude onderdanig; en zijt allen elkaar onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^1petrus-2-17-y]: Verwijzing y: Rom. 12:10; Efez. 4:3; Hebr. 13:1; 1 Petr. 1:22. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. Efeziërs 4:3: U benaarstigende te behouden de enigheid van de Geest door de band van de vrede. Hebreeën 13:1: Dat de broederlijke liefde blijve. 1 Petrus 1:22: Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vuriglijk lief uit een rein hart;
[^1petrus-2-17-42]: Kanttekening 42: 42 de broederschap lief: Dat is, de broeders en hunne christelijke vergaderingen, gelijk hierna 1 Petr. 5:9. 1 Petrus 5:9: Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.
[^1petrus-2-17-z]: Verwijzing z: Matt. 22:21. Mattheüs 22:21: Zij zeiden tot Hem: Van de keizers. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan de keizer, dat van de keizers is, en voor God, dat Gods is.
[^1petrus-2-18-a]: Verwijzing a: Efez. 6:5; Kolos. 3:22; 1 Tim. 6:1; Titus 2:9. Efeziërs 6:5: U dienaren, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Kolossensen 3:22: U dienaren, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid van de harten, vrezende God. 1 Timotheüs 6:1: De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde. Titus 2:9: Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welgevallig zijn, niet tegensprekende;
[^1petrus-2-18-43]: Kanttekening 43: 43 met alle vreze: Namelijk niet alleen van de straf, maar ook de overtreding van hun geboden en met zorgvuldigheid om hen niet te vertoornen, zo veel in u is.
[^1petrus-2-18-44]: Kanttekening 44: 44 onderdanig de heren: Namelijk in de Heer, gelijk Paulus daarbij voegt; Ef. 6:1. Efeziërs 6:1: U kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in de Heer; want dat is recht.
[^1petrus-2-18-45]: Kanttekening 45: 45 de harden: Grieks de verdraaiden, krommen, slimmen, verkeerden.
[^1petrus-2-19-b]: Verwijzing b: Matt. 5:10. Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want hun is het Koninkrijk van de hemelen.
[^1petrus-2-19-46]: Kanttekening 46: 46 dat is genade: Namelijk bij God, gelijk in het einde van vers 20 daarbij gevoegd wordt; dat is, het is voor God aangenaam. 1 Petrus 2:20: Want wat lof is het, als u verdraagt, als u zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar als u verdraagt, als u weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
[^1petrus-2-19-47]: Kanttekening 47: 47 om het geweten: Grieks om de consciëntie Gods; dat is, omdat hij in zijn consciëntie zich verbonden houdt God boven allen te dienen en te gehoorzamen.
[^1petrus-2-19-48]: Kanttekening 48: 48 zwarigheid verdraagt: Grieks droefheden.
[^1petrus-2-20-49]: Kanttekening 49: 49 Want wat lof is het: Namelijk voor God, gelijk in het einde van het vers.
[^1petrus-2-20-50]: Kanttekening 50: 50 als u zondigt: Dat is, als u het wettelijk gebod van uw heren veracht of overtreedt.
[^1petrus-2-20-51]: Kanttekening 51: 51 geslagen wordt: Grieks met vuisten geslagen.
[^1petrus-2-20-c]: Verwijzing c: 1 Petr. 3:14; 1 Petr. 4:14. 1 Petrus 3:14: Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd; 1 Petrus 4:14: Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt.
[^1petrus-2-20-52]: Kanttekening 52: 52 weldoet, en daarover: Dat is, God dient en Zijn geboden gehoorzaamt.
[^1petrus-2-21-53]: Kanttekening 53: 53 hiertoe bent u geroepen: Namelijk als discipelen van Christus, opdat u Zijn kruis zoudt dragen; Matt. 10:38, en Matt. 16:24, enz. Mattheüs 10:38: En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waard. Mattheüs 16:24: Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
[^1petrus-2-21-d]: Verwijzing d: Joh. 13:15; Filip. 2:5; 1 Joh. 2:6. Johannes 13:15: Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet. Filippensen 2:5: Want dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was; 1 Johannes 2:6: Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf zo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.
[^1petrus-2-21-54]: Kanttekening 54: 54 een voorbeeld nalatende: Of patroon, voorschrift; een gelijkenis genomen van de schilders of schrijfmeesters.
[^1petrus-2-21-55]: Kanttekening 55: 55 Zijn voetstappen: Namelijk niet alleen in Zijn lijden, maar ook in Zijn volharding, gelijk volgt.
[^1petrus-2-22-e]: Verwijzing e: Jes. 53:9; 2 Kor. 5:21; 1 Joh. 3:5. Jesaja 53:9: En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. 2 Korinthiërs 5:21: Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. 1 Johannes 3:5: En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
[^1petrus-2-23-f]: Verwijzing f: Matt. 27:39; Joh. 8:48; idem v. 49. Mattheüs 27:39: En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. Johannes 8:48: De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat U een Samaritaan bent, en de duivel hebt? Johannes 8:49: Jezus antwoordde: Ik heb de duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en u onteert Mij.
[^1petrus-2-23-56]: Kanttekening 56: 56 gaf het over aan Die: Dat is, gaf Zijn zaak over, of beval Zijn zaken. Of gaf Zichzelf over, of gaf de wraak over.
[^1petrus-2-24-g]: Verwijzing g: Jes. 53:4; Matt. 8:17. Jesaja 53:4: Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Mattheüs 8:17: Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.
[^1petrus-2-24-57]: Kanttekening 57: 57 Zelf onze zonden: Namelijk als een offerande voor onze zonde, om door de straf, die Hij voor deze in lichaam en ziel leed, de zonde teniet te doen, gelijk aan de bok van de verzoening de zonden van het volk opgelegd werden, Lev. 16:21, en gelijk Jesaja daarvan profeteert, Jes. 53:4, en Paulus verklaart 2 Kor. 5:21. Leviticus 16:21: En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levende bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de kinderen van Israël, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. Jesaja 53:4: Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. 2 Korinthiërs 5:21: Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem.
[^1petrus-2-24-58]: Kanttekening 58: 58 op het hout: Of aan het hout; dat is, op of aan het kruis.
[^1petrus-2-24-h]: Verwijzing h: Rom. 6:11. Romeinen 6:11: Zo ook u, houdt het daarvoor dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levende bent in Christus Jezus, onze Heer.
[^1petrus-2-24-59]: Kanttekening 59: 59 afgestorven zijnde: Grieks afgeworden zijnde, of afgescheiden zijnde; namelijk door de kracht zijns doods en van zijn voldoening.
[^1petrus-2-24-60]: Kanttekening 60: 60 striemen u genezen bent: Grieks striem; namelijk die Hij om onzentwil gedragen heeft; welk woord de apostel hier te liever gebruikt, daar de dienaren, omdat zij christenen waren, dergelijke striemen van hunne harde heren dikwijls moesten dragen.
[^1petrus-2-25-61]: Kanttekening 61: 61 als dwalende schapen: Namelijk in uw onwetendheid en blindheid. En hier ziet de apostel op Jes. 53:6. Jesaja 53:6: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
[^1petrus-2-25-i]: Verwijzing i: Jes. 53:6; Ez. 34:6; Lukas 15:4. Jesaja 53:6: Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iedereen naar zijn weg; maar YHWH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Ezechiël 34:6: Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hoge heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op de gehele aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. Lukas 15:4: Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelfde vinde?
[^1petrus-2-25-62]: Kanttekening 62: 62 Opziener van uw zielen: Grieks episcopon; dat is, toeziener of opziener, dat is die zorg draagt voor de zaligheid van uw zielen, al is het dat uwe lichamen hier dikwijls mishandeld worden. Zie Matt. 10:28. Mattheüs 10:28: En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel.

### 1 Petrus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1petrus/3.json)

*1 Petrus vermaant de vrouwen tot onderdanigheid aan hun mannen, 3 en tot versiering, niet van de uiterlijke, maar van de verborgen mens. 5 Daartoe houdt hij hun het voorbeeld voor van de heilige vrouwen in het Oude Testament, en vooral van Sara. 7 Hij vermaant ook de mannen dat zij met verstand bij hun vrouwen wonen. 8 Daarna komt hij weer terug op vermaningen tot onderlinge liefde, 9 en in het bijzonder tot verdraagzaamheid en vreedzaamheid, met de belofte van Gods zegen uit Psalm 34. 13 Hij wijst aan hoe zij niet bevreesd hoeven te zijn wanneer zij onschuldig lijden, en hoe zij altijd bereid moeten zijn rekenschap te geven van de hoop die in hen is. 18 Hij houdt hun het voorbeeld voor van het lijden van Christus en zijn uitkomst daaruit, 19 evenals het tegenovergestelde voorbeeld van de straf voor de ongehoorzaamheid van de eerste wereld in de tijd van Noach, en van de redding van Noach door de ark uit het water, toen hij daar met geduld op gewacht had. 21 Daarvan is nu ook de doop een tegenbeeld, die ons wijst op de opstanding en heerlijkheid van Christus.*

**1** [^1petrus-3-1-a] Evenzo u vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige[^1petrus-3-1-1] het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord[^1petrus-3-1-2] mogen gewonnen worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v1)

**2** Als zij zullen ingezien hebben uw reine wandel[^1petrus-3-2-3] in vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v2)

**3** [^1petrus-3-3-b] Van wie het[^1petrus-3-3-4] versiersel zij, niet wat uiterlijk is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van kleren aan te trekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v3)

**4** Maar[^1petrus-3-4-5] de verborgen mens van het hart, in het onvergankelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die[^1petrus-3-4-6] kostelijk is voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v4)

**5** Want zo versierden zichzelf vroeger ook[^1petrus-3-5-7] de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v5)

**6** [^1petrus-3-6-c] Zoals Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, van wie de[^1petrus-3-6-8] dochters[^1petrus-3-6-9] u geworden bent, als u weldoet, en niet vreest[^1petrus-3-6-10] voor enige verschrikking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v6)

**7** U mannen, ook,[^1petrus-3-7-d] woont bij[^1petrus-3-7-11] haar met verstand, aan het[^1petrus-3-7-12] vrouwelijke vat, als het zwakste,[^1petrus-3-7-13] eer gevende, als die ook[^1petrus-3-7-14] mee-erfgenamen van de genade van het leven met haar bent; opdat uw gebeden[^1petrus-3-7-15] niet verhinderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v7)

**8** [^1petrus-3-8-16] En eindelijk,[^1petrus-3-8-e] wees allen eensgezind,[^1petrus-3-8-17] medelijdend, de broeders liefhebbende,[^1petrus-3-8-18] met innerlijke barmhartigheid bewogen,[^1petrus-3-8-19] vriendelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v8)

**9** [^1petrus-3-9-f] Vergeld niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden,[^1petrus-3-9-20] maar zegent daarentegen; wetende,[^1petrus-3-9-21] dat u daartoe geroepen bent,[^1petrus-3-9-g] opdat u[^1petrus-3-9-22] zegening zou beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v9)

**10** [^1petrus-3-10-23][^1petrus-3-10-h] Want wie[^1petrus-3-10-24] het leven wil liefhebben, en[^1petrus-3-10-25] goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v10)

**11** [^1petrus-3-11-i] Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage die na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v11)

**12** Want[^1petrus-3-12-26] de ogen van de Heere zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar[^1petrus-3-12-27] het aangezicht van de Heere is tegen degenen, die kwaad doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v12)

**13** En[^1petrus-3-13-28] wie is het, die u kwaad doen zal, als u navolgers bent van het goede? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v13)

**14** [^1petrus-3-14-k] Maar als u ook lijdt omwille van de gerechtigheid, zo bent u[^1petrus-3-14-l] zalig;[^1petrus-3-14-29] en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v14)

**15** [^1petrus-3-15-m] Maar[^1petrus-3-15-30] heiligt God, de Heere, in uw harten;[^1petrus-3-15-n] en wees altijd bereid[^1petrus-3-15-31] tot verantwoording aan een ieder[^1petrus-3-15-32] die u rekenschap afeist[^1petrus-3-15-33] van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en[^1petrus-3-15-34] vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v15)

**16** En[^1petrus-3-16-35] hebt een goed[^1petrus-3-16-o] geweten, opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goede wandel[^1petrus-3-16-36] in Christus lasteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v16)

**17** Want het is beter, dat u, weldoende, (als het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.[^1petrus-3-17-37] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v17)

**18** [^1petrus-3-18-p] Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood[^1petrus-3-18-38] in het vlees, maar levend gemaakt[^1petrus-3-18-39] door de Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v18)

**19** [^1petrus-3-19-40] In Die[^1petrus-3-19-41] Hij ook,[^1petrus-3-19-42] heengegaan zijnde,[^1petrus-3-19-43] de geesten,[^1petrus-3-19-q] die in de[^1petrus-3-19-44] gevangenis zijn, gepredikt heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v19)

**20** [^1petrus-3-20-r] Die vroeger ongehoorzaam waren,[^1petrus-3-20-s] wanneer het geduld van God eenmaal[^1petrus-3-20-45] verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinig[^1petrus-3-20-t] (dat is acht)[^1petrus-3-20-46] zielen behouden werden[^1petrus-3-20-47] door het water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v20)

**21** [^1petrus-3-21-48][^1petrus-3-21-v] Waarvan het[^1petrus-3-21-49] tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt,[^1petrus-3-21-50] niet die een aflegging is van het[^1petrus-3-21-51] vuil van het lichaam,[^1petrus-3-21-52] maar die een vraag is[^1petrus-3-21-53] van een goed geweten tot God,[^1petrus-3-21-54] door de opstanding van Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v21)

**22** [^1petrus-3-22-x] Die is[^1petrus-3-22-55] aan de rechterhand van God, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/3.html#v22)

[^1petrus-3-1-a]: Verwijzing a: Gen. 3:16; 1 Kor. 14:34; Efez. 5:22; Kolos. 3:8; Titus 2:5. Genesis 3:16: Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 1 Korinthiërs 14:34: Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. Efeziërs 5:22: U vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heer; Kolossensen 3:8: Maar nu legt ook u dit alles af, namelijk toorn, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. Titus 2:5: Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd worde.
[^1petrus-3-1-1]: Kanttekening 1: 1 het Woord: Namelijk van het Evangelie.
[^1petrus-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 mogen gewonnen worden: Dat is, tot Christus bekeerd worden, gelijk dit woord winnen gebruikt wordt Matt. 18:15; 1 Kor. 9:19, en elders. Niet dat het goed leven zonder woord genoeg is om de mens te bekeren of tot het geloof te brengen. Want dat doet de Heilige Geest door het Woord van God alleen, Ps. 19:8; Rom. 1:16, en Rom. 10:17; maar omdat zulke mannen, ziende de goede wandel van de gelovige vrouwen, een goed gevoelen krijgen van dat Woord en van de godsdienst die zij belijden, en een begeerte om het ook te horen en zichzelf door Gods genade daarnaar te schikken. Mattheüs 18:15: Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. 1 Korinthiërs 9:19: Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. Psalmen 19:8: De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende. Romeinen 1:16: Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid voor iedereen, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Romeinen 10:17: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God,
[^1petrus-3-2-3]: Kanttekening 3: 3 in vreze: Dat is, eerbied en zorgvuldigheid; namelijk in de dienst van God en van haar mannen.
[^1petrus-3-3-b]: Verwijzing b: 1 Tim. 2:9; Titus 2:3. 1 Timotheüs 2:9: Evenzo ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen van de haars, of goud, of parels, of kostelijke kleding; Titus 2:3: De oude vrouwen ook, dat zij in haar dracht zijn, gelijk de heiligen betaamt, dat zij geen lasteressen zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede;
[^1petrus-3-3-4]: Kanttekening 4: 4 versiersel zij: Dat is, haar voornaamste versiersel zij, want Paulus, 1 Tim. 2:9, laat ook een eerbaar of sierlijk gewaad de vrouwen toe; maar Petrus bestraft hier alle onmatige en al te overdreven versieringen, waartoe het vrouwelijk geslacht dikwijls genegen is, en alle hovaardij en trotsheid in de gewone en anders geoorloofde versiering. 1 Timotheüs 2:9: Evenzo ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding;
[^1petrus-3-4-5]: Kanttekening 5: 5 de verborgen mens: Dat is, de inwendige mens, die dagelijks vernieuwd wordt naar Gods evenbeeld, 2 Kor. 4:16. 2 Korinthiërs 4:16: Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
[^1petrus-3-4-6]: Kanttekening 6: 6 kostelijk is voor God: Dat is, dierbaar en aangenaam.
[^1petrus-3-5-7]: Kanttekening 7: 7 de heilige vrouwen: Namelijk die over haar godvruchtigheid, voorzichtigheid en nederigheid geprezen worden in het Oude Testament, als Rebekka, Anna, de moeder van Samuël, Abigaïl, Esther en dergelijken.
[^1petrus-3-6-c]: Verwijzing c: Gen. 18:12. Genesis 18:12: Zo lachte Sara bij zichzelf, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?
[^1petrus-3-6-8]: Kanttekening 8: Grieks kinderen; namelijk naar de geest, gelijk Abraham de vader is aller gelovigen; Rom. 4:16. Romeinen 4:16: Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;
[^1petrus-3-6-9]: Kanttekening 9: 9 u geworden bent: Dat is, u metterdaad bewijst geworden te zijn, gelijk Joh. 15:8. Johannes 15:8: Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt; en u zult Mijn discipelen zijn.
[^1petrus-3-6-10]: Kanttekening 10: 10 voor enige verschrikking: Of met. Het Griekse woord betekent een haastige of schielijke verbaasdheid, gelijk een vogel of enig ander dier verbaasd is, wanneer het iets ziet of hoort dat hem gevaarlijk is. Deze verbaasdheid, die het vrouwelijk geslacht licht overkomt, wegens de zwakheid van haar natuur, verklaart de apostel dat zij in de dienst van haar mannen licht kunnen ontgaan, als zij maar weldoen en een goed geweten voor God houden.
[^1petrus-3-7-d]: Verwijzing d: Efez. 5:25; Kolos. 3:19. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; Kolossensen 3:19: U mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.
[^1petrus-3-7-11]: Kanttekening 11: 11 met verstand: Grieks naar verstand; dat is, uw heerschappij gebruikende met voorzichtigheid en matigheid.
[^1petrus-3-7-12]: Kanttekening 12: 12 vat, als het zwakste: Een Hebreeuwse wijze van spreken, waardoor enig werktuig, hetzij een persoon of enige andere zaak zijnde, aangeduid wordt, en de vrouw wordt hier zo genaamd, omdat zij geschapen is tot een hulp van de man, Gen. 2:18. Genesis 2:18: Ook had YHWH God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
[^1petrus-3-7-13]: Kanttekening 13: 13 eer gevende: Namelijk niet boven maar naast de man, of naast de man boven het gehele huisgezin, gevoegd met ene zonderlinge zorg en mededogendheid, gelijk het woord eer ook medebrengt, Matt. 15:4; 1 Tim. 5:17; dat ook de liefde van de man en haar zorg over het huis vereist. Zie Ps. 45:10, enz.; Spreuk. 31:27, 31:28; Ef. 5:25, enz. Mattheüs 15:4: Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. 1 Timotheüs 5:17: Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. Psalmen 45:10: Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. Spreuken 31:27: Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood van de luiheid eet zij niet. Spreuken 31:28: Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;
[^1petrus-3-7-14]: Kanttekening 14: Namelijk van het eeuwige leven. Sommigen boeken hebben als die medeërfgenamen met u zijn. Dat met de zin wel overeenkomt.
[^1petrus-3-7-15]: Kanttekening 15: 15 niet verhinderd worden: Namelijk door twist of tweespalt. En hier worden onder de gebeden ook allerlei oefeningen van de godsdienst verstaan.
[^1petrus-3-8-16]: Kanttekening 16: 16 En eindelijk: De apostel keert nu weer tot de vermaningen die iedereen aangaan.
[^1petrus-3-8-e]: Verwijzing e: Rom. 12:16; Rom. 15:5; 1 Kor. 1:10; Filip. 2:2; Filip. 3:16. Romeinen 12:16: Weest eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven. Romeinen 15:5: Maar de God van de volharding en van de vertroosting geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 1 Korinthiërs 1:10: Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfden zin, en in een zelfde gevoelen. Filippensen 2:2: Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Filippensen 3:16: Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelfde regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.
[^1petrus-3-8-17]: Kanttekening 17: 17 medelijdend, de broeders: Namelijk met elkaar. Het Griekse woord betekent eigenlijk een medegevoel hebben met het lijden van een ander.
[^1petrus-3-8-18]: Kanttekening 18: 18 met innerlijke barmhartigheid: Het Griekse woord betekent een deugd waardoor het ingewand of het hart over de nood van een ander licht wordt bewogen.
[^1petrus-3-8-19]: Kanttekening 19: Dit woord betekent eigenlijk, die bedenkt of bevroedt wat een ander aangenaam is.
[^1petrus-3-9-f]: Verwijzing f: Lev. 19:18; Spreuk. 20:22; Spreuk. 24:29; Matt. 5:39; Rom. 12:17; 1 Kor. 6:7; 1 Thes. 5:15. Leviticus 19:18: U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben YHWH! Spreuken 20:22: Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op YHWH, en Hij zal u verlossen. Spreuken 24:29: Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. Mattheüs 5:39: Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Romeinen 12:17: Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt wat eerlijk is voor alle mensen. 1 Korinthiërs 6:7: Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 1 Thessalonicensen 5:15: Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen.
[^1petrus-3-9-20]: Kanttekening 20: 20 maar zegent daarentegen: Dat is, bidt voor die en doet wel aan degenen, die u schelden of kwaad doen, gelijk Christus ook gebiedt Matt. 5:44. Maar hier valt op te merken, dat Petrus, gelijk ook Christus, niet spreken van het ambt ener overheid tegen openbare boosdoeners, maar van het ambt van een gewoon Christen tegen een ieder in het bijzonder. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel aan degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
[^1petrus-3-9-21]: Kanttekening 21: 21 dat u daartoe: Namelijk van God, die u dagelijks ook vertoornt door uw zonden, en wiens zegening u daarom ook onwaardig was. Het kan ook gevoegd worden bij het voorgaande, namelijk dat u daartoe geroepen bent, om geen kwaad met kwaad te vergelden.
[^1petrus-3-9-g]: Verwijzing g: Matt. 25:34; 1 Tim. 4:8. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. 1 Timotheüs 4:8: Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van de tegenwoordigen en van de toekomenden levens.
[^1petrus-3-9-22]: Kanttekening 22: 22 u zegening: Namelijk tijdelijke en eeuwige, gelijk de plaats hier tot bewijs bijgebracht medebrengt.
[^1petrus-3-10-23]: Kanttekening 23: 23 Want wie: Deze plaats is genomen uit Ps. 34:13, enz., en daarin volgt de apostel meest de Griekse overzetting, die de zin van de Hebreeuwse tekst wel uitdrukt. Maar wat de profeet vragenderwijze voorstelt, zegt de apostel verhalender wijze. Psalmen 34:13: Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
[^1petrus-3-10-h]: Verwijzing h: Ps. 34:13; Jak. 1:26. Psalmen 34:13: Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? Jakobus 1:26: Als iemand onder u denkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, van deze godsdienst is ijdel.
[^1petrus-3-10-24]: Kanttekening 24: 24 het leven wil: Hebreeuws wie is de man die het leven wil en liefheeft of begeert het goede te zien?
[^1petrus-3-10-25]: Kanttekening 25: 25 goede dagen zien: Dat is, een gelukzalig leven leiden. Want al is het, dat de godzaligen dikwijls verdrukt worden, zo houden zij nochtans altijd een goede consciëntie, en hebben ene zalige uitkomst te verwachten. Waarom zij ook zichzelf verheugen in de verdrukkingen; Rom. 5:3; Jak. 1:2, enz. Romeinen 5:3: En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt;
[^1petrus-3-11-i]: Verwijzing i: Ps. 37:27; Jes. 1:16; 3 Joh. v. 11. Psalmen 37:27: Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. Jesaja 1:16: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. 3 Johannes 1:11: Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.
[^1petrus-3-12-26]: Kanttekening 26: 26 de ogen van de Heer: Dat is, de gunstige en zorgvuldige ogen van de Heer.
[^1petrus-3-12-27]: Kanttekening 27: 27 maar het aangezicht: Dat is, het toornig of afkerig aangezicht van de Heer.
[^1petrus-3-13-28]: Kanttekening 28: 28 wie is het: Dat is, of niemand zal u kwaad willen doen, als u navolgers bent van het goede; of zo iemand toch zulks doet, die kan u in uw gelukzaligheid niet schaden, omdat u om de gerechtigheid lijdt.
[^1petrus-3-14-k]: Verwijzing k: Matt. 5:10; 1 Petr. 2:20; 1 Petr. 4:14. Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. 1 Petrus 2:20: Want wat lof is het, als u verdraagt, als u zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar als u verdraagt, als u weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. 1 Petrus 4:14: Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt.
[^1petrus-3-14-l]: Verwijzing l: Jes. 8:12; Jer. 1:8. Jesaja 8:12: Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest u hun vreze niet, en verschrikt niet. Jeremia 1:8: Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt YHWH.
[^1petrus-3-14-29]: Kanttekening 29: 29 vreest niet uit: Grieks vreest niet hun vrees; dat is, gelijk zij vrezen en ontroerd zijn, omdat zij een kwade consciëntie hebben, gelijk Jes. 8:12, waaruit Petrus deze woorden tot zijn voornemen past. Jesaja 8:12: Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest u hun vreze niet, en verschrikt niet.
[^1petrus-3-15-m]: Verwijzing m: Job 1:21. Job 1:21: En hij zei: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. De YHWH heeft gegeven, en YHWH heeft genomen; de Naam van YHWH zij geloofd!
[^1petrus-3-15-30]: Kanttekening 30: 30 heiligt God: Dat is, schrijft Hem alle lof en eer toe, hangt Hem alleen aan en vertrouwt op Hem, gelijk Job 33:4; Rom. 4:20; want dan geven wij God zijn hoogste eer, als wij Zijn genade, trouw, wijsheid en mogendheid alles toeschrijven. Job 33:4: De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. Romeinen 4:20: En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;
[^1petrus-3-15-n]: Verwijzing n: Ps. 119:46; Hand. 4:8. Psalmen 119:46: Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. Handelingen 4:8: Toen zei Petrus, vervuld zijnde met de Heilige Geest, tot hen: U oversten van het volk, en u ouderlingen van Israël!
[^1petrus-3-15-31]: Kanttekening 31: 31 tot verantwoording: Dat is, openlijke belijdenis en bescherming uit Gods Woord van uw hoop, naar de mate van de gaven die u ontvangen hebt.
[^1petrus-3-15-32]: Kanttekening 32: 32 die u rekenschap: Namelijk ambtshalve, of om onderricht te worden; of, wanneer de verdediging van de waarheid zulks vereist. Want anders zegt ook Christus, dat wij het heilige niet voor de honden zullen werpen, noch de parels voor de zwijnen, opdat zij zich niet omkeren en ons verscheuren; Matt. 7:6. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd die met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.
[^1petrus-3-15-33]: Kanttekening 33: 33 van de hoop: Dat is, van de grond van uw geloof en vervolgens ook van uw hoop, waarop u steunt.
[^1petrus-3-15-34]: Kanttekening 34: Dat is, met zorgvuldige voorzichtigheid, opdat u niets ontvalle, dat Gods gemeente of het Evangelie nadelig zou zijn. Zie een voorbeeld in Christus, Joh. 18:19, 18:20, als hij voor de rechters stond. Johannes 18:19: De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer. Johannes 18:20: Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb alle tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
[^1petrus-3-16-35]: Kanttekening 35: 35 hebt een goed geweten: Of houdt; namelijk in al uw doen, en in al deze vrees of voorzichtigheid, opdat u onder de dekmantel daarvan niet nalaat openlijk te belijden wat God u in zijn Woord gebiedt, of dat tot Zijn eer dient.
[^1petrus-3-16-o]: Verwijzing o: Titus 2:8; 1 Petr. 2:12; idem v. 15. Titus 2:8: Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van u te zeggen. 1 Petrus 2:12: En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking. 1 Petrus 2:15: Want zo is het de wil van God, dat u, weldoende, de mond stopt aan de onwetendheid van de dwaze mensen;
[^1petrus-3-16-36]: Kanttekening 36: 36 in Christus lasteren: Dat is, naar Christus' leer en bevel.
[^1petrus-3-17-37]: Kanttekening 37: 37 lijdt, dan kwaad doende: Namelijk tot beproeving van uw geloof; Jak. 1:2, 1:3, 1:4. Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt; Jakobus 1:3: Wetende, dat de beproeving uws geloofs volharding werkt. Jakobus 1:4: Maar de volharding hebbe een volmaakt werk, opdat u mag volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.
[^1petrus-3-18-p]: Verwijzing p: Rom. 5:6; Hebr. 9:15; idem v. 28. Romeinen 5:6: Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is op Zijn tijd voor de goddelozen gestorven. Hebreeën 9:15: En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erve ontvangen zouden. Hebreeën 9:28: Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten andere male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.
[^1petrus-3-18-38]: Kanttekening 38: 38 in het vlees: Of naar het vlees; dat is, naar zijn menselijke natuur, gelijk dit woord vlees van Christus doorgaans wordt verstaan. Zie Joh. 1:14; Rom. 1:3; 1 Tim. 3:16; want hoewel degenen, die het lichaam doden de ziel niet kunnen doden, Matt. 10:28; nochtans wordt de gehele mens gezegd gedood te zijn, wanneer ziel en lichaam door een geweldigen dood van elkaar worden gescheiden; hoewel geen geweld de ziel noch het lichaam van Christus van zijn Godheid heeft kunnen scheiden. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. Romeinen 1:3: Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; 1 Timotheüs 3:16: En buiten allen twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. Mattheüs 10:28: En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel.
[^1petrus-3-18-39]: Kanttekening 39: 39 door de Geest: Dat is, door Zijn goddelijke natuur, door welke hij Zijne mensheid uit de doden heeft opgewekt, gelijk dit woord geest voor de goddelijke natuur van Christus ook elders gebruikt wordt. Zie Rom. 1:4; Hebr. 9:14, enz. Anderen zetten het over: naar de geest, en verstaan het van de ziel van Christus, die levend is gebleven al was zijn lichaam gedood. Maar zo zou Petrus hier van Christus niets anders zeggen dan wat allen gelovigen toekomt, Matt. 10:28; en dit strijdt ook tegen de eigenschap van het Griekse woord Zoopoietheis (ζωοποιηθεὶς), dat niet betekent een die levend blijft maar levend gemaakt is; welke levendmaking een eigen werk van God is; zie Joh. 5:21; Rom. 4:17; 1 Tim. 6:13. Wat ook van deze geest van Christus hierna gezegd wordt, dat hij door deze aan de geesten in de gevangenis zijnde, ten tijde van Noach gepredikt heeft, kan van de ziel van Christus, die vóór zijn ontvangenis uit Maria nog niet was, ook niet gezegd worden. Romeinen 1:4: Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heer: Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Mattheüs 10:28: En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. Johannes 5:21: Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. Romeinen 4:17: (Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; 1 Timotheüs 6:13: Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,
[^1petrus-3-19-40]: Kanttekening 40: 40 In Denwelken: Of door denwelken; namelijk geest of zijne Godheid.
[^1petrus-3-19-41]: Kanttekening 41: Namelijk Christus, van wie Petrus hier spreekt.
[^1petrus-3-19-42]: Kanttekening 42: 42 heengegaan zijnde: Of gekomen zijnde; dat is, van de hemel afgekomen zijnde; namelijk door zijn openbaring en werking, gelijk Hijzelf tot Abraham sprak, als Hij nederkwam om Lot te verlossen en Sodom en Gomorra door het vuur te straffen, Gen. 18:21, en om zijn volk Israël uit Egypte te verlossen en de Egyptenaars te straffen; Ex. 3:8. Genesis 18:21: Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. Exodus 3:8: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten.
[^1petrus-3-19-43]: Kanttekening 43: 43 de geesten, die in de gevangenis zijn: Deze plaats is zwaar, en wordt daarom verschillend uitgelegd. Sommigen verstaan door deze geesten de heidenen, die in de schaduw van de dood en gelijk als in de hel zaten, aan wie Christus door zijn apostelen het Evangelie gepredikt heeft. Maar de heidenen worden nergens geesten genoemd, en de omstandigheden van de tijd wanneer deze prediking hun is geschied past op zulke uitlegging niet, omdat de apostelen niet ten tijde van Noach, maar na de verrijzenis van Christus het Evangelie hebben verkondigd. Anderen verstaan door deze geesten de verdoemde zielen in de hel, waaraan Christus na Zijn dood zichzelf op een buitengewone wijze zou hebben geopenbaard, om hun Zijn overwinning te verkondigen tot een schrik, en hen van hunne ondankbaarheid en rechtvaardige straf te overtuigen. Maar van zulk een extra-ordinaire verschijning van Christus in de hel wordt nergens in de Schrift gewag gemaakt; zij was ook niet nodig; en het woord prediken dat hier gebruikt wordt, wordt nergens in zulk een zin genomen. Anderen verstaan daardoor de zielen van de gelovigen van het Oude Testament, die ergens onder de aarde in een voorburg van de hel, als in ene gevangenis, zouden bewaard zijn geweest, totdat Christus zou gestorven zijn, en met Zijn ziel bij hen verschenen, om hun te verkondigen hun verlossing uit deze gevangenis, en hen met Hem in de hemel daarna op te voeren. Welke uitlegging, behalve dat zij strijdt met wat Christus zei tot de bekeerde moordenaar aan het kruis: heden zult u met Mij in het paradijs zijn, Luk. 23:43; ook strijdt met de zaligheid van de zielen van de voorvaders, die al voor Christus' dood en opstanding in de hemel waren, gelijk aangetekend is op Hebr. 11:5, 11:16, 11:40, en Hebr. 12:23, en andere plaatsen. Nergens wordt ook een gevangenis genoemd een plaats waarin iemand bewaard wordt om hem gelukkiger te maken, maar wel een plaats waarin iemand bewaard wordt tot zijn oordeel of straf. Het woord prediken ziet ook altijd in Gods Woord op de nodiging tot geloof en bekering, die voor de zielen van de afgestorven gelovigen van het Oude Testament niet meer nodig was, gelijk ook niet toegepast kan worden op die zielen, als gezegd wordt dat Christus door Zijn geest gepredikt heeft aan de zielen die ten tijde van Noach ongehoorzaam waren. Daarom is deze uitlegging de beste en zekerste, dat door de geesten hier verstaan worden de zielen van die mensen, aan welke de geest of Godheid van Christus, door Noach de bekering eertijds heeft laten prediken, namelijk toen zij nog leefden, welke Noach daarom ook een prediker van de gerechtigheid wordt genoemd, 2 Petr. 2:5; welke mensen, niettegenstaande deze prediking door Noach en Gods lankmoedigheid over hen, even ongehoorzaam en goddeloos zijn gebleven, gelijk 2 Petr. 2:5 ook wordt betuigd. Die ook om hun ongehoorzaamheid en goddeloosheid in de gevangenis of hel zijn geweest toen Petrus zijn brief schreef, gelijk de hel ook een gevangenis genoemd wordt, Openb. 20:7; en de onzalige geesten, die daarin zijn, worden gezegd daarin bewaard te worden tot de dag van het oordeel; 2 Petr. 2:4; Jud.:6. Lukas 23:43: En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult u met Mij in het Paradijs zijn. Hebreeën 11:5: Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij God behaagde. Hebreeën 11:16: Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God voor hen niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid. Hebreeën 11:40: Zo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. Hebreeën 12:23: Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen; 2 Petrus 2:5: En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht; 2 Petrus 2:5: En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht; Openbaring 20:7: En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden. 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Judas 1:6: En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
[^1petrus-3-19-q]: Verwijzing q: 1 Petr. 4:6. 1 Petrus 4:6: Want daartoe is ook de doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar de mens in het vlees, maar leven zouden naar God in de geest.
[^1petrus-3-19-44]: Kanttekening 44: 44 gepredikt heeft: Namelijk door Noach, de prediker van de gerechtigheid; 2 Petr. 2:5. 2 Petrus 2:5: En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht;
[^1petrus-3-20-r]: Verwijzing r: Gen. 6:5. Genesis 6:5: En YHWH zag, dat de boosheid van de mensen menigvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten zijns harten te alle dage alleen boos was.
[^1petrus-3-20-s]: Verwijzing s: Gen. 6:3; idem v. 14; Matt. 24:37; Lukas 17:26; Rom. 2:4. Genesis 6:3: Toen zei YHWH: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Genesis 6:14: Maak u een ark van goferhout; met kamers zult u deze ark maken; en u zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. Mattheüs 24:37: En gelijk de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon van de mensen. Lukas 17:26: En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon van de mensen. Romeinen 2:4: Of veracht u de rijkdom Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?
[^1petrus-3-20-45]: Kanttekening 45: 45 verwachtte, in de: Namelijk honderd en twintig jaren lang, of de mensen zich zouden bekeren, eer Hij de bedreigde straf zou uitvoeren; Gen. 6:3. Zie ook van deze lankmoedigheid Gods tegen de ongehoorzamen, Rom. 2:4, en Rom. 9:22. Genesis 6:3: Toen zei YHWH: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. Romeinen 2:4: Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? Romeinen 9:22: En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid;
[^1petrus-3-20-t]: Verwijzing t: Gen. 8:18; 2 Petr. 2:5. Genesis 8:18: Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijn zonen met hem. 2 Petrus 2:5: En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht;
[^1petrus-3-20-46]: Kanttekening 46: 46 zielen behouden werden: Dat is, mensen, gelijk Hand. 2:41. Handelingen 2:41: Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
[^1petrus-3-20-47]: Kanttekening 47: 47 door het water: Of in het water; dat is, midden in en door het water, gelijk dit Griekse woord dia (δια-σώζω) ook gebruikt wordt, Rom. 4:11; 1 Tim. 2:15. Romeinen 4:11: En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde; 1 Timotheüs 2:15: Maar zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.
[^1petrus-3-21-48]: Kanttekening 48: 48 Waarvan het: Dit ziet op de ark en de ingang van Noach in de ark, door welke Noach is behouden gebleven in het water van de zondvloed, waarin de anderen vergingen.
[^1petrus-3-21-v]: Verwijzing v: Efez. 5:26. Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord;
[^1petrus-3-21-49]: Kanttekening 49: 49 tegenbeeld, de doop: De doop wordt zo genoemd, omdat hij een sacrament is van onze behoudenis uit het algemeen verderf van de wereldse mensen, gelijk de ark was een middel van de lichamelijke behoudenis van Noach en de zijnen uit het verderf van de eerste wereld.
[^1petrus-3-21-50]: Kanttekening 50: 50 niet die een aflegging: Dat is, die doop behoudt onze zielen eigenlijk niet, die uitwendig is, en waardoor de vuiligheid van het lichaam wordt afgewassen, welke ook vele huichelaars en mond-christenen deelachtig zijn; maar, wil hij zeggen, die inwendig is, en door het bloed en de Geest van Christus aan onze zielen geschiedt.
[^1petrus-3-21-51]: Kanttekening 51: 51 van het lichaam: Grieks van het vlees.
[^1petrus-3-21-52]: Kanttekening 52: 52 een vraag: Of afvraging. Het Griekse woord betekent hier zulk een afvraging, die met een ernstige begeerte is gemengd van datgene waarnaar men vraagt, gelijk als men iemand om raad en hulp vraagt of verzoekt.
[^1petrus-3-21-53]: Kanttekening 53: 53 van een goed geweten: Dat is, die door het bloed en de Geest van Jezus Christus is gereinigd; Hebr. 9:14. En hierdoor wordt verstaan de vrijmoedige toegang en aanspraak van de gelovigen in hun vertrouwen, en in hun gebeden tot God, als tot hun vader; zie Rom. 8:15; Gal. 4:6, welke een afscheidbare vrucht is van de vergeving onzer zonden en van onze vernieuwing of wedergeboorte. Anderen menen, dat hier gezien wordt op het gebruik van de doop van de volwassenen in de eerste Kerk, aan wie afgevraagd werd of zij ook de duivel en de wereld voortaan wilden afzweren, en in een nieuw leven, met een goed geweten voor God wandelen; waarop zij antwoordden: ja; welke vraag en antwoord door dit Griekse woord eperotema (ἐπερώτημα) zou verstaan worden. Dit antwoord dan uit een goede of gereinigde consciëntie voor God spruitende, betuigt ook de inwendige doop van het hart. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Galaten 4:6: En omdat u kinderen bent, zo heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
[^1petrus-3-21-54]: Kanttekening 54: 54 door de opstanding: Namelijk die een volkomen bewijs is van Christus' voldoening voor onze zonden, en een onderpand van de opwekking van de nieuwe mens en van onze zalige opstanding hiernamaals. Zie Rom. 6:3, enz. Romeinen 6:3: Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
[^1petrus-3-22-x]: Verwijzing x: Efez. 1:20. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel;
[^1petrus-3-22-55]: Kanttekening 55: 55 aan de rechterhand van God: Zie hiervan, en wat volgt, Ef. 1:20, enz; Kol. 3:1. Efeziërs 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; Kolossensen 3:1: Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God.

### 1 Petrus 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1petrus/4.json)

*1 Uitgaande van het lijden van Christus leidt de apostel een vermaning af dat zij niet moeten leven naar de begeerten van het vlees, maar naar Gods wil. 4 Hij leert dat zij die het tegendeel doen, of anderen daartoe brengen, God rekenschap zullen geven. 6 Daarom is ook aan de doden het Evangelie verkondigd. 7 Daarna vermaant hij hen tot nuchterheid, bidden, liefde en andere deugden, 10 en tot het juiste gebruik van de gaven en bedieningen die ieder ontvangen heeft. 12 Hij leert opnieuw dat het lot van de gelovigen is verdrukking te lijden, en dat dit hun tot zegen is. 15 Maar hij waarschuwt dat niemand mag lijden als een kwaaddoener, maar dat hij mag lijden als een christen, 17 aangezien het oordeel van God bij zijn huis begint, 18 terwijl de anderen hierna een zwaarder oordeel te verwachten hebben.*

**1** Omdat dan Christus voor ons[^1petrus-4-1-1] in het vlees[^1petrus-4-1-2] geleden heeft,[^1petrus-4-1-a] zo[^1petrus-4-1-3] wapent u zich ook met dezelfde gedachte,[^1petrus-4-1-b] namelijk dat[^1petrus-4-1-4] wie in het vlees geleden heeft, die heeft[^1petrus-4-1-5] opgehouden van de zonde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v1)

**2** [^1petrus-4-2-c] Om nu niet meer naar de begeerlijkheden[^1petrus-4-2-6] van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd,[^1petrus-4-2-7] die overig is in het vlees, te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v2)

**3** [^1petrus-4-3-d] Want het is ons genoeg, dat wij[^1petrus-4-3-8] de voorgaande tijd van het[^1petrus-4-3-9] leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchten, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en[^1petrus-4-3-10] gruwelijke afgoderijen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v3)

**4** Waarin[^1petrus-4-4-11] zij zich vreemd houden, als u niet medeloopt tot dezelfde uitgieting van de overdadigheid, en u[^1petrus-4-4-12] lasteren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v4)

**5** Die zullen rekenschap geven Degene, Die bereid staat om te oordelen[^1petrus-4-5-13] de levenden en de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v5)

**6** [^1petrus-4-6-e] Want daartoe is ook de[^1petrus-4-6-14] doden[^1petrus-4-6-15] het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden[^1petrus-4-6-16] geoordeeld worden[^1petrus-4-6-17] naar de mens[^1petrus-4-6-18] in het vlees, maar[^1petrus-4-6-19] leven zouden[^1petrus-4-6-20] naar God[^1petrus-4-6-21] in de geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v6)

**7** [^1petrus-4-7-f] En het einde[^1petrus-4-7-22] alle dingen is nabij;[^1petrus-4-7-g] wees dan nuchter, en waakt in de gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v7)

**8** Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar;[^1petrus-4-8-h] want de liefde[^1petrus-4-8-23] zal menigte van zonden bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v8)

**9** [^1petrus-4-9-i] Wees gastvrij tegenover elkaar,[^1petrus-4-9-24][^1petrus-4-9-k] zonder morren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v9)

**10** [^1petrus-4-10-l] Een ieder[^1petrus-4-10-25] zoals hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v10)

**11** [^1petrus-4-11-m] Als iemand[^1petrus-4-11-26] spreekt, die[^1petrus-4-11-27] spreke als het woord van God; als iemand[^1petrus-4-11-28] dient,[^1petrus-4-11-29] die moet dienen als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v11)

**12** Geliefden,[^1petrus-4-12-30][^1petrus-4-12-n] houdt u niet vreemd over[^1petrus-4-12-31] de hitte van de verdrukking onder u, die u gebeurt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v12)

**13** Maar zoals u gemeenschap hebt aan[^1petrus-4-13-32] het lijden van[^1petrus-4-13-33] Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v13)

**14** [^1petrus-4-14-o] Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want[^1petrus-4-14-34] de Geest van de heerlijkheid, en[^1petrus-4-14-35] de Geest van God rust op u. Wat[^1petrus-4-14-36] hen betreft,[^1petrus-4-14-37] Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft,[^1petrus-4-14-38] Hij wordt verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v14)

**15** Maar dat niemand van u lijde als een moordenaar, of dief,[^1petrus-4-15-39] of kwaaddoener, of als een,[^1petrus-4-15-40] die zich met het doen van een ander bemoeit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v15)

**16** Maar als iemand lijdt als een Christen,[^1petrus-4-16-41] die schame zich niet, maar verheerlijke God in deze dele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v16)

**17** [^1petrus-4-17-p] Want het is de tijd, dat[^1petrus-4-17-42] het oordeel beginne[^1petrus-4-17-43] van het huis van God; en als het eerst van ons begint,[^1petrus-4-17-44][^1petrus-4-17-q] welk zal het einde zijn van degenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v17)

**18** [^1petrus-4-18-r] En als de rechtvaardige[^1petrus-4-18-45] nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar[^1petrus-4-18-46][^1petrus-4-18-47] verschijnen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v18)

**19** Zo dan ook die lijden naar de wil van God, dat zij hun zielen Hem, als de getrouwen Schepper, bevelen met weldoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/4.html#v19)

[^1petrus-4-1-1]: Kanttekening 1: 1 in het vlees: Dat is, in zijn menselijke natuur, gelijk 1 Petr. 3:18. 1 Petrus 3:18: Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest;
[^1petrus-4-1-2]: Kanttekening 2: 2 geleden heeft: Namelijk tot verzoening en wegneming onzer zonden.
[^1petrus-4-1-a]: Verwijzing a: Hebr. 12:1. Hebreeën 12:1: Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
[^1petrus-4-1-3]: Kanttekening 3: 3 wapent u zich ook: Dat is, sterkt u, namelijk tegen alle aanvechtingen en verleidingen van het vlees, van de duivel en van de wereld.
[^1petrus-4-1-b]: Verwijzing b: Rom. 6:7. Romeinen 6:7: Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
[^1petrus-4-1-4]: Kanttekening 4: 4 wie in het vlees geleden heeft: Dat is, wie van de zonde gestorven is of wie zijn vlees en verdorven natuur gekruisigd en gedood heeft; zodat het woord vlees en het woord lijden hier anders worden genomen dan in de voorgaande woorden, door een wijze van spreken bij de Grieken genoemd Antanaclasis, die in de Schrift zeer gebruikelijk is.
[^1petrus-4-1-5]: Kanttekening 5: 5 opgehouden van de zonde: Namelijk om die voortaan niet meer te dienen. Zie hiervan breder Rom. 6:3, enz.; gelijk ook vers 2 verklaart. Romeinen 6:3: Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? 1 Petrus 4:2: Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven.
[^1petrus-4-2-c]: Verwijzing c: Rom. 14:7; 2 Kor. 5:15; Galat. 2:20; Efez. 4:24; 1 Thes. 5:10; Hebr. 9:14. Romeinen 14:7: Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven. 2 Korinthiërs 5:15: Als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Galaten 2:20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Efeziërs 4:24: En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. 1 Thessalonicensen 5:10: Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden. Hebreeën 9:14: Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwigen Geest Zichzelven voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levenden God te dienen?
[^1petrus-4-2-6]: Kanttekening 6: 6 van de mensen: Dat is, van de natuurlijke en onwedergeboren mensen. Zie Ef. 2:3. Efeziërs 2:3: Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, gelijk ook de anderen;
[^1petrus-4-2-7]: Kanttekening 7: 7 die overig is: Namelijk na onze doop en bekering.
[^1petrus-4-3-d]: Verwijzing d: Efez. 4:17. Efeziërs 4:17: Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.
[^1petrus-4-3-8]: Kanttekening 8: 8 de voorgaande tijd: Namelijk die onze bekering in onze onwetendheid voorgegaan is.
[^1petrus-4-3-9]: Kanttekening 9: 9 van de heidenen wil: Dat is, hoewel wij Joden waren nochtans geleefd hebben naar de gewoonte of lusten van de heidenen, waar wij onder woonden; niet dat de apostel zelf juist zo geleefd had, maar hij spreekt zo bij een wijze van spreken, die communicatie wordt genoemd.
[^1petrus-4-3-10]: Kanttekening 10: 10 gruwelijke afgoderijen: Of ongeoorloofd, onbehoorlijk. Dit wordt daar niet bij gedaan als of er enige afgoderij ware, die niet gruwelijk of ongeoorloofd is; maar om uit te drukken de afgrijselijkheid van de afgoderij, waartoe de Joden zich van de heidenen, waar zij onder woonden, ook dikwijls lieten verleiden om hun te behagen.
[^1petrus-4-4-11]: Kanttekening 11: Namelijk onbekeerde Joden en heidenen.
[^1petrus-4-4-12]: Kanttekening 12: 12 en u lasteren: Dat is, scheiden of lasteren u en de leer, omdat u deze navolgende, niet doet gelijk zij.
[^1petrus-4-5-13]: Kanttekening 13: 13 de levenden en de doden: Dat is, alle mensen. Zie Hand. 10:42. Handelingen 10:42: En heeft ons geboden het volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.
[^1petrus-4-6-e]: Verwijzing e: Joh. 5:25; 1 Petr. 3:19. Johannes 5:25: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Het uur komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven. 1 Petrus 3:19: In Denwelken Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,
[^1petrus-4-6-14]: Kanttekening 14: Namelijk die ten tijde van Noach geleefd hebben, en nu dood zijn, waarvan hij hiervoor 1 Petr. 3:19, 3:20, heeft gesproken; die Noach lasterden, omdat hij niet deed gelijk zij, namelijk huwelijken, eten, drinken, enz., zonder bedenken van Gods toekomende straf, gelijk Christus daarvan ook spreekt Matt. 24:37, 24:38. 1 Petrus 3:19: In Denwelken Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 1 Petrus 3:20: Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. Mattheüs 24:37: En gelijk de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon van de mensen. Mattheüs 24:38: Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, in welke Noach in de ark ging;
[^1petrus-4-6-15]: Kanttekening 15: 15 het Evangelie: Namelijk door Noach, de prediker van de gerechtigheid; namelijk om hen daardoor tot bekering van zulk een zorgeloos leven te brengen.
[^1petrus-4-6-16]: Kanttekening 16: 16 geoordeeld worden: Dat is, gestraft of gekastijd worden, gelijk 1 Kor. 11:31, 11:32. Namelijk door de zondvloed, die God over het gehele menselijke geslacht wilde doen komen. Anderen verstaan dit van de doding van het vlees en van het geestelijke leven van de Geest. Maar de eerste verklaring komt met de woorden hier en met 1 Petr. 3:19 beter overeen. 1 Korinthiërs 11:31: Want als wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. 1 Korinthiërs 11:32: Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heer getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. 1 Petrus 3:19: In Denwelken Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,
[^1petrus-4-6-17]: Kanttekening 17: 17 naar de mens: Grieks naar de mensen; dat is naar de uitwendige stand van de mensen in deze wereld.
[^1petrus-4-6-18]: Kanttekening 18: 18 in het vlees: Dat is, in het lichaam, door het benemen van hun tijdelijk leven.
[^1petrus-4-6-19]: Kanttekening 19: 19 leven zouden: Namelijk zo zij Noach hoorden en zijne vermaning waarnamen, en zich daarvan bekeerden.
[^1petrus-4-6-20]: Kanttekening 20: 20 naar God: Dat is, voor God, of naar Gods genade, die hun werd aangeboden.
[^1petrus-4-6-21]: Kanttekening 21: 21 in de geest: Dat is, naar de ziel en in hun geestelijken stand; gelijk het kan zijn; hoewel Petrus dit niet klaar zegt, dat enigen zich in het einde nog bekeerd hebben, ziende dat God zijn straf reeds over hen zond. Immers blijkt hieruit, dat God daarom Noach hun tot een prediker heeft gezonden, om hen tot bekering te noden, opdat, zo hunne lichamen vergingen, ten minste hun zielen behouden werden.
[^1petrus-4-7-f]: Verwijzing f: 1 Joh. 2:18. 1 Johannes 2:18: Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk u gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.
[^1petrus-4-7-22]: Kanttekening 22: 22 alle dingen is nabij: Namelijk in deze wereld. En daarom, wil de apostel zeggen, moeten wij op onze hoede zijn, opdat ons het laatste oordeel niet overvalle, gelijk de zondvloed de eerste wereld overviel. Zie dergelijke Matt. 24:37; Luk. 21:34. Mattheüs 24:37: En gelijk de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon van de mensen. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van dit leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^1petrus-4-7-g]: Verwijzing g: Lukas 21:34. Lukas 21:34: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden van deze levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.
[^1petrus-4-8-h]: Verwijzing h: Spreuk. 10:12. Spreuken 10:12: Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
[^1petrus-4-8-23]: Kanttekening 23: 23 zal menigte van zonden bedekken: Namelijk onder de mensen, zo de liefde alles verdraagt, alles ten beste duidt, alles vergeeft. En deze zin eist duidelijk de plaats Spreuk. 10:12; waar de apostel deze woorden uitneemt. Want het is alleen de verdienste van Christus, die onze zonden voor het oordeel van God bedekt; 1 Joh. 2:1, 2:2. Spreuken 10:12: Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 1 Johannes 2:1: Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; 1 Johannes 2:2: En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
[^1petrus-4-9-i]: Verwijzing i: Rom. 12:13; Hebr. 13:2. Romeinen 12:13: Deelt mee tot de behoeften van de heiligen. Tracht naar herbergzaamheid. Hebreeën 13:2: Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.
[^1petrus-4-9-24]: Kanttekening 24: 24 zonder morren: Namelijk dat u zulks te moeilijk of te lastig valt, gelijk de mensen licht plegen te doen.
[^1petrus-4-9-k]: Verwijzing k: Filip. 2:14. Filippensen 2:14: Doet alle dingen zonder morren en tegenspreken;
[^1petrus-4-10-l]: Verwijzing l: Spreuk. 3:28; Rom. 12:6; 2 Kor. 8:11. Spreuken 3:28: Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weer, en morgen zal ik geven, omdat het bij u is. Romeinen 12:6: Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, 2 Korinthiërs 8:11: Maar nu voltooit ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid van de gemoeds om te willen, er ook zo zij het voltooien uit wat u hebt.
[^1petrus-4-10-25]: Kanttekening 25: 25 gelijk hij gave: Namelijk van God. Waaronder ook de verscheiden roeping tot gebruik van deze gaven wordt verstaan; gelijk Ef. 4:8. Efeziërs 4:8: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
[^1petrus-4-11-m]: Verwijzing m: Jer. 23:22. Jeremia 23:22: Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hun handelingen.
[^1petrus-4-11-26]: Kanttekening 26: 26 spreekt, die spreke: Dat is, Gods woord de gemeente of in het openbaar en algemeen, of in het bijzonder voorstelt en uitlegt tot lering, troosting en vermaning, enz.
[^1petrus-4-11-27]: Kanttekening 27: 27 als de woorden Gods: Dat is, met allen ernst en eerbied, gelijk het passend is Gods Woord te spreken.
[^1petrus-4-11-28]: Kanttekening 28: 28 dient, die diene: Of, bedient, die bediene. Want hij spreekt hier van het ambt van de diakenen en diakonessen. Zie dergelijke Rom. 12:6, 12:7, 12:8. Romeinen 12:6: Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, Romeinen 12:7: Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; Romeinen 12:8: Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.
[^1petrus-4-11-29]: Kanttekening 29: 29 als uit kracht: Dat is, met ernst en ijver, gelijk die van Godswege zulks doet; mild, gelijk die door Gods zegen doet wat hij doet; en in nederigheid, gelijk zulks doende niet uit zijn eigen krachten maar daartoe van God, die een oorsprong alles goeds is, krachten verkrijgende.
[^1petrus-4-12-30]: Kanttekening 30: 30 houdt u niet vreemd: Grieks zijt geen vreemdelingen; dat is, laat u niet vreemd dunken, of verwondert u niet gelijk vreemden plegen, wanneer hun iets ongewoons overkomt. Gelijk ook vers 4. 1 Petrus 4:4: Waarin zij zich vreemd houden, als u niet medeloopt tot dezelfde uitgieting van de overdadigheid, en u lasteren;
[^1petrus-4-12-n]: Verwijzing n: Jes. 48:10; 1 Kor. 3:13; 1 Petr. 1:7. Jesaja 48:10: Ziet, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. 1 Korinthiërs 3:13: Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, omdat het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig van een ieder werk is, zal het vuur beproeven. 1 Petrus 1:7: Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
[^1petrus-4-12-31]: Kanttekening 31: 31 de hitte van de verdrukking: Het Griekse woord pyrosis (πυρώσει) betekent een werking van het vuur tot beproeving.
[^1petrus-4-13-32]: Kanttekening 32: 32 het lijden van Christus: Dat is, aan de verdrukkingen die wij naar het voorbeeld van Christus en om Zijnentwil lijden. Of die Christus lijdt in Zijn leden. Zie Rom. 8:17; 2 Kor. 1:5; Kol. 1:24; Hebr. 11:26. Romeinen 8:17: En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 2 Korinthiërs 1:5: Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig. Kolossensen 1:24: Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente; Hebreeën 11:26: Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.
[^1petrus-4-13-33]: Kanttekening 33: 33 zo verblijdt u: Namelijk dat u waard geacht bent om Christus' wil, en naar Zijn voorbeeld te lijden. Zie Matt. 5:12; Hand. 5:41. Mattheüs 5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. Handelingen 5:41: Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waren waard geacht geweest, vanwege Zijn Naam smaadheid te lijden.
[^1petrus-4-14-o]: Verwijzing o: Matt. 5:10; 1 Petr. 2:20; 1 Petr. 3:14. Mattheüs 5:10: Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. 1 Petrus 2:20: Want wat lof is het, als u verdraagt, als u zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar als u verdraagt, als u weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. 1 Petrus 3:14: Maar als u ook lijdt vanwege de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd;
[^1petrus-4-14-34]: Kanttekening 34: 34 de Geest van de heerlijkheid: Dat is, die u met heerlijkheid als kinderen van God versiert, gelijk Hij de Geest van de waarheid, van de wijsheid, enz., ook elders wordt genaamd; Jes. 11:2; Joh. 16:13. Jesaja 11:2: En op Hem zal de Geest van YHWH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor YHWH. Johannes 16:13: Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
[^1petrus-4-14-35]: Kanttekening 35: 35 de Geest van God: Dat is, die ons God door Christus en om Christus' wil mededeelt, in ons als Zijn leden woont en ons daarom Christus in deze gelijkvormig maakt.
[^1petrus-4-14-36]: Kanttekening 36: Namelijk uwe verdrukkers.
[^1petrus-4-14-37]: Kanttekening 37: 37 Hij wordt wel gelasterd: Namelijk deze Geest, die deze vrijmoedigheid in u baart.
[^1petrus-4-14-38]: Kanttekening 38: 38 Hij wordt verheerlijkt: Namelijk als u in het midden van de verdrukking Zijn kracht en vertroosting in u gevoelt, en daardoor bij anderen bewijst. Zie Matt. 10:19; Luk. 12:11; Joh. 14:16, 14:17. Mattheüs 10:19: Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u in dezelfde ure gegeven worden, wat u spreken zult. Lukas 12:11: En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; Johannes 14:16: En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in eeuwigheid; Johannes 14:17: Namelijk de Geest van de waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar u kent Hem; want Hij blijft bij u, en zal in u zijn.
[^1petrus-4-15-39]: Kanttekening 39: 39 of kwaaddoener: Namelijk van enige andere soort van kwaad, waarover de burgerlijke wetten van de mensen plegen te straffen.
[^1petrus-4-15-40]: Kanttekening 40: 40 die zich met eens: Dat is, met een anders ambt of zaken, uit bemoeizucht of albestierigheid, waardoor dikwijls verwarringen, twisten en scheuringen voortkomen, en daarom ook strafbaar is.
[^1petrus-4-16-41]: Kanttekening 41: 41 die schame zich niet: Namelijk over het lijden, of over de schande, die Hem daarom aangedaan wordt.
[^1petrus-4-17-p]: Verwijzing p: Jer. 25:29; Lukas 23:31. Jeremia 25:29: Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt YHWH van de heirscharen. Lukas 23:31: Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre gebeuren?
[^1petrus-4-17-42]: Kanttekening 42: 42 het oordeel beginne: Dat is, de kastijdingen. Want gelijk de verdrukkingen zijn beproevingen van de gelovigen, zo zijn ook die hun kastijdingen, ten aanzien van Gods hand, die deze roeden gebruikt tot hun best. Zie Hebr. 12:6, enz. Hebreeën 12:6: Want die de Heer liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.
[^1petrus-4-17-43]: Kanttekening 43: 43 van het huis van God: Dat is, van de huisgenoten Gods of van Zijne gemeente; Hebr. 3:1, enz. Hebreeën 3:1: Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;
[^1petrus-4-17-44]: Kanttekening 44: 44 welk zal het einde: Dat is, hoe vreeslijk zal, enz.
[^1petrus-4-17-q]: Verwijzing q: Lukas 10:12. Lukas 10:12: En Ik zeg u, dat het die van Sodom verdragelijker wezen zal in die dag, dan die stad.
[^1petrus-4-18-r]: Verwijzing r: Spreuk. 11:31. Spreuken 11:31: Ziet, de rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer de goddeloze en zondaar!
[^1petrus-4-18-45]: Kanttekening 45: 45 nauwelijks zalig: Dat is, niet dan door veel strijd, vele verdrukkingen, benauwdheden, beproevingen en kastijdingen, Matt. 7:13, 7:14. Anders gaat de zaligheid van de gelovigen, die door het geloof in Christus gerechtvaardigd zijn en door Zijn Geest geheiligd, naar Gods belofte zeker en gewis. Zie Rom. 8:33. Mattheüs 7:13: Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelfde ingaan; Mattheüs 7:14: Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelfde vinden. Romeinen 8:33: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt.
[^1petrus-4-18-46]: Kanttekening 46: Dat is, de onboetvaardige zondaar; Ps. 1:1; Joh. 9:31. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Johannes 9:31: En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.
[^1petrus-4-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk om in Gods oordeel te bestaan; Ps. 1:5. Psalmen 1:5: Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen.

### 1 Petrus 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1petrus/5.json)

*1 Petrus vermaant de ouderlingen dat zij de kudde van God behoorlijk weiden, 4 en belooft hun de kroon van de heerlijkheid als beloning. 5 Daarna vermaant hij de jongeren tot onderdanigheid en nederigheid, 7 en ieder, dat hij zijn zorg op God werpt. 8 Hij houdt hun de list en de macht van de duivel voor ogen, en vermaant hen daartegen te waken. 10 Hij bidt God dat Hij hen versterkt 11 en prijst Hem. 12 Hij geeft de reden waarom hij hun in het kort heeft geschreven, 13 en besluit de brief met onderlinge groet en de wens van vrede.*

**1** [^1petrus-5-1-1] De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die[^1petrus-5-1-2] een medeouderling, en getuige van het lijden van Christus ben, en[^1petrus-5-1-3] deelachtig van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v1)

**2** [^1petrus-5-2-4][^1petrus-5-2-a] Weid de kudde van God, die onder u is, houdende de wacht[^1petrus-5-2-5] daarover, niet uit bedwang, maar gewillig;[^1petrus-5-2-b] noch om vuile winst, maar met een bereidwillig gemoed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v2)

**3** [^1petrus-5-3-c] Noch als heerschappij voerende over[^1petrus-5-3-6] het erfdeel van[^1petrus-5-3-d] de[^1petrus-5-3-7] Heere, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v3)

**4** En als[^1petrus-5-4-8][^1petrus-5-4-e] de overste Herder verschenen zal zijn,[^1petrus-5-4-f] zo zult u[^1petrus-5-4-9] de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v4)

**5** Evenzo u jongen, wees de oude onderdanig;[^1petrus-5-5-g] en wees allen[^1petrus-5-5-10] elkaar onderdanig; wees met de nederigheid[^1petrus-5-5-11] bekleed;[^1petrus-5-5-h] want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v5)

**6** [^1petrus-5-6-12][^1petrus-5-6-i] Verneder u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge op Zijn tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v6)

**7** [^1petrus-5-7-k] Werp al uw zorgen op Hem,[^1petrus-5-7-l] want Hij zorgt voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v7)

**8** [^1petrus-5-8-m] Wees nuchter, en[^1petrus-5-8-n] waakt; want uw tegenstander, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen[^1petrus-5-8-13] verslinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v8)

**9** [^1petrus-5-9-o] Die wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden[^1petrus-5-9-14] aan uw broederschap, die in de wereld is,[^1petrus-5-9-15] volbracht wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v9)

**10** De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij[^1petrus-5-10-p] een korte tijd zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke, en fondere u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v10)

**11** Hem zij de heerlijkheid en de kracht[^1petrus-5-11-16] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v11)

**12** Door[^1petrus-5-12-17] Silvanus, die u een getrouw broeder is,[^1petrus-5-12-18] zo ik acht, heb ik met weinig woorden geschreven, vermanende en betuigende, dat deze is[^1petrus-5-12-19] de waarachtige genade van God, waarin u staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v12)

**13** U groet de medeuitverkorene Gemeente, die[^1petrus-5-13-20] in Babylon is, en[^1petrus-5-13-21] Markus,[^1petrus-5-13-22] mijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v13)

**14** Groet elkaar[^1petrus-5-14-q] met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus bent. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1petrus/5.html#v14)

[^1petrus-5-1-1]: Kanttekening 1: 1 De ouderlingen: Dat is, de leraars en herders van de gemeente; gelijk Tit. 1:5. Titus 1:5: Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zoudt te recht brengen, en dat u van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:
[^1petrus-5-1-2]: Kanttekening 2: 2 een medeouderling: Namelijk naast u. Petrus verheft zich dan niet boven allen, als een hoofd van alle leraars.
[^1petrus-5-1-3]: Kanttekening 3: 3 deelachtig van de: Dit kan verstaan worden van de hoop van de apostel gelijk ook van alle gelovigen, Rom. 8:24; of ook van de bijzondere aanschouwing, die hem van Christus' heerlijkheid vertoond is geweest met de twee andere apostelen op de berg, Matt. 17:1; 2 Petr. 1:16, 1:17, 1:18, welke hiernamaals voor de gehele wereld volkomen zal geopenbaard worden; 1 Joh. 3:2. Romeinen 8:24: Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Mattheüs 17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1:17: Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. 2 Petrus 1:18: En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren. 1 Johannes 3:2: Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^1petrus-5-2-4]: Kanttekening 4: 4 Weidt de kudde Gods: Dat is, leert en verzorgt de gemeente van God, als rechte herders, van al wat haar nodig is ter zaligheid; of hebt acht op dezelfde, gelijk Paulus spreekt Hand. 20:28; een gelijkenis, genomen van de zorg van de herders over hun schapen; waarvan zie breder Joh. 10. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^1petrus-5-2-a]: Verwijzing a: Hand. 20:28. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^1petrus-5-2-5]: Kanttekening 5: 5 niet uit bedwang: Dat is, niet uit vrees voor bestraffing, of straf.
[^1petrus-5-2-b]: Verwijzing b: 1 Tim. 3:3; Titus 1:7. 1 Timotheüs 3:3: Niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst;
[^1petrus-5-3-c]: Verwijzing c: 2 Kor. 1:24. 2 Korinthiërs 1:24: Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uw blijdschap; want u staat door het geloof.
[^1petrus-5-3-6]: Kanttekening 6: 6 het erfdeel van de Heer: Grieks klerôn; dat is, loten of erfdelen; zo genoemd, omdat de erfenissen van het land Kanaän, gelijk ook andere erfenissen in het algemeen, door het lot gedeeld werden; en de bijzondere gemeenten, of de gelovigen worden zo genoemd, omdat God hen tot zijn eigendom uit de hoop van de algemene mensen heeft gekozen en tot kinderen en erfgenamen aangenomen. Zie Hand. 26:18; gelijk God ook Zijn volk in het algemeen zo noemt, Deut. 9:29; 1 Kon. 8:51; Ps. 28:9, vanwege Zijn bijzondere liefde en zorg over hen, die hij zichzelf als door het lot tot een eigendom had aangenomen. Handelingen 26:18: Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. Deuteronomium 9:29: Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat U door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd! 1 Koningen 8:51: Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden van de ijzeren oven; Psalmen 28:9: Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
[^1petrus-5-3-d]: Verwijzing d: Filip. 3:17; 1 Tim. 4:12; Titus 2:7. Filippensen 3:17: Weest mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, gelijk u ons tot een voorbeeld hebt. 1 Timotheüs 4:12: Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid. Titus 2:7: Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;
[^1petrus-5-3-7]: Kanttekening 7: 7 voorbeelden van de: Dat is, voorbeelden in leer en leven.
[^1petrus-5-4-8]: Kanttekening 8: 8 de overste Herder: Zo noemt Petrus hier niet zichzelf maar Christus; want die is alleen de herder van al de herders en van al de schapen, zo Joden als heidenen, welke titel niemand anders kan toekomen.
[^1petrus-5-4-e]: Verwijzing e: Jes. 40:11; Ez. 34:23; Joh. 10:11; Hebr. 13:20; 1 Petr. 2:25. Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Ezechiël 34:23: En Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. Johannes 10:11: Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Hebreeën 13:20: De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwigen testament, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heer Jezus Christus, 1 Petrus 2:25: Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener uw zielen.
[^1petrus-5-4-f]: Verwijzing f: 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 4:8; Jak. 1:12; 1 Petr. 1:4. 1 Korinthiërs 9:25: En een iedereen, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. Jakobus 1:12: Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon van het leven ontvangen, welke de Heer beloofd heeft degene, die Hem liefhebben. 1 Petrus 1:4: Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
[^1petrus-5-4-9]: Kanttekening 9: 9 de onverwelkelijke: Het Griekse woord amarantinon (ἀμαράντινον) komt van amarantus, dat een kruid is dat niet verwelkt, waarvan eertijds kransen gemaakt werden. Zie 1 Kor. 9:24, 9:25. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen. 1 Korinthiërs 9:25: En een ieder, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.
[^1petrus-5-5-g]: Verwijzing g: Rom. 12:10; Filip. 2:3. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met voordat de één de ander voorgaande. Filippensen 2:3: Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één de ander uitmuntender dan zichzelven.
[^1petrus-5-5-10]: Kanttekening 10: 10 elkaar onderdanig: Dit zegt de apostel, niet ten opzichte van elk ambt, geestelijk of wereldlijk, waarin altijd behoorlijk onderscheid moet worden gehouden, maar ten opzichte van de algemene liefde, waarin elk de ander zoveel doenlijk is moet wijken en toegeven. Zie Rom. 12:10. Romeinen 12:10: Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de één de ander voorgaande.
[^1petrus-5-5-11]: Kanttekening 11: Of versierd.
[^1petrus-5-5-h]: Verwijzing h: Spreuk. 3:34; Jak. 4:6. Spreuken 3:34: Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar de zachtmoedigen zal Hij genade geven. Jakobus 4:6: Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
[^1petrus-5-6-12]: Kanttekening 12: 12 Vernedert u dan: Namelijk voor alles en in alles; dat is, onderwerpt u met een nederig en gelovig gemoed de wil en de regering Gods, gelijk vers 7 ook verklaart. 1 Petrus 5:7: Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.
[^1petrus-5-6-i]: Verwijzing i: Job 22:29; Spreuk. 29:23; Matt. 23:12; Lukas 14:11; Jak. 4:10. Job 22:29: Als men iemand vernederen zal, en u zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God de nederige van ogen behouden. Spreuken 29:23: De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. Mattheüs 23:12: En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. Lukas 14:11: Want een iedereen, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Jakobus 4:10: Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhogen.
[^1petrus-5-7-k]: Verwijzing k: Ps. 55:23; Matt. 6:25; Lukas 12:22; Filip. 4:6; 1 Tim. 6:8. Psalmen 55:23: Werp uw zorg op YHWH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. Mattheüs 6:25: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Lukas 12:22: En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u u kleden zult. Filippensen 4:6: Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 1 Timotheüs 6:8: Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede tevreden zijn.
[^1petrus-5-7-l]: Verwijzing l: 1 Kor. 9:9; Hebr. 13:5. 1 Korinthiërs 9:9: Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? Hebreeën 13:5: Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.
[^1petrus-5-8-m]: Verwijzing m: 1 Thes. 5:6; 1 Petr. 1:13; 1 Petr. 4:7. 1 Thessalonicensen 5:6: Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn. 1 Petrus 1:13: Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchter zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. 1 Petrus 4:7: En het einde alle dingen is nabij; zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden.
[^1petrus-5-8-n]: Verwijzing n: Job 1:7; Lukas 22:31. Job 1:7: Toen zei YHWH tot de satan: Van waar komt u? En de satan antwoordde YHWH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. Lukas 22:31: En de Heer zei: Simon, Simon, ziet, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe;
[^1petrus-5-8-13]: Kanttekening 13: Dat is, tot een val of afval brengen en daardoor tot het verderf.
[^1petrus-5-9-o]: Verwijzing o: Efez. 4:27; Jak. 4:7. Efeziërs 4:27: En geeft de duivel geen plaats. Jakobus 4:7: Zo onderwerpt u dan voor God; wederstaat de duivel, en hij zal van u vluchten.
[^1petrus-5-9-14]: Kanttekening 14: 14 aan uw broederschap: Dat is, aan al de broeders, die met u een zijn in het geloof; gelijk hiervoor 1 Petr. 2:17. 1 Petrus 2:17: Eert een ieder; hebt de broederschap lief; vreest God; eert de koning.
[^1petrus-5-9-15]: Kanttekening 15: 15 volbracht wordt: Grieks voltooid; dat is, aan hen zowel alom als aan u geschiedt. Want dit is het lot van alle gelovigen. Zie Hand. 14:22. Handelingen 14:22: Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God.
[^1petrus-5-10-p]: Verwijzing p: Hebr. 10:37; 1 Petr. 1:6. Hebreeën 10:37: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven. 1 Petrus 1:6: In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
[^1petrus-5-11-16]: Kanttekening 16: 16 in alle eeuwigheid: Grieks tot de eeuwen van de eeuwen.
[^1petrus-5-12-17]: Kanttekening 17: Die ook elders Silas wordt genaamd, een metgezel en medereiziger van Petrus en Paulus, gelijk hier en in de brieven van Paulus doorgaans te zien is. Zie Hand. 15:16, 15:17; 2 Kor. 1:19; 1 Thess. 1:1. Handelingen 15:16: Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal dezelfde weer oprichten. Handelingen 15:17: Opdat de overblijvende mensen de Heer zoeken, en al de heidenen, over welke Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heer, Die dit alles doet. 2 Korinthiërs 1:19: Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs, was niet ja en neen, maar is geweest ja in Hem. 1 Thessalonicensen 1:1: Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, welke is in God de Vader, en de Heer Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus.
[^1petrus-5-12-18]: Kanttekening 18: 18 zo ik acht: Sommigen voegen dit bij het voorgaande woord getrouw, omdat de één van de ander niet dan uit goede hoop zo kan gevoelen. Anderen voegen het bij het volgende woord weinige, in deze zin: Zo ik acht, heb ik u met weinige woorden geschreven. Maar men pleegt van zijn eigen doen niet licht zo te spreken.
[^1petrus-5-12-19]: Kanttekening 19: 19 de waarachtige: Dat is, de waarachtige leer van de genade van God, die u gepredikt is en u door het geloof hebt aangenomen.
[^1petrus-5-13-20]: Kanttekening 20: 20 in Babylon is: Sommigen verstaan hierdoor de stad Rome, om daaruit te bewijzen, dat Petrus te Rome is geweest, die bij gelijkenis van Petrus Babylon zou worden genoemd, omdat zij een afgodische stad was, vol van verwarring, afgoderij en vervolging tegen de gelovigen; gelijk de stad Rome zo ook wordt genoemd in de Openbaring van Johannes; Openb. 14:8, en Openb. 16:19, en Openb. 17:5, en Openb. 18:2, 18:10, 18:21. Maar het is veel geloofwaardiger, dat hier van het echte Babylon in Chaldea of Assyrië gelegen eigenlijk gesproken wordt, waar de apostel Petrus, als een bijzonder apostel van de Joden, dan was; omdat in deze nog grote menigte van Joden waren gebleven, na de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, gelijk daar ook de hoofd-synagogen waren van al de verstrooide Joden; waaruit Petrus aan al de andere in de verstrooiing heeft geschreven; temeer, omdat het geen wijze van doen is, dat in de onderschriften anders dan eigenlijk wordt gesproken, gelijk ook Paulus in verscheidene brieven niet minder de naam van de stad Rome noemt gelijk van andere steden. Een andere zaak is het met de Openbaring van Johannes, die meest in figuurlijke wijze van spreken bestaat. Openbaring 14:8: En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 16:19: En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn toorn. Openbaring 17:5: En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelen van de aarde. Openbaring 18:2: En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Openbaring 18:10: Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen. Openbaring 18:21: En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
[^1petrus-5-13-21]: Kanttekening 21: Zie van hem Hand. 12:12, 12:25, en Hand. 15:37; Kol. 4:10; 2 Tim. 4:11; Filem. v. 24. Handelingen 12:12: En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren. Handelingen 12:25: Barnabas nu en Saulus keerden terug van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. Handelingen 15:37: En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden meenemen. Kolossensen 4:10: U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; 2 Timotheüs 4:11: Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst. Filemon 1:24: Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.
[^1petrus-5-13-22]: Kanttekening 22: 22 mijn zoon: Namelijk niet ten opzichte van zijn geboorte, maar van Petrus' bijzondere liefde tegenover Hem, gelijk Paulus ook Timotheüs doorgaans zo noemt.
[^1petrus-5-14-q]: Verwijzing q: Rom. 16:16; 1 Kor. 16:20; 2 Kor. 13:12; 1 Thes. 5:26. Romeinen 16:16: Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 1 Korinthiërs 16:20: U groeten al de broeders. Groet elkaar met een heilige kus. 2 Korinthiërs 13:12: Groet elkaar met een heilige kus. U groeten al de heiligen. 1 Thessalonicensen 5:26: Groet al de broeders met een heilige kus.

## 2 Petrus

### 2 Petrus 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2petrus/1.json)

*1 De apostel Petrus verhaalt, na het opschrift en de begroeting, 3 eerst hoe overgrote genade en weldaden God aan de gelovige Joden bewezen heeft tot hun zaligheid. 5 Daarom vermaant hij hen om in het geloof en de godzaligheid meer en meer toe te nemen, en bij het geloof ook andere deugden te voegen. 8 Leert dat zij dan recht vruchtbaar zullen zijn. 10 En dat zij daardoor meer en meer verzekerd zullen worden van hun verkiezing, en van de ingang in het Koninkrijk van Christus. 12 Hij verklaart dat, hoewel zij deze dingen wel weten, hij hen toch heeft willen opwekken door deze vermaning. 14 Omdat hij spoedig uit dit leven zou worden genomen, naar de voorzegging van Christus, opdat zij na zijn dood daaraan zouden denken. 16 Betuigt dat de leer die hun van Christus en zijn komst gepredikt was, geen verzinsels zijn, maar dat hij zelf en de twee andere apostelen zijn heerlijkheid op de berg aanschouwd hebben, en uit de hemel het getuigenis van de Vader over Hem gehoord hebben. 19 En dat ditzelfde ook betuigd wordt door de profetische Schriften. 20 Die door de Geest van God zijn ingegeven.*

**1** [^2petrus-1-1-1] Simeon[^2petrus-1-1-2] Petrus,[^2petrus-1-1-3] een dienaar en[^2petrus-1-1-4] apostel van Jezus[^2petrus-1-1-5] Christus, aan degenen, die[^2petrus-1-1-6] even dierbaar[^2petrus-1-1-7] geloof met ons verkregen hebben,[^2petrus-1-1-8] door de rechtvaardigheid[^2petrus-1-1-9] van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v1)

**2** [^2petrus-1-2-a] Genade en vrede zij u[^2petrus-1-2-10][^2petrus-1-2-b] vermenigvuldigd[^2petrus-1-2-11][^2petrus-1-2-c] door de kennis[^2petrus-1-2-12] van God, en van Jezus, onze Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v2)

**3** Zoals ons[^2petrus-1-3-13] Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot[^2petrus-1-3-14] het leven en[^2petrus-1-3-15] de godzaligheid[^2petrus-1-3-16] behoort, geschonken heeft, door de kennis[^2petrus-1-3-17] van Degene, Die ons geroepen heeft[^2petrus-1-3-18] tot heerlijkheid en deugd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v3)

**4** [^2petrus-1-4-19] Door welke ons[^2petrus-1-4-20] de grootste en dierbare beloften[^2petrus-1-4-21] geschonken zijn,[^2petrus-1-4-d] opdat u[^2petrus-1-4-22] daardoor van de goddelijke[^2petrus-1-4-23] natuur deelachtig zou worden,[^2petrus-1-4-24] nadat u ontvlucht bent[^2petrus-1-4-25] het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v4)

**5** [^2petrus-1-5-26] En u,[^2petrus-1-5-27] tot hetzelfde ook alle ijver[^2petrus-1-5-28] toebrengende, voegt[^2petrus-1-5-29] bij uw geloof[^2petrus-1-5-30] deugd, en bij de deugd[^2petrus-1-5-31] kennis, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v5)

**6** En bij de kennis[^2petrus-1-6-32] matigheid, en bij de matigheid volharding, en bij de volharding[^2petrus-1-6-33] godzaligheid, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v6)

**7** En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde,[^2petrus-1-7-34] liefde tegenover allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v7)

**8** Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet[^2petrus-1-8-35] leeg noch[^2petrus-1-8-36][^2petrus-1-8-e] onvruchtbaar[^2petrus-1-8-37] laten[^2petrus-1-8-38] in de kennis van onze Heere Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v8)

**9** Want bij wie deze dingen niet zijn,[^2petrus-1-9-f] die is[^2petrus-1-9-39] blind,[^2petrus-1-9-40] van verre niet ziende,[^2petrus-1-9-41] hebbende vergeten de reiniging van zijn[^2petrus-1-9-42] vorige zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v9)

**10** Daarom, broeders, beijvert u te meer, om uw[^2petrus-1-10-43] roeping en verkiezing[^2petrus-1-10-44] vast te maken; want dat doende zult u[^2petrus-1-10-45] nimmermeer struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v10)

**11** Want zo zal u rijk toegevoegd worden[^2petrus-1-11-46] de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v11)

**12** Daarom zal ik niet verzuimen u altijd[^2petrus-1-12-47] daarvan te vermanen, hoewel u het weet, en in[^2petrus-1-12-48] de tegenwoordige waarheid[^2petrus-1-12-49] versterkt bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v12)

**13** En ik acht het[^2petrus-1-13-50] recht te zijn, zolang ik[^2petrus-1-13-51] in deze tabernakel ben, dat ik u[^2petrus-1-13-52][^2petrus-1-13-g] opwekke door terechtwijzing; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v13)

**14** [^2petrus-1-14-h] Zo ik weet, dat[^2petrus-1-14-53] de aflegging van mijn tabernakel[^2petrus-1-14-54] haast zijn zal,[^2petrus-1-14-i] zoals ook onze Heere Jezus Christus[^2petrus-1-14-55] mij heeft geopenbaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v14)

**15** Maar ik zal ook ijver doen[^2petrus-1-15-56] bij alle gelegenheid, dat u[^2petrus-1-15-57] na mijn uitgang van deze dingen[^2petrus-1-15-58] herinnering mag hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v15)

**16** [^2petrus-1-16-k] Want wij zijn geen kunstig[^2petrus-1-16-59] verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben[^2petrus-1-16-60] de kracht en toekomst van onze Heere Jezus[^2petrus-1-16-l] Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest[^2petrus-1-16-61] van Zijn majesteit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v16)

**17** Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zulk een stem[^2petrus-1-17-62] van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd:[^2petrus-1-17-m] Deze is Mijn geliefde Zoon, in Die Ik Mijn welbehagen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v17)

**18** En deze stem hebben[^2petrus-1-18-63] wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem[^2petrus-1-18-64] op de heilige berg waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v18)

**19** En wij hebben[^2petrus-1-19-65] het profetische woord,[^2petrus-1-19-66] dat zeer vast is, en u doet wel, dat u[^2petrus-1-19-67] daarop acht hebt,[^2petrus-1-19-n] als op[^2petrus-1-19-68] een licht, schijnende[^2petrus-1-19-69] in een duistere plaats, totdat[^2petrus-1-19-70] de dag aanlichte, en[^2petrus-1-19-o] de[^2petrus-1-19-71] Morgenster[^2petrus-1-19-72] opga in uw harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v19)

**20** Dit[^2petrus-1-20-73] eerst wetende, dat[^2petrus-1-20-74] geen profetie van de Schrift is van[^2petrus-1-20-75] eigen uitlegging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v20)

**21** Want[^2petrus-1-21-76] de profetie is voortijds niet voortgebracht[^2petrus-1-21-77] door de wil van een mens, maar de heilige[^2petrus-1-21-78] mensen van God,[^2petrus-1-21-79][^2petrus-1-21-p] van de Heilige Geest[^2petrus-1-21-80] gedreven zijnde, hebben[^2petrus-1-21-81] ze gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/1.html#v21)

[^2petrus-1-1-1]: Kanttekening 1: Of Simon. Zie Matt. 4:18; Mark. 1:16. Mattheüs 4:18: En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers); Marcus 1:16: En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
[^2petrus-1-1-2]: Kanttekening 2: Van deze naam, zie 1 Petr. 1:1. 1 Petrus 1:1: Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië,
[^2petrus-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 een dienaar: Zie Rom. 1:1; Filipp. 1:1; Jak. 1:1. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Filippensen 1:1: Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
[^2petrus-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 apostel van Jezus Christus: Zie Luk. 6:13. Lukas 6:13: En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:
[^2petrus-1-1-5]: Kanttekening 5: Dat is, aan de gelovige en verstrooide Joden, waaraan hij zijn eerste zendbrief ook heeft geschreven. Zie 1 Petr. 3:1. 1 Petrus 3:1: Evenzo u vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;
[^2petrus-1-1-6]: Kanttekening 6: 6 even dierbaar geloof: Dat is, hetzelfde dierbare geloof, want hoewel het geloof van de één dikwijls groter en sterker is dan van de ander, zo is nochtans alle geloof, als het maar een oprecht geloof is, even dierbaar ten opzichte van wat waar het geloof op steunt en wat men door het geloof verkrijgt; waarom het ook één geloof genoemd wordt; Ef. 4:5. Efeziërs 4:5: Één Heer, één geloof, één doop,
[^2petrus-1-1-7]: Kanttekening 7: 7 met ons verkregen hebben: Namelijk apostelen en andere Joden, die hier of te Jeruzalem en in het Joodse land, in Christus geloven. Grieks met ons door lot verkregen; Luk. 1:9. Lukas 1:9: Naar de gewoonte van de priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zou ingaan in de tempel van de Heer om te reukofferen.
[^2petrus-1-1-8]: Kanttekening 8: 8 door de rechtvaardigheid: Grieks in de rechtvaardigheid; dat is, door de waarachtigheid en standvastigheid Gods in zijn beloften, dat hij in zijn komst in het vlees enige uit de Israëlieten krachtig zou roepen. Het geloof dan wordt niet verkregen door onze krachten of naar onze verdiensten, maar door een genadig geschenk van God, volgens Zijn beloften en Zijn voornemen. Zie Ef. 2:8. Efeziërs 2:8: Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
[^2petrus-1-1-9]: Kanttekening 9: 9 onze God en Zaligmaker: Zie van deze twee titels de aantekeningen op Tit. 2:13. Titus 2:13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus;
[^2petrus-1-2-a]: Verwijzing a: Rom. 1:7; 1 Petr. 1:2. Romeinen 1:7: Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2petrus-1-2-10]: Kanttekening 10: Zie de aantekeningen op 1 Petr. 1:2. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2petrus-1-2-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 1:2; Judas v. 2. 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. Judas 1:2: Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
[^2petrus-1-2-11]: Kanttekening 11: 11 door de kennis: Grieks in de kennis. Want in of door deze kennis in het eeuwige leven; Joh. 17:3. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^2petrus-1-2-c]: Verwijzing c: Joh. 17:3. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^2petrus-1-2-12]: Kanttekening 12: Namelijk van de Vader; want die wordt in het volgende hier onderscheiden van de Heer Jezus; gelijk ook Joh. 17:3. Johannes 17:3: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.
[^2petrus-1-3-13]: Kanttekening 13: Namelijk van God de Vader.
[^2petrus-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 het leven en: Dat is, wat tot het eeuwige leven nodig is en dienstig, om dat te verkrijgen.
[^2petrus-1-3-15]: Kanttekening 15: 15 de godzaligheid: Dat is, om God recht te dienen, en een godzaligen wandel te leiden.
[^2petrus-1-3-16]: Kanttekening 16: 16 geschonken heeft: Namelijk uit enkele genade, zonder enige waardigheid of verdienste van ons, gelijk vers 2. 2 Petrus 1:2: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onze Heer;
[^2petrus-1-3-17]: Kanttekening 17: 17 Van Degene, Die ons: Namelijk van de Heer Jezus Christus, aan wie onze roeping door de prediking van het Evangelie doorgaans toegeschreven wordt.
[^2petrus-1-3-18]: Kanttekening 18: 18 tot heerlijkheid en deugd: Of door zijn heerlijkheid en deugd. Maar het Griekse woord dia (διὰ) betekent niet altijd door, maar ook somtijds tot, gelijk Rom. 6:4; en schijnt wat de apostel meteen tevoren genoemd heeft het leven, hij hier nu noemt de heerlijkheid; en dat hij genoemd heeft godzaligheid, hij nu noemt deugd. Romeinen 6:4: Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwigheid van het leven wandelen zouden.
[^2petrus-1-4-19]: Kanttekening 19: 19 Door welke: Of om welke; namelijk hiervoor genoemde weldaden Gods. Anderen lezen door welke; namelijk Jezus onze Heer.
[^2petrus-1-4-20]: Kanttekening 20: 20 de grootste: Namelijk omdat daardoor het allergrootste en dierbaarste goed, namelijk de eeuwige zaligheid beloofd wordt, en dat het de allerhoogste God is, die niet liegen kan, die het belooft.
[^2petrus-1-4-21]: Kanttekening 21: 21 geschonken zijn: Dat is, uit genade gedaan, en het beloofde goed uit genade gegeven; zie voren vers 3. 2 Petrus 1:3: Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis van Degene, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
[^2petrus-1-4-d]: Verwijzing d: Jes. 56:5; Joh. 1:12; Rom. 8:15; Galat. 3:26. Jesaja 56:5: Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan van de zonen en dan van de dochters; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. Johannes 1:12: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; Romeinen 8:15: Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Galaten 3:26: Want u bent alle kinderen van God door het geloof in Christus Jezus.
[^2petrus-1-4-22]: Kanttekening 22: 22 door dezelfde: Namelijk voorverhaalde weldaden en beloften.
[^2petrus-1-4-23]: Kanttekening 23: 23 van de goddelijke natuur: Dat is, zodanige goddelijke eigenschappen, die de schepselen kunnen medegedeeld worden, en waarin het evenbeeld van God bestaat, als daar Zijn goedheid, heiligheid, wijsheid, heerlijkheid en dergelijke andere; Ef. 4:23, 4:24; Kol. 3:10. Want anders kan het wezen van God zelf geen schepselen medegedeeld worden. Efeziërs 4:23: En dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, Efeziërs 4:24: En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Kolossensen 3:10: En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Degene, Die hem geschapen heeft;
[^2petrus-1-4-24]: Kanttekening 24: 24 nadat u ontvloden bent: Of zo u maar ontvloden bent.
[^2petrus-1-4-25]: Kanttekening 25: 25 het verderf: Namelijk dat de ongelovigen en ongoddelijken zal overkomen; en hier wordt het verderf gesteld tegen de heerlijkheid, gelijk ook de begeerlijkheid tegen de deugd, vers 3. Anderen verstaan het van de verdorvenheid van de menselijke natuur. 2 Petrus 1:3: Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis van Degene, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
[^2petrus-1-5-26]: Kanttekening 26: 26 En u: Uit het voorgaande verhaal van de weldaden van God aan hen bewezen, als de oorzaak en grond zijnde, waardoor wij tot voortgang in de Godzaligheid behoren bewogen te worden, trekt hij nu een vermaning tot een vlijtigen voortgang in deze, zodat deze vermaning ziet op het woord gelijk, vers 3, als of hij zei: Omdat zijn goddelijke kracht, enz., zo brengt naarstigheid toe, enz. Zie dergelijke 1 Tim. 1:3. 2 Petrus 1:3: Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis van Degene, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 1 Timotheüs 1:3: Gelijk ik u vermaand heb, dat u te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat u sommigen beveelt geen andere leer te leren;
[^2petrus-1-5-27]: Kanttekening 27: 27 tot hetzelfde: Anderen lezen naar hetzelfde.
[^2petrus-1-5-28]: Kanttekening 28: Namelijk boven de voorgaande weldaden en gaven Gods, doet alle naarstigheid om die te behouden en te vermeerderen.
[^2petrus-1-5-29]: Kanttekening 29: 29 bij uw geloof: Grieks in; zo ook in de volgende.
[^2petrus-1-5-30]: Kanttekening 30: Een deugdelijken en godzaligen wandel; zie vers 3. 2 Petrus 1:3: Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis van Degene, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
[^2petrus-1-5-31]: Kanttekening 31: Dat is, Christelijke voorzichtigheid en bescheidenheid.
[^2petrus-1-6-32]: Kanttekening 32: Dat is, onthouding van overdaad in voedsel, drank en van de lusten van het vlees.
[^2petrus-1-6-33]: Kanttekening 33: Of godsdienstigheid.
[^2petrus-1-7-34]: Kanttekening 34: 34 liefde tegenover allen: Dit wordt daarbij gevoegd, omdat de christenen niet alleen hun medechristenen en huisgenoten van het geloof (hoewel hen vooral, Gal. 6:10), maar ook alle mensen, zelfs ook hun vijanden moeten liefhebben; Matt. 5:44; Rom. 12:18. Zie dergelijke verhaal van de voornaamste Christelijke deugden, Gal. 5:22; Filipp. 4:8. Galaten 6:10: Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten van het geloof. Mattheüs 5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel degenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; Romeinen 12:18: Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. Galaten 5:22: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Filippensen 4:8: Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;
[^2petrus-1-8-35]: Kanttekening 35: Namelijk gelijk zijn degenen die niet werken.
[^2petrus-1-8-36]: Kanttekening 36: Namelijk van goede werken, die vruchten zijn van de Heilige Geest en van het geloof; Matt. 3:8; Joh. 15:2, 15:16; Gal. 5:22. Mattheüs 3:8: Brengt dan vruchten voort, van de bekering waard. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Johannes 15:16: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve. Galaten 5:22: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
[^2petrus-1-8-e]: Verwijzing e: Titus 3:14. Titus 3:14: En dat ook de onze leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.
[^2petrus-1-8-37]: Kanttekening 37: Grieks stellen.
[^2petrus-1-8-38]: Kanttekening 38: 38 in de kennis van: Dat is, in het christengeloof; of tot de kennis, dat is, tot meerdere en overvloediger kennis, gelijk 2 Petr. 3:18. 2 Petrus 3:18: Maar wast op in de genade en kennis van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. Amen.
[^2petrus-1-9-f]: Verwijzing f: Jes. 59:10; Zefan. 1:17. Jesaja 59:10: Wij tasten naar de wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden. Zefanja 1:17: En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen YHWH gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.
[^2petrus-1-9-39]: Kanttekening 39: Namelijk in zijn verstand, aangaande de zaken die de rechte religie en godsdienst betreffen. Zie Matt. 15:14; Openb. 3:17. Mattheüs 15:14: Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen. Openbaring 3:17: Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.
[^2petrus-1-9-40]: Kanttekening 40: 40 van verre niet ziende: Dat is, bijziende, die niet kan zien dan wat dicht voor zijn ogen gehouden of gebracht wordt, en de ogen bijna toesluitende. Daarmede geeft hij te kennen als dat zulk een iets zou mogen zien in de christelijken godsdienst, dat het anders niet dan een zeer klein en duister gezicht is, dat de hemelse dingen niet kan beogen.
[^2petrus-1-9-41]: Kanttekening 41: 41 hebbende vergeten: Grieks hebbende vergeting genomen; dat is, niet gedenkende waartoe de doop, waardoor de reiniging van de zonden betekend en verzegeld wordt, hem verplicht, of wat hij in zijn doop beloofd heeft.
[^2petrus-1-9-42]: Kanttekening 42: 42 vorige zonden: Grieks die eertijds begaan zijn; namelijk voor de bekering tot het christendom of voor de doop in zijn onwetendheid en blindheid; die hij dus daarna te naarstiger behoort te vermijden, nu een christen geworden zijnde.
[^2petrus-1-10-43]: Kanttekening 43: 43 roeping en verkiezing: Hoewel de roeping ten opzichte van de tijd de verkiezing volgt, die van eeuwigheid is, Ef. 1:4; daar de roeping in de tijd geschiedt, zo wordt nochtans de roeping hiervoor gesteld, omdat wij uit deze van onze verkiezing verzekerd worden; Rom. 8:30. Efeziërs 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Romeinen 8:30: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
[^2petrus-1-10-44]: Kanttekening 44: 44 vast te maken: Namelijk niet ten opzichte van God, Jes. 14:27, en Jes. 46:10; Rom. 11:29; 2 Tim. 2:13; maar ten opzichte van onszelf, om te vaster verzekerd te mogen zijn, dat wij door God tot de zaligheid zijn uitverkoren. In sommige boeken staat er nog bij: door de goede werken; namelijk als door de vruchten, waaruit een goede boom bekend wordt; Matt. 7:17, 7:18. Jesaja 14:27: Want YHWH van de heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren? Jesaja 46:10: Die van het begin aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Romeinen 11:29: Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk. 2 Timotheüs 2:13: Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen. Mattheüs 7:17: Zo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Mattheüs 7:18: Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
[^2petrus-1-10-45]: Kanttekening 45: 45 nimmermeer struikelen: Namelijk zo, dat u van de genade van God geheel zoudt uitvallen. Zie Ps. 37:24; Jud. v. 24; want anders struikelen wij allen in velen; Jak. 3:2; een gelijkenis, genomen van degenen, die in een loopbaan lopen. Zie 1 Kor. 9:24. Psalmen 37:24: Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want YHWH ondersteunt zijn hand. Judas 1:24: Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, Jakobus 3:2: Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. 1 Korinthiërs 9:24: Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een de prijs ontvangt? Loopt zo, dat u die mag verkrijgen.
[^2petrus-1-11-46]: Kanttekening 46: 46 de ingang in het: Dat is, de verzekering dat u een waar en recht onderdaan bent van dit koninkrijk, zal u ook in het koninkrijk van de heerlijkheid een rijke beloning uit genade gegeven worden in de hemel. Zie 2 Kor. 9:6. 2 Korinthiërs 9:6: En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.
[^2petrus-1-12-47]: Kanttekening 47: 47 daarvan te vermanen: Grieks u van deze dingen indachtig te maken.
[^2petrus-1-12-48]: Kanttekening 48: 48 de tegenwoordige: Namelijk die eertijds wel beloofd is maar nu door Christus volkomen geopenbaard, en van de gelovigen nu vast geloofd, en openlijk beleden wordt.
[^2petrus-1-12-49]: Kanttekening 49: 49 versterkt zijt: Dat is, deze grondig verstaat, en van de waarheid derzelve volkomen overtuigd zijt.
[^2petrus-1-13-50]: Kanttekening 50: 50 recht te zijn: Dat is, mijn ambt en uwe zaligheid dat te vereisen.
[^2petrus-1-13-51]: Kanttekening 51: 51 in deze tabernakel ben: Dat is, in het leven ben, in dat mijn ziel in dit lichaam woont als in een tabernakel, welke haast gebroken zal worden, en waaruit ik haast zal verhuizen. Zie 2 Kor. 5:1. 2 Korinthiërs 5:1: Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
[^2petrus-1-13-52]: Kanttekening 52: 52 opwekke door vermaning: Dit zegt de apostel, omdat de gelovigen dikwijls traag en slaperig zijn in het betrachten van hun schuldigen plicht, en nodig hebben dikwijls door vermaningen daaruit gelijk als opgewekt te worden. Grieks in indachtigmaking.
[^2petrus-1-13-g]: Verwijzing g: 2 Petr. 3:1. 2 Petrus 3:1: Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;
[^2petrus-1-14-h]: Verwijzing h: 2 Tim. 4:6. 2 Timotheüs 4:6: Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.
[^2petrus-1-14-53]: Kanttekening 53: 53 de aflegging mijns tabernakels: Dat is, mijn dood en afsterven. Zie vers 13. 2 Petrus 1:13: En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning;
[^2petrus-1-14-54]: Kanttekening 54: 54 haast zijn zal: Grieks haastig is.
[^2petrus-1-14-i]: Verwijzing i: Joh. 21:18; idem v. 19. Johannes 21:18: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, gordde u uzelven, en wandelde, alwaar u wilde; maar wanneer u zult oud geworden zijn, zo zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar u niet wilt. Johannes 21:19: En dit zei Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zei Hij tot hem: Volg Mij.
[^2petrus-1-14-55]: Kanttekening 55: 55 mij heeft geopenbaard: De apostel ziet òf op de openbaring, die hem de Heer Jezus gedaan heeft van de wijze van zijn dood, Joh. 21:18, 21:19, òf op een andere openbaring, die hem daarna van de tijd gedaan is door de Heer, die niet is beschreven. Johannes 21:18: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, gordde u uzelven, en wandelde, alwaar u wilde; maar wanneer u zult oud geworden zijn, zo zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar u niet wilt. Johannes 21:19: En dit zei Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zei Hij tot hem: Volg Mij.
[^2petrus-1-15-56]: Kanttekening 56: 56 bij alle gelegenheid: Of altijd, alleszins. Sommigen voegen dit bij de volgende woorden: gedachtenis hebben.
[^2petrus-1-15-57]: Kanttekening 57: 57 na mijn uitgang: Namelijk uit dit leven, dat is, na mijn dood. Zie van dit woord Luk. 9:31. Lukas 9:31: Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem.
[^2petrus-1-15-58]: Kanttekening 58: 58 gedachtenis mag hebben: Of vermaning doen; namelijk lezende deze mijn zendbrief, daartoe van mij geschreven.
[^2petrus-1-16-k]: Verwijzing k: 1 Kor. 1:17; 1 Kor. 2:1; idem 2:4; 1 Kor. 4:20. 1 Korinthiërs 1:17: Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde. 1 Korinthiërs 2:1: En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. 1 Korinthiërs 2:4: En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 1 Korinthiërs 4:20: Want het Koninkrijk van God is niet gelegen in woorden, maar in kracht.
[^2petrus-1-16-59]: Kanttekening 59: 59 fabelen nagevolgd: Namelijk gelijk de valse leraars plegen te doen. Grieks want kunstelijke fabelen niet nagevolgd zijnde, hebben wij u bekend gemaakt, enz.
[^2petrus-1-16-60]: Kanttekening 60: 60 de kracht en toekomst: Dat is, de eerste komst van Christus in het vlees, waarin Hij door Zijn leer en wondertekenen krachtig heeft getoond, en de harten van de mensen overtuigd, dat Hij de ware beloofde Messias was, in het bijzonder ook door Zijn opstanding uit de doden en volgende verheerlijking.
[^2petrus-1-16-l]: Verwijzing l: Matt. 17:1; Joh. 1:14; 1 Joh. 1:1. Mattheüs 17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen. Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. 1 Johannes 1:1: Wat van het begin was, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord van het leven;
[^2petrus-1-16-61]: Kanttekening 61: 61 van Zijn majesteit: Dat is, van dat proefstuk van Zijn heerlijkheid, als Hij voor de ogen van drie van Zijn discipelen op de berg werd veranderd, Matt. 17:1, 17:2; gelijk het volgende breder verklaart. Zie Hebr. 8:1. Mattheüs 17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen. Mattheüs 17:2: En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht. Hebreeën 8:1: De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen:
[^2petrus-1-17-62]: Kanttekening 62: 62 van de hoogwaardige: Dat is, van de majesteit van God de Vader, uit de hemel, die de troon is van Zijn majesteit en heerlijkheid.
[^2petrus-1-17-m]: Verwijzing m: Matt. 3:17; Matt. 17:5; Mark. 1:11; Mark. 9:7; Lukas 3:22; Lukas 9:35; Kolos. 1:13. Mattheüs 3:17: En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Mattheüs 17:5: Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Marcus 1:11: En er geschiedde een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Marcus 9:7: En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! Lukas 3:22: En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit de hemel, zeggende: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! Lukas 9:35: En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem! Kolossensen 1:13: Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijn liefde;
[^2petrus-1-18-63]: Kanttekening 63: 63 wij gehoord: Namelijk ik Petrus, Jakobus en Johannes zijn broeder. Zie Matt. 17:1. Mattheüs 17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen.
[^2petrus-1-18-64]: Kanttekening 64: 64 op de heilige berg waren: Deze berg wordt gemeend geweest te zijn de berg Thabor. Zie de aantekeningen op Matt. 17:1; en wordt heilig genaamd, omdat hij door deze verschijning van de heerlijkheid van Christus geheiligd is geweest, gelijk de stad Jeruzalem de heilige stad genoemd wordt, Matt. 4:5, omdat God daar Zijn dienst en heiligdom geplant had. Zie dergelijke Ex. 3:5. Mattheüs 17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen. Mattheüs 4:5: Toen nam Hem de duivel mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne van de tempel; Exodus 3:5: En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land.
[^2petrus-1-19-65]: Kanttekening 65: 65 het profetische woord: Namelijk dat in de schriften van de profeten staat beschreven, dat van de kracht en de komst van Christus overvloedig getuigt. Zie Luk. 1:70; Joh. 5:39; Hand. 10:43; Rom. 1:2; 1 Petr. 1:10. Lukas 1:70: Gelijk Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die van het begin van de wereld geweest zijn; Johannes 5:39: Onderzoekt de Schriften; want u meent in deze het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. Handelingen 10:43: Deze geven getuigenis al de profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam. Romeinen 1:2: (Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften). 1 Petrus 1:10: Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
[^2petrus-1-19-66]: Kanttekening 66: 66 dat zeer vast is: Grieks dat vaster is; dat verstaan kan worden zo het luidt: in vergelijking van deze getuigenis van Petrus, ten aanzien van de Joden; gelijk Hand. 17:11, of naar een Hebreeuwse wijze van spreken, allervast, of zeer vast; namelijk om daarop, als op een zeer vasten grond, ons geloof te bouwen, Ef. 2:20, welke verklaring de eenvoudigste is. Handelingen 17:11: En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^2petrus-1-19-67]: Kanttekening 67: 67 daarop acht hebt: Of u daaraan houdt.
[^2petrus-1-19-n]: Verwijzing n: 2 Kor. 4:6. 2 Korinthiërs 4:6: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.
[^2petrus-1-19-68]: Kanttekening 68: 68 een licht, schijnende: Of een lantaarn, kaars, gelijk de Schrift ook elders zo wordt genoemd, Spreuk. 6:23; Ps. 19:9, en Ps. 119:105, omdat het het middel is, waardoor wij verlicht worden met de kennis van de zaligheid. Spreuken 6:23: Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven; Psalmen 19:9: De bevelen van YHWH zijn recht, verblijdende het hart; het gebod van YHWH is zuiver, verlichtende de ogen. Psalmen 119:105: Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
[^2petrus-1-19-69]: Kanttekening 69: 69 in een duistere plaats: Dat is, in de harten van de mensen, die van nature verduisterd, ja de duisternis zelf zijn, in zaken die de zaligheid aangaan, Joh. 1:5; 1 Kor. 2:14; Ef. 4:17, 4:18, waarvan de overblijfselen in de wedergeborenen nog zijn, zolang zij hier op aarde nog leven; 1 Kor. 13:9, enz. Johannes 1:5: En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. 1 Korinthiërs 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Efeziërs 4:17: Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heer, dat u niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Efeziërs 4:18: Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten; 1 Korinthiërs 13:9: Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
[^2petrus-1-19-70]: Kanttekening 70: 70 de dag aanlichte: Grieks de dag doorschijne; dat is doorbreke; door welke dag verstaan wordt de tijd van de volmaakte kennis in het toekomende leven.
[^2petrus-1-19-o]: Verwijzing o: Openb. 22:16. Openbaring 22:16: Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^2petrus-1-19-71]: Kanttekening 71: Dat is, Christus, die in ons zal opgaan in Zijn volmaaktheid in het toekomende leven, gelijk God het licht, en het Lam de kaars en morgenster van het hemelse Jeruzalem wordt genoemd, ten opzichte van de volle kennis, die wij dan door Hem zullen ontvangen; Openb. 21:23, en Openb. 22:5, 22:16. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5: En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. Openbaring 22:16: Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^2petrus-1-19-72]: Kanttekening 72: 72 opga in uw harten: Dat is, dat u daardoor volkomen mag verlicht worden.
[^2petrus-1-20-73]: Kanttekening 73: 73 eerste wetende: Dat is, in het bijzonder en vooral ongetwijfeld houdende.
[^2petrus-1-20-74]: Kanttekening 74: 74 geen profetie van de Schrift: Grieks alle profetie van de Schrift is niet, enz.; een Hebreeuwse wijze van spreken, gelijk Rom. 3:20; dat is, geen profetisch schrift. Romeinen 3:20: Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.
[^2petrus-1-20-75]: Kanttekening 75: 75 eigene uitlegging: Grieks epilysis; dat is, ontbinding, uitlegging, welk woord hier de apostel gebruikende, betekent, òf de uitlegging, die door de profeten zelf gedaan wordt met het voorstellen van hun voorzeggingen, waarmee zij de mensen uitleggen en verklaren niet hun eigen goeddunken, maar de raad van God; niet wat hun eigen gemoed, maar wat de Geest van God hun ingeeft; òf ook de uitlegging van de profetische schriften, die door anderen daarover gedaan wordt, welke niet moet gebeuren naar menselijk vernuft, maar naar de eenparigen zin van de heilige Schrift, die zelf allerbest haar mening verklaart.
[^2petrus-1-21-76]: Kanttekening 76: 76 de profetie: Dat is, de profetische leer.
[^2petrus-1-21-77]: Kanttekening 77: 77 door de wil eens mensen: Dat is, door menselijk goeddunken of ingeven, zoals zij als mensen gewild en goed gevonden hebben.
[^2petrus-1-21-78]: Kanttekening 78: 78 mensen Gods: Zo worden de profeten en leraars genoemd, omdat God deze mensen in Zijn huis en tot Zijn dienst bijzonder gebruikt. Zie 2 Kon. 1:9, enz.; 1 Tim. 6:11, en 2 Tim. 3:17. 2 Koningen 1:9: En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: U, man van God! de koning zegt: Kom af. 1 Timotheüs 6:11: Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 2 Timotheüs 3:17: Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust.
[^2petrus-1-21-79]: Kanttekening 79: 79 van de Heilige Geest: Namelijk de Heilige Geest, de Geest van de waarheid, die hen in alle waarheid heeft geleid, gelijk deze de apostelen ook beloofd wordt; Joh. 15:26, en Joh. 16:13. Johannes 15:26: Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. Johannes 16:13: Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
[^2petrus-1-21-p]: Verwijzing p: 2 Tim. 3:16. 2 Timotheüs 3:16: Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;
[^2petrus-1-21-80]: Kanttekening 80: 80 gedreven zijnde: Dat is, door een bijzondere en buitengewone openbaring van de raad van God opgewekt en aangedreven, om deze de mensen bekend te maken.
[^2petrus-1-21-81]: Kanttekening 81: Namelijk haar profetische leer, en deze ook in geschrift gesteld en ons nagelaten.

### 2 Petrus 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2petrus/2.json)

*1 De apostel waarschuwt de gelovigen voor de valse leraars, die in de gemeente verderfelijke ketterijen zullen invoeren, en velen zullen verleiden. 3 Om die beter te mijden, beschrijft hij hun hebzucht en het verderf waarin zij zichzelf zullen brengen. 4 Wat hij bevestigt met de voorbeelden van de engelen die gezondigd hebben, van de oude wereld, en van die van Sodom en Gomorra. 7 Daartegenover stelt hij de behoudenis van Lot, evenals eerder van Noach. 10 Wijst verder aan de onkuisheid, hoogmoed, onmatigheid, bedriegerijen en andere zonden van deze verleiders, waarin zij aan de redeloze dieren gelijk zijn, en waarom zij het verdiende loon van de straf zullen ontvangen. 15 Zoals Bileam, die over zijn onrechtvaardigheid door een stom dier bestraft werd. 17 Vergelijkt hen met bronnen en wolken zonder water. 18 Beschrijft hun opgeblazenheid, en hoe zij de christenen verlokken en vrijheid beloven, terwijl zij zelf slaven van de zonde zijn. 20 Leert dat de staat van de christenen die zich door hen laten verleiden, erger is dan wanneer zij Christus nooit gekend hadden. 22 En vergelijkt hen met honden die hun braaksel oplikken, en met gewassen zwijnen die zich weer in het slijk wentelen.*

**1** [^2petrus-2-1-1] En er zijn ook[^2petrus-2-1-a] valse profeten onder[^2petrus-2-1-2] het volk geweest,[^2petrus-2-1-b] zoals ook[^2petrus-2-1-3] onder u valse leraars zijn zullen, die[^2petrus-2-1-4] verderfelijke[^2petrus-2-1-5] ketterijen[^2petrus-2-1-6] bedektelijk[^2petrus-2-1-7] invoeren zullen, ook[^2petrus-2-1-8] de Heere,[^2petrus-2-1-9] Die hen gekocht heeft,[^2petrus-2-1-10] verontkennende, en een haastig verderf over zichzelf en brachten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v1)

**2** En velen zullen[^2petrus-2-2-11] hun verderfenissen navolgen, door welke[^2petrus-2-2-12] de weg van de waarheid[^2petrus-2-2-13] zal gelasterd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v2)

**3** En[^2petrus-2-3-14] zij zullen[^2petrus-2-3-15] door gierigheid, met[^2petrus-2-3-16] gemaakte woorden,[^2petrus-2-3-17] van u een koopmanschap maken;[^2petrus-2-3-c] over wie[^2petrus-2-3-18] het oordeel van[^2petrus-2-3-19] over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v3)

**4** [^2petrus-2-4-20] Want als God[^2petrus-2-4-d] de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft[^2petrus-2-4-21] aan de ketenen van de duisternis, om[^2petrus-2-4-22] tot het oordeel bewaard te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v4)

**5** En[^2petrus-2-5-23] de oude wereld niet heeft gespaard, maar[^2petrus-2-5-e] Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v5)

**6** En de steden[^2petrus-2-6-f] van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende[^2petrus-2-6-24] met omkering[^2petrus-2-6-25] veroordeeld heeft, en[^2petrus-2-6-26] tot een voorbeeld gezet degenen, die goddeloos[^2petrus-2-6-27] zouden leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v6)

**7** En[^2petrus-2-7-28] de rechtvaardige Lot,[^2petrus-2-7-g] die[^2petrus-2-7-29] vermoeid was van[^2petrus-2-7-30] de ontuchtige wandel[^2petrus-2-7-31] van de gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v7)

**8** (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige[^2petrus-2-8-32][^2petrus-2-8-h] ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken); [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v8)

**9** [^2petrus-2-9-33][^2petrus-2-9-i] Zo weet de Heere de godzaligen uit[^2petrus-2-9-34] de verzoeking te verlossen, en[^2petrus-2-9-35] de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag[^2petrus-2-9-36] van het[^2petrus-2-9-37] oordeel, om gestraft te worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v9)

**10** Maar[^2petrus-2-10-38] allermeest degenen, die[^2petrus-2-10-39] naar het vlees[^2petrus-2-10-40] in onreine begeerlijkheid wandelen, en[^2petrus-2-10-41] de heerschappij verachten; die stout zijn,[^2petrus-2-10-42] zichzelf behagen, en die[^2petrus-2-10-43] de heerlijkheden niet schromen te lasteren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v10)

**11** Daar[^2petrus-2-11-44] de engelen in sterkte en kracht[^2petrus-2-11-45] meerder zijnde,[^2petrus-2-11-46] geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heere voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v11)

**12** [^2petrus-2-12-k] Maar[^2petrus-2-12-47] deze, als onredelijke dieren, die[^2petrus-2-12-48] de natuur volgen, en[^2petrus-2-12-49] voortgebracht zijn[^2petrus-2-12-50] om gevangen en gedood te worden,[^2petrus-2-12-l] omdat zij lasteren, wat zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid[^2petrus-2-12-51] verdorven worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v12)

**13** En zullen verkrijgen het[^2petrus-2-13-52] loon van de ongerechtigheid, als die de dagelijkse[^2petrus-2-13-53] weelde[^2petrus-2-13-54] hun vermaak achten, zijnde[^2petrus-2-13-55] vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun[^2petrus-2-13-56] bedriegerijen,[^2petrus-2-13-57] als zij in de maaltijden met u zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v13)

**14** Hebbende de ogen[^2petrus-2-14-58] vol overspel, en[^2petrus-2-14-59] die niet ophouden van zondigen;[^2petrus-2-14-60] verlokkende de[^2petrus-2-14-61] onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid,[^2petrus-2-14-62] kinderen van de vervloeking; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v14)

**15** Die[^2petrus-2-15-63] de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en[^2petrus-2-15-m] volgen[^2petrus-2-15-64] de weg van Balaäm, de zoon[^2petrus-2-15-65] van Bosor, die[^2petrus-2-15-66] het loon van de ongerechtigheid[^2petrus-2-15-67] liefgehad heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v15)

**16** Maar hij heeft de bestraffing van zijn[^2petrus-2-16-68] ongerechtigheid gehad;[^2petrus-2-16-69][^2petrus-2-16-n] want het jukdragende stomme dier,[^2petrus-2-16-70] sprekende met mensenstem, heeft[^2petrus-2-16-71] van de profeten dwaasheid verhinderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v16)

**17** [^2petrus-2-17-o] Deze zijn[^2petrus-2-17-72] waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven,[^2petrus-2-17-73] voor wie de donkerheid[^2petrus-2-17-74] van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v17)

**18** Want zij,[^2petrus-2-18-75] zeer hoogmoedige zinloosheid sprekende, verlokken,[^2petrus-2-18-76] door de begeerlijkheden van het vlees en door[^2petrus-2-18-77] ontuchten, degenen, die[^2petrus-2-18-78] werkelijk ontvlucht waren van degenen, die in dwaling wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v18)

**19** Belovende[^2petrus-2-19-79] hun vrijheid, daar zijzelven dienaren[^2petrus-2-19-80] zijn van de[^2petrus-2-19-p] verdorvenheid; want van wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienaar gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v19)

**20** [^2petrus-2-20-q] Want als zij, nadat zij[^2petrus-2-20-81] door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus,[^2petrus-2-20-82] de besmettingen van de[^2petrus-2-20-83] wereld ontvlucht zijn, en daarin opnieuw ingewikkeld zijnde,[^2petrus-2-20-84] daarvan overwonnen worden,[^2petrus-2-20-r] zo is hun[^2petrus-2-20-85] het laatste erger geworden dan[^2petrus-2-20-86] het eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v20)

**21** Want het was hun beter, dat zij[^2petrus-2-21-87] de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, die gekend hebbende, weer afkeren van het heilige[^2petrus-2-21-88] gebod, dat hun overgegeven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v21)

**22** Maar hun is overkomen, wat met een waar spreekwoord gezegd[^2petrus-2-22-s] wordt: De hond is teruggekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/2.html#v22)

[^2petrus-2-1-1]: Kanttekening 1: 1 En er zijn ook: Dat is, gelijk er onder Gods volk oprechte profeten zijn geweest, aan wier schriften wij ons moeten houden, 2 Petr. 1:19; zo zijn er ook valse geweest, die men mijden moest; Deut. 13:1. 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. Deuteronomium 13:1: Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;
[^2petrus-2-1-a]: Verwijzing a: Deut. 13:1. Deuteronomium 13:1: Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;
[^2petrus-2-1-2]: Kanttekening 2: 2 het volk: Namelijk Gods, of het Joodse volk.
[^2petrus-2-1-b]: Verwijzing b: Matt. 24:11; Hand. 20:29; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1. Mattheüs 24:11: En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. Handelingen 20:29: Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
[^2petrus-2-1-3]: Kanttekening 3: 3 onder u: Namelijk de christenen. Zodat de staat van de gemeente wat dit betreft niet gelukkiger zal zijn in het Nieuwe Testament dan ze geweest is in het Oude.
[^2petrus-2-1-4]: Kanttekening 4: Grieks ketterijen van het verderf, Hebr.
[^2petrus-2-1-5]: Kanttekening 5: Van dit woord, zie de aantekeningen op Hand. 5:17. En uit het volgende blijkt, dat hij hier spreekt van ketterijen, die niet alleen het geloof, maar ook de leer van het christelijke leven aangaan. Handelingen 5:17: En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte van de Sadduceën), en werden vervuld met nijdigheid;
[^2petrus-2-1-6]: Kanttekening 6: Of van bezijden, of, daarenboven; namelijk boven en tegen de gezonde leer.
[^2petrus-2-1-7]: Kanttekening 7: 7 invoeren zullen: Namelijk in de gemeente of onder de christenen.
[^2petrus-2-1-8]: Kanttekening 8: 8 de Heer: Grieks despoten; van welk woord zie Hand. 4:24; Jud. v.4. Handelingen 4:24: En als deze dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heer! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn. Judas 1:4: Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God, en onze Heer Jezus Christus verloochenen.
[^2petrus-2-1-9]: Kanttekening 9: 9 Die hen gekocht heeft: Deze worden hier gezegd van de Heer gekocht te zijn, ten aanzien dat zij zich voor zodanigen uitgeven, en van anderen naar de liefde daarvoor gehouden zijn, zolang zij in de gemeenschap van de Kerk waren. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 15:2; Openb. 22:19. Want Christus heeft door Zijn bloed waarlijk en inderdaad alleen Zijn gemeente gekocht; Hand. 20:28; Ef. 5:25. Dat is, alleen de ware gelovigen, die altijd bij Christus blijven, en Hem niet verloochenen. Zie 1 Joh. 2:19; Openb. 14:3, 14:4. Johannes 15:2: Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Openbaring 22:19: En als iemand afdoet van de woorden van het boek van deze profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek van het leven, en uit de heilige stad, en uit wat in dit boek geschreven is. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 5:25: U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven; 1 Johannes 2:19: Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. Openbaring 14:3: En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren. Openbaring 14:4: Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen voor God en het Lam.
[^2petrus-2-1-10]: Kanttekening 10: Namelijk metterdaad, en met hunne valse leer en kwaad leven, hoewel zij met de mond Hem zouden mogen belijden. Zie Tit. 1:16; Jud. v.4. Titus 1:16: Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, zo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot elk goed werk ongeschikt. Judas 1:4: Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God, en onze Heer Jezus Christus verloochenen.
[^2petrus-2-2-11]: Kanttekening 11: 11 hunne verderfenissen: Grieks apoleiais; dat is, verderfelijke leringen en verleidingen. Anderen lezen aselgeiais, dat is, hun ontuchtigheden of dartelheden.
[^2petrus-2-2-12]: Kanttekening 12: 12 de weg van de waarheid: Dat is, de ware christelijke leer en godsdienst, die de weg tot de eeuwige zaligheid aanwijst. Zie van deze benaming Hand. 9:2, en Hand. 19:9, en Hand. 22:4. Handelingen 9:2: En begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij hen, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. Handelingen 19:9: Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg van de Heer voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus. Handelingen 22:4: Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen.
[^2petrus-2-2-13]: Kanttekening 13: 13 gelasterd worden: Namelijk zo van henzelf, met de waarheid tegen te spreken en beschuldigen; als door anderen, die uit hun kwade leer en ongoddelijk leven oorzaak zullen nemen, om de christelijke religie te lasteren.
[^2petrus-2-3-14]: Kanttekening 14: 14 zij zullen: Namelijk de valse leraars.
[^2petrus-2-3-15]: Kanttekening 15: 15 door gierigheid: Namelijk aangedreven zijnde; dat is, om vuil gewins wille, Tit. 1:11. Titus 1:11: Welken men moet de mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.
[^2petrus-2-3-16]: Kanttekening 16: 16 gemaakte woorden: Dat is, geveinsde, zoete en vleiende woorden; gelijk Rom. 16:18. Romeinen 16:18: Want zulke dienen onze Heer Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten van de eenvoudigen.
[^2petrus-2-3-17]: Kanttekening 17: 17 van u een koopmanschap: Grieks u verkoop-manschappen; dat is, daarmede u als verkopen om uit u winst te trekken; zoekende niet uw zaligheid, maar uw goederen; Openb. 18:13. Openbaring 18:13: En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen van de mensen.
[^2petrus-2-3-c]: Verwijzing c: Judas v. 4. Judas 1:4: Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God, en onze Heer Jezus Christus verloochenen.
[^2petrus-2-3-18]: Kanttekening 18: 18 het oordeel van: Dat is, de straf, gelijk 1 Kor. 11:29; namelijk tijdelijke en eeuwige; gelijk de volgende woorden verklaren. 1 Korinthiërs 11:29: Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heer.
[^2petrus-2-3-19]: Kanttekening 19: 19 over lang niet leeg: Dat is, van over lang over hen is besloten en zeker over hen komen zal.
[^2petrus-2-4-20]: Kanttekening 20: 20 Want als God: Deze vijf volgende verzen worden besloten op het vers 9. 2 Petrus 2:9: Zo weet de Heer de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden;
[^2petrus-2-4-d]: Verwijzing d: Judas v. 6; Openb. 20:3. Judas 1:6: En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Openbaring 20:3: En wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
[^2petrus-2-4-21]: Kanttekening 21: 21 aan de ketenen van de: Namelijk gelijk gevangen misdadigers met ketenen bewaard worden in de duistere gevangenissen, totdat zij daaruit gehaald worden om gestraft te worden.
[^2petrus-2-4-22]: Kanttekening 22: 22 tot het oordeel: Namelijk tot het laatste oordeel; of tot de eeuwige straf.
[^2petrus-2-5-23]: Kanttekening 23: 23 de oude wereld niet: Dat is, de mensen van de eerste wereld voor de zondvloed; zie Gen. 6:7. Genesis 6:7: En YHWH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
[^2petrus-2-5-e]: Verwijzing e: Gen. 7:23; 1 Petr. 3:19. Genesis 7:23: Zo werd verdelgd al wat bestond, dat op de aardbodem was, van de mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van het hemel, en zij werden verdelgd van de aarde; maar Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was. 1 Petrus 3:19: In Denwelken Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,
[^2petrus-2-6-f]: Verwijzing f: Gen. 19:24; Deut. 29:23; Jes. 13:19; Jer. 50:40; Ez. 16:49; Hosea 11:8; Amos 4:11; Judas v. 7. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. Jeremia 50:40: Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Ezechiël 16:49: Ziet, dit was de ongerechtigheid uw zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en nooddruftigen niet. Hosea 11:8: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Amos 4:11: Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Judas 1:7: Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelfde, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf van de eeuwigen vuurs.
[^2petrus-2-6-24]: Kanttekening 24: 24 met omkering: Dat is, met een gehele vernieling van mensen en van steden.
[^2petrus-2-6-25]: Kanttekening 25: 25 veroordeeld heeft: Dat is, gestraft of verdoemd.
[^2petrus-2-6-26]: Kanttekening 26: 26 tot een voorbeeld: Namelijk van zijn rechtvaardigen toorn en straf over de goddeloosheid.
[^2petrus-2-6-27]: Kanttekening 27: 27 zouden leven: Namelijk in toekomende tijden, gelijk zij geleefd hebben, dat hun ook dergelijke straf zal overkomen.
[^2petrus-2-7-28]: Kanttekening 28: 28 de rechtvaardigen Lot: Dat is, de vromen en godzaligen Lot.
[^2petrus-2-7-g]: Verwijzing g: Gen. 19:7; idem v. 8. Genesis 19:7: En hij zei: Mijn broeders! doet toch geen kwaad! Genesis 19:8: Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
[^2petrus-2-7-29]: Kanttekening 29: 29 vermoeid was van: Of overlast, moe.
[^2petrus-2-7-30]: Kanttekening 30: 30 de ontuchtigen wandel: Grieks de wandel in ontuchtigheid.
[^2petrus-2-7-31]: Kanttekening 31: 31 van de gruwelijken mensen: Het Griekse woord betekent mensen die naar recht noch reden vragen en naar gene wetten leven.
[^2petrus-2-8-32]: Kanttekening 32: 32 gekweld, door het: Grieks gepijnigd door het gezicht en gehoor in de onrechtvaardige werken.
[^2petrus-2-8-h]: Verwijzing h: Ps. 119:158. Psalmen 119:158: Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
[^2petrus-2-9-33]: Kanttekening 33: 33 Zo weet de Heer: Dat is, wil en kan; gelijk hij ook dikwijls getoond heeft.
[^2petrus-2-9-i]: Verwijzing i: 1 Kor. 10:13. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen.
[^2petrus-2-9-34]: Kanttekening 34: 34 de verzoeking: Dat is, de verdrukking, waardoor zij van God verzocht en beproefd worden; zie Jak. 1:2; 1 Petr. 1:6. Jakobus 1:2: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in velerlei verzoekingen valt; 1 Petrus 1:6: In welke u u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
[^2petrus-2-9-35]: Kanttekening 35: 35 de onrechtvaardigen: Namelijk die zodanig zijn en blijven zonder zich te bekeren van hun onrechtvaardigheid. Zie Ez. 18:21. Ezechiël 18:21: Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.
[^2petrus-2-9-36]: Kanttekening 36: 36 van het oordeel: Dat is, van het laatste oordeel, waarin zij overgegeven zullen worden om zowel naar ziel als lichaam eeuwig gestraft te worden.
[^2petrus-2-9-37]: Kanttekening 37: 37 om gestraft te worden: Of gestraft wordende; namelijk nu reeds naar de ziel.
[^2petrus-2-10-38]: Kanttekening 38: 38 allermeest degenen: Dat is, vooral of allerzwaarst.
[^2petrus-2-10-39]: Kanttekening 39: 39 naar het vlees: Grieks achter het vlees; dat is, de vleselijke onkuisheid.
[^2petrus-2-10-40]: Kanttekening 40: 40 in onreine begeerlijkheid: Grieks in begeerlijkheid van de besmetting, bevlekking; waarmee niet alleen de ziel, maar ook het lichaam besmet wordt. Zie 1 Kor. 6:18. 1 Korinthiërs 6:18: Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
[^2petrus-2-10-41]: Kanttekening 41: 41 de heerschappij verachten: Dat is, degenen die in overheid zijn.
[^2petrus-2-10-42]: Kanttekening 42: 42 zichzelven behagen: Of eigenzinnig. Zie van dit woord Tit. 1:7. Titus 1:7: Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst;
[^2petrus-2-10-43]: Kanttekening 43: 43 de heerlijkheden niet: Dat is, de heerschappijen, die in heerlijkheid gesteld zijn onder de mensen.
[^2petrus-2-11-44]: Kanttekening 44: 44 de engelen in sterkte: Dat is, de goede engelen, waaronder Michaël tot een voorbeeld wordt voorgebracht; Jud. v.9. Judas 1:9: Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u!
[^2petrus-2-11-45]: Kanttekening 45: 45 meerder zijnde: Namelijk dan enige mensen zijn.
[^2petrus-2-11-46]: Kanttekening 46: 46 geen lasterlijk oordeel: Dat is, wat zij tegen hen, die in overheid zijn, te zeggen hebben, niet voorstellen met lasterlijke woorden.
[^2petrus-2-12-k]: Verwijzing k: Jer. 12:3. Jeremia 12:3: Maar U, o YHWH! kent mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding.
[^2petrus-2-12-47]: Kanttekening 47: Namelijk valse leraars.
[^2petrus-2-12-48]: Kanttekening 48: 48 de natuur volgen: Grieks natuurlijke; dat is, volgende het ingeven en de lusten van hun natuur, die de valsen leraars gelijk zijn, omdat zij zo ook de lusten van hun verdorven natuur volgen.
[^2petrus-2-12-49]: Kanttekening 49: 49 voortgebracht zijn: Grieks geteeld of geboren; dat is, gelijk de onredelijke dieren anders niet hebben te verwachten dan van de mensen gevangen en gedood te worden, zo hebben ook deze valse leraars anders niet te verwachten, dan van God met een eeuwig verderf gestraft te worden, gelijk in het volgende verklaard wordt.
[^2petrus-2-12-50]: Kanttekening 50: 50 om gevangen en gedood: Grieks tot vang en verderf.
[^2petrus-2-12-l]: Verwijzing l: Judas v. 10. Judas 1:10: Maar deze, wat zij niet weten, dat lasteren zij; en wat zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelfde verderven zij zich.
[^2petrus-2-12-51]: Kanttekening 51: 51 verdorven worden: Dat is, verloren gaan; of in hun verderf verloren gaan.
[^2petrus-2-13-52]: Kanttekening 52: 52 het loon van de ongerechtigheid: Namelijk de eeuwigen dood en verdoemenis, die de ongerechtigheid naar Gods rechtvaardig oordeel verdient, gelijk daarentegen het eeuwige leven genoemd wordt een kroon van de gerechtigheid die uit genade wordt gegeven; 2 Tim. 4:8. 2 Timotheüs 4:8: Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^2petrus-2-13-53]: Kanttekening 53: Dat is, lekker leven, slempen en goede sier maken, gelijk de rijke man deed; Luk. 16:19. Lukas 16:19: En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig.
[^2petrus-2-13-54]: Kanttekening 54: Grieks wellust.
[^2petrus-2-13-55]: Kanttekening 55: 55 vlekken en smetten: Namelijk van de christelijken naam; die zij gebruiken en met hun kwaad leven bevlekken.
[^2petrus-2-13-56]: Kanttekening 56: Grieks apatais; dat is, bedriegelijke verleidingen.
[^2petrus-2-13-57]: Kanttekening 57: 57 als zij in de maaltijden: Of als zij met u goede sier maken; dat is, van u te gast uitgenodigd zijn of de algemene maaltijden met u houden.
[^2petrus-2-14-58]: Kanttekening 58: 58 vol overspel, en: Dat is, die klaar bewijzen hun genegenheid tot onkuisheid, en die zij op andere vrouwen slaan om die te begeren; zie Matt. 5:28. Mattheüs 5:28: Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om haar te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan.
[^2petrus-2-14-59]: Kanttekening 59: 59 die niet ophouden: Grieks onophoudelijk van zonde; dat is, die gedurig met onkuis aanschouwen en begeren van andere vrouwen het hart tot overspel bewegen, en deze ook met het hart begaan.
[^2petrus-2-14-60]: Kanttekening 60: Namelijk met schoon spreken, als met een aas.
[^2petrus-2-14-61]: Kanttekening 61: 61 onvaste zielen: Namelijk in de waarheid of godzaligheid.
[^2petrus-2-14-62]: Kanttekening 62: 62 kinderen van de vervloeking: Dat is, vervloekte mensen; gelijk Joh. 17:12; Ef. 2:2; Kol. 3:6; 2 Thess. 2:3; 1 Petr. 1:14. Johannes 17:12: Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. Efeziërs 2:2: In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Kolossensen 3:6: Om welke de toorn van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid; 2 Thessalonicensen 2:3: Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 1 Petrus 1:14: Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;
[^2petrus-2-15-63]: Kanttekening 63: 63 de rechte weg: Namelijk van de zaligheid, of van de godzaligheid, die tot de zaligheid leidt.
[^2petrus-2-15-m]: Verwijzing m: Num. 22:7; idem v. 21; Judas v. 11. Numeri 22:7: Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem het woordn van Balak. Numeri 22:21: Toen stond Bileam van de morgen op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab. Judas 1:11: Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
[^2petrus-2-15-64]: Kanttekening 64: 64 de weg van Balaäm: Dat is, de wijze van doen; zie 1 Kor. 4:17; Jud. v.11. 1 Korinthiërs 4:17: Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heer, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik alom in alle Gemeenten leer. Judas 1:11: Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.
[^2petrus-2-15-65]: Kanttekening 65: Deze wordt Num. 22:5, Beor of Bechor genaamd. Numeri 22:5: Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
[^2petrus-2-15-66]: Kanttekening 66: 66 het loon van de ongerechtigheid: Dat is, die hem Balak beloofd had om een ongerechtige zaak te doen, namelijk het volk van God te vloeken.
[^2petrus-2-15-67]: Kanttekening 67: 67 liefgehad heeft: Dat is, uit gierigheid, om dit loon te verkrijgen tegen Gods wil en zijn eigen geweten.
[^2petrus-2-16-68]: Kanttekening 68: 68 ongerechtigheid gehad: Of overtreding.
[^2petrus-2-16-69]: Kanttekening 69: 69 het jukdragende stomme dier: Dat is, de ezelin waarop hij reed.
[^2petrus-2-16-n]: Verwijzing n: Num. 22:21. Numeri 22:21: Toen stond Bileam van de morgen op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.
[^2petrus-2-16-70]: Kanttekening 70: 70 sprekende met mensenstem: Grieks geluid gevende.
[^2petrus-2-16-71]: Kanttekening 71: 71 van de profeten dwaasheid: Namelijk Bileams, die een profeet genoemd wordt, gelijk ook Joz. 13:22, een voorzegger of waarzegger, omdat hij bij de Moabieten gehouden werd voor zodanig als de profeten gehouden werden bij het volk van God, hoewel hij ook van de Messias door Gods ingeven heeft geprofeteerd Num. 24:17. Zie dergelijke Joh. 11:51. Jozua 13:22: Daartoe hebben de kinderen van Israël met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn. Numeri 24:17: Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren. Johannes 11:51: En dit zei hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester in dat jaar, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;
[^2petrus-2-17-o]: Verwijzing o: Judas v. 12. Judas 1:12: Deze zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;
[^2petrus-2-17-72]: Kanttekening 72: 72 waterloze fonteinen: Dat is, gelijken wel fonteinen te zijn, maar geven geen water; door welke gelijkenis hun schijnheiligheid en geveinsdheid wordt beschreven, gelijk in de volgende hun ongestadigheid.
[^2petrus-2-17-73]: Kanttekening 73: Namelijk valse leraars.
[^2petrus-2-17-74]: Kanttekening 74: 74 de donkerheid van de: Dat is, zeer dikke duisternis, die ook genaamd wordt de buitenste duisternis, Matt. 8:12, en Matt. 22:13, en Matt. 25:30, waardoor de hel beduid wordt. Mattheüs 8:12: En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. Mattheüs 22:13: Toen zei de koning tot de dienaren: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. Mattheüs 25:30: En werpt de onnutten dienaar uit in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden.
[^2petrus-2-18-75]: Kanttekening 75: 75 zeer hoogmoedige: Grieks zeer hoogmoedige dingen van de ijdelheid; dat is, hun valse en ijdele leer met grote opgeblazenheid stout voorstellende.
[^2petrus-2-18-76]: Kanttekening 76: Grieks in; gelijk ook in vers 19. 2 Petrus 2:19: Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienaren zijn van de verdorvenheid; want van wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienaar gemaakt.
[^2petrus-2-18-77]: Kanttekening 77: Of dartelheden, geiligheden.
[^2petrus-2-18-78]: Kanttekening 78: 78 waarlijk ontvloden: Dat is, die nu de kennis van de rechte waarheid inderdaad hadden. Anderen lezen voor ontoos, dat is, waarlijk, oligon, dat is, een weinig.
[^2petrus-2-19-79]: Kanttekening 79: 79 hun vrijheid: Namelijk een vleselijke vrijheid onder het deksel van het Evangelie.
[^2petrus-2-19-80]: Kanttekening 80: 80 zijn van de verdorvenheid: Namelijk die in hen is en heerst; of het eeuwig verderf. Want beide is waarachtig in verscheiden opzicht.
[^2petrus-2-19-p]: Verwijzing p: Joh. 8:34; Rom. 6:16. Johannes 8:34: Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iedereen, die de zonde doet, is een dienaar van de zonde. Romeinen 6:16: Weet u niet, dat wie u uzelven stelt tot dienaren ter gehoorzaamheid, u dienaren bent van degene, die u gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
[^2petrus-2-20-q]: Verwijzing q: Hebr. 6:4; Hebr. 10:26. Hebreeën 6:4: Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, Hebreeën 10:26: Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;
[^2petrus-2-20-81]: Kanttekening 81: 81 door de kennis van: Namelijk die zij hebben verkregen door de prediking van het Evangelie, die de onwedergeborenen dikwijls ook wel hebben. Zie Matt. 13:19, 13:20, enz. Mattheüs 13:19: Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is. Mattheüs 13:20: Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt;
[^2petrus-2-20-82]: Kanttekening 82: 82 de besmettingen van de wereld: Dat is, de dwalingen, afgoderijen en grove zonden, waarin zij tevoren staken en die in de wereld zijn.
[^2petrus-2-20-83]: Kanttekening 83: 83 ontvloden zijn: Namelijk zich begevende uit deze dwalingen, zonden en afgoderijen tot de Kerk van God, dat ook dikwijls de huichelaars en onwedergeborenen doen.
[^2petrus-2-20-84]: Kanttekening 84: 84 overwonnen worden: Namelijk zo dat zij daartoe opnieuw vervallen en daarin blijven, zonder zich daarvan te bekeren, latende deze zonden over hen heersen.
[^2petrus-2-20-r]: Verwijzing r: Matt. 12:45. Mattheüs 12:45: Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste van dezelfde mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook met dit boos geslacht zijn.
[^2petrus-2-20-85]: Kanttekening 85: 85 het laatste: Dat is, deze hun laatste staat, waarin zij zijn als zij van de waarheid afgevallen zijn.
[^2petrus-2-20-86]: Kanttekening 86: 86 het eerste: Dat is, hun eerste staat, waarin zij waren, voordat zij de waarheid kenden. Zie Luk. 12:47. Lukas 12:47: En die dienaar, welke geweten heeft de wil zijns heeren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.
[^2petrus-2-21-87]: Kanttekening 87: 87 de weg van de gerechtigheid: Dat is, de leer van het Evangelie, die tevoren genoemd is de weg van de waarheid, vers 2. 2 Petrus 2:2: En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg van de waarheid zal gelasterd worden.
[^2petrus-2-21-88]: Kanttekening 88: 88 heilige gebod: Dat is, de heilige leer van het Evangelie, die niet alleen bestaat in beloften, maar ook in geboden; en de apostel spreekt aldus, omdat de valse leraars de mensen verleiden, niet alleen van de waarheid maar ook tot allerlei goddeloosheid.
[^2petrus-2-22-s]: Verwijzing s: Spreuk. 26:11. Spreuken 26:11: Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel terugkeert, zo herneemt de zot zijn dwaasheid.

### 2 Petrus 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2petrus/3.json)

*1 De apostel verklaart dat hij deze tweede brief heeft geschreven om hen daardoor op te wekken tot het betrachten van de profetische en apostolische leer. 3 En waarschuwt hen tegen de spotters, die in de laatste tijden de komst van Christus ten oordeel en de voleinding van de wereld zullen loochenen. 5 En weerlegt hen met redenen, ontleend aan de schepping en de instandhouding van de wereld, 6 en aan de zondvloed. 7 En leert dat, zoals de eerste wereld door het water vergaan is, deze zo door het vuur zal vergaan. 8 Dat de komst van Christus ten oordeel weliswaar omwille van de uitverkorenen wordt uitgesteld, 10 maar dat zij onverwacht zal komen. 11 Waaruit hij een vermaning trekt tot het betrachten van oprechte godzaligheid. 13 En leert dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn. 15 Wat hij alles bevestigt met het getuigenis van de apostel Paulus, wiens brieven sommigen verdraaien. 17 Ten slotte besluit hij met een herhaling van de vermaning om zich te hoeden voor de valse leraars en spotters, en met een lofzegging tot Christus.*

**1** Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke[^2petrus-3-1-1] beide[^2petrus-3-1-2][^2petrus-3-1-a] ik door terechtwijzing uw[^2petrus-3-1-3] oprecht[^2petrus-3-1-4] gemoed opwekke; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v1)

**2** Opdat u gedachtig bent aan de woorden, die van de heilige profeten[^2petrus-3-2-5] te voren gesproken zijn, en aan ons[^2petrus-3-2-6] gebod, die van de Heere en Zaligmaker apostelen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v2)

**3** [^2petrus-3-3-b] Dit[^2petrus-3-3-7] eerst wetende, dat[^2petrus-3-3-8] in het laatste van de dagen[^2petrus-3-3-9] spotters komen zullen, die[^2petrus-3-3-10] naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v3)

**4** En[^2petrus-3-4-11] zeggen:[^2petrus-3-4-c] Waar[^2petrus-3-4-12] is de belofte[^2petrus-3-4-13] van Zijn toekomst? want van die dag, dat[^2petrus-3-4-14] de vaders[^2petrus-3-4-15] ontslapen zijn, blijven alle dingen[^2petrus-3-4-16] zo zoals van het begin van de schepping. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v4)

**5** Want[^2petrus-3-5-17] willens is dit hun onbekend, dat[^2petrus-3-5-18] door het woord van God de hemelen van over lang geweest zijn,[^2petrus-3-5-d] en de aarde[^2petrus-3-5-19] uit het water en[^2petrus-3-5-20] in het water bestaande; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v5)

**6** [^2petrus-3-6-21][^2petrus-3-6-e] Door welke[^2petrus-3-6-22] de wereld, die toen was, met het water van de[^2petrus-3-6-23] zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v6)

**7** [^2petrus-3-7-f] Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord[^2petrus-3-7-24] als een schat weggelegd,[^2petrus-3-7-g] en worden[^2petrus-3-7-25] ten vure bewaard tegen de dag[^2petrus-3-7-26] van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v7)

**8** Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden,[^2petrus-3-8-27][^2petrus-3-8-h] dat één dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v8)

**9** [^2petrus-3-9-i] De Heere[^2petrus-3-9-28] vertraagt de belofte niet (zoals[^2petrus-3-9-k] enige dat[^2petrus-3-9-29] traagheid achten),[^2petrus-3-9-l] maar is geduldig[^2petrus-3-9-30] over ons,[^2petrus-3-9-m] niet willende, dat[^2petrus-3-9-31] enige verloren gaan, maar dat[^2petrus-3-9-32] zij[^2petrus-3-9-33] allen tot bekering komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v9)

**10** Maar[^2petrus-3-10-34] de dag van de Heere zal komen[^2petrus-3-10-35][^2petrus-3-10-n] als een dief in de nacht,[^2petrus-3-10-36] waarin de hemelen[^2petrus-3-10-37] met een geluid[^2petrus-3-10-38] zullen voorbijgaan, en[^2petrus-3-10-39] de elementen branden zullen en[^2petrus-3-10-40] vergaan, en de aarde en[^2petrus-3-10-41] de werken, die daarin zijn, zullen[^2petrus-3-10-42] verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v10)

**11** Omdat dan deze dingen alle[^2petrus-3-11-43] vergaan,[^2petrus-3-11-44] hoe behoort u te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v11)

**12** [^2petrus-3-12-45] Verwachtende en[^2petrus-3-12-46] haastende tot de toekomst van de dag[^2petrus-3-12-47] van God,[^2petrus-3-12-48][^2petrus-3-12-o] waarin de hemelen,[^2petrus-3-12-49] door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v12)

**13** Maar wij verwachten,[^2petrus-3-13-p] naar Zijn belofte,[^2petrus-3-13-50] nieuwe hemelen en een nieuwe aarde,[^2petrus-3-13-51] waarin[^2petrus-3-13-52] gerechtigheid[^2petrus-3-13-53] woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v13)

**14** Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, beijvert u, dat u[^2petrus-3-14-54] onbevlekt en onbestraffelijk[^2petrus-3-14-55] van Hem[^2petrus-3-14-56] bevonden mag worden[^2petrus-3-14-57] in vrede; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v14)

**15** [^2petrus-3-15-q] En acht[^2petrus-3-15-58] het geduld van onze Heere[^2petrus-3-15-59] voor zaligheid; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is,[^2petrus-3-15-60] u geschreven heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v15)

**16** Zoals ook[^2petrus-3-16-r] in alle zendbrieven, daarin[^2petrus-3-16-61] van deze dingen sprekende;[^2petrus-3-16-62] in welke dingen[^2petrus-3-16-63] sommige zwaar zijn om te verstaan, die[^2petrus-3-16-64] de ongeleerde en[^2petrus-3-16-65] onvaste[^2petrus-3-16-66] mensen verdraaien, zoals ook de andere Schriften,[^2petrus-3-16-67] tot hun eigen verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v16)

**17** U dan, geliefden,[^2petrus-3-17-68] dat te voren wetende,[^2petrus-3-17-69] pas op dat u niet door de verleiding[^2petrus-3-17-70] van de gruwelijke mensen mee[^2petrus-3-17-71] afgerukt wordt, en uitvalt[^2petrus-3-17-72][^2petrus-3-17-73] van uw vastheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v17)

**18** Maar[^2petrus-3-18-74] wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus.[^2petrus-3-18-75] Hem zij de heerlijkheid, zowel[^2petrus-3-18-76] nu als[^2petrus-3-18-77] in de dag van de eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2petrus/3.html#v18)

[^2petrus-3-1-1]: Kanttekening 1: Dit woord moet daarbij gedaan worden, omdat de apostel spreekt in het meervoud, van beide zijn zendbrieven.
[^2petrus-3-1-2]: Kanttekening 2: 2 door vermaning: Grieks in vermaning of indachtigmaking.
[^2petrus-3-1-a]: Verwijzing a: 2 Petr. 1:13. 2 Petrus 1:13: En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning;
[^2petrus-3-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk in de leer van het Evangelie.
[^2petrus-3-1-4]: Kanttekening 4: Of verstand.
[^2petrus-3-2-5]: Kanttekening 5: 5 te voren gesproken zijn: Namelijk van de Messias èn de staat van Zijn rijk in het Nieuwe Testament.
[^2petrus-3-2-6]: Kanttekening 6: 6 ons gebod: Dat is, aan onze leer, die wij u geleerd hebben, niet naar ons eigen goeddunken of gezag, maar als apostelen van onze Heer Christus. Zie 2 Petr. 1:21. Beide deze worden zeer geschikt bijeengesteld, als zijnde tezamen de grond van de christelijke leer. Zie dergelijke Ef. 2:20. 2 Petrus 1:21: Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^2petrus-3-3-b]: Verwijzing b: 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1; Judas v. 18. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Judas 1:18: Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.
[^2petrus-3-3-7]: Kanttekening 7: 7 eerst wetende: Dat is, vooral.
[^2petrus-3-3-8]: Kanttekening 8: 8 in het laatste van de dagen: Dat is, in de laatste dagen. Zie 2 Tim. 3:1. 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
[^2petrus-3-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk die spotten zullen zo met de voorzegging van God in Zijn Woord, vooral van het laatste oordeel en van het einde van de wereld, als met degenen, die deze geloven, houdende hen voor slecht en al te licht gelovende mensen. Zie van deze Ps. 1:1; Jes. 22:13. Psalmen 1:1: Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; Jesaja 22:13: Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.
[^2petrus-3-3-10]: Kanttekening 10: 10 naar hun eigen begeerlijkheden: Dat is, volgende de kwade lusten van hun vlees, in alle ongebondenheid van het leven. Gelijk de Nikolaïten en huns gelijke deden.
[^2petrus-3-4-11]: Kanttekening 11: Waar: Namelijk spottenderwijze.
[^2petrus-3-4-c]: Verwijzing c: Ez. 12:22. Ezechiël 12:22: Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?
[^2petrus-3-4-12]: Kanttekening 12: 12 is de belofte: Dat is, blijft de vervulling van deze belofte en voorzegging? Dit vragen is zoveel als ontkennen.
[^2petrus-3-4-13]: Kanttekening 13: 13 Zijn toekomst: Namelijk om te oordelen de levenden en de doden en de wereld te vernieuwen.
[^2petrus-3-4-14]: Kanttekening 14: 14 de vaders: Dat is, de voorouders.
[^2petrus-3-4-15]: Kanttekening 15: 15 ontslapen zijn: Dat is, gestorven. Zie Matt. 9:24; 1 Kor. 11:30; 1 Thess. 4:13. Dit woord schijnen zijn ook spottenderwijze te gebruiken, alsof het wel tijd ware dat de vaders uit de slaap zouden opgewekt worden, zo er een opstanding van de doden en een laatste oordeel zou zijn. Mattheüs 9:24: Zei Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem. 1 Korinthiërs 11:30: Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen. 1 Thessalonicensen 4:13: Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetende bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
[^2petrus-3-4-16]: Kanttekening 16: 16 zo gelijk: Of zo gelijk het van het begin van de schepping aan geweest is. Dit is hun rede, die zij stellen tegen de zekerheid van de voorzeggingen van het laatste oordeel en voleinding van de wereld, omdat men ziet dat nu zo lange jaren, nadat de voorzeggingen geschied zijn, men geen vervulling derzelve verneemt; maar dat alles blijft gelijk het altijd geweest is, dat het dan niet gelofelijk is, dat deze immermeer zullen vervuld worden.
[^2petrus-3-5-17]: Kanttekening 17: 17 willens is dit: Dat is, zij willen dit niet weten en aanmerken.
[^2petrus-3-5-18]: Kanttekening 18: 18 door het woord: Dat is, door zijn kracht en bevel; zie Gen. 1:3; Ps. 33:6, 33:9; Hebr. 1:3. Daarmede beantwoordt en weerlegt Petrus het voorgeven van de spotters, en bewijst dat het bestaan en vergaan van hemel en aarde alleen staat aan de wil, het bevel en de kracht van God, waardoor, gelijk hij ze geschapen heeft zo onderhoudt hij ze ook zo lang het hem belieft, en kan ze ook teniet maken door hetzelfde woord, als het Hem belieft. Genesis 1:3: En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. Psalmen 33:6: Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Psalmen 33:9: Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. Hebreeën 1:3: Dewelke, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen;
[^2petrus-3-5-d]: Verwijzing d: Gen. 1:9; Ps. 24:2. Genesis 1:9: En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. Psalmen 24:2: Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
[^2petrus-3-5-19]: Kanttekening 19: 19 uit het water: Namelijk uitstekende, waar ze eerst mee bedekt was; Gen. 1:9. Genesis 1:9: En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo.
[^2petrus-3-5-20]: Kanttekening 20: 20 in het water bestaande: Grieks door. Dat ook soms in betekent, gelijk 1 Tim. 2:15, zo ook vers 5, omdat de wateren zijn als de vastheid waarin de aarde is en vaststaat. Zie Ps. 24:2. 1 Timotheüs 2:15: Maar zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid. 2 Petrus 3:5: Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord van God de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande; Psalmen 24:2: Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
[^2petrus-3-6-21]: Kanttekening 21: 21 Door welke: Namelijk hemel en aarde. Want die hebben beide hunne wateren tot de zondvloed gebracht, gelijk uitdrukkelijk getuigd wordt Gen. 7:11. Genesis 7:11: In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfden dag zijn alle fonteinen van de grote afgrond opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend.
[^2petrus-3-6-e]: Verwijzing e: Gen. 7:10; idem v. 21. Genesis 7:10: En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren van de vloeds op de aarde waren. Genesis 7:21: En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf de geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
[^2petrus-3-6-22]: Kanttekening 22: 22 de wereld: Dat is, de mensen en beesten, die toen in de wereld waren en leefden, uitgenomen die in de ark behouden werden.
[^2petrus-3-6-23]: Kanttekening 23: 23 bedekt zijnde: Namelijk door het Woord en bevel van God. En de apostel wil daarmee bewijzen, dat gelijk God, als het Hem belieft heeft, door Zijn kracht de eerste wereld heeft doen vergaan met het water, dat Hij ook de tweede en tegenwoordige wereld met het vuur kan en zal doen vergaan, wanneer het Hem zal believen, gelijk in vers 7 verklaard wordt. 2 Petrus 3:7: Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen.
[^2petrus-3-7-f]: Verwijzing f: Ps. 102:27; Jes. 51:6; Hebr. 1:11; 2 Petr. 3:10. Psalmen 102:27: Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Jesaja 51:6: Heft ulieder ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Hebreeën 1:11: Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^2petrus-3-7-24]: Kanttekening 24: 24 als een schat weggelegd: Dat is, bewaard, gelijk men een schat weglegt in de schatkamer, om op zijn tijd, als het ons belieft, uitgegeven en besteed te worden.
[^2petrus-3-7-g]: Verwijzing g: 2 Thes. 1:8. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
[^2petrus-3-7-25]: Kanttekening 25: 25 ten vure bewaard: Namelijk om daardoor verbrand te worden; zie Ps. 50:3; 2 Thess. 1:8. Psalmen 50:3: Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
[^2petrus-3-7-26]: Kanttekening 26: 26 van het oordeel: Dat is, van het laatste algemene oordeel; of van de verdoemenis, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^2petrus-3-8-27]: Kanttekening 27: 27 dat een dag bij de: En dat daarom wij ons niet moeten verwonderen, dat de Heer, naar onze mening, zo lang vertoeft met het volbrengen van Zijn belofte, zo Hij de tijden niet rekent kort of lang naar ons dunken, daar Hij eeuwig en aan de tijden niet gebonden is.
[^2petrus-3-8-h]: Verwijzing h: Ps. 90:4. Psalmen 90:4: Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.
[^2petrus-3-9-i]: Verwijzing i: Habak. 2:3. Habakuk 2:3: Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
[^2petrus-3-9-28]: Kanttekening 28: 28 vertraagt de belofte: Of vertraagt niet aangaande de belofte; dat is, stelt de volbrenging van de belofte niet uit boven de tijd, die Hij daartoe bestemd heeft.
[^2petrus-3-9-k]: Verwijzing k: 1 Petr. 3:20; 2 Petr. 3:15. 1 Petrus 3:20: Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 2 Petrus 3:15: En acht de lankmoedigheid onzes Heern voor zaligheid; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, u geschreven heeft;
[^2petrus-3-9-29]: Kanttekening 29: 29 traagheid achten: Dat is, uitstel, boven de bestemde tijd.
[^2petrus-3-9-l]: Verwijzing l: Jes. 30:18; Rom. 2:4. Jesaja 30:18: En daarom zal YHWH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want YHWH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. Romeinen 2:4: Of veracht u de rijkdom Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?
[^2petrus-3-9-30]: Kanttekening 30: 30 over ons, niet willende: Namelijk die geroepen zijn tot de kennis van Christus en in Hem geloven; voor hoedanigen Hij naar het oordeel van de liefde houdt al degenen aan wie Hij schrijft; zie 2 Petr. 1:1. 2 Petrus 1:1: Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus;
[^2petrus-3-9-m]: Verwijzing m: Ez. 18:32; Ez. 33:11; 1 Tim. 2:4. Ezechiël 18:32: Want Ik heb geen lust aan de dood van de stervenden, spreekt de Heer YHWH; daarom bekeert u en leeft. Ezechiël 33:11: Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heer YHWH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt u sterven, o huis van Israël? 1 Timotheüs 2:4: Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen.
[^2petrus-3-9-31]: Kanttekening 31: 31 enige verloren gaan: Namelijk uit ons, die krachtig geroepen zijn en nog zullen worden. Want zo God al wat Hij wil doen kan en ook doet, zo kan dit niet verstaan worden van alle en een ieder mens, omdat de Schrift en de ervaring zelf getuigen, dat niet alle mensen zalig worden, maar velen verloren gaan.
[^2petrus-3-9-32]: Kanttekening 32: Namelijk uitverkorenen, van wie Hij hier spreekt; Openb. 6:11. Openbaring 6:11: En aan een ieder werden lange witte kleren gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.
[^2petrus-3-9-33]: Kanttekening 33: 33 tot bekering komen: Namelijk dat hun daartoe tijd gegeven worde.
[^2petrus-3-10-34]: Kanttekening 34: 34 de dag van de Heer: Dat is, de jongste of laatste dag, als de Heer komen zal tot het oordeel.
[^2petrus-3-10-35]: Kanttekening 35: 35 als een dief: Dat is, onvoorziens. Zie de aantekeningen 1 Thess. 5:2. 1 Thessalonicensen 5:2: Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht.
[^2petrus-3-10-n]: Verwijzing n: Matt. 24:43; idem v. 44; 1 Thes. 5:2; Openb. 3:3; Openb. 16:15. Mattheüs 24:43: Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Mattheüs 24:44: Daarom, zijt ook u bereid; want in welke ure u het niet meent, zal de Zoon van de mensen komen. 1 Thessalonicensen 5:2: Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht. Openbaring 3:3: Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. Openbaring 16:15: Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
[^2petrus-3-10-36]: Kanttekening 36: 36 in welke de hemelen: Namelijk dag van de Heer.
[^2petrus-3-10-37]: Kanttekening 37: 37 met een gedruis: Namelijk gelijk in een groot onweer of grote storting van water gehoord wordt.
[^2petrus-3-10-38]: Kanttekening 38: 38 zullen voorbijgaan: Hoe dit voorbijgaan of vergaan van hemel en aarde gebeuren zal, zijn er verschillende meningen, zo van oude als van nieuwe leraars. Sommigen menen, dat de substantie of het wezen zelf van de wereld ten enenmale zal vergaan en vernietigd worden; anderen, dat alleen de hoedanigheden derzelve zullen vergaan en veranderd worden, en de substantie of wezen blijven. Welke mening wel de algemene en waarschijnlijkste is. Zie Ps. 102:26, 102:27; Rom. 8:19. Psalmen 102:26: U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; Psalmen 102:27: Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Romeinen 8:19: Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring van de kinderen van God.
[^2petrus-3-10-39]: Kanttekening 39: 39 de elementen branden: Namelijk waaruit alle lichamelijke schepselen bestaan, dat is, het vuur, de lucht, het water en de aarde.
[^2petrus-3-10-40]: Kanttekening 40: Grieks los gemaakt of ontbonden worden.
[^2petrus-3-10-41]: Kanttekening 41: 41 de werken, die daarin zijn: Namelijk die de aarde uit zich voortbrengt of die de mensen op de aarde gemaakt en gebouwd hebben.
[^2petrus-3-10-42]: Kanttekening 42: Namelijk door het vuur, waarvan gesproken is vers 17. 2 Petrus 3:17: U dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat u niet door de verleiding van de gruwelijke mensen mee afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastheid;
[^2petrus-3-11-43]: Kanttekening 43: Dat is, vergaan zullen. Zie vers 10. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^2petrus-3-11-44]: Kanttekening 44: 44 hoedanigen behoort: Dat is, hoe grote vlijt behoort u dan aan te wenden, om zodanigen te zijn in ware godzaligheid, dat u in die verschrikkelijke dag mag bestaan en plaats vinden in de toekomende wereld.
[^2petrus-3-12-45]: Kanttekening 45: Namelijk met volharding.
[^2petrus-3-12-46]: Kanttekening 46: Namelijk met verlangen.
[^2petrus-3-12-47]: Kanttekening 47: Dat is, van de Heer Jezus Christus, gelijk Tit. 2:13; of van God de Vader, die Zijn gericht houden zal door de Zoon; Hand. 17:31. Titus 2:13: Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus; Handelingen 17:31: Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^2petrus-3-12-48]: Kanttekening 48: 48 in welke: Of door welke, namelijk toekomst van de dag van God.
[^2petrus-3-12-o]: Verwijzing o: Ps. 50:3; 2 Thes. 1:8. Psalmen 50:3: Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 2 Thessalonicensen 1:8: Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.
[^2petrus-3-12-49]: Kanttekening 49: 49 door vuur ontstoken: Zie hiervan vers 7, 3:10. 2 Petrus 3:7: Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^2petrus-3-13-p]: Verwijzing p: Jes. 65:17; Jes. 66:22; Openb. 21:1. Jesaja 65:17: Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 66:22: Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. Openbaring 21:1: En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
[^2petrus-3-13-50]: Kanttekening 50: 50 nieuwe hemelen: Namelijk of van ene nieuwe substantie en wezen, of met nieuwe hoedanigheden versierd, en daardoor als vernieuwd. Zie de aantekeningen vers 10. 2 Petrus 3:10: Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^2petrus-3-13-51]: Kanttekening 51: 51 in dewelke: Namelijk nieuwe hemelen en aarde. Want Hij spreekt in het meervoud.
[^2petrus-3-13-52]: Kanttekening 52: Dat is, mensen die van de zonde gerechtvaardigd zijn, en anders niet dan gerechtigheid zullen plegen; daar deze aarde vol is van boze en ongerechtige mensen.
[^2petrus-3-13-53]: Kanttekening 53: Dat is, wonen zal; dat is, waar de rechtvaardige mensen een vaste plaats zullen hebben en altijd daarin blijven en gerechtigheid oefenen.
[^2petrus-3-14-54]: Kanttekening 54: 54 onbevlekt en onbestraffelijk: Namelijk van de zonden en besmettingen van de wereld. Want anders leeft niemand zonder enige vlek, 1 Kon. 8:46; Ps. 19:13; Spreuk. 20:9; Jak. 3:2; 1 Joh. 1:8; maar aan de gelovigen wordt de onbevlektheid van Christus als hun eigene toegerekend, Ef. 5:26, 5:27; en zij wachten zich dat de zonden over hen niet heersen; Rom. 6:12. 1 Koningen 8:46: Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in het land van de vijand, dat verre of nabij is. Psalmen 19:13: Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. Spreuken 20:9: Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Jakobus 3:2: Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in de toom te houden. 1 Johannes 1:8: Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet. Efeziërs 5:26: Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Efeziërs 5:27: Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. Romeinen 6:12: Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat lichaam.
[^2petrus-3-14-55]: Kanttekening 55: 55 van Hem: Namelijk van de Heer Jezus Christus.
[^2petrus-3-14-56]: Kanttekening 56: 56 bevonden mag worden: Namelijk als Hij zal komen om te oordelen. Want gelijk iemand dan zal worden gevonden, zo zal hij geoordeeld worden; Pred. 11:3; Matt. 24:46. Prediker 11:3: Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen. Mattheüs 24:46: Zalig is die dienaar, welke zijn heer, komende, zal vinden zo doende.
[^2petrus-3-14-57]: Kanttekening 57: 57 in vrede: Dat is, hebbende een gerust gemoed en een goed geweten voor God, en met de mensen in vrede levende.
[^2petrus-3-15-q]: Verwijzing q: Rom. 2:4. Romeinen 2:4: Of veracht u de rijkdom Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?
[^2petrus-3-15-58]: Kanttekening 58: 58 de lankmoedigheid: Namelijk die Hij gebruikt, Zijn komst tot het oordeel uitstellende, om de mensen tijd te geven tot bekering.
[^2petrus-3-15-59]: Kanttekening 59: 59 voor zaligheid: Dat is, voor een zaak, die zeer dienstig is tot bevordering van uw zaligheid.
[^2petrus-3-15-60]: Kanttekening 60: 60 u geschreven: Namelijk gelovige Joden, dat hij gedaan heeft door de zendbrief aan de Hebreën. Zie Hebr. 6:2, en Hebr. 10:36, 10:37. Hebreeën 6:2: Van de leer van de dopen, en van de oplegging van de handen, en van de opstanding van de doden, en van het eeuwig oordeel. Hebreeën 10:36: Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen; Hebreeën 10:37: Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.
[^2petrus-3-16-r]: Verwijzing r: Rom. 8:19; 1 Kor. 15:24; 1 Thes. 4:15. Romeinen 8:19: Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring van de kinderen van God. 1 Korinthiërs 15:24: Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 1 Thessalonicensen 4:15: Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heer, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heer, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
[^2petrus-3-16-61]: Kanttekening 61: 61 van deze dingen: Namelijk van welke ik u nu onderwezen en vermaand heb, namelijk van de komst van Christus tot het oordeel, van de voleinding van de wereld, van de valse leraars en spotters, die opstaan zullen, enz.
[^2petrus-3-16-62]: Kanttekening 62: 62 in welke dingen: Of onder welke dingen.
[^2petrus-3-16-63]: Kanttekening 63: 63 sommige zwaar zijn: Namelijk dingen, of spreuken. Hij zegt dan niet dat al wat in de Schrift geleerd wordt zwaar zou zijn om te verstaan, maar alleen sommige dingen, vooral die van toekomende zaken of van de raad van God over toekomende dingen spreken, welke, hoewel zij zwaar zijn om begrepen te worden, nochtans klaar genoeg voorgesteld worden, zo veel de gelovigen daarvan ter zaligheid nodig is te weten; gelijk ook alles wat ter zaligheid nodig is te weten, in de Heilige Schrift klaar genoeg geleerd en uitgedrukt wordt. Zie Deut. 29:29, en Deut. 30:11; Ps. 19:8, en Ps. 119:105; Spreuk. 6:23; 2 Kor. 4:3; 2 Petr. 1:19. Deuteronomium 29:29: De verborgen dingen zijn voor YHWH, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet. Deuteronomium 30:11: Want ditzelve gebod, dat ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre. Psalmen 19:8: De wet van YHWH is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis van YHWH is gewis, de slechten wijsheid gevende. Psalmen 119:105: Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. Spreuken 6:23: Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven; 2 Korinthiërs 4:3: Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; 2 Petrus 1:19: En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.
[^2petrus-3-16-64]: Kanttekening 64: 64 de ongeleerde: Of onervaren; namelijk in Goddelijke dingen.
[^2petrus-3-16-65]: Kanttekening 65: 65 onvaste mensen: Of, onbevestigde, die in de rechte grond van de christelijke leer niet zijn bevestigd.
[^2petrus-3-16-66]: Kanttekening 66: Namelijk met valse uitleggingen daarop te maken, en slechte gevolgtrekkingen daaruit te maken. Zie Rom. 3:5, 3:8, en Rom. 9:19, en Rom. 11:1. Romeinen 3:5: Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.) Romeinen 3:8: En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Van wie de verdoemenis rechtvaardig is. Romeinen 9:19: U zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan? Romeinen 11:1: Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
[^2petrus-3-16-67]: Kanttekening 67: 67 tot hun eigen verderf: Waarmee aangewezen wordt, niet het oogmerk, dat zij daarmee voorhebben, maar de uitkomst die daarop volgen zal.
[^2petrus-3-17-68]: Kanttekening 68: 68 zulks te voren wetende: Namelijk dat er zulke verleiders en spotters zullen opstaan en dat hun uitkomst en die van hun navolgers zodanig zal zijn.
[^2petrus-3-17-69]: Kanttekening 69: 69 wacht u, dat u: Grieks bewaart.
[^2petrus-3-17-70]: Kanttekening 70: 70 van de gruwelijke: Namelijk van de valse leraars en spotters, die aan geen wetten onderworpen willen zijn.
[^2petrus-3-17-71]: Kanttekening 71: 71 afgerukt wordt, en: Of afgeleid.
[^2petrus-3-17-72]: Kanttekening 72: Namelijk verlatende de gezonde leer en zulke dwalingen aannemende. Want, hoewel het zeker is, dat het onmogelijk is, dat de uitverkorenen zo zullen kunnen verleid worden, dat zij geheel uitvallen, Matt. 24:24; zo hebben zij nochtans dusdanige vermaningen en waarschuwingen nodig, om daardoor als gewone middelen, opgewekt en staande gehouden te worden, dat zij niet uitvallen. Zie 1 Kor. 10:12, 10:13. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 1 Korinthiërs 10:12: Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 1 Korinthiërs 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen.
[^2petrus-3-17-73]: Kanttekening 73: 73 van uw vastheid: Dat is, van de vaste grond van uw geloof, die u eenmaal gelegd hebt.
[^2petrus-3-18-74]: Kanttekening 74: 74 wast op in de: Dat is, neemt dagelijks meer en meer toe in de christelijke leer; een gelijkenis, genomen van kinderen, die allengs opwassen tot volkomen grootte en mannelijken ouderdom. Zie van deze Ef. 4:13, 4:14. Efeziërs 4:13: Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus; Efeziërs 4:14: Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;
[^2petrus-3-18-75]: Kanttekening 75: 75 Hem zij de heerlijkheid: Namelijk de Heer Jezus Christus; en daar deze lofzegging alleen toekomt aan de enige ware God, zo is dit een klaar bewijs van de Godheid van Christus.
[^2petrus-3-18-76]: Kanttekening 76: Dat is, in dit leven.
[^2petrus-3-18-77]: Kanttekening 77: 77 in de dag van de eeuwigheid: Dat is, in de tijd na dit leven, die eeuwig duren zal.

## 1 Johannes

### 1 Johannes 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1johannes/1.json)

*1 De apostel verklaart dat de Heere die hij verkondigt, volstrekt zeker en voortreffelijk is. 3 En dat hij die voorstelt opdat de gelovigen daardoor gemeenschap zouden hebben met God, en hun blijdschap volkomen zij. 5 Dat wij met God, die het licht is, geen gemeenschap kunnen hebben als wij in duisternis wandelen. 7 Maar als wij in het licht wandelen, onze zonden door Christus' bloed gereinigd zijn. 8 Dat wij ons niet moeten inbeelden dat wij geen zondaars zijn, 9 maar dat wij onze zonden voor God moeten belijden, en dat die ons door God vergeven zullen worden.*

**1** Wat[^1johannes-1-1-1][^1johannes-1-1-a] van de beginne was, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze[^1johannes-1-1-b] ogen, wat wij[^1johannes-1-1-2] aanschouwd hebben,[^1johannes-1-1-c] en onze handen getast hebben,[^1johannes-1-1-3] van het Woord[^1johannes-1-1-4] van het leven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v1)

**2** (want[^1johannes-1-2-5][^1johannes-1-2-6] het Leven[^1johannes-1-2-7] is geopenbaard, en[^1johannes-1-2-8] wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u dat[^1johannes-1-2-9] eeuwige Leven,[^1johannes-1-2-10] dat bij de Vader was en[^1johannes-1-2-11] aan ons is geopenbaard) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v2)

**3** Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u[^1johannes-1-3-12] met ons[^1johannes-1-3-13] gemeenschap zou hebben, en deze[^1johannes-1-3-14] onze gemeenschap[^1johannes-1-3-15] ook[^1johannes-1-3-16] zij met de Vader, en[^1johannes-1-3-17] met Zijn Zoon Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v3)

**4** En deze dingen schrijven wij u, opdat[^1johannes-1-4-18] uw blijdschap[^1johannes-1-4-19] vervuld zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v4)

**5** En dit is[^1johannes-1-5-20] de verkondiging, die wij van[^1johannes-1-5-21] Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen,[^1johannes-1-5-d] dat God[^1johannes-1-5-22] een Licht is, en[^1johannes-1-5-23] geheel geen duisternis in Hem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v5)

**6** Als wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in[^1johannes-1-6-24] de duisternis[^1johannes-1-6-25] wandelen, zo[^1johannes-1-6-26] liegen wij, en[^1johannes-1-6-27] doen de waarheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v6)

**7** Maar als wij[^1johannes-1-7-28] in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap[^1johannes-1-7-29] met elkaar,[^1johannes-1-7-30][^1johannes-1-7-e] en het bloed van Jezus[^1johannes-1-7-31] Christus, Zijn[^1johannes-1-7-32] Zoon, reinigt ons van[^1johannes-1-7-33] alle zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v7)

**8** [^1johannes-1-8-f] Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben,[^1johannes-1-8-34] zo verleiden wij ons zelf, en[^1johannes-1-8-35] de waarheid is in ons niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v8)

**9** [^1johannes-1-9-g] Als wij onze zonden[^1johannes-1-9-36] belijden, Hij is[^1johannes-1-9-37] getrouw en[^1johannes-1-9-38] rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v9)

**10** Als wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo[^1johannes-1-10-39] maken wij Hem tot een leugenaar, en[^1johannes-1-10-40] Zijn woord is niet in ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/1.html#v10)

[^1johannes-1-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk van de schepping, dat is, van alle eeuwigheid. Zie Micha 5:1; Johannes 1:1, waar de goddelijke natuur van Christus beschreven wordt; zoals met de volgende woorden zijn menselijke natuur, naar welke hij gehoord, gezien en getast is, en in welke hij ook door wonderen en anders zijn heerlijkheid soms heeft geopenbaard.
[^1johannes-1-1-a]: Verwijzing a: Johannes 1:1.
[^1johannes-1-1-b]: Verwijzing b: Johannes 1:14. 2 Petrus 1:16.
[^1johannes-1-1-2]: Kanttekening 2: Dat zegt meer dan 'gezien': want dat gebeurt dikwijls terloops, maar wat men aanschouwt, dáár let men aandachtig op.
[^1johannes-1-1-c]: Verwijzing c: Lucas 24:39. Johannes 20:27.
[^1johannes-1-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: van de Heer Jezus Christus, die het Woord door deze apostel wordt genoemd, Johannes 1:1, 14; 1 Johannes 5:7; Openbaring 19:13. Zie de aantekening op Johannes 1:1.
[^1johannes-1-1-4]: Kanttekening 4: Deze titel wordt het Woord, dat is de Zoon van God, toegeschreven, omdat hij dat eeuwig levende wezen van God in zichzelf heeft, en de schepselen het leven geeft, en ons het eeuwige leven niet alleen verkondigd maar ook verworven heeft en meedeelt. Zie Johannes 1:4 en 14:6.
[^1johannes-1-2-5]: Kanttekening 5: Gr. 'en'. Zo ook in hoofdstuk 3:4.
[^1johannes-1-2-6]: Kanttekening 6: Dat is, de Zoon van God, die ook het leven wordt genoemd in Johannes 1:4 en 14:6.
[^1johannes-1-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk in het vlees, zoals Paulus zegt in 1 Timotheüs 3:16.
[^1johannes-1-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk, de apostelen hebben het Woord, dat is de Zoon van God, gezien in zijn aangenomen menselijke natuur. Een manier van spreken over de persoon van Christus die gebruikelijk is: als van zijn gehele persoon naar de ene natuur gesproken wordt, terwijl wat gezegd wordt alleen naar de andere natuur verstaan moet worden. Zie dergelijke teksten in Johannes 3:13; Handelingen 20:28 en hier vers 7.
[^1johannes-1-2-9]: Kanttekening 9: Dat is, Christus, die van eeuwigheid leeft en de auteur en gever is van het eeuwige leven, zoals hij eerder ook het leven wordt genoemd in vers 2.
[^1johannes-1-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen, zoals Johannes schrijft in zijn Evangelie, Johannes 1:1: dat hij bij God was. Zie de verklaring daar.
[^1johannes-1-2-11]: Kanttekening 11: Namelijk zijn apostelen, die hij tot zijn getuigen had gekozen en geroepen, en hun gegeven had de verborgenheden van het Koninkrijk van God te verstaan. Zie Matteüs 13:11; Handelingen 1:8 en 2:32.
[^1johannes-1-3-12]: Kanttekening 12: De apostelen van Christus en alle andere gelovigen met elkaar. Vers 7.
[^1johannes-1-3-13]: Kanttekening 13: Namelijk aan alle geestelijke weldaden die Christus ons verworven heeft en die in het Evangelie verkondigd worden.
[^1johannes-1-3-14]: Kanttekening 14: Namelijk die wij gelovigen gezamenlijk hebben.
[^1johannes-1-3-15]: Kanttekening 15: Of: is.
[^1johannes-1-3-16]: Kanttekening 16: Namelijk die nu met ons door Christus verzoend is en ons zijn hemelse goederen deelachtig maakt.
[^1johannes-1-3-17]: Kanttekening 17: Namelijk door het geloof deel krijgend aan zijn gerechtigheid en heerlijkheid. En het blijkt dat de apostel hier spreekt van een geestelijke gemeenschap die wij met Christus hebben.
[^1johannes-1-4-18]: Kanttekening 18: Namelijk die door de prediking van het Evangelie en de werking van de Heilige Geest in uw harten al is ontstoken. Romeinen 14:17.
[^1johannes-1-4-19]: Kanttekening 19: Dat is, hier meer en meer toeneemt en hierna volmaakt zal zijn. Zie Johannes 15:11 en 16:24.
[^1johannes-1-5-20]: Kanttekening 20: Gr. epangelia, welk woord meest 'belofte' betekent, maar hier wordt het goed vertaald als 'verkondiging', omdat wat volgt niet zozeer een belofte als wel een verkondiging bevat.
[^1johannes-1-5-21]: Kanttekening 21: Namelijk Jezus Christus.
[^1johannes-1-5-d]: Verwijzing d: Johannes 1:9; 8:12; 9:5; 12:35, 36.
[^1johannes-1-5-22]: Kanttekening 22: Namelijk, zowel in zichzelf alles helderlijk wetend met zijn verstand, en in zijn wil geheel zuiver en heilig zijnd, als ook omdat hij de mensen verlicht door zijn Geest. Johannes 1:4.
[^1johannes-1-5-23]: Kanttekening 23: Namelijk van enige onwetendheid, dwaling of onheiligheid.
[^1johannes-1-6-24]: Kanttekening 24: Namelijk van onwetendheid, dwalingen, onheiligheid en zonden, die werken van de duisternis zijn. Efeziërs 5:11.
[^1johannes-1-6-25]: Kanttekening 25: Namelijk zodanig dat de zonde over ons zou heersen. Romeinen 6:12, 14, 17, 20.
[^1johannes-1-6-26]: Kanttekening 26: Dat is, wij spreken de waarheid niet, omdat God zulke mensen zijn gemeenschap niet beloofd heeft, en degenen die werkelijk in de gemeenschap van God zijn, niet in de duisternis wandelen. 1 Johannes 3:9. Want het licht en de duisternis hebben geen gemeenschap met elkaar. 2 Korinthiërs 6:14.
[^1johannes-1-6-27]: Kanttekening 27: Dat is, wij handelen niet oprecht. Johannes 3:21.
[^1johannes-1-7-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: niet alleen in de ware kennis van het Evangelie, maar ook in ware reinheid en heiligheid van leven.
[^1johannes-1-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: wij gelovigen onderling en gezamenlijk met God en zijn Zoon. Vers 3. Of: wij met God en God met ons.
[^1johannes-1-7-30]: Kanttekening 30: Dit voegt de apostel erbij om te tonen dat ons wandelen in het licht niet de verdienende of werkende oorzaak is van onze gemeenschap met God, maar een vrucht en kenmerk ervan. Zo heeft Christus, de Zoon van God, dit tot stand gebracht door zijn bloed, dat is zijn bloedig lijden en sterven, waardoor hij ons met God verzoent en verbindt.
[^1johannes-1-7-e]: Verwijzing e: Hebreeën 9:14. 1 Petrus 1:19. Openbaring 1:5.
[^1johannes-1-7-31]: Kanttekening 31: Dat doet de apostel erbij om de waardigheid van de verdienste van Christus uit te drukken; zoals ook in Handelingen 20:28.
[^1johannes-1-7-32]: Kanttekening 32: Namelijk: wegnemend van ons de schuld en straf van de zonden door de weldaad van de rechtvaardigmaking, en de smetten van de zonde of verdorvenheid door de weldaad van de wedergeboorte, die in dit leven haar begin heeft en hierna ook volmaakt zal zijn.
[^1johannes-1-7-33]: Kanttekening 33: Namelijk zowel aangeboren als daadwerkelijke, zowel grote als kleine.
[^1johannes-1-8-f]: Verwijzing f: 1 Koningen 8:46. 2 Kronieken 6:36. Job 9:2. Psalm 143:2. Spreuken 20:9. Prediker 7:20.
[^1johannes-1-8-34]: Kanttekening 34: Namelijk van de rechte weg die tot de zaligheid leidt.
[^1johannes-1-8-35]: Kanttekening 35: Dat is, Gods woord, dat de waarheid wordt genoemd in Johannes 17:17 en gewoonlijk anders leert. Of: zo'n mening of inbeelding bestaat in onwaarheid.
[^1johannes-1-9-g]: Verwijzing g: Psalm 32:5. Spreuken 28:13.
[^1johannes-1-9-36]: Kanttekening 36: Namelijk voor God, met waar berouw en verbetering.
[^1johannes-1-9-37]: Kanttekening 37: Namelijk in zijn beloften, die hij aan de berouwvolle zondaars gedaan heeft.
[^1johannes-1-9-38]: Kanttekening 38: Dat wil zeggen: niet dat de belijdenis van de zonden naar de rechtvaardigheid van God de vergeving van de zonden zou verdienen, maar dit woord verklaart het voorgaande; zo vereist de rechtvaardigheid dat iemand volbrengt wat hij beloofd heeft. Zie Psalm 143:1; 2 Petrus 1:1.
[^1johannes-1-10-39]: Kanttekening 39: Namelijk voor zover het aan ons ligt: dat wil zeggen, wij beschuldigen hem van leugen, omdat hij in zijn woord anders getuigt.
[^1johannes-1-10-40]: Kanttekening 40: Dat is, de waarheid: namelijk die God in zijn woord voorstelt, zoals hij zegt in vers 8.

### 1 Johannes 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1johannes/2.json)

*1 De apostel verklaart dat hij de belofte van de vergeving van de zonden heeft voorgesteld, niet om die te misbruiken tot zondigen, maar tot troost van de zondaren. 3 En vermaant hen die Christus kennen tot het onderhouden van Christus' geboden. 7 En leert dat dit in verschillende opzichten een nieuw en een oud gebod is. 9 Daarna tot liefde voor de naaste. 13 En past deze vermaning toe op de vaders, jongelingen en kin deren. 15 Leert dat de christenen de wereld en wat daarin is niet moeten liefhebben. 18 En zich moeten wachten voor de verleiding van de valse leraars en antichristen. 20 Wijst hun aan dat de zalving van de Heilige Geest die zij hebben hun zal bewaren, zowel van de begeerte van de wereld als van de verleiding van de antichristen, 22 die hij beschrijft. 25 Stelt hun de belofte van het eeuwige leven voor. 27 En beschrijft de kracht van de zalving van de Heilige Geest die zij ontvangen hadden. 28 En vermaant hen standvastig te blijven bij de leer van Christus, om bij zijn verschijning vrijmoedig te kunnen bestaan. 29 En gerechtigheid te oefenen, tot bewijs dat zij wedergeboren zijn.*

**1** Mijn[^1johannes-2-1-1] kinderen, ik schrijf u deze dingen,[^1johannes-2-1-2] opdat u niet zondigt.[^1johannes-2-1-3] En als iemand gezondigd heeft,[^1johannes-2-1-4] wij hebben[^1johannes-2-1-a] een[^1johannes-2-1-5] Voorspraak[^1johannes-2-1-6] bij de Vader, Jezus Christus,[^1johannes-2-1-7] de Rechtvaardige; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v1)

**2** En Hij is[^1johannes-2-2-b] een[^1johannes-2-2-8] verzoening[^1johannes-2-2-9] voor onze zonden; en niet alleen voor[^1johannes-2-2-10] de onze, maar ook voor[^1johannes-2-2-11][^1johannes-2-2-c] de zonden van de hele wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v2)

**3** En hieraan kennen wij, dat wij[^1johannes-2-3-12] Hem[^1johannes-2-3-13] gekend hebben, zo wij Zijn geboden[^1johannes-2-3-14] bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v3)

**4** [^1johannes-2-4-d] Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die[^1johannes-2-4-15] is de waarheid niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v4)

**5** Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in die is werkelijk[^1johannes-2-5-16] de liefde van God[^1johannes-2-5-17] volmaakt geworden;[^1johannes-2-5-18][^1johannes-2-5-e] hieraan kennen wij, dat wij[^1johannes-2-5-19] in Hem zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v5)

**6** Die zegt, dat hij[^1johannes-2-6-20] in Hem blijft,[^1johannes-2-6-f] die moet ook zelf zo wandelen,[^1johannes-2-6-21] zoals Hij gewandeld heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v6)

**7** Broeders! Ik schrijf u[^1johannes-2-7-22][^1johannes-2-7-g] geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u[^1johannes-2-7-23] van de beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van de beginne gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v7)

**8** [^1johannes-2-8-24] Opnieuw schrijf ik u[^1johannes-2-8-25][^1johannes-2-8-h] een nieuw gebod:[^1johannes-2-8-26] wat waarachtig is in Hem,[^1johannes-2-8-27] zij ook in u waarachtig;[^1johannes-2-8-28] want[^1johannes-2-8-29] de duisternis gaat voorbij, en[^1johannes-2-8-30] het waarachtige licht[^1johannes-2-8-31] schijnt nu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v8)

**9** Die zegt, dat hij[^1johannes-2-9-32] in het licht is, en zijn broeder haat,[^1johannes-2-9-33] die is in de duisternis tot nog toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v9)

**10** [^1johannes-2-10-i] Die zijn broeder liefheeft,[^1johannes-2-10-k] blijft in het licht, en geen[^1johannes-2-10-34] struikelblok is in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v10)

**11** Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet,[^1johannes-2-11-35] waar hij heengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v11)

**12** [^1johannes-2-12-l] Ik schrijf u,[^1johannes-2-12-36] kinderen,[^1johannes-2-12-37] want de zonden zijn u vergeven[^1johannes-2-12-38] omwille van Zijn Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v12)

**13** Ik schrijf u,[^1johannes-2-13-39] vaders! want u hebt[^1johannes-2-13-40] Hem[^1johannes-2-13-41] gekend, Die van de beginne is. Ik schrijf u,[^1johannes-2-13-42] jongemannen, want u hebt[^1johannes-2-13-43] de boze overwonnen. Ik schrijf u,[^1johannes-2-13-44] kinderen, want u hebt[^1johannes-2-13-45] de Vader gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v13)

**14** Ik heb u geschreven, vaders, want u hebt Hem gekend, Die van de beginne is. Ik heb u geschreven, jongemannen, want[^1johannes-2-14-46] u bent sterk, en[^1johannes-2-14-47] het Woord van God blijft in u, en u hebt de boze overwonnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v14)

**15** [^1johannes-2-15-m] Heb[^1johannes-2-15-48] de wereld niet lief, noch wat in de wereld is;[^1johannes-2-15-n] zo iemand de wereld liefheeft,[^1johannes-2-15-49] de liefde van de[^1johannes-2-15-50] Vader is niet in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v15)

**16** Want[^1johannes-2-16-51] al wat in de wereld is,[^1johannes-2-16-52] namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en[^1johannes-2-16-53] de begeerlijkheid van de ogen, en[^1johannes-2-16-54] de grootsheid van het[^1johannes-2-16-55] leven, is niet uit de Vader, maar is[^1johannes-2-16-56] uit de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v16)

**17** [^1johannes-2-17-o] En[^1johannes-2-17-57] de wereld gaat voorbij, en[^1johannes-2-17-58] haar begeerlijkheid; maar[^1johannes-2-17-59] die de wil van God doet,[^1johannes-2-17-60] blijft in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v17)

**18** Kinderen,[^1johannes-2-18-61] het is het laatste uur;[^1johannes-2-18-p] en zoals u gehoord hebt, dat[^1johannes-2-18-62] de antichrist[^1johannes-2-18-63] komt, zo zijn ook nu[^1johannes-2-18-64] vele antichristen geworden; waaruit wij kennen,[^1johannes-2-18-65] dat het het laatste uur is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v18)

**19** [^1johannes-2-19-66][^1johannes-2-19-q] Zij zijn[^1johannes-2-19-67] uit ons[^1johannes-2-19-68] uitgegaan, maar zij waren[^1johannes-2-19-69] uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij[^1johannes-2-19-70] met ons[^1johannes-2-19-71] gebleven zijn;[^1johannes-2-19-r] maar dit is gebeurd, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet[^1johannes-2-19-72] allen uit ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v19)

**20** [^1johannes-2-20-73][^1johannes-2-20-s] Maar u hebt[^1johannes-2-20-74] de zalving[^1johannes-2-20-75] van de Heilige, en u weet[^1johannes-2-20-76] alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v20)

**21** Ik heb u niet geschreven, omdat u[^1johannes-2-21-77] de waarheid niet weet, maar omdat u die weet, en omdat[^1johannes-2-21-78][^1johannes-2-21-79] geen leugen uit de waarheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v21)

**22** Wie is[^1johannes-2-22-80] de leugenaar, dan die ontkent, dat Jezus[^1johannes-2-22-81] is de Christus? Deze is de antichrist,[^1johannes-2-22-82] die de Vader en[^1johannes-2-22-83] de Zoon ontkent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v22)

**23** [^1johannes-2-23-t] Een ieder die de Zoon ontkent,[^1johannes-2-23-84] heeft ook de Vader niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v23)

**24** [^1johannes-2-24-85] Wat u dan van de beginne gehoord hebt,[^1johannes-2-24-86] dat blijve in u. Als dat in u blijft, wat u van de beginne gehoord hebt, zo zult u ook[^1johannes-2-24-87] in de Zoon en in de Vader blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v24)

**25** En dit is[^1johannes-2-25-88] de belofte, die Hij ons beloofd heeft,[^1johannes-2-25-89] namelijk het eeuwige leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v25)

**26** Dit heb ik u geschreven van[^1johannes-2-26-90] degenen, die u verleiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v26)

**27** [^1johannes-2-27-v] En[^1johannes-2-27-91] de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig,[^1johannes-2-27-92] dat iemand u lere; maar zoals diezelfde zalving u leert[^1johannes-2-27-93] van alle dingen, zo is[^1johannes-2-27-94] zij ook waarachtig, en is geen leugen; en zoals zij u geleerd heeft,[^1johannes-2-27-95] zo zult[^1johannes-2-27-96] u in Hem blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v27)

**28** En nu, kinderen, blijft[^1johannes-2-28-97] in Hem;[^1johannes-2-28-x] opdat, wanneer Hij zal[^1johannes-2-28-98] geopenbaard zijn, wij[^1johannes-2-28-99] vrijmoedigheid hebben, en wij[^1johannes-2-28-100] van Hem niet[^1johannes-2-28-1] beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v28)

**29** Als u weet, dat[^1johannes-2-29-2] Hij rechtvaardig is, zo weet u, dat een ieder[^1johannes-2-29-3] die de rechtvaardigheid doet,[^1johannes-2-29-4] uit Hem geboren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/2.html#v29)

[^1johannes-2-1-1]: Kanttekening 1: Dit woord gebruikt hij om zijn vriendelijkheid tegenover hen te tonen, zoals Christus in Johannes 13:33. En hij noemt de gelovigen met deze naam, niet alleen omdat hij velen van hen door de prediking van het Evangelie als het ware had voortgebracht (1 Korinthiërs 4:14; Filemon vers 10), maar ook vanwege zijn hoge leeftijd.
[^1johannes-2-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: niet opdat u deze leer zou misbruiken om er vrijer op te zondigen.
[^1johannes-2-1-3]: Kanttekening 3: Of: maar.
[^1johannes-2-1-4]: Kanttekening 4: Dat is, opdat u zou weten en u daarmee troosten dat wij hebben, enzovoort.
[^1johannes-2-1-a]: Verwijzing a: 1 Timotheüs 2:5. Hebreeën 7:25.
[^1johannes-2-1-5]: Kanttekening 5: Gr. paraklèton (Παράκλητον), welke titel eigenlijk een advocaat of voorspreker betekent, die iemands zaak bepleit en uitvoert voor de rechter; en wordt hier aan Christus toegeschreven, omdat hij bij de Vader voor ons bidt. Romeinen 8:34.
[^1johannes-2-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk die wij met onze zonden vertoornd hebben.
[^1johannes-2-1-7]: Kanttekening 7: Zo wordt hij genoemd in Jesaja 53:11; Zacharia 9:9; Handelingen 7:52, omdat hij geheel zonder zonde is geweest. Zie hoofdstuk 3:5. En daarom is hij geschikt om onze voorspreker te zijn. Hebreeën 7:26 en 1 Petrus 3:18.
[^1johannes-2-2-b]: Verwijzing b: Romeinen 3:25. 2 Korinthiërs 5:18. Kolossenzen 1:20. 1 Johannes 4:10.
[^1johannes-2-2-8]: Kanttekening 8: Gr. hilasmos, verzoening, dat is verzoener; zoals Paulus hem in dezelfde zin noemt hilastèrion, dat is verzoendeksel, in Romeinen 3:25. Zie de aantekening daar. En hij wordt hier de verzoening zelf genoemd, omdat hij zichzelf tot verzoening heeft geofferd (Johannes 17:19; Hebreeën 10:14) en hij ons alleen en volmaakt met God verzoend heeft. Hebreeën 9:28.
[^1johannes-2-2-9]: Kanttekening 9: Namelijk omdat hij voor hen in onze plaats de straf dragende en daarmee de gerechtigheid van God voldoende, de toorn van God stilt en zo God met de mensen verzoent. 2 Korinthiërs 5:21.
[^1johannes-2-2-10]: Kanttekening 10: Namelijk van de apostelen en de andere gelovigen die nu leven.
[^1johannes-2-2-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: van alle mensen die in de hele wereld uit alle volken (Johannes 11:52; Openbaring 5:9) nog in hem zullen geloven. Want dat hij niet alle en ieder mens in de hele wereld met God verzoent, blijkt zowel uit de ervaring als ook daaruit dat hij niet voor alle en ieder mens tot de Vader gebeden heeft (Johannes 17:9), maar alleen voor hen die in hem zullen geloven. Johannes 17:20.
[^1johannes-2-2-c]: Verwijzing c: Johannes 4:42. 1 Johannes 4:14.
[^1johannes-2-3-12]: Kanttekening 12: Namelijk Jezus Christus.
[^1johannes-2-3-13]: Kanttekening 13: Namelijk zodanig dat wij hem ook als onze Heiland erkend hebben, hem liefhebben, ons vertrouwen op hem stellen en hem gehoorzamen. Want dit woord betekent hier, zoals ook dikwijls elders, meer dan een blote kennis. Zie Psalm 1:6; Matteüs 7:23; 2 Timotheüs 2:19.
[^1johannes-2-3-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: onderhouden. Namelijk met oprechte ijver en toewijding; al is dit in dit leven niet geheel volmaakt. Zie 1 Johannes 1:8.
[^1johannes-2-4-d]: Verwijzing d: 1 Johannes 4:20.
[^1johannes-2-4-15]: Kanttekening 15: Dit verduidelijkt het voorgaande door middel van een tegenstelling, die deze apostel dikwijls gebruikt.
[^1johannes-2-5-16]: Kanttekening 16: Namelijk waarmee wij God liefhebben.
[^1johannes-2-5-17]: Kanttekening 17: Of: vervuld. Dat wil zeggen: een oprechte en ware liefde geworden die al haar elementen heeft. Zie hoofdstuk 4:12, 18. Want dat noch ons geloof, noch onze liefde in alle graden volmaakt is in dit leven, leert Paulus in 1 Korinthiërs 13:9 en Johannes in 1 Johannes 1:8.
[^1johannes-2-5-18]: Kanttekening 18: Gr. hierin. Namelijk aan het onderhouden van Gods woord, en als onze liefde volmaakt geworden is.
[^1johannes-2-5-e]: Verwijzing e: Johannes 13:35.
[^1johannes-2-5-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: met hem en zijn weldaden gemeenschap hebben.
[^1johannes-2-6-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: in zijn gemeenschap is en wil blijven. Zie Johannes 6:56.
[^1johannes-2-6-f]: Verwijzing f: Johannes 13:5. 1 Petrus 2:21.
[^1johannes-2-6-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: heilig naar het voorbeeld van zijn leven, al kunnen wij dit niet in alles volmaakt navolgen. 1 Johannes 1:8.
[^1johannes-2-7-22]: Kanttekening 22: Namelijk: als ik u in dit mijn schrijven het gebod voorleg en ernstig benadruk om de naaste lief te hebben, wat niet nieuw is, aangezien dit niet alleen in het Oude Testament was voorgesteld (Leviticus 19:17, 18), maar ook van het begin van de prediking van het Evangelie af altijd sterk is gedreven. Matteüs 5:44; Johannes 15:12; Romeinen 12:10 en 13:8.
[^1johannes-2-7-g]: Verwijzing g: 2 Johannes vers 5.
[^1johannes-2-7-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: van toen u tot de kennis van Christus geroepen bent.
[^1johannes-2-8-24]: Kanttekening 24: Of: Maar dan toch.
[^1johannes-2-8-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: dat op een nieuwe wijze door Christus en zijn apostelen wordt voorgesteld en benadrukt; met zijn eigen voorbeeld en bijzondere liefde is bevestigd en door de Geest van God in de harten van de gelovigen wordt ingeschreven, overeenkomstig de beloften van het Nieuwe Verbond. Jeremia 31:33. Zie de aantekening op Johannes 13:34.
[^1johannes-2-8-h]: Verwijzing h: Johannes 13:34 en 15:12.
[^1johannes-2-8-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: de liefde die waarlijk in Christus tegenover ons is, laat die ook waarlijk in u zijn. Zie Johannes 13:34.
[^1johannes-2-8-27]: Kanttekening 27: Of: is.
[^1johannes-2-8-28]: Kanttekening 28: Of: dat de duisternis enzovoort.
[^1johannes-2-8-29]: Kanttekening 29: Namelijk van onwetendheid en goddeloosheid die er in de wereld was voordat het Evangelie werd gepredikt. Zie dergelijke teksten in Romeinen 13:12; 1 Tessalonicenzen 5:4; 1 Petrus 2:9.
[^1johannes-2-8-30]: Kanttekening 30: Namelijk van de zaligmakende kennis van God en zijn beloften en geboden. Efeziërs 5:8; 1 Johannes 1:7 en 2:9.
[^1johannes-2-8-31]: Kanttekening 31: Namelijk in de leer van het Evangelie dat wij verkondigen.
[^1johannes-2-9-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: de leer van het Evangelie kent en aanneemt.
[^1johannes-2-9-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: die zit nog in de vroegere onwetendheid en blindheid en is daardoor geen rechte Christen.
[^1johannes-2-10-i]: Verwijzing i: 1 Johannes 3:14.
[^1johannes-2-10-k]: Verwijzing k: Johannes 12:35.
[^1johannes-2-10-34]: Kanttekening 34: Of: aanstoot. Gr. skandalon (σκάνδαλον), wat een steen of iets dergelijks betekent dat op de weg ligt en waarover men kan struikelen.
[^1johannes-2-11-35]: Kanttekening 35: Namelijk: of hij de rechte weg gaat of niet. Of: hij weet niet dat hij naar zijn verderf gaat.
[^1johannes-2-12-l]: Verwijzing l: Lucas 24:47. Handelingen 4:12 en 13:38.
[^1johannes-2-12-36]: Kanttekening 36: Zoals eerder in vers 1. Hier begint nog niet de onderverdeling naar leeftijd; die begint in het volgende vers.
[^1johannes-2-12-37]: Kanttekening 37: Of: dat u de zonden vergeven zijn. Zo ook in vers 13 en 14.
[^1johannes-2-12-38]: Kanttekening 38: Dat is: vanwege Jezus Christus. Zie Handelingen 4:12 en 10:43 en de aantekening daar.
[^1johannes-2-13-39]: Kanttekening 39: Dat is, oude lieden, die door uwe jaren grote kennis hebt verkregen.
[^1johannes-2-13-40]: Kanttekening 40: Namelijk Jezus Christus.
[^1johannes-2-13-41]: Kanttekening 41: Namelijk van eeuwigheid. Zie hoofdstuk 1:1.
[^1johannes-2-13-42]: Kanttekening 42: Namelijk die in het beste en sterkste van uw leven bent en geschikt om te strijden.
[^1johannes-2-13-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: de duivel. Matteüs 6:13 en 13:19.
[^1johannes-2-13-44]: Kanttekening 44: Namelijk die nog jong van jaren bent, wiens taak en eer het is uw ouders goed te kennen, te ontzien en lief te hebben.
[^1johannes-2-13-45]: Kanttekening 45: Namelijk van onze Heer Jezus Christus, die ook onze Vader is geworden vanwege Christus. Johannes 20:17.
[^1johannes-2-14-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: zoals jonge mannen gewoonlijk sterk van lichaam zijn, zo moeten zij ook sterk zijn in het geloof.
[^1johannes-2-14-47]: Kanttekening 47: Namelijk het Woord van God, dat het geestelijk zwaard is waarmee u tegen de duivel moet strijden. Efeziërs 6:17.
[^1johannes-2-15-m]: Verwijzing m: Romeinen 12:2.
[^1johannes-2-15-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: de dingen die buiten de rechte kennis en dienst van God in deze wereld door wereldse mensen worden nagestreefd.
[^1johannes-2-15-n]: Verwijzing n: Galaten 1:10. Jakobus 4:4.
[^1johannes-2-15-49]: Kanttekening 49: Namelijk waarmee wij God de Vader liefhebben.
[^1johannes-2-15-50]: Kanttekening 50: Namelijk omdat deze twee liefden gericht zijn op zaken die met elkaar in strijd zijn en niet tegelijk kunnen bestaan.
[^1johannes-2-16-51]: Kanttekening 51: Dat wil zeggen: al wat wereldse mensen liefhebben en nastreven, samengevat in deze drie soorten.
[^1johannes-2-16-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de wellust. Zie Romeinen 13:14.
[^1johannes-2-16-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: de hebzucht en begeerte naar rijkdommen, die hier 'de begeerte van de ogen' wordt genoemd, omdat het aanschouwen van rijkdom de begeerte opwekt.
[^1johannes-2-16-54]: Kanttekening 54: Of: trots. Dat is: de eerzucht of hoogmoed die wereldse mensen in hun leven en welvaart aan de dag leggen.
[^1johannes-2-16-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: is door God niet in de harten van mensen geplant en behaagt God niet.
[^1johannes-2-16-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: uit de verdorven natuur van de wereldse mensen.
[^1johannes-2-17-o]: Verwijzing o: Psalm 90:10. Jesaja 40:6. 1 Korinthiërs 7:31. Jakobus 1:10 en 4:14. 1 Petrus 1:24.
[^1johannes-2-17-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: de wereldse mensen.
[^1johannes-2-17-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: alle goederen en genoegens waar hun begeerte naar uitging.
[^1johannes-2-17-59]: Kanttekening 59: Namelijk door het vluchten van deze begeerlijkheden en zonden.
[^1johannes-2-17-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zal het eeuwige leven hebben.
[^1johannes-2-18-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: wij beleven nu de laatste tijd van de wereld, waarvan eerder gezegd is dat in die tijd de Antichrist zou komen.
[^1johannes-2-18-p]: Verwijzing p: Matteüs 24:5. 2 Tessalonicenzen 2:3.
[^1johannes-2-18-62]: Kanttekening 62: Gr. ho antichristos (ἀντίχριστος), welk woord in het algemeen iemand betekent die onder de naam van christen te zijn, Christus en zijn leer bestrijdt.
[^1johannes-2-18-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: komen zal, of als het ware op weg is om te komen. Zie 2 Tessalonicenzen 2:7.
[^1johannes-2-18-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: veel valse leraars onder de christenen, die voorlopers zijn van de grote Antichrist.
[^1johannes-2-18-65]: Kanttekening 65: Namelijk overeenkomstig de voorspellingen van Christus en de apostelen, van tevoren aangetekend.
[^1johannes-2-19-66]: Kanttekening 66: Namelijk deze antichristen en valse leraars.
[^1johannes-2-19-q]: Verwijzing q: Psalm 41:10. Handelingen 20:30.
[^1johannes-2-19-67]: Kanttekening 67: Namelijk christenen of christelijke gemeenten.
[^1johannes-2-19-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: voortgekomen, opgestaan en hebben zich van ons afgescheiden.
[^1johannes-2-19-69]: Kanttekening 69: Dat wil zeggen: uit de ware en oprechte christenen, noch uit de oprechte en gezonde leraars.
[^1johannes-2-19-70]: Kanttekening 70: Namelijk oprechte christenen en leraars.
[^1johannes-2-19-71]: Kanttekening 71: Namelijk in de eenheid van het geloof en bij de waarheid.
[^1johannes-2-19-r]: Verwijzing r: 1 Korinthiërs 11:19.
[^1johannes-2-19-72]: Kanttekening 72: Namelijk degenen die zich christen noemen en hun leer met de naam van Christus bekleden. Zie Matteüs 7:21.
[^1johannes-2-20-73]: Kanttekening 73: Gr. 'en'. De apostel wijst de gelovigen nu op het juiste middel om de verleidingen van de antichristen te weerstaan.
[^1johannes-2-20-s]: Verwijzing s: Psalm 45:8 en 133:2. 2 Korinthiërs 1:21. Hebreeën 1:9.
[^1johannes-2-20-74]: Kanttekening 74: Of: de zalf; waarmee hij bedoelt de genadige werking van de Heilige Geest, waardoor zij wedergeboren zijn.
[^1johannes-2-20-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: van Jezus Christus, die zo wordt genoemd in Psalm 16:10; Daniël 9:24; Handelingen 2:27. Zie de aantekening daar.
[^1johannes-2-20-76]: Kanttekening 76: Namelijk die u tot zaligheid nodig hebt te weten en waarover ik u schrijf.
[^1johannes-2-21-77]: Kanttekening 77: Namelijk de leer van het Evangelie.
[^1johannes-2-21-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: om u de herinnering aan wat u weet te verfrissen en u daardoor in de waarheid meer te versterken.
[^1johannes-2-21-79]: Kanttekening 79: Gr. dat alle leugen uit de waarheid niet is. Dat wil zeggen: omdat er geen leugen, dat is geen valse leer, uit de waarheid voortkomt.
[^1johannes-2-22-80]: Kanttekening 80: Dat wil zeggen: de voornaamste valse leraar.
[^1johannes-2-22-81]: Kanttekening 81: Gr. niet is. Dat wil zeggen: die de waarheid loochenende zegt dat Jezus niet de Christus is, dat is de beloofde Messias.
[^1johannes-2-22-82]: Kanttekening 82: Hoe de Vader wordt geloochend, wordt nader in het volgende vers verklaard.
[^1johannes-2-22-83]: Kanttekening 83: De Zoon van God, de Heer Jezus Christus, wordt geloochend niet alleen ten aanzien van zijn persoon maar ook van zijn ambt.
[^1johannes-2-23-t]: Verwijzing t: Lucas 12:9. 2 Timotheüs 2:12.
[^1johannes-2-23-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: loochent ook voldoende de Vader, aangezien de Vader zonder zijn Zoon niet kan zijn, noch recht gekend kan worden.
[^1johannes-2-24-85]: Kanttekening 85: Namelijk van de zuivere leer van het Evangelie die u van Christus en de apostelen van het begin af gepredikt is.
[^1johannes-2-24-86]: Kanttekening 86: Dat wil zeggen: volhardt u daarin standvastig.
[^1johannes-2-24-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: in de oprechte en zaligmakende leer van de Vader en van de Zoon. Of: in de gemeenschap met de Vader en de Zoon.
[^1johannes-2-25-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: wat Christus ons in het Evangelie beloofd heeft.
[^1johannes-2-25-89]: Kanttekening 89: Zie Matteüs 19:29 en 25:46; Johannes 3:15, 16; 5:24; 6:33, 54; 10:10 en 17:2.
[^1johannes-2-26-90]: Kanttekening 90: Namelijk opdat u zich des te beter en zorgvuldiger voor hun verleiding kunt hoeden.
[^1johannes-2-27-v]: Verwijzing v: Jeremia 31:34. Hebreeën 8:11.
[^1johannes-2-27-91]: Kanttekening 91: Dat wil zeggen: dezelfde genade van de Heilige Geest die Christus u gegeven heeft om u te verlichten met de kennis van de waarheid.
[^1johannes-2-27-92]: Kanttekening 92: Namelijk deze dingen, aangezien u ze al weet, of de gronden van de christelijke leer die u al gelegd hebt.
[^1johannes-2-27-93]: Kanttekening 93: Dat wil zeggen: over al deze dingen; of over alles wat u tot zaligheid nodig hebt te weten. Zie vers 20.
[^1johannes-2-27-94]: Kanttekening 94: Namelijk de zalving.
[^1johannes-2-27-95]: Kanttekening 95: Dat wil zeggen: zo blijft in hem: een Hebreeuwse manier van spreken. Of: hij spreekt zo om te tonen het goede vertrouwen dat hij had in hun standvastigheid.
[^1johannes-2-27-96]: Kanttekening 96: Namelijk Christus; zoals blijkt uit het volgende en het voorgaande vers 24.
[^1johannes-2-28-97]: Kanttekening 97: Namelijk Christus: dat wil zeggen, bij zijn gemeenschap en leer, die met geloof vasthoudende.
[^1johannes-2-28-x]: Verwijzing x: Marcus 8:38. 1 Johannes 3:2.
[^1johannes-2-28-98]: Kanttekening 98: Namelijk bij zijn komst tot het oordeel, zoals de volgende woorden verklaren. Zie ook hoofdstuk 3:2.
[^1johannes-2-28-99]: Kanttekening 99: Namelijk om te bestaan in zijn oordeel voor hem, vertrouwend dat hij ons niet zal veroordelen maar vrijspreken.
[^1johannes-2-28-100]: Kanttekening 100: Of: voor hem niet beschaamd worden.
[^1johannes-2-28-1]: Kanttekening 1: Namelijk zoals alle ongelovigen en goddelozen zal overkomen.
[^1johannes-2-29-2]: Kanttekening 2: Namelijk God de Vader, of Christus, van wie hij in de voorgaande woorden gesproken heeft.
[^1johannes-2-29-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: die godvrezend leeft.
[^1johannes-2-29-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: van hem geestelijk wedergeboren is. Zie 1 Johannes 3:9.

### 1 Johannes 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1johannes/3.json)

*1 De apostel wijst op de waardigheid van de gelovigen, dat zij nu kinderen van God zijn, hoewel hun heerlijkheid bij de komst van Christus pas ten volle geopenbaard zal worden. 3 En vermaant hen zichzelf te reinigen. 5 Waartoe Christus geopenbaard is. 7 Dat daardoor de kinderen van God en de kinderen van de duivel onderscheiden worden. 9 Omdat de kinderen van God zich niet aan het zondigen overgeven. 11 Hij vermaant hen ook elkaar lief te hebben. 12 En het voorbeeld van Kaïn te vluchten. 14 Leert dat de liefde een waar kenmerk is dat wij van de dood verlost zijn, en dat wie zijn naaste haat, een doodslager is voor God. 16 Stelt de liefde van Christus jegens ons voor, en vermaant ons die na te volgen, 17 niet met woorden alleen, maar met de daad en in waarheid. 19 En leert dat wij daardoor steeds meer verzekerd worden dat wij ware christenen zijn, 22 en dat onze gebeden door God verhoord zullen worden. 23 Dat dit de kern is van Christus' geboden: in hem geloven en zijn naaste liefhebben. 24 Als wij dat doen, hebben wij gemeenschap met hem en worden daarvan door zijn Geest verzekerd.*

**1** [^1johannes-3-1-a] Zie,[^1johannes-3-1-1] hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij[^1johannes-3-1-2] kinderen van God[^1johannes-3-1-3] genoemd zouden worden. Daarom[^1johannes-3-1-4] kent ons[^1johannes-3-1-5] de wereld niet, omdat zij[^1johannes-3-1-6] Hem niet kent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v1)

**2** Geliefden,[^1johannes-3-2-7][^1johannes-3-2-b] nu zijn wij kinderen van God,[^1johannes-3-2-8][^1johannes-3-2-c] en het is[^1johannes-3-2-9] nog niet geopenbaard,[^1johannes-3-2-10] wat wij zijn zullen.[^1johannes-3-2-d] Maar wij weten, dat als[^1johannes-3-2-11] Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen[^1johannes-3-2-12] gelijk wezen; want wij zullen Hem zien,[^1johannes-3-2-13] zoals Hij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v2)

**3** En een ieder die[^1johannes-3-3-14] deze hoop[^1johannes-3-3-15] op Hem heeft, die[^1johannes-3-3-16] reinigt zichzelf, zoals[^1johannes-3-3-17] Hij rein is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v3)

**4** Een ieder die[^1johannes-3-4-18] de zonde doet, die[^1johannes-3-4-19] doet ook de ongerechtigheid;[^1johannes-3-4-e] want de zonde is[^1johannes-3-4-20] de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v4)

**5** [^1johannes-3-5-f] En u weet, dat[^1johannes-3-5-21] Hij[^1johannes-3-5-22] geopenbaard is, opdat Hij onze zonden[^1johannes-3-5-23] zou wegnemen;[^1johannes-3-5-g] en geen zonde is in Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v5)

**6** Een ieder[^1johannes-3-6-24] die in Hem blijft,[^1johannes-3-6-25] die zondigt niet; een ieder die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet[^1johannes-3-6-26] gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v6)

**7** Kinderen, dat u niemand[^1johannes-3-7-27] verleide.[^1johannes-3-7-h] Die[^1johannes-3-7-28] de rechtvaardigheid doet, die is[^1johannes-3-7-29] rechtvaardig,[^1johannes-3-7-30] zoals Hij rechtvaardig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v7)

**8** [^1johannes-3-8-31] Die de zonde doet, is[^1johannes-3-8-32] uit de duivel; want de duivel[^1johannes-3-8-33] zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van[^1johannes-3-8-34] God geopenbaard, opdat Hij[^1johannes-3-8-35] de werken van de[^1johannes-3-8-36] duivel verbreken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v8)

**9** [^1johannes-3-9-i] Een ieder[^1johannes-3-9-37] die uit God geboren is,[^1johannes-3-9-38] die doet de zonde niet,[^1johannes-3-9-k] want[^1johannes-3-9-39] Zijn zaad[^1johannes-3-9-40] blijft in hem; en hij kan[^1johannes-3-9-41] niet zondigen,[^1johannes-3-9-42] want hij is uit God geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v9)

**10** Hierin zijn de kinderen van God en de kinderen van de[^1johannes-3-10-43] duivel openbaar. Een ieder[^1johannes-3-10-44] die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet[^1johannes-3-10-45] uit God, en die zijn broeder niet liefheeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v10)

**11** Want dit is[^1johannes-3-11-46] de verkondiging, die u van de beginne gehoord hebt,[^1johannes-3-11-l] dat wij elkaar zouden liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v11)

**12** Niet zoals[^1johannes-3-12-m] Kaïn,[^1johannes-3-12-47] die uit de boze was, en[^1johannes-3-12-48] zijn broeder[^1johannes-3-12-49] doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood?[^1johannes-3-12-50][^1johannes-3-12-n] Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v12)

**13** [^1johannes-3-13-51][^1johannes-3-13-o] Verwonder u niet, mijn broeders, zo u[^1johannes-3-13-52] de wereld haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v13)

**14** [^1johannes-3-14-p] Wij weten dat wij[^1johannes-3-14-53] overgegaan zijn[^1johannes-3-14-54] uit de dood in het leven,[^1johannes-3-14-55] omdat wij de broeders liefhebben. Wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v14)

**15** Een ieder die zijn broeder haat, is[^1johannes-3-15-56] een moordenaar;[^1johannes-3-15-q] en u weet, dat geen moordenaar het eeuwige leven heeft in zich[^1johannes-3-15-57] blijvende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v15)

**16** [^1johannes-3-16-r] Hieraan hebben wij[^1johannes-3-16-58] de liefde[^1johannes-3-16-59] gekend, dat[^1johannes-3-16-60] Hij[^1johannes-3-16-61] Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn[^1johannes-3-16-62] schuldig voor de broeders[^1johannes-3-16-63] het leven te stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v16)

**17** [^1johannes-3-17-s] Zo wie nu[^1johannes-3-17-64] het goed van de wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en[^1johannes-3-17-65] sluit[^1johannes-3-17-66] zijn hart toe[^1johannes-3-17-67] voor hem, hoe[^1johannes-3-17-68] blijft de liefde[^1johannes-3-17-69] van God in hem? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v17)

**18** Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben[^1johannes-3-18-70] met het woord, noch met de tong, maar[^1johannes-3-18-71] met de daad en[^1johannes-3-18-72] waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v18)

**19** En[^1johannes-3-19-73] hieraan kennen wij, dat wij[^1johannes-3-19-74] uit de waarheid zijn, en wij zullen[^1johannes-3-19-75] onze harten[^1johannes-3-19-76] verzekeren[^1johannes-3-19-77] voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v19)

**20** Want als[^1johannes-3-20-78] ons hart[^1johannes-3-20-79] ons veroordeelt,[^1johannes-3-20-80] God is[^1johannes-3-20-81] meer dan ons hart, en[^1johannes-3-20-82] Hij kent alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v20)

**21** Geliefden! Als ons hart ons[^1johannes-3-21-83] niet veroordeelt, zo hebben wij[^1johannes-3-21-84] vrijmoedigheid[^1johannes-3-21-85] tot God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v21)

**22** [^1johannes-3-22-t] En[^1johannes-3-22-86] zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v22)

**23** [^1johannes-3-23-v] En dit is Zijn gebod,[^1johannes-3-23-87] dat wij geloven[^1johannes-3-23-88] in de Naam van Zijn Zoon Jezus[^1johannes-3-23-x] Christus, en elkaar liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v23)

**24** [^1johannes-3-24-y] En die Zijn geboden bewaart,[^1johannes-3-24-89] blijft in Hem, en Hij in hen. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft,[^1johannes-3-24-90] namelijk uit de Geest, Die Hij ons gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/3.html#v24)

[^1johannes-3-1-a]: Verwijzing a: Johannes 1:12.
[^1johannes-3-1-1]: Kanttekening 1: Of: hoedanige. Dat wil zeggen: hoe grote weldaad zijn liefde tegenover ons is. Hij spreekt zo om aan te wijzen dat die liefde onuitsprekelijk groot is.
[^1johannes-3-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk door genadige aanneming tot kinderen en erfgenamen van God, terwijl wij van nature kinderen van de toorn waren. Efeziërs 2:3.
[^1johannes-3-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: zouden zijn. Namelijk zodanig dat wij de naam met de zaak hebben. Vers 2. Zie dergelijke teksten in Lucas 1:32.
[^1johannes-3-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk voor kinderen van God.
[^1johannes-3-1-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de wereldse en ongelovige mensen; de menigte van hen die buiten Christus zijn.
[^1johannes-3-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk God, die onze Vader is. Johannes 16:3.
[^1johannes-3-2-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: in dit leven hebben wij al het recht van het kindschap van God en de zekerheid ervan.
[^1johannes-3-2-b]: Verwijzing b: Jesaja 56:5. Johannes 1:12. Romeinen 8:15. Galaten 3:26 en 4:6.
[^1johannes-3-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: maar toch.
[^1johannes-3-2-c]: Verwijzing c: Matteüs 5:12. Romeinen 8:18. 2 Korinthiërs 4:17.
[^1johannes-3-2-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: deze heerlijkheid die voor de kinderen van God bestemd is, is ons nog niet volledig bekend.
[^1johannes-3-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: met welke grote heerlijkheid wij bekleed zullen worden.
[^1johannes-3-2-d]: Verwijzing d: Filippenzen 3:21. Kolossenzen 3:4.
[^1johannes-3-2-11]: Kanttekening 11: Namelijk Christus, zoals blijkt uit hoofdstuk 2:28 en Kolossenzen 3:4. Anderen verstaan daar de Vader onder.
[^1johannes-3-2-12]: Kanttekening 12: Namelijk in heerlijkheid naar lichaam en naar ziel; zo toch dat Christus het hoofd is, gelijk hij boven allen is verheven.
[^1johannes-3-2-13]: Kanttekening 13: Namelijk in zijn volle heerlijkheid, zittende aan de rechterhand van zijn Vader; wat een grote troost voor de gelovigen is.
[^1johannes-3-3-14]: Kanttekening 14: Namelijk dat hij de heerlijkheid van de kinderen van God zal genieten.
[^1johannes-3-3-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: op Christus, dat hij hem deze heerlijkheid bij zijn komst zal brengen, zoals die voor hem bestemd is.
[^1johannes-3-3-16]: Kanttekening 16: Dat wil zeggen: die misbruikt deze hoop niet om er vrijer op te zondigen, maar streeft ernaar zijn leven in heiligheid te leiden.
[^1johannes-3-3-17]: Kanttekening 17: Namelijk Christus. Zie vers 5. Dat wil zeggen: het voorbeeld van Christus zichzelf voorstellende als een patroon.
[^1johannes-3-4-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: die zich aan een zondig leven overgeeft en de zonde over zich laat heersen; zoals ook vers 8.
[^1johannes-3-4-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: die begaat de overtreding van de wet, of die de wet breekt.
[^1johannes-3-4-e]: Verwijzing e: Johannes 5:17.
[^1johannes-3-4-20]: Kanttekening 20: Gr. anomia (ἀνομίαν), waarmee bedoeld wordt al wat niet overeenkomt met de wet, de wet bestrijdt of de wet breekt.
[^1johannes-3-5-f]: Verwijzing f: Jesaja 53:12. 1 Timotheüs 1:15.
[^1johannes-3-5-21]: Kanttekening 21: Namelijk Christus.
[^1johannes-3-5-22]: Kanttekening 22: Namelijk door zijn eerste komst in het vlees. Zie hoofdstuk 1:2.
[^1johannes-3-5-23]: Kanttekening 23: Of: op zich nemen om weg te dragen. Zie de aantekening op Johannes 1:29.
[^1johannes-3-5-g]: Verwijzing g: Jesaja 53:9. 2 Korinthiërs 5:21. 1 Petrus 2:22.
[^1johannes-3-6-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: die door een waar geloof gemeenschap met hem heeft.
[^1johannes-3-6-25]: Kanttekening 25: Dat wil zeggen: die geeft zich niet over aan een slecht en zondig leven; die laat de zonde niet over zich heersen.
[^1johannes-3-6-26]: Kanttekening 26: Namelijk met de ogen van het ware geloof, dat wil zeggen: niet recht gekend, zoals de volgende woorden verklaren.
[^1johannes-3-7-27]: Kanttekening 27: Namelijk u wijs makende dat een waar geloof zou kunnen bestaan met een slecht en zondig leven.
[^1johannes-3-7-h]: Verwijzing h: 1 Johannes 2:29.
[^1johannes-3-7-28]: Kanttekening 28: Dit wordt gesteld tegenover de zonde doen en betekent dus een godvrezend en rechtvaardig leven leiden.
[^1johannes-3-7-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: een vroom en godvrezend mens, zoals dit woord gewoonlijk wordt gebruikt. Zie 1 Petrus 3:12.
[^1johannes-3-7-30]: Kanttekening 30: Dit wordt niet verstaan van een gelijkheid die in alles overeen zou komen, want zo is geen mens rechtvaardig als Christus.
[^1johannes-3-8-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: die er zijn werk van maakt te zondigen. Zie de verklaring bij vers 6.
[^1johannes-3-8-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: die naar de duivel aardt, zoals kinderen naar hun vaders. Zie Johannes 8:44.
[^1johannes-3-8-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: gelijk hij meteen nadat hij goed was geschapen zich tot zondigen heeft begeven en daarin voortgaat, zo doen ook de onwedergeboren en ongoddelijke mensen niets dan zondigen.
[^1johannes-3-8-34]: Kanttekening 34: Namelijk in het vlees. Zie vers 5.
[^1johannes-3-8-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de zonden, waarvan de duivel de eerste auteur is.
[^1johannes-3-8-36]: Kanttekening 36: Gr. ontbinden of ongedaan maken; wat hij gedaan heeft doordat hij de straf ervan voor de gelovigen heeft gedragen.
[^1johannes-3-9-i]: Verwijzing i: 1 Johannes 5:18.
[^1johannes-3-9-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: wedergeboren door het woord en de Geest van God. Zie Johannes 1:13.
[^1johannes-3-9-38]: Kanttekening 38: Zie de aantekening bij vers 6.
[^1johannes-3-9-k]: Verwijzing k: 1 Petrus 1:23.
[^1johannes-3-9-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: Gods zaad waardoor hij wedergeboren is, namelijk het woord van God. 1 Petrus 1:23; Johannes 3:3, 5.
[^1johannes-3-9-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: vergaat niet geheel, maar blijft voortdurend de vruchten van de wedergeboorte werken.
[^1johannes-3-9-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: zich aan een zondig leven overgeven; zoals eerder in vers 6 en 8.
[^1johannes-3-9-42]: Kanttekening 42: Of: omdat hij uit God geboren is. Want door de genade van de wedergeboorte wordt de heerschappij van de zonde gebroken.
[^1johannes-3-10-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: kenbaar, om de één van de ander te onderscheiden en te herkennen.
[^1johannes-3-10-44]: Kanttekening 44: Zie vers 7.
[^1johannes-3-10-45]: Kanttekening 45: Namelijk geboren, of wedergeboren. Vers 9.
[^1johannes-3-11-46]: Kanttekening 46: Of: boodschap die u, enzovoort. Zie hoofdstuk 1:5.
[^1johannes-3-11-l]: Verwijzing l: Johannes 13:34 en 15:12. 1 Johannes 3:23.
[^1johannes-3-12-m]: Verwijzing m: Genesis 4:8.
[^1johannes-3-12-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: een kind van de duivel. Zie vers 10 en Johannes 8:44.
[^1johannes-3-12-48]: Kanttekening 48: Namelijk Abel.
[^1johannes-3-12-49]: Kanttekening 49: Gr. slachtte.
[^1johannes-3-12-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: uit louter nijd en afgunst, omdat hij niet kon verdragen dat God Abel behaagde.
[^1johannes-3-12-n]: Verwijzing n: Hebreeën 11:4.
[^1johannes-3-13-51]: Kanttekening 51: Namelijk alsof het een vreemde en ongehoorde zaak ware. Want dat de wereld de vromen van meet af aan heeft gehaat, leert het voorbeeld van Kaïn en Abel in vers 12.
[^1johannes-3-13-o]: Verwijzing o: Johannes 15:18.
[^1johannes-3-13-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de wereldse en onwedergeboren mensen.
[^1johannes-3-14-p]: Verwijzing p: 1 Johannes 2:10.
[^1johannes-3-14-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: overgebracht, overgevoerd; namelijk door God. Johannes 5:24; Kolossenzen 1:13.
[^1johannes-3-14-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: uit de geestelijke en uit de eeuwige dood.
[^1johannes-3-14-55]: Kanttekening 55: Daarmee wordt niet de verdienende oorzaak van het leven aangewezen, maar het kenmerk waaruit blijkt dat wij het leven hebben.
[^1johannes-3-15-56]: Kanttekening 56: Gr. een mensenmoordenaar; namelijk voor God, aangezien hij in zijn hart, wat God voornamelijk aanziet, een moordenaar is.
[^1johannes-3-15-q]: Verwijzing q: Matteüs 5:21. Galaten 5:21.
[^1johannes-3-15-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: zijnde. Dat is: is niet in hem.
[^1johannes-3-16-r]: Verwijzing r: Johannes 15:13. Efeziërs 5:2.
[^1johannes-3-16-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: de kracht en grootheid van de liefde.
[^1johannes-3-16-59]: Kanttekening 59: In sommige boeken staat: de liefde van God gekend.
[^1johannes-3-16-60]: Kanttekening 60: Namelijk Jezus Christus.
[^1johannes-3-16-61]: Kanttekening 61: Gr. zijn ziel. Zie Matteüs 20:28; Johannes 10:15. Dat wil zeggen: voor ons gestorven is.
[^1johannes-3-16-62]: Kanttekening 62: Namelijk wanneer de eer van God en de opbouw van de gemeente en de nood van de broeders dat vereisen.
[^1johannes-3-16-63]: Kanttekening 63: Gr. de zielen, zoals eerder.
[^1johannes-3-17-s]: Verwijzing s: Deuteronomium 15:7. Lucas 3:11. Jakobus 2:15.
[^1johannes-3-17-64]: Kanttekening 64: Gr. het leven. Dat wil zeggen: de levensbehoeften. Marcus 12:44; Lucas 8:43 en 21:4.
[^1johannes-3-17-65]: Kanttekening 65: Namelijk dat hij het niet opent tot hulpvaardigheid en weldadigheid.
[^1johannes-3-17-66]: Kanttekening 66: Gr. zijn ingewanden. Zie Lucas 1:78; 2 Korinthiërs 7:15; Filippenzen 2:1; Filemon vers 7.
[^1johannes-3-17-67]: Kanttekening 67: Gr. van hem. Dat wil zeggen: dat hij hem niet bijstaat in zijn nood.
[^1johannes-3-17-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: is, of kan zijn.
[^1johannes-3-17-69]: Kanttekening 69: Hij noemt hier de liefde van God en niet van de naaste, hoewel hij hier van die laatste spreekt, omdat de liefde tot de naaste voortkomt uit de liefde tot God.
[^1johannes-3-18-70]: Kanttekening 70: Namelijk alleen; zoals Romeinen 2:28.
[^1johannes-3-18-71]: Kanttekening 71: Dat wil zeggen: door de werken van de liefde aan de naaste daadwerkelijk te bewijzen.
[^1johannes-3-18-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: oprechtheid des harten, zonder geveinsdheid of eerzucht om door de mensen gezien te worden.
[^1johannes-3-19-73]: Kanttekening 73: Namelijk aan de bewijzing van oprechte liefde aan onze naaste.
[^1johannes-3-19-74]: Kanttekening 74: Dat wil zeggen: echte en oprechte christenen zijn die de waarheid van het Evangelie recht verstaan, geloven en beleven.
[^1johannes-3-19-75]: Kanttekening 75: Dat wil zeggen: ons geweten.
[^1johannes-3-19-76]: Kanttekening 76: Dat wil zeggen: geruststellen; ons uit dit kenmerk verzekerende dat wij ware kinderen van God zijn. Zie Matteüs 7:16.
[^1johannes-3-19-77]: Kanttekening 77: Namelijk Jezus Christus, die ons zal oordelen, om voor hem bij zijn komst vrijmoedig te kunnen bestaan.
[^1johannes-3-20-78]: Kanttekening 78: Dat wil zeggen: ons geweten, een ieder het zijne.
[^1johannes-3-20-79]: Kanttekening 79: Dat wil zeggen: beschuldigt, overtuigt en veroordeelt ons dat wij God en onze naaste niet oprecht liefhebben.
[^1johannes-3-20-80]: Kanttekening 80: Of: God is waarlijk groter, enzovoort.
[^1johannes-3-20-81]: Kanttekening 81: Dat wil zeggen: machtiger om ons te veroordelen.
[^1johannes-3-20-82]: Kanttekening 82: Dat wil zeggen: hij weet alle dingen en veel beter hoe het met ons gesteld is dan ons eigen geweten.
[^1johannes-3-21-83]: Kanttekening 83: Namelijk dat wij huichelaars zijn; maar dat de Heilige Geest met onze geest getuigt dat wij oprechte kinderen van God zijn.
[^1johannes-3-21-84]: Kanttekening 84: Dat wil zeggen: een vrijmoedig vertrouwen. Hebreeën 4:16.
[^1johannes-3-21-85]: Kanttekening 85: Namelijk dat hij ons als zijn oprechte kinderen zal erkennen.
[^1johannes-3-22-t]: Verwijzing t: Jeremia 29:12. Matteüs 7:8 en 21:22. Marcus 11:24. Lucas 11:9. Johannes 14:13 en 16:24. Jakobus 1:5. 1 Johannes 5:14.
[^1johannes-3-22-86]: Kanttekening 86: Namelijk wat ons tot zaligheid nodig is en met zijn wil overeenkomt. Zie hoofdstuk 5:14.
[^1johannes-3-23-v]: Verwijzing v: Johannes 6:29 en 17:3.
[^1johannes-3-23-87]: Kanttekening 87: Dat wil zeggen: dat wij moeten geloven, enzovoort.
[^1johannes-3-23-88]: Kanttekening 88: Dat wil zeggen: in zijn Zoon Jezus Christus. Zie hoofdstuk 2:12.
[^1johannes-3-23-x]: Verwijzing x: Leviticus 19:18. Matteüs 22:39. Johannes 13:34 en 15:12. Efeziërs 5:2. 1 Tessalonicenzen 4:9. 1 Petrus 4:8. 1 Johannes 2:7.
[^1johannes-3-24-y]: Verwijzing y: Johannes 14:23 en 15:10. 1 Johannes 4:12.
[^1johannes-3-24-89]: Kanttekening 89: Dat wil zeggen: heeft met hem innerlijke gemeenschap. Zie hoofdstuk 1:3.
[^1johannes-3-24-90]: Kanttekening 90: Dat wil zeggen: aan het getuigenis, de werking en de aandrang van de Heilige Geest. Zie Romeinen 8:9, 14, 15.

### 1 Johannes 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1johannes/4.json)

*1 De apostel waarschuwt opnieuw de gelovigen voor de valse leraars, 2 die hij beschrijft. 4 En troost hen tegen hun verleiding met de gave van de wedergeboorte die zij ontvangen hebben. 6 En vermaant hen standvastig te blijven bij de leer van de apostelen. 7 Daarna komt hij weer tot de vermaning van onderlinge liefde, die een waar kenmerk is van de ware wedergeboorte. 9 En stelt hun daartoe het voorbeeld van God voor, en zijn grote liefde tot ons. 12 Leert dat wij daaruit door zijn Geest verzekerd worden dat wij gemeenschap met God hebben. 14 Evenals wanneer wij belijden dat Jezus de Zaligmaker van de wereld en de Zoon van God is. 16 Dat wij door de liefde in God blijven en vrijmoedigheid hebben op de dag van het oordeel. 18 Dat deze liefde de vrees voor de verdoemenis en de kwelling van het gemoed verdrijft. 20 Dat wij God niet kunnen liefhebben als wij onze naaste niet liefhebben. 21 Daar beide geboden ons samen gegeven zijn.*

**1** Geliefden,[^1johannes-4-1-a] gelooft niet iedere[^1johannes-4-1-1] geest,[^1johannes-4-1-b] maar[^1johannes-4-1-2] beproeft de geesten,[^1johannes-4-1-3] of zij uit God zijn;[^1johannes-4-1-c] want vele[^1johannes-4-1-4] valse profeten zijn[^1johannes-4-1-5] uitgegaan in de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v1)

**2** Hieraan[^1johannes-4-2-6] kent u[^1johannes-4-2-7] de Geest van God: alle[^1johannes-4-2-8] geest, die[^1johannes-4-2-9] belijdt,[^1johannes-4-2-10] dat Jezus Christus[^1johannes-4-2-11] in het vlees gekomen is,[^1johannes-4-2-12] die is uit God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v2)

**3** En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet;[^1johannes-4-3-d] maar dit is[^1johannes-4-3-13] de geest[^1johannes-4-3-e] van de antichrist, die geest u gehoord hebt, dat komen zal, en[^1johannes-4-3-f] is nu al in de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v3)

**4** Kinderen, u bent[^1johannes-4-4-14] uit God, en hebt[^1johannes-4-4-15] hen[^1johannes-4-4-16] overwonnen; want[^1johannes-4-4-17] Hij is[^1johannes-4-4-18] meerder,[^1johannes-4-4-19] Die in u is, dan die[^1johannes-4-4-20] in de wereld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v4)

**5** [^1johannes-4-5-21] Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij[^1johannes-4-5-22] uit de wereld, en[^1johannes-4-5-23] de wereld[^1johannes-4-5-24] hoort hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v5)

**6** [^1johannes-4-6-25][^1johannes-4-6-g] Wij zijn[^1johannes-4-6-26] uit God. Die God[^1johannes-4-6-27] kent,[^1johannes-4-6-28] hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet.[^1johannes-4-6-29] Hieruit kennen wij[^1johannes-4-6-30] de geest van de waarheid, en[^1johannes-4-6-31] de geest van de dwaling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v6)

**7** Geliefden! Laat ons elkaar liefhebben, want de liefde is[^1johannes-4-7-32] uit God; en een ieder die liefheeft,[^1johannes-4-7-33] is uit God geboren, en[^1johannes-4-7-34] kent God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v7)

**8** Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is[^1johannes-4-8-35] liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v8)

**9** [^1johannes-4-9-h] Hierin is de liefde van God[^1johannes-4-9-36] tegenover ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat[^1johannes-4-9-37] wij zouden[^1johannes-4-9-38] leven door Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v9)

**10** Hierin[^1johannes-4-10-39] is de liefde, niet dat wij God[^1johannes-4-10-40] liefgehad hebben,[^1johannes-4-10-i] maar dat Hij ons[^1johannes-4-10-41] lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft[^1johannes-4-10-k] tot een verzoening voor onze zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v10)

**11** Geliefden, als God ons[^1johannes-4-11-42] zo lief heeft gehad, zo zijn ook wij[^1johannes-4-11-43] schuldig[^1johannes-4-11-44] elkaar lief te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v11)

**12** [^1johannes-4-12-45][^1johannes-4-12-l] Niemand heeft ooit God[^1johannes-4-12-46] aanschouwd;[^1johannes-4-12-m] als wij elkaar liefhebben, zo[^1johannes-4-12-47] blijft God in ons, en[^1johannes-4-12-48] Zijn liefde is in ons[^1johannes-4-12-49] volmaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v12)

**13** Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons,[^1johannes-4-13-50] omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v13)

**14** En wij hebben[^1johannes-4-14-51] het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker[^1johannes-4-14-52] van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v14)

**15** Zo wie[^1johannes-4-15-53] beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is,[^1johannes-4-15-54] God blijft in hem, en hij in God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v15)

**16** En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God[^1johannes-4-16-55] tot ons heeft. God is[^1johannes-4-16-56] liefde;[^1johannes-4-16-57] en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v16)

**17** [^1johannes-4-17-58] Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij[^1johannes-4-17-59] vrijmoedigheid mogen hebben in de dag van het oordeel, namelijk dat[^1johannes-4-17-60] zoals Hij is, wij ook zijn in deze wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v17)

**18** Er is[^1johannes-4-18-61] in de liefde[^1johannes-4-18-62] geen vrees, maar[^1johannes-4-18-63] de volmaakte liefde[^1johannes-4-18-44_64_] drijft de vrees uit; want[^1johannes-4-18-65] de vrees heeft[^1johannes-4-18-66] pijn, en wie vreest[^1johannes-4-18-67] is niet volmaakt in de liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v18)

**19** [^1johannes-4-19-68] Wij hebben hem lief,[^1johannes-4-19-69] omdat hij ons eerst liefgehad heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v19)

**20** [^1johannes-4-20-n] Als iemand zegt: Ik heb God lief; en[^1johannes-4-20-70] haat zijn broeder,[^1johannes-4-20-71] die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft,[^1johannes-4-20-72] die hij gezien heeft,[^1johannes-4-20-73] hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v20)

**21** [^1johannes-4-21-o] En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/4.html#v21)

[^1johannes-4-1-a]: Verwijzing a: Jeremia 29:8. Matteüs 24:4. Efeziërs 5:6. Kolossenzen 2:18.
[^1johannes-4-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: leraar die beweert dat zijn leer voortkomt uit openbaring van de Heilige Geest. Zie 1 Timotheüs 4:1.
[^1johannes-4-1-b]: Verwijzing b: Matteüs 7:15, 16. 1 Korinthiërs 14:29. 1 Tessalonicenzen 5:21.
[^1johannes-4-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk aan de toetssteen van Gods woord. Zie 1 Tessalonicenzen 5:21.
[^1johannes-4-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: of hun leer door God is ingegeven en met Gods woord overeenkomt.
[^1johannes-4-1-c]: Verwijzing c: Matteüs 24:5, 24. 2 Petrus 2:1. 2 Johannes 1:7.
[^1johannes-4-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: valse leraars. Want zoals profeten worden genoemd niet alleen degenen die toekomstige dingen voorspellen, maar ook allen die Gods woord verkondigen, zo worden valse leraars valse profeten genoemd.
[^1johannes-4-1-5]: Kanttekening 5: Zie 1 Johannes 2:19.
[^1johannes-4-2-6]: Kanttekening 6: Of: herkent hieraan de Geest van God: in gebiedende wijs.
[^1johannes-4-2-7]: Kanttekening 7: De leer die door Gods Geest is ingegeven. Of: een echte leraar die door Gods Geest wordt gedreven.
[^1johannes-4-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: leraar. Zie vers 1.
[^1johannes-4-2-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: openlijk leert en belijdt.
[^1johannes-4-2-10]: Kanttekening 10: Gr. Jezus Christus in het vlees gekomen zijnde (Χριστὸν). Zie vers 3 en 2 Johannes vers 7.
[^1johannes-4-2-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: de menselijke natuur heeft aangenomen om ons als de enige Middelaar daarin met God te verzoenen. Zie Johannes 1:14.
[^1johannes-4-2-12]: Kanttekening 12: Dat is een oprechte leraar die de goddelijke waarheid en leer voorstelt.
[^1johannes-4-3-d]: Verwijzing d: 1 Johannes 2:22.
[^1johannes-4-3-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de leer van de Antichrist, die de waarheid aangaande de persoon en het ambt van Christus bestrijdt.
[^1johannes-4-3-e]: Verwijzing e: 1 Johannes 2:18.
[^1johannes-4-3-f]: Verwijzing f: 2 Tessalonicenzen 2:7.
[^1johannes-4-4-14]: Kanttekening 14: Door de Geest van God wedergeboren en daardoor verlicht met de kennis van de ware en goddelijke leer.
[^1johannes-4-4-15]: Kanttekening 15: Namelijk de valse leraars.
[^1johannes-4-4-16]: Kanttekening 16: Namelijk door uw standvastigheid in de ware leer, waarvan zij u niet hebben kunnen aftrekken of verleiden. Zie Matteüs 24:24.
[^1johannes-4-4-17]: Kanttekening 17: Namelijk de Geest van God.
[^1johannes-4-4-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: machtiger, zoals Johannes 10:29 en 1 Johannes 3:20. Namelijk om u bij de waarheid te bewaren en tegen de verleidingen te beschermen.
[^1johannes-4-4-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: die God u gegeven heeft en in u blijft. Zie hoofdstuk 3:9.
[^1johannes-4-4-20]: Kanttekening 20: Namelijk de duivel of de geest van de dwaling, vers 6, die in de wereldse en onwedergeboren mensen is, zoals de valse leraars zijn.
[^1johannes-4-5-21]: Kanttekening 21: Namelijk de valse leraars.
[^1johannes-4-5-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: dingen die uit de wereld zijn en die met het verstand van de onwedergeboren mensen overeenkomen.
[^1johannes-4-5-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: de wereldse en onwedergeboren mensen; zoals hoofdstuk 3:13.
[^1johannes-4-5-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: neemt hun valse leer aan.
[^1johannes-4-6-25]: Kanttekening 25: Namelijk apostelen en degenen die dezelfde leer als wij voorstellen.
[^1johannes-4-6-g]: Verwijzing g: Johannes 8:47 en 10:27.
[^1johannes-4-6-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: niet alleen door de Geest van God wedergeboren en verlicht met de kennis van de waarheid, maar ook door hem geroepen om het Evangelie te verkondigen.
[^1johannes-4-6-27]: Kanttekening 27: Namelijk zoals hij zich in zijn woord geopenbaard heeft.
[^1johannes-4-6-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: neemt onze leer aan, zoals eerder.
[^1johannes-4-6-29]: Kanttekening 29: Namelijk als men naar ons luistert, of niet.
[^1johannes-4-6-30]: Kanttekening 30: Namelijk als men naar ons luistert en onze leer aanneemt.
[^1johannes-4-6-31]: Kanttekening 31: Namelijk als men niet naar ons luistert. Zodat uit de leer en geschriften van de apostelen (evenals van de profeten en evangelisten) de geest van de waarheid en de geest van de dwaling kunnen worden onderscheiden.
[^1johannes-4-7-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: God is de auteur van de liefde, die deze in ons werkt en ons beveelt.
[^1johannes-4-7-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: dat is een zeker teken dat hij waarlijk door de Geest van God wedergeboren is.
[^1johannes-4-7-34]: Kanttekening 34: Namelijk naar behoren, hoe hij is, wat hem behaagt en wat hij ons geboden heeft.
[^1johannes-4-8-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: God heeft lief niet alleen zichzelf maar ook al zijn schepselen, in het bijzonder zijn uitverkorenen in Christus.
[^1johannes-4-9-h]: Verwijzing h: Johannes 3:16. Romeinen 5:8.
[^1johannes-4-9-36]: Kanttekening 36: Gr. in ons, zoals ook vers 16. Of: onder ons.
[^1johannes-4-9-37]: Kanttekening 37: Namelijk die in hem geloven, zoals wordt uitgedrukt in Johannes 3:16.
[^1johannes-4-9-38]: Kanttekening 38: Namelijk geestelijk en eeuwig.
[^1johannes-4-10-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: blijkt de grootheid van Gods liefde tot ons.
[^1johannes-4-10-40]: Kanttekening 40: Namelijk eerst, zodanig dat wij met onze liefde God tot wederliefde zouden hebben bewogen. Want wij waren van nature haters van God.
[^1johannes-4-10-i]: Verwijzing i: Romeinen 3:24. 2 Korinthiërs 5:19. Kolossenzen 1:19.
[^1johannes-4-10-41]: Kanttekening 41: Namelijk eerst, zoals wordt uitgedrukt in vers 19.
[^1johannes-4-10-k]: Verwijzing k: Romeinen 3:25. 1 Johannes 2:2.
[^1johannes-4-11-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: met zo'n grote, uitnemende, onverdiende en onuitsprekelijke liefde.
[^1johannes-4-11-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: het is niet alleen passend dat wij het voorbeeld van God als zijn kinderen hierin navolgen; maar wij zijn daartoe ook door dankbaarheid verplicht.
[^1johannes-4-11-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: niet alleen God, die de mensen zo uitnemend heeft liefgehad, maar ook wij mensen moeten elkaar vanwege hem liefhebben.
[^1johannes-4-12-45]: Kanttekening 45: Namelijk mensen, zoals wordt uitgedrukt in 1 Timotheüs 6:16.
[^1johannes-4-12-l]: Verwijzing l: Exodus 33:20. Deuteronomium 4:12. Johannes 1:18. 1 Timotheüs 1:17 en 6:16.
[^1johannes-4-12-46]: Kanttekening 46: Namelijk met de lichamelijke ogen, zoals wordt verklaard in vers 20. Dat wil zeggen: hoewel men God niet met de lichamelijke ogen kan zien, kan men hem toch kennen.
[^1johannes-4-12-m]: Verwijzing m: 1 Johannes 3:24.
[^1johannes-4-12-47]: Kanttekening 47: Zie hierover de verklaring op 1 Johannes 3:24.
[^1johannes-4-12-48]: Kanttekening 48: Namelijk waarmee wij hem liefhebben.
[^1johannes-4-12-49]: Kanttekening 49: Zie de aantekening op hoofdstuk 2:5.
[^1johannes-4-13-50]: Kanttekening 50: Zie de verklaring op hoofdstuk 3:24.
[^1johannes-4-14-51]: Kanttekening 51: Zie hoofdstuk 1:1.
[^1johannes-4-14-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: van de uitverkorenen en gelovigen in de hele wereld. Zie Johannes 3:17 en 4:42 en 1 Johannes 2:2.
[^1johannes-4-15-53]: Kanttekening 53: Namelijk en verder zal gedaan hebben wat deze belijdenis vereist; namelijk hem met waar geloof aangenomen hebben.
[^1johannes-4-15-54]: Kanttekening 54: Zie de verklaring op hoofdstuk 3:24.
[^1johannes-4-16-55]: Kanttekening 55: Gr. in ons.
[^1johannes-4-16-56]: Kanttekening 56: Zie de verklaring van vers 8.
[^1johannes-4-16-57]: Kanttekening 57: Dat wil zeggen: daarom.
[^1johannes-4-17-58]: Kanttekening 58: Dat wil zeggen: hierdoor zijn wij volmaakt in de liefde; namelijk doordat, zoals hij is, wij ook zijn in deze wereld, zoals volgt.
[^1johannes-4-17-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: een vrijmoedig vertrouwen dat wij op die dag niet veroordeeld zullen worden, omdat wij nu de liefde oefenen.
[^1johannes-4-17-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: zoals Christus in de liefde gewandeld heeft en er voortdurend in blijft, zo volgen ook wij zijn voetstappen na.
[^1johannes-4-18-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: in degenen die hun geloof door de liefde bewijzen; die waarlijk God en hun naaste liefhebben.
[^1johannes-4-18-62]: Kanttekening 62: Namelijk de vrees veroordeeld te worden op de dag van het oordeel; welke vrees een slaafse vrees wordt genoemd.
[^1johannes-4-18-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: als wij God en onze naaste oprecht liefhebben. Zie hoofdstuk 2:5.
[^1johannes-4-18-44_64_]: Kanttekening 44\[64\]: Gr. werpt. Want deze vrees is zo diep in de harten en gewetens van zondaars geplant dat zij als met geweld moet worden uitgedreven.
[^1johannes-4-18-65]: Kanttekening 65: Namelijk veroordeeld te zullen worden.
[^1johannes-4-18-66]: Kanttekening 66: Of: bestraffing; dat wil zeggen: kwelling, angst en benauwdheid van het gemoed, die ophoudt als wij verzekerd zijn van de oprechte liefde van God.
[^1johannes-4-18-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: heeft nog de rechte liefde niet; want als hij die had, zou hij deze vrees uitdrijven.
[^1johannes-4-19-68]: Kanttekening 68: Of: laten wij hem, dat wil zeggen God, liefhebben; want de Griekse tekst kan beide vertalingen dragen.
[^1johannes-4-19-69]: Kanttekening 69: Zie vers 10.
[^1johannes-4-20-n]: Verwijzing n: 1 Johannes 2:4.
[^1johannes-4-20-70]: Kanttekening 70: Dat wil zeggen: niet alleen daadwerkelijk haat, maar ook hem gewoon niet liefheeft; zoals de volgende woorden verklaren.
[^1johannes-4-20-71]: Kanttekening 71: Zie hoofdstuk 2:4.
[^1johannes-4-20-72]: Kanttekening 72: Dat wil zeggen: wiens persoon, staat en nood hij ziet, door welk zien de liefde en barmhartigheid pleegt te worden ontstoken.
[^1johannes-4-20-73]: Kanttekening 73: Hij wil zeggen: die kan God in geen geval liefhebben; aangezien men gemakkelijker door het zien dan door het horen tot liefde wordt bewogen.
[^1johannes-4-21-o]: Verwijzing o: Leviticus 19:18. Matteüs 22:39. Johannes 13:34 en 15:12. Efeziërs 5:2. 1 Tessalonicenzen 4:9. 1 Petrus 4:8. 1 Johannes 3:23.

### 1 Johannes 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1johannes/5.json)

*1 De apostel bewijst verder dat de liefde tot God en tot de kin deren van God altijd samengaan. 3 En leert dat de liefde tot God betoond wordt door het onderhouden van zijn geboden en het overwinnen van de wereld, wat de wedergeborenen doen door het geloof in Jezus Christus. 6 Die hij bewijst de Zoon van God en onze Verlosser te zijn door tweeërlei getuigenis: in de hemel, van de Heilige Drie-eenheid, 8 en op aarde, van de Geest, het water en het bloed. 9 En leert dat wij deze getuigenisn moeten aannemen, of anders God tot een leugenaar maken. 11 Maar wie ze aannemen, dat zij door Christus het eeuwige leven hebben. 14 En een vertrouwen dat zij van God door hun gebeden alles zullen verkrijgen wat ter zaligheid nodig is. 16 En dat niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun broeder, die niet zondigt tot de dood. 18 Tot welke zonde hij leert dat de wedergeborenen niet vervallen, aangezien zij God en zijn Zoon Jezus Christus recht kennen en in hem zijn. 21 Vermaant ten slotte de gelovigen zich te wachten voor de afgoden.*

**1** [^1johannes-5-1-a] Een ieder die[^1johannes-5-1-1] gelooft, dat Jezus is[^1johannes-5-1-2] de Christus, die is uit God geboren; en een ieder die liefheeft[^1johannes-5-1-3] Degene, Die geboren heeft, die heeft ook lief[^1johannes-5-1-4] degene, die uit Hem geboren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v1)

**2** Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen van God liefhebben,[^1johannes-5-2-5] wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v2)

**3** [^1johannes-5-3-b] Want[^1johannes-5-3-6] dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren;[^1johannes-5-3-c] en Zijn geboden zijn[^1johannes-5-3-7] niet zwaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v3)

**4** Want al wat uit God geboren is,[^1johannes-5-4-8] overwint de wereld;[^1johannes-5-4-d] en dit is[^1johannes-5-4-9] de overwinning, die de wereld overwint,[^1johannes-5-4-10] namelijk ons geloof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v4)

**5** [^1johannes-5-5-e] Wie is het, die de wereld overwint,[^1johannes-5-5-f] dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v5)

**6** Deze is het, Die gekomen is[^1johannes-5-6-11] door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus;[^1johannes-5-6-12] niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En[^1johannes-5-6-13] de Geest is het, Die getuigt, dat[^1johannes-5-6-14] de Geest de waarheid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v6)

**7** [^1johannes-5-7-15] Want[^1johannes-5-7-16] Drie zijn er, Die getuigen[^1johannes-5-7-17] in de hemel, de Vader,[^1johannes-5-7-18] het Woord en de Heilige Geest; en[^1johannes-5-7-19] deze Drie zijn[^1johannes-5-7-20] Één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v7)

**8** En[^1johannes-5-8-21] drie zijn er, die getuigen op de aarde,[^1johannes-5-8-22] de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn[^1johannes-5-8-23] tot één. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v8)

**9** [^1johannes-5-9-g] Als wij de getuigenis van de mensen aannemen, de getuigenis van God is[^1johannes-5-9-24] meerder; want dit is de getuigenis[^1johannes-5-9-25] van God, die Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v9)

**10** [^1johannes-5-10-h] Die in de Zoon van God gelooft,[^1johannes-5-10-26] heeft de getuigenis in zichzelf; die God niet gelooft,[^1johannes-5-10-27] heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v10)

**11** En dit is[^1johannes-5-11-28] de getuigenis, namelijk dat[^1johannes-5-11-29] ons God het eeuwige leven gegeven heeft;[^1johannes-5-11-i] en ditzelve leven[^1johannes-5-11-30] is in Zijn Zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v11)

**12** Die de Zoon[^1johannes-5-12-31] heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v12)

**13** [^1johannes-5-13-k] Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam van de Zoon van God; opdat u weet, dat u het eeuwige leven hebt, en opdat u[^1johannes-5-13-32] gelooft in de Naam van de Zoon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v13)

**14** En dit is[^1johannes-5-14-33] de vrijmoedigheid, die wij[^1johannes-5-14-34] tot Hem hebben,[^1johannes-5-14-l] dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons[^1johannes-5-14-35] verhoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v14)

**15** En als wij weten, dat Hij ons verhoort,[^1johannes-5-15-36] wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij[^1johannes-5-15-37] de beden[^1johannes-5-15-38] verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v15)

**16** Als iemand[^1johannes-5-16-39] zijn broeder ziet zondigen[^1johannes-5-16-40] een zonde niet tot de dood, die zal[^1johannes-5-16-41] God bidden en[^1johannes-5-16-42] Hij zal hem[^1johannes-5-16-43] het leven geven, van hen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood.[^1johannes-5-16-m] Er is[^1johannes-5-16-44] een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet,[^1johannes-5-16-45] dat hij zal bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v16)

**17** [^1johannes-5-17-n] Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde[^1johannes-5-17-46] niet tot de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v17)

**18** [^1johannes-5-18-o] Wij weten, dat een ieder die uit God geboren is,[^1johannes-5-18-47] niet zondigt; maar die uit God geboren is,[^1johannes-5-18-48] bewaart zichzelf, en[^1johannes-5-18-49] de boze[^1johannes-5-18-50] vat hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v18)

**19** Wij weten, dat[^1johannes-5-19-51] wij uit God zijn, en dat[^1johannes-5-19-52] de hele wereld ligt[^1johannes-5-19-53] in het boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v19)

**20** Maar wij weten, dat de Zoon van God gekomen is,[^1johannes-5-20-p] en heeft ons[^1johannes-5-20-54] het verstand gegeven, dat wij[^1johannes-5-20-55] de Waarachtige kennen; en[^1johannes-5-20-56] wij zijn in de Waarachtige,[^1johannes-5-20-57] namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus.[^1johannes-5-20-58][^1johannes-5-20-q] Deze is de waarachtige God, en[^1johannes-5-20-59] het eeuwige Leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v20)

**21** Kinderen,[^1johannes-5-21-60] bewaart uzelf van de[^1johannes-5-21-61] afgoden. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1johannes/5.html#v21)

[^1johannes-5-1-a]: Verwijzing a: Johannes 1:12.
[^1johannes-5-1-1]: Kanttekening 1: Namelijk met zodanig een geloof dat vergezeld is van alles wat tot een oprecht geloof behoort. Zie hoofdstuk 4:2.
[^1johannes-5-1-2]: Kanttekening 2: Dat wil zeggen: de ware en beloofde Messias. Zie Johannes 20:31.
[^1johannes-5-1-3]: Kanttekening 3: Dat wil zeggen: de Vader.
[^1johannes-5-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: zijn kinderen; en aangezien dit zo is onder de mensen, bewijst de apostel daarmee dat als men God liefheeft, men ook zijn kinderen liefheeft.
[^1johannes-5-2-5]: Kanttekening 5: Want uit de liefde tot God, als een bron en oorsprong, moet de liefde tot de naaste ontspringen en voortkomen.
[^1johannes-5-3-b]: Verwijzing b: Johannes 14:15 en 15:10.
[^1johannes-5-3-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: hiermee bewijzen wij dat wij God waarlijk liefhebben.
[^1johannes-5-3-c]: Verwijzing c: Matteüs 11:29, 30.
[^1johannes-5-3-7]: Kanttekening 7: Dat wil zeggen: bezwaarlijk, moeilijk; wat hier niet wordt gezegd om aan te wijzen dat wij deze geboden volmaakt kunnen houden.
[^1johannes-5-4-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: in de geestelijke strijd tussen de Geest van de wedergeboorte en de wereldse begeerlijkheden en verleidingen.
[^1johannes-5-4-d]: Verwijzing d: Johannes 16:33.
[^1johannes-5-4-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: de oorzaak van onze overwinning, omdat het Christus omhelst, door wie wij alles vermogen. Filippenzen 4:13.
[^1johannes-5-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk dat vergezeld is van alles wat tot een waar geloof vereist wordt; want zulk een geloof kan niet bestaan zonder liefde en andere vruchten.
[^1johannes-5-5-e]: Verwijzing e: 1 Korinthiërs 15:57.
[^1johannes-5-5-f]: Verwijzing f: Johannes 4:15.
[^1johannes-5-6-11]: Kanttekening 11: De apostel ziet hier op het water en bloed dat uit de doorstoken zijde van Christus vloeide, waarvan Johannes alleen vermelding maakt in Johannes 19:34.
[^1johannes-5-6-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: hij is gekomen om niet alleen de weldaad van de wedergeboorte of de reiniging van onze verdorven natuur, maar ook de weldaad van de verzoening te bewerken.
[^1johannes-5-6-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: de Heilige Geest getuigt in de harten van de gelovigen. 2 Korinthiërs 1:22; Efeziërs 1:13.
[^1johannes-5-6-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: de leer van het Evangelie dat Jezus de Christus is; welke leer geest wordt genoemd. 2 Korinthiërs 3:6. Zie de aantekening daar.
[^1johannes-5-7-15]: Kanttekening 15: Dit vers, dat een zeer duidelijk getuigenis van de Heilige Drievuldigheid bevat, schijnt door de Arianen uit sommige exemplaren te zijn weggelaten; maar staat in de meeste Griekse handschriften.
[^1johannes-5-7-16]: Kanttekening 16: Namelijk personen en onderscheiden getuigen.
[^1johannes-5-7-17]: Kanttekening 17: Dat wil zeggen: geven hiervan vanuit de hemel een hemels en goddelijk getuigenis, waaraan niet mag worden getwijfeld.
[^1johannes-5-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: de Zoon van God. Zie Johannes 1:1.
[^1johannes-5-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk personen. Zie Matteüs 3:16, 17 en 28:19.
[^1johannes-5-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk van wezen en natuur; die alle drie van deze zaak gezamenlijk en eensluidend getuigen. Een zeer duidelijk bewijs van de Heilige Drievuldigheid.
[^1johannes-5-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: drie getuigen zijn er ook op de aarde die hetzelfde getuigen.
[^1johannes-5-8-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: de Geest van de aanneming tot kinderen, die de gelovigen in de gemeente hier op aarde gegeven wordt, en het water en bloed van de doop en het avondmaal.
[^1johannes-5-8-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: zien op dezelfde zaak en geven daarvan eensluidend getuigenis; namelijk dat Jezus de Heiland en de Zoon van God is.
[^1johannes-5-9-g]: Verwijzing g: Johannes 5:37.
[^1johannes-5-9-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: geloofwaardiger en moet daarom ook vaster worden aangenomen.
[^1johannes-5-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk van Jezus Christus, dat hij de ware en enige Heiland is.
[^1johannes-5-10-h]: Verwijzing h: Johannes 3:36. Romeinen 8:16. Galaten 4:6.
[^1johannes-5-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: is door de Heilige Geest, die het geloof in hem gewerkt heeft, in zijn hart hiervan overtuigd en verzekerd.
[^1johannes-5-10-27]: Kanttekening 27: Zie hoofdstuk 1:10.
[^1johannes-5-11-28]: Kanttekening 28: Namelijk waarover ik spreek.
[^1johannes-5-11-29]: Kanttekening 29: Namelijk die in Christus waarlijk geloven. Johannes 3:36.
[^1johannes-5-11-i]: Verwijzing i: Johannes 1:4.
[^1johannes-5-11-30]: Kanttekening 30: Namelijk als in een bron waaruit wij het ontvangen. Johannes 1:16. Want de Zoon heeft ons het leven verdiend, heeft het en deelt het mee.
[^1johannes-5-12-31]: Kanttekening 31: Dat wil zeggen: met waar geloof heeft aangenomen. Johannes 1:12. Die heeft de beginselen van het eeuwige leven al in dit leven.
[^1johannes-5-13-k]: Verwijzing k: Johannes 20:31.
[^1johannes-5-13-32]: Kanttekening 32: Dat wil zeggen: in het geloof meer en meer mag toenemen en daarin volharden.
[^1johannes-5-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: vrijmoedig vertrouwen, zoals Hebreeën 4:16; 1 Johannes 2:28 en 3:21.
[^1johannes-5-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk God, zoals hij zegt in hoofdstuk 3:21.
[^1johannes-5-14-l]: Verwijzing l: Jeremia 29:12. Matteüs 7:8 en 21:21. Marcus 11:24. Lucas 11:9. Johannes 14:13 en 15:7 en 16:24. Jakobus 1:5. 1 Johannes 3:22.
[^1johannes-5-14-35]: Kanttekening 35: Gr. hoort.
[^1johannes-5-15-36]: Kanttekening 36: Namelijk naar zijn wil, zoals vers 14.
[^1johannes-5-15-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: de zaken die wij bidden.
[^1johannes-5-15-38]: Kanttekening 38: Gr. hebben. Dat wil zeggen: zeker zullen hebben.
[^1johannes-5-16-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: zijn medegelovige.
[^1johannes-5-16-40]: Kanttekening 40: Dat wil zeggen: een zonde waarop de eeuwige dood niet zeker volgt; dat is, die niet onvergeeflijk is.
[^1johannes-5-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk voor zijn broeder, dat God hem deze zonde wil vergeven.
[^1johannes-5-16-42]: Kanttekening 42: Namelijk God zal hem zijn zonden vergeven en zo het leven geven. Of: hij, namelijk die God voor de zonde van zijn broeder bidt, zal hem het leven geven.
[^1johannes-5-16-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: van de dood die hij door zijn zonde verdiend had, verlossen.
[^1johannes-5-16-m]: Verwijzing m: Numeri 15:30. 1 Samuël 2:25. Matteüs 12:31. Marcus 3:29. Lucas 12:10. Hebreeën 6:4 en 10:26. 2 Petrus 2:20.
[^1johannes-5-16-44]: Kanttekening 44: Dat wil zeggen: die zeker de dood met zich brengt; welke is de lastering tegen de Heilige Geest, wanneer iemand de waarheid bewust bestrijdt.
[^1johannes-5-16-45]: Kanttekening 45: Namelijk omdat God zulke zondaars hun zonde niet wil vergeven maar hen overgeeft in hun onboetvaardigheid tot de eeuwige dood.
[^1johannes-5-17-n]: Verwijzing n: 1 Johannes 3:4.
[^1johannes-5-17-46]: Kanttekening 46: Dit moet niet worden verstaan alsof er een zonde zo licht zou zijn dat zij de dood niet zou verdienen, hoe klein ook; maar dat niet alle zonde die niet tot de dood leidt onvergeeflijk is.
[^1johannes-5-18-o]: Verwijzing o: 1 Johannes 3:9.
[^1johannes-5-18-47]: Kanttekening 47: Namelijk tot de dood; noch zodanig dat de zonde over hem de heerschappij heeft. Zie 1 Johannes 3:9.
[^1johannes-5-18-48]: Kanttekening 48: Namelijk dat hij in deze zonde niet vervalt.
[^1johannes-5-18-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: de duivel, die hem tot deze zonde tracht te brengen. Matteüs 6:13.
[^1johannes-5-18-50]: Kanttekening 50: Of: raakt hem niet. Dat wil zeggen: heeft geen vat op hem om hem in die zonde te trekken.
[^1johannes-5-19-51]: Kanttekening 51: Namelijk die in Christus geloven.
[^1johannes-5-19-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: alle andere mensen die niet wedergeboren zijn en niet geloven.
[^1johannes-5-19-53]: Kanttekening 53: Dat wil zeggen: in de zonde en onder de macht van de duivel.
[^1johannes-5-20-p]: Verwijzing p: Lucas 24:45.
[^1johannes-5-20-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: de rechte en zaligmakende kennis van de ware God, waarin het eeuwige leven bestaat. Johannes 17:3. Of: het verstand om hem te kennen.
[^1johannes-5-20-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: de ware en levende God, de Vader van onze Heiland Jezus Christus.
[^1johannes-5-20-56]: Kanttekening 56: Dat wil zeggen: wij hebben door het geloof gemeenschap met hem. Hoofdstuk 1:3.
[^1johannes-5-20-57]: Kanttekening 57: Anderen voegen hier het woord 'en' tussen, zoals in hoofdstuk 1:3, en verstaan bij deze Waarachtige ook de Vader.
[^1johannes-5-20-58]: Kanttekening 58: Namelijk Jezus Christus. Zie Johannes 17:3.
[^1johannes-5-20-q]: Verwijzing q: Jesaja 9:5 en 44:6 en 54:5. Johannes 20:28. Romeinen 9:5. 1 Timotheüs 3:16.
[^1johannes-5-20-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: de oorsprong, verdiener en gever van het eeuwige leven. Johannes 1:4 en 10:28 en 14:6.
[^1johannes-5-21-60]: Kanttekening 60: Dat wil zeggen: wacht u en draag zorg dat u zich niet met enige afgoderij bevlekt.
[^1johannes-5-21-61]: Kanttekening 61: Dat wil zeggen: valse goden, of beelden die tot afgoderij worden misbruikt; dat u hun geen enkele eer of dienst bewijst.

## 2 Johannes

### 2 Johannes 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2johannes/1.json)

**1** [^2johannes-1-1-1] De ouderling aan de[^2johannes-1-1-2] uitverkoren[^2johannes-1-1-3] vrouw en aan haar kinderen,[^2johannes-1-1-4] die ik[^2johannes-1-1-5] in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook[^2johannes-1-1-6] allen, die[^2johannes-1-1-7] de waarheid gekend hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v1)

**2** [^2johannes-1-2-8] Vanwege de waarheid, die[^2johannes-1-2-9] in ons blijft, en met ons zal zijn in eeuwigheid: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v2)

**3** [^2johannes-1-3-10] Genade, barmhartigheid, vrede[^2johannes-1-3-11] zij met u van God de Vader, en van de Heere Jezus Christus, de Zoon van de[^2johannes-1-3-12] Vader, in waarheid en liefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v3)

**4** Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik[^2johannes-1-4-13] van uw kinderen gevonden heb, die[^2johannes-1-4-14] in de waarheid wandelen, zoals wij een gebod ontvangen hebben[^2johannes-1-4-15] van de Vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v4)

**5** En nu bid ik u, uitverkoren vrouw,[^2johannes-1-5-a] niet als u schrijvende[^2johannes-1-5-16] een nieuw gebod, maar wat wij gehad hebben van het begin,[^2johannes-1-5-b] namelijk dat wij elkaar liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v5)

**6** [^2johannes-1-6-c] En[^2johannes-1-6-17] dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, zoals u[^2johannes-1-6-18] van het begin gehoord hebt, dat u[^2johannes-1-6-19] in hetzelfde zou wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v6)

**7** [^2johannes-1-7-d] Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen,[^2johannes-1-7-20] die niet belijden,[^2johannes-1-7-21] dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en[^2johannes-1-7-22] de antichrist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v7)

**8** [^2johannes-1-8-23] Zie toe voor uzelf,[^2johannes-1-8-24] dat wij niet verliezen, wat wij gewerkt hebben, maar een[^2johannes-1-8-25] vol[^2johannes-1-8-26] loon mogen ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v8)

**9** Een ieder[^2johannes-1-9-27] die overtreedt, en niet blijft in de leer van[^2johannes-1-9-28] Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze[^2johannes-1-9-29] heeft beiden de Vader en de Zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v9)

**10** [^2johannes-1-10-e] Als iemand[^2johannes-1-10-30] tot u komt, en[^2johannes-1-10-31] deze leer niet[^2johannes-1-10-32] brengt,[^2johannes-1-10-33] ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet:[^2johannes-1-10-34] Wees gegroet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v10)

**11** Want die tot hem zegt: Wees gegroet,[^2johannes-1-11-35] die heeft gemeenschap aan zijn[^2johannes-1-11-36] boze werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v11)

**12** Ik heb[^2johannes-1-12-37] veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild[^2johannes-1-12-38] door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en[^2johannes-1-12-39] mond tot mond met u te spreken, opdat[^2johannes-1-12-40] onze blijdschap[^2johannes-1-12-41] volkomen mag zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v12)

**13** U groeten de kinderen van uw zuster,[^2johannes-1-13-42] de uitverkorene. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2johannes/1.html#v13)

[^2johannes-1-1-1]: Kanttekening 1: 1 ouderling aan de: Zo noemt zich de apostel Johannes, òf vanwege zijn ambt, gelijk ook Petrus, 1 Petr. 5:1, òf vanwege zijn hoge ouderdom; alsof hij zei: de oude. 1 Petrus 5:1: De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige van het lijden van Christus ben, en deelachtig van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden:
[^2johannes-1-1-2]: Kanttekening 2: Zo noemt hij haar naar het oordeel van de liefde, naar welke allen die Christus belijden, voor uitverkorenen moeten behouden worden. Zie dergelijke vers 13; Filipp. 4:3; 1 Thess. 1:4; 2 Thess. 2:13; 1 Petr. 1:2. 2 Johannes 1:13: U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. Amen. Filippensen 4:3: En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. 1 Thessalonicensen 1:4: Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God; 2 Thessalonicensen 2:13: Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van de Heer bemind bent, dat u God van het begin gekozen heeft tot zaligheid, in heiligmaking van de Geest, en geloof van de waarheid; 1 Petrus 1:2: De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.
[^2johannes-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 vrouwe en aan: Grieks Kyria; dat is, Herin, gelijk ook vers 5; waardoor aangeduid wordt niet één van het vrouwelijk geslacht alleen, maar een voortreffelijke, aanzienlijke, machtige vrouw. 2 Johannes 1:5: En nu bid ik u, uitverkoren vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar wat wij gehad hebben van het begin, namelijk dat wij elkaar liefhebben.
[^2johannes-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 die ik: Namelijk zo de moeder als de kinderen, gelijk uit het Griekse woord blijkt.
[^2johannes-1-1-5]: Kanttekening 5: 5 in waarheid liefheb: Dat is, oprecht, gelijk 1 Joh. 3:18. 1 Johannes 3:18: Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
[^2johannes-1-1-6]: Kanttekening 6: 6 allen, die: Namelijk die in die plaats wonen en u kennen.
[^2johannes-1-1-7]: Kanttekening 7: 7 de waarheid gekend: Dat is, de ware leer van het heilige Evangelie. Zie 2 Tim. 2:25; 1 Joh. 2:21, en 1 Joh. 3:19. 2 Timotheüs 2:25: Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis van de waarheid; 1 Johannes 2:21: Ik heb u niet geschreven, omdat u de waarheid niet weet, maar omdat u die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 1 Johannes 3:19: En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.
[^2johannes-1-2-8]: Kanttekening 8: 8 Vanwege de waarheid: Namelijk heb ik haar lief, omdat zij deze aangenomen hebben, belijden en beleven.
[^2johannes-1-2-9]: Kanttekening 9: 9 in ons blijft: Namelijk door de genade en naar de beloften van God, dat Hij ons in deze altijd zal bewaren. Zie Matt. 24:24; Joh. 10:28; Filipp. 1:6; 1 Petr. 1:5; 1 Joh. 5:4, 5:5. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Johannes 10:28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Filippensen 1:6: Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus; 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 1 Johannes 5:4: Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 1 Johannes 5:5: Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
[^2johannes-1-3-10]: Kanttekening 10: Zie dergelijke groetenis 1 Tim. 1:2. 1 Timotheüs 1:2: Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heer.
[^2johannes-1-3-11]: Kanttekening 11: 11 zij met u: Grieks zal zijn.
[^2johannes-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 in waarheid en liefde: Dat is, tot versterking en vermeerdering van de kennis van de waarheid en van de liefde. Of met waarheid en liefde.
[^2johannes-1-4-13]: Kanttekening 13: 13 van uw kinderen: Dat is, sommigen van uw kinderen.
[^2johannes-1-4-14]: Kanttekening 14: 14 in de waarheid: Dat is, de ware leer van het Evangelie belijden, en hun leven daarnaar aanstellen, volgens de geboden van God.
[^2johannes-1-4-15]: Kanttekening 15: 15 van de Vader: Namelijk door de Zoon; Joh. 15:15. Johannes 15:15: Ik heet u niet meer dienaren; want de dienaar weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
[^2johannes-1-5-a]: Verwijzing a: 1 Joh. 2:7. 1 Johannes 2:7: Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u van het begin gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van het begin gehoord hebt.
[^2johannes-1-5-16]: Kanttekening 16: 16 een nieuw gebod: Zie de aantekeningen op 1 Joh. 2:7, 2:8. 1 Johannes 2:7: Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u van het begin gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van het begin gehoord hebt. 1 Johannes 2:8: Opnieuw schrijf ik u een nieuw gebod: wat waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.
[^2johannes-1-5-b]: Verwijzing b: Joh. 13:34; Joh. 15:12; Efez. 5:2; 1 Thes. 4:9; 1 Petr. 4:8; 1 Joh. 3:23; 1 Joh. 4:21. Johannes 13:34: Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Johannes 15:12: Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. Efeziërs 5:2: En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. 1 Thessalonicensen 4:9: Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelven bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. 1 Petrus 4:8: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 1 Johannes 3:23: En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. 1 Johannes 4:21: En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
[^2johannes-1-6-c]: Verwijzing c: Joh. 15:10. Johannes 15:10: Als u Mijn geboden bewaart, zo zult u in Mijn liefde blijven; zoals Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
[^2johannes-1-6-17]: Kanttekening 17: 17 dit is de liefde: Dat is, hierin bestaat de rechte liefde van God en van de naaste; of hiermede wordt zij betoond.
[^2johannes-1-6-18]: Kanttekening 18: 18 van het begin: Als u de leer van het Evangelie eerst is gepredikt; 1 Joh. 2:7. 1 Johannes 2:7: Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u van het begin gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van het begin gehoord hebt.
[^2johannes-1-6-19]: Kanttekening 19: 19 in hetzelfde zoudt: Dat is, zo uw leven daarnaar aanstellen.
[^2johannes-1-7-d]: Verwijzing d: Matt. 24:5; idem v. 24; 2 Petr. 2:1; 1 Joh. 4:1. Mattheüs 24:5: Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. Mattheüs 24:24: Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 1 Johannes 4:1: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
[^2johannes-1-7-20]: Kanttekening 20: 20 die niet belijden: Zie de aantekeningen 1 Joh. 2:22, en 1 Joh. 4:2. 1 Johannes 2:22: Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. 1 Johannes 4:2: Hieraan kent u de Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
[^2johannes-1-7-21]: Kanttekening 21: 21 dat Jezus Christus: Grieks Jezus Christus in het vlees komende. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Joh. 4:2. 1 Johannes 4:2: Hieraan kent u de Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
[^2johannes-1-7-22]: Kanttekening 22: 22 de antichrist: Zie 1 Joh. 4:3. 1 Johannes 4:3: En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van de antichrist, welke geest u gehoord hebt, dat komen zal, en is nu al in de wereld.
[^2johannes-1-8-23]: Kanttekening 23: 23 Ziet toe voor uzelven: Dat is, hebt acht op uw eigen zaligheid, waarvan u zoudt vervallen, zo u u door hen laat verleiden. Zie Hand. 20:28. Handelingen 20:28: Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
[^2johannes-1-8-24]: Kanttekening 24: 24 dat wij niet verliezen: Dat is, opdat wij, namelijk apostelen, die u tot de kennis van de waarheid gebracht hebben, de vrucht van onze arbeid aan u niet verliezen; of dat u, \[gelijk anderen lezen\] namelijk die de ware leer eens aangenomen hebt en naar deze uw belijdenis en wandel, welke is het eeuwige leven, niet verliest, door verleiding tot afval gebracht.
[^2johannes-1-8-25]: Kanttekening 25: Dat is, overvloedig.
[^2johannes-1-8-26]: Kanttekening 26: 26 loon mogen ontvangen: Namelijk wij apostelen van onze arbeid, als die aan u niet vergeefs zal aangewend zijn. Zie Filipp. 4:1; 1 Thess. 2:19; of u gelovigen, als u tegen de verleiding standvastig blijft bij de ware leer van het Evangelie. Filippensen 4:1: Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heer, geliefden! 1 Thessalonicensen 2:19: Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Bent u die ook niet voor onze Heer Jezus Christus in Zijn toekomst?
[^2johannes-1-9-27]: Kanttekening 27: 27 die overtreedt: Namelijk door afvallen van de leer van het Evangelie, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^2johannes-1-9-28]: Kanttekening 28: 28 die heeft God niet: Dat is, die heeft geen gemeenschap met God.
[^2johannes-1-9-29]: Kanttekening 29: 29 heeft beiden de Vader: Dat is, heeft gemeenschap met beiden. Zie 1 Joh. 1:3. 1 Johannes 1:3: Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
[^2johannes-1-10-e]: Verwijzing e: Rom. 16:17; 2 Tim. 3:5; Titus 3:10. Romeinen 16:17: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelfde. 2 Timotheüs 3:5: Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. Titus 3:10: Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;
[^2johannes-1-10-30]: Kanttekening 30: 30 tot u komt: Namelijk in uw huis, of anders om u te leren en te onderwijzen.
[^2johannes-1-10-31]: Kanttekening 31: 31 deze leer niet: Namelijk dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, vers 7, en die wij apostelen u geleerd hebben. 2 Johannes 1:7: Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.
[^2johannes-1-10-32]: Kanttekening 32: Dat is, leert en voorstelt.
[^2johannes-1-10-33]: Kanttekening 33: 33 ontvangt hem niet: Dat is houdt met hem geen broederlijke gemeenschap of nauwen omgang.
[^2johannes-1-10-34]: Kanttekening 34: 34 Zijt gegroet: Grieks chairein; dat is, blij zijn. Zie de aantekeningen Jak. 1:1. Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.
[^2johannes-1-11-35]: Kanttekening 35: 35 die heeft gemeenschap: Dat is, die hoort zijn valse leer, waardoor hij de mensen verleidt, en stelt zichzelf in gevaar om door hem ook verleid te worden, en geeft anderen ergernis, alsof hij de valse leer toestond, daar hij zulke gemeenschap houdt met de valse leraars.
[^2johannes-1-11-36]: Kanttekening 36: 36 boze werken: Namelijk die hij doet in het verleiden van de mensen van de ware leer.
[^2johannes-1-12-37]: Kanttekening 37: 37 veel aan u: Namelijk wat deze zaken betreft.
[^2johannes-1-12-38]: Kanttekening 38: 38 door papier en inkt: Dat is, door een brief, die met inkt op het papier geschreven wordt. Dit zegt hij niet, omdat hij enige zaken, de zaligheid aangaande, gehad heeft, die hij het papier niet zou hebben willen vertrouwen; want al die zaken heeft hij in zijn Evangelie genoegzaam beschreven, Joh. 20:31; maar omdat hij hoopte haast bij haar te komen, en haar die zaken mondeling zou verklaren. Johannes 20:31: Maar deze zijn geschreven, opdat u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat u, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.
[^2johannes-1-12-39]: Kanttekening 39: 39 mond tot mond: Dat is, bij u tegenwoordig zijnde.
[^2johannes-1-12-40]: Kanttekening 40: 40 onze blijdschap: Namelijk die ontstaan zal uit mijn aanwezigheid.
[^2johannes-1-12-41]: Kanttekening 41: 41 volkomen mag zijn: Grieks vervuld; dat is, overvloedig.
[^2johannes-1-13-42]: Kanttekening 42: 42 de uitverkorene: Zie vers 1. 2 Johannes 1:1: De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;

## 3 Johannes

### 3 Johannes 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3johannes/1.json)

**1** [^3johannes-1-1-1] De ouderling aan de geliefde[^3johannes-1-1-2] Gajus,[^3johannes-1-1-3] die ik in waarheid liefheb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v1)

**2** Geliefde,[^3johannes-1-2-4] voor alle dingen wens ik, dat het u welvaart en u gezond bent,[^3johannes-1-2-5] zoals het uw ziel welvaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v2)

**3** Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw[^3johannes-1-3-6] waarheid, zoals u[^3johannes-1-3-7] in de waarheid wandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v3)

**4** Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat[^3johannes-1-4-8] mijn kinderen in de waarheid wandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v4)

**5** Geliefde, u doet[^3johannes-1-5-9] trouw,[^3johannes-1-5-10] in al wat u doet aan de broeders en aan[^3johannes-1-5-11] de vreemdelingen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v5)

**6** Die getuigd hebben van[^3johannes-1-6-12] uw liefde,[^3johannes-1-6-13] in de aanwezigheid van de Gemeente; die als u[^3johannes-1-6-14] geleide doet,[^3johannes-1-6-15] zoals het voor God waard is, zo zult u weldoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v6)

**7** Want zij zijn[^3johannes-1-7-16] voor Zijn Naam uitgegaan,[^3johannes-1-7-17] niets nemende van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v7)

**8** Wij dan zijn schuldig[^3johannes-1-8-18] zulke mensen[^3johannes-1-8-19] te ontvangen, opdat wij[^3johannes-1-8-20] medearbeiders mogen worden van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v8)

**9** Ik heb[^3johannes-1-9-21] aan de Gemeente[^3johannes-1-9-22] geschreven; maar Diotrefes, die onder hen[^3johannes-1-9-23] zoekt de eerste te zijn,[^3johannes-1-9-24] neemt ons niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v9)

**10** Daarom,[^3johannes-1-10-25] als ik kom, zo zal ik[^3johannes-1-10-26] in herinnering brengen[^3johannes-1-10-27] zijn werken, die hij doet, met[^3johannes-1-10-28] boze woorden[^3johannes-1-10-29] snaterende tegen[^3johannes-1-10-30] ons; en hiermee niet tevreden zijnde, zo ontvangt hij zelf[^3johannes-1-10-31] de broeders niet, en[^3johannes-1-10-32] verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.[^3johannes-1-10-33][^3johannes-1-10-34] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v10)

**11** Geliefde,[^3johannes-1-11-a] volgt het[^3johannes-1-11-35] kwade niet na, maar het goede. Die[^3johannes-1-11-36] goed doet, is uit God; maar[^3johannes-1-11-37] die kwaad doet,[^3johannes-1-11-b] heeft God[^3johannes-1-11-38] niet gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v11)

**12** Aan[^3johannes-1-12-39] Demetrius wordt getuigenis gegeven[^3johannes-1-12-40] van allen, en[^3johannes-1-12-41] van de waarheid zelf; en[^3johannes-1-12-42] wij getuigen ook, en u weet,[^3johannes-1-12-43] dat onze getuigenis waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v12)

**13** [^3johannes-1-13-c] Ik had[^3johannes-1-13-44] veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v13)

**14** Maar ik hoop[^3johannes-1-14-45] u haast te zien, en wij zullen[^3johannes-1-14-46] mond tot mond spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v14)

**15** [^3johannes-1-15-47] Vrede zij u.[^3johannes-1-15-48] De vrienden groeten u. Groet[^3johannes-1-15-49] de vrienden[^3johannes-1-15-50] met name. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3johannes/1.html#v15)

[^3johannes-1-1-1]: Kanttekening 1: Waarom Johannes zichzelf zo noemt, zie 2 Joh. v.1. 2 Johannes 1:1: De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;
[^3johannes-1-1-2]: Kanttekening 2: Wie deze Gajus geweest is wordt nergens elders verklaard tenzij hij één van die is geweest waarvan men leest Hand. 19:29, en Hand. 20:4; Rom. 16:23; 1 Kor. 1:14. Handelingen 19:29: En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. Handelingen 20:4: En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. Romeinen 16:23: U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus. 1 Korinthiërs 1:14: Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;
[^3johannes-1-1-3]: Kanttekening 3: 3 welke ik in: Zie 2 Joh. v.1. 2 Johannes 1:1: De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;
[^3johannes-1-2-4]: Kanttekening 4: 4 voor alle dingen: Of in alles.
[^3johannes-1-2-5]: Kanttekening 5: 5 gelijk uw ziel welvaart: Namelijk daar zij begaafd is met de kennis van de zaligmakende en gezonde leer, en met velerlei christelijke deugden; dat, gelijk u ene gezonde ziel hebt, u zo ook een gezond lichaam mag hebben.
[^3johannes-1-3-6]: Kanttekening 6: 6 waarheid, gelijk: Dat is, oprechtheid; 1 Joh. 3:18. 1 Johannes 3:18: Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
[^3johannes-1-3-7]: Kanttekening 7: 7 in de waarheid wandelt: Zie 2 Joh. v.4. 2 Johannes 1:4: Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van de Vader.
[^3johannes-1-4-8]: Kanttekening 8: 8 mijn kinderen in: Dat is, discipelen, die ik door de prediking van het Evangelie heb geboren, gelijk Paulus spreekt van de Corinthiërs, 1 Kor. 4:15. 1 Korinthiërs 4:15: Want al hadt u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.
[^3johannes-1-5-9]: Kanttekening 9: Dat is, gelijk een getrouw uitdeler van de goederen, die u de Heer daartoe verleend heeft, betaamt. Zie Luk. 12:42; 1 Kor. 4:2. Lukas 12:42: En de Heer zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel voedsel te geven? 1 Korinthiërs 4:2: En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.
[^3johannes-1-5-10]: Kanttekening 10: 10 in al wat: Dat is, dat u hen in uw huis ontvangt, herbergt en onderhoudt.
[^3johannes-1-5-11]: Kanttekening 11: 11 de vreemdelingen: Dat is, die behalve dat zij broeders en gelovigen zijn, ook vanwege het Evangelie in vreemde landen zich moeten ophouden.
[^3johannes-1-6-12]: Kanttekening 12: 12 uw liefde: Dat is, uw milddadigheid, die u uit liefde aan hen betoond hebt.
[^3johannes-1-6-13]: Kanttekening 13: 13 in de aanwezigheid: Dat is, openlijk in de vergadering van de gemeente, waarin ik mij nu ophoud; welke vele oude leraars menen geweest te zijn de gemeente van Efeze.
[^3johannes-1-6-14]: Kanttekening 14: 14 geleide doet: Dat is, niet alleen hen uitgeleide doet, een eind van de weg met hen gaande, maar hen ook verzorgende van wat hun tot de reis zal nodig zijn. Zie Hand. 27:3, en Hand. 28:10. Handelingen 27:3: En de volgende dag kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden. Handelingen 28:10: Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons wat nodig was.
[^3johannes-1-6-15]: Kanttekening 15: 15 gelijk het voor God: Grieks voor God waard. Zie Kol. 1:10; 1 Thess. 2:12. Kolossensen 1:10: Opdat u mag wandelen waardiglijk de Heer, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 1 Thessalonicensen 2:12: En betuigden, dat u zoudt wandelen, waardiglijk voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
[^3johannes-1-7-16]: Kanttekening 16: 16 voor Zijn Naam: Dit kan verstaan worden, òf dat deze broeders uit hun vaderland gegaan zijn in vreemde landen, om daar het Evangelie te prediken onder de heidenen; òf, dat zij om de dienst van God en de belijdenis van de christelijke leer, uit hun vaderland hebben moeten gaan en vluchten in vreemde landen. Het eerste is het waarschijnlijkst, naar het volgende vers 8. 3 Johannes 1:8: Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden van de waarheid.
[^3johannes-1-7-17]: Kanttekening 17: 17 niets nemende: Namelijk voor hun dienst, maar voor niet het Evangelie predikende, om geen verhindering te geven aan het Evangelie van Christus, gelijk Paulus ook gedaan heeft; 1 Kor. 9:12. 1 Korinthiërs 9:12: Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.
[^3johannes-1-8-18]: Kanttekening 18: 18 de zodanigen: Namelijk gelijk in het voorgaande vers vers 7 beschreven worden. 3 Johannes 1:7: Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.
[^3johannes-1-8-19]: Kanttekening 19: 19 te ontvangen: Namelijk in onze huizen, te herbergen en verzorgen van hun lichamelijke nooddruft.
[^3johannes-1-8-20]: Kanttekening 20: 20 medearbeiders mogen: Daarmee ook mogen helpen bevorderen de verbreiding van de ware leer van het Evangelie.
[^3johannes-1-9-21]: Kanttekening 21: 21 aan de Gemeente: Namelijk waarvan Gajus òf een leraar, òf een voortreffelijk lidmaat was. Wie deze gemeente geweest is, wordt nergens aangewezen.
[^3johannes-1-9-22]: Kanttekening 22: Namelijk wat deze zaak betreft, om deze broeders aan hun aan te bevelen. Hoewel wij deze brief niet hebben, daaruit kan niet besloten worden, dat er iets zou ontbreken aan de volmaaktheid van de heilige Schrift; omdat het maar een brief is geweest van aanbeveling, en zo er iets in die brief geschreven is geweest ter zaligheid nodig, dat wordt in andere boeken van de heilige Schrift genoeg gevonden; en Johannes zelf getuigt dat zijn Evangelie genoegzaam is, om te geloven en zalig te worden; Joh. 20:31. Johannes 20:31: Maar deze zijn geschreven, opdat u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat u, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.
[^3johannes-1-9-23]: Kanttekening 23: 23 zoekt de eerste: Dat is, die uit eergierigheid boven zijn medebroeders zich verheffende, tracht om deze te overheersen en al het gezag aan zich alleen te trekken.
[^3johannes-1-9-24]: Kanttekening 24: 24 neemt ons niet aan: Dat is, acht mij, noch mijn schrijven en voorspreken niet.
[^3johannes-1-10-25]: Kanttekening 25: 25 als ik kom: Namelijk tot u, gelijk ik hoop dat haast gebeuren zal, vers 14. 3 Johannes 1:14: Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken.
[^3johannes-1-10-26]: Kanttekening 26: 26 in gedachtenis brengen: Dat is, hemzelf voor ogen stellen en de gemeente bekend maken, dat zij het mag weten en bedenken.
[^3johannes-1-10-27]: Kanttekening 27: 27 zijn werken, die: Namelijk die hij hier beschrijft.
[^3johannes-1-10-28]: Kanttekening 28: 28 boze woorden: Dat is, lasterlijke.
[^3johannes-1-10-29]: Kanttekening 29: 29 snaterende tegen: Dat is, beuzelingen voortbrengende.
[^3johannes-1-10-30]: Kanttekening 30: Dat is, mij, gelijk ook in het voorgaande vers, vers 9. 3 Johannes 1:9: Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.
[^3johannes-1-10-31]: Kanttekening 31: 31 de broeders niet: Namelijk die beschreven worden, vers 7. 3 Johannes 1:7: Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.
[^3johannes-1-10-32]: Kanttekening 32: 32 verhindert degenen: Of verbiedt.
[^3johannes-1-10-33]: Kanttekening 33: 33 die het willen doen: Dat is, die deze broeders willen ontvangen.
[^3johannes-1-10-34]: Kanttekening 34: 34 werpt ze uit de Gemeente: Namelijk door de kerkelijke ban.
[^3johannes-1-11-a]: Verwijzing a: Ps. 37:27; Jes. 1:16; 1 Petr. 3:11. Psalmen 37:27: Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. Jesaja 1:16: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. 1 Petrus 3:11: Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage dezelfde na.
[^3johannes-1-11-35]: Kanttekening 35: 35 kwade niet na: Dat is, zo in het algemeen allerlei kwaad als in het bijzonder dit kwaad voorbeeld van Diotrefes.
[^3johannes-1-11-36]: Kanttekening 36: 36 goed doet: Dit kan ook verstaan worden zo in het algemeen van allerlei goed als in het bijzonder van het goede van de weldadigheid tegenover de broeders, dat hij hierin Gajus prijst.
[^3johannes-1-11-37]: Kanttekening 37: 37 die kwaad doet: Dat is, die zijn werk maakt van kwaaddoen. Want anders doen de wedergeborenen ook soms wel iets dat kwaad is, uit zwakheid.
[^3johannes-1-11-b]: Verwijzing b: 1 Joh. 3:6. 1 Johannes 3:6: Een iedereen, die in Hem blijft, die zondigt niet; een iedereen, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.
[^3johannes-1-11-38]: Kanttekening 38: 38 niet gezien: Namelijk met de ogen van het ware geloof, of Hem niet recht gekend. Zie 1 Joh. 3:6. 1 Johannes 3:6: Iedereen, die in Hem blijft, die zondigt niet; iedereen, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.
[^3johannes-1-12-39]: Kanttekening 39: 39 wordt getuigenis: Namelijk van bijzondere godzaligheid, liefde en getrouwheid.
[^3johannes-1-12-40]: Kanttekening 40: 40 van allen, en: Namelijk gelovigen die hem kennen.
[^3johannes-1-12-41]: Kanttekening 41: 41 van de waarheid: Dat is, deze getuigenis is geheel waarachtig, daar hij het ook met de daad en waarheid dagelijks betoont.
[^3johannes-1-12-42]: Kanttekening 42: 42 wij getuigen ook: Dat is, ik Johannes; gelijk ook vers 9, 1:10. 3 Johannes 1:9: Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 3 Johannes 1:10: Daarom, als ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet tevreden zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.
[^3johannes-1-12-43]: Kanttekening 43: 43 dat onze getuigenis: Dat is, dat ik niet placht te getuigen dan wat waarachtig is; Joh. 19:35. Johannes 19:35: En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, wat waar is, opdat ook u geloven mag.
[^3johannes-1-13-c]: Verwijzing c: 2 Joh. v. 12. 2 Johannes 1:12: Ik heb veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn.
[^3johannes-1-13-44]: Kanttekening 44: 44 veel te schrijven: Namelijk wat deze zaken betreft. Zie 2 Joh. v.12. 2 Johannes 1:12: Ik heb veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn.
[^3johannes-1-14-45]: Kanttekening 45: 45 u haast te zien: Dat is, haast bij u te zijn of tot u te komen.
[^3johannes-1-14-46]: Kanttekening 46: 46 mond tot mond spreken: Zie de aantekeningen 2 Joh. v.12. 2 Johannes 1:12: Ik heb veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn.
[^3johannes-1-15-47]: Kanttekening 47: 47 Vrede zij u: Dit was de gewone wijze van groeten onder de Joden of Hebreën. Zie hiervan Joh. 20:19. Johannes 20:19: Als het dan avond was, op dezelfde eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u!
[^3johannes-1-15-48]: Kanttekening 48: 48 De vrienden groeten u: Dat is, de gelovigen die hier zijn.
[^3johannes-1-15-49]: Kanttekening 49: 49 de vrienden: Dat is, de gelovigen die bij u zijn.
[^3johannes-1-15-50]: Kanttekening 50: 50 met name: Dat is, elk in het bijzonder.

## Judas

### Judas 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judas/1.json)

**1** [^judas-1-1-1] Judas,[^judas-1-1-2] een dienaar van Jezus Christus, en[^judas-1-1-3] broeder van[^judas-1-1-4] Jakobus, aan de geroepenen, die[^judas-1-1-5] door God de Vader geheiligd zijn, en door Jezus[^judas-1-1-6] Christus bewaard: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v1)

**2** [^judas-1-2-7] Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij[^judas-1-2-8] u vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v2)

**3** Geliefden, zo ik alle ijver doe om u te schrijven van[^judas-1-3-9] de algemene zaligheid, zo heb ik[^judas-1-3-10] noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat u[^judas-1-3-11] strijdt[^judas-1-3-12] voor het geloof, dat[^judas-1-3-13] eenmaal de heiligen[^judas-1-3-14] overgeleverd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v3)

**4** [^judas-1-4-a] Want er zijn sommige mensen[^judas-1-4-15] ingeslopen,[^judas-1-4-b] die[^judas-1-4-16] vroeger[^judas-1-4-17] tot ditzelfde oordeel[^judas-1-4-18] te voren opgeschreven zijn,[^judas-1-4-19] goddelozen, die[^judas-1-4-20] de genade van onze God[^judas-1-4-21] veranderen in[^judas-1-4-22] ontucht, en de enige[^judas-1-4-23] Heerser,[^judas-1-4-24] God, en onze Heere Jezus Christus[^judas-1-4-25] verloochenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v4)

**5** Maar ik wil u[^judas-1-5-26] eraan herinneren, hoewel u dit[^judas-1-5-27] eens wist, dat de Heere,[^judas-1-5-28] het volk uit Egypteland[^judas-1-5-29] verlost hebbende,[^judas-1-5-c] opnieuw degenen, die niet geloofden,[^judas-1-5-30] verdorven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v5)

**6** [^judas-1-6-d] En de engelen, die hun[^judas-1-6-31] begin niet bewaard hebben, maar[^judas-1-6-32] hun eigen woonstede verlaten hebben,[^judas-1-6-e] heeft Hij tot het oordeel[^judas-1-6-33] van de grote[^judas-1-6-34] dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v6)

**7** [^judas-1-7-f] Zoals Sodoma en Gomorra, en[^judas-1-7-35] de steden daaromheen, die op gelijke wijze als[^judas-1-7-36] deze gehoereerd hebben, en[^judas-1-7-37] ander vlees zijn nagegaan,[^judas-1-7-38] tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf[^judas-1-7-39] van het eeuwige vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v7)

**8** Evenzo evenwel ook[^judas-1-8-40] deze,[^judas-1-8-41] in slaap gebracht zijnde, verontreinigen[^judas-1-8-42] het vlees, en verwerpen[^judas-1-8-43] de heerschappij, en lasteren[^judas-1-8-44] de heerlijkheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v8)

**9** Maar[^judas-1-9-45][^judas-1-9-g] Michaël,[^judas-1-9-46] de aartsengel,[^judas-1-9-47] toen hij met de duivel twistte, en handelde van[^judas-1-9-48] het lichaam van[^judas-1-9-h] Mozes, durfde geen[^judas-1-9-49] oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei[^judas-1-9-i]:[^judas-1-9-50] De Heere bestraffe u! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v9)

**10** [^judas-1-10-k] Maar deze, wat zij niet weten, dat lasteren zij; en wat zij[^judas-1-10-51] natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelfde[^judas-1-10-52] verderven zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v10)

**11** [^judas-1-11-53] Wee hun, want zij zijn[^judas-1-11-54] de weg[^judas-1-11-l] van Kaïn ingegaan, en door[^judas-1-11-m] de verleiding[^judas-1-11-55] van het loon van Balaäm zijn zij heengestort,[^judas-1-11-n] en zijn[^judas-1-11-56] door de tegenspreking van[^judas-1-11-57] Korach vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v11)

**12** Deze zijn[^judas-1-12-o] vlekken in uw[^judas-1-12-58] liefdemaaltijden, en als zij[^judas-1-12-59] met u ter maaltijd zijn,[^judas-1-12-60] weiden zij zichzelf[^judas-1-12-61] zonder vrees; zij zijn[^judas-1-12-p] waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen[^judas-1-12-62] in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar,[^judas-1-12-63] tweemaal verstorven, en ontworteld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v12)

**13** [^judas-1-13-64][^judas-1-13-q] Wilde golven van de zee, hun eigen schande[^judas-1-13-65] opschuimende;[^judas-1-13-66] dwalende sterren, die de donkerheid[^judas-1-13-67] van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v13)

**14** En van deze heeft ook[^judas-1-14-r] Henoch,[^judas-1-14-68] de zevende van Adam,[^judas-1-14-69] geprofeteerd, zeggende:[^judas-1-14-s] Zie, de Heere[^judas-1-14-70] is gekomen met Zijn[^judas-1-14-71] vele duizenden heiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v14)

**15** Om gericht[^judas-1-15-72] te houden tegen[^judas-1-15-73] allen, en[^judas-1-15-74] te straffen alle[^judas-1-15-75] goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddeloos gedaan hebben, en[^judas-1-15-t] vanwege al[^judas-1-15-76] de harhet woordn, die de goddeloze zondaars tegen[^judas-1-15-77] Hem gesproken hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v15)

**16** Deze zijn[^judas-1-16-78] murmureerders,[^judas-1-16-79] klagers over hun staat, wandelende naar[^judas-1-16-80] hun begeerlijkheden;[^judas-1-16-v] en hun mond spreekt zeer hoogdravende dingen,[^judas-1-16-81] verwonderende zich over de personen[^judas-1-16-82] vanwege het voordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v16)

**17** Maar geliefden, gedenkt u van de woorden, die voorzegd zijn[^judas-1-17-83] van de apostelen van onze Heere Jezus Christus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v17)

**18** Dat zij u gezegd hebben,[^judas-1-18-x] dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun[^judas-1-18-84] goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v18)

**19** Deze zijn het, die zichzelf[^judas-1-19-85] afscheiden,[^judas-1-19-86] natuurlijke mensen,[^judas-1-19-87] de Geest niet hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v19)

**20** Maar[^judas-1-20-88] geliefden, bouwt[^judas-1-20-89] u uzelf op[^judas-1-20-90] uw allerheiligst geloof,[^judas-1-20-91] biddende[^judas-1-20-92] in de Heilige Geest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v20)

**21** [^judas-1-21-93] Bewaart[^judas-1-21-94] uzelf[^judas-1-21-95] in de liefde van God, verwachtende[^judas-1-21-96] de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v21)

**22** En[^judas-1-22-97] ontfermt u wel eniger,[^judas-1-22-98] onderscheid makende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v22)

**23** Maar[^judas-1-23-99] behoudt[^judas-1-23-100] anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is.[^judas-1-23-101][^judas-1-23-102][^judas-1-23-103][^judas-1-23-104] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v23)

**24** Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,[^judas-1-24-105][^judas-1-24-106] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v24)

**25** [^judas-1-25-y] De alleenwijze God, onze Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, zowel nu als in alle eeuwigheid. Amen.[^judas-1-25-107] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judas/1.html#v25)

[^judas-1-1-1]: Kanttekening 1: Onder de apostelen van Christus zijn er twee geweest van deze naam: een die toegenaamd was Iskarioth, de verrader van onze Heer, en een die ook genaamd is geweest Thaddeüs en Lebbeüs, Matt. 10:3, die, om van de ander te onderscheiden, gezegd wordt: Judas niet de Iskarioth, Joh. 14:22, welke ook tot onderscheid wordt genoemd Judas Jakobus. Luk. 6:16; Hand. 1:13. Deze is het die deze zendbrief heeft geschreven. Mattheüs 10:3: Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs; Johannes 14:22: Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heer, wat is het, dat U Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld? Lukas 6:16: Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. Handelingen 1:13: En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.
[^judas-1-1-2]: Kanttekening 2: 2 een dienaar: Dat is, apostel. Zie Rom. 1:1; Tit. 1:1; Jak. 1:1; 2 Petr. 1:1. Romeinen 1:1: Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, Titus 1:1: Paulus, een dienaar van God, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God, en de kennis van de waarheid, die naar de godzaligheid is; Jakobus 1:1: Jakobus, een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. 2 Petrus 1:1: Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus;
[^judas-1-1-3]: Kanttekening 3: Daar zijn ook onder de apostelen twee Jakobussen geweest, Matt. 10:2, 10:3: één, die een zoon van Zebedeüs was en een broeder van de evangelist Johannes, en één, die een zoon was van Alpheüs, toegenaamd de mindere. De tweede broeder van deze was Judas, dat hij in het opschrift bijvoegt, om hem van de ander te onderscheiden, en zijn aanzien daarmede ook te versterken, zo deze Jakobus onder de apostelen in grote achting was. Zie Luk. 6:16; Hand. 15:13; Gal. 2:9, en de aantekening op het opschrift van de zendbrief van Jakobus. Mattheüs 10:2: De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Mattheüs 10:3: Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs; Lukas 6:16: Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. Handelingen 15:13: En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij. Galaten 2:9: En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;
[^judas-1-1-4]: Kanttekening 4: 4 de geroepenen: Zie Rom. 1:6. Romeinen 1:6: Onder welke u ook bent, geroepenen van Jezus Christus!)
[^judas-1-1-5]: Kanttekening 5: Grieks in; namelijk door de Geest van de wedergeboorte.
[^judas-1-1-6]: Kanttekening 6: Namelijk bij de zaligheid, die hij hun verworven heeft. Zie Joh. 10:28, en Joh. 17:12; 1 Petr. 1:5. Johannes 10:28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelfde uit Mijn hand rukken. Johannes 17:12: Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde. 1 Petrus 1:5: Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd.
[^judas-1-2-7]: Kanttekening 7: Zie dergelijke groetenis Tit. 1:4. Titus 1:4: Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en de Heer Jezus Christus, onze Zaligmaker.
[^judas-1-2-8]: Kanttekening 8: Zie van dit woord 1 Petr. 1:2, en 2 Petr. 1:2. 1 Petrus 1:2: Aan de uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 2 Petrus 1:2: Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onze Heer;
[^judas-1-3-9]: Kanttekening 9: 9 de gemene: Dat is, van zaken die onzer aller zaligheid aangaan, die u met onze apostelen gemeen hebt. Zie Tit. 1:3. Titus 1:3: Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof:
[^judas-1-3-10]: Kanttekening 10: Namelijk om het nu te doen. De reden van deze noodzakelijkheid wordt aangewezen in het volgende vers Jud. 4.
[^judas-1-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk tegen de verleiding en kwade voorbeelden van de goddeloze spotters, om door hen niet overwonnen en verleid te worden tot afval of goddeloosheid; 1 Tim. 6:12. 1 Timotheüs 6:12: Strijd de goede strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.
[^judas-1-3-12]: Kanttekening 12: 12 voor het geloof: Dat is, voor de zuivere leer van het Evangelie, gelijk 1 Tim. 4:1, om die te behouden en daarvan niet af te wijken. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen,
[^judas-1-3-13]: Kanttekening 13: Dat is, die niet veranderd zal worden, maar altijd blijven, zoals zij eens van Christus en de apostelen geleerd is.
[^judas-1-3-14]: Kanttekening 14: 14 overgeleverd is: Namelijk van Christus en zijn apostelen.
[^judas-1-4-a]: Verwijzing a: 2 Petr. 2:1. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^judas-1-4-15]: Kanttekening 15: Dat is, in het geheim en bedriegelijk onder de christenen gekomen. Zie Gal. 2:4; 2 Petr. 2:1. Galaten 2:4: En dat om de ingekropen valse broeders wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^judas-1-4-b]: Verwijzing b: 1 Petr. 2:8; 2 Petr. 2:3. 1 Petrus 2:8: Degene namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 2 Petrus 2:3: En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet.
[^judas-1-4-16]: Kanttekening 16: Of al over lang; gelijk 2 Petr. 2:3. 2 Petrus 2:3: En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet.
[^judas-1-4-17]: Kanttekening 17: 17 tot ditzelfde oordeel: Namelijk waardoor God hen rechtvaardig in een verkeerden zin heeft overgeleverd, Rom. 1:24, 1:26, 1:28; 2 Thess. 2:10, 2:11, en hiernamaals straffen zal met de eeuwige verdoemenis. Romeinen 1:24: Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; Romeinen 1:26: Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; Romeinen 1:28: En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen; 2 Thessalonicensen 2:10: En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11: En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^judas-1-4-18]: Kanttekening 18: 18 te voren opgeschreven zijn: Namelijk door God in het register van de verworpen mensen; een gelijkenis genomen van de mensen, die hun registers hebben, waarin zij namen optekenen van degenen, met wie zij te doen hebben, elk in zijn orde. Zie Filipp. 4:3. Filippensen 4:3: En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven.
[^judas-1-4-19]: Kanttekening 19: Dat is, noch op God noch op zijn dienst passen.
[^judas-1-4-20]: Kanttekening 20: 20 de genade: Dat is, de leer van de genade van God.
[^judas-1-4-21]: Kanttekening 21: 21 veranderen in: Grieks verzetten, overstellen; dat is, misbruiken om daarop vrijer te zondigen en alle ontucht te bedrijven. Zie Gal. 5:13; 1 Petr. 2:16; 2 Petr. 2:19. Galaten 5:13: Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkaar door de liefde. 1 Petrus 2:16: Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel van de boosheid, maar als dienaren van God. 2 Petrus 2:19: Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienaren zijn van de verdorvenheid; want van wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienaar gemaakt.
[^judas-1-4-22]: Kanttekening 22: Of dartelheid, geilheid, wulpscheid.
[^judas-1-4-23]: Kanttekening 23: Of Heer. Grieks despoten. Zie van dit woord. Hand. 4:24; 2 Petr. 2:1. Handelingen 4:24: En als deze dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heer! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelfde zijn. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^judas-1-4-24]: Kanttekening 24: 24 God, en onze Heer Jezus Christus: Of onze God en Heer Jezus Christus.
[^judas-1-4-25]: Kanttekening 25: Zie de aantekening 2 Petr. 2:1. 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;
[^judas-1-5-26]: Kanttekening 26: 26 indachtig maken: Dat is, verhalen en in gedachtenis brengen enige voorbeelden van Gods oordelen tegen de zodanigen.
[^judas-1-5-27]: Kanttekening 27: 27 eenmaal weet: Dat is, gewisselijk, ten volle, terecht onveranderlijk.
[^judas-1-5-28]: Kanttekening 28: 28 het volk: Namelijk van Israël.
[^judas-1-5-29]: Kanttekening 29: 29 verlost hebbende: Grieks behouden hebbende.
[^judas-1-5-c]: Verwijzing c: Num. 14:29; Num. 26:64; idem 26:65; Ps. 106:26; 1 Kor. 10:5; Hebr. 3:17. Numeri 14:29: Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, u, die tegen Mij gemurmureerd hebt. Numeri 26:64: En onder deze was niemand uit de getelden van Mozes en Aäron, de priester, als zij de kinderen van Israël telden in de woestijn van Sinaï. Numeri 26:65: Want YHWH had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. Psalmen 106:26: Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn; 1 Korinthiërs 10:5: Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. Hebreeën 3:17: Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn?
[^judas-1-5-30]: Kanttekening 30: 30 verdorven heeft: Dat is, omgebracht heeft in de woestijn; welke tijdelijke straf een afbeelding was van de eeuwige; Hebr. 3:17, enz. Hebreeën 3:17: Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn?
[^judas-1-6-d]: Verwijzing d: 2 Petr. 2:4. 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
[^judas-1-6-31]: Kanttekening 31: Dat is, hun eerste staat, waarin zij naar Gods evenbeeld geschapen en in de hemelse gelukzaligheid met de goede engelen gesteld waren, Joh. 8:44. Of oorsprong of heerschappij. Want het Griekse woord betekent alle drie. Johannes 8:44: U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van het begin, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
[^judas-1-6-32]: Kanttekening 32: 32 hun eigen woonstede: Dat is, de hemel, de plaats van de gelukzaligheid, waar de goede engelen hun woonplaats nog hebben, Matt. 24:36; Mark. 12:25, Luk. 2:15; waaruit deze afvallige engelen rechtvaardig zijn verstoten. Mattheüs 24:36: Maar van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen van de hemelen, dan Mijn Vader alleen. Marcus 12:25: Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. Lukas 2:15: En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, dat de Heer ons heeft verkondigd.
[^judas-1-6-e]: Verwijzing e: 2 Petr. 2:4. 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
[^judas-1-6-33]: Kanttekening 33: 33 van de grote dag: Namelijk waarin dat grote werk van de opstanding en het oordeel van alle mensen, en de voleinding van de wereld gebeuren zal, en Christus in Zijn heerlijkheid zal verschijnen.
[^judas-1-6-34]: Kanttekening 34: 34 met eeuwige: Zie de aantekening 2 Petr. 2:4. 2 Petrus 2:4: Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
[^judas-1-7-f]: Verwijzing f: Gen. 19:24; Deut. 29:23; Jes. 13:19; Jer. 50:40; Ez. 16:49; Hosea 11:8; Amos 4:11; Lukas 17:29; 2 Petr. 2:6. Genesis 19:24: Toen deed YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van YHWH uit de hemel. Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid; Jesaja 13:19: Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid van de Chaldeeën, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. Jeremia 50:40: Gelijk God Sodom en Gomorra en haar naburen heeft omgekeerd, spreekt YHWH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. Ezechiël 16:49: Ziet, dit was de ongerechtigheid uw zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en nooddruftigen niet. Hosea 11:8: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Amos 4:11: Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; nochtans hebt u u niet bekeerd tot Mij, spreekt YHWH. Lukas 17:29: Maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen. 2 Petrus 2:6: En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet degene, die goddeloos zouden leven;
[^judas-1-7-35]: Kanttekening 35: 35 de steden: Namelijk Adama en Zeboïm, gelijk deze genoemd worden Deut. 29:23. Deuteronomium 29:23: Dat zijn gehele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die YHWH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;
[^judas-1-7-36]: Kanttekening 36: Namelijk inwoners van Sodom en Gomorra.
[^judas-1-7-37]: Kanttekening 37: 37 ander vlees: Zo beschrijft de apostel met eerbare woorden de gruwelijke zonden van de Sodomieten. Zie Rom. 1:27. Romeinen 1:27: En evenzo ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
[^judas-1-7-38]: Kanttekening 38: 38 tot een voorbeeld: Namelijk van Gods rechtvaardigen toorn en straf tegen de zodanigen zondaars, om zich daaraan te mogen spiegelen.
[^judas-1-7-39]: Kanttekening 39: 39 van de eeuwigen: Zie van deze straf Matt. 25:41. Mattheüs 25:41: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.
[^judas-1-8-40]: Kanttekening 40: Namelijk goddeloze mensen, waarvan hij gesproken heeft in vers 4. Jud. 4. Judas 1:4: Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God, en onze Heer Jezus Christus verloochenen.
[^judas-1-8-41]: Kanttekening 41: 41 in slaap: Of dromende. Dit wordt verstaan òf naar de letter, òf geestelijkerwijze, dat zij van de satan gelijk als in een slaap van de zonde gewiegd zijnde, hun vlees verontreinigen met hoererijen, overspel, enz.
[^judas-1-8-42]: Kanttekening 42: 42 het vlees: Dat is, hun lichamen, waarin deze zonden gedaan worden, en die daardoor worden verontreinigd. Zie 1 Kor. 6:18. 1 Korinthiërs 6:18: Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
[^judas-1-8-43]: Kanttekening 43: 43 de heerschappij: Dat is, degenen die in overheid zijn gesteld, en het ambt zelf.
[^judas-1-8-44]: Kanttekening 44: 44 de heerlijkheden: Dat is, diegenen die over de mensen in hoogheid, macht, eer en groot aanzien zijn gesteld. Zie 2 Petr. 2:10. 2 Petrus 2:10: Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren;
[^judas-1-9-45]: Kanttekening 45: Dit is de eigennaam van de aartsengel, die ook gevonden wordt Dan. 10:13, en Dan. 12:1; Openb. 12:7, en is zoveel te zeggen als wie is gelijk God. Welke naam ook de Heer Jezus Christus wel kan toegeschreven worden; maar hij wordt ook 1 Thess. 4:16, uitdrukkelijk van de archangel onderscheiden. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. Daniël 12:1: En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Openbaring 12:7: En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^judas-1-9-g]: Verwijzing g: Dan. 10:13; Dan. 12:1; Openb. 12:7. Daniël 10:13: Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. Daniël 12:1: En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. Openbaring 12:7: En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
[^judas-1-9-46]: Kanttekening 46: 46 de archangel: Dat is, de overste engel of één van de overste engelen. Zie van deze naam 1 Thess. 4:16, en de aantekening daar. 1 Thessalonicensen 4:16: Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de archangel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^judas-1-9-47]: Kanttekening 47: 47 toen hij met: Deze geschiedenis wordt in de Schriften van het Oude Testament niet beschreven, zodat het schijnt dat Judas dit heeft tot òf uit enige overlevering van mond tot mond, òf uit enig geschrift, dat wij nu niet hebben, gelijk hij ook vs. 14, Jud. 14. de profetie van Henoch verhaalt; gelijk ook Paulus verhaalt de namen van de Egyptische tovenaars, 2 Tim. 3:8. Waaruit niet kan besloten worden, dat de Heilige Schrift onvolmaakt zou zijn. Zie de aantekening daar. Judas 1:14: En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; 2 Timotheüs 3:8: Zoals nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, zo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.
[^judas-1-9-48]: Kanttekening 48: 48 het lichaam van Mozes: Dit wordt door velen verstaan van het dode lichaam Mozes, toen hij gestorven was op de berg Nebo, dat God heeft begraven op een onbekende plaats, opdat de Israëlieten met zijn dode beenderen geen afgoderij zouden begaan, gelijk door velen hedendaags gedaan wordt met de beenderen van martelaren en andere heiligen, Deut. 34:1, 34:6, en menen dat de duivel dit heeft gezocht te verhinderen, om het volk tot afgoderij te brengen. Deuteronomium 34:1: Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en YHWH wees hem dat gehele land, Gilead tot Dan toe; Deuteronomium 34:6: En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op deze dag.
[^judas-1-9-h]: Verwijzing h: 2 Petr. 2:11. 2 Petrus 2:11: Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heer voortbrengen.
[^judas-1-9-49]: Kanttekening 49: 49 oordeel van lastering: Dat is, een lasterlijk oordeel, lasterwoorden, of scheldwoorden waarmee iemand veroordeeld wordt. Zie 2 Petr. 2:11. 2 Petrus 2:11: Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heer voortbrengen.
[^judas-1-9-i]: Verwijzing i: Zach. 3:2. Zacharia 3:2: Maar YHWH zei tot de satan: De YHWH schelde u, u satan! ja, YHWH schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
[^judas-1-9-50]: Kanttekening 50: 50 De Heer bestraffe u: Dergelijke wordt gelezen Zach. 3:2, waarop sommigen menen dat de apostel hier zou zien. Zacharia 3:2: Maar YHWH zei tot de satan: YHWH schelde u, u satan! ja, YHWH schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
[^judas-1-10-k]: Verwijzing k: 2 Petr. 2:12. 2 Petrus 2:12: Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, omdat zij lasteren, wat zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;
[^judas-1-10-51]: Kanttekening 51: Dat is, door de uitwendige zinnen.
[^judas-1-10-52]: Kanttekening 52: Namelijk doordien zij die dingen met overdaad en ontuchtigheid misbruiken, waarmee zij lichaam en ziel bederven.
[^judas-1-11-53]: Kanttekening 53: 53 Wee hun: Dat is, hun zal een eeuwige ellende overkomen.
[^judas-1-11-54]: Kanttekening 54: 54 de weg van Kaïn: Dat is, het voorbeeld van Kaïn gevolgd, in hun broeders te haten en te vervolgen.
[^judas-1-11-l]: Verwijzing l: Gen. 4:8; 1 Joh. 3:12. Genesis 4:8: En Kaïn sprak met zijn broeder Abel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Abel opstond, en sloeg hem dood. 1 Johannes 3:12: Niet gelijk Kaïn, die uit de boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.
[^judas-1-11-m]: Verwijzing m: Num. 22:7; idem v. 21; 2 Petr. 2:15. Numeri 22:7: Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem het woordn van Balak. Numeri 22:21: Toen stond Bileam van de morgen op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab. 2 Petrus 2:15: Die de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen de weg van Balaäm, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefgehad heeft;
[^judas-1-11-55]: Kanttekening 55: 55 van het loon … heengestort: Dat is, gelijk Bileam door gierigheid ter wille van het loon heeft laten verleiden, om Gods volk te vloeken, hoewel God hem zulks heeft verhinderd, zo leren deze ook valse leringen en lasteren de rechte leer ter wille van vuile winst. Grieks uitgestort; dat is, gelijk als uitgegoten water van zelf heen vliet, zo worden zij uit grote gierigheid daar heen gedreven.
[^judas-1-11-n]: Verwijzing n: Num. 16:1. Numeri 16:1: Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.
[^judas-1-11-56]: Kanttekening 56: 56 door de tegenspreking: Dat is, navolgende de opstandigheid en oproerigheid van Korach tegen hun overheid.
[^judas-1-11-57]: Kanttekening 57: Of in het verderf gebracht; gelijk Korach met zijn metgezellen Dathan en Abiram, en al wat zij hadden, levend in de aarde verzonken zijn; Num. 16:31, enz. Numeri 16:31: En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd de aarde, die onder hen was, gekloofd;
[^judas-1-12-o]: Verwijzing o: 2 Petr. 2:13. 2 Petrus 2:13: En zullen verkrijgen het loon van de ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;
[^judas-1-12-58]: Kanttekening 58: Grieks agapais; dat is, liefden. Zo werden genoemd de maaltijden, die de eerste Christenen plachten met elkaar tot versterking van de liefde te houden, als het avondmaal was gehouden, waarvan de apostel Paulus spreekt 1 Kor. 11:21, 11:22, en die beschreven worden van Tertull.Apol.cap. 36. 1 Korinthiërs 11:21: Want in het eten neemt iedereen te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. 1 Korinthiërs 11:22: Hebt u dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht u de Gemeente van God, en beschaamt u degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In deze prijs ik u niet.
[^judas-1-12-59]: Kanttekening 59: 59 met u ter maaltijd zijn: Dat is, van u tot een bijzondere maaltijd uitgenodigd zijn.
[^judas-1-12-60]: Kanttekening 60: 60 weiden zij zichzelven: Dat is, met gulzigheid en overdadigheid vullen en mesten zij zichzelf. Zie Ez. 34:2. Ezechiël 34:2: Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Zo zegt de Heer YHWH: Wee de herderen Israëls, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?
[^judas-1-12-61]: Kanttekening 61: 61 zonder vreze: Namelijk van daarover door God gestraft te zullen worden; of ook van schande voor de mensen.
[^judas-1-12-p]: Verwijzing p: 2 Petr. 2:17. 2 Petrus 2:17: Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt.
[^judas-1-12-62]: Kanttekening 62: 62 in het afgaan van de herfst: Dat is, die dan noch vruchten noch bladeren hebben; of die soms bloesems en begin van vruchten voortbrengen, maar die vergaan en afvallen.
[^judas-1-12-63]: Kanttekening 63: 63 tweemaal verstorven: Dat is, ganselijk noch vruchten noch bladeren hebben.
[^judas-1-13-64]: Kanttekening 64: 64 Wilde baren: dat is, onstuimige, wrede.
[^judas-1-13-q]: Verwijzing q: Jes. 57:20. Jesaja 57:20: Maar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.
[^judas-1-13-65]: Kanttekening 65: Dat is, als schuim en vuiligheid uitwerpende, namelijk hunne onstuimige vuile en lasterlijke woorden en schandelijke daden.
[^judas-1-13-66]: Kanttekening 66: Dat is, planeten waarvan de loop, hoewel hij zeker is, zo schijnen zij ons nochtans te dwalen, omdat haar loop niet eenparig is met de andere sterren. Daarbij vergelijkt hij hun ongestadigheid.
[^judas-1-13-67]: Kanttekening 67: 67 de donkerheid: Zie de verklaring daarvan 2 Petr. 2:17. 2 Petrus 2:17: Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt.
[^judas-1-14-r]: Verwijzing r: Gen. 5:18. Genesis 5:18: En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij verwekte Henoch.
[^judas-1-14-68]: Kanttekening 68: 68 de zevende van Adam: Namelijk Adam meegerekend, aldus: Adam, Seth, Enos, Kenan, Mahalaleël, Jared, Henoch. Zie Gen. 5.
[^judas-1-14-69]: Kanttekening 69: Deze profetie staat nergens in de Schriften van het Oude testament beschreven, maar schijnt van mond tot mond onder de Joden overgeleverd te zijn, en heeft God door de apostel Judas deze laten opschrijven onder de heilige Schriften, om eeuwig in de gemeente bewaard te worden. Zie vs. 9, Jud. 9. Judas 1:9: Maar Michaël, de archangel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heer bestraffe u!
[^judas-1-14-s]: Verwijzing s: Dan. 7:10; Hand. 1:11; 1 Thes. 1:10; 2 Thes. 1:10; Openb. 1:7. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Handelingen 1:11: Welke ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 1 Thessalonicensen 1:10: En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn. 2 Thessalonicensen 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. Openbaring 1:7: Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^judas-1-14-70]: Kanttekening 70: 70 is gekomen: Dat is, zal komen. Zo spreken de profeten, om daarmee aan te wijzen de zekerheid van de vervulling van de profetie, alsof die al geschiedde of geschied ware. Zie 1 Kor. 16:22. 1 Korinthiërs 16:22: Als iemand de Heer Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!
[^judas-1-14-71]: Kanttekening 71: 71 vele duizenden heiligen: Grieks heilige tienduizenden; namelijk van engelen: een zeker getal voor een onzeker groot getal; zie Dan. 7:10; Matt. 24:31, en Matt. 25:31. Daniël 7:10: Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Mattheüs 24:31: En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste derzelve. Mattheüs 25:31: En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.
[^judas-1-15-72]: Kanttekening 72: 72 te houden: Grieks te doen, of oordeel te vellen.
[^judas-1-15-73]: Kanttekening 73: 73 allen, en: Namelijk ongelovige en onboetvaardige zondaren. Want hier wordt gesproken van het oordeel van verdoemenis, waarin gelovige en boetvaardige zondaren niet zullen komen; Joh. 5:24. Johannes 5:24: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.
[^judas-1-15-74]: Kanttekening 74: 74 te straffen: Grieks te bestraffen, of te overtuigen.
[^judas-1-15-75]: Kanttekening 75: 75 goddelozen onder hen: Dat is, die onder hen in goddeloosheid uitmunten en de godzaligen lasteren, vervolgen en verdrukken; zoals hier door de apostel beschreven worden.
[^judas-1-15-t]: Verwijzing t: Matt. 12:36. Mattheüs 12:36: Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, dat de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelfde zullen rekenschap geven in de dag van het oordeel.
[^judas-1-15-76]: Kanttekening 76: 76 de harde woorden: Dat is, niet alleen over hun goddelozen werken, maar ook over hun ongerijmde, lasterlijke en smadelijke woorden, die hard zijn om te verdragen.
[^judas-1-15-77]: Kanttekening 77: Namelijk de Heer, die komen zal om het gericht te houden, vs. 14, Jud. 14. dat is, tegen Zijn persoon, leer en gemeente. Judas 1:14: En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
[^judas-1-16-78]: Kanttekening 78: Namelijk zo tegen God, dat Hij hun niet genoegdoet; als tegen de mensen en vooral die over hen gesteld zijn, met wier regering zij niet tevreden zijn.
[^judas-1-16-79]: Kanttekening 79: 79 klagers over hun staat: Dat is, niet tevreden zijnde met staat of deel, die God hun toegeschikt heeft.
[^judas-1-16-80]: Kanttekening 80: 80 hun begeerlijkheden: Namelijk vleselijke begeerlijkheden. Zie Rom. 8:1, 8:5; 2 Kor. 10:3; Gal. 5:16; 2 Petr. 3:3. Romeinen 8:1: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Romeinen 8:5: Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de Geest zijn, bedenken, dat van de Geest is. 2 Korinthiërs 10:3: Want wandelende in het vlees, voeren wij de krijg niet naar het vlees; Galaten 5:16: En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheden van het vlees niet. 2 Petrus 3:3: Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
[^judas-1-16-v]: Verwijzing v: 2 Petr. 2:18. 2 Petrus 2:18: Want zij, zeer hoogmoedige ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden van het vlees en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;
[^judas-1-16-81]: Kanttekening 81: Dat is, als met een verwondering prijzende en pluimstrijkende de personen die om hun rijkdom of macht in aanzien zijn, en hun bevorderlijk kunnen wezen.
[^judas-1-16-82]: Kanttekening 82: 82 vanwege het voordeel: Om door deze pluimstrijkerij van hen voordeel te bekomen.
[^judas-1-17-83]: Kanttekening 83: 83 van de apostelen: Hieruit volgt niet dat deze Judas niet mee een apostel van Christus zou geweest zijn. Want ook Petrus maakt gewag van de zendbrieven van Paulus, 2 Petr. 3:15; maar alleen dat hij na de andere apostelen heeft geschreven. Hij ziet hier vooral op de apostelen Paulus en Petrus. 2 Petrus 3:15: En acht de lankmoedigheid van onze Heer voor zaligheid; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, u geschreven heeft;
[^judas-1-18-x]: Verwijzing x: Hand. 20:29; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1; 2 Tim. 4:3; 2 Petr. 2:1; 2 Petr. 3:3. Handelingen 20:29: Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 1 Timotheüs 4:1: Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, 2 Timotheüs 3:1: En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Timotheüs 4:3: Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; 2 Petrus 2:1: En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heer, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende; 2 Petrus 3:3: Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
[^judas-1-18-84]: Kanttekening 84: 84 goddeloze begeerlijkheden: Grieks begeerlijkheden van de goddeloosheden.
[^judas-1-19-85]: Kanttekening 85: Namelijk van de heilige vergaderingen van de gelovigen. Of scheiding en scheuring in de gemeente maken.
[^judas-1-19-86]: Kanttekening 86: Grieks ziekelijke, gelijk 1 Kor. 2:14; Jak. 3:15. Zie de aantekening daar. 1 Korinthiërs 2:14: Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Jakobus 3:15: Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.
[^judas-1-19-87]: Kanttekening 87: 87 de Geest: Namelijk Gods, dat is, de Geest van de wedergeboorte; dat daaruit blijkt, omdat hun vleselijke begeerlijkheden in hen de overhand hebben en heersen; wat niet geschiedt in degenen die de Geest van de wedergeboorte hebben.
[^judas-1-20-88]: Kanttekening 88: 88 bouwt u: Of sticht; dat is, stelt uw fundament vast, en neemt dagelijks meer en meer toe in het geloof.
[^judas-1-20-89]: Kanttekening 89: Of elkaar, gelijk 1 Thess. 5:11. 1 Thessalonicensen 5:11: Daarom vermaant elkaar, en sticht de één de ander, gelijk u ook doet.
[^judas-1-20-90]: Kanttekening 90: 90 uw allerheiligst geloof: Dat is, op het vertrouwen dat u hebt op de Zaligmaker Jezus Christus, om dat te behouden, daarin toe te nemen, en daarop alle christelijke deugden te vestigen, Rom. 14:23; Hebr. 11:6. Of op de leer van de heilige profeten en apostelen, die u geloofd en eenmaal aangenomen hebt, Ef. 2:20, daarin dagelijks meer en meer toenemende, en bij deze vast blijvende. Romeinen 14:23: Maar die twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. Hebreeën 11:6: Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is van degenen, die Hem zoeken. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^judas-1-20-91]: Kanttekening 91: Namelijk God, dat Hij door zijn Goddelijke genade en kracht u daarin versterke. Waaruit blijkt, als wij vermaand worden onszelf te stichten en te bewaren, dat zulk een bewaring niet uit onze krachten voortkomt, maar uit de genade en kracht van God, die wij daarom moeten bidden.
[^judas-1-20-92]: Kanttekening 92: 92 in de Heilige Geest: Of door de Heilige Geest; Rom. 8:26. Romeinen 8:26: En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
[^judas-1-21-93]: Kanttekening 93: Namelijk zorgvuldig aanwendende alle middelen om daarin te blijven en toe te nemen. Zie het voorgaande vers 20.
[^judas-1-21-94]: Kanttekening 94: Of, elkaar, gelijk te voren.
[^judas-1-21-95]: Kanttekening 95: 95 in de liefde van God: Dit kan verstaan worden, òf in de liefde die wij God toe dragen om daarin te volharden en toe te nemen: naar beide moeten wij trachten. Maar het tweede schijnt met het doel van de apostel meer overeen te komen.
[^judas-1-21-96]: Kanttekening 96: 96 de barmhartigheid: Dat is, het genadige vonnis, dat Hij over ons gelovigen zonder onze verdiensten, uit enkel barmhartigheid, zal uitspreken in de dag van het oordeel; Matt. 25:34. Mattheüs 25:34: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld.
[^judas-1-22-97]: Kanttekening 97: 97 ontfermt u: Dat is, bestraft en vermaant enige uit barmhartigheid en medelijden over hun zwakheid, namelijk die uit zwakheid zondigen en niet moedwillig; Gal. 6:1. Galaten 6:1: Broeders, als ook een mens vervallen ware door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt de zodanige te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook u niet verzocht wordt.
[^judas-1-22-98]: Kanttekening 98: Namelijk tussen zwakken en moedwilligen, tussen leerzamen en hardnekkigen, namelijk om uw bestraffingen en vermaningen naar elks gelegenheid met zachtheid of met hardigheid te doen, om hen te beter te winnen.
[^judas-1-23-99]: Kanttekening 99: Dat is, zoekt hen te behouden met goede vermaningen. Zie 1 Tim. 4:16. 1 Timotheüs 4:16: Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelven behouden, en die u horen.
[^judas-1-23-100]: Kanttekening 100: Namelijk die moedwillig of hardnekkig zijn.
[^judas-1-23-101]: Kanttekening 101: 101 door vreze: Grieks, in vreze (φόβος); dat is, zoekt hen te verschrikken met voorstellingen van het vreselijk oordeel van God, dat over zodanigen zal gaan, als zij zich niet bekeren; 2 Tim. 4:2. 2 Timotheüs 4:2: Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; weerleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.
[^judas-1-23-102]: Kanttekening 102: 102 grijpt ze uit het vuur: Dat is, trekt hen zonder vertoeven uit het openbaar gevaar van de zaligheid te verliezen, gelijk men doet als iemand in het vuur gevallen is. Want een bekeerd zondaar is als uit het helse vuur getrokken.
[^judas-1-23-103]: Kanttekening 103: 103 de rok: Dat is, niet alleen de onkuisheid en andere zonden zelf, maar ook wat daarmee enige gemeenschap heeft.
[^judas-1-23-104]: Kanttekening 104: 104 bevlekt is: Dit schijnt gezegd te worden ten opzichte van de onreinheden van de wet, waarnaar al wat iets onreins aanraakte zelf ook voor onrein gehouden werd.
[^judas-1-24-105]: Kanttekening 105: Of te stoten, mistreden.
[^judas-1-24-106]: Kanttekening 106: 106 voor Zijn heerlijkheid: Dat is, voor Hem, die heerlijk is.
[^judas-1-25-y]: Verwijzing y: Rom. 16:27; 1 Tim. 1:17. Romeinen 16:27: De zelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. 1 Timotheüs 1:17: De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijken, de onzichtbare, de alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
[^judas-1-25-107]: Kanttekening 107: 107 in alle eeuwigheid: Grieks, in al de eeuwen.

## Openbaring

### Openbaring 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/1.json)

*1 Johannes verhaalt van wie en door wie hij deze Openbaring ontvangen had, 3 en hoe zalig zij zijn die haar lezen en bewaren. 4 Wenst genade en vrede de zeven gemeenten in Asia, van God, van de zeven Geesten, en van Christus Jezus, wiens persoon, weldaden en komst tot het oordeel (waarin dit boek zal eindigen) hij nader beschrijft. 9 Komt daarna tot de Openbaring zelf, en verklaart zijn naam en waar hij was toen hem deze Openbaring geschiedde. 11 En verhaalt de stem van degene die hem deze last van schrijven gegeven heeft. 12 Beschrijft daarna het eerste visioen van de zeven gouden kandelaren, 13 en van de persoon van Christus in een zeer heerlijke gestalte. 17 Verhaalt zijn verschrikking over dit visioen en de versterking die hem door Christus geschied is. 19 Ontvangt de opdracht om te schrijven. 20 En uitleg wat door de zeven sterren en zeven kandelaren wordt aangeduid.*

**1** [^openbaring-1-1-1] De openbaring van Jezus Christus, die[^openbaring-1-1-2] God[^openbaring-1-1-3] hem gegeven heeft, om Zijn dienaren[^openbaring-1-1-4] te tonen[^openbaring-1-1-5] de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v1)

**2** [^openbaring-1-2-6] Die[^openbaring-1-2-7] het woord van God betuigd heeft, en[^openbaring-1-2-8] de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v2)

**3** [^openbaring-1-3-a] Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden van deze profetie, en die bewaren, wat daarin geschreven is;[^openbaring-1-3-b] want[^openbaring-1-3-9] de tijd is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v3)

**4** Johannes[^openbaring-1-4-10] aan de zeven Gemeenten,[^openbaring-1-4-11] die in Azië zijn: genade zij u en vrede[^openbaring-1-4-12] van Hem,[^openbaring-1-4-c] Die is, en Die was, en Die komen zal; en van[^openbaring-1-4-13] de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v4)

**5** En van Jezus Christus,[^openbaring-1-5-d] Die[^openbaring-1-5-14] de getrouwe Getuige is,[^openbaring-1-5-e] de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft[^openbaring-1-5-15][^openbaring-1-5-f] in Zijn bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v5)

**6** En Die ons gemaakt heeft[^openbaring-1-6-16][^openbaring-1-6-g] tot koningen en[^openbaring-1-6-h] priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v6)

**7** Zie,[^openbaring-1-7-i] Hij[^openbaring-1-7-17] komt met de wolken en[^openbaring-1-7-18] alle oog zal Hem zien, ook degenen,[^openbaring-1-7-k] die Hem[^openbaring-1-7-19] doorstoken hebben; en[^openbaring-1-7-20] alle geslachten van de aarde zullen[^openbaring-1-7-21] over Hem rouw bedrijven;[^openbaring-1-7-22] ja, amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v7)

**8** [^openbaring-1-8-l] Ik ben de[^openbaring-1-8-23] Alfa en de Omega,[^openbaring-1-8-24] het Begin en het Einde, zegt[^openbaring-1-8-25] de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v8)

**9** [^openbaring-1-9-26] Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en metgezel in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland, genoemd[^openbaring-1-9-27] Patmos, om het Woord van God, en om de getuigenis van Jezus Christus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v9)

**10** En ik was[^openbaring-1-10-28][^openbaring-1-10-m] in de geest op[^openbaring-1-10-29] de dag van de Heere; en ik hoorde achter mij een luide stem,[^openbaring-1-10-30] als van een bazuin, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v10)

**11** Zeggende:[^openbaring-1-11-31] Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en wat u ziet, schrijf dat in[^openbaring-1-11-32] een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk[^openbaring-1-11-33] naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v11)

**12** En ik keerde mij om, om te zien[^openbaring-1-12-34] de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik[^openbaring-1-12-35] zeven gouden kandelaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v12)

**13** En in het midden van de zeven kandelaren Een,[^openbaring-1-13-36][^openbaring-1-13-n] de Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met[^openbaring-1-13-37] een lang kleed tot de voeten, en[^openbaring-1-13-38][^openbaring-1-13-o] omgord aan de borsten met een gouden gordel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v13)

**14** En Zijn hoofd en haar[^openbaring-1-14-39] was wit, zoals[^openbaring-1-14-p] witte wol, gelijk sneeuw;[^openbaring-1-14-q] en[^openbaring-1-14-40] Zijn ogen gelijk een vlam van vuur; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v14)

**15** En Zijn voeten waren[^openbaring-1-15-41] blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem[^openbaring-1-15-r] als een stem[^openbaring-1-15-42] van vele wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v15)

**16** En Hij had[^openbaring-1-16-43] zeven sterren[^openbaring-1-16-44] in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging[^openbaring-1-16-s] een[^openbaring-1-16-45] tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was,[^openbaring-1-16-46] zoals de zon schijnt in haar kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v16)

**17** En toen ik Hem zag,[^openbaring-1-17-47] viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet;[^openbaring-1-17-t] Ik[^openbaring-1-17-48] ben de Eerste en de Laatste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v17)

**18** [^openbaring-1-18-v] En[^openbaring-1-18-49] Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.[^openbaring-1-18-x] En Ik heb[^openbaring-1-18-50] de sleutels van de hel en van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v18)

**19** Schrijf,[^openbaring-1-19-51] wat u gezien hebt, en[^openbaring-1-19-52] wat is, en[^openbaring-1-19-53] wat gebeuren zal na deze: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v19)

**20** Het geheim van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren[^openbaring-1-20-54] zijn[^openbaring-1-20-55][^openbaring-1-20-y] de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/1.html#v20)

[^openbaring-1-1-1]: Kanttekening 1: Gr. Apokalypsis (Ἀποκάλυψις), een woord dat ook in de gangbare Latijnse vertaling en verschillende andere vertalingen bewaard is gebleven, en dat een openbaring of onthulling van verborgen dingen betekent, zoals dit woord ook in het algemeen voor het evangelie wordt gebruikt (Matteüs 11:25; Efeziërs 3:5). Hier wordt het echter gebruikt voor een openbaring van de dingen die daarna zouden gebeuren, zoals in dit vers wordt uitgedrukt. Dit woord 'Openbaring' staat hier ook als titel van het boek, zoals de profeten in het begin van hun profetieën een dergelijke titel gebruikten (zie Jesaja 1:1; Hosea 1:1; Joël 1:1; Micha 1:1).
[^openbaring-1-1-2]: Kanttekening 2: Namelijk de Vader, zoals uit het volgende blijkt.
[^openbaring-1-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk Jezus Christus, als Middelaar en met betrekking tot zijn menselijke natuur. Want als de eeuwige God is hij van hetzelfde wezen en dezelfde alwetendheid als de Vader; maar als Middelaar ontvangt hij van de Vader de opdracht en het bevel, en naar zijn mensheid ook zelf de kennis van de dingen die voor de uitvoering van zijn middelaarswerk en voor de zaligheid van zijn gemeente nodig zijn (zie Johannes 1:16 en 3:31-32 enz.).
[^openbaring-1-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk niet alleen met woorden, maar ook met visioenen en afbeeldingen.
[^openbaring-1-1-5]: Kanttekening 5: Dit wordt gezegd met het oog op het begin van deze gebeurtenissen, waarop de verdere gang van zaken tot de laatste dag zou volgen (2 Petrus 3:8-9).
[^openbaring-1-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk Johannes.
[^openbaring-1-2-7]: Kanttekening 7: Sommigen begrijpen dit van de volgende Openbaring; maar omdat Johannes met deze woorden zijn gezag schijnt te willen versterken, zodat de volgende profetie beter aanvaard wordt, vatten anderen het op als zijn eerdere apostolische prediking en geschriften, waarin hij getuigd heeft van wat hij van Christus gezien en gehoord had, zoals hij ook spreekt in zijn Evangelie (19:35 en 21:24) en in zijn eerste brief (1:1), en zoals van de apostelen in het algemeen gezegd wordt (Lucas 1:2). Maar het kan ook voor beide worden verstaan.
[^openbaring-1-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: het getuigenis dat hij heeft gegeven over de persoon van Jezus Christus, zijn prediking, zijn wonderen, zijn lijden, sterven en verheerlijking. Zie ook iets dergelijks bij Petrus, 2 Petrus 1:16 enz.
[^openbaring-1-3-a]: Verwijzing a: Namelijk dat deze dingen zullen beginnen te gebeuren; en dat de gelovigen zich dan moeten richten op het oordeel en de verlossing die nu nabij zijn.
[^openbaring-1-3-b]: Verwijzing b: Openbaring 22:10.
[^openbaring-1-3-9]: Kanttekening 9: Namelijk dat deze dingen beginnen zullen te gebeuren: en daarom dat de gelovige haar met de oordelen van God tegen de verdrukkers, en met de zalige uitkomste van de verdrukte (welke beyde dingen hier doorgaans worden voorgestelt) zullen mogen vertroosten en versterkken. Andersins wordt ook selfs de laatse uire en dagh geseght na bij te zijn, omdat hij de mensen onvoorziens zal overkomen. zie Mattheüs 24:43, etc. 1.Tessalonicenzen 5:2, 4. 2.Petrus 3:10. Openbaring 3:3.
[^openbaring-1-4-10]: Kanttekening 10: Namelijk die in vers 11 met namen worden uitgedrukt, die door Paulus als eerste waren gesticht, maar door Johannes hoofdzakelijk werden verzorgd.
[^openbaring-1-4-11]: Kanttekening 11: Hij bedoelt Klein-Azië, nu Anatolië geheten, waar al deze steden lagen.
[^openbaring-1-4-12]: Kanttekening 12: Hiermee wordt de eeuwige en onveranderlijke Godheid van de Vader verstaan, en drukt de apostel dit uit met de woorden 'die is en die was en die komen zal' — een vertaling van de Naam YHWH (Exodus 3:14).
[^openbaring-1-4-c]: Verwijzing c: Sommigen verstaan hieronder de zeven engelen waarvan in dit boek meerdere malen sprake is; anderen verstaan hieronder de Heilige Geest, die met het getal zeven wordt aangeduid vanwege zijn volmaakte gaven (Jesaja 11:2; Zacharia 3:9).
[^openbaring-1-4-13]: Kanttekening 13: Sommige verstaan hier door de zeven Engelen, daar meermaals in dit boek gewag van gemaakt wordt, die hier naast God in deze wensch van genade en vrede zouden gestelt zijn, als instrumenten Gods en middelen, waar door God zijn gemeenten beschut, en zijn genade menichmaal bewijst, Zoals Paulus 1 Timotheüs 5:21. Timotheum betuight voor God, en zijn uitverkorene Engelen. Maar zo in deze wensch de genade en vrede van deze zeven Geesten wordt gebeden met dezelfde woorden, daar mee de zelf van God, en daar na van Christus wordt gebeden, welke geen enckel schepsel en can gegeven worden. Jesaja 42:8. Jakobus 1. vers 17. so moet hier door deze zeven Geesten verstaan worden de H. Geest, die ook een gever is van deze Euangelische genade en vrede. 2 Korinthe 13:13. en daarom zeven Geesten genaamd wordt, omdat hij zijn gaven in deze zeven gemeenten zo volkomelijk uitstort, alsof hij so vele Geesten ware. En wordt deze verklaring ook daar uit bewezen, dat deze zeven Geesten nergens en worden getelt onder degenen die God of het Lam aanbidden, Zoals wel de 4 dieren, de 24 Ouderlingen, met alle de scharen van de heilige Engelen hier doen. Zoals ook daar uit, dat deze zeven Geesten uitdruckelijk worden genaamd c. 4:5. zeven lampen vuurs brandende voor de throon. Dat wil zeggen: de velerley wijsheid en gaven van de H. Geests, die de throon Gods bysonderlijk verlichteden en vercierden: Zoals ook hoofdstuk 5:6. de hoornen en oogen, Dat wil zeggen: de macht en wijsheid van het Lam: en dat zij hier worden in een graat gestelt tusschen God, en tusschen Christum. Maar wordt hier de H. Geest met zijn gaven tusschen de Vader en Christum gestelt, omdat de Apostel van de weldaden en eigenschappen Christus in het vervolgh noch meer wilde spreken.
[^openbaring-1-5-d]: Verwijzing d: Namelijk die ons het evangelie vanuit de schoot van de Vader heeft gebracht en door zijn dood heeft bezegeld.
[^openbaring-1-5-14]: Kanttekening 14: Dat wil zeggen: door zijn bloedige dood en offerande (Hebreeën 9:14).
[^openbaring-1-5-e]: Verwijzing e: 1 Korinthe 15:20. Kolossenzen 1:18.
[^openbaring-1-5-15]: Kanttekening 15: Dat is, door zijn bloedige dood en offerande. Hebreeën 9:14.
[^openbaring-1-5-f]: Verwijzing f: Handelingen 20:28. Hebreeën 9:12, 14. 1 Petrus 1:19. 1 Johannes 1:7. Openbaring 5:9.
[^openbaring-1-6-16]: Kanttekening 16: Namelijk om geestelijke heerschappij te voeren over de zonde en de wereld, en om geestelijke offeranden van de dankbaarheid voor onze verlossing voor God toe te brengen. Zie 1 Petrus 2. versen 5, 9.
[^openbaring-1-6-g]: Verwijzing g: Namelijk om geestelijke heerschappij te voeren over de zonde en de wereld, en om geestelijke offers van lof en dankzegging aan God te brengen (1 Petrus 2:9).
[^openbaring-1-6-h]: Verwijzing h: Romeinen 12:1. 1 Petrus 2:5.
[^openbaring-1-7-i]: Verwijzing i: Dat wil zeggen: zal komen. Namelijk op de laatste dag in zijn heerlijkheid, om in de wolken als op zijn troon te zitten (Daniël 7:13; Matteüs 24:30 enz.).
[^openbaring-1-7-17]: Kanttekening 17: Namelijk niet alleen van de gelovigen, maar ook van de ongelovigen zelf, zoals het volgende aanwijst.
[^openbaring-1-7-18]: Kanttekening 18: Dat wil zeggen: gekruisigd en gedood hebben, zoals Joden en heidenen in zijn persoon hem hier op aarde deden (Johannes 19:37; Zacharia 12:10).
[^openbaring-1-7-k]: Verwijzing k: In Zacharia schijnen deze woorden alleen van de stammen en geslachten van Israël gesproken te worden (Zacharia 12:10-14); maar hier worden zij uitgebreid tot alle geslachten van de aarde.
[^openbaring-1-7-19]: Kanttekening 19: Of: voor hem.
[^openbaring-1-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: ja, het geschiede zo. Door deze verdubbeling van de twee woorden ('ja' en 'amen') wordt de grote begeerte van Johannes uitgedrukt dat dit spoedig zou plaatsvinden.
[^openbaring-1-7-21]: Kanttekening 21: Of, voor hem.
[^openbaring-1-7-22]: Kanttekening 22: Dat wil zeggen: Ja het geschiede zo. En wordt door deze verdubbeling van deze twee woorden de grote begeerte van de Profeten, en anderer gelovige uitgedrukt, en door de verandering van de taal in Griecx en Hebreeusch bequamelijk te kennen gegeven dat deze wensch de gelovigen Grieken of heidenen, met de Hebreen of Joden, gemeyn is. zie hier na hoofdstuk 22:20.
[^openbaring-1-8-l]: Verwijzing l: Deze wijze van spreken is ontleend aan het Griekse alfabet, in welke taal Johannes hier schrijft, waarmee de eerste en de laatste letter worden aangeduid, om daarmee te zeggen dat God het begin en einde van alle dingen is (Jesaja 41:4; 44:6).
[^openbaring-1-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk van alle dingen; wat van God wordt gezegd niet alleen omdat hij van eeuwigheid voor alles bestaat, maar ook omdat alles door hem en tot hem is en van hem zijn voortbestaan heeft.
[^openbaring-1-8-24]: Kanttekening 24: Namelijk Christus, die zich hier aan Johannes openbaart en van wie in het vorige vers gesproken is.
[^openbaring-1-8-25]: Kanttekening 25: Namelijk Christus, die hem hier aan Johannes openbaart, en van welke in ’t voorgaande vers is gesproken: welke als de enige God met de Vader, deze eigenschappen ook hier na vers 11. en 17. en hoofdstuk 22:13. uitdruckelijk worden toegeschreven.
[^openbaring-1-9-26]: Kanttekening 26: Hier begint de Openbaring zelf, en drukt de apostel eerst zijn naam uit, naar de gewoonte van de profeten, om zijn gezag te bevestigen.
[^openbaring-1-9-27]: Kanttekening 27: Dit is een eiland gelegen in de Middellandse en Egeïsche Zee, één van de eilanden genaamd Cycladen, waarheen Johannes door de keizer Domitianus was verbannen.
[^openbaring-1-10-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: de eerste dag van de week, zo genoemd omdat Christus op die dag is opgestaan uit de doden, en de gemeente gewoon was samen te komen om God te eren.
[^openbaring-1-10-m]: Verwijzing m: Dat wil zeggen: in een verrukking of verheffing van zinnen door de Heilige Geest, zoals Petrus overkwam (Handelingen 10:10) en Paulus (2 Korintiërs 12:2).
[^openbaring-1-10-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: zo helder en krachtig als een bazuin. Want dat het een sprekende stem was, blijkt uit het volgende.
[^openbaring-1-10-30]: Kanttekening 30: Dat wil zeggen: so helder en klaar als eener basuine. Want dat het een sprekende stemme is geweest, blijckt uit het gene volght.
[^openbaring-1-11-31]: Kanttekening 31: Zie de aantekening hierover op vers 8.
[^openbaring-1-11-32]: Kanttekening 32: Of: boekje.
[^openbaring-1-11-33]: Kanttekening 33: Dit was de hoofdstad van Klein-Azië, gelegen aan de Ionische Zee, waar Paulus lange tijd heeft gewerkt (Handelingen 19).
[^openbaring-1-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: degene wiens stem dit was.
[^openbaring-1-12-35]: Kanttekening 35: Hierdoor worden de zeven gemeenten aangeduid, die voor God kostbaar zijn als goud, zoals in het laatste vers wordt verklaard.
[^openbaring-1-13-36]: Kanttekening 36: Namelijk wat eigenlijk een priesterlijk kleed was (Exodus 28:4, 40 en 39:27).
[^openbaring-1-13-n]: Verwijzing n: Dat wil zeggen: Jezus Christus, die in het Evangelie doorgaans zo wordt genoemd en hier als de Mensenzoon verschijnt in zijn koninklijke en priesterlijke waardigheid (Daniël 7:13; Ezechiël 1:26).
[^openbaring-1-13-37]: Kanttekening 37: Daarmee wordt zijn bereidheid in de bediening van zijn ambt uitgedrukt, zoals door de gouden gordel zijn koninklijke waardigheid.
[^openbaring-1-13-38]: Kanttekening 38: Daar mee wordt zijn veerdigheid in het bedienen sijns ambt uitgedrukt, Zoals door de gouden gordel, zijn weerdigheid.
[^openbaring-1-13-o]: Verwijzing o: Openbaring 15:6.
[^openbaring-1-14-39]: Kanttekening 39: Daarmee worden de wijsheid en eeuwigheid van Jezus Christus afgebeeld, zoals ook deze eigenschappen aan de Vader worden toegeschreven in Daniël 7:9.
[^openbaring-1-14-p]: Verwijzing p: Deze volgende afbeeldingen zijn grotendeels ontleend aan Daniël 10:6, waar Daniël een bijna gelijkelijk visioen heeft gehad.
[^openbaring-1-14-q]: Verwijzing q: Openbaring 19:12.
[^openbaring-1-14-40]: Kanttekening 40: Deze volgende afbeeldingen zijn meest genomen uit Daniël 10:6. daar Daniel bij na dergelijk gesicht is verschenen. Door de vlamme van het vuur wordt zijn alwetende en alles doorstralende ooge, selfs in de herten van de mensen, verstaan, gelijk af te nemen is uit Openbaring 2. versen 18, 19, 23.
[^openbaring-1-15-41]: Kanttekening 41: Gr. chalkolibanos (χαλκολιβάνῳ), dat wil zeggen: metaal uit Libanon, of fijn koper. Een dergelijke verschijning staat ook beschreven in Daniël 10:6.
[^openbaring-1-15-r]: Verwijzing r: Namelijk die van de rotsen afstromen en door niemand gestuit kunnen worden. Een afbeelding van de kracht en majesteit van Christus' stem.
[^openbaring-1-15-42]: Kanttekening 42: Namelijk die van de rotsen afstromen, en van niemand en kunnen gestuit worden. Een afbeelding van de kracht van de stemme Christus die onder alle tongen en volkeren is doorgedrongen, gelijk dit woord wateren van de Engel zelf wordt verklaart. Openbaring 17:15.
[^openbaring-1-16-43]: Kanttekening 43: Deze sterren worden verderop in vers 20 verklaard als de engelen ofwel opzieners van de gemeente, die Christus heeft aangesteld om zijn gemeenten te verzorgen.
[^openbaring-1-16-44]: Kanttekening 44: Deze sterren worden in de rechterhand van Christus gezegd te zijn, omdat hij hen zendt, bestuurt en beschermt.
[^openbaring-1-16-s]: Verwijzing s: Namelijk van zijn woord, zowel door zijn beloften tot troost van de gehoorzamen, als door zijn bedreigingen tot straf van de ongehoorzamen (Jesaja 49:2; Hebreeën 4:12).
[^openbaring-1-16-45]: Kanttekening 45: Hierdoor wordt de heerlijkheid van Christus aangeduid, zoals ook de gelovigen hierna in de eeuwigheid zullen stralen (Matteüs 13:43).
[^openbaring-1-16-46]: Kanttekening 46: Hierdoor wordt de heerlijkheid Christus betekent, Zoals ook van de gelovige hier later in het eeuwige leven Mattheüs 13:43. die toch geen heerlijkheid en hebben dan van Christus, en door Christum.
[^openbaring-1-17-47]: Kanttekening 47: Namelijk deels uit eerbied, deels uit schrik, zoals Daniël (8:18 en 10:8, 9) en anderen ook angstig neervielen bij visioenen.
[^openbaring-1-17-t]: Verwijzing t: Zie hierover vers 8 en 11.
[^openbaring-1-17-48]: Kanttekening 48: Zie daar van hier voren vers 8 en 11.
[^openbaring-1-18-v]: Verwijzing v: Anders: en ik was de levende en was dood. Want Christus, dood naar het vlees, bleef evengoed levend naar zijn goddelijke natuur; en nu is hij naar beide naturen voor eeuwig levend (Romeinen 6:9).
[^openbaring-1-18-49]: Kanttekening 49: Dat wil zeggen: de macht om u van de dood en het dodenrijk te verlossen, en de vijanden daarin te werpen (Matteüs 16:18; Jesaja 22:22).
[^openbaring-1-18-x]: Verwijzing x: Job 12:14. Jesaja 22:22. Openbaring 3:7. en 20:1.
[^openbaring-1-18-50]: Kanttekening 50: Dat wil zeggen: de macht om u van de dood en helle te verlossen, en de vijanden daar in te werpen. Zie Mattheüs 10:28.
[^openbaring-1-19-51]: Kanttekening 51: Namelijk in dit visioen. Anderen nemen het ruimer, voor alles wat in de gemeente van Christus tot de tijd van deze schrijver is voorgevallen.
[^openbaring-1-19-52]: Kanttekening 52: Dat wil zeggen: de toestand van de zeven gemeenten, zoals die nu is, en wat ik u daarover dadelijk zal mededelen in de brieven.
[^openbaring-1-19-53]: Kanttekening 53: Namelijk wat van het begin van het vierde hoofdstuk tot het einde van het boek wordt beschreven.
[^openbaring-1-20-54]: Kanttekening 54: Dat wil zeggen: betekenen of stellen voor ogen, zoals ook in Genesis 41:27 en meermalen in de Heilige Schrift.
[^openbaring-1-20-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: leraars of opzieners van de zeven gemeenten, zoals de Profeten en Priesters ook soms Engelen worden genoemd, omdat zij van God worden uitgezonden om het volk van Gods wege te leeren, te vermanen, te troosten, en te waarschouwen. Zie Richteren 2:1. Haggaï 1:13. Maleachi 2:7.
[^openbaring-1-20-y]: Verwijzing y: Dat wil zeggen: leraren of opzieners van de zeven gemeenten, zoals de profeten en priesters ook soms engelen worden genoemd (Maleachi 2:7).

### Openbaring 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/2.json)

*Christus beveelt Johannes te schrijven, en allereerst aan de engel van de gemeente te Efeze: 2 die hij prijst om zijn zorgvuldigheid in het weren van de kwaden en om verscheidene andere deugden. 4 Maar bestraft hem dat hij zijn eerste ijver en liefde had verlaten. 7 Maar belooft de overwinnaars van de boom des levens te geven. 8 Ten tweede aan die van Smyrna, die hij ook prijst om vele deugden. 10 Maar waarschuwt voor de verdrukking die over hen zal komen, met belofte van de kroon des levens aan de overwinnaars. 12 Ten derde aan die van Pergamus, die hij prijst om zijn standvastigheid in de verdrukkingen, maar berispt om zijn slapheid jegens hen die de leer van Bileam en van de Nikolaïeten volgden. 17 Maar belooft de overwinnaars het verborgen manna met een witte keursteen. 18 Ten vierde aan die van Thyatira, die hij prijst om zijn toenemen in het goede, 20 maar bestraft dat hij de vrouw Izebel liet profeteren. 22 Die hij dreigt met haar aanhangers en kin deren te straffen. 24 Waarschuwt daarna hen die deze diepten van de satan niet aanhingen, dat zij vasthouden aan wat zij hebben. 26 En belooft de overwinnaar dat hij hem macht over de heidenen zal geven en de morgenster.*

**1** Schrijf aan[^openbaring-2-1-1] de engel van[^openbaring-2-1-2] de Gemeente van Efeze: Dit zegt[^openbaring-2-1-3] Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren[^openbaring-2-1-4] wandelt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v1)

**2** [^openbaring-2-2-5] Ik weet uw werken, en[^openbaring-2-2-6] uw arbeid, en[^openbaring-2-2-7] uw volharding, en dat u[^openbaring-2-2-8] de kwaden niet kunt dragen; en dat[^openbaring-2-2-9] u beproefd hebt degenen, die uitgeven,[^openbaring-2-2-10] dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v2)

**3** En u hebt verdragen, en hebt geduld; en u hebt omwille van Mijn Naam gewerkt, en bent niet moe geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v3)

**4** Maar ik heb tegen u, dat u[^openbaring-2-4-11] uw eerste liefde hebt verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v4)

**5** Gedenk dan,[^openbaring-2-5-12] waarvan u uitgevallen bent, en[^openbaring-2-5-13] bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u[^openbaring-2-5-14] haastig bijkomen, en zal[^openbaring-2-5-15] uw kandelaar van zijn plaats weren, als u zich niet bekeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v5)

**6** Maar dit hebt u, dat u de werken[^openbaring-2-6-16][^openbaring-2-6-a] van de Nikolaïeten haat, die Ik ook haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v6)

**7** Die[^openbaring-2-7-17] oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van[^openbaring-2-7-18][^openbaring-2-7-b] de boom van het leven, die in het midden van het paradijs van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v7)

**8** En schrijf aan[^openbaring-2-8-19] de engel van de Gemeente van die van[^openbaring-2-8-20] Smyrna: Dit zegt[^openbaring-2-8-21][^openbaring-2-8-c] de Eerste en de Laatste,[^openbaring-2-8-22] Die dood geweest is, en[^openbaring-2-8-23] weer levend is geworden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v8)

**9** Ik weet uw werken, en verdrukking, en[^openbaring-2-9-24] armoede (maar u bent[^openbaring-2-9-25] rijk), en[^openbaring-2-9-26] de lastering van degenen, die[^openbaring-2-9-27] zeggen, dat zij Joden zijn, en[^openbaring-2-9-28] zijn het niet, maar zijn[^openbaring-2-9-29] een synagoge van de satan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v9)

**10** [^openbaring-2-10-30] Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Zie,[^openbaring-2-10-31] de duivel zal enige van u[^openbaring-2-10-32] in de gevangenis werpen, opdat u[^openbaring-2-10-33] verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben[^openbaring-2-10-34] van tien dagen. Wees getrouw[^openbaring-2-10-35] tot de dood, en Ik zal u geven[^openbaring-2-10-36] de kroon van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v10)

**11** [^openbaring-2-11-d] Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van[^openbaring-2-11-37] de tweede dood niet beschadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v11)

**12** En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in[^openbaring-2-12-38] Pergamus is: Dit zegt Hij,[^openbaring-2-12-39] Die het[^openbaring-2-12-e] tweesnijdend scherp zwaard heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v12)

**13** Ik weet uw werken, en waar u woont; namelijk daar[^openbaring-2-13-40] de troon van de satan is, en[^openbaring-2-13-41] u houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, waarin[^openbaring-2-13-42] Antipas, Mijn getrouwe getuige was, die gedood is bij u, daar de satan woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v13)

**14** Maar Ik heb enige weinig dingen tegen u,[^openbaring-2-14-43] dat u daar hebt, die de onderwijzing[^openbaring-2-14-44][^openbaring-2-14-f] van Balaäm houden, die Balak leerde de Israëlieten een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en ontucht plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v14)

**15** Zo hebt ook u,[^openbaring-2-15-45] die de onderwijzing van de Nikolaïeten houden; dat Ik haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v15)

**16** Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen strijd voeren[^openbaring-2-16-46][^openbaring-2-16-g] met het zwaard van Mijn mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v16)

**17** Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten[^openbaring-2-17-47] van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven[^openbaring-2-17-48] een witte keursteen, en op de keursteen[^openbaring-2-17-49] een nieuwe naam geschreven,[^openbaring-2-17-50] die niemand kent, dan die hem ontvangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v17)

**18** En schrijf aan de engel van de[^openbaring-2-18-51] Gemeente te Thyatire: Dit zegt[^openbaring-2-18-52] de Zoon van[^openbaring-2-18-h] God, Die Zijn ogen heeft als een vlam van vuur, en Zijn voeten zijn[^openbaring-2-18-53] blinkend koper gelijk: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v18)

**19** Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw volharding, en uw werken,[^openbaring-2-19-54] en dat de laatste meer zijn dan de eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v19)

**20** Maar Ik heb[^openbaring-2-20-55] enige weinig dingen tegen u, dat u[^openbaring-2-20-56] de vrouw[^openbaring-2-20-i] Izebel, die zichzelf zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienaren verleiden, dat zij ontucht plegen en afgodenoffer eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v20)

**21** En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren[^openbaring-2-21-57] van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v21)

**22** Zie,[^openbaring-2-22-58] Ik werp haar te bed, en[^openbaring-2-22-59] die met haar overspel bedrijven,[^openbaring-2-22-60] in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v22)

**23** En[^openbaring-2-23-61] haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten,[^openbaring-2-23-62][^openbaring-2-23-k] dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek.[^openbaring-2-23-l] En Ik zal u geven ieder naar uw werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v23)

**24** "Maar ik zeg tot u en tot de anderen te Tyatira, allen die deze leer niet hebben, en die de[^openbaring-2-24-63] diepten van de satan, zoals[^openbaring-2-24-64] zij zeggen, niet hebben leren kennen: ik zal u[^openbaring-2-24-65] geen andere last opleggen." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v24)

**25** Maar wat u hebt,[^openbaring-2-25-m] houdt dat, totdat Ik zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v25)

**26** En die overwint, en die[^openbaring-2-26-66] Mijn werken tot het einde toe bewaart,[^openbaring-2-26-67][^openbaring-2-26-n] Ik zal hem macht geven[^openbaring-2-26-68] over de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v26)

**27** En[^openbaring-2-27-69] hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; zoals ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v27)

**28** En Ik zal hem[^openbaring-2-28-70] de morgenster geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v28)

**29** "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/2.html#v29)

[^openbaring-2-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: de opziener of herder van de gemeente, zoals in hoofdstuk 1:20 is verklaard. En dit staat hier in het enkelvoud gesteld, omdat het om de voornaamste leraar gaat.
[^openbaring-2-1-2]: Kanttekening 2: Over de ligging van deze stad, zie eerder hoofdstuk 1:11.
[^openbaring-2-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk Christus, aan wie deze eigenschappen zijn toegeschreven in hoofdstuk 1:13-16, waar zij ook zijn verklaard.
[^openbaring-2-1-4]: Kanttekening 4: Namelijk om haar te voorzien van haar geestelijk licht en sieraad, zoals de priesters in de tempel de uiterlijke kandelaar verzorgden.
[^openbaring-2-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: al uw doen, goed en kwaad, zoals in het volgende wordt verklaard. En hier spreekt Christus niet van een algemene kennis, maar van een bijzondere acht die hij slaat op hun werken.
[^openbaring-2-2-6]: Kanttekening 6: Namelijk in het voortdurend leren en vermanen (1 Tessalonicenzen 5:12; 1 Timoteüs 5:17).
[^openbaring-2-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk in het verdragen van vervolgingen, zoals vers 3 verder verhaalt.
[^openbaring-2-2-8]: Kanttekening 8: Dat wil zeggen: hen die aanstoot geven in leer of leven. Zo wordt hier zijn ijver geprezen in het uitoefenen van de kerkelijke tucht.
[^openbaring-2-2-9]: Kanttekening 9: Gr. beproefd. Of: zo beproefd en onderzocht dat u hun valsheid aan het licht hebt gebracht.
[^openbaring-2-2-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: die voorgaven dat zij door Christus waren gezonden, zoals vele valse leraren en valse apostelen in die tijd deden (2 Korintiërs 11:13).
[^openbaring-2-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: uw eerste ijver in het uitoefenen van uw ambt en van de werken van de liefde, zoals vers 5 verklaard wordt.
[^openbaring-2-5-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: van hoe grote ijver, tot hoe grote traagheid.
[^openbaring-2-5-13]: Kanttekening 13: Namelijk tot uw vroegere ijver. Want dat hij niet geheel van de liefde en het geloof was afgevallen, blijkt uit vers 2.
[^openbaring-2-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk met mijn straffen en kastijdingen.
[^openbaring-2-5-15]: Kanttekening 15: Dat wil zeggen: uw gemeente, zoals eerder in hoofdstuk 1:20 is verklaard. Waaruit blijkt dat ook de gemeente in dezelfde verslapping was vervallen.
[^openbaring-2-6-16]: Kanttekening 16: Deze sekte van de Nicolaïeten, zoals enkele oude schrijvers getuigen, leerde dat hoererij geen zonde was, en dat afgodenoffers eten geoorloofd was — en dat zulke vrijheden in het vlees de geest niet konden schaden.
[^openbaring-2-6-a]: Verwijzing a: Openbaring 2:15.
[^openbaring-2-7-17]: Kanttekening 17: Gr. oor. Zie Matteüs 13:43; Marcus 4:9.
[^openbaring-2-7-18]: Kanttekening 18: Gr. het hout van het leven. Dit ziet op de boom van het leven, die in het midden van het aardse paradijs stond. Genesis 2:9. welk paradijs genomen wordt als een voorbeeld en schaduw van de hemel, of woonstede van de uitverkorene in de hemel, gelijk ook Lucas 23:43. en 2 Korinthe 12:2, 4. De boom van het leven is een schaduw van Christus de auteur van het leven, aan het welke eeuwige gemeenschap zullen hebben die in het geloof volstandigh blijven, Zoals ook hier na in’t hemelsche Jeruzalem de zelf boom van het leven geplant staat. hoofdstuk 22:2. diens bladeren dienen tot gesont-making van de heidenen, welke gesont-making van Christus alleen voortkomt. Johannes 11:25. Handelingen 4:12.
[^openbaring-2-7-b]: Verwijzing b: Gr. het hout van het leven. Dit zie op de boom van het leven die in het midden van het aardse paradijs stond (Genesis 2:9), welke een schaduw en afbeelding was van de eeuwige levensgave die Christus schenkt aan zijn gemeente.
[^openbaring-2-8-19]: Kanttekening 19: Zie de aantekening op vers 1.
[^openbaring-2-8-20]: Kanttekening 20: Dit was ook een voorname stad in Ionië, aan de zee gelegen, wat noordelijker dan Efeze, waaruit zij als een kolonie was voortgekomen.
[^openbaring-2-8-21]: Kanttekening 21: Namelijk naar zijn menselijke natuur (1 Petrus 3:18).
[^openbaring-2-8-c]: Verwijzing c: Zie de aantekening op vers 8 van hoofdstuk 1.
[^openbaring-2-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk door zijn opstanding uit de doden. Of: was levende — namelijk naar zijn goddelijke natuur, toen hij dood was naar zijn menselijke natuur.
[^openbaring-2-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk door zijn opstanding uit de doden. Of, was levende. Namelijk naar zijn goddelijke natuur, toen hij dood was naar zijn menselijke.
[^openbaring-2-9-24]: Kanttekening 24: Namelijk door de beroving van uw goederen in de verdrukking.
[^openbaring-2-9-25]: Kanttekening 25: Namelijk naar de geest, of naar de geestelijke en hemelse goederen, die geen vervolgers kunnen ontnemen (Matteüs 6:19-21).
[^openbaring-2-9-26]: Kanttekening 26: Namelijk waarmee zij Christus als een verleider aanduiden, en zijn gemeente als vijanden van de Wet, afvalligen van Mozes en oproermakers.
[^openbaring-2-9-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: roemen dat zij Joden zijn, en dienvolgens Gods volk, en ijveraars voor de Wet (Romeinen 2:17 enz.).
[^openbaring-2-9-28]: Kanttekening 28: Dat wil zeggen: zijn geen echte Joden, noch kinderen van Abraham, zoals zij roemen, maar kinderen van de duivel, wiens werken zij doen (Johannes 8:39-44).
[^openbaring-2-9-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: vergadering. Zoals de Joden hun samenkomsten synagogen noemden, zo gebruikt de evangelist dit woord, maar met de toevoeging 'van de satan', om hun kwaadaardigheid aan te duiden.
[^openbaring-2-10-30]: Kanttekening 30: Namelijk zodat u daarom zou afwijken of kleinmoedig worden.
[^openbaring-2-10-31]: Kanttekening 31: Namelijk door zijn instrumenten, de tirannen, die hij daartoe zal opwekken.
[^openbaring-2-10-32]: Kanttekening 32: Namelijk om hun allerlei smaad en verdriet aan te doen.
[^openbaring-2-10-33]: Kanttekening 33: Of: beproefd wordt. Namelijk of u standvastig bij de waarheid zult blijven.
[^openbaring-2-10-34]: Kanttekening 34: Sommigen nemen deze dagen voor evenzoveel jaren (Numeri 14:34), zoals onder de keizer Trajanus een tienjarige vervolging heeft plaatsgevonden. Anderen nemen het voor een kleine of korte tijd.
[^openbaring-2-10-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: zodat u zelfs de dood niet schuwt; of: tot het einde toe.
[^openbaring-2-10-36]: Kanttekening 36: Dat wil zeggen: het eeuwige leven als een kroon of genadige vergelding van uw arbeid (1 Petrus 5:4). Een beeld ontleend aan de overwinnaars in de Griekse spelen.
[^openbaring-2-11-d]: Verwijzing d: Dat wil zeggen: de eeuwige dood; want zoals de eerste dood de scheiding van de ziel en het lichaam is, zo is de tweede dood de eeuwige scheiding van God en zijn genade.
[^openbaring-2-11-37]: Kanttekening 37: Dat wil zeggen: de eeuwige dood: want gelijk de eerste dood is de scheiding van de ziel van het lichaam, zo is de tweede dood een scheiding en verstoting van de mensen van God, gevoegd met eeuwige smerten en tormenten in de helle, zoals Johannes zulks verklaart. Openbaring 20:14. en 21:8.
[^openbaring-2-12-38]: Kanttekening 38: Deze stad Pergamum was de hoofdstad van een deel van Klein-Azië, waar de Attalische koningen vroeger hun hof hadden, en later de Romeinen hun stadhouder.
[^openbaring-2-12-39]: Kanttekening 39: Zie hierover de aantekening op vers 16 van hoofdstuk 1.
[^openbaring-2-12-e]: Verwijzing e: Openbaring 1:16. en 2:16.
[^openbaring-2-13-40]: Kanttekening 40: Christus noemt deze stad hier de troon van de satan, omdat de satan er op bijzondere wijze door afgoderij en tirannie heerste.
[^openbaring-2-13-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: u vreest niet mijn naam te belijden, ondanks alle moeilijkheden die u daardoor overkomen.
[^openbaring-2-13-42]: Kanttekening 42: Van deze Antipas leest men niet veel in de oude kerkelijke geschiedenissen; maar het blijkt hier dat hij een voorname opziener van de gemeente te Pergamum was, die door de heidenen ter dood was gebracht.
[^openbaring-2-14-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: dat u hen nog in uw midden laat verkeren en leren, zoals vers 20 verklaard wordt, zonder hen te weren door de macht van de kerkelijke tucht.
[^openbaring-2-14-44]: Kanttekening 44: Namelijk waar van de geschiedenis Numeri 22. en 23. en 24. hoofdstukken. beschreven is: die, zo hem God niet toe en liet de Israëlieten te vloeken, aan Balac de Koning van de Moabieten raadde, dat hij ze zou verlokken tot haar afgodische maaltijden, en tot hoererye door enige dochters en vrouwen, die hij in het leger van de Israëlieten heeft gezonden, gelijk te zien is Numeri 25:1, etc. vergeleekken met hoofdstuk 31:16. opdat zij zo in Gods ongenade zouden mogen vervallen, Zoals geschiedt is. Het welk een geheel duivelschen raadt was, tegen welke soorten van mensen Petrus in zijn tweede Sendt-brief, en ook Iudas hebben geschreven.
[^openbaring-2-14-f]: Verwijzing f: Namelijk waarvan de geschiedenis beschreven staat in Numeri 22-24, die, omdat God hem niet toestond Israël te vervloeken, de middel zocht hen door hoererij en afgoderij te verderven (Numeri 25 en 31:16).
[^openbaring-2-15-45]: Kanttekening 45: Dat wil zeggen: zoals de Israëlieten door de raad van Bileam tot afgoderij en hoererij zijn verleid, zo hebt u ook onder u mensen die dit soort dingen leren en doen.
[^openbaring-2-16-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: door mijn dreigingen, en geestelijke macht. Zie hier voren hoofdstuk 1:16. en 2 Korinthe 10. versen 5, 6.
[^openbaring-2-16-g]: Verwijzing g: Dat wil zeggen: door mijn bedreigingen en geestelijke macht (zie hoofdstuk 1:16; 2 Korintiërs 10:5-6).
[^openbaring-2-17-47]: Kanttekening 47: De apostel ziet hier op de kruik met manna die in het Heilige van de heiligen werd bewaard als herinnering aan Gods wonderlijke zorg; hiervan is het hemelse manna een afbeelding, namelijk Christus zelf, het brood van het leven (Johannes 6:48-51).
[^openbaring-2-17-48]: Kanttekening 48: Dit is de Heilige Geest, die in onze gewetens de stem van de Vader overbrengt en getuigt dat wij vanwege Christus kinderen van God zijn.
[^openbaring-2-17-49]: Kanttekening 49: Deze naam is, dat hij die vroeger een kind van de toorn en het verderf was, nu tot een kind van God en erfgenaam van het eeuwige leven is gemaakt.
[^openbaring-2-17-50]: Kanttekening 50: Want de natuurlijke mens verstaat de dingen van de Geest van God niet; maar wij hebben de Geest van Christus ontvangen (1 Korintiërs 2:14-16).
[^openbaring-2-18-51]: Kanttekening 51: Dit was de laatste stad in Mysië, tegenover Macedonië, zuidwaarts van Pergamum gelegen; waarover zie Handelingen 16:14.
[^openbaring-2-18-52]: Kanttekening 52: Hier noemt Christus zichzelf bij zijn naam naar zijn goddelijke natuur, zoals hij in hoofdstuk 1:13 in het visioen zichzelf de Mensenzoon noemt naar zijn menselijke natuur.
[^openbaring-2-18-h]: Verwijzing h: Of: fijn koper.
[^openbaring-2-18-53]: Kanttekening 53: Of, fijn koper.
[^openbaring-2-19-54]: Kanttekening 54: Sommige handschriften laten het woord 'en' hier weg.
[^openbaring-2-20-55]: Kanttekening 55: Namelijk weinige in getal, hoewel zij van groot gewicht zijn, zoals ook vers 14. En dit zegt Christus om hen te verlichten, en genadig te zijn, al laat hij hen ook niet ongestraft.
[^openbaring-2-20-56]: Kanttekening 56: Sommigen verstaan hieronder de sekte van de Nicolaïeten zelf, zoals door de hoer van Babel verderop in hoofdstuk 17 de roomse kerk wordt verstaan. Anderen denken aan een bijzondere, vrouwelijke lerares in deze gemeente (1 Koningen 16:31; 2 Koningen 9:7).
[^openbaring-2-20-i]: Verwijzing i: 1 Koningen 16:31. 2 Koningen 9:7.
[^openbaring-2-21-57]: Kanttekening 57: Namelijk geestelijke en lichamelijke, die hier beiden zijn uitgedrukt.
[^openbaring-2-22-58]: Kanttekening 58: Namelijk op een zwaar en kwellend ziekbed; zodat het bed dat haar vroeger tot wellust diende, haar nu tot straf dient.
[^openbaring-2-22-59]: Kanttekening 59: Dat wil zeggen: afgoderij en hoererij, als tevoren. Want afgoderij is ook geestelijk overspel, omdat zij de mens van God, de wettige bruidegom, aftrekt.
[^openbaring-2-22-60]: Kanttekening 60: Namelijk hetzij door de straf van de overheid, hetzij door ziekten, hetzij ook door het knagen van hun geweten over hun slechte leven.
[^openbaring-2-23-61]: Kanttekening 61: Sommigen verstaan hieronder haar leerlingen. Maar omdat van hen al eerder gesproken is, verstaan anderen hier de kinderen naar het vlees, die zowel in de geestelijke als in de lichamelijke hoererij van de moeder zijn gedoopt.
[^openbaring-2-23-62]: Kanttekening 62: Dit doet Christus daar bij, omdat de voorstanders van deze secte enige dek-mantelen van haar grouwelen voortbrachten, en sochten de leelickheid van die onder de schijn van geestelijke verborgentheden en Christelikke vryheid, bij de eenvoudige te verduisteren: Zoals uit het volgende vers blijckt, en Zoals enige libertijnsche secten nu ook doen. Waar tegen Christus zijn alwetenheid stelt in het oordelen ook selfs van de nieren en gedachten harer herten.
[^openbaring-2-23-k]: Verwijzing k: Dit voegt Christus eraan toe, omdat de voorstanders van deze sekte enige dekmantel voor hun gruwelen aanvoerden, alsof hun innerlijk goed was; maar God, die het hart doorziet, laat zich daarmee niet misleiden (1 Samuel 16:7; Jeremia 11:20).
[^openbaring-2-23-l]: Verwijzing l: Psalm 62:13. Jeremia 17:10. en 32:19. Mattheüs 16:27. Romeinen 2:6. en 14:12. 2 Korinthe 5:10. Galaten 6:5. Openbaring 20:12.
[^openbaring-2-24-63]: Kanttekening 63: Dat wil zeggen: de duistere verborgenheden van hun satanische leer, die zij voorgeven van de Heilige Geest voort te komen, en waarvan zij zeggen dat ze de meeste christenen verborgen zijn.
[^openbaring-2-24-64]: Kanttekening 64: Dat wil zeggen: die nog niet hebben verstaan en voor goed hebben erkend.
[^openbaring-2-24-65]: Kanttekening 65: Dat wil zeggen: geen straf, geen beproeving, zoals ze bij de profeten doorgaans een last worden genoemd.
[^openbaring-2-25-m]: Verwijzing m: Openbaring 3:11.
[^openbaring-2-26-66]: Kanttekening 66: Dat wil zeggen: mijn geboden en leerstellingen; zoals ook het geloof een werk van God wordt genoemd (Johannes 6:29).
[^openbaring-2-26-67]: Kanttekening 67: Dat wil zeggen: over de vijanden van zijn gemeente, zoals de volken altijd vijanden van Gods volk waren.
[^openbaring-2-26-n]: Verwijzing n: Deze tekst is genomen uit Psalm 2:8, waar deze belofte van God de Vader aan zijn Zoon Jezus Christus wordt gedaan; en de gelovigen worden hier deelgenoot gemaakt van die belofte.
[^openbaring-2-26-68]: Kanttekening 68: Dat wil zeggen: over de vijanden van zijn gemeente, zoals de heidenen altijd vijanden van Gods volk waren.
[^openbaring-2-27-69]: Kanttekening 69: Hierdoor wordt de geestelijke macht en overwinning verstaan over alle vijanden van de gemeente van Christus, die zich stellen tegen de zaligheid van de kinderen van God.
[^openbaring-2-28-70]: Kanttekening 70: Hierdoor wordt passend verstaan een groter licht van de kennis van Christus, die zoals de morgenster de dag voorafgaat, zo zijn komst aankondigt en voorbereidt.

### Openbaring 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/3.json)

*1 Christus beveelt dat de vijfde zendbrief geschreven wordt aan de engel van de gemeente te Sardis. 2 Die hij vermaant tot meer waakzaamheid en zorgvuldigheid. 3 Anders dreigt hij over hem te komen als een dief in de nacht. 4 Belooft hen die hun kleren niet bevlekt hebben, dat zij met hem zullen wandelen en dat hij hun naam niet zal uitwissen uit het boek des levens. 7 Beveelt daarna de zesde zendbrief te schrijven aan de engel van Filadelfia. 8 Die hij prijst om zijn standvastigheid. 9 En belooft dat Joden zullen komen aanbidden voor zijn voeten, en dat hij hem zal bewaren in de verzoeking. 12 Belooft dat hij de overwinnaar zal maken tot een pilaar in de tempel van God en een inwoner van het nieuwe Jeruzalem. 14 Beveelt ten slotte de zevende zendbrief te schrijven aan de engel van de gemeente te Laodicea. 15 Wiens lauwheid hij berispt, 17 en ijdele roem of waan van rijkdom. 18 Raadt hem goud te kopen dat in het vuur beproefd is, en kleren, en ogenzalf. 20 Betuigt dat hij aan de deur klopt, en belooft de overwinnaar dat hij hem zal geven te zitten aan zijn tafel en op zijn troon.*

**1** En schrijf aan[^openbaring-3-1-1] de engel van de Gemeente, die te[^openbaring-3-1-2] Sardis is: Dit zegt,[^openbaring-3-1-3] Die[^openbaring-3-1-a] de zeven geesten van God heeft, en[^openbaring-3-1-b] de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat u[^openbaring-3-1-4] de naam hebt, dat u leeft, en u bent dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v1)

**2** [^openbaring-3-2-5] Wees waakzaam, en versterk het overige,[^openbaring-3-2-6] dat sterven zou; want Ik heb uw werken[^openbaring-3-2-7] niet vol gevonden[^openbaring-3-2-8] voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v2)

**3** Gedenk dan,[^openbaring-3-3-9] hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en[^openbaring-3-3-c] bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen[^openbaring-3-3-10][^openbaring-3-3-d] als een dief, en u zult niet weten, op welk uur Ik over u komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v3)

**4** Maar u hebt enige[^openbaring-3-4-11] weinig namen ook te Sardis, die[^openbaring-3-4-12] hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen[^openbaring-3-4-13] met Mij wandelen[^openbaring-3-4-14] in witte kleren, omdat[^openbaring-3-4-15] zij het waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v4)

**5** Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en[^openbaring-3-5-16] Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal[^openbaring-3-5-e] zijn[^openbaring-3-5-f] naam[^openbaring-3-5-17] belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v5)

**6** "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v6)

**7** En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in[^openbaring-3-7-18] Filadelfia is: Dit zegt[^openbaring-3-7-19] de Heilige,[^openbaring-3-7-g] de Waarachtige,[^openbaring-3-7-h] Die[^openbaring-3-7-20] de sleutel van David heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v7)

**8** Ik weet uw werken; zie, Ik heb[^openbaring-3-8-21] een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want u hebt kleine kracht, en u[^openbaring-3-8-22] hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v8)

**9** Zie, Ik geef u[^openbaring-3-9-i] enige uit de synagoge van de satan, van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie,[^openbaring-3-9-23] Ik zal maken, dat zij zullen komen, en[^openbaring-3-9-24] aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v9)

**10** Omdat u[^openbaring-3-10-25] het woord van Mijn volharding bewaard hebt, zo zal Ik ook u[^openbaring-3-10-26] bewaren uit het uur[^openbaring-3-10-27] van de verzoeking, die over de hele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v10)

**11** Zie, Ik kom haastig;[^openbaring-3-11-28][^openbaring-3-11-k] houd dat u hebt, opdat niemand[^openbaring-3-11-29] uw kroon neme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v11)

**12** Die overwint, Ik zal hem maken[^openbaring-3-12-30][^openbaring-3-12-l] tot een pilaar in de tempel van Mijn God, en[^openbaring-3-12-31] hij zal niet meer daaruit gaan; en[^openbaring-3-12-32] Ik zal op hem schrijven[^openbaring-3-12-33][^openbaring-3-12-m] de Naam van Mijn God, en de naam van de stad van Mijn God,[^openbaring-3-12-34][^openbaring-3-12-n] namelijk van de nieuwe Jeruzalem,[^openbaring-3-12-35] dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en[^openbaring-3-12-36] ook Mijn nieuwe Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v12)

**13** "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v13)

**14** En schrijf aan de engel van de gemeente[^openbaring-3-14-37] van de Laodicenzen: Dit zegt[^openbaring-3-14-38][^openbaring-3-14-o] de Amen,[^openbaring-3-14-39] de trouwe en waarachtige Getuige,[^openbaring-3-14-40][^openbaring-3-14-p] het Begin van de schepping van God: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v14)

**15** Ik weet uw werken, dat u[^openbaring-3-15-41] noch koud bent, noch heet; och, of u koud was, of heet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v15)

**16** Zo dan, omdat u lauw bent, en noch koud noch heet, Ik zal u[^openbaring-3-16-42] uit Mijn mond spuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v16)

**17** Want[^openbaring-3-17-43] u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en[^openbaring-3-17-44] blind, en[^openbaring-3-17-45] naakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v17)

**18** Ik raad u dat u[^openbaring-3-18-46] van Mij koopt goud,[^openbaring-3-18-47] beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en[^openbaring-3-18-48][^openbaring-3-18-q] witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard wordt; en zalf uw ogen met[^openbaring-3-18-49] ogenzalf, opdat u zien mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v18)

**19** [^openbaring-3-19-50][^openbaring-3-19-r] Zo wie Ik liefheb, die[^openbaring-3-19-51] bestraf en[^openbaring-3-19-52] straf Ik; wees dan ijverig, en bekeer u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v19)

**20** Zie,[^openbaring-3-20-53] Ik sta aan de deur, en Ik klop;[^openbaring-3-20-54] als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem[^openbaring-3-20-55] avondmaal houden, en hij met Mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v20)

**21** Die overwint, Ik[^openbaring-3-21-s] zal hem geven met Mij te zitten[^openbaring-3-21-56] in Mijn troon, zoals Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v21)

**22** Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/3.html#v22)

[^openbaring-3-1-1]: Kanttekening 1: Zie eerder hoofdstuk 2:1.
[^openbaring-3-1-2]: Kanttekening 2: Dit was een zeer grote en beroemde stad in Lydië, waar vroeger het hof en de woonplaats van de koning Croesus was, en die later door Cyrus van Perzië was ingenomen.
[^openbaring-3-1-3]: Kanttekening 3: Omdat deze titel niet voorkomt in de beschrijving van de verschijning van Christus in hoofdstuk 1, menen sommigen dat die hier voor het eerst wordt gebruikt om aan te duiden dat Christus de volheid van de Heilige Geest heeft (Openbaring 1:4).
[^openbaring-3-1-a]: Verwijzing a: Dat wil zeggen: de schijn dat u een ijverige en trouwe opziener van de gemeente bent, terwijl u het niet bent, zoals het volgende uitlegt.
[^openbaring-3-1-b]: Verwijzing b: Openbaring 1:16.
[^openbaring-3-1-4]: Kanttekening 4: Dat wil zeggen: de schijn dat u een naarstig en trouw opziener van de gemeente bent, en u bent het niet, zoals het volgende vers verklaart.
[^openbaring-3-2-5]: Kanttekening 5: Of: wordt wakker. Namelijk uit uw traagheid en huichelarij, zoals Efeziërs 5:14; zie ook Ezechiël 34:16.
[^openbaring-3-2-6]: Kanttekening 6: Dat wil zeggen: dat steeds meer zou worden verwaarloosd en uiteindelijk verloren zou gaan, als het niet door goede vermaningen en voorbeelden werd versterkt.
[^openbaring-3-2-7]: Kanttekening 7: Gr. niet vervuld. Dat wil zeggen: niet oprecht, niet ernstig noch ijverig genoeg. Want ook de allerheiligste mensen struikelen hier en falen in wat zij voor God zouden moeten zijn.
[^openbaring-3-2-8]: Kanttekening 8: Anderen lezen: voor mijn God. Dat wil zeggen: hoewel u mensen met deze schijn kunt tevredenstellen, is God niet tevreden met de schijn alleen.
[^openbaring-3-3-9]: Kanttekening 9: Dat wil zeggen: welke last u hebt ontvangen, en welke leer u van de apostelen hebt gehoord, toen u tot deze dienst werd geroepen.
[^openbaring-3-3-c]: Verwijzing c: Dat wil zeggen: plotseling en onverwacht, zoals Matteüs 24:43 — wat hetzij van een plotselinge dood over hem, hetzij van andere oordelen die hem zouden overkomen, kan worden verstaan.
[^openbaring-3-3-10]: Kanttekening 10: Dat is, snel en onvoorziens, gelijk Mattheüs 24:43. het welk of van een snelle dood over hem, of van andere straffen kan verstaan worden.
[^openbaring-3-3-d]: Verwijzing d: Mattheüs 24:43. 1 Tessalonicenzen 5:2. 2 Petrus 3:10. Openbaring 16:15.
[^openbaring-3-4-11]: Kanttekening 11: Dat wil zeggen: personen, zoals Handelingen 1:15.
[^openbaring-3-4-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: die zichzelf niet hebben bezoedeld met onzuivere leer en een onkuis leven, zoals de Nicolaïeten. Zie Judas vers 23.
[^openbaring-3-4-13]: Kanttekening 13: Waarvan Christus een voorbeeld heeft gegeven op de berg van de verheerlijking (Matteüs 17:2).
[^openbaring-3-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk als overwinnaars van de zonde en de wereld. Want de witte kleren waren vanouds tekenen van triomf en eervolle overwinning.
[^openbaring-3-4-15]: Kanttekening 15: Deze waardigheid in hen komt niet voort uit hun krachten of verdiensten, maar van Christus en vanwege Christus' verdiensten, omdat Christus hun door zijn verdiensten zo'n vergelding uit genade waardig acht en waardig maakt.
[^openbaring-3-5-16]: Kanttekening 16: Dit wordt gezegd tot troost van de gelovigen, die in twijfel zouden kunnen komen over hun verkiezing. Niet dat ooit iemand die werkelijk in het boek van het leven is geschreven, daaruit wordt gewist; maar de belofte dient om hen gerust te stellen (Filippenzen 4:3; Openbaring 20:12).
[^openbaring-3-5-e]: Verwijzing e: Namelijk als mijn ware dienaar en leerling (Matteüs 10:32).
[^openbaring-3-5-f]: Verwijzing f: Mattheüs 10:32. Lucas 12:8.
[^openbaring-3-5-17]: Kanttekening 17: Namelijk als mijn ware dienaren en discipelen. Mattheüs 10:32.
[^openbaring-3-7-18]: Kanttekening 18: Dit was een stad in Mysië, niet ver van Lydië, zo genaamd naar een Attalus Philadelphus, die deze stad eerst heeft gebouwd.
[^openbaring-3-7-19]: Kanttekening 19: Deze twee titels worden God doorgaans in het Oude Testament toegeschreven, zoals te zien is in Jesaja 6:3 en Psalm 145:17; maar hier worden zij ook aan Christus gegeven, om zijn goddelijke natuur aan te duiden.
[^openbaring-3-7-g]: Verwijzing g: Dat wil zeggen: van de gemeente van Christus, waarvan David en zijn huis een voorafbeelding was. En hier wordt gezien op de tekst in Jesaja 22:22.
[^openbaring-3-7-h]: Verwijzing h: Job 12:14. Jesaja 22:22. Openbaring 1:18.
[^openbaring-3-7-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: van de gemeente Christus; waar van David en zijn huis een voorbeeld was. En wordt hier gezien op de plaats Jesaja 22:22. waar aan Eliakim zulke belofte wordt gedaan: en wordt daar door verstaan de opperste macht van in-laten in de gemeente, en uit-sluiten uit de zelf, en volgens ook in en uit de Hemel, gelijk Christus zijn gemeente ook eene geestelijke macht, maar onder hem, belooft heeft Mattheüs 16:19. en 18:18.
[^openbaring-3-8-21]: Kanttekening 21: Dat wil zeggen: een zekere en onbelemmerde gelegenheid om het evangelie met goede voortgang te verbreiden; zoals 1 Korintiërs 16:9 en 2 Korintiërs 2:12.
[^openbaring-3-8-22]: Kanttekening 22: Namelijk van uzelf, om zo'n groot werk te volbrengen. Maar (wil hij zeggen) omdat u trouw bent in wat u gegeven is, zal ik u zegen geven.
[^openbaring-3-9-i]: Verwijzing i: Dat wil zeggen: ik zal zelf uit de Joden, die nu gezworen vijanden van mijn gemeente zijn, sommigen tot mij bekeren — zoals namelijk bij de bekering van de Joden door de apostelen is gebeurd.
[^openbaring-3-9-23]: Kanttekening 23: Dat wil zeggen: zichzelf u en mijn gemeente onderwerpen en zich van hun vroegere weerstand bekeren. Een overeenkomst met de toezeggingen aan Israël in Jesaja 60:14.
[^openbaring-3-9-24]: Kanttekening 24: Dat is, haar zelf u en mijn gemeente onderwerpen, en haar van haar vorigen weerstand bekeren. Een gelijkenis genomen uit de wijze van doen onder de volkeren van Orienten, gebruicklijk bij degenen die haar bekenden overwonnen te zijn. Zie Psalm 72:9.
[^openbaring-3-10-25]: Kanttekening 25: Zo wordt het evangelie genoemd, omdat het ons het lijden en de volharding van Christus voor ogen stelt en ons tot dezelfde volharding aanmoedigt.
[^openbaring-3-10-26]: Kanttekening 26: Dat wil zeggen: verhinderen dat de beproeving tot u komt; of als ze komt, dat ze uw ziel geen schade zal doen.
[^openbaring-3-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: van de vervolging, zoals meermalen is aangewezen. En Christus schijnt hier te spreken van de tienjarige vervolging onder Trajanus.
[^openbaring-3-11-28]: Kanttekening 28: Sommigen verstaan dit van de kroon van het leerambt, waarin deze leraar zich tot nu toe goed had gekweten; maar anderen en meer waarschijnlijk van de kroon van het leven.
[^openbaring-3-11-k]: Verwijzing k: Namelijk het geloof en een goed geweten, zoals Paulus verklaart in 1 Timoteüs 1:19.
[^openbaring-3-11-29]: Kanttekening 29: Sommige verstaan dit van de kroon van de leer-ambt, daar in deze Leraar hem tot die tijd toe wel had gekweten: dan het kan ook verstaan worden van de kroon van de eeuwigen levens, Zoals hier voren hoofdstuk 2:10. welke hier gedreigd wordt van yemandt genomen te zullen worden, wanneer hij in sorgeloosheid sijns ambt, of van het leven zou komen te vervallen. En zijn zulke waarschouwingen middelen die daar toe dienen, opdat de gelovige in het goede volstandich zouden blijven. Want Christus belooft in het voorgaande vers, dat hij haar zal bewaren uit de uire van de versoecking: en in het volgende vers, dat die een pilaar is in de Tempel van God, daar uit hij niet meer zal gaan.
[^openbaring-3-12-30]: Kanttekening 30: Namelijk zoals de pilaren die in de tempel van het Oude Testament stonden en schaduwbeelden waren, door de Chaldeeën zijn weggebroken en weggevoerd; maar dit zal de ware tempel nooit overkomen.
[^openbaring-3-12-l]: Verwijzing l: Dat wil zeggen: in de gemeente van de uitverkorenen van mijn God, die hier wordt opgebouwd en hierna in de hemel voltooid zal worden.
[^openbaring-3-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk zoals men op zuilen eervolle titels placht te schrijven, en zoals de twee zuilen in de tempel van Salomo namen hadden (1 Koningen 7:21).
[^openbaring-3-12-32]: Kanttekening 32: Namelijk als teken dat hij God als eigendom toebehoort, zoals wij dingen die ons eigen zijn met onze naam plegen te tekenen (Openbaring 22:4).
[^openbaring-3-12-33]: Kanttekening 33: Namelijk met betrekking tot de kracht waardoor zij op aarde wordt vergaderd, en van de heerlijkheid waarmee zij ten laatste met Christus zal worden bekleed.
[^openbaring-3-12-m]: Verwijzing m: Dat wil zeggen: van de ware gemeente van Christus, die hier gesteld wordt tegenover het uiterlijke of oude Jeruzalem, zoals Galaten 4:26.
[^openbaring-3-12-34]: Kanttekening 34: Dat wil zeggen: van de ware gemeente van Christus, die hier gesteld wordt tegen het uiterlijk of oude Jeruzalem, zoals Galaten 4:26.
[^openbaring-3-12-n]: Verwijzing n: Namelijk als teken dat hij mijn dienaar is en aan mijn heerlijkheid zal deelhebben.
[^openbaring-3-12-35]: Kanttekening 35: Namelijk ten aansien van de kracht waar door zij op de aarde wordt vergaderd, en van de heerlijkheid waar mee zij ten laatsten dage zal worden aangedaen. Zie Openbaring 21:2, etc.
[^openbaring-3-12-36]: Kanttekening 36: Namelijk tot een teekken dat hij mijn dienaar is, en mijn heerlijkheid zal deelachtig worden. Van welke nieuwen naem, die Christus van de Vader na zijn verhooginghe heeft verworven, zie Filippenzen 2. versen 9, 10. Openbaring 19:12, 16.
[^openbaring-3-14-37]: Kanttekening 37: Laodicea was een rijke en beroemde stad, gelegen in Frygië aan de rivier de Lycus, niet ver van Kolosse, waarover zie Kolossenzen 2:1; 4:13-15.
[^openbaring-3-14-38]: Kanttekening 38: Zoals het woord Amen de standvastigheid van Christus in het uitvoeren van zijn beloften betekent, zo betekenen deze woorden dat Christus niet alleen beloften doet, maar ze ook trouw uitvoert en daarvoor getuigt.
[^openbaring-3-14-o]: Verwijzing o: Dit woord Amen staat gesteld als een naam of titel van Christus, zoals in hoofdstuk 1:8 'Die is. Die was. En die komen zal.' En het betekent de standvastigheid van Christus in zijn beloften.
[^openbaring-3-14-39]: Kanttekening 39: Dat wil zeggen: een auteur en oorsprong van de schepping van alle dingen, zoals Johannes 1:3 en Kolossenzen 1:15. Anderen vertalen het als 'de overste van de schepping van God'.
[^openbaring-3-14-40]: Kanttekening 40: Dat is, een auteur en oorsprong van de schepping van alle dingen, gelijk Johannes 1:3. Kolossenzen 1:15. Andere zetten ’t over prince of overste van de schepselen van God, Zoals hij ook Hebreeën 1:2. een erfgenaem van alle dingen genoemd wordt.
[^openbaring-3-14-p]: Verwijzing p: Kolossenzen 1:15.
[^openbaring-3-15-41]: Kanttekening 41: Dat wil zeggen: noch ijverig in de aangenomen waarheid, noch vreemd ervan, als iemand die de waarheid wel heeft aangenomen; maar u bent lauw en half, wat in Gods ogen het minst te verdragen is.
[^openbaring-3-16-42]: Kanttekening 42: Niet dat zulke lauwwarme mensen in de mond van Christus of in Christus zijn, maar omdat zij door hun belijdenis er schijnbaar in zijn, en dit het ergste is om te verdragen.
[^openbaring-3-17-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: u roemt of meent dat u in alle geestelijke gaven overvloeit, omdat het u goed gaat naar de wereld, zoals rijkdom de Laodicenzen kon verleiden te denken.
[^openbaring-3-17-44]: Kanttekening 44: Namelijk in de kennis van uzelf en van uw ellende.
[^openbaring-3-17-45]: Kanttekening 45: Namelijk van de ware gerechtigheid en heiligheid, die voor God geldt, zoals het volgende vers aanwijst.
[^openbaring-3-18-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: begeert of tracht te verkrijgen, niet door enige verdienste van u (want Christus zegt hier dat u naakt en arm bent), maar uit genade en om niet, door het gebed.
[^openbaring-3-18-47]: Kanttekening 47: Of: dat gloeiend uit het vuur komt. Dat wil zeggen: dat uit het vuur getrokken nu de proef heeft doorstaan, waardoor het ware goud van het valse is onderscheiden — een afbeelding van het ware geloof dat door beproevingen is gezuiverd.
[^openbaring-3-18-48]: Kanttekening 48: Of: oogwater. Dat wil zeggen: het ware verstaan van zijn woord en de kracht van zijn Geest, waardoor wij worden gebracht tot de ware kennis van onszelf en van God.
[^openbaring-3-18-q]: Verwijzing q: Dat wil zeggen: de gerechtigheid en heiligheid van Christus, waarmee onze geestelijke ellende en naaktheid voor God bedekt worden.
[^openbaring-3-18-49]: Kanttekening 49: Of, oogen-water. Dat is, het recht verstant van zijn woord, en de kracht zijn Geests, waar door wij gebracht worden tot kennis van ons zelf en van de genade van God tegen ons. Psalm 19:9. en 119:105.
[^openbaring-3-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk met woorden en overtuigingen, zoals het Griekse woord meebrengt.
[^openbaring-3-19-r]: Verwijzing r: Deze verzachting doet Christus hierbij om de scherpheid van de vorige vermaning wat te matigen, omdat die uit liefde voortkomt (Job 5:17; Spreuken 3:12; Hebreeën 12:5).
[^openbaring-3-19-51]: Kanttekening 51: Namelijk met werkelijke bezoeking en straffen. Zie dergelijk in Hebreeën 12:5-6.
[^openbaring-3-19-52]: Kanttekening 52: Namelijk, met daadwerkelijke bezoekingen en straffen. Zie dergelijk Hebreeën 12. versen 5, 6.
[^openbaring-3-20-53]: Kanttekening 53: Deze tekst schijnt genomen uit het Hooglied van Salomo, hoofdstuk 5:2, waar een dergelijk kloppen van de bruidegom Christus wordt beschreven.
[^openbaring-3-20-54]: Kanttekening 54: Dit staat niet gesteld in de vrije wil van de mens, maar deze vermaning is een middel waardoor Christus de deur opent en de mens beweegt hem te ontvangen.
[^openbaring-3-20-55]: Kanttekening 55: Dat wil zeggen: mij met hem door mijn Geest meer en meer verenigen, en mijn genade en gunst tot zijn troost en versterking in hem uitwerken.
[^openbaring-3-21-s]: Verwijzing s: Dat wil zeggen: ik zal hem hierna deelgenoot maken van mijn heerlijkheid en macht in het oordelen, zoals Christus hierover spreekt in Matteüs 19:28 en 1 Korintiërs 6:2.
[^openbaring-3-21-56]: Kanttekening 56: Dat is, ik zal hem hier later mijn heerlijkheid en macht in ’t oordelen deelachtig maken, gelijk Christus verklaart Mattheüs 19:28. en Johannes 17:5. etc. en Paulus Romeinen 8:17. 1 Korinthe 6. versen 2, 3.

### Openbaring 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/4.json)

*1 Van hier af tot het einde van het zevende hoofdstuk wordt het tweede gezicht beschreven, dat de eerste profetie bevat van de dingen die hierna zouden gebeuren. 2 Waarin aan de apostel eerst een koninklijke troon in de geopende hemel wordt getoond. 3 en de heerlijkheid van God, die op de troon zat. 4 Daarna vierentwintig gekroonde oudsten, zittend rondom de troon, met donderslagen, bliksems, brandende lampen, 6 en een glazen zee, en vier dieren met veel ogen en vleugels. 9 Ten slotte wordt het loflied verhaald dat de vier dieren en de vierentwintig oudsten God hebben toegezongen.*

**1** [^openbaring-4-1-1] Na deze zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem,[^openbaring-4-1-2] die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, wat na deze gebeuren moet.[^openbaring-4-1-3][^openbaring-4-1-4] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v1)

**2** En meteen[^openbaring-4-2-5] werd ik in de geest; en ziet,[^openbaring-4-2-6] er was een troon gezet in de hemel, en[^openbaring-4-2-7] er zat Een[^openbaring-4-2-8] op de troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v2)

**3** En Die daarop zat, was[^openbaring-4-3-9] in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en[^openbaring-4-3-10] een regenboog was rondom de troon, in het aanzien van de steen Smaragd gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v3)

**4** En rondom de troon waren vier en twintig tronen;[^openbaring-4-4-11] en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed[^openbaring-4-4-12] met witte kleren, en zij hadden[^openbaring-4-4-13] gouden kronen op hun hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v4)

**5** En van de troon gingen uit[^openbaring-4-5-14] bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en[^openbaring-4-5-15] zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, die zijn[^openbaring-4-5-16] de zeven geesten van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v5)

**6** En voor de troon was[^openbaring-4-6-17][^openbaring-4-6-a] een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon,[^openbaring-4-6-18] vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v6)

**7** En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegende adelaar gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v7)

**8** En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugels rondom, en waren van binnen vol ogen;[^openbaring-4-8-19] en hebben geen rust[^openbaring-4-8-20] dag en nacht, zeggende:[^openbaring-4-8-b] Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige,[^openbaring-4-8-c] Die was, en Die is, en Die komen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v8)

**9** En wanneer de dieren[^openbaring-4-9-21] heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op de troon zat, Die[^openbaring-4-9-22] in alle eeuwigheid leeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v9)

**10** Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en[^openbaring-4-10-23] wierpen hun kronen voor de troon, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v10)

**11** [^openbaring-4-11-d] U Heere, bent[^openbaring-4-11-24] waard te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want U hebt alle dingen geschapen, en[^openbaring-4-11-25] door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/4.html#v11)

[^openbaring-4-1-1]: Kanttekening 1: Na deze zag ik: Dat is, nadat dit eerste gezicht was voltooid.
[^openbaring-4-1-2]: Kanttekening 2: die ik gehoord had: Namelijk Openbaring 1:10 ; welke de stem van Christus was, wiens heerlijkheid daar is beschreven, en wiens woorden hier overeenkomen met de woorden die Openbaring 1:1 zijn verklaard. Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin, Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;
[^openbaring-4-1-3]: Kanttekening 3: na deze: Dat is, van deze tijd af tot het einde van de wereld, gelijk de openbaring zelf hierna uitwijst.
[^openbaring-4-1-4]: Kanttekening 4: gebeuren moet: Namelijk, ten opzichte van Gods voorzienigheid, zo in de wereld in het algemeen, als in het bijzonder in de gemeente van God, tot straf van de bozen, en tot beproeving en vertroosting van de vromen, gelijk Openbaring 1:1 en Openbaring 22:6 . Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 22:6 : En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heer, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienaren te tonen, wat haast moet gebeuren.
[^openbaring-4-2-5]: Kanttekening 5: werd ik in de geest: Dat is, in een nieuwe vertrekking of verheffing van zinnen door de Geest, gelijk hiervoren, Openbaring 1:10 . Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
[^openbaring-4-2-6]: Kanttekening 6: er was een troon gezet in de hemel: Dit gezicht vergelijken velen met het gezicht, dat Jesaja, Jesaja 6:1 , en Ezechiël, Ezechiël 1:4 , gezien heeft van de majesteit van God in de hemel. Er zijn zonder twijfel verscheidene dingen in dit gezicht, welker gelijke ook in die andere worden gevonden. Alleen dient dit daarbij aangemerkt, dat dit gezicht, gelijk ook de andere, vele dingen ontleend heeft aan de tabernakel of tempel van het Oude Testament, welke Mozes bevolen was te maken naar het voorbeeld dat hem op de berg was getoond, gelijk te zien is Exodus 25:8 , 25:9 , 25:40 ; Hebreeën 8:5 , en Hebreeën 9:24 . Waardoor vele delen en eigenschappen van dit en de volgende gezichten te beter kunnen verstaan worden, gelijk in het vervolg breder zal blijken. Jesaja 6:1 : In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. Ezechiël 1:4 : Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Exodus 25:8 : En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. Exodus 25:9 : Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even zo zult u dat maken. Exodus 25:40 : Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. Hebreeën 8:5 : Welke het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is. Hebreeën 9:24 : Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;
[^openbaring-4-2-7]: Kanttekening 7: er zat Een: Namelijk God de Vader, die deze openbaring van Christus Jezus heeft gegeven, gelijk uitgedrukt is Openbaring 1:1 ; dat ook blijkt uit de vergelijking met vers 6 , 4:7 , waar Christus het verzegeld boek neemt uit de hand van degene die op de troon zat. Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. Openbaring 4:7 : En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden adelaar gelijk.
[^openbaring-4-2-8]: Kanttekening 8: op de troon: Namelijk als een rechter van allen, en in het bijzonder als een koning en beschermer van Zijn gemeente. Maar hier moet opgemerkt worden, dat deze troon, waar de donderslagen uit voortkomen, wordt gezegd te zijn in de tempel van de hemel. Openbaring 16:17 , 16:18 ; dat ook het altaar voor deze troon van God staat, Openbaring 8:3 , en Openbaring 9:13 ; waarin de ark van het getuigenis wordt gezien, Openbaring 11:19 , en waaruit de engelen van Gods aangezicht als Cherubijnen uitgezonden worden, Openbaring 14:15 , 14:17 , 14:18 ; welke alle, en andere dergelijke op het voorbeeld van de tempel en de tabernakel wijzen, hoewel zulks hier in de hemel is gezien. Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied. Openbaring 16:18 : En er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot. Openbaring 8:3 : En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. Openbaring 9:13 : En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen van de gouden altaars, dat voor God was, Openbaring 11:19 : En de tempel van God in de hemel is geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel. Openbaring 14:15 : En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden. Openbaring 14:17 : En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. Openbaring 14:18 : En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.
[^openbaring-4-3-9]: Kanttekening 9: in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk: Door deze drie kostelijke stenen, waarvan de eerste van verscheidene kleuren is, de tweede van blinkende lijfverf, en de derde van levendig groen, wordt hier geschikt afgebeeld de velerlei heerlijkheid, en nochtans onveranderlijkheid van Gods wezen, dat alles ook met Zijn heerlijkheid bestraalt, en door Zijn sterkte ondersteunt. Maar hier moet opgemerkt worden, dat hier geen gelijkenis of gestalte van Gods aangezicht wordt aangetekend, opdat de mensen hieruit geen oorzaak zouden nemen om Hem af te beelden; gelijk Mozes van de verschijning van God op de berg Horeb in het vuur betuigt, Deuteronomium 4:15 ; waarom ook in de verschijning, Jesaja 6 , Ezechiël 1 , en Ezechiël 10 , en Daniël 7 , geen bijzondere gestalte van het aangezicht wordt uitgedrukt; en hebben ook de Israëlieten in het Oude Testament, onder de dekmantel van zulke verschijningen aan de profeten gedaan, nimmer God door enig beeld durven afbeelden, gelijk de apostelen en de eerste Evangelische Kerk ook zulks nimmer heeft bestaan, daar het strijdt tegen de uitgedrukte bevelen van God; Deuteronomium 4:15 ,23; Jesaja 40:18 ; Handelingen 17:29 ; Romeinen 1:23 . Deuteronomium 4:15 : Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak; Deuteronomium 4:15 : Wacht u dan wel voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als YHWH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak; Jesaja 40:18 : Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen? Handelingen 17:29 : Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn. Romeinen 1:23 : En hebben de heerlijkheid van de onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
[^openbaring-4-3-10]: Kanttekening 10: een regenboog was rondom de troon: Hierdoor wordt geschikt afgebeeld het verbond van de genade van God over Zijn gemeente, dat namelijk, welke stormen en watervloeden van vervolging of andere zwarigheden hier in deze onstuimige wereld hun overkomen, Hij hen nochtans niet zal laten vergaan, gelijk van de wateren van de zondvloed gesproken wordt; Genesis 9:12 , enz. Genesis 9:12 : En God zei: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.
[^openbaring-4-4-11]: Kanttekening 11: en op de tronen zag ik de: Deze vier en twintig ouderlingen nemen sommigen voor de twaalf patriarchen, en de twaalf apostelen, als voorgangers van de gehele Kerk van het Oude en Nieuwe Testament. Maar daar Johannes, één van de apostelen, toen nog leefde, en dit gezicht in de hemel is geschied, zo verstaan anderen hierdoor al de voorgangers van het Oude Testament; een gelijkenis, genomen van de priesters en levieten, die de tabernakel dienden, en in vier en twintig orden waren onderscheiden, en daarom vier en twintig oversten hadden, die voorgangers waren van de gehele Israëlitische Kerk, gelijk te zien is 1 Kronieken 24 .
[^openbaring-4-4-12]: Kanttekening 12: met witte kleren: Deze betekenen hun heilig en priesterlijk gewaad, en hun overwinning.
[^openbaring-4-4-13]: Kanttekening 13: gouden kronen op hun hoofden: Daarmee wordt betekend hun koninklijke waardigheid, die zij in Christus, en van Christus als overwinnaars van de satan en van de wereld hebben verkregen; Openbaring 1:6 . Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^openbaring-4-5-14]: Kanttekening 14: bliksemen, en donderslagen: Hierdoor wordt de krachtige werking Gods en Zijn Woord afgebeeld, die uit de tempel van de hemel worden gezegd te gaan; Openbaring 16:17 . Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied.
[^openbaring-4-5-15]: Kanttekening 15: zeven vurige lampen waren: Namelijk gelijk aan de kandelaar in de tabernakel zeven lampen waren, die altijd met olie en licht moesten voorzien zijn, waarvan zie de betekenis hiervoren, Openbaring 1:4 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;
[^openbaring-4-5-16]: Kanttekening 16: de zeven geesten Gods: Dat is, de Heilige Geest met Zijn verscheidene gaven in Christus' gemeente. Zie Openbaring 1:4 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;
[^openbaring-4-6-17]: Kanttekening 17: een glazen zee, kristal gelijk: Deze gelijkenis is ook genomen van de gestalte van de tempel, waarin een groot koperen vat met water was, genaamd de koperen of gegoten zee; 1 Koningen 7:23 . Dat hier van kristal wordt gezegd te zijn, omdat het voor Gods troon geheel zichtbaar en glorierijk was; en betekent de menigte van de volken op de wereld, die als een zee dikwijls herwaarts en daarheen worden bewogen, maar onder Gods ogen en macht altijd staan, en licht kunnen verbroken of gestild worden. Zo wordt het woord wateren, waaruit de zee bestaat, door de engel hierna verklaard; Openbaring 17:15 . 1 Koningen 7:23 : Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.
[^openbaring-4-6-a]: Verwijzing a: Openbaring 15:2 . Openbaring 15:2 : En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods;
[^openbaring-4-6-18]: Kanttekening 18: vier dieren, zijnde vol ogen: Enige verstaan hierdoor de vier dieren, van welke Ezechiël 1:10 , in dergelijk gezicht spreekt, waarmee daar de engelen van God worden betekend. Maar uit het volgende hoofdstuk Openbaring 5:9 , blijkt klaar dat hierdoor mensen verstaan worden, die door het bloed van Christus zijn gekocht uit alle volken, talen en natiën, gelijk ook de vier en twintig ouderlingen, tevoren gemeld, welke beide van al de engelen worden onderscheiden; Openbaring 7:11 . Daarom duiden anderen die op de vier Evangelisten, die vol ogen waren, om hun grote kennis in de zaken van Christus; en zes vleugels hadden, omdat zij van het leven, sterven en de heerlijkheid van Christus aan alle zijden vlijtig onderzoek hebben gedaan, en zulks tot ons overgebracht hebben, opdat wij het eeuwige leven door Christus verkrijgen mochten. Van Mattheüs wordt gezegd een aangezicht te hebben als een mens, omdat hij van de menswording van Christus begint; Markus als een leeuw, omdat hij van de roeping van Johannes de Doper in de woestijn begint; Lukas als een kalf of os, omdat hij van Zacharia, die in de tempel offerde, begint, en Johannes als een adelaar, omdat hij van de hoge geboorte van de Zoon van God uit de persoon van de Vader begint; en dit gevoelen is zeer oud in de christelijke kerk. Maar daar Johannes toen nog leefde op de aarde, en zij ook, Openbaring 5:8 , zingen, dat zij uit alle talen en natiën met Christus' bloed zijn gekocht, en de vier Evangelisten alle uit de Joden waren, zo nemen anderen het wel zo geschikt voor de herders en voorgangers van het Nieuwe Testament in het algemeen, welke vier genoemd worden, omdat zij het Evangelie naar de vier hoeken van de wereld hebben uitgebreid, en omdat hun vier orden door Paulus worden uitgedrukt, Efeze 4:11 , namelijk apostelen, profeten, Evangelisten en herders of leraars, die in hun ambt in de zaak van Christus moedig moeten zijn als een leeuw, volhardende en aandringende als een os of kalf, voorzichtig als een mens, en alles onderzoekende als een adelaar; waarom ook hun vele ogen en vleugels worden toegeschreven. Ezechiël 1:10 : De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier van een arend aangezicht. Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Openbaring 7:11 : En al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor de troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God, Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen. Efeziërs 4:11 : En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
[^openbaring-4-8-19]: Kanttekening 19: hebben geen rust: Namelijk van God te danken en te prijzen voor Zijn troon.
[^openbaring-4-8-20]: Kanttekening 20: dag en nacht, zeggende: Dat is, altijd en eeuwig; daar in het hemelse Jeruzalem geen nacht is, maar een eeuwige dag, verlicht door God en het Lam; Openbaring 21:23 , 21:25 . Openbaring 21:23 : En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 21:25 : En haar poorten zullen niet gesloten worden van de dag; want daar zal geen nacht zijn.
[^openbaring-4-8-b]: Verwijzing b: Jesaja 6:3 . Jesaja 6:3 : En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is YHWH van de heirscharen! De gehele aarde is van Zijn heerlijkheid vol!
[^openbaring-4-8-c]: Verwijzing c: Openbaring 1:4 ; idem 1:8 ; Openbaring 11:17 ; Openbaring 16:5 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 11:17 : Zeggende: Wij danken U, Heer God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat U Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst; Openbaring 16:5 : En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heer! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat U dit geoordeeld hebt;
[^openbaring-4-9-21]: Kanttekening 21: heerlijkheid, en eer: Dat is, zijn heerlijkheid en eer met een dankbaar gemoed erkenden; gelijk Jozua 7:19 . Jozua 7:19 : Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch YHWH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
[^openbaring-4-9-22]: Kanttekening 22: alle eeuwigheid leeft: Grieks in de eeuwigheden van de eeuwigheden; gelijk ook in vers 10 . Openbaring 4:10 : Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende:
[^openbaring-4-10-23]: Kanttekening 23: wierpen hun kronen voor de troon: Niet om zichzelf daarvan te ontbloten, maar om te bewijzen dat hun overwinning niet van hen maar van Hem kwam die op de troon zat, dat zij met dit nedervallen en werpen hun kronen betuigen.
[^openbaring-4-11-d]: Verwijzing d: Openbaring 5:12 . Openbaring 5:12 : Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
[^openbaring-4-11-24]: Kanttekening 24: waard te ontvangen de heerlijkheid: Dat is, dat geheel de wereld uw heerlijkheid bekenne, U als God ere en uwe kracht als een almogende kracht vreze.
[^openbaring-4-11-25]: Kanttekening 25: door Uw wil zijn zij: Dat is, bestaan zij nog, gelijk zij geschapen zijn; Romeinen 11:36 . Romeinen 11:36 : Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

### Openbaring 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/5.json)

*1 Na de beschrijving van hem die op de troon zat, verhaalt de apostel de eigenschappen van het verzegelde boek dat in zijn hand was. 3 Omdat geen schepsel in de hemel of op aarde dat kon openen, 5 wordt alleen de Leeuw uit de stam Juda waardig verklaard om dat te doen. 7 die het boek uit zijn hand ontvangt. 8 Waarop de vier dieren met de vierentwintig oudsten zijn waardigheid loven. 11 en de menigte van de engelen met hun loflied dat ook erkennen. 13 en alle schepselen in hemel en aarde met hen instemmen.*

**1** En ik zag[^openbaring-5-1-1] in de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat,[^openbaring-5-1-a] een boek, geschreven[^openbaring-5-1-2] van binnen en van buiten,[^openbaring-5-1-3] verzegeld met zeven zegelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v1)

**2** En ik zag[^openbaring-5-2-4] een sterke engel, uitroepende met een luide stem:[^openbaring-5-2-5] Wie is waard het boek te openen, en zijn zegelen open te breken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v2)

**3** En niemand[^openbaring-5-3-b] in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelfde[^openbaring-5-3-6] inzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v3)

**4** En[^openbaring-5-4-7] ik huilde zeer, dat niemand waard gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelfde in te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v4)

**5** En[^openbaring-5-5-8] één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie[^openbaring-5-5-c],[^openbaring-5-5-9] de Leeuw, Die uit de stam van Juda is[^openbaring-5-5-d],[^openbaring-5-5-10] de Wortel van David, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v5)

**6** En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een[^openbaring-5-6-11] Lam, staande[^openbaring-5-6-12] als geslacht, hebbende[^openbaring-5-6-13] zeven hoornen, en[^openbaring-5-6-e] zeven ogen; die zijn de[^openbaring-5-6-14][^openbaring-5-6-f] zeven geesten van God,[^openbaring-5-6-15] die uitgezonden zijn in alle landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v6)

**7** En[^openbaring-5-7-16] Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v7)

**8** En als Het dat boek[^openbaring-5-8-17] genomen had,[^openbaring-5-8-18] vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neer, hebbende elk[^openbaring-5-8-19][^openbaring-5-8-g] citeren en gouden schalen, zijnde vol reukwerk,[^openbaring-5-8-20] die zijn[^openbaring-5-8-h] de gebeden van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v8)

**9** En zij zongen[^openbaring-5-9-i] een[^openbaring-5-9-21] nieuw lied, zeggende:[^openbaring-5-9-k] U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht[^openbaring-5-9-22] met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;[^openbaring-5-9-l] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v9)

**10** [^openbaring-5-10-m] En U hebt ons voor onze God gemaakt[^openbaring-5-10-23] tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen[^openbaring-5-10-24] heersen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v10)

**11** En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en[^openbaring-5-11-n] hun getal was[^openbaring-5-11-25] tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v11)

**12** Zeggende met een luide stem:[^openbaring-5-12-o] Het Lam, Dat geslacht is, is waard[^openbaring-5-12-26] te ontvangen de kracht, en[^openbaring-5-12-27] rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en[^openbaring-5-12-28] dankzegging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v12)

**13** En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en[^openbaring-5-13-29] onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht[^openbaring-5-13-30] in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v13)

**14** En de vier dieren zeiden:[^openbaring-5-14-31] Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neer, en aanbaden Degene, Die leeft in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/5.html#v14)

[^openbaring-5-1-1]: Kanttekening 1: in de rechter hand : Het Griekse woord epi (ἐπὶ) wordt ook overgezet aan de rechterhand; maar uit het vers 7 blijkt dat deze overzetting beter is. Openbaring 5:7 : En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat.
[^openbaring-5-1-a]: Verwijzing a: Ezechiël 2:10 . Ezechiël 2:10 : En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.
[^openbaring-5-1-2]: Kanttekening 2: van binnen en van buiten: Of van binnen en van achteren. Hieruit blijkt dat dit boek een rol is geweest aan weerszijden beschreven, gelijk de ouden veel plachten te gebruiken. Zie een voorbeeld Psalm 40:8 ; Zacharia 5:1 . Psalmen 40:8 : Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. Zacharia 5:1 : En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet, een vliegende rol.
[^openbaring-5-1-3]: Kanttekening 3: verzegeld met zeven zegelen: Sommigen verstaan dit van het boek van de Ouden en Nieuwen Testaments; maar daar hier gesproken wordt van een openbaring van de toekomende dingen, die God Jezus Christus gegeven heeft, om daarna Johannes te melden, welke in dit hoofdstuk wordt vertoond, zo wordt het beter verstaan van het boek van de regering Gods over Zijn gemeente en van Zijn oordelen tegen haar vijanden, gelijk ook het opendoen van de zeven zegelen het een na het ander, waarop deze openbaring volgt, het genoeg te kennen geeft.
[^openbaring-5-2-4]: Kanttekening 4: sterken engel: Namelijk om door sterk roepen van een ieder door de gehele wereld gehoord te worden. En deze titel wordt alle engelen van God gegeven; Psalm 103:20 . Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord.
[^openbaring-5-2-5]: Kanttekening 5: Wie is waard: Dat is, met aanzien en macht daartoe gerechtigd en bekwaam.
[^openbaring-5-3-b]: Verwijzing b: Filippenzen 2:10 ; Openbaring 5:13 . Filippensen 2:10 : Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Openbaring 5:13 : En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelfde is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
[^openbaring-5-3-6]: Kanttekening 6: in zien: Namelijk om wat daarin begrepen is Johannes, en door hem de gehele gemeente, tot haar troost en waarschuwing bericht te doen, volgens de belofte tevoren gedaan; Openbaring 1:1 . Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;
[^openbaring-5-4-7]: Kanttekening 7: ik weende zeer: Namelijk omdat hij vreesde, dat hierdoor de belofte, aan hem tevoren geschied, zo haast geen voortgang mocht hebben; waar hij nochtans zeer naar verlangde.
[^openbaring-5-5-8]: Kanttekening 8: één van de ouderlingen: Namelijk die hem de naaste was.
[^openbaring-5-5-c]: Verwijzing c: Genesis 49:9 ; idem v. 10 . Genesis 49:9 : Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Genesis 49:10 : De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Dezelfde zullen de volken gehoorzaam zijn.
[^openbaring-5-5-9]: Kanttekening 9: de Leeuw: Zo wordt Christus genoemd uit de zegening van Juda in het testament van Jakob, Genesis 49:9 , en dat vanwege zijn koninklijke en overwinnende kracht over de duivel, wereld, zonde en dood. Genesis 49:9 : Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
[^openbaring-5-5-d]: Verwijzing d: Jesaja 11:10 ; Romeinen 15:12 ; Openbaring 22:16 . Jesaja 11:10 : Want het zal gebeuren ten zelven dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier van de volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. Romeinen 15:12 : En opnieuw zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen. Openbaring 22:16 : Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
[^openbaring-5-5-10]: Kanttekening 10: de Wortel Davids: Gelijk ook hierna Openbaring 22:16 ; en Christus wordt zo genoemd omdat Hij uit de zade Davids, als een wortel die uitspruit, voortgekomen is, en onder deze naam ook beloofd wordt; Jesaja 53:2 . Openbaring 22:16 : Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster. Jesaja 53:2 : Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
[^openbaring-5-6-11]: Kanttekening 11: een Lam: Zo wordt Christus hier afgebeeld omdat het paaslam en andere lammeren, die voor de zonde dagelijks geofferd werden, Exodus 29:38 , schaduwen van Christus waren, gelijk Hij ook zo genoemd wordt Jesaja 53:7 . Zie ook Johannes 1:29 . Exodus 29:38 : Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, van de dag, geduriglijk. Jesaja 53:7 : Als dezelfde geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Johannes 1:29 : Van de anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!
[^openbaring-5-6-12]: Kanttekening 12: als geslacht: Of geslacht geweest zijnde. Het woord als nemen sommigen voor de waarheid van de zaak, gelijk het Johannes 1:14 en elders meer genomen wordt. Anderen nemen het alleen voor een gelijkenis, namelijk omdat Christus nu verheerlijkt op de troon van Zijn Vader, de littekenen van Zijn wonden en andere smarten, die Hij tevoren voor ons gedragen had, in dit gezicht nog droeg, gelijk Lukas 24:40 , en Johannes 20:27 , ook deed. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. Lukas 24:40 : En als Hij dit zei, toonde Hij hun de handen en de voeten. Johannes 20:27 : Daarna zei Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.
[^openbaring-5-6-13]: Kanttekening 13: zeven hoornen, en zeven ogen: Hierdoor wordt de Heilige Geest afgebeeld, die Christus zonder mate heeft ontvangen, Johannes 3:34 , waardoor Hij ook Zijn macht en Zijn voorzienigheid in het regeren van Zijn gemeente uitvoert. Johannes 3:34 : Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate.
[^openbaring-5-6-e]: Verwijzing e: Zacharia 3:9 ; Zacharia 4:10 . Zacharia 3:9 : Want ziet, aangaande die steen, welke Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op die enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt YHWH van de heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid van deze lands op een dag wegnemen. Zacharia 4:10 : Want wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen van YHWH, die het gehele land doortrekken.
[^openbaring-5-6-14]: Kanttekening 14: zeven geesten Gods: Dat is, de volheid van de Heilige Geest. De reden van deze wijze van spreken, zie Openbaring 1:4 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;
[^openbaring-5-6-f]: Verwijzing f: Openbaring 4:5 . Openbaring 4:5 : En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven geesten Gods.
[^openbaring-5-6-15]: Kanttekening 15: die uitgezonden zijn in alle landen: Grieks uitgezonden in al het land, of de aarde. Deze woorden zijn genomen uit Zacharia 3:9 ; waar zeven ogen worden gegraveerd op de steen, waar God Zijn tempel onder Jozua op bouwt die Openbaring 4:10 verklaard worden te zijn de ogen van God die de aarde doorgaan; dat is, Zijn voorzienigheid en Geest, waardoor Hij de wereld en in het bijzonder Zijn gemeente regeert. Zacharia 3:9 : Want ziet, aangaande die steen, welke Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op die enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt YHWH van de heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid van deze lands op een dag wegnemen. Openbaring 4:10 : Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende:
[^openbaring-5-7-16]: Kanttekening 16: Het kwam: Namelijk als een middelaar tussen God en de mensen.
[^openbaring-5-8-17]: Kanttekening 17: genomen had: Namelijk om de zegelen daarvan te openen en wat daarin begrepen was te openbaren, gelijk Openbaring 6:1 , en vervolgens tot het einde van deze openbaring. Openbaring 6:1 : En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie!
[^openbaring-5-8-18]: Kanttekening 18: vielen de vier dieren en de vier en twintig: Gelijk zij hiervoor, Openbaring 4:10 , voor degene die op de troon zat hadden gedaan, waarmee zij bewijzen, dat zij Hem ook erkennen voor de enige en waarachtigen God, van één wezen en heerlijkheid met de Vader, gelijk de engelen en alle andere schepselen, in het volgende Hem ook dezelfde eer geven, die zij voor God de Vader geven. Openbaring 4:10 : Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende:
[^openbaring-5-8-19]: Kanttekening 19: citeren en gouden fiolen: Namelijk gelijk de priesters en levieten in de tempel plachten te gebruiken. Van de citers, als instrumenten van muziek, waarmee zij hun harten verhieven en God loofden, is alom te lezen in de psalmen van David. Van de fiolen, schalen of kruiken van reukwerk, zie 2 Kronieken 4:22 ; Zacharia 14:20 ; door welk reukwerk, de gebeden, die tot God opklommen en Hem in Christus aangenaam waren, werden betekend, gelijk te zien is Psalm 141:2 . 2 Kronieken 4:22 : En ook de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; aangaande de ingang van het huis, zijn binnenste deuren, van het heilige van de heiligen, en de deuren van het huis van de tempel waren van goud. Zacharia 14:20 : Te die dage zal op de bellen van de paarden staan: De HEILIGHEID DES YHWH. En de potten in het huis van YHWH zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
[^openbaring-5-8-g]: Verwijzing g: Openbaring 14:2 . Openbaring 14:2 : En ik hoorde een stem uit de hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een grote donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers;
[^openbaring-5-8-20]: Kanttekening 20: welke zijn de gebeden van de heiligen: Dat is, welke betekenen de gebeden van de heiligen; en wordt hier gezien op de wijze van doen in het Oude Testament. Want gelijk de priesters dagelijks en de hogepriester eens in het jaar het reukwerk, gevoegd met het bloed van de offeranden, Leviticus 16:13 ; Hebreeën 9:4 , enz., voor God offerden, om te kennen te geven, dat zij als voorgangers van de gemeente, en te zamen met de gemeente van het Oude Testament, hun gebeden en dankzeggingen tot God brachten, zo wordt ook hier afgebeeld, dat de voorgangers van de gemeente, zo van het Oude als van het Nieuwe Testament, in de triomferende Kerk in de hemel ook gezamenlijk hun gebeden en dankzeggingen in Christus voor Gods troon brengen, gelijk met deze vier dieren en vier en twintig ouderlingen ook alle andere heiligen in de hemel hier verstaan worden, naar de inhoud van de lofzang, die in vers 9 wordt uitgedrukt en nader verklaard Openbaring 6:10 , en Openbaring 7:9 , 7:10 , 7:15 , en Openbaring 8:3 . Leviticus 16:13 : En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht van YHWH, opdat de nevel van het reukwerk het verzoendeksel, dat is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve. Hebreeën 9:4 : Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond. Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 7:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam. Openbaring 7:15 : Daarom zijn zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op de troon zit, zal hen overschaduwen. Openbaring 8:3 : En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.
[^openbaring-5-8-h]: Verwijzing h: Psalm 141:2 . Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
[^openbaring-5-9-i]: Verwijzing i: Openbaring 14:3 . Openbaring 14:3 : En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.
[^openbaring-5-9-21]: Kanttekening 21: nieuw lied: Dat is, van een nieuw maaksel en van een nieuwen inhoud, gelijk Psalm 33:3 ; Jesaja 42:10 . Psalmen 33:3 : Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal. Jesaja 42:10 : Zingt YHWH een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde; u, die ter zee vaart, en al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners.
[^openbaring-5-9-k]: Verwijzing k: Openbaring 4:11 . Openbaring 4:11 : U Heer, zijt waard te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.
[^openbaring-5-9-22]: Kanttekening 22: met Uw bloed: Grieks in uw bloed; dat is, door of met.
[^openbaring-5-9-l]: Verwijzing l: Handelingen 20:28 ; Efeze 1:7 ; Kolossenzen 1:14 ; Hebreeën 9:12 ; Hebreeën 10:10 ; 1 Petrus 1:19 ; 1 Johannes 1:7 . Handelingen 20:28 : Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. Efeziërs 1:7 : In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom Zijn genade, Kolossensen 1:14 : In Denwelken wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Hebreeën 10:10 : In welke wil wij geheiligd zijn, door de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied. 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
[^openbaring-5-10-m]: Verwijzing m: Exodus 19:6 ; 1 Petrus 2:5 ; idem v. 9 ; Openbaring 1:6 . Exodus 19:6 : En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de kinderen van Israël spreken zult. 1 Petrus 2:5 : Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden Van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^openbaring-5-10-23]: Kanttekening 23: tot koningen en priesters: Zie hiervoren Openbaring 1:6 . Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.
[^openbaring-5-10-24]: Kanttekening 24: heersen op de aarde: Sommigen verstaan dit van de heerschappij van de heiligen op de aarde ten tijde van de duizend jaren, waarvan gesproken zal worden Openbaring 20 . Zie daar de weerlegging van dit gevoelen. Anderen verstaan dit van een heerschappij, die de heiligen in de hemel nu reeds over de mensen, die op de aarde zijn, voeren. Maar dit strijdt tegen andere plaatsen van de Schrift, 2 Koningen 22:2 . Zie Job 14:21 ; Jesaja 63:16 . En hier wordt uitdrukkelijk gesproken, niet van een tegenwoordige, maar van een toekomende heerschappij, die namelijk dan wezen zal wanneer zij met Christus in Zijn laatste komst zullen zitten op tronen, en de wereld, ook de engelen zelf oordelen, Matteüs 19:28 ; Lukas 22:30 ; 1 Korinthe 6:3 , en wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal zijn, in welke de rechtvaardigheid zal wonen; 2 Petrus 3:13 . Zie ook Matteüs 5:5 . 2 Koningen 22:2 : En hij deed dat recht was in de ogen van YHWH; en hij wandelde in al de weg van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand noch ter linkerhand. Job 14:21 : Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen. Jesaja 63:16 : U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o YHWH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. Lukas 22:30 : Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. 1 Korinthiërs 6:3 : Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan? 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont. Mattheüs 5:5 : Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aarde beërven.
[^openbaring-5-11-n]: Verwijzing n: Daniël 7:10 ; Hebreeën 12:22 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;
[^openbaring-5-11-25]: Kanttekening 25: tien duizendmaal tien duizenden: Dit is genomen uit Daniël 7:10 waardoor de heerlijkheid en macht van God en Christus wordt afgebeeld, die talloze dienaren rondom zich heeft. Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
[^openbaring-5-12-o]: Verwijzing o: Openbaring 4:11 . Openbaring 4:11 : U Heer, zijt waard te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.
[^openbaring-5-12-26]: Kanttekening 26: te ontvangen de kracht: Niet dat hij ze nog niet had; want hij was verheven boven alle namen die genoemd worden in hemel en op aarde, Filippenzen 2:9 ; maar dit moet verstaan worden van de erkentenis van al deze eigenschappen onder alle schepselen, gelijk hierna wordt uitgedrukt. Filippensen 2:9 : Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is;
[^openbaring-5-12-27]: Kanttekening 27: rijkdom, en wijsheid, en sterkte: Want in Hem zijn al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen; Kolossenzen 2:3 . Kolossensen 2:3 : In Denwelken al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn.
[^openbaring-5-12-28]: Kanttekening 28: Grieks zegening; gelijk ook in vers 13 . Openbaring 5:13 : En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelfde is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
[^openbaring-5-13-29]: Kanttekening 29: onder de aarde: Dit wordt gezegd, gelijk hierna in de zee, van alle schepselen, levende en levenloze, omdat zij allen stof en oorzaak geven, dat men Christus lof en ere geven, gelijk Psalm 148:1 , enz. Anderen verstaan door degenen, die op zijn tijd uit de graven zullen opstaan. Psalmen 148:1 : Hallelujah! Looft YHWH uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
[^openbaring-5-13-30]: Kanttekening 30: in alle eeuwigheid: Grieks in de eeuwigheden van de eeuwigheden.
[^openbaring-5-14-31]: Kanttekening 31: Zie Openbaring 1:7 . Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.

### Openbaring 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/6.json)

*1 Het eerste zegel wordt geopend, en een wit paard komt tevoorschijn, waarop iemand zit die overwint. 3 Daarna wordt het tweede zegel geopend, en een rood paard komt tevoorschijn, waarop iemand zit die de vrede van de aarde wegneemt. 5 Het derde zegel wordt geopend, waarna een zwart paard wordt gezien, waarop iemand zit met een weegschaal in de hand. 7 Het vierde zegel wordt geopend, waarop een vaal paard tevoorschijn komt, waarop de dood zit. 9 Daarna wordt het vijfde zegel geopend, waarbij de zielen onder het altaar tot God roepen en getroost worden. 12 Ten slotte wordt het zesde zegel geopend, waarna grote tekenen volgen in hemel en op aarde. 15 voor welke tekenen alle soorten mensen verschrikken en bidden dat de rotsen hen bedekken voor de toorn van het Lam.*

**1** En ik zag,[^openbaring-6-1-1] toen het Lam[^openbaring-6-1-2] één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag:[^openbaring-6-1-3] Kom en zie! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v1)

**2** [^openbaring-6-2-4]En ik zag, en ziet,[^openbaring-6-2-5][^openbaring-6-2-a] een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v2)

**3** En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v3)

**4** En een ander paard ging uit,[^openbaring-6-4-6] dat rood was; en die, die daarop zat, werd macht gegeven de vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkaar zouden[^openbaring-6-4-7] doden; en hem werd[^openbaring-6-4-8] een groot zwaard gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v4)

**5** En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet,[^openbaring-6-5-9] een zwart paard, en die daarop zat, had[^openbaring-6-5-10] een weegschaal in zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v5)

**6** En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei:[^openbaring-6-6-11] Één maatje tarwe voor[^openbaring-6-6-12] een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en[^openbaring-6-6-13] beschadig de olie en de wijn[^openbaring-6-6-b] niet.[^openbaring-6-6-14] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v6)

**7** En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zei: Kom en zie! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v7)

**8** En ik zag, en ziet,[^openbaring-6-8-15] een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en[^openbaring-6-8-16] de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel van de aarde,[^openbaring-6-8-17] met zwaard, en met honger, en met de dood, en door de wilde beesten van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v8)

**9** En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik[^openbaring-6-9-18] onder het altaar[^openbaring-6-9-c] de zielen van degenen, die[^openbaring-6-9-19] gedood waren om het Woord van God, en[^openbaring-6-9-d] om de getuigenis, die zij hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v9)

**10** En zij riepen met luide stem,[^openbaring-6-10-20] zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v10)

**11** En aan ieder werden[^openbaring-6-11-21] lange witte kleren gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die[^openbaring-6-11-22] gedood zouden worden, zoals zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v11)

**12** En ik zag, toen Het[^openbaring-6-12-23] het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving;[^openbaring-6-12-e] en de zon werd zwart als een haar zak, en de maan werd als bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v12)

**13** En de sterren van de hemel vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v13)

**14** En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v14)

**15** En[^openbaring-6-15-24] de koningen van de aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienaren, en alle vrijen, verborgen zichzelf in de grotten, en in de steenrotsen van de bergen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v15)

**16** En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen:[^openbaring-6-16-f] Val op ons, en verbergt ons van het aangezicht Van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v16)

**17** Want[^openbaring-6-17-25] de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie kan[^openbaring-6-17-26] bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/6.html#v17)

[^openbaring-6-1-1]: Kanttekening 1: Grieks hote; dat is, toen, waarvoor anderen lezen hori; dat is, dat, en past de zin dan ook wel.
[^openbaring-6-1-2]: Kanttekening 2: één van de zegelen: Dat is, het eerste van de zegelen, gelijk meteen daarna één uit de dieren , dat is, het eerste als blijkt uit verzen 3, 5, 7; een Hebreeuwsche wijze van spreken. Zie Genesis 1:5 , Matteüs 28:1 . Genesis 1:5 : En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. Mattheüs 28:1 : En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien.
[^openbaring-6-1-3]: Kanttekening 3: Kom en zie: Gelijk één van de vier en twintig ouderlingen, Openbaring 5:5 , de apostel vertroost heeft, als hij weende, omdat niemand werd gevonden, die dit boek met zijn zegelen kon openen, zo komt nu een ander van de vier dieren, en vermaant de apostel tot naarstige opmerking van wat na de opening van de zegelen zal volgen, gelijk ook de andere drie elk op hun beurt zullen doen; opdat alles met orde en vrucht in deze verschijningen, die hier in de hemelen worden vertoond, mocht voortgaan. Openbaring 5:5 : En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.
[^openbaring-6-2-4]: Kanttekening 4: En ik zag: Sommigen verstaan, bij de gezichten, die op de opening van de vier eerste zegelen volgen, de vier heerschappijen, waarvan Daniël heeft geprofeteerd. Maar dit gevoelen wordt weerlegd uit wat in Openbaring 1:1 , en Openbaring 4:1 , is gezegd, namelijk dat hier vertoond worden dingen die na deze gebeuren moesten, niet dan zodanige dingen die nu lang tevoren geschied waren. Die het nu van toekomende dingen verklaren, zijn ook van tweeërlei mening. Enige verstaan door de verschijningen die op de opening van deze zegelen vertoond worden, de veranderingen en zwarigheden, die het Romeinse rijk, van deze tijd af tot de tijden van keizer Constantijn toe, die de eerste christen-keizer is geweest, zijn overkomen; zo namelijk, dat het witte paard met zijn overwinnende ruiter Christus zou betekenen, die gelijk hij nu reeds door zijn apostelen had begonnen, zo ook voortaan door andere getrouwe leraars de heidense afgoderij en andere ijdele godsdiensten zou onder de voet brengen, en het Romeinse rijk in dit stuk zo in een geheel anderen staat herstellen. Het rode paard, de bloedstortingen en burgerlijke tweedracht, die in dit rijk onder verscheidene keizers zouden ontstaan. Het zwarte paard, de hongersnoden en dure tijden, die God tot een straf onder hen tot verscheidene malen heeft gezonden. Het vale paard, de zware pesten en andere vurige ziekten en sterften, die in dit rijk zouden voorkomen; en dat alles vanwege de vervolgingen, die zij tegen de christenen tot tien malen toe hebben verwekt. Waarop na de opening van het vijfde zegel, de zielen van de gedode christenen voor God om wraak zouden roepen, die na de opening van het zesde zegel verhoord zijn voor God; na welke Constantijn is verwekt, die de tirannische keizers en vervolgers van de gemeente Maxintius, Maximianus, Licinius en andere van huns gelijken heeft ten onder gebracht, aan de heidense afgoden al hun aanzien benomen, en al hun dienaren tot de uiterste wanhoop gebracht. Dit gevoelen over dit hoofdstuk komt met de eigenschappen van deze gezichten, en met de geschiedenis van die tijd, niet kwalijk overeen. Maar aleer hier eigenlijk van Christus, als een Lam dat geslacht is, wordt gesproken, dat met Zijn bloed Zijn gemeente heeft gekocht, en alleen gewag gemaakt wordt van vier dieren en vier en twintig ouderlingen, die alle voorgangers van de gemeente van Christus zijn, gelijk in het voorgaande hoofdstuk verklaard is, zo is het wel zo geloofelijk, dat in deze en alle andere komende gezichten, gezien wordt op de veranderingen en zwarigheden, als ook vertroostingen, die de Kerk van Christus al de wereld door zouden overkomen, gelijk in het vervolg zal worden aangetekend. Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 4:1 : Na deze zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, wat na deze gebeuren moet.
[^openbaring-6-2-5]: Kanttekening 5: een wit paard: Hierdoor wordt de zuivere prediking van het Evangelie verstaan, welke Christus de koning van de koningen, die dit paard regeert (gelijk hierna verklaard wordt Openbaring 19:11 , enz.), door de gehele wereld met de kracht van Zijn Geest, als met Zijn boog, gewapend zijnde, heeft verbreid, en allen tegenstand door Zijn dienaren heeft overwonnen, zo dat Hij, niettegenstaande de vervolgingen van de heidense en andere barbaarse of ketterse koningen in Oosten en Westen daarin de overhand heeft behouden. Openbaring 19:11 : En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.
[^openbaring-6-2-a]: Verwijzing a: Openbaring 19:11 . Openbaring 19:11 : En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.
[^openbaring-6-4-6]: Kanttekening 6: dat rood was: Of ros. Grieks vurig rood. Hierdoor wordt geschikt verstaan de satan met zijn instrumenten; namelijk de heidense en Ariaanse keizers en koningen, die de gemeente van Christus met vervolgingen en bloedstortingen hebben vervuld. In welke tijden vele duizenden martelaren de waarheid van de leer van Christus met hun bloed hebben bezegeld, waarvan in vers 9 melding zal worden gemaakt. Openbaring 6:9 : En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden.
[^openbaring-6-4-7]: Kanttekening 7: Grieks slachten.
[^openbaring-6-4-8]: Kanttekening 8: zwaard gegeven: Namelijk om daarmee de rechtzinnige christenen te doden of te onthalzen.
[^openbaring-6-5-9]: Kanttekening 9: een zwart paard: Hierdoor worden geschikt verstaan de valse leringen en ketterijen, die de satan met zijn instrumenten tegen de zuivere leer van het heilig Evangelie van deze tijd aan heeft zoeken in te voeren, als daar zijn geweest de Cerinthianen, Ebionieten, Marcionieten, Manicheën, Samosatenianen, Arianen, Pelagianen en dergelijke anderen, die nochtans allen eindelijk door de getrouwe leraars en rechtzinnige synoden ten onder zijn gebracht.
[^openbaring-6-5-10]: Kanttekening 10: een weegschaal: Hierdoor verstaan velen de Heilige Schrift, die deze ketters wel hebben voorgewend, maar tot hun verderf hebben verkeerd, en naar hun menselijk vernuft hebben willen doen buigen, 2 Petrus 3:16 . 2 Petrus 3:16 : Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
[^openbaring-6-6-11]: Kanttekening 11: Een maatje tarwe: Het Griekse woord Choenix betekent een maat, die een mens nodig had om een dag te kunnen leven, en werd de slaven hun voedsel daarmee uitgedeeld.
[^openbaring-6-6-12]: Kanttekening 12: drie maatjes gerst: Dit was de daghuur van een arbeider, gelijk te zien is Matteüs 20:2 , 20:9 , 20:10 ; zodat daarmee geprofeteerd wordt, dat er zulk een duurte van granen zou komen, dat een man, om te kunnen leven, al zijn winst dagelijks daaraan zou moeten besteden. Waar hier nu eigenlijk van geestelijk voedsel wordt gesproken, zo wordt hierdoor verstaan, de duurte van Gods zuiver woord, die in enige van deze tijden zou komen door de vervalsing en tirannie van enige van deze ketterijen, en door de slapheid en vreesachtigheid van vele leraars. Zie dergelijke figuurlijke wijze van spreken Amos 8:11 . Mattheüs 20:2 : En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning van de dag, zond hij hen heen in zijn wijngaard. Mattheüs 20:9 : En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning. Mattheüs 20:10 : En de eerste komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning. Amos 8:11 : Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer YHWH, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden van YHWH.
[^openbaring-6-6-13]: Kanttekening 13: Grieks verongelijkt.
[^openbaring-6-6-b]: Verwijzing b: Openbaring 9:4 . Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
[^openbaring-6-6-14]: Kanttekening 14: de olie en de wijn: Hierdoor wordt verstaan de grondleer van de zaligheid, die de harten verkwikt en versterkt. En hiermee wordt te kennen gegeven, dat God nochtans altijd enige trouwe leraars, zelfs in deze duurte van Zijn woord zou verwekken, die de grondleer van de zaligheid zouden verstaan, en de harten van de uitverkorenen daarmee verkwikken en versterken, gelijk de kerkelijke historiën getuigen, dat in de zware tijden ook doorgaans is geschied.
[^openbaring-6-8-15]: Kanttekening 15: een vaal paard: Of bleekgroen, gelijk de bladeren zijn die verdorren. Waardoor verstaan worden de menselijke inzettingen en bijgelovigheden, waardoor de aangezichten worden versteld; Matteüs 6:16 , en de Kerk van Christus van haar gezonde leer allengskens beroofd, en de mensen van Christus' verdiensten tot hun eigene verdiensten, en tot andere middelaars en gronden van de zaligheid, en hun verderf, worden vervoerd. Zie Matteüs 15:8 , 15:9 , en Matteüs 23:14 ; Galaten 5:4 ; Kolossenzen 2:18 . Welke superstitiën en menselijke inzettingen na deze ketterijen in de Kerk van Christus zijn ingebroken, en hebben de weg allengskens tot het anti-christendom geopend. Mattheüs 6:16 : En wanneer u vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de huichelaars; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Mattheüs 15:8 : Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; Mattheüs 15:9 : Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn. Mattheüs 23:14 : Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. Galaten 5:4 : Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; u bent van de genade vervallen. Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses;
[^openbaring-6-8-16]: Kanttekening 16: de hel: Of het graf.
[^openbaring-6-8-17]: Kanttekening 17: met zwaard, en met honger, …: Deze vier plagen zijn het, waarmee God de Israëlieten dreigt; Ezechiël 14:21 . Zie ook Leviticus 26:22 , enz., die hier van de geestelijke plagen, die de satan door de superstitiën de zielen en het geweten van de mensen aandoet, kunnen verstaan worden. Ezechiël 14:21 : Want zo zegt de Heer YHWH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien! Leviticus 26:22 : Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.
[^openbaring-6-9-18]: Kanttekening 18: onder het altaar: Namelijk die in het heilige in de tempel van de hemel voor de troon van God stond; gelijk Openbaring 8:3 , en Openbaring 16:17 wordt uitgedrukt. Welk altaar Christus is, Hebreeën 13:10 ; die zo genaamd wordt, omdat onze gebeden voor God niet aangenaam zijn, dan als die in Zijn naam gedaan worden, Johannes 16:23 , en door Hem voor God geofferd; Hebreeën 13:15 . In de aanwezigheid van Christus dan, en als onder Zijn schaduw, gelijk David van het tabernakel spreekt, Psalm 27:5 , en Johannes hierna, Openbaring 7:16 , 7:17 , hebben zich deze heilige zielen vertoond, welker lichamen tevoren gemarteld waren door de ongelovige Joden, heidenen en valse christenen; en dat deze heilige zielen bij Christus hun woning en troost hebben, blijkt duidelijk uit 2 Korinthe 5:8 , en Filippenzen 1:23 , en hierna uit Openbaring 7:15 , 7:16 , enz. Openbaring 8:3 : En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied. Hebreeën 13:10 : Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. Johannes 16:23 : En in die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. Psalmen 27:5 : Want Hij versteekt mij in Zijn hut, op de dag van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. Openbaring 7:16 : Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Openbaring 7:17 : Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. 2 Korinthiërs 5:8 : Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. Filippensen 1:23 : Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. Openbaring 7:15 : Daarom zijn zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op de troon zit, zal hen overschaduwen. Openbaring 7:16 : Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.
[^openbaring-6-9-c]: Verwijzing c: Openbaring 20:4 . Openbaring 20:4 : En ik zag tronen, en zij zaten op dezelfde; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
[^openbaring-6-9-19]: Kanttekening 19: Grieks geslacht.
[^openbaring-6-9-d]: Verwijzing d: Openbaring 19:10 . Openbaring 19:10 : En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.
[^openbaring-6-10-20]: Kanttekening 20: Grieks tot wanneer toe. Dit gebed komt niet voort uit enige wraakgierigheid, maar uit een heiligen ijver, die deze heilige Geesten tot de bevordering van Gods eer, en een begeerte, dat God Zijn rechtvaardigheid en hun goede zaak bekend make onder de mensen, gelijk David ook spreekt tot Saul, 1 Samuël 24:13 , en Paulus van een vijand van de Kerk van Christus, 2 Timotheüs 4:14 , en wij allen tezamen, als wij bidden: verlos ons van de boze. 1 Samuël 24:13 : De YHWH zal richten tussen mij en tussen u, en YHWH zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 2 Timotheüs 4:14 : Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heer vergelde hem naar zijn werken.
[^openbaring-6-11-21]: Kanttekening 21: Grieks Stolia; zie de aantekeningen daarvan Markus 12:38 . Namelijk die gewassen en wit gemaakt waren in het bloed van het Lam, gelijk betuigd wordt Openbaring 7:14 ; waardoor verstaan wordt de volkomen heiligmaking en overwinning van deze zielen door het bloed van Christus, en ook te kennen gegeven wordt hun heerlijkheid, die zij reeds in de hemel bezitten. Zie 2 Korinthe 5:2 , 5:3 . Marcus 12:38 : En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten; Openbaring 7:14 : En ik sprak tot hem: Heer, u weet het. En hij zei tot mij: Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen, en hebben hun lange kleren wit gemaakt in het bloed van het Lam. 2 Korinthiërs 5:2 : Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden. 2 Korinthiërs 5:3 : Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.
[^openbaring-6-11-22]: Kanttekening 22: gedood zouden worden: Namelijk door de antichrist en zijn dienaren, die kort daarna in de Kerk van Christus zouden opstaan, en door hun geestelijke heerschappij de gemeente van Christus verdrukken, en Zijn getrouwe getuigen vervolgen en doden, gelijk de heidenen, Joden en valse christenen tevoren hadden gedaan.
[^openbaring-6-12-23]: Kanttekening 23: het zesde zegel geopend: Waarop gevolgd is de opkomst in het Oosten, niet alleen van de Mohammedanen, maar vooral van de Roomsen antichrist in het Westen, die met een geestelijke tirannie zichzelf verheft boven al wat God genoemd wordt, en zichzelf in de tempel van God voor een God op aarde uitgeeft; onder wie deze grote en verschrikkelijke veranderingen in de Kerk van Christus zijn geschied; namelijk dat de gehele stand derzelve als van zijn plaats is bewogen; dat Christus de Zon van de gerechtigheid door de zak van de menselijke inzettingen is verduisterd, de Kerk van Christus, die als de maan van Hem alleen haar licht ontvangt, met bloedige vervolgingen is vervuld en roodvervig geworden; dat de sterren, dat is, de herders en leraars, (gelijk Openbaring 1:20 is verklaard) zijn van de hemel, dat is, van de hemelse en geestelijke zorg, tot aardse en wereldse vervallen; dat de hemel als in een rol zou wijken; dat is, dat de heilige Schrift en de hemelse leer van Christus, als een gesloten boek is geworden, en aan de lidmaten van de gemeente verboden en ontnomen; dat eindelijk alle bergen en eilanden, dat is alle prinsen en volken voor zijn heerschappij zouden schrikken. Welke verklaring met de ervaring van de geschiedenis wel overeenkomt, en dat dergelijke veranderingen in de Kerk en in de wereld door zulke figuurlijke wijze van spreken in de Schrift dikwijls verstaan worden, blijkt door de vergelijking van verscheidene plaatsen in het Oude Testament, waaruit deze plaats schijnt ontleend te zijn. Zie Jesaja 13:10 , en Jesaja 34:4 ; Jeremia 4:23 ; Ezechiël 32:7 ; Joël 2:10 . Anderen nochtans, die wat nader bij de letter blijven, voegen deze drie verzen bij de drie volgende, die over de zware straffen handelen, welke de vervolgers en verdrukkers ten uitersten dage zullen overkomen, gesteld tegen de troost, die de martelaars reeds genieten, van welke straffen deze tekenen in hemel en aarde ook als voorboden door Christus worden gesteld; Matteüs 24:29 ; Markus 13:24 ; Lukas 21:25 , enz. Openbaring 1:20 : De verborgenheid van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. Jesaja 13:10 : Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Jesaja 34:4 : En al het heir van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom. Jeremia 4:23 : Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Joël 2:10 : De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in. Mattheüs 24:29 : En meteen na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. Marcus 13:24 : Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. Lukas 21:25 : En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
[^openbaring-6-12-e]: Verwijzing e: Handelingen 2:20 . Handelingen 2:20 : De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat dat de grote en glorierijke dag van de Heer komt.
[^openbaring-6-15-24]: Kanttekening 24: de koningen van de aarde: Namelijk die met hun aanhangers de gelovigen hier hebben verdrukt; zonder dat iemand, groot of klein, dienstbaar of vrij, van deze straffen zal vrij zijn, of verschoond worden. Want, gelijk in vers 14 de martelaars zijn vertroost, en belofte hebben ontvangen van nadere vergelding, als het getal van hun medebroeders zal zijn vervuld, van welke algemenen troost in Openbaring 7 breder zal gesproken worden, zo worden hier ook hun verdrukkers in het algemeen gewaarschuwd omtrent de zware en ellendige straffen, die zij hebben te verwachten, als zij zich niet bekeren. Openbaring 6:14 : En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
[^openbaring-6-16-f]: Verwijzing f: Jesaja 2:19 ; Hosea 10:8 ; Lukas 23:30 ; Openbaring 9:6 . Jesaja 2:19 : Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Lukas 23:30 : Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 9:6 : En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten.
[^openbaring-6-17-25]: Kanttekening 25: grote dag van Zijn toorn: Dat is, van de zwaardere straf, die God in Zijn rechtvaardigen toorn over hen zal brengen.
[^openbaring-6-17-26]: Kanttekening 26: Grieks staan; gelijk Psalm 1:5 . Psalmen 1:5 : Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen.

### Openbaring 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/7.json)

*1 Johannes ziet vier engelen aan wie macht gegeven was om de aarde te beschadigen door de winden tegen te houden. 2 en een andere engel, die het zegel van God heeft, die hun dat belet totdat alle dienstknechten van God getekend zijn. 4 hun aantal is honderdvierenveertigduizend uit alle stammen van Israel. 9 Daarna ziet hij een ontelbare menigte uit alle volken, staand voor de troon en voor het Lam. 10 die God en het Lam lofzingen. 11 in welke lofzang alle engelen en de vier dieren en de vierentwintig oudsten hen navolgen. 13 Johannes ontvangt van een van de vierentwintig oudsten bericht over wie het zijn die in witte kleren verschenen. 15 en waarin hun gelukzaligheid bestaat.*

**1** En[^openbaring-7-1-1] na deze zag ik[^openbaring-7-1-2] vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, houdende de vier winden van de aarde, opdat geen wind zou waaien[^openbaring-7-1-3] op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v1)

**2** En[^openbaring-7-2-4] ik zag een andere engel opkomen van de opgang van de zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met een luide stem tot de vier engelen, die macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v2)

**3** Zeggende:[^openbaring-7-3-5][^openbaring-7-3-a] Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, voordat wij[^openbaring-7-3-6] de dienaren van onze God zullen[^openbaring-7-3-7] verzegeld hebben[^openbaring-7-3-8][^openbaring-7-3-b] aan hun voorhoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v3)

**4** En ik hoorde het getal van degenen, die verzegeld waren:[^openbaring-7-4-c] honderd vier en veertig duizend waren verzegeld[^openbaring-7-4-9] uit alle geslachten van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v4)

**5** Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v5)

**6** Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v6)

**7** Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld;[^openbaring-7-7-10] uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v7)

**8** Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld;[^openbaring-7-8-11] uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v8)

**9** [^openbaring-7-9-12] Na deze zag ik, en ziet, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en[^openbaring-7-9-13] talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en[^openbaring-7-9-14] palmtakken waren in hun handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v9)

**10** En zij riepen met luide stem, zeggende: De zaligheid[^openbaring-7-10-15] zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v10)

**11** En al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor de troon[^openbaring-7-11-16] neer op hun aangezicht, en aanbaden God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v11)

**12** Zeggende: Amen.[^openbaring-7-12-17] De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte[^openbaring-7-12-18] zij onze God[^openbaring-7-12-19] in alle eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v12)

**13** En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij:[^openbaring-7-13-20] Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleren, wie zijn zij, en vanwaar zijn zij gekomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v13)

**14** En ik sprak tot hem:[^openbaring-7-14-21] Heere, u weet het. En hij zei tot mij: Deze zijn het, die uit[^openbaring-7-14-22] de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen, en hebben hun lange kleren[^openbaring-7-14-23] wit gemaakt in het bloed van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v14)

**15** Daarom zijn zij[^openbaring-7-15-24] voor de troon van God, en[^openbaring-7-15-25] dienen Hem dag en nacht[^openbaring-7-15-26] in Zijn tempel; en Die op de troon zit, zal[^openbaring-7-15-27] hen overschaduwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v15)

**16** Zij zullen niet meer[^openbaring-7-16-28][^openbaring-7-16-d] hongeren, en zullen niet meer dorsten, en[^openbaring-7-16-e] de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v16)

**17** Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal[^openbaring-7-17-f] hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot[^openbaring-7-17-29] levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen[^openbaring-7-17-30][^openbaring-7-17-g] afwissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/7.html#v17)

[^openbaring-7-1-1]: Kanttekening 1: na deze zag ik: Namelijk toen dit voorgaande gezicht voorbij was, zag ik als een deel van wat na de opening van het zesde zegel nog moet gebeuren. Want wat in dit hoofdstuk volgt, behoort ook tot de opening van het zesde zegel, gelijk uit het begin van Openbaring 8 blijkt, waar het zevende zegel eerst wordt geopend. Waaruit ook besloten wordt, dat de stof van dit hoofdstuk met die van het voorgaande samenhangt, en elkaar verklaart.
[^openbaring-7-1-2]: Kanttekening 2: vier engelen: Sommigen nemen dit voor goede engelen, die ook soms tot uitvoering van Gods oordelen in de wereld worden gebruikt, en verstaan door deze vier engelen, die macht hadden om de aarde en zee met onstuimige winden en stormen te beschadigen of die op te houden, zodanige middelen, die God door een rechtvaardig oordeel in alle kwartieren van de wereld heeft gebruikt, om de Arabieren, Agarenen, Moren, Saracenen, en andere wrede volken in het Oosten en Zuiden, en de Gothen, Wandalen, Longobarden, Hunnen en andere hunsgelijken in het Westen en Noorden, op te wekken, om het gehele Roomse Rijk te overlopen en te verstoren, gelijk zulke zwarigheden onder de gelijkenis van winden en stormen dikwijls worden verstaan. Zie Jeremia 49:36 , en Jeremia 51:1 ; Daniël 7:2 , welke verstoring van het Romeinse Rijk voor de opstand van de antichrist is geschied, gelijk Paulus getuigt te zullen gebeuren; 2 Tessalonicenzen 2:7 . Waarop gevolgd is, dat God om de christengemeente in het midden van deze verwoestingen in wezen te houden, deze uittekening van de verzegelden uit alle natiën door de andere engel heeft laten doen, gelijk dergelijke uittekening ten tijde van de verwoesting van het Israëlitische land door de Babyloniërs en Assyriërs op Gods last, door de engel is gedaan, Ezechiël 9:4 , waar deze profetie hier merkbaar op ziet. Anderen verstaan door deze vier engelen, zo vele kwade geesten, die als werktuigen van de satan in het oprichten van het antichristendom, daartoe vooral in alle gewesten hebben gewerkt, opdat de werking van Gods Geest, die bij wind ook wordt vergeleken, Johannes 3:8 ; Handelingen 2:2 , mocht worden gestuit en verhinderd, en de trouwe en rechtzinnige leraars alom gedempt en tot stilzwijgen gebracht, tot verdorring en verderving van de rechtzinnige religie, omdat een kracht van de dwaling door tekenen van de leugen onder hen is gezonden, gelijk Paulus 2 Tessalonicenzen 2:9 , enz., getuigt. Waarop God nochtans deze uittekening van deze Zijne uitverkorenen uit alle geslachten heeft willen doen, om Zijn gemeente zelfs in het midden van deze allen nog altijd te behouden, gelijk Hij gedaan heeft in Israël, als Hij die zeven duizend heeft behouden, die hun knieën voor Baäl niet hadden gebogen; waarvan zie 1 Koningen 19:18 ; Romeinen 11:4 , 11:5 . Jeremia 49:36 : En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen. Jeremia 51:1 : Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. Daniël 7:2 : Daniël antwoordde en zei: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden van de hemel braken voort op de grote zee. 2 Thessalonicensen 2:7 : Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt al gewrocht; alleen, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. Ezechiël 9:4 : En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. Johannes 3:8 : De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid; maar u weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; zo is een iedereen, die uit de Geest geboren is. Handelingen 2:2 : En er geschiedde haastig uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Romeinen 11:4 : Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. Romeinen 11:5 : Zo is er dan ook in deze tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade.
[^openbaring-7-1-3]: Kanttekening 3: op de aarde: Deze drie soorten worden genoemd, omdat de winden deze drie zaken gewoonlijk schadelijk of bevorderlijk zijn; De aarde, dat is de mensen op de aarde; de zee, dat is de mensen op eilanden en op schepen, en de bomen, die met hun takken zich in de lucht uitspreiden; daardoor worden zodanige mensen verstaan, die wat uitsteken boven anderen, gelijk blijkt Openbaring 9:4 , waar aan de sprinkhanen wordt gelast, dat zij geen boom zullen beschadigen, maar alleen mensen, die het teken Gods niet op hun voorhoofden hebben. Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
[^openbaring-7-2-4]: Kanttekening 4: ik zag een anderen engel: Hierdoor wordt Christus verstaan, die de opgang is uit de hoogte, en die alleen het zegel van de levenden God heeft, om de Zijnen daarmee te verzegelen, en die het opperste gebied heeft over alle engelen.
[^openbaring-7-3-5]: Kanttekening 5: Beschadigt de aarde niet: Grieks verongelijkt.
[^openbaring-7-3-a]: Verwijzing a: Openbaring 9:4 . Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
[^openbaring-7-3-6]: Kanttekening 6: de dienaren onzes Gods zullen: Dat is, de ware gelovigen en uitverkorenen van God, opdat zij met de anderen niet worden verleid; zie Matteüs 24:24 . Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
[^openbaring-7-3-7]: Kanttekening 7: verzegeld hebben: Dat is, met een zegel als een merkteken getekend, opdat zij daardoor van andere onderscheiden zijnde, met die niet worden beschadigd. Deze tekening is de werking en versterking door de Heilige Geest, waardoor zij tot kinderen van God gesteld zijnde, tegen alle verleiding verzekerd worden. Zie Romeinen 8:15 , enz.; 2 Korinthe 1:21 , 1:22 ; Efeze 4:30 ; 2 Timotheüs 2:19 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! 2 Korinthiërs 1:21 : Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; 2 Korinthiërs 1:22 : Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. Efeziërs 4:30 : En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing. 2 Timotheüs 2:19 : Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heer kent degenen, die de Zijn zijn; en: Een iedereen, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
[^openbaring-7-3-8]: Kanttekening 8: aan hun voorhoofden: Hier wordt vooral gezien op wat verhaald staat Ezechiël 9:4 , en dit wordt ook bij gelijkenis gesproken, omdat eertijds de slaven aan hun voorhoofden getekend waren met de namen van hun heren, en de soldaten aan hun handen met de namen van hun oversten-kaptein; en deze tekening geschiedt op het voorhoofd, omdat die, hoewel zij vooral inwendig is, hun nochtans door hun belijdenis en vruchten voor een ieder openbaar maakt. Zie hierna Openbaring 14:1 . Ezechiël 9:4 : En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam Zijn Vaders geschreven aan hun voorhoofden.
[^openbaring-7-3-b]: Verwijzing b: Ezechiël 9:4 . Ezechiël 9:4 : En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.
[^openbaring-7-4-c]: Verwijzing c: Openbaring 14:1 . Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam Zijn Vaders geschreven aan hun voorhoofden.
[^openbaring-7-4-9]: Kanttekening 9: uit alle geslachten van de kinderen van Israël: Sommigen nemen dit eigenlijk voor de uitverkorenen uit de Joden, onder welker benaming nu geen orde wordt gehouden, als in het Oude Testament, omdat God in het Nieuwe Testament al degenen die Hem liefhebben op één lijn heeft gesteld, en in Christus, noch Jood, noch Griek, noch dienstbare, noch vrije wordt aangezien; Galaten 3:28 . Anderen nemen het voor het Israël Gods uit Joden en heidenen bijeen gevoegd, die gedurende de tijd van de heerschappij van de antichrist door de Heer zijn vergaderd; een getal dat groot is, en nochtans telbaar voor de mensen. Maar het getal, dat hierna in de hemel zal worden gezien, bestaande uit alle uitverkorenen van alle tijden, is ook voor God wel bekend, maar voor de mensen ontelbaar. Zie Genesis 15:5 ; Jesaja 49:20 , en Jesaja 60:4 , 60:5 , enz. Galaten 3:28 : Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent een in Christus Jezus. Genesis 15:5 : Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! Jesaja 49:20 : Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag. Jesaja 60:4 : Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. Jesaja 60:5 : Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte van de zee zal tot u gekeerd worden, het heir van de heidenen zal tot u komen.
[^openbaring-7-7-10]: Kanttekening 10: uit het geslacht van Levi: Hier wordt het geslacht van Levi onder de geslachten van Israël geteld, in het land Kanaän, en het geslacht van Dan wordt uitgelaten. De reden is, omdat wij nu allen priesters en levieten zijn voor God. Maar wat de Danieten betreft, hun geslacht wordt hier voorbijgegaan, omdat zij de eersten geweest zijn, die zich tot afgoderij begeven hebben, Richteren 18 , en de kalveren van Jerobeam te Dan hebben geherbergd, 1 Koningen 12 . Waarom zij ook onder de eersten zijn geweest, die door de heidenen zijn weggevoerd, 2 Koningen 16 ; en zijn onder deze verstrooid gebleven. Waarom ook de stam van Dan in de wederkering van de Israëlieten na de gevangenschap van Babel, onder Israëlitische stammen in het eerste boek van de Kronieken niet meer wordt geteld.
[^openbaring-7-8-11]: Kanttekening 11: uit het geslacht van Jozef: Dat is, uit het geslacht van Efraïm, wiens naam ook wordt verzwegen, omdat ook uit hen de afgoderij te Dan en te Bethel haar oorsprong heeft gehad. Want Jerobeam was uit Efraïm, 1 Koningen 11:26 ; daarom wordt Jozef, de vader van Efraïm, hier in zijn plaats gesteld. Anderen menen dat de stam van Efraïm daarom de stam van Jozef wordt genoemd, omdat de stam van Efraïm boven de stam van Manasse in de zegen van Jakob is verheven; Genesis 48:14 , 48:19 ; Psalm 78:67 . 1 Koningen 11:26 : Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen de koning. Genesis 48:14 : Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. Genesis 48:19 : Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. Psalmen 78:67 : Maar Hij verwierp de tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet.
[^openbaring-7-9-12]: Kanttekening 12: Na deze zag ik, en ziet: Gelijk de voorgaande tekening van de honderd vier en veertig duizend is geschied op aarde, ten tijde van de antichrist, toen de Kerk van Christus nog onder Hem schuilde en vervolgd werd, zo is dit ontelbaar getal uit alle volken in de hemel gezien, voor de troon van God, waar zij uit alle gewesten en tijden zijn vergaderd. Anderen nemen dit ontelbaar getal voor degenen, die na het begin van de val van de antichrist in de openbare gemeenten door alle landen zijn vergaderd, en nog dagelijks vergaderd worden. Want deze tekening, pleegt in de verdrukte en schuilende, niet in de openbare en vrije Kerken te gebeuren, gelijk de plaats Ezechiël 9:4 ook medebrengt. Zie ook Openbaring 14:1 . Ezechiël 9:4 : En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. Openbaring 14:1 : En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam Zijn Vaders geschreven aan hun voorhoofden.
[^openbaring-7-9-13]: Kanttekening 13: Grieks tongen.
[^openbaring-7-9-14]: Kanttekening 14: palm takken : Namelijk tot een teken van overwinning.
[^openbaring-7-10-15]: Kanttekening 15: zij onze God: Namelijk alleen toe te schrijven; dat is, wij hebben die verkregen niet door onze eigen kracht, werken of waardigheid, maar door enkel genade van God en de verdiensten van Jezus Christus onze Zaligmaker. Zie Efeze 2:8 , 2:9 , 2:10 ; Openbaring 19:1 . Efeziërs 2:8 : Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Efeziërs 2:9 : Niet uit de werken, opdat niemand roeme. Efeziërs 2:10 : Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelfde zouden wandelen. Openbaring 19:1 : En na deze hoorde ik als een grote stem van een grote schare in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heer, onze God.
[^openbaring-7-11-16]: Kanttekening 16: op hun aangezicht, en aanbaden God: Dat is, met een vernederd gemoed, en met eerbied voor Zijn majesteit. Want de engelen en geesten hebben noch aangezichten, noch vlees, noch benen, gelijk Christus spreekt Lukas 24:39 . Lukas 24:39 : Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk u ziet, dat Ik heb.
[^openbaring-7-12-17]: Kanttekening 17: De lof: Grieks de zegening.
[^openbaring-7-12-18]: Kanttekening 18: zij onze God: Dat is, de lof over al deze eigenschappen wordt door allen verbreid en God toegeschreven.
[^openbaring-7-12-19]: Kanttekening 19: in alle eeuwigheid. Amen: Grieks in de eeuwigheden van de eeuwigheden.
[^openbaring-7-13-20]: Kanttekening 20: Deze, die bekleed: Hier schijnt de ouderling een deel van deze gehele schaar aan te wijzen, die enige bijzondere gedaante van kledingen hadden.
[^openbaring-7-14-21]: Kanttekening 21: Heer, u weet het: Zo noemt Johannes deze ouderling uit eerbied.
[^openbaring-7-14-22]: Kanttekening 22: de grote verdrukking komen: Namelijk onder de antichrist. Want van de andere martelaars is in Openbaring 6 gesproken.
[^openbaring-7-14-23]: Kanttekening 23: wit gemaakt in het bloed van het Lam: Dat is gereinigd. Want het bloed van Jezus Christus reinigt ons van al onze zonden; 1 Johannes 1:7 . 1 Johannes 1:7 : Maar als wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
[^openbaring-7-15-24]: Kanttekening 24: voor de troon van God: Dat is, in de aanwezigheid van Gods aangezicht.
[^openbaring-7-15-25]: Kanttekening 25: dienen Hem dag en nacht: Namelijk met Hem te loven en danken.
[^openbaring-7-15-26]: Kanttekening 26: in Zijn tempel: Namelijk in het binnenste van de hemel. Want het hemelse Jeruzalem heeft geen anderen tempel dan God en het Lam; Openbaring 21:22 . Openbaring 21:22 : En ik zag geen tempel in dezelfde; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.
[^openbaring-7-15-27]: Kanttekening 27: hen overschaduwen: Of bijwonen. Grieks ene hut, of tabernakel over hen zijn, of maken.
[^openbaring-7-16-28]: Kanttekening 28: hongeren, en zullen niet: Dat is, hun zal geen leed of gebrek meer overkomen. Zie dergelijke Jesaja 49:10 . Jesaja 49:10 : Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
[^openbaring-7-16-d]: Verwijzing d: Jesaja 49:10 . Jesaja 49:10 : Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden.
[^openbaring-7-16-e]: Verwijzing e: Psalm 121:6 . Psalmen 121:6 : De zon zal u van de dag niet steken, noch de maan van de nacht.
[^openbaring-7-17-f]: Verwijzing f: Psalm 23:1 . Psalmen 23:1 : Een psalm van David. De YHWH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
[^openbaring-7-17-29]: Kanttekening 29: levende fonteinen van de wateren: Dat is de volheid van de gaven van de Heilige Geest. Zie Johannes 4:14 , en Johannes 7:38 , en Openbaring 22:1 . Johannes 4:14 : Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Johannes 7:38 : Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van de levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. Openbaring 22:1 : En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam.
[^openbaring-7-17-30]: Kanttekening 30: Een gelijkenis van een voedster of moeder, die haar kind dat schreit vertroost; en hier wordt zulk een afwissen verstaan, waar geen andere tranen meer op zullen volgen. Zie Jesaja 25:8 , en Openbaring 21:4 . Jesaja 25:8 : Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
[^openbaring-7-17-g]: Verwijzing g: Jesaja 25:8 ; Openbaring 21:4 . Jesaja 25:8 : Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.

### Openbaring 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/8.json)

*1 Het zevende zegel wordt geopend, waarop een stilte in de hemel volgt. 2 na welke stilte zeven engelen met zeven bazuinen gezien worden. 3 Doch eerst komt een andere engel tevoorschijn, die reukwerk legt op het gouden altaar bij de gebeden van de heiligen. 5 Vult daarna het wierookvat met vuur van het altaar en werpt dat op de aarde. 7 Wanneer dit gedaan is, bazuint de eerste engel. 8 en de tweede: waaruit verschrikkelijke dingen volgen. 10 Daarna bazuint de derde engel, en een ster, genaamd Alsem, valt uit de hemel in de wateren. 12 Ten slotte bazuint de vierde engel, en het derde deel van de zon, de maan en de sterren wordt met duisternis geslagen. 13 Waarna een andere engel wee roept vanwege de plagen van de drie volgende bazuinen.*

**1** En toen Het[^openbaring-8-1-1] het zevende zegel geopend had, werd er[^openbaring-8-1-2] een stilzwijgen in de hemel, ongeveer van een half uur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v1)

**2** En ik zag[^openbaring-8-2-3] de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden[^openbaring-8-2-4] zeven bazuinen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v2)

**3** En er kwam[^openbaring-8-3-5] een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk[^openbaring-8-3-6] gegeven, opdat hij het[^openbaring-8-3-7][^openbaring-8-3-a] met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v3)

**4** [^openbaring-8-4-b] En de rook van het reukwerk,[^openbaring-8-4-8] met de gebeden van de[^openbaring-8-4-9] heiligen, ging op van de hand van de engel voor God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v4)

**5** En de engel nam[^openbaring-8-5-10] het wierookvat, en vulde dat met[^openbaring-8-5-11] het vuur van het altaar, en[^openbaring-8-5-12] wierp het op de aarde;[^openbaring-8-5-13] en er klonken stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v5)

**6** [^openbaring-8-6-14] En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v6)

**7** En de eerste engel heeft gebazuind,[^openbaring-8-7-15] en er is geworden[^openbaring-8-7-16] hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel van de bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v7)

**8** En de tweede engel heeft gebazuind, en[^openbaring-8-8-17] er werd iets als een grote berg, van vuur brandende,[^openbaring-8-8-18] in de zee geworpen; en het derde deel van de zee is bloed geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v8)

**9** En het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel van de schepen is vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v9)

**10** En de derde engel heeft gebazuind,[^openbaring-8-10-19] en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit de hemel, en is gevallen op het derde deel van de rivieren, en op de fonteinen van de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v10)

**11** En de naam van de[^openbaring-8-11-20] ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel van de wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v11)

**12** En de vierde engel heeft gebazuind,[^openbaring-8-12-21] en het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan, en het derde deel van de sterren; opdat het derde deel daarvan zou verduisterd worden, en dat het derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht evenzo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v12)

**13** En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met luide stem: Wee, wee, wee, van hen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen, die nog bazuinen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/8.html#v13)

[^openbaring-8-1-1]: Kanttekening 1: Het het zevende zegel geopend had: Namelijk het laatste van het boek met zeven zegelen, dat het Lam uit de hand van dengene, die op de troon zat, heeft ontvangen; Openbaring 5:7 . Openbaring 5:7 : En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat.
[^openbaring-8-1-2]: Kanttekening 2: een stilzwijgen in de hemel: Dat is, ene stilte van spreken en van geluid van andere stemmen, die tevoren gehoord waren; door welke stilte sommigen verstaan een stilte van vervolging van de gemeente op aarde, die na het ten onderbrengen van de heidense tirannen door Constantijn voor een kleinen tijd heeft geduurd. Anderen nemen deze stilte voor een ernstige verwachting van alle geesten in de hemel van wat op de opening van dit zevende zegel zou volgen. En wordt ook door enige genomen van de handelwijze, die in de tempel op het uur van het gebed placht gebruikt te worden, als de priesters in het heilige gingen om te roken, gelijk hier de engel meteen zal doen, en de gehele gemeente die buiten was in stilte verwachtte de uitkomst van de priester, gelijk te zien is Lukas 1:10 . Lukas 1:10 : En al de menigte van het volk was buiten, biddende, ten ure van de reukoffers.
[^openbaring-8-2-3]: Kanttekening 3: de zeven engelen: Door deze zeven engelen verstaan sommigen de gehele menigte van de heilige engelen, die rondom de troon van God gedurig staan, omdat het getal van zeven een volmaakt getal is. Maar dit kan alhier ook wel van zeven bijzondere engelen worden verstaan, die uit al de menigte waren gevorderd, om deze bijzonderen last van God te ontvangen. En de engelen worden gezegd voor God te staan, vers 2 en Lukas 1:19 , en het aangezicht van de Vader in de hemel altijd te zien, Matteüs 18:10 , omdat zij altijd toegang hebben tot de troon van God, en altijd bereid zijn om Gods bevelen te ontvangen en uit te voeren; Hebreeën 1:14 . Openbaring 8:2 : En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. Lukas 1:19 : En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen. Mattheüs 18:10 : Ziet toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen?
[^openbaring-8-2-4]: Kanttekening 4: zeven bazuinen gegeven: Namelijk om de één na de ander Gods oordelen over de mensen te verkondigen, gelijk van vers 7 tot het einde van Openbaring 9 zal verhaald worden. Openbaring 8:7 : En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel van de bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.
[^openbaring-8-3-5]: Kanttekening 5: een andere engel: Namelijk van een andere natuur, die hier tussenbeiden is gekomen voordat de andere zeven hebben gebazuind; en door deze engel wordt hier noodwendig Christus onze Middelaar verstaan, de engel van het verbond en het aangezicht van God, Jesaja 63:9 , en Maleachi 3:1 ; die alleen de priester van de hemel is, en onze gebeden met het reukwerk van Zijn verdiensten, op het gouden altaar, dat is, op zichzelf voor God tot een aangenamen reuk offert en voordraagt, gelijk betuigd wordt Romeinen 8:34 ; Efeze 5:2 ; Hebreeën 4:14 , en Hebreeën 9:24 , en Hebreeën 13:10 , 13:15 ; 1 Johannes 2:1 . Jesaja 63:9 : In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds. Maleachi 3:1 : Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt YHWH van de heirscharen. Romeinen 8:34 : Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt. Efeziërs 5:2 : En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, voor God tot een welriekenden reuk. Hebreeën 4:14 : Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreeën 9:24 : Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; Hebreeën 13:10 : Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. Hebreeën 13:15 : Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offerande van de lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. 1 Johannes 2:1 : Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige;
[^openbaring-8-3-6]: Kanttekening 6: gegeven, opdat hij het met : Namelijk van God Zijn Vader, omdat Hij Hem tot een Middelaar heeft gesteld.
[^openbaring-8-3-7]: Kanttekening 7: de gebeden alle heiligen zou leggen: Grieks zou geven de gebeden. Dit verstaan enige van de gebeden aller gelovigen op aarde, die gedurig tot God roepen en zuchten, dat Zijn rijk kome, en dat Hij hen verlosse van de boze. Anderen verstaan dit van de gebeden van de martelaars in het bijzonder, waarvan hiervoor is gesproken, Openbaring 6:10 ; maar kan wel van al de gebeden van de kinderen van God in het algemeen verstaan worden. Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^openbaring-8-3-a]: Verwijzing a: Openbaring 5:8 . Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen.
[^openbaring-8-4-b]: Verwijzing b: Psalm 141:2 . Psalmen 141:2 : Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
[^openbaring-8-4-8]: Kanttekening 8: met de gebeden van de heiligen: Of gelegd bij de gebeden.
[^openbaring-8-4-9]: Kanttekening 9: ging op van de hand: Namelijk om van de Vader verhoord te worden; waarna de volgende oordelen van God, als een vrucht van deze verhoring zouden volgen. Zie Handelingen 10:4 . Handelingen 10:4 : En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
[^openbaring-8-5-10]: Kanttekening 10: het wierookvat: Het Griekse woord betekent eigenlijk wierook, maar uit wat volgt blijkt, dat het hier voor het wierookvat moet worden genomen, gelijk ook Openbaring 7:3 . Openbaring 7:3 : Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
[^openbaring-8-5-11]: Kanttekening 11: het vuur van het altaar: Hierdoor wordt Christus' vurige begeerte verstaan, waardoor Hij begeert, dat onze gebeden, gevoegd met Zijn verdiensten, voor God aangenaam zijn, en door Hem verhoord worden; Johannes 17:24 . Johannes 17:24 : Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld.
[^openbaring-8-5-12]: Kanttekening 12: wierp het op de aarde: Namelijk het vuur van het altaar, waardoor gelijk Hij altijd begeert wat zalig is voor Zijn gelovigen, zo begeert Hij ook dat de rechtvaardigheid van God Zijn Vader uitgevoerd worde tegen de onbekeerlijke verdrukkers van Zijn gemeente. Zie Psalm 2:12 ; gelijk dit ook uit de vruchten van de bazuinen van de zeven engelen zal blijken. Psalmen 2:12 : Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
[^openbaring-8-5-13]: Kanttekening 13: en er geschiedden stemmen: Namelijk tot een teken, dat de voorbede van de engel verhoord was, gelijk zij altijd verhoord wordt. Zie Johannes 11:4 , 11:42 , en Johannes 12:28 , 12:29 . Johannes 11:4 : En Jezus, dat horende, zei: Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter heerlijkheid van God; opdat de Zoon van God door dezelfde verheerlijkt worde. Johannes 11:42 : Maar Ik wist, dat U Mij altijd hoort; maar vanwege de schare, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt. Johannes 12:28 : Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit de hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem opnieuw verheerlijken. Johannes 12:29 : De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zei, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.
[^openbaring-8-6-14]: Kanttekening 14: En de zeven engelen: Gelijk op Openbaring 6:2 , is aangetekend, dat enige uitleggers de gezichten van de zes eerste zegelen duiden op de staatkundige veranderingen en zwarigheden, die de wereld, en in het bijzonder het Romeinse rijk, vanwege de verdrukkingen van de Kerk van Christus, tot de tijden van Constantijn toe, zijn overkomen; zo zijn er ook enige, die deze bazuinen van de volgende veranderingen en zwarigheden verstaan, die het Romeinse rijk door verscheidene barbaarse natiën uit alle gewesten van de wereld, verscheidene malen en in verschillende tijden, heeft uitgestaan; waardoor dit rijk in het Westen geheel onder de voet is geraakt, en in vele koninkrijken en prinsdommen is verdeeld, die daarna door de geestelijke heerschappij van de bisschop van Rome, op een andere wijze aan de ander enigszins zijn gehecht. Welk gevoelen met de wijzen van spreken, die hier gebruikt worden, en met de vergelijking van dergelijke uit het Oude Testament, ook schijnt bevestigd te worden; waarvan zie Jesaja 28:2 , en Jesaja 30:30 ; Jeremia 15:9 ; Ezechiël 32:7 . Maar daar tevoren is gezegd, dat Christus hier, niet als een heerschappijvoerder van wereldse koninkrijken, maar als een geestelijk regeerder van Zijn gemeente alom wordt ingevoerd, en dat door de voorbede en voorspraak van Christus hier, en door Zijne tekening in het voorgaande hoofdstuk en in Openbaring 9:4 , de ware gelovigen van deze volgende oordelen en zwarigheden vrij worden gehouden, gelijk Christus ook voor Petrus bidt, Lukas 22:32 , en alle gelovigen verzekert, dat zij door de profeten niet verleid zullen worden, Matteüs 24:24 , daar zij van de lichamelijke zwarigheden niet vrij zijn, zo is het geschikter, dat dit van de geestelijken stand van de Kerk verstaan worden, en van de wereldlijken stand alleen voorzover hij de geestelijken stand raakt. Openbaring 6:2 : En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! Jesaja 28:2 : Ziet, de Heer heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort van het verderf; gelijk een vloed van de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand. Jesaja 30:30 : En YHWH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijn arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen. Jeremia 15:9 : Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hun vijanden, spreekt YHWH. Ezechiël 32:7 : En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben. Lukas 22:32 : Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en u, als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders. Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
[^openbaring-8-7-15]: Kanttekening 15: en er is geworden: Hierdoor wordt gevoegelijk verstaan de eerste hoofdketterij, die na een weinig rust van de Kerk, ten tijde van Constantijn, de gezonde leer heeft bedorven, namelijk de ketterij van de Arianen, die de eeuwige godheid van Christus loochenden, bij welke zich gevoegd heeft de ketterij van de Macedonianen, die met de Arianen de godheid van de Heilige Geest ontkenden, en welke een groot deel van de Kerk bedierf.
[^openbaring-8-7-16]: Kanttekening 16: hagel en vuur: Gelijk de gezonde leer bij regen wordt vergeleken, Jesaja 55:10 , 55:11 , zo wordt deze verderflijke leer geschikt bij hagel en vuur vergeleken, die de aarde doet verdorren; en hier wordt ook bloed bij gesteld, omdat zij met grote vervolging, onder de keizer Constantijn en anderen, door een groot deel van de wereld gemengd was, waardoor een derde deel van de bomen, dat is de leraars en andere aanzienlijke leden van de gemeente zijn verleid, en het groene gras is verbrand; dat is, de algemene leden, die wel schenen te groenen in de gemeente, maar, zonder de rechten wortel, zijn bedorven, gelijk Christus van zulken die afvallen spreekt; Matteüs 13:20 , 13:21 . Jesaja 55:10 : Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet terugkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier, en brood de eter; Jesaja 55:11 : Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend. Mattheüs 13:20 : Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt; Mattheüs 13:21 : Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd.
[^openbaring-8-8-17]: Kanttekening 17: er werd iets als een grote berg: Hierdoor wordt de tweede hoofdketterij verstaan, namelijk van de Pelagianen, die omtrent het jaar 400 is opgestaan, en een aanmerkelijken tijd de Kerk van Christus heeft bestreden; die daarom bij een vurige berg wordt vergeleken, omdat zij de vrijen wil van de mens tegen de genade van Christus heeft verheven, en de mens zo heeft doen opzwellen door zijn schijnheiligheid en eigendunk van zijn volmaaktheid, en natuurlijke krachten in hemelse en geestelijke zaken, gelijk de Schrift ook elders zodanigen hoogmoed bij bergen vergelijkt; Jesaja 2:14 , 2:15 ; Zacharia 4:7 . Jesaja 2:14 : En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; Jesaja 2:15 : En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur; Zacharia 4:7 : Wie bent u, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult u worden tot een vlak veld; want hij zal de hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij dezelfde!
[^openbaring-8-8-18]: Kanttekening 18: in de zee geworpen: Dit wordt zo gezegd, omdat deze ketterij, naast andere plaatsen, vele eilanden daarna heeft ingenomen, als Rhodus, Sicilië, Brittannië en andere meer, gelijk de geschiedenis getuigt. Anders worden ook de volken in dit boek somtijds wateren genaamd, gelijk Openbaring 17:15 verklaard wordt; en door de schepen die daarin zijn, worden dikwijls de gewone gemeenten verstaan, die door deze leer zijn verdorven; zo nochtans dat Christus de twee derde delen daarvan door de vlijt van de trouwe leraars bij de rechtzinnige leer nog heeft behouden. Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.
[^openbaring-8-10-19]: Kanttekening 19: en er is een grote ster: Hierdoor wordt geschikt verstaan de derde hoofdketterij, die omtrent het jaar 425 haar begin heeft gehad door Nestorius, bisschop van Konstantinopel, een welsprekende en aanzienlijke bisschop, die de twee naturen in Christus verdeelde, en twee personen van Christus maakte; namelijk een die mens en een die God was, om welk aanzien hij een grote ster wordt genoemd, brandende als een fakkel. En hoewel zijn leer de Arianen scheen te wederspreken, zo was zij nochtans bitter als alsem, waarbij ook de verleidende leer, Hebreeën 12:15 , wordt vergeleken; en verbreidde zich over vele volken, gelijk fonteinen en rivieren plegen, totdat zij op de synode van Efeze door al de Kerken is veroordeeld. Hebreeën 12:15 : Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade van God; dat niet enige wortel van de bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelfde velen ontreinigd worden.
[^openbaring-8-11-20]: Kanttekening 20: wordt genoemd Alsem: Dat is, was inderdaad als alsem; dat is, bitter, want zij maakte de leer bitter als alsem, en onbekwaam tot recht voedsel, hoewel zij in het eerste aanzien anders scheen.
[^openbaring-8-12-21]: Kanttekening 21: en het derde deel van de zon: Hierdoor wordt geschikt de vierde hoofdketterij, namelijk van de Eutychianen verstaan, die omtrent het jaar 550 is opgerezen, de Nestoriaanse geheel tegenovergesteld, die leerde dat de twee naturen in Christus waren vermengd, en de ene in de andere veranderd, waardoor Christus, de zon van de gerechtigheid, een groot deel van Zijn eer werd ontroofd; de maan, dat is de Kerk van Christus en de sterren, dat is haar leraars, een groot deel verduisterd, en het licht van de leer zelf zijn rechten glans en schijnsel benomen, totdat op de synode van Chalcedon deze leer als verderfelijk en kwaad is veroordeeld. Na welke hoofdketterij vele verdeeldheden in de christenheid, en in het bijzonder onder de bisschoppen en leraars zijn gevolgd, en vele andere zwarigheden en twisten over de voorzittingen gerezen, die de Kerken van Oosten en Westen eindelijk hebben gebracht, waaruit ook in Openbaring 9 meerdere zwarigheden zullen ontstaan, gelijk de engel hier verkondigt.

### Openbaring 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/9.json)

*De vijfde engel bazuint, en een ster valt uit de hemel, die de sleutel van de afgrond heeft. 2 Waaruit rook tevoorschijn komt als van een oven. 3 en uit de rook komen sprinkhanen, die de mensen steken die het zegel van God niet hebben. 7 De gedaante en uitrusting van deze sprinkhanen wordt beschreven. 11 en de naam van hun koning Abaddon. 13 Hierna bazuint de zesde engel. Waarop de vier engelen aan de Eufraat ontbonden worden, en een grote menigte ruiters tevoorschijn komt, die het derde deel van de mensen doodt. 20 Na dit alles bekeren de mensen zich nog niet van hun afgoderij en andere zonden.*

**1** En de vijfde engel heeft gebazuind, en[^openbaring-9-1-1] ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven[^openbaring-9-1-2] de sleutel van[^openbaring-9-1-a] de put van de afgrond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v1)

**2** En zij heeft de put van de afgrond geopend; en er is[^openbaring-9-2-3] rook opgegaan uit de put, als rook van een grote oven;[^openbaring-9-2-4] en de zon en de lucht is verduisterd geworden van de rook van de put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v2)

**3** En[^openbaring-9-3-5] uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v3)

**4** En hun werd gezegd,[^openbaring-9-4-6] dat zij het gras van de aarde niet zouden[^openbaring-9-4-b] beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen,[^openbaring-9-4-7] die[^openbaring-9-4-c] het zegel van God aan hun voorhoofden niet hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v4)

**5** En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden[^openbaring-9-5-8] van hen gepijnigd worden[^openbaring-9-5-9] vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging[^openbaring-9-5-10] van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v5)

**6** [^openbaring-9-6-d] En in die dagen zullen de mensen[^openbaring-9-6-11] de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v6)

**7** [^openbaring-9-7-e] En[^openbaring-9-7-12] de gedaanten van de sprinkhanen waren de paarden gelijk, die tot de oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun gezichten als gezichten van mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v7)

**8** En zij hadden haar als haar van de vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v8)

**9** En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het geluid van hun vleugels was als een geluid van de wagens, wanneer vele paarden naar de strijd lopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v9)

**10** En zij hadden staarten de schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v10)

**11** En zij hadden over zich tot een koning[^openbaring-9-11-f] de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws[^openbaring-9-11-13] Abaddon, en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v11)

**12** [^openbaring-9-12-g] Het ene wee[^openbaring-9-12-14] is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v12)

**13** En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem[^openbaring-9-13-15] uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat voor God was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v13)

**14** Zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had:[^openbaring-9-14-16][^openbaring-9-14-h] Ontbind de vier engelen,[^openbaring-9-14-17] die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v14)

**15** En de vier engelen zijn ontbonden geworden, die bereid waren tegen het uur, en dag, en maand, en jaar, opdat zij[^openbaring-9-15-18] het derde deel van de mensen zouden doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v15)

**16** En het getal van de legers[^openbaring-9-16-19] van de ruiterij was[^openbaring-9-16-20] tweemaal tien duizenden van de tien duizenden;[^openbaring-9-16-21] en ik hoorde hun getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v16)

**17** En ik zag zo de paarden in dit visioen, en die daarop zaten, hebbende[^openbaring-9-17-22] vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden van de paarden waren als[^openbaring-9-17-23] hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging[^openbaring-9-17-24] vuur, en rook, en sulfer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v17)

**18** Door deze drie werd het derde deel van de mensen gedood, namelijk door het vuur, en door de rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v18)

**19** Want hun macht is in hun mond, en[^openbaring-9-19-25] in hun staarten; want hun staarten zijn[^openbaring-9-19-26] aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen daarmee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v19)

**20** En de overige mensen, die niet gedood zijn[^openbaring-9-20-27] door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van[^openbaring-9-20-28] de werken van hun handen, dat zij niet zouden[^openbaring-9-20-29] aanbidden de demonen;[^openbaring-9-20-i] en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten[^openbaring-9-20-30] afgoden,[^openbaring-9-20-31] die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v20)

**21** En hebben zich ook niet bekeerd van hun[^openbaring-9-21-32] doodslagen, noch van hun[^openbaring-9-21-33] venijngevingen, noch van hun[^openbaring-9-21-34] hoererij, noch van hun[^openbaring-9-21-35] dieverijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/9.html#v21)

[^openbaring-9-1-1]: Kanttekening 1: ik zag een ster: Enige verstaan door deze ster Mohammed met zijn aanhang, die omtrent het jaar 620 zijn ongoddelijke leer uit het Jodendom, Heidendom en Christendom bijeen geraapt heeft, en uit de put van de afgrond te voorschijn gebracht, en daarna door zijne Arabieren en Saracenen, gelijk gewapende sprinkhanen, door een groot deel van de wereld, ten dele met bedrog, ten dele met geweld heeft voortgeplant, gelijk zulke heirlegers bij sprinkhanen worden vergeleken; Richteren 7:12 , en Jesaja 33:4 ; Joël 1:4 , en Joël 2:4 , enz., uit welke plaatsen deze beschrijving merendeels is genomen. Maar daar in dit boek door sterren alom opzieners en leraars van de Kerk verstaan worden, gelijk verklaard wordt Openbaring 1:20 , zo wordt hier veel geschikter de bisschop van Rome met zijn aanhang verstaan, die zichzelf voor een algemeen bisschop onder de christenen omtrent diezelfde tijd heeft opgeworpen, welke na de ondergang van het Romeinse rijk, in plaats van de geestelijke zorg alleen te betrachten, zich meer tot aardse en wereldse zorgen heeft begeven, en een nieuwe heerschappij opgericht en daarom gezegd wordt uit de hemel op de aarde gevallen te zijn. Richteren 7:12 : En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. Joël 1:4 : Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. Joël 2:4 : De gedaante dezelfde is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen. Openbaring 1:20 : De verborgenheid van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.
[^openbaring-9-1-2]: Kanttekening 2: de sleutel van de put: Dat is, de macht om de put of het diepste van de afgrond, \[dat is van de hel, Lukas 8:31 \] te openen, waaruit deze dikke rook is opgegaan; welke macht door een rechtvaardig oordeel van God over de ondankbaarheid van de mensen hun is gegeven, gelijk hierna vers 4 , 9:5 ook wordt gesproken; en gelijk Paulus spreekt 2 Tessalonicenzen 2:9 , 2:10 , 2:11 . Lukas 8:31 : En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben. Openbaring 9:5 : En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; 2 Thessalonicensen 2:10 : En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^openbaring-9-1-a]: Verwijzing a: Lukas 8:31 ; Openbaring 17:8 . Lukas 8:31 : En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-9-2-3]: Kanttekening 3: rook opgegaan uit de put: Dat is, valse en afgodische leer, die Paulus, 1 Timotheüs 4:1 , noemt leringen van de duivelen, bestaande in het verbod van het huwelijk en van het gebruik van de spijzen, die God geschapen heeft om met dankzegging te genieten, als ook van afgoderij, beeldendienst, eigen verdiensten en voldoening en andere bijgelovigheden, gelijk hierna vers 20 wordt uitgedrukt. 1 Timotheüs 4:1 : Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, Openbaring 9:20 : En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
[^openbaring-9-2-4]: Kanttekening 4: en de zon en de lucht: Dat is, van Christus en Zijn leer, gelijk hiervoor Openbaring 8:12 , en elders meer. Openbaring 8:12 : En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan, en het derde deel van de sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht evenzo.
[^openbaring-9-3-5]: Kanttekening 5: uit de rook: Dat is, uit deze afgodische en bijgelovige leer hebben deze sprinkhanen hun oorsprong gehad. Want door het verbod van het huwelijk, en van zekere spijzen, door het verdichtsel van vagevuur, van eigene verdiensten en voldoeningen, en dergelijke, is de menigte van monniken en andere genoemde religieuzen door het Christendom zo vermenigvuldigd, gelijk bekend is.
[^openbaring-9-4-6]: Kanttekening 6: dat zij het gras van de aarde: Dat is, de ware gelovigen, die op de akker van de Heer groeien en groenen; Psalm 1:3 , en Psalm 92:13 . Dit wordt gezegd om te tonen, dat hier van geen eigenlijk genoemde sprinkhanen wordt gesproken, maar van geveinsde en schadelijke mensen, gelijk hun volgende beschrijving ook aantoont. Psalmen 1:3 : Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. Psalmen 92:13 : De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon.
[^openbaring-9-4-b]: Verwijzing b: Openbaring 6:6 . Openbaring 6:6 : En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.
[^openbaring-9-4-7]: Kanttekening 7: die het zegel Gods: Zie van dit zegel Gods hiervoor Openbaring 7:3 , 7:4 . Openbaring 7:3 : Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Openbaring 7:4 : En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen van Israël.
[^openbaring-9-4-c]: Verwijzing c: Ezechiël 9:4 ; Openbaring 7:3 . Ezechiël 9:4 : En YHWH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. Openbaring 7:3 : Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
[^openbaring-9-5-8]: Kanttekening 8: gepijnigd worden: Namelijk in hun geweten, door de onzekerheid van hun zaligheid, door onzekerheid van de genoegzaamheid van hun verdiensten, door vrees van vagevuur en dergelijke, daar degenen die door het zegel van Gods Geest getekend zijn, vrij van zijn, gelijk Paulus getuigt Romeinen 5:1 , 5:2 , en Romeinen 8:1 . Romeinen 5:1 : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heer Jezus Christus; Romeinen 5:2 : Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. Romeinen 8:1 : Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
[^openbaring-9-5-9]: Kanttekening 9: vijf maanden: Dat is, de tijd dat de sprinkhanen in het veld in hun kracht plegen te zijn, van het begin van de lente tot na de oogst, of de tijd van de hele zomer. Waarmee te kennen gegeven wordt, dat deze sprinkhanen niet meteen zullen geweerd worden of belet de mensen te kwellen, gelijk de sprinkhanen in de plaag van Egypte, Exodus 10:19 ; maar dat zij de hele tijd, dat zij in hun kracht zijn, en die God gesteld heeft, zodanige eigenschap zullen behouden. Exodus 10:19 : Toen keerde YHWH een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet een sprinkhaan over in al het gebied van Egypte.
[^openbaring-9-5-10]: Kanttekening 10: van een schorpioen: Namelijk welker steek hoe langer hoe erger wordt, als hij in het begin niet wordt gebeterd.
[^openbaring-9-6-d]: Verwijzing d: Jesaja 2:19 ; Jeremia 8:3 ; Hosea 10:8 ; Lukas 23:30 ; Openbaring 6:16 . Jesaja 2:19 : Dan zullen zij in de spelonken van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van YHWH, en vanwege de heerlijkheid Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. Jeremia 8:3 : En de dood zal voor het leven gekozen worden, bij het gehele overblijfsel van de overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen van de overgeblevenen, waar Ik hen heengedreven zal hebben, spreekt YHWH van de heirscharen. Hosea 10:8 : En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons! Lukas 23:30 : Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.
[^openbaring-9-6-11]: Kanttekening 11: de dood zoeken: Namelijk van benauwdheid huns gemoeds.
[^openbaring-9-7-e]: Verwijzing e: Exodus 10:4 . Exodus 10:4 : Want als u weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen.
[^openbaring-9-7-12]: Kanttekening 12: de gedaanten van de sprinkhanen: Deze beschrijving toont dat hier niet dan van schadelijke mensen wordt gesproken, die altijd bereid staan om de ware christenen te vervolgen en een geestelijken krijg aan te doen, als paarden die tot krijgen bereid staan, die met hun geschoren kruinen als kronen op hun hoofden, hun heerschappij, die zij onder hun Oversten met drie kronen hebben, voor allen betuigen. Die met een schoon gelaat als mensen, die harten van velen innemen, en door hun lang haar als vrouwen haar wel zachtzinnigheid veinzen, maar de tanden als leeuwen tanden hebben, om door hun rechtbanken en andere scherpe en wrede vonnissen de christenen te kwetsen; die tegen alle wereldlijke macht hun gunsten en vrijheden, van hun koning verleend, als ijzeren borstwapenen stellen, en door het gedruis van hun vleugelen zich boven anderen verheffen, en geheel de wereld vrees aanjagen; die eindelijk met hun staarten, dat is, bijgelovige leringen de mensen, die het zegel Gods niet hebben, vele kwellingen aandoen, gelijk vers 5 is verklaard. Openbaring 9:5 : En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.
[^openbaring-9-11-f]: Verwijzing f: Openbaring 9:1 . Openbaring 9:1 : En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond.
[^openbaring-9-11-13]: Kanttekening 13: Abaddon, en in de Griekse taal : Abaddon in het Hebreeuws en Apollyon in het Grieks, betekent verderf en verderver, en komt overeen met de naam, die de apostel Paulus de antichrist geeft; 2 Tessalonicenzen 2:3 , 2:4 , 2:9 , als hij hem noemt de mens van de zonde, en de zoon van het verderf, de tegenstrijder, en die zich verheft boven al wat God genaamd wordt, wiens komst is na de werking van de satan; waarvan zie de verklaring daar. 2 Thessalonicensen 2:3 : Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 2 Thessalonicensen 2:4 : Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen;
[^openbaring-9-12-g]: Verwijzing g: Openbaring 8:13 . Openbaring 8:13 : En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen, die nog bazuinen zullen.
[^openbaring-9-12-14]: Kanttekening 14: is weggegaan, ziet: Namelijk ten aanzien van het gezicht, dat de apostel vertoond was. Want de zaak zelf is langen tijd daarna geschied, en zal eerst door de verschijning van de komst van Jezus Christus geheel teniet gedaan worden, gelijk Paulus getuigt 2 Tessalonicenzen 2:8 . 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning Zijn toekomst;
[^openbaring-9-13-15]: Kanttekening 15: uit de vier hoornen: Dit ziet op het reukaltaar, dat vier hoornen had, en in het heilige voor het heilige van de heiligen stond, op welk altaar de priesters alle dagen reukwerk offerden; maar op deze vier hoornen de hogepriester eens in het jaar; Exodus 30:10 . Door welke hoornen de macht van Christus wordt verstaan, die hier het vonnis uitspreekt tot straf dergenen die Zijn Kerk tot nog toe hebben verdrukt. Zie hiervoor Openbaring 6:9 . Exodus 30:10 : En Aäron zal eens in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid van de heiligheden YHWH! Openbaring 6:9 : En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden.
[^openbaring-9-14-16]: Kanttekening 16: Ontbind de vier engelen: Door deze vier engelen wordt meest door alle uitleggers verstaan de secte van de Mohammedanen, die vooral in vier volken bestaan, die al de anderen onder zich hebben gebracht, namelijk de Arabieren, Saracenen, Tartaren en Turken, waarvan de Arabieren en Saracenen wel van het jaar 620 af veel geweld tegen de christenen, en in het bijzonder tegen het Romeinse rijk in Oosten en Westen hebben gebruikt; maar zijn daarna opnieuw door de christenen tot over de Eufraat gedreven, totdat omtrent het jaar 1300, als het antichristendom op zijn hoogst was, en de rechtzinnige christenen het allermeest waren verdrukt, de Tartaren en de Turken uit de beide Armeniën, die tegen de Eufraat liggen, zijn doorgebroken, en geheel Azië en Afrika hebben overlopen en tenondergebracht, en het Griekse of het Oosterse rijk, waarvan Konstantinopel het hoofd was, teniet gedaan. In welke krijgen veel bloed vergoten is. En het schijnt dat door deze krijgen de koningen, die hun macht het beest hadden gegeven, zoveel werk hebben gekregen, dat de rechtzinnige leraars in verscheidene landen intussen nieuwe Kerken hebben opgericht, zonder dat zij door de vervolgingen van de antichrist hebben kunnen uitgeroeid worden, gelijk in Frankrijk, Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten door Waldus, Wiclef, Johannes Hus, Hieronymus van Praag en meer anderen is geschied; waarvan in de volgende hoofdstukken breder zal geprofeteerd worden.
[^openbaring-9-14-h]: Verwijzing h: Openbaring 7:1 . Openbaring 7:1 : En na deze zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, houdende de vier winden van de aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom.
[^openbaring-9-14-17]: Kanttekening 17: die gebonden zijn bij de grote rivier: Namelijk door Gods voorzienigheid, totdat de mate van de zonden van het christendom vervuld was, gelijk vers 20 zal betuigd worden; en dat deze volken de vrije toom, om hun eergierigheid en roofgierigheid uit te voeren, door Gods rechtvaardig oordeel zal gegeven zijn; gelijk Jesaja 10:5 ; Jeremia 25:9 . Openbaring 9:20 : En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen; Jesaja 10:5 : Wee de Assyriër, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! Jeremia 25:9 : Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt YHWH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelfde, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
[^openbaring-9-15-18]: Kanttekening 18: het derde deel van de mensen: Want er zijn door deze heirlegers menig honderdduizend christenen omgebracht, en vele anderen tot afval en daardoor tot de geestelijken dood gebracht, gelijk de geschiedenis van die tijd en de ervaring getuigen.
[^openbaring-9-16-19]: Kanttekening 19: van de ruiterij was: Dit wordt uitgedrukt, omdat hun heirlegers meest uit ruiterij bestonden, die uitnemend groot waren, en de heirlegers van de christenen verre te boven gingen, waardoor zij ook hun meeste overwinningen hebben verkregen, gelijk in vers 17 wordt uitgedrukt. Openbaring 9:17 : En ik zag zo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer,
[^openbaring-9-16-20]: Kanttekening 20: tweemaal tien duizenden van de tien duizenden: Dat is, een overgrote menigte; gelijk door deze wijze van spreken ook elders wordt verstaan. Zie Psalm 68:18 ; Daniël 7:10 ; en dat deze Turken en Tartaren met enige honderduizenden te velde plegen te komen, is uit de historiën genoeg bekend. Psalmen 68:18 : Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heer is onder hen, een Sinaï in heiligheid! Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
[^openbaring-9-16-21]: Kanttekening 21: en ik hoorde hun getal: Namelijk noemen in dit gezicht.
[^openbaring-9-17-22]: Kanttekening 22: vurige, en hemelsblauwe: Daar deze natiën zeer weinig ijzeren wapens dragen, zo verstaan enige hierdoor hun verscheidene kleren, die zij uit dergelijke kleuren plegen te dragen; anderen hun wrede gemoederen, die zij tegen de christenen betonen, en hun schrikkelijke lasteringen, die zij tegen hen plegen uit te blazen.
[^openbaring-9-17-23]: Kanttekening 23: hoofden van leeuwen: Dat is, die sterk, snel en wreed zijn, en niet alleen met slaan, maar ook met bijten en scheuren plegen te woeden.
[^openbaring-9-17-24]: Kanttekening 24: vuur, en rook, en sulfer: Dit duiden sommigen op het geschut dat zij voeren, waarmee in het schieten vuur, rook zwavel uit hun monden schijnt voort te komen. Anderen verstaan hierdoor allerlei soorten van wreedheid, die zij door hun wapens bedrijven zouden.
[^openbaring-9-19-25]: Kanttekening 25: in hun staarten; want hun: Dit duiden sommigen daarop, dat zij niet alleen van voren in het volgen, maar ook van achteren in het vluchten eertijds met hun bogen, en nu met hun geschut, weten te schieten en te beschadigen.
[^openbaring-9-19-26]: Kanttekening 26: de slangen gelijk: Welker vergift in het hoofd en in de staart ligt, die ook met deze beide meest plegen te beschadigen, gelijk er ook zodanige slangen worden gevonden, die hoofden hebben aan haar staarten, en Amphisbene genoemd worden.
[^openbaring-9-20-27]: Kanttekening 27: door deze plagen: Namelijk die God vanwege de afgoderij en andere zonden hun had toegezonden, dat de volgende woorden vereisen. Waaruit blijkt, dat deze afgoderij, die de christenen in Griekenland en geheel het Oosten hadden opgericht, en met hunne tweede synode van Nicea, en andere meer, hadden bevestigd, de oorzaak is geweest, dat God door Zijn rechtvaardig oordeel deze straf over hen heeft gezonden; aan welker voorbeeld nochtans de Kerken van het Westen zich niet hebben gespiegeld, maar zijn in deze afgoderij gebleven.
[^openbaring-9-20-28]: Kanttekening 28: de werken van hun handen: Dat is, beeldendienst, want niet de duivelen, maar de beelden zijn werken van de mensenhanden.
[^openbaring-9-20-29]: Kanttekening 29: aanbidden de duivelen: Hier wordt niet gesproken van de afgoderij van de heidenen; want de Mohammedanen hebben eigenlijk geen oorlog gevoerd tegen de heidenen, die door de christelijke keizers in het Oosten en Westen lang tevoren meest waren uitgeroeid, noch van de oorlogen van de Mohammedanen onder elkaar, want die hebben geen beelden, noch eren ze, maar ze hebben oorlog gevoerd tegen de christenen. Degenen ook die van hen niet gedood maar overig gebleven zijn door geheel Europa, zijn geen heidenen maar christenen van belijdenis geweest. En hier wordt dan, door het aanbidden van de duivelen, niet gezien op wat deze overigen beleden te doen, maar op wat zij metterdaad deden, daar degenen die van de rechten godsdienst afwijken, en een versierden godsdienst, van God verboden, oprichten, daarmee niet God maar de duivel dienen, wat zij ook roemen, gelijk te zien is 2 Kronieken 11:15 ; Amos 5:25 , 5:26 ; 1 Timotheüs 4:1 , leringen van de duivelen noemt, die zij wel voor goddelijke leringen houden, maar omdat zij tegen Gods instelling strijden, voor leringen en diensten van de duivel moeten gehouden worden. 2 Kronieken 11:15 : En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. Amos 5:25 : Hebt u Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis van Israël? Amos 5:26 : Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt. 1 Timotheüs 4:1 : Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen,
[^openbaring-9-20-i]: Verwijzing i: Psalm 115:4 ; idem 115:5 ; idem 115:6 ; idem 115:7 ; Psalm 135:15 . Psalmen 115:4 : Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensen handen; Psalmen 115:5 : Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; Psalmen 115:6 : Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet; Psalmen 115:7 : Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel. Psalmen 135:15 : De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
[^openbaring-9-20-30]: Kanttekening 30: Of beelden.
[^openbaring-9-20-31]: Kanttekening 31: die noch zien kunnen: Dit is genomen uit Psalm 115 , dat de apostel op de antichristische beelden toepast, omdat zij niet meer kracht hebben dan de beelden van de heidenen of Joden in deze dele.
[^openbaring-9-21-32]: Kanttekening 32: Hiervan zijn, naast anderen, de martelaars, die zij zo menig duizend in vele eeuwen met vuur, zwaard, bast en anders hebben gedood, genoegzaam getuigen.
[^openbaring-9-21-33]: Kanttekening 33: Of toverijen, gelijk dit woord beide betekent, en gelijk beide onder het rijk van de antichrist niet dan te veel in zwang is.
[^openbaring-9-21-34]: Kanttekening 34: Waarvan de openbare hoerenhuizen, die bij velen van hen openbaar toegelaten worden, en waar zij voordeel van trekken, en de ontuchtigheden van de priesters, onder anderen een bewijs zijn.
[^openbaring-9-21-35]: Kanttekening 35: Onder welke de onttrekking van de erfenissen van de rechte erfgenamen tot hun kloosters, en het afkeren van de goederen, de godsdienst toegeëigend, tot onderhoud van luilakken en tot wereldse pracht onder velen, met recht gerekend mag worden.

### Openbaring 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/10.json)

*1 Nadat de plagen verhaald zijn die onder de zesde bazuin de christenheid uit het oosten en westen zouden overkomen, wordt nu in dit hoofdstuk verhaald wat tot troost van de gemeente onder diezelfde bazuin nog zou volgen. En eerst wordt een engel gezien die uit de hemel afdaalt in grote heerlijkheid, met een open boekje in de hand. 3 die met een grote stem roept, waarop zeven donderslagen volgen. 5 en zweert bij hem die in eeuwigheid leeft, dat er geen tijd meer zou zijn nadat de zevende bazuin gebazuind zou hebben. 8 Geeft daarna het open boekje aan de apostel om op te eten. 10 dat wel zoet was in de mond, maar bitter in de buik. 11 Daarna verklaart hij aan de apostel dat hij opnieuw moest profeteren.*

**1** En ik zag[^openbaring-10-1-1] een andere sterke engel, afkomende van de hemel, die[^openbaring-10-1-2] bekleed was met een wolk; en[^openbaring-10-1-3] een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als[^openbaring-10-1-a] de zon, en zijn voeten waren als[^openbaring-10-1-b] pilaren van vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v1)

**2** En hij had in zijn hand[^openbaring-10-2-4] een boekje, dat geopend was; en hij[^openbaring-10-2-5] zette zijn rechtervoet op de zee, en de linker op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v2)

**3** En[^openbaring-10-3-6] hij riep met een luide stem, zoals een leeuw brult; en als hij geroepen had,[^openbaring-10-3-7] spraken de zeven donderslagen hun stemmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v3)

**4** En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei:[^openbaring-10-4-8][^openbaring-10-4-c] Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben,[^openbaring-10-4-9] en schrijf dat niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v4)

**5** [^openbaring-10-5-d] En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde,[^openbaring-10-5-10] hief zijn hand op naar de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v5)

**6** En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is,[^openbaring-10-6-e] dat er[^openbaring-10-6-11] geen tijd meer zal zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v6)

**7** Maar[^openbaring-10-7-12] in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal,[^openbaring-10-7-13] zo zal het geheim van God vervuld worden, zoals Hij Zijn dienaren, de profeten, verkondigd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v7)

**8** En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, sprak opnieuw met mij, en zei: Ga heen,[^openbaring-10-8-14] neem het boekje, dat geopend en in de hand van de engel is, die op de zee en op de aarde staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v8)

**9** En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boekje. En hij zei tot mij:[^openbaring-10-9-f] Neem dat en[^openbaring-10-9-15] eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v9)

**10** En ik nam dat boekje uit de hand van de engel, en ik at dat op; en het was[^openbaring-10-10-16] in mijn mond zoet als honing, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v10)

**11** En hij zei tot mij:[^openbaring-10-11-17] U moet opnieuw profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/10.html#v11)

[^openbaring-10-1-1]: Kanttekening 1: een anderen sterken engel: Sommigen menen dat dit de engel Gabriël geweest is, omdat zijn naam een sterkte van God betekent; maar de meeste uitleggers verstaan door deze engel de Heer Christus zelf, die hier in een gezicht verschijnt als dalende uit de hemel, tot troost van Zijn gemeente, die in Zijn eigen menselijke natuur, welke de hemel moet behouden tot de oprichting van alle dingen, Handelingen 3:21 ; maar ten opzichte van Zijn werkingen die in dit gezicht worden uitgedrukt, gelijk Openbaring 1:13 , 1:15 ten dele verklaard is, en gelijk Hij van Zijn gedurige aanwezigheid in Zijn gemeente spreekt, Matteüs 18:20 , en Matteüs 28:20 . Want tevoren is Hij in de gedaante van een lam en van een priester van de hemel de apostel verschenen, omdat Hij als een tussenspraak en voorbidder bij de Vader, in de voorgaande gezichten, is gezien. Maar van nu voortaan wordt Hij soms als een sterke engel of gezant van Zijn Vader, in Zijn heerlijkheid vertoond; soms als een koning van de koningen en een overwinnaar van alles; soms als een bruidegom van Zijn gemeente, omdat Hij in het vervolg, als een uitvoerder van Gods besluiten over Zijn gemeente, of over de vijanden haar wordt ingevoerd. Handelingen 3:21 : Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Openbaring 1:13 : En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Openbaring 1:15 : En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Mattheüs 18:20 : Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. Mattheüs 28:20 : En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.
[^openbaring-10-1-2]: Kanttekening 2: bekleed was met een wolk: Namelijk tot een teken van Zijn majesteit, gelijk Hij in de wolkkolom het heir van de Israëlieten is voorgegaan, Exodus 13:21 , enz. en in de tempel is verschenen, 2 Kronieken 5:13 , en 2 Kronieken 7:1 ; en ten uitersten dage ook met de wolken zal komen als een rechter van allen, gelijk hiervoor betuigd wordt Openbaring 1:7 . Exodus 13:21 : En YHWH toog voor hun aangezicht, van de dag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en van de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. 2 Kronieken 5:13 : Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende YHWH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij YHWH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van YHWH. 2 Kronieken 7:1 : Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid van YHWH vervulde het huis. Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.
[^openbaring-10-1-3]: Kanttekening 3: een regenboog: Van deze en volgende eigenschappen, zie hiervoor Openbaring 1:15 , 1:16 en 4:3 . Openbaring 1:15 : En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. Openbaring 1:16 : En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht. Openbaring 4:3 : En Die daarop zat, was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien van de steen Smaragd gelijk.
[^openbaring-10-1-a]: Verwijzing a: Matteüs 17:2 . Mattheüs 17:2 : En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht.
[^openbaring-10-1-b]: Verwijzing b: Openbaring 1:15 . Openbaring 1:15 : En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^openbaring-10-2-4]: Kanttekening 4: een boeksken, dat geopend was: Sommigen verstaan hierdoor hetzelfde boek van de voorzienigheid Gods, dat tevoren met zegelen was verzegeld, dat nu open is in de hand van Christus, omdat niemand in hemel en aarde het kon openen, dan het Lam dat geslacht was, gelijk getuigd is Openbaring 5:3 , dat daarom hier een boeksken wordt genoemd, omdat een groot deel daarvan tevoren was geopenbaard, en dat nu nog maar een deel overig was te openbaren. Anderen nemen het voor het boek van het Evangelie, dat ten tijde toen de antichrist op zijn hoogst was, als een gesloten boek voor de gemeente is geweest; maar van deze tijd aan, dat de Turken tegen de christenheid zijn losgebroken, gelijk in Openbaring 9 is aangetekend, is het opnieuw door enige bijzondere mannen van God meer en meer van de gemeente geopend, en naakter voorgesteld. Openbaring 5:3 : En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelfde inzien.
[^openbaring-10-2-5]: Kanttekening 5: zijn rechtervoet op de zee: Namelijk tot een teken dat hij van nu voortaan openbare possessie en bezit nam van aarde en zee, van ’t vasteland en eilanden, om zijn waarheid en leer op beide opnieuw voort te zetten.
[^openbaring-10-3-6]: Kanttekening 6: grote stem: Namelijk die niemand zou kunnen verhinderen om gehoord te worden.
[^openbaring-10-3-7]: Kanttekening 7: spraken de zeven donderslagen hun stemmen: Namelijk enige verborgenheden, of voorzeggingen van toekomende dingen. Want deze donderslagen hebben niet alleen een geluid gegeven, maar zijn van een sprekende stem vergezeld geweest, gelijk uit vers 4 blijkt. Zie dergelijke Openbaring 1:10 , 1:11 . Openbaring 10:4 : En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin, Openbaring 1:11 : Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en wat u ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea.
[^openbaring-10-4-8]: Kanttekening 8: Verzegel wat: Een dergelijk verbod is te lezen Daniël 8:26 en 12:4 , waardoor de gewichtigheid van de dingen die de donderslagen uitgesproken hadden, wordt te kennen gegeven, welke veel meer door de uitkomst derzelve, dan door de voorzeggingen in de gemeente moesten bekend worden. Daniël 8:26 : Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. Daniël 12:4 : En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
[^openbaring-10-4-c]: Verwijzing c: Daniël 8:26 ; Daniël 12:4 . Daniël 8:26 : Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. Daniël 12:4 : En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
[^openbaring-10-4-9]: Kanttekening 9: schrijf dat niet: Sommige boeken hebben: en u zult het daarna beschrijven; en daarom menen enige dat wat hier verzegeld wordt, daarna eerst in Openbaring 14 zou beschreven worden; te meer omdat Openbaring 1:1 wordt betuigd, dat deze openbaring van Christus Jezus is gegeven, om die Zijn dienaren bekend te maken, niet om die te verzwijgen. Zie ook hierna Openbaring 22:10 . Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 22:10 : En hij zei tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van deze boeks niet; want de tijd is nabij.
[^openbaring-10-5-d]: Verwijzing d: Daniël 12:7 . Daniël 12:7 : En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van de heiligen volks, al deze dingen voltooid zullen worden.
[^openbaring-10-5-10]: Kanttekening 10: hief zijn hand op: Namelijk naar de algemene wijze van doen bij de ouden in het eedzweren gebruikelijk. Zie Genesis 14:22 ; Daniël 12:7 ; ja, God zelf spreekt zo van zich zelf; Exodus 6:7 . Genesis 14:22 : Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot YHWH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Daniël 12:7 : En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van de heiligen volks, al deze dingen voltooid zullen worden. Exodus 6:7 : En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, YHWH!
[^openbaring-10-6-e]: Verwijzing e: Openbaring 11:15 . Openbaring 11:15 : En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden onzes Heern en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
[^openbaring-10-6-11]: Kanttekening 11: geen tijd meer zal zijn: Namelijk na het bazuinen van de zevende engel, gelijk vers 7 verklaart; dat enige verstaan van de tijd, die door de loop van de hemel wordt afgemeten in dagen, maanden en jaren; welke tijd met het einde van de wereld zal eindigen. Anderen verstaan het van de tijd van de bekering, die de mensen na deze tijd niet meer zal worden vergund, dat daarom met zulken eed hier door de engel wordt bevestigd, opdat de mensen met ernst daarop nu zouden letten. Enige verstaan het ook niet ongeschikt van de tijd van de vervolging en verdrukking van Gods gemeente door de antichrist en de wereld, en dat de engel daarom het zo beëdigt, om de gemeente hiervan te verzekeren en daardoor te troosten, gelijk Christus ook doet Lukas 21:28 . Openbaring 10:7 : Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienaren, de profeten, verkondigd heeft. Lukas 21:28 : Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
[^openbaring-10-7-12]: Kanttekening 12: dagen van de stem: Deze, naar het gevoelen van velen, zal de stem van de archangel (aartsengel) ten uitersten dage zijn, waarna de opstanding van de doden en het laatste oordeel zal volgen, met de volle verlossing en verheerlijking van de gemeente van Christus; 1 Korinthe 15:52 ; 1 Tessalonicenzen 4:16 . 1 Korinthiërs 15:52 : In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^openbaring-10-7-13]: Kanttekening 13: zo zal de verborgenheid: Velen verstaan dit, gelijk tevoren verklaard is, van al wat de gemeente van Christus zou overkomen in deze wereld, en van al wat door de profeten is voorzegd, dat met deze bazuin zal eindigen. Anderen menen, daar door de profeten ook voorzegd is, dat het huis van Jakob tot de Heer zal bekeerd worden, dat de gehele gemeente van Christus, bestaande uit Joden en heidenen nog over al hun vijanden, zelfs in deze wereld, zal triomferen; en verstaan deze woorden zo, dat zulks in het begin van deze bazuin nog zal gebeuren, en dat Christus eerst daarna zal verschijnen, om het oordeel te spreken over alle vlees. Maar dit gevoelen komt niet overeen met wat doorgaans in de Schrift gezegd wordt van de staat van de gemeente van Christus op deze aarde; omdat de gemeente van Christus geen vaste rust in deze wereld ergens beloofd wordt, maar een gedurige strijd tegen haar vijanden, zelfs ook als de Joden tot Christus zullen bekeerd zijn, welker bekering sommigen onder de zesde bazuin stellen. Maar hiervan zal Openbaring 20 breder gesproken worden.
[^openbaring-10-8-14]: Kanttekening 14: Namelijk waarvan hiervoren in vers 2 gesproken is; zie ook daar de verklaring. Openbaring 10:2 : En hij had in zijn hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en de linker op de aarde.
[^openbaring-10-9-f]: Verwijzing f: Ezechiël 3:1 . Ezechiël 3:1 : Daarna zei Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat u vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis van Israël.
[^openbaring-10-9-15]: Kanttekening 15: eet het op: Deze woorden zijn genomen uit Ezechiël 3:1 , waar dergelijke aan de profeet geschiedt. En daardoor wordt verstaan, dat hij het boek naarstig moest overzien, overleggen, verstaan en herkauwen. Ezechiël 3:1 : Daarna zei Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat u vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis van Israël.
[^openbaring-10-10-16]: Kanttekening 16: in mijn mond zoet: Hierdoor wordt te kennen gegeven, dat de kennis van de verborgenheden Gods wel aangenaam is en vermakelijk; maar dat daarna de werkingen, die daarop volgen, de kinderen van God dikwijls zwaar en bitter zijn, als daar is de verloochening van ons zelf, en de verdrukkingen en vervolgingen die hun daaruit overkomen. Ook de straffen zelf, die de vervolgers gedreigd worden, zijn dikwijls bitter en droevig om te horen voor de kinderen van God; gelijk Ezechiël, Ezechiël 3:15 , in zijn gemoed bedroefd is, als hij klaagt over de halsstarrigheid van de Joden tegen zijn prediking, en Paulus over de halsstarrigheid van de Joden van zijn tijd; Romeinen 9:2 . Ezechiël 3:15 : En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen. Romeinen 9:2 : Dat het mij een grote verdriet, en mijn hart een gedurige smart is.
[^openbaring-10-11-17]: Kanttekening 17: Dit verstaan sommigen van Johannes, die uit zijn verbanning weer zou vrij gelaten worden, om het Evangelie alom vrij te verkondigen. Maar daar hier van profeteren onder de zesde bazuin wordt gesproken, zo nemen het anderen geschikter voor een voorzegging, die onder de persoon van Johannes tot de leraars van alle geslachten geschiedt, welke in de tijd van de zesde bazuin weer zouden te voorschijn komen, en het Evangelie uit de verdrukking en duisternis van het antichristendom allengskens aan het klare licht brengen, gelijk in Openbaring 11 nader zal worden verklaard, waarvan Openbaring 10 een voorbereiding is.

### Openbaring 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/11.json)

*1 De engel wordt een rietstok gegeven om de tempel te meten. 2 maar niet de voorhof. 3 Christus geeft zijn twee getuigen macht om te profeteren en om hun vijanden plagen toe te zenden. 7 Het beest komt uit de afgrond en doodt de getuigen. 9 waarover de volken zich verheugen. 11 maar na drie en een halve dag worden zij weer levend. 12 en worden opgenomen in de hemel. 13 waarna een aardbeving volgt en schade over de grote stad. 15 De zevende engel bazuint, en de koninkrijken worden van God en van Christus. 16 Waarop de vierentwintig oudsten God loven. 18 en de toorn van God komt over de volken, maar de bereide loon wordt gegeven aan de heiligen. 19 en de tempel van God in de hemel wordt geopend.*

**1** [^openbaring-11-1-a] En mij werd[^openbaring-11-1-1] een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zei: Sta op, en[^openbaring-11-1-2] meet de tempel van God en[^openbaring-11-1-3] het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v1)

**2** En[^openbaring-11-2-4] laat het voorhof uit, dat van buiten de tempel is,[^openbaring-11-2-5] en meet dat niet, want het is[^openbaring-11-2-6] de heidenen gegeven; en zij zullen[^openbaring-11-2-7] de heilige stad vertreden[^openbaring-11-2-8][^openbaring-11-2-b] twee en veertig maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v2)

**3** En Ik zal[^openbaring-11-3-9] Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v3)

**4** [^openbaring-11-4-c] Deze zijn[^openbaring-11-4-10] de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor de God van de aarde staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v4)

**5** En zo iemand die wil beschadigen,[^openbaring-11-5-11] een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet zo gedood worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v5)

**6** [^openbaring-11-6-d] Deze hebben macht[^openbaring-11-6-12] de hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen van hun profetering; en zij hebben macht over de wateren,[^openbaring-11-6-13][^openbaring-11-6-e] om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plaag, zo dikwijls als zij zullen willen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v6)

**7** [^openbaring-11-7-f] En[^openbaring-11-7-14] als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal[^openbaring-11-7-15] het beest, dat[^openbaring-11-7-g] uit de afgrond opkomt, hun strijd aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v7)

**8** En hun dode lichamen zullen[^openbaring-11-8-16] liggen op de straat[^openbaring-11-8-17][^openbaring-11-8-h] van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, waar ook onze Heere gekruist is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v8)

**9** En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halve, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v9)

**10** En[^openbaring-11-10-18] die[^openbaring-11-10-19] op de aarde wonen,[^openbaring-11-10-20] die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkaar geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v10)

**11** En[^openbaring-11-11-21] na die drie dagen en een halve, is een geest van het leven uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v11)

**12** En zij hoorden een luide stem uit de hemel, die tot hen zei: Kom hier op. En[^openbaring-11-12-22] zij voeren op naar de hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v12)

**13** En op dat moment gebeurde[^openbaring-11-13-23] een grote aardbeving, en[^openbaring-11-13-24] het tiende deel van de stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood[^openbaring-11-13-25] zeven duizend namen van mensen, en[^openbaring-11-13-26] de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben de God van de hemel heerlijkheid gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v13)

**14** Het tweede wee is weggegaan; zie,[^openbaring-11-14-i] het derde wee komt haast. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v14)

**15** En[^openbaring-11-15-27] de zevende engel heeft gebazuind, en er klonken[^openbaring-11-15-28] grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld[^openbaring-11-15-29] zijn geworden van onze Heere en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v15)

**16** En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neer op hun aangezichten, en aanbaden God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v16)

**17** Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig,[^openbaring-11-17-k] Die is, en Die was, en Die komen zal! dat U Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v17)

**18** En[^openbaring-11-18-30] de volken waren boos geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienaren,[^openbaring-11-18-31] de profeten, en[^openbaring-11-18-32] de heiligen, en van hen, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten;[^openbaring-11-18-33] en om te verderven degenen,[^openbaring-11-18-34] die de aarde verdierven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v18)

**19** En[^openbaring-11-19-35] de tempel van God in de hemel is[^openbaring-11-19-l] geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/11.html#v19)

[^openbaring-11-1-a]: Verwijzing a: Ezechiël 40:3 ; Ezechiël 41 ; Ezechiël 42 ; Ezechiël 43 . Ezechiël 40:3 : Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^openbaring-11-1-1]: Kanttekening 1: een rietstok gegeven: In dit gezicht wordt door de herbouwing van de tempel, de wederoprichting van de vervallen godsdienst in de gemeente van Christus, hoewel tussen nauwere bepaling, te kennen gegeven, nadat die door de tirannie van de antichrist, waarvan in Openbaring 9 begonnen is te voorzeggen, onder de voet was gebracht; en dit gezicht is genomen uit Ezechiël 40:3 , en vervolgens, waardoor dergelijke afmetingen, en dat in meerdere breedte dan de tempel tevoren was, de wederoprichting van de gemeente, die tevoren vervallen was, opnieuw door Christus in meerdere ruimte door de gehele wereld zou opgericht worden. Ezechiël 40:3 : Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^openbaring-11-1-2]: Kanttekening 2: meet de tempel van God: Dat is, paal af de ware Kerk, waarin God recht gediend wordt, en onderscheid ze van de andere, die de grootste menigte zijn, en die, hoewel zij de titel daarvan voeren, nochtans de daad niet hebben.
[^openbaring-11-1-3]: Kanttekening 3: Deze was tweeërlei in de tempel, namelijk het reukaltaar, dat in het heilige stond, en waarop het reukwerk met de gebeden van de heiligen werd geofferd, en het brandofferaltaar, dat voor de tempel in de voorhof van de priesters stond, waar de offeranden van de verzoening en van de dankbaarheid geschiedden. Deze met de aanbidders worden hier ook gemeten, om weer op te richten, omdat deze twee fundamentele hoofdstukken van het christelijk geloof, onder het rijk van de antichrist, meest verduisterd en ten onder zijn gebracht; te weten, eerstelijk de oorzaak van de verzoening onder zonden voor God, die de Heilige Schrift ons in Christus en Zijn offerande alleen stelt, waar deze in eigene verdiensten, aflaten, vagevuur, bedevaarten tot heiligen en dergelijke bijgelovigheden onder het rijk van de antichrist gezocht wordt; ten tweede, de ware aanroeping van de enige God door de enige Middelaar Christus, daar deze aanroeping in het rijk van de antichrist wordt verdeeld onder vele meesters en meesteressen, gelijk bekend is. Deze zijn dan hier alleen de ware aanbidders voor God, die zich alleen aan God en Christus in dit heiligdom houden; en deze zijn ook alleen de ware priesters van het Nieuwe Testament, al zijn zij minder in getal, en wat meer verborgen voor het gezicht van de wereld, en niet degenen, die in de openlijke voorhoven hun bijgelovigen godsdienst met grote menigte oefenen.
[^openbaring-11-2-4]: Kanttekening 4: laat … uit: Grieks werp uit buiten.
[^openbaring-11-2-5]: Kanttekening 5: het voorhof: Enige boeken hebben: die van binnen de tempel is; namelijk ten opzichte van de buitensten muur van de tempel.
[^openbaring-11-2-6]: Kanttekening 6: de heidenen gegeven: Zo worden genoemd, al degenen die heidense manieren, met het plegen van afgoderij in hun godsdienst gebruikten. Hoewel het Griekse woord ook volken in het algemeen betekent.
[^openbaring-11-2-7]: Kanttekening 7: de heilige stad vertreden: Dat is, de zichtbare kerk, die door Jeruzalem was afgebeeld, welke door de afgodendienaars nu ingenomen en vertreden wordt, daar zij met de titel van de tempel van God en van de heilige Kerk zouden roemen, en de ware Kerk verdrukken. Zo dat door de uitersten voorhof verstaan worden degenen, die de meeste achting en aanzien hebben onder het rijk van de antichrist of hunne geestelijkheid, zoals zij spreken; en door de heilige stad, de gehele menigte die daaronder behoort, en van deze titel ook roemt, niet anders dan die van Jeruzalem eertijds plachten, zelfs als zij Christus en Zijn ware leden vervolgden.
[^openbaring-11-2-8]: Kanttekening 8: twee en veertig maanden: Hierdoor wordt de gehele tijd van de heerschappij van de antichrist verstaan. Maar de rekening van het begin en einde van deze tijd wordt verschillend genomen, gelijk op vers 3 zal aangetekend worden. Maar het allerzekerst is, dat wij de vervulling daarvan met volharding verwachten. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
[^openbaring-11-2-b]: Verwijzing b: Openbaring 13:5 . Openbaring 13:5 : En hetzelfde werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en hetzelfde werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.
[^openbaring-11-3-9]: Kanttekening 9: Mijn twee getuigen: Enige menen dat door deze twee getuigen Henoch en Elias zouden worden verstaan, die de tijd van twee en veertig maanden, of van twaalf honderd zestig dagen, dat is omtrent drie jaren en een half, voor het einde van de wereld, tegen de antichrist zouden profeteren, en daarna door hem gedood worden, en wie naar de letter alles zou overkomen, wat hier in de tekst verhaald wordt. En dit gevoelen wordt door enige heden gedreven, om de antichrist en zijn rijk, dat nu langen tijd in de wereld bekend is, te verduisteren. Maar behalve dat het ongerijmd is, dat de Heilige Geest in deze openbaring de dingen, die verder moeten gebeuren, zo vele eeuwen zou voorbijgaan, in welke de Kerk van Christus zo vele veranderingen heeft ondergaan, en meteen komen tot de vier laatste jaren van de wereld; zo is het ook niet mogelijk, dat het rijk van de antichrist binnen drie jaren en een half zou opgericht worden, en alles door de gehele wereld teweegbrengen, wat in Gods Woord van hem en zijn rijk is voorzegd. Het strijdt ook met Gods Woord, dat de heiligen uit de hemel met hun hemelse lichamen zouden dalen, om hier gedood te worden, of dat zij op deze wereld weer zouden komen prediken, gelijk Abraham getuigt, Lukas 16:29 , of ook dat zij in drie jaren en een half onder alle volken zouden profeteren, of dat hunne lichamen binnen drie eigenlijk genoemde dagen en een half door de volken, geslachten en talen, zo zouden gezien worden, en dat die op aarde wonen zich daarover zouden verblijden, en elkaar geschenken zenden, gelijk hier vers 3 in de tekst staat. Daarom moet zowel de zaak zelf als de tijd hier noodzakelijk profetischerwijze en figuurlijk verstaan worden, namelijk van de dagen die gehele jaren betekenen, gelijk Ezechiël 4:5 , en Daniël 9:24 ; welke jaren door enige worden begonnen van het jaar 606 toen de bisschop van Rome allereerst de titel van bisschop van de gehele christelijke Kerk die Christus alleen toekomt heeft aangenomen, en de afgoderij onder de christenen meest is begonnen door te breken. Hoewel anderen deze jaren wat vroeger beginnen, namelijk van de verwoesting van het Oude Rome, en van zijn overheersing door de Gothen, omtrent het jaar 412. Maar dit in zijn geheel gelaten zijnde, gelijk vers 2 gezegd is, zo wordt het opwekken van deze twee getuigen geschikt verstaan van enige voortreffelijke leraars, die God binnen die tijd van het rijk van de antichrist, hier en daar op verschillende tijden in Zijn gemeente heeft verwekt, om deze heerschappij en afgoderij te ontdekken en wederstaan; die daarom als met zakken bekleed gezegd worden, omdat zij in slechte kleren en met een treurig gelaat zich tegen de pracht en hoogmoed van het antichristendom hebben gesteld. En daarom ook twee genoemd worden, omdat er wel weinigen zouden zijn, maar evenwel genoeg om de waarheid de mensen te betuigen, daar alle waarheid bestaat in twee of drie getuigen, Deuteronomium 19:15 ; en omdat God gewoonlijk twee zodanige voortreffelijke getuigen tot wederoprichting van de vervallen leer pleegt te gebruiken gelijk hier in de volgende woorden eerst wordt gezien op Jozua en Zerubbabel, die de godsdienst na de gevangenschap van Babel hebben opgericht in vers 4 , en op Mozes en Aäron, die zulks gedaan hebben in de woestijn; en op Elia en Elisa, die zulks gedaan hebben onder Achab en ander dienaren van Baäl, waarop hier wordt gezien in vers 5 , 11:6 , die ook daarom twee kunnen genoemd worden, omdat zij de leer van het Oude en het Nieuwe Testament alleen tot weerlegging van het antichristendom, als getuigen van deze waarheid, hebben voortgebracht, en anderen daardoor krachtig overwonnen. Zodanigen zijn geweest Waldus en Petrus Bruys in Frankrijk, Wiclef en Pourneüs in Engeland, Johannes Hus en Hieronymus van Praag in Bohemen en Duitsland, die ook daarover op het Concilie van Constanz, gedood en met blijdschap door al die hoop, uit verscheidene volken en tongen vergaderd, verbrand zijn; totdat het God daarna heeft beliefd Luther en Melanchton in Duitsland, Zwingli en Oecolampadius in Zwitserland, Farel en Calvijn in Frankrijk, met meer anderen in hun plaats te verwekken, die met meerdere kracht hun getuigenis volbracht hebben, en een groot deel van dat grote Babel hebben doen vallen, van welks gehele val en vernietiging hier zal worden geprofeteerd. Lukas 16:29 : Abraham zei tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. Ezechiël 4:5 : Want Ik heb u gegeven de jaren hun ongerechtigheid, naar het getal van de dagen, driehonderd en negentig dagen, dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult. Daniël 9:24 : Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Openbaring 11:2 : En laat het voorhof uit, dat van buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. Deuteronomium 19:15 : Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. Openbaring 11:4 : Deze zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor de God van de aarde staan. Openbaring 11:5 : En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet zo gedood worden. Openbaring 11:6 : Deze hebben macht de hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hun profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo dikwijls als zij zullen willen.
[^openbaring-11-4-c]: Verwijzing c: Zacharia 4:3 ; idem v. 14 . Zacharia 4:3 : En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde. Zacharia 4:14 : Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heer van de gehele aarde staan.
[^openbaring-11-4-10]: Kanttekening 10: de twee olijfbomen: Dit voorbeeld is genomen uit het gezicht van Zacharias, Zacharia 4:2 , 4:3 , 4:14 , waar Jozua de hogepriester en Zerubbabel de vorst zo worden afgebeeld, omdat zij instrumenten waren waardoor de olie van de gaven van de Heilige Geest, en het licht van Zijn woord krachtig waren, om de vervallen tempel en godsdienst na de gevangenschap van Babel in Israël weer op te richten. Zacharia 4:2 : En Hij zei tot mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren; Zacharia 4:3 : En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde. Zacharia 4:14 : Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heer van de gehele aarde staan.
[^openbaring-11-5-11]: Kanttekening 11: een vuur zal uit: Dit ziet op het exempel van Mozes in de opstand van Korach met de zijnen, Numeri 15:35 , en op het exempel van Elias tegen de krijgsknechten, die kwamen om hem te vangen, 2 Koningen 1:10 , waardoor allerlei plagen verstaan worden, die God de vijanden zijn profeten heeft toegezonden. Het kan ook verstaan worden van het vuur van de dreigementen van God tegen de halsstarrigen, gelijk te zien is Jeremia 5:14 . Numeri 15:35 : Zo zei YHWH tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de gehele vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger. 2 Koningen 1:10 : Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Als ik dan een man van God ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen. Jeremia 5:14 : Daarom zegt YHWH, de God van de heirscharen, zo, omdat u dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.
[^openbaring-11-6-d]: Verwijzing d: 1 Koningen 17:1 . 1 Koningen 17:1 : En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als YHWH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!
[^openbaring-11-6-12]: Kanttekening 12: de hemel te sluiten: Dit ziet ook op het exempel van Elia, 1 Koningen 17 , waardoor òf de uiterlijke plagen van droogten en hongersnoden kunnen verstaan worden, òf ook het inhouden van de werkingen van Gods Geest, om van de mensen ondankbaarheid wil; gelijk Paulus 2 Tessalonicenzen 2:11 getuigt, dat God hun zal zenden een kracht van de dwaling, opdat zij de leugen geloven, omdat zij de liefde van de waarheid niet hebben aangenomen om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^openbaring-11-6-13]: Kanttekening 13: om die in bloed te verkeren: Dit ziet ook op het exempel van Mozes en Aäron, die de Egyptenaars, die zich tegen hun vermaningen zetten, met deze en andere plagen hebben gestraft; gelijk God ook verschillende ongevallen en plagen om zodanige oorzaken over de halsstarrige christenheid heeft gezonden.
[^openbaring-11-6-e]: Verwijzing e: Exodus 7 ; Exodus 8 ; Exodus 9 ; Exodus 10 ; Exodus 12 .
[^openbaring-11-7-f]: Verwijzing f: Daniël 7:21 ; Openbaring 13:7 . Daniël 7:21 : Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overweldigd, Openbaring 13:7 : En hetzelfde werd macht gegeven, om de heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelfde werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.
[^openbaring-11-7-14]: Kanttekening 14: als zij hun getuigenis: Namelijk elk het zijne, in zijn bestemden tijd, gedurende deze heerschappij van de antichrist.
[^openbaring-11-7-15]: Kanttekening 15: het beest, dat: Dat is, de antichrist, met zijn geestelijke heerschappij, welk Openbaring 9:11 Abaddon of Verderver genoemd is, waarvan de nadere beschrijving in Openbaring 13 zal volgen. Openbaring 9:11 : En zij hadden over zich tot een koning de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon.
[^openbaring-11-7-g]: Verwijzing g: Openbaring 13:11 . Openbaring 13:11 : En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, van het Lam hoornen gelijk, en het sprak als de draak.
[^openbaring-11-8-16]: Kanttekening 16: op de straat: Of op de ruimte. Dit is ook een eigenschap van deze Roomse hierarchie, of geestelijke heerschappij, dat zij de zodanigen, die zij voor ketters schelden op galgen en raderen zetten, en door al hun gebied de begrafenis weigeren, in het bijzonder op hun gewijde plaatsen, en hun naam allerlei versmaadheid aandoen na hun dood.
[^openbaring-11-8-17]: Kanttekening 17: grote stad: Hierdoor wordt de stad Rome met haar heerschappij verstaan, gelijk de engel zelf genoeg verklaart, Openbaring 17:9 , 17:18 , die geestelijk Sodom genoemd wordt, om de ontucht, die daar zetelt: en Egypte, vanwege de verdrukking van Gods volk, en waar onze Heer ook geestelijk wordt gezegd gekruisigd te zijn, omdat gelijk Christus zelf door de Romeinsen stadhouder gekruisigd is, Hij ook zo in Zijn leden door de Roomse heerschappij nog dagelijks gekruisigd wordt. Openbaring 17:9 : Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.
[^openbaring-11-8-h]: Verwijzing h: Openbaring 17:2 ; idem 17:5 ; Openbaring 18:10 . Openbaring 17:2 : Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij. Openbaring 17:5 : En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelen van de aarde. Openbaring 18:10 : Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.
[^openbaring-11-10-18]: Kanttekening 18: die op de aarde wonen: Dat is, de aardse mensen, die zich tot aardsen godsdienst begeven.
[^openbaring-11-10-19]: Kanttekening 19: geschenken zenden: Namelijk tot een teken van blijdschap, gelijk Esther 9:19 , 9:22 . Esther 9:19 : Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, de veertienden dag van de maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en van de zending van delen aan elkaar. Esther 9:22 : Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelfde dagen maken zouden tot dagen van de maaltijden, en van de vreugde, en van de zending van delen aan elkaar, en van de gaven aan de armen.
[^openbaring-11-10-20]: Kanttekening 20: gepijnigd hadden: Dat is, met hun prediking, schriften en vermaningen hun geweten hadden geroerd, en kwelling aangedaan, om zo gerust in hun bijgelovigheden en zonden niet voort te kunnen gaan, waarvan zij door de dood van deze nu schenen ontslagen te zijn.
[^openbaring-11-11-21]: Kanttekening 21: na die drie dagen: Dat is na een korte tijd, dat deze getuigen gedood waren, en door het geweld en publiek oordeel van de antichrist en van de zijnen, hun aanzien onder de mensen schenen verloren te hebben, heeft God weer anderen in hun plaats verwekt, die door denzelfden Geest zijn gedreven geweest, gelijk Johannes de Doper in de geest en kracht van Elisa wordt gezegd gekomen te zijn; Lukas 1:17 . Lukas 1:17 : En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten van de vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heer te bereiden een toegerust volk.
[^openbaring-11-12-22]: Kanttekening 22: zij voeren op naar de hemel in de wolk: Sommigen verstaan dit van de zaligheid van de profeten of getuigen van Christus, die gelijk Christus, hun hoofd, door een wolk is opgenomen in de hemel, en gelijk Lazarus' ziel door de engelen is gedragen in Abrahams schoot, zo ook uit vele ontering en verdrukking door de dood ten hemel zijn opgenomen, om daar vertroost en verheerlijkt te worden, totdat zij ten uitersten dage in het gezicht van hun vervolgers, naar het lichaam en ziel, Christus tegemoet in de wolken ten hemel opgenomen zijn; 1 Tessalonicenzen 4:17 . Anderen verstaan het van de meerdere kracht en verheerlijking van deze getuigen, door degenen, die in hun plaats zullen komen, gelijk zulke manier van spreken Jesaja 14:13 , 14:19 , en elders ook gebruikt wordt. Dat door anderen, die hen gevolgd zijn, en die ook met de burgerlijken arm zijn gesterkt geweest in Duitsland, Frankrijk, Engeland, Schotland, Zwitserland, Nederland en andere delen van de wereld, niettegenstaande al het geweld van de antichrist, geschied en volbracht is en nog volbracht wordt. 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. Jesaja 14:13 : En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden. Jesaja 14:19 : Maar u bent verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed van de gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.
[^openbaring-11-13-23]: Kanttekening 23: grote aardbeving: Dat is, een grote beroering en beweging in de wereld, zo door de antichrist en degenen, die zich tegen deze getuigen stelden, als de anderen, die deze getuigenissen aannamen en voorstonden; gelijk de ervaring in de voorgaande eeuwen heeft getuigd en nog in deze eeuw getuigt.
[^openbaring-11-13-24]: Kanttekening 24: het tiende deel : Dat is, een groot deel van de Roomse en antichristische hierarchie is van de antichrist afgevallen.
[^openbaring-11-13-25]: Kanttekening 25: zeven duizend namen van mensen: Dit verstaan enige voor mensen van naam en aanzien, als daar zijn koningen, vorsten, prelaten, leraars en dergelijke, die in verscheidene krijgen die zij voor de antichrist gevoerd hebben, zijn omgekomen.
[^openbaring-11-13-26]: Kanttekening 26: de overigen: Dat is, een groot deel van de volken, die onder zijn heerschappij stonden, zijn van hem afgeweken, en hebben zich tot de zuiverheid van het Evangelie, naar dit voorbeeld, meer en meer bekeerd, totdat eindelijk de val van deze grote stad met zeven bergen en haar valsen profeet zal volgen; waarvan in de volgende hoofdstukken zal geprofeteerd worden.
[^openbaring-11-14-i]: Verwijzing i: Openbaring 8:13 ; Openbaring 9:12 ; Openbaring 15:1 . Openbaring 8:13 : En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen, die nog bazuinen zullen. Openbaring 9:12 : Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na deze. Openbaring 15:1 : En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in de hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn van God geëindigd.
[^openbaring-11-15-27]: Kanttekening 27: de zevende engel heeft gebazuind: Wat op deze bazuin is gevolgd, wordt het best verstaan van de oprichting van het rijk Gods en van zijn Christus in de hemel, na de voleinding van de wereld, dat met de laatste woorden van vers 15 , en met vers 18 , 11:19 wel overeenkomt, en met de orde, die in deze gezichten wordt gehouden, dat elk bijzonder gezicht met het einde van de wereld in zijn voorzegging eindigt, gelijk hiervoor Openbaring 10:7 , ook is betuigd. Openbaring 11:15 : En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heer en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. Openbaring 11:18 : En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienaren, de profeten, en de heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven. Openbaring 11:19 : En de tempel van God in de hemel is geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel. Openbaring 10:7 : Maar in de dagen van de stem van de zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienaren, de profeten, verkondigd heeft.
[^openbaring-11-15-28]: Kanttekening 28: grote stemmen: Namelijk van blijdschap, die onder de heilige geesten in de hemel was, gelijk volgt.
[^openbaring-11-15-29]: Kanttekening 29: zijn geworden van onze Heer: Dat is, staan nu allen onder Zijn regering, nadat onder de voet zijn gebracht al degenen die zich daartegen stelden. Zie 1 Korinthe 15:24 . 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^openbaring-11-17-k]: Verwijzing k: Openbaring 1:4 ; idem 1:8 ; Openbaring 4:8 ; Openbaring 16:5 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 4:8 : En de vier dieren hadden elk voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. Openbaring 16:5 : En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heer! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat U dit geoordeeld hebt;
[^openbaring-11-18-30]: Kanttekening 30: de volken waren toornig geworden: Namelijk tevoren tegen Christus en Zijn rijk; maar nu is de tijd gekomen, dat u uwe straf, in uw rechtvaardigen toorn, tegen zodanigen zult uitvoeren.
[^openbaring-11-18-31]: Kanttekening 31: de profeten: Waaronder de apostelen en Evangelisten van het Nieuwe Testament ook worden begrepen.
[^openbaring-11-18-32]: Kanttekening 32: de heiligen: Waaronder alle trouwe leraars en martelaars ook worden begrepen.
[^openbaring-11-18-33]: Kanttekening 33: dengenen, die Uw Naam vrezen: Hierdoor worden al de andere gelovigen verstaan.
[^openbaring-11-18-34]: Kanttekening 34: Namelijk met geweld en vervolging, met valse leringen en slechte voorbeelden. Zie Openbaring 19:2 . Openbaring 19:2 : Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft.
[^openbaring-11-19-35]: Kanttekening 35: de tempel van God in de hemel is geopend geworden: Door de opening van de tempel in de hemel wordt allergevoegelijkst verstaan de verheerlijking van de gemeente zelf in de hemel, en door de ark zijns verbonds het heerlijk aanschouwen van Christus onze middelaar in deze, waarvan de ark een voorbeeld was, en door de donder en bliksem, enz. de tekenen van Zijn toorn tegen de ongelovigen.
[^openbaring-11-19-l]: Verwijzing l: Openbaring 15:5 . Openbaring 15:5 : En na deze zag ik, en ziet, de tempel van het tabernakel van het getuigenis in de hemel werd geopend.

### Openbaring 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/12.json)

*1 Aan de apostel wordt een gezicht getoond van een vrouw die in barensnood is. 3 en van een rode draak die voor haar stond om het kind te verslinden. 5 Maar het kind wordt opgenomen voor Gods troon, en de vrouw vlucht in de woestijn, waar voor haar een plaats bereid is, 1260 dagen. 7 Daar ontstaat strijd in de hemel tussen Michael en de draak. 9 Doch de draak wordt overwonnen en op de aarde geworpen. 10 waarop een loflied volgt in de hemel. 13 De draak vervolgt de vrouw, die arendsvleugels ontvangt om naar de woestijn te vluchten. 15 achter wie de draak waterstromen uitwerpt, die de aarde opdrinkt. 17 En de draak voert strijd tegen de overigen van haar zaad. 18 en Johannes staat op de oever van de zee.*

**1** [^openbaring-12-1-1] En er werd[^openbaring-12-1-2] een groot teken gezien in de hemel;[^openbaring-12-1-3] namelijk een vrouw,[^openbaring-12-1-4] bekleed met de zon; en[^openbaring-12-1-5] de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd[^openbaring-12-1-6] een kroon van twaalf sterren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v1)

**2** En[^openbaring-12-2-7] zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en[^openbaring-12-2-8] zijnde in pijn om te baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v2)

**3** En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet,[^openbaring-12-3-9] er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven[^openbaring-12-3-10] koninklijke hoeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v3)

**4** En[^openbaring-12-4-11] zijn staart trok het derde deel van de sterren van de hemel, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v4)

**5** En[^openbaring-12-5-12] zij baarde een mannelijke zoon,[^openbaring-12-5-a] die al[^openbaring-12-5-13] de heidenen zou[^openbaring-12-5-14] hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v5)

**6** [^openbaring-12-6-15] En de vrouw vluchtte in de[^openbaring-12-6-16] woestijn, waar zij een plaats had, haar van God bereid,[^openbaring-12-6-17] opdat zij haar daar zouden voeden[^openbaring-12-6-b] duizend tweehonderd zestig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v6)

**7** En[^openbaring-12-7-18] er werd strijd in de hemel:[^openbaring-12-7-19] Michaël en zijn engelen streden tegen de draak, en de draak streed ook en zijn engelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v7)

**8** En zij hebben niet vermocht, en hun[^openbaring-12-8-20][^openbaring-12-8-c] plaats is niet meer gevonden in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v8)

**9** En[^openbaring-12-9-d] de grote draak is geworpen,[^openbaring-12-9-21] namelijk de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan, die[^openbaring-12-9-22] de hele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v9)

**10** En ik hoorde een luide stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden van onze God; en de macht van Zijn Christus; want[^openbaring-12-10-23] de aanklager onzer broeders, die hen aanklaagde voor onze God dag en nacht is neergeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v10)

**11** En zij hebben hem overwonnen door[^openbaring-12-11-24] het bloed van het Lam, en door[^openbaring-12-11-25] het woord van hun getuigenis, en zij hebben[^openbaring-12-11-26] hun leven niet liefgehad tot de dood toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v11)

**12** [^openbaring-12-12-e] Hierom bedrijft vreugde, u hemelen, en u, die daarin woont![^openbaring-12-12-f] Wee van hen,[^openbaring-12-12-27] die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en[^openbaring-12-12-28] heeft grote toorn, wetende, dat hij[^openbaring-12-12-29] een kleine tijd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v12)

**13** [^openbaring-12-13-30] En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het mannetje gebaard had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v13)

**14** [^openbaring-12-14-g] En van de vrouw zijn gegeven[^openbaring-12-14-31] twee vleugels van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn,[^openbaring-12-14-32] in haar plaats,[^openbaring-12-14-33] waar zij gevoed wordt[^openbaring-12-14-34][^openbaring-12-14-h] een tijd, en tijden, en een halve tijd,[^openbaring-12-14-35] buiten het gezicht van de slang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v14)

**15** [^openbaring-12-15-36] En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar[^openbaring-12-15-37] door de rivier zou doen wegvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v15)

**16** En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, die de draak uit zijn mond had geworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v16)

**17** En de[^openbaring-12-17-38] draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om strijd te voeren[^openbaring-12-17-39] tegen de overigen van haar zaad, die de geboden van God bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v17)

**18** En ik[^openbaring-12-18-40] stond op het zand van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/12.html#v18)

[^openbaring-12-1-1]: Kanttekening 1: En er werd: Hier begint het vierde gezicht, en het wordt door velen daarvoor gehouden, dat hier ook het tweede deel van deze openbaring begint, waarin de Kerk van Christus, van de tijden van de apostelen aan tot het einde van de wereld, en de opkomst en heerschappij van de antichrist, met zijn eindelijken val, wat nader en breder wordt beschreven, nadat zulks in het kort in de voorgaande gezichten was gedaan.
[^openbaring-12-1-2]: Kanttekening 2: groot teken: Dat is, een gezicht dat grote dingen betekende, dat daarom in de hemel wordt gezegd gezien te zijn, omdat zulks in de geopenden hemel is vertoond, hoewel de zaken zelf meest op de aarde geschied zijn.
[^openbaring-12-1-3]: Kanttekening 3: een vrouw: Door deze vrouw verstaan enige de maagd Maria, die Christus heeft gebaard, en met Christus in Egypte is gevlucht, welke Christus de satan tot de dood toe heeft vervolgd, die daarna is opgenomen ten hemel, en daar is gezeten ter rechterhand van God Zijn Vader, en met een ijzeren roede de volken regeert. Maar daar dit al geschied was, eer aan Johannes deze openbaring is gedaan, en hier eigenlijk van dingen, die nog toekomende waren, wordt geprofeteerd, gelijk Openbaring 1:1 , en Openbaring 4:1 , is betuigd, en hierna Openbaring 22:6 verhaald wordt; en vele dingen hier op de maagd Maria niet wel kunnen geduld worden, zo verstaat het merendeel van de uitleggers door deze vrouw de gemeente van Christus, die naar het voorbeeld van Christus, haar hoofd en bruidegom, deze dingen zijn overkomen, die hier onder deze gelijkenis verstaan worden, gelijk in het vervolg zal blijken. Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; Openbaring 4:1 : Na deze zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, wat na deze gebeuren moet. Openbaring 22:6 : En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heer, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienaren te tonen, wat haast moet gebeuren.
[^openbaring-12-1-4]: Kanttekening 4: bekleed met de zon: Hierdoor wordt het ware geloof in Christus, de zon van de gerechtigheid, betekend; waarmee de gemeente van Christus is bekleed, versierd en verlicht. Zie Galaten 3:27 ; Efeze 3:17 , en Efeze 5:14 . Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. Efeziërs 3:17 : Opdat Christus door het geloof in uw harten woont, en u in de liefde geworteld en gegrond bent; Efeziërs 5:14 : Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
[^openbaring-12-1-5]: Kanttekening 5: de maan was onder haar voeten: Hierdoor verstaan enige de plechtigheden van het Oude Testament, die naar de verandering van de maan zeer dikwijls werden gericht, en die nu met Christus' komst waren krachteloos geworden en teniet gedaan; Kolossenzen 2:14 . Maar hierdoor worden geschikt verstaan alle veranderlijke en wereldse dingen, die als de maan dikwijls veranderen, en die de ware Kerk van Christus onder de voeten heeft, en ten opzichte van de eeuwige, onveranderlijke, en hemelse dingen, klein acht. Zie 1 Korinthe 7:30 , 7:31 , en 2 Korinthe 4:18 . Kolossensen 2:14 : Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende; 1 Korinthiërs 7:30 : En die wenen, als niet wenende; en die blij zijn, als niet blij zijnde; en die kopen, als niet bezittende; 1 Korinthiërs 7:31 : En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. 2 Korinthiërs 4:18 : Omdat wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
[^openbaring-12-1-6]: Kanttekening 6: een kroon van twaalf sterren: Dat is, de leer van de twaalf apostelen, waar zij alleen van roemt, en die zij voor haar kroon en versiering houdt, gelijk hierna Openbaring 21 de fondamenten van het hemelse Jeruzalem bij twaalf kostelijke stenen worden vergeleken, waarop de namen van de twaalf apostelen waren gegraveerd.
[^openbaring-12-2-7]: Kanttekening 7: zij was zwanger: Namelijk om Christus, door het Evangelie te baren en ene gedaante te geven in de harten van de uitverkorenen van God, door de gehele wereld, gelijk Paulus spreekt Galaten 4:19 . Dat, hoewel het van de algemene Kerk altijd waar is, zo is dit nochtans in het bijzonder vervuld ten tijde, en enige honderden jaren na de tijden van de apostelen, in welke de apostolische en eerste Kerk, niettegenstaande de wederstand van de satan en van al zijn werktuigen, de leer van Christus door de wereld heeft voortgeplant en vele bijzondere Kerken als haar kinderen te voorschijn gebracht, gelijk Paulus daarvan schreef Galaten 4:26 , 4:27 , uit Jesaja 54:1 . Galaten 4:19 : Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. Galaten 4:26 : Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. Galaten 4:27 : Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft. Jesaja 54:1 : Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt YHWH.
[^openbaring-12-2-8]: Kanttekening 8: zijnde in pijn: Dit wordt hier bijgevoegd, om de grote zorg, pijnen en angst, die de Kerk van Christus en haar getrouwe dienaren, dikwijls hebben, om de kinderen van God te winnen en uit de wereld te vergaderen. Waarvan zie een voorbeeld in Paulus; 1 Korinthe 4:11 , enz. 1 Korinthiërs 4:11 : Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats;
[^openbaring-12-3-9]: Kanttekening 9: er was een grote rode: Dat deze draak de duivel of satan is, wordt hierna vers 9 verklaard, en hij wordt hier groot en rood genoemd vanwegen zijn bloedgierigheid en wreedheid, welke hier zeven hoofden worden toegeschreven vanwege zijn grote listigheid; en tien hoornen en zeven kronen vanwege zijn grote kracht en heerschappij in de wereld, gelijk de Schrift van hem spreekt, Johannes 8:44 ; 2 Korinthe 11:3 , 11:14 ; Efeze 6:12 . Hoewel ook enige door deze zeven hoofden verstaan, de zeven bergen, en zeven koningen van de grote stad, waar de satan toen vooral zijn heerschappij had, en door de tien hoornen en de tien kronen, de tien voornaamste rijken, die onder hun gebied stonden. Waarvan hierna, Openbaring 17:9 , 17:10 zal gesproken worden. Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. 2 Korinthiërs 11:3 : Maar ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is. 2 Korinthiërs 11:14 : En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel van het licht. Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Openbaring 17:9 : Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. Openbaring 17:10 : En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.
[^openbaring-12-3-10]: Kanttekening 10: koninklijke hoeden: Grieks Diademata, waarvan zie Openbaring 13:1 . Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-12-4-11]: Kanttekening 11: zijn staart trok: Gelijk Openbaring 1:20 verklaard is, dat de zeven sterren de zeven engelen van de gemeenten zijn, zo kan ook hier geschikt het derde deel van de leraars of voorgangers van de gemeente verstaan worden, die door de staart, dat is door de kracht en venijnigheid van deze draak, in de tijden van de vervolgingen en van de ketterijen, waarvan hiervoren Openbaring 6:3 , enz. is geprofeteerd, van de rechte leer en ware geestelijke zorg van de Kerk, tot wereldse zorg, zouden afvallen, gelijk hiervoren Openbaring 9:1 is aangewezen, en gelijk de kerkelijke geschiedenis getuigt, dat in zulke tijden soms geschied is. Openbaring 1:20 : De verborgenheid van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. Openbaring 6:3 : En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! Openbaring 9:1 : En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond.
[^openbaring-12-5-12]: Kanttekening 12: zij baarde een mannelijken: Grieks zij baarde een zoon, een man, of manneken. Sommigen verstaan hierdoor, gelijk ook door de volgenden strijd van Michaël tegen de draak, Constantijn, de eerste christelijken keizer, die voor de christen-kerk, na drie honderd jaren vervolging, is te voorschijn gebracht, en na vele oorlogen en overwinningen over de dienaren van de afgoden en van de draak, eindelijk het Romeinse rijk onder het gebied van de christenen heeft gebracht, en de christen-kerk boven alle andere heeft verheerlijkt en tot aan de hemel verheven. Welke verklaring zeer oud is, daar Constantijn zelf dit gezicht daarom in zijn wapen heeft gevoerd, nadat hij Maximianus, Maxentius, Licinius en andere vijanden en vervolgers van de christenen, met hun legers had overwonnen, en de afgodendienst uit het Romeinse rijk had geweerd. Maar daar hier van dit mannelijk kind, en hierna van deze Michaël en draak vele dingen worden gezegd, die zeer moeilijk alleen op Constantijn en de zijnen kunnen geduld worden, zo is het wel zo gevoegelijk dat dit ook van Christus zelf worde genomen, en van zijn geestelijke geboorte door de gehele wereld in het hart en in de belijdenis van de gelovigen, door de dienst van de Kerk, gelijk hiervoor op vers 2 is aangewezen; tegen welke Christus en zijn geestelijke geboorte de satan zich met alle geweld en list heeft gesteld, zo door de vervolgingen van de Joden en heidenen, als door verscheidene godslasterlijke ketterijen, die hij de persoon en de voldoening van Christus onder de christenen heeft verwekt. Hoewel Christus, nu zittende ter rechterhand van God, als het hoofd van de uitverkorenen, altijd de overhand heeft behouden, en in Zijn troon altijd is gebleven. Openbaring 12:2 : En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.
[^openbaring-12-5-a]: Verwijzing a: Psalm 2:9 ; Openbaring 2:27 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Openbaring 2:27 : En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
[^openbaring-12-5-13]: Kanttekening 13: de heidenen zou: Of volken.
[^openbaring-12-5-14]: Kanttekening 14: hoeden met een: Grieks weiden.
[^openbaring-12-6-15]: Kanttekening 15: En de vrouw vluchtte: Sommigen verstaan deze vlucht van de Kerk van Christus van de schuldigen plicht van alle gelovigen, wanneer zij Christus in hun hart hebben ontvangen, en met Hem gezeten zijn in de hemel, gelijk Paulus van hen spreekt, Efeze 2:6 ; namelijk dat zij de wereld moeten vluchten, en zoeken wat boven is, en niet dat beneden is, Kolossenzen 3:1 , 3:2 ; maar omdat deze schuldige plicht van de Kerk van Christus altijd duurt, en hier alleen van een zekeren tijd wordt gesproken, zo wordt het door anderen wel zo goed genomen voor een voorbereiding tot dezelfde vlucht van deze vrouw, waarvan hierna vers 13 nader zal worden gesproken. Welke voorbereiding zelfs ten tijde van Constantijn door de Ariaanse en andere ketterijen, en door de hoogmoed en heerszucht van vele bisschoppen en andere wereldse handelingen onder hen in de Kerk is begonnen, die het antichristendom allengskens hebben gebroeid, totdat het omtrent het jaar 606, eindelijk is te voorschijn gebracht; gelijk elders ook is aangeroerd; en zij menen, dat dit hier maar wordt aangeroerd, om de oorzaak van deze vlucht tussen beiden te vertellen, en breder daarvan hierna te spreken; dat ook door de overeenkomst van de tijd in vers 6 met vers 14 wordt bewezen. Efeziërs 2:6 : En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus; Kolossensen 3:1 : Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Kolossensen 3:2 : Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Openbaring 12:13 : En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had. Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 12:14 : En aan de vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens grote arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht van de slang.
[^openbaring-12-6-16]: Kanttekening 16: alwaar zij een plaats had: Namelijk van God door de afmeting van de tempel en uitsluiting van de voorhoven, waarvan tevoren, Openbaring 11:1 , gesproken is, gelijk de overeenkomst van de twaalf honderd zestig dagen alhier, en van de twee en veertig maanden daar, Openbaring 11:3 , ook medebrengt. Openbaring 11:1 : En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
[^openbaring-12-6-17]: Kanttekening 17: opdat zij haar daar: Anders: dat zij daar zou gevoed worden; namelijk van de twee getuigen, die daartoe van God waren uitgezonden, om de gemeente van God, gedurende deze tijd, in de woestijn te onderhouden; dat ook ziet op wat in Openbaring 11 is geprofeteerd. Want, dat enige dit willen verstaan van de vlucht van de christenen uit Jeruzalem en uit het Joodse land naar Pella over de Jordaan, ten tijde van de belegering van Jeruzalem, en verwoesting van het heilige land, die omtrent drie en een half jaar zou hebben geduurd, past op deze openbaring niet, omdat deze verwoesting ten tijde van deze openbaring al geschied was, en dat hier van langeren tijd gesproken wordt, gelijk hiervoor is aangewezen, en hierna nog aangewezen zal worden.
[^openbaring-12-6-b]: Verwijzing b: Openbaring 11:3 . Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
[^openbaring-12-7-18]: Kanttekening 18: er werd krijg: Dat hier, gelijk enige menen, niet wordt gesproken van de eerste val van de satan, en zijn opstandigheid tegen de Zoon van God, waarvan Christus spreekt Johannes 8:44 , en Jud.:6, blijkt uit de reden meermalen verhaald, dat hier van toekomende dingen wordt gehandeld. Gelijk ook niet van de strijd, die Christus de ware Michaël, dat is, God even gelijk zijnde, Filippenzen 2:6 , tegen de satan heeft gevoerd, wanneer Hij de gedaante van een dienaar heeft aangenomen, en in het huis van de sterke is gekomen, om hem te binden en zijn vaten te ontroven, Matteüs 12:29 , en wanneer Hij hem door Zijn dood heeft teniet gedaan, en over hem aan het kruis gezegevierd, Kolossenzen 2:15 ; Hebreeën 2:14 . Want hoewel dit een eeuwigdurend fondament is van alle overwinning over de satan en zijn werktuigen, gelijk de inwoners van de hemel hierna vers 10 , 12:11 zingen, zo is dit fondament ook al tevoren vast gelegd geweest, voordat deze openbaring aan Johannes geschiedde. Daarom moet deze krijg en overwinning hier verstaan worden van een bijzondere toeëigening van deze eerste overwinning van Christus, die nog over de satan zou volgen in de leden van Christus, waarvan Christus ook spreekt Matteüs 16:18 , en Paulus Romeinen 16:20 ; namelijk in de tijden van de vervolgingen en verleidingen, onder de heidense en Ariaanse keizers, en andere ketterse koningen, wanneer Christus in Zijn leden op het hoogste is bestreden, en vooral ook wanneer de antichrist in het Westen en de Mohammedanen in het Oosten de overhand hebben verkregen, en de Kerk van Christus door de gehele wereld is verdrukt geworden; dat klaar bewezen wordt uit de tijd van twaalf honderd zestig dagen, die na deze strijd de vlucht van de vrouw in de woestijn wordt toegeschreven, en uit het triomflied van de inwoners van de hemel, vers 10 , 12:11 , dat van zulk een overwinning, en daarom ook van zulk een strijd, hier duidelijk spreekt. Johannes 8:44 : U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; Mattheüs 12:29 : Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven. Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broeders, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen. Romeinen 16:20 : En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broeders, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe.
[^openbaring-12-7-19]: Kanttekening 19: Michaël en zijn: Gelijk door deze Michaël, dat is, wie is gelijk God, Christus zelf door meest al de uitleggers wordt verstaan, zo verstaan enige door Zijn engelen de gelovigen, die door Christus, en met Christus, de draak en zijn engelen hebben overwonnen, gelijk hierna vers 11 wordt betuigd. Nochtans kan deze naam engelen van de engelen zelf ook wel verstaan worden, omdat die van Christus, hun hoofd, tot troost en hulp van de gelovigen in deze strijd ook dikwijls gezonden worden, gelijk te zien is Hebreeën 1:14 , en de voorbeelden van Elia, Elisa, van Daniël en zijn metgezellen, van Petrus en Paulus in hun gevangenschap, in de Schrift bewijzen; en gelijk de kerkelijke geschiedenis getuigt, dat de vrome martelaars, onder de heidense keizers en onder de antichrist, òf door de engelen uit hun handen zijn verlost, òf in hun pijnen verlicht, of vertroost en gesterkt. De vervolgers zijn ook door hen dikwijls door verscheidene plagen gestraft en gestuit, gelijk Herodes, Handelingen 12:23 , tot verlichting van de gemeente, door de Engel van de Heer is geslagen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Hebreeën 1:14 : Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen? Handelingen 12:23 : En ogenblikkelijk sloeg hem een engel van de Heer, daarom dat hij voor God de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf de geest.
[^openbaring-12-8-20]: Kanttekening 20: en hun plaats: Dergelijke wijze van spreken gebruikt Christus ook van Zijn overwinning over de satan, Lukas 10:18 ; en hier wordt ook duidelijk gezien op enige gezichten van het Oude Testament, waar dergelijke strijd en aanklacht van de satan voor de troon van God, tegen de gelovigen, met een eindelijke overwinning over de satan gezien is; Job 1:11 , en Job 2:5 , en in het bijzonder Zacharia 3:1 , dat met dit gezicht vele dingen gemeen heeft, zo in de personen, als in de uitkomst daarvan. Of nu dit zo inderdaad zou mogen geschied zijn, of alleen figuurlijkerwijze uitgesproken wordt, daaraan is niet veel gelegen. Dit is genoeg en zeker, dat nadat Christus de verzoening onzer zonden heeft volbracht, en gezeten is ter rechterhand van Zijn Vader, en als onze voorspraak daar verschijnt, aan de satan en zijn engelen alle stof van aanklacht tegen de gelovigen, voor de troon van God, ten enenmale is benomen, gelijk Paulus terecht noemt, Romeinen 8:33 , enz. en gelijk de hemelse heirscharen hierna zingen, vers 10 , 12:11 , en dat Hij vandaar de satan, met al onze en Zijn vijanden, gedurig onder de voeten zal brengen, gelijk Paulus getuigt; 1 Korinthe 15:25 . Lukas 10:18 : En Hij zei tot hen: Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen. Job 1:11 : Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? Job 2:5 : Maar strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! Zacharia 3:1 : Daarna toonde Hij mij Josua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel van YHWH; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Romeinen 8:33 : Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broeders, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. 1 Korinthiërs 15:25 : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
[^openbaring-12-8-c]: Verwijzing c: Daniël 2:35 . Daniël 2:35 : Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelfde gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de gehele aarde vervulde.
[^openbaring-12-9-d]: Verwijzing d: Lukas 10:18 ; Openbaring 20:2 . Lukas 10:18 : En Hij zei tot hen: Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen. Openbaring 20:2 : En hij greep de draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
[^openbaring-12-9-21]: Kanttekening 21: de oude slang: Zo wordt de satan genoemd, omdat hij door een slang onze voorouders in het paradijs heeft verleid. Zie 2 Korinthe 11:3 . 2 Korinthiërs 11:3 : Maar ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.
[^openbaring-12-9-22]: Kanttekening 22: de gehele wereld verleidt: Dat is, de kinderen van de ongehoorzaamheid in de gehele wereld, Efeze 2:2 . Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid;
[^openbaring-12-10-23]: Kanttekening 23: de verklager onzer: Zie hiervoor de aantekeningen vers 8 . Openbaring 12:8 : En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel.
[^openbaring-12-11-24]: Kanttekening 24: het bloed van het Lam: Zie hiervoor de aantekeningen vers 7 . Openbaring 12:7 : En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
[^openbaring-12-11-25]: Kanttekening 25: het woord van hun: Dat is, het Evangelie, door hen door het geloof aangenomen en standvastig beleden. Want dit is het geestelijke zwaard en werktuig, waardoor de satan overwonnen wordt. Zie Efeze 6:17 . Efeziërs 6:17 : En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord.
[^openbaring-12-11-26]: Kanttekening 26: hun leven niet liefgehad: Dat is, zij hebben hun leven hier klein geacht voor Christus, en Zijn waarheid. Zie Lukas 14:26 ; Handelingen 20:24 . Lukas 14:26 : Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. Handelingen 20:24 : Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik, van de Heer Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade van God.
[^openbaring-12-12-e]: Verwijzing e: Psalm 96:11 ; Jesaja 49:13 . Psalmen 96:11 : Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid. Jesaja 49:13 : Juicht, u hemelen! en verheug u, u aarde! en u bergen! maakt gedreun met gejuich; want YHWH heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.
[^openbaring-12-12-f]: Verwijzing f: Openbaring 8:13 . Openbaring 8:13 : En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen, die nog bazuinen zullen.
[^openbaring-12-12-27]: Kanttekening 27: die de aarde en de: Dat is, wee de aardsen en wereldsen mensen, hetzij die het vasteland, of de eilanden in de zee bewonen; gelijk hiervoor Openbaring 3:10 , en elders meer. Openbaring 3:10 : Omdat u het woord Mijner volharding bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit het uur van de verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.
[^openbaring-12-12-28]: Kanttekening 28: heeft grote toorn: Dat is, is zeer toornig, omdat hij tegen de kinderen van God voor de troon van God niets vermag, gelijk vers 8 is gezegd. Openbaring 12:8 : En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel.
[^openbaring-12-12-29]: Kanttekening 29: een kleinen tijd heeft: Namelijk gelijk de tijd tussen Christus' eerste en laatste komst de laatste ure genoemd wordt, 1 Johannes 2:18 ; zo wordt de tijd van de overige heerschappij van de satan een kleine tijd genoemd, daar hij in de voleinding van de wereld in de poel van het vuur zal geworpen worden; en hij nu dagelijks ziet uit de tekenen, die Christus en zijn apostelen voorzegd hebben, dat deze tijd meer en meer nadert. Zie hierna Openbaring 20:10 , en Matteüs 25:41 . 1 Johannes 2:18 : Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk u gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.
[^openbaring-12-13-30]: Kanttekening 30: En toen de draak zag: Dat is, toen de satan zag, dat hij Christus in Zijn leden, en de zaligheid Zijn leden, met zijn aanklachten in de hemel niet meer kon beschadigen, zo heeft hij zich weer tegen deze Kerk van Christus gekeerd, om haar ten minste in deze wereld te beledigen met beroving van haar goederen, met gevangenis, met lasteringen hun personen, met ballingschap, vervolgingen en dergelijke kwellingen meer.
[^openbaring-12-14-g]: Verwijzing g: Openbaring 12:6 . Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^openbaring-12-14-31]: Kanttekening 31: twee vleugelen eens: Namelijk door God, welke twee arendsvleugelen sommigen menen te zijn het geloof, waardoor zij in dit alles op Christus, hun hoofd, vast gegrond blijft, 1 Johannes 5:4 , en de hoop van de zaligheid, waardoor zij al de verdrukkingen overwint, wetende dat het lijden van de tegenwoordigen tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. Hoewel ook allerlei krachtige bewaring Gods door arendsvleugelen verstaan wordt, gelijk te zien is Deuteronomium 32:11 . 1 Johannes 5:4 : Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Deuteronomium 32:11 : Gelijk een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
[^openbaring-12-14-32]: Kanttekening 32: in haar plaats: Namelijk waarvan hiervoor vers 6 is gehandeld. Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^openbaring-12-14-33]: Kanttekening 33: alwaar zij gevoed wordt: Anders: opdat zij daar zou gevoed worden; namelijk zo door God alleen door Zijn Geest en Woord, gelijk van de zeven duizend gezegd wordt, die God ten tijde van Elia zich behouden had, 1 Koningen 19:18 ; Romeinen 11:4 , en daarna ook door de twee getuigen, die God hun in hun woestijn langen tijd heeft verwekt, gelijk Openbaring 11:3 is aangetekend. 1 Koningen 19:18 : Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en allen mond, die hem niet gekust heeft. Romeinen 11:4 : Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
[^openbaring-12-14-34]: Kanttekening 34: een tijd, en tijden: Sommigen nemen hier een tijd voor een jaar, de tijden voor twee jaren, en een halven tijd voor een half jaar, gelijk deze wijze van spreken schijnt genomen te worden Daniël 7:25 , en Daniël 12:7 , en houden dat de tijd van de heerschappij van de antichrist niet langer zal duren dan drie en een half jaar, voor de voleinding van de wereld, gelijk de tirannie van Antiochus, die een voorbeeld van de antichrist was, onder de Joden, ten tijde van de Maccabeën, niet langer heeft geduurd. Maar dit gevoelen is Openbaring 11:3 weerlegd; en wordt bovendien krachtig weerlegd, omdat, als dit juist ware, de dag van het oordeel, ten tijde van de antichrist, reeds zou bekend zijn, tegen het getuigenis van Christus, Markus 13:32 . Gelijk ook niet mogelijk is, dat de antichrist in zo weinig tijds uit de stam van Dan \[gelijk zij voorgeven\] welke geen gebied in de wereld heeft, zou opkomen en zich zelf al de Joden, de gehele wereld door, tot aanhang maken, de stad Jeruzalem met het Joodse land innemen, en de tempel opbouwen, daarna zich door de gehele wereld zou doen aanbidden, de christenheid onderwerpen, de stad Rome verwoesten en dergelijke meer; daar de Schrift getuigt, dat deze verborgenheid van de ongerechtigheid al ten tijde van Paulus begon te werken, 2 Tessalonicenzen 2:7 , en dat de Joden zelf voor de voleinding van de wereld, zullen worden bekeerd, en tot de ware Kerk van Christus, vergaderd, Romeinen 11:25 ; 2 Korinthe 3:14 , enz. Daarom moeten deze tijd, tijden, en halve tijden, genomen worden voor een tijd, die God wel bekend is en ons niet dan met de uitgang zal bekend worden. Of voor drie en een half jaar, die te zamen uitbrengen twee en veertig maanden, of duizend twee honderd en zestig dagen, elke dag genomen voor een jaar; waarvan hiervoor Openbaring 11:3 , en in vers 6 , is gesproken, en hierna ook gesproken zal worden Openbaring 13:5 ; want deze tijd zal de Kerk van Christus in de woestijn gevoed worden, waarin de voorhof van de tempel ongemeten zal blijven, en de heilige stad door de heidenen zal vertreden worden, en de twee getuigen zullen profeteren, en het beest tegen de heiligen krijg zal voeren, waarvan in Openbaring 13 zal geprofeteerd worden. Daniël 7:25 : En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd. Daniël 12:7 : En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van de heiligen volks, al deze dingen voltooid zullen worden. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. Marcus 13:32 : Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. 2 Thessalonicensen 2:7 : Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt al gewrocht; alleen, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. 2 Korinthiërs 3:14 : Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen van de Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. Openbaring 13:5 : En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.
[^openbaring-12-14-h]: Verwijzing h: Openbaring 12:6 . Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^openbaring-12-14-35]: Kanttekening 35: buiten het gezicht van de slang: Grieks van het aangezicht.
[^openbaring-12-15-36]: Kanttekening 36: En de slang wierp: Hoewel enige door deze wateren ook valse leringen verstaan, zo is nochtans bekend in Gods Woord, dat door wateren of rivieren, de vervolgingen of verdrukkingen verstaan worden, gelijk te zien is Psalm 42:8 , en Psalm 124:5 ; Matteüs 7:25 . Dat hier ook van nieuwe vervolgingen en zwarigheden, die de satan de Kerk, nadat zij in de woestijn is gevlucht, zou aandoen, gesproken wordt, blijkt hier uit de tekst. Maar op welke vervolgingen hier gezien wordt is men van verschillend gevoelen. Enige menen dat het de vervolgingen zijn, die de antichrist tegen de Griekse Kerken heeft verwekt, omdat zij de beeldendienst en de aanroeping van de heiligen, en het eren van haar reliquieën, en zijn heerschappij niet wilden aannemen; welke door enige Griekse keizers lang zijn gestuit; anderen, dat het de vervolgingen zijn, die tegen de Hussieten in Boheme en andere plaatsen meer, verwekt zijn, die de Heer door zekeren Ziska met wonderbaarlijke verlossingen, alsof zij uit de aarde opgekomen waren, langen tijd heeft gestuit, en ook van de samenspanning van de keizers en koningen met de antichrist, ten tijde dat de Kerk na Luthers tijden het hoofd begon op te steken, waarvan enige nog duren. Eindelijk verstaan anderen dit van het laatste geweld, dat de antichrist nog doen zal, met al zijn aanhangers voor zijn val. Maar tot troost van de gemeente is daarbij gevoegd, dat de Heer Zijn Kerk eindelijk nog wonderbaar zal verlossen, gelijk Mozes en Aäron van het geweld en de samenspanning van Korach, Dathan en Abiram zijn verlost, toen de aarde haar mond opende, en hunne vijanden verslond, Numeri 16:31 , 16:32 ; welker gelijke wonderbare en onverwachte verlossingen wij in onze tijden, in alle delen van de christenheid ook meermalen gezien hebben. Psalmen 42:8 : De afgrond roept tot de afgrond, bij het gedruis van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. Psalmen 124:5 : Toen zouden de onstuimige wateren over onze ziel gegaan zijn. Mattheüs 7:25 : En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. Numeri 16:31 : En het geschiedde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aarde, dat onder hen was, gekloofd; Numeri 16:32 : En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen.
[^openbaring-12-15-37]: Kanttekening 37: door de rivier zou: Grieks rivier-driftig maken.
[^openbaring-12-17-38]: Kanttekening 38: draak vergrimde op: Namelijk omdat zij zich nu van zijn gezicht in sommige plaatsen en tijden hadden verstopt, gelijk in vers 14 wordt gezegd: en omdat zij daarna ook hulp van koningen en prinsen had verworven, die haar tegen het geweld en de aanvallen van de antichrist met de zijnen beschermden. Openbaring 12:14 : En aan de vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens grote arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht van de slang.
[^openbaring-12-17-39]: Kanttekening 39: tegen de overigen van: Namelijk die in zulke plaatsen nog waren verstrooid en verstopt, waar geen openbare Kerken waren, en waar de antichrist, en de koningen, die hem hun macht leenden, hun gebied nog hadden: van welke verstrooide christenen hier twee merktekenen worden gesteld, namelijk dat zij God dienden naar Zijn geboden, en niet naar menselijke inzettingen; en dat zij het getuigenis van Jezus hielden, dat is, hun zaligheid zochten alleen in de verdiensten van de enige en volmaakten Zaligmaker Jezus, en niet in hun eigene, of van enig schepsel, volgens de leer en getuigenis van het heilige Evangelie: waarin het rechte onderscheid bestaat van een dienaar van de antichrist, en van een Evangelisch en gereformeerd christen.
[^openbaring-12-18-40]: Kanttekening 40: stond op het zand van de zee: Namelijk in een gezicht, of ook metterdaad, op het eiland Patmos, gelijk van Daniël, Daniël 10:4 , dergelijke wordt betuigd, namelijk om te zien wat verder gebeuren zou, of wat gezicht mij uit de zee zou getoond worden. Gelijk Openbaring 13 uitwijst, waaraan vers 18 schijnt te behoren, dat daarom ook door sommigen bij Openbaring 13 gevoegd wordt. Daniël 10:4 : En op de vier en twintigsten dag van de eerste maand, zo was ik aan de oever van de grote rivier, welke is Hiddekel. Openbaring 12:18 : En ik stond op het zand van de zee.

### Openbaring 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/13.json)

*1 Aan de apostel wordt in een gezicht een beest getoond met zeven koppen en tien horens. 3 waarvan een kop, dodelijk gewond, genezen wordt. 4 De hele aarde aanbidt het beest en de draak, gedurende tweeenveertig maanden. 6 Het beest lastert God en zijn heiligen, en voert strijd tegen hen. 8 en overwint allen wier namen niet geschreven zijn in het boek van het Lam. 10 De vergelding van gelijke straf wordt de vervolgers gedreigd. 11 Daarna komt een ander beest op uit de aarde, met twee horens als het Lam, maar het doet de werken van het eerste beest. 13 Dit doet grote tekenen en verleidt de inwoners van de aarde, dat zij een beeld maken dat allen moeten aanbidden. 16 En het maakt dat ieder een merkteken moet dragen, of de naam van het beest, of zijn getal, dat zeshonderdzesenzestig is.*

**1** [^openbaring-13-1-1] En ik zag uit de zee[^openbaring-13-1-2][^openbaring-13-1-a] een beest opkomen, hebbende[^openbaring-13-1-3] zeven hoofden en[^openbaring-13-1-4] tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien[^openbaring-13-1-5] koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was[^openbaring-13-1-6] een naam van godslastering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v1)

**2** En het beest dat ik zag, was een[^openbaring-13-2-7] pardel gelijk, en zijn voeten als de voeten van een beer, en zijn mond als de mond van een leeuw; en[^openbaring-13-2-8] de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v2)

**3** En ik zag één van zijn hoofden als tot de dood[^openbaring-13-3-9] gewond, en[^openbaring-13-3-10] zijn dodelijke wonde werd genezen; en de hele aarde[^openbaring-13-3-11] verwonderde zich achter het beest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v3)

**4** En[^openbaring-13-4-12] zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest[^openbaring-13-4-b] gelijk? wie kan strijd voeren tegen het? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v4)

**5** En het werd een mond gegeven,[^openbaring-13-5-13] om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven,[^openbaring-13-5-14] om dat te doen, twee en veertig maanden.[^openbaring-13-5-c] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v5)

**6** En het opende zijn mond[^openbaring-13-6-15] tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en[^openbaring-13-6-16] Zijn tabernakel, en[^openbaring-13-6-17] die in de hemel wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v6)

**7** En[^openbaring-13-7-d] het werd macht gegeven, om de[^openbaring-13-7-18] heiligen strijd aan te doen, en om[^openbaring-13-7-19] die te overwinnen; en[^openbaring-13-7-20] het werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v7)

**8** En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden,[^openbaring-13-8-21][^openbaring-13-8-e] van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het[^openbaring-13-8-22] Lam, Dat geslacht is,[^openbaring-13-8-f] van de grondlegging van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v8)

**9** Als iemand oren heeft, die hore. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v9)

**10** [^openbaring-13-10-23] Als iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de[^openbaring-13-10-g] gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden.[^openbaring-13-10-h] Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v10)

**11** [^openbaring-13-11-24] En ik zag een ander beest[^openbaring-13-11-i] uit de aarde opkomen, en[^openbaring-13-11-25] het had twee hoornen, van het Lam hoornen[^openbaring-13-11-26] gelijk, en het sprak als de draak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v11)

**12** En[^openbaring-13-12-27] het oefent al de macht van het eerste beest,[^openbaring-13-12-k] in aanwezigheid van het, en het maakt, dat[^openbaring-13-12-28] de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens[^openbaring-13-12-l] dodelijke wonde genezen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v12)

**13** En[^openbaring-13-13-29] het doet[^openbaring-13-13-m] grote tekenen, zodat het ook[^openbaring-13-13-30] vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v13)

**14** En[^openbaring-13-14-n] verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan het toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde,[^openbaring-13-14-31] een beeld zouden maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v14)

**15** En het werd macht gegeven[^openbaring-13-15-32] om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die[^openbaring-13-15-o] het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v15)

**16** En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienaren,[^openbaring-13-16-33][^openbaring-13-16-p] een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v16)

**17** En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft,[^openbaring-13-17-34][^openbaring-13-17-q] of de naam van het beest,[^openbaring-13-17-35] of het getal van zijn naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v17)

**18** Hier is[^openbaring-13-18-r] de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is[^openbaring-13-18-36] het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/13.html#v18)

[^openbaring-13-1-1]: Kanttekening 1: ik zag uit de zee: Dit gezicht komt in vele delen overeen met het gezicht, dat Daniël gezien heeft, Daniël 7:2 , enz., alwaar de vier monarchieën of opperste heerschappijen in de wereld, onder dergelijke gedaante aan de profeet worden getoond. De reden waarom die bij beesten worden vergeleken, en uit de zee opkomende, is omdat zij met groot gedruis uit de samenvloeiing van vele volken, \[die bij wateren vergeleken worden, Openbaring 17:15 \], worden opgericht, en dikwijls met veel wreedheid en geweld plegen vergezelschapt te zijn. Daniël 7:2 : Daniël antwoordde en zei: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden van de hemel braken voort op de grote zee. Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen.
[^openbaring-13-1-2]: Kanttekening 2: een beest opkomen: Welke heerschappij hierdoor wordt verstaan, is verscheiden gevoelen. Sommige uitleggers verstaan daardoor de Romeinse monarchie, die onder heidense keizers was, toen Johannes deze openbaring heeft ontvangen, en kort na die tijd onder keizer Trajanus in haar meeste kracht en luister is geweest. En gelijk zij de afgoden en vervolgens ook de draak dienden, zo zijn zij ook door hem bewogen om de christelijken godsdienst ten uiterste te bekrijgen. En hoewel na de tijd van omtrent 220 jaren daarna Constantijn, en beide Theodosiussen, Gratianus, en enige weinige goede en christelijke keizers de Kerk een tijdlang hebben voorgestaan, nochtans zijn ook tussenbeiden enige heidense en ketterse keizers en koningen geweest, die hun macht de draak hebben geleend, de Kerken van Christus en de rechtzinnige leraars hebben vervolgd, totdat eindelijk onder dit keizerrijk in het Westen, omtrent het jaar vier- en vijfhonderd na Christus' geboorte, dit beest ene doodwond heeft ontvangen, toen door de Noordse volken, de Longobarden, Gothen, Hunnen en Wandalen, de stad Rome tot vijf maal toe is ingenomen, en eindelijk verwoest; uit welker ondergang de antichrist eindelijk zijn rijk heeft voortgebracht, toen keizer Justinianus, omtrent het jaar 550, deze barbaarse natiën heeft verdreven en ten onder gebracht, en de bisschop van Rome opnieuw heeft verheven: en dat de wrede keizer Phocas, omtrent het jaar 606 hem tot algemeen bisschop heeft verklaard. Waardoor de wond van dit hoofd van het beest weer is genezen, en onder alle volken en tongen is aangebeden; waarvan in het vervolg van het hoofdstuk door de opkomst van het tweede beest, nader zal worden gesproken. Dit gevoelen is van vele voortreffelijke leraars, en past zeer wel op meest al de leden van de beschrijving van de eigenschappen van dit eerste beest. Maar hier bestaan deze zwarigheden: eerst, dat dit Romeinse rijk lang tevoren in zijn kracht was geweest, waar dit beest in dit gezicht nog als opkomende wordt vertoond; ten andere, dat het moeilijk is, dat men de tijden na Constantijns komst tot het keizerdom, en enige godzalige keizers, ook hieronder moet nemen; of dat de opkomst van het tweede beest, dat is van de antichrist, onder deze vrome keizers moet worden gesteld; en allermeest, dat de twee en veertig maanden, waarvan hier vers 5 wordt gesproken, merkelijk slaan op de twee en veertig maanden of duizend tweehonderd zestig dagen, waarvan Openbaring 11:2 , 11:3 , en op de duizend tweehonderd zestig dagen, waarvan Openbaring 12:6 is gesproken; welke is de tijd, dat de heilige stad van de heidenen is vertreden, en waarin de twee getuigen verwekt zijn, die de gemeente in de woestijn hebben gevoed, en waartegen dit beest krijg heeft gevoerd, gelijk daar is verklaard. Daarom wordt dit het best op de nieuwe Romeinse heerschappij geduid, die in deze stad, omtrent de tijd van de vertreding van de heilige stad, en van de vlucht van de Kerk van Christus in de woestijn is opgericht, en zich over de gehele christenheid vooral in het Westen heeft uitgestrekt. Welke heerschappij, daar zij tweeërlei is, namelijk een wereldse, die de antichrist boven alle koningen, prinsen en republieken direct of indirect, uitstrekt; en een geestelijke, die hij over al de bisschoppen, abten, prelaten en priesters in de Kerk aanneemt, zo worden beide deze gewelddadige machten, in dit gezicht, onder de gedaante van deze twee beesten, zeer klaar voorgesteld; gelijk hierna ook door de koninklijk opgesmukte hoer, die op dit beest zit, en door de valsen profeet, die haar vergezelt. Want dit is de apostel in dit geschrift eigen, dat de verschillende eigenschappen en werkingen van een persoon of opvolging van personen, door verschillende gezichten worden vertoond; gelijk hiervoor Openbaring 11 , de Kerk van Christus door de tempel en zijn voorhoven, en Openbaring 12 , door een vrouw met de zon bekleed, vertoond wordt. Ja, gelijk Christus zelf in deze openbaring soms als een lam, soms als een engel en priester de hemels, soms als een overwinnaar, zittende op een wit paard, werd ingevoerd. Dat nu de verklaring van al deze eigenschappen, die hier in Openbaring 13 volgen, op de beide heerschappijen zeer wel passen, zal in het vervolg blijken. Openbaring 13:5 : En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden. Openbaring 11:2 : En laat het voorhof uit, dat van buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. Openbaring 11:3 : En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^openbaring-13-1-a]: Verwijzing a: Daniël 7:20 ; Openbaring 17:3 . Daniël 7:20 : En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen. Openbaring 17:3 : En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.
[^openbaring-13-1-3]: Kanttekening 3: zeven hoofden: Deze zeven hoofden worden Openbaring 17:9 door de engel zelf verklaard te zijn de zeven bergen, waarop die grote stad, op welke de vrouw zit, die de heerschappij heeft over de koningen van de aarde, gebouwd is; en ook van de zeven koningen, of vorm van regering, waaraan zij onderworpen was, waarvan in hetzelfde hoofdstuk nadere verklaring zal volgen. Openbaring 17:9 : Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.
[^openbaring-13-1-4]: Kanttekening 4: tien hoornen: Deze worden hierna, Openbaring 17:12 , verklaard te zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hadden ontvangen, maar zouden hun macht op één uur met het beest ontvangen; waaraan zij hun macht voor een tijd zouden overgeven, totdat zij die weer tot zich zouden nemen; waarvan zie ook daar nadere verklaring. Openbaring 17:12 : En de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest.
[^openbaring-13-1-5]: Kanttekening 5: koninklijke hoeden: Grieks diademata; een soort van gekroonde hoeden, de koning toekomende, die zij gemakkelijk van hunne hoofden zouden kunnen doen, om voor de troon van de draak en het beest te kunnen afnemen, en aan zijn voeten te leggen, gelijk de vier en twintig ouderlingen en de vier dieren hun kronen werpen voor de troon van God en het Lam; Openbaring 4:10 . Openbaring 4:10 : Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende:
[^openbaring-13-1-6]: Kanttekening 6: een naam van: Anders, namen, namelijk, als daar is de God op aarde, de stadhouder van Christus, het hoofd en de bruidegom van de Kerk, en dergelijke meer, naast de afgodendienst, die ook door de naam van lastering in Gods Woord verstaan wordt; gelijk te zien is Jesaja 65:7 ; Ezechiël 20:27 . Zie hiervan ook 2 Tessalonicenzen 2:4 . Jesaja 65:7 : Uw ongerechtigheden, en uw vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt YHWH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. Ezechiël 20:27 : Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer YHWH: Hiermede nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben. 2 Thessalonicensen 2:4 : Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
[^openbaring-13-2-7]: Kanttekening 7: Of luipaard. De eerste drie monarchieën worden Daniël 7:4 , enz., bij deze drie wilde en verscheurende dieren vergeleken; welke drie tezamen hier dit beest alleen worden toegeëigend, omdat de eigenschappen van deze drie tezamen op dit beest passen; van welke eigenschappen, zie ook de verklaring Daniël 7. Daniël 7:4 : Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelfde werd eens mensen hart gegeven.
[^openbaring-13-2-8]: Kanttekening 8: zijn kracht: Welke kracht, en troon, en macht van de draak is, te zijn de overste van deze wereld, Johannes 12:31 ; de god van deze wereld, 2 Korinthe 4:4 , en de overste macht van de lucht, die krachtig werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid, Efeze 2:2 ; die ook zelf roemt dat hij deze koninkrijken kan geven wie hij wil, Lukas 4:6 ; en Paulus getuigt dat de komst van de antichrist zal zijn naar de werking van de satan met alle kracht; 2 Tessalonicenzen 2:9 . Johannes 12:31 : Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Lukas 4:6 : En de duivel zei tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wie ik ook wil; 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen;
[^openbaring-13-3-9]: Kanttekening 9: Grieks geslacht. Zie van deze wond en haar genezing de aantekeningen vers 1 . Want uit het vervolg van de tekst, en de wijze van spreken die Johannes gebruikt, blijkt dat dit beest deze wond in zijn eerste opkomst heeft ontvangen, die door de keizer Justinianus en enige volgende wel enigszins is genezen, maar ten volle geheeld door Pepijn en Carolus Magnus, die omtrent het jaar zeven en acht honderd de bisschop van Rome in zijn volle bezitting heeft gesteld, als de tien koningen die met hem opgekomen zijn, hun macht hem hebben bijgevoegd; waarop de bewondering en onderwerping van alle volken in het christenrijk gevolgd is, gelijk de tekst verklaart. Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-13-3-10]: Kanttekening 10: dodelijke wonde: Grieks de slag of wond zijns doods.
[^openbaring-13-3-11]: Kanttekening 11: verwonderde zich: Dat is, volgde het beest achterna met verwondering.
[^openbaring-13-4-12]: Kanttekening 12: aanbaden de draak: Namelijk wel niet in zijn gedaante, gelijk het heidense Romeinse rijk in zijn afgoden had gedaan, maar in de nieuwen beeldendienst en andere afgodische manieren, waartoe zij in dit rijk vervielen, gelijk hiervoor Openbaring 9:20 is betuigd, en de ervaring maar al te veel bewijst. Openbaring 9:20 : En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
[^openbaring-13-4-b]: Verwijzing b: Openbaring 18:18 . Openbaring 18:18 : En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?
[^openbaring-13-5-13]: Kanttekening 13: om grote dingen: Zie dergelijke Daniël 7:8 . Dat van de kleinen hoorn, die tussen de andere opgroeide, wordt gezegd: dat naar de letter verstaan wordt van de koning Antiochus, van wiens tirannie en afgoderij onder de Joden veel te lezen is 1 Makkabeeën 1 ,2, en die vele uitleggers onder de christenen een beeld van de antichrist houden geweest te zijn, die dergelijke tirannie en afgoderij onder de Christenen zou aanrichten en gebruiken. Zie de verklaring van deze grote dingen hiervoor in de aantekeningen vers 1 . Daniël 7:8 : Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelfde, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor dezelfde; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-13-5-14]: Kanttekening 14: doen, twee en veertig maanden: Anders: om twee en veertig maanden krijg te voeren; dat is, duizend, twee honderd en zestig dagen, waarvan zie de verklaring vers 1 , en Openbaring 12:6 . Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering. Openbaring 12:6 : En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.
[^openbaring-13-5-c]: Verwijzing c: Openbaring 11:2 . Openbaring 11:2 : En laat het voorhof uit, dat van buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.
[^openbaring-13-6-15]: Kanttekening 15: tot lastering tegen God: Namelijk daar het zichzelf de macht en namen van God inderdaad toeschrijft. Want hij zit in de tempel van God, en verheft zichzelf boven al wat God genoemd wordt; 2 Tessalonicenzen 2:4 . 2 Thessalonicensen 2:4 : Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
[^openbaring-13-6-16]: Kanttekening 16: Zijn tabernakel: Hierdoor verstaan enige de ware Kerk van God, die hij voor ketters en verbannen verklaart en uitkrijt voor de gehele wereld. Anderen verstaan hierdoor het lichaam van Christus, dat een tabernakel van zijn godheid genoemd wordt, Johannes 1:14 ; Hebreeën 9:11 , 9:12 , en dat door de Mis lasterlijk mishandeld wordt. Beide is waarachtig. Johannes 1:14 : En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. Hebreeën 9:11 : Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, Hebreeën 9:12 : Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.
[^openbaring-13-6-17]: Kanttekening 17: die in de hemel wonen: Dat is, de engelen en zalige zielen, die hij, zo veel in hem is, in afgoden verandert, en met welke hij geestelijke hoererij bedrijft; waarmee hij de koningen en volken van de aarde dronken maakt, gelijk hierna Openbaring 17 , zal worden verklaard. Dat de meeste kleinigheid is en lastering, die hij hun zou kunnen aandoen; gelijk Paulus en Barnabas, wanneer men hun goddelijke eer wilde aandoen, daarover hun kleren hebben gescheurd, Handelingen 14:14 , dat in het horen van godslastering placht te gebeuren, gelijk te zien is 2 Koningen 18:37 , en Matteüs 26:65 . Handelingen 14:14 : Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun kleren, en sprongen onder de schare, roepende, 2 Koningen 18:37 : Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. Mattheüs 26:65 : Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.
[^openbaring-13-7-d]: Verwijzing d: Daniël 7:21 ; Openbaring 11:7 . Daniël 7:21 : Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overweldigd, Openbaring 11:7 : En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
[^openbaring-13-7-18]: Kanttekening 18: Dat is, de ware gelovigen en belijders van Christus' naam, gelijk van de twee getuigen hiervoor, Openbaring 11:7 , ook gezegd is. Openbaring 11:7 : En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
[^openbaring-13-7-19]: Kanttekening 19: Namelijk door lichamelijke overwinning, zo tegen de bijzondere gelovigen, met hen te doden, als tegen hun vergaderingen, door deze te storen en te verwoesten; waarvan de boeken van de martelaars vol zijn van voorbeelden. Hoewel de gelovigen altijd de draak en het beest hebben overwonnen naar de geest, gelijk de gelovige zielen roemen en lofzingen, hiervoor Openbaring 12:11 , en gelijk van hen getuigd wordt in vers 8 . Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.
[^openbaring-13-7-20]: Kanttekening 20: Namelijk door een rechtvaardig oordeel van God, die een kracht van de dwaling gezonden heeft onder deze volken, opdat zij de leugen zouden geloven, en allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloven; 2 Tessalonicenzen 2:10 , 2:11 . 2 Thessalonicensen 2:10 : En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^openbaring-13-8-21]: Kanttekening 21: van wie de namen niet: Dat is, welke door God in Christus niet zijn uitverkoren, gelijk Paulus spreekt Efeze 1:4 . Zie dergelijke Lukas 10:20 , en hierna Openbaring 20:12 . Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Lukas 10:20 : Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^openbaring-13-8-e]: Verwijzing e: Exodus 32:33 ; Filippenzen 4:3 ; Openbaring 3:5 ; Openbaring 20:12 ; Openbaring 21:27 . Exodus 32:33 : Toen zei YHWH tot Mozes: Die zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt. Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 3:5 : Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^openbaring-13-8-22]: Kanttekening 22: Dat geslacht is: Enige voegen deze laatste woorden: van de grondlegging van de wereld met de voorgaande woorden: van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, gelijk Paulus van de verkiezing in Christus spreekt, Efeze 1:4 ; anderen, bij de laatste woorden: dat geslacht is. Want hoewel Christus inderdaad niet is geslacht, dan toen Hij voor ons aan het kruis geleden heeft, zo is nochtans deze Zijn dood en offerande van het begin van de wereld krachtig geweest tot verlossing Zijn gelovigen; en Hij is van de beginne geslacht in Gods besluit, in Gods beloften en in het geloof van de uitverkorenen, gelijk van Abraham gezegd wordt, Johannes 8:56 , en van Mozes, Hebreeën 11:26 . Efeziërs 1:4 : Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Johannes 8:56 : Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. Hebreeën 11:26 : Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon.
[^openbaring-13-8-f]: Verwijzing f: Openbaring 17:8 . Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-13-10-23]: Kanttekening 23: Als iemand in de gevangenis leidt: Grieks als iemand de gevangenis te zamen leidt; dat is, een menigte van de gevangenen. Dit wordt hierbij gevoegd tot besluit en tot troost van de gelovigen, namelijk dat die onrechtvaardige mensen, òf hier in deze wereld nog gelijke vergelding zullen ontvangen, gelijk dikwijls geschiedt; òf tenminste in de toekomende, wanneer zij met het beest en de valsen profeet zullen geworpen worden in de poel van het vuur, en door het geestelijk zwaard van Christus, dat uit Zijn mond komt, gedood worden met de eeuwigen dood, gelijk hierna Openbaring 19:20 , wordt gesproken. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-13-10-g]: Verwijzing g: Genesis 9:6 ; Matteüs 26:52 . Genesis 9:6 : Wie van de mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. Mattheüs 26:52 : Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
[^openbaring-13-10-h]: Verwijzing h: Openbaring 14:12 . Openbaring 14:12 : Hier is de volharding van de heiligen; hier zijn zij, die de geboden van God bewaren en het geloof van Jezus.
[^openbaring-13-11-24]: Kanttekening 24: een ander beest: Dat de opkomst van dit andere beest uit de aarde, de antichrist aanduidt, is buiten twijfel bij alle uitleggers; die zichzelf onder de gedaante van het eerste beest voordoet, als een prins van de wereld en als een god op aarde, gelijk tot nu toe is aangewezen, maar nu voortkomt als een vals profeet, die de gehele wereld door zijn afgoderij en valse leer verleidt, gelijk uit het vervolg zal blijken.
[^openbaring-13-11-i]: Verwijzing i: Openbaring 11:7 . Openbaring 11:7 : En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
[^openbaring-13-11-25]: Kanttekening 25: het had twee hoornen: Dat is, hij gedraagt zich in de uiterlijken schijn, en in zijn belijdenis, alsof de stadhouder van Christus, van het Lam van God, ware, en een dienaar aller dienaren van Christus.
[^openbaring-13-11-26]: Kanttekening 26: het sprak als de draak: Dat is, voert in leringen, die de Schrift noemt leringen van de duivelen; 1 Timotheüs 4:1 . Zie ook Matteüs 7:15 , en 2 Korinthe 11:14 . Maar enige verstaan hierdoor de macht, die hij zich aanneemt om de hemel te sluiten en te openen. 1 Timotheüs 4:1 : Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen van de duivelen, Mattheüs 7:15 : Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. 2 Korinthiërs 11:14 : En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel van het licht.
[^openbaring-13-12-27]: Kanttekening 27: het oefent al de macht: Dat is, vervolgt en verdrukt de Kerk van Christus met zijn geestelijke macht, door de werktuigen zijn geestelijke heerschappij, met zijn rechtbanken, plakkaten, bannen uit de gemeenschap zijn Kerk en dergelijke, gelijk hij ook doet met zijn wereldlijke instrumenten, door bloedige plakkaten en straffen met zwaard en vuur.
[^openbaring-13-12-k]: Verwijzing k: Openbaring 19:20 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-13-12-28]: Kanttekening 28: de aarde, en die daarin wonen: Dat is, de wereldse en aardse mensen, waartegen hiervoor gesteld zijn degenen, die geschreven zijn in de hemel en in het boek van het Lam.
[^openbaring-13-12-l]: Verwijzing l: Openbaring 13:3 . Openbaring 13:3 : En ik zag één van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.
[^openbaring-13-13-29]: Kanttekening 29: grote tekenen: Namelijk die de apostel noemt tekenen van de leugen, 2 Tessalonicenzen 2:9 , omdat zij ten dele verzonnen, ten dele door de satan gebeuren tot bevestiging van de leugen. 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen;
[^openbaring-13-13-m]: Verwijzing m: 2 Tessalonicenzen 2:9 ; Openbaring 16:14 . 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods.
[^openbaring-13-13-30]: Kanttekening 30: vuur uit de hemel: Hierdoor wordt geschikt verstaan de bliksem van zijn excommunicatiën en verbanningen, waardoor hij niet alleen het gemene volk, maar ook koningen en prinsen en gehele koninkrijken en republieken verschrikt, gelijk uit de geschiedenis bekend is. Hoewel ook enige dergelijke wonderen door sommige Roomse bisschoppen zijn geroemd.
[^openbaring-13-14-n]: Verwijzing n: Deuteronomium 13:1 ; Matteüs 24:24 ; Openbaring 16:14 ; Openbaring 19:20 . Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-13-14-31]: Kanttekening 31: een beeld zouden maken: Dit wordt door sommigen van de beeldendienst in het algemeen verstaan, die al degenen, die onder de antichrist zijn, moeten aannemen, gelijk de onderzaten van de koning van Babel, Daniël 3:1 , het beeld van de koning van Babel, op straf van het vuur, moesten aanbidden. Maar wordt van anderen niet ongeschikt verstaan van zijn geestelijke heerschappij, die hij door zijn geestelijkheid in alle geestelijke hoven, zo zij die noemen, alom heeft opgericht; en die alle volken als een beeld van hun oversten alom moeten aanbidden en zichzelf onderwerpen. Waarop de volgende eigenschappen van dit beeld het allerbest passen. Daniël 3:1 : De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.
[^openbaring-13-15-32]: Kanttekening 32: het beeld van het beest: Die dit verstaan van de beeldendienst, duiden dit op de beelden, waardoor de satan gelijk tot Eva door de slang soms heeft gesproken; of waardoor hun geestelijken verzonnen hebben, dat de heiligen, die door deze zijn afgebeeld, ook zouden gesproken hebben, gelijk in hun legenden verscheidene voorbeelden daarvan voorkomen, om deze afgodischen dienst zo te meerder geloof en geest te geven. Anderen duiden het op de gunsten van de genoemde geestelijke hoven, en hunne rechtbanken, waardoor zij ontzaggelijk zijn voor kleinen en groten, en waardoor zij zeer velen, die hun macht niet willen erkennen en hun afgoderij navolgen, ter dood toe hebben vervolgd en door de handen van de overheden doen sterven.
[^openbaring-13-15-o]: Verwijzing o: Openbaring 19:20 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-13-16-33]: Kanttekening 33: een merkteken: Dit wordt geschikt van hun Chrisma of oliesel verstaan, waardoor een ieder in hun sacrament van confirmatie of vormsel, dat zij boven de doop van Christus verheffen, op zijn voorhoofd moest worden getekend; gelijk ook hun geestelijken, in het ontvangen van hunne orden, aan hun hoofden, handen en vingers op dergelijke wijze gezalfd en gemerkt worden, welk merkteken zij noemen onuitwisbaar, en zonder dat zij hun geestelijk koopmanschap niet mogen uitdelen, noch ook zelfs onder andere mensen met vrede handelen of verkeren.
[^openbaring-13-16-p]: Verwijzing p: Openbaring 19:20 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-13-17-34]: Kanttekening 34: of de naam van het beest: Dat is, de belijdenis, dat zij Rooms Katholiek of goede Pausgezinden zijn, die zij houden voor het hoofd van de Kerk, en die in zijn leer en inzettingen niet kan dwalen.
[^openbaring-13-17-q]: Verwijzing q: Openbaring 14:11 . Openbaring 14:11 : En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt.
[^openbaring-13-17-35]: Kanttekening 35: het getal zijns naams: Dat is, de Latijnse of Roomse Kerk toegedaan, die haar voornaamsten godsdienst in het Latijn doet, en haar gebeden ook in het Latijn, ook zonder verstand dergenen die ze doen, haar dienaren opdringt, welke naam Rooms of Latijns, dit getal van zijn naam uitbrengt, gelijk volgt.
[^openbaring-13-18-r]: Verwijzing r: Openbaring 17:9 . Openbaring 17:9 : Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.
[^openbaring-13-18-36]: Kanttekening 36: een getal eens mensen: Dat is, een getal dat gerekend wordt door de letters van de naam eens mensen of ener orde van mensen naar de Hebreeuwse of Griekse wijze, die de letters van hun A B gebruiken om het getal uit te drukken; en hoewel hierover verscheidene verklaringen gedaan worden, zo is de oudste en waarschijnlijkste de verklaring van Irenaeus, die kort na de tijd van de apostel geleefd heeft, al 1450 jaar geleden, die dit past op het woord Lateinos, waarin het getal van 666 wordt gevonden. Dat met de zaak zeer wel overeenkomt, zo de paus zich uitgeeft voor het hoofd van de Latijnse Kerk, de godsdienst in de Latijnse spraak wil gepleegd hebben, en de oude Latijnse overzetting van de bijbel voor geloofwaardig wil gehouden hebben.

### Openbaring 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/14.json)

*1 De apostel ziet in een gezicht het Lam staan op de berg Sion met zijn 144000 getekenden. 2 In de hemel wordt een nieuw gezang gezongen, dat niemand kan leren behalve zij. 4 Dezen zijn maagden en volgen het Lam waar het gaat. 6 Daarop vliegt een engel door het midden van de hemel en verkondigt het eeuwige evangelie. 8 Die door een andere engel gevolgd wordt, die de val van de grote stad Babel voorzegt. 9 en een derde, die de eeuwige straf dreigt voor hen die het beest aanbidden of zijn merkteken hebben. 12 De heiligen worden tot lijdzaamheid vermaand, en wie in de Heere sterven worden van hun zaligheid verzekerd. 14 Daarna wordt iemand gezien op een witte wolk, met een kroon op het hoofd en een sikkel in de hand, die vermaand wordt zijn sikkel in de rijpe oogst te zenden. 17 Ten slotte komt nog een engel uit de tempel van de hemel, met nog een sikkel, die vermaand wordt de druiventakken van de aarde te snijden. 19 Die hij in de wijnpersbak van de toorn van God werpt, die getreden wordt en vloeit tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadien ver.*

**1** En ik zag, en ziet,[^openbaring-14-1-1] het Lam[^openbaring-14-1-2] stond op de berg Sion, en met Hem[^openbaring-14-1-3][^openbaring-14-1-a] honderd vier en veertig[^openbaring-14-1-4] duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v1)

**2** [^openbaring-14-2-5] En ik hoorde een stem uit de hemel, als[^openbaring-14-2-b] een stem veler wateren, en als een stem[^openbaring-14-2-6] van een grote donderslag. En ik hoorde een stem[^openbaring-14-2-7][^openbaring-14-2-c] van citerspelers, spelende op hun citers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v2)

**3** En zij zongen als[^openbaring-14-3-8][^openbaring-14-3-d] een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en[^openbaring-14-3-9] niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig[^openbaring-14-3-10] duizend, die van de aarde gekocht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v3)

**4** Deze zijn het,[^openbaring-14-4-11] die met vrouwen niet bevlekt zijn,[^openbaring-14-4-e] want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen,[^openbaring-14-4-12] tot eerstelingen voor God en het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v4)

**5** [^openbaring-14-5-f] En[^openbaring-14-5-13] in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn[^openbaring-14-5-14][^openbaring-14-5-g] onberispelijk voor de troon van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v5)

**6** [^openbaring-14-6-15] En ik zag[^openbaring-14-6-16] een andere engel, vliegende in het midden van de hemel, en hij had[^openbaring-14-6-17] het eeuwige Evangelie, om te verkondigen van hen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v6)

**7** Zeggende met een luide stem:[^openbaring-14-7-18] Vrees God, en geeft Hem heerlijkheid, want[^openbaring-14-7-19] het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem,[^openbaring-14-7-h] Die de hemel, en de aarde, en de zee, en[^openbaring-14-7-20] de fonteinen van de wateren gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v7)

**8** En er is[^openbaring-14-8-21] een andere engel gevolgd, zeggende[^openbaring-14-8-i]:[^openbaring-14-8-22] Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon,[^openbaring-14-8-k] die grote stad, omdat zij uit[^openbaring-14-8-23] de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v8)

**9** En[^openbaring-14-9-24] een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een luide stem: Als iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v9)

**10** [^openbaring-14-10-25] Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd[^openbaring-14-10-26][^openbaring-14-10-l] ingeschonken is,[^openbaring-14-10-m] in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij[^openbaring-14-10-n] zal gepijnigd worden[^openbaring-14-10-o] met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v10)

**11** [^openbaring-14-11-27][^openbaring-14-11-p] En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken van zijn naam ontvangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v11)

**12** [^openbaring-14-12-28][^openbaring-14-12-q] Hier is de volharding van de heiligen; hier zijn[^openbaring-14-12-29] zij, die de geboden van God bewaren en het geloof van Jezus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v12)

**13** En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die[^openbaring-14-13-30] in de Heere sterven,[^openbaring-14-13-31] van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en[^openbaring-14-13-32] hun werken volgen met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v13)

**14** En[^openbaring-14-14-33] ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk[^openbaring-14-14-34] was Een gezeten,[^openbaring-14-14-r] de Zoon des mensen gelijk,[^openbaring-14-14-35] hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand[^openbaring-14-14-36] een scherpe sikkel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v14)

**15** En[^openbaring-14-15-37] een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een luide stem tot Degene, Die op de wolk zat:[^openbaring-14-15-s] Zend Uw sikkel en maai; want het uur[^openbaring-14-15-38] om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is[^openbaring-14-15-39] geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v15)

**16** En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde[^openbaring-14-16-40] werd gemaaid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v16)

**17** En[^openbaring-14-17-41] een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v17)

**18** En een andere engel kwam uit[^openbaring-14-18-42] van het altaar,[^openbaring-14-18-43] die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot degene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde,[^openbaring-14-18-44] want zijn druiven zijn rijp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v18)

**19** En de engel[^openbaring-14-19-45] zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp[^openbaring-14-19-46] ze in de grote wijnpersbak[^openbaring-14-19-t] van de toorn van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v19)

**20** En[^openbaring-14-20-v] de wijnpersbak werd[^openbaring-14-20-47] buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen,[^openbaring-14-20-48] tot aan de tomen van de[^openbaring-14-20-49] paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/14.html#v20)

[^openbaring-14-1-1]: Kanttekening 1: het Lam: Waarom Christus het Lam genoemd wordt, is voor deze verklaard Openbaring 5:6 . Openbaring 5:6 : En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.
[^openbaring-14-1-2]: Kanttekening 2: stond op de berg Sion: Christus wordt hier ingevoerd als staande op de berg Sion, waardoor de gemeente wordt afgebeeld, gelijk Jesaja 2:2 , 2:3 ; 1 Petrus 2:6 , en elders, omdat Hij in het midden van de vervolgingen van de antichrist, altijd een wakend oog heeft over Zijn gemeente, en deze altijd vergadert en beschermt; waarom Hij ook Handelingen 7:56 wordt gezegd te staan aan de rechterhand van God, en hiervoor Openbaring 2:1 , te wandelen onder de kandelaars, als altijd bereid en gereed zijnde, om die bij te staan, en van alle nodige gaven te voorzien. Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en daartoe zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3 : En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van YHWH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van YHWH woord uit Jeruzalem. 1 Petrus 2:6 : Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Handelingen 7:56 : En hij zei: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon van de mensen, staande ter rechterhand van God. Openbaring 2:1 : Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt:
[^openbaring-14-1-3]: Kanttekening 3: honderd vier en veertig duizend: Deze zijn degenen, die uit alle stammen van het Israël Gods getekend zijn, Openbaring 7:3 , enz., gedurende de tijd van het rijk van de antichrist, en van de vlucht van de vrouw in de woestijn, en die in de algemenen afval van Christus, hun hoofd, altijd bijgebleven zijn; en worden hier gesteld tegen de grote menigte dergenen, die het merkteken van het beest hebben ontvangen, waarvan hiervoor is gesproken, en hierna nog zal gesproken worden. Openbaring 7:3 : Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.
[^openbaring-14-1-a]: Verwijzing a: Openbaring 7:4 . Openbaring 7:4 : En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen van Israël.
[^openbaring-14-1-4]: Kanttekening 4: hebbende de Naam: Van welk schrijven van deze namen op hun voorhoofden, zie hiervoor Openbaring 7:3 , en Openbaring 9:4 . Openbaring 7:3 : Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienaren onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Openbaring 9:4 : En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.
[^openbaring-14-2-5]: Kanttekening 5: En ik hoorde een stem: Enige verstaan door deze stem, de stem van de getekenden zelf, die de apostel eerst van verre, en daarna van nabij, allengskens nader komende, heeft gehoord. Maar daar in vers 3 wordt gezegd, dat dit gezang niemand kon leren, dan deze getekenden, zo wordt dit gevoegelijker verstaan van de stem van de talloze menigte dergenen, die in de hemel rondom ten troon van God tevoren reeds stonden, en God dag en nacht loofden, van welke Openbaring 7:9 is gehandeld, bij welke deze 144.000 zich ook hebben gevoegd, nadat zij ten tijde van de antichrist allengskens uit de strijdende Kerk hier op aarde tot de triomferende in de hemel door Christus hun Hoofd gebracht zijn; gelijk hierna Openbaring 19:1 , enz., te zien is. Openbaring 14:3 : En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren. Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 19:1 : En na deze hoorde ik als een grote stem van een grote schare in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heer, onze God.
[^openbaring-14-2-b]: Verwijzing b: Openbaring 1:15 . Openbaring 1:15 : En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.
[^openbaring-14-2-6]: Kanttekening 6: van een grote donderslag: Niet ten opzichte van hun schrikkelijkheid, gelijk dit wel soms wordt genomen, maar ten opzichte van hun grootte en de ijver die daaruit sproot. Anders was zij liefelijk om te horen, gelijk hierna, Openbaring 19:6 , wordt verklaard. Openbaring 19:6 : En ik hoorde als een stem van een grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heer, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.
[^openbaring-14-2-7]: Kanttekening 7: van citerspelers: Deze gelijkenis is genomen van de handeling in de tempel van Salomo, daar bij het gezang ook muziekinstrumenten door de priesters en Levieten gebruikt werden. Zie ook hiervoor Openbaring 5:8 . Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen.
[^openbaring-14-2-c]: Verwijzing c: Openbaring 5:8 . Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen.
[^openbaring-14-3-8]: Kanttekening 8: een nieuw gezang: Dat zo ook wordt genoemd Openbaring 5:9 , en hier nieuw wordt genoemd, vanwege de nieuwe oorzaak, die tot deze lofzang wordt gegeven, door de verlossing van deze getekenden en de nieuwe verkondiging van dit eeuwige Evangelie. Zie dergelijke wijze van spreken Psalm 40:4 ; Jesaja 42:10 . Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Psalmen 40:4 : En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang voor onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op YHWH vertrouwen. Jesaja 42:10 : Zingt YHWH een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde; u, die ter zee vaart, en al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners.
[^openbaring-14-3-d]: Verwijzing d: Openbaring 5:9 . Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;
[^openbaring-14-3-9]: Kanttekening 9: niemand kon dat gezang leren: Namelijk met een oprecht gevoel en volle verzekerdheid, dat zij deel daaraan hadden. Want, hoewel de huichelaars soms ook God loven voor de verlossing door Christus geschied, nochtans kan niemand zulks van hart doen, dan die door het ware geloof en de verzekering van de Heilige Geest, zulks heeft geleerd. Zie Romeinen 8:15 , 8:16 ; 1 Korinthe 12:3 . Romeinen 8:15 : Want u hebt niet ontvangen de Geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vreze; maar u hebt ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! Romeinen 8:16 : Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 1 Korinthiërs 12:3 : Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heer te zijn, dan door de Heilige Geest.
[^openbaring-14-3-10]: Kanttekening 10: die van de aarde gekocht waren: Namelijk door het bloed van het Lam, gelijk Openbaring 5:9 wordt uitgedrukt. Zie ook 1 Petrus 1:19 . Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; 1 Petrus 1:19 : Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;
[^openbaring-14-4-11]: Kanttekening 11: die met vrouwen niet bevlekt zijn: Dit kan niet verstaan worden van de huwelijken staat, gelijk sommigen drijven. Want die is eerlijk onder allen en het bed onbevlekt, gelijk Paulus getuigt Hebreeën 13:4 ; en Christus wordt gevolgd waar Hij gaat, niet alleen van de gelukzaligen die hier ongetrouwd zijn geweest, maar ook van de getrouwden, als patriarchen, apostelen, martelaars en talloze anderen, gelijk de Schrift spreekt 2 Korinthe 5:6 enz., 1 Tessalonicenzen 4:17 , enz. Maar door deze maagden worden hier verstaan degenen, die met haar geloof en ware belijdenis van Christus, haar Bruidegom standvastig zijn bijgebleven, als de hoer van Babel met de kelk van haar hoererij, dat is afgoderij, alle koningen en volken van de aarde heeft dronken gemaakt. Waarvan het in het vervolg breder gesproken zal worden. Op gelijke wijze spreekt ook de apostel Paulus van allerlei ware gelovigen; 2 Korinthe 11:2 . Hebreeën 13:4 : Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen. 2 Korinthiërs 5:6 : Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heer; 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^openbaring-14-4-e]: Verwijzing e: 2 Korinthe 11:2 . 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.
[^openbaring-14-4-12]: Kanttekening 12: eerstelingen voor God: Dat is, opdat zij voor God en het Lam heilig en eigen zouden zijn, gelijk de eerstelingen van de vruchten voor God moesten geheiligd en toegeëigend worden. Zie Leviticus 23:10 ; Numeri 15:20 , enz. Leviticus 23:10 : Spreek tot de kinderen van Israël, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een garf van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen. Numeri 15:20 : De eerstelingen uws deegs, een koek zult u tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer van de dorsvloer zult u dat offeren.
[^openbaring-14-5-f]: Verwijzing f: Zefanja 3:13 . Zefanja 3:13 : De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.
[^openbaring-14-5-13]: Kanttekening 13: in hun mond: Namelijk gelijk in degenen die het merkteken van het beest dragen, welke wel willen schijnen God en Christus te dienen, maar inderdaad en met het hart keren zij zich van Hem tot de dienst van de beelden en andere helpers, die zij naast God willen eren en aanbidden. Zie dergelijke Zefanja 3:13 ; Romeinen 1:25 . Zefanja 3:13 : De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken. Romeinen 1:25 : Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid, amen.
[^openbaring-14-5-14]: Kanttekening 14: Namelijk omdat zij door het ware geloof zijn gerechtvaardigd voor God, en Hem oprecht en van hart dienen, niet om de mensen, maar alleen om God te behagen. Zie dergelijke Lukas 1:6 ; Efeze 5:27 . Lukas 1:6 : En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Heer, onberispelijk. Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^openbaring-14-5-g]: Verwijzing g: Efeze 5:27 . Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^openbaring-14-6-15]: Kanttekening 15: En ik zag: Hier begint het andere deel van dit hoofdstuk waarin de herstelling van de leer van het Evangelie, met zekere trappen, in openbare Kerken wordt voorzegd, van het antichristendom afgezonderd, nadat het op de hoogste zou zijn geklommen, en de waarheid daarvan allermeest verduisterd. Hoewel ook God de Zijnen daaruit altijd heeft vergaderd, gelijk Hij ten tijde van Achab in Israël die zeven duizend had behouden; Romeinen 11:4 . Romeinen 11:4 : Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
[^openbaring-14-6-16]: Kanttekening 16: een anderen engel: Door deze engel worden verstaan de getrouwe getuigen van Christus en leraars van het Evangelie, die als het antichristendom nu op het hoogste was, begonnen zijn de wereld daartegen openbaar te waarschuwen, en het Evangelie van Christus door het christendom openlijk te verbreiden; gelijk omtrent het jaar 1170 in Frankrijk zijn geweest de Waldensen en Albigensen, waartegen zich de antichrist met grote macht heeft gesteld, daar naar het getuigenis van enige geschiedschrijvers over de tien honderd duizend van deze in verschillende tijden en plaatsen zijn omgebracht en verjaagd. Maar heeft ze zo niet kunnen uitroeien, of deze zijn nog in groot getal door geheel Europa verstrooid geworden, en bij hun belijdenis gebleven.
[^openbaring-14-6-17]: Kanttekening 17: het eeuwige Evangelie: Namelijk van de zaligheid alleen door het geloof, en de aanroeping van de enige God en de enige Middelaar Christus te verwerven; dat eeuwig wordt genoemd, omdat het van de tijden van de eeuwen is verordineerd en van het begin van de wereld beloofd; Titus 1:2 . Hoewel anderen ook menen dat het hier eeuwig genoemd wordt, omdat het na die tijd niet meer zo zou kunnen onderdrukt worden, of het zou altijd in de wereld in enige plaatsen openbaar bekend blijven, gelijk inderdaad geschiedt. Titus 1:2 : In de hoop van de eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd;
[^openbaring-14-7-18]: Kanttekening 18: Vreest God: Dit is het eerste deel van de stem van het Evangelie, waardoor de aanbidders van het beest tegen de afgoderij worden gewaarschuwd, en vermaand dat zij God alleen in Christus Jezus zouden eren, vrezen en dienen.
[^openbaring-14-7-19]: Kanttekening 19: het uur … is gekomen: Dat is, nabij, gelijk de Schrift ook van de laatsten dag spreekt. En dit is een zeer krachtig betoog om de mensen van de afgoderij af te manen, gelijk door Paulus dit ook tot die van Athene wordt gebruikt; Handelingen 17:29 , 17:30 , 17:31 . Handelingen 17:29 : Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn. Handelingen 17:30 : God dan, de tijden van de onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren. Handelingen 17:31 : Daarom Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^openbaring-14-7-h]: Verwijzing h: Genesis 1:1 ; Psalm 33:6 ; Psalm 124:8 ; Psalm 146:6 ; Handelingen 14:15 ; Handelingen 17:24 . Genesis 1:1 : In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Psalmen 33:6 : Door het Woord van YHWH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun heir. Psalmen 124:8 : Onze hulp is in de Naam van YHWH, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalmen 146:6 : Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelfde is; Die trouwe houdt in eeuwigheid. Handelingen 14:15 : En zeggende: Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot de levenden God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat in dezelfde is; Handelingen 17:24 : De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heer van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
[^openbaring-14-7-20]: Kanttekening 20: de fonteinen: Welk wonderwerk van God de Schrift ook elders zo verhaalt; Psalm 104:10 ; en Psalm 114:8 . Psalmen 104:10 : Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen wandelen. Psalmen 114:8 : Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein.
[^openbaring-14-8-21]: Kanttekening 21: een andere engel: Namelijk die met nieuwen ernst het antichristendom zou aantasten, en de wereld daarvoor waarschuwen, nadat het nu de voortgang van de prediking van de voorgaanden engel grotendeels verdrukt had. Onder deze engel menen sommigen dat opgestaan zijn Johannes Wiclef met de zijnen in Engeland, en Johannes Hus en Hieronymus van Praag in Duitsland en Boheme, die omtrent het jaar 1380 en 1400 met schrijven en leren dit nieuwe Babel veel afbreuk gedaan hebben. En hoewel zij eindelijk door het concilie van Constanz, en het geweld van de keizer Sigismund, grotendeels zijn onderdrukt, zo zijn nochtans vele van hun discipelen en kerken altijd overgebleven, in het bijzonder in de landen van Boheme en Moravië, Polen, Hongarije en elders.
[^openbaring-14-8-i]: Verwijzing i: Jesaja 21:9 ; Jeremia 51:8 ; Openbaring 18:2 . Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jeremia 51:8 : Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
[^openbaring-14-8-22]: Kanttekening 22: Zij is gevallen: Dat is, haar val is bij God besloten, en wordt reeds in de harten van velen begonnen en zal van nu voortaan meer en meer bevorderd worden, totdat zij eindelijk geheel zal uitgeroeid zijn, gelijk hierna Openbaring 18 in het brede zal worden verklaard. Deze woorden zijn genomen uit Jesaja 21:9 , en Jeremia 51:8 ; waar dergelijk dreigement over het oude Babel van Assyrië of Chaldea, dat de Israëlieten lang verdrukt had, en dat een voedster van alle pracht en afgoderij in de wereld was geweest, wordt uitgesproken. Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jeremia 51:8 : Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
[^openbaring-14-8-k]: Verwijzing k: Openbaring 16:19 ; Openbaring 17:5 ; Openbaring 18:10 ; idem 18:21 . Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn. Openbaring 17:5 : En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelen van de aarde. Openbaring 18:10 : Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen. Openbaring 18:21 : En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
[^openbaring-14-8-23]: Kanttekening 23: de wijn van de toorn van haar hoererij: Dat is, van haar afgoderij, waarmee de toorn van God over haar verwekt wordt. Anders kan het ook overgezet worden: de wijn van het vergif van haar hoererij, gelijk dit Griekse woord in de oude Griekse overzetting van het Oude Testament ook wordt genomen; Deuteronomium 32:32 ; Psalm 58:5 , een gelijkenis, genomen van een oneerbare vrouw, die door zoeten vergiftigden wijn de mannen van hun zinnen pleegt te beroven, en tot haar onkuise liefde te trekken; welke betekenis met de uiterlijke wijze van godsdienst van de afgodendienaars geheel wel overeen komt. Deuteronomium 32:32 : Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien. Psalmen 58:5 : Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
[^openbaring-14-9-24]: Kanttekening 24: een derde engel: Deze engel komt nu verder, en waarschuwt nog met groter ernst al degenen die het beest aanbidden of zijn merkteken dragen, voor de eeuwige straf, die hun nadert, zo zij zich niet bekeren. Onder welke engel gesteld wordt de tijd van de volle reformatie in de christenheid, die door Luther, Zwingli en hun medestanders in het jaar 1517 is begonnen, en door vele voortreffelijke leraars, ja ook koningen, prinsen en republieken tot nog toe is bevorderd. In welke de mensen, die onder het antichristendom waren, nog klaarder worden onderwezen, en voor de valse leer en afgoderij daarvan nog ernstiger gewaarschuwd.
[^openbaring-14-10-25]: Kanttekening 25: Die zal ook drinken: Dat is, evenals hij zich heeft laten verlokken door de kelk van de afgoderij van de hoer van Babel, zal de Heer hem doen drinken van de wijn van Zijn toorn en Zijn straffen; een manier van spreken bij de profeten gebruikelijk, wanneer Gods zware straffen aan enig volk worden gedreigd. Zie Psalm 75:9 ; Jeremia 25:15 . Psalmen 75:9 : Want in de hand van YHWH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. Jeremia 25:15 : Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend;
[^openbaring-14-10-26]: Kanttekening 26: ingeschonken is: Of ingemengd; want zuivere wijnen ingeschonken of wijnen van verschillende soorten onder elkaar gemengd, brengen de mens eer dronkenschap, duizelingen en andere zwarigheden toe; welke hier worden vergeleken bij Gods rechtvaardige straffen, waarmee Hij Zijn barmhartigheid niet mengt.
[^openbaring-14-10-l]: Verwijzing l: Openbaring 18:6 . Openbaring 18:6 : Vergeldt haar, gelijk als zij u vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.
[^openbaring-14-10-m]: Verwijzing m: Openbaring 16:19 . Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn.
[^openbaring-14-10-n]: Verwijzing n: Openbaring 20:10 . Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
[^openbaring-14-10-o]: Verwijzing o: Openbaring 19:20 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-14-11-27]: Kanttekening 27: En de rook: Dat is, de rook van het vuur, waardoor zij gepijnigd worden; Lukas 16:24 . Lukas 16:24 : En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijde smarten in deze vlam.
[^openbaring-14-11-p]: Verwijzing p: Openbaring 19:3 . Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.
[^openbaring-14-12-28]: Kanttekening 28: Hier is de volharding: Deze volgende twee verzen dienen tot vertroosting van de gelovigen, die in de tijd van deze hervormingen door de antichrist opnieuw met alle geweld zouden vervolgd en verdrukt worden. Waartegen hier wordt gesteld hun volharding in het verwachten van de rechtvaardige wraak Gods over de dienaren van de antichrist; en de verzekerdheid van de zaligheid die hun bereid is, gelijk ook de martelaars, die in de eerste vervolgingen onder de heidense keizers om Christus' wil waren gestorven, deze beide redenen van troost zijn voorgesteld; Openbaring 6:10 , enz. Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^openbaring-14-12-q]: Verwijzing q: Openbaring 13:10 . Openbaring 13:10 : Als iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.
[^openbaring-14-12-29]: Kanttekening 29: die de geboden: Dit zijn de twee merktekenen van een recht gereformeerd christen, gesteld tegen de aanbidders van het beest en zijn beeld; gelijk deze hiervoor, Openbaring 12:11 , 12:17 , ook zijn voorgesteld. Zie de verklaring daar. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Openbaring 12:17 : En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden van God bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.
[^openbaring-14-13-30]: Kanttekening 30: in de Heer: Dat is, vanwege de Heer, gelijk Efeze 4:1 , of in de Heer; dat is, in het geloof en in de vrees voor de Heer, gelijk deze wijze van spreken ook gebruikt wordt 1 Korinthe 15:18 ; 1 Tessalonicenzen 4:16 , enz. Efeziërs 4:1 : Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heer, dat u wandelt waardiglijk van de roeping, met welke u geroepen bent; 1 Korinthiërs 15:18 : Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
[^openbaring-14-13-31]: Kanttekening 31: van nu aan: Sommigen voegen deze woorden bij het voorgaande woord schrijf, en verklaren ze zo: Schrijf van nu aan, zó, dat hier door de engel zou worden betuigd, dat in de tijd van de vernieuwing van de prediking van dit eeuwige Evangelie, door deze drie engelen aangewezen, de ware getuigen van Christus niet zouden prediken noch schrijven, gelijk in de duisternis van het antichristendom geschiedt, dat de kinderen van God, als zij sterven, angstig moeten zijn voor de vrees voor het vagevuur, en van de helse smarten, die zij na hun dood nog zouden moeten uitstaan, tenzij daarin voorzien worde door uitvaarten, zielmissen, aflaten, enz. Maar dat zij zalig zijn zodra zij sterven, en dat zij door Christus' bloed alleen van hun zonden worden gereinigd. Anderen voegen deze woorden: van nu aan bij het woord zalig, en verklaren het zo, dat die in Christus sterven zalig zijn van nu aan, dat is, zodra zij sterven, enz., niettegenstaande de antichrist met de zijnen hen veroordeelt als ketters en verdoemde mensen; gelijk Christus ook Zijn discipelen zulk een troost voorstelt, Matteüs 5:10 , 5:11 , 5:12 , en beide komt met de zaak wel overeen. Mattheüs 5:10 : Zalig zijn die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid; want hun is het Koninkrijk van de hemelen. Mattheüs 5:11 : Zalig bent u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Mattheüs 5:12 : Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
[^openbaring-14-13-32]: Kanttekening 32: hun werken volgen met hen: Of hun na; dat is, het genadige loon van hun moeite, zwarigheid, volharding, enz. om Christus' wil uitgestaan, vergezelt hen, of volgt hen; een gelijkenis, genomen van degenen die aan het einde van de loopbaan of van de strijd gekomen zijn en daarna rusten, verkwikt en gekroond worden; 2 Timotheüs 4:7 , 4:8 . 2 Timotheüs 4:7 : Ik heb de goeden strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 2 Timotheüs 4:8 : Verder is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.
[^openbaring-14-14-33]: Kanttekening 33: ik zag: Deze volgende gezichten in Openbaring 14 , worden door sommigen verstaan van de zware oorlogen, moordaanslagen en bloedstortingen, die de antichrist tegen de gereformeerde prinsen en volken in de wereld zou verwekken, en van het wegnemen van menige honderdduizend mensen, die van alle zijden daarop zijn gevolgd, nog dagelijks gebeuren, en nog zwaarder te verwachten zijn, voordat het grote Babel geheel zal vallen. Maar het merendeel verstaat dit van het laatste oordeel, gelijk de gelijkenis en manier van spreken medebrengt, en gelijk meest al de gezichten in deze openbaring in het uiterste oordeel eindigen.
[^openbaring-14-14-34]: Kanttekening 34: was Een gezeten: De meeste uitleggers verstaan dit van Christus zelf, wie zulke titels ook elders worden gegeven, gelijk Openbaring 1:13 , en wiens komst tot het oordeel ook zo wordt beschreven, Openbaring 1:7 . Zie ook Daniël 7:13 ; Openbaring 1:13 . Openbaring 1:13 : En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; Openbaring 1:7 : Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen. Daniël 7:13 : Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem daarvoor naderen. Openbaring 1:13 : En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;
[^openbaring-14-14-r]: Verwijzing r: Ezechiël 1:26 ; Daniël 7:13 ; Openbaring 1:13 . Ezechiël 1:26 : En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde. Daniël 7:13 : Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken van de hemel, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem voor Dezelfde naderen. Openbaring 1:13 : En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;
[^openbaring-14-14-35]: Kanttekening 35: hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon: Namelijk als Koning van de koningen en Heer van de heren, Openbaring 19:16 . Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^openbaring-14-14-36]: Kanttekening 36: een scherpe sikkel: Namelijk vanwege Zijn kracht in dit oordeel, waardoor Hij Zichzelf alles kan onderwerpen; Filippenzen 3:21 . Filippensen 3:21 : Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^openbaring-14-15-37]: Kanttekening 37: de tempel: Namelijk van de hemel, gelijk vers 17 wordt uitgedrukt, waar de troon van God de Vader is, gelijk Openbaring 4:2 wordt betuigd; vanwaar deze engel als een zendbode van de Vader tot Christus komt, naar de wijze onder grote koningen gebruikelijk, om wat volgt te boodschappen, en om de vervulling van de tijd van de uitvoering van Gods oordelen, aan te dienen; gelijk wij lezen dat in de tijd Zijn vernedering niet alleen de engelen, maar ook Mozes en Elia uit de hemel tot Hem zijn gekomen, om van Zijn uitgang te Jeruzalem te spreken, Matteüs 17:3 , en Lukas 9:30 ; aangezien Hij niet is gekomen om zijn wil te doen, maar de wil van de Vader die Hem heeft gezonden; Johannes 4:34 , en Johannes 6:38 . Openbaring 14:17 : En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. Openbaring 4:2 : En meteen werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. Mattheüs 17:3 : En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende. Lukas 9:30 : En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias. Johannes 4:34 : Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. Johannes 6:38 : Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Degene, Die Mij gezonden heeft.
[^openbaring-14-15-s]: Verwijzing s: Joël 3:13 ; Matteüs 13:39 . Joël 3:13 : Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot. Mattheüs 13:39 : En de vijand, die hetzelfde gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding van de wereld; en de maaiers zijn de engelen.
[^openbaring-14-15-38]: Kanttekening 38: om te maaien: Dat is, om de mensen van de aardbodem weg te nemen, omdat het getal van de uitverkorenen nu was vervuld. Zie hiervoor Openbaring 6:11 , en 2 Petrus 3:9 . Openbaring 6:11 : En aan een iedereen werden lange witte kleren gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij. 2 Petrus 3:9 : De Heer vertraagt de belofte niet (gelijk enige dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.
[^openbaring-14-15-39]: Kanttekening 39: Grieks dor, droog.
[^openbaring-14-16-40]: Kanttekening 40: werd gemaaid: Namelijk om het goede graan in Zijn schuren te verzamelen, en het onkruid met vuur te verbranden, gelijk Christus zelf spreekt Matteüs 13:30 ; van welk laatste lid in de volgende verzen breder wordt gehandeld. Mattheüs 13:30 : Laat ze beiden te zamen opwassen tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in bossen, om hetzelfde te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.
[^openbaring-14-17-41]: Kanttekening 41: een andere engel: Enige verstaan dit ook van Christus Jezus, die onder verschillende gedaanten, als een rechter over goeden en kwaden wordt ingevoerd; hoewel anderen dit verstaan van een voornamen geschapen engel, die naast zich andere engelen had, welke de ergernissen en goddelozen van de aarde zouden vergaderen, om onder het oog van Christus, zittende op de rechterstoel, te brengen, en daar hun vonnis te doen ontvangen en in de hel te werpen; gelijk Christus, met de kracht Zijn engelen vergezeld, het vonnis over hen zal uitspreken en uitvoeren; Matteüs 13:41 , 13:42 , en 2 Tessalonicenzen 1:7 , enz. Mattheüs 13:41 : De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen; Mattheüs 13:42 : En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. 2 Thessalonicensen 1:7 : En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen Zijn kracht;
[^openbaring-14-18-42]: Kanttekening 42: van het altaar: Namelijk waar de zielen van de martelaars hiervoor Openbaring 6:9 gezien zijn, die riepen en verlangden naar de wraak over de vijanden Gods, en naar de verlossing van de gemeente van Christus op aarde, welk gebed hier verhoord wordt, als hun getal en de tijd daar verhaald vervuld is. Van welke vervulling deze engel een boodschapper en aandiener is, gelijk de engel aan Daniël heeft geboodschapt; Daniël 9:21 , 9:23 , en aan Cornelius; Handelingen 10:4 . Openbaring 6:9 : En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden. Daniël 9:21 : Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snel gevlogen, mij aanrakende, omtrent de tijd van het avondoffer. Daniël 9:23 : In het begin uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht. Handelingen 10:4 : En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heer? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
[^openbaring-14-18-43]: Kanttekening 43: die macht had: Namelijk waarmee de goddelozen zullen gepijnigd worden, waarvan hiervoor vers 10 gesproken is. Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-14-18-44]: Kanttekening 44: want zijn druiven zijn rijp: Dat is, hun zonden zijn tot het hoogste gekomen, en Gods lankmoedigheid over hen heeft een einde, gelijk van de Amorieten wordt gesproken Genesis 15:16 , en van die van Sodom en Gomorra; Genesis 18:20 , 18:21 . Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, Genesis 18:21 : Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
[^openbaring-14-19-45]: Kanttekening 45: zond zijn sikkel: Grieks wierp, gelijk ook vers 16 ; namelijk om Gods oordeel over hen uit te voeren, gelijk onder zulk een gelijkenis de uitvoering van Gods straf over de goddelozen ook verstaan wordt Joël 3:13 , en hierna Openbaring 19:15 , en elders meer. Openbaring 14:16 : En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid. Joël 3:13 : Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot. Openbaring 19:15 : En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtigen Gods.
[^openbaring-14-19-46]: Kanttekening 46: in de grote wijnpersbak: Dat is, in de afgrond, waar God Zijn toorn over de goddelozen zal uitstorten.
[^openbaring-14-19-t]: Verwijzing t: Openbaring 19:15 . Openbaring 19:15 : En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtigen Gods.
[^openbaring-14-20-v]: Verwijzing v: Jesaja 63:3 . Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
[^openbaring-14-20-47]: Kanttekening 47: buiten de stad: Namelijk van het nieuwe Jeruzalem. Zie hierna Openbaring 22:15 . Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^openbaring-14-20-48]: Kanttekening 48: tot aan de tomen van de paarden: Een gelijkenis genomen van een grote veldslag, waar het bloed zeer hoog vloeit. Zie dergelijke Jesaja 63:3 . Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
[^openbaring-14-20-49]: Kanttekening 49: duizend zeshonderd stadiën: Dat is, omtrent zes en zestig van onze mijlen: een zeker getal genomen voor een onzeker; dat is, zeer groot en afgrijselijk om te zien.

### Openbaring 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/15.json)

*1 Zeven engelen worden gezien die de laatste plagen hebben. 2 en een glazen zee, waaraan de overwinnaars van het beest staan, voorzien van citers. 3 die een loflied zingen, waarin zij God en zijn oordelen prijzen. 5 Daarna wordt de tempel in de hemel geopend. 6 waaruit zeven engelen in blinkende kleren tevoorschijn komen. 7 die van een van de vier dieren zeven schalen vol van de toorn van God ontvangen. 8 waarop de tempel wordt vervuld met de rook van de heerlijkheid van God.*

**1** [^openbaring-15-1-1] En ik zag een ander[^openbaring-15-1-2] groot en wonderlijk teken in de hemel;[^openbaring-15-1-3] namelijk zeven engelen, hebbende[^openbaring-15-1-4][^openbaring-15-1-a] de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn van God geëindigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v1)

**2** En ik zag[^openbaring-15-2-b] als een[^openbaring-15-2-5] glazen zee, met vuur gemengd; en[^openbaring-15-2-6] die de overwinning hadden van het beest, en[^openbaring-15-2-7] van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal van zijn naam,[^openbaring-15-2-8] die stonden aan de glazen zee, hebbende[^openbaring-15-2-9] de citers van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v2)

**3** En zij zongen[^openbaring-15-3-10] het gezang van Mozes, de dienaar van God, en[^openbaring-15-3-11] het gezang van het Lam, zeggende:[^openbaring-15-3-12][^openbaring-15-3-c] Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, U almachtige God,[^openbaring-15-3-d] rechtvaardig en waarachtig zijn[^openbaring-15-3-13] Uw wegen, U Koning van de heiligen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v3)

**4** [^openbaring-15-4-e] Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U bent alleen heilig; want[^openbaring-15-4-14] alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want[^openbaring-15-4-15] Uw oordelen zijn openbaar geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v4)

**5** En[^openbaring-15-5-16] na deze zag ik, en ziet,[^openbaring-15-5-17][^openbaring-15-5-f] de tempel van de tabernakel van het getuigenis in de hemel[^openbaring-15-5-18] werd geopend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v5)

**6** En de zeven engelen,[^openbaring-15-6-19] die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed[^openbaring-15-6-20] met rein en blinkend lijnwaad, en[^openbaring-15-6-21][^openbaring-15-6-g] omgord om de borst met gouden gordels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v6)

**7** En[^openbaring-15-7-22] één van de vier dieren gaf de zeven engelen[^openbaring-15-7-23] zeven gouden schalen,[^openbaring-15-7-24] vol van de toorn van God, Die in alle eeuwigheid leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v7)

**8** En[^openbaring-15-8-25] de tempel werd[^openbaring-15-8-h] vervuld met[^openbaring-15-8-26] rook uit de heerlijkheid van God, en uit Zijn kracht; en[^openbaring-15-8-27] niemand kon in de tempel ingaan, voordat de zeven plagen van de zeven engelen geëindigd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/15.html#v8)

[^openbaring-15-1-1]: Kanttekening 1: En ik zag: Gelijk in de twee voorgaande hoofdstukken in het brede van de opkomst, verleiding en tirannie van de antichrist is gehandeld, zo komt nu de Heilige Geest in enige navolgende hoofdstukken, en verhaalt, tot troost van de gelovigen, de straffen en plagen, die de antichrist en zijn gehele rijk, zullen overkomen, totdat hij eindelijk geheel zal uitgeroeid zijn; waarvan het gezicht, in Openbaring 15 begrepen, maar een voorbereiding is.
[^openbaring-15-1-2]: Kanttekening 2: groot en wonderlijk teken: Dat is, dat grote en wonderlijke dingen betekent.
[^openbaring-15-1-3]: Kanttekening 3: zeven engelen: Of deze zeven engelen dezelfde zeven engelen zijn geweest die te voren meermalen genoemd zijn, is onzeker. Dan dit is zeker, dat zij de werktuigen zijn geweest, waardoor God Zijn oordelen over het antichristendom ten dele uitgevoerd heeft, en ten deel nog zal uitvoeren, gelijk in Openbaring 16 nader zal verklaard worden.
[^openbaring-15-1-4]: Kanttekening 4: de zeven laatste: Dat is, de macht over de zeven laatste plagen, namelijk die God in deze wereld over de aanhangers van de antichrist zal doen komen. Want na het laatste oordeel zal de toorn van God over hen en alle goddelozen in eeuwigheid blijven, gelijk hiervoor Openbaring 14:10 , 14:11 betuigd is, en hierna Openbaring 19:3 , en Openbaring 20:10 , ook betuigd wordt. Zie ook Matteüs 25:46 , en Johannes 3:36 . Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. Openbaring 14:11 : En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt. Openbaring 19:3 : En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. Mattheüs 25:46 : En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Johannes 3:36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
[^openbaring-15-1-a]: Verwijzing a: Openbaring 11:14 . Openbaring 11:14 : Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.
[^openbaring-15-2-b]: Verwijzing b: Openbaring 4:6 . Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.
[^openbaring-15-2-5]: Kanttekening 5: glazen zee: Daar deze volgende geschiedenis geheel ziet op de verlossing van de kinderen van Israël uit Egypte, en ook op de straf van Farao en van de Egyptenaars in de Rode zee, en eindelijk op de lofzang, die Mozes met de kinderen van Israël, staande op de oever van de Rode zee, over hun verlossing en over de straf van de Egyptenaars hebben gezongen, zo moet deze glazen zee, met vuur gemengd, ook vergeleken worden met de Rode zee, waar de Egyptenaars in vergaan, en de Israëlieten door verlost zijn. Deze zijn dan de velerlei volken, die onder de bijgelovige regering van de antichrist staan, gelijk de engel zelf hierna, Openbaring 17:1 , 17:15 , verklaart, die als een zee gedurig in hunne bijgelovigheden woelen en versmoren, en de ware gelovigen daarin naast zich zoeken te overstelpen; die met vuur is gemengd, vanwege hun wreedheid en blinden ijver in het vervolgen derzelve, en doorzichtig is als glas, in de ogen van de Heer, voor wie al hun doen naakt en openbaar is, die Zijn gelovigen evenwel dwars door al dit gewoel en gevaar overbrengt aan de oever van de zaligheid, gelijk Mozes, onder de schaduw van de engel van God, het volk Israël heeft gedaan. Zie ook hiervoor Openbaring 4:6 . Openbaring 17:1 : En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren; Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.
[^openbaring-15-2-6]: Kanttekening 6: die de overwinning: Dat is, de ware gelovigen, die naar de geestelijken stand het beest hadden overwonnen, gelijk zij naar het lichaam verzocht, vervolgd en dikwijls ook gedood waren, daar zij altijd in het geloof volstandig waren gebleven.
[^openbaring-15-2-7]: Kanttekening 7: van zijn beeld: Zie hiervan en van het volgende, Openbaring 13:14 , enz. Openbaring 13:14 : En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan het toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde, een beeld zouden maken.
[^openbaring-15-2-8]: Kanttekening 8: welke stonden aan de glazen zee: Dat is, nu de gevaren ontkomen en in behouden hand gekomen waren, gelijk de Israëlieten door de Rode zee aan de anderen oever gekomen zijnde van alle zorgen vrij waren; Exodus 15:1 , enz. Exodus 15:1 : Toen zong Mozes en de kinderen van Israël YHWH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal YHWH zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
[^openbaring-15-2-9]: Kanttekening 9: de citers Gods: Dat is, schone en voortreffelijke, gelijk deze wijze van spreken bij de Hebreën gebruikelijk is. Zie Genesis 23:6 ; Psalm 36:7 , en daarom bekwaam om Gods lof daarop te spelen en te zingen. Genesis 23:6 : Hoor ons, mijn heer! u bent een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat u uw dode niet zoudt begraven. Psalmen 36:7 : Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een grote afgrond; YHWH! U behoudt mensen en beesten.
[^openbaring-15-3-10]: Kanttekening 10: het gezang van Mozes: Dat is, waardoor Mozes God voor de verlossing van zijn volk heeft gedankt, dat Exodus 15:1 enz. wordt beschreven. Exodus 15:1 : Toen zong Mozes en de kinderen van Israël YHWH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal YHWH zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
[^openbaring-15-3-11]: Kanttekening 11: en het gezang van het Lam: Dat is, dat ter ere van Jezus Christus, het Lam van God, door de gelovigen wordt gezongen, vanwege de geestelijke verlossing door Hem verworven, waarvan een voorbeeld hiervoor wordt verhaald; Openbaring 5:10 , en Openbaring 12:10 , 12:11 . Openbaring 5:10 : En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. Openbaring 12:10 : En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broeders, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen. Openbaring 12:11 : En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe.
[^openbaring-15-3-12]: Kanttekening 12: Groot en wonderlijk: De woorden van deze lofzang zijn meest bijeengevoegd uit enige plaatsen van het Oude Testament, als Psalm 25:10 , en Psalm 86:8 , 86:10 ; Jeremia 10:7 . Psalmen 25:10 : Caph. Alle paden van YHWH zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. Psalmen 86:8 : Onder de goden is niemand U gelijk, Heer! en er zijn geen gelijk Uw werken. Psalmen 86:10 : Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God. Jeremia 10:7 : Wie zou U niet vrezen, U Koning van de heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen van de heidenen, en in hun gehele koninkrijk, niemand U gelijk is.
[^openbaring-15-3-c]: Verwijzing c: Psalm 111:2 ; Psalm 139:14 . Psalmen 111:2 : Gimel. De werken van YHWH zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben. Psalmen 139:14 : Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
[^openbaring-15-3-d]: Verwijzing d: Psalm 145:17 . Psalmen 145:17 : Tsade. De YHWH is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.
[^openbaring-15-3-13]: Kanttekening 13: Uw wegen: Dat is, uw raadslagen en uw wijzen van doen, hoewel de mensen zulks niet altijd begrepen. Zie Romeinen 11:33 . Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
[^openbaring-15-4-e]: Verwijzing e: Jeremia 10:7 . Jeremia 10:7 : Wie zou U niet vrezen, U Koning van de heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen van de heidenen, en in hun gehele koninkrijk, niemand U gelijk is.
[^openbaring-15-4-14]: Kanttekening 14: alle volken: Dat is, de uitverkorenen uit alle volken. Zie hiervoor Openbaring 5:9 , 5:10 . Openbaring 5:9 : En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; Openbaring 5:10 : En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^openbaring-15-4-15]: Kanttekening 15: Uw oordelen: Namelijk tegen de antichrist en zijn aanhangers, van welke uitvoering van de oordelen in Openbaring 16 ,17 breder zal gesproken worden.
[^openbaring-15-5-16]: Kanttekening 16: na deze: Namelijk na de lofzang van de gelovigen over Gods toekomende oordelen. En de andere voorbereiding tot uitvoering van Gods oordelen wordt in de volgende verzen verklaard.
[^openbaring-15-5-17]: Kanttekening 17: de tempel van het tabernakel: Sommigen menen, dat hier de tempel zo wordt genoemd, omdat deze naar het voorbeeld van het tabernakel was gemaakt. Maar hier kan juister het Griekse woord naos (ναὸς), dat is tempel, voor het binnenste deel van het tabernakel, dat is voor het heilige van de heiligen worden genomen, gelijk dit woord ook soms wordt gebruikt, Psalm 28:2 , dat met het binnenste deel van de hemel, waar God Zijn troon heeft, en waar de vier en twintig ouderlingen en de vier dieren, met de heilige engelen rondom staan, overeen komt; gelijk hiervoor en in het bijzonder in Openbaring 4 verklaard is. En dit is als de vierschaar Gods in Zijn hemelse gemeente, waar de oordelen van God worden uitgesproken, en de engelen bevolen om uit te voeren, gelijk het vervolg meebrengt. Psalmen 28:2 : Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid.
[^openbaring-15-5-f]: Verwijzing f: Openbaring 11:19 . Openbaring 11:19 : En de tempel van God in de hemel is geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel.
[^openbaring-15-5-18]: Kanttekening 18: werd geopend: Namelijk om het oordeel, of de uitspraak Gods over de antichrist met zijn aanhang, openbaar te maken en uit te voeren; een gelijkenis van koninklijke tronen en vierscharen genomen, die geopend worden, als de vonnissen zullen uitgesproken worden.
[^openbaring-15-6-19]: Kanttekening 19: die de zeven plagen: Dat is, de macht en het bevel van de uitvoering van de zeven plagen, gelijk vers 1 . Openbaring 15:1 : En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in de hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn van God geëindigd.
[^openbaring-15-6-20]: Kanttekening 20: met rein en blinkend lijnwaad: Namelijk om de zuiverheid en rechtvaardigheid, niet alleen van hun personen, maar ook van Gods oordelen, waarvan zij uitvoerders waren, te betekenen.
[^openbaring-15-6-21]: Kanttekening 21: omgord om de borst: Namelijk om hun vaardigheid, vastheid en wakkerheid in het uitvoeren van Gods oordelen uit te drukken; naar de gewoonte van de volken in het Oosten, die zich met brede gordels omgorden, wanneer zij iets zwaars zouden beginnen of uitvoeren. Zie Lukas 12:35 ; Efeze 6:14 . Lukas 12:35 : Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. Efeziërs 6:14 : Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid;
[^openbaring-15-6-g]: Verwijzing g: Openbaring 1:13 . Openbaring 1:13 : En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon van de mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;
[^openbaring-15-7-22]: Kanttekening 22: één van de vier dieren: Namelijk die allernaast de troon van God hiervoor zijn gesteld, met de vier en twintig ouderlingen, en die de gehele gemeente van Christus vertegenwoordigden, op wier begeerte en tot wier wraak deze straffen over het antichristendom worden uitgestort. Zie hiervoor Openbaring 4:6 . Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.
[^openbaring-15-7-23]: Kanttekening 23: zeven gouden fiolen: Deze fiolen waren een soort van drinkschalen, weinig diep, en hielden gewoonlijk zoveel als iemand in eens kon uitdrinken.
[^openbaring-15-7-24]: Kanttekening 24: vol van de toorn van God: Dat is, van de wijn uit de drinkbeker van de toorn van God, waarvan zie hiervoor Openbaring 14:10 . Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-15-8-25]: Kanttekening 25: de tempel werd: Hier wordt gezien op wat in de tabernakel is geschied, Exodus 40:34 , welke met een wolk van Gods heerlijkheid in Zijn inwijding werd overschaduwd, zo dat Mozes daar niet kon ingaan; gelijk ook geschied is in de inwijding van de tempel van Salomo; 1 Koningen 8:10 . Anderen menen, dat hier gezien wordt op Jesaja 6:4 , waar door de rook de rechtvaardige oordelen van God over het volk worden betekend. Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. Jesaja 6:4 : Zodat de posten van de dorpels zich bewogen van de stem van de roependen; en het huis werd vervuld met rook.
[^openbaring-15-8-h]: Verwijzing h: Exodus 40:34 ; 1 Koningen 8:10 ; Jesaja 6:4 . Exodus 40:34 : Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van YHWH vervulde de tabernakel. 1 Koningen 8:10 : En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van YHWH vervulde. Jesaja 6:4 : Zodat de posten van de dorpel zich bewogen van de stem van de roependen; en het huis werd vervuld met rook.
[^openbaring-15-8-26]: Kanttekening 26: rook uit de heerlijkheid van God: Dat is, voortkomende uit de troon van de heerlijkheid van God, die met bliksemen, donderslagen, stemmen en brandende lampen, alle tekenen van Gods heerlijkheid, was omsingeld, gelijk die wordt beschreven, Openbaring 4:5 . Openbaring 4:5 : En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven geesten Gods.
[^openbaring-15-8-27]: Kanttekening 27: niemand kon in de tempel ingaan: Namelijk om deze oordelen van God nader te aanschouwen of te onderzoeken, daar deze ondoorgrondelijk zijn, Romeinen 11:33 , en die nadat zij volbracht zijn, eerst ten volle kunnen verstaan worden. Anderen nemen het zo, dat deze sluiting van het tabernakel door de rook van Gods heerlijkheid, na het uitspreken van Gods oordeel over de antichrist en zijn aanbidders, nog betekent een gevolg van Gods oordeel over hen; namelijk dat zij door geen van deze straffen zouden worden verbeterd of tot nadenken gebracht, om deze oordelen tot hun zaligheid, gelijk betaamde, te aanschouwen; maar dat zij daarin meer en meer verblind en verhard zouden worden, en niet eer daarop zouden letten, dan als het te laat zou zijn, wanneer de laatste fiool over hen zou uitgegoten zijn, en zij in het eeuwig verderf zouden gestort worden, gelijk Paulus hiervan nog spreekt, 2 Tessalonicenzen 2:11 , 2:12 . Zie ook hierna Openbaring 16:9 , 16:11 . Romeinen 11:33 : O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 2 Thessalonicensen 2:12 : Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. Openbaring 16:9 : En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven. Openbaring 16:11 : En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.

### Openbaring 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/16.json)

*1 De zeven eerder genoemde engelen wordt bevel gegeven om hun schalen uit te gieten. 2 Waarvan de eerste uitgestort wordt op de aarde. 3 de tweede in de zee, 4 de derde in de rivieren: waarover de rechtvaardigheid van God met een loflied geprezen wordt. 8 De vierde schaal wordt uitgegoten in de zon. 10 de vijfde op de troon van het beest, waarna de mensen op aarde zich evenwel niet bekeren. 12 De zesde, op de grote rivier de Eufraat. 13 Drie onreine geesten, als kikkers, komen tevoorschijn en gaan naar de koningen van de aarde om die te verzamelen tot de strijd van de grote dag. 15 en ieder wordt daarover tot waken vermaand. 17 Ten slotte wordt de zevende schaal uitgegoten in de lucht, en alle dingen komen tot een einde, ook het grote Babylon. 21 waarna een zware hagel valt op de mensen, die God daarover lasteren.*

**1** En ik hoorde een luide stem[^openbaring-16-1-1] uit de tempel, zeggende tot de zeven engelen: Ga heen, en giet de zeven schalen van de toorn van God[^openbaring-16-1-2] uit op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v1)

**2** En[^openbaring-16-2-3] de eerste ging heen, en[^openbaring-16-2-4] goot zijn schaal uit[^openbaring-16-2-5] op de aarde; en er werd een kwaad en boos[^openbaring-16-2-a] gezweer aan de mensen, die[^openbaring-16-2-6][^openbaring-16-2-b] het merkteken van het beest hadden, en[^openbaring-16-2-c] die zijn beeld aanbaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v2)

**3** En de tweede engel goot zijn schaal uit[^openbaring-16-3-7] in de zee, en zij werd[^openbaring-16-3-d] bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v3)

**4** En de derde engel goot zijn schaal uit[^openbaring-16-4-8] in de rivieren en in de fonteinen van de wateren; en de wateren werden bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v4)

**5** En ik hoorde[^openbaring-16-5-9] de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heere![^openbaring-16-5-e] Die is, en Die was,[^openbaring-16-5-10] en Die zijn zal, dat U dit geoordeeld hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v5)

**6** Omdat zij[^openbaring-16-6-f] het bloed van de heiligen, en van de profeten vergoten hebben,[^openbaring-16-6-11] zo hebt U hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v6)

**7** En ik hoorde een andere[^openbaring-16-7-g] van het altaar zeggen: Ja, Heere, U almachtige God! Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v7)

**8** En[^openbaring-16-8-12] de vierde engel goot zijn schaal uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v8)

**9** En de mensen werden verhit met grote hitte, en[^openbaring-16-9-h] lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet,[^openbaring-16-9-13] om Hem heerlijkheid te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v9)

**10** En de vijfde engel goot zijn schaal uit[^openbaring-16-10-14] op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en[^openbaring-16-10-15] zij kauwden hun tongen van pijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v10)

**11** En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet[^openbaring-16-11-16] van hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v11)

**12** En de zesde engel goot zijn schaal uit[^openbaring-16-12-17] op de grote rivier, de Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg van de koningen, die van de opgang van de zon komen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v12)

**13** En ik zag uit de mond van de draak, en uit de mond van het beest, en[^openbaring-16-13-18] uit de mond van de valse[^openbaring-16-13-19] profeet, drie onreine geesten gaan,[^openbaring-16-13-20] de kikkers gelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v13)

**14** Want het zijn geesten van de demonen, en[^openbaring-16-14-i] zij doen tekenen, die uitgaan tot[^openbaring-16-14-21] de koningen van de aarde en[^openbaring-16-14-22] van de hele[^openbaring-16-14-23] wereld, om die te verzamelen[^openbaring-16-14-k] tot de oorlog[^openbaring-16-14-24] van die grote dag van de almachtige God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v14)

**15** [^openbaring-16-15-25] Zie, Ik kom[^openbaring-16-15-l] als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet[^openbaring-16-15-m] naakt wandele, en[^openbaring-16-15-26] men zijn schaamte niet zie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v15)

**16** En zij hebben hen verzameld in de plaats, die in het Hebreeuws genoemd[^openbaring-16-16-27] wordt Armageddon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v16)

**17** En de zevende engel[^openbaring-16-17-28] goot zijn schaal uit in de lucht; en er kwam een luide stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende[^openbaring-16-17-n]:[^openbaring-16-17-29] Het is gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v17)

**18** En[^openbaring-16-18-30] er klonken[^openbaring-16-18-o] stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er gebeurde een grote aardbeving, zoals niet is gebeurd van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk zulk een aardbeving en zo groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v18)

**19** En[^openbaring-16-19-31][^openbaring-16-19-p] de grote stad[^openbaring-16-19-32] is in drie delen gescheurd, en[^openbaring-16-19-33] de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon[^openbaring-16-19-34][^openbaring-16-19-q] is gedacht geworden voor God, om haar te geven[^openbaring-16-19-35][^openbaring-16-19-r] de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v19)

**20** En[^openbaring-16-20-36] alle eiland is gevlucht, en de bergen zijn niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v20)

**21** En[^openbaring-16-21-37] een grote[^openbaring-16-21-s] hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neer uit de hemel op de mensen; en de mensen[^openbaring-16-21-38][^openbaring-16-21-t] lasterden God vanwege de plaag van de hagel; want zijn plaag was zeer groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/16.html#v21)

[^openbaring-16-1-1]: Kanttekening 1: uit de tempel: Namelijk van de hemel, gelijk in het Openbaring 15:5 , en vers 17 wordt uitgedrukt; waardoor de troon van God in de hemel wordt verstaan, gelijk daar is verklaard. Want hoewel deze fiolen aan de zeven engelen reeds in Openbaring 15 waren gegeven, zo gaan zij tot de uitvoering van deze macht niet voort, dan nieuwen last daartoe hebbende ontvangen. Zie Psalm 103:20 . Openbaring 15:5 : En na deze zag ik, en ziet, de tempel van het tabernakel van het getuigenis in de hemel werd geopend. Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied. Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord.
[^openbaring-16-1-2]: Kanttekening 2: op de aarde: In het vervolg blijkt, dat alleen de eerste engel zijn fiool op de aarde heeft uitgegoten. Maar omdat de plagen van de zes anderen fiolen ook eindelijk over de mensen, die op aarde wonen, zijn gekomen, hoewel zij eerst op andere lichamen en elementen zijn uitgestort, zo worden zij ook met recht gezegd op de aarde of aardse mensen uitgegoten te zijn, wie God alle elementen tot vijanden maakt.
[^openbaring-16-2-3]: Kanttekening 3: de eerste ging: Dat door deze engelen de werktuigen Gods worden verstaan, waardoor de antichrist met zijn gehele heerschappij in verschillende tijden en met verscheidene trappen, is geplaagd of gestraft, blijkt genoeg uit het gehele oogmerk van Openbaring 16 en uitdrukkelijk uit vers 2 , 16:6 , 16:10 . Dan, of deze de hemelse geesten zelf zijn geweest, of andere die onder hun beleid daartoe in de wereld door God zijn verwekt, zal uit het verklaren van elke fiool het best blijken. Openbaring 16:2 : En de eerste ging heen, en goot zijn fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden. Openbaring 16:6 : Omdat zij het bloed van de heiligen, en van de profeten vergoten hebben, zo hebt U hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waard. Openbaring 16:10 : En de vijfde engel goot zijn fiool uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
[^openbaring-16-2-4]: Kanttekening 4: goot zijn fiool: Al deze volgende plagen komen zeer wel overeen met de plagen, die God door Mozes en Aäron, op de koning Farao en zijn volk, toen hij de Israëlieten uit Egypte wilde verlossen, heeft doen komen; gelijk uit de vergelijking met Exodus 7 ,8,9,10 is te merken, uitgenomen de plaag in de vierde fiool vers 8 begrepen, waardoor God Achab en de zijnen, die de profeten ook doodden, en Gods volk vervolgden, onder Elia heeft gestraft; zie 1 Koningen 17 ,18. Of nu deze plagen naar de letter, of in geestelijken zin moeten verstaan worden, is niet enerlei gevoelen; en zulks is te duisterder, omdat een deel daarvan nog niet uitgestort, maar nog toekomende is; gelijk daaruit blijkt, dat deze plagen hiervoor, Openbaring 15:1 , uitdrukkelijk worden genoemd de zeven laatste plagen, en dat in Openbaring 16 door dezelfde plagen degenen worden gestraft, die het merkteken van het beest en het grote Babylon eindelijk door deze worden uitgeroeid; van welke uitroeiing in Openbaring 17 en 18 een nader verhaal zal volgen, dat grotendeels nog moet vervuld worden. De uitgang dan zal enige dingen hiervan nog nader ontdekken. Daartussen zal, wat nu waarschijnlijkst is, op elke fiool kortelijk aangetekend, worden. Openbaring 16:8 : En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur. Openbaring 15:1 : En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in de hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn van God geëindigd.
[^openbaring-16-2-5]: Kanttekening 5: op de aarde: Het rijk van de antichrist wordt doorgaans in deze openbaring als een wereld gezien, waarin aarde, zee, rivieren, lucht, zon, sterren, enz., zijn; en dat vanwege zijn gestalte en de macht die de antichrist zichzelf over hemel, aarde, zee enz., toeschrijft. Het eerste deel dan van deze antichristische wereld, is de aarde, waardoor hier, gelijk elders in dit boek, de aardse mensen in het algemeen worden verstaan, die aardse en afgodische godsdiensten toegedaan zijn, en deze hardnekkig voorstaan; waarover deze eerste fiool, naar het gevoelen van velen, wordt gezegd uitgegoten te zijn, toen het antichristische rijk is begonnen afbreuk te lijden, als door de vernieuwing van de prediking van het eeuwige Evangelie, in verscheidene plaatsen van Europa, door Waldus, Wiclef, Johannes Hus, Hieronymus van Praag, en hun gelijken, de mensen van deze antichristische wereld, en de aanbidders van het beest, in plaats dat zij zich hadden behoren te bekeren, door Gods rechtvaardig oordeel in een verkeerden zin zijn overgegeven, en met haat en nijd, als door een boos gezweer in hun gemoed zijn ontstoken en gekweld, zo dat zij noch zichzelf, nog anderen enige rust hebben kunnen geven, totdat zij het Evangelie weer zoveel hun mogelijk was hebben gedempt of verduisterd. Hoewel enige ook daar bijvoegen, dat tot een bijzondere straf van deze afgodische mensen en vervolgers van Gods volk, nu omtrent 140 jaar geleden, enige verborgen ziekten en verzweringen, in de landen, de antichrist allernaast gelegen, zijn begonnen te heersen, die vandaar voortgegaan zijn in andere delen van Europa, in het bijzonder tegen degenen, die in hun gedwongen ongehuwden staat vele onreinheden hebben bedreven, die voor de wereld ook schandelijk zijn te zeggen; met welker gelijke God ook de Filistijn heeft geplaagd, als zij de ark van het verbond bij zich gevangen hielden; 1 Samuël 5:6 , enz. 1 Samuël 5:6 : Maar de hand van YHWH was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar gebied.
[^openbaring-16-2-a]: Verwijzing a: Exodus 9:9 ; idem v. 10 ; idem v. 11 . Exodus 9:9 : En zij zal tot klein stof worden over het gehele Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het gehele Egypteland. Exodus 9:10 : En zij namen as uit de oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar de hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee; Exodus 9:11 : Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.
[^openbaring-16-2-6]: Kanttekening 6: het merkteken van het beest: Zie hiervan en van het volgende, de verklaring op Openbaring 13:14 . Openbaring 13:14 : En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelfde toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde, een beeld zouden maken.
[^openbaring-16-2-b]: Verwijzing b: Openbaring 13:16 ; idem v. 17 . Openbaring 13:16 : En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienaren, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; Openbaring 13:17 : En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal zijns naams.
[^openbaring-16-2-c]: Verwijzing c: Openbaring 13:14 . Openbaring 13:14 : En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelfde toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde, een beeld zouden maken.
[^openbaring-16-3-7]: Kanttekening 7: in de zee: Door deze zee worden verstaan de velerlei volken en koninkrijken, die het rijk van de antichrist als een zee omringden, gelijk de engel hierna zelf verklaart, Openbaring 17:15 ; welke hier ten aanzien van de aanbidders van het beest, wordt gezegd in bloed veranderd te zijn, toen na de tijden van Luther, gehele provinciën, koninkrijken en volken, die rondom lagen, hem zijn afgevallen; zo dat de vissen of inwoners van dit zijn aardse rijk in deze niet langer vrij konden leven, of hun bijgelovigheden plegen. Waarbij ook veel van hun bloed is gestort, en dagelijks nog gestort wordt, tot ene rechtvaardige wederwraak van het veelvuldig bloed, dat onder zijn heerschappij door de aanbidders van dit beeld van het beest ook gestort is; gelijk Gods rechtvaardigheid daarover hierna vers 6 wordt geprezen. Anderen verstaan hierdoor de decreten en besluiten van hun laatste kerkvergaderingen, en in het bijzonder van Trente, dat enige jaren heeft geduurd, en waartoe uit alle delen van Europa de geestelijke en wereldlijke dienaren van het beest zijn toegevloeid; welke daarom in bloed worden gezegd veranderd te zijn, omdat daarin de valse en afgodische leer is bevestigd, die de mensen noodzakelijk ter dood brengt, zo zij die aannemen, aangezien geen afgodendienaar kan zalig worden, 1 Korinthe 6:10 , en die uit de werken van de wet willen gerechtvaardigd zijn, van Christus' genade zijn vervallen; Galaten 5:4 . Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 16:6 : Omdat zij het bloed van de heiligen, en van de profeten vergoten hebben, zo hebt U hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waard. 1 Korinthiërs 6:10 : Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. Galaten 5:4 : Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; u bent van de genade vervallen.
[^openbaring-16-3-d]: Verwijzing d: Exodus 7:20 . Exodus 7:20 : Mozes nu en Aäron deden zo, gelijk YHWH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
[^openbaring-16-4-8]: Kanttekening 8: in de rivieren: Hierdoor verstaan enige de verkering en vervalsing van Gods woord, dat bij klare waterfonteinen en rivieren in de heilige Schrift wordt vergeleken. En zo zou hierdoor een kracht van de dwaling en geestelijke blindheid over hen door Gods rechtvaardig oordeel worden betekend. Maar daar dit lang tevoren is begonnen, en hier van de laatste plagen wordt gesproken, waardoor het rijk van de antichrist afbreuk heeft geleden, en eindelijk te gronde zal gaan; zo wordt het door anderen wel zo geschikt verstaan van hun geestelijke rechtbank, hoven, verenigingen, vergaderingen, gezelschappen, scholen en dergelijke, die de antichrist in alle landen van zijn rijk heeft opgericht, en als rivieren verdeeld om zijn stoel en zijn rijk daarmee te bevestigen, die ook in bloed zijn veranderd, toen die in deze Gereformeerde koninkrijken en landen uitgeroeid zijn en verboden zo dat niemand daarin kon blijven, of zijn bijgelovigheden verder gebruiken; welke dingen, gelijk zij in sommige plaatsen reeds geschied zijn, ook in het toekomende meer en meer zullen gebeuren, wanneer de andere koningen hunne macht het beest zullen onttrekken, gelijk hierna Openbaring 17:16 , worden voorzegd. Openbaring 17:16 : En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.
[^openbaring-16-5-9]: Kanttekening 9: de engel van de wateren: Dat is, die de fiolen over de rivieren en waterfonteinen had uitgegoten, gelijk hiervoor, Openbaring 14:18 , de engel van het vuur wordt genoemd, die de macht over het vuur had ontvangen, om de goddelozen te straffen. Openbaring 14:18 : En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.
[^openbaring-16-5-e]: Verwijzing e: Openbaring 1:4 ; idem 1:8 ; Openbaring 4:8 ; Openbaring 11:17 . Openbaring 1:4 : Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 4:8 : En de vier dieren hadden elk voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heer God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. Openbaring 11:17 : Zeggende: Wij danken U, Heer God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat U Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;
[^openbaring-16-5-10]: Kanttekening 10: en Die zijn zal: Anders te lezen: en de heilige.
[^openbaring-16-6-f]: Verwijzing f: Matteüs 23:34 . Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelfde zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelfde zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
[^openbaring-16-6-11]: Kanttekening 11: zo hebt U: Dat is, u hebt hen in hun eigen bloed ook laten vergaan. Waaruit blijkt dat deze twee fiolen van zulk een rechtvaardige wederwraak en vergieten van hun bloed moeten genomen worden.
[^openbaring-16-7-g]: Verwijzing g: Openbaring 15:3 . Openbaring 15:3 : En zij zongen het gezang van Mozes, de dienaar van God, en het gezang van het Lam, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heer, U almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, U Koning van de heiligen!
[^openbaring-16-8-12]: Kanttekening 12: de vierde engel: Door de uitstorting van deze fiool in de zon, en verhitting van de mensen door deze, verstaan enige zeer grote hitte, droogten en onvruchtbaarheden, en ook hongersnoden en sterften, die daarop plegen te volgen, gelijk ten tijde van Elia onder de Israëlieten is geschied, welke op de landen en rijken het beest toegedaan, nog op bijzondere wijze in toekomende tijden zullen worden gezonden. Maar omdat zulke straffen zelden in een land de overhand nemen, of het anderen mededeelt, en deze plagen eigenlijk de aanbidders van het beest worden gedreigd, zo verstaan het anderen voor het licht van het heilige Evangelie, waarop deze fiool wordt uitgegoten, om het meerder kracht te geven tot overtuiging en ontsteking van de harten van de mensen, waardoor er nog meer tot bekering zullen worden gebracht, ook zelfs de Joden met hopen Christus zullen aannemen, Romeinen 11:25 , 11:26 , en de andere hardnekkige aanbidders van het beeld van het beest tot meerdere spijt en lastering zullen worden verwekt, omdat zij zullen zien dat hun rijk daardoor eindelijk tot ondergang zal worden gebracht. Waarover zij zelf de naam van God zullen lasteren, als zij de heilige Schrift van duisterheid, onvolmaaktheid en onzekerheid zullen beschuldigen, en deze een fundament van alle ketterijen durven noemen. Romeinen 11:25 : Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
[^openbaring-16-9-h]: Verwijzing h: Openbaring 16:11 ; idem v. 21 . Openbaring 16:11 : En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken. Openbaring 16:21 : En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit de hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage van de hagel; want deszelfs plage was zeer groot.
[^openbaring-16-9-13]: Kanttekening 13: om Hem heerlijkheid: Namelijk in het bekennen van zijn rechtvaardigheid en aannemen van zijn barmhartigheid en genade, die hun wordt aangeboden.
[^openbaring-16-10-14]: Kanttekening 14: op de troon: Vele uitleggers verstaan hierdoor de stad Rome, waar eigenlijk de troon van de antichrist is, waaruit hij over andere landen zijn geestelijke heerschappij voert, welke troon door zulke werktuigen, als God daartoe zal verwekken, vernietigd zal worden, die de antichrist zelf met zijn kerkeraad en aanhang ook zullen verjagen, waardoor zijn rijk zeer zal afnemen, en zijn luister in de wereld verduisteren, totdat hij eindelijk door de geest van de mond van Christus geheel zal te niet gedaan worden.
[^openbaring-16-10-15]: Kanttekening 15: zij kauwden hun tongen van pijn: Namelijk van spijt en verdriet, dat hun zulks was overkomen, daar zij zichzelf een rijk zonder einde ingebeeld hadden.
[^openbaring-16-11-16]: Kanttekening 16: van hun werken: Dat is, bijgelovigheden, afgoderijen en lasteringen.
[^openbaring-16-12-17]: Kanttekening 17: op de grote rivier: Hierdoor verstaan sommigen de eigenlijk genoemde rivier Eufraat, aan welker beide zijden de Turken en Perzen, en dergelijke natiën tegen het Oosten hun gebied hebben, gelijk Openbaring 9:14 aantekend is, welke zich nog zouden verenigen met elkaar en de stoel van de antichrist innemen. Anderen verstaan door deze rivier Eufraat bij gelijkenis al de inkomsten, die de antichrist uit de gehele Christenheid trekt, waardoor zijn stoel wordt verrijkt, en hij zich en zijn troon tegen alle ander geweld beschermt, welke door de christen-prinsen eens geheel geschorst en uitgedroogd zijnde, gelijk reeds is begonnen, hem zullen onmachtig maken om zichzelf staande te houden; welke prinsen hier worden gezegd van de opgang van de zon te komen, omdat zij van Christus, die de opgang is uit de hoogte, daartoe zullen verwekt worden, gelijk het oude Babylon door de rivier Eufraat tevoren beschermd en verrijkt zijnde, door Cyrus uitgedroogd is, en de weg heeft geopend tot overval en inneming van de stad en de uitroeiing van hun rijk; gelijk Jeremia 51:31 , enz. is voorzegd, en Daniël 5:30 vervuld. Openbaring 9:14 : Zeggende tot de zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat. Jeremia 51:31 : De loper zal de loper tegemoet lopen, en de kondschapper de kondschapper tegemoet, om de koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen; Daniël 5:30 : In dienzelfden nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.
[^openbaring-16-13-18]: Kanttekening 18: uit de mond van de valse profeet: Van de draak en van de twee beesten is voor deze gesproken, waarbij het beeld van het beest tevoren ook is gevoegd, in welke plaats van het tweede beest hier de valse profeet wordt gesteld. Waaruit blijkt, dat deze valse profeet ook het beeld van het beest is, dat is de antichrist, met zijn gehele rijk, voorzover hij de valse leer door zichzelf, en zijne dienaren voorstaat, en al zijn geestelijke prelaten, kerkeraden, hoven, verenigingen, kerkvergaderingen en personen daartoe gebruikt, om deze valse leer te verbreiden, gelijk in Openbaring 17 zal blijken. Door deze dan worden gezamenlijk deze onreine geesten gezonden, omdat zij al hun listigheid en aanzien tezamen brengen, en tezamen spannen om Gods Kerk en Zijn waarheid uit te roeien; en als uit één mond hierin spreken, en door één geest worden gedreven.
[^openbaring-16-13-19]: Kanttekening 19: drie onreine geesten: Hierdoor worden verstaan de velerlei gezanten, pauselijke afgezanten en andere geestelijke dienaren van de antichrist, die door de wereld worden uitgezonden, om prinsen, koningen en volken het antichristische rijk te onderwerpen, vol van bedriegelijkheid en schijnheiligheid, die de apostel, 2 Tessalonicenzen 2:11 , noemt een kracht van de dwaling, welke ook van wonderen roemen, die de apostel daar noemt mirakelen van de leugen, gelijk de gehele wereld bekend is. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^openbaring-16-13-20]: Kanttekening 20: de vorsen gelijk: Namelijk die in het onreine water leven, en altijd enerlei geroep houden.
[^openbaring-16-14-i]: Verwijzing i: 2 Tessalonicenzen 2:9 ; Openbaring 13:13 ; Openbaring 19:20 . 2 Thessalonicensen 2:9 : Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; Openbaring 13:13 : En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-16-14-21]: Kanttekening 21: de koningen: Namelijk die het antichristische rijk nog zijn toegedaan, gelijk het woord aarde en wereld hier doorgaans wordt genomen.
[^openbaring-16-14-22]: Kanttekening 22: van de gehele wereld: Dat is, die zij door de gehele wereld nog zoeken onder zich te brengen, gelijk in alle landen van de wereld, zelfs de barbaarse in Oosten en Westen dagelijks geschiedt.
[^openbaring-16-14-23]: Kanttekening 23: om die te vergaderen: Hoewel dit ook dagelijks geschiedt, dat deze onreine geesten door hun dagelijks geroep alle koningen en volken tegen de goede Christenen, die zij met allerlei stem verdoemde ketters noemen, zoeken op te maken, zo wordt nochtans in deze fiool eigenlijk gezien op het uiterste geweld, dat de antichrist nog zal gebruiken vóór zijn laatsten ondergang; waarvan in de volgende fiool wordt gesproken, wanneer hij door de wereld, niet alleen de volken, die de naam van Christenen voeren, maar ook vele barbaarse en vreemde natiën zal zoeken bijeen te brengen, om de gemeente van Christus uit te roeien, en zijn stoel weer op te richten.
[^openbaring-16-14-k]: Verwijzing k: Openbaring 17:14 ; Openbaring 19:19 ; Openbaring 20:8 . Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Openbaring 19:19 : En ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
[^openbaring-16-14-24]: Kanttekening 24: van die grote dag: Namelijk waarop God op buitengewone wijze Zijn oordelen tegen deze gehele macht zal uitvoeren, waarvan hierna Openbaring 19:19 , en Openbaring 20:8 , nader zal worden gehandeld. Openbaring 19:19 : En ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
[^openbaring-16-15-25]: Kanttekening 25: Zie, Ik kom: Dit wordt hierbij gevoegd om een ieder te waarschuwen, dat hij op zijn hoede is, daar in die dag alles een einde zal nemen, en na die tijd geen tijd van bekering meer over zal zijn; gelijk hierna zal volgen. Zie Matteüs 24:43 ; Lukas 12:39 , en Openbaring 3:3 . Mattheüs 24:43 : Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Lukas 12:39 : Maar weet dit, dat, als de heer van het huis geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
[^openbaring-16-15-l]: Verwijzing l: Matteüs 24:43 ; Lukas 12:39 ; 1 Tessalonicenzen 5:2 ; 2 Petrus 3:10 ; Openbaring 3:3 . Mattheüs 24:43 : Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Lukas 12:39 : Maar weet dit, dat, als de heervan het huiss geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 1 Thessalonicensen 5:2 : Want u weet zelven zeer wel, dat de dag van de Heer zo zal komen, gelijk een dief in de nacht. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
[^openbaring-16-15-m]: Verwijzing m: Openbaring 3:18 . Openbaring 3:18 : Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag.
[^openbaring-16-15-26]: Kanttekening 26: men zijn schaamte: Grieks en zij zijn schaamte zien; dat is, de schandelijkheid van zijn zonden, namelijk zo zij door het kleed van de gerechtigheid van Christus, en door een waar geloof met leedwezen gevoegd, niet worden gedekt. Zie Galaten 3:27 , en Openbaring 3:18 . Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. Openbaring 3:18 : Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag.
[^openbaring-16-16-27]: Kanttekening 27: Dit woord wordt verschillend uitgelegd. Sommigen zetten het over: het leger van de vervloeking, of van de verwoesting; of het bedrog van de uitroeiing, omdat deze legers door de antichrist uit alle natiën met bedrog bijeen zullen worden gebracht, maar tot hun eigen uitroeiing en verwoesting. Maar anderen menen, dat dit een eigen naam is van een zekere plaats, waarvan in de Schrift van het Oude Testament gewag wordt gemaakt, waar dergelijke gebeurd is, als hier wordt voorzegd, namelijk 2 Kronieken 35:22 , en Zacharia 12:11 ; waar gewag wordt gemaakt van het dal Megiddon; gelijk hier van het gebergte Megiddon, waar de koning Josia met het gehele Israëlitische leger van de Egyptenaars is verslagen; in welker gelijke plaats het leger van de antichrist weer zou vergaderen, op hoop van dergelijke overwinning tegen het Israël Gods te verwerven, maar dat de Heer door Zijn onverwachte komst deze hoon van Zijn gemeente zou keren, en de vijanden zelf ten volle verslaan, en eindelijk uitroeien. Hoewel enige menen, dat hier veeleer wordt gezien op de plaatsen Richteren 5:19 , waar Sisera omtrent de water Megiddon met het gehele leger van de Kanaänieten wonderbaar is verslagen door Debora en Barak, tot verlossing van de kinderen van Israël; dat met deze overwinning wel zo wel overeenkomt. 2 Kronieken 35:22 : Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. Zacharia 12:11 : Te die dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon. Richteren 5:19 : De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen winst van het zilver daarvan.
[^openbaring-16-17-28]: Kanttekening 28: goot zijn fiool: Deze zevende fiool maakt een einde aan alles, en vervolgens aan het gehele antichristische rijk, die op de lucht wordt uitgegoten, omdat geen gedierte zonder de lucht kan leven; en omdat de satan, die tot nog toe in het merendeel van de wereld heeft geheerst, daar zijn troon en woning heeft, gelijk Paulus spreekt Efeze 2:2 , en Efeze 6:12 , welke hiermee ook zal worden vernietigd, gelijk hierna Openbaring 20:10 klaarder wordt betuigd. Efeziërs 2:2 : In welke u eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; Efeziërs 6:12 : Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
[^openbaring-16-17-n]: Verwijzing n: Openbaring 21:6 . Openbaring 21:6 : En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water van het leven voor niet.
[^openbaring-16-17-29]: Kanttekening 29: Het is geschied: Dat is, het is alles volbracht, dat in de wereld, naar Gods Woord, te gebeuren stond; of het is er geweest, namelijk de grote stad en beest; waarvan in de twee volgenden hoofdstukken Openbaring 17 en 18 nog onderscheidener zal worden gehandeld.
[^openbaring-16-18-30]: Kanttekening 30: er geschiedden stemmen: Door deze stemmen, donderslagen, enz. worden verstaan de tekenen, die de laatste komst van Christus tot het oordeel zullen voorgaan, gelijk Matteüs 24 ; Markus 13 ; Lukas 21 , en 2 Petrus 3:10 , ook dergelijke worden verhaald. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^openbaring-16-18-o]: Verwijzing o: Openbaring 4:5 ; Openbaring 8:5 . Openbaring 4:5 : En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven geesten Gods. Openbaring 8:5 : En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.
[^openbaring-16-19-31]: Kanttekening 31: de grote stad: Die het geestelijk Sodom en Egypte is, en het gehele rijk van de antichrist omvat, gelijk Openbaring 11:8 wordt verklaard; die hierna ook het grote Babylon wordt genoemd. Zie Openbaring 14:8 , en Openbaring 18:10 . Openbaring 11:8 : En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruist is. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 18:10 : Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.
[^openbaring-16-19-p]: Verwijzing p: Openbaring 14:8 . Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt.
[^openbaring-16-19-32]: Kanttekening 32: is in drie delen gescheurd: Grieks in drie delen geworden; dat is, ten enenmale verpletterd, gelijk dingen, die in vele stukken worden gebroken, teniet gaan.
[^openbaring-16-19-33]: Kanttekening 33: de steden van de heidenen: Of de steden van de volken. Hierdoor worden verstaan alle andere steden buiten het christendom, als van de Turken, Perzen en andere heidenen.
[^openbaring-16-19-34]: Kanttekening 34: is gedacht geworden: Namelijk om haar rechtvaardige straf van God te ontvangen; want tevoren scheen God over haar oogluiking te doen, en haar moedwil te hebben vergeten.
[^openbaring-16-19-q]: Verwijzing q: Openbaring 18:5 . Openbaring 18:5 : Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot de hemel toe, en God is haar ongerechtigheden gedachtig geworden.
[^openbaring-16-19-35]: Kanttekening 35: de drinkbeker van de wijn van de toorn: Zie hiervoor Openbaring 14:8 , 14:10 . Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-16-19-r]: Verwijzing r: Jeremia 25:15 ; Openbaring 14:10 . Jeremia 25:15 : Want zo heeft YHWH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken al de volken, tot welke Ik u zend; Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-16-20-36]: Kanttekening 36: alle eiland is gevlucht: Dat is, de plaatsen, die gehouden werden allervast te zijn om daar te vluchten, zijn hun ontweken of zijn vergaan, gelijk Openbaring 6:14 . Openbaring 6:14 : En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
[^openbaring-16-21-37]: Kanttekening 37: een grote hagel: Namelijk tot straf van de goddelozen, gelijk Jozua 10:11 . Maar deze zoveel zwaarder, omdat zij de onverdragelijken last van de toorn van God over zich bracht. Want een talent woog, naar de getuigenis van enigen, honderd ponden gewichts. Jozua 10:11 : Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp YHWH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen van Israël met het zwaard doodden.
[^openbaring-16-21-s]: Verwijzing s: Openbaring 11:19 . Openbaring 11:19 : En de tempel van God in de hemel is geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel.
[^openbaring-16-21-38]: Kanttekening 38: lasterden God: Namelijk uit angst en wanhoop, gelijk de goddelozen ook ten uitersten dage doe zullen. Zie hiervoor Openbaring 6:16 . Openbaring 6:16 : En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam.
[^openbaring-16-21-t]: Verwijzing t: Openbaring 16:9 ; idem v. 11 . Openbaring 16:9 : En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven. Openbaring 16:11 : En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.

### Openbaring 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/17.json)

*1 Een van de eerder genoemde zeven engelen brengt de apostel in een woestijn en toont hem de grote hoer van Babylon, zittend op een rood beest dat zeven koppen en tien horens heeft. 4 Haar kleding, versiering, titels en bloeddorstigheid wordt beschreven. 7 De engel verklaart aan Johannes eerst het geheim van het beest. 9 Daarna van zijn zeven koppen en van de achtste koning die zou volgen. 12 en van de tien horens, die evenzoveel koningen zijn, die hun macht met het beest ontvangen. 14 die met het Lam strijden, maar door het Lam overwonnen worden. 15 De engel verklaart welke de wateren zijn waarop deze hoer zit. 16 en hoe de koningen haar macht aan het beest weer zullen ontnemen. 18 Ten slotte verklaart hij wie deze hoer is.*

**1** En[^openbaring-17-1-1] één uit de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij:[^openbaring-17-1-2] Kom hier, ik zal u tonen het oordeel[^openbaring-17-1-3] van de grote hoer,[^openbaring-17-1-4] die daar zit op vele wateren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v1)

**2** [^openbaring-17-2-a] Met wie de koningen van de aarde[^openbaring-17-2-5] gehoereerd hebben, en[^openbaring-17-2-6] die de aarde bewonen[^openbaring-17-2-7] zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v2)

**3** En[^openbaring-17-3-8] hij bracht mij weg[^openbaring-17-3-9] in een woestijn, in de geest, en ik zag[^openbaring-17-3-10] een vrouw, zittende op een[^openbaring-17-3-11] scharlaken[^openbaring-17-3-b] rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v3)

**4** En de vrouw was[^openbaring-17-4-c] bekleed[^openbaring-17-4-12] met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand[^openbaring-17-4-13] een gouden drinkbeker, vol van gruwelijke dingen, en van onreinheid haar hoererij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v4)

**5** En[^openbaring-17-5-14] op haar voorhoofd was een naam geschreven,[^openbaring-17-5-15][^openbaring-17-5-d] namelijk[^openbaring-17-5-16] Geheim; het grote Babylon,[^openbaring-17-5-17] de moeder van de hoererijen en[^openbaring-17-5-18] van de gruwelijke dingen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v5)

**6** En ik zag, dat de vrouw[^openbaring-17-6-19] dronken was van[^openbaring-17-6-e] het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v6)

**7** En de engel zei tot mij: Waarom verwondert u zich?[^openbaring-17-7-20] Ik zal u zeggen het geheim van de vrouw en van het beest, dat haar draagt, dat de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v7)

**8** Het beest, dat u gezien hebt,[^openbaring-17-8-21] was en is niet; en het[^openbaring-17-8-22] zal opkomen uit de afgrond, en[^openbaring-17-8-23] ten verderve gaan; en die op de aarde wonen,[^openbaring-17-8-24] zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven[^openbaring-17-8-25][^openbaring-17-8-f] in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest,[^openbaring-17-8-26] dat was en niet is, hoewel het is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v8)

**9** Hier is het verstand,[^openbaring-17-9-g] dat wijsheid heeft.[^openbaring-17-9-h] De zeven hoofden[^openbaring-17-9-27] zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v9)

**10** En[^openbaring-17-10-28] het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is,[^openbaring-17-10-29] en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een korte tijd blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v10)

**11** En[^openbaring-17-11-30] het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning,[^openbaring-17-11-31] en is uit de zeven en gaat ten verderve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v11)

**12** En[^openbaring-17-12-i] de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn[^openbaring-17-12-32] tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen,[^openbaring-17-12-33] maar als koningen macht ontvangen op één uur met het beest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v12)

**13** Deze hebben[^openbaring-17-13-34] dezelfde mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v13)

**14** Deze[^openbaring-17-14-k] zullen[^openbaring-17-14-35] tegen het Lam krijgen, en[^openbaring-17-14-36] het Lam zal hen overwinnen (want[^openbaring-17-14-l] Het is een Heere van de heren, en[^openbaring-17-14-37] een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v14)

**15** En hij zei tot mij:[^openbaring-17-15-m] De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit,[^openbaring-17-15-38] zijn volken, en menigten, en natiën, en tongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v15)

**16** En[^openbaring-17-16-39] de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en[^openbaring-17-16-40] zullen haar woest maken, en naakt; en zij[^openbaring-17-16-41] zullen haar vlees eten, en zullen[^openbaring-17-16-42][^openbaring-17-16-n] haar met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v16)

**17** Want[^openbaring-17-17-43] God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn[^openbaring-17-17-44] mening doen, en dat zij dezelfde mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven,[^openbaring-17-17-45] totdat de woorden van God voltooid zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v17)

**18** En de vrouw, die u gezien hebt, is[^openbaring-17-18-46][^openbaring-17-18-o] de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/17.html#v18)

[^openbaring-17-1-1]: Kanttekening 1: één uit de zeven engelen: Namelijk waarvan in Openbaring 16 is gesproken, die enige menen de vijfde geweest te zijn, omdat die zijn fiool op de troon van het beest had uitgegoten. Waarvan in deze twee volgende hoofdstukken de brede verklaring eigenlijk wordt gegeven.
[^openbaring-17-1-2]: Kanttekening 2: Kom herwaarts: Dit dient alleen tot opwekking van de apostel, daar hier geen verandering van plaats, maar een vernieuwing van gezicht wordt verstaan, gelijk blijkt uit vers 3 . Zie dergelijk wijze van spreken Ezechiël 8:3 ; en Ezechiël 40:1 , enz. Openbaring 17:3 : En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. Ezechiël 8:3 : En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt. Ezechiël 40:1 : In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand van YHWH op mij, en Hij bracht mij daarheen.
[^openbaring-17-1-3]: Kanttekening 3: van de grote hoer: Gelijk de ware Kerk van Christus bij een eerbare vrouw, bekleed met de zon, en versierd met een kroon van twaalf sterren, Openbaring 12:1 , vergeleken is; zo wordt hier de afvallige Kerk vergeleken bij een prachtige hoer, die Christus, de enige bruidegom, verlatende, zich ook tot andere mannen, dat is, tot afgoden en andere meesters begeeft, hoewel zij van het tegendeel zou mogen roemen; gelijk van Israëlitische Kerk en de stad van Jeruzalem ook gesproken wordt; Jesaja 1:21 ; Jeremia 3:1 , en Ezechiël 16:15 . Welke nu deze hoer, en haar oordeel is, zal uit het vervolg blijken. Openbaring 12:1 : En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; Jesaja 1:21 : Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu moordenaars. Jeremia 3:1 : Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog terugkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? U nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weer tot Mij, spreekt YHWH. Ezechiël 16:15 : Maar u hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.
[^openbaring-17-1-4]: Kanttekening 4: die daar zit op vele wateren: Dat is, die haar heerschappij heeft over vele volken, scharen, tongen, en natiën; gelijk de engel hierna vers 15 , 17:18 verklaart. Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.
[^openbaring-17-2-a]: Verwijzing a: Openbaring 18:3 . Openbaring 18:3 : Omdat uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht haar weelde.
[^openbaring-17-2-5]: Kanttekening 5: gehoereerd hebben: Dat is, aangespannen hebben om haar geestelijke hoererij en heerschappij voor te staan, en anderen met hun macht daartoe te brengen; gelijk door de engel verklaard wordt vers 13 , 17:17 . Openbaring 17:13 : Deze hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. Openbaring 17:17 : Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden van God voltooid zullen zijn.
[^openbaring-17-2-6]: Kanttekening 6: die de aarde bewonen: Dat is, die aardsgezind zijn, en tot de aardse godsdiensten genegen, gelijk de mensen van nature doen. Want hiervan wordt vers 8 uitdrukkelijk uitgezonderd al degenen, van wie de namen zijn geschreven in het boek van het leven. Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-17-2-7]: Kanttekening 7: zijn dronken geworden: Dat is, zijn door een blinden ijver en liefde van haar opgesmukte bijgelovigheden en afgoderijen zo ingenomen en vervuld, als de boelen plegen van de wijn, die hun van een listige hoer ingeschonken wordt, om hen tot volbrenging van haar oneerlijke lusten te brengen.
[^openbaring-17-3-8]: Kanttekening 8: hij bracht mij weg: Namelijk door een vertrekking van zinnen; gelijk op vers 1 is aangetekend. Openbaring 17:1 : En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren;
[^openbaring-17-3-9]: Kanttekening 9: in een woestijn: Namelijk om te vrijer op alles in stilte te kunnen letten buiten het gewoel van de mensen. Anderen verstaan door deze woestijn het rijk van de antichrist zelf, dat wel vol is van allerlei wereldse gewoel, maar leeg en woest van alle zaligmakende waarheid en geestelijke vruchtbaarheid.
[^openbaring-17-3-10]: Kanttekening 10: een vrouw: Dat door deze vrouw de stad Rome met haar heerschappij wordt verstaan, blijkt uit de gehele beschrijving die hierna volgt; in het bijzonder uit vers 5 , waar zij het grote Babylon wordt genoemd, namelijk geestelijk verstaan, gelijk Openbaring 14:8 , en Openbaring 16:19 , en uit het volgende vers 9 , waardoor de engel verklaard wordt, dat de zeven hoofden van dit beest, waar de vrouw op zat, zijn zeven bergen; en uit vers 18 , waar uitdrukkelijk wordt gezegd, dat deze vrouw is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde, dat op Rome alleen past. Dit is zo klaar, dat niet alleen de voornaamste oudvaders, en al de gereformeerde leraars het daarin eens zijn, maar ook zelfs vele pausgezinde uitleggers. Maar deze laatsten drijven, om het antichristendom van hun paus en pausdom te weren, dat dit van de stad en heerschappij van Rome moet verstaan worden, alleen terwijl zij onder het gebied van de heidense keizers is geweest, en de christenen heeft vervolgd. Namelijk omtrent 300 jaren na Christus' geboorte, tot de tijden van keizer Constantijn toe. Maar deze worden uit het vervolg van deze twee hoofdstukken gemakkelijk weerlegd; ten eerste, omdat het heidense Rome andere koningen en volken, die zij onder zich heeft gebracht, niet placht haar eigen afgoderij op te dringen, maar haar gewone bijgelovigheid te laten volgen, zelfs ook de Joden hun eigen godsdienst gelaten, totdat zij tegen hen zijn opgestaan. Daar deze vrouw met de kelk van haar hoererij, dat is, afgoderij, alle koningen en volken dronken maakt; ten tweede kan op het heidense Rome niet gepast worden, wat vers 12 wordt gezegd, dat de tien koningen die hunne macht het beest hebben gegeven, op een uur hun macht ontvangen hebben met het beest, aangezien de oude Romeinen degenen die zij onder hun gebied hebben gebracht, allengskens van tijd tot tijd met geweld zich hebben onderworpen, en niet door de onderlinge bewilliging en samenspanning; ten derde, omdat het beest en deze vrouw die daarop zit, dat is, de antichrist en de stad Rome hier gedurig tezamen worden gevoegd, daar het heidense Rome, zo lang het heidens is geweest, eigenlijk de stoel van de antichrist niet is geweest, maar is die later eerst geworden; en daarom wordt gezegd dat het beest zou opkomen uit de afgrond en daarna ten verderve gaan; eindelijk, omdat de droevige en voorbeeldelijke ondergang van deze stad Babylon, waarvan Openbaring 18 in het brede spreekt, niet kan verstaan worden van het heidense Rome, omdat dit nimmer zulks is overkomen, zolang het heidens is geweest; maar is daarna over de honderd jaren onder de christelijke keizers in goeden stand geweest, gelijk uit de geschiedenis blijkt. Het is wel waar, dat het daarna door de Gothen, Wandalen en anderen is ingenomen en vernietigd, maar is kort daarna opnieuw tot zijn vorigen stand gebracht, en duurt nog. Daar het openbaar is, dat de ondergang van dit Babylon, waarvan in Openbaring 18 gesproken wordt, nimmermeer zal eindigen, gelijk Openbaring 18:2 , 18:21 , wordt betuigd. Dit is zo klaar, dat enige pausgezinde uitleggers zelf bekennen, dat wat hier en in Openbaring 18 geprofeteerd wordt moet verstaan worden van de tegenwoordige stad Rome; maar om het antichristendom van zich te weren, versieren zij een ander maaksel, namelijk dat een weinig vóór het einde van de wereld tien heidense koningen, men weet niet uit welke hoek van de wereld, zullen komen, en met de antichrist uit de stam van Dan samenspannen, en de gehele wereld innemen, de paus van Rome verjagen en de antichrist in zijn plaats stellen, en hun heidense afgoderij alle volken opdringen, en dit alles in drie en een half jaar vóór het einde van de wereld, en Rome met al haar rijkdom verbranden, en dan nog daarover rouw bedrijven, enz., dat voor deze ook is weerlegd, en tegen alle menselijk oordeel en reden strijdt; gelijk de volgende verklaring ook genoegzaam zal uitwijzen. Openbaring 17:5 : En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelen van de aarde. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn toorn. Openbaring 17:9 : Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde. Openbaring 17:12 : En de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest. Openbaring 18:2 : En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; Openbaring 18:21 : En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
[^openbaring-17-3-11]: Kanttekening 11: scharlaken rood beest: Hierdoor wordt de koninklijke pracht en de bloeddorstigheid van dit beest, alsook van deze vrouw verstaan, gelijk uit vers 4 , 17:6 blijkt. Waarvan zie de andere verklaring, gelijk ook van de namen van de Godslastering in de aantekeningen Openbaring 13:1 . Van de zeven hoofden en de tien hoornen, zal door de engel zelf hierna verklaring gedaan worden. Openbaring 17:4 : En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid van haar hoererij. Openbaring 17:6 : En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering. Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-17-3-b]: Verwijzing b: Openbaring 13:1 ; Openbaring 17:8 . Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering. Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-17-4-c]: Verwijzing c: Openbaring 18:16 . Openbaring 18:16 : En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met parels; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.
[^openbaring-17-4-12]: Kanttekening 12: met purper en scharlaken: De uiterlijke pracht van deze vrouw, of van de afvallige Roomse Kerk, gaat door het gehele rijk, niet alleen in haar openbare regering, maar ook in haar publieken godsdienst; waar alles op het kostelijkst en sierlijkst aangericht wordt, en purper en scharlaken de kleding is van haar voornaamste hoofden.
[^openbaring-17-4-13]: Kanttekening 13: een gouden drinkbeker: Hierdoor worden verstaan de schone en aanlokkende titels, die de antichrist zichzelf en zijn kerk voor de wereld geeft, om de mens tot zijn gehoorzaamheid te brengen; als daar is: de heilige vader, de stadhouder van Christus, het hoofd van de katholieke Kerk, de navolger van Petrus, het fundament van de Kerk, enz., die nochtans van binnen gezien zijnde, vol gruwelijke lasteringen, bijgelovigheden en valse leringen zijn. Anderen duiden dit van de beker van de mis, en vervolgens van de mis zelf, die vol gruwelen is.
[^openbaring-17-5-14]: Kanttekening 14: op haar voorhoofd: Namelijk gelijk de vermaarde hoeren eertijds op het voorste van haar huizen, en op haar eigen voorhoofden haar namen en titels plachten te stellen, om te meer bekend te worden, en de boelen tot zich te lokken, en tot haar liefde te trekken.
[^openbaring-17-5-15]: Kanttekening 15: Grieks Mysterion; welke naam velen getuigen, dat op de pauselijken hoed met drie kronen voor deze is gesteld geweest. Maar gezien hiervan kan dit op meest alle plechtigheden, gewaad, en wijdingen, die de paus met zijn geschorenen gebruikt, gevoegelijk worden geduid, die zij allen tot de minste toe vol mysteriën en verborgenheden verdichten te zijn.
[^openbaring-17-5-d]: Verwijzing d: 2 Tessalonicenzen 2:7 . 2 Thessalonicensen 2:7 : Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt al gewrocht; alleen, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
[^openbaring-17-5-16]: Kanttekening 16: het grote Babylon: Namelijk geestelijk of figuurlijk zo genoemd, gelijk Openbaring 11:8 van Egypte en Sodom uitgedrukt wordt, waarvan zie daar de verklaring. Zie ook hiervoor Openbaring 14:8 , en Openbaring 16:19 . Openbaring 11:8 : En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heer gekruist is. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn toorn.
[^openbaring-17-5-17]: Kanttekening 17: de moeder van de hoererijen: Of de moeder van de hoer, dat is van de afgoderijen en bijgelovigheden, gelijk tevoren op vers 1 aangetekend is. Want zo roemt zij ook, namelijk dat zij is de moeder van de heilige Kerk, waarvan alle andere Kerken op aarde voortgekomen zijn en afhangen, als kinderen van hun moeder. Openbaring 17:1 : En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren;
[^openbaring-17-5-18]: Kanttekening 18: van de gruwelen van de aarde: Namelijk in het afzetten en ombrengen van koningen en prinsen, in het ontslaan van prinsen en onderzaten van hun eed. In het verbreken van wettige huwelijken, in het onttrekken van kinderen van de gehoorzaamheid en de dienst van hun ouders onder de dekmantel van godsdienst, in het toelaten van publieke hoerhuizen, in liegen en bedriegen, en dergelijke gruwelen, die de leer en daden van het pausdom meebrengen.
[^openbaring-17-6-19]: Kanttekening 19: dronken was van: Waarvan de boeken van de martelaren van allerlei natiën vol voorbeelden zijn.
[^openbaring-17-6-e]: Verwijzing e: Openbaring 18:24 . Openbaring 18:24 : En in dezelfde is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde.
[^openbaring-17-7-20]: Kanttekening 20: Ik zal u zeggen: Dat is, ik zal u nader verklaren, gelijk in het vervolg geschiedt.
[^openbaring-17-8-21]: Kanttekening 21: was en is niet: Dat hier van het antichristische rijk geprofeteerd wordt, is openbaar; daarom moeten al deze vier eigenschappen daarop passen. De eerste dan, dat het ten tijde van Johannes was, kan verstaan worden van het Romeinse rijk, dat onder verscheidene regeringen nu al enige honderden jaren geweest was, en nog blijven zou; waarbij de engel voegt, en is niet, omdat het in die tijd geen geestelijk gebied over de kerken in het christenrijk had, nog in enige honderden jaren hebben zou.
[^openbaring-17-8-22]: Kanttekening 22: zal opkomen uit: Namelijk omdat het eerst na vijfhonderd jaren, na de tijd van Johannes deze beide heerschappijen zou verkrijgen, wanneer de antichrist niet alleen alle geestelijke personen maar ook de wereldse prinsen, tegen Christus' leer en exempel, zou onderwerpen, gelijk ten tijde van Focas en daarna is geschied; Openbaring 13:1 . Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-17-8-23]: Kanttekening 23: ten verderve gaan: Namelijk nadat het een merkelijken tijd zal hebben gestaan, zal het allengskens weer afnemen, en zijn aanzien onder de christenen verliezen, gelijk nu enige tijd herwaarts is begonnen, en in Openbaring 18 zal vervuld worden.
[^openbaring-17-8-24]: Kanttekening 24: zullen verwonderd: Dat is, zullen met eerbied daartegen bewogen zijn en dat aanbidden, of zich daaraan onderwerpen. Zie hier voren Openbaring 13:3 , 13:4 , 13:8 . Openbaring 13:3 : En ik zag één van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. Openbaring 13:4 : En zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelfde? Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.
[^openbaring-17-8-25]: Kanttekening 25: van wie de namen niet: Dat is, uitgenomen die, van wie de namen zijn geschreven in het boek van het leven. Waarvan zie Openbaring 13:8 . Dat hier tussen gevoegd wordt, opdat het niet zou schijnen, dat Christus, ten tijde van het rijk van de antichrist, geen gemeente op aarde meer zou hebben behouden. Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.
[^openbaring-17-8-f]: Verwijzing f: Exodus 32:32 ; Filippenzen 4:3 ; Openbaring 13:8 . Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.
[^openbaring-17-8-26]: Kanttekening 26: dat was en niet is: Deze woorden kunnen uit de vorige aantekeningen op vers 8 genoeg verstaan worden. Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-17-9-g]: Verwijzing g: Openbaring 13:18 . Openbaring 13:18 : Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.
[^openbaring-17-9-h]: Verwijzing h: Openbaring 13:1 . Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-17-9-27]: Kanttekening 27: zijn zeven bergen: Dat is, betekenen zeven bergen. Dat nu de stad Rome op zeven bergen was gebouwd is uit alle oude schrijvers genoeg bekend, welke waren de berg Capitolinus, Palatinus, Coelius, Aventinus, Esquilinus, Viminalis en Quirinalis, waarom zij ook bij enige oude schrijver de zevenbergse stad genoemd wordt.
[^openbaring-17-10-28]: Kanttekening 28: het zijn ook zeven koningen: Dat is, betekenen zeven koningen of koninklijke regeringen; waaruit blijkt, dat een voorbeeld of zaak wel verscheidene beduidingen kan hebben. Welke nu deze zeven koningen zijn, wordt verschillend verstaan. Enige verstaan door deze koningen de zeven keizers, die te Rome na de tijd van Nero tot deze tijd van Johannes' ballingschap, hadden geregeerd. Maar daar schijnt geen reden te zijn, waarom de keizers, die voor Nero's tijd van Julius Caesar af geregeerd hadden, niet zowel zouden moeten gerekend worden als de volgende, en is openbaar dat hier van zulke koningen wordt gesproken, die de geheel regering van het gehele Romeinse rijk omvatten. Daarom verstaan anderen het beter voor de zeven vormen of wijzen van regering, waarmee de stad Rome zo tevoren geregeerd was, als daarna nog geregeerd zou worden, gelijk de engel vers 10 , 17:11 getuigt. Waarvan de eerste regering was geweest van Romulus af tot Tarquinius, onder eigenlijke koningen. De tweede, van Brutus af, onder de Consuls of burgemeesters. De derde, onder Dictators. De vierde onder de Decemviros. De vijfde onder de Tribunos Consulares. De zesde, onder keizers, van Julius Caesar af, welke nog duurde, toen aan Johannes deze openbaring is geschied. Openbaring 17:10 : En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven. Openbaring 17:11 : En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.
[^openbaring-17-10-29]: Kanttekening 29: de ander is nog niet: Dat is de zevende soort of wijze van regering, die onder Constantijn de eerste Christen keizer is begonnen, die een anderen vorm van regering in zijn tijd heeft aangevangen, en nadat hij omtrent twintig jaren te Rome had gezeten, en het Christengeloof alom had ingevoerd, naar Bizantium is getrokken, dat hij naar zijn naam Constantinopel heeft genoemd, en heeft daar de stoel van het keizerrijk vooral bevestigd, waardoor het keizerlijk gezag te Rome en in Italië meer en meer is afgenomen, en de antichristische heerschappij allengskens is opgekomen. Welke de achtste vorm van regering is, waarvan hier wordt gesproken.
[^openbaring-17-11-30]: Kanttekening 30: het beest, dat was: Dit is de pauselijke regering, die wel enigszins in haar beginselen begon te rijzen, maar nog niet ten volle was geopenbaard; vóór dat ten tijde van de keizer Focas, omtrent 510 jaar na deze openbaring, en 606 jaar na Christus' geboorte, het pausdom zijn geestelijke en wereldlijke heerschappij over de christenheid allengskens heeft uitgestrekt, en ten volle is tevoorschijn gekomen; gelijk voor deze is aangewezen. Dat ook, nadat het enige honderden jaren in zijn volle pracht is geweest, allengskens weer is begonnen te vervallen, en nog vervalt.
[^openbaring-17-11-31]: Kanttekening 31: en is uit de zeven: Dat is, heeft zijn macht uit de vorige zeven hoofden, of wijze van regering bijeengebracht, en allengskens opgericht. Want dit achtste omvat niet alleen een hoofd van dit beest, maar ook het gehele beest.
[^openbaring-17-12-i]: Verwijzing i: Daniël 7:20 ; Openbaring 13:1 . Daniël 7:20 : En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen. Openbaring 13:1 : En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering.
[^openbaring-17-12-32]: Kanttekening 32: tien koningen: Dat is, koninkrijken; gelijk bij Daniël, en hier, de koningen met hun opvolgers in dezelfde rijken doorgaans worden verstaan. Sommige uitleggers nemen dit getal voor een juist getal van tien, die de eerste geweest zijn, die omtrent de tijd van de opkomst van de antichrist in het Westen mee zijn opgekomen. Anderen, voor een onzeker getal, dat daar of daaromtrent is; gelijk dit woord tien ook elders wordt gebruikt; zie een exempel Genesis 31:7 , en Numeri 14:22 ; en worden hieronder geteld de koninkrijken van Hongarije, Napels, Spanje, Frankrijk, Engeland, Schotland, Polen, Zweden, Denemarken, Portugal, Boheme en enige andere, die hieronder zijn begrepen, als Navarre, Arragon, Lyon, Sicilië, Sardinië, Noorwegen, enz. Genesis 31:7 : Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen. Numeri 14:22 : Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;
[^openbaring-17-12-33]: Kanttekening 33: een ure met het beest: Dat is, op of omtrent één tijd; gelijk deze manier van spreken ook genomen wordt Johannes 4:52 ; Handelingen 10:3 , 10:30 ; Openbaring 3:3 . Anderen zetten het over, een ure, dat is, een korte tijd; gelijk deze wijze van spreken ook elders betekent. Maar de eerste komt met het oogmerk van de apostel best overeen. Johannes 4:52 : Zo vraagde hij dan van hen het uur, in welk het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. Handelingen 10:3 : Deze zag in een gezicht duidelijk, omtrent de negende ure van de dag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! Handelingen 10:30 : En Cornelius zei: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis. Openbaring 3:3 : Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
[^openbaring-17-13-34]: Kanttekening 34: enerlei mening: Namelijk in dit stuk van het in stand houden en voorstaan van het gezag en de bijgelovigheden van de antichrist, als is het dat zij in wereldse zaken zeer verschillen, en met elkaar dikwijls twistend zijn; en al is het dat soms enige van deze koningen zich tegen enige van deze pausen hebben gesteld, zo hebben zij nochtans altijd willen schijnen het pausdom zelf en zijn leer voor te staan.
[^openbaring-17-14-k]: Verwijzing k: Openbaring 16:14 . Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods.
[^openbaring-17-14-35]: Kanttekening 35: tegen het Lam krijgen: Dat is, Christus in Zijn leden bekrijgen en vervolgen; gelijk Christus zelf tot Paulus spreekt; Handelingen 9:4 . Want al is het dat zij niet altijd hebben voor gehad Christus regelrecht te bestrijden, nochtans die Zijne leden en Zijn leer zoeken uit te roeien, worden geacht en in de Schrift gezegd Christus zelf te bestrijden. Zie Psalm 2:2 ; Handelingen 4:25 , enz. Handelingen 9:4 : En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? Psalmen 2:2 : De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen YHWH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: Handelingen 4:25 : Die door de mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?
[^openbaring-17-14-36]: Kanttekening 36: het Lam zal hen: Namelijk zo door een geestelijke overwinning, dat zij de ware en zaligmakende leer van Christus niet zullen kunnen uitroeien, wat zij ook doen, maar dat Christus door Zijn uitverkorenen en gelovigen, in spijt van al zulk geweld, deze zal verbreiden in de wereld; alsook door vele uiterlijke overwinningen, die hij de Zijnen in de wereld over hen zal geven, gelijk de voorbeelden van de voorgaande en deze tegenwoordige eeuw bewijzen; en in die laatsten grote krijg, waarvan in Openbaring 16:14 is geprofeteerd, zal het nog klaarder voor de gehele wereld blijken. Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtige God.
[^openbaring-17-14-l]: Verwijzing l: 1 Timotheüs 6:15 ; Openbaring 19:16 . 1 Timotheüs 6:15 : Welke op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heer, de Koning van de koningen, en Heer van de heren; Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^openbaring-17-14-37]: Kanttekening 37: een Koning van de koningen): Deze titel wordt Christus, als de éénigen Heer en Koning, boven alle heren en koningen hier gegeven, gelijk dezelfde God gegeven wordt, 1 Timotheüs 6:15 , omdat Hij is de waarachtige God en heerschappijvoerder over alle schepselen, éénswezens met de Vader. Zie ook hierna Openbaring 19:16 . 1 Timotheüs 6:15 : Welke op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heer, de Koning van de koningen, en Heer van de heren; Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^openbaring-17-15-m]: Verwijzing m: Jesaja 8:7 . Jesaja 8:7 : Daarom ziet, zo zal de Heer over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;
[^openbaring-17-15-38]: Kanttekening 38: zijn volken: Dat is, betekenen volken en verscheidene talen en natiën; ene sacramentele wijze van spreken, gelijk hiervoor ook is aangewezen, en hierna vers 18 nog volgt. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.
[^openbaring-17-16-39]: Kanttekening 39: de tien hoornen: Dat is, koningen, gelijk vers 12 is verklaard, zullen eindelijk hun ogen opendoen en gewaar worden, hoe zij door hen verleid zijn, en hen daarover als ook over hun afgoderij en heerschappij haten. Waarvan enige nu reeds zulks hebben gedaan; en God mag gebeden, dat van de overigen ook zulks mag gebeuren. Openbaring 17:12 : En de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest.
[^openbaring-17-16-40]: Kanttekening 40: zullen haar woest: Dat is, hun macht en aanzien, dat zij deze in hun rijken tevoren gegeven hadden, weer aan zich nemen, en tegen hen keren.
[^openbaring-17-16-41]: Kanttekening 41: zullen haar vlees: Dat is, zullen hun inkomsten en rijkdommen, die zij uit haar landen trok, haar weigeren en ontnemen, en zelf tot hun eigen nut aanwenden en tegen haar gebruiken.
[^openbaring-17-16-42]: Kanttekening 42: vuur verbranden: Namelijk de plaats of stad met zeven bergen, waar zij haar stoel of troon heeft, gelijk Openbaring 16:10 aangewezen is. Openbaring 16:10 : En de vijfde engel goot zijn fiool uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
[^openbaring-17-16-n]: Verwijzing n: Openbaring 18:8 . Openbaring 18:8 : Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heer God, Die haar oordeelt.
[^openbaring-17-17-43]: Kanttekening 43: God heeft hun : Want het hart van de koningen is in de hand van de Heer gelijk waterbeken, Hij keert dat waar Hij wil; Spreuken 21:1 , namelijk òf in Zijn rechtvaardigen toorn en oordeel, tot hun straf en beproeving van Zijn volk; òf in Zijn genade tot verlossing en bevrijding van Zijn volk, en tot straf van Zijn vijanden. Spreuken 21:1 : Het hart van de koning is in de hand van YHWH als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
[^openbaring-17-17-44]: Kanttekening 44: mening doen: Of raad, gelijk ook vers 13 , en hier in vers 17 . Openbaring 17:13 : Deze hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. Openbaring 17:17 : Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden van God voltooid zullen zijn.
[^openbaring-17-17-45]: Kanttekening 45: totdat de woorden: Dat is, totdat de profetieën zullen vervuld zijn, die God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, zo van de opkomst en heerschappij, als van de val van de antichrist.
[^openbaring-17-18-46]: Kanttekening 46: de grote stad: Zie de verklaring hiervan in de aantekeningen vers 3 . Openbaring 17:3 : En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.
[^openbaring-17-18-o]: Verwijzing o: Openbaring 16:19 . Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn.

### Openbaring 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/18.json)

*1 Een engel daalt af uit de hemel. 2 Die opnieuw de val verkondigt van het grote Babylon, vanwege haar hoererij en weelde. 4 Waarover het volk van God vermaand wordt uit haar te gaan. 6 en bevolen wordt dat men haar dubbel vergeldt. 7 En hoewel zij roemt dat zij geen weduwe zal zijn, zullen haar plagen toch tegelijk over haar komen. 9 De koningen van de aarde bedrijven rouw over haar val. 11 evenals de kooplieden, die allerlei kostbare waren bij haar hadden geveild. 17 Evenzo de stuurlui en de zeelui. 20 Maar daartegenover wordt de hemel met de heilige apostelen en profeten vermaand om vreugde te bedrijven. 21 Een sterke engel werpt een zeer grote steen in de zee om de uiteindelijke val van dit grote Babylon af te beelden. 22 en verklaart dat geen instrumenten van vreugde meer in haar gehoord zullen worden. 23 omdat zij alle volken had verleid en het bloed van de heiligen in haar gevonden is.*

**1** En[^openbaring-18-1-1] na deze zag ik[^openbaring-18-1-2] een andere engel afkomen uit de hemel,[^openbaring-18-1-3] hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v1)

**2** En hij riep krachtig met een luide stem, zeggende:[^openbaring-18-2-4][^openbaring-18-2-a] Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden[^openbaring-18-2-5][^openbaring-18-2-b] een woonstede van de demonen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk[^openbaring-18-2-c] gevogelte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v2)

**3** Omdat uit de[^openbaring-18-3-d] wijn van de toorn[^openbaring-18-3-6] haar hoererij alle volken gedronken hebben,[^openbaring-18-3-e] en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en[^openbaring-18-3-7] de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht haar weelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v3)

**4** En ik hoorde[^openbaring-18-4-8] een andere stem uit de hemel, zeggende[^openbaring-18-4-f]:[^openbaring-18-4-9] Ga uit van haar, Mijn volk,[^openbaring-18-4-10] opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v4)

**5** Want haar zonden zijn[^openbaring-18-5-11] de ene op de andere gevolgd tot de hemel toe, en God is haar ongerechtigheden[^openbaring-18-5-12][^openbaring-18-5-g] gedachtig geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v5)

**6** [^openbaring-18-6-13] Vergeld haar, zoals zij u vergolden heeft, en[^openbaring-18-6-14] verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker,[^openbaring-18-6-h] waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v6)

**7** Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart:[^openbaring-18-7-15][^openbaring-18-7-i] Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v7)

**8** [^openbaring-18-8-k] Daarom zullen haar plagen[^openbaring-18-8-16] op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal[^openbaring-18-8-l] met vuur verbrand worden;[^openbaring-18-8-17] want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v8)

**9** [^openbaring-18-9-m] En de koningen van de aarde,[^openbaring-18-9-18] die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en[^openbaring-18-9-19] rouw over haar bedrijven, wanneer zij[^openbaring-18-9-n] de rook haar brands zullen zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v9)

**10** [^openbaring-18-10-20] Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende:[^openbaring-18-10-o] Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is[^openbaring-18-10-21] in één uur gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v10)

**11** En de kooplieden van de aarde zullen huilen en rouw maken over haar, omdat niemand[^openbaring-18-11-22] hun waren meer koopt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v11)

**12** [^openbaring-18-12-23] Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van parels, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei[^openbaring-18-12-24] welriekend hout, en allerlei ivoren voorwerpen, en allerlei voorwerpen van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v12)

**13** En kaneel, en reukwerk, en geurende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van[^openbaring-18-13-25] koetswagens, en[^openbaring-18-13-26] van lichamen, en[^openbaring-18-13-p] de zielen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v13)

**14** En[^openbaring-18-14-27] de vrucht van de begeerlijkheid van uw ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en u zult hetzelfde niet meer vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v14)

**15** [^openbaring-18-15-28] De kooplieden van deze dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan[^openbaring-18-15-29] uit vrees voor haar pijniging, huilend en rouw makende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v15)

**16** En zeggende: Wee, wee, de grote stad,[^openbaring-18-16-q] die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en[^openbaring-18-16-30] versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met parels; want in één uur is zo grote rijkdom verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v16)

**17** En[^openbaring-18-17-31] alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en[^openbaring-18-17-32] bootsgezellen, en[^openbaring-18-17-33] allen, die ter zee handelen, stonden van verre; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v17)

**18** En riepen, ziende[^openbaring-18-18-r] de rook van haar brand, en[^openbaring-18-18-s] zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v18)

**19** En[^openbaring-18-19-34] zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, huilend en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, waarin allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostbaarheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v19)

**20** [^openbaring-18-20-35] Bedrijft vreugde over haar, u hemel, en[^openbaring-18-20-36] u heilige apostelen, en u profeten, want God heeft[^openbaring-18-20-37] uw oordeel[^openbaring-18-20-t] aan haar geoordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v20)

**21** En[^openbaring-18-21-38] een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende:[^openbaring-18-21-v] Zo zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v21)

**22** [^openbaring-18-22-x] En[^openbaring-18-22-39] de stem van de citerspelers, en van de zangers, en van de fluiters, en van de bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en[^openbaring-18-22-y] geen[^openbaring-18-22-40] geluid van de molen zal in u meer gehoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v22)

**23** En[^openbaring-18-23-41] het licht van de kaars zal in u niet meer schijnen;[^openbaring-18-23-z] en[^openbaring-18-23-42] de stem van een bruidegom en een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want[^openbaring-18-23-43] uw kooplieden waren de grote van de aarde, want[^openbaring-18-23-44] door uw toverij zijn alle volken verleid geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v23)

**24** En[^openbaring-18-24-45] daarin is gevonden[^openbaring-18-24-a] het bloed van de profeten en van de heiligen, en al van degenen, die gedood zijn op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/18.html#v24)

[^openbaring-18-1-1]: Kanttekening 1: na deze: Dat is, nadat de voorgaande engel zijn woorden van de beschrijving van de grote hoer had geëindigd.
[^openbaring-18-1-2]: Kanttekening 2: een anderen engel: Sommigen verstaan dit van Christus zelf, en van Zijn komst tot het oordeel, wanneer Hij de antichrist geheel zal teniet doen, 2 Tessalonicenzen 2:8 . Maar daar in vers 9 en vervolgens, van de rouw van de koningen, kooplieden en zeelieden, die zij na de val van dit Babylon nog zullen bedrijven, in het brede wordt gehandeld, zo is het waarschijnlijker, dat hier van de val van dit Babylon en de uitroeiïng van haar troon, wordt gesproken, die nog tevoren zal gebeuren, tot een voorbeeld van Gods rechtvaardig oordeel voor de gehele wereld; gelijk het ook daaruit blijkt, dat God in het vers 4 Zijn volk beveelt uit haar te gaan, opdat zij haar zonden en plagen niet deelachtig worden; dat op de uitersten dag niet wel kan worden gepast; van welke laatste wraak over het beest en de valsen profeet eerst zal gesproken worden, Openbaring 19:20 , 19:21 . 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst; Openbaring 18:9 : En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook van haar brand zullen zien; Openbaring 18:4 : En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^openbaring-18-1-3]: Kanttekening 3: grote macht: Deze twee eigenschappen, van grote kracht en heerlijkheid, worden ook de geschapen engelen toegeschreven, Psalm 103:20 ; Lukas 2:9 ; Handelingen 12:7 . De reden waarom deze titels hier deze engel worden gegeven, is omdat er grote kracht en heerlijkheid nodig was in het uitroeien van deze machtigen troon van de antichrist in de wereld. Psalmen 103:20 : Looft YHWH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. Lukas 2:9 : En ziet, een engel van de Heer stond bij hen, en de heerlijkheid van de Heer omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. Handelingen 12:7 : En ziet, een engel van de Heer stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijn ketenen vielen af van de handen.
[^openbaring-18-2-4]: Kanttekening 4: Zij is gevallen: Deze woorden zijn ook gesproken door een engel, Openbaring 14:8 ; maar worden daar verstaan van het begin van de val van dit grote Babylon in de harten van velen in de wereld, gelijk daar is aangetekend; dat nu langen tijd is begonnen te gebeuren, en nog dagelijks geschiedt. Maar hier worden zij verstaan van de uiterste uitroeiïng van de troon van dit beest, of van dit grote Roomse Babylon. En deze woorden zijn genomen uit Jesaja 21:9 , en Jeremia 51:8 ; welke woorden daar meer dan honderd jaar voor de uitroeiïng van de stad en het rijk van het Assyrische Babylon door de profeten zijn voorzegd, en daarna volbracht. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jeremia 51:8 : Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden.
[^openbaring-18-2-a]: Verwijzing a: Jesaja 21:9 ; Jeremia 51:8 ; Openbaring 14:8 . Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jeremia 51:8 : Schielijk is Babel gevallen en verbroken; huilt over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt.
[^openbaring-18-2-5]: Kanttekening 5: een woonstede van de duivelen: Namelijk welke in eenzame en woeste plaatsen met het onreine gevogelte meest zich onthouden, gelijk de ervaring en Christus zelf betuigt, Matteüs 12:43 , waar zij door Gods voorzienigheid worden gehouden als in een bewaring, totdat God in Zijn rechtvaardig oordeel hun de toom loslaat, om de mensen opnieuw te verzoeken; en dergelijke woorden worden ook gebruikt van de verwoesting van het Assyrische Babylon; Jesaja 13:21 , 13:22 ; Jeremia 50:39 , enz. Mattheüs 12:43 : En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. Jesaja 13:22 : En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden. Jeremia 50:39 : Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.
[^openbaring-18-2-b]: Verwijzing b: Jesaja 13:21 ; Jesaja 34:14 ; Jeremia 50:39 . Jesaja 13:21 : Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen. Jesaja 34:14 : En de wilde dieren van de woestijnen zullen de wilde dieren van de eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich daar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden. Jeremia 50:39 : Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht.
[^openbaring-18-2-c]: Verwijzing c: Jesaja 34:11 . Jesaja 34:11 : Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van de ledigheid.
[^openbaring-18-3-d]: Verwijzing d: Openbaring 14:8 . Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt.
[^openbaring-18-3-6]: Kanttekening 6: Dat is, afgoderij. Zie hiervan de aantekeningen Openbaring 14:8 , en Openbaring 17:2 . Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. Openbaring 17:2 : Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.
[^openbaring-18-3-e]: Verwijzing e: Openbaring 17:2 . Openbaring 17:2 : Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij.
[^openbaring-18-3-7]: Kanttekening 7: kooplieden van de aarde: Hoewel dit op de eigenlijk genoemde kooplieden in alle gewesten van de wereld enigszins past, die door de weelde, die in het antichristische rijk, of in deze grote stad Babylon omgaat, rijk en machtig worden, gelijk hierna vers 11 en vervolgens nader verklaard wordt, zo kan dit hier nochtans op de geestelijke koopmanschap, die in hun godsdienst, en in het verkopen van geestelijke voordelen en ambten gepleegd wordt, wel zo geschikt gepast worden; omdat alles daar voor geld te koop is. Te meer, waar ook de zielen van de mensen onder die koopmanschap, vers 13 , worden gerekend, en vers 23 gezegd wordt, dat de groten van de aarde deze kooplieden zijn geweest, waaronder de kardinalen, patriarchen, aartsbisschoppen, abten en andere geestelijken, vooral verstaan kunnen worden, die zulk koopmanschap met hen drijven. Openbaring 18:11 : En de kooplieden van de aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt; Openbaring 18:13 : En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen van de mensen. Openbaring 18:23 : En het licht van de kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten van de aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest.
[^openbaring-18-4-8]: Kanttekening 8: andere stem: De stem schijnt geen stem van een geschapen engel, maar een stem van God, of van Christus, komende uit de troon van de hemel, geweest te zijn, omdat die de gelovigen Zijn volk noemt, dat voor God of Christus alleen toekomt; Matteüs 1:21 ; Handelingen 18:9 , 18:10 . Mattheüs 1:21 : En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Handelingen 18:9 : En de Heer zei tot Paulus door een gezicht in de nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. Handelingen 18:10 : Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.
[^openbaring-18-4-f]: Verwijzing f: Jesaja 48:20 ; Jesaja 52:11 ; Jeremia 51:6 ; idem v. 45 ; 2 Korinthe 6:17 ; Genesis 19:12 . Jesaja 48:20 : Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme van het gejuich, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: De YHWH heeft Zijn knecht Jakob verlost! Jesaja 52:11 : Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, u, die de vaten van YHWH draagt! Jeremia 51:6 : Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een iedereen zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt. Jeremia 51:45 : Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iedereen zijn ziel, vanwege de hitte van de toorn van YHWH. 2 Korinthiërs 6:17 : Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen. Genesis 19:12 : Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen, die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
[^openbaring-18-4-9]: Kanttekening 9: Gaat uit van haar: Dergelijke woorden worden ook van God, Jesaja 48:20 ; Jeremia 50:8 , en Jeremia 51:6 ; Zacharia 2:7 , tot een waarschuwing van het volk van God, vóór de ondergang van het Assyrische Babylon, gebruikt, opdat zij zich intijds zouden voorzien, en daaruit vertrekken; welke hier van het geestelijk Babylon tot alle ware gelovigen worden gesproken; waarvan de redenen in de tekst volgen. Jesaja 48:20 : Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeeën, verkondigt met de stemme van het gejuich, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: YHWH heeft Zijn knecht Jakob verlost! Jeremia 50:8 : Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit het land van de Chaldeeën; en weest als de bokken voor de kudde heen. Jeremia 51:6 : Vliedt uit het midden van Babel, en redt, een ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van YHWH, Die haar de verdienste betaalt. Zacharia 2:7 : Hui, Sion! ontkomt u, die woont bij de dochter van Babel!
[^openbaring-18-4-10]: Kanttekening 10: opdat u: Namelijk òf door de dagelijkse verkering met hem daartoe zijnde verlokt, òf door vrees en vervolging van hen daartoe gedrongen zijnde. Waarop de gemeenschap van de straffen volgt. Zo vermaant ook Christus de Zijnen; Matteüs 24:16 . Mattheüs 24:16 : Dat alsdan, die in Judea zijn, vluchten op de bergen;
[^openbaring-18-5-11]: Kanttekening 11: de ene op de andere : Een manier van spreken, wanneer de maat van de zonden, die God in Zijne lankmoedigheid lang heeft verdragen, is vervuld, zodat er niets dan de straf meer overig is. Ziet dergelijk Genesis 15:16 en 18:20 , 18:21 , Romeinen 2:5 . Genesis 15:16 : En het vierde geslacht zal herwaarts terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. Genesis 18:20 : Verder zei YHWH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, Genesis 18:21 : Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. Romeinen 2:5 : Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, vergadert u uzelven toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God.
[^openbaring-18-5-12]: Kanttekening 12: gedachtig geworden: Gelijk God gezegd wordt de zonden van de mensen te vergeten of niet te gedenken, Jeremia 31:34 , en elders, wanneer hij die de gelovigen en boetvaardigen vergeeft, en in hen niet straft, zo wordt Hij gezegd die te gedenken, of ze indachtig te worden, wanneer Hij die besloten heeft te straffen. Zie hiervoor Openbaring 16:19 . Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn van Zijn toorn.
[^openbaring-18-5-g]: Verwijzing g: Openbaring 16:19 . Openbaring 16:19 : En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn.
[^openbaring-18-6-13]: Kanttekening 13: Vergeldt haar: Dit moet niet verstaan worden van enige eigene wraak, die Christus de Zijnen uitdrukkelijk verbiedt, Matteüs 5:39 ; Romeinen 12:19 , maar òf van Gods verborgen regering in dit gehele werk, waardoor God zekere werktuigen zal verwekken, die deze openlijke wraak, ook onwetend naar Gods wil zullen doen, gelijk van die van Medië en Perzië tegen Babylonië gezegd wordt, Jeremia 50:9 , en Jeremia 51:11 ,enz.; òf ook van die prinsen en koningen, die nadat zij tot de kennis van de waarheid gebracht zijn, Gods volk zullen voorstaan, en door een Goddelijken ijver gedreven zijnde, tegen de onrechtvaardigheid en afgoderij van dit grote Babylon, Gods oordelen ook zullen uitvoeren. Dat met Openbaring 17:16 , 17:17 wel overeenkomt. Mattheüs 5:39 : Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; Romeinen 12:19 : Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heer. Jeremia 50:9 : Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal leeg terugkeren. Jeremia 51:11 : Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; YHWH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van YHWH, de wraak van Zijn tempel. Openbaring 17:16 : En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden. Openbaring 17:17 : Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden van God voltooid zullen zijn.
[^openbaring-18-6-14]: Kanttekening 14: verdubbelt haar dubbel: Dit wordt gezegd niet ten opzichte van haar ongerechtigheid en tirannie, die God niemand kan aandoen, noch wil aangedaan hebben, maar van de benauwdheid, die zij de vromen onrechtvaardig heeft aangedaan, die God hier wil dat zij rechtvaardig zal lijden, gelijk de volgende woorden verklaren.
[^openbaring-18-6-h]: Verwijzing h: Openbaring 14:10 . Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-18-7-15]: Kanttekening 15: Ik zit als een koningin: Dat is de eigen roem van die die zit in de tempel van God, alsof hij God ware, en die zichzelf in het wereldlijke verheft boven alle koningen en prinsen, en in het geestelijke boven alle kerkvergaderingen, bisschoppen en prelaten, die als een moeder en koningin van alle Kerken niet kan bezwijken, noch dwalen, wier stoel niet kan te gronde gaan; en dergelijke prachtige titels meer, die zij zichzelf en haar dienaren haar doorgaans in hun schriften geven.
[^openbaring-18-7-i]: Verwijzing i: Jesaja 47:8 . Jesaja 47:8 : Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.
[^openbaring-18-8-k]: Verwijzing k: 2 Tessalonicenzen 2:8 . 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning Zijn toekomst;
[^openbaring-18-8-16]: Kanttekening 16: op een dag komen: Dit is, op een korte tijd, die God over haar bestemd heeft.
[^openbaring-18-8-l]: Verwijzing l: Openbaring 17:16 . Openbaring 17:16 : En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.
[^openbaring-18-8-17]: Kanttekening 17: want sterk is de Heer God: Namelijk en daarom zal geen wereldse macht Zijn krachtigen arm van het uitvoeren van dit Zijn oordeel van haar kunnen weren.
[^openbaring-18-9-m]: Verwijzing m: Openbaring 17:2 ; Openbaring 18:3 . Openbaring 17:2 : Met welke de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij. Openbaring 18:3 : Omdat uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht haar weelde.
[^openbaring-18-9-18]: Kanttekening 18: die met haar gehoereerd: Namelijk tot de tijd van haar val en uitroeiïng toe. Waaruit blijkt, dat nog altijd enige prinsen en koningen met haar zullen samenspannen tot bevestiging van haar staat en bijgelovigheden, die deze haar val zullen zoeken te stuiten en als hij reeds geschied zal zijn, ernstig maar tevergeefs zullen beklagen.
[^openbaring-18-9-19]: Kanttekening 19: rouw over haar bedrijven: Grieks zichzelf slaan; namelijk op de borst van verdriet.
[^openbaring-18-9-n]: Verwijzing n: Openbaring 18:18 . Openbaring 18:18 : En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?
[^openbaring-18-10-20]: Kanttekening 20: Van verre staande: Namelijk zonder haar te kunnen helpen.
[^openbaring-18-10-o]: Verwijzing o: Jesaja 21:9 ; Jeremia 51:1 ; Openbaring 14:8 . Jesaja 21:9 : En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. Jeremia 51:1 : Zo zegt YHWH: Ziet, Ik zal een verdervenden wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. Openbaring 14:8 : En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt.
[^openbaring-18-10-21]: Kanttekening 21: in een ure gekomen: Gelijk vers 8 , op één dag, dat is, op een korte tijd. Openbaring 18:8 : Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heer God, Die haar oordeelt.
[^openbaring-18-11-22]: Kanttekening 22: hun waren: Grieks hun scheepsvracht, of lading; namelijk omdat hun ijdelheid en bedrog bekend wordt.
[^openbaring-18-12-23]: Kanttekening 23: Waren van goud: Deze woorden, met enige van de volgende verzen, zijn meest genomen uit Ezechiël, Ezechiël 27 , waar van de val van de koopstad Tyrus dergelijke wordt voorzegd; en hoewel, gelijk tevoren is gezegd, deze antichristische Tyrus ook vele kooplieden uit alle gewesten van de wereld, met het kopen en bezigen van deze waren, in al hun pracht en versieringen van tempels, beelden, gebouwen en uiterlijke godsdiensten, door al hun gebied, rijk maakt, zo kan het van de geestelijke koopmanschap, die zij en haar groten onder de mensen drijven, ook zeer goed verstaan worden, gelijk op vers 3 is aangewezen. Openbaring 18:3 : Omdat uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht van haar weelde.
[^openbaring-18-12-24]: Kanttekening 24: welriekend hout: Grieks thyinenhout; zie 1 Koningen 10:11 . 1 Koningen 10:11 : Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.
[^openbaring-18-13-25]: Kanttekening 25: Of karossen.
[^openbaring-18-13-26]: Kanttekening 26: Dat is, de lichamen van de levenden tot slaven makende; en de zielen van de afgestorvenen verkopende, om uit haar verdicht vagevuur door verschoningen, aflaten, bedevaarten, zielmissen en dergelijke verlost te worden; waarin het voordeel van deze kooplieden veel bestaat.
[^openbaring-18-13-p]: Verwijzing p: Ezechiël 27:13 . Ezechiël 27:13 : Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.
[^openbaring-18-14-27]: Kanttekening 27: vrucht van de: Grieks de herfstvrucht, oogst, of boomvrucht; dat is, allerlei schone of liefelijke vruchten, lekkernijen en lekkere gerechten, waarnaar u lust hadt, en waarvan u overvloed hebt.
[^openbaring-18-15-28]: Kanttekening 28: Namelijk de geestelijke kooplieden, die van dit Babylon afhangen, en daarover in aanzien en macht zijn. Zie hiervoor de aantekeningen vers 3 . Openbaring 18:3 : Omdat uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht van haar weelde.
[^openbaring-18-15-29]: Kanttekening 29: uit vrees voor: Namelijk omdat zij in gevaar zijn van hun deel daarvan ook te zullen ontvangen; of ten minste van hun profijt en aanzien in de wereld te zullen verliezen.
[^openbaring-18-16-q]: Verwijzing q: Openbaring 17:4 . Openbaring 17:4 : En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid haar hoererij.
[^openbaring-18-16-30]: Kanttekening 30: versierd met goud: Grieks vergoud, of verguld; gelijk hiervoren Openbaring 17:4 . Openbaring 17:4 : En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid van haar hoererij.
[^openbaring-18-17-31]: Kanttekening 31: Hierdoor kunnen enigszins de eigenlijk genoemde stuurlieden en zeelieden verstaan worden, die ook uit het aanbrengen van vele van deze goederen, uit alle gewesten van de wereld, bij dit Babylon hun voordeel deden, gelijk van de stuurlieden en zeelieden van Tyrus wordt verhaald, Ezechiël 27:9 , 27:25 , en vervolgens. Maar dit wordt ook door velen figuurlijkerwijze verstaan van degenen die leden zijn, of de besturing hebben van de geestelijke hoven, abdijen, kloosters en dergelijke geestelijke goederen, die hierdoor hun voordeel en aanzien ook zullen verliezen; welke verenigingen ook bij wateren en rivieren, Openbaring 16:4 , zijn vergeleken. Ezechiël 27:9 : De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven. Ezechiël 27:25 : De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege de onderlingen koophandel met u; en u was vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart van de zeeën. Openbaring 16:4 : En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren en in de fonteinen van de wateren; en de wateren werden bloed.
[^openbaring-18-17-32]: Kanttekening 32: Of schippers.
[^openbaring-18-17-33]: Kanttekening 33: die ter zee handelen: Dat is, die de zee bouwen.
[^openbaring-18-18-r]: Verwijzing r: Jesaja 34:10 ; Openbaring 18:9 . Jesaja 34:10 : Het zal van de nacht of van de dag niet uitgeblust worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden zal niemand daar doorgaan. Openbaring 18:9 : En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien;
[^openbaring-18-18-s]: Verwijzing s: Openbaring 13:4 . Openbaring 13:4 : En zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelfde?
[^openbaring-18-19-34]: Kanttekening 34: wierpen stof: Namelijk tot een bijzonder teken van grote rouw en verdriet over hun verlies, gelijk bij de ouden gebruikelijk was, 1 Samuël 4:12 ; Job 2:12 , en gelijk van de stuurlieden en zeelieden van Tyrus ook gezegd wordt, Ezechiël 27:30 , 27:31 . Hoewel deze hun rouw zich niet uitstrekt over hun zonden, en bijgelovigen godsdienst, waar zij in verhard zijn, maar alleen over hun verlies en schade. 1 Samuël 4:12 : Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. Job 2:12 : En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel. Ezechiël 27:30 : En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as. Ezechiël 27:31 : En zij zullen zich over u geheel kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid van de ziel, en bittere rouwklage.
[^openbaring-18-20-35]: Kanttekening 35: Bedrijft vreugde: Dat is, u inwoners van de hemel, engelen en heilige martelaars, die om deze uitvoering van Gods oordelen, tot rechtvaardiging van hun zaak, ook gebeden hebben, Openbaring 6:10 ; welker getal nu dagelijks wordt vervuld. Dat nochtans zo niet is te verstaan, alsof de hemelse schepselen, of Gods Kerk, zich moesten verheugen over iemands ongeval, maar over de uitvoering van Gods rechtvaardigheid, en over het bewijs van de rechtvaardigheid van de zaak waardoor de gelovigen hier lijden. Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^openbaring-18-20-36]: Kanttekening 36: u heilige apostelen: Hierdoor worden niet alleen verstaan de apostelen en de profeten eigenlijk zo genoemd, die als leden van één lichaam, en een gemene zaak hebbende, zich ook hierover zouden verblijden; maar ook de dienaren en leraars van de volgende tijden, die naar het voorbeeld van de vorigen ook hetzelfde zou overkomen.
[^openbaring-18-20-37]: Kanttekening 37: uw oordeel aan: Dat is, u aan haar gewroken.
[^openbaring-18-20-t]: Verwijzing t: Openbaring 19:2 . Openbaring 19:2 : Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft.
[^openbaring-18-21-38]: Kanttekening 38: een sterke engel: Dit teken wordt bij de beloften en het dreigement tot versterking bijgevoegd, gelijk doorgaans bij de profeten te zien is, en in het bijzonder van de val van het oude Babylon; Jeremia 51:63 . Jeremia 51:63 : En het zal gebeuren, als u geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult u een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van de Frath;
[^openbaring-18-21-v]: Verwijzing v: Jeremia 51:64 . Jeremia 51:64 : En zult zeggen: Zo zal Babel zinken, en niet weer opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia.
[^openbaring-18-22-x]: Verwijzing x: Jeremia 25:10 ; Ezechiël 26:13 . Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molen en het licht van de lamp. Ezechiël 26:13 : Zo zal Ik het gedeun uw liederen doen ophouden, en het geklank uw harpen zal niet meer gehoord worden.
[^openbaring-18-22-39]: Kanttekening 39: stem van de citerspelers: Onder dergelijke wijze van spreken wordt ook het uiterste ongeval geprofeteerd aan die van Tyrus, Ezechiël 26:13 . Ezechiël 26:13 : Zo zal Ik het gedeun van uw liederen doen ophouden, en het geklank van uw harpen zal niet meer gehoord worden.
[^openbaring-18-22-y]: Verwijzing y: Jeremia 25:10 . Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molen en het licht van de lamp.
[^openbaring-18-22-40]: Kanttekening 40: geluid van de molen: Namelijk om voedsel te bereiden voor de bewoners tot onderhoud van het leven nodig.
[^openbaring-18-23-41]: Kanttekening 41: licht van de kaars: Dit wordt daarbij gevoegd, òf omdat zulk licht nodig is tot een groot deel van het leven van de mensen, bij avond en nacht; òf omdat de bruiloften, waarvan volgt, 's avonds en 's nachts werden gehouden, waar deze kaarsen en fakkels toe werden gebruikt. Zie Matteüs 25:1 . Mattheüs 25:1 : Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet.
[^openbaring-18-23-z]: Verwijzing z: Jeremia 7:34 ; Jeremia 16:9 ; Jeremia 25:10 . Jeremia 7:34 : En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. Jeremia 16:9 : Want zo zegt YHWH van de heirscharen, de God van Israël: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. Jeremia 25:10 : En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molen en het licht van de lamp.
[^openbaring-18-23-42]: Kanttekening 42: de stem eens bruidegoms: Namelijk dat niet alleen een tijd is van vrolijkheid, maar ook een middel waardoor de inwoners van dit Babylon weer zouden kunnen aanwassen en vermenigvuldigen.
[^openbaring-18-23-43]: Kanttekening 43: Zie de aantekeningen op vers 3 . Openbaring 18:3 : Omdat uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht van haar weelde.
[^openbaring-18-23-44]: Kanttekening 44: Dat is afgoderij en aanlokking van uw opgesmukten godsdienst; gelijk meermalen hiervoor.
[^openbaring-18-24-45]: Kanttekening 45: in dezelfde is gevonden: Dat is, zij is bevonden oorzaak geweest te zijn van het storten van het bloed van de profeten en heiligen, zo omdat zij zelf een grote menigte daarvan heeft gedood, en in haar geheel gebied, door haar strenge plakkaten en rechtbanken heeft doen doden, alsook omdat zij met dit doen de tirannie van anderen, die zulks hebben gedaan, heeft gestijfd en goedgekeurd. Zie dergelijke woorden van Christus Matteüs 23:34 , 23:35 , 23:36 . Mattheüs 23:34 : Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelfde zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelfde zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; Mattheüs 23:35 : Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, welke u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. Mattheüs 23:36 : Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
[^openbaring-18-24-a]: Verwijzing a: Openbaring 17:6 . Openbaring 17:6 : En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

### Openbaring 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/19.json)

*1 In de hemel wordt halleluja gezongen over het oordeel van de grote hoer. 5 Een andere stem uit de troon vermaant alle dienstknechten van God tot vreugde, omdat de bruiloft van het Lam gekomen is en zijn bruid zich met zijn blinkende linnen heeft toebereid. 9 Zalig gesproken worden zij die tot deze bruiloft geroepen zijn. 10 De apostel valt de engel aan de voeten, maar wordt daarover berispt en bevolen God aan te bidden. 11 Johannes ziet in een nieuw gezicht een wit paard, en iemand die daarop zat, wiens gerechtigheid, vlammende ogen, bloedkleurige kleed, verborgen naam, gevolg, zwaard en ijzeren staf beschreven worden. 15 Deze treedt de wijnpersbak van Gods toorn en is een Koning der koningen. 17 Een andere engel roept alle vogels tot het eten van het vlees van alle veldoversten en alle anderen in de grote slachting van God, 19 die verzameld waren om strijd te voeren tegen hem die op het paard zat. 20 Maar het beest met de valse profeet worden geworpen in de poel van vuur. 21 En al hun aanhangers worden gedood door het zwaard.*

**1** En[^openbaring-19-1-1] na deze hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel, zeggende:[^openbaring-19-1-3] Halleluja,[^openbaring-19-1-4] de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heere, onze God.[^openbaring-19-1-2] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v1)

**2** Want[^openbaring-19-2-a] Zijn[^openbaring-19-2-5] oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij[^openbaring-19-2-6] de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij[^openbaring-19-2-b] het bloed van Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v2)

**3** En zij zeiden[^openbaring-19-3-7] ten tweede maal: Halleluja![^openbaring-19-3-c] En haar rook gaat op[^openbaring-19-3-8] in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v3)

**4** En[^openbaring-19-4-9] de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren vielen neer, en aanbaden God, Die op de troon zat, zeggende: Amen, Halleluja! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v4)

**5** En een stem kwam[^openbaring-19-5-10] uit de troon, zeggende: Loof onze God, u al Zijn dienaren, en u, die Hem vreest, zowel klein als groot![^openbaring-19-5-11] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v5)

**6** En ik hoorde als een stem van een grote menigte, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God,[^openbaring-19-6-13] heeft[^openbaring-19-6-d] als Koning geheerst.[^openbaring-19-6-12] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v6)

**7** Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven;[^openbaring-19-7-e] want[^openbaring-19-7-14] de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw[^openbaring-19-7-15] heeft zichzelf bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v7)

**8** En haar is gegeven, dat zij bekleed wordt met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn[^openbaring-19-8-16] lijnwaad zijn[^openbaring-19-8-17] de rechtvaardigmakingen van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v8)

**9** En hij zei tot mij: Schrijf, zalig zijn[^openbaring-19-9-18] zij, die geroepen zijn[^openbaring-19-9-19] tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tot mij:[^openbaring-19-9-20][^openbaring-19-9-f] Deze zijn de waarachtige woorden van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v9)

**10** [^openbaring-19-10-g] En ik viel neer voor zijn voeten,[^openbaring-19-10-21] om hem te aanbidden, en hij zei tot mij:[^openbaring-19-10-h] Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben;[^openbaring-19-10-22] aanbid God. Want de getuigenis van[^openbaring-19-10-23] Jezus is de geest van de profetie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v10)

**11** [^openbaring-19-11-24]En ik zag[^openbaring-19-11-25] de hemel geopend; en ziet,[^openbaring-19-11-26][^openbaring-19-11-i] een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genoemd[^openbaring-19-11-27] Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert[^openbaring-19-11-28] strijd in gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v11)

**12** En Zijn ogen waren[^openbaring-19-12-29][^openbaring-19-12-k] als een vlam van vuur, en op Zijn hoofd waren[^openbaring-19-12-30] vele koninklijke hoeden; en Hij had[^openbaring-19-12-31] een naam geschreven, die[^openbaring-19-12-32] niemand wist, dan Hij Zelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v12)

**13** En Hij was bekleed met een kleed,[^openbaring-19-13-l] dat[^openbaring-19-13-33] met bloed[^openbaring-19-13-34] geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd[^openbaring-19-13-35][^openbaring-19-13-m] het Woord van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v13)

**14** En[^openbaring-19-14-36] de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed[^openbaring-19-14-37] met wit en rein[^openbaring-19-14-n] fijn lijnwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v14)

**15** [^openbaring-19-15-o] En[^openbaring-19-15-38] uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmee[^openbaring-19-15-39] de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden[^openbaring-19-15-40][^openbaring-19-15-p] met een ijzeren roede;[^openbaring-19-15-q] en[^openbaring-19-15-41] Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v15)

**16** En Hij heeft[^openbaring-19-16-42] op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven:[^openbaring-19-16-43][^openbaring-19-16-r] Koning van de koningen, en Heere van de heren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v16)

**17** En ik zag een engel,[^openbaring-19-17-44] staande in de zon; en hij riep met een luide stem, zeggende[^openbaring-19-17-45] tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen:[^openbaring-19-17-s] Kom hier, en verzamelt u tot[^openbaring-19-17-46] het avondmaal van de grote God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v17)

**18** Opdat u eet het vlees[^openbaring-19-18-47] van de koningen, en het vlees[^openbaring-19-18-48] van de oversten over duizend, en het vlees van de sterken, en het vlees van de paarden en van degenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienaren, en kleinen en groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v18)

**19** En[^openbaring-19-19-49] ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun legers verzameld, om strijd te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn legers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v19)

**20** En het beest[^openbaring-19-20-50] werd gegrepen, en met hetzelfde[^openbaring-19-20-51] de valse profeet,[^openbaring-19-20-t] die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen[^openbaring-19-20-v] hadden, en die zijn beeld[^openbaring-19-20-x] aanbaden. Deze twee zijn[^openbaring-19-20-y] levend geworpen in de poel van het vuur, die[^openbaring-19-20-52][^openbaring-19-20-z] met sulfer brandt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v20)

**21** En de overigen werden gedood met het zwaard Van Degene, Die op het paard[^openbaring-19-21-53] zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/19.html#v21)

[^openbaring-19-1-1]: Kanttekening 1: na deze: Dat is, nadat het Roomse Babylon nu eindelijk, door een bijzonder oordeel van God, was verbrand en uitgeroeid, gelijk in Openbaring 18 verhaald is.
[^openbaring-19-1-3]: Kanttekening 3: Dat is, looft God; een Hebreeuwse wijze van spreken, die in vele psalmen voorkomt; welke in het Griekse en andere Kerken ook behouden is, omdat zij zeer algemeen en bekend was, gelijk ook het woord amen, hosanna, abba, enz.
[^openbaring-19-1-4]: Kanttekening 4: de zaligheid: Deze eigenschappen worden hier God niet toegewenst, daar Hij die altijd heeft bezeten; maar worden in Hem erkend en geprezen, omdat Hij die metterdaad nu voor een ieder had geopenbaard. Zie dergelijke hiervoren Openbaring 5:12 , en Openbaring 7:12 , en elders meer. Openbaring 5:12 : Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. Openbaring 7:12 : Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid. Amen.
[^openbaring-19-1-2]: Kanttekening 2: van een grote schare: Namelijk dergenen die met Christus in de hemel triomferen, en Zijn troon omringden, Openbaring 7:9 ; gelijk zij tot deze lofzang in Openbaring 18:20 , door de engel worden vermaand. Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. Openbaring 18:20 : Bedrijft vreugde over haar, u hemel, en u heilige apostelen, en u profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.
[^openbaring-19-2-a]: Verwijzing a: Openbaring 15:3 ; Openbaring 16:7 . Openbaring 15:3 : En zij zongen het gezang van Mozes, de dienaar van God, en het gezang van het Lam, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heer, U almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, U Koning van de heiligen! Openbaring 16:7 : En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heer, U almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.
[^openbaring-19-2-5]: Kanttekening 5: waarachtig en rechtvaardig: Dat is, naar Zijn waarheid en rechtvaardigheid uitgevoerd; daar Hij zulks tevoren de Zijnen had beloofd, en de vijanden van Zijn gemeente gedreigd. Zie Psalm 9:9 . Psalmen 9:9 : En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
[^openbaring-19-2-6]: Kanttekening 6: de grote hoer: Zie hiervoor Openbaring 17:1 . Openbaring 17:1 : En één uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren;
[^openbaring-19-2-b]: Verwijzing b: Deuteronomium 32:43 ; Openbaring 18:20 . Deuteronomium 32:43 : Juicht, u heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen terugkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk. Openbaring 18:20 : Bedrijft vreugde over haar, u hemel, en u heilige apostelen, en u profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.
[^openbaring-19-3-7]: Kanttekening 7: ten tweede maal: Namelijk om aan te wijzen met hoe grote ernst zij zulks deden.
[^openbaring-19-3-c]: Verwijzing c: Jesaja 34:10 ; Openbaring 14:11 ; Openbaring 18:18 . Jesaja 34:10 : Het zal van de nacht of van de dag niet uitgeblust worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden zal niemand daar doorgaan. Openbaring 14:11 : En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt. Openbaring 18:18 : En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?
[^openbaring-19-3-8]: Kanttekening 8: in alle eeuwigheid: Grieks in de eeuwigheden van de eeuwigheden.
[^openbaring-19-4-9]: Kanttekening 9: de vier en twintig ouderlingen: Namelijk die met de vier dieren rondom de troon van God waren. Waarvan zie breder Openbaring 4:4 , 4:6 , en Openbaring 5:8 . Openbaring 4:4 : En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleren, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. Openbaring 4:6 : En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. Openbaring 5:8 : En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden van de heiligen.
[^openbaring-19-5-10]: Kanttekening 10: uit de troon: Namelijk van de hemel, waarvan meermalen hiervoor is gezegd. En deze stem strekt daartoe, om alle dienaren van God in hemel en op aarde te vermanen tot een nieuwen lofzang over de weldaden, die God Zijn gemeente in de laatste komst van Christus tot het oordeel nu gaat bewijzen, gelijk uit de verklaring zal blijken.
[^openbaring-19-5-11]: Kanttekening 11: u al Zijn dienaren: Namelijk niet alleen gelovigen in hemel en op aarde, maar ook engelen, die zichzelf mededienstknechten van de gelovigen erkennen te zijn, hierna vers 10 , en Openbaring 22:9 . Openbaring 19:10 : En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en van uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. Openbaring 22:9 : En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en van uw broeders, de profeten, en dergenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God.
[^openbaring-19-6-13]: Kanttekening 13: heeft als Koning geheerst: Dat is, nu komt de tijd dat Hij al Zijn vijanden onder onze voeten gebracht hebbende, en het rijk van de antichrist, van de satan en van de wereld vernietigd hebbende, alleen zal heersen, en zulks voor de gehele wereld zal betonen; 1 Korinthe 15:24 . Want hoewel Hij altijd als koning heeft geheerst, zo is Zijn rijk onder velen, door de tirannie van deze anderen, en door Zijn verdraagzaamheid daarin, naar het oordeel van de wereld, zeer verduisterd geweest. 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^openbaring-19-6-d]: Verwijzing d: Openbaring 11:17 . Openbaring 11:17 : Zeggende: Wij danken U, Heer God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat U Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;
[^openbaring-19-6-12]: Kanttekening 12: grote schare: Grieks vele.
[^openbaring-19-7-e]: Verwijzing e: Matteüs 22:2 ; Lukas 14:16 . Mattheüs 22:2 : Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; Lukas 14:16 : Maar Hij zei tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.
[^openbaring-19-7-14]: Kanttekening 14: de bruiloft van het Lam: Dat is, de nadere vereniging en volle verheerlijking van de gemeente van Christus in de hemel met haar bruidegom Christus is nabij. Welke gelijkenis ook doorgaans elders wordt gebruikt. Zie Markus 2:19 , 2:20 ; Johannes 3:29 ; 2 Korinthe 11:2 ; Efeze 5:23 , enz. Marcus 2:19 : En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Marcus 2:20 : Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelfde dagen. Johannes 3:29 : Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. 2 Korinthiërs 11:2 : Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Efeziërs 5:23 : Want de man is het hoofd van de vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam.
[^openbaring-19-7-15]: Kanttekening 15: heeft zichzelf bereid: Namelijk tot deze nadere vereniging en volle verheerlijking, welke bereiding niet voortkomt uit haar natuurlijke krachten, maar uit genade die haar van haar bruidegom is geschonken, gelijk vers 8 uitwijst. Zie ook Ezechiël 16:3 , enz.; 2 Korinthe 3:5 ; Efeze 5:26 ; Filippenzen 1:29 . Openbaring 19:8 : En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen. Ezechiël 16:3 : En zeg: Zo zegt de Heer YHWH tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land van de Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische. 2 Korinthiërs 3:5 : Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God; Efeziërs 5:26 : Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; Filippensen 1:29 : Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;
[^openbaring-19-8-16]: Kanttekening 16: Dat is, betekenen, gelijk hiervoor Openbaring 1:20 , en Openbaring 17:15 , 17:18 . Openbaring 1:20 : De verborgenheid van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. Openbaring 17:15 : En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natiën, en tongen. Openbaring 17:18 : En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.
[^openbaring-19-8-17]: Kanttekening 17: de rechtvaardigmakingen: Of, rechtvaardigheden, namelijk niet waardoor wij in onszelf, maar waardoor wij voor God rechtvaardig zijn, welke is de rechtvaardigheid van Christus, die ons door het geloof wordt toegerekend; 2 Korinthe 5:21 . En is als een zuiver wit kleed, waardoor onze naaktheid voor Gods aangezicht wordt bedekt. Zie Romeinen 13:14 ; 1 Korinthe 1:30 ; Galaten 3:27 , en hiervoor Openbaring 7:13 , waaruit de heiligmaking van de Geest haar oorsprong heeft, die hiernamaals in ons ook zal volmaakt worden. 2 Korinthiërs 5:21 : Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. Romeinen 13:14 : Maar doet aan de Heer Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. 1 Korinthiërs 1:30 : Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; Galaten 3:27 : Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. Openbaring 7:13 : En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleren, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?
[^openbaring-19-9-18]: Kanttekening 18: die geroepen zijn: Namelijk met een roeping naar Gods voornemen; want die heeft Hij gerechtvaardigd en verheerlijkt; Romeinen 8:30 . Anders, zo zijn er ook geroepen tot deze bruiloft, met de uitwendige roeping, die daarna buiten zullen geworpen worden. Zie Matteüs 22:11 , enz. Romeinen 8:30 : En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Mattheüs 22:11 : En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij daar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;
[^openbaring-19-9-19]: Kanttekening 19: tot het avondmaal: Zo genoemd, omdat de bruiloften 's avonds bij de ouden plachten gehouden te worden; Matteüs 25:1 , en dat ze hier zal beginnen op het einde van de wereld of ten uitersten dage. Mattheüs 25:1 : Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet.
[^openbaring-19-9-20]: Kanttekening 20: Deze zijn de: Namelijk waardoor ons deze zaligheid wordt beloofd, die wij daarom met een vast geloof moeten aannemen, en waarvan wij de volbrenging op zijn tijd moeten verwachten.
[^openbaring-19-9-f]: Verwijzing f: Openbaring 21:5 . Openbaring 21:5 : En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
[^openbaring-19-10-g]: Verwijzing g: Openbaring 22:8 . Openbaring 22:8 : En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden voor de voeten van de engels, die mij deze dingen toonde.
[^openbaring-19-10-21]: Kanttekening 21: om hem te aanbidden: Namelijk daartoe uit menselijke zwakheid bewogen zijnde, zo door de heerlijkheid van de engel, als door de aangename verkondiging, die hij deed van de komst van de bruiloft van het Lam, gelijk in Cornelius dergelijke aan Petrus is geschied; Handelingen 10:25 . En hoewel Johannes deze engel voor God zelf niet hield, nochtans, omdat deze eer de maat te buiten ging, en iets goddelijks scheen te hebben, zo heeft de engel deze geweigerd aan te nemen, zo hier als hierna Openbaring 22:9 ; gelijk ook de dienst van de engelen van Paulus in het algemeen wordt verboden; Kolossenzen 2:18 . Handelingen 10:25 : En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. Openbaring 22:9 : En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en van uw broeders, de profeten, en dergenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God. Kolossensen 2:18 : Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand zijns vleses;
[^openbaring-19-10-h]: Verwijzing h: Handelingen 10:26 ; Handelingen 14:14 ; Openbaring 22:9 . Handelingen 10:26 : Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens. Handelingen 14:14 : Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun kleren, en sprongen onder de schare, roepende, Openbaring 22:9 : En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, van de profeten, en dergenen, die de woorden van deze boeks bewaren; aanbid God.
[^openbaring-19-10-22]: Kanttekening 22: aanbid God: Namelijk wie deze eer van de ware aanbidding alleen toekomt; Matteüs 4:10 . Mattheüs 4:10 : Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen.
[^openbaring-19-10-23]: Kanttekening 23: is de geest van de profetie: Dat is, eenzelfde zaak met de geest van de profetie en van een waardigheid. Waaruit hij bewijst dat zij beide dienaren van Jezus Christus zijn, terwijl hij de geest van de profetie had ontvangen om Johannes dit te melden, Openbaring 1:1 , en Johannes ook om dit voor de gemeente van Christus' wege te betuigen. Openbaring 1:1 : De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft;
[^openbaring-19-11-24]: Kanttekening 24: En ik zag: Hier begint het laatste deel van dit hoofdstuk, waarin Johannes, in een nieuw gezicht, de komst van Christus wordt vertoond, om Zijn gemeente ten enenmale te verlossen, en de antichrist, met al zijn aanhang, en alle andere vijanden van de gemeenten ten enenmale teniet te doen, gelijk uit het inzien van dit gehele verhaal blijkt. Maar sommigen menen dat hier beschreven wordt ene andere komst van Christus door Zijn Geest en kracht, die Zijn laatste komst nog zou voorafgaan, waarin de Joden zouden bekeerd worden, en de overige gemeenten hier in deze wereld, met de Joden verenigd zijnde, over al haar vijanden zou triomferen en een vreedzaam rijk genieten. Maar dit gevoelen kan niet bestaan met wat hier gezegd wordt vers 20 , dat in deze komst het beest en de valse profeet levend zijn geworpen in de poel van het vuur, dat eerst in de laatste komst van Christus zal gebeuren, gelijk ook de apostel uitdrukkelijk getuigt 2 Tessalonicenzen 2:8 ; en ook omdat in deze komst van Christus, waarvan in Openbaring 19 wordt gesproken, de bruiloft van het Lam met Zijn bruid wordt gezegd te zullen gebeuren, welke is de vereniging van de gemeente van Christus ten uiterste dage met Christus haar bruidegom; Matteüs 25:1 , 25:13 . Waarbij nog komt, dat de staat van de Kerk van Christus voor zijn laatste komst doorgaans in de Schrift wordt beschreven, geheel anders te zullen zijn op de aarde dan deze menen; gelijk breder aangetekend wordt Openbaring 20:1 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst; Mattheüs 25:1 : Alsdan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet. Mattheüs 25:13 : Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, in dewelke de Zoon van de mensen komen zal. Openbaring 20:1 : En ik zag een engel afkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de afgrond, en een grote keten in zijn hand;
[^openbaring-19-11-25]: Kanttekening 25: de hemel geopend: Namelijk om Christus als de oppersten rechter en oversten de weg te openen, om met al Zijn hemelse heirscharen af te dalen tot verlossing van Zijn gemeente, en tot straf van al Zijn en haar vijanden. Zie Matteüs 24:30 , en Matteüs 25:31 ; 1 Tessalonicenzen 4:16 ; 2 Tessalonicenzen 1:7 ; Jud. v.14 , enz. Mattheüs 24:30 : En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon van de mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde wenen, en zullen de Zoon van de mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 2 Thessalonicensen 1:7 : En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht; Judas 1:14 : En van deze heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heer is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;
[^openbaring-19-11-26]: Kanttekening 26: een wit paard: Namelijk tot een teken van Zijn heerlijkheid en overwinning; gelijk hier voor Openbaring 6:2 vertoond is, maar tot een ander doel. Waarvan zie daar de aantekeningen. Openbaring 6:2 : En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!
[^openbaring-19-11-i]: Verwijzing i: Openbaring 6:2 . Openbaring 6:2 : En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!
[^openbaring-19-11-27]: Kanttekening 27: Getrouw en Waarachtig: Namelijk in het doen en uitvoeren van Zijn beloften en dreigementen.
[^openbaring-19-11-28]: Kanttekening 28: voert krijg in gerechtigheid: Namelijk niet alleen tot bescherming van de Zijnen, maar ook tot rechtvaardige straf van Zijn vijanden; Romeinen 2:5 , 2:6 . Romeinen 2:5 : Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, vergadert u uzelven toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God. Romeinen 2:6 : Welke een ieder vergelden zal naar zijn werken;
[^openbaring-19-12-29]: Kanttekening 29: als een vlam vuurs: Namelijk gelijk Openbaring 1:14 , waardoor Hij alles doorziet, en Hem niets verborgen is. Openbaring 1:14 : En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;
[^openbaring-19-12-k]: Verwijzing k: Openbaring 1:14 . Openbaring 1:14 : En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;
[^openbaring-19-12-30]: Kanttekening 30: vele koninklijke hoeden: Namelijk in elkaar gevlochten tot een teken van Zijn menigvuldige heerschappij, ook boven de draak, en het beest met de zeven hoofden en tien gekroonde hoornen. Want Hij is koning van de koningen en Heer van de heren; vers 16 . Openbaring 19:16 : En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heer van de heren.
[^openbaring-19-12-31]: Kanttekening 31: een naam geschreven: Namelijk de eigen Zoon van de oneindigen Vader, wiens eigenschap niemand ten volle verstaat, dan Hijzelf; Johannes 1:18 . Want hoewel ons ook zulks is geopenbaard, en Zijn naam ook vers 13 wordt verklaard, zo kan nochtans geen schepsel dit volkomen begrijpen, omdat deze geboorte onuitsprekelijk en eeuwig is. Johannes 1:18 : Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. Openbaring 19:13 : En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God.
[^openbaring-19-12-32]: Kanttekening 32: Of, kende.
[^openbaring-19-13-l]: Verwijzing l: Jesaja 63:1 . Jesaja 63:1 : Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
[^openbaring-19-13-33]: Kanttekening 33: met bloed: Namelijk zo ten opzichte van Zijn lijden voor ons, als ten aanzien van het bloed van Zijn vijanden, waarmee Zijn kleed in deze slachting geverfd was. Zie hierna vers 15 ; Jesaja 63:1 , enz. Openbaring 19:15 : En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God. Jesaja 63:1 : Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
[^openbaring-19-13-34]: Kanttekening 34: geverfd was: Grieks ingedoopt.
[^openbaring-19-13-35]: Kanttekening 35: het Woord van God: Zie hiervan de aantekeningen op Johannes 1:1 . Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
[^openbaring-19-13-m]: Verwijzing m: Johannes 1:1 ; 1 Johannes 1:1 . Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Johannes 1:1 : In de beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
[^openbaring-19-14-36]: Kanttekening 36: de heirlegers: Dat is, de heilige engelen, met welker heirkrachten Hij omringd zal komen en de heilige zielen, die met Hem zullen nederdalen, om met haar lichamen weer verenigd te worden, en dan ook deze triomf van Christus deelachtig te zijn. Zie 2 Korinthe 5:8 , 5:9 , 5:10 . 2 Korinthiërs 5:8 : Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heer in te wonen. 2 Korinthiërs 5:9 : Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welgevallig te zijn. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^openbaring-19-14-37]: Kanttekening 37: met wit en rein fijn lijnwaad: Namelijk om hun zuiverheid en heerlijkheid te kennen te geven, als die komen zullen om te triomferen met Christus hun hoofd, wiens kleed alleen met bloed over deze slachting geverfd is, en die alleen met een zwaard en ijzeren roede gewapend is, omdat de eer van deze overwinning Hem alleen toekomt. Zie Jesaja 63:1 , enz. en hierna vers 21 . Jesaja 63:1 : Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^openbaring-19-14-n]: Verwijzing n: Matteüs 28:3 ; Openbaring 4:4 ; Openbaring 7:9 . Mattheüs 28:3 : En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. Openbaring 4:4 : En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleren, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. Openbaring 7:9 : Na deze zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen.
[^openbaring-19-15-o]: Verwijzing o: Openbaring 2:16 ; Openbaring 19:21 . Openbaring 2:16 : Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds. Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard Van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^openbaring-19-15-38]: Kanttekening 38: uit Zijn mond: Zie van dit zwaard de verklaring vers 21 . Openbaring 19:21 : En de overigen werden gedood met het zwaard van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.
[^openbaring-19-15-39]: Kanttekening 39: de heidenen: Of volken; dat is, al de vijanden van Zijn gemeente, die met de antichrist tegen Christus en Zijn rijk zullen aanspannen. Zie hiervoren Openbaring 2:26 , 2:27 , waar deze plaats van de tweede psalm ook op de leden van Christus wordt gepast. Openbaring 2:26 : En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen; Openbaring 2:27 : En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
[^openbaring-19-15-40]: Kanttekening 40: met een ijzeren roede: Namelijk om die te vermorzelen als aarden vaten, omdat zij zich door de staf van Zijn woord niet hebben laten leiden.
[^openbaring-19-15-p]: Verwijzing p: Psalm 2:9 ; Openbaring 2:27 . Psalmen 2:9 : U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Openbaring 2:27 : En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
[^openbaring-19-15-q]: Verwijzing q: Jesaja 63:3 ; Openbaring 14:19 ; idem v. 20 . Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Openbaring 14:19 : En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. Openbaring 14:20 : En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver.
[^openbaring-19-15-41]: Kanttekening 41: Hij treedt de wijnpersbak: Dat is, vertreedt en verplettert de vijanden Gods, gelijk de druiven in een wijnpersbak van een sterk man gemakkelijk vertreden en vermorzeld worden. Zie hiervoor Openbaring 14:20 ; Jesaja 63:3 , waar deze gelijkenis van Christus ook wordt gebruikt. Zie ook dergelijke in de Klaagliederen Jeremia 1:15 . Openbaring 14:20 : En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. Jesaja 63:3 : Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. Jeremia 1:15 : Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt YHWH; en zij zullen komen, en zetten een ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
[^openbaring-19-16-42]: Kanttekening 42: op Zijn kleed: Dat is, op Zijn kleed hangende op Zijn dij, dat is, openlijk voor de ogen van een ieder, gelijk het kleed op de dij van een man die te paard zit, meest gezien wordt, en meest openbaar is.
[^openbaring-19-16-43]: Kanttekening 43: Koning van de koningen: Welke titel door Paulus God de Vader wordt gegeven, 1 Timotheüs 6:15 , en hiervoor ook Christus, Openbaring 17:14 , als die niet alleen een naam boven alle namen van God Zijn Vader heeft ontvangen, maar ook van eeuwigheid aan God evengelijk, en in de gestalte Gods was. Zie Johannes 10:29 , 10:30 ; Filippenzen 2:6 . 1 Timotheüs 6:15 : Welke op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heer, de Koning van de koningen, en Heer van de heren; Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. Johannes 10:29 : Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader. Johannes 10:30 : Ik en de Vader zijn een. Filippensen 2:6 : Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn;
[^openbaring-19-16-r]: Verwijzing r: 1 Timotheüs 6:15 ; Openbaring 17:14 . 1 Timotheüs 6:15 : Welke op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heer, de Koning van de koningen, en Heer van de heren; Openbaring 17:14 : Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heer van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.
[^openbaring-19-17-44]: Kanttekening 44: staande in de zon: Namelijk om de gehele lucht door gehoord te worden; gelijk de herauten in hoge en luchtige plaatsen de last van hun oversten kapitein plegen te verkondigen, om door ieder gehoord te kunnen worden.
[^openbaring-19-17-45]: Kanttekening 45: tot al de vogels: Een figuurlijke manier van spreken, genomen uit Jeremia 12:9 , en Ezechiël 39:17 , waardoor een overgrote nederlaag van de vijanden Gods wordt te kennen gegeven, waarvan de dode en verslagene lichamen tot een prooi van de wilde vogels en wrede gedierten gelaten worden. Maar deze zullen hier na deze slachting Gods, in het dal Armageddon, Openbaring 16:16 , tot een prooi van de duivelen en van de hel overgegeven worden, gelijk vers 20 wordt verklaard. Jeremia 12:9 : Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al u gedierte van het veld, komt om te eten! Ezechiël 39:17 : U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed. Openbaring 16:16 : En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-19-17-s]: Verwijzing s: Jeremia 12:9 ; Ezechiël 39:17 . Jeremia 12:9 : Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al u gedierte van het veld, komt om te eten! Ezechiël 39:17 : U dan, mensenkind! zo zegt de Heer YHWH: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.
[^openbaring-19-17-46]: Kanttekening 46: het avondmaal: Dat is, dat God in Zijn toorn over deze Zijn vijanden voor u bereid heeft.
[^openbaring-19-18-47]: Kanttekening 47: van de koningen: Namelijk die de antichrist nog zullen aanhangen en voorstaan, en met hem tegen Christus zullen aanspannen, gelijk in vers 19 wordt verklaard. Want enige van deze koningen zullen deze hoer ook haten, en haar naakt stellen, en haar vlees eten, en haar verbranden; Openbaring 17:16 . Openbaring 19:19 : En ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. Openbaring 17:16 : En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.
[^openbaring-19-18-48]: Kanttekening 48: van de oversten over duizend: Dat is, van alle soorten van krijgslieden, waaruit een groot leger placht te bestaan.
[^openbaring-19-19-49]: Kanttekening 49: ik zag het beest: Dat is, de antichrist zelf, die het hoofd van dit leger was, en die zijn drie onreine geesten had gezonden tot de koningen van de aarde, om hen tot deze laatsten krijg tegen Christus en Zijn Kerk op te maken. Waarvan zie hiervoor Openbaring 16:13 , 16:14 . Openbaring 16:13 : En ik zag uit de mond van de draak, en uit de mond van het beest, en uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten gaan, de vorsen gelijk; Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtige God.
[^openbaring-19-20-50]: Kanttekening 50: werd gegrepen: Namelijk door Christus' macht, en dat levend, gelijk in het vervolg uitgedrukt staat.
[^openbaring-19-20-51]: Kanttekening 51: de valse profeet: Waarvan zie Openbaring 16:13 , en door deze tweede wordt de geestelijke en wereldse heerschappij van de antichrist met al zijn bisschoppelijke en gewapende medehelpers verstaan, die vooral door Christus met de hoogste straffen zullen worden gestraft, daar de andere verleide aardse en wereldse mensen ook wel hun straf, maar minder, zullen dragen. Dat met deze twee soorten van doding door de poel van het vuur, en door het zwaard wordt uitgedrukt. Zie dergelijke Matteüs 5:22 . Openbaring 16:13 : En ik zag uit de mond van de draak, en uit de mond van het beest, en uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten gaan, de vorsen gelijk; Mattheüs 5:22 : Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.
[^openbaring-19-20-t]: Verwijzing t: Deuteronomium 13:1 ; Matteüs 24:24 ; Openbaring 13:12 ; idem 13:13 ; Openbaring 16:14 . Deuteronomium 13:1 : Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; Mattheüs 24:24 : Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. Openbaring 13:12 : En het oefent al de macht van het eerste beest, in aanwezigheid van hetzelfde, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. Openbaring 13:13 : En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods.
[^openbaring-19-20-v]: Verwijzing v: Openbaring 13:16 . Openbaring 13:16 : En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienaren, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
[^openbaring-19-20-x]: Verwijzing x: Openbaring 13:15 . Openbaring 13:15 : En hetzelfde werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.
[^openbaring-19-20-y]: Verwijzing y: Daniël 7:11 ; Openbaring 20:10 . Daniël 7:11 : Toen zag ik toe vanwege de stem van de grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. Openbaring 20:10 : En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
[^openbaring-19-20-52]: Kanttekening 52: met sulfer brandt: Dit wordt daarbij gevoegd, omdat sulfer of zwavel uitnemend scherpe en zeer doordringende hitte geeft; waardoor de zwaarste pijn van de hel wordt afgebeeld.
[^openbaring-19-20-z]: Verwijzing z: Openbaring 14:10 . Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-19-21-53]: Kanttekening 53: dat uit Zijn mond ging: Dat is, door het vonnis dat Hij tegen hen zal vellen, waarvan de engelen uitvoerders zullen zijn, Matteüs 13:41 ; welke straf ook eeuwig zal zijn, gelijk hiervoor Openbaring 14:9 , 14:10 , 14:11 , betuigd is, en Matteüs 25:41 van alle vervloekten ook betuigd wordt. Mattheüs 13:41 : De Zoon van de mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen; Openbaring 14:9 : En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Als iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand, Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. Openbaring 14:11 : En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.

### Openbaring 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/20.json)

*1 Een engel daalt af van de hemel, met de sleutel van de afgrond, en bindt de satan daar duizend jaar. 4 De heilige martelaren, en zij die het beest niet hebben aanbeden, zitten op tronen en regeren met Christus duizend jaar. 5 Doch de anderen blijven in de dood. 6 Zalig gesproken worden allen die deel hebben aan de eerste opstanding. 7 Na het einde van de duizend jaar wordt de satan ontbonden. 8 en verleidt de volken weer, en wekt Gog en Magog op tot de strijd. 9 die de geliefde stad omsingelen, maar door het vuur verslonden worden. 10 en de duivel wordt in de poel van vuur geworpen. 11 Een witte troon wordt gezien, met iemand die daarop zit, voor wie hemel en aarde vlieden. 12 De doden, klein en groot, verschijnen voor God, en de boeken worden geopend, en ieder wordt geoordeeld naar zijn werken. 14 De dood en het dodenrijk worden in de poel van vuur geworpen, met allen die niet geschreven zijn in het boek van het leven.*

**1** [^openbaring-20-1-1] En ik zag[^openbaring-20-1-2] een engel afkomen uit de hemel,[^openbaring-20-1-a] hebbende[^openbaring-20-1-3] de sleutel van de afgrond, en[^openbaring-20-1-4] een grote keten in zijn hand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v1)

**2** [^openbaring-20-2-b] En hij greep[^openbaring-20-2-5] de draak, de oude slang, die is de duivel en satan, en bond hem duizend jaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v2)

**3** En wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin, en[^openbaring-20-3-6] verzegelde die boven hem,[^openbaring-20-3-c] opdat hij[^openbaring-20-3-7] de volken niet meer verleiden zou,[^openbaring-20-3-8] voordat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En[^openbaring-20-3-9] daarna moet hij[^openbaring-20-3-10] een kleine tijd ontbonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v3)

**4** [^openbaring-20-4-11] En ik zag tronen, en zij zaten daarop;[^openbaring-20-4-d] en het oordeel werd hun gegeven; en[^openbaring-20-4-e] ik zag de zielen van degenen, die[^openbaring-20-4-12] onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die[^openbaring-20-4-f] het beest, en[^openbaring-20-4-g] zijn beeld niet aangebeden hadden, en die[^openbaring-20-4-h] het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij[^openbaring-20-4-i] leefden en heersten als koningen met Christus,[^openbaring-20-4-13] de duizend jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v4)

**5** Maar de[^openbaring-20-5-14] overigen van de[^openbaring-20-5-15] doden werden niet weer levend,[^openbaring-20-5-16] voordat de duizend jaren geëindigd waren.[^openbaring-20-5-17] Deze is de eerste opstanding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v5)

**6** Zalig en heilig is hij,[^openbaring-20-6-18] die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft[^openbaring-20-6-19] de tweede dood geen macht, maar zij zullen[^openbaring-20-6-20][^openbaring-20-6-k] priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v6)

**7** En wanneer de duizend jaren zullen[^openbaring-20-7-21] geëindigd zijn, zal de satan uit zijn[^openbaring-20-7-22] gevangenis ontbonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v7)

**8** En hij zal[^openbaring-20-8-23] uitgaan[^openbaring-20-8-24] om de volken te verleiden,[^openbaring-20-8-25] die in de vier hoeken van de aarde zijn,[^openbaring-20-8-l] de[^openbaring-20-8-26] Gog en de Magog, om hen[^openbaring-20-8-m] te verzamelen tot de oorlog;[^openbaring-20-8-27] waarvan het getal is als het zand aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v8)

**9** En zij zijn opgekomen op de breedte van de aarde, en omringden[^openbaring-20-9-28] de legerplaats van de heiligen, en de geliefde stad;[^openbaring-20-9-29] en er kwam vuur neer van God uit de hemel, en heeft hen verslonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v9)

**10** En de duivel, die hen verleidde,[^openbaring-20-10-n] werd geworpen[^openbaring-20-10-30] in de poel van het vuur en sulfer, waar[^openbaring-20-10-o] het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen[^openbaring-20-10-p] gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v10)

**11** [^openbaring-20-11-31] En ik zag een grote witte troon, en Degene, Die daarop zat, van Wiens[^openbaring-20-11-32] aangezicht de aarde en de hemel[^openbaring-20-11-33] wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v11)

**12** En ik zag de doden,[^openbaring-20-12-34] klein en groot,[^openbaring-20-12-35] staande voor God; en[^openbaring-20-12-36] de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend,[^openbaring-20-12-q] dat[^openbaring-20-12-37] van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was,[^openbaring-20-12-38][^openbaring-20-12-r] naar hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v12)

**13** En de zee gaf de doden, die in haar waren; en[^openbaring-20-13-39] de dood en[^openbaring-20-13-40] de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, ieder naar hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v13)

**14** En[^openbaring-20-14-41] de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is[^openbaring-20-14-42] de tweede dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v14)

**15** En zo iemand[^openbaring-20-15-43] niet gevonden werd geschreven in het boek van het leven, die werd geworpen in de poel van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/20.html#v15)

[^openbaring-20-1-1]: Kanttekening 1: En ik zag: Dit hoofdstuk is wat zwaar om te verstaan, en wordt door de uitleggers verschillend verklaard. Enige menen, dat wat hier verhaald wordt, nog alles moet gebeuren, en dat na de ondergang van de antichrist, waarvan in Openbaring 18 ,19 is gesproken; en dat dan de satan eerst zal gebonden worden, de Joden tot Christus bekeerd, en de rechte Kerk van Christus in groot aanzien, goeden vrede en welstand, over alle volken van de wereld zal heersen, en dat duizend jaren lang; in het begin van welke duizend jaren al de martelaars zouden opstaan uit de doden, en zich bij deze Kerk voegen, of in de hemel tot Christus opgenomen worden, totdat na de duizend jaren, de satan weer ontbonden zijnde, de overige ongelovige volken, die door Gog en Magog verstaan worden, hun nieuwen krijg zullen aandoen. Maar dat Christus dan komende tot het oordeel, Zijn Kerk ten volle zal verlossen, en de satan met al zijn dienaren in de poel van het vuur in eeuwigheid verwerpen. Dit gevoelen is zeer oud, ook onder vele oudervaders geweest, en wordt door enige leraars ook heden weer vernieuwd, omdat het schijnt, dat de letter van de tekst van Openbaring 20 het meebrengt. Maar, wanneer alles wel overwogen wordt, zo kan het met de gedurige zin van Gods Woord niet bestaan, om deze redenen: I. Omdat in Openbaring 19:19 , 19:20 , is aangewezen, en uit 2 Tessalonicenzen 2:8 ook bewezen, dat de antichrist en zijn rijk niet geheel zal teniet gedaan worden, dan in de laatste komst van Christus tot het oordeel. II. Omdat de bekering van de Joden geschied zijnde, volgens de voorzegging van Paulus, Romeinen 11 en 2 Korinthe 3:16 , nochtans nergens zulk een stand van de Kerk wordt beloofd, die zonder kruis, strijd en vervolging door de gehele wereld zou zijn, gelijk hiervoor Openbaring 19:11 , bewezen is. Want het blijkt altijd waar, wat Paulus zegt, 2 Timotheüs 3:12 ; Allen die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, zullen vervolgd worden, en in het bijzonder omtrent het einde van de wereld, waarvan Christus zegt, Lukas 18:8 : Maar de Zoon van de mensen als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op aarde? en wat Paulus zegt, 2 Timotheüs 3:1 : In de laatste dagen zullen zware tijden ontstaan. III. Omdat het strijdt tegen het artikel van de opstanding uit de doden, dat zo vele millioenen van martelaars, als er in de wereld zijn geweest, in het begin van deze duizend jaren alleen zouden opstaan, en in deze wereld zouden blijven leven, gelijk sommigen menen, of tot Christus in de hemel met hun lichamen alleen zouden opgenomen worden, gelijk anderen van hen gevoelen; daar de Schriftuur alom getuigt, dat al de doden te gelijk, en eerst ten laatsten dage, zullen opstaan. Zie hiervan Johannes 5:28 , en Johannes 6:44 , en Johannes 11:24 . Zie ook 1 Korinthe 15:52 ; 1 Tessalonicenzen 4:16 , en hierna in vers 12 , 20:13 . Om deze en dergelijke redenen, zo moet Openbaring 20 op een andere wijze verstaan worden, gelijk in de verklaring zal aangewezen worden. Openbaring 19:19 : En ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. 2 Thessalonicensen 2:8 : En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heer verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst; 2 Korinthiërs 3:16 : Maar zo wanneer het tot de Heer zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. Openbaring 19:11 : En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. 2 Timotheüs 3:12 : En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Lukas 18:8 : Ik zeg u, dat Hij hun haastig recht doen zal. Maar de Zoon van de mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? 2 Timotheüs 3:1 : En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Johannes 5:28 : Verwondert u daar niet over, want het uur komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; Johannes 6:44 : Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Johannes 11:24 : Martha zei tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage. 1 Korinthiërs 15:52 : In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 1 Thessalonicensen 4:16 : Want de Heer Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin Gods nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. Openbaring 20:13 : En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.
[^openbaring-20-1-2]: Kanttekening 2: een engel afkomen: Hierdoor wordt de engel Michaël, dat is, Christus zelf verstaan, gelijk in het begin van deze strijd tegen de draak \[die daar op de aarde wordt geworpen, en hier nu in de afgrond wordt gebonden\] op Openbaring 12:7 , ook is aangetekend. Zie daar de nadere verklaring. Openbaring 12:7 : En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
[^openbaring-20-1-a]: Verwijzing a: Openbaring 1:18 . Openbaring 1:18 : En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood.
[^openbaring-20-1-3]: Kanttekening 3: de sleutel van de afgrond: Dat is, de macht om de afgrond te openen en te sluiten, die Christus ook bijzonder wordt toegeschreven, Openbaring 1:18 , als een opperste Heer van deze sleutel; welke Openbaring 9:1 de antichrist ook wel zich toeëigent, maar door Gods rechtvaardig oordeel, die een kracht van de dwaling heeft gezonden over de ongehoorzame mensen; 2 Tessalonicenzen 2:10 , 2:11 . Openbaring 1:18 : En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood. Openbaring 9:1 : En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond. 2 Thessalonicensen 2:10 : En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 2 Thessalonicensen 2:11 : En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
[^openbaring-20-1-4]: Kanttekening 4: een grote keten: Hierdoor wordt de kracht van de dood van Christus verstaan, waardoor de satan al zijn macht is benomen, Kolossenzen 2:15 : Hebreeën 2:14 , en ook de kracht van Christus' Geest en Woord, waardoor de satan als handen en voeten worden gebonden, dat hij de uitverkorenen niet kan beschadigen. Zie Lukas 11:22 ; Efeze 1:21 , 1:22 , en ook zelfs niet de andere mensen, verder dan hem de keten van Gods voorzienigheid en oordelen over de mensen toelaat, gelijk het voorbeeld van Achab, 1 Koningen 11 , en andere plaatsen getuigen. Kolossensen 2:15 : En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; Lukas 11:22 : Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit. Efeziërs 1:21 : Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; Efeziërs 1:22 : En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem van de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;
[^openbaring-20-2-b]: Verwijzing b: 2 Petrus 2:4 ; Openbaring 12:9 . 2 Petrus 2:4 : Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^openbaring-20-2-5]: Kanttekening 5: de draak: Van deze naam en andere volgende titels van de satan, zie Openbaring 12:3 , 12:9 ; en van enige wordt Openbaring 20 met Openbaring 12 niet ongeschikt gevoegd en vergeleken. Want zo daar de strijd van de draak tegen Christus en Zijn Kerk is beschreven, en tussenbeide in enige hoofdstukken de gehele geschiedenis van de antichrist en zijn ondergang is verhaald, zo komt de Heilige Geest nu weer in dit twintigste hoofdstuk, en verhaalt in het kort de gehele uitkomst van de strijd van de draak zelf tegen Christus en Zijn Kerk, ook gedurende de tijd van de antichrist, totdat hij in denzelfden poel van het vuur voor altijd met de antichrist is geworpen. Openbaring 12:3 : En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. Openbaring 12:9 : En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
[^openbaring-20-3-6]: Kanttekening 6: verzegelde die : Namelijk de deur van de afgrond, tot verzekering dat hij al die tijd daar zou moeten blijven. Zie dergelijke handelwijze Daniël 6:18 ; Matteüs 27:66 , in het exempel van de kuil van Daniël en Christus' graf. Daniël 6:18 : En er werd een steen gebracht, en op de mond van de kuil gelegd: en de koning verzegelde dezelfde met zijn ring, en met de ring van zijn geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden. Mattheüs 27:66 : En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, de steen verzegeld hebbende.
[^openbaring-20-3-c]: Verwijzing c: Openbaring 16:14 ; idem 16:16 ; Openbaring 20:8 . Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods. Openbaring 16:16 : En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
[^openbaring-20-3-7]: Kanttekening 7: de volken niet meer: Namelijk gelijk hij tevoren meest door de gehele wereld had gedaan, toen hij de heidenen tot zijn dienst had verleid, 1 Korinthe 10:20 . Anders duurt de macht van de satan altijd over de kinderen van de ongehoorzaamheid; 2 Korinthe 4:4 . 1 Korinthiërs 10:20 : Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de duivelen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de duivelen gemeenschap hebt. 2 Korinthiërs 4:4 : In dewelke de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is.
[^openbaring-20-3-8]: Kanttekening 8: totdat de duizend jaren: Enige nemen deze duizend jaren voor de hele tijd van de eerste komst van Christus tot zijn tweede, gelijk dit woord duizend een zeker getal voor een onzeker soms betekent in de Schrift. Zie Psalm 91:7 , en Psalm 105:8 ; Daniël 7:10 . Maar waar vers 7 , 20:8 de satan nog na deze duizend jaren wordt los gelaten, zo kan dit niet wel bestaan; gelijk ook niet het gevoelen van enige anderen, die duizend jaren willen eindigen voor de komst van de antichrist; daar in vers 4 ook binnen deze duizend jaren melding wordt gemaakt van enige, die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden, zo moet dan voor het einde van de duizend jaren ook de antichrist geweest zijn. Hierom beginnen anderen de binding van de satan, dat hij de volken niet meer verleidt, van de tijd dat Christus, door de prediking van het heilige Evangelie en kracht van Zijn Geest, door Zijne apostelen, de heidense volken in de wereld alom tot bekering heeft gebracht; dat omtrent de tijd van de verwoesting van Jeruzalem en uitroeiïng van de Joden, dat is omtrent het jaar zeventig, meest is volbracht; en eindigen die met Paus Gregorius VII, die een sterk werktuig van de duivel is geweest, om het antichristendom op het hoogste te brengen, en alle volken Hem te doen aanbidden, welke omtrent het jaar een duizend en zeventig heeft gezeten. Hoewel enige om de vervolgingen, die de satan nog meer dan twee honderd en vijftig jaren na de verwoesting van Jeruzalem tegen de christenen heeft verwekt, deze duizend jaren wat later beginnen, namelijk van de tijden van Constantijn, en vervolgens tot omtrent het jaar 1300, toen niet alleen de antichrist de staat van de christenen meer en meer heeft doen vervallen, wanneer Bonifasius VIII over dit rijk heeft geregeerd, maar ook de Turken en Tartaren door de satan meest zijn gaande gemaakt, om de christenvolken in Oost en West ten onder te brengen, en vele koninkrijken en christenkerken hebben uitgeroeid, niet alleen in Azië, maar ook in Afrika en Europa, gelijk hun tegenwoordige gestalte uitwijst. Psalmen 91:7 : Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken. Psalmen 105:8 : Hij gedenkt van Zijn verbond tot in eeuwigheid, van het woord, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten; Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Openbaring 20:7 : En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden. Openbaring 20:8 : En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; welker getal is als het zand aan de zee. Openbaring 20:4 : En ik zag tronen, en zij zaten op dezelfde; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
[^openbaring-20-3-9]: Kanttekening 9: daarna moet hij: Namelijk niet ten opzichte van Christus' macht alsof die Hem niet altijd kon gebonden houden, maar ten opzichte van Gods voorzienigheid, die Hem tot straf van de ondankbare wereld, daarna weer zou loslaten en meerdere vrijheid geven.
[^openbaring-20-3-10]: Kanttekening 10: een kleinen tijd: Dit kan verstaan worden, òf ten opzichte van de voorgaande duizend jaren en tijden van de wereld, òf van de toekomende staat van de Kerk van Christus in de hemel; waarvan in Openbaring 21 zal geprofeteerd worden, omdat ook zelfs de gehele tijd van Christus' eerste komst tot zijn laatste, de laatste dag en laatste ure in de Schrift wordt genoemd.
[^openbaring-20-4-11]: Kanttekening 11: En ik zag tronen: Sommigen nemen dit zitten op tronen, en geven van oordeel, voor de wederoprichting van Christus' rijk, zelfs ten tijde van de antichrist, waarvan meteen wordt gesproken; in welke tijd ook enige treffelijke mannen zijn opgestaan, die de leer van de antichrist hebben veroordeeld, en zich tegen zijn rijk en leer hebben gesteld; waarvan Openbaring 11 en Openbaring 14 ook is geprofeteerd. Maar anderen nemen dit hier wel zo geschikt van dezelfde personen, waarvan hier meteen wordt gesproken, namelijk die onthoofd zijn om het getuigenis van Christus, en die het beest niet hebben aangebeden; die na hun dood hier in tronen worden gezet en oordeel ontvangen, omdat zij met Christus in de hemel, naar hun zielen, hebben gezegevierd; niettegenstaande de aardse mensen en aanbidders van het beest hen voor ketters en verdoemde mensen hadden veroordeeld. Zie dergelijke beloften hiervoor Openbaring 3:21 , en Matteüs 19:28 . Openbaring 3:21 : Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. Mattheüs 19:28 : En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon van de mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.
[^openbaring-20-4-d]: Verwijzing d: Openbaring 6:10 . Openbaring 6:10 : En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?
[^openbaring-20-4-e]: Verwijzing e: Openbaring 6:9 . Openbaring 6:9 : En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden.
[^openbaring-20-4-12]: Kanttekening 12: onthoofd waren: Grieks met de bijl gedood.
[^openbaring-20-4-f]: Verwijzing f: Openbaring 13:12 . Openbaring 13:12 : En het oefent al de macht van het eerste beest, in aanwezigheid van hetzelfde, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.
[^openbaring-20-4-g]: Verwijzing g: Openbaring 13:15 . Openbaring 13:15 : En hetzelfde werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.
[^openbaring-20-4-h]: Verwijzing h: Openbaring 13:16 . Openbaring 13:16 : En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienaren, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;
[^openbaring-20-4-i]: Verwijzing i: Openbaring 6:11 . Openbaring 6:11 : En aan een iedereen werden lange witte kleren gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.
[^openbaring-20-4-13]: Kanttekening 13: de duizend jaren: Namelijk en altijd daarna. Want die in de hemel met Christus zetelt, wordt nimmermeer uitgeworpen. Zie hiervoor, Openbaring 3:12 . Openbaring 3:12 : Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.
[^openbaring-20-5-14]: Kanttekening 14: overigen van de doden: Dat is, die in hun zonden en bijgelovigheden dood waren; gelijk dit woord dood ook genomen wordt Matteüs 8:22 ; Johannes 5:25 ; 1 Timotheüs 5:6 . Mattheüs 8:22 : Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven. Johannes 5:25 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Het uur komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven. 1 Timotheüs 5:6 : Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.
[^openbaring-20-5-15]: Kanttekening 15: werden niet weer levend: Dat is, stonden uit hun zonden niet op of bekeerden zich niet; gelijk in dergelijke zaak gesproken wordt Openbaring 9:20 . Openbaring 9:20 : En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken van hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
[^openbaring-20-5-16]: Kanttekening 16: totdat de duizend jaren geëindigd waren: Dat is, zelfs niet al de tijd, dat de satan gebonden is geweest; veel min daarna als de satan weer was losgelaten. Zie dergelijke wijze van spreken 2 Samuël 6:23 ; Matteüs 1:25 . 2 Samuël 6:23 : Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot de dag van haar dood toe. Mattheüs 1:25 : En bekende haar niet, totdat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
[^openbaring-20-5-17]: Kanttekening 17: Deze is de eerste opstanding: Namelijk uit de dood van de zonde; gelijk de val in de zonde de eerste dood is, en het eerste sterven van de mensen naar de geest. Zie dergelijke wijze van spreken Johannes 5:25 ; Kolossenzen 3:1 ; Efeze 2:5 , en Efeze 5:14 . Johannes 5:25 : Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Het uur komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven. Kolossensen 3:1 : Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. Efeziërs 2:5 : Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade bent u zalig geworden), Efeziërs 5:14 : Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
[^openbaring-20-6-18]: Kanttekening 18: die deel heeft in: Dat is, die van de eerste opstanding deelachtig is; gelijk deze wijze van spreken ook genomen wordt Johannes 13:8 ; Handelingen 8:21 . Johannes 13:8 : Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet wasse, u hebt geen deel met Mij. Handelingen 8:21 : U hebt geen part noch deel in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.
[^openbaring-20-6-19]: Kanttekening 19: de tweede dood: Deze tweede dood is de eeuwige dood, gelijk vers 14 uitdrukkelijk wordt verklaard; en hieruit blijkt ook, dat deze opstanding geen lichamelijke opstanding is, maar een geestelijke; aangezien velen naar het lichaam ook zullen opstaan ten verderve. Zie Daniël 12:2 ; Johannes 5:29 . Openbaring 20:14 : En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood. Daniël 12:2 : En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. Johannes 5:29 : En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis.
[^openbaring-20-6-20]: Kanttekening 20: priesters van God: Zie hiervan, gelijk ook van het volgende woord koningen, de verklaring Openbaring 1:6 , en Openbaring 5:10 . Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10 : En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^openbaring-20-6-k]: Verwijzing k: Jesaja 61:6 ; 1 Petrus 2:9 ; Openbaring 1:6 ; Openbaring 5:10 . Jesaja 61:6 : Maar u zult priesters van YHWH heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; u zult het vermogen van de heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult u u roemen. 1 Petrus 2:9 : Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zoudt verkondigen de deugden Van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Openbaring 1:6 : En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. Openbaring 5:10 : En U hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.
[^openbaring-20-7-21]: Kanttekening 21: geëindigd zijn: Zie de aantekeningen hiervoren vers 3 . Openbaring 20:3 : En wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
[^openbaring-20-7-22]: Kanttekening 22: gevangenis ontbonden: Grieks bewaring.
[^openbaring-20-8-23]: Kanttekening 23: Namelijk uit de afgrond, waarin hij tevoren gebonden was, om zich te voegen bij de antichrist, aan wie hij tevoren zijne macht had overgegeven en een tijdlang de gemeente van Christus alleen had verdrukt.
[^openbaring-20-8-24]: Kanttekening 24: om de volken: Dit verstaan velen van de geestelijke verleiding, waardoor gehele volken meer en meer tot nieuwe afgoderij en heidens bijgeloof, hoewel onder enen anderen titel, zijn gebracht. Zie ook Openbaring 9:20 , enz. Openbaring 9:20 : En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken van hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;
[^openbaring-20-8-25]: Kanttekening 25: die in de vier hoeken van de aarde: Dat is, in de gehele wereld of in alle landen van de wereld. Want van deze verleiding zijn weinig of geen gehele volken in Oosten of Westen, ten tijde van de wederloslating van de satan, en enige tijd daarna, geheel vrij geweest.
[^openbaring-20-8-l]: Verwijzing l: Ezechiël 38:2 ; Ezechiël 39:1 . Ezechiël 38:2 : Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, Ezechiël 39:1 : Verder, u mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heer YHWH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!
[^openbaring-20-8-26]: Kanttekening 26: Gog en de Magog: Sommigen verstaan bij deze twee volken dezelfde volken, die in het voorgaande lid zijn genoemd. Maar het schijnt niet, dat al de volken op de vier hoeken van de aarde hier Gog en Magog genoemd kunnen worden, maar dat het alleen een deel van die volken van de aarde zijn, die behalve dat zij door de draak in zaken van de godsdienst zijn verleid tot hun verderf, ook door hem verleid en opgemaakt zijn tot een krijg, die in de tekst wordt verhaald. Welke nu deze Gog en Magog zijn, is verscheiden gevoelen. Maar met de zaak zelf en met de plaats Ezechiël 38 en Ezechiël 39 , waarop deze profetie ziet, komt best overeen het gevoelen dergenen die zeggen, dat gelijk God bij Ezechiël het volk van Israël dat Hij beloofd had uit Babylonië te verlossen, voorzegt wat zwarigheden hun daarna in het heilige land, door de omliggende heidenen van Azië, Syrië en Egypte, die bij Ezechiël Gog en Magog worden genoemd, zouden overkomen, eer Christus in het vlees zou geopenbaard worden, waaruit God hen wonderbaar zou verlossen, gelijk in het eerste en tweede boek van de Maccabeën is te lezen; dat zo ook na het einde van de duizend jaren, en loslating van de satan, voor de tweede komst van Christus, de Turken, Tartaren en Saracenen, die in de gewesten van Gog en Magog meest hun woonplaatsen hebben, met het overblijfsel van het antichristische rijk en christendom zouden bestrijden, en met zware oorlogen drukken, waaruit God hun wonderbaar zou verlossen, en die eindelijk ook door Christus' tweede komst zouden gedempt en nedergeslagen worden.
[^openbaring-20-8-m]: Verwijzing m: Openbaring 16:14 . Openbaring 16:14 : Want het zijn geesten van de duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen van de aarde en van de gehele wereld, om die te vergaderen tot de krijg van die grote dag van de almachtigen Gods.
[^openbaring-20-8-27]: Kanttekening 27: welker getal is: Zie hiervan breder Openbaring 9:16 , en vervolgens. Openbaring 9:16 : En het getal van de heirlegers van de ruiterij was tweemaal tien duizenden van de tien duizenden; en ik hoorde hun getal.
[^openbaring-20-9-28]: Kanttekening 28: de legerplaats van de: Zo wordt het christendom genoemd, omdat God zijn heiligen en getekenden daarin altijd heeft gehad, en tot het einde van de wereld zal hebben, al is er grote verdorvenheid in de godsdienst en zeden van velen geweest; gelijk het volk van Israël Gods volk doorgaans wordt genoemd, en de stad Jeruzalem de heilige stad, ook als zij in deze zeer waren verdorven. Zie Jesaja 1:3 , 1:21 ; Matteüs 4:5 ; Lukas 19:46 . Jesaja 1:3 : Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. Jesaja 1:21 : Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu moordenaars. Mattheüs 4:5 : Toen nam Hem de duivel mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne van de tempel; Lukas 19:46 : Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt.
[^openbaring-20-9-29]: Kanttekening 29: en er kwam vuur neder: Dit kan enigszins verstaan worden van veel buitengewone hulp, die God de christenen tegen de Turken en Tartaren heeft verleend, en gelijk te hopen is, nog verlenen zal, gelijk dergelijke wijze van spreken van Gog en Magog gebruikt wordt; Ezechiël 38:22 . Maar het kan ook verstaan worden van het laatste geweld van deze en dergelijke natiën, dat zij naast de antichrist nog doen zullen, om de christenheid geheel uit te roeien, voor de laatste dag, als Christus in Zijn laatste komst hen onverwacht op de hals zal komen, gelijk van het antichristische heirleger hiervoor Openbaring 19:20 geprofeteerd is. En dit wordt ook uit de volgende verzen bevestigd. Ezechiël 38:22 : En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-20-10-n]: Verwijzing n: Daniël 7:11 ; Openbaring 19:20 . Daniël 7:11 : Toen zag ik toe vanwege de stem van de grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-20-10-30]: Kanttekening 30: in de poel van het vuur en sulfers: Dat is, in de hel, om daar eeuwig te blijven. Zie ook Openbaring 19:20 ; Matteüs 25:41 ; 1 Korinthe 15:24 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. Mattheüs 25:41 : Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^openbaring-20-10-o]: Verwijzing o: Openbaring 19:20 . Openbaring 19:20 : En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.
[^openbaring-20-10-p]: Verwijzing p: Openbaring 14:10 . Openbaring 14:10 : Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.
[^openbaring-20-11-31]: Kanttekening 31: En ik zag een groten: Gelijk de vorige gezichten met de uiterste dag zijn geëindigd, zo eindigt ook dit gezicht daarin. Die hier gezien wordt is Christus, een rechter van de levenden en van de doden, die in de wolken Zijn rechterstoel zal oprichten, gelijk Hij zelf betuigt Matteüs 25:31 . Zie ook Handelingen 17:31 . Mattheüs 25:31 : En wanneer de Zoon van de mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. Handelingen 17:31 : Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
[^openbaring-20-11-32]: Kanttekening 32: aangezicht de: Dat is, majesteit en heerlijkheid.
[^openbaring-20-11-33]: Kanttekening 33: Zie dergelijke wijze van spreken Openbaring 6:14 , en Openbaring 16:20 ; waardoor de ondergang en verandering van hemel en aarde, die nu zijn, te kennen wordt gegeven; waarvan zie nadere en verscheidene verklaringen in de aantekeningen 2 Petrus 3:10 . Openbaring 6:14 : En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. Openbaring 16:20 : En alle eiland is gevlucht, en de bergen zijn niet gevonden. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
[^openbaring-20-12-34]: Kanttekening 34: klein en groot: Dat is, van alle soorten en staten; hoewel sommigen dit ook van ouderdom en voorkomen verstaan. Maar wat hier onvolmaakt is, zal dan volmaakt worden; 1 Korinthe 13:10 . 1 Korinthiërs 13:10 : Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden.
[^openbaring-20-12-35]: Kanttekening 35: staande voor God: Dat is, staande voor de troon of rechterstoel van Christus, 2 Korinthe 5:10 ; waaruit blijkt dat Christus ook de waarachtige God is. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^openbaring-20-12-36]: Kanttekening 36: de boeken werden: Namelijk van de alwetendheid en voorzienigheid Gods, waarin opgetekend staat al het doen en laten van de mensen. Zie dergelijke Daniël 7:10 ; Maleachi 3:16 ; en is een gelijkenis, genomen van het gericht van de mensen, en handelingen onder grote prinsen, waar notitie of kennis wordt gehouden van alles. Zie Esther 6:1 . Anderen verstaan het van de boeken van het geweten van een ieder; dat ook waar is, daar die zichzelf ook zal beschuldigen of ontschuldigen in die dag. Zie Romeinen 2:15 , 2:16 . Daniël 7:10 : Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. Maleachi 3:16 : Alsdan spreken, die YHWH vrezen, een ieder tot zijn naaste: YHWH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die YHWH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. Esther 6:1 : In denzelfden nacht was de slaap van de koning geweken, en hij zei, dat men het boek van de gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de aanwezigheid van de koning gelezen. Romeinen 2:15 : Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende). Romeinen 2:16 : In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.
[^openbaring-20-12-q]: Verwijzing q: Exodus 32:32 ; Psalm 69:29 ; Filippenzen 4:3 ; Openbaring 3:5 ; Openbaring 21:27 . Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Psalmen 69:29 : Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 3:5 : Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.
[^openbaring-20-12-37]: Kanttekening 37: van het leven is: Dat is, van de genadige verkiezing van God tot het eeuwige leven. Zie daarvan ook hiervoor Openbaring 3:5 , en Openbaring 13:8 , en Openbaring 17:8 . Openbaring 3:5 : Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld. Openbaring 17:8 : Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
[^openbaring-20-12-38]: Kanttekening 38: naar hun werken: Namelijk die zij in dit leven zullen gedaan hebben, hetzij goed of kwaad; gelijk Paulus daarbij voegt 2 Korinthe 5:10 ; zie daar de verklaring. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
[^openbaring-20-12-r]: Verwijzing r: Psalm 62:13 ; Jeremia 17:10 ; Jeremia 32:19 ; Matteüs 16:27 ; Romeinen 2:6 ; Romeinen 14:12 ; 2 Korinthe 5:10 ; Galaten 6:5 ; Openbaring 2:23 . Psalmen 62:13 : En de goedertierenheid, o Heer! is van U; want U zult een iedereen vergelden naar zijn werk. Jeremia 17:10 : Ik, YHWH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iedereen te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijn handelingen. Jeremia 32:19 : Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om een iedereen te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijn handelingen. Mattheüs 16:27 : Want de Zoon van de mensen zal komen in de heerlijkheid Zijn Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iedereen vergelden naar zijn doen. Romeinen 2:6 : Welke een iedereen vergelden zal naar zijn werken; Romeinen 14:12 : Zo dan een iedereen van ons zal voor zichzelven voor God rekenschap geven. 2 Korinthiërs 5:10 : Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iedereen wegdrage, wat door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Galaten 6:5 : Want een iedereen zal zijn eigen pak dragen. Openbaring 2:23 : En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven een iedereen naar uw werken.
[^openbaring-20-13-39]: Kanttekening 39: de dood en: Door het woord hel, wordt door velen verstaan het graf, en door het woord dood, alle andere plaatsen, waar de dode lichamen verstrooid zouden mogen zijn; gelijk het vuur, de lucht, de vogels en wreed gedierte vele lichamen hebben verslonden, die allen door Gods macht tevoorschijn gebracht zullen worden, waar zij ook zouden mogen zijn. Want, die alles uit niet heeft geschapen, zal ook gemakkelijk uit al de elementen van de wereld de lichamen bijeen kunnen vergaderen, die ooit in de wereld zijn geweest.
[^openbaring-20-13-40]: Kanttekening 40: de hel gaven de: Of het graf.
[^openbaring-20-14-41]: Kanttekening 41: de dood en de hel: Dit wordt òf van de duivel verstaan, die de macht van de dood had, Hebreeën 2:14 , òf onder een oneigenlijke wijze van spreken, voor al wat enigszins bedroefd, of pijnlijk is; dat uit de gehele wereld zal geweerd, en na die tijd nergens dan in de eeuwige poel van het vuur zal worden gevonden. Hebreeën 2:14 : Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou dengene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel;
[^openbaring-20-14-42]: Kanttekening 42: de tweede dood: Dat is, de eeuwige dood, zo genaamd, omdat Hij op de dood van de zonde, wanneer de mensen zich daarvan niet bekeren, noodwendig volgt.
[^openbaring-20-15-43]: Kanttekening 43: niet gevonden werd: Zie hiervoor vers 12 . Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.

### Openbaring 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/21.json)

*1 Johannes ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. 2 met het nieuwe Jeruzalem, versierd als de bruid van Christus. 3 Hij hoort een stem uit de hemel, waardoor God belooft dat hij hun God zal zijn, alle tranen van hun ogen zal afwissen en hun de erfenis van alles zal geven. 8 Maar dreigt dat de vreesachtigen en andere onboetvaardige zondaars hun deel zullen hebben in de poel van vuur. 9 Een van de engelen van de zeven schalen voert Johannes op een hoge berg en toont hem duidelijker de hele gestalte van het nieuwe Jeruzalem. 11 haar heerlijkheid, 12 haar muur met twaalf poorten, naar de namen van de kinderen van Israel. 14 haar twaalf fundamenten, naar de namen van de twaalf apostelen. 16 haar lengte en breedte. 18 haar materiaal van goud. 19 haar twaalf fundamenten, uit twaalf kostbare stenen. 21 haar poorten uit twaalf parels. 22 haar tempel, God zelf, en het Lam. 23 Gods heerlijkheid in plaats van zon en maan. 24 haar inwoners, alle zalige volken, zelfs ook de zalige koningen. 25 haar poorten altijd open. 27 Maar niemand die onreinheid doet komt daarin.*

**1** [^openbaring-21-1-a] En[^openbaring-21-1-1] ik zag[^openbaring-21-1-2] een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was[^openbaring-21-1-3] voorbijgegaan, en[^openbaring-21-1-4] de zee was niet meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v1)

**2** En ik, Johannes, zag[^openbaring-21-2-b] de heilige stad,[^openbaring-21-2-5] het nieuwe Jeruzalem,[^openbaring-21-2-6] neerdalend van God uit de hemel,[^openbaring-21-2-7] toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v2)

**3** En ik hoorde een luide stem uit de hemel, zeggende:[^openbaring-21-3-c] Zie,[^openbaring-21-3-8] de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen[^openbaring-21-3-9] en hun God zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v3)

**4** [^openbaring-21-4-d] En God zal[^openbaring-21-4-10] alle tranen van hun ogen afwissen; en[^openbaring-21-4-11] de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch hulpgeroep, noch[^openbaring-21-4-12] moeite zal meer zijn; want[^openbaring-21-4-13] de eerste dingen zijn weggegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v4)

**5** [^openbaring-21-5-e] En Die op de troon zat, zei: Zie,[^openbaring-21-5-f] Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn[^openbaring-21-5-g] waarachtig en getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v5)

**6** En Hij sprak tot mij:[^openbaring-21-6-h] Het is[^openbaring-21-6-14] gebeurd.[^openbaring-21-6-15][^openbaring-21-6-i] Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.[^openbaring-21-6-16][^openbaring-21-6-k] Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water van het leven voor niet.[^openbaring-21-6-17] [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v6)

**7** Die overwint, zal[^openbaring-21-7-18] alles beërven;[^openbaring-21-7-l] en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v7)

**8** Maar[^openbaring-21-8-19][^openbaring-21-8-m] de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en moordenaars, en ontuchtplegers, en[^openbaring-21-8-20] tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, is hun deel in de poel,[^openbaring-21-8-n] die daar brandt van vuur en sulfer; dat is[^openbaring-21-8-21] de tweede dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v8)

**9** En tot mij kwam[^openbaring-21-9-22] één van de zeven engelen,[^openbaring-21-9-o] die de zeven schalen hadden, die vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts,[^openbaring-21-9-23] ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v9)

**10** En hij voerde mij weg[^openbaring-21-10-24][^openbaring-21-10-p] in de geest op een grote en[^openbaring-21-10-25] hoge berg, en hij toonde mij[^openbaring-21-10-q] de grote stad, het heilige Jeruzalem,[^openbaring-21-10-26] neerdalend uit de hemel van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v10)

**11** [^openbaring-21-11-27] En zij had de heerlijkheid van God, en haar[^openbaring-21-11-28] licht was de allerkostelijkste steen gelijk, namelijk als de steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v11)

**12** En zij[^openbaring-21-12-29] had een grote en hoge muur, en had[^openbaring-21-12-30] twaalf poorten, en in de poorten[^openbaring-21-12-31] twaalf engelen, en namen daarop geschreven, die zijn de namen van[^openbaring-21-12-32] de twaalf geslachten van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v12)

**13** [^openbaring-21-13-33] Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v13)

**14** [^openbaring-21-14-r] En de muur van de stad[^openbaring-21-14-34] had twaalf fundamenten, en daarin[^openbaring-21-14-35] de namen van de twaalf apostelen van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v14)

**15** En hij die met mij sprak,[^openbaring-21-15-s] had[^openbaring-21-15-36] een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v15)

**16** En de stad[^openbaring-21-16-37] lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok op[^openbaring-21-16-38] twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte daarvan waren even gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v16)

**17** En hij mat[^openbaring-21-17-39] haar muur op honderd vier en veertig[^openbaring-21-17-40] ellen,[^openbaring-21-17-41] naar de maat van een mens, die van de engel was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v17)

**18** En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde[^openbaring-21-18-42] zuiver glas gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v18)

**19** En[^openbaring-21-19-43] de fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fundament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v19)

**20** Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v20)

**21** En[^openbaring-21-21-44] de twaalf poorten waren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een paarl; en[^openbaring-21-21-45] de straat van de stad was zuiver goud; gelijk glorierijk glas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v21)

**22** En ik zag[^openbaring-21-22-46] geen tempel daarin; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en[^openbaring-21-22-47] het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v22)

**23** [^openbaring-21-23-t] En de stad[^openbaring-21-23-48] behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht,[^openbaring-21-23-v] en het Lam is haar Kaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v23)

**24** [^openbaring-21-24-x] En de volken, die zalig worden, zullen[^openbaring-21-24-49] in haar licht wandelen; en[^openbaring-21-24-50] de koningen van de aarde[^openbaring-21-24-51] brengen hun heerlijkheid en eer daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v24)

**25** [^openbaring-21-25-52][^openbaring-21-25-y] En haar poorten zullen niet gesloten worden overdag;[^openbaring-21-25-z] want daar zal geen nacht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v25)

**26** En zij zullen de heerlijkheid en de[^openbaring-21-26-53] eer van de volken daarin brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v26)

**27** En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid[^openbaring-21-27-54] doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn[^openbaring-21-27-a] in[^openbaring-21-27-55] het boek van het leven van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/21.html#v27)

[^openbaring-21-1-a]: Verwijzing a: Jesaja 65:17 ; Jesaja 66:22 ; 2 Petrus 3:13 . Jesaja 65:17 : Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Jesaja 66:22 : Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt YHWH, zo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan. 2 Petrus 3:13 : Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
[^openbaring-21-1-1]: Kanttekening 1: ik zag een: Namelijk daarna, als het uiterste oordeel was gehouden; waarvan in het einde van Openbaring 20 is gesproken.
[^openbaring-21-1-2]: Kanttekening 2: nieuwen hemel: Dat is, een vernieuwden hemel en aarde, gelijk breder is aangetekend 2 Petrus 3:10 . Sommige uitleggers verstaan dit ook van de nieuwe gestalte van de Kerk van Christus in deze wereld, na de bekering van de Joden, waarvan in Openbaring 20 breder is gesproken. Maar dit gevoelen is daar weerlegd, en dat hier van de triomferende Kerk van Jezus Christus in de hemel wordt gesproken en van haar stand naar het uiterste oordeel, zal uit de gehele verklaring genoeg blijken, in het bijzonder uit vers 4 , 21:22 en volgende, die op de stand van de Kerk van Christus in deze wereld niet kunnen toegepast worden; gelijk ook meest al de rechtzinnige uitleggers het zo verklaren. 2 Petrus 3:10 : Maar de dag van de Heer zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. Openbaring 21:4 : En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. Openbaring 21:22 : En ik zag geen tempel in dezelfde; want de Heer, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.
[^openbaring-21-1-3]: Kanttekening 3: Namelijk ten opzichte van hun tegenwoordigen stand, en voor zoveel zij de mensen dient, die hier een natuurlijk leven leiden, en ten opzichte van de ijdelheid, die zij om de zonde van de mensen is onderworpen. Zie Romeinen 8:19 , enz. Romeinen 8:19 : Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring van de kinderen van God.
[^openbaring-21-1-4]: Kanttekening 4: de zee was niet: Enige menen hieruit, dat de zee door het vuur zal verteerd en uitgedroogd worden; zodat daarvan geen gebruik meer zal zijn. Maar dat de hemel en de aarde, vernieuwd en verheerlijkt zijnde, een algemene woonplaats van de heilige engelen en zalige mensen altijd zal blijven, gelijk ook nu de engelen soms op de aarde verschijnen, hoewel de hemel hun eigen woonplaats is; maar dit gevoelen is onzeker.
[^openbaring-21-2-b]: Verwijzing b: Openbaring 3:12 ; Openbaring 21:10 . Openbaring 3:12 : Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van de nieuwen Jeruzalems, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam. Openbaring 21:10 : En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God.
[^openbaring-21-2-5]: Kanttekening 5: het nieuwe Jeruzalem: Hoewel de gemeente van Christus in het algemeen ook soms aldus genoemd wordt, gelijk te zien is Galaten 4:26 ; Hebreeën 12:22 , omdat Jeruzalem daarvan een figuur en voorbeeld was, zo wordt hier nochtans de triomferende Kerk van Christus, en de plaats van haar woning zo genaamd, omdat dan in haar zal volmaakt worden, wat in deze wereld aan haar was begonnen. Zie Psalm 132:14 . Galaten 4:26 : Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is de moeder van ons allen. Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Psalmen 132:14 : Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
[^openbaring-21-2-6]: Kanttekening 6: Niet dat de woonplaats van de zalige gelovigen hiernamaals buiten de hemel zal zijn, want het tegendeel wordt betuigd Johannes 14:2 , 14:3 ; Filippenzen 3:20 ; 1 Tessalonicenzen 4:17 . Maar dit wordt gezegd ten opzichte van het voorbeeld, of van het gezicht dat Johannes daarvan heeft gezien, en ten opzichte van de kracht, waardoor dit alles is teweeggebracht. Zie Hebreeën 11:10 , en Openbaring 3:12 . Johannes 14:2 : In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. Johannes 14:3 : En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben. Filippensen 3:20 : Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heer Jezus Christus; 1 Thessalonicensen 4:17 : Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heer tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer wezen. Hebreeën 11:10 : Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Openbaring 3:12 : Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods, en de naam van de stad Mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.
[^openbaring-21-2-7]: Kanttekening 7: toebereid als: Namelijk gelijk in Openbaring 19:7 gezegd is, dat zij als een bruid zich toebereidde, namelijk tegen Christus' komst; zo wordt hier gezegd, dat zij reeds toebereid was, dat is, ten volle versierd en verheerlijkt, om met Christus haar bruidegom eeuwig verenigd te blijven. Zie Efeze 5:27 . Openbaring 19:7 : Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. Efeziërs 5:27 : Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.
[^openbaring-21-3-c]: Verwijzing c: Ezechiël 43:7 . Ezechiël 43:7 : En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hun koningen, op hun hoogten;
[^openbaring-21-3-8]: Kanttekening 8: de tabernakel van God: Dat is, de woning van God; namelijk niet alleen met Zijn genade en Geest, gelijk hier op aarde in Zijn gemeente ook geschiedt, Johannes 14:23 ; 2 Korinthe 6:16 ; maar ook met Zijn volkomen heerlijkheid en vreugde, als Hij zal zijn alles in allen, 1 Korinthe 15:28 ; een figuurlijke wijze van spreken, genomen uit het voorbeeld van het tabernakel in het Oude Testament. Zie Leviticus 26:11 . Johannes 14:23 : Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 2 Korinthiërs 6:16 : Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. 1 Korinthiërs 15:28 : En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden aan Hem, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. Leviticus 26:11 : En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.
[^openbaring-21-3-9]: Kanttekening 9: hun God zijn: Namelijk die hen van alle kwaad zal vrij maken en met alle goed, naar ziel en lichaam, zal doen overvloeien. Zie 1 Korinthe 2:9 , en 1 Korinthe 13:12 , en 1 Korinthe 15:43 ; 2 Korinthe 3:18 ; Filippenzen 3:21 . 1 Korinthiërs 2:9 : Maar gelijk geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben. 1 Korinthiërs 13:12 : Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben. 1 Korinthiërs 15:43 : Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 2 Korinthiërs 3:18 : En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heer. Filippensen 3:21 : Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.
[^openbaring-21-4-d]: Verwijzing d: Jesaja 25:8 ; Openbaring 7:17 . Jesaja 25:8 : Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Openbaring 7:17 : Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
[^openbaring-21-4-10]: Kanttekening 10: alle tranen van: Zie Jesaja 25:8 , en hiervoor Openbaring 7:17 . Jesaja 25:8 : Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heer YHWH zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid van Zijn volk van de gehele aarde wegnemen; want YHWH heeft het gesproken. Openbaring 7:17 : Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
[^openbaring-21-4-11]: Kanttekening 11: de dood zal: Namelijk onder degenen die in dit hemels Jeruzalem wonen. Anders blijft de dood altijd in de poel van het vuur, waarin hij hiervoor Openbaring 20:14 geworpen is. Openbaring 20:14 : En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood.
[^openbaring-21-4-12]: Kanttekening 12: moeite zal meer: Of arbeid.
[^openbaring-21-4-13]: Kanttekening 13: de eerste dingen: Namelijk van kruis en lijden van de gelovigen, en van alle andere ellendigheden en moeiten van het tegenwoordige leven.
[^openbaring-21-5-e]: Verwijzing e: Openbaring 4:2 ; Openbaring 20:11 . Openbaring 4:2 : En meteen werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. Openbaring 20:11 : En ik zag een grote witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.
[^openbaring-21-5-f]: Verwijzing f: Jesaja 43:19 ; 2 Korinthe 5:17 . Jesaja 43:19 : Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. 2 Korinthiërs 5:17 : Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.
[^openbaring-21-5-g]: Verwijzing g: Openbaring 19:9 . Openbaring 19:9 : En hij zei tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden van God.
[^openbaring-21-6-h]: Verwijzing h: Openbaring 16:17 . Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied.
[^openbaring-21-6-14]: Kanttekening 14: Of, geweest, gedaan; dat is, alles volbracht, wat voorzegd was door de profeten in het Oude, en door de apostelen in het Nieuwe Testament. Zie Openbaring 16:17 . Openbaring 16:17 : En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied.
[^openbaring-21-6-15]: Kanttekening 15: Ik ben de Alfa: Zie hiervoor Openbaring 1:8 . Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.
[^openbaring-21-6-i]: Verwijzing i: Jesaja 41:4 ; Jesaja 44:6 ; Openbaring 1:8 ; Openbaring 22:13 . Jesaja 41:4 : Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, YHWH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. Jesaja 44:6 : Zo zegt YHWH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, YHWH van de heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God. Openbaring 1:8 : Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. Openbaring 22:13 : Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
[^openbaring-21-6-16]: Kanttekening 16: Ik zal de dorstige: Deze plaats heeft Johannes genomen uit de woorden van Christus in Zijn Evangelie Johannes 7:37 ; zie daar. Johannes 7:37 : En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
[^openbaring-21-6-k]: Verwijzing k: Jesaja 55:1 . Jesaja 55:1 : O alle u dorstigen! komt tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!
[^openbaring-21-6-17]: Kanttekening 17: voor niet: Dat is uit genade, zonder enige van hun verdiensten; Efeze 2:8 . Efeziërs 2:8 : Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
[^openbaring-21-7-18]: Kanttekening 18: alles beërven: Dat is, de volheid van alle geestelijke en eeuwige goederen, naar ziel en lichaam. Zie Romeinen 8:17 , 8:29 ; 1 Johannes 3:2 . Romeinen 8:17 : En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. 1 Johannes 3:2 : Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
[^openbaring-21-7-l]: Verwijzing l: Zacharia 8:8 ; Hebreeën 8:10 . Zacharia 8:8 : En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid. Hebreeën 8:10 : Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
[^openbaring-21-8-19]: Kanttekening 19: de vreesachtigen: Deze worden hier gesteld tegen degenen waarvan in vers 7 is gezegd, dat zij overwinnen, namelijk kloekmoedig en standvastig alle zwarigheden, die hun om de belijdenis van het Evangelie overkomen; zie Romeinen 8:37 . Deze vreesachtigen dan zijn die in de tijd van de vervolging en verdrukking uit vrees afwijken; Matteüs 13:21 . Openbaring 21:7 : Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. Romeinen 8:37 : Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. Mattheüs 13:21 : Maar hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, vanwege het Woord, zo wordt hij meteen geërgerd.
[^openbaring-21-8-m]: Verwijzing m: Openbaring 22:15 . Openbaring 22:15 : Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een iedereen, die de leugen liefheeft, en doet.
[^openbaring-21-8-20]: Kanttekening 20: Of venijngevers.
[^openbaring-21-8-n]: Verwijzing n: Openbaring 20:14 ; idem v. 15 . Openbaring 20:14 : En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood. Openbaring 20:15 : En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek van het leven, die werd geworpen in de poel van het vuur.
[^openbaring-21-8-21]: Kanttekening 21: de tweede dood: Zie Openbaring 20:14 . Openbaring 20:14 : En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood.
[^openbaring-21-9-22]: Kanttekening 22: één van de zeven: Namelijk die Johannes hiervoor Openbaring 17:3 in de woestijn had gevoerd, en het oordeel van de grote hoer had getoond; welke hem nu de bruid van Christus en het hemelse Jeruzalem toont, als een einde van alle gezichten. Openbaring 17:3 : En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.
[^openbaring-21-9-o]: Verwijzing o: Openbaring 15:6 ; idem v. 7 . Openbaring 15:6 : En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. Openbaring 15:7 : En één van de vier dieren gaf de zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van de toorn van God, Die in alle eeuwigheid leeft.
[^openbaring-21-9-23]: Kanttekening 23: ik zal u tonen: Dat is, de verheerlijkte gemeente van Christus met haar woonplaats. Zie hiervoor Openbaring 19:7 , waaruit blijkt, dat in dit gezicht niet alleen de heerlijkheid van de plaats wordt getoond, waar de uitverkorenen altijd met Christus zich zullen verblijden; maar ook vooral de heerlijkheid van de gemeente van Christus zelf, met haar eigenschappen, gelijk zij hiernamaals in de hemel zal zijn. Openbaring 19:7 : Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid.
[^openbaring-21-10-24]: Kanttekening 24: in de geest: Dat is, in een vertrekking van zinnen, of in een gezicht. Zie Openbaring 1:10 . Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
[^openbaring-21-10-p]: Verwijzing p: Openbaring 1:10 . Openbaring 1:10 : En ik was in de geest op de dag van de Heer; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,
[^openbaring-21-10-25]: Kanttekening 25: hoge berg: Namelijk om vandaar dit hemelse Jeruzalem met al zijn gelegenheid te beter te kunnen zien; gelijk van het opperste van de berg Sion de stad Jeruzalem, die een voorbeeld hiervan was, allergeschiktst kon gezien worden; Psalm 24:3 , en Jesaja 2:2 , enz. Psalmen 24:3 : Wie zal klimmen op de berg van YHWH, en wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid? Jesaja 2:2 : En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van YHWH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien.
[^openbaring-21-10-q]: Verwijzing q: Hebreeën 12:22 ; Openbaring 21:2 . Hebreeën 12:22 : Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^openbaring-21-10-26]: Kanttekening 26: nederdalende uit: Zie hiervoor de aantekeningen op vers 2 . Openbaring 21:2 : En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
[^openbaring-21-11-27]: Kanttekening 27: En zij had de: Namelijk die haar overscheen en verheerlijkt, gelijk God zelf wordt gezegd een ontoegankelijk licht te bezitten; 1 Timotheüs 6:16 . 1 Timotheüs 6:16 : Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.
[^openbaring-21-11-28]: Kanttekening 28: Of glans.
[^openbaring-21-12-29]: Kanttekening 29: had een groten: Hierdoor wordt de onverwinnelijke vastheid en zekerheid van de verheerlijkte gemeente van God in de hemel betekend, die door Zijn almachtigheid als een vaste muur rondom deze is en altijd zal blijven. Zie Zacharia 2:5 ; Matteüs 16:18 . Zacharia 2:5 : En Ik zal haar wezen, spreekt YHWH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Mattheüs 16:18 : En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen.
[^openbaring-21-12-30]: Kanttekening 30: twaalf poorten: Namelijk aan elke zijde drie poorten, gelijk in het volgende wordt verklaard. Waardoor te kennen gegeven wordt, dat alle gelovigen uit alle gewesten van de wereld tot deze stad toegang zullen hebben; gelijk Christus ook spreekt Matteüs 8:11 . Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^openbaring-21-12-31]: Kanttekening 31: twaalf engelen: Namelijk tot trouwe wachters, dat in deze stad niet zou uit- of ingaan, dan wat rein was, en daar behoorde; gelijk hierna verklaard wordt in vers 27 , en gelijk van de ingang van het paradijs ook verhaald wordt; Genesis 3:24 . Openbaring 21:27 : En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam. Genesis 3:24 : En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van het hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven.
[^openbaring-21-12-32]: Kanttekening 32: geslachten van de: Of stammen; namelijk van het ware Israël Gods, uit alle geslachten van de aarde uitverkoren, en bijeengebracht. Zie Romeinen 11:26 , en hiervoor, Openbaring 7:4 . Romeinen 11:26 : En zo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. Openbaring 7:4 : En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen van Israël.
[^openbaring-21-13-33]: Kanttekening 33: Van het oosten: Dit ziet niet op het uiterlijke Jeruzalem, dat op de ene zijde geen poorten had, daar die op een steilte lag; maar òf op het Jeruzalem van het Nieuwe Testament, dat Ezechiël ook zo heeft gezien, maar in mindere grootte, Ezechiël 48:31 ; òf ook op het leger van de Israëlieten in de woestijn, dat vierkantig lag, en voor elke stam een poort had. Zie Numeri 2:2 , enz. Ezechiël 48:31 : En de poorten van de stad zullen zijn naar de namen van de stammen van Israël; drie poorten noordwaarts; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi. Numeri 2:2 : De kinderen van Israël zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaderen; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren.
[^openbaring-21-14-r]: Verwijzing r: Efeze 2:20 . Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^openbaring-21-14-34]: Kanttekening 34: twaalf fondamenten: Namelijk van kostelijke stenen op of naast elkaar bekwamelijk gevoegd, gelijk vers 19 , 21:20 wordt verklaard. Waardoor te kennen gegeven wordt de leer van de twaalf apostelen, welker uiterste hoeksteen is Christus Jezus, waarop deze gemeente van Christus hier is gebouwd en in eeuwigheid gebouwd zal blijven; gelijk Paulus getuigt Efeze 2:20 . Openbaring 21:19 : En de fondamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd. Openbaring 21:20 : Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. Efeziërs 2:20 : Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;
[^openbaring-21-14-35]: Kanttekening 35: de namen van de twaalf: Een gelijkenis, zo het schijnt, genomen van het doen van de werkmeesters aan grote gebouwen, die tot een zekere gedachtenis hun namen op de fundamentstenen plegen te graveren of te houwen. Zo wordt hier ook van de twaalf apostelen gesproken, omdat zij allen aan deze stad hebben gebouwd, en geen ander fundament hebben gelegd dan Jezus Christus; maar in verscheidene mate en luister, gelijk deze kostelijke stenen van verscheiden luister zijn, en gelijk Paulus ook van zichzelf en anderen spreekt; 1 Korinthe 3:10 , 3:11 . 1 Korinthiërs 3:10 : Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe. 1 Korinthiërs 3:11 : Want niemand kan een ander fondament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus.
[^openbaring-21-15-s]: Verwijzing s: Zacharia 2:1 ; Ezechiël 40:3 . Zacharia 2:1 : Opnieuw hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer. Ezechiël 40:3 : Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^openbaring-21-15-36]: Kanttekening 36: een gouden rietstok: Dit ziet op Ezechiël 40:3 , waar dergelijke afmeting van het nieuwe Jeruzalem en de tempel geschiedt, om te tonen dat hier alles naar Gods ordinantie en schikking zal toegaan. Ezechiël 40:3 : Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.
[^openbaring-21-16-37]: Kanttekening 37: lag vierkant: Grieks ligt vierhoekig. Dit wordt zo gezegd, omdat deze figuur de allervaste en onbewegelijkste is.
[^openbaring-21-16-38]: Kanttekening 38: twaalf duizend stadiën: Daar acht stadiën een Italiaanse mijl maken, en drie Italiaanse mijlen een uur gaans, zo beloopt de grootte van deze muur in het rond vijfhonderd van onze mijlen of uren gaans. Waardoor te kennen gegeven wordt, dat de gemeente van Christus in de hemel zeer groot zal zijn; en nochtans zo dat haar eigen woonplaats, als een hemels paradijs, van andere plaatsen zal afgezonderd zijn en blijven.
[^openbaring-21-17-39]: Kanttekening 39: haar muur op: Dat is, de hoogte van de muur.
[^openbaring-21-17-40]: Kanttekening 40: Grieks cubiten; elke cubitus genomen voor anderhalven vierkanten voet, makende tezamen twee honderd en zestien vierkante voeten; een grote hoogte, rijzende uit twaalf maal twaalf met elkaar vermenigvuldigd, een vierkant getal, naar het getal van de twaalf apostelen, en van de twaalf geslachten Israëls hier genoemd. Waardoor niet alleen de vruchtbaarheid of vermenigvuldiging van de leden van Christus door de apostolische leer, maar ook de onbewegelijke vastheid en zekerheid van deze gemeente in de hemel wordt te kennen gegeven.
[^openbaring-21-17-41]: Kanttekening 41: naar de maat: Dat is, die de mens gewoon is te gebruiken, in wiens gedaante hier de engel Johannes is verschenen.
[^openbaring-21-18-42]: Kanttekening 42: zuiver glas gelijk: Het aardse goud is in zichzelf niet doorzichtig, maar alleen blinkende en zuiver, maar dit goud heeft bovendien de eigenschap van zuiver glas, en wordt gevoegd bij de Jaspis en andere kostelijke stenen, die de één na de ander hier worden genoemd, om daardoor te kennen te geven, dat al de delen van het hemelse Jeruzalem, van binnen en van buiten, en al haar inwoners elk het zuiverst, heerlijkst, heiligst en aangenaamst zullen zijn, voor God en onder elkaar, naar de mate van de gaven van Christus.
[^openbaring-21-19-43]: Kanttekening 43: de fondamenten: Namelijk waarop de muur gefundeerd was; waarvan zie hiervoor vers 14 . Openbaring 21:14 : En de muur van de stad had twaalf fondamenten, en in dezelfde de namen van de twaalf apostelen van het Lam.
[^openbaring-21-21-44]: Kanttekening 44: de twaalf poorten: Deze poorten worden naar het getal van de twaalf geslachten van Israël twaalf gesteld, gelijk vers 12 aangewezen is. En daardoor kunnen verstaan worden de menigte van alle getrouwe leraars en andere voorstanders van de gemeente, die als parels het gewone goud te boven gaan, en door wie als werktuigen Gods, naar het voorbeeld van de twaalf apostelen, de ware Israëlieten zo van het Oude als van het Nieuwe Testament, in de gemeenschap van de Kerk van Christus altijd zijn gekomen; zie 1 Korinthe 3:8 . Openbaring 21:12 : En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten van de kinderen van Israël. 1 Korinthiërs 3:8 : En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.
[^openbaring-21-21-45]: Kanttekening 45: de straat van de: Of de markt, het plein; waardoor gewoonlijk verstaan wordt, de plaats van de stad, waar de bijeenkomsten van de burgers, en ook het gericht gehouden wordt, welke hier ook van zuiver goud en doorzichtig als glas wordt gezegd, omdat alles vreedzaam, oprecht en zonder geschil onder de leden van deze gemeente zal toegaan.
[^openbaring-21-22-46]: Kanttekening 46: geen tempel: Namelijk geen uiterlijken tempel, of tempelgewaad, gelijk het uiterlijke Jeruzalem gehad had, ook met goud en kostelijke stenen versierd; want zulks diende tot een figuur van de toekomende goederen; of diende ook om de prediking van Gods Woord, de sacramenten en anderen uiterlijken godsdienst te plegen, dat dan alles zal ophouden, als zij allen van God alleen zullen geleerd zijn, Jeremia 31:34 , en Hijzelf alles in alles zal zijn; 1 Korinthe 13:10 , en 1 Korinthe 15:28 . Jeremia 31:34 : En zij zullen niet meer, een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder, leren, zeggende: Kent YHWH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt YHWH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken. 1 Korinthiërs 13:10 : Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 1 Korinthiërs 15:28 : En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden aan Hem, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
[^openbaring-21-22-47]: Kanttekening 47: het Lam: Dat is, Christus zelf, die als waarachtig God met de Vader en Heilige Geest de gemeente zal verheerlijken en alles in allen zijn.
[^openbaring-21-23-t]: Verwijzing t: Jesaja 60:19 ; Zacharia 14:7 . Jesaja 60:19 : De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Zacharia 14:7 : Maar het zal een enige dag zijn, die YHWH bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal gebeuren, ten tijde van de avond, dat het licht zal wezen.
[^openbaring-21-23-48]: Kanttekening 48: behoeft de zon: Namelijk om daardoor het onderscheid van dagen af te meten, omdat daar geen nacht zal zijn, maar een eeuwigdurend licht, gelijk vers 24 verklaart; noch ook om ons uitwendig te verlichten omdat Gods heerlijkheid en Zijn ontoegankelijk licht, dat Hij bewoont, alle andere lichten zal verduisteren; zie deze plaats Jesaja 60:19 , waar dergelijke wordt geprofeteerd, niet alleen van de tijden van het Nieuwe Testament, vergeleken met de tijden van het Oude Testament, maar in het bijzonder van de vervulling die hiernamaals zal gebeuren. Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelfde. Jesaja 60:19 : De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar YHWH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid.
[^openbaring-21-23-v]: Verwijzing v: Openbaring 22:5 . Openbaring 22:5 : En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^openbaring-21-24-x]: Verwijzing x: Jesaja 60:3 . Jesaja 60:3 : En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan.
[^openbaring-21-24-49]: Kanttekening 49: in haar licht: Dat is, van de heerlijkheid van de gehele gemeente ook deelachtig zijn, gelijk Christus zegt Matteüs 8:11 , dat zij met Abraham, Izaäk en Jakob zullen aanzitten in het koninkrijk van God. Mattheüs 8:11 : Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen;
[^openbaring-21-24-50]: Kanttekening 50: de koningen: Namelijk die gelovig zijn geworden. En deze woorden zijn ook genomen uit Jesaja 60:3 . Jesaja 60:3 : En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan.
[^openbaring-21-24-51]: Kanttekening 51: brengen hun: Niet dat deze koninklijke macht daar nog zal duren, want het tegendeel betuigt Paulus 1 Korinthe 15:24 ; maar dat zelfs de koningen, die hier in grote heerlijkheid zijn geweest, hun deel ook zullen hebben in de heerlijkheid van deze gemeente, in zulk een mate als God hun zal gelieven mee te delen. 1 Korinthiërs 15:24 : Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
[^openbaring-21-25-52]: Kanttekening 52: En haar poorten: Deze wijze van spreken is ook genomen uit Jesaja 60:11 , en geeft te kennen, dat alle uitverkorenen daar altijd toegang zullen hebben, en dat zij in zulk een vrede en gerustheid zullen zijn, dat zij geen vijanden meer hebben te vrezen, noch iets dat hen of het hunne kan beschadigen. Jesaja 60:11 : En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen van de dag of van de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.
[^openbaring-21-25-y]: Verwijzing y: Jesaja 60:11 . Jesaja 60:11 : En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen van de dag of van de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.
[^openbaring-21-25-z]: Verwijzing z: Openbaring 22:5 . Openbaring 22:5 : En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
[^openbaring-21-26-53]: Kanttekening 53: eer van de volken: Zie hiervoor vers 24 . Openbaring 21:24 : En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelfde.
[^openbaring-21-27-54]: Kanttekening 54: Of onreinheid bedrijft, gelijk Paulus ook verklaart, 1 Korinthe 6:9 . 1 Korinthiërs 6:9 : Of weet u niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven?
[^openbaring-21-27-a]: Verwijzing a: Exodus 32:32 ; Psalm 69:29 ; Filippenzen 4:3 ; Openbaring 3:5 ; Openbaring 20:12 . Exodus 32:32 : Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. Psalmen 69:29 : Laat hen uitgedelgd worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Filippensen 4:3 : En ik bid ook u, u mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. Openbaring 3:5 : Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Openbaring 20:12 : En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.
[^openbaring-21-27-55]: Kanttekening 55: het boek van de: Dat is, die van eeuwigheid uit genade daartoe zijn gekozen, en in de tijd daartoe krachtig zijn geroepen en gebracht. Zie Romeinen 8:29 , 8:30 , en Openbaring 13:8 . Romeinen 8:29 : Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. Romeinen 8:30 : En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. Openbaring 13:8 : En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelfde aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld.

### Openbaring 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/openbaring/22.json)

*1 De apostel wordt verder getoond een rivier van het water des levens, aan welks oever de boom des levens geplant was. 3 Enige andere eigenschappen van de inwoners van het nieuwe Jeruzalem worden beschreven. 6 Waarna het slot wordt gemaakt, met een betuiging van de waarheid en vastheid van deze visioenen en profetieën. 8 Johannes valt opnieuw neer voor de voeten van de engel en wordt andermaal daarover bestraft. 10 Waarna hij het bevel ontvangt dat hij de woorden van dit boek niet zal verzegelen, hoewel sommigen die zullen misbruiken tot hun zwaardere straf. 13 Christus verklaart dat hij de Alfa en de Omega is, en spreekt hen zalig die zijn geboden houden, en hen onzalig die gruwelen bedrijven. 16 En betuigt dat hij zijn engel gezonden heeft om deze Openbaring aan zijn gemeente te doen. 17 De Bruid van Christus verlangt naar zijn komst. 18 Waarna deze Openbaring wordt besloten met een dreiging tegen hen die hier iets aan toe of af zouden doen. 20 Christus betuigt opnieuw dat hij spoedig komen zal, en Johannes besluit zijn boek met de apostolische groet.*

**1** En hij toonde mij[^openbaring-22-1-1][^openbaring-22-1-a] een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende[^openbaring-22-1-2] uit de troon van God, en van het Lam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v1)

**2** In het midden van haar[^openbaring-22-2-3] straat en[^openbaring-22-2-4] op de ene en de andere zijde van de rivier was[^openbaring-22-2-5][^openbaring-22-2-b] de boom van het leven, voortbrengende[^openbaring-22-2-6] twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en[^openbaring-22-2-7] de bladeren van de boom waren tot genezing[^openbaring-22-2-8] van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v2)

**3** En[^openbaring-22-3-9] geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en[^openbaring-22-3-10] de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en[^openbaring-22-3-11] Zijn dienaren[^openbaring-22-3-12] zullen Hem dienen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v3)

**4** En zullen[^openbaring-22-4-13] Zijn aangezicht zien, en[^openbaring-22-4-14][^openbaring-22-4-c] Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v4)

**5** [^openbaring-22-5-d] En[^openbaring-22-5-15] daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heere God verlicht hen; en[^openbaring-22-5-16] zij zullen als koningen heersen[^openbaring-22-5-17] in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v5)

**6** [^openbaring-22-6-18] En hij zei tot mij:[^openbaring-22-6-19][^openbaring-22-6-e] Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere,[^openbaring-22-6-20] de God van de heilige profeten, heeft[^openbaring-22-6-21] Zijn engel gezonden,[^openbaring-22-6-f] om Zijn dienaren te tonen, wat[^openbaring-22-6-22] haast moet gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v6)

**7** Zie,[^openbaring-22-7-23] Ik kom haastig;[^openbaring-22-7-g] zalig is hij, die de woorden van de profetie van dit[^openbaring-22-7-24] boek bewaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v7)

**8** En[^openbaring-22-8-25] ik, Johannes, ben degene die deze dingen gezien en gehoord heeft. En toen ik ze gehoord en gezien had,[^openbaring-22-8-26] viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v8)

**9** En hij zei tot mij:[^openbaring-22-9-h] Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, van de profeten, en van degenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v9)

**10** En hij zei tot mij:[^openbaring-22-10-27][^openbaring-22-10-i] Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want[^openbaring-22-10-k] de tijd is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v10)

**11** [^openbaring-22-11-28] Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is,[^openbaring-22-11-29] dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v11)

**12** En zie,[^openbaring-22-12-30] Ik kom haastig; en Mijn loon is met Mij,[^openbaring-22-12-l] om ieder te vergelden,[^openbaring-22-12-31] zoals zijn werk zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v12)

**13** [^openbaring-22-13-m] Ik ben[^openbaring-22-13-32] de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde;[^openbaring-22-13-n] de Eerste en de Laatste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v13)

**14** Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat[^openbaring-22-14-33] hun macht zij aan de boom van het leven, en zij door de poorten mogen ingaan[^openbaring-22-14-34] in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v14)

**15** [^openbaring-22-15-o] Maar[^openbaring-22-15-35] buiten zullen zijn[^openbaring-22-15-36] de honden, en de[^openbaring-22-15-37] tovenaars, en de ontuchtplegers, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een ieder[^openbaring-22-15-38] die de leugen liefheeft, en doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v15)

**16** [^openbaring-22-16-p] Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om[^openbaring-22-16-39] u deze dingen te getuigen in de Gemeenten.[^openbaring-22-16-q] Ik ben[^openbaring-22-16-40] de Wortel en het geslacht van David,[^openbaring-22-16-41][^openbaring-22-16-r] de blinkende Morgenster. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v16)

**17** En[^openbaring-22-17-42] de Geest en[^openbaring-22-17-43] de Bruid zeggen: Kom. En[^openbaring-22-17-44] wie het hoort, zeg: Kom.[^openbaring-22-17-45][^openbaring-22-17-s] En wie dorst heeft, kome; en[^openbaring-22-17-46] wie wil,[^openbaring-22-17-47] neme het water van het[^openbaring-22-17-48] leven om niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v17)

**18** [^openbaring-22-18-49] Want ik betuig aan een ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v18)

**19** [^openbaring-22-19-t] En als iemand afdoet van de woorden van dit boek van deze profetie, God zal[^openbaring-22-19-50] zijn deel afdoen uit[^openbaring-22-19-v] het boek van het leven, en[^openbaring-22-19-51] uit de heilige stad, en uit wat in dit boek geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v19)

**20** [^openbaring-22-20-52] Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastig. Amen.[^openbaring-22-20-53] Ja, kom, Heere Jezus! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v20)

**21** [^openbaring-22-21-54] De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen.[^openbaring-22-21-55] Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/openbaring/22.html#v21)

[^openbaring-22-1-1]: Kanttekening 1: Dat wil zeggen: uit de heerlijke aanschouwing van het aangezicht van God en Jezus Christus (zie Psalm 16:11; 1 Korintiërs 13:12; 1 Tessalonicenzen 4:17).
[^openbaring-22-1-a]: Verwijzing a: Wat hier van deze rivier en de boom van het leven wordt verhaald, is genomen bij gelijkenis van het paradijs (Genesis 2:10-12), maar duidt op de volheid van de genade en heerlijkheid die de uitverkorenen in het eeuwige leven zullen genieten.
[^openbaring-22-1-2]: Kanttekening 2: Dat is, uit het heerlijk aanschouwen van het aangezicht van God en Jezus Christus. Zie Psalm 16:11. 1 Korinthe 13:12. 1 Tessalonicenzen 4:17. 1 Johannes 3:2.
[^openbaring-22-2-3]: Kanttekening 3: Of: plein, markt, zoals in hoofdstuk 21:21.
[^openbaring-22-2-4]: Kanttekening 4: Niet dat er meerdere bomen zijn gezien, want Christus is alleen deze boom van het leven; maar dat zijn wortels van onder de rivier reiken tot aan beide zijden.
[^openbaring-22-2-5]: Kanttekening 5: Dat wil zeggen: de levendmakende kracht van de verdiensten en Geest van Christus, die het gehele jaar door — dat wil zeggen: in eeuwigheid — vernieuwd en uitgedeeld worden.
[^openbaring-22-2-b]: Verwijzing b: Gr. het hout.
[^openbaring-22-2-6]: Kanttekening 6: Dit is ook genomen uit Ezechiël 47:12; niet dat in het eeuwige leven nog enige gebreken zullen zijn, maar dat de genade die hier in gedeelten wordt uitgedeeld, daar in volheid aanwezig is.
[^openbaring-22-2-7]: Kanttekening 7: Namelijk hen die zalig zijn geworden, zoals eerder in hoofdstuk 21:24-26 is gesproken.
[^openbaring-22-2-8]: Kanttekening 8: Namelijk die zalig geworden zijn, gelijk hier voren hoofdstuk 21:24, 26 is gesproken.
[^openbaring-22-3-9]: Kanttekening 9: Of: geen verbanning. Dat wil zeggen: niets dat de vloek verdient, zoals in hoofdstuk 21:27 'niets onreins' — want alle zonde, de oorzaak van de vloek, zal er weg zijn.
[^openbaring-22-3-10]: Kanttekening 10: Dat wil zeggen: de heerlijkheid van God en Jezus Christus, als waarachtig God en mens, zal die vervullen (zie hoofdstuk 21:22-23).
[^openbaring-22-3-11]: Kanttekening 11: Namelijk zowel engelen als zalige mensen (zie hoofdstuk 7:15).
[^openbaring-22-3-12]: Kanttekening 12: Dat wil zeggen: rondom zijn troon bereid staan om hem te loven en prijzen, en zijn bevelen te gehoorzamen.
[^openbaring-22-4-13]: Kanttekening 13: Dat wil zeggen: zijn majesteit en heerlijkheid aanschouwen en er deelgenoot van worden, zoals van de engelen wordt gezegd (Matteüs 18:10; 1 Johannes 3:2).
[^openbaring-22-4-14]: Kanttekening 14: Namelijk, als hem toe behoorende en eygen zijnde, en daar van openlijke belijdenis doende: Zoals ook de Hooge-priester in het Oude Testament op zijn voor hoofd een gouden plate droegh, daar op geschreven was De heiligheid van de Heern. Zie hier van nader verklaring op hoofdstuk 3:12. en 14:1.
[^openbaring-22-4-c]: Verwijzing c: Namelijk als hem toebehorend en eigen zijnde, en daarvan openlijke belijdenis doende; zoals ook de hogepriester Gods naam op zijn voorhoofd droeg (Exodus 28:38).
[^openbaring-22-5-d]: Verwijzing d: Zie hoofdstuk 21:23-25.
[^openbaring-22-5-15]: Kanttekening 15: Want hoewel alle gelovigen hier ook koningen en priesters zijn (Openbaring 1:6), zo zullen zij dit toch eerst volkomen als koningen zijn als Christus komt om te oordelen en zijn rijk te voltooien.
[^openbaring-22-5-16]: Kanttekening 16: Gr. in de eeuwigeden van de eeuwigeden.
[^openbaring-22-5-17]: Kanttekening 17: Gr. inde eeuwicheden van de eeuwicheden.
[^openbaring-22-6-18]: Kanttekening 18: Hier begint het besluit of het laatste deel van deze Openbaring.
[^openbaring-22-6-19]: Kanttekening 19: Dat wil zeggen: die de profeten de profetieën heeft geopenbaard en hen tot zijn volk heeft gezonden (2 Petrus 1:20-21).
[^openbaring-22-6-e]: Verwijzing e: Namelijk van deze gehele Openbaring, zoals verderop in de verzen 18 en 19 wordt verklaard; waardoor haar goddelijkheid wordt bevestigd.
[^openbaring-22-6-20]: Kanttekening 20: Dat wil zeggen: mij, die zijn engel ben.
[^openbaring-22-6-21]: Kanttekening 21: Zie hierover de aantekening op hoofdstuk 1:1.
[^openbaring-22-6-f]: Verwijzing f: Openbaring 1:1.
[^openbaring-22-6-22]: Kanttekening 22: Zie hier van de aanteeckening op hoofdstuk 1:1.
[^openbaring-22-7-23]: Kanttekening 23: Namelijk om ieder te vergelden naar zijn werken, zoals vers 12 uitdrukt. En deze woorden zijn van Christus, die zichzelf hier aanmeldt.
[^openbaring-22-7-g]: Verwijzing g: Dat wil zeggen: die er goed op let, en zichzelf wacht van wat daarin verboden wordt — namelijk van gemeenschap te hebben met de dienst van de antichrist en zijn aanhangers.
[^openbaring-22-7-24]: Kanttekening 24: Dat wil zeggen: daar op wel let, en hem zelf wacht van het gene daar in verboden wordt. Namelijk van gemeenschap te hebben met de Draek, en het Beest, en zijn aanhangers: en achtervolght het gene daar inne wordt geboden, en gepresen. Zie ook hoofdstuk 1:3.
[^openbaring-22-8-25]: Kanttekening 25: Zo bevestigt Johannes ook aan het einde zijn Evangelie (Johannes 19:35 en 21:24). En dit is ook een bevestiging van de waarachtigheid van de Openbaring.
[^openbaring-22-8-26]: Kanttekening 26: Zie hierover wat aangetekend is op hoofdstuk 19:10.
[^openbaring-22-9-h]: Verwijzing h: Handelingen 10:26. en 14:14. Openbaring 19:10.
[^openbaring-22-10-27]: Kanttekening 27: Dat wil zeggen: en sluit ze niet op, en houdt ze niet verborgen, maar openbaart ze voor allen: anders dan hier voren hoofdstuk 10:4. wordt bevolen, Zoals ook Daniël 8:26. en 12:4. De reden is, omdat het gene daar geopenbaard was, noch voor een tijd konde verborgen blijven, zonder nadeel van Gods Kerk, tot dat de vervullinghe die zou leeren verstaan. Maar hier niet, omdat de vervulling van sommige dingen terstont zou beginnen, Zoals het gene hoofdstuk 2 en 3 is geleert: en omdat de gemeente Christus van alle deze swarigheden, die haar zouden overkomen, terstont diende gewaarschouwt, opdat zij haar daar tegen in tijts mochten voorsien, en dat de leden van de zelf haar vande gemeynchap van de Antichrists zouden wachten, wanneer zij zijn opkomste zouden gewaar worden, waar van de verborgentheid doe reeds begon te werkken. 2.Tessalonicenzen 2:7.
[^openbaring-22-10-i]: Verwijzing i: Dat wil zeggen: sluit ze niet op, houd ze niet verborgen, maar maak ze aan allen bekend; anders dan eerder in hoofdstuk 10:4 is beschreven, waarheen hij Daniël 8:26 en 12:4 verwijst.
[^openbaring-22-10-k]: Verwijzing k: Openbaring 1:3.
[^openbaring-22-11-28]: Kanttekening 28: Hiermee wordt een tegenwerping voorkomen die op het vorige vers gemaakt zou kunnen worden. Namelijk dat sommigen deze Openbaring zouden kunnen misbruiken als aanleiding om te zondigen. Het antwoord is: de openbaring verandert de mensen niet, ieder zal zijn eigen weg gaan, maar het oordeel wacht.
[^openbaring-22-11-29]: Kanttekening 29: Dat wil zeggen: meer en meer zijn rechtvaardigheid tonen door de vruchten, zoals Jakobus 2:18-24 verklaart. Want de gelovige groeit steeds meer in de genade.
[^openbaring-22-12-30]: Kanttekening 30: Van hier af begint Christus zelf tot de apostel te spreken, tot het midden van vers 20, zoals alle omstandigheden van de tekst aanwijzen.
[^openbaring-22-12-l]: Verwijzing l: Namelijk hetzij goed of kwaad, zoals eerder meermalen is beloofd en gedreigd (2 Korintiërs 5:10).
[^openbaring-22-12-31]: Kanttekening 31: Namelijk, het zij goed of kwaad, gelijk hier voren meermaals is belooft en gedreigd. Zie 2 Korinthe 5. vers 10. waar door te kennen gegeven wordt, niet enige verdienste, maar een genadige belooning van de goede werkken, en eene rechtvaardige straf en vergelding van de quade. Zie Romeinen 6:23. Efeziërs 2:8, etc.
[^openbaring-22-13-m]: Verwijzing m: Zo spreekt Christus van zichzelf als de enige en eeuwige God met de Vader en de Heilige Geest, om zijn woord te bevestigen (Jesaja 41:4; 44:6; 48:12; Openbaring 1:8 en 21:6).
[^openbaring-22-13-32]: Kanttekening 32: Zo spreekt Christus van hem zelf, als de enige en eeuwige God met de Vader en de Heilige Geest, om zijn stantvasticheid en almachticheid in ’t uitvoeren van zijn beloften en dreigingen te kennen te geven. Zie hier van nader hoofdstuk 1:8. en 21:6.
[^openbaring-22-13-n]: Verwijzing n: Jesaja 41:4. en 44:6. en 48:12. Openbaring 1:8. en 21:6.
[^openbaring-22-14-33]: Kanttekening 33: Dat wil zeggen: recht, lot, deel om te genieten van de vruchten van de boom van het leven; waarover zie vers 2.
[^openbaring-22-14-34]: Kanttekening 34: Namelijk van het nieuwe en hemelse Jeruzalem, dat eerder is beschreven.
[^openbaring-22-15-o]: Verwijzing o: Namelijk buiten het hemelse Jeruzalem, in de poel van het vuur, waar zij door Gods rechtvaardig oordeel voor eeuwig zullen zijn.
[^openbaring-22-15-35]: Kanttekening 35: Dat wil zeggen: de razende vijanden en aanvallers van Christus en het evangelie, zoals Christus hen noemt in Matteüs 7:6; of: hen die een vuil en onkuis leven leiden.
[^openbaring-22-15-36]: Kanttekening 36: Of: vergifgevers; want beide betekent het Griekse woord.
[^openbaring-22-15-37]: Kanttekening 37: Namelijk hetzij tegen het derde, hetzij tegen het negende gebod; waarbij alle meinedigen, ontrouwen, dubbelhartigen en bedriegers worden begrepen.
[^openbaring-22-15-38]: Kanttekening 38: Namelijk het zij tegen het derde, of tegen het negende gebod: waar bij alle meyneedige, ontrouwe, dobbele mensen, en bedriegers van haar naasten verstaan worden.
[^openbaring-22-16-p]: Verwijzing p: Namelijk aan de engelen of herders en opzieners van de zeven gemeenten, en door u aan uw gemeenten, en verder aan alle andere gemeenten.
[^openbaring-22-16-39]: Kanttekening 39: Zie hierover hoofdstuk 5:5. En Christus wordt hier zo genoemd met betrekking tot zijn menselijke natuur, die van David afstamt (Jesaja 11:10; Romeinen 15:12).
[^openbaring-22-16-q]: Verwijzing q: Namelijk die alle andere sterren in licht overtreft. En Christus wordt hier zo genoemd, omdat hij het licht is van de wereld en van zijn gemeente (2 Petrus 1:19).
[^openbaring-22-16-40]: Kanttekening 40: Zie hier van hoofdstuk 5:5. En wordt Christus alhier zo genaamd, ten aansien van zijn menselijke natuur, die van David afkomstigh is. Mattheüs 1:1. Romeinen 1:3.
[^openbaring-22-16-41]: Kanttekening 41: Namelijk die alle andere sterren in licht te boven gaat. En wordt Christus alhier zo genaamd, omdat hij het licht is van de wereld: en door zijn kennis alles ter zaligheid verlicht. Zie Johannes 1:9. en 8:12. Selfs ook ten aansien van het hemelsche Jeruzalem, daar noch Sonne noch Mane zal zijn, maar de nacht deze eeuwe voor-bij zijnde, Christus met de Vader en Heilige Geest het volkomen licht zal zijn van alle uitverkorene, Zoals de Morghen-sterre is in de morgenstont. Zie hier voren hoofdstuk 2:28. en hoofdstuk 21. vers 23. 2 Petrus 1:19.
[^openbaring-22-16-r]: Verwijzing r: 2 Petrus 1:19.
[^openbaring-22-17-42]: Kanttekening 42: Dat wil zeggen: wekt in de harten van alle gelovigen dergelijke bewegingen en gebeden op, met onuitsprekelijk zuchten, zoals Paulus leert in Galaten 4:6 en Romeinen 8:26.
[^openbaring-22-17-43]: Kanttekening 43: Dat wil zeggen: de gehele gemeente van Christus, ook zelf die naar de ziel in de hemel triomfeert, verlangt naar deze laatste komst, om bij Christus te zijn.
[^openbaring-22-17-44]: Kanttekening 44: Namelijk met een gelovig hart.
[^openbaring-22-17-45]: Kanttekening 45: Namelijk door de genade van de Heilige Geest, die het willen en volbrengen in ons werkt (Filippenzen 2:13).
[^openbaring-22-17-s]: Verwijzing s: Dat wil zeggen: die met ernst en gevoel van zijn gebrekkelijkheid hier ernstig naar verlangt.
[^openbaring-22-17-46]: Kanttekening 46: Dat wil zeggen: deelachtig worde aan deze hemelse genade en vertroosting, naar de belofte eerder in hoofdstuk 21:6.
[^openbaring-22-17-47]: Kanttekening 47: Dat wil zeggen: uit genade, alleen door de kracht van de verdienste en voorspraak van Christus (Jesaja 55:1; Romeinen 3:24-25; Efeziërs 2:8).
[^openbaring-22-17-48]: Kanttekening 48: Dat wil zeggen: uit genade, alleen uit kracht van Christus verdienste en voorsprake. Zie Jesaja 55:1. Romeinen 3:24, 25. Efeziërs 2:8.
[^openbaring-22-18-49]: Kanttekening 49: Dit is de laatste bezegeling van de goddelijkheid van dit boek, gevoegd met een bedreiging van Christus tegen hen die er iets aan toedoen of afdoen.
[^openbaring-22-19-t]: Verwijzing t: Namelijk wat hij zou menen te hebben. Want dat niemand die werkelijk in het boek van het leven is geschreven, eruit wordt gewist, is al eerder vastgesteld (Openbaring 3:5).
[^openbaring-22-19-50]: Kanttekening 50: Namelijk van het hemelse Jeruzalem, zoals eerder in vers 14.
[^openbaring-22-19-v]: Verwijzing v: Openbaring 13:8. en 17:8.
[^openbaring-22-19-51]: Kanttekening 51: Namelijk van de hemelschen Jeruzalems, Zoals hier voren vers 14.
[^openbaring-22-20-52]: Kanttekening 52: Namelijk Jezus Christus, zoals eerder uit vers 16 blijkt, en uit de woorden zelf, die niet de engel maar Christus in zijn mond neemt.
[^openbaring-22-20-53]: Kanttekening 53: Dit zijn de woorden van Johannes, die nu op de uiterste ouderdom gekomen zijnde, ook zijn verlangen betuigt naar de komst van Christus en zijn eigen zalige ontbinding.
[^openbaring-22-21-54]: Kanttekening 54: Dit besluit komt overeen met het besluit van bijna alle brieven van de apostelen, omdat deze profetie in de vorm van een brief is geschreven en gezonden aan de gemeenten.
[^openbaring-22-21-55]: Kanttekening 55: Dit woord is ook een slot niet alleen van de gebeden, maar ook van de brieven van Johannes en de andere apostelen, waarmee zij hun geschriften aanbevelen in de genade en zegen van God.

## 3 Ezra

### 3 Ezra 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/1.json)

*1 Koning Josia regelt de dienst van de priesters en Levieten. 7 Houdt een zeer groot pascha. 25 Komt om in een onnodige strijd tegen de koning van Egypte, 32 zijn dood wordt zeer beweend, 34 zijn nakomelingen. 53 De stad en tempel van Jeruzalem, met het volk, worden uitgeroeid, 56 en de overgeblevenen van het volk worden naar Babylon gevoerd.*

**1** EN Josia hield zijn Heere het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v1)

**2** En stelde de priesters, die met lange kleren waren aangedaan, naar hun dagelijkse beurt in de tempel van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v2)

**3** En hij zei tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Heere zouden heiligen, om de heilige ark van de Heere te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon van David gebouwd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v3)

**4** En zei: U mag deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Heere uw God, en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v4)

**5** Naar het voorschrift van David; de koning van Israël, en naar de heerlijke instelling van Salomo, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling van de oversten van uw vaders, de Levieten, die voor uw broers de Israëlieten dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v5)

**6** En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offergaven voor uw broers; en houdt het Pascha naar het bevel van de Heere, dat hij Mozes heeft gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v6)

**7** En Josia schonk het volk, dat daar bevonden werd, dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v7)

**8** Dit werd uit de goederen van de koning, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v8)

**9** Maar Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten van de tempel waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broer, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v9)

**10** En als deze dingen naar behoren gebeurden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongezuurde broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten van de vaders, voor het volk, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v10)

**11** Om de Heere te offeren, volgens wat in het boek van Mozes geschreven was, en zo gebeurde het vroegoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v11)

**12** En zij braadden het Pascha aan het vuur, zoals het behoorde, en offergaven kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v12)

**13** En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v13)

**14** Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v14)

**15** En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens wat David bestemd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v15)

**16** En de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broers, de Levieten, bereidden het voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v16)

**17** Zo werd voltooid alles wat tot de offergave van de Heere op die dag behoorde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v17)

**18** Om het Pascha te houden, en offergaven te brengen op het altaar van de Heere, naar het bevel van de koning Josia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v18)

**19** En de Israëlieten, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v19)

**20** En daar is zulk een Pascha niet gehouden in Israël, van de tijden van de profeet Samuël af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v20)

**21** En geen koning van Israël heeft zulk een Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, dat bevonden was in zijn woning te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v21)

**22** In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia is dit Pascha gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v22)

**23** En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de Heere, met een hart vol van godvruchtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v23)

**24** En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Heere, meer dan enig volk en koninkrijk, en die Hem bedroefd hebben; en de woorden van de Heere zijn opgestaan tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v24)

**25** En na al deze daden van Josia, is het gebeurd, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v25)

**26** En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v26)

**27** Ik ben tegen u door God de Heere niet uitgezonden, want mijn strijd is op de Eufraat; en nu, de Heere is bij mij, en de Heere is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v27)

**28** En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zei uit de mond van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v28)

**29** Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v29)

**30** En de koning zei tot zijn knechten: Voer mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem meteen af uit de slagorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v30)

**31** En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem teruggebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v31)

**32** En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat dat altijd gebeuren zou door geheel het geslacht van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v32)

**33** Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen van de koningen van Juda; en van elk van de daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet van de Heere. En wat tevoren door hem gedaan was, en wat nu gebeurd is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v33)

**34** En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaar oud was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v34)

**35** En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v35)

**36** En legde het volk een geldstraf op van honderd talenten zilver, en een talent goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v36)

**37** En de koning van Egypte stelde zijn broer Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v37)

**38** En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broer Saracus nam hij, en bracht hem weer in Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v38)

**39** Jojakim nu was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v39)

**40** Tegen hem nu trok op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v40)

**41** En Nabuchodonosor nam van de heilige voorwerpen van de Heere, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v41)

**42** Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v42)

**43** En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaar oud toen hij koning gemaakt werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v43)

**44** En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v44)

**45** En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, samen met de heilige voorwerpen van de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v45)

**46** En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaar oud, en regeerde elf jaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v46)

**47** En deed dat kwaad was voor de Heere; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v47)

**48** En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam van de Heere, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de voorschriften van de Heere, van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v48)

**49** En ook de oversten van het volk en van de priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel van de Heere, die te Jeruzalem geheiligd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v49)

**50** En de God van hun vaders zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat Hij hen zou sparen, en zijn woning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v50)

**51** Maar zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Heere tot hen sprak, belachten zij zijn profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v51)

**52** Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen van de Chaldeeën tegen hen deed optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v52)

**53** Die doodden hun jongemannen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch oude, noch jongen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v53)

**54** Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige voorwerpen van de Heere groot en klein, en de ark van de Heere, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v54)

**55** En verbrandden het huis van de Heere, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v55)

**56** En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar Babylonië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v56)

**57** En zij waren zijn en van zijn kinderen dienaren, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord van de Heere, gesproken door de mond van Jeremia; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v57)

**58** Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren vervuld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/1.html#v58)

### 3 Ezra 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/2.json)

*1 Cyrus, koning van Perzie, wordt door God opgewekt om de tempel weer op te bouwen, 5 en verschaft daartoe middelen. 11 Hij geeft de vaten terug die daarvandaan genomen waren. 25 Koning Artaxerxes verhindert de herbouw.*

**1** ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord van de Heere vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v1)

**2** Zo verwekte de Heere de geest van Cyrus, de koning van de Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mee door schriften, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v2)

**3** Dit zegt Cyrus, de koning van de Perzen: De Heere van Israël, de allerhoogste Heere, heeft mij tot koning gemaakt over de hele aarde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v3)

**4** En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v4)

**5** Als er dan iemand van u is uit zijn volk, de Heere zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis van de Heere van Israël; deze is de Heere, die te Jeruzalem woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v5)

**6** Zovelen dan, als er ongeveer die plaatsen wonen, en in die plaats zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v6)

**7** Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel van de Heere, die te Jeruzalem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v7)

**8** Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, van wie de geest God verwekte om op te trekken, en het huis van de Heere te Jeruzalem te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v8)

**9** En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, van wie het gemoed daartoe verwekt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v9)

**10** En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige voorwerpen van de Heere, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v10)

**11** En Cyrus, de koning van de Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v11)

**12** En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v12)

**13** Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere voorwerpen tot duizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v13)

**14** Al de voorwerpen dan, die overgebracht werden, zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v14)

**15** En deze zijn teruggebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v15)

**16** Maar ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen bestemd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v16)

**17** De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaren Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v17)

**18** Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons teruggekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weer oprichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v18)

**19** Als dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen belasting willen geven, maar zullen ook de koningen weerstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v19)

**20** Omdat men dan in het werk is met wat de tempel betreft, zo heeft ons goed gedacht, dit niet te laten liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v20)

**21** Maar de Heer koning dat te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaders nagelaten, onderzoek gedaan wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v21)

**22** En u zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v22)

**23** En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welke oorzaken die stad ook verwoest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v23)

**24** Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat als deze stad weer gebouwd wordt, en haar muren weer opgericht, u geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v24)

**25** Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen bestemd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, wat volgt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v25)

**26** Ik heb de brief, die u aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v26)

**27** En dat de mensen afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, die ook belastingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v27)

**28** Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v28)

**29** En dat de boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v29)

**30** Toen nu wat van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen bestemd waren samen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v30)

**31** En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw van de tempel te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/2.html#v31)

### 3 Ezra 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/3.json)

*1 Drie jonge mannen wedijveren wie van hen de wijste spreuk zal voortbrengen, 9 en beroepen zich op het oordeel van de koning. 18 De eerste houdt dat de wijn het sterkste is.*

**1** EN Darius, koning zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de grote van Medië en Perzië; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v1)

**2** En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, en oversten van de landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v2)

**3** En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weer naar huis. Maar Darius, de koning, keerde weer in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v3)

**4** Toen zeiden de drie jongemannen, die de lijfwacht van de koning waren, en hem bewaarden, de één tot de ander: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v4)

**5** Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en van wie het woord wijzer zal schijnen dan dat van de anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v5)

**6** Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden bekers doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v6)

**7** En hij zal de tweede naast Darius zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend van Darius genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v7)

**8** Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen van de koning Darius, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v8)

**9** En zei, wanneer de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden, zoals geschreven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v9)

**10** De eerste schreef: De wijn is de sterkste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v10)

**11** De andere: De koning is de sterkste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v11)

**12** De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven alle overwint de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v12)

**13** En als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v13)

**14** En uitgezonden hebbende liet hij roepen al de grote van Perzië en Medië, en de vorsten, en de oorlogsoversten, en oversten van de landen, en de burgemeesters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v14)

**15** En hij zette zich neer in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen gelezen en hij zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v15)

**16** Roep de jongemannen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v16)

**17** Doe ons verklaring van wat bij u is geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v17)

**18** En de eerste begon, die van de sterkte van de wijn gesproken had, en zei zo: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v18)

**19** O mannen, hoe buitengewoon sterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v19)

**20** Hij maakt het verstand van de koning en van de wees dezelfde verstand, zoals ook het verstand van de dienaars en van de vrijen, het verstand van de armen en van de rijken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v20)

**21** En hij verandert alle verstand in vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen verdriet, en aan geen schuld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v21)

**22** Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v22)

**23** Als zij wijn gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broers, en trekken kort daarna de zwaarden uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v23)

**24** En als zij van de wijn opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v24)

**25** O mannen, is de wijn niet de sterkste, omdat hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/3.html#v25)

### 3 Ezra 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/4.json)

*1 De tweede verklaart dat de koning het sterkste is. 13 De derde, die Zerubbabel was, dat de vrouwen het sterkste zijn, 33 en de waarheid, 41 welke spreuk de wijste geoordeeld wordt, 47 waarom hij van koning Darius brieven verkrijgt om Jeruzalem opnieuw te mogen bouwen. 58 Waarover hij de Heere dankt, 61 en dit aan zijn broeders bekendmaakt.*

**1** TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte van de koning, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v1)

**2** O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v2)

**3** De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v3)

**4** Als hij hun zegt dat zij de één de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en als hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij maken de bergen, en de muren, en de torens met de grond gelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v4)

**5** Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord van de koning zullen zij niet overtreden; en als zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v5)

**6** En allen die in de oorlog niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning belasting; en de één dwingt de ander om de koning belasting toe te brengen, daar die maar één alleen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v6)

**7** Als hij zegt dat men dode, zo doden zij; als hij zegt dat men aflate, zo laten zij af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v7)

**8** Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v8)

**9** Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v9)

**10** En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v10)

**11** Daarenboven zit hij neer, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v11)

**12** O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men zo gehoorzaamt? en hij zweeg stil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v12)

**13** De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v13)

**14** O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid van de mensen, noch de wijn is de sterkste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v14)

**15** Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v15)

**16** En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v16)

**17** En zij zelf maken de kleding van de mensen, en zij maken wat heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v17)

**18** En als zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v18)

**19** Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v19)

**20** Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v20)

**21** En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v21)

**22** Ook hieruit moet u weten, dat de vrouwen u regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v22)

**23** En werkt u niet, en arbeidt u niet? en geeft u niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v23)

**24** En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn geliefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v24)

**25** En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v25)

**26** En velen zijn van hun zinnen beroofd vanwege de vrouwen, en zijn om harentwil tot slaven geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v26)

**27** En velen zijn omgekomen, en zijn gewurgd, en hebben gezondigd vanwege de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v27)

**28** En nu, gelooft u mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v28)

**29** Toch heb ik hem gezien en Apame, de dochter van de wondergroten Bartacus, de bijvrouw van de koning, die aan de rechterhand van de koning zat, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v29)

**30** En zij nam de kroon van het hoofd van de koning, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v30)

**31** En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en als zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en als zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v31)

**32** O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, omdat zij, zo doen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v32)

**33** Toen zagen de koning en de groten op elkaar. En hij begon te spreken van de waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v33)

**34** O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde, en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij draait in de cirkel van de hemel, en zij keert weer in haar plaats op één dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v34)

**35** Is die niet groot die zulke dingen doet? Maar de waarheid is groot en sterker dan allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v35)

**36** De hele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelfde, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v36)

**37** De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen van de mensen is onrecht, en al zulk soort hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v37)

**38** Maar de waarheid blijft en is sterk in de eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v38)

**39** En bij haar is geen aanneming van de persoon; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet wat recht is, en onthoudt zich van al wat onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v39)

**40** En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God van de waarheid! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v40)

**41** En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v41)

**42** Toen zei de koning tot hem, eis wat u wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar u wijzer bevonden bent dan de anderen, en u zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v42)

**43** Toen zei hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die u beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop u uw koninkrijk ontvangen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v43)

**44** En dat u al de voorwerpen, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zou zenden, die Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weer daarheen te zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v44)

**45** En u hebt beloofd de tempel te bouwen, die de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v45)

**46** En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geëist wordt. Ik bid dan dat u de belofte volbrengt, die u de Koning van de hemel met uw mond hebt beloofd te volbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v46)

**47** Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v47)

**48** En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v48)

**49** En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v49)

**50** En dat het hele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder belasting zou zijn: en dat de Idumeeërs de plaatsen van de Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v50)

**51** En tot de bouw van de tempel jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v51)

**52** En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandoffers te offeren, nog tien andere talenten jaarlijks zouden opbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v52)

**53** En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, zowel zij als hun nakomelingen, met al de priesters die mee zouden opgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v53)

**54** En hij schreef ook van het onderhoud van de priester, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v54)

**55** En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis van God zou voltooid, en Jeruzalem zou herbouwd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v55)

**56** En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en soldij zou geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v56)

**57** En hij zond weer al de voorwerpen, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al wat Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v57)

**58** En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning van de hemel, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v58)

**59** Van U is de overwinning, en van U is de wijsheid, en Uw is de heerlijkheid, en ik ben Uw dienaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v59)

**60** Geloofd bent U, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank U, o Heere van onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v60)

**61** En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v61)

**62** En zij loofden de God van hun vaders, dat Hij hun verkwikking en verlossing gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v62)

**63** Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/4.html#v63)

### 3 Ezra 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/5.json)

*1 De Joden maken zich gereed om naar Jeruzalem te reizen, 2 waartoe Darius hun geleide geeft. 4 De namen en het aantal van hen die terugkeren. 50 Het altaar wordt op zijn plaats gezet, 57 en de fundamenten van de tempel worden gelegd. 73 Het werk wordt voor een tijd verhinderd.*

**1** DAARNA werden gekozen om op te trekken de oversten van de huizen van de vaders naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochters, en hun dienaren en dienaressen, en hun beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v1)

**2** En Darius zond met hen duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v2)

**3** (En al hun broers speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v3)

**4** Dit nu zijn de namen van de mannen die optrokken, naar de huizen van hun vaders in de stammen, naar de verdeling van hun heerschappijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v4)

**5** De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit het huis van David, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v5)

**6** Die onder Darius, de koning van de Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar van zijn koninkrijk in de maand Nisan, welke is de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v6)

**7** Deze nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, die Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v7)

**8** En zij zijn teruggekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheüs, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v8)

**9** Het getal nu van degenen, die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v9)

**10** De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v10)

**11** De kinderen van Faät Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend achthonderd en twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v11)

**12** De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v12)

**13** De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend driehonderd tweeëntwintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v13)

**14** De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v14)

**15** De kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v15)

**16** De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd drieëntwintig. De kinderen van Arisfurith honderdentwee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v16)

**17** De kinderen van Beter drieduizendenvijf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v17)

**18** De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v18)

**19** Die van Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v19)

**20** Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v20)

**21** De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v21)

**22** De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v22)

**23** De kinderen van Sanaäs drieduizend driehonderd en een. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v23)

**24** De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v24)

**25** De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v25)

**26** De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v26)

**27** De heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v27)

**28** De deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen samen honderdnegenendertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v28)

**29** Die het heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v29)

**30** De kinderen van Labana, de kinderen van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v30)

**31** De kinderen van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de kinderen van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v31)

**32** De kinderen van Basthaï, de kinderen van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v32)

**33** De kinderen van de dienaren van Salomo, de kinderen van Asapfioth, de kinderen van Farera, de kinderen van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de kinderen van Safni. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v33)

**34** De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v34)

**35** Deze allen dienden het heiligdom, en waren kinderen van de dienaren van Salomo, driehonderd tweeënzeventig in getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v35)

**36** Deze waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan en Aälar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v36)

**37** Maar zij konden hun steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v37)

**38** En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, en van wie het geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de dochters Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v38)

**39** En als dit geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen van het priesterambt geweerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v39)

**40** En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, voordat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v40)

**41** Al de Israëlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienaren en dienaressen, tweeënveertigduizend, driehonderd en zestig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v41)

**42** En hun knechten en dienaressen waren zevenduizend driehonderd en zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v42)

**43** Kamelen waren vierhonderd vijfendertig, en paarden zevenduizend zesendertig, muilezels tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd vijfentwintig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v43)

**44** En enige uit de oversten van hun familiën, als zij nu in de tempel van God te Jeruzalem kwamen, beloofden het huis van God op te richten in zijn plaats, naar hun vermogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v44)

**45** En te geven tot de heilige schatkist van de werken, duizend talenten goud, en vijfduizend talenten zilver, en honderd priesterlijke kledingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v45)

**46** En de priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neer te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel Israël, in hun plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v46)

**47** En toen nu de zevende maand kwam, en de Israëlieten elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig verzameld in de voorhof van de eerste poort, die tegen het oosten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v47)

**48** En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broers de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broers stonden op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v48)

**49** En bereidden het altaar van de God van Israël, om daarop brandoffers te offeren, volgens wat in het boek van Mozes de man van God verhaald staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v49)

**50** En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enige uit de andere volken van het land zich tegen hen verzamelden, omdat zij in vijandschap met hen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v50)

**51** Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offergaven naar de tijd, en brandoffers voor de Heere, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v51)

**52** En zij hielden het feest van de loofhutten, zoals in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offergaven zoals het betaamde en daarna voortdurende offergaven, en offergaven van de Sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v52)

**53** En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan van de zevende maand af, begonnen God offergaven te offeren, en de tempel van de Heere was nog niet gebouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v53)

**54** En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en voedsel en drank, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v54)

**55** En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v55)

**56** En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel van God te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broers, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v56)

**57** En legden het fundament van het huis van God in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v57)

**58** En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken van de Heere; en Jozua stond met zijn zonen en broers, en Kadmiël zijn broer, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broers; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v58)

**59** En de bouwers bouwden de tempel van de Heere, en de priesters stonden in lange kleren met snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v59)

**60** Zingende en lovende de Heere, naar de instelling van David, de koning van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v60)

**61** En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Heere, dat Zijn goedheid en Zijn heerlijkheid is tot in de eeuwigheid, over geheel Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v61)

**62** En het hele volk blies met bazuinen, en riep met luide stem, zingende de Heere, over de oprichting van het huis van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v62)

**63** Maar enige uit de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor deze was, gezien hadden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v63)

**64** Kwamen tot het gebouw van dit huis met huilen en met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde in luide stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v64)

**65** Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, vanwege het huilen van het volk, want de menigte bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v65)

**66** En als de vijanden van de stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem van de bazuinen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v66)

**67** En zij verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Heere de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v67)

**68** En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste van de geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v68)

**69** Want wij behoren aan uw God zoals u, en doen hem offergaven, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v69)

**70** Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de oversten van de vaderlijke geslachten van Israël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v70)

**71** Het komt ons en u niet toe samen het huis te bouwen voor de Heere onze God: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v71)

**72** Maar wij zullen alleen voor de Heere van Israël bouwen, volgens wat Cyrus, de koning van de Perzen ons heeft bevolen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v72)

**73** En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v73)

**74** En hinderlagen, en oploop, en samenspanningen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voltooid, en al de tijd van het leven van de koning Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/5.html#v74)

### 3 Ezra 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/6.json)

*1 De profeten vermanen het volk de tempel te bouwen. 2 Wat door Zerubbabel en Jesua aangevangen wordt. 3 Doch Sisinnes tracht dat te verhinderen bij koning Darius, 27 die het in alle opzichten bevordert, 32 en dreigt allen te straffen die het zouden willen verhinderen.*

**1** IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggai en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v1)

**2** Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weer te bouwen het huis van de Heere, dat te Jeruzalem is, omdat de profeten van de Heere bij hen waren, en hen hielpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v2)

**3** In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v3)

**4** Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwers die dit opmaken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v4)

**5** En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten van de Joden genade van de Heere, en werden niet verhinderd in de bouw, voordat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v5)

**6** Het afschrift nu van de brief, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v6)

**7** Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v7)

**8** Het zij alles bekend aan onze heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten van de Joden, die gevangen zijn geweest, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v8)

**9** In de stad Jeruzalem een nieuw en groot huis bouwden voor de Heere met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v9)

**10** En dat deze werken met vlijt gebeuren, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelfde in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v10)

**11** Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v11)

**12** En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen van degenen die hun oversten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v12)

**13** Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen van de Heere, die de hemel en de aarde heeft geschapen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v13)

**14** En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning van Israël, en is voltooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v14)

**15** En daar onze vaders tegen de Heere van Israël, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf Hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning van de Chaldeeën, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v15)

**16** Die dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk als gevangene naar Babylon weggevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v16)

**17** Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weer zou bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v17)

**18** En de heilige gouden en zilveren voorwerpen, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van God dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weer uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v18)

**19** En hem werd bevolen, dat hij al die voorwerpen zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel van de Heere zou gebouwd worden op zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v19)

**20** Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis van de Heere te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v20)

**21** Nu dan, als het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van Cyrus; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v21)

**22** En als bevonden wordt, dat de opbouw van het huis van de Heere te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is gebeurd, en het de koning onze heer goeddunkt, zo antwoorde hij ons daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v22)

**23** Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v23)

**24** In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis van de Heere te Jeruzalem zou bouwen, waar men offergaven doen zou door steeds vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v24)

**25** Daarvan zou de hoogte zestig ellen zijn, en de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis van koning Cyrus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v25)

**26** En de heilige voorwerpen van het huis van de Heere, zowel gouden als zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van de Heere dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weer brengen in het huis van de Heere te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weer gesteld mochten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v26)

**27** Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren bestemd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht van de Heere en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten van de Joden, dit huis van de Heere zouden laten bouwen, op zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v27)

**28** En ik ook, schreef hij, heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis van de Heere voltooid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v28)

**29** Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offergave voor de Heere, namelijk tot stieren, rammen en lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v29)

**30** Evenzo ook koren, en zout, en wijn, en olie, steeds alle jaren; zoals dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v30)

**31** Opdat drankoffers geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v31)

**32** Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden zal, of teniet doen iets van wat aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v32)

**33** Daarom ook, de Heere, van wie de naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, dat zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis van de Heere te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v33)

**34** Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/6.html#v34)

### 3 Ezra 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/7.json)

*1 Sisinnes en anderen helpen de bouw van de tempel bevorderen. 5 De tempel wordt voltooid, 7 en ingewijd. 10 De Joden houden het pascha, 14 en verblijden zich in de Heere.*

**1** TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan wat door de koning Darius was bestemd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v1)

**2** En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren de oudsten van de Joden en de opzichters van de tempel behulpzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v2)

**3** En de heilige werken gingen gelukkig voort, als de profeten Haggai en Zacharia profeteerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v3)

**4** En zij volbrachten die, door het bevel van de Heere de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v4)

**5** Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag van de maand Adar, in het zesde jaar van de koning Darius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v5)

**6** En de Israëlieten, en de priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd waren, deden volgens wat in het Boek van Mozes geschreven staat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v6)

**7** En offerden tot de inwijding van de tempel van de Heere honderd stieren, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v7)

**8** En voor de zonden van het hele volk van Israël twaalf bokken, naar het getal van de oversten van de twaalf geslachten van Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v8)

**9** En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met lange kleren, over de werken van de Heere, de God van Israël, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan elke poort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v9)

**10** En de Israëlieten, die uit de gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende dag van de eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v10)

**11** Maar al de Israëlieten, die uit de gevangenis waren gekomen, waren niet samen geheiligd, maar de Levieten waren samen geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v11)

**12** En zij slachtten het Pascha voor al de kinderen van de gevangenis, en voor hun broers de priesters, en voor zichzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v12)

**13** En de Israëlieten, die uit de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van de gruwelijke dingen van de volken van het land, en die de Heere zochten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v13)

**14** En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v14)

**15** Omdat hij de raad van de koning van de Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken van de Heere, de God van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/7.html#v15)

### 3 Ezra 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/8.json)

*1 Esdras de Schriftgeleerde komt te Jeruzalem, met opdracht van koning Artaxerxes dat men Jeruzalem zou bouwen. 10 Inhoud van de brief. 31 De namen en het aantal van hen die met hem kwamen, 61 en zijn reis. 71 Hij klaagt over de zonden van het volk, 97 en laat de priesters zweren dat zij hun vreemde vrouwen zullen verlaten.*

**1** EN na deze, als Artaxerxes, de koning van de Perzen, regeerde, trok heen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v1)

**2** De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v2)

**3** Deze Ezra trok heen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de God van Israël was gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v3)

**4** En de koning had hem heerlijkheid gegeven, omdat hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v4)

**5** En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de Israëlieten, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaren van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v5)

**6** In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar van de koning) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan van de eerste maand, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v6)

**7** En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Heere was gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v7)

**8** Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet van de dingen die van de wet van de Heere waren, en van de geboden om geheel Israël al de rechten en gerichten te leren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v8)

**9** Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet van de Heere, waarvan het afschrift is wat volgt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v9)

**10** De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet van de Heere, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v10)

**11** Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v11)

**12** Zo velen als er dan begerig zijn, dat zij mee trekken; zoals het mij, en mijn zeven vrienden mijn raadsheren heeft goedgedacht: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v12)

**13** Opdat zij wat in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens wat in de wet van de Heere vervat is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v13)

**14** En zij aan de Heere van Israël gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weer brenge aan de Heere te Jeruzalem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v14)

**15** Met wat dat van uw volk gegeven is tot de tempel van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en wat daartoe behoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v15)

**16** Opdat men aan de Heere offergaven offere op het altaar van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v16)

**17** En alles wat u en uw broers zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil van uw God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v17)

**18** En de heilige voorwerpen van de Heere, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel van uw God, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v18)

**19** Die zult u geven uit de schatkamer van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v19)

**20** En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v20)

**21** Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet van de hoogste God zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v21)

**22** Tot honderd talenten zilver toe, evenzo tot honderd mudden koren, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v22)

**23** Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet van God, voor de hoogste God; opdat de toorn van God niet kome over het koninkrijk van de koning, en zijn zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v23)

**24** En u wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren van de tempel, noch schriftgeleerden enige belasting of andere lasten worden opgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v24)

**25** Noch dat iemand macht hebbe hun iets op te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v25)

**26** En u Ezra, naar de wijsheid van God, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet van uw God verstaan, leer hun, die haar niet verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v26)

**27** En al die de wet van uw God en van de koning overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v27)

**28** En Ezra de schriftgeleerde zei: Geloofd zij alleen de Heere de God van mijn vaders, die dit in het hart van de koning heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v28)

**29** En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v29)

**30** En ik werd welgemoed, naar de hulp van de Heere, van mijn God; en verzamelde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v30)

**31** En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen van de heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk van de koning Artaxerxes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v31)

**32** Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v32)

**33** Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v33)

**34** Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v34)

**35** Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v35)

**36** Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v36)

**37** Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v37)

**38** Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v38)

**39** Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v39)

**40** Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v40)

**41** Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v41)

**42** Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v42)

**43** En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v43)

**44** En uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v44)

**45** Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v45)

**46** En ik zei hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats van de schatkamer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v46)

**47** Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broers, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enige zouden toezenden, die het priesterschap in het huis van onze God mochten bedienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v47)

**48** En zij brachten tot ons, naar de sterke hand van onze Heere, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broers, zijnde achttien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v48)

**49** En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broer, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v49)

**50** En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk van de Levieten, tweehonderdentwintig dienaren van de tempel, van deze aller namen zijn schriftelijk aangetekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v50)

**51** En ik beval daar een vasten aan de jongemannen voor de Heere: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v51)

**52** Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v52)

**53** Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte van onze Heere was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v53)

**54** En wij baden al deze dingen van de Heere, en wij vonden Hem zeer genadig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v54)

**55** En ik zonderde van de oversten van de priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broers nog twaalf mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v55)

**56** En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige voorwerpen van het huis van onze Heere, die de koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het hele Israël gegeven hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v56)

**57** En als ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilver, en honderd talenten aan gouden voorwerpen, en honderd talenten aan goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v57)

**58** En twintig gouden schalen, en twaalf koperen voorwerpen van fijn koper, blinkende zoals goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v58)

**59** En ik zei tot hen: U bent ook heilig voor de Heere, en de voorwerpen zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften van de Heere, namelijk van de Heere van onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v59)

**60** Zo waakt, en bewaart ze, totdat u ze overlevert aan de oversten van de priester en Levieten, en aan de oversten van de vaderlijke huizen van Israël te Jeruzalem, in de cellen van het huis van onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v60)

**61** En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de voorwerpen tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v61)

**62** En wij trokken weer op van de rivier Thera, de twaalfde dag van de eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand van onze Heere, die over ons was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v62)

**63** En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis van de Heere, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v63)

**64** En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v64)

**65** En het hele gewicht daarvan werd opgeschreven op dat moment. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v65)

**66** En die uit de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offergaven voor de Heere, de God van Israël, twaalf stieren, voor het hele Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v66)

**67** Zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een offergave voor de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v67)

**68** En gaven de bevelen van de koning over, aan de rentmeesters van de koning, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v68)

**69** En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk van Israël, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v69)

**70** Van de volken van de Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v70)

**71** Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dochters van deze volken, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken van het land; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin van deze zaak deelachtig geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v71)

**72** En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn kleren, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haar van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v72)

**73** En tot mij zijn verzameld allen die toen bewogen werden door het woord van de Heere, de God van Israël, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v73)

**74** En ik stond op van het vasten, hebbende de kleren verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neer, mijn handen uitstrekkende tot de Heere, zei ik: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v74)

**75** Heere, ik ben beschaamd, en bevreesd voor Uw aangezicht: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v75)

**76** Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de tijden van onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v76)

**77** En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v77)

**78** En om onze zonde, en om de zonden van onze vaders, zijn wij met onze broers en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen van de aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v78)

**79** En nu is ons een weinig genade gebeurd van de Heere, om ons een wortel over te laten, en een naam, in de plaats van Uw heiligdom: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v79)

**80** En om ons een licht te ontdekken in het huis van de Heere van onze God, en om ons voedsel te geven in de tijd van onze dienstbaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v80)

**81** Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Heere onze God, maar Hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen van de Perzen, om ons voedsel te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v81)

**82** En om de tempel van onze Heere te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastheid te geven in Judea en Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v82)

**83** En nu, Heere, wat zullen wij zeggen, omdat wij dit hebben? want wij hebben Uw geboden overtreden, die U ons gegeven hebt door de dienst van Uw knechten de profeten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v83)

**84** Het land waarin u komt om dat tot een erfenis te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken van het land bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v84)

**85** En nu zult u uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters zult u niet nemen voor uw zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v85)

**86** En u zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat u machtig wordt en eet het goede van het land, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v86)

**87** Maar al wat ons overkomt, gebeurt vanwege onze boze werken en onze grote zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v87)

**88** Want U, Heere, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zulk een wortel in het land gegeven, en wij zijn weer achteruit gekeerd, om Uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v88)

**89** Zou U dan over ons niet vertoornd zijn voordat U ons uitgeroeid hebt? voordat U noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v89)

**90** Heere van Israël, U bent waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op de huidige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v90)

**91** Zie, wij zijn nu voor U in onze misdaden: want wij kunnen vanwege deze niet langer voor U bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v91)

**92** En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en huilde, liggende voor de tempel op de aarde, zo is tot hem verzameld een zeer grote menigte uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongemannen, want het huilen was groot onder de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v92)

**93** En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de Israëlieten riep en zei: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Heere, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v93)

**94** En nu, geheel Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed gebeuren voor de Heere, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v94)

**95** Zoals u zal goeddunken, en al degenen die de wet van de Heere gehoorzaam zijn; sta op, en doe zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v95)

**96** Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v96)

**97** En Ezra stond op, en beëedigde de oversten van de priester en Levieten van geheel Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/8.html#v97)

### 3 Ezra 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3ezra/9.json)

*1 Esdras verzamelt al het volk te Jeruzalem, 10 dat belooft zijn vreemde vrouwen te zullen verlaten. 20 De namen en het aantal van hen die dat deden. 38 De wet van Mozes wordt door Esdras gelezen en verklaard voor de hele gemeente, 50 die zich daarover verheugt en een feestdag houdt.*

**1** EN Ezra opstaande, van de voorhof van de tempel, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v1)

**2** En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen van de menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v2)

**3** En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v3)

**4** En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel van de overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte van de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v4)

**5** En zij verzamelden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag van de maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v5)

**6** En de hele menigte zat op de grote voorplaats van de tempel, bevende van koude vanwege de aanstaande winter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v6)

**7** En Ezra stond op, en zei tot hen: U hebt onrecht gedaan, en hebt buitenlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v7)

**8** Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid aan de Heere, de God van onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v8)

**9** En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de buitenlandse vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v9)

**10** Toen riep de hele menigte, en zei met luide stem: Wij zullen zo doen zoals u gezegd hebt: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v10)

**11** Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v11)

**12** Maar dat de voorgangers van de menigte staan, en al degenen onder onze inwoners die buitenlandse vrouwen hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v12)

**13** Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn van de Heere van ons geweerd zij, vanwege dit gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v13)

**14** Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mee-rechters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v14)

**15** En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v15)

**16** En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan van de tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v16)

**17** En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die buitenlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v17)

**18** En onder de priesters werden gevonden, die buitenlandse vrouwen hadden genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v18)

**19** Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broers, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v19)

**20** En legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v20)

**21** En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v21)

**22** En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v22)

**23** En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jona. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v23)

**24** Van de heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v24)

**25** Van de deurwachters: Salum en Telbanes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v25)

**26** Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v26)

**27** Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v27)

**28** En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v28)

**29** En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v29)

**30** En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v30)

**31** En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v31)

**32** En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v32)

**33** En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v33)

**34** En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v34)

**35** En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v35)

**36** Deze allen hadden buitenlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v36)

**37** En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten zich neer te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de Israëlieten waren in hun woonplaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v37)

**38** En de hele menigte kwam eendrachtig samen in de grote plaats, die is voor de heilige poort tegen het oosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v38)

**39** En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester van de wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Heere, de God van Israël was gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v39)

**40** En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de hele menigte, zo van de mannen als van de vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan van de zevende maand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v40)

**41** En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de aanwezigheid van mannen en vrouwen; en de hele menigte keerde hun zinnen tot de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v41)

**42** En Ezra, de priester en leermeester van de wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v42)

**43** En bij hem stonden Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v43)

**44** En aan de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v44)

**45** En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de aanwezigheid van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v45)

**46** En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Heere, de hoogste God, de God van de legermachten, de almachtige; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v46)

**47** En al het volk antwoordde daarop Amen! En hun handen omhoog heffende, en op de aarde vallende, baden zij de Heere aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v47)

**48** Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v48)

**49** En zij lazen de wet van de Heere voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v49)

**50** En Attaratas zei tot Ezra de overste priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v50)

**51** Deze dag is de Heere heilig; en zij huilden allen, als zij de wet hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v51)

**52** Ga dan heen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v52)

**53** Want deze dag is heilig voor de Heere, en wees niet droevig, want de Heere zal u verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v53)

**54** En de Levieten bevalen het hele volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, wees niet droevig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v54)

**55** En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich enorm te vervrolijken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v55)

**56** Omdat zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij verzameld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3ezra/9.html#v56)

## 4 Ezra

### 4 Ezra 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/1.json)

*1 Ezra krijgt van God de opdracht het volk hun zonden voor te houden, 24 en hen te dreigen dat God hen daarom zal verstoten en straffen, 35 en een ander volk in hun plaats zal aannemen, 39 dat de aartsvaders en profeten tot leiders zal hebben.*

**1** HET tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Barajas, de zoon van Azaria, de zoon van Helkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v1)

**2** De zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchias, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v2)

**3** De zoon van Aäron, uit de stam van Levi: die Ezra een gevangene geweest is in het land van de Meden, onder het koninkrijk van Artaxerxes, de koning van de Perzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v3)

**4** En het woord van de Heere kwam tot mij en sprak: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v4)

**5** Ga heen en verkondig Mijn volk hun boosheden, en hun kinderen hun ongerechtigheden, die zij tegen Mij hebben begaan, dat zij het hun kleinkinderen verkondigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v5)

**6** Omdat de zonden van hun vaders in hen zijn gewassen, want zij hebben Mij vergeten, en hebben andere goden geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v6)

**7** Heb Ik hen niet geleid uit het land van Egypte, uit het huis van de dienstbaarheid? Zij daarentegen hebben Mij tot toorn verwekt, en hebben Mijn raad veracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v7)

**8** Maar schud u het haar van uw hoofd af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij Mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v8)

**9** Hoe lang zal Ik hen verdragen, die Ik zo grote weldaden bewezen heb? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v9)

**10** Ik heb vele koningen om hunnentwil uitgeroeid; Ik heb Farao met zijn knechten, en zijn hele leger geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v10)

**11** Ik heb alle heidenen van voor hun aangezicht vernietigd; en in het oosten heb Ik de volken van twee provinciën, van Tyrus namelijk en van Sidon, verstrooid, en al hun vijanden heb Ik omgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v11)

**12** Spreek dan tot hen, zeggende: Zo spreekt de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v12)

**13** Ik heb u door de zee geleid, en in de beginne heb Ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb Ik u tot een leidsman gegeven, en Aäron tot een priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v13)

**14** Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar u hebt Mij vergeten, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v14)

**15** Dit zegt de almachtige Heere: De kwakkel is u tot een teken geweest; het leger heb Ik u gegeven tot een bescherming, en daar hebt u gemurmureerd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v15)

**16** En hebt niet getriumfeerd in Mijn naam over de vernietiging van uw vijanden, maar nog tot nu toe hebt u gemurmureerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v16)

**17** Waar zijn de weldaden die Ik u bewezen heb? Heb u niet in de woestijn, toen u hongerde, tot Mij geroepen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v17)

**18** Waarom hebt u ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het was ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v18)

**19** Toen had Ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot voedsel gegeven; u hebt van de engelen brood gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v19)

**20** Heb Ik niet, als u dorstte, de rots opengehouwen? en de wateren zijn daaruit gevloten tot verzadiging; voor de hitte heb Ik u met bladeren van de bomen gedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v20)

**21** Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanaänieten, Feresieten, en Filistijn heb Ik van voor uw aangezicht uitgedreven. Wat zou Ik nog meer doen? spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v21)

**22** Dit zegt de almachtige Heere: Toen u in de woestijn was, aan de rivier van de Amorieën, en dorst had, en u Mijn naam lasterde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v22)

**23** Zo heb Ik u geen vuur om uw lastering gegeven, maar Ik legde hout in het water, dat u het water zoet maakte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v23)

**24** Wat zal Ik u doen Jakob? U hebt niet willen gehoorzamen, Juda. Ik zal Mij tot andere volken keren, en zal hun Mijn naam geven, opdat zij Mijn voorschriften houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v24)

**25** Omdat u Mij verlaten hebt, zo zal Ik u ook verlaten; als u genade van Mij zult begeren, zo zal Ik u niet genadig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v25)

**26** Wanneer u Mij zult aanroepen, zo zal Ik u niet verhoren, want u hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v26)

**27** U hebt Mij niet verlaten, maar u zelf, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v27)

**28** Dit zegt de almachtige Heere: Heb Ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochters, en als een voedster haar kleine kinderen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v28)

**29** Dat u Mij tot een volk zou zijn, en Ik zou u tot een God zijn; en dat u Mij tot kinderen zou zijn, en Ik zou u tot een vader zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v29)

**30** Ik heb u zo verzameld, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik zal u van Mijn aangezicht verwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v30)

**31** Wanneer u Mij offergaven zult voortbrengen, zo zal Ik Mijn aangezicht van u keren; want uw feestdagen, en nieuwe maanden, en besnijdingen heb Ik verworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v31)

**32** Ik heb Mijn knechten de profeten tot u gezonden die u genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt u verscheurd; waarvan Ik het bloed van u zal eisen, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v32)

**33** Dit zegt de almachtige Heere: Uw huis is woest, Ik zal u verwerpen, zoals de wind de stoppelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v33)

**34** Uw kinderen zullen niet vruchtbaar zijn, want zij hebben Mijn gebod niet geacht, en hebben kwaad voor Mij gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v34)

**35** Ik zal uw huizen overgeven aan een volk dat nog komen zal. Die Mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie Ik geen tekenen getoond heb, die zullen doen wat Ik bevolen heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v35)

**36** Zij hebben geen profeten gezien, en zullen toch hun zonden bekennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v36)

**37** Ik betuig van de genade van het komende volk, van wie de kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, die Mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven wat Ik gezegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v37)

**38** En nu, broer, aanschouw wat heerlijkheid dit is; en zie het volk dat van de opgang aankomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v38)

**39** Aan dit volk zal Ik tot leidslieden geven Abraham, Izaäk, en Jakob, en Hosea, en Amos, en Micha, en Joël, en Obadja, en Jona, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v39)

**40** En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel van de Heere genoemd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/1.html#v40)

### 4 Ezra 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/2.json)

*1 God klaagt over de ondankbaarheid van zijn volk en dreigt hen te straffen. 10 Hij laat hun door Ezra aanzeggen dat Hij, omdat zij zijn verbond verwierpen, de heidenen in hun plaats zal roepen en hen overvloedig zal zegenen. 42 Ezra ziet de Zoon van God en hen die door Hem gekroond worden.*

**1** DIT zegt de Heere: Ik heb dit volk uit de dienstbaarheid gevoerd, waaraan Ik bevelen gegeven heb door Mijn knechten de profeten, die zij niet hebben willen horen, maar zij hebben Mijn raad teniet gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v1)

**2** De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Ga heen kinderen! want Ik ben een weduwe en verlatene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v2)

**3** Met vreugde heb Ik u opgevoed, en Ik heb u met rouw en verdriet verloren: want u hebt gezondigd voor de Heere uw God, en hebt kwaad voor Hem gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v3)

**4** Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik ben een weduwe en verlatene: Ga heen kinderen! en verzoekt barmhartigheid van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v4)

**5** Maar u, o Vader, roep Ik tot getuige over de moeder van deze kinderen, die Mijn verbond niet hebben willen houden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v5)

**6** Dat u hen te schande brengt, en hun moeder ten roof, opdat zij niet meer voortgeteeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v6)

**7** Laat hun namen verstrooid worden onder de heidenen: Laat hen van de aarde vernietigd worden; want zij hebben Mijn eed veracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v7)

**8** Wee u Assur! die de ongerechtigen bij u verbergt; u boos volk, gedenk wat Ik Sodom en Gomorra gedaan heb, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v8)

**9** Van wie het land in brokken pek, en ashopen ligt, zo zal Ik hun doen, die Mij niet gehoord hebben, spreekt de Heere, de almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v9)

**10** Dit zegt de Heere tot Ezra, verkondig Mijn volk, dat Ik hun het koninkrijk Jeruzalem zal geven, dat Ik Israël zou gegeven hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v10)

**11** En Ik wil hun heerlijkheid tot Mij nemen, en zal hun de eeuwige tenten geven, die Ik anderen bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v11)

**12** De boom van het leven zal hun zijn tot een geurende zalf; zij zullen noch arbeiden, noch moe worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v12)

**13** Ga heen, zo zult u het ontvangen; bid voor u, dat het maar weinig dagen talme; het koninkrijk is nu voor u bereid; waak! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v13)

**14** Betuig de hemel en de aarde: want het kwade heb Ik verbroken, en het goede heb Ik geschapen: want het is, zo waar als Ik leef, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v14)

**15** U, moeder! omhels uw kinderen; voed hen op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v15)

**16** En Ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen, en uit de graven zal Ik hen voortbrengen; want Ik heb Mijn naam bekend gemaakt in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v16)

**17** En vrees niet, u, moeder van de kinderen! want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v17)

**18** Ik zal u Mijn knechten Jesaja en Jeremia tot een hulp zenden: op hun raad heb Ik voor u geheiligd en bereid twaalf bomen met verscheidene vruchten beladen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v18)

**19** En zoveel fonteinen die met melk en honing stromen; en zeven grote bergen, die rozen en leliën hebben, waarop Ik uw kinderen met blijdschap zal vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v19)

**20** Spreek recht van de weduwen; doe recht aan de wezen; geef de armen; bescherm de verlatenen; bekleed de naakten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v20)

**21** Heel de verwonden en zieken; en spot niet met de kreupelen; bescherm de verlamden; en laat de blinden komen tot het gezicht van Mijn klaarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v21)

**22** Behoud de oude en jongen binnen uw muren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v22)

**23** Waar u de doden vindt, teken ze, en begraaf ze: zo zal Ik u de eerste plaats geven in Mijn verrijzenis: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v23)

**24** Wees stil, en houd op, Mijn volk, want uw rust zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v24)

**25** U, goede voedster! kweek uw kinderen op, versterk hun voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v25)

**26** Van de knechten, die Ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want Ik zal hen van uw getal eisen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v26)

**27** En wees niet bezorgd, want als de dag van de angst en de nood komt, zo zullen anderen huilen en droevig zijn: maar u zult vrolijk zijn en overvloed hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v27)

**28** De heidenen zullen jaloërs zijn, maar zij zullen tegen u niets uitrichten, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v28)

**29** Mijn handen zullen u bedekken, dat uw kinderen het dodenrijk niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v29)

**30** Vervrolijk u, u moeder met uw kinderen, want Ik zal u verlossen, spreekt de Heere: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v30)

**31** Gedenk aan uw kinderen die slapen, want Ik zal ze uit de zijden van de aarde te voorschijn brengen, en Ik zal hun barmhartigheid bewijzen, omdat Ik barmhartig ben, spreekt de Heere, de almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v31)

**32** Omhels uw kinderen totdat Ik kom, en hun barmhartigheid bewijze, want Mijn fonteinen vloeien over, en Mijn genade zal niet ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v32)

**33** Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Heere op de berg Oreb, dat ik tot Israël gaan zou. Maar toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v33)

**34** Daarom zeg ik tot u, u heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde van de wereld zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v34)

**35** Wees bereid voor de beloning van het koninkrijk, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v35)

**36** Vlucht de schaduw van deze wereld; neem de vreugde van uw heerlijkheid; ik betuig dit openlijk voor mijn Zaligmaker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v36)

**37** Neem de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v37)

**38** Rijst op, en staat, en ziet het getal van degenen, die getekend zijn tot de maaltijd van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v38)

**39** Die van de schaduw van deze wereld zijn overgegaan, die hebben sierlijke kleren van de Heere ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v39)

**40** Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet van de Heere vervuld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v40)

**41** Het getal van uw kinderen, die u gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit van de Heere, dat uw volk geheiligd worde, dat van de beginne geroepen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v41)

**42** Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen Heere met lofzangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v42)

**43** En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v43)

**44** Toen vroeg ik de engel en zei: Wie zijn deze, Heere? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v44)

**45** Die mij antwoordde en zei: Deze zijn het, die de sterfelijke rok hebben afgelegd, en de onsterfelijke hebben aangedaan, en hebben de naam van God beleden; nu worden zij gekroond, en ontvangen palmtakken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v45)

**46** En ik zei tot de engel: Wie is de jongeling die hun kronen opzet, en palmtakken in de handen geeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v46)

**47** En hij antwoordde mij en zei: Het is de Zoon van God, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hoog te prijzen, die zo kloekmoedig voor de naam van de Heere gestaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v47)

**48** Toen zei de engel tot mij: Ga en verkondig mijn volk zoals en hoe grote wonderen van God u gezien hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/2.html#v48)

### 4 Ezra 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/3.json)

*Ezra raakt zeer ontroerd over de ellende van zijn volk, 13 en belijdt de zonden en de ondankbaarheid daarvan. 28 Hij klaagt erover dat de heidenen, die nog goddelozer waren dan zij, over hen heersten.*

**1** IN het dertigste jaar van de ondergang van de stad, was ik te Babylon, en lag bezorgd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v1)

**2** Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed van degenen, die te Babylon woonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v2)

**3** En mijn geest werd zeer bewogen; en ik begon tot de allerhoogste met vrees te spreken, en ik zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v3)

**4** O heersende Heere, U hebt van de beginne gesproken, toen U de aarde hebt gefundeerd, U alleen, en hebt het volk geboden gegeven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v4)

**5** En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had maar het was ook een maaksel van Uw handen, en U hebt hem een geest van het leven ingeblazen en hij is levend voor U geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v5)

**6** En hebt hem in het Paradijs gezet dat Uw rechterhand gemaakt had, voordat hij uit de aarde was gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v6)

**7** En hebt hem geboden Uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en U hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en mensen, en geslachten, waarvan het getal niet is te tellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v7)

**8** En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor U, verachtte Uw geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v8)

**9** Daarentegen deed U na verloop van tijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en U verdierf ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v9)

**10** En zoals over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v10)

**11** Maar U liet één uit hen overblijven, namelijk Noach met zijn huisgezin, en uit hem zijn alle rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v11)

**12** En het is gebeurd, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiën werden, dat zij weer goddelozer werden dan de eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v12)

**13** En als zij nu ongerechtigheid voor U bedreven, zo hebt U Zich een man uit deze gekozen, van wie de naam Abraham was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v13)

**14** Die hebt U liefgehad, en hebt hem alleen Uw wil aangewezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v14)

**15** En U hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat U zijn zaad nimmermeer zou verlaten; aan deze hebt U Izaäk gegeven, en aan Izaäk hebt U Jakob en Ezau gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v15)

**16** Jakob nu hebt U Zich gekozen, maar Ezau hebt U van U afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v16)

**17** En het is gebeurd toen U zijn zaad uit Egypte leidde, dat U hem gebracht hebt aan de berg Sinaï. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v17)

**18** Daar boog U de hemel, en schudde de aarde; U bewoog de aardbodem, en de afgrond deed U beven, en U verschrikte de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v18)

**19** En Uw heerlijkheid ging door vier poorten, namelijk door het vuur, en de aardbeving, en de wind, en de vorst; opdat U het zaad van Jakob de wet gaf, en het geslacht van Israël ijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v19)

**20** Maar U nam van hen het boze hart niet weg, opdat Uw wet in hen zou vrucht voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v20)

**21** Want de eerste Adam, hebbende een boos hart, heeft het gebod overtreden, en is overwonnen, ja ook allen die van hem zijn geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v21)

**22** En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart van het volk, en met de boosheid van de wortel, en wat goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v22)

**23** Zo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en U verwekte voor Uzelf een knecht, met de naam David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v23)

**24** En U hebt hem gezegd, dat hij voor Uw naam een stad zou bouwen, en dat men U daarin wierook en offergaven zou offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v24)

**25** En dat is vele jaren gebeurd, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen U; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v25)

**26** En deden in alles zoals Adam, en al zijn nakomelingen, want zij gebruikten ook een boos hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v26)

**27** En U hebt Uw stad overgegeven in de handen van Uw vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v27)

**28** Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v28)

**29** Ja toen ik hier ben gekomen, en de goddeloosheid gezien heb, waarvan geen getal is, (want mijn ziel heeft vele overtreders dit dertigste jaar nu gezien) zo is mijn hart mij ontvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v29)

**30** Want ik heb gezien, hoe U hen duldt als zij zondigen, en spaart als zij goddeloosheid bedrijven, en Uw volk hebt U uitgeroeid, en Uw vijanden hebt U behouden; en U hebt dat niet te verstaan gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v30)

**31** Ik kan niet bedenken, hoe deze weg zo moet blijven. Doe dan Babylon beter dan Sion? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v31)

**32** Is er dan een ander volk dat U kent, dan Israël? of wat geslacht heeft Uw verbonden geloofd, zoals Jakob? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v32)

**33** Van wie het loon toch nergens voorhanden is, en van wie de arbeid geen vrucht geeft. Want ik ben door de heidenen heen en weer getogen, en ik heb gezien dat zij overvloed hebben, en dat zij Uw geboden niet gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v33)

**34** Nu dan, weeg onze ongerechtigheden in een schaal, en daartegen die van degenen die in de wereld wonen, zo zal Uw naam niet gevonden worden dan in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v34)

**35** Of wanneer hebben die op aarde wonen voor U niet gezondigd? of wat volk heeft Uw geboden zo gehouden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v35)

**36** Deze zult U wel met namen vinden, dat zij Uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult U hen niet vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/3.html#v36)

### 4 Ezra 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/4.json)

*1 De engel Uriel wijst Ezra op zijn onwetendheid in het begrijpen van de oordelen van God, 13 en raadt hem aan zich niet bezig te houden met dingen die zijn begrip te boven gaan. 23 Toch stelt Ezra veel vragen voor, en ontvangt daarop ook antwoord.*

**1** TOEN antwoordde mij de engel, die tot mij gezonden was, van wie de naam Uriël is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v1)

**2** En zei tot mij: Uw hart gaat veel te hoog in deze wereld, dat u denkt de weg van de allerhoogste te begrijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v2)

**3** En ik zei: Ja mijn Heere. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v3)

**4** Van welke, zo u mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die u begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v4)

**5** Toen sprak ik: Zeg aan mij Heere; en hij zei tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht van het vuur, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v5)

**6** En ik antwoordde en zei: Wie is er geboren die kan doen wat u van mij eist? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v6)

**7** Toen zei hij tot mij: Als ik u vroeg en zei: Hoeveel woningen zijn er in het hart van de zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin van de afgrond? of hoeveel aderen zijn er boven het uitspansel? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v7)

**8** Zo zou u mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet neergedaald, noch tot nog toe in het dodenrijk; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v8)

**9** Maar nu heb ik niet gevraagd dan van vuur, en van wind, en van de dag, daar u doorgegaan bent, en waarvan u niet kon afgezonderd zijn, en u hebt mij daarvan niet geantwoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v9)

**10** En hij zei tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgegroeid, kunt u niet kennen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v10)

**11** Hoe zou u dan kunnen bevatten de weg van de allerhoogste; en zo de wereld van buiten verdorven is, hoe zou u verstaan de verdorvenheid die openbaar is voor mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v11)

**12** En ik zei tot hem: Het was beter dat wij niet waren, dan dat wij nog levende zouden leven in goddeloosheid, en zouden lijden, en niet verstaan om welke zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v12)

**13** Toen antwoordde hij mij, en zei: Ik ging eens in een bos van bomen van het veld, die maakten een aanslag, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v13)

**14** En spraken: Kom, laat ons heengaan en de zee bevechten, opdat zij voor ons wijke, en wij nog andere bossen maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v14)

**15** Evenzo maakten de golven van de zee ook een aanslag, en zeiden: Kom, laat ons optrekken, en de bossen van het veld bevechten, opdat wij ook daar een ander gewest voor ons maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v15)

**16** En de aanslag van het bos werd ijdel, want het vuur kwam en verteerde het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v16)

**17** Evenzo ook de aanslag van de golven van de zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v17)

**18** Als u nu een richter was van deze, wie zou u rechtvaardigen, of wie veroordelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v18)

**19** Toen antwoordde ik en zei: Zij hebben werkelijk beide ijdele aanslagen gehad, want de aarde is gegeven voor het bos, en een plaats voor de zee om haar golven te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v19)

**20** En hij antwoordde mij en zei: U hebt wèl geoordeeld, maar waarom hebt u ook niet geoordeeld voor u zelf? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v20)

**21** Want zoals de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar golven, zo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan wat op de aarde is, en die in de hemel wonen wat op de hoogte van de hemel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v21)

**22** Toen antwoordde ik, en zei: Ik bid u Heere, dat mij de zin gegeven worde om te verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v22)

**23** Want ik heb niet willen vragen van uw hogere dingen, maar van de dingen die onder ons dagelijks omgaan: namelijk, waarom Israël de heidenen tot een smaad is overgegeven, en waarom het volk, dat u liefgehad hebt, overgegeven is aan de goddeloze geslachten, en de wet van onze vaders teniet is geworden, en de geschreven rechten nergens voorhanden zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v23)

**24** En waarom wij door de wereld zijn gegaan als sprinkhanen, en ons leven verbaasdheid is en vrees, en wij niet waard zijn barmhartigheid te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v24)

**25** Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v25)

**26** Toen antwoordde hij mij, en zei: Als u veel onderzoekt, zo zult u zich dikwijls verwonderen, want de tijd van deze wereld loopt zeer haastig heen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v26)

**27** En kan niet vatten wat in toekomende tijden de rechtvaardigen toegezegd is, want deze tijd is vol ongerechtigheid en zwakheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v27)

**28** Maar waarvan u mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v28)

**29** Zo nu wat gezaaid is, omgekeerd wordt, en de plaats niet wegwijkt, waar het kwade gezaaid is, zo zal het goede niet komen waar het gezaaid is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v29)

**30** Want het graan van het kwade zaad is gezaaid in het hart van Adam van het begin; hoeveel goddeloosheid heeft het voortgebracht tot nu toe, en zal het nog voortbrengen, totdat de oogst komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v30)

**31** Nu overweegt u bij u zelf, wat een grote vrucht van de goddeloosheid het graan van het kwade zaad voortgebracht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v31)

**32** Wanneer de aren, waarvan geen getal is, afgesneden zullen zijn, hoe groot een oogst zullen ze voortbrengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v32)

**33** En ik antwoordde en zei: Hoe en wanneer zal dit gebeuren? waarom zijn onze jaren weinig en kwaad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v33)

**34** Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want u haast u tevergeefs om over Hem te zijn, en u gaat u veel te buiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v34)

**35** Hebben niet de zielen van de rechtvaardigen in hun binnenkamers hiervan gevraagd, zeggende: Hoe lang zal ik zo hopen? en wanneer zal de vrucht van de oogst van onze beloning komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v35)

**36** En Jeremiël de aartsengel antwoordde daarop, en zei: Als dan, wanneer het getal van de zaden onder u zal vervuld zijn; want hij heeft de wereld gewogen in een balans, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v36)

**37** En hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, voordat de voorzegde maat vervuld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v37)

**38** En ik antwoordde en zei: O heersende Heere, maar ook wij allen zijn vol goddeloosheid, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v38)

**39** Dat nu misschien om onzentwil de oogst van de rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, vanwege de zonden van degenen die op aarde wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v39)

**40** En hij antwoordde, en zei tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v40)

**41** En ik zei: Nee, zij kan niet Heere; en hij zei tot mij: In het dodenrijk zijn de binnenkameren van de zielen aan de baarmoeder gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v41)

**42** Want zoals een die baart zich haast, om van de nood van de geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven wat haar bevolen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v42)

**43** Van het begin dan wordt u getoond, wat u begerig bent te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v43)

**44** En ik antwoordde en zei: Heb ik genade in uw ogen gevonden, en als het mogelijk is, en ik er bekwaam toe ben, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v44)

**45** Zo toon mij, of er meer staat te komen, dan er voorbijgegaan is, of dat meer voorbijgegaan is dan er toekomende is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v45)

**46** Wat voorbijgegaan is, dat weet ik; maar wat toekomende is, dat weet ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v46)

**47** En hij zei tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v47)

**48** En ik stond daar, en ik zag, en zie een gloeiende oven ging voor mij heen, en als de vlam voorbijging, zo zag ik dat de rook overbleef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v48)

**49** Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v49)

**50** En hij zei tot mij: Denk bij u zelf, zoals de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, maar de druppelen en de rook zijn nog overgebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v50)

**51** En ik bad en zei: Denkt u, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v51)

**52** Toen antwoordde hij mij en zei: Van de tekenen waarvan u mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/4.html#v52)

### 4 Ezra 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/5.json)

*1 De tekenen van de laatste tijden. 23 Ezra vraagt waarom God maar een volk heeft uitverkoren, en waarom Hij datzelfde volk laat verdrukken. 30 Hem wordt geantwoord dat de oordelen van God ondoorgrondelijk zijn, 46 en dat God niet alle dingen tegelijk doet.*

**1** VAN de tekenen nu. Zie de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg van de waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v1)

**2** En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die u zelf ziet, en boven die u vroeger gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v2)

**3** En het zal gebeuren, wanneer een voet daarop gezet wordt, dat men het land, dat u nu ziet heersen, woest zal zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v3)

**4** Als nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult u na de derde bazuin zien, dat de zon van de nacht haastig zal schijnen, en de maan drie keer in de dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v4)

**5** Het bloed zal van het hout druipen, en de steen zal zijn stem geven, en de volken zullen bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v5)

**6** En hij zal heersen, die degenen die op de aarde wonen niet verwachten, en het gevogelte zal wegtrekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v6)

**7** En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal in de nacht een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen toch zullen zij haar stem horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v7)

**8** De aarde zal opengaan in vele plaatsen, en het vuur zal dikwijls te voorschijn komen, en het wilde gedierte zal wegtrekken, en de maandstondige vrouwen zullen wangedrochten baren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v8)

**9** En in de zoete wateren zullen zoute gevonden worden, en alle vrienden zullen elkaar met strijd overvallen, dan zal de kennis verborgen zijn, en het verstand zal zich verbergen in zijn binnenkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v9)

**10** En zal van velen gezocht en niet gevonden worden, en de ongerechtigheid en onmatigheid zal vermenigvuldigd worden op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v10)

**11** En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Nee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v11)

**12** In die tijd zullen de mensen hopen en niet verkrijgen; zij zullen arbeiden maar hun wegen zullen niet gericht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v12)

**13** Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo u weer bidt en weent zoals nu, en zo u zeven dagen vast, zo zult u weer grotere horen dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v13)

**14** Toen verschrikte ik, en mijn lichaam beefde zeer, en mijn ziel werd bang, zodat ik bezweek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v14)

**15** Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v15)

**16** En het is gebeurd in de tweede nacht, dat Salathiël, de overste van het volk, bij mij kwam en zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v16)

**17** Waar bent u geweest, en waarom is uw gezicht zo droevig? Weet u niet dat Israël u bevolen is in het land van zijn gevangenis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v17)

**18** Sta dan op, en nuttig voedsel, en verlaat ons niet, als een herder zijn schapen, in het geweld van de kwade wolven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v18)

**19** En ik zei tot hem: Ga van mij, en nader niet tot mij. En hij hoorde mij, naar ik gezegd had, en hij week van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v19)

**20** En ik vastte zeven dagen, huilende en wenende, zoals mij de engel Uriël bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v20)

**21** En het gebeurde na zeven dagen, dat de gedachten van mijn hart mij weer zeer bezorgd maakten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v21)

**22** En mijn ziel nam weer de geest van het verstand, en begon weer te spreken voor de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v22)

**23** En ik zei: O heersende Heere, uit alle bossen van de aarde en uit al hun bomen hebt U alleen de wijnstok gekozen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v23)

**24** En uit al de landen van de aardbodem hebt U Zich een groef gekozen, en uit alle bloemen van de aardbodem hebt U Zich een lelie gekozen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v24)

**25** En uit al die diepten van de zee hebt U Zich een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt U Zich Sion geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v25)

**26** En uit alle geschapen gevogelte hebt U Zich een duif genoemd, en uit al het geschapen vee hebt U Zich een lammetje voorzien, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v26)

**27** En uit alle vermenigvuldigde volken hebt U Zich een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin U lust had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v27)

**28** En nu Heere, waarom hebt U dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat Uw is, onder velen verstrooid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v28)

**29** En zij hebben dat vertreden, die Uw beloften tegenspraken, en die Uw verbonden niet geloofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v29)

**30** En ofschoon U Uw volk haatte, zo moest het door Uw handen getuchtigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v30)

**31** En het is gebeurd, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v31)

**32** En hij zei tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v32)

**33** Toen zei ik: Spreek mijn Heere. En hij zei tot mij: Uw geest is te zeer bezorgd over Israël; hebt u dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v33)

**34** En ik zei tot hem: Nee Heere, maar ik heb zo uit verdriet gesproken; want mijn nieren drukken mij te allen tijde, zoekende te verstaan de weg van de allerhoogste, en te doorgronden een deel van Zijn oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v34)

**35** En hij zei tot mij: Dat kunt u niet. Maar ik sprak: Waarom Heere? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer van Jakob niet zou zien, en de moeite van het geslacht van Israël? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v35)

**36** En hij zei tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen opnieuw groen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v36)

**37** Open mij de binnenkameren die gesloten zijn, en breng mij te voorschijn de winden, die daarin besloten zijn: toon mij het beeld van de stem; en dan zal ik u tonen de arbeid waarnaar u vraagt om die te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v37)

**38** En ik sprak: O heersende Heere, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v38)

**39** Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, die u mij hebt gevraagd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v39)

**40** Toen zei hij tot mij: Zoals u niet één van de dingen kunt doen, die gezegd zijn, zo zult u ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v40)

**41** En ik sprak: Maar zie, Heere, u bent nabij degenen, die tegen het einde zijn; wat zullen nu die doen, die voor mij geweest zijn, of wij, of die na ons zijn zullen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v41)

**42** En hij zei tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; zoals de laatste geen vertraging is, zo is de eerste geen verhaasting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v42)

**43** En ik antwoordde en zei: Kon u niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat u uw oordeel te spoediger vertoonde? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v43)

**44** En hij antwoordde en zei: Het schepsel kan de Schepper niet voorkomen, noch de wereld op eenmaal dragen, die daarin geschapen zullen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v44)

**45** Toen sprak ik: Zoals u tot uw knecht hebt gezegd, dat u het schepsel, dat geschapen is, op eenmaal levend gemaakt hebt, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v45)

**46** En hij zei tot mij: Vraag de baarmoeder van een vrouw, en zeg tot haar: Zo u baart, waarom doet u dat op verscheiden tijd? Bid haar dan dat zij er tien op eenmaal geve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v46)

**47** En ik zei: Zij kan toch niet, maar zij moet het door de tijd doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v47)

**48** Toen zei hij: Ik heb ook de baarmoeder van de aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v48)

**49** Want zoals een jong kind niet baart, wat van de oude is, zo heb ik ook de geschapen wereld bestemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v49)

**50** En ik vroeg en zei: Omdat u mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan u mij gezegd hebt, is die nog jong; of nadert zij nu de ouderdom? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v50)

**51** Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v51)

**52** Want u zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die u gebaard hebt, nu niet zoals degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v52)

**53** En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, die in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd van de ouderdom geboren worden, als de baarmoeder afneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v53)

**54** Zo merk dan ook u, dat u van minder grootte bent, dan die voor u geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v54)

**55** En die na u komen, zullen van minder grootte zijn dan u, als schepselen die nu beginnen oud te worden, en bij wie de sterkte van de jeugd nu voorbij is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v55)

**56** En ik zei: Ik bid u Heere, als ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie u uw schepsel bezoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/5.html#v56)

### 4 Ezra 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/6.json)

*1 Het voornemen van God is van eeuwigheid, van voor de schepping van de wereld. 8 De toekomende wereld zal onmiddellijk op deze volgen. 13 Wat in de laatste tijd zal gebeuren, 20 het laatste oordeel en de opstanding uit de doden. 31 Aan Ezra wordt meer kennis beloofd. 38 Hij verhaalt de werken van de schepping, 56 en klaagt dat Gods volk, om wie de wereld gemaakt is, in de wereld verdrukt wordt.*

**1** EN hij zei tot mij: Van toen af dat de aardbodem zijn begin had, en voordat de einden van de wereld vaststonden, en voordat de winden samen bliezen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v1)

**2** En voordat de stemmen van de donder geluid gaven, en voordat het licht van de bliksem scheen, en voordat de fundamenten van het paradijs bevestigd waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v2)

**3** En voordat de schone bloemen gezien werden, en voordat de bewogen krachten waren bevestigd, en voordat de ontelbare legermachten van de engelen verzameld waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v3)

**4** En voordat de hoogte van de lucht werd opgeheven, en voordat de maat van de hemelen bekend was, en voordat de haardsteden te Sion heet waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v4)

**5** En voordat men de tegenwoordige jaren opzocht, en voordat de vonden van degenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat verzameld hebben, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v5)

**6** Toen heb ik alle dingen bedacht, en zij zijn door mij alleen en door geen ander gemaakt, en het einde zal door mij zijn, en door geen ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v6)

**7** En ik antwoordde en zei: Wat scheiding van de tijd zal er zijn? of wanneer zal het einde zijn van de vorigen, en het begin van de volgenden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v7)

**8** En hij zei tot mij: Van Abraham tot op Izaäk, toen Jakob en Ezau van hem geboren zijn, zo hield de hand van Jakob van het begin de hiel van Ezau; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v8)

**9** Want het einde van deze eeuw is Ezau, en het begin van de toekomende is Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v9)

**10** De hand van de mensen is tussen de hiel en de hand; anders zult u nu niet vragen, Ezra. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v10)

**11** En ik antwoordde, en zei: O heersende Heere, als ik genade gevonden heb in uw ogen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v11)

**12** Zo bid ik u, dat u uw dienaar het einde toont van uw tekenen, waarvan u mij een deel de voorgaande nacht getoond hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v12)

**13** En hij antwoordde en zei tot mij: Sta op uw voeten, en hoor de volkomen stem van het geluid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v13)

**14** En daar zal zijn een beweging, en toch zal de plaats waar u op staat niet bewogen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v14)

**15** Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament van de aarde wordt daarbij ook verstaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v15)

**16** Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v16)

**17** En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v17)

**18** En zij zei: Zie de dagen komen, en het zal gebeuren, als Ik zal beginnen te naderen, dat Ik de inwoners van de aarde zal bezoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v18)

**19** En dat Ik van hen zal beginnen te onderzoeken, wie met hun ongerechtigheid anderen onrechtvaardig zullen hebben beledigd, en wanneer de vernedering Sions zal vervuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v19)

**20** En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal Ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht van de hemel, en alle samen zullen zij ze zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v20)

**21** En kinderen van één jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v21)

**22** En de bezaaide plaatsen zullen haastig als onbezaaide gezien worden, en de volle kelders zullen haastig leeg gevonden worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v22)

**23** En de bazuin zal met een geluid slaan, en als allen die gehoord hebben, zo zullen zij verschrikt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v23)

**24** En het zal in die tijd gebeuren, dat de vrienden hun vrienden zullen bevechten als vijanden, en de aarde zal met hen verschrikken; en de aderen van de fonteinen zullen stilstaan en zullen in drie uren niet lopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v24)

**25** En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan Ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal Mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v25)

**26** En de mensen, die aangenomen zijn, die de dood van hun geboorte aan niet gesmaakt hebben, zullen het zien; en het hart van de inwoners zal veranderd, en in een andere zin gekeerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v26)

**27** Want het kwaad zal uitgeroeid en het bedrog zal uitgeblust worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v27)

**28** Maar het geloof zal bloeien en de verdorvenheid zal overwonnen worden, en de waarheid zal te voorschijn komen, die zovele dagen zonder vrucht geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v28)

**29** En het gebeurde, toen hij met mij sprak, dat ik hem langzamerhand aanzag, voor wie ik stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v29)

**30** En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v30)

**31** Als u dan weer bidt, en weer zeven dagen vast, zo zal ik u weer grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v31)

**32** Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw reinheid, die u van de jeugd aan hebt behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v32)

**33** En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v33)

**34** En overhaast u niet, om de voorgaande tijden ijdele dingen te bedenken, en haast u niet om van de laatste tijden achterhaald te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v34)

**35** En het gebeurde na deze, dat ik weer huilde, en evenzo zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v35)

**36** En aan de achtste nacht, werd mijn hart weer in mij beroerd, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v36)

**37** Want mijn geest werd zeer ontstoken en mijn ziel werd benauwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v37)

**38** En ik zei: O Heere, U hebt in het begin van de schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en Uw Woord was een volkomen werk, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v38)

**39** En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem van de mensen was nog door U niet geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v39)

**40** Toen hebt U gezegd, dat uit Uw schatten het klare licht zou voortgebracht worden, opdat Uw werk zichtbaar zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v40)

**41** En op de tweede dag schiep U de lucht van het uitspansel, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel omhoog zou trekken, en een deel beneden zou blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v41)

**42** De derde dag nu hebt U de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel van de aarde, maar zes delen hebt U droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor U zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v42)

**43** Want Uw Woord ging uit, en het werk is meteen geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v43)

**44** Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van allerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en geurende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v44)

**45** Op de vierde dag nu gebood U, dat worden zou het schijnsel van de zon, het licht van de maan, en de ordening van de sterren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v45)

**46** En U gebood hun dat zij de mens dienen zouden, die nog geschapen zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v46)

**47** Op de vijfde dag zei U tot het zevende deel, waarin de wateren verzameld waren, dat het zou voortbrengen gedierte, vogels, en vissen, en het gebeurde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v47)

**48** Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin Uw wonderen zouden verhalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v48)

**49** En toen hebt U twee dieren bestemd, de naam van het ene noemde U Behemoth, en de naam van het andere noemde U Leviathan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v49)

**50** En U hebt die van elkaar gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v50)

**51** En U hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v51)

**52** De Leviathan nu hebt U het zevende deel van het water gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding van degene, die U wilt, en wanneer U wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v52)

**53** Op de zesde dag gebood U de aarde, dat zij het grote en kleine vee voor U zou voortbrengen, en de kruipende gedierten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v53)

**54** En bovendien ook Adam, die U over al Uw schepselen, die U gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat U uitverkoren hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v54)

**55** Dit alles nu heb ik, Heere! voor U gesproken, omdat U om onzentwil de wereld geschapen hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v55)

**56** Maar de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt U gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt U vergeleken met de druppel, die van een kruik valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v56)

**57** En nu Heere, zie die volken, die als niets geacht zijn, beginnen ons te overheersen en te verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v57)

**58** Maar wij, Uw volk, dat U Uw eerstgeborene en Uw eniggeborene genoemd hebt en waarover U ijvert, zijn in hun handen gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v58)

**59** Is de wereld nu om onzentwil geschapen, waarom bezitten wij dan niet een erfenis met de wereld? hoe lang zal dit zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/6.html#v59)

### 4 Ezra 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/7.json)

*1 De weg die men moet ingaan is smal, 12 en hij verklaart wanneer die smal geworden is. 28 Christus moet geopenbaard worden en sterven. 32 De doden zullen opgewekt worden en het oordeel zal gehouden worden. 46 Van Adam af is de zonde en alle ellende voortgekomen. 53 Het paradijs is niet tevergeefs gemaakt. 62 God is barmhartig en weldadig.*

**1** EN het is gebeurd, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v1)

**2** En hij zei tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v2)

**3** En ik zei: Spreek mijn God! en hij zei tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v3)

**4** Maar haar ingang is in een nauwe plaats gesteld, opdat zij aan de rivieren gelijk zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v4)

**5** Want wie zou graag in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; als hij niet door het nauwe ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v5)

**6** Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v6)

**7** De ingang is nauw en op een steilte gelegen, zodat er aan de rechterzijde vuur is, en aan de linkerzijde een diep water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v7)

**8** Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v8)

**9** Als nu deze stad iemand tot een erfenis gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erfenis verkrijgen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v9)

**10** En ik sprak: Het is zo Heere; en hij zei tot mij: Zo is ook het deel van Israël: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v10)

**11** Want om hunnentwil heb ik de wereld gemaakt, en als Adam mijn voorschriften overtreden heeft, zo is dat geoordeeld, wat gebeurd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v11)

**12** En de ingangen van deze wereld zijn nauw geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v12)

**13** Want de grote wereldingangen waren breed, en zeker, en brachten de vrucht van de onsterfelijkheid voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v13)

**14** Als dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door wat hier nauw en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen wat weggelegd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v14)

**15** Nu dan, waarom bent u bezorgd, omdat u verderfelijk bent? en waarom bent u beroerd, omdat u sterfelijk bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v15)

**16** En waarom hebt u niet ter harte genomen wat toekomend is, maar wat tegenwoordig is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v16)

**17** En ik antwoordde en zei: O heersende Heer, zie, u hebt in uw wet bestemd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v17)

**18** Maar de rechtvaardigen dragen het nauwe, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het nauwe gedragen, en zullen het wijde niet zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v18)

**19** En hij zei tot mij: Daar is geen rechter boven God, en geen verstandige boven de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v19)

**20** Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet van God, die voorgesteld is, verzuimd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v20)

**21** Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v21)

**22** Maar zij zijn niet gehoorzaam geweest, en hebben hem wedersproken, en hebben zichzelf ijdele gedachten verdicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v22)

**23** En hebben zichzelf bedriegerijen van de zonde voorgesteld, en hebben bovendien tot de Allerhoogste gezegd, dat Hij niet is, en hebben Zijn wegen niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v23)

**24** En hebben zijn wet veracht, en zijn beloften verloochend, en hebben zijn rechten niet geloofd, en hebben zijn werken niet volbracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v24)

**25** Daarom Ezra, het ledige is voor de ledigen, en het volle voor de vollen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v25)

**26** Zie, de tijd zal komen, en het zal gebeuren, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v26)

**27** En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v27)

**28** Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v28)

**29** En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v29)

**30** En de wereld zal terugkeren tot het oude stilzwijgen, zeven dagen lang, zoals in de voorgaande oordelen, zodat niemand zal overgelaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v30)

**31** En het zal na zeven dagen gebeuren, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en wat verdorven is, zal sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v31)

**32** En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v32)

**33** En de Allerhoogste zal geopenbaard worden op de rechterstoel, en de ellende zal voorbijgaan, en de lankmoedigen zullen verzameld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v33)

**34** Het recht nu zal allen overblijven; de waarheid zal bestaan, en het geloof zal sterk worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v34)

**35** En het werk zal hen navolgen, en het loon zal vertoond worden; de gerechtigheid zal opwaken en de ongerechtigheid zal niet heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v35)

**36** En ik zei: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaders, die in de woestijn gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v36)

**37** En die na hem geweest zijn voor Israël, ten tijde van Achan en Samuël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v37)

**38** David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v38)

**39** En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v39)

**40** En Ezechias voor het volk ten tijde van Sanherib, en anderen, velen voor velen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v40)

**41** Als dan nu, wanneer de verdorvenheid toegenomen is, en de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het ook nu zo niet zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v41)

**42** En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v42)

**43** Maar de dag van het oordeel zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd van de toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v43)

**44** De onmatigheid is losgemaakt, en het ongeloof is afgesneden, maar de gerechtigheid is toegenomen en de waarheid is opgestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v44)

**45** Want dan zal niemand die kunnen zalig maken die verloren is, noch tenonderbrengen, die overwonnen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v45)

**46** Toen antwoordde ik, en zei: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter was geweest aan Adam de aarde niet te geven, of als hij die hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v46)

**47** Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in verdriet, en als zij dood zijn de straf te verwachten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v47)

**48** O Adam, wat hebt u gedaan? want zo u gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v48)

**49** Want wat baat het ons, als ons een onsterfelijke tijd toegezegd is, en wij toch dodelijke werken gedaan hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v49)

**50** En dat ons een eeuwige hoop is voorzegd, en wij toch boos en ijdel geworden zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v50)

**51** En dat ons weggelegd zijn woningen van de gezondheid, en van de zekerheid, en wij toch kwalijk geleefd hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v51)

**52** En dat de eer van de Allerhoogste bewaard wordt, om hen te beschermen, die volhardende geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v52)

**53** En dat het paradijs getoond wordt, waarvan de vrucht onvergankelijk blijft, waarin zekerheid en heilzaamheid is, en wij daar niet ingaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v53)

**54** Want wij hebben in onaangename plaatsen gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v54)

**55** En dat de aangezichten van degenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v55)

**56** Want wij hebben, toen wij leefden, niet gedacht als wij de ongerechtigheid deden, dat wij na de dood zouden beginnen te lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v56)

**57** En hij antwoordde en zei: Dit is de bedenking van de strijd, die de mens op aarde geboren, moet strijden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v57)

**58** Opdat hij lijde wat u gezegd hebt, als hij overwonnen wordt, maar als hij overwint, zo zal hij ontvangen wat ik zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v58)

**59** Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zei: Kies het leven, opdat u leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v59)

**60** Maar zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v60)

**61** Dat het verdriet niet zou zijn tot hun verderf, zoals de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v61)

**62** En ik antwoordde en zei: Ik weet Heere dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat Hij zich over hen ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v62)

**63** En dat hij zich ontfermt over degenen die zich bekeren tot zijn wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v63)

**64** En dat hij geduldig is; want hij bewijst geduld aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v64)

**65** En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar wat nodig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v65)

**66** En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst veelvuldige barmhartigheid aan degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v66)

**67** Want zo hij zijn veelvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v67)

**68** En hij vergeeft; want als hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel van de mensen niet levend gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v68)

**69** En als de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte van de twistingen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v69)

**70** Zo zouden mogelijk van een ontelbare menigte niet dan zeer weinigen overgelaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/7.html#v70)

### 4 Ezra 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/8.json)

*1 Velen zijn er geschapen, maar weinigen worden behouden. 6 Hij vraagt hoe het komt dat God zijn eigen werk verderft, 26 en bidt God dat Hij wil zien op het volk dat Hem alleen dient. 52 God antwoordt dat het paradijs niet voor allen, maar voor hen bereid is die Hem oprecht dienen.*

**1** EN hij antwoordde en zei tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v1)

**2** Maar, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof u de aarde vroegt, en zij u zou zeggen dat zij zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden pot gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand van de tegenwoordige wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v2)

**3** Daar zijn wel velen geschapen, maar weinigen worden behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v3)

**4** En ik antwoordde en zei: Nu dan mijn ziel, verslind de zin, en verzwelg het verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v4)

**5** Want u bent overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijd gegeven, dan alleen dit leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v5)

**6** O Heere, zo U Uw knecht niet toelaat, dat wij voor Uw aangezicht bidden, en dat U ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v6)

**7** Want U bent alleen, en wij zijn maar een schepping van Uw handen, zoals U gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v7)

**8** En zoals nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en U het zijn leden geeft, zo wordt Uw schepsel als in vuur en water bewaard, en Uw werk dat U gemaakt hebt, draagt negen maanden Uw schepsel, dat daarin geschapen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v8)

**9** Hetzelfde nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkaar bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te haar tijd weer wat in haar gewassen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v9)

**10** Want U hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht van de borsten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v10)

**11** Opdat wat geschapen is voor een tijd gevoed wordt, en U het daarna van Uw barmhartigheid beveelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v11)

**12** U brengt hem op door Uw gerechtigheid, en onderricht hem in Uw wet en tuchtigt hem door Uw wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v12)

**13** En U doodt hem als Uw schepsel, en maakt hem levend als Uw werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v13)

**14** Als U dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door Uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden wordt wat gemaakt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v14)

**15** En nu, Heere, van alle mensen weet U het best, maar veel meer zal ik spreken van Uw volk, omdat ik treurig ben, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v15)

**16** En van Uw erfenis, om welke ik leed draag, en van Israël, om welke ik smart lijd, en van Jakob, om wie ik mij bedroef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v16)

**17** Daarom zal ik voor Uw aangezicht beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v17)

**18** Maar ik heb de snelheid gehoord van de Rechter, die komende is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v18)

**19** Daarom hoor mijn stem, en versta mijn reden, en ik zal voor U spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v19)

**20** Het begin van de woorden van Ezra, voordat hij werd opgenomen. En ik zei: Heere, die de eeuwigheid bewoont, van wie de ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht neerzien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v20)

**21** Van wie de troon onmetelijk, en van wie de heerlijkheid onbegrijpelijk is; voor wie het heerleger van de engelen sidderend staat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v21)

**22** Van wie de opmerking zich keert met wind en vuur; van wie het woord waarachtig, en van wie de redenen standvastig zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v22)

**23** Van wie het bevel sterk, en van wie de ordening verschrikkelijk is; van wie het aanschouwen de afgronden uitdroogt; en van wie de toorn de bergen doet verdwijnen, zoals de waarheid getuigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v23)

**24** Verhoor het gebed van Uw dienaar, en vat met Uw oren de smeking van Uw maaksel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v24)

**25** Want omdat ik leef, zo zal ik spreken, en omdat ik vernuft heb, zo zal ik antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v25)

**26** En zie niet aan de misdaden van Uw volk, maar zie degenen aan, die U in waarheid dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v26)

**27** En let niet op het goddeloze van de heidenen, maar op degenen, die Uw getuigenissen met smarten onderhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v27)

**28** En gedenk niet aan degenen, die vals voor U hebben gewandeld, maar aan degenen die naar Uw wil Uw vrees bekend hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v28)

**29** En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die Uw wet heerlijk geleerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v29)

**30** En vertoorn U niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, die altijd op Uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v30)

**31** Want wij en onze vaders zijn ziek van zulke tekortkomingen, maar U wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v31)

**32** Want zo U begerig bent Zich over ons te ontfermen, dan zult U barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken van de gerechtigheid hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v32)

**33** Want de rechtvaardigen, wie vele werken weggelegd zijn, zullen uit hun werken het loon ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v33)

**34** Maar wat is de mens, dat U Zich over hem zou vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat U daartegen zo verbitterd zou zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v34)

**35** Want in waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die U belijden, die niet misdaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v35)

**36** Want daarin zal Uw gerechtigheid en Uw goedheid verkondigd worden, Heere, wanneer U Zich zult ontfermen over degenen, die het wezen van de goede werken niet hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v36)

**37** En hij antwoordde en zei tot mij: U hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v37)

**38** Want ik zal werkelijk niet gedenken aan het werk van degenen, die gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel, en vóór het verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v38)

**39** Maar ik zal vreugde hebben over het pogen van de rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen van het loon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v39)

**40** Zoals ik dan gesproken heb, zo is het ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v40)

**41** Want zoals de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortels krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v41)

**42** En ik antwoordde, en zei: Als ik genade gevonden heb, zo laat mij spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v42)

**43** Zoals het zaad van de landman verloren gaat als het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of als het door de veelheid van de regen verderft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v43)

**44** Zo gaat ook evenzo verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en bent hem een evenbeeld genoemd, omdat u hem gelijk bent, om wie u alle dingen hebt geschapen, en die u het zaad van de landman gelijk gemaakt hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v44)

**45** En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want u ontfermt u over uw schepsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v45)

**46** En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige dingen zijn voor de tegenwoordige, maar de toekomstige voor de toekomstige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v46)

**47** Want u ontbreekt nog veel, dat u mijn schepsel zou liefhebben meer dan ik: maar ik ben u en hetzelfde dikwijls genaderd, maar de onrechtvaardige nooit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v47)

**48** Maar ook daarin bent u wonderlijk voor de Allerhoogste; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v48)

**49** Omdat u zich vernederd hebt, zoals het u past, en hebt u zelf niet waard geoordeeld, dat u onder de rechtvaardigen zeer zou verheerlijkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v49)

**50** Daarom zal vele en jammerlijke ellende hun overkomen, die de wereld in de laatste tijden zullen bewonen, omdat zij in vele hoovaardij gewandeld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v50)

**51** Maar u, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v51)

**52** Want u is het paradijs geopend, de boom van het leven geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v52)

**53** De wortel van het kwaad is ver van u verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar het dodenrijk gevlucht in vergetelheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v53)

**54** De smarten zijn vergaan, en de schat van de onsterfelijkheid is aan het einde getoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v54)

**55** Daarom wil niet verder vragen van de veelheid van degenen, die verloren gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v55)

**56** Want zij hebben hun vrijheid aangenomen, en de Allerhoogste veracht, en hebben Zijn wet versmaad, en Zijn wegen verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v56)

**57** Daarenboven hebben zij de rechtvaardigen met voeten vertreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v57)

**58** En hebben in hun hart gezegd, dat er geen God is, daar zij toch weten dat zij sterven moeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v58)

**59** Want zoals u zal overkomen wat tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart overkomen, die hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v59)

**60** Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt van degene die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v60)

**61** En daarom nadert nu mijn oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v61)

**62** Dat vertoon ik niet aan allen, maar aan u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v62)

**63** Zie, Heere, nu hebt u mij de veelheid van de tekenen getoond, die u in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar u hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/8.html#v63)

### 4 Ezra 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/9.json)

*1 Dat alles wat in de wereld is een begin en een einde heeft. 7 Wie verdoemd en wie behouden zullen worden. 15 Dat het getal van hen die verdoemd worden groter is dan van hen die behouden worden. 33 Hij beklaagt dat zij die de wet van God houden, omkomen. 38 En hij ziet een vrouw wenend in een open veld.*

**1** TOEN antwoordde hij, en zei tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal gebeuren, wanneer een deel van de tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v1)

**2** Dat u dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door Hem gemaakt is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v2)

**3** En wanneer in de wereld aardbevingen zullen gezien worden, en onlusten van de volken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v3)

**4** Dan zult u verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van de beginne geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v4)

**5** Want zoals al wat in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is openbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v5)

**6** Zo hebben ook de tijden van de Allerhoogste openbare beginselen in wonderen en tekenen, en hun einden in werkingen, en in tekenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v6)

**7** En het zal gebeuren dat een ieder die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvluchten, en door het geloof waarmee u geloofd hebt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v7)

**8** Dat hij (zeg ik) zal bevrijd worden van de voorzegde gevaren, en hij zal mijn zaligheid zien in mijn land, en in mijn grenzen; want ik heb mij die geheiligd van de eeuwen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v8)

**9** Dan zullen niet ontfermd worden, die mijn wegen misbruikt hebben, en die zullen in pijn wonen, die ze verworpen en veracht hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v9)

**10** Want die mij niet gekend hebben, toen zij in het leven weldaden ontvingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v10)

**11** En die van mijn wet een walg gehad hebben, toen zij nog vrijheid hadden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v11)

**12** En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v12)

**13** Zo dan, wees niet meer bezorgd hoe de goddelozen zullen gepijnigd worden; maar onderzoek hoe de rechtvaardigen, voor wie en om welke die wereld zal zijn, zullen zalig worden en wanneer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v13)

**14** En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v14)

**15** Dat er meer in getal zijn die verloren gaan, dan die behouden worden, zoals de watergolf meerder is dan de druppel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v15)

**16** En hij antwoordde en sprak tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v16)

**17** Zoals het veld is, zo zijn ook de zaden; en zoals de bloemen zijn, zo zijn ook de kleuren; en zoals de arbeider is, zo is ook het werk; en zoals de landman is, zo is ook de landbouw; want het was de tijd van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v17)

**18** Werkelijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v18)

**19** Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden van degenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v19)

**20** En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar vanwege de gedachten, die daarin waren voortgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v20)

**21** En ik heb gezien, en heb hen zeer gespaard, en heb mij een wijnbezie van een druiftak behouden, en een planting uit vele geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v21)

**22** Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v22)

**23** Maar u, als u nog andere zeven dagen wacht, (maar u zult daarin niet vasten), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v23)

**24** Zo zult u gaan op een veld van bloemen, waarop geen huis is gebouwd, en u zult alleen eten van de bloemen van het veld, en zult geen vlees smaken, en geen wijn drinken, maar alleen de bloemen eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v24)

**25** En bid de Allerhoogste zonder ophouden, zo zal ik komen en met u spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v25)

**26** En ik ben heengegaan, zoals hij mij gezegd had, in het veld dat Ardath heet, en ik zat daar in de bloemen; en ik at van het kruid van de akker, en ik werd van zijn voedsel verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v26)

**27** En het is gebeurd na zeven dagen, dat ik neerzat op het gras, en mijn hart werd weer beroerd als tevoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v27)

**28** En mijn mond werd geopend, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v28)

**29** O Heere, toen U Uzelf ons vertoonde, bent U onze vaders openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, toen zij uit Egypte trokken, en hebt hun ernstig gezegd: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v29)

**30** Israël, hoor Mij, en zaad van Jakob, luister naar Mijn reden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v30)

**31** Want ziet, Ik zaai Mijn wet in u, en zij zal in u vrucht voortbrengen, en u zult daarin verheerlijkt worden in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v31)

**32** Maar onze vaders, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht van de wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de Uwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v32)

**33** Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, omdat zij niet bewaarden wat in hen gezaaid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v33)

**34** En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een voorwerp het voedsel en de drank, wanneer wat verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v34)

**35** Dat wat gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en wat daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v35)

**36** Maar ons is het zo niet gebeurd, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v36)

**37** Maar de wet is niet vergaan, maar is gebleven in haar werking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v37)

**38** En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en huilde met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar kleren waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v38)

**39** Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v39)

**40** Waarom weent u? en waarom bent u bedroefd in uw geest? en zij zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v40)

**41** Laat van mij af, Heer, opdat ik mag huilen, en in mijn verdriet voortgaan, want ik ben zeer ontsteld van geest, en ben zeer vernederd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v41)

**42** En ik zei tot haar: Wat is u overkomen? zeg het mij toch. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v42)

**43** En zij zei tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v43)

**44** En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v44)

**45** En het is gebeurd na dertig jaren, dat God mij, uw dienstmaagd verhoord heeft, en Hij heeft mijn vernedering gezien, en Hij heeft mijn angst aangemerkt, en Hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v45)

**46** En ik voedde hem op met grote arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v46)

**47** En toen hij opgegroeid was, en de tijd gekomen was, dat hij een vrouw zou nemen, zo heb ik een maaltijd toebereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/9.html#v47)

### 4 Ezra 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/10.json)

*1 Hij troost de vrouw in het veld en beklaagt de ellende van Sion. 27 Zij verdwijnt, en een stad verschijnt in haar plaats. 29 De engel troost hem en verklaart hem het visioen dat hij in het veld gezien had.*

**1** EN het is gebeurd, toen mijn zoon in zijn slaapkamer ging, dat hij neergevallen en gestorven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v1)

**2** En wij hebben al de lichten omgekeerd, en al mijn medeburgers zijn opgestaan om mij te troosten, en ik hield mij stil tot de andere dag toe, tegen de nacht, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v2)

**3** En toen zij allen ophielden mij te troosten, opdat ik zou rusten, zo ben ik in de nacht opgestaan, en weggevlucht, en ben in dit veld gekomen, zoals u ziet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v3)

**4** En ik heb voorgenomen niet weer in de stad te komen, maar hier te blijven, en niet te eten noch te drinken, en zonder ophouden te treuren en te vasten voordat ik sterf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v4)

**5** Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met toorn tot haar, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v5)

**6** U, dwaze boven alle vrouwen, ziet u ons treuren niet? en wat ons ontmoet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v6)

**7** Want Sion onze moeder is met allerlei verdriet bedroefd, en met nederheid vernederd, en is geheel zeer treurig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v7)

**8** En nu, waar wij allen treuren en droevig zijn, daar wij allen bedroefd zijn, zo treurt u alleen over een zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v8)

**9** Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar groeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v9)

**10** En uit haar zijn van de beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v10)

**11** Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar u maar over één zo droevig bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v11)

**12** Als u nu tot mij zegt: Mijn treuren is niet aan dat van de aarde gelijk; want ik heb de vrucht van mijn lijf verloren, die ik met smarten gebaard en met verdriet voortgebracht heb, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v12)

**13** Maar de aarde doet naar de wijze van de aarde, en de tegenwoordige menigte keert weer in haar, zoals zij daaruit gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v13)

**14** Zo zeg ik u, zoals u met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van de beginne gebouwd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v14)

**15** Nu dan behoud voor uzelf uw verdriet, en draag kloekmoedig het ongeval dat u overkomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v15)

**16** Want zo u de bepalingen Gods rechtvaardigt, en Zijn raad intijds aanneemt, zo zult u ook in zulke zaken geprezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v16)

**17** Ga dan weer naar de stad tot uw man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v17)

**18** En zij zei tot mij: Ik zal dat niet doen, ik zal niet in de stad gaan, maar hier zal ik sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v18)

**19** Toen sprak ik verder met haar en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v19)

**20** Doe zo niet als u zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v20)

**21** Want u ziet dat ons heiligdom woest geworden is, ons altaar verbroken, en onze tempel verstoord, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v21)

**22** Ons snarenspel ligt daar neer, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaad geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongemannen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v22)

**23** En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v23)

**24** Doe dan uw grote verdriet van u, en leg de veelheid van uw smarten af, opdat de sterke God u genadig zij, en de Allerhoogste zal u rust geven van uw arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v24)

**25** En het is gebeurd, toen ik met haar sprak, dat haar aangezicht en gedaante haastig blinkende werd, en haar gezicht werd glinsterend, zodat ik voor haar vreesde, en dacht wat dat zijn mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v25)

**26** En ziet, zij gaf haastig groot geluid van een stem van zich, vol vreselijkheid, zodat de aarde beefde van de stem van de vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v26)

**27** En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v27)

**28** Waar is Uriël de engel, die van de beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v28)

**29** En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v29)

**30** En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v30)

**31** Wat is u, en waarom is uw verstand ontroerd, en het gevoelen van uw hart, en waarom wordt u ontroerd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v31)

**32** En ik zei: Omdat u mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v32)

**33** En hij zei tot mij: Sta als een man, en ik zal u onderrichten. En ik zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v33)

**34** Spreek, mijn Heere, tot mij, en verlaat mij niet, opdat ik niet zonder oorzaak sterve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v34)

**35** Want ik heb gezien wat ik niet wist, en ik hoorde wat ik niet weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v35)

**36** Of worden mijn zinnen bedrogen, en droomt mijn ziel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v36)

**37** Nu dan, zo bid ik u, dat u uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v37)

**38** Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en ik zal u zeggen de dingen waarvoor u vreest, want de Allerhoogste heeft u vele geheimen geopenbaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v38)

**39** Hij heeft gezien dat uw weg recht is, want u was zonder ophouden beroerd over uw volk, en was zeer treurig over Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v39)

**40** Dit is dan de betekenis van het visioen, dat u een weinig tevoren verschenen is: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v40)

**41** De vrouw, die u hebt zien treuren, bent u begonnen te troosten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v41)

**42** En nu ziet u de gestalte van de vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v42)

**43** En dat zij u van het ongeval van haar zoon een verhaal gedaan heeft, is dit de verklaring: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v43)

**44** Deze vrouw, die u gezien hebt is Sion, die u ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v44)

**45** En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offergave daarin was geofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v45)

**46** En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offergaven heeft geofferd, toen is het gebeurd dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v46)

**47** En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v47)

**48** En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en neergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v48)

**49** En zie, u hebt haar gedaante gezien, en omdat zij om haar zoon treurde, bent u begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v49)

**50** En nu ziet de Allerhoogste, dat u van harte bedroefd bent, en omdat u met heel uw hart bezorgd bent over haar, zo heeft Hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v50)

**51** Want daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou blijven, waar geen huis was gebouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v51)

**52** Want ik wist, dat de Allerhoogste u dit zou beginnen te vertonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v52)

**53** Daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou komen, waar geen fundament van enig gebouw was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v53)

**54** Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw van een mens verdragen worden, waar de stad van de Allerhoogste zou beginnen vertoond te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v54)

**55** Daarom dan, vrees niet, en uw hart zij niet verschrikt, maar ga heen en zie de heerlijkheid en grootte van het gebouw, voor zoveel het gezicht van uw ogen kan vatten om te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v55)

**56** En daarna zult u horen, zoveel het gehoor van uw oren zal vatten om te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v56)

**57** Want u bent gelukzalig boven vele anderen, en u bent geroepen tot de Allerhoogste, zoals er weinigen geroepen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v57)

**58** De nacht nu die morgen wezen zal, zult u hier blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v58)

**59** En de Allerhoogste zal u die visioenen van de hoogste dingen tonen, die de Allerhoogste zal doen aan hen die op aarde in de laatste dagen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v59)

**60** En ik sliep die nacht, en de volgende, zoals hij mij gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/10.html#v60)

### 4 Ezra 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/11.json)

*1 Hij ziet in een droom een arend uit de zee opvliegen, 37 en een leeuw uit het woud lopen, die de arend bestraft.*

**1** EN ik zag een droom, en zie een adelaar klom op van de zee, die twaalf vleugels van veren had, en drie hoofden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v1)

**2** En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugels uit over de hele aarde, en al de winden van de hemel woeien daarop, en werden verzameld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v2)

**3** En ik zag dat van zijn veren andere veren daartegen wiessen, en dat zij tot kleine en smalle veertjes werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v3)

**4** Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v4)

**5** En ik zag, en zie de adelaar vloog met zijn vleugels en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v5)

**6** En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet één van de schepselen die op aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v6)

**7** En ik zag, en ziet, de adelaar stond op zijn klauwen, en sprak tot zijn veren, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v7)

**8** U zult niet allen tegelijk waken, een ieder slape op zijn plaats, en wake te zijner tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v8)

**9** De hoofden nu zullen tot het laatste behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v9)

**10** En ik zag, en ziet, de stem kwam niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v10)

**11** En ik telde zijn veren, die tegen de andere gewassen waren, en ziet, die waren acht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v11)

**12** En ik zag, en ziet, van de rechterzijde stond een veer op, en zij heerste over de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v12)

**13** En het gebeurde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v13)

**14** En het is gebeurd toen zij heerste, zoals de voorgaande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v14)

**15** En een stem is tot haar gekomen; zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v15)

**16** Hoor, die zo lange tijd de aarde ingehouden hebt, dit verkondig ik u, voordat u begint te verdwijnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v16)

**17** Niemand zal het na u zo lange tijd, als de uwe is, houden, ja niet de helft daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v17)

**18** En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v18)

**19** En zo ging het met al de andere, dat zij elk in het bijzonder de heerschappij voerden, en weer verdwenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v19)

**20** En ik zag, en ziet, de volgende veren werden na verloop van tijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen toch in korte tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v20)

**21** Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v21)

**22** En ik zag daarna, en ziet, de twaalf veren werden niet meer gezien, noch de twee veertjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v22)

**23** En daar was niet meer over aan het lichaam van de arend, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes veertjes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v23)

**24** En ik zag, en ziet, van de zes veertjes zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat aan de rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v24)

**25** En ik zag, en ziet, die onder de vleugels waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v25)

**26** En ik zag, en ziet, de ene heeft zich opgericht, maar zij is meteen verdwenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v26)

**27** En de tweede is eerder verdwenen dan de eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v27)

**28** En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v28)

**29** En toen zij daaraan dachten, ziet, zo is het middelste van de hoofden die rustten, opgewaakt, want dit was groter dan de twee andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v29)

**30** En ik zag dat de twee hoofden hiermee samengevoegd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v30)

**31** En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee veren die onder de vleugels waren, die heerschappij meenden te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v31)

**32** Dat hoofd nu verschrikte de hele aarde, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugels, die daar geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v32)

**33** En ik zag daarna, dat het middelste hoofd haastig verdween, en dat ook zoals de vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v33)

**34** Maar de twee hoofden waren nog over, die op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v34)

**35** En ik zag, en ziet, het hoofd, dat van de rechterzijde was, verslond het hoofd dat aan de linkerzijde was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v35)

**36** En ik hoorde een stem die tot mij zei: Zie tegenover u, en merk op wat u ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v36)

**37** En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de adelaar, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v37)

**38** Hoor, ik zal tot u spreken, en de Allerhoogste zal tot u zeggen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v38)

**39** Bent u niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde van de tijden zou komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v39)

**40** En dat, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en de hele aarde met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v40)

**41** En hebt de aarde gericht niet naar waarheid? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v41)

**42** Want u hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en u hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken van degenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen van degenen, die u niet beschadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v42)

**43** Daarom is uw versmading gekomen, tot de Allerhoogste, en uw trots tot de sterke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v43)

**44** En de Allerhoogste heeft de hoogmoedige tijden aangezien, en ziet, zij zijn geëindigd, en hun boze daden zijn vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v44)

**45** Daarom, adelaar! verschijn niet meer, noch uw gruwelijke vleugels, noch uw snode veertjes, noch uw boze hoofden, noch uw kwade klauwen, noch uw geheel onnut lichaam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v45)

**46** Opdat de hele aarde weer verfrist wordt, en tot zichzelf kome, van uw geweld bevrijd zijnde, en dat zij mag hopen op het oordeel en de barmhartigheid van degene die haar gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/11.html#v46)

### 4 Ezra 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/12.json)

*1 De arend die hij zag, wordt vernietigd, 10 en dit visioen wordt hem uitgelegd, 37 en hem wordt opgedragen het op te schrijven. 39 Hij vast om nog meer te zien, 46 en troost hen die bedroefd waren over zijn afwezigheid.*

**1** EN het is gebeurd toen de leeuw deze woorden sprak tot de adelaar, dat ik zag, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v1)

**2** En ziet, het hoofd dat nog over was, maar de vier vleugels, die tot hetzelfde overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v2)

**3** En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het hele lichaam van de arend werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het grote gewoel en de grote vrees uit de verdrukking van mijn zinnen, en ik zei tot mijn geest: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v3)

**4** Zie, u hebt mij dit gedaan, daarmee dat u de wegen van de Allerhoogste onderzoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v4)

**5** Zie, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v5)

**6** Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden, dat Hij mij versterke tot het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v6)

**7** En ik zei: O heersende Heere, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en als ik gerechtvaardigd ben bij U voor vele anderen, en als mijn gebed werkelijk voor Uw aangezicht opgekomen is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v7)

**8** Zo versterk mij, en toon mij, Uw knecht, de verklaring en onderscheiding van dit gruwzaam visioen, opdat U mijn ziel ten volle mag troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v8)

**9** Want U hebt mij waard geacht, dat U mij het laatste van de tijden zult vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v9)

**10** En hij zei tot mij: Dit is de verklaring van dit visioen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v10)

**11** De adelaar, die u hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een visioen gezien is door uw broer Daniël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v11)

**12** Maar het is hem niet verklaard, maar nu verklaar ik het u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v12)

**13** Zie de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v13)

**14** In hetzelfde nu zullen twaalf koningen heersen, de één na de ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v14)

**15** Want de tweede zal beginnen te heersen, en zal het meer tijd houden dan de andere twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v15)

**16** Dit is de verklaring van de twaalf vleugels, die u gezien hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v16)

**17** En wat betreft de stem die gesproken heeft, en die u gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v17)

**18** Dit is de verklaring, namelijk dat na de tijd van dit rijk geen kleine twisten zullen ontstaan en het zal in gevaar staan van te vallen, maar het zal dan niet vallen, maar zal weer in zijn eerste stand worden gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v18)

**19** En dat u gezien hebt acht onderste vleugels, die vast waren aan zijn vleugels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v19)

**20** Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, van wie de tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v20)

**21** Maar wanneer het midden van de tijd zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v21)

**22** En dat u hebt gezien drie hoofden die rustten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v22)

**23** Daarvan is dit de verklaring: Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken verwekken, en zal vele dingen daarin wederroepen, en zij zullen over de aarde zelf heersen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v23)

**24** En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden van de arend genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v24)

**25** Want het zijn die, die zijn goddeloosheid samen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v25)

**26** En dat u gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat één van hen op zijn bed zal sterven, en toch met smarten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v26)

**27** Maar de twee, die overgebleven zullen zijn, zal het zwaard verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v27)

**28** Want het zwaard van de ene zal verslinden hem die met hem is, maar toch zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v28)

**29** En dat u gezien hebt twee veren, die van onder de vleugels over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijde was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v29)

**30** Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk, en vol oproer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v30)

**31** Zoals u ook een leeuw gezien hebt, die u zag uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de adelaar, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die u gehoord hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v31)

**32** Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en Hij zal hen bestraffen, en Hij zal over henzelf hun verscheuring brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v32)

**33** Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal gebeuren, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v33)

**34** Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn grenzen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag van het oordeel komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v34)

**35** Dit is de droom, die u gezien hebt, en dit zijn de verklaringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v35)

**36** U dan bent alleen waard geacht, om dit geheim van de Allerhoogste te weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v36)

**37** Daarom schrijf al deze dingen, die u gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v37)

**38** En u zult ze de verstandigen onder uw volk leren, namelijk van wie de harten u weet dat deze geheimen kunnen vatten en behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v38)

**39** Maar wacht hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond wordt wat de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v39)

**40** En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was teruggekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste verzameld, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v40)

**41** Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat u ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v41)

**42** Want u bent alleen voor ons over uit alle volken als een druiftak van de wijngaard, en als een kaars in een duistere plaats, en als een haven, en een schip, dat uit het onweer ontkomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v42)

**43** Of zijn ons de zwarigheden niet genoegzaam, die ons overkomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v43)

**44** Als u ons dan verlaat, hoe veel beter was het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v44)

**45** Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij huilden met luide stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v45)

**46** Toen antwoordde ik hen en zei: Heb goede moed Israël! en wees niet bedroefd, u huis van Jakob! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v46)

**47** Want de Allerhoogste gedenkt u, en de Almachtige heeft u niet vergeten in de verzoeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v47)

**48** En ik heb u niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering van uw heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v48)

**49** En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v49)

**50** En het volk is naar de stad vertrokken, zoals ik hun gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v50)

**51** Maar ik zat nog zeven dagen in het veld, zoals hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen van de akker, en uit de kruiden is mij voedsel geworden in die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/12.html#v51)

### 4 Ezra 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/13.json)

*1 Hij ziet in een droom een man uit de zee komen, die door velen werd bestreden, 10 maar hij doodt hen door de adem van zijn mond, 25 uitleg van deze droom. 54 Hij wordt geprezen, en hem wordt beloofd dat hij nog meer zal zien.*

**1** EN het gebeurde na zeven dagen, dat ik in de nacht een droom droomde: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v1)

**2** En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar golven bewoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v2)

**3** En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden van de hemel, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v3)

**4** En waarheen zijn stem uit zijn mond ging, daar ontbrandden allen die daar hoorden, zoals de aarde in stilte is, wanneer zij het vuur gevoelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v4)

**5** En daarna zag ik, en zie, daar verzamelde zich een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden van de hemel, opdat zij die man zouden bevechten, die van de zee was opgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v5)

**6** En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v6)

**7** En ik zocht de landstreek of plaats te zien, waaruit de berg uitgesneden was, maar ik kon niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v7)

**8** En daarna zag ik, en ziet, allen die samen verzameld waren tegen hem, om hem te bestrijden, waren zeer bevreesd, en toch bestonden zij te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v8)

**9** En zie, zodra als hij het geweld van de aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v9)

**10** Dat hij uit zijn mond liet gaan als een vurige wind, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij uitgaan vonken en onweer, en deze allen zijn samen vermengd geworden, namelijk de vurige wind, en de vlammende adem, en het grote onweer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v10)

**11** En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v11)

**12** En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v12)

**13** En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; maar sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v13)

**14** U hebt van de beginne uw dienaar deze wonderen getoond, en u hebt mij waard geacht, dat u mijn gebed zou aannemen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v14)

**15** Zo toon mij dan nu nog de verklaring van deze droom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v15)

**16** Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v16)

**17** Want die niet overgelaten zijn geweest, die waren treurig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v17)

**18** Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en wat deze overkomen zal, en ook degenen die overgelaten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v18)

**19** Want daarom zijn zij in groot gevaar en veel nood gekomen, zoals deze dromen uitwijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v19)

**20** Maar toch, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste gebeuren zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v20)

**21** Ik zal u ook de verklaring van dit visioen zeggen, en zal u openbaren waarvan u gesproken hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v21)

**22** Dat u van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v22)

**23** Die het gevaar gedragen zal hebben in die tijd, die zal zichzelf hier bewaard hebben; die in het gevaar gevallen zijn, deze zijn het die de werken hebben, en het geloof in de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v23)

**24** Zo weet dan, dat die zaliger zullen zijn die overgelaten zijn, dan die gestorven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v24)

**25** Dit zijn de verklaringen van dit visioen: Dat u hebt gezien een man opklimmend uit het midden van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v25)

**26** Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en Hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v26)

**27** En dat u uit zijn mond hebt zien gaan als een wind, en vuur, en onweer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v27)

**28** En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld toch verdierf de hele menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v28)

**29** Zie, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v29)

**30** En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v30)

**31** En de één zal de ander willen bestrijden, de ene stad de andere, en het ene volk zal tegen het andere zijn, en het ene rijk tegen het andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v31)

**32** En als deze dingen gebeuren, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die u als een man hebt zien opkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v32)

**33** En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn strijd, die hij tegen de andere had, laten varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v33)

**34** En een ontelbare menigte zal zich bijeen verzamelen, alsof zij wilden komen en hem bestrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v34)

**35** Maar hij zal staan op de spits van de berg Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v35)

**36** Sion nu zal komen, en het zal bereid en opgebouwd aan allen vertoond worden, zoals u gezien hebt, dat de berg zonder handen werd uitgehouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v36)

**37** Maar deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, die het onweer nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v37)

**38** Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v38)

**39** En dat u gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich verzameld heeft; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v39)

**40** Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning van de Assyriërs als gevangenen weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v40)

**41** Maar zij besloten, dat zij de menigte van de heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen menselijk geslacht ooit tevoren gewoond had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v41)

**42** Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v42)

**43** Zij zijn dan daarin getogen door de nauwe ingangen van de rivier Eufraat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v43)

**44** Want de Allerhoogste deed hun toen tekenen, en hield de aderen van de rivier op, totdat zij daarover gegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v44)

**45** Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v45)

**46** Toen hebben zij daarin gewoond tot de laatste tijd; en als zij nu weer zullen beginnen te komen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v46)

**47** Zo zal de Allerhoogste weer de aderen van de rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt u deze menigte vreedzaam gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v47)

**48** Maar die overgelaten zijn van uw volk, zijn deze, die binnen mijn gebied gevonden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v48)

**49** Het zal dan gebeuren, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte van degenen, die uit de volken verzameld zijn, dat hij zal beschermen het volk dat overgebleven is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v49)

**50** En dan zal hij hun vele wondertekenen tonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v50)

**51** Toen zei ik: O heersende Heere, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden van de zee opkwam. En hij zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v51)

**52** Zoals u de dingen niet kon doorgronden noch weten, die in de diepte van de zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v52)

**53** Dit is de verklaring van de droom, die u gezien hebt, en om wie de wil u alleen hier verlicht bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v53)

**54** Want u hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u met mijn wet beziggehouden, en hebt die gezocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v54)

**55** U hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand uw moeder genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v55)

**56** En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v56)

**57** Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die Hij van tijd tot tijd deed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v57)

**58** En dat hij de tijd, met wat in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat daar drie dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/13.html#v58)

### 4 Ezra 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/14.json)

*1 Er komt een stem uit het bos tot Ezra, 10 en die verhaalt hem dat de wereld oud wordt, 15 en dat de laatste tijden erger zullen zijn dan de eerste. 22 Hij verzoekt dat hij de wet, die verbrand was, opnieuw zou mogen opschrijven, 23 wat door hem gedaan wordt in veertig dagen door vijf schrijvers, 37 nadat hij door het drinken van zeker water met wijsheid vervuld was. 45 En hem wordt opgedragen niet alles aan iedereen te openbaren wat geschreven was.*

**1** EN het gebeurde op de derde dag, dat ik zat onder een eik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v1)

**2** En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zei: Ezra, Ezra! En ik zei: Zie hier ben ik Heere, en ik stond op, op mijn voeten, en Hij zei tot mij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v2)

**3** In het doornbos ben Ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als Mijn volk in Egypte dienstbaar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v3)

**4** En Ik heb hem gezonden, en heb Mijn volk uit Egypte geleid, en heb hem gebracht op de berg Sinaï, en daar hield Ik hem bij Mij vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v4)

**5** En Ik vertelde hem vele wonderen, en toonde hem de geheimen en het einde van de tijden, en beval hem, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v5)

**6** Deze woorden zult u openbaar maken, en deze zult u verbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v6)

**7** En nu zeg Ik u: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v7)

**8** De tekenen die Ik gedroomd heb, en de dromen die u gezien hebt, en de verklaringen, die u gehoord hebt, die zult u in uw hart wegleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v8)

**9** Want u zult weggenomen worden van onder allen, en zult voortaan verkeren met Mijn raad, en met uw gelijken totdat de tijden geëindigd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v9)

**10** Want de wereld heeft haar jeugd verloren, en de tijden naderen om oud te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v10)

**11** Want de eeuw is in twaalf delen verdeeld, en de tien zijn voorbij, en de helft van een tiende deel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v11)

**12** Maar er is nog overig wat na het tiende deel en een half volgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v12)

**13** Nu dan beschik uw huis, en bestraf uw volk, en vertroost de vernederden onder hen, en laat alle verderfelijkheid varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v13)

**14** En doe van u weg de sterfelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v14)

**15** Want het kwaad, dat u hebt zien gebeuren, zullen zij nog erger maken dan dit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v15)

**16** Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v16)

**17** Want de waarheid is veel verder geweken en de leugen is naderbij gekomen, en nu zal het visioen haast komen dat u gezien hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v17)

**18** En ik antwoordde, en zei: Laat het voor u aangenaam zijn, Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v18)

**19** Want ziet, ik zal heengaan zoals u mij bevolen hebt, en ik zal het tegenwoordige volk bestraffen. Maar wie zal die vermanen, die hierna zullen geboren worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v19)

**20** Daarom ligt de wereld in duisternis, en die daarin wonen zijn zonder licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v20)

**21** Omdat uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die gebeuren zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v21)

**22** Als ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van de beginne in de wereld gebeurd is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v22)

**23** En hij antwoordde mij en zei: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v23)

**24** Maar u, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en Asiël, deze vijf, die bereid zijn om snel te schrijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v24)

**25** En kom hier, zo zal Ik in uw hart ontsteken een licht van het verstand, dat niet zal uitgeblust worden, voordat de dingen voltooid zijn, die u zult beginnen te schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v25)

**26** En dit gedaan zijnde, zo zult u sommige dingen openbaar maken, en sommige zult u de wijzen in het geheim overgeven; want morgen van dit uur af zult u beginnen te schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v26)

**27** Toen ging ik heen, zoals hij mij beval, en ik verzamelde al het volk, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v27)

**28** Hoor Israël! deze woorden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v28)

**29** Onze vaders waren van het begin vreemdelingen in Egypte, en zijn daaruit verlost geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v29)

**30** En hebben de wet van het leven ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook u na hen hebt overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v30)

**31** En het land, namelijk het land Sion is u tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en u hebben onrecht gedaan, en hebben de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v31)

**32** En zo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van u indertijd genomen, wat hij gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v32)

**33** En nu zo bent u hier, en uw broers zijn onder u, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v33)

**34** Als u dan uw gemoederen gehoorzaam aanstelt en uw verstand onderrichten laat, zo zult u levend behouden worden, en na de dood zult u barmhartigheid verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v34)

**35** Want het oordeel zal na de dood komen, als wij weer levend zullen worden, en dan zullen de namen van de rechtvaardigen bekend, en de werken van de bozen openbaar worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v35)

**36** Zo kome dan niemand nu tot mij, noch vrage naar mij deze veertig dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v36)

**37** En ik nam de vijf mannen tot mij, zoals hij mij bevolen had. En wij gingen naar het veld, en bleven daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v37)

**38** En op de volgende dag riep een stem mij, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink wat Ik u te drinken zal geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v38)

**39** Toen deed ik mijn mond open, en ziet, een volle beker werd mij toegereikt. Deze was vol, als van water, maar zijn kleur was als van vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v39)

**40** En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v40)

**41** En mijn mond werd opgedaan, en werd niet meer toegedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v41)

**42** De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen van mijn zinnen werden gezegd, die zij toch niet wisten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v42)

**43** 's Nachts nu aten zij, maar overdag sprak ik, en 's nachts zweeg ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v43)

**44** Zo zijn er in veertig dagen geschreven tweehonderdenvier boeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v44)

**45** En het is gebeurd, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zei: Stel de eerste dingen, die u geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v45)

**46** Maar de laatste zeventig boeken zult u behouden, opdat u die de wijzen onder het volk overlevert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v46)

**47** Want in deze is de ader van het verstand, en de fontein van de wijsheid, en de vloed van de wetenschap; en ik deed zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/14.html#v47)

### 4 Ezra 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/15.json)

*1 Dat de profetie van Ezra waarachtig is, 5 en dat God wraak wil oefenen over de goddelozen, 12 vooral over die van Egypte, 28 een afschuwelijk visioen van draken uit Arabie, 43 terwijl Babylon en Asia bedreigd worden.*

**1** ZIE, u zult in de oren van Mijn volk de woorden van de profetie spreken, die Ik in uw mond zal leggen, spreekt de Heere, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v1)

**2** En maak dat zij op papier geschreven worden, want zij zijn trouw en waarachtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v2)

**3** En vrees niet voor de raadslagen tegen u en wees niet bezorgd over de ongelovigheid van de tegensprekers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v3)

**4** Want al de ongelovigen zullen in hun ongeloof sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v4)

**5** Zie, spreekt de Heere, Ik zal ongelukken over de aardbodem zenden, het zwaard, en de honger, en de dood, en de verderfenis; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v5)

**6** Omdat ongerechtigheid de overhand genomen heeft over de hele aarde, en haar schadelijke werken zijn vervuld geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v6)

**7** Daarom spreekt de Heere: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v7)

**8** Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen wat zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot Mij; en de zielen van de rechtvaardigen roepen zonder ophouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v8)

**9** Zeker zal Ik hen wreken, spreekt de Heere, en Ik zal al het onschuldig bloed uit hen tot Mij nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v9)

**10** Zie Mijn volk wordt als een kudde schapen ter slachting geleid, Ik zal nu niet meer dulden dat het in Egypte woon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v10)

**11** Maar Ik zal het uitvoeren met een geweldige hand, en een verheven arm: en Ik zal dat land met plagen slaan als tevoren, en Ik zal al hetzelfde verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v11)

**12** Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelfde brengen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v12)

**13** De akkerlieden, die het land bouwen, zullen treuren; want hun zaad zal van brand, en hagel, en van een vreselijk gesternte verdorven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v13)

**14** Wee de wereld, en hen, die daarin wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v14)

**15** Omdat het zwaard nadert, en hun ondergang, en het ene volk zal tegen het andere opstaan ten strijd, en het zwaard zal in hun handen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v15)

**16** Want daar zal ongestadigheid zijn in de mensen, en de één zal de ander overweldigen, en zij zullen naar hun koning niet vragen, en de vorsten zullen de weg van hun handelingen naar hun geweld afmeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v16)

**17** Want een mens zal begeren in een stad te gaan, en hij zal niet kunnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v17)

**18** Want vanwege hun hoogmoed zullen de steden beroerd worden, de huizen zullen verstoord worden, en de mensen zullen vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v18)

**19** De ene mens zal met de andere geen medelijden hebben, om hun huizen teniet te doen door het zwaard, en om hun goederen te roven, vanwege de honger naar brood, en de allerlei benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v19)

**20** Zie Ik roep samen, spreekt de Heere, al de koningen van de aarde om Mij te vrezen, die daar zijn van het westen, en van het zuiden, en van het oosten, en van Libanon, om tegen zichzelf te keren, en te vergelden wat zij hun aangedaan hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v20)

**21** Zoals zij tot op de huidige dag Mijn uitverkorenen hebben gedaan, zo zal Ik hun doen, en zal het in hun schoot vergelden; dit spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v21)

**22** Mijn hand zal de zondaar niet sparen, en Mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v22)

**23** Het vuur is uitgegaan van zijn toorn en heeft verteerd de fundamenten van de aarde, en de zondaars als aangestoken stro. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v23)

**24** Wee hen die zondigen, en Mijn geboden niet houden, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v24)

**25** Ik zal hen niet sparen; wijk, kinderen, uit hun macht: en bevlekt Mijn heiligdom niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v25)

**26** Want de Heere kent al degenen, die tegen Hem zondigen, daarom heeft Hij hen overgegeven ter dood en ter slachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v26)

**27** Want nu zijn de ongevallen over de aardbodem gekomen, en u zult daarin blijven. Want God zal u niet verlossen, omdat u tegen Hem zondigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v27)

**28** Zie een schrikkelijk visioen, en zijn aankomst is van de opgang van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v28)

**29** Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagens, en zoals een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v29)

**30** Namelijk de Karmaniërs razende in hun toorn, en zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos: en zullen aankomen met grote kracht, en zullen tegen hen in de oorlog staan, en zullen een deel van het land van de Assyriërs verwoesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v30)

**31** En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en samenspannen om met grote kracht die te vervolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v31)

**32** Deze nu zullen ontsteld worden, en zullen stilstaan voor hun kracht, en zullen zich op de vlucht begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v32)

**33** En een, op hen aankomende van het land van de Assyriërs, zal hen bezetten, en zal één uit hun Oversten ternederhouwen, en daar zal vrees en schrik in hun leger zijn, en twist tegen hun koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v33)

**34** Zie, daar komen wolken van het oosten en noorden tot in het zuiden, haar aanzien is zeer gruwzaam, vol toorn en onweer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v34)

**35** En zij zullen tegen elkaar stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v35)

**36** En de mest van de mensen zal komen tot aan de gordel van de kamelen, en daar zal grote vrees en beving zijn op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v36)

**37** En die de onstuimigheid zien, zullen verschrikken, en beving zal hen bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v37)

**38** En daarna zullen er grote slagregenen komen van het zuiden en van het noorden, en nog een ander deel van het westen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v38)

**39** En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oostenwind en westenwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v39)

**40** En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de hele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v40)

**41** Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte van het water vervuld zullen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v41)

**42** En zullen de steden neerwerpen, en de muren, en de bergen, en de heuvelen, en de bomen van de bossen, en het gras van de velden, en hun vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v42)

**43** En zij zullen standvastig gaan tot Babylon toe, en zullen die verstoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v43)

**44** Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v44)

**45** En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v45)

**46** En u Azië, die een gezellin bent van de hoop Babylons, en een eer bent van haar persoon, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v46)

**47** Wee u, u ellendige, omdat u zich haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochters versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar minnaars, die met u altijd begeerd hebben ontucht te plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v47)

**48** U hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Heere: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v48)

**49** Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v49)

**50** En de heerlijkheid van uw kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v50)

**51** U zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de minnaars, u niet zullen kunnen opnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v51)

**52** Zou Ik ook zo tegen u jaloers zijn? spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v52)

**53** Als u Mijn uitverkorenen ten alle tijde niet had gedood, en uw handen over hen niet had verheven om te slaan, en u niet gezegd had, als u dronken was over hun dood, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v53)

**54** Versier nu de schoonheid van uw aangezicht! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v54)

**55** Het loon van uw hoererij is in uw schoot, daarom zult u vergelding ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v55)

**56** Zoals u Mijn uitverkorenen zult doen, spreekt de Heere, zo zal de Heere u doen, en zal u ten ongeval overgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v56)

**57** En uw kinderen zullen van honger vergaan, en u zult door het zwaard vallen, en uw steden zullen vernietigd worden, en al de uwen zullen in het veld door het zwaard vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v57)

**58** En die op de bergen zijn, zullen van honger sterven, en zullen hun eigen vlees eten, en bloed drinken, door honger naar brood, en dorst naar water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v58)

**59** O ongelukkigen, u zult over de zee wijken, en u zult daar weer ongeval ontmoeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v59)

**60** In het doortrekken zullen zij de verslagen stad in stukken stoten, en zullen een gedeelte van uw land verderven, en een deel van uw heerlijkheid uitroeien, en zo tot het verwoeste Babylon terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v60)

**61** En als u ternedergeworpen bent, zo zult u hun zijn voor stoppelen, en zij zullen u zijn tot vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v61)

**62** En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v62)

**63** Zij zullen uw zonen als gevangene wegleiden, en uw inkomsten zullen zij tot roof maken, en zij zullen de heerlijkheid van uw aangezicht teniet maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/15.html#v63)

### 4 Ezra 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/4ezra/16.json)

*1 Ezra dreigt Babylon, Asia, Egypte en Syrie met zware plagen, 14 die niet te ontkomen zijn, 23 en een algehele vernietiging en verwoesting, 41 en hij vermaant de vromen zich op het lijden voor te bereiden, 51 en hun zonden niet te verbergen, 74 en troost hen dat zij verlost zullen worden.*

**1** WEE u Babylon en Azië! wee u Egypte en Syrië! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v1)

**2** Trek zakken en harige kleren aan, beweent uw kinderen, en treurt, want uw verderf is nabij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v2)

**3** Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v3)

**4** Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v4)

**5** Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v5)

**6** Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v6)

**7** Kan ook iemand een pijl afweren, die van een sterk schutter is geschoten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v7)

**8** De almachtige Heere zendt ongeval over, en wie is er die het zal verdrijven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v8)

**9** Het vuur is van zijn gemeenschap uitgegaan, en wie is er die het zal blussen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v9)

**10** Hij zal bliksemen, en wie zal niet vrezen? Hij zal donderen, en wie zal niet beven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v10)

**11** De Heere zal dreigen, en wie zal niet geheel vermorzeld worden van zijn aangezicht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v11)

**12** De aarde beeft met haar fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar golven zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aangezicht van de Heere, en van de heerlijkheid van Zijn kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v12)

**13** Want zijn rechterhand, die de boog spant is sterk; zijn pijlen zijn scherp die door hem geschoten worden. Zij zullen niet ontbreken, wanneer ze zullen geschoten worden tegen de einden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v13)

**14** Ziet het ongeval wordt gezonden, en het zal niet terugkeren, voordat het op de aarde komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v14)

**15** Het vuur wordt aangestoken, en het zal niet geblust worden voordat het de fundamenten van de aarde zal verteerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v15)

**16** Zoals de pijl niet terugkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet terugkeren, die over de aarde zijn gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v16)

**17** Wee Mij, wee Mij; wie zal Mij bevrijden in die dagen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v17)

**18** Het begin van de smarten, en veel zuchtens; het begin van de honger, en veel stervens; het begin van de oorlogen, en de machtigen zullen bevreesd worden; het begin van het ongeval, en zij zullen allen beven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v18)

**19** Wat zal Ik in deze doen, wanneer de ongevallen zullen komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v19)

**20** Zie honger en plagen, verdrukking en benauwdheid zijn gezonden, als geselen ter verbetering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v20)

**21** En in al deze zullen zij zich niet bekeren van hun ongerechtigheden, en zullen de geselen niet altijd gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v21)

**22** Zie de leeftocht zal goedkoop zijn op aarde, zodat zij zullen menen, dat hun vrede toebereid is, maar dan zullen de ongevallen spruiten op aarde, namelijk zwaard, honger en grote verwarring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v22)

**23** Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v23)

**24** En de doden zullen als mest weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen troosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v24)

**25** Daar zal niemand overig zijn, die de aarde bouwe, en die haar bezaaie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v25)

**26** De bomen zullen vruchten geven, en wie zal ze aflezen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v26)

**27** De druif zal rijp worden, en wie zal ze treden? want in alle plaatsen zal grote eenzaamheid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v27)

**28** Want een mens zal begerig zijn om een ander mens te zien of zijn stem te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v28)

**29** Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstopt zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven van de steenrotsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v29)

**30** Zoals in een olijfhof aan elke boom drie of vier olijven overig zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v30)

**31** Of gelijk aan een wijngaard, die afgeplukt is, sommige druiven alleen worden overgelaten, bij degenen, die de wijngaard ijverig doorzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v31)

**32** Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v32)

**33** En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelfde zullen gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v33)

**34** De maagden zullen treuren, omdat zij geen bruidegoms hebben; de vrouwen zullen treuren, omdat zij geen mannen hebben; haar dochters zullen treuren, omdat zij geen hulp hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v34)

**35** Haar bruidegoms zullen in de oorlog omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v35)

**36** Maar u, dienaren van de Heere, hoort dit, en verstaat dit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v36)

**37** Zie dit is het woord van de Heere, neemt dat aan, en gelooft de goden niet, waarvan de Heere spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v37)

**38** Zie de ongevallen naderen, en zullen niet vertragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v38)

**39** Zoals een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, één uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo talmen zij niet één ogenblik; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v39)

**40** Zo zullen de ongevallen niet talmen op aarde te komen, en de wereld zal zuchten, en de smarten zullen haar omvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v40)

**41** Hoort het woord, Mijn volk, bereidt u ten strijd, en wees in het ongeval zo, als de vreemdelingen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v41)

**42** Die verkoopt zij als een die vlucht, en die koopt, als een die verliezen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v42)

**43** Die koopmanschap doet, als een die geen nut daaruit zal genieten, en die bouwt, als een die het niet zal bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v43)

**44** Die zaait, als een die niet zal maaien, zo ook die een wijngaard snijdt, als een die de druiven niet zal lezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v44)

**45** Die zich ten huwelijk begeven, als die geen kinderen zullen krijgen, die zich niet ten huwelijk begeven, als de weduwnaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v45)

**46** Daarom die daar arbeiden, die arbeiden tevergeefs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v46)

**47** Want hun vruchten zullen de vreemden maaien, en zullen hun goederen roven, en hun huizen verstoren, en zullen hun kinderen gevangen nemen, want tot de gevangenis en tot hongersnood zullen zij hen voortbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v47)

**48** Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v48)

**49** Hoe Ik tegen hen meer zal ijveren vanwege hun zonden, spreekt de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v49)

**50** Zoals een vrome en zeer deugdzame vrouw ijvert tegen een overspeelster, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v50)

**51** Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, die verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v51)

**52** Daarom wil hun niet gelijk worden, noch hun werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v52)

**53** Want nog een korte tijd is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v53)

**54** De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd van degene branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God, de Heere, en voor Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v54)

**55** Zie, de Heere kent alle daden en raadslagen van de mensen, en hun gedachten, en hun harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v55)

**56** Want hij heeft gezegd: De aarde worde, en zij is geworden, en de hemel worde, en hij is geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v56)

**57** En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v57)

**58** Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v58)

**59** Die de zee besloten heeft in het midden van de wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v59)

**60** Die de hemel uitspant als een gewelf; Hij heeft die over de wateren bevestigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v60)

**61** Die in de woestijn waterfonteinen heeft gesteld, en op de spitsen van de bergen watermeren, om rivieren uit te geven van de hoge rotssteen, om de aarde te bevochtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v61)

**62** Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden van het lichaam, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v62)

**63** En de adem van de almachtige God is het, die alle dingen gemaakt heeft, en doorgrondt alle verborgen dingen in de diepten van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v63)

**64** Die weet uw raadslagen, en wat u in uw harten bedenkt, wanneer u zondigt, en uw zonden wilt bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v64)

**65** Daarom heeft God al uw werken ernstig doorgrond, en zal u allen te voorschijn brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v65)

**66** En u zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v66)

**67** Wat zult u doen, en hoe zult u uw zonden verbergen voor God en Zijn engelen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v67)

**68** Zie, God is de rechter, vreest Hem; laat af van uw zonden, en vergeet uw ongerechtigheden eeuwig te bedrijven, zo zal God u uitleiden, en van alle ongeval bevrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v68)

**69** Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden tot voedsel te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v69)

**70** En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v70)

**71** Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v71)

**72** Zij zullen zijn als woedenden, en zullen niemand sparen, om te beroven, en te verstoren die God nog vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v72)

**73** Want zij zullen hen verstoren, en hun goederen roven, en zullen hen uit hun huizen stoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v73)

**74** Dan zal de beproeving van Mijn uitverkorenen openbaar worden, zoals goud dat door vuur beproefd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v74)

**75** Hoor, Mijn geliefden, spreekt de Heere: zie, de dagen van de verdrukking zijn nabij, en Ik zal u daarvan verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v75)

**76** En vreest niet, en wees niet bang, want God is uw leidsman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v76)

**77** En u die Mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Heere, zie toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v77)

**78** Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn zoals een veld, dat omvangen wordt van een bos, en waarvan de paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/4ezra/16.html#v78)

## Tobit

### Tobit 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/1.json)

*1 Het geslachtsregister van de oude Tobias. 3 Zijn godvruchtigheid. 9 Zijn huwelijk, 10 gevankelijke wegvoering, 13 gunst bij de koning. 19 Zijn mildheid aan de armen. 21 Hij begraaft hen die door Sanherib gedood werden, 22 waarover hij beschuldigd wordt en vlucht, 25 en na de dood van de koning komt hij weer te Ninevé.*

**1** HET Boek van de geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v1)

**2** Die als gevangene weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning van de Assyriërs, uit Thisbe: die gelegen is aan de rechterzijde van de stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v2)

**3** Ik, Tobias, heb al de dagen van mijn leven gewandeld in de wegen van de waarheid, en van de gerechtigheid, en heb veel liefdegaven gedaan aan mijn broers, en mijn volk die samen met mij vertrokken waren in het land van de Assyriërs, naar Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v3)

**4** En toen ik nog was in mijn land, in het land van Israël, als ik jong was, het hele geslacht Naftali, van mijn vader, week af van het huis van God te Jeruzalem, dat uitverkoren was, uit alle stammen van Israël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v4)

**5** Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel van de woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten van de wereld. En al de stammen, die samen afgeweken waren, en het huis Naftali, van mijn vader, offerden het kalf Baäl. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v5)

**6** En ik reisde dikwijls alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, zoals bevolen is aan al het volk van Israël met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden van de vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen van Aäron, voor het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v6)

**7** De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen van Aäron, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v7)

**8** En de derde gaf ik die het betaamde, zoals Debora, de moeder van mijn vader, geboden had; omdat ik van mijn vader wees was gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v8)

**9** En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v9)

**10** En toen ik als gevangene weggevoerd werd naar Nineve, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v10)

**11** Zo hebben al mijn broers, en die van mijn geslacht waren, gegeten van de broden van de heidenen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v11)

**12** Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v12)

**13** Omdat ik aan de Heere dacht, met geheel mijn gemoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v13)

**14** En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v14)

**15** En ik reisde naar Medië, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v15)

**16** En ik gaf tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v16)

**17** En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v17)

**18** En zijn handelingen waren onstandvastig, en ik kon niet meer naar Medië reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v18)

**19** En in de dagen van Enemessar deed ik veel liefdegaven aan mijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v19)

**20** Ik gaf mijn brood de hongerigen, en kleren de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur van de stad Nineve, die begroef ik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v20)

**21** En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik in het geheim weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v21)

**22** En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v22)

**23** En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v23)

**24** En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vluchtten op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broer, over al de rekeningen van zijn vader, en over al het bewind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v24)

**25** En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weer te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon van mijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/1.html#v25)

### Tobit 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/2.json)

*1 Tobias bereidt een grote maaltijd op het Pinksterfeest 3 en staat van de tafel op om een verworgde broeder te begraven, 8 hetgeen de buren bespotten. 10 Hij wordt blind 11 en zijn vrouw verdient de kost. 13 Hij en zijn vrouw krijgen woorden over een bokje.*

**1** EN toen ik weer in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weer gegeven waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v1)

**2** Op het feest van Pinksteren, dat is het heilig feest van de zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel voedsel, en zei tot mijn zoon: Ga heen, en breng mee wie u zult vinden van onze broers, die gebrek heeft en aan de Heere denkt, en ziet, ik zal op u wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v2)

**3** En hij weer komende zei: Vader, één uit ons geslacht ligt gewurgd en geworpen op de markt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v3)

**4** En ik sprong op, voordat ik voedsel nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat de zon zou ondergegaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v4)

**5** En wederkerende waste ik mij, en at mijn brood met treurigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v5)

**6** En ik werd gedachtig van de profetie van Amos zoals hij gezegd had: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v6)

**7** Uw feestdagen zullen in leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei. En ik huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v7)

**8** En als de zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en begroef hem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v8)

**9** En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om die zaak wil; hij is voortvluchtig geweest, en zie, opnieuw begraaft hij de dode. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v9)

**10** En diezelfde nacht keerde ik weer na het begraven, en omdat ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v10)

**11** En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de dokters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v11)

**12** En mijn huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v12)

**13** En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v13)

**14** En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zei tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weer, want het is ons niet geoorloofd te eten wat gestolen is. En zij zei: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; maar ik geloofde haar niet, en zei dat zij het de heren weer geven zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v14)

**15** En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zei tot mij: Waar zijn nu uw liefdegaven en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/2.html#v15)

### Tobit 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/3.json)

*1 Tobias is bedroefd over de woorden van zijn vrouw en bidt God om de dood. 7 Sara, de dochter van Raguël, wordt ook gesmaad door de dienstmaagden van haar vader en bidt evenzo, 25 en de engel Rafaël wordt gezonden om beiden te troosten en te helpen.*

**1** TOEN werd ik droevig, en huilde, en bad met smarten en sprak: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v1)

**2** Heere, U bent rechtvaardig, en al Uw wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en U oordeelt een waarachtig en rechtvaardig oordeel in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v2)

**3** Gedenk mij en zie mij aan, en wreek U niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden van mijn vaders, die tegen U gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v3)

**4** Want zij zijn Uw geboden ongehoorzaam geweest, en U hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord van versmading onder alle volken, waaronder wij verstrooid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v4)

**5** En nu, Heere, Uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn zonden en die van mijn vaders, omdat wij Uw geboden niet hebben gedaan, want wij hebben niet oprecht voor U gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v5)

**6** En nu zeg ik, doe met mij naar wat behagelijk is voor U; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, omdat ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel verdriet in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer Uw aangezicht van mij niet af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v6)

**7** Juist op diezelfde dag gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienaressen van haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v7)

**8** Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, voordat zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v8)

**9** En zij zeiden tot haar: Wordt u nog niet wijs, u die uw mannen verstikt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v9)

**10** U hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet één van hun wordt u genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v10)

**11** Wat slaat u ons om hunnentwil? als zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v11)

**12** Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, maar zij zei: Ik ben een enige dochter van mijn vader, als ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v12)

**13** En zij bad aan het venster en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v13)

**14** Gezegend bent U, o Heere mijn God, en gezegend zij Uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in de eeuwigheid. Dat al Uw werken U prijzen in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v14)

**15** En nu, Heere, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot U begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v15)

**16** Ik heb gezegd, dat U mij zou verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid mag horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v16)

**17** U weet, Heere, dat ik zuiver ben van alle misdaad van de man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v17)

**18** En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam van mijn vader in het land van mijn gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v18)

**19** Ik ben een eniggeborene van mijn vader, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v19)

**20** Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v20)

**21** Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v21)

**22** En als het U niet goeddunkt mij te doden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v22)

**23** Zo beveel dat men mij aanzie, en zich over mij ontferme, en geef dat ik geen smaad meer mag horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v23)

**24** En het gebed van deze beiden werd verhoord voor de heerlijkheid van de grote God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v24)

**25** En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erfenis te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias teruggekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/3.html#v25)

### Tobit 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/4.json)

*1 Tobias onderwijst zijn zoon, de jonge Tobias, hoe hij zich na zijn dood zal gedragen, zowel tegenover zijn moeder als tegenover anderen, 7 en beveelt hem in het bijzonder de liefde en mildheid tegenover de armen aan. 13 Hij raadt hem aan te trouwen binnen zijn eigen volk. 21 Hij maakt hem bekend dat hij Gabaël te Rages in Medië geld in bewaring gegeven had.*

**1** OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v1)

**2** En hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, voordat ik sterf? En hem geroepen hebbende, zei hij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v2)

**3** Kind, als ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen van uw leven, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v3)

**4** Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v4)

**5** Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar naast mij in één graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v5)

**6** Gedenk, kind, alle tijd de Heere onze God, en wil niet zondigen noch Zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen van uw leven, en wandel niet in de wegen van de ongerechtigheid. Want als u oprecht zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v6)

**7** Doe liefdegaven van wat u hebt, en uw oog zij niet nijdig als u liefdegaven doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht van God zal zich van u niet afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v7)

**8** Naar dat u hebt, doe liefdegaven naar de menigte van de dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v8)

**9** Zo u weinig hebt, vrees niet naar het weinig liefdegaven te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v9)

**10** Want u verzamelt uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag van de nood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v10)

**11** Omdat de liefdegave van de dood verlost, en niet in de duisternis laat komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v11)

**12** Want een liefdegave is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de aanwezigheid van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v12)

**13** Kind, wees op uw hoede voor alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad van uw vaders, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam van uw vader, omdat wij kinderen van de profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaders van ouds af; gedenk, kind, dat zij allen vrouwen genomen hebben uit hun broers, en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal de aarde beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v13)

**14** En nu, kind, heb uw broers lief, en wend u niet hoogmoedig in uw hart van uw broers, en de zonen en dochters van uw volk, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de trots is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder van de honger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v14)

**15** En laat het loon van geen mens, die voor u gewerkt heeft, bij u overnachten, maar geef hem dat meteen, en zo u God gediend hebt, het zal u weergegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v15)

**16** Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en wees voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand wat hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v16)

**17** Geef van uw brood degene die honger heeft, en van uw kleren hun die naakt zijn. Alles wat u overvloedig hebt, geef dat tot liefdegaven, en uw oog benijde het niet, wanneer u liefdegaven geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v17)

**18** Werp uw brood overvloedig over het graf van de rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v18)

**19** Zoek raad bij een ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v19)

**20** Loof de Heere altijd, en begeer van Hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Heere zelf geeft al het goed, en zo wie Hij wil vernedert Hij, zoals het Hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v20)

**21** En nu verder wijs ik u aan de tien talenten zilver, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; u hebt veel, als u God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet wat behaaglijk is voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/4.html#v21)

### Tobit 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/5.json)

*1 De jonge Tobias zoekt een man die hem naar Medië zou begeleiden 5 en vindt de engel Rafaël, 15 die zegt dat hij Azarja was, een man uit zijn eigen geslacht. 25 Zij beiden aanvaarden de reis, waarover de moeder bedroefd is 28 en door haar man getroost wordt.*

**1** EN Tobias antwoordende, zei: Vader, alles wat u mij geboden hebt, zal ik doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v1)

**2** Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v2)

**3** En toen gaf hij hem het handschrift, en zei tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v3)

**4** Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v4)

**5** En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v5)

**6** Die was een engel, maar hij wist het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v6)

**7** En hij zei tot hem: Zou u met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v7)

**8** En bent u ook in die plaats bekend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v8)

**9** En de engel zei tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broer geherbergd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v9)

**10** En Tobias zei tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en wacht niet langer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v10)

**11** En ingegaan zijnde, zei hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v11)

**12** En hij kwam in, en zij groetten elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v12)

**13** En Tobias zei tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht bent u? geef het mij te kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v13)

**14** En hij zei tot hem: Zoekt u een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zei tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v14)

**15** Hij dan zei: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een van uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v15)

**16** En Tobias zei: Welkom bent u broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v16)

**17** En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v17)

**18** Ook u bent mijn broer, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v18)

**19** Omdat wij samen naar Jeruzalem getrokken zijn om te aanbidden, en daarheen de eerstgeborenen van het vee en de tienden van de vruchten brachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v19)

**20** En zij zijn niet verleid geworden tot de afdwaling van onze broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v20)

**21** Broeder, u bent van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme per dag, en wat u nodig zijn zal, zoals mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, als u gezond terugkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v21)

**22** En zij zijn zo overeengekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v22)

**23** En hij zei tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga u wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v23)

**24** En zijn zoon bereidde wat tot de reis nodig was, en zijn vader zei tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel van God trekke met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v24)

**25** En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond van de jongeling ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt u ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v25)

**26** Och of dat geld nooit voorgekomen was, maar dat wat wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v26)

**27** Want wat ons door de Heere gegeven is om van te leven, is ons genoeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v27)

**28** En Tobias zei tot haar: Heb geen zorg, zus, hij zal gezond weer komen, en uw ogen zullen hem zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v28)

**29** Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weer keren; en zij hield op van huilen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/5.html#v29)

### Tobit 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/6.json)

*1 Terwijl Tobias zich wast in de rivier de Tigris, wordt hij door een vis besprongen, 5 die hij grijpt en in stukken houwt, en hij neemt daaruit de lever, het hart en de gal, naar de raad van de engel, 9 die hem het gebruik daarvan aanwijst 12 en hem raadt Sara, de dochter van Raguël, te trouwen, 15 waarin hij moeite vindt vanwege de boze geest, 19 tegen wie de engel hem raad geeft om die te verdrijven.*

**1** EN ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en overnachtten daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v1)

**2** En de jongeling klom neer om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v2)

**3** En hij wilde de jongeling verslinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v3)

**4** Maar de engel zei tot hem: Grijp de vis aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v4)

**5** En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v5)

**6** En de engel zei tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v6)

**7** En de jongeling deed zoals de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v7)

**8** En de jongeling zei tot de engel: Azarias, broer, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v8)

**9** En hij zei tot hem: Wat het hart en de lever betreft, als iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet u roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v9)

**10** En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v10)

**11** En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v11)

**12** Zo zei de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen vandaag te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genoemd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v12)

**13** Want u komt haar erfenis toe. En u bent alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v13)

**14** En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weer zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou van de dood schuldig zijn, omdat het u past de erfenis te ontvangen meer dan enig man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v14)

**15** Toen zei de jongeling tot de engel: Azarias, broer, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v15)

**16** En nu, ik ben een enig kind van mijn vader, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, zoals de voorgaanden, omdat een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neer brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v16)

**17** En de engel zei tot hem: Gedenkt u niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat u een huisvrouw zou nemen uit uw geslacht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v17)

**18** En nu hoor mij, broer, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v18)

**19** Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als u ingaat in de bruidskamer, zo zult u as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v19)

**20** En de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v20)

**21** Maar wanneer u nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en Zich over u ontfermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v21)

**22** En vrees niet, omdat deze u is bereid van de eeuwigheid, en u zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat uit haar kinderen voor u geboren zullen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v22)

**23** En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/6.html#v23)

### Tobit 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/7.json)

*1 Tobias en zijn gids overnachten bij Raguël, die hen vriendelijk ontvangt 5 en, vragend naar de oude Tobias, verneemt dat deze zijn vader was. 9 Tobias verzoekt Sara ten huwelijk, 15 de vader Raguël geeft haar hem 18 en de moeder brengt haar wenend naar een andere kamer.*

**1** EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weer haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v1)

**2** En zij bracht hen in het huis, en Raguël zei tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v2)

**3** En Raguël vroeg hun: Vanwaar bent u, broers? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v3)

**4** En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v4)

**5** En hij zei tot hen: Kent u Tobias, onze broer, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v5)

**6** En hij zei tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zei: Het is mijn vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v6)

**7** En Raguël sprong op en kuste hem, en huilde, en zegende hem, en zei tot hem: U bent de zoon van een eerlijke en goede man. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en huilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v7)

**8** En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter huilden ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v8)

**9** En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel voedsel voor. Maar Tobias zei tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nu over wat u onderweg gezegd hebt, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v9)

**10** En Raguël zei tot Tobias: Eet en drink, en wees vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v10)

**11** Maar ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, wees vrolijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v11)

**12** En Tobias zei: Ik zal hier geen voedsel smaken, totdat u hier zult staan en het mij toegestaan zult hebben. Raguël zei: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want u bent haar broer, en zij is uw zus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v12)

**13** En de barmhartige God brenge u alles goeds toe! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v13)

**14** En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v14)

**15** En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zei: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v15)

**16** En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v16)

**17** En zij begonnen te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v17)

**18** Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zei tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v18)

**19** En zij deed zoals hij zei, en zij bracht hen daar, en zij huilde, en ontving ook de tranen van haar dochter, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v19)

**20** En zij zei tot haar: Heb goede moed, dochter, de Heere van de hemel en van de aarde geve u vreugde voor deze uw verdriet, heb goede moed, dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/7.html#v20)

### Tobit 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/8.json)

*1 Tobias wordt ook in de kamer gebracht en verdrijft de boze geest, zoals hem geleerd was. 4 Hij en zijn bruid staan op en bidden God. 9 Raguël maakt een graf voor Tobias, omdat hij vreesde dat ook hij gestorven zou zijn. 13 Doch wanneer hij merkt dat hij leefde, prijst hij God 17 en laat een grote maaltijd bereiden.*

**1** EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v1)

**2** En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as van de reukoffers, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v2)

**3** En als de duivel de reuk rook, zo vluchtte hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v3)

**4** En als zij nu beiden bij elkaar gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zei: Sta op, zus, en laat ons bidden, opdat zich de Heere over ons ontferme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v4)

**5** En Tobias begon te zeggen: Gezegend bent U, o God van onze vaders, en geloofd zij Uw Naam, die heilig en heerlijk is in de eeuwigheid, U moeten de hemelen loven, en al Uw schepselen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v5)

**6** U hebt Adam gemaakt, en U hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht van de mensen geboren. U hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v6)

**7** En nu, Heere, niet om hoererij neem ik deze mijn zus, maar in oprechtheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v7)

**8** Beveel dan dat men zich over mij ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zei met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v8)

**9** En Raguël stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v9)

**10** En Raguël kwam in zijn huis, en zei tot Edna zijn vrouw: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v10)

**11** Zend een van de dienaressen, en laat haar zien of hij leeft; en zo niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand wete. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v11)

**12** En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v12)

**13** En zij kwam weer uit, en boodschapte hun, dat hij leefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v13)

**14** En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd bent U, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten U Uw heiligen, en al Uw schepselen, en al Uw engelen, en Uw uitverkorenen; loven moeten zij U in alle eeuwigheid. Geloofd bent U, dat U mij hebt verheugd, en dat mij niet is gebeurd, volgens wat ik gedacht had. Maar U hebt met ons gehandeld naar Uw grote barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v14)

**15** Geloofd bent U, dat U Zich hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Heere, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v15)

**16** En hij beval de huisknechten het graf te stoppen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v16)

**17** En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zei tot hem met ede, voordat de dagen van de bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen van de bruiloft volbracht zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v17)

**18** En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige, zei hij, zal u toevallen, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/8.html#v18)

### Tobit 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/9.json)

*1 Tobias zendt Rafaël naar Medië om het geld van Gabaël te halen en om hem mee te brengen ter bruiloft, 6 hetgeen Rafaël uitvoert.*

**1** EN Tobias riep Rafaël, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v1)

**2** En zei tot hem: Azarias, broer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v2)

**3** Neem met u een jongen, en twee kamelen, en trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mee tot de bruiloft, omdat Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v3)

**4** En mijn vader telt de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v4)

**5** En als ik lang wacht, zo zal hij zeer bedroefd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v5)

**6** En Rafaël reisde heen, en overnachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v6)

**7** Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v7)

**8** En 's morgens vroeg gingen zij samen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/9.html#v8)

### Tobit 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/10.json)

*1 De oude Tobias en zijn vrouw verlangen zeer naar de terugkomst van hun zoon. 7 Zij wil zich niet laten troosten door haar man. 10 Tobias verzoekt met Sara naar huis te vertrekken, 12 hetgeen de ouders toestaan, en zij nemen een vriendelijk afscheid van hen.*

**1** EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen van de reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zei Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v1)

**2** Of zou Gabaël gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou geven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v2)

**3** En hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zei tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, omdat hij zo lang wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v3)

**4** En zij begon hem te bewenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v4)

**5** En zei: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch het licht van mijn ogen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v5)

**6** En Tobias zei tot haar: Zwijg stil, en wees niet bezorgd, hij is gezond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v6)

**7** Maar zij zei tot hem: Zwijg stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v7)

**8** Overdag nu at zij niet, en 's nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v8)

**9** Totdat de veertien dagen van de bruiloft voltooid waren, die Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v9)

**10** En Tobias zei tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v10)

**11** En zijn schoonvader zei tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zei: Nee, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v11)

**12** En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zei: Kinderen, de God van de hemel geve u voorspoed, voordat ik sterf. En hij zei tot zijn dochter: Houd de ouders van uw man in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v12)

**13** En Edna zei tot Tobias: Lieve broer, de Heere van de hemel brenge u weer; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Heere. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat Hij Zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/10.html#v13)

### Tobit 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/11.json)

*1 Tobias en Rafaël reizen vooruit. 6 De moeder wordt hen gewaar, 10 de vader wordt weer ziende, doordat zijn ogen met de gal van de vis bestreken worden, 12 waarover hij God dankt 18 en met blijdschap zijn schoondochter ontvangt.*

**1** EN hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v1)

**2** En Rafaël zei tot Tobias: U weet, broer, hoe u uw vader achtergelaten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v2)

**3** Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v3)

**4** En neem de gal van de vis in de hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v4)

**5** En zij trokken heen, en de hond kwam mee achter hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v5)

**6** En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zei tot zijn vader: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v6)

**7** Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zei: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v7)

**8** Strijk de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v8)

**9** En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zei tot hem: Kind, ik heb u gezien, nu wil ik wel sterven; en zij huilden beiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v9)

**10** En Tobias kwam uit naar de deur en stootte zich daaraan; maar zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen van zijn vader, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken van zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v10)

**11** En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en huilde en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v11)

**12** Geloofd bent U, o God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v12)

**13** En geloofd zij Uw Naam in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v13)

**14** En geloofd zijn al Uw heilige engelen; want U hebt mij gestraft, en hebt U Zich over mij ontfermd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v14)

**15** Zie, ik zie mijn zoon Tobias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v15)

**16** En zijn zoon verblijd zijnde ging in, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v16)

**17** En boodschapte zijn vader de grote dingen, die gebeurd waren in Medië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v17)

**18** En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich over hem had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Wees welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: evenzo uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broers, die te Nineve waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v18)

**19** En Achiachar en Nasbas, de zoon van zijn broer, kwamen ook tot hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v19)

**20** En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/11.html#v20)

### Tobit 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/12.json)

*1 Tobias biedt Rafaël voor zijn moeite de helft aan van het meegebrachte geld. 6 Doch deze neemt hen apart en vermaant hen tot weldoen 11 en maakt hun bekend dat hij een engel was, 16 waarover zij schrikken. 17 En nadat de engel hen vertroost heeft, verdwijnt hij, zodat zij hem niet meer zagen.*

**1** EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zei tot hem: Zie, zoon, dat u de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v1)

**2** En Tobias zei tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v2)

**3** Want hij heeft mij gezond bij u teruggebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u ook genezen; en de oude man zei: Hem zal recht worden gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v3)

**4** En hij riep de engel, en zei tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v4)

**5** Neem de helft van alles wat u meegebracht hebt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v5)

**6** En ga heen in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v6)

**7** Toen riep hij hen beiden in het geheim en zei tot hen: Loof God, en dankt Hem, en geeft Hem heerlijkheid, en dankt Hem voor het aangezicht van alle levenden, vanwege de dingen die Hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en Zijn naam verheffe, en de redenen van de werken van God eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet Hem te danken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v7)

**8** Want het is goed dat men het geheim van een koning bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men de werken van God openbaart. Doe goed, en het kwaad zal u niet vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v8)

**9** Het gebed met vasten, en liefdegaven, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid, dan veel met ongerechtigheid. Het is beter liefdegaven te doen, dan goud tot een schat verzamelen. Want een liefdegave verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die liefdegaven en gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v9)

**10** Maar die zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v10)

**11** Ik zal voor u geen zaak verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het goed is de geheimen van een koning bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken van God te openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v11)

**12** Wanneer u dan nu badt, u, en uw schoondochter Sara, zo bracht ik de herinnering van uw gebed voor het aangezicht van de Heilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v12)

**13** En wanneer u de doden begroeft, zo was ik ook bij u; en als u zich niet bezwaarde op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat u heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v13)

**14** En nu heeft mij God gezonden om u te genezen, en uw schoondochter Sara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v14)

**15** Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden van de heiligen voor God brengen, en ingaan voor het aangezicht van de heerlijkheid van de heiligen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v15)

**16** En zij werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij vreesden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v16)

**17** Maar hij zei tot hen: Vrees niet, want vrede zal u zijn, maar looft God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v17)

**18** Omdat ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom looft Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v18)

**19** Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar u hebt een visioen daarvan gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v19)

**20** En nu dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden heeft, en schrijf al wat gebeurd is in een boek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v20)

**21** En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken van God, hoe de engel van de Heere door hen gezien was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/12.html#v21)

### Tobit 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/13.json)

*1 Tobias de vader doet een dankzegging tot God 20 en voorzegt de herbouw van de stad Jeruzalem.*

**1** EN Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v1)

**2** Geloofd zij God die in de eeuwigheid leeft, en geloofd zij Zijn koninkrijk. Want Hij straft en ontfermt; Hij legt neer in het dodenrijk, en brengt er weer uit, en daar is niemand die Zijn hand zal ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v2)

**3** Dank Hem, u Israëlieten, voor de heidenen, omdat Hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoon daar Zijn grote heerlijkheid, en verheft Hem voor het aangezicht van alles wat leeft, zoals Hij onze Heere is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v3)

**4** Hij zal ons straffen in onze ongerechtigheden, en zal Zich weer over ons ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder wie Hij ons verstrooid heeft. Zo u tot Hem terugkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor Zijn aangezicht te bewijzen, dan zal Hij tot u terugkeren, en zal Zijn aangezicht voor u niet verbergen, en u zult aanschouwen wat Hij met u doen zal; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v4)

**5** En zult Hem danken met geheel uw mond, en u zult de Heere van de gerechtigheid loven, en zult de Koning van de eeuwigheid verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v5)

**6** Ik nu zal in het land van mijn gevangenis Hem openlijk belijden, en zal Zijn kracht en grote heerlijkheid aan het zondige volk vertonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v6)

**7** Keer weer, u zondaars, en doet gerechtigheid voor Zijn aangezicht; wie weet het, of Hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v7)

**8** Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning van de hemel loven, en Zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v8)

**9** Dat een ieder spreke, en Hem dankzegge in gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v9)

**10** Jeruzalem, u heilige stad, Hij zal u straffen over de werken van uw kinderen, en Hij zal Zich weer ontfermen over de kinderen van de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v10)

**11** Dank de Heere, want Hij is goed, en looft de Koning van de eeuwigheid, opdat Zijn tabernakel weer met vreugde in u mag gebouwd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v11)

**12** En Hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten van de wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v12)

**13** Vele volken zullen van verre komen tot de naam van God, van de Heere, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning van de hemel. Alle geslachten na elkaar zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v13)

**14** Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v14)

**15** Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen van de rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Heere van de rechtvaardigen loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v15)

**16** O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw tuchtigingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v16)

**17** Mijn ziel love God, de grote Koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v17)

**18** Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v18)

**19** En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v19)

**20** En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v20)

**21** Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/13.html#v21)

### Tobit 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/tobit/14.json)

*1 De ouderdom van Tobias, toen hij zijn gezicht verloor en weer kreeg. 6 Hij vermaant zijn zoon dat hij naar Medië zal vertrekken en Ninevé verlaten, wiens verwoesting hij voorzegt, 7 alsook de herbouw van de tempel en de roeping van de heidenen. 14 De jonge Tobias vertrekt na de dood van zijn ouders van Ninevé naar Ecbatana in Medië, naar zijn schoonvader Raguël, 16 waar hij sterft op de leeftijd van honderdzevenentwintig jaar, nadat hij gehoord had van de verwoesting van de stad Ninevé.*

**1** EN Tobias hield op van dankzeggen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v1)

**2** En was acht en vijftig jaar oud, toen hij het gezicht verloor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v2)

**3** En na acht jaren werd hij weer ziende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v3)

**4** En deed liefdegaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v4)

**5** En hij voer voort God de Heere te vrezen, en beleed Hem openlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v5)

**6** En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zei tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor zeker, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve gebeuren zal, en dat het verwoest zal worden, (maar in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broers over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis van God daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v6)

**7** En God zal zich over hen weer ontfermen, en zal hen doen terugkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zoals het eerste was, totdat de tijden van de wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij terugkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis van God zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten van de wereld, zoals de profeten daarvan gesproken hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v7)

**8** En alle heidenen zullen waarachtig bekeerd worden, om God de Heere te vrezen, en zullen hun afgoden begraven. En alle heidenen zullen de Heere loven; en zijn volk zal de Heere belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen die God de Heere liefhebben, zullen zich verblijden in waarheid en gerechtigheid, doende barmhartigheid aan onze broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v8)

**9** En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker gebeuren, die de profeet Jona gesproken heeft, maar u, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en wees rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v9)

**10** Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v10)

**11** En Achiachar is wel verlost geworden, maar hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis neergedaald. Manasse heeft liefdegaven gedaan, en is uit de strik van de dood verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v11)

**12** En nu, mijn kind, zie wat liefdegaven doen, en hoe gerechtigheid verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v12)

**13** En als hij dit zei, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaar oud; en hij begroef hem heerlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v13)

**14** En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v14)

**15** En kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed van zijn vader Tobias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v15)

**16** En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in Medië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v16)

**17** En voordat hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, die Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, voordat hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/tobit/14.html#v17)

## Judith

### Judith 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/1.json)

*1 Arfaxad, koning van de Meden, versterkt de stad Ecbatana. 6 Nebukadnezar, koning van Assyrië, begint oorlog tegen hem. 7 Zendt om bijstand aan al zijn landen, 12 en wordt vertoornd over hen die weigerachtig waren. 14 Verwoest Ecbatana. 15 Verslaat Arfaxad, 16 en komt weer terug te Ninevé.*

**1** IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, die regeerde over de Meden te Ecbatana, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v1)

**2** En bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte van de muur zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v2)

**3** En stelde zijn torens op de poorten van deze stad, van honderd ellen in de hoogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v3)

**4** En legde het fundament van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v4)

**5** En maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, en de breedte van deze poorten veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v5)

**6** En de koning Nabuchodonosor voerde te die zelf dage strijd tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, dat gelegen is aan de grens Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning van de Elymeërs, en zeer vele volken van de kinderen van Gilod kwamen samen tot die strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v6)

**7** En Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damascus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v7)

**8** En ook tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v8)

**9** En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het hele land Gesem, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v9)

**10** Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden, totdat men komt aan het gebied van Ethiopië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v10)

**11** Maar al de inwoners van dit land verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze strijd, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden leeg van zich terugkeren met schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v11)

**12** En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al het gebied van Cilicië, en Damascus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan het gebied van de twee zeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v12)

**13** En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn strijd en versloeg de hele macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagens, en vermeesterde zijn steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v13)

**14** En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v14)

**15** En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v15)

**16** En hij keerde met hen weer naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van soldaten; en hij rustte daar uit, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/1.html#v16)

### Judith 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/2.json)

*1 Nebukadnezar neemt zich voor wraak te nemen op de landen die hem bijstand geweigerd hadden. 4 Stelt Holofernes aan tot veldoverste. 6 En beveelt hem niemand van hen te sparen. 7 Zijn grote toerusting voor de oorlog. 13 De plaatsen die hij ingenomen en verwoest heeft.*

**1** EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, van wraak te oefenen over het hele land, zoals hij gezegd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v1)

**2** En hij riep al zijn dienaren, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun het geheim van zijn raad voor, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v2)

**3** En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel van zijn mond niet nagevolgd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v3)

**4** En het gebeurde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, Holofernes, de veldoverste van zijn leger, die de tweede na hem was, en hij zei tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v4)

**5** Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: zie, u zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en u zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en u zult uittrekken tegen het hele land naar het westen, omdat zij het woord van mijn mond ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het hele aangezicht van de aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden van de hele aarde. Maar u, uittrekkende zult tevoren al hun gebied innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en u zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v5)

**6** Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, u zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht van mijn koninkrijk, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en u zult niet één van de woorden van uw heer overtreden, maar zult het geheel volbrengen, zoals ik u bevolen heb, en u zult niet vertragen het te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v6)

**7** En Holofernes ging uit van voor het aangezicht van zijn heer, en riep al de machtigen, en de oorlogsoversten, en de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs, en telde uitgekozen mannen tot de oorlog, zoals hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v7)

**8** En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte soldaten bestemd wordt; en hij nam kamelen en ezels tot hun bagage, een zeer grote menigte; en ook schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v8)

**9** En een grote menigte koren voor ieder man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v9)

**10** En hij nam goud en zilver uit het huis van de koning, zeer veel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v10)

**11** En hij begaf zich met zijn hele leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het hele aangezicht van het land tegen het westen met hun wagens, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand van de aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v11)

**12** En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagens, en trok van daar naar het gebergte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v12)

**13** En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen van Ismaël, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden van het land Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v13)

**14** En vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v14)

**15** En hij nam het gebied van Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan het gebied van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v15)

**16** En hij omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v16)

**17** En hij daalde af in het veld van Damascus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte van het zwaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v17)

**18** En een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem bovenmate zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/2.html#v18)

### Judith 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/3.json)

*1 De landen die aan de zee gelegen zijn vragen om vrede, 7 die Holofernes hun verleent. 10 Maar hij vernietigt al hun goden, opdat zij Nebukadnezar alleen als god zouden dienen. 13 Hij nadert met zijn leger het Joodse land.*

**1** EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v1)

**2** Zie, wij zijn knechten van de grote koning Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v2)

**3** Doe met ons, zoals het u behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v3)

**4** Zie, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al de stallen van onze woningen liggen open voor u, doe daarmee zoals het u behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v4)

**5** Zie, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, zoals het goed is in uw ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v5)

**6** En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben dat geboodschapt naar deze woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v6)

**7** En hij met zijn heerkracht trok af naar de zeekant, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v7)

**8** En bezette de versterkte steden, en nam daaruit soldaten aan tot zijn strijd, uitgelezen mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v8)

**9** En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v9)

**10** En hij verstoorde al hun gebied en hieuw hun bossen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v10)

**11** En het was bij hem besloten, dat hij al de goden van het land zou vernielen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v11)

**12** Opdat alle volken, hem, Nabuchodonosor, alleen zouden dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot een god aanroepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v12)

**13** En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, die ligt tegenover de grote engte van Judea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v13)

**14** En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een hele maand stil, opdat hij al de bagage van zijn leger bijeenvergaderde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/3.html#v14)

### Judith 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/4.json)

*1 De Joden zijn zeer bevreesd voor Holofernes, 4 versterken hun plaatsen, en nemen de hoge bergen in. 6 Aan die van Bethulië, dat de toegang tot Judea vormt, wordt bevolen die plaats te bewaken. 8 De kinderen van Israël geven zich over aan vasten, bidden en het de HEERE offeren.*

**1** EN de Israëlieten, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de oorlogsoverste van de koning van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v1)

**2** En zij werden bovenmate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel van de Heere, hun God, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het hele volk was kort tevoren verzameld geweest uit Judea; en de voorwerpen en het altaar en het huis van God waren van de ontheiliging geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v2)

**3** En zij zonden in het hele gebied van Samarië, en in de plaatsen, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen van de hoge bergen in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v3)

**4** En zij maakten muren om hun plaatsen, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad van de oorlog, omdat hun velden kort tevoren afgemaaid waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v4)

**5** En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, die tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte van het veld dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v5)

**6** Omdat daardoor de ingang was naar Judea, en het gemakkelijk was degenen te beletten die opklimmen zouden, daar de toegang nauw was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v6)

**7** En de Israëlieten deden naar dat de hogepriester Joakim, en de raad van het hele volk van Israël, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v7)

**8** En al de mannen van Israël riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v8)

**9** En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v9)

**10** En alle mannen van Israël en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neer in het gezicht van de tempel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v10)

**11** En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aangezicht van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v11)

**12** En zij bekleedden het altaar met een zak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v12)

**13** En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God van Israël, dat Hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden van hun erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v13)

**14** En de Heere verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v14)

**15** En het volk vastte vele dagen lang in geheel Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom van de Heere, de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v15)

**16** En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Heere stonden, en die de Heere dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer van het gedurige offer, en de beloften, en de vrijwillige gaven van het volk, en as was op hun haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v16)

**17** En zij riepen tot de Heere van ganser kracht, dat Hij het hele huis van Israël ten goede bezoeken wilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/4.html#v17)

### Judith 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/5.json)

*1 Holofernes vraagt wat voor volk de Joden waren, die zich tegen hem durfden te stellen. 5 Achior verhaalt hem wat voor een volk zij waren, 8 en wat God voor hen gedaan had, 23 en raadt hem aan geen oorlog tegen hen te voeren, tenzij zij zwaar tegen God gezondigd hadden. 25 Wat allen die het hoorden zeer mishaagde.*

**1** EN het werd Holofernes, de oorlogsoverste van het heerleger van de Assyriërs, geboodschapt dat de Israëlieten zich bereiden tot de oorlog, en dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen van de hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v1)

**2** En hij werd zeer boos, en hij riep al de oversten van de Moabieten, en de oorlogsoversten van de Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v2)

**3** En hij zei tot hen: Zeg mij toch, u kinderen van Kanaän, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v3)

**4** En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v4)

**5** En Achior, de overste van al de kinderen van Ammon, zei tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond van uw knecht, en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond van uw knecht gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v5)

**6** Dit volk komt af van de Chaldeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v6)

**7** En zij hebben eerst als vreemdelingen gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden van hun vaders, die in het land van Chaldea waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v7)

**8** En zijn afgetreden van de weg van hun vaders, en hebben de God van de hemel aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht van hun goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land waar zij vreemdeling waren, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v8)

**9** En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij teruggekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v9)

**10** En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door het maken van bakstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v10)

**11** En zij riepen tot hun God, en Hij sloeg geheel Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v11)

**12** En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v12)

**13** En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v13)

**14** En zij hebben zich neergezet in het land van de Ammorieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v14)

**15** En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v15)

**16** En door de Jordaan getrokken zijnde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v16)

**17** Hebben zij dit hele gebergte tot een erfenis ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v17)

**18** En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v18)

**19** En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v19)

**20** Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die Hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v20)

**21** En zijn als gevangene weggevoerd in een vreemd land, en de tempel van hun God is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v21)

**22** En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem neergezet, waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v22)

**23** En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zulk een struikelblok is, zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v23)

**24** Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Heere hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v24)

**25** En het gebeurde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk morde, dat de tent omringde en daar rondom stond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v25)

**26** En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en van de Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want, zeiden zij, wij vrezen niet voor de Israëlieten, want ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v26)

**27** Daarom zo zullen wij optrekken, heer Holofernes, en zij zullen een aas zijn voor uw hele leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/5.html#v27)

### Judith 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/6.json)

*1 Holofernes veracht God, 5 dreigt Achior, en laat hem wegbrengen naar Bethulië. 10 Die van Bethulië ontvangen hem. 13 En vernemen uit hem de dreigementen van Holofernes, 14 waarom zij zich begeven tot het gebed, 16 en Achior vertroosten.*

**1** EN als het gemurmel van de mannen, die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste van het heerleger van de Assyriërs tot Achior, voor het hele volk van de buitenlanders en tot alle kinderen van Moab: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v1)

**2** Wie bent u toch, Achior, u die van Efraïm gehuurd bent, dat u vandaag onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht van Israël niet zouden bevechten, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God behalve Nabuchodonosor? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v2)

**3** Deze zal zijn macht afzenden en hen vernietigen van het aangezicht van de aardbodem, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet weerstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v3)

**4** En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet één voetstap van hun voeten zal bestaan voor ons aangezicht, maar zij zullen geheel omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer van de hele aarde, want hij heeft het gezegd, en de woorden van zijn rede zullen niet ijdel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v4)

**5** En u Achior, u huurling van de Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag van uw ongerechtigheid, u zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht van degenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard van mijn heerleger, en het volk van mijn dienaren tussen uw zijden gaan, en u zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal teruggekeerd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v5)

**6** En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een van de steden van hun opgangen, en u zult niet sterven totdat u met hen vernietigd wordt. Als u nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik heb het gesproken, en geen van mijn woorden zal ontvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v6)

**7** En Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v7)

**8** En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden van het vlakke veld naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen van de stad hen op de spits van de berg zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits van de berg toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v8)

**9** Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet van de berg geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden weer tot hun heer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v9)

**10** Maar de Israëlieten kwamen naar beneden tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v10)

**11** En stelden hem voor de oversten van hun stad, die op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v11)

**12** En zij riepen al de oudsten van de stad bijeen, en al hun jongemannen, en de vrouwen liepen samen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v12)

**13** En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden van de oversten van de kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v13)

**14** En het volk, neervallende, bad God aan, en riep zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v14)

**15** Heere, U God van de hemel, zie op hun hoogmoed, en ontferm U over de vernedering van ons geslacht, en zie ten deze dage aan het aangezicht van degenen, die U geheiligd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v15)

**16** En zij troostten Achior en prezen hem zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v16)

**17** En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v17)

**18** En zij riepen de God van Israël aan om hulp, die hele nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/6.html#v18)

### Judith 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/7.json)

*1 Holofernes belegert Bethulië met een grote macht. 7 En stopt de waterbronnen af. 8 De Moabieten raden hem aan de stad niet te bestormen, maar door dorst te dwingen. 13 De Israëlieten roepen tot God, worden kleinmoedig en krachteloos, en morren tegen de overste Ozias, 19 die hen vermaant nog vijf dagen standvastig te willen blijven, en belooft dan de stad over te geven, als God hen ondertussen niet verlost.*

**1** EN op de andere dag gebood Holofernes zijn hele heerleger, en al zijn volk, dat tot zijn hulp in deze strijd gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men de Israëlieten de oorlog zou aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v1)

**2** Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, afgezien van de oorlogsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v2)

**3** En zij sloegen hun kamp op in het dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië, tot aan Kyamon, dat ligt tegenover Esdrelon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v3)

**4** De Israëlieten nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de één zei tot de ander: Deze zullen nu het aangezicht van het hele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v4)

**5** En zij namen al hun wapenen en ontstaken vuren op hun torens, en bleven die hele nacht op de wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v5)

**6** Maar de tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht van de Israëlieten, die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v6)

**7** En kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weer op naar zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v7)

**8** En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen van Ezau, en al de leidslieden van de Moabieten, en de oorlogsoversten van het land aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v8)

**9** Want dit volk van de Israëlieten verlaat zich niet op hun speren, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v9)

**10** En nu, heer, bevecht hen niet zoals in een bestorming gebeurt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het leger, en laat maar uw dienaren de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en zo zal de dorst hen wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen van de bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en voordat het zwaard over hen komt, zullen zij neergeveld worden op de straten van hun woning. En u zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v10)

**11** En deze hun woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienaren, en zij bepaalden dat men doen zou zoals zij gesproken hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v11)

**12** En het heer van de kinderen van Ammon, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de Israëlieten eerst in, en de kinderen van Ezau, en de kinderen van Ammon klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit hun midden tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, dat ligt bij Chus, dat bij de beek Mochmor ligt; en het overige leger van de Assyriërs legde zich neer in het vlakke veld, en bedekte het hele aangezicht van het land, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v12)

**13** En de Israëlieten riepen tot de Heere hun God, want hun geest werd kleinmoedig, omdat al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het hele leger van de Assyriërs, hun voetknechten, wagens en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden leeg, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongemannen bezweken van dorst, en zij vielen neer op de stadsstraten, en in de doorgangen van de poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het hele volk kwam samen tot Ozias, en tot de oversten van de stad, jongemannen en vrouwen en kinderen, en riepen met luide stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat u zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen van Assur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v13)

**14** En nu is er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld worden door dorst en groot verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v14)

**15** En nu, roept hen tot u, en geeft de hele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v15)

**16** Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v16)

**17** Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Heere van onze vaders, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden van onze vaders, opdat Hij niet doe naar deze woorden op de dag van vandaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v17)

**18** En daar rees een groot en eendrachtig geschrei van allen in het midden van de vergadering, en zij riepen tot God de Heere met luide stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v18)

**19** En Ozias zei tot hen: Heb goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Heere onze God Zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want Hij zal ons tot het einde toe niet verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v19)

**20** Maar zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/7.html#v20)

### Judith 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/8.json)

*1 Judit, een rijke, schone en godzalige weduwe, bestraft Ozias over deze belofte. 21 Vermaant op God te vertrouwen. 25 Ozias verontschuldigt zijn belofte. 27 Judit belooft een bijzonder werk te zullen doen tot verlossing van de stad.*

**1** EN in die dagen hoorde dat Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v1)

**2** En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen van de gersteoogst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v2)

**3** Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v3)

**4** En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaar en vier maanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v4)

**5** En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met kleren van een weduwe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v5)

**6** En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen van de nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen van de vreugde van het huis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v6)

**7** En zij was mooi van gestalte, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v7)

**8** En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v8)

**9** En Judith hoorde de kwade woorden van het volk tegen de oversten, omdat zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid van het water; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v9)

**10** En zij kwamen tot haar, en zij zei tot hen: Hoor mij nu, u oversten van de inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, die u op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die u gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat u de stad zult overgeven aan onze vijanden, als binnen deze dagen de Heere Zich niet wendt om ons te helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v10)

**11** En nu, wie bent u, dat u God op de huidige dag hebt verzocht, en uzelf in Gods plaats hebt gezet, in het midden van de kinderen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v11)

**12** En u onderzoekt nu de Heere, de Almachtige, maar zult in de eeuwigheid niets verstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v12)

**13** Want de diepte van het hart van de mens kunt u niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden van zijn bedenking, en hoe zult u de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en Zijn zin vernemen, en Zijn gedachten verstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v13)

**14** Niet zo, broeders, verwekt de Heere, onze God, niet tot toorn. Want als Hij ons in deze vijf dagen niet wil helpen, heeft Hij de macht om ons te beschutten op welke dag Hij wil, of ook om ons te vernietigen voor het aangezicht van onze vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v14)

**15** Maar stelt u de raadslagen van de Heere, onze God, niet in pand, want God is niet als een mens, dat Hij zou bedreigd worden, noch als een mensenzoon, dat Hij zou geoordeeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v15)

**16** Daarom laat ons op Zijn verlossing wachten, en Hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, als het Hem behagelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v16)

**17** Omdat in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, die de goden dient, die met handen gemaakt zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v17)

**18** Zoals wel in de vorige dagen is gebeurd, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v18)

**19** Maar wij erkennen geen andere God dan Hem, waarom wij hopen dat Hij ons niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v19)

**20** Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Heere, onze God, zal de ontheiliging daarvan van onze mond eisen, en Hij zal de dood van onze broers, en de gevangenis van het land, en de verwoesting van onze erfenis op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Heere, onze God, zal ze tot oneer zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v20)

**21** En nu, broeders, laat ons onze broeders een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis van God, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Heere, onze God, danken die ons verzoekt, zoals Hij ook onze vaders verzocht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v21)

**22** Gedenk wat Hij met Abraham al gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v22)

**23** En hoe Hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, de broer van zijn moeder, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v23)

**24** Want zoals Hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking van hun harten, zo wreekt Hij Zich niet over ons, maar de Heere straft degenen, die Hem naderen, tot een waarschuwing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v24)

**25** En Ozias zei tot haar: Alles wat u gezegd hebt, dat hebt u van goeder hart gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is vandaag niet eerst openbaar, maar van het begin van uw dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, zoals ook de bedenking van uw hart goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens wat wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v25)

**26** En nu, bid voor ons, want u bent een godvrezende vrouw, en de Heere zal de regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v26)

**27** En Judith zei tot hen: Hoor mij en ik zal een werk doen, dat van geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v27)

**28** U zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke u gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Heere Israël door mijn hand bezoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v28)

**29** Maar u zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, voordat het zal volbracht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v29)

**30** En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Heere God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weer uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde oorlogsordeningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/8.html#v30)

### Judith 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/9.json)

*1 Judit verootmoedigt zich, en bidt God dat Hij haar voorgenomen werk wil zegenen tegen de vijanden van zijn volk.*

**1** EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis van God het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luide stem tot de Heere, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v1)

**2** Heere, U God van mijn vader Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot van de maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want U had gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom U hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, dat hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v2)

**3** En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochters in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder Uw lieve kinderen, die ook met Uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking van hun bloed, en hebben U tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v3)

**4** Want U hebt de dingen gedaan, die voor die waren, en die dingen zelf, en die daarna zijn gebeurd, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en die dingen die U beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Zie hier zijn wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v4)

**5** Want al Uw wegen zijn bereid, en Uw oordeel is U tevoren bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v5)

**6** Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet, dat U de Heere bent, die de oorlogen verplettert; Heere is Uw Naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v6)

**7** Breek hun geweld met Uw kracht, en sla hun sterkte terneer in Uw toorn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v7)

**8** Want zij hebben voorgenomen Uw heiligdom te ontheiligen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v8)

**9** En te bevlekken de tabernakel van de rust van Uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van Uw altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v9)

**10** Zie op hun hoogmoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v10)

**11** Zend Uw toorn over hun hoofden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v11)

**12** En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v12)

**13** Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v13)

**14** Breek hun hoogmoed door de hand van een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v14)

**15** Want Uw sterkte is niet in de menigte, noch Uw vermogen in de geweldigen, maar U bent een God van de nederigen; U bent een helper van de kleinen, een aannemer van de zwakken, een beschutter van de vertwijfelenden, en een behouder van degenen, die geen hoop hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v15)

**16** Ja, ja, U God van mijn vader, U God van het erfdeel van Israël, U Heere van de hemel en van de aarde, U schepper van de wateren, U Koning van al Uw schepselen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v16)

**17** Verhoor toch mijn gebed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v17)

**18** En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen hebben tegen Uw verbond, en tegen Uw geheiligd thuis, en tegen de spits van de berg Sion, en tegen het huis van de bezitting van Uw kinderen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v18)

**19** En maak, dat men onder al Uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat U de God bent aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter van het geslacht van Israël is dan U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/9.html#v19)

### Judith 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/10.json)

*1 Nadat Judit zich getooid heeft, gaat zij met haar dienstmaagd naar de poort, 8 waar de oversten van de stad haar de zegen van God toewensen. 9 Zij gaat vervolgens de poort uit, 11 en komt bij de wacht van de Assyriërs, 15 die haar geleiden tot in de tent van Holofernes.*

**1** EN het gebeurde toen zij ophield van roepen tot de God van Israël, en al deze woorden geëindigd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v1)

**2** Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen van de sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmee zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v2)

**3** En zij waste haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-kleren aan, waarmee zij bekleed was in de dagen van het leven van haar man Manasse. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v3)

**4** En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen van de mannen, zovelen haar aanzien zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v4)

**5** En zij gaf haar dienstmaagd een leren fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een reiszak met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar voorwerpen om en om, en legde ze deze op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v5)

**6** En zij gingen uit naar de poort van de stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten van de stad Chabrin en Charmin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v6)

**7** Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich bovenmate zeer over haar schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v7)

**8** En zeiden tot haar: God, de God van onze vaders, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van de Israëlieten en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v8)

**9** En zei tot hen: Beveel dat mij de poort van de stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan u met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongemannen haar open te doen, zoals zij gesproken had, en zij deden zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v9)

**10** En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen van de stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v10)

**11** Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht van de Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Van wie bent u? en vanwaar komt u? en waar gaat u heen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v11)

**12** En zij zei: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v12)

**13** En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste van uw leger, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het hele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v13)

**14** Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht beschouwden, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v14)

**15** En zij zeiden tot haar: U hebt uw leven behouden, omdat u zich gehaast hebt af te komen tot het aangezicht van onze heer. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v15)

**16** Wanneer u nu voor hem staat, zo wees niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het hele leger, want haar aankomst werd bekend door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, zoals zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de Israëlieten om harentwil, en de één zei tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zulke vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, die overgelaten zijnde het hele land door listigheid zou kunnen bedriegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v16)

**17** En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaren kwamen uit, en brachten haar in de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v17)

**18** En Holofernes rustte op zijn bed onder een kleed, dat van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was samen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v18)

**19** En als Judith voor zijn aangezicht en dat van zijn dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid van haar aangezicht, en zij, neervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienaren richtten haar op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/10.html#v19)

### Judith 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/11.json)

*1 Holofernes ontvangt Judit vriendelijk, 3 en vraagt naar de reden van haar komst. 4 Zij zegt dat zij gekomen is om hem bekend te maken hoe en wanneer hij de stad zal kunnen veroveren. 18 Holofernes heeft een groot behagen in haar schoonheid en wijsheid.*

**1** EN Holofernes zei tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, heeft begeerd te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v1)

**2** En nu, als uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn speer tegen hem niet opgeheven hebben, maar zij zelf hebben zich dit aangedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v2)

**3** Maar nu, zeg mij, waarom u van hen gevlucht en tot ons gekomen bent, want u komt tot uw behoudenis; heb goede moed, u zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, zoals met de knechten van mijn heer, koning Nabuchodonosor, gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v3)

**4** En Judith zei tot hem: Neem de woorden van uw dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aangezicht spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En als u de woorden van uw dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v4)

**5** Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren van het veld en de beesten, en de vogels van de hemel zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn hele huis leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v5)

**6** Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden van uw hart, en het wordt verkondigd in de hele aarde, dat u alleen kloek bent in geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de oorlogsordeningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v6)

**7** En nu wat betreft de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, omdat hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, omdat zij waarachtig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v7)

**8** Want over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v8)

**9** Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aangezicht gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v9)

**10** Want omdat hun het voedsel ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot voedsel te gebruiken al wat God in Zijn wetten hun verboden heeft te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v10)

**11** Zij hebben ook voorgenomen tot voedsel te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, die zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aangezicht van onze God staan, die het zelfs niemand uit het volk past met de handen aan te raken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v11)

**12** En zij hebben enige naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal gebeuren dat, zodra hun dit bericht is en zij het gedaan hebben, zij diezelfde dag aan u overgegeven zullen worden om vernield te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v12)

**13** Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevlucht, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in de hele aarde zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v13)

**14** Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God van de hemel. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal 's nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u dat aanbrengen, en u zult met uw hele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal weerstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v14)

**15** En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat u komt voor Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v15)

**16** En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en u zult hen drijven zoals schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet één hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v16)

**17** Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weer te boodschappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v17)

**18** Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienaren, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v18)

**19** Er is geen dergelijke vrouw van het ene einde van de aarde tot het andere einde, in schoonheid van aangezicht, en wijsheid van spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v19)

**20** En Holofernes zei tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v20)

**21** En nu, u bent schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, als u dan zult doen zoals u gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en u zult in het huis van de koning Nabuchodonosor wonen, en u zult beroemd zijn door het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/11.html#v21)

### Judith 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/12.json)

*1 Judit weigert te eten van de spijze van Holofernes. 6 Vraagt of zij naar buiten mag gaan om te bidden, 7 blijft drie dagen in het legerkamp. 10 Holofernes nodigt haar door Bagoas uit om bij hem te komen op zijn maaltijd, en met hem vrolijk te zijn. 13 Wat Judit, nadat zij zich getooid heeft, doet, 17 en zij wordt door Holofernes zeer onthaald.*

**1** EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn voedsel, en dat zij drinken zou van zijn wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v1)

**2** Maar Judith zei: Ik zal daarvan niet eten, opdat geen aanstoot daaruit ontsta, maar uit wat mij volgt, zal mij toegediend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v2)

**3** En Holofernes zei tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v3)

**4** En Judith zei tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben wat ik bij mij heb, of de Heere zal door mijn hand gedaan hebben, wat Hij heeft beraadslaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v4)

**5** En de dienaren van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v5)

**6** En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v6)

**7** En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging 's nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij waste zich in het leger, in de waterfonteinen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v7)

**8** En als zij weer opkwam, bad zij de Heere, de God van Israël, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen van haar volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v8)

**9** En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar voedsel bracht tegen de avond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v9)

**10** En het gebeurde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienaren, en riep niemand daartoe van degenen, die over de gemene zaken waren, en hij zei tot Bagoas de kamerling, die over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v10)

**11** Want zie, het is schande voor ons dat wij zulk een vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v11)

**12** En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zei: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware om zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aangezicht verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochters van de Assyriërs, die in het huis van Nabuchodonosor staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v12)

**13** En Judith zei tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v13)

**14** Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag van mijn dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v14)

**15** Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop neerzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v15)

**16** En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was bovenmate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v16)

**17** En Holofernes zei tot haar: Drink toch, en wees met ons vrolijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v17)

**18** En Judith zei: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen van mijn geboorte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v18)

**19** En zij nam, en at, en dronk voor hem, wat haar dienstmaagd bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v19)

**20** En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, sinds hij geboren was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/12.html#v20)

### Judith 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/13.json)

*1 Judit wordt in de tent alleen gelaten bij Holofernes, die zeer dronken op het bed in slaap gevallen was. 5 Judit, dit ziende, bad God dat Hij haar sterkte wilde geven, 9 en sloeg hem het hoofd af terwijl hij sliep, 11 wat zij meeneemt, en zij komt terug te Bethulië. 21 Die van Bethulië, dit horende en het hoofd ziende, ontstellen, en loven God. 23 En Ozias prijst en zegent Judit.*

**1** EN als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienaren om te scheiden; Bagoas sloot de tent van buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v1)

**2** En zij gingen heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith werd alleen gelaten in de tent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v2)

**3** En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v3)

**4** Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, zoals dagelijks gebeurd was. Want zij zei, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aangezicht, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v4)

**5** En Judith staande voor zijn bed, zei in haar hart: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v5)

**6** O Heere, U God aller kracht, zie op dit uur de werken van mijn handen aan, tot verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om Uw erfenis te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering van de vijanden, die tegen ons opgestaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v6)

**7** En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v7)

**8** Sterk mij, o God van Israël, op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v8)

**9** En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v9)

**10** En nam het kleed van de pilaren weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v10)

**11** En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak met haar voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v11)

**12** En zij beiden gingen samen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg van de stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v12)

**13** En Judith zei van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doe open! doe toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, zoals Hij ook vandaag gedaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v13)

**14** En het gebeurde als de mannen van die stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten van de stad bijeen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v14)

**15** En zij liepen allen samen van de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en ontvingen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v15)

**16** En zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v16)

**17** Maar zij sprak tot hen met luide stem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v17)

**18** Loof God, looft Hem; loof God, die Zijn barmhartigheid van het huis van Israël niet afwendt, maar Hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v18)

**19** En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zei tot hen: Zie hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger van de Assyriërs, en ziet het kleed waaronder hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Heere heeft hem geslagen door de hand van een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v19)

**20** En zo waarachtig als de Heere leeft, die mij bewaard heeft op mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v20)

**21** En al het volk ontzette zich zeer, en zich neerbuigende, aanbaden zij God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v21)

**22** En zeiden eendrachtig: Geloofd bent U, o onze God, die op de huidige dag de vijanden van Uw volk teniet hebt gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v22)

**23** En Ozias zei tot haar: Gezegend bent u, o dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, die op de aarde zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v23)

**24** En geloofd zij de Heere God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding van het hoofd van de overste van onze vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v24)

**25** Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart van de mensen, die de kracht van God zullen gedenken, tot in de eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, omdat u uw leven niet gespaard hebt vanwege de vernedering van ons geslacht, maar onze val bent tegengegaan en oprecht voor onze God hebt gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v25)

**26** En al het volk zei: Het zij zo! het zij zo! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/13.html#v26)

### Judith 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/14.json)

*1 Judit raadt aan dat zij het hoofd van Holofernes van de stadsmuren zullen uitsteken, en daarop een uitval zullen doen. 6 Achior, van Judit vernomen hebbende wat zij gedaan had, wordt bekeerd en besneden. 8 De Israëlieten doen een uitval tegen de Assyriërs, 10 die, willende Holofernes wekken, hem dood vinden in zijn tent, 14 en daarover groot misbaar maken.*

**1** EN Judith zei tot hen: Hoor mij nu, broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v1)

**2** En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal ieder van u zijn krijgsuitrusting nemen, en u allen, die kloeke mannen bent, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of u wilde neerdalen in het veld, tegen de eerste wacht van de kinderen van Assur, maar u zult niet heen afgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v2)

**3** En zij zullen hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs opwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v3)

**4** En zij zullen allen tegelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v4)

**5** En u zult hen achtervolgen, en ook allen die in het hele gebied van Israël wonen, en zult hen neervellen in hun wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v5)

**6** Maar voordat u dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis van Israël veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering van het volk, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verfrist hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zei: Gezegend bent u in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al wat u in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden van het volk, al wat zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luide stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v6)

**7** En Achior ziende al wat de God van Israël gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees van zijn voorhuid, en werd tot het huis van Israël toegevoegd tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v7)

**8** Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen van Israël namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang van de berg, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v8)

**9** Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v9)

**10** Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot ons neerkomen in de oorlog, opdat zij geheel vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v10)

**11** En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal van de tent: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v11)

**12** Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v12)

**13** En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v13)

**14** En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luide stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn kleren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v14)

**15** En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis van de koning Nabuchodonosors, want ziet, Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v15)

**16** Als nu de oversten van het leger van de Assyriërs deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun kleren, en hun ziel werd zeer beroerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v16)

**17** En hun geschrei en geroep werd groot in het midden van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/14.html#v17)

### Judith 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/15.json)

*1 De Assyriërs slaan op de vlucht, 3 en worden door de Israëlieten overal vervolgd. 9 De hogepriester komt van Jeruzalem om Judit te zien en te zegenen. 13 De huisraad van Holofernes wordt aan Judit gegeven. 14 En de Israëlitische vrouwen kronen haar met kransen.*

**1** EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over wat gebeurd was, en vrees en beving viel op hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v1)

**2** En daar was geen mens die staande bleef voor het aangezicht van zijn naasten, maar zij liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v2)

**3** En toen vielen alle strijdbare mannen van de Israëlieten tegen hen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v3)

**4** En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en naar het hele gebied van Israël, om te boodschappen wat er gebeurd was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitrukken, om hen uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v4)

**5** Als nu de Israëlieten dat gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtig op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; evenzo ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het hele gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v5)

**6** En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damascus en haar gebied gekomen zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v6)

**7** De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger van de Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v7)

**8** En de Israëlieten teruggekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de plaatsen en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v8)

**9** En Joachim, de hogepriester, en de raad van de Israëlieten, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God aan Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v9)

**10** En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden tot haar: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v10)

**11** U bent de verhoging van Israël, u bent een grote heerlijkheid van Israël. U bent een grote roem van ons geslacht. U hebt dit alles gedaan door uw hand. U hebt aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Wees gezegend voor de Almachtige Heere, ten eeuwigen tijde, en al het volk zei: Het zij zo! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v11)

**12** En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v12)

**13** En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat daarop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v13)

**14** En al de vrouwen van Israël liepen samen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v14)

**15** En zij nam groene takken in haar handen, en gaf die ook aan de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het hele volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen van Israël volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/15.html#v15)

### Judith 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/judith/16.json)

*1 Judit zingt de HEERE een lofzang, 23 en al de huisraad van Holofernes heiligt zij de HEERE in zijn tempel. 24 Het volk is drie maanden lang vrolijk te Jeruzalem. 26 Judit leeft in grote eer te Bethulië, waar zij sterft op 105-jarige leeftijd, 28 en heel Israël beweent haar.*

**1** EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder geheel Israël, en het hele volk zong deze lofzang haar na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v1)

**2** En Judith zei: Begint de lof van mijn Heere met tambourijn; zing voor mijn Heere met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verhef, en roept Zijn naam aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v2)

**3** Want de Heere is een God, die de oorlogen vermorzelt: want Hij heeft in Zijn leger, in het midden van het volk, mij verlost, uit de hand van degenen, die mij vervolgden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v3)

**4** Assur kwam uit de gebergten van het noorden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v4)

**5** Hij kwam in met vele duizenden van zijn macht, waarvan de menigte de waterbeken verstopte, en hun ruiterij bedekte de heuvelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v5)

**6** Hij zei, dat hij mijn gebied zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v6)

**7** De Heere, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de hand van een vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v7)

**8** Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen van de Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v8)

**9** Want zij deed de kleren van haar weduwschap uit, tot verhoging van degenen die benauwd waren in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v9)

**10** Zij zalfde haar aangezicht met geurende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v10)

**11** Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v11)

**12** De Perzen beefden voor haar onverschrokkenheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v12)

**13** Toen juichten mijn nederigen, en riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v13)

**14** De zonen van de jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen van de overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het leger van de Heere, mijn God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v14)

**15** Ik zal mijn God een lofzang zingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v15)

**16** Heere, U bent groot en heerlijk, wonderlijk in kracht, en onverwinnelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v16)

**17** Dat al Uw schepsel U dient, want U hebt het gezegd, en zij zijn geworden. U hebt Uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die Uw stem zal weerstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v17)

**18** Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van Uw aangezicht, als was, versmelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v18)

**19** Maar U zult genadig zijn aan degenen die U vrezen, want alle offergave ten goeden reuk, is een klein ding voor U, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Heere vreest is altijd groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v19)

**20** Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Heere, de Almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag van het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v20)

**21** Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v21)

**22** En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandoffers en hun gewillige offeren, en hun gaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v22)

**23** En Judith hing op in de tempel al de voorwerpen van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het kleed, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v23)

**24** En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v24)

**25** En na die dagen trok ieder weer naar zijn erfenis, en Judith kwam weer naar Bethulië, en bleef bij haar goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v25)

**26** En zij was in haar tijd zeer geëerd in het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v26)

**27** En velen begeerden haar te hebben, maar geen man had gemeenschap met haar al de dagen van haar leven, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk verzameld was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v27)

**28** En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis van haar man, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de grot van haar man Manasse, en het huis van Israël droeg zeven dagen lang rouw over haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v28)

**29** En zij deelde haar goederen, voordat zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v29)

**30** En daar was niemand meer, die de Israëlieten enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/judith/16.html#v30)

## Boek der Wijsheid

### Boek der Wijsheid 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/1.json)

*1 De rechters moeten de HEERE zoeken. 2 God geeft Zijn wijsheid niet aan de huichelaars, noch aan de lasteraars, 6 wier hart Hij kent en wier woorden Hij hoort. 12 God heeft de dood niet gemaakt; maar wij zelf brengen de dood en het verderf over ons, door onze zonden en ongerechtigheid.*

**1** HEBT de gerechtigheid lief, u, die de aarde richt; heb van de Heere een goed gevoelen en zoekt Hem in eenvoud van de harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v1)

**2** Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v2)

**3** Want verkeerde gedachten scheiden van God, en Zijn kracht beproefd zijnde overtuigt de zotten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v3)

**4** Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v4)

**5** Want de Heilige Geest van de onderwijzing vlucht de bedriegerij, wijkt af van de gedachten van de onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v5)

**6** Want de wijsheid is een menslievende geest, maar zal niet onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige van zijn nieren, en een waarachtig opmerker van zijn hart en een aanhoorder van zijn tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v6)

**7** Want de Geest van de Heere vervult de aarde, en wat alles samen houdt heeft kennis van de stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v7)

**8** Daarom zal niemand voor hem kunnen schuilen die spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal hem niet voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v8)

**9** Want over de raadslagen van de goddelozen zal onderzoek gebeuren, en het geluid van zijn woorden zal voor de Heere komen, tot bestraffing van zijn misdaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v9)

**10** Omdat zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren van het murmureren hem niet verborgen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v10)

**11** Wees dan op uw hoede voor het onnutte geklaag en onthoudt uw tong van roddelen, want de verborgen rede zal niet leeg heengaan, en de mond die liegt, brengt de ziel om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v11)

**12** Sta niet naar de dood door dwaling van uw leven, en trekt het verderf niet over u door werken van uw handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v12)

**13** Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak aan het verderf van de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v13)

**14** Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen van de wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn van het verderf, en het rijk van het dodenrijk is niet op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v14)

**15** Gerechtigheid is onsterfelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v15)

**16** Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want zij zijn waard, dat zij het tot een deel hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/1.html#v16)

### Boek der Wijsheid 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/2.json)

*1 De goddelozen, als zij de kortheid, broosheid en ellendigheid van dit leven aanmerken, 6 begeven zich ertoe het door te brengen in allerlei wellust. 10 En om de vromen te onderdrukken, 13 omdat dezen zichzelf houden voor kinderen van God en het kwade leven van de goddelozen misprijzen en bestraffen. 21 Wat hen zo verblindt, 23 en waarvandaan dat gekomen is.*

**1** WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkaar: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood van de mensen, en niemand wordt gekend, die uit het dodenrijk teruggekeerd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v1)

**2** Want toevallig zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v2)

**3** Die uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid zoals de wijde lucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v3)

**4** En onze naam wordt na verloop van tijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, zoals de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid zoals een nevel, die van de stralen van de zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v4)

**5** Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, en daar is geen terugkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand keert weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v5)

**6** Kom dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, en wat wij bezitten metterhaast gebruiken, zoals in de jeugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v6)

**7** Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem van de lente ga ons niet voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v7)

**8** Laat ons ons kronen met rozenknoppen, voordat zij verwelken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v8)

**9** Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan onze overmoed; laat ons overal merktekenen van de weelde laten, want dit is ons deel, en dit is ons lot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v9)

**10** Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet sparen, en het grijze, veeljarige haar van de oude niet ontzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v10)

**11** Maar onze sterkte zij een wet van de gerechtigheid, want wat zwak is wordt onnut bevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v11)

**12** Laat ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden van onze wandeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v12)

**13** Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v13)

**14** Hij is ons geworden tot een weerlegging van onze gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v14)

**15** Hij is ons moeilijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn geheel andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v15)

**16** Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde van de rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v16)

**17** Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst hij hebben zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v17)

**18** Want als de rechtvaardige een zoon van God is, zo zal Hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand van degenen die hem tegenstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v18)

**19** Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat wij zijn bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v19)

**20** Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden, zoals hij zegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v20)

**21** Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v21)

**22** Zij verstaan de geheimen van God niet, en hebben het loon van de heiligheid niet te hopen, en achten de eer van de onbestraffelijke zielen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v22)

**23** Want God heeft de mens geschapen tot onvergankelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v23)

**24** Maar door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/2.html#v24)

### Boek der Wijsheid 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/3.json)

*1 De godzaligen zijn gelukzalig in hun sterven, 2 en ook in hun beproevingen. 10 Doch de goddelozen zullen hun straffen hebben, 15 voornamelijk de overspelers, die met hun zaad zullen vergaan.*

**1** MAAR de zielen van de rechtvaardigen zijn in de hand van God, en geen kwaal zal hen aanraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v1)

**2** Zij schijnen in de ogen van de dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling gerekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v2)

**3** En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v3)

**4** Want of zij wel in het gezicht van de mensen gepijnigd worden, zo is toch hun hoop vol onsterfelijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v4)

**5** Zijnde een weinig getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten, omdat God hen heeft beproefd, en hen van zijn waard heeft bevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v5)

**6** Hij heeft hen beproefd zoals goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v6)

**7** Ten tijde van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, zoals de vonken in de stoppelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v7)

**8** Zij zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Heere zal als koning in eeuwigheid over hen regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v8)

**9** Die op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v9)

**10** Maar de goddelozen zullen gestraft worden zoals zij gedacht hebben; die de rechtvaardige niet hebben geacht, en van de Heere zijn afgeweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v10)

**11** Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v11)

**12** Hun vrouwen zijn dwaas, en hun kinderen boos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v12)

**13** Hun geslacht is vervloekt, daarom is de onvruchtbare zalig, die onbevlekt is, die het bed niet heeft gekend in overtreding, zij zal de vrucht genieten in de bezoeking van de zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v13)

**14** En de gesnedene is zalig die geen onrecht met zijn hand gewerkt, noch boze dingen tegen de Heere, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade van het geloof, en een zeer aangenaam lot in de tempel van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v14)

**15** Want de vrucht van de goede arbeid is heerlijk, en de wortel van de wijsheid vervalt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v15)

**16** Maar de kinderen van de echtbrekers zullen niet volkomen worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v16)

**17** Want als zij al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht worden, en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v17)

**18** Als zij haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost in de dag van het oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v18)

**19** Want het einde van het onrechtvaardige geslacht is zwaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/3.html#v19)

### Boek der Wijsheid 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/4.json)

*1 Deugd is beter dan vele nakomelingen, en zij wordt gekroond. 3 De onechte kinderen zullen niet gedijen, 6 maar hun ouders beschamen. 8 Wat de rechte ouderdom is, die men moet eren. 16 De vromen, stervend, veroordelen de levende goddelozen. 19 Wier einde ellendig is.*

**1** BETER is het zonder kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de herinnering daarvan, omdat zij zowel bij God als bij de mensen gekend wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v1)

**2** Als zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd van de prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v2)

**3** Maar de vruchtbare menigte van de goddelozen zal geen voordeel doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v3)

**4** Want hoewel zij in de takken voor een tijd weer uitspruiten, toch omdat zij zeer prijzenswaardig voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en van de kracht van de winden uitgeworteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v4)

**5** De ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp tot voedsel, en tot niets geschikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v5)

**6** Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen van de boosheid tegen hun ouders, wanneer men hen ondervraagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v6)

**7** Maar de rechtvaardige, als hij vroeg komt te sterven, zal in de rust zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v7)

**8** Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijd is, noch die met een getal van jaren gemeten wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v8)

**9** Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v9)

**10** Die God behaagd heeft, is door Hem geliefd; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v10)

**11** Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet zou veranderen, of list zijn ziel bedriegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v11)

**12** Want de betovering van de boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v12)

**13** In korte tijd volmaakt geworden zijnde, heeft hij lange tijden vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v13)

**14** Want zijn ziel was de Heere aangenaam, daarom heeft Hij gehaast hem uit het midden van de boosheid weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v14)

**15** Maar de volken zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, dat genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v15)

**16** De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die plotseling voltooid is, de veeljarige ouderdom van de onrechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v16)

**17** Want wij zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Heere verzekerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v17)

**18** Zij zullen het zien en niets achten, maar de Heere zal hen uitlachen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v18)

**19** En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en vooruit overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun herinnering zal vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v19)

**20** Zij zullen in overlegging van hun zonden komen, bevreesd zijnde; en hun onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen overtuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/4.html#v20)

### Boek der Wijsheid 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/5.json)

*1 De vromen zullen voor God staan met vrijmoedigheid, 2 en de goddelozen met schrik en vrees, 3 en zullen hun dwaasheid beklagen, 8 en bekennen dat al hun pracht en goed hun niet geholpen heeft. 15 De hoop van de goddelozen is ijdel. 16 God wil de godzaligen belonen, 18 en tegen de goddelozen al Zijn schepselen wapenen, om hen te verderven.*

**1** DAN zal de rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht van degenen, die hem verdrukt en zijn moeiten verworpen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v1)

**2** En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v2)

**3** En berouw hebbende, zullen zij onder elkaar zeggen, en door angst van de geest zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij vroeger lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v3)

**4** Wij zotten, hielden zijn leven voor razernij, en zijn einde voor oneerlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v4)

**5** Hoe is hij nu gerekend onder de kinderen van God, en hoe is zijn lot onder de heiligen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v5)

**6** Werkelijk wij zijn van de weg van de waarheid afgedwaald, en het licht van de gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de zon van de gerechtigheid is ons niet opgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v6)

**7** Wij zijn vervuld geworden in de paden van de ongerechtigheid en van het verderf, en hebben woeste omwegen doorreisd, maar de weg van de Heere hebben wij niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v7)

**8** Wat heeft ons de hoogmoed gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v8)

**9** Al die dingen zijn voorbijgegaan zoals een schaduw, en zoals een voorbijlopende tijding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v9)

**10** Zoals een schip varende door de golven van het water, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg van zijn reis door de golven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v10)

**11** Of zoals geen kenteken wordt gevonden van de reis van de vogel, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de slag van de wieken door de lichte geslagen wind, die door de kracht van het suizen gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v11)

**12** Of zoals wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld was, meteen weer samen loopt, zodat men zijn doorgang niet weet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v12)

**13** Zo ook wij, als wij geboren zijn, meteen zijn wij bezweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v13)

**14** En kunnen geen teken van de deugd tonen, maar zijn in onze boosheid verteerd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v14)

**15** Want de hoop van de goddeloze is zoals een vezeltje, dat van de wind gedreven wordt, en zoals een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook zoals de herinnering voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v15)

**16** Maar de rechtvaardigen leven in de eeuwigheid, en hun loon is bij de Heere, en de Allerhoogste zorgt voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v16)

**17** Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand van de Heere, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v17)

**18** Hij zal zijn ijver nemen tot een hele wapenrusting, en zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v18)

**19** Hij zal gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v19)

**20** Hij zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v20)

**21** En zal de gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v21)

**22** De welmikkende pijlen van de bliksemen zullen heengaan, en zoals van een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v22)

**23** Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit een slinger van de toorn; het water van de zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen samen heftig overvloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v23)

**24** De Geest van de kracht zal hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de hele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen van de machtigen omkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/5.html#v24)

### Boek der Wijsheid 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/6.json)

*1 De onrechtvaardige koningen en rechters zullen door God gestraft worden, 6 zonder aanzien des persoons. 9 Koningen en rechters moeten naar wijsheid streven, 14 die zich laat vinden door allen die haar met ernst zoeken. 24 Een wijze koning is de steun van het volk.*

**1** HOOR dan, u koningen, en versta; leer, u rechters van de einden van de aarde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v1)

**2** Laat dit tot uw oren ingaan, u die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de menigten van de volken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v2)

**3** Want de heerschappij is u door de Heere gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v3)

**4** Omdat u dienaren zijnde van zijn koninkrijk niet recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de raad van God hebt gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v4)

**5** Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v5)

**6** Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v6)

**7** Want de Heere van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want Hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt Hij voor allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v7)

**8** Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v8)

**9** Tot u dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat u wijsheid leren zou en niet vervallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v9)

**10** Want die heilig heilige dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v10)

**11** Zo wees dan begerig naar mijn woorden, verlang daarnaar, en u zult onderwezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v11)

**12** Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v12)

**13** Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v13)

**14** Die vroeg van de morgen tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v14)

**15** Want aan haar te gedenken is de volkomenheid van de kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v15)

**16** Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die haar waard zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v16)

**17** Want haar begin is de ware begeerte van de onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden is liefde, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v17)

**18** En de liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding van de wetten is verzekering van de onvergankelijkheid, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v18)

**19** En de onvergankelijkheid maakt dat men nabij God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v19)

**20** Want zelfs de begeerte van de wijsheid brengt tot het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v20)

**21** Als u dan behagen hebt, u koningen van de volken, in tronen en scepters, zo eer de wijsheid, opdat u eeuwig als koningen mag regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v21)

**22** Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de geheimen niet verbergen, maar zal haar vanaf het begin van haar geboorte ijverig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid in geen geval voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v22)

**23** En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende afgunst, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v23)

**24** Maar de menigte van de wijzen is de behoudenis van de wereld, en een wijs koning is van het volk welstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v24)

**25** Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/6.html#v25)

### Boek der Wijsheid 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/7.json)

*1 Alle mensen hebben eenzelfde ingang in dit leven, 6 en ook eenzelfde uitgang. 8 De wijsheid is kostelijker te achten dan andere dingen die hoog geacht worden, 14 en is een grote schat, 22 alle lof van de wijsheid.*

**1** IK ben ook een sterfelijk mens, zoals alle anderen, en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v1)

**2** En ben in het lichaam van mijn moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijd, zijnde in bloed samen geronnen uit zaad van een man, en hartstocht die daarbij komt met de slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v2)

**3** En ik heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die wij samen hebben, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; huilen is mijn eerste stem geweest, zoals van alle anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v3)

**4** In windselen ben ik opgevoed en met zorgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v4)

**5** Want geen koning heeft een ander begin gehad van zijn geboorte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v5)

**6** Maar de ingang van alle mensen in het leven is dezelfde, en een even gelijke uitgang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v6)

**7** Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven; ik riep aan, en de geest van de wijsheid kwam tot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v7)

**8** Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v8)

**9** Ik vergeleek geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te rekenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v9)

**10** Boven gezondheid en schone gestalte heb ik van haar gehouden, en heb haar gekozen om te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v10)

**11** En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v11)

**12** En ik was verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v12)

**13** Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mee: haar rijkdom verberg ik niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v13)

**14** Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap bij God, en zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v14)

**15** En God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken wat waard te de dingen, die mij gegeven zijn, want Hij leidt op de weg van de wijsheid en bestuurt de wijzen recht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v15)

**16** Want in zijn hand zijn zowel wij als onze woorden, ook allerlei kloekheid en wetenschap van handwerken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v16)

**17** Want hij heeft mij gegeven ware kennis van de dingen die zijn, om te weten de gestalte van de wereld, en de werkingen van de elementen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v17)

**18** Het begin, en het einde, en het midden van de tijden, de verwisselingen van de omkeringen van de zon, en de veranderingen van de tijden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v18)

**19** De omloop van het jaar, en de stelling van de sterren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v19)

**20** De natuur van de dieren, en de woede van de wilde dieren, het geweld van de winden, en de overleggingen van de mensen, het menigerlei onderscheid van de planten, en de krachten van de wortels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v20)

**21** Ik heb kennis van alle, zowel van verborgen als openbare dingen, want de wijsheid, die van alle dingen een kunstenares is, heeft ze mij geleerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v21)

**22** Want in haar is een geest die verstandig is, heilig, enig, veelvuldig, fijn, behendig, rein, onbesmet, klaar, zacht, van het goede houdende, scherp, die niet kan verhinderd worden, weldadig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v22)

**23** Vriendelijk, vast, zeker, onbezorgd, die alles vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige, reine, allerfijnste geesten gaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v23)

**24** Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart door, en gaat door alle dingen vanwege haar reinheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v24)

**25** Want zij is een damp van de kracht van God, en een zuivere uitvloeiing van de heerlijkheid van de almachtige, daarom valt in haar niets dat besmet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v25)

**26** Want zij is een afschijnsel van het eeuwige licht, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en een beeld van Zijn goedheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v26)

**27** En enig zijnde kan zij alles doen, en blijvende in zichzelf, vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht tot geslacht, in de heilige zielen overgaande, maakt zij vrienden van God en profeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v27)

**28** Want God houdt van niets dan van degene, die bij de wijsheid woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v28)

**29** Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle sterren, bij het licht vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v29)

**30** Want na dat licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/7.html#v30)

### Boek der Wijsheid 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/8.json)

*1 De wijsheid bestuurt alle dingen, 4 leert de kennis van God, 8 en ervarenheid van vele dingen, 10 welk nut en welke eer iemand heeft die met wijsheid begaafd is, 21 welke niet verkregen kan worden dan van God.*

**1** ZIJ reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert alle dingen nuttig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v1)

**2** Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jeugd aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v2)

**3** Zij maakt haar adellijke afkomst daarmee heerlijk dat zij met God verkeert, en de Heere van alle dingen heeft haar lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v3)

**4** Want zij is een leermeesteres van de wetenschap van God, en doet een keuze uit Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v4)

**5** En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v5)

**6** En zo de vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar dan zij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v6)

**7** En zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en verstandigheid, gerechtigheid en dapperheid, die de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v7)

**8** En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing van de woorden en de ontbinding van de raadselen; tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v8)

**9** Zo heb ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden wat goed is, en zal mij een terechtwijzing zijn, in zorg en verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v9)

**10** Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de oude. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v10)

**11** Ik zal scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht van de machtigen zal ik een verwondering zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v11)

**12** Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v12)

**13** Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige herinnering degenen achterlaten, die na mij komen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v13)

**14** Ik zal volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v14)

**15** Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v15)

**16** Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v16)

**17** Deze dingen bij mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat in de familie van de wijsheid de onsterfelijkheid is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v17)

**18** En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid van haar handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap van haar woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v18)

**19** Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v19)

**20** Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v20)

**21** En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, als God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Heere, en bad Hem, en sprak uit geheel mijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/8.html#v21)

### Boek der Wijsheid 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/9.json)

*1 Een gebed van de auteur, onder de naam van Salomo, tot God, om wijsheid, 6 zonder welke de beste man niet geacht is, 11 toont hoe nodig en nuttig deze is voor hem, 18 en voor alle mensen.*

**1** O God van mijn vaders, en Heere van de barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door Uw Woord, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v1)

**2** En de mens door Uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van U gemaakt zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v2)

**3** En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid van het hart oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v3)

**4** Geef mij de wijsheid, die bij Uw tronen zit, en verwerp mij niet uit Uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v4)

**5** Want ik ben Uw dienaar en een zoon van Uw dienstmaagd, een zwak mens, en van korte tijd, en zeer gering in het verstand van het gericht en van de wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v5)

**6** Want of iemand onder de kinderen van de mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van U komt, niet bij hem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v6)

**7** U hebt mij gekozen tot een koning over Uw volk, en tot een rechter over Uw zonen en dochters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v7)

**8** U hebt gezegd, dat ik een tempel op Uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad van Uw woning, naar de gelijkheid van de heilige tabernakel, die U tevoren van de beginne bereid had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v8)

**9** Bij U is de wijsheid, die Uw werken weet, en tegenwoordig was, toen U de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in Uw ogen, en wat recht is in Uw geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v9)

**10** Zend haar af uit Uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon van Uw heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat U welbehaaglijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v10)

**11** Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v11)

**12** En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal Uw volk rechtvaardig richten, en zal de troon van mijn vader waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v12)

**13** Want wie van de mensen kan de raad van God kennen? Of wie kan bedenken wat God wil? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v13)

**14** Want de overleggingen van de sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v14)

**15** Want het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v15)

**16** En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij wat onder handen is; wie heeft dan nagespeurd wat in de hemelen is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v16)

**17** En wie heeft Uw raad gekend? tenzij dat U wijsheid gegeven, en Uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v17)

**18** En zo zijn recht gemaakt de paden van degenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd wat U behagelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v18)

**19** En door de wijsheid zijn zij behouden geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/9.html#v19)

### Boek der Wijsheid 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/10.json)

*1 Welke vruchten de wijsheid heeft voortgebracht aan Adam, 4 Noach, Abraham, 6 Lot, toen de vijf steden omgekeerd werden, 10 aan Jakob, 13 Jozef, 16 en de Israëlieten, 21 en dat zij de mond van de stommen opent.*

**1** DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader van de wereld; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v1)

**2** En heeft hem getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v2)

**3** Van welke de onrechtvaardige, afvallig geworden zijnde door zijn toorn, is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot de moord op zijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v3)

**4** En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weer behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v4)

**5** Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkaar verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen van de barmhartigheden over zijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v5)

**6** Deze toen de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen hij het neervallende vuur van de vijf steden ontvluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v6)

**7** Waarvan de boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot herinnering van de ongelovige ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v7)

**8** Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een herinnering na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in datgene waarin zij gestruikeld hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v8)

**9** Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen die haar dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v9)

**10** Deze geleidde de rechtvaardige op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn van zijn broer, en heeft hem het koninkrijk van God getoond, en kennis van heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v10)

**11** In de gierigheid van degenen die hem geweld aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v11)

**12** Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die hem hinderlagen legden, en in die sterke strijd heeft zij hem de prijs van de overwinning gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is dan alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v12)

**13** Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v13)

**14** En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter van het koninkrijk bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v14)

**15** Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie van degenen die haar verdrukten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v15)

**16** Zij is gegaan in de ziel van de dienaar van de Heere, en wederstond de vreselijke koningen met wonderen en tekenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v16)

**17** Zij heeft de heiligen gegeven loon van de heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel van de dag, en van de nacht tot een vlam van de sterren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v17)

**18** Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v18)

**19** Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v19)

**20** Daarom hebben de rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en hebben, Heere, Uw heilige naam lof gezongen en eendrachtig Uw beschermende hand geprezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v20)

**21** Want de wijsheid opende de mond van de stommen, en de tongen van de sprakelozen maakte zij welsprekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/10.html#v21)

### Boek der Wijsheid 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/11.json)

*1 Welke zaken de Israëlieten hebben verricht door het beleid van de wijsheid, 16 dat God de Egyptenaren gestraft heeft door de beesten die zij aanbaden. 21 Dat God alles geschikt heeft met maat, getal en gewicht. 22 Dat God door Zijn macht alles kon verdelgen, 24 maar dat Hij barmhartig is tegen allen, en niet haat wat Hij gemaakt heeft.*

**1** ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v1)

**2** Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v2)

**3** Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v3)

**4** Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v4)

**5** Want waardoor hun vijanden waren geplaagd geweest, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v5)

**6** Daardoor werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v6)

**7** Zodat in plaats van een fontein van de altijd stromende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging van het gebod de kleine kinderen te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v7)

**8** En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v8)

**9** Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe u de tegenstanders geplaagd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v9)

**10** Want toen zij zijn verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gestraft, hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld zijnde, gepijnigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v10)

**11** Want deze hebt u wel als een Vader vermaand en beproefd, maar anderen, scherp onderzocht hebbende, hebt u als een streng koning veroordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v11)

**12** En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v12)

**13** Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de herinnering van de dingen die voorbijgegaan waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v13)

**14** Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v14)

**15** Want die zij, vroeger uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v15)

**16** En in plaats van de onverstandige overleggingen van hun ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt u hun een menigte van de onvernuftige dieren tot wraak toegezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v16)

**17** Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v17)

**18** Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v18)

**19** Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen woede, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v19)

**20** Waarvan de beschadiging niet alleen hen samen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v20)

**21** Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest van Uw kracht, als door een wan, maar U hebt alle dingen bestemd bij maat, en getal, en gewicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v21)

**22** Want groot vermogen is altijd bij U, en wie kan de kracht van Uw arm tegenstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v22)

**23** Want de hele wereld is voor U zoals een aasje uit de weegschalen, en als een druppel van de morgendauw, neerkomende op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v23)

**24** Maar U ontfermt U over alle mensen, omdat U alles kunt, en U overziet de zonden van de mensen, opdat zij zich bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v24)

**25** Want U hebt alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan iets dat U gemaakt hebt, want zo U iets gehaat had, U zou het niet toebereid hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v25)

**26** En hoe zou er wat gebleven zijn, zo U niet had gewild, of onderhouden geweest zijn wat door U niet geroepen werd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v26)

**27** Maar U ontziet alle dingen, omdat zij van U zijn, o Heere, U liefhebber van de zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/11.html#v27)

### Boek der Wijsheid 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/12.json)

*1 Dat God de zondaars geleidelijk straft, 3 zoals Hij ook gedaan heeft met de oude inwoners van het land Kanaän, die Hij om hun toverij en het offeren van hun kinderen verdelgd heeft door de Israëlieten. 12 Dat niemand God daarover kan bestraffen. 20 Dat God, als Hij de goddelozen soms spaart, veel meer de godzaligen zal sparen. 24 Dat zij die van God afwijken in veel dwalingen vervallen, 26 en dat de hardnekkigen door God gestraft zullen worden.*

**1** WANT Uw onverderfelijke Geest is in allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v1)

**2** Daarom bestraft U langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in U, Heere, geloven zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v2)

**3** Want hatende de oude inwoners van Uw heilig land, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v3)

**4** Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offergaven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v4)

**5** Zo hebt U de onbarmhartige moordenaars van hun kinderen, en die het binnenste van mensenvlees aten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v5)

**6** En de bloedeters uit het midden van Uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt U willen uitdelgen door de handen van onze vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v6)

**7** Opdat het land, dat bij U het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning van de kinderen van God ontvangen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v7)

**8** Maar ook deze hebt U als mensen gespaard, en hebt voorlopers van Uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v8)

**9** U was niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dieren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v9)

**10** Maar U straffende gaandeweg, gaf hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v10)

**11** Want het was een vervloekt zaad van de beginne; noch iemand vrezende, gaf U hun zekerheid in datgene waarin zij zondigden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v11)

**12** Want wie zal zeggen: Wat hebt U gedaan? of wie zal zich stellen tegen Uw oordeel? en wie zal U beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, die U gemaakt hebt? of wie zal zich tegen U kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v12)

**13** Want daar is geen God dan U die voor alle dingen zorgt, opdat U zou betonen, dat U niet onrechtvaardig hebt geoordeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v13)

**14** Noch koning, noch tiran zal U onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die U gestraft hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v14)

**15** Maar daar U rechtvaardig bent, regeert U alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van Uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v15)

**16** Want Uw sterkte is het begin van de rechtvaardigheid, en dat U over allen heerst, maakt dat U hen allen ontziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v16)

**17** Want U betoont sterkte, als men niet gelooft dat Uw macht volkomen is, en weerlegt de onverschrokkenheid in degenen die ze kennen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v17)

**18** Maar U, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij U is het vermogen wanneer U wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v18)

**19** Maar door zulke werken hebt U Uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt Uw kinderen goede hoop gegeven, omdat U op de zonden bekering geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v19)

**20** Want als U de vijanden van Uw kinderen, en die van de dood schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v20)

**21** Met hoe grote ijver oordeelt U Uw kinderen, met de vaders van wie U eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v21)

**22** Ons dan tuchtigende, geselt U onze vijanden tienduizend keer meer, opdat wij oordelende, Uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v22)

**23** Vanwaar het ook komt, dat U degenen die in dwaasheid van het leven onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelijke dingen gepijnigd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v23)

**24** Want ook waren zij zo ver in de wegen van de dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen zoals de onverstandige kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v24)

**25** Daarom hebt U het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v25)

**26** Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zulk een oordeel van God beproeven, als zij waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v26)

**27** Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij vroeger hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/12.html#v27)

### Boek der Wijsheid 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/13.json)

*1 Dat alle mensen van nature ijdel zijn en God niet kennen, 2 en de schepselen van God tot afgoderij misbruiken, en de Schepper niet dienen. 10 Dat de afgodendienaars blind en ellendig zijn als zij het werk van mensenhanden aanbidden, 17 en dingen die geen leven hebben.*

**1** VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij wie geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking van Zijn werken de werkmeester erkend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v1)

**2** Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop van de sterren, of het krachtige water of de lichten van de hemel, goden waren, die de wereld regeerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v2)

**3** Als zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de Heere daarvan is; want de oorspronkelijke beginner van de schoonheid heeft deze dingen geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v3)

**4** En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v4)

**5** Want uit de grootte en schoonheid van de schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v5)

**6** Maar toch is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij graag wilden vinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v6)

**7** Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v7)

**8** Maar opnieuw is het ook deze niet te vergeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v8)

**9** Want hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de kennis van de wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Heere van deze dingen gevonden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v9)

**10** Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken van de mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewerkt, en beelden van de dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v10)

**11** En als ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, dat nuttig is tot dienst van het leven: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v11)

**12** Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om voedsel te bereiden, en wordt verzadigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v12)

**13** En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid van zijn verstand, en maakt het gelijk aan een mensenbeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v13)

**14** Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v14)

**15** En hebbende daarvoor zulk een huis gemaakt als het waard is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v15)

**16** Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v16)

**17** Toch, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v17)

**18** En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt wat dood is om het leven, en wat geheel onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v18)

**19** En om een gelukkige reis, wat zelf de gang niet gebruiken kan, en om winst, en om werk, en om wat men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/13.html#v19)

### Boek der Wijsheid 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/14.json)

*1 Dwaasheid van de afgodendienaars, die meer op een verrot hout dan op een goed schip vertrouwen, 3 of op God, die het schip bestuurt en ons op zee bewaart. 8 Dat zij vervloekt zijn en door God gehaat, zowel de makers als de dienaars van de afgoden. 14 Het begin en de oorsprong van de afgodendienst, 23 en de vrucht daarvan. 30 Dat God degenen zal straffen die valselijk zweren bij de afgoden.*

**1** OPNIEUW iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde golven te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v1)

**2** Want de begeerte van de winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het toebereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v2)

**3** Maar Uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want U geeft ook in de zee een weg, en in de golven een zeker pad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v3)

**4** Tonende dat u uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst daarin klimme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v4)

**5** U wilt niet dat de werken van uw wijsheid leeg zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de golven, worden door een schip behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v5)

**6** Want ook in het begin als de hoogmoedige reuzen vergingen, nam de hoop van de wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad van de voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v6)

**7** Want gezegend is het hout, waardoor gerechtigheid gebeurt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v7)

**8** Maar dat met handen gemaakt is, hetzelfde is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v8)

**9** Want bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v9)

**10** En daarom zal wat gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v10)

**11** Daarom zullen ook de afgoden van de heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen van God tot een gruwel geworden zijn, en de zielen van de mensen tot struikelblokken, en de voeten van de onwijzen tot een strik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v11)

**12** Want de bedenking van de afgoden is het begin van de hoererij; en hun uitvinding de verderving van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v12)

**13** Want zij waren van de beginne niet, en zullen in de eeuwigheid niet zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v13)

**14** Want ijdele eer van de mensen is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v14)

**15** Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offergaven te plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v15)

**16** Daarna deze goddeloze gewoonte na verloop van tijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden van de tirannen geeerd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v16)

**17** Die, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij ver weg woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v17)

**18** De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst van de beelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v18)

**19** Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v19)

**20** En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, die weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v20)

**21** En dit is tot een hinderlaag geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag onheilig gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v21)

**22** Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd van de onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v22)

**23** Want zij, of zij hun offergaven waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v23)

**24** Zo bewaren zij toch verder niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf de één brengt de ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v24)

**25** Maar het is al onder elkaar vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, onrust, meinedigheid, onrust van de vromen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v25)

**26** Vergetelheid van de goedertierenheid, besmetting van de zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v26)

**27** Want de dienst van de afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het begin, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v27)

**28** Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v28)

**29** Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v29)

**30** Maar zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v30)

**31** Want niet de kracht dergene bij wie men zweert, maar de wraak van degenen die zondigen, komt altijd over de overtreding van de onrechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/14.html#v31)

### Boek der Wijsheid 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/15.json)

*1 Dat wij de goede en getrouwe God recht moeten kennen. 4 De dwaasheid van de maker van afgoden, 14 en de uitzinnigheid van de vijanden van Gods volk. 15 Dat de afgoden geen leven hebben, 17 en dat de afgodendienaars zelf voortreffelijker zijn dan de afgoden die zij dienen.*

**1** MAAR U onze God bent goedertieren en waarachtig, geduldig, en in barmhartigheid regeert U alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v1)

**2** Want ook zo wij zondigen; wij zijn van U, wetende Uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de Uwen gerekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v2)

**3** Want U kennen is een volkomen gerechtigheid, en Uw kracht weten, is een wortel van de onsterfelijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v3)

**4** Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking van de mensen, noch de schaduw van de schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v4)

**5** Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, dat zonder adem is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v5)

**6** Zulke mensen zijn liefhebbers van kwade dingen, en zulke hoop waard, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v6)

**7** Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij voorwerpen die tot reine werken dienstig zijn, en evenzo alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v7)

**8** Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit dat leem, daar hij korte tijd tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna daarin gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld van de ziel hem zal zijn afgeëist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v8)

**9** Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v9)

**10** Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v10)

**11** Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, die in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v11)

**12** Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop van het leven een jaarmarkt, waar men winst doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, winst zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v12)

**13** Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen voorwerpen die licht breken, en gesneden beelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v13)

**14** Maar de vijanden van uw volk, die het onderdrukken, zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen van de kleine kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v14)

**15** Omdat zij al de beelden van de heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers van hun handen om iets aan te tasten, en van wie de voeten lui zijn om voort te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v15)

**16** Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die aan hem gelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v16)

**17** Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan wat hij als god eert, omdat hij leven heeft, maar zij hadden het nooit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v17)

**18** En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v18)

**19** En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien van de andere dieren; maar zij zijn de lof van God en zijn zegen ontvlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/15.html#v19)

### Boek der Wijsheid 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/16.json)

*1 Dat God de afgodendienaars straft door de beesten die zij aanbaden, 2 doch Zijn volk heeft gegeven een spijs van een nieuwe smaak, 5 en toen zij door de slangen gebeten waren, hen heeft genezen door Zijn woord. 13 Dat God macht heeft over het leven en de dood, en dat men Zijn hand niet kan ontvlieden. 24 Dat de schepselen van God Hem dienen om de bozen te straffen en om Zijn volk goed te doen. 29 De hoop van de ondankbaren zal verdwijnen.*

**1** DAAROM zijn zij door dergelijke terecht geplaagd, en door een menigte van de beesten gepijnigd geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v1)

**2** In plaats van zulk een plaag, hebt u aan uw volk goedertierenheid bewezen, dat u een vreemde smaak, tot een voedsel, namelijk kwartels hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v2)

**3** Opdat anderen, die tot voedsel lust hadden, vanwege de vertoonde plaag van de dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar deze, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v3)

**4** Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en deze alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v4)

**5** Want ook wanneer een schrikkelijke woede van de dieren over hen kwam, en zij door de beten van de schadelijke slangen verdorven werden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v5)

**6** Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot terechtwijzing, hebbende een teken van de behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v6)

**7** Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door wat hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v7)

**8** En ook daarmee hebt u onze vijanden doen verstaan, dat u het bent die uit alle kwaad verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v8)

**9** Want die werden wel van de beten van de sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij waard waren van zulke geplaagd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v9)

**10** Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden van de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v10)

**11** Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weer geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw goedertierenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v11)

**12** Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Heere, Uw woord, dat alle dingen heelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v12)

**13** Want U hebt macht over leven en over dood, U leidt af tot de poorten van het dodenrijk en leidt daar weer uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v13)

**14** En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen terugkeren, noch de ziel teruggeven die weggenomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v14)

**15** Het is onmogelijk Uw hand te ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v15)

**16** Want de goddelozen weigerende U te kennen, zijn door Uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v16)

**17** Want (dat op het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, dat toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v17)

**18** Want soms matigde zich de vlam, opdat zij niet zou verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v18)

**19** Soms brandde ook de vlam in het midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land van de onrechtvaardigen zou verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v19)

**20** Daarentegen hebt U Uw volk gevoed met voedsel van de engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en geschikt voor elke smaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v20)

**21** Want deze Uw onderstutting maakt Uw zoetigheid tegen Uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte van degene die daartoe kwam, werd zij afgestemd op wat een ieder wilde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v21)

**22** Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas van de vijanden verdorven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v22)

**23** Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v23)

**24** Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen strekken tot goedertierenheid voor degenen die U betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v24)

**25** Daarom ook toen in alles veranderd zijnde, diende zij Uw alvoedende gave, naar de wil van de behoeftigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v25)

**26** Opdat Uw kinderen, die U lief hebt, Heere, leren zouden, dat niet het gewas van de vruchten de mens voedt, maar dat Uw woord onderhoudt degenen die U geloven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v26)

**27** Want wat van het vuur niet verdorven was, dat versmolt geheel, zijnde verwarmd door een kleine straal van de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v27)

**28** Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om U te danken, en U ontmoeten tegen de opgang van het licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v28)

**29** Want de hoop van de ondankbaren zal versmelten als een rijm die van de winter valt, en zal wegvloeien zoals onnut water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/16.html#v29)

### Boek der Wijsheid 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/17.json)

*1 Hoe de Egyptenaren gestraft zijn met duisternis, 4 die hen zeer verschrikte en door geen vuur verlicht kon worden. 11 Dat zo een kwaad geweten zichzelf veroordeelt door zijn eigen getuigenis, 14 en de mens geen rust laat.*

**1** WANT Uw oordelen zijn groot en zwaar om te vertellen; daarom zijn de zielen, die niet onderwezen zijn, verleid geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v1)

**2** Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v2)

**3** Want menende te schuilen in hun geheime zonden, onder een donker deksel van de vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v3)

**4** Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen geluid en droevige spokerijen met afschuwelijke gezichten verschenen hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v4)

**5** Zelfs geen kracht van het vuur vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen van de sterren konden die droevige nacht niet helder maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v5)

**6** Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees verscheen hun, en bevreesd zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden zij wat zij zagen voor erger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v6)

**7** De guichelarijen van de toverkunst lagen ook ter neer, en dat zeer smadelijk bewijs van hun pocherij vanwege hun kloekheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v7)

**8** Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en onrust te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v8)

**9** Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde bevreesd door het ontmoeten van de beesten en schuifelen van de kruipende dieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v9)

**10** En weigerende de lucht te aanschouwen, die toch nergens kan ontvlucht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v10)

**11** Want de boosheid is een beangstigend ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v11)

**12** Want de vrees is niets anders dan een begeven van de behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v12)

**13** Maar hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid van de oorzaak, die die pijn meebrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v13)

**14** Zij nu, die nacht, die werkelijk onverdragelijk was, uit de binnenste holen van het onverdragelijke dodenrijk voortgekomen, dezelfde slaap slapende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v14)

**15** Werden deels door de wonderlijke spokerijen gedreven en deels bezweken zij door begeven van hun ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v15)

**16** Daarop dan volgde zo, dat wie daar neerviel, gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v16)

**17** Want het was dan een landman of een herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v17)

**18** Want zij waren allen met een keten van de duisternis gebonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v18)

**19** Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang van de vogels, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel van de stenen, die van boven neergeworpen worden, of de onzichtbare loop van de springende beesten, of de stem van de huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen van de bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v19)

**20** Want de hele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v20)

**21** Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld van de duisternis die zij zouden ontvangen; maar zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/17.html#v21)

### Boek der Wijsheid 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/18.json)

*1 Hoe God Zijn volk helderheid verleende en door de vuurkolom geleidde, 4 toen Hij de Egyptenaren, naar hun verdiensten, in duisternis liet zitten, 7 dat zo de vromen getroost en de goddelozen gestraft worden, 11 zoals de Egyptenaren gestraft zijn door het doden van hun eerstgeborenen, 17 en door grote verschrikkingen. 20 Dat God wel soms Zijn eigen volk plaagt, maar dat de plaag ophoudt zodra zij zich bekeren.*

**1** MAAR Uw heiligen hadden een zeer groot licht, van wie de stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v1)

**2** En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun toch geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v2)

**3** Waarvoor U hun gaf een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg van de onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v3)

**4** Want zij waren ook waard, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die Uw kinderen als gevangene ingesloten hielden door wie het onverderfelijke licht van Uw wet aan de wereld zou gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v4)

**5** En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen van de heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, nam U tot overtuiging de menigte van hun kinderen weg, en verdierf hen gezamenlijk in een geweldig water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v5)

**6** Diezelfde nacht was tevoren onze vaders bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover goedsmoeds zouden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v6)

**7** En van Uw volk is verkregen de verlossing van de rechtvaardigen, en het verderf van de vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v7)

**8** Want zoals U de tegenstanders hebt gestraft, zo hebt U ons daarmee tot U geroepen en verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v8)

**9** Want de heilige kinderen van de vromen offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen zowel van die goederen als gevaren tegelijk deelachtig zouden worden, zingende reeds tevoren de lof van de vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v9)

**10** En daarentegen klonk een niet overeenstemmend hulpgeroep van de vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v10)

**11** En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gewone man moest met de koning hetzelfde lijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v11)

**12** En zij hadden gezamenlijk allen, onder één naam van de dood, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, omdat hun edelste geslacht in een ogenblik tijd verdorven werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v12)

**13** Want geen van al deze dingen gelovende vanwege de toverijen, hebben zij in de dood van de eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen van God waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v13)

**14** Want als nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v14)

**15** Toen daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v15)

**16** Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v16)

**17** Toen ontroerden hen meteen zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam hun. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v17)

**18** En de één herwaarts, de ander daarheen geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v18)

**19** Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v19)

**20** Ook heeft eenmaal de aanvechting van de dood de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking van de menigte gebeurd, maar die toorn duurde niet lang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v20)

**21** Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, en bracht de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de toorn en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienaar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v21)

**22** En hij overwon de verderver niet door sterkte van het lichaam, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaders opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v22)

**23** Want als nu reeds de doden met hopen over elkaar gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v23)

**24** Want op de lange rok was het hele versiersel, en de heerlijkheid van de vaders in de vier rijen van de stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v24)

**25** Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving van de toorn was alleen genoeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/18.html#v25)

### Boek der Wijsheid 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/boekderwijsheid/19.json)

*1 Dat God zonder barmhartigheid de goddelozen zal straffen, zoals Hij de Egyptenaren gedaan heeft, omdat zij Zijn volk zo wreed vervolgden. 6 Dat Hij ook de vromen altijd goed zal doen, zoals Hij de Israëlieten aan de Rode Zee en in de woestijn gedaan heeft. 18 En daartoe op wonderbaarlijke wijze Zijn schepselen gebruikt heeft.*

**1** MAAR de toorn overviel de goddelozen zonder ontferming tot aan het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v1)

**2** Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v2)

**3** Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven van de doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, deze hebben zij als vluchtenden vervolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v3)

**4** Want de noodzakelijkheid, die zij waard waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid van de dingen die hun overkomen waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v4)

**5** En opdat Uw volk een zeer wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v5)

**6** Want het hele schepsel werd in zijn aard opnieuw herschapen, dienende Uw bijzondere geboden; en opdat Uw kinderen zouden onbeschadigd bewaard zijn, overschaduwde de wolk de legerplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v6)

**7** En waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v7)

**8** Waardoor al het volk overging, dat met Uw hand beschermd werd, en wonderlijke wonderwerken zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v8)

**9** Want zij werden als paarden geweid en huppelden zoals lammeren, prijzende U Heere, die hen verlost had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v9)

**10** Want zij waren nog gedachtig de dingen die gebeurd waren in het land waar zij vreemdeling waren; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van kikkers uitgeborreld had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v10)

**11** En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogels, toen zij door lust gedreven zijnde lekker voedsel begeerden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v11)

**12** Want tot hun troost kwamen kwartels op uit de zee; maar de straffen kwamen over de zondaars; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v12)

**13** Niet zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor hun eigen boosheden, omdat zij een zwaarder vijandschap tegen vreemdelingen geoefend hadden als die van Sodom; want deze namen de onbekenden die daar kwamen niet aan, maar anderen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun weldaden bewezen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v13)

**14** En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen de wacht hield, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v14)

**15** En zij plaagden met zware arbeid degenen, die zij met feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds metgezellen waren van hun rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v15)

**16** Maar zij werden ook met blindheid geslagen, zoals degenen die voor de deur van de rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v16)

**17** Want de elementen worden op passende wijze door zichzelf veranderd, zoals in een snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, dat men afleiden kan uit een ijverig opmerken van de dingen die gebeurd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v17)

**18** Want de land-dieren veranderen in water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v18)

**19** Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende natuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v19)

**20** Opnieuw de vlammen verzengden niet het vlees van de zeer licht verderfelijke beesten, wandelende in het midden daarvan, en dat als ijs licht smeltende hemelse voedsel versmolt niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v20)

**21** Want, Heere, in allen hebt U Uw volk groot en heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd altijd en in alle plaatsen bij te staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/boekderwijsheid/19.html#v21)

## Jezus Sirach

### Jezus Sirach 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/1.json)

*1 De wijsheid is uit God. 10 De vruchten van de vreze van God. 13 De wijsheid en de vreze van God zijn altijd samen, 21 zij bedwingen de toorn van de man. 25 De wijsheid is godsdienstig, 28 en is een vijand van alle geveinsdheid en opgeblazenheid.*

**1** ALLE wijsheid is van Heere, en is met Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v1)

**2** Wie zal het zand van de zee en de druppels van de regen en de dagen van de eeuwen tellen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v2)

**3** Wie zal de hoogte van de hemel, en de breedte van de aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v3)

**4** De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen, en het verstand van de kloekheid is van de eeuwen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v4)

**5** Het woord van God, die in de allerhoogste plaatsen woont, is de fontein van de wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v5)

**6** Wie is de wortel van de wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken gekend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v6)

**7** Eén is er wijs, zeer vreselijk, zittende op zijn troon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v7)

**8** Heere zelf heeft haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v8)

**9** En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v9)

**10** De vrees voor de Heere is eer, en roem, en vrolijkheid, en een kroon van de verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v10)

**11** De vrees van Heere vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v11)

**12** Die Heere vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v12)

**13** Het begin van de wijsheid is Heere vrezen, en zij is met de gelovigen samen geschapen in 's moeders lichaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v13)

**14** Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v14)

**15** De verzadiging van de wijsheid is Heere vrezen, en zij maakt hen dronken van haar vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v15)

**16** Haar hele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v16)

**17** En beide zijn het gaven Gods tot vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v17)

**18** De kroon van de wijsheid is Heere vrezen, doende voortspruiten vrede en volkomen gezondheid, en de roem verbreidt Hem voor degenen, die Hem liefhebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v18)

**19** De wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand uit als een plasregen en verhoogt de heerlijkheid van de genen, die haar vasthouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v19)

**20** De wortel van de wijsheid is Heere vrezen, en haar takken zijn een lang leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v20)

**21** De vrees voor de Heere verdrijft de misdaden, en bijblijvende keert zij toorn af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v21)

**22** Een boos man zal niet kunnen gerechtvaardigd worden, want de hevigheid van zijn toorn is hem ten val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v22)

**23** Een geduldig man zal een tijdlang verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v23)

**24** Hij zal zijn woorden een tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen zijn verstand verhalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v24)

**25** In de schatten van de wijsheid zijn gelijkenissen van de wetenschap, maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v25)

**26** Heb u lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en Heere zal u deze verlenen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v26)

**27** Want de vrees voor de Heere is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v27)

**28** Als u behoeftig bent, zo wantrouw de vrees voor de Heere niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v28)

**29** Maar de huichelaars niet met monden van de mensen: en neem acht op uw lippen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v29)

**30** Verhef uzelf niet, opdat u niet valt, en schande brengt over uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v30)

**31** Want Heere zal al uw verborgen dingen openbaren, en u in het midden van de vergadering ter neerwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v31)

**32** Omdat u tot de vrees voor de Heere niet met waarheid bent gekomen, en uw hart vol is van bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/1.html#v32)

### Jezus Sirach 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/2.json)

*1 Vermaant de kinderen van God tot geduld. 6 Eveneens tot geloof en hoop op zijn barmhartigheid. 14 Spreekt het wee uit over de slappen en ongeduldigen, 18 en vermaant de godvrezenden tot het onderhouden van zijn geboden.*

**1** MIJN kind, als u komt om Heere te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v1)

**2** Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v2)

**3** Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat u mag vermeerderd worden in uw laatste dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v3)

**4** Neem graag aan al wat u zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering wees geduldig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v4)

**5** Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven van de vernedering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v5)

**6** Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v6)

**7** U die Heere vreest, gelooft Hem, en uw loon zal u in geen geval ontvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v7)

**8** U die Heere vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v8)

**9** U die Heere vreest, verbiedt Zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat u niet valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v9)

**10** Zie de oude geslachten aan en merkt op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v10)

**11** Wie heeft op Heere betrouwd, en is beschaamd geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v11)

**12** Of wie is in zijn vrees gebleven en verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v12)

**13** Want Heere is een ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd van de verdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v13)

**14** Wee de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v14)

**15** Wee een slap hart, omdat het niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v15)

**16** Wee u die de volharding verloren hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v16)

**17** Wat zult u doen, als Heere u bezoeken zal? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v17)

**18** Die Heere vrezen, zullen Zijn woorden niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen Zijn wegen bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v18)

**19** Die Heere vrezen, zoeken dat zij Hem behagen mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v19)

**20** Die hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v20)

**21** Die Heere vrezen, bereiden hun harten, en vernederen hun zielen voor Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v21)

**22** Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet in de handen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v22)

**23** Want zoals zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/2.html#v23)

### Jezus Sirach 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/3.json)

*1 Vermaant de kinderen hun vaders en moeders te eren, 13 ook zelfs in hun ouderdom als het verstand hen begeeft. 19 Vermaant tot zachtmoedigheid en nederigheid. 22 Eveneens tot matigheid in het onderzoeken en ondernemen van zware zaken, 31 en ten slotte tot goeddadigheid.*

**1** MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet zo, opdat u behouden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v1)

**2** Want Heere heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel van de moeder boven de zonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v2)

**3** Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v3)

**4** En wie zijn moeder eert, is zoals die schatten verzamelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v4)

**5** Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag van zijn gebed verhoord worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v5)

**6** Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie Heere gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v6)

**7** Wie Heere vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v7)

**8** Eer uw vader en moeder met werken en woorden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v8)

**9** Opdat zegening van mensen over u kome. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v9)

**10** Want de zegening van de vader onderstut de huizen van de kinderen, maar de vervloeking van de moeder ontwortelt de fundamenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v10)

**11** Roem niet in de oneer van uw vader, want de oneer van de vader is u geen eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v11)

**12** Want de eer van de mens komt hem uit de eer van zijn vader, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v12)

**13** Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v13)

**14** Als hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wees op uw hoede met al uw vermogen dat u hem niet onteert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v14)

**15** Want de barmhartigheid, die u uw vader bewijst, zal niet vergeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v15)

**16** En in plaats van de zonden zult u daartegen gebouwd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v16)

**17** In de dag van de verdrukking zal aan u gedacht worden, zoals schoon weer het ijs, zo zullen uw zonden versmelten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v17)

**18** Wie zijn vader verlaat, die is zoals een godslasteraar, en wie zijn broer tot toorn verwekt, die is vervloekt van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v18)

**19** Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en u zult door aangename mensen geliefd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v19)

**20** Hoe groter u bent, verneder uzelf des te meer, en u zult bij Heere genade vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v20)

**21** Velen zijn hoog en zeer beroemd, maar de zachtmoedigen worden de geheimen geopenbaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v21)

**22** Want de macht van Heere is groot, en wordt door de nederigen geëerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v22)

**23** Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v23)

**24** Want het is u niet nodig, verborgen dingen met ogen te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v24)

**25** Wees niet ijdel bezig in overvloedigheid van uw woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand van de mensen begrijpen kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v25)

**26** Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als u geen oogappelen hebt zult u aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v26)

**27** Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v27)

**28** Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zondaar zal zonden, op zonden ophopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v28)

**29** Als ongeluk over de hoogmoedigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant van de boosheid is in hem ingeworteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v29)

**30** Het hart van de verstandige denkt op gelijkenis, en het oor van de toehoorder is de begeerte van de wijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v30)

**31** Het water blust het vlammende vuur uit, en door liefdegaven verzoent men de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v31)

**32** En Heere, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/3.html#v32)

### Jezus Sirach 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/4.json)

*1 Gaat voort met de vermaningen tot goeddadigheid. 12 Verhaalt de vruchten van de wijsheid voor hen die standvastig zijn, en hoe zij hen beproeft. 34 \[24\] Spreekt over twee soorten beschaamdheid, waarvan de ene geprezen, maar de andere bestraft wordt. 33 Vermaant tot kloekmoedigheid in het verdedigen van de waarheid. 35 En vermaant de huisvader tot goedertierenheid tegenover zijn huisgenoten.*

**1** MIJN kind, laat het leven van de arme geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v1)

**2** Bedroef de hongerige ziel niet, en stel niemand uit zijn behoefte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v2)

**3** Ontroer een verstoord hart niet verder, en onthoud de gave van de behoeftige niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v3)

**4** Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de arme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v4)

**5** Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v5)

**6** Want als iemand u vervloekt in bitterheid van zijn ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v6)

**7** Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder uw hoofd voor een machtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v7)

**8** Neig uw oor tot de arme, zonder verdriet; en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v8)

**9** Verlos degene die onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en wees niet kleinmoedig als u oordeelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v9)

**10** Wees de wezen als een vader, en hun moeder in plaats van een man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v10)

**11** En u zult zijn zoals een zoon van de Allerhoogste, en hij zal meer van u houden dan uw moeder doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v11)

**12** De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v12)

**13** Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v13)

**14** Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal Heere zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v14)

**15** Die haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft Heere lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v15)

**16** Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v16)

**17** Als hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v17)

**18** Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v18)

**19** Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v19)

**20** En zij zal opnieuw tot hem keren door een rechte weg en hem verheugen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v20)

**21** En zal hem haar verborgen dingen openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v21)

**22** Als hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v22)

**23** Neem de gelegenheid van de tijd waar, en wees op uw hoede voor het boze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v23)

**24** En word niet beschaamd voor uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v24)

**25** Want daar is een beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, die eer en gunst brengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v25)

**26** Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood in uw ongeval. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v26)

**27** Weer het woord niet in de geschikte tijd van de behouding; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v27)

**28** En verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v28)

**29** Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden van de tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v29)

**30** Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v30)

**31** Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed van de stroom niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v31)

**32** Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon van de machtige niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v32)

**33** Kamp voor de waarheid tot in de dood, en God Heere zal voor u strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v33)

**34** Wees niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v34)

**35** Wees niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v35)

**36** Laat uw hand niet uitgestrekt zijn om te nemen, en samen getrokken in het geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/4.html#v36)

### Jezus Sirach 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/5.json)

*1 Waarschuwt tegen het vertrouwen op de rijkdom. 4 En tegen de zorgeloosheid in het zondigen tegen Gods barmhartigheid. 11 En vermaant tot oprechtheid en tot voorzichtigheid in het gebruik van zijn tong.*

**1** HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v1)

**2** Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v2)

**3** Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen vanwege mijn werken? want Heere zal zeker uw moedwil wreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v3)

**4** Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij gebeurd? want Heere is geduldig, Hij zal u niet laten heengaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v4)

**5** Wees niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer u de volheid hebt, dat u zonden op zonden zou hopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v5)

**6** En zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte van mijn zonden zal verzoend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v6)

**7** Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn toorn rusten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v7)

**8** Verbeid niet u tot Heere te bekeren, en stel het niet uit dag op dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v8)

**9** Want de toorn van Heere zal plotseling uitvaren, en als u onbezorgd zult zijn zult u vermorzeld worden, en in de tijd van de wraak verderven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v9)

**10** Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v10)

**11** Wan niet in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v11)

**12** Als u in uw mening zeker bent, zo blijf vast daarbij, en uw woord zij dezelfde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v12)

**13** Wees haastig om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord met geduld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v13)

**14** Als u verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en als niet, zo zij uw hand op uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v14)

**15** Eer en oneer is in het spreken, en de tong van de mens brengt hem ten val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v15)

**16** Laat u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen hinderlagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v16)

**17** Want een zware schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis over de tweetongige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v17)

**18** Wees niet onwetend ook niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/5.html#v18)

### Jezus Sirach 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/6.json)

*1 Vermaant opnieuw tot oprechtheid en tot een bescheiden mening over zichzelf. 5 De vrucht van de welsprekendheid, 7 waaraan een echte vriend en een geveinsde vriend herkend kunnen worden. 18 Hoe de wijsheid gezocht moet worden, en welke vruchten zij voortbrengt. 33 En hoe zij verkregen kan worden.*

**1** WORD geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v1)

**2** Verhef u niet in de raad van uw ziel, opdat uw ziel niet zoals een stier herwaarts en daarheen gescheurd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v2)

**3** U zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre boom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v3)

**4** Een boze ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v4)

**5** Een zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v5)

**6** Maak dat velen met u in vrede leven, maar heb maar één van duizenden die uw raadgever zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v6)

**7** Zo u een vriend wilt verkrijgen, zo strijd hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v7)

**8** Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v8)

**9** Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v9)

**10** Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v10)

**11** Als het u wel gaat zal hij zijn als u, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v11)

**12** Als u vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v12)

**13** Scheid u af van uw vijanden, en wees op uw hoede voor uw vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v13)

**14** Een getrouw vriend is een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die heeft een schat gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v14)

**15** Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht van zijn schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v15)

**16** Een getrouw vriend is een medicijn van het leven, en die Heere vrezen zullen Hem vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v16)

**17** Die Heere vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v17)

**18** Mijn kind, verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haar toe zult u wijsheid vinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v18)

**19** En verwacht haar goede vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v19)

**20** Want in haar werking zult u wel een weinig vermoeid worden, en haast zult u van haar gewas eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v20)

**21** Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v21)

**22** Zij is bij hem zoals een harde steen van de beproeving, en hij zal niet talmen haar weg te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v22)

**23** Want de wijsheid is zoals haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v23)

**24** Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v24)

**25** En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v25)

**26** Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt haar banden geen vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v26)

**27** Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v27)

**28** Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als u haar machtig geworden bent, zo laat haar niet van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v28)

**29** Want ten laatste zult u haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v29)

**30** En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v30)

**31** Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten draad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v31)

**32** U zult haar aantrekken als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon van de vrolijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v32)

**33** Als u zult willen, mijn kind, zo zult u onderwezen worden, en als u uw ziel daartoe begeeft, zo zult u geheel kloek worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v33)

**34** Als u liefde zult hebben om te horen, zo zult u verstand krijgen, en als u uw oor zult neigen, zo zult u wijs worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v34)

**35** Houd u onder de menigte van de ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v35)

**36** Als u een verstandig man ziet, zo maak u vroeg in de morgen tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v36)

**37** Overdenk de geboden van Heere volkomen, en oefen u altijd in Zijn bevelen, zo zal Hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/6.html#v37)

### Jezus Sirach 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/7.json)

*1 Vermaningen tegen ongerechtigheid, 4 tegen eergierigheid, 7 eigendunk, 10 onbarmhartigheid, 12 leugen, 14 veel gepraat, 15 en tegen verachting van de landbouw, 17 vermaningen tot nederigheid. 18 Tot het onderhouden van oude vriendschap. 19 Over een goede huisvrouw. 20 Over een trouwe dienstknecht. 22 Tot toezicht over zijn vee. 23 Over zijn kinderen. 27 Tot het eren van vader en moeder. 29 Van God en zijn priesters. 34 Tot hulp aan armen, treurenden en zieken, 38 en tot gedachtenis aan zijn levenseinde.*

**1** DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v1)

**2** Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v2)

**3** Mijn zoon, zaai niet in de voren van de ongerechtigheid, zo zult u niet zevenvoudig hetzelfde maaien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v3)

**4** Begeer van Heere geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v4)

**5** Rechtvaardig u niet voor Heere, en houd u niet voor wijs bij de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v5)

**6** Zoek niet een rechter te worden, want u mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat u niet te eniger tijd voor het aangezicht van de machtige vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v6)

**7** Zondig niet tegen de menigte van de stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v7)

**8** Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult u niet onschuldig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v8)

**9** Zeg niet: Hij zal op de menigte van mijn gaven zien, en als ik God de Allerhoogste offere, zo zal Hij het aannemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v9)

**10** Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet liefdegaven te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v10)

**11** Belach de mens niet die in bitterheid van zijn ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v11)

**12** Ploeg geen leugen tegen uw broer, en doe uw vriend desgelijken niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v12)

**13** Wil niet liegen enigerlei leugen, want het steeds plegen daarvan komt niet ten goede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v13)

**14** Spreek niet veel in de menigte van de ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v14)

**15** Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v15)

**16** Reken uzelf niet onder de menigte van de zondaren; gedenk dat de toorn niet wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v16)

**17** Verneder uw ziel zeer, want de wraak van de goddeloze zal vuur en worm zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v17)

**18** Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broer om goud uit Ofir. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v18)

**19** Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v19)

**20** Doe de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v20)

**21** Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v21)

**22** Heb u vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v22)

**23** Heb u kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v23)

**24** Heb u dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blij tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v24)

**25** Geef uw dochter uit, en u zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v25)

**26** Heb u een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v26)

**27** Eer uw vader met heel uw hart, en vergeet niet de smarten van uw moeder. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v27)

**28** Gedenk dat u door hen voortgebracht bent, en wat zult u hun daarvoor geven in gelijkheid van wat zij u gegeven hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v28)

**29** Vrees Heere met uw hele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat Zijn dienaren niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v29)

**30** Vrees Heere, en eer de priester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v30)

**31** En geef hem zijn deel, zoals u bevolen is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v31)

**32** Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v32)

**33** En de gaven van de schouders, en de offergave van de heiliging, en de eerstelingen van de heilige dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v33)

**34** En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v34)

**35** Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de goedertierenheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v35)

**36** Onttrek u niet van de huilende, en treur met degenen die treuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v36)

**37** Wees niet traag in het bezoeken van de zieke; want om zulke dingen zult u geliefd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v37)

**38** In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en u zult in de eeuwigheid niet zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/7.html#v38)

### Jezus Sirach 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/8.json)

*1 Waarschuwingen om niet te strijden tegen een machtige. 4 En tegen iemand die veel praat. 6 Om niemand te verachten die met zonden ophoudt, of een oude. 8 Om zich niet te verblijden over de dood van zijn vijand. 9 Of de woorden van een wijze te verwerpen. 13 Noch iemand tot toorn op te wekken. 15 Om zich te hoeden voor lenen, borg blijven en oordelen. 18 Verhaalt het gezelschap waarvan men zich moet onthouden.*

**1** STRIJD met geen machtig mens, dat u niet misschien in zijn handen valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v1)

**2** Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v2)

**3** Want het goud heeft velen verdorven, en heeft de harten van de koningen gebogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v3)

**4** Strijd niet met een praatziek mens, en hoop geen hout op zijn vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v4)

**5** Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v5)

**6** Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v6)

**7** Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook uit ons zijn er die oud worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v7)

**8** Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v8)

**9** Veracht niet wat door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v9)

**10** Want van hen zult u onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v10)

**11** Dwaal niet af van de onderwijzing van de ouden, want zij hebben ook geleerd van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v11)

**12** Want van hen zult u verstand leren, en hoe u in de tijd als het nodig is zult antwoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v12)

**13** Ontsteek de kolen van de zondaar niet, opdat u niet verbrand wordt in het vuur van zijn vlam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v13)

**14** Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v14)

**15** Leen niemand die machtiger is dan u, en als u hem wat geleend zult hebben, wees dan als een die het verloren hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v15)

**16** Word geen borg boven uw vermogen, en als u borg geworden bent, draag zorg alsof u betalen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v16)

**17** Richt niet tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn mening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v17)

**18** Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en u zou door zijn dwaasheid mee vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v18)

**19** Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, zoals niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neer werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v19)

**20** Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v20)

**21** Doe niets geheims voor een vreemde, want u weet niet wat hij baren zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v21)

**22** Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/8.html#v22)

### Jezus Sirach 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/9.json)

*1 Hoe een man zich moet gedragen tegenover zijn vrouw, 3 en alle aanleiding tot hoererij moet ontvluchten. 12 Dat men oude vrienden moet trachten te behouden, 14 en de zondaar zijn eer niet moet benijden, 15 maar geen gemeenschap moet hebben met zijn doen. 19 Welk gezelschap en welke raad men moet zoeken.*

**1** ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v1)

**2** Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v2)

**3** Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat u niet te eniger tijd in haar strikken valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v3)

**4** Ga niet om met een snarenspeelster, dat u niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v4)

**5** Aanschouw een maagd niet te zeer, dat u niet misschien ten val komt in haar bestraffingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v5)

**6** Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat u uw erfdeel niet verliest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v6)

**7** Zie niet om in de straten van de stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v7)

**8** Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v8)

**9** Want door de schoonheid van de vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neer met haar in de armen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v9)

**10** Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v10)

**11** En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en u met uw geest niet valt in het verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v11)

**12** Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet zoals. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v12)

**13** Een nieuwe vriend is zoals nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v13)

**14** Benijd de zondaar zijn eer niet, want u weet niet welke zijn verandering is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v14)

**15** Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in het dodenrijk toe niet zullen gerechtvaardigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v15)

**16** Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en u zult de vrees van de dood niet vermoeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v16)

**17** En als u tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet meteen uw leven beneme. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v17)

**18** Weet, dat u in het midden van de strikken doorgaat, en op de tinnen van de stad wandelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v18)

**19** Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat u vertelt, zij naar de wet van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v19)

**20** Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vrees voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v20)

**21** Door de hand van de kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs voorganger van het volk, door zijn woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v21)

**22** Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/9.html#v22)

### Jezus Sirach 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/10.json)

*1 De eigenschap van een goede rechter en koning. 7 De vrucht van hoogmoed, ongerechtigheid en hebzucht. 22 De lof van de ware vreze van God. 29 Evenals van naarstigheid, zachtmoedigheid en kennis.*

**1** EEN wijs rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij van de verstandige is ordelijk aangesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v1)

**2** Zoals de rechter van het volk is, zo zijn ook zijn dienaren; en zoals de voorganger van de stad is, zo zijn allen die deze bewonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v2)

**3** Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand van de machtigen bewoond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v3)

**4** De macht op aarde is in de hand van Heere, en Hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v4)

**5** In de hand van Heere is de voorspoed van de mens, en op het aangezicht van de schriftgeleerde zal Hij Zijn heerlijkheid stellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v5)

**6** Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v6)

**7** Trots is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v7)

**8** Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v8)

**9** Daar is werkelijk niets onrechtvaardiger dan een geldgierige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v9)

**10** Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v10)

**11** De dokter houdt een lange ziekte af, en vandaag is iemand koning, en morgen zal hij sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v11)

**12** Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v12)

**13** Het begin van de trots is, wanneer een mens van Heere afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v13)

**14** Want trots is een begin van de zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke moedwil, maar op het einde zal hij omgekeerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v14)

**15** Daarom heeft Heere zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v15)

**16** Heere heeft de tronen van de regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v16)

**17** Heere rukt de wortels van de hoogmoedige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v17)

**18** De landen van de volken keert Heere om, en verderft ze tot op de grond van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v18)

**19** Hij heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v19)

**20** En heeft hun herinnering doen ophouden van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v20)

**21** De trots is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v21)

**22** Die Heere vrezen zijn een zeker zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v22)

**23** In het midden van de broers is degene geëerd, die hun leidsman is, en die Heere vrezen worden geëerd voor Zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v23)

**24** De vrees voor de Heere is een heerschappij ook voor het lot, maar hardheid en trots is een wegwerping van de heerschappij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v24)

**25** De roem van een rijke, en heerlijken, en armen, is de vrees voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v25)

**26** Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig is, en het past niet dat men een zondaar eert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v26)

**27** De groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd, maar geen van hun is meerder dan die Heere vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v27)

**28** Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet morren als hij onderwezen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v28)

**29** Denk niet wijs te zijn als u uw werk doet, en poch niet in de tijd van uw benauwdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v29)

**30** Want het is beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v30)

**31** Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geef haar eer naar haar waardigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v31)

**32** Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v32)

**33** Een arme wordt verheerlijkt vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt vanwege zijn rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v33)

**34** Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijkdom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in armoede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/10.html#v34)

### Jezus Sirach 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/11.json)

*1 De wijsheid verheft de nederige, meer dan schoonheid en heerlijke kleren. 7 Wanneer men berispen, antwoorden of twisten mag. 11 Voorspoed en tegenspoed komen van de HEERE, 15 evenals wijsheid en kennis. 17 Onderscheid tussen wisselvallige en blijvende rijkdom, 27 wat zich vooral openbaart aan het einde van het leven. 30 Wie men in zijn huis moet ontvangen, of niet ontvangen.*

**1** DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden van de groten zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v1)

**2** Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v2)

**3** De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste van de zoetigheden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v3)

**4** Pronk niet met de kleren die u aandoet, en in de dag van de heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken van Heere en Zijn werken zijn de mensen verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v4)

**5** Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v5)

**6** Vele machtigen zijn enorm onteerd geworden, en vele heerlijke mensen zijn overgeleverd in handen van anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v6)

**7** Berisp niet voordat u onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v7)

**8** Antwoord niet voordat u gehoord hebt, en in het midden van de woorden spreek niet tussenbeide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v8)

**9** Twist niet om een zaak die u niet betreft; en zit niet bij in het gericht van de zondaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v9)

**10** Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want als u veel aanneemt, u zult niet onschuldig zijn; en als u ze nastreeft, zo zult u ze niet bereiken; en u zult in geen geval ontvluchten als u vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v10)

**11** Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v11)

**12** Menigeen is er die traag is, hebbende hulp nodig, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog van Heere ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v12)

**13** En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aanschouwende, verwonderen zich over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v13)

**14** Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v14)

**15** Wijsheid en wetenschap, en kennis van de wet is van Heere; liefde en wegen van de goede werken zijn van Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v15)

**16** Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v16)

**17** De gave van Heere blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v17)

**18** Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v18)

**19** Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v19)

**20** Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v20)

**21** Verwonder u niet in de werken van de zondaar, maar vertrouw Heere, en blijf in uw arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v21)

**22** Want het is in de ogen van Heere licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v22)

**23** De zegen van Heere is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet Hij zijn zegen uitspruiten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v23)

**24** Zeg niet: Wat heb ik nodig te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v24)

**25** Zeg niet: Ik heb genoeg, en wat ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad gebeuren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v25)

**26** In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v26)

**27** Want het is voor Heere licht, in de dag van de dood de mens te vergelden naar zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v27)

**28** Een kwaad uur maakt dat men de hartstocht vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking van zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v28)

**29** Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v29)

**30** Leid niet een ieder in uw huis, want de hinderlagen van de lasteraar zijn vele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v30)

**31** Zoals een gevangen veldhoen in een kooi, zo is het hart van de hoogmoedige, en zoals een bespieder die daarover komt om te doen vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v31)

**32** Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v32)

**33** Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v33)

**34** Wees op uw hoede voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v34)

**35** Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige van uw eigen goederen ontvreemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/11.html#v35)

### Jezus Sirach 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/12.json)

*1 Tegenover wie men weldadig moet zijn. 7 Waaraan vrienden en vijanden gekend worden. 9 Dat men geen vijanden mag vertrouwen. 13 En zichzelf moet hoeden voor het gezelschap van de goddelozen.*

**1** ALS u weldoet, zo weet aan wie u het doet, en u zult dank voor uw weldaden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v1)

**2** Doe wel aan de godvrezende, en u zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v2)

**3** Die in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene, die geen liefdegaven ter zijde legt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v3)

**4** Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v4)

**5** Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat u hem gedaan zult hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v5)

**6** Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal Hij wreken, maar anderen bewaart Hij tot de krachtige dag van de wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v6)

**7** In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen in tegenslag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v7)

**8** Als het iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in verdriet, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v8)

**9** Betrouw uw vijand in de eeuwigheid niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v9)

**10** Want zoals het koper verroest, zo ook zijn boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v10)

**11** Als hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wees op uw hoede voor hem, en u zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult bemerken, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v11)

**12** Stel hem niet naast u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en u ten laatste mijn woorden bemerkt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v12)

**13** Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v13)

**14** Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en als u zou uitwijken, zo zal hij niet volharden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v14)

**15** En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v15)

**16** Met zijn ogen zal hij huilen, en als hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v16)

**17** Als u iets kwaads zou ontmoeten, u zult hem daar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v17)

**18** Hij zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/12.html#v18)

### Jezus Sirach 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/13.json)

*1 Waarschuwingen tegen verschillend gezelschap dat men moet ontvluchten. 17 Vermaningen tot de liefde van God, en van hen die God vrezen, 21 de arme wordt door de rijke verdrukt, 24 de rijke wordt geacht, maar de arme veracht. 30 Het gezicht volgt de gesteldheid van het hart.*

**1** DIE pek aanroert, wordt daarmee besmet, en die met de hoogmoedige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v1)

**2** Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v2)

**3** Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v3)

**4** Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v4)

**5** Als u hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stellen, maar als u verachtert, zal hij u onderdrukken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v5)

**6** Als u wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v6)

**7** Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt u nodig? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v7)

**8** Hij zal u met zijn voedsel beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of drie keer, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v8)

**9** Pas op dat u niet verleid wordt door uw gedachten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v9)

**10** En niet vernederd wordt in de verheuging van uw hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v10)

**11** Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v11)

**12** Val niet in iemands rede, opdat u niet zonder kennis van de zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat u niet vergeten wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v12)

**13** Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw geheime zaken onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v13)

**14** Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal in geen geval plagen en banden aan u sparen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v14)

**15** Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als u hem hoort, want u wandelt met uw val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v15)

**16** Als u deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v16)

**17** Heb Heere lief al uw leven lang, en roep Hem aan tot uw behoudenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v17)

**18** Ieder dier heeft zijn gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v18)

**19** Alle vlees verzamelt zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijn gelijke aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v19)

**20** Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die Heere vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v20)

**21** Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v21)

**22** Zoals de wilde ezels van de leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen van de rijken weide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v22)

**23** Zoals de nederigheid is van de hoogmoedigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v23)

**24** Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v24)

**25** Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men rechtvaardigt hem evenwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v25)

**26** Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v26)

**27** De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan de wolken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v27)

**28** De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en als hij aanstoot, men zal hem verder omstoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v28)

**29** De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond van de goddeloze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v29)

**30** Het hart van de mens verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v30)

**31** Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding van de gelijkenissen in overlegging met moeite. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/13.html#v31)

### Jezus Sirach 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/14.json)

*1 Prijst de mens die oprecht van hart is en op God hoopt. 3 Misprijzing van een mens die hebzuchtig is, en afgunstig ook tegenover zichzelf. 11 Vermaningen tot goeddadigheid zolang men leeft, 21 en tot het beoefenen van wijsheid, eerlijkheid en heiligheid.*

**1** ZALIG is de man die niet faalt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte van de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v1)

**2** Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op Heere heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v2)

**3** De rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig mens? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v3)

**4** Wie verzamelt onttrekkende van zijn ziel, die verzamelt voor anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v4)

**5** Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v5)

**6** Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding van zijn boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v6)

**7** Als hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v7)

**8** Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht de zielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v8)

**9** Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v9)

**10** Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v10)

**11** Mijn kind, doe uzelf goed naar dat u kunt, en breng Heere offergaven toe, zoals behoort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v11)

**12** Gedenk dat de dood niet zal talmen, en het verbond van het graf is u niet getoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v12)

**13** Doe uw vriend goed, voordat u sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit en geef hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v13)

**14** Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel van de goede begeerte u niet voorbijgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v14)

**15** Zult u niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling van het lot? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v15)

**16** Geef en neem, en heilig uw ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v16)

**17** Want men behoeft in het graf geen voedsel te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v17)

**18** Alle vlees veroudert zoals een kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: U zult de dood sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v18)

**19** Zoals een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v19)

**20** Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewerkt heeft zal met hetzelfde ook weggaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v20)

**21** Zalig is de man die met wijsheid betracht wat eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v21)

**22** Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar geheimen verstandig worden; ga uit achter haar zoals een naspeurder, en loer op haar wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v22)

**23** Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v23)

**24** Wie nabij haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v24)

**25** Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v25)

**26** Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/14.html#v26)

### Jezus Sirach 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/15.json)

*1 De voortreffelijke vruchten van de wijsheid bij hen die haar naspeuren. 13 God is geen oorzaak van de zonde, maar de mens zelf, door zijn kwade wil. 16 En God is een wreker en bestraffer daarvan.*

**1** DIE Heere vreest zal dat doen en die de kennis van de wet verkregen heeft zal haar vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v1)

**2** En zoals een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en zoals een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v2)

**3** Zij zal hem spijzen met brood van het verstand, en met water van de wijsheid zal zij hem drenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v3)

**4** Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v4)

**5** En zij zal hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden van de vergadering zijn mond openen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v5)

**6** Hij zal vrolijkheid en een kroon van de verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v6)

**7** Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v7)

**8** Zondaars zullen haar in geen geval zien; zij is ver van trots, en leugenaars gedenken aan haar geheel niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v8)

**9** De lof in de mond van de zondaar voegt niet wel, omdat hij hem van Heere niet is gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v9)

**10** Want met wijsheid zal lof gesproken worden, en Heere zal die voorspoedig maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v10)

**11** Zeg niet: Heere is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want wat Hij haat moet u niet doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v11)

**12** Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet nodig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v12)

**13** Heere haat allerlei gruwel, en ze is niet geliefd bij degenen die Hem vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v13)

**14** Hij heeft van de beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand van zijn raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v14)

**15** En heeft gezegd: Als u wilt, u zult de geboden houden en het geloof om te doen wat mij behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v15)

**16** Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand waarheen u wilt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v16)

**17** Het leven en de dood zijn voor de mens, en wat hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v17)

**18** Want groot is de wijsheid van Heere, en Hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v18)

**19** En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken van de mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v19)

**20** Hij heeft niemand geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof gegeven te zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/15.html#v20)

### Jezus Sirach 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/16.json)

*1 Dat men niet om veel, maar om vrome kinderen moet wensen. 7 Hij bewijst met verschillende voorbeelden dat God de ongehoorzame straft, 15 en dat alle dingen voor hem openbaar zijn, aangezien alles van hem afhangt en door hem bestaat.*

**1** VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; als zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vrees voor de Heere bij hen niet is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v1)

**2** Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v2)

**3** Want één rechtvaardige is beter dan duizend zulken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v3)

**4** En het is beter zonder kinderen te sterven, dan goddeloze kinderen te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v4)

**5** Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht van de goddelozen zal haastig woest worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v5)

**6** Vele dergelijke dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen gehoord dan deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v6)

**7** In de vergadering van de zondaren zal een vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest onder een ongehoorzaam volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v7)

**8** Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht van hun dwaasheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v8)

**9** Hij spaarde die niet, bij wie Lot woonde; aan wie hij een gruwel had, vanwege hun trots. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v9)

**10** Hij ontfermde zich niet over het volk van het verderf, die uitgingen in hun zonden, die zij deden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v10)

**11** En zo heeft Heere zeshonderd duizend mannen te voet, die samen verzameld waren in de hardheid van hun harten, door ontferming en vergelding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende; als dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, het was een wonder dat die ongestraft zou blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v11)

**12** Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Heere, die haastig verzoend wordt, en toorn uitstort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v12)

**13** Zoals zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn vergelding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v13)

**14** De zondaar zal niet ontvluchten met zijn roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v14)

**15** Maak plaats voor allerlei liefdegaven, want een ieder zal vinden naar zijn werken. Heere heeft Farao verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v15)

**16** Zeg niet: Ik zal mij voor Heere verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v16)

**17** Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v17)

**18** Zie, de hemel, en de hemel van de hemel, de afgrond en de aarde, en wat daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de hele wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v18)

**19** De bergen en de fundamenten van de aarde worden tegelijk geschud onder elkaar door beving, als Heere daarop ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v19)

**20** En het hart overdenkt deze dingen niet behoorlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v20)

**21** En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn zoals een stormwind, die de mens niet zien kan; en het meerderdeel van zijn werken is voor ons verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v21)

**22** Wie zal de werken van zijn gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond is ver, en onderzoeking alle dingen is in het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v22)

**23** Die klein geworden is overlegt deze dingen, maar een dwaas man, verdwaald zijnde, overlegt dwaze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v23)

**24** Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v24)

**25** Ik zal onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen met ijver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v25)

**26** Want door het oordeel van Heere zijn Zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft Hij hun delen onderscheiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v26)

**27** Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet bezweken van zijn werken, niet één heeft zijn naaste verdrukt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v27)

**28** En tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v28)

**29** En na deze heeft Heere op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v29)

**30** Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in haar keren zij weer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/16.html#v30)

### Jezus Sirach 17

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/17.json)

*1 Hoe God de mens heeft geschapen en hem veel waardigheden boven andere schepselen heeft gegeven. 14 Bij de verdeling van de volken heeft hij elk volk zijn overste gegeven, maar Israël voor zichzelf behouden. 16 Waarom hij ook in het bijzonder op hen let, om hun zonden te straffen en hun bekering aan te nemen. 19 Vermaant hen daarom om weer tot God te keren.*

**1** DE Heere heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft hem weer daarin doen terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v1)

**2** Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v2)

**3** Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v3)

**4** Hij heeft hun vrees gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v4)

**5** En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uitdelende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, die is een uitlegging van zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v5)

**6** Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap van het verstand heeft hij hen vervuld, en hun wat goed en kwaad is getoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v6)

**7** Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v7)

**8** En de uitverkorenen zullen de naam van zijn heiligmaking prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v8)

**9** Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet van het leven tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v9)

**10** Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v10)

**11** Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid van zijn stem, en heeft tot hen gezegd: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v11)

**12** Wees op uw hoede voor alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk één van zijn naaste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v12)

**13** Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v13)

**14** Want in de verdeling van de volken van de hele aarde heeft Hij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, die, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht opvoedt, en hij deelt hem mee het licht van de liefde, en begeeft hem niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v14)

**15** Daarom zijn al hun werken voor hem zoals de zon, en zijn ogen zien steeds op hun wegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v15)

**16** Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor Heere, maar Heere zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen gespaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v16)

**17** Want de barmhartigheid tegen de man is zoals een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weer vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v17)

**18** Maar de boetvaardige heeft Hij gegeven weer te keren, en heeft tot zich geroepen die de volharding verlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v18)

**19** Bekeer u dan tot Heere, en verlaat de zonden; smeek voor Zijn aangezicht, en verminder de aanstoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v19)

**20** Ga weer tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want Hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting van de gezondheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v20)

**21** En haat zeer de gruwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v21)

**22** Wie zal de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats van de levenden, en van degenen die dankzegging spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v22)

**23** Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v23)

**24** Maar die leeft en gezond van hart is, zal Heere prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v24)

**25** Hoe groot is de ontferming van Heere onze God, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot Hem bekeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v25)

**26** Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, omdat geen mensenzoon onsterfelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v26)

**27** Wat is klaarder dan de zon, en toch bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v27)

**28** Hij ziet aan de kracht van de hoge hemel, en alle mensen zijn maar aarde en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/17.html#v28)

### Jezus Sirach 18

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/18.json)

*1 Onderwijs over de macht en barmhartigheid van God. 7 De broosheid van de mens. 15 Zachtmoedigheid en vriendelijkheid. 19 Heiligheid met voorzichtigheid. 30 Matigheid en nuchterheid.*

**1** DIE in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen gezamenlijk geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v1)

**2** Heere is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan Hij; Hij heeft de wereld gebouwd met de span van Zijn hand, en alle dingen zijn Zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning van alle dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin wat heilig is van het onheilige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v2)

**3** Wie heeft hij macht gegeven zijn werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v3)

**4** Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v4)

**5** De wonderen van Heere zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v5)

**6** Wanneer de mens zal hebben voltooid, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v6)

**7** Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v7)

**8** Het getal van de dagen van de mens aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v8)

**9** Zoals een druppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen van de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v9)

**10** Daarom is Heere geduldig over hen, en giet Zijn barmhartigheid op hen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v10)

**11** Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v11)

**12** De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid van Heere over alle vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v12)

**13** Hij bestraft, en onderwijst, en leert, en bekeert zoals een herder zijn kudde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v13)

**14** Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v14)

**15** Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als u om iets gebeden wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v15)

**16** Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v16)

**17** Zie, is een woord niet boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v17)

**18** Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v18)

**19** Leer voordat u spreekt, en gebruik medicijn voordat u ziek wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v19)

**20** Voordat u geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en u zult verzoening vinden in het uur van de bezoeking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v20)

**21** Verneder u door matigheid, voordat u ziek wordt, en bewijs in de tijd van de zonden uw bekering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v21)

**22** Laat u niet hinderen uw belofte te betalen op de juiste tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v22)

**23** Bereid uzelf voordat u uw gelofte doet, en wees niet zoals een die Heere verzoekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v23)

**24** Gedenk aan de toorn die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd van de wraak, als Heere Zijn aangezicht zal afkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v24)

**25** Gedenk aan de tijd van de honger, in de tijd van de volheid, aan armoede en gebrek in de dag van de rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v25)

**26** Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor Heere. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen van de zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v26)

**27** Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v27)

**28** En wie ze vindt, die zal zij geven dat openbaar te belijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v28)

**29** Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op Heere alleen, daar het dode hart hangt aan wat dat dood is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v29)

**30** Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v30)

**31** Als u uw ziel toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult u uw vijanden die u benijden een vreugde maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v31)

**32** Verheug u niet in de veelheid van uw lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v32)

**33** Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar u niets hebt in de beurs, want anders zult u een spion zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/18.html#v33)

### Jezus Sirach 19

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/19.json)

*1 Waarschuwingen tegen dronkenschap en hoererij. 6 Tegen kletspraat. 13 Hoe men zijn naaste moet vermanen. 18 Lof van de vreze van God, 19 en van een voorzichtig en rechtvaardig oordeel. 23 Waaraan men een dubbelhartig mens kan kennen.*

**1** EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die het weinig versmaadt, zal gaandeweg vervallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v1)

**2** Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt stout. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v2)

**3** Die zullen de maden en wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk voorbeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v3)

**4** Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v4)

**5** Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de hartstochten wederstaat, die kroont zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v5)

**6** Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v6)

**7** Herhaal een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v7)

**8** En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en als het u geen zonde is, zo openbaar het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v8)

**9** Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij u haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v9)

**10** Heb u wat gehoord, laat het bij u sterven, en wees welgemoed, want het zal u niet doen barsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v10)

**11** Een dwaas zal smarten lijden vanwege een woord, zoals een barende vrouw vanwege het kind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v11)

**12** Zoals een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v12)

**13** Bestraf uw vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v13)

**14** Bestraf uw naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het voor de tweede keer niet zeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v14)

**15** Bestraf uw vriend, want dikwijls gebeurt er ijdele lastering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v15)

**16** Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v16)

**17** Bestraf uw naaste voordat u dreigt, en geef de wet van de Allerhoogste plaats, en word niet boos. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v17)

**18** De vrees voor de Heere is een begin van de aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; kennis van de geboden van Heere is onderwijzing van het leven, en die doen wat Hem behagelijk is, zullen de boom van de onsterfelijkheid tot vrucht genieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v18)

**19** De vrees voor Heere komende, is de hele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding van de wet, en kennis van zijn almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Zoals het u behaagt zal ik niet doen, als hij het daarna doet, vertoornt degene, die hem voedt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v19)

**20** De wetenschap van de boosheid is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar de raad van de zondaren is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v20)

**21** Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v21)

**22** Die het aan verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet van de Allerhoogste overtreedt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v22)

**23** Daar is een vlijtige sluwheid, en ze is onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om het recht te doen blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt, en die is wijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v23)

**24** Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte kleren, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v24)

**25** Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; als u hem niet bemerkt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v25)

**26** En als hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen als hij gelegener tijd vindt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v26)

**27** Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een verstandige wordt aan de ontmoeting van zijn aangezicht gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v27)

**28** De kleding van de man, en het lachen van de tanden, en de gang van de mensen, verkondigen wat hij voor een is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v28)

**29** Daar is een bestraffing die ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is wijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/19.html#v29)

### Jezus Sirach 20

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/20.json)

*1 Wanneer men spreken en zwijgen moet. 8 Over het geven van geschenken. 19 Over de aangenaamheid of onaangenaamheid van woorden. 25 Over leugentaal. 30 Over het gebruiken van de wijsheid op de juiste tijd.*

**1** HOE veel beter is het te bestraffen dan in het geheim gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v1)

**2** Zoals de lust van een gesnedene is om een meisje te onteren, zo is hij die geweld oefent in het gericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v2)

**3** Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, en menigeen is er die gehaat wordt vanwege zijn veel klappen [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v3)

**4** Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v4)

**5** Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v5)

**6** Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, wordt gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v6)

**7** Hoe fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, boetvaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v7)

**8** De zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, en menige vond strekt tot schade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v8)

**9** Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v9)

**10** Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v10)

**11** Menigeen is er die veel voor weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v11)

**12** De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid van de dwazen zal uitgestort worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v12)

**13** De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en evenzo ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v13)

**14** Weinig zal hij geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v14)

**15** Vandaag zal hij u lenen, en morgen wedereisen; zo iemand is van Heere en van de mensen gehaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v15)

**16** Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v16)

**17** Hoe dikwijls, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit van zijn goederen met geen rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem evenzo evenveel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v17)

**18** Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val van de kwade mensen haastig komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v18)

**19** Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, in de mond van de ongeschikten zal hij steeds zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v19)

**20** Een spreuk komende uit de mond van een dwaas zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de juiste tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v20)

**21** Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v21)

**22** Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v22)

**23** Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v23)

**24** De leugen is een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond van de ongeschikten is zij steeds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v24)

**25** Een dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis beërven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v25)

**26** De manieren van een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande is steeds bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v26)

**27** Een wijze bevordert zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt de groten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v27)

**28** Die zijn land bouwt, verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent zijn misdaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v28)

**29** Gaven en geschenken verblinden de ogen van de wijzen, en zoals een toom in de mond, keren zij de bestraffingen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v29)

**30** Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nut is in beide? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v30)

**31** Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die Heere zoekt, dan zonder Heere een bestuurder te zijn van zijn eigen leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/20.html#v31)

### Jezus Sirach 21

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/21.json)

*1 Dat men niet moet voortgaan in het zondigen. 8 Noch hoog spreken. 9 Noch van andermans geld huizen bouwen. 10 Noch slecht gezelschap zoeken. 12 Maar God vrezen. 14 Onderscheid tussen een wijs en een dwaas man.*

**1** MIJN kind, hebt u gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v1)

**2** Vlucht voor de zonde zoals voor een slang, want als u tot haar naakt, zo zal zij u steken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v2)

**3** Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v3)

**4** Alle ongerechtigheid is zoals een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v4)

**5** Slagen en smaad verwoesten rijkdom; zo zal het huis van de hoogmoedigen verwoest worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v5)

**6** De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v6)

**7** Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie Heere vreest, die bekeert zich van harte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v7)

**8** Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v8)

**9** Wie zijn huis met geld van andere mensen bouwt, die is zoals een die voor zichzelf stenen verzamelt tot een tombe op zijn graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v9)

**10** De vergadering van de goddelozen is zoals werk dat bijeen verzameld is, en haar voleinding is een vlam van vuur tot verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v10)

**11** De weg van de zondaar is van stenen geëffend, maar aan het uiterste daarvan is de gracht van het dodenrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v11)

**12** Wie de wet van Heere bewaart, die heerst over zijn gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v12)

**13** Maar de voleinding van de vrees voor de Heere is de aanneming van de wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v13)

**14** Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v14)

**15** De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad zoals een zuivere fontein van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v15)

**16** Het binnenste van de dwaas is zoals een gebroken kruik, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v16)

**17** Als de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v17)

**18** Heeft het een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, en hij werpt het achter zijn rug. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v18)

**19** De vertelling van een dwaas is zoals een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v19)

**20** De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elk overdenkt zijn woorden in zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v20)

**21** Zoals een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v21)

**22** De tucht is de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v22)

**23** Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v23)

**24** De tucht is de voorzichtige man zoals een gulden versiersel, en zoals een armband aan de rechterarm. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v24)

**25** De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v25)

**26** De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v26)

**27** Het is een ongeschiktheid van de mens te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze oneer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v27)

**28** De lippen van de veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden van de voorzichtigen zijn op de waag gewogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v28)

**29** Het hart van de dwazen is in hun mond, maar de mond van de wijzen is in hun hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v29)

**30** Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v30)

**31** Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/21.html#v31)

### Jezus Sirach 22

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/22.json)

*1 Over de luiheid. 3 Welke kinderen hun ouders eer of oneer aandoen. 8 Over dwazen. 19 Over verstandigen. 24 Wat de vriendschap kan verdragen, 27 en wat zij vereist.*

**1** DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v1)

**2** Een luie is zoals koeienmest op de mesthoop; wie hem opneemt, schudt de hand af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v2)

**3** Het is de schande van de vader wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v3)

**4** Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot verdriet van degene die haar gegenereerd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v4)

**5** Een stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v5)

**6** Een ontijdig verhaal is zoals muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging op de juiste tijd is een werk van wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v6)

**7** Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v7)

**8** Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v8)

**9** Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v9)

**10** Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v10)

**11** Ween over een dode zachter, omdat hij rust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v11)

**12** Want het leven van een dwaas is boven de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v12)

**13** De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v13)

**14** Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v14)

**15** Hoed u voor hem, opdat u geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v15)

**16** Wijk van hem, en u zult rust vinden, en u zult niet verluieren in zijn zinneloosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v16)

**17** Wat is er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v17)

**18** Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v18)

**19** Zoals een houten band, vast ingebonden in een gebouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v19)

**20** Een hart dat op verstandige gedachten gevestigd is, is zoals een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v20)

**21** Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v21)

**22** Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v22)

**23** Wie in een oog steekt, brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v23)

**24** Wie een steen onder de vogels werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v24)

**25** Als u het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v25)

**26** Als u de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en trots, en openbaring van wat verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vlucht ieder vriend weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v26)

**27** Bewijs trouw tegenover uw naaste in zijn armoede; opdat u zich verheugen mag als het hem wèl gaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v27)

**28** In de tijd van de verdrukking blijf bij hem, opdat u zijn erfdeel mag erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde te houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v28)

**29** Zoals de damp van de oven en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor de doodslag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v29)

**30** Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een ieder die het hoort zal zich voor hem wachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v30)

**31** Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet plotseling valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/22.html#v31)

### Jezus Sirach 23

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/23.json)

*1 Gebed tot God, dat hij ons bewaart voor het zondigen. 7 Vermaningen tegen hoogmoed, 9 tegen het zweren van eden, 16 om zijn ouders niet te vergeten, 18 tegen toorn, 21 hoererij en overspel, 34 tot de vreze van God.*

**1** O Heere, Vader en Heerser van het hele leven, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v1)

**2** Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting van de wijsheid in mijn hart? opdat U Heere mijn onwetendheden niet ontziet, en de moedwil van de openbare zondaren niet voorbijgaat; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v2)

**3** Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd wordt, waarvan de hoop van Uw barmhartigheid verre is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v3)

**4** O Heere, Vader en God van mijn leven, geef mij geen verheffing van de ogen, en wend een stout gemoed altijd van Uw knechten af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v4)

**5** Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die U altijd wil dienen; laat mij de begeerte van de buik, en de bijslaap niet innemen, en geef mij, Uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v5)

**6** Hoor, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v6)

**7** De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hoogmoedige zullen zich daaraan stoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v7)

**8** Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v8)

**9** Want zoals een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v9)

**10** Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v10)

**11** Als hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en als hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v11)

**12** En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v12)

**13** Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v13)

**14** Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v14)

**15** Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v15)

**16** Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden van de groten zult u bijzitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v16)

**17** Dat u niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en u zou willen dat u niet geboren was geweest, en zou de dag van uw geboorte vervloeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v17)

**18** Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen van zijn leven niet onderwezen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v18)

**19** Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v19)

**20** Een hittige ziel is zoals een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v20)

**21** Een ontuchtpleger, die met het lichaam van zijn vlees hoererij bedrijft, rust niet voordat hij een vuur ontstoken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v21)

**22** Een ontuchtpleger is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten voordat hij zijn einde neemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v22)

**23** Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v23)

**24** Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen van de mensen zijn alleen zijn vrees; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v24)

**25** En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Heere tienduizend keer klaarder zijn dan de zon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v25)

**26** Die zien op alle wegen van de mensen, en merken op de verborgen delen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v26)

**27** Eer alle dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voltooid, doorziet hij ze alle. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v27)

**28** Deze zal op de straten van de stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v28)

**29** Evenzo ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erfenis van een ander bekomt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v29)

**30** Want allereerst is zij de wet van de Allerhoogste ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld tegenover haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v30)

**31** Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v31)

**32** Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v32)

**33** Haar herinnering zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v33)

**34** En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de vrees voor de Heere, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de geboden van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v34)

**35** Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat u van Hem aangenomen wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/23.html#v35)

### Jezus Sirach 24

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/24.json)

*1 De roem van de wijsheid. 9 Die haar woonplaats in Israël heeft genomen. 26 Vermaningen om haar te zoeken, waar zij te vinden is, en welke haar vruchten zijn.*

**1** DE wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v1)

**2** Zij doet haar mond open in de gemeente van de Allerhoogste, en beroemt zich in aanwezigheid van zijn kracht, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v2)

**3** Ik ben van de mond van de Allerhoogste uitgegaan, en zoals een nevel heb ik de aarde bedekt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v3)

**4** Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v4)

**5** Ik alleen heb de rondte van de hemel omgegaan, en heb in de diepte van de afgronden gewandeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v5)

**6** In de golven van de zee, en op de hele aarde, en bij alle volken en natiën heb ik bezittingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v6)

**7** Bij deze allen heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v7)

**8** Toen beval mij de schepper van alle dingen, en die mij geschapen heeft, deed mijn tent rusten, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v8)

**9** In Jakob zult u uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult u erfgenaam zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v9)

**10** Vóór de wereld, van de beginne heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb ik in zijn aanwezigheid gediend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v10)

**11** En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij ook doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v11)

**12** En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het deel van Heere, dat is zijn erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v12)

**13** Ik ben verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en zoals een cypresseboom op de bergen van Hermon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v13)

**14** Ik ben verhoogd geworden zoals een dadelboom te Engedi, en zoals een rozeboom te Jericho. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v14)

**15** Zoals een schone olijfboom in een fraai veld, en zoals de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v15)

**16** Ik heb een goede reuk van mij gegeven, zoals kaneel en zoals een reukbal, en zoals uitgelezen mirre. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v16)

**17** Zoals Galbanum, en Onyx, en Stacte, en zoals de damp van de wierook in de tabernakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v17)

**18** Ik heb mijn takken uitgestrekt zoals een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk en aangenaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v18)

**19** Ik heb, zoals een wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht van de heerlijkheid en van de rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v19)

**20** Ik ben een moeder van de schone liefde, en van de vrees, en van de kennis, en van de heilige hoop; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v20)

**21** En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v21)

**22** Kom herwaarts tot mij, u die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v22)

**23** Want mijn herinnering is zoeter dan honing, en mijn erfenis dan honigraat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v23)

**24** Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v24)

**25** Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v25)

**26** Al deze dingen leert het boek van het verbond van God de Allerhoogste, de wet, die Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar wees sterk in Heere, opdat Hij u krachtig make; kleeft Hem aan; de Almachtige Heere is alleen God, en daar is geen Zaligmaker naast Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v26)

**27** Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, zoals de Pison, en zoals de Tigris in de dagen van de nieuwe vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v27)

**28** Die vervult het verstand zoals de Eufraat, en zoals de Jordaan in de dagen van de oogst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v28)

**29** Die de leer van de kennis doet uitschijnen zoals een licht, en zoals de Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v29)

**30** De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v30)

**31** Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v31)

**32** Ik, de Wijsheid, ben zoals een gedolven gracht van een rivier; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v32)

**33** En zoals een waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v33)

**34** Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, en mijn oprechte tuinbeddeken begieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v34)

**35** En ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v35)

**36** Want ik doe de onderwijzing lichten als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v36)

**37** Want ik giet onderwijzing uit zoals een profetie, en laat ze na tot eeuwige geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v37)

**38** Zie u dan, dat ik niet voor mij alleen heb gewerkt, maar voor al degenen die ze zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/24.html#v38)

### Jezus Sirach 25

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/25.json)

*1 Lof van de eendracht. 5 En van een eervolle ouderdom. 9 Verhaal van tien dingen waarin het geluk van de mens bestaat. 17 De grootste plaag is de wraak van een vijand. 20 En de boosheid van een onverstandige vrouw. 30 Die men in huis moet houden, of een scheidbrief moet geven.*

**1** DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor Heere, ja voor Heere en de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v1)

**2** Door eendracht van de broers en vriendschap van de naaste, en wanneer man en vrouw zich samen verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v2)

**3** Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v3)

**4** Namelijk een arme, die hoogmoedig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v4)

**5** In uw jeugd hebt u niet verzameld, en hoe zou u wat vinden in uw ouderdom? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v5)

**6** Wat een schone zaak is het dat grijze haar zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben tot raad? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v6)

**7** Hoe schoon staat de oude wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v7)

**8** Grote ervarenheid is een kroon van de ouden, en hun roem is de vrees voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v8)

**9** Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v9)

**10** Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val van zijn vijanden ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v10)

**11** Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die hem niet waard is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v11)

**12** Hij is zalig die kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren van de toehoorders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v12)

**13** Hoe groot is hij die wijsheid vindt! maar hij is niet boven degene, die Heere vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v13)

**14** Maar de liefde van Heere overtreft alles, tot verlichting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v14)

**15** Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v15)

**16** De vrees voor de Heere is het begin van zijn liefde, maar het geloof het begin van zijn aankleving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v16)

**17** Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag van het hart, en alle boosheid, maar niet de boosheid van een vrouw; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v17)

**18** Alle inval, maar niet de inval van degenen die haten, en alle wraak, maar niet de wraak van de vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v18)

**19** Daar is geen hoofd boven het hoofd van de slang, en daar is geen toorn boven de toorn van de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v19)

**20** Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een slechte vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v20)

**21** De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet zoals een beer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v21)

**22** In het midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v22)

**23** Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot van de zondaar valle haar toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v23)

**24** Zoals een zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, zo is een praatzieke vrouw voor een stil man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v24)

**25** Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot hartstocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v25)

**26** Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, als zij haar man toereikt dat hij nodig heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v26)

**27** Een slechte vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht, en een harteplaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v27)

**28** Die haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v28)

**29** Van de vrouw is het begin van de zonde, en om harentwil sterven wij allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v29)

**30** Geef het water geen doortocht, noch de slechte vrouw vrijheid om uit te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v30)

**31** Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/25.html#v31)

### Jezus Sirach 26

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/26.json)

*1 De lof van een goede en eerbare vrouw. 6 Met tegenstelling tot een kwade en ontuchtige. 14 De troost die een goede en eerbare vrouw haar man brengt, met tegenstelling tot het verdriet dat hem overkomt door een kwade en ontuchtige. 30 Tegenslagen bij een krijgsman, bij een verstandig man, bij iemand die tot zonde vervalt, bij een koopman en bij een waard.*

**1** GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal van zijn dagen wordt dubbel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v1)

**2** Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren van zijn leven met vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v2)

**3** Een goede vrouw is een goed erfdeel, en wordt tot een deel gegeven degenen, die Heere vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v3)

**4** En het hart van zo'n man is goed tot Heere, hetzij dat hij rijk of arm is, altijd heeft hij een vrolijk aangezicht en is blijmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v4)

**5** Drie dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v5)

**6** De lastering van een stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze zijn zwaarder dan de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v6)

**7** Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en verdriet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v7)

**8** Een slechte vrouw is zoals een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt; wie ze neemt, is zoals degene, die een schorpioen aangrijpt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v8)

**9** Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v9)

**10** De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen van de ogen en aan haar wenkbrauwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v10)

**11** Bewaar een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor zich gebruikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v11)

**12** Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, als zij verkeerd tegen u zou handelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v12)

**13** Zoals een reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke paal neerzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v13)

**14** De aantrekkingskracht van de vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn benen vet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v14)

**15** Een vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een gave van Heere, en daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen kan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v15)

**16** Een schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat waard is haar reine ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v16)

**17** Zoals de zon opgaande in de hoogste plaatsen van Heere, zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v17)

**18** Zoals het licht op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v18)

**19** Zoals gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v19)

**20** Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven in gezondheid, en geef de vreemde uw sterkte niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v20)

**21** Als u uit alle velden een vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v21)

**22** Zo zullen uw vruchten overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende, groot worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v22)

**23** Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren van de dood geacht worden, degenen die haar gebruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v23)

**24** Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die Heere vreest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v24)

**25** Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v25)

**26** Een onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een hond, maar die schaamte heeft, zal Heere vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v26)

**27** Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat zij door trots goddeloos is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v27)

**28** Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want het getal van zijn jaren zal dubbel zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v28)

**29** Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering van de vijanden; en de ziel van ieder mens die haar in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren van de oorlog doorbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v29)

**30** Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, en over het derde is mij toorn aangekomen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v30)

**31** Als een soldaat ten laatste armoe gaat lijden; en als verstandige mannen als mest geacht worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v31)

**32** Als iemand van de gerechtigheid terugkeert tot zonde; Heere zal hem tot het zwaard bereiden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v32)

**33** Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden van zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/26.html#v33)

### Jezus Sirach 27

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/27.json)

*1 De gebreken tussen kopers en verkopers. 4 Hoe een mens aan zijn woorden beproefd en gekend wordt. 12 Bij wie men zich moet houden, en voor wie men zich moet hoeden. 16 Heimelijke zaken van vrienden moet men niet openbaar maken. 23 Waaraan een geveinsde vriend gekend kan worden. 26 Wie kwaad doet, die zal ook het kwade overkomen.*

**1** VELEN hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v1)

**2** Zoals een nagel tussen de voegen van de stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v2)

**3** Als iemand zich niet ijverig aan de vrees voor de Heere houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v3)

**4** Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft de vuiligheid van de mens in zijn uitspraak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v4)

**5** De oven proeft de voorwerpen van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v5)

**6** Zoals de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak van de gedachten blijken wat in het hart van de mens is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v6)

**7** Prijs niemand voordat hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v7)

**8** Als u wat recht is nastreeft, zo zult u het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange heerlijke tabberd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v8)

**9** Het gevogelte nestelt bij zijn gelijken, en de waarheid komt weer tot degenen, die haar betrachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v9)

**10** Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v10)

**11** Het verhaal van de godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert zoals de maan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v11)

**12** Neem onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v12)

**13** Het verhaal van de zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid van de zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v13)

**14** De spraak van degene die veel zweert, doet de haar overeind staan, en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v14)

**15** De twist van de hoogmoedigen brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v15)

**16** Wie geheime dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v16)

**17** Heb uw vriend hartelijk lief en wees hem getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v17)

**18** Maar als u zijn geheime zaken zou geopenbaard hebben, zo volg hem niet na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v18)

**19** Want zoals een mens zijn vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v19)

**20** En zoals alsof u een vogel uit uw hand losgelaten had, zo hebt u uw naaste verlaten, en zult hem niet weer vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v20)

**21** Volg hem niet, want hij is ver van u weg, en is het ontvlucht zoals een ree uit de strik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v21)

**22** Want een wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord is verzoening, maar die geheime zaken openbaart, heeft zijn geloof verloren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v22)

**23** Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v23)

**24** Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v24)

**25** Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij hem, en Heere zal hem haten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v25)

**26** Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond wijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v26)

**27** Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt, zal daarmee gevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v27)

**28** Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v28)

**29** De hoogmoedigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen zoals een leeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v29)

**30** Die zich verheugen in de val van de godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelijke dingen, en een zondaar zal daarmee bevangen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/27.html#v30)

### Jezus Sirach 28

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/28.json)

*1 Vergeef uw naaste, opdat ook u door God uw zonden vergeven worden. 9 Onthoud u van strijd en gekijf. 14 En van oorblazers en dubbele tongen, waarvan de droeve vruchten worden beschreven. 25 Maar hiervoor worden de godvrezenden bewaard. 28 Zoals zij ook zelf hun tongen bewaren.*

**1** WIE zichzelf wreekt, die zal van Heere wraak vinden, en Hij zal zijn zonden zeker bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v1)

**2** Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer u dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v2)

**3** De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en bij Heere zoekt hij genezing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v3)

**4** En hij heeft geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v4)

**5** Hij, vlees zijnde, behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v5)

**6** Gedenk aan uw uiterste, en houd op vijandschap te oefenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v6)

**7** Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf en dood, maar blijf in de geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v7)

**8** Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond van de Allerhoogste, en overzie zijn onwetendheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v8)

**9** Onthoud u van strijd, en u zult de zonden verminderen, want een boos mens ontsteekt de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v9)

**10** Een zondaar ontroert vrienden, en onder degenen die vrede hebben, werpt hij laster in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v10)

**11** Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer de ruzie wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn toorn is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v11)

**12** Een haastige twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht vergiet bloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v12)

**13** Als u in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar als u daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide uit uw mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v13)

**14** Vervloek een oorblazer, en een tweetongig mens want zij hebben velen verdorven, die in vrede leefden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v14)

**15** De dubbele tong heeft velen bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere verzet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v15)

**16** En heeft versterkte steden vernield, en huizen van de groten omgekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v16)

**17** De dubbele tong heeft mannelijke vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v17)

**18** Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v18)

**19** De slag van de gesel maakt striemen, maar de slag van de tong vermorzelt het gebeente. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v19)

**20** Velen zijn gevallen door de scherpte van het zwaard, maar niet zo velen als er gevallen zijn door de tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v20)

**21** Zalig is hij die voor haar beschermd is, die door haar toorn niet is gegaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v21)

**22** Die haar juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v22)

**23** Want haar juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v23)

**24** Haar dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v24)

**25** Zij zal over de godvrezenden geheel geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v25)

**26** Die Heere verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v26)

**27** Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en zoals een luipaard zal zij ze verwoesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v27)

**28** Zie toe, omtuin wat u bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v28)

**29** Bind uw goud en uw zilver samen, en maak voor uw woorden een weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v29)

**30** Neem acht dat u niet enigszins daarin struikelt, opdat u niet valt in aanwezigheid van degene, die op u loert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/28.html#v30)

### Jezus Sirach 29

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/29.json)

*1 Dat men zijn naaste moet lenen in tijd van nood, 4 en graag het geleende moet teruggeven. 10 Als men aalmoezen aan de armen geeft, zal God dat vergelden. 17 Men moet ook borg blijven, maar met voorzichtigheid. 25 Het leven van de mens kan met weinig worden onderhouden, maar men moet hem voorzien van een eigen woning.*

**1** WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v1)

**2** Leen uw naaste in de tijd van zijn behoefte, en opnieuw, geef het uw naaste weer te zijner tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v2)

**3** Bevestig uw woord en wees hem getrouw en u zult hem altijd uw behoefte vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v3)

**4** Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen degenen moeite aan, die hen geholpen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v4)

**5** Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om het geld van de naaste vernedert hij zijn stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v5)

**6** Maar wanneer hij het behoort weer te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v6)

**7** En als hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v7)

**8** Maar als niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v8)

**9** Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v9)

**10** Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v10)

**11** Evenwel in de vernedering van uw naasten wees geduldig, en stel hem niet uit met uw liefdegave. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v11)

**12** Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v12)

**13** Verlies uw geld omwille van uw vriend en broer, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v13)

**14** Leg uw schat naar de geboden van de Allerhoogste, en hij zal u voordeliger zijn dan goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v14)

**15** Sluit uw liefdegave in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v15)

**16** Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde speer, tegen uw vijand voor u strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v16)

**17** Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, zal hem verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v17)

**18** Vergeet de weldaden niet van degene die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v18)

**19** De zondaar keert een goede borgschap om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v19)

**20** De zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vluchten, en een onnut mens zal in zijn gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v20)

**21** Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen zoals een golf van de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v21)

**22** Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn gaan dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v22)

**23** Een zondaar overtredende de geboden van Heere zal in borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken nastreeft, zal in het gericht vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v23)

**24** Neem u de naaste aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat u niet valt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v24)

**25** Het voornaamste van het leven van de mens is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt wat niet wel voegt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v25)

**26** Het leven van de arme onder een deksel van planken, is beter dan heerlijk voedsel onder de vreemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v26)

**27** Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat u niet hoort het verwijt van uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v27)

**28** Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar u bij wonen zult, daar zult u de mond niet durven opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v28)

**29** U zult gasten hebben en de ondankbaren te drinken geven, en nog daartoe bittere woorden horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v29)

**30** Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo u wat hebt, voedsel mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v30)

**31** Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broer is bij mij geherbergd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v31)

**32** Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/29.html#v32)

### Jezus Sirach 30

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/30.json)

*1 Hoe en wanneer men zijn kinderen moet onderwijzen en tuchtigen. 14 Lof van de gezondheid, 16 en van de vrolijkheid van het hart.*

**1** DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v1)

**2** Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden van de beroemde mensen zal hij van hem roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v2)

**3** Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in aanwezigheid van de vrienden zal hij over hem vrolijk zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v3)

**4** Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven was, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v4)

**5** In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v5)

**6** Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weer dankbaar zal zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v6)

**7** Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v7)

**8** Een ongetemd paard wordt koppig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v8)

**9** Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v9)

**10** Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en u ten laatste op uw tanden bijt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v10)

**11** Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetendheden niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v11)

**12** Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v12)

**13** Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat u zich niet stoot aan zijn ongeregeldheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v13)

**14** Een arme die gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v14)

**15** Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk lichaam dan onmetelijke rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v15)

**16** Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid van het lichaam, en daar is geen vreugde boven blijdschap van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v16)

**17** De dood is beter dan een bitter leven, of bijblijvende zwakheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v17)

**18** Opgesloten goederen bij een gesloten mond zijn zoals spijsgerechten bij een graf gelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v18)

**19** Wat is het brandoffer voor de afgod nut? want hij eet niet, en hij ruikt niet; zo gaat het hem die door Heere vervolgd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v19)

**20** Hij ziet de ogen, en zucht zoals een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v20)

**21** Begeef uw ziel niet tot verdriet, en kwel uzelf niet door uw eigen raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v21)

**22** Vreugde van het hart is het leven van de mens zelf, en vrolijkheid van de man verlengt hem zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v22)

**23** Heb uw ziel lief, en troost uw hart, en stel verdriet verre van u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v23)

**24** Want het verdriet heeft er velen verdorven en gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v24)

**25** Afgunst en toorn verminderen de dagen, en zorgen brengen ouderdom voor de tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v25)

**26** Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/30.html#v26)

### Jezus Sirach 31

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/31.json)

*1 De zorgen en ongemakken van de rijkdommen. 8 Het juiste gebruik daarvan. 12 Hoe men zich moet gedragen aan een overvloedige tafel, 28 en bij het drinken van de wijn.*

**1** HET waken vanwege de rijkdom doet het vlees verdwijnen, en daarover bezorgd zijn, vermindert de slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v1)

**2** Deze wakende bezorgdheid vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware ziekte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v2)

**3** De rijke bemoeit zich met veel geld te verzamelen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v3)

**4** De arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v4)

**5** Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving nastreeft, deze zal daarvan verzadigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v5)

**6** Velen zijn gebonden geworden vanwege het goud, en hun verderf is geweest voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v6)

**7** Het is een hout van de aanstoot voor degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v7)

**8** Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v8)

**9** Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v9)

**10** Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v10)

**11** Daarom zullen zijn goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn liefdegaven vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v11)

**12** Als u aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v12)

**13** En zeg niet: Daar is veel opgezet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v13)

**14** Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v14)

**15** Is er wat bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege alles wat het ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v15)

**16** Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v16)

**17** Meet bij uzelf af wat uw naaste behaagt, en let op alle dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v17)

**18** Eet zoals een mens van wat u voorgezet wordt, en wees niet vraatzuchtig, opdat u niet gehaat wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v18)

**19** Houd eerst op, omdat u onderwezen bent, en wees niet onverzadigbaar, opdat u niet te eniger tijd aanstoot geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v19)

**20** En zo u onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v20)

**21** Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig binnenste, hij staat vroeg in de morgen weer op, en zijn vernuft is bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v21)

**22** Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadigbaar mens. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v22)

**23** En zo u met kost overladen bent, sta op midden door heengaande; geef over, en u zult weer rust hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v23)

**24** Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en u zult ten laatste de waarheid van mijn woorden bevinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v24)

**25** Wees in al uw werken wakker, en geen ziekte zal u ontmoeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v25)

**26** Degene die heerlijk is in voedsel, zegenen de lippen, en de getuigenis van zijn heerlijkheid is getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v26)

**27** Die karig is in voedsel, over die mort de stad, en de getuigenis van zijn karigheid is scherp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v27)

**28** Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v28)

**29** De oven beproeft wat door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart van de hoogmoedigen als zij dronken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v29)

**30** De wijn is de mensen zoals het leven; als u deze matig drinkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v30)

**31** Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v31)

**32** De wijn maakt vrolijkheid van het hart en verheuging van de ziel, op de juiste tijd, en zoveel genoeg is gedronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v32)

**33** Maar veel wijn gedronken veroorzaakt bitterheid van de ziel door twist en ongeval. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v33)

**34** De dronkenschap van de onwijze vermeerdert zijn toorn tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v34)

**35** Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v35)

**36** En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/31.html#v36)

### Jezus Sirach 32

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/32.json)

*1 Hoe een oud en aanzienlijk man zich moet gedragen bij het spreken aan tafel. 8 Hoe een jongeman bij het stil zwijgen, 12 en bijtijds naar huis gaan. 15 Een vroom man heeft het onderwijs lief, 18 maar een goddeloze haat het. 20 In al ons doen moeten wij op Gods gebod en goede raad letten, 23 en de HEERE vertrouwen.*

**1** HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v1)

**2** Bezorg hen, en zet u zo neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v2)

**3** En doe al wat nodig is te doen, en als u zult geprezen zijn, zo rust, opdat u van hunnentwege verheugd bent, en om wel versierd te wezen een kroon mag ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v3)

**4** Spreek, u die oud bent, want dat past u, maar met ernstige wetenschap, en u zult het snarenspel verhinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v4)

**5** Waar men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en wees niet wijs buiten tijds. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v5)

**6** De samenstemming van de muzikanten in een wijngelag is zoals een zegel van een karbonkel op een gulden sieraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v6)

**7** Het gezang van de muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden stuk werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v7)

**8** Spreek, jongeling, als het u nodig is, en dat nauwelijks, als u tweemaal gevraagd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v8)

**9** Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden veel; wees zoals een die verstaat en evenwel zwijgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v9)

**10** Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude mensen zijn, heb niet veel gekakel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v10)

**11** De bliksem gaat haast voor de donder heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v11)

**12** Word bij tijds wakker, en wees niet van de laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v12)

**13** Speel daar, en doe wat u voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hoogmoedige woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v13)

**14** En dank hiervoor hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v14)

**15** Wie Heere vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v15)

**16** Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daarover struikelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v16)

**17** Die Heere vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden aansteken als een licht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v17)

**18** Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit wat hem behaagt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v18)

**19** Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hoogmoedige is voor vrees niet bevreesd, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v19)

**20** Doe niets zonder raad, en als u het gedaan hebt, laat het u niet berouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v20)

**21** Ga niet op de weg waarop men licht valt, en u zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v21)

**22** Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wees op uw hoede voor uw kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v22)

**23** Vertrouw uzelf in alle goede werken, want ook dat is een onderhouding van de geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v23)

**24** Wie Heere gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op Hem zet, die zal geen gebrek hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/32.html#v24)

### Jezus Sirach 33

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/33.json)

*1 Een godvrezend man heeft de wet van God lief. 4 Men moet niet antwoorden dan na rijp beraad. 7 Hoewel alle dagen en alle mensen van nature gelijk zijn, heeft God toch de een boven de ander begiftigd en verheven. 18 De ouders moeten zich niet onder de macht van hun kinderen geven, noch hun bezittingen tijdens hun leven aan hen overdragen. 24 Hoe een heer zich moet gedragen tegenover zijn dienstknechten.*

**1** HEM die Heere vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar Hij zal Hem in verzoeking ook weer daaruit verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v1)

**2** Een wijs man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die is zoals een schip in een storm van vele golven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v2)

**3** Een verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v3)

**4** Zoals de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult u gehoord worden; bind de onderwijzing samen en antwoord dan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v4)

**5** Het binnenste van de zot is zoals het rad aan een wagen, en zijn overlegging is zoals een as die omloopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v5)

**6** Een vriend, die een bespotter is, is zoals een springhengst, hij briest onder een ieder, die op hem zit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v6)

**7** Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht van de dagen in het jaar van de zon komt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v7)

**8** Zij zijn in de kennis van Heere onderscheiden, en Hij heeft de tijden en de feesten veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v8)

**9** Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal van de gemene dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v9)

**10** En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v10)

**11** Evenwel heeft hen Heere door Zijn grote wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v11)

**12** Enige uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en enige uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enige uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v12)

**13** Zij zijn in zijn hand zoals het leem van een pottenbakker, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v13)

**14** Zo is ook de mens in de hand van degene, die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v14)

**15** Zoals het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken van de Allerhoogste, zij zijn alle twee, het één tegen het ander. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v15)

**16** En ik ben de laatste ontwaakt zoals een die achter de wijnlezers de druiven naleest, toch ben ik door de zegen van Heere bevorderd, en heb de wijnpers gevuld zoals een wijnlezer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v16)

**17** Merk dat ik niet voor mij alleen heb gewerkt, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v17)

**18** Hoor u groten, en u die de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v18)

**19** Geef uw zoon een vrouw, broer en vriend geen macht over u, zo lang u leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat u niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v19)

**20** Zolang als u nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v20)

**21** Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat u naar de handen van uw zonen ziet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v21)

**22** Maak, dat u in al uw werken anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek aan uw eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v22)

**23** Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding van de dagen van uw leven, en in de tijd van uw dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v23)

**24** Voor een ezel behoort voer, en een stok en last; voor een huisknecht voedsel, en tuchtiging, en werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v24)

**25** Doe hem werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de handen leeg zijn, en hij zal vrijheid zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v25)

**26** Het juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v26)

**27** Drijf hem tot het werk, opdat hij niet leeg ga, want de nietsdoen leert veel kwaads. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v27)

**28** Stel hem aan het werk, zoals hem past. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v28)

**29** Als hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, maar wees niet te streng tegenover iemands lichaam, en doe niets zonder oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v29)

**30** Heb u een huisknecht, dat hij u zij zoals uw ziel, omdat u hem door bloed verkregen hebt; zo u een huisknecht hebt, behandel hem zoals een broer, want hij is zoals uw ziel, u zult hem behoeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v30)

**31** Als u hem onrechtvaardig zou mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult u hem zoeken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/33.html#v31)

### Jezus Sirach 34

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/34.json)

*1 Men moet niet op dromen afgaan. 9 Wat de ervaring de mens brengt. 13 Wie de HEERE vreest wordt door hem tegen alle tegenslagen beschermd. 19 Wie van onrechtvaardig goed offert, en de armen het zijne onthoudt, mishaagt God. 25 Zoals het ook niet helpt dat men vast over een zonde, waartoe men weer terugkeert.*

**1** DE hoop van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en dromen maken vleugels voor de onwijze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v1)

**2** Zoals een die naar de schaduw grijpt, en de winden nastreeft, zo is hij die de dromen gadeslaat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v2)

**3** Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v3)

**4** Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v4)

**5** Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, zoals het hart van een vrouw die in barensnood is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v5)

**6** Als ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v6)

**7** Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop hoopten, zijn gevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v7)

**8** Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid is de volkomenheid van een getrouwe mond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v8)

**9** Een man, die gedwaald heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v9)

**10** Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v10)

**11** Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v11)

**12** Dikwijls ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v12)

**13** De geest van degenen, die Heere vrezen, zal leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v13)

**14** Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v14)

**15** Wie Heere vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet bevreesd wezen, want Hij is zijn hoop. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v15)

**16** Zalig is de ziel van degene, die Heere vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v16)

**17** De ogen van Heere zien op degenen die Hem liefhebben; Hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v17)

**18** Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v18)

**19** Die van onrechtvaardig goed offert, diens offergave is bespottelijk, en de gaven van de goddelozen behagen God niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v19)

**20** De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offergaven van de goddelozen, en wordt over de zonde door de menigte van de slachtoffers niet verzoend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v20)

**21** Hij slacht de zoon in aanwezigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld van de armen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v21)

**22** Het brood van de behoeftigen is het leven van de armen, wie hen daarvan berooft, is een moordenaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v22)

**23** Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v23)

**24** En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v24)

**25** Als de één bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v25)

**26** Als de één bidt en de andere vloekt, van wie zal de Heere de stem verhoren? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v26)

**27** Als iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, en die weer aanraakt, welk nut heeft hij van zijn wassing? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v27)

**28** Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, en weer heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/34.html#v28)

### Jezus Sirach 35

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/35.json)

*1 Welke offers God aangenaam zijn. 14 God is een wreker van de armen, de wezen en de weduwen. 17 God hoort het gebed van de vromen en nederigen, 19 maar oefent wraak over de onrechtvaardigen en onbarmhartigen.*

**1** WIE de wet bewaart, die doet offergaven genoeg; wie op de geboden acht heeft, die offert een slachtoffer van het heil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v1)

**2** Wie een weldaad vergeldt, is zoals die meelbloem offert, en wie een liefdegave doet, die offert een dankoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v2)

**3** Het is het welbehagen van Heere dat men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v3)

**4** Verschijn niet leeg voor het aangezicht van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v4)

**5** Want al deze dingen moet men doen vanwege het gebod. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v5)

**6** De offergave van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt voor de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v6)

**7** Het slachtoffer van een rechtvaardige man is aangenaam, en de herinnering daarvan zal niet vergeten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v7)

**8** Verheerlijk Heere met een goed oog, en verminder de eerstelingen van uw handen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v8)

**9** Heb een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v9)

**10** Geef de Allerhoogste naar wat Hij u gegeven heeft, en met een goed oog wat uw hand gevonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v10)

**11** Want Heere is een vergelder, en Hij zal het zevenvoudig vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v11)

**12** Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v12)

**13** Want Heere is een rechter, en bij Hem is geen achting van het aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v13)

**14** Heere zal het aangezicht van degene die zich tegen de arme stelt niet aannemen, maar de smeking van degene die onrecht lijdt zal Hij verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v14)

**15** Hij zal het smeken van de wezen niet verachten, noch de weduwe als zij haar klaagrede tot hem uitstort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v15)

**16** Stromen niet de tranen van de weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen neerkomen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v16)

**17** Die God dient met welbehagen zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v17)

**18** Het gebed van de nederige gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, voordat hij nabij gekomen is, en laat niet af voordat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, die de rechtvaardige zal oordelen en recht doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v18)

**19** Ook zal Heere niet vertragen, en de machtige zal niet geduldig zijn over hen, voordat Hij de lendenen van de onbarmhartigen verbroken zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v19)

**20** Ja, hij zal de volken wraak vergelden, totdat hij de menigte van de smaders zal weggenomen, en de scepters van de onrechtvaardigen verbroken zal hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v20)

**21** Totdat hij de mens vergelde naar zijn handelingen, en de werken van de mensen naar hun gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v21)

**22** Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v22)

**23** Hoe tijdig is de barmhartigheid in de tijd van de verdrukking; zij is zoals de wolken in de tijd van de droogte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/35.html#v23)

### Jezus Sirach 36

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/36.json)

*1 Een gebed tot God voor het volk Israël, tegen hen die het verdrukken. 20 Men moet de woorden beproeven die gesproken worden. 23 Het geluk dat een mooie, zachtmoedige en goede vrouw haar man brengt.*

**1** ONTFERM U over ons, Heere, God van alle dingen, en zie ons aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v1)

**2** En zend Uw vrees over al de volken die U niet zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v2)

**3** Verhef Uw hand over de vreemde volken, laat hun Uw vermogen zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v3)

**4** Zoals U voor hun ogen geheiligd bent geweest in ons, dat U ook voor ons groot gemaakt mag worden in hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v4)

**5** Dat zij U mogen kennen zoals ook wij U kennen, want daar is geen God behalve U, o Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v5)

**6** Vernieuw Uw tekenen, en verander Uw wonderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v6)

**7** Verheerlijk Uw hand en rechterarm, opdat zij Uw wonderen mogen vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v7)

**8** Verwek Uw toorn, en giet Uw toorn uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v8)

**9** Neem de tegenstander weg, en verbrijzel de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v9)

**10** Maak dat de tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat Uw wonderen verteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v10)

**11** Die behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die Uw volk kwellen, laat die het verderf vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v11)

**12** Verbrijzel de hoofden van de oversten van de volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v12)

**13** Vergader alle stammen van Jakob, en stel hen in hun erfdeel, zoals van het begin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v13)

**14** Ontferm U over Uw volk, Heere, dat naar Uw naam genoemd is; en over Israël, dat U Uw eerstgeborene genoemd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v14)

**15** Bewijs barmhartigheid aan Uw heilige stad Jeruzalem, die de plaats van Uw rust is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v15)

**16** Vervul Sion om Uw woorden te verheffen, en Uw volk met Uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v16)

**17** Geef getuigenis degenen die van de beginne af Uw bezittingen zijn, en verwek profeten in Uw naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v17)

**18** Geef loon degenen die U verwachten, en maak dat Uw profeten geloofd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v18)

**19** Verhoor, Heere, de smekingen van Uw knechten, naar de zegen van Aäron over Uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat U een Heere van de eeuwen bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v19)

**20** De buik eet alle voedsel, toch is het ene voedsel beter dan het andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v20)

**21** De keel smaakt het voedsel van het stuk wild, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige redenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v21)

**22** Een verdraaid hart zal verdriet geven, maar een mens, die veel ervaren heeft, zal hem vergelden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v22)

**23** Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner dan de andere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v23)

**24** De schoonheid van de vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust van de mens te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v24)

**25** Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedigheid, en genezing, zo is haar man niet zoals andere mensenkinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v25)

**26** Die een goede vrouw krijgt, die begint goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v26)

**27** Waar geen heining is, daar wordt wat men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v27)

**28** Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ’s avonds ook is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/36.html#v28)

### Jezus Sirach 37

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/37.json)

*1 Over echte en geveinsde vriendschap. 17 Met wie men zich moet beraden, en niet beraden. 18 Het gezicht toont de dingen die in het hart zijn. 20 Sommigen zijn wijs voor anderen, sommigen alleen voor zichzelf, en sommigen voor beiden. 30 Vermaningen tot matigheid in het gebruik van voedsel.*

**1** IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v1)

**2** Blijft het verdriet niet tot de dood toe wanneer een metgezel en een vriend tot vijanden worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v2)

**3** O boze gedachte, vanwaar komt u gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v3)

**4** Een metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v4)

**5** Een metgezel arbeidt met zijn vriend vanwege de buik, en neemt een schild tegen de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v5)

**6** Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer u geld hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v6)

**7** Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v7)

**8** Een ieder die raad geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft voor zichzelf raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v8)

**9** Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u werpe, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v9)

**10** En zeg tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien wat u overkomen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v10)

**11** Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v11)

**12** Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de goedertierenheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die u een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v12)

**13** Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie u weet dat hij de geboden van Heere bewaart, die gezind is zoals u, en als u zou komen te struikelen, die met u bedroefd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v13)

**14** Blijf vast bij de raadslag van uw hart, want u hebt niemand getrouwer dan hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v14)

**15** Want de ziel van de man pleegt soms wat beters te verkondigen, dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v15)

**16** En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v16)

**17** Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging gaat voor alle handeling heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v17)

**18** Het aangezicht is een teken van de verandering van de vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v18)

**19** Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is het, die steeds daarover heerst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v19)

**20** Daar is menig sluw man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v20)

**21** Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v21)

**22** Want hem is door Heere die genade niet gegeven, omdat hij van alle wijsheid beroofd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v22)

**23** Menigeen is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v23)

**24** Een wijs man onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand zijn zeker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v24)

**25** Een wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v25)

**26** Het leven van een man heeft een getal van de dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v26)

**27** Een wijze zal heerlijkheid beërven onder zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v27)

**28** Mijn kind beproef uw ziel terwijl u leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v28)

**29** Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v29)

**30** Wees niet onverzadigbaar in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v30)

**31** Want door veel voedsel komt ziekte, en de onverzadigbaarheid nadert tot buikpijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v31)

**32** Door de onverzadigbaarheid zijn er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/37.html#v32)

### Jezus Sirach 38

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/38.json)

*1 Lof van de geneesheer, en dat men de medicijn moet gebruiken, maar God moet bidden om zijn zegen daarover. 16 Men moet rouwen over de doden, 21 maar met mate. 25 De wijsheid wordt verkregen door naarstige beoefening en onderzoek van Gods wet, zoals de ervaring in alle andere kunsten, door het ijverig oefenen daarvan.*

**1** EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft Heere geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v1)

**2** Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v2)

**3** De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v3)

**4** Heere heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v4)

**5** Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v5)

**6** Hij heeft de mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v6)

**7** Door deze heelt hij de mens en neemt zijn ziekte weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v7)

**8** De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v8)

**9** Mijn kind, in uw ziekte verzuim het niet, maar bid Heere, en Hij zal u genezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v9)

**10** Sta af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v10)

**11** Geef Heere een aangename geur, en een herinnering van meelbloem, en breng Hem een vette offergave, als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v11)

**12** Want Heere heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want u behoeft hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v12)

**13** Daar is misschien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v13)

**14** Want ook zij zelf bidden Heere, dat Hij hun geve rust en genezing om te mogen leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v14)

**15** Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v15)

**16** Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te huilen als die zware dingen geleden hebt; maar omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v16)

**17** Ween bitter, en wees vurig in het geklag; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v17)

**18** En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, vanwege de lastering, en troost u vanwege de droefenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v18)

**19** Want van verdriet komt de dood, en verdriet van het hart kromt de sterken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v19)

**20** Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook het verdriet, en het leven van een arme is een vervloeking van het hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v20)

**21** Begeef uw hart niet tot verdriet, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v21)

**22** Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult u geen voordeel doen, en uzelf zult u kwellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v22)

**23** Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u vandaag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v23)

**24** Als de dode rust, zo laat ook zijn herinnering rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v24)

**25** De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v25)

**26** Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken daarvan, en die van jonge stieren weet te spreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v26)

**27** Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voer te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v27)

**28** Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht zoals de dag met zijn werk doorbrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v28)

**29** Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v29)

**30** Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken, en waakt om het werk te voltooien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v30)

**31** Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte van de oven te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v31)

**32** De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het voorwerp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v32)

**33** Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voltooien, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voltooid zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v33)

**34** Evenzo een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; die altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v34)

**35** Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v35)

**36** Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v36)

**37** Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v37)

**38** Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, maar tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v38)

**39** Op de stoel van de rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v39)

**40** Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit van de wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v40)

**41** In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/38.html#v41)

### Jezus Sirach 39

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/39.json)

*1 Langs welke wegen de wijsheid verkregen wordt, 10 en welke haar lofwaardige vruchten zijn. 16 Vermaningen tot alle vromen, om God in al zijn werken te prijzen. 27 Met een dreigement tot de goddelozen, dat de werken en schepselen van God hun tot straf zullen worden.*

**1** DEZE onderzoekt de wijsheid van alle ouden, en is bezig in de profetieën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v1)

**2** De vertelling van de beroemde mannen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij met hen om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v2)

**3** Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden, en in raadselen van de spreuken oefent hij zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v3)

**4** Midden onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt hij gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v4)

**5** Het land van vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v5)

**6** Hij begeeft zijn hart tot Heere, om vroeg te komen tot degene die Hem gemaakt heeft, en tot de Allerhoogste smeekt hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v6)

**7** En doet zijn mond open tot het gebed, en smeekt voor zijn zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v7)

**8** Als die grote Heere wil, zo zal hij met de geest van het verstand vervuld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v8)

**9** Hij zal de woorden van zijn wijsheid als een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v9)

**10** Hij maakt zijn raadslag en wetenschap recht, en overlegt zijn verborgen dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v10)

**11** Hij brengt de onderwijzing van zijn leer te voorschijn, en in de wet van het verbond van Heere roemt hij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v11)

**12** Velen zullen zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v12)

**13** Zijn herinnering zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v13)

**14** Zijn wijsheid vertellen de volken, en de gemeente verkondigt zijn lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v14)

**15** Als hij in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen; en als hij komt te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v15)

**16** Nog zal ik vertellen wat ik bedacht heb, want ik ben vervuld zoals de volle maan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v16)

**17** U heiligen hoort mij, en spruit uit zoals een roos, die geplant is aan een stromend water; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v17)

**18** En brengt een bloem voort zoals een lelie; geef een reuk van u, en zingt een lofzang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v18)

**19** Loof Heere over al Zijn werken met gezang van de lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v19)

**20** De werken van Heere zijn alle zeer schoon, en al wat Hij gebiedt gebeurt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v20)

**21** Door zijn woord stond het water zoals één hoop, en door het woord van zijn mond de boezem van de wateren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v21)

**22** Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen zal wat hij behouden wil. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v22)

**23** De werken van alle vlees zijn voor zijn aangezicht, en daar kan niets verborgen worden voor zijn ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v23)

**24** Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets te wonderlijk voor hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v24)

**25** Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v25)

**26** Zijn zegen bedekt de aarde zoals een rivier, en zoals een watervloed het droge land dronken maakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v26)

**27** Zo erven de volken zijn toorn, zoals hij de wateren in pekel verkeert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v27)

**28** Zijn wegen zijn de heiligen recht, zoals zij de goddelozen tot aanstoot zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v28)

**29** Goede dingen zijn in het begin voor de goede mensen geschapen, zo de kwade dingen voor de zondaars. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v29)

**30** Het voornaamste dat tot het leven van de mens nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honing, druivenbloed, en olie, en een kleed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v30)

**31** Alle deze zoals ze de godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v31)

**32** Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn, en door hun toorn bevestigt God hun geselen, als de tijd voltooid is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen de toorn van degene die ze gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v32)

**33** Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen zijn tot wraak geschapen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v33)

**34** De tanden van de wilde dieren, en de schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak aan de goddelozen tot hun verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v34)

**35** In zijn bevel verheugen zij zich, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v35)

**36** En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, en wanneer hun tijd gekomen is, zo overtreden zij het woord niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v36)

**37** Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden, en heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v37)

**38** Al de werken van Heere zijn goed, en al wat nodig is verleent Hij als het tijd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v38)

**39** En men mag niet zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v39)

**40** En nu, lofzingt met uw hele hart en mond, en looft de naam van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/39.html#v40)

### Jezus Sirach 40

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/40.json)

*1 Het leven van alle mensen is vol onrust, 8 maar over de goddelozen en hun nakomelingen vallen zwaardere plagen. 16 Door welke zaken het leven verzacht en veraangenaamd wordt, 26 maar de vreze van de HEERE gaat alle genoegens te boven. 28 De verachtelijkheid van het leven van de bedelaar.*

**1** VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij terugkeren in de moeder van allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v1)

**2** Voor wat betreft hun gedachten, en de vrees van het hart, zo is de betrachting van wat zij te verwachten hebben, de dag van de dood; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v2)

**3** Zo wel bij hem, die op de troon van de heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v3)

**4** Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v4)

**5** Hij bekomt toorn en afgunst, ontroering en beweging, en vrees van de dood, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v5)

**6** Hij heeft weinig, als het ware geen rust, en daarna slaapt hij zoals in de dagen van de schildwacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v6)

**7** Hij wordt ontroerd door het visioen van zijn hart, zoals een die uit de oorlog ontvlucht is, en ontwakende in de tijd van zijn behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v7)

**8** Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, maar over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v8)

**9** Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en van de verplettering, en van de gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v9)

**10** Al wat van aarde is, keert opnieuw tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weer naar de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v10)

**11** Alle geschenk en ongerechtigheid zal uitgewist worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v11)

**12** De goederen van de onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en zoals een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v12)

**13** Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; zoals degenen die overtreden, vernietigd worden tot het uiterste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v13)

**14** De nakomelingen van de goddelozen zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortels liggen op een steile steenrots. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v14)

**15** Hun groente aan alle water en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v15)

**16** Weldadigheid is zoals een lusthof met zegeningen, en een liefdegave blijft in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v16)

**17** Het leven van degene, die zich genoegen laat, en van de arbeider, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v17)

**18** Kinderen, en opbouw van de stad onderstutten de naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v18)

**19** Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v19)

**20** De fluit en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v20)

**21** Het oog verheugt zich in wat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v21)

**22** Een vriend en zijn gezel komen elkaar tegemoet ter gelegener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v22)

**23** Broeders en hulp zijn goed in de tijd van de verdrukking, maar een liefdegave verlost meer dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v23)

**24** Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v24)

**25** Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vrees voor de Heere meer dan beide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v25)

**26** Daar is in de vrees voor de Heere geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v26)

**27** De vrees voor de Heere is zoals een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v27)

**28** Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v28)

**29** Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v29)

**30** Maar een verstandig man, en die onderwezen is, wacht zich daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v30)

**31** In de mond van de onbeschaamde is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/40.html#v31)

### Jezus Sirach 41

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/41.json)

*1 Voor wie de dood bitter is, en voor wie hij aangenaam is. 8 Welke plagen de kinderen van de goddelozen overkomen. 15 Daarom moet men ervoor zorgen om een goede naam en wijsheid te verkrijgen. 20 Over welke zaken men zich bij alle soorten mensen moet schamen.*

**1** O dood, hoe bitter is de herinnering van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v1)

**2** Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om voedsel te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v2)

**3** O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v3)

**4** Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, en ongeveer alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de volharding verloren heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v4)

**5** Vrees het oordeel van de dood niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door Heere opgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v5)

**6** En wat wilt u weigerend zijn in wat de Allerhoogste wel behaagt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v6)

**7** Of u tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing van het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v7)

**8** De kinderen van de zondaren worden gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen van de goddelozen samen verkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v8)

**9** Het erfdeel van de kinderen van de zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft steeds versmaadheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v9)

**10** Een goddeloze vader schelden zijn kinderen, omdat zij om zijnentwil gesmaad worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v10)

**11** Wee u, u goddeloze mannen, u die de wet van de Allerhoogste verlaten hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v11)

**12** Want als u vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en als u geboren wordt, zo wordt u tot een vloek geboren, en als u sterft, zo wordt u de vloek tot een deel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v12)

**13** Al wat uit de aarde is, zal weer in de aarde keren; zo gaan de goddelozen naar het verderf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v13)

**14** De mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, maar de boze naam van de mensen zal uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v14)

**15** Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v15)

**16** Een goed leven heeft een zeker getal van de dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v16)

**17** Mijn kinderen, bewaart de tucht in vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v17)

**18** De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nut heeft men van beide? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v18)

**19** Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v19)

**20** Dat men zich dan ontzie voor mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v20)

**21** Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v21)

**22** Voor een rechter en overste vanwege mishandeling, voor een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v22)

**23** Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar u als vreemdeling woont, vanwege dieverij; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v23)

**24** Schaam u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v24)

**25** Schaam u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat u uw aangezicht afwendt van een mens die edel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v25)

**26** Schaam u iemands deel weg te nemen, en wat hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v26)

**27** Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v27)

**28** Schaam u ook voor uw vriend vanwege woorden van de verwijting, en als u hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v28)

**29** Schaam u van weer te gaan zeggen wat u gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v29)

**30** U zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/41.html#v30)

### Jezus Sirach 42

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/42.json)

*1 Over welke zaken men zich tegenover niemand moet schamen. 11 De zorg van een vader voor zijn dochter. 15 En het gevaar voor een man bij het gezelschap van vrouwen. 18 God is wonderbaar in het besturen van al zijn werken.*

**1** SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v1)

**2** Vanwege de wet van de Allerhoogste en het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v2)

**3** Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v3)

**4** En schaam u niet, dat u nauw let op de waag en het gewicht; noch dat u veel of weinig bezit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v4)

**5** Noch dat u aan de kooplieden verscheidenlijk verkoopt, en dat u de kinderen wel tuchtigt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v5)

**6** Noch dat u een slechte huisknecht zijn zijde doet bloeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v6)

**7** Bij een slechte vrouw is verzegelen goed, en waar veel handen zijn sluit daar toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v7)

**8** Als u wat overgeeft, doe het bij getal en gewicht, en stel alles, uitgifte en ontvangst, in geschrift. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v8)

**9** En schaam u niet dat u een onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge mensen twist; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v9)

**10** En u zult recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v10)

**11** Een dochter is haar vader een in het geheim waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v11)

**12** En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v12)

**13** Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, en in het huis van haar vader zwanger wordt, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v13)

**14** Houd scherpe wacht over een eigenzinnige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v14)

**15** Zie niet op de schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden van de vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v15)

**16** Want van de kleren komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid van de vrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v16)

**17** De boosheid van een man is beter dan een goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot versmaadheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v17)

**18** Nu zal ik gedenken de werken van Heere, en wat ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden van Heere ziet men Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v18)

**19** De zon ziet, terwijl zij verlicht, op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v19)

**20** Heere heeft Zijn heiligen niet gegeven al zijn wonderen te vertellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v20)

**21** Heere, de Almachtige heeft de hele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door Zijn heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v21)

**22** De afgrond en het hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v22)

**23** Want de Allerhoogste kent alle wetenschap, en ziet op de tekenen van de eeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v23)

**24** Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen van de verborgen dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v24)

**25** Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet één woord verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v25)

**26** Hij heeft de heerlijke werken door zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v26)

**27** Hij wordt noch vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen raadgever. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v27)

**28** Hoe waard zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje toe! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v28)

**29** Al deze dingen leven en blijven in de eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v29)

**30** Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v30)

**31** Het een bevestigt het goede van het andere, en wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid van God? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/42.html#v31)

### Jezus Sirach 43

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/43.json)

*1 De wonderlijke werking van de zon, 6 de maan, 10 de sterren, 12 de regenboog, 14 de bliksem en de hagel, 18 de wind en de sneeuw, 12 \[21\] de rijp en het ijs, 24 de nevel en de dauw, 25 de zee en haar gedierten. 29 Maar God zelf is heerlijk en wonderlijk boven al deze, 31 en dientengevolge onbegrijpelijk.*

**1** HET zuivere uitspansel is een roem van de hoogte; de gedaante van de hemel is heerlijk om aan te zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v1)

**2** De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v2)

**3** Als zij op de middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v3)

**4** Men blaast een oven aan tot werken van de hitte, maar de zon verhit drie keer meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v4)

**5** Heere is groot, die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft doen stilstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v5)

**6** Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing van de tijden, en tot een teken van de eeuw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v6)

**7** Van de maan heeft men een teken van het feest, zij is een licht dat geheel afneemt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v7)

**8** De maand heeft haar naam naar haar; groeiende is zij wonderbaar in haar verandering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v8)

**9** Zij is een voorwerp dat legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het uitspansel van de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v9)

**10** De schoonheid van de hemel is dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen van Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v10)

**11** Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v11)

**12** Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v12)

**13** Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen van de Allerhoogste spannen hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v13)

**14** Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem van zijn oordeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v14)

**15** Daarom worden de schatten geopend, en de wolken vliegen uit, zoals de vogels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v15)

**16** Door zijn grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen worden verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v16)

**17** De stem van zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn aanschouwen worden de bergen bewogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v17)

**18** Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige noordenwind, en de wervelwind. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v18)

**19** Hij verspreidt de sneeuw zoals vogels, die naar beneden vliegen, en ze daalt af zoals de sprinkhanen, die zich neerzetten op enig land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v19)

**20** Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v20)

**21** En hij giet de rijm op de aarde zoals zout, die bevroren zijnde wordt zoals de punten van de grenzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v21)

**22** Wanneer de koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van het water neer, en trekt het water zoals een pantser aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v22)

**23** Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en blust het groene gras uit, zoals het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v23)

**24** Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v24)

**25** Door de raad van Heere staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v25)

**26** Die de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn verwonderd als wij het met onze oren horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v26)

**27** Want daar zijn ongelofelijke en wonderlijke werken; verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid van de walvissen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v27)

**28** Door hem is zijn bode voorspoedig, en door zijn woord bestaan al die dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v28)

**29** Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v29)

**30** Willen wij hem verheerlijken, waar zullen wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v30)

**31** Verschrikkelijk is Heere, en zeer groot, en zijn vermogen is wonderbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v31)

**32** Verheerlijk Heere en verhoogt Hem zoveel u kunt; evenwel zal Hij het nog overtreffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v32)

**33** Verhoog hem en brengt hem veel sterkte toe; maar vermoeit u niet, want u zult het niet bereiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v33)

**34** Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal hem groot maken zoals hij is? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v34)

**35** Daar zijn nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v35)

**36** Want Heere heeft alle dingen gemaakt, en heeft de godvrezende wijsheid gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/43.html#v36)

### Jezus Sirach 44

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/44.json)

*1 Lof van de eerste aartsvaders, door wie God grote dingen heeft gedaan, 11 en wier nageslacht hij heeft gezegend. 17 Over Henoch, 18 Noach, 20 Abraham met wie hij zijn verbond eerst heeft opgericht. 24 Over Izak en Jakob, uit wie de twaalf stammen zijn voortgekomen.*

**1** LAAT ons nu de heerlijke mannen prijzen, en onze vaders van geslachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v1)

**2** Heere heeft door hen voor Zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v2)

**3** Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn beroemde mannen geweest in vermogen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v3)

**4** Die raad gaven met verstand, en verkondigd hebben van profetieën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v4)

**5** Leiders van het volk in de raadslagen, en in het verstand van de beschreven wetten van het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v5)

**6** Wijze redenen zijn geweest in hun onderwijzing, en zij zochten liefelijke gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven gedichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v6)

**7** Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v7)

**8** Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v8)

**9** Enige zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v9)

**10** Maar enige zijn er waarvan geen herinnering is, en die vergaan zijn alsof zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; evenzo hun kinderen na hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v10)

**11** Maar deze zijn mannen van de barmhartigheid, van wie de gerechtigheden niet zijn vergeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v11)

**12** Bij hun zaad blijft een goed erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v12)

**13** Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen na hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v13)

**14** Tot in de eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgewist worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v14)

**15** Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht tot geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v15)

**16** De volken zullen hun wijsheid vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v16)

**17** Henoch behaagde God Heere, en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld van de boetvaardigheid te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v17)

**18** Noach werd volkomen bevonden en rechtvaardig, in de tijd van de toorn gebeurde hem vergelding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v18)

**19** Daarom gebeurde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zondvloed zou vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v19)

**20** Abraham is geweest een grootvader van een menigte volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, die de wet van de Allerhoogste bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v20)

**21** In zijn vlees heeft Heere het verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij getrouw bevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v21)

**22** Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de volken zou zegenen in zijn zaad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v22)

**23** En hem zou vermenigvuldigen zoals het stof van de aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v23)

**24** En zo heeft hij ook in Izaäk gesteld, omwille van Abraham, zijn vader, de zegen van alle mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v24)

**25** Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v25)

**26** En heeft uit hem voortgebracht een man van de barmhartigheid, die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/44.html#v26)

### Jezus Sirach 45

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/45.json)

*1 De lof van Mozes, 7 en van zijn broer Aäron, 9 wiens priesterlijke kleding, sieraad en ambt wordt beschreven, 22 met de ondergang van Dathan en Abiram, 25 alsook de erfenis die God aan Aäron in Israël heeft gegeven. 28 De lof van Pinehas en zijn ijver, 30 met Gods zegen over hem en zijn nakomelingen.*

**1** NAMELIJK Mozes, door God en de mensen geliefd, van wie de herinnering is in zegening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v1)

**2** Hij heeft hem aan de heerlijkheid van de heiligen gelijkgemaakt, en heeft hem door de vrees van de vijanden groot gemaakt; door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht van de koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v2)

**3** Hij heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v3)

**4** Door zijn geloof en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v4)

**5** Hij heeft hem zijn stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het donker; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v5)

**6** En heeft hem van aangezicht tot aangezicht bevelen gegeven, de wet van het leven en van de wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël zijn rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v6)

**7** Aäron, zijn broer, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v7)

**8** Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met schoon sieraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v8)

**9** En heeft hem omgord met een kleed van de heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting van de sterkte; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v9)

**10** Met onderbroeken, lange rok, en lijfrok; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v10)

**11** En heeft hem rondom behangen met granaatappels, en zeer veel gouden belletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een herinnering mocht dienen de kinderen van zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v11)

**12** Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen van de waarheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v12)

**13** Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewerkt, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk van de graveerder; waarin tot een herinnering geschreven en gegraveerd was het getal van de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v13)

**14** Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel van de heiligheid, een heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen van de ogen, schone versieringen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v14)

**15** Vóór hem zijn dergelijke dingen niet geweest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v15)

**16** En niemand deed ooit deze kleren aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v16)

**17** Hun slachtoffers werden tweemaal per dag gedurig geheel verbrand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v17)

**18** Mozes heeft zijn handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v18)

**19** Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v19)

**20** Uit alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om Heere offergaven toe te brengen; reukwerk en aangename geur tot herinnering, om verzoening te doen voor het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v20)

**21** Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en macht in de voorschriften van de rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door zijn wet te verlichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v21)

**22** Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, met woede en toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v22)

**23** Maar Heere zag het, en had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de woede van Zijn toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v23)

**24** Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v24)

**25** Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen van de eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v25)

**26** Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers van Heere, die Hij hem en zijn zaad gegeven heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v26)

**27** Maar in het land van het volk had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel van zijn erfenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v27)

**28** En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijkheid, omdat hij had geijverd in de vrees voor de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v28)

**29** En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v29)

**30** Daarom heeft Heere met hem en zijn volk opgericht een verbond van de vrede, dat hij zou zijn een voorstander van de heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid van het priesterdom zou hebben in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v30)

**31** En zoals, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel van de koning heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel van het priesterdom Aäron toegelegd en zijn zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v31)

**32** Hij geve u wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun generaties. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/45.html#v32)

### Jezus Sirach 46

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/46.json)

*1 De lof van Jozua, hoe God voor hem heeft gestreden. 9 En dat hij alleen met Kaleb behouden in het beloofde land is gekomen. 13 De lof van de andere vrome richters. 15 En met name van Samuël en zijn daden, ook na zijn dood.*

**1** JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v1)

**2** Die groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing van zijn uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël te brengen tot de bezitting van zijn erfdeel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v2)

**3** Hoe is hij verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v3)

**4** Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen van Heere heeft hij gevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v4)

**5** En is de zon niet door zijn hand achteruit gegaan? En is niet één dag als twee geworden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v5)

**6** Hij riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte, en de grote Heere verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke hagelstenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v6)

**7** Hij brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v7)

**8** Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor Heere was, want ook volgde hij de machtige na. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v8)

**9** En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om de boze geklaag te stillen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v9)

**10** En deze twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honing vloeit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v10)

**11** Heere gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v11)

**12** Opdat al de Israëlieten zouden zien, dat het goed is Heere na te volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v12)

**13** En de richters, elk met zijn naam, van wie aller hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van Heere, hun herinnering is ook gezegend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v13)

**14** Dat hun gebeente opnieuw spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v14)

**15** Samuël, geliefd door zijn Heere, zijnde een profeet van Heere, heeft koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v15)

**16** Hij richtte de vergadering naar de wet van Heere, en Heere bezocht Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v16)

**17** Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet, en is bekend geworden door zijn woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v17)

**18** En hij riep Heere, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, en offerde een melklam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v18)

**19** En Heere donderde van de hemel; en maakte dat Zijn stem gehoord werd door de grote weerklank van de donder; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v19)

**20** En vernietigde de vorsten van de Tyriërs, en alle oversten van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v20)

**21** En voordat hij ontsliep betuigde hij voor Heere, en zijn gezalfde, zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v21)

**22** En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid van het volk zou vernietigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/46.html#v22)

### Jezus Sirach 47

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/47.json)

*1 Het voorbeeld van Nathan. 2 De lof van David in het overwinnen van de leeuw en de beer, van de reus Goliath, en van de vijanden van Israël. 9 Zijn lofzangen en andere instellingen. 13 Tot bevestiging van het koninkrijk in zijn geslacht. 14 De lof van Salomo, zijn rijkdom en val, met Gods barmhartigheid over hem. 26 De dwaasheid van Rehabeam, 27 en de afval van Jerobeam.*

**1** NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v1)

**2** Zoals het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v2)

**3** Onder leeuwen verkeerde hij zoals onder geitebokjes, en onder beren, zoals onder lammeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v3)

**4** In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v4)

**5** Toen hij zijn hand ophief om met de steen van de slinger de trots van Goliath terneder te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v5)

**6** Want hij riep de Allerhoogste Heere aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij wegnam een mens, die machtig was in de oorlog, om de hoorn van zijn volk te verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v6)

**7** Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen van Heere, als hem de kroon van de heerlijkheid gebracht werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v7)

**8** Hij vernietigde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v8)

**9** In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v9)

**10** Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v10)

**11** En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v11)

**12** Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prijzen zijn heilige naam, en vroeg in de morgen aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v12)

**13** Heere heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond van het koninkrijk, en de troon van de heerlijkheid in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v13)

**14** Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v14)

**15** Salomo regeerde in de tijd van de vrede, en is beroemd geworden, zoals God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor Zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v15)

**16** Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand zoals een stroom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v16)

**17** Uw ziel heeft de hele aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v17)

**18** Uw naam is ver tot in de eilanden gekomen, en u bent geliefd geweest in uw vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v18)

**19** De gewesten waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v19)

**20** In de naam van Heere, de God van de hele aarde, die bijgenaamd wordt de God van Israël, bracht u goud samen zoals tin, en zoals lood vermenigvuldigde u het zilver; maar u hebt uw hart geneigd tot de vrouwen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v20)

**21** En bent met uw lichaam in haar macht gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v21)

**22** Zo hebt u uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een ongehoorzaam koninkrijk ontstond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v22)

**23** Maar Heere verliet Zijn barmhartigheid niet, en werd geheel niet afgewend van Zijn werken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v23)

**24** Hij wiste uit de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad van degene, die hem had liefgehad, niet weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v24)

**25** En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v25)

**26** En Salomo rustte met de vaders, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v26)

**27** Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg van de zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v27)

**28** Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/47.html#v28)

### Jezus Sirach 48

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/48.json)

*1 De lof van Elia, zijn wonderen en andere daden. 13 De roeping van Elisa en zijn standvastigheid, met zijn werken ook na zijn dood. 16 De onbekeerlijkheid van het volk Israël. 19 De lof van Hizkia, en de wonderlijke verlossing van de stad Jeruzalem van de macht van Sanherib. 25 De wonderen en profetieën van Jesaja.*

**1** DAARNA stond Elia de profeet op zoals een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v1)

**2** Die over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat van hun weinig werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v2)

**3** Door het woord van Heere hield hij de hemel op, en deed drie keer vuur uit de hemel neerkomen. Hoe bent u verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v3)

**4** En wie is u gelijk om te roemen! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v4)

**5** U, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord van de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v5)

**6** U hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven waren tot eer, van hun bed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v6)

**7** U, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing van Heere, en op Horeb de oordelen van de wraak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v7)

**8** U, die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en profeten die na u zouden volgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v8)

**9** U, die opgenomen bent geweest door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v9)

**10** U bent opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel van Heere; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v10)

**11** Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in liefde ontslapen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v11)

**12** Want ook wij zullen zeker leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v12)

**13** Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v13)

**14** Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen was profeteerde zijn lichaam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v14)

**15** En in zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v15)

**16** Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af voordat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v16)

**17** En daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v17)

**18** Enigen van hen deden wel wat God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden de zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v18)

**19** Hiskia maakte zijn stad vast, en leidde water in het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v19)

**20** In zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v20)

**21** Toen werden hun harten en handen bewogen, en kregen smart zoals de barende vrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v21)

**22** En zij riepen Heere, de ontfermer, aan, en breidden hun handen tot Hem uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v22)

**23** En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v23)

**24** Hij sloeg het leger van de Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v24)

**25** Want Hiskia deed wat Heere behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader, zoals Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn visioen geboden had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v25)

**26** In zijn dagen ging de zon achteruit, en Heere verlengde de koning het leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v26)

**27** Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v27)

**28** Hij wees aan de toekomende dingen tot in eeuwigheid, en de verborgen dingen voordat ze gebeurden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/48.html#v28)

### Jezus Sirach 49

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/49.json)

*De lof van Josia, en de verwoesting van Jeruzalem na hem. 8 De lof van Jeremia. 10 Ezechiël, 12 en de twaalf profeten. 13 De lof van Zerubbabel, en van Jozua de zoon van Jozadak, door wie de tempel is herbouwd. 15 De lof van Nehemia die de muren van Jeruzalem weer heeft opgericht. 16 Maar boven allen worden verheven: Henoch, Jozef, Sem, Seth en Adam.*

**1** DE herinnering van Josia, is als een samen gemengd reukwerk, toebereid door de kunst van de apotheker. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v1)

**2** Zij is zoet in de mond van een ieder als honing, en als een muziekspel op een wijnbanket. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v2)

**3** Hij heeft zich recht gedragen in de bekering van het volk, en heeft weggenomen de gruwelijke dingen van de ongerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v3)

**4** Hij richtte zijn hart tot Heere; in de dagen van de onrechtvaardigen versterkte hij de godvrezendheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v4)

**5** Uitgezonderd David en Hiskia, en Josia, hebben zij allen misdaden begaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v5)

**6** Want zij hebben de wet van de Allerhoogste verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v6)

**7** Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v7)

**8** Die hebben de uitverkoren, heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v8)

**9** Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en te planten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v9)

**10** Ezechiël is het, die een heerlijk visioen zag, dat Heere hem toonde in de wagen van de cherubim. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v10)

**11** Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen, en bracht terecht die hun wegen recht maakten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v11)

**12** Ook de herinnering van de twaalf profeten zij in zegening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v12)

**13** Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was zoals een zegelring aan de rechterhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v13)

**14** Zo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weer hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht, die Heere werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v14)

**15** Onder de uitverkorenen was ook Nehemia, van wie de herinnering vele keren wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloeren van onze huizen wederopricht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v15)

**16** Zo iemand is er geen geschapen geweest op aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v16)

**17** En daar is geen man geweest als Jozef, een leidsman zijn broers, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v17)

**18** Een steunsel van het volk, en zijn gebeenten zijn bezocht door Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v18)

**19** Sem en Seth zijn verheerlijkt geweest onder de mensen, en Adam boven alles in de schepping. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/49.html#v19)

### Jezus Sirach 50

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/50.json)

*1 De lof van Simon de zoon van Onias, die de tempel heeft vergroot, 5 en de stad Jeruzalem heeft versterkt. 11 Die in zijn hogepriesterambt de godsdienst zeer heerlijk heeft bediend. 17 Die de priesters, het gewone volk en de zangers zijn gevolgd, 21 totdat hij hen met de zegen heeft verlaten. 23 Een vermaning tot het volk om God te danken en te bidden om zijn verdere zegen. 27 De auteur beschrijft zichzelf en zijn wijsheid, en vermaant ieder zich daarin te oefenen.*

**1** SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, die in zijn leven het huis van Heere heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v1)

**2** Onder hem is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, de hoge omgang van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v2)

**3** In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen bekken zoals de zee, houdende drie keer zo veel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v3)

**4** Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v4)

**5** U hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, u bent verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v5)

**6** U was zoals de morgenster in het midden van de wolken, zoals de maan als zij vol is op haar tijd, en zoals de regenboog de heerlijke wolken verlicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v6)

**7** Zoals de zon uitschijnende op de tempel van de Allerhoogste; zoals de bloem van de rozen in de tijd van de nieuwe bloemen; zoals de leliën aan de oorsprong van het water; zoals een spruit van Libanon in de dagen van de zomer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v7)

**8** Zoals vuur en wierook op een vuurpan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v8)

**9** Zoals een gouden voorwerp, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v9)

**10** Zoals een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en zoals een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed van de heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v10)

**11** In het opklimmen tot het heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v11)

**12** En als hij de gedeelten van de offergaven uit de hand van de priester ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v12)

**13** Rondom hem was een omstaande menigte van zijn broers, zoals spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem zoals scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offergave van Heere was in hun handen, in aanwezigheid van de hele gemeente van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v13)

**14** En voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren de offergave van de Allerhoogste en van de Almachtige, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v14)

**15** Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van het druivenbloed, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v15)

**16** Uitgietende op de fundamenten van het altaar een aangename geur voor de Allerhoogste, die koning is over alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v16)

**17** Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een herinnering voor de Allerhoogste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v17)

**18** Dan haastte heel het volk gezamenlijk, en viel op hun aangezicht ter aarde, om hun Heere, de almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v18)

**19** En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v19)

**20** En het volk van Heere, van de Allerhoogste, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat voleindigd was het versiersel van Heere, en zij zijn dienst geëindigd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v20)

**21** Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn handen op over de hele gemeente van de Israëlieten, om hun te geven de zegen van Heere met zijn lippen, en om in Zijn naam te roemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v21)

**22** En zij baden voor de tweede keer aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v22)

**23** En nu dankt de God van alle dingen, die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die met ons handelt naar Zijn barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v23)

**24** En bidt dat het vrede worde in onze dagen in Israël, zoals het in de dagen van de vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v24)

**25** Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v25)

**26** Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en mensen die in het land van de Filistijnen wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v26)

**27** Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en van de wetenschap; die de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v27)

**28** Zalig is hij, die zich in deze dingen oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v28)

**29** Want als hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam zijn, omdat het licht van Heere zijn voetstap is, en Hij geeft de godvrezenden wijsheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v29)

**30** Geprezen zij Heere in de eeuwigheid. Dat gebeure, dat gebeure! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/50.html#v30)

### Jezus Sirach 51

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/jezussirach/51.json)

*1 Een dankzegging van de auteur over de genade die God hem bewezen heeft, dat hij hem heeft verlost van vele vijanden en uit vele moeilijkheden. 17 Een verhaal hoe hij van jongs af aan de wijsheid heeft gezocht en verkregen. 31 Met een vermaning aan anderen, dat zij haar ook met alle vlijt moeten zoeken en ernaar moeten trachten.*

**1** Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach. IK zal U belijden Heere, Koning, en ik zal U prijzen, o God, die mijn zaligmaker bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v1)

**2** Ik belijd Uw Naam, dat U mij een beschermer en helper geweest bent, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v2)

**3** En van de strik van de lasterende tong; van de lippen van degenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, bent U mij een helper geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v3)

**4** U hebt mij verlost naar de menigte van de barmhartigheid van Uw Naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v4)

**5** Uit de hand van degenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die ik gehad heb; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v5)

**6** Van de verstikking van het vuur rondom; uit het midden van het vuur, dat ik niet verbrand ben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v6)

**7** Uit de diepte van de buik, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v7)

**8** Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v8)

**9** Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand van de mensen, en daar was geen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v9)

**10** Toen gedacht ik aan Uw barmhartigheid, Heere, en aan Uw werken van alle tijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v10)

**11** Dat U degenen die volhardende verwachten uithelpt, en hen verlost uit de hand van de vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v11)

**12** En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v12)

**13** Ik riep Heere de vader van mijn Heer aan, dat Hij mij niet wilde verlaten in de dag van de verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hoogmoedigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v13)

**14** Ik zal Uw naam prijzen zonder ophouden, en U lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v14)

**15** Want U hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v15)

**16** Daarom zal ik U belijden, Heere, en zal U prijzen, en zal Uw naam danken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v16)

**17** Als ik nog jong was, voordat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v17)

**18** Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar ijverig zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v18)

**19** Mijn hart is in haar verheugd geweest, zoals over een druif die na het bloeisel rijp wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v19)

**20** Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v20)

**21** Ik heb mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v21)

**22** En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v22)

**23** Degene die mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v23)

**24** Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal in geen geval te schande worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v24)

**25** Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende, heb ik haar ijverig doorzocht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v25)

**26** Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v26)

**27** Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v27)

**28** Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v28)

**29** Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v29)

**30** Heere heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik Hem prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v30)

**31** Gemaakt tot mij, u die niet onderwezen bent, en overnacht in het huis van de onderwijzing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v31)

**32** Wat vertraagt u? of wat zegt u hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v32)

**33** Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v33)

**34** Leg uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v34)

**35** Zie met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb, en heb voor mijzelf veel rust gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v35)

**36** Wees deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult u in haar bezitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v36)

**37** Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid van Heere, en schaamt u niet Hem te prijzen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v37)

**38** Werk uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/jezussirach/51.html#v38)

## Baruch

### Baruch 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/1.json)

*1 Baruch schrijft een boek in Babylonië, 3 en leest het voor aan koning Jechonja en aan het volk, 5 dat, terwijl het dit hoort, weent en vast. 6 De Joden zenden geld naar Jeruzalem, 10 om te offeren. 11 Vermanen hen te bidden voor Nebukadnezar, 14 en dit boek te lezen, 15 en hun zonden te belijden.*

**1** DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft in Babylonië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v1)

**2** In het vijfde jaar, de zevende dag van de maand, op die tijd, waarin de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v2)

**3** En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v3)

**4** En voor de oren van het hele volk, dat tot dat boek kwam; en voor de oren van de machtigen, en van de zonen van de koningen; en voor de oren van de oudsten, en voor de oren van het hele volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier Sud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v4)

**5** En zij huilden en vastten, en baden tot Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v5)

**6** En zij verzamelden geld, naar dat een ieders hand kon dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v6)

**7** En zij zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v7)

**8** Wanneer hij de voorwerpen van het huis van Heere ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weer te brengen in het land Juda, op de tiende dag van de Maand Sivan; namelijk de zilveren voorwerpen, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v8)

**9** Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel gebracht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v9)

**10** En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt voedseloffer, en offert op het altaar van Heere onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v10)

**11** En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen zoals de dagen van de hemel op de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v11)

**12** Zo zal Heere ons sterkte geven, en zal onze ogen verlichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodonosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v12)

**13** Bid ook voor ons, tot Heere onze God, want wij hebben tegen Heere onze God gezondigd, en de toorn van Heere en Zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v13)

**14** En u zult dit boek lezen, dat wij tot u gezonden hebben, om in het huis van Heere openlijk voor te lezen, op de feestdag en op het juiste tijdstip. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v14)

**15** En spreekt zo: Bij Heere onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte van het aangezicht, zoals het te deze dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v15)

**16** En onze koningen, en onze oversten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v16)

**17** Vanwege de zonden, die wij voor Heere begaan hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v17)

**18** En wij zijn Hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen van Heere, die Hij voor ons aangezicht gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v18)

**19** Van de dag af, op welke Heere onze vaders uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen Heere onze God, en zijn snel geweest om Zijn stem niet te horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v19)

**20** En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, die Heere bestemd had door Mozes, Zijn knecht, op de dag, waarop Hij onze vaders uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honing, zoals het op deze dag is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v20)

**21** En wij hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, naar al de woorden van de profeten, die Hij tot ons heeft gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v21)

**22** Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen van Heere onze God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/1.html#v22)

### Baruch 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/2.json)

*1 De Joden in Babylonië belijden dat zij om hun zonden weggevoerd zijn, 11 en bidden om genade, 31 steunend op de beloften van God en op Zijn verbond met de voorvaderen opgericht.*

**1** EN Heere heeft Zijn Woord bevestigd, dat Hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v1)

**2** Dat Hij over ons grote ellende liet komen, zoals Hij niet heeft gedaan onder de hele hemel, zoals Hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v2)

**3** Zodat wij eten zouden, de één het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v3)

**4** Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder Heere hen verstrooid heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v4)

**5** Zij zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan Heere onze God, zodat wij Zijn stem niet hebben gehoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v5)

**6** Bij Heere onze God is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaders de schaamte van de aangezichten, zoals deze dag zelf uitwijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v6)

**7** Al wat Heere over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v7)

**8** En wij hebben het aangezicht van Heere niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten van zijn boze harten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v8)

**9** En Heere is wakker geweest in de straffen, en Heere heeft die over ons gebracht, want Heere is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij ons heeft geboden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v9)

**10** Maar wij hoorden Zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen van Heere, die Hij gegeven had voor ons aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v10)

**11** En nu Heere, U God van Israël, die Uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt U een naam gemaakt, zoals deze dag uitwijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v11)

**12** Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij hebben onrecht gedaan, Heere onze God, tegen al Uw voorschriften. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v12)

**13** Laat Uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen overgebleven onder de heidenen, waarheen U ons verstrooid hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v13)

**14** Verhoor, Heere, ons gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om Uwentwil, en geef ons genade voor het aangezicht van degenen, die ons weggevoerd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v14)

**15** Opdat de hele aardbodem wete, dat U Heere onze God bent, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw naam genoemd wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v15)

**16** Heere zie neer uit Uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, Heere, Uw oor, en hoor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v16)

**17** Doe Uw ogen open Heere, en zie, want de doden in het graf, van wie de geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen Heere de prijs van de heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v17)

**18** Maar de ziel, die enorm bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen U, Heere, de prijs van de heerlijkheid en van de gerechtigheid geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v18)

**19** Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Heere onze God, niet uit voor Uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid van onze vaders en van onze koningen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v19)

**20** Want U hebt Uw toorn en gramschap over ons gebracht, zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knechten, de profeten zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v20)

**21** Zo spreekt Heere: Neig uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo zult u blijven zitten in het land dat Ik uw vaders gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v21)

**22** En als u de stem van Heere niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v22)

**23** Zo zal Ik maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem van de vreugde, en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem van de bruid, en het hele land zal woest worden van inwoners. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v23)

**24** Maar wij hebben Uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt U Uw woorden bevestigd, die U gesproken had door de dienst van Uw knechten, de profeten, dat de gebeenten van onze koningen, en de gebeenten van onze vaders zouden gebracht worden uit hun plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v24)

**25** Zie, zij zijn uitgeworpen voor de hitte van de dag en voor de koude van de nacht, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v25)

**26** U hebt het huis, waarin Uw naam was aangeroepen, gemaakt zoals het te deze dage is, vanwege de boosheid van het huis van Israël, en van het huis van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v26)

**27** U hebt met ons gedaan, Heere onze God, naar al Uw eerlijkheid, en naar al Uw grote barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v27)

**28** Zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knecht Mozes, in die dag als U hem bevolen hebt Uw wet te schrijven voor de Israëlieten, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v28)

**29** Als u Mijn stem niet zult horen, zo zal werkelijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen Ik hen verstrooien zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v29)

**30** Want Ik weet dat zij Mij niet zullen horen, omdat het een hardnekkig volk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v30)

**31** Maar zij zullen tot zichzelf inkeren in het land van hun wegvoering, en zij zullen erkennen, dat Ik Heere hun God ben, en Ik zal hun een hart geven, en oren die horen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v31)

**32** Zij zullen Mij prijzen in het land van hun wegvoering, en zullen aan Mijn naam denken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v32)

**33** En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan de weg van hun vaders, die gezondigd hebben voor Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v33)

**34** En Ik zal hen doen terugkeren in het land dat Ik hun vaders Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en Ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v34)

**35** En Ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat Ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen Mij zijn tot een volk; en Ik zal Mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat Ik hun gegeven heb. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/2.html#v35)

### Baruch 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/3.json)

*1 Vervolg van het gebed en van de belijdenis van de Joden, vervat in het boek dat door Baruch geschreven en naar Jeruzalem gezonden is. 14 Dat de wijsheid niet te vinden is bij de heidenen, 24 maar dat God haar geopenbaard heeft aan de Israëlieten.*

**1** ALMACHTIGE Heere, U God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een angstige geest roept tot U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v1)

**2** Hoor Heere, en wees genadig, want wij hebben voor U gezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v2)

**3** Want U bent gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v3)

**4** Almachtige Heere, U God van Israël, hoor toch het gebed van de gestorvenen van Israël, en van de kinderen die voor U gezondigd hebben, die de stem van Heere hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v4)

**5** Gedenk niet de ongerechtigheden van onze vaders, maar gedenk aan Uw hand en aan Uw naam in deze tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v5)

**6** Want U bent Heere onze God, en wij zullen U loven, Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v6)

**7** Want daarom hebt U Uw vrees gegeven in onze harten, opdat wij Uw naam zouden aanroepen, en wij zullen U loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden van onze vaders, die tegen U gezondigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v7)

**8** Zie, wij zijn vandaag in onze vreemdelingschap waarheen U ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden van onze vaders, die van Heere onze God afgeweken zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v8)

**9** Hoor Israël, de geboden van het leven, laat ze ter ore ingaan, opdat u wijsheid mag weten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v9)

**10** Wat is er Israël, dat u in het land van de vijanden bent? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v10)

**11** U bent verouderd geworden in een vreemd land, u bent verontreinigd geworden onder de doden, u bent gerekend met degenen, die in het graf zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v11)

**12** U hebt de fontein van de wijsheid verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v12)

**13** Als u op de weg van God had gewandeld, u zou eeuwig met vrede gewoond hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v13)

**14** Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, opdat u meteen mag weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht van de ogen is, en vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v14)

**15** Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schatkamers ingegaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v15)

**16** Waar zijn de oversten van de heidenen, en die heersen over de wilde dieren, die op aarde zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v16)

**17** Die spotten met de vogels van de hemel, en het zilver tot een schat verzamelen, en het goud, waar de mensen op betrouwen, en hun bezitting is geen einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v17)

**18** Want die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, waarvan geen uitvinding van hun werken is, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v18)

**19** Die zijn verdwenen en in het graf neergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v19)

**20** De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg van de wetenschap hebben zij niet gekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v20)

**21** En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v21)

**22** Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v22)

**23** De kinderen van Hagar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers van de wetenschap, maar de weg van de wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v23)

**24** O Israël hoe groot is het huis van God! en hoe hoog de plaats van Zijn woning! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v24)

**25** Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, en onmetelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v25)

**26** Daar waren de reuzen, beroemde mensen, die van de beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de oorlog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v26)

**27** Deze heeft Heere niet gekozen, noch hun de weg van de kennis te verstaan gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v27)

**28** Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan vanwege hun onberadenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v28)

**29** Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken neergebracht? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v29)

**30** Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v30)

**31** Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad bedenkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v31)

**32** Maar die alle dingen weet, die kent haar; Hij heeft haar gevonden door Zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v32)

**33** Die het licht zendt, en het gaat voort; Hij roept het, en het is Hem gehoorzaam met beven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v33)

**34** En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v34)

**35** Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor Hem, die haar gemaakt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v35)

**36** Deze is onze God, en geen ander is tegen Hem te achten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v36)

**37** Hij heeft al de weg van de wetenschap gevonden, en Hij heeft die gegeven aan Jakob Zijn knecht, en aan Israël, dat door Hem geliefd geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mee verkeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/3.html#v37)

### Baruch 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/4.json)

*1 Dat deze wijsheid vervat is in het boek van de geboden van God. 2 Tot welker kennis en onderhouding de Israëlieten vermaand worden. 7 En er wordt aangewezen dat zij bij gebrek daarvan door God gestraft worden. 21 Doch worden getroost, dat zij, als zij zich bekeren en God aanroepen, van hun vijanden verlost zullen worden. 31 En dat dezen gestraft zullen worden.*

**1** DEZE wijsheid is het boek van de geboden van God, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v1)

**2** Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting voor het licht van deze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v2)

**3** Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch wat u nuttig is, aan een vreemd volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v3)

**4** Zalig zijn wij Israël, want wat God behaagt is ons bekend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v4)

**5** Heb goede moed mijn volk, u herinnering van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v5)

**6** U bent de heidenen verkocht, maar niet ten verderve; en omdat u God vertoornd hebt, bent u de vijanden overgegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v6)

**7** Want u hebt Hem die u gemaakt heeft tot toorn verwekt, als u de demonen hebt geofferd, en niet God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v7)

**8** U hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en u hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v8)

**9** Want zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoor toe, u buren van Sion, want God heeft groot leed over mij gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v9)

**10** Want ik heb gezien de gevangenis van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen gebracht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v10)

**11** Want ik heb hen opgevoed met vreugde, maar ik heb hen heengezonden met huilen en rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v11)

**12** Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden van mijn kinderen, omdat zij van de wet van God zijn afgeweken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v12)

**13** En hebben Zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op de weg van de geboden van God, en zijn niet gegaan op de paden van de tuchtiging in Zijn gerechtigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v13)

**14** Kom u buren van Sion, en gedenkt de gevangenis van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen heeft gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v14)

**15** Want Hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v15)

**16** Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en van het kind hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v16)

**17** Maar ik? waarin kan ik u te hulp komen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v17)

**18** Maar die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand van uw vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v18)

**19** Ga heen, kinderen, gaat heen, maar ik ben verwoest gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v19)

**20** Ik heb het kleed van de vrede uitgetogen, en heb de zak van mijn smeking aangedaan, ik zal tot de Eeuwige roepen in mijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v20)

**21** Heb moed, kinderen, roept tot God, en Hij zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand van de vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v21)

**22** Want ik heb nu van de Eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de Heilige; omwille van de barmhartigheid, die u haastig zal komen van onze eeuwige Verlosser. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v22)

**23** Ik heb u uitgezonden met treuren en huilen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap en vrolijkheid in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v23)

**24** Want zoals nu de buren van Sion uw gevangenis gezien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid en glans van de Eeuwige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v24)

**25** U kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar u zult haast zijn verderf zien, en u zult op hun halzen treden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v25)

**26** Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v26)

**27** Heb moed, kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft zal aan u gedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v27)

**28** Want zoals uw gedachte is geweest om van God te verdwalen, zo doet tienmaal meer ijver om, bekeerd zijnde, Hem te zoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v28)

**29** Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v29)

**30** Heb moed, Jeruzalem, want Hij die u genoemd heeft, zal u troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v30)

**31** Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v31)

**32** Onzalig zijn de steden, die uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v32)

**33** Want zoals zij zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v33)

**34** En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte van het volk waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v34)

**35** Want een vuur zal over haar uitgaan van de Eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de demonen bewoond worden, een lange tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v35)

**36** Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van God komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v36)

**37** Zie, uw kinderen, die u hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord van de Heilige, en verheugen zich over de heerlijkheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/4.html#v37)

### Baruch 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/5.json)

*1 Vervolg van de vertroosting, met een vermaning om zich te verheugen over hun aanstaande verlossing, 6 die God met heerlijkheid tot stand zal brengen.*

**1** JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v1)

**2** Doe om de rok van de gerechtigheid, die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband van de heerlijkheid van de Eeuwige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v2)

**3** Want God zal uw heerlijkheid tonen aan al het volk, dat onder de hemel is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v3)

**4** Want uw naam zal door God in de eeuwigheid genoemd worden, namelijk vrede van de gerechtigheid en heerlijkheid, lof van de Godzaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v4)

**5** Sta weer op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rondom naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang van de zon tot de opgang, door het woord van de Heilige, die zich verheugen dat God hun weer gedacht heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v5)

**6** Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weer tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v6)

**7** Want God heeft besloten, alle hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid van de aarde; opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v7)

**8** En de bossen, en alle geurende bomen, zullen Israël beschaduwen, door Gods bevel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v8)

**9** Want God zal Israël uitvoeren met vreugde door het licht van Zijn heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van Hem komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/5.html#v9)

### Baruch 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/baruch/6.json)

*1 Dat de Israëlieten naar Babylon gevankelijk weggevoerd zijn om hun zonden. 2 Doch dat zij daarna weer verlost zullen worden. 3 De afgodendienst van de Babyloniërs en de nietigheid van hun afgoden wordt uitvoerig beschreven, 63 en de Israëlieten vermaand hen niet voor goden te houden, noch te dienen.*

**1** VANWEGE de zonden waarmee u gezondigd hebt tegen God, zult u van Nabuchodonosor, de koning van de Babyloniërs, naar Babel als gevangene weggevoerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v1)

**2** In Babylonië gekomen zijnde, zult u daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal Ik u van daar weer uitvoeren met vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v2)

**3** Maar nu zult u in Babylonië op de schouders zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v3)

**4** Zie dan wel voor u, dat ook u niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v4)

**5** Als u zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v5)

**6** Want Mijn engel is bij u, en Hij zal uw zielen onderzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v6)

**7** Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v7)

**8** En als voor een maagd, die graag versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v8)

**9** Soms ook onttrekken de priesters het goud en zilver aan hun goden, en brengen het door voor zichzelf; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v9)

**10** En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, met kleren als mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v10)

**11** Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren voor roest en mot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v11)

**12** Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof van het huis, dat zeer veel op hen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v12)

**13** En hij heeft een scepter als een mens, die rechter van het land is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v13)

**14** Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de oorlog en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v14)

**15** Zo vreest hen dan niet, want zoals een voorwerp van een mens dat gebroken is, onnut is, zo zijn ook hun goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v15)

**16** Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten van degenen die daarin gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v16)

**17** En zoals voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, zo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v17)

**18** Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als één van de balken, die aan het huis zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v18)

**19** En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren van de aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v19)

**20** Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis komt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v20)

**21** Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, evenzo ook de katten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v21)

**22** Daaraan zult u weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v22)

**23** Want als niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v23)

**24** Zij zijn voor grote prijs gekocht, waar toch geen geest in is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v24)

**25** Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, vertonende zo de mensen hun oneer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v25)

**26** Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, als zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weer opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen neerlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar zoals voor doden zo zet men hun gaven voor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v26)

**27** Hun offergaven verkopen hun priesters en verteren die onnut; evenzo ook hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch de zieken daarvan mee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v27)

**28** Hun offergaven raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Zie dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v28)

**29** Want waarvan zouden zij goden heten? namelijk omdat de vrouwen, de zilveren, gouden, en houten goden offer voor zetten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v29)

**30** En de priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v30)

**31** Zij brullen, en roepen voor hun goden, zoals sommigen in de maaltijden over de doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v31)

**32** Hun priesters nemen van hun kleren, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v32)

**33** En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch afzetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v33)

**34** Evenzo kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Als iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v34)

**35** Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v35)

**36** Zij zullen een blinde niet weer tot het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v36)

**37** Zij ontfermen zich niet van de weduwe, en doen geen goed aan de wees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v37)

**38** Sommige zijn van hout, sommige verguld en sommige verzilverd, en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v38)

**39** Hoe zal men hen dan goden achten of heten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v39)

**40** Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v40)

**41** Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk was te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen zij dat niet nalaten, want zij hebben geen gevoel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v41)

**42** Nu de vrouwen met biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v42)

**43** En wanneer één van hen, weggerukt door iemand van degenen die daar voorbijgaan, beslapen wordt, zo verwijt zij degene die naast haar gezeten is, dat zij niet zo waardig geacht is als zij, en dat haar biesband niet is verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v43)

**44** Alles wat onder hen gebeurt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v44)

**45** Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v45)

**46** En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v46)

**47** Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen nagelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v47)

**48** Want zo wanneer strijd of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkaar, hoe zij zich samen met hun goden verbergen zullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v48)

**49** Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van strijd, noch van ander kwaad kunnen verlossen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v49)

**50** Want omdat zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna aan alle volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en aan alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen werk van God in hen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v50)

**51** Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v51)

**52** Want zij kunnen geen koning van het land verwekken, en kunnen de mensen geen regen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v52)

**53** Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, omdat zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v53)

**54** Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvluchten en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v54)

**55** Zij weerstaan noch koning, noch vijanden, hoe kan men dan achten of aannemen, dat zij goden zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v55)

**56** Noch voor dieven, noch voor rovers, kunnen de houten en verzilverde, en vergulde goden zichzelf beschermen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v56)

**57** Want de sterken onder hen halen rondom deze het goud en het zilver af, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v57)

**58** Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een voorwerp dat nuttig is in huis, dat de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart wat daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v58)

**59** Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken als zij uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v59)

**60** Evenzo de bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v60)

**61** En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de hele wereld, volbrengen wat bevolen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v61)

**62** En het vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet wat bevolen is; maar deze zijn die noch in gestalte, noch in kracht gelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v62)

**63** Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v63)

**64** Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v64)

**65** Want zij kunnen de koningen vloeken noch zegenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v65)

**66** Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v66)

**67** De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v67)

**68** Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v68)

**69** Want zoals een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij zoals de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v69)

**70** Evenzo zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v70)

**71** Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aanhebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v71)

**72** Zo is dan de rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want hij is ver van bespotting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/baruch/6.html#v72)

## Esther (apocrief)

### Esther (apocrief) 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/10.json)

*4 Mordechai denkt aan zijn droom, die hij gedroomd had, van een kleine bron en van twee draken. 6 En legt die uit.*

**4** En Mordechai zei: Deze dingen zijn van God geschied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v4)

**5** Want ik gedenk aan de droom, die ik van deze dingen gezien heb, want geen van deze is voorbijgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v5)

**6** De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v6)

**7** De twee draken nu zijn ik en Haman. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v7)

**8** En de heidenen die samen gekomen waren om de naam van de Joden te vernietigen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v8)

**9** En mijn volk is het volk van Israël, die tot God riepen en behouden zijn, en Heere heeft zijn volk behouden, en Heere heeft zijn volk verlost uit al deze ongevallen, en God heeft deze grote tekenen en wonderen gedaan, die onder de heidenen niet geschied zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v9)

**10** Daarom heeft hij twee loten gemaakt, het ene voor het volk van God, en het andere voor al de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v10)

**11** En deze twee loten zijn voor God gekomen op het uur en tijd en dag van het gericht, dat onder alle heidenen is bestemd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v11)

**12** En God is zijn volk gedachtig geworden, en heeft zijn erfdeel gerechtvaardigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v12)

**13** Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag van de maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/10.html#v13)

### Esther (apocrief) 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/11.json)

*1 Mordechais afkomst, positie en aanzien. 4 Zijn droom wordt opnieuw verhaald, 10 en hij verlangt te verstaan wat die betekent.*

**1** IN het vierde jaar toen Ptolomeüs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zei dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolomeüs deze tegenwoordige brief van de Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van Ptolomeüs, te Jeruzalem die overgezet had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v1)

**2** In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag van de maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v2)

**3** En was één uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v3)

**4** Zie daar was een stem van geluid en donderslagen, en aardbeving en beroering op de aarde; en ziet twee grote draken kwamen beide voort, bereid om te strijden, en hun stem werd groot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v4)

**5** En door hun stem werden alle volken ten oorlog bereid, om het volk van de rechtvaardigen te bevechten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v5)

**6** En ziet het was een dag van duisternis en donkerheid, verdrukking en benauwdheid, grote jammer en beroering was op aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v6)

**7** En al het rechtvaardige volk werd beroerd, vrezende hun ongeval, en zij bereidden zich om te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v7)

**8** En zij riepen sterk tot God, en van hun geroep, als van een kleine fontein, kwam een grote rivier en veel water voort. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v8)

**9** En het licht en de zon gingen op, en de nederigen werden verhoogd, en verslonden de heerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v9)

**10** En Mordechai, die deze droom had gezien, wakker wordende, bedacht wat God doen wilde, en behield deze droom in zijn hart, en wilde die op alle manieren verstaan, tot op die nacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/11.html#v10)

### Esther (apocrief) 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/12.json)

*1 Mordechai verneemt het verraad dat twee kamerdienaars tegen koning Artaxerxes voorgenomen hadden, en onthult dat aan de koning. 3 Waarover de kamerdienaars opgehangen worden. 5 Mordechai geeerd, 6 en Haman vergramd tegen de Joden.*

**1** EN Mordechai rust in het hof met Gabatha en Tharra, de twee kamerlingen van de koning, die het hof bewaarden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v1)

**2** En hoorde hun samenspraak, en lette op hun bekommering, en vernam dat zij zich bereidden om de handen te slaan aan Artaxerxes, de koning, en waarschuwde de koning voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v2)

**3** En de koning deed onderzoek over zijn twee kamerlingen, en nadat zij het bekend hadden, werden zij opgehangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v3)

**4** En de koning schreef deze dingen in zijn gedenkboek, en Mordechai schreef ook van deze dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v4)

**5** En de koning beval dat Mordechai aan zijn hof zou dienen en gaf hem hierover geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v5)

**6** Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/12.html#v6)

### Esther (apocrief) 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/13.json)

*1 Afschrift van de brief van koning Artaxerxes, aan al zijn landvoogden, op aanraden van Haman geschreven, om alle Joden in zijn landen om te brengen. 8 Mordechai en het hele volk bidden de Heere dat hij deze rampspoed van hen wil afwenden.*

**1** DE grote koning Artaxerxes van Indië tot aan Morenland, schrijft dit aan de oversten van de honderdenzevenentwintig provinciën, en aan de landvoogden die hun onderworpen zijn: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v1)

**2** Daar ik over vele volken heers, en de hele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen van mijn macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weer vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v2)

**3** Als ik nu mijn raadsheren vroeg hoe dat zou mogen tot een goed einde gebracht worden, zo heeft Haman, die bij ons in voorzichtigheid uitmunt, en door zijn onveranderlijke goedwilligheid en standvastige getrouwheid beproefd is, en de tweede plaats van eer in onze koninkrijken verkregen heeft, ons vertoond, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v3)

**4** Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de instellingen van de koningen steeds verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v4)

**5** Omdat wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het van onze zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v5)

**6** Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, die over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen samen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag van de twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v6)

**7** Opdat zij, die vroeger vijandig gezind waren, en nu nog zijn, op één dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v7)

**8** Maar Mordechai bad Heere, gedenkende aan al de werken van Heere, en zei: Heere, Heere, U almogende Koning, want het is alles in Uw macht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v8)

**9** En daar is niemand die tegen U kan zijn, wanneer U Israël wilt verlossen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v9)

**10** U hebt de hemel en de aarde geschapen, en alles wat wonderlijk is onder de hemel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v10)

**11** En U bent een Heere van alles, en niemand kan U, die een Heere bent, weerstaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v11)

**12** U kent alle dingen, U weet, Heere, dat ik niet uit spijtigheid, noch uit trots, noch uit eergierigheid, dit heb gedaan, dat ik de hoogmoedige Haman niet heb aangebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v12)

**13** Want ik zou gewillig zijn geweest, ook de voetstappen van zijn voeten te kussen, tot behoudenis van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v13)

**14** Maar ik heb dit gedaan, opdat ik de eer van een mens niet zou stellen boven de eer van God; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v14)

**15** En ik zal niemand aanbidden dan U, die mijn Heere bent, en ik zal dat niet doen uit trots; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v15)

**16** En nu, Heere God, U Koning en God van Abraham, spaar Uw volk, omdat zij ons aanzien om ons te verderven, en begerig zijn om Uw erfenis uit te roeien, die U van de beginne gekozen hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v16)

**17** En veracht Uw deel niet, dat U voor Uzelf uit Egypteland hebt verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v17)

**18** Verhoor mijn gebed, en wees Uw erfdeel genadig, en wend ons treuren in vreugde, opdat wij leven en Uw naam prijzen, Heere, en vernietig de mond niet van degenen, die U loven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v18)

**19** En het hele Israël riep uit alle kracht, want hun dood was voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/13.html#v19)

### Esther (apocrief) 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/14.json)

*1 Koningin Esther legt haar sieraad af en bidt eveneens de Heere met droefheid, zowel voor zichzelf als voor het volk.*

**1** EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot Heere, met doodstrijd bevangen zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v1)

**2** En legde haar heerlijke kleren af, en trok kleren van de benauwdheid en van het treuren aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v2)

**3** En zij bad Heere, de God van Israël, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v3)

**4** Heere, U bent alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan U, en mijn gevaar is voor de hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v4)

**5** Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat U Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al wat U hun gesproken had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v5)

**6** Nu hebben wij gezondigd voor U, en U hebt ons overgegeven in de handen van onze vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v6)

**7** U bent rechtvaardig, Heere, en nu zijn zij niet tevreden, dat zij ons in bittere dienstbaarheid houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v7)

**8** Maar zij hebben zich bij handslag verplicht in de handen van hun afgoden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v8)

**9** Om het besluit van Uw mond weg te nemen, en Uw erfenis uit te roeien, en de mond toe te stoppen van degenen die U loven, en de heerlijkheid van Uw huis en van Uw altaar uit te blussen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v9)

**10** En om de mond van de heidenen te openen, tot verheffing van de deugden van de ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v10)

**11** Geef, Heere, Uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v11)

**12** Gedenk aan ons Heere, en maak U bekend in de tijd van onze verdrukking, en sterk mij, o Koning van alle volken, en heerser over alle vorsten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v12)

**13** Geef mij passende woorden in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet wordt, en degenen die met hem eensgezind zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v13)

**14** Verlos ons door Uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan U, Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v14)

**15** U hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer van de goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed van de onbesnedenen, en van alle vreemden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v15)

**16** U weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken van mijn hoogmoed, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v16)

**17** Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v17)

**18** En Uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in U, o Heere, God van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v18)

**19** Verhoor de stem van de verlatenen, U sterke God boven allen, en verlos ons van de hand van degenen die kwaad aanrichten, en verlos mij uit mijn vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/14.html#v19)

### Esther (apocrief) 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/15.json)

*1 Esther, die haar sieraad weer aangedaan heeft, verschijnt voor de koning. 7 Die haar met toornige blik aanziet, zodat zij in onmacht valt. 8 De koning heft haar op en troost haar.*

**1** EN het gebeurde op de derde dag dat zij ophield van bidden, en legde haar treurklederen af, en trok haar heerlijke kleren aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v1)

**2** En zeer sierlijk opgetooid zijnde, riep zij de Verlosser aan, en die alle dingen ziet; en nam haar twee dienaressen met zich. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v2)

**3** En leunde op de ene, als zich zeer sierlijk houdende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v3)

**4** En de andere volgde haar, oplichtende de sleep van haar kleding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v4)

**5** Zij was blozende in de jeugd van haar schoonheid, en haar aangezicht was vrolijk, en als vriendelijk, maar haar hart was benauwd van vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v5)

**6** En als zij al de deuren ingegaan was, stond zij stil voor de koning, daar hij was gezeten op zijn koninklijke stoel, en bekleed was met al de kleding van zijn heerlijkheid, geheel in het goud en kostelijke gesteenten, en was zeer verschrikkelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v6)

**7** En zijn aangezicht opheffende, dat van heerlijkheid glinsterde, zag hij haar met hevige toorn aan, en de koningin zonk neer, en haar kleur veranderde, en zij viel in onmacht, en boog zich neer op het hoofd van de dienstmaagd die voorging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v7)

**8** En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden van de vrede, en zei tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broer, heb goede moed, u zult niet sterven, want dit gebod geldt ook voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v8)

**9** Kom hierheen; en zijn gouden scepter opheffende, legde die op haar hals, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v9)

**10** En omhelsde haar, en zei: Spreek tot mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v10)

**11** En zij zei tot hem: Ik zag u aan, heer, als een engel van God, en mijn hart werd beroerd uit vrees van uw heerlijkheid; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v11)

**12** Want u bent wonderlijk, heer, en uw aangezicht is vol genade. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v12)

**13** En als zij dat zei, viel zij weer in onmacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v13)

**14** En de koning werd beroerd, en al zijn dienaren troostten haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/15.html#v14)

### Esther (apocrief) 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/estherapocrief/16.json)

*1 De brief van koning Artaxerxes, waarin hij Haman beschuldigt dat hij hem bedrogen heeft, 17 en herroept het besluit dat op aanraden van Haman genomen was, om de Joden om te brengen. 22 Beveelt de Joden dat zij, tot gedachtenis van deze hun verlossing, jaarlijks een bijzonder feest zullen houden.*

**1** DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de gewesten, die van Indië tot aan Morenland zijn, en ook degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v1)

**2** Velen, die door de meeste goedertierenheid van hun weldoeners, dikwijls zijn geëerd geworden, hebben zich daarover hoogmoedig gemaakt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v2)

**3** En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners hinderlagen te leggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v3)

**4** En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht van de ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v4)

**5** Dikwijls gebeurt het ook, dat velen van degenen die in macht zijn gesteld, en die betrouwd is de zaken van de vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v5)

**6** Omdat zij door hun boze, leugenachtige aard de eenvoudige goedwilligheid van hun heren met valse schijnredenen bedriegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v6)

**7** Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, zoals wij verhaald hebben, als wel uit wat ons voor de voeten is, zo u onderzoekt wat onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid van degenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v7)

**8** Daarom moeten wij acht nemen op het toekomende, dat wij ons koninkrijk voor alle mensen onberoerd en in vrede mogen richten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v8)

**9** Veranderingen gebruikende, en de zaken die ons onder ogen komen, alleen onderscheidende, met redelijke bejegening. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v9)

**10** Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, werkelijk vreemd van het bloed van de Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v10)

**11** En dat hij door allen aangebeden werd, en wij hem lieten blijven de tweede persoon van ons koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v11)

**12** Zo heeft hij zulke hoogmoed niet kunnen dragen, maar heeft voorgenomen ons van ons rijk en leven te beroven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v12)

**13** En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar hele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v13)

**14** Want op deze wijze heeft hij gemeend ons nu berooid zijnde aan te tasten, en het rijk van de Perzen aan de Macedoniërs te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v14)

**15** Maar wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v15)

**16** En dat zij kinderen zijn van de hoogste, grootste, en levende God, die dit ons koninkrijk voor ons, en onze voorouders tot een zeer heerlijke stand heeft gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v16)

**17** U zult dan weldoen, dat u de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v17)

**18** Omdat hij, die dat teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn hele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, zoals hij waard was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v18)

**19** Het afschrift nu van deze brief zult u op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v19)

**20** En zult hun samen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd van de verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag van de twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v20)

**21** Want deze blijdschap heeft hun God, die over allen heerst, teweeggebracht, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v21)

**22** Zo zult u dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v22)

**23** Opdat het zowel, nu als hierna, ons wel ga, en ook degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons hinderlagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v23)

**24** Maar alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur geheel vernietigd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogels voor altijd vijand gemaakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/estherapocrief/16.html#v24)

## Gebed van Azarja

### Gebed van Azarja 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/gebedvanazaria/1.json)

*24 Azaria, die met zijn twee metgezellen in de vlam wandelt, doet een gebed tot God, 26 waarin hij God prijst om zijn rechtvaardigheid, 29 en belijdt dat de Israëlieten vanwege hun zonden rechtvaardig gestraft worden, 42 en bidt God dat hij hen wil verlossen. 46 Verhaald wordt dat de vlam van het vuur de Chaldeeën verslond, en Azaria en zijn metgezellen niet beschadigde, omdat een engel van de HEERE bij hen kwam.*

**24** EN zij wandelden in het midden van de vlam, zingende God, en lovende Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v24)

**25** En Azaria stond en bad, en zijn mond geopend hebbende in het midden van het vuur, zei hij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v25)

**26** Geloofd bent U, Heere, U God van onze vaders, Uw Naam zij geprezen en verheerlijkt in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v26)

**27** Want U bent rechtvaardig in alles, wat U ons gedaan hebt; en al Uw werken zijn waarachtig, en Uw wegen zijn recht, en al Uw oordelen zijn waarheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v27)

**28** U hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat U over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad van onze vaders, want U hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, vanwege onze zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v28)

**29** Omdat wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van U afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v29)

**30** En wij hebben Uw geboden niet gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan zoals U ons geboden had, opdat het ons goed zou gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v30)

**31** En al wat U over ons gebracht hebt, en al wat U ons hebt gedaan, dat hebt U in een waarachtig gericht gedaan; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v31)

**32** En hebt ons overgegeven in de handen van de goddeloze vijanden, en van de allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de hele wereld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v32)

**33** En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor Uw knechten, en voor allen die U dienen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v33)

**34** Maar geef ons niet over ten einde toe omwille van Uw Naam, en verstoot Uw verbond niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v34)

**35** En neem Uw barmhartigheid niet van ons, omwille van Abraham, die door U geliefd is, en omwille van Izaäk, Uw knecht, en omwille van Israël, Uw heilige; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v35)

**36** Tot wie U gesproken hebt, dat U hun zaad zult vermenigvuldigen zoals de sterren van de hemel, en zoals het zand dat aan de oever van de zee is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v36)

**37** Want, Heere, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn vandaag vernederd op de hele aarde, vanwege onze zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v37)

**38** En wij hebben in deze tijd, noch vorst noch profeet, noch voorganger, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch voedseloffer, noch reukoffer; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v38)

**39** Noch plaats om van onze vrucht voor U te offeren, en genade te vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v39)

**40** Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; zoals in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij vandaag onze offergave voor U, en zij volmaakt bij U, want zij zullen niet beschaamd worden, die op U betrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v40)

**41** En nu, wij volgen U na met heel ons hart, en vrezen U, en zoeken Uw aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v41)

**42** Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar Uw goedertierenheid, en naar de menigte van Uw barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v42)

**43** En verlos ons hieruit naar Uw wonderdaden en geef, Heere, Uw Naam eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v43)

**44** En laat beschaamd worden allen die Uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v44)

**45** En doe hun gewaarworden, dat U Heere bent, de enige God, die heerlijk is op de hele aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v45)

**46** De dienaren nu van de koning, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v46)

**47** En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v47)

**48** En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, die zij rondom de oven vond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v48)

**49** En de engel van Heere daalde neer bij Azaria en zijne gezellen in de oven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v49)

**50** En stootte de vlam van het vuur uit de oven, en maakte het middelste van de oven alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen geheel niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bezorgdheid aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanazaria/1.html#v50)

## Gezang in de vuuroven

### Gezang in de vuuroven 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/gezangindevuuroven/1.json)

*51 De drie mannen loven de HEERE midden in het vuur, 57 en vermanen alle schepselen dat zij de HEERE willen loven, 83 en voornamelijk de priesters, en allen die de HEERE vrezen.*

**51** TOEN zongen de drie als uit één mond, en loofden en prezen God in de oven, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v51)

**52** Geloofd bent U, Heere, U God van onze vaders, die moet geprezen en hoog geroemd zijn in de eeuwigheid. Geloofd zij Uw heerlijke naam die heilig is en hoog te prijzen en te roemen in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v52)

**53** Geloofd bent U in de tempel van Uw heilige heerlijkheid, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt bent U in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v53)

**54** Geloofd bent U die daar zit op de Cherubim en ziet de diepten aan, en hoog geprezen en hoog geroemd bent U in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v54)

**55** Geloofd bent U, op de troon van de heerlijkheid van Uw koninkrijk, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt bent U in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v55)

**56** Geloofd bent U in de vastheid van de hemel en hoog geprezen en verheerlijkt in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v56)

**57** Alle werken van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v57)

**58** Engelen van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v58)

**59** Hemelen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v59)

**60** Alle wateren, die boven de hemel zijn, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v60)

**61** Loof Heere, alle heerkrachten van Heere, prijst Hem en roemt Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v61)

**62** Loof Heere, zon en maan, prijst Hem en roemt Hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v62)

**63** Loof Heere, gesternten van de hemel, prijst Hem en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v63)

**64** Regen en dauw, looft Heere, prijst Hem en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v64)

**65** Alle winden, looft Heere, prijst Hem en looft Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v65)

**66** Vuur en hitte, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v66)

**67** Koude en hitte looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v67)

**68** Dauw en rijm looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v68)

**69** Nachten en dagen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v69)

**70** Licht en duisternis looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v70)

**71** Vorst en koude looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v71)

**72** IJs en sneeuw looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v72)

**73** Bliksem en wolken looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v73)

**74** De aarde love Heere, zij prijze en roeme Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v74)

**75** Bergen en heuvelen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v75)

**76** Alles wat in de aarde groeit love Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v76)

**77** Fonteinen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v77)

**78** Zeeën en rivieren, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v78)

**79** Walvissen en al wat zich roert in de wateren, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v79)

**80** Alle vogels des hemels, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v80)

**81** Alle wilde gedierten en vee, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v81)

**82** Kinderen van de mensen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v82)

**83** Israël, looft Heere; prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v83)

**84** Priesters van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v84)

**85** Knechten van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v85)

**86** Geesten en zielen van de rechtvaardigen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v86)

**87** Heiligen en deemoedigen van hart, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v87)

**88** Ananias, Azaria, Misaël looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid, want Hij heeft ons getrokken uit het dodenrijk en heeft ons verlost uit de hand van de dood, en heeft ons behouden uit het midden van de brandende vlam van de oven, en heeft ons behouden uit het midden van het vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v88)

**89** Dank Heere want Hij is vriendelijk, want Zijn barmhartigheid duurt in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v89)

**90** Allen die Heere vrezen, looft de God van de goden, prijst Hem en dankt Hem, want Zijn barmhartigheid duurt in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gezangindevuuroven/1.html#v90)

## Susanna

### Susanna 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/susanna/1.json)

*1 Susanna, de vrouw van Jojakim, een dochter van Chilkia, een mooie en godvrezende vrouw, 15 gaat haar tuin in om zich te wassen, 17 en zendt haar dienstmeisjes weg om zeep te halen. 19 Twee oudsten, die rechters waren en op haar verliefd waren geraakt, proberen haar tot oneer te verleiden, 21 met dreigementen dat zij haar van overspel zullen beschuldigen als zij weigert. 22 Susanna zucht, en heeft liever te sterven. 25 De oudsten maken misbaar en beschuldigen haar valselijk van overspel met een jonge man, 41 waarop zij ter dood veroordeeld en weggeleid wordt. 42 Susanna klaagt haar onschuld bij de Heere, 45 die de jongeman Daniel verwekt, die deze oudsten nader ondervraagt, 54 en hen uit hun eigen mond van valse beschuldiging overtuigt, 62 zodat zij daarom met de dood gestraft worden, 63 en de vader en de man van Susanna de Heere loven.*

**1** Daar was een man in Babylon, van wie de naam Jojakim was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v1)

**2** Die nam een vrouw genoemd Susanna, een dochter van Chelkias, die zeer schoon was, en Heere vrezende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v2)

**3** Want haar ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen naar de wet van Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v3)

**4** En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem samen, omdat hij de aanzienlijkste was van hen allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v4)

**5** En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van wie Heere gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v5)

**6** Deze waren steeds in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v6)

**7** En het gebeurde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v7)

**8** En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v8)

**9** En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v9)

**10** En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkaar hun pijn niet; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v10)

**11** Omdat zij zich schaamden hun lusten te vertellen, en dat zij met haar wilden te doen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v11)

**12** En zij namen haar dagelijks ijverig waar om haar te zien; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v12)

**13** En zeiden de één tot de ander: Nu dan, laat ons naar huis gaan, want het is het uur van het middagmaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v13)

**14** En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkaar, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkaar naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkaar hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij samen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v14)

**15** En het gebeurde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna zoals zij dagelijks gewoon was, met twee dienaressen alleen en wilde zich in de hof wassen, omdat het zeer heet was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v15)

**16** En daar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v16)

**17** En zij zei tot haar maagden: Haal mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v17)

**18** En zij deden als zij zei, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen wat haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstopt hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v18)

**19** En het gebeurde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v19)

**20** Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en wees bij ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v20)

**21** Maar zo niet zullen wij tegen u getuigen dat een jongeman bij u is geweest, en dat u daarom uw dienaressen van u hebt weggezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v21)

**22** En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want als ik dat doe, zo ben ik de dood schuldig; en als ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v22)

**23** Maar het is mij raadzamer dat niet doende in uw handen te vallen, dan te zondigen tegen Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v23)

**24** En Susanna riep met luide stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v24)

**25** En de ene van hen toelopende deed de deuren van de hof open. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v25)

**26** Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v26)

**27** Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v27)

**28** En het gebeurde op de andere dag, als het volk samen kwam in het huis van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v28)

**29** En zeiden tot het volk: Zend om Susanna, de dochter van Chelkias, de huisvrouw van Jojakim, en zij zonden om haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v29)

**30** En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar familie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v30)

**31** Maar Susanna was zeer teder en schoon van gezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v31)

**32** Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v32)

**33** En die bij haar waren, en allen die haar zagen, huilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v33)

**34** En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v34)

**35** Maar zij huilde, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v35)

**36** En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienaressen, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v36)

**37** Een jongeman kwam tot haar, die verstopt was, en legde zich bij haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v37)

**38** Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v38)

**39** En ziende hen bij elkaar, konden wij de jongeman niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v39)

**40** Maar deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons dat niet zeggen. Dit getuigen wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v40)

**41** En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v41)

**42** Maar Susanna riep uit met luide stem, en zei: O eeuwige God, die een kenner bent van de verborgen dingen, en die alle dingen weet voordat zij zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v42)

**43** U weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van wat deze tegen mij boos getuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v43)

**44** En God hoorde haar stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v44)

**45** En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genoemd was Daniël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v45)

**46** En hij riep met luide stem: Ik ben rein van dit bloed; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v46)

**47** En het hele volk wendde zich om naar hem, en zei: Wat rede is dit die u gesproken hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v47)

**48** Maar hij staande in het midden van hen, zei: Bent u Israëlieten zo dwaas, dat u een dochter van Israël veroordeelt, voordat u de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v48)

**49** Keer weer naar het gericht, want deze hebben valse dingen tegen haar getuigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v49)

**50** En het hele volk keerde met haast weer; en de oudsten zeiden tot hem: Kom hierheen, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, omdat God u het rechterambt heeft gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v50)

**51** En Daniël sprak tot hen: Scheid de één ver van de ander, en ik zal hen ondervragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v51)

**52** Als nu de één van de ander gescheiden was, zo riep hij de één van hen, en zei tot hem: U, die oud geworden bent in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die u te voren hebt gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v52)

**53** Als u onrechtvaardige oordelen oordeelde, en de onschuldige veroordeelde, maar de schuldige losliet; daar Heere zegt: U zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v53)

**54** Nu dan, als u deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom u hen bij elkaar hebt zien verkeren, en hij zei: Onder een mastiekboom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v54)

**55** Toen zei Daniël: Zeer wel, u hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel van Heere zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v55)

**56** En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zei tot hem: U zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkheid heeft uw hart verkeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v56)

**57** Zo hebt u de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v57)

**58** Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt u haar gegrepen, daar zij met elkaar verkeerden, en hij zei: Onder een eik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v58)

**59** Toen zei Daniël tot hem: Zeer wel, u hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel van God, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij u uitroeie. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v59)

**60** En de hele vergadering riep uit met luide stem, en loofden God, die een Verlosser is van degenen die op Hem hopen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v60)

**61** En stonden op tegen de twee oudsten, omdat Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v61)

**62** En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op dezelfde wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v62)

**63** Maar Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar hele familie, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v63)

**64** En Daniël werd groot voor het volk, van die dag aan en daarna. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/susanna/1.html#v64)

## Bel en de draak

### Bel en de draak 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/belenddedraak/1.json)

*1 Daniël staat in hoog aanzien bij koning Cyrus, en weigert de afgod Bel te aanbidden. 13 Ontdekt het bedrog van de priesters van Bel, 21 die daarom gedood worden. 22 Hij doet de draak, die de Babyloniërs aanbaden, barsten. 27 Waarover de Babyloniërs verstoord zijnde, Daniël bij de koning beschuldigen en hem in de leeuwenkuil werpen, die in zes dagen niet gespijzigd werden. 32 Daniël wordt door Habakuk gespijzigd, 39 en door de koning op de zevende dag nog levend gevonden, 40 die de God van Daniël looft en de vijanden van Daniël in dezelfde kuil werpt, waar zij terstond verslonden worden.*

**1** En de koning Astyages werd verzameld tot zijn vaders, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v1)

**2** De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v2)

**3** En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, maar Daniël aanbad God. En de koning zei tot hem: Waarom bidt u Bel niet aan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v3)

**4** En hij zei: Omdat ik geen afgoden, die met handen gemaakt zijn, aanbid, maar de levende God, die de hemel geschapen heeft, en de aarde, en die heerschappij heeft over alle vlees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v4)

**5** En de koning sprak tot hem: Denkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet u niet hoe veel hij dagelijks eet? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v5)

**6** Maar Daniël lachte en zei: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v6)

**7** En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zei tot hen: Als u mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult u sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v7)

**8** Maar als u bewijzen zult, dat Bel deze dingen opeet, zo zal Daniël sterven, want hij heeft tegen Bel gelasterd; en Daniël zei tot de koning: Het gebeure naar uw woord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v8)

**9** En de priesters van Bel waren zeventig, zonder de vrouwen en kinderen en de koning ging met Daniël in het huis van Bel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v9)

**10** De priesters zeiden: Zie, wij gaan heen uit; en u heer koning, zet zelf het voedsel daar, en stel de drank daar, nadat hij ingeschonken is, en sluit de deur toe, en verzegel die, met uw ring; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v10)

**11** En kom morgen vroeg, en als u niet vindt dat alles door Bel opgegeten is, zo zullen wij sterven, of Daniël zal sterven die tegen ons heeft gelogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v11)

**12** Zij nu verachtten dit, omdat zij een geheime toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v12)

**13** En het gebeurde als zij uitgegaan waren, zo zette de koning de spijzen voor Bel, en Daniël beval zijn dienaren, dat zij as zouden brengen en bestrooide de hele tempel in de aanwezigheid van de koning; en uitgaande sloten zij de deur toe, en verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v13)

**14** De priesters nu kwamen 's nachts, naar hun gewoonte, en ook hun vrouwen en hun kinderen, en aten het alles op en gingen uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v14)

**15** En de koning was 's morgens zeer vroeg op, en Daniël met hem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v15)

**16** En de koning zei: Daniël, zijn de zegels nog geheel? en hij zei: Ja heer koning, zij zijn geheel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v16)

**17** En het gebeurde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luide stem uitriep: Bel u bent groot, en geen bedrog is bij u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v17)

**18** En Daniël lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnengaan zou, en zei: Zie op de vloer, en merk op van wie deze voetstappen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v18)

**19** En de koning zei: Ik zie de voetstappen van mannen, en van vrouwen, en van kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v19)

**20** En de koning werd boos, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v20)

**21** En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v21)

**22** En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v22)

**23** En de koning zei tot Daniël: Zegt u ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, u kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v23)

**24** En Daniël zei: Heere mijn God zal ik aanbidden, want die is de levende God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v24)

**25** Maar u, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zei: Ja, ik geef u verlof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v25)

**26** En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit samen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak barstte daarvan, en hij zei: Zie uw goden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v26)

**27** En het gebeurde, als de Babyloniërs dat hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v27)

**28** En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v28)

**29** En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun Daniël over te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v29)

**30** Deze nu wierpen hem in de kuil van de leeuwen, en hij was daar zes dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v30)

**31** En daar waren zeven leeuwen in de kuil, en hun werden dagelijks gegeven twee lichamen, en twee schapen; maar toen werd hun dat niet gegeven, opdat zij Daniël verslinden zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v31)

**32** En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v32)

**33** En de engel van Heere zei tot Habakuk: Draag het middageten, dat u hebt, naar Babylon tot Daniël in de kuil van de leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v33)

**34** En Habakuk zei: Heere, ik heb Babylon nooit gezien, en weet niet waar de kuil is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v34)

**35** Toen vatte de engel van Heere hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van Zijn Geest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v35)

**36** En Habakuk riep en zei: Daniël, Daniël, neem dit middageten, dat u God gezonden heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v36)

**37** En Daniël zei: U gedenkt mij dan Heere, en verlaat niet degenen die U liefhebben! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v37)

**38** En Daniël stond op en at, en de engel van Heere bracht Habakuk meteen weer aan zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v38)

**39** En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over Daniël, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet Daniël zat daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v39)

**40** En de koning riep met luide stem en zei: U bent groot, o Heere, God van Daniël, en daar is niemand dan U, en trok hem er weer uit, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v40)

**41** En die oorzaak waren van zijn verderf, liet hij in de kuil werpen, en zij werden meteen verslonden in zijn aanwezigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/belenddedraak/1.html#v41)

## Gebed van Manasse

### Gebed van Manasse 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/gebedvanmanasse/1.json)

*1 Manasse, koning van Juda, die vanwege zijn zonden gevankelijk naar Babylon weggevoerd is, erkent Gods grote macht, majesteit, barmhartigheid en rechtvaardigheid. 9 Belijdt voor God zijn grote zonden. 10 Klaagt over zijn zware verdrukking. 11 En bidt de HEERE om genade en vergeving van zijn zonden, 14 met de belofte van verbetering van zijn leven.*

**1** Heere, almachtige God, U God van onze vaders Abraham, Izaäk, en Jakob, en van hun zaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v1)

**2** Die de hemel en de aarde gemaakt hebt met al hun sieraad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v2)

**3** Die de zee verzegeld hebt met Uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door Uw schrikkelijke en heerlijke naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v3)

**4** Voor Wie alle dingen schrikken, en sidderen voor Uw machtig aangezicht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v4)

**5** Want de majesteit van Uw heerlijkheid is onverdragelijk, en het dreigen van Uw toorn tegen de zonde is onduldbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v5)

**6** Maar de barmhartigheid van Uw beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want U, Heere, bent de Allerhoogste, U bent geduldig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt U over de kinderen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v6)

**7** U, Heere, die naar de grootte van Uw goedheid hebt beloofd, dat het U berouwen zal, en dat U vergeven zult degenen die tegen U hebben gezondigd, en door de menigte van Uw ontfermingen, naar Uw besluit, geeft U de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v7)

**8** U, Heere, die een God bent van de rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, die tegen U niet hebben gezondigd; maar U hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v8)

**9** Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Heere, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waard dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte van mijn overtredingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v9)

**10** Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik Uw toorn verwekt, en kwaad voor Uw ogen gedaan heb; omdat ik Uw wil niet heb gedaan, en Uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelijke dingen opgericht, en veel aanstoot gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v10)

**11** Nu buig ik dan de knieën van mijn hart, en bid U om genade; ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd, en beken mijn misdaden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v11)

**12** Daarom bid en smeek ik U, vergeef het mij, Heere, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen van de aarde, want U bent God, een God van de boetvaardigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v12)

**13** Maar bewijs mij al Uw goedheid, en behoud mij onwaardige, naar Uw grote barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v13)

**14** En ik zal U loven al de dagen van mijn leven, want ook al de kracht van de hemelen looft U, en U komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/gebedvanmanasse/1.html#v14)

## 1 Makkabeeën

### 1 Makkabeeën 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/1.json)

*1 Na de dood van Alexander de Grote wordt zijn rijk onder zijn oversten verdeeld, 9 die allen koninklijke kronen opzetten. 11 Uit hen is Antiochus Epifanes voortgekomen. 14 Die te Jeruzalem de heidense wetten invoert, 21 de stad en de tempel berooft, 25 en vele mensen vermoordt, 26 waarover grote rouw en vrees is in Israël. 35 Hij bouwt een burcht te Jeruzalem. 44 Hij dwingt de Joden hun wetten te verlaten, 46 wat velen onder hen doen, en velen weigeren, die óf ontvluchten óf gedood worden. 58 Hij bouwt een gruwel van de verwoesting op het altaar. 60 Hij verbrandt de boeken van de wet, 64 en doodt allen die hun kinderen lieten besnijden.*

**1** En het gebeurde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittrok, Darius de koning van de Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v1)

**2** Dat hij vele veldslagen voerde, en vestingen bemachtigde, en vele koningen van de aarde versloeg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v2)

**3** En doortrok tot aan het uiterste van de aarde, en grote buit verkreeg van menigte van de volken, en dat het land voor hem stil was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v3)

**4** En zijn hart werd zeer verhoogd en verheven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v4)

**5** En hij verzamelde een zeer sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem schatplichtig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v5)

**6** En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij sterven zou, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v6)

**7** Riep hij zijn dienaren, de edelsten, die van de jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v7)

**8** En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaren regeerden een ieder in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v8)

**9** En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v9)

**10** En zij vermenigvuldigden de ellenden in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v10)

**11** En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk van de Grieken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v11)

**12** In deze dagen gingen uit Israël enige slechte kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v12)

**13** Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v13)

**14** En sommigen van het volk waren bereidwillig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om van de heidenen voorschriften te plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v14)

**15** En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten van de heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v15)

**16** En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v16)

**17** En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v17)

**18** En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v18)

**19** En hij stelde de oorlog aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v19)

**20** En daar vielen vele gewonden, en zij namen de sterke steden in het land van Egypte in, en hij kreeg de roof van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v20)

**21** En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weer in het honderdendrieënveertigste jaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v21)

**22** En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v22)

**23** En hij ging met grote trots in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar van het licht, en alle gereedschap, en de tafel van de toonbroden, en de sprengbekers, en de schalen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v23)

**24** Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke voorwerpen; en hij nam ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok hij naar zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v24)

**25** En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v25)

**26** En daar gebeurde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v26)

**27** Want de oversten en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongemannen werden verzwakt, en de schoonheid van de vrouwen werd veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v27)

**28** Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v28)

**29** En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het hele huis van Jakob deed smaad kleren aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v29)

**30** Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de belastingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v30)

**31** En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v31)

**32** En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v32)

**33** En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren rondom af; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v33)

**34** En zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, en verkregen al hun vee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v34)

**35** En zij bouwden de stad van David op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v35)

**36** En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v36)

**37** En brachten daarin wapenen en voedsel; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v37)

**38** En deze burcht was om altijd het heiligdom hinderlagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v38)

**39** En zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v39)

**40** En de inwoners van Jeruzalem vluchtten om hunnentwil; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v40)

**41** En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v41)

**42** Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v42)

**43** Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v43)

**44** En de koning schreef aan zijn hele koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v44)

**45** En alle volken namen het aan, naar het woord van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v45)

**46** En velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v46)

**47** En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten van het land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v47)

**48** Dat zij de brandoffers, de offergave en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v48)

**49** Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v49)

**50** Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen zouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v50)

**51** Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen, en varkens en andere onreine beesten slachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v51)

**52** Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v52)

**53** Zo wie niet zou doen naar dit woord van de koning, die zou moeten sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v53)

**54** Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn hele koninkrijk, en heeft opzichters gemaakt over al het volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v54)

**55** En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v55)

**56** En velen van het volk verzamelden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v56)

**57** En maakten dat Israël zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v57)

**58** En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van de verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v58)

**59** En in de deuren van de huizen, en op de straten offerden zij reukwerk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v59)

**60** En verbrandden de boeken van de wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v60)

**61** En waar bij iemand gevonden werd het boek van het verbond, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel van de koning, door hun geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v61)

**62** Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v62)

**63** En zij offerden de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v63)

**64** En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden, doodden zij naar het bevel van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v64)

**65** En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen van de moeder, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v65)

**66** Maar velen in Israël zijn versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v66)

**67** En gekozen liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v67)

**68** En de toorn van de koning was zeer groot over Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/1.html#v68)

### 1 Makkabeeën 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/2.json)

*1 De priester Mattathias beweent met zijn vijf zonen de toestand van de Joden, 14 en bedrijft daarover grote rouw. 19 Hij weigert de koning te gehoorzamen, 23 en doorsteekt uit ijver een Jood die te Modin aan de afgoden offerde, alsook de afgezant van de koning, 28 waarop hij met zijn zonen vlucht naar het gebergte, en vele Joden naar de woestijn, 31 die daar belegerd worden en, niet willende vechten op de sabbat, allen doodgeslagen worden. 41 Mattathias, gesterkt zijnde met de Asideeërs en met de ontvluchten, stelt zich te weer, en verslaat velen van de vijanden van de Joden, en breekt hun altaren af. 49 En toen hij zou sterven, vermaant hij zijn zonen dapper te strijden voor de wet van God, 66 en nadat hij Judas Makkabeüs, een van zijn zonen, tot legeroverste had aangesteld, sterft hij.*

**1** In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v1)

**2** En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v2)

**3** Simon, die genoemd was Thassi, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v3)

**4** Judas, die genoemd was Makkabeüs, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v4)

**5** Eleazar, die genoemd was Auäran, en Jonathan, die genoemd was Sapfus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v5)

**6** En hij zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem gebeurden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v6)

**7** En zei: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast van de heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand van de vijanden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v7)

**8** Het heiligdom is in de hand van de vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die ongeëerd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v8)

**9** De heerlijke voorwerpen zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongemannen door het zwaard van de vijand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v9)

**10** Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v10)

**11** Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v11)

**12** En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v12)

**13** Waarom zouden wij nog willen leven? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v13)

**14** En Mattathias en zijn zonen scheurden hun kleren, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v14)

**15** En daar kwamen enige van de koning wege, in de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v15)

**16** En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v16)

**17** En die van de koning wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: U bent een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broers; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v17)

**18** Nu dan, komt u het eerst tot ons, en doe het bevel van de koning, zoals al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en u zult, alsook uw huis, van de vrienden van de koning zijn, en u en uw zonen zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v18)

**19** En Mattathias antwoordde en zei met een luide stem: Al was het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk van de koning zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst van zijn vaders, en zijn geboden aannam; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v19)

**20** Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broers wandelen in het verbond van onze vaders; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v20)

**21** Heere wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v21)

**22** Het woord van de koning zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechterhand of ter linkerhand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v22)

**23** En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v23)

**24** En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn zoals het recht is, en toelopende doodde hem op het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v24)

**25** En de man van de koning, die de mensen dwong te offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak het altaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v25)

**26** En hij ijverde voor de wet, zoals vroeger Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v26)

**27** En Mattathias riep uit in de stad met een luide stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v27)

**28** En hij en zijn zonen vluchtten naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v28)

**29** Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het recht zochten, heen naar de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v29)

**30** Om zich daar neer te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v30)

**31** En de mannen van de koning, en de oorlogsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod van de koning hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v31)

**32** En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de oorlog aan op de dag van de sabbat, en zeiden tot hen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v32)

**33** Het is nog tijd dat u uitkomt, en doet naar het woord van de koning, en u zult het leven behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v33)

**34** En deze zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord van de koning niet doen, om te ontheiligen de dag van de sabbat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v34)

**35** En zij haastten met de strijd tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v35)

**36** En deze antwoordden hun niet, en wierpen niet één steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v36)

**37** Laat ons allen sterven in onze eenvoud. De hemel en aarde getuigen over ons, dat u ons ten onrechte ombrengt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v37)

**38** En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen van de mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v38)

**39** En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v39)

**40** En een man zei tot zijn naaste: Als wij allen zouden doen, zoals onze broers gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v40)

**41** En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag van de sabbat, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven zoals onze broers in de holen gestorven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v41)

**42** Toen verzamelde zich bij hen de vergadering van de Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v42)

**43** En allen die deze rampen ontvlucht waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v43)

**44** En zij brachten hun macht samen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en de slechte mannen in hun woede; en de overgeblevenen vluchtten naar de heidenen om behouden te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v44)

**45** En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom en verbraken hun altaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v45)

**46** En zij besneden met kracht al de kinderen die onbesneden waren, zo velen zij vonden in het gebied van Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v46)

**47** En vervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd voorspoedig in hun hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v47)

**48** Zij bevrijdden de wet uit de hand van de heidenen, en uit de hand van de koningen, en gaven de hoorn van de overwinning niet aan die zondaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v48)

**49** En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zei hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de vergelding, en nu is de tijd van de verwoesting, en de grimmige toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v49)

**50** Nu dan mijn kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het verbond van uw vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v50)

**51** Gedenk onze vaders, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en u zult grote heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v51)

**52** Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v52)

**53** Jozef heeft in de tijd van zijn benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v53)

**54** Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v54)

**55** Jozua, als hij het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v55)

**56** Kaleb, als hij getuigenis heeft gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel van het land gekregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v56)

**57** David, in zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v57)

**58** Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v58)

**59** Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v59)

**60** Daniël is in zijn eenvoud gerukt uit de mond van de leeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v60)

**61** En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v61)

**62** En vreest niet voor de woorden van de zondige man, want zijn heerlijkheid zal tot mest en wormen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v62)

**63** Vandaag zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij zal terugkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v63)

**64** En u, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want u zult in deze verheerlijkt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v64)

**65** En ziet, Simon, uw broer, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v65)

**66** En Judas Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn jeugd aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en u zult de oorlog van de volken voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v66)

**67** En u zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak van uw volk uitvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v67)

**68** Vergeld de heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden van de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v68)

**69** En hij zegende hen, en werd bij zijn vaders gesteld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v69)

**70** En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven van zijn vaders in Modin, en het hele Israël maakte over hem zeer grote rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/2.html#v70)

### 1 Makkabeeën 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/3.json)

*1 De dapperheid en vermaardheid van Judas Makkabeüs. 5 Hij vervolgt en verdelgt overal de vijanden van de Joden, 10 en verslaat Apollonius, de overste van Samaria, 13 alsook Seron, de overste van Syrië. 27 Waarover Antiochus vertoornd raakt en een grote krijgsmacht verzamelt, die hij onder de overste Lysias tegen hem zendt naar het land Juda. 42 Makkabeüs en zijn broers bereiden zich tot tegenstand met vasten en bidden. 55 Zij stellen hun leger op, 58 en Judas vermaant zijn volk tot dapperheid.*

**1** En Judas, die genoemd werd Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v1)

**2** En hem hielpen al zijn broers, en allen die zijn vader aangehangen hadden, en voerden de oorlog van Israël met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v2)

**3** En hij heeft de eer van zijn volk verbreid; en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v3)

**4** Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v4)

**5** En hij, de goddelozen ijverig zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen, die het volk beroerden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v5)

**6** Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers van de ongerechtigheid samen beroerd werden, en dat de behoudenis voorspoedig verliep door zijn hand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v6)

**7** Hij heeft vele koningen verbitterd, en hij verheugde Jakob in zijn werken, en zijn herinnering is in zegening tot in de eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v7)

**8** Hij doortrok de steden van Juda, en vernietigde uit haar de goddelozen en keerde de toorn van God van Israël af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v8)

**9** Zijn naam werd verbreid tot het uiterste van de aarde, en hij verzamelde degenen, die verloren gingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v9)

**10** Waarom Apollonius de volken verzamelde, en van Samarië een grote macht, om tegen Israël strijd te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v10)

**11** En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele gewonden zijn gevallen, en de overigen zijn gevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v11)

**12** En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v12)

**13** En Seron, de overste van de oorlogsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe mensen bij zich verzameld had, die met hem ten strijde uittrokken, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v13)

**14** Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord van de koning verachten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v14)

**15** En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v15)

**16** En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v16)

**17** En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v17)

**18** En Judas zei: Het is licht dat velen besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door weinigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v18)

**19** Want de overwinning in de oorlog bestaat niet in de menigte van de macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v19)

**20** Deze komen tegen ons, om door een menigte van smaad en ongerechtigheid te vernietigen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v20)

**21** Maar wij strijden voor onze zielen, en voor onze wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v21)

**22** En God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; u dan wilt hen niet vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v22)

**23** Als hij ophield met spreken, zo viel hij meteen op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v23)

**24** En zij vervolgden hen in de neergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen ongeveer achthonderd mannen, en de overigen zijn gevlucht naar het land van de Filistijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v24)

**25** En de vrees voor Judas en zijn broers en een verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v25)

**26** Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v26)

**27** En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer boos, en zond heen en verzamelde al de oorlogsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v27)

**28** En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten soldij voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v28)

**29** En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de belastingen verzamelden, weinigen waren; omdat de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v29)

**30** En vrezende dat hij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v30)

**31** Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de belastingen van die landen te ontvangen, en veel geld te verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v31)

**32** En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, over de zaken van de koning, van de rivier Eufraat af tot het gebied van Egypte toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v32)

**33** En om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou terugkeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v33)

**34** En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v34)

**35** Dat hij de soldaten zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun herinnering van die plaats weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v35)

**36** En dat hij vreemde kinderen zou doen wonen in al hun gebied, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v36)

**37** En de koning nam bij zich de helft van de oorlogsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v37)

**38** Lysias nu verkoos Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige mannen onder de vrienden van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v38)

**39** En zond met hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v39)

**40** En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen en sloegen hun kamp op nabij Emmanaüs, in het vlakke land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v40)

**41** En de kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen zeer veel zilver en goud, en dienaren, en zijn in hun leger gekomen, om de Israëlieten tot dienaren te verkrijgen, en de macht van Syrië en van het land van de vreemdelingen is bij hen gekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v41)

**42** Judas en zijn broers ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de oorlogsmachten zich legerden in hun gebied, en verstaan hebbende de woorden van de koning, waarmee hij bevolen had het volk geheel te verderven en te vernielen, zo zei een ieder tot zijn naaste: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v42)

**43** Laat ons ons volk uit deze vernedering weer oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v43)

**44** En de vergadering kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid en ontferming te verzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v44)

**45** En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen van de vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v45)

**46** Zo zijn zij verzameld en gekomen te Mizpa, tegenover Jeruzalem, omdat de plaats van het gebed tevoren te Mizpa voor Israël was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v46)

**47** En zij vastten op die dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden hun kleren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v47)

**48** En breidden de boeken van de wet uit, waarnaar de heidenen ijverig zochten, om daarin het beeld van hun afgoden te schrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v48)

**49** En zij brachten daar de kleren van het priesterdom, en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v49)

**50** En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v50)

**51** Uw heiligdom is vertreden en ontheiligd en uw priesters zijn in rouw en vernedering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v51)

**52** En zie, de heidenen zijn tegen ons verzameld om ons te vernielen. U weet wat zij tegen ons denken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v52)

**53** Hoe zullen wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo u ons niet helpt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v53)

**54** En zij bliezen de trompetten en riepen met een luide stem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v54)

**55** En na deze stelde Judas oversten van het volk, oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten over tien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v55)

**56** En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder van deze zou terugkeren naar zijn huis, volgens de wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v56)

**57** En zo is het leger opgebroken, en zij sloegen hun kamp op tegen het zuiden van Emmaüs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v57)

**58** En Judas zei: Omgord u, en wees sterke mannen, en wees gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die verzameld zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v58)

**59** Want het is beter dat wij in de strijd sterven, dan dat wij zouden aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v59)

**60** Maar zoals de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe Hij met ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/3.html#v60)

### 1 Makkabeeën 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/4.json)

*1 Judas verslaat met weinig volk een groot leger van de vijanden, dat aangevoerd werd door de overste Gorgias. 15 Hij vervolgt de vluchtende vijanden, 18 plundert hun leger en steekt het in brand, 24 en zingt de HEERE een lofzang. 26 Lysias verzamelt tegen het volgende jaar een ander machtig leger. 29 Waartegen Judas zich stelt met tienduizend mannen, 30 en na de HEERE aangeroepen te hebben, valt hij hen aan en slaat hen op de vlucht. 37 Judas trekt met zijn leger naar Jeruzalem. 41 Hij bestrijdt de burcht. 43 Hij reinigt de tempel. 45 Hij neemt het altaar weg dat de heidenen ontheiligd hadden, 47 en bouwt een nieuw. 50 Hij herstelt de godsdienst, 54 en wijdt de tempel in. 59 Hij verordent dat ieder jaar een feest ter gedachtenis van deze inwijding gehouden zal worden. 60 Hij versterkt Sion met muren en krijgsvolk.*

**1** En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op in de nacht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v1)

**2** Opdat zij vallen zouden op het leger van de Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v2)

**3** En Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de oorlogsmacht van de koning, die in Emmaüs was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v3)

**4** Terwijl zijn soldaten nog verstrooid waren van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v4)

**5** En Gorgias kwam in het leger van Judas in de nacht, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zei hij, deze vluchten voor ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v5)

**6** En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; maar zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij graag wilden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v6)

**7** En als zij nu het leger van de heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de oorlog wèl ervaren), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v7)

**8** Zo zei Judas tot de mannen die met hem waren: Vrees hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v8)

**9** Gedenk hoe onze vaders zijn behouden in de Rode Zee toen Farao met grote macht hen vervolgde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v9)

**10** En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond van de vaders; en Hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v10)

**11** En al de volken zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v11)

**12** En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v12)

**13** En zij trokken uit hun leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v13)

**14** En zij kwamen aan elkaar, en de heidenen werden geslagen, en vluchtten over het vlakke veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v14)

**15** Maar al de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v15)

**16** En Judas en zijn soldaten keerden weer van hen te vervolgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v16)

**17** En hij zei tot het volk: Begeer hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v17)

**18** Gorgias en zijn soldaten zijn op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v18)

**19** Als Judas dit nog voltooide te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v19)

**20** En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v20)

**21** En deze, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond om te vechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v21)

**22** Zo zijn allen gevlucht naar het land van de vreemdelingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v22)

**23** En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele kleren van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v23)

**24** En teruggekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, omdat Zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v24)

**25** En op die dag is Israël een grote verlossing gebeurd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v25)

**26** En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden waren, gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v26)

**27** En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij graag gewild had, en het niet was uitgevallen, zoals hem de koning bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v27)

**28** En hij verzamelde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v28)

**29** En zij, in Idumeä gekomen zijnde, sloegen hun kamp op te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v29)

**30** En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zei: Gezegend bent U, o behouder van Israël, U, die de aanval van de machtige door de hand van Uw dienaar David gebroken hebt, en het leger van de vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v30)

**31** Besluit dit leger in de hand van Uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v31)

**32** Geef hun versaagdheid, en doe de onverschrokkenheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v32)

**33** Werp hen terneer door het zwaard van degenen, die U liefhebben, en laat allen, die Uw Naam kennen, U loven met lofzangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v33)

**34** Toen vielen zij op elkaar aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v34)

**35** Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de onverschrokkenheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weer gesterkt zijnde, in Judea te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v35)

**36** Judas en zijn broers zeiden: Zie onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v36)

**37** En het hele leger werd verzameld, en zij gingen op naar de berg Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v37)

**38** En zij zagen het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op één van de bergen, en de kamers van de priester verwoest; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v38)

**39** En zij verscheurden hun kleren, en maakten zeer grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v39)

**40** En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v40)

**41** Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v41)

**42** En hij verkoos onberispelijke priesters, die de wet liefhadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v42)

**43** En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen van de besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v43)

**44** En als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar van het brandoffer, dat ontheiligd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v44)

**45** Zo is hun een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaad wordt, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v45)

**46** En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v46)

**47** En zij namen hele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v47)

**48** En zij bouwden het heiligdom, en het binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v48)

**49** En zij maakten nieuwe heilige voorwerpen, en zij brachten in de tempel de kandelaar, en het altaar van het brandoffer, en van de reukwerken, en de tafel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v49)

**50** En rookten op het altaar, en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v50)

**51** En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v51)

**52** En zij stonden vroeg in de morgen op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v52)

**53** En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar van het brandoffer, dat zij gemaakt hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v53)

**54** Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weer ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v54)

**55** En al het volk neervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v55)

**56** En zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en slachtende offergaven van de behoudenis en van de lof. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v56)

**57** En versierden het voorste deel van de tempel, met gouden kronen en schilden, en vernieuwden de poorten, en de kamers van de priester, en maakten daar deuren aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v57)

**58** En daar was een zeer grote vreugde onder het volk, en de smaad van de heidenen is afgekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v58)

**59** En Judas met zijn broers, en de hele vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen van de inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag van de maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v59)

**60** En zij bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren en sterke torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen en ze weer vertreden, zoals zij tevoren gedaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v60)

**61** En zij zetten daar soldaten in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk een vesting zou hebben tegen Idumeä. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/4.html#v61)

### 1 Makkabeeën 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/5.json)

*1 De heidenen spannen samen om de Joden te verdelgen, 3 en worden door Juda verslagen. 9 De Israëlieten zenden bericht aan Judas om hen te helpen tegen de heidenen die in Gilead verzameld waren. 17 Judas zendt hun zijn broer Simon te hulp, 21 die hen verslaat. 24 Judas trekt met zijn broer Jonathan over de Jordaan, en toen hij van de Nabateeërs vernam dat alle steden van Gileaditis ingenomen waren, keert hij terug en neemt Bosra in, 34 en verslaat Timotheüs, die de vesting meende in te nemen. 37 Toen Timotheüs een ander leger verzameld had, wordt hij nogmaals door Juda verslagen, die de stad Karnaïm inneemt, 46 Judas neemt Efron stormenderhand in, 53 en komt in het land Juda. 56 Jozef en Azarja, die eer wilden behalen, worden door Gorgias verslagen voor Jamnia, 67 evenals enige priesters. 68 Judas keert van Azotus terug in het land Juda.*

**1** Het gebeurde, als de heidenen daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het heiligdom weer ingewijd was als tevoren, dat zij zeer boos werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v1)

**2** En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te vernietigen; allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk enige te doden en te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v2)

**3** Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v3)

**4** En indachtig wordende de boosheid van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen hinderlagen hadden gelegd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v4)

**5** Besloot hij hen in de torens, en sloeg zijn kamp op tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v5)

**6** En vandaar trok hij naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote macht, en veel volk, en Timotheüs, hun overste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v6)

**7** En hij leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en sloeg hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v7)

**8** En Jazer met haar plaatsen ingenomen hebbende, keerde hij weer in Judea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v8)

**9** En de heidenen die in Galaäd waren, verzamelden samen tegen de Israëlieten, die in hun gebied waren, om hen te vernietigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v9)

**10** Daarom vluchtten zij tot de vesting van Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broers, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v10)

**11** De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons samen verzameld, om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen de vesting, waarin wij gevlucht zijn, en Timotheüs voert hun leger aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v11)

**12** Kom dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v12)

**13** En al onze broers, die in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield ongeveer duizend mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v13)

**14** Toen deze brieven nog gelezen werden, ziet, andere boden kwamen uit Galilea, hun kleren verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze woorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v14)

**15** Zeggende, dat tegen hem velen verzameld waren uit Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het hele Galilea van de vreemdelingen, om ons uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v15)

**16** Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar verzameld een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broers, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v16)

**17** En Judas zei tot Simon, zijn broer: Verkies u mannen, en trek heen om uw broers te verlossen, die daar in Galilea zijn; maar ik en mijn broer Jonathan zullen in Galaäditis trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v17)

**18** En hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria tot oversten van het volk met de overige soldaten in Judea tot bewaring daarvan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v18)

**19** En hij beval hun, zeggende: Wees over dit volk, en begin de strijd niet tegen de heidenen, voordat wij zullen teruggekeerd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v19)

**20** En Simon werden toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v20)

**21** En Simon trok naar Galilea, en hij leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v21)

**22** En daar vielen van de heidenen tot drieduizend man, en zij kregen hun buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v22)

**23** Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v23)

**24** En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broer, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v24)

**25** En ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun broers in Galaäditis gebeurd was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v25)

**26** En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v26)

**27** En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich op de andere dag te legeren tegen de vestingen, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v27)

**28** Daarom keerde Judas weer met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte van het zwaard, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v28)

**29** En hij vertrok van daar in de nacht, en trok alsof hij naar de vesting wilde gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v29)

**30** En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet, daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om de vesting in te nemen, en zij bestreden ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v30)

**31** En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep van de stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een luide stem, en hij zei tot de mannen van zijn leger: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v31)

**32** Strijd deze dag voor uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v32)

**33** En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen in het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v33)

**34** En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vluchtten voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v34)

**35** En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v35)

**36** En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v36)

**37** En na deze zaken verzamelde Timotheüs een ander leger, en sloeg zijn kamp op tegenover Rafon over de beek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v37)

**38** En Judas zond om het leger te bespioneren; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen verzameld, een zeer grote macht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v38)

**39** En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v39)

**40** En Timotheüs zei tot de oversten van zijn soldaten, toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek van het water: Als hij eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn dan wij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v40)

**41** Maar als hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v41)

**42** Als nu Judas nabij de beek van het water kwam, zo stelde hij de schrijvers van het volk, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich neerzetten, maar dat zij allen komen ten strijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v42)

**43** En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vluchtten in het bos, dat te Karnaïn was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v43)

**44** En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v44)

**45** En Judas verzamelde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v45)

**46** En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang van het land, zeer sterk, en men kon ze noch ter rechterhand noch ter linkerhand voorbij trekken, maar men moest midden daardoor trekken), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v46)

**47** Zo sloten die van de stad hen buiten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v47)

**48** En stopten de poorten toe met stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v48)

**49** En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v49)

**50** Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal u enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor gaan; maar zij wilden hem niet opendoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v50)

**51** En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van de soldaten sloegen hun kamp op, en bestreden de stad die hele dag en de hele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v51)

**52** En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte van het zwaard, en heeft de stad geheel uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v52)

**53** En Judas, leidende de achtersten, vermaande het volk op de hele weg, totdat hij kwam in het land van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v53)

**54** En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandoffers, omdat van hen niet één gevallen was, voordat zij in vrede waren teruggekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v54)

**55** En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broer, in Galilea tegenover Ptolomaïs, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v55)

**56** Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria, oversten van de soldaten, de mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v56)

**57** Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om te bevechten de heidenen, die rondom ons zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v57)

**58** En nadat zij de soldaten die bij hen waren bevel hadden gegeven, trokken zij op tegen Jamnia. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v58)

**59** En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v59)

**60** En Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot het gebied van Judea; en daar vielen op die dag van het volk van Israël tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk Israël; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v60)

**61** Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broers, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v61)

**62** Maar zij waren niet van het zaad van die mannen, door wier hand Israël behoudenis is gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v62)

**63** En Judas en zijn broers zijn zeer verheerlijkt voor het hele Israël, en al de volken, waar hun naam gehoord werd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v63)

**64** Zodat zij zich gezamenlijk verzamelden bij hen, wensende hun veel geluk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v64)

**65** En Judas en zijn broers trokken uit en bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v65)

**66** En heeft haar vesting vernield, en al haar torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land van de vreemdelingen, en trok door Samaria. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v66)

**67** En die dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder raad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v67)

**68** En Judas week naar Azote, in het land van de vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden van hun goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof van de steden, en keerde weer naar het land Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/5.html#v68)

### 1 Makkabeeën 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/6.json)

*1 Antiochus poogt de rijke stad en tempel van Elymaïs te plunderen, 4 wat hem mislukt, 5 en toen hij vernomen had dat zijn leger in het land Juda verslagen was, wordt hij ziek van droefheid. 10 Hij erkent met leedwezen het kwaad dat hij te Jeruzalem gedaan had, 16 en sterft. 17 Antiochus Eupator, zijn zoon, wordt in zijn plaats aangesteld. 18 Judas belegert de burcht te Jeruzalem. 22 De belegerden zenden om hulp aan de koning, 28 die met een sterk leger komt voor Bethsura. 32 Judas trekt hem tegemoet. 34 De vijanden maken de olifanten gereed voor de strijd. 43 Eleazar Avaran steekt van onderen een van de voornaamste olifanten, die op hem valt en hem doodt. 50 De koning neemt Bethsura in, 51 belegert het heiligdom, 55 en toen Lysias vernam dat Filippus, de opvoeder van de koning, het rijk aan zich wilde trekken, 58 sluit hij vrede met de Joden, die de koning niet houdt, 63 en vertrekt naar Antiochië.*

**1** En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, beroemd van rijkdom, van zilver en van goud; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v1)

**2** En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v2)

**3** Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de mensen van die stad bekend werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v3)

**4** En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met groot verdriet, en keerde weer naar Babylon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v4)

**5** En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v5)

**6** En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en soldaten, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v6)

**7** En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, zoals het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v7)

**8** En het gebeurde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit verdriet in een ziekte is vervallen, omdat het hem niet was gegaan zoals hij gedacht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v8)

**9** En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v9)

**10** Waarom hij al zijn vrienden riep, en zei tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de zorgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v10)

**11** En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en geliefd was geweest in mijn heerschappij! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v11)

**12** Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren voorwerpen, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v12)

**13** Ik beken dat vanwege deze dingen mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van groot verdriet in een vreemd land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v13)

**14** En hij riep Filippus, één van zijn vrienden, en stelde hem over zijn hele koninkrijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v14)

**15** En hij gaf hem zijn kroon, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zijn zoon Antiochus zou halen, en hem opvoeden om koning te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v15)

**16** En de koning Antiochus stierf daar, in het honderdnegenenveertigste jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v16)

**17** En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, die hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v17)

**18** Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een vesting waren voor de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v18)

**19** Zo nam Judas zich voor deze te vernietigen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v19)

**20** Die, samen verzameld zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en hij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v20)

**21** En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v21)

**22** Hoe lang zult u geen recht oefenen, en zult onze broers niet wreken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v22)

**23** Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in wat door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de mensen van dit volk van ons vervreemd werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v23)

**24** Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v24)

**25** En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun gebied. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v25)

**26** En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v26)

**27** En als u hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en u zult hen niet kunnen tegenhouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v27)

**28** En de koning werd boos toen hij dit hoorde, en verzamelde al zijn vrienden, de oversten van zijn soldaten, en die over de ruiterij waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v28)

**29** En van andere koningen en van de eilanden van de zee kwamen veel soldaten tot hem, die gehuurd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v29)

**30** Zodat het getal van zijn soldaten was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters, en tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v30)

**31** En zij kwamen door Idumeä, en sloegen hun kamp op tegen Bethsura, dat zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v31)

**32** En Judas brak op van de burcht en sloeg zijn kamp op in Bethzacharia tegenover het leger van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v32)

**33** En de koning stond op, vroeg in de morgen, en verplaatste het leger; het in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij de trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v33)

**34** En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v34)

**35** En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliënkolders, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden bestemd bij elk beest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v35)

**36** Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelfde niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v36)

**37** En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v37)

**38** En de overige soldaten stelden de oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v38)

**39** Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken, en lichtten zoals lampen van vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v39)

**40** En een deel van het leger van de koning werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v40)

**41** En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het geluid van de wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v41)

**42** En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van het leger van de koning zeshonderd mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v42)

**43** En Eleazar Auäran zag één van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekend boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v43)

**44** En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v44)

**45** En hij liep zeer dapper op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechterhand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden van hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v45)

**46** En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v46)

**47** En als zij zagen de sterkte van de koning, en de aanval van de soldaten, weken zij van hen af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v47)

**48** En die van het leger van de koning waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v48)

**49** En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, omdat zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar van het land was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v49)

**50** En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v50)

**51** En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v51)

**52** En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v52)

**53** En zij hadden geen eetwaren in hun kruiken, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevlucht waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v53)

**54** En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, omdat de honger hen had overweldigd, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v54)

**55** Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v55)

**56** Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de oorlogsmachten van de koning die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v56)

**57** Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkaar aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van de soldaten, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v57)

**58** Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v58)

**59** En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, zoals tevoren. Want vanwege hun wetten, die wij verbroken hebben, zijn zij boos geworden, en hebben al deze dingen gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v59)

**60** Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v60)

**61** En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de vesting; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v61)

**62** En de koning ging op de berg Sion, en bezag de vesting van de plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v62)

**63** En is haastig vertrokken, en keerde weer naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij streed tegen hem, en nam de stad in met geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/6.html#v63)

### 1 Makkabeeën 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/7.json)

*1 Demetrius, de zoon van Seleucus, wordt koning van Syrië, en laat Antiochus en Lysias doden. 5 Alcimus beschuldigt, om hogepriester te worden, bij hem Judas en zijn broers. 8 Tegen hen zendt de koning Bacchides met een sterk leger, en maakt Alcimus tot hogepriester. 13 De Asideeërs sluiten vrede met hen, en worden tegen alle toezegging in tezamen vermoord. 19 Bacchides trekt naar de koning. 21 Alcimus strijdt om het hogepriesterschap, en omdat hij niet kan standhouden, trekt hij ook naar de koning, 26 die Nicanor naar Jeruzalem zendt, 29 die Judas zoekt te bedriegen, 31 en dreigt de tempel te verbranden als men hem Judas niet uitlevert. 37 De priesters roepen tot de HEERE. 40 Judas verslaat Nicanor en zijn gehele leger, 48 en er wordt verordend dat deze dag van de overwinning ieder jaar gevierd zou worden.*

**1** In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v1)

**2** En het gebeurde, toen hij ging naar het koninklijke huis van zijn vaders, dat de soldaten Antiochus en Lysias grepen, om die tot hem te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v2)

**3** En als hem deze zaak bekend werd, zei hij: Toon mij hun gezichten niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v3)

**4** De soldaten doodden hen, en Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v4)

**5** En tot hem kwamen alle verbrekers van de wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v5)

**6** En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v6)

**7** Zend dan nu een man, die u vertrouwt, die daar heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het land van de koning, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v7)

**8** En de koning verkoos Bacchides, een vriend van de koning, die regeerde aan de overzijde van de rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v8)

**9** En hij zond deze; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de Israëlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v9)

**10** En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broers, vreedzame woorden sprekende met bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v10)

**11** Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v11)

**12** En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige redelijke zaken te verzoeken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v12)

**13** En de Asideeën waren de eerste onder de kinderen van Israël, en zij vroegen hun vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v13)

**14** Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met de soldaten, en die zal ons geen ongelijk aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v14)

**15** En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen u, en onze vrienden geen kwaad toebrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v15)

**16** En zij geloofden hem; maar zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op één dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v16)

**17** Zij hebben het vlees van uw heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v17)

**18** En een vrees voor hen, en een beving viel op het hele volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v18)

**19** En Bacchides trok op van Jeruzalem, en sloeg zijn kamp op te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enige van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v19)

**20** En hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem soldaten, die hem zouden helpen; en Bacchides trok heen naar de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v20)

**21** En Alcimus streed om het hogepriesterschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v21)

**22** En tot hem werden verzameld allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v22)

**23** En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de Israëlieten deden meer dan de heidenen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v23)

**24** Trok uit in al het gebied van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v24)

**25** En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weer tot de koning, en beschuldigde hen van slechte dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v25)

**26** En de koning zond Nicanor, één van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v26)

**27** En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broers, met bedrog sprekende, vreedzame woorden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v27)

**28** Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en u. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik uw gezichten mag zien met vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v28)

**29** En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkaar vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v29)

**30** En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v30)

**31** En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v31)

**32** En daar vielen aan de zijde van Nicanor ongeveer vijfhonderd mannen, en zij vluchtten in de stad van David. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v32)

**33** En na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enige van de priesters uit het heiligdom, en enige van de ouderlingen van het volk, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v33)

**34** Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v34)

**35** En hij zwoer met toorn, zeggende: Als Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het gebeuren, als ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v35)

**36** En de priesters gingen in de tempel, en stonden voor het altaar en de tempel, en huilden en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v36)

**37** Heere, U hebt dit huis uitverkoren, dat Uw Naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het Uw volk zou zijn een huis van het gebed en van de smeking; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v37)

**38** Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v38)

**39** En Nicanor trok uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op te Bethoron, en daar ontmoetten hem de soldaten van Syrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v39)

**40** En Judas sloeg zijn kamp op in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v40)

**41** Vroeger als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v41)

**42** Vermorzel dan zo dit leger vandaag voor ons, opdat de overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v42)

**43** En de legers kwamen met elkaar te strijden, op de dertiende dag van de maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v43)

**44** Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v44)

**45** En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v45)

**46** En uit alle plaatsen van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, deze tot anderen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v46)

**47** En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hoogmoedig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v47)

**48** En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v48)

**49** En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v49)

**50** En het land van Juda was enige dagen in rust. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/7.html#v50)

### 1 Makkabeeën 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/8.json)

*1 Judas, onderricht zijnde over de macht en het goede bestuur van de Romeinen, 17 zendt Eupolemus en Jason om met hen een verbond te sluiten. 21 Die door de raad goed ontvangen worden. 23 De artikelen van het verbond. 31 En het schrijven van de Romeinen aan Demetrius.*

**1** En Judas hoorde de naam van de Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al wat hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v1)

**2** Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder belasting hadden gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v2)

**3** En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en geduld, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v3)

**4** En de koningen, die van het uiterste van de aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks belasting gaven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v4)

**5** En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v5)

**6** En onder deze Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel soldaten, en dat die ook door hen was vermorzeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v6)

**7** En dat zij hem levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote belasting te geven, en gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v7)

**8** En te geven het land van Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun beste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v8)

**9** En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v9)

**10** Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun vestingen verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v10)

**11** En dat zij de overige koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v11)

**12** Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v12)

**13** En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v13)

**14** En dat in deze allen niemand van hen een kroon opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin voortreffelijk te vertonen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v14)

**15** Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden van het volk raad hielden, om het wel te regeren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v15)

**16** En dat zij één man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunst noch jaloëzie was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v16)

**17** En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v17)

**18** En om van hen het juk weg te nemen, omdat zij zagen dat het rijk van de Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v18)

**19** En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v19)

**20** Judas Makkabeüs en zijn broers en de menigte van de Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met u gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v20)

**21** En deze rede was aangenaam voor hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v21)

**22** En dit was het afschrift van de brief, die zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken van de vrede en van de gemeenschap van wapenen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v22)

**23** Dat het de Romeinen en het volk van de Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v23)

**24** Maar als enige oorlog zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap van de wapenen met hen hebben, in hun gebied, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v24)

**25** Zo zal het volk van de Joden met volle genegenheid van het hart de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals de gelegenheid van de tijd hun zal voorschrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v25)

**26** En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v26)

**27** En volgens deze, zo het volk van de Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v27)

**28** En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v28)

**29** Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk van de Joden een verbond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v29)

**30** En als na deze woorden de één of de ander iets zullen willen daarbij doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v30)

**31** Verder voor wat betreft het kwaad, dat de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt u uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v31)

**32** Als zij dan ons weer zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water en te land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/8.html#v32)

### 1 Makkabeeën 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/9.json)

*1 Demetrius zendt Bacchides en Alcimus met nieuwe troepen naar Judea. 5 Waartegen Judas zich stelt met drieduizend mannen, die bijna allen weglopen. 8 De overgeblevenen raden Judas aan te vluchten. 10 Wat hij weigert te doen, 13 en hij strijdt tegen de vijanden van 's morgens vroeg tot de avond, 18 en Judas wordt verslagen, 20 waarover de Joden grote rouw bedrijven. 30 Jonathan, zijn broer, wordt in zijn plaats aangesteld. 35 Die zich wreekt over de kinderen van Ambri, die zijn broer Johannes gevangen en gedood hadden. 43 Bacchides zoekt Jonathan te verslaan, maar wordt door hem gedwongen achterwaarts te wijken. 50 Jonathan versterkt vele steden in Judea. 55 Alcimus wordt getroffen en sterft. 57 Bacchides trekt naar de koning. 58 Enige wetverbrekers halen hem terug. 64 Hij belegert Bethbasi, en wordt door Simon verslagen, 70 en sluit vrede met Jonathan.*

**1** Als Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn soldaten de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides en Alcimus voor de tweede keer te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn soldaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v1)

**2** En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en sloegen hun kamp op te Masaloth, dat in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielden vele zielen van mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v2)

**3** En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v3)

**4** En zij braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend man te voet, en tweeduizend ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v4)

**5** En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v5)

**6** En zij zagen de menigte van het oorlogsvolk, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v6)

**7** Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weer bijeen te verzamelen, en hij werd zeer verslagen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v7)

**8** En zei tot de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v8)

**9** Maar zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu weer, want onze broers zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v9)

**10** En Judas zei: Volstrekt niet van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vluchten; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onze broers wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v10)

**11** Ondertussen braken de soldaten van Bacchides op uit hun leger, en stonden tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor de soldaten, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v11)

**12** En Bacchides was bij de rechtervleugel van het oorlogsvolk, en de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v12)

**13** En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid van het leger beefde, en zij vochten tegen elkaar vroeg in de morgen tot de avond toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v13)

**14** En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van hart waren, voegden zich bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v14)

**15** En de rechtervleugel werd geslagen door deze, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v15)

**16** En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v16)

**17** En de strijd werd geweldig, en daar vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v17)

**18** En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v18)

**19** En Jonathan en Simon namen Judas, hun broer, op en begroeven hem in het graf van zijn vaders te Modin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v19)

**20** En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v20)

**21** Hoe is de machtige gevallen, die Israël verloste? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v21)

**22** En wat nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v22)

**23** En het gebeurde na de dood van Judas, dat alle verbrekers van de wet in het gebied van Israël tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten, opstonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v23)

**24** In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v24)

**25** En Bacchides verkoos goddeloze mannen en stelde hen tot heren van het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v25)

**26** En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v26)

**27** Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet meer onder hen gezien was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v27)

**28** Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v28)

**29** Van dat uw broer Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v29)

**30** Nu dan wij hebben u vandaag uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v30)

**31** En Jonathan nam, in die gelegenheid van de tijd, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v31)

**32** En Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v32)

**33** En Jonathan en zijn broer Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vluchtten in de woestijn Thekoa, en sloegen hun kamp op bij het water van het meer Asfar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v33)

**34** Bacchides dit vernemende, kwam op de dag van de sabbat, met al zijn soldaten over de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v34)

**35** En Jonathan zond zijn broer, die overste was over de menigte, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v35)

**36** En de kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v36)

**37** En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broer Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van één van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v37)

**38** Waarom zij, gedenkende aan hun broer Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v38)

**39** En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet, daar kwam een geluid, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broers gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v39)

**40** En zij rezen op uit hun hinderlaag tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vluchtten naar de berg; en zij kregen al hun buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v40)

**41** En zo werd de bruiloft veranderd in treuren, en het geluid van hun muziek in klagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v41)

**42** En zij deden zo wraak over het bloed van hun broer, en keerden weer aan de kant van de Jordaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v42)

**43** Bacchides, dit horende, kwam op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel soldaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v43)

**44** En Jonathan zei tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is vandaag niet zoals gisteren en eergisteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v44)

**45** Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en daar is geen plaats om te ontwijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v45)

**46** Roep dan nu tot God in de hemel, dat u uit de handen van de vijanden mag behouden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v46)

**47** En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v47)

**48** En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwommen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v48)

**49** En aan de zijde van Bacchides vielen die dag ongeveer duizend man, en hij keerde weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v49)

**50** En hij bouwde sterke steden in Judea, en de vesting in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v50)

**51** En zij stelden daarin bezetting, om Israël vijandig te bestrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v51)

**52** En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin soldaten en voorraad van voedsel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v52)

**53** En hij nam de zonen van de overste van het land tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v53)

**54** En in het honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof van het heiligdom zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken van de profeten, en hij begon het te verbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v54)

**55** En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet één enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v55)

**56** En Alcimus stierf in dezelfde tijd met grote pijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v56)

**57** En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weer tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v57)

**58** En al de verbrekers van de wet hielden raad, en zeiden: Zie, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen samen in één nacht grijpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v58)

**59** En zij reisden heen en beraadslaagden met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v59)

**60** En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond in het geheim brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, maar zij konden niet, omdat hun raad aan deze bekend werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v60)

**61** En zij grepen van de mannen van het land, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v61)

**62** En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op wat daar afgebroken was, en maakte de stad sterk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v62)

**63** Als Bacchides dat vernam, zo verzamelde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v63)

**64** En hij kwam en sloeg zijn kamp op tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v64)

**65** En Jonathan liet zijn broer Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weer met een groot getal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v65)

**66** Hij sloeg Odomer en zijn broers, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn soldaten op te trekken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v66)

**67** Zo zijn Simon en die met hem waren uitgevallen uit de stad, en verbrandden de instrumenten van geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v67)

**68** En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem geheel zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v68)

**69** En zij werden boos in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v69)

**70** En Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v70)

**71** En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v71)

**72** En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en teruggekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weer ondernomen in hun gebied te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v72)

**73** En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/9.html#v73)

### 1 Makkabeeën 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/10.json)

*1 Alexander, de zoon van Antiochus Epifanes, neemt Ptolomaïs in. 2 Demetrius trekt tegen hem op met grote macht, 3 en zoekt Jonathan aan zijn zijde te krijgen. 15 wat ook Alexander doet. 17 Hij schrijft met dat doel brieven aan Jonathan, hem het hogepriesterschap belovend, wat Jonathan aanneemt. 22 Demetrius schrijft daartegenover aan de Joden, om hen aan zijn zijde te houden, hun veel vrijheden en gaven belovend. 47 Maar de Joden vinden het goed het te houden met Alexander. 49 Deze twee koningen leveren elkaar slag, waarin Demetrius omkomt. 51 Alexander vraagt ten huwelijk de dochter van Ptolomeüs, koning van Egypte, 56 die hem gegeven wordt. 58 De bruiloft wordt gehouden te Ptolomaïs, 59 waarop ook Jonathan genodigd en heerlijk ontvangen wordt. 67 Ondertussen zendt Demetrius, de zoon van de verslagene, een grote krijgsmacht onder zijn overste Apollonius, die Jonathan uitdaagt, 75 die Joppe inneemt, en Apollonius verslaat bij Azotus, dat Jonathan inneemt en verbrandt met de tempel van Dagon, 88 waarover Jonathan door Alexander zeer geëerd wordt.*

**1** En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v1)

**2** En de koning Demetrius dat horende, verzamelde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v2)

**3** En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem enorm te verheffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v3)

**4** Want hij zei: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, voordat hij vrede make met Alexander tegen ons; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v4)

**5** Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broers, en tegen zijn volk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v5)

**6** En hij gaf hem macht om soldaten te verzamelen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn metgezel in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v6)

**7** En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v7)

**8** En zij vreesden met grote vrees, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om soldaten te verzamelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v8)

**9** En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weer aan hun ouders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v9)

**10** En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v10)

**11** En hij gebood de arbeiders, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een vesting, en zij deden zo. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v11)

**12** En de vreemdelingen, die in de vesting waren, die Bacchides had gebouwd, vluchtten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v12)

**13** En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v13)

**14** Alleen in Bethsura zijn enige overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v14)

**15** En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broers, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v15)

**16** Zo zei hij: Zouden wij ook zo iemand vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v16)

**17** En hij schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v17)

**18** De koning Alexander wenst zijn broer Jonathan voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v18)

**19** Wij hebben van u gehoord, dat u een machtig man bent in sterkte, en dat u bekwaam bent om onze vriend te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v19)

**20** En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat u het met ons houdt, en dat u met ons vriendschap onderhoudt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v20)

**21** En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest van de Loofhutten, en hij verzamelde oorlogsvolk, en maakte vele wapenen gereed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v21)

**22** Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v22)

**23** Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v23)

**24** Ik zal ook aan hen schrijven woorden van terechtwijzing, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v24)

**25** En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk van de Joden voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v25)

**26** Dat u de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven bent in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v26)

**27** En nu blijft nog daarin, dat u ons trouw houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor wat u ons doet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v27)

**28** Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v28)

**29** En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de accijns van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v29)

**30** En van de helft van de boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat u die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v30)

**31** En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar gebied, en tienden, en tollen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v31)

**32** Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zulke mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v32)

**33** En alle ziel van de Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn hele koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de belastingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v33)

**34** En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v34)

**35** Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v35)

**36** En uit de Joden zullen tot de soldaten van de koning aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, zoals past de soldaten van de koning. En uit hen zullen gesteld worden enige in de grote vestingen van de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v36)

**37** En uit deze zullen ook gesteld worden over de zaak van het koninkrijk, waar trouw in gelegen is; en die daarover zijn en hun oversten zullen daaruit gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, zoals ook de koning bepaald heeft in het land Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v37)

**38** En voor wat betreft de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v38)

**39** De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v39)

**40** En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver van de rekeningen van de koning uit de plaatsen die hem toebehoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v40)

**41** En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, zoals in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v41)

**42** En boven deze, de vijfduizend sikkels zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, zoals in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen van het heiligdom, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v42)

**43** En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al het gebied daarvan het recht van de koning, of enige andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v43)

**44** En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken van het heiligdom zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v44)

**45** Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning; en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v45)

**46** Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v46)

**47** Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v47)

**48** En de koning Alexander verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op tegen Demetrius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v48)

**49** En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v49)

**50** En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang van de zon toe, zo viel Demetrius op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v50)

**51** En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v51)

**52** Omdat ik teruggekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon van mijn vaders, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weer heb veroverd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v52)

**53** En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v53)

**54** Laat ons dan nu met elkaar vriendschap maken, en geef nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uw waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v54)

**55** En de koning Ptolomeüs antwoordde, en zei: Gelukkig is de dag, waarop u bent teruggekeerd in het land van uw vaders, en gezeten bent op de troon van hun koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v55)

**56** En nu ik zal u doen wat u geschreven hebt; maar kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkaar mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, zoals u gezegd hebt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v56)

**57** En Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v57)

**58** En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, zoals de koningen, in grote heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v58)

**59** En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v59)

**60** En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v60)

**61** En daar verzamelden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers van de wet, om hem te beschuldigen. Maar de koning lette op hen niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v61)

**62** Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn kleren zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, dat zij deden; en de koning zette hem bij zich; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v62)

**63** En zei tot zijn oversten: Ga uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v63)

**64** En het gebeurde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, zoals uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vluchtten zij allen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v64)

**65** En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van de soldaten, en tot een metgezel in de regering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v65)

**66** En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v66)

**67** En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v67)

**68** En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weer naar Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v68)

**69** En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v69)

**70** Zult u alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaad geworden; waarom maakt u de meester tegen ons in de bergen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v70)

**71** Nu dan, als u zich vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkaar strijden, want bij mij is de macht van de steden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v71)

**72** Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaders tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v72)

**73** En nu, u zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v73)

**74** Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoos tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broer, ontmoette hem, om hem te helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v74)

**75** En hij sloeg zijn kamp op tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v75)

**76** En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v76)

**77** Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel soldaten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v77)

**78** En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok hij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v78)

**79** En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v79)

**80** En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v80)

**81** En Jonathan vernam dat achter hem een hinderlaag gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk vroeg in de morgen tot de avond, en het volk stond stil zoals Jonathan bevolen had; en hun paarden waren vermoeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v81)

**82** En Simon, zijn soldaten voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was vermoeid, en zij werden door hem geslagen en zij vluchtten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v82)

**83** En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vluchtte naar Azote, en begaf zich in Beth-Dagon, dat was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v83)

**84** En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevlucht waren, met vuur. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v84)

**85** En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot achtduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v85)

**86** En Jonathan trok vandaar op, en sloeg zijn kamp op tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v86)

**87** En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v87)

**88** En het gebeurde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v88)

**89** En hij zond hem een gouden gesp, zoals de gewoonte is, dat de bloedvrienden van de koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar gebied tot een erfgift. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/10.html#v89)

### 1 Makkabeeën 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/11.json)

*1 Ptolomeüs, koning van Egypte, komt met grote krijgsmacht in Syrië, onder het mom zijn schoonzoon bij te staan, en neemt de zeesteden in. 9 Hij spant samen met Demetrius tegen zijn schoonzoon, aan wie hij zijn dochter ontneemt, en geeft haar aan Demetrius. 13 Hij zet de kroon van Azië op. 15 Hij verslaat Alexander, die naar Arabië vlucht, en Zabdiël slaat hem het hoofd af. 18 Ptolomeüs sterft kort daarna, en Demetrius wordt koning in zijn plaats. 20 Jonathan belegert de burcht. 24 Hij trekt naar de koning met geschenken, die hem verhoogt en in het hogepriesterschap bevestigt. 30 De brief van Demetrius aan Jonathan en de Joden. 37 Demetrius dankt de vreemde krijgsknechten af, die daarom op hem vertoornd zijn. 38 Een zekere Tryfon brengt Antiochus, de zoon van Alexander, voor de dag, om in zijns vaders plaats te regeren. 41 Demetrius zoekt hulp bij Jonathan, die hem drieduizend Joden zendt. 44 De inwoners van Antiochië komen in opstand tegen Demetrius, die naar het hof vlucht, en de Joden verlossen hem, waarbij zij honderdduizend mannen doodslaan. 52 Demetrius is ondankbaar jegens de Joden. 53 Tryfon maakt de jonge Antiochus koning, en krijgt Jonathan aan zijn zijde, 59 die Askelon en Gaza inneemt, 64 evenals zijn broer Simon Bethsura. 67 Jonathans volk wordt op de vlucht gedreven, doch weer bijeengebracht, en verslaat hun vijanden.*

**1** De koning van Egypte verzamelde veel soldaten, zoals daar is het zand aan de oever van de zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v1)

**2** En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v2)

**3** En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad soldaten tot bezetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v3)

**4** En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v4)

**5** En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v5)

**6** En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij groetten elkaar en zij sliepen daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v6)

**7** En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v7)

**8** De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v8)

**9** En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Nu dan, laat ons met elkaar een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en u zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v9)

**10** Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven, want hij heeft mij gezocht te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v10)

**11** En hij maakte hem veracht, omdat hij zijn koninkrijk begeerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v11)

**12** En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v12)

**13** En Ptolomeüs kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke hoeden, één van Azië, en één van Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v13)

**14** En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de inwoners van deze plaats afvielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v14)

**15** En Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs trok uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v15)

**16** En Alexander vluchtte naar Arabië, opdat hij daar mocht beschermd zijn. Maar de koning Ptolomeüs werd verhoogd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v16)

**17** En Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v17)

**18** En de koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn vestingen waren, werden omgebracht door degenen, die in die vestingen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v18)

**19** En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v19)

**20** In die dagen verzamelde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v20)

**21** En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v21)

**22** En hij, dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij meteen aan, en kwam te Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v22)

**23** Dat Jonathan, verstaan hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van de ouderlingen van Israël, en van de priesters, en begaf zichzelf in het gevaar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v23)

**24** En hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke kleren, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond genade bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v24)

**25** En enige goddelozen uit het volk van de Joden beschuldigden hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v25)

**26** Maar de koning deed hem, zoals hem gedaan hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde hem in aanwezigheid van al zijn vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v26)

**27** En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v27)

**28** En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken, en het land van Samarië vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v28)

**29** En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v29)

**30** De koning Demetrius wenst zijn broer Jonathan, en het volk van de Joden, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v30)

**31** Het afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van u, schrijven wij ook aan u, opdat u het mag zien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v31)

**32** Wij hebben voorgenomen aan het volk van de Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden wat recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid tegenover ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v32)

**33** Daarom hebben wij hun toegelegd het gebied van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, die van het land van Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al wat daaraan behoort, geven wij aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas van de aarde, en van de boomvruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v33)

**34** En al de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen vergunnen wij hun, van nu af. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v34)

**35** En geen ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v35)

**36** Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt wordt, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame en beroemde plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v36)

**37** En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn soldaten laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgezonderd het vreemde oorlogsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom zijn al de soldaten, die hij van zijn vaders ontvangen had, hem hatende geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v37)

**38** En daar was een zekere Tryfon onder degenen die vroeger aan Alexanders zijde waren, die ziende dat al de soldaten tegen Demetrius morden, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v38)

**39** En hij hield bij hem aan, dat hij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in de plaats van zijn vader koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn soldaten hem vijandig waren, en hij bleef daar vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v39)

**40** En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de vestingen waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v40)

**41** En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v41)

**42** U zult dan nu wel doen, dat u mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al mijn soldaten mij zijn afgevallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v42)

**43** En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v43)

**44** En die van de stad verzamelden in het midden van de stad, ongeveer honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v44)

**45** En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen van de stad in, en begonnen hem te bestrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v45)

**46** En de koning riep de Joden te hulp, en zij verzamelden allen samen bij hem, en verstrooiden zich door de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v46)

**47** En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v47)

**48** En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, zoals zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v48)

**49** Zeggende: Geef ons de rechterhand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v49)

**50** En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden weer naar Jeruzalem, hebbende grote buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v50)

**51** En de koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v51)

**52** En hij hield zich niet aan wat hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die hij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v52)

**53** En na deze is Tryfon teruggekeerd, en Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de kroon op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v53)

**54** En tot hem verzamelden zich al de soldaten, die Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vluchtte, en werd op de vlucht gedreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v54)

**55** En Tryfon kreeg de beesten, en bemachtigde de stad van Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v55)

**56** En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat u één van de vrienden van de koning zult zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v56)

**57** En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v57)

**58** En hij stelde zijn broer Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot het gebied van Egypte toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v58)

**59** En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de oorlogsmachten van Syrië verzamelden zich bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v59)

**60** En hij vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde, belegerde hij haar rondom, en verbrandde haar voorsteden met vuur, en plunderde ze. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v60)

**61** En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen van hun oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damascus toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v61)

**62** Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel soldaten, willende hem uit dat land verdrijven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v62)

**63** Is hun tegemoet getrokken; en liet zijn broer Simon in het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v63)

**64** En Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v64)

**65** En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v65)

**66** Maar Jonathan sloeg zijn kamp op met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en vroeg in de morgen trokken zij naar het vlakke veld Nazor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v66)

**67** En ziet, het leger van de vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v67)

**68** En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde hun slag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v68)

**69** En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet één van deze bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van de soldaten van het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v69)

**70** En Jonathan verscheurde zijn kleren, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v70)

**71** En hij keerde weer tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vluchtten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v71)

**72** Dat ziende degenen, die van hem gevlucht waren, keerden weer tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij sloegen hun kamp op daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v72)

**73** En daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weer naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/11.html#v73)

### 1 Makkabeeën 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/12.json)

*1 Jonathan vernieuwt het verbond met de Romeinen en de Spartanen. 5 Zijn brief aan de Spartanen, 19 en hun brief die eertijds aan de hogepriester Onias geschreven was. 24 De krijgsmacht van Demetrius, die Jonathan meende te overvallen, vlucht uit vrees, 30 en wordt door Jonathan vervolgd. 33 Simon neemt Joppe in. 35 Jonathan bouwt vestingen in Judea, en versterkt Jeruzalem. 39 Tryfon, die zichzelf koning van Azië wilde maken, vreest Jonathan, 43 en lokt hem met bedrog binnen Ptolomaïs, 48 waar hij hem opsluit, 49 en zijn krijgsvolk naar Galilea zendt om Jonathans volk te verslaan, maar richt niets uit.*

**1** Jonathan zag dat de gelegenheid van de tijd hem gunstig was; hij verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weer te vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v1)

**2** En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen brieven van dezelfde inhoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v2)

**3** En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk van de Joden hebben ons gezonden, om weer voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, zoals tevoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v3)

**4** En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in het land Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v4)

**5** En dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v5)

**6** Jonathan de hogepriester, en de raad van het volk, en de priesters, en het andere volk van de Joden wensen de Spartiaten, hun broers, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v6)

**7** Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat u onze broers bent, zoals het afschrift hier onder gesteld bewijst, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v7)

**8** En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan van gemeenschap van wapenen, en vriendschap; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v8)

**9** Hoewel wij dan dit nu niet nodig hebben, als die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v9)

**10** Zo hebben wij toch ons onderwonden aan u te zenden, om de broerschap en vriendschap, die wij met u hebben, weer te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sinds u aan ons hebt gezonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v10)

**11** Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder ophouden aan u gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de offergaven die wij offeren, en ook in onze gebeden, zoals het behoort en passend is de broers gedachtig te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v11)

**12** En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v12)

**13** Wat ons betreft, vele verdrukkingen en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v13)

**14** Wij hebben dan u en onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v14)

**15** Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v15)

**16** Zo hebben wij dan gekozen Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weer te vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v16)

**17** En wij hebben hun bevolen, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broerschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v17)

**18** En verder zult u wel doen, dat u ons hierop antwoordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v18)

**19** Dit is het afschrift van de brieven, die zij aan Onias gezonden hebben; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v19)

**20** Areüs, de koning van de Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v20)

**21** Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broers zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v21)

**22** En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben, zo zult u wel doen, dat u ons schrijft van uw welstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v22)

**23** En wij schrijven u weer, uw vee en al wat u hebt, is ons, en al wat wij hebben, is van u. Wij hebben dan enige bevolen, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v23)

**24** En Jonathan, horende dat de oversten van de koning Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v24)

**25** Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v25)

**26** En hij zond spionnen in zijn leger, die, teruggekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen in de nacht te overvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v26)

**27** Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de hele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v27)

**28** En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v28)

**29** En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v29)

**30** En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v30)

**31** En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v31)

**32** En optrekkende, kwam hij naar Damascus, en trok door het hele land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v32)

**33** En Simon trok uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste vestingen, en week heen naar Joppe, en nam het in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v33)

**34** Want horende, dat zij de vesting wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v34)

**35** En Jonathan keerde weer, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om vestingen te bouwen in Judea; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v35)

**36** En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch verkopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v36)

**37** En zij verzamelden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v37)

**38** En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendels. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v38)

**39** En Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een kroon op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v39)

**40** En vrezende, dat Jonathan hem dat mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v40)

**41** En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v41)

**42** En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v42)

**43** Maar ontving hem met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen als hemzelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v43)

**44** En hij sprak Jonathan zo aan: Waarom hebt u al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v44)

**45** Nu dan zend deze weer naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinig mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere vestingen, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal terugkeren en vertrekken, want vanwege deze oorzaak ben ik hier. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v45)

**46** En hij, hem gelovende, deed zoals hij zei, en hij zond de soldaten heen, en zij trokken naar het land van Juda. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v46)

**47** En hij liet bij zich blijven drieduizend man, waarvan hij tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken met hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v47)

**48** Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v48)

**49** En Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om te vernietigen allen, die met Jonathan waren geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v49)

**50** Maar zij, verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij elkaar, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v50)

**51** En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn teruggekeerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v51)

**52** En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het hele Israël bedreef zeer grote rouw. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v52)

**53** Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te vernietigen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v53)

**54** Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun herinnering uit de mensen uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/12.html#v54)

### 1 Makkabeeën 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/13.json)

*1 Simon komt in de plaats van zijn broer Jonathan. 10 Hij versterkt de stad Jeruzalem en neemt Joppe in. 12 Tryfon komt met een grote krijgsmacht in Judea. 15 Hij eist duizend talenten om Jonathan vrij te laten, en de twee zonen van Jonathan tot gijzelaars. 17 Die Simon hem zendt. 23 Toch doodt Tryfon Jonathan, 25 wiens gebeente Simon heerlijk begraaft te Modin. 31 Tryfon doodt de jonge koning Antiochus, en maakt zichzelf koning van Azië. 33 Simon bouwt de vestingen in Judea op, en zendt bericht aan koning Demetrius, 36 die hem schrijft en de Joden vele vrijheden belooft. 43 Simon neemt de stad Gaza in en reinigt haar van alle afgoderij, 49 en zij die in de burcht zijn geven zich aan hem over, 53 waar hij gaat wonen, 54 en hij stelt zijn zoon Johannes aan tot veldoverste.*

**1** En Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het te verdrukken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v1)

**2** En ziende dat het volk zeer angstig en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en verzamelde het volk, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v2)

**3** En vermaande hen, en zei tot hen: U weet zelf, wat ik en mijn broers, en het huis van mijn vader gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v3)

**4** Daarom zijn al mijn broers omgekomen, omwille van Israël, en ik alleen ben overgebleven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v4)

**5** En nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen in enige tijd van de verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v5)

**6** Maar ik zal wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen; daar al de heidenen samen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap te vermorzelen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v6)

**7** En hij wekte de geest van het volk op, doordat zij deze woorden hoorden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v7)

**8** En zij antwoordden met een luide stem zeggende: U bent onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v8)

**9** Voer onze oorlog, en wij zullen alles doen wat u ons zult zeggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v9)

**10** En hij verzamelde alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v10)

**11** En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef daar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v11)

**12** En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v12)

**13** Simon nu sloeg zijn kamp op in Adidis, tegenover het vlakke veld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v13)

**14** En Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broer Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v14)

**15** Zeggende: Wij houden uw broer Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan de schatkamer van de koning schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v15)

**16** Zend dan nu honderd talenten zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat, als hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v16)

**17** En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, opdat hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op zich zou laden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v17)

**18** Die zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn broer omgekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v18)

**19** Hij zond dan de zoontjes en honderd talenten; maar hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan niet los. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v19)

**20** En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v20)

**21** En die in de burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door de woestijn, en hun proviand toezenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v21)

**22** Tryfon dan maakte al zijn ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v22)

**23** En toen hij tot Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v23)

**24** En Tryfon keerde weer, en trok naar zijn land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v24)

**25** En Simon, enige zendende, nam de beenderen van zijn broer Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad van zijn vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v25)

**26** En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v26)

**27** En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broers, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v27)

**28** En hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v28)

**29** En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v29)

**30** Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, dat nog is tot op deze dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v30)

**31** En Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, en doodde hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v31)

**32** En regeerde als koning in zijn plaats; en zette de kroon van Azië op, en bracht een grote plaag over het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v32)

**33** En Simon bouwde de vestingen van Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote muren en torens, en poorten, en grendels; en bestelde proviand in de vestingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v33)

**34** En Simon verkoos enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijstelling zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v34)

**35** En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v35)

**36** De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend van de koningen, en de ouderlingen, en het hele Joodse volk, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v36)

**37** De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die u mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de belastingen gesteld zijn, dat zij u vrijstelling verlenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v37)

**38** Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de vestingen, die u gebouwd hebt, zullen van u zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v38)

**39** Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van vandaag, en de kroongelden die u schuldig bent; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v39)

**40** En zo er enige onder u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven worden, en laat tussen ons vrede zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v40)

**41** In het honderdenzeventigste jaar is het juk van de heidenen van Israël weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v41)

**42** En het volk van Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v42)

**43** In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v43)

**44** En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar gebeurde een grote onrust in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v44)

**45** En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun kleren verscheurende, en riepen met een luide stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v45)

**46** En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v46)

**47** En Simon liet zich bewegen over hen, en vernietigde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, voor God lofzingende en dankende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v47)

**48** En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v48)

**49** Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, en velen van hen stierven van honger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v49)

**50** En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v50)

**51** En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v51)

**52** En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging zou gevierd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v52)

**53** En hij versterkte de berg van de tempel, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met al de zijnen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v53)

**54** Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al de soldaten, en hij woonde in Gazara. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/13.html#v54)

### 1 Makkabeeën 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/14.json)

*1 Koning Demetrius, optrekkend tegen Tryfon, wordt gevangengenomen door de koning van Medië. 4 Grote rust in Judea onder het bewind van Simon. 10 Die alles goed verzorgt. 16 De Romeinen en Spartanen vernieuwen het verbond met de Joden. 20 De brieven van de Spartanen aan Simon. 24 Numenius wordt naar Rome gezonden met geschenken. 26 Een gedenkschrift van alle weldaden van Simon en zijn broers, aan de Joden bewezen, wordt opgericht op de berg Sion, in koperen platen, en in de schatkist bewaard.*

**1** In het honderdtweeënzeventigste jaar verzamelde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar Medië, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te bevechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v1)

**2** Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn gebied was gekomen, zond hij één van zijn oversten om hem levend te krijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v2)

**3** Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v3)

**4** Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v4)

**5** En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden van de zee een ingang vonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v5)

**6** En hij verbreidde zijn volk hun gebied, en bemachtigde het land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v6)

**7** En hij verzamelde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v7)

**8** Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen van het veld hun vruchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v8)

**9** De oude zaten op de straten, en spraken allen met elkaar van goede dingen, en de jongemannen deden heerlijke oorlogskledingen aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v9)

**10** De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste van de aarde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v10)

**11** Hij maakte vrede in het land en Israël verheugde zich met grote verheuging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v11)

**12** En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v12)

**13** Want die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld in die dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v13)

**14** Hij versterkte al de nederigen van zijn volk; hij onderzocht ijverig de wet, en nam weg alle verbrekers van de wet en alle bozen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v14)

**15** Het heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde de voorwerpen van het heiligdom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v15)

**16** Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v16)

**17** En horende, dat Simon, zijn broer, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v17)

**18** Schreven zij aan hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen met hem weer te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v18)

**19** En deze brieven werden gelezen voor de hele gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift van de brieven, die de Spartiaten zonden: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v19)

**20** De overste en de stad van de Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere volk van de Joden, hun broers, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v20)

**21** De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest over hun komst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v21)

**22** En wij hebben geschreven wat zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, zo: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten van de Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v22)

**23** En het heeft ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe bestemd, opdat het volk van de Spartiaten daarvan herinnering hebbe. En het afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v23)

**24** Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap van de wapenen te bevestigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v24)

**25** Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v25)

**26** Want hij, en zijn broers, en zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v26)

**27** En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v27)

**28** In Sarameli, in de grote vergadering van de priesters en van het volk, en van de oversten van het volk, en van de ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, omdat in het land dikwijls oorlogen zijn ontstaan: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v28)

**29** Dat Simon, de zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn broers, zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v29)

**30** Nadat Jonathan hun volk verzameld had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v30)

**31** Als hun vijanden in hun land wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v31)

**32** Zo is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de mannen van de oorlogsmacht van zijn volk, en gaf hun soldij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v32)

**33** En versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen van de vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse mannen tot bezetting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v33)

**34** En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in het gebied van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v34)

**35** Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v35)

**36** Zodat in zijn tijd alles voorspoedig is geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad van David waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitrukkend alles rondom het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder de geheiligden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v36)

**37** En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v37)

**38** En de koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v38)

**39** En hij maakte hem één van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v39)

**40** Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v40)

**41** En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v41)

**42** Dat hij hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die over het land en over de wapenen en over de vestingen de wacht zouden houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v42)

**43** Dat hij ook zou verzorgen wat het heiligdom betreft, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v43)

**44** En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken wat van hem zal worden gezegd, of enige vergadering in het land te verzamelen zonder hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met een gouden gesp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v44)

**45** Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v45)

**46** En het werd goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v46)

**47** En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk van de Joden, en van de priesters, en over allen te gebieden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v47)

**48** En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v48)

**49** En dat het afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/14.html#v49)

### 1 Makkabeeën 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/15.json)

*1 Antiochus, de zoon van Demetrius, schrijft aan Simon een vriendelijke brief. 5 Waarin hij de Joden alle vrijheden bevestigt die hun door de voorgaande koningen toegestaan waren, en belooft daarbij nog andere. 10 Hij trekt op tegen Tryfon, die voor hem vlucht en in de stad Dora belegerd wordt. 16 De Romeinen schrijven aan verscheidene koningen en landen ten gunste van de Joden, dat niemand hun schade zou berokkenen, omdat zij hun bondgenoten zijn. 26 Simon zendt volk en geld aan Antiochus, wat hij niet wil ontvangen, 28 maar hij zendt Athenobius aan Simon, om Joppe en Gadara terug te eisen, of vijfhonderd talenten daarvoor, 33 wat Simon weigert, 36 waarover de koning vertoornd raakt en Kendebeüs met krijgsvolk naar Judea zendt, om de Joden te beoorlogen.*

**1** En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden van de zee aan Simon, de priester en overste van de Joden, en aan al het volk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v1)

**2** En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk van de Joden voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v2)

**3** Omdat enige slechte mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weer te verkrijgen, om dat te herstellen, zoals het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde soldaten aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v3)

**4** En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, mag bekomen [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v4)

**5** Nu dan ik bevestig u al de vrijstellingen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v5)

**6** En ik laat u toe, dat u een eigen munt mag slaan voor uw land. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v6)

**7** Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die u bereid hebt, en de vestingen, die u gebouwd en die u nu hebt, die zullen van u blijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v7)

**8** En al wat u de koning schuldig bent, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, van nu af en altijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v8)

**9** En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat uw heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v9)

**10** In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land van zijn vaders, en al de oorlogsmachten kwamen samen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v10)

**11** En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v11)

**12** Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de soldaten verlieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v12)

**13** En Antiochus sloeg zijn kamp op tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v13)

**14** En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee samen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of in trekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v14)

**15** Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, waarin deze dingen geschreven waren: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v15)

**16** Lucius, burgemeester van de Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v16)

**17** De gezanten van de Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap van de wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk van de Joden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v17)

**18** En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v18)

**19** Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen bevechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v19)

**20** En wij hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v20)

**21** Als er dan enige slechte mensen uit hun landen tot u gevlucht zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v21)

**22** Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v22)

**23** En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v23)

**24** En het afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v24)

**25** En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v25)

**26** En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele voorwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v26)

**27** En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al wat hij met hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v27)

**28** En hij zond aan hem Athenobius, één van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zei: U hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v28)

**29** U hebt het gebied daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en u hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v29)

**30** Nu dan geeft weer over de steden, die u ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die u vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v30)

**31** Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee u verwoest hebt, en voor de tollen van de plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v31)

**32** En Athenobius, de vriend van de koning, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn verzameling drinkbekers, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v32)

**33** En Simon, antwoordende, zei tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben van een ander goed niet bemachtigd, maar de erfenis van onze vaders, die door onze vijanden onrechtmatig bij zekere gelegenheid bemachtigd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v33)

**34** En wij hebben gelegenheid gekregen, en de erfenis van onze vaders weer tot ons gebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v34)

**35** En wat betreft Joppe en Gazara, die u eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, toch zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet één woord; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v35)

**36** En hij keerde weer tot de koning met toorn, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v36)

**37** Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v37)

**38** En de koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem soldaten, te voet en te paard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v38)

**39** En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou bevechten. En de koning vervolgde Tryfon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v39)

**40** En Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v40)

**41** En stelde daarin op ruiters en soldaten, opdat zij uitrukkend de wegen van Judea zouden doorlopen, zoals de koning hem bevolen had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/15.html#v41)

### 1 Makkabeeën 16

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/1makkabeeen/16.json)

*1 Simon zendt zijn twee oudste zonen Judas en Johannes tegen Kendebeüs, 5 die hem in het vlakke veld aanvallen en op de vlucht slaan. 9 Judas wordt gewond, en Johannes vervolgt de vijanden. 11 Ptolomeüs, overste van Jericho, de schoonzoon van Simon, nodigt zijn schoonvader te gast op het kasteel Dok, 17 en vermoordt hem met twee van zijn zonen, 18 en schrijft aan de koning om hulp. 19 Hij zendt naar Gazara om ook Johannes om te brengen, en eveneens om Jeruzalem in te nemen. 21 Johannes, gewaarschuwd zijnde, doodt hen die gezonden waren om hem te doden, 23 en wordt hogepriester in zijns vaders plaats.*

**1** En Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v1)

**2** En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zei tot hen: Ik en mijn broers, en het huis van mijn vader hebben de vijanden van Israël beoorloogd van de jeugd aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v2)

**3** Maar ik ben nu oud geworden, en u bent nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk van de barmhartigheid. Wees dan in mijn plaats en in de plaats van mijn broer, en trek op en strijd voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met u. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v3)

**4** En hij verkoos uit het land twintigduizend strijdbare mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v4)

**5** En vroeg in de morgen opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v5)

**6** Hij en zijn volk sloegen hun kamp op recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v6)

**7** En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden van het voetvolk, maar de ruiterij van de vijanden was zeer veel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v7)

**8** En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten naar de vesting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v8)

**9** Toen werd Judas, de broer van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v9)

**10** En zij vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van deze vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weer naar het land Juda met vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v10)

**11** En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v11)

**12** Want hij was de schoonzoon van de hogepriester. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v12)

**13** En zijn hart werd hoogmoediger, en hij wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v13)

**14** En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij nodig hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v14)

**15** En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine vesting, genoemd Dok, die hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v15)

**16** En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enige van zijn knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v16)

**17** En beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v17)

**18** Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem soldaten te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v18)

**19** En hij zond anderen naar Gazara, om Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v19)

**20** En hij zond anderen om Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v20)

**21** En één, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broers, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v21)

**22** En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v22)

**23** Wat nu Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v23)

**24** Zie, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/1makkabeeen/16.html#v24)

## 2 Makkabeeën

### 2 Makkabeeën 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/1.json)

*1 Een brief van de Joden te Jeruzalem, geschreven aan de Joden in Egypte, 11 waarin zij te kennen geven dat Antiochus, hun vervolger, omgekomen was in de tempel van Nanea, 18 en dat zij daarover een feest zouden houden op de vijfentwintigste van de maand Chasleu, hen vermanend dat ook te doen. 19 En zij verhalen dat Nehemia het vuur van het altaar zou hebben gevonden, dat Jeremia in de holte van een put zou hebben verborgen. 24 Ook wordt het gebed beschreven dat Nehemia zou hebben gedaan toen dit vuur tevoorschijn werd gebracht. 33 Dat de koning van Perzië, dit vernemend, de plaats omheind heeft, 36 en Nephtar genoemd.*

**1** De broers, de Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn, wensen de broers, de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v1)

**2** God doe u goed en gedenke aan Zijn verbond dat Hij gemaakt heeft met Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v2)

**3** En geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige ziel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v3)

**4** En opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve u vrede. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v4)

**5** En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v5)

**6** Nu zijn wij ook hier voor u biddende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v6)

**7** Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v7)

**8** Dat zij de voorpoort verbrand, en onschuldig bloed vergoten hebben; en wij de Heere baden, en verhoord zijn, en offerden slachtoffers, en zemelmeel, en ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden voor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v8)

**9** Houd dan nu de dagen van de Loofhutten in de maand Chasleu. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v9)

**10** In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad van de ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde uit het geslacht van de gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v10)

**11** Uit grote gevaren door God verlost zijnde, danken wij hem enorm alsof wij tegen de koning hadden gestreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v11)

**12** Want hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v12)

**13** Want de overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk scheen te wezen, zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v13)

**14** Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen mocht; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v14)

**15** Dat hem de priesters van Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen gekomen was in de omgang van de tempel, zo sloten zij de tempel toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v15)

**16** En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur van het gewelf, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v16)

**17** In alles zij onze God geprezen, die de goddelozen tot straf heeft gegeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v17)

**18** Wij dan op de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden, hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat u het ook houdt als het feest van de loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende, slachtoffer geofferd heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v18)

**19** Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, in het geheim van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v19)

**20** En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen van de priester, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v20)

**21** Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen; en als wat tot de offergaven behoorde geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag, te besprengen met dat water. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v21)

**22** Dat gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weer scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v22)

**23** En als de offergave verteerd werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mee eenstemmig dat volgende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v23)

**24** En het gebed gebeurde op deze wijze: Heere, Heere God, die een schepper bent van alle dingen, U die vreselijk bent, en sterk, en rechtvaardig, en een Ontfermer, U die alleen koning bent, en goedertieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v24)

**25** U die alleen milddadig bent, alleen rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, U die Israël behoudt van alle kwaad, U die onze vaders hebt gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v25)

**26** Ontvang deze offergave voor al Uw volk Israël, en bewaar Uw deel, en heilig hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v26)

**27** Vergader weer onze verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat U onze God bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v27)

**28** Pijnig hen, die ons overheersen, en die ons in trots smaad aandoen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v28)

**29** Plant Uw volk in deze Uw heilige plaats, zoals Mozes gesproken heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v29)

**30** En de priesters zongen ondertussen lofzangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v30)

**31** En als de offergave verteerd was, zo gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven was, te gieten op grote stenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v31)

**32** Dat gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen aan scheen, werd het water verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v32)

**33** En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offergave had geheiligd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v33)

**34** En de koning voor goed kennende deze zaak, heeft die plaats omheind en heilig gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v34)

**35** En degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven genomen en medegedeeld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v35)

**36** En Nehemia noemde het Neftar, dat overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd Neftar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/1.html#v36)

### 2 Makkabeeën 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/2.json)

*1 Jeremia vermaant de Joden die weggevoerd waren naar Babylon, de wet van de Heere te onderhouden, 4 en verbergt de tabernakel, ark en altaar. 13 Nehemia verzamelt de heilige geschriften, zoals ook Judas de geschriften over de oorlog. 16 De Joden worden uitgenodigd om het feest van de reiniging te vieren. 20 Dat Jason van Cyrene de oorlogen van Judas Makkabeüs en zijn broers beschreven heeft, 25 en dat de schrijver van dit boek dat in een korte samenvatting heeft samengevat.*

**1** Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, zoals verklaard is, en zoals de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v1)

**2** Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de geboden van de Heere, en dat zij niet zouden dwalen in hun verstand, ziende de gouden en zilveren beelden, en hun versiering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v2)

**3** En andere dergelijke dingen hun aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden afwijken van de wet, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v3)

**4** En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, zoals hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v4)

**5** En dat Jeremia daar komende, een woning in de grot gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v5)

**6** En dat enige, die hem gevolgd en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze niet hebben kunnen vinden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v6)

**7** En hoe Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende gezegd heeft, dat die plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v7)

**8** En dat de Heere dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid van de Heere, en de wolk gezien zou worden, zoals die ook aan Mozes is geopenbaard, en zoals Salomo gebeden heeft dat deze plaats enorm zou worden geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v8)

**9** Want het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde, een offergave geofferd heeft tot inwijding en heiliging van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v9)

**10** Hoe ook Mozes tot de Heere een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offergave verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur neerkomende de brandoffers heeft verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v10)

**11** En hoe Mozes zei: Opdat de offergave voor de zonde niet zou gegeten worden, daarom is zij verteerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v11)

**12** Evenzo heeft ook Salomo die acht dagen gevierd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v12)

**13** En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft verzameld de schriften van de koningen en profeten, en de schriften van David, en de brieven van de koningen aangaande de heilige geschenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v13)

**14** Evenzo heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, die ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v14)

**15** Als u ze nodig hebt, zendt mensen aan ons, die ze u mogen brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v15)

**16** Omdat wij dan zullen houden het feest van de reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en u zult dan wel doen, dat u deze dagen viert. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v16)

**17** En God, die al zijn volk heeft behouden, en allen heeft gegeven het erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap en de heiliging; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v17)

**18** Zoals hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weer zal bijeenbrengen in deze heilige plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v18)

**19** Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost en heeft deze plaats gereinigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v19)

**20** Verder, wat betreft de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broers, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding van het altaar; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v20)

**21** En voor wat betreft de oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v21)

**22** En de verschijningen, die van de hemel gebeurd zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk hebben ingezet, zodat zij weinigen zijnde het hele land afgelopen hebben, en menigte van de barbaren hebben vervolgd; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v22)

**23** En dat de tempel, die door de hele bewoonde wereld beroemd is, weer door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weer opgericht zijn; omdat de Heere met alle goedertierenheid hun genadig was geworden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v23)

**24** Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v24)

**25** Want wij, ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor degenen, die de historische verhalen te enen keer willen doorlezen, om de menigte van het stof, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v25)

**26** Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal voorkomen, enig nut toe te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v26)

**27** Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om dit kort begrip te maken, niet licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v27)

**28** Zoals het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij toch graag deze moeite nemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v28)

**29** Latende dan de schrijver de bredere verhandeling van iedere zaak, zullen wij slechts voortgaan met dit kort begrip in het kort af te malen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v29)

**30** Zoals een, die een nieuw huis wil bouwen, zich moet bezighouden met het hele gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, ijverig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v30)

**31** Maar wijdlopig alles te verhandelen, vele redenen te gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal van alle bijzondere stukken, dit behoort tot het werk van de schrijver van de geschiedenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v31)

**32** Maar een kort begrip van wat te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring van de zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift maakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v32)

**33** Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/2.html#v33)

### 2 Makkabeeën 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/3.json)

*1 De godzaligheid van de hogepriester Onias, en de mildheid van de koningen in het begiftigen van de tempel. 4 Ene Simon openbaart aan Apollonius hoe grote schatten in de tempel waren. 7 Heliodorus wordt door de koning gezonden om die weg te nemen. 10 Wat de hogepriester probeert te verhinderen, 14 en waarover grote benauwdheid ontstaat bij de priesters en het volk. 25 Een paard, waarop een gewapend man zat, springt Heliodorus op het lijf, en twee jongelingen geselen hem, zodat hij in onmacht valt. 31 De hogepriester Onias bidt en offert voor hem, opdat hij het leven mag behouden. 35 Heliodorus verhaalt de koning wat hem was overkomen.*

**1** Als de heilige stad in alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden onderhouden, om van de hogepriester Onias' godzaligheid en haat van de boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v1)

**2** Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke gaven verheerlijkten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v2)

**3** Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst van de offergaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v3)

**4** En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v4)

**5** En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd overste was van Celo-Syrië en Fenicië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v5)

**6** En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte van de kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening van de offergaven, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v6)

**7** Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard wat hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus gekozen hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zou. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v7)

**8** En Heliodorus ving meteen de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en van Fenicië wilde doorreizen, maar inderdaad om het voornemen van de koning te volbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v8)

**9** Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester van de stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld wat te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in waarheid waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v9)

**10** De hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd was voor de weduwen en wezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v10)

**11** En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was zoals de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v11)

**12** En dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op de heiligheid van de plaats, en op de eerwaardigheid en vrijstelling van de tempel, die door de hele wereld geëerd is, en dat dit daarom geheel ondoenlijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v12)

**13** Maar Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zei, dat dit geld immers in de schatkamer van de koning moest gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v13)

**14** En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de hele stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v14)

**15** En de priesters in hun priesterlijke kleren, wierpen zich neer voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v15)

**16** En wie het aangezicht van de hogepriester aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v16)

**17** Want vrees en verschrikking van het lichaam had de man bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v17)

**18** En deze liepen met hopen uit de huizen naar het gezamenlijke gebed, omdat deze plaats in verachting zou komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v18)

**19** En de vrouwen, zijnde met zakken omgord onder haar borsten, vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten waren, liepen sommigen samen naar de poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen naar beneden uit de vensters, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v19)

**20** En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende, deden het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v20)

**21** Het was erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkaar gemengd neerviel, en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn benauwdheid was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v21)

**22** Deze dan riepen tot de Heere Almachtig, dat Hij dit geld, dat toevertrouwd was in alle zekerheid onbeschadigd bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v22)

**23** Maar Heliodorus zocht te volbrengen wat besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v23)

**24** Zo heeft de Prins van de geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar samen te komen, door de kracht van God verslagen zijnde, bezweken en in vrees neervielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v24)

**25** Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, dat sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v25)

**26** En daar verschenen voor hem nog twee andere jongemannen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan één van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v26)

**27** En als hij snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen was, namen zij hem samen op, en zetten hem in een draagstoel; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v27)

**28** En hem, die tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in de voorzeide schatkamer was ingegaan, droegen zij weg, zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon geholpen worden, en openlijk de heerschappij Gods bekende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v28)

**29** En hij lag daar, door de Goddelijke kracht, zonder spraak, en verstoken van alle hoop en behoudenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v29)

**30** Maar deze prezen de Heere, dat Hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vrees, en onrust was, doordat de Heere Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v30)

**31** En sommigen van Heliodorus' vrienden hebben in haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen, dat Hij hem, die nu geheel in de uiterste adem lag, het leven zou willen schenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v31)

**32** En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven was, heeft voor de gezondheid van de man offergave gedaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v32)

**33** En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongemannen weer verschenen aan Heliodorus, bekleed zijnde met dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dank de hogepriester Onias enorm, want om zijnentwil heeft u de Heere het leven geschonken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v33)

**34** En u, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht van God. En als zij deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v34)

**35** En Heliodorus, als hij God offergave had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok het leger weer naar de koning; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v35)

**36** En hij getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met Zijn ogen gezien had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v36)

**37** En als de koning Heliodorus vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zei hij: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v37)

**38** Als u een vijand hebt, of een die uw zaken hinderlagen legt, zendt die daar, en u zult hem wel gegeseld weer krijgen, als hij behouden ontkomt, omdat in waarheid in die plaats een kracht van God is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v38)

**39** Want hij, die de hemelse woonstede heeft, is de opziener en helper van die plaats, en hij slaat en verderft die daar komen om kwaad te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v39)

**40** En dit is wat gebeurd is aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/3.html#v40)

### 2 Makkabeeën 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/4.json)

*1 Simon belastert Onias bij de koning, naar wie deze reist om zich te verantwoorden. 7 Toen koning Seleucus gestorven was, heeft Jason, de broer van Onias, het hogepriesterschap gekocht van Antiochus Epifanes, 11 en verandert meteen de godsdienst en regering. 24 Menelaüs, de broer van Simon, naar de koning gezonden zijnde door Jason, koopt van hem het hogepriesterschap voor zichzelf, 29 en stelt zijn broer Lysimachus aan als verzorger daarvan. 32 Menelaüs koopt de stadhouder Andronicus om Onias te vermoorden. 37 De koning laat Andronicus daarom ombrengen. 39 Het volk komt in opstand tegen Lysimachus en doodt hem. 44 Menelaüs, bij de koning beschuldigd zijnde, wordt door hulp van Ptolemeüs vrijgesproken, en zijn beschuldigers worden ter dood veroordeeld.*

**1** De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter was geweest van al dit kwaad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v1)

**2** En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken van het rijk listig bemoeide. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v2)

**3** En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een van degenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v3)

**4** Onias, bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius raasde, als zijnde overste van Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde, is hij getrokken naar de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v4)

**5** Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op wat al de menigte, zowel in het algemeen als in het bijzonder, dienstig zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v5)

**6** Want hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder de voorzorg van de koning de zaken tot vrede zouden kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden van zijn razernij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v6)

**7** Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen, zo heeft Jason, de broer van Onias, onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v7)

**8** En om dat te verkrijgen beloofde hij de koning driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit een ander inkomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v8)

**9** En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, als hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk van de jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v9)

**10** Dat, als de koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had, zo heeft hij meteen zijn volk gebracht tot de wijze van de Grieken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v10)

**11** En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v11)

**12** En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongemannen daartoe had bestemd, leidde hij hen onder de hoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v12)

**13** Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang van de vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v13)

**14** Zodat de priesters niet meer bereidwillig waren om de dienst te doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de offergaven nalatende, beijverden zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats gebeurden, nadat zij anderen beroepen hadden, om met de bal te spelen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v14)

**15** En de eerlijke wijzen van de vaders als niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v15)

**16** Vanwege deze oorzaak is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, van wie de leidingen zij naijverden, en aan wie zij zich in alles gelijk wilden maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v16)

**17** Want goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is geen lichte zaak, maar de volgende tijd zal het openbaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v17)

**18** Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v18)

**19** Zond deze goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende driehonderd drachmen zilver tot een offergave van de afgod Herkules; waarvan die ze brachten toch baden, dat ze tot die offergave niet zouden gebruikt worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v19)

**20** En om degenen die ze brachten, heeft hij ze besteed aan de toerusting van de galeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v20)

**21** En als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde, verder gereisd is naar Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v21)

**22** En zeer heerlijk door Jason en de hele stad ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde, zo is hij daarna met zijn soldaten getrokken naar Fenicië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v22)

**23** En na de tijd van drie jaar zond Jason Menelaüs, van de voorgemelde Simon broer, om de koning het geld te brengen, en om hen in herinnering te brengen enige noodwendige zaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v23)

**24** Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v24)

**25** En de bevelen van de koning ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat van het hogepriesterschap waard was; maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een toorn van een wild barbaars beest hebbende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v25)

**26** En Jason, die zijn eigen broer met bedrog uitgeworpen had, werd door een ander weer met bedrog uitgeworpen en gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v26)

**27** En Menelaüs heeft wel het opperste gezag verkregen, maar hij stelde geheel geen orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v27)

**28** Want hij was gesteld om het geld van de belasting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v28)

**29** Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus, zijn broer, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v29)

**30** En als deze dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan Antiochus, het bijvrouw van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v30)

**31** Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v31)

**32** En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden voorwerpen van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v32)

**33** Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v33)

**34** Waarom Menelaüs, hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem meteen rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v34)

**35** Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v35)

**36** En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, zoals ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v36)

**37** Antiochus, hierover van harte bedroefd zijnde, en tot barmhartigheid geneigd, heeft gehuild over de matigheid en grote geschiktheid van de overledene. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v37)

**38** En in zijn gemoed met toorn ontstoken zijnde, heeft deze meteen Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de hele stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de moordenaar van het leven beroofd, en zo heeft de Heere hem de verdiende straf vergolden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v38)

**39** En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad gebeurden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo verzamelde de menigte tegen Lysimachus, nadat weer veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v39)

**40** En als de menigten op de been geraakt en vol toorn waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v40)

**41** En deze, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen en andere dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen samen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v41)

**42** Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v42)

**43** En over deze zaken werd recht gehouden tegen Menelaüs. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v43)

**44** En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v44)

**45** En Menelaüs, nu verlaten zijnde, beloofde veel geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v45)

**46** Ptolomeüs dan hetzelfde ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v46)

**47** En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v47)

**48** Zo hebben dan haastig een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige voorwerpen deze beschuldiging aangebracht hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v48)

**49** Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer voortreffelijk besteld hebben wat tot hun begrafenis nodig was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v49)

**50** En Menelaüs bleef door de gierigheid van degenen die de macht hadden, in het opperste gezag, toenemende in boosheid, en is geworden een groot verrader van de burgers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/4.html#v50)

### 2 Makkabeeën 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/5.json)

*1 Wonderlijke tekenen aan de hemel gezien door die van Jeruzalem. 5 Jason vermoordt wreed zijn eigen burgers, wordt gedwongen te vluchten, en sterft met schande in ballingschap. 11 Antiochus neemt de stad Jeruzalem in en laat vele duizenden vermoorden en gevangennemen, 15 berooft de tempel, 21 vertrekt naar Antiochië, en laat Apollonius in zijn plaats daar, die ook een grote menigte vermoordt. 27 Judas Makkabeüs vlucht naar de woestijn.*

**1** Omstreeks dezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v1)

**2** En het gebeurde dat door de hele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v2)

**3** En hopen paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkaar gebeurde, en aanlopen tegen elkaar, en beweging van de schilden, een grote menigte van speren, en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v3)

**4** Waarom zij allen baden dat dit visioen ten goede mocht gebeuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v4)

**5** En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen verzameld hebbende, heeft meteen een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vluchtte Menelaüs op de burcht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v5)

**6** En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder iemand te sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenslag was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v6)

**7** Maar hij verkreeg het oppergezag niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande behalende, vluchtte hij, en trok weer in het land Ammonitis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v7)

**8** Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v8)

**9** En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap verdreven had, is in ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken zijnde, alsof hij bij hen omwille van de familie in bescherming zou worden genomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v9)

**10** En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch van zijn vaders graf mogen genieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v10)

**11** De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo gebeurd waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v11)

**12** En gebood de soldaten, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden doodslaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v12)

**13** En er gebeurde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v13)

**14** Zodat in drie dagen tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v14)

**15** En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de hele aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v15)

**16** En met zijn onreine handen de heilige voorwerpen nemende, en wat door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer van de plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v16)

**17** Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hoogmoedig, niet beschouwende, dat vanwege de zonden van degenen, die in de stad woonden, de Heere een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat Hij daarom de plaats niet aanzag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v17)

**18** Want was het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, evenals Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze meteen, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn onverschrokkenheid afgekeerd geweest zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v18)

**19** Maar de Heere heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v19)

**20** En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de goedertierenheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weer door de verzoening met de grote Heere, in alle heerlijkheid opgericht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v20)

**21** Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd talenten weggenomen, is haastig vertrokken naar Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan, door de trots van zijn hart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v21)

**22** En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v22)

**23** En in Garizin Andronicus, en naast deze Menelaüs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v23)

**24** En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongemannen verkopen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v24)

**25** Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, huichelende, dat hij vreedzaam was, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v25)

**26** En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v26)

**27** En Judas, de Makkabeeër, is met negen anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze van de wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben aan de ontreiniging. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/5.html#v27)

### 2 Makkabeeën 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/6.json)

*1 Antiochus laat de tempel naar een heidense afgod noemen, en laat hem schandelijk ontheiligen. 6 Dwingt de Joden de wet van God te verlaten en op de heidense wijze te leven. 10 Twee vrouwen worden omgebracht omdat zij hun zonen hadden besneden; en enigen worden, omdat zij de sabbat hielden, in een spelonk verbrand. 12 Een vermaning aan de lezer waarom God zijn volk zo laat verdrukken. 18 Grote standvastigheid van een Schriftgeleerde, Eleazar, die liever een wrede dood wilde sterven dan de wet van God overtreden.*

**1** En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten van hun vaders, en niet zouden wandelen naar de wetten van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v1)

**2** En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel te Garizin te noemen, (zoals degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v2)

**3** De invoering van deze boosheid was het volk zwaar en moeilijk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v3)

**4** Want de tempel werd vervuld met overdadigheid, en brasserijen van de heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden, en in de heilige galerijen zich vermengden met de vrouwen; en daarenboven dingen daarin brachten die niet betaamden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v4)

**5** En het altaar werd ook met onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v5)

**6** En men mocht geen sabbatten vieren, noch de feestdagen van de vaders onderhouden, noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v6)

**7** En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, om de geboortedag van de koning alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v7)

**8** En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden van de beesten, de afgoden opgeofferd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v8)

**9** En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen over te gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v9)

**10** Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, die zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v10)

**11** En enige anderen, samen lopende in de naaste grotten, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, bij Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v11)

**12** Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot vergelding van ons geslacht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v12)

**13** Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange tijd wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v13)

**14** Want de Heere doet hun niet zoals de andere volken, dat Hij geduldig blijft, totdat Hij hen ontmoet om hen te straffen, als hun zonden vervuld zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v14)

**15** Zo heeft hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons doe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v15)

**16** Daarom neemt hij zijn barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk met tegenslag straffend, verlaat hij het niet. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v16)

**17** Maar dit zij door ons gezegd tot terechtwijzing, en wij zullen met weinig woorden terugkeren tot ons verhaal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v17)

**18** Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v18)

**19** Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v19)

**20** Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen past, die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, die niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te behouden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v20)

**21** En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen huichelen, alsof hij at wat door de koning was bestemd, namelijk het vlees van de offergaven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v21)

**22** Opdat hij, dat doende, van de dood zou vrijgelaten worden, en opdat hij, om de oude vriendschap met hen, genade zou mogen verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v22)

**23** Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid van de ouderdom betaamde, en zijn grijze haar, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v23)

**24** Want, zei hij, het past onze ouderdom niet te huichelen, opdat vele jonge mensen, menende dat Eleazar nu negentig jaar oud zijnde, overgegaan is tot het heidendom, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v24)

**25** Zij ook door mijn huichelen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v25)

**26** Want als ik voor het tegenwoordige zou verlost worden van de straf van de mensen, zo zou ik toch niet ontvluchten, noch levende noch stervende, de handen van de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v26)

**27** Waarom ik nu het leven moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen deze ouderdom waard te zijn, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v27)

**28** En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij meteen gegaan naar de pijnigingsplaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v28)

**29** En die hem leidden, veranderden hun goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem gehad hadden, in kwaadwilligheid, om de voorzegde woorden, die zij achtten waanzin te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v29)

**30** En als hij nu door de slagen sterven zou, zei hij al zuchtende: Aan de Heere, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, omwille van zijn vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v30)

**31** En op deze wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot een herinnering van de deugd nalatende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/6.html#v31)

### 2 Makkabeeën 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/7.json)

*1 Gruwelijke wreedheid door Antiochus begaan aan zeven broers, omdat zij geen varkensvlees wilden eten. 3 Hoe men gehandeld heeft met de eerste, 7 met de tweede, 10 met de derde, 13 met de vierde, 15 met de vijfde, 18 met de zesde, 24 met de zevende en jongste. 27 Wonderbaarlijke kloekmoedigheid van de moeder in het versterken en troosten van haar zonen. 41 Die ook daarna omgebracht is.*

**1** Het gebeurde ook dat zeven broers, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, dat ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v1)

**2** En een van hen, die voor de anderen sprak, zei zo: Wat wilt u ons vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven, dan de wetten van onze vaders te overtreden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v2)

**3** En de koning zeer gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou maken; en als die meteen heet gemaakt waren, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v3)

**4** Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem de huid rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, en dat de andere broers en de moeder dit zouden aanzien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v4)

**5** Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkaar met de moeder kloekmoedig te sterven; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v5)

**6** Sprekende zo: God de Heere ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost worden; zoals Mozes in zijn lied, dat hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienaren zal hij vertroost worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v6)

**7** En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en de huid van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult u nog geen zwijnenvlees eten, voordat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v7)

**8** Maar hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zei tot hen: In geen geval. Waarom deze ook dezelfde pijniging is aangedaan, zoals de eerste. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v8)

**9** En als hij nu in de uiterste adem was, zei hij: U booswicht, u beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding van het leven weer opwekken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v9)

**10** Na deze werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die meteen uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v10)

**11** En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om Zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van Hem zal wederkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v11)

**12** Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v12)

**13** En als ook deze overleden was, hebben zij evenzo de vierde gepijnigd en geslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v13)

**14** En als hij sterven zou, sprak hij zo: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weer opgewekt te worden, maar voor u zal geen opstanding ten leven zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v14)

**15** Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zei tot hem: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v15)

**16** U hebt macht onder de mensen, en hoewel u vergankelijk bent, zo doet u toch wat u wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v16)

**17** Maar u, verwacht en aanschouw Gods grote kracht, hoe Hij u en uw zaad zal pijnigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v17)

**18** Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zei hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen gebeurd die verwondering waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v18)

**19** En u, meen niet dat u onschuldig zult zijn, omdat u het gewaagd hebt tegen God te strijden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v19)

**20** Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede herinnering waard, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Heere; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v20)

**21** Want zij vermaande een ieder van hen in haar moedertaal, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v21)

**22** Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe u in mijn lichaam bent voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v22)

**23** Daarom de Schepper van de wereld, die de geboorte van de mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, zoals u uzelf niet acht omwille van Zijn wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v23)

**24** Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaad aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een terechtwijzing aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem meteen rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v24)

**25** En daar de jongeling in geen geval daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot zijn behoudenis. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v25)

**26** En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v26)

**27** En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zei zo in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaar gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v27)

**28** Ik bid u, mijn kind, dat u ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v28)

**29** Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat u uw broers waard bent, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weer mag verkrijgen met uw broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v29)

**30** En als zij nog sprak, zo zei de jongeling: Wat verwacht u nog? Ik zal het gebod van de koning niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam zijn aan het gebod van de wet, die onze vaders gegeven is door Mozes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v30)

**31** Maar u, koning die een vinder bent van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v31)

**32** Want wij lijden om onze zonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v32)

**33** Als onze Heere, die daar leeft, vanwege de tuchtiging en vergelding, een korte tijd boos is, Hij zal toch weer met zijn dienaren verzoend worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v33)

**34** Maar u goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v34)

**35** Want u bent nog niet ontvlucht het oordeel van de almachtige God, die over alles de wacht houdt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v35)

**36** Want onze broers, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar u zult door het oordeel van God rechtvaardige straffen van deze trots wegdragen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v36)

**37** En ik, zoals mijn broers, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten van de vaders, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat u door pijnigingen en geselen mag bekennen dat Hij alleen God is; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v37)

**38** En dat in mij en mijn broers ophoude de toorn van de Almachtige, die op al ons geslacht rechtvaardig gebracht is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v38)

**39** En de koning zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze veel kwalijker bejegend dan de anderen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v39)

**40** En deze is dan zo rein gestorven, geheel op de Heere vertrouwende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v40)

**41** En de moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v41)

**42** En dit zij dan dusverre verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/7.html#v42)

### 2 Makkabeeën 8

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/8.json)

*1 Judas Makkabeüs verzamelt een leger om de wreedheid van Antiochus tegen te staan. 6 Brengt de vijanden grote schade toe. 9 Nicanor wordt met een leger tegen hem gezonden, 11 die de kooplieden uitnodigt om de Joden, die hij gevangen zou nemen, als slaven te kopen. 16 Judas vermaant zijn volk tot kloekmoedigheid, 22 stelt zijn volk in slagorde, 24 verslaat de vijanden, 27 en behaalt grote buit, waarvan hij de zieken en armen mee laat delen, 30 evenzo verslaat hij ook het leger van Timotheüs en Bacchides, 32 evenals van Philarches. 33 Callisthenes wordt verbrand. 35 Nicanor vlucht en komt terug naar Antiochië.*

**1** En Judas de Makkabeeër, en die met hem waren, in het geheim in de plaatsen inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, verzamelden zesduizend man; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v1)

**2** En riepen de Heere aan, dat Hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat Hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v2)

**3** En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v3)

**4** En dat Hij zou willen gedenken aan het onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen, en dat Hij om de lasteringen, die tegen Zijn naam gebeurd waren, Zijn haat wilde betonen tegen de boosheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v4)

**5** En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn van God in barmhartigheid was veranderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v5)

**6** De steden en plaatsen, onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v6)

**7** En hij nam vooral de nachten waar tot zulke hinderlagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich alleszins. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v7)

**8** Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam, schreef aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak van de koning zou te hulp komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v8)

**9** Deze verkoos meteen Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend man uit allerlei natiën, om het hele Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring hebbende in krijgszaken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v9)

**10** Nicanor nu had de koning beloofd de belasting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v10)

**11** En hij zond meteen naar de zeesteden, hen nodende om Joodse slaven te kopen, belovende dat hij negentig slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen van de Almachtige. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v11)

**12** En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v12)

**13** En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en daarheen gevlucht, en verlieten de plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v13)

**14** En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Heere, dat Hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, voordat zij bijeenkwamen, verkocht waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v14)

**15** En zo hij het niet deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun vaders gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke naam genoemd waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v15)

**16** En Judas Makkabeüs, verzameld hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij vanwege de vijanden niet verslagen zouden zijn, de grote menigte van de heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, niet zouden vrezen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaad, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v16)

**17** En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking van de regering, die bij hun voorouders geweest was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v17)

**18** En hij zei: Deze vertrouwen op hun wapenen en onverschrokkenheid, waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig is deze, die tegen ons komen, en ook de hele wereld, met één wenk ter neer te werpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v18)

**19** En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders gebeurd was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend onder Sanherib omgebracht waren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v19)

**20** En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel gebeurde, en dat zij groot voordeel verkregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v20)

**21** Waarmee hij hen dapper gemaakt hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v21)

**22** Heeft hij zijn soldaten in vier hopen gesteld, en zijn broers aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v22)

**23** En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde met Nicanor slag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v23)

**24** Daar de Almachtige met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors soldaten, en dwongen hen allen te vluchten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v24)

**25** En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen zij weer, daar zij door de tijd belet waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v25)

**26** Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v26)

**27** En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Heere zeer, die hen behouden had tot die dag toe, die het begin was van de barmhartigheid, die over hen kwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v27)

**28** En na de Sabbat deelden zij uit aan de zieken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden zij onder zichzelf en onder hun knechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v28)

**29** En als zij deze dingen verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en baden de barmhartige Heere, dat Hij tot het einde toe zijn dienaren zou willen genadig zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v29)

**30** En hun macht samen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge vestingen, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de zieken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v30)

**31** En hun wapenen verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te Jeruzalem. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v31)

**32** En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel verdriet aangedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v32)

**33** En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon van zijn goddeloosheid verkregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v33)

**34** En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v34)

**35** Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp van de Heere, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, zoals een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v35)

**36** En hij, die aangenomen had de Romeinen de belasting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door Hem bestemd zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/8.html#v36)

### 2 Makkabeeën 9

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/9.json)

*1 Antiochus, uit Persepolis verjaagd zijnde, 3 en bericht ontvangen hebbend van de nederlaag van zijn oversten in Judea, neemt zich voor zich op de Joden te wreken. 5 Wordt door God geslagen met een pijnlijke en ongeneeslijke ziekte in de ingewanden. 13 Bidt de Heere, en belooft dat hij de Joden wel zal doen, en ook de Joodse godsdienst zal aannemen. 19 Schrijft een brief aan de Joden, waarin hij verklaart dat zijn zoon Antiochus na zijn dood in zijn plaats zal komen, 26 en hen vermaant hem te willen aannemen, 28 en zo sterft hij ellendig in het gebergte.*

**1** Omstreeks deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande wederkwam uit de plaatsen rondom Perzië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v1)

**2** Want als hij was ingegaan in de stad genoemd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v2)

**3** En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van wat Nicanor en Timotheüs overkomen was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v3)

**4** Waarom hij, in zijn gemoed toornig wordende, dacht dat hij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in trots: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats van de Joden, als ik daar zal gekomen zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v4)

**5** Maar de almachtige Heere, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzichtbare plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn van de ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v5)

**6** Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v6)

**7** Maar hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn toorn tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v7)

**8** Hij, die kort tevoren de golven van de zee scheen te willen gebieden, met een overmoed, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v8)

**9** Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl hij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het hele leger bezwaard werd, vanwege de verrotting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v9)

**10** Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren van de hemel scheen te raken, niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v10)

**11** Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid van zijn hoogmoed terug te komen, en door deze Goddelijke geseling tot kennis te komen, alle ogenblikken zwaarder met pijnen aangetast wordende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v11)

**12** En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zei hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke aan God gelijk te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v12)

**13** En deze booswicht bad de Heere, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees, zo zeggende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v13)

**14** Dat hij de heilige stad, tot welke hij haastte te komen, om ze ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v14)

**15** En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen samen met die van Athene gelijk zou maken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v15)

**16** En dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met zeer schone geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige voorwerpen veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offergaven behoorden, zou bestellen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v16)

**17** En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht van God te verkondigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v17)

**18** Maar als de pijnen in geen geval ophielden, (want het rechtvaardig oordeel van God was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v18)

**19** De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v19)

**20** Als u welvarend bent, en uw kinderen, en uw eigen zaken naar uw zin gaan, dat is ons aangenaam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v20)

**21** In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v21)

**22** Terugkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een ziekte, die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze ziekte zal ontvluchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v22)

**23** Maar beschouwende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v23)

**24** Opdat zo daar iets, buiten verwachting zou mogen gebeuren, of ook enige zwarigheid mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v24)

**25** Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en buren van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten wat gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven wat hieronder is geschreven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v25)

**26** Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat u gedachtig zijnde van de goedertierenheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die u hebt tot mij, en tot mijn zoon. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v26)

**27** Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u in alles redelijk en vriendelijk zal gelieven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v27)

**28** Zo heeft dan deze mensenmoordenaar en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, zoals hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v28)

**29** En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; die ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot Ptolomeüs Filometor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/9.html#v29)

### 2 Makkabeeën 10

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/10.json)

*1 Judas verovert opnieuw de stad, 3 en reinigt de tempel. 6 Het volk houdt acht dagen feest over de inwijding, 8 en er wordt een besluit genomen dat feest elk jaar te houden. 10 Antiochus Eupator komt in de plaats van zijn vader Antiochus Epifanes, en stelt Lysias over zijn zaken. 12 Ptolemeüs Macron is de Joden gunstig gezind, maar komt in ongenade, en vergiftigt zichzelf. 14 Gorgias kwelt de Joden met oorlog, 16 en wordt door Judas verslagen, 18 en twee torens, waarin sommigen gevlucht waren, worden ingenomen. 24 Timotheüs hervat de oorlog tegen de Joden, die de Heere om hulp aanroepen; en toen de strijd begon, verschenen voor de Joden vijf gewapende mannen uit de hemel, die voor hen vochten. 31 Het leger van de vijanden wordt verslagen, en Timotheüs vlucht naar Gazara, 33 dat door Judas belegerd, veroverd en verbrand wordt, 37 en Timotheüs wordt doodgeslagen.*

**1** En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Heere hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v1)

**2** En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel van de afgoden weggenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v2)

**3** En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offergave geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v3)

**4** Dit gedaan hebbende, baden zij de Heere, op hun buik neervallende, dat zij niet weer mochten vallen in zulke zwarigheden, maar als zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door Hem met goedertierenheid mochten worden gestraft, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v4)

**5** En de reiniging van de tempel gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd was, namelijk op de vijfentwintigste van de maand, die Chasleu is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v5)

**6** En zij vierden met vreugde acht dagen, naar de wijze van de loofhutten, herinnering hoe zij een korte tijd tevoren op het feest van de loofhutten, op de bergen en in de grotten, zoals de wilde beesten, in eenzaamheid geweest waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v6)

**7** Daarom dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden zij lofzangen aan hem, die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v7)

**8** En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het hele volk van de Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v8)

**9** En de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v9)

**10** Maar nu zullen wij verklaren wat onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, gebeurd is, kortelijk saamvattende de voortdurende ellende van de oorlogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v10)

**11** Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v11)

**12** Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte wat hun aanging vreedzaam te bestellen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v12)

**13** Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v13)

**14** En Gorgias, veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield vreemde soldaten, en voerde steeds de oorlog tegen de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v14)

**15** En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen vestingen in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v15)

**16** En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat Hij hen wilde helpen strijden, deden een aanval op de vestingen van de Idumeeën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v16)

**17** Die zij ook met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten niet minder dan twintigduizend man om. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v17)

**18** En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v18)

**19** Zo liet Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v19)

**20** Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen hebbende, lieten toe dat enige ontkwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v20)

**21** En als wat daar gebeurd was, de Makkabeeër geboodschapt was, verzamelde hij de oversten van het volk, en beschuldigde hen, dat zij hun broers voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v21)

**22** En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht, en meteen die twee torens ingenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v22)

**23** En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee vestingen om meer dan twintigduizend mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v23)

**24** En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, verzameld hebbende een zeer grote menigte van vreemde soldaten, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof hij Judea met de wapenen zou innemen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v24)

**25** Die met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde tot het gebed van God, aarde op hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken omgordende, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v25)

**26** En neervallende op de rand, die tegenover het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, zoals de wet verklaart. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v26)

**27** Als zij van het gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven zij stil staan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v27)

**28** En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkaar slag; deze hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Heere, en anderen stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v28)

**29** Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf voortreffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v29)

**30** Deze nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door blindheid in verwarring gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v30)

**31** En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v31)

**32** En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette vesting, genoemd Gazara, waar Cherea de overste was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v32)

**33** Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden de vesting vierentwintig dagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v33)

**34** En die daar binnen waren, vertrouwende op de vastheid van de plaats, lasterden bovenmate zeer, en wierpen gruwelijke woorden uit. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v34)

**35** En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongemannen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v35)

**36** En de anderen evenzo opklimmende in de omgang tot hen, die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren ontstoken hebbende, verbrandden al die godslasteraars levend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v36)

**37** En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broer Chereas en Apollofanes. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v37)

**38** En deze dingen verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen de Heere, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/10.html#v38)

### 2 Makkabeeën 11

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/11.json)

*1 Lysias verzamelt een grote krijgsmacht om Jeruzalem te veroveren, 5 benauwt Bethsura. 7 Judas trekt hem met de zijnen tegemoet. 8 Een ruiter in witte kleding verschijnt bij hen. 10 Zij vallen de vijanden aan met grote kloekmoedigheid en slaan hen op de vlucht. 12 Lysias ontkomt door de vlucht en sluit vrede met de Joden. 16 De brief die Lysias daartoe aan de Joden geschreven heeft. 22 De brief van koning Antiochus aan Lysias, waarin hij de Joden hun godsdienst vrij toelaat. 27 Nog een brief van de koning aan de Joden van gelijke inhoud; 34 evenals een brief van de Romeinen aan de Joden, die hetzelfde bevestigen.*

**1** En een zeer korte tijd daarna, Lysias, de hofmeester van de koning en bloedverwant, en die over de zaken van de koning gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over wat gebeurd was, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v1)

**2** En verzameld hebbende ongeveer tachtigduizend man voetvolk, en de hele ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats van de heidenen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v2)

**3** En de tempel tot geldgewin te gebruiken, zoals de andere tempels van de heidenen, en het hogepriesterschap alle jaren voor geld te verkopen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v3)

**4** In geen geval overleggende de macht Gods, maar hoogmoedig zijnde op zijn vele duizenden te voet, en duizenden te paard, en de tachtig olifanten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v4)

**5** Kwam in Judea, en naderde Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem ongeveer vijf stadiën en hij benauwde het. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v5)

**6** En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun vestingen belegerd had, zo baden zij en de menigten, met kermen en tranen de Heere, dat Hij een goede engel wilde zenden tot behoud van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v6)

**7** En Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven, om hun broers te hulp te komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v7)

**8** En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v8)

**9** En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v9)

**10** En zij trokken in slagorde, hebbende één uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v10)

**11** En als leeuwen op hun vijanden aanvallende, hieuwen zij daarvan terneder elfduizend voetknechten, en duizendenzeshonderd ruiters; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v11)

**12** En al de anderen dwongen zij te vluchten, en velen van hen gewond zijnde ontkwamen naakt, en Lysias, zelf met schande vluchtende, ontkwam het ook. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v12)

**13** En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf overleggende de nederlaag die hem gebeurd was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, omdat de alvermogende God met hen streed, zo zond hij aan hen, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v13)

**14** En verzekerde hun, dat hij op alle redelijke voorwaarden met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken hun vriend te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v14)

**15** Makkabeüs nu, zorgdragende voor wat raadzaam was, stond toe al wat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v15)

**16** Want de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren van deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v16)

**17** Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen wat daarin te kennen gegeven wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v17)

**18** Zo heb ik dan al wat aan de koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v18)

**19** Daarom, als u de goedgunstigheid tot onze zaken zult behouden, zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v19)

**20** Maar van deze dingen in het bijzonder heb ik last gegeven zo aan deze, als aan mijn afgezondenen, om u het te verklaren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v20)

**21** Vaart wel in het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag van de maand van Jupiter Corinthius. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v21)

**22** En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broer Lysias voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v22)

**23** Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle onlusten hun eigen zaken mogen verzorgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v23)

**24** Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor hij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v24)

**25** Zo is het, dat wij goedgevonden hebben dat dit volk ook buiten de onrust zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen naar de gebruiken van hun voorouders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v25)

**26** U zult dan weldoen, dat u tot hen zendt, hun gevende de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende, goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen dingen mogen verrichten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v26)

**27** En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad van de Joden, en al de andere Joden, voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v27)

**28** Zo u welvarend bent, dat zal zijn zoals wij willen; wij zijn in goede gezondheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v28)

**29** Menelaüs heeft ons verklaard, dat u begeert, wedergekomen zijnde, uw eigen zaken te plegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v29)

**30** Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag van de maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden met alle verzekerdheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v30)

**31** Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, zoals van tevoren, en dat niemand van hen op enigerlei wijze moeite zal aangedaan worden, om van wat onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v31)

**32** Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te troosten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v32)

**33** Vaartwel. De vijftiende dag van de maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v33)

**34** De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten van de Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v34)

**35** Wat Lysias, de bloedvriend van de koning, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v35)

**36** Maar voor wat betreft wat hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt meteen iemand die daarover mag handelen, opdat wij mogen verklaring doen van wat u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v36)

**37** Daarom spoedt u, en zendt enige, opdat wij ook mogen weten hoe u gezind bent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v37)

**38** Vaart wel. De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/11.html#v38)

### 2 Makkabeeën 12

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/12.json)

*1 Enkele oversten van de koning laten de Joden niet met rust. 3 Die van Joppe verdrinken verraderlijk tweehonderd Joden. 5 Wat Judas wreekt op die van Joppe, 8 evenals op die van Jamnia, die hetzelfde aan de Joden van plan waren te doen. 10 Judas overwint de Arabieren en sluit met hen vrede. 13 Neemt de sterke stad Caspin in, en doodt daar een zeer grote menigte mensen. 21 Judas verslaat een zeer machtig leger van Timotheüs en neemt hem gevangen. 24 Maar deze wordt weer vrijgelaten, omdat hij ook vele Joden gevangen had. 27 Judas verovert de stad Efron, 29 spaart Scythopolis, 33 verslaat Gorgias, die hoewel gegrepen toch ontkomt. 40 Bij enigen van Judas' volk die gesneuveld waren, worden bij het begraven enkele dingen gevonden die aan de afgoden van Jamnia geheiligd waren, 42 waarom Judas zijn volk vermaant zich te hoeden voor zondigen, en zendt geld naar Jeruzalem om voor de gesneuvelden offer te doen.*

**1** En als deze verbonden zo gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v1)

**2** Maar de oversten van die plaatsen, Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien ook Hieronymus, en Demofon, en naast deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v2)

**3** En die van Joppe bedreven aan de Joden deze wandaad. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen met hen zouden gaan in enige schuiten door hen besteld, alsof daar geen vijandschap tegen hen ontstaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v3)

**4** En als zij, volgens het algemeen besluit van de stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v4)

**5** En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v5)

**6** Trok heen tegen de moordenaars van de broers, en stak bij nacht de haven in brand, en verbrandde de schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v6)

**7** En als de plaats ingesloten was, zo vertrok hij, als die weer zou komen, en de hele burgerschap van Joppe uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v7)

**8** Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v8)

**9** Zo overviel hij die van Jamnia in de nacht, en verbrandde hun haven en vloot, zodat het licht van de vlam gezien werd tot Jeruzalem toe, zijnde tweehonderdenveertig stadiën ver. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v9)

**10** En als zij vandaar vertrokken waren negen stadiën, en hun reis tegen Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde niet minder dan vijfduizend te voet, en vijfhonderd ruiters, hem aangevallen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v10)

**11** En als er een hevig gevecht gebeurde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v11)

**12** En Judas, achtende dat zij hem werkelijk in vele zaken zouden dienstig zijn, heeft toegestaan dat men vrede met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v12)

**13** En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met de naam Caspin. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v13)

**14** Maar die van binnen vertrouwende op de vastheid van haar muren, en de voorraad van proviand, gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke dingen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v14)

**15** Maar die met Judas waren, aanroepende de grote Prins van de wereld, die zonder stormrammen en andere instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v15)

**16** En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v16)

**17** En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig stadiën voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot de Joden, genoemd Tubianen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v17)

**18** En zij vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets uitgericht te hebben, vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v18)

**19** Dositheüs en Sosipater, zijnde van de oversten van degenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden van degenen, die van Timotheüs daar gelaten waren in de vesting, meer dan tienduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v19)

**20** En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v20)

**21** Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genoemd Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v21)

**22** Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning van degene, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een geluid op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere daarheen vluchtende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte van de zwaarden doorstoken werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v22)

**23** En Judas vervolgde hen heftig, en doorstak deze booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v23)

**24** En Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen van hun ouders en hun broers had, en het gebeuren zou dat men anders op hen geen acht zou hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v24)

**25** En als hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had, namelijk dat hij ze zonder enige hinder leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis van de broers. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v25)

**26** En Judas vandaar trekkende naar Karnion en Atergation, heeft daar vijfentwintigduizend man doodgeslagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v26)

**27** En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongemannen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v27)

**28** Maar zij, aanroepende God de Prins, die met kracht van de vijanden macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v28)

**29** En vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v29)

**30** Maar als de Joden, die daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis hun toegedragen hadden, en hoe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden van tegenslag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v30)

**31** Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig zouden zijn, en als het wekenfeest aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v31)

**32** En als het feest, genoemd Pinksteren, voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste van Idumea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v32)

**33** En trokken uit met drieduizend te voet, en vierhonderd ruiters. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v33)

**34** En als zij tegen hem streden, gebeurde het dat er weinigen van de Joden vielen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v34)

**35** En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek heen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v35)

**36** En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Heere aan, dat Hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v36)

**37** En beginnende in zijn vaderlijke taal een geroep met lofzangen, viel hij onverwachts op de soldaten van Gorgias, en dreef hen op de vlucht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v37)

**38** En Judas, zijn soldaten bijeen verzameld hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v38)

**39** En de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, ongeveer de tijd als het nodig is dat te doen, om de lichamen van degenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen in de graven van hun vaders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v39)

**40** En zij vonden onder de rokken van een ieder van de doden enige dingen, die aan de afgoden van Jamnia geheiligd waren, wat de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v40)

**41** Zo hebben zij dan allen de Heere, de rechtvaardige rechter, die alle verborgen dingen openbaar maakt, geprezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v41)

**42** En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien wat gebeurd was, vanwege de zonden van degenen, die gevallen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v42)

**43** En enige voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offergave te doen voor de zonde; geheel wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v43)

**44** (Want als hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weer zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden) [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v44)

**45** Daarbij dat hij beschouwde dat degenen, die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v45)

**46** Een heilige en godzalige gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/12.html#v46)

### 2 Makkabeeën 13

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/13.json)

*1 Antiochus Eupator komt met een zeer grote macht tegen Judea. 4 Lysias beschuldigt Menelaüs bij de koning, die hem te Berea in de astoren laat versmoren. 10 Judas vermaant het volk tot bidden, 13 en besluit, met advies van de raad, het uiterste te wagen, waarop hij de koning tegemoet trekt naar Modin, 15 en zijn leger aanvalt, dat hij met vrees doet terugtrekken. 19 De koning verovert Bethsura door overeenkomst en door verraad van Rodocus. 22 Wordt door Judas verslagen, 23 sluit vrede met de Joden en offert te Jeruzalem, 24 en stelt Judas aan tot opperste veldheer. 25 Waarover die van Ptolemaïs ontevreden zijn, maar door Lysias gestild worden.*

**1** In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v1)

**2** En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v2)

**3** En bij deze voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v3)

**4** Maar de Koning van de koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, zoals het gebruikelijk was in die plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v4)

**5** Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, vol as; in deze was een rond instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in de as. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v5)

**6** Zij stootten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anders enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v6)

**7** Met zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v7)

**8** En dat zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft hij zijn dood in de as gevonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v8)

**9** En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in de tijd van zijn vader gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v9)

**10** Maar Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Heere zouden aanroepen, dat Hij, zo Hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v10)

**11** En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de handen van de schandelijke heidenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v11)

**12** Als zij dit allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Heere baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen neergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v12)

**13** En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, voordat de soldaten van de koning in Judea zouden invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v13)

**14** Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper van de wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg ongeveer Modin zijn leger op. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v14)

**15** En zijn volk tot leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongemannen bij nacht, bij het hof van de koning, aangevallen op het leger, en heeft ongeveer tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met de menigte van degenen, die daar in het huis waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v15)

**16** En eindelijk het leger met vrees en verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v16)

**17** En dit was gebeurd als de dag aanlichtte, door de bescherming van de Heere, die hem hielp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v17)

**18** De koning nu, een proef gekregen hebbende van de onverschrokkenheid van de Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v18)

**19** En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting van de Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v19)

**20** En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, wat zij nodig hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v20)

**21** En Rodocus, een van de Joodse soldaten, boodschapte de geheime zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v21)

**22** De koning hield voor de tweede keer overleg met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen hebbende, vertrok. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v22)

**23** En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle redelijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offergaven, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v23)

**24** En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van Ptolomaïs af tot de Gerzenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v24)

**25** En als hij te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v25)

**26** Maar Lysias, klimmende op de rechterstoel, verantwoordde dat op gepaste wijze, en stelde hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig, zodat hij vertrekken kon naar Antiochië. En zo is het gegaan met de aankomst en vertrek van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/13.html#v26)

### 2 Makkabeeën 14

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/14.json)

*1 Demetrius, de zoon van Seleucus, neemt het rijk in bezit en brengt Antiochus en Lysias om. 3 Alcimus, de gewezen hogepriester, beschuldigt Judas bij de koning. 12 Die Nicanor naar Judea zendt, met opdracht Judas om te brengen. 18 Nicanor sluit vrede met Judas, 23 en verkeert vreedzaam met hem te Jeruzalem. 26 Alcimus beschuldigt Nicanor daarover bij de koning, die hem opdraagt Judas te grijpen en naar Antiochië te zenden. 30 Judas, bemerkend dat hij dit van plan was, verbergt zich. 32 Nicanor dreigt de priesters dat hij de tempel zal verwoesten als zij Judas niet uitleveren. 35 De priesters, deze dreigementen horend, bidden de Heere. 37 Nicanor probeert een zekere Razis te vangen, 41 die zichzelf doorsteekt, 43 zich van de muur werpt, en sterft.*

**1** Na de tijd van drie jaar gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v1)

**2** En dat hij dat land bemachtigde, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v2)

**3** En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden van de vermenging, overleggende dat voor hem in geen enkele wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot het heilig altaar, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v3)

**4** Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v4)

**5** En gelegen tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, geroepen zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen van de Joden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v5)

**6** Zei daarop: Die onder de Joden genoemd worden de Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren steeds oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v6)

**7** Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid van mijn voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, ben nu hier gekomen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v7)

**8** Als eerste omdat ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid van degenen, waarvan tevoren gesproken is, lijdt ons hele geslacht geen kleine zwarigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v8)

**9** Daarom u, o koning, dit alles verstaan hebbende, wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw bekende goedertierenheid, die u allen bewijst. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v9)

**10** Want zo lang als Judas zal leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v10)

**11** En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v11)

**12** En hij riep meteen Nicanor, die over de olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot overste over Judea, zond hem daarheen; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v12)

**13** Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen tot hogepriester van de grootste tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v13)

**14** En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat van de Joden tegenslag en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v14)

**15** En de Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning heeft aangenomen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v15)

**16** En als de overste bevel gegeven had, trok het leger meteen van daar, en leverde slag bij de plaats Dessau. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v16)

**17** En Simon, de broer van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v17)

**18** Evenzo Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v18)

**19** Daarom zond hij Posidonius, en Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand te geven en te ontvangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v19)

**20** En als hierover vele raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v20)

**21** En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v21)

**22** En Judas stelde enige, die in de wapenen waren, op geschikte plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens een wandaad zou gebeuren; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking gehad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v22)

**23** En Nicanor verkeerde te Jeruzalem, en hij deed niets ongepasts, en hij dankte de menigten af, die bij menigten tot hem verzameld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v23)

**24** En hij hield Judas zeer in waarde, van harte tot de man geneigd zijnde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v24)

**25** En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en kinderen winnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v25)

**26** Alcimus nu, ziende de goedwilligheid van de enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius, en zei dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken van de koning; want, zei hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk hinderlagen legt, bestemd dat hij in zijn plaats zal komen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v26)

**27** De koning zeer boos geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs meteen gevangen zou zenden naar Antochië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v27)

**28** Als nu Nicanor deze dingen ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v28)

**29** En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v29)

**30** Maar Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam, verzameld hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v30)

**31** De andere nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke offergaven opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v31)

**32** En als zij met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was, die gezocht werd, zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v32)

**33** Als u mij Judas niet gevangen overlevert, zo zal ik deze tempel van God tot een vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven, en zal daar weer bouwen een glorierijke tempel ter ere van Bacchus. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v33)

**34** En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v34)

**35** U, o Heere van allen, die geen ding nodig hebt, U hebt gewild dat de tempel van Uw woning bij ons zou zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v35)

**36** Nu dan, o U heilige Heere aller heiligmaking, bewaar in eeuwigheid onbesmet dit huis, dat onlangs gereinigd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v36)

**37** En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader van de Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v37)

**38** Want in de voorgaande tijden werd hij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v38)

**39** Nicanor nu willende openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten om hem te vangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v39)

**40** Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben, dat hij de Joden daarmee groot leed zou doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v40)

**41** Maar als de menigte de toren zou innemen, en geweld deden op de deur van het voorhof, en als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken, als hij nu rondom bezet was, heeft hij zichzelf met het zwaard doorstoken; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v41)

**42** Willende liever kloekmoedig sterven, dan vallen in de handen van deze schelmen, en smaad lijden, die zijn eerlijk geslacht onbetamelijk was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v42)

**43** En als hij, door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven had, en de menigten door de deuren binnenvielen, zo liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de menigten, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v43)

**44** Die meteen achteruit wijkende en plaats makende, kwam hij in het midden te vallen op zijn buik. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v44)

**45** En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de menigten heen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v45)

**46** En staande op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemende, wierp hij ze onder de menigten; en aanroepende de Heere van leven en geest, dat Hij hem die wilde wedergeven, zo is hij op deze wijze gestorven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/14.html#v46)

### 2 Makkabeeën 15

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/2makkabeeen/15.json)

*1 Nicanor neemt zich voor Judas met de zijnen op de sabbat te overvallen, 3 wat hem afgeraden zijnde, spreekt hij zeer Godslasterlijke woorden. 7 Judas vertrouwt op God en vermaant zijn volk tot kloekmoedigheid, 12 hun daartoe de droom verhalend die hij gedroomd had. 22 Het gebed dat Judas deed voordat de slag begon. 25 Nicanor verliest de slag en sneuvelt zelf. 30 Judas laat het hoofd, de armen en de tong van Nicanor afsnijden en zendt ze naar Jeruzalem. 36 De Joden bepalen dat de dag van deze overwinning elk jaar gevierd zou worden, 39 de schrijver van dit boek verontschuldigt zich bij de lezers.*

**1** Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v1)

**2** En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen in geen geval zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die vroeger met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v2)

**3** Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Heere in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de dag van de sabbat zou houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v3)

**4** En als deze antwoordden: Daar is een Heere die leeft, deze is in de hemel een machtig Prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v4)

**5** En de ander zei: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en de diensten van de koning te volbrengen. En toch kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v5)

**6** En deze Nicanor, met alle trots zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v6)

**7** Maar Makkabeüs vertrouwde zonder ophouden met alle hoop, dat hij hulp zou krijgen van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v7)

**8** En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst van de heidenen niet zouden vrezen, maar dat zij in herinnering zouden houden de hulp, die hun telkens van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, die Hij hun zou geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v8)

**9** En hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in herinnering brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v9)

**10** En hen in hun gemoederen opgewekt hebbende, heeft hen vermaand, en meteen getoond de ontrouw van de heidenen, en de overtreding van de eden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v10)

**11** En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van schilden en speren, als met terechtwijzing van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte hij hen allen samen zeer verheugd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v11)

**12** En zo was zijn visioen: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en passend zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v12)

**13** En dat zo ook verschenen was een man met grijs haar en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en geheel voortreffelijk; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v13)

**14** En dat Onias, antwoordende, zou gezegd hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broers liefheeft, en die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v14)

**15** En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zei: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v15)

**16** Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, waarmee u de vijanden zult verwonden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v16)

**17** Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten van de jongemannen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v17)

**18** Want het gevaar van huisvrouwen, en kinderen en ook van broers, en bloedverwanten, was bij hen in minder achting, maar de grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v18)

**19** En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou gebeuren, hen ontroerende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v19)

**20** En als zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugels gesteld, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v20)

**21** Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting van de wapenen, en de wildheid van de beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Heere aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van Hem gegeven wordt degenen, die Hij oordeelt dit waard te zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v21)

**22** En als hij bad, sprak hij deze woorden: U, o Heere, hebt Uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v22)

**23** En nu, U Prins van de hemelen, wil Uw goede engel voor ons heenzenden, tot vrees en beving. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v23)

**24** Dat door de grootte van Uw arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen zijn tegen Uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v24)

**25** Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v25)

**26** Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping en gebeden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v26)

**27** En zij vechtende met de handen, maar met hun harten tot God biddende, sloegen niet minder dan vijfendertigduizend man, enorm verheugd zijnde over deze verschijning van God. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v27)

**28** En als zij uit deze nood gered waren, en met vreugde aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen was met zijn wapenrusting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v28)

**29** En een groot geroep en getier daar gemaakt zijnde, prezen zij de Heere, in hun vaderlijke taal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v29)

**30** En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest van zijn medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid tegenover zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v30)

**31** En als hij daar gekomen was, en samen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v31)

**32** En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, die hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v32)

**33** En de tong van de goddeloze Nicanor afgesneden hebbende, zei hij, dat hij die bij stukken zou geven aan de vogels, en dat hij deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover de tempel zou ophangen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v33)

**34** En zij allen opziende naar de hemel dankten de glorierijke Heere, zeggende: Gezegend moet Hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v34)

**35** En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om voor allen te zijn een bekend en openbaar teken van de hulp van de Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v35)

**36** En zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij deze dag in geen geval ongeëerd zouden laten; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v36)

**37** Maar dat zij de dertiende dag van de twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, van de dag voor de feestdag van Mordechai. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v37)

**38** Omdat dan de zaken van Nicanor zo afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal ik ook hier mijn rede afbreken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v38)

**39** En als ik dit wel, en zoals het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar als ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is wat ik heb kunnen doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v39)

**40** Want zoals het ongezond is wijn alleen te drinken, en ook evenzo water alleen, en zoals de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, en aangenaam is te drinken wijn met water gemengd, zo is ook een goed geschreven beschrijving van de historie aangenaam voor de oren van de lezers. En dit zij dan het einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/2makkabeeen/15.html#v40)

## 3 Makkabeeën

### 3 Makkabeeën 1

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/1.json)

*1 Ptolomeüs Philopator, koning van Egypte, trekt op tegen het leger van Antiochus de Grote, koning van Azië. 3 Een zekere Theodotus is van plan hem om te brengen, wat een Jood, Dositheüs, verhindert. 6 Hij verslaat het leger van Antiochus. 8 De Joden wensen hem geluk met deze overwinning. 9 Hij komt te Jeruzalem, brengt God offers, en wil het Heilige der heiligen binnengaan, 11 wat de priesters hem afraden, 13 maar hij wil toch doorgaan, 15 waarover een oproer ontstaat in de stad, 20 dat ternauwernood door de Raad gestild wordt. 21 Het volk bidt God met zeer groot misbaar en geroep, dat Hij dit zou willen verhinderen.*

**1** Als de koning Filopator verstond van degenen die teruggekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn soldaten, zowel te voet als te paard, ontboden; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v1)

**2** En nam zijn zus Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn soldaten hun leger hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v2)

**3** En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltooien, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich in de nacht tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de oorlog maken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v3)

**4** Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, maar die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke voorschriften, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v4)

**5** En als er een bloedige slag gebeurde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë ijverig toe, en bad de soldaten met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v5)

**6** En zo is het gebeurd, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield werden, en dat ook velen gevangen genomen werden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v6)

**7** En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v7)

**8** Als nu de Joden enige uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over wat gebeurd was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v8)

**9** En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en wat verder op die plaats was gewend te gebeuren, gedaan had; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v9)

**10** En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v10)

**11** Maar als deze hem zeiden, dat dat niet betaamde, omdat het noch aan die van hun volk, noch aan al de priesters geoorloofd was daarin te gaan, maar alleen aan de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich toch in geen geval bewegen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v11)

**12** Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij in geen geval op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het toch mij niet te gebeuren; en hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de hele tempel in te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v12)

**13** En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Als dat gebeurd is, zei de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v13)

**14** Maar als de priesters met hun geheel gewaad neervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld van de koning, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was wat daar gedaan was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v14)

**15** Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v15)

**16** En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die bestemd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar passende schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v16)

**17** Ja daarenboven zowel moeders als voedstervrouwen verlieten de jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden te hoop in het hoogste van de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v17)

**18** En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin samen gekomen waren, tegen wat onheilig door hem onderstaan werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v18)

**19** Daarbij sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v19)

**20** En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weer tot dezelfde plicht van het gebed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v20)

**21** Het gemene volk nu was intussen, zoals tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hoogmoedig gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v21)

**22** Maar hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan wat tevoren gezegd is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v22)

**23** Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen Hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat Hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hoogmoedige daad niet gedogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v23)

**24** En uit het zeer sterk, en moeilijk samen gebracht geschreeuw van het volk, ontstond een geroep dat niet was te vergelijken, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v24)

**25** Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de hele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/1.html#v25)

### 3 Makkabeeën 2

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/2.json)

*1 De hogepriester Simon doet ook een gebed tot God, dat Hij het voornemen van de koning wil verhinderen. 16 God slaat de koning met verlamming en machteloosheid, en hij wordt door zijn dienaren uit de tempel gedragen. 18 De koning wordt niet beter door deze straf, maar leidt, teruggekeerd in Egypte, een liederlijk leven. 20 Hij laat een bevel uitgaan, dat hij in een zuil laat graveren, dat men alle Joden zou registreren om tot slaven te maken, en hen ook met een brandmerk te tekenen, 22 uitgezonderd degenen die de heidense offers brachten, 23 wat wel sommigen doen, maar het grootste deel blijft standvastig.*

**1** Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste van de tempel de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed zulk een gebed: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v1)

**2** O Heere, Heere, o Koning van de hemelen en Heerser van alle schepselen, U Heilige in het heiligdom, U enige Heerser, U Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in onverschrokkenheid en sterkte verhovaardigt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v2)

**3** Want U, die alles geschapen, en macht over alle dingen hebt, U bent een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt U. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v3)

**4** U hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder wie ook de reuzen waren, die op hun sterkte en onverschrokkenheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v4)

**5** U hebt de Sodomieten, toen zij allen trots werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v5)

**6** U hebt de trotse Farao, die Uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en Uw mogendheid zo bekend gemaakt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v6)

**7** Na welke straffen U Uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël nastreefde met wagens en menigte van de volken, deed zinken in de diepte van de zee, maar die op U, die alle schepselen Heere bent, betrouwden, hebt U behouden daardoor gevoerd; die de werken van Uw handen erkennende, U de Almachtige geprezen hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v7)

**8** U hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd U ten naam, hoewel U geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van Uw grote en dierbare naam. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v8)

**9** En uit liefde tot het huis van Israël hebt U beloofd, als wij ons van U afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, dat U ons gebed zou verhoren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v9)

**10** Nu werkelijk, U bent getrouw en waarachtig, aangezien U dikwijls, als onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote ellende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v10)

**11** Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door U voorbijgegaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v11)

**12** En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats, die op de aarde Uw heerlijke naam toegeëigend is, smaad aan te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v12)

**13** Want tot Uw woning werkelijk, namelijk de hemel van de hemelen, kunnen de mensen niet komen, maar omdat het Uw welbehagen is geweest, dat Uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt U deze plaats geheiligd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v13)

**14** Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in de hoogmoed van hun tongen vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, zoals de huizen van de gruwelijke dingen vertreden worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v14)

**15** Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon Uw barmhartigheid in deze tijd. Laat Uw ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond van degenen die neergevallen en gebroken zijn van hart, ons namelijk vrede gevende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v15)

**16** Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid enorm verheven had, hem aan alle zijden slingerende zoals het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, omdat hij door het rechtvaardig oordeel van God geheel verstrikt was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v16)

**17** Daarom werden zowel zijn vrienden als lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem meteen uit de tempel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v17)

**18** Maar als hij een tijd daarna weer tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij in geen geval tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v18)

**19** Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchten verzadigd, maar hij is ook tot zo grote overmoed voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op het voorstel van de koning, ook zelf zijn wil volgden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v19)

**20** En hij nam voor openlijk dit volk smaad aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v20)

**21** Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v21)

**22** En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen hetzelfde burgerrecht zouden hebben als de burgers van Alexandrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v22)

**23** Sommigen nu, die in de stad de trappen van de godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v23)

**24** Maar de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v24)

**25** En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/2.html#v25)

### 3 Makkabeeën 3

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/3.json)

*1 Ptolomeüs, die zeer vergramd is op de Joden, beveelt dat men hen allen bijeen zou vergaderen en doden, 5 de Grieken van Alexandrië hebben medelijden met hen, en troosten hen. 9 De brief van koning Ptolomeüs aan al zijn stadhouders in Egypte, waarin hij rekenschap geeft van dit bevel, 18 en hen terstond opdraagt alle Joden, met vrouwen en kinderen, in ijzeren ketenen gebonden, naar Alexandrië te zenden om gedood te worden, 20 en als iemand een Jood zou willen beschermen, beveelt hij die zwaar te pijnigen, en aan de aanbrengers hun goed te geven.*

**1** En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo boos, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het hele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden verzamelen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v1)

**2** Als nu deze dingen bestemd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de slechte mensen, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voornemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden van hun wetten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v2)

**3** Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, maar omdat zij God dienden, en in Zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken van de gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v3)

**4** Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal bekend, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v4)

**5** Maar de Grieken, die in de stad waren, wie geheel geen leed gebeurd was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop gebeurde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze), [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v5)

**6** Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen, want zeiden zij, die God, aan Wie alles bekend is, zal zulk een besluit niet zo gedogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v6)

**7** Ja ook trokken sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, in het geheim enigen tot zich en deden beloften, dat zij hen mee wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v7)

**8** Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v8)

**9** De koning Ptolomeüs Filopator wenst alle stadhouders en soldaten in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v9)

**10** Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die u ook zelf weet, die door de onverhinderlijke bijstand van de goden naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen graag goed te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v10)

**11** En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v11)

**12** Maar zij hebben wel met woorden onze aanwezigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer passende en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v12)

**13** Daar zij toch onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandig gemoed tegenover ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat redelijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v13)

**14** Wij toch zijn hun waanzin ontweken, en zijn met overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid bejegend, en gedaan zoals het ons betaamde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v14)

**15** Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoud toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en hen verwaardigden met het burgerschap van de burgers van Alexandrië. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v15)

**16** Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad altijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen neerwerpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v16)

**17** Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat deze op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v17)

**18** Zo gelasten wij, zodra deze brief zal ontvangen zijn, dat men op dat moment, allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten, en met smaad en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden waard zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v18)

**19** Want als deze allen tegelijk gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor ons de zaken van het rijk in een goede stand en zeer goede orde volmaakt gesteld zullen worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v19)

**20** En zo wie iemand van de Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal met zijn hele huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v20)

**21** En wie dat zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed van degene, die in deze straf valt, en nog uit de schatkamer van de koning tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v21)

**22** Verder elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het hele menselijke geslacht. Zo was de inhoud en schrift van deze brief. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/3.html#v22)

### 3 Makkabeeën 4

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/4.json)

*1 De heidenen zijn hierover zeer verheugd, en de Joden in de uiterste droefheid, 3 die alle plaatsen met gekerm en geklaag vervullen. 4 De stadhouders zenden per schip alle Joden, oud en jong, met grote onbarmhartigheid, naar Alexandrië, en zij worden gebracht op het renveld, of de renbaan. 12 De koning laat alle Joden registreren, en houdt ondertussen vrolijke maaltijden ter ere van zijn afgoden. 14 De schrijvers geven de koning te kennen dat zij de registratie niet kunnen voltooien vanwege de ontelbare menigte van de Joden.*

**1** En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, omdat de vijandschap nu met onverschrokkenheid zich blijkbaar openbaarde, die in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v1)

**2** Maar de Joden waren in een voortdurend verdriet, en hun hulpgeroep was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, dat tegenover hen zo plotseling besloten was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v2)

**3** Wat gewest of stad, of om in het algemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v3)

**4** Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v4)

**5** Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grijs haar bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v5)

**6** Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, verdriet, en het haar met geurende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v6)

**7** En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen van de bruiloft door met jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v7)

**8** En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden van de schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de hele scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v8)

**9** Als nu deze in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, zoals het door de koning was geboden, zo heeft hij bevolen dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld van de straf te zien; opdat zij noch met zijn soldaten gemeenschap zouden hebben noch enigszins waard geacht van de stadsmuren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v9)

**10** Als dit gebeurd was, en de koning hoorde, dat van de Joden landslieden in het geheim en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hun broers, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, zoals de anderen, en in geen enkele wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het hele geslacht van de Joden met hun namen zou beschrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v10)

**11** Omdat hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v11)

**12** Zo gebeurde dan hun beschrijving met veel ijver, en gestadig zitten van de opgang van de zon tot de ondergang daarvan, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v12)

**13** Intussen was de koning enorm en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was ver van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet passen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v13)

**14** Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving van de Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, omdat daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v14)

**15** En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat zowel papier als schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v15)

**16** Maar dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/4.html#v16)

### 3 Makkabeeën 5

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/5.json)

*1 De koning draagt Hermon, die over de olifanten gesteld was, op dat hij die met wierook en sterke wijn zou volgieten, om hen razend te maken, en de volgende dag de Joden te vertrappen, 2 en hijzelf maakt ondertussen goede sier. 3 De Joden worden de handen gebonden. 4 En zij roepen zeer erbarmelijk tot God, dat Hij hen van de dood zou willen verlossen. 5 Wanneer Hermon zijn opdracht volbracht heeft, komt hij 's morgens bij de koning, die hij in een diepe slaap vond, waaruit hij hem niet durfde te wekken. 9 Wanneer de koning op het uur van de maaltijd gewekt is, vraagt hij waarom de Joden die dag niet waren omgebracht. 12 Hierover ingelicht, gebiedt hij opnieuw de olifanten, zoals tevoren, gereed te maken tegen de volgende dag. 16 Ondertussen waren de Joden in grote benauwdheid, en baden God. 19 Vroeg in de morgen, toen de beesten gereed waren, en Hermon de koning vermaant naar buiten te gaan, werd hij zeer grimmig op hem, vergeten hebbend dat hij hem dat bevolen had. 24 Maar daarna, aan tafel zittend, draagt hij Hermon opnieuw op de beesten gereed te maken, 28 en doet een eed, dat hij niet alleen deze Joden zou ombrengen, maar ook het Joodse land door vuur en zwaard zou verwoesten. 30 Wanneer de olifanten opnieuw zo toebereid zijn, worden zij naar buiten gebracht om de Joden te vertrappen. 32 Wanneer de Joden dit zien, bereiden zij zich op de dood voor door elkaar te omhelzen, en de HEERE te bidden.*

**1** Toen heeft de koning, vol van grote toorn, en door woede geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg van de olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v1)

**2** En als hij dit bevolen had, begaf hij zich weer tot goede sier te maken, en verzamelde de voornaamsten van zijn vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu van de olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v2)

**3** Daarenboven gingen tegen de avond de dienaren uit, en bonden de handen van de ellendige Joden, en bedachten verder wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk van de morgen een einde zou nemen en uitgeroeid worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v3)

**4** Maar de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen berooid te zijn, omdat zij overal met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Heere, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat Hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v4)

**5** En hun voortdurende gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam vroeg in de morgen tot de hof van de koning, om de koning deze zaken te kennen te geven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v5)

**6** Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin van de wereld aan, die bij nacht en bij dag door Hem bestuurd wordt, als Hij die aan allen schenkt wie Hij wil) gezonden tot de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v6)

**7** En door de krachtige werking van de Heere werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit werd hij enorm bedrogen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v7)

**8** Als nu de Joden die tevoren betekende uur ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden Hem weer, die zich licht laat verzoenen, dat Hij de sterkte van Zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v8)

**9** Als het nu ongeveer half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genodigden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stootte hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v9)

**10** En dit gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verheugen, en de tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v10)

**11** Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v11)

**12** En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en zijn vrienden dat ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v12)

**13** Maar zei hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag de olifanten tot het verderf van de gruwelijke Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v13)

**14** Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, graag en met blijdschap, en keerden een ieder weer naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v14)

**15** Zodra nu de haan vroeg in de morgen kraaide, wapende Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het volk uit de hele stad verzamelde tot dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v15)

**16** Maar de Joden waren die hele tijd in hun gemoed bezorgd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat Hij hen weer haastig wilde helpen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v16)

**17** De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat het voornemen van de koning nu gereed was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v17)

**18** Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; maar dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van wat tevoren bij hem bedacht was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v18)

**19** Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer zijn naar uw heftig voornemen bereid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v19)

**20** Maar hij werd vanwege deze woorden vervuld met grote woede, omdat al zijn gedachten over deze dingen door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v20)

**21** Zo vele ouders, of kleinkinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige voedsel bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (als ik het niet liet om de liefde van dat wij samen opgevoed zijn, en om uw dienst) u Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v21)

**22** Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gezicht en aangezicht; en de één voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gezicht, en schaamrood, en lieten degenen, die daar verzameld waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v22)

**23** En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Heere en Koning van de koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v23)

**24** Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weer een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O u ellendige, hoe dikwijls moet men één en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf van de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v24)

**25** Maar de bloedvrienden, die daar mee aanzaten, over zijn onstandvastig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoelang verzoekt u ons als onverstandigen? u hebt nu voor de derde keer bevolen hen uit te roeien, en weer op de daad zo herroept u, uit verandering, wat u bevolen hebt; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v25)

**26** Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v26)

**27** Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning van de Joden, waren gebeurd, [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v27)

**28** Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen deze zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten van deze wrede beesten, en zo naar het graf zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offergaven offerden en waar wij niet mogen ingaan, zei hij, in allerijl met vuur verbranden, en altijd in de as laten liggen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v28)

**29** Toen zijn de vrienden en familieleden zeer blij geworden en met vertrouwen vertrokken, en zij bestelden de soldaten op al de geschiktste plaatsen van de stad tot bewaring. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v29)

**30** En de overste van de olifanten heeft de beesten met zeer geurende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omstreeks de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v30)

**31** Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote woede vervullende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang van degenen, waarvan tevoren gesproken is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v31)

**32** Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan van het volk zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde van de ellendige verwachting. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v32)

**33** En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkaar, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v33)

**34** En anderen hadden de jonggeboren kinderen aan de borsten, om de laatste melk te zuigen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v34)

**35** Maar opnieuw, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren gebeurd waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Heere van alle schepselen, dat Hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten van de dood gesteld waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/5.html#v35)

### 3 Makkabeeën 6

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/6.json)

*1 Een oude godvruchtige priester, genaamd Eleazar, doet een algemeen gebed tot God, dat Hij hen wilde verlossen, zoals Hij eertijds zijn volk van Farao en Sanherib, en Daniël en zijn metgezellen, alsook Jona verlost had. 15 De koning komt naar de renbaan, en de Joden heffen een erbarmelijk geschreeuw aan. 16 God zendt twee engelen, schrikwekkend van gedaante, die het hele leger en de koning verschrikten, zodat de beesten zich omkeerden en het leger vertrapten en vernielden. 20 De toorn van de koning verandert in barmhartigheid, en hij wendt zich tot zijn vrienden, die hij scherp bestraft, 25 en laat alle Joden vrijlaten, die de HEERE daarover loven. 27 Hij laat de Joden spijs en drank bezorgen, die hen verblijden, 30 zoals ook de koning doet. 33 De Joden bepalen dat deze dag voortaan altijd gevierd zou worden, 37 en verzoeken de koning om te mogen vertrekken.*

**1** En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, één uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad zo: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v1)

**2** O machtige Koning, U opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van Uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader! [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v2)

**3** U hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige onverschrokkenheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hoogmoedige heerkracht en vernietigd, en het geslacht van Israël een licht van Uw barmhartigheid betoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v3)

**4** U hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de speer het hele land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen Uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en onverschrokkenheid lasterlijke woorden sprak, U, Heere, hebt hem gebroken en aan vele heidenen Uw macht openlijk bewezen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v4)

**5** U hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet één haar aan hen gekrenkt is, maar U zond de vlam tot al hun tegenstanders. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v5)

**6** U hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot voedsel van de wilde dieren, onbeschadigd weer in het licht gebracht; en U hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v6)

**7** Nu dan, o God, U vijand van overlast, U barmhartige, U beschermer van alle dingen, verschijn haastig aan degenen, die van het geslacht van Israël zijn, dat door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaad aangedaan wordt. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v7)

**8** En als ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand van deze vijanden, en U zelf, Heere, verderf ons met de dood, zoals het U believen zal. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v8)

**9** Laat hen, die maar zinloosheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als U Uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v9)

**10** Maar U eeuwige Heere, U die macht hebt, zie ons nu aan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v10)

**11** Ontferm U over ons, wij die door de goddelozen, alsof wij verraders waren, worden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v11)

**12** U heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, U die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v12)

**13** U bidt de hele menigte van de jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat U met ons bent, Heere, en dat U Uw aangezicht van ons niet hebt afgewend; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v13)

**14** Maar zoals U gezegd hebt, dat U hen, ook zijnde in het land van hun vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Heere. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v14)

**15** Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan het renperk. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v15)

**16** En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mee een weerklank gaven, en het hele heer tot een onbedwingelijk huilen bewogen werd. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v16)

**17** Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aangezicht vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, naast de Joden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v17)

**18** En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger van de vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en ook het lichaam van de koning werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote onverschrokkenheid. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v18)

**19** En de beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden hen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v19)

**20** En de toorn van de koning werd veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v20)

**21** Want als hij het geschreeuw hoorde en beschouwde dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo huilde hij en dreigde met toorn zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk van de van ons leven beroofd heidenen over uw on [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v21)

**22** U misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en u neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, in het geheim aanrichtende wat het rijk niet bevorderlijk is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v22)

**23** Wie heeft deze, die de vestingen van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v23)

**24** Wie heeft deze, die van het begin af in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren van de mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen? [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v24)

**25** Ontbind, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af wat door u tegenover hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v25)

**26** En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v26)

**27** Daarna keerde de koning weer in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat verder om feest te houden nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, waarin zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v27)

**28** Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd van het behoud, en vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val en naar het graf bereid was, in verscheidene gezelschappen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v28)

**29** En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weer aan de lofzangen van hun vaders, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken van de vreedzame blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v29)

**30** Evenzo hield ook de koning omwille van deze zaken een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v30)

**31** En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas van de vogels gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende onverschrokkenheid met oneer uitgeblust was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v31)

**32** Maar de Joden zoals wij tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v32)

**33** En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God gebeurd was. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v33)

**34** Daarna gingen zij tot de koning en vroegen verlof om naar huis te gaan. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v34)

**35** De dienaren nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; waarin ook de heerser van alle schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen samen ongedeerd verlost heeft. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v35)

**36** Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe; [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v36)

**37** Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud: [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/6.html#v37)

### 3 Makkabeeën 7

[Hoofdstuk als JSON](https://openvertaling.nl/data/llm/3makkabeeen/7.json)

*1 De brief van de koning aan al zijn stadhouders, om de Joden vrij naar huis te laten trekken, zonder hen op enige wijze te benadelen. 8 De Joden verzoeken dat zij degenen die van het Jodendom afgevallen waren, zouden mogen straffen, wat de koning toestaat, en het gebeurt. 11 Zij danken de koning en vertrekken. 16 Te Ptolomaïs aangekomen, hielden zij daar een vreugdemaaltijd, besloten opnieuw die dag altijd te vieren, en richtten daar een zuil op ter gedachtenis. 18 En ieder kreeg, thuisgekomen, weer het bezit van zijn goederen.*

**1** De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over de zaken van het land gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v1)

**2** Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestuurde zoals wij wensten, zo hebben sommigen van onze vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op één hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, zoals afvalligen, straffen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v2)

**3** En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand zouden hebben, om de vijandschap, die deze tegen alle volken hebben, totdat dit zou volbracht zijn. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v3)

**4** Die hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, zoals slaven, ja veel meer zoals verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v4)

**5** En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben tegenover alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en altijd voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmee zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoe die ook zij. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v5)

**6** En wij hebben een ieder bevolen, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen terugkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over wat hun buiten recht en reden overkomen is. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v6)

**7** Want u zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken of hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet één mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid, altijd in alles onvermijdelijk tot onze tegenstander zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v7)

**8** Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om meteen te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht van de Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v8)

**9** En zij wendden voor, dat die omwille van de buik de Goddelijke geboden overtreden hadden, nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden van de koning. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v9)

**10** En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over al zulke mensen, dat zij degenen, die de wet van God overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v10)

**11** Toen hebben zij de koning (zoals het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de hele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v11)

**12** En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te hebben. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v12)

**13** En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v13)

**14** Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting van hun behoudenis verkregen hadden vertrokken zoals uit de stad met allerlei zeer geurende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God van hun vaders, de heilige verlosser van Israël. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v14)

**15** Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, die vanwege de eigenschap van de plaats Rhodoforos genoemd werd, waar een vloot naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang op hen wachtte, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de koning beschikte goedwillig aan een ieder alle behoefte tot de reis, totdat zij thuis kwamen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v15)

**16** En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij als vreemdeling leefden. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v16)

**17** Aan welke zij ook tot een heilig gebruik een herinneringspilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door het gebod van de koning behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v17)

**18** En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij kregen allen het hunne uit de aantekening weer, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, omdat de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v18)

**19** De Verlosser van Israël zij te prijzen in de eeuwigheid. Amen. [bron](https://openvertaling.nl/bijbel/3makkabeeen/7.html#v19)
